• ; ■■ ; -: rsf-l
Vfi
I
I
[
1!
—-
De GescMedenis in de openbare school,
DOOR
P. MOFSTEBE DE GROOT.
Bydrage tot oplossing der schoolvraag.
Hoewel de openbare school veel gebrekkigs heeft, mogen zij, die het heil des volks beoogen, haar niet ondermijnen. Zij heeft ook veel goeds en kan beter worden. Haar te verbeteren moet aller streven zijn.
Vooral moeten wij de gelegenheden, welke zij aanbiedt voor godsdienstige en bepaald christelijke opleiding der jeugd, niet voorbijzien en ongebruikt laten. Op ééne dier gelegenheden wensch ik te wijzen. Zij is het onderwijs in de geschiedenis.
Dit is door de wet voorgeschreven, zoodat door den onderwijzer opzettelijk in de geschiedenis onderricht han en tot zekere hoogte moet gegeven worden.
Onder de geschiedenis bedoel ik hier wel de algemeene wereldgeschiedenis, maar toch meest hare twee onderdeelen, die voor het grootste deel der menschen verreweg de belangrijkste zijn: de bijbelsche en vaderlandsche. En als leerlingen, die dit onderricht erlangen, denk ik wel aan alle schoolgaanden , maar toch meest aan degenen, die op de hoogste klassen der lagere school behooren plaats te vinden.
Hoe nu kan dit onderwijs volgens de wet en moet dit volgens de opvoedkunde worden ingericht?
Tot de beantwoording dezer vraag wensch ik eeoe bijdrage te leveren. Mogt zij strekken tot bevordering van de eensgezindheid tasschen de zonen van één vaderland!
Ik meen, dat de algemeen-godsdienstige en bijzonder-chris-telijke opleiding der jeugd veel meer kan en moet behartigd worden, dan in de openbare volksschool doorgaans plaats heeft, ten minste, \'t geen ik thans alleen behandel, wat het onderwijzen van de geschiedenis betreft.
Volgens de ouden is de geschiedenis »de leermeesteresse der wijsheiddoch door onze tijdgenooten wordt niet zij zeer veel als zulk eene leermeesteres der wijsheid gebruikt, maar veeleer de philosophic — de philosophie, die onophoudelijk verandert!
Ik wil eenige wenken geven, welke als gezichtspunten, mijns inziens, bij het onderricht in de geschiedenis veel meer moeten vastgehouden worden, dan thans in \'talgemeen plaats vindt.
Vreemde, nog onbekende dingen zal ik niet ter sprake brengen; alleen wensch ik er op te wijzen, hoe de godsdienst de gouden draad is, die door de geheele wereldgeschiedenis heen loopt, en hare eenheid en hare kracht uitmaakt.
Ik wil hierop nadrukkelijk wijzen; doch niet als Christen, maar als geschiedkundige. Ik ben overtuigd, dat de geschiedenis niet naar behooren kan onderwezen en begrepen worden,
2
dan wanneer op dien gouden draad gedurig acht wordt gegeven. Niet in naam van den godsdienst, maar in dien der wetenschap vraag ik hier erkentenis en aanwijzing van dien draad, zonder welken de wereldgeschiedenis geen waardig begin, geen verheven doel, geen troost onder lijden, geen kracht om te werken, geen levenslust en stervensmoed kan bezitten.
Als wij echter dien gouden draad van den godsdienst bij alle volken opzoeken en vasthouden, is het niet de vraag, of die draad rein en onbesmet is. Hij moge veel onvolkomens en verkeerds altijd aan zich hebben, toch is hij overal aanwezig en een machtige, ja onmisbare medewerker in de ontwikkeling der natiën en staten, zoodat men op hem moet letten.
Wat zouden zelfs de beschaafdste volken kunnen gedaan hebben, wat Athene en Rome grootsch tot stand gebracht hebben, zonder hun godsdienst ? Wat zouden wij van hen kunnen begrijpen , wat van Athene\'s wijsheid en kunst, wat van Rome\'s wetgeving en staatsbeleid, indien wij niet op hun godsdienst wilden letten ?
Voorzeker; er moet bij het behandelen der geschiedenis in \'t oog worden gehouden, dat de grondslag der staten en der maatschappelijke samenleving altijd was en nog is — de godsdienst , en dat deze godsdienst in de oudheid veel meer daarvoor werd erkend dan in onze dagen. In velerlei zaken verschilden oudtijds onderling de ons bekende volkeren, maar daarin verschillen zij niet, in zoo verre de overtuiging in hen leefde, dat de godsdienst van hun staat onmisbaar was voor het behoud van hun staal. Die men meende dat dit bestreden, werden als oproermakers verbannen of gedood.
Die volksgodsdienst was op verre na niet volmaakt. Gemakkelijk is het, daarin vele legenden , fabelen en verdichtselen aan te wijzen. Toch was zij onmisbaar. Hare waarheid kan men in het midden laten , en toch hare werkelijkheid erkennen en aantoonen (1).
Eén was en is aller godsdienst in zooverre, als de overleveringen over het ontstaan des heelals, over de onschuld der eerste menschen, over de zonde en hare gevolgen, over het wereldbestuur van God of van de Goden, over de vergelding van deugd en misdaad en velerlei andere grondbeginselen van de zedekunde en van den godsdienst algemeen waren verbreid
(l) Ranke, Weligetchichte, laat het ook onbeslist, of het verhaalde in de geschiedenis icaar is; maar verhaalt het toch. Nu en dan spreekt hij dit ook duidelijk uit. Zoo doet hij dit ook in zijne bewerking van Constantijns leven. Hij schrijft daarover, O. IV, Analeda, bl. 261 : Ich wil mich zu dem Geheimnissvollen nur als Historiker verhalten. Ueber das Objective, das Mysterium, hat die Historie kein Urtheil, aber das Subjective Moment, in wie fern es sich aus den Aousserungen des Betroffenenentnehraenlaszt, darf sie nicht mit Stillschweigen übergehen. Der Kaiser (Constantin) hat den Bischof (Eusebius) davon gesprochen, der Bischof seine Worte der Nachwelt übeiliefert, und wir sind demselben sogar Dank dafür schuldig. Denn wie es sich auch mit dem Mirakulösen verhalten mag, so liiszt sich doch aus der Erzahlung die Stinamung des Kaisers im entscheidenden Augenblick mit sicherheit abnehmen. Diese aber beruhte auf einer von langer Hand angebahnten, in der Tiefe der Seele ruhenden religiösen üeberzeugung, die in Mitten der Krise die Oberhand erhielt,
3
en werden geëerbiedigd. Bij deze eenheid van onwrikbare grondbeginselen bestond intusschen groote verscheidenheid van hunne uitwerking in de onderscheidena volken.
De oudste ons bekende volken waren de Israëlieten, de Egyptenaren , de Babyloniërs en de Assyriërs, de Perzen, de Grieken en de Romeinen.
1. De Israëlieten hebben geschriften nagelalen , welke over de eerste geschiedenis des menschdoms handelen. Hun wetgever was Mozes , hun groote koning David , hunne volksleeraars de Profeten, die allen den godsdienst krachtig handhaafden.
Dit ging zoo verre, dat, nadat de Assyriërs en Babyloniërs Israël hadden verplet, er nog zooveel geestkracht, uit godsdienst geboren , overbleef in een kleine kern, dat deze onder de Maccabeën een heldenkamp tegen de overmacht der Syriërs durfden wagen en — overwonnen. — En nog bestaat Israël te midden van alle natiën, en bestaat het door zijn godsdienst.
2. De Egyptenaren hebben groote gebouwen opgericht, vele tempels voor hunne goden en vele paleizen voor hunne koningen , met vele afbeeldingen en inschriften. Doch deze inschriften zijn wel 1600 jaar onleesbaar geweest en eerst in onze eeuw weder ontcijferd. Zij toonen, dat, zoo ver men ziet, in Egypte de godsdienst alles doordrong.
3. De Babyloniërs en Asfyriërs hebben ook groote gebouwen nagelaten, die eeuwen lang onder het zand der woestijn zijn begraven geweest, maar nu in de laatste jaren zijn ontgraven, waardoor geheele boekerijen in steen zijn aan het licht gebracht. Opmerkelijk is het, dat de inhoud er van met de overleveringen van Israël vaak woordelijk overeenstemt.
4. De Perzen hebben een groot wereldrijk gesticht, \'t welk zich over Westelijk Azië en Egypte uitbreidde. Hun godsdienstleeraar en tevens staats-wetgever was, naar de meening van velen, Zoroaster.
5. Wij komen op meer bekend terrein, Griekenland en Rome. Da Perzen waagden een vaak herhaalden aanval op de Grieken, doch werden verslagen, het laatst door Alexander. Wat gaf den Grieken de overwinning ? Zij hebben het \'t verst gebracht in wijsheid en kunst. Socrates, de vader der philosophie, behoorde tot hunne godsdienstigste en wijsste mannen; Phidias was hun grootste kunstenaar, Sophocles was hun vroomste dichter. Doch hunne wijsheid, kunst en poëiie dienden, om hunne Goden te verheerlijken. Zelfs de krijgstocht van Alexander tegen Perzië werd ondernomen, om de Grieksche Goden aan de Perzische Goden te wreken. Koning Xerxes had de heiligdommen der Grieken verwoest: nu gingen deze onder Alexander hen straffen. Dit was alles bij de Grieken met den godsdienst doortrokken.
Men weet immers, dat de grondvesting, de wetgeving en de efredienst der Staten bij de Grieken op orakelspreuken berustte en dat de uitoefening van godsdienstige plechtigheden in de aan vele stammen en steden gemeenschappelijk behoorende tempels hen samen hield als bloedverwanten en broeders. Voorts sla men maar een werk over de Grieksche oudheden op, om in het gedeelte, dat over de heilige dingen of den godsdienst handelt, te zien hoe alle staats- en rechtszaken, de krijgsdienst , de handel, de landbouw, elk bedrijf en geheel het
4
dagelijksch leven door godsdienstige plechtigheden werden gewijd en geregeld. Ook de dichtkunst en de beeldende kunst waren van den godsdienst afhankelijk. Homerus en Hesiodus, Pindarus en de Treurspeldichters namen de godsdienstige volksovertuigingen tot grondslag voor hunne scheppingen. En evenzoo deden de bouwmeesters, de schilders en de beeldhouwers, wier meesterstukken bovenal aan den godsdienst waren ontleend en gewijd. Niet anders is het met de geschiedschrijvers. Cbk deze zagen in de lotgevallen der volkeren en der bijzondere personen steeds de Godheid straffen en beloonen, en schreven hunne jaarboeken vooral als aanwijzingen van de rechtvaardige vergelding, door de Godheid aan de wereld toegedeeld. Zóo is het van Herodotus af tot Piutarchus toe. Maar dan is het geen wonder , dat ook de wijsgeeren vasthielden , gelijk aan alle andere bestaande instellingen , zoo mede aan den godsdienst, die bestond en derhalve recht had van bestaan , en in geheel de maatschappij zoo onlosmakelijk was ingeweven, dat men , door den godsdienst ter zijde te zetten, den staat zou ontbinden.
6. De Romeinen hebben uit veroveringszucht het schoonste deel der aarde aan zich onderworpen, maar ook door eene wijze wetgeving beschaafd. Zij eerbiedigden de godsdiensten van alle volkeren en hun eigene godsdienst was bun heilig. Bij de oude Romeinen , bij wie men het eerst zou meenen dat zij het zonder godsdienst in bun staatkundig, maatschappelijk en huiselijk leven hadden kunnen redden, is de onmisbaarheid van den godsdienst algemeen en altijd erkend. Indien men niet vasthoudt aan hunnen godsdienstzin, verstaat men niets van hunne geschiedenis.
Een professor in de rechten (Kuntze, Römische Bilder aus alter und neuer Zeit, Leipzig 1883) spreekt het dus uit: »Een staat zonder godsdienst is een ongeluk, een bloote rechtstaat is een praktische onzin; zonder dezen grondslag valt de staat uitéén. — Da metalen bouw van het Romeinsche rijken van de Romeinsche staatsregeling heeft de eigenlijke veerkracht zijner zelfstandigheid uit den vromen zin der Romeinsche burgers getrokken. Zoolang Rome zijne Goden eerde breidde het zijne macht uit; met het verval van zijn geloof in zijne Goden verviel zijne macht en zijn zelfvertrouwen. En dit geloof in zijne Goden doortrok in de goede tijden van Rome jong en oud , en alle kringen , alle beroepen , markten , straten, kruiswegen , begraafplaatsen, korenvelden en wijnbergen. Overal zag men Godenbeelden, die over de kleinste en grootste verrichtingen waakten. Gebeden en aanroepingen der Godheid om vatteden het geheels huiselijke leven. Er werd gebeden, wanneer het gespeende kind leerde te eten en te drinken, te staan, te gaan , te spreken; wanneer de opgroeiende knaap mondig werd en het kleed des mans aannam ; wanneer de volwassene wilde trouwen; wanneer een mensch in gevaar of nood kwam; wanneer er werd gezaaid, of geoogst; wanneer voer ooft en bijen moest gezorgd worden; wanneer huis en drempel en deur werd ingewijd. Dagelijks hield de oude Romein met zijne kinderen en dienstboden na het offer een morgengebed, en bij maaltijden werd, vóór het innemen van de plaatsen aan den disch, gebeden.quot;
5
De onmisbaarheid van den godsdienst voor de staten wordt derhalve ook voor de Romeinen erkend. En waarlijk , ïij moet in het licht treden, zullen wij de wereldgeschiedenis verstaan.
Wanneer wij dit opmerken en uitspreken en ook de fabelleer in \'t algemeen verhalen , doen wij dit niet, dewijl wij dat alles voor waar aannemen, maar dewijl dit alles voor het verstand der oudheid onmisbaar is. Natuurlijk laten wij na, de onwaarheid of waarheid van deze aloude godsdiensten aan te wijzen. Dit is niet de taak van den leeraar der geschiedenis. Die blijve op zijn terrein. Geene geschiedenis der beschaving leere hij, waaraan ontbreekt wat de hoofdkracht der beschaving onder alle volken is geweest. Dit beginsel moet worden vastgehouden. De waarheid er van is telkens gebleken.
Toen de Romeinen alles beheerschten , ontstond er ten slotte eene ontbinding der maatschappij, dewijl de menschheid te ontwikkeld was geworden, om de fabelachtige en vaak onzedelijke godsdiensten der wereld langer te geloeven, en zij geene geheel ware dienst van God daarvoor in de plaats konden verkrijgen. Ongeloof aan al wat hooger is dan deze aarde werd heerschend.
De ware godsdienst werd hun eindelijk aangeboden in dien van Israël. Dit volk had altijd dóór Gadsgezanten gehad, die tegen de verbetering van den godsdienst ijverden. De grootste van uJ al deze Godsgezanten was Jezus Christus. Doch Hij werd door zijn volk gekruist, en toen Hij gepredikt werd onder ds Joden en Heidenen , werden zijne aanhangers, zelfs nog door ijveraars voor den godsdienst, bitter vervolgd.
Na drie eeuwen zag de Keizer van Rome, Constantijn, dat de maatschappij en de staat niet kenden in stand blijven dan door de herstelling van het ware geloof, dat is: door de aanneming van het Christendom.
De volksgodsdiensten waren uitgeleefd; maar een besef van de algemeene denkbeelden, die aan alle godsdiensten ten grondslag liggen , was levendig geworden. De vorst der ge-schiedvorschers in onzen tijd, Leopold Ranke, zegt daarvan(2): ))Daarin kan men de ideale kern der geschiedenis van het menschelijk geslacht in \'t algemeen zien , dat in allen strijd tusschen staten en volken altijd weder hoogere machten te voorschijn komen, die alles wijzigen en er in alles een ander karakter aan geven.quot;
In de crisis der geesten , waaruit zich niets dan de ondergang der toemalige wereld liet voorzien , »is,quot; zegt Ranke (3), «Jezus Christus verschenen. Maar het vlekkeloosste, diepzinnigste, menschlievendste wezen, dat ooit op aarde verscheen, vond geene plaats in de wereld van dien tijd. Evenwel ging zijn werk met Hem niet te gronde. Zijne leerlingen namen zijne plaats in en werden de leeraars der menschheid.quot;
Velen luisterden niet naar hen, maar toch eenigen. Zoo ontstond de Christelijke Kerk. Niemand was haar meer genegen dan Constantijn. Hij bad God, dat door hem, zijn dienstknecht, aan de Oosterlingen redding en heil geschonken mogt worden. Onder het Godsbestuur, wist hij, had hij zijne leger-
(2) Weltgeschiehte D, III Afd. 2, bl. 5.
(3) Bl. 160, 169.
6
macht geleid en zijne overwinningen behaald. Zijn doel was, het door de tirannen verwoeste huis van God weder op te bouwen. «Door uwe macht,quot; zeide hij, »ben ik groot geworden , ik vrees uwe macht (4).quot;
Cunstantijns zienswijze bleef die zijner opvolgers. En dat terecht! De verschijning van Jezus Christus deelt de wereldgeschiedenis in tweeëa. «Het hoogste goddelijke Wezen , de Schepper van het heelal, stond,quot; zegt Ranke (5), «vóór Christus\' tijd te hoog boven de wereld, onbereikbaar, boven elk begrip verheven ; in Christus verschijnt het naar de men-schen toegekeerd , zelf menschelijk, niet alleen in zijn zedelijken , maar ook in zijn geestelijken zin innig vereenigd. Voor de menschheid werd daarmede een nieuwe baan geopend.quot; Doch het duurt lang, eer die baan algemeen wordt betreden !
In de zevende eeuw na Christus geboorte verhief zich als Profeet en Veroveraar Mohamed, die Muzes en Jezus als Godsgezanten eerbiedigde , maar zich zeiven voor een grooter Profeet verklaarde. Zijn ijver voor den dienst van den eenen waren God noodzaakte echter de Christenen, vele overblijfselen van de Heidensche afgoderij af te schaffen.
Mohamed en zijne volgers grepen naar het zwaard. En van toen af is er eeuwen lang geoorloogd tusschen de Christenen en Moha-medanen. Het geweldigst geschiedde dit in de kruistochten , die tweehonderd jaar duurden. Meest werd er gestreden in het Oosten, en wel om het bezit van het heilige graf. Vele gruwelen zijn er in die kruistochten van weerszijden bedreven; maar tevens is er de grond in gelegd voor de vrijheid van steden en staten, voor den bloei van kunsten en wetenschappen en voor een geheel nieuw leven der menschheid.
De handel nam een groote vlucht. De zeeweg naar Oost-Indie werd gevonden. De ontdekking van Amerika volgde.
Bij al de zegeningen evenwel, die het Christendom aanbracht, slopen ook vele verkeerdheden in de Christelijke Kerk. Dit werd zoo erg, dat in 1414 eene algemeene Kerkvergadering te Canstacz en in 1432 weder eene dergelijke te Bazel verklaarden, dat de Kerk eene hervorming behoefde in hoofd en leden.
Voor die hervorming ijverde sedert 1517 een monnik, Maarten Luther. Velen juichien hem toe, velen verfoeiden ham en wilden hem en de zijnen met wreed geweld uitroeien.
Toen dit niet gelukte, ontstond er eene scheuring, zoodat de Christelijke Kerk in eene Roomsche Kerk en eene Protes-lanlsche of Evangelische Kerk werd verdeeld.
Het tooneel van den strijd tusschen deze twee Kerken was eerst ons vaderland, tachtig jaren lang (1568—1648).
In dien oorlog stonden Willem van Oranje en zijne dappere broeders en zonen tegenover Philips II. Deze wilde den Roomschen godsdienst alleen handhaven, Willem wilde voor allen vrijheid. Philips beriep zich op zijne plichten, Willem op Philips\' eed, bij de inhuldiging als graaf en hertog gedaan, dat bij de vrijheden en rechten der Nederlanders zou eerbiedigen.
Philips zond een leger onder Al va. Deze vertrad alle recht sn
C4) Ranke, bl. 530. (5) D. Ill Afl. 1, bl. 170.
7
en wetten. Hangen, onthoofden , verbranden, verdrinken was zijn werk dag aan dag.
Ten laatste vatte Willem van Oranje de wapenen op. Hij leed eerst menige nederlaag. Maar 1 April 1572 begon de zegepraal. Dapper streden voorts de bevolkingen van Haarlem , Alkmaar, Leiden en andere steden.
Eindelijk in 1648 kwam er in Nederland volledige vrijheid door den Westfaalschen vrede.
Deze vrede was ook het einde van den dertigjarigen oorlog tusschen Roomschen en Protestanten in Duitschland gevoerd. In dien oorlog verkregen de Protestanten de overhand, vooral door de hulp van den koning Gustaaf Adolf en het volk der Zweden.
Hevig was ook de strijd in de zestiende eeuw tusschen deze twee partijen in Frankrijk, waar acht godsdienst- en burgeroorlogen ontbrandden. Veel werd hier misdreven , vooral in de Parijsche bloedbruiloft (24 Aug. 1572). Eindelijk kwam er vrede door het edict van Nantes, 1598. Doch dit edict werd in 1685 trouweloos herroepen. Toen vluchtten de Protestanten uit Frankrijk naar allerlei landen, waar vrijheid heerschte. Ia Frankrijk woedde nog de vervolging tot 1761 , toen de brave Jean Calas, omdat hij Protestant was, als misdadiger door de rechtbank ter dood werd gebracht. Zijn martelaarsdood werd intusschen het leven en de vrijheid voor de Protestanten in Frankrijk.
In Groot-Brittan je was de Hervorming in de zestiende eeuw ingevoerd, vooral door koningin Elisabet. Doch de Protestanten hadden daar vaak veel te lijden, vooral onder koning Jacobus II, die, zelf Roomsch , Engeland weder Roomsch wilde maken. Zijne geweldenarij werd zoo onverdragelijk, dat vele edelen en burgers Willem III, Prins van Oranje, den schoonzoon van Jacobus II, smeekten, hun land te bevrijden. Willem kwam in 1688 over en werd door geheel het volk tot koning gemaakt.
De oorlogen om den godsdienst zijn in \'t algemeen hiermede geëindigd. De overtuiging is geboren, dat Roomschen, Protestanten , Israëlieten en Mohammedanen hun godsdienst vrij mogen belijden, mit zij de wetten van den staat gehoorzamen.
Zietdaar eenige bekende bijzonderheden, die voor oneindig groote uitbreiding vatbaar zijn. Doch of er reeds eenig boek bestond, in dezen geest geschreven , was mij tot voor korten tijd onbekend. Nu kan ik op Ranke wijzen, die eene Vfell-§eschichte is beginnen te schrijven, waarvan ik bij de beschouwing van Constantijn een proef heb gegeven.
Hij is echter eene uitzondering. Wat de geschiedenis in dit opzicht als wetenschap eischt, wordt in den regel niet ernstig onderzocht. De vraag wordt door de geleerden van onzen tijd nu dus gesteld: Moet alles van God uitgaan in de wereldgeschiedenis , of alles van den mensch ?
Maar deze vraag is kwalijk gesteld: Zij geeft, hoe ook beantwoord, altijd een onwaar antwoord.
Want de waarheid is deze; niet God of de mensch, maar God en de mensch zijn de factoren der wereldgeschiedenis. Paulus leert het reeds in de uitspraak: »Wij zijn Gods medearbeiders.\'\'
8
Immers God is Vader, zijn hoofdwerk is das opvoeden. En in de opvoeding werken vader en kind zamen. Dit moet worden erkend en uitgesproken, mondeling en schriftelijk. Niet alleen de godsdienst, ook de geschiedenis komt anders niet tot haar recht. Wij erlangen alsdan eene verminkte geschiedenis.
Het innerlijke wezen van de ontwikkeling der menschheid is een volkomen raadsel, waar een der beide factoren God en mensch wordt verwaarloosd. Wat de geschiedenis volstrekt noodig heeft, den zamenhang der gebeurtenissen te doen kennen, wordt gemist, waar van de twee factoren maar een wordt gerekend en de andere verzwegen.
L\'état alhée is thans veler ideaal. Kon het verwezenlijkt worden, zoo zou alsnog de staat vergaan. De staat zonder God zou zijn een mensch zonder geest.
Een beter inzicht moet verspreid worden, ook door de volksschool. Doch de onderwijzers hebben daartoe hulp noodig. En deze hulp moet vooral uitgaan van de geleerden.
Lang zal het duren, eer mijn ideaal verwezenlijkt werdt. Toch moeten wij er toe medewerken, wij allen naar de ons gegeven kracht. Nil desperandum !
Nog heb ik een woord te zeggen over de vraag: hoe het aan te leggen, dat de Roomschen ons niet verhinderen, zulk een geschiedkundig onderricht, als ik wensch , in de volksschool te doen geven. Natuurlijk pogen velen dit te doen, vooral wanneer de Kerkhervorming wordt behandeld. Doch dan is het geraden zich op de kerkvergaderingen te Constanz in 1415 en te Bazel in 1432 te beroepen, waar de noodzakelijkheid der hervorming in hoofd en leden plechtig is uitgesproken.
Maar dat Rome vaak belemmert, is blijkbaar. Tegen Rome moet dus met veel moed, doch ook met veel tact worden gehandeld.
Met eenigen schroom heb ik geschreven. Het zou kunnen schijnen, als of ik eene les in de wereldgeschiedenis had willen geven. Neen, ik onderstelde niet, dat mijne lezers de feiten , waarop ik wees, niet zouden kennen. Maar daarop rekende ik, dat zij ze wel zouden kennen, ten einde aldus te doen zien, hoe uitvoerbaar mijne gedachten nu reeds eenigszins zijn, en, zal Nederland een vrij land blijven, dan op den duur volkomen.
{Overgedrukt uil de Prov. Gron. Cour. van 9 Juni 1885.)