\'ak 122
OVERGEDRUKT UIT DE STUDIËNquot;
OP
Godsdienstig, Wetenschappelijk en Letterkundig Gebied.
XX Jaarg. Dl. XXX.
PM llSli M ïilIM
DOOP.
W. VAN NIEUWENHOFF.
UTRECHT, P. W. VAN DE WE IJ ER. 1 888.
141
lil-\' ,
OVERGEDRUKT UIT DE STUDiEST
OP
Godsdienstig, Wetenschappelijk en Letterkundig Gebied.
XX Jaarg. Dl. XXX.
pui mi m imim
DOOR
W. VAN NIEUWENHOPF.
f. w.
UTRECHT, VAN DE WE IJ ER. 1 8amp;g.
Toen in October 1882 de katholieke wereld het zesde eeuwfeest van St. Franciscus van Assise herdacht, verbond zich in Portiuncula een kloosterling door eeuwige beloften aan God in de franciskanerpij , welke hij in het uur zijner ekeeriDg op den berg Alverno gevraagd en ontvangen had. Later bestemden hem zijne oversten voor het predikambt, en de naam van Agostino da Montefeltro roept sinds dien tijd voor heel het beschaafd Europa het beeld op van een der machtigste sprekers, welke onze eeuw rijk is.
Hij wordt de man van onzen tijd genoemd, dewijl hij het koortsig gejaagd streven onzer dagen niet enkel begrijpt maar den volkeren durft toe te roepen: „Gij wilt vooruitgang. Welnu gewapend met mijn geloof, zal ik u den weg wijzen; volgt me!\'\'
Hij weet, hoe het overwicht der grooten op de minderen rukt; en zijn woord, snijdend als de kreet van een geslagen volk, dringt als gloeiend staal in de wonde van der machtigen ongerechtigheid. Hij beschrijft de geschiedenis der menschehjke smart, deze lange geschiedenis, in welke ieder zijne eigen bladzijde getrouwelijk terug vindt — en zijne stem daalt als een troostende engel en brengt het geloof aan eene toekomst in de kranke ziel. Hij kent de woe-
lingen der hartstochten in het maatschappalijk leven; weet, hoe deze driften de menschen voortjagen, verdeelen, dikwerf wapenen tegen elkaar, en er spreekt zachte weemoed uit den toon, waarop hij vermaant: „Vrede , mijne broeders, vrede!quot;
Zijn welsprekend woord gaat voorbij , dewijl hij in be-scheidene teruggetrokkenheid niet wil, dat het in duurzamen vorm bestaan blijft; toch is de geestdrift, met welke\'t aller-wege ontvangen wordt, grooter en de indruk, dien het bij de hoorders maakt, machtiger dan van de heerlijke werken der italiaansche schilder- en beeldhouwkunst. Is niet de vox humana de hoogste uitdrukking der menschelijke kunst?
Het menschelijke hart heeft geen geheimen voor hem; de menschelijke nooden liggen open voor zijn blik ; in zijne kunstenaarsziel tintelt het geloof der eerste martelaren, en het woord, dat zijne gedachten openbaren en overstorten moet, staat hem gedwee en vaardig met al zijn rijkdom ten dienste.
Scharen van duizenden verdringen zich voor en achter tot in de zijbeuken, en een gemompel van ongeduld vermengt zich met de laatste orgeltonen. De hand eens dienaars heft het gordijn van het spreekgestoelte omhoog, en P. Agostino laat bij het optreden zijn bewegelijken blik over de menigte gaan. Welgemoed en vriendelijk is zijn voorkomen; \'t Is of hij zeggen komt; „Vreest niet! Ik verkondig u eene blijde boodschap!\'\' De oogen neergeslagen en de beide handen op den rand zijner tribune, herhaalt hij met langzamen nadruk, zonder een gebaar of buiging van stem zijne daags te voren behandelde stoffe. Zijne preeken zijn de schalmen van een keten, zij hebben een onderling verband. Hij toont den schakel, dien hij voornemens is er aan toe te voegen, en begint. Op eens veranderen zijne stem, houding en uitdrukking van gelaat; een levendig en welsprekend gebaar begeleidt het helder voortschietende woord; het lichaam , dat eerst in de fran-ciskanerpij versteven scheen, herneemt beweging en buigzaamheid : eene machtige overtuiging spreekt er uit geheel zijn persoon. Naden eersten zin heeft hij zijne hoorders gewon-
Ben. Er ligt iets betooverends in deze welsprekendheid, die altoos mannelijk en waardig, over de teederste tonen beschikt, de roerendste snaren doet trillen, van smarte weent, bij het onrecht toornt, en in majestueuze vaart zich opheft tot God.
Begeerig en gespannen volgt de schare dit woord langs de wegen des geloofs, die het verheldert, tot het eerbiedig maar vast opstijgt en het geheim des geloofs nadert. Uit deze hoogte werpt de spreker plotseling den blik omlaag, wijst er de jammeren des volks op aarde, telt de tranen der menschheid, slingert den overweldigers zijne verachting in \'t aangezicht en roept tot de armen, tot de weenenden, tot hen, die den dood dragen in de ziel: „omhoog met uwe harten, gij zijt uitverkorenen Gods!quot;
Zij die luisteren, voelen eene siddering door de leden gaan; een half onderdrukt gefluister van goedkeuring gonst uit de schare, en weerhield ontzag voor het heiligdom deze duizenden niet, een lange storm van toejuiching brak los bij deze triomfen des woords.
Eeeds moet hij geen onbekende zijn geweest en zijn naam van weisprekenden klank, toen hij in 1885 te Bologna de vasten kwam preeken. De oude San Petronio kerk riep de tijden der heiligen Dominicus, Antonius van Padua en Bernardinus van Sienna voor den geest met die schare van twaalfduizend hoorders uit stad en omstreken samengevloeid. De hoogleeraren der universiteit en de meesters van het lyceum, geneesheer en advokaat, wereldsche dames en heeren werden opgestuwd door den werkman en de vrouw uit het volk: \'twas eene bijeenkomst van oud en jong, van godloochenaars en vromen.
Na de vasten schreef de Unione: „de naam van dezen kloosterling staat met onuitwischbare letters in Bologna\'s jaarboeken opgeteekend. De vasten van 1885 blijft er een spreekwoord. Als wij oud geworden zijn, zullen wij er onze kinderen van vertellen, als van eene zoete, kostbare herinnering; wij zullen verhalen, hoe de beuken onzer grijze basiliek eiken dag gevuld waren, zóó dat de menigte zich
4
samenpakte een of twee uren voor pater Agostino den predikstoel beklom; dat er in heel Bologna geen spraak was dan over hem; dat men in zijne preeken vrijdenkers zag, die anders bij het zien eener monnikspij een kruis hadden geslagen, indien zij daar nog geloof genoeg toe hadden gehad. Na zijne slotspreek wachtte eene zoo onafzienbare menigte den pater op het plein voor de kerk, dat de tram stil houden moest en in gebruik werd genomen als schouwplaats om den pater te zien en toe te juichen.
„Men spreekt van groote geestelijke vruchten door deze apostolische prediking gewonnen. Tot de heilige Sacramenten zijn nu menschen genaderd, die den weg er heen sinds lang vergeten waren; jongelieden in twijfel en ongeloof verloren, zijn tot een christelijk leven terug gekeerd.quot;
Toen hij in 1886 te Pisa de vasten predikte \'s morgens te elf uren, waren van zeven uren alle plaatsen bezet, en om tien uren kon niemand de kerk meer binnen. Ledig bleven de leszalen der hoogeschool, en de professoren volgden onwillekeurig hunne studenten naar de kerk, terwijl zij zich verplicht zagen de collegie-uren te veranderen.
De bekende schrijver Paolo Mantegazza meldt „ook ik heb mij een der laatste dagen van de vasten, dit jaar (1886) naar Pisa begeven om P. Agostino da Montefeltro te hooren, die sinds meer dan eene maand op den kansel van den dom de menigte meegesleept en betooverd had.
„Menschen van honderd mijlen ver gekomen, bezett\'en het plein in afwachting van de opening der kerkdeuren. Geleerden zonder geloof daalden van hunne leerstoelen om een armen monnik te hooren spreken over God, in wien zij niet geloofden.
„In de winkels, koffiehuizen, theaters en dagbladen was de groote redenaar en de geestdrift, die bij wekt, het gedurig onderwerp der gesprekken op eene wijze, die geen tegenspraak duldt.
„Zulke wonderen worden alleen door machtigen gewerkt. Ik zelf had mijn leerstoel, het Museum, den omgang der
5
florentijnsche vrienden verlaten om het woord des monniks te liooren en eene kracht te bewonderen.
„Ik wil hier geen kritiek oefenen op P. Agostino\'s welsprekendheid en zeggingskracht — alleen merk ik het feit op, dat zijn woord dag aan dag duizende menschen van eiken leeftijd, van heider geslacht, en uiteenloopende ontwikkeling aantrok en boeide. Ik heb mannen en vrouwen zien schreien; bij het uitgaan van de kerk, heb ik menschen, elkander volkomen vreemd, zich de handen zien drukken, gedwongen door eene onweerstaanbare behoefte om lucht te geven aan de ontroering, die hen overmeesterd had. Ik heb het tooneel bijgewoond, nu en dan in de geschiedenis vermeld, dat het woord van één man afgoden omver doet halen en nieuwe aanbidden; dat het mensche-lijk woord geheel een volk tot gelooven dwingt of tot vloek, tot oorlog of tot vrede,quot;
De Cittadino Italiano van Udine berichtte; „niet slechts de bevolking der stad, maar die van geheél Toscane stroomt samen in de hoofdkerk, waar Pater Agostino da Monte-feltro ons doet zien, hoe wonderlijk de genade van het woord Gods op de harten weet te werken. De aristocratie en de volksklasse, de mannen der balie en der wetenschap, in éen woord het geheele volk stroomt toe om het welsprekend woord van den monnik te hooren. Zestien duizend personen zijn eiken dag om den kansel van pater Agostino verzameld en wachten hem buiten de kerk op, om hem met luide toejuichingen te begroeten. Deze geestdrift groeit nog eiken dag aan.
„Onlangs heeft de gewijde redenaar de sociale quaestie behandeld en de tegenwoordige beroeringen in Europa. Hij toonde daarbij aan, hoe de loochening van God en de vergoding der stof de oorzaak zijn der maatschappelijke ellende. De toehoorders hebben hun gevoel niet kunnen bedwingen en de kerk heeft weergalmd van de geestdriftvolle toejuiching der menigte.
„Op enkele uitzonderingen na, verdient de houding der
6
pers allen lof. De liberale bladen van Livorno spreken over den beroemden redenaar niet anders dan de katholieke organen der pers.
„De vijanden van den godsdienst weten niet, wat zij doen zullen om dit enthusiasme tegen te gaan. De protestanten, die te Pisa vrij talrijk zijn, hebben pater Agos-tino aangevallen, doch \'t is hun slecht bekomen. Hun predikant, die beweerde den geleerden kloosterling te kunnen wederleggen, heeft zich moeten verwijderen, uitgefloten en bespot door de bevolking, welke zijne uitdaging niet kon dulden. De socialisten hebben daarop een schandelijk geschrift verspreid, waarin den priester de laagste misdaden ten laste werden gelegd. Doch het volk heeft de partij voor den priester tegen de rondventers opgenomen , en de overheid heeft zich verplicht gezien den verkoop van het schandschrift te beletten.
„Photographieën van den kloosterling zijn niet meer te verkrijgen, men rukt ze elkaar uit de handen, en de Croce Pisana heeft drie duizend exemplaren extra verkocht, op den dag, dat zij eene vrij goede gravure leverde van pater Agostiüo\'s portret.
„Er zijn verschillende comités gevormd om den pater herinneringen en geschenken aan te bieden. Een comité bestaat uit dames, een ander uit advocaten, een derde uit studenten der hoogeschool. De vrijdenkerij lijdt inderdaad te Pisa eene geweldige nederlaag.quot; 1)
„De laatste predikatie van den kloosterling zou plaats hebben te elf uren in den morgen, en reeds te vier stonden meer dan zeshonderd menschen op het domplein geschaard. De kerk was overvol, toen de gewijde redenaar den kansel betrad, en op het einde zijner rede barstte het gehoor in toejuichingen los. Men heeft den nederigen zoon van Fran-ciscus eene ovatie gebracht, een koning waardig. De menigte bedekte het rijtuig, waarin hij wegreed, met bloemen; allerlei
I) Vg. «de Tijdquot; 26 April 1S86 2de blad.
7
deputatiën van studenten, advocaten, aanzienlijke vrouwen kwamen hem hunne bewondering betuigen. De rijke gaven hem aangeboden kwamen den armen der stad ten goede. In één woord de gewijde welsprekendheid heeft daar een triomf gevierd, zooals alleen de eeuwen van groot en levendig geloof schenen te kunnen wekken. 1)
Toen hij in de vasten van 1887 te Florence optrad, was zijn naam in en buiten Italië beroemd, en benauwend zwaar mocht de taak wel blijken van P. Magister Vinzenzo de Toma, die ter zelfder tijd in Sta Maria Novella te preeken had, toen het overweldigend talent van pater da Montefeltro als een magneet de scharen naar den Dom trekken bleef.
Gelukkig voor ons, dat de uitgevers van het katholieke dagblad de Mettrico den redenaar niet hebben geraadpleegd over hun plan om aanstonds snelschrij vende verslaggevers in zijn gehoor te zenden en het opgeteekende \'s anderendaags in een bijblad te doen verschijnen.
Met groote letters stond daar te lezen, dat de preeken van P. Agostino nog afzonderlijk verkrijgbaar gesteld waren aan hun bureel en aan eene dagbladen-kiosk te Florence. Terecht schijnt de redenaar tegen deze gedeeltelijke openbaarmaking en gedwongen uitgave opgekomen te zijn, want bij het veertiende nummer lezen wij voor het eerst aan den voet der bladzijde: dis redactie acht ïich gehouden te
veek laren, dat deze uitgave door pater agostino evenmin herzien als goedgekeurd is.
Van dien dag houden de aankondigingen op, elk nummer draagt de bovengemelde verklaring, doch — en hier zijn wij het meest mee gebaat — het verslag wordt uitvoeriger en trouwer.
Bij zijne inleiding vinden wij de klacht, dat de stenografen niet gunstig genoeg gezeten waren om den machtigen spreker geheel te volgen, daarom bleef het bij de hoofddenkbeelden en een weinig ontwikkeling. Ik laat ze hier volgen,
1) rDe Tijdquot; Vrijdag 7 Mei 1886 2de blad.
8
I. „Mijne Heeren. Van welke zijde men de maatschappij beschouwe, van bovenaf, van onderop, van rechter-of linkerkant ; hetzij wij ze nagaan onder \'t oogpunt van staatkunde, van regeering of van godsdienst, de maatschappy is tot zulk een staat van verval gekomen, dat zij onmogelijk verder kan.
,.In een anderen tijd zou ik mij gelukkig hebben gevoeld in de eere tot u het woord te richten, florentijnen, doch nu, waar blijft de reden voor verheuging, wanneer wij overal waar onze blikken gaan , onzen heiligen godsdienst aien afzweren en bespotten door wijsgeeren, godloochenaars sn stofaanbidders\'?
„De eer is mij meer te beurt gevallen u toe te spreken, gij kent mij dus, ik heb slechts één verlangen, één doel: u de waarheid te doen hooren. Ik treed niet op in naam eener richting, ik kom in den naam van God, als gezant Zijner barmhartigheid. Ik ken slechts één vorm van strijd-voeren, en ik zou meenen mijner zending ontrouw te worden, indien ik u iets anders dan de waarheid sprak. Onze banier, welke die van Jezus Christus is, behoeft niet verborgen te worden, doch moet omhoog gehouden ; de spreuk daarop geschreven luidt: „WAAEHEID!\'\' Wat is Waarheid, Heeren?
„De waarheid is voor den meusch de grondslag van alles, van schoonheid en geluk; daarom is zij noodzakelijk en onmisbaar en het voorwerp van het grootste belang in de achttien eeuwen, die achter ons liggen. Doch niet het verleden vergt onze aandacht, wij moeten den blik vestigen op onzen tijd.
„Onze eeuw heeft ook „waarheid\'quot; tot kenspreuk gekozen; doch welke waarheid bedoelt zij ? Het woord ligt op ieders lippen, maar neemt men de beteekenis in acht? Eens is de waarheid in het menschelijk hart gegrift; wat is zij nu geworden? Gelooven de wijsgeeren, de hoogere standen, de regeeringen, de vorsten, de overheidspersonen, het volk, gelooven zij wellicht aan dit symbolum? Men verzet zich tegen de beginselen van gezag en gehoorzaamheid. Yan \'t gezag is niets dan de vorm overgebleven, en de gehoor*
9
zaamheid? Elk vsil zijn eigen meester zijn of voor het minst alleen onderworpen aan zijne eigen behoeften: ziedaar de bron der regeeringloosheid. De onverschilligheid voert verder den boventoon. Wij zien de zonen van één vaderland de wapens opnemen tegen elkaar, en voor de liefde is haat in de plaats getreden. Of dit alles nog weinig v/are: de menschelijke wil is verzwakt, iedereen weifelt en denkt aan zijne eigen voldoeningen alleen; waar zijn de flinke karakters, waar zijn de belangeloozen?
„De getrouwheid van den zoon en de liefde voor de verdediging des vaderlands zijn verdrongen door zelfvergoding; waar de beginselen ontbreken, komt men tot niets.
„Zeker God heeft den mensch niet noodig, ook de groo-ten en wijzen niet, doch Hij wil, dat de mensch mede-werke aan Zijne plannen.
„Het valt niet te ontkennen, de wereld verkeert in een hachelijk gevaar, waarbij de geschiedenis met een nieuw hoofdstuk moet beginnen. Ieder is gejaagd; wie den blik slaat in de toekomst, ziet den nacht: groote God wie zal ons redden ?
„Handel, Nijverheid en Wetenschap roemen op vooruitgang, doch wat ons ontbreekt, dat zijn menschen, mijne heeren. De eenigen, die de maatschappij kunnen redden zijn menschen, die deugd en waarheid liefhebben, en deze menschen ontbreken,
,;WTaaraan is dit gebrek te wijten? Eerst zonder twijfel aan de neiging ten kwade, verder aan tallooze redenen, die ik niet kan opsommen, eene onbeteugelde drukpers, besmetting verspreidende dagbladen, ongeloof, genotzucht; voegt hierbij de kwaadwilligheid van velen , en de kwalen der maatschappij liggen voor u open.
„Wanneer de oorzaak der kwaal bekend is, moet het geneesmiddel worden gezocht. Een elk gelooft dit te bezitten en biedt het aan; ieder heeft zijn formulier en noemt het onfeilbaar.
„De mannen onzer dagen gelooven het geluk te vinden in
10
de vergoding der stof; eene inwendig knagende wroeging verteert hen, en niet zelden eindigen deze teleurgestelden hun leven door zelfmoord. De vermaken des levens hebben nooit eenig volk tot grootheid gebracht. De geschiedenis aller eeuwen en aller volken is daar ten bewijze. Sommigen zeggen: het heil der maatschappij hangt aan de vaststelling der nieuwe beginselen; anderen beweren : neen, maar wij moeten onze verouderde gebruiken veranderen; de Christus en zijne dienaren moeten worden uitgedreven. De ondervinding heeft geleerd, welke vrucht deze nieuwe beginselen droegen; als wij dien weg blijven volgen, zullen wij de maatschappij in plaats van vooruit te gaan, zich reddeloos te gronde zien richten.
„Is er dan geene herstelling voor dien toestand mogelijk?
„Onze hedendaagsche wijsgeeren geven theoriëen, welke of enkel op de stof, of enkel op de rede berusten; zijn deze toereikend? Gelooft gij den heerschenden hartstochten een teugel aan te werpen met woorden zonder gevoel? Aan hen, die zich op u verlaten, belooft gij welvaart; kunt gij dien geven? Neen. Dan zullen zij zien, dat gij hen hebt misleid. Zij zullen opstaan in hunne kracht, en gij zult u gedwongen zien de wapens tegen hen op te nemen. Petroleum en dynamiet zijn de gevolgen , tot welke de toepassing leidt der geneesmiddelen, door wijsgeeren, wetgevers en staathuishoudkundigen aan de hand gedaan. Met de hulp en op het voorbeeld van Christus, wil ik u in deze preeken aanwijzen, waar de geneesmiddelen tegen de gevaren van onzen tijd te vinden zijn: ik wil u de waarheid toonen\'\'.
„Jezus Christus kennen, is de groote zaak van belang. Wie Hem kent, kent de wezenlijke waarheid. Dan houden alle onderstellingen op, duidelijke regelen richten onze daden, en wij behoeven niet meer te dolen van wanbegrip tot wanbegrip, van loochening tot loochening, van stelsel tot stelsel.
It
Jezus Christus leert ons het huisgezin te eerbiedigen en het vaderland, en dit laatste te verdedigen met al onze kracht.
„Ik zal hier en daar schaduwen ontmoeten, doch ik zal niet vergeten, dat ik op aarde hen, en dat wij hier zien als in een spiegel, wat in den hemel aanschouwen wordt.
„Wanneer gij het altaar nadert en Jezus Christus ziet, gevoelt gij u tot Hem getrokken; gij bemint Hem, en in Hem vrijheid en schoonheid; gij verlangt te beminnen, zonder dat gij u de geoorloofde genoegens ontzegt; doch de zelfzucht staat in den weg aan de liefde, daarom moet de zelfzucht bestreden, dit is het doel des Christendoms.
„Onder den invloed van het geloof en edele, verhevene gedachten voelt de mensch zich tot offer opgewekt; maar terzelfder ure wijst ons het Christendom daarboven de kroon, die ons voorhoofd moet sieren; of indien dit niet volstaat, dan hebben wij te denken aan Jen oppersten rechter, voor wien wij allen eens moeten verschijnen, en die onze zonden straffen zal.
„Het Christendom wekt de liefde in het hart en vereenigt allen in dezelfde hoop en dezelfde liefde. Dan zal het dreigend gevaar wijken; de sterke zal den zwakke bijstaan, de volkeren zullen geen oorlog meer voeren. De oude volken hebben dezen invloed des Christendoms bewezen. Wanneer zij zuchtt\'en onder den last van het walgelijkst bederf, vonden zij in de omhelzing van het Christendom de grondslagen van orde en schoonheid. Gelijk zij hebben gedaan, staat ons volken van heden te doen.
„Nu gelooft men nog niet, doch men zal gelooven. Als de grondslagen van het huis, waarin nu gelachen wordt, door het gevaar worden ondermijnd, dan zal men God te hulp roepen. Zij moeten dan luide roepen om te worden verhoord, en roepen zij niet luide, dan zullen zij morgen wellicht niet meer lachen.
„Ook voor wie God heeft weggezonden, komt eens de tijd, dat hij het noodig acht Hem te gaan zoeken.\'quot;
12
Er spreekt diepe ernst uit deze inleiding. De redenaar overweldigt zijn gehoor, eerder dan het voor zich te winnen. Hier is geen buigend naderen van oenen, die u verzoekt te luisteren ; \'t is het ernstig optreden van den geneesheer, die aan de verschijnselen, welke hij waarneemt, den aard der ziekte erkent, ze bij den waren naam durft noemen, doch van de onderhouding zijner voorschriften met volkomen gerustheid genezing belooft.
Wel behooren er moed toe en rustig vertrouwen op de zaak, welke hij bepleiten zal, om eene reeks van een-en-dertig preeken op deze wijze in te leiden; doch P. Agostino zegt, niet te komen in zijn eigen naam, maar als gezant van Gods barmhartigheid.
Zullen deze menschen echter, wien liij karakterloosheid en zelfzucht verweet, aan wier deugd en waarheidsliefde hij niet gelooft, morgen en schier eiken dag een geheele vasten lang terugkomen om de ontzettende waarheid te vernemen, die hij weet en spreken zal? Wat er in de vasten van 1887 in den florentijnschen Dom heeft plaats gegrepen , legt overvloedig getuigenis af, dat het vertrouwen van dezen geweldigen verkondiger der waarheid niet is beschaamd. Bovendien is ons van de inleiding alleen de gedachtengang opgeteekend, benijdbaar zijn ze, die hem zeiven hooren mochten!
De waarheid, welke P. Agostino niet schromen zal op den vloed zijner welsprekendheid in zijne hoorders over te storten, geldt allereerst God (II. III.) en den mensch (IV. V. Vil; welke roeping heeft deze ? (VII.) welke rechten God? (VIII.) Het antwoord wijst (IX.) op den godsdienst als een plicht en eene levensbehoefte, zonder welker vervulling het huisgezin valt (X.), en er geen balsem druppelt in de wonde der menschelijke smart (XI.). De bezwaren tegen den godsdienst ingebracht, neemt hij weg (XII. XIII) en ontdekt de bronnen, waar zij aan ontspringen. (XIII.) Dan gaat het licht van belofte, voorafbeelding en voorspel-
13
ling op over Jeziu; Christus, den stichter van dien godsdienst, (XV.): waarlijk God en waarliik measch (XVI.), predikte Hij eene goddelijke leer (XVII.), en bemint Hem het Christelijk hart met eene weergalooze liefde (XVIIL). Geen wonder! wat heeft Jezus Christus voor den mensch gedaan, wat is de wereld zonder Hem (XIX.)?
Toch niet enkel over ons leven op aarde werpt de godsdienst het ware licht, dit straalt verre over het graf (XX.). Geloove echter, wie dit licht wil zien, aan eene bovennatuurlijke orde (XXL), de hoop aal het antwoord des harten wezen op de tegenwerpingen van de stofaanbidders, (XXII.) bij wie zelf het begrip der ware vrijheid verloren is gegaan (XXIIL).
De moeder Gods, Maria is van deze bovennatuurlijke orde, de heerlijkste en lieflijkste voorstelling. (XXIV.).
Na de beschouwing van dit beeld slaat P. Agostino de blikken op de jammeren omlaag en biedt de zondagviering als eerste redmiddel (XXV.); wijst ons het\'heiligdom (XXVI.), in hetwelk de godsdienst zijne krachtigste geneesmiddelen bewaart: de Eucharistie (XXVIL), de biecht (XXVIII. XXIX.) en de gedachtenis van Jezus\' lijden (XXX.); hij toont den handwerksman, hoe de godsdienst alleen zijn lot verzoet (XXXI.) en weert in een glansrijk besluit de beschuldiging af, dat de godsdienst der vaderlandsliefde in den weg zoude staan (XXXII.). Ziedaar het plan van de geheele vasten; een gouden keten, welks nooit losgaande schalmen in elkander sluiten en de menschen moeten vast hechten aan God!
Om het onderling verband zijner preeken te doen begrijpen , vat P. Agostino zelf het daags te voren behandelde meestal op deze wijze samen.
II. „God bestaat, mijne Heeren! dit verkondigt de geschiedenis der menschheid. Alle volkeren hebben elkaar in deze bevestiging ontmoet, de wijzen zoo wel als het volk. Plato betuigt zijn geloof in God, gelijk Aristoteles, Cicero en
14
Seneca dit geloof in hunne heerlijkste bladzijden hebben behandeld.
„Nooit heeft een geheel volk opgehouden zijn geloof aan de godheid te belijden, doch onder de meest verschillende hemelstreken heeft het denkbeeld van God altoos den eersten grond der beschaving gelegd. Zoo zal het ten allen tijde over het geheel genomen volle waarheid blijven, dat het algemeen geloof aan God een feit is door de geschiedenis gestaafd,
„De orde en harmonie der schepping verkondigen Gods bestaan, en geldig blijft Voltaire\'s uitspraak „zooals een uurwerk de hand verraadt van hem, die het in een gezet heeft, zoo openbaart het heelal eene allerhoogste wijsheid.quot; 1)
„God bestaat, dit bevestigt de rede, welke Hem als het oneindig wezen erkent, waarvan zij de gedachte in zich draagt, naar wiens bezit zij zoekt.
„Het bestaan van God is de kreet van ons geweten, en het blijft waar, dat wij God zoekende hem overal vinden en nooit vermogen te ontvluchten.
„De godloochenaars zeiven brengen hun getuigenis in voor het bestaan van God. Een der groote meesters van onzen tijd heeft geschreven: „er zijn twee soorten van godloochenaars, bewusten en onbewusten. Onbewusten zijn degenen, die niet gelooven aan God, dewijl zij nooit van hem gehoord hebben; zij staan onder de menschelijke wezens op den allerlaagsten trap. Bewuste godloochenaars zij n zij, die God gekend en in Hem geloofd hebben, doch niet meer in Hem gelooven; dit zijn de leeraars, de verlichten, de wijsgeeren, de groote geesten, die aan de spits der menschheid staan\'\'.
„Vreemd verschijnsel! deze groote mannen hebben het met de groote vorderingen hunner wetenschap niet verder gebracht dan tot overeenkomst met de stompzinnigsten onder de menschen.
1) Pour ma part plus j\'y souge et moins jc puis ponser.
Que cette horloge marclie et n\'ait point d\'horloger.
„Wat is God? vroeg Sint Thomas, nog kind, aan zijne meesters, en toen hij een antwoord had ontvangen, ging hij voort met vragen: Wie is God ?quot;
III. De verschillende stelsels der wijsgeeren hebban zich afgetobt om deze vraag door bepaling en omschrijving te beantwoorden, doch zij hebben het denkbeeld van God slechts verduisterd en onkenbaar gemaakt. De Catechismus daarentegen vertoont Hem aan de rede als een wezen van oneindige volmaaktheid. Catechismus, Geloof en Scheppingsverhaal verklaren Hem als een zuiveren geest, oneindig volmaakt, Schepper van Hemel en aarde, Heer en Meester van al wat bestaat.
„Zoo staan de wijsbegeerte en de katholieke Kerk met haar antwoord lijnrecht als vijanden tegenover elkaar. De oplossing, welke de wijsbegeerte geeft, is verwerpelijk, die der Kerk aannemelijk, dewijl met deze de v/etenschap overeenstemtquot;. Door de ontwikkeling dezer gedachten doet de redenaar het licht opgaan. Heel de schepping, de maatschappij, de godsdienst, alles ontvangt leven, alles juicht als in de stralen der rijzende zon. God verheft en adelt alles; zonder God daalt alles, wordt beneveld en sterft.
Het tweede deel is eene heenwijzing naar de donkere schaduwen, waarin de wereld zich beweegt zonder God,
IV. „Heeft nu de menschelijke geest een denkbeeld van God, zoo vraagt bij noodzakelyk: wat is de mensch? Na God dringt zich geen ander raadsel zoo gebiedend op als het wezen van den mensch.
„Het moge de moeite wel loonen te onderzoeken, waarin de electriciteit bestaat; wat warmte is; toch liggen deze vragen buiten ons, en hebben slechts eene betrekkelijke waarde; doch wij, wat zijn wij, wijzelven?
„De mensch heeft deze vraag gericht aan de wijsbegeerte en aaa de wetenschap, doch het geheim is ondoordringbaar
16
gebleven. De wijze kent de ziel- en natuurkundige verschijnselen, doch verheft zich niet hooger. Het geheim blijft ondoordringbaar zoo lang de mensch uit zich zeiven alleen de oplossing van een raadsel zoekt, welks sleutel alleen de openbaring geeft. De ontwikkelingsleer en het positivisme verklaren niets, en het epicurisme (leer der zinnelijke voldoeningen) loochent het bestaan der ziel en van God. Deze wijzen willen den mensch berooven van zijne koningskroon , dewijl zij dan tevens de scheppingskroon aan God ontrukken. IJdel pogen! God ziet alles rondom zich veranderen, doch verandert niet, is eeuwig, en blijft altoos te midden van de menschen om deze zalig te maken en ze te herinneren aan \'t geen Hij is, en hetgeen zij zeiven zijn.
Wederom worden de materialisten en de katholieke godsdienst over het wezen van den mensch ondervraagd, en na beider antwoord toont P. Agostino, wat de wereld met hare materialistische opvatting van den mensch geworden is.
V. De menschelijke geest heeft verstandelijke en zedelijke krachten, welke de stof noch eenig ander schepsel verklaren kan. Wij behoeven ons derhalve niet te verontrusten over de ontkenning, welke het materialisme uitspreekt, dat niet terugdeinst voor de meest ongerijmde onderstellingen ten einde ons binnen den kring der enkele dieren vast te houden. De onderstelling van hen , die alleen het bestaan der stof erkennen, wordt afgewezen door de wetenschap en ontkomt het belachelijke niet 1) Oordeelt zeiven. Volgens hunne leer over den mensch zou orze stamvader een menschachtig schepsel zijn geweest, dat langzamerhand zijne harige huid hseft afgelegd, zijn wilden
1) Eene godsdienstige conferentie als deze laat den redenaar de plaats niet het onwetenschappelijke dezer stelling in \'t breede aan-tetoonen. Opmerkelijk is echter, dat reeds in 1853 de onkatholieke natuurkundige W. Vrolik ten onzent verklaarde, dat de wetenschap
muil tot zachter uitdrukking verwrongen, een hoog voorhoofd ontwikkeld en zich bekleed zou hebben met de schoone vormen van het caucasisch ras, met welke \'teerste vrije wezen was begiftigd. Ziedaar hunne voorstelling der wording van den mensch.
„Eenige duitsche schrijvers, die zich wijsgeeren noemen, hebben de onbeschaamdheid gedreven tot de bewering, dat de gemeenschappelijke oorsprong van mensch en dier „den menschelijken hoogmoed vernederen moest.quot; Dit is geschreven in Duitschland, in Frankrijk herhaald, doch in ons Italië zijn er schrijvers gevonden, die \'t geduld hebben gehad dit overrynsche proza in onze schoone taal over te gieten. Dit proza was en is nog steeds het voorwerp van luide toejuichingen. Doch \'t is niet de hoogmoed, mijne heeren, welke opstaat tegen deze beleediging der menschelijke natuur, \'tis de ziel, die zich verheft, die in verzet komt tegen deze leer, uitgevonden om van ons voorhoofd weg te wisschen den indruk der scheppende\'hand van den god-delijken kunstenaar. Wij roepen uit: terug met die leer, dewijl zij onwetenschappelijk is! Wij roepen het luide in naam van den menschelijken wil, die zich vrij gevoelt; in naam van het hart, dat bemint; van het oneindige, dat in onze gedachte leeft; van dit lichaam, welks schoonheid onze verhevenheid boven de dierenwereld bewijst; van deze oogen, door welke wij uitdrukking geven aan onze gevoelens. Wij verwerpen deze leer zonder klaarheid, die ons tot stam-genooten van den aap verlaagt. Wij verafschuwen ze, omdat zij aandruischt tegen het gezond verstand en de rede, bovenal omdat zij wetenschap, waarheid, kunst en godsdienst, deze heilige zaken onmogelijk maakt, \'t Is de ziel, die schept; de
geen den minsten grond toelaat om den oorsprong van het menschelijk geslacht af te leiden uit eenige aapsoort Zie zijn artikel in\'t album der natuur 1884 over de anthropomorphe en het boek, waarin hij grondig wederlegt, dat al wat wij als schepselen kennen, slechts het uitwerksel is van den overgang van den eenen vorm in den anderen, of, gelijk men wil van eene sinds eeuwen voortgaande ontwikkeling. W. Vrolik. Het leven en het maaksel der dieren. Amsterdam. Deel I 1853.
18
ziel die de kunst inboezemt en door de kunst de stof van gedaante verandert, en -waarom ? omdat de ziel zich tot godsdienst verheft.
„Een materialist had een arend gevangen; met vreugde streek hij over zijn vederen, kuste hem en riep uit: „welk een prachtige vogel! hoe veel macht in dit paar vleugelen ; welke kracht in die klauwen; hier is de triomf der stof! wat hebben wij voor bij hem?\'\' Daar treft hem opeens de stem van zijn kind, dat zijn gebed sprak. Hij keert naar binnen, ziet het kind met gevouwen handjes, de oogenten hemel gericht. De zin des gebeds gaat voor hem open — en hij roept uit; „die arend was sterker dan mijn kind; doch mijn kind is van God, mijn kind spreekt met God!quot;
VI. Zoo is dan de mensch samengesteld uit ziel en lichaam. Dat de ziel bestaat en een geest is, bleek uit het bewustzijn onzer persoonlijkheid, uit de werkingen der ziel, welke de stof te buiten gaan, en is klaarblijkelijk aangetoond door wetenschap, kunst, deugd en godsdienst, welke zonder ziel niet kunnen worden te voorschijn geroepen.
Zal nu deze onze ziel met het lichaam vergaan, of di!; overleven ? „Er zijn vele dwaalbegrippen in de wereld; doch. onder deze, welke den geest verleiden en het arme menschen-hart tot buitensporigheid voeren, is er één bovenal te vreezen, dewijl het \'s menschen bestemming aantast, vervalscht en vernietigt. Welk is dit dwaalbegrip? De gedachte, welke met alle begeerten en driften in bond treedt en den mensch toefluistert: gij zyt op aarde om te genieten ; ivaarom druppelen uwe tranen en uw zweet in den kuil, dien gij u graaft ?
„Ziet, mijne heeren, hier ligt het grootste gevaar, de gedurige bekoring van den mensch hier beneden ; daar is niemand, welke deze stem niet in zijn binnenste heeft gehoord.
„Wanneer de mensch den blik afkeert van het Evangelie, dan vergeet hij den hemel, buigt zich over de aarde neer, en spottend met de vermaningen van rede en geloof, laat hij den blik over dit tranendal weiden en zegt; hier is mijn
19
vaderland, hier mijne hoop! Deze redeneering zoo ijl in wezen als beduidend in schijn, maakt dat het leven den mensch te zwaar wordt; hij benijdt het lot der dieren en luistert naar de stemmen, die herhalen: met den dood is alles gedaan! Daarom is deze gedachte van den goddelooze. Er is in den mensch eene ziel, die niet sterft; eene ziel, welke eens uit de banden des lichaams ontslagen, opvliegt naar God, die den mensch onsterfelijk heeft gemaakt.quot;
P. Agostino bewijst de onsterfelijkheid der ziel uit hare vermogens, uit hare behoefte aan een op aarde onbereikbaar geluk, en voornamelijk uit Gods oneindige wijsheid, rechtvaardigheid en heiligheid, welke vergelding voor de deugd en straf der misdaad eischen.
In het 2de deel komt de klemmende vraag: wie zijn ze, die met den dood alles geëindigd wenschen ?
VIL „Waarom,quot; luidt bij den aanvang der zevende conferentie de vraag „heeft God ons deze geestelijke en onsterfelijke ziel gegeven? of in andere bewoordingen: waarom leven wij , welk is het doel des levens ? Na het dusverre behandelde rijst deze vraag van zelve, zij stelt zich voor aan iederen denkenden geest, aan elk zoekend bewustzijn. Wanneer de mannelijke leeftijd der kennis komt, is deze de eerste vraag onzer gedachten: Waarom toch ben ik op de wereld? welk doel heeft mijn bestaan? Elke leer, die zich onmachtig verklaart het antwoord hierop te geven, is reeds veroordeeld. Welnu, wat moeten wij dan antwoorden?
„Het schijnt, dat wij enkel den blik op ons zei ven hebben te slaan, den mensch te zien en te hooren om het antwoord te kunnen geven. Doch juist hier ligt de misleiding, de groote misleiding.
„Om ons levensdoel te kennen, behooren wij te luisteren naar de geheimzinnige geruchten uit de eeuwigheid, eiken weerklank op te vangen van de machtige stem Gods.
„In waarheid, is u bij de lezing der oude schrijvers niet menigmaal de gedachte opgekomen: de mensch is een ellen-
20
dig wezen, indien wij hem vergelijken bij de schepselen rondom hem.
„Ja, mijne heeren, van Lucretius tot Plinius bij de la-tijnen, en van Homerus tot Plutarchus bij de grieken zijn ze talrijk en welsprekend de klachten, welke van de lippen der dichters en denkers komen, die den mensch beschouwen als eene misgeboorte der natuur. Plinius de Oude begroet in de aarde des menschen vriendin, en op eene beroemd geworden bladzijde zegt hij, dat de aarde eene onvruchtbare moeder is, welke na den dood ons in hare armen sluit en in eeuwige omhelzing vasthoudt.
„De ouden kenden het ware doel des levens niet; het Christendom heeft gezegd, waarom wij op de wereld zijn, en toen is de mensch gerezen boven alle schepselen uit; het Christendom zegt hem: „zoek uwe bestemming hierbeneden niet; uwe bestemming is in Hem, die grooter is dan gy, uwe bestemming is in God alleen.\'\'
Dan toont de redenaar aan, hoe de mensch niet gemaakt kan wezen voor de stof, niet voor de genoegens; indien dit zoo ware, had elke arme het recht om zijn aandeel op te eischen van het geluk, dat ook voor hem bestemd is; uit zijn schuilhoek kon hij zich werpen op de maatschappij met den kreet: „ik ben het bedelen moe, geef mij, wat me toekomt!\'\' Evenmin voor de eer kan de mensch leven. Neen, de strevingen der menschelijke ziel en de behoeften van het menschelijk hart roepen om het oneindige, om het volmaakte schoone, om God. Virgilius verbrandt zijn en Tassc
bejammert zijn Verlost Jeruzalem\', Milton stelt zijn Verloren jiaradijs achter een gedicht van weinig waarde, Leonardo da Vinei laat zijn Avondmaal onvoltooid. Waarom? Dewijl de mensch zyn hoogst ideaal te verder wijken ziet, naarmate hij het dichter schijnt nabij te komen. De beschouwing van meesterstukken prikkelt onzen schoonheidszin, in plaats van dien te dooven, wij willen altoos meer. \'t Is der kunst eigen onze ziel omhoog ie heffen. Dit doet gij Rafaël, met uwe fresco\'s; llossini, Bellini, ik heb naar uwe sym-
21
foniën geluisterd, sidderend van geluk; ik heb de diepe melodiën uwer tonen verstaan, en terwijl ik uwe kunst zegende, welke de gevoelens uwer harten in zoo dichterlijke taal vei tolkte, voelde ik mij zeiven opgeheven tot God.
„Zegt mij, van waar komt in het vredig avonduur bij het verdwijnen dei laatste zonneglanzen dat gevoel van onver-klaarbaren weemoed? Wat ontbreekt er u? Gij volgt met het oog de wegtrekkende wolk; wat wilt gij van die wolk? Gij staart de voorbij vlietende golf na; wat wilt gij van dit water? en uwe ziel antwoordt: „mij ontbreekt God!quot;
Eens ging St. Augustinus na het dalen der zon langs het strand der zee. Het was dat plechtig uur, waarop de ziel in zich zeiven keert en de blik vragend rond ziet. En St. Augustinus vroeg: „waarom zucht gij, mijne ziel, waarom zijt gij droef? Het scheen hem toe, dat over de wateren eene stem tot hem kwam en sprak: zoele loven u.
„Terwijl de heilige deze woorden overwoog, daalde duisternis op de aarde, en aan den hemel fonkelden de sterren. Augustinus zag omhoog en vroeg: o God, Gij die boven mij zetelt, zeg mij, waarom is mijne ziel bedroefd? En uit de onuitsprekelijke harmonie der schitterende sterren was het, of een antwoord klonk: ^iaere super «os, zoek boven ons!quot;
„Augustinus steeg met zijne gedachten ten hemel en ondervroeg de engelen: „hemelsche geesten, weet gij waarom mijne ziel bedroefd is? En hij meende uit hot lied der engelen te verstaan: zoek boven ons. En zie, voor Gods troon rees zijne verbeelding, en zijn hart was voldaan, en hij sprak; ja, dit ontbrak mijner ziel, dit verlangde zij!quot; God is de eindpaal der verlangens onzer ziel, zij verzucht naar Hem als de bron van het ware, schoone en goede, God is het doel van ons leven!\'\'
Na in de korte pooze te hebben aangekondigd, dat hij morgen spreken zal over eene vergetene les, hervat P. Agos-tino: „Ik heb u de taal der rede verkondigd, laat mij een oogenblik de taal spreken van mijn geloof. Ziet gij in die arme hut, op dat geringe stroo dezen kleine? \'t Is de
22
zoon des eeuwigen, mensch geworden. Waarom? en waarom in deze armoede geboren? Vraagt het de engelen, die zingen over Zijne kribbe: om u, o menschen, om uw geluk , om u te helpen in het bereiken uwer bestemming.
„Gij ziet hem vervolgd en overgebracht naar de woestijn; gij ziet hem onder het staal der besnijdenis. Waarom deze vermoeienissen, waarom dit bloed? Vraagt het zijne heilige moeder, zij zal u zeggen! om u, o menschen, om uw geluk, om u te helpen in het bereiken uwer bestemming. Gij ziet hem langs de straten van Nazareth gaan , met zweet bedekt, de hand uitsteken om het loon eens werkmans te ontvangen. Waarom deze vernedering? Vraagt het zijn engel bewaarder: hij zal u zeggen: om u, o menschen, om uw geluk, om u te helpen in het bereiken uwer bestemming. Blijft niet staan, gaat tot op Calvarië. Ziet gij dat kruis omhoog geheven tusschen aarde en hemel, ziet gij dat bloed \'■ vangt er een druppel van op en vraagt; waarom zooveel lijden. Hij zelf zal u met stervenden mond antwoorden: om u, o menschen, om uw geluk, om u ta helpen in het bereiken uwer bestemming.
„Wat hebt gij meer noodig, mijne Heeren, om u te overtuigen , dat alleen God het doel van ons bestaan kan wezen ?
„Wat moeten wij dan doen om dit doel te bereiken? Beginnen te doen op aarde, wat wij in den hemel zullen doenquot;.
Na eene korte ontwikkeling dezer gedachte sluit P. Agos-tino aldus:
„God kennen, beminnen, volgen, ziedaar het doel des levens, ziedaar het noodzakelijk doel, dat wij moeten bereiken, op straf van eeuwigen dood. Elk wezen heeft eene reden van bestaan , en de reden van bestaan des menschen is zich op te heffen tot God. Daarom heeft Hij ons een verstand gegeven bekwaam om Hem te kennen, een hart bekwaam om Hem te beminnen, een wil bekwaam om zich met Hem te vereenigen, en daarom zijn wij katholieke Christenen.
„Doch wat heb ik gedaan, o God? In plaats van U te
23
willen kennen, heb ik de vooroordeel en en dwalingen willen leeren, welke de driften vergoelijken. In plaats van U te beminnen, hel) ik mij aelven bemind; in plaats van aan Uwe wetten te gehoorzamen, heb ik gehoorzaamd aan mijne luimen ; door U geschapen voor het grootste, heb ik mij laten voortsleepen door het slijk.
„Doch zult Gij uw schepsel verlaten? Stoot mij niet van U af, voltooi het werk van barmhartigheid, wat Gij in mij begonnen hebt; laat mij niet los, eer ik bij ü ben, o Heer; en ik wil niet allen tot U komen, mijne ziel moet vergezeld wezen door mijne broeders.quot;
VUL „God heeft ons eene geestelijke en onsterfelijke ziel gegeven om Hem te kennen , te beminnen en te dienen in dit leven, en Hem altoos te bezitten in de eeuwigheid Doch heeft nu deze God ons gelaten in een staat van onafhankelijkheid ? Gesft acht op dit woord, ik spreek niet van vrijheid, maar van onafhankelijkheid. Of wel heeft Hij eenige rechten op ons behouden, welke wij behooren te eerbiedigen ?
„Van alle zijden gaan tegenwoordig klachten op, dat onze maatschappij niet meer te regeeren is. Het begrip van gezag wordt miskend, de uitoefening der openbare macht doet niets anders dan naijver wekken; men klaagt over de losbandigheid der gedachten , de onbeschaamdheid der hartstochten , over eene koortsige opgewektheid en een geest van onafhankelijkheid.
„Doch hoe te ontvluchten aan de gevolgen van het prac-tisch atheïsme, dat op den bodem der moderne leeringen ligt? Wanneer men het bestuur van God niet meer wil, hoe dan zal men zich nederleggen bij het bestuur van men-schen? Wanneer de onafhankelijkheid der rede en der zedeleer worden afgekondigd; wanneer geleeraard wordt, dat de eerste oorzaak en het laatste doel bloote onderstellingen zijn; wanneer men het volk zegt, dat indien er al een God bestaat, deze God niet met ons zich bezig houdt;
24
dat de mensch zijn eigen lot in handen heeft; wanneer de zaken zoover gekomen zijn, welke grondslagen blijven er voor het geweten van de menigte? waar is een steun te vinden voor orde en vastheid? „Op den dagquot; zegt Prudhomme „dat onze vaderen de verklaring hunner rechten hebben afgelegd , op dien dag werd het gezag des hemels over de aarde geloochend.quot; Uit dit beginsel met strenge juistheid voort-redeneerend, voegde hij eenige regelen verder daaraan toe: „hier kan niets anders uit volgen dan regeeringloosheid of dwingelandij.\'\' Onverbiddelijk ware de noodlottige keuze tusschen deze twee, indien God niet behoefde mee te tellen in het bestuur des gewetens, indien de rechten van den mensch de eenige godsdienst des volks moest wezen, indien niet boven de rechten van de mensch de rechten van God bleven staan. Doch wat kunnen de rechten van den mensch zijn zonder die van God? Bloedig zijn de gevolgen van dien staat van zaken. Moest ik er u de geschiedenis van verhalen, ik zou u doen huiveren van ontzetting. Ik moest u op deze men schen vleiers wijzen, die wanneer zij de macht in handen hebben, tyrannen worden ; die nadat zij bij hun leven duizende slachtoffers hebben doen vallen, duizenden hebben misleid en blijven misleiden na hun dood.
„Wat zijn de rechten van den mensch zonder die van God? Niets dan een droombeeld. Van waar zouden zij hun oorsprong nemen, welke moest hunne bekrachtiging, hun richtsnoer wezen? Hoe kunnen zij worden gedacht?
Kunt gij de krachten in evenwicht brengen, zonder dat gij rekening houdt met de algemeene wet der zwaartekracht ? Gij wilt orde, rechtvaardigheid, vrijheid: goed; doch hoe zult gij deze verkrijgen, wanneer gij de rechten van God miskent? God is niet enkel de oorsprong der schepselen en hunner betrekking tot elkaar, doch de bron ook der orde, der rechtvaardigheid en der vrijheid; Hij is niet alleen de oorzaak, maar ook het brandpunt des levens. God heeft wetten gemaakt voor de lichamen gelijk voor de geesten ; wee hem , die zich van deze wetten wil losmaken !
Hier ligt bet onbereikbare uwer humanitaire leeringen. Hoe meer gij de souvereiniteit van den onafhankelijken mensch verkondigt, des te luider herinnert gij den mensch, dat hij willens of niet een meester heeft. Onze verhoudingen tot God, gegrond op onze wezenlijke afhankelijkheid van God, onze plichten als Zijne schepselen, Zijne rechten als Schepper, ziedaar, wat wij nu gaan overwegen.quot;
IX. „Mijne Heeren, God heeft den mensch de vrijheid gegeven, doch onafhankelijkheid gaf Hij hem niet en kon Hij niet geven. De mensch hangt noodzakelijk af van God en heeft jegens God groote en heilige plichten. Hoe onderhoudt de mensch deze plichten ? De godsdienst is de samenvatting dezer plichten. Hoe wordt de godsdienst opgenomen, hoe geëerbiedigd, hoe beoefend? De vergetelheid van God en godsdienst is altoos de groote en verderfelijke kwaal der wereld. Doch in onzen tijd heeft deze vergetelheid een bijzonder karakter aangenomen. De menschen van onzen tijd, verzonken in de beschouwing van zich zeiven, tot dwaas wordens toe verwaand door hunne ontdekkingen en uitvindingen, hebben vergeten, dat zij geschapen en afhankelijke wezens zijn, onderworpen aan wetten en plichten. De menschen van onzen tijd beschouwen zich zeiven als eigenaars der wereld, niet als vruchtgebrnikers. Als men hen hoort, gaat de menschheid met groote schreden den weg op der onafhankelijkheid. Eere, natuur, rede, wetenschap, vrijheid, gelijkheid, broederschap en vooruitgang — ziedaar hunne lievelingswoorden, hunne idee fixe, de voortstuwende doch wilde kracht, welke onze eeuw opdrijft. Volgens sommigen is er geen godsdienst noodig, omdat wij het te druk hebben met de zaken en met onze genoegens; volgens anderen was God eene heerlijke schepping der middeleeuwen, dezer godsdienst een wijselijk ineengezet Godsbestuur — doch thans is God niet meer dan een verouderd woord, dat wij af moeten schaffen. Ziedaar onze eeuw met haar woelen en werken! Vroeger kon de jongeling zich van
26
den godsdienst verwijderen, doch hij behield het geloof, da hoop op Jezus Christus, eene smeulende liefde tot God , welke een lichte ademtocht weer in staat was te doen opvlammen. Nu blijft hem geen sacrament, geen altaar, geen Christus meer, geen God !
„Hebt gij ooit deze jongelieden, die aan niets meer ge-looven , gadegeslagen ? Zij zouden u tot lachen stemmen, indien de godsvrucht u niet tot schreien dwong. Gisteren uit hunne losbandige vermaken gekomen , tot geene ernstige gedachte in staat, spotten zij met den godsdienst, welken de machtigste genieën beleden hebben. Negentien eeuwen Christendom gelden voor hen als een fabel; zij hebben zelfs geen oog voor het Christendom , en daarom gelooven zij niet. Een groot man heeft gezegd; „Ik heb onderzocht, en ik heb geloofd.quot; Onderzoek, en gij zult gelooven. Doch zij onderzoeken niet, verwerpen allen godsdienst en herhalen luide: „Wat, godsdienst! men kan wel leven zonder godsdienst!quot;
„Is dat waar, mijne Heeren? Neen; zonder godsdienst draagt ons leven het merk van onrechtvaardigheid en misdaad. Dit gaan wij dezen morgen beschouwen want, \'t is van het hoogste belang onze arme jongelieden te waarschuwen tegen den besmettelijken dampkringder maatschappij.
„Kunnen wij leven zonder godsdienst, mijne Heeren? Laat ons eerst zien, wat godsdienst is. Het geheel der betrekkingen tusschen den mensch en God; de samenvatting derhalve, van de aan te nemen geloofspunten, van de te beoefenen zedelijkheid en van den verschuldigden eeredienst. De geloofspunten wijzen de houding aan van het beperkt menschelijk verstand tegenover Gods oneindige wijsheid; de zedelijkheid regelt den onvolmaakten menschelijken wil naar den allervolmaaksten wil Gods; in den eeredienst drukt het schepsel zijne hulde, dank en liefde uit jegens den Schepper. Kunnen wij nu zonder dit alles leven ? Uit alle tijden en van alle plaatsen , waar ooit menschen leefden of nog zijn, rijst het antwoord: neen!quot;
27
Dan ondervraagt P. Agostino de menscheliike rede en toont aan, hoe volgens deze de godsdienst is 1quot;. de grondwet van ons bestaan 2\'. de voorwaarde van ons natuurlijk geluk 3° de godsdienst alleen maakt ons groot en machtig 4°. zonder godsdienst geen vrede voor het hart, voor het geweten, voor den geest. Van dit laatste bewijs waag ik geene koude ontleding, al derft de verre naklank van het opgevangen woord den gloed en de kracht, waarmede het schoot van des sprekers lippen.
„Zonder godsdienst geen vrede voor den geest, welke daar buiten geen vasten grond, geen steunpunt heeft en gedwongen is te dalen van twijfel tot twijfel. Hier is het bewijs, mijne Heeren, gelooft het, gelooft het, gij jongelieden, die het nog niet ondervonden hebt, het bewijs, dat de godsdienst noodzakelijk is, levert de twijfel, de angst van den geest. „Ziet gij dien mensch? Hij is het leven ingegaan met den twijfel of God bestaat, of hij aan God iets schuldig is. Arme beklagenswaardige! Hoe menigmalen rijst deze twijfel voor hem op en brengt hem van alle kanten in het nauw. Gisteren twijfelde hij aan God, vandaag aan den grond zijner twijfelingen, hij twijfelt aan zich zeiven, ziet ten hemel op en zegt: misschien. Bij elke schrede luistert hij naar de woorden: God, de Christus, de ziel. Hij begrijpt ze niet en sluit zijne ooren, om ze niet meer op te vangen. Hij werpt zich op de studie der stof, bewonderenswaardige blijken geeft hij van vernuft, doch zijne ziel vindt niets.
„Spreekt hem iemand van God of godsdienst, hij antwoordt: „laat mij met vree , de natuur is mij alles, met die dingen houd ik mij niet opquot;. Doch ik herneem: gij zij t mensch, weet gij, van waar gij komt, waar gij heengaat? Neen. Als hij dit niet weet, kan hij dan in vrede leven? En als wij geen vrede meer hebben, van waar dan de kracht om ons leven te regelen? Wie geeft dan kracht om met eere te dragen, ik zeg aiet de kroon eens Christens doch die van mensch?
„Met den vrede verliest hij de vreugd. De zoete droomen
28
en de blijde verwachtingen gaan heen van de ziel, welke niet gelooft, die geen godsdienst meerheeft. Zwaarmoedigheid, verveling, droefenis en walging, ziedaar uwe gasten, menscben zonder godsdienst. „Ik wist niet meer, dat ik leefdequot;, sprak een dier jonge mannen, door zijne makkers op het dwaalspoor gebracht, „of liever ik wist het alleen door het verdriet, dat mijn gemoed verteerdequot;. Wanneer wij den godsdienst missen, brengen de hartstochten ons tot misstappen, de duivel van wanhoop sleept ons voor den tijd den stroom des levens door, en met het bewustzijn onzer krachten verliezen wij het besef van onzen doortocht over de gevloekte aarde. Ziedaar den afgrond, waar \'t gemis aan godsdienst heenvoert.
„Nog is dit alles niet, het schrikkelijkste komt. De mensch zonder geloof mag een behagelijk leven leiden, toch kan hij niet beletten, dat het voorbiischiet met de snelheid van den bliksem. Verzonken in vermaken en genot, gaf hij er geen acht op, dat hij al zijne droomen doorleefde, al zijne krachten verteerde. Ziet, daar is hij de middaghoogte des levens over, langs de helling der andere zijde daalt hij neder, bespeurt een graf; dit nadert hem, het gaat opet\'. Mijne Heeren, wie kan zeggen , wat er dan omgaat in de ziel, in welke de fakkel des geloofs geen licht meer geeft? Op den bodem der vermaken, die verwelken als bloemen bij het afgaan van den zomer, vindt hij ijdelheid. Wie kan schetsen de marteling eener ziel bij het lijk van een wezen dat zij oprecht beminde? Begeerig om te weten, ondervraagt deze ziel de toekomst, staart in het graf, klo^t aan de deuren aller scholen, ziet naar den hemel en naar den grond en vindt geen antwoord dan een „misschienquot;. Dan overvalt haar een onuitsprekelijk angstgevoel, een doodstrijd des geestes, welken niemand ooit beschrijven zal. De ziel laat zich vallen op de aarde, de eenige wereld, van welker bestaan zij zeker is. Doch al is de ziel omlaag gevallen, er zijn heugenissen uit het verleden, voorgevoelens van de toekomst, die rijzen als akelige spookgestalten; er zijn wroe-
29
gingen, er zijn lichtstralen, die haar doen vermoeden, dat zij een afgrond nadert, en sidderend trekt zij zich terug.
„Wel hem, die dan zich tot God keert; doch er zijn er, die tot het laatste oogenblik het licht afweren en toonen te leven zonder bekommering voor de toekomst. Toch al bedriegen zij anderen, zich zeiven te misleiden vermogen zij niet. Onder deze schijnbare rust verbergen zich een ontstelde geest en een neergebogen hart; en indien zulke levens niet op eens worden gebroken, verkwijnen zij langzaam in hopeloosheid.
„Anderen door de wanhoop geknakt, werpen zich den dood in de armen, of zij naar hun wensch zich begraven konden onder het marmer des grafs. Zij gelooven, dat wanneer zij vallen in den eeuwigen nacht, er niets meer overblijft, en zij bevinden daarentegen gevallen te zijn in de handen van den levenden God.
„Ziedaar het leven zonder godsdienst, en nog overtreft de werkelijkheid verre mijn woord. Leest, wat deze arme ongelukkigen van zich zei ven schrijven, wat een Augusti-nus met diep geschokte ziel heeft neergeschreven in zijne Belijdenissen. In zeker hoofdstuk zegt hij: „Heer ik heb mij zeiven in stukken voelen scheuren, op het oogenblik dat ik mij losmaakte van U!quot;
„Neen zonder godsdienst kan de mensch niet leven, en die het beproeft, gelijkt den schipbreukeling ten prooi der golven, den armen reiziger die verdwaald is in de zandwoestijn. Zonder hoop hier beneden zijn de rampzaligen die God hebben verloren; hun noodlot is hun god, hun hemel een hemel van brons, waar de strevingen hunner ziel moedeloos tegen afstuiten. Hunne stem klinkt als een koor van godslasteringen en klachten, van kreten der smart, der dwaasheid en der wanhoop, die zich oplossen of in ge-heele verdierlijking, of in zelfmoord.
„Mijne Heeren, ik heb den goddelooze gezien op een oogenblik, dat de hartstochten zwegen, en het geweten
30
sprak: ik heb zijne taal gehoord, en, zult gij het gelooven ? hij erkende de behoefte aan godsdienst.
„Bovendien, wanneer de goddelooze oprecht is, zegt hij niet „ik heb geen godsdienst,quot; deze woorden, hij weet het, zouden aandruischen tegen het gezond verstand; hij weet dat hij gelijken zou op het dier. Daarom zegt hij niet ik heb geen godsdienst, doch: „ik heb mijn eigen godsdienst.quot;
„Nooit heb ik kunnen begrijpen, wat dit woord beduidt, of kan de mensch zich een godsdienst maken naar zijn lust? Maar ik heb u getoond, dat de godsdienst onze betrekkingen regelt met God, Deze betrekkingen steunen op de natuur des menschen, men moet om gevolgelijk te zijn derhalve den godsdienst aannemen, zoo als God dien gegeven heeft, of er geen aannemen.
„Ik heb mijn eigen godsdienst, wil zeggen: ik neem van den godsdienst, wat mij bevalt. Dit is gemakkelijk; doch ziet gij niet, dat er dan zooveel godsdiensten komen als opvattingen? Wat zoudt gij zeggen van den burger, die in de straten uitriep: „weg met de wetten van den Staat?quot; Welk antwoord moest de karabinier geven aan den loteling, die hem zeide: ik dien mijn koning en mijn vaderland, gelijk het mij goeddunkt? Dan mocht de roover de beschermers der openbare veiligheid terugwijzen en zeggen: laat mij begaan, dit is mijn godsdienst!\'\'
„Neen het behoort niet bij den mensch om te zeggen: dit is mijn godsdienst; het behoort aan God tot ons te spreken, „hier is Mijn godsdienst, gij hebt dien te volgen.quot;
„De godsdienst is een richtsnoer, waarmede wij ons leven in overeenstemming moeten brengen, volgens hetwelk wij geoordeeld zullen worden.
„De mensch heeft om televen godsdienst noodig, en deae behoefte openbaart zich het sterkst in het uur der smart en des doods. De smart drijft de droombeelden uiteen, neemt de begoochelingen weg en plaatst ons over in de werkelijkheid. De ziel, die zich van God verwijdert in de dagen van voorspoed, keert in het uur des lijdens terug.
31
Hoeveel te meer, wanneer het lijden den dood aanbrengt. Mijne Heeren, een godsdienstig geloof en de dood zijn twee dingen, die volmaakt samenstemmen. Voor wie oprecht gelooft, is de dood niet verschrikkelijk „ Hoequot; zult gij vragen , is dan voor den ongeloovige het doodsbed de drempel niet, van waar hij als heer en meester zich binnen werpt in het rijk zijner droomen, het niet? Neen, mijne heeren; naarmate de ziel het graf naderbij komt, is het, of uit dat graf een licht opgaat, hetwelk de nevelen van dwaling en vooroordeel verjaagt. Zoo ging het den wijsgeeren der vorigs eeuw, Voltaire en Diderot; eene wacht om hun doodsbed moest zorgen, dat zij niet tot bezitning kwamen. In onze eeuw zijn deze voorzorgen nog vermenigvuldigd: er zijn genootschappen gevormd om het doodsbed van den godloochenaar te bewaken, genootschappen, die tot titel mochten voeren : maatschappij van waarborg tegen God. De leden dezer broederschappen , bij voorkeur uit de volksklasse genomen, verbinden zich om de stervenden tot aan het eind te sterken in hun geloof aan niets.
„Doch God zij gedankt, bij de ziel, welke behoefte heeft aan God, ontwaakt het geloof onder de aanraking des doods. Zij heeft behoefte aan God te gelooven, en God is in de smart en op het doodsbed bij den arme stervende. Hij geeft haar de hoop te zien, den open hemel, en in den hemel deze liefde, welke altijd vergeeft. Dit is mijn troost, wanneer ik verneem, dat iemand zonder de troostmiddelen van den godsdienst gestorven is. God bemint de ziel; heeft Hij wellicht in dat laatste uur haar een straal van licht gezonden, dan is zij rouwmoedig bekeerd.
„Nochtans, broeders, indien wij ver van den godsdienst zijn, laat ons dit laatste uur niet afwachten, eer wij terug-keeren: de dood kon plotseling komen.
Breken wij met vooroordeel en dwaling; hebben wij den moed ons te onttrekken aan de dwingelandij der openbare meening, dan zullen wij met een vrij hart en eene ziel, die het zoete juk des Heeren draagt, den vrede vindenquot;.
32
X. „Er is eene instelling, mijne heeren, welke de noodzakelijke grondslag uitmaakt van allen maatschappelijken voortgang; eene instelling gesticht door een meesterhand, want zij is het werk van God; eene instelling van het allerhoogste gewicht, dewijl met deze ons maatschappelijk gebouw staat of valt ; dit is de heilige instelling des huisgezinsik heb u aangetoond, dat de mensch niet leven kan zonder godsdienst, en dat, indien hij het beproeft, zijn bestaan een hartbrekend schouwspel oplevert. Heden wil ik u hetzelfde aantoonen van het huisgezin. Zonder godsdienst, mijne heeren, biedt het huisgezin nog hartverscheurender tooneelen dan de alleen levende mensch.
„Ziehier dus mijne stof: Het familieleven moet op den godsdienst worden gebouwd; wie het op een anderen grondslag vestigen wil, geeft aan de noodzakelijkste aller instellingen een onvasten grond, en brengt het heden en de toekomst der maatschappij ia gevaar.
Het huisgezin heeft twee zijden: eene goddelijke, eene menschelijke, doch zijn oorsprong dankt het aan God. Waarop zal nu het huigezin rusten? Op de zinnen? Neen, dit is enkel voor de dieren genoeg. Op het verstand ? Onmogelijk. Op eigen belang dan, en tevens op genot; dit is de wensch onzer dagen. Daarom is het huwelijk bij ons een te sluiten of gesloten koop. Niet de vrouw wordt ten huwelijk genomen of gegeven, doch haar bruidschat; hare hoedanigheden komen niet in aanmerking, wel hare acties en obligaties. Eene goddelooze leer heeft het besluit afgekondigd, dat de man naar den eisch zijner lusten de banden, welke hem aan de vrouw hechten, kan breken. Door middel van de echtscheiding wordt het huwelijk verwoest; de echtscheiding is toch eene vermomde veelwij verij, die den welvaart opoffert aan den willekeur van een paar onstandvastigen. Het huisgezin steunt op iets anders, op het hart, ja op de liefde heeft God het huisgezin gegrondvest,
„Doch wat ziet gij om u heen? Oneenigheden, scheidin-
33
gen en tweedraclit. Verwondert u dit? Vraagt gij waarom de vlam beeft aan onzen huiselijken haard en sterft? Luistert: omdat bij dien haard de heilige lamp van den godsdienst gedoofd is, omdat de banden voor het altaar gelegd, los zijn gemaakt. Koevele tranen heeft dit gemis aan godsdienst al doen storten! Verjaagt God, Zijne engelen en Zijn dienst, wat blijft u dan? Het hart, zegt gij. Ja, het hart; doch het hart met zijne zwakheden en veranderlijkheid. Om de wetten der liefde te vervullen, behoort er godsdienst, deze is de eerste wet der liefde, de eenige, die nooit vervalt.
„Schijnt niet het hart te luisteren naar plotselinge schokken, en onvoorziene indrukken? Is niet een daad, een woord, een niets voldoende om liefde te doen ontstaan? Hoeveel minder is genoeg om ze te doen afnemen en te blusschen.\'\'
Wat doet de godsdienst? deze geeft der liefde krachtiger, vaster, duurzamer gronden.
De tweede wet der liefde, welke de godsdienst helpt vervullen , is die des offers.
„Te oordeelen naar de wijze, waarop de jeugd nu ten huwelijk gaat, zou men gelooven, dat zij een aardsch paradijs binnen treedt, waar enkel vreugde wacht zonder tranen; waar, ik zeg niet de smart, geene treurige gedachte zelfs zal binnen sluipen. Een langen feestdag zou men zulk een leven wanen, een weg door bloemen heen, waar geen donkere wolk haar schaduw werpen zal.
„En wat geeft de werkelijkheid te aanschouwen ? Dat daar gebiedende plichten te vervullen , moeilijkheden, bovenal kruisen te dragen zijn. Ziedaar de klip, waarop de liefde zonder godsdienst strandt. Dat wij allen ons voor een beminde persoon opoiferen willen voor een dag, is mogelijk; voor twee dagen, is moeielijk; lang, is onmogelijk; de liefde verwelkt.
„Hebt gij zeiven \'t niet dikwijls aanschouwd? Twee men-schen, die eens elkaar beminden, kunnen elkander niet meer uitstaan. Weet gij waarom? Zij hebben zich niet
34
weten op te offeren. Gij verbaast u en zegt: in dit huwelijk kwam alles zoo goed overeen: neigingen van geest en hart, karakter, geld, alles, alles!quot; Doch ik antwoord; de grondslag van dit alles, de godsdienst was vergeten, en toen de beproevingen des levens kwamen, stortte dit gebouw in puin.quot; Ziet hoe de godsdienst staat voor het bruidspaar, hetwelk met rozen gekroond, het leven zoo schoon vindt, dat het den loop er van tot staan zou willen brengen; hij neemt deze twee ineengelegde handen, legt ze op het altaar en zegt: vergeet niet, mijne kinderen, dat dit altaar door uw godsdienst geheiligd, een graf is; vergeet niet, dat de eerste plechtigheid, welke aan uwe vereeniging wijding geeft, een offer is; vergeet niet mijne kinderen, dat dit leven van geluk, hetgeen gij u voorstelt, gekleurd is door het bloed van een slachtoffer; onder de rozen van uw bruidskrans ziet gij de schaduw Zijner doornenkroon. Bedriegt u niet, wat gij zoeken komt, is niet het geluk, maar de plicht.quot;
„O welke droeve dagen bereiden zich deze familiën, welke den godsdienst buitensluiten! Welke tooneelen, even bloedig misschien, als die ons de dagbladen eiken dag schetsen. Toch is dit nog niets. De familie bestaat niet uit man en vrouw, zij wordt vooral gevormd door de kinderen; kinderen, de vreugde en troost der ouders; kinderen, de voorwerpen van zoovele zorgen en angst. Het kind dat ter wereld komt, legt op het voorhoofd zijner ouders eene ontzettende verantwoordelijkheid. Ziet, dit kind is niet maar een lichaam, het heeft eene ziel. \'t Is dus niet genoeg te waken voor het lichaam, de ziel moet worden opgevoed; deze ziel moet hare kracht en waardigheid leeren beseffen, leeren gelooven; deze ziel moet opleiding ontvangen in de vreeze Gods, in den eerbied voor zich zelve en voor den evenmensch; aan dit hart moet een gebed ontlokt, dat tot God omhoog gaat, en niet eene godslastering.
„Gelooft gij, mijne heeren, tot deze teedere zending bekwaam te wezen zonder godsdienst ?
„Uwe kindereu zijn niet zedelijk, niet onderdanig, zegt gij; waarover beklaagt gij u? Wanneer in Sparta een\'Jkind was geboren, lei men het neer op de knie des vaders^ Indien de vader zijn kind aanzag, mocht het leven, indien hij het niet aanzag, moest het sterven. Ouders, uwe kinderen moeten sterven, want gij hebt uw oog niet gevestigd op hunne ziel. Grij zijt de bewaarders van het geld, en niet de bewaarders van de deugd en de waarheid: daarom vergaan uwe kinderen.quot;
God heeft gewild, dat de vader de priester en de koning des huisgezins zoude zijn, priester om aan God zijn gebeden en die van vrouw en kind op te dragen; koning om ze allen te geleiden naar den hemel.
Doch welken invloed kan in het huisgezin een vader uitoefenen, die of geen godsdienst heeft, of zich onverschillig betoont?
„En wat moet ik van de moeder zeggen, mijne heeren ? Ik weet niet, of God iets liefelijkers heeft geschapen dan een moederhart. Is de moeder niet de meest gelijkende afbeelding van dat goddelijk gevoel, dat wij teederheid, liefde, toewijding, barmhartigheid en zelfopoffering noemen? De moeder is de engel des huisgezins, doch op voorwaarde dat de godsdienst haar vleugelen geeft; zij is de welriekende geur, het aroma des huisgezins, wanneer zij zelve doortrokken is van het godsdienstig aroma.*\'
In het tweede deel hoort de redenaar de weerklank van twee kreten, die opgaan aan den huiselijken haard: een smartkreet, en een kreet van oproer. Smart van de ouders, oproer der kinderen. Er gaat een zondvloed over de aarde, alle vleesch zal vergaan; doch hij ziet een arke des behouds, waarin de maatschappij redding kan vinden, die ark is het moeder — het vaderhart. „Spoedt u ouders!quot; roept hij uit „haast u aan het werk, het gevaar is dreigend, maatschappij en vaderland keeren zich tot u!quot;
XI. „Het huisgezin kan niet leven zonder godsdienst, of
36
wordt het jammerlijk tooneel van onafgebroken rampen. Wij hebben dit gisteren gezien. Er is echter iets\'anders , wat godsdienst behoeft. Mijne Heeren, er bestaan tweederlei geheimen in den godsdienst; geheimen met betrekking tot God en Zijne werken, geheimen met betrekking tot den mensch en zijne eeuwige bestemming. Degoddelooze betwist bij voorkeur de eersten, dewijl zij ongenaakbaar zijn voor ons verstand, hun onderzoek moet noodzakelijk onvruchtbaar blijven.
„Doch wat gaat het ons aan te weten, hoe in God drie onderscheidene personen zijn; hoe de tweede persoon is mensch geworden aan ons gelijk; hoe Hij Zijne tegenwoordigheid voortzet hier beneden in de Eucharistie; is het hoe niet Gods geheim? Weten wij wellicht, hoe ons voedsel in ons wezen overgaat; hoe de levende wezens op aarde door gedurige voortbrenging blijven bestaan? Indien wy de wording niet begrijpen der stoffelijke wezens, die onder onze oogen leven, mogen wij dan aanspraak maken om te weten, wat hun Schepper zal doen of niet doen? Deze aanspraak is meer onzinnig dan hoovaardig, mijne heeren!
„Welnu er zijn andere geheimen, welke onze natuur betreffen; van dezen hebben wij recht ons rekenschap te geven, en zoo niet het hoe, ten minste het waaroM te vragen. Want dewijl God ons met verstand heeft begiftigd, moet Hij willen, dat wij onderzoeken. Nu is ernstig onderzoek noodig om te begrijpen, waarom wij verplicht zijn tot de smart. In smarten heeft onze moeder ons ter wereld gebracht; met kreten van smart kondigen wij onze komst op aarde aan , en de smart omgeeft ons van allen kant. Waarom dan de smart ? Ziedaar de stof van heden, mijne heeren. Wij zullen zien, dat er zonder godsdienst geen troost voor te vinden is, dat wij lijden moeten, doch dat er voordeel in het lijden schuilt1\'.
In de twee volgende conferenties onderzoekt P. Agostino de verwijtingen den godsdienst voorgeworpen. Oud is de godsdienst; ,.ja\'\' zegt hij „oud gelijk de pyramide der woestijn
37
die eeuwen lang der. Nijl voorbij zag ptroomen, zoo gingen de geslachten, de volksregeeringen, de vorstenhuizen voorbij. Wat al puinhoopen vielen er in het rond, en onvergankelijk staat de godsdienst in dezer midden.
„Waar zijn zij, die hem zagen geboren worden, waar, die hem vervolgden, spott\'en met zijn ouderdom ? Zij hebben hem een graf gedolven, en ziet de vaders en de zonen zijn heengegaan, en de godsdienst zong hun Requiem, hun Deprofundia. Oud is de godsdienst, doch geen rimpel op dat voorhoofd; de ledematen zijn overdekt met litteekens, doch roemrijke litteekens, die van strijden en triomfen spreken.
„Ziet gij niet, dat hij oud als de wereld moet zijn, hij die den band uitmaakt tusschen den mensch en God? Van het uur, dat God zich gewaardigde den mensch te scheppen uit het niet, hem bedeelde met verstand om Hem te kennen met een hart om Hem lief te hebben, van dat uur af, ontsprong de godsdienst; oud is derhalve deze godsdienst; wat zoudt gij zeggen, indien hij jong was? Gij zoudt zeggen: indien de godsdienst noodzakelijk is, waarom heeft God dien niet aanstonds gegeven, en moeten wij de schouders zetten onder een juk, dat onze vaderen niet hebben gedragen?
„In waarheid, wat zijn de nieuwe godsdiensten meer dan voortbrengselen van menschelijken hoogmoed en menschelijk bederf? Fonkelnieuw kwamen zij uit de werkplaatsen hunner meesters, doch spoedig zijn zij versleten, en de minachting heeft hun recht gedaan.
Dan is de godsdienst toch veranderd ? Niet meer dan de boom , die van bladeren wisselt, in de lente bloesems, in den herfst vruchten draagt, doch toeneemt in breedte van stam.
De godsdienst is niet enkel — wat geen vijand betwist, de groote weldoener der menschheid in vervlogen tijden, doch in plaats van nu overbodig, dringend noodzakelijk in eene eeuw, waar de petroleumfakkel verlichting heet te brengen, en het onderwijs leert, dat de mensch een dier is.
Met welken vooruitgang eindelijk is de godsdienst in
38
strijd? Met dien der stoffelijke ontwikkeling? „Op den koepel van het kristallen paleis der londensche tentoonstelling in 1851 hebben de engelschen geschreven „ Glorie zij aan God in den allerhooyste!quot;
Met dien van den geest? Neen; weinig kennis brengt van God af, veel kennis voert tot God terug. Bij het hooren van Gods naam ontblootte Newton telkens het hoofd.
Met den vooruitgang der kunst? Neen, roept Italië en wijst op de doeken van Angelico, Perrugino en duizend anderen; toont de werken van Michel-AngeJo en Canova, zingt eene stroof van Rossini en vraagt; durft gij beweren, dat de godsdienst tegen de kunst is\'r\'\'
De godsdienst schuwt het licht der waarheid niet; heeft ondoordringbare geheimen, ten bewijze, dat zij geene vinding van menschen is, doch eischt vrijheid en geeft ze; daarom mocht Franklin zeggen: de volkeren, die zich van den godsdienst verwijderen, gaan de slavernij te gemoet.\'\'
Met een waterheldere uiteenzetting der afschuwelijke leer, dat alle godsdiensten goed zyn, werpt P. Agostino het verwijt van onverdraagzaamheid af, en toont, aan welke bronnen deze tegenwerpingen des ongeloofs ontspringen: de hoogmoed, de onwetendheid, het menschelijk opzicht, de hartstochten. Een heerlijk gebed sluit deze veertiende con-ferentie: „o Jezus, Gij zijt in de wereld gekomen om die te verlichten, verwijder TJ niet, neen blijf! Zie, de duisternissen des ongeloofs dalen van de bergen , het licht des ge-loofs door TJ op aarde gebracht, verbleekt. Heer Jezus, Gij zijt de zon van waarheid en van liefde, toon U aan allen, dat niemand , niemand zich kunne onttrekken aan Uwe koestering, aan den gloed Uwer stralen!\'\'
XV. „Er is een teeken , dat de wereld beheerscht, dat alles overheerscht, dat de twee halfronden verlicht en met zijne glansen overstroomt. Wie zou niet gelooven, dat dit een teeken van vereeniging was. Doch neen, mijne hee-ren, dit is een teeken van tegenspraak, en rondom rijst
39
Je twist, en de strijd neemt geen einde. Eenigen beschouwen het met liefde, anderen loochenen het. Dit stralende teeken van tegenspraak is Jezus Christus.
„Nog als in de dagen zijns levens op aarde , scheidt hij de bruid van den bruidegom, volken van volken. Er is niet slechts ééne maatschappelijke wereld, er zijn er twee: de wereld, die hulde brengt aan Jezus Christus en die, welke Hem loochent. Te midden dezer beide werelden staat dit groote teeken van tegenspraak. En waarom? Men kent Jezus Christus niet, wie Hem kent, gaat tot Hem en sterft voor Hem van liefde.quot;
Na eene korte uitwerking dezer gedachten, wijst de redenaar niet slechts bij alle volkeren op de weerkaatsing van het licht der belofte in het paradijs door God gedaan, doch bij één volk op een teeken van God , wat de duivel nooit heeft kunnen nabootsen: voorafbeeldingen. Hij toont Jezus Christus vooraf aangeduid in de geheele geschiedenis van het joodsche volk door personen van Abel tot Jonas; door gebeurtenissen en zaken; dan duidt hij de groote omtrekken aan, door de voorspellingen van Christus gegeven. De onzekere toekomst voorspellen, kan alleen God, voor wien alles tegenwoordig is.
Het blijft evenwel bij de hoofdlijnen niet, hier is het koloriet; de profeten hebben Hem aanschouwd, geteekend. Levend staat Hij voor ons; wij zien Hem lijden, sterven en verrijzen, en Zijn offer blijft, Zyn naam is groot onder de volken. Voorwaar hier is de vinger Gods ; ik geloof aan den bijbel, daar staat de godheid van Jezus Christus geboekt.
„O, mijn God!quot; roept P, Agostino uit „Gij die de profeten hebt verlicht, laat ons bij het zien van Jezus beeld eeuwen voor zijne komst door de profeten geteekend, ons uitstorten in een kreet van liefde, en terwijl we Hem als onzen Verlosser erkennen, in vervoering van vreugd Hem omhelzen!
„Hem omhelzen, ja mijne heeren, Hem aannemen en omhelzen, ziedaar wat ons, na hetgeen ik u gezegd heb, te doen blijft....
40
„Alles ^ wat zijne komst voorafgaat , wordt samengevat in Paulus\' woord ojiortet eum regnare \'t is noodzakelijk, dat Hij regeert. Ziedaar de groote noodzakelijkheid, Alle schepselen hebben God noodig, alle verstand moet Hem belijden; en ziet j negentien eeuwen lang spannen duivel en wereld samen om dit woord te logenstraffen. En met welk gevolg ? Raadpleeg de geschiedenis: zij toont u de machtigste tronen in een gezonken; de best geregelde staatsinstellingen, als spinrag door een arend, weggevaagd. Hoe vele koningen der aarde en der gedachten door de algemeene volkstemming of de bewondering juichend begroet, zijn na eenig gedruisch van wapenen of van woorden spoorloos verdwenen. Nauwelijks blijft er eenige heugenis van hen over; doch het rijk van Christus duurt. In onze dagen slaat men geen acht op de geschiedenis, op de ervaring. Nieuwe pogingen worden aangewend tegen Christus\' rijk. Welke zal de uitslag wezen, mijne heeren? Gij mannen van gisteren, waarom zoo hardnekkig voortgegaan met uw smaden ^ met uw worstelen tegen den Christus?
„Ts de Christus, gelijk gij zegt, niets dan mensch, is Zijn werk louter menschenwerk, — laat dat werk, \'tis immers reeds oud, veel ouder dan wij — laat het sterven. Doch is Jezus Christus God, is Zijn werk het werk van een God, weet wel, dat de klank uwer bazuinen, dat uwe bliksems het niet vernielen zullen. Ziet wel toe; uwe eeuw zou slechts een nieuw bewijs leveren voor het woord van den profeet. Is Jezus Christus God, Zijn werk een goddelijk werk, nog eens ziet toe, want gij zult voorbijgaan als Nero, en Christus rijk zal blijven staan.
„Ziet, \'tis nu 2500 jaren, dat Isaïas den val voorspelde der volken, die Christus niet willen dienen. En heel de wereld kent Zijn bestuur, alle geest aanbidt Zijn schepter, Jezus moet heerschen, of de strijd tot het hevigst komt, zoolang er vijanden zijn te verslaan; het nieuwe testament doet niets dan het oude bevestigen, en \'t is de taak der eeuwen geworden de voorspellingen tot geschiedenis te maken.
41
„Kent gij de taal der eeuwen? Hier komen de eerste drie. Ziet de aposteler. met hunne vervolgers; de heiligen, de geloovigen. Zij trekken langs den Christus buigen de knie en zingen: Christus oveewint, Christus regeeet, Christus heerscht.
„De vierde en de vijfde komen met Justiniaan en de onvergelijkelijke leeraars dier tijden; ook zij trekken voorbij en zingen: Christus overwint, Christus regeert, Christus heerscht.
„Hier zijn de eeuwen van ijzer. Barbaarsche horden, van welke de eene de andere verdringt, verwoesten het romein-sche rijk; het zijn de monniken, die de vrijheid redden ; hier de middeleeuwen met hare groote krijgshelden en groote karakters, zij gaan voorbij , zij buigen het hoofd en zingen: Christus overwint, Christus regeert, Christus heerscht.
„Ziedaar de zestiende eeuw met hare omwentelingen, met hare verdeeldheden, met hare oorlogen, met hare puinen , met hare groote heiligen; ziet de zeventiende met hare groote mannen en verheven geesten; de achttiende, die eindigt in bloed, beulenwerk en slachtoffers — en die allen trekken den Christus voorbij, buigen en zeggen: Christus overwint, Christus regeert, Christus heerscet.
„Daar zie ik eindelijk onze eeuw met hare beschaving, hare groote legers, hare veldslagen, met hare uitvindingen en ontdekkingen, met hare Pausen, allen buigen voorbijgaande het hoofd voor Christus en zeggen: Christus overwint, Christus regeert, Christus heerscht.
„Mijne heeren, zullen er nog andere eeuwen volgen ? Ik weet het niet: dit alleen weet ik: God blijft in eeuwigheid, want God heeft het gezworen, en Zijne eeden zijn niet berouwelijk. Het rijk van Christus zal zonder einde wezen; het aardsche Jerusalem zal ons opvoeren naar het hemelsche; doch zoolang de loop der eeuwen voortgaat, en zoolang de zon zal stralen, zullen de volgers van den Christus deze woorden in het marmer zien staan: Chhistus overwint, Christus re-
42
gee kt , Christus heerscht, Christus moge ons redden
van ben ondergang!
De drie volgende conferentiën bewijzen de godheid van onzen gezegenden Verlosser uit het Evangelie, uit de liefde tot God en den naaste door Hem op aarde ontstoken , en uit hetgene de wereld aan Jezus Christus te danken heeft. Deze bewyzen zijn eeuwen oud. \'t Is niet de eerste maal, dat Strauss en Kenan zelfs in den naam der gezonde rede en der wetenschap teruggewezen worden. Doch P. Agostino\'s voorstelling bekoort door eene frissche aantrekkelijkheid; het kleed zijner gedachten is nieuw; de gloed zijns harten ontvlamt, zijne vervoering beft u mee op van de aarde, zijn toorn doet u sidderen en de uitstortingen zijner biddende ziel voor Hem, buiten Wien geen vrede en geen vreugde is, dwingen u tot gebed.
Een greep hier en daar uit den overvloed moge althans iets doen vermoeden, van het voorrecht onderzijne hoorders te zijn.
„Ziet, hoe de goddelijke en menschelijke natuur zich onophoudelijk openbaren in den eénen persoon Onzes Heeren Jesus Christus. Geeft acht op Zijne geboorte. Hij wil geboren worden in volslagen verlatenheid; voor toevluchtsoord eene arme hut, tot wieg eene kribbe van het vee. Zult gij ontkennen, dat dit de geboorte is van een mensch? Doch, daar tegenover de scharen van hemelsche geesten, de ster, die verschijnt; de herders, de wijzen, de joden, de heidenen in aanbidding voor Hem ter aarde. Een Herodes ontstelt en verbergt zijne ontsteltenis onder gehuichelden eerbied; de engelen, die boven deze kribbe zingen — getuigt niet dit alles de nederdaling van God?
„Yeertig dagen na zijne geboorte wordt Hij in den tempel voorgesteld en vrijgekocht door twee tortelduiven. Is dit niet de prijs voor het kind des armen? Doch die grijsaard, welke in de verwachting leefde en in Hem den Zaligmaker van Israël ontdekt, den Messias, dien hij verbeidt, is dit geen blijk, dat Hij Gods Zoon is?
43
„Bedreigd door Herodes, wordt Hij opgenomen en vluchtend naar de woestijn gebracht. Ziedaar de vlucht van een mensch. Doch de engel, welke Joseph bericht geeft; de wijzen in hun slaap vermaand om een anderen weg te nemen, zijn dit geen teekenen van eene reis ondernomen door God?
„Hij gaat naar den Jordaan, vernedert zich en ontvangt het doopsel — ziedaar den mensch , die zich gelijk wil maken aan den zondaar. Doch de hemel gaat open, over Zijn hoofd daalt de Heilige Geest, en de stem van God roept: „deze is mijn welbeminde Zoon\'\': dat is de openbaring van God.
„Hij gaat in de woestijn en wil de bekoring kennen; dat is de mensch; maar met enkele woorden jaagt Hij Satan henen, dat is God. Hij lijdt honger, dewijl Hij mensch is — doch zie, de engelen komen en dienen Hem, want Hij ia God.
„Op het dek van het scheepje slaapt Hij door in den storm; daar rust de mensch; en als Hij ontwaakt en met een wenk de zee tot zwijgen brengt, en zij vragen: wie is deze, wien de wateren gehoorzamen ? mag Hij antwoorden: ik ben God.
„Hij draagt de menschelijke zwakheden , omdat Hij mensch is, doch Hij geneest ze allen: Hij is God. Met weinige visschen en weinige brooden spijzigt Hij eene menigte in de woestijn, hier ziet gij den overvloed van God. Hij vlucht voor Zijne vijanden, doch voor Hem vluchten de duivelen, hier is de almacht van God. Bij Lazarus\' graf weent Hij en is bedroefd, dit is de mensch — maar op Zijn woord geeft het graf zijn prooi terug — dit is God,
„In de zaal des avondmaals zie ik Hem knielen voor Zijne apostelen om hun de voeten te wasschen — en ik bewonder in deze daad den ootmoed van den Zoon des menschen — doch in dezelfde ure zie ik Hem brood en wijn veranderen in Zijn lichaam en bloed; en in deze daad aanbid ik de almacht van den Zoon Gods.
„Ziet Hem aan het Kruis, Zijne vijanden schudden het hoofd en spotten met Zijn doodstrijd: hier sterft een mensch. Maar de zon verschuilt zich, de aarde beeft, het voorhangsel des tempels scheurt, de rotsen splijten: ziet, dit is de dood van God.
44
„ Als wij Hem aanschouwen, raogen wij ons gedrongen voelen te zeggen ; zoo eindigt de mensch; doch als wij dien stervende een kreet hoor en slaken van bovenmen-schelijke kracht, dan voelen we ons gedrongen met den hoofdman uit te roepen : „Waarlijk deze was de Zoon van God !quot;
Wat dunkt mijn lezer van deze majestueuze strofen, in den onversierden eenvoud van het woord des Evangelies, zoo van zelf, zoo verstaanbaar en tegelijk zoo machtig dwingend tot de heerlijke belijdenis van den onder het kruis bekeerden heiden? Verder verhaalt de redenaar, wat de moderne vyand beproefd heeft om Christus\' dood en verrijzenis te loochenen, en hij roept uit: „groote God, mijne broeders, wat is het smartelijk te zien, welke pogingen de menschen aanwenden om zich aan deze goddelijke klaarheid te onttrekken — doch hoe troostend te zien, dat al dit pogen ij del blijft!
„Indien Jezus Christus de Godmensch is, wat moeten wij dan doen? In Hem gelooven en Hem aanbidden. Dit hebben de kunst, het genie, de wetenschap, de groote mannen gedaan — dit behooren wij te doen. De kunst heeft geloofd in Jezus Christus, en bezield en gedragen door het geloof in Hem, heeft zij het doek doen leven, steen en marmer gehouwen, metalen gesmolten en deze kathedralen gebouwd, die als eene afschaduwing zijn, van hetgeen Joannes in zijne openbaring heeft gezien.
„Het genie heeft in Jezus Christus geloofd en Hem aanbeden in onvergankelijke monumenten ; de geloofsverdedigers hebben onder het gewicht hunner bewijzen hunne vijanden verpletterd; de dichters hebben voor Hem de heerlijkste tonen aan hun speeltuig ontlokt. De groote mannen hebben geloofd in Jezus Christus, en was dit geloof niet het geloof der groote koningen; en hebben niet in den boezem der republieken deze menschen dit eigen geloof gehandhaafd? \'t Geloof in Jezus Christus heeft de Vincentiussen a Paulo van hunne vrijheid beroofd; aan dit geloof hebben de Borro-
45
meo\'s hunne goederen en fortuin geschonken; en is nog niet heden, trots de pogingen van Voltaire\'s erfgenamen, dit geloof in Jezus Christus het voorwerp der aanbidding van ware wetenschap en kunst?
„Wilt gij tegenover dit alles de loochening van een apostaat doen geldon?
„Ziet, op den oever van den stroom staat een knaap. Hij werpt een steen in \'t water en meent, dat het water terug zal vlieten; doch de stroom vervolgt zijn weg naar de zee. Zoo de godloochenaar. Terwijl de achtereenvolgende geslachten in Jezus Christus gelooven, staat hij op en werpt een steen, en waant, dat de geslachten niet meer tot Christus zullen gaan — doch de geslachten herhalen den kreet op Calvarië vernomen: de liefde van Christus drijït hij voort! wie zal ons scheiden van Christus!
„Doch waarom, mijne heeren, willen zij ons Jezus Christus ontrukken? Waren zij hier, ik zou hen vragen: Waarom wilt gij ons Jezus Christus ontnemen? Is dit in het belang van God, of in \'t belang der menschhèid? In \'t belang van God, zult gij zeggen. Maar een vader zonder zoon is geen vader meer; gij maakt van een God, die ons troost, van een God, die ons geneest, een kouden zelfzuchtigen God als gij zelf; God is niet enkel almacht, Hij is liefde. Laat ons Jezus; niemand beter dan Hij doet ons de oneindige goedheid kennen van onzen God.
„Zal het wezen in het belang der menschheid? Doch gij kent het niet? Neemt weg, verloochent den Christus, den Godmensch, welk teeken van geloof en verzoening wilt gij de menschheid aanbieden? Wat zult gij in de nabijheid plaatsen van de lijdenden, van de armen, vau de rijken? Wat zult gij plaatsen boven de hoofden van koningen en rechters? Wat zult gij geven in de hand eens volks, dat lijdt?
„Mijne heeren, wanneer aan het volk Jezus Christus zal zijn ontnomen, waar heen moeten die arme menschen gaan om de geheimen van hun hart te vertrouwen ? Aan welke borst
46
kunnen zij huu hart te rusten leggen, als Zijn hart er niet meer is? Hebt medelijden met die beklagenswaardigen, en wilt gij ons Jezus niet laten uit liefde voor den godsdienst, laat Hem ons ten minste uit menschlievendheid.
„Erbarmt u over de menschelijke smarten en nooden. Hoe, het zal dan niet meer geoorloofd worden aan den huisvader, vermoeid van zijn arbeid der week te komen uitrusten in de schaduw van het kruis om een weinig moed te scheppen ? De moeder zal hare dochter niet meer naar de kerk kunnen geleiden en haar Jezus toonen om ze te wapenen tegen uwe ergeuissen? Mogen uwe bruiden, uwe moeders, uwe dochters niet meer komen schreien aan Jezus\' voet om vergiffenis af te smeeken voor uwe misdaden, om bij Hem de kracht te vinden tot het dragen, van hetgeen gij ze lijden doet? Het zal niet meer toegestaan worden Jezus te brengen op de lippen van den stervende om hem in die laatste ure bij te staan?
„Doch wilt gij dan Jezus van de wereld wegnemen, neeml: dan eerst haar lijden, haar honger, neemt bovenal eerst bare wapenen weg. Want weet het wel, op den dag dat het geloof uit ons midden zal verdwijnen, blijft ons niets meer over dan het gelaat met de handen te bedekken in afwachting eener ontzettende straf. Een maatschappelijke aardschok zal plaats grijpen, het volk zal een moordpriem zwaaien in plaats van het kruis, dat in hunne handen verbrijzeld is, en het vaderland, het vaderland zal zelve verscheurd, een Calvarië moeten beklimmen en wellicht daar sterven in stuiptrekkingen, in de boeien van vreemden ; neen, het zal niet gelijk Jezus Christus vergeving schenken, maar vloek over zijne zonen, die hem het geloof in Jezus hebben ontrukt. Zij die hun vaderland het geloof in den Zaligmaker ontrukken, deze zijn de ware beulen van hun vaderland.quot;
Na het eerste deel zijner volgende preek over de godheid van Christus vroeg P. Agostino zijne hoorders: „Wilt gij de stof van morgen weten? Luistert ik zal u iets bemoedigends verhalen-
47
„Een jongeling in den bloei der jaren zette zich aan het lezen van die boeken, welke de arme jeugd telkens in handen neemt, slechte boeken.
„Deze lezing wierp twijfelingen in de ziel des jongelings, en tegen twijfelingen was hij niet bestand. Hoe ook weerstand te bieden aan den twijfel, voor wie den godsdienst bestudeert in boeken, welke dien bestryden en niet uiteen zetten. Hij verloor het geloof.
„Gelijk de ongelukkige JoulFroy voelde hij met het geloof den vrede en de vreugd te hebben verloren, en hij trok naar een vreemd land.
„Hij twijfelde aan de godheid van Christus, en toch — al kan niemand het verklaren — hij had het geloof aan de H. Maagd bewaard, hij bad tot haar, Maria heeft hem gered.
„Eens in dat vreemde land voelt hij zich als door eene bovenaardsche kracht gedreven en gaat de kerk binnen. Daar werd gepreekt over de godheid var. Christus. Stelt u voor, welken indruk deze woorden moesten maken op dien jongeling. Hij had den moed niet tot het eind te blijven; die woorden vielen als vuur op zijn hart. Hij gaat uit, wandelt alleen op een verlaten weg, en in de eenzaamheid, die hem omgeeft, was het hem, of hij de stem bleef hooren van dien spreker. Hij begeeft zich ter ruste, keert zich slapeloos heen en weer, en de stem bleef klinken in zijn oor. Hij komt tot een besluit: „ik wil weten wat de waarheid is, morgen ga ik weer naar de preek: wij zullen zien, wat er van komt.
„\'s Anderen daags keert hij terug naar de preek, en toen deze was geëindigd, zag hij zijne twijfelingen uiteendrijven, hij zag het licht der waarheid stralen, en met de waarheid keerden kalmte en vreugde in zijn gemoed.
„Ik zal u niet zeggen, wie deze jongeling was; misschien kunt gij het raden; morgen zou ik u allen in de preek wenschen te zien, opdat gij er het heil moogt vinden, wat-hij er gevonden heeft.quot;
48
Aan het slot dezer rede zegt hij: „eindelijk, mijne heeren, durf ik er bij u op aandringen met al de kracht van mijn hart en mijne ziel, gij moet bidden, Jezus Christus den God van waarheid en liefde bidden, dat Hij gelieve uw verstand te verlichten en uw hart te roeren. Bidt, dat Jezus alle verdeeldheden wegneme en allen bijeen brenge in den band der liefde; bidt, dat alle schepselen onzen Vader aanbidden, die in den hemel is en Zijnen zoon, Jezus Christus.
„En Gij, o Jezus, heersch in de wereld, heersch over het verstand, Gij verdient het om Uwe waarheid; heersch over de harten, Gij verdient het door Uwe liefde.
„Werp over allen de stralen Uwer liefde, o Jezus Vleesch geworden woord! Dat de Vader Uwe glorie openbare, gelijk Gij Zijne glorie geopenbaard hebt. Wij hebben behoefte aan eene nieuwe waarheid, welke de wereld redt, aan een nieuwe zalving, welke ze heiligt. Heer Jezus Christus, verhoor deze bede, vereenig ons in de kennis der waarheid en in de beoefening van het goede, maak ons tot één volk, en als wij de vruchten der eanheid genoten hebben op aarde, laat ons dan de vreugde smaken van het paradijs.quot;
Luistert naar het slot zijner negentiende conferentie, de laatste der vijf, welke hij achtereenvolgens over onzen Heer Jezus Christus gehouden heeft. „Dat Jezus heersche, ja, Jezus zij de Koning van ons verstand, van ons hart, van onzen wil. Dat Jezus heersche; dit woord, waarin de glorie van het verledene ligt, zij de bemoediging onzer toekomst. Dat Jezus heerschei Ja, wees onze Koning, o Jezus, heerschop deze aarde, waar U zoovelen hebben bemind, gediend en verheerlijkt. Heersch, o Jezus, meer dan ooit hebben wij u noodig, want wij hebben behoefte aan licht en troost en moed. Heer, verlaat ons niet, blijf altijd bij ons, o Jezus; blijf bij het graf om de smart te troosten van weduwe en wees; blijf in de scholen — al willen ze er U uit verjagen, blijf in de school, verlicht de meesters en zegen de kinderen Blijf in de werkplaats van den kunstenaar om zijn genie
49
staande te houden en te bezielen; blijf onder het dak van den arme, en leer hem onderworpenheid. Blijf bij de rijken en boezem hun liefde in en barmhartigheid; blijf bij het arme volk, opdat zij zich niet laten misleiden door hen, die een offer van hen zullen maken voor hun eigenbelang. Blijf bij den ongelukkige, die sterven gaat; blijf bij ons allen; en indien iemand U zegt, dat Gij heen moet gaan, geloof hem niet; wat werden vrijheid, maatschappij en vaderland zonder U ?
„Wat mij betreft, o Heer, gij zijt mijn hoogste doel, mijn gids, mijn trooster; U dank ik de tranen mijner eerste geestdrift, mijner eerste liefde!
„Een oogenblik heb ik U van mij afgestooten,\'en ik heb de waarheid gevoeld van het woord: „zonder Jezus is alles droef! zonder Jezus bestaat er geen vrede, geene vreugd!quot; Doch nu ik U heb teruggevonden, wil ik U nooit meer verlaten; ik wil ü altijd bij mij hebben, want ik kan niet buiten TJ in de neerdalende duisternis; ik heb Uw hart ncodig te midden van zoovele puinen. En wanneer alles voor mij gedaan zal wezen , wii ik mijn geest geven onder Uwen zegen, in de beschutting Uwer rechterhand!quot; —
In de twintigste conferentie behandelt P. Agostino het vagevuur, dat hij het lijden noemt, wat de zielen reinigt om ze Gode waardig te maken. In de rij der geloofsstukken acht hij het bestaan dezer zuiveringsplaats eene waarheid, welke meer dan eenige andere bevredigend te gemoet komt aan de eischen der rede en de behoeften van het hart. Ziet , hoe de redenaar deze stof inleidt.
„Mijne heeren, welk een schouwspel vol diepe ontroeringen en sombere gedachten doet zich op voor den blik, van wie den zwijgenden drempel betreedt der aan den dood gewijde plaatsen. Het oog gaat er rond over eene aarde vol graven, zoekt begeerig een rustpunt op de marmeren zerken en gebeitelde steenen, doch de ziel wordt bedroefd, en eene yskoude hand omklemt u het hart. Daar eindigen dan
50
eens al onze menschelijke verwachtingen; daar lijden alle voldoeningen des levens schipbreuk; daar gaan alle krachten van het genie, van het vermogen, van de schoonheid te niet. Voorwaar, het teeken der vernieling staat den armen zoon van Eva op het voorhoofd gedrukt, en vast is de slaap des doods.
„Hoe somber ware dit alles zonder de katholieke gedachte, zonder een straal van hoop op een toekomstig leven! Graf en bederf, ziedaar, wat de geest zich voorstellen moest, wat de ziel zoude neerdrukken, en schrikwekkend ware de gedachte aan overledene dierbaren, wanneer deze zich in ontbinding en wormen verloor. Voorwaar! moest de graflucht den wierook vervangen, klachten het lied en vervloeking haar lofgezang, wat ware dan bij machte om onze ziel los te maken van het denkbeeld eener volkomene vernietiging!
„Doch God zij geloofd! eene duidelijk verstaanbare stem spreekt mij van liefde , eene zoete stem spreekt mij van hoop en zegt my; „Omhoog met uw hoofd! uit dit graf zult gij opstaan tot een nieuw leven; over dit graf vindt gij een nieuwen hemel en eene nieuwe aarde, waar gij uwe eeuwige tent zult opslaan, waar het licht straalt eener nooit ondergaande zon. In dat vaderland zult gij de dierbaren vinden, die u voor zijn gegaan op den levensweg.quot;
„Van waar komt deze zoete stem , welke de diepste snaren van ons hart doet trillen en zooveel balsem giet in de wonden ons geslagen tijdens den pelgrimstocht; Van u, Kerk van Jezus, die neerzit op de graven, gelijk eene moeder waakt over de wieg van haar slapend kind! In het gezicht van de zegeteekenen des doods herinnert zij ons het beloofde leven 1 „Wees gegroet. Koningin van mijn leven. Koningin van mijn sterven; voor ü buig ik mij neder en voel, dat Gij mijn hart overstroomt van zoete hoop , van de hoop op een beter leven, dat eeuwig duurt in het bijzijn mijner dierbaren!
„Ja, het is onze Kerk, welke de verschrikkingen des grafs uiteendrijft; zij kroont op de graven de hoop met groene olijftakken; wijst ons de wieg der onsterfelijkheid;
51
leert ons op de lijkbaar van onzen vader en onze moeder de liefelijkste gebeden en onderhoudt door dit alles tusachen de macbteloozen en de sterken, die zij met blijde verwachtingen bemoedigt, eene onderlinge wisseling van teederheid-Moeder van allen, verlicht zg de smarten van hen, die leven, en van hen, die nog niet in de glorie zijn; hare hand, die zij uitsteekt om onze tranen af te droogen , vraagt tevens eene verkwikking voor hen; en zij rust ciet, alvorens zij in den schoot van God bijeengebracht heeft de zielen, die elkaar op aarde hebben bemind.
„Ziedaar, waarom de godsdienst wil, dat ik u van de dooden spreke en uwe smarten troost, door u te wijzen op de plaats der onsterfelijkheid.
„Jezus, \'t is over Uwe Bruid, dat ik heden moet spreken, o, zegen mijn arm woord en sterk het om Uwe barmhartigheid te doen afdalen in de zielen , en daar op te wekken deze werkzame liefde, welke de hand uitsteekt ter hulp en ter verlossing.quot;
Uit de conferenties, welke eet geloof, de hoop, de vrijheid tot onderwerp hebben, gaf ik zoo gaarne veel te genieten; maar de beperkte grenzen eener studie stellen mijn lezer noodzakelijk op eene Tantalus-proef. Toch kon mijne bedoeling ook geene andere wezen dan eenigszins te doen begrijpen , hoe de scharen zoo gretig drinken van den frisschen, klaren, levenwekkenden stroom van P. Agos-tino\'s priesterlijke welsprekendheid. Hoort hem over het geloof.
„Wanneer wij dit woord uitspreken, zien de moderne ongeloovigen ons aan, glimlachen, schudden het hoofd en zeggen: „Vooruitgang der middeleen wen!quot; Doch wij mogen hen aanzien, glimlachen en het hoofdschuddend antwoorden: „dwazen der negentiende eeuw !\'\'
Wat vinden zij in ons geloof, dat met de rede strijdt? Het zijn twee bladzijden van eenen tekst; raakt de ééne de waarheid met de rechter, de andere raakt ze met de linkerhand. Het zijn twee beeken ontsprongen aan dezelfde
52
bronader, twee stralen van éene zon; het zijn de twee grieksche harpen, die ofschoon van vorm verschillend een zelfden toon voortbrengen.
„In het geloofquot; zeggen zij „bestaat het bovennatuurlijkequot;, Ja, antwoorden wij, doch dit dooft de natuur niet uit, maar volmaakt ze. Met het oog der rede ziet de mensch; doch hij ziet niet, wat op een grooten afstand van hem ligt. Gewapend met den telescoop des geloofs, ziet hij, wat hij eerst niet zag, ontdekt hij eene wereld van dingen, die verborgen blyven, voor wie zich van dezen telescoop niet bedient.
„Doch hoe kunnen wij gelooven , vragen zij , terwijl de geest des geloofs onvereenigbaar is met den geest der wetenschap ?quot; Ten einde zich dan te machtigen om het geloof weg te dringen, leggen zij den armen jongeling frazen voor, die als algemeen erkende waarheden dienst moeten doen.
„Eenigen zeggen: men wil, dat wij aan het bovennatuurlijke gelooven, maar het bovennatuurlijke is ongerijmd, en de godsdienst, die op het bovennatuurlijke steunt, is onzin; derhalve ware het ongerijmd een godsdienstig geloof aan te nemen.quot; Anderen verklaren met nog meer minachting, dat de wetenschap zich niet bemoeit met het bovennatuurlijke, daarom stellen zij geen belang in het geloof,
„Weer anderen beweren: het bovennatuurlijke kan niet volgens den technischen voortgang eener methode worden bewezen, men kan er niet in komen tot zekerheid: diensvolgens kan niemand aan het bovennatuurlijke gelooven , zonder aan de wetenschappelijke waarheid te kort te doen.
„Eindelijk zegt men ; het bovennatuurlijke verzet zich tegen de ontwikkeling van den menschelijken geest, daarom is het geloof slaan aan het bovennatuurlijke eene daad van slaaf schheid.
„Voor deze allen is het geloof de voorloopige staat van kinderen en van volken in hunne opkomst; de wetenschap
53
daarentegen de staat van volwassenen en der tot rijpheid gekomen volken.
„Ik ga dezen morgen al die heillooze beweringen onder-2-oeken, want ik zou niet willen dat de menschelijke waardigheid werd prijs gegeven. Stelt u echter gerust: de menschelijke waardigheid zal geen schade lijden door ons geloof. Doch de eer van hen, die aan het Evangelie hechten, wordt beleedigd in hetgeen hun het dierbaarst is; en stemmen wij er in toe voor God ons hoofd te huigen, voor de men-schen willen wij het ten allen tijde omhoog kunnen heffen. Onze vaderen hehhen ons geleerd eerder martelaar dan slaaf te worden; en onder alle slavernij en verafschuwen wij die van het verstand het meestquot;. —
Nadat P. Agostino in het volle licht heeft gesteld, dat het geloof niet strijdt met de wetenschap, komt hij aan de beschuldiging, dat het geloof onze vrijheid aan banden legt.
„Men gelooft tegenwoordig niet, doch de vrije gedachte wordt begroet als de overwinning, welke de geest onzer dagen heeft behaald. Hoevelen zijn er vrijdenkers, ofheeten zoo voor het minst!\'\'
„Wat is uw geloof? vroeg onlangs iemand aan een knaapje van acht of negen jaren. „Ik ben vrijdenker!quot; antwoordde het kind. „Ik ben vrij denkster,quot; zegt de wereldsche vrouw, die zich losmaakt van oude vooroordeelen. Wat zijn vrijdenkers ?
„Mijne heeren. om vrijdenker te zijn, dient men toch eerst een denker te wezen. Nu laten wij den knaap ter zijde en spreken zelfs niet van de wereldsche vrouw. Waarmede toch houdt zij zich bezig? Heeft zij misschien de twistvragen van godgeleerden of wijsgeeren aandachtig gevolgd? Leest zij Plato, Aristoteles? Dwaze vraag! waar denkt zij aan? Zij denkt aan haar toilet, aan de mode, aan het laatste stuk in den schouwburg, aan muziek en dans, en tusschen de lezing van een roman en haar dagbladfeuilleton noemt zij zich vrijdenkster. Doch gaan wij over tot de mannen, meer aan denken gewoon. Is hij een denker,
/
54
die werkman, van den morgen tot den avond bezig om het brood te verdienen voor zich en zijne arme kinderen? Zeker de hedendaagsche werkman leest dagbladen; doch gij weet, hoe de dagbladen denken en laten denken, hoe lichtzinnig zij spreken over alles. Zal hij een denker wezen, deze staatsman, die opgaat in staatkundige gebeurtenissen, in stemmen en verkiezingen en zijn hoofd breekt met de groote vraag; of dit ministerie er aan blijven, of vallen zal?
„Is hij een denker, deze jonge man, die niets kent dan koffiehuizen en wandelplaatsen? Mijne heeren, om denker te zijn, moet de mensch zonder gevaar voor de klippen der stoffelijke zorgen voor een huisgezin of een maatschappelijken stand , zich vrij kunnen verheffen in de zuivere luchtstreken der gedachte. Doch toegegeven, dat zij denkers zijn, zijn zij nu vrijdenkers? Stelt benzelven de vraag, en zij zullen u antwoorden gelijk de Joden den Zaligmaker, „wij zijn kinderen van Abraham en zyn nooit slaven geweest , zij zullen zeggen: „wij nemen geen juk op onze schouderen, wij hangen van niemand af, dan van ons zeiven.quot; Doch, wie zijt gij ZELVEN dan? Dit zal ik u zeggen, GIJ ZELVEN dat is uwe eeuw, uwe omgeving, dat is het dagblad, waarin gy \'s morgens uwe gedachte kant en klaar vindt staan voor vijf centiemen — ziedaar uwe vrijheid. Met deze is het geloof in strijd; want dit verruimt den blik en opent wijde gezichteinders, nieuwe werelden voor den geest. „Maar die nieuwe wereld is een hinderpaal voor mijn verstand, een beletsel voor mijne vrijheid.quot; Ja, een beletsel voor de vrijheid, zooals Amerika in den weg ligt voor den vrijen doortocht der schepen; zooals de ontdekte planeten het gezicht belemmeren van den sterrekundige; zooals de ijzeren spoorstaven de vrijheid bedwingen van den trein.
„Gij hebt het in de bladen onlangs gelezenquot; gaat hij voort „de wissel lag verkeerd by het station van Panicale; daar vliegt de locomotief uit de rails. Hij is vry ja, helaas, met welk gevolg! De machine ligt daar machteloos en onbruikbaar, en tusschen de verbrijzelde wagens jammeren
55
de menschelijke slachtoffers. Ziedaar de rede, wanneer zij zich vrij maakt van het geloof!quot; —
Uit alle klassen der maatschappij, uit Oost en West, van Zuid en Noord, van de eilanden der zee en uit het hart der woestijnen, van de dicht bevolkte steden en uit de eenzame hut des daglooners op het land verneemt P. Agostino den langen, droeven kreet des lijders, en vraagt: is er geene genezing voor die kwalen, geen troost in deze smarten? Zij is er en moet er wezen, doch waar ? Bij onze deelgenooten in het leed? Wat kunnen zij om ons te helpen? Zij kunnen weenen met ons, doch wie droogt dan hunne tranen? Zullen wij gaan hij de wetenschap, bij de filosofie? Wijsbegeerte en wetenschap blijven koel bij de smart; zij spreken schoone woorden, fraaie volzinnen, maar het arme hart blijft leeg en krank. De ware troost is bij de katholieke Kerk, „zij alleen, zegt Chateaubriand, „heeft eere deugd weten te maken van de hoopquot;. Met stralenden blik en een lach om de lippen komt deze liefelijke dochter des hemels zich nederzetten naast den beproefde, gelijk die heldhaftige moeder, welke den laatste barer zonen nog bemoedigde tot het martelaarschap.
„Dwaasheid!quot; roept de tijdgeest. Rampzalige, geeft gij zelf de verwachting der zaligheid prijs, verlustigt gij u in het slijk der aarde; neem den armen lijder zijn eenigen troost niet af! Wegnemen, wat de smart verzacht, wat een traan kan drogen, al ware het eene begoocheling, die gij breekt, is barbaarsche wreedheid!quot;
P. Agostino verhaalt van een jongeling in den kerker, die voor eenige afleiding in zijne treurige eenzaamheid zich vermaakte met eene kleine spin. „Hij gaf haar eten, hij was blij als ze kwam, hij wachtte ze met ongeduld: zy werd hem eene vriendin.
„Op zekeren morgen komt de cipier, bemerkt het en vertrapt de spin met zijn voet. Arme Silvio! zelfs deze troost werd u ontnomen.
„\'t Was eene beuzeling, ja; toch is de daad van dien man
5G
boosaardig; daar is wel niemand, die dezen mensch geen wreedaard noemt. Doch, den lijder de hoop ontnemen op den hemel, is den mensch berooven van zijn laatsten steun, is hem terug stooten in de diepte der wanhoop, als den drenkeling, die zich vast klemt aan het riet langs den oever. Het is hem zeggen; „gij lijdt honger, dorst, naaktheid; doch wat gij hoont, bestaat niet; aan de overzij van het graf is niets.quot; Wreede barbaren!
Na eene warme teekening van den troost, welken de hoop van den godsdienst, en deze alleen in de wonden der lijdenden giet, besluit de redenaar: „Hoop, schoone dochter des hemels, troost van den weenende, vriendin van den beproefde, gij die den balling vergezelt, den zwakke steunt, den stervende krachten geeft en waakt boven het graf — o, verlaat ons niet; wees het licht onzer oogen , de leidsvrouw onzer schreden, het richtsnoer onzer daden, de klopping van ons hart! dan zullen wij met gelatenheid de beproevingen der aarde ondergaan en de krone winnen van dat vaderland, waar Gods vinger ons heenwijst, als de eindpaal, als de rust.quot;
De v bij heid noemt P. Agostino eene doorluchtige miskende; en zij, die altaren voor haar stichten, mochten daarop schrijven met de Atheners: aan den onbekenden god. Deze dochter des hemels ondergaat hetzelfde lot als onze Heer op aarde: zij was er vreemd, wordt er miskend, gelasterd en blijft ten allen tijde een onoplosbaar raadsel.
De eerste reden hiervan is de bedwelming, die haar naam in de gemoederen teweeg brengt; \'t is, of haar adem dronken maakt; het schemert hem voor de oogen, wie haar aanschouwt; niemand kan haar zien en onbewogen blijven.
De tweede reden is de onbekendheid met het goede, want alleen de beweging naar het goede is vriiheid; de beweging tot bet kwade is slavernij. Jezus Christus zegt: „wie de zonde doet, is slaaf der sonde.quot; Ik wenach u dezen ochtend iets van de vrijheid te leeren kennen, maar zóó, dat de kinderen des volks mij verstaan. Ik zal de vrijheden onderzoeken, die nu worden toegejuicht: de vrijheid van gedachte,
57
de vrijheid van geweten, de vrijheid van godsdienst, de vrijheid des woords, de vrijheid der daad. Gij ziet, ruim en uitgestrekt is het veld; doch ik zal mij bepalen tot hetgene noodig is om den eenen den blinddoek van de oogen te nemen, den andere op zijne hoede te doen zijn.quot;
De eerste preek van P. A gostino, die mij uit Eome op mijn verzoek werd toegezonden, draagt tot opschrift: DE TEMPEL en was de zes-ea-twintigste in deze reeks. Hij, wiens bereidvaardigheid mij eene bron van kunstgenot en onschatbaren rijkdom opende, was een man van leeftijd en dorre studie, doch in vroeger jaren mijn leeraar in de gewijde welsprekendheid, pater J. B. van Meurs S. J.
Aan zijn brief uit Fiesole, April 1887 1) ontleen ik de volgende regelen.
„Hoe dikwijls ik heb hooren spreken van den apostel „van Italië, den grooten redenaar, die met zijne tong wonde-„ren werkt en de vroegere tijden doet herleven, weet ik niet; „maar het is een feit, dat allen eenstemmig waren in de „hulde aan den man van talent, die de gemoederen beheerschte. „Het was dus voor mij een groot genoegen, dat ik in de „gelegenheid kwam den machtigen pater franciskaan Augus-„tinus da Montefeltro gedurende de vasten van dit jaar te „kunnen zien en te hooren; maar nog klom die voldoening, „toen ik vernam, dat de man, wiens naam op aller lippen „is, den geheelen vastentijd zijne woning niet verlaat, tenzij „voor de H. Mis en zijn apostolisch predikambt; dat hij „bewust van eigen onvolkomenheid voor alle twijfelachtige „punten raad inwint, waar hij dien het geschikst kan vin-„den, en den weg dien men hem aanwijst, in eenvoudigheid „volgt; dat hij onbaatzuchtig, zich zei ven vergetende, alleen „giften ontvangt en aalmoezen verzoekt voor een weeshuis „van verlatene meisjes in Toscane op te richten: Dinsdag „den 29a,eD Maart was ik te half tien uren in den Dom om
i) Maandrozen, Juni 1887, bl, 258 en 59.
58
„eene goede plaats te nemen voor de preek, die ten elf uren „beginnen zou, en voor mij waien er reeds honderden, die „dezelfde gedachte hadden gehad. Toch vermocht ik mij „zoo te plaatsen, dat ik goed hooren en zien kon en vrij en ..rustig mijn tijd afwachten ....
„Op het gestelde uur verscheen de lang verbeide op den kan-„sel en begon na een kort gebed zijn apostolisch woord voor te „dragen met eene overtuiging, eene helderheid, een vuur, dat „de harten overmeesteren moest. Duidelijke en goed betoonde „uitspraak aan overvloed en snelheid gepaard dwongen ons met „hem voor uit te gaan en op eenige punten van gewicht halt te „houden ten einde zijne practische gevolgtrekkingen te zien en „te beamen, en dan ging het wederom verder, altijd voort „tot aan de pauze, na welke hij meer bijzonder op het hart „begon te werken om met een woord van troost en liefde „voor de toekomst te sluiten. Yroeger had ik dezelfde iiStof — over de beteekenis onzer kerken •— door een be-„kwaam redenaar hooren behandelen, die alsdan mijn bijval ten „volle had verkregen, maar pater Augustinus heeft hem veire „overtroffen. Wat ik gevoelde, was zichtbaar op het gelaat
„van allen. Een geestelijke in mijne nabijheid zeide; zulk een
„man moest nooit sterven! die uitroep duidde op de zwakke „gezondheid van den prediker, die zich zei ven geheel opoffert „en ondanks zijne bloedspuwing ook in deze vastenreeks zes „maal per week een uur lang met geest en lichaam werkt.
Den inhoud, welken deze oordeelkundige bewonderaar laat volgen , geef ik hier niet weder , doch bepaal mij tot eene enkele plaats, ten bewijze , dat in onze kerken de waarheid wordt geleerd.
„Eens stond Jesus Christus te midden van de Synagoge op eu sprak: „ik heb medelijden met dit arme volk, dat eene kudde zonder herder gelijkt. De wijzen hebben voor zich de sleutels der wetenschap genomen , en hebben die gesloten voor de anderen. Ik ben gekomen om aan \'tvolk het evangelie te verkondigen en mijne zending te vervullen van de verheerlijking mijns Vaders.quot;
59
, Daarop koos hij twaalf leerlingen en zeide hun:
— Gaat over de wereld.
— En wat is het doel van dien tocht? Redetwisten? Raadgeven ?
— Neen , onderwijzen.
— Maar wie?
— Grooten en geringen, geleerden en onwetenden, volkeren en koningen, allen.
— Hoe moeten wij onderwijzen ?
— Luide en in \'t openbaar,
— Met welke middelen ?
— Zonder goud of zilver.
— Voor welke helooning?
— Gij zult gehaat worden en vervolgd om Mij.
— Op wiens gezag ?
— Op het Mijne: wie u hoort, hoort Mij; want niet gij zijt het, die spreekt, Ik ben het, die in u spreek, en in Mij spreekt Mijn vader.quot;
„Zoo ziet gij dan den Vader in den Zoon, en denZoon in de Kerk ; en zoo is de Kerk aangesteld als leeraarster der waarheid. Doch waar onderwijst zij die waarheid? Zij heeft drie leerstoelen: de pauselijke, waarop Christus\' plaatsbekleeder gezeten is; de bisschoppelijke met dezen vereenigd, en de priesterlijke afhankelijk van den laatste. Daar buiten vindt gij de leerstoelen der dwaling en filoso-fiën, welke u nog niet de schaduw der waarheid geven; het bewijs hiervoor is, dat zij alle dagen veranderen, en de waarheid verandert nooit. Gij treedt uwe kerk binnen, hoort het woord, dat afdaalt van den leerstoel, en aanstonds kunt gij zeggen : wat deze monnik in zijne onversierde taal zegt, is de waarheid; want het is niet zijne leer, \'tis de leer van Jezus Christus.quot;
„De mensch kan zijne rede in min of meer sierlijke vormen kleeden, de inhoud is niet van hem, de inhoud is van Jezus Christus. Derhalve verblijft in onzen tempel de waarheid.quot;
60
Ik kan begrijpen, dat er luide werd toegejuicht, toen de pater deze conferentie eindigde met het woord van Jezus Christus: „deze is de plaats, die ik heb uitgekozen, opdat mgn hart altoos in uw midden verblijve!quot;
Welke meesleepende kracht moet dit woord, deze dramati-zeering van het Evangelie, zou ik bijna zeggen, ontleenen aan de gloeiende voordracht ! „Deze manquot; zegt P. van Meurs „heeft klemtonen, stembuigingen, bewegingen van de band, wendingen, die u rechtstreeks in de ziel grijpen.quot;
Een bericht van de Elettrico meldt onder deze preek, dat er sinds den 25sten Maart eene weldadigheidsloterij is geopend in het paleis Gondi te Florence, ten behoeve van een meisjesweeshuis in Toscane door den uitstekenden predikant met warmte aanbevolen.quot; Deze tombola wierp voor den Pater eene zuivere winst van 15,000 lire af.
De Nazione van Florence berichtte daarna, dat een priester van Pescia, de Eerw. Don Luigi Reggiani den beroemden pater zijn buitengoed , schilderachtig op een heuvel nabij die stad gelegen, door boomgaarden en een fraaien tuin met frissche waterbronnen omringd, geschonken had om daar zijne edelmoedige stichting te vestigen. Met vreugde nam P. Agostino terstond San Domenico in bezit en opende er zijn toevluchtsoord. Men schat deze vorstelijke gift op eene waarde van vijftig duizend lire. Toch bleef het bij deze stoffelijke vruchten zijner welsprekendheid niet. „Men zegtquot; schrijft mijn berichtgever „dat hij vele hekeeringen werkt. Zeker is, dat menschen van allerlei slag zijne preeken door het dagblad Elettrico stenographisch opgenomen publiek lezen en ev over spreken. Het moge dan mode heeten, dezen keer is het eene goede mode 1).quot;
Hierbij sluit zich eene tijding aan uit de Unita Catiolica van 5 Juni 1887: „de warme en levendige welsprekendheid van P. Agostino da Montefeltro in de kathedraal van Florence bracht aldaar en brengt nog voortdurend kostbare
1) Maandrozen t. a. p. bl. 260.
61
geestelijke vruchten voort. „Bij de bekeevingea, welke kortelings hebben plaats gehadquot;, schrijft de Giorno „moeten wij eene nieuwe voegen, die zoo velen als het benijdbaar voorrecht genoten er bij tegenwoordig te zijn, in de ziel heeft geroerd.
„Woensdag was in de parochiekerk der heiligen Simon en Judas eene uitgelezene schaar bijeen om getuigen te zijn van de bekeering eener familie van duitsche afkomst, bestaande uit zes personen. . . Zij verlangden uit de duisternissen en dwalingen der luthersche leer tot het licht te komen en het katholieke geloof te omhelzen. Na aflegging der geloofsbelijdenis en de gewone plechtigheden ontvingen zij met onbeschrijfelijke stichting het heilig doopsel en naderden tot de heilige Sacramenten.quot;
Op Goeden Vrijdag kondigde P. Agostino voor Paasch-maandag eene preek aan, welke de werkende klas zou behandelen. „Gij ziet, voegde hij er bij, dit is eene stof, die allen belang moet inboezemen; doch.ik wensch, dat voornamelijk het volk komt, want ik wil niet, dat het arme volk zich laat misleiden.quot;
Het volk kwam. Van \'s morgens zeven uren liep de ruime kerk vol: tegen elf uren wachtten hem twintig duizend hoorders. „Mijne heeren, begon hij. „Er is in de maatschappij eene klasse van menschen, welke van de vreemdste en meest uiteenloopende zijden is beschouwd ; eene klas van menschen, die bij afwisseling het voorwerp is geweest van vereering en van minachting, van liefde en haat. Eene klasse , die achtereenvolgens voor de maatschappij een waarborg van voorspoed was of een gevaar ; een levensbeginsel, of eene kiem van ontbinding. Het is eene klasse van menschen , welker nooden, neigingen en strevingen nog in onze dagen de staathuishoudkundigen, de wijsgeeren, de staatslieden , de ware vrienden van maatschappij en vaderland ernstig bezighouden. Zy allen komen hierin overeen, het geldt de vraag van den dag, eene hoofdvraag, een maatschappelijk vraagstuk. Welke deze klas van menschen is.
62
weet gij , ik heb het u gezegd. Gij bemint ze gelijk ik, het is de werkende klas. Dank zij den hemel, de werkman vindt nog heden edelmoedige harten, die hem met warmte liefhebben; harten die edele pogingen wagen om hem te plaatsen, waar zijne waardigheid het verdient, doch hij heeft helaas ook vijanden; van dezen zoeken eenigen hem te onderdrukken, anderen willen hem verleiden, doch beiden om hem te slachtofferen aan hunne eigen belangen.
„De eerste zijn die industrieelen zonder godsdienst, indus-trieelen zonder hart, die in plaats van in den werkman een broeder te zien, hem beschouwen als een werktuig, dat opbrengen moet; in plaats van in den werkman een schepsel te zien voor Gods verheerlijking geschapen, hem behandelen als eene machine van vleesch en been, gemaakt om den mensch te verrijken; die zich bedienen van den armen werkman, zoolang hij hen dient, zich voeden met zijn zweet en zijn bloed en hem daarna wegwerpen.
„De anderen zijn degenen, die ziende, dat zij niet met geweld voordeel kunnen trekken uit het zweet des arbeiders, hem door vleitaal zoeken te verleiden, hem altoos spreken van vrijheid, gelijkheid en broederschap, zich houden, of zij hem koning gelooven ten einde zijne burgerlijst te mogen regelen en zich meester te maken van zijne luttele penningen; zij lokken hem tot plicht en offer, niet door goede raadgevingen, doch uit haat.
„Om deze beklagenswaardigen te waarschuwen, wil ik U toonen, wie hem waarlijk bemint; zoo kan hij zich wachten voor zijne vleiers zoowel als voor zijne benadeelaars, en de eenige waarheid omhelzen, die hem kan troosten en redden.
„Mijne Heeren, wie is de ware vriend van den werkman? Ongetwijfeld hij , die hem zijne wezenlijke waarde duidelijk erkennen doet en hem troost. Op elke sport van de maatschappelijke ladder heeft de mensch behoefte aan een besef zijner waarde; hierin alleen vindt hij zijn waren troost; wanneer dit verloren is, moet bij vergaan.
63
„Wie openbaart den werkman zijne waarde, wie geeft hem dien troost? Misschien de letterkundige, of de economist, of de wijsgeer, of den staatsman? Laat ons zien.
Hier is de letterkundige. Hoort Bernardin de St. Pierre; hij nadert den werkman en zegt: werkman , gij zijt ongelukkig omdat gij van den morgen tot den avond werken moet voor uw brood; luister naar mij, mijn zoon; er zijn op de aarde bergen en dalen ; van de bergen komen de wateren, welke vruchtbaarheid brengen aan den grond; op de bergen ontspringen de stroomen, die overal rijkdom aanvoeren en leven; welnu zoo moeten er in de maatschappij bergen zijn, dit zijn de rijken; zoo mesten er dalen zijn in de maatschappij; gij zijt de dalen, wees dus getroost! wees tevreden , hier is uwe plaats in de schepping.\'\'
„Welk sen troost ligt hierin voor den armen werkman! Ik zie hem de oogen wijd open zetten, doch de tranen in zijne oogen blijven.
„Hier is de economist, de staatsman.- Zie, Thiers nadert den werkman en zegt hem; „wij gaan vooruit, wij hebben den arbeid zien bevrijden van vele kluisters, verlichten door de wetenschap; het werk brengt meer op en neemt in krachten toe; wij hebben de interest van het kapitaal zien dalen van zes op vier; de levensmiddelen worden goed-kooper, het arbeidsloon stijgt, wij hebben bij den werkman een zucht tot bezuiniging zien geboren worden; is dit niet de weg tot verbetering ?
„Het zij zoo. Dit moge eenigen baten; doch waar is hielde openbaring van de waardigheid des arbeiders, die hem troost aanbrengt? Ik zie hem zich met fierheid afwenden , gelijk hij zich met fierheid keerde tot den man der letteren; hij wil niet, dat de wetenschap met zijne ellende spot.
„Hier komt de wijsgeer. Deze wijsgeer heeft gesproken over plicht en natuurlijken godsdienst; \'t is Jules Simon. Hij zoekt den werkman te troosten; met wel-willenden blik nadert hij den zoon des arbeiders en zegt: „uw lot is treurig, ik beklaag u; uw lot is hard
64
doch wat wilt gij er aan doen ? Niemand kan u troosten in uw leed. Toen gij kind waart, heeft men u hulp voor uwe kwalen leeren zoeken in het gebed, u te wenden tot God; maar dit is eene dwaling; God is te ver van u af, hij kan u niet hooren, en hij zou toch ook niets voor u ku inen doen, want de algemeene wetten, welke de wereld besturen , hebben het zoo geregeld, en men kan aan deze wetten niet raken, zonder wanorde te brengen in het heelal.
„Eu als de wijsgeer aldus heeft gesproken, zal de werkman verontwaardigd uitroepen: „Wie geeft mij dan troost?quot;
„Hoort den staatsman antwoorden: „dat zullen wij doen, die ons bezig houden met de werkende klas; wij hebben ontwerpen van wet in behandeling, en op een min of meer verwijderd tijdstip zullen deze in werking treden.quot;
„Maar dit zegt gij reeds zoo lang, en ik wacht altijd en blijf altoos dezelfde. Hoe kan ik u gelooven ? Gij voorzeker zijt niet dezelfde gebleven, met uwe zorg voor den werkenden stand zijt gij rijker geworden , en ik blijf altoos arm. Werpt den bitteren spot van uw overvloed niet op mgne ellende.
„\'t Antwoord wordt moeilijk; toch zou de staatsman nog kunnen zeggen: „gij zijt onbillijk; ik heb al iets voor u gedaan, gij hebt u niet over mij te beklagen; ik heb u het recht gegeven uw stembriefje in de bus te werpenquot;.
„Dit is al wat de staatsman zeggen kan: „gij hebt eene stem1\'. Doch wanneer de zoon des arbeiders dan luider roept: „wie geeft mij eenigen troost, wat verzachting voor mijn leed ? Indien er in den hemel of op aarde eene macht bestaat, dat zij kome !quot; dan naderen zij, die ik niet noemen wil, en spreken: „werkman, gij zoekt troost en waardigheid, gij hebt ze in u zeiven, in uwe kracht. Gij zijt de koning van het oogenblik; geef acht op uw gespierden arm; gij behoeft u maar te bewegen, en de aarde beeft; gij hebt u slechts aaneen te sluiten om de overweldigers, die uwe meesters zijn, neer te stooten; gij hebt u maar te werpen op den burgerstand om ze te verpletteren tot gruis.
65
„Doch de werkman, die gezond verstand heeft, zet Lij deze woorden groote oogen op en vraagt: „Hoe? zou dan al die vooruitgang ons alleen gebracht hebben tot den staat van het wilde dier? Ik weet wel, dat bij de dieren het recht van den sterkste geldt, doch bij de menschen ia het niet de overmacht, maar het recht, dat gebiedt. De schoonste kracht is niet deze, welke onderdrukt of verplet, doch die, welke zich binden laat door liefde. Ik heb gelezen — want ik lees somtijds ook — dat het schoonste beeld van den leeuw, de hoogste uitdrukking van den koning des wouds, niet is de leeuw in het wild, maar de leeuw, die zijn weldoener erkent. Beter dan door geweld, is het te regeeren door meegaande goedheid. Gaat weg van mij, ik wil deze woeste grootheid niet!quot;
Dan naderen hem anderen en zeggen: „gij zijt de eenige noodige man in uw land; alle anderen zijn woekerplanten en overweldigers. Zijt gij niet de maker van den ploeg, welke de aarde omwerkt? Bouwt gij het schip niet, dat de zeeën bevaart? Den spoortrein doet gij loopen van stad tot stad. Ziet, de maatschappij is eene groote werkplaats, talloos zijn er de raderen, gij geeft er de beweging aan. Gi] behoeft uwe kracht niet eens aan te wenden, blijf maar weg en de onmachtige menschen zullen spoedig begrijpen, dat zij u niet kunnen missen.quot;
„Deze leer lacht den werklieden toe; zij beginnen er de proef van te nemen, doch weldra brengt de honger hen tot nadenken, tot twijfel aan deze leer en zij vragen; hebben wij ons laten misleiden wellicht, zijn wij ons zeiven wel genoeg?
„Neen werkman, dat zijt gy niet. Gij moet leven naar het lichaam, daarom hebt gij een geneesheer noodig; voor het leven uwer ziel behoeft gij een priester; gij moet in vrede de vrucht van uw arbeid kunnen genieten, daarom kunt gij niet buiten een wereldlijken rechter. Ware\'t alleen voor deze drie bedieningen, gij hebt menschen noodig, die geen arbeiders zijn......
„Doch van waar komt mij troost en waardigheid? roept de arbeider weer.
66
„Arme werkman! Zonder godsdienst komt hij tot vervloeking van zijn stand! Arme werkman luister naar een waren vriend, den godsdienst5 deze kan u troosten, u opheffen tot uwe waardigheid.
„Werkman, zoo spreekt de godsdienst u toe, gij zyt groot, weet gy waarom? Omdat God, de bron van alle grootheid, aan geen stand der maatschappij het voorrecht op Hem te gelijken, gegeven heeft, zooals aan den werkenden stand.
„Beschouw God in de schepping en in de Verlossing, en zeg mij: is God niet werkend, als Hij de tente der hemelen spant, als Hij de fondamenten der aarde legt, den grond bezaait, klei neemt om het lichaam van den mensch te boetseeren ? Zie hier den oorsprong uwer waardigheid. Wanneer gij met uw werk bezig zijt, behoeft gij slechts de oogen tea hemel te slaan, daar ziet gij uwe voorafbeelding, en in dat gezicht zult gij moed vinden om uwe roeping, uw lot te zegenen: Gij zijt groot, want gij werkt gelijk God!
„Er is meerquot; zegt de godsdienst „gij zijt Gods medewerker, in deze groote werkplaats der aarde arbeidt gij met God. In waarheid toen God de aarde schiep, heeft Hij als het ware Zijn werk onvoltooid gelaten — niet dat er iets aan Zijn plan ontbrak, of dat Hij niet alles zou gewogen, geteld en gemeten hebben, doch toen Hij het heelal zijne wetten en eigenschappen gaf, heeft Hij het den schepselen willen overlaten Zijn werk tot voltooiing te brengen. God heeft in den grond de kiem des levens gelegd , doch het werk des menscheu doet de vrucht ontspruiten in bet zonnelicht. God heeft de metalen hier en ginder neergelegd , de hand van den werkman ontrukt ze aan het hart der aarde en smelt ze. God heeft in de lagen des aavdbols de steenkool geborgen, de werkman neemt ze, ontsteekt ze, bevordert er de nijverheid mede. De werkman is Gods medewerker, zoo moogt gy, werkman, met fierheid luisteren naar de stem, die er opgaat uit de stof, welke gij bearbeidt: gij zijt niet nutteloos, want gij werkt; eens rustte op mij
67
de almogende hand van God — gij zet Zijn werk voort; Hij schiep, gij hervormt, Hij begon, gij voltooit.quot;
Na eene roerende schets van Jezus van Nazareth , die een arme werkman heeft willen zijn , vervolgt P. Agostino ; ,,de groote der aarde kan niet zeggen: mijn God heeft eerst deze grootheid gedragen alvorens ze mij over te doen ; maar de werkman mag zeggen: mijn God heeft geleden, zoo als ik lijd, heeft gearbeid, zoo als ik arbeid, is werkman geweest gelijk ik.
„Het paleis van Jezus Christus den godmensch, was de werkplaats van een geringen handwerksman: de troon van Jezus Christus was de werkbank van een armen handwerksman ; de schepter van Jezus Christus was het werktuig van een handwerksman. Neen, werklieden, ik overdrijf niet, wanneer ik zeg, dat gij meer dan alle andere menschen recht op Jezus Christus hebt, dewijl Hij tijdens Zijne omwandeling op aarde priester en werkman, ik zeg meer, mijne Heeren, dewijl Hij werkman en priester heeft willen zijn: dertig jaren heeft Hij het handwerk geoefend en drie jaren bet priesterschap vervuld. . . .
„Zoo is het alleen de godsdienst, welke op het voorhoofd des werkmans een straal werpt van waardigheid en kracht, \'tis een straal van Jezus\' voorhoofd, die eene glorie wordt om het hoofd des werkmans , eene kroon, die in^de hemelsche heerlijkheid blijft schitteren.
„De godsdienst heeft voor den armen werkman toevluchten gesticht, waar de moeder hare kleine kinderen heenbrengt, om zelve te kunnen arbeiden. De godsdienst heeft voor het kind des werkmans de weeshuizen gesticht, waar de kleinen moeders vinden. De godsdienst heeft nog voor den werkman die monumenten gesticht, welke wij hospitalen noemen, waar de werkman verzachting voor zijne pijnen vindt. De godsdienst heeft nog meer gedaan: hij is afgedaald tot de geringste klasse, tot de plek , waar de arme daglooner toeft, en hij heeft er herderin en landbouwer genomen en ze op de altaren geplaatst.
68
Niet dan noode maak ik een eind. Toen P. Agostino den werkman met fierheid en troost had vervuld, voor de gevaren gewaarschuwd, geboden had op zijn vaandel te schrijven: „arbeid, eendracht en godsdienst !quot; en besloot: „onder dit vaandel zult gij misschien ni3t rijk , doch nooit meer ongelukkig wezen!quot; toen hield de eerbied voor de heilige plaats maar ten deele de uitbrekende toejuichingen in.
De redenaar werd uit den preekstoel weggedragen, en de duizenden gingen met weemoed uiteen , want de preek van s\'anderdaags was de laatste, en men zei, dat hij stervende was.
Ten slotte laat ik hier eene beoordeeling volgen, welke de Tablet van 24 Sept. 1887 uit de liberale Rassegna Nazi-onale overnam.
„Een predikant, die de aandacht en de belangstelling he-heerscht niet enkel van eene talrijke schare van vromen , doch ook van een meer beperkt gehoor, dat uit mannen bestaat, welke de kunst der welsprekendheid bewonderen, mag voor zeer bekwaam worden gehouden; en zelden zal het gebeuren, dat hij op hooger waardeering te rekenen heeft. Wat echter te zeggen van een spreker, die niet in eene enkele bij uitstek godsdienstige stad, doch in vele steden van onderscheidene provinciën , in de kathedralen der grootesteden zoo goed als in kleine dorpskerken , wezenlijk overal waar zijne stem gehoord wordt, rondom zijn kansel duizenden van hoorders trekt, de vromen en vurigen te zamen met onkatholieken, Joden, ongeloovigen en godloochenaars; de geleerden met de onwetenden, menschen van alle standen, rijk en arm, mannen en vrouwen, oud en jong? Wanneer zulk een welslagen overal denzelfden redenaar voigt, en dit in een tijd en in een land, waar onverschilligheid, stof-vergoding, vooroordeel en menschelijk opzicht samenwerken om de kerken ledig te doen blijven, dan meet men erkennen , dat deze man begaafd is met waarlijk zeldzame talenten.
„De geschiedenis leert ons, dat er somwijlen in de harten
69
en gemoederen der menigte eene onrust valt waar te nemen, welke eene behoefte openbaart, onbestemd aanvankelijk en waar zij, die ze gevoelen zich geeae rekenschap van kunnen geven, doch welke aan eene gebiedende noodzakelijkheid beantwoordt. Het is de behoefte aan vrede na jarenlange gejaagdheid en kwelling, eene behoefte aan nationale waardigheid na langdurige vernedering ; eene behoefte om de ontzenuwde krachten van heel een volk door nieuw bloed te verkwikken. De nederige kloosterling nu, van wien wij spreken, heeft gezien, waarin de groote onrust onzer maatschappij bestaat, er rijk begaafd met de edelste eigenschappen van geleerde, redenaar en kunstenaar, rijk bovenal aan jeugdig geloof en jeugdige geestdrift , vindt hij den weg tot hart en gemoed om met grootere klaarheid deze onrust der maatschappij te beschrijven , hare oorzaken op te sporen en aan te wijzen, en de geneesmiddelen voor te schrijven.
„Deze onrustquot; zegt hij heeft hare oorzaak in de afwezigheid van het geestelijke in ons dagelijksch leven, gelijk in het menschelijk lichaam, somwijlen de spierkracht wordt gemist. Al zijn de ledematen, die van een kolos, al stroomt het bloed mild door de aderen, het lichaam blijft werkeloos en het geheele organisme lijdt van het gemis \'aan dit levenselement , dat spierkracht wordt genoemd. Onze maatschappij heeft geen gebrek aan stoffelijke werkkracht, de staathuishoudkunde ontwikkelt zich met den dag, de bevolking blgft toenemen: doch er wordt een gemis gevoeld; men gevoelt, dat de maatschappelijke bedrijvigheid, die zich op de ijsvelden der wetenschap en de nog onvruchtbaardere der staathuishoudkunde beweegt, haar evenwicht mist, dewijl zij de geestelijke en zedelijke krachten in ons niet ontwikkelt.quot; De hoofdbron van dit geestelijk leven is echter nog niet geheel uitgedroogd, en gelijk een nieuwe Mozes is P. Agostino er in geslaagd op de rots te slaan, waaruit het heldere water springt tot lessching vau den dorst naar liet hoogere, het geestelijke, het geloof, en juist op het oogeu\'
70
blik dat deze dorst het brandendst is, In den godsdienst vinden wij het evenwicht voor de eischen, nooden, vatbaarheden en behoeften des zuiver stoffelijken levens. Een der hoofddoeleinden , welke de beroemde redenaar beoogt, is te bestrijden het vooroordeel, door eenige weinigen in omloop gebracht en door velen aangenomen, dat de godsdienst en de gehoorzaamheid aan diens geboden niet samen kunnen gaan met maatschappelijken vooruitgang.
„De scheiding tusschen het godsdienstig gevoel en de vaderlandsliefde hield het jong geslacht in de benauwende spanning eener nachtmerrie en scheen even onverdragelyk voor het oudere. Eene der voornaamste oorzaken van P, Agostino\'s welslagen is, dat het hem heeft mogen gelukken op de duidelijkste wijze aan te toonen, dat de katholieke Kerk geen hinderpaal stelt aan de wetenschap ; dat aij den overweldiger niet handhaaft tegenover de verdrukten; dat zij juist de vrijheid begunstigt, wanneer zij waakt, dat de vrijheid niet in bandeloosheid ontaart; dat onze godsdienst, wel verre van vaderlandsliefde te bestrijden, deze verdedigt als een plicht ; dat elke vooruitgang in het belang der menschheid rekenen kan op de genegenheid der Kerk; in één woord , dat Catholicisme volstrekt niet van eene be-teekenis met achteruitgang is in het waarlijk edele, goede, nuttige en roemrijke, doch veeleer beteekent : hulp en aanmoediging voor de bevordering van groote dingen.
„P. Agostino, een man van groot en veel omvattend verstand, verrijkt met de vrucht van ernstige studie, rijke levenservaring en een gevoel voor poëzie en kunst, hetwelk hem stijgen doet tot de hoogste hoogten der gedachte, herstelt God, den godsdienst en den mensch, elk in zijne eigene grootheid. De mensch voelt zich zeiven niet langer onmachtig in de worsteling om iets goeds te doen: hij vertrouwt op God; beeft niet voor de Kerk, die hij leert beschouwen als de teedere moeder, die zij in waarheid is, en oiet als eene heerzuchtige stiefmoeder. Toch mag niemand gelooven, dat het talent van dichter en kunstenaar, hetwelk zich in
h
de woorden des redenaars uitspreekt, zijne bewijzen onbestemd of onduidelijk maakt. Hij gunt de poëzie te schitteren in den vorm; zich te openbaren in heilige geestdrift, in dank- en zegeliederen voor God en deugd, in de verheerlijking des offers, en der vaderlandsliefde; kunst en kennis beiden leveren hem zijne meest treffende beelden, de man van smaak en wetenschap komt telkens den godgeleerde te hulp.
„Doch de gedachtengang is altoos vast en streng. De redeneering vervolgt haren weg met eene onverbiddelijke dialektiek.
„Het volk heeft den naam van pater Agostino da Monte-feltro omgeven met den aantrekkelijken glans van heldenfeiten en verdichting, en hoeveel hiervan waarheid bevat, blijft moeilijk te bepalen. Zeker is, dat hij in zijne jeugd het franciscaner habijt niet droeg. Hij heeft de wereld gekend, is door de stormen des levens meegevoerd en heeft schipbreuk geleden. Doch hij is geworpen op de kust, waar de zon der waarheid straalt; tot deze zelfde kust tracht hij door zijne edele geestdrift, uitgebreide kennis, machtig woord eu groote liefde den naaste te geleiden, en God zal ongetwijfeld deze heerlijke onderneming met welslagen kronen.quot;
Dit jaar preekt P. Agostino de Vasten in Turijn.
De Corriere Nazionale van 19 Febr. 11. schreef: „Hij vond or eene bevolking mistrouwig van aard en schaarsch tot geestdrift gestemd; eene bevolking door langdurige gewoonte gemeenzaam geworden met alle liberale dwalingen, welke zoo heilloos werken op het geweten; en bij dit volk, dat trouw, hetzii ongeloovige hetzij onverschillige dagbladen leest, heeft hij in letterlijken zin een triomf behaald, zoo volkomen als de geschiedenis der gewijde welsprekendheid niet heeft aan te wijzen.
„Bologna, Pisa, Florence, Genua hadden hemgelauweid en toegejuicht. Deze steden van beschaving hadden in P. Agostino een buitengewoon man erkend met zeldzame gaven; toch maakte het karakter dier bevolkingen en niet zoolang
72
vergeten religieuze tradities zijn welslagen aldaar minder moeilijk. Waren er niet eiken dag 40.000 exemplaren alleen in Florence van zijne preek verkocht.quot;
„Turijn scheen echter eene bezwaarlijker onderneming; en de kwade partij, welke zonder schaamte of billijkheid lagen spant voor de gewetens, zoowel als voor de gloriën der katholieke Kerk, had gepoogd P. Agostino\'s naam in mistrouwen, spot of onverschilligheid te dooven. Doch P. Agos- t tino heeft deze in bond getreden nieuwsgierigen en kwaadwilligen overwonnen; niet door het geweld eener welsprekendheid, welke haar steunsels vindt in de menschelijke kunst,
doch met het wonderbaar klemmend woord des geloofs en eene akte van zelfvernederingquot;.
„De maatschappij is krank — hierop komt de aanhef neer — „zelfmisleiding is niet langer mogelijk; de volken zoowel als de enkele menschen zijn van het rechte spoor; de onwaarheid heerscht alom, in de hoofden, in de harten,
in de zeden, in de karakters. Wij leven rondom in den leugen en moeten er in sterven , indien niet Gods Voorzienigheid ons door buitengewone middelen er aan ontrukt. Wij zullen dezen avond zien, welke de oorzaken zijn. van dezen toestand der maatschappij, en welke de geneesmiddelen; niet om u te ontmoedigen, doch om met helderen blik het groote vraagstuk onder de oogen te zien.
„Turineezen, ik ben een vreemdeling in uw midden. Ik weet niets van u, dan hetgeen mij is gezegd. Ik heb vernomen van uwe vurige godsvrucht, van uw edelmoedig hart, van uwe beschaafde en vriendelijke manieren, daarom reken ik hier op eene toegevende ontvangst. Ik weet niet, of het waar is,
wat gij van mij hebt gelezen, want ik weet nooit en wil niet weten, wat er over mij geschreven wordt. Er is iemand bij mij geweest om een en ander van mijn leven te vernemen, doch ik heb hem weggezonden, want niets is mij dierbaarder dan mijne vri}heide Eens heb ik het ongeluk gehad van de waarheid af te dwalen. De gebeden mijner moeder en de voorspraak der Allerheiligste Maagd Maria
73
hebben mij den weg lerug doen vinden. Het verlangen, de behoefte om te bevestigen in de waarheid, wie ze bezitten , om ze te helpen vinden voor wie ze verloor, wees mii sinds mijne levenstaak. Bij gemis aan deugd, die ik niet heb, zult gij altoos een oprecht, een bemoedigend woord op mijne lippen vinden. Leven in de waarheid om in de waarheid te sterven, is het voorrecht van den Christen.
„Ik ben niet tot u gekomen in den naam eener partij , doch ik kom in den heiligen naam van God. Ik breng u geen woord van strijd , doch van apostolische vrijmoedigheid , van waarheid en van liefde — wij leven in eene eeuw, waarin de volledige bevestigirg der waarheid de ge-heele dwaling te gemoet treedt. Deze waarheid zal ik u niet in stootenden vorm verkondigen, doch evenmin gevangen houden in mijn hart — maar gedachtig blijven, dat Christus\' banier deze tweewoorden draagt: waarheid—liefde,
„Gezegende Zaligmaker, mijn goddelijke meester, beziel Gij mijn woord met Uwe waarheid en -Uwe liefde; leg op mijne lippen de heilige kracht der genade , die ons in het doopsel is geschonken, zoodat hare kiemen in ons tot ontwikkeling komen en ons heilig maken.quot;
Na de inleiding was de menigte veroverd. Zij keerde \'s anderendaags terug; twee uren voor P. Agostino kwam , waren alle plaatsen bezet; toen hij begon, zaten ze op de biechtstoelen zoo goed als op de leuningen der banken. Ondanks den sneeuwstorm van 19 Febr. 11. was te 9 ure \'s morgens geen binnendringen in de kathedraal meer doenlijk.
Wanneer God in het arm Italië zulk een apostel wekt — hij is pas veertig jaren oud — wiens machtig woord de menigten tot luisteren dwingt, schijnt dan niet de verwachting gewettigd , dat het uur der genade nabij is ?
Den Haag.
W, van Nieuwenuof?.