^-ROOD,WITin BLA^^
der spreekoef^ngerfj^r ^
Hollandsch-lnlandsi^lcholen
•^CR^^
B 5o 132,dl.2
ROOD. WIT EN
BLAUW
TWEEDE VOORLOOPER
VAN
MIJN HOLLANDSCH BOEK
/? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;quot;nbsp;quot;quot;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;— -“■-- nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;- nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;■ nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;' nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;—.— —=51
ROOD, WIT EN BLAUW
TWEEDE VOORLOOPER
VAN
MIJN HOLLANDSCH BOEK
NAAR AANLEIDING DER SPREEKOEFENINGEN
VOOR
HOLLANDSCH-INLANDSCHE SCHOLEN
DOOR
J. W. CROES
ZEVENDE DRUK
RIJSWIJK (Z.-H.) — BLANKWAARDT amp;nbsp;SCHOONHOVEN
-ocr page 6-ZUID-HOLL. BOEK- EN HANDELSDRUKKERIÓ.
-ocr page 7-Voornaamwoorden.
N“. 1.
1. nbsp;nbsp;nbsp;De klerk schrijft een brief; A^ schrijft een brief
2. nbsp;nbsp;nbsp;De grasman snijdt gras; .......
3. nbsp;nbsp;nbsp;De jager schiet een vogel; .......
4. nbsp;nbsp;nbsp;De koelie hakt bamboe; .......
5. nbsp;nbsp;nbsp;De naaister naait een baadje; z^ . . . .
6. nbsp;nbsp;nbsp;De meid strijkt de jas;........
7. nbsp;nbsp;nbsp;Het ei valt uit het nest; Aet ......
8. nbsp;nbsp;nbsp;Het glas is leeg; ..........
9. nbsp;nbsp;nbsp;Het huis heeft een dak; .......
10. nbsp;nbsp;nbsp;Het scherm staat in de kamer; .....
11. nbsp;nbsp;nbsp;Het potlood heeft een punt; ......
12. nbsp;nbsp;nbsp;Het paard is sterk; .........
13. nbsp;nbsp;nbsp;Het schrift is vol; .........
14. nbsp;nbsp;nbsp;Het geweer hangt aan de muur; ....
15. nbsp;nbsp;nbsp;Het bord staat in de kast; ......
N’. 2.
1. nbsp;nbsp;nbsp;De worm kruipt over de grond; hj . . .
2. nbsp;nbsp;nbsp;De steen is zwaar; .........
3. nbsp;nbsp;nbsp;De rand is rond ; ..........
4. nbsp;nbsp;nbsp;De boom staat op het erf; ......
5. nbsp;nbsp;nbsp;De spiegel hangt aan de wand; .....
6. nbsp;nbsp;nbsp;De sleutel is in het slot; .......
7. nbsp;nbsp;nbsp;De vogel vliegt op het dak; ......
8. nbsp;nbsp;nbsp;De vinger is lang; .........
9. nbsp;nbsp;nbsp;De visch zwemt in het water; .....
10. nbsp;nbsp;nbsp;De theepot is leeg; .........
11. nbsp;nbsp;nbsp;De stal is achter het huis; ......
12. nbsp;nbsp;nbsp;Die brief is lang; .........
N®. 3.
Vragen,
1. nbsp;nbsp;nbsp;«. Kruipt de worm over de grond?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Kruipt Âÿ over de grond?
2. nbsp;nbsp;nbsp;«. Is de steen zwaar?
^. Is Azj zwaar?
Zoo doorgaan tof 12. (Zie oef. 2).
N®. 4.
1. nbsp;nbsp;nbsp;De griffel is rond; zij (ze) is rond.
2. nbsp;nbsp;nbsp;De vork ligt naast het bord; .......
3. nbsp;nbsp;nbsp;De krant ligt op de tafel; ........
4. nbsp;nbsp;nbsp;De geit eet gras; ...........
5. nbsp;nbsp;nbsp;De eend zwemt in de kali; .......
6. nbsp;nbsp;nbsp;De pajong staat achter het scherm; . . . .
7. nbsp;nbsp;nbsp;De tafel staat onder de spiegel; ......
8. nbsp;nbsp;nbsp;De gans is een groote vogel; .......
9. nbsp;nbsp;nbsp;De slang kruipt in het gras; .......
10. nbsp;nbsp;nbsp;De plank ligt over de kali; .......
11. nbsp;nbsp;nbsp;De naald is scherp; ..........
12. nbsp;nbsp;nbsp;De fiets staat onder de boom; ......
N«. 5.
Vraag het weer.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Is de griffel rond? Is ^^ÿ rond?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Ligt de vork naast het bord? Ligt ztj Zoo doorgaan tot 12.
NL 6.
Ik zie. — Ik hoor. — Ik roep.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Ik zie de heer; ik zie Aem.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Ik roep de kebon; ik roep . . . .
3. nbsp;nbsp;nbsp;Ik sla de jongen; ik sla .....
4. nbsp;nbsp;nbsp;Ik roep de kokkin; ik roep kaar (ze).
5. nbsp;nbsp;nbsp;Ik zie de meid; ik zie ......
6. nbsp;nbsp;nbsp;Ik hoor de baboe; ik hoor . . . .
7. nbsp;nbsp;nbsp;Ik hoor de hond; ik hoor hem.
8. nbsp;nbsp;nbsp;Ik zie de vogel; ik zie......
9. nbsp;nbsp;nbsp;Ik zie de vlinder; ik zie .....
10. nbsp;nbsp;nbsp;Ik zie de rups; ik zie kaar (ze).
11. nbsp;nbsp;nbsp;Ik roep de geit; ik roep .....
12. nbsp;nbsp;nbsp;Ik zie de eend; ik zie ......
NL 7.
Weer vragen.
1. Zie je de heer? Zie je kemf Zoo doorgaan tot 12.
NL 8.
1. Zie je de heer niet? Zie je kern niet?
TFeer doorgaan tot 12.
-ocr page 10-PL N’. 1.
N“. 9.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Roep de kebon ; roep Aem.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Roep de koetsier; roep .
3. nbsp;nbsp;nbsp;Sla die jongen ; sla. . .
4. nbsp;nbsp;nbsp;Vul de flesch ; vul . . .
5. nbsp;nbsp;nbsp;Schiet die vogel ; schiet .
6. nbsp;nbsp;nbsp;Roep de baboe ; roep . .
7. nbsp;nbsp;nbsp;Roep de meid ; roep . .
8. nbsp;nbsp;nbsp;Haal het glas; haal . .
9. nbsp;nbsp;nbsp;Neem het ei ; neem . .
10. nbsp;nbsp;nbsp;Hak het hout ; hak . .
11. nbsp;nbsp;nbsp;Vang de visch ; vang . .
12. nbsp;nbsp;nbsp;Sla de hond ; sla . . .
13. nbsp;nbsp;nbsp;Schrijf de brief; schrijf .
14. nbsp;nbsp;nbsp;Wasch het kopje ; wasch .
15. nbsp;nbsp;nbsp;Pluk de roos; pluk . .
N“. 10.
1. Roep de kebon niet; roep hem niet.
Doorgaan Éot 16.
N®. 11.
Er.
Zie de j)laatJes op de vollende 3 èladz^den.
-ocr page 12-Pl. N*. 2.
10
Pl. N®. 3.
Il
12
13
N«. 12.
1, nbsp;nbsp;nbsp;Haal geen boek ! Haal er geen !
2. nbsp;nbsp;nbsp;Pluk geen bloem!
Zoo doorgaan.
N’. 13.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Ruik aan de roos! Ruik er aan/
2. nbsp;nbsp;nbsp;Loop achter de kar ! . . . .
3. nbsp;nbsp;nbsp;Kruip onder het bed! ....
4. nbsp;nbsp;nbsp;Klim in de boom ! .....
5. nbsp;nbsp;nbsp;Slaap op de mat! .....
6. nbsp;nbsp;nbsp;Leun tegen de muur ! . . . .
7. nbsp;nbsp;nbsp;Baad in de kali! .....
9. nbsp;nbsp;nbsp;Snijd met het mes!.....
10. nbsp;nbsp;nbsp;Vaar in de prauw ! .....
12. nbsp;nbsp;nbsp;Rijd op het paard! .....
13. nbsp;nbsp;nbsp;Sla met de zweep! .....
16. nbsp;nbsp;nbsp;Zwem naar de boot! (Pas op /)
17. nbsp;nbsp;nbsp;Vlieg over de zee ! .....
18. nbsp;nbsp;nbsp;Slaap in het bed ! .....
NL 14.
1. Ruik niet aan de roos! Ruik er niet aan.'
Zoo doorgaan tot 18.
-ocr page 16-14
N“. 15.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Hij valt uit de boom, //ÿ va^é er uil.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Hij springt in de kali.
3. nbsp;nbsp;nbsp;Hij valt in het water.
4. nbsp;nbsp;nbsp;De hond zwemt naar de boot. (Pas oj)JJ
5. nbsp;nbsp;nbsp;De prauw vaart op de zee.
6. nbsp;nbsp;nbsp;De dief zit achter het scherm.
7. nbsp;nbsp;nbsp;De karbouw loopt voor de kar.
8. nbsp;nbsp;nbsp;De hond loopt onder de kar.
9. nbsp;nbsp;nbsp;De put staat naast het huis.
10. nbsp;nbsp;nbsp;De aap klimt in de boom.
11. nbsp;nbsp;nbsp;De boom staat voor het huis.
12. nbsp;nbsp;nbsp;De ketting is om de paal.
13. nbsp;nbsp;nbsp;De bal rolt onder de kast.
14. nbsp;nbsp;nbsp;Het kopje valt van de tafel. (^Pas qp/J
15. nbsp;nbsp;nbsp;Het water loopt uit de tuit.
16. nbsp;nbsp;nbsp;De lepel ligt naast de vork.
17. nbsp;nbsp;nbsp;Het paard gaat naar de stal. (Pas op/)
18. nbsp;nbsp;nbsp;Het gras is in de mand.
19. nbsp;nbsp;nbsp;De lei ligt op het boek.
20. nbsp;nbsp;nbsp;De koetsier staat voor het paard.
N». 16.
1. a. Valt hij uit de boom?
VaP At) er uiif
Zoo doorgaan foi 20. (Zie oef. ló).
-ocr page 17-15
Nquot;. 17.
1. a. Hij valt niet uit de boom.
b. H^ valt er niet uit.
Zoo doorgaan tot 20. (Zie oef. 16).
N“. 18.
1. a. Valt hij niet uit de boom?
b. J^alt hf er niet uit.^
Veer doorgaan tot 20.
-ocr page 18-Pl. N®. 5.
16
Pl. N“. 6.
17
7.
9.
10.
11.
J. W. Croes Rood, Wit en Blauw. Il,
12.
2
18
N». 19.
Nieuwe woorden.
kurk, oor, voet, steel, sleutel, mast, leuning, deksel, punt, slinger, klep.
1. nbsp;nbsp;nbsp;a. Op de flesch is een kurk.
è. JEr is een Auri op de /lescA.
Doorgaan toi 12.
N’. 20.
1. nbsp;nbsp;nbsp;a. Op deze flesch is een kurk.
6. nbsp;nbsp;nbsp;Op die flesch is geen kurk.
2. nbsp;nbsp;nbsp;a.....dit kopje is een oor.
i5. nbsp;nbsp;nbsp;. . . . dat kopje is geen oor.
N«. 21.
IVu nop eens zoo:
1. nbsp;nbsp;nbsp;Op deze flesch is een kurk; op die is er geen.
N“. 22.
Ün nu .•
1. nbsp;nbsp;nbsp;a. Dit is een flesch met een kurk.
6. nbsp;nbsp;nbsp;Dat is er een zonder kurk.
N“. 23.
^n nu vrapen.
1. nbsp;nbsp;nbsp;a. Is er een kurk op deze flesch?
1$. Ja, er is er een op.
a. nbsp;nbsp;nbsp;Is er een kurk op die flesch?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Neen, er is er peen op.
19
N®. 24.
Er af.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Het boek valt van de tafel. Het boek valt er a/.
2. nbsp;nbsp;nbsp;De hoed valt van de kapstok.
3. nbsp;nbsp;nbsp;De spiegel valt van de muur.
4. nbsp;nbsp;nbsp;De jongen valt van de brug.
5. nbsp;nbsp;nbsp;De knoop valt van de jas.
6. nbsp;nbsp;nbsp;De rups valt van het blad.
7. nbsp;nbsp;nbsp;De pen valt van de bank.
8. nbsp;nbsp;nbsp;De klok valt van de kast.
9. nbsp;nbsp;nbsp;Het boek valt van de lei.
10. nbsp;nbsp;nbsp;De aap valt van het dak.
N“. 25.
1. a. Het boek valt niet van de tafel.
(5. Het boek valt er niet af.
N”. 26.
1.
«. Valt het boek niet van de tafel ?
0. Valt het boek er niet af.^
-ocr page 22-20
N“. 27.
Er heen — Er naar toe.
1. nbsp;nbsp;nbsp;De prauw vaart naar de boot.
De prauw vaart er Àeen.
De prauw vaart er naar Zoe.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Het kind loopt naar de stoel.
3. nbsp;nbsp;nbsp;De bond zwemt naar de prauw.
4. nbsp;nbsp;nbsp;De heer loopt naar de soos.
5. nbsp;nbsp;nbsp;De hond loopt naar het hok.
6. nbsp;nbsp;nbsp;Het paard loopt naar de stal.
7. nbsp;nbsp;nbsp;De vrouw gaat naar de passar.
8. nbsp;nbsp;nbsp;De man gaat naar de pantjoeran.
9. nbsp;nbsp;nbsp;De vogel vliegt naar het nest.
10. nbsp;nbsp;nbsp;De man gaat naar de missigit.
|
N». 28. | |||||
|
1. |
| ||||
N“. 29.
1. Vaart de prauw niet naar de boot? Ja, de prauw vaart er wel Aeen. Neen, de prauw vaart er niet àeen.
-ocr page 23-21
23
|
N». 30. | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
N“. 31.
Wie is knap?
|
1. |
Wat doe je met een |
schaar ? Iamp; /enip er mee. | ||
|
2. |
}gt; nbsp;nbsp;nbsp;99 nbsp;nbsp;nbsp;99 |
33 |
lepel? | |
|
3. |
Jgt; |
91 nbsp;nbsp;nbsp;99 nbsp;nbsp;nbsp;)gt; |
33 |
glas? |
|
4. |
gt;gt; |
99 nbsp;nbsp;nbsp;99 nbsp;nbsp;nbsp;99 |
93 |
bed ? |
|
5. |
9) |
3, nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;99 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33 |
33 |
zweep ? |
|
0. |
Jgt; |
33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33 |
33 |
boek ? |
|
7. |
j^ |
33 nbsp;nbsp;nbsp;33 nbsp;nbsp;nbsp;33 |
33 |
bal? |
|
8. |
) J |
33 nbsp;nbsp;nbsp;33 nbsp;nbsp;nbsp;33 |
33 |
stoel ? |
|
9. |
gt;) |
33 nbsp;nbsp;nbsp;19 nbsp;nbsp;nbsp;33 |
33 |
hamer ? |
|
10. |
33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33 |
33 |
mat ? | |
|
11. |
gt;, |
33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;99 |
33 |
ladder ? |
|
12. |
JJ |
33 nbsp;nbsp;nbsp;33 nbsp;nbsp;nbsp;33 |
33 |
geweer ? |
|
13. |
}gt; |
33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33 |
33 |
kopje ? |
|
14. |
Jgt; |
33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;gt;3 |
33 |
bord ? |
|
15. |
ii |
33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33 |
33 |
pen ? |
24
N“. 32.
Er is.
1. nbsp;nbsp;nbsp;De hoed heeft een rand. J^r is een rand om de Aoed.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Het glas heeft een voet.
3. nbsp;nbsp;nbsp;De kan heeft een oor.
4. nbsp;nbsp;nbsp;De hamer heeft een steel.
5. nbsp;nbsp;nbsp;Het potlood heeft een punt.
6. nbsp;nbsp;nbsp;Het kopje heeft een oor.
7. nbsp;nbsp;nbsp;De gendie heeft een tuit.
8. nbsp;nbsp;nbsp;De bijl heeft een steel.
9. nbsp;nbsp;nbsp;De tafel heeft een poot.
10. nbsp;nbsp;nbsp;De speld heeft een kop.
N». 33.
Zeg het anders.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Sr liffi een brug over de kali. Over de kali li^t een èruÿ.
2. nbsp;nbsp;nbsp;JEr zit een vogel in de kooi.
3. nbsp;nbsp;nbsp;jßr is een man op het erf.
4. nbsp;nbsp;nbsp;Ür lifft een steen op de weg.
5. nbsp;nbsp;nbsp;Ilr is water in de kan.
6. nbsp;nbsp;nbsp;Ür staat een stoel tegen de muur.
7. nbsp;nbsp;nbsp;^r kruij)t een rups op het blad.
8. nbsp;nbsp;nbsp;jEt Aan^t een hoed aan de kapstok.
9. nbsp;nbsp;nbsp;Ür vaart een boot op de zee.
10. nbsp;nbsp;nbsp;JEr rijdt een kar over de brug.
25
N“. 34.
NOff eens:
1. nbsp;nbsp;nbsp;^r âanffi een jas in de kast.
2. nbsp;nbsp;nbsp;^r vliefft een vogel in de boom.
3. nbsp;nbsp;nbsp;Hr staat een flesch op de tafel.
4. nbsp;nbsp;nbsp;Hr staat een bed in de kamer.
5. nbsp;nbsp;nbsp;Hr tooff)t een hond onder de kar.
6. nbsp;nbsp;nbsp;Hr is een put achter het huis.
7. nbsp;nbsp;nbsp;Hr is een bord voor de klas.
8. nbsp;nbsp;nbsp;Hr tifft een brief op de tafel.
9. nbsp;nbsp;nbsp;Hr Aanfft een lamp in de kamer.
10. nbsp;nbsp;nbsp;Hr vatt een tak van de boom.
Pl. N». 9.
26
27
N». 35.
1. nbsp;Die hoed is mw mj; het is mijn hoed.
2. nbsp;Die hoed is van Jou; het is jouw hoed.
3. nbsp;Die hoed is van n; het is UW hoed.
4. nbsp;Die hoed is van /lem; het is zijn hoed.
5. nbsp;nbsp;nbsp;Die hoed is van Aaar; het is haar hoed.
6. nbsp;nbsp;nbsp;Die vork is van mij; .......
7. nbsp;nbsp;nbsp;Dat touw is van hem ;......
8. nbsp;nbsp;nbsp;Dit schrift is van u; ......
9. nbsp;nbsp;nbsp;Die stoel is van haar;......
10. nbsp;nbsp;nbsp;Die ring is van hem; ......
11. nbsp;nbsp;nbsp;Die speld is van jou; ......
12. nbsp;nbsp;nbsp;Dit potlood is van u; ......
13. nbsp;nbsp;nbsp;Die prauw is van mij;......
14. nbsp;nbsp;nbsp;Dit paard is van hem; ......
15. nbsp;nbsp;nbsp;Die naald is van haar; ......
Nquot;. 36.
yo^ een ^eer:
1. nbsp;nbsp;nbsp;Die geit is van mij; het is .
2. nbsp;nbsp;nbsp;Die fiets is van hem ; . . .
3. nbsp;nbsp;nbsp;Die bijl is van hem; .
4. nbsp;nbsp;nbsp;Dat bord is van haar; . .
5. nbsp;nbsp;nbsp;Dat schaap is van haar; .
6. nbsp;nbsp;nbsp;Die lepel is van hem;.
7. nbsp;nbsp;nbsp;Die grifiel is van mij ; . .
8. nbsp;nbsp;nbsp;Dat boek is van jou; .
9. nbsp;nbsp;nbsp;Die pajong is van u;.
10. nbsp;nbsp;nbsp;Die sabel is van hem;. .
11. nbsp;nbsp;nbsp;Die vogel is van u; . .
12. nbsp;nbsp;nbsp;Die vlieger is van jou;
28
13. nbsp;nbsp;nbsp;Dit glas is van jou;
14. nbsp;nbsp;nbsp;Dit huis is van hem; .
15. nbsp;nbsp;nbsp;Die schaar is van mij ;
N“. 37.
1. nbsp;nbsp;nbsp;«. is die hoed van m^f
è. Is het m2jn hoed?
Zoo doorgaan mei N”. 3ô en 36.
N». 38.
1. nbsp;nbsp;nbsp;a. Die hoed is niet van mÿ.
ô. Het is mijn hoed niet.
Zoo doorjaan.
N®. 39.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Die hoed is van mij; het is de mijne.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Die vork is van pn; het is de jouwe.
3. nbsp;nbsp;nbsp;Die pajong is van n; het is de uwe.
4. nbsp;nbsp;nbsp;Die hond is van Aem; het is de zijne.
5. nbsp;nbsp;nbsp;Dit glas is van kaar; het is het hare.
6. nbsp;nbsp;nbsp;Die brief is van hem;......
7. nbsp;nbsp;nbsp;Deze stoel is van haar; .....
8. nbsp;nbsp;nbsp;Die vork is van u; .......
9. nbsp;nbsp;nbsp;Dit mes is van hem; ......
10. nbsp;nbsp;nbsp;Dit potlood is van mij; .....
11. nbsp;nbsp;nbsp;Dit geweer is van hem; .....
12. nbsp;nbsp;nbsp;Dit huis is van haar; ......
13. nbsp;nbsp;nbsp;Deze vrucht is van haar; .....
14. nbsp;nbsp;nbsp;Deze bloem is van u; ......
15. nbsp;nbsp;nbsp;Die kooi is van mij; ......
29
N». 40.
No^ eens:
1. nbsp;nbsp;nbsp;Die lei is van hem; het is de zzj'ne.
2, nbsp;nbsp;nbsp;Dat boek is van hem; .....
3. nbsp;nbsp;nbsp;Die ladder is van jou;.....
4. nbsp;nbsp;nbsp;Die mand is van u; .....
5. nbsp;nbsp;nbsp;Die baboe is van jou;.....
6. nbsp;nbsp;nbsp;Die eend is van haar;.....
7. nbsp;nbsp;nbsp;Deze gans is van mij ;.....
8. nbsp;nbsp;nbsp;Deze hamer is van hem; ....
9. nbsp;nbsp;nbsp;Dit hok is van mij ; .....
10. nbsp;nbsp;nbsp;Deze vlieger is van hem;....
11. nbsp;nbsp;nbsp;Deze zweep is van jou; ....
12. nbsp;nbsp;nbsp;Die zaag is van hem; .....
13. nbsp;nbsp;nbsp;Dit touw is van jou; .....
14. nbsp;nbsp;nbsp;Die trompet is van haar; ....
15. nbsp;nbsp;nbsp;Deze tafel is van mij; .....
N“. 41.
1 nbsp;nbsp;nbsp;a. Die hoed is niet van mij.
Ô. Het is de m^ne niet.
Doorgaan mei JV'^. 39 en 40.
N». 42.
1 nbsp;nbsp;nbsp;a. Is die hoed van mij.^
6. nbsp;nbsp;nbsp;Is het de mijnef Zoo doorgaan.
N“. 43.
1 nbsp;nbsp;nbsp;a. Het is mijn hoed niet.
(5. Het is de mijne niet.
Weer doorgaan.
-ocr page 32-Pl. N'’. 10.
Welke stoel is van jou; die hooge of die lage?
-ocr page 33-31
NO. 44.
Welk? Welke?
Hei huis. Welk huis ?
|
He stoel. Welke stoel ? | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
Nquot;. 45.
Nieuwe woorden.
Goedkoop — duur ; nieuw — oud ; zoet — stout.
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
Welke stoel is van jou; die hooge of die lage? . . . paard . . . hem ; dat vette of nbsp;. . . prauw . . . hem ; nbsp;. . groote nbsp;... jas .....u;.. . . witte nbsp;. . . kooi .... hem; nbsp;. . groote nbsp;. . . tafel .... u;... . vierkante . . . glas nbsp;.... jou;. . . groote nbsp;. . . bloem . . . haar ; . . mooie
. . . bord .... mij ; . . . volle
. . . . ring nbsp;.... jou;. . . goedkoope. . ..?
-ocr page 34-Pl. N”. 11.
32
-ocr page 35-33
N“. 46.
Wie zijn hoed is dit?
Wie haar pajong is dit ?
|
1. |
Vraa^ nu eens .• Wie zijn hoed is dit ? De /toed van Seita^o. | ||
|
2. |
.*• • • |
jas . . | |
|
3. |
. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;• nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;■ |
hond . |
. ? |
|
4. |
bord . |
. ? | |
|
5. |
. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;« nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;• |
mes . |
. ? |
|
6. |
lepel . |
. ? | |
|
7. |
huis . |
. ? | |
|
8. |
vlieger |
. ? | |
|
9. |
kind . |
. ? | |
|
10. |
lei . . |
. ? | |
Nquot;. 47.
^n nu .•
1 . Wie haar pajong is dit? De pa^onÿ van Moena. 2 nbsp;nbsp;nbsp;.....lepel nbsp;. . .? 3.....vork nbsp;nbsp;. . .? 4 . . .. . boek nbsp;nbsp;. . .? 5.....lei . nbsp;nbsp;nbsp;. . . ? 6naald . . .? 7.....speld ... ?
8.....potlood . . ?
9.....pen. nbsp;nbsp;. . .?
10.....fiets nbsp;... ?
3
W. Croes, Rood, Wit en Blauw. II.
-ocr page 36-Pl.Nquot;. 12.
34
-ocr page 37-35
N’. 48.
Wat voor een?
1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.
8.
9.
10.
Wat voor een touw is dit, jongen . . , bloem . . , kind . . , .....jas . ., rand . . , .....prauw . . , school . . , .....pagger . . , schaar . . ,
een dik of een dun? . domme of . , . ? . leelijke of nbsp;. nbsp;nbsp;. nbsp;nbsp;.
. zoet nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;of nbsp;. nbsp;nbsp;. nbsp;nbsp;.
. witte nbsp;nbsp;nbsp;of nbsp;. nbsp;nbsp;. nbsp;nbsp;.
. breede nbsp;of nbsp;. nbsp;nbsp;. nbsp;nbsp;.
. groote, nbsp;of nbsp;. nbsp;nbsp;. nbsp;nbsp;.
. kleine nbsp;nbsp;of nbsp;. nbsp;nbsp;. nbsp;nbsp;.
N». 49.
|
No^ een Aeer: | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
36
37
38
39
Pl. N”. 17.
40
42
N’. 50.
0 verschrijven, waf er onäer de plaaijes siaat van 1 ioi 36.
N». 51.
Heeft.
1. nbsp;nbsp;nbsp;De klerk schrijft een brief.
lij heeji een hrief geschreven.
2. nbsp;nbsp;nbsp;De jager schiet .....
3. nbsp;nbsp;nbsp;De man slaat......
4. nbsp;nbsp;nbsp;De heer leest......
5. nbsp;nbsp;nbsp;De man schopt .....
6. nbsp;nbsp;nbsp;De huisjongen vult ....
7. nbsp;nbsp;nbsp;Het meisje plukt ....
8. nbsp;nbsp;nbsp;De heer rookt .....
9. nbsp;nbsp;nbsp;De visscher vangt ....
10. nbsp;nbsp;nbsp;De karbouw trekt ....
N®. 52.
Nop eens:
1. nbsp;nbsp;nbsp;De baboe draagt het kind.
De hahoe heefi hei hind pedrapen.
2. nbsp;nbsp;nbsp;De naaister naait .....
3. nbsp;nbsp;nbsp;De meid strijkt ......
4. nbsp;nbsp;nbsp;De jongen plukt......
5. nbsp;nbsp;nbsp;De meid schilt ......
6 nbsp;nbsp;nbsp;De kokkin bakt ......
7. nbsp;nbsp;nbsp;De jongen slijpt......
8. nbsp;nbsp;nbsp;De huisjongen veegt ....
9. nbsp;nbsp;nbsp;De kokkin slacht .....
10. nbsp;nbsp;nbsp;De kat vangt.......
43
N“. 53.
Zie de plaatjes oj )Hz. 21 en 22.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Hij knipt met een schaar.
H^ heeft mei een schaar ^ehnipi.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Hij steunt op een stok.
3. nbsp;nbsp;nbsp;Hij gooit met een steen.
4. nbsp;nbsp;nbsp;Zij speelt met de hond.
5. nbsp;nbsp;nbsp;Hij wuift met de hoed.
6. nbsp;nbsp;nbsp;Hij klopt met een hamer.
7. nbsp;nbsp;nbsp;Hij klapt met de zweep.
8. nbsp;nbsp;nbsp;Zij ruikt aan de roos.
9. nbsp;nbsp;nbsp;Hij likt met de tong.
N». 54.
Ais oef. 63.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Hij snijdt met een mes.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Hij prikt met een speld.
3. nbsp;nbsp;nbsp;Zij sluit met een sleutel.
4. nbsp;nbsp;nbsp;Het paard staat in de stal.
5. nbsp;nbsp;nbsp;Hij eet met een lepel.
6. nbsp;nbsp;nbsp;Zij kijkt in de spiegel.
7. nbsp;nbsp;nbsp;Ik loop onder de pajong.
8. nbsp;nbsp;nbsp;Hij rijdt op de fiets.
9. nbsp;nbsp;nbsp;Wie trekt aan het touw ?
44
N’. 55.
(Zie N’'. ólj.
1. nbsp;nbsp;nbsp;De klerk heeft geen brief geschreven.
2. nbsp;nbsp;nbsp;De jager heeft geen ...cc.
Zoo doorgaan ioi 10.
N». 56.
OoA zoo doen met N°. 63.
1. Hij heeft niet met een schaar geknipt. enz.
N’. 57.
(Zie IV'’. 64J.
1. Hij heeft niet met een mes gesneden. enz.
N“. 58.
(Zie N^ 61).
1. Heeft de klerk een brief geschreven? Ja, hij heeft er een geschreven. Neen, hij heeft er geen geschreven.
N“. 59.
fZie Æ». 63).
1. Heeft hij met een schaar geknipt? Ja, hij heeft er mee geknipt. Neen, hij heeft er niet mee geknipt.
-ocr page 47-45
N“. 60.
rZ«e J^®. Ô4).
1. Heeft hij met een mes gesneden ? Ja, hij heeft er mee gesneden. Neen, hij heeft er niet mee gesneden.
N”. 61.
Nu — zoo even (juist).
(Zie N\ Ô1J.
1. Nu schrijft de klerk geen brief. Hij heeft er 200 even een geschreven.
-ocr page 48-Pl. N”. 19.
46
Pl. N’. 20.
47
48
Nquot;. 62.
Is.
Oversc/iff^ven, wat er ondef de plaatjes staat van 1 tot 12.
N“. 63.
1. Hij is niet in de boom geklommen.
Zoo doorgaan.
N“. 64.
1. Is hij in de boom geklommen?
Ja, hij is er in geklommen.
Neen, hij is er niet in geklommen.
Zoo doorgaan.
Nquot;. 65.
1. Ik klim in de boom.
Ik 6en in de boom geklommen.
Zoo doorgaan met ik.
N“. 66.
Ooi met je.
1. Je klimt in de boom.
Je 6ent in de boom geklommen.
Je 6ent niet in de boom geklommen.
-ocr page 51-49 Geweest.
4
-ocr page 52-50
51
N“. 67.
Overschrijven, wat onder de _ptaat^es staat van 1 tot 12.
N’. 68.
Vut in ;
1. nbsp;nbsp;nbsp;Het mes is scherp; het is ... . geweest.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Dat boek is vuil ; ........
3. nbsp;nbsp;nbsp;Die jongen is groot; .......
4. nbsp;nbsp;nbsp;Ik ben knap;..........
5. nbsp;nbsp;nbsp;Ik ben sterk;..........
6. nbsp;nbsp;nbsp;Papa is oud ; ..........
7. nbsp;nbsp;nbsp;De hond is groot ; . . .• .....
8. nbsp;nbsp;nbsp;De lei is schoon ; ........
9. nbsp;nbsp;nbsp;Het kind is zoet; ........
10. nbsp;nbsp;nbsp;De padi is duur ; ........
N“. 69.
Nu — nooit.
1. nbsp;Nu ben ik knap. Ik ben nooit dom geweest.
2. nbsp;Nu ben ik sterk.
3. nbsp;Nu ben ik dik.
4. nbsp;Nu ben ik schoon.
Ooh met je en hij.
-ocr page 54-Pl. N“. 23.
52
53
N®. 70.
Te — Veel te.
/Nieuwe woorden: neus, mond, kin, oor, hals, buik.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Die neus is te lang, veel te lang.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Die mond is te groot, ....
3. nbsp;nbsp;nbsp;Die kin is te spits, .....
4. nbsp;nbsp;nbsp;Die hand is te klein , nbsp;nbsp;. . ..
5. nbsp;nbsp;nbsp;Dat oor is te groot, .....
6. nbsp;nbsp;nbsp;Dat been is te kort, .....
7. nbsp;nbsp;nbsp;Die hals is te dun, .....
8. nbsp;nbsp;nbsp;Die buik is te dik, .....
9. nbsp;nbsp;nbsp;Die broek is te wijd, ....
10. nbsp;nbsp;nbsp;Die rug is te recht, .....
N®. 71.
Ooi: zoo .•
1. Wat is die neus lang!
Zoo doorgaan tot 10.
N®. 72.
En nu nog eens zoo .•
1. Wat een lange neus heeft die man! Zoo doorgaan tot 10.
-ocr page 56-Pl. N“. 24.
54
65
56
N“. 73.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Deze jongen heeft veel te hard geloopen. Zoo doorgaan tof 10.
N’. 74.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Heeft deze jongen te hard geloopen? Ja, veel te hard. Neen, niet te hard.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Heeft die jongen te langzaam geloopen? Ja, veel te langzaam. fZeer doorgaan tot 10.
N’. 75.
Oo^ zoo ;
1. Wat loopt deze jongen hard !
N®. 76.
^n nu no^ eens zoo .•
1. Zie, hoe hard deze jongen loopt!
N’. 77.
Hier en daar.
t^Zie ptaat N°. 26—30).
ScAr^f eens op , wat er onder de plaatjes moet staan.
-ocr page 59-Pl. N“. 26.
57
Hier en daar.
62
Hoe laat is het?
64
Nquot;. 78.
Hoe laat is het?
(Zie ^laat N°. 31—32).
Sc/mjf het zelf op.
N“. 79.
Wanneer ?
|
1. 2. |
Om Om |
hoe laat sta je op ? hoe laat ga je naar de badkamer? (dadelijk). | ||
|
3. |
Om |
hoe |
laat |
ga je naar school ? |
|
4. |
Om |
hoe |
laat |
begint de school ? |
|
5. |
Om |
hoe |
laat |
ga je naar huis ? |
|
6. |
Om |
hoe |
laat |
ga je naar buiten ? |
|
7. |
Om |
hoe |
laat |
komt de zon op ? |
|
8. |
Om |
hoe |
laat |
gaat de zon onder ? |
|
9. |
Om |
hoe |
laat |
ga je naar bed ? |
|
10. |
Om |
hoe |
laat |
eet je ? |
65
N“. 80.
|
Wanneer ? | ||||||||||||||||||||
|
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wanneer ga je niet naar school?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wanneer ga je naar de missigit?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wanneer is het hier passar?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wanneer slaap je?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Wanneer lees je thuis in je boek?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Wanneer kookt de kokkin?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Wanneer eet je?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Wanneer gaat de zon onder?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Wanneer komt de zon op ?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Wanneer zie je een ster ?
N“. 81.
Wordt.
1. nbsp;nbsp;nbsp;De klerk schrijft. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;De brief worein geschreven.
2. nbsp;nbsp;nbsp;De jager schiet. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;De vogel ......
3. nbsp;nbsp;nbsp;De man slaat. ..........
4, nbsp;nbsp;nbsp;De heer leest. ..........
ó. De man schopt. ..........
O. De huisjongen vult...........
7. nbsp;nbsp;nbsp;Het meisje plukt...........
8. nbsp;nbsp;nbsp;De heer rookt. ..........
9. nbsp;nbsp;nbsp;De visscher vangt...........
10. nbsp;nbsp;nbsp;De karbouw trekt...........
J. W. Croea, Bood, Wit en Blauw. II.
5
-ocr page 68-66
N». 82.
Wordt.
1. nbsp;nbsp;nbsp;De baboe draagt. Het kind wordt gedragen.
2. nbsp;nbsp;nbsp;De naaister naait. ......•. . .
3. nbsp;nbsp;nbsp;De meid strijkt. .........
4. nbsp;nbsp;nbsp;De jongen plukt. .........
5. nbsp;nbsp;nbsp;De meid schilt. .........
6. nbsp;nbsp;nbsp;De kokkin bakt.
7. nbsp;nbsp;nbsp;De jongen slijpt. .........
8. nbsp;nbsp;nbsp;De huisjongen veegt..........
9. nbsp;nbsp;nbsp;De kokkin slacht. .........
10. nbsp;nbsp;nbsp;De kat vangt. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;.........
N’. 83.
Heeft - Is.
1. nbsp;nbsp;nbsp;De klerk heeft geschreven.
De brief is geschreven.
2. nbsp;nbsp;nbsp;De jager heeft geschoten.
De vogel is geschoten.
Zoo doorgaan met oef. 81 en 82.
-ocr page 69-67
N®. 84.
Moet worden.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Een bot mes moet geslepen worden.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Lang haar moet .... worden.
3. nbsp;nbsp;nbsp;Lang gras ....
Ze^ Aet ooA eens van:
4. nbsp;nbsp;nbsp;een leege flesch ;
5. nbsp;nbsp;nbsp;een mooie roos ;
6. nbsp;nbsp;nbsp;een vuile jas ;
7. nbsp;nbsp;nbsp;een vuil ei ;
8. nbsp;nbsp;nbsp;een vuile schoen ;
9. nbsp;nbsp;nbsp;een vuile muur ;
10. nbsp;nbsp;nbsp;een vuile vloer ;
11. nbsp;nbsp;nbsp;een rijpe klapper;
12. nbsp;nbsp;nbsp;een stoute hond;
13. nbsp;nbsp;nbsp;een doode boom ;
14. nbsp;nbsp;nbsp;een doode slang;
15. nbsp;nbsp;nbsp;een dood mensch;
16. nbsp;nbsp;nbsp;een oud huis;
17. nbsp;nbsp;nbsp;een oude kip ;
18. nbsp;nbsp;nbsp;een luie jongen;
19. nbsp;nbsp;nbsp;een dolle hond;
20. nbsp;nbsp;nbsp;een mooi boek.
Nieuwe woorden: weggegooid, gepoetst, gewit, omgehakt, begraven, afgebroken, gestraft, doi.
-ocr page 70-Pl. N». 33.
68
69
LESJES OM TE LEZEN EN OVER TE SCHRIJVEN.
Nquot;. 85.
De stoute Karel.
Karel is stout geweest. Hij heeft baboe met een steen gegooid. Hij heeft haar aan het hoofd geraakt. Nu krijgt hij straf van zijn mama. Zij slaat hem met de slof voor de broek. Wat huilt hij !
Nieuwe woorden. -steen, geraakt, krijgt, slof, huilt.
N’. 86.
Seaniwoord de vollende vragen .•
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wie krijgt voor zijn broek?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wie is boos op hem?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wat heeft A^ gedaan?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Waar heeft hj haar geraakt?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Doet dat baboe pijn?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet ze dan ook erg?
NL 87.
No^ eens:
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat heeft Karet gedaan?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is dat van hem?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Waar heeft hj haar geraakt?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Heeft Aaèoe veel of weinig pijn?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet ztj er van?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe wordt ztÿn mama op hem?
T. Wat geeft ze hem met de slof? (pak....)
8. nbsp;nbsp;nbsp;Waar moet hij misscAien naar toe? (bed).
9. nbsp;nbsp;nbsp;Is dat een goede straf voor hem?
71
N“. 88.
Kromo klimt in de boom. Hij heeft daar een nest gezien. Misschien is er wel een ei in. Ja, de vogel heeft er een ei in gelegd. Dat is voor hem. Hij doet het onder zijn hoofddoek. Langzaam glijdt hij uit de boom.
Nieuwe woorden: misschien, ei, gelegd, hoofddoek, glijdt.
N®. 89.
Neaniwoord de vollende vragen .•
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wie is die kleine jongen?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat heeft hij 6oven in de boom gezien ?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wat zit er misschien in ?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet hij nuf
5. nbsp;nbsp;nbsp;Is hij ffauw bij het nest ?
ß. Wat ziet Ai/ er in ?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Wie heeft dat daarin gelegd?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Waar laat Atj het ei?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Waarom doet hij dat ? (Anders .... misschien).
I0. nbsp;nbsp;nbsp;En wil hij dat graag ?
73
N®. 90.
Het meisje zit aan de tafel. Zij eet lekkere rijst. Die heeft de huisjongen op haar bord geschept. Wat eet zij lekker! Eet niet te veel, kleine meid! Anders word je ziek. Nieuwe woorden: rijst, word.
N®. 91.
Beaniwoord de vollende vraten:
1. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe laat is Zieii’ (1 uur).
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waar komt dai meisje vandaan? (school).
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wat heeft sef (honger).
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wat eet ze dan dadelijk? (wat rijst).
5. nbsp;nbsp;nbsp;Wie heeft die op haar bord geschept?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe smaakt het haar?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Wat staat voor haar?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Wanneer drinkt zij er van? (Na het eten).
9. nbsp;nbsp;nbsp;En wat eet zij dan oo^ nog?
N®. 92.
De hond ligt onder de tafel. Dat ziet de kleine Kees. Hij kruipt onder de tafel. Hij trekt de hond aan het oor. Dat vindt Fik niet plezierig. Hij loopt hard naar buiten. Nu wordt hij niet meer geplaagd.
Nieuwe woorden: plezierig, buiten.
N«. 93.
Beantwoord de vot^ende vragen:
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wie is dat stoute ventje?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waar kruipt hj onder?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wie ligt daar i’
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet Atj hem?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Doet hem dat pijn of niet?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Afaar hoe vindt hij het toc/i niet?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet bij daarom.'’
8. nbsp;nbsp;nbsp;Door wie wordt hij nu niet meer geplaagde
75
N’. 94.
Er kruipt een slang op het erf. Voor een slang ben ik bang. Vroeger heeft een slang mij gebeten. Toen ben ik lang ziek geweest. Ik gooi die slang dood met een groote steen.
Nieuwe woorden: bang, vroeger, gebeten, dood.
N“. 95.
Seaniwoord de vollende vragen .•
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat ziet Pario op de weg?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat neemt hj van de grond op en wat doet hij er mee?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Raakt A^ ze dadelijk?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Hoeveel keer heeft hij wel gegooid?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Wat neemt hij elAe keer weer op ? (andere steen).
6. nbsp;nbsp;nbsp;Waar raakt hij ze eindehÿA i’ (kop).
7. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is de slang dadel^A f
8. nbsp;nbsp;nbsp;Wat heeft ze gelukkig niemand gedaan?
77
N“. 96.
Wie is dat? Wel, dat is de kleermaker. Hij maakt een jas voor mijn papa. Eén jas heeft hij al klaar. Nu maakt hij nog een andere. Hij naait op een machine. Soms gebruikt hij een naald.
Nieuwe woorden. -kleermaker, maakt, al, klaar, andere, machine, soms, gebruikt.
N’. 97.
Bean/woord de vollende vragen .•
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wie is datf
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waar zit A^.^ (achtergalerij — matje).
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wat maakt hij?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Hoeveel heeft hij er al klaar ?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Waar heeft hij die gehangen?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Waar is hij nu mee bezig? (andere).
7. nbsp;nbsp;nbsp;Om hoe laat gaat hij naar huis?
8, nbsp;nbsp;nbsp;Wat heeft hij dan verdiend ?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Is dat veel of weinig ?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Wanneer komt hij terug?
79
N’. 98.
Hong is ziek. Hij heeft buikpijn. Hij heeft te veel roedjak gegeten. Hoor, hoe hij kermt van pijn ! Zijn papa heeft de dokter geroepen. Die komt straks. Hij geeft hem^ obat. Misschien is de pijn dan gauw over.
Nieuwe woorden: buikpijn, kermt, pijn, straks, over.
N’. 99.
Beantwoord de vollende vragen:
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wie is dat zieke jongetje?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet hj van pijn?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Waar heeft A^ pijn?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wat heeft hj gedaan?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Waar ligt hij nu op?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Wie komt dadelijklt;quot;
7. nbsp;nbsp;nbsp;Door wie is die geroepen?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Wat geeft de dokter hem dan.^
9. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is de pijn dan gauw? (voorbij).
81
N“. 100.
Wat doet Herman daar? Hij speelt met zijn vlieger. Wat een mooie vlieger is dat! Wie heeft die voor hem gemaakt? Ketjil, de huisjongen. Wat kan hij dat mooi! Wat staat die vlieger laag! Er is geen wind. Ik maak ook een vlieger. Ik koop veel touw. Dan gaat mijn vlieger hoog in de lucht.
Nieuwe woorden: wind, lucht.
N“. 101.
Seantwoord de vollende vraten:
1. nbsp;nbsp;nbsp;Waar speelt Herman mee?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waar doet hij daif (aloon-aloon).
3. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe staat z^n vlieger?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wat heeft A^ dan ook, veel of weinig touw?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Waar heeft hij dat touw op? (groote klos).
6. nbsp;nbsp;nbsp;Wie heeft die vlieger voor hem gemaakt?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Waar heeft hij het papier er voor gekocht?
8. nbsp;nbsp;nbsp;En de bamboe? (zelf gesneden).
9. nbsp;nbsp;nbsp;Is h^ dus een knappe of een domme huisjongen?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Heeft jouw huisjongen ook wel eens een vlieger voor je gemaakt?
11. nbsp;nbsp;nbsp;Kan die het ook zoo goed als Ketjil?
J. W. Croes, Bood, Wit en Blauw. 11.
-ocr page 84- -ocr page 85-83
N». 102.
Karto wordt door de onderwijzer geroepen. Waarom, denk je? Wel, hij heeft een jongen geslagen. Dat mag niet. Karto is bang voor de onderwijzer. Zie, wat huilt hij! Ja, Karto is erg stout geweest. Gauw naar je plaats! Vecht nooit meer!
Nieuwe woorden: waarom, mag, erg, plaats.
nooit meer.
N». 103.
Neaniwoord de vollende vragen .•
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat heeft dat kleine kereltje gedaan?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Mag dat wel?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Maar hoe is hij zetter op hem geweest? (boos).
4. nbsp;nbsp;nbsp;En wat heeft hij hem toen gedaan ?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Wat wordt hij nu gedaan? (voor de klas).
6. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe ziet zijn onderwijzer hem aan ?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet Karto daarom f
8. nbsp;nbsp;nbsp;Waar stuurt Aj hem heen?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Wat zegt Aj hem ? (erg ondeugend).
Pl. N”. 41.
84
85
N“. 104.
Wie is dat? Dat is Hiep Hap Ho. Waar gaat hij heen? Wel, naar de school. Hij heeft een lei en een boek onder de arm. Wat voor een boek is dat? Ben Hollandsch boek. Daar leest hij in. Hij leest al goed. Hij begrijpt het Hollandsch ook al een beetje.
Nieuwe woorden: srm , Hollandsch, begrijpt, een beetje.
N“. 105.
Geantwoord de vollende vraten :
1. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe heet die jongen?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Is Aet een Hollandsche of een Chineesche jongen?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Waar is hj naar toe geweest?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Waar gaat hj mee naar huis? (lei — boek).
5. nbsp;nbsp;nbsp;Waar heeft hij dief
6. nbsp;nbsp;nbsp;Wat heeft hij op school gedaan?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Wat leert hij daar f (van alles).
8. nbsp;nbsp;nbsp;Wat kent hij oot cal een beetje ?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Leert hij dat ook op school ?
Pl. N». 42.
86 Zieh.
Pl. N». 43.
87
88
N“. 106,
OverscAnyven, waf er oncfer de j)faafJes sfaaf.
N“. 107.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Ik wasch fmÿ. Ik heb mij gewasschen.
N“. 108.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Ik wasch mij niet. Ik heb mij niet gewasschen.
N”. 109.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Jij wascht je. Jij hebt je gewasschen.
N“. 110.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Jij wascht je niet. Jij hebt je niet gewasschen,
N“, 111.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Heb je je gewasschen?
Nquot;. 112.
Vragen.
l. Waarmee wascht hij zieh?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee snijdt hij zieh ?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee scheert hij zich ?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Waarin baadt hij zich?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Waar siramt hij zich ?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Waar kleedt hij zich?
Ooi:
1. Hij heeft zich met zeep gewasschen.
Nieuwe woorden: zeep, scheermes, put.
-ocr page 91-90
91
Nquot;. 113.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Een nangka is ^roo/er dan een papaja.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Een muis
Nquot;. 114.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Een papaja is kleiner dan een nangka.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Een rijksdaalder is grooter .....
3. nbsp;nbsp;nbsp;Een heuvel is lager .......
4. nbsp;nbsp;nbsp;Een scheermes is scherper . . . . •
5. nbsp;nbsp;nbsp;Een karbouw is sterker ......
6. nbsp;nbsp;nbsp;Een haar is dunner ........
7. nbsp;nbsp;nbsp;Een prauw is kleiner .......
8. nbsp;nbsp;nbsp;IJzer is zwaarder ........
9. nbsp;nbsp;nbsp;Goud is duurder ........
10. nbsp;nbsp;nbsp;Een sawoe is lekkerder ......
11. nbsp;nbsp;nbsp;Een teen is korter........
12. nbsp;nbsp;nbsp;Een djeroek is sappiger ......
Nieuwe woorden: heuvel, berg, draad, ijzer, blik, goud, zilver; laag — lager; zwaar — zwaarder; duur — duurder; lekker — lekkerder; sappig — sappiger.
|
N®. 115. Niet zoo groot als. | |||||||||||||||||||||||||||||||||
| |||||||||||||||||||||||||||||||||
93
N“. 116.
Dirk is net zoo ^root (even ^root) ats Jan.
Jan is kleiner dan Mina.
|
1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10. |
Dirk is net zoo groot als Jan. Dit water is net zoo koud als ijs. Dit mes nbsp;nbsp;nbsp;— scherp — scheermes. Stroop nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;— zoet nbsp;nbsp;— suiker. Deze vogel — groot nbsp;— kip. Deze draad — dun nbsp;nbsp;— haar. Deze man nbsp;— sterk nbsp;— paard. Thee nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;— lekker — koffie. Die jongen — dom nbsp;— karbouw. Die kist nbsp;nbsp;nbsp;— zwaar — lood. |
JVieuwe woorden: water, ijs, suiker, iood, thee, koffie.
-ocr page 96-94
95
16. Die vlieger staat hooger.
96
N». 117.
0verscArtjven, wat er onder de plaatjes staat.
N®. 118.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Deze jongen heeft tarder geloopen dan die.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Dit meisje heeft mooier geschreven dan dat.
Zoo doorgaan.
N». 119.
(Zoek Aet plaatje op, dat staat 6J 2Vo, ^OJ
Teeken niet zoo leelijk, Tisno!
1. nbsp;nbsp;nbsp;Maak die neus wat korter.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Maak die mond wat ....
Zoo doorgaan tot 10.
-ocr page 99- -ocr page 100-Pl. N®. 49.
97
N». 120.
|
Welke kleur ? | |||||||||||||||||||||||||||||
|
, vlag | ||||||||||||||||||||||||||||
N“. 121.
Word — Wordt.
1. nbsp;Het blad is groen, maar het wordÉ geel.
3. nbsp;Nu is hij dom, maar hij wordt .
4. nbsp;Het haar is zwart, maar het wordt.
ß. nbsp;Nu is zij leelijk, maar zij wordt.
11. nbsp;Nu is hij mager, maar hij wordt
j W Croes, Bood, Wit en Blauw. U.
-ocr page 102-98
NO. 122.
Geweest — Geworden.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Het blad is groen geweest.
Het blad is geel geworden.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Het water is koud ^eweesi.
Het water is warm geworden.
Zoo doorgaan tot 12.
N». 123.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Is het blad groen geweest ? Is het blad geel geworden ?
Zoo doorgaan.
N». 121.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Een groen blad wordt geel.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Een jonge man wordt .
3. nbsp;nbsp;nbsp;Koud water wordt .
4. nbsp;nbsp;nbsp;Zwart haar wordt .
5. nbsp;nbsp;nbsp;Een dom kind wordt .
6. nbsp;nbsp;nbsp;Een dunne boom wordt .
7. nbsp;nbsp;nbsp;Een lange sigaar wordt.
8. nbsp;nbsp;nbsp;Een scherp mes wordt . .
9. nbsp;nbsp;nbsp;Een mager varken wordt .
10. nbsp;nbsp;nbsp;Een schoone jas wordt. .
11. nbsp;nbsp;nbsp;Een verseh ei wordt. .
12 nbsp;nbsp;nbsp;Een nieuwe lei wordt .
99
Eenvoudige samengestelde zinnetjes.
N®. 125.
Ik zeg.
(Zie 121).
1. nbsp;nbsp;nbsp;11: zeff, dat het blad groen is.
2. nbsp;nbsp;nbsp;11: zeg, dat het water koud is.
N®. 126.
Ik zie.
IA zie, dat het glas leeg is.
Zoo doorgaan met:
1. nbsp;nbsp;nbsp;broek — te wijd; nbsp;nbsp;nbsp;6. weg — recht; nbsp;11. heer nbsp;— rijk;
2. nbsp;nbsp;nbsp;neus — te lang; nbsp;nbsp;nbsp;7. boek — vuil; nbsp;nbsp;12. griffel — dun;
3. nbsp;nbsp;nbsp;mes — te scherp; nbsp;8. boom — dik; nbsp;nbsp;nbsp;13. paard — vet ;
4. nbsp;nbsp;nbsp;hond — leelijk; nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;9. jas nbsp;— oud; nbsp;nbsp;14. touw — dik;
5. nbsp;nbsp;nbsp;boom — hoog; nbsp;nbsp;nbsp;10. man — arm; nbsp;nbsp;15. blad — groen
N®. 127.
Ik zie,
IA zie, dat de jongen hard loopt.
Op deze manier doen met:
1. nbsp;nbsp;nbsp;De heer groet beleefd.
2. nbsp;nbsp;nbsp;De vlieger staat hoog.
3. nbsp;nbsp;nbsp;De trein loopt hard.
4. nbsp;nbsp;nbsp;De slang kruipt langzaam.
5. nbsp;nbsp;nbsp;Het meisje springt hoog.
6. nbsp;nbsp;nbsp;De jongen schrijft slordig.
7. nbsp;nbsp;nbsp;De vogel vliegt hoog.
8. nbsp;nbsp;nbsp;De vrouw loopt krom.
9. nbsp;nbsp;nbsp;Het meisje teekent leelijk.
10. nbsp;nbsp;nbsp;Het paard loopt vlug.
100
Nquot;. 128.
1 nbsp;nbsp;nbsp;Ik zie, dat het glas niet leeg is.
Zoo doorgaan met oef. 126.
N». 129.
2 . Ik heb gezien, dat de heer niet beleefd heeft gegroet. Zoo doorgaan met oef. 127.
N*. 130.
1. Ik vraag, of het blad groen is.
Zie oef. 121 en 126.
N«. 131.
1. Ik vraag, of de heer beleefd groet.
Zie oef. 127.
Nquot;. 132.
1.
Ik vraag, of de heer beleefd heeft gegroet. (*)
(*) De onderwijzer make verder zelf de noodige variaties.
-ocr page 105-101
Allerlei vragen.
' nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;N“. 133.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet de kleermaker met een schaar?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Aan wie heb je een brief geschreven? Ik. . .
3. nbsp;nbsp;nbsp;Waaruit heb je water gedronken ? Ik .
4. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee snijdt de grasman gras?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Heeft de huisjongen de vloer al geveegd? Neen,
6. nbsp;nbsp;nbsp;Heb je een lei of heb je er geen? Neen, . .
7. nbsp;nbsp;nbsp;Ben je stout geweest? Neen........
8. nbsp;nbsp;nbsp;Heeft de jager een vogel geschoten ? Neen , . .
9. nbsp;nbsp;nbsp;Is die steen zwaar? Neen,........
10. nbsp;nbsp;nbsp;Heb je de baboe geroepen? Neen, .....
N«. 134.
1 nbsp;nbsp;nbsp;Waar is de dief achter gekropen ?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Is de jongen uit de boom gevallen? Neen, . .
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wat voor een boek is di(, een dik of een dun?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Is dat jouw griffel? Ja,. ........
5. nbsp;nbsp;nbsp;Waarin doet de grasman het gras?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is er in de gendie?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Wat staat in de school voor de klas?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Welke lei is van jou, die groote of die kleine?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is goedkooper, goud of zilver ƒ
10. nbsp;nbsp;nbsp;Wie zijn boek is ditf
102
N». 135.
1. nbsp;nbsp;nbsp;In wat voor een huis woont de resident?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Heb je al gegeten? Ja,...........
3. nbsp;nbsp;nbsp;Ben je bang geworden voor die leelijke man ? Neen, . .
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wat heeft de meid gestreken?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee heeft de koetsier het paard geslagen ?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Ben je ziek geweest? Neen, .........
7. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe schrijft de onderwijzer op het bord ?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Heb je je les al gelezen? Neen,........
9. nbsp;nbsp;nbsp;Is zÿn broek te lang of te kort ?
lO. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe heeft de klerk de brief geschreven ?
N’. 136.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is grooter, een papaja of een nangka ?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Door wie wordt de hond geslagen?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Door wie is de mandibak gevuld ?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Waar heeft de man zich gebaad ?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Heb je je al gewasschen? Ja, ik........
6. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is scherper dan een mes?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is dunner, een haar of een draad?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is je bloed?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Wat heb je mij gevraagd ? (netjes — schrijf). Ik . .
10. nbsp;nbsp;nbsp;Heeft hij netjes geschreven? Neen,.......
103
N“. 137.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Waar is de huisjongen naar toe geweest? (toko).
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waar is de jongen in geklommen? (boom).
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wat heeft Aÿ er uit gehaald? (nest).
4, nbsp;nbsp;nbsp;Wat heeft de vogel in het nest gelegd? (ei).
5. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is de jongen uit de boom gegleden? {Landnaam).
6. nbsp;nbsp;nbsp;Waar is de slang in gekropen? (grond).
7. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is er op de flesch?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Waar heeft de meid je baadje gewasschen? (put).
9. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe heb je gegeten? (lekker).
10. nbsp;nbsp;nbsp;Heb je je met een speld geprikt? Neen......
N». 138.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet de naaister met een naald?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Is Tisno niet stout geweest? Neen, .......
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doe je met een ladder?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Waar eet je van?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Waar eet je mee?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Wat rijdt er over de briig? (kar).
7. nbsp;nbsp;nbsp;Is er een leuning aan die brug, ja of neen?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Is die naald van haar? Neen, ........
9. nbsp;nbsp;nbsp;Is z^n hoed grooter dan de mijne?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Wat vaart vlugger, een boot of een prauw?
104:
Nquot;. 139.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is duurder, een ring van goud of van zilver?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is goedkooper, een witte jas of een zwarte jas?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Welke vlieger staat hooger, die van Ketjil of die van Kroino?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wie heeft die jongen geslagen?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Is je vader ook klein geweest?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Wie is ouder, je papa of je mama?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Waar heeft de huisjongen mijn lepel gelegd?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Is deze vork de mijne of de uwe?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Welke fiets is duurder, de zijne of de hare?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Waar heeft de kip een ei gelegd?
N‘’. 140.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Waar is de vogel uit gevlogen?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waar rijdt de spoortrein over? (brug).
3. nbsp;nbsp;nbsp;Heb jij die mand op je hoofd gedragen?
4. nbsp;nbsp;nbsp;Welke vrucht is sappiger, een pisang of een djeroek?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Waar is de emmer in gevallen? (put).
6. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee heeft de huisjongen de flesch gevuld?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is hooger dan een heuvel?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Welke vrucht is net zoo rood als bloed?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Wat loopt er harder, een auto of een trein?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Wanneer ga je ’s morgens naar school?
105
N’. 141.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Is dat jouw bal of de zijne?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Welke bal is grooter, de jouwe of de zijne?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Wat heb je hem gevraagd ? (gendie — vol).
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wat zie je? (vlieger — hoog).
5. nbsp;nbsp;nbsp;Wat zeg je? (Ketjil — knap).
6. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe is dit gele blad geweest? (groen).
7. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe wordt tcoud water in de zon?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Heb je zijn jas vuil gemaakt? Neen, .
9. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is lekkerder dan thee?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is zwaarder dan een steen ?
N’. 142.
1. nbsp;nbsp;nbsp;Waarmee scheert de heer zich?
2. nbsp;nbsp;nbsp;Waar heeft de kebon zich gebaad?
3. nbsp;nbsp;nbsp;Heeft de baboe het vuile baadje gewasschen ? Neen,
4. nbsp;nbsp;nbsp;Wie heeft het eten op het bord geschept?
5. nbsp;nbsp;nbsp;Heb je uit een kopje gedronken of uit een glas?
6. nbsp;nbsp;nbsp;Is de hond over de kali gezwommen ?
7. nbsp;nbsp;nbsp;Wat is er aan de vlag?
8. nbsp;nbsp;nbsp;Wat doet de koetsier met de zweep ?
9. nbsp;nbsp;nbsp;Waar is de vogel heen gevlogen ?
10. nbsp;nbsp;nbsp;Heb je rijst gegeten zonder sambal? Neen, .
a. nbsp;nbsp;nbsp;Uitspraakoefeningen.
b. nbsp;nbsp;nbsp;Vermeerdering van den woordenschat.
108
N’, 143.
Pl. N«. 50.
aa — a.
|
1. |
Een p—1. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;8. Een t—k. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;15. Een j—s. |
|
2. 3. 4. |
Een b—1. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;9. nbsp;Een r—ni. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;16. nbsp;Een d—k. Een h—k. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;10. nbsp;Een b—k. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;17. nbsp;Een z—^k. Een r—t. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;11. De m—n. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;18. Een k—m. |
|
5. 6. 7. |
Een v—t. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;12. nbsp;Een v—1. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;19. nbsp;Een —1. Een h—k. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;13. nbsp;Een h—n. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;20. nbsp;Een k—r. Twee m—1. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;14. nbsp;Een z—g. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;21. nbsp;Een m—t. |
109
N“. 144.
Pl. N“. 51.
ee — e.
|
1. |
Een b—n. |
6. |
Een h—k. |
11. |
Z-s. |
|
2. |
Een t—n. |
7. |
Een w—b. |
12. |
Een p- |
|
3. |
Een v—r. |
8. |
Op en n—r. |
13. |
Een m |
|
4. |
Een b—1. |
9. |
Een h—r. |
14. |
Een n- |
|
5. |
Vier k—r. |
10. |
Een z—f. |
15. |
Een — |
Pl. N“. 52.
110
N». 145.
00 — 0.
2. nbsp;nbsp;nbsp;Een —g.
3. nbsp;nbsp;nbsp;Een pijl en een b— g.
4. nbsp;nbsp;nbsp;Een d—p van een ei.
5. nbsp;nbsp;nbsp;Een t—r.
6. nbsp;nbsp;nbsp;Een k—m,
7. nbsp;nbsp;nbsp;Een p—t.
8. nbsp;nbsp;nbsp;Een p—t.
9. nbsp;nbsp;nbsp;Een b—in,
10. nbsp;nbsp;nbsp;Een r—k.
11. nbsp;nbsp;nbsp;Wat een r—k!
12. nbsp;nbsp;nbsp;Een b—r.
13. nbsp;nbsp;nbsp;Een 1—p.
14. nbsp;nbsp;nbsp;Een t—1.
15. nbsp;nbsp;nbsp;Een s—k.
111
Nquot;. 146.
Pl. N“. 53.
UU — U.
|
1. |
Een m—r. |
6. |
Een 1—s. |
11. |
Een sch—r. |
|
2. |
Het is 4 — r. |
7. |
Een r— g. |
12. |
Een m—g. |
|
3. |
Een p—t. |
8. |
Een m—sch. |
13. |
Ik b—k. |
|
4. |
Een n—1. |
9. |
Een v—r. |
14. |
Dik en d—n. |
|
5. |
Een b—s. |
10. |
Een j—k. |
15. |
Ik k—s mijn z—s. |
112
N“. 147.
Pl. N®. 54.
|
1. |
Een k—n. |
6. |
Drie m—n een. |
ll. |
Een p—t. |
|
2. |
De 1— p. |
7. |
Een b—1. |
12. |
Een h—k. |
|
3. |
Een p—n. |
8. |
Een t—p. |
13. |
De 1—1 van het oor. |
|
4. |
Een w—p. |
9. |
Een p—n. |
14. |
De n—k. |
|
5. |
Een v—sch. |
10. |
Mijn p—t. |
15. |
Hij z—t. |
Pl. N®. 55.
113
N®. 14:8.
ie — ei.
| ||||||||||||||||
|
J. W. Croes, Rood, Wit en Blauw. II. |
9. nbsp;nbsp;nbsp;Een r—m.
10. nbsp;nbsp;nbsp;Een m—d.
114
N’. 149.
Pl. N“. 56.
ui — eu
1. nbsp;nbsp;nbsp;Een n—s. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;6. Een d—r. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;11. Een sch—r.
2. nbsp;Een h—s. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;7. nbsp;Een k—f. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;12. nbsp;Een t—t.
3. nbsp;Een r—t. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;8. nbsp;Een m—s. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;13. nbsp;Het t—g.
4. nbsp;Een d—k. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;9. nbsp;Een k—t. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;14. nbsp;Niet veel, een t—g.
5. nbsp;Een d—m. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;10. nbsp;Een k—p. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;15. nbsp;Een z—g.
115
N“. 150.
Pl. N“. 57.
OU — 00.
|
|
116
Pl. Nquot;. 58.
N“. 151.
eu — u.
117
Pl. Nquot;. 59.
N®. 152.
Ü — (ei) — ee.
|
8. Een z—1.
|
118
N“. 153.
Pl. Nquot;. 60. OU — eu — ui — ei (ij) — oe — i— e — u.
|
1. |
Een |
h—s. |
5. |
Een |
k—. |
9. |
Een |
b—1. |
13. |
Een |
p—t. |
|
2. |
Een |
g-t- |
6. |
Een |
t--W. |
10. |
Een |
d—k. |
14. |
Een |
d—m. |
|
3. |
Een |
n—s. |
7. |
Een |
d—r. |
11. |
Een |
k-p. |
15. |
Een |
Z---1. |
|
4. |
Een |
k—3. |
8. |
Een |
1—. |
12. |
Een |
p—t. |
16. |
Een |
m—g- |
120
Pl. N®. 62.
N®. 155. f of V.
|
|
121
N“. 156.
Pl. N®. 63.
Z of S.
|
1. |
De — ee. |
5. |
De —ool. |
9. |
Een kom met — ans. |
|
2. |
— es. |
6. |
Een —eef. |
10. |
Een —ik. |
|
3. |
De —oep. |
7. |
De — on. |
ll. |
Een —om. |
|
4. |
Een —ok. |
8. |
Een —ak. |
12. |
Een — eil. |
122
PI. N». 64.
N’. 157.-d Of t.
|
|
|
123
Nquot;. 158.
h of g.
|
1, |
Een |
— uis. |
5. |
Hij —aapt. |
9. |
—auw, —auw |
|
2. |
Een |
—oed. |
6. |
Een — at. |
10. |
Een — aak. |
|
3. |
Een |
—eer. |
7. |
Een —eul. |
11. |
Een —ek. |
|
4. |
Een |
—eit. |
8. |
Een —oot. |
12. |
Een —ak. |
124
N“. 159.
|
1. |
Een |
—ijl- |
5. |
Een |
—oek. |
9. |
Een —an. |
|
2. |
Een |
—ijl. |
6. |
Een |
—oot. |
10. |
Een —oor. |
|
3. |
Een |
—oog. |
7. |
Een |
—aal. |
11. |
Een —ak. |
|
4. |
Een |
—oot. |
8. |
Een |
—ak. |
12. |
Een —al. |
125
N”. 160.
Woorden met een dubbelen medeklinker vooraan Pl. N®. 67.
|
1. |
Een |
—in. |
6. |
Een |
—as. |
11. |
Een |
— ast. |
16. |
Een |
—nik. |
|
2. |
Een |
—ok. |
7. |
Een |
—ad. |
12. |
Een |
—eep. |
17. |
Een |
— oen. |
|
3. |
—ie. |
8. |
Een |
—ok. |
13. |
Een |
— ie. |
18. |
Een |
—of. | |
|
4. |
Een |
—il. |
9. |
Een |
—oek. |
14. |
Een |
—is. |
19. |
Een |
— aag. |
|
6. |
Een |
— ief. |
10. |
Een |
—om. |
15. |
Een |
—ap. |
20. |
Een |
—oop. |
126
N“. 161.
Woorden met een dubbelen medeklinker achteraan.
Pl. N®. 68.
|
1. |
Een kaa—. |
6. |
Een ku—. |
11. |
Een |
la—. |
16. |
Een e—. |
|
2. |
Een vo—. |
7. |
Een laa—, |
12. |
Een |
sin—. |
17. |
Een wo— |
|
3. |
Een bu—. |
8. |
Een ru—. |
13. |
Een |
boo—. |
18. |
Een ba—. |
|
4. |
De ko—. |
9. |
E—. |
14. |
Een |
ka—. |
19. |
Een sche- |
|
5. |
Een be—. |
10. |
Een ke—. |
15. |
Een |
ka—. |
20. |
De ha—. |
127
N®. 162.
Pl. N®. 69.
d - t.
|
1. |
Een |
baar—. |
6. |
Een |
draa—. |
11. |
Een |
hef—. |
16. |
Een vuis—. |
|
2. |
Een |
lijs—. |
7. |
Een |
pun—. |
12. |
Een |
mas—. |
17. |
Een her—. |
|
3. |
Een |
kwas—. |
8. |
Een |
han—. |
13. |
Een |
mu—s. |
18. |
Een hoof—. |
|
4. |
Een |
lin—. |
9. |
Een |
plan—. |
14. |
Een |
bars—. | ||
|
5. |
Een |
naai—. |
10. |
Een |
hon—. |
15. |
Een |
ran—. |
128
WOORDENLIJSTJE.
|
a |
beest |
breng |
die |
|
beetje |
brief |
dief | |
|
aal |
begint |
bril |
dik |
|
aan |
begraven |
broek |
ding |
|
aap |
begrijpt |
brug |
Dinsdag |
|
achter |
beitel |
buffel |
dit |
|
achtergalerij |
bel |
buik |
doet |
|
afgebroken |
beleefd |
buikpijn |
dokter |
|
al |
ben |
buiten |
dol |
|
alles |
bendy |
buk |
dom |
|
als |
berg |
buks |
Donderdag |
|
andere |
bezem |
bus |
dood |
|
anders |
bezig |
bijl |
dop |
|
arm |
bier |
bijt |
draad |
|
auto |
blaast |
draagt | |
|
avonds (’s) |
blad |
C |
dringt |
|
blaft |
duim | ||
|
b |
blik |
Chinees |
dun |
|
blinde |
duur | ||
|
baadje |
bloed |
d | |
|
baadt |
bloem |
e | |
|
baard |
bloempot |
daar | |
|
badkamer |
boei |
daarin |
een |
|
bak |
boek |
daarom |
eend |
|
bakt |
boog |
dadelijk |
eens |
|
bal |
boom |
dak |
eet |
|
balk |
boor |
dan |
ei |
|
bamboe |
boord |
dat |
eindelijk |
|
band |
boos |
de |
el |
|
bang |
boot |
deksel |
elke |
|
bank |
bord |
denk |
els |
|
barst |
bot |
deuk |
emmer |
|
bed |
boven |
deur |
en |
|
been |
breed |
deze |
er |
129
|
er al' |
gelukkig |
groet |
i |
|
er heen |
gemaakt |
grond |
ili |
|
er mee |
genaaid |
groot |
in |
|
ei’ naai ’toe |
geplaagd |
inkt | |
|
erf |
gejilukf |
h |
is |
|
ei-g |
gepoetst | ||
|
even |
geprikt geraakt |
haal: |
j ja jager jas Javaan |
|
f |
gereden geroepen |
liaal liaan | |
|
fiets |
gerookt |
liaar | |
|
Ilesch |
geschept |
11ali | |
|
font |
geschild |
hakt | |
|
g |
geschopt geschoren |
hals hamer |
JUUg jongen jeu jouw juist juli jy |
|
gesclioten |
hand | ||
|
gaapt gaat gans |
geschreven geslagen geslepen |
hangt liard heli | |
|
gal |
gesneden |
Iieeft | |
|
ganw |
gestraft |
lieen |
k |
|
gebaad |
getrokken |
lieer | |
|
gebeten |
geul |
lieft |
kaars |
|
gebrnikt |
gevallen |
Iieli |
kalf |
|
gedaan |
gevangen |
hem |
kalli |
|
gedragen |
; geveegd |
hert |
kam |
|
gedronken |
gevlogen |
liet |
kamer |
|
geeft |
gevraagd |
heuvel |
kan |
|
geel |
gevuld |
liiel |
kant |
|
geen |
gewassclien |
hiei’ |
kapmes |
|
geeuwt |
geweer |
Iioe |
kapstoli |
|
gegeten |
geweest |
lioe laat! |
kar |
|
gegleden |
gewit |
liocd |
karliouw |
|
gegooid |
geworden |
hoeveel |
kast |
|
gegroet |
'gezien |
hok |
kat |
|
gebaald |
gezwommen |
Hollandscli |
keer |
|
geliangen |
glas |
hond |
kent |
|
geit |
glijdt |
honger |
kereltje |
|
gekamd |
goedkoop |
lioofd |
kerli' |
|
gekleed |
gooit |
lioofddoek |
kermt |
|
geklommen |
goot |
Iioog |
ketting |
|
gekocht |
goud |
hoor |
kieuw |
|
gekropen |
graag |
hout |
kin |
|
geld |
gras |
huilt |
kind |
|
gelegd |
grasman |
huis |
kip |
|
gelezen |
griffel |
huisjongen |
kist |
|
geloopen |
groen |
hij' |
klaar |
|
J' W. Croes, Rood, |
Wit en Blauw. H. |
9 |
130
|
klamboe |
kus |
maat |
neer |
|
klapper |
kwast |
machine |
nek |
|
klapperboom klapt |
kijkt |
mag mager |
nest net |
|
klas kleed |
I |
mama man |
netjes neus |
|
kleermaker |
laag |
mand |
niemand |
|
klein |
laars |
mandibak |
niet |
|
klep |
laat |
mast |
nieuw |
|
klerk |
ladder |
mat |
oog |
|
kleur |
lamp |
mee |
nooit meer |
|
klimt |
lang |
meid |
nu |
|
klok klopt |
langzaam leeg |
meisje mell; |
nul |
|
klos knap |
leelijli leert |
menscli mes |
0 |
|
knie |
leest |
met |
of |
|
knipt |
leeuw |
mevrouw |
om |
|
knoop |
lei |
middags (’s) |
omgehakt |
|
koe |
lekker |
mier |
onbeleefd |
|
koelie |
lel |
min |
onder |
|
koetsier |
lepel |
misschien |
onderwijzer |
|
koffie |
les |
moe |
ondeugend |
|
kokkin |
leuning |
moet |
oog |
|
kolf |
leunt |
mond |
oollt; |
|
kom |
licht |
mooi |
oor |
|
komfoor |
ligt |
morgeus (’s) |
ofi |
|
komt |
likt |
mouw |
oppasser |
|
kooi |
lint |
mug |
oud |
|
kookt koop |
lip lood |
muis muscli |
over |
|
kop kopje |
loop loopt |
muts muur |
P |
|
kort |
luclit |
01ij |
paal |
|
kond kous |
lui lus |
olijn |
paard pad |
|
kraag krant kris |
lljro lijst |
n na |
Pagger pali pan |
|
krom kruillt; |
m |
naaister naait |
papa papier |
|
kruipt |
maait |
naald |
pen |
|
krijgt |
maakt |
naar |
pennemes |
|
kuit |
maal |
naast |
pet |
|
kuip |
maan |
nachts (’s) |
piek |
|
kuit |
Maandag |
neemt |
pikt pin |
|
kurk |
maar |
neen |
131
|
pit |
rijk |
som |
toen |
|
plaats |
rijksdaalder |
soms |
tol |
|
plank |
rijst |
soos |
tong |
|
plant |
speelt |
lor | |
|
plezierig |
S |
shield |
touw |
|
plukt |
spiegel |
trap | |
|
poot |
sabel |
spin |
trein |
|
pot |
sappig |
spits |
trekt |
|
potlood |
saus |
spoortrein |
trom |
|
prauw |
schaap |
springt |
trompet |
|
prikt |
schaar |
spijker |
tuig |
|
proljeer |
scheermes |
staart |
tuin |
|
punt |
scheert |
staat |
tuinjongen |
|
put |
schelp |
stal |
tuit |
|
pijl |
scherm |
steel | |
|
pijn |
scherp |
steen |
U |
|
pijl’ |
scheur |
ster | |
|
schiet |
sterlt |
U | |
|
1« |
schilderij |
steunt |
uit |
|
I |
schilt |
stoel |
uur |
|
schoen |
stolt |
uw | |
|
raaf |
school |
stoot | |
|
raakt |
schoon |
stout |
V |
|
raam |
schopt |
straf | |
|
rad |
schoteltje |
straft |
vaart |
|
rand |
schrift |
straks |
vaas |
|
rat |
schrijft |
stroop |
val |
|
reellt |
schuur |
strijkt |
valt |
|
reclitop |
sigaar |
stuurt |
van |
|
resident |
sik |
suiker |
vangt |
|
riem |
slaapt |
varken | |
|
ring |
slaat |
t |
vat |
|
roeit |
slacht |
vecht | |
|
roep |
slang |
tafel |
veegt |
|
roli |
sleutel |
talt |
veel |
|
rolt |
slim |
te |
veer |
|
1’0nd |
slinger |
teekent |
ventje |
|
rood |
slof |
teen |
verdiend |
|
roollt; |
slordig |
tegen |
verseil |
|
rookt |
slot |
terug |
vet |
|
roos |
sluit |
teug |
vierkant |
|
rouw |
slurf |
thee |
vin |
|
rug |
slijpt |
theepot |
vindt |
|
ruikt |
smal |
thuis |
vinger |
|
ruit |
snijdt |
tip |
visch |
|
rups |
solt |
toe11 |
visscher |
|
rijdt |
soep |
toe (naar) |
vlag |
132
| ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
Totaal 738 woorden. |
izeil zelier zelf zet zeug zicli zie ziel; zilver zit zoet zolder zon Zondag zonder zoo zoo even zool zout zus
।zwaar zwal; zwart zweep zwemt
Ruim 500 illustraties.