ocr page 1

^-ROOD,WITin BLA^^


der spreekoef^ngerfj^r ^

Hollandsch-lnlandsi^lcholen

•^CR^^


ocr page 2

ocr page 3

B 5o 132,dl.2


ROOD. WIT EN

BLAUW

TWEEDE VOORLOOPER

VAN

MIJN HOLLANDSCH BOEK


ocr page 4

ocr page 5

/? nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;quot;nbsp;quot;quot;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;— -“■-- nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;- nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;■ nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;' nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;—.— —=51

ROOD, WIT EN BLAUW

TWEEDE VOORLOOPER

VAN

MIJN HOLLANDSCH BOEK

NAAR AANLEIDING DER SPREEKOEFENINGEN

VOOR

HOLLANDSCH-INLANDSCHE SCHOLEN

DOOR

J. W. CROES

ZEVENDE DRUK

RIJSWIJK (Z.-H.) — BLANKWAARDT amp;nbsp;SCHOONHOVEN

ocr page 6

ZUID-HOLL. BOEK- EN HANDELSDRUKKERIÓ.

ocr page 7

Voornaamwoorden.

N“. 1.

N’. 2.

ocr page 8

N®. 3.

Vragen,

^. Is Azj zwaar?

Zoo doorgaan tof 12. (Zie oef. 2).

N®. 4.

ocr page 9

N«. 5.

Vraag het weer.

NL 6.

Ik zie. — Ik hoor. — Ik roep.

NL 7.

Weer vragen.

1. Zie je de heer? Zie je kemf Zoo doorgaan tot 12.

NL 8.

1. Zie je de heer niet? Zie je kern niet?

TFeer doorgaan tot 12.

ocr page 10

PL N’. 1.




ocr page 11

N“. 9.

N“. 10.

1. Roep de kebon niet; roep hem niet.

Doorgaan Éot 16.

N®. 11.

Er.

Zie de j)laatJes op de vollende 3 èladz^den.

ocr page 12

Pl. N*. 2.


10







ocr page 13

Pl. N®. 3.


Il








ocr page 14

12







ocr page 15

13

N«. 12.

Zoo doorgaan.

N’. 13.

NL 14.

1. Ruik niet aan de roos! Ruik er niet aan.'

Zoo doorgaan tot 18.

ocr page 16

14

N“. 15.

N». 16.

1. a. Valt hij uit de boom?

VaP At) er uiif

Zoo doorgaan foi 20. (Zie oef. ló).

ocr page 17

15

Nquot;. 17.

1. a. Hij valt niet uit de boom.

b. H^ valt er niet uit.

Zoo doorgaan tot 20. (Zie oef. 16).

N“. 18.

1. a. Valt hij niet uit de boom?

b. J^alt hf er niet uit.^

Veer doorgaan tot 20.

ocr page 18

Pl. N®. 5.


16








ocr page 19

Pl. N“. 6.


17




7.




9.


10.



11.


J. W. Croes Rood, Wit en Blauw. Il,



12.

2


ocr page 20

18

N». 19.

Nieuwe woorden.

kurk, oor, voet, steel, sleutel, mast, leuning, deksel, punt, slinger, klep.

è. JEr is een Auri op de /lescA.

Doorgaan toi 12.

N’. 20.

N«. 21.

IVu nop eens zoo:

N“. 22.

Ün nu .•

N“. 23.

^n nu vrapen.

1$. Ja, er is er een op.

ocr page 21

19

N®. 24.

Er af.

N“. 25.

1. a. Het boek valt niet van de tafel.

(5. Het boek valt er niet af.

N”. 26.

1.

«. Valt het boek niet van de tafel ?

0. Valt het boek er niet af.^

ocr page 22

20

N“. 27.

Er heen — Er naar toe.

De prauw vaart er Àeen.

De prauw vaart er naar Zoe.

N“. 29.

1. Vaart de prauw niet naar de boot? Ja, de prauw vaart er wel Aeen. Neen, de prauw vaart er niet àeen.

ocr page 23

21







ocr page 24




ocr page 25

23

N». 30.

1.

Wat

doet hij

met een schaar? Hij Anipi er mee.

2.

Wat

doet hij

met de stok ? (!!)

3.

Wat

doet hij

met een steen ?

4.

Wat

doet zij

met de hond ?

5.

Wat

doet hij

met de hoed ?

6.

Wat

doet hij

met de hamer ?

7,

Wat

doet hij

met de zweep ?

8.

Wat

doet zij

met de roos ? (! ! )

9.

Wat

doet hij

met de tong ?

10.

Wat

doet hij

met het mes?

11.

Wat

doet hij

met de speld ?

12.

Wat

doet zij

met de sleutel?

N“. 31.

Wie is knap?

1.

Wat doe je met een

schaar ? Iamp; /enip er mee.

2.

}gt; nbsp;nbsp;nbsp;99 nbsp;nbsp;nbsp;99

33

lepel?

3.

Jgt;

91 nbsp;nbsp;nbsp;99 nbsp;nbsp;nbsp;)gt;

33

glas?

4.

gt;gt;

99 nbsp;nbsp;nbsp;99 nbsp;nbsp;nbsp;99

93

bed ?

5.

9)

3, nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;99 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33

33

zweep ?

0.

Jgt;

33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33

33

boek ?

7.

j^

33 nbsp;nbsp;nbsp;33 nbsp;nbsp;nbsp;33

33

bal?

8.

) J

33 nbsp;nbsp;nbsp;33 nbsp;nbsp;nbsp;33

33

stoel ?

9.

gt;)

33 nbsp;nbsp;nbsp;19 nbsp;nbsp;nbsp;33

33

hamer ?

10.

33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33

33

mat ?

11.

gt;,

33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;99

33

ladder ?

12.

JJ

33 nbsp;nbsp;nbsp;33 nbsp;nbsp;nbsp;33

33

geweer ?

13.

}gt;

33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33

33

kopje ?

14.

Jgt;

33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;gt;3

33

bord ?

15.

ii

33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33 nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;33

33

pen ?

ocr page 26

24

N“. 32.

Er is.

N». 33.

Zeg het anders.

ocr page 27

25

N“. 34.

NOff eens:

ocr page 28

Pl. N». 9.


26



ocr page 29

27

N». 35.

Nquot;. 36.

yo^ een ^eer:

ocr page 30

28

N“. 37.

è. Is het m2jn hoed?

Zoo doorgaan mei N”. 3ô en 36.

N». 38.

ô. Het is mijn hoed niet.

Zoo doorjaan.

N®. 39.

ocr page 31

29

N». 40.

No^ eens:

N“. 41.

Ô. Het is de m^ne niet.

Doorgaan mei JV'^. 39 en 40.

N». 42.

N“. 43.

(5. Het is de mijne niet.

Weer doorgaan.

ocr page 32

Pl. N'’. 10.



Welke stoel is van jou; die hooge of die lage?

ocr page 33

31

NO. 44.

Welk? Welke?

Hei huis. Welk huis ?

He stoel. Welke stoel ?

Hoe ooi: zoo mei :

1.

— brief.

11.

— pajong.

21.

— speld.

2.

— dak.

12.

— spiegel.

22.

— slang.

3.

— flesch.

13.

— sabel.

23.

— rups.

4.

— gans.

14.

— potlood.

24.

— ring.

5.

— paal.

16.

— fiets.

25.

— steen.

6.

— schaap.

16.

— deur.

26.

— schrift.

7.

— zaag.

17.

— eend.

27.

— stoel.

8.

— lepel.

18.

— geit.

28.

— touw.

9.

— beitel.

19.

— paard.

29.

— vrouw.

10.

— griffel.

20.

— plank.

30.

— glas.

Nquot;. 45.

Nieuwe woorden.

Goedkoop — duur ; nieuw — oud ; zoet — stout.

1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

9.

10.

Welke stoel is van jou; die hooge of die lage? . . . paard . . . hem ; dat vette of nbsp;. . . prauw . . . hem ; nbsp;. . groote nbsp;... jas .....u;.. . . witte nbsp;. . . kooi .... hem; nbsp;. . groote nbsp;. . . tafel .... u;... . vierkante . . . glas nbsp;.... jou;. . . groote nbsp;. . . bloem . . . haar ; . . mooie

. . . bord .... mij ; . . . volle

. . . . ring nbsp;.... jou;. . . goedkoope. . ..?

ocr page 34

Pl. N”. 11.

32

ocr page 35

33

N“. 46.

Wie zijn hoed is dit?

Wie haar pajong is dit ?

1.

Vraa^ nu eens .•

Wie zijn hoed is dit ? De /toed van Seita^o.

2.

.*• • •

jas . .

3.

. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;• nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;■

hond .

. ?

4.

bord .

. ?

5.

. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;« nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;•

mes .

. ?

6.

lepel .

. ?

7.

huis .

. ?

8.

vlieger

. ?

9.

kind .

. ?

10.

lei . .

. ?

Nquot;. 47.

^n nu .•

W. Croes, Rood, Wit en Blauw. II.

ocr page 36

Pl.Nquot;. 12.

34

ocr page 37

35

N’. 48.

Wat voor een?

1.

2.

Wat voor een touw is dit, jongen . . , bloem . . , kind . . , .....jas . ., rand . . , .....prauw . . , school . . , .....pagger . . , schaar . . ,

een dik of een dun? . domme of . , . ? . leelijke of nbsp;. nbsp;nbsp;. nbsp;nbsp;.

. zoet nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;of nbsp;. nbsp;nbsp;. nbsp;nbsp;.

. witte nbsp;nbsp;nbsp;of nbsp;. nbsp;nbsp;. nbsp;nbsp;.

. breede nbsp;of nbsp;. nbsp;nbsp;. nbsp;nbsp;.

. groote, nbsp;of nbsp;. nbsp;nbsp;. nbsp;nbsp;.

. kleine nbsp;nbsp;of nbsp;. nbsp;nbsp;. nbsp;nbsp;.

. hooge nbsp;nbsp;of nbsp;. nbsp;nbsp;. nbsp;nbsp;.

. nieuwe of nbsp;. nbsp;nbsp;. nbsp;nbsp;.

N». 49.

No^ een Aeer:

1.

Wat voor een boek is dit, een oud

of een nieuw?

2.

.....lei

• nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;gt;nbsp;• nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;•

oude

of

. . . .?

3.

huis

• J

groot

of

?

4.

paard .

• nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;J

vet

of

. . . .?

5.

lepel

• nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;^ • nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;•

dure

of

. . . .?

6.

flesch

• nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;9 nbsp;nbsp;nbsp;• nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;•

volle

of

. . .?

7.

griffel .

• nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;gt;nbsp;• nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;•

dunne

of

?

8.

.....mes

9 nbsp;nbsp;nbsp;• nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;*

bot

of

. . . .?

9.

.....geweer .

• nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;Î • nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;•

duur

of

. . . .?

10.

.....tafel

• nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;? •

ronde

of

. . . .?

ocr page 38

36








ocr page 39

37







ocr page 40

38








ocr page 41

39







ocr page 42

Pl. N”. 17.


40








ocr page 43




ocr page 44

42

N’. 50.

0 verschrijven, waf er onäer de plaaijes siaat van 1 ioi 36.

N». 51.

Heeft.

N®. 52.

Nop eens:

De hahoe heefi hei hind pedrapen.

ocr page 45

43

N“. 53.

Zie de plaatjes oj )Hz. 21 en 22.

H^ heeft mei een schaar ^ehnipi.

N». 54.

Ais oef. 63.

ocr page 46

44

N’. 55.

(Zie N’'. ólj.

N». 56.

OoA zoo doen met N°. 63.

1. Hij heeft niet met een schaar geknipt. enz.

N’. 57.

(Zie IV'’. 64J.

1. Hij heeft niet met een mes gesneden. enz.

N“. 58.

(Zie N^ 61).

1. Heeft de klerk een brief geschreven? Ja, hij heeft er een geschreven. Neen, hij heeft er geen geschreven.

N“. 59.

fZie Æ». 63).

1. Heeft hij met een schaar geknipt? Ja, hij heeft er mee geknipt. Neen, hij heeft er niet mee geknipt.

ocr page 47

45

N“. 60.

rZ«e J^®. Ô4).

1. Heeft hij met een mes gesneden ? Ja, hij heeft er mee gesneden. Neen, hij heeft er niet mee gesneden.

N”. 61.

Nu — zoo even (juist).

(Zie N\ Ô1J.

1. Nu schrijft de klerk geen brief. Hij heeft er 200 even een geschreven.

ocr page 48

Pl. N”. 19.


46







ocr page 49

Pl. N’. 20.

47







ocr page 50

48

Nquot;. 62.

Is.

Oversc/iff^ven, wat er ondef de plaatjes staat van 1 tot 12.

N“. 63.

1. Hij is niet in de boom geklommen.

Zoo doorgaan.

N“. 64.

1. Is hij in de boom geklommen?

Ja, hij is er in geklommen.

Neen, hij is er niet in geklommen.

Zoo doorgaan.

Nquot;. 65.

1. Ik klim in de boom.

Ik 6en in de boom geklommen.

Zoo doorgaan met ik.

N“. 66.

Ooi met je.

1. Je klimt in de boom.

Je 6ent in de boom geklommen.

Je 6ent niet in de boom geklommen.

ocr page 51

49 Geweest.






4

ocr page 52

50








ocr page 53

51

N“. 67.

Overschrijven, wat onder de _ptaat^es staat van 1 tot 12.

N’. 68.

Vut in ;

N“. 69.

Nu — nooit.

Ooh met je en hij.

ocr page 54

Pl. N“. 23.


52



ocr page 55

53

N®. 70.

Te — Veel te.

/Nieuwe woorden: neus, mond, kin, oor, hals, buik.

N®. 71.

Ooi: zoo .•

1. Wat is die neus lang!

Zoo doorgaan tot 10.

N®. 72.

En nu nog eens zoo .•

1. Wat een lange neus heeft die man! Zoo doorgaan tot 10.

ocr page 56

Pl. N“. 24.


54







ocr page 57

65







ocr page 58

56

N“. 73.

N’. 74.

N’. 75.

Oo^ zoo ;

1. Wat loopt deze jongen hard !

N®. 76.

^n nu no^ eens zoo .•

1. Zie, hoe hard deze jongen loopt!

N’. 77.

Hier en daar.

t^Zie ptaat N°. 26—30).

ScAr^f eens op , wat er onder de plaatjes moet staan.

ocr page 59

Pl. N“. 26.


57

Hier en daar.







ocr page 60

ocr page 61

ocr page 62

ocr page 63

ocr page 64

62

Hoe laat is het?


ocr page 65

ocr page 66

64

Nquot;. 78.

Hoe laat is het?

(Zie ^laat N°. 31—32).

Sc/mjf het zelf op.

N“. 79.

Wanneer ?

1.

2.

Om Om

hoe laat sta je op ?

hoe laat ga je naar de badkamer? (dadelijk).

3.

Om

hoe

laat

ga je naar school ?

4.

Om

hoe

laat

begint de school ?

5.

Om

hoe

laat

ga je naar huis ?

6.

Om

hoe

laat

ga je naar buiten ?

7.

Om

hoe

laat

komt de zon op ?

8.

Om

hoe

laat

gaat de zon onder ?

9.

Om

hoe

laat

ga je naar bed ?

10.

Om

hoe

laat

eet je ?

ocr page 67

65

N“. 80.

Wanneer ?

1.

Zondag.

5.

Donderdag.

’s morgens.

2.

Maandag.

6.

Vrijdag.

’s middags.

3.

Dinsdag.

7.

Zaterdag.

’s avonds.

4.

Woensdag.

’s nachts.

N“. 81.

Wordt.

ó. De man schopt. ..........

O. De huisjongen vult...........

J. W. Croea, Bood, Wit en Blauw. II.

5

ocr page 68

66

N». 82.

Wordt.

N’. 83.

Heeft - Is.

De brief is geschreven.

De vogel is geschoten.

Zoo doorgaan met oef. 81 en 82.

ocr page 69

67

N®. 84.

Moet worden.

Ze^ Aet ooA eens van:

Nieuwe woorden: weggegooid, gepoetst, gewit, omgehakt, begraven, afgebroken, gestraft, doi.

ocr page 70

Pl. N». 33.

68






ocr page 71

69

LESJES OM TE LEZEN EN OVER TE SCHRIJVEN.

Nquot;. 85.

De stoute Karel.

Karel is stout geweest. Hij heeft baboe met een steen gegooid. Hij heeft haar aan het hoofd geraakt. Nu krijgt hij straf van zijn mama. Zij slaat hem met de slof voor de broek. Wat huilt hij !

Nieuwe woorden. -steen, geraakt, krijgt, slof, huilt.

N’. 86.

Seaniwoord de vollende vragen .•

NL 87.

No^ eens:

T. Wat geeft ze hem met de slof? (pak....)

ocr page 72

ocr page 73

71

N“. 88.

Kromo klimt in de boom. Hij heeft daar een nest gezien. Misschien is er wel een ei in. Ja, de vogel heeft er een ei in gelegd. Dat is voor hem. Hij doet het onder zijn hoofddoek. Langzaam glijdt hij uit de boom.

Nieuwe woorden: misschien, ei, gelegd, hoofddoek, glijdt.

N®. 89.

Neaniwoord de vollende vragen .•

ß. Wat ziet Ai/ er in ?

ocr page 74

ocr page 75

73

N®. 90.

Het meisje zit aan de tafel. Zij eet lekkere rijst. Die heeft de huisjongen op haar bord geschept. Wat eet zij lekker! Eet niet te veel, kleine meid! Anders word je ziek. Nieuwe woorden: rijst, word.

N®. 91.

Beaniwoord de vollende vraten:

N®. 92.

De hond ligt onder de tafel. Dat ziet de kleine Kees. Hij kruipt onder de tafel. Hij trekt de hond aan het oor. Dat vindt Fik niet plezierig. Hij loopt hard naar buiten. Nu wordt hij niet meer geplaagd.

Nieuwe woorden: plezierig, buiten.

N«. 93.

Beantwoord de vot^ende vragen:

ocr page 76

ocr page 77

75

N’. 94.

Er kruipt een slang op het erf. Voor een slang ben ik bang. Vroeger heeft een slang mij gebeten. Toen ben ik lang ziek geweest. Ik gooi die slang dood met een groote steen.

Nieuwe woorden: bang, vroeger, gebeten, dood.

N“. 95.

Seaniwoord de vollende vragen .•

ocr page 78

ocr page 79

77

N“. 96.

Wie is dat? Wel, dat is de kleermaker. Hij maakt een jas voor mijn papa. Eén jas heeft hij al klaar. Nu maakt hij nog een andere. Hij naait op een machine. Soms gebruikt hij een naald.

Nieuwe woorden. -kleermaker, maakt, al, klaar, andere, machine, soms, gebruikt.

N’. 97.

Bean/woord de vollende vragen .•

ocr page 80

ocr page 81

79

N’. 98.

Hong is ziek. Hij heeft buikpijn. Hij heeft te veel roedjak gegeten. Hoor, hoe hij kermt van pijn ! Zijn papa heeft de dokter geroepen. Die komt straks. Hij geeft hem^ obat. Misschien is de pijn dan gauw over.

Nieuwe woorden: buikpijn, kermt, pijn, straks, over.

N’. 99.

Beantwoord de vollende vragen:

ocr page 82

ocr page 83

81

N“. 100.

Wat doet Herman daar? Hij speelt met zijn vlieger. Wat een mooie vlieger is dat! Wie heeft die voor hem gemaakt? Ketjil, de huisjongen. Wat kan hij dat mooi! Wat staat die vlieger laag! Er is geen wind. Ik maak ook een vlieger. Ik koop veel touw. Dan gaat mijn vlieger hoog in de lucht.

Nieuwe woorden: wind, lucht.

N“. 101.

Seantwoord de vollende vraten:

J. W. Croes, Bood, Wit en Blauw. 11.

ocr page 84

ocr page 85

83

N». 102.

Karto wordt door de onderwijzer geroepen. Waarom, denk je? Wel, hij heeft een jongen geslagen. Dat mag niet. Karto is bang voor de onderwijzer. Zie, wat huilt hij! Ja, Karto is erg stout geweest. Gauw naar je plaats! Vecht nooit meer!

Nieuwe woorden: waarom, mag, erg, plaats.

nooit meer.

N». 103.

Neaniwoord de vollende vragen .•

ocr page 86

Pl. N”. 41.

84



ocr page 87

85

N“. 104.

Wie is dat? Dat is Hiep Hap Ho. Waar gaat hij heen? Wel, naar de school. Hij heeft een lei en een boek onder de arm. Wat voor een boek is dat? Ben Hollandsch boek. Daar leest hij in. Hij leest al goed. Hij begrijpt het Hollandsch ook al een beetje.

Nieuwe woorden: srm , Hollandsch, begrijpt, een beetje.

N“. 105.

Geantwoord de vollende vraten :

ocr page 88

Pl. N». 42.


86 Zieh.








ocr page 89

Pl. N». 43.


87





ocr page 90

88

N“. 106,

OverscAnyven, waf er oncfer de j)faafJes sfaaf.

N“. 107.

N“. 108.

N”. 109.

N“. 110.

N“, 111.

Nquot;. 112.

Vragen.

l. Waarmee wascht hij zieh?

Ooi:

1. Hij heeft zich met zeep gewasschen.

Nieuwe woorden: zeep, scheermes, put.

ocr page 91





ocr page 92

90










ocr page 93

91

Nquot;. 113.

Nquot;. 114.

Nieuwe woorden: heuvel, berg, draad, ijzer, blik, goud, zilver; laag — lager; zwaar — zwaarder; duur — duurder; lekker — lekkerder; sappig — sappiger.

N®. 115.

Niet zoo groot als.

1.

Een papaja is niei zoo ffrooi ais een nangka.

scherp ;

Zeg Aet ooiivan: pisang — sappig;

7.

pennemes —

2.

vinger — kort;

8.

draad nbsp;nbsp;nbsp;—

dun ;

3.

pisang — lekker;

9.

melk nbsp;nbsp;nbsp;—

zoet;

4.

zilver — duur;

10.

waringin —

hóóg;

5.

boot — klein ;

11.

steen nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;—

zwaar ;

6.

koe — sterk;

Nieuwe woorden: melk

12.

, stroop.

berg nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;—

laag.

ocr page 94

ocr page 95

93

N“. 116.

Dirk is net zoo ^root (even ^root) ats Jan.

Jan is kleiner dan Mina.

1.

2.

3.

4.

5.

6.

7.

8.

9.

10.

Dirk is net zoo groot als Jan.

Dit water is net zoo koud als ijs.

Dit mes nbsp;nbsp;nbsp;— scherp — scheermes.

Stroop nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;— zoet nbsp;nbsp;— suiker.

Deze vogel — groot nbsp;— kip.

Deze draad — dun nbsp;nbsp;— haar.

Deze man nbsp;— sterk nbsp;— paard.

Thee nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;— lekker — koffie.

Die jongen — dom nbsp;— karbouw.

Die kist nbsp;nbsp;nbsp;— zwaar — lood.

JVieuwe woorden: water, ijs, suiker, iood, thee, koffie.

ocr page 96

94










ocr page 97

95











16. Die vlieger staat hooger.


ocr page 98

96

N». 117.

0verscArtjven, wat er onder de plaatjes staat.

N®. 118.

Zoo doorgaan.

N». 119.

(Zoek Aet plaatje op, dat staat 6J 2Vo, ^OJ

Teeken niet zoo leelijk, Tisno!

Zoo doorgaan tot 10.

ocr page 99

ocr page 100

Pl. N®. 49.






ocr page 101

97

N». 120.

Welke kleur ?

1.

Gras is

.... nbsp;7.

Een Javaan is

2.

Bier is. .

.... nbsp;8.

Bloed is . .

3.

Melk is .

.... nbsp;9.

Een blad is .

4.

Inkt is. .

.... nbsp;10.

Een wimpel is

5.

Lombok is

. . . . 11.

Mijn haar is

b.

Kalk is .

.... nbsp;12.

Een vlag is .

Nieuwe woorden: bier, kalk,

bloed, wimpel

, vlag

N“. 121.

Word — Wordt.

ß. nbsp;Nu is zij leelijk, maar zij wordt.

j W Croes, Bood, Wit en Blauw. U.

ocr page 102

98

NO. 122.

Geweest — Geworden.

Het water is warm geworden.

Zoo doorgaan tot 12.

N». 123.

N». 121.

ocr page 103

99

Eenvoudige samengestelde zinnetjes.

N®. 125.

Ik zeg.

(Zie 121).

N®. 126.

Ik zie.

IA zie, dat het glas leeg is.

Zoo doorgaan met:

N®. 127.

Ik zie,

IA zie, dat de jongen hard loopt.

Op deze manier doen met:

ocr page 104

100

Nquot;. 128.

Zoo doorgaan met oef. 126.

N». 129.

N*. 130.

1. Ik vraag, of het blad groen is.

Zie oef. 121 en 126.

N«. 131.

1. Ik vraag, of de heer beleefd groet.

Zie oef. 127.

Nquot;. 132.

1.

Ik vraag, of de heer beleefd heeft gegroet. (*)

(*) De onderwijzer make verder zelf de noodige variaties.

ocr page 105

101

Allerlei vragen.

' nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;N“. 133.

N«. 134.

ocr page 106

102

N». 135.

N’. 136.

ocr page 107

103

N“. 137.

N». 138.

ocr page 108

104:

Nquot;. 139.

N‘’. 140.

ocr page 109

105

N’. 141.

N’. 142.

ocr page 110

ocr page 111
ocr page 112

108

N’, 143.

Pl. N«. 50.

aa — a.


1.

Een p—1. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;8. Een t—k. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;15. Een j—s.

2.

3.

4.

Een b—1. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;9. nbsp;Een r—ni. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;16. nbsp;Een d—k.

Een h—k. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;10. nbsp;Een b—k. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;17. nbsp;Een z—^k.

Een r—t. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;11. De m—n. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;18. Een k—m.

5.

6.

7.

Een v—t. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;12. nbsp;Een v—1. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;19. nbsp;Een —1.

Een h—k. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;13. nbsp;Een h—n. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;20. nbsp;Een k—r.

Twee m—1. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;14. nbsp;Een z—g. nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;nbsp;21. nbsp;Een m—t.

ocr page 113

109

N“. 144.

Pl. N“. 51.

ee — e.


1.

Een b—n.

6.

Een h—k.

11.

Z-s.

2.

Een t—n.

7.

Een w—b.

12.

Een p-

3.

Een v—r.

8.

Op en n—r.

13.

Een m

4.

Een b—1.

9.

Een h—r.

14.

Een n-

5.

Vier k—r.

10.

Een z—f.

15.

Een —

ocr page 114

Pl. N“. 52.


110

N». 145.

00 — 0.






ocr page 115

111

Nquot;. 146.

Pl. N“. 53.

UU — U.


1.

Een m—r.

6.

Een 1—s.

11.

Een sch—r.

2.

Het is 4 — r.

7.

Een r— g.

12.

Een m—g.

3.

Een p—t.

8.

Een m—sch.

13.

Ik b—k.

4.

Een n—1.

9.

Een v—r.

14.

Dik en d—n.

5.

Een b—s.

10.

Een j—k.

15.

Ik k—s mijn z—s.

ocr page 116

112

N“. 147.

Pl. N®. 54.

1.

Een k—n.

6.

Drie m—n een.

ll.

Een p—t.

2.

De 1— p.

7.

Een b—1.

12.

Een h—k.

3.

Een p—n.

8.

Een t—p.

13.

De 1—1 van het oor.

4.

Een w—p.

9.

Een p—n.

14.

De n—k.

5.

Een v—sch.

10.

Mijn p—t.

15.

Hij z—t.

ocr page 117

Pl. N®. 55.


113


N®. 14:8.


ie — ei.



1.

Een —.

5.

Een w—1.

2.

Een m—r.

6,

Een z—1.

3.

Een g—t.

7.

Een h—1.

4.

Een 1—.

8.

Een p—k.

J. W. Croes, Rood, Wit en Blauw. II.



ocr page 118

114

N’. 149.

Pl. N“. 56.

ui — eu


ocr page 119

115

N“. 150.

Pl. N“. 57.

OU — 00.


  • 1. nbsp;nbsp;nbsp;Een m—w.

  • 2. nbsp;nbsp;nbsp;Een t—w.

  • 3. nbsp;nbsp;nbsp;Een b—ni.

  • 4. nbsp;nbsp;nbsp;Een —g.

  • 6. nbsp;nbsp;nbsp;Hoe —d!

  • 7. nbsp;nbsp;nbsp;In den r—w.

  • 8. nbsp;nbsp;nbsp;De 1—p.

    • 10. nbsp;nbsp;nbsp;Een ring van g—d.

    • ll. nbsp;nbsp;nbsp;De z— 1.

    • 12. nbsp;nbsp;nbsp;Een k—s.


ocr page 120

116


Pl. Nquot;. 58.


N“. 151.

eu — u.



ocr page 121

117

Pl. Nquot;. 59.


N®. 152.

Ü — (ei) — ee.



  • 2, nbsp;nbsp;nbsp;Een v—1.

  • 3. nbsp;nbsp;nbsp;Een p—l.

  • 4. nbsp;nbsp;nbsp;Een b—n.

  • 6. nbsp;nbsp;nbsp;Een p—p,

  • 7. Een z—f.

8. Een z—1.

  • 9. nbsp;nbsp;nbsp;Een pot met 1—m.

  • 10. nbsp;nbsp;nbsp;Een g—t.

  • 11. nbsp;nbsp;nbsp;Veel te w—d!

  • 12. nbsp;nbsp;nbsp;Mijn 1—.


ocr page 122

118

N“. 153.

Pl. Nquot;. 60. OU — eu — ui — ei (ij) — oe — i— e — u.

1.

Een

h—s.

5.

Een

k—.

9.

Een

b—1.

13.

Een

p—t.

2.

Een

g-t-

6.

Een

t--W.

10.

Een

d—k.

14.

Een

d—m.

3.

Een

n—s.

7.

Een

d—r.

11.

Een

k-p.

15.

Een

Z---1.

4.

Een

k—3.

8.

Een

1—.

12.

Een

p—t.

16.

Een

m—g-

ocr page 123



ocr page 124

120

Pl. N®. 62.

N®. 155. f of V.





  • 1. nbsp;nbsp;nbsp;Een — at.

  • 2. nbsp;nbsp;nbsp;Niet te —ol!

  • 3. nbsp;nbsp;nbsp;Een —aas.

  • 4. nbsp;nbsp;nbsp;Een — in.

  • 5. nbsp;nbsp;nbsp;Pie—, pa—, po— !

  • 6. nbsp;nbsp;nbsp;Een - -eer.________

  • 7. nbsp;nbsp;nbsp;Die som is —out.

  • 8. nbsp;nbsp;nbsp;Een — ij—.

  • 9. nbsp;nbsp;nbsp;Een raa—.


ocr page 125

121

N“. 156.

Pl. N®. 63.

Z of S.


1.

De — ee.

5.

De —ool.

9.

Een kom met — ans.

2.

— es.

6.

Een —eef.

10.

Een —ik.

3.

De —oep.

7.

De — on.

ll.

Een —om.

4.

Een —ok.

8.

Een —ak.

12.

Een — eil.

ocr page 126

122

PI. N». 64.

N’. 157.-d Of t.


  • l. nbsp;nbsp;nbsp;Een ra—.

  • 2. nbsp;nbsp;nbsp;Een ra—.

  • 3, nbsp;nbsp;nbsp;Een hoe—

  • 4. nbsp;nbsp;nbsp;Een pe—.

  • 5. nbsp;nbsp;nbsp;Een be—.

  • 6. nbsp;nbsp;nbsp;Een rui—.

  • 7. nbsp;nbsp;nbsp;Een boo—.

  • 8. nbsp;nbsp;nbsp;Een goo—.

  • 9. nbsp;nbsp;nbsp;Een va—.

  • 10. nbsp;nbsp;nbsp;Een ka—.

  • 11. nbsp;nbsp;nbsp;Een voe—

  • 12. nbsp;nbsp;nbsp;Een pa—.


ocr page 127

123

Nquot;. 158.


h of g.


1,

Een

— uis.

5.

Hij —aapt.

9.

—auw, —auw

2.

Een

—oed.

6.

Een — at.

10.

Een — aak.

3.

Een

—eer.

7.

Een —eul.

11.

Een —ek.

4.

Een

—eit.

8.

Een —oot.

12.

Een —ak.

ocr page 128

124

N“. 159.

1.

Een

—ijl-

5.

Een

—oek.

9.

Een —an.

2.

Een

—ijl.

6.

Een

—oot.

10.

Een —oor.

3.

Een

—oog.

7.

Een

—aal.

11.

Een —ak.

4.

Een

—oot.

8.

Een

—ak.

12.

Een —al.

ocr page 129

125

N”. 160.

Woorden met een dubbelen medeklinker vooraan Pl. N®. 67.

1.

Een

—in.

6.

Een

—as.

11.

Een

— ast.

16.

Een

—nik.

2.

Een

—ok.

7.

Een

—ad.

12.

Een

—eep.

17.

Een

— oen.

3.

—ie.

8.

Een

—ok.

13.

Een

— ie.

18.

Een

—of.

4.

Een

—il.

9.

Een

—oek.

14.

Een

—is.

19.

Een

— aag.

6.

Een

— ief.

10.

Een

—om.

15.

Een

—ap.

20.

Een

—oop.

ocr page 130

126

N“. 161.

Woorden met een dubbelen medeklinker achteraan.

Pl. N®. 68.

1.

Een kaa—.

6.

Een ku—.

11.

Een

la—.

16.

Een e—.

2.

Een vo—.

7.

Een laa—,

12.

Een

sin—.

17.

Een wo—

3.

Een bu—.

8.

Een ru—.

13.

Een

boo—.

18.

Een ba—.

4.

De ko—.

9.

E—.

14.

Een

ka—.

19.

Een sche-

5.

Een be—.

10.

Een ke—.

15.

Een

ka—.

20.

De ha—.

ocr page 131

127

N®. 162.

Pl. N®. 69.

d - t.


1.

Een

baar—.

6.

Een

draa—.

11.

Een

hef—.

16.

Een vuis—.

2.

Een

lijs—.

7.

Een

pun—.

12.

Een

mas—.

17.

Een her—.

3.

Een

kwas—.

8.

Een

han—.

13.

Een

mu—s.

18.

Een hoof—.

4.

Een

lin—.

9.

Een

plan—.

14.

Een

bars—.

5.

Een

naai—.

10.

Een

hon—.

15.

Een

ran—.

ocr page 132

128

WOORDENLIJSTJE.

a

beest

breng

die

beetje

brief

dief

aal

begint

bril

dik

aan

begraven

broek

ding

aap

begrijpt

brug

Dinsdag

achter

beitel

buffel

dit

achtergalerij

bel

buik

doet

afgebroken

beleefd

buikpijn

dokter

al

ben

buiten

dol

alles

bendy

buk

dom

als

berg

buks

Donderdag

andere

bezem

bus

dood

anders

bezig

bijl

dop

arm

bier

bijt

draad

auto

blaast

draagt

avonds (’s)

blad

C

dringt

blaft

duim

b

blik

Chinees

dun

blinde

duur

baadje

bloed

d

baadt

bloem

e

baard

bloempot

daar

badkamer

boei

daarin

een

bak

boek

daarom

eend

bakt

boog

dadelijk

eens

bal

boom

dak

eet

balk

boor

dan

ei

bamboe

boord

dat

eindelijk

band

boos

de

el

bang

boot

deksel

elke

bank

bord

denk

els

barst

bot

deuk

emmer

bed

boven

deur

en

been

breed

deze

er

ocr page 133

129

er al'

gelukkig

groet

i

er heen

gemaakt

grond

ili

er mee

genaaid

groot

in

ei’ naai ’toe

geplaagd

inkt

erf

gejilukf

h

is

ei-g

gepoetst

even

geprikt geraakt

haal:

j

ja jager jas Javaan

f

gereden geroepen

liaal liaan

fiets

gerookt

liaar

Ilesch

geschept

11ali

font

geschild

hakt

g

geschopt geschoren

hals hamer

JUUg jongen jeu jouw juist juli jy

gesclioten

hand

gaapt gaat gans

geschreven

geslagen geslepen

hangt liard heli

gal

gesneden

Iieeft

ganw

gestraft

lieen

k

gebaad

getrokken

lieer

gebeten

geul

lieft

kaars

gebrnikt

gevallen

Iieli

kalf

gedaan

gevangen

hem

kalli

gedragen

; geveegd

hert

kam

gedronken

gevlogen

liet

kamer

geeft

gevraagd

heuvel

kan

geel

gevuld

liiel

kant

geen

gewassclien

hiei’

kapmes

geeuwt

geweer

Iioe

kapstoli

gegeten

geweest

lioe laat!

kar

gegleden

gewit

liocd

karliouw

gegooid

geworden

hoeveel

kast

gegroet

'gezien

hok

kat

gebaald

gezwommen

Hollandscli

keer

geliangen

glas

hond

kent

geit

glijdt

honger

kereltje

gekamd

goedkoop

lioofd

kerli'

gekleed

gooit

lioofddoek

kermt

geklommen

goot

Iioog

ketting

gekocht

goud

hoor

kieuw

gekropen

graag

hout

kin

geld

gras

huilt

kind

gelegd

grasman

huis

kip

gelezen

griffel

huisjongen

kist

geloopen

groen

hij'

klaar

J' W. Croes, Rood,

Wit en Blauw. H.

9

ocr page 134

130

klamboe

kus

maat

neer

klapper

kwast

machine

nek

klapperboom klapt

kijkt

mag mager

nest net

klas kleed

I

mama man

netjes neus

kleermaker

laag

mand

niemand

klein

laars

mandibak

niet

klep

laat

mast

nieuw

klerk

ladder

mat

oog

kleur

lamp

mee

nooit meer

klimt

lang

meid

nu

klok klopt

langzaam leeg

meisje mell;

nul

klos knap

leelijli leert

menscli mes

0

knie

leest

met

of

knipt

leeuw

mevrouw

om

knoop

lei

middags (’s)

omgehakt

koe

lekker

mier

onbeleefd

koelie

lel

min

onder

koetsier

lepel

misschien

onderwijzer

koffie

les

moe

ondeugend

kokkin

leuning

moet

oog

kolf

leunt

mond

oollt;

kom

licht

mooi

oor

komfoor

ligt

morgeus (’s)

ofi

komt

likt

mouw

oppasser

kooi

lint

mug

oud

kookt koop

lip lood

muis muscli

over

kop kopje

loop loopt

muts muur

P

kort

luclit

01ij

paal

kond kous

lui lus

olijn

paard pad

kraag krant kris

lljro lijst

n

na

Pagger pali pan

krom kruillt;

m

naaister naait

papa papier

kruipt

maait

naald

pen

krijgt

maakt

naar

pennemes

kuit

maal

naast

pet

kuip

maan

nachts (’s)

piek

kuit

Maandag

neemt

pikt pin

kurk

maar

neen

ocr page 135

131

pit

rijk

som

toen

plaats

rijksdaalder

soms

tol

plank

rijst

soos

tong

plant

speelt

lor

plezierig

S

shield

touw

plukt

spiegel

trap

poot

sabel

spin

trein

pot

sappig

spits

trekt

potlood

saus

spoortrein

trom

prauw

schaap

springt

trompet

prikt

schaar

spijker

tuig

proljeer

scheermes

staart

tuin

punt

scheert

staat

tuinjongen

put

schelp

stal

tuit

pijl

scherm

steel

pijn

scherp

steen

U

pijl’

scheur

ster

schiet

sterlt

U

1«

schilderij

steunt

uit

I

schilt

stoel

uur

schoen

stolt

uw

raaf

school

stoot

raakt

schoon

stout

V

raam

schopt

straf

rad

schoteltje

straft

vaart

rand

schrift

straks

vaas

rat

schrijft

stroop

val

reellt

schuur

strijkt

valt

reclitop

sigaar

stuurt

van

resident

sik

suiker

vangt

riem

slaapt

varken

ring

slaat

t

vat

roeit

slacht

vecht

roep

slang

tafel

veegt

roli

sleutel

talt

veel

rolt

slim

te

veer

1’0nd

slinger

teekent

ventje

rood

slof

teen

verdiend

roollt;

slordig

tegen

verseil

rookt

slot

terug

vet

roos

sluit

teug

vierkant

rouw

slurf

thee

vin

rug

slijpt

theepot

vindt

ruikt

smal

thuis

vinger

ruit

snijdt

tip

visch

rups

solt

toe11

visscher

rijdt

soep

toe (naar)

vlag

ocr page 136

132

vlieger

waaraan

wimpel

vliegt

waaracliter

wind

vlinder

waarin

wip

vloer

waarmee

wit

vlug

waarom

Woensdag

voet

waaronder

iwordt

vogel

waarop

worm

vol

waarover

wuift

voor

waartegen

'vijd

voorl)ij

waaruit

vorllt;

waarvan

U

vouw

waarvoor

ijs

vraag

wand

ijzer

vroeger

wanneer

vrouw

warm

Z

vruclit

wasclit

Vrijdag

wat

zaag

vuil

water

zaagt

vuist

wet)

zaait

vult

weg

zaclit

vuur

weggegooid

zal;

vijl

weinig

Zaterdag

wel

ze

W

well;

zee

wie

zeef

waait

wiel

zeep

waar

wil

zeg

Totaal 738 woorden.


izeil zelier zelf zet zeug zicli zie ziel; zilver zit zoet zolder zon Zondag zonder zoo zoo even zool zout zus

।zwaar zwal; zwart zweep zwemt


Ruim 500 illustraties.


ocr page 137

ocr page 138