-ocr page 1-

VmG6nl Gleerdin

Idealisten

DOOR

J!. Herbert

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

IDEALISTEN

(IDEALISTEN) Vak 151

VINCENT CLEERDIN

L. 1. VEEN - UITGEVER - AMSTERDAM

-ocr page 6-
-ocr page 7-

EERSTE HOOFDSTUK.

Het was in de tachtiger jaren der vorige eeuw. Over het eeuwenoude Hessische stadje Steenbrugge hing de nacht, een echte nazomer-nacht, die de middeleeuwsche krijgshaftigheid der muren en borstweringen tot een schijnleven opwekte. Want de omtrekken der geweldige, met gras en braambessen begroeide muurgordels en der halfvervallen, door uilen bewoonde vestingtorens schenen in het donker nog ongebroken.

Omgeven door weelderige tuinen, rijke velden en groene weiden, die omhoog slingerden tot halfweg de heuvelflanken, rustte het stadje in den stillen vrede van een mooi dal.

Van den hoogen bergrug daarboven tot aan het dal lag een uitgestrekt woud. Lichte, langgelokte berken stonden hier als grenswachters en speelden het vroolijke voorspel voor de groote, duistere symphonie van het gebergte-woud, dat over hoogten en laagten heen lag met beuken en eiken, gelijk een krachtige beveiliging tegen woesten storm en verzengende hitte.

Boven het donker geboomte van den heuveltop ontbrandde even een fel-rood vuur. Het trok als een veelbeduidend, overal zichtbaar teeken de oogen van allen, die waakten of wandelden, gebiedend tot zich. Het scheen de aanstaande komst van een grooter licht te voorspellen.

Dan verhief zich, langzaam en aarzelend, boven de zwarte kruinen en kronen de reusachtige schijf der maan. Zij steeg op in den bleek-blauwen hemelkoepel, zij zwom omhoog als een groote vurige zwaan. Haar glans omzoomde de lichte schapenvachtjes der wolken met teedere tinten.

Stil, diep, wonderbaar was haar gloed, als zij daar zoo zweefde over onze aarde : een verre, onbekende, ondoorvorschte wereld, geheimzinnig en zwijgend gelijk een omsluierde godheid.

De ongestoorde stilte van het dal scheen haar te aanbidden, terwijl de nacht, zachtstemmig, een eerelied zong.

In de golven van het water speelde haar gouden glans en het was alsof de rivier sprookjes begon te vertellen van verzonken kronen, van glinsterende parelsnoeren der waternimfen en vergane geslachten. Over struiken en boomen lag een zilveren sluier, — zij trilden als geroerd door de genade dezer onverdiende heerlijkheid.

Het was een dier wonderbaar-schoone uren, waarlangs de sluimerende menschheid heendroomt, maar die een genot zijn voor eenige laat- en eenzaam-wakenden.

❖ ^ *

-ocr page 8-

Hoog op den heuvelrug, tegenover de opkomende maan. stond een forsch-gebouwdc oude man, een arbeider in bruine, afgedragen klccderen. Wendel Joost, de wever, dien men beneden in het stadje den gekken Joost noemde.

Na den feestavond was hij nog diep in de wouden geweest, waar hij dorre loovers en takken geraapt had. Vermoeid geworden had hij zich te rusten gelegd bij den zoom van een bosch en was daar ingeslapen. Zoo diep en vast sliep hij, dat de nacht hem onopgemerkt verrast had. Nu leunde hij tegen een beukestam, terwijl hij vol bewondering keek naar de heerlijke wereld, die daar beneden hem glansde in het zachte maanlicht. Vol bewondering : want zijn blik was scherp en gevoelig zijn hart.

Hij was een van die eenvoudige, ernstige, diepgeloovige, ja, mystisch aangelegde mannen dezer landstreek, die leven met de geschiedenissen van het oude testament en de openbaringen van het nieuwe. Zijne „dwaasheidquot; bestond daarin, dat hij voortdurend het werkelijke, feitelijke, alledaagsche leven van zich zelf en zijne medeburgers beoordeelde volgens de tien geboden en de Christelijke leer: dat hij de groote kloven, de duizelingwekkende afgronden erkende, welke lagen tusschen leer en leven.

Daarmede kon hij geen genoegen nemen en soms beklom hij een trap of tuinmuur, om voor zijne buren boete te prediken.

— Doet boete en bekeert u, want het rijk der hemelen is nabij — zoo dreunde zijne oude zware stem hun plechtig in de doove ooren. Ja, zijn heele dwaasheid bestond daarin, dat hij meer logica kende, dan de anderen. Heeft de wereld niet steeds de scherpste beoefenaars der logica voor dwazen gehouden en voor gek verklaard ?

Eenzaam stond daar nu de oude Joost in de nachtelijke stilte en zijne ziel was verrukt over de stralende schijnsels op het zachte groen. Hij begon een kerkelijk volkslied te zingen met langzame, eenvoudige melodie, en zoo prees hij de almacht en de liefde van den Schepper.

★ jjï *

De lofprijzing van deze eenzame stem scheen het geheele dal te vervullen, ja, die stem werd als het ware de uiting der ziel van deze droomerige, licht-omglansde natuur.

De oude Joost beheerschte op dit oogenblik de nachtelijke stilte rondom hem.

Kalm en bedaard nam hij nu den zwaren, aan een stang gestoken bundel takken wederom op en terwijl hij over den ruwen.

6

-ocr page 9-

door zware vrachtkarren doorploegden landweg heenging naar het stadje, prevelde hij binnensmonds den lofzang van den psalmist:

Welaen mijn ziel, hef aen met schoone wijzen. Den zegenaer, van al wat leeft te prijzen.

Ten hemel toe.

Wat in mij leeft, koom\' nu al telkens boven Beginne Godts gewijden naem te loven,

Noit lovens moe.

Zóó wandelde hij daarheen, den geest van koning David als \'t ware oproepend in dezen nacht. De oude Joost leefde in de woorden der Heilige Schriftuur. Nooit had hij andere boeken gelezen. Hij dacht met haar gedachten en sprak met haar woorden. Haar groote en geweldige verbeeldingen vervulden zijne ziel. Een zeldzaam mensch was hij, diep, inoig-diep als een kind en waar-heid-lievend zonder weerga. Een man van arbeid, die tegelijkertijd een man des gebeds was. Alléén gevoelde hij zich het gelukkigst.

Wie van al die menschen daar beneden in het stadje kon zoo iemand begrijpen? Hoe velen maakten de juiste gevolgtrekkingen uit zijne vroomheid ? Men bespotte Joost, men lachte hem uit, wanneer hij door de straten ging. Maar in de eenzaamheid beleefde hij blijde uren. Dan bad hij stillekens voor zich uit....

* *

*

Over den spoordijk dieper in het dal dreunde daverend een bliksemtrein, langs de nachtelijk-stille velden Joost voorbij. De maan scheen binnen te gluren in de groote spiegelruiten. Zij zag op de fluweelen kussen» der salonrijtuigen bleeke, afgeleefde, vermoeide, verwoeste gezichten, — en de maan, die boven Londen en Parijs, boven Berlijn en Weenen staat, kende alle dolle nacht-genoegens, alle nachtellenden der groote wereld, welke haar sporen achterlieten in de trekken dezer menschen. Weemoedig-liefkozend keerden de mane-stralen terng naar het verweerde, maar groot en zuiver gesneden gelaat van den ouden man, bij wien in vervulling ging het diepzinnig woord : „Zalig zijn de armen van geest.quot;

Daar zijn op aarde niet veel menschen, wien uren van geluk worden gegeven, gelijk deze arbeider genieten mag. Slechts hun, die geloovig, arbeidzaam, deemoedig en tevreden leven, vallen zij ten deel.

„O! kon ik allen geven, wat gij mij schenkt, mijn God!quot; dacht de oude Joost. „Mocht uw vrede komen tot al degenen, die hun

7

-ocr page 10-

leven vergallen met dingen, welke het niet waard zijn! Wisten allen, hoe zalig uw rust, uw kalmte is!quot;

Dan bad hij, huiswaarts schrijdend, zijn kinderlijk nachtgebed :

Geef mijn verwanten allen

Rust, o Heer,

Zie, God, op alle menschen

Genadig neer.

Bescherm tot in den dood Klein en groot.

Maar van al zijn verwanten was er slechts een overgebleven, de kleine Barbara, het kleindochtertje van dezen grijsaard. Ginds lag zij in haar bedje verlangend te wachten op de terugkomst van grootvader.

* *

*

In denzelfden helderen nacht, toen de trein een halve minuut stilstond in Steenbrugge, sprong een vreemde, hoog-gebouwde, slanke man op het perron.

Verwonderd keek hij rond zich. Hoe lang was het toch wel geleden, dat hij dit kleine, afgelegen nest bezocht had! Een eenzame, slechtbrandende petroleumlamp boven den ingang der wachtkamer. Geen enkele pakjesdrager. Alleen een half-slapende knorrepot van een beambte, wien men het kon aanzien, dat hij woedend was over den nachtdienst en zich hield voor een rampzalig slachtoffer van onzen buitengewonen vooruitgang.

De vreemdeling, de eenige, die met den nacht-sneltrein voor hier was meegekomen, ging op den beambte toe :

— Is hier geen gids voor het beste hotel ?

Alsof hij beleedigd was, antwoordde de man:

— U hebt geen gids noodig ; \'t is maneschijn. Van het station gaat u voortdurend rechtdoor, dan komt u op het marktplein, Midden op de markt staat het hotel „Vorst Bismarck.quot; Goeden avond, mijnheer 1

Gelijk van meer kleinstedelingen, zoo was het ook eene eigenaardigheid der Steenbruggenaren, om het iemand als \'t ware kwalijk te nemen, wanneer hij hunne stad niet door en door kende.

Langzaam wandelde de vreemdeling verder, zijne kleine, lederen reistasch in de hand dragend. Hij glimlachte. Nog nooit had hij zelf zijn valies gedragen en zelfs dit lichte gewicht viel den verwenden man zwaar. Maar spoedig vergat hij dit. toen hij onder de romantische betoovering kwam van den maneschijn. Liederen

8

-ocr page 11-

van Eichendorff en Uhland speelden in zijn herinnering; schilderingen van Steinle en Schwind, verzen van Klemens Brertano en Chamisso.

O Stern\' und Blume, Geist und Kleid,

O Lieb\', Leid, Zeit und Ewigkeit!

trilde het in zijn binnenste en dan klonk uit de verte een volkslied door een meisjesstem zacht gezongen:

Dicht bij de stadspoort-bronne,

Daar staat een lindeboom.

Ik droomde in zijne schaduw Zoo meengen zoeten droom.

Ik kerfde in zijn schorse Zoo menig lief, zoet woord.

De vreugd\' zoowel als \'t lijden Drijft steeds tot hem mij voort.

De melodie vervulde dr. Elöny met hare echt-Duitsche heimvvee-stemming; zij raakte zijne ziel als een groet uit het sprookjesland zijner jeugd. Hij bedacht, dat hij hier in het geboorteland, bij de wieg van de Duitscbe sproke stond. De lieve, roerende en aandoenlijke volkssprookjes der gebroeders Grimm waren in deze streek ontstaan.

Ja, baron dr. Elöny, die zooveel in het buitenland had gereisd, ondervond des te inniger de betoovering van dit echt-Duitsche stadstafereel.

Deze breedgekroonde, sierk-geurende linden op den weg, die langs het riviertje leidde, maar veel hooger gelegen was; deze kleine, zilverlichtende stroom, waarvan de wateren te midden der weiden zoo levendig kabbelden; de zware, lange middeleeuwsche brug, die er met haar stoute bogen en massieve zandsteenblokken al te geweldig uitzag, wanneer men het tamme smalle stroompje bekeek, dat spelend zijn golfjes langs hare pijlers schoof. Baron Elöny dacht er niet aan, dat deze vreedzame rivier wild, woest, onstuimig, verwoestend zijn kon in den tijd, als de dooistormen opstaken en het grondijs met donderend geweld zich neerstortte in dit water. Het stadje zelf met zijn oude vestingmuren, zijn houten gevels en diep-vooroverneigende huizen, met zijn klaterende fonteinen en de strenge, grauwe, vroeggothieke kerk, wier omtrekken zoo scherp uitkwamen in het heldere maanlicht, herinnerde hem aan de coulissen van middeleeuwsche tooneelstukken. En wezenlijk, daar kwam de nachtwacht om den hoek kijken, hij

9

-ocr page 12-

zette een hoorn aan zijn lippen en waarschuwde, dat ieder, nu de klok elf uur geslagen had, vuur en licht in veiligheid moest brengen:

Opdat de stad geen schade lij:

En looft nu God den Heer.

Juist als in de „Meesterzangers van Neurenberg,quot; dacht Elöny.

Nu stond hij voor het hotel „Vorst Bismarck.quot; Een oud huis met kleine vensters. Toen Hessen nog een zelfstandige staat was, heette het „In den keurvorst.quot; Het oude opschrift gluurde nog verraderlijk door de verflaag heen. die het onschadelijk maken moest. Er brandde nog licht in het huis, het eenige in Steen-brugge. dat nog wakker scheen te wezen en zich op zomeravonden de weelde van verlichting veroorloofde.

Elöny bleef staan voor de lage vensters der gastenkamer en keek naar binnen.

Daar zaten eenige heeren aan een ronde stamtafel wijn te drinken. Het felle licht der lampen bescheen hunne geheele gestalte. Zij waren zeker wel de hoogste ambtenaren der stad, w£vnt zij zagen er netjes uit, droegen witte vesten en gouden brillen. In hun gelaatstrekken lay iets heerschzuchtigs, een zekere tevreden zelfgenoegzaamheid. Hier en daar stond een stelletje ledige flesschen. Een der heeren zat achteraf en blies kunstige kringetjes, van sigarenrook. Dit schouwspel scheen alle anderen buitengewoon te interesseeren. Het gesprek wilde niet vlotten : deze men-schen hadden elkander reeds sinds langen tijd alles verteld, wat zij maar te vertellen hadden. Aan een zijtafeltje zat nog een heer, die tot de tafel der élite in geen betrekking scheen te staan. Niemand wijdde hem een dronk, niemand schonk hem zijn aandacht. Door den blauwachtigen sigarenwalm zag dr. Elöny, dat de man hooggebouwd en zeer mager was, een goede veertiger, reeds ietwat grijs aan de slapen. Hij had een sprekende kop. Zijn aangezicht miste het zelftevredene, zelfvoldane en lui-vreedzame van den kleinstedeling. Wel was het rustig en bedwongen, maar scherpe lijnen liepen erover, starre trots lag op zijn voorhoofd, scherpe bedachtzaamheid in zijn oogen met hun scherp uitzicht. De mond was heel eigenaardig, — de met geweld saamgeknepen mond van een dweper, met rondom te vroege, grove rimpels. Iets van dezen mensch leek den vreemden toeschouwer bekend, ja, het deed hem familiaar aan: de fijne snit van den neus, het edele ovaal van \'t gelaat. Hij verschrok inwendig, — dat was de karakteristieke, fijngevleugelde, nerveuse neus der Elönys.....

10

-ocr page 13-

Deze man was het, ter wille van wien baron Elöny naar Steenbrugge gekomen was, zijn eigen, bloedeigen, hem nooit bekend geworden broeder. Ontroerd wendde hij zich om.

Diep in zijn bloed waarschuwde het raadselachtige gevoel der verwantschap.

Toen baron Elöny door den waard zelf in de beste logeerkamer van het hotel was verwelkomd, sprak hij dezen aan:

— Waarom zat die eene heer beneden zoo alleen ? Is hij hier een vreemde ?

— Dat nu juist niet, heer baron, maar — hij heeft zoo zijne eigen politieke overtuiging, hij wil niets weten van de annexatie door Pruisen in 1866. Hij geeft een krant uit, het orgaan der zoogenaamde rechtsche partij. Hier te lande is hij, om \'t zoo te noemen, de vertegenwoordiger van den stam der geboren lands-regeerders en niemand wil iets van hem weten. Ambtenaren kom-promitteeren zich niet graag en zakenmenschen heelemaal niet.

— Hoe heet die man?

— Dr. Hans van Trottenburg. Zijn grootvader was in dienst van den keurvorst. De heele familie had hier vroeger eigendommen. Hij is de eenige, die het oude familiehuis, den Trottenburg bewoont. Maar dat is het laatste overblijfsel der bezittingen. De Trottenburgers zijn geheel en al verarmd.

— Dank u wel.

De hotelhouder wenschte goeden nacht en ging heen. Nog lang zat baron Elöny zwijgend in een hoekje der versleten canapee. Hij had eraaar verlangd dezen broeder uit het eerste huwelijk van zijn mama te leeren kennen, dezen broeder, geboren uit een onberaden huwelijk van twee ongelijke karakters, van den starren, hessischen lutheraan met de katholieke vroolijke dame der Weener aristocratie. Zij was slecht uitgevallen, de vereeniging dezer twee menschen. Meestal hadden de echtgenooten gescheiden geleefd en de man had den zoon geheel van zijn moeder vervreemd.

Hij begreep noch haar zuidelijk, vurig temperament, noch haar hartstochtelijke vasthoudendheid aan de Kerk, waarin zij was geboren en opgevoed.

Evenmin kon de voorname Weensche aristocrate zich verzoenen met zijn Spartaanschen eenvoud en zijn draconische meeningen.

Zij hield van schoonheid, weelde, gemak, — hij stond erop met zijn uiterst-geringe inkomsten de kosten der huishouding te bestrijden, wijl hij aan niemand, zelfs niet aan zijne echtgenoote, iets wilde te danken hebben. Zoo trok zij zich ten slotte wederom

11

-ocr page 14-

terug in haar vorstelijk-ingericht paleis te Weenen en hij bleef hardnekkig op zijn klein Hessisch buitengoed, tot hij geheel verarmd stierf en voor zijn zoon niet veel meer naliet, dan zijn eigen starren afkeer van de schoone, levensblije moeder, die nooit de kunst verstaan had, om als eenvoudige, brave Hessische huismoeder in keuken en kelder te regeeren.

Na den dood van den ouden Trottenburg, had de weduwe haren neef Elöny getrouwd en het leven geschonken aan een zoon en een dochter. De zoon was hij — Dr. Elöny — reeds op jeugdigen leeftijd een geleerd zielkundige, een diepdenkende, hoogstaande persoonlijkheid, vol vurigen levensmoed, maar ook in staat, om de teleurstellingen en ontnuchteringen des levens te voelen tot in zijn vingertoppen. Het had hem nooit verbaasd, dat hij een broeder had, die verweg en zwijgend een eenzaam leven leidde. Dikwijls had hij zich schriftelijk tot hem gewend zonder bevredigend gevolg, — nu, nu een studiereis hem voorbij Steen-brugge bracht, wilde hij probeeren wat een persoonlijke kennismaking vermocht. Maar de aanblik van zijn broer, dien hij zoo ongezocht reeds had gezien, zou hem bijna den moed benomen hebben. Hoe veel zakken zout moest men wel met dezen maa eten, eer men hem een weinig naderen kon.....

Dr. Elöny was een goed gelaatskenner. Hij had het ruwe, af-stootende en beslotene in het aangezicht van zijn broeder gezien en aanstonds begreep hij, waarom het eerste huwelijk zijner moeder niet gejukkig geweest was. Zulke starre, afstootende menschen zijn in de samenleving een bijna onverdraaglijke ramp voor de openhartigen, teederen, levensblijden.

Dr. Elöny hield hartstochtelijk veel van zijn moeder, hij vereerde haar met ridderlijke teederheid. Een bron van medelijden ontsprong in zijne ziel, toen hij dacht aan het lijden harer jeugd Verward en pijnlijk waren dezen nacht zijne droomen....

TWEEDE HOOFDSTUK.

De Trottenburg was een oud gebouw met verschillende verdiepingen en vele vensters. Het lag in de zoogenaamde oude stad van Steenbrugge, dicht bij de rivier. Noch het steile leien dak, dat er verweerd uitzag, noch het huis zelf deden denken aan een feudale sterkte. De eenige bijzonderheid was een wapen, dat in de dwarsbalken der huisdeur gesneden was en een vleugelklapperende zwaan voorstelde met het jaartal 1316.

12

-ocr page 15-

Toen Dr. Elöny den volgenden morgen tegenover zijn halfbroeder stond, om mondeling het dikwijls schriftelijk gedane verzoek tot verzoening te herhalen, dacht hij dat die trotsche triomfantelijke zwaan uit het wapen maar weinig beteekenis had voor het duistere geslacht der Trottenburgers.

Trottenburg ontving hem in een groot vertrek, vol boeken, aan eene tafel, die met handschriften overdekt lag.

Hij was de redacteur van een klein, halsstarrig Welfenblad. Dr. Elöny las het geregeld en had meer dan eens verstomd gestaan over de koene, vrije, onbekommerde taal, die het sprak. Hij was ervan overtuigd, dat het zijn broeder vroeg of laat zou doen tuimelen. Het had hem reeds tweemaal vestingstraf op Ehren-breitstein bezorgd. Maar op het oogenblik kwam die gedachte hem niet te binnen.

Deze starre, eenvoudige man geleek op dezulken, die niets te winnen en niets te verliezen hebben. Zonder verlangens, zonder behoeften, reeds vroegtijdig afgerekend met alle persoonlijk leven. Hij was geheel opgegaan in zijne idee en het was hem volkomen onverschillig, wat hemzelf daarbij overkwam.

Een lichte rilling overhuiverde Dr. Elöny, toen hij in de kamer rondkeek. Alles grauw en grijs, nergens een opwekkende verfris-schende kleur. De ruimte miste alle schoonheid, alle gemak. Boven de schrijftafel hingen Dürers Melancholie en de vier Apokalyptische Ruiters, oeroude, vergeelde etsen. Daarboven de kantige kop van Luther, de magere van Melanchton, de verbeten van Calvijn.

Een stoffige lauwertak sierde een groote fotografie van den laatsten keurvorst van Hessen, met diens eigenhandige ondertee-kening, — dat was alles. Nergens het weeke, diepe lachen der oude, Italiaansche kunst, nergens een echo van vrouwelijke bevalligheid of kinderlijke liefelijkheid. Nergens ook de zachte weemoed of zonnige vroolijkheid van een bemind landschap.

Dr. Elöny zag dat alles met één snellen oogopslag. Hij was een man van de grootste fijngevoeligheid en een uiterst-ontwikkelden zin voor combinatie. Met het grootste gemak kon hij zich in eiken toestand indenken en medevoelen. Deze bijna vrouwelijke zachtheid van gemoed was zekerlijk geen geluk voor hem. Reeds honderden keeren had zij hem in moeilijkheden gebracht — en toch ook weer: zijn weeke, goedige beminnelijkheid won voor hem harten en zielen dergenen, die hulpbehoevend waren en zwak.

Maar de man daar vóór hem . . . was geen van beide. Scherp, grauw en koel glinsterden de oogen achter de brilleglazen, een sarkastische lach speelde om zijn mond, toen hij zeide:

13

-ocr page 16-

— Gij hadt heusch geen moeite behoeven te doen. Wij zullen elkander altijd zoo vreemd blijven als zuid en noord. Ik ben de zoon van mijn vader, gij zijt de zoon van uw moeder. Daarmee is alles gezegd.

— Gij kent uwe moeder niet, hernam Elöny, men heeft u tegen haar ingenomen met vooroordeelen en valsche vertelsels.

Trottenburg maakte een afwerend gebaar.

— Laat ons dat niet onderzoeken. Ik groeide op zonder moeder. Zij heeft mij vroegtijdig verlaten. Thans heb ik geen moeder meer noodig. De vreeselijke eenzaamheid van mijne kinderjaren en jeugd is overwonnen.

Dieper werd de bittere, scherpe plooi rondom zijn mond, toen hij zoo sprak.

— O ! men heeft altijd een moeder noodig. Gij moest niet zoo onverzoenlijk zijn. Zij is de goedigste, de zachtste, de vrooiijkste en liefderijkste vrouw, die ik ken. Zij is nog altijd schoon. Er bestaat eene ziele-schoonheid, die nimmer verkwijnt. Die heeft moeder. En ik weet het, uw verre-blijven van haar is heur eenig leed. Gij moest haren ouden dag de vreugde gunnen van een eicdelijke verzoening. Zoudt gij het portret onzer moeder niet eens willen zien?

Elöny nam een klein, lederen étui uit zijn zak. Het bevatte \'t verrukkelijk miniacuur-portret eener oude dame, wier fijnbesneden gelaat in zijn schoonheid de uiterste zachtmoedigheid verried.

Doch Trottenburg bekeek het slechts even, als met tegenzir, en schoof het weer terug naar Elöny.

— Mijn leven heeft mij geleerd, dat schoonheid en beminnelijkheid gevaarlijke eigenschappen zijn. De karakterdeugden, welke ik waardeer en voor wenschelijk houd, zijn heel andere....

Hoe langer hij keek naar het geestige, bewegelijke, echt-zuidelijk-levendige gelaat van zijn broeder, des te koppiger werd zijn verweer. Elöny gevoelde de ijzige koude, die van den ander uitging, en hij werd zich helder-bewust van de hopeloosheid zijner pogingen.

— Vreest gij niet voor de zonde der onverzoenlijkheid? vroeg hij nog, maar zijn stem klonk niet vertrouwvol en vroolijk meer; de hoop verkwijnde; men kon het hooren.

.— Ik vrees niets dan datgene, wat mij afleidt van mijn weg en mijn doel.

— Uw weg en uw doel beteekenen niet zooveel als gij meent. Wij buitenstaanders weten, dat gij strijdt voor eene onmogelijke zaak. Des te erger voor u, wanneer zij ook nog de menschelijk-heid in u vermoordt.

14

-ocr page 17-

Een diepe, eigenzinnige plooi rimpelde Trottenburgs breed, hooggewelfd voorhoofd.

— Gij spreekt, alsof gij de zaken begrijpt. Ik strijd voor de zaak des rechts — dezen strijd moest ieder man meestrijden. Het geeft niets, wanneer wij een enkelen keer verliezen. Het komt slechts daarop aan, dat de banier der idee niet omlaag gaat,... Maar met een blinde moet men niet over kleuren spreken.

Trottenburg stond koel en trotsch op en greep naar de ingekomen brieven en kranten.

— Ik vermoed, dat uw vermogen u de vrije beschikking over uw tijd laat. Maar ik moet als man voor mijn dagelijksc\'n brood werken.

— Dat is niet noodig, zei Dr. Elöny, het erfdeel uwer moeder ligt op u te wachten.

— Ik heb geen moeder.....

— Gij zijt een onrechtvaardig man, zonder hart en zonder verstand, zei Dr. Elöny, thans óók scherp. Hij nam zijn hoed en ging heen. Het ondragelijk gevoel van een geleden nederlaag kwelde hem. Waarom was hij toch eigenlijk hierheen gekomen ? Zijn moeder had het hem weemoedig-lachend voorspeld, hoe deze poging jammerlijk mislukken en de klove nog veel breeder maken zou.

Maar er leefde iets in Dr. Elöny, dat versperringen overwinnen en vestingen veroveren moest. Met zijn openhartige, goedige natuur kon hij zich zelfs niet voorstellen, dat er onoverwinnelijke vooroordeelen, onuitroeibare afkeer, onbluschbare haat bestaan. Hij ging met gebogen hoofd door de grauwe, glibberige steegjes van het oude Hessische stadje, dat in de vale belichting van een zonneloozen dag geen herinnering aan liederen van Eichendorff en Brentano meer in hem wekte en alle romantische schemering verloren had. Vermoeid en peinzend zat hij in de berookte gastenkamer, bijna zonder te bemerken, wat rondom hem gebeurde. Dieper, dan hij op het eerste oogenblik gevoelde, hadden de scherpte en onrechtvaardigheid van zijn broer hem gekwetst.

Wat wist die man dan toch eigenlijk van zijn leven? Betee-kende het dan niets, als geneesheer de ervaringen van jarenlange, ernstige studie aan te wenden tot welzijn der medemenschen ? Had hij niet sinds jaren de armen en overwerkten kosteloos geholpen ? En was de druk van een dankbare mannenhand niet duizendmaal meer waard dan een scherp politiek artikel, dat de gemoederen tegen elkander opzette en in de meeste gevallen zoo goed als niets op deze wereld beter maakte? Hij was tot de overtuiging

15

-ocr page 18-

gekomen, dat alle wezenlijke hulp aan het menschdom bestond er

uit kleinigheden en rechtstreeks van mensch tot mensch moest Fi gaan. Met deze overwegingen poogde hij de bitterheid uit zijn

binnenste te drijven, want Dr. Elöny was een week en verzoe- fa

ningsgezind man, die steeds trachtte het leven van zijn besten w

kant te bezien en altoos geneigd was, om te vergeven en te w begrijpen.

Ten slotte nam hij toen den eersten den besten boemeltrein ui

naar Kassei. Hij wilde weg zijn uit deze omgeving, die in haar h«

eenvormigheid en eentonigheid zijne ziel drukte als met een w

geweldige zwaarte. ze

DERDE HOOFDSTUK.

\' I

Barones Elöny behoorde tot die vrouwen, gelijk er in de groote ij

wereld zoovele leven, die steeds gondelen tusschen hemel en yc

aarde en niettegenstaande haar besten wil maar niet kunnen be- st sluiten, om óf hier óf daar den vasten grond te betreden.

Steeds staan zij op den drempel van het goede of slechte, van V genot of onthouding. Zelfs wanneer zij een oogenblik in een

tempel verwijlen, zweeft haar blik door de open zuilenhallen naar p!

de verlaten landschappen van het lachende leven, waarheen o! duizend belangen haar terugtrekken met lichtende koorden.

Hoe kon het ook anders ? in Hoeveel tegenstellingen had haar geslacht gekend 1 dlt; De hoog-adellijke Hongaarsche magnatenfamilie der Elöny\'s had sp aan de Katholieke Kerk een heilige en tal van kerkvorsten ge- st schonken. Heerschende abdissen en stille, zwijgend-levende nonnen k\' waren dien stam ontsproten, maar ook ridderlijke mannen, die m 2ich zoowel door dapperheid als door een los leven hadden onderscheiden. Trotsche vrouwen, die aan de hoven hadden geglansd, di gedanst, gelachen en gemind, maar voor welke de leliebanier der d( Elöny\'s niet steeds heilig bleef. b;

Hooge ontwikkeling en kunstzin waren steeds het erfdeel der o

familie geweest. 01

Een rijke verzameling antiek, een groote, beroemde schilderijen- —

galerij sierden het stamhuis; de boekerij Elöny in Weenen ver- w haalde van den verzamel-ijver der voorvaderen.

Barones Elöny behoorde door haar geboorte tot dit geslacht -d(

16

-ocr page 19-

en had, toen zij ten tweeden male in den echt trad, haar neef Fred Elöny gehuwd. Nu was zij al sinds jaren weduwe.

De hartstocht en de vroomheid, de levenslust en al die andere familie-eigenschappen vormden haar karakter. Haar neigingen waren vol tegenstellingen, haar stemmingen zeer veranderlijk en wispelturig, haar smaak verwend en veeleischend.

Maar dit innerlijk bijna niet te controleeren temperament werd uiterlijk beheerscht door fijne vortnen, streng-aangeleerde zelfbe-beersching en het wonderbare taktgevoel der aesthetisch hoogontwikkelde vrouw uit de groote wereld, wier gracieuze schoonheid zelfs nu nog, op haar ouden dag — zij was ver in de vijftig — van vele zijden gehuldigd werd. En nu was ook eindelijk de oude dag gekomen met zijn kalmeerende en louterende macht.

De ouderdom had de hartstochten en heftigheden gedempt en ■ie natuurlijke goedheid dezer natuur tot bloei gebracht, hij had .aar gesierd met kalmer weten en inniger begrijpen, met grooter vastheid en berusting; hij had haar schoone gelaat de aantrekke-ijke uitdrukking van teederheid verleend. De vroomheid, die vroeger niet altijd blijvend was, werd haar nu een onmisbare wandelstaf voor den eenzamer-wordenden opgang.

Nog steeds waren hare salons een plaats van samenkomsten der Weensche aristocratie.

Maar niet alleen kerkelijke hoogwaardigheidsbekleeders en diplomaten kwamen daar, — ook kunstenaars, geleerden en op een of ander gebied uitmuntende, haar aanbevolen buitenlanders.

Voor al wat uit den vreemden kwam, voor „nieuwe menschenquot; in het bijzonder, gevoelde barones Elöny met haar vérziende en doordringende scherpzinnigheid een zekere voorliefde. Zij zag spoedig de scherpe kanten der menschen, ergerde zich dan en stiet zich, wierp ter zijde, wat haar flauw en vervelend voorkwam. Daar waren er ook, die zjj trouw bleef en die zij niet meer missen wilde.

Tot dezen behoorde een jeugdige Amerikaansche, Ruth Waring, die voor eigen ontwikkeling eene reis door Europa maakte en in de voorname Weensche kringen zeer gezien was. Wat trok de barones zoo machtig aan in Ruth Waring, wat boeide haar zoo onwederstaanbaar aan dezevreemde ? Misschien haar volstrekt-ongeschonden kracht,h aar frischheid, haar zuivere waarheidsliefde, — de wezenlijke oerwereldlijke gezondheid van lichaam en geest, welke dit jeugdig meisje onderscheidden.....

— Wanneer ik met Ruth Waring praat, is het mij, alsof ik uit -de Jeugdbron drink, — had zij eens tot haar zoon gezegd.

17

ÜDEALISTEN 2

-ocr page 20-

gekomen, dat alle wezenlijke hulp aan het menschdom bestond uit kleinigheden en rechtstreeks van mensch tot mensch moest gaan. Met deze overwegingen poogde hij de bitterheid uit zijn binnenste te drijven, want Dr. Elony was een week en verzoeningsgezind man, die steeds trachtte het leven van zijn besten kant te bezien en altoos geneigd was, om te vergeven en te begrijpen.

Ten slotte nam hij toen den eersten den besten boemeltrein naar Kassei. Hij wilde weg zijn uit deze omgeving, die in haar eenvormigheid en eentonigheid zijne ziel drukte als met een geweldige zwaarte.

\' : va)

gt; 3Ui

DERDE HOOFDSTUK. \'

Barones Elöny behoorde tot die vrouwen, gelijk er in de groote i wereld zoovele leven, die steeds gondelen tusschen hemel en aarde en niettegenstaande haar besten wil maar niet kunnen besluiten, om óf hier óf daar den vasten grond te betreden.

Steeds staan zij op den drempel van het goede of slechte, van genot of onthouding. Zelfs wanneer zij een oogenblik in een tempel verwijlen, zweeft haar blik door de open zuilenhallen naar de verlaten landschappen van het lachende leven, waarheen duizend belangen haar terugtrekken met lichtende koorden.

Hoe kon het ook anders ?

Hoeveel tegenstellingen had haar geslacht gekend!

De hoog-adellijke Hongaarsche magnatenfamilie der Elöny\'s had aan de Katholieke Kerk een heilige en tal van kerkvorsten geschonken. Heerschende abdissen en stille, zwijgend-levende nonnen waren dien stam ontsproten, maar ook ridderlijke mannen, die zich zoowel door dapperheid als door een los leven hadden onderscheiden. Trotsche vrouwen, die aan de hoven hadden geglansd, gedanst, gelachen en gemind, maar voor welke de leliebanier der Elöny\'s niet steeds heilig bleef.

Hooge ontwikkeling en kunstzin waren steeds het erfdeel der familie geweest.

Een rijke verzameling antiek, een groote, beroemde schilderijengalerij sierden het stamhuis: de boekerij Elöny in Weenen verhaalde van den verzamel-ijver der voorvaderen.

Barones Elöny behoorde door haar geboorte tot dit geslacht

16

-ocr page 21-

lad, toen zij ten tweeden male in den echt trad, haar neef Elöny gehuwd. Nu was zij al sinds jaren weduwe. ; hartstocht en de vroomheid, de levenslust en al die andere ie-eigenschappen vormden haar karakter. Haar neigingen n vol tegenstellingen, haar stemmingen zeer veranderlijk en ilturig, haar smaak verwend en veeleischend.

aar dit innerlijk bijna niet te controleeren temperament werd ijk beheerscht door fijne vormen, streng-aangeleerde zelfbe-ching en het wonderbare taktgevoel der aesthetisch hoogont-;lde vrouw uit de groote wereld, wier gracieuze schoonheid nu nog, op haar ouden dag — zij was ver in de vijftig — vele zijden gehuldigd werd. En nu was ook eindelijk de dag gekomen met zijn kalmeerende en louterende macht.

ouderdom had de hartstochten en heftigheden gedempt en atuurlijke goedheid dezer natuur tot bloei gebracht, hij had gesierd met kalmer weten en inniger begrijpen, met grooter eid en berusting; hij had haar schoone gelaat de aantrekke-uitdrukking van teederheid verleend. De vroomheid, die vroe-lict altijd blijvend was, werd haar nu een onmisbare wandel-^oor den eenzamer-wordenden opgang.

gt;g steeds waren hare salons een plaats van samenkomsten der nsche aristocratie.

aar niet alleen kerkelijke hoogwaardigheidsbekleeders en diaten kwamen daar, .— ook kunstenaars, geleerden en op een ider gebied uitmuntende, haar aanbevolen buitenlanders. )or al wat uit den vreemden kwam, voor „nieuwe menschenquot; it bijzonder, gevoelde barones Elöny met haar vérziende en iringende scherpzinnigheid een zekere voorliefde. Zij zag lig de scherpe kanten der menschen, ergerde zich dan en zich, wierp ter zijde, wat haar flauw en vervelend voor-i. Daar waren er ook, die zjj trouw bleef en die zij niet missen wilde.

t dezen behoorde een jeugdige Amerikaansche, Ruth Waring, oor eigen ontwikkeling eene reis door Europa maakte en in oorname Weensche kringen zeer gezien was. Wat trok de les zoo machtig aan in Ruth Waring, wat boeide haar zoo :derstaanbaar aan dezevreemde ? Misschien haar volstrekt-ichonden kracht,h aar frischheid, haar zuivere waarheidsliefde, : wezenlijke oerwereldlijke gezondheid van lichaam en geest, : dit jeugdig meisje onderscheidden.....

Wanneer ik met Ruth Waring praat, is het mij, alsof ik uit ugdbron drink, .— had zij eens tot haar zoon gezegd.

17

STEN 2

-ocr page 22-

Die had toen peinzend-zwijgend het hoofd gebogen.

Sinds een tweetal jaren was hij met de bleeke, tot allerlei buitensporigheden geneigde hysterische gravin Balteny gehuwd en sinds hij Ruth Waring kende, wist hij, dat hij zich te vroeg, te onbedachtzaam had gebonden.... Ja, zij was een jeugdbron, — zijn moeder vond steeds het juiste woord.

Daar was iets ongebrokens, iets krachtvols in dit meisje, de gansche, sterke levenskracht van een nieuw ras, dat zijn energieën nog niet verbruikt had. Lenig en slank was haar lichaam, elke beweging forsch en stoer; in het zuiver en klassiek gevormde gelaat glansden de groote, donkere oogen niet zacht en smachtend, neen, zij straalden van levendig vuur, zij fonkelden van gezondheid en ondernemingelust, van verwachting en belangstelling in het leven, van durf en daadkracht. Zij had den winter doorgebracht in verschillende brandpunten der Europeesche beschaving en was nu verrukt over de vele, intieme, eigenaardige schoonheden van het oude Vindebona.

Zij was ook verrukt over barones Elöny. De Amerikaansche gezant en zijn gemalin hadden haar geïntroduceerd bij de barones, die zij thans dagelijks als een lieve gast bij zich zag.

De beide vrouwen hadden aanstonds een blijvende, levendige belangstelling voor elkander opgevat, — de groote, diepe genotrijke belangstelling, welke soms de menschen van verschillende generatie, landaard en stand tot elkander trekt en leiden kan tot de kostbaarste uitwisseling van meeningen en gezindheden.

Ruth Waring was een starre republikeinsche, door het geleerde, puriteinsche Boston opgevoed en begiftigd met zijn gelouterd-ver-standelijke belangstelling, zijn artistiek genot van goede, diepe muziek en verheven kunst. Zij was eene dochter naar den geest van Emerson en Longfellow. De groote, laat ons zeggen: letterkundige liefde tusschen Elisabeth Barret Browning en George Browning was haar ideaal. Maar zij was wijs genoeg, om te begrijpen, dat het leven ten allen tijde achterblijft bij onze idealen. Toch behoorde zij tot degenen, die hun standaardvlag zeer hoog planten en ze nimmer halfstok zullen laten wapperen.

Eén sterken karaktertrek hadden Ruth Waring en barones Elöny misschien gemeen, en wèl: een zeer ontwikkeld onafhankelijkheids-gevoel. Beiden hielden ervan, menschen en dingen te bezien met een vrijen, onbeperkten blik ; beiden maten niet met den maatstaf van anderen, doch met een eigen. En dan — laat zijn wat het wil — tegenstellingen zoeken elkaar: les extrêmes se touchent i de republikeinsche gevoelde zich machtig aangetrokken door deze

18

-ocr page 23-

jrname Weensche aristocraten, deze kinderen eener oer-oude, e beschaving, die zich zoo ongedwongen tusschen geërfde kost-irheden bewogen, van wier paleiswanden de meesterwerken van bens en Van Dijck neerzagen, wier huizen vol stonden met de tretten hunner voorvaderen en eeuwenoud, mooi huisraad, — e menschen, wier trekken een zoo edele verfijning, wier wezen

zoo onverstoorbare gelatenheid uitstraalde.

iuth Waring had nog niet persoonlijk geleefd, zij was van geen isch afhankelijk geweest, hoofd en hart waren absoluut vrij, geheele leven was voor haar nog een schouwspel, vooral het ropeesche leven met zijn onberekenbaar-veelsoortige verhou-gen, met zijn duizenden nuancen, voortgebracht door de mete der nationaliteiten, door de menigte der belangen tot in het ündige gedifferentieerd.

/oor deze Amerikaansche was alles nieuw: de Europeesche ist, het Europeesche tooneel, de Europeesche zeden. De Zieglers en Wolters stonden toen nog op hun hoogtepunt, illparzer beheerschte het Weensche Burgtheater. Wagners •ren gingen stralend op.

-iet scheen Ruth Waring, dat de tijd van het groote helden-n en het groote verleden haar op het Weensche tooneel was )pen baard.

Zij was vol geestdrift voor al het nieuwe, het groote, het vol-ide, dat haar hier geboden werd, en barones Elöny hield van istdriftige menschen. Dezen geleken voor haar op kelken met itelijk-schuimenden wijn.

Barones Elöny gevoelde het als een wonderbare verfrissching, ths zienswijze over menschen en dingen te vernemen. Deze ners wierp op alles een nieuw licht, bezag alles van een leren kant. De barones zelf stond reeds een weinig terzijde van even, maar zij hoorde nog gaarne het geruisch van zijn vloed.

Amerikaansche zag alles veel duidelijker, scherper omlijnd, dat het voor haar iets nieuws was, ómdat het haar voor het st onder de oogen kwam, en dan — Ruth Waring was een i die zeldzame en buitengewone menschen, in wier tegenwoor-heid gedachten en gevoelens zich losmaakten van oude ketenen langdurige zwijgzaamheid. Zij verstond, zij begreep, zij ver-de, zij had iets zekers, iets vertrouwelijks, lt;— dat alles wist

•ones Elöny reeds den derden dag van haar omgang met Ruth.

* *

*

)e beide vrouwen waren vandaag samen uitgereden naar den Prater.

19

-ocr page 24-

Vooral de zoogenaamde „Wurstel-Praterquot; interesseerde Rutk Waring zeer sterk. Die geweldige, draaiende caroussels, die Jan Klaassenspelen, die reusachtige, bonte automaten, die heele kinderlijke, volks-eigene heerlijkheid, welke met zulk een schuimenden bruisenden levenslust bewonderd en genoten werd, had voor haar iets ontroerends.

— Dat is nu iets echt-Zuidelijks, zeide zij tot de barones; wat zigeunermuziek. wat felle kleuren, iets dat draait of op en neer schommelt, — daarbij een eenvoudige maaltijd, — en de lach, de vroolijkheid. het genoegen zijn gekocht. Hoe veeleischend zijn wij daarentegen en.... hoe veel minder gelukkig!

Een lichte schaduw lag heden op het fijne, schoone gelaat der barones. Bij den terugrit liet zij stilhouden vóór het portaal van den Sint Stefanusdom.

— Ik wilde hier eea oogenblikje bidden, zeide zij, wilt gij zoo goed zijn en op mij wachten?

Maar Ruth volgde de oude dame in den dom. Zij zag hoe barones Elöny een kaars liet aansteken voor het aloude, beroemde wonderbeeld, in het koor en hoe zij dan innig-biddend neerknielde op den steenen vloer, te midden der andere menschen. De Amerikaansche bleef recht op staan.

Eerbiedig liet zij haar blikken ronddwalen door dit otideer-waardig heiligdom, dat de tijd had versomberd, dat de elkaar-volgende generaties met allerlei kostbaarheden hadden opgesmukt. Zij zag hooge grafmonumenten, trotsche familiewapens, weidsch-klinkende doodennamen, een leger van zinnebeelden der vroomheid en godsvrucht, wonderbare beeldhouwwerken, glanzende luchters en altaarlampen, gloeiend-kleurige schilderijen en met edelgesteenten versierde altaren. Maar dat alles zag zij slechts met de oogen van een artistiek-voelende, niet met die eener geloovige.

Wel gevoelde zij, dat een oneindige, haar verborgen macht dezen eerwaardigen tempel geschapen had; dat al deze honderden motieven der kunst hun ontstaan dankten aan een eenige, geweldige gedachte, — hare ziel evenwel stond daarvoor koel en vreemd.

Toch trok het hare aandacht, hoe verteederd en tegelijkertijd gesterkt en getroost barones Elöny er uitzag, toen zij opstond en weer naar den uitgang schreed.

Zij nam den arm van het jonge meisje:

— Zie je, mijn lieve kind, voor het hoogaltaar in de oude Sint Stevenskerk heb ik al menige zorg, menig leed neergelegd.... Vooral nu, nu ik ouder word, gelukt me dat.... Langzamerhand

20

-ocr page 25-

kom ik daartoe.... Het ecnig-goede levensdoel is: Een worden met den wil Gods.

Ietwat trotsch richtte Ruth Waring haar schoon gelaat omhoog •.

— Wat u God noemt, noem ik misschien noodlot. Maar ik geef de voorkeur aan het begrip noodlot. Met het noodlot kan men worstelen tot bloedens toe. Doch het zou vergeefsche moeite zijn, met God te willen strijden.

— Aan strijden deed ik nooit, zei de barones lichtelijk vermoeid, ik liep de liefde na, de schoonheid, de goedheid, het geluk, den vrede. Tc veel wegen sloeg ik in. Zoo vast en doelbewust als gij was ik niet.

— Doelbewust, ja, beaamde Ruth Waring, ik tracht ernaar, van mijn leven en mijzelf zooveel te maken als maar mogelijk is. Ik zou zooveel willen weten en kunnen, als mijn verstandelijke begaafdheid bevatten kan. Ik zou gaarne het leven in alle mogelijke vormen van den beginne af bestudeeren.

— En met welke bedoeling, mijn lieve kind?

— Nu. misschien zal ik ooit een innigbeminden man verrijken met alles wat ik kan en weet....

-— En wanneer gij niemand vindt, die u waardig lijkt?

— Dan zal ik mij neerleggen bij dat feit en mijne wetenschap op de eene of andere manier gebruiken en velen ten goede laten komen. Zonder arbeid zal ik nooit zijn.

De barones glimlachte wederom, nog meer vermoeid. Dat strenge, energieke woord „arbeidzaamheidquot; had nooit in haar woordenboek gestaan. Zij had zoovele talenten bij haar geboorte medegebracht. Spelend leerde zij de mooiste en volmaaktste bloemstukken schilderen: haar muzikaal talent grensde aan het geniale en zij was vier levende talen volkomen machtig. Zij kende ook de letterkunde dezer vier talen. In schoone gedichten kon zij zich als \'t ware bedwelmen — en toch, eigenlijk had zij nimmer gearbeid.

Haar leven was een verglijden geweest over de golven van rijkdom en schoonheid, over de gewoonte der elegante en voorname wereld.

Wel was zij soms naar de diepte gesleurd, maar steeds streefde zij weder naar de oppervlakte, naar de oppervlakte van licht, vreugde en levensgenot.

— U zoudt mij uwe levensgeschiedenis verhalen, barones, zeide Ruth Waring, toen de beide vrouwen na den rit bijeenkwamen in den lievelingssalon der barones, Zij dronken thee: een oude, witgepoederde bediende serveerde die geruischloos.

21

-ocr page 26-

De barones lag op een rustbed. Een menigte keurig geschilderde, met oude Oostersche stoffen overtrokken kussens omgaf haar. Achter haar, tegen den wand, verhief in het vale licht een antiek marmerrelief zijn voltooide vormen — Orfeus, Eurydice en Hermes op weg uit de onderwereld. Over alles zweefde de adem van de uiterste verfijning, van den zeldzaamsten smaak. Het theeservies was een wonderwerk van oud-Japansche kunst. En dan overal bloemen, zeldzame bloemen. Orchideeën en groote, vreemde leliën-soorten. Zulk een volmaaktheid, zulk een vlekkeloozs voornaamheid kwam in al de levensuitingen dezer vrouw te voorschijn, als het rijkste Amerikaansche huis niet zou kunnen ontvouwen. En dat alles was zoo ongedwongen, zoo als-van-zelf.... Ruth Waring meende een oud, kleurenrijk schilderij te zien.

— Mijne levensgeschiedenis, — die zal u wel wat verward schijnen! begon de barones. Een vastberadenheid als de uwe heb ik nimmer gekend bij mijn strevingen en wenschen. Mijne dwalingen zijn vele. Maar eigenlijk ben ik verheugd, dat gij mij in deze dagen aanleiding geeft, om erover te spreken. Het beste is, nooit over zichzelf te spreken, — dat weet ik wel. Maar er zijn toch menschen, welke men daarmede niet verveelt.

— U spreekt, alsof allen egoïsten zijn, viel Ruth in. Wat kan voor een mensch belangwekkender zijn dan de mensch ? Wat eert hem meer dan menschelijk vertrouwen?

— Jammer, maakt het leven iemand in alle opzichten voorzichtig.

—■ Ik zal nooit voorzichtig worden, riep Ruth bewogen, ik wil

liever doldriftig sterven dan voorzichtig leven...

— Ik begon ook niet voorzichtig, mijn kind. Neen, zeker niet. Ik behoorde tot degenen, die hunne wenschen van God willen afdwingen. Maar ten slotte ben ik gedwongen geworden. Voor eenige dagen werd mij dat zoo overduidelijk.....

Gij meent, dat mijn zoon Johan Elöny en mijne dochter, Maria, de LIrsuline-zuster, mijne eenige kinderen zijn. Dat is niet zoo. Ik heb nog een zoon uit mijn eerste huwelijk.... Doch deze zoon weigert hardnekkig, mij als zijne moeder te erkennen. Hij haat en veracht mij... Dat hadt gij wel nooit gedroomd, dat mijn levens-beker zulke bitterheden bevat ?...

— Maar hoe is dat mogelijk ? vroeg Ruth getroffen. Ik ontmoette bijna nooit iemand, die een zoo weldoenden, ^oo bemin-nelijken indruk maakte, als u. Daaraan kan men zich als \'t ware niet onttrekken, onwillekeurig ontleent men iets aan den rijkdom uwer natuur. U verwezenlijkt het sprookje van de onzichtbare kroon der Zondagskinderen.

22

-ocr page 27-

— Uneasy lies the head that wears crown, \'t gekroonde hoofd ligt niet gemakkelijk, citeerde de barones lachend. De groote Shakespeare wist het wel en La Rochefoucauld, die zich nooit in de menschen bedroog, omdat zijn operatiemes nooit van liefde of medelijden beefde, ook hij zegt zeer juist: Nous oublions a sément nos fautes lorsqu\'elles ne sont vues que de nous. i

Doch tot degenen, die hunne fouten vergeten heb ik nooit behoord. Reeds vroegtijdig werd mijne aandacht daarop gevestigd.

De invloed, dien ik op mijne omgeving uitoefende, heeft mij geen zegen gebracht. Hij was niet blijvend genoeg, om het verleden van anderen en onjuiste verhoudingen te beheerschen. Gij weet het, ik ben een impulsieve, een hartstochtelijke natuur, ik was in mijn jeugd steeds even vurig. Het noodlot bracht een man op mijn levensweg, een man die in alle opzichten van mij verschilde. Hij was star, kantig, ijzer in zijn beginselen, onaantast-baar-eerlijk, maar ook onaantastbaar streng. Een noorderling, een protestant, de nakomeling van een verarmd, Hessisch geslacht. Tegen den wil mijner familie volgde ik hem en ik rende mijn ongeluk tegemoet.

Hij was de eenige mensch op aarde, dien ik waarachtig bemind heb met al de wilde onstuimigheid, welke in mij leefde. Hij zou voor mij de heele wereld zijn....

De barones glimlachte met zelf-ironie.

— Dat deed hij natuurlijk niet. Hij telde mijn offer niet eens, hij begreep volstrekt niet mijne natuur, welke zoo geheel anders dan de zijne was, hij verlangde van mij een draconischen eenvoud, — een levensvorm, dien ik niet verdragen kon.

Ik moest, volgens hem, veranderen van geloof, van zeden, van gewoonten, — en ik kon het niet.

Toen mijn eerste zoon geboren was, werd alles nog erger. Hij vreesde mijn „katholieken invloedquot; op zijn kind. Ik mocht het niet leeren bidden. Ik mocht het niet aan mijn hart drukken, niet kussen. Ik moest het overgeven aan een gevoellooze, oude tante. Ik ontvluchtte met mijn kind en werd gerechtelijk gedwongen, om het terug te geven.... Ja, dat alles gebeurde en toch heb ik nooit, nooit mijn man kunnen haten. Ik begreep zijne beweegredenen. Maar hij heeft mij vreeselijk doen lijden, hij heeft mij bijna vermorzeld. Wij werden op zijn verzoek gescheiden. Hij behield onzen zoon en leefde nog tien jaren. Na zijn dood huwde ik met mijn neef Elöny. Elöny was een man, dien ik van jongsaf kende, wij beleden hetzelfde geloof, wij hadden dezelfde gewoonten, wij kenden dezelfde menschen, ons vermogen was even goed, zijn

23

-ocr page 28-

ambt aan het ministerie stond hoog in aanzien. Wij kwamen aan het hof en leefden zeer groot. Wij waren gelukkig met elkander, voor ons beiden was de tijd der jeugdstormen voorbij en hij had een ridderlijk-voornaam karakter. Wat wilde ik meer?

Doch in het diepst mijner ziel, o, daar lagen leed en ontgoocheling, — o, zij liggen er nog steeds.

Ik heb heimwee naar den zoon, die het kind mijner eerste liefde was en die zoon.... hij haat mij, hij haat mij....

Mijn zoon Johan begrijpt mijn leed. Toen hij onlangs in Steen-brugge, in Hessen, kwam, trachtte hij een verzoening te bewerken. Hij, de beminnelijkste en teederste, werd hard ontvangen, belee-digend afgewezen....

Plotseling viel Ruth Waring haar in de rede:

— Steenbrugge in Hessen zegt u, barones? Maar dat is juist de plaats, waar ik het volgende jaar hoop door te brengen, bij mijne vriendin Laura Meerheimb. Men zegt, dat daar goed, zuiver Duitsch gesproken wordt en ik zou gaarne eens bij Laura willen zijn.

— Welk een zeldzaam toeval, meende de barones. Steenbrugge heeft slechts vijfduizend inwoners. Gij zult zeker mijn zoon leeren kennen. Hij heet Van Trottenburg en houdt zich bezig met de redactie van een kleine krant.

Zijn vader was ook een hartstochtelijk politicus. Dat zit den Trottenburgs in het bloed. Deze eigenschap van een man draagt er niet toe bij, om eene vrouw gelukkig te maken. Ja. het is de gevaarlijkste hartstocht, want hij legt beslag op den heelen mensch.

— O, ik begrijp, dat men zoo iemand beminnen kan, zei Ruth Waring, peinzend, — ik begrijp het volkomen. In een man willen wij een groote belangstelling, waarin hij geheel opgaat; wij willen dat hij zijn persoon opoffert voor één zaak. Wij, vrouwen, doen alle aan heldenvereering.

Toen dankte Ruth Waring de barones voor haar vertrouwen.

— Het is heerlijk, meende zij, iemand van wie wij houden, ook geheel te kennen. Want ons verleden, — dat zijn wijzelf.

Ruth Waring was diep getroffen door het verhaal van de barones.

Zonder eigenlijk eene geloovige natuur te wezen, was zij overtuigd, dat wij allen evengoed als de sterren moeten gaan over eeuwig-voorbeschikte wegen. En zij was er ook van overtuigd, dat deze eigenzinnige, starre zoon der barones een rol in haar leven spelen zou.

Ja, die gedachte overrompelde haar en greep haar aan met de

2i

-ocr page 29-

macht eener idéé fixe en pijnigde haar des te meer, wijl zij vast besloten was die macht niet te erkennen. En tóch, er was iets, dat hare werking had voorbereid.

Ieder mensch, hoe verstandig, hoe koel en hoe nuchter ook in zijn levensbeschouwing, draagt ergens in zijn ziel een beeld, waarnaar hij zijn leven zou willen vormen. Iedereen, die wezenlijk lééft, streeft naar een of ander einddoel, — de een ziet het rerder-verwijderd, neveliger, onbereikbaarder dan de ander, wien het misschien vast-omlijnd en onverwoestbaar voor oogen staat. Doch, bewust of onbewust: wij allen streven daarheen.

Ook Ruth Waring ging in een bepaalde richting. Zij was---hu zes en twintig jaren oud, zij stond op de volle hoogte harer jeugdige kracht en zij zocht, sinds haar zelfbewust leven tusschen de velen, welke zij in heur maatschappelijk-veelbewogen leven had ontmoet, naar den eenen mensch, den groote, den edele, den dappere, den vertrouwens-waardige en onbuigzame, wien zij den cijns van haar heele, reine, jonkvrouwelijke wezen zou behalen.

Het scheen haar, alsof zij met het recht op dezen eene geboren was en alsof zij zich haar leven lang, zoo fier, zoo hoog, zoo onaantastbaar gedragen had, om hem niet te verliezen.

Zij geleek die vrome jonkvrouw der legende, die geen enkele parel uit haar kroon verloren had. Ja, waarom zou zij tenslotte dien eenen mensch niet vinden? Hij móest toch komen. En als hij kwam. dan was zij hem waardig. Was zij dan niet jeugdig, gezond, sterk en schoon, rijk en begaafd ? Vol onvermoeibaren levensmoed? — Zonder smet, zonder bedrog? Zou zij dien eene wanneer zij hem vinden mocht, niet een volkomen onschatbaar geschenk geven?

* *

*

Elöny beminde en bewonderde, Elöny kénde zijn schoone oud-eerwaardige vaderstad Weenen en haar rijke geschiedenis. Vooral het oude Weenen beminde hij. Hij hield van die oude monumenten en merkwaardigheden, die karakteristieke straten en jodenbuurtjes met hun bonte, bewegelijke, schilderachtige bevolking. Hij hield van den Donau-oever met die heerlijke, oude kerk van Maria-aan-het-strand ; ja, hij hield van al die bestoven, droomerige, door wierookwolken en brandende kaarsen gebruinde kapellen, de groote vergeten refters en kruisgangen der kloosters. Hij hield van de weidsche, met monumentaal beeldwerk gesmukte pleinen, achter de paleizen van adellijke en vorstelijke geslachten en de wijde ruimten in de huizen, die nog zoo ongeschonden den stempel

25

-ocr page 30-

dragen der fiere tijden van keizerin Maria Theresia. Hij hield van de zwaar-begroeide tuinen en dichte heggen, de murmelende fonteinen en de breede, voorname trappen der slot-villa\'s en hij kende de schatten der vele half-vergeten verzamelingen en galerijen, want er was geen deur, die niet allerbereidwilligst voor een Elöny ontsloten werd.

Het mocht een buitengewone gunst heeten, door dezen met bezigheden overladen, geleerden man te worden rondgeleid.

Alleen Ruth Waring schatte die gunst niet te hoog. Zij was het gewend, dat men zijn tijd offerde, om haar te believen. Steeds waren er velen geweest, die haar gezelschap gelukkig maakte. Ecne deemoedige, jeugdige Duitsche, tot bescheidenheid en dankbaarheid opgevoed, was zij volstrekt niet.

Doch een beteren gids had zij niet kunnen treffen. Wie immers wist zoo goed als Elöny den weg in de verzamelingen van het Belvedere, dat toen nog in zijn reusachtige ruimten de kunstschatten van Weenen bewaarde? Aan zijn zijde schreed zij door de kleuren-vlammende Rubenszalen. Hij was het, die haar voor het eerst bij Moretto\'s „heilige Justinaquot; bracht.

Ruth Waring kende Rome, Florence, Milaan en Venetië, Antwerpen en Dresden, maar noch Rafael, noch Michel Angelo hadden haar zoo ontroerd als deze schilderij van den kleineren meester. Een onuitsprekelijke volkomenheid en goedheid straalden daaruit. Fierder, medelijdender, en vriendelijker kon geen vrouwengelaat u aanzien; dieper, teederder en zuiverder konden geen kleuren stralen. Hier was de heilige rust der overwinning van al het lagere onechte, de groote volheid van gelouterden geest, de geheele in stralen der eeuwigheid gedoopte grootte van ziele-schoonheid, opgevoerd tot haar ontroerendste uitdrukking.

Ruth Waring wist later niet meer, of zij zelf dat alles voor die schilderij had gevoeld, dan wel of dr. Elöny het haar gezegd had, zij wist slechts, dat zij voortaan niet meer zonder die voorstelling wilde leven en zij bestelde bij een uitmuntend schilder de kopie van het heerlijke werk.

.— Iets schooners en edelers kan Weenen u niet meegeven, zei barones Elöny toen zij dat hoorde.

Dr. Elöny verzuimde evenmin Ruth Waring te brengen bij Ca-nova\'s Christina-monument in de Augustijnenkerk.

Ruth Waring had Canova reeds in Italië leeren kennen. Zijn kunst had haar nog nooit bijzonder aangegrepen. Zijn werken schenen haar steeds te glad, te conventioneel. Doch bij dit edel monument gevoelde zij wel, hoezeer de beeldhouwer er in geslaagd

26

-ocr page 31-

was, om door te dringen in de diepte en de verhevenheid der gedachte — en hoe volkomen de klassieke eenvoud zijner vormen leven gaf aan de woorden: „Hare goede werken volgen haar na, \'

De zinnebeelden van de bescherming der maagden, de beschutting der wezen, de verzorging der ouden van dagen volgen de gestorven weldoenster in de geopende poort der groeve. Deze gestalten der armen door het edele marmer vergeestelijkt en tegelijkertijd tot symbolen gemaakt, deze voorstellingen der schitterende jeugd, der onbewuste kinderlijkheid en der hulpelooze grijsheid vervulden Ruth Waring met dankbaarheid en vreugde: zij schenen haar een nieuw bewijs voor de onsterfelijkheid van het ideale gevoel in het menschdom. Met geestdriftige woorden sprak zij deze meening uit.

Baron Elöny had nooit iemand gekend, die met zulk een frisch assimilatie-vermogen eiken nieuwen, edelen indruk in zich opnam. Niets vermoeids, niets geblaseerds of afgestompts was er in dit meisje. Het leek, alsof zij uit een frisch oerwoud gekomen was, om met lange, dorstige teugen den drank eener edele beschaving te drinken, dien tweemaal duizend jaren hadden vergaard in het oude Europa. Ja, mogelijk moest deze ongebroken kracht hieruit worden verklaard, dat sterke natuurindrukken Ruth levenslang hadden beïnvloed.

Gedurende lange zomers had zjj met bevriende jongelui gezworven en gejaagd door de boschwildernissen bij den Mississippi, zij had gekampeerd in tenten, in een kano op de rivier geroeid. Zij had genoten van gouden herfstdagen in de geweldige bergwereld van Californië en op zijn oneindig-deinende, weelderige, bloemrijke prairiën. De oceaan was haar vaderland geweest, — zij kende zijn doodstille, diepblauwe, sterrentwinkelende zomernachten en zijn stormachtige veranderingen, de onstuimige, toomelooze woestheid der hoogopgaande zeeën en vele liefelijke of verwilderde kuststreken. Zij kende de eenzaamheden en stilten der grootsche natuur van haar geboorteland, de geweldige watervallen der rivieren, de maagdelijke wildernissen der gebergten. Neen, nooit had zij een eng, klein leven behoeven te leiden; de neigingen harer ziel trokken naar het wijde, het groote, het onbegrensde. Dat alles trof den psychiater, die zooveel te doen had met de uitgeleefde, Europeesche kultuurmenschen, als een bevrijding, een verlossing — en toch was Elöny te fijngevoelig, om niet pijnlijk te worden aangedaan bij het zien der reusachtige klove, welke tusschen haar karakter en zijn karakter openging.

Haar levensbeschouwing had iets hards, iets onbuigzaams.

27

-ocr page 32-

Zij verontschuldigde niets, zij gevoelde in zich geen medelijden voor struikelenden, vernederden, onder den voet geraakten, niets voor boetvaardigen en door eigen schuld ellendig gewordenen. — Voor zulke wezens kende zij slechts koude verachting.

— Een mensch moet steeds weten, wat hij doet. Spijt is onder alle omstandigheden laag en verlagend.

Toch verfrischte het Elöny wederom, hare eerlijke ontzetting te beschouwen, wanneer zij hoorde van een der veelvuldige schandalen in het Weensche maatschappelijk leven.

Een echtbreuk, een schaking een gemeenschappelijke zelfmoord, een speelbankroet, — al deze gebeurtenissen, die waren aan de orde van den dag en waarlangs men in het verouderde Europa voorbijging met een veelbeteekenend lachje, wonden Ruth geweldig op.

— Ik kan en wil dat niet begrijpen, zeide zij met flikkerende oogen.

De misdaden op zich schenen haar minder te ontroeren, dan het bedrog en de huichelarij, die bijna altoos aan zulke feiten ten grondslag lagen.

— Ik zou nooit meer de hand aanraken van een mensch, die gelogen heeft, — verklaarde zij met hartstochtelijke vastberadenheid.

Peinzend keek Elöny haar dan aan. Zij herinnerde hem aan een vertoornde godin der oudheid wier marmeren beeltenis op zijn schrijftafel stond; dezelfde eerlijke, origineele toorn lag over haar zuiver-besneden gelaat, — maar hij kon haar toch niet volkomen gelijk geven.

— „Het is niets steeds mogelijk, zich in het leven zoo kinderlijk-rein te houden, als de stem in ons binnenste leert,quot; — citeerde hij, want met Schiller en Goethe kon men steeds indruk maken op Ruth Waring en hij voegde er aan toe;

— Wie weet, hoevelen leugenaars gij reeds zonder het te weten, de hand gegeven hebt. Men moet niet rechtvaardiger willen zijn dan God. Dat wreekt zich in het leven.

Ruth Waring boog een oogenblik het hoofd.

Deze woorden verrasten haar, zij openden een nieuw vergezicht. Met zulk een diepe overtuigingskracht werden zij gesproken, dat zij zich daaraan niet onttrekken kon.

Misschien wist dr. Elöny toch veel meer van het leven dan z:.j....

Maar zij boog zich niet lang voor zulk een inzicht. Spoedig

overwon weer haar sterk zelfbewustzijn.

28

-ocr page 33-

Dr. Elöny bewoonde met zijn huisgezin de tweede verdieping van het groote paleis Elöny. Zijn huwelijk was niet van de gelukkigste. Ongetwijfeld verontschuldigde hij alle dwaasheden en buitensporigheden zijner echtgenoote met de wetenschap van der: geneesheer. Wat anderen capriccn, booze luimen, onvergefelijk-heden zouden hebben genoemd, dat noemde hij ziekelijke neiging, zenuwachtige storing, ongelukkigen aanleg.

Met onuitsprekelijk geduld vergoelijkte hij hare dwaasheden.

Zij was zijne echtgenoote, dus ook zijn kind en zijne zuster, een mensch, voor wier wel en wee hij zich verantwoordelijk gevoelde.

Zij was hupsch, gracieus en elegant. Haar liefde voor briljanten grensde aan dwaasheid.

Gemakkelijk te leiden was zij niet. Haar temperament verviel van onnatuurlijke opgewektheid in onnatuurlijke afmatting.

Kinderen hadden zij niet. Daarover verheugde dr. Elöny zich bijna. Een zenuwachtige aanleg is erfelijk. . . Meer dan genoeg zenuwachtige menschen dwalen door de wereld, — dat wist hij het best. Ja, dat ontbrak in het huwelijk van dr. Elöny, dat ééne fondament van een blijde, wezenlijke gemeenschap des levens. Doch dr. Elöny, als fijngevoelig oprecht man-van-eer, verborg zijne smart en zijne langzame teleurstelling, hij trachtte ze zoowaar voor zichzelf te verbergen. Desniettegenstaande kon hij het niet verhinderen, dat Ruth Waring een machtigen invloed op hem verkreeg, — dat zij een diepen indruk op hem maakte. Hare oorspronkelijkheid deed hem goed, zijne vermoeide zenuwen rustten uit bij het zien barer gezondheid; hij hield er van, hare stalen energie, hare zich steeds vernieuwende spankracht te beschouwen. in hare tegenwoordigheid was het hem te moede, alsof hij de sterkende, vrije en volkomen-zuivere lucht van het hooggebergte inademde, na zoo langen tijd tot de zwoelte eener

beperkte ruimte te zijn veroordeeld geweest.

★ *

»

Korten tijd voordat Ruth Waring\'s oponthoud in Weenen ten einde liep, vroeg zij dr. Elöny naar zijn bezoek in Steenbrugge. Het toeval had gewild, dat zij samen nog nimmer gesproken hadden over haer plan, om daar heen te gaan. Dr. Elöny keek verbaasd op.

— Hoe merkwaardig, dat u juist naar Steenbrugge verhuist, meende hij, — ik kan mij u daar absoluut niet voorstellen. Als iets ter wereld tegen uw karakter strijdt, dan moet het dat leven zijn in zulk een engen, wereldvergeten dalketel, waar de tijd stilstaat

29

-ocr page 34-

en de menschen heensterven, alsof zij nooit hadden geleefd.

— Wat het meest van onze neigingen verschilt, trekt ons soms het sterkst, gaf zij ten antwoord. In zulke kleine nesten gedijt een origineel — en buitendien een mijner jeugdvriendinnen woont daar en ... en uw broeder leeft er toch óók.

Bij de herinnering aan zijn broeder werd Elöny bleek, ja, zijn olijfkleurig gelaat werd vóór een oogenblik zoo wit als een doek.

Ruth Waring zag het.

— U houdt niet van uw broeder?

— Ik kan niet van hem houden, want hij haat mijne moeder en mij. Mijne ontmoeting met hem heeft me voor geruimen tijd ongelukkig gemaakt. Ik vind het iets vreeselijks, door zijn naaste bloedverwanten te worden gehaat. Dat versteent iemand, evenals al wat tegennatuurlijk is.

— Uw broeder moet dwaas en onrechtvaardig zijn. Stel u voor : ik ben bang voor hem. Ik heb me al afgevraagd, of ik Steen-brugge wel bezoeken zou. Het is me, alsof daar iets vreeselijks mij treffen zal.

Dr. Elöny glimlachte.

— Wat heeft mijn broeder toch met u te maken? Die gaat op in zijn kranten. Neen, hij is er de man niet naar, om zich over eene dame te bekommeren.

.— Wanneer ik naar Steenbrugge kom, dan zal hij zich over mij bekommeren moeten, riep Ruth Waring, haar hoofd verheffend. Ik behoor niet tot degenen, die men negeert.

Dr. Elöny zweeg even. Toen zeide hij langzaam;

— Wees voorzichtig, mijn lieve, jeugdige heldin. Mijn broeder behoort tot de menschen tegen wie men zich pijnlijk stooten kan... stukstooten ....

Ruth keek verbaasd op.

— Ik stukstooten ? . . . Dat gelooft u zelf niet.

* *

*

Ruth Waring nam van Weenen niet zoo gemakkelijk afscheid als zij dat van andere steden en van andere menschen altoos gedaan had. Plotseling leek het haar, dat zij zelve als handelend persoon op het tooneel getreden was, na zoo lang passieve toeschouwster des levens geweest te zijn.

Zij overdacht het ernstig dat zij de barones misschien nooit meer zien zou.

De oude dame zag er dikwijls zoo schrikwekkend zwak uit, —

30

-ocr page 35-

als een lamp, die eenmaal plotseling en onverwacht kon uitdooven, na juist nog helder en lichtend te hebben geglansd....

Ruth Waring had haar eigen moeder vroegtijdig verloren — zij zou er gaarne eene hebben gehad als barones Elöny, zoo goedig, zoo verstandig, zoo medelijdend.

— Lieve Ruth, zeide de oude dame bij het afscheid, lieve Ruth, het spijt me voor mijn zoon Johan, dat je heengaat. Hij vindt zoo zelden iemand, die iets voor hem zijn kan. Menschen met fijngevoelige, diepe zielen zijn zeldzaam en het gebeurt niet vaak, dat zij elkaar in het leven ontmoeten. . .

Verwonderd zag Ruth haar aan.

— Och, mevrouw, ik heb geen hart, dat fijngevoelig is en diep, zooals u dat verstaat. Ik was koud en oppervlakkig. Maar soms schijnt het mij toe, dat ik nog ontwaken moet. Uw zoon is mij in menig opzicht ver, ver vóór. Hij is zeer gevoelig voor lijden, dat was ik nooit. De menschen waren tot nu toe niet bij. machte, mij gelukkiger of ongelukkiger te maken. Maar thans, nu* het me zoo pijnlijk valt, van u te scheiden, kan ik mij wel voorstellen, wat het is, om een ander te lijden.

— Ik hoop, dat gij het nooit in zijn vollen omvang zult gevoelen, meende de barones. Wee hem, die zijn hart in de handen der menschen geeft. Zelfs de liefderijkste menschenhanden zijn daarvoor te ruw en te onvoorzichtig.

Ruth Waring gevoelde, dat deze woorden tot haar drongen uit de rijke ervaring en de diepte van een ander leven. Woorden, die als het ware door hoogere ingeving tot ons worden gesproken. Maar hunne volle beteekenis begreep zij bij lange niet. Toch vergat zij nimmer den smarteiijken klank, waarmede zij werden gezegd.

Ruth Waring peinsde er over, wat zij Dr. Elöny ter herinnering geven kon. Zij had hem gaarne een klein geschenk aangeboden, doch waarmede kon zij dien man verheugen, die in staat was, al zijn wenschen oogenblikkelijk te vervullen ? Eindelijk viel het haar in, dat hij dikwijls een kleine, in leder gebonden zakuitgave van Shakespeare bewonderd had, welke zij steeds bij zich droeg. Pot-loodstreepen en kleine aanteekeningen had zij er vele ingeschreven. Shakespeare beduidde voor haar een levensmeester. En zij wist dat „Hamletquot; tot de stukken behoorde, welke Elöny steeds opnieuw las. Deze uitgave schonk zij Dr. Elöny, toen zij van hem afscheid nam.

Toen zij hem het kastje met de sierlijke bruine deeltjes overhandigde, zag zij, dat dit geschenk hem zeer veel genoegen deed.

31

-ocr page 36-

— Ik houd er van, dingen te bezitten, die in dierbare handen waren, zeide hij langzaam, \'t Is mij nu, alsof ik een stuk van uw leven bij mij draag, .— van uw zuiver, krachtig, vroolijk leven.

Als tegengeschenk bood hij haar zijne Beethoven-editie aan.

Dr. Elöny was een meesterlijk Beethovenvertolker. Hij verstond de kunst, om den onmetelijken rijkdom dezer weergalooze muziek tot zijn recht te brengen; zijn geheele ziel stroomde uit die tonen, die het ongrijpbare en geheimzinnige, waarvoor geen woorden bestaan, tot ons bewustzijn brengen. Een adagio, door Elöny gespeeld, was iets onvergetelijks.

Menschen als deze Elöny, zou Ruth Waring niet zoo spoedig meer vinden op haar levensweg. Voor den eersten keer ondervond zij, dat het soms treurig is, niet daar te kunnen blijven, waar men gaarne blyven zou, ja, zij ondervond de bittere smart van dengene, die zijn tent opbouwt en afbreekt en nog geen

goede plaats op aarde vond, om haar voorgoed te vestigen.

* *

*

Aldus kwam het, dat zij niet zoo onbekommerd als vroeger de wereld introk, toen de trein haar wegvoerde uit Weenen, naar Hessenland toe.

Gevoelloos leunde zij in een hoek van den spoorwagen, haar blik zweefde niet als anders, zoekend en vergelijkend, over het landschap en over de stadsbeelden. Hare gedachten waren in Weenen gebleven.

Een ongekende onrust greep haar aan, toen zjj het doel harer reis naderde. Zij zeide tot zichzelf, dat het belachelijk was, belachelijk.....

Welke bekoring, welke beteekenis konden dan toch de menschen eener kleine stad hebben voor haar, die de halve wereld gezien had ?

En toch, haar kwelde het onduldbare, ondragelijke gevoel, dat zij op het punt stond, in een net te geraken, in een slagnet....

VIERDE HOOFDSTUK.

Een volkomen nieuwe wereld, een eng-begrensde mikrokosmos, wachtte Ruth Waring in Steenbrugge. Als de reuzendochter uit het sprookje, die het boerengespan in haar voorschoot opnam, zou zij zich moeten neerbukken tot deze verhoudingen, van zooveel kleiner afmetingen, dan zij ooit gewend was geweest. — Deze

32

-ocr page 37-

kleine verhoudinget), welke toch even goed als het groote en weidsche behoorden in het eeuwige wereldplan en misschien fijner en zorgvuldiger waren geciseleerd dan die der zoogenaamde „groote wereldquot; ....

Op het marktplein van Steenbrugge, tegenover het hotel „Vorst Bismarckquot; stond een woonhuis met breeden gevel, dat tot de beste der plaats behoorde. Een balkonnetje, lief als een vogelnestje en met wilden wingerd omsponnen, sierde het front. Het zachtgrys van het huis voldeed veel beter, gaf blijken van meer smaak, dan de kleur van het stadhuis te midden van het plein. Want een op kleine dingen verzotte burgemeester, die nu al lang zijn voorvaderen in het graf gevolgd was, had dit eigenaardige gebouw en zijn romaansche torens hard-rose laten verven. En deze stralende kleur overleefde geslachten en geslachten; sinds meer dan eene eeuw lachte zij om het halfvergane leiendak en de knarsende, roestige weerhanen van het huis der gemeente.

Het ruime grijze huis was het eigendom van een jopdschen koopman, die de binnenplaatsen voor zuiverinrichting en de zolders van het achterhuis voor wolspinnerij gebruikte. Hijzelf en eenige huurders bewoonden de voorhuisruimte. In het achterhuis klapperden dag en nacht de weefstoelen; bleeke, magere mannen slopen de trappen op, steunend onder den zwaren last der groote, kwalijkriekende wolkorven. Overal lagen verroeste spoelen opgehoopt, bij elke beweging wervelde het roet omhoog en uit de zuiverinrichting woei verpeste lucht.

De eigenaar was wel een jood, mear toch geen van den ouden stempel. Hij behoorde tot de modernen van zijn stam.

iDe Oostersche gelaatsvorm verried hem, doch hij had ook voor een Franschman kunnen doorgaan. De smalle hoofdvorm, de gele huidkleur, de zwarte knevel, het sikje, de nu eens slaperige, dan weer schitterende oogen lieten de keus tusschen die twee. — Alleen zijn kromme beenen kwamen meer voor zijn afstamming uit dan hijzelf; want hij behoorde tot de verlichten, die nog wel de synagoge bezoeken, maar het zich overigens zeer gemakkelijk maken met de strenge. Mozaïsche wet en de leeringen van den Talmud,

De heer Leeuwendal was van geringe afkomst. Zijn vader strompelde nog door de smalle straten van Steenbrugge en handelde in geitenvellen en oud ijzer. De oude man vertrok nog al zijn ledematen, wanneer hij bad, hij hield streng aan den vastentijd en gaf tienden van al wat hij bezat. In den handel hield hij vast aan zijn beginsel : Maak uw Sabbath liever tot een werkdag, dan dat gij het een ander lastig maakt.

33

3DEALISTEN 3

-ocr page 38-

De cchtgenoote van den ouden Leeuwendal was een kleine, verschrompelde grijze vrouw, wier perkamenten gelaat omlijst werd door gele mutslinten. Zij hield er een menigte uit het He-brceuwsch stammende uitdrukkingen op na, welke alleen het Ghetto verstaat. Over haar hoofd droeg zij een breeden, bruinen zijden band, —• ter naleving van het gebod, dat geen vreemde man den hoofdtooi eener vrouw zien zal. De vrouw van den zoon daarentegen was een moderne jongedame uit Frankfort, met weelderige kroesharen, zachte witte handen en Parijsche kleederen, — een of andere inrichting had haar geverfd.,.. Zij geleek een dier weeldepoppen, welke een jood, krachtens zijn oud-orientaalsche afstamming zoo gaarne houdt.

Al was zij niet mooi, zij was toch rijk.

Leeuwendal junior bewoonde de eerste verdieping van het grijze huis.

Neeltje Rozenblad had uit Frankfort een eleganten uitzet meegekregen.

Met zijde overtrokken divans en zetels stonden nu tegen de wanden met slecht behangsel: onwillig wrongen zich Venetiaansche spiegels onder het lage plafond. Gevaarlijk-dreigend raakten de kristallen kroonluchters de hoofden der gasten: de crème der

joodsche bevolking van Steenbrugge.

* *

*

Eén trap hooger dan Leeuwendal woonde Ruth Warings vriendin, de weduwe van den dapperen zeekapitein Hans van Meerheimb, die jeugdig, schoon en sterk met zijn schip in de golven van den grooten oceaan verzonken was, en die nu door de overlevenden werd bemind en bewonderd, zooals zijn heldendood verdiende.... Misschien was zijn lot te benijden.,., nooit zou hij verouderen, nooit moede worden of zwak !.... Zóó als hij toen in de jeugd zijner fiere mannelijkheid van de zijnen afscheid nam, zouden zijne kennissen hem altoos zien in hunne herinnering.

Laura van Meerheimb was een Duitsch-Amerikaansche. Ofschoon veel ouder dan Ruth Waring, had zij toch met deze eenige jaren doorgebracht in het Wellesley-college. Een onafgebroken briefwisseling had de vriendinnen elkander nooit doen verliezen.

Toen Ruth Waring naar Duitschland kwam, maakte zij he; besluit, om bij deze vriendin de studie der taal voort te zetten, want zij kende Laura\'s beperkte middelen en wilde haar helpen door betaling van een hoog kostgeld.

34

-ocr page 39-

Ruth Waring was steeds bereid geweest tot offers voor hare vrienden, en het tragische lot van Laura had haar zeer getroffen.

Laura had begeerig toegeslagen, toen Ruth Waring zich bij haar aanmeldde. Zij wist, dat hare woning niet geschikt was om vreemdelingen te ontvangen, en vooral niet zulke verwende vreemdelingen als Ruth Waring, — doch zij verkeerde in geldnood en zij rekende op Ruth\'s grootmoedigheid. Niets toch doet iemand gemakkelijker bezwaren op zij schuiven, dan verlegenheid in geldzaken, had Ruth niet altoos de omstandigheden aanvaard zooals zij waren ? Zij, die zoolang het avontuurlijk leven der oerwouden geleid had, zou ten slotte zich ook wel kunnen vereenigen met de ongemakken der kleine stad, dacht Laura, om hare bedenkingen te overwinnen. Het tehuis, dat zij Ruth Waring kon aanbieden, was in allen gevalle wel wat eng.

Maar de kale huiskamer werd toch geadeld door het groote, mooie portret van den overleden kapitein.

Openhartig en moedig zag het edele gelaat neer op het karige en bijeengeraapte meubilair. Het stukje zwarte crepe aan de lijst, de versche bloemen in de vaas daarvóór, welke dagelijks door de kinderen van den overledene werden geplukt, omgaven hem met een glimp van pieuze vereering.

Laura van Meerheimb had een jongen van vijftien en een dochter van dertien jaren. Beiden zeer begaafd, doch zoo eigenzinnig en hartstochtelijk, als kinderen maar kunnen zijn, die juist in de jaren der ontwikkeling de kracht der mannelijke consequentie in de opvoeding hebben gemist.

Deze consequentie kon de moeder hun niet geven, want, hoewel eene levenslustige, eenigszins kunstzinnige, muzikaal- en letter-kundig-ontwikkelde vrouw, zij bezat geen vast karakter en was altijd geneigd tot doelloos proeven nemen. Diepe gedachten over de dingen des levens kende zij niet.

Wanneer zij rijk geweest was, zou zij hebben toegegeven aan haar zucht naar weelde, naar elegantie, naar verkwisting zelfs. Nu en dan gevoelde zij wel het vernederende ervan, dat zij zoo dikwijls door de dwingende noodzakelijkheid des levens tot een soort nuttigheidstheorie gedwongen werd, doch haar vastgewor-telde neiging naar een gemakkelijk en zoo aangenaam mogelijk leven overstemde al het andere. Alleen voor zulk een niet op innigheid gericht karakter kon het mogelijk wezen, om eene taak op te nemen, welker dubbelzinnigheid voor de hand ligt; namelijk om hare beide kinderen in een verschillende geloofsbelijdenis op te voeden.

35

-ocr page 40-

Kapitein van Meerheimb was geboortig uit Steenbrugge en een lutheraan; zijne echtgenoote beleed, zij het dan op zeer zwakke wijze, den katholieken godsdienst.

De kinderen moesten de belijdenissen hunner ouders volgen, de mannelijke die van den man, de vrouwelijke die van de vrouw. Laura van Meerheimb dacht nimmer erover na, dat het een der allergevaarlijkste proefnemingen is, met geloofszaken als het ware knikkertje te spelen.

Zwaar en diep had zij geleden onder het verlies van haar verafgoden echtgenoot, doch thans trachtte zij zich te ontrukken aan deze smart.

„Het leven is mij schadeloosstelling schuldig,quot; — had zij eens aan Miss Waring geschreven en deze had daarop geantwoord:

„Wat gij daar over schadeloosstelling schrijft, Laura, dat heb ik nooit goed begrepen, ik bedoel dit. Wanneer men iemand zoo vurig bemind heeft, dat hij de éénig-beminde op aarde was, dan is de eenige vergoeding voor zijn verlies de smart over hem. ik heb ooit gehoord, dat een groot leed een leven nog beter inhoud geven kan, dan een groot geluk. En ik geloof, dat het zóó wei zijn moet.quot;

Laura van Meerheimb vond alles, wat Ruth Waring haar schreef, wel zeer interessant en opwekkend, — alleen; soms scheen het haar ietwat „te hoog.quot;

Ja, ofschoon Laura zich voor de ongelukkigste vrouw hield, die aller medelijden ten volste verdiende, toch was zij eergierig genoeg, om in de gezellige kringen van Steenbrugge een beetje te pronken met haar treurig lot. Zij wist bovendien heel goed, dat de weduwenkleeding, welke zij thans sinds vijf jaar droeg, zeer gedistingeerd en ongemeen stond bij haar blonde, teeder-fljne schoonheid.

* *

*

Mevrouw van Meerheimb had de balkondeuren van haar kleinen salon geopend. De Septemberlucht liet een frisschen geur glijden door de kleine ruimte, tot in de aangrenzende kamer; zij ruizelde even in den dorren lauwerkrans, die sinds den noodlot-tigen sterfdag om een hoek der schilderij van den overleden kapitein hing, zij gaf nieuwe kleur aan de drie La France-rozen, welke Hans van Meerheimb vandaag in de vaas voor het portret geplaatst had. Boosaardig greep de tocht eene rekening, welke op mevrouws schrijftafel lag en slingerde ze haar voor de voeten.

36

-ocr page 41-

Wrevelig bukte zij en raapte het stukje papier op, al verfrommelend. Zij behoorde tot de menschen, die een slechte luim uitvieren op levenlooze dingen.

Ja, Laura van Mecrheimb was slecht geluimd. Want een stille vrees bekroop haar, nu Ruth Waring dezen middag komen zou. Als de verwende Amerikaansche haar huishouden en heel Steen-brugge nu eens onverdragelijk vond?.... Wat dan?.... Zij had reeds schulden gemaakt, rekenend op Ruth Waring.

Zij bekeek de kamers nog eens met bijzondere oplettendheid. De meubels waren wel sierlijk genoeg, de aardige scheepsmodellen, de bonte Japansche dingen, de Indische vloerkleedjes, het boekenrek met internationale litteratuur, de zijden gordijntjes, in Lyon gekocht, — dat alles deed bijna voornaam. En toch, wat hielp dat, nu de wand fietsblauw behangen was, de zoldering met een groenachtig waterverfje bijgestreken, en de deuren een brutaai-opdringerig geel vertoonden?

— Deze kleurencontrasten laten zich niet verzachten en verfijnen, en Leeuwenaal knapt niets op, fluisterde mevrouw van Meerheimb. Och ja, ik ben hem nog de huur van het laatste kwartaal schuldig..., Lieve hemel, wat zal Ruth van deze plebeiische kamers zeggen?

Doch zij onderdrukte hare zenuwachtigheid, trok de lange zwarte Deensche handschoenen strak over hare slanke handen en armen, keek in de eetkamer nog even naar de keurig gedekte theetafel en ging heen naar het station. Toen zij met hoogopgehouden rokken over de stoffige trap kwam, stak een meisjeskopje van achter de deur eener opkamer:

— Mama, mag ik meegaan ?

— Wnar denk je aan, Trixy? Laat Betje je haren doen en den strik invlechten en doe je zijden schortje aan, — je ziet er schandelijk uit.

Mevrouw van Meerheimb was een kind van het oogenblik, zeer veranderlijk. Toen zij binnenkwam in de berookte wachtkamer eerste en tweede klas, triomfeerde zij inwendig. Want zij zag er een groot deel der Steenbrugsche deftigheid „toevalligquot; aan de theetafel. Zij zag ook bij het buffet eenige heeren staan en „toevalligquot; een potje bier drinken. De slimme Laura wist heel goed, dat de nieuwsgierigheid deze menschen hierheen gedreven had. Zij had ook zooveel van hare „millioenenvriendinquot; verteld... ja, sinds eenige weken was Ruth Waring reeds de roem van Laura van Meerheimb geworden. Alles was eene gebeurtenis in Steenbrugge. Zelfs eene buitenlandsche.

37

-ocr page 42-

Laura gaf met een tikje beminnelijke gemeenzaamheid de hand aan hare bekenden. Zij gevoelde, dat zij thans de situatie be-heerschte. — Maar de Steenbrugsche dames werden op het zien van Ruth Waring zeer teleurgesteld. Zij hadden iets anders verwacht dan deze smalle, slanke gestalte, geheel in \'t bruin gekleed en met eenvoudig opgestoken haar. De eenvoudige distinctie dezer kleeding was niet naar heur zin.

Alleen de drie geweldige koffers, die men slechts moeizaam uit den bagagewagen heffen kon, maakten meer indruk.

De heeren waren eerder tevreden.

De oudste wethouder der stad, de dokter en de kantonrechter, die even hun wijnroode gezichten tegen de vensters der eetzaal drukten, keken elkander beteekenisvol aan.

— Da\'s nu eens iets heel bijzonders, meende de dokter.

In den beginne stonden de beide vrouwen koel tegenover elkander. Zij geleken elkaar zoo vreeselijk-vreemd ; de achttien jaren, waarin zij elkaar niet hadden gezien, lagen tusschen haar als een breede afgrond; beiden keken naar een nieuw, vreemd gezicht. Beiden vroegen zich af, of dit nu de persoon was, naar wie zij heimwee gevoeld had.

Maar Ruth Waring zeide dapper:

— Eindelijk, liefste Laura zie ik je weer.

En mevrouw Meerheimb snikte :

— Hoeveel heb ik in dien tijd beleefd.

Van snikken en gevoelsuitstortingen hield Ruth Waring niet. Zij nam echter Laura\'s hand, drukte deze innig en zei;

— Ik weet het..,.

Die vaste handdruk stelde Laura over vele dingen gerust. Zij voelde nu, dat Ruth Waring besloten was, hare vriendin te blijven. Ruth Waring gaf nimmer een teeken van sympathie, dan wanneer zij dit oprecht meende. Laura had maar zelden iemand ontmoet, op wie zij zoozeer vertrouwen kon. Hare ziel was steeds geheel bij wat zij deed.

Ruth Waring kwam nu in een volstrekt vreemde wereld.

Uit de hooggelegen stationstraat keek zij onderzoekend neer in het droomerige nest daar beneden, en \'t was gelukkig, dat zij een artistiek-ontwikkelden kijk op de dingen had, want nu overstemde hare vreugde over de schilderachtigheid en eigenaardigheid der kleine stad haar schrik voor armelijkheid, wanbeschaving en onreinheid, reeds bij den eersten aanblik zichtbaar.

Zij bezeerde hare voeten op het oneffen, spitse plaveisel, en zij

38

-ocr page 43-

vond het onaangenaam, dat een bende jongens haar bij de intrede in \'t stadje begeleidde, luid roepend;

— Een wilde Amerikaansche.

Voor het huis van Leopold Leeuwendal zei Laura Meerheimb:

— Verschrik niet van dit vuile huis.

Ruth Waring zag hare verlegenheid en maakte een afwerend gebaar:

— Never mind. Als je vriendschap maar rein is.

Maar zij kon het niet helpen, dat de lucht in deze woning drukkend was en haar benauwde.

Laura van Meerheimb trachtte nu allervriendelijkst te zijn, om \'t voor hare vriendin zoo vertrouwelijk en gezellig mogelijk te maken. Liefkoozend geleidde zij haar naar het geparfumeerde, sneeuwwitte logeerkamertje, waar Ruth zich veel behagelijker gevoelde, dan zij eigenlijk wel verwacht had.

Toen de jeugdige Amerikaansche voor het portret van den overleden kapitein stond en de moedige, wijd-open oogen op haar neerzagen, vertrouwelijk met den scherpen blik van een goeden, edelen man, kwam een huiselijk gevoel over haai.

— Ik neem u aan om mijne kinderen, schenen die oogen te zeggen, ik heb u verwacht. Daar is hier van alles voor u te doen.

Ruth Waring behoorde tot degenen, die gewend zijn ook de stemmen der afgestorvenen in hunne huizen te hooren. Steeds had zij een groote sympathie gevoeld voor den zoo jong overleden kapitein, Laura was de eenige van haar vriendinnen, wier keuze zij begrepen en gebillijkt had.

Zij had een moedigen, eerlijken, edelen en frisschen man gekozen, — om hem zoo vroeg te verliezen.

En toch, geen deceptie had haar overvallen om hem. Heldenmoedig in de volle kracht zijner jeugd, midden uit de liefde en het geluk had de dood hem weggenomen.

Dit lot scheen haar zóó verheven en zóó mooi, ook voor zijne echtgenoote, dat zij het steeds als het ware benijd had.

Maar de wijding van deze groote gebeurtenis lag niet over de elegante en wereldsch-uitziende persoonlijkheid van Laura.

Misschien was zij overgegaan op de kinderen.

Ruth moést die wijding vinden, dat meende zij vast.

Terwijl beiden thee dronken, trof het Ruth Waring, dat Laura zeer veel over zichzelve sprak, over de ontberingen, welke de dood van haar echtgenoot haar had bezorgd, over den onaan-genamen toestand, waarin hij haar had achtergelaten.

— Troost het je dan niet, te denken aan zijn heldendood? vroeg Ruth.

39

-ocr page 44-

— Niet altijd, bekende Laura van Meerheimb, de alledaagsche zorgen hebben mij verweekelijkt.

Ja, het fijne blonde gelaat zag er een weinig verweekelijkt uit, vooral tegenover de frissche, krachtige trekken van Ruth, waarin leed of zorg nog geen slapheid hadden gelegd.

— Je zegt niets over je kinderen.

— O, ik houd zooveel van mijn kinderen, zeide Laura, maar soms gevoel ik hunne aanwezigheid als een groote, groote zorg.

In Ruth ontwaakte plotseling een sterke belangstelling voor deze kinderen, die in het leven der moeder niet veel meer beteekenden dan eene zorg. Elke gedachte aan kinderen scheen Ruth Waring steeds even veel te beteekenen als de gedachte aan iets heel schoons, iets blij\'s, iets lichts, iets hoopvols.

—- De kinderen zijn toch de toekomst, zeide zij peinzend. Ik las eens een schoone geschiedenis van eene arme weduwe, die niet wist, hoe zij hare zeven kindertjes moest opvoeden en dikwijls tobde en schreide. Toen droomde zij eens, dat zij zeven brandende kaarsen in hare handen droeg en dat een engel sprak tot haar : Wanneer gij deze kaarsen niet hei-brandend en ongeschonden den berg op, in het kapelletje brengt, zult gij voor eeuwig verloren gaan. Doch de vrouw begreep heel goed, dat met de reven kaarsen de zeven zielen harer kinderen bedoeld waren en zij dankte in haar hart den goeden God voor deze hemelsche vermaning. Sinds dien dag vervulde moed de ziel der weduwe en zij leefde voor niets anders meer, dan voor hare kinderen, zoodat het haar gelukte, dezen op te voeden tot edele en flinke menschen.

Verstrooid had Laura van Meerheimb geluisterd; het was haar niet gegeven, hare gedachten sterk op iets te vestigen, noch op een gesprek, noch op een levensdoel.

In al wat Ruth V/aring zeide, was voor haar ook een toon, dien zij niet begreep. Zij hield Ruth voor een naïve idealiste, zonder te vermoeden, dat Ruth nu reeds veel sterker het leven beheerschte, dan zij zelf ooit doen zou.

— Well dear, waar zijn nu je kinderen ? vroeg Ruth opstaand van de theetafel.

— Lize moet ze maar eens zoeken, zei Laura, achteloos met haar stoel schommelend, zij zijn altijd ergens, waar zij niet thais hooren.

— Ik zal ze zelf wel zoeken, besloot Ruth, heengaand.

Lichtelijk verstoord begeleidde haar Laura, die het pijnlijk trof,

dat Ruth reeds in de eerste uren alles zoo grondig naging.

Hans en Beatrix hadden reeds door een kier van de deur der

40

-ocr page 45-

kinderkamer de nieuwe tante bekeken en in de logeerkamer reeds alles doorwoeld, om te ontdekken, welk geschenk zij voor hen had medegebracht. Vol blij voorgevoel hadden zij twee lieve gouden horloges aan het oor gehouden. Toen waren zij weer heen gegaan.

De zoogenaamde kinderkamer, een dompig, ongezellig vertrek, dicht bij de plaats met de wolziederij, was leeg — maar . . .

— Ik hoor een jongensstem, zei Ruth Waring en lenig en snel als een hagedis glipte zij een smalle, vuile trap langs. Met tegenzin volgde Laura haar ; zij had er zich nooit ve«l om bekommerd, waar de kinderen zich buiten schooltijd ophielden.

Zij kwamen in eene kleine weverswerkplaats, die haar licht ontving uit een vensterluik in het leien dak. Daar, tusschen de gele leemwanden met de ruv/e balken, van welke de spinnewebben neerhingen, als lange, grauwe wimpels der armoede, zat de oude Joost, de wolwever, spoelen te sorteeren. Hij droeg dezelfde grauw-bruine kleeren ais toen wij hem in den maneglans zagen op het gebergte, maar nu leek zijn gelaat bijna angstwekkend vaal door de slechte lucht en het vale licht, terwijl hij in een-tonigen, droevigen dreun een oud kerkelijk lied der Hessische protestanten zong :

O eeuwigheid, gij doodenoord,

Gij zwaard, dat door de ziele boort,

O aanvang zonder enden.

O eeuwigheid, — tijd zonder tijd.

Ik weet van groote treurigheid

Niet waar \'k mij heen moet wenden.

Tegenover Joost, tegen een balk leunend, stond Hans van Meerheimb. Een verdwaalde, roodachtige lichtschemering viel op zijn schoone bruinblonde haren en zijn openhartig gelaat, dat zooveel geleek op dat van zijn overleden vader.

.— Zing verder Joost, vroeg hij dringend, gij zingt toch zoo mooi.

Zachtjes vroeg miss Waring:

— Wie is die man?

— Een oude fabrieksarbeider, die lijdt aan godsdienstwaanzin, fluisterde Laura.

— Hans, riep zij toen met haar hooge, schrille stem.

Hans volgde met tegenzin. Maar de oude Joost wendde zijn starre, grauwe oogen naar mevrouw van Meermheimb.

— Waarom roept gij het kind weg ? Kinderen willen het woord

41

-ocr page 46-

Gods hooren. Ik zie het aan u, dat gij met dat kind niet over God spreekt. Zoo iets lees ik in de oogen der menschen . . .

Dan ging hij weer verder met zijn werk, iets fluisterend over goddeloozen en vergramden op Israël.

Ruth bekeek aandachtig den ouden man. Zij bemerkte de groote, edele lijnen van zijn gelaat.

De man herinnerde haar aan de oud-testamentische etsen van Rembrandt, en in haar binnenste ontwaakte een zekere belangstelling voor den zonderling.

Maar mevrouw Van Meerheimb zag in hem slechts den alle-daagschen, een beetje getikten werkman.

Ongeduldig trok zij Hans met zich mede:

— Ik heb je verboden, bij dien raren gezel rond te loopen. Je moet niet omgaan met den ouden Joost.

— Hij is een vroom man, weersprak Hans. Hij kent zulke heerlijke verzen en liederen en hij zegt altijd de waarheid. Ik geloof niet, dat hij gek is . . .

— Och, domme jongen. Kus liever miss Waring de hand.

Ruth keek den jongen ernstig in de oogen, de oogen van

kapitein Meerheimb.

— Jij bevalt me Hans. Wij zullen vriendscnap sluiten. Ik ken ook verzen en liederen en ik spreek ook de waarheid.

Hans weerstond dien onderzoekenden blik en zijn oogen glansden op.

— Ja, dat kan heel aardig worden, zei hij vriendelijk.

— Waar is Beatrix, Hans vroeg zijn moeder.

— Beatrix zei, dat zij met haar pop ging spelen. Maar dan gaat zij altijd snuffelen in die vuile boekenkist van Leeuwendal op zolder.

De beide vrouwen beklommen de wenteltrap naar den zolder.

Op een omgekeerden mand zat daar een bleek meisje, een leelijke pop op de knieën, met neerhangend, gespannen gelaat te lezen in een kleingedrukt, vies boekje.

— Trixy, riep mevrouw Van Meerheimb, geërgerd en beschaamd, wat heb ik je nu verboden. Hier, en laat oogenblikkelifk zien, wat je leest!

Zij ontnam het sidderende kind dat vuile, besmeurde deeltje en sloeg het titelblad op.

„Le juif errant par Eugène Sue. Tome 7quot;.

Verontwaardigd wierp de moeder het boek weg en hield zij de handen voor \'t gezicht: O, o !

Ruth Waring echter tikte het kind tegen de wang:

42

-ocr page 47-

— Zoo, zoo, lees jij al Fransch, hoever ben je daarmee op

school ?

— Bij de regelmatige werkwoorden, stotterde Beatrix.

— Nu Laura, dan heeft zij nog geen derde begrepen van wat zij las, zei Ruth lachend.

Toen boog zij zich neder tot het kind:

— Willen wij samen Engelsch leeren, Beatrix ? Je zult eens zien; dan leer ik je boeken lezen die veel. veel mooier zijn, dan de „eeuwige jood.quot;

Beatrix keek op.

— Zoudt u wezenlijk zooveel moeite willen doen, vroeg zij en aien hoorde haar hart kloppen in die woorden.

— Daar zullen wij heel wat pleizier mee hebben, lachte de Amerikaansche. Maar Laura van Meerheimb zei:

— Het is vergeefsche moeite, Trixi iets te leeren. Ik heb het geprobeerd met de piano, met de viool, met naaiwerk, zij heeft nergens geduld voor.

— Ja, maar u bromt en moppert ook altijd tegen me, schreide Beatrix.

Ruth Waring keek ernstig en zei:

— Ouders hebben nooit geduld met hunne kinderen, dat is de oude ervaring.

Ruth Waring wist nu, wat de oogen van den overleden kapitein haar vroegen. Zij hadden gezegd : „Mijne kinderen hebben al lang op u gewacht.quot;

En haar hart werd warm voor deze jeugdige schepsels, welke niemand hielp in de voorbereiding voor de groote en ernstige taak des levens. Want hoe jong Ruth Waring betrekkelijk nog was, zij had een groot begrip van de plichten, welke den mensch door het leven worden opgelegd, en zij scheen de hoogste be-teekenis toe te kennen aan die plichten, welke de levende generatie heeft ten opzichte der volgende. Den bodem der menschheid te ploegen voor den kostbaren oogst der toekomst, dat scheen haar de voornaamste aardsche taak. Wanneer maar ooit kinderen in heure nabijheid kwamen, dan sprak in haar de oude heilige moederlijke goedheid der vrouw.

Toen Ruth Waring zich \'s avonds in hare kamer had teruggetrokken, stond zij nog geruimen tijd dieppeinzend voor het smalle venster van haar kamer en keek zij neder op het marktplein, door den glans der maan helder verlicht, doch slapend in de doodsche stilte der kleine stad.

Welk een tegenstelling met het gisteren pas verlaten, bruisende

43

-ocr page 48-

leven van Weenen, welk een tegenstelling deze enge, bijna arme kamer met de prachtige zalen in het paleis der Elönys. Zou zij zich ooit, al was het slechts enkele dagen aangenaam gestemd kunnen voelen in deze enge verhoudingen?

Hoeveel vlakker was hier ook de toon der dagelijksche conversatie ! Laura van Meerheimb had zich zeker niet verder ontwikkeld, zij was niets anders dan een bekrompen, lichtelijk-behaag-zieke en egoistische vrouw, wier uiterlijke gracie en aangename vormen slechts even de innerlijke leegheid verbergen konden.

Doch de kinderen, — ja, de kinderen waren veelbelovend.

Maar niettegenstaande de kinderen dacht Ruth Waring een cogenblik eraan, weder te vertrekken.

Een oogenblik ook slechts. Te veel levenswijsheid had zij opgedaan, dan dat zij zich door eerste indrukken zou laten verleiden; te rechtschapen was zij, om te willen beleedigen. Langzamerhand werd Ruth slaperig.... Door haar gedachten speelde een versje van haar vaderlandschen dichter Longfellow:

O little feet, that such long years Must wander on through joys and fears.

Must ache and bleed beneath your lot.

Het leven was voor de meesten vermoeiend en zwaar, doch de kindsheid en jeugd moesten door de volwassenen worden beschermd als het paradijs der menschheid, waaruit dc stroomen

vlieten van toekomstige kracht.

* *

*

Laura van Meerheimb had geen geduld. Zij wilde hare buiten-iandsche vriendin zoo spoedig mogelijk voorstellen in den kring harer bekenden. Ofschoon zij er zich sterk tegen verzette, moest Ruth den tweeden dag reeds zich gereed maken voor eenige bezoeken.

Men stond toch aan den vooravond van het „Steenbrugsche seizoen.quot; Dit seizoen bestond uit avondpartijen, waarbij zeer goed gegeten en zeer slecht gemusiceerd werd en die dikwijls ontaardden in een langdurig drinkgelag der heeren. Laura van Meerheimb hoopte nu maar, dat Ruth in die eentonigheid eens wat nieuw leven brengen zou.

Intusschen toonde Ruth echter meer belangstelling voor de zeldzame gevels, de gesneden balken en \'t eigenaardige vakwerk der huizen, dan voor de inwoners, wier uiterlijke verschijning door hun stootende onelegantie sterk bij het stadsuiterlijk afstak.

44

-ocr page 49-

En toch — toen de beide vrouwen de straat van het postkantoor naar het paleis van justitie overstaken, verschrok Ruth piotscling. Zij zag bij het benedenvenster van een ouderwetsch huis een man staan, die verdiept was in de lezing van zijn krant. Hij keek niet op, toen zij voorbijkwam. Doch zijn gelaat was er een van die, welke men nooit vergeet, donker en somber, een hoofd, doorwoeld van gedachten, ongewoon in deze omgeving, welke gemaakt scheen, om bekrompen, zelftevredene, eigengerechtigde fyzionomieëa voort te brengen.

Dat is de broer van Elöny! dacht zij, maar een eigenaardige bangheid weerhield haar, een vraag te stellen aan Laura van Meerheimb. Zij wist nu reeds, dat het haar nooit gelukken zou, met deze vrouw te praten over dingen, welke haar innerlijk aangingen, tusschen haar wereld en die van Laura lag een niet te overbruggen afgrond.

Ruth Warings indrukken van de Steenbrugsche klein-stedelingen waren zoo vreemd, zoo vreemd. Zij rilde, als zij maar dacht, hoe deze menschen geheel in hun omgeving waren ingesponnen en vastgegrepen, zóó samengedrukt als het ware in hun bekrompenheid.

De behaagzieke vrouw van den wethouder troffen zij in de keuken aan. Zij was juist bezig koeken te bakken en zou zich in de voorbereidende werkzaamheden van het deegroeren niet hebben laten storen, al had de hoogste gezagdrager van Europa haar een bezoek gebracht.

Alles moet zijn recht hebben 1 dacht zij, mijn deeg moet zonder onderbreking een uur lang rechts geroerd worden. En daarom bracht zij schotel, deeg en lepel meê in de „goede kamer.quot;

Bij het afscheid betastte zij ongezien den mantel van Ruth, om de kwaliteit van de zijde te beoordeelen.

Daarnaast woonde de echtgenoote van den opperhoutvester, eene oudachtige, hoffelijke en bezorgdkijkende vrouw. Van de onvermoeibare vlijt harer twee volwassen dochters getuigden de hardbonte, met rozen en viooltjes bedekte tapijten, kussens, tafelkleedjes en lampekappen, . . . die Ruths oogen vreeselijk pijn deden. De goede vrouw leefde in voortdurenden angst, dat haar meisjes misschien niet aan den man zouden komen en al heel spoedig gaf zij Ruth te verstaan, welk een noodlot het voor de kleine stadjes was, dat de „ontwikkeldequot; jongedames er „bleven zitten.quot;

— En daarbij laat ik de kinderen al sinds jaren het „Journal des Damesquot; lezen, fluisterde zij.

45

-ocr page 50-

Dc eega van den inspecteur der belastingen amuseerde de Amerikaansche het kostelijkst.

Zij was een weekhartige. Achter eiken zin liet zij half-beschaatnd een voorzichtig „met uw verlofquot; of „zonder mij er op te beroemen\'\' hooren.

— Denk u eens, mijn waarde, gisteren zijn wij met uw verlof, tot op het hemd natgeregend.

— Dat zoo iets bestond, kon ik mij niet eens voorstellen, lachte Ruth, toen zij met mevrouw Meerheimb tastend een vierde, donkere trap beklom. Dat is wel een voortdurend blijspel.

Mevrouw Meerheimb herademde, nu zij Ruth hoorde schertsen. -— dan zeiden ze;

— Weet je, voor ons beiden zijn zulke menschen geen kwade achtergrond. Wij komen zóó beter tot ons recht....

Doch hierop gaf Ruth weder geen antwoord. Zij was steeds ook zonder „zulke menschenquot; tot haar recht gekomen, ongezocht en ongewild.

Zij verachtte kunstmiddeltjes en franjes.

Het leven in deze plaats leek haar een stilstaand water. Alles scheen, gelijk in een grauwen nevel, voort te schemeren zonder eenig doel of bewustzijn. Niemand keek iets verder dan de gewoonste eischen des levens. Ruth twijfelde er weer aan, of zij deze lucht wel lang zou kunnen verdragen.

Tenslotte kwamen de dames bij de familie van den koninklijken landraad, in het slot.....

Ruth noemde het „slotquot; verachtelijk eene „Ark van Noë.quot; Het was een grauwe kast, stijllcfcs, lang en vervelend. De familie van den landraad beteekende voor Laura van Meerheimb blijkbaar de voornaamste der stad. Want vóórdat zij binnengingen, schetste zij Ruth in \'t klein deze menschen.

— De familie bestaat uit mijnheer en mevrouw Von Junkern-heim, een dochter en een schoonzuster. Hijzelf is zeer interessant. Een would-be-idealist, bovendien diplomaat, dichter, hoogmoedig menschenverachter, schitterend causeur, scherp beschouwer en toch oppervlakkig beoordeelaar van zijn omgeving. Hij maakt verkeerde conclusies, omdat hij zijn talent van raden voor onfeilbaar houdt. Zijn vrouw is eenvoudig en beminnelijk, — bijna te eenvoudig voor hem. De dochter, ja, dat is komisch, die heeft van beiden, wat. En de schoonzuster, die heeft een heel goeden aard, maar ze is een virtuoze in \'t vleien en jaknikken.

Ruth had zoo maar achteloos toegeluisterd. De groote vlag, die met haar vreeselijke, zwart-witte banen het slot in tweeën

46

-ocr page 51-

scheen te verdeden, kïapperde door den wind tegen de muren en maakte veel geweld. En dan, thans reeds stelde Ruth eigenlijk maar in één enkelen mensch van heel Steenbrugge belang....

De dames beklommen de breede steenen draaitragpen. Een zware poort, bekroond met een wapen van den Hessischen landgraaf, werd geopend en zij stonden in de woning van den Prui-sischen landraad, den voornaamsten waardigheidsbekleeder van Steenbrugge.

Ruth begon nu toch op te letten. Ook haar was die geheele levendige, als \'t ware historische belangstelling eigen, welke haar spiksplinternieuwe natie voor Europeesche verhoudingen koestert. Maar gewend als zij toch was aan de vormen van den rijkdom en zijn ongetwijfeld aristocratische zeden, moest zij onwillekeurig lachen, toen ook hier, gelijk overal, geen andere dienende geest te voorschijn kwam, dan een tamelijk slordig dienstmeisje, dat de kaartjes der dames in ontvangst nam, om ze te presenteeren aan mevrouw de barones.

De Junkernheims, vooral met name de pater familias, huldigden het beginsel, dat de mensch eerst bij den adel begint.

Slechts noodgedwongen verkeerde hij in Steenbrugge met de voornaamste autoriteitenfamilies. Toch had Junkernheims karakter iets van die innerlijke noblesse, welke zich onwillekeurig getrokken voelt tot geestesadel, in welke gestalte deze zich ook voordoet.

Zijn gelaat verhelderde bij het zien van Ruth Waring.

Deze karakteristieke vrouwenkop met de wonderbare, blijde, klare oogen ontroerde hem op het eerste gezicht.

Aanstonds geraakte hij dan ook in drukke conversatie met Ruth.

De landraad deed zeer veel aan letterkunde en stelde levendig belang in alle nieuwigheden op belletristisch gebied. Hij vroeg ijverig naar Amerikaansche verhoudingen; hij zei, dat hij hield van Allan Poe en Bret Harte, Lowell en Aldrich, — die ook van Ruth goede vrienden waren.

— Maar vele werken van Bret Harte zijn knalbonbons. En ook Allan Poe berekent zijn effecten, meende de landraad. Gij Amerikanen zijt nog te onrustig, gij zoekt nog te veel naar emoties. Men kan bemerken, dat gij nog aan \'t worden zijt.

— O. wij hebben toch ook mannen, die al iets geworden zijn, verdedigde Ruth. Kent u een rustiger, klaarder dichter, dan Longfellow, een subtieler levenswijze dan Ralph WaHo Emerson? — A propos, hebt u het nieuwe boek gelezen, dat bij ons zulk een opzien verwekt heeft? „Democracyquot; heet het. Het geeft onsr republikeinen, een slag in \'t gelaat en toch ontdekt het met zulk

47

-ocr page 52-

een onverbiddelijke gestrengheid moreele kwalen, vooral van onze kiesverrichtingen, dat het pakt, verrast en ontroert . . .

Bij deze woorden van Ruth stiet mevrouw van Meerheiirb onder tafei de Amerikaansche aan, waaruit Ruth begreep, dat zij zich op glibberig terrein gewaagd had.

— Ik heb iets over het boek gelezen, antwoordde de landraad oogenschijnlijk-kaloï, en tegelijkertijd heb ik gehoord, dat het door een dame geschreven is. Een vrouw is altijd maar een dilettante in de staatkunde. En als dilettant te willen oordeelen is vermetel, neem \'t me niet kwalijk, zelfs voor een dame. De vrouw, die dat boek schreef, had eenzelfde hart als Goethes Iphigenie. Zoo kwam zij tusschen de drijvende, jachtende menschen der werkelijkheid. Haar teleurstelling ten opzichte der politici, die zij hoogachtte, moet wel drastisch geschilderd zijn. Maar, mijn lieve mejuffrouw, wij mannen houden volstrekt niet van de liefde eener vrouw, die aan teleurstelling sterft. Zuike liefde was een ideale waan, anders niet. Love is love for evermore, liefde is liefde voor altoos, zegt een uwer dichters.

Ruth glimlachte:

— ïk geloof, dat de liefde geen machtspreuken kent, zeide zij losjesweg, zoo veel soorten van menschen als er zijn, zooveel soorten van liefde zijn er. Op dat gebied is niets vast.

Terwijl de landraad sprak, had Ruth bemerkt, dat de ader op zijn voorhoofd zwol en hij eenige keeren onrustig mevrouw van Meerheimb aankeek, die zich oogenschijnlijk heel rustig onderhield met de barones en de beide andere dames.

De barones beviel Ruth. Zij was een rustige, indrukwekkende verschijning, bestendig en vertrouwenwekkend. Meer dan haar echtgenoot, wiens ietwat dreunende spreekwijze en dikwijls benevelde blik het vermoeden wettigde, dat hij tot diegenen behoorde, die weliswaar zeer oprecht en eerlijk kunnen zijn, maar ook bijwijlen een masker dragen.

Geestig en het bestudeeren waard, was hij in allen gevalle.

Ruth zag er zeer opgewonden uit, toen zij thuis kwam . . .

In den laten namiddag, het zachte schemerlicht van den Septemberavond genietend, zat zij met hare gastvrouw op heï balkon. De kinderen speelden in de zijkamer. Miss Waring verbrak opeens het zwijgen:

— Waarom waarschuwde je mij vanmiddag? Is de landraad democraat? Dat zou men toch niet meenen.

— Neen, Ruth, lachte Laura, dat niet. \'t Is iemand, die zichzelf heeft opgedrongen als candidaat der conservatieve partij en

48

-ocr page 53-

den strijd te zijnen gunste deels persoonlijk leidt, deels ook den invloed, dien hij op de dorpsburgemeesters bezit, gewetenloos gebruikt. Dat wordt hem van vele zijden kwalijk genomen. Ik zei hem onlangs dat deze trek mij niet scheen te passen bij zijn anders zoo ten toon gespreid idealisme en hij antwoordde:

„Melieve, daarvan begrijpt u niets. Het kan immers een mannelijk karakter geen schade doen. wanneer hij zich in kracht kul-tiveert, om de meening te leiden van een menigte, die nooit zelfstandig en logisch leerde denken ? Hier zou bescheidenheid iets belachelijks zijn. Wanneer ik niet naar Berlijn ga, dan helpt een ander de zaak der conservatieven misschien slechter vertegenwoordigen dan ik. Waarom dan niet streven naar de gemakken •van den Berlijnschen winter, waarvan mijn familie profiteeren kan?quot;

— De Berlijnsche winter, waar de „kleinequot; overeenkomstig haar stand dansen kan, dat is hoofdzaak ! voegde Laura schamper erbij...

Om Ruth\'s mond kwam een plooi van verachting. Welk een bekrompen opvatting! dacht zij, maar zij uitte deze gedachte niet.

— Hebt gij hier wezenlijke vrienden, Laura ? vroeg zij.

Laura lachte:

— Ik ben over den leeftijd der vriendschappen heen! Vraag liever, wie mij interesseert. De meesten hier kent ge spoedig. Een beetje gecompliceerd zijn misschien de landraad en zijn dochter,... en dan nog iemand, die in den omgang eigenlijk het zwarte

schaap is.

— Zwarte schapen . . . hebben mij altoos geïnteresseerd, zei Ruth schertsend, doch haar hart begon te kloppen en als onverschillig keek zij naar den anderen kant.

— Het zwarte schaap zult ge wellicht niet eens leeren kennen, \'t Is een verarmde edelman, de redacteur van een klein blad, dat oppositie voert tegen de regeering. De Hessische en Hannove-raansche annexatie van 1865 wil hij niet erkennen en hij werpt zich op als censor van elke rechtsverkrachting. Natuurlijk is hij heelemaal in den ban. In zijn hart heeft de landraad wel achting voor hem, maar hij wordt woedend, als men zijn naam noemt.

— Dat moet een man van karakter zijn! wierp Ruth haar tegen, vast besloten, om zooveel van hem te vernemen, als maar mogelijk was.

— Voor mij is hij een raadsel. Een gesloten mensch. Hij leeft als een kluizenaar. Dat is misschien te verklaren door zijn eigenaardige positie, maar hij moet toch wel een geestig man wezen cn ju!st dat schijnt hij te willen verbergen. Meermalen heb ik een gesprek met hem gevoerd. Doch ik kreeg slechts banale woorden

49

ÏDEALISTEN 1

-ocr page 54-

te hooren.... Dat is misschien juist iets voor je, om dien man eens te bestudeeren.

— O lieve Laura, fluisterde Ruth, gesloten boeken zijn soms interessanter dan opengeslagen. In alle levensomstandigheden is de verwachting het beste... Desniettegenstaande zal ik jullie „zwarte schaapquot; heel graag leeren kennend-

Even dacht Ruth na. Toen ging zij voort:

.— Weet je waarom ik hier kwam, Laura ? Weet je, waarom ik hier kwam na den woeligen, gezelligen winter in Boston, na de reis over den grooten stillen oceaan, langs het schilderachtige Antwerpen en de blauwe Rijnlanden, door de fijne kunststad Dresden, na het internationale tumult van Bayreuth en de wijdingvolle Parsifalmuziek, na mijn onvergetelijke ervaringen in Weenea? Ik kwam om volkomen rust te vinden. En toch na twee dagen sta ik wederom in een kring van nieuwe menschen. Jij wilt me zelfs menschelijke raadsels opgeven.... En ik, ik wil ze wel oplossen, o heel graag! want ik vrees, dat mijne belangstelling voor alles wat mij omgeeft pas gestorven zal zijn, wanneer ik zélf ook dood ben ...

Over de hooge daken rondom zonk de duisternis. Laura van Meerheimb werd nu mededeelzaam en vertelde haar ervaringen als weduwe, van haar nooden, zorgen en lasten.

Stil aanhoorde Ruth haar. Wat daar langs haar murmelde, was een vreemde stroom, ondiep en gevangen in een al te smalle bedding. Doch zij weerhield den vloed van haar eigen lotgevallen. Laura zou nooit begrijpen, dat zij niet gelukkig was, zij, die rijk en gevierd, vrij en onafhankelijk scheen. Nooit zou zij iets vermoeden van de groote eenzaamheid, waarin Ruth leefde, noch van haar dorst naar liefde en begrijpen en haar ééne groote ideaal.

Ruth dacht aan barones Elöny, en iets als heimwee kwam over haar.... naar de vrouw, die heure zie! kon openen.

O! misschien zou het haar gelukken, den vervreemden zoon

voor zijn moeder te herwinnen.....

En zij was besloten, om Laura\'s „zwarte schaapquot; te leeren kennen, koste wat \'t wil.

VIJFDE HOOFDSTUK

Langzamerhand sloot de Amerikaansche vriendschap met Steen-brugge. Voor Ruth was al wat er in de straten der kleine stad

50

-ocr page 55-

gebeurde, een schouwspel. De menschen gingen haar voorbij, als waren zij schaduwbeelden, wier opeenvolging zich voortdurend herhaalde.

Zij zag eiken Vrijdagavond de vreemde gestalten der joden over het marktplein wandelen naar de synagoge: voorovergebogen, in diep gepeins verzonken ouden met witte lokken, —■ mannen, vrouwen en kinderen met oostersche gelaatsvormen, bont opgedirkt: zij zag Sabbathlampen aanvlammen in de vensters der joodsche huizen, — en in het nevelig avondlicht meende zij vaak in de gezichten der ouderen Rembrandtieke gelijkenissen te ontdekken.

\'s Zondagsmorgens, wanneer feestelijke geluiden de lucht doortrilden, zag zij de christelijke bewoners van het stadje, feestelijk gekleed langzaam uit hunne huizen komen en met afgemeten tred naar de kerk garn. Daar waren vrome, ingetogen, zelfbewuste burgervrouwen met kanten mutsen en breede schorten, den witten zakdoek zorgzaam dragend tegen het oudeerwaardig-zwarte ge-zangenboek. Daar trippelden sierlijk slanke, heioogige Hessische meisjes voorbij, wie de zon zoo frisch bestraalde. Daar gingen brave, oude handwerkslieden met eerlijke, gerimpelde gezichten,— waardige gemeenteraadsleden, herkenbaar aan hun hooge zijden hoeden, — fijne dames met bonte hoeden en zijden japonnen, welke wijd als ze waren heen en weer schommelden in den wind.

Een vrome ernst was in de bewegingen en schreden der menschen, een plechtige ingetogenheid, alsof zij wandelden in het bewustzijn van gemeenschap met het hoogere.

Op alle andere dagen der week waren zij ook oningetogen genoeg. Dan drongen zij met hun bezigheden tot voor de huisdeuren door, dan rumoerden hunne stemmen luid en wild over markt en straten.

Vroeg in den morgen trok de koeherder met zijn runderen toeterend voorbij. Dan kwam de geitenhoeder achter de witte en reekleurige geiten, terwijl hij zijn lange, kletsende zweep knallen liet. Eindelijk de varkenshoeder en ook het blootvoets-gaande ganzenmeisje met een roode lap aan de gaard. Dierlijke geluiden vervulden de geheele stad, want om de andere deur sprong een keffende spits of een woedende fox naar buiten.

Schooljongens en -meisjes dartelden zingend en joelend rond. Sleeperswagens en boerenkarren kraakten en ratelden over het bazalten plaveisel. Lompige invalieden, een-armigen en krukloopers schooiden, met orgels en speeldoozen gewapend, de huizen langs

51

-ocr page 56-

of een verstrooide zigeunerbende joeg een paar wilde melodieëm de steegjes in.

Berenleiders floten hun bruine ruige gevangenen ten dans e* venters van moordgeschiedenissen dreunden hun gezeur uit. Daa gingen de vensters open en rolden rood-koperen muntstukken op

de stoepen neer.

In onafzienbare menigten volgden de kinderen, kleine en groote, blonde en bruine, deze wonderen.

Ruth had nog nooit zoo vele kinderen tezamen gezien als ia Steenbrugge en nog nooit zooveel ongedempte herrie gehoord als in dit kleine, afgelegen stadje.

Maar soms ook. niet al te dikwijls, mengde een duistere zware toon zich in deze alledaagsche bedrijvigheid.

Dan begonnen de klokken in den kleinen kerktoren langgerekte, klagelijke angstgeluiden uit te stooten en uit een of ander steegje kwam een door mannen hooggedragen, zwart-behangen baar aan-dr jven, gevolgd door ernstige burgers in stemmige rouwkleederen.

Bijwijlen zongen zij onder \'t gaan een diepernstig, holklinkend koraal:

Midden in het leven heeft Oas de dood bevangen . . .

De baar, geleid door den plaatseiijken predikant in lange toog — verdween in de richting van het kerkhof.

Een zwart-gekleede vrouw, die een paar beuken kransen aan den arm droeg, volgde den stoet, — de doodenvrouw.

De mannen, die de baar droegen, hielden tot grooie verwondering van Ruth ieder een citroen in de vrije hand.

Hans van Meerheimb beweerde, dat deze citroenen na dc begrafenis bij den venter terugkwamen en Ruth had dientengevolge een heilig respekt voor alle Steenbrugsche citroenen.

Langzamerhand begon Ruth ook de steeds in de straten weder-keerende silhouetten van eenige heeren te kennen.

Daar was de voorovergebogen grijze kantonrechter, die tweemaal daags met denzelfden stijven afgemeten tred naar zijn ambxs-lokalen wandelde. De omroeper met de groote bel; de waardige stadsbode in zijn blauwe uniform; de politie-agent die bijna altooi een twijfelachtig sujet bij den kraag te pakken had.

Den gezonden plechtstatigen burgemeester kon men aanstonds kennen. Want alle menschen groetten hem, wanneer hij zich naaf het raadhuis begaf, om over \'t wel en wee van zijn gemeente te beraadslagen. Ook de geneesheer speelde een rol. Men ko*

52

-ocr page 57-

mt zijn haastigen gang of zijn onbezorgden blik gevolgtrekkingen maken over den gezondheidstoestand van Steenbrugge.

Daar was dan ook nog een hooge, ongebogen stoere mannen-festalte, die regelmatig het kleine postkantoor bezocht, om eigenhandig brieven en couranten in ontvangst te nemen. Wanneer hij buitenkwam, droeg hij deze tijdingen van een verderop kloppend grooter en sterker leven zoo vast tegen de borst gedrukt, alsof zij de behoudenis en de troost zijns levens waren.

Niemand groette dezen man, die een hoofd uitstak boven de meesten en wiens koel-grijze oogen zoo voortdurend over alies heenkeken, alsof hij hier geheel en al een vreemdeling was. Ruth Warings blik echter volgde hem met steeds sterker wordende sympathie. Hij was dus een eenzame! . . . Behoort er niet veel

feestessterkte toe, om dat te zijn?

* *

*

Het deed Ruth goed, toen de Weensche schilder haar de. juist yoltooide copie der heilige Justina van Moreto zond. Zulk een meesterwerk in de Steenbrugsche primitieve oncultuur!

Bij den aanblik van dit edele stuk herrees voor haar geestesoog wederom geheel de glans en gioed van haar verblijf te Weenen. Ruth was gelukkig, dat zij de schilderij in haar kamer kon ophangen.

De doffe, nietszeggende prentjes, welke Laura van Meerheimb als leerlinge eener teekenschool geknutseld had, moesten verdwijnen, en in haar volle glorie nam de heilige Justina bezit van den ▼rijen wand.

Het leek Ruth, alsof zij haar groote, veelbeteekenende woorden te zeggen had, deze heilige vrouwe, wier gelaat een gedachten-leven vol hoogheid, reinheid en goedheid weerspiegelde.

Vervullen de waarlijk-voltooide schilderijen van machtige meesters ons niet met dezelfde verheffende gedachten en gevoelen», als de symphonieën van onsterlelijkc toonkunstenaars?

Laura van Meerheimb deeide niet in Ruth\'s geestdrift.

— Dat zal veel duiten gekost hebben, meende zij droogjes. Jullie Amerikaanschen kunt dan ook al je luimen bevredigen.

Daar was iets nijdigs in de wijze, waarop zij dit zei. En nijd was een der kleine eigenschappen, voor welke Ruth een onbeschrijfelijke verachting gevoelde. Zij stoof op;

— Dat noem jij een luim, wanneer men heimwee heeft naar iets schoons, — wanneer men zich omringen wil met al wat reinigt, sterkt en loutert, al wat ons vervult met groote en goede gedachten. Ik hield het ervoor, dat jij voornamer dacht! . . .

53

-ocr page 58-

Maar toen Ruth dit gezegd had, hield zij plotseling beschaamd op.

Haar grootste fout was een snelle heftigheid, en sinds jaren had zij zich ingespannen, om die te bedwingen.

— Voor rijke lui is „voornaam-denkenquot; een kleinigheid! had Laura bits geantwoord.

Ja, daar was wel waarheid in die woorden; zij had rekening moeten houden met Laura\'s moeilijken toestand. Den armen komt zoo licht een bitter woord op de lippen.

Beatrix echter was door de schilderij als het ware betooverd. Toen zij binnenkwam, bleef zij met glinsterende oogen staan.

— O, tante Ruth, zei ze eindelijk, ik zou wel iemand willen ontmoeten, die er zoo goed en zoo heilig uitzag. Dan werd ik misschien ook beter. Ik ben soms zoo slecht, tante Ruth ...

En opeens begon Beatrix te weenen. Ruth legde den arm om het hoofdje van \'t snikkende kind. Zulke ontroeringen eener jonge ziel hebben iets aangrijpends voor wie de kindsheid en de jeugd liefheeft.

— Juist, Beatrix, zeide ze, zulke heerlijke kunstwerken worde* ook geschapen, om ons beter te maken. Je hebt een goede opvatting, hoor!

Het kind drukte haar wang tegen Ruth\'s wang.

— Tante Ruth, u is de eenige, die zoo goed en zoo oprecht tot mij spreekt. Ik houd ook zooveel van u, omdat u mij Beatrix noemt, ik wil niet Trixy heeten.

Ruth glimlachte.

— Jij hebt een wondermooien naam, mijn kind. Beatrix, dat beteekent „gezegendequot;, „gezaligdequot;. Aan zoo\'n naam mag men niet tornen.

Weer keek Beatrix naar de schilderij.

— Dat was een katholiek meester, die dat schilderde? vroeg zij zachtjes.

— Natuurlijk, Beatrix. Het is een voorname verdienste der katholieke Kerk, dat zij de kunstenaars gewezen heeft op een groot en eeuwig doel. Wist gij dat niet?

— Neen, antwoordde Beatrix, ik weet niets. Maar u zult mij helpen, tante Ruth, u zult mij helpen.

Hartstochtelijk-smeekend keek zij Ruth aan. En Ruth voelde haar liefde groeien voor dit zeldzame en verwaarloosde jonge schepseltje.

— U zult mij helpen, tante Ruth! had Beatrix gezegd, en Ruth kon dien smeekenden toon niet vergeten.

Zij had zoovee! en zoo ernstig over de dingen des levens

54

-ocr page 59-

nagedacht, dat alle kleine ervaringen haar werden tot levenssymbolen.

ïn de stem van dit kind, had zij de klachten der zoekende, tastende eerste jeugd gehoord, waarvoor zoo weinig ouderwordenden geheel weten te leven.

Doch Ruth glansde het helder voor den geest, wat wij, die op de hoogte des levens staan, de wetenden en ervarenen, verschuldigd zijn aan de komende generatie: te helpen, te begrijpen, voor te lichten. Het gevoel van verantwoordelijkheid welke iedere eenling in zekeren zin draagt voor de geheele menschheid, was bijzonder levendig in Ruth Waring, en zóó brandde op hare ziel het verlangen, om met Laura over Beatrix te spreken, dat zij de eerste de beste gelegenheid daartoe benutte.

Laura van Meerheimb echter behoorde tot die moeders, die niet voor hare kinderen willen leven, maar wel verwachten, dat de kinderen leven voor haar.

Toen Ruth den naam Beatrix noemde, begon zij hevig over haar dochtertje te klagen:

— Zij is een ondankbaar ding. Zoo teruggetrokken. Ik heb heel weinig aan haar. In plaats van mij te helpen in de huishouding, zit ze in boeken te snuffelen. Soms, als ik ziek of niet lekker ben, doet zij alleen alles. Zij kan dus behulpzaam wezen, waarom is zij dat niet altijd?

— Maar men heeft toch niet alléén kinderen, om er hulp van te hebben, zei Ruth opgewonden, men moet ze tot hun eigen geluk en tot geluk der wereld opvoeden.

— Nu kom je wederom met theorieën aandragen, weerde Laura af.

Doch Ruth liet zich niet van haar stuk brengen:

— Leeswoede bij een kind duidt altijd op fouten in de opvoeding. Zoo\'n kind vindt in zijn omgeving zijn belangstelling niet bevredigd, het zoekt in boeken, wat anders niemand het biedt. Zeg toch eens. Laura, wanneer houdt jij je met je dochter bezig ? Ik heb het nog nooit gezien. Dan is het toch geen wonder, wanneer dat begaafde kind den omgang met de domme straatjeugd ontvlucht en haar troost zoekt bij boeken, die toch iets van het leven weten, al is het bijlange niet altijd juist. Ja, Beatrix komt door de boeken in gevaren, want zij zoekt ze — zonder raad en hulp. Pas op, hoor!... Wie eigenlijk geeft leiding aan het godsdienstig leven der kleinen ?

Gelukkig dat het onderhoud plaats had in Ruth\'s slaapkamer vóór het naar-bed-gaan. De duisternis verborg nu de gloeiend-roode kleur van mevrouw Meerheimb\'s gelaat. Maar alsof zij zich heel sterk en gerechtvaardigd gevoelde, antwoordde zij:

55

-ocr page 60-

— Je weet, dat Beatrix tot mijne Kerk bchooren moet. Doek het leek mij onvoorzichtig en onwijs, midden in een luthersche omgeving haar volkomen tegenstrijdige begrippen bij te brengen. Daarom heb ik haar slechts laten vrijstellen van het luthersche godsdienstonderwijs in de school en haar geheel onbeïnvloed gelaten. Des te machtiger zal dan de indruk zijn, dien het katholicisme op haar maakt, wanneer zijne leer hare ziel bereikt...

— Ik begrijp je niet, wierp Ruth tegen. Je weet, ook ik ben, om \'t zoo te noemen, zonder geloof opgevoed. Eéns slechts, als klein meisje, was ik in een huisgezin, waar de moeder des avond* en \'s ochtends met de kinderen bad... Ik weet het nog; zij liet de kinderen bidden, dat zij vroom en rein zouden leven ... En toen ik dat hoorde, moest ik vreeselijk schreien... Ik kreeg heimwee naar een moeder, die ook met mij om een vroom en rein leven bidden zou... Toen maakte ik het plan, om, als Ik ooit moeder werd, mijne kinderen in geloof en gebed op te voeden...

— Gij zijt altijd een dweepster geweest, glimlachte Laura. Toen kuste zij Ruth en maakte zij dat zij weg kwam.

Zij vond, dat de onverbiddelijkheid, waarmee Ruth alles zoo diep naging, tamelijk ongemakkelijk was, en bespottelijk en nutteloos bovendien.

Met haar veertiende jaar zou Beatrix naar een kloosterkostschool gaan; daar zou men haar wel katholiek maken---- E»

daarmee uit!

* *

*

Ondertusschen zat Beatrix, die reeds lang te bed moest liggea, in de dompige kinderkamer bij het veüster, te genieten van de avondlucht, die vervuld was met een tranige, vettige reuk van wol...

De maan steeg op, niet groot en helder en koninklijk, maar nevelig en drijvend, — doch dit was voldoende voor Beatrix, want Beatrix____was verliefd.

Beatrix was dertien en een half jaar oud en had een menigte romans van E. Marlitt gelezen in de „Gartenlaubequot; welke zij b« Leeuwendal vond.

Dientengevolge had zij eens rondgekeken onder de jongelingea des lands en haar levensideaal gevonden in een jeugdigen prote#-tantschen proponent, die in Steenbrugge assistent was.

Het moest toch iemand zijn, tegenover wien hare liefde hopeloos bleef. De helden der romans waren immers haar voorbeeld...

Hoe zou een katholiek ooit een protestantschen geestelijke kunnen huwen ? Dat was immers ondenkbaar, onmogelijk . ..

56

-ocr page 61-

O, hoe ongelukkig was Beatrix toch!... Zeker, zij wist het, al had de candidaat nooit een woord tot haar gesproken, hij koesterde voor haar eenzelfden hartstocht... Werd hij niet altoos vuurrood, wanneer hij haar ontmoette? (De arme jongen, hij was yan nature zoo rood als vuur!) Maar hij hield van Beatrix, o, zeker, hij was verliefd op haar, — alléén: hij verborg die liefde in het diepst van zijn hart...

O, die maan daarboven, — o. die steile daken der buren, — o, dat zoet geheim van den vuurrooden jongeling...

Van dit zoete geheim der kleine Beatrix van Meerheimb heeft zelfs Ruth Waring nooit iets vernomen, het bleef eeuwig tusschen de maan en haar.. .

ZESDE HOOFDSTUK.

De halfbroeder van Dr. Elöny: Hans van Trottenburgv wa* minder een starre, dan een verstarde man. Verstard in een vreugde-looze kindsheid, verstard in zijne overtuiging, verstard in een deels door de omstandigheden veroorzaakte, deels zelfgewilde en zelfverkozen eenzaamheid. Op een jeugd vol fanatieke geestdrift voor een onbereikbaar politiek ideaal was de gestadig vermeerderde ontnuchtering van den mannelijken leeftijd gevolgd, op de stormachtig-vliegende geestdrift de zware, wezenlijke strijd met de wapens van het aüedaagsche leven. Van Trottenburg had het lot gedeeld van al degenen, die met te hoog gespannen verwachtingen en eischen de wereld en het leven tegemoetgaan.

Duizendmaal geslagen, duizendmaal gewond, moeten zij ervaren ea erkennen, dat alle idealen zweven boven de menschheid: — erkennen, dat de verdedigers van de idealen in den strijd meestal niet méér bereiken, dan dat zij juist die idealen boven de

menschheid zichtbaar doen blijven.....Degenen, die omhoog-

schouwen kunnen ze dan tenminste nog altoos bespeuren...

Doch zoo weinigen schouwen omhoog!

En om teleurstellingen en ontnuchteringen te overwinnen, zou er méér sterke, innerlijke opgeruimdheid toe hebben behoord, dan deze man bezat. Hoe zwak en wankelend, hoe onontwikkeld wa* tegenwoordig toch bij de meesten het gevoel voor recht en gerechtigheid. Ja, bij wijlen geloofde Trottenburg, dat het geheel verdwenen was — en dan zag hij zichzelf alleen staan op een ver vooruitgeschoven post, als een eenzame, verlaten, door zijn medemenschen verbannen vaandeldrager ...

57

-ocr page 62-

Een rilling van twijfel en wanhoop aan zijne roeping overhui-verde hem dan. Waarvoor streed hij toch? Voor een troon zonder eigenlijken erfgenaam, voor de zelfstandigheid van zijn stam, die toch zelf als \'t ware zonder strijd de zelfstandigheid prijs gaf, voor rechten en aanspraken, die zoo goed als alleen nog in zijne verbeelding leefden — want het heiligste recht verjaart.

Doch hoe ook innerlijk terneergeslagen, steeds weer verhief Trottenburg zich tot nieuwen, zij \'t somberen en halsstarrigen moed.

Hoe hopeloozer de strijd des te eervoller!

Wat maalde hij om de persoonlijke vreugdeloosheid zijns levens?

Midden in een rationalistischen en oppervlakkigen tijd streed hij immers voor het behoud van oude zeden en gebruiken, van oude drachten, oude geloofsinnigheid, voor het leven der sagen en sprookjes, welke wegstierven in de herinnering van zijn stam, voor een geheele ondergaande diep-duistere kuituur.

Hij streed daarvoor, kampend tegen de overmacht der nieuwe tijden, de tijden van stoom en machines, de tijden van de Fransche milliarden en den Duitschen kuituurkamp, de tijden van uiterlijk succes en innerlijk verval der Duitsche natie.

Onomkoopbaar als hij was, had hij met zijn scherpen blik gezien, dat het geluk der Duitsche natie niet bestaan kon in de hedendaagsche centralisatie aller krachten. Want dit volk was samengesteld uit vele, streng gescheiden stammen, en zoolang deze stammen hun kracht, hunne eigenaardigheid, hunne moeder-zeden bewaarden, zoo lang ook zou elke stam afzonderlijk sterk en onverwoestbaar zijn. Doch gedrenkt door den kosmopolitischen geest, vervreemd van de diepe, ingewortelde liefde voor eigen huis, eigen vaderland en het vaderlandsche vorstenhuis, zouden zedelooze, winst- en genotzuchtige vrijbuiters opstaan.

Dit bedenkende had hij zoo dikwijls tot zichzelf gezegd: „Men kan niet in den steek laten, wat men voor recht houdt. Of men verloochent zichzelf. Recht blijft recht, al ware er geen recht meer op aarde. Waarheid blijft waarheid, al kende ook niemand haar, behalve gij.quot;

Doch o! hoe eenzaam maakt de strijd voor zulk een overtuiging iemand tusschen degenen, die nu als immer en altijd zonder verdere gedachten zoo maar aanleven en onverschillig, niet begrijpend toezien, wanneer de nationale heiligdommen worden geplunderd en de schatten der volksziel achteloos verstrooid!

Natuurlijk had Trottenburg ook gelijkgezinden; zijn omgang met hen geschiedde echter uitsluitend schriftelijk. Zijn eenzaam

-ocr page 63-

leven had hem in den omgang stijf en ontoegankelijk gemaakt; het duurde echter lang eer hij iemand volkomen vertrouwde.

Reizen deed hij niet gaarne. Hij haatte het haasten en jachten van het moderne verkeer.

Zeker was hij een zonderling en toch niet een geheel onbuigzame, want als alle martelaren van een door de menschen niet begrepen gedachte was hem wel de donkere trots zijner eenzaamheid eigen, doch soms ook gevoelde hij den vreeselijk kwellenden honger naar een eenvoudig, vertrouwelijk, warm menschelijk bestaan, dan wenschte hij bemind en begrepen te worden, dan verlangde hij naar innigheid. De aanvallen van dit heimwee, die konden aangroeien tot hartstochtelijke smart, noemde hij met verachting zijn zwakke uurtjes, maar zij keerden meedoogenloos van tijd tot tijd terug. In zulke uren. overviel hem de bekoring, om den zwaren ban zijns levens te breken en de zegenende hand zijner moeder voor haar dood aan te raken. Daar rees haar zacht, lief, wondermooi gelaat voor hem op, vrede en geluk belovend . .. De ïchim zijns vaders plaatste zich echter tusschen hem en haar . . .

„Uwe moeder was dood voor mij, zij moet dit ook voor u wezenquot;, zoo luidde immers een zijner laatste vermaningen. En zijn vader was de eenige man geweest, dien hij met hart en ziel had vereerd. In hem leefde een taaie, onverbreekbare Hessische trouw, door niets te buigen of te breken, trouw tot in den dood...

Op een avond in October had de somberste twijfel, de vreeselijke troosteloosheid der innerlijke eenzaamheid Trottenburg overmeesterd.

De beginnende herfst had, instee van schitterend licht en vroo-lijk kleurenspel, regen en stormen gebracht. Steenbrugge scheen verzonken in reddelooze zwaarmoedigheid. In het neerdruppelend water, in het grauw en zwart der regenstemming scheen alle hoop, alle leven te verdrinken.

Tenminste, zoo gevoelde Trottenburg het, toen hij in de duisternis nog iaat naar het spoorwegstation gegaan was, om een spoedbrief in de postbus van den sneltrein te werpen.

De hevigste depressies, waaronder degenen lijden, die zonder voldoende ontspanning geestesarbeid verrichten, grepen hem de laatste dagen dikwijls met zulk een geweid aan, dat hij er zich nauwelijks tegen verweren kon.

^ Daar was iets in zijn ziel, dat schreide naar vreugde en geluk. De verloren, mishandelde jeugd begon zich aan den man te wreken. Zij, die zich steeds aan de menschen wreekt, wanneer het te laat is, tooverde hem beelden voor van liefde en leven en vroolijkheid, beelden, die hem onbereikbaar schenen.

59

-ocr page 64-

De eenzame huiverde ... Het werd hem in deze oogenblikke» te moede, alsof de geheele wereld gestorven was.

Daar golfde een vloed van welluidende klanken op hem aan, alsof zi^n droefenis door een wonder in een hartstochtelijk zoekende melodie veranderd was.

De muziek dwong hem zijn schreden te vertragen en te luisteren. In de diepe stilte groeide zij machtig aan. als stemmen vaa geesten. Dat waren de wilde, meesleepende, \'t diepste der ziel ontroerende liederen, welke Wagner den Vliegenden Hollander zingen laat, die door vrouwenliefde naar redding streeft. De hartstochtelijke klachten grepen Trottenburg aan. Hij kende deze muziek niet. Hij was te behoudsgezind aangelegd, om andere opera\'s te waardeeren, dan die van Mozart. Beethoven. Spohr c« Von Weber.

Des te sterker was de indruk, dien deze vreemde macht op hem maakte. Het was hem, alsof de muziek de innige stemming zijner ziel geraakt en tot uiting gebracht had.

Hij keek op naar de hei-verlichte vensters van mevrouw Vnn Meerheimb. Daar speelde een meesterhand op het niet meer nieuwe instrument. Plotseling verlangde hij ernaar, daarboven m den lichtkring der lamp te zitten en te luisteren naar dat spel, — lang, lang, tot diep in den nacht, geheel onttrokken aan zij» gewonen gedachtengang „Overal ben ik een buitenstaanderquot; — dacht hij vol bitterheid, toen de ruischende melodieën dra werdea afgebroken en de stilte hem weer bracht in de vreemde nuchterheid van den regenavond.

In deze stemming ging hij met diepgebogen hoofd over de •tationstraat naar het marktplein. Rondom hem somber zwijqe* — hier en daar een mat-verlicht venster — niets hoorbaar ca» het eentonig gekletter van den regen op de keien, waaruit de doodelijke melancholie opsteeg.

Daarboven had Ruth Waring plotseling de handen teruggetrokken van de vleugeltoetsen.

Een onweerstaanbare treurigheid had haar aangegrepen, midd;;» onder \'t spelen.

„Wagner is vreeselijk, dacht zij, hij mnakt zich ais het ware meester van onze inneriijke gevoelens. Hij kent de stroomen, die in onze zielen gestuwd zijn en brengt ze aan \'t schuimen, aan t koken. Soms ben ik bang van Wagnerquot; . . .

Buiten op de straat klonken eenzame, zware, zich verwijderende schreden.

* *

60

-ocr page 65-

Ruth Waring en Mevrouw Meerheimb waren bij de Junkern-keims uitgenoodigd op een „bescheiden avondmaalquot;.

Het avondmaal was niet bescheiden geweest, maar keurig toebereid en keurig opgediend.

De dochter had Mozart en Haydn gespeeld en de landraad bad den dames zijn Oostersche sonnetten voorgelezen. Sinds jaren bad hij bij dagen en nachten erover gedroomd, deze sonnetten in boekvorm uit te geven, doch niettegenstaande de warmste aanbevelingen van den dichter Rudolf Gottschall, met wien hij bevriend was, had hij geen uitgever voor zijn boek kunnen vinden en hij was te zuinig, om het op eigen kosten te laten drukken.

Ruth Waring vond het altoos onaangenaam, wanneer een auteur 2ijn eigen werk voordroeg.

Het woord, dat bestemd is, om de gedachten te verbergen, doet dit niet, als het de dichtkunst dient: het is dan nolens volens vreeselijk onbescheiden en de toehoorder gevoelt deze onbescheidenheid dikwijls pijnlijker, dan degene die voordraagt.

Bovendien waren de gedichtjes nog al erotisch van inhoud en Ruth Waring vond het onkiesch, dat de landraad deze jeugd-ontboezemingen ten beste gaf in tegenwoordigheid zijner eebtgenoote.

Gelukkig had de dichter zijn sonnetten vlekkeloos gepolijst en afgemaakt, wat taal en uitdrukking aanging. Men kon zich nu aan den vorm houden en genoeg prijzen, zonder den inhoud aan fe raken. Lof bedwelmt en zoo bemerkte de dichter Ruth\'s kunstgreep niet. Hij gevoelde zich begrepen en gewaardeerd en schonk Ruth een boekje met liefdeschetsen.

Dat was zijn hoogste gunstbetoon.

— Ik ben sterk-benieuwd om uw oordeel te hooren, zeide hij, toen hij bij \'t afscheid Ruth\'s hand vriendelijker drukte, dan zij noodig vond.

— Dien hebt ge voor je veroverd! — lachte Laura van Meerheimb bij het heengaan; doch Ruth Waring ging niet op veroveringen uit. Zij kende de menschen al voldoende om de waarde van een licht-ontvlambaar vuur naar behooren te schatten. Bij Junkernheim was zij toeschouwster, niets meer.

Spoedig daarna brachten de dames haar dankbezoek.

Het was juist in den tijd der Rijksdagverkiezingen, waarin de landraad als conservatief afgevaardigde levendig belang stelde. Conservatief in merg en been, had hij zich onlangs nog laten fotografeeren met de Kreuz-zeitung in de hand.

Het baronesje zat aan de vleugelpiano, sloeg eenige valsche accoorden aan en zong:

61

-ocr page 66-

„Idi grolle nicht, und wenn das Herz auch bricht,

Ewig verlornes Lieb, ich grolle nichtquot;.

En dan : „De zee, de zee glanst vurig-goudquot; ... Zij was het meest uitgelatene persoontje dat men zich kan voorstellen, doch zij hield van tragische liederen.

„Met hare tranen heeft die vrouw, die ongelukkige mij vergiftigd!quot; — verzekerde zij met hare ongeschoolde stem. Junkerc-heim hield zijn ooren toe.

— Meisje houd op met die liefdeliedjes! riep hij.

Toen stond hij op en rende opgewonden naar de kamer zijner echtgenoote, mompelend :

— Gebraad en licht bier! Gebraad en licht bier!

Langzaam en slaperig keek zijn vrouw op van de prachtig

gekleurde modeplaten in een Parijsch tijdschrift.

__ Wij eten vanmiddag hamschotel met snippenfricassé, —

vertelde zij zachtjes.

— Onzin, Marga. Juist bericht de agent Nurks, dat de nationaal-liberalen hunne kiezers boven in het raadhuislokaal onthalen op licht bier en gebraad. Die vervloekte, geraffineerde kerels!

— Laat jij je burgemeesters dan minstens Beiersch bier drinken: ze betalen het ten slotte toch zelf, — meende zij geeuwend.

— Dat is voor de regeering. Dan is alles geoorloofd, can heiligt het doel de middelen. O ! en daartegen niets te kunnen doen... Gebraad en licht bier. Daar zijn in Steenbrugge zoovee! hongerlijders, die voor een stuk gebraad alles doen !

Papa, kiest dan niet ieder Duitsch man zelfstandig? vrceg de hooge kinderstem van het baronesje intusschen.

De landraad stoof woedend op.

— Geborneerde gans! wilde hij roepen, echter: zijn blik viel

op een sofa-kussen. .

Met paarlen gestikt stond daarop: „Noblesse oblige — zijn wapenspreuk — dat bracht hem tot bezinning.

— Zelfstandig, Louise? De meeste menschen hebben niet eens een overtuiging. Waar zullen ze die dan halen zonder te stelen? Op de honderd kent nauwelijks één het onderscheid tusschen liberaal, clericaal en conservatief!

Trientje, het dienstmeisje, opende de deur.

— Mijnheer baron, de agent Nurks is er. _

Nurks, een stramme Oost-Pruisische oud-onderofficier, was de rechterhand van den landraad. Alles vischte hij uit en bracht hij aan. Zelfs, welke kranten de ambtenaren lazen, welke families nog Hessisch-gezind waren, en wat de biertafelklanten zeiden over

62

-ocr page 67-

den landraad. Hij was een bruikbare defectieve. Een groote, breede man met een vollen baard als fluweel. De natuur had hem blijkbaar niet tot sluiper gemaakt; wanneer echter de vaderlandsliefde in het spel was, deed Nurks alles.

Hij had immers den oorlog van zeventig meegemaakt en was gewond in den slag bij Sedan.

Soms beging hij in zijn te grooten ijver wel vreeselijke domheden, want zijn vaderlandsliefde werkte op hem hypnotisch en bracht hem meer dan eens van zijn stuk.

Doch Junkernheim stelde veel vertrouwen in Nurks, den eenigen geboren-Pruis in Steenbrugge.

In stramme, militaire houding, hakken tegen elkaar en pink op den naad van de broek, stond Nurks voor den landraad.

De waker over de publieke veiligheid berichtte:

—- Heer baron, gisteren heeft een verkiezingsagent der nationaal-liberalen in heel het groote dorp Hilgenberg de stembriefjes „verwisseld. Onder voorwendsel, dat de oude papieren vuil waren, heeft hij de boeren briefjes voor zijn candidaten in de handen gestopt en bovendien aan ieder twintig penning.

— Donders! Waar was de burgemeester dan?

— Die heeft niets gemerkt van \'t heele zaakje.

— Vervloekte kerels, riep de landraad en hij verscheen wederom in zijn woonkamer, om door te redeneeren.

— Als de verkiezingen toch maar vast voorbij waren, fluisterde de barones.

Trientje diende mevrouw Van Meerheimb en miss Waring aan.

■— Goddank, een afleiding, zei heimelijk de dochter.

De baron snelde de beide vrouwen tegemoet. Zijn weinige haren omfladderden zijn hoofd.

— Hoort u! riep hij mevrouw van Meerheimb tegemoet. — Die Trottenburg, .— uw beschermeling... uw ideaal. De man sans peur et sans reproche, die den strijd voor wettigheid en kerkelijke vrijheid aanvuurt. Omdat bij ons geen uitzicht bestaat op de verkiezing van een Welf, is hij overgeloopen naar de opruiers en stemt hij met de sociaal-democraten!... Dan had hij toch met ons moeten samenwerken. Wanneer de oppositie ontaardt in blinden, dollen tegenstand, dan houdt toch alles op...

— Hij zal niet anders gekund hebben, lachte mevrouw Van Meerheimb, wie alle strijd om politieke aangelegenheden ten slotte geheel onverschillig was, maar die er genoegen in vond, den landraad te prikkelen met haar voorliefde voor den politieken tegenstander.

■— Ja, hij gaat samen met de menschen, die tegen troon en

63

-ocr page 68-

altaar strijden. Lieve mevrouw, nu moet u toch toegeven, dat de politiek ook zijn karakter bedorven heeft. Nu zult u hem tochi niet meer in bescherming nemen.

— Ik volg mijn vrienden door dik en dun, lachte Laura. Men-schen zijn menschen. Weigering van recht drijft tot dollen strijd.

— Maar tegen godsdienst en Kerk, siste de landraad.

.— Ah ... bah! Alsof men bij u veilig was. U zelf, beste baron, hebt in den landdag ook niet vóór het voorstel-Windhorst gestemd en toch proclameert gij u als vriend van troon en altaar.

— Geen persoonlijkheden, melieve. Maar uw protégé, de malle redacteur van het Welfenblad, die strijdt voor miniatuur-staatjes en Gods wil in de wereldgeschiedenis niet erkent!

„Gods wil in de wereldgeschiedenisquot;. De barones glimlachte van genoegen.

Laura van Meerheimb echter, voortgedreven door haar strijdlust, sprak goed en treffend.

— Wanneer u elk onrecht, dat toegelaten wordt, Gods wil in de wereldgeschiedenis gelieft te noemen, dan kunt u het ver brengen. Misschien wordt zulk onrecht toegelaten, opdat de mannen ook eens mannenmoed kunnen toonen en zelfs tegenover het geweld bewijzen, dat recht recht blijft.

— U solt met een verkeerde uitdrukking van mij, zeide de landraad verstoord. In de politiek heeft nu eenmaal van den beginne de spreuk gegolden; „Gij zijt mijn, want ik ben groot en gij zijt klein.quot;

Nu mengde Ruth Waring zich ook in het gesprek:

— Dat toont echter klaar, dat al onze cultuur ons nog niet moreel gemaakt heeft, noch ons christendom ons christelijk.

— Met vrouwen kan men geen politiek bespreken, weerde nu Junkernheim af.

De barones trachtte de conversatie naar neutraal gebied af te leiden en toonde hare belangstelling voor den snit van Ruth\'s^maatel.

— Oho, Marga! riep de landraad, is het je dan om \'t even, wie morgen overwint?

— Ik vind het alleen van belang, dat jij den volgenden winter weer in den landdag komt, al het overige is me volkomen onverschillig. Want nog ooit drie lange winters in dit isolement te moeten zitten, dat zou mijn dood zijn.

— Donders! stampvoette de landraad, die bij het venster stond, daar rijden ze weer een vat bier naar het raadhuis. Trientje, roep Nurks!...

Nurks sloeg aan en stond weer in postuur.

64

-ocr page 69-

— Nurks, luister eens. De redacteur van de krant moet vanavond in den laatsten oproep der kiezers nog eens spreken over de welwillendheid der Pruisische regeering voor Hessen en Steen-brugge in het bijzonder... Neem me niet kwalijk dames, ik moet den burgemeester nog eens even spreken. Tot ziens!

Nooit was de landraad van Junkernheim in zulk een slechte stemming geweest als den volgenden dag. Een nationaal-liberaal en een sociaal-democraat waren in herstemming gekomen. De helft der trage burgers van Steenbrugge had niet eens gestemd.

— Als zij maar wisten, hoe mooi het in Berlijn is, dan stemden 2ij allen conservatief, zei mevrouw de barones met vrouwelijke logica.

ZEVENDE HOOFDSTUK

Ruth Waring behoorde tot de zeldzame menschen, die te .veel eerbied hebben voor het toeval, dan dat zij het tot iets zouden willen dwingen.

Wat in haar macht was, deed zij: haar leven in steeds hooger banen opvoeren, doch zij nam een voorname, afwachtende houding aan tegenover datgene, wat als een genade en een geschenk zijn moest. Zoo verzette zij ook geen voet, om Trottenburg te leeren kennen, ofschoon zij zeer levendig verlangde naar een persoonlijke kennismaking met hem. Zij had een duister voorgevoel, alsof hierin iets beslissends lag voor haar leven, iets diep-aangrijpends. Over haar kwam een eigenaardige stemming, als op den vooravond van een plechtigen dag, van een droevige of blijde plechtigheid.

Het kon dan ook niet anders; zij móest in dezen man belang stellen. Daar was bijna niemand, met wien zij praten kon, gelijk zij gewend was te praten, over wezenlijk belangrijke en gewichtige onderwerpen, over vraagstukken van leven en ontwikkeling, godsdienst en kunst. Niemand in Steenbrugge scheen aan zooiets te denken. Allen leefden van den eenen dag in den anderen, — ook in geestelijk opzicht van de hand in den tand. De ziel der vreemdelinge begon te hongeren naar iets beters.

Eindelijk maakte Ruth Waring geheel ongezocht kennis met Trottenburg.

Zij zag hem voor het eerst in het lokaal eener oud-Hessische geschiedkundige vereeniging, waarin hij voor tal van vrienden des vaderlands een lezing hield over het historisch verleden van Steenbrugge. Hij ging terug tot den tijd der Romeinen, tot de

65

iDEALlSTEN 5

-ocr page 70-

tijden der Germaansche godenvereering. Een Wodanseik had op den heuvel boven Steenbrugge gestaan, de dappere Chatten hadden hier hun verblijf. En zoo ging Trottenburg voort met het mede-deelen van allerlei bijzonderheden, die het leven in \'t Romeinsche verleden bijna duidelijker en begrijpelijker maakten, dan het zelfstandige, met sagen en overleveringen doorweven volksleven was.

Trottenburg\'s lezing getuigde van een algeheele verdieping in het onderwerp. Men veelde het, het leven van dezen man hield met wortels en vezelen zich vast aan den vaderlandschen grond

Een harden, bijna drogen klank had zijne stem — en toch soms, wanneer hij begon te spreken over de natuur van zijn vaderland, werd zij malscher, milder, voller, zachter. Misschien had deze man in woud en veld zijn gelukkigste jaren beleefd, want zijn hart trilde en klopte in deze schilderingen. Wanneer hij daarover sprak was hij de zoon van de vurige barones Elöny.

Gespannen zocht Ruth Waring nu ook in zijn voorname, maar door strengheid, ontbering en strijd geteekende trekken naar de uitdrukking van zijn karakter, naar de gelijkenis met zijne schooae moeder. Doch veel vond zij niet. Dat door zelfbedwang scherp geworden gelaat, deze scherp-kijkende oogen konden iederen gladden journalist eigen zijn. De mond echter verried het karakter. Dat was een woord, vol hartstocht, maar bedwongen door sterke wilskracht.

Ruth Waring zeide tot zichzelf: „Deze man heeft met zijn karakter te strijden gehad; zijn breede, machtige borst kon dieper ademhalen, dan hij zich nu veroorloofde. Waarom is hij aiet geheel zichzelf? Waarom laat hij voor zijn persoonlijkheid geen ruimte naast den politicus?quot;

Even verschrok zij over een plotseling zich vertoonende uitdrukking van zijn gelaat. — Daar zag hij er uit als een dweeper.

En och, dweepers zijn in vele opzichten bekrompen, onbevredigende karakters. — met haar jeugdige menschenkennis wist Ruth dit toch wel.

Stram marcheeren dweepers in ééne richting, en veel, wa£ anderen niet bereiken, bereiken zij wél, — doch wat zij onderweg vertreden en verliezen, wat zij stooten en storen is misschien méér waard dan hun groot succes.

Ruth Waring stelde belang in Trottenburg\'s toehoorders.

Daar waren typen vertegenwoordigd, welke zij nog niet op straat gezien had. Oude heeren met strenge, eenvoudig-voorname gezichten, zeker adellijken uit den omtrek. Menigeen was duidelijk te kennen als gepensioneerd militair. Vrouwen waren er in een,»

66

-ocr page 71-

voudige kleedij, maar toch met onbeschrijfelijk-fijn uiterlijk. Ernstige jonge meisjes met diepe oogen, Oude dames met aristocratische trekken en wonderbaar-lichtende witte haren. Allen hadden iets vroom-godsdienstigs aan zich: iets helders, iets vclstrekt-eerlijks. Het was een vereeniging van stillen-in-den-lande.

De landraad Von Junkernheim was ook tegenwoordig. Zijn donker, scherp-geteekend, diep doorgroefd gelaat met zijn hartstochtelijk vlammende oogen, zijn hooge, al te slanke, bijna broze gestalte, stak opvallend af bij deze rustige, zelfbewuste oud-inge-zetenen van Hessenland. Zijn schedelvorming verried zijn vreemde afstamming.

Na Trottenburg spraken nog twee taalkundigen over beroemde Hessen. De een las brokstukken voor uit een boek van Ernst Koch. De ander sprak over de gebroeders Grimm, de beroemde sprookjesdichters. Na deze voordrachten volgde een uurtje van gezellig samenzijn, gewijd aan ongedwongen conversatie.

— Ik ben hier een vreemdelinge. Zal Trottenburg zich mij laten voorstellen? vroeg Ruth aan mevrouw Van Meerheimb, die lachte, alsof deze vraag belachelijk was.

— Die zich laten voorsteilen aan een dame. Ik wed dat hij nog nooit er aan gedacht heeft.

— jammer, zuchtte Ruth en dit woord liet een vleugje teleurstelling doorschemeren.

— Wanneer gij op hem wacht, zult ge hem nooit leeren kennen, ging Laura verder. Hij is niet zooals Von Junkernheim. Die loopt mijlen vér, wanneer hij hoort, dat een buitenlandsche dame op komst is. Maar dat is zoo erg niet. Ik zal Trottenburg vragen, wie dat artikel in zijn blad geschreven heeft en jij blijft bij me. Dan is hij als \'t ware gedwongen om je te leeren kennen.

Ondertusschen zou Trottenburg niet zoo ijselyk koel gebleven zijn, als mevrouw Van Meerheimb voorstelde.

Hij had immers de herinnering bewaard aan die Wagneriaan-•che melodieën en in Steenbrugge kon het niet onbekend blijven, dat de jeugdige Amerikaansche zoo meesterlijk piano speelde.

Het verraste hem dan ook aangenaam, toen hij haar gelaat bespeurde.

Zoo onbekommerd leek hem dat, zoo vrij en moedig, zoo vol levensvreugde en toch voornaam en vastberaden. Had hij dat gelaat nooit vroeger gezien? Misschien herinnerde hij het zich van

een antiek standbeeld: misschien van een klassiek schilderij----

misschien uit een droom.... Fier en flink, helder kwam het uit in het halfduister der zaal.

Bij Trottenburg zou zeker de gedachte niet zijn opgekomen.

67

-ocr page 72-

om zich aan Ruth te laten voorstellen. In de verte zou hij haar hebben laten voorbijgaan als een schoone verschijning. Vrouwea hadden nimmer een rol in zijn leven gespeeld. Wat moest hij act vrouwen beginnen? Zij zouden alleen maar zijn werkkring verstoren... Misschien steekt achter dit edele gelaat volstrekt niets bijzonders... Nieuwsgierigheid kende hij niet. Hij werd zelf» een beetje boos, toen Laura van Meerheimb hem aansprak.

De levendige elegante jonge weduwe achtte hij niet bijzonder hoog. Hij had een afkeer van zoogenaamd ontwikkelde vrouwen, zelfs wanneer zij de pen voerden.

Steeds zinnend op bijverdiensten had Laura ven Meerheimb hem bestormd met wereldhervormingsopstellen, met nieuwe gedachten ever het huwelijk, zelfs met modeberichten. Eens had hij een artikel van haar over kinderopvoeding geplaatst en sindsdien had zij hem geen rust meer gelaten.

Het kostte hem veel moeite, vriendelijk te blijven, want alle indringerigheid haatte hij. Laura was echter niet fijngevoelig genoeg, om dit te bemerken. Trottenburg gaf haar als mechanisch koele antwoorden. Doch onwillekeurig glansden zijne oogen op bij het zien van Ruth Waring. Ook van nabij behield haar gelaat aües, wat het van verre gezien deed vermoeden. Het was zoo kloek, zoo hoog-ontwikkeld, en toch zoo zuiver en frisch.

Hij kon er niet buiten, nu moest hij zich voorstellen, en dat deed hem bijna genoegen.

— Hoe bevalt Stèenbrugge u? vroeg hij tamelijk plotseling.

— O, antwoordde zij glimlachend, het leven is overal waard geleefd te worden. Ik houd zooveel van het leven, dat zelfs de levensuitingen van Steenbrugge voor mij van belang zijn.

Ruth Waring zei steeds vrij en vrank wat zij dacht, en dat maakte haar woorden krachtig en schoon.

— Ik behoor tot degenen, die Steenbrugge voor een der heerlijkste steden van de wereld houden, omdat het mijn vaderstad is. De vaderstad kan iemand eenzaam maken, zij kan ruw, kwaad, vol haat, arm en leelijk zijn, maar zij begrijpt iemand, gelijk gzen andere plaats. In de omgeving van Steenbrugge werden al mijne levensstemmingen beantwoord.

Hij sprak stotterend en streek herhaaldelijk met de hand over het voorhoofd. De kunst om oppervlakkig te praten verstond hij heelemaal niet. Diep uit zijn binnenste kwamen zijne woorden.

— Ik had nooit zulk een engbegrensd vaderland, zei Ruth, overal in de wereld zoek ik wat mij bevalt, en ik voelde steeds, hoe ik daardoor als \'t ware groeide. Maar... ieder op zijn manier.

68

-ocr page 73-

— Ieder op zijn manier, herhaalde hij. Hij gevoelde zich oud en onbeholpen tegenover hare frischheid. U hadt vleugels en ik kad er geen, voegde hij er aan toe.

Hij had nog nimmer zoo met iemand gesproken. Had Ruth Waring ook den sleutel van deze besloten ziel gevonden ?

Het onderhoud werd kort afgebroken. Een oude Hessische majoor tikte Trottenbxirg op den schouder, om hem dit of dat te vertellen.

Trottenburg had nog juist den tijd, om te zeggen:

— ik heb een welvoorziene boekerij. Daarin staat veel belangrijks over Steenbrugge. Misschien kan ik u daarmede van dienst aijn, miss Waring!

Toen ging hij met den majoor mee.

— Ongehoord, lachte Laura. Jij hebt hem uit zijn tent gelokt. Mij heeft hij nimmer zulk een aanbod gedaan.

Junkernheim kwam naderbij:

— Stel u voor, die Trottenburg wilde mij geen hand geven. Ik ben een Pruis, dientengevolge moet men mij haten. Zoo n mensch is toch niet geschikt voor de samenleving.

Ruth keek stil voor zich uit. Ja, zoo moest deze man wel zijn, •ntactisch in zijn tegenzin, star brekend met alle conventie. Zulke menschen echter hebben meestal innerlijk zeer zwaar geleden en lijden voortdurend, wanneer zij zich ruw en kantig voordoen.

„Mijn vaderland beantwoordt al mijn stemmingenquot;. Deze woorden kon Ruth Waring niet vergeten. Typisch, ouderwetsch, ongecultiveerd had zij Steenbrugge gevonden, schilderachtig en grotesk, doch dezen man moest het toch nog heel wat meer te vertellen kebben.

•je *

*

In die herfstdagen was het een voorname bezigheid van Hans ea Beatrix van Meerheimb, om met groote doozen en tasschen gewapend de bosschen in te trekken. De jongen zocht naar hazelnoten, Beatrix naar champignons en paddestoelen.

Ruth Waring ging met de kinderen mede. Zij had steeds behoefte gehad aan flinke wandelingen in de frissche lucht.

En daar trachtte zij Trottenburg\'s geheimzinnige uiting te begrijpen. Daar bekeek zij voor het eerst met vorschenden blik het stadje van de heuvels, die het omringden.

Wel lag het daar mooi met de overblijfsels zijner vestingmuren, zijn stoute torens en zijn veelvormige, smalle en breede, hooge en lage woninkjes en ernstige gevelhuizen, — ingesloten tusschen

69

-ocr page 74-

weiden en tuinen, omgeven door fel-gele, fel-groene en schitterend-roode herfstboomen, — verdroomend in de grauwheid van zijn ouderdom en in den blauwen rook zijner haardvuren.

Daar leerde zij de verholen woudwegen kennen en de zonnige hellingen, dichtgegroeid kreupelhout, en beekjes, die dartelend bergafwaarts buitelden, kleine, met biezen omzoomde meertjes onder geweldige boomen, doorwoekerd van waterbloemen. Zij bemerkte, dat dit eenvoudige landschap oneindig-veel afwisseling bood. Van alle zijden zag het er anders uit, eik uur van den dag toonde het een ander karakter. Anders verscheen het in het blanke morgenlicht der zon, anders in het felle, al te stralende licht van den middag, anders in de glorie van zonsondergang en in de nevelfloersen van den zinkenden nacht.

Terwijl Hans en Beatrix de schatten van het herfst woud verzamelden, ging Ruth gaarne stil op een vooruitspringende rots zitten, om te kijken naar de slingeringen van het kleine stralende blauwe riviertje, dat door een weelde van weiden heenstroomend, zich verloor in het violette-donker der wouden en ginds tusschen de velden weer glinsterde als een bliksemschicht. De jeugdige Amerikaansche vond dat alles bekoorlijk en idyllisch, maar dat men het hartstochtalijk beminnen, ja verafgoden kon, dat begreep zij niet. Zeker, zij bezag het nog niet met den diepen blik dei-liefde, waarmede men zijn eigen geboortegrond of dien van zijn dierbaarste vrienden beziet. Zij. die gewend was, den blik te laten zweven over onmetelijke zeevlakten, zonder grenzen te zien, of van geweldige hoogten neer te schouwen op de wijde, wijde wereld, — zij, die op de vleugelen van den stoom duizenden en nogmaals duizenden mijlen had afgelegd, zij stiet zich als het ware tegen de lage grenzen van dit bescheiden landschap. Eerst langzamerhand leerde zij den grooten maatstaf ter zijde leggen, om zóó de bekoring van het enge dal beter en inniger te gevoelen.

Op een zwaarmoedig-mistigen herfstdag, toen alles vol was van een zachte resignatie, deed Ruth Waring als \'t ware den eersten diepen dronk uit den kelk der schoonheid van het Hessische land.

De vacantietijd was voorbij. Hans en Beatrix zaten weer op de schoolbanken. Laura van Meerheimb dacht aan niets ander? dan haar huishouding. Alléén ging nu de jeugdige Amerikaansche over de beboschte heuvels, tot den bergtop, vanwaar zij het ge-heele dal kon overzien. Daar stond een oeroude linde, die de wandelaars wijd in den omtrek scheen uit te noodigen, om een weinig te komen uitrusten. Ruth ging zitten op de bank onder de linde.

70

-ocr page 75-

Rondom haar, jeugdige eikenstruiken, gloeiend in diep-bruin, volrood en goudgeel... Ruth moest denken aan het mooie Heimats-licd van den toch niet patriotischen Heinrich Heine :

Deutschland hat ewigen Bestand,

Es ist ein kerngesundes Land.

Mit seinen Eichen, seinen Linden V/erd\' ich es immer wiederfinden!

Zij zat daar en keek en keek... Midden in de velden, daar beneden in het dal, stak een reusachtige wilgenboom zijn breede kroon omhoog.

Sinds een menschenleeftijd wel, en langer nog, had hij geduldig de woeste nachtelijke omarmingen, het schudden en stooten der stormen moeten verduren. In de vroege lenten en de late herfsten waren zij komen aanrijden, de onbeteugelde rossen van den ouden Wodan; zij hadden met dolle woede getrokken en gewrikt aan den jongen, zacht-zilveren struik, zijn lange takken neergebogen, zijn lange lokken geroofd, getracht zijn groeiende kroon te breken, — en toch niets anders bereikt, dan dat de boom al zijn krachten in wonderbare eenheid samentrok, .— niets anders, dan dat hij daar nu stond als een sterke, een stoute, een beheerscher van den omtrek, een verweg zichtbare, een beproefde, maar óók een overwinnaar.

Ruth bewonderde hem in zijn glorieuze eenzaamheid, zooals hij zich baadde in geuren en kleuren, schitterend en stralend in vorstelijke rust, slechts een weinig naar het Oosten gebogen, als om te beduiden, dat de Westenwind met zijn regen en sneeuwstormen de machtigste vijand was.

Ruth hield ervan, het veelzijdig karakter der boomen te be-studeeren____

En toen gebeurde in de stilte van dien herfstmiddag iets wonderbaars.

Het eenvoudige klare, bijna nuchtere landschap scheen zich te vergeestelijken, het werd een droomerig tooverland, toen de zware herfstnevels van de rivier en velden opstegen als weeke, wiegende, wegvloeiende sluiers, nederzonken als blauwe, drijvende schaduwen van het hemelgewelf en de bont-stralende boomen hulden in een mystisch gewaad, toen de contouren der gebouwen en bergen verzwonden in zilverig geschemer.

Niets bleef duidelijk-waarneembaar, doch alles scheen grootscher. ernstiger, schooner in deze flakkerende onwezenlijkheid van het zinkende licht en zijn brekingen.

71

-ocr page 76-

De groote fransche landschapschilders, de weder-ontdekkers van het licht Corot en Troyon, de droomer van Barbizon, Millet, de minnaar van het wijde, vlakke land en Rousseau, de dweepende bewonderaar van groote, ernstige woudreuzen, zij, voor wier schilderijen de beschaafde wereld alstoen verbaasd stond en den terugkeer tot de natuur leerde, zij hadden ook Ruth Waring leeren zien. Niet voor niets kende zij de Europeesche schilderijen-verzamelingen. Zij had in zichzelf bewezen en gevoeld, dat het de groote kunst is, die ons leert het leven en de natuur te betrachten, gelijk God wil, dat wij die zien.

Ja, Ruth voelde het nu wel, dat deze herfstavond in het kleine, Hessische dal gerust vergeleken mocht worden met a! de heerlijkheden van beroemde streken.

In zichzelf verzonken zat zij te kijken, met zachte droefheid gewaarwordend, hoe langzamerhand een sombere duistere toon de ichoonheid voor haar kwam verstoren, hoe de kleuren vergleden in de avonddroefenis, hoe zilver en purper en glanzend water-blauw stillekens stierven, en hoe uit de gronden scheen te stijgen een zwartachtige rook, die allen gloed verdoofde.

Maar wat hoorde zij? Daar liep iemand achter haar door het diepe, ruizelende herfstloover. . . Zij werd zich zeer bewust, hier alléén te zijn. Doch zij kende geen angst.

Zij wendde hare groote, onbeschroomde oogen naar dengene, die daar aankwam en in de schemering herkende zij de hooge, ietwat gebogen gestalte van Trottenburg. Hij bemerkte haar eerst, toen hij zeer nabij was, want zijn blikken hingen eveneens aan het wondere schouwspel van den verkwijnenden dag...

Zijn donkere oogen glansden, toen hij Ruth zag. Aanstonds gevoelde hij, dat zij zooeven hare hulde gebracht had aan de schoonheid, de zachte bekoorlijkheid van zijn geboortegrond. Doch hij zou wel, even groetend met den hoed, zwijgend voorbijgegaan zijn, wanneer Ruth niet op haar Amerikaansch-vrijmoedige manier haar hand met levendig gebaar had toegestoken.

— Nu weet ik, wat u bedoelde, toen u onlangs vertelde, dat dit landschap al uwe stemmingen beantwoordt, zeide zij, alsof zij het vroegere onderhoud voortzette.

De onbevangenheid van haar toon, haar mooie, open b-ik, ontnamen Trottenburg terstond zijne starheid en ongenaakbaarheid, ja, zonder het zelf te merken, glimlachte hij even. gelijk zij. Hij kwam onder de edele macht, die in Ruth Waring leefde en reeds zoo menigeen overwonnen had.

— Mijn geboortedal had van middag zijn liefelijk, zijn beste

72

-ocr page 77-

uurtje, antwoordde hij. Het vertelde niets van de armoede en den zwaren arbeid zijner bewoners, niets van de vreemde heerschappij en de treurige verweesdheid van ons volk, het hulde zich in den sluier van illusiën en fantasieën...

— Men heeft recht op wat men zijn kan. Waarom zou uw dal zich niet tooien met fantastische schoonheid, wanneer het de middelen daarvoor heeft?

Ruth\'s taal, met eer tikje moeilijkheid en ongeoefendheid, klonk hem bekoorlijk. Zij sprak met overleg, gelijk alle menschen, die veel denken en houden van schoonheid. En Trottenburg was een dweeper met zuivere, schoone taal.

Hare stem had hem tegengekionken als een weldaad; een eigenaardig, nooit te voren gekend gevoel van behaaglijkheid en vei-kgheid streelde hem, nu zij nabij was.

— Wij zouden den terugweg samen kunnen wandelen, zeide hij. Het wordt reeds donker. U kent immers de richting niet heel juist.

— O- lachte zij, ik heb overal nog mijn weg gevonden, maar ik ga heel graag met u mee.

De weg, door den snel-verzwarenden mist, naast deze jonge vreemdelinge, wier slanke silhouet hij onduidelijk naast zich zag, was voor Trottenburg als een mooie droom. Zeker en vertrouwelijk sprak zij met hem, vertrouwelijk antwoordde hij haar, gelijk eerzame, flinke menschen met elkander spreken, en ten slotte voelde hij eene eerlijke, sterke vrouwenhand de zijne drukken. Vluchtig schoot het hem in de gedachte, dat hij eens gelezen bad: „Het eenig wezenlijke geluk op aarde wordt den mensch door een anderen mensch bezorgd.quot;

Misschien was iets daarvan waar. In allen gevalle gevoelde hij thans, dat hartelijkheid, oprechtheid en eerlijkheid mooie vrouwendeugden zijn, en dat Ruth Waring deze deugden reeds in haar uiterlijk op een buitengewóón-aantrekkelijke wijze belichaamde. En hij gevoelde zich beter, vrijer en tevredener, toen hij dezen avond zijn ongastvrije en koude woning binnentrad.

ACHTSTE HOOFDSTUK

Wanneer het leven ons nu eens alles vrijgevig geschonken, wanneer het eiken nog zoo vermetelen wensch vervuld had, behalve één eenigen, o dan zouden wij al het overige vergeten ea

-ocr page 78-

om dien éénen niet-ingewilligden jammeren en weeklagen. Want zoo zijn wij, en zoo ging het ook barones Elöny.

Verscheidene malen sinds Ruth Waring\'s vertrek hadden flauwtes haar overvallen. Ruth\'s tegenwoordigheid had haar een sterke prikkeling bezorgd, als een levenwekkende aanraking van jeugd en kracht. Werkelijk, zij was er door verjongd geworden.

Nu kwam de reactie, en wel sterker en langduriger dan gewoonlijk. De ouderdomszwakte nam toe en deed zich ernstig gevoelen. Haar zoon kon het zich als geneesheer niet meer verhelen, dat deze aandoeningen gevaarlijk waren. De ebbe des levens was begonnen en een nieuwe vloed was niet meer te voorzien.

Zware vermoeidheden overvielen de oude dame, langdurige bezwijmingen. Haar groote belangstelling in kunst en schoonheid vlamde niet zoo krachtig als voorheen meer op; zelfs op betrekkelijk gunstige dagen gevoelde zij een afkeer van het leven en zijn gezelligheden. Zij ontving hare oude bekenden niet meer.

De uren naderden, waarin men, naar Dante\'s woord, de zeilen reeft en de kabels licht. Dr. Elöny toonde zich opofferend bezorgd voor zijn mama, alle familieplichten nam hij ernstig en streng op, elk vrij oogenblik wijdde hij aan zijn lijdende moeder. Zij nam dit alles echter op als iets heel gewoons en vond voor haren trouwen zoon nauwelijks andere woorden, dan deze: „Ware uw broeder hier! Ik wil mij met hem verzoenen. Ik kan niet zonder verzoening sterven.quot;

De onrust van dit brandend verlangen ontroofde haar den slaap, verteerde hare krachten, deed haar koorts stijgen. En toch kon de dokter er niet toe komen, nog eens naar Trottenburg te schrijven. De laatste, grove afwijzing had hem te diep gestooten,

Nog nooit van zijn leven had hij tweemaal om hetzelfde gevraagd.

Doch zijn moeder begreep dat niet.

— Hij moet komen, smeekte zij. Hij is mijn kind evenals gij. Hij zou er levenslang spijt van hebben, als hij niet bij het sterfbed zijner moeder geweest was.

Toen, in den angst zijner ziel, schreef Dr. Elöny aan Ruth:

„Vrouwen spelen soms datgene klaar, wat wij mannen met den besten wil ter wereld niet bereiken. Ons staat men niet zoo gemakkelijk iets toe als u. Mijn stiefbroeder hebt gij zeker reeds leeren kennen. In zulk een klein nest kan men voor elkander r iet uit den weg gaan. Misschien heeft hij al de goede macht erkend, die in u is. Dat zou voor mijn moeder een groot geluk zijn, want zij is ziek, en dag en nacht verlangt zij naar verzoening met dezen zoon.

74

-ocr page 79-

„O! als gij mijne moeder eens dezen grooten dienst bewijzen kondet, om Trottenburg te bewegen, dat hij hierheen kome!... Ik vertrouw het u wel toe...quot;

Dr. Elöny had een als \'t ware profetisch voorgevoel, toen deze brief verzonden was... Hij had Ruth Waring opgedragen, om beslissenderwijze in te grijpen in het leven zijns broeders. Doch snenschen, die elkander in de verholen diepten der ziele zien,

zuilen elkander van nabij kennen, van zéér nabij, en elkaar nooit meer kunnen vergeten, nooit... Dat wist Dr. Eloy en iets als droefheid en jaloezie besloop hem even ...

Ruth Waring ontving Elöny\'s brief op een zeer gelukkig oogenblik. Zoo juist had Laura van Meerheimb haar gezegd:

— Ruth, je wordt alle dagen mooier. Men mocht je wei schilderen als een godin der jeugd en gezondheid. De Steenbrugsche lucht bekomt je buitengewoon.

Waarop Ruth lachend antwoordde:

— Alles bekomt me, omdat ik in alles belang stel. Dagelijks gevoel ik opnieuw, hoe wonderbaar het leven is.

O ja! soms kreeg zij een gevoel, een als \'t ware bruisend en schuimend gevoel van frischheid en kracht. Stond zij niet in den heerlijksten levenstijd? Behoorde zij niet tot een ras, dat opgroeide in vrijheid, onafhankelijkheid en zorgeloosheid?

Daar was iets onoverwinnelijks in Ruth Waring. Het was haar te moede, als iemand, die bergen verzetten kan, omdat zijn wil onvermurwbaar is. Soms innerlijk ervan gruwend, zag zij met verwondering rondom zich in de wereld afgeleefde, slaperige, er, smartelijk-vertrokken aangezichten. O, zij kon er niet aan gelooven, dat zij zelve ooit vermoeid worden zou, dat zij zou verouderen... geen succes meer hebben... Zoo heerlijk-sterk voelde zij zich thans.

Toen zij Elöny\'s brief gelezen had, was zij aanstonds besloten,

om te doen wat zij kon. O, zij wist het nu reeds. Trottenburg zou moeten wijken, het zou haar gelukken, hem te brengen tot zijn plicht. Zeker, delicaat, uiterst delicaat was deze opdracht,

voor een vreemdelinge, — maar was zij niet de boezemvriendin van de barones, die verlangde naar den verloren zoon, vóór het leven ontvlood?

Nog denzelfden avond ontving Trottenburg van Ruth Waring een briefje, waarin zij hem verzocht, den volgenden dag bij haar te komen.

Hij was zeer verrast, vooral omdat hij zich den geheelen da^pTö^NV niet los had kunnen maken van zijne gedachten aan de vreem^^^~^v |

-ocr page 80-

aantrekkelijke persoonlijkheid der jeugdige Amerikaansche. Warea zijne gedachten dan bij machte, om dezen brief van Ruth als \'t ware naar zich te trekken?

Gelijk alle eenzame en peinzende menschen helde hij wel ovet tot zoo\'n klein bijgeloovigheidje.

Toch kostte het hem moeite, haar een bezoek te brengen. Zij* optreden in den kleinen salon van Laura van Meerheimb, had dan ook iets linksch, stijfs en onbeholpens, zijne stem klonk ruw en roestig, zijne woorden waren kort en bijna onsamenhangend. Geen spoor van aangename manieren doch ook niets conventioneels of alledaagsch. Ruth\'s verschijnen in de kamer maakte hem keel schuchter, hem, die anders voor niemand ter wereld de oogen neersloeg.

Haar fijne, gedistingeerde schoonheid kwam geheel tot haar recht in den rijken, smaakvollen huisjapon. Zulke lange, zachte, plooiende gewaden droeg geen der vrouwen, welke Trottenburg kende. Zij leek hem als \'t ware de eenige vrouw ter wereld. Doch nu zij tegenover hem zat en haar vrije, open, moedige blik zich zoo trouwhartig-helder op hem vestigde, nu bekwam hij weer en hij gevoelde zich veilig en vrij...

— Ik heb u een verzoek te doen, begon Ruth, een ernstig, heel ernstig verzoek. Als vragende had ik eigenlijk bij u moeten komen, maar Laura zei, dat dit in Steenbrugge niet ging.

Hij glimlachte;

— Ik ben graag bij u gekomen.

— Dat is we! een der mooie, Duitschc gezelschapsjokkentjes, meende zij. Ik vrees, dat het u zwaar viel, maar u hebt dat offer vriendelijk gebracht.

— Dank u 1...

— En u vraagt mij niet eens naar dat verzoek? O wij hebbea heden helaas geen tijd, om te schertsen.

.— Ik ben tot uw dienst.

— Ja, stel u eens voor, zei Ruth, ik ken een arme stervende ▼rouw... Die heeft op aarde nog maar één verlangen en mij werd gevraagd om haar tot de vervulling daarvan te helpen. Kunt u begrijpen dat ik dat gaarne doen zou?

— O ja, antwoordde Trottenburg, wenschen van stervendea hebben altoos iets roerends en aangrijpends, iets plechtigs, bijna iets godsdienstigs. Het moeten wel koude, slechte menschen zijn, die zich daartegen kunnen verzetten ...

— Dat dacht ik ook en daarom bedacht ik mij geen minuut.

76

-ocr page 81-

om het mijne te doen. Maar ten slotte hangt alles af van u... U moet naar die oude vrouw heengaan.

Trottenburg keek verwonderd op.

~ Ik ? Ik ken hier geen arme, oude vrouw... Ik kom zoo weinig onder de menschen.

— Neen, u kent die arme vrouw niet. Zij is ook niet hier . .. Die oude vrouw is in Weenen... Zij is uwe moeder!

Ruth liet den hevig-verschrokken man geen tijd tot antwoorden. Haastig sprak zij verder, zonder zich te bekommeren over den diepen, toornigen plooi op zijn voorhoofd.

— O, zei ze hartstochtelijk, als ik nog een moeder had. Ik zou de halve wereld doorloopen, om hare hand te kussen, ik zou haar niet tevergeefs laten roepen. Mij dunkt, bij zijn moeder moet men het diepste heimwee des levens kunnen stillen. Ik heb mijne moeder niet gekend: zij sloot voor goed heur oogen, toen ik geboren werd. Maar ik weet het, daar kan geen inniger liefde bestaan, dan die tusschen moeder en kind. Alle dagen van-mijn leven heb ik verlangd naar mijn overleden moeder.

Ruth snikte. Uit hare woorden sprak het diepste, hartelijkste gevoel; een bedwongen schreiën klonk daarin... Zij zocht naar het hart van den trotschen man daar vóór haar en zij wist, dat zij het vinden zou.

— U spreekt over een arme, oude vrouw, zei Trottenburg koud, mijne moeder echter is rijk, weelderig, een vrouw van de wereld, een vreemdelinge voor mij.

— Ik kèn uw moeder... en ik houd van haar. En ik zou niet van haar houden, indien uwe voorstelling juist was. Nu ligt zjj vermoeid te sterven... Zij vraagt niet meer naar schittering en rijkdom, zij vraagt nog slechts naar u. Ik zag haar bidden en schreien in haar bekommering om u. Moeders zijn moeders. Wat hebben rijkdom en armoede daarmede te maken? Wat hebben politiek, verschillend geloof, vervreemding, strijd daarmede te maken? De moeder sterft en zij wil het kind ziea, dat zij ter wereld bracht. Dat is alles. En het kind moet komen, ook al is dat een fiere, trotsche man.

. Ruthls woorden troffen Trottenburg recht in het hart... Tranen vulden zijn grijze, koude, strenge oogen.

— Ik zal gaan naar mijne moeder, zeide hij zachtjes.

Ruth had het wel willen uitjuichen. Haar oogen gloeiden van geluk, zóó dat het Trottenburg deed sidderen.

— God dank, zei ze, maar nu snel. U moet met den nachttrein mee, tot een station, waar u den blikscmtrein naar het Oosten

77

-ocr page 82-

treft. Stervenden hebben geen tijd te verliezen. Uw moeder is zeer zwak, schrijft uw broeder mij. Te Weenen kwam ik veel bij de familie Elöny ■— en een stuk leven en liefde liet ik bij uwe moeder. Ik ben zoo gelukkig dat gij wilt gaan... Ik heb erover gedacht, u te vergezellen naar Weenen...

Trottenburg stond ontroerd op. Diep-ernstig bracht hij Ruths hand aan zijne lippen:

.— U is waarlijk een goede vrouw, miss Waring.

Meteen werd de deur opengeworpen. Hans van Meerheimb stormde binnen met een telegram voor miss Waring.

Zij scheurde het open: „Moeder juist gestorven, Elöny.quot;

Zwijgend reikte zij Trottenburg het groene papier. Zwijgend nam hij zijn hoed van de tafel en ging heen, met gebogen hoofd.

Ruth echter sloot zich cp in hare kamer en schreide. Zij, die nog nooit in tegenwoordigheid van anderen geschreid had...

O! dat gevoel van leegheid, daf Trottenburg op den terugweg kwelde...

Het was hem, alsof Ruth Waring hem een beker vol liefde bad aangeboden... alsof hij had willen drinken en toen... en toen was plotseling die levensdronk hem voor zijn lippen weggerukt.

Een enkel kort oogenbiik had hij zich reeds heel dicht bij zijne moeder gevoeld ... Warm gloeiend steeg de sympathie voor haar in hem op... En nu, nu was alles wederom dood, onherroepelijk weg.

Daar was iets in hém, dat op rouwigheid geleek.

Maar nog meer een groote verwondering, dat eene vrouw zijn starheid zóó had weten te breken, kunnen breken...

Aan vrouwenmacht had hij tot nu toe nauwelijks geloofd.

NEGENDE HOOFDSTUK.

Het schoolhuis der „betere jeugdquot; van Steenbrugge was eea geel-gepleisterd, erg verwaarloosd gebouw.

Mooi was het niet met zijn twee breede vleugels; het geleek wel op een kazerne. Geen vleugje schoonheid was er aan, cf dat moest de gewichtige lindeboom geweest zijn, die in de nabijheid stond.

De eene vleugel was ingericht voor de „hoogere meisjesquot; van Steenbrugge; de andere diende tot gymnasium, waar de knapen het woord mensa — tafel declineerden.

Er bestond niets onaangenamers dan deze naakte nuchter-lichte.

78

-ocr page 83-

cenigszins onzuivere schoollokalen. Tegen de gekalkte wanden hingen slecht-bewerk te. gekleurde lithografieën, bestemd om het Pruisische koninklijk huis populair te maken voor de Hessische kinderen.

Men zag daar Willem I met kroon en mantel, keizerin Augusta met baar bekend parelsnoer en den toenmaligen kroonprins met zijne Engelsche gemalin.

Een dompige, zware lucht hing in de gesloten lokalen en veroorzaakte bij de oververmoeide leeraren tegenzin, om hun leerlingen de vervelende, droge leerstof in te pompen. Deze vreemde geschiedenis van het Brandenburgsche huis scheen af te stuiten op de jeugdige Hessische schedels.

Toch ging Beatrix van Meerlieimb gaarne naar school. Daar was toch een leeraar, die hield van oude kerkelijke gezangen en volksliedjes, die dweepte met Uhland, en aan Beatrix „Des Zangers Vloekquot; leerde.

Zelfs op de onvruchtbaarste velden der paedagogiek zijn-altoos eenige bloemen te vinden, wanneer een kinderhart daarnaar zoekt. — en Beatrix hoorde nieuwe krachtige melodieën in het klankrijke Duitsch van Qhland.

* ♦

*

Het was acht uur in den vroegen ochtend. De koude herfstwind woei over de stoppelvelden en wervelde de bladeren van den grooten lindeboom op de speelplaats in kringen omhoog. Beatrix zat voor den ingang op een bank. Droomerig keek zij naar het leelijke tuintje, terwijl zij bibberend haar dunne manteltje over haar knieën samentrok.

Zij was boven in de klas geweest en had den „Morgenzegen\' meegezongen;

Unsren Eingang segne Gott.

Unsren Ausgang gieichermassen,

Segne unser taglich Brot,

Segne unser Tun und Lassen.

Voor niets ter wereld zou zij weggebleven zijn van dit morgengebed met zijn plechtige melodie. Daar was in haar een warm verlangen naar religieus leven, naar de goddelijke wijding voor den dag, zonder welke een mensch niet leeft, maar vegeteert. Doch na den morgenzegen moest zij voor een uur het schoollokaal verlaten, want dan begon het luthersche godsdienstonderricht, en Beatrix was immers katholiek ... of neen, zij was een van die

79

-ocr page 84-

arme kinderen, wie men steenen in plaats van brood geeft en die zonder onderwijs over God en het bovenzinnelijke maar voortleven in de armoede hunner ziel.

Zelve begreep zij niet volkomen de treurige verweesdheid van kaar toestand. Kinderen immers leven meestal onbewust, zij nemen de dagen zooals zij vallen en denken nauwelijks na over het onrecht dat hun geschiedt.

Alleen dit was een gevoelige ontbering voor Beatrix dat zij de les in de bijbelsche geschiedenis niet mocht bijwonen. Zij hield van de wonderrijke oud-testamentische historiën en van den klank der evangeliën, maar och, hiervan kreeg zij zoo weinig te hooren...

Vandaag echter stond boven een venster open. De rector las voor uit den bijbel: over de pracht van Salomon\'s tempel. Duidelijk klonk zijne oude pedante stem:

„Toen begon koning Salomon den bouw van den tempel, geholpen door den kunstenaar Hiram. Duizenden werklieden verrichtten den arbeid en op den berg Moria verrees het heerlijke gebouw.quot;

En dan kwam de beschrijving van de vergulde zuilen, de verheven leliën, de gevleugelde Cherubijnen en de beide reuzekolommen Jachin en Booz.

Dan kwam ook het verhaal der koningin van Saba, die zooveel welriekend hout medebracht voor koning Salomon, die daarmede het huis des Heeren versierde en cithers en harpen vervaardigen liet voor zijn zangers... Toen verloor Beatrix den draad der geschiedenis. Want zij trachtte zich voor te stellen, hoe deze instrumenten, vervaardigd uit het hout van Saba, wel hadden geklonken... Misschien hadden zij gezongen als de wateren van het Zuiden, waarover zij zooveel gelezen had. Misschien hadden zij geruischt als honderdjarige cederkronen... O zeker, dat moest iets wonderbaars geweest zijn, wanneer de tempelkoren David\'s psalmen zongen en deze harpen en cithers medeklonken!...

Zoo openden de weinige, verdwaalde klanken die uit het land des geloofs kwamen tot dit moderne, kleine heidinnetje, — zóó openden zij voor haar vergezichten in wijde, lichtende paradijzen.

Soms droomde Beatrix over haar eigen kerk.

Slechts eens had zij met haar moeder eene hoogmis bijgewoond in de domkerk van Fulda. Als iets groots en plechtigs leefde de herinnering daaraan in haar voort; hooge, donkere hallen, een zee van kaarslicht, knielende, in \'t gebed verzonken menschen en eene hoogepriesterlijke gestalte in gouden gewaden, die hoog van het altaar af zijn rechterhand zegenend hief...

80

-ocr page 85-

Dat was schooner, heerlijker dan al wat Beatrix ooit beleefd had en haar leek het, dat katholiek-zijn beduidde: recht hebbe* €gt;p een wonderbaar-verheven Godsvereering . . . Maar verder wist zij niets daarvan.

Doch in haar hart en in de verre verte kende zij het land des geloofs, ir aarheen zij pelgrimeerde. — met groot heimwee, dat haar ophief boven de kleinheid en de engte van het Steenbrugsche school-ieven. En toch maakte dit gevoel haar ook weer tot een vreem-dieiinge onder hare speelgenootjes, tot een kind, dat dikwijls in diepe gepeinzen verzonk en droomerig neerzat, wanneer de andere meisjes zorgeloos jubelden en speelden.

Mevrouw van Meerheitnb bekeek hare kinderen niet met aandacht. Zij begreep Beatrixquot; innerlijk niet en hield er dus niet van: Beatrix beloofde zoo heelemaal niet mooi, elegant, handig cm bruikbaar te worden. En zoo kwam het, dat de kleine Beatrix *og een tweede kruis te dragen had.

Zij werd door hare moeder niet lief behandeld ...

Zijn tnenschen die in hun jeugd niet door hun moeder wordea

bemind, anders dan vruchten, die rijpen moeten zonder zonneschijn?

★ ★

Ruth Waring had spoedig den toestand begrepen. Zij kreeg innig medelijden met Beatrix. Echter vorderden in die dagen haar cioen aangelegen beden te veel van haar . . .

Sinds haar onderhoud met Trottenburg was hare ziel ongewoo* «ntroerd en verstrooid.

Zij kon het doodsbleeke, verstarde gelaat niet vergeten, waarmee aij haar verlaten had. En zij had hem sinds dien dag niet meer gezien.

Hare smart om den dood der lieve, oude vriendin verzonk bijna in haar bezorgdheid voor dezen man, die haar vreemd en gt;och zoo zeldzaam-na was.

Zij had zijne sidderende, naakte ziel gezien. Zooiets vergat zij niet. Zij had hare macht op hem beproefd, hem uitgedreven uit zijne beslotenheid en nu lag toch weer de heele wereld tusschen hem en haar. De siuier van zwijgen en scheiding zou voorloopig •iet worden opgelicht. . .

Ruth Waring\'s heele innerlijk kwam in verzet tegen de maatschappelijke onnatuur der kleine stad, welke den vriendschappelijken omgang tusschen een man en een vrouw streng verbood. Ook in dit opzicht was zij aan onbeperkte vrijheid gewend geweest, de onderlinge omgang kende in Amerika niet de enge grenzen, welke in Duitschland bestaan.

81

IDEALISTEN 6

-ocr page 86-

Ruth gevoelde zich in die dagen wonderlijk vereenzaamd en verlaten. Zelfs hare opgewekte belangstelling in het gedachteleven kon haar daaruit niet verlossen. Veel had zij in Goethe gelezen ; thans voor het eerst de „Wahlverwandtschaftenquot;. Zij deed recht wedervaren aan de scherpe psychologie en den kunstrijken stijl van dezen roman. Toch, het zwoele, ja onzuivere daarin stootte haar af . . . Gedurende haar leven had zij te diep geademd in reine, frissche lucht, dan dat zij sterke belangstelling kon over hebben voor zulke problemen. Zij haalde haren Longfellow voor den dag en las het oude weemoedige lied van „Evangeline,quot; het hooglied der zoekende, dwalende liefde die haar doel niet bereikt. En de reinheid, schoonheid, diepte en eenvoud in het werk van haar vaderlandschen dichter, den lievelingsdichter harer eerste jeugd, lieten niet na, indruk op haar te maken. Toch las zij het heel anders dan vroeger. Zij begreep nu, dat deze Evangeline een zinnebeeld is van de liefde in \'t algemeen. Zoekend en dwalend gaat de groote Liefde over de wereld, zij strekt de handen uit en vindt niemand, wiens handen zich strekken naar haar . . .

Ja wie begaat meer tevergeefsche wegen, wie koestert meer tever-geefsche wenschen, wie stort meer tevergeefsche tranen, dan de Liefde?

Baron Elöny had aan Ruth Waring geschreven en haar een oud, kostbaar-bewerkt parelsnoer gezonden, dat zijne overleden moeder voor haar bestemd had. Hij deelde haar tegelijkertijd mede, dat Trottenburg zijn moederlijk erfdeel had afgewezen en maakte daarbij een bittere, sarcastische kantteekening. Doch Ruth begreep Trottenburg\'s handelwijze in dit opzicht. Hij kon het geld niet aannemen, wijl hij de liefde der overledene versmaadde, — neen dat kón hij werkelijk niet volgens Ruth\'s opvatting.

Hij mocht een vreemde, een besloten, ja een verbeten man zijn, in allen gevalle was zijn gevoel eerlijk tot in het pijnlijke — zoo eerlijk dat het hem voor de menschen zijner omgeving stempelde tot een zonderling.

Ruth deed de grootste moeite, om baron Elöny duidelijk te maken, dat Trottenburg ten slotte toch in den geest nabij zijn moeder geweest was, dat slechts een ongelukkig toeval de verzoening deed mislukken. Maar Elöny wilde dat niet laten gelden. Zóóver reikte de macht van Ruth Waring nog niet.

„Het is voor eeuwig gedaan tusschen hem en mijquot; schreef Elöny. „Ik ben bang voor hardnekkige menschen. Ik heb gezien, dat mijne moeder geen succes bij hem had en ik voel, dat ik het evenmin hebben zal. Mijn kracht kan zulke starheid niet overwinnen.quot;

82

-ocr page 87-

Ruth echter verhief haar hoofd met een veelbeteekenend lachje. Zij wilde toch zien, wat zij niet overwinnen kon!

TIENDE HOOFDSTUK

Ruth Waring had wel gelijk gehad, toen zij innerlijk bezorgd was voor Trottenburg.

Hij beleefde in dien tijd de zwaarste dagen zijns levens. Maar juist, omdat die dagen zoo zwaar waren, moesten zij eenzaam zijn. Trottenburg had altijd alles, wat hem zelf aanging, met zichzelf alleen klaargespeeld. Nu kon hij niet anders meer. Spreken — dat zou voor hem thans een profanatie geweest zijn. Ruth Waring\'s woorden hadden hem gewekt, hadden hem geschud en gestooten, zóó dat jarenlang onderdrukte gevoelens herleefden, — hij zag nu wel, dat zijn hardheid onvergeeflijk geweest was, dat hij zelf de schuld was van dit onherstelbare, onherroepelijke .... Deze gedachte zou steeds in zijn leven staan als een vreeselijke gedenksteen. Nu, nu zijne moeder dood was, zou hij haar gaarne in de eeuwigheid willen nareizen, — en hij verwondde zijn hart aan het ijzeren woord: te laat!

Doch hij gevoelde geen behoefte, om over deze dingen te spreken, .— ook niet met Ruth. Zij kende zijne innerlijke nederlaag, .— naar zijn rouwmoedige smart moest zij maar raden. Dat was genoeg. Hij voelde schaamte en wilde haar vermijden, haar niet wederzien, alvorens hij zich geheel overwonnen had. Maar toen hij rustiger, kalmer werd, toen trokken zijne gedachten hem toch weder naar Ruth. Inderdaad was zij steeds in zijne nabijheid. Welk eene vrouw was zij toch! Goedig, wetend en begrijpend en daarenboven een volkomen mensch, die zelf geleefd had en aldus andere menschen begreep. Hij wist het: er bestond geen grooter genot, dan de omgang met haar. Die moest steeds zijn als een frissche, volle dronk uit de bronnen des levens. Bemoediging, zieletroost, blijheid en klaarheid gingen van haar uit.

Soms meende hij haar levendig-sprekend voor zich te zien met haar stralende, oprechte oogen en de fiere onaantastbaarheid van haar karakter.

Reeds lang was hij haar gevangene, toen hij zich nog geheel vrij en onbekommerd waande.

Eerst toen tegen het einde van November heel Steenbrugge in ijs en sneeuw gehuld was en het kleine riviertje in het dal, verstard

83

-ocr page 88-

en bedwongen, daar lag als een tot den bodem doorzichtige, schitterende spiegel, toen ontmoetten Ruth Waring en Trottenburg elkander weer. Ruth hield do!-veel van schaatsenrijden e» kcr.de geen vermoeienis; zij stond verrukt over deze wijde, wijde vlakten van maagdelijk ijs. Zij schaatste ver, zeer ver het land in, langs gekristalliseerde boomen, langs verzilverde weiden est kleine huisjes, die nog slechts met hun gevels boven de witheid uitkeken. Ver achter zich liet zij de Steenbrugsche uitgaande wereld, die zich vergenoegde met een klein plaatsje van de« ijsspiegel en op schaatsen frangaise en quadrille danste, — em zijzelf verzonk als het ware in de grandioze stilte en eenzaamheid van de besneeuwde, droomerige streek, waarop het stijgende en zinkende zonnelicht zijne wonderen speelde . ..

Op zulk een verren tocht, langs de kronkelingen van het riviertje, ontmoette zij Trottenburg, die van een nog verderen tocht terugkeerde. Hij bleef voor haar staan, — éven vertrok zijn gelaat, héél snel.. . Dat was het eenige teeken van een gemoedsbeweging, die herinnerde aan het laatste, zware, bij Ruth doorgebrachte uur... De felle, scherpe lucb^^^zijn aangezicht gekleurd: zijne oogen stonden niet zoo dot als anders.

— Ik heb u een langen tijd gemist, zeide hij.

Zij zag er thans werkelijk zóó uit, dat het een gemis mocht heeten, haar niet te zien. Heur oogen glansden van kracht e* energie, van diepinr.ig genot over deze heerlijke lichaamsoefening.

— Dat lag toch aan u! antwoordde Ruth, ik ben niet ee* enkelen dag uit Steenbrugge geweest en ik heb me in gedachte levendig genoeg met u beziggehouden.

Een roede gloed kleurde snel zijn gelaat, doch hij kon de woorde» niet vinden, om te zeggen, dat ook hij dagelijks voortdurend aan haar dacht. Hij behoorde tot degenen, die des te zwijgzamer worden, naarmate zij sterker iets gevoelen. Hij sprak ook niet over de* dood zijner moeder, al droeg hij een rouwband om den arm. Rutk wist, dat hij den rouwband niet eens zou hebben gedragen, wanneer hij niet inwendig had getreurd ... Zij had zijne grove, onverbiddelijke waarachtigheid reeds leeren kennen.

Nu schaatsten zij als in stille overeenkomst samen voort. e« tijdens dit alleenzijn sprak hij met haar echt-mannelijk over zijn staatkundige overtuiging. Nooit tevoren had hij dit tegenover ee« vrouw gedaan, maar hij wilde zoo gaarne dat Ruth hem zag ia het juiste licht en hij meende, dat zij verstand genoeg had, om hem te begrijpen, hem ea zijn doel en zijn plannen. Hij sprak goed, want hij was één met zijn meeningen.

84

-ocr page 89-

— Onze strijd, zeide hij. is die van de individualiteit tegen de veralgetneening. Het is niet goed, stammen, weike van karakter verschillen, te willen samendringen, in éen vorm. Een kind heeft zijn eigen ouders, opdat zij het opvoeden door lieldevolie beschouwing van zijn karakter, met hartelijke verzorging van zijne belangen. Ook een volksstam wordt natuurlijkerwijze door stamverwante vorsten geregeerd. De Duitsche bond zou w ei-licht tot betere resultaten hebben geleid, wanneer hij alle caesaris-tische nivelleeringspogicgen uitsloot, die staatskunst, die tegenwoordig aan de orde van den dag is. Men weet wat ontstaat uit het streven, om alles naar één model, één vorm te willen drillen: verstard Byzantinisme! Van het éénvormige komt men tot het wezenlooze, tot de vernietiging van alle kracht. Ons volk zal nu nog een tijdlang uiterlijk sterk zijn, rijk aan wetenschap en weelderig geraffineerd ten opzichte van de verzorging der materie. Daarbij echter verarmt het reddeloos in zijn geloof, in zijn innerlijkheid, in zijn eerlijkheid en trouw. Wij zullen eens zien, wat binnen vijftig jaren van onzen juristenstand geworden is, die in Hessen ten allen tijde absoluut onomkoopbaar was. Overal in de geschiedenis beduidde de hoogste uitwendige bloei van een volk of zelfs slechts van een geslacht het begin van \'t verval der innerlijke kracht. Voor Athene kwam na den tijd van Perikles die van Kleon, voor Rome na den tijd van Marcus Aurelius die van Com-isodus. Wanneer ons volk niet terugkeert tot de erkenning, dat zikn innerlijke schatten de voornaamste zijn, wanneer het die niet opnieuw wil verzorgen, dan is zijn zon aan \'t dalen. Max von Schenken-dorf, dien u moet leeren kennen, spreekt mij uit het hart in dit lied:

Doch jedein Volke ward ein Grund Zum Bau des Reiches Gottes kund.

Da soil sein Tempel stehen.

Auf tiefem Grund, von unten aus Sol! sich das ew\'ge Gotceshaus Erheben zu den Höhen.

U ziet het, miss Waring, wat u met anderen misschien houdt voor een kleinen strijd om een klein recht is in werkelijkheid de strijd om een nationaal bestaan of niet-bestaan. Wanneer het pijn doet. te zien hoe menigeen half-droomend zijn beste levenskrachten ongebruikt laat. hoevee! pijnlijker moet het dan zijn. te zien, hoe geheel een volk door zijn zwaarste verlies heenslaapt. De menschen weten niet, wat hun overkomt Het opgaan van den eenling in een groote idee behoort tot de zeldzame uitzonderingen.

— Omdat men in Duitschland de menschen niet opvoedt tot

85

-ocr page 90-

onafhankelijkheid, tot geestelijk op-eigen-beenen staan, wierp Ruth hem tegen,

— Vergeef me, de verhoudingen beletten dat. Alleen de rijke koopman, de rijke, adellijke grondbezitter, of een mensch, die de kracht bezit, om al zijn eigendom op het spel te zetten, kan in Duitschland trouw blijven aan eene idee, die juist niet de heerschende is of niet door de regeering wordt ondersteund. De ambtenaar, de militair, de zakenman zoowel als een ontelbaar aantal menschen uit de volkskringen zijn geboeid aan de ketenen van een anders meening. Het despotisme echter bereidt wel langzaam maar des te zekerder de revolutie voor; de revolutie beschouw ik als het einde, waartoe onze tegenwoordige politiek voert.

— U is een pessimist, antwoordde Ruth.

Met inspanning had zij zijne uiteenzettingen gevolgd en zij was het niet heelemaal met hem eens.

—^ U is een pessimist! herhaalde zij. Het aanzien der Duitsche natie is in de oogen van het buitenland sinds de :aren \'66 en \'70 sterk gestegen. Ook voor de uiterlijke grootheid moeten offers gebracht worden.

Trottenburg\'s voorhoofd rimpelde.

— Meer voor de innerlijke waarheid! viel hij heftig in. Sokrates zei reeds: Slechts op waarheid en eerlijkheid kan de welvaart berusten. Elke streep verloren rechtsbewustzijn is een zevenmijlstap terug in de ontwikkeling tot nationale grootheid. Dat is een onschatbaar verlies van heilige vrijheid; de vorm vergaat, maar den geestelijken inhoud reikt de eene eeuw aan de andere over.

Ruth sidderde voor de eenvoudige grootheid dezer woorden. Langzaam antwoordde zij:

— Uwe beginselen moesten de beginselen wezen van iederen mensch, die tusschen zijn broeders leeft. Of zij echter werkelijk de beginselen kunnen wezen van een leidend staatsman, dat staat niet te mijner beoordeeling. Tot nu toe heb ik behoord bij degenen, die macht, handelsgewin en succes beschouwden als de voornaamste steunsels der volkswelvaart, al heb ik dan steeds geweten, dat zij gewoonlijk niet met zedelijke middelen worden bereikt. Voor zoover ik mij herinner, ontmoet ik in u den eersten man, die al zijn kracht gebruikt voor de bereiking van een ideaal, dat logisch-geredeneerd in allen gevalle ook het ideaal van staatkundigen en heerschers zijn moest — en ik acht u daarom hoog...

Trottenburg\'s oogen schitterden; hij bleef voor Ruth staan:

— U behoort niet tot degenen, die het belachelijk vinden, wanneer men strijdt... en zélf niet gelooft, dat men in dit leven succès zal hebben?

86

-ocr page 91-

— Neen, zeide zij vast en eerlijk, ik erken de grootheid uwer handelwijze, maar ik weet ook, dat gij uw heele leven ten offer brengen zult, zonder door uw land te worden erkend. Zonder blij te juichen, zonder u te roemen en erkentelijk te zijn, zullen uwe medeburgers u laten heengaan, treurig in uzelven gekeerd als alle verbannelingen. Ik heb het drama van uw leven vermoed, thans zie ik het duidelijk — en toch, ik zie even duidelijk dat gij geen anderen weg begaan kunt, dan die u voor den juisten houdt.

— U weet bijna meer, dan ik van mijzelf weet, zeide Trottenburg en zijn stem klonk heesch van ontroering.

O! zóó begrepen worden! Als een stralend licht ging dit begrijpen voor hem op. En meteen werd het hem duidelijk, hoe vreeselijk-zwaar de afzondering op hem had gedrukt: zij had hem het vertrouwen, de natuurlijkheid, de vroolijkheid geroofd, ■— hij voelde het aan de zalige vrijheid, die over hem kwam, nu hij met Ruth in ce diepe stilte van den winteravond daar heengleed als een gewaardeerde, een erkende. En zijn geluksgevoel ging over op haar. Ja, zij had hem goedgedaan en hem waarlijk bevrijd, zij werd zich bewust van hare eigen macht en dit bewustzijn scheen haar vleugels te geven.

Vierde de natuur zelve dit gelukkige oogenblik mede? Door den zilverschijn der berijpte wouden, door de vervlietende nevelspinsels der blauwe verte brak de roode glorie der zinkende zon. De wolken geleken vuurspuwende kraters, de neerglijdende stralen lavabeken. Sprookjesachtige kleurvergloeiingen speelden om den horizon. Schitterend goud stralend vermiljoen, verbleekend blauw en dan dat grauwe violet, dat zoo doorzichtig schijnt alsof het een brug naar de oneindigheid bouwt.

Dat alles veranderde en verwisselde nooit grijpbaar, dooreen-vloeiend en verdwijnend als het golvenspel der zee.

Ruth Waring stond stil en ademde diep. Ook Trottenburg bleef staan staren naar dat wonderbare licht- en kleuren- en wolkenge-wemel. Beiden voelden zich gelukkig in elkanders natuurgenot. M aar zij zeiden het niet. ..

Plotseling, even plotseling als het was opgedoken, verdween het vlammende wonder. Nog eenige oogenblikken vonkte de zonneschijf boven de grauwe wolkenmuren als een geweldige, gloeiendroode haard.., dan bleven alleen purperen banen, die zich verloren in een duister oranje.

De grauwe, zware, vale avond steeg op, een koude wind vloog snijdend door het dal. De groote, zwarte raven dreven met tragen vleugelslag en heesch, boosaardig gekraai over de rivier heen naar het woud.

T

87

-ocr page 92-

Toen wendden beide menschen zich naar het stadje. Hand in kand gleden zij terug .. .

— Ik geloof, dat wij dit uur nooit vergeten zullen, zei Trotten-burg tot Ruth bij het afscheid, en ten antwoord voelde hij den stevigen druk harer hand.

Neen, nooit zouden zij dit uur van rein, groot geluk vergeten...

Dat was in hun heele leven als een paradijselijk, slechts eenmaal ontsloten land, waarheen zij den weg nooit wedervonden. Maar zij hadden het gezien, zij hadden zijne schoonheid, zijn glans ais wezenlijk erkend. Het was voor hen iets waarachtigs geweest.

En het is wellicht niet zoo voornaam, geheel gelukkig geweest te zijn, als te weten, dat men beslist en zeker geheel gelukkig zijn kan...

ELFDE HOOFDSTUK

Het huis van den ouden Joost hing als een zwaluwnest tegen de middeleeuwsche stadsmuur van Steenbrugge. Sinds meer dan konderd jaren hadden zijn voorouders daarin gewoond, een eerlijk, arbeidzaam en godvreezend geslacht, \'t Was een smal klein gebouw niet een spits geveltje en diepbruin vakwerk in het sneeuwwitte pleister. Wel zag het er armoedig uit. doch het bezat al de aantrekkelijkheid van overoude huizen. Dat iemand het liefhad en er goed voor zorgde, kon men het aanzien. Zoo behaaglijk stond het daar, als iets heel tevredens, heel vertrouwelijks. Een tn oie verscheidenheid van bloemen achter de kleine glasschijven der vensters; anjelierenen geraniums, in de bosschen geplukte varens en weelderige blauwroodeen roodwitte fuchsias... al de dankbare, gemakkelijk gedijende planten, welke Gods goedheid in de natuur geplaatst heeft als een geschenk voor de arme menschen, opdat zij geen gebrek lijden aan de reinste en zachtste schoonheid, de schoonheid der bloemen...

Sinds tijden en tijden hadden bloemen gebloeid achter de vensters van het woninkje der familie Joost. Jongeren en ouderen hadden ze verzorgd met dezelfde zorgvuldigheid, want alle leden der familie waren huiselijke, brave menschen... Van binnen was het hutje nu juist niet sierlijk. Grauwe leemwanden, ingezakte, van ouderdom verbruinde treden, hier en daar vermolmd, en overal een laag glanzend-zwart roet, dat van den open haard zich door het heele huis verspreidde.

En toch had die open haard ook iets vertrouwelijks.

Deze groote, roode zichtbare vlam, flikkerend onder den waterketel. wierp helle schijnsels in de donkere hoeken en straalde een

88

-ocr page 93-

aaagenatne warmte uit. En of zij dan ook wild uitsloeg, wanneer kerfststormen bliezen door den breeden, zwaiten schoorsteen dan wel een vloedgolf scherp-prikkelende rook joeg door het huis, zij was en bleef het heilige vuur van den huiselijken haard.

In de weinige kamers stond oeroud huisraad. Bsnken iangs de wanden, hooge bedsteden in alkoven, roodbont aardewerk, met bloemen en spreuken beschilderd, op de rekken.

De oude Joost zat op een driepoot naast den haard. Hij had zich een blauwen schort voorgebonden en schilde aardappelen. De dertienjarige Barbara was dicht bij het vuur gekropen en las haar ,,opa\'\' het Steenbrugsche weekblad voor. het prachtige offlcieeie orgaan, waarin de landraad Van Junkernheim de politieke overtuiging der Steenbrugsche bevolking beïnvloedde en haar vaderlandsliefde aanwakkerde. Barbara was een wonderlief kind, maar... in het lezen en schrijven was zij nooit sterk geweest Langzaam, half-«pellend, wikkend en hikkend, las zij: ,,De vooruitgang der hy-gi-ene \'.

— Wat is dat dan, opa?

— Dat is een verscheurend dier, zulk een als dat, gelijk de broeders zeiden, de kleeren van Jozef had verscheurd, verklaarde Joost diepzinnig.

Barbara las verder:

„De vooruitgang der hygiene vordert cok van de Steenbrugsche burgerij zijne offers.

„De oude stadsmuren moeten vallen. Zij beiemcieren den toevoer van lucht en licht: zij zijn bij epidemieën een direct gevaar ea vei\'hindeten bovendien de uitbreiding en gezonde ontwikkeling vaa onze opbloeiende stad. \'

Joost schoof zijn bril omhoog tegen zijn voorhoofd.

— Wat is dat nu voor geleuter? De stadsmuur heeft sinds vijf-konderd jaren daar gestaan en nu moet ze weg ? Alles, omdat wij Pruisen zijn. De Pruisische koekoek legt alleen maar vuile eieren....

— Opa, vertelde Barbara, gisteren zijn daar menschen geweest met lange palen, zwarte en witte palen, en die hebben alles gemeten. Een man zei, dat de straat zou komen, waar ons huis staat.

De oude Joost sprong op. Zóó woest, dat de aardappelen over den vloer rolden.

— Ben je gek, Barbara! Ben je gek! Mijn huis is mijn huis Hier op deze plaats heeft het sinds honderd jaren gestaan en hier staat het zoolang als ik leef. Geen splinter voor een ander!

Barbara zag met haar groote, ronde, blauwe kinderoogen haar (Jrootvader angstig aan; — zij kende dat... Wanneer zijn oogen zoo donker begonnen te glinsteren en te fonkelen, dan was hel

89

-ocr page 94-

weer zóó, dan ging hij de straat op, en hield een van zijn boete-preeken, dan omjoelden hem de menschen en de straatbengels wierpen met steenen naar zijn grijze hoofd en men riep van huis tot huis; „De gekke Joost preekt! de gekke Joost preekt!quot;

.— „Gij zult uws naasten huis niet begeeren\'\', zoo staat geschreven, ging de oude Joost verder. Gebod is gebod en recht is recht.

En dan begon hij met langgerekte koraalmelodie te zingen; Wijkt nu bergen, valt nu, heuvels!

Rots en dalen stort inéén!

Godes trouw is wel te kennen.

Daar zij duurt door de eeuwigheên.

Mocht de wereld ondergaan,

Godes trouw zal toch bestaan.

Plechtig klonken zijne woord;n door het gansche huis.

Sidderend sloeg Barbara haar schort over heur hoofdje, want grootvader ging de deur uit en zij schaamde zich, dat de menschen hem weer gek zouden noemen.

Dicht bij het huis van Toost stond een steenen fontein; een ter halve manshoogte gemetseld bassin waarin uit ijzeren pijpen dikke, zilveren waterstralen spoten, bruisend en kletterend. De meisjes en vrouwen plachten hier haar wateremmers te vullen; bij den terugkeer uit veld en weide werden de paarden en koeien gedrenkt uit het bassin.

Veel werd daar onder het waterhalen, onder het staan en wachten gesproken, menige goede naam vernietigd, menig onnut en verkeerd woord gezegd, gelijk dat vroeger bij alle stadspompen en fonteinen gebeurde.

Ook „spooktequot; het bij de fontein.

Eens had zich de jeugdige vrouw van een ouden gierigen kramer in het bassin verdronken nadat hij haar mishandeld had.

Een anderen keer werd een jonggeboren kind verdronken gevonden op den bodem van het bassin. Niemand wist, wie zijn moeder was... \'s Nachts om twaalf uur zat het ongedoopt gestorven kindje op den rand der fontein en het schreide om vader en moeder... Velen hadden het gezien en gehoord, want het droeg een brandend kaarsje in zijn handje... Bij den schijn van het kaarsje wilde het zijn ontrouwe ouders zoeken... Het schreide en schreide... en zijn fijne stemmetje was doordringend en scherp als een mes... Wie het eens gehoord had, die kon dat gejammer nooit meer vergeten...

De oude Joost beklom den rand van het bassin, zijn hand omklemde een der waterpijpen en hij begon te galmen naar de ver-schemerende straten; „Doet boete en bekeert u, want het rijk der hemelen is nabij! quot;

90

-ocr page 95-

In het verkwijnende licht van den naderenden avond zagen zijne tengere gestalte, zijn scherpbesneden gelaat, zijn fladderende witte haren er bijna schrik-aanjagend uit.

De arbeiders, die van de lakenfabrieken huiswaarts gingen, de meisjes uit de spinnerijen, de van \'t veld komende landbouwers, die de vermoeide koeien voor zich uitdreven, stonden stil en bekeken hem lachend. De jongens zochten in de provisie-kamers naar rotte appelen, de vrouwen kwamen buiten, terwijl zij haar handen aan haar schorten afdroogden.

— Wee hun, die den arme zijn schaap ontnemen en boven het hoofd van den grijsaard het dak neerhalen! gilde de oude Joost. Wee hun, die raken aan het eigendom en het dagelijksch brood van den werkman! Wee hun, die het recht der armen met voeten treden! De straf des Heeren zal komen over hen. Want de Heer, onze God, is een ijverige en rechtvaardige God. Die het minste der kinderen Gods ergert, het ware hem beter, dat hij met een molensteen om den hals geworpen werd in het diepste der zee!

Nu was een bende jongens aangerukt. Rotte appelen en vuile eieren vlogen Joost om het hoofd en kletsten neer op de keien en in het water. Maar een gemeene bengel wierp met een grooten steen en trof... Bloedend viel de grijsaard ten onderste boven in de waterkom. Een wild geschreeuw steeg op. De vrouwen huilden, weeklaagden als waanzinnigen. Doch hetzelfde oogenblik sprong een slanke jongensgestalte op den rand en dook onder water, den gevallene na...\'t Was Hans van Meerheimb, die in het beslissend moment zijn ouden vriend te hulp kwam. Ook agent Nurks naderde nu, pakte den steenwerper bij den kraag en nam hem mede. Half Steenbrugge liep te hoop. Alles tobde en schreeuwde.

Hans echter bracht met groote moeite den grooten, groven oude weer omhoog. Aller handen strekten zich naar hem uit, toen hij opdook, allen trokken en hieven tot het reddingswerk geschied was... Is het volk niet even spoedig bereid, om te helpen, als om te be-leedigen; wordt het niet in een ommezien van vervolger tot redder, van kwaadwillige tot helper?

Den ouden Joost schaadde dit onvrijwillige bad niet. Maar Hans van Meerheimb, wien door Junkernheim zelf plechtig eene reddings-medalje werd uitgereikt, liep een ernstige longontsteking op...

Mevrouw Laura stelde zich aan als de ongelukkigste aller moeders. Doch Ruth Waring meende:

— Neen Laura, neen hoor! gij zijt een héél gelukkige moeder. Als mijn zoon zulk een dappere, doodsverachtende daad had volvoerd, zou ik trotsch en tevreden zijn.

n

91

-ocr page 96-

— Om zulk een ellendigen plebejer waagt men zijn leven niet\' antwoordde Laura hoogmoedig.

De jeugdige Amerikaansche keek haar aan niet een verwonderden en verontwaardigden oogopslag, die meer zei dan een woest-toornig woord had kunnen doen.

Ruth Waring was een beetje demokratisch aangelegd. Steeds zag zij eerst den mensch, en dan pas den werkman of den werk-fever. den rijke en machtige of den arme en geringe. Doch Laura van Meerheimb behoorde tot de groote kaste dergenen, voor wie de kleeren den man maken in de verscheidene beteekenissen des woords..

Ook in Trottenburg had Ruth zoo gaarne alleen den mensck gezien — alléén zij had begrepen, dat bij hem de mensch en de politicus één waren, dat men steeds rekening moest houden met zijn ideeën wanneer men rekening hield met hemzelf.

Zooals vroeger al eens was gebeurd, overviel haar een heel onverklaarbaar gevoel van angst voor een naderend noodlot, dat ireigde hare vrije onafhankelijke ziel langzaam te omspinnen. Zij kwam weer in de bekoring om hare koffers te pakken en terug re keeren in de groote wereld waar zij zich thuis voelde, waar niets onbegrepens haar beklemde en kwelde, waar geen vreemd noodlot kare ziel zou bezwaren en bedrukken, waar schoonheid, genot, glans en schittering, wetenschap en kennis op haar wachtten, waar ket heele leven weer een tooneelspel zijn zou... Den hooger. toe-fangsprijs van haar rijkdom zou zij betalen en daarmee afgeloopen.

Zij trok aan den keten, zonder te weten, dat deze reeds vast-lt;5esmeed was.

Plotseling werd het haar duidelijk.

De stormen waren weer begonnen. De vorst was voorbij, aet ijs gedooid, groote watermassa\'s vloeiden naar de rivier, weiden en velden overstrocmend met geel, slijmerig vocht.

De stormen kwamen uit het Westen aan, -— als Wodansrosscn. Zij reden het Hessendal binnen alsof zij alles moesten vertreden en verstampen. Zij trokken heele bosschen omver en lieten scajs op een groote vlakte een enkelen pijnboom staan, zij knakten de fruitboomen langs den landweg en ontwortelden die in de tuinen. Men zou gedacht hebben, dat zij Steenbrugge zouden wegscheren. Maar het stadje viel hun niet te voet. Het ofterde hun sleckts cenige pannen, eenige schoorsteenen en een paar vermolmde blindein.

Doch deze vlogen dan ook met een donderend lawaai in de straatjes neer rond de hoofden der Steenbruggenaren.

92

-ocr page 97-

Maar deze hoofden waren solied en niet te veel door gedachte* vermurwd. Zij konden wat lijden.

De stormen kwamen en vierden hun dolle feesten en Steen-brugge boog zich en liet ze heenrazen.

Alleen het vuur,^—het vuur liet zich gaarne wekken. Reeds driemaal ivas Steeabrugge uitgebrand, Doch dezen keer weerstond het. Na de ïiormen echter kwam de grauwe, de langdurige Steenbrugsche regen.

De dagen waren kort, en de tijd der donkerte leek wel eindeloos.

Op zoo\'n duisteren avond ging Ruth nog naar de brievenbus en ?oen, otn w at frissche lucht te genieten, dwaalde zij doelloos door ecnige straten, glimmend van \'t nat. Zonder eigenlijke bedoeling meende ze. kwam zij voorbij den Trottenburcht..,. Een vreemde aandrang had haar dezen weg opgedreven.

De vensters in de benedenverdieping van het gebouw waren verlicht. Men had de blinden nog niet gesloten. Ongemerkt bleef Ruth daarbuiten in den grauw-gelen regenval staan. Zij kon de kamer overzien : ai die lange, bestofte boekenreeksen. de loket-kasten met excerpten, de ernstige, kantige Dürer-etsen en de kopieën van Lukas Kranach, heel die onschoone en toch zoo karakteristieke omgeving van den man. dien Ruth.... liefhad... Zij zag hem zelf ook, zooals hij daar stond aan zijn lessenaar en in gedachten verloren heenstaarde over zijn handschrift... Waarlijk, die kop met zijn ernstige rimpels op het tamelijk-hooggebouwde voorhoofd was niet ©nbeduidend ot aüedaagsch. Streng, karaktervol, hard als die was reu men hem nooit vergeten, al had men hem slechts ééns gezien.

Ruth gevoelde een eigenaardig-smartelijke voldoening nu zij zoo ©ngemerkt dit gelaat bespieden kon, dit gelaat, dat haar als een opengeslagen boek heei de geschiedenis van zijn innerlijk leven en werken verhaalde....

Ja. niemand, dan zij alleen vermocht de strenge zwijgzaamheid dezer trekken te ontraadselen ; niemand zag haren adel en de ver-iorengegane, oorspronkelijke zachtheid, daarin. Zij slechts bespeurde rie wegen, waarop lijden en ervaring over dit voorhoofd gegaan waren,.. De zware vermoeienissen, welke zich zoo vóór zijn tijd ïondom de oogen hadden genesteld, had zij wel willen verjagen, ^e zwijgzame groeve van dulding en ontbering rondom den mond willen veranderen in een gelukkigen glimlach. Ruth\'s liefde was al» die van elke ware en voornaam-voelende vrouw, een grenzenlooze foedhartigheid, een tot haar hoogste macht en kracht opgevoerde moederlijkheid van gevoel •— en nu zij zoo spiedde en speurde, groeide haar angst voor den eenzamen man....

Hij had geen gelaat, waarop\'t geluk zijn lieveninvloed zou doen gelden.

93

-ocr page 98-

Neen, het geluk komt niet tot de flegmatici, de peinzers — de van \'t geluk afgewenden — die zich beladen met de lasten der mensch-heid en grijpen naar de onbereikbare sterren.

Bedrukt ging Ruth Waring naar huis....

In den nacht na dien avond ontwaakte zij uit haar droomen; zij zat rechtop in haar bed en streek de verwarde haren weg van haar voorhoofd. Zij die anders den diepen, zoeten, ongestoorden, verkwikkenden slaap van een kind genoot en bij het ontwaken nooit wist, of zij gedroomd had of niet, zij had zulk een levendigen droom gehad, alsof het een grijpbare, kostbare werkelijkheid was.

Zij had wel eens gehoord van over-zenuwachtige menschen, die als het ware dubbel leven, ja, die in htm droom bijna intensiever leven dan overdag; — maar zij had het altoos voor onmogelijk gehouden, dat zij, de frissche, kerngezonde, dat zou leeren kennen.

Haar gevoel voor iemand anders was echter nog nooit zoo diep opgewoeld en opgewekt geweest.

In dien nacht werd het haar duidelijk, dat zij Trottenburg boven alles liefhad, want zij had hem vóór zich zien verzinken in de zee en op dat gezicht had zulk een vertwijfeling haar aangegrepen, alsof zij zelve sterven moest, neen, erger, véél erger.

Dit stervenswee voelde zij nog hevig toen zij reeds volkomen begrepen had, dat alles slechts een droom voorstelling geweest was...

Toen Ruth Waring dien avond Trottenburgs gelaat zoo liefdevol bestudeerde, vermoedde zij niet dat hij juist terzelfder tijd begon te twijfelen aan haar....

Hij was een dier langzame menschen, die zich niet door een plotselinge aandrift daarheen laten voortstuwen waar zij niet wen-schen te zijn. Welken weg hij ook betrad, — alvorens verder te gaan, bedacht hij of die hem niet op een dwaalspoor leidde.

Voor den eersten keer bespeurde hij den invloed eener vrouw in zijn vereenzaamd leven. Hij had nooit vermoed, dat deze invloed zoo zoet, zoo dwingend, zoo betooverend zijn kon. Voor den eersten keer ondervond hij in al haar geweldige sterkte de wonderbare verdubbeling der levenskrachten, welke de nabijheid van een innig beminden mensch bij ons veroorzaakt. Doch dat nieuwe verlangen beangstigde hem. Hem beangstigde alles wat zijn zekeren, koelen blik, zijn klaar en koud overleg verlamde.

„Weg met die vrouw!quot; riep iets in zijn binnenste, iets verstandigs, iets voorzichtigs.

Hoe paste dan eigenlijk in zijn leven deze liefdeneiging voor de voorname kosmopolitische vreemdelinge met haar vrijen ruimen blik?... In dit uiterlijk zoo enge en arme leven, dat zijn waarde en

94

-ocr page 99-

beteekenis slechts ontleende aan de groote idee, voor welk hij streed?

Wezenlijk, daar bestond in zijne plannen geen ruimte voor Ruth Waring, -— zijne wegen konden nooit of nimmer de hare zijn. Zijne armoede, zijn niet-kennen van behoeften, de strengheid van zijn geheelen aard kon hij niet prijsgeven, zonder schade voor zijn idee...

Armoede, dat is het lot van al degenen, die worstelen om iets geestelijks. Wat baten hun bezittingen? Die weerhouden hen slechts, die zijn alleen een zware ballast bij het omhoogklimmen. Wat moeten zij doen met kunst, schoonheid, levensgenot? Zij worden daardoor slechts verweekelijkt en ontrouw gemaakt aan de eenige heerschende gedachte huns levens.

Onversaagd had Trottenburg\'s hand den ijzeren standaard van het recht vastgehouden, in hitte en koude. Zou zijne hand zoo sterk blijven naast eene vrouw, die wel hèm beminde en begreep, doch niet zijne hooge idealen, waarmede hij van jongsaf was opgegroeid?

Steeds had hij gedacht: de moeder mijner zonen zal ik kiezen uit den ouden Hessenstam; eenvoudig, geloovig, trouw, anders niets. Neen, niets anders dan een zorgzame vrouw, werkend in huis, opgaand in haar huishouden, niets kennend dan haar huishouden. Een vrouw van den ouden stempel, opgegroeid uit dit land en met dit land saamgegroeid.

Maar midden in deze overwegingen bleef hij steken.

Ruth\'s stralende, oprechte oogen glansden hem tegen, hij hoorde den klank harer diepe begrijpende woorden...

O, God, wat deed hij nu?...

Stond hij niet op het punt, het heiligste, diepste, waarachtigste gevoel, dat hij ooit ondervonden had, het eenige geluksgevoel van zijn leven met kalme hand te wurgen?

Hij sidderde om zijn eigen nuchterheid, O! het is vreeselijk, zijn eigen liefde te vermoorden, den bloesem van zijn eigen bloed, van zijn eigen leven af te knakken met bewuste hand.

„Wee hem, die dat doen kan zonder stervenspijnen, wee hem die het doet uit uiterlijke en wereldsche overwegingen! Ware liefde is het hoogste en wie voor ware liefde niet alles in de waagschaal werpen wil, die is het hoogste niet waard — die behoort tot de lauwen, van wie de Heer zelf gezegd heeft, dat Hij hen zal uitspuwen...

„Wee hem, die niet gelooft dat zijn reine liefde dalen vullen, bergen verzetten, afgronden overbruggen kan. Wee hem, die twijfelt aan de almacht van zijn eigen gevoel. Hij zal te gronde gaan aan de krachteloosheid van zijn eigen wil en de wateren des levens zullen over hem heenvloeien, alsof hij nooit bestaan had.quot;

95

-ocr page 100-

}a, de arme groote liefde zijns levens sidderde onder de handen va» dezen man, hare droevige oogen waren op hem gericht en baden: „Vertrouw mij, laat mij groeien en versterken. Zie, dan zullen mijae vleugels u dragen in de ruimten, welke gij thans niet doorgrondt.\'

Ook de menscheiijke, weeke, weemoedige gevoelens komen va« God, van Hem, die niet in den storm en niet in het onweder, maar in het zachte geritsel den wachtende verscheen...

Wie kan dan zelf bepalen, in welken vorm de liefde zijns levens hem naderen zal? Gelijk al het langverwachte, dikwijls-voorgestelde komt zij heel heel anders dan wij dachten... Steeds echter is zij eene vorstin, met wie men rekening houden moet om wille van den vrede en her geluk.

Zoo streed en worstelde Trottenburg met zichzelf... Maar zij»

wankeling overwinnen kon hij niet...

* *

*

Nauwelijks bevond zich Hans van Meerheimb, na zijn koud bad in het waterbassin, buiten levensgevaar, of zijne mama, steed* ondernemingsluscig. beraamde op haar manier groote dingen. Nadat zij zich jarenlang had laten uitnoodigen tot al de opulente maaltijden en theekransjes der Steenbrugsche élite, wilde zij eindelijk een revanche-:wond geven en wel een... thé-dansant. Zij zou ziek eens weren in grooten stijl.

Ruth zag hare vriendin afkeurend aan, toen zij van dit plan hoorde. Zij mistrouwde het succes der onderneming en imiverde bij de gedachte aan Laura\'s eenige dienstbode, het vuile, langzame, aartsdomme Maartje, aan wie men zich alleen in vroolijke stemming niet ergeren kon. Zij trachtte af te raden;

— Bij ons zou niemand zulk een revanche van je verwachten, mijn lieve Laura. Je vrienden zijn blij, je bij zich te ontvangen, en begrijpen dat je noch in staat zijt om partijen te geven, nock over voldoende ruimte beschikt.

Laura wierp haar hoofd achteruit.

— Laat me alsjeblieft zelf beoordeelen, wat noodzakelijk is voor mijne maatschappelijke positie.

Ruth moest bijna glimlachen: dat was nu wel het vermakelijkste wat men zich kon voorstellen te spreken over een maatschappelijke positie.... in Steenbrugge !

Doch zoodra zij zag, dat Laura werkelijk gekrenkt en beleedigd keek, besloot zij in haar grootmoedige groothartigheid liever haar vriendin te helpen.

— Hoe stel jij je dat dan voor, Laura ? De Junkerheims zijn toch van nature veeleischende menschen, men kan hun niet iets gerings aanbieden.

96

-ocr page 101-

Laura werd driftig.

— Jij kent de vindingrijkheid van een Duitsche huisvrouw niet! riep zij. Wij ruimen alle slaapkamers leêg en bergen stoelen en spiegels bij Leeuwendal. Ik beloof je, dat ik van een ledikant een mooi buffetje maken zai. Je zult zien, hoe ik alles klaar speel. Niemand zal mijn kunstgrepen bemerken.

— En de kinderen? Waar blijven die?

— Hans kan den nacht doorbrengen op de sofa en Beatrix mag helpen opdienen.

Ruth ergerde zich weer. Zij kon het niet verdragen dat Laura de kinderen steeds scheen te beschouwen als een quantité négligeable; in haar oogen hadden zij evenveel rechten als ieder ander mensch. Doch zij onderdrukte de uiting harer ergernis en zei rustig:

— Neen, lieve. Hans moet in zijn kamer blijven. Die is nog een herstellende en zulk een onvoorzichtigheid zou misschien eene instorting ten gevolge hebben. En Beatrix behoort niet bij volwassenen; dat zou haar nog wat meer vroegrijp maken. Maar ik weet wat anders. Ik heb óók sinds eenige dagen mijn deel gehad van de Steenbrugsche gezelligheid en daarom is het billijk, dat ik ook mijn deel draag van de moeiten, de lasten en de zorgen van je uit-noodiging. Weet je wat ik wilde? Ik wilde de zaal van het kasino en de bijbehoorende vertrekken huren en netjes inrichten. Ik ga naar Kassei en zorg voor servies, bediening, bloemensier, lampen, kaarsen en vruchten; jij kunt dan zorgen voor de thee en de overige noodige ververschingen.

Laura van Meerheimb was in verrukking. Dat zou een succes worden! Want dit wist zij wel, wanneer Ruth iets op touw zette, dan deed zij het met alle kracht.

Doch Ruth begon eerst hart te krijgen voor deze plannen, toen •zij hoorde, dat Laura ook mijnheer Van Trottenburg zou uitnoodigen,

Eenige dagen later ging zij naar Kassei, om de noodige bestellingen te doen. De gedachte, dat zij hem, den beminde in stilte, ■een feest aanbieden zou, maakte haar gelukkig. Een feest dat zijn oogen en zijn hart verheugen zou met een rijkdom van bloemen, en een rijkdom van kleuren en licht, een feest, dat iets glanzends en schoons zou brengen in de alledaagsche grauwheid van zijn leven. Het zou een feest worden zoo vol glans en liefelijkheid als alleen de liefde aan de liefde bieden kan.

Voor Ruth was de liefde de groote uitdeelster van vreugde en licht, die als eene godin uit haar hart moet treden in een ander leven, — onvermoeibaar gevend uit haar paradijselijke weelde.

97

IDEALISTEN 7

-ocr page 102-

Hoe heerlijk vond zij het nu, dat zij rijk genoeg was om eens verkwistend te kunnen wezen ter wille der liefde.

Zij stelde zich voor, de tafel en de zaal te versieren met groote varens, leliën, orchideeën en rozen. Zij kocht een menigte kaarsen en kleine witte lampen en bestelde al het overige in een der beste hotels.

Ruth bleef twee dagen in Kassei, want zij wilde ook een bezoek brengen aan de werken van Rembrandt in het museum. Zij genoot de glimlachende schoonheid van den blonden „Jongelingquot; en de ernstige vergeestelijking van den grijzen „Architektquot;, evenals de volmaaktheid der overige schilderijen, welke Kassei van den geweldigen Nederlander bezit. Zij beschouwde waarachtig groote kunst als een heraut uit beter streken, naar wien men luisteren moet, waar men luisteren kan.

Zij kocht voor Trottenburg een zeer volmaakte kleine kopie van Rembrandt\'s „Mevrouw Bruning.quot; Zij meende, dat het glimlachende, rustige, geluk-stralende gelaat van dit portret den vermoeiden denker goed doen zou. Op duizend wijzen had de minnende vrouw den man willen toeroepen, dat het leven vol is van vreugde geluk en schoonheid voor minnenden en dankbaren. Dit kon niet anders: zij noemde beminnen gelukkig-maken, want haar karakter was echt en onvervalscht.

TWAALFDE HOOFDSTUK.

Laura van Meerheimb had ondertusschen hare uitnoodigingen verzonden en louter bereidwillige toezeggingen ontvangen.

Alleen Trottenburg had bedankt.

Ruth\'s wangen werden zoo wit als sneeuw, toen zij dit hoorde. Zij had zichzelve al zooveel geluk en genoegen van dezen avond beloofd; zij had gedacht: hij moest en zou gevoelen, dat al heur bloemen en lichten slechts voor hem glansden, voor hem en hémalléén. Het leek haar gruwzaam, ongeloofelijk-hard en onvriendelijk, dat hij niet komen wilde.

Zij had levenslang zooveel vrienden, zooveel bewonderaars gehad, de menschen hadden steeds zoo gewillig haar roepstem gevolgd, en hij, de eenige, in wien zij boven alles belang stelde, hij wendde zich af, hij was koud en hard.

Als een eerste winterkoude trof haar deze ervaring.

Zij vermocht nauwelijks hare teleurstelling voor Laura te verbergen onder rustige kalmte, al had de gestadige omgang met anderen haar zoo volkomen heur ontroeringen leeren bedwingen, dat dit haar bijna onwillekeurig gelukte.

98

-ocr page 103-

Maar den volgenden nacht schreide zij voor den eersten keer van haar leven om een ander.

Komt niet, in elk menschenleven, voor den een vroeger, voor den ander later, een tijd, dat het omzwerven in de wereld van gevoel en gedachte, het nippen aan duizend bekers, het toeschouwen naar het lot dergenen, die ons niet aangaan, het doorproeven van wijsgeerige stelsels, het betrachten van anderer geloof ons ontevreden maakt en rusteloos?... Het verlangen naar eigen ondervinding komt over ons. Het spoort ons aan om te werken aan de voltooiing van ons eigen lot, van onze eigen persoonlijkheid. Wij willen ons wezen tot uiting brengen, zóó of zóó, — een ankerplaats vinden in den golvenden vloed der gebeurtenissen rondom ons, — een tehuis voor lichaam en ziel...

Deze tijd was voor Ruth Waring gekomen.

Zij zocht naar de plaats, waar zi; zich vestigen kon. Zij zocht naar het hart en den geest, die haar antwoord konden geven. En als het mogelijk was, wilde zij die winnen met liefde, met toewijding, met offers...

Daar was in haar een onoverwinnelijk heimwee naar dengene, die zich van haar terugtrok en haar hooghartig vermeed.

Zij gevoelde de kwellende onrust van hen, die hun hart weggaven, zonder zeker te zijn van wederliefde.

„Wees fier en onbekommerd!\'\' riep haar zelfbewustzijn, dat sterke krachtig-ontwikkelde zelfbewustzijn dat een nationale eigenaardigheid was en haar heur eigen waarde niet onderschatten liet.

Doch de stem van haar zelfbewustzijn stierf weg.

Iets sterkers, iets diepers, iets aangeborens, dat niet vroeg naar nationaliteit en opvoeding tot fiere zelfgenoegzaamheid, dat was in haar ontwaakt!... De minnende vrouw...

Fierheid en zelfbeheersching zijn te zwakke wachters voor de liefde. Weinigen weten, wat zij in het volgende uur zullen doen, wanneer zij waarachtig beminnen.

Zoo kwam het. dat Ruth hare macht op Trottenburg beproefde, toen zij hem den volgenden dag in het postkantoor aantrof. Zij zag hem diep en smeekend in de oogen, — zoo, dat hij beefde...

— Ik wcnsch, dat u op ons feest komt, zeide zij, hóórt u, ik wénsch het!

De toon van haar bezwerende stem drong tot in zijne ziel.

Hij was toch niet van steen en ijzer. Gelijk alle menschen onder-, vond hij, dat het een der heerlykheden des levens is, bovenal te worden bemind en verlangd, — te kunnen gelukkig-maken door

99

-ocr page 104-

eigen tegenwoordigheid. En meegesleept, willoos, met vlammenden blik, antwoordde hij haar:

— Ik zal komen, omdat u het wenscht — en omdat het mij gelukkig maakt, dat u het wenscht.

Nu had zij bereikt, wat zij wilde. Zij verheugde zich over deze overwinning, die toch méér beteekende, dan het scheen. En toch, toen zij van Trottenburg afscheid genomen had, gevoelde zij zich bedroefd.

Hoe veel volkomener zou haar geluk geweest zijn, wanneer hij blij, zonder wederstreven gekomen was. Had wezenlijk het oude bittere woord gelijk, dat beweert: er bestaat op aarde geen bestendig geluk? Het woord ook, dat beweert; Op den bodem van

eiken vreugdebeker ligt de droesem der smart?

* *

*

Het feest van Ruth Waring en Laura van Meerheimb, het feest der bloemen en lichten was waarlijk bekoorlijk. Heel Steenbrugge sprak wekenlang daarover. Alle bezoekers van den thee-avond gevoelden zich bijzonder vereerd. En Junkernheim, die artistiek was aangelegd, gevoelde nieuw leven in zijn dichterlijke aderen en vierde de gastvrouwen in een sierlijk gerijmde rede... als bloemen-feeën. Zijn stem vulde met dreunende pathos de ruimte. Juist, alsof hij op het herinneringsteest van Sedan sprak, dacht Trottenburg.

De oude gansch-vergeelde en berookte Casinozaal, waarin lange rijen van Steenbrugsche geslachten hunne jeugd hadden verdanst, scheen door de menigte van bloesems, bloemen, bladeren en kaarsen wonderbaar vermooid. Overigens, Ruth hield wel van deze zaal. Zij vond wel iets bekoorlijks in haar mythologische achttiende eeuwsche wand- en plafondschilderingen. Het leek dan ook fabelachtig, dat zooveel uit de planken opgewerveld stof, zooveel roet van vreeselijk-walmende petroleumlampen niet in staat geweest waren, om de oorspronkelijke kleurenpracht geheel te doen verdwijnen, En Ruth hield ook van deze goden en godinnen, die onbekommerd om het schreeuwend anachronisme, hoepelrokken en steltschoenen droegen. Haar bevielen deze op witte wolken vroolijk hofhoudende Olympus, deze fiere Juno met haar schitterende pauw, deze overmoedig-lachende Fortuna, die sedert twee eeuwen haar hoorn des overvloeds over de Steenbruggenaren had uitgestort. De boomen der Hesperiden met hun vele gouden vruchten schenen nog steeds te wachten op een plundering door de jeugd, het Nimfenkoor had nog niets van zijn vroolijkheid verloren en de Uren, die op het plafond de paarden van den Zonnegod beteugelden, droegen nog hun lichtende roze gewaden.

100

-ocr page 105-

Een feestzaal moet iemand blij stemmen en dat deed de oude Steenbrugsche Casiaozaal. Ja, Ruth viel een steen op het hart toen Junkernheim haar zei, dat het een schande voor Steenbrugge was, geen elegantere zaal te bezitten, en meedeelde dat men deze be-rookte heerlijkheid modern wilde overschilderen en wel... in Moor-schen stijl met bonte arabesken.

,— Jammer! zuchtte Ruth. Zoo naief-gezellig kan het niet meer worden.

Ruth\'s bloemen deden het uitstekend. Ook vonden de Steenbrugsche dames op haar plaatsen artistiek-gebonden ruikertjes, om zich daarmede te tooien. En menig ietwat grofgesneden, te zwaar geverfd gelaat zag er liever uit, nu rozen en meiklokjes in zijn n\'-oijheid kleurden...

Trottenburg echter, voor wien de bloemen en de lichten waren, trok zich het minst ervan aan. Hij was niet gewend aan zulk een groote, bijna vorstelijke weelde: zij benauwde hem... Voor hem hadden de uiterlijke dingen des levens weinig waarde. Nooit hadden zijne oogen geleerd, licht- en kleurenfeesten te vieren, zij konden het dus niet.

Zijn ernstige, ja duistere kop was een stoornis tusschen de pratenden, lachenden en genietenden, en steeds weer, hoe dikwijls hij ook door Ruth of Laura werd betrokken in een onderhoud, ging hij terzijde staan, in zichzelf verzonken en vereenzaamd.

Hij deed Ruth vanavond denken aan een van Donatello\'s beelden, dat Johannes den Dooper voorstelde, den roepende in de woestijn. Trottenburg had inderdaad het uiterlijk van iemand, die de wereld ontvluchten wil, .— van een kluizenaar,

Ruth werd dezen avond opvallend door Junkernheim vereerd. Men kon het den landraad aanzien, dat hij de Amerikaansche bewonderde. Zij zag er ook zoo bijzonder goed en voornaam uit met haar zachtgolvend gewaad van Indische sluierstof en met de vele dof glanzende paarlsnoeren, die heur fijnen hals omsloten. Och, wat gaf Ruth om die niet-verholen bewondering, nu die andere, die éénige zoo koel keek...

Trottenburg ergerde zich over het levendig onderhoud tusschen Ruth en den landraad. Zoo hartstochtelijk was hij, dat zijn staatkundige antipathieën ook persoonlijk waren. Het scheen hem niet gegeven, zaken van personen te scheiden. Hij begreep niet, dat Ruth zijn vijand niet terugstootend aankeek. Waartoe diende dat alles? Wat had zij eigenlijk met de anderen te maken? Sloot nare neiging dan niet ieder ander uit? Was Ruth toch oppervlakkig?

Onbewust maakte hij zich deze ongerechtigheden wijs. Hij be-

101

-ocr page 106-

greep niet, dat Ruth steeds behoord had tot eene wereld, die voor niets de hoffelijkheid prijs geeft, omdat zij haar tot een tweede natuur geworden is.

Ruth gevoelde zich als gastvrouw verplicht, voor allen even vriendelijk te zijn. Doch zij gevoelde, hoe Trottenburg\'s verwijtende en vragende blik haar onophoudelijk volgde, — en zijn onrust deed haar leed. Hij was toch slechts op haar verzoek gekomen.

Glimlachend stond zij nu naast hem, stralend in haar schoonheid. Maar och! ook zoo vreemd aan hem, zoo ver-verwijderd van hem in deze elegantie harer uiterlijke verschijning. De lichte conversatie-toon lag nog op haar lippen:

— Het schijnt, dat u niet houdt van zulke feesten. Hoe jammer !

Zijn oogen keken nóg donkerder:

— Ik had u óók voor té diep gehouden, om pleizier te vinden in zulke pralerij. Hoe wél beviel u de rede van Junkernheim! Hoe graag naamt u zijn huldebetuigingen aan! Het schijnt, dat uwe belangstelling voor iedere soort van menschen even groot is...

Het geprikkelde in zijn toon mishaagde haar; het klonk zoo kleineerend. Het was wel moeilijk, om hem tevreden te stellen, dacht zij.

— Waarom verdenkt u mijne veelzijdige belangstelling? vroeg zij, een beetje hooghartig. Is het geen geluk, in alles levendig belang te stellen? Geeit dat niet meer waarde aan het leven?

— Uw eigen leven! \'t Is mogelijk. Maar uwe belangstelling voor den enkeling verliest daardoor aan waarde.

— Ik hield u voor te groot, om dit te kunnen zeggen.

— U weet het, ik ben geen kosmopoliet, ik ben heel beperkt. Misschien aangewezen op één enkele... Maar neem me niet kwalijk. Ik heb geen recht om u te krenken.

Zij nam het hem niet kwalijk. Zij zag, dat hij leed om harentwil. — en haar goedheid deed haar zacht en toegevend glimlachen...

— Het spijt me, dat u ontstemd zijt. Wanneer u geen genoegen vondt bij de menschen, had ik gehoopt, dat u toch vreugde vinden zoudt bij al die bloemen. Vluchtig keek hij naar de rozen in haar ceintuur.

— O ja, bloemen zijn heel lief — maar zij kunnen nooit de hoofdzaak zijn. Het luide lachen en praten irriteert mij bovenmate. Het is zoo onbeduidend. Alles wat de menschen genoegen noemen, is onbeduidend. Niets dan een soort verdooving om te ontkomen aan de werkelijkheid...

— Kom, scheld niet op droomen en illusies, smeekte Ruth.

Doch heftig ging hij verder:

— Weet u, waaraan ik denk. als ik deze menschen zie, die

102

-ocr page 107-

dansen en huppelen over de oppervlakte? Dan denk ik aan dat vroolijke gezelschap, in den stijl van Boccacio, u kent het Tvel: de triomf des doods op het campo santo van Pisa. Ik zie den Dood met zijn zeis boven hen.

— Maar wat voor tafereelen roept u óp, tusschen mijn bloemen en lichten!...

Ruth sprongen de tranen in de oogen. Doch ongestoord volgde hij zijn gedachtengeng;

— Het is altoos weerzinwekkend, de menschen in een roes te zien. Bij den rijpen man, de volwassen vrouw verkwikt slechts de ernst, die bedenkt wat hij zegt. Beuzelarij — al noemt men die ook kunst en schoonheid — is onwaardig voor menschen, die langen tijd achter de coulissen des levens hebben gestaan.

— U vertreedt mijne bloemen met uw woorden, zei Ruth langzaam, en dan blijmoediger; Gezelligheid moet nu eenmaal ontspanning zijn en vordert lichten klank. Gezelligheid is rust, spel, dans, bevalligheid... Soms even noodzakelijk als de zware ernst, die ons bijwijlen drukt en verdrukt...

— Ik ken nog eene andere soort gezelligheid, miss Waring. Een gezelligheid, waarbij menschen elkander de hand reiken van begrijpen met verstand en hart, omdat eenzelfde geloof, eenzelfde liefde, eenzelfde politieke gezindheid hen samenvoeren. Een onzer wereldsche dichters, Heinrich Heine, heeft zulk een samenzijn gevierd, — hij heeft het in een visioen gezien, toen hij schreef:

„En waar zich twee ontmoeten Zien zij elkander aan, innig-begrijpend En aanziend in liefde en zoete berusting Kussen zij elkanders voorhoofd En driewerf zalig zeggen zij:

Geloofd zij Jezus Christus!quot;

Ruth schrok ineen.

Deze plechtige woorden waren zóó geheel zonder overeenstemming met de plaats, waar zij gesproken werden, dat zij aandeden als een wanklank. Hoe mooi en verheven zij op zichzelf ook wezen mochten, Trottenburg had ze opgezegd in den preektoon en zijn doel gemist.

Hij bemerkte Ruth\'s misnoegen niet. Hij was geen bijzonder-scherp kijker. Als de meeste fanatici ging hij in gedachten steeds recht vooruit zonder te zien naar links of naar rechts.

— Leer als \'t u belieft ter wille van mij ook deze zijde der gezelligheid kennen. Miss Waring. Wij vieren morgen den tachtigsten verjaardag van den leeraar onzer oud-Hessische gemeente.

103

-ocr page 108-

— Oud-Hessische gemeente, — wat is dat? vroeg Ruth.

— Dat is de gemeente, die trouw bleef aan onze oude, gereformeerde, Hessische kerk. Wij erkennen den koning van Pruisen niet als ons kerkelijk opperhoofd. Dit hangt samen met onze politieke overtuiging. Wij kunnen niet anders. Wij zijn een afgescheiden gemeente.

Verwonderd schudde Ruth het hoofd.

— Afgescheiden gemeente! Hoe vreemd. Ik heb mij nog bij geen enkele gezindte aangesloten. Ik zoek nog. Maar als ik ooit een geloof vinden zou, dan moet het wereldomvattend zijn... ruimte bieden voor het heele. geweldige menschdom... daar moest geen afzondering of afscheiding zijn... Ik geloof, dat het de katholieke Kerk, is, die het gemakkelijkst ééne Kerk zijn kan voor de ge-heele wereld....

Ttottenburg stond als versteend.

—■ Ik haat de papen, zei hij eindelijk, ik haat de papen, ik haat ze met hun afgoderij, hun beeldenaanbidding, hun bijgeloof. Neen, wij bezitten het reine, het geestelijke, het gelouterde Christendom.

Toen hij zoo sprak, scheen zijn gelaat klein en eng. Het gloeide van een fanatieken trots.

Ruth echter was haar heele leven lang nog niet zoo-treurig gestemd geweest als thans — Het ideaal, dat zij zich van dezen beminden man gevormd had, verbrokkelde bij deze aanraking en nu had zij te doen met een heel menschelijken mensch; nu bestond nog slechts de harde werkelijkheid, waartegen zoo menige hoogvliegende liefdeneiging stukstootte.

Doch Ruth was een krachtige gezonde natuur. Zij vergat ook thans niet, dat men bij iederen mensch rekening moet houden met zijn verleden, zijne opvoeding, zijn gezichtskring. Zacht zeide zij:

— Ik zal de bijeenkomst uwer gemeente bijwonen. Waarom niet?

Hij dankte haar voor deze belofte, maakte een linksche buiging

en nam afscheid.

— Thuis wacht de post me, zei hij.

Teleurgesteld keek Ruth hem na, toen hij de lange zaal doorging. Neen, een gelukkige was hij zeker niet, — maar toch een sterke, een onbuigzame. In de helle lichtspelingen der vele kaarsen zag zij, dat hier en daar witte vlekjes in zijn haren en baard zichtbaar werden en zij dacht aan zijn vermoeide, roodgerande oogen... Vertelden deze niet, dat hij geen nachtwaken schuwde, om onvermoeibaar te strijden voor het vermoorde recht van zijn land? En weer groeide en groeide hare deelneming met hem. Maar zij durfde hem toch niet de Rembrandtkopie te schenken.

104

-ocr page 109-

Het mooie glimlachende gelaat zou Trottenburg te weinig zeggen...

Voor het eerst ontwaakte dien avond in Ruth de idee, welke noodlottig worden zou voor haar heele leven....

—- Treurt u dien steenen gast na? vroeg naast haar Junk\'rn-heims stem met spottenden klank.

Hij was een menschenkenner. Hij zag in haar oogen den donkeren weemoed en in haar trekken de teleurstelling.

.— Ja, ja, ging hij voort, men zou het niet gelooven, dat een kosmopolitische dame ook maar iets belang kon stellen in dezen Don Quichotte... En u hebt hem bijna een héél uur geschonken...

Met een voor haar ongewone, matte beweging legde Ruth de hand op Junkernheims arm en zei herhaaldelijk:

.— Ja, men zou het niet gelooven..,

Junkernheim bekeek haar aandachtig. Dat zou toch het malste zijn, wat ik ooit beleefde, meende hij.

Dan geleidde hij Ruth naar den vleugel, want Laura stond juist gereed, om haar lievelingslied te zingen:

De zee, de zee glanst vurig-goud...

En half-mechanisch. begon Ruth haar te accompagneeren.

DERTIENDE HOOFDSTUK.

Ruth Waring had plaats genomen te midden van de afgescheiden, oud-Hessische gereformeerde gemeente van Steenbrugge. De eenige, tamelijk-primitieve bidzaal, welke zij rijk was, bestond uit een flink vertrek, dat Trottenburg in den achterbouw van zijn oud huis beschikbaar gesteld had.

De zaal zag er wel waardig uit met haar houten lambrizeeringen en haar spitsboogvensters, in het midden stond een altaar met zwart lakensch voorhangsel, waarin een zilveren kruis gestikt was. Overigens geen enkel ander versiersel, dan heden de met bloemen versierde zetel van den jubilaris. In het wit gekleede meisjes hadden den eerwaardigen grijsaard naar zijn eereplaats tegenover den kansel geleid; een koraal begroette hem:

Die Himmel erzahlen des Ewigen Ehre... in grootsche Beet-hoven-muziek, die zelfs bij deze eenvoudige, ongeschoolde stemmen tot haar recht kwam.

De dominéé hield een toespraak, oude leerlingen van den vergrijsden leeraar traden naar voren en zeiden welgemeende, onbeholpen rijmen op, eindelijk gaven zij hem den prachtbijbel van Doré ten geschenke. Tenslotte werd wederom een loflied gezongen:

105

-ocr page 110-

„Nun danket alle Gott Mit Herzen, Mund und Handen.

Der groze Dinge tut.

Hier und an allen Enden.quot;

Voor Ruth lag er iets ontroerends in, de sidderende, tranenrijke dankbaarheid te beschouwen van dezen leeraar, die vergrijsd was in den dienst der menschheid.

Maar wat haar het meest aangreep, dat was de verschijning en het karakter der menschen, die hier tezamen zaten. Allen hadden een bijzonder-eenvoudig en helder gelaat, waarbij hun hoogst-een-voudige, strenge kleedij wél paste. Zeker, het verschil in karakter, in ontwikkeling, in levenswijze kwam wel duidelijk uit, doch alleen in hun uiterlijke verschijning, niet in hun ouderlingen omgang. In de wijze, waaropzij elkander aankeken, lag iets liefdevols, iets oprechts.

Tusschen aanzienlijke burgers ontdekte miss Waring ook den ouden Joost. Hij was in het zwart en zag er buitengewóón-feestelijk uit. Hij hield zijn groote, knokige handen over zijn gezangen-boek gevouwen.

De godsdienstoefening, het vrome gezang, de verkondiging van Gods woord kalmeerden hem steeds, en toch meende Ruth een vreemd vuur te zien in zijn grauwe, donker-omrande, diep liggende oogen, — een vreemd vuur als van felle koorts.

De kop van Trottenburg was hier ongetwijfeld de meest-be-duidende, de geestigste. Hoe veel beter dan gisteren in de feestzaal, kwam hij hier tot zijn recht!

In deze omgeving behoorde hij thuis, onder gelijkgezinden, bij wie hij zich veilig en rustig gevoelde.

Toch hinderde Ruth zijne zelfgenoegzaamheid. Een man van beteekenis moest tot leuze voeren: „Mein Feld ist die Welt.quot; Zijn streven leek haar te klein, te beperkt, en zij gevoelde, dat zijn geheele karakter reeds zich begon aan te passen aan deze beperktheid.

Toen de plechtigheid was afgeloopcn, ging Trottenburg naast Ruth Waring huiswaarts.

— Dat was een der aantrekkelijkste tooneelen, die ik ooit bijwoonde, zeide zij.

— Tooneel? herhaalde hij, tooneel... Noemt u zulk een oprecht-gemeende godsdienstoefening een tooneel?

— Van mijn standpunt uit, ja. Ik zou in groote Domkerken, met een heele, groote natie, met een wereld-gemeente willen bidden, maar toch stonden deze u gelijkgezinden mij wel aan. Ik

106

-ocr page 111-

vereer al het oprechte, al het waarachtig-geloovige. Ik vereer en waardeer ook u om wille uwer idealen....

Hij rilde even...

— Neen, spreek u niet daarover. Meent u, dat ik zelf niet lijd onder deze beperktheid, dit kleine begin? Maar alle groote dingen gingen uit van twee of drie menschen... Zeker ik weet, dat een idee eerst dan tot haar volle beteekenis komt, wanneer de arbeidende, levende, handelende personen van het groote werelddrama haar erkennen als hun idee... Is nu de idee van de onaantastbaarheid des rechts niet even oud als de geschiedenis der menschheid? Maar de menschheid heeft haar verloren en wij behooren tot degenen, die haar weder zoeken, om ze aan de wereld terug te geven.

Ruth hoorde in zijn stem den klank der diepe overtuiging, zij zag in zijne oogen de onwankelbare waarachtigheid en haar hart wendde zich weer vol bewondering naar hem. Neen, zij had zich niet vergist, daar was iets groots en sterks in hem, iets, dat haar karakter beantwoorden kon.

En toch, nauwelijks waren zij gescheiden, of zoowel Trotten-burg als Ruth Waring overvielen wederom twijfelingen. Beiden voelden zij zich tot elkander getrokken, maar niettemin stonden zij beiden ook wankel, zeer wankel. Bij iedere schrede gevoelden zij zich in elkander teleurgesteld, doch zij konden niet ophouden aan elkaar te denken.

Trottenburg begon ongeveer eenmaal in de week een bezoek te brengen aan de familie Van Meerheimb en steeds trok Laura zich met een slim, veelbeteekenend lachje, terug, ofschoon Trottenburg altoos boeken voor haar medebracht en haar zelfs eens om een artikel voor zijn krant verzocht. Het wekelijksche onderhoud met Ruth was voor hem eene behoefte geworden, een zoo sterke behoefte, dat zij den band zijner schuchterheid en terughoudendheid brak.

Ondertusschen was in den Landdag te Berlijn de tijd der hevige partij-schermutselingen begonnen; het was midden in de beroeringen van den zoogenaamden „Kulturkampfquot;. De Junkernheims waren al lang in Berlijn — in Steenbrugge was alles doodsch en stil.

Trottenburg hield er van, met Ruth over de politiek te spreken en zij, die wist, dat de politiek voor een man, en zeker voor dezen man, het halve leven beteekent, zij trachtte zich in te leven in de belangen en innerlijke verdeeldheden van het Duitsche volk.

Dat deed den eenzame goed. Hij bracht voor haar redevoeringen van Bismarck, Richter, Windthorst, of Schorlemer-Alst mede en ias haar die voor. Urenlange beschouwingen knoopte hij er dan

107

-ocr page 112-

aan vast. Doch Ruth verlangde meer naar een persoonlijke uitspraak en die kwam zelden.

Men zegt, dat het sterkere karakter het zwakkere dwingt, om in zijn idealen op te gaan.

De geestelijke worsteling tusschen Ruth en Trottenburg was nog niet beslist, doch voor elkander waren zij reeds zoo, dat een volmaakt onverschillig naast elkaar gaan op den duur eene onmogelijkheid was.

Misschien voelde Trottenburg zich niet zoo innig en blijvend geboeid als Ruth.

Van oudsher beteekende de uiterlijke verschijning der beminde vrouw voor den man het meest. Haar innerlijk schijnt hem ver en onvatbaar, daarom spreken de mannen zoo graag over de vrouw... als over een sfinx, ofschoon toch ook de vrouw even gemakkelijk uit haar afkomst, haar opvoeding, haar afstamming te begrijpen is als de man.

Het oog van den man ziet vaak niet verder dan den vorm zijner geliefde. Haren geest, hare ziel, haar gemoed, haar hart zoekt hij dan niet in hare woorden en handelingen, maar in haar trekken, in de bewegingen barer gestalte, in den klank harer stem.

Ruth had toen een zacht besneden en toch klassiek gelaat van buitengewone bekoorlijkheid. Hare gestalte was volgroeid, heur handen straalden wit als leliën, haar lieve stem klonk zoo zoet en bedwongen krachtig dat zelfs haar dikwijls te onomwonden taal nooit iemand stootte.

Voortdurend vaker, niettegenstaande zijn hevigen innerlijken tegenstand, aanschouwde Trottenburg verlokkende visioenen van een zoet, intiem leven met tweeën, — met haar, voor wie niets op aarde zoo belangrijk zijn zou als datgene, wat hem betrof.

Steeds hooger steeg in hem de vloed van weemoed — maar nog kon hij dien dempen... Steeds meer week hij terug voor zich zelf. Misschien was het beter, zich te redden op het veilige strand, voordat deze vloed hem meesleurde naar een onbepaald doel.

Zulke innerlijke onzekerheden dreven hem er toe, in zijn onderhoud met Ruth opzettelijk en hardnekkig de politiek op den voorgrond te plaatsen; hij scheen vaster gesloten en meer terughoudend dan ooit.

In die dagen brak een critieke tijd aan voor het kleine Wel-fenblad, dat Trottenburg redigeerde. Het vorstenhuis, welks belangen hij vertegenwoordigde, dreigde te verdwijnen, het hoofd der familie had door een huwelijk beneden zijn stand reeds lang de wettelijke erfopvolging twijfelachtig gemaakt. Het grootste dee! van het Hessische volk zag zijn materieele belangen beter verzekerd dan vroeger en het gevoelde zich tevreden met de tegenwoordige

108

-ocr page 113-

verhoudingen. Voortdurend dichter groeide het gras der vergetelheid over het gepleegde onrecht. De ondersteuning van het blad door belanghebbenden werd daardoor gestadig geringer.

Men kon het Trottenburg aanzien, hoe hij zich zelf ontberingen oplegde ter wille van zijn blad. Voor zulk een noesten werker waren zijne maaltijden onvoldoende; zijn kleeding zag er bijna armoedig uit. Hij worstelde en streed. Doch trots zijn ijzeren wil zou het binnenkort er om gaan, of zijn koen en onverschrokken blad zou blijven bestaan of niet...

Eens sprak Trottenburg met Ruth over deze moeilijkheid, welke allang zijn leven vergald had.

Opnieuw meende zij nu hem er op te moeten wijzen, dat zijn kracht veel meer aan zijne natie ten goede komen zou, wanneer hij den strijd zonder vooruitzichten opgaf en als letterkundige, als geschiedvorscher of hoe ook ging werken op een ander gebied, waartoe hij zich geneigd voelde. Eervol terugtrekken was toch beter dan doodbloeden.

— O, antwoordde hij heftig, dat zou een veroordeeling zijn. U zoudt mij even goed kunnen aansporen tot zelfmoord. Al mijn levensvoorwaarden zijn geworteld in dezen strijd van het recht... Een man, die als ik, alles op het spel gezet heeft, die de hitte heeft gedragen van den strijd, die alle recht op persoonlijk geluk verwierp voor deze eene, waarachtig goddelijke idee, zoo iemand, die nog staat in de volle, ongebroken kracht zijns levens, die kan niet opeens beginnen met vlinders en vliegen te vangen, naar sprookjes te snuffelen of liedjes te zingen... De dood is niet zoo erg als het afspringen van zijn oorlogsros om voortaan op een stokpaardje te rijden. Te veel oud ridderlijk bloed stroomt door mijne aderen, dan dat ik zoo iets zou kunnen doen. Niet voor niets voert mijn geslacht den trotschen vleugelslaanden zwaan in zijn wapenschild. Alleen in dezen strijd vind ik het ware leven... En, eindigde hij diep ademhalend, en denk u toch niet, dat ik wanhoop. Ik vertrouw immers op God en op mijn goed recht. Ik hoop op wonderbare hulp.

Diep aandachtig keek Ruth hem aan. Terwijl hij zoo sprak vrij, fier, meegesleept, was hij zooals God hem gewild had. Als een oude plunje had hij het vermoeide en bedrukte weggeworpen, en de oude, echte ridderaard van zijn bloed veredelde zijn gelaat.

Al noemden de wijzen dezer wereld zijn idee een dwaze dwee-perij, hem was zij heilig.

En Ruth Waring beminde hem om zijne grootsche, onbezorgde kracht.

109

-ocr page 114-

— Ik hoop op wonderbare hulp, had hij gezegd, vertrouwend, geloovig als een kind. Dat ontroerde haar.

Den volgenden dag voerde Ruth een plan uit, dat zij plotseling g2maakt had. Het scheen haar omstraald van de aureool der opoffering en wel des te meer daar het inging tegen haar geheimen wensch om Trottenburg af te brengen van zijn politieke schermutselingen, maar voor hem een groote verlichting en bemoediging zijn moest.

Zij had wel eens gehoord, dat in Noord-Duitschland rijke en offervaardige partijgenooten van Trottenburg leefden, dat hij soms van daar ondersteuningen in geldsvorm ontvangen had voor zijne strevingen, — en daarop had zij haar plan gebouwd.

Zonder iemand iets daarvan te vertellen gaf zij een bankier in Bremen last, om jaarlijks aan de courant van Trottenburg een zekere som te betalen, welke het bestaan daarvan verzekeren kon.

Dat was eene handelwijze der onbaatzuchtigste liefde, die slechts lette op het belang en den wensch van den beminde. Want Ruth Waring had zulk een groote en edele opvatting van de verplichtingen der ware liefde voor een ander.

Verwonderd over deze zending was Trottenburg niet. Hij aanvaardde die zoo geheel als van God gekomen. Wiens hulp het meest nabij is, wanneer de nood het hoogst is gestegen. Een of andere rijke had de som voor hem bestemd, — de naam deed niets ter zake. Geen oogenblik gingen Trottenburg\'s gedachten in de richting van Ruth; — in het combineeren van voor de hand liggende feiten was hij echt mannelijk onbeholpen.

Trottenburg verkeerde in een gelukkige stemming.

Dat was een gebedsverhooring, een teeken van boven. Als vrij man, met lichtende oogen, zat hij \'s avonds na de ontvangst dezer schenking tegenover Ruth.

___ Vanwaar deze grootmoedige gift ook komen mag, triomfeerde hij, zij bewijst, dat wij nog steeds machtige, rijke bondge-nooten hebben. Waar offervaardigheid leeft, leeft kracht. Met vernieuwd vertrouwen gevoel ik, dat mijn zaak een toekomst heeft.

Bij deze woorden verbleekte Ruth. Een vreeselijk verwijt steeg op in haar binnenste. Z;j bemerkte, dat zij door deze daad ■— deze grootmoedige daad — op een valsch spoor geraakt was. Aan sommiger lot mag niemand raken; dat moet van zelf volgroeien. Trottenburg was een dergenen, die alle gevolgtrekkingen moeten mak?n van hun gedachten en handelingen, om hun eigen koers te bewaren. Dit bedrog was een bedrog over den werke-lijken stand der zaak en misschien noodlottig voor hem.

Ik ben vermetel geweest, dacht Ruth bevend, onvergeeflijk ver-

110

-ocr page 115-

metel. Ik had geen recht, om voor hem de Voorzienigheid te spe\'en.

Nog nooit had zij iets heimelijks of verborgens gedaan, steeds had zij den open, rechten weg 1 ewandeld. Nu was zij zich zelve ontrouw geworden, al was dat ook om edele beweegredenen. Daarop kon geen zegen rusten, dat voelde zij. Maar tevergeefs zocht zij naar een gelegenheid, om hem in te lichten. Een d;epe beschroomdheid sloot haar mond...

Trottenburg was zoo gelukkig veranderd, veel openhartiger, veel vertrouwelijker dan vroeger.

Ruth bezat den moed niet, om zijn vroolijke stemming te verstoren.

Maakt een glimlach van het geluk ons niet vaak in alles moedig, verlicht die niet al onze levensvooruitzichten, verheldert die niet de geheele toekomst? Zoo verging het ook Trottenburg en in die dagen peinsde en herpeinsde hij over de mogelijkheid, Ruth toch voor zich te winnen.

Hij meende toen, dat de liefde machtig genoeg zou wezen, om van de vrije, fiere Amerikaansche een eenvoudig, deemoedig vrouwtje te maken, dat wel zeggen zou: Mijn land is uw land, mijn geloof is uw geloof.

S{j ¥

*

Voor Ruth en Trottenburg waren de weinige weken tot aan het Kerstfeest een gelukkige tijd. Hij was persoonlijker geworden en Ruth opende langzaam, langzaam met den gouden sleutel eener diepe, fijne vrouwenliefde zijn hart, zij bracht leven in zijne stroefheid, zij matigde zijn kantigheid, zij wekte in hem het liefelijke en teedere. Hij gaf zich geheel over aan de rust, die op ons neerdaalt, wanneer wij bevrijd zijn van zware, drukkende zorgen. Soms was hij bijna kinderlijk mededeelzaam.

Maar op een dier dagen zei Laura van Meerheimb, hard en meedoogenloos:

— Gij speelt een gevaarlijk spel, Ruth. Gij zet je zelf in als prijs. Ik zou willen weten, of jij van zins zijt, dien prijs te betalen. Het is bloedige ernst, hoor. Want ik zag nog nooit iemand zoo veranderd als dezen Trottenburg.

— Ik ben geen kokette, antwoordde Ruth rustig, ik weet ook, dat het hier leven om leven gaat en ik laat het over aan het leven zelf, om zijn eigen zaak te beslissen.

Laura schokschouderde. Zij voelde zich altoos geprikkeld, wanneer een man zich zoo heelemaal niets van haar aantrok en Trottenburg toonde dit onverholen genoeg.

Wanneer de menschen geprikkeld zijn, spreken zij dikwijls zeer ware en behartenswaardige woorden. Dit begreep Ruth heel goed.

111

-ocr page 116-

Maar wie kan het bestier van zijn levensgang keeren ?

Laura\'s woorden hadden Ruth\'s sluimerenden trots wakker ge-stooten. Misschien was zij werkelijk te ver Trottenburg tegemoet gegaan, — en zij werd weer terughoudend, zij bezon zich zelve, ja, zij ging uit den weg voor zijn langzame, tastende toespelingen en vragen,

In een onbewaakt oogenblik liet hij zich ontvallen, dat hij haar voor veel jeugdiger gehouden had, dan zy in werkelijkheid was, hoogstens voor een een en twintig jarige.

Doch zij bracht hem aanstonds op de hoogte.

— Ik ben trotsch op elk jaar, dat ik geleefd heb, verklaarde zij, al mijne levensdagen zijn kostbaar, ik zou er geen enkele willen missen, maar ik weet ook, dat de jeugd iets kostbaars is, vooral... vooral, wanneer zij voorbij ging... Twee jaren geleden bracht ik de zomermaanden door op \'n Amerikaansch eiland. Ik logeerde met twee oudere vriendinnen en hare kinderen in een pension. De kinderen waren jongens en meisjes van zeventien, achttien en negentien jaar oud, heel aardige kinderen. Echte kinderen, die nog niet begonnen zijn, na te denken. Ik met mijn bijna vijf en twintig jaren en mijn gerijpte ervaring, ik leek mij zelf naast hen een oude grootmama. En ook op hen maakte ik dien indruk. Op een avond werd een pic-nic gehouden boven op een hooiwagen. De ongemakken weerhielden de moeders der jongelui om mee te gaan, doch zij zonden mij mee als dame d\'honneur. Ik vond het iets eigenaardigs, daarbij te zijn, zonder daarbij te behooren. Toen bemerkte ik voor het eerst, dat mijn jeugd afscheid nam.

Zij glimlachte even en ging verder:

— Het is toch iets vreemds, dat plotseling verdwenen zijn der eerste jeugd. Tot dan toe had ik er heelemaal niets van bespeurd. Maar de anderen wisten het al. Ik geloof, dat velen zich daardoor bitter gekrenkt zouden hebben gevoeld: ik niet. Ik stond alleen maar verwonderd. Ik had een gevoel, alsof ik onvoorzien mijn voet tegen een mijlpaal gestooten had. Den overgang echter, die voor velen zoo hard is, had ik niet eens bemerkt.

— Misschien, antwoordde Trottenburg, is deze overgang, die zich zeker ook niet zoo vroeg voelen laat, voor ons, mannen, minder gewichtig. Reeds alleen daarom, omdat wij van jongsaf de werkelijkheid des levens van aangezicht tot aangezicht zien en niet zooveel illusies te verliezen hebben. Onze macht in het leven begint dan ook eerst te ontkiemen op een leeftijd, waarin de vrouw gewoonlijk reeds haar hoogste machtspositie bereikt heeft en deze nog alleen bevestigen moet.

112

-ocr page 117-

Ruth verzette zich tegen zijne eenzijdige waardeering van een vrouw.

— U bedoelt met de hoogste machtspositie der vrouw het huwelijk, riep zij. Maar ik beweer, dat zooiets geen steek houdt voor de denkende, de hoog ontwikkelde vrouw van onzen tijd. Wanneer zij nu den man niet ontmoet, wien zij met volle vertrouwen haar hart en leven kan wegschenken, — wat dan ? Moet zij dan haar leven als mislukt beschouwen, hare macht als verloren, het licht harer hoop als uitgedoofd? Moet zij zich naar de woestijn begeven en van daar uit met droge, wijd gloeiende oogen verlangen naar het geluk harer gehuwde zusteren? Neen, de vrouw van onzen tijd weet, dat zij in de eerste plaats volkomen gelijkgerechtigd mensch is... en dan pas een vrouw. Zij weet, dat voor menschen onder de menschen altoos iets te doen is. Ik zal waarschijnlijk nooit trouwen en toch denk ik dat ik gelukkig zijn zal.

Fier klonk hare stem, maar Trottenburg meende er toch ook een heimelijk gesnik in te hooren.

Zij was op eenige schreden afstand van hem gaan staan. Daar stond zij nu, de slanke, bijna al te teere gestalte, hoog opgericht, broos gelijkend en toch met een trek van staalharde vastberadenheid op haar gelaat. Het was alsof zij zwijgend zeggen wiide: ik ben evenmin bang voor de menschen als voor de eenzaamheid.

Op dit oogenblik begreep Trottenburg, dat hij met hart en ziel haar tot vrouw verlangde. Maar met zijn woorden sloeg hij den verkeerden weg in.

— Alle gedachten der vrouwenemancipatie helpen de ongehuwden toch niet over het bewustzijn heen, dat haar bestaan mislukt is, geloof ik. Dat is nu eenmaal zoo. God heeft het zoo gewild. Hier baat geen verzet.

Ruth, ongeduldig, viel hem in de rede:

— Het allerlaatst bij u wil ik hooren, dat afgelierde zinnetjes worden nagepraat. God laat dikwijls alleenstaande boomen gedijen tot een bijzondere grootheid en heerlijkheid. Zoo zullen er ook menschen, ook vrouwen zijn, voor wie niet elke gemeenschap past, maar die zich in eenzaamheid ontwikkelen tot haar volle beteekenis.

Zij verschrok van haar eigen heftigen toon. Daar was nu iets hards in hare stem. Dat hoorde zij, alsof een vreemde sprak.

Zij wilde Trottenburg geen leed doen, voor geen geld ter wereld. Met zachter smeekende oogen, dan zij zich zelve bewust was, keek zij hem aan.

Zijn gelaat straalde van overwinnaarstrots.

— God wil het toch, zei hij met van ontroering trillende stem. En wat is onze eigen meening, onze zelfgebouwde geestestroon.

113

IDEALISTEN 8

-ocr page 118-

onze gekunstelde zelfgenoegzaamheid over eigen doen en laten tegenover den vrede, de vreugde, de liefde, de trouw, welke dit woord ons belooft?

Een vreemde angst voor iets onzichtbaar naderends overviel Ruth.

Het schemerde reeds in de kamer. Met een plotselinge, krachtige beweging stiet zij de ramen open, alsof met de koude winterlucht ook licht zou binnenvloeien. Doch daarbuiten vlamde slechts het helle schijnsel der straatlantaarns, en de luide, traag sleepende stem van de stadhuisklok telde het vijfde uur van den middag af. Naar oud Roomsch gebruik klonk dan ook het Angelusgelui van uit het Protestantsche kerktorentje, dichtbij, luid, alsof het klokje hing in de kamer. O, dat gelui, dat geklepper van snelle klokkeklanken, het leek Ruth het luide kloppen van heur hart.

Trottenburg zag haar aan met smeekenden blik. In hem baden zijne gedachten: Laat verleden en toekomst voor wat ze zijn. Vind een thuis, vind rust, vind genoegen aan mijn hart, in mijn leven, in mijn geloof.

Zij wist wat hij dacht; zij hoorde het zoo duidelijk, alsof hij het hardop had uitgesproken. Een rilling sidderde door hare leden... En toen, plotseling, was het geschied... Zij leunde aan zijne borst, wereldvergeten, zelfvergeten voor een oogenblik...

Zij leek hem teer en wankel, toen hij haar zoo vasthield. Het moest gemakkelijk zijn, haar steeds zoo te houden, dacht hij.

Eenige oogenblikken sloot Ruth hare oogen. Overweldigend steeg het bewustzijn in haar, dat zij van ganscher harte wederminnen moest, als zij bemind werd. Doch op eens... wat was dat? Wat was dat daar in de verre verte? Die stem? De stem van barones Elöny: Hij kon zijne moeder geen vergiffenis schenken. Pas op, zijn hart is stroef en koud.

En zij maakte zich los van hem en stond daar, sidderend...

— Neem mij niet kwalijk, dat had niet moeten gebeuren...

\'— Dat heeft wel moeten gebeuren, antwoordde hij, maar zijn woorden klonken zacht en onzeker.

Dezen avond gaven Ruth en Trottenburg elkander niet de hand ten afscheid. Daar was tusschen hen beiden iets drukkends, iets onbevredigds. De vriendschap geeft en gedoogt veel, doch de liefde wil alles of... niets.

Toen Trottenburg was heengegaan, gevoelde Ruth zich eigenaardig ontnuchterd. Zijging aanstonds naar heur kamer, want Laura\'s vorschende, begrijpende oogen schenen haar onverdraaglijk.

In den haard brandde een flakkerend houtvuur, dat helle glansen in de kamer wierp. Ruth ging in haar fauteuil zitten, de handen

114

-ocr page 119-

voor haar knieën gevouwen. Zij trachtte thans haar eigen toekomst geheel te overzien, te begrijpen. Scherp denken kon zij wel. Haar oogen vestigden zich op Moreto\'s Santa Justina. Het liefelijke, goedige gelaat der vrome vrouw, die zich tot haar neigde, was haar een troost. Had zij zich misschien een oogenblik... Zij verjoeg de opkomende gedachte.

De flakkerende vuurschijnsels, die de Justina-schilderij verlichtten, vielen ook op de vele fotografieën van vrienden en bekenden, waarmede Ruth zich in haar kamer omringd had. Daar waren voorname, fiere, gedistingeerde gezichten bij, louter menschen uit de hoogste maatschappelijke kringen. Hoe zouden dezen wel over hare keuze tevreden zijn?

Bij deze vragende gedachte verschrok zij. Had zij dan verleerd, zelf te zien, zelf te oordeelen? Had zij de oogen van anderen noodig, om haar richting te vinden?

Die gezichten daar tegen de kamerwanden wekten duizend herinneringen aan haar vroeger leven.

Mooi, mooi was dat leven, dacht de Amerikaansche, vol genot, vol afwisseling, bont en vrij. De heele wereld was voor mij, want ik nam deel aan alles, wat zij aanbood, in alles vond ik vreugde. Vreugde vond ik ook in den omgang met de menschen; alleen de besten, de fiersten, de vlekkeloosten waren goed genoeg voor mij. Vreugde vond ik in de edelste uiting van den menschelijken geest, in de dichtkunst; ik heb gelezen in de harten van Milton en Shakespeare, van Byron en Shelley, van Goethe, Dante en Michel Angelo.

Meer dan vreugde brengt mij de muziek, die het mij mogelijk maakt, mijn innigste wezen in klanken uit te storten... En toch, dit alles scheen mij slechts een voorbereiding voor het leven in een ander, voor een ander...

Thans, nu ik meende hem te hebben gevonden, nu wordt het mij duidelijk, dat heel mijn verleden niets beteekent voor hem.... En ik word bang voor hem en voor mijzelf. Kan ik, die totnutoe zoo vrij van alles de wereld ben doorgegaan, zijne verwachtingen vervullen, hem levenslang mijne liefde brengen in nederigen, trouwen eenvoud?....

Zij rilde, zij sidderde, de angst omwoei haar als een storm een eenzamen boom, schuddend en rukkend...

Zij zonk af van haar stoel, op haar knieën, en het gelaat in haar handen verbergend, herhaalde zij onophoudelijk dezelfde vragen...

Daar... daar.... was het geen licht? Zag zij geen glans in dën chaos van tegenstrijdige overpeinzingen?... Langzaam, dralend, maar duidelijk kwam het antwoord!

115

-ocr page 120-

Datgene wat zijne sterkte, zijn geloof, zijn karakter, uitmaakte, zou in den grond steeds ver van haar verwijderd blijven.... Hij was voor haar een sprookjesheld...

Nooit kon hem hare geheele innerlijkheid toebehooren, — want de hoofdvoorwaarden daartoe ontbraken. Wat hem heilig was, had zij leeren beschouwen als een vertelsel, als een thans vervlogen droom der volkeren... Nooit zou zij, de republikeinsche, deze onwankelbare vasallentrouw kunnen beoordeelen.

Dat wist zij, slechts indien zij het ééns was met zijne overtuiging, zou zij, zou hare ziel den man harer liefde nabij blijven. Maar neen, zelfs niet terwille der liefde zou zij zich buigen voor het vreemde, onbegrepene. Dan zou zij hem niet meer waardig geweest zijn.

Met onverzettelijke zekerheid kwam zij tot dit bewustzijn. En in hulpelooze, radelooze smart begon zij te schreien, te schreien... Want o! zij wist het wel, zij voelde het zoo diep, hare liefde voor Trottenburg was die, welke iemand slechts éénmaal in het leven aanraakt, ontroert en de volle kracht der persoonlijkheid tot ontwikkeling brengt... En ook, dat zij en haar geliefde het nooit ééns zouden worden, nooit...

Bijna onbewust, maar langzaam en zeker was dit begrip in haar gerijpt.

Nooit ééns worden.!

En och! zij stonden reeds zoo dicht bij elkander.

Zij had zijne ziel ontsluierd, zij had zich temidden van zijn vroeger zoo eenvoudig en afgesloten leven geplaatst. Hare bedoelingen waren zoo zuiver geweest en tóch, er rustte geen zegen op!

Haar leven lang had Ruth zich verweerd tegen alle gevoel van spijt. Zij vond spijt iets ellendigs, iets erbarmelijks, —• iets voor zwakken en ontoerekenbaren, die niet weten wat zij doen en geen verantwoording daarvoor dragen. Nooit had zij spijt gevoeld...

Maar nü, nu kwam de spijt, groot, overweldigend en sloeg een bres in haar karakter, een bres waardoor ongeroepen een stroom van hartstochten brak.

Waar bleven nu de resultaten van haar langdurige ijverige zelfopvoeding? Bij den eersten diepen greep in een ander leven had zij zich getoond als een jammerlijke stumperd, als een hatelijke verstoorster...

Die woorden klonken haar thans in de ooren als een strafgericht. Daar bestond slechts één uitweg uit dit dilemma: scheiden!

Maar ach, heur voetsporen stonden voor altoos in zijn heiligdom, en zij... zij zou steeds een smadelijke herinnering aan geschonden trouw door het leven sleepen...

Totnutoe had zi) klaar en logisch kunnen denken, thans hield

116

-ocr page 121-

elke overpeinzing op. De liefde, de groote, waarachtige liefde ia haar verlangde haar recht. Zij kon den beminde niet meer toe-behooren, hem niet teleurstellen. Zij kon tegenover hem niet trouweloos handelen. Om zijnentwil zou zij de zwaarste proef doorstaan.

Zij wilde hem alles bekennen, hare twijfelingen, haar spi;t, haar schaamte. Zooals hij besliste, zou het gebeuren. Alleen zijn geiuk, zijn verlangen, niets anders ter wereld, mocht den doorslag geven.

Doch niettegenstaande dit besluit vond Ruth Waring geen rust. Zij twijfelde aan zichzelf. Zij wist wel, dat men meer kracht behoeft, om in een ander op te gaan, dan om ongestoord zijn eigen weg te vervolgen...

* *

*

Trottenburg daarentegen was thans van zijn zaak volkomen zeker.

Hij gevoelde zich Ruth\'s overwinnaar. Zij had zijne omarming geduld, haar hart had geklopt tegen het zijne, dat was voor hem een gelofte, een verloving... Hij hield Ruth en zichzelf voor te hoogstaand, dan dat het anders zijn kon. Zij was thans voor hem niets anders meer, dan de vrouw, die hij beminde.

Haar gedachtenleven schatte hij niet al te hoog. De moderne ideeën zal zij wel laten glippen, zoo ongeveer dacht hij. Mijne meeningen zullen vanzelf de hare worden. Eene vrouw leert gelooven in een geloovige omgeving. Zij zal zich geheel naar mij vormen...

Plotseling scheen alles hem gemakkelijk. Zijne zinnen werden beneveld door Ruth\'s liefelijkheid en de overgave van dat ééne oogenblik... Dat oogenblik... o! Nóg voelde hij eenzelfde siddering als toen zij daar tegen zijne borst leunde...

Trottenburg was verliefd op Ruth, — maar Ruth beminde Trottenburg.

Het toeval wilde, dat Trottenburg nog denzelfden avond telegrafisch naar Praag ontboden werd.

Daar waren voorname partijbelangen te bespreken. Nog in den nacht moest hij zich reisvaardig maken. Ruth kon hij niet meer spreken vóór zijn vertrek. In eenige korte, haastige woorden deelde hij haar de reden zijner reis mee. Maar bij die mededeeling voegde hij geen betuiging zijner liefde. Hij had nog nooit een liefdesbrief geschreven. Zijn pen was daarvoor te stijf. Zonder dat wist Ruth het toch wel, dacht hij....

Maar Ruth legde teleurgesteld de kaart terzijde. Weer overviel haar die huivering, gevaarlijker dan wat ook, voor de heete-middagbloem der liefde, — de bloem die den vollen glans der wederliefde behoeft om goed en schoon te ontluiken.

117

-ocr page 122-

VEERTIENDE HOOFDSTUK

Vrouw Ellenberg had voorspeld, dat het in Steenbrugge „brandenquot; zou. En alles geloofde daaraan. De burgemeester liet de brandspuit probeeren en de slangen opknappen. Half Steenbrugge stond onder water en de schooljeugd was buiten zichzelf van opgewekte verwachting. Vrouw Ellenberg genoot in Steenbrugge een machtig aanzien bij de bewoners der winkelstraatjes — en ook bij de anderen. Een oude vrouw was zij met een heksachtig voorkomen en merkwaardig groote, als naar vérre visioenen starende, helblauwe oogen. Langzaam waren hare handbewegingen, die schenen te schrijven in de lucht, die iets schenen te grijpen, alsof zij dingen omvatte, welke niemand anders zag. Zij had verschijningen, droomen, visioenen van wat gebeuren zou, — zij riep geesten op; ziekten, sterfgevallen, soms ook huwelijken voorspelde zij, maar meestal ongelukkige gebeurtenissen. Onwillekeurig dachten de menschen, als zij haar zagen, aan een lijkuil of een ongeluksraaf.

Niemand liet haar gaarne in huis. Uit de vensters wierp men haar geldstukjes toe. Die placht zij op te rapen van de steenen,

— murmelend: „Ik weet toch wat ik weet.quot; De menschen zeiden, dat \'s nachts de weerwolf sliep voor de deur van vrouw Eïllenberg.

— dat was in Steenbrugge van oudsher het teeken van helsche kunsten en verboden wetenschappen.

Het was anders niet heel moeilijk om te voorspellen, dat het in Steenbrugge branden zou. Eiken winter brandde het, zoodra hooi en stroo op de zolders geborgen waren. Als \'t ware heele straten gingen in vlammen op, want het eene huis leunde tegen het ander, en ongestoord vlogen de vonken van het eene in het andere zolderluik.

En hoe het in Steenbrugge brandde! Machtig mooi en vuurwerk gelijk. Als aangestreken Zweedsche lucifers vlogen de uitgedroogde vakbalken de lucht in — in een oogwenk sprongen duizenden vurige slangen en slangetjes te voorschijn uit de spanen Noorderwanden der huisjes. En wanneer zij den zolder bereikt hadden! Dan vlogen, als door reuzenhanden weggeslingerd, door de vermolmde daken roodgloeiende stroogarven, een geweldige waaier van vonken siste den nachthemel in en stoof uit over het heele nest, telkens nieuwe vuurhaarden vindend in het dakenge-wemel. Want in Steenbrugge brandde het altoos \'s nachts en de bedronken nachtwachter begon pas te toeteren, wanneer reeds alles in vlammen stond; eerder bemerkte hij niets.

Men zou niet hebben vermoed, dat uit dit grauwe, slaperige

118

-ocr page 123-

nest zulke grooite, roode, als woest-jubelende vlammen konden opslaan. Maar wezenlijk, de branden van Steenbrugge waren van een bijzonder-grimtnige majesteit, — vooral die, welke vrouw Ellenberg had voorspeld.

Vrouw Ellenberg was juist het tegenovergestelde van den ouden Joost. Wat Joost aan eerlijkheid bezat, bezat zij aan huichelarij. Zij was een doortrapte spitsboeve. Joost haatte haar sluw glimlachend gezicht, waarmee zij hem verhaalde dat de Heer haar verschenen was, hare groote deugden prees, haar „lieve zusterquot; genoemd had en haar beloofd, dat zij in den hemel zou komen te zitten op een gouden stoel.... vlak naast Joost. Over dezen gouden stoel van vrouw Ellenberg zoo vlak naast hem, ergerde de oude man zich voortdurend.

Toen dan ook Hans van Meerheimb, die hem nu en dan bezocht, kwam vertellen:

— Vrouw Ellenberg heeft voorspeld, dat het in Steenbrugge branden zal, ■— toen stoof Joost woedend op.

Hij verhief zijne stem en preekte weer:

— Men zal haar werpen in den poel der uiterste duisternis: daar zal gehuil zijn en gekners der tanden, want de leugenaar is een gruwel voor den Heer en zij, die pronken met gestolen genaden, zullen nog verlatener zijn dan alle anderen.

Het duurde een heelen tijd, vóórdat Joost weer te spreken was. Hans van Meerheimb had hem nog allerhande dingen te vertellen.

— Zeg Joost, begon hij weer, heb jij al gehoord, dat een geleerd man... wacht eens... Darwin heet hij, — dat die beweert: de mensch stamt af van de apen?

— Och, och, zuchtte Joost, de menschen zeggen, dat ik gek ben. Maar zij zijn toch zelf gek... Lezen zij dan den Bijbel niet? Me dunkt, daar staat het toch heel duidelijk in, hoe onze Heere God uit niets Adam maakte, heelemaal uit niets!

Plechtig ging hij verder:

— Een groot Babylon in deze wereld, een veile deern. Daar heerscht tegenwoordig spraakverwarring in de geesten. Niet waar Hans, als je alles verteld hebt, wat men weten moet, om de menschen van de waarheid te overtuigen, dan ga je heen en je zegt: Och menschen, daar bestaat geen tweeërlei waarheid of tweeërlei recht. Of ja óf neen, — óf zwart óf wit, — óf de zaligheid óf.... de verdoemenis.

Midden onder Joost\'s gesprek klonk het gekras eener schrille, oude-vrouwestem van de straat omhoog:

— Het zal branden! Ik zie overal vlammen! Ik weet, wat ik weet.

119

-ocr page 124-

In het felle licht van den winterdag stond daarbeneden vrouw Ellenberg, die hare starre oogen gericht hield naar het huis van Toost.

Misschien was dit slechts een pijnlijk toeval, doch Hans van Meerheimb voelde een rilling door heel zijn lichaam, als een bang voorgevoel. In waarheid echter voorspelde vrouw Ellenberg ongelukken aan alle menschen, die haar ooit onvriendelijk bejegend hadden, — en Joost had dat méér dan eens gedaan...

Sinds het bij de bestuurders van Steenbrugge wis en zeker vaststond, dat de oude ringmuur eraan gelooven moest, om geen beletsel meer te wezen voor de nieuwere tijden, was de oude Joost als bezeten van den boezen geest der onrust. Hij had eene uit-noodiging ontvangen, om op het raadhuis te komen en den prijs van zijn huis op te geven, wijl het mèt de muren zou worden geslecht. Toen hij dien brief ontving, was \'t hem, alsof hij een slag in \'t gelaat kreeg... Hij begreep absoluut niet, hoe iemand waar ook ter wereld hem zou kunnen verjagen uit zijn eigendom.

Daar kon hij maar niet bij. Hij dacht er dan ook niet aan, om gevolg te geven aan de uitnoodiging.

— Mijn huis is mijn huis. Dat is niet te koop. Mijn overgrootvader heeft het gebouwd. Die heette Wendel Joost evenals ik. Dat kunt ge lezen in den balk boven de deur. Kort e:n bondig, ik verkoop mijn huis niet.

Zoo sprak hij mopperend tot den stadsbode Nolde, — Nolde met zijn blauwen rok, zijn koperen knoopen, zijn stoppelbaard en jeneverneus. Plechtig en met heimelijk genoegen had deze hem een stadhuisstuk overhandigd. Nu loerde hij naar Joost, snoot den neus en poetste zijn bril om tijd te winnen, teneinde voluit te genieten van de uitwerking zijner boodschap.

Dan kraaide hij met zijn door uitroepen en afkondigen geheel vcrschreeuwde stem:

—\'Te koop of niet te koop, tegenstribbelen helpt niet. Ik en mijnheer de burgemeester hebben het zóó besloten. Jij moet eruit. We zullen je oude boeltje schatten en betalen, voordat het neergehaald wordt. En dan — uit er mee, versta je?

Nolde voelde zich thans als machthebber. Als een strijdlustige haan stond hij daar, de voeten wijd van elkaar als geplant in den grond.

— Mijn huis is mijn huis, mopperde Joost nog eens. En nu, maak, dat je d\'eruit komt, Nolde. Toe, daar heeft de nmmerman het gat gelaten I

De reuzige oude richtte zich dreigend in zijn heele hoogte op, — en allerspoedigst verdwenen de blauwe spitse rokpanden van Nolde. Toch stak hij nog even zijn borsteligen kop langs de deur:

120

-ocr page 125-

— Die niet hooren wil, moet voelen. Uit d\'ermee, versta je! De hooge overheid laat niet met zich spotten.

Daags na het bezoek van den stadsbode ging Joost nieï naar zijn werk. En de volgende dagen ook niet. Hij bewaakte zijn huis. Zijn grauwe profetenkop met de zoekende, vergramde oogen werd dreigend achter de vensters zichtbaar, zoodra voetstappen weerklonken in de nabijheid van zijn huis. Naast hem stond de roestige botte sabel uit den tijd der burgerwacht. — Joost zou zijn recht verdedigen. Hij had de huisdeur afgesloten. Zelfs zijn kleindochtertje mocht den drempel niet overschrijden. De arme kleine, de blonde Barbara beleefde kwade dagen.

Toen weken verliepen, zonder dat er iets gebeurde, kalmeerde Joost een beetje. Hij zong weer psalmen en las Barbara den avondzegen voor uit het grootgedrukte, zware, gezangenboek:

Hoor mijn gebeden, o nooit bezweken Heer, nu verwaerloos geenszins mijn smeken Luister van boven wat ik zal spreecken

Noothulp daerboven.

Kwellingen kwetsen mijne gedachten.

Vijanden dreighen, vreeslijke machten Mij praemen....

Doch midden in den lofzang begon Joost plotseling hevig te schreien... En het gebeurde hem ook wel, dat hij omstreeks middernacht rechtop in zijn bed zat en een weemoedig klaaglied aanhief: O Heer, om noodhulp riep lek u uit \'s afgronds diep,

O Heer, aanhoor ons schreien.

En luister toch, en let Met aandacht op \'t gebedt,

Waerdoor wij hulp verbeien.

Of ook het door vele geslachten overgeleverde stervenslied, — dat vooral zijn kleindochtertje zoo vreeselijk-pijnlijk aandeed —■ maar hem troostte in zijn angst en kommer:

Als eenmaal ik moet scheiden.

Och ga dan niet van mij.

Als ik den dood moet lijden.

Och kom dan naderbij En als het allerbangste Mijn arme hart zal zijn Trek mij dan uit mijn angsten Door uwe smart en pijn...

12!

-ocr page 126-

Op een dag tijdens zijne afwezigheid was dan toch de schat-tingscommissie gekomen. De prijs der bouwvallige hut werd op eenige duizenden bepaald en aan Wendel Joost bij officieel schrijven te kennen gegeven, dat hij het huis binnen acht weken te ontruimen had.

— Bij niet-voldoening hieraan of bij verzet zal de bevoegde macht geweld gebruiken, om genoemden Wendel Joost uit het gebouw te verwijderen.

Sindsdien liep Joost dieppeinzend langs de straten. Soms ook leunde hij tegen zijn roetzwarten haard of wandelde hij, heftig met de armen zwaaiend, door den kouden wind over akkers en weiden, — als opgejaagd wild. En onophoudelijk riep hij:

— Recht is recht. Ik zoek mijn recht.

-— Het recht zit tegen den hemel gespijkerd, Joost! hoonden zijne buren. Klim er heen en haal het naar beneden!

In plaats van deelneming hadden zij pleizier in zijn ongeluk. Zij weeklaagden slechts dan, wanneer hunzelfs iets hards of onrechtvaardigs overkwam.

Hans van Meerheimb liep den ouden man wel na en trachtte hem te kalmeeren. Eens, \'t was reeds \'s avonds laat, vond hij hem zittend onder een perenboom langs den weg en predikend voor de steenen, — omdat de menschen niet meer naar hem luisteren wilden. Joost zou daar doodgevroren zijn, wanneer de knaap hem niet had thuisgebracht.

Hans trachtte den man te beduiden, dat het nu eenmaal niet anders ging en dat de wet zulk eene onteigening ter wille van het algemeen belang gedoogde. Doch Joost liet zich niet overreden...

Toen trachtte Hans samen met Barbara een paar kleine vertrekjes te huren in de nabijheid van het huis, opdat Joost toch voor zichzelf en zijn kleinkind een onderkomen vinden zou, wanneet het huisraad ten slotte op straat zou worden gezet.

* *

*

Den laatsten tijd had Ruth Waring het haar omringende leven niet goed meer bekeken.

Dikwijls moest zij thans denken aan dat melancholieke woord van Shakespeare: „Wij zijn van hetzelfde maaksel als vluchtige droomenquot;.

Wat zij beleefd en ervaren had, was zoo snel over haar gekomen; zij had als het ware zelf den storm der gevoelens en ontroeringen langs zich heen getrokken. Thans wilde zij haar vergeten ik, haar fiere, onbekommerde ik terugzoeken — en zij vond het niet meer. Zij was dieper veranderd, dan zij zelve vermoed had.

Zij had den last van een ander leven op zich genomen.

122

-ocr page 127-

Want wat is de liefde anders, dan dat wij de lasten en wederwaardigheden van den beminde maken tot onze eigene, om zijne schouders te ontlasten, zijne wegen te effenen, zijne schreden te verlichten?

Zelfs al had Ruth de bedoeling gehad, om zich van dezen last der liefde te bevrijden, zij zou het niet gekund hebben en zij zou het haar leven lang niet kunnen. Uit al de onevenwichtigheden en weerstrevingen in haar binnenste, nam zij ook thans hare toevlucht tot de boeken. De boeken welke de vrienden en leermeesters harer jeugd waren geweest en die zij steeds medenam. Toen vielen haar de Portugeesche Sonnetten in handen, die volmaakte liefdeliederen, welke Elizabeth Browning haren echtgenoot Robert Browning wijdde.

Nu zij na zoo langen tijd deze woorden herlas, deze woorden vol toewijding, doch ook vol reinen liefdegloed, nu verbleekte zij en haar hart kromp smartelijk ineen voor dezen rijkdom aan ge-loovig vertrouwen:

Eenig geliefde, die ver boven de woeling Van \'t warrige leven, waarin ik versmachtte Mij hebt geheven zoo heerlijk omhoog...

Zoo vast en grenzenloos vertrouwvol als Elizabeth Browning tot haren Robert sprak, zou Ruth nooit tot Trottenburg kunnen spreken en zij snikte over deze liederen, thans haar leed en vroeger...

— vroeger haar hoogste vreugde.

* *

*

Wanneer men de kerksheid van Laura van Meerheimb onder cijfers brengen moest, zou men geen beter hebben kunnen kiezen dan een nul. Toch had zij een der voornaamste karaktertrekken van het werkdadige katholicisme bewaard, namelijk een door haar als volkomen-natuurlijk opgevatten weldadigheidszin. Wel ging deze soms over de grenzen van haar bekrompen beurs, maar hij was haar evenzeer in \'t bloed gevaren als hare ijdelheid en maatschappelijke eerzucht.

Dit jaar had deze eigenschap meer dan tamelijk in haar gesluimerd. Plotseling echter herleefde zij in den tijd vóór Kerstmis en zij kende toen nauwelijks grenzen meer.

Met buitengewoon gemak vervaardigde zij uit lappen en lapjes vele hemdjes en sokjes, broekjes en jakjes, rokjes en mutsjes. En\' de wezenlijke deelneming, waarmee zij de behoeften harer arme kliënten beschouwde, kon iemand wel verzoenen met menigen oppervlakkigen trek van haar karakter.

123

-ocr page 128-

Hans en Beatrix hadden dit met hun moeder gemeen. Zij versierden kerstboomen en dennentwijgen, zij verguldden noten en regen appels aanéén, zij knipten kettinkjes uit goudpapier, zelfs Beatrix overwon hare traagheid en onhandigheid en kleedde poppen voor kleine meisjes aan.

Met groote verbazing bekeek Ruth deze koortsachtige werkzaamheid ter wille der vreugde van anderen.

Lag daar niet een groote trek van echte hartelijkheid in. iets echt-Duitsch, iets gemoedelijks, al was het dan slechts een vrome gewoonte?

Zooveel had Ruth gedroomd over de groote liefde voor een enkelen mensch doch de idee der veel grootere, alles-omvatrende menschenliefde was haar vreemd gebleven. Hier zag zij een enkel verwaaid vonkje daarvan, maar een vonkje verraadt den aard der viam, evenals een druppel dien der bron.

Ja. verbaasd bekeek Ruth hare vriendin Laura. Bij zulk een gelegenheid vroeg mevrouw Van Meerheimb niet naar waarde of verdienste. Een waschvrouw, die haar vroeger had bestolen en nu ziek lag, werd rijker bedacht dan alle anderen.

Ruth zei tot Laura:

— Ik zou zóó niet gedaan hebben. Het past dunkt mij, eerst na te gaan, of de menschen onze weldaden waard zijn.

— Dat is juist niet christelijk, antwoordde mevrouw Van Meerheimb luchtigjes en tamelijk gedachteloos.

Lang klonken die woorden na in Ruth\'s ziel. Het was toch iets heel eigenaardigs dat „christelijk-zijnquot; dat zelfs de oppervlakkigen reeds in hun jeugd doordrong en hen somwijlen bracht tot handelingen, die grooter waren dan zij zelf.

Als een geweldig vuur had deze christelijke liefde sinds eeuwen en eeuwen op de aarde gebrand, duizenden verwarmend, die zonder dat vuur verstijfd en bevroren zouden zijn. Zeker, de menschen hadden wel veel water erover uitgegoten en toch drongen telkens weer deze onuitbluschbare vlammen omhoog...

Ruth had altoos hare briefwisseling met Amerika onderhouden. Zij vond het genoeglijk over personen en gebeurtenissen mede-deelingen te ontvangen in een warmeren, levendigeren stijl dan die der courantenberichten. Den laatsten tijd echter meende zij een vreemden, droeven toon daaruit te hooren, een toon, die haar pijnlijk aandeed. Wilde men haar ontzien, haar sparen, haar medelijden betuigen, door teederheid haar troosten over heur leed? Maar zij wisten toch niets hiervan....

Men schreef haar vaker dan vroeger. En in een dezer brieven

124

-ocr page 129-

vond Ruth dezen voor haar onbegrijpelijken zin: „Hoe zult gij je schikken in de veranderde verhoudingen? Denk eraan, dat mijne woning steeds een tehuis van je zijn zal.quot;

Wat kon haar vriendin hiermede bedoelen?

Ondertusschen hield Ruth zich te veel bezig met hare gedachten aaa Trottenburg, om een meer dan gewone beteekenis aan dergelijke uitingen toe te kennen. Toch bezorgde het haar menig uurtje hoofdbrekens. Want het viel haar op, dat ook verre kennissen haar door kaarten en kleine kostbare geschenken opmerkzaamheid betoonden. Overal scheen men medelijden met haar te hebben, maar waarom, waarom dan toch?...

Alleen haar eenige broeder, dien zij zoo hartelijk liefhad, liet sinds lang niets meer van zich hooren. Zóó geruime tijd was voorbijgegaan sinds zijn laatsten brief dat zij bang begon te worden.. Als met Kerstmis geen bericht kwam, zou zij hem telegrafeeren...

Eenige dagen voor Kerstmis keerde Trottenburg terug. Frisscher en bewegelijker dan vroeger, gesterkt en verblijd door den omgang met gelijkgezinden.

Hij was onder menschen geweest, die zijn beteekenis beseften en veel van hem hielden, dat had zijn zelfbewustzijn versterkt; zijne oogen keken nu vrij en onbezorgd, veerkrachtiger was zijn tred.

Toen hij met den trein zijn grauwe geboortestadje genaderd was, scheen het hem toe, alsof een nieuwe wonderbare goudglans lag over de gebogen verweerde gevels, .— en zijn hart bonsde van vreugde toen de trein stilstond bij het kleine station. Hij wist, hoe dat kwam. Zij, die hij liefhad, wachtte daar op hem.. Een heel nieuw, gelukzalig, bijna duizelachtig gevoel besloop hem.

Al viel het hem moeilijk, te uiten, te zeggen, wat hij gevoelde, diep-gevoelig was hij toch wèl.

Nog denzelfden dag, dat hij was teruggekeerd, bracht hij een bezoek bij mevrouw Van Meerheimb.

Zijn gelaat glansde van blijdschap, toen Ruth de kamer binnentrad. Haar gereserveerde houding hield hij voor maagdelijke bloo-heid, — zijn heele kennis toch van vrouwen had hij ontleend aan een paar romans en eenige deeltjes lyriek van Heine en Geibel.

Hij hield Ruth\'s hand een beetje langer vast. Zelfs zoo\'n slecht opmerker als hij was, moest hare marmerachtige bleekheid treffen. O zeker, in de laatste weken had zij iets van hare frischheid verloren..

Doch haar glimlach troostte hem weer, haar lieve, liefdebe-tuigende glimlach. Ijverig vertelde Trottenburg over Praag, hij had prenten van de mooie, oude stad meegebracht en liet die aanstonds zien. Het verwonderde hem, dat Ruth niet deelde in zijn warme geestdrift.

125

-ocr page 130-

Ruth echter gevoelde zich innerlijk heel koud. Zij begreep niet, dat hij twee weken lang afwezig kon zijn, zonder haar eenig levensteeken te zenden. Hoe onverschillig leek haar naast dit feit de eigenaardige schoonheid van het verre Praag!...

Mevrouw van Meerheimb noodigde Trottenburg uit om den Kerstavond in haar huisgezin door te brengen. Even Ruth aankijkend, nam hij de uitnoodiging aan.

Hij maakte het besluit, om den Kerstavond beslissend te laten zijn voor zijne verhouding tot Ruth.

De dagen vergingen voor Ruth als droomen. Urenlang zat zij alleen in hare kamer, turend naar de straten... Soms wist zij niet eens meer, dat zij ooit lichtere, vroolijker levensbeelden gezien had dan hier, waar kleinheid en armoede haar omringden. Maar toch, de eigenaardigheden van haar karakter, dat geschapen scheen voor de groote lichtzijde des levens, kwamen ook nu tot uiting.

Vóór Kerstmis konden de ingezetenen van Steenbrugge bij den burgemeester verlof bekomen, om eigenhandig in het stedelijk bosch een Kerstboom te vellen. Dit was een oud voorrecht, waaraan de menschen vasthielden.

Deze jonge dennen, eigenhandig gehaald van de wintersche, sneeuwglanzende berghelling, stuwden een golf van frischheid en vreugde in de bestofte vertrekken, waar den heelen winter de kleine ijzeren kacheltjes hun kolendampen verspreidden.

Uur aan uur zag Ruth thans mannen, vrouwen en knapen behoedzaam en fier een slankgegroeide, wonderbaar-lichtgroen glanzend denneboompje dragend — als een kostbare aanwinst.

Sprak voor de vreemdelinge niet een mooie symboliek uit dit frissche, onvergankelijke dennengroen?... Gedragen door de van armoede en zorg gekwelden, die zich als schaduwen voortbewogen tusschen de grauwe, in den winternevel slapende huizen, herinnerde het haar aan het onsterfelijke geloof in verlossing, reinheid en frischheid... De alledaagsche zorgen en vermoeienissen mochten de menschheid tegen den grond drukken, steeds weer stak zij de zoekende handen naar dat geloof uit. Onbewust kwam Ruth in Steenbrugge tot de ervaring, dat er niets bestaat, niets al is het nog zoo grauw, zoo arm en onaanzienlijk, waarin niet de heerlijke vlammen besloten lagen van sterke verlangens en gedachten...

Ruth had al lang groote voorbereidingen gemaakt voor het naderend Kerstfeest. Zij was in Kassei geweest en, met rijke geschenken voor Laura en haar kinderen beladen, teruggekeerd. Voor Trottenburg had zij een kleine, uiterst fijne copie eener Madonna van Lukas Kranach gekocht. Zij behoorde tot de zeldzame

126

-ocr page 131-

menschen, die zich geheel weten in te denken in den geest van dengene, wien zij een geschenk hebben toebedacht. Eventjes glimlachte zij, toen ze eraan dacht, dat zij de copie naar Reir brandt wel steeds voor zichzelf zou moeten behouden.

De meeste goede menschen geven geschenken, welke zij voor zichzelf graag zouden willen, en dan meenen zij hun uiterste best te hebben gedaan. Maar datgene te kiezen, wat met een anders behoefte overeenkomt, dat is een eigenschap der ware liefde. Echter, zelfs de gedachte, dat het haar mogelijk was, zooveel vreugde te bereiden, kon toch geen geen geluksgevoel in haar

opwekken... Integendeel zij bleef zich gedrukt voelen en belast....

* ❖

*

Vóór Kerstmis waren Hans en Beatrix van Meerheimb het altoos goed eens, iets wat anders volstrekt niet het geval was. Hans vooral deed zijn best, om zijn zuster gunstig te stemmen; hij had de hulp van Beatrix noodig, want hij wilde,, den ouden Joost en de kleine Barbara verrassen.

In de vreeselijk-angstige stemming van Joost hadden de dagen van den advent een vreedzame rust gebracht.

Deze plechtige tijd, deze tijd van het naderend mysterie der verlossing en bevrijding, scheen hem, als ieder jaar, in hooger, bovenaardsch leven op te heffen. Weer zat hij als vroeger met zijn grooten bijbel bij den open haard en las hij het evangelie van de herders, de engelen en het kindje in de kribbe en van de Drie Koningen uit het morgenland die het goud, wierook en myrrhe brachten: wederom bad hij: „Werpt uwe oogen op den Heer want Hij zal over u wakenquot;. Zelfs knipte hij bonte prentjes uit een plaat en hij plakte ze op voor Barbara, die een voorstelling van het kribje en den stal vroeg. Rood, blauw en groen waren de prentjes, — dat kleurenspel bracht hemen Barbara in verrukking: het deed zoo frisch en levendig tegen de donkere, sombere muren der arme kamer.

En toen nu ook Hans en Beatrix met hun stralend Kerstboompje en allerhande geschenken verschenen, toen was de Kerstmisstemming volmaakt. De jubel der goudgelokte Barbara vervulde het huis en ontroerd vouwde Joost zijn groote, grove handen.

— Laat ons nu samen zingen, zei hij, want waar drie of vier in Mijnen naam vergaderd zijn, daar ben ik in hun midden, zegt de Heer 1

En zij zongen:

Gij, kindertjes, komt nu,

O komt nu toch all\'

127

-ocr page 132-

Komt nu bij de kribbe In Bethlehems stal.

En ziet wat in dezen hoogheiligen nacht.

De Vader des Hemels voor vreugde ons bracht.

De oude ruwe stem van den arbeider en de frissche teedere stemmen der kinderen klonken gelukkig samen... Dit was de laatste, schitterende gelukstraling in het zinkende leven van den ouden Joost.

Hans en Beatrix hielden het vandaag niet lang uit. Hun kinderlijke ongeduld dreef hen naar huis, waar groote dingen te wachten stonden. Hand in hand liepen zij door de armelijke, smalle straatjes, die zulke vreemde namen droegen, — door het Honger-straatje het Peststraatje, het ijsveld, over den Ganzenakker en door de Rozenpoort. De geschiedenis der vergane geslachten was samen-geweven met deze benamingen, waarover geen enkel kind in Steenbrugge ooit nadacht.

Daar was iets plechtigs in de lucht. Nooit zal men dien nacht vergeten, waarin het Christuskind ter wereld kwam, zoolang nog een kribje gebouwd wordt, van kaarsjes omstraald, zoolang nog een Kerstboom groeit en dc liefde voor de liefde geschenken bedenkt, — neen, veel, veel langer nog zal de herinnering aan dien gezegenden nacht blijven bestaan...

Steenbrugge ook vierde het Kerstfeest op zijn eigen manier. Achter vele, zelfs arme vensters vlamde de lichtjesboom en weerklonken koralen. Drie stadsmuzikanten, beklommen den ouden kerktoren en bliezen uit een der galmgaten:

Stille nacht, heilige nacht...

Over de daken en schoorsteenen heen vielen die klankenreeksen zoo wonderbaar, zoo bovenaardsch in de stille straten, zoo weemoedig zong die muziek door de ijle lucht, door de sterrenlichte donkerte, dat Beatrix een gevoel kreeg, alsof haar een groot heimwee overviel.

Onverwachts begon zij hevig te schreien. Hans, toch wel goedhartig in de teedere en betere oogenblikken van zijn jongensleven, omhelsde liefkozend zijn zusje en zei:

— Lief zijn, goed zijn, Beatrix. Niet schreien!

Doch nog heviger snikte Beatrix. Eindelijk kwam het eruit:

— Och, Hansje, laat me maar schreien. Ik ben toch maar een vreemde voor je, voor jullie allemaal. Ik behoor tot een ander geloof, dat ik niet eens ken... Dikwijls weet ik niet, waarheen of waaruit... \'t Is juist, alsof ik dwaal.

128

-ocr page 133-

Met groote, verwonderde oogen keek Hans zijn zuster aan. Hij begreep haar niet. En hij kon geen anderen troost voor haar vinden dan een zinnetje, dat ook zijn moeder heei graag gebruikte:

— Maar wij gelooven toch allen in één God

Deze woorden schenen Beatrix wezenlijk goed te doen, want zij droogde hare tranen af en haar gedachten keerden terug naar de komende Kerstgeschenken. Toch bleef in hare ziel het doffe heimwee vragend en ongestild..,.

De kinderen waren nu op het marktplein gekomen.

In de grauwe huizen was alles feestelijk verlicht. Ook de fa milie Leeuwendal liet haar kaarsjes in den dennenboom branden. In Steenbrugge deden dat alle Joden van den gegoeden stand. Achter de vensters der woning van mevrouw Van Meerheimb fonkelden eveneens de kleine lichtjes. Hans stormde vooruit, met forsche stem roepend: „Hoera, hoera, het Kerstkindje!quot; en Beatrix als \'t ware meesleurend....

De groote, mooie edel-den welke Ruth gekocht had, hield haar slanken top tegen het lage plafond van mevrouw \'Van Meer-heimb\'s salon. De onderste takken strekte zij zoo breed uit, dat de helft der kamer erdoor was ingenomen. Ruth had niet gewild, dat er ook maar èén takje van den heerlijken boom werd afgenomen.

— Het is iets wonderbaars, evenals alles wat God zoo volmaakt schiep. Wij kunnen daaraan nooit iets vermooien. Laten wij het dan ook zoo weinig mogelijk verslechteren!

Nu ja, dacht Laura, dat is weer een van die overspannen ideeën, — maar zij waagde het toch niet, om het mes in de dennetakken te zetten.

De gear van de waskaarsen, het dennehars en de Kerstkranzen vervulde het gehe-ele huis.... Naast de vleugelpiano zongen de kinderen :

Laat ons gaan naar Bethlehem En \'t kindje zien in zijne kribbe....

En dan vielen zij aan op hun geschenken, jubelend als jonge vogeltjes in \'t volle graan, want Ruth was zeer, zeer vrijgevig geweest.

Trottenburg, die toch op de uitnoodiging gekomen was, stond verlegen te kijken naar de mooie kopie van Lukas Kranach. Nog nooit van zijn leven had hij iets ten geschenke gekregen, evenmin als iets ten geschenke gegeven... Hij had er niet eens aan gedacht, dat Ruth misschien een bewijs van sympathie zou kunnen verwachten van hem.

Nu echter, bij dit wederzijdsche geven en nemen deed het hem pijn, dat hij met ledige handen hier stond. Het liefst zou hij thans

IDEALISTEN 9

129

-ocr page 134-

ook die mooie kopie maar niet hebben ontvangen. Een valsche fierheid beklemde hem...

Stijf en koud was zijn dankbetuiging voor het schoone kostbare geschenk.

Dat trof aanstonds de fijngevoelige Ruth. Hoe karig en onbevredigend kan hij zijn! dacht zij. Dan echter kreeg zij weer medelijden met de smartelijke, onbeholpen uirdrukking van zijn gelaat...

Was hij niet altoos vereenzaamd en ruw opgevoed ? Leerde hij wel ooit iemand te verheugen of zelf verheugd te worden ? Kom, dacht ze, laat me hem toch maar goedig en geduldig bejegenen, laat me hem heenhelpen over zijn linkschheid en hardheid.... En in het besef, dat Ruth hem zijn onoplettendheid wel vergaf, voelde Trottenburg zich weer wat behagelijker gestemd.

Welgemoed nam men plaats aan den avondmaaltijd. Er werd gescheld ? Wie ?..., O zeker, de brievenbesteller! Hij was het en bracht brieven en pakketten, — ook uit Amerika.

.— Een brief van Ralph! jubelde Ruth, de langverwachte tijding hoog zwaaiend. Neem me niet kwalijk, Laura; dien moet ik eerst lezen.

Zij stond op en ging in den salon, dicht bij den lichtenden Kerstboom.... Zij las.... en het rozige rood week van hare wangen en zij moest zich vasthouden, alsof zij duizelig werd....

Ralph Waring schreef aan zijne zuster:

Liefste Ruth!

Al lang heb ik het verborgen gehouden en ik zou het gaarne nóg langer gedaan hebben, om je niet te storen tijdens je Europeesche rondreis, maar het kan niet, het kan niet. Ik mag niet meer zwijgen. Ik heb nog getracht, iets te redden voor jou en voor mezelf, — maar het is niet gelukt. Ik moet het je zeggen, och liefste, je zult verschrikken, maar het moet: behalve eenige duizenden dollars in de Savingbank van Smith, hebben wij alles, alles verloren !

— Onze bankier Hull is failliet, daar is geen cent gered l

— O Ruth, waarom heeft men mij niet opgevoed tot een man, die in staat zou zijn te werken voor zichzelf en voor zijn liefste zus ? Mijn verloving met Fredda Miller heb ik aanstonds verbroken. Ik wil niet de man mijner vrouw zijn. Zij, ze heeft heel luchthartig me laten heengaan. Alles schijnt veranderd sinds ik arm ben. Menschen, dingen, toestanden, alles. Niets is meer hetzelfde.

— Zelfs mijn kleermaker behandelt me nonchalant, en toch zal ik hem nog kunnen betalen. Ja, waarom leerde ik niets ?

130

-ocr page 135-

O, dat is de vloek van den rijkdom, dat men hem verliezen kan. Ik heb al een plaats gekregen als klerk in een New-Yorksch huis. Alleen maar, mijn inkomsten lijken niet naar wat ik gewend ben. Vaarwel dan, steeplechases en boxes in de opera, vaarwel champagne en winter in Parijs!

— Gisteren heb ik Fanny verkocht. Heb je ooit een eleganter paardje gezien ? Ik schreide, toen men het kwam halen. Nu behoor ik voortaan tot de Zondagsruiters.

— Het vermogen, dat we overhouden, is voor jou alleen.

— Ik weet. dat je onder dezen slag niet bezwijken zult. Jij, Ruth, je bent mijn lieve, sterke meisje.

Je toegenegen broer, Ralph.

Onder het lezen had Ruth Waring heel duidelijk begrepen, wat dat alles beteckenen moest.

Zij had te veel levenservaring, om te meenen, dat geld maar iets denkbeeldigs was. Zooals de verhoudingen nu eenmaal zijn, bestaat er voor ons leven niets reeëlers, niets onmisbaarders dan geld. „Menschen, dingen, toestanden, — alles is thans veranderd.quot; Deze zin was haar als \'t ware in het hart gedrongen, zoo voelde zij de ware beteekenis ervan.

Door het geld heerscht men, zonder geld is men een slaaf. De rijke stelt eischen, de arme vervult ze. Ruth wist het maar al te goed. Toch beefde hare hand niet, toen zij de noodlottige tijding weer samenvouwde. Door haar volmaakte zelfbeheersching kon zij, toen Laura vroeg, of alles goed ging, glimlachend antwoorden; — Oh yes, dear!

Na het avondmaal vroeg Ruth de kinderen, of zij nog eans het Kerstliedje zingen wilden. De vrome, vreedzame klanken ver-ruischten..., O God! dat was het afscheid, voor-altoos, van levensvreugde en zorgeloosheid.....

Trottenburg viel hare verstrooidheid op. Hare gedachten waren toch weer niet bij hèm... Zou zij misschien zoo bekrompen zijn, om hem aldus te verwijten, dat hij geen geschenk gaf?...

Dat scheen hem bijna verachtelijk. Het wantrouwen der vereenzaamden begon in hem te herleven.

Al te gemakkelijk beoordeelde hij anderen scherper dan zij verdienden. In de lange jaren van zijn verbitterde stemming had hij zich gewend gemaakt, het ergste te veronderstellen.

Ruth zag het koele, bevreemde in zijn oogen, an dat smartte

131

-ocr page 136-

haar. Zij gevoelde juist dezen avond behoefte, om door hem bemind, door hem begrepen te worden.

Te bespeuren, dat menschen, die ons scherp beoordeelen en ver-oordeelen, eigenlijk ons in \'t geheel niet kennen, dat is niet erg. Maar als de ure komt — en zij komt voor een ieder — waarin wij tot in het diepst onzer ziel gevoelen, dat ook zij, die wij beminnen en die eveneens meenen ons te beminnen, eigenlijk ons evenmin kennen, dan is dat een van de beslissende, ons veranderende ontdekkingen in de terra incognita, het onbekende land, van ons leven.

Nog één uur, een uur van inwendig lijden, bleef Laura in de huiskamer. Zij scheen te deelen in de vreugde der kinderen, en als mechanisch hielp zij Ruth. Toen trok zij zich terug, voorwendend, dat zij hoofdpijn had.

Zij reikte Trottenburg de hand ten afscheid. Hij lette niet op de nerveuze trilling harer koude vingeren, doch zei met hoonenden kiank:

— U is juist als alle anderen. Eerst zijn de uren van samenzijn niet lang genoeg, dan begint u zelf ze te verkorten.

Hij gevoelde zich teleurgesteld in zijn verwachtingen en slecht behandeld. Haar vreemd-weemoedige hartstochtelijke blik ontwapende hem. Snel trad hij naderbij en smeekte bijna-fluisterend:

— Niet kwaad worden! O, niet kwaad worden. Daar kan ik niet tegen.

Hij zei dit heftig, alsof hij haar bezweren wilde. De klank-aileen deed haar heengaan, vluchten... Zij voelde den storm der hartstochten aansidderen, en in dit oogenblik van vreeselijken strijd en onzekerheid, was zij bang voor hem, als een dakloos kind voor onweer. Zonder verder iets te zeggen, verliet zij hem.

Toen zij alleen was, trachtte zij zich geheel in te denken in de beteekenis van haar verlies.

Aldus — zij was arm — arm als een bedelares op straat. En dat nu, nu zij een geschenk gegeven had als dat van een koningin, een geschenk dat zij voor geen geld ter wereld zou willen terugnemen. Gelukkig nog iets was van haar vermogen overgebleven en daarmee zou zij dit geschenk kunnen betalen, al was dan ook alles, alles op. Zij zou dus voortaan behooren tot hen, die werken voor het dagelijksch brood... Op een vreemde, onverwachte wijze ging zóó de vurigste wensch haars levens in vervulling. Met ai wat zij was, wat zij had en wat zij kon, zou zij den geliefde dienen. Maar ver van hem, ongekend door hem, onbeloond, onbemind — een erfgename zijner eenzaamheid. Slechts heel vaagjes gevoelde zij dit thans. De heele, groote vaardigheid van haar ras, de onge-

132

-ocr page 137-

broken werkkracht, de haar aangeboren snelle en practische blik kwamen nu tot haar volle recht. In groote omtrekken geteekend, rees voor Ruth\'s oogen haar toekomstig levensplan op. Niet voor niets was zij opgegroeid te midden eener natie, die den arbeid niet voor een schande houdt.

Ruth had steeds gearbeid. Zij zou gemakkelijk concerten en muzieklessen kunnen geven, want zij was bij Schulhoff in Dresden gevormd en bezat een prachtige techniek. Haar reisverhalen waren in „Harpers Magazinequot; zeer gewaardeerd en... zij had steeds gekund, wat zij ernstig gewild had. Zij zou genoeg geld verdienen en zij zou het verdienen op een eerlijke wijze, daaraan twijfelde zij geen oogenblik; want zij stond voor de moreele noodzakelijkheid om hare belofte eerlijk na te komen.

Nooit had Ruth zoo\'n helderen kijk gehad op de eischen des levens, als thans.

Zij bleef den geheelen nacht op en schreef brieven.

Geen enkel klaagwoord schreef zij aan haar broer, ofschoon zijne lichtzinnigheid wel veel schuld had; zij verheugde ziqh erover, schreef zij, dat dit verlies hen weer dichter bij elkander gebracht had.

— „Arme menschen beminnen elkander altoos hartelijker dan rijke. Zij hebben elkaar meer noodig,quot; zoo meende zij.

Ruth wendde zich tot hare voorname, invloedrijke vrienden in Boston, tot haar muziekprofessor in Dresden, tot Duitsche, haar bekende grootmeesters, om getuigschriften; zij stelde aankondigingen van muzieklessen op, om die te laten plaatsen in de dagbladen van Boston. In dezen Kerstnacht ordende zij den heelen loop van haar volgend leven.

Bleek en vermoeid van het waken, doch zonder behoefte aan slaap vond de aanbrekende morgen Ruth Waring.

Zij hulde zich in haar kostbaren pelsmantel en ging uit in den helderen, groeienden winterochtend.

Zij ontmoette nauwelijks een bakkersjongen of een melkom-brenger. Staalhard en frisch was de lucht. Dat had zij noodig.

De straten van Steenbrugge verlatend, wandelde zij naar buiten, het vrije veld in, langs de rivier, die nog sluimerde onder haar dek van ijs en sneeuw. Vóór Ruth lag, vol witten schemer, het dal. Bloedrood omkransd hing de zonneschijf boven de heuvelen. Het licht vloeide en stroomde Ruth tegen en blij, innig-blij, begroette zij het, al kon het haar dan ook niet verwarmen. Op dezen kouden. strengen winterochtend beloofde Ruth zichzelf, dat het leven er nooit in slagen zou haar klein, bekrompen en laf te. maken. Niets

133

-ocr page 138-

zou haar vrijen, breeden kijk op de dingen des levens kunnen belemmeren....

Wat zij ook nog verliezen mocht, zouden de zonsopgangen, de lichtvloeiingen, de frischheid der wouden en de grootheid der zee haar niet steeds blijven troosten? Zou men haar ooit van \'t begrip van deze eeuwige schoonheid kunnen berooven?

Snel en energiek ging zij verder door het Hessendal tot de plaats, waar zij eens Trottenburg had aangetroffen en met hem had staan schouwen in de oneindigheid van den avondhemel. Maar al te snel had zij thans de eindigheid leeren zien.

Zij dacht aan het wonderbare gevoel van warmte en leven dat haar had doorstroomd, toen zij daarheen gleed aan zijn sterke hand, — het leven en \'s levens liefelijkheid tegemoet, naar zij meende...

Doch vanmorgen huiverde zij, ja, de koude overviel haar en drong door in haar lichaam...

Het heele leven is vol groote gelijkenissen, dacht zij nu. Koud en streng zou haar leven voortaan wezen... o, zoo koud en streng...

Als een dreigend symbool verschrikte haar de gloeiend-roode, koude zon...

Zij trok haar voile voor haar gelaat en wendde zich om in de richting van Steenbrugge. Plotseling gevoelde zij een zware vermoeidheid over zich komen. Nog nooit had zij zoo langzaam en moeilijk gewandeld als op dezen terugweg.

Half-droomend dacht zij: hoe vreemd is toch alles. Wij kennen onze eigen diepte, onze beste mogelijkheden. Wij weten heel juist de plaats, waar de schat van ons leven begraven ligt... Daar grijpt plotseling een ongeroepen en onvermoed noodlot ons aan en het voert ons ver weg van de mogelijkheid, om ooit dien schat op te delven... En voor de rechten des levens moeten de rechten van het hart wijken, zooals het lot van den enkeling voor het lot der volkeren.

Nog kon Ruth filosofeeren, — zij stond nog niet in de duizelingwekkende draaiing van haar nieuwe levensomstandigheden.

Wanneer het noodlot zich op onzen weg stelt, maakt het zich niet plotseling bekend. Meestal is het zoo genadig, om ons slechts langzaam zijn ware gedaante te doen zien.

Toen Ruth haar tehuis naderde, vatte zij weer moed.

Niemand, dit was haar vaste besluit, niemand zou iets van haar toestand vernemen. Pas vanuit Boston wilde zij Laura daarover iets mededeelen. Zelfs besloot zij nog eenige weken in Steen-brugge te blijven, ter wille van Beatrix, die juist begonnen was met haar innig-kinderlijk vertrouwen te toonen. Vroeger had Ruth gedroomd, Beatrix bij zich te nemen, doch thans kon zij niet

134

-ocr page 139-

vasthouden aan dit plan; het was onuitvoerbaar. Voor den eersten keer ervoer Ruth hoe vreeselijk vereenzaamd iemand zich gevoelt, die een innerlijke crisis doorstaan moet, zonder dat iemand het vermoeden mag.

Zij kwam binnen in de kamer. Feestelijk jubelden de kinderen rondom den Kerstboom, die met zijn mooie siersels schitterde in het zonlicht. Zij vond het mooi, — en toch, haar geest, haar gedachten, vertoefden elders...

Zq verheugde zich, dat Laura spoedig met de kinderen opstond om de geschenken van buren en vrienden te gaan zien.

Afgemat ging Ruth bij het venster zitten, in den eenigen gemak-kelijken stoel. Het gemis der nachtrust deed zich thans gevoelen... Op straat zag zij in de verte Hans van Trottenburg naderem... Nog leefde in haar die gloeiende belangstelling der liefde, die in iedere schrede, iedere beweging, iedere stemming van den beminde de openbaring van zijn karakter vindt.

Zij zag, hoe moeilijk hij voortging, en medelijden greep haar aan. Welk een hulpbehoerend man was hij toch eigenlijk. Een man, die zoozeer een trouwe, onvermoeibare liefde noodig had — een man, voor wien door begrijpen en omvatten van zijn karakter een nieuw leven kon opbloeien, een man, voor wien zij gaarne alles zijn wilde — en voor wien zij niets kon, noch mocht zijn... Toen zijn vaste tred weerklonk op de dreunende houten trappen van dit huis begon haar hart te bonzen.

Een zware dag! Zij wilde Trottenburg niets verbergen, hij moest aanstonds alles weten... dat het uit was... en toch, met haar gewone hartelijkheid reikte zij hem de hand. Zacht schitterden zijn oogen, toen hij haar aankeek.

Sneller en hartstochtelijker dan hij anders gewend was, begon hij:

— Ik wist dat ik u alléén zou aantreffen, ik moet u alléén spreken.

Zij wees hem een plaats aan tegenover haar. De handen samengedrukt, het bleeke gelaat afgewend, wachtte zij op zijne woorden... Trottenburg, die al zoo gevoelig was voor de uitdrukking van haar mond, van haar oogen, — hij wilde moed vinden in het zien van haar gelaat. Doch nu hij hare zonderlinge houding zag en den gespannen trek rondom haren mond, dien hij onvriendelijk noemde, nu sloegen vlammen van toorn door zijn oogen.

In plaats van de vriendelijke, zoete bede, die op zijn lippen lag toen hij binnenkwam, stiet hij ruw er uit:

— Moet alles vergeten zijn? Wilt u alles ongedaan maken?....\' Is u wederom enkel de geëmancipeerde vrouw en ik de vreemde-

135

-ocr page 140-

ling?... De vreemdeling, dien men bestudeert, omdat hij een bijzonder exemplaar van zijn soort is?

Ruth kromp ineen van schrik bij het hooren van deze bittere vragen.

\'— Het is zoo verschrikkelijk, zei ze zachtjes wanneer een wezenlijke liefde omslaat en verandert in haat... Ik heb dat al wel meer gezien... En dan moest ik steeds denken aan een prachtigen ouden brokaatmantel, dien ik eens zag op de vieze planken van een klein tooneel...

Zij wilde hem tijd geven tot matiging, tot kalmeering, doch hare woorden prikkelden hem nog des te meer.

— Alles kan ik nu verdragen, maar geen frazen! hoonde hij brutaal.

Zij zag, dat hij geen geduld hebben zou, dat hij maar één ding

wilde weten en hooren, het korte woord: „Ik ben de uwequot;.

O, dat zij het nu niet zeggen kon. Het brandde op hare lippen. Het zou zoo zalig geweest zijn, zonder te bezinnen te grijpen naar het geluk en te genieten... och, als \'t het geluk zelf niet was, dan maar van den geluksschijn...

Moeizaam bewaarde zij hare zelfbeheersching.

Doch toen hij nu heftig hare hand vastgreep en die met kussen overlaadde, schreeuwde zij het uit:

— Laat me los. Het is toch onmogelijk!...

Hij liet haar los. Over zijn gelaat viel de schaduw van een zoo vreeselijke teleurstelling, dat haar de schrik om het hart sloeg.

Toch bedwong zij zich, om kalm en rustig te zeggen:

— Wij moeten elkander alles verklaren, en dan zult u niet boos op mij wezen.

— Is dan niet alles duidelijk? Hebben uwe oogen mij niet alles bekend? Wordt het u zoo lastig, de inwendige stem der waarheid te volgen?

Zij moest schreien...

Zag zij er zoo, schreiend, niet echt vrouwelijk uit, niet kalm en vol berusting? Weer kreeg Trottenburg moed:

— Voor de liefde is alles mogelijk. Wij beminnen elkander toch.

Ja., dat had zij vroeger ook gedacht. Voor de liefde is alles mogelijk.

Lag in dit sterke woord toch een andere, diepere beteekenis?

Even bedacht zij zich. Dan zeide ze treurig:

— Misschien toch niet alles. Ik wil niet pogen, u te verbergen wat u weet. Ik bemin u meer dan alle andere menschen rer wereld, en toch kunnen wij het niet eens worden. Uw geloof, uwe levensrichting, uwe wereldbeschouwing zijn niet de mijne. Doch twee menschen, die een verbond-voor-\'t-leven willen sluiten, moeten het diep, diep in hun ziel ééns zijn om duizend redenen.

136

-ocr page 141-

Haar strenge ernst deed Trottenburg verschrikken — toch zei hij nog smeekend:

— O, het is zoo zoet voor een vrouw, te geiooven; om gelukkig te zijn, om gelukkig te maken moet zij haar tehuis vinden in God... Uwe liefde voor mij zal u daarheen leiden...

Doch Ruth keek hem niet aan.

-— Als ik tot het geloof kon komen, dan zou dat misschien mijne ziel bevredigen... Maar dan moest dat gebeuren door strijd en overtuiging, ■— niet door liefde... Ik ben geen kind meer, ik heb al te veel gedacht...

— God roept ons op verschillende wijze. Al zoo menigeen kwam door de liefde tot het geloof...

Ruth werd beangst dat zijn bezwerende oogen haar konden verwee-kelijken... Zij dwong zichzelf, om de situatie heel duidelijk te zien:

— Wij moeten scheiden, zei ze vastberaden, al het andere is buitengesloten. Ik kan u alleen smeeken; geloof me, dit alles is vreeselijk treurig voor mij, en ik wensch niets vuriger, dan dat ik den vrede uws harten niet verstoord heb... Het noodlot wilde al deze ellende, niet ik...

Trottenburg sprong op.

— Nooit, nooit moest een vrouw met een man spelen, zooals u gespeeld hebt met mij... O, mijn vader was maar al te zeer in zijn recht, om vrouwen van uw slag te haten... Te haten! Waarom sleurde u mij uit mijn eenzaamheid? V/at moest dat beduiden? Vrouwen als u kennen niets dan haar egoïsme. Ik wilde u geen hulde bewijzen, u bracht mij daartoe. En ik was wezenlijk zoo dwaas, om te geiooven, dat u kondt beminnen en offers brengen..

Scherp en snijdend troffen haar zijne woorden.

— Zou ik geen offers kunnen brengen? vroeg zij smartelijk.

Voor een oogenblik vergat zij, dat hij niets van hare handelwijze vermoeden kon. Maar och, wanneer hij haar werkelijk bemind had, meende zij, zou hij haar niet zoo hebben miskend. Als moordende ondank klonken zijne onrechtvaardige woorden. Haar fier, nimmer vernederd bloed, rebelsch bij den minsten smet, bruiste tegen hem op. Maar krampachtig sloten zich hare lippen... O, niets verraden, toch niets verraden, liever miskend worden...

Zij wendde zich af, om tot bedaren te komen, maar toch dik-teerde de toorn haar antwoord:

— Offers, riep zij, offers brengt men slechts voor hen, die ons beminnen, niet voor hen, die slechts hun eigen ik in ons willen terugvinden en niets, heelemaal niets vermoeden van onze gevoelens...

137

-ocr page 142-

ling?... De vreemdeling, dien men bestudeert, omdat hij een bijzonder exemplaar van zijn soort is?

Ruth kromp ineen van schrik bij het hooren van deze bittere vragen.

— Het is zoo verschrikkelijk, zei ze zachtjes wanneer een wezenlijke liefde omslaat en verandert in haat... Ik heb dat al wel meer gezien... En dan moest ik steeds denken aan een prachtigen ouden brokaatmantel, dien ik eens zag op de vieze planken van een klein tooneel...

Zij wilde hem tijd geven tot matiging, tot kalmeering, doch hare woorden prikkelden hem nog des te meer.

— Alles kan ik nu verdragen, maar geen frazen! hoonde hij brutaal.

Zij zag, dat hij geen geduld hebben zou, dat hij maar één ding

wilde weten en hooren, het korte woord: „Ik ben de uwequot;.

O, dat zij het nu niet zeggen kon. Het brandde op hare lippen. Het zou zoo zalig geweest zijn, zonder te bezinnen te grijpen naar het geluk en te genieten... och, als \'t het geluk zelf niet was, dan maar van den geluksschijn...

Moeizaam bewaarde zij hare zelfbeheersching.

Doch toen hij nu heftig hare hand vastgreep en die met kussen overlaadde, schreeuwde zij het uit:

— Laat me los. Het is toch onmogelijk!...

Hij liet haar los. Over zijn gelaat viel de schaduw van een zoo vreeselijke teleurstelling, dat haar de schrik om het hart sloeg.

Toch bedwong zij zich, om kalm en rustig te zeggen:

— Wij moeten elkander alles verklaren, en dan zult u niet boos op mij wezen.

— Is dan niet alles duidelijk? Hebben uwe oogen mij niet alles bekend? Wordt het u zoo lastig, de inwendige stem der waarheid te volgen?

Zij moest schreien...

Zag zij er zoo, schreiend, niet echt vrouwelijk uit, niet kalm en vol berusting? Weer kreeg Trottenburg moed:

— Voor de liefde is alles mogelijk. Wij beminnen elkander toch.

Ja., dat had zij vroeger ook gedacht. Voorde liefde is alles mogelijk.

Lag in dit sterke woord toch een andere, diepere beteekenis?

Even bedacht zij zich. Dan zeide ze treurig:

— Misschien toch niet alles. Ik wil niet pogen, u te verbergen wat u weet. Ik bemin u meer dan alle andere menschen ter wereld, en toch kunnen wij het niet eens worden. Uw geloof, uwe levensrichting, uwe wereldbeschouwing zijn niet de mijne. Doch twee menschen, die een verbond-voor-\'t-leven willen sluiten, moeten het diep, diep in hun ziel ééns zijn om duizend redenen.

136

-ocr page 143-

Haai strenge ernst deed Trottenburg verschrikken — toch zei hij nog smeekend:

— O. het is zoo zoet voor een vrouw, te gelooven; om gelukkig te zijn, om gelukkig te maken moet zij haar tehuis vinden in God... Uwe liefde voor mij zal u daarheen leiden...

Doch Ruth keek hem niet aan.

— Als ik tot het geloof kon komen, dan zou dat misschien mijne ziel bevredigen... Maar dan moest dat gebeuren door strijd en overtuiging, —• niet door liefde... Ik ben geen kind meer, ik heb al te veel gedacht...

— God roept ons op verschillende wijze. Al zoo menigeen kwam door de liefde tot het geloof...

Ruth werd beangst dat zijn bezwerende oogen haar konden verwee-kelijken... Zij dwong zichzelf, om de situatie heel duidelijk te zien:

— Wij moeten scheiden, zei ze vastberaden, al het andere is buitengesloten. Ik kan u alleen smeeken: geloof me, dit alles is vreeselijk treurig voor mij, en ik wensch niets vuriger, dan dat ik den vrede uws harten niet verstoord heb... Het noodlot wilde al deze ellende, niet ik...

Trottenburg sprong op.

— Nooit, nooit moest een vrouw met een man spelen, zooals u gespeeld hebt met mij... O, mijn vader was maar al te zeer in zijn recht, om vrouwen van uw slag te haten... Te haten! Waarom sleurde u mij uit mijn eenzaamheid? Wat moest dat beduiden? Vrouwen als u kennen niets dan haar egoïsme. Ik wilde u geen hulde bewijzen, u bracht mij daartoe. En ik was wezenlijk zoo dwaas, om te gelooven, dat u kondt beminnen en offers brengen..

Scherp en snijdend troffen haar zijne woorden.

— Zou ik geen offers kunnen brengen? vroeg zij smartelijk.

Voor een oogenblik vergat zij, dat hij niets van hare handelwijze vermoeden kon. Maar och, wanneer hij haar werkelijk bemind had, meende zij, zou hij haar niet zoo hebben miskend. Als moordende ondank klonken zijne onrechtvaardige woorden. Haar fier, nimmer vernederd bloed, rebelsch bij den minsten smet, bruiste tegen hem op. Maar krampachtig sloten zich hare lippen... O, niets verraden, toch niets verraden, liever miskend worden...

Zij wendde zich af, om tot bedaren te komen, maar toch dik-teerde de toorn haar antwoord:

— Offers, riep zij, offers brengt men slechts voor hen, die ons beminnen, niet voor hen, die slechts hun eigen ik in ons willen terugvinden en niets, heelemaal niets vermoeden van onze gevoelens...

137

-ocr page 144-

Liefde bestaat niet voor de kouden van harte, wien slechts hun eigen beginselen heilig zijn.

Hoe scherp en bedachtzaam klonk hare stem. Elk woord, dat zij sprak, hoorde zij zelf weergalmen, alsof het kwam van de lippen eener vreemde, en, terwijl zij nog sprak, voelde zij een onfeilbaar bewustzijn, dat de liefde bij zulke woorden verbloedt en sterft....

Plotseling veranderden Trottenburg\'s trekken. Al wat Ruth aan licht en warmte in hem had weten te wekken, alles verdween. Zijn gelaat zag er weer uit gelijk iedereen het jaren en jaren gekend had: star, koel, besloten, onverschillig.

Ruth zag dat met ontzetting: zij kon dat bijna niet verdragen.

— Wij waren vrienden, zei hij rustig, en nu zijn aaj wederom kennissen geworden. Dat gebeurt in het leven duizendmaal. Wij hebben ons in eikander vergist!

De doodelijke angst, om zijn onherroepelijk verlies greep haar aan.

— Niet zóó, smeekte zij, zóó moet u niet gaan. Zeg mij toch een goed woord. Ik verdien het.

Liefde sterft niet opeens... Haar oprechte smart trok hem nog eenmaal tot haar terug.

— Ruth... wil je dan toch de mijne zijn?...

■— Neen, snikte zij.

— Dan mag God u vergeven. Ik kan het nu niet.

Zóó ging hij heen.

Ruth stond in het midden der kamer, voor zich u;t starend.... Wat zag ze daar?... O God! die leegte, die groote, zwarte verschrikkelijke leegte!...

En zóó vreeselijk steeg hare smart, dat zij vreesde haar leven te zullen verliezen...

* *

*

Toeia mevrouw Van Meerheimb thuis kwam, vond zij Ruth in bezwijming op den kamervloer uitgestrekt... Spoedig bracht de geneesheer haar weder tot bewustzijn, maar omdat iets Ruth\'s zenuwen erg moest hebben aangegrepen, schreef hij volstrekte rust voor.

Zoo bleef Ruth in algeheele lusteloosheid te bed. A,i] droomde stil voor zich uit, vreeselijk vermoeid en tegenover alles onverschillig. Ongeopend bleven de bundels brieven, onopengesneden boeken en tijdschriften. Het leven scheen voor haar voortaan zonder belang. Zij gevoelde zich als iemand, die op een plank in den wijden oceaan drijft en niet weet waarheen.

Haar levenszekerheid, haar liefde, haar geluk, alles op één dag \'verloren, gelijk iets, dat als water door de vingers druipt.

138

-ocr page 145-

In de dofheid en de stilte dier dagen moest Ruth Waring de groote les leeren over de onvastheid e* onzekerheid van alle menschclijk bezit. Alle menschelijk bezit... zonder uitzondering. Zij had wel steeds gemeend, dat zij het wist, hoe alies onbestendig, alles slechts geleend is — doch in waarheid weten wij het pas, wanneer wjj het aan den lijve gevoelen... Ruth scheen zeer rustig; zij behoorde tot degenen, die hun tranen inwendig schreien. Zij had gedroomd van een groote, onsterfelijke, triomfeerende liefde, en nu ondervond zij, dat menschenliefde ook sterven kan, ja dat men haar kan dooden als de vlam eener kaars, waarop men den domper drukt.

Doch neen, neen, hare eigen liefde was toch niet dood. Zij voelde ze leven in heur leed, heur leed, wegens de teleurstelling, die zij haar beminde had aangedaan. Zij voelde ze leven in heur verlangen, opstandig-wild, naar een laatste, verzoenend woord... Maar dat woord zou niet gesproken worden. Ruth mocht, noch wilde het doorgesneden koord opnieuw samenknoopen. De scheiding moest onherroepelijk zijn...

Wanneer echter hare gedachten tot zoover gekomen waren, leek het haar steeds of zij tot haar levensgrens genaderd was en hier alles eindigde... Is de liefde voor de vrouw niet het leven? Is licht, lucht, vreugde, huiselijkheid, innerlijke bevrediging, niet dood, wanneer zij de liefde verliest?... De arme Ruth dacht er niet aan, zij wist het niet, — dat er nog na het dooven van alle aardsche lichten een bovenaardsche troost bestaat; zij wist niet, dat degenen, die in hun hart hebben moeten sterven, door hun eeuwige ziel een groote, zegenrijke opstanding kunnen vieren...

Neen zij zag slechts den chaos, slechts den ondergang, en zij liet de filosofie glippen, — om in haar leed en haar lijden te verzinken tot den bodem der doffe bewusteloosheid.

Alles, wat rondom haar gebeurde, vergat Ruth. Alleen dit herinnerde zij zich later nog, dat midden in den Nieuwjaarsnacht, toen de oude stadhuisklok van Steenbrugge twaalf uur sloeg, plotseling een wonderlijk-heldere trompet begon te toeteren en een krassende, toch plechtige en gevoelige stem midden op het marktplein zong; Het oude jaar is nu vergaan.

Het nieuwe jaar is ingegaan.

Elk nieuwjaar heeft een eigen steer.

Dus zingt en looft nu God den Heer.

Het was de nachtwacht maar, die zijn versje afbrabbelde, doch deze woorden kwamen toch als de allereerste troost in Ruth\'s eenzaamheid en de duisternis haars harten.

139

-ocr page 146-

* *

*

Laura had uit de woorden der dienstbode wel opgemaakt, wat tusschen Ruth en Trottenburg was voorgevallen. Doch in zulke zaken mengde zij zich niet. Zoo raakte geen enkel onbescheiden woord aan Ruth\'s ellende. Hans en Beatrix waren diepbedroefd. Tante Ruth was voor hen een kameraad geworden. Zij kon zoo\'n mooie, zoo\'n heerlijke geschiedenissen vertellen... en nu lag zij daar, onder de vacantiedagen, bleek en zwijgend terneder; het was wel erg!...

Juist in dezen tijd kwam een zwaar onweer te hangen boven het hoofd van Beatrix.

Laura had sinds langer dan een jaar de kinderkamer niet meer opgeruimd en was thans daarmee eens begonnen. En nu had zij een besmeurd en half-verscheurd schoolcahier gevonden, dat achter een kast verborgen lag. Dit cahier stond vol met kladderige, bijna onleesbare gedichten, die van Beatrix afkomstig waren... Zoo veel echter zag Laura wel, dat het uiterst-belachelijke en uiterst-gloeiende liefdesgedichten bevatte van een of anderen onbekenden held.

Woedend stoof Laura op, terwijl zij haar meisje met het cahier om de ooren sloeg. Zoo heel erg was het anders niet;

O ik min hem onuitspreekbaar,

O ik min hem onweerstaanbaar.

Maar helaas, het kan niet zijn.

Nimmer, nimmer, wordt hij mijn...

Laura was gewoon, bij de opvoeding harer kinderen over on-noozele dingen een moordspektakel te maken, doch niets te bespeuren van de voorname en verderreikende gebeurtenissen.

Deze liefdedichten leken haar iets zeer bedorvens — en met tragische gebaren en beschreide oogen verscheen zij voor Ruth\'s legerstede en vertelde zij haar de heele geschiedenis.

— Die arme Beatrix, zeide Ruth vermoeid.

— Die arme Beatrix! driftigde Laura; me dunkt, je mocht wel zeggen; arme moeder! Ik heb Beatrix nooit een slecht voorbeeld gegeven.

In stilte maakte Ruth zich boos over Laura\'s eigengerechtigheid. Zij sprak toch:

— Hoor eens aan, mijn lieve kind, als iemand zooveel romans laat rondslingeren als jij, — ik vind ze overal open en bloot — dan mag die zich niet verwonderen over zooiets. Je dochter weet niets van het leven, zij gaat heelemaal op in haar fantasieën. Deze dwaze liefdedichtjes beduiden niets meer dan een lichte zomerregen.

140

-ocr page 147-

Geef dien jeugdigen geest voedsel, bezigheid, afleiding, en Beatrix zal dien onzin vergeten. De kern is wezenlijk niet kwaad.

— Zij moet weg! viel Laura uit, ze moet weg en liever vandaag dan morgen. Ik kan de verantwoording niet meer dragen.

— Ja, een pensionaat zou wel het beste zijn. Ik ben bang, dat jij niet krachtig genoeg zijt om je dochter goed te behandelen.

— Menschen, die geen kinderen hebben, ontwikkelen steeds opvoedkundige theorieën, — dat is niets nieuws. Als jij maar zoo\'n paar bengels had, dan zou je er al heel spoedig achter komen, welke zorgen en lasten zij veroorzaken.

Laura was ernsdg beleedigd, haar toon klonk bits, zij keek onbe-schrijfelijk-gekrenkt en maakte snel dat zij weg kwam. Ruth bekommerde zich niet teveel daarover. Zij voelde veel meer voor Laura\'s kinderen, dan voor Laura zelf.

Lieve hemel, dacht zij, als dat mijne kinderen eens waren. Welk een geluk zou dat zijn. Ik zou er wel flinke menschen van maken. Dat zou nu wezenlijk een mooie levenstaak zijn, een natuurlijke bovendien.

Zij sloot de ooge* en begon te schreien, te schreien onophoudelijk... Nooit, nooit zou zij eigen kinderen hebben, zij voelde het, nóóit... In haar leven was een breuke gekomen...

Toen Ruth wederom was opgestaan, hield zij zich evenals vroeger, met haar omgeving bezig.

Laura had haar meegedeeld dat zij na Drie-koningen Beatrix naar X-stad in Beieren brengen zou, waar de Ursulinen een pensionaat hielden.

— Verbeeld je, de overste daar is eene Elöny, een stiefzuster van Trottenburg, zeide zij, — het instituut is beroemd: de overste bezit buitengewone eigenschappen. Haar leerlingen onderscheiden zich door bijzondere beschaving.

— Dat is heel merkwaardig, zei Ruth.

— }a, antwoordde Laura van Meerheimb, de wereld is niet veel meer dan eea groot dorp. Men treft overal menschen aan, die men heelemaal niet verwachtte en die toch op de een of andere wijze onze bekenden zijn.

Ruth uitte niet wat zij dacht. Och... en zij die wij zouden willen aantreffen, naar wie wij zoeken en verlangen... zij weten zich in dit groote dorp maar al te goed te verbergen.

In al dien langen tijd had zij Trottenburg niet eens meer op straat ontmoet.

En nu zou zij dan ook zijn zuster leeren kennen.

Wel schenen de Elöny\'s bestemd, om hare wegen te kruisen.

141

-ocr page 148-

want zij had reeds aangeboden Laura en Beatrix te begeleiden. Ruth had nog nooit een klooster-van-binnen gezien, dat wilde zij ook wel eens leeren kennen.

Toen zij ziah voorbereidde voor de reis, herinnerde zij zich een woord van wijlen barones Elöny:

„Ik heb een dochter, die het geestelijk kleed draagt. Deze dochter is een engel in het huis Elöny.quot;

Ruth had nog geen menschen gekend, die „engelenquot; waren. De uitdrukking had toen haar scepticisme geprikkeld. Maar zij wilde nu zelve oordeelen.

VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

De spreekkamer van het driehonderd jaren oude Ursulinenklooster der goede oude Beiersche hertogstad, is een ruim, rond, ouder-wetsch vertrek, dat buiten de clausuur ligt en een afzonderlijken ingang heeft naast de groote, met een geweldig kruis geteekende kloosterpoort. Het daglicht speelt er binnen door hooge, bonte boogvensters, die er uitzien als kerkramen. De schaduwen der bewegelijke lindentwijgen trillen over den schitterend-geboenden, ingelegden eikenvloer en over de, door nonnetjes, in gobelintrant geborduurde bekleeding der stoelen, die ordelijk en regelmatig tegen den muur geplaatst staan. Schuw, verwonderd-glimlachend glijdt een verloren zonnestraal over het oeroude, met de hand geweven tafelkleed, dat, in een groot, bloemenomkransd medaillon de heilige Ursula met hare duizenden maagden laat zien. Het is een bonte chaos van heiligen-aureolen en kleine, geduldige gezichtjes rondom de gestalte der koningsdochter met de kroon op het hoofd en het zwaard in de hand.

Tegen de met grof-gebloemde behangsels overplakte muren hangen de beeltenissen van latere heiligen. Daar buigt Aloysius van Gonzaga zijn mooi, rein gelaat over het kruisbeeld; Franciscus Xaverius staat tusschen een menigte ongelooflijk-wilde, door den kunstenaar slechts moeizaam in de lijst gedrongen, kannibalen, en de zalige Margaretha Alacoque vouwt in liefdesverrukking hare handen voor den Verlosser.

Het is zoo plechtig-stil, zoo geluidloos-vreedzaam, als het slechts in kloostervertrekken zijn kan. Alleen de musschen sjirpen daarbuiten in de ontbladerde linden, en de verlamde kloosterklok, die lang voor eiken slag diep adem haalt en steunt en ratelt, alsof zij hier nog beter haar plicht beseft, om op de treurige vergankelijkheid van het aardsch verblijf te wijzen, zij kwartiert langzaam de uren af.

142

-ocr page 149-

Soms hoort men uit de lange gangen de lichte ruischende schreden van een leerlinge, of den slofFenden, door het zachte, zilveren geklingel van een rozenkrans begeleiden, tred eener zuster, nu en dan ook bij het openen en sluiten der klaskamers, de afgebroken geluiden der eentonige stem van een kind, dat zijn les opzegt.

Mater Maria, de overste, staat bij het venster der spreekkamer en kijkt peinzend naar buiten. Zij verwacht gasten. In den haard branden groote beukenblokken: de aangename warmte doet de zuster goed. Haat zuidelijk bloed had toch nooit geheel kunnen wennen aan de ruwheid van het klimaat.

Zoo stond zij daar, de handen verborgen in de wijde mouwen van haar habijt, het hoofd een weinig voorovergebogen.

Een kunstenaar zou genoten hebben van de edele lijnen harer gestalte...

Mater Maria was allicht ouder dan veertig jaar, maar zij maakte toch den indruk van zeer jeugdig te zijn. Een smal gelaat, en, voor voover haar voorhoofdsluier het niet bedekt, doorschijnend-bleek. Geen rimpels toont het, geen kraaienpootjes, geen verkrab-beld runenschrift, welke het gelaat van een vrouw uit .de wereld op dezen leeftijd steeds meedraagt. Zelfs de mond waarbij de bitterheden des levens het liefst hare boosheden inprenten, is nog week en teeder, alsof nooit een ongeldig woord hem heeft ontwijd. Hare oogen zijn groot, grijs en wijd-gesneden. Zij bezitten die frissche helderheid, die het leven weerspiegelt, zonder het in zich op te nemen. Vreedzaam-kalm kijkt zij iedereen aan, en over dengene, met wien Mater Maria spreekt, komt een gevoel van groote veiligheid. Een buitengewone welwillendheid straalt van haar uit...

Mater Maria staat reeds lang aan het hoofd van dit klooster^ Op zeer jeugdigen leeftijd, zij telde nauwelijks dertig jaren, werd zij tot overste gekozen. En thans bekleedt zij reeds ten derden male dezen zwaren post, — die zooveel verantwoording op haar zwakke schouders legt.

Zij heeft al heel wat voltooid. Een nieuw schoolhuis, een moderne bijbouw voor de pensionairen ontstonden onder hare leiding; zij heeft zelfs kans gezien, om den financieelen toestand der inrichting te verbeteren, hoewel zij nimmer zich met een bijzondere bedoeling daaraan wijdde. Doch zij behoort tot de naturen, die steeds geheel en al daar zijn, waar zij zijn moeten.

Geene andere zuster in het klooster zou datgene kunnen wezen, wat zij voor allen is: een voorbeeld, een heilige... en eene moeder. Niet door haar wil is zij heerscheres, zij is het van nature.

Zij is een van die vrouwen, voor wie al het kleine en duistere

143

-ocr page 150-

terugschrikt, — de nijd, omdat zij de versterving zelve is, de laster, omdat men haar handelingen kan doorzien als kristal, de haat omdat zij de strenge gerechtigheid handhaaft als iets dat haar slechts ter leen gegeven is. Haar persoonlijke teederheid weet balsem te vinden voor al het strenge, dat van haar ambt moet uitgaan. Daar loopt een trek van grootheid door geheel haar karakter.

Als zij ooit in zichzelf iets te dooden, iets te bestrijden, iets omver te halen had, dan bleef dat tusschen haar en heur God. Iets vorstelijks heeft zij, iets waarachtig vorstelijks, dat zichzelf gering acht en, zijn hoogste menschelijke taak begrijpend, zijn eigen persoon op het spel zet voor zijn volk.

En dan. Mater Maria bezat deze schoonste menschelijke eigenschap: zij droeg het hart op de rechte plaats. Van arme, gebrekkige menschen verlangde zij niet, dat zij zich als heiligen gedragen moesten. Zij gevoelde steeds een levendige liefde voor haar medezusters en pensionairen, en in elk ander menschenkind, dat in heur nabijheid kwam, stelde zij opnieuw belang. Niets — geen nachtwaken, geen overmatige arbeid, geen teleurstelling had haar kunnen afstompen. Zij had het levendige, vurige, zuidelijke temperament der Elöny\'s verzacht door de wonderbare discipline en harmonie harer zelfvorming. Wat echter zoo goed als niemand verwachtte, was dit, dat Mater Maria achter de kloostermuren een buitengewoon groote en innige levens- en menschenkennis had opgedaan.

Het was iets zeldzaams, zulk een diepen indruk als deze persoonlijkheid reeds in het eerste oogenblik op Ruth Waring maakte...

Hoe kwam het? O, hebben niet velen dit ondervonden: dat zij in dagen van groote, nerveuze overspanning scherper zien? Dat zij menschen, wier uiterlijk zij anders nauwelijks bekijken, met een enkelen blik begrijpen en doorzien kunnen? Dat kleine teekens groote waarheden openbaarden? Dat de diepten niet meer donker en de hoogten niet meer onmetelijk schenen?...

Na de mislukking van al haar levensplannen, bevond Ruth Waring zich thans ook in zulk een toestand. Zij keek in het heldere, vastberaden, als door een grooten kunstenaar gevormde gelaat der zuster en zij begreep bliksemsnel, dat zich in deze gestalte, in dit karakter al de tegenstrijdige eigenschappen der familie Elöny hadden opgehoopt en ontwikkeld tot haar hoogste volmaking.

Doch Mater Maria hield zich thans meer met de bestudeering van Beatrix bezig. Reeds toen het kind op den weg zichtbaar werd, viel haar de tegenstelling op tusschen den modernen opschik en den sluwen, linkschen gang van het meisje, — een grenzenlooze

144

-ocr page 151-

schuchterheid, een soort van angst voor het even lag in dit jeugdige gelaat. Een schuwe vogel! dacht Mater Maria en aanstonds gevoelde zij iets meer voor het kind.... Doch de moeder stond haar niet aan. Zij kende dit wereldsche type. Echte, ware moeders, met innig-warme harten zijn niet zoo egoïstisch opgedirkt, zij willen nooit met geweld de vluchtende jeugd vasthouden, want zij weten, dat zij in de jeugd harer kinderen een tweede, betere jeugd zullen geniefen.

Mater Maria kende heeie staalkaarten van moeders .— van de beste tot de onbeduidendste en reeds bij den eersten oogopslag schatte zij de beteekenis -.-an deze hupsche dame met haar gepoederde wangetjes, hem spitse neusje en haar blonde gebrande voorhoofdkruiletjer onder den tullen sluier niet al te hoog. Zij wist hoe de geest niet aiieen co uitinq komt in de lichaamsvormen, maar ook in de kieeding, en slechts meiden vergiste zij zich hierin. In de aanraking van de hand der overste gevoelde Beatrix iets, dat haar goeddeed. Aanstonds gevoelde be: kind een groote eerbiedige bewondering voor deze goedige gestalte, die zoo heel veel verschilde van alle menschen, welke zij tot-nu-toe gezien had.

Laura van Meerheimb speelde tegenover Mater M^ria al haar handigheidjes uit — en Ruth amuseerde zich kostelijk, zoodra zij bespeurde, dat Laura zich voor deze gelegenheid ais het ware met vroomheid gezalfd had. Zij, die bij haar liberale kennissen graag uit de hoogte en met een zeker dédain over godsdienstzaken sprak, trachtte tegenover Mater Maria her, onbeduidend-kleine restje van haar kerkelijke gezindheid en wetenschap te laten paradeeren.

— De ontberingen in niet-kathoiieke streken zijn zeer groot, zei ze met vromen oogopslag. Als men niet zoo trouw zijn geloof vasthield, dan ging men geheel verloren....

Treuzelachtig vertelde zij :

— Ik breng u met Beatrix een klein heidinnetje, ma mère — haar hart is een even maagdelijke bodem als dat van Toppy, in „De hut van oom Tom.quot;

Rustig-vragend keek Mater Maria haar toen doordringend aan:

— Mevrouw heeft zelf toch haar dochter onderwezen ?...

Laura sloeg haar oogen neer. Voor den eersten keer zag Ruth

Waring hare vriendin een kleur krijgen en haar houding verliezen. Laura stotterde zoo waarlijk! Mater Maria echter gleed snel over deze pijnlijke situatie heen, en noodigde met kalme hoffelijkheid de dames uit, om de inrichting te bezichtigen.

Nooit zal iemand deze vrouw kunnen bedriegen, dacht Ruth Waring; zij heeft in haar oogen iets alwetends, naast haar krijgt men een gevoel alsof men dichter bij Gods tegenwoordigheid stond....

IDEALISTEN 10

145

-ocr page 152-

In het matte licht van den winterdag schreden zij door de lange, witgekalkte kloostergangen.

Reinheid, kalmte, frissche lucht — een grootsche orde.

Hoe goed deed dit Ruth\'s afgejaagde, vermoeide ziel. Slechts oude, diep-bruine olieverfschilderijen hingen hier aan de wanden. Witte aangezichten schitterden uit het donker van den achtergrond met hier en daar een felle kleur, die lachend triomfeerde over de vergane tijden. Het waren portretten van abdissen, adellijke heeren en riddervrouwen, van stichters en weldoeners der kloostergoederen.... Men kon nog een schemer van gouden eereteekenen zien, van paarlen en Brusselsche kanten, van rood-fluweelen en goudbrokaten mantels. Daar lag iets smeekends in die trekken dier fiergesneden, vergeten gelaten.... Vroegen zij misschien om een enkel Onze-Vader voor hun zielerust ?....

De gangen lagen naast de straten der stad en hadden smalle tralievensters. Ruth maakte zich reeds over Beatrix bezorgd. Toen echter de overste cellen en zalen opende, vloeiden lucht en zonlicht binnen en over het kloosterpark heen kon men kijken naar een breed, stil landschap... Rood kleurden de wangetjes der vroolijke, in de schoolbanken gezeten kinderen. Uit de cellen der zusters klonken muziektonen van Mozart, Haydn en Bach. Het uiterlijk der onderwijszusters was evenals dat der geruischloos-voortgaande werkzusters kalm en kalmeerend ; zij zagen er uit als menschen, die streng hun plicht doen en daarmede zich geheel-en-al bezighouden.

Ruth had steeds het plichtsbesef gewaardeerd en de plichtsvervulling, die alleen een wereldorde en de ontwikkeling eener gezegende beschaving verzekeren kan. In deze afzondering moesten wel vele karakters hun geluk kunnen vinden....

Nog nooit had Ruth kunnen begrijpen, dat men walgen kon

van de wereld en het leven, dat eeuwig-wisselend golvenspel......

Thans vond zij die idee zoo vreemd niet meer.... Misschien was het voor menigeen noodzakelijk, zich af te zonderen en nog slechts de wegen der ziel te bewandelen. Midden in haar gepeinzen viel een vraag van Mater Maria :

— Ik hoor, dat u voor den eersten keer in een huis als het onze komt. Ik hoop, dat het u niet tegenvalt?

Ruth ademde diep:

-— Tegenvallen ?... O neen, neen,... ik zou bijna jaloersch worden op zoo n huis van rust en vrede....

Door haar gesprekken over en met Beatrix had Mater Maria nog niet eens Ruth aandachtig kunnen bezien. Thans keek zij recht in heur gelaat. De zuster voelde eenzelfden indruk als Ruth, toen

146

-ocr page 153-

zij Mater Maria zag. Welk een fijn, energiek en geestig gezicht dacht zij.... Doch wat was dat ?... Lag er geen sluier over deze levendige, fel-levendige trekken? Zeker, haar scherpe oogen bedrogen haar niet: Ruth moest gebukt gaan onder een der zware, drukkende lasten, welke kloosterlingen hebben afgezworen....

Vriendelijk antwoordde zij:

— Men behoeft niet jaloersch te zijn op ons. Ik heb met menigeen die hier den vrede zocht een zwaren, langdurigen strijd doorworsteld. Overal dragen wij ons eigen ik mede... De wereld is niet buiten ons, maar in ons. Maar zeker, zeker... de rust van dit huis heeft al velen geholpen...

Ik houd van deze stem, dacht Ruth, zij is een weldaad, een liefkoozing, en onmiddellijk zeide ze;

— Mater Maria, uw stem heeft iets van de stem uwer moeder... Ik heb uwe moeder heel goed gekend, heel goed.

Mater Maria bleef staan. Thans eerst viel haar de naam der vreemdelinge weder in:

— U is Ruth Waring, zei ze, verrast. In haar laatste brieven had mijne moeder het dikwijls over u. Ik ben buitengewoon blij u eens te zien.

Een klank van teedere liefde trilde in deze woorden; een vurige glans doorschitterde de oogen der zuster. O dat was dezelfde glans, dien Ruth slechts zoo korten tijd in Trottenburg\'s oogen had zien flikkeren. Een enkel oogenblik kwam de bloedverwantschap tot haar recht en tot uiting... Ruth zou met Mater Maria wel nader willen kennismaken. Zou dat niet kunnen?... Plotseling kreeg zij een gelukkige gedachte...

Toen Laura van Meerheimb op heengaan aandrong, wendde Ruth zich tot de overste:

— Ik heb rust noodig, moeder overste, hard noodig... Misschien gedoogen uwe regelen het wel, dat u gedurende eenige weken gastvrijheid verleent aan een andersdenkende.

Een oogenblik dacht Mater Maria na. Zij gevoelde dat hier om een weldaad gevraagd werd... en zij herinnerde zich de brieven harer moeder... Bovendien, — nog nooit had zij een jeugdig gelaat gezien, dat zooveel vertrouwen wekte.

— Met het grootste genoegen, antwoordde zij.

Even wilde Laura doen alsof zij zich beleedigd gevoelde, maar zij bedacht zich. Men moest rekening houden met Ruth\'s luimen en nukken... Vergevingsgezind nam zij afscheid van Ruth, zij gaf Beatrix nog eenige vermaningen over de verzorging harer vinger-nageltjes en ten slotte nam zij wijwater, — iets wat zij sinds een

147

-ocr page 154-

tiental jaren niet meer gedaan had. Zoo bleven Ruth Waring en Beatrix in het klooster.

Dezen avond zat Ruth nu heel alleen in de kleine wit-gekalkte cel...

Daar hing slechts een enkele schilderij, afkomstig uit de oud-Duitsche school: de voorstelling van een schoone, jeugdige, heilige koningin, die temidden van een lachend, zonnig, bloeiend lentelandschap op een gloeiende ploegschaar stond...

Het was zeker de voorstelling van een middeleeuwsch Godsoordeel, doch Ruth zag in dit eigenaardig tafereel een symbool van haar toekomstig leven : zoo zou ook zij over gloeiend ijzer moeten gaan, te midden van het lachende leven, over het gloeiende ijzer van arbeid, armoede en ontbering der verloren liefde....

O, hoe goed deed haar deze stilte....

Zij ging staan bij het venster. Het zilveren licht der maan dreef over het landschap, boven de rivier in de verte stegen teeder-witte nevelen omhoog.

Daar begonnen de sonoor-gestemde klokken der kloosterkerk te zingen, te zingen... En dan, als gedragen door bovenaardsche muziek jubelde het feestelijk door den avond ; Jubilate Deo omnis terra, servite Domino in laetitia. Alle landen, jubelt voor God, dient blijde uwen Heer.quot;

Het was de vesperzang der zusteren, een groet van vreedzame vreugde en vroomheid.

Ruth gevoelde zich in een andere wereld geplaatst. De weldadige invloed van de strenge afzondering en kloosterlijke rust deed zich reeds den eersten dag gevoelen. Met een enkele krachtige beweging schudde de Amerikaansche al de onjuiste en valsche voorstellingen af, die zij over kloosters en\'kloosterlingen had opgedaan.

De beteekenis van die leven-in-afzondering was haar duidelijk geworden.

Hier leefden zielen, die met een klaren en krachtigen wil alle banden hadden verbroken, heel haar verleden verbrand, om te naderen tot de heiligheid Gods en te streven naar de volmaaktheid des levens.

Misschien kwamen niet allen dit doel heel nabij, doch Mater Maria had het toch zeker bijna bereikt. Nooit tevoren had Ruth een menschelijk gelaat gezien, dat zoo vergeestelijkt was.

Zij zegende haar besluit, om hier te blijven. Zij gevoelde thans behoefde aan iemand, die haar begreep, een goed en groot mensch,

en zij wist zeker dat zij zoo iemand in Mater Maria vinden zou.

* *

*

Na het afscheid van mevrouw Van Meerheimbhad Mater Maria

148

-ocr page 155-

de kleine Beatrix aan de hand genomen en haar gebracht in de kleine kapel der pensionairen. Voor de beeltenis van de H. Maagd met Haar Kindje brandden roode lampen....

Beatrix stond verwonderd, bevend te kijken in dit heiligdom — alles was hier zoo vreemd en zoo plechtig... Mater Maria knielde neer op de onderste trede van het altaar.

— Zou je ook niet willen knielen met mij ? vroeg zij aan Beatrix.

Ietwat links voldeed het kind aan deze uitnoodiging.

— Laten wij den goeden God bidden om zegen over uwe intrede in ons pensionaat.

Beatrix vouwde haar stijve vingertjes. Nog nooit had zij zich zoo rechtstreeks en zonder omhaal tot haren Vader in de hemelen gewend : hare gedachten vielen dan ook vlak op aarde.

De overste echter bad innig en hartelijk. Beatrix, dit had zij reeds begrepen, was een arm en verwaarloosd meisje dat hare

zorgen maar al te zeer behoeven zou.

★ ★

*

De cel van Mater Maria was iets ruimer dan die der overige zusters, doch overigens streng-eenvoudig. Een schrijftafel, een boe-kenrek, eenige heiligenbeelden, een paar houten stoelen, een bed bestaande uit een stroozak, wat linnen en een wollen deken, dat waren de gemakken eener vrouw, die te midden van rijkdom en weelde was grootgebracht. Slechts aan de schelkoorden die uit deze kamer naar de huishoudelijke afdeelingen van het klooster leidden, kon men zien, dat hier de overste woonde.

Overdag had Mater Maria het zoo druk met haar briefwisseling, het geven van lessen en de ontvangst van bezoekers, dat pas het late avonduur haar alleen toebehoorde, haar en haar verkeer met God. Eerst dan kon zij beginnen met een korte geestelijke lezing of overweging. Ook vandaag, nu allen ter ruste gegaan waren, had zij eene uitgaaf der overwegingen van den vromen Domini-kanermonnik Johannes Tauler voor zich liggen.

Zij zat daar, diep gebogen over den fraaien druk der oude editie, en heur ziel naderde die andere, die reeds lang aan deze aarde ontvloden was doch in deze woorden haar onsterfelijken adem had nagelaten:

„God heeft geen beeltenis van zichzelven. Met zuivere zinnen moet Gij u verheffen, boven uzelf en alle schepselen in de verborgene, stille duisternis om te komen tot de kennis van den onbekenden God.

„Deze stille duisternis is echter een licht, dat geen geschapen verstand vermag te bereiken: tot haar wordt de geest geleid

149

-ocr page 156-

boven zichzelf uit en al zijn begrijpen. In haar verliest de geest zichzelf, om, verzonken in de diepte Gods, niets te weten, niets te vreezen, niets te gevoelen dan God alleen. Doch slechts de derving der tijdelijke dingen maakt den mensch geschikt voor zulk een verheffing, daaruit ontstaat voor hem een geestelijke zuiverheid en door deze een helder licht — en de heilige Geest maakt het licht brandend en trekt de ziel tot alle waarheidquot;.

„En trekt de ziel tot alle waarheidquot;... Bij deze woorden staakte de overste hare lezing en keek zij, in diep gepeins verzonken, voor zich uit.

O zeker, slechts in de voorschriften der evangeliën — slechts in den godsdienst, zooals de geboden dien vorderen — was die wonderbare, klare waarheid te vinden, waarnaar de menschenziel verlangt. En toch, de wereld was vol van menschen die deze voorschriften aanrandden en voor onuitvoerbaar hielden.

Dat er zoo weinigen zijn, die dat principieel beleden, wist Mater Maria maar al te goed, — maar toch behoorde zij tot degenen, die den grooten samenhang in de ontwikkeling der menschheid duidelijk kunnen zien.

In het stille, nachtelijke uur, zag de ziel dezer eenzaam en afgezonderd levende vrouw de heele geschiedenis der wereld. Haar begin in den gruwelijken, heidenschen nacht. Haar voortdurende or t-wikkeling op stoffelijk en geestelijkgebied. De door God gewilde vooruitgang, die ten allen tijde zijn banier hoog gehouden heeft. Zij zag Christus als leeraar der volkeren voor zich staan en zij gevoelde, dat nooit een persoon, wie ook, dieper en inniger de ziel der volkeren be-invloed had dan Hij met Zijne hemelsche openbaringen: hoe het rechtsbewustzijn der volkeren, dat zich over het algemeen toch in opgaande lijnen ontwikkelt, alleen wortelt in de Christelijke leer. Ja, het feit, dat nog steeds Zijne Kerk de rots is waartegen de branding van den menschelijken twijfel, de zedeloosheid, het nihilisme breekt, dat feit vervulde hare ziel met grooten troost, -— en de

handen vouwend, dankte en prees zij God, alvorens zij ging slapen.,.

* *

Ruth Waring was door den kloostertuin gewandeld.

Vroolijk klaterde in den tuin een tamelijk sterk bruisend beekje. Het ontsprong in den kruisgang van het klooster en vloeide van terras op terras naar beneden tot aan het dal. In het midden van den tuin verpoosde het een oogenblik in een mooi steenen bassin. Nu het weder zoo zacht was, vloeide het zonder een enkel ijsrandje zilverhei langs zijn smallen, gemetselden weg, zoo lustig kletterend en spetterend als slechts een beekje doen kan, dat blij bergaf

150

-ocr page 157-

springt, om zich daaronder in het dal te vereenigen met een mooie, blauwe rivier.

Ruth verlustigde zich in het beekje en in het liefelijk uitzicht van het terras. Doch deze kalme en vruchtbare, ontboschte en ontgonnen streek kon geen vergelijking doorstaan met het woeste en eenzame landschap rondom Steenbrugge. Blauwzilverig zag zij er uit in haar nevelkleed van dezen winterdag, maar groote stemmingen waren haar evenmin eigen als ernstige gedachten, die tot Ruth zouden hebben gesproken.

Bij hare wandeling door den kloostertuin bevond Ruth zich onverwacht voor een ommuurden vierhoek, die de kapel omgaf. Op de beide zuilen die den ingang flankeerden, zag zij oude, verregende fresco\'s. Op de eene zuil stond eene non, op de andere e^n vioolspelend geraamte. „Memento moriquot; was op den boog der poort geschreven: „Gedenk te sterven.quot;

Ruth ging binnen. Ging zij nu over in een zomersch eiland?... Heel het kleine kloosterkerkhof was overspannen en toegedekt met een groen tapijt. Het netwerk der bladeren had muren, graven, boomen, kruisen en zerken gelijkelijk overtrokken. Men kon geen naam meer lezen, geen jaartal, geen gedenkspreuk... Slechts op het voetstuk van een kruisbeeld, dat hoog en geweldig uitstak boven de gravenrijen, stond met groote, schitterende, als licht uitstralende letteren de spreuk: „Hij is gehoorzaam geworden tot aan den dood, ja, tot den dood des kruises.quot;

Dat was de geliefkoosde spreuk van Mater Maria. Zij had die woorden hier laten inbeitelen en vullen met helder goud, zoodat hun ernst en strengheid met triomfantelijken glans uitstraalden uit het groen.

Onwillekeurig bleef Ruth staan. Deze geweldige vermaning ontroerde hare ziel. Hare ziel, die, ontzet door zware ervaring bereid was, om bovenaardsche vermaningen te aanvaarden.... Wat wilde op het oogenblik deze spreuk, wat verlangde zij van haar?...

Van haar, die als een vrij en onbeteugeld veulen de wereld binnenstormde — tot zij gekomen was aan de grenzen van liefde en geluk, welke zij niet had kunnen overschrijden....

Nu was ook op haar het juk geworpen van den arbeid, van de verplichtingen, van onbetaalde schulden. Ook zij moest voortaan gehoorzamen en loopen in het gelid, gelijk de meeste stervelingen moeten doen. Och neen, niet gewillig had zij dit juk aanvaard....

Aan dit kruis echter stierf de eene, de eenige die uit de grootste gehoorzaamheid de kroon der hoogste vrijheid smeedde, die, om de heiligste idealen te verwezenlijken, gehoorzaam werd tot aan den dood, ja, tot den dood des kruises...

151

-ocr page 158-

Thans, nu Ruth op het punt stond, om zelf het eerste offer haars levens te brengen, nu begreep zij de grootheid en noodzakelijkheid der offeridee en peinzend boog zij daarvoor heur fiere hoofd...

Toen zij, nog vervuld van deze overwegingen, terugging naar heur kamer, zag zij op een der gangen Beatrix van Meerheimb staan. Tegen den hoek eener kast, stond daar het kind, hevig schreiend en snikkend. Zij zag er uit, alsof zij het besterven zou.

Liefderijk legde Ruth haar arm om het magere, bevende meisje....

— Kom, lieveling, wat is er gebeurd? Heb je heimwee?

Beatrix drong zich vaster in Ruth\'s omarming.

— O, tante Ruth, o, ik heb me zoo vreeselijk geblameerd.... Ik moest het Onze Vader voorbidden en ik kon het niet. Ik heb nog nooit van mijn leven een „Onze Vaderquot; gebeden 1 Ze hebben me allemaal uitgelachen. Ik wou, dat ik dood was !...

Ruth omklemde het kopje der kleine.... Zij dacht eraan, hoe zijzelf misschien de zeven voornaamste smeekingen, die de mensch tot zijn Schepper te richten heeft, niet eens meer in volgorde zou kunnen opzeggen.

— Leer het „Onze Vaderquot; in plaats van te schreien, Beatrix, — zei Ruth, zóó kom je niet door het leven. Wij moeten steeds aanstonds inhalen wat ons ontbreekt, aanstonds iets goedmaken, al het verzuimde inhalen,... en spaarzaam zijn met onze tranen...

Ruth nam Beatrix mee naar heur kamer.

— Tante Ruth, overhoor mij het „Onze Vaderquot;... Ik wil het vóór vanmiddag kunnen opzeggen.

Moeizaam kreeg het kind de woorden van dit goddelijk gebed bijeen. Telkens weer herhaalde zij ze langzaam, half-luid...

Ruth zat ineen grooten stoel en luisterde stilletjes... Voor het eerst gevoelde zij de geweldig-eenvoudige grootheid van dit gebed. Alle wijsheid, alle behoeften, alle woorden des levens waren hier op de eenvoudigste en toch alles omvattende wijze samengebracht in één gebed.

„En leid ons niet in bekoring, maar verlos ons van den kwadequot;... De heele diepte van het menschelijk leven lag in deze woerden. Als vervuld van een nieuw leven stegen zij voor Ruth op... O, hoe ongevoelig en onverschillig gaan wij daar heen, terwijl de heele wereld weêrklinkt van de vermaningen Gods...

Toen Beatrix getroost en gekalmeerd, weer in den tuin rondhuppelde met de spelende pensionairen, dacht Ruth nog lang na over de woorden van het „Onze Vaderquot;.

„En vergeef ons onze schulden, gelijk wij vergeven onzen schuldenaren !quot;...

Goddelijk-verheven klonk haar deze smeeking...

152

-ocr page 159-

Doch hoe dikwijls, gaand over de dwaalwegen onzer gevoelens, weten wij niet meer, wat onze eigen en wat anderer schuld is. Ruth\'s gedachten vlogen naar Trottenburg.

Stond zij schuldig tegenover hem?... Misschien wel. En toch had zij zich laten leiden door haar besten wil, haar innigste deelneming, haar zuiverste gevoel... Blinden zijn wij, zoolang als we leven.... Goethe\'s „Harfnerliedquot; schoot haar te binnen:

„Ihr stoszt ins Leben uns hinein,

Ihr laszt das Kindlein schuldig werden,

Dann überlaszt ihr es der Pein,

Denn alle Schuld racht sich auf Erden.quot;

Wel hun, die nooit het kompas verliezen, dacht Ruth. Nooit te voren had zij zich zoo wankel en onzeker gevoeld, zoo weinig thuis in haar eigen hart.

Mater Maria zat bij Ruth op de kamer. De oogen der zuster, ofschoon zeer vast en vreedzaam, hadden iets van den zac^iten, diepen glans der oogen van wijlen barones Elöny.

Onweerstaanbaar gevoelde Ruth zich daartoe aangetrokken. Maar al draaiden en keerden hare gedachten zich slechts rondom één punt, toch had zij het nog niet gewaagd, hare persoonlijke aangelegenheden ter sprake te brengen. Als alle wei-opgevoede menschen was zij te zeer gewend, om niet over zich zelve te spreken. Zij vroeg naar Beatrix. Mater Maria talmde met haar antwoord.

— Misschien een buitengewone begaafdheid, zeide zij eindelijk, misschien een nul 1 Elke vaste ondergrond ontbreekt. Star en zwijgend staat zij voor al het nieuwe. Bijna afwerend. En toch leeft in haar een hartstochtelijk verlangen, ik zou willen zeggen ; naar het bovenaardsche.... De opvoeding van zulk een jeugdig mensch brengt een heele verantwoordelijkheid mede. Beatrix moet innerlijk worden aangevat. Geve God, dat nog niet te veel verstrooiingen dit innerlijk zoo onrustig hebben gemaakt, dat geen anker meer den grond bereikt.,..

Ruth keek Mater Maria bewonderend aan. Hoe snel, hoe zeker had zij Beatrix\' karakter begrepen.

— Och, ik heb me menigmaal bezorgd gemaakt, sinds ik Beatrix ken, zeide zij. Ik heb dikwijls tot haar moeder gezegd : Als haar gezonde natuur deze jeugdige ziel niet helpt, dan kan de inpomping van heel-vreemde nieuwe doctrinen haar niet meer redden. Een vruchtbaar geloof moet den mensch van zijn jeugd af omringen als een tweede werkelijkheid.

— Wij moeten doen wat wij kunnen, antwoordde Mater Maria.

153

-ocr page 160-

— Beatrix heeft al te veel logica, om zoo maar zonder twijfelingen alles te aanvaarden, ging Ruth voort.

Doch Mater Maria zeide:

■— Ik geef de hoop niet op. Wij richten ons tot het hart onzer pensionairen, eerst in de tweede plaats tot het verstand. Ons volk heeft waarachtig-vrome vrouwen met ontwikkeld gevoel noodig.

— Geestrijke vrouwen zijn ook niet te verachten, viel Ruth haar in de rede.

Mater Maria ging gemakkelijker in haar stoel zitten. Een lichtende, als profetische glans gleed over het gelaat der non, toen zij sprak:

— De geest moet het hart niet misvèrstaan. De grootste ontwikkeling des geestes, de diepste wetenschap kunnen de krachten der zinnelijkheid wel absorbeeren en de begeerlijkheden verzwakken. Maar in werkelijkheid maken zij niet ons hart vroom, niet ons leven zedelijk. Want niet de wet, gemakkelijk te vervullen door rondom ons gebouwde wallen en muren, doch de innerlijke eigenaardigheid maakt den zedelijken mensch... Geen wijsgeer kon den menschen datgene leeren, wat Christus hun leerde. Christus alléén kende het goddelijk instinkt in den mensch, verwekte het, bouwde daarop zijn zielenrijk... Mozes hield de tafelen der wet voor de oogen van zijn volk. Christus verwekte de sluimerende, ingeboren wet in de harten... De menschelijke geest, die niet aan een God en een hiernamaals gelooft, kan slechts den aardbol doorvorschen. Hij is gedoemd, om zich eeuwig te bewegen in de rondingen van een cirkel, zoodat hij bij den uitgang wederom op den ingang stoot... Doch in God, in de verwezenlijking der eeuwige ideeën in dit aardsche leven, daarin alléén kan de menschheid vooruiten begrip vinden... De Kerk is de draagster dezer ideeën. Bovendien bezit zij de goddelijke macht van de vergiffenis der zonden. Daardoor grijpt zij zoo diep en zoo reddend in het door vele conflicten bedreigde menschelijke leven, als geene andere aardsche instelling.

Ruth had aandachtig geluisterd. Uit haar geschiedkundige studiën wist zij, dat nooit of nergens een godsdienstig stelsel met zoo groote macht en tevens praktische werkzaamheid opvoedend had ingegrepen in het leven der volkeren, als de Katholieke Kerk. Voor het eerst had zij in Mater Maria een geest ontmoet, die, geheel doordrongen van deze waarheid, zijn leven en zijn werken daarnaar richtte.

Nog echter hoorde zij deze stem, zonder de noodzakelijkheid van eenig geloof voor zichzelf te gevoelen — daarentegen stelde zij een grenzenloos vertrouwen in Mater Maria en dit vertrouwen deed haar zeggen:

154

-ocr page 161-

— Op het oogenblik kan ik mijn aandacht niet wijden aan die grootsche beschouwingen. Mij kwelt een smart, zoo diep, zoo zwaar, zoo menschelijk...

Mater Maria had het geweten. Zij had een juisten blik op de sporen van het leed in de trekken der menschen.

— Wij willen het menschelijke niet dooden en verachten, zei ze zachtjes, wij willen het begrijpen, louteren, opheffen, in het licht Gods verhelderen en aannemelijk maken.

— Begrijpen, zei Ruth, dat zou het eenige zijn, wat ik nu van noode heb. Maar wie kan een ander begrijpen? Wij komen allen uit zoo verschillende richtingen, wij zijn langs zoo verschillende wegen gegaan, wij werden door zoo verschillende ervaringen gevormd — hoe verder wij voortgaan, des te eenzamer en onbe-grepener moeten wij worden.

Mater Maria legde hare hand op die van Ruth en een stroom van de kostelijkste welwillendheid ging van haar uit tot de jeugdige vreemdelinge.

Zonder eenige terughoudendheid, als een voortgestuwde vloed, brak het vertrouwen uit Ruth\'s ziel, en al haar leed, haar mislukte liefde, haar twijfelingen en mistastingen, haar ongeluk, haar bittere scheiding van den geliefde, legde zij bloot voor de zuster : heel dien chaos van een met vreemde levensmachten worstelende vrouw, van een ziel, die strijdt tegen ongeziene krachten....

Stil luisterde Mater Maria. Kloosterlingen zijn het gewend, dat het verhaal der verwarringen van het vreemde wereldleven bij hen wordt gebracht. Instinctief gevoelen de menschen, dat, wie het leven afzwoer, een helderen, onpartijdigen kijk daarop heeft...

— En.... veroordeelt u mij, ma mère ? vroeg Ruth.

Doch daar troffen haar die warme, stralende oogen.

— Och, mijn kind, mijn lieve kind. Je hebt slechts moeten ondervinden, dat leven en dwalen één is, en dat beminnen en lijden en dwalen niet te scheiden zijn.... en nu zou ik, iemand uit de familie van den man, wien gij zoo groote offers brengen wilt, je veroordeelen ?.... Neen, mijn kind, ik zal altoos van je houden, je lot zal altoos in mijn gedachten en gebeden blijven. Ik zou je willen zeggen: zoolang als je leeft, kunt ge hier komen om den vrede te zoeken en.... te vinden.

Zoo werd Ruth een dergenen, die gesproken en bekend hebben, een der gezegenden. Zoo zijn er slechts weinigen. De meesten sleepen hun levenslasten, het geheim hunner ziel, met zich mede als een loodzwaren kogel, die op hun hart drukt. Hun oog wordt glansloos, hun mond hard en besloten, hun spraak vreugdeloos,

155

-ocr page 162-

hun gang langzaam, krachteloos en moedeloos. Eenmaal, reeds vroeg, verliezen de meesten hun geloof aan de goedheid der men-schen en dan sluiten zij de schatten van hun gemoed zóó diep in zichzelf, dat zij ze zelf niet meer weten op te heffen. Ruth echter kon nooit behooren tot de bitteren en verharden.... Want in de uren der beslissing, op de grensscheiding tusschen de illusies der jeugd en de werkelijkheid van den rijperen leeftijd, had zij een begrijpende ziel gevonden....

O, waarom is het leven zoo arm aan begrijpenden ? Waarom hebben de menschen rondom zich een ondoordringbare duisternis geschapen, waarin zij omzwerven en slechts bij benadering het karakter van hun naasten erkennen ?

Reeds de kinderen worden opgevoed in deze ondragelijke eenzaamheid, want hunne naasten hebben het zóó druk met hun eigen leven, dat de jeugdige ziel alléén haar weg zoeken moet. Uiterst gering is het aantal der ouders, die niet vroegtijdig den sleutel van het karakter hunner kinderen verliezen.

En toch, welk een zegen ontspruit uit begrijpen ! Blijf langs de straat slechts staan bij de arme vermoeide bedelares, en vraag haar naar heur levensleed. En haar doffe oogen stralen weer, haar verdroogde lippen worden welsprekend, — wat zij niemand zou vertellen, vertelt zij u, omdat gij er naar vraagt. En in haar zegenende stem trilt dank en vreugde, omdat gij niet koud voorbf? hept gelijk alle anderen. Dat is de goddelijkste gave van dit leven, dat wij anderen begrijpen kunnen. Zij brengt ons het dichtst bij

die eenige goedheid waarnaar het menschdom hongert en dorst...

* *

*

Wie in smarten afscheid neemt van de liefde, maakt het nooit zoo goed als wie afscheid neemt in toorn; de toorn immers verdooft het fijne begrip der ziel en hangt een rooden doek tusschen het oog en de erkenning van het vreeselijke verlies.

Zoo ernstig als Ruth zich zelf kwellend voorstelde, leed Trot-tenburg niet om haar, want hij was in toorn gescheiden Wel had hem die scheiding veel benadeeld. Doch hij werd het zich niet bewust, neen, het was hem nooit duidelijk geweest, welk een prachtige mogelijkheid van een vrijere en mooiere karakterontwikkeling hij met Ruth verloor.

Nooit was hij zoo diep in Ruth\'s karakter ingedrongen als Ruth in het zijne. Hij kon, meende hij, aan haar denken met verachting, en wanneer wij iemand verachten, is zijn verlies gemakkelijk te overkomen. Gekwetste eigenliefde lijdt noch lang, noch zwaar.

156

-ocr page 163-

Trottenburg geloofde, dat Ruth met hem haar spelletje gespeeld had. Zijn vroegere, slechte opvatting over de vrouwen der groote wereld was daardoor bevestigd. Ja hij gevoelde een zekere, bittere voldoening erover, dat hij toch gelijk had met zijn terughoudendheid en zijn wantrouwen. Zijn beslotenheid werd nu ondoordringbaar. Steeds halsstarriger wikkelde hij zich thans geheel in zijn ideeën.

Zijne artikelen waren nog nooit zoo scherp, zoo bijtend en onverzoenlijk geweest als thans. Den tijd, waarin hij leefde, maakte hij zich ten vijand. Geen enkele der bestaande toestanden scheen hem eenigermate aannemelijk. De belastingen ondragelijk, de binnenlandsche en buitenlandsche staatkunde nog ondraaglijker, het recht vernederd, de letterkunde schandalig, het tooneel bedorven, de heele ambtenaarsstand in byzantinisme verpest, het familieleven geschonden, de geschiedenis vervalscht, de school op verkeerde banen, de militaire tucht kwijnend. In al wat hij schreef was zeker wel iets waars, doch men houdt nooit van een eeuwigen brompot, en zoo iemand is allerminst in staat, om verbeteringen aan te brengen, want de volkswil keert zich tegen hem.

In dien tijd leed Trottenburg\'s naam zelfs bij zijn vrienden en partijgenooten. Van geestdriftig strijder voor recht en volksvrijheid was hij een polemicus geworden, die maar al te vaak iets weersprak om iets tegen te spreken. Langzaam geraakte hij op die helling, waarlangs de zonderlingen en in wereldvreemde ideeën verstarden onweerhoudbaar naar beneden schuiven, terzijde geslingerd door het draaiende wiel van het woelige leven en streven.

Glimlachend begon men, in de staatkundige wereld en in de kringen der dagbladpers, zijne toornuitvallen te negeeren. Een felle pen beschreef hem als „een hondje, dat blaft tegen de sterren.quot; Doch dit bracht hem niet van stuk. Al tastte hij ook mis in den vorm, al leed zijne handelwijze dan ook aan menschelijke bekrompenheid, zijne hand liet het vaandel niet los; trots alles en alles leefde in hem de kracht, de overtuiging, de mannelijke bestendigheid en onoverwinnelijkheid, welke Ruth in hem vermoed had.

Hoe zou ook eene ziel als die van Ruth zich zoo geheel en al hebben kunnen vergissen....

Zij had de fout begaan van alle minnenden: zij had haar beste en schoonste eigenschappen ook gedroomd als eigen aan den geliefde, — dat was haar noodlot....

* if *

Met schril, kort en snel, geklepper klonken de tonen der brandklok uit het kerktorentje van Steenbrugge over het sluimerende

157

-ocr page 164-

stadje. Luid toeterde de nachtwacht doorzijn ouderwetsche, valsche trompet; nu en dan schreeuwde hij als een bezetene; Brand! brand!

De wachtmeester in het raadhuis, die halfdronken op een bank lag, schrok wakker en wreef zich de oogen uit. Hij hing de gemeentelijke trom op zijn zwaar lichaam en begon uit alle macht leven te maken. Dan zeilde hij langs de straten. Bom, bom, bom, rommelderommelderom daverde het met geweldige slagen door den nacht, dof en akelig, zooals de trom geklonken had in oorlogsdagen, in tijden van uitersten nood.

De oude vrome vrouwtjes in de armenhuizen trokken sidderend de zware beddedekens over haar hoofden, want zij meenden, dat het einde der wereld nu eindelijk gekomen was, dat de jongste dag met al zijn verschrikkingen aanbrak en Steenbrugge, als eens Sodoma en Gomorrha, onder gehuil en zwavelstank, in de diepte verzonk. Zoo immers had het vrouw Ellenberg voorspeld, dat \'t tenslotte dit nest vergaan zou.

De jeugd echter raasde zoo maar de straat op. „Brand ! brand!quot; juichten de jongens en zij wierpen hun petten in de lucht, alsof hun een geluk overkomen was. Geen hooger feest voor hen, dan wanneer de roode haan zat op de sparren en gevels en tegen den duisteren nachthemel zijn gloeiende veders ontvouwde, groot, geweldig-groot.

— Als het nu maar lekker aan het branden gaat, kraaide een vlegel, doch meteen trof hem de vuist van een brandweerman met een pats, dat hem hooren en zien verging.

Daar kwam nu ook de asthmatische brandspuit aanrijden met haar krakend en steunend pompwerk.

Natuurlijk werkte zij niet; alle pogingen mislukten. De Steen-brugsche brandspuit liet zich steeds lang bidden en smeeken, voor zij haar werkzaamheden begon.

Overal opwinding en lawaai. Achter alle vensters rood-petroleum-licht gelijk bij de illuminatie op \'s keizers verjaardag. De slimsten en verstzienden pakten reeds nu hun hebben en houden in meel-en aardappelzakken, want in Steenbrugge kon men nimmer den loop der dingen tevoren bepalen. Eens had het heele nest aan vier hoeken tegelijk gebrand. De Steenbrugsche vuren waren echte loopvuurtjes.

Van alle zijden riep men: Waar is de brand?

En ieder antwoordde anders; Daar — neen daar — neen daar.

Eindelijk kwam het juiste bericht: De gekke Joost heeft zijn huis aangestoken!

Als een bom viel dat tusschen de menschen.

Waarom hebben ze hem al niet lang naar het gekkenhuis gezonden ? Maar neen, altoos treuzelen!

158

-ocr page 165-

Zoo wordt overal gescholden. Al wat loopen kan, loopt en rent door den engen steegjeswirwar naar den stadsmuur. Sinds menschenheugenis is zooiets in Steenbrugge niet gebeurd. Eenieder wil er bij wezen. De een duwt den ander, vloekend en tierend, vooruit met de spuit dringen de stompende mannen door de rijen der krijschende vrouwen en huilende kinderen.

De agent Nurks en de stadsbode Nolde roepen, dat zij den sabel zullen trekken, als er geen orde komt. Doch ook dit dreigement is tevergeefsch, alle respect is weg.

Zoo woelt alles op een vreeselijke wijze dooreen. Heel Steen-brugge is als een verstoorde mierenhoop. De brandweermannen met hun schitterende helmen en blinkende knoopen worden als woeste tijgers, hoewel de meeste leden der vrijwillige stedelijke brandweer dikke mannen zijn, heel blij met hun leven. De burgemeester weet niet meer, hoe zijn hoofd draaien wil ; hij houdt het met beide handen vast.

Het is geen kleinigheid, Steenbrugge te regeeren bij brandalarm. Sinds overoude tijden is het een eigenaardigheid der Steenbrugge-naren, dat zij als het ware gek worden, telkens wanneer zij rook ruiken of vuur zien. Zij verliezen dan zelfs hun aangeboren eerbied voor de hooge overheid.

Ja, de gekke Joost had zijn huis aangestoken. Morgen zou het worden afgebroken; en nu had hij den magistraat willen bewijzen, dat hij met zijn eigendom doen kon, wat hij wilde; hij, Joost Wendel, de arme fabrieksarbeider, stond op zijn recht en week geen voet breed terug. Nu had hij in waarheid het recht van den hemel gehaald en liet hij het schijnen voor de menschen. Een geweldige fakkel, een groot vuurteeken.

Thans spotten zij niet meer, thans huiveren zij voor Joost.... De oude kast brandt als een lucifersdoosje; langs de daklijsten kronkelen met razende snelheid de vlammen omhoog als geelroode, avontuurlijke vogels.. . Het vuur gelijkt al een veelkoppige hydra, die haar tongen uit alle vensters steekt. Hoog boven in \'t midden van den gevel staat de gekke Joost voor een geopend zolderluik en preekt.... Achter zijn grijzen kop wapperen de vlammen als een gloeiend aureool.

In het rumoer kan men niet verstaan wat hij zegt. Slechts nu en dan tuimelen enkele afgebroken woorden verstaanbaar neer:

— Onze God is een rechtvaardige God; hij doet al wat hij wil!

Bezwerend strekt hij zijne armen ten hemel.... Hij is volslagen krankzinnig.

Men stelt ladders op, om hem naar beneden te halen, doch de

159

-ocr page 166-

ladders zijn tc kort. Men zoekt naar touwen, om ze samen te binden en men vindt er geen. Alles raast door elkaar en niemand doet wat hij eigenlijk doen moet. Als betooverd, gehypnotiseerd staan allen naar Joost te kijken. Het is iets verschrikkelijks.

Daar komt, woest en wild. Hans van Meerheimb aan, die zich door de menigte heenslaat.

— Helpt toch, menschen, helpt! Zoo moet hij verbranden!

Maar niemand beweegt zich.

Hans ziet het vlammende huis, dat reeds wankelt, hij ziet in den feilen brand den ouden man en naast hem een blond kind, schreiend, ... de kleine Barbara.

Dan stort de knaap zich de trappen op, zonder zich te bedenken, met verachting des doods en den moed der wanhoop....

Het bloed van zijn vader, die stierf met zijn vergane boot, begint in Hans tc leven.... Niemand zou hem kunnen tegenhouden. Niet werkeloos kan Hans zijne vrienden in het vuur zien sterven, hij zou liever zelf daarin omkomen...

Een wild gehuil stijgt uit de menigte op ; de vrouwen verbergen haar gelaat, de mannen vloeken.

— Zoo\'n dwaasheid. Daar is geen redden meer aan.

En dan wordt het ademloos-stil.... Is het niet verschrikkelijk te zien, hoe iemand zijn ongeluk tegemoet rent? Is het niet verschrikkelijk, daarbij te staan en geen vinger te verroeren, omdat men in zichzelf daartoe den moed niet voelt? Omdat men slechts het eigen, arme, vergankelijke leven liefheeft en niets anders.... En is het ook niet vreeselijk te moeten denken; daar sterft een mensch die al den moed bezit, welken wij missen — en die zooveel meer waard is dan alle anderen samen ?....

Voor het zolderluik verschijnt een zwart gelaat.... \'t Is Hans van Meerheimb ! Hij neemt Barbara op zijn arm, hij wil den oude meesleuren, hij worstelt met hem.... het gaat daarboven op leven en dood!

Thans sleepen eenige mannen de samengebonden ladders aan. Zij schamen zich. Zij willen, wat werk en plicht der mannen is, niet overlaten aan een knaap... Doch op hetzelfde oogenblik dat de ladder tegen het huis geplaatst wordt, weerdavert een donderend gekraak, de gevel buigt, het dak verdwijnt, de oude barak stort ineen, alleen de voormuur blijft nog staan.... Van binnen niets dan een hoop gloeiende, vlammende balken. En onder de puinen sterven Hans van Meerheimb, de gekke Joost en de blonde, kleine Barbara. Men giet stroomen water uit, doch deze kunnen de begravenen niet meer wekken.

Joost heeft zichzelf vermoord op den brandstapel van zijn waanzin.

160

-ocr page 167-

zichzelf en twee jeugdige offers met zich. Huilend stuift de menigte uiteen.

Op een keldertrap leunt vrouw Ellenberg als een ongeluksvogel:

— Ik heb \'t geweten, mokt ze. Alles is uitgekomen. Nu zullen jullie me toch wel gelooven.

— Sla de heks dood! brulde een stem.

Nu richtte zich de volkswoede tegen de waarzegster. Als Nurks haar niet beschermd had. zou men ze bont en blauw geslagen hebben.

Het was de ontroerendste tragedie, welke Steenbrugge sinds menschenheugenis gezien had. Jaren en jaren zouden de menschen

zich haar herinneren als een groot zwartkruis langs hun levensweg....

* *

*

Geweldig greep de smart Laura van Meerheimb aan...... Even

slechts; de storm bedaarde spoedig. Zulke ongelukken, die als een steen uit den hemel neervallen op ons hart, hebben ook ietsver-doovends, iets vreemds..,.

Ten tweeden male drukte de hand Gods op Laura\'s licht zieltje... Eerst had zij den echtgenoot geëischt, thans den zoon. Beiden op een verschrikkelijke en toch eervolle wijze....

Met een fieren, franken glimlach scheen kapitein Van Meerheimb van zijn plaats aan den wand neer te zien op zijn schreiende vrouw. Had zij zulk een echtgenoot, zulk een zoon verdiend ? Was zij zulke groote schatten waardig geweest ? Zij vroeg dit zichzelve niet eens af. Zij behoorde tot degenen die in hun zwaarste leed troost zoeken bij wereldsche gedachten.

Ruth Waring, die aanstonds na de vrees?lijke gebeurtenis was toegesneld, overdacht dit, toen zij zag, dat Laura voor den spiegel haar rouwhoed paste.....

Met moeite moest zij zichzelve bedwingen, om niet uit te vallen: „Je weet niet wat je verloren hebt. Je grootsten schat, een kind met een edel hart!quot;

Doch plotseling begon, zij te schreien, hevig, hevig snikkend, want zij gevoelde, wat uit Hans had kunnen worden. Een groot en goed man, zooals de in egoïsme verstarrende wereld er noodig heeft. En toch welk een lieveling des levens was dit kind! Hij stierf bij een daad, zooals degenen, die tachtig en negentig jaren leven, slechts zelden mogen volvoeren. En Laura van Meerheimb had geen woord over voor de jeugdige grootheid van haar zoon, die zij niet begreep.

— Hij was altoos even overspannen als zijn vader! jammerde zij en zij stelde het geduld van Ruth maar al te zeer op de proef.

fDEALISTEN 11

161

-ocr page 168-

Thans leerde Ruth Waring de vaak zoo onbegrijpelijke waarheid, dat groote smarten en diepe, vruchtbare levenservaringen slechts van edele karakters groote menschen maken. De kleinen blijven steeds klein, zij buigen onder de zwaarte van hun noodlot, zij worstelen niet ermede, zij overwinnen het niet, zij groeien er niet in, zij laten het eenvoudigweg voorbijgaan als de wolken en den regen.

Beatrix had niet mogen overkomen. Laura wilde niet dat zij zulk een vreeselijken indruk zou ondergaan. Ruth begreep dit al evenmin.

— Zulk een noodlottige gebeurtenis heeft vormende waarde, zeide zij. Beatrix heeft harde indrukwekkende ervaringen noodig, anders overkwamen zij haar niet. . .

Soms klonk iets diepgeloovigs uit Ruth\'s woorden. Diep in haar ziel bad zij voor het altaar van den „onbekenden Godquot;. Doch Laura liet zich niet overtuigen. Zij wilde het geschrei en gejammer van Beatrix niet hooren. De kinderen hadden elkander zoo innig bemind, — misschien omdat zij gevoelden, hoe weinig zij aan hun moeder hadden.

Ruth\'s laatste dagen in Steenbrugge waren omfloersd van de diepe treurnis om Hans van Meerheimb, ■— en nog een andere teleurstelling lag drukkend op haar ziel.

Echt-vrouwelijk had zij gehoopt, dat zij Trottenburg toch nog een enkel vergevend en verzoenend woord zou kunnen zeggen. Alsof gebroken liefde zich nog liet vergeven en verzoenen! . . ,

Doch Trottenburg was afwezig. Hij had weer een zijner tame-lijk-regelmatig wederkeerende vestingstraffen te ondergaan. Deze straf was hem opgelegd, omdat hij hier of daar iets onteerends over den ouden Frits geschreven had. Het was in de dagen, waarin men eiken schoenlapper, elke naaister wegens „majesteitsschennisquot; inrekende. Maar al te snel had men den mond voorbijgepraat.

Junkernheim door den agent Nurks op de hoogte gehouden, maakte steeds aanstonds proces-verbaal wanneer Trottenburg\'s blad het naar zijn zin te bont maakte. De officier van Justitie zat hem altoos op de hielen. Zelfs in de herrie van den Kulturkampf, onder den indruk van Bismarck\'s redevoeringen, verloor Junkernheim de Steenbrugsche gebeurtenissen niet uit het gezicht, vooral niet de misdaden van den Welfenredacteur.

Door Ruth\'s herinnering speelde tegenwoordig dikwijls een versje van Christina Rosetti:

An emerald is green as grass,

A ruby red as blood.

A saphire shines as blue as heaven.

162

-ocr page 169-

A flint lies in the mud.

A diamond is a brillant stone To catch the worlds desire;

An opal holds a fiery spark.

But a flint holds fire.

Zij begreep nu de diepe beteekenis van dit kleine liedje. Alle glans, alle kleur, alle schoonheid en heerlijkheid der wereld kunnen den mensch niet datgene geven, wat de zware, harde dagen hem verleenen. Uit deze ongeluksdagen ontwikkelde zich de vuurgloed, die de waarheid der ziel smolt uit de erts der oppervlakkigheid,

die haar louterde en haar innerlijke kracht toetste.

* *

*

Langzamerhand begon Beatrix van Meerheimb zich in te leven in het klooster.

De groote smart om den dood van haar broeder kwam niet te onpas.

Geestdriftig prees de overste den heldendood van dezen knaap. Zij begreep wel, dat uit het dubbele voorbeeld van vader en broeder iets groots te behalen was voor dit kind. iets verheffends, j een troostvuur dat nimmer kon uitdooven. Zij herinnerde zich hoe fier en grootsch zij zich gevoelde, toen zij als meisje de beschrijving van dappere en edele daden harer voorvaderen gelezen had. Verheugde zij zich toen niet, dat ook zij dit heldenbloed in hare aderen voelde? Zeide zij niet tot zichzelve, dat menschen met zulke voorvaderen slechts voor edele daden bestemd zijn?

Ook tot Beatrix zeide zij thans:

— Zie je, mijn kind, je broer Hans is wezenlijk te benijden. Met één grooten slag opende hij zich de poort des hemels; waarvóór wij zoo lang moeten bedelen. En dan, het is niet gering dat je eigen bloed tot zooiets in staat is. Jij mijn kleine, jij zijt geroepen, om je broer en je vader waardig te wezen.

Mater Maria was ervan overtuigd, dat God alle gebeurtenissen, ervaringen en toestanden van ons leven wil doen strekken tot onze vorming en ontwikkeling. Wie leert zijn leven te beleven met bewustzijn, die gaat waarlijk ter schole bij God.

Mater Maria trachtte dit besef ook Beatrix bij te brengen. Zij had in dezen jeugdigen geest reeds innigheid ontdekt en aanleg tot nadenken. Zij behoorde tot de opvoeders, die wezenlijk weten wat God van hen vordert, wanneer Hij hun een wordende ziel toevertrouwt. Begreep zij niet het dreigende wee! uitgeroepen over degenen,die eene jeugdige reine ziel vertroebelen en verliezen?

Haar geheele hart opende Mater Maria voor Beatrix van Meerheimb.

163

-ocr page 170-

Het was alsof de zonnewarmte met volle stroomen binnen-vloeide in het kinderlijk gemoed en het tot wasdom bracht.

Al wat Beatrix aan goede voornemens bezat, begon te leven.... Want hierin ligt het geheim dergenen, die het leven voor den dag brengen, dat zij geen enkel goed voornemen stooten of dooden, maar dat zij met het fiere en edele vertrouwen der ware men-schenvrienden zich neerbuigen tot de teedere kiem, die omhoog wil naar het licht, — dat zij niets verstoren, niets vertreden, steeds het beste gelooven, nooit of nimmer wanhopen.....

Echter, niettegenstaande deze liefdevolle en verstandige leiding streed de kleine Beatrix een zwaren strijd.

Zooveel wat kinderen, die temidden van geloovigen opgroeien, heel natuurlijk schijnt, leek haar vreemd en beangstigend-nieuw.

Slechts langzaam kon zich haar verstand indringen in de vormen van den godsdienst, in het mysterie der boete.

Zoodra zij echter iets verstaan en begrepen had, omhelsde zij elke veroverde waarheid met hartstochtelijke heftigheid....

O hare eerste biecht

Nooit had zij geleerd zich rekenschap te geven over zichzelve. Zij keek in zichzelf als in een duisteren chaos, waarin alles deint, en worstelt om vorm en gestalte: hare eigen bedoelingen, wenschen en gevoelens, niets nog was vast-omlijnd....

Ten slotte bekende zij hare dwaze dweeperijen, haar onbe-stemden weemoed, haar liefde voor den proponent, haar leven in onbegrepen romans.

Verwonderd schudde de oude priester het hoofd. Nog nooit had hij in een jeugdig zieltje zooveel oprechtheid aangetroffen naast zooveel donkerheid. Hij trachtte Beatrix eenvoudiger te maken en kalmer. Hij begreep wel, dat die grove en verklaarbare dwalingen van haar jeugdigen leeftijd niet hare schuld waren. Hare sterke fantazie had haar gedeeltelijk beschermd, doch tevens haar verder, veel verder doen gaan dan tot den gewonen gezichteinder der kinderen.

Na de biecht kwam Beatrix schreiend bij Mater Maria .

— Ik zal nooit goed biechten. Ik kan mezelf niet baas! weende zij.

De overste sloot het kind in heur armen.

— God is tevreden met alles wat wij ernstig willen. Maak je maar niet ongerust.

In heur hart echter dacht Mater Maria : hoe snel toch maakt dit kind de ervaringen des levens mee! Onzegbaar-zwaar is het voor ons allen de gangen, wendingen en vreemde uitingen van ons eigen zieleleven te volgen, en dikwijls moeten wij ons tóch onbegrijpend

164

-ocr page 171-

erbij neerleggen en alles overlaten aan Hem, die ons schiep . . *

Met den kleinen Brentano had deze zuster soms gezucht: Ach, wo ist Bleibens auf der Welt ?

Ein redlich, ein gefriedet Feld?

Ein Bliek, der hin und her nicht streift.

Nicht dies und das und — nichts ergreift.

En toch had zij een kloeke, gezonde levensopvatting. Zij besloot Beatrix zóó te leiden, dat ze om de geestelijke toch niet de stoffelijke werkelijkheid vergeten zou. Deze werkelijkheid, welke

zich zoo vreeselijk wreekt op hen, die haar verwaarloozen....

* *

*

Goede Vrijdag in de kloosterkerk.

Kaal en leeg de altaren, de Godslamp uitgedoofd. De schilderijen bedekt; al wat schitteren of stralen kan, verwijderd. Alleen de staties van den kruisweg zijn overgebleven. En boven het rouwpaars in het priesterkoor de zilveren letters : Confirmata est super nos misericordia, zijne barmhartigheid jegens ons is bevestigd.

Bijna-onhoorbaar komen vrome geloovigen in lange rijen naar voren en zij buigen zich en zij kussen de wonden van den Heiland ophetlevensgroote kruis, dat daar voor het priesterkoor is neergelegd.

Mater Maria zit in stille overweging van het lijdensdrama.

Het lijdensdrama, dat eeuw aan eeuw de volkeren heeft geschokt en gesterkt, dat harten als steen gemaakt heeft tot harten als vloeiende was, dat gebroken levens heeft hersteld en wankelende in evenwicht gebracht, het groote mysterie van den Zoon Gods, die stierf aan het kruishout.

De zuster boog zich dieper. Zij herinnerde zich uit hare jeugd de voorstellingen der schilders: Golgotha met het kruishout en den Gekruiste, zooals zij in angstige visioenen dat bloedoffer hadden meegeleefd. Zij kende de omgeving: in de verte de stad van Pilatus, nabij woelige vloedgolven volks, dat hoonkrijschend den Stervende bespot, — zenuwschokkende moordenaars, de tuchtiging der felste en smadelijkste straf deelend met dien Man. die mirakelen had verricht in Galilaea en Judaea, — nog nader, tegen den voet geleund van \'t hooge hout, de Mater Dolorosa, wreedst-beproefde Vrouwe aller tijden met hare geliefde mede-lijders ....

Gisterenavond, na het sombere iiederensamenstel van Jeremias, den profeet, had Mater Maria de oogen toegeknepen, en als een synthese van alle leed en ellende, door schilders ooit gepenseeld, door dichters bejammerd, door asceten beschreven, door heiligen in mystieke schouwing meegeleden, was voor haar opgerezen de

165

-ocr page 172-

figuur van den geslagen, gepijnigden, gekwetsten, gckneusden, doorwonden, bebloeden God-mensch, Jesus Christus.

Maar nu, op dezen Goeden-Vrijdag-morgen, nu zag zij vóór zich het heele tafereel der kruisiging.

Even duizelde zij van de wilde woelingen rondom Golgotha, waar de ruiters het toomelooze volk moeten bedwingen. Maar dan klinken kloppende slagen daarboven: O God! hoe rekt die beul dat lichaam, hoe drukt hij al de purperen wonden, hoe splijt hij die handen, hoe klooft hij die voeten, hoe slaat hij dol op dat arme, arme hoofd! Hoe ploft met een bons dat kruis in den kuil; hoe angstig worden de trekken van dat gelaat . . .

Zacht teeder-klagend, zingt eene fijne stem:

„O hoofd, vol bloed en wondenquot; ...

En het koor der zusters valt in, het groote, oeroude treurlied vervult de kerk met zijn geweldige onvergetelijke melodie....

Dan wordt het weer stil en alleen zusters zijn nog in de kerk, de zusters met haar leerlingen, alle in rouwzwart.

In een der banken knielt Beatrix van Meerheimb. Zij gevoelt de beteekenis van al deze ceremoniën. Deze diepzinnige symbolen grijpen haar. die ze voor het eerst meebeleeft, aan met de geweldige kracht der werkelijkheid.... Een huivering van eerbied rilt over haar. Zij weet, dat zij nooit tevoren iets zoo plechtigs en verhevens gezien heeft. Haar leven was klein, eng en bekrompen, zonder verheffing, zonder verinniging, laag bij den grond. Hier echter is voedsel voor de ziel, hier is de weemoed naar reinheid, naar verzoening, naar het eeuwig leven.

De indrukken, die de jeugdige Beatrix van Meerheimb op dezen Goeden Vrijdag ontving, waren beslissend vóórhaar levensrichting,

.

ZESTIENDE HOOFDSTUK.

Zeven jaren waren over Steenbrugge heengegaan en hadden het uiterlijk der stad veranderd. Tusschen de huizen verhieven zich thans dampende schoorsteenen. De blauwe nevelen, die het stadje omhulden, waren vaak bedenkelijk met zwart vermengd, want op den oever der rivier gloeide een hoogoven, die donkere wolken uitspuwde over de velden.

Maar er was ook veel verbeterd. Men had thans gas- en waterleiding, langs de heuvelhelling stond een rij moderne villa\'s. De gillende stemmen der stoomfluiten, die een menigte werklieden opriepen tot hun fabriekswerk, zij verkondigden, dat de geest der moderne nijverheid bezit had genomen van het Hessendal.

166

-ocr page 173-

h Ongetwijfeld was daarmee ook een groot deel der voorvaderlijke zeden en der hartelijke gemoedelijkheid verdwenen. Vele der oude, mooie tuinen, waarin de blijkleurige, ouderwetsche bloemen woekerden, waarin reuzeboomen en reuzestruiken groeiden, waren nu veranderd in platgetreden pleinen en binnenplaatsen van fa-

I brieken. Misschien was er wat meer rijkdom, wat meer beweging gekomen, maar er bleef toch ook veel minder frischheid en lan-j brieken. Misschien was er wat meer rijkdom, wat meer beweging gekomen, maar er bleef toch ook veel minder frischheid en lan-jt delijke schoonheid.

jt Doch de Steenbruggenaren waren trotsch op hun vooruitstrevendheid. Zij spraken over den vooruitgang en de onvermoede „machtigequot; ontwikkeling hunner stad.

Men had trottoirs gelegd, en in de tuinen der élite vond men thans tennisbanen.

Op eiken herinneringsdag van Sedan zei Junkernheim, dat men dit alles aan Bismarck te danken had.

De nieuwe tijd was in Steenbrugge, en niemand kon hem meer verdrijven, hij was prozaïsch en nuchter als alle nieuwe tijden, hij was een beetje blufferig en eigenzinnig, maar hij was sterk en jong en . . . hij had de toekomst . . .

Laib — dat beteekende: Leopold Leeuwendal, thans de grootste fabrikant van Steenbrugge, keerde terug van een zakenreis, die hij gemaakt had met zijn zomerstoffen voor heeren, de nieuwste modellen, alle netjes op kartonnetjes geplakt en geborgen in twee koffertjes van het fijnste leder.

Ofschoon hij verscheidene reizigers had, hield hij ervan zelf de voornaamste orders op te nemen, want „de persoonlijkheid is allesquot; placht hij te zeggen.

Hij was over de gedane zaken tevreden en zat of juister gezegd: hij lag in een coupé tweede klas niet-rooken, terwijl hij ijverig de nieuwste beursnoteering bestudeerde.

Als zijn eenige reisgezelschap zat tegenover hem een gesluierde buitenlandsche dame. Zij was opvallend-eenvoudig gekleed, — mijnheer Leeuwendal schatte haar hoed niet duurder dan 20 mark. Eenigen bijzonderen indruk maakte zij dus niet op hem; hij vond dan ook volstrekt geen reden, om zijn beenen terug te trekken van de zitplaats der overzijde.

De dame zei eenige woorden tot den conducteur en trok haar zware voile een weinig terug. Nieuwsgierig, zooals hij nu eenmaal van nature was, keek Leeuwendal haar scherp aan en bliksemsnel sprong hij op.

— Zoo waar als ik leef! U is het, miss Waring, lieve hemel, wat is u veranderd!

167

-ocr page 174-

Inderdaad, de tijd had diepe voren getrokken in het gelaat van Ruth. Hij had het scherper gemaakt en meedoogenloos de frisch-heid der jeugd weggevaagd.

Een vastbesloten, soms staalharde trek, tijdens haar jeugd slechts een lichte rimpelduiding in haar gelaat, was scherper geworden en teekende een krachtiger lijn.

Men kon het Ruth aanzien, dat zij met het leven gestreden had. Men zag, dat zij haar evenwicht bewaard had en hare rechten gehandhaafd. Men zag, dat zij wederwaardigheden neerhaalde en hindernissen overwon, dat zij zich te weer stelde en verdedigde tegen de slechten. Men zag zelfs, dat zij als ieder, die in de armen des levens worstelt om brood en geluk, gestooten had op vijanden, benijders en kwaadwilligen.

Zij had nu den vasten en vèrzienden blik van de strijders des levens. Toch lag er ook iets welwillends en stil-rechtvaardigs in haar uiterlijk.

De kennis der menschen had haar niet tot een menschenhaatster gemaakt, dat voelde men als vanzelf. Menschenhaters kunnen slechts zij worden, die tot haten geboren zijn, want de diepste kennis der menschheid put men uit zijn eigen hart, en zoolang in dit hart de bron der liefde niet verdroogt, zal ook het geloof aan anderer goedheid niet verkwijnen.

Voor den zielkundige had Ruth\'s gelaat aan ontroerende be-teekenis gewonnen.

Ongetwijfeld zag Leeuwendal slechts het verlies.

— Goeie hemel, we kunnen niet aan tegen de jaren, zei hij half-spijtig, half-troostend.

— En u is heelemaal niet veranderd! meende Ruth, glimlachend en kijkend naar het perkamenten gelaat met zijn ontelbare karakteristieke rimpeltjes. — Ik dank het toeval, dat ons hier samenbrengt. U moet me eens vertellen over Steenbrugge. Ik wil mijn vrienden daar wel eens verassen . . . Hoe maakt mevrouw Van Meerheimb het?

— De lieve mevrouw is een beetje zwaarder geworden, maar overigens is zedezelfde. Altoos nog fesch en naar de nieuwste mode. Zij en mijn vrouw kleeden zich op zijn Weensch, Weensche chic!

— En Beatrix?

—^ . . . Nou ... ja! Juffrouw Trixje gedraagt zich keurig. Men kan de fijne opvoeding zien. Zij is verloofd met een rijken, hup-schen jongeman. Haar mamaatje heeft het gewild ... nu ... zij moet naar geld kijken. De bruidegom moet een beetje afgeleefd zijn...

Ruth vroeg niet verder. Zij zou zelf wel eens zien.

168

-ocr page 175-

— En hoe maakt het baron Von Junkernheim ?

— Ja, hoe zou hij het maken ? Buitengewoon, natuurlijk. Alle drie jaar laat hij zich kiezen tot afgevaardigde: vijf taler per dag en \'n mooi salaris. Onlangs heeft hij mee geld ingezameld voor de Bismarckhulde. Bismarck is een groot man, zegt mijn vrouwtje, en ik ben het heelemaal met haar eens. Ik heb geteekend voor 20 mark en eronder geschreven: Leopold Leeuwendal voor den trots der natie. Mevrouw Van Meerheimb zei: „Vorst Bismarck zal de hulde niet aanvaarden. Hij zal het geld besteden voor het Duitsche Rijk.quot; Meent u, lieve mevrouw, heb ik gezegd. Hij zal het aannemen, want hij heeft jongens. En zooals ik zei, deed Bismarck. Je krijgt wel kijk op zulke dingen, als je midden in het zakenleven zit.

— En mijnheer Van Trottenburg?

Siddering was in Ruth\'s stem, spanning in haar oogen, dieper rood op hare wangen, .— het was of haar harteklop vertraagde : de toover der gestorven liefde steeg weer op....

Doch Leeuwendal bemerkte hiervan niets.

— Heer Van Trottenburg? Wat moet je zeggen? En de lui van zijn partij ! Eerlijke lui zijn het, dat weten wij, zakenmenschen. Maar men begrijpt ze niet. Men ziet heer Van Trottenburg zelden...

Het rood op Ruth\'s wangen verbleekte: het oogenblik der opwinding ging voorbij.

— Pardon, mijnheer Leeuwendal, ik informeerde nog niet naar uw familie?

— Alles wel, miss Waring. Alleen mijn vader is gestorven. God geve ieder een levenseinde, zooals hij gehad heeft. „Leopold!quot; zei hij nog kort voor zijn dood „in den beginne smaakt oneerlijk brood wel zoet, maar later komt je mond vol kiezel. Schatten verzamelen door leugentaal beteekent den dood zoeken door het ijdele niets.quot; Kort na den grooten Verzoendag is hij heengegaan, juist zooals hij steeds gewenscht had.

Ruth hield op met vragen en staarde zwijgend voor zich uit. Als man-van-opvoeding zweeg nu ook Leopold Leeuwendal, die zijn courant weer bestudeerde.

Daar lag nu het welbekende dal van Steenbrugge. Zilverig schitterde de kleine rivier, stil en kalmeerend als vroeger lagen daar de diepe donkere wouden.

Het heele verleden, de heele schoonheid, maar ook de heele dwaasheid der jeugd rees op voor den geest der ouder wordende vrouw, toen zij het smalle dal binnenreed. Zij was nu een andere, een zoo volkomen-andere . . .

169

-ocr page 176-

Eene die niets meer verwacht van het leven, wijl zij geleerd heeft, dat het zijn beste beloften niet houdt en zijn begeerigste kinderen opvoedt door voortdurende weigeringen.

Eene die nog alle vreugde beleefde aan de schoonheid de kunst, . de heerlijkheid der natuur, maar die geleerd had, objectief te zien, zonder eigen wenschen.

Ruth Waring had zich een vreeselijk-strenge, sterke en echt-Amerikaansche leuze gekozen:

You have entered this world alone —

You know full well, that alone you must die.

So learn in your uttermost need rely upon none.

Deze spreuk — die haar voortdurend erop wees, dat zij in haar isolement beur kracht vinden moest — deze spreuk nam zij overal met zich mede en zij steunde erop als op een wandelstaf. Steeds wilde zij anderen helpen, doch haar kon niemand helpen: zij was een eenzame en zij moest een eenzame blijven.

Ja, nu zij voor den tweeden keer Europa bezocht, was het haar alsof zij een verscheiden geest geleek, dien men verlof gegeven had, om nog eens de plaatsen te bezoeken, waar hij geleefd, bemind en gehoopt had ...

Reeds hare aankomst in Steenbrugge deed haar dit verschil met vroeger innig gevoelen.

Niemand keek haar nieuwsgierig na, als toen zij hier voor het eerst binnenkwam als een schoone jeugdige, elegante vreemdelinge...

Toen en nu . . .

Maar was zij, miss Waring, thans niet veel meer waard, dan de schitterende, jonge dame van voorheen? .. . Overwinnend had zij thans het strijdperk van nooden en wederwaardigheden verlaten ; zij was nu vrij en onafhankelijk door haar eigen arbeid, zij beging weer den weg naar een zelfbevochten, degelijken welstand.

Toch beefde Ruth\'s hand even, toen zij klopte aandedeurvan Laura van Meerheimb... Maar zij aarzelde niet en trad binnen.

En als den eersten keer viel ook nu haar oog op de beeltenis van kapitein Van Meerheimb. De triomfantelijke fiere glimlach, de moedige, vaste blik schijnen hier op haar te hebben gewacht, schijnen haar te begroeten, alsof de geest van den overledene blij was om haar komst, alsof hij verlangend op haar gewacht had...

Ook nu, \'t was midden in Augustus, stond een vaasje met schitterende en geurige rozen voor het portret.

Tegen de wanden der kamer leunden nog dezelfde fluweelen stoelen, alleen wat meer verschoten en versleten. Alles zag er armelijker en versletener uit.

170

-ocr page 177-

Daar stond ook mevrouw Van Meerheimb op van haar schrijf-5te tafel, — lagen daar niet, als vroeger, tal van rekeningen? Zij was nog dezelfde Grandezza, zij was slechts wat rooder, dikker en st\' \' ouder geworden.

n\' Bij de geopende balkondeur staat een slank donker meisje, en naast haar een plompe jongeman. Hij ziet er uit als een wijnrei-ziger. Hij draagt een felblauwen das, heeft witte slobkousen aan onder zijn bruin costuum, zoodat hij op Ruth den indruk maakt van een verschrikkelijke kleurenvlek.

Stil blijft miss Waring bij den ingang staan, scherp Laura van Meerheimb aankijkend. Zij vindt er genoegen in te zien, hoe heur vriendin haar bekijkt met de koele verwondering, waarmee men een indringerigen, onverwachten vreemdeling ontvangt. Dan begint blijkbaar Laura\'s herinnering wakker te worden, met volle kracht s zeilt zij op Ruth aan en ze omhelst haar :

— Ja..... ben je het we_enlijk? Maar je zij t toch erg veranderd!

— Dat schiint het parool te zijn, waarmee Duitschland mij ontvangt, lachte Ruth.

Beatrix vliegt op haar toe en kust haar.

— Och Ruth, tante Ruth, ik zou je onder duizenden herkend hebben! Geen mensch heeft zoo\'n schitterende oogen als jij. Je oogen zijn het wonderlijkste, wat ik ooit zag. Zeg Frans, heb jij ooit van je leven zoo\'n schitterende oogen gezien ?

Frans die niet begrijpt, dat een „oude jonge-jufFrouwquot; mooie oogen kan hebben, komt langzaam naderbij, klemt een monocle in zijn rechteroog en maakt een stijve buiging.

Terstond gevoelt Ruth een zekeren weerzin tegen zijn grof, zinnelijk gelaat en zijn poenige manieren.

Nog even snel en zeker als in haar jeugd gevoelt zij zich aangetrokken of afgestooten ; nog is haar eigen die gave van zoo menige vrouw om terstond, op het eerste gezicht, heel een persoonlijkheid te doorgronden.

Ruth had pleizier in Beatrix.

Een schoonheid is zij niet geworden, maar haar gelaat is wel liefelijk en bekoorlijk en haar gestalte van een bewegelijke lenigheid, die een genot is voor onze oogen.

Nog steeds ligt over hare manieren een zekere terughoudendheid, die des te meer opvalt naar mate het meisje die tegenover alléén-staanden geheel loslaat en dan een hartstochtelijke ongedwongenheid toont, die iets ontroerends heeft en iets dringends...

Beatrix moet geheel en al op iemand vertrouwen om zich te toonen zooals zij is.

171

-ocr page 178-

Daarom zagen slechts weinigen haar wezenlijk karakter.

Tegenover haar verloofde hield Beatrix zich koel, gedwongen en stijf, ja ontwijkend.

Doch hij behoort tot de menschen, die behagen vinden in hun eigen teederheid, zoodat hij daarvan niet bang is.

.—In het huwelijk komt alles terecht! beweert hij, zeker van zijn zaak.

Bij zulke beweringen wordt het gelaat der jeugdige Beatrix besloten en duister. —

Tegenover Ruth kon Beatrix zich niet inhouden:

— Je moest komen, Ruth, ik heb je zoo noodig.

Wederom gelijk in vroeger dagen zaten Laura van Meerheitnben

Ruth Waring tezamen in het avondlicht. Mevrouwvan Meerheimbzei:

— Neen, lieve, je hebt je vergist ten opzichte van Beatrix. Meende je niet, dat de godsdienstige opvoeding zoo goed als mislukken zou, omdat ze te laat kwam? Heelemaal niet, hoor! Het heeft me wezenlijk moeite gekost, om de kloosterideeën een beetje eruit te drijven. Die het leven al te ernstig opvat, kan zijn biczen wel pakken. }e moet huilen met de wolven, waarmee je in \'t bosch zijt, en dat wil Beatrix niet. Ik geef toe. Mater Maria is een karakter, een buitengewoon karakter. Maar wat begrijpt zoo\'n nonnetje van de concessies, die je moet doen aan de wereld, de mode en zooveel dingen meer ? En Beatrix zweert bij de meening van Mater Maria.

— Dan heeft je dochter gelijk, antwoordde Ruth droogjes. Me dunkt, als je te veel concessies doet, verliest ge jezelf..,

— Je moet de gelegenheid gebruiken zooals zich die voordoet, ging mevrouw Van Meerheimb verder. Een rijk huwelijk is het eenige, dat Beatrix kan vooruithelpen. Kunt gij je voorstellen, dat ze zich ertegen verzette, om de hand van Frans Beekers te aanvaarden ? Ieder ander meisje zou hebben toegebeten, en zij, ze wilde niet. Zij beweerde, dat hij ruw was en onontwikkeld en ongeloovig. Ruw, nu ja, dat is zeker, omdat hij van het leven genoten heeft zooals de meeste jongelui van de wereld. Onontwikkeld, natuurlijk; hij leest niets en dweept met de operette. En ongeloovig. hoe kan dat anders: dat is de mode. Juist, hij is heelemaal een modern man. Je kunt de mannen niet schilderen. Mij dunkt, \'t is echt idealisme, wanneer zoo\'n rijk mensch een arin meisje trouwt, alleen omdat ze gracieus is en goed opgevoed, -— misschien ook omdat ze van adel is..,. Ja, zoo\'n parvenu voelt zich altoos iets hooger door een adellijke vrouw....

In Ruth steeg haar jeugdig-vlammend ongeduld op.

— Laura, zei ze langzaam, kijkend naar het portret van kapitein

172

-ocr page 179-

Van Meerheimb, — Laura begrijp je niet. dat je gestorven echtgenoot ons hoort? Wezenlijk, die man dacht voornaam en was van den waren adel, den adel des harten. Hij hield niet van een schijnsucces, dat door innerlijk verlies gekocht wordt. Hij zou zich geschaamd hebben over je woorden en Beatrix gelijk geven.

Scherp en streng klonk de stem van Ruth. Thans was zij geheel verleerd, hoe zij de waarheid met zachte vormelijkheid omkleeden moest.

In Laura van Meerheimb echter leefde een zekere angst voor haar overleden echtgenoot. Zij had zoo dikwijls welbewust tegen zijn wil gehandeld, zoo dikwijls gevoeld, dat hij haar doen en laten zou hebben afgekeurd, — zoodat zij van hem vervreemd was en vreesde voor zijn herinnering.

Voor haar was hij niet meerde innig-geliefde, maar de strenge rechter, en nu had Ruth haar diepste gevoelens door heur woorden opgeslagen... Zij voelde zich door Ruth beleedigd, zij wreekte zich:

— Jij zijt een oude jongejuffrouw geworden, Ruth, antwoordde zij. Je zijt spits en scherp, ja wilt me niet begrijpen. Wat weet jij van den toestand eener weduwe, die zorgen moet voor de toekomst van haar dochter? Ik houd rekening met de werkelijkheid en niet met mooie opvattingen.

Hoe meer Laura gevoelde, dat zij ongelijk had, des te luider verdedigde zij hare handelwijze. En toch, al had zij Laura\'s sympathie voor altoos verloren, op dezen avond had Ruth een slag gewonnen voor Beatrix.

Het was, alsof de overleden kapitein haar te hulp kwam. Want \'s nachts na dit onderhoud droomde Laura van Meerheimb, dat haar echtgenoot bij haar schrijftafel stond, stuk voor stuk hare dwazelijk-gemaakte rekeningen ter hand nam en met gestrenge stem vroeg, wat zij dan eigenlijk haar leven lang gedaan had voor zijn verweesde kinderen . . .

En toen kwam haar niets, letterlijk niets te binnen, en de on-verbiddelijk-vragende blik van dezen man, die ter wille van zijn plicht gestorven was, deed hare ziel zoo\'n pijn, dat zij sidderend wakker schrok . . .

Toen Ruth Waring denzelfden avond in de kamer kwam waar zij met Beatrix sliep, trof zij het meisje nog wakker en op haar wachtend.

—- Ik wilde je helpen, tante Ruth, laat mij je haren doen, zooals vroeger.

Die haren, ze waren lang en glanzend gebleven. Doch eenige al te vroege zilvergrijze plekjes glimden er reeds in. Die had de hardheid des levens haar bezorgd. En Ruth behoorde niet tot

173

-ocr page 180-

degenen, die het haar verven of hun rimpels bijwerken. Altijd en overal bleef zij zichzelf.

Beatrix streelde de zijige vlossen,

— O zóó\'n haren, die grijs worden — zeide ze — die laten mij naar ervaringen raden, welke misschien God alléén weet.

Met deze fijne, weloverdachte woorden won Beatrix nog meer het vertrouwen van Ruth en haar liefde. De Amerikaansche besloot dan ook met alle macht te werken voor het geluk van dit meisje.

— Kom eens hier, mijn kind, zei ze, ga daar op dat bankje zitten en leg je hoofd op mijn schoot. Zeg me: ben je gelukkig?

— Gelukkig? vroeg Beatrix. Gelukkig met een half gebroken leven, gelijk ik heb? Och kom, als je van een viool de snaren eerst doorsnijdt en ze dan weer aaneenknoopt, dan geeft ze toch geen zuivere melodie meer!

— Wat bedoel je, lieveling?

Teeder streek Ruth met haar hand over het jeugdige koortsige hoofd. Een machtig medelijden greep haar aan en deed haar eigen overspanning en vermoeienissen vergeten.

— Och Ruth, ik kan je alles vertellen. Zie je, ik ben in de leugens ingedrongen. Ik houd niet van Frans Beekers en toch... ik zal met hem trouwen, ofschoon ik weet, dat ik mezelf en mijn toekomst daardoor bederf... Ik heb gestreden, maar mama\'s wil is sterker dan de mijne... Ik ben bang voor haar toorn .. . Zij zegt, dat ik haar, zoolang als ik leef, heb teleurgesteld, — dat ik nooit het minste of geringste ter liefde voor haar gedaan heb, — en dat dit huwelijk onze laatste redding is... Ik zou niet willen trouwen, neen, neen. Ik behoor tot degenen, die heelemaal hun gevoel willen uitleven, die iets volmaakts willen maken van hun leven. . . Weet je, wat ik wilde? Ik zou zoo\'n groote, mooie, edele taak willen vervullen als Mater Maria ... Ik haat, ik haat het kleinzielige bedriegelijke, begeerlijke, akelige, leven dat iemand als Frans Beekers leidt en dat ik met hem deelen moet... Ik verfoei zijne genoegens . . . Me dunkt; al wat hij doet is zoo dwaas, zoo doelloos, zoo waardeloos en laag-bij-den-grondsch. En toch zal het mijn lot zijn, te dalen tot zijn niveau. Ontvluchten kan ik hem niet. Levenslang zal ik zijn vervelende aardigheden, zijn spotternijen over het heilige, zijn poeiige manieren moeten dulden en mij eraan gewennen. IK zal mezelf verdooven met genoegens, ik zal me omhangen met briljanten en me troosten met gemeene boeken, om mijn eigen slechtheid te vergeten. Zoo zal het gaan. O Ruth, ik voel het, ik ben verloren... Men kan zijn noodlot niet ontloopen...

Ruth verschrok van dezen plotselingen, heviger, uitval. De

174

-ocr page 181-

jeugdige gestalte, die zich leunde tegen haar knie, sidderde als een berkeboompje, dat door den storm heen en weer geslingerd wordt. Ruth voelde het schokken harer zenuwen.

— Beatrix, zei Ruth, wij maken ons eigen lot veel meer dan je denkt. Je moet je verzetten tegen dit huwelijk. Dat is je plicht, \'t Is de plicht van een mensch, om zich niet over te geven zoolang als hij strijden kan.

— Och Ruth, ik heb tevergeefs gestreden. Ik heb niet zoo\'n vrijen wil als u. Maar ik kon het niet meer uithouden, ik moest het eens zeggen. Helpen kan me toch niemand. Er zijn zooveel meisjes die denzelfden weg opgaan. Ik hoor er nu eenmaal ook bij. Bekommer je maar niet erom.

— Wat zegt Mater Maria over je meeningen?

—lt; Ik schrijf haar niet meer. Ik schaam me. Dat alles is zoo vervelend en klein....

— Ga nu maar slapen, mijn kind, zei Ruth. Wanneer je jong zijt, dan beschouw je de dingen al gemakkelijk ais onherstelbaar. Maar op jouw jaren kan iedere dag nieuw geluk brengen !....

Men moet steeds opbeuren. Dat was een van Ruth\'s leuzen. Zijzelve echter was volstrekt niet gerust. Den halven nacht dacht zij na over deze botsing, die de ontwikkeling van Beatrix dreigde te verstoren. Nog steeds bezat zij die levendige belangstelling in eens anders lot, die haar karakter zoo diep en waardig maakte.

Den volgenden dag bezocht Ruth met Beatrix het kleine kerkhof van Steenbrugge. De weinige overblijfselen van Hans van Meerheimb, die men tusschen de puinen van Joost\'s huis gevonden had, waren daar begraven. De stad Steenbrugge had op het smalle graf een marmeren steen laten plaatsen met dit inschrift :

„Hier wacht de verrijzenis Hans van Meerheimb die zijn leven weggaf voor het leven van anderen. Hij werd slechts 16 jaren oud. Eer zijne nagedachtenis.quot;

Rondom het graf, waar dit jeugdige, zuivere leven begraven lag, scheen de melodie ervan te spelen, een sterke, blijde, ge-loovige melodie, een lied van opstanding tot goedheid, moed en kracht. Het steeg op uit de eenvoudige woorden van den gedenksteen en vervulde de milde zomerlucht met zijn aandoenlijke stemming.

Waait niet over alle menschengraven de melodie van het vergane leven ? Maar wie zal de verstrooide tonen, de dissonanten en halve accoorden grijpen en samenvoegen ? En toch, niets is zoo welsprekend als het zwijgen van den dood; alle klachten, alle jubeltonen omvat het. Doch slechts zelden klinken de melodieën zoo duidelijk en zoet als boven het graf van dezen knaap.

175

-ocr page 182-

Hoog in de zwaar-getooide boomen zongen de vogelen. De zonnestralen speelden hier en daar door het looverdak en sidderden over de bloembedden en grafsteenen, zij brachten wat leven in deze groene, wereld-vergeten eenzaamheid.

Ruth voelde zich ontroerd door deze indrukwekkende schoonheid, door de tooverachtige stemming dezer plaats.

In haar herinnering herleefde Tennysons innig-medelijdend graflied:

— King have no such couch as thine, geen koning heeft zoo\'n rustbed als het uwe, fluisterde ze tot Beatrix zacht en eerbiedig, alsof zij vreesde, dat zij de dooden rondom zich wekken zou.

Beatrix knielde neer naast het graf van haar broeder en bad...

Zooals zij daar knielde, leek zij een lelie, — een lelie, die in de teere gracie van jeugdige ongereptheid het kopje hangen laat.

Hoe lief is zij geworden! dacht Ruth. Men zou haar zoo willen zegenen en beschermen... En toch, heur eigen moeder geeft haar prijs! hoe vol van harde onbegrijpelijkheden is toch het leven!...

— Weet je waarvoor ik gebeden heb, Ruth? vroeg Beatrix bij het naar huis gaan. Ik heb gebeden, dat ik zóó sterven mag als onze Hans stierf. Dat is toch wel het mooiste, als je zoo in een korten, koenen, snellen heldendood den heelen inhoud van je leven

moogt uiten..... Zie je Ruth, ik ben bang, o ik ben zoo bang, dat

ik in gemakkelijk leven, genotzucht, alledaagsheid en kleinheid langzaam maar zeker den dood mijner eigen ziel beleven zal.... En dan o God ! dan zal ik juist als alle anderen afhankelijk worden van praatjes, kleeren, eten en drinken en nauwelijks meer weten, dat mijne ziel van God komt en naar God wil! Weet je wat ik zou willen, Ruth? Ik zou dit alles willen wegwerpen, weggooien, en dan gaan naar Mater Maria en onder haar leiding dat worden wat ik wezenlijk worden kan : een reine, goede vrouw.... Dat zou ik willen....

— Ik zal je helpen, antwoordde Ruth, vertrouw maar op mij, hoor.

Ruth\'s vroegere belangstelling in het lot van Beatrix steeg weer

tot haar .hoogtepunt. De worsteling van dit jeugdige, zoekende schepseltje met de machten des levens ontroerde haar tot in het diepst harer ziel.

O wij blindgeborenen! dacht zij. Wij beginnen pas te zien en te begrijpen, wanneer de uren van zien en begrijpen voorbij zijn en de duisternissen ons omringen...

Beatrix stond op het punt, uit verkeerd-begrepen plichtsgevoel, ter wille harer moeder, af te dalen in verhoudingen, die haar moesten en zouden verdrukken.

Als een open boek las Ruth de gevoelens van dit meisje. Zij

I

176

-ocr page 183-

zou het vervelende, het onwaardige, het kleine en alledaagsche niet verdragen, zij zou daaraan te gronde gaan. Haar paste een groote levenstaak, die plicht, offers, gehoorzaamheid, inspanning van alle edele krachten en verheffing des harten eischte.

Een vrijwillige overgave aan God en de menschheid, een leven op het hoogste standpunt, — dat zou haar bevredigen en den honger harer ziel stillen.

Ruth Waring begreep, dat een grootsche oplossing der diepste zielsconflicten gelegen is in de katholieke offeridee, die den heelea mensch opeischt. Zij begreep ook het heimwee der jeugdige Beatrix, het heimwee uit de verwarringen der laffe alledaagschheid naar ademhaling in de strenge, zuivere lucht, waarmee Mater Maria de haren omringde. Ruth besloot al haar kracht in te spannen,

om Beatrix\' wenschen te vervullen . . .

* *

Een man kan gewoonlijk zonder groote moeite de liefde voor een vrouw ter zijde stellen. Maar een vrouw, tenminste eene, die niet behoort tot de lichtzinnigen en onverschilligen, kan hare levensliefde niet vergeten. Ook Ruth Waring had het niet gekund.

Het groote vuur van liefde, teleurstellingen, bitterheid en smartelijk heimwee naar de beantwoording van haar innig en echt gevoel was nooit geheel-en-a! in haar verdoofd.

Toen Ruth Waring langzamerhand begon in te zien, weik een koude, grauwe werkdag het leven is, boog zij zich steeds weer over dezen gloed harer jeugd, om heur verkillend hart daaraan te verwarmen.

Daar waren de weinige warme woorden, welke Trottenburg tot haar gesproken had en die als vonken van zijn ziel in de hare overvlogen.

— Nooit meer zal ik mijn leven zóó kunnen leven, gelijk ik deed, vóór ik je kende. Je zult steeds in mijn nabijheid zijn. Niets kan je uit mijn bestaan verwijderen.

Een anderen keer had hij gezegd: „Ik minde jou altoos, ik min je nu nog, en ik zal je minnen in eeuwigheid.\'\' O, die eeuwigheidsklank in deze woorden . . .

De Amerikaansche had niet geweten, dat zij het slotvers vormen van een der innigste volksliederen en dat Trottenburg ze niet uit zijn eigen ziel, maar uit die van zijn volk genomen had.

Doch er waren ook harde woorden gevallen. Al de lange jaren van haar werken en worstelen was Ruth vervolgd door die schampere uiting van Trottenburg: „U kunt geen offers brengenquot; . . .

IDEALISTEN 12

177

-ocr page 184-

De vreeselijke miskenning van haar karakter en haar vermogens, In

die daarin lag besloten, had haar in den beginne gepijnigd met lief

een woedende smart. Dan, langzamerhand, was het in haar als me

een idéé fixe geworden, dat hij zijne dwaling erkennen en her- alle

roepen zou. Zij begreep hem nog steeds niet volkomen. Zij begreep lief

niet, dat stijfhoofden als hij liever alles op het spel zetten, dan dat hel

zij een dwaling erkennen en herroepen. om

Eenige dagen na haar aankomst in Steenbrugge bracht Ruth een lm

bezoek aan Trottenburg. Zijne omgeving was even grauw, nuchter lev en zonder eenigen opsmuk als voor zeven jaren. Ruth kreeg een

indruk, alsof Trottenburg heel dien langen tijd onbewegelijk voor ijv zijn schrijftafel gestaan had, om steeds uiting te geven aan dezelfde

idee. Het was alsof een laag stof op dezen man lag. Zijn gelaat we

was grauwer geworden, zijn huid perkamentachtiger, zijn haar als die

omsponnen van spinnewebben, zijn handen uitgemergeld, nerveus.... ge En toch fijne, lange, smalle idealistenhanden, blauw geaderd, als

van zijn geest doortrokken. Deze handen en zijn hoog, lichtend, ve

doorgroefd, peinzend voorhoofd verhaalden van zijn innigen en en

diepgaanden geestesarbeid. re

Wederom, als jaren geleden, gevoelde Ruth zich ontroerd door ge

de ongewoonheid en sterke eigenaardigheid van Trottenburg\'s ka

verschijning, en op dit oogenblik vergaf zij zich zelve met een o\\

zacht, veelzeggend glimlachje de groote liefdedwaling harer jeugd, tr Het was alsof Trottenburg de nabijheid van Ruth vermoed had.

Hij stond bij zijn lessenaar, zijn moede hoofd mer. zijn hand

ondersteunend. De laatste dagen gevoelt hij zich meer en meer glt;

gedrukt door een zekere geestelijke dorheid. Al deze vergeelde, e« naar schimmel riekende papieren en handschriften, die hij oprakelt

uit de archieven, om hem in te lichten over het verleden van zijn g volk, — al die paperassen, zeker, ze zijn wel belangrijk, maar dood is dood ... en wie zich al te diep inwerkt in het verleden,

bewijst hiermee, dat hij in het tegenwoordige of toekomstige niets el

gelukbrengends vermag te zien ... f1

O, wanneer hij eens een vrouw, wanneer hij eens kinderen had, d

hoe anders zou zijn leven zijn, hoeveel voller en rijker ... I

Als in een visioen zag hij het gelaat van Ruth Waring. quot;

W^ie zal hem wederom woorden zeggen, die hart en ziel ver- ,

kwikken als de hare? ^

Waartoe zou zij wel gekomen zijn, deze frissche, vrije en fiere v ziel, die de wereld scheen te willen veroveren met haar kracht?

Dat wat zij waarlijk was, haar innigste wezen, had hij niet 1 geheel en al kunnen miskennen: al te diep had zij zijne ziel ontroerd.

178

-ocr page 185-

In stille uren van overweging zei hij tot zichzelf, dat alle aardsche liefde voor zijn muggenzifterij bezwijken moest. Als onvolmaakte

Imenschen beminnen wy onvolmaakte menschen en daarom moet alle liefde sterven, die niet sterker is dan de dood. Wanneer zijn liefde sterk geweest was als de dood, dan zou hij Ruth gewonnen hebben. Maar och, daar was iets in hem, dat niet strijden wilde om de rechten des levens. Hij kende zijn eigen zwakheid heel goed. Innerlijk spot hij over zijn bloedloos idealisme. Hij weet het wel: leven beteekent toch iets verwerven, iets bezitten.menschen beminnen wy onvolmaakte menschen en daarom moet alle liefde sterven, die niet sterker is dan de dood. Wanneer zijn liefde sterk geweest was als de dood, dan zou hij Ruth gewonnen hebben. Maar och, daar was iets in hem, dat niet strijden wilde om de rechten des levens. Hij kende zijn eigen zwakheid heel goed. Innerlijk spot hij over zijn bloedloos idealisme. Hij weet het wel: leven beteekent toch iets verwerven, iets bezitten.

Niet voor niets is God een rijke leenheer: hij wil, dat wij met ijver en vreugde naar zijn gaven verlangen.

Met de trage beweging van een vlinder, die zich nog eens waagt in de herfstzon, fladderden deze gedachten door de ziel van dien man. Tot de snellen en vastberadenen, welke het lachende geluk zegent, behoorde hij niet.

Eigenlijk had hij reeds lang zoo maar heengeleefd over het verlies van Ruth. Daarom maakt hij zich af van al die gedachten en begint een nieuw, scherp artikel. Want vandaag juist heeft de regeering, om het technisch te zeggen, „een wagen in het slijk gereden.quot; En ofschoon nijd, laagheid noch leedvermaak, tot zijn karaktertrekken behooren, verheugt hij zich als lid der oppositie, over iedere fout, die men in het andere kamp begaat, en gaarne trommelt hij zijn triomf uit in zijn blad en andere couranten.

Op dit uur trad Ruth bij hem binnen.

Hij herkende haar op het eerste gezicht, al bracht zij op haar gelaat de sporen mee van zeven jaren itryd. Trottenburg gevoelde een plotselinge teleurstelling.

Waar was de bekoorlijkheid harer jeugd gebleven, waar heur glanzende gelaatskleur, waar de teederheid van heur mond? , . .

Neen, zóó had hij haar liever niet weergezien.

Geen schittering verlichtte dan ook zijn oogen, toen beiden elkaar zagen. In heel zijn houding lag een klacht, het was alsof hij zwijgend uitriep: „Is dat de vrouw, die mijn hart sneller kloppen deed? Neen, dat is slechts haar ruïne.quot;

Onverschillig-hoffelijk bood hij haar een stoel aan. Zij scheen hem geheel en al een vreemde geworden.

— Ik dacht, dat wij elkaar nooit meer zouden weerzien, zei hij — en dat klonk als een verwijt, als een uiting zijner ontevredenheid over hare komst en de daaraan verbonden ontnuchtering.

Zijn gevoelens pratend of schrijvend te verbergen, die kunst had hij nooit verstaan.

Ruth voelde, hoe een yzige koude door haar aderen liep, maar

179

-ocr page 186-

zij bedwong zich, zij wist immers, dat men hem veel, zeer vee vergeven moest.

Voor haar verwonderde, dwingende oogen boog hij beschaam het hoofd. In haar oogen leefde wel de oude, zegevierende macht

—- Ik heb nog nimmer een vriend verloren, zei Ruth, en omda ik hier toch eenigen tijd verblijf, wilde ik ook nog eens uwe vriend schap opeischen.

Hij keek haar aan en nogmaals voelde hij zich hevig teleurgesteld

Vóór alles vreesde hij een hard, energiek vrouwengelaat.

Haar fijne geest maakte haar helderziend, zij las op zijn voorhoofd de gedachten-over-teleurstelling.

— U vergist zich, zeide Ruth, blozend van trots en toorn. Ik kom niet hier, om de liefde op te vorderen, waaraan u mij een vluchtig deedt gelooven. Ik weet het: niets meer van wat di liefde kan opwekken, bezit ik nog. Maar juist deze omstandighei geeft mij het recht, om tot u te komen en met u te spreken, zooals ik wil, zonder dat u mij nevenbedoelingen of opdringerigheid verwijten moogt. Nog ééns moet ik met u spreken, opdat tussche ons alles klaar en duidelijk worde. Ik weet het, u hebt mij tóen niet begrepen. U wist niet eens, dat ik op dien Kerstdag van ons afscheid mijn heele vermogen verloren heb. Valsche trots weerhield mij, om het te zeggen, maar nu ken ik geen trots meer. alleen maar behoefte aan de klaarste oprechtheid.

Trottenburg zat inééngedoken. Het pijnlijke raadsel van haar verandering had hem langen tijd verontrust. Nu werd het opgelost, nu het te laat was.

— Wij moesten het verleden maar laten rusten, zei hij vermoeid, en hij maakte een afwerend gebaar. Waarom het oude leed wakker roepen? Laat het maar sluimeren.

Hevig ontroerde haar de klank zijner stem. Hoe had zij van dezen klank gehouden! Onweerstaanbaar sprong het van haar lippen:

— Nooit heb ik u verraden of bedrogen, nooit heb ik met u gespeeld. U hadt van mij te geringe gedachten. Ik heb u bemind met al de krachten van mijn hart. .. Niet met hartstocht of eigenliefde, maar met vriendschap en liefde tegelijk. Al wat een vrouw doen kan, zou ik voor u hebben gedaan. Neen, u weet niet, welk een hooge opvatting ik heb van de liefde . .. De allerhoogste... Mijn heele jeugd had ik er op gehoopt als op het hoogste van mijn leven ... en daar kwam niets anders voor den dag dan dwaling, leed en ellende. Mijn liefde was niet waardeloos, dat weet ik zelf, en ik zal er steeds fier op zijn, want al heb ik eens gedwaald — ik heb me nooit verlaagd. Het zou mij niets gedeerd

180

-ocr page 187-

hebben, al waart u oud, vermoeid, ja verschrompeld tot mij gekomen. Ik zou u slechts des te meer hebben bemind. Maar u, — o!. ... ik las alles op uw gelaat. Niet waar, mijne oogen schitteren niet meer zooals vroeger? Zijn mijn mondhoeken niet neergetrokken, mijne wangen door de inspanning ingevallen? En dat alles, dat alles . . . om de tegemoetkoming niet te onttrekken aan uw blad, dat noodig was voor uw levensonderhoud. Want dat geld kwam van mij! . . .

Trottcnburg sprong driftig op uit zijn stoel. Zijn aschgrauwe huid werd plotseling gloeiend rood. Wat kon hem thans de woeste smart in hare klachten schelen? Hij gevoelde slechts, dat zijn trots, zijn ijdelheid gekwetst was.

— Wat zegt u daar? Wie gaf u daartoe het recht? Liever bedelen, dan dat verder aannemen. Waarom, waarom hebt u dat gedaan? Wie verlangde dat? Ben ik een kerel, die aalmoezen wil van een werkende vrouw?

Het uur was gekomen, waarop zij de laatste en hardste straf ontving voor haar onbevoegd ingrijpen in zijn lot. Stil liet zij heur hoofd hangen. Zij wilde zijn boosheid wel verdragen, als er maar klaarheid heerschte.

— Het was slechts een jeugdige dwaasheid, maar zij steunde niet op slechte beweegredenen. Ik dacht te kunnen bijdragen tot uw geluk en ik deed het op een vermetele, kinderlijke manier. Ik begon ermee in den tijd onzer goede verstandhouding en ik spande alle krachten in, om het door te zetten. Ik vertelde het u, opdat u uw woorden kunt terugnemen, uw woorden: „U kunt geen offers brengenquot; .... Het offer was al gebracht, vóórdat u dit durfde zeggen.

Toen zij zóó gesproken had, doorvoer haar een vreeselijke, verlammende schrik. Plotseling zag zij heel duidelijk, dat zij haar zevenjarigen offertijd geheel verloren had, — voor God en voor hem, wien die jaren gewijd werden, want als waardeloos vervallen alle goede daden, waarover wij met anderen spreken.

Zonder waarde, zonder kracht, zonder uitwerking! Wee mij! dacht Ruth, ik heb gesproken over de kroon van mijn leven. Daar-tusschen-door klonk Trottenburg\'s heftige opgewonden stem:

— U weet tenminste te waardeeren wat u deedt!

Zijn scherpe hoon gaf haar den moed terug.

Hij had het recht niet, om haar te veroordeelen, hij allerminst.

— Misschien zult u wat milder over mijn jeugd-dwaasheid denken, wanneer uw trots wat gekalmeerd is, zeide zij, — of misschien ook niet, want menschen als u hebben zelf nimmer ondervonden.

181

-ocr page 188-

wat de jeugd is. U hebt mij vandaag gebracht tot het volle bewustzijn mijner overspanning. En nu alles, alles duidelijk is tusschen ons beiden, nu heb ik niets meer te zeggen.

Zij stond op en met een gebaar van verachting wendde zij zich van hem af.

Toen beving hem iets: haar arme, jeugdige verachte en zoo zwaar beproefde grootmoedigheid verscheurde zijne ziel:

— Ruth! riep hij.,.. Ruth!.... Dat was de stem van zijn hart.

Nog eens klonken en vibreerden de snaren van het stukgeslagen instrument.

Dan — vóór zij zich van hem afwendde, keek Ruth nog ééns Trottenburg aan.

Het was een lange afscheidsblik.

Fierheid, toorn, smart, een gebroken liefde, een bittere teleurstelling — alles, alles kon men in die oogen lezen.

De macht en de kracht van haar ziel lagen erin, haar vrij en zelfstandig karakter, haar groote zielegoedheid....

Geen woord had zooveel kunnen zeggen als haar oog in dit geweldig oogenblik.

Waarom kondt gij, gij, de eenige van alle menschen mij zoo miskennen? vroeg het.

Meer dan jeugd en schoonheid lag daarin, — een geheel ernstig leven. O zeker, de bede van heel een menschenleven : „Misken mij niet! Misken mij toch niet!quot;

Trottenburg begreep die taal. Bliksemsnel trof hem die openbaring harer ziel en begreep hij de grootheid en de waarde der vrouw, die nu heenging, en die hij nimmer volkomen gewaardeerd had. De wonderlijkste mogelijkheid zijns levens groette hem nog ééns, om dan te verzinken voor altoos.....

Slechts heel langzaam en moeilijk kwam Trottenburg tot bezinning. Zijn beste gevoelens bleven in hem besloten. Het woord liet zich door hem niet gemakkelijk gebruiken. En dan, het bittere en harde woord nog gemakkelijker dan het teedere en verzoenende. Hij behoorde tot degenen, die vreemdelingen en eenzamen blijven op deze aarde, omdat zij op het juiste oogenblik het juiste woord niet vinden.

Wee die onuitgesproken woorden! Wee de stomgeboren liefde! Wee den vreeselijken trots die het leven neerdrukt, zooals de harde, bevroren aardkorst de kiemen verstikt, die streven naar zonnelicht en zonnewarmte.

Het mannelijk gevoel verhief zich in hem en ijlde de vrouw zijner jeugd na, het zei haar duizend zoete woordjes van waar-

182

-ocr page 189-

T

deering en verzoening, — doch zijn lichaam bleef bewegingloos, als geboeid ; en het groote, het mooie, het blijde, het reddende kwam niet.,..

Zoo nam Ruth Waring afscheid van Trottenburg, als over-winnares, — maar zij wist niet, dat zij overwonnen had.....

En het leven schonk haar niet de krone, die zij zoo gaarne, o! zoo gaarne gedragen had....

* *

Toen zij het oude steenen gebouw, de woning der Trottenburg\'s verliet, keek Ruth Waring nauwelijks naar de andere grauwe, voorovergebogen ouderwetsche huizen. Zij wendde zich om en bezag nog eens de vieugelkleppende zwaan boven de gewelfde inrijpoort.

Zij had van dat wapen gehouden: het scheen haar te spreken van vreugde en levensdurf.... Doch het was een valsch teeken geweest. Bij dit alles verwonderde zij zich, dat het niet nóg ongelukkiger, niet treuriger was. Zij gevoelde wel, dat zij de jaren bereikt had, waarin wij de onverbiddelijkheden des levens heel natuurlijk noemen.

Ruth Waring hield van den arbeid en hield van het leven in zijn duizenden en nogmaals duizenden uitingen ; zij was eene vriendin der menschen en hierin is zóóveel klein geluk gelegen, dat zij zonder het groote geluk leven moest.

Ja, zoo was dit een soort Godsoordeel. En zij zou het dragen, want zij had een sterke ziel.

Een van die sterke zielen, die het leven dubbel en drievoudig beleven, en die overwinnen en groeien, waar velen terugdeinzen of als laag struikgewas langs den grond kruipen: een van die sterke zielen, die de smart even diep doorproeven als het geluk, en weten, dat de bitterste ontbering in de hand van den Schepper meer weegt, dan het fiere hebben en bezitten.

Zij behoorde zelfs tot die beste en zeldzaamste menschen, die door smart en lijden worden tot weldoeners. Alleen maar niet te veel het leven verbrokkelen! Zooveel mogelijk een gesloten eenheid vormen, — zooveel mogelijk geheel datgene zijn wat men is 1

Dit was de leidraad van Ruth\'s levensbeschouwing en steunend op deze gedachten spande zij al haar krachten in voor Beatrix.

Slim en diplomatiek was Ruth ook. En wanneer het noodig was, wist zij de menschen bij hun zwakke zijde aai te grijpen ; zoodat zij, tegen hun eigen wil in, het goede en juiste deden.

Laura van Meerheimb hield van het gladde en behage\'ijke; zij

183

-ocr page 190-

haatte schandalen en al wat iemand maatschappelijk-onmogelijk maken kon. Zij leefde van de meening van anderen, — en op deze zwakheid bouwde Ruth haar plan.

— Zie je, Laura, ik weet het maar al te wèl, wat van dit huwelijk van Beatrix met zoo\'n heer komen moet: Een echtscheiding, niets anders dan een echtscheiding. En nu weet jij toch ook, hoe onaangenaam de positie van een gescheiden vrouw is, ook voor haar familie. Bpdenk je dus goed. Ik weet voor Beatrix iets, waarnaar heur eigen innerlijk verlangt. Zij zou naar het klooster willen terugkeeren. Mater Maria en ik, wij zullen den weg wel effenen. Je bespaart zelfs de kosten van een uitzet en later heb je je inkomen heelcmaal voor jezelf. Je kunt onbezorgd leven en je behoeft jezelf niet te verwijten, dat je zoo\'n kind gedwongen hebt tot een ongelukkig huwelijk.

Laura van Meerheimb was wel gevoelig voor zulke koude, wereldsche voorstellingen.

Ruth had geleerd met iedereen in zijn eigen taal te spreken. Doch weinigen slechts spraken hare taal en daarom was er een lichte zweem van trots en hooghartigheid in de wijze waarop zij met menigeen omging.

Laura van Meerheimb echter deed juist alsof zij dit niet voelde, vooral toen Ruth koeltjes en zakelijk eraan toevoegde:

— Je weet, dat ik veel geld verdien en geen verplichtingen heb. Het zal mij genoegen doen, als ik den klooster uitzet van je dochter geven mag.

Toen zag de weduwe, nog altoos hupsch en elegant en begeerig naar alle dingen van weelde, de voordeelen in van dit aanbod en

ii.

;1 f. t i t

zij bewilligde in de verbreking van het engagement.

* *

*

Korten tijd later stond Ruth Waring wederom met Beatrix voor Mater Maria in de spreekkamer van het Ursulinenklooster. In kloosters staat de tijd stil. Alles was nog als voorheen, de zeven jaren schenen spoorloos over Mater Maria heengegleden — heur handen wat smaller, heur gelaat wat doorzichtiger, dat was al.

Met moederlijke hartelijkheid ontving zij Beatrix.

— Ik had het wel gedacht, mijn kind, dat je ten slotte zoudt terugkomen. Maar vergeet het niet: de wereld is niet buiten ons, doch in ons. Streng en lang zal ik je moeten beproeven.

Dan wendde Mater Maria zich tot Ruth en heur vroegere, innig-begrijpende belangstelling ontwaakte weer. Zij zag de felle, harde, diepe lijnen in het weleer zoo klassiek-zuivere gelaat, zij

184

-ocr page 191-

zag de sporen van het zware wentelende rad, dat leven heet, rondom mond en oogen, zij las het figurenschrift der teleurstelling, der zorg, der oververmoeienis . . . Nog nooit had zij iemand zoo welwillend hare handen toegestoken, als deze dappere en edel-denkende vrouw.

— Al wat wij aan vrede, gezelligheid, rust en schoonheid binnen onze muren hebben, is voor u, zei Mater Maria. Want waarom zouden onze muren zoo sterk en hoog zijn, als zij niet somtijds een schuilplaats konden bieden aan overwerkte levensstrijders?

Doch Ruth rustte slechts enkele dagen; sinds zij zich in Europa bevond, rustte zij voor den eersten keer.

Haar werk wachtte haar. Zij had een boek geschreven: „Hoe overwint men het leven?quot;

Het was door een universiteit met een eersten prijs bekroond als een dier krachtige, duidelijke en veelbeteekenende Amerikaansche levensphilosophieën, die menigeen hebben getroost, geholpen en raad gegeven. Nieuwe oplagen van dat boek wachtten op haar evenals haar journalistieke arbeid. Ook hare muziekleerlingen zagen haar tegemoet.

In breede kringen was zij een hooggeachte persoonlijkheid geworden, naar wier woord men luisterde, wier meening meetelde. Mater Maria wist dit en zij wenschte Ruth geluk ermee:

— Het is niet gering, met alle kracht te werken aan de veredeling der natie, aan den groei van zedelijke ideeën, aan het begrip der hoogste kunst, — zeide zij.

— Neen, gering is het niet. Maar ik had gedroomd van een andere kroon. En ik ben toch altoos een onttroonde. ..

Mater Maria keek Ruth aan, heel ernstig en diep. „Kon zij heur laatsten troost vinden in God!quot; dacht zij, en luidop beantwoordde zij Ruth met de woorden der heilige Theresia:

— \'t Is God alléén, die ons voldoet!

Ruth was niet ver meer van God af.

Een groot denker heeft eens gezegd: „Daar bestaat slechts één juiste beschouwing van de dingen des levens en dat is de beschouwing, welke God ervan heeftquot;. De dingen en gebeurtenissen des levens te kunnen beschouwen als de eeuwige bestuurder der wereld, welk een rust moest dat over heur ziel brengen, welk een onverstoorbare vastheid tegenover de wankelingen van hart en liefde onzer medemenschen!

Zulke gedachten stegen op in Ruth, toen zij wederom ademde in de vreedzame nabijheid van Mater Maria.

Wel geleek het hart van Mater Maria op een hoogland des

185

-ocr page 192-

levens, waar op de toppen de blankheid van ongerepte sneeuw zich vereenigen kan met het zilveren licht van den hemel; dat van Ruth een laagland, met groote heerbanen waarop de gedachten wandelen, menigvuldig als het volk, als vrome pelgrims en bid-denden, als bestofte arbeiders en landbouwers, als blanke maagden, als smartbeladenen, die van begrafenissen komen, als jubelende feestvierenden en als gewapende strijders . . .

En nog verder moest zij wandelen, nog langer tijd moest zij pelgrimeeren, voor zij haar laatste einddoel bereikt had. Over vele hoogten en laagten heen leidden nog hare wegen.

Andere beproevingen, andere teleurstellingen wachtten op haar, die den beker van haar lot zoo moedig aan heure lippen bracht.

Mater Maria was er van overtuigd, dat Ruth den goeden weg bewandelde en ten slotte ook wel den waren opgang vinden zou... Zoo nam zij afscheid.

♦ *

*

Doch voordat Ruth scheep ging op een der snelle Lloydstoomers, bracht zij nog een bezoek aan het schoone Weenen.

Zij had een gevoel, alsof zij daar nog iets heerlijks, wat zij verloren had, moest terugzoeken.

Maar aangekomen in de mooie Donaustad, ondervond zij, welk een niet te vullen leegte vaak veroorzaakt wordt door den dood van een enkel mensch. Barones Elöny was voor Ruth zoo geheel en al de ziel van Weenen geweest, heur karakter had alles doortrokken met een geur van schoonheid en goedheid, zij had Ruth omringd met die wonderbaar-warme, teedere lucht, welke zoo\'n groote weldaad voor de Amerikaansche geweest was. Miss Waring vond thans Weenen alleen nog maar een schitterende stad met mooie, belangrijke gebouwen en kunstschatten, die men moest hebben gezien. Zij vond, dat alles meer verwilderd was, beslotener en zwijgzamer . ..

Ruth bracht geen bezoek aan het paleis der Elöny\'s. Zij was nimmer zeer intiem geweest met de jeugdige barones, zij wilde ook niet van baron Elöny hooren ; O, wat is u veranderd. En dan, zij wilde nooit meer spreken over Trottenburg. Niemand mocht haar nog ooit dien naam noemen. Zij zou hare jeugd begraven, — voor altoos.

Het was nu de eerste dag van November. Weenen vierde feestelijk zijn Zondag, zijn grootsch Allerheiligenfeest. Drommen menschen gingen als in optocht door de oude straten, bloemen dragend en kransen. De zon scheen vroolijk, alsof het lente werd...

186

-ocr page 193-

Ruth Waring wist wat die drukte beduiden moest.

Weenen vierde den vooravond van het Allerzielenfeest, dat zij hier reeds eens had meegemaakt. Toen leefde de oude barones nog.... Hadden zij samen niet den langen weg naar het kerkhof gewandeld en daar bloemen gebracht in de kapel der Elöny\'s, een mausoleum van meer dan een eeuw oud ?

Morgen zou zij ook gaan met de menigten mee en zich verschuilend achter haar zwarten sluier, een krans neerleggen op het graf dier beste vriendin, dier onvergetelijke vrouw, een krans van

hare lievelingsbloemen : magnolia\'s en witte iris....

* *

*

Allerzielen breekt aan.

In den cirkelgang der jaardagen krijgen ook de dooden hun beurt.

De vier getijden met hun wisseling van leven en kleuren zijn voor ons, die in de klimming of de daling van den aardschea weg mogen gaan — voor alle dooden is één dag, een dag met wegstervend loover en zwakke kleuren, met mat licht en kille lucht.

Allerzielen.

Zuiver en schoon glanst de idee van ons doodenfeest uit het woord, dat zoo\'n weemoedigen klank uitruischt voor den ge-voeligen mensch.

Naar de zielen gaan onze gedachten, onze gebeden, naar de zielen: het beste en heiligste onzer doode geliefden. Naar het leven, het van ons verwijderde, bijna-onbegrypelijke leven der dooden.

Het is hun dag, — gehéél.

Voor de levenden een opgang naar het meerdere, dat het mindere schijnt; voor de geloovigen eene vereeniging met het onzichtbare, dat nabij is: voor de twijfelaars een buiging voor het zekere, het absoluut-zekere, dat niet te ontkennen valt.

En voor onze dooden een dag, waarop hun namen weer worden genoemd in de gemeenschap: waarop hun daden weer worden herdacht; een dag, waarop voor hen meer dan ooit wordt gebeden: — een feestdag, waarop hun bloemen worden gebracht en kransen en lichten als een verjaringshulde....

Nu de dooden verjaren.....

Alles wijkt: de jonkheid, het leven, de lach, de wilde beweging der alledaagsche dingen, de bloemfestoenen der vreugde, de juichtonen der levenskracht, de symphonieën van den levenslust — en als de maan, die eenzaam, groot, zacht-lichtend komt schuiven uit

187

-ocr page 194-

donkere nachtwolken, zoo komt nu uit het verleden de herinnering aan.

Het mysterie, misschien wel: de tragedie des levens.

Nu de dooden verjaren, ziet ge in de eenzaamheid hun lichtende figuren terug.

De gelukkigen, die na een gouden jeugd stierven als in vroom gebed. De engelen, zij, die \'s levens schaduwzijden en leelijken zelfkant nog niet hadden gezien. De wijze maagden, wier lamp brandde, hoog en schoon, toen de Bruidegom kwam.

De anderen als strijders, gehelmd en geharnast, wetend van geen einde, het zwaard in de hand. Die een licht zagen in de verte hierbeneden, en het plotseling mochten aanschouwen hierboven het eeuwige.

En weer anderen — toch ook gelukkigen — die het leed gebogen had en het lijden verzwakt, die de ellende had geslagen en de wereldsche miserie gemarteld, die de schaduw had verkild en de lengte van den levensweg vermoeid, — en die heen gingen met een blijmoedig gelaat.

De bewonderden, wier namen voortleven van geslacht tot geslacht.

De eenvoudigen, aan wie in de groote wereld slechts een enkele meer denkt.

De geliefden, — o, de geliefden vooral, die ge na hun ver. scheiden zijt blijven beminnen. Om wier heengaan ge nog wel in stilte eens even weent, — nu de dooden verjaren....

Telken jare staat ge weer voor versche graven op den Aller, zielendag.

Het getal uwer dooden groeit, groeit. Als illusies ontvallen u de levenden, de vrienden, de bekenden. Ge wandelt in eenzelfden kring als de Dood. Het Leven brengt u telkens nieuwe gezellen, een ruimen kring rondom u, — de Dood gaat er doorheen als de hovenier, die uit zijn bloementuinen plukt wat hem lijkt. Het Leven plant, de Dood plukt. — Plukt kostbaarders soms, neen : vaak, dan \'t Leven u nog planten kan.

En op den grooten doodendag overziet ge uw verliezen, •— of dan de Novemberzon nog met zachte veegjes \'acht de graven streelt, of de mist de welkende blaren der kransen verkilt, of de kou de rozen en chrysanten uwer ruikers verrimpelt, of de regen weenend neerdrupt op de klamme aarde, of dc wind een gedempte marche funèbre suist door de ritselende, neervlincerende loovers...

Naar de zielen gaan uw gedachten, nu de dooden verjaren, en naar de graven, die ge kent en naar de kerkhoven, die ge ooit gezien hebt.

188

-ocr page 195-

Naar de zielen en de graven die ge kent....

nquot; Wondere weemoed van dezen dag van biddende liefde. Wondere huivering van leed en herinnering en hoop, die op den Aller-zielendag siddert over de wereld, siddert door de zielen der levenden, die staan voor het mysterie; Dood.

? Het is de geschiedenis van geslachten en geslachten, die op de zerken geschreven staat. De kleinen met kleine inscripties. De ^ groeienden met mooiere zerken. De groeten met grafkelders en soms — indien hun familie den eenvoud miste, die haar had groot ïn gemaakt — soms met luidklinkende fanfares op marmer en hard-t€ steen....

1\' De kerkhoven van Europa vandaag . ..

In het Noorden, zoo stil meestal en zoo verheugend-eenvoudig e\' de kerkhoven, waar berkjes en treurwilgjes groeien boven de zerken, en bronzen eikenloof met purperen erica ligt samenge-^ strengeld in de Novemberdagen. Hier en daar branden lichtjes :e boven de graven, hangt in den avondnevel een rose gloed trillend

over den doodenakker.

ot In de Romaansche landen, hoe lager ge komt, de groote mon-. daine vereering, de parade van rouwtoiletten, de drentelbeweging der groote straten voor een dag naar de kerkhoflanen verlegd, de weelde der bloemenpaleizen, de rijkdom der eikenloovers en f\' sparretakken als plotseling neergeworpen op de zerken, zoodat

I inscripties en kruisen en al schuil gaan onder de vrachten groen

en bouquetten en de lucht vol hangt van de prikkelende geuren r\' Uer najaarsgewassen.

; Jn de Germaansche landen de vereering, die haar religieus 15 karakter nog niet geheel verloren heeft. De stille, zwijgende op-\'n tocht der menigten naar de graven; de bloemenslingers, hangend °\'ppan trams en rijtuigen; de rouwfloersen, waartusschen de mist e parels gehecht heeft, die schitteren in het kaarslicht; de brandende : ; lantarentjes, die in grillige lijnen hangen gespannen van zerk tot \' zerk als een reeks trillende guirlanden van vlammetjes: de groot-sche illuminatie der Todesfeier.

De vereering moge verschillen, de poëzie is overal dezelfde. Veelvormig is het leven, de dood is overal gelijk. En overal hoort ge uit de gebeden, de gesprekken der levenden dezelfde wijs: het ^ groote verlangen naar hereeniging met hen, die heen gingen.

O, dat verlangen naar hereeniging, naar den opgang tot het *quot; heiligdom, waar al zielen schitteren! O dat verlangen naar het eeuwige leven, dat door de luchten zingt op den toon der luiende

II kerkeklokken! ... Gij ziet de hereeniging, het groote leven, .—■

I

189

-ocr page 196-

als een apocalyptisch visioen, licht en luisterrijk — nu de doodtg verjaren....

* *

*

„Hij is gehoorzaam geworden tot den dood, ja tot den doo des kruisesquot;.

Ruth Waring herkende die woorden.

En zij zag, in marmer gehouwen, het gelaat, de schoone flguu van barones Elöny, rustend op een marmeren praalbed, de han den gevouwen, heur kleed met leliën en rozen overstrooid.. .

Zij boog zich neer, zij knielde en bad.

Denzelfden middag vond dokter Elöny bij het graf zijner moede den krans en een kaartje.

Ruth Waring — die naam deed hem denken aan een onver getelijke gestalte.

Een jeugdige vrouw met het zuivere, fiere en vrije gelaat eener Grieksche zegegodin, een belichaming van ongerepte jeugd et kracht, iets zeer volkomen schoons, dat men zich zijn leven lan( gaarne herinnert, omdat het een geluk is, zóó iemand te ont moeten ....

Ik had deze vrouw gaarne, zeer gaarne wedergezien, dacht baroi Elöny. Maar het mooie in dit leven herhaalt zich niet — neen het mooie herhaalt zich niet.

Hij boog zich een weinig en schoof het kleine kaartje met den naam Ruth Waring tusschen de lichtgevouwen marmeren handenj van het beeld zijner moeder.

Dat zou hij met het kaartje van geen enkel ander mensch hebben gedaan . . .

190

-ocr page 197-

AANTEEKENING.

Voor de beschrijving der overweging op Goeden Vrijdag (blz. 165—166) en voor die der viering van het Allerzielen-feest (blz. 187—190) is alleen de Nederlandsche bewerker van dit boek verantwoordelijk.

-ocr page 198-

Bij L. J. VEEN te AMSTERDAM verscheen verder:

Melati van Kroon

Melati van Melati van Melati van Melati van Melati van Melati van Melati van Melati van Melati van Melati van

Java, Koninginnen met en zonder

Dochter

Java, In eigen Huishouding . . Java, Het viooltje van St. Germain Java, Het Boschmeisje ....

Java, Eigen Schuld.....

Java, Michael de Zanger. . .

Java, Toch één Java, In Extremis Java, Orchidée . Java, Twee . . Java, Een eenige

f

3.90

tt

4.90

f 1.90

tt

2.90

„ 1.90

tt

2.90

1.90

2.90

1.75

tt

2.50

1.75

tt

2.50

.. 1.75

tt

2.50

„ 1.75

tt

2.50

,. 1.75

tt

2.50

„ 1.75

tt

2.50


CAESAR GEZELLE.

Voor onze misprezen moedertaal.

Een pleidooi voor het behoud van de zuivere Vlaamsche taal. Prijs f 2.25 ingen.; f 2.90 geb.

Een nieuwe bundel gedichten

Herbloei*

Prijs f 1.90 ingen.. f2.50 geb.

Guido Gezelle, zijn leven en werken, Met tal van platen. Prijs f 3.90 ingenaaid ; f 4,90 geb.

De Dood van Yper. Prijs f 4.90 gebonden.

Pietje Wardamme, Prijs f 1.90 gebonden.

Max van Ravestein, Stofgoud............f 4.50

Max van Ravestein, Drijfzand......f 3.50 „ 4.50

Max van Ravestein, Aan d\'Overkant. . . . „ 3.50 „ 4.50

Max van Ravestein, Bij ons . . . ......3.50 .. 4.50

Max van Ravestein, Poverella........3.50 „ 4.50

-ocr page 199-
-ocr page 200-
-ocr page 201-