-ocr page 1-
-ocr page 2-

GUNNING

3 M

30

mrm

lumTESK^FEm ÜÜHSHf SP

-ocr page 3-
-ocr page 4-

DE C

———

-ocr page 5-

DE CHRISTEN EN ZIJN GOD.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

DOOR

J. V. A. NO TT EN

Predikant te Rotterdam.

ROTTERDAM

J. M. B R E D É E.

QV

G

BIBLIOTHEEK DER RUKSUNIVERSIT £17 UTRECHT.

-ocr page 8-

Snelpersdrukkerij — G. F. Callenbach Nijkerk.

-ocr page 9-

VOORWOORD.

Deze opstellen zijn niet allen van den laatsten tijd. „Petrus op zeequot; is eene vrije vertaling van eene Duitsohe preek. „De Heere ons deelquot; is weinig meer dan de vertaling van eene Duitsche preekschets.

Dat een enkele maal de tekst slechts als motto dienst doet merkt men dadelijk op.

Den lezer heil!

\'N o T T E N.

Eotterdam, 26 Juni 1885.

-ocr page 10-
-ocr page 11-

1

INHOUD.

BI adz.

I. De Zon der gerechtigheid (Mal. 4:2). . . 1

II. Petrus op zee (Matth. 14 : 22—33) ..... 18

III. Het opschrift boven het kruis (Joh. 19 • 19) ... 26

IV. Christus niet gespaard (Rom. 8 : 32).....36

V. Het ingaan des Hoogepriesters (Hebr. 9 ; 12«) ... 41

VI. Zonder den Heiligen Geest geen deel aan Christus (Rom. 8 : 90) 44

VII. De Christelijke hoop (1 Petr. 1 : 3—4).....52

VIII. De hoogste wetenschap (2 Cor. 5:1). . . . . 69

IX. Niet in het aardsche (Luk. 12 : 153).....83

X. Van gierigheid verlost (Ps. 119 : 363).....87

XI. Het vrijwillig volk (Hoogl. 6 ; 123).....92

XII. Honig uit de steenrots (Deut. 32 : 133).....102

XIII. Uit trouw verdrukt (Ps. 119 ; 71)......106

XIV. De noodzakelijkheid des geloofs in donkere dagen (Mark. 11 : 22) 109 XV. Eene liefelijke vergunning (1 Petr. 5 : 7a) . . .112

XVI. De weg tot gebedsverhooring aangewezen (Matth. 18 ; 19) . 119

I

-ocr page 12-

Bladz.

XVII. De Keere ons deel (Klaagl. 3 : 24ö).....128

XVIII. Vrijgekocht (1 Cor. 7 : 23) . ......126

XIX. Jezus — onze Vriend (Hoogl. 5 : 165).....129

XX. Niet af te malen (Coll. 1 : 15«)......133

XXI. De Heere verhoort het gebed van het bang gemoed (Ps. 18:7) 138

XXII. Waar onze kracht ligt (Ps. 84 : 6«).....155

XXIII. Eene vraag, die beschamen moet (Jac. 4:1) . 159

XXIV. Hoe staat het met ons geloof? (Joh. 9 : 353) . . 168 XXV. Het Qodverheerlijkend zingen (Coll. 3 ; 133) . . .185

XXVI. Straks (Joh. 14 : 2 en 3) .....201

-ocr page 13-

DE ZON DER GERECHTIGHEID.

„Ulieden daarentegen, t!ie Mijnen Naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaam,quot;

Maleachi 4 : 2.

Maleachi, de laatste profeet des Ouden Testaments, bekleedde zijne bediening 120 jaren na den terugkeer der Joden uit de Babylonische ballingschap en 420 jaren vóór de geboorte van Christus. Wel was bij den dood van Nehemia, den man des gebeds, de Tempel herbouwd, wel luikte Jeruzalem in nieuwen bloei op, wel behield het volk den uitwendigen godsdienst, maar ach, de schijn verdrong het wezen: onder het masker der vroomheid werd goddeloosheid gepleegd, en huichelachtig vertoon ging voor „waarheid in het binnenstequot; door. Daarom zond Jehova in Zijne onveranderlijke trouw hun Maleachi, den profeet, om hen tot bekeering te roepen en tot oprechtheid te vermanen.

Dit boek is in 4 hoofdstukken, die 2 afdeelingen bevatten, verdeeld. In de eerste afdeeling wordt over de goddeloosheid der priesters en des volks geklaagd; in de tweede wordt de komst van Christus voorspeld, alsmede die van Zijn Voorlooper Johannes den dooper, die toegerust met den geest des geloofs en den heldenmoed van Elia, den Heer den weg bereiden zou. In dit vierde hoofdstuk is in de eerste twee verzen profetie van den ondergang der Godvergetenden, maar vertroosting van de Godvreezenden met de komst van den Messias. Immers de komst, de regeering van den Christus zou dengenen, die Hem niet wilden gehoorzamen tot vernieling, maar den geloovigen tot zaligheid zijn.

-ocr page 14-

2

„Ulieden daarentegen, die Mijnen Naam vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan.quot; Door Gods Naam wordt niet altijd hetzelfde bedoeld. Het wezen Gods wordt soms zijn „Naamquot; genoemd; God te vreezen, en Zijn Naam te vreezen, is dikwerf hetzelfde; Deut. 28 ; 58 „om te vreezen dezen heerlijken en vreeselijken Naam, den Heere, uwen „Godquot;. Ook eigen namen, waaronder „Jehovaquot; uitblinkt; Hozea 12 : 6 „Heere is Zijn gedenknaam.quot; Voorts die eeretitelen, die met verheffing en verheerlijking aan God worden toegeschreven; Deut. 10 : 17 „want de Heere, uw God is een God der goden, en een Heer der heeren; die .groots, die machtige, en die vreeselijke God, die geen aangezicht aanneemt, noch geschenk ontvangt, die het recht der weduwen en der weezen doet.quot; Ook Gods vol-maakihedamp;n, eigenschappen, deugden, of heerlijkheden; Exodus 34 ; 6 „barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid.quot; Of Gods werken, Ps. 8 ; 2 „O Heere, onze Heere! hoe heerlijk is Uw Naam op de gansche aarde.quot; Ook de leer des Evangelies of Gods woord: Hand. 9 vs. 15 „deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijnen Naam te dragen voor de Heidenen, en de Koningen en de kinderen Israels.quot; Eindelijk de v,are dienst van God, onze redelijke Godsdienst; Micha 4 : 5 „wij zullen wandelen in den Naam des Heeren; onzes Gods, eeuwiglijk en altoos;quot; Hand. 2 : 21 „het zal zijn, dat een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.quot;

„Ulieden, die Mijnen Naam vreest,quot; dat is dus, die Mij vreest en dit toont door eerbied voor en liefde tot al hetgeen Mij kenbaar maakt en verheerlijkt. Wie zijn ze, die des Heeren Naam vreezen? Wat is het des, Heeren-Naam te vreezen?

Er is eene slaafsche vrees. Groot is het onderscheid tusschen de Godvreezenden en de bevreesden voor God. De eersten vluchten tot God, de anderen vluchten van God. De slaafsche vrees kennen de duivelen: „zij gelooven, dat er een eenig God is, en zij sidderen.quot; Zij vreezen God en nochtans haten zij Hem. Zij vreezen Zijne macht, en het toekomend oordeel van den Jongsten dag, waarop hun lot verzwaard zal worden en zij hunne straf ontvangen zullen voor het bestrijden van den Christus en het kwellen van Zijn volk.

Deze vrees wordt terecht eene slaafsche genoemd. Zij is in min of meerdere mate eigen aan alle onbekeerden. Toen God den gevallen Adam, die vruchteloos achter boomgewas en struweel eene schuilplaats zocht, ter verantwoording riep, sprak hij: „Ik vreesde.quot; Die vrees dreef Kain voort met het: „mijne misdaad is grooter, dan dat zij vergeven worde.quot; Die vrees

-ocr page 15-

deed Achab zijne kleederen scheuren en zich met een zak bedekken. Die vrees deed de huichelaren te Jeruzalem vreezen en beven, zeggende: „wie is er onder ons, die bij een verterend;, vuur wonen kan, of wie is er onder ons, die bij een eeuwigen gloed wonen kan?quot; Die vrees deed den man van Kariott wanhopend de zilverlingen in den tempel werpen, zeggende: „ik heb gezondigd, verradende onschuldig bloed.quot;

Die vrees, geboren uit de aanklacht van het geweten, uit de gedachte aan het naderend sterven, uit de overtuiging, dat het leven hier in verband staat met het leven ginds, uit de

fedachte aan het oordeel, dat over allen zal gaan, deze vrees, ie angst en benauwdheid aanbrengt, maar geene vernedering voor God, geene behoefte aan redding en verlossing uit den nood, maakt niemand zalig, zal in de stervensureedachte aan het oordeel, dat over allen zal gaan, deze vrees, ie angst en benauwdheid aanbrengt, maar geene vernedering voor God, geene behoefte aan redding en verlossing uit den nood, maakt niemand zalig, zal in de stervensure of althans in de ure des gerichts, het hevigst zijn. Zij houdt evenwel soms den mensch van veel kwaad terug, en is voor sommigen de eerste aanleiding tot de keuze, die nooit berouwt. Zij wordt in den tekst niet bedoeld.

Er is eene Tcinderlijlce vreeze. Van haar is hier sprake. Zij is kenmerk van genade, vruch des Heiligen Geestes, en woont in het hart, dat zijne vijandschap tegen God leerde afleggen. Zij is geboren uit de rechte kennis van God; van Hem, den Eeuwige, Die nooit geboren werd en nimmer ten grave zal dalen. Die geen verleden en geene toekomst kent, maar als de groote „ik benquot; in een onvergankelijk „hedenquot; leeft; Die „de Oude van dagenquot; kan heeten, maar Wiens oog nimmer verduistert, en Wiens oor nimmer zwaar wordt om te verstaan; van Hem, den Onafhankelijke, Die niemand behoeft, maar in allen alles wil zijn; van Hem, den Onveranderlijke, Die blijft, wat Hij is, doet, wat Hij wil; van Hem, den Heilige, Wien de hemelgeesten toezingen ; „Heilig, heilig, heilig is de Heere der heirscharen,quot; en van Wien de Schrift verzekert, dat heiligheid eeuw in eeuw uit het sieraad van Zijn huis is en de eere, en dat de gloed der zon uitgebluscht, maar de

tlans Zijner heiligheid niet verminderd worden kan; van Hem, en Bechtvaardige, Die als de Waarachtige zich handhaven wil in de bevestiging Zijner beloften, in de vervulling Zijner bedreigingen; van Hem, den Wijze, Wiens oogen niet slechts de gansche aarde doorloopen. Die niet slechts in de duisternis leest en de Getuige der verborgene uren is, maar Die ook nimmer feilt in Zijne keuze, waar Hij zich van de beste middelen wil bedienen, om het heerlijkst einde te verkrijgen; van Hem, den Liefderijke, Die barmhartigheid aan ellendigen bewijst, pnwaardigen Zijne genade schenkt, Zijne lankmoedigheidlans Zijner heiligheid niet verminderd worden kan; van Hem, en Bechtvaardige, Die als de Waarachtige zich handhaven wil in de bevestiging Zijner beloften, in de vervulling Zijner bedreigingen; van Hem, den Wijze, Wiens oogen niet slechts de gansche aarde doorloopen. Die niet slechts in de duisternis leest en de Getuige der verborgene uren is, maar Die ook nimmer feilt in Zijne keuze, waar Hij zich van de beste middelen wil bedienen, om het heerlijkst einde te verkrijgen; van Hem, den Liefderijke, Die barmhartigheid aan ellendigen bewijst, pnwaardigen Zijne genade schenkt, Zijne lankmoedigheid

tl

-ocr page 16-

in wederlioorigen verheerlijkt, en in al die straalbrekingen van dat ééne groote licht; „liefdequot; zich kenbaar maakt als den God des eeds en des verbonds; van Hem,- den Allerhoogste, den Heere, aan Wien niemand gelijk is. Wiens grootheid is eene éénige grootheid, Wiens heerschappij over alles gaat; Die het eerste woord sprak en van Wiens lippen het laatste woord vloeien zal, door Wiens hand alles werd gemaakt, wat bestaat, en voor Wiens blik straks hemel en aarde zullen vlieden, op Wiens woord de aarde gegrond en de lucht met sterren bezaaid werd, en de schepping nu eens praalt als eene maagd in bruidsgewaad en dan weder in rust schijnt gezonken, met het kleed des doods bedekt, voor Wien de duivelen sidderen, op wiens wenk zich de engelen haasten, aan Wien het zonnestofje en het zonnestelsel, de koning der woestijnen en de duif, die zich in de kloven der steenrots verbergt, de slang, die door de bosschen schuifelt en de worm, die op het voetpad vertreden wordt en vaak duizend dooden sterft, de vuurvlam en de wit-

fekuifde golf, de forsche wouden en de onmetelijke oceanen, e rollende donder en de helle bliksem, de ootmoedige bidder en de verloste in het land der dankzeggingen, de hardnekkige zondaar en de rampzalige in de donkere verblijven, aan Wien ekuifde golf, de forsche wouden en de onmetelijke oceanen, e rollende donder en de helle bliksem, de ootmoedige bidder en de verloste in het land der dankzeggingen, de hardnekkige zondaar en de rampzalige in de donkere verblijven, aan Wien alles, alles onderworpen is; van Hem, den Algenoegzame, in Wiens gemeenschap leven en vrede, maar buiten Wien armoede en ledigheid, dood en duisternis is.

Er is geene vreeze Gods in het hart, dat van de ware kennis van God is vervreemd. Nochtans wordt er tot de vreeze Gods juist geene groote mate van verstandsbeschaving vereischt. Veel kennis in het hoofd waarborgt geenszins de nederigheid van het hart. Men zou de belijdenis der waarheid kunnen verdedi-

fen met ijver en talent, men zou in dat opzicht tot jaloersch-eid kunnen wekken en diep beschamen en toch vervreemd zijn van de gestalte der Godvreezenden. De Godsvrucht is eene heilige vreeze, waardoor de wedergeborene God ootmoedig ontziet, naar Zijne bevelen vraagt, tegen de zonde waakt en op de ervaring van Gods Vaderlijke liefde boven alles is gesteld. De vreeze Gods is eene dochter van d» liefde tot God. Zijen met ijver en talent, men zou in dat opzicht tot jaloersch-eid kunnen wekken en diep beschamen en toch vervreemd zijn van de gestalte der Godvreezenden. De Godsvrucht is eene heilige vreeze, waardoor de wedergeborene God ootmoedig ontziet, naar Zijne bevelen vraagt, tegen de zonde waakt en op de ervaring van Gods Vaderlijke liefde boven alles is gesteld. De vreeze Gods is eene dochter van d» liefde tot God. Zij

eaat gepaard met eerbied voor Gods heiligheid, blijdschap over ■ods barmhartigheid, verwondering over Gods wijsheid, ontzag voor Gods hoogheid, ingenomenheid met Gods bevelen. Die God vreest, zegt; „Wie zou U niet vreezen, gij Koning der Heidenen, want het komt U toe?quot; En wederom; „Ik heb lust om Uwen Naam te vreezen.quot; En wederom: „Vereenig mijn hart tot de vreeze van Uwen Naam!quot;aat gepaard met eerbied voor Gods heiligheid, blijdschap over ■ods barmhartigheid, verwondering over Gods wijsheid, ontzag voor Gods hoogheid, ingenomenheid met Gods bevelen. Die God vreest, zegt; „Wie zou U niet vreezen, gij Koning der Heidenen, want het komt U toe?quot; En wederom; „Ik heb lust om Uwen Naam te vreezen.quot; En wederom: „Vereenig mijn hart tot de vreeze van Uwen Naam!quot;

Gelijk de boom uit zijn wortel, zoo wast de vreeze Gods uit

-ocr page 17-

5

de liefde. Hoe hartelijker de liefde tot God is, hoe kinderlijker de vreeze zijn zal, dat men iets doen zal, wat Hem beleedigen zou. De wet kan het hart doen beven en vrees voor haren vloek kan den zondaar in zijn zondelust beteugelen, maar het Evangelie geeft, wat de wet eischt: liefde. De kinderlijke vreeze smelt met de kennis des Evangelies samen. Wanneer de God en Vader aller barmhartigheid openbaart, dat „Christus is het einde der wet tot rechtvaardigheid van een iegelijk, die gelooftquot;; dat „Hij geworden is onder de wet, opdat Hij degenen, die onder de wet waren, verlossen zou, en wij de aanneming tot kinderen zouden verkrijgenquot;, dan wordt de verschrikte en bedroefde ziel niet slechts krachtig getroost, maar zij laat alle vreeze varen, gelijk het kind, dat de stem des vaders hoort, de handdruk des vaders voelt, in het hart des vaders leest. Den dienst Gods noemt zij een liefdedienst. Naarmate de knie dieper voor Gods genadetroon is gebogen, is de voet vlugger op het pad der gehoorzaamheid. De vreeze Gods weet van geen slavernij; haar dienen is heerschen. Zij dient een goedertieren Heer. Zij is uit het geloof geboren en wordt door het geloof gevoed. Zij ontstaat bij de ontdekking des Geestes aan geestelijke armoede, en wast, naarmate wij arm van geest worden. Zij spreekt zich uit in het verborgen in ootmoedige gebeden; in het openbaar in een Godzaligen wandel.

Die God vreest, heeft behoefte aan het gebed. De mate van zijne Godsvrucht wordt door de mate van zijn biddend leven bepaald. Die God vreest, wenscht in handel en wandel den getuige, den leesbaren brief van zijne verbintenis aan Hem te zijn. Hij heeft God lief om hetgeen Hij is, zoowel als om hetgeen Hij geeft. Hij haat de zonde, niet slechts om hare gevolgen, maar om haar karakter; niet slechts enkele zonden, maar alle zonden staat hij tegen. Hij zegt met Paulus „de zonde is mij de dood geworden.quot; Zij is hem eene „plaag des harten.quot; Al blijft zij hier leven in hem, hij leeft in haar\' niet meer. Willekeur . is van den troon des harten gestooten. Gods wet is op den troon verheven. Uit de macht der onbeteugelde zelfzucht verlost, is het: „Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zalquot;, de bede van zijn ziel, de bede van zijn leven. Neen, hij is niet volmaakt in zich zelf. Dat was niemand der Godvreezenden. Integendeel. Hoor hunne belijdenis. Zie hunne beschaamdheid voor God. Sla hunne levensgeschiedenis op. Noach onbedachtzaam. Abraham kleingeloovig, Mozes ongeduldig, Elias moedeloos, David bevlekt, Petrus door menschenvrees aangegrepen . . . doch waartoe meer? De Godvreezenden zeggen met Paulus; „Ik weet, dat in mij, dat is in mijn vleesch, geen goed woont.quot; De zonde in

-ocr page 18-

6

hen, des Satans listen en \'s werelds verleiding trekken hen af. Het prachtigste rozeblad heeft vlekken en de meest begenadigde vindt dagelijks stof voor de bede: „Treed niet in \'t gericht met Uwen knechtquot;! Hij verstaat gedurig beter het woord: „Gij o schapen, Mijner weide, gij zijt menscnen, maar Ik ben uw God!quot; En naarmate hij het verstaat, openbaart zich bij hem het levend werkzaam beginsel der liefde; de liefde, niet eene voorbijgaande aandoening, een vluchtig gevoel, maar eene kracht; de liefde, waardoor hij -begeert steeds meer in Gods gemeenschap te leven, steeds duidelijker Gods beeld te dragen, steeds trouwer Gods wil te betrachten. Kennis, liefde, gehoorzaamheid gaan hand aan hand. Naarmate de kennis van God volkome-ner is, zal de liefde tot God sterker, de gehoorzaamheid aan God rijker zijn! O, gezegend land, daar boven de wolken, waar het volmaakte zal zijn gekomen!

De Godvreezenden hebben liefde tot elkander. De Moabiti-sche zeide tot hare schoonmoeder: „Uw volk is mijn volk.quot; David noemde zich „een metgezel van allen, die den Heere vreezen.quot; Obadja zeide tot den profeet, dat hij „den Heere gevreesd had van jongs afquot;, en het bewijs, daarvan gegeven, was, dat hij honderd vervolgde dienaren van den God Israels „in eene spelonk had verborgen, en die allen met spijze en drank had onderhouden.quot; Die God vreezen, hebben elkander lief, omdat zij God liefhebben. Zij zijn uit God geboren. Zij zijn broeders, „heilige broeders, die eene hemelsche roeping deelachtig zijn.quot; Zij vormen een volk. Zij zijn veleu in getale en verspreid over de gansche aarde. Zij zijn van elkander onderscheiden in eenige opzichten, doch bij die verscheidenheid wordt eene treffende éénheid bespeurd. Op ieder gebied heerscht de wet der verscheidenheid en die der eenstemmigheid. Zoo ook hier. Niet al de boomen zijn gelijk aan den trotschen, breedgetakten eik en niet iedere vogel heeft de kracht van den forsch gespierden adelaar. Niet al de leden van het geestelijk lichaam hebben dezelfde gaven; niet al de strijders van het geestelijk rijk hebben dezelfde geoefendheid, en toch zijn ook die verschillende leden, die verschillende kinderen, die verschillende krijgers noodig om het lichaam, het. huisgezin, het leger te vormen, en de een kan zoomin tegen den anderen zeggen: „ik heb u niet noodig,quot; als het oog die taal tegen de hand zou kunnen voeren. Zij vreezen samen God. Zij hebben één Koning en beminnen ééne wet. Eéne wapenrusting is allen gegeven. Éene ervaring doen zij op. Één doel hebben zij voor oogen. Ééne kracht houdt hen staande.. Ééne spijze is hun deel. Één drank biedt hun lafenis. In de gemeenschap met

-ocr page 19-

denzelfden God, in denzelfden Christus, door denzelfden Geest, vinden allen rust. Zij verstaan elkanders klagen en roemen, vragen en kopen,

Waarlijk, als wij gaarne de godvreezenden drukken, kunne gebreken openbaren, onverschillig omtrent hunne belangen hunne gemeenschap schuwen, niet leerden weenen, als zij schreien, of deelen in hunne vreugde; als ons hart meer tot de wereld gekeerd, de band der hemelsche maagschap niet kent, wij be-hooren tot het geslacht der Godvreezenden niet.

De Godvreezenden hebben de eer des Heeren lief. God te verheerlijken is de heerschende keuze hunner ziel. Zij zingen gaarne: „Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangenquot;! en hebben het: „mag Uw Naam maar eer ontvangenquot;! geschreven op den bodem van hun hart. Daarom durven zij getuigen en handelen, kunnen zij lijden en strijden.

„Die Mij eeren, zal Ik eeren,quot; spreekt God, en daarom liet Hij Juda\'s Godvreezenden tot troost en bemoediging de liefelijke belofte hooren: „ülieden, die Mijnen Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan.quot;

Den tijd der vervulling dezer belofte zou docr hen niet worden beleefd. Toch zou de vervulling niet achterwege blijven. Eens zou het voor heel de wereld blijken, hoe groot het onderscheid is, tusschen de rechtvaardigen en de goddeloozen, tusschen dien, die God dient, en dien, die Hem niet dient. De Zon der gerechtigheid zou den godvreezenden opgaan. Dat wij hier aan Christus te denken hebben, behoeft geen betoog. Deze wordt met recht eene Zon geheeten, niet alleen als de waarachtige God, de Bron en Oorzaak van alle waarachtig licht, maar vooral als de Middelaar Gods en dermenschen. Heerlijk beeld! Christus eene Zon! Wat de natuurlijke zon is, weet ieder: het licht door God gesteld tot heerschappij des daags. Bij deze zon wordt Christus vergeleken. Bileam, de vloek- en leugenprofeet, maar toch „hoorder der redenen Godsquot; noemde Hem: „eene Ster, die uit Jakob zoude uitgaan.quot; Elders heet Hij: „de Opgang uit de hoogte,quot; „de blinkende Morgensterquot; en in eene der psalmen wordt Hij als in den tekst „eene Zonquot; genaamd. Treffend is de overeenkomst. De Zon is het schoonste hemellichaam. Eéne Zon beschijnt het Noorden en Zuiden, het Oosten en Westen. Christus is éenig aan den genadehemel. De zaligheid is in geenen anderen. Hij is allerwege de Weg ten leven. Hij is het Sieraad Zijner kerk, de Schoonste onder de men-schenkinderen. Hetzij de geloovige staart op Zijne Goddelijke heerlijkheid. Zijne heilige menschheid, of Zijne onbegrijpelijke Godmenschheid, op Zijn profetische, priesterlijke of koninklijke

-ocr page 20-

8

bediening, op Zijne diepe vernedering of weêrgalooze verhooging, altijd onderschrijft hij het woord; „Al wat aan Hem is, is gansch begeerlijk!quot;

De zon verlicht. Zonder haar ware deze aarde een akelige kerker. De Zaligmaker heeft van Zich Zeiven getuigd; „Ik ben het Licht der wereld.quot; Hij noemt ook wel Zijne discipelen het licht der wereld, maar deze waren het niet in zich zeiven, maar alleen, omdat zij het van Hem en den H. Geest ontvingen en dat alzoo verkregen licht der wereld toonden. Zij zijn gelijk aan de maan, die, hoewel in haar zelve een duister lichaam, van de zon haar licht ontvangt en dit ontvangene licht in den nacht der wereld geeft. Jezus is in geestelijken zin, de Bron van het licht gelijk de zon in de natuur. Het beeld is eigenaardig. Verbeeld u, dat God de zon van ons weg nam, en zij de aarde niet meer bestraalde; de aarde zou eene ijskorst worden en niets zou er uit voortkomen tot voeding van menschen en dieren; wij zouden in duisternis nederzitten, van koude verstijven en weldra sterven. Denk een hart zonder Christus. Ach, de mensch moge het licht van ware kennis, troost, heiligheid en zaligheid bij zich zeiven, bij de schepselen zoeken, jammerlijke teleurstelling zal het loon zijn van zijn afgodisch streven; hij zoekt maar vindt niet; hij tast in de duisternis rond en wordt van de eene dwaling in de andere gestort. Christus verlicht het hart door Zijn woord en Geest. Hij brengt tot kennis der waarheid. Hij doet or s God kennen. Hij laat licht opgaan over de donkere diepten van ons hart, over de zondigheid van ons leven, over den weg des behouds. Maar niet slechts verspreidt Hij het licht der hemelsche waarheid, die naar de Godzaligheid is, onder van God afgevallene en daardoor onder duisternis, zonde en vloek liggende stervelin-

fen, maar Hij herschept, verwarmt, heiligt, troost hunne harten; [ij maakt ze vruchtbaar in geloof, hoop en liefde; Hij deelt hun de uitnemendste geestelijke zegeningen mede; in de gemeenschap met Hem verdorren de distelen der zonde en worden de doornen der ongerechtigheid geknakt. Door Zijn licht wordt het hart met onuitsprekelijke vreugde vervuld en de reize naar het Vaderland voortgezet met opgewektheid en moed. Niet onafgebroken werpt de zon hare stralen; soms is de hemel als met een rouwfloers overdekt; dikwerf is de lacht dagen achtereen bewolkt en vertoont zich de zon schier geen oogenblik aan het benevelde uitspansel. Dan is het droef op aarde en doodsch omhoog. Des nachts heeft de duisternis hare vale vlerken over de aarde uitgespreid. Dan gaat het roofgedierte uit, loerende op buit. Maar hoe lieflijk vertoont zich de schepping; als deen, maar Hij herschept, verwarmt, heiligt, troost hunne harten; [ij maakt ze vruchtbaar in geloof, hoop en liefde; Hij deelt hun de uitnemendste geestelijke zegeningen mede; in de gemeenschap met Hem verdorren de distelen der zonde en worden de doornen der ongerechtigheid geknakt. Door Zijn licht wordt het hart met onuitsprekelijke vreugde vervuld en de reize naar het Vaderland voortgezet met opgewektheid en moed. Niet onafgebroken werpt de zon hare stralen; soms is de hemel als met een rouwfloers overdekt; dikwerf is de lacht dagen achtereen bewolkt en vertoont zich de zon schier geen oogenblik aan het benevelde uitspansel. Dan is het droef op aarde en doodsch omhoog. Des nachts heeft de duisternis hare vale vlerken over de aarde uitgespreid. Dan gaat het roofgedierte uit, loerende op buit. Maar hoe lieflijk vertoont zich de schepping; als de

-ocr page 21-

9

I

)o- zon hare stralen door de nevelen doet dringen; de vogelen is, heffen een loflied aan, de runderen huppelen in de weide; over graanhalmen en boomblad, grasspriet en bloemknop ligt nieuwe ge glans en geheel de natuur schijnt te herleven. Hoe bekoorlijk ien ook is de ochtendure, wanneer de nevelen hebben plaats gelet . maakt voor den purperdos en de opgaande zon hare eerste jn, stralen werpt over akkers en meren. Wel ongevoelig moet hij in- heeten, die een schoonen morgenstond zonder verrukking aan-ijn schouwen kan, en wel ongeloovig, die bij dien aanblik niet ter onwillekeurig instemt met den toon van Davids lied : „ Heere, me onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam over de gansche aarde!quot; een Het is niet anders op geestelijk gebied. Gelijk de natuurlijke Iet zon zich soms aan ons onttrekt, gelijk wij ons aan haar licht reg onttrekken kunnen, zoo ook verschansen wij ons soms achter 3ne de muren onzer zonden en dwalingen, onzer twijfelingen en ing redeneeringen, in stede van ons te koesteren in de stralen van jen, het Licht der wereld. Ook trekt de Heere om wijze, heilige, der liefderijke redenen, soms eene wijle Zijn vertroostend licht in. nis. Dan doet Hij ons den nacht der schijnbare verlatenheid door-ilen leven. Hoe droevig is dan de toestand. Maar wie schetst de zijn vreugde en den vrede der ziel, die haren Heiland vindt? O, de er mogen soms wolken, ondoordringbare wolken tusschen Jezus [ere en de ziel zijn, soms moge het oog der ziel beneveld zijn, zoodat est. het schijnt, alsof Hij is heengegaan. Hij breekt door het donkere len. heên, vaagt de nevelen weg, verheldert den blik, en gelijk het art, onuitsprekelijk wèl is in de natuur, als de lieflijke regenboog ads. schittert na stortregen en donderslagen, of als de lentezon hare lar- koesterende stralen werpt na een donkeren dag, waarop de lene lucht met stormen was bezwangerd, is het wèl in het harte, ïlin- dat bij vernieuwing des Heeren heerlijkheid mocht aanschouwen, ten; Christus is heerlijker Zon dan de zon der natuur. De zon der Leelt natuur gaat op en onder; Christus gaat niet onder ; eenmaal

J;e- opgegaan, blijft Hij schijnen. De zon der natuur schijnt op ons;

en Christus schijnt in ons. De zon der natuur schijnt alleen des

ordt daags; Christus schijnt ook des nachts, ook in den nacht onzer

aaar struikelingen en ontrouw, in den nacht onzer veelvuldige be-

Niet proevingen en strijd, in den nacht onzer verlatenheid en des

l als doods. De zon der natuur doet ons de schepselen Gods aan-

iter- schouwen; Christus doet ons in de schepselen den Schepper

aan zien. De zon der natuur kan geen weerstand bieden aan de

dsch middelen om haar schijnsel te weren; Christus werpt Zijne

over gezegende stralen achter kerkermuren en in kloostercellen, op

ende de ziekenkamer en in de kolenmijnen, op Groenlands ijsbergen

[s de en in de donkerste holen der armoede.

-ocr page 22-

10

De zon der natuur is onderworpen aan de Zon der genade; zij is Zijne dienares; op Zijn wenk beschijnt zij beurtelings het •halfrond der aarde. Heerlijk is de. toezegging: „Ulieden, die den Heere vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan.quot;

Christus wordt niet slechts de Zon, maar de Zon „der gerechtigheidquot; genoemd. Veel is er over deze omschrijving geschreven. Onzes inziens is zij duidelijk. Niet voor allen zou de verschijning van Christus in het vleesch troostrijk zijn. Hij zou gesteld worden tot een val en opstanding van velen in Israël. Hij zou niet slechts met den H. Geest doopen, maar ook met vuur. Zijne regeering zou rijk aan zegeningen, maar ook aan Godsgericht zijn. Daarom lezen wij in het le vers: „Want ziet, die dag komt, brandende als een oven; dan zullen alle hoogmoedigen en al, wie goddeloosheid doet, een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in vlammen zetten, zegt de Heere der heirscharen, die hun noch wortel noch tak laten zal.quot; „Maarquot;, zoo volgt er oogenblikkelijk op ; „Ulieden daarentegen, die Mijnen Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan.quot; Er wordt mitsdien gesproken van de verschillende uitwerking van de komst en regeering des Heilands. Hoe goed het de oogen zij de zon te aanschouwen, zij kan evenwel te sterk schijnen en eene hitte veroorzaken, die ondragelijk en schadelijk is, vooral in de warmere landen van hst Oosten. Men denke aan Jona; de zon stak zóó fel op zijn hoofd, dat hij amechtig werd en wenschte te sterven. Verheft zich dan die heete, vaak doodende wind er bij, „als een pijl, die des daags vliegt, en als een verderf, dat op den middag verwoestquot;, weldra is alles, graan en gras, loof en kruid, verzengd en verdord; de vruchtbaarste streken worden in een oogenblik aan eene woestijn gelijk; zulk een dag zou de dag des Heeren zijn. Ook elders zijn hitte en het steken der zon in de Schrift zinnebeelden van hooggaande verdrukkingen en wederwaardigheden. De Christus zou zijn als een „brandende ovenquot; tegen de vijanden van Zijn koninkrijk. De hoogmoedige Joden, die opgeblazen waren in den waan van eigengerechtigheid, zouden tegen het vuur van Zijne wraak zoomin bestand zijn als een stoppel. Het oordeel zou hen gevoelig treffen. Zoo is het geschied en zal het geschieden. In Zijne omwandeling op aarde zag Hij den persoon des menschen niet aan. „Gelijk de zon, juist door zich in haren vollen glans te vertoonen, het licht van de duisternis scheidt, en deze als duisternis kenbaar maakt, alzoo splitsten zich bij Zijn optreden allerwege de vrienden en vijanden Zijns rijks.quot;

Het ontzettende „wee uquot;, voorspelde den schijnheiligen

-ocr page 23-

11

Farizeërs het onbekeerlijk Jeruzalem, der ongeloovige wereld een ontzachelijke toekomst. Na Zijne verheerlijking, welk een gericht, dat over Israël ging! Jeruzalem verwoest, de tempel verbrand, duizenden weggeraapt door honger, pest en het zwaard. Door de Romeinsche bijl werd de Joodsche vijgeboom afgehouwen. De Joodsche republiek werd verwoest. Abrahams nakroost balling op de aarde. God heeft Zijne straffende hand uitgestrekt over Zijn oude volk en Zijne oordeelen over hen doen komen. Bijna elke bladzijde van Israels geschiedenis na dien tijd is met bloed geschreven. Op ontzettende wijze heeft het volk geboet en boet het voor zijn ongeloof en vleeschelijk-heid, voor zijn Christus-verwerping en versmading der heilsbeloften Gods. Het heeft ervaren, hoe vreeselijk het was, stout en overmoedig op wettische eigengerechtigheid, de aangebodene rechtvaardigheid, die uit God is door het geloof in den Messias, smadelijk te verwerpen; stout en overmoedig op zijne oude voorrechten, alle vermaningen, waarschuwingen en bedreigingen in den wind te slaan, en even onbeschroomd als onbeschaamd voort te gaan in zijne goddeloosheid, alsof het zich overreed had, dat „al wie kwaad deed, goed was in de oogen des Heeren.quot; De dag van Christus duurt voort. Zijn leven is een doorloopend Godsgericht. Al de oordeelen wijzen naar den jonasten dag. Dan blijkt Hij een Lam dat toornt. Dan is Hij, de geestelijke Zon, pijnigend voor alle zondaren, die ten einde toe zich verhard en Zijn licht en vruchtbaar-makende genade versmaad hebben.

Maar zoo schadelijk de al te groote hitte der zon is, zoo wenschelijk is daarentegen eene gematigde warmte. Wanneer de zon zóó schijnt, dat het gewas des velds noch door gebrek aan warmte verkleumt, noch door overmaat van hitte verdort, dan kan zij eene zon der gerechtigheid; eene rechte, eene rechtmatige zon genoemd worden. Zoo spreken wij van zaken, die ergens recht geschikt toe zijn: de rechte tijd, de rechte leeftijd, de rechte man op de rechte plaats, het rechte weêr. Deze spreekwijze is den bijbel niet vreemd. De dag van Christus zou dus een dag van wrake, en een jaar des ivelhehagem zijn. Voor dezen een dag van wrake, wijl Hij „tegen hen zijn aangezicht zetten zoude, om hunne gedachtenis uit te roeien van de aardequot;; voor genen een jaar des welbehagens, „opdat zij verlicht en gekoesterd door Hem, zouden wandelen in het licht Zijns aangezichtsquot;, zich „den ganschen dag verheugen in Zijn Naamquot; en „verhoogd worden door Zijne gerechtigheid.quot; Voor hen, het „overblijfsel naar de verkiezing der genade,quot; die met smachtend verlangen de vertroosting Israëls vervrachtten, die

-ocr page 24-

12

geloovig zich klemden aan de belofte Gods, den Vaderen gedaan, en hoopten op „het heil des Heerenwier bede gedurig opklom : „Och, of de heem\'len scheurden en Israels verlossing uit Sion kwam!quot; voor de Simeon\'s en Anna\'s, die, toen de lang beloofde Heilvorst verscheen, in Hem de Hope der Vaderen zagen, Hem ontvingen met heilbegeerige harten en ontslotene armen, en zich in gehoorzaamheid des geloofs onderwierpen aan Zijn Evangelie, de grondwet van Zijn rijk, zou de dag des Heeren rijk aan zegeningen zijn, over hen zou „de Zon der gerechtigheid opgaan.quot;

De Messias zou hun eene Zon der gerechtigheid zijn, wijl Hij in Zijne profetische bediening hun ten licht in duisternis zou wezen, in Zijne koninklijke heerschappij hen zou koesteren en zegenen. Als Hoogepriester zou Hij hun eene eeuwige gerechtigheid verwerven en als Koning zou Hij de gerechtigheid oefenen. Zoo is het geschied. Zoo geschiedt het.

Hij bezit eene Goddelijke gerechtigheid. Eens Wezens met den Vader en den H. Geest, kan van Hem worden gezegd; „geeft onzen God grootheid! Hij is de rotssteen. Wiens werk volkomen is; want alle Zijne wegen zijn gerichten. God is waarheid, er is geen onrecht; rechtvaardig en recht is Hij.quot; Hij bezit eene menschelijke gerechtigheid. Volmaakt heilig werd Hij geboren, heeft Hij geleefd en geleden, is Hij gestor-yen. Nooit heeft Hij onrecht gedaan, geen bedrog werd ooit in Zijn mond gevonden. Tot den Vader sprak Hij : „Ik heb U verheerlijkt!quot; en tot Zijne bitterste vijanden: „Wie van u overtuigt Mij van zonde?quot; Hij bezit eene Godmenschelijke gerechtigheid, eene gerechtigheid als Borg. Door wetsvervulling verwierf Hij voor al de Zijnen het recht ten leven, en doordien Hij de straf droeg, door hen verdiend, bevrijdde Hij hen van den dood. Bij Hem zijn gerechtigheden en sterkte. „Hij isquot;, zeggen de geloovigen, „de Heere onze gerechtigheid!quot;

Op Hem, op Zijne gerechtigheid steunt al het godvreezende volk; het heeft niets in zich zeiven, maar in Hem alles, wat het behoeft. Uit Zijne volheid ontvangt het genade voor genade; tot Hem vlucht het in iederen nood; bij Hem schuilt het m elk gevaar; ook in het sterven acht het zich veilig door Hem. O, wat hadden zij steeds aan Hem! Wat zullen zij eeuwig aan Hem hebben! Gelukkig, wien de toezegging geldt: „Ulieden, die Mijnen Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan!quot;

Werd Christus voorgesteld als de Zon der gerechtigheid, dan ook werd Zijne verschijning een „opgaanquot; genoemd.

Christus is de steeds opgaande Zon. Wij zouden kunnen wijzen op het eerste Evangelie in het oude Paradijs, op de

-ocr page 25-

13

boodscliap des heils menigmaal tot de aartsvaderlijke tenten gebracht, op de afschaduwing der verlening, en de prediking der profeten. Doch de oude bedeeling was althans de donkere bedeeling. Het Evangelie der belofte, hoe voortreffelijk ook, moest bij dat der vervulling achterstaan, wees naar betera dagen. Onder den ouden dag scheen de Zon niet aan den onbe-wolkten hemel. De tekstbelofte is vervuld in de volheid des tijds, verkrijgt hare vervulling door alle eeuwen heen. De Zon der gerechtigheid ging op, toen „God Zijnen Zoon heeft uitgezonden, geworden uit eene vrouw, geworden onder de wet.quot; Oud-Israël ging in\' duisternis; de profetenstem zweeg; Rome\'s adelaar breidde zijne vleugelen uit over Sions heuvelen; de Idumeër beklom Juda\'s troon; eigengerechtigheid en ongeloof verhieven zich stout; de ongerechtigheden des volks klommen ten hemel; toen, toen dacht de Heere aan Zijne genade: het Vrouwenzaad verscheen, dat aan de slang den kop zou ver-morselen, het Licht ging op in den nacht, en terwijl hemelboden op dat Licht wezen, hieven zij den schoonsten lofzang aan: „Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in den menschen een welbehagen!quot; Deze Zon ging op, toen de\'Heiland openlijk optrad onder de schare en allerwege zich kenbaar maakte als Gezant des Vaders. De verhevenheid van Zijne leer, het sterk sprekende van Zijne wonderen, de minzaamheid van Zijne houding trok de schare aan, deed haar juichen: „Een groot Profeet is opgestaan, en God heeft Zijn volk bezocht!quot; of ontlokte haar de verklaring: „Nooit heeft een mensch alzoo gesproken I Hij leert als macht hebbende en niet als Schriftgeleerde.quot; Ziet het licht van deze Zon zelfs op Golgotha glansen. Da\'ar verlicht, troost en heiligt het des moordenaars hart, en zegt het ons, Wie te beschikken heeft over de plaatsen in het hemelsch paradijs. Hooger steeg deze Zon op den morgen der Opstanding; nog hooger, toen „de Troost der Godgezinden op de vleugelen van de winden voer naar Zijn eigen Eijks-paleis,quot; toen Hij, die van den Vader was, tot den Vader ging, om, tot de hoogste waardigheid verheven, met eer en heerlijkheid gekroond, met onbeperkt gezag te regeeren. Met den doop des Geestes zalfde Hij Zijne jongeren, om hen tot getui-en te stellen van Zijn heerlijken naam en aan te gorden tot et groote werk der bediening, waartoe Hij hen riep. Met een vurigen kool van het altaar des Heeren roerde Hij hunne tongen aan, om tot een nieuw leven te ontvonken de harten dergenen, die met kracht zouden worden aangegrepen door de prediking des kruises. Zijne kracht vergezelde die prediking, die allerwege weêrklank vond in het hart. Hij gordde Zijn

-ocr page 26-

14

zwaard aan de heup en reed voorspoedig op het woord der waarheid. Trots vijandschap en geweld, waanwijsheid en spot-; zucht, bleek Zijne heerlijkheid in de uitbreiding van Zijn rijk. Heidensche altaren wierp Hij omver, gewaande Godsspraken deed Hij zwijgen. Overwinnende trekt Hij voort, opdat Hij overwinne. Straks geen land, waar Zijn licht niet schijnt, waar men Zijn Naam niet noemt, waar men in Zijn zegen zich niet verblijdt. Straks in de ruwste talen het Evangelie gebracht. Straks een heerlijke kerkstaat. Straks een heildag op aarde. Over Israels overblijfsel Zijn Geest, op de gemeente uit de Heidenen Zijne heerlijkheid. Straks de armzalige breuke tusschen broederen geheeld; de scheidsmuren geslecht. Efraim benauwt Juda, Juda benauwt Efraim niet meer. Eén van hart en één van ziel roemt men samen in de schaduw van het kruis. Der Heidenen volheid ingegaan, gansch Israël zalig geworden; der vijanden woede beteugeld, des Satans macht gebonden, en geheel de vrijgekochte en tot rust gebrachte gemeente ervarende de waarheid en kracht van het heerlijke woord; „ülieden daarentegen, die Mijnen Naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan.quot; Straks nog één strijd, de laatste, die \'s Heeren gemeente wacht; de Gog en de Magog gaan uit, maar het bazuingeschal van het wereldgericht klinkt; de Zoon des Menschen verschijnt; het „komt ten oordeel!quot; wordt gehoord en terwijl de goddeloozen smelten van schrik, als was voor de hitte der vlam, begroeten de Godvreezenden vol zalige vreugd de opgaande Zonne der gerechtigheid.

Niet slechts is het leven van den Christus in nederigheid en eer, in lijden en heerlijkheid, Zijn leven op aarde in dienstknechtsgestalte en Zijn leven in den hemel in Middelaarsluister, ten goede der Godvreezenden, een leven voor hen, maar Hij le^ft in hen. In hen zou. de Zon der gerechtigheid opgaan. Hij was reeds in hen opgegaan, anders zouden zij geene Godvreezenden zijn. Zijn licht had hen reeds bestraald, leven was hun reeds geschonken. Door dat licht hadden zij de dienenswaardigheid des Heeren beseft; door dat leven hadden zij de gemeenschap met God gezocht. Hun werd wasdom in de genade toegezegd. Bestraald door de verlichting van het Evangelie Zijner heerlijkheid, en verlicht door Zijnen Geest, die een Geest is der wijsheid en der openbaring in Zijne kennis, zouden zij, klaarder dan vroeger, de verborgenheden des. heils verstaan. De weg der verlossing zou hun steeds duidelijker worden. Niet meer door schaduwen onderwezen, zouden zij Gods Vaderlijke liefde, Christus wonderbare genade, des Geestes zalige gemeenschap leeren kennen in toenemende mate. Zijn

-ocr page 27-

15

Vrede zou Hij over hen uitstorten als eene rivier. In Zijne , wegen geoefend, zouden zij het onderscheid tusschen vleesch en geest, straf en kastijding, wet en Evangelie leeren verstaan, en in hemelsohgezind leven steeds een beter Vaderland zoeken. Steeds zou er een antwoord op hunne vragen, licht op hunne wegén, vrede voor hunne harten zijn. Na zonde en strijd, bij kruis en verzoeking zou iiet licht voor hen opgaan in de duisternis. In de ure des stervens zou het reinste licht hunne zielen vervullen, in de ure der Opstanding des Heeren heerlijkheid hunne lichamen bekleeden, en door geheel de eeuwigheid heen zou de Heere God hen verlichten.

Dan geen licht in den nacht, want de nacht ging voor eeuwig voorbij, maar toch een inleiden in de geheimen des Heeren, een voortdurend ontraadselen van de raadselen des leavens, een toenemen in kennis en liefde, in heiligheid en genot bij het onafgebroken „opgaan van de Zon der gerechtigheid.quot;

Heerlijke dag des Nieuwen Testaments. Onder de koesterende vleugelen van de Zon der gerechtigheid, beveiligd tegen allerlei gevaren, werd geestelijke gezondheid verkregen. Bij dage-lijksche afbreking van het eigen ik, werd des Christens voorrecht genoten in de rechtvaardiging, geopenbaard in de heiliging, verwacht in de verheerlijking. Door eene rijke mededeeling van de gaven Zijns Geestes werd de kerk een vruchtbaar veld. De geloovigen werden vervuld met de liefde Gods, gesterkt in het geloof en in de hope des eeuwigen levens. Grootmoedig en met blijdschap konden zij alle verdrukkingen verduren. Terwijl het ongeloovige Jodendom den ondergang naderde, gingen zij in vrede uit. Overgegaan uit den dood tot het leven, uit het diensthuis des Satans gingen zij uit de Joodsche kerk tot het Christendom over. Ontslagen van het juk der dienstbaarheid tot vreeze, werden zij gebracht tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods. De donkere wolken mochten samenpakken over het volk, rijp geworden ten oordeel, zij zouden nietdeelen in hunne plagen. De rookwolken mochten opstijgen boven Jeruzalems puinhoopen, hun was een Pella beschikt. Zij hadden een beminnelijken Herder, vonden grazige weiden en namen, onder het ruim genot van de goederen des Koninkrijks, welke zijn; gerechtigheid, vrede en blijdschap door den H. Geest, toe in de kracht des geestelijken levens. Hevigen tegenstand mocht men hun bieden, onder alle stormen bleven zij staande. Breede scharen erkenden op hun arbeid Jezus als de Zon der gerechtigheid. Steeds vermeerderde hun getal. Al bleven Joden en Heidenen elkander de hand reiken om den triumf van het

-ocr page 28-

16

kruis te beletten, steeds werden vijanden in vrienden en wolven in lammeren veranderd.

Krachtig in den Heere konden de geloovigen loepen zonder mat te worden. Des Heeren heerlijkheid was op hen gelegd. Zij droegen Zijn beeld. De biddende gemeenschap met God was „de steun van hun menschelijk, de openbaring van hun

fodsdienstig, het voedsel van hun Christelijk leven.quot; Opge-laard en helder was hunne kennis van alles, wat tot het Evangelie der zaligheid behoort. Met een onbelemmerde vrij--moedigheid legden zij voor koningen en vorsten de goede belijdenis af. Door den H. Geest waren zij onderling ten nauwste en op eene heilige wijze vereenigd. Dankende voor tallooze weldaden konden zij roemen in de verdrukkingen. Dreigende gevaren ontmoedigden hen niet. Beproevingen des Heeren maakten hen niet onvrijmoedig. Bij het gevoel van onwaardigheid verloren zij hunne blijdschap niet. Het was hunne taal: „wij zijn als stervende, en zie, wij leven; als getuchtigd, en niet gedood; als droevig zijnde, doch altijd blijde; als niets hebbende en nochtans alles bezittende.quot; Zij bezaten een onbezweken heldenmoed, waardoor zij den wreedsten dood trotseerden. In vunzige kerkers zongen zij psalmen en op de brandstapels loofden zij God. Als voorbeelden van liefde tot den Heere en tot de menschen, konden zij om het Evangelie banden en gevangenis, gevaren en geeselingen lijden en ten laatste juichende den marteldood tegemoet treden. Zoo heerlijk waren de werkingen van de Zon der gerechtigheid.odsdienstig, het voedsel van hun Christelijk leven.quot; Opge-laard en helder was hunne kennis van alles, wat tot het Evangelie der zaligheid behoort. Met een onbelemmerde vrij--moedigheid legden zij voor koningen en vorsten de goede belijdenis af. Door den H. Geest waren zij onderling ten nauwste en op eene heilige wijze vereenigd. Dankende voor tallooze weldaden konden zij roemen in de verdrukkingen. Dreigende gevaren ontmoedigden hen niet. Beproevingen des Heeren maakten hen niet onvrijmoedig. Bij het gevoel van onwaardigheid verloren zij hunne blijdschap niet. Het was hunne taal: „wij zijn als stervende, en zie, wij leven; als getuchtigd, en niet gedood; als droevig zijnde, doch altijd blijde; als niets hebbende en nochtans alles bezittende.quot; Zij bezaten een onbezweken heldenmoed, waardoor zij den wreedsten dood trotseerden. In vunzige kerkers zongen zij psalmen en op de brandstapels loofden zij God. Als voorbeelden van liefde tot den Heere en tot de menschen, konden zij om het Evangelie banden en gevangenis, gevaren en geeselingen lijden en ten laatste juichende den marteldood tegemoet treden. Zoo heerlijk waren de werkingen van de Zon der gerechtigheid.

Die dag duurt voort. Ook wij leven onder de Nieuw-Testa-mentische bedeeling. Tegenover al onze zondaarsbehoeften, nooden en ellenden, worden wij gewezen op den eeuwigen Heiland, op de volkomene redding en vervulling in Hem. Ook nu woont de Heilige Geest in de gemeente als in Zijn tempel. En toch welk verschil tusschen de gemeente van toen en nu. „Ulieden die mijnen Naam vreest, zal de Zon der gerechtighnid opgaan, en er zal genezing zijn onder Zijne vleugelen; en gij zult uit-gadn en toenemen als mestkalveren.\'quot;

Ach, als wij rondom ons zien, wat heeft er plaats in een land met het Evangelielicht bestraald, onder naamdragers van Christus! Brasserijen en dronkenschappen, ontuchtigheden in slaapkameren, ijdelheden en zondige vermaken, Gods dag ontheiligd en Zijn Naam geschonden!

Maar ook de ware geloovigen, hoe onvruchtbaar en geesteloos betoonen zij zich. Wat weinig genezen van onvrijmoedigheid, blindheid en doofheid, hardheid en traagheid, hoogmoed en ongeloof. Wat is er veel wereldliefde. Wat is er weinig opwas

-ocr page 29-

17

in de genade. Waar zijn ze, de zondaren, die door het geloof in Christus ingeplant, door geloofsvereeniging in steeds nauwere gemeenschap met Christus komen en daardoor in Hem geworteld worden; die, gelijk de boom zijne sappen trekt uit den grond, door het geloof de verlevendigende, versterkende kracht van Christus genieten; die in gemeenschap met den Zaligmaker sta,ande, Zijne vertroostende en heiligende genade ontvangen, waardoor zij niet alleen voor zich zeiven het zalig genot van de gunst van God smaken, maar ook liefelijke vruchten dragen; die, in Christus geworteld, ook bestand zijn tegen de aanvallen en stormen, welke zij verduren moeten en alzoo staande blijven in het midden van het gevaar ? Waar zijn ze, die wandelen in de vertroostingen des H. Geestes? Als opgewektheid iets anders is dan opgewondenheid en overspanning geen bewijs van veerkracht, als redeneeringen armoede aan geloof, en strijdlust gebrek aan godzaligheid niet kunnen bedekken, als kansberekening en winstbejag niet voor gehoorzaamheid kunnen doorgaan, dan ziet het er met ons Christendom onzes inziens niet aanlokkend uit. Het heeft iets mats en doodsch. O, er zijn uitzonderingen, vele uitzonderingen zelfs. Er is een nabij leven bij den Heere in vrede en blijdschap en kracht, niet het minst vaak in afgelegene buurten en weinig bezochte straten. Gods Geest werkt onmiskenbaar, zelfs hier en daar op zichtbare, in het oog vallende wijze. Maar toch, hoever is de gemeente verwijderd van haar beeld, in de Schriften geteekend. Was er meer vreeze Gods, er zou meer opwassen in de genade zijn. Alleen in dien weg is ze toegezegd, gelijk ook de vreeze Gods op hare beurt er de vrucht van is.

Alleen onder de vleugelen van de levenszon geestelijke groei. Hij trekke ons dan tot zich, houde ons bij zich en doe ons zijn een eer van Zijn Naam, tot wij ons mogen baden in het Zonlicht der eeuwigheid.

-ocr page 30-

PETRUS OP ZEE.

Matth. 14 : 22—33.

Nauwelijks had Jezus het wonder der spijziging van 5000 mannen met 5 brooden en 2 visschen verricht, of Hij gebood Zijnen jongeren in het schip te gaan en naar de andere zijde van de zee van Tiberias over te steken. Hij liet de schare van zich en ging zelf op den berg om er den nacht door te brengen in het gebed tot Zijn Vader. In denzelfden nacht werden de door hun Meester alleen gelaten jongeren door een storm overvallen; de fel bewogen golven brachten hun leven in gevaar. Welk een verschil tusschen den dag en den daarop-volgenden nacht! Des daags waren zij getuigen van het liefelijk wonder, zagen zij uit weinig veel, en nu in zorgwek-kenden toestand, in doodsgevaar op eene onstuimige zee.

In Gods weg kunnen wij door ontzettende stormen geteisterd worden. Op bijzondere gunstbewijzen volgen dikwerf bijzondere beproevingen. De Christen doorleeft menigwerf der jongeren ervaring: na de wondervolle spijziging, de verlating op zee; na den dag der Openbaring van \'s Heeren Majesteit, de nacht bezwangerd met stormen en gevaren. Evenwel ook in den stormachtigen nacht geeft de Heere teekenen Zijner tegenwoordigheid. „Ter vierde wake des nachts kwam Jezus tot hen af, wandelende op de zee.quot; De discipelen herkenden Hem niet, werden ontroerd en zeiden; „het is een spookselquot; en „schreeuwden van vrees.quot; Nog ten huldigen dage, bij onervarenheid in de wegen des Heeren, wordt bij de verschijning van Christus aan een „spookselquot; gedacht, wanneer Hij komt, niet op de gewone liefelijke wijze, niet in het zacht suizen der lentekoelte, maar in den stormwind, in eene onbekende

-ocr page 31-

19

fedaante. De Heere komt echter den verschrikten te hulp. [ij ontneemt hun alle vrees. Eén woord van Zijne lippen, met Zijne stem, door Zijne kracht tot het hart gebracht ia daartoe genoeg. „Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet.quot; Alle leidingen des Heeren met de Zijnen hebben versterking des geloofs ten doel. Dit werd bij Petrus bereikt. Wij worden gewezen op den moed, de zwakheid en de versterking van Zijn geloof.edaante. De Heere komt echter den verschrikten te hulp. [ij ontneemt hun alle vrees. Eén woord van Zijne lippen, met Zijne stem, door Zijne kracht tot het hart gebracht ia daartoe genoeg. „Zijt goedsmoeds, Ik ben het, vreest niet.quot; Alle leidingen des Heeren met de Zijnen hebben versterking des geloofs ten doel. Dit werd bij Petrus bereikt. Wij worden gewezen op den moed, de zwakheid en de versterking van Zijn geloof.

Petras moge in den beginne, bij het zien der onbekende gedaante, hevig geschrikt zijn, de stem, de bekende stem, het vertroostende woord des Heeren had geruststellende kracht. Innige blijdschap en vurige liefde dreven hem uit, en zijn geloofsmoed waagde het de bijzondere hulp des Meesters in te roepen. „Heere,quot; riep hij uit, „indien Gij het zijt, zoo gebied mij tot U te komen op het water.quot; Deze vraag werd niet gedaan om te onderzoeken, of de gedaante al dan niet een spooksel was. Zij kwam uit een door gevaar geprangd hart, dat zich door de verschijning van Jezus plotseling uit ieder gevaar gered en door eenen blijdschap gevenden geloofsmoed bezield gevoelde. Zij welde uit een van liefde blakend hart, dat tot eiken prijs naar den Heiland wilde en alle beletselen gering achtte. Zoo zeide David; „met mijnen God spring ik over een muur en dring ik door eene bende.quot; Petrus dacht: „met Jezus kan ik over de golven gaan.quot; Zijne vraag was geene vermetele, want hij wilde niets doen voor de Heere het hem gebood. Zij ademde geloof. Bij de Egyptenaren waren twee voeten, wandelende op de zee, het zinnebeeld van eene onmogelijke zaak. De mannen der wetenschap zeggen, dat het voor vleesch en bloed volstrekt onmogelijk is op het water te wandelen. De ijver om bij den Heiland te komen deed Petrus de natuurlijke onmogelijkheid vergeten, en zijn geloof hield zich overtuigd, dat de ontroerde golven, die de ranke kiel, heen en weder slingerden, nu eens opnamen, dan weder in de diepte wierpen, gehoorzaam waren aan de stem van den Zone Gods, en een vaste bodem onder Zijne voeten konden worden. Toen hij het: „kom!quot; had gehoord, kende hij noch vrees, noch aarzeling. Hij klom uit het schip, trad op het water en spoedde zich tot Hem, Wiens komst hem oorzaak van onuitsprekelijke vreugde was. Welk een wonder 1 Niet slechts wandelde de Heere zelf op de zee; maar hij stelde Zijn zwakken discipel in staat om hetzelfde te doen. Het water droeg Petrus, ofschoon het niet tot ijs bevroren, maar hevig bewogen en door den stormwind beroerd was. Niet het water, maar zijn geloof droeg hem, of wilt ge, Christus, de oorsprong, de onderhouder, de

-ocr page 32-

20

bekroner van het geloof, dat op Hem ziet, uit Hem put, van Hem ontvangt, op Hem steunt, droeg hem. „Voor hen, die \'t heil dea Heeren wachten, zijn bergen vlak en zeeën droog.quot; Vermetelheid noch dweperij doet op het water wandelen, alleen de geloofsmoed, die het waagt den Heere om Zijne alles afdoende hulp te vragen, en de geloofsgehoorzaamheid, die bereid is bij het eerste: „kom!quot; blindelings te volgen. Petrus zag links noch rechts maar vóór zich op Jezus en poogde slechts bij Hem te komen. Hij stond in Jezus\' kracht, vertrouwde op Diens woord, en dat woord maakte voor hem een pad in het midden der zee vaster dan graniet.

Petrus staat met zijne ervaring niet alleen. Niet elke nood is te vergelijken bij dien, waarin Petrus en zijn metgezellen in het vaartuig verkeerden. Er kan hier niet gedacht worden aan het lijden, dat hem treft, die de gemeenschap met Christus niet kent, maar aan het Jcruis van den geloovige. Niet van het leed, dat den Christen ten deel valt in de ure der innigste gemeenschapsoefening met den Christus is hier spraak, maar van zulk een toestand, wanneer de Heere buitengewone wegen houdt, wanneer Hij zich verbergt en ons schijnbaar alléén laat lijden, wanneer Hij zich in den storm aan ons vertoont, maar op zulk eene wijze, dat slechts een wonder ons met Hem opnieuw kan vereenigen. Bij Jezus te komen was het doel van Petrus. Het is ook het doel van ieder geloovige. Toen Jezus Petrus riep, stond Hij op de zee, Petrus in het schip; nu staat Hij in den Hemel, en zijn wij op aarde, toch klinkt Zijn stem; „Kom!quot; En al gevoelen wij telkens dieper wat het beteekent zondaren te zijn, tot Hem is des te vuriger onze begeerte.

De geloovige moet en wil naar Jezus; maar de weg loopt soms door de angsten van menigen stormachtigen nacht; tus-schen hem en den Heere treedt het geweld van eenen ongunstigen wind en de macht der bestrijding. Misleidingen, afwijkingen, alles predikt hem dat zijn pad over een vreeselijk verbolgene zee voert, alles schijnt hem het doel zijner reis te betwisten. Ten laatste komt de nacht des stervens; het donkere doodsdal moet doorwandeld worden; het gevaar in den dooci om te komen treedt nabij; het water bereikt de ziel. In dien nood is er geen andere raad dan: bidt Jezus: „Heere, beveel mij tot U te komen!quot; De Heere zelf wekt de Zijnen tot deze bede op, door zich, al is het dan ook in de verte, te vertoonen. In die ure durft het geloof een wonder vragen; het durft vragen tot den Heere te mogen komen met of zonder wonder. Deze stoute vraag wordt door den Getrouwe met het vriende-

-ocr page 33-

21

lijk „kom!quot; beantwoord. De door den Heere geroepene vraagt nu naar niets anders. Hij gaat naar Jezus. Op weg behoeft hij niet te vreezen; want Jezus baant Zijn pad. Moedig betreedt hij de paden der zee, hij is er op, eer hij het zelf weet. De kracht Gods behoudt hem. Hij, die alle dingen draagt, draagt ook hem, en hr vermag alle dingen door Christus, Die hem kracht geeft.

. Jezus Christus staat aan de rechterhand des Vaders en roept de Zijnen toe: „kom! al gaat gij door het water der Eoode Zee of door den gloed des vurigen ovens, in het water zal uw voet droog blijven, en het vuur zal geen enkele lok op uw schedel zengen.quot; Immers ons is Zijne bede bewaard: „Vader! Ik wil, dat waar Ik ben, ook die bij mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt.quot; Onze oogen hebben Zijn verzekering gelezen: „wanneer Ik verhoogd zal zijn, zal Ik ze allen tot Mij trekken;quot; onze ooren hebben zijne toezegging opgevangen: „waar Ik ben, aldaar zal ook Mijn dienaar zijn.quot; Ons hart gehoorzame dan het: „kom!quot; van den medelijdenden Hooge-priester, en de geloofsmoed zal toenemen met de zekerheid, dat we ons op den weg der geloofsgehoorzaamheid bevinden.

Ook op de bestrijding des geloofs, door Petrus ondervonden, en de zwakheid des geloofs, door Petrus geopenbaard, worden wij gewezen. Hij hoorde het bulderen van den wind en werd bevreesd; hij zag, hoe de baren zich verhieven, hoe de wind in het bewegelijk element afgronden holde en hij sidderde; hij zag, hoe de zich al hooger en hooger verheffende golven zich als bergen tusschen hem en den Heere plaatsten, zoodat hij verhinderd werd den Eots zijner hope te zien, en hij werd beangst, wankelde en ... . hegon te zinken Petrus zonk. Niet de wind had hem doen zinken, maar zijne vrees, evenals niet het water hem droeg, maar zijn geloof, en toen zijn geloof wankelde ging het lichaam door de natuurlijke zwaarte naar de diepte. Arme Petrus! arm, niet omdat hij in gevaar verkeerde zijn leven te verliezen, maar aan zijn geloof schipbreuk te lijden. Een heerlijk bewijs van gelooojsvwed en geloofsgehoorzaamheid scheen met zinken te zullen eindigen. Doch zoo ver zou het niet komen. Zijn geloof, zwak geworden, maar niet vernietigd, sprak zich uit in den noodkreet: „Heere, behoud mij!quot; Petrus zinkt, maar hij zinkt als een discipel van Jezus. In weerwil van de zwakheid zijns geloofs dacht hij slechts aan de hulp des Heeren. Had hij de ondersteuning des Heeren verworpen, hij zou de hulp der jongeren ingeroepen of getracht hebben zichzelven door zwemmen te redden. Im-

-ocr page 34-

22

mere, dat Mj zwemmen kon, leert ons Joh. 21. Dit doet hij evenwel niet; hij roept tot den Heere om hulp. In het „Heere, behoud mij!quot; spreekt een zwaar bestreden doch waar geloovig Christen, wiens natuur het is op het onzichtbare, niet op het zichtbare te staren. „Maarquot;, zoo hoor ik mij vragen, „hoe kunt gij zeggen: „Petus zag het onzichtbare, daar toch de Heere hem zichtbaar voor oogen stond?quot; Wij antwoorden; daargelaten de golven, die, omhoog gezweept, bergen formeerden, bood het natuurlijk aanschouwen van den Heere zelf hem geen hulp; immers, Jezus stond op de baren, en het ongeloof zou ieder oogenblik Zijn zinken verwacht hebben. Derhalve, niet het naar den mensch gesproken onzekere standpunt des Heeren zag Petrus aan, maar den persoon des Heeren.

Waarom liet de Heere deze gevaarlijke proeve toe? Wat Petrus zonder strijd tot Hem gekomen, hij had in gevaar verkeerd zichzelven de eer te geven, zichzelven te verheerlijken van wege het geloof dat toch gave der genade was; hij zou misschien het anker zijner ziel voor den ankergrond hebben gehouden : ook Petrus had een arglistig, dwaas en dwaalziek hart.

Petrus moest leeren, dat de aanvechting op het Woord leert letten en dat men op niets anders letten moet dan op het Woord, niet op den wind, niet op de golven, niet op eigene zwakheid, maar alleen op het Woord, waardoor de Heere alle dingen draagt, waardoor Hij ook een menschenkind op de baren dragen kan.

Petrus „zag den sterken wind.quot; Die wind is het beeld van alles wat een geloovige, die den weg tot Jezus betreedt, angst en schrik verwekt, van alles, wat hem drukt en ten val zoekt te brengen, wat zijn wankelmoedig hart de bitterste twijfelingen doet voeden. Nu eens zijn het gedachten des twijfels, dan weder schreden op het pad der dwaling; nu eens is het de storm des lijdens, die zijn binnenste foltert, dan weder is het de onverwachte misleiding van den vijand der ziel. De wind herinnert aan verleidende vragen: „hoe durft gij zóó koen zijn ? Wat wilt ge, de Heer doet geen wonderen meer. Waar dwaalt ge heen? Een afgrond opent zich, bergen van bezwaren stellen zich tegenover u, de hand uws vijands is dreigend tegen u opgeheven, gij zijt verloren.quot; De verleider spreekt zoo, en helaas, hoe menigwerf treft zijne taal, althans ten deele, doel. Hoe menigwerf is in het hart des Christens angst, twijfel, ongeloof. De Christen kent de aanvechting. Hier is opnieuw het diepgaand schuldgevoel, zonder de zalige verzekering, dat vergeving geschonken is; gelijk de natuurlijke zwaarte van zijn lichaam den twijfelenden Petrus deed zinken,

-ocr page 35-

23

zoo hangt de schuld der zonde den Christen vaak als een molensteen om den hals en tracht hem naar de diepte te slingeren. Niets ontrooft hem zoozeer de zaligheid, reeds hier in geloofsgemeenschap met den Heere te smaken, als de twijfel aan de vergeving der zonden. Er zijn weinige Christenen, ofschoon diep in hun binnenste de verzekering der vergeving rust, in wier leven geene uren komen, waarin die verzekering bestreden wordt. Zulk eene bestrijding is alleen te overwinnen door het; „Heere, behoud mij!quot; Alleen door den geloovigen noodkreet; „hoed mijn ziel, en red ze uit nooden!quot; Daar wijst een ander ons op zijn gebrek aan godzaligheid, op hetgeen verzuimd en vereischt werd en klaagt, dat nu zijn vreugde geweken, zijn vrede verbannen is. Maar wij roepen hem toe; wat, gij hebt gezondigd, en gij wilt terugblijven van der zondaren Heiland, bij Wien vergeving en redding is? De belofte zegt; „alle dalen zullen vol gemaakt wordenquot;, dus ook de

fapingen van uwe verzuimen en de gebreken uwer daden, de loven uwer niet en kwalijk vervulde plichten;apingen van uwe verzuimen en de gebreken uwer daden, de loven uwer niet en kwalijk vervulde plichten; maar niet door u.

„Bergen zullen wijken,quot; ook de berg uwer zonden, maar nut door u. In den Heere zijn gerechtigheden en sterkte. Het geloofsoog ziet in Hem de schuld betaald en door Hem de wet vervuld. Het geloofsoog ziet toeeigenend en vereenigend. Het geloof overwint.

Aangevochtene ziel, trekt uw schuld u naar beneden, de Heere trekt u naar boven. Uwe zonden zijn zwaar, maar leg ze, die duizendmaal duizenden ponden, ter eener zijde in de weegschaal van Gods gerechtigheid, en waar het geloofsoog ter anderer zijde de verdiensten van den Verlosser ziet leggen, daar verheffe zich uw hart met den apostolischen roem; „zoo is er dan nu geene verdoemenis voor die in Christus Jezus zijn!quot; Halleluja!

De hevig geschokte Petrus werd heimedigd en zijn geloof versterkt. Als hij zinkende om redding riep, stak Jezus terstond zijn hand uit en greep hem. Jezus laat het ware geloof zoo min sterven als beschaamd worden. Hij kan het niet. Het geloof is een werk Gods en heeft de belofte des eeuwigen levens. God laat niet varen het werk Zijner handen. Door het geloof is de zondaar op geestelijke wijze nauw met den Heere vereenigd; die vereeniging, onverbrekelijk als zij is, waarborgt de eeuwige zaligheid. Het geloof wordt niet beschaamd, het steunt op het Woord van den Getrouwe, die in Zijne toezeggingen niet feilt. Jezus stelt de op Hem gevestigde hope niet teleur, Hij redt, waar alles reddeloos, helpt, waar

-ocr page 36-

24

alles hopeloos is, doet telkens eene afgesnedene zaak op aarde. Al is de geloovige ontrouw, en ach, hij is het menigmaal, al wankelt zijn voet, al wankelt zijn geloofsvertrouwen, de Heere gedenkt Zijn verbond. Is de geloovige te zwak om den Heere te grijpen, eer hij valt, heeft Deze reeds zijne hand gevat. Met het schepsel, met zichzelven kwam de Christus menigwerf bedrogen uit, maar nooit met Hem, Die Petrus hielp, toen die ondergang onvermijdelijk scheen.

Toen Jezus Petrus bij de hand gegrepen had, voegde Hij hem het vermanende woord toe: „O, gij kleingeloovige, waarom hebt gij gewankeld.quot; Hij bestraft den jonger met de zachtheid der liefde, maar ook met den ernst der trouw. Deze liefderijke terechtwijzing kon Jezus Petrus niet sparen, te minder, wijl Hij hem de eigenlijke oorzaak van zijn zinken wilde leeren: wanJcelen of twijfelen. De twijfelaar is als een wolk, die door den wind heen en weder gedreven wordt. De twijfel drijft ons voort van den Heere, Die ons liefheeft en, waar zij kinderlijke vreeze verbant, doet zij ons de dagen doorbrengen als slaven, hijgende naar den avond, als huurlingen, smachtende naar het loon.

„Waarom hebt gij gewankeld ?quot; quot;Wat zouden wij antwoorden, als tot ons die vraag werd gericht? Welke taal zou ons voegen dan deze : „Wijl ik een ongeloovig, arglistig hart heb, dat U, o Heere, wantrouwt, twijfelende aan Uwe macht en aan Uwe bereidwilligheid om mij te helpen; wijl ik een dwaas ben, die zoo dikwerf in mijne bekrompenheid van U karige gedachten koesterde.quot; Zouden wij er niet moeten bijvoegen: „Wij weten wel, dat wij geene redenen tot twijfelen hadden, daarom bekennen wij aan U onze dwaasheid, en schamen we ons.quot;

O, gij kleingeloovige! Tot de Kananeesche vrouw zeide Jezus: „groot is uw geloof,quot; en van den Hoofdman te Kapernaum; „zulk een geloof heb Ik in gansch Israel niet gevonden.quot; Het is niet Gode verheerlijkend, dat wij gehoor geven aan de stem des verleiders, die ons door het duizendvoudig herhaalde: „is het ookquot;, „is het ookquot; zoekt weg te voeren van den getrouwen Herder. Integendeel, het is onze schande (en te meer, naarmate wij ouder werden in den dienst van Christus en ons leven rijk aan ervaringen werd,) wanneer wij „kleingeloovigquot; zijn. Doch wij zijn zoo onleerzaam. Petrus maakte het later niet beter. Ach, wat heeft hij in de zaal van Cajafas gewankeld ! wat viel hij er diep !

Zij traden in het schip, en de wind werd stil. Nu was de aanvechting overwonnen door Hem, Die alleen in- en uitwendige

-ocr page 37-

25

stormen stillen kon. Het doel was bereikt, de wonderweg afgelegd, en nu werd de gewone levensweg weder bewandeld. Met eene zegenvolle ervaring, maar ook met eene heilrijke beschaming betrad Petrus weder zijn vaartuig. Allen, die in het schip waren, vielen aanbiddend voor Jezus neder, zeggende: „Gij zijt waarlijk Gods Zoon!quot; Dit was steeds de belijdenis der geloovigen; de H. Geest lieeft haar diep in hunne ziel gelegd. De gemeente vond steeds in het aanbidden van Jezus hare zaligheid, in het belijden van Hem hare levenstaak. Slechts hij, in wien het wonder der heJceering niet werd gewrocht, loochent de wonderen der Schrift en de heerlijkheid van den Levensvorst.

-ocr page 38-

HET OPSCHRIFT BOVEN HET KRUIS.

„En Pilatus schreef ook een opschrift, en zette dat op het kruis; en er was geschreven: „Jezus de Nazarener, de Koning der Joden!\'

Joh. 19 : 19.

Eenmaal lieeft David geklaagd; „Zij vergelden mij kwaad voor goed, de belooning mijner ziel.quot; Die klacht voegde op de lippen des Heilands. Hij deed niets dan goed. Liefde deed hem onze natuur aannemen. Liefde deed Hem het land doorgaan, „goeddoende, genezende allen, die van den duivel overweldigd waren.quot; Liefde deed Hem Zijn leven afleggen. En toch, hoe werd Hem vergolden! Bij Zijne geboorte reeds verschoven in een stal, werd Hij in Zijn leven veracht, gescholden en gelasterd. Hij moest, naar de begeerte Zijner vijanden, als het uitvaagsel des menschdoms, als aller afschrap-sel sterven. Steeds bleef Hij goed voor kwaad vergelden. Niet een enkele maal verloochende Hij Zijne goedheid. Naar de strafplaats weggeleid, vertroostte Hij de weenende vrouwen; genageld aan het hout, bad Hij voor Zijne beulen; van Zijn kruis verzekerde Hij een boetvaardigen moordenaar de hemelsche heerlijkheid. Steeds bleven Zijne vijanden woeden. Niet een enkel oogenblik verloochenden zij hunne boosheid; zelfs toen Hij aan het vloekhout hing, misgunden zij Hem den eeretitel door Pilatus boven Zijn hoofd geplaatst. Hij hing tusschen twee moordenaren, als ware Hij de snoodste der snooden. De plaats wellicht voor Barabbas bestemd, was Hem gegeven. Zij moest den vreemdeling den indruk geven, dat Hij, meer nog dan Zijne medegenooten, strafwaardig moest heeten. Naakt,

-ocr page 39-

27

bloedig, bleek, met doornen gekroond, hangt Hij aan bet kruis; scherpe nagelen zijn door de palmen van handen en voeten gedreven; Zijne houding is de allerpijnlijkste, en iedere verandering derzelve vermeerdert slechts de smart; het bloed vloeit.uit ontelbare wonden; en toch, het droeve schouwspel, dat de gemartelde Jezus biedt, roert den mensch niet! Wel staan, daar in droef gepeins, bij het schreien hunner ziel, eenige vrienden en vriendinnen; voor hen is, hetgeen plaats grijpt, een onoplosbaar raadsel, de donkerste bedeeling der Goddelijke voorzienigheid. Het had hun geheel onmogelijk geschenen, dat de wereld over Jezus zou triomfeeren, over Hem, Wiens macht hun zoo dikwerf gebleken was: — en toch, zij heeft Hem gegrepen, gevonnist, gegeeseld, ten kruise geleid. Al hunne hope was op Hem gebouwd. Zij kleefden Hem aan met geheel hun hart; nog bleven zij aan Hem verbonden; van ontrouw verdachten zij Hem niet; maar zij wisten niet, wat er van te denken; diep onkundig aangaande den weg der verlossing, dronken zij die trooststroomen niet in, die uit \'s Heilands wonden tot hen vloeiden, zonken zij in de diepste moedeloosheid ter neêr.

Wel waren er ook eenigen meêwarig, bij wien het menschelijk gevoel sprak, en die niet konden begrijpen, hoe het mogelijk was, dat men hun den besten, vriendelijksten, wijsten aller profeten ontnomen had; maar de menigte, opgehitst door priesters en schriftgeleerde, ach, wat steenen bewegen moest, roert hen niet. Het hart van de krijgsknechten, die de straf-

Ï)laats bewaakten, is harder dan het harnas, dat hunne eden dekt. Zonder aarzelen verrijken zij zich in de tegenwoordigheid des doods; ongevoelig voor de kreten der lijders, werpen zij de steenen op den grond, met bekkeneelen bezaaid, met bloed en tranen doorweekt, met het stof des doods bedekt ; en geven zij aan spotlust en laster zich over. Maar de hardheid der Romeinen heeft voedsel ontvangen door de snoodheid der Joden. De Joden, gevoelden zij soms, dat, gelijk de soldaten in het rechthuis, de landvoogd in het opschrift boven het kruis er een welbehagen in heeft om het overwonnen volk te beschimpen in den persoon van hun gewaanden monarch? Dat opschrift is hun een doorn in het oog. De Romeinen waren gewoon op een bord boven het kruis de beschuldiging, de grond der veroordeeling, m. a. w. de misdaad van den gevonniste te schrijven. Daardoor trachtte de wetgever te waken zoowel tegen onbillijkheid des rechters, als tegen ontevredenheid des volks, en anderen af te manen van een kwaad, dat zulke vreeeelijke gevolgen had. De opschriften waren natuur-)laats bewaakten, is harder dan het harnas, dat hunne eden dekt. Zonder aarzelen verrijken zij zich in de tegenwoordigheid des doods; ongevoelig voor de kreten der lijders, werpen zij de steenen op den grond, met bekkeneelen bezaaid, met bloed en tranen doorweekt, met het stof des doods bedekt ; en geven zij aan spotlust en laster zich over. Maar de hardheid der Romeinen heeft voedsel ontvangen door de snoodheid der Joden. De Joden, gevoelden zij soms, dat, gelijk de soldaten in het rechthuis, de landvoogd in het opschrift boven het kruis er een welbehagen in heeft om het overwonnen volk te beschimpen in den persoon van hun gewaanden monarch? Dat opschrift is hun een doorn in het oog. De Romeinen waren gewoon op een bord boven het kruis de beschuldiging, de grond der veroordeeling, m. a. w. de misdaad van den gevonniste te schrijven. Daardoor trachtte de wetgever te waken zoowel tegen onbillijkheid des rechters, als tegen ontevredenheid des volks, en anderen af te manen van een kwaad, dat zulke vreeeelijke gevolgen had. De opschriften waren natuur-

-ocr page 40-

28

lijk zoo kort mogelijk. Ook dat, betreffende de veroordeeling van Jezus. Johannes deelt het ons nauwkeurig mede: „Jezus, de Nazarener, de Koning der Joden.quot; Jezus van Nazareth, gevonnist als der Joden Koning.

Waarom Pilatus juist met deze woorden Jezus\' misdrijf heeft aangegeven? Het gaat hem in elk geval als Cajafas, die onwetende profeteerde. Hij verkondigt in dit opschrift de majesteit, het ambt en de weldaden van den Verlosser. God regeert, dat zien wij ook hier, en ook over de zonde strekt zich Zijn bestuur uit. Aan de boosheid zet Hij paal en perk. Als het Hem niet behaagt, mag Pilatus geen smadend opschrift boven Jezus\' hoofd plaatsen. Heeft God van Augustus een portier gemaakt om voor Zijn Zoon Bethlehems poorten te openen, Pilatus wordt verkondiger van Diens heerlijkheid. Steeds heeft God gezorgd, dat alles, wat dienen moest om Jezus schuld in in het oog der menigte te geven, getuige werd van Zijne heiligheid.

Waarlijk, Hij, Die daar hangt aan het hout, veroordeeld tot den dood der smarte, des smaads en des vloeks, is Jezus de Nazarener, de Koning der Joden. Jezus beteekent, zooals wij weten. Zaligmaker. Op Gods last werd Hem die Naam gegeven. Hij zou hem naar waarheid. dragen. Ook anderen droegen dien naam. Ook typen van hem. Denk aan Josua, dea zoon van Nun, die Israël in Kanaan voerde; aan Josua, den Hoogepriester, die ten tijde van Haggaï voor Israëls zonden offerde. In Jezus zijn de schaduwen vervuld. Hij is de eenige, de wttowiewe Zaligmaker. Aan het kruis mocht Hij dien naam dragen; want Hij is als de gekruisigde het tegenbeeld der koperen slang. Hij hangt daar als het offer voor de zonde; als de Borg, Die voor eene vreemde schuld boet; als de drager van een vloek, dien hij persoonlijk niet verdiende; als de groote Hoogepriester, „in Wien wij de verlossing hebben door Zijn bloed, namelijk de vergeving der zondequot;; als de eenige Middelaar, Die voldoening geeft aan het hoogste recht, dat der hoogste zedelijkheid, der heiligste liefde, en zóó verzoening teweegbrengt tusschen de aarde en den Hemel; als de sterk gewapende. Die den Satan bekampt, over hem triomfeeren zal en hem zijne vaten ontnemen; als Gods Zoon, Die intrad in onze natuur om ons der Goddelijke natuur deelachtig te maken; als Gods onuitsprekelijke gave, die ons tot Gods liefdehart moest leiden. Ja ook, en niet het minst, aan het kruis draagt Jezus Zijn Naam terecht. Toen „gaf Hij Zijne ziel tot een rantsoen voor velenquot;, toen werd Zijne gemeente „duur gekocht.quot; Aan Calvaria\'s kruis heeft de Heer stervende de

-ocr page 41-

29

grondslagen van Zijn Koninkrijk gelegd; want aldaar overwon Hij de macht der hel en des doods; daar kocht Hij Zijne gemeente met Zijn eigen bloed, daar verloste Hij zich een eigen volk, dat ijverig in goede werken zou zijn. Aan Calvaria\'s kruis heeft hij Zijn Koninkrijk gesticht in het bloed der verzoening, zoodat Hij van daar, als de Hoogepriester naar Melchizedeks ordening, kon ingaan met het bloed der verzoening tot verlossing van al Zijn volk. Door het kruis van Cal-varia zal Hij weldra de wereld overwinnen, om zich uit al de geslachten der aarde onderdanen te verzamelen. Aan alle oorden der wereld zal de kruisbanier van Christus worden geplant. De Naam van den Gekruisigde zal dierbaar worden bij volk en volk tot aan de einden der aarde.

Pilatus noemde Hem den Nazarener. Niet Naziréér, zooals sommigen schijnen te meenen. Hij had dit wel kunnen doen. Jezus was inderdaad de Nazireër Gods, de geheiligde des Heeren. De Vader had Hem geheiligd en in de wereld gezonden, en Hij heiligde zichzelven voor de Zijnen. Waren de Nazireërs van den ouden dag den Heere heilig, mochten zij zich niet verontreinigen, de Heiland is de rechtvaardige bij uitnemendheid, „heilig, onnoozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren.quot; Hij heeft geene zonde gekend. Het geloof schrijft boven Zijn kruis „de Nazireër.quot; Droeg de Hoogepriester van den ouden dag een gouden plaat op zijn voorhoofd, waarin „de heiligheid des Heeren \' was gegrift, Hij is de groote Hoogepriester der eedzweering. Die niet voor zichzelven leed, maar voor onze zonden is gestorven. In Hem is vervuld, wat Jesaja zoo aandoenlijk heeft verklaard; „waarlijk Hij heeft onze krankheden op zich genomen, en onze smarten heeft Hij gedragen; .....Hij is om onze overtredingen verwond, om onze

ongerechtigheden is Hij verbrijzeld; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijne striemen is ons genezing geworden.quot;

Pilatus schreef evenwel niet de Naziréér, maar de Nazarener. De Heere was in Bethlehem geboren, maar in Nazareth, een onaanzienlijk stadje, opgevoed. Jezus werd meermalen de Nazarener genoemd. Dit geschiedde dikwerf om Hem te vernederen. Ook om zijn Messiasschap te betwisten. De Messias toch moest uit de stad Davids zijn, naar het Profetische woord; zelfs Nathanaël meende aan de waarheid van Philippus, woord, toen deze hem toeriep: „Wij hebben dien gevonden van welken Mozes in de wet geschreven heeft en de profeten, namelijk Jezus, den Zone Jozefs van Nazareth,quot; te moeten twijfelen, wijl hij terecht den Messias uit Bethlehem verwachtte. „Kan,quot;

-ocr page 42-

30

zoo gaf hij ten antwoord, „uit Nazareth iets goeds zijn,quot; alsof hij zeggen wilde: „Kan de hope der Vaderen, de Heilvorst, uit Nazareth zijn? Heeft Micha niet op Bethlehem Efrata gewezen?quot; tenzij de meer algemeene opvatting, die Natha-nael aan de geringheid van het plaatsje voedsel voor zijn twijfel doet ontleenen, zonder dat hij het oog op de profetie heeft, de ware is. In elk geval, vijanden desHeeren trachtten gedurig met Zijne opvoeding in Nazareth winst te doen, om hnnne ontkenning van Zijn Messiasschap des te eerder ingang te doen vinden. Zoo gebruikt men menigmaal de waarheid om den leugen voort te helpen. Men veinsde ingenomenheid met den te verwachten Messias, scheen naar Zijn komst uit te zien vol heilbegeerig verlangen, zocht in de verwerping van den aangewezen Redder sterkte in de Schrift, en was inderdaad slechts vervuld met aardschgezinde verwachtingen, van het geloof in Gods Woord vervreemd. Ach, de mensch verstaat dikwerf de onzalige kunst te veinzen. Dat heeft hij van den duivel geleerd. Ook deze noemde Jezus soms Jezus van Nazareth, en, wie zou er aan twijfelen, met duivelsche bedoelingen. Sinds het eerste Evangelie in het Paradijs werd gepredikt, heeft hij

fedaan, wat hij kon, om de vervulling te verijdelen. Nauwlijks adden de Engelen het „Eere zij Godquot; in Efrata\'s velden gezongen, of hij trachtte in Bethlehem en straks allerwege ongeloof in de harten te zaaien. Van de ure van Christus\' optreden aan poogde hij Hem te doen wankelen. Hij is onvermoeid in den strijd tegen God en Zijne waarheid. Onvermoeid in den arbeid aan het verderf van den mensch, zelfs verandert hij zich als een engel des lichts. Zijne arglistigheid is ondoorgrondelijk, zijne vonden zijn onnaspeurlijk. Niet zonder reden heeft de Heiland Zijnen jongeren de bede „verlos ons van den boozequot; in den mond gelegd.edaan, wat hij kon, om de vervulling te verijdelen. Nauwlijks adden de Engelen het „Eere zij Godquot; in Efrata\'s velden gezongen, of hij trachtte in Bethlehem en straks allerwege ongeloof in de harten te zaaien. Van de ure van Christus\' optreden aan poogde hij Hem te doen wankelen. Hij is onvermoeid in den strijd tegen God en Zijne waarheid. Onvermoeid in den arbeid aan het verderf van den mensch, zelfs verandert hij zich als een engel des lichts. Zijne arglistigheid is ondoorgrondelijk, zijne vonden zijn onnaspeurlijk. Niet zonder reden heeft de Heiland Zijnen jongeren de bede „verlos ons van den boozequot; in den mond gelegd.

Ook de Engelen hebben Jezus den Nazarener genoemd, toen zij het Paasch-Evangelie aan de vrouwen predikten. Waarom? Om te verzekeren, dat het waarlijk haar Jezus was van Wien zij zeiden, dat Hij was opgestaan. Ook de Apostelen deden zoo, als zij zich verdedigden voor den grooten raad of spraken tot het volk. Zij achtten het noodig tot belijdenis der waarheid zich den naam te eigenen, waarmede de wereld den Christus smaadde. Paulus wees dien Naam niet af, toen Tertullus hem „een oppersten voorstander van de secte der Nazareneuquot; noemde. De Christen moet deelen, moet gaarne willen deelen in de smaadheid van Christus; en hij zal het, naarmate hij meer van den Christus, minder van de wereld vertoont. Noem Jezus vrij, o Pilatus, den Nazarener-, Hij heeft Nazareth be-

-ocr page 43-

31

roemd gemaakt, en in de verachting, die van liet stedeke op Hem viel, is Hij den nederigen dierbaar. Nazareth beteekent volgens sommigen behouden, bewaren, en Hij, Die daar hangt aan het kruis, is de behouder der ziel, in Zijne handen is het lot der Zijnen, Hij beveiligt hen tegen alle gevaar en schenkt straks de eeuwige heerlijkheid!

De Koning der Joden lezen wij verder. Ja, dat is Hij. Rome\'s landvoogd moge met dat opschrift de gunst des keizers zoeken te winnen, en tevens Israels grooten krenken in hun trots, onder hooger bestuur werd het geschreven. Hij is als Koning beloofd. Koningen schaduwden Hem af. Hij heeft Zijn troon gevestigd in Zijn bloed. Langs den meest bloedigen kruisweg verkreeg Hij, als Godmensch, de heerschappij. Hij is als God Koning over al, wat bestaat, maar ook als Middelaar heeft Hij alle dingen in Zijn hand. „Mij is gegeven,quot; sprak Hij, „alle macht in den Hemel en op aarde.quot; Dat was de staf, waarop Zijne jongeren moesten leunen als zij heengingen om Zijn woord te verkondigen. Hij is Koning over elk, die Hem aankleeft. De geloovige ziel huldigt Hem als haar Vorst. „Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal?quot; is hare levensbede. Hij regeert, wapent, beschermt de Zijnen; Hij voert hen ten strijde, maar ook tot de zegepraal.

Hij is inzonderheid de Koning der Joden. Israël heeft Hem verworpen, maar Hij behoudt op Israël Zijn recht; en dat recht zal eens Israël ten zegen zijn. Zwaar boet Israël de verwerping van den Messias, Die tot het Zijne kwam, maar door de Zijnen niet werd aangenomen. Verdreven uit hun land, zwerven de Joden als ballingen over de aarde; de vloek Gods rust op hen; zij leven daarheen en sterven weg zonder God, zonder Christus, zonder hoop. De kreet „Zijn bloed kome over ons en over onze kinderenquot; is ontzaglijk beantwoord uit den hemel. Maar Israël hestaat. Het bestaat wel als een levend getuige van Gods wrekende gerechtigheid, maar ook als bewijs van des Heeren trouw. Het bestaat door Gods macht. Het heeft levenskracht behouden. Ach, Israël is vervolgd, verdrukt, gemarteld ; Zijne geschiedenis is met bloed geschreven, maar men heeft het niet kunnen uitroeien, omdat er beloften des Heeren voor dat volk zijn, omdat Jezus hun Koning is. Voor dat volk bad Hij aan het kruis. Het is een eigenaardig volk; allerwege kenbaar, heeft het zijne eigenaardigheid gedurende 18 eeuwen niet afgelegd. De Jood is overal, onder elk klimaat, onder allerlei omstandigheden Jood gebleven. Verspreid van de Noord- tot de Zuidpool, leeft Israël onder allerlei regeeringsvormen, zonder een eigen Vorst. Jezus is de Koning der Joden. Straks breekt

-ocr page 44-

32

de dag aan, waarop Simeons profetie zal worden vervuld en de Christus tot heerlijkheid Zijns volks Israël, in de harten van het overblijfsel naar de verkiezing der genade zal schijnen. Nu worden slechts de enkelen uit Israël gered. Ondanks allen arbeid zal het bij enkelen blijven. Wel worden zij meerder, naarmate de dag der genadige bezoeking Gods nadert; maar als die heerlijke dag is aangebroken zal het volle, zullen de Joden tot God worden bekeerd. Aangegrepen door de barensweeën der nieuwe geboorte, zal de Heilige Geest hen leiden tot hun lang versmaaden Koning. Terwijl de heerlijkheid van Christus op hen rust. Zijn Geest in hen woont, wordt Israël wederom, maar nu door den arbeid des geloofs en der liefde, ten zegen voor de wereld. De wereld is des Heeren. Niet slechts heeft de Vader Hem „den troon van Zijn vader Davidquot; gegeven, niet slechts zal Hij over het „Huis Davidsquot; Koning zijn, ook „de Heidenen zijn Zijn erfdeel en \'s aardrijks einden Zijne bezitting.quot; „Het is te geringquot; zoo lezen wij Jesaja 49 : 6, „dat Gij Mij\' ëen knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen van Jacob en om weder te brengen de bewaarden in Israël. Ik heb ü ook gegeven tot een licht der Heidenen, om mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.quot;

quot;Welk een Koning is Jezus. Hij is „de overste der Koningen der aarde.quot; Hij doelt scepters en kronen uit aan hen, die ze dragen. Hij heeft een Koninkrijk van macht, van genade en van heerlijkheid. Ook in de diepste vernedering blonk de adel van Jezus\' koninklijke waardigheid. In Gethsémané gebood Hij met koninklijk gezag: „Laat dezen henengaanquot; en geen enkele durfde een Zijner jongeren binden.

Voor Rome\'s landvoogd sprak Hij fier; „Mijn Koninkrijk is niet van deze wereldop Golgotha, „gezonken in diepe wateren,quot; oefende Hij het hoogste recht uit, dat der begenadiging ten eeuwigen leven. Nu, verhoogd aan \'s Vaders rechterhand, gebruikt Hij alle dingen tot bereiking van dit heerlijke doel; de eere des Vaders, in den Zoon, door den Geest. Straks maakt Hij alle dingen nieuw. Straks is de laatste wanklank uit het scheppingslied verwijderd. Straks voor de zonde slechts plaats in de hel; en tusschen den Hemel en de nieuwe aarde de volkomenste harmonie.

De Christus beveelt over alle schepselen op aarde; alle engelen dienen Hem; de booze geesten kunnen niets, zoo Hij het hun niet toelaat; de dood is Zijn dienaar; het graf heeft Hij veroverd; God wil, dat alles in den Hemel en op de aarde zich buige in Zijn Naam, en dat alle tong zal belijden, dat Hij de Heere is. Op Zijn kleed en op Zijn dij staat

-ocr page 45-

33

geschreven: „Heere der Heeren en Koning der Koningen!quot; Heeft Pilatus Jezus, voor hij Hem veroordeelde, meermalen gerechtvaardigd door zijn woord — nadat hij Hem, lafhartig genoeg, heeft prijs gegeven, rechtvaardigt hij Hem in het opschrift boven het kruis. De Overpriesters hadden willen lezen: valsche Chistus, verleider des volks, oproermaker, of wat dies meer zij, maar God zorgde, dat het boven Jezus hoofd geplaatste Hem tot eer, hun tot schande was. Lukas en Johannes zeggen ons, dat het opschrift geschreven was in het Hebreeuwsch, in het Griekseh en in het Latijn. Zoo heeft Pilatus, hoewel onbewust, in drie onderscheidene talen voor duizenden de waarheid gepredikt. Zoo kon het opschrift door allen gelezen worden; het Hebreeuwsch toch was de gewone landtaal der Joden; het Griekseh werd schier algemeen door de buiten Palestina wonende Israëliërs gesproken, die om deel aan het Paaschfeest te nemen bij duizenden tot Jeruzalem waren opgegaan; en het Latijn was de taal der Romeinen. Zoo profeteerde het, dat eens de eigengerechtige Jood, de waanwijze Griek en de trotsche Romein voor den Heiland zullen knielen, en dat in alle talen zal worden geroemd in het kruis.

Wel ons, als dit opschrift op de tafel van ons han is geschreven. Dan hebben wij in den gekruisigden Christus gezien, wat wij verdienden; Zijn dood verkondigt onze vloekwaardigheid, onze verdoemelijkheid voor God. Dan werden wij aan de naaktheid onzer zielen ontdekt en door \'s Heeren Geest overtuigd, dat alle zaden der zonde in ons zijn, in ons hart, de kweekplaats der ongerechtigheid, en dat het „opschrift onzer beschdldigingquot;, zoo wij voor God in het gericht werden gesteld, vreeselijk luiden zou; voor Hem, Die de geesten weegt, is ook de zedigste een dief en de ing^togenste een moordenaar. Dan werd de groote ruiling, Christus een vloek voor ons, de „verborgenheid der Godzaligheidquot; ons dierbaar, en het Evangelie der genade in den weg des geloofs, door Gods zorg ook in onze taal tot ons gebracht, keurmuziek des hemels.

Dat we ons onderzoeken en het hart op onze wegen stellen. Wie waarlijk het opschrift boven het kruis heeft gelezen, heeft geleerd zich door Jezus te laten zaligen en zich aan Hem te onderwerpen, wenscht het steeds meer en beter te verstaan en acht het eene eere iets van Zijne smaadheid te dragen. Ach, velen verwerpen Hem. Het ongeloof wordt van dage tot dage onbeschaamder; wereldzin en lichtzinnigheid spreken zich steeds luidruchtiger uit. Wie het met den Gekruisigde houdt moet op allerlei wijze de vijandschap der wereld, ook der

-ocr page 46-

34

godsdienstige wereld ervaren. Wat al drogredenen tegen de waarheid! Nu eens van deze, dan weder van gene zijde wordt zij besprongen. Laat er u niet door uit het veld slaan, mijn broeder of mijne zuster.

Er is ook in dezen niets nieuws onder de zon. Ten tijde der Apostelen was het reeds zoo. In hunne brieven spreken zij steeds van den Gekruisigde, wijl, gelijk vroeger Zijne voorgewende geboorte in Nazareth, toen Zijn kruisdood als een bewijs tegen Zijn Messiasschap werd aangevoerd. De Apostelen werden niet verdrietig, als men gedurig aan den Christus nieuwe namen ontleende om er hen mee te beschimpen. Integendeel. Zij werden gaarne naar Hem genoemd. Heette Hij de Naza-rener, wat wonder, dat zij Nazareners werden genaamd. Jezus schaamde zich dien naam niet; als Hij Paulus staande houdt zegt Hij: „Ik ben Jezus, de Nazarener;quot; zouden zij zich dan dien naam schamen ? De wereld weet ook niet, wat zij doet; in haar schimp drukt zij de innigste gemeenschap uit, die er is tusschen Jezus en de Zijnen, en deze gemeenschap is der geloovigen grootste eer. Daarom noemden zij ,zich oudtijds gaarne met den naam van Christophorus, zooveel als: een die Christus in het hart draagt; de gemeenschap met Christus, al was ootmoed haar beginsel, zelfverloochening haar eisch, dienende liefde haar openbaring, was hun eerekleed geworden. O, beproeven wij ons, of er eenheid is tusschen onzen naam en de gestalte van ons hart. Wij heeten Christenen; dragen wij Christus\' beeld ? Toen eens in een gezelschap van Christenen het levendig betreurd werd, dat wij geen portret van Jezus hadden, zeide een oud Christen: de ware Christenen zijn de afbeeldsels van Jezus. Zoo is het. Daarom kan ook een god-vreezend mensch niet verborgen blijven.

Zijn wij Nazireërs, afgezonderden, geheiligden, onderscheiden van de wereld? Wij hebben den smaad der wereld niet te zoeken, in den weg der gehoorzaamheid aan den Heere komt zij van zelf; maar ontvluchten wij haar soms door schandelijke ontrouw, door valsche schaamte en valsche vrees?

Iemand heeft terecht opgemerkt, dat het onderscheid maakt, waarvoor men strijdt in den oorlog. Er wordt meestal verschil gezien tusschen de soldaten, die om soldij dienen en hen, die bezield zijn door liefde tot hun vorst en vaderland. „Snijd dieper,quot; zei de gewonde Franschman te Waterloo tot den chirurgijn, die eene operatie dicht bij het hart begon, „snijd dieper, en gij zult er den generaal vinden.quot; Maar meer verdient Koning Jezus de liefde van zijne krijgers. O, laat ons toonen, dat wij geen vreemde dienen, dat wij vrijwilligers zijn, dat wij niemand

-ocr page 47-

35

in onze plaats wenschen, zelfs er niet aan denken de wapenen af te leggen voor een tijd.

Ignatius juichte in den leeuwenkuil: „Nu begin ik een discipel van mijnen Meester te -worden.quot;

Welk eene vernedering voor Gods Zoon! Voor troon — een schandelijk kruis; voor kroon — scherpe doornen; voor scepter — ijzeren nagelen; voor purper — het tappelende bloed; maar dat kruis is een eerzuil Zijner Majesteit geworden; thans draagt Hij de dubbele kroon; want Hij is Priester op Zijn troon, de Priester-Koning van het Godsrijk; de doorboorde handen zijn verheerlijkt en houden de teugels van het wereldbewind vast. Voor u geloovigen, zorgt Hij teeder, zoo onafgebroken als Hij dat kan. Houdt de oogen op Hem geslagen. Al slingert uw bootje op de levenszee. Hij heeft in Zijn hand het roer. Stel in uwe nooden uwe hope op Hem, Hij is de alwetende, alomtegenwoordige, almachtige, goedertierene, getrouwe Koning.

Mocht het opschrift boven Zijn kruis niet veranderd worden, het verzekere u, dat titel noch jota veranderd zal worden van wat van Hem staat geschreven, en van wat door Hem is gezegd. Zie dan op Hem, uwe gerechtigheid, uwe hope in het leven en den dood! Straks schrijft Hij op u den nieuwen naam en doet Hij u deelen in Zijne heerlijkheid!

-ocr page 48-

CHRISTUS NIET GESPAARD.

„Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Ilem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?quot;

rom. 8 : 32.

Zware tijden waren voor de Christenen te Kome aangebroken. Zij werden hevig vervolgd. De wreede Nero legde hun misdaden ten laste, die zij niet hadden gepleegd en vermaakte zich met-hun lijden. De onverlaat wensohte zichzelven geluk, als hij nieuwe middelen beraamd had, om zijne slachtoffers duizend dooden te doen sterven, eer de laatste adem aan hunne bleeke lippen ontvlood. quot;Wie leest zonder ontroering die bloedige bladzijden uit de Geschiedenis van Christus\' Kerk!

Paulus, de deelnemende kruisgezant, weet, dat de geprangde vromen behoefte hebben aan troost en bemoediging. Hun lijden doet hem zeer. Hij geeft blijk, dat er gemeenschap der heiligen is. Hij tracht hen te versterken in het geloof, aan te sporen tot onwankelbare trouw en hun oog te richten op de Kroon des Levens. Hij verzekert hun de vastheid van den genadestaat en der toekomende heerlijkheid. Vele en velerlei bewijzen brengt hij daartoe bij. Hij herinnert aan des Heeren liefde, aan de gave Zijner liefde, aan Zijne trouw; „Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven; hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken.quot;

God heeft „Zijn eigen Zoon niet gespaard;quot; Zi^n Zoon, Zijn eigen Zoon, den Zoon, Die „het afschijnsel Zijner heerlijkheid,

-ocr page 49-

37

het uitgedrukte beeld Zijner zelfstandigheidquot; was; „Zijn eenig-geborene, Die in Zijn schoot was;quot; Die „Zijn voedsterling was en daaglijks Zijne vermaking;quot; „den Zoon Zijner liefde,quot; van Wien jlij een en andermaal uit de hoogwaardige heerlijkheid betuigde: „Deze is Mijn Zoon; Mijn geliefde, in Welken Ik mijn welbehagen heb;quot; dien Zoon, Die „nooit onrecht deed, in Wiens mond geen bedrog gevonden werd,quot; Die „Zijn wet droeg in het midden Zijns ingewands;quot; Die van Zijn jeugd af „bezig was in de dingen Zijns Vaders;quot; Wiens lust en spijze het was, dat Hij mocht doen den wil, en volbrengen het werk desgenen, die Hem gezonden had.quot;

Dien Zoon heeft Hij niei gespaard. Wat zegt dit? Nog eenige malen spreekt de Schrift van niet sparen. God heeft de afgevallene engelen niet gespaard-, zij waren geschapen om den Hemel te bewonen en er aanschouwers, verkondigers, deelgenooten Zijner heerlijkheid te zijn; maar zij stonden tegen Hem op; de engelen werden duivelen, en „God heeft hen niet gespaard, maar in de hel geworpen en overgegeven aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden.quot; God heeft de eerste wereld niet gespaard-, zij was rijk bewel-dadigd, aan haar was lang en liefderijk gearbeid, zij was herhaaldelijk tot bekeering geroepen; maar zij veronachtzaamde de tijden der langmoecügheid Gods, de maat harer ongerechtigheid werd vol, en een vreeselijke vloed spoelde weg de eeuwen-, heugende grijzen en de pas geborene wichtjes.

God heeft Sodom en Gomorra niet gespaard, zoomin als Adama en Zeboïm. Zij lagen in een uiterst bekoorlijk en vruchtbaar oord; maar hare inwoners leefden in gruwelijke zonden. De dag der wrake brak aan en een ontzaglijke vuurdoop verteerde mensch en beest.

God heeft de Joden niet gespaard-, ach, dat Israël, in stede van een saprijke, vruchtdragende boom te zijn, was dor; het had Gods inzettingen versmaad, Gods profeten gedood, Gods beloften niet geacht; het stootte de laatste en grootste gena-bewijzing Gods in ondank van zich, het zette de kroon op zijne misdrijven door de Christusverwerping. Het boette en boet verschrikkelijk voor die hardheid des harten.

God zal niei sparen de ongeloovigen, die leven zonder Zijne vrees en sterven zonder hoop; er is een eeuwige hel: geen slachtoffer is er voor hunne zonden. Hieruit kunnen we zien, wat het zegt, dat „God Zijn eigen Zoon niet heeft gespaard.quot; De fiolen van het heilig ongenoegen Gods zijn uitgegoten over Zijn hoofd. Hoeveel leeds moest Hij verduren, inzonderheid in den laatsten tijd Zijns levens. Hoe bang was Zijn toestand

-ocr page 50-

38

in Gethsémané. Hoe werd Hij geboeid, beschuldigd, geslagen, bespogen, gehoond, gevonnist. Hoe moeielijk was de gang naar de plaats des gerichts. En dair, o mijn Jezus, wat geschiedde er U ? Daar greep men U aan met onheilige hand; dAamp;r rukte men U de kleederen af; ddar strekte men U uit op het hout; d4ér dreef men U met mokerslagen de nagels door de palmen van handen en voeten; daar hingt Gij, gewond, gemarteld, bloedende en smachtende van dorst tussclien twee moordenaren, als waart Gij hun gelijk, neen, als waart Gij, meer dan zij, de diepste verachting waard; daar klom met ieder oogenblik de nood; de wateren der verdrukking stegen; ddar spanden Joden en Heidenen, aanzienlijken en geringen, getabberden en geharnasten samen om ü hun haat te doen voelen; daéx werdt Gij van God zelf geslagen; daar stortte God als Rechter Zijn ontzaglijken toomgloed in Uw boezem uit; dtór werdt Gij afgesneden uit het land der levenden, in de kracht van Uw leven; ddar, o welk een diepte, daar werd de ruwe, harde, gevloekte kruispaal het sterfbed van U, voor Wien de Engelen knielen!

Maar hoe? Heeft God vergeten genadig te zijn? Is de God der liefde veranderd in een God der wreedheid ? Zal een vrouw zich ontfermen over haar kind; zal een man den Zoon verschoonen, die hem dient, en zal God Zijn eigen Zoon niet sparen? O, verborgenheid der Godzaligheid! Deze Vader heeft dezen Zoon lief op eenige wijze. Lief, ook als Hij Hem niet spaart. Dat niet sparen wil ook de Zoon. Hier is de grootste liefde werkzaam tot behoud van onwaardigen. De Vader offert Zijn Zoon op; de Zoon geeft zichzelven. Wat Gods liefde belette, eeuwig beletten zou den stroom harer zegeningen te storten in des zondaars hart, wordt nu weggenomen. God spaart Zijn Zoon niet, opdat Hij velen sparen zou.

Dit heilgeheim waren de engelen begeerig in te zien; het stemt het geloovig hart tot aanbidding en dankzegging en is de inhoud van het loflied, dat de gezaligden zingen. Om aan zondaren barmhartigheid te kunnen bewijzen, om hen te kunnen herstellen in de vrijheid en heerlijkheid der kinderen Gods, heeft God Zijn eigen heilig kind niet gespaard, maar de golven der zee eener naamlooze ellende over Zijn gezegend hoofd doen gaan. Daarom zegt ook de apostel: „en heeft Hem voor ons allen overgegeven.quot; Voor heel de gemeente der ge-loovigen werd Hij overgegeven. In haar plaats werd Hij gesteld. Zij belijdt: „Om onze overtredingen is Hij verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld,quot; „de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem en door Zijne striemen is

-ocr page 51-

39

ons genezing geworden.quot; Dit is eene liefde, die alle verstand te boven gaat. Alles wat gewijde en ongewijde schriften ons melden van sterk sprekende proeven van liefde en trouw verbleekt voor dit bewijs der liefde Gods. Deze liefde is hooger dan de Hemelen; wie kan baar meten? dieper dan de zee; wie kan baar peilen? breeder dan de aarde; wie kan baar overzien? God, die niet van noode beeft van menscbenbanden gediend te worden, als iets behoevende, beeft menscben lief; Hij beeft zondaars lief; zulken, die ondankbaar, die weder-spannig zijn, die in aanhoudende vijandschap Zijne wet verachten, Zijne Majesteit be.leedigen. Zijne gaven misbruiken, die de oogen Zijner heerlijkheid verbitteren. Zulken bestraft, onderwijst Hij; zulken roept, noodigt Hij tot bekeering; over zulken ontfermt Hij zich ten koste van bet bloed en leven van Zijn eigen Zoon. Dien geeft Hij over, om ben te kunnen aannemen; dien doet Hij dragen al den smaad, waarmede men Hem smaden wil, om hen te kunnen verheerlijken; dien doet Hij Zijn toorn over de zonde ondervinden, opdat zij zouden roemen in vergeving; dien geeft Hij over aan het lijden des doods, opdat Hij hun het leven, het eeuwige leven zou kunnen schenken.

Aan deze liefde herinnert de apostel de Christenen te Eome, om ben het bewijs voor de oogen te plaatsen, dat God voor hen was, dat Zijn hart voor hen klopte. Zijn oog op hen rustte. Zijn arm over hen waakte; dat niemand hun van hunne zaligheid kon berooven. De apostel wil de lijdende gemeente in Gods hart doen lezen. Hij wil, dat zij zich in Hem sterken zal. Heeft Hij Zijn Zoon veil gehad, niets zal haar ontbreken. „Alle dingen\'\' dat is alles, wat zij noodig beeft naar ziel en lichaam, tot bet leven en de godzaligheid zal Hij schenken. „Voedsel en deksel zal Hij geven;quot; licht en kracht, vertroosting en bemoediging in wegen van kruis en druk zal Hij verleenen; uit Zijne volheid zal Hij genade voor genade schenken. Tot aan en over bet graf zal Hij baar leiden. Die het meerdere gaf, zal het mindere niet onthouden. Die de heilfontein opende, zal de levende wateren doen vloeien. Het is alsof de Apostel zegt: „laat Nero u vervolgen, laat hij u martelen en van goederen berooven, laat de wreedste dood u wachten, geen nood, o gemeente van Rome, uw God leeft, Hij regeert. Hij kent uw weg, Hij acht dat alles voor u goed, Hij laat niet varen het werk Zijner handen, het beste deel is bij Hem geborgen, plaats wacht u in bet Vaderhuis!quot; De apostel wekt op tot een onbepaald vertrouwen op \'s Heeren macht, liefde en trouw. Dat vertrouwen doet de beroovingder

-ocr page 52-

40

goederen met blijdschap aanschouwen, goedsmoeds zijn bij het dreigen van den dood, de eer naar de wereld gering schatten, op brandstapels en moordschavot nog psalmen zingen.

Nu God voor de geloovigen is, kunnen zij, wat zich ook tegen hen aankant, goedsmoeds zijn. Hoe machtig hunne vijanden zijn, de door God gegeven Christus heeft hen overwonnen; zij zullen eens volkomen over hen zegepralen. Heeft de Vader zoo sterk Zijne liefde geopenbaard, dan is er voor hen de overvloedigste reden tot Godverheerlijkende dankzegging.

Is Gods Zoon voor hen overgegeven, dan is er grond om in de zwaarste beproevingen aan des Heeren trouw zich te klemmen. In God alleen is alle heil. De door Hem geschonken Zoon is een veilige toevlucht. Met dien Zoon worden aan al de heilbegeerigen alle dingen geschonken. Alles is in dien Zoon. Tot wijsheid, rechtvaardigheid heiligheid en volkomens verlossing is Hij gegeven. Die Hem heeft kan zeggen; „ik heb alles.quot; Eens gaat hij de rust, die door Jezus verworven is, binnen. Daar geen strijd, maar overwinning. Geen kruis, maar vreugd. Geen zonde, maar volkomene heiligheid. Daar een Nero\'s om te vervolgen, maar eene zegepralende gemeente, ie ook voor de vervolging dankt. Daar is elk, die haar ontmoet, een engel Gods, een aanbidder van denzelfden Heer; niemand, niets is haar tegen; zij ziet geen enkelen vijand, maar ontelbare vrienden, en zij rust er aan het hart van haar besten Vriend, Wiens stille sterfdag haar verzoendag werd. Wiens dood zij leerde aanmerken als onderpand harer zaligheid, en zij juicht; „God, die Zijn Zoon niet spaarde, heeft met Hem alles gegeven.quot;

-ocr page 53-

HET INGAAN DES HOOGEPRIESTERS.

„Niet door het bloed der bokken en kalveren, maar door Zijn eigen bloed, eenmaal ingegaan in het hei-v ligdom.quot; Hebr. 9 : 12a.

De heerlijkheid der Nieuw-Testamentische bedeeling boven die des O. T. aan te toonen, is hoofddoel van des apostels schrijven. Daarom wijst hij telkens op Jezus als den waren Hoogepriester, Die Aaron en alle Hoogepriesters van den ouden dag oneindig overtrof. Zij toch waren schaduw en beeld; Hij was lichaam en wezen. Immers heel de O. Testamentische bedeeling wees naar Hem, den Messias, heen. In de eeuwen der wegbaning en voorbereiding was de donkere bedeeling, de bedeeling der schaduwen en typen, de bedeeling der Profetie. Hij is de ark der behoudenis; het zaad van Abraham, in hetwelk alle volkeren der aarde gezegend zullen worden; de ware ladder ten Hemel. Hij is het ware Manna, het brood en water des Levens, de geestelijke Steenrots, Die volgt, en waaruit het water des Levens ontspringt; de opgerichte koperen slang, genezende allen, die haar aanzien. Hij, het ware Paaschlam, dat voor ons is geslacht. Hij, doch ik ga niet voort. Hij is de ware Hoogepriester. De apostel had Hem genoemd „de Hoogepriester der toekomende goederen.quot;

Mocht de Hoogepriester eenmaal des jaars, op den grooten verzoendag, in het Heilige der Heiligen gaan, om daar het bloed van den vaars, voor zijne eigene zonden, en dat van den bok, voor de zonden des volks geslachts, op het verzoendeksel te sprengen en alzoo voor Gods aangezicht te brengen; was dit het groote en bijzondere voorrecht van den Hoogepriester,

-ocr page 54-

42

dan moet het tegenbeeld hiervan ook te vinden zijn in den tegenbeeldigen Hoogepriester Christus, en wel zoo, dat, gelijk Zijn persoon voortreffelijker is geweest, zoo ook Zijn ingang. Dit wordt ook in meer dan een opzicht openbaar. Denk aan het Heiligdom, waarin Hij ging, en aan de wijze, waarop Hij zulks deed.

Hij is ingegaan, niet in het schaduwachtig Heiligdom, maar in den Hemel. Niet dat gebouw van hout en steen, van stijlen en gordijnen is de woonstede Gods, maar de hemel. Niet in dat binnenste vertrek van den vergankelijken tabernakel woont de Heere der Heirscharen; maar de hemel der hemelen, waar Zijn eeuwige Lichttroon staat, is Zijn binnenste Heiligdom. Indien daar dus een Hoogepriester voor Zijn aangezicht verschijnen zal, zoo is het niet genoeg, dat deze in het stoffelijke tempelvertrek binnentreedt; maar hij moet heengaan van de aarde en intreden in den hemel der hemelen voor den troon der eeuwige Majesteit. Dat kon Aaron en zijn gansche geslacht niet doen; omdat zij zelve uit de aarde aardsch, zondaren, kinderen des doods waren. En het zoenbloed, dat zij aanbrachten, was ook niet in staat de zonden weg te nemen; want het was het bloed van varren en stieren, verderfelijk en onnut voor God. Maar Jezus is ingegaan met Zijn eigen bloed. Voor Zich Zeiven behoefde Hij niet te offeren; want Hij was „heilig, onnoozel, onbesmet en afgescheiden van de zondaren.quot; Hij was uit den gewonen huwelijkszegen niet geboren, in het verbond met Adam niet begrepen. Vruchteloos zou Hij zijn ingegaan met het bloed der stieren en bokken; want al het bloed, dat ooit in de gouden schaal des offerenden priesters spatte, was niet in staat ééne zonde voor God te bedekken. Offers en bloedstortingen des O. T. moesten gedurig worden herhaald, totdat de volheid des tijds zou zijn aangebroken en werkelijk tot stand gebracht werd, wat zoo lang en zoo veelvuldig was afgebeeld: de verzoening der zonde. Christus\' bloedstorting bracht haar tot stand. Hij is ingegaan met Zijn eigen, bloed, Hij, die „met ééne offerande in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden,quot; Hij, „die eene eeuwige verlossing heeft - teweeggebracht.quot;

Wanneer ging Hij in? Toen Hij gerechtvaardigd werd in den geest.

Niet slechts heeft Hij aan het kruis tot den moordenaar gezegd: „Heden zult gij met Mij in het Paradijs zijn;quot; miiar stervende beval Hij Zijne ziel in \'s Vaders handen, dat is, stelde Hij vertrouwend Zich Zeiven in de handen van Zijnen God en Vader, dat die Hem in den staat der afgescheidenheid

-ocr page 55-

43

niet verlaten en aan Zijne zaak den heerlijks ten uitslag geven zal. De stille sterfdag van Jezus was de groote verzoendag Zijner gemeente. Toen verscheen Hij als de Hoogepriester onzer belijdenis voor God. Het gescheurde voorhangsel verkondigde dit heuglijk feit. Weldra zou het goddelijk voldaan onder onze rekening geplaatst worden in Zijne verrijzenis; opdat Hij tot Zijne heerlijkheid zou opklimmen, om niet slechts als een biddende Hoogepriester eeuwig bij den troon van God te zijn, mair Priester te zijn op Zijn troon.

Door Zijne zelfsofferande aan het kruis heeft Hij het bloed gestort, hetwelk alleen machtig en geldend is om de zonde uit te wisschen, en op den 40sten dag na Zijne opstanding is Hij in de kracht des nieuwen levens opgevaren ten hemel, waar Hij nu met de teekenen Zijner wonden in Zijn lichaam, beide als zoenoffer en als Hoogepriester gezeten is voor het aangezicht van God, en met macht bekleed om der gemeente het te weeggebrachte heil deelachtig te maken.

Zoo Hij niet ingegaan ware met Zijn eigen bloed, niet gerechtvaardigd ware in den geest. Hij had niet kunnen heengaan om als koning te gaan heerschen. Zijn troon is gegrond in Zijn bloed. Nu Hij ter rechterhand der kracht Gods is gezeten, mag de gemeente het weten en zich verzekerd houden, dat op Golgotha haar schuld geboet, haar straf gedragen en het offer gebracht is, dat tot in eeuwigheid geldt. Zij heeft geen reden om moedeloos te zijn. Integendeel, zij heeft alle reden om goedsmoeds te zijn. Heeft Christus haar met God verzoend door Zijnen dood, hoeveel te meer zal Hij haar behouden door Zijn leven. Straks zal Hij haar uit alle zonde en dood verlossen en optrekken in Zijnen zaligen hemel.

De Hoogepriester van den Ouden dag vermocht in de uit-deeling der genade niets; maar van Christus zeggen wij; alles wat Zijne liefde bewerken wil, zal Hem Zijn vermogen niet ontzeggen. Alles staat Hem ten dienste. Hij deelt genade aan onwaardigen uit. Blinde en woeste heidenen \'neemt Hij tot Zijne gemeenschap aan. Tegen het woeden der vijanden beschermt Hij de Zijnen. Voor de eeuwigheid kweekt Hij hen op. Eens verzamelt Hij hen eeuwig voor Zijn troon. Daartoe ging Hij in het heiligdom. Daartoe stond Hij op uit het graf. Daartoe voer Hij ten hemel. Daartoe is Hij voorbidder bij den Vader. Daartoe gaf Hij ifijn Geest. Dit zegt ons Zijn woord. En dit woord is zeker.

-ocr page 56-

ZONDER DEN HEILIGEN GEEST GEEN DEEL AAN CHRISTUS.

„Zoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.quot;

rom. 8 : 26,

De weg ten leven was onder den ouden en nieuwen dag dezelfde. Het was de weg der genade. De geloovigen van alle eeuwen hadden deel aan de liefde des Vaders en den borgtocht des Zoons. Wel zagen zij vroeger door schaduwen heen, maar zij zagen toch. Hun was de Heilige Geest gegeven. Hij gaf zijne gaven naar de bedeeling van dien tijd. Toch was eraan de dagen des N. Testaments eene bijzondere mate van de gaven des H. Geestes beloofd. Die uitdeeling zou plaats grijpen, als de Christus zou zijn opgevaren in de hoogte. Daarom lezen wij: „De Heilige Geest was nog niet, overmits Christus nog niet verheerlijkt was.quot; Daarom beval de Heiland, toen Hij gereed stond ten hemel te varen, zijne jongeren, niet van Jeruzalem te scheiden, maar te wachten de beloften des Vaders, die zij van Hem gehoord hadden. „Gij zult, sprak Hij, „met den Heiligen Geest gedoopt worden, niet lang na dezen.quot;

Zoolang de tweede persoon op aarde was, kon de derde persoon niet persoonlijk op aarde nederdalen, indien de orle Gods, de orde des heils, niet zou worden gebroken. Op den 50sten dag na Jezus\' opstanding werd een aanvang gemaakt met de vervulling der belofte, die voor de kerk des N. Testaments was bewaard.

Niet slechts werden de jongeren gezalfd tot getuigen van den grooten Naam van Jezus — getuigen, die Hem gelijkvormig

-ocr page 57-

45

zouden worden in Zijn lijden, en door het vuur eener vreeselijke beproeving zouden ingaan door menigerlei verdrukking in de erve en rust der heiligen; maar Joëls profetie werd vervuld en eene geheele uitgieting van genadegaven greep plaats en dat wel op alle vleesch, zonder onderscheid van Jood of Heiden, oud of jong, dienstbaar of vrij, — eene uitgieting van genadegaven, die vroeger slechts droppelend nederdaalden. De bedeeling des Geestes ving aan. In de gemeente, het lichaam van Christus, de woonstede Gods in den geest, dient de H. Geest, door tussohenkomst van den grooten Hoogepriester, „God dag en nacht.quot; Over de komst des H. Geestes kan zich de gemeente niet genoeg verheugen. Maar nu ook moet elk, die Christus belijdt, zich onderzoeken, of hij dezen Geest bezit; want al heet hij Christen, hij is, zonder dien Geest, in waarheid geen Christen. Des Apostels woorden zijn duidelijk : „Zoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe. „De Apostel wil de Christenen te Rome troosten en waarschuwen. Hun zondig eertijds moest geen reden zijn om aan Gods genade te twijfelen; zij waren Hem behagelijk, zoo de H. Geest in hunne harten woonde en werkte; maar verre moest ook zorgeloosheid van hen zijn; tegen zelfbedrog moest worden gewaakt; op de uitgangen van het hart diende gelet; want alleen hij, die den H. Geest tot een inwoner in zijn hart had, was een levende rank van den levenden wijnstok, behoorde den Heiland toe, had deel aan Zijne zegeningen. Zoo is dan het missen van den H. Geest bewijs van het vervreemd zijn van Christus.

In figuurlijken zin worden in de Heilige Schrift zoo nu en dan door den H. Geest deszelfs gaven verstaan. Zoo lezen wij: „Dien God gezonden heeft. Die spreekt de woorden Gods; want God geeft hem den Geest niet met mate.quot; En: „Bluscht den Geest niet uit.quot; De Heilige Geest is de derde persoon der hooggeloofde Godheid. Niet geschapen, gaat Hij uit van den Vader en den Zoon. Hij is deelgenoot van hun heerlijk Wezen, waarachtig God. De Drieëenige laat zich niet begrijpen door, maar openbaart zich aan de schepselen zijner hand. Werkt de Vader van zichzelven door den Zoon en den Heiligen Geest; werkt de Zoon van den Vader door den Geest; werkt de Geest van den Vader en den Zoon door zichzelven, we noemen den H. Geest den uitwerker der werken Gods. Geen levendmaking, of zij wordt Hem toegekend. Hij deed in Edens hof het geboomte met bladerendosch prijken en in veelvuldige schakeering van kleuren duizenden bloemen hare geuren den eersten mensch tegenwasemen. Die mensch was door Hem eene levende ziel. En nog — geene levensopen-

-ocr page 58-

46

baring, levensontwikkeling, levensonderhouding dan door Hem, die ook tot levensbestemming brengt. Door Hem is de Bijbel, het levende woord des levenden Gods, een ganscb bijzonder boek, dat met onfeilbaar gezag tot ons spreekt. Hij werkte krachtig in \'s Heilands geboorte. Door Hem werd den Zoon het lichaam bereid, Zijne menschheid bekwaamd. Zijn dood bezegeld, Zijne opstanding bezield, Zijn werk bevestigd, en Hij, de Middelaar, als het Hoofd volmaakt.

Door Hem de geboorte van boven; Hij brengt zondaren onder Zijne bediening, past het woord toe, overtuigt door de wet, vernedert door Zijne kracht, troost door Zijne invloeden, lijft den Heere Jezus in door het geloof, bewaart door Zijne macht. Hij past de verzoening toe, ontheft van schuld, bevrijdt van heerschappij der zonde, leidt tot Israels heiligheid en is het, die Israel heiligt.

Door Hem de vervulling van al de profetiën, de volvoering van Gods raad, langs onverwachte wegen en op vaak verrassende wijze. Door Hem staan straks, als de Koning komt, de gestorven onderdanen van hunne slaapsteden op, en wordt de bruid van Christus gekleed met het kleed, dat kinderen der opstanding dragen.

De H. Geest wordt genoemd de Geest Gods, de Geest des Vaders en des Zoons vanwege Zijn eenswezens zijn met den Vader en den Zoon en Zijne wijze van bestaan; maar ook heet Hij de Geest van Christus, om aan te toonen, hoe Gode betamelijk de H. G. in den zondaar woning maakt, te weten uit kracht van Christus\' volmaakte gehoorzaamheid. Op de vraag: hoe kan G9ds Geest wonen in het hart van een onrein en vloekwaard\'quot;1* zondaar? wijzen wij naar Bethlehems krib, naar Golgotha\'s kruis. Christus, de Verzoener der zonde, heeft alles zich ten eigendom gemaakt. De wereld is Zijn eigendom, de Gemeente Zïjne bruid, de satan Zijn overwonneling, de dood Zijn dieamp;aar, het graf Zijn domein.

Hi; ma gt;kt alles, zelfs de macht der hel, aan de bevordering van Zijn Eijk dienstbaar. Hij is ten Hemel gevaren en heeft met zich gevoerd de kop der oude slang de sleutelen des grafs en der hel, den schuldbrief als voldaan, het uitgewischt handschrift, de gebrokene wet, en is met almacht bekleed. Hij verwierf gaven om uit te deelen aan wederhoorigen, die Hij bij zich wou doen wonen. Hij verwierf het recht den H. G. te zenden in Wien al de gaven zijn vereenigd, en Die zijn welgevallen toont in des Middelaars werk door Hem in de harten der geloovigen te verheerlijken. De H. G., vrucht van Zijn persoon, verworven door Zijn arbeid, is de kracht van Zijn

-ocr page 59-

47

bediening en de mededeeler van Zijn Heil. Christus diende den Vader door den Geest, de Geest dient den Vader door Hem. Hij heet de Geest der genade; want Hij schenkt alle genaden uit den Zoon, die ze van den Vader heeft; de Geest des ge-loojs — want Hij werkt het geloof in \'t hart; de Geest des ge-beds— want Hij vouwt de handen, buigt de knieën, leert den bedelstaf opnemen, geeft verstand van zuchten, doet pleiten, worstelen, de hemelpoort bestormen; Hij doet de kracht des gebeds ervaren en den zegen des gebeds smaken. Hij wordt genaamd de Geest der belofte — want als aller beloften middenpunt geeft Hij haren troost en hare zekerheid te kennen; de Geest der aanneming tot hinderen — want door Hem wordt de roeping gebracht, de rechtvaardiging geschonken, de heiliging gewerkt! Zijne inwoning is bewijs van \'s Vaders liefde, teeken van Christus\' genade, onderpand van de Hemelsche erfenis! Hij is de Geest der wijsheid en der Openbaring — want Hij verlicht het oog, ontsluit het Woord voor het hart, het hart voor het Woord; door Hem worden verlorenen ontdekt, de weg der verlossing ontsloten, de geheimen der verzoening ontsluierd, de raadselen des levens ontraadseld. Hij is de Geest der heerlijkheid — want Hij is de Heerlijke, die heerlijk maakt, in en uitwendig, ten deele en volkomen, in den weg des geloofs en achter de gordijnen der eeuwigheid voor den troon van het Lam.

De H. Geest is onze Leeraar. Hij leert de wijdte van het gebod, de grootheid der schuld, de heiligheid Gods, het zondige der zonde, de dierbaarheid van Christus, de breedte van het Evangelie, de volkomenheid van de vergeving, de trouw van den Heere, de roeping der geloovigen. „gt;

De H. Geest is onze Trooster. ..In drukwegen, bij het dragen van een kruis en in de ure des stervens weet Hij pijn te verzachten, wonden te heelen, j tranen te drogen, krachten te schragen, nevelen te verdrijveit-, vrees te verbanneji, het uitzicht te verhelderen. Vromen van alle eeuwen kuiuaen het getuigen. Martelaren en bloedgetuigen, strekken ten bewijs. Zij waren welgemoed, zij waren sterk, zij juichten, zelfs a \'t hoogste van den nood, zij zong quot; 1 ilmen in \'t aanzien

van den dood. Zij sidderden

Koning der verschrikking. Me iepen zij door eene

bende. Met hun God sprongen zij over een muur. Met hun God stapten zij de vallei der doodsschaduwe in. Door den H, Geest zweeg Aaron op het graf van zijne zonen, kuste Job de hand, die hem sloeg, sterkte David zich in den Heere zijnen God, zei Simeon blijmoedig deze aarde vaarwel, deed Paulus de kerkerwanden weergalmen van psalmen in den nacht.

-ocr page 60-

48

De H. G-eest is onze Leidsman. Oud-Israël had een Leidsman noodig naar het beloofde laad. De Christenen vinden zonder leidsman het Hemelsch Vaderland niet. Zij zijn gelijk aan reizigers, die door vreemde streken en barre woestijnen trekken en een gids behoeven; aan schapen, die zonder herder stal noch voedsel vinden; aan kinderkens, die, aan zichzelven overgelaten, allerlei gevaren ten prooi zouden zijn. De H. Geest leidt. O hoe veilig gaat de ziel aan de hand van zulk een Leidsman! Was zij slechts nooit wijs in eigen oog, stond zij dien aanbiddelijken persoon maar nimmer tegen; o, hoe heilig zorgeloos kon zij haar pad betreden. Maar helaas: in plaats van Hem bestendig naar de oogen te zien, bedroeft ze Hem gedurig, door öf ter rechter öf ter linkerhand af te wijken, door onbedachtzaamheid, ijverloosheid, en menigerlei ongestalte.

Wat werd er van den Christen indien zijn Leidsman niet getrouwer was dan hij; hij bleef niet wandelen op den rechten weg, hij kwam nooit in den hemel. Maar de Goddelijke Trooster is getrouw. Hij weet, dat Hij gekocht is ten Leidsman voor den Christen met den prijs van Christus\' dierbaar bloed. Hij brengt in \'t Vaderland.

De H. Geest is onze advocaat. Eigenlijk is Jezus Christus onze voorspraak, doch de H. Geest heeft er ook iets van. Een getrouw advocaat zegt zijn cliënt, wat hij noodig heeft te weten, vermaant hem daartoe, richt hem op wanneer hij kleinmoedig en bedroefd is, legt hem de woorden, die hij spreken zal in den mond, en zoo hij niet spreken kan, doet hij zelf het woord en treedt tegen alle aanklachten voor hem in bij den rechter. Zoo doet ook de H. Geest. Hij leert door het woord des Heer en alles wat noodig is. Hij vermaant dat woord te volgen. Hij spreekt moed in, als de wet dreigt, de zonde beangstigt, het geweten veroordeelt, en de duivel dag en nacht aanklaagt bij God; want dan wijst Hij op Christus, die voor ons een vloek is geworden en den vloek in een zegen heeft veranderd, die de zonde heeft uitgedelgd als een wolk en de ongerechtigheden als een nevel, die door zijn bloed God heeft verzoend en steeds als het Lam met de merkteekenen der verzoening voortreedt bij den Vader.

De H. Geest is als de regen. Wanneer de regen op het dorstende aardrijk valt, wordt het land vruchtbaar, bloemen worden gezien, het gras spruit uit, de korenhalmen rijpen. De H. G. is een

fenaderegen; zijne vruchten zijn geloof en liefde, blijdschap en oop, langmoedigheid en vrede, goedertierenheid enlijdzaamheid.enaderegen; zijne vruchten zijn geloof en liefde, blijdschap en oop, langmoedigheid en vrede, goedertierenheid enlijdzaamheid.

Aan dien regen is dringende behoefte; zij dale neder op den akker der kerk!

-ocr page 61-

49

Het bezit, de heerlijke inwoning des H. Geestes kan niet verborgen blijven. Hij is de Geest der verlichting, des levens, der heiligmaking en der vertroosting; de Geest, die de taal der waarheid, der kracht, der heiligheid en des ootmoeds spreken doet. Dat wij Christus\' eigendom, Zijne onderdanen zijn, wordt door dien Geest openbaar. Paulus\' uitspraak is beslist: „Zoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.quot;

De uitwendige doop, noch de belijdenis der waarheid, een zedige wandel, noch uitnemende gaven maken den mensch tot een waar Christen: de inwoning des H. Geestes in het hart doet hem zulks zijn. Wie de mensch ook zij, wat achting hij bij velen verkreeg, wat inbeelding hij ook bij zichzelven hebbe, met welke bekwaamheden hij ook zij toegerust, hoe lang menigeen hem ook reeds voor een waar Christen groette, hij mag, hij moet niet anders gelooven, indien hij niet bedro-

fen wil uitkomen, dan hetgene de Apostel zegt: „Zoo iemand en Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.quot; Men kan Christus toebehooren op verscheidene wijzen, als: uit kracht van een algemeen eigendomsrecht, door schepping; uit kracht van de gift des Vaders; uit kracht van de vrij-kooping door Zijn bloed, en door de vrijmaking van satans heerschappij. Wordt de zondaar door Christus „gegrepen,quot; gelijk Paulus het uitdrukt, verheerlijkt Hij door Zijn Geest wederbarende genade in hem, dan wordt het hart week, en zóó tot Hem overgebogen, dat het van onwillig om Hem te dienen, nu gewillig wordt en tot Hem en Zijn dienst genegen ; dan wordt er verwondering geboren over des Heeren liefde en trouw; dan grijpt er een overgeven plaats met beslistheid des gemoeds. Het oude gaat voorbij; het wordt alles nieuw.en wil uitkomen, dan hetgene de Apostel zegt: „Zoo iemand en Geest van Christus niet heeft, die komt Hem niet toe.quot; Men kan Christus toebehooren op verscheidene wijzen, als: uit kracht van een algemeen eigendomsrecht, door schepping; uit kracht van de gift des Vaders; uit kracht van de vrij-kooping door Zijn bloed, en door de vrijmaking van satans heerschappij. Wordt de zondaar door Christus „gegrepen,quot; gelijk Paulus het uitdrukt, verheerlijkt Hij door Zijn Geest wederbarende genade in hem, dan wordt het hart week, en zóó tot Hem overgebogen, dat het van onwillig om Hem te dienen, nu gewillig wordt en tot Hem en Zijn dienst genegen ; dan wordt er verwondering geboren over des Heeren liefde en trouw; dan grijpt er een overgeven plaats met beslistheid des gemoeds. Het oude gaat voorbij; het wordt alles nieuw.

De zondaar heeft verlichte oogen des verstands gekregen. Hij ziet zijne zonden in haar aard en gevolgen. Hij bekent de vergankelijkheid van alle dingen. Hij heeft geen rust meer in de wereld. Waar hij ook zoekt, nergens kan hij ze vinden. Zijne onrust neemt toe, naarmate hij dieper inzicht in zijne zonden ontvangt. Hij ziet zich gebonden aan den wil des boozen en smacht naar verlossing, \'t Wordt hem van nu aan te doen om van den Heere Jezus te weten te komen, wat er van Hem geopenbaard is. En naarmate hij nu grondiger van zijne ellende overtuigd wordt, naar die mate ontvallen hem alle steunsels, en wordt het hem een getrouw en aller aannemingwaardig woord, dat Jezus Christus in de wereld gekomen is om zondaren zalig te maken. De H. Geest overreed den

4

-ocr page 62-

50

zondaar, dat niets hem goed en zalig is dan Jezus toe te be-liooren, en maakt hem bereid om zich aan Hem voor tijd en eeuwigheid, met lichaam en ziel, over te geven. In oprechtheid wordt verklaard: „ik ben des Heeren,1\' en door gedurig nieuwe verbintenissen aan den Heere wordt deze verklaring telken herhaald. Liefelijk wordt in hem vervuld de voorzegging van den Profeet: „deze zal zeggen: ik ben des Heeren; en die zal zich noemen met den name Jacobs, en gene zal met zijne hand schrijven: ik ben des Heeren en zich toenoemen met den naam Israels.quot;

Op deze vrijmaking heeft de Apostel het oog. Zij heeft niet plaats gehad, waar men den Geest van Christus niet heeft. De Geest is het zegel van Christus, het merkteeken, dat Hij Zijnen onderdanen geeft. De H. Geest is de band der eenig-heid, het leven der Kerk, de ziel der Gemeente, maar ook het kenmerk van elk geloovige. De geloovigen zijn geene „natuurlijke menschen, die den Geest niet hebben,quot; ook niet zoo ongelukkig als Bileam en anderen, die slechts de gemeene gaven van dien Geest bezitten. Neen, God gaf hun Zijn Geest tot hunne zaligheid. Wel is er bij den eenen meer vrijmoedigheid dan bij den ander; maar de Geest is een onderpand van hunne hemelsche erfenis. In de ware, geestelijke kennis van God, de liefde tot God, lust in heiligheid, vrede met God, blijdschap in God, m. a. w. in den omgang met, de nabijheid van, de rust in God hebben zij de eerstelingen des Geestes, die de beërving verzekeren van het groote goed, weggelegd voor allen, die den Heere vreezen.

De H. Geest voegt de steenen van het Godsgebouw samen en brengt de schapen van den goeden Herder bijeen. Hij lijft, gelijk wij zeiden, Christus in door \'t waar geloof, geeft den geloovige diens liefde te smaken en ontsteekt hem in eene hartelijke wederliefde. Hij doet de geloovigen vrucht dragen in Hem, den waren Wijnstok. Door den H. Geest vertegenwoordigt Christus zich op aarde aan \'t hart van den Christen, en in dien Geest heeft de Christen onderpand, dat hij eens eeuwig bij Christus zijn zal. Door den H. Geest blijkt het aan ons en aan anderen, dat wij Christus behooren. Johannes zegt: „hieraan kennen wij, dat wij in Hem blijven en Hij in ons, namelijk dat Hij ons van Zijnen Geest gegeven heeft.quot; De H. Geest drukt den onmisbaren stempel der waarheid af op alle ware belijders van het Christendom. Elk Christen is een monument door dien Geest opgericht, een teeken, dat niet kan worden weggecijferd, een vrucht, die onweerlegbaar getuigt van de deugdelijkheid der plant.

Door den H. Geest is de Christen een brief van Christus.

-ocr page 63-

51

Door den H. Geest kent de Christen geen grond der hope . dan Christus gerechtigheid, is Diens beeld zijn sieraad, Diens j liefde zijn rijkdom, Diens trouw zijne sterkte, Diens gemeen- / schap zijne zaligheid en Diens Naam te verheerlijken zijn levenstaak en levensvreugd. ^

Door den H. Geest wordt des Christens levenskeuze beslistl levensstrijd gewekt, levenshoop versterkt, levensvrucht gerijpt en levenstoekomst gewaarborgd!

Dierbare Geest!

Lezer, hebt gij den H. Geest ontvangen?

-ocr page 64-

DE CHRISTELIJKE HOOP.

„Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijne groote barmhartigheid ons heeft wedergeboren, tot eene levende hope door de opstanding var. Jezus Christus uit de dooden.

Tot eene onverderfelijke en onbevlekke-lijke en onverwelkelijke erfenis, die in de hemelen bewaard is voor u.quot;

I Petr. 1 : 3, 4.

De oude vromen zeiden : „wat van boven is, wil weer naar boven,quot; en zij hadden gelijk. Petrus bad bet bun geleerd. De Apostel wil de gedacntenis der grootheid van Gods goedertierenheid overvloediglijk uitstorten en Hem daarvoor geven de eere Zijns Naams. Dat is plichtmatig. Als Gods zegeningen tot ons nederdalen op aarde, moeten onze dankzeggingen zich wederom hemelwaarts verheffen tot Hem. Petrus verheerlijkt God. Hij spreekt van „God, welke is,quot; zoo toch lezen wij zijne woorden, „de Vader van onzen Heere Jezus Christus;quot; van het hoogste, aanbiddenswaardige Wezen, dat niet slechts volkomen zalig is in zich zeiven, maar ook voor zondaren een God van volkomene zaligheid zijn kan. De Drieëenige, Wiens heerlijkheid alle beschrijving te boven gaat, de Schepper in de natuur, de Herschepper in de genade, is de God van het Oude en van het Nieuwe Verbond. De le persoon komt steeds voor als de handhaver der Goddelijke Majesteit. Al wat hoogst goddelijk is, wordt aan Hem toegeschreven. Hij is de „Vaderquot; van den tweeden persoon van wege de eeuwige generatie. Die 2e persoon, dat „Woord, hetwelk bij God en God zelf was, \'t welk, vleesch geworden zijnde, onder ons heeft gewoond,quot; „die eigen Zoon, dien Hij voor ons heeft overgegeven,quot; noemt

-ocr page 65-

53

de gemeente „onzen Heere.quot; Aan Hem toch gaf haar de Vader. Hij kocht haar vrij, schonk haar Zijn Geest, opdat zij Zijn eigendom, Zijn „eigen volkquot; zou zijn, en zij schonk zich weg aan Hem, om naar lichaam en geest, in leven en in sterven. Hem toe te behooren.

De gemeente juicht: „wij zijn des Heeren.quot; Het is haar roem: „niemand van ons leeft zich zeiven, en niemand sterft zich zeiven; want hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere. Hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.quot; Zij kent Hem, aan quot;Wien zij zich wegschonk; Hij schonk en schenkt zich zelf aan haar. „Jezusquot; is Zijn Naam, zaligmaken is Zijn werk; de beloofde, eenige, volkomene Zaligmaker is Hij. „Christusquot; wordt Hij genoemd; verordineerd door den Vader, met den H. Geest gezalfd, tot Profeet, Priester en Koning, doet Hij deelen in al de zegeningen van dat drievoudig ambt. De Olie des Geestes vloeit als \'t ware van Hem, het Hoofd, op al de leden van het lichaam, dat Hem behoort. Zij zijn niet slechts een „Koninklijk priesterdom,quot; maar ook een profeteerend volk in het „verkondigen der deugden Desgenen, Die uit de duisternis heeft geroepen tot Zijn wonderbaar licht.quot; Tot dat werk wekt de apostel op. In dat werk is hij bezig: „Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die naar Zijne groote barmhartigheid ons heeft wedergeboren tot eene levende hope door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden. Tot eene onverderflijke en onbevlekkelijke en ofiverwelkelijke erfenis, die in de Hemelen bewaard is voor u.\'.

De Christelijke hoop, de hoop des Christens, wordt ons in dit woord kenbaar; op haar hron, grond, voorwerp, zekerheid en vrucht worden wij gewezen.

Genade is de bron dier hope. Immers, zonder wedergeboorte zou zij niet wonen in het hart, en die wedergeboorte is aan Gods genade toe te schrijven. Wedergeboorte, welk eene weldaad 1 Zij is noodzakelijk tot zaligheid, uit kracht van de betrekking van den zondaar tot God, van wege de betrekking van God tot den zondaar, en met het oog op den Hemel. Bijbel en ervaring doen ons den mensch kennen als van nature in vijandschap tegen God levende. Gods vlekkelooze heiligheid gedoogt het gemeenzaam verkeer met den werker der ongerechtigheid niet. En zoo er steeds overeenkomst tusschen net land en zijn bewoner moet zijn, zoo elk schepsel overeenkomstig zijn aard werkt, zijn eigen element heeft, en zijne eigenaardige behoeften kenbaar maakt door de omgeving, die hij

-ocr page 66-

54

kiest, niet het minst geldt dit van den hemel en zijne burgers. Slechts voor de reinen van hart ontsluiten zich de poorten van de stad, die fundamenten heeft; slechts de geborenen uit God kunnen ademen in hare straten. Er moet een nieuw leven in ons verwekt worden. Wij moeten gemaakt worden tot nieuwe schepsels, nieuwe menechen, menschen Gods, niet door verandering van wezen, maar van hoedanigheden; door verlichting van het verduisterde verstand, heiliging van den bedorven wil, regeling van de ongeregelde hartstochten, ten onderbrenging tot gehoorzaamheid van het dartele vleesch. Een geheele verandering is noodig, waardoor de tollenaar een apostel, Saulus een Paulus, de bezetene Magdalene eene trouwe volgeres van Jezus, de gekruisigde moordenaar een hemelburger wordt. Wonderlijk zijn soms de wegen des Heeren om tot die verandering te brengen. Sommigen ontvangen van \'s mee-ders lijf af hartveranderende genade en openbaren dat bij het opgroeien op liefelijke, kinderlijke wijze. Sommigen worden in het hart gegrepen onder eene getrouwe bediening der waarheid, anderen te midden van allerlei dwaling; sommigen in de kracht des levens, anderen aan den oever der eeuwigheid; sommigen onder het leven in de meest gruwelijke zonden, anderen terwijl zij in monniken-vroomheid zich zeiven ver-hoovaardigen als getrouwe volbrengers der wet. Altijd is het eene verandering, die niet minder is dan eene geheele vernieuwing, een overgang van den dood tot het leven. Terecht is er dus sprake van een andere of tweede geboorte. Te meer, omdat de mensch als in zijn natuurlijke geboorte lijdelijk is. Zoomin als hij de oorzaak van zijn tijdelijk aanzijn is, heeft hij het geestelijk leven zich zelf te danken. God is de oorsprong van het leven. Gelijk „Hij ons gewrocht heeft als een borduursel in de nederste deelen der aarde,quot; zoo ook „weder-baart Hij ons naar Zijnen wil door het woord der waarheid.quot; Wij weten, deze leer wordt bestreden en misbruikt, maar ondanks de pogingen van eigengerechtigheid en ongerechtigheid, wordt zij gehandhaafd door Schrift en ervaring beide. Het is ons doel niet, nu de leer der wedergeboorte te ontwikkelen. Wij merken slechts op: door haar zijn wij kinderen Gods. Wedergeboren dragen wij Gods beeld, zijn wij vervuld met Zijne vreeze, is er liefde in ons hart tot Hem, tot Zijn Woord en dienst en volk, leeft de Christelijke hope in ons.

Van nature hebben wij geen hoop, zijn wij althans van de Christelijke hope vervreemd. Een valsche hoop kan er zijn; maar „als de goddelooze mensch sterft, vergaat zijne verwachting; zelfs is de allersterkste hoop vergaan.quot;

-ocr page 67-

55

Wat kon God bewegen de wedergeboorte te schenken ? Genade is de beweegoorzaak. „Naar Zijne groote barmhartigheid heeft Hij ons wedergeborenquot; zegt Petrus. God ging met zich zeiven te rade. Geene waardigheid of verdienste of geschiktheid boven anderen aan de zijde der beweldadigden. Neen, „alle roem is uitgesloten.quot;

Jozef werd door Pharao verhoogd, wijl zijne wijsheid den koning te stade kwam. David bewees weldadigheid aan Mephibozet om zijns vaders Jonathans wil. Maar wat was er toch voor God te vinden in zondige menschenkinderen, bij wien het gedichtsel des harten boos is van der jeugd aan — in zondaren, die in hun stamvader zich van de bron des levens vervreemden en hem onophoudelijk volgen op het pad der overtreding? Barmhartigheid verheerlijkt zich. Barmhartigheid is eene der straalbrekingen van het eene groote licht liefde. De liefde Gods, zooals zij zich openbaart aan onwaardigen, ellen-digen en hardnekkigen, wordt beurtelings genade, barmhartigheid en langmoedigheid genoemd. Wij worden dus hier op des zondaars ellende gewezen. Wel is de onwedergeborene ellendig, blind voor de heerlijkheid en doof voor de stem Zijns Gods, zonder waarachtigen vrede bij den onspoed des levens, zonder gegronde hope bij den aanblik der eeuwigheid. En wel is de barmhartigheid Gods, die hem wederbaart tot eene levende hoop, groot. Let slechts op God: Hij is de Volzalige, Die niemand behoeft, Wien ondermaansche gebeurtenissen niets toebrengen kunnen; op de bevoorrechten : zij zijn al de bemoeiingen Gods onwaardig, hadden Zijn toorn verdiend; op het geschonken heil: het kindschap met zijne zegeningen voor de aarde en zijne verwachtingen voor de toekomst. Voorwaar, de eeuwigheid is niet te lang om deze barmhartigheid te prijzen.

Is genade de bron der Christelijke hope, gerechtigheid is haar grond. Immers zij steunt op de opstanding van Jezus Christus uit de dooden.

Hoe heeft God dood- en doemwaardige zondaren kunnen wederbaren tot eene levende hope ? Door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden. De levende Christus is des Christens hope. Petrus kende geen grooter roem, geen grooter vreugde, dan de herleving van den Heer. Hij herinnert zich welkeen donkeme, raadselachtigen en droevigen toestand hij en al de vrienden en vriendinnen van Jezus hadden doorleefd in den tijd, die er verliep tusschen het sterven van den Heiland en Zijne wederverschijning als de Verrezene. Alle hoop was op den Christus Gods gevestigcT Door het geloof des harten en in de gemeenschap der liefde

-ocr page 68-

56

kleefden zij Hem aan. Al hunne verwachtingen waren van Hem. In Hem zagen zij den Messias der Vaderen. Maar met Zijn lijden en sterven scheen alles afgesneden, alles teleurgesteld, alles hopeloos geworden; dat lijden hadden zij niet verwacht, op dat sterven hadden zij geene rekening gemaakt. Hoe geweldig werden zij geslingerd en geschokt. Welke bittere tranen werden gestort! Petrus herinnert het zich; maar ook staat hem de blijde ure voor den geest, waarin de schoonste verrassing ten deel viel bij de persoonlijke verschijning van den Levensvorst. Nog hoort hij de van het ledige graf wedergekeerde vrouwen met geestdrift verhalen, wat haar door Engelenmonden was bericht. Nog ziet hij het van blijdschap blinkend aangezicht van Magdalena, die van hare ontmoeting met den Heiland gewaagt. Nog klinkt hem der jongeren juichtoon in de ooren: „De Heere is waarlijk opgestaan!quot; Maar bovenal onvergetelijk is het hem, dat hij zelf meer dan eens met eene verschijning van Jezus was verwaardigd. Hij denkt aan de eerste ontmoeting, die hij met Jezus hebben mocht, in de eenzaamheid, waar hij zonder getuigen aan de voeten des Heeren kon weenen over zijne schuld en worden opgericht uit zijn diepen val door gadelooze trouw.

Hij denkt, — doch waartoe meer; de opstanding van Christus is hem eene steeds stroomende bron van geestelijke vreugde geworden. Iets van de kalmte des hemels, die zich spiegelde op het verheerlijkt gelaat van den Verrezene, is gedaald in zijne ziel. toen hij van de gezegendste lippen de liefelijkste heilgroete hoorde; „Vrede zij ulieden!quot; Vooral iets van de opstandingskracht werd door hem ervaren, toen hij, aan het strand der zee voor het oog der jongeren in zijn apostel-ambt hersteld, zich den zaligen last hoorde geven, des Heeren duurgekochte kudde te hoeden en te weiden en visscher der menschen te zijn.

Op den Pinksterdag gedoopt met den Heiligen Geest, werd hij uitnemend ingeleid in den weg der verzoening, leerde hij kribbe en kruis in het licht der Opstanding beschouwen. Nu werd Christus\' Opstanding zijn roem. Nu kende hij zich „wedergeboren tot eene levende hope door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden,quot; of, gelijk er eigenlijk staat, „tot eene hope, die leeft door de opstanding van Jezus Christus uit de dooden.quot; In Jezus\' Opstanding bleek het: Zijn dood was vol-wichtig. Zijne wetsvervulling volkomen. Hij had den dood overwonnen. De dood, geen gevolg onzer natuur, maar bezoldiging der zonde, die niemand ontziet, vreeselijke verwoestingen aanricht, doorgaans onverwachts onze woning binnen treedt, verschrikkelijk voor den zondaar, zou verschrikkelijk voor allen zijn, ware Jezus niet opgestaan. Nu echter bleek, de dood ia

-ocr page 69-

57

Zijn dienaar, het graf Zijn domein. Hij zelf is verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om te geven bekeering ten leven en vergeving van zonde. Opstandingskracht gaat van Hem uit in de levendmaking der Zijnen. Die opstandingskracht verheerlijkt zich in geheel het leven der gemeente. Maar ook, nu Hij is gerechtvaardigd, is zij het in Hem; nu Hij is verheerlijkt, is zij het in Hem, zal zij de vrucht van Zijn Middelaarsarbeid smaken in den vrede der ziel en met en na Hem eeuwig verheerlijkt worden. Daarom roept Paulus in geestvervoering, maar op den toon der vaste verzekering uit: „Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods. God is het, die rechtvaardig maakt. Wie is het, die verdoemt ? Christus is het, die gestorven is; ja, wat meer is, die ook opgewekt is.quot; En wederom : „Die ook Zijn eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft Hem voor ons allen overgegeven, hoe zal Hij ons ook met Hem niet alle dingen schenken?quot;

De Opstanding van Christus is \'t bewijs, er is voor God geen beletsel meer om den zondaar te zaligen. Gods liefde nam eiken hinderpaal weg. Uit Zijn hart vloeit een stroom van zegen, en Zijne wijsheid wist weg te ruimen, wat dien stroom beletten zou zich doortocht tot onze zielen te banen. Wat zou het zalig worden verhinderen? Geen zonde; want zij is betaald; geen wet; want zij is vervuld; geen gerechtigheid; want haar is genoeg gedaan; geen deugden Gods; want zij zijn verheerlijkt; geen reinheid des Hemels; want de Geest der wedergeboorte is verworven!

Het geloof zegt amen op het lied der hope:

„Triomf! triomf! Immanuël

Verrijst, de macht van dood en hel Moet voor Zijn grootheid bukken;

Lof, eer den Held, die overwon.

Die ons met God verzoenen kon

En aan den dood ontrukken!

Triomf! triomf! Hij zegepraalt,

De volle losprijs is betaald,

De kwijtbrief afgegeven ;

God spreekt van Zijn\' genadetroon:

\'k Berust in \'toffer van mijn\' Zoon,

Hij leeft, en gij zult leven.quot;

Gij vraagt naar het voorwerp der Christelijke hoop? Petrus noemt het u, zaligheid, eeuwige zaligheid. Ziedaar waarop de hoop des Christens ziet. Een ander apostel heeft ergens gezegd, en hij sprak in naam van Christus gemeente: „indien wij al-

-ocr page 70-

58

leen in dit leven op Christus zijn hopende, zoo zijn wij de ellendigste van alle menschen.quot; En terecht. Vooral in zijn tijd kon zoo worden gesproken. Immers, niet slechts zijn al de ge-loovigen kruisdragers op aarde, zijn de ellenden waarmede zij te worstelen hebben vaak vele; niet slechts wonen zij in het midden der wereldlingen, in wier oogen zij veracht zijn en die hen houden voor een „bijspreuk des verwijts;quot; niet slechts treft he.n menigmaal Gods kastijdende hand, worden zij door Satans listen gekweld en door hunne eigene zondige begeerlijkheden, die krijg voeren tegen de ziel, bestookt; niet slechts buigt nu eens droefheid over eigene, dan weder smart over anderer zonden hen neder; m. a. w. niet slechts hebben al de geloo-vigen de ervaring, dat hier de eene teleurstelling de andere volgt, dat ons leven op aarde een aanhoudend, strijdend reizen door vreemde streken en over vaak oneffene wegen is; maar vooral de moeiten van de geloovigen in Paulus dagen waren vele. Joden en Heidenen waren in vriendschap tegen hen ver-eenigd, bliezen allerwege moord en dreiging, en meenden Gode te dienen waar zij dorstten naar hun bloed. Arme Christenen, zij werden van hunne goederen beroofd; zij moesten hun Vaderland en maagschap verlaten; als vogelvrij verklaarden zwierven zij als ballingen over de aarde, werden zij, als het „veldhoen op de bergen,quot; gejaagd eft Vervolgd van plaats tot plaats; nu eens bespot, gelasterd efi gesteenigd door de heffe des volks, dan weder voor koninge\'n en stadhouders gesteld, geketend, gekerkerd, bloedig gegeeseld, naar het schavot gesleept en wreedaardig gedood.

Daarom zegt Paulus: „Tot op deze tegenwoordige ure lijden wij honger, en lijden wij dorst, en zijn naakt, en worden met vuisten geslagen, en hebben geen vaste woonplaats, wij worden gescholden, vervolgd, gelasterd, en zijn geworden als uitvaagsels der wereld en aller afschrapsel tot nu toe.quot; Men meene niet dat dit alleen het lot der Apostelen was. Neen, al de geloovigen moesten er in deelen; zij werden „den ganschen dag gedood en als slachtschapen geacht.quot; Vandaar zoovele vermaningen en vertroostingen der Apostelen, „waardoor zij hen trachtten te sterken in hunne verdrukkingen.quot; Het was in dien tijd in nadruk eene algemeene waarheid, dat „allen, die Godzalig willen leven in Christus, vervolgd zouden worden.quot; Omdat zij Christenen waren, werden zij vervolgd. Om Christus viil ondergingen zij al dat leed. Om Christus wil verzaakten zij al de begeerlijkheden en heerlijkheden der wereld en stelden zij zich bloot aan de vijandschap van vleesch en bloed. En wat bewoog hen, om zooveel te verduren om Christus wil?

-ocr page 71-

59

Zij hadden Hem lief, omdat Hij hen het eerst had liefgehad. Zij kenden Hem, wie Hij was, wat Hij deed; zij wisten, wat Hij had toegezegd. Zij hadden eene hope op Hem. Neen, zij hadden geene aardschgezinde verwachtingen. Zij vleiden zich niet met een aardsch koninkrijk. Indien dit zoo ware, dan waren zij waarlijk „de ellendigsten van alle menschen,quot; diep te beklagen, dat zij zich door een zoo dwazen waan lieten vervoeren. Immers, Christus zelf had den Zijnen dikwerf voorspeld, dat zij „in de wereld verdrukkingen zouden hebben.quot;

Niet op dit leven, maar op de eeuwigheid vooral ziet de Christelijke hoop. Des Christens vaderland ligt ginds, aan gene zijde van de doodsrivier. Daar glanzen de bergtoppen der heerlijkheid. De toekomst vooral is des Christens. Zijn naam staat op de rolle der hemelburgers geschreven. Hij is op reis naar zijn eeuwig „te huis.quot; Hij is hier sle3hts in hope zalig. De voorproeven smaakt hij hier; verzadiging wacht hem ginds. Zijn leven is geen vreugdeloos leven; integendeel, juist de Christen heeft reden tot innige vreugd. Zijn God zal hem leiden; zijn Heiland, de levende Christus, zal voor hem zorgen; op reis zal hem niets ontbreken, en het einde is zeker, de hope der heerlijkheid woont in zijn hart. In den weg des geloofs en der gerechtigheid zijn de vertroostingen Gods hem. nimmer te klein geweest. Als de gedachten menigmaal in hem vermenigvuldigd werden, hebben die vertroostingen zijne ziel verkwikt. Uit vele benauwdheden heeft Godi hand hem gered. Uit schijnbaar kwaad deed Hij niet zelden het heerlijkst goed verrijzen. De Christen kent de liefdezorgen Gods; hij stelt aan zijne hope te midden van al de wisselingen dezes ondermaanschen levens geene perken, maar strekt dezelve uit tot aan de uiterste grenzen dezes levens, tot aan het sterven toe, tot over den dood, door heel de eeuwigheid heen. De weg moge nog lang en moeielijk zijn, de aanvallen van den zielevijand zwaar en benauwend wezen, de vreeze des doods nog zoo kwellen, de slooping des lichaams in het vooruitzicht zoo vernederend, en de eeuwigheid, die volgt, zoo beslissend en zoo eindeloos zijn, geen nood! De hope is op dien God, die onverminderd en onveranderd dezelfde is en blijven zal, en die trouwe houdt tot in eeuwigheid. Hij zal genade voor genade geven. Hij zal in staat stellen tot alles, waartoe Hij roept. Hij zal leiden door Zijn raad en daarna in Zijne heerlijkheid opnemen. Op die heerlijkheid hoopt de Christen. Petrus noemt haar eene „erfenisquot; met zinspeling op het land Kanaan, hetwelk God aan Israël gegeven had tot eene „erfelijke bezitting;quot; het land «waaraan zij niet gearbeid hadden,quot; dat den geloovigen Israel-

-ocr page 72-

60

Ier steeds voorbeeld en onderpand van den hemel was. De zaligheid, vrijmachtig vermaakt, door Christus\' opstanding verzekerd, uit kracht van het kindschap verleend, wordt „onverderfelijk,quot; „onbevlekkelijk,quot; „onverwelkelijkquot; genoemd. Terecht. Immers, geen mot zal aan haar knagen, geen roest haar verteren, geen dief haar stelen; geene verontreiniging is meer mogelijk; de zonde is weg; de vergankelijkheid drukt er haar stempel niet; eeuwige stranden, eeuwige straten, eeuwige woningen, eeuwige lofzangen, eeuwige blijdschap, alles eeuwig.. . de tijd is gestorven, en de dood heeft den doodsnik gegeven!

Welk eene toekomst! Bij God. bij Jezus, bij de engelen, bij de gezaligden van vroegere en latere eeuwen, in het Vaderhuis ! Zonder zonde, zonder strijd, zonder smart en zonder zorg. Een storeloos laven aan de Bron des Vredes; een onophoudelijk eten van het verborgen manna; een bestendig rusten, bij volmaakte openbaring van het geestelijk leven, dat hier, bij de wedergeboorte aangevangen, in de heiligmaking voortgezet werd. Met die hoop in het hart kan de reis, zelfs door de meest dorre woestijn worden voortgezet. Die hoop doet den Christen zingen:

„Al staat de zee ook hol en hoog,

En zweept de storm ons voort;

Wij hebben \'s Vaders Zoon aan boord,

En \'t veiligst strand voor \'t oog.quot;

Hij kent de kracht dier hope. Daarom is het zijne bede:

„Och ! versterk in mij die hope,

Opdat ik. met nieuwe kracht,

Juichend mijne loopbaan loope.

Aan wier eind de kroon mij wacht;

Met het oog op U geslagen,

Kan geen last mijn\' loop vertragen;

Wat is \'t leed, dat hier ons beidt,

Bij de vreugd der eeuwigheid?quot;

Maar is die hope niet te beschamen? Kan die zaligheid den geloovigen niet ontgaan? Neen, Gods trouw is haar zekerheid. „Bewaard voor u,quot; zegt Petrus. Hoe heerlijk! De erfenis in den hemel wordt voor den erfgenaam, de erfgenaam op aarde wordt voor de erfenis bewaard. Des Christens hope steunt niet op zijn geloof, alsof het niet kon wankelen, op zijne liefde, alsof zij niet kon verkoelen, op zijne keuze, alsof ze niet kon veranderen; maar zijne verwachting is alleen van den Heere, van des Heeren werk, van des Heeren trouw. Het

-ocr page 73-

61

is de Heere, Die het goede werk in ons begonnen heeft; Hij . is het, Die het voortzet, en zoo Hij het niet ten einde brengt, zal het nooit volkomen worden. Ons vertrouwen kan niet zijn, in hetgeen wij deden, noch in hetgeen wij voornamen te doen, maar alleen, in hetgeen de Heere deed, doet en doen zal. Het ongeloof fluistert ons in: „gij kunt onmogelijk volharden. Uw hart is een afgrond. De wereld is u te sterk. De Satan is u te listig. Van overwinnen kan geen sprake zijn.quot; En het geloof antwoordt: „aan ons zeiven overgelaten zouden wij zeker omkomen; maar die met ons is, is meerder, dan die tegen ons zijn.quot;

Zoo is het. „Bewaardquot;, in Gods hand, onder Gods oog. Moesten wij alleen de ranke kiel over des levens ruwe zee naar veilige haven sturen, wij konden wanhopen; maar Die het roer heeft gegrepen is getrouw. Hij kent al de klippen. Woedende stormen doet Hij zwijgen. Moesten wij ongedekt onze vijanden bestrijden, wij zouden bezwijken; maar de hoede der genade beveiligt meer dan rondas en beukelaar. Geen oogenblik verliest de Heere de Zijnen uit het oog. In licht en duisternis, in gemeenschap met Hem of in verzoeking, altijd houdt Zijn hand hen vast. Onafgebrokene bewaring. Deze Vader bewaart Zijn kind, opdat het niet in vijandige handen valle. Deze Herder bewaart Zijn schaap, opdat het niet afdole van de kudde, het roofgedierte ten prooi. Deze Stuurman bewaart Zijn scheepke, opdat het niet afdrijve, ten speelbal van wind en golven. Deze Hovenier bewaart Zijne plant, opdat zij niet bevrieze in den winter, of verdorre in den zomer. O, indien dit zoo niet ware! Wat werd er van den Christen zonder deze bewaring! Hoe behoeft hij haar in vreugde en smart, bij schuldgevoel en roemtaal. Zonder die bewaring zou de vreugde hem vervoeren, de smart hem neerwerpen, het schuldgevoel hem doen vluchten en de roemtaal hem verhoovaardigen. Zoo trouw bewaakt en beveiligt geen hen hare kiekens, geen juwelier zijne juweelen, geen moeder haar kroost, als de Vader daarboven Zijne kinderen op aarde. Veel strijd moge hier te strijden en menige aanvechting te verduren zijn; de vrede moge hier dikwerf worden verstoord; aardsche goederen mogen ontnomen worden; vrienden mogen ontrouw worden of aan vroeg gedolvene graven worden toevertrouwd; gezondheid moge ontzinken en de eer der wereld vlieden, — de wedergeborene tot een levende hoop wordt „in de kracht Gods bewaard door het geloof tot de zaligheid, die bereid is om geopenbaard te worden in den laatsten tijd.quot; Hij moet naar den Hemel. Zijn God wil er hem zien. Zijn Heiland wil er hem kronen. De Engelen en gezaligden wachten er hem, in de loofhut der

-ocr page 74-

62

Hemelsahe palmen. De lioop, wanneer die door den Heiligen Geest in h.et hart woont, put voortdurend kracht uit de trouw, uit de onveranderlijkheid der liefde des Heeren. Aan het hart des Heeren vertrouwt de Christen zich toe. Ach, wel is bij hem ondank en ontrouw; maar hij is veilig: dezelfde stem, die hem het eerst riep van den doolweg der zonde en des doods, zal hem blijven roepen, tot ze hem oproept van de aarde ten Hemel. Éindelooze liefde zal zich in hem verheerlijken. Door die liefde zijn zijne vijanden overwonnene vijanden. Heb dan goeden moed, mijn broeder en mijn zuster, al uwe vijanden zijn verslagen, en de tegen u gesmede wapenen hebben hun scherpte verloren. Mogelijk gaat gij spoedig heen. Misschien hebt gij nog jaren in hope te leven. Wellicht gaat gij eerst met gebogen rug, vergrijsden schedel, gerimpeld voorhoofd en ver-vallene gelaatstrekken te rust, gij zult ontwaken in ondenkbare schoonheid, in het bruiloftskleed der onverderfelijkheid gekleed.

Neen, de Christelijke hoop beschaamt niet! De Christen wordt bewaard voor het genoopte heil; dat heil wordt voor hem beveiligd. Bewaard, niet door menschen of engelen, maar door den Almachtigen God. Op aarde zag een vader niet zelden het kind hem ontvallen, waarvoor hij met moeite een schat had vergaard; op aarde stond dikwerf een zoon bij het lijk van een vader, die hem slechts een ledigen buidel liet. Maar deze erfgenaam sterft niet; deze erfenis stelt niet te leur. Er is een sterven om te leven; er is een beschamen van het klein geloof, een ontvangen boven bidden en denken.

Bewaard wordt de troon, de kroon, de harp, het kleed, het lied. Ieder gezaligde zijn eigen troon, zijn eigen kroon, zijn eigen harp, zijn eigen kleed, zijn eigen lied, en toch weêr alle goederen saam; want allen zijn van Christus, Wien alles behoort.

Hier, ach, overal het woelen der zonde, de verleiding der wereld en de listen des Satans; maar voor die invloeden blijft de hemel gesloten. De Stad Gods is door geen list, hoe beproefd, te ondermijnen, door geen macht, hoe geducht, te veroveren. Hare goederen zijn eeuwig als haar Koning, Die „gisteren en heden en tot in eeuwigheid dezelfde is.quot; Al de rijken dezer aarde zijn bewegelijk, wankelbaar, aan vele wisselingen, ja zelfs aan de vergankelijkheid onderhevig. Zoo betoonden zij zich door al de verloopen eeuwen heen, zoo zijn ze nog, zoo zullen zij blijven tot aan het einde der wereld. quot;Waar zijn ze, die groote koninkrijken, die wereldmonarchieiin der vroegere eeuwen? Zijn ze niet uiteengespat? Zijn de Vorsten niet van hunne zetels gestooten, zoodat slechts hunne namen in de geschiedrollen zijn bewaard? Zoo zal het gaan

-ocr page 75-

63

met al de rijken, die thans bloeien of kwijnen, zij zullen vergaan. Het rijk des Satans zal vergaan. Dit geestelijk rijk, dat sedert den afval onzer eerste voorouders van God op aarde bestaat en door alle eeuwen heeft voortgeduurd, zal op aarde blijven, totdat de Heere hetzelve zal te niete doen door den adem Zijns monds. Het zichtbare Godsrijk op aarde zelfs onderging allerlei wisselingen. Straks aan het einde der eeuwen gaat deze wereld voorbij met a] haar pracht en heerlijkheid. Haar wacht het vuur der loutering, de arbeid der wedergeboorte. Alle dingen worden nieuw. Maar de Stad des levenden Gods blijft ongedeerd, en boven de vuurvlammen, die de zichtbare schepping aangrijpen, zingen niet slechts Cherubs en Serafs, maar ook de verloste zondaren, die zich de aarde tot een eeuwige erve zien bereiden, — ze bezingen de wonderen van Gods trouw, de eere Zijns Naams.

Zou die hoop in het hart kunnen wonen zonder invloed op het leven uit te oefenen? Onmogelijk. De vrucht der Christelijke hope is heüigrnaldng. „Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus!quot; riep Petrus uit. Hij noemde des Christens hope ook eene levende.

Wat is heiligmaking? God te verheerlijken. De zonde onteert God. De zonde is opstand tegen God, overtreding van Zijne wet. Door de zonde wordt onderworpenheid aan den Heere geweigerd. Zijne rechtvaardigheid uitgedaagd. Zijne almacht versmaad, ja de snoodste ondankbaarheid gepleegd. De zonde heeft den mensch, oorspronkelijk beelddrager Gods, aan zijn luister doen ontzinken. Door haar is de eere Gods bem overschillig. Ach, nauwelijks hadden bij de grondvesting der aarde de morgensterren vroolijk gezongen en alle kinderen Gods gejuicht, of reeds de eerste mensch kon zijne priesterlijke roeping vergeten en ophouden het gescha-

Êene voor te gaan in den lof des Scheppers. En sinds die ure eeft de zon iederen morgen nieuwe tooneelen van zonde en schuld beschenen; sinds die ure — wat al opstandskreten op den voetbank van Gods voeten gehoord! De zonde heeft zelfzucht tot wortel. Deze zelfzucht, tegenover God aan ons zelf gepleegd, openbaart zich in zelfverheerlijking, eene der grootste levensbewegingen van den ouden mensch, het karakteristiek van Adams ondankbare zonen, de doodsreuk, die opstijgt van uit het kerkhof der verdoemelijke wereld.ene voor te gaan in den lof des Scheppers. En sinds die ure eeft de zon iederen morgen nieuwe tooneelen van zonde en schuld beschenen; sinds die ure — wat al opstandskreten op den voetbank van Gods voeten gehoord! De zonde heeft zelfzucht tot wortel. Deze zelfzucht, tegenover God aan ons zelf gepleegd, openbaart zich in zelfverheerlijking, eene der grootste levensbewegingen van den ouden mensch, het karakteristiek van Adams ondankbare zonen, de doodsreuk, die opstijgt van uit het kerkhof der verdoemelijke wereld. Algemeen is de openbaring van deze zelfzucht; baar karakter is uiterst misdadig; aan haar ontdekt te worden is dringend noodzakelijk, en hare dooding, hoe pijnlijk ook, is waarlijk zalig. Van nature kennen wij die zonde niet, zijn wij blind voor haar bron en openbaring, voor haar schuld en gevolgen. Daarom wordt de wet

-ocr page 76-

64

miskend, is liet Evangelie gesloten, het hart onvatbaar voor de roepstem der genade; daarom voor Jezus geen plaats, het geloof onmogelijk, de heiligmaking vreemd, het doel Gods on-bereikt, onze vrede verbannen, onze liefde schijn. Uit de ontdekking des Geestes aan die zelfzucht moet hare dooding voortkomen, aan haar knoopt zich in Christus de verlossing vast. De wedergeborene moet sterven, ook aan den wortel der ongerechtigheid, dat is aan zichzelven. Hoe zal dat geschieden? Immers door het zien op, het begeeren van, het zich vereenigen met, het gedurig gebruik maken van Jezus. Jezus is hem oorzaak en exempel van dat sterven. Wel kost het onzag-lijken strijd, gaat het gepaard met veelvuldige smart, is het een langdurig sterven; maar toch is het zalig door den troost, de hulp, den invloed, de zalving en het licht des Heiligen Geestes.

Langs dien weg wordt de levende hope geboren, en die hope draagt op hare beurt vrucht der ware heiligmaking in de verheerlijking Gods. Wel verre, dat de eere Gods hem overschil-lig zou zijn, heeft de Christen haar lief. Bij toewijding des harten en des levens aan den dienst des Heeren is het zijne bede: „Mag Uw Naam maar eer ontvangen!quot; Terwijl het „loof den Heere mijne ziel 1quot; van zijne lippen vloeit, zijn zijne gedachten van God kostelijk, en wenscht hij in handel en wandel het bewijs te leveren zijner verbinding aan Hem. Aan den Heere schrijft hij het toe, dat hij is, die hij is. Aan Zijne genade weet hij alles dank. Hem te leven is de heerschende keus zijns harten, het doel van zijn leven, de zaligheid zijner ziel. Hij spreekt niet alleen, maar handelt ook. Hij handelt uit het rechte beginsel, met gemoedelijke trouw. Hij is niet met het oppervlakkige, met de gedaante van godzaligheid te vreden, maar staat naar waarheid, en is nimmer over zichzelven voldaan. Het kan niet anders, of er moet een nauw verband zijn tusschen het bezit van de geloofsverwachting: straks te zullen deelen in de erve der heiligen in het licht, d. i. tusschen het bezit der Christelijke hope — en een godvruchtig leven op aarde. Hoop op den Hemel doet leven met het aangezicht naar den Hemel.

Naar den Hemel te zien en de oogen van de ijdelheden af te wenden gaat samen: het licht der aarde schemert, waar het licht des Hemels wordt gezien; de vreugde der aarde zinkt weg, waar de vreugde des Hemels wordt genoten; de muzijk der aarde verstomt, waar de muziek des Hemels wordt gehoord. De Christelijke hoop maakt werkzaam in de dingen van het Koninkrijk Gods. In het natuurlijke is de hoop roersel des arbeids. De landman zou niet ploegen en zaaien, maar zijn land braak laten liggen, indien hij niet hoopte op voordeeligen

-ocr page 77-

65

oogst, maar die hoop doet hem dan ook arbeiden van \'s morgens vroeg tot \'s avonds laat. Vraag den zeeman, waarom hij zijn schip niet prijs geeft aan wind en stroom, maar ondanks den bulderenden storm tallooze werkzaamheden verricht en al zijne metgezellen tot afmattenden arbeid aanspoort, hij zal u spreken van de hoop om ia gewensohte haven te ankeren. Hoe zoudt gij over den reiziger denken, die naar de plaats zijner bestemming verlangt en onophoudelijk spreekt over den weg, die derwaarts voert en de wijze, waarop hij dien weg zal bewandelen, maar intusschen verzuimt zich op te maken en voort te trekken?

De Christelijke hoop maakt werkzaam. Geestelijke werkzaamheden doet zij verrichten. Zij gaat gepaard met de behoefte der ziel om zich op te heffen uit het stof tot den. troon der genade om losmaking van zondige kluisters. Zij doet werkzaam zijn in ootmoedig geloof, in vurige liefde, in kinderlijke gehoorzaamheid, in volhardenden strijd, in nauwgezet waken, in ernstig bidden, in godvruchtig peinzen en in vurig danken. Naarmate de hope levendiger is naar die mate hare vrucht. Naarmate hier Gods „groote barmhartigheidquot; wordt erkenden het aan haar te danken heil op rechten prijs wordt geschat, welt het: „Geloofd zij de God en Vader van onzen Heere Jezus!quot; uit het hart.

Hier wordt van goedertierenheid en recht gezongen. De hoop legt dat lied op de lippen. „Geloofd zij de God en Vader vau onzen Heere Jezus Christus!quot; .... Wat zullen wij het zingen, als onze tongen geheel zijn ontboeid, als al het stof van onze vleugelen is geschud, als wij het doel der reize hebben bereikt, als onze voeten zijn staande in Uwe poorten, o Jeruzalem!

Lezer, hebt gij die hope? De wereld gaat voorbij met hare begeerlijkheden. Al het aardsche stelt te leur. Uwe lieve gade is eene opgeschrevene ten doode. Uwe kinderkens dalen wellicht in vroegtijdig gedolven graven. Gij zelf moet sterven. De begoochelingen der zinnen houden weldra op. Straks kan het oor niet meer luisteren naar de liederen der dartele vreugd; straks kan de tong niet meer gestreeld door de lekkernijen der wereld; straks kunnen de oogen niet meer staren op on-dermaansche pracht. Kunt gij sterven? Kunt gij God ontmoeten ? Er is een valsche hoop; ze reikt slechts tot aan het graf. Lof zij Gods ontferming, die u nog in den tijd des onderzoeks liet! Onderzoek u of uwe hope al dan niet de Christelijke, de proefhoudende hope is. De zinnelijke, zondige mensch, zooals

5

-ocr page 78-

66

wij allen van nature zijn, ziet slechts aan wat voor oogen is; zijn hart, zijne begeerte gaan doorgaans uit naar zingenot en aardsohe voorwerpen. Hij verlustigt zich in de dingen van den tijd; deze zoekt hij bovenal; zij zijn zijn hoogste goed. Zulk een gedrag wordt door eeuwigen jammer gevolgd. Door eeuwigen jammer, wat ook tot geruststelling van het zoo nu en dan misschien verontrustend geweten wordt beweerd. Velen achten zich veilig, omdat zij zich aan beide zijden scharen; zij voegen zich bij de volgelingen des Heeren, en houden de vriendschap der wereld vast. Maar dubbelhartigheid is een gruwel bij God. Hij haat de geveinsdheid.

Elk onbekeerd mensch heeft een grond, waarop hij vertrouwt. Niemand leeft zonder hoop. Als rampen treffen, of als de gedachte aan een volgend leven opkomt, zoekt men troost. Deze heeft de wereld en hare goederen tot grond van vertrouwen ; gene zijne maatschappelijke braafheid en plichtsbetrachting. Deze steunt op zijn geloof, zooals hij zijne verkregene kennis en toestemming der waarheid gewoon is te noemen; gene bouwt op zijne godsdienstige gevoeligheid de schoonste verwachtingen. Zoo zouden wij voort kunnen gaan. Maar ach, deze en soortgelijke gronden kunnen niet bestaan \'voor God. Deze gronden zijn zandgronden; de hoop, op dezelve gebouwd, stelt voor eeuwig te leur. Dat dan niemand zich bedriege met valsche overleggingen! Dat niemand voortga den schijn te omhelzen voor het wezen en de stem der waarschuwing te versmaden, die aan het zelfbedrog zoekt te ontdekken. Met een -valsche hoop in het hart wordt het pad der onwetendheid en der dwaasheid bewandeld; een pad vol strikken en kuilen, in eene waarvan men vroeg of laat vallen moet, om niet weer op te staan. Niets is ontzettender dan te meenen de Christelijke hoop deelachtig te zijn, dan zich met veel goeds te vleien, dan zich met de liefelijkste uitzichten, met de eeuwige zaligheid te streelen, en in \'t einde zich bedrogen te vinden. Slechts de Christelijke hoop beschaamt niet.

Begeert gij die hoop? „Kennis der kwaal is begin der genezing.quot; Wie waarlijk erkent, dat het ook van hem geldt: „Geene hoop hebbende en zonder God in de wereld;quot; dat hoop zolder Christus zinsbedrog is, en God zonder Christus een verteerend vuur voor den booze; wie zijne ontzettende armoede beseft, neen, hij behoeft niet hopeloos de ware hoop te zoeken. Zeg alle valsche gronden van hoop vaarwel, wil van alle bekleed-selen der schande ontdaan worden; reken alles schade, wat gij tot hiertoe gewin hebt geacht; word arm en ontbloot bij u zeiven; zie alle hoop aan uwe zijde wegvallen; verfoei u zei-

-ocr page 79-

67

ven, dat gij vleescli tot uw arm hebt gesteld; aanbid Gods ontferming, die u nog niet liet zinken in den afgrond des ver-derfs; buig u voor den troon der genade; val den levenden Heiland te voet; werp u neer op Zijne beloften; laat u levend maken door Hem, die nog des Geestes overig heeft.

Waar het hart zonder God niet langer leven kan, daar blijft het niet zonder hoop. Waar het hart alleen op den gekruisigden en opgewekten Jezus rust, daar oefent de hoop weldadige kracht. O, het is mogelijk veel van Christus te kennen, te belijden, te bewonderen, ja, zelfs. Zijn Woord te verdedigen zonder één met Hem te wezen; maar waar Christus leeft in het hart, waar het hart wenscht te leven voor Hem, daar leeft ook de hoop, die niet beschaamt, .omdat zij is door den Heiligen Geest.

Waardeert gij die hoop? Deze vraag geldt u, mijn broeder en zuster, voor wien Petrus taal waarlijk verstaanbaar werd. Dan wast gij ook dagelijks op in de genade en kennis onzes Heeren en Zaligmakers Jezus Christus. Dan wordt Hij steeds meer uw vertrouwde, wien gij laat lezen in al de schuilhoeken uwer ziel, en uw vijand acht ge eiken vriend, die u zoekt te verwijderen van Hem. O, waardeer haar, de hope, zij is, de dochter des hemels. Zij doet leven. Neem uit het dagelijksch leven de hoop weg, het is zoo arm en ledig. Wat doet den kranke gewillig de bitterste artsenijen gebruiken, en zijn lichaam overgeven aan het mes van den wondheeler? De hoop op herstelling. Waarom grijpt de schipbreukeling, in het midden der schuimende golven naar de plank, die van het verbrijzelde vaartuig dreef? Hij hoopt zijn leven te redden.

Wat geeft die moeder kracht dag en nacht te waken aan het krankbed van haar man? Ja, de liefde, die zij voor hem gevoelt, de liefde, waardoor zij zich zelf en geheel aan hem geven kan, maar de liefde, gevoed ook door de hoop, dat hare zorg bekroond zal worden en de kranke teruggevoerd van voor de poorten des doods. De hoop op volkomen vrede doet het bekommerd hart, hoe ook neergebogen door het bewustzijn eener opene schuld, vluchten naar Gods troon, geweld doen op het Koninkrijk der hemelen. De hoop op betere dagen doet de zorgen des levens dragen. De hoop, doch waartoe meer? Nooit kan de Christelijke hoop genoeg gewaardeerd worden. Daarom heeft de Christen zich te oefenen in de rechte kennis van God. Hoe meer hij zich God voor oogen stelt, zooals Hij is, en zooals Hij zich geopenbaard heeft in Zijne volkomenheden, in den weg der genade en der verlossing, als Vader, Zoon en Geest, als een God van zaligheid, ja, van volkomene zaligheid,

-ocr page 80-

68

des te meer zal het licht der hope hem bestralen, hem leeren, leiden, lokken, troosten en bemoedigen.

Geloof en hoop gaan hand aan hand. Het zijn tweelingzusters. En wederom de hoop wordt uit het geloof geboren, terwijl de hoop op hare beurt voedsel geeft aan het geloof. Daarom oefene de Christen zich in de eenvoudigheid des ge-loofs. Hij verlate zich meer op de getuigenissen Gods en zuchte gedurig: „Amen! mij geschiede naar üw woord!quot; Hij oefene zich veel in opmerkzaamheid op des Heeren leiding en trouw. Hij oefene zich vooral in de Godzaligheid, in eenen dagelijkschen omgang met God, tot nauwgezetheid in al den omvang zijner verplichtingen. Zoo wordt de hope versterkt! •Ta zij groeit bij een leven des gebeds, bij het staren op de beloften en deugden Gods, bij het herdenken aan genotene zegeningen en een bevreesd zijn voor de zonde. Met éen woord, zij groeit, waar het hart zich aan de genade, zich dicht bij Jezus houdt. God verheerlijkt. Dat geve, beware, vermeere ons de Heilige Geest. Die Geest wekke gedurig in ons verlangen 7iaar God en Christus, en schenke ons menige voorproef, van wat ons wacht daar boven, waar het geloof niet zal zijn, omdat het aanschouwen is gegeven; waar de hoop niet zal zijn, omdat het gehoopte is verkregen; maar waar de liefde volkomen zal zijn. Daar, in de algemeene vergadering en gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn. Daar zien wij ons vereenigd met de godvruchtigen van alle tijden; met de Abrahams en de Davids van den ouden, met de Paulussen, de Johannessen van den nieuwen dag, alle apostelen, alle martelaars, alle wedergeborenen te zamen! Daar zullen wij tot één huisgezin vergaderd zijn. Dair rusten wij samen aan het eeuwige liefdehart Gods, die dan in ons alles zal wezen. Hem zij de heerlijkheid, beide nu en in den dag der eeuwigheid!

-ocr page 81-

DE HOOGSTE WETENSCHAP.

„Want wij weten, dat. zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, eeuwig in de hemelen.\'\'

2 Cor. 5 : 1.

Dit is een woord van Paulus.

Paulus was „een Joodsch man,quot; uit den stam van Benjamin. Hij was uit Joodsche ouders te Tarsen in Cilicië (Klein-Azië) geboren, maar had van geboorte het Romeinsch burgerrecht. Vroeger bij den Hebreeuwschen naam „Saulusquot; bekend, trad hij na zijne bekeering, bij zijn arbeid onder de Heidenen, onder den Romeinschen naam Paulus op.

Op jeugdigen leeftijd reeds door zijne ouders aan het onderwijs van den beroemden wetgeleerde Gamaliel toevertrouwd, was hij wetenschappelijk gevormd. En ofschoon het in den beginne scheen, dat al zijne kennis en rijke gaven gebruikt zouden worden in den strijd tegen het Christendom; ja, ofschoon hij bestemd scheen om het jonge Christendom tot op zijne grondslagen om te woelen, werd hij, o diepte des rijk-doms, beide der wijsheid en der kennis Gods! door des Heeren genade een dienaar des Nieuwen Testaments om des Heeren Naam te dragen voor de Heidenen en de koningen en de kinderen Israels!

Wij weten, hoe hij, „dreiging en moord blazende tegen de discipelen des Heeren,quot; op Damascus\' weg is staande gehouden in zijn geweldigen loop. En sinds die ure, welke omkeeringen in zijn wil en wandel!

Hij, die als grimmige bloedgetuige met innerlijk welbehagen

-ocr page 82-

70

lt;ie steenen zag werpen op den eersteling-martelaar des Nieuwen Verbonds, achtte nu niets begeerlijker dan de martelkroon van dienzelfden Stefanus. Hij, die als leerling van Gamaliel zich schier niet verzadigen kon aan de bedorvene overleveringen der Joden, wierp nu de wijsheid der wereld als dwaasheid weg om niets te weten dan Jezus Christus en dien gekruisigd.

Bij niemand was de verandering zoo sterksprekend als bij dit „uitverkoren vat\'* des Heeren.

Den bode des doods naar Damascus zien wij voortaan als bode des levens het verlorene zoeken.

Dat mocht hij ook in Corinthe doen.

Corinthe was de hoofdstad van Achaje, eene provincie van het oude Griekenland. De stad was vermaard door de pracht harer openbare gebouwen, de uitgebreidheid van haren koophandel en de geleerdheid van hare inwoners. Zelfs werd zij „het licht en het sieraad van Griekenlandquot; genoemd. Zij was tevens berucht door de zedeloosheid, die binnen hare muren heerschte. Naar de wijze der Corinthiërs te leven wou zeggen, aan allerlei ongebondenheid zich over te geven.

Naar dat Corinthe zond God Paulus heen, en deze arbeidde er met vrucht. Na een verblijf van l\'/j jaar mocht hij, in weerwil van den machtigen tegenstand zoowel van Joden als van geleerde Grieken geboden, eene gemeente achterlaten, die met buitengewone gaven des Geestes in ruime mate was bedeeld en o. a,. een Apollos, een Aquila en «en Priscilla onder hare leden telde.

Maar ach, ook Corinthe\'s gemeente verloor hare maagdelijke reinheid spoedig, gaf hare eerste liefde prijs, zag weldra den bloeitijd van haar geestelijk leven zich de vleugelen reppen. Menig treurig gebrek overschreed haren drempel, menige zonde ontsierde hare leden. De zondige omgeving werkte er besmettend. Allerlei partijschappen werden er geboren. Valsche leeraren vonden er ingang.

De Apostel, innerlijk bedroefd over zoo\'n treurige wending, greep naar de stift, om in Jezus\' Naam de afgewekene gemeente op hare zonden te wijzen en tot bekeering te maner. Ook om haar in te lichten aangaande onderscheidene zaken, o. a. omtrent het huwelijk, de vleeschspijzen, die aan de afgoden geofferd waren, en de geestelijke gaven.

Dit schrijven trof door \'s Heeren zegen doel. Eene hervorming kwam in de gemeente tot stand. Er werd tucht des Heiligen Geestes geoefend, en de tucht in naam van den Koning-Priester van het Godsrijk kwam weer in eere.

Nu zagen de valsche leeraren hun invloed verminderen.

-ocr page 83-

71

Wat wonder, dat zij op Paulus verbitterd waren en hem met laster overdekten.

Andermaal greep de trouwe dienaar naar de pen; nu om de boetvaardigen te vertroosten en te bemoedigen en zijn gedrag tegenover de kwaadwilligen te rechtvaardigen. Hoe stroomen zijne redenen over van dat eerlijke, dat reine, dat welluidende en lieflijke, dat hij elders zelf zoo nadrukkelijk heeft aangeprezen! Troostwoorden en vermaningen, wenken en heilwenschen spelen er op innemende wijze door elkander.

Het is te voelen, Paulus weet zich dienstknecht van Christus. Hij is zich bewust vrijgekocht te zijn en geen dienstknecht des menschen dan om \'s Heeren wil te mogen zijn. Hij heeft de gemeenten hartelijk lief, en met de bede: „mag Uw Naam maar eer ontvangen!quot; in het hart, arbeidt hij aan de uitbreiding van het rijk zijns Meesters, aan de opbouwing en volmaking van het lichaam, waarvan Deze is het Gezegend Hoofd.

In ons tekstvers geeft Paulus de reden aan, waarom hij en andere geloovigen van zijn tijd de vervolging om de zaak van Christus met zulk eene onbewegelijke standvastigheid en heilige grootmoedigheid verduurden: zij hadden het vooruitzicht van betere dingen, namelijk de vaste en welgegronde hoop op een eeuwig zalig leven. „Gij behoeft u niet te verwonderen,quot; wil de apostel zeggen, dat wij de scherpste beproevingen om den godsdienst gewillig en blijmoedig ondergaan ; want wij zijn verzekerd, dat de avond den dag zal kronen; dat, als de laatste adem onze bleeke lippen ontvlucht, onze ziel zal worden opgenomen in den hemel, en wij weten, dat, zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis, niet met handen gemaakt, eeuwig in de hemelen.quot;

Wij willen des apostels woord verklaren, bepleiten en ter behartiging aandringen.

De apostel gewaagt van de hoogste wetenschap. \' Geene wetenschap toch is hooger, dan die op het hoogste gebied zich beweegt, de hechtste grondslagen heeft en de rijkste resultaten verkrijgt.

Laat ons dan bij den aard, den grond en den ernst van die wetenschap stil staan.

De beteekenis van des apostels woord nagaande, leeren wij den aard van de hoogste wetenschap kennen.

Dat Paulus, als hij spreekt van „ons aardsche huis dezes tabernakelsquot; het tegenwoordige lichaam bedoelt, behoeft geen betoog.

Dit lichaam heet een huis. Het is woning en werktuig van

-ocr page 84-

72

den redelijken geest, eene woning, waarin de Heere kennelijk zijne macht en zijne wijsheid heeft verheerlijkt.

Een aardsch huis. Uit de aarde genomen wordt het door de aarde gevoed en keert het straks tot de aarde weder.

Een tahemahel. Tenten, til- of draagbare woningen werden vroeger vooral door reizigers en krijgsknechten gebruikt. In de Oostersche landen, toen men niet overal „gebaande wegenquot; had, aan versnelde middelen van vervoer niet dacht en met allerlei moeielijkheden en gevaren worstelen moest, voerden de reizigers deze draagbare woningen met zich.

Van Abraham is gezegd, „dat hij door het geloof een inwoner geweest is van het land der belofte, hebbende in tabernakelen gewoond met Izaak en Jacob, die medeërfgenamen waren derzelver beloften.quot; Zij woonden in tabernakelen, omdat zij slechts gasten en vreemdelingen waren in dat land.

Het komt ons voor, dat de apostel, als hij onder leiding des Heiligen Geestes dit woord kiest, hierop zinspeelt en ons mitsdien predikt, dat de geloovigen, zoolang zij in dit lichaam zijn, reizigers zijn. Inderdaad, zij zijn pelgrimmen op aarde. Hun Vaderland is boven. Zij trekken hier slechts door. Niet slechts heeft David gepleit; „ik ben een vreemdeling op aarde, verberg voor mij uwe geboden niet,quot; maar alle geloovigen, van den ouden en van den nieuwen dag, hebben beleden, „dat zij gasten en vreemdelingen op aarde waren en begeerig naar een beter Vaderland, dat is een hemelsch.quot;

Gelukkig, als wij, ons onzen toestand bewust, de vreemdelingsgestalte omdragen. Dan zullen wij gemoedigd de lasten des levens torschen. Niet op reis, maar in het Vaderhuis mag de rust worden verwacht!

Krijgslieden gebruikten en gebruiken, vooral in oorlogstijd, tabernakelen. Zij zijn menigmaal genoopt zich te verplaatsen.

De geloovigen zijn geestelijke krijgers. De weg naar het Vaderland wordt hun door tal van vijanden betwist. Daarom worden zij steeds in de schrift vermaand, om aan te doen de geheele wapenrusting Gods.

Zouden zij geen krijgslieden zijn?

Hun God is de Heere der heirscharen, wien Mozes toezong; „de Heere is een krijgsman!quot;

Hun zaligmaker is de overste Leidsman en Voleinder des geloofs. Die krijg voert in gerechtigheid.

En de juichtoon, waarmede stervende broeders den hemel binnen gingen, was: „Ik heb den goeden strijd gestreden.quot;

Zij hebben, onder de banier van den Koning-Priester van het Godsrijk, met wapenen uit des hemels tuighuis en in de

-ocr page 85-

73

kracht des H. Geestes te strijden den goeden strijd des geloofs. Eens treden zij als meer dan overwinnaars uit het slagveld. Het eind van nun pelgrimstocht is het eind van hun strijd.

Dat de woonstede van de geloovige ziel een tabernakel heet, wijst dus aan, dat de Christen èn reiziger èn krijgsman is.

Een bouwvallig huis. Een huis, dat „gebroken zal worden.quot;

De psalmist vraagt: „wat man leeft er, die den dood niet zien zal? Die zijne ziel zal bevrijden van het geweld des grafs?quot; De dood heeft, het is naar waarheid gezegd, zijne zegeteekenen opgericht over heel de aarde. Monarchen, die de wereld hebben doen beven voor de scherpte huns zwaards, hebben zich moeten overgeven aan dezen bode Gods. De dood ontziet niemand en niets.

Ook de Christen moet sterven. Dit kan soms bevreemden. Zeker sterven de geloovigen niet tot betaling voor hunne zonden ; want Christus heeft alles volbracht. Henoch en Elia staan als bewijzen voor ons oog, dat Gods rechtvaardigheid het sterven der geloovigen niet vordert.

Hun dood is een ontwapende dood.

Toch hebben zij den doodstrijd te strijden, en die strijd kan soms zeer smartelijk zijn. Wijs en liefderijk is deze handelwijze des Heeren. Menig Christen is op het sterfbed heerlijk geoefend in den weg der genade, en menig stervende Christen is ten onberekenbaren zegen voor anderen geweest.

God kon Zijne kinderen wel opeens heilig, volkomen zalig maken in de ure der bekeering; doch dan zou veel lieflijks gemist worden: de ervaring der genade door een trouvvhou-denden God verleend; en daarboven zou stof minder zijn voor de eeuwige liederen, die de verlosten uit groote verdrukking zingen! Zoo ook behoort het sterfbed tot het geheel, en in den hemel wordt gedankt, voor wat de Christus voor den stervenden Christen was, en voor wat de stervende Christen voor anderen mocht zijn. Nu blijft ook op aarde de onfeilbare aanwijzing ontbreken, van wie al dan niet zalig is: eene aanwijzing, die in het verheerlijkt worden van den eenen en in het sterven van den anderen gegeven zou zijn. Nu aan ons de trouwe arbeid der liefde aan het hart van den naaste tot aan zijn graf en dan het oordeel aan Hem, die de geesten weegt. Nu blijft de Heiland trapsgewijze de zaligheid toepassen, waar Hij eerst de ziel, later ziel en lichaam beide zaligt. Nu wordt geheel de gemeente tegelijk de volkomene zaligheid deelachtig, als zij op den morgen der opstanding, aan de hand des Zoons, het Vaderlijk huis wordt binnen geleid, en de Bloedbruidegom Zijne door Zijn bloed verkregene

-ocr page 86-

74

en door Zijn Geest vernieuwde bruid, als eene reine maagd den Vader zal voorstellen.

De Kerk der toekomst zal van allen dood verlost zijn. De heerschappij van den dood behoort tot den tijd, de heerschappij van het leven tot de eeuwigheid.

Dit is troostrijk voor den Christen: hij sterft wel; maar zijn lichaam wordt niet. vernietigd. Zijn tabernakel wordt afgebroken. God zal dien straks opbouwen. Ofschoon tot in zijn kiem en grondstof vergaan, zal het lichaam worden opgewekt.

Daarom gewaagt de Apostel van „een gebouw van God, een huis niet met handen gemaakt, eeuwig in de hemelen.quot; Hij bedoelt het toekomstig lichaam der opstanding.

Dit zal zijn een gebouw van God.

Niet middellijk, maar door eene rechtstreeksche werking Zijner almacht wordt het verkregen.

Het is niet ter afbraak bestemd.

Het kent geen lijden.

Het zal geen werktuig der zonde zijn.

Het veroorzaakt geene scheiding, geene uitwoning van den Heere.

Het is gelijkvormig aan het lichaam van Christus\' heerlijkheid.

Dit lichaam zullen wij hebben, zegt de apostel. Wij weten het.

Dit is de ^efco/s-wetenschap.

De wetenschap der geloovigen.

De geloovigen weten dikwerf niet veel van de dingen dezer aarde, maar zij hebben de hoogste wetenschap.

Verre zij het van ons minachtend neêr te zien op kennis en bekwaamheden. Integendeel; wij hebben de wetenschap te waardeeren, op hare beoefening aan te dringen en haar voor het Godsrijk te verwerven; maar;

Talen zullen te niet gedaan worden; want in het Vaderhuis en op de nieuwe aarde heerscht slechts ééne taal, die Jezus al Zijnen verlosten, de breede schare uit het Noorden en Oosten, het Zuiden en Westen leert.

Sterrekunde verliest hare waarde; want de sterren zullen afvallen „als onrijpe vijgen,quot; en „de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft haar verlicht, en het Lam is hare kaars.quot;

Land-, Staat- en Volkenkunde doen eenmaal geen nut meer; want deze eerste dingen gaan voorbij. Er is slechts één onbewegelijk koningrijk, dat van Jezus Christus.

Rechtsgeleerdheid heeft eens geen waarde meer; daar boven

-ocr page 87-

75

behoeft geen vierschaar gespannen; „in haar zal niet inkomen, iets dat ontreinigt.quot;

Kennis der kwalen van het menschelijlc lichaam is eens overbodig; want „geen inwoner zal zeggen: ik ben ziek.quot;

Krijgskunde wordt niet meer beoefend; want het vrederijk is gekomen.

Hooger dan al deze wetenschappen staat de gehofs-wetenschap.

Zij beweegt zich op het hoogste gebied.

Zij wordt niet verkregen op menschelijke wijze.

Niet in de boekenzaal der geleerden en wijzen, maar in de binnenkamer der eenvoudigen van hart.

Zij laat zich niet aanleeren.

Niet opdringen.

Niet wiskunstig bewijzen.

Zij is gave.

Gave van Gods genade.

Door Zijn Woord en Geest deelt Hij haar mede.

Zij wordt geschonken met het geloof, dat Gods waarheid beaamt, naar Christus drijft, met Christus vereenigt, Gode doet leven en aan den hemel verbindt.

Het geloof dat tot tweelingzusters heeft de liefde en de hope.

Het geloof is het middel tot zaligheid.

De hoop is de verwachting der zaligheid.

De liefde is de voorproef der zaligheid.

En in dat geloof, met die hope, door die liefde sprak Paulus: „wij weten, dat zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis, niet met handen gemaakt, eeuwig in de hemelen.quot;

Maar had Paulus wel recht om zoo te spreken?

Wij willen zijne betuiging bepleiten en u wijzen op den grond der hoogste wetenschap.

Deze wetenschap overtreft alle aardsche wetenschappen, wijl zij op de hechtste grondslagen is gebouwd.

Hoe wankel zijn vaak wijsgeerige stelsels.

Hoe onzeker de uitspraken der geleerden.

Wat al strijd op het gebied van staatkunde, waar partijen en beginselen onverzoenlijk tegen elkander staan. Strijd op het gebied van de wetenschap, waar aan den eenen kant met warmte wordt verdedigd, wat men aan den anderen kant hardnekkig verwerpt.

Strijd onder de artsen, die gij aan uw krankbed roept, waar de een als geneesmiddel roemt, wat de andere u ten sterkste ontraadt. Strijd op het gebied van de Kerk, waar zelfs de

-ocr page 88-

76

droevigste verdeeldheid discipelen van Jezus, soms zeer verre zelfs, van elkander verwijdert.

Maar op het gebied van de hoogste wetenschap kan zonder aarzelen gezegd: ivij weten. Niet wij meenen; wij weten.

Of zou eene zalige opstanding aan eenigen redelijken twijfel onderworpen zijn?

Bedriegt de gemeente van Christus zich, als zij zich met die verwachting troost?

Zou het mogelijk zijn, dat zij zich in dezen bedroog? Immers neen.

Geven wij eerst ons begrip aan, van wat wij opstanding hee-ten. De mensch bestaat uit twee deelen; het stoffelijk lichaam en den onstoffelijken geest. Deze beide maken ééne persoonlijkheid uit. In zekeren zin leeft het lichaam door zijne ver-eeniging met den geest; de geest leeft in en werkt door het lichaam. Door de zonde is de dood over den mensch gekomen. De dood verbreekt de band tusschen lichaam en geest. De geest verlaat door den dood zijn lichaam, om zonder dat in een ander oord te leven; het lichaam wordt ontbonden en keert weder tot stof, waaruit het gevormd was. Opstanding is terugkeer van den geest in het lichaam, waarvan hij door den dood gescheiden was; hereeniging der beide deelen, waaruit de mensch oorspronkelijk bestaat. Zij is geene nieuwe schepping. Zij is herstelling van het gestorven lichaam tot woning en werktuig van den geest; vernieuwing van den verbroken band tusschen die beide. Zij kan evenzeer plaats vinden, wanneer het gestorven lichaam grootendeels of reeds tot in zijn kiem en grondstof is ontbonden, als weinig tijds na den dood. Met haar is bestaanbaar verandering, niet van het wezen, maar van de eigenschappen des lichaams. Van den aard dezer verandering hangt het af, of het herstelde leven van den opge-stanen doode alleen is een voortgezet oj ook een hooger, een verheerlijkt leven.

Ons Godsbegrip verklaart de opstanding mogelijk; de natuur predikt haar als waarschijnlijk; de voorbeelden in de Schrift vermeld stellen haar aanschouwelijk; de uitspraken der Schrift maken haar ontwijfelbaar.

Van zelfmisleiding kan dus alleen sprake zijn, wanneer ons Godsbegrip valsch en de gewijde Schrift onbetrouwbaar mocht kunnen heeten.

Voorts steunt de verwachting des Christens, eens naar ziel en lichaam beide volkomen zalig te zullen zijn, op onderscheidene gronden.

B. v. Op alle deugden Gods. Gods liefde is eene eeuwige

-ocr page 89-

77

liefde en aan geene verandering onderhevig. Gods wijsheid staat ons borg, dat Hij bij de ontwerping van het plan der verlossing de beste middelen koos om tot het heerlijkst einde te brengen. Gods almacht kan alles uit den weg ruimen, wat de bereiking van dat einde dreigt te belemmeren en alles in het leven roepen, wat Hij tot verkrijging van dat einde verkiest te gebruiken. Gods trouw reikt aan Zijne liefde de hand, vergezelt Zijne wijsheid op al hare wegen en maakt, voor wie gelooft, Zijne almacht onbeschrijfelijk dierbaar. De deugden Gods zijn eeuwig, zoo oud als God zelf, en zoomin God Zijne deugden verloochenen kan, dat is, zoomin God ophouden kan God te zijn, zoomin kunnen zij, die op Hem hunne hope bouwen, onder de macht en het verderf der zonde blijven.

Denk voorts aan de Volkomene voldoening van Christus. Voorwaar God heeft, verkiezende, niet gezien op iets, dat in het schepsel was. Zijn oog zag in de eeuwigheid den afval van ons geslacht en beschouwde de wereld door de zonde verloren voor Hem en voor zich zelve. Men heeft terecht gevraagd : „waardoor zou eene wereld, die in dwaasheid en boosheid verzonken lag, een geslacht, dat, diepverdorven en laag gezonken, van eeuw tot eeuw zonde en goddeloosheid overplantte met den rechtmatigen vloek van den vertoornden God en enkel scheen voort te leven op aarde om opstand te doen voortduren in de wereld van Gods schepping, waardoor zou het Gods ontferming hebben uitgelokt?quot; Neen, door niets werd Hij bewogen dan door Zijne vrije, de liefde des zondaars voorkomende, de liefde des zondaars niet behoevende, uit eigen beweging werkzaam zijnde liefde.

Maar opdat de openbaring dezer liefde op eene Hem betamelijke wijze zou kunnen geschieden, heeft Hij zijn eigen eengeboren Zoon, den deelgenoot Zijner Goddelijke natuur en Zijns wezens, verorderd tot den volvoerder Zijns raads en dezen gegeven tot een Middelaar van het genade-verbond. .Van dat verbond is Hij, Christus, de Borg, het onderpand geworden, want daar staat geschreven; „en de Heere heeft gezworen, en het zal Hem niet berouwen. Gij zijt priester in eeuwigheid naar de ordening van Melchizedek.quot; Hij, de eeuwige Zoon des eeuwigen Vaders is verschenen; menschelijk vleesch en bloed aangenomen hebbende, heeft Hij al de Zijnen in het Goddelijk gericht vertegenwoordigd. Aan al de eischen der wet heeft Hij voldaan, hare vloeken getorscht, hare straffen geleden, de gerechtigheid, die zij eischte, op het volkomenste vervult. In Hem heeft God het zich mogelijk gemaakt de zegeningen, eeuwige zaligheid te schenken, gelijk Zijne liefde die had toegedacht.

-ocr page 90-

78

In Hem ziet God de geloovigen aan; Hij heeft in ééne of-ferhande in eeuwigheid volmaakt degenen, die geheiligd worden, en vermits Hij, overgeleverd om hunne zonden en opgewekt tot hunne rechtvaardiging, tot in eeuwigheid leeft, heeft Hij „een onvergankelijk priesterschap, waarom Hij volkomen kan zaligmaken, die door Hem tot God gaan, alzoo Hij altoos leeft om voor hen te bidden.quot;

Door Christus vrijgekocht, naar ziel en lichaam, moeten de geloovigen de eeuwige vruchten van die verzoening genieten.

Door Christus tot den eerrang van zonen en dochteren des Allerhoogsten teruggebracht, moeten zij deelen in de erfenis huns Vaders.

Is het recht op de eeuwige zaligheid verworven, dan moeten zij door de poorten ingaan in de stad; dan is er geen reden waarom Paulus\' verwachting zou worden beschaamd; „want wij weten, dat, zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen.quot;

Let op de Voorbede van Chi-istus. Zooals Mozes noch Elias noch eenig schepsel bidden kon, bad Jezus in de dagen zijner vernedering, toen Hij het einde zijner baan naderde en als reeds met de toppen zijner vingeren de kroon aanraken kon; „Vader, Ik wil, dat daar Ik ben, ook die bij mij zijn, die Gij mij gegeven hebt, opdat zij Mijne heerlijkheid aanschouwen.quot; Dat is de voortdurende bede van den Hoogepriester. Hij wil de Zijnen bij zich. Zij hebben Zijne heerlijkheid te aanschouwen. Zij hebben in Zijne wonden te lezen. Zij hebben „met Hem te zitten in Zijnen troon.quot;

Deze toekomst wordt ook gewaarborgd door de nauwe ver-eeniging van den gehovige met Christus. De geloovigen zijn één met Christus. Hij heeft hun vleesch en bloed aangenomen en zij zijn door genade één geest met Hem. Hij is hun Hoofd: zij zijn Zijn lichaam. En de verheerlijking van het Hoofd laat niet toe, dat het lichaam in oneere zou blijven. Daarom zegt ook Johannes: „wij zullen Hem gelijk wezen.quot; Gelijk aan Christus, maar in onze mate. Eene gelijkheid, niet volkomen, maar ten deele, als, doch slechts aarzelend kies ik een beeld, tusschen den droppel en den oceaan, tusschen het vonkske en het vuur. In alles zal Christus boven de Zijnen uitblinken, maar van Zijne heerlijkheid zal Hij op hun leggen.

Dit verzekert ook de inwoning des Heiligen, Geestes in den gehovige.

De Heilige Geest, hun bij de wedergeboorte geschonken, leidt hen, doet hen bedenken de dingen, die boven zijn, leert hen

-ocr page 91-

79

waken, bidden, strijden, vervult hen met begeerten naar huis, en het bezit van dien Geest is het onderpand, dat zij er eenmaal aanlanden zullen. Christus\' verheerlijkt lichaam is den geloovigen een onderpand hunner zalige verrijzenis uit het graf, en de inwoning van den Heiligen Geest, Christus\' Plaatsvervanger op aarde, strekt hun ten waarborg, dat zij naar ziel en lichaam altijd bij den Heere zullen zijn. Elke bede, die opgezonden, elke zucht, die geslaakt wordt, is een bewijs, dat de geloovige eene zalige toekomst tegengaat.

De Heilige Geest kan niet gedoogen, dat het lichaam, waar in Hij als in Zijn tempel woonde, prooi blijft van den dood. Hij bewaakt het graf als het domein van Christus en bezielt straks de opstanding van die van Christus zijn.

Opstanding, heerlijke opstanding, neen wij verwachten haar niet vergeefs.

Uit „dit ons vleeschquot; zullen wij God aanschouwen. De liefde des Vaders, de genade van den Heere Jezus Christus en de gemeenschap des H. Geestes verzekeren het ons.

Laat ons in die hope leven. De vrucht zal niet achter blijven. Wij zullen met de aarde verzoend zijn, naarmate wij van den Hemel zeker zijn. Ons wachten voor besmettingen des vleesches en des geestes naarmate wij ons eigendom weten van Hem, Die voor eeuwig behoudt.

Ons rest, des Apostels woord ter behartiging aan te dringen. Zijne wetenschap is de hoogste; want zij verkrijgt de rijkste resultaten. Let slechts op haar ernst en haar troost. Resultaten hier en grinds.

Deze wetenschap doet de dingen van dit leven uit een gansch ander oogpunt beschouwen dan vroeger. Waar wij het leven eene reis achten naar ons eeuwig huis, daar verkrijgt het eerst recht beteekenis, waarde in ons oog.

Deze wetenschap heiligt. In de hope der heerlijkheid te leven en de zonde na te jagen kan niet samengaan. Naarmate de wetenschap leeft in de ziel, dat een lichaam, gelijkvormig aan dat van Christus\' heerlijkheid, ontvangen zal worden, zal het vleesch minder tot begeerlijkheid kunnen worden verzorgd.

Deze wetenschap maakt niet „opgeblazen.quot; Zij verootmoedigt het hart.

Zij troost.

Ach, zoolang de christen woont in dezen aardschen tabernakel, heeft hij met tal van bezwaren te worstelen. „Wij zuchten,quot; zegt Paulus in ons teksthoofdstuk. En er zijn dik-

-ocr page 92-

80

werf redenen om te zuchten, om „bezwaard te zijn. Maar de wetenschap, dat na den korten strijd des levens eene eeuwige heerlijkheid wacht, troost in druk, sterkt in den strijd, bemoedigt, als de toekomst bang en donker schijnt.

Straks, als het geloof met aanschouwen zal zijn verwisseld, als er in zekeren zin niets meer te hopen zal zijn, zal de liefde eeuwig het resultaat dezer wetenschap roemen — zoo toch de toekomst de stoutste verwachting verre zal overtreffen!

Is die wetenschap de uwe, mijn lezer?

Zijt gij zeker, dat uwe ziel, als God u tot sterven roept, wordt opgenomen in den hemel ? Dat ge in den dag der dagen deelen zult in de zalige opstanding?

Zeg niet, men kan dit niet weten. Pauluszegt: „wij weten.quot; Job zei vroeger: „ik weet.quot; En al de bijbel-heiligen hoort ge op den toon der vaste verzekerdheid gewagen van de dingen der eeuwigheid.

Scherts dan onze vraag niet weg. Het is de levensvraag.

Ach, als gij hier in dit lichaam zoo te huis zijt, als uw God de buik is, als ge u boven alles bekommert, om naar de dwaze gewoonte der wereld u te kleeden in ijdele pracht en met wulpschen tooi — neen, dan kunt gij niet verzekerd zijn, dat gij deelen zult in het heil, dat de dag der eeuwigheid aan Jezus\' gemeente zal baren. Uw geweten getuigt iets anders, hoe ge ook dikwerf dien trouwen waarschuwer daar binnen tot zwijgen zoekt te brengen, omdat de valsche rust u bekoort. Erken, dat er onderscheid is tusschen de aarde en den hemel; dat het de gelukkigste menschen niet zijn, die op deze wereld het vroolijkst leven; dat de dood alleen dan geene verschrikking voor ons behoeft te zijn, als wij het eigendom zijn van dien Jezus, die den dood der smarte en des smaads en des vloeks heeft willen sterven en het nadrukkelijk verzekert: „Wie in mij gelooft zal leven, al ware hij gestorven.quot; Niemand wordt door Christus uitgeworpen. Zoek, zoek dan de behoudenis in Hem. Dit hadt gij reeds lang moeten doen. Toch is het niet te laat. Gij zijt nog buiten de hel. Al waart gij, om zoo te spreken, de snoodste der snooden, ook in den diepsten kuil der ellende reikt de reddende hand van Hem, Die .zondaren tot zaligheid roept. Aan de voeten van Jezus komt niemand om. Pleit op het bloed, dat voor verlorenen stroomde. Pleit op de beloften van het onvoorwaardelijk Evangelie. Pleit op uw doop. Breek met de zonden. Lever uwe boezemzonden aan Jezus uit. Smeek hem door Zijn geest de kracht der zonde in a te verbreken en u te doen opstaan tot een nieuw leven. Levens-

-ocr page 93-

81

kracht gaat van den opgestanen Jezus uit. Leven stroomt uit Hem, als liet Hoofd, door al de aderen van het lichaam, dat Hem behoort. Zalig wie dat leven kent.. . Hier ouder strijd begonnen, zal het namaals in heerlijkheid worden voortgezet.

Dat is uw hoop, mijn broeder en zuster. Wel vreest gij soms, dat gij u zelve bedriegt. En zeker is voortdurend zelfonderzoek noodig. Ons hart is arglistig. Zelfbedrog zoo gevaarlijk. Maar toch houdt moed. De Heere veracht u niet. Wacht Hem, bij het biddend waarnemen der middelen, gedurig op, of gij Hem ontmoeten moogt. Waakt tegen ongeloovig woelen, als gij gevoelige genade mist. üw wandel zij met God. Dat is, aan de hand van Zijn woord. Dit woord maakt wijs tot zaligheid. Uit dat woord wordt de hoogste wetenschap verkregen. Uw hart zij in den hemel. Daar is uw vaderland!

Ach, wat weinig zekerheid in de gemeente van Christus! En toch is de Heere gekomen om leven en overvloed te geven. Toch laat Hij zich niet slechts zoeken, maar ook vinden.

Zou dit droeve verschijnsel ook samengaan met veel wereldsch-gezindheid?-

Met veel onvruchtbaarheid?

Met weinig gebed?

Met weinig omgang met Jezus?

Wij oordeelen niet. Wij weten, niemand zou ooit met Pau-lus leeren roemen in gerechtigheid en vergeving, als de Heere niet zelf die verzekering wou werken. Wij weten ook, dat menig oprechte er jaren lang naar heeft uitgezien, en toen zij eenmaal ontvangen werd, geen woorden vinden kon, om het gevoel, het dankgevoel des harten, te uiten. Maar even zeker is het, dat wij ons zelf dikwerf veel „kwaad doenquot;. Dat wij al te zeer de onheilige kunst kunnen leeren, om ons achter hoogten te verschansen, waar de stroom des Geestes, die wel de laagten, maar niet de hoogten bevochtigt, ons niet bereikt.

„Benaarstig u, uwe roeping en verkiezing vast te maken,quot; klinkt ons daarom tegen. Dat is: Volhard in den gebede;

Houd u zoo dicht mogelijk bij Jezus;

Zie op het woord, op de beloften des Heeren;

Wees werkzaam met Gods deugden;

Gedenk, aan wat de Heere u schonk;

Schuw de zonde, en wat u tot zonde verlokken kan;

Laat het uwe levensbede zijn: „Heere, wat wilt Gij, dat ik doen zal!quot;

En vooral: „zijt met ooimoedigheid bekleed.quot;

Ja, dit vooral. Want er zal nimmer een geloovige zijn, die toegeeft aan hoogmoed en zelf betrouwen, of de Heere zal zijn

6

-ocr page 94-

82

roem wegnemen, zijn eer in het slijk vertrappen en hem opnieuw doen uitroepen; „ontferm u mijner; want de voornaamste der zondaren ben ik.quot; Veel ootmoed is bewijs van groote genade. En in den weg des ootmoeds worden steeds meer genadegaven ontvangen.

Voorts heb goeden moed. In strijd staat uw Jezus u ter zijde, en Hij zorgt, dat gij in den strijd niet bezwijkt. Als uw kruis u drukt, houdt uw Jezus het oog op u, en Hij zorgt, dat het u niet aan kracht ontbreekt.

Met de hoogste wetenschap kunt gij, getroost in smart, als nachtegalen des wouds zijn, die in stikdonkeren nacht zingen, terwijl de God der eere dondert. Verwacht alles van de liefde uws Gods — die liefde is inniger dan die eens Bruidegoms, teederder dan die eener moeder, trouwer dan die eens vaders. Straks zal de nacht des doods uw schedel omhullen; maar de Levensvorst reikt u de hand en geleidt u veilig in het vaderlijk huis, waar voor velen, waar voor u plaatse is bereid.

Is het hier uw vermaak om uwen God te psalmzingen van heeler harte, wat zal het dan niet zijn, als gij staan zult voor Gods troon en zoo vlekkeloos als ongedwongen zult instemmen met het lied des hemels; „Halleluja, de zaligheid, de heerlijkheid, de eer, de kracht zij den Heere onzen God!quot; Is t.et hier in de woestijn reeds goed — wat zal het dan zijn, als gij in het Paradijs zult zijn? Wordt in het strijdperk reeds veel genoten, wat zal dan niet genoten worden, als gij de kroon der overwinning voor Christus voeten werpen zult. Nog enkele uren, en gij zijt ver van deze arme en zondige aarde voor eeuwig in Gods schoot bewaard.

Ja, ook in den grafkuil zult gij wonen, maar zeker wonen; want uwe ziel wordt in den dood niet verlaten. Uit den grafkuil wordt eens uw stof verzameld, en voor de afgesleten pij ontvangt gij vorstelijk purper.

O zalige ure, als ons het pad des levens bekend gemaakt wordt en ons volle verzadiging van vreugde in het leven der opstanding wacht! Met die hope, met die wetenschap troosten wij ons. Zij geeft kracht in het leven. Zij blijft bij in de stervensure. Zij zal boven bidden en denken worden bekroond.

„Laat ons in die hope leven ;

Want het uur breekt spoedig aan,

Dat, van zond\' en smet ontheven.

Rondom Jezus\' troon, wij staan !quot;

-ocr page 95-

NIEÏ IN HET AARDSCHE.

„Het is niet ia den overvloed gelegen, dat iemand leeft uit zijne goederen.quot; Luk, 12 : 15?.

De Heiland waarschuwt tegen gierigheid. Hij wil het aard-sche op den rechten prijs doen schatten. Het heil moet er niet in gezocht worden. Daarom vermaant Hij: „Ziet toe, en wacht u voor de gierigheid.quot; De Heiland wil zeggen: het ware geluk, het genoegen bestaat niet in den overvloed.

Zoo lang wij op aarde zijn, hebben wij het aardsche van noode. De aardsche tabernakel kan de aardsche steunpilaren niet missen. Voedsel en deksel zijn onontbeerlijk. Om „broodquot; leerde Jezus Zijnen jongeren bidden. Maar, en hierop dient gelet, om dagelijksch brood.

Niet hetgeen wij „overhouden,\'quot; heeft iets tot ons onderhoud bijgedragen.

Het geld, dat, als de reis volbracht is, nog in onze beurs is, heeft ons niei in staat gesteld tot den overtocht.

Niet de pracht van onze woning beschermt tegen de invloeden van wind en weder. Niet slechts voedt en onderhoudt de mensch zijn leven niet uit den overvloed; maar ook het gelukkig, het vergenoegd leven is niet aan den overvloed te danken.

„De Godzaligheid,quot; zegt de Schrift, is een groot gewin met vergenoeging. Zoo is het. De ervaring leert dit.

De gierigaard is een slaaf. In de macht van den mammon, zal zijn gouddorst hem licht in een keten van ongerechtigheid wikkelen. Hij heeft althans nooit genoeg. Onverzadelijke begeerlijkheid prikkelt hem gestaag.

Doch dit alles daargelaten, wijzen wij er op, hoe dikwerf de

-ocr page 96-

84

vermeerdering der smarten gelijken tred houdt met de vermeerdering der aardsche goederen.

Een beroemd man, uit de vorige eeuw, schreef: „Die den overvloed heeft wil er vertooning van maken. Hij voert grooten staat. Dit maakt de afgunst gaande, en die berokkent hem. menige verdrietelijkheid. Hij verkrijgt zich vele dienstknechten en dienstmaagden; zij loopen elkander in den weg, zij krakee-len, zij worden weelderig en losbandig, zij zijn bedriegelijk, soms diefachtig; hoe meer dienstboden, hoe minder gemak en hoe meer onrust.

„Hij wil er lekker van eten en drinken; het lekkere vervoert hem, hij gebruikt te veel, „zijne zatheid laat hem niet toe te slapenquot; (Pred 5 : 11). Hij moet zijne dagelijksche overdadigheid boeten met kwalen en smarten, die het leven bang en bitter maken.

„Of hij wil zijn overvloed bezitten in het verborgen. Hij leeft stil, zuinig, meer dan zuinig; zijne inkomsten vermenigvuldigen, zijne koffers worden bij den dag voller. Hierin acht hij zich gelukkig. Maar hoe lang? Metterhaast sluit hij zijne koffers, en sleept ze in een donker hol; zagen ze zijne huisbedienden, zij mochten hem ombrengen; wisten het zijne erfgenamen, ze mochten hem vergeven; wisten het zijne naburen, zij mochten bij nacht inbreken en hem vermoorden. Dit verontrust hem den geheelen dag; hij begeeft zich naar bed, hij zoekt rust, maar vindt ze niet. Er ritselt een muis, zijn wachthond blaft, een nachtuil vliegt tegen zijne glasvensters, en hij beeft van schrik en zweet van angst.quot;

Inderdaad zulk een mensch doet ons denken aan den draak in de fabel, die veroordeeld was, om, geheel slapeloos, een grooten schat te bewaken in een donker hol, en tot wien de vos zeide, dat een iegelijk, die hem gelijk was zeker geboren was, om het voorwerp van der Goden gramschap te zijn.

Ook waarborgt overvloed van aardsche goederen geenszins verlenging van het tijdelijk leven. De dood treedt even onge-noodigd en onafwijsbaar het paleis van den Vorst, als de stulp van den bedelaar binnen. Dit schijnt de Heiland niet het minst te willen herinneren. De Gelijkenis, die Hij ter aanbinding en opheldering van de vermaning ten beste gaf, doet ons dit oordeelen: De rijke man had vele goederen, opgelegd voor vele jaren, en stelde zich voor nog lang en vroolijk en gerust te zullen leven; maar op het onverwachts werd de stem gehoord: „Gij dwaas, in dezen nacht zal men uwe ziel van u afeischen.quot;

Het is dus in den overvloed niet gelegen, dat men blijft

-ocr page 97-

85

leven. De rijkste ia zoo min als de armste één uur van zijn leven verzekerd. Gelijk de roest knaagt aan het edelst metaal en deszelfs glans doet verdwijnen; de mot, het nietige insect, de prachtigste kleederen doorboort en ten onbruike maakt, zoo knaagt reeds aan het lichaam van den mensch, die in waarde is, de „wormquot;, die het straks in het graf zal slepen. Hoe dwaas dan, zich te vergapen aan hetgeen der ijdelheid onderworpen is en weldra zal worden achtergelaten!

Onze geest heeft hoogere behoeften, dan die door het aard-sche bevredigd kunnen worden. Niet in hetgeen vergaat, elders moet voldoening worden gezocht. Het waar geluk ligt in het bezit van God, in Zijne gemeenschap en het deelgenootschap aan de verdiensten van den Middelaar. Tijdelijke dingen moeten öf met zorg bewaard èf telkens opnieuw aangevuld worden, om er genot van te hebben. Zij vervullen geene ziels-behoeften. Zij laten de ziel niet slechts ledig, maar verderven haar vaak.

Maar wie deel heeft aan de zalige gevolgen van Jezus\' verzoenend lijden en sterven, heeft, ook al mag hij weinig, van wat de aarde aan schatten en gaven bezit, zijn bijzonder eigendom noemen, een onvergankelijk, een onverliesbaar goed — hij heeft alles.

De Godzaligheid maakt vergenoegd en tevreden in den stand, waarin God hem heeft geplaatst, doet in het geringe, in de gunst van God ontvangen, Gods liefde proeven. Door de Godzaligheid wordt de aanzienlijke nederig, vriendelijk en bescheiden omtrent zijne minderen en gereed om zooveel in hem is, hun welzijn te bevorderen. Door haar wordt de arme in staat gesteld om gemoedigd de lasten des levens te torschen, en zich gelukkiger te achten dan de wereld, die, te midden van overvloed en weelde, de bron aller zegeningen niet kent.

Wie rijk is in God, is waarlijk rijk, Wel treffen hem velerlei rampen; maar te midden van de wisselingen, die zijn lot op aarde kan ondergaan, mag hij dien eenigen, algenoegzamen, zekeren troost bezitten, dat alles, wat hem bejegent, tot zijn nut verstrekt. De dood is de eindpaal van arbeid en moeite, van wenschen en verwachten op deze wereld. Het leven hier staat in het nauwst verband met het leven aan gene zij dei-graven. Wie hier rijk was in God, zah ginds onuitsprekelijk rijk zijn door God.

Waar de verwachting der werelddienaars vergaat, daar vangt eerst recht de vreugde der Godvruchtigen aan.

Dat we dan meer los van het aardsche, de vreemdelingsgestalte begeeren.

-ocr page 98-

86

„Laat gierigheid ons in haar strik niet vangen,quot; zij telkena de bede van ons hart.

En naarmate wij, van zondige gierigheid verlost, bedenken de dingen, die boven zijn, zullen wij de betamelijke gierigheid betrachten. Hoe? vraagt ge, betamelijke gierigheid? Inderdaad. Wij zullen dan gierig zijn op onzen tijd; dien „uitkoopenquot;, ons ten nutte maken. Gierig zijn op de Waarheid, die wijs kan maken tot zaligheid; haar „koopen, maar niet verkoopen,quot; haar „zoeken als zilver en naspeuren als verborgene schatten.quot; Gierig zijn op Gods gemeenschap, naar God dorsten, niet minder dan het vermoeide hert naar de frissche waterstroomen. Gierig zijn op de zielen der zondaren, die wij zullen trachten te winnen voor den Heere, onze armen uitstrekken naar het verlorene, om het te brengen aan den voet van het Kruis.

Niet in den overvloed van het aardsche ligt des zondaars heil; maar in den overvloed der genade ligt des Christens zegen. En die genade is tot en onder alles genoeg. Zij doet leven, lijden, strijden, werken tot Gods eer, en kroont met eeuwigen vrede. Zij doet eeuwig leven.

-ocr page 99-

VAN GIERIGHEID VERLOST.

Niet tot gierigheid.

Psalm 119 : 36^.

Gieriglieid is eene buitensporige, steeds woelende en nooit te verzadigen begeerte naar geld en goed. Door haar zijn wij ontevreden, met hetgeen wij tot onzen nooddruft, in den staat waarin Gods Voorzienig bestuur ons heeft geplaatst, uit \'s Heeren hand ontvangen. Zij heeft haar zetel in het hart. Zij doet zondigen met de oogen, die zich vergapen aan de ijdelheid, met den mond, die bedrog spreekt, en met de handen, die zich uitstrekken, naar wat geen wezen heeft.

Geboren uit en gevoed door aardschgezindheid, is zij de vruchtbare moeder en voedster van allerlei zonden.

Met haar wordt te weinig gerekend. Het is, alsof er voor haar verontschuldigingen bestaan, die niet voor andere zonden

felden. Gods Woord brandmerkt integendeel deze zonde op et nadrukkelijkst. Zij heet afgoderij. Zij wordt steeds in éénen adem genoemd met de ergelijkste overtredingen.elden. Gods Woord brandmerkt integendeel deze zonde op et nadrukkelijkst. Zij heet afgoderij. Zij wordt steeds in éénen adem genoemd met de ergelijkste overtredingen.

Ach, in de gemeente van Jezus, wordt zoo dikwerf de les des Verlossers vergeten: „Vergadert u geen schatten op aarde, waar de mot en roest die bederft.quot; Vergeten de waarheid, dat veel niet genoeg, maar genoeg veel, en slechts één ding noodig is, het goede deel, dat in eeuwigheid niet wordt weggenomen.

Van hoe menig Christen hoort men zeggen, hij is gierig.

En van hoe menigeen weten de menschen dat niet, maar weet Hij het. Die de harten kent en de nieren proeft.

Gierigheid is voor menig onbekeerde de strik, waarin Satan hem gevangen houdt, maar ook bij menig ontwaakten zondaar de oorzaak van gebrek aan waarachtigen vrede.

God en het goud kunnen niet gelijkelijk plaats hebben in ons hart. God is minder in onze schatting, naarmate het goud

-ocr page 100-

88

ona zwaarder weegt, en het goud verliest zijn waarde in ons oog, naarmate Gods gunst en Gods gemeenschap op den rechten prijs worden geschat.

Dicht bij God, zal de vreemdelingsgestalte op aarde de onze zijn. Ver van God, zal voorspoed ons verweelderen en tegenspoed ons doen weenen en morren.

Wij weten, het is moeielijk in dezen anderen te beoordeelen. Wij zijn er niet toe geroepen. Maar toch weten wij, indien de met aardsche goederen gezegende belijders dichter bij den Heere leefden, zij zouden meer toonen, dat Zijne zaak hunne zaak werd, en er zou veel meer kunnen worden gedaan op het gebied van Gods Koninkrijk. Nu wordt er dikwerf ophef gemaakt van een handvol guldens, gegeven door den man, die duizenden opleggen kon. Dan zouden duizenden gegeven worden, en niemand zou het weten dan God alleen.

Een gierig Christen, — wij kennen geen droever schouwspel ! God gaf, wat Hem het dierbaarst was — Zijn eigen Zoon.

Hij, Die rijk was, wilde arm worden om arme zondaren rijk te maken, — en dan een kind van God, een discipel van Jezus, verkleefd aan het stof, zijne ziel in het aardsche leggende, hardvochtig en koud, \'t is om te schreien.

Nu, genade doet ook deze zonde beschreien en maakt van haar los.

Hoe dit soms toegaat, moge ons de geschiedenis van boer Eijnders leeren:

„Simon Eijnders was een welgezeten boer vam 60 jaar te P. in Amerika. Hij was opgevoed met het beginsel van groote zuinigheid. Zijn vader was boer geweest en had steeds tot stelsel gehad: „houdt wat ge hebt, en krijg wat ge kunt.quot; Hij had dezen regel aan zijne kinderen ingeprent en hun overigens eene zoogenaamd goede opvoeding gegeven voor de tegenwoordige wereld.

Toen hij stierf nam Simon de boerderij tegen taxatie over, onder voorwaarde van het aandeel zijner broeders en zusters van lieverlede af te betalen.

Hij was gehuwd en had kinderen, zoodat hij meende nu dubbel spaarzaam te moeten zijn, „vooreerst voor zijn huishouding en ten tweede tot betaling der schuld.quot; Hij werkte dan ook hard en leefde zoo schriel mogelijk.

Evenwel ging hij geregeld des Zondags ter kerk en gaf getrouw zijn cent. Alleen als er eene extra collecte werd aangekondigd voor den volgenden Zondag bleef hij te huis, en wanneer er zonder voorafgaande aankondiging, door den leeraar werd gezegd, dat er een derde zakje zou rondgaan, kreeg hij

-ocr page 101-

89

hoofdpijn of neusbloeding en verliet de kerk, voordat het zakje bij hem kwam.

Na 15 jaren aldus doorgebracht te hebben, was de boerderij niet alleen vrij van schuld, maar zeer vergroot. Simon was nu rijk en, helaas, een tamelijk verhard gierigaard geworden.

Op dit tijdstip behaagde het den Heere eene opwekking te geven in het dorp, waar hij woonde. Velen werden bekeerd en zongen het lied der verlossing. Ook Simons kinderen.

Hij was de laatste, die gevoel kreeg van zonde. Hij worstelde lang tegen, weerstond lang, zeer lang, voordat hij gehoor gaf aan de roepstem des Heeren.

Daarna was hij zeer traag in het opnemen van zijn dage-lijksch kruis en zeer bevreesd om zich te verloochenen. Hij was langzaam in het beginnen van huisgodsdienstoefening; langzaam om Christus te belijden voor de wereld. Evenwel genade triompheerde over al deze moeielijkheden; want er was waarlijk een beginsel des levens in zijne ziel.

Maar zoover gekomen, ontmoette hij eene zwarigheid, die gansch onoverkomelijk scheen en voor hem bijzonder pijnlijk was. Hij begon namelijk te begrijpen, dat zoowel Gods woord als de broeders in den Heere, het nu eene vanzelfsheid achtten, dat hij mild zou zijn! Hoe kon hij, die nog nimmer eenige guldens in het jaar had weggegeven, komen tot het offeren van honderden en meer.

Hoe zwaar was het voor hem den tekst te verstaan: „niemand onzer leeft zich zei ven.quot; Hij trachtte zich zei ven te overtuigen, dat het \'s menschen eerste plicht is voor zijn gezin te zorgen, doch zijn geweten zeide hem, dat hij zijn leven lang niets anders gedaan had, en het hem daarbij om rijk worden te doen was geweest. Hij overreedde zichzelven, dat het hemd nader is dan de rok, doch zijn geweten zeide hem, dat dit spreekwoord door hem in verkeerden zin gebruikt werd, daar eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid moest wordeu gezocht.

Als hij den Bijbel las, scheen het, alsof op elke bladzijde stond; „gij hebt \'tom niet ontvangen, geeft het om niet.quot; Eens daarover denkende, zeide hij: „eigenlijk heb ik toch het weinige, dat ik bezit, met zwaren arbeid verdiend; wat heb ik om niet ontvangen?quot; Maar toen werd zijn geweten bijzonder spraakzaam. Het zeide hem: „wel Simon, gij hebt een sterk

festel en een goede gezondheid ontvangen; gij waart nimmer rank; gij hebt een schranderen geest tot het verkrijgen en beheeren van geld; gij hebt veel zonneschijn en regen genoten over uwen landbouw; uwe kudde is zeer toegenomen; gij hebtestel en een goede gezondheid ontvangen; gij waart nimmer rank; gij hebt een schranderen geest tot het verkrijgen en beheeren van geld; gij hebt veel zonneschijn en regen genoten over uwen landbouw; uwe kudde is zeer toegenomen; gij hebt

-ocr page 102-

90

jaren lang mogen leven; gij hebt vele en gezonde kinderen, en behalve deze aardsche dingen hebt gij Gods Woord mogen hooren; ja, God heeft u gebracht tot de kennis van Zijn Zoon, die Hij voor u gegeven heeft en in Hem tot de vergiffenis uwer zonden en de Hope des eeuwigen levens. Ontvangen, om niet ontvangen, Simon! gij hebt alles ontvangen, alle dagen uws levens bracht gij door met om niet te ontvangen, en nu: „gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet.quot;

Het zweet brak Simon uit bij deze herinnering van zijn geweten. Hij wist niet, of hij gedroomd had, dan of het de Geest Gods was. Die hem onderwees.

Reeds den volgenden dag werd hij op de proef gesteld.

De leeraar zond hem eene inteekenlijst voor eene Christelijke School, en hij moest het eerst teekenen als de rijkste man van de gemeente.

Hoe veel moet ik geven, dacht Simon. Zoo weinig gij zonder schade kunt, zeide de Satan.

Ik ben niet rijk, dacht Simon. Zijn geweten antwoordde: „de rijkste der geheele gemeente.quot; Veronderstel dat ik f 60 geef. Ruim genoeg! zei de verzoeker, doch het geweten herinnerde hem: „gij hebt het om niet ontvangen, geeft het om niet.quot; Denk aan uw groot gezin, aan al uwe uitgaven, aan \'t geen vernieuwd moet worden, zei de verzoeker.

Ik zal f120 geven, dacht Simon. Zijt gij wel bij uwe zinnen? Man! gij zult later voor alle collecten in dezelfde verhouding moeten geven, en er zal geen eind zijn aan de aanvragen, zeide verontrustend de verzoeker.

\'t Zal goed zijn, dat ik f 240 inschrijf, antwoordde Simon. Jawel, maar vergeet niet, dat de belasting zwaar is, dat uw hooi zeer ligt is, dat de droogte u veel nadeel heeft bezorgd, en uw oogst zeer gering zal zijn, fluisterde Satan.

Het geweten herinnerde hem echter dat het hooi hoog in prijs was, dat de oogst van koorn, aardappelen enz. bijzonder gunstig was geweest, en dat hij zeer wel f 600 geven kon.

Simon Rijnders! zijt gij krankzinnig geworden? zulk een som weg te werpen, die gij zoo goed kunt gebruiken voor uw veestapel!

Ga weg Satan, zei Simon: ik zal nu f 1200 geven, en als gij mij nog meer verzoekt verdubbel ik de som.

En Simon Rijnders gaf f1200 voor het eerst in zijn leven, en een zware keten viel van hem af. Hij had eene overwinning op zijne boezemzonde behaald. Hij bleef bij zijne belofte aan den Satan, om bij elke verzoeking meer te geven en werd een vrij man, een mild man, die niet alleen veel gaf, maar

-ocr page 103-

91

ook aan anderen leerde, dat het zaliger was te geven dan te ontvangen.quot;

„Zaliger te geven dan te ontvangen,quot; dit worde meer en meer de ervaring, van ons Christen volk. Dan zullen zoovele predikers van het kruis-Evangelie niet met zooveel zorgen des levens te worstelen hebben; dan zullen onderwijzers aan de scholen met den Bijbel minder zuchtend behoeven te arbeiden; dan zullen weduwen en weezen en de arme leden van het lichaam van Christus trouwer verzorgd, milder gevoed en warmer bekleed worden; dan zal de „schuld,quot; waardoor menige kerk en pastorie en school is bezwaard worden gedelgd; dan zal menig bedehuis, dat nu zwijgend om witkwast en verven vraagt, u niet meer spreken van een „woest laten liggen van het huis Godsquot; bij het „wonen in gewelfde huizen.quot; Dan, doch ik ga niet voort. Dan zal veel zoo gansch anders worden, en de Engelen zullen zich verblijden; want zij luisteren zoo gaarne naar de bede, die Gods Geest diep, recht diep moge schrijven in de tafelen onzer ziel: laat gierigheid mij in haar strik niet vangen!

-ocr page 104-

HET VRIJWILLIG VOLK.

„Mijn vrijwiillig volk.quot;

HOOGLIED 6 : 12}.

De aard der zonde is, dat zij een dwangjuk oplegt. Zij maakt slaven. Hare ketenen zijn boeien eener harde en altijd meer knellende gevangenschap. Zij heeft den mensch zijn koningschap, zijn adel ontnomen. Door haar is het edelst goed, dat denkbaar was, verloren. Door haar de schoonste parel van het mensch-zijn verdonkerd. Immers, er bestaat geene mensche-lijke vrijheid meer. Wel als leuze, als alarmkreet, als leugen — profetie, als droombeeld van het zelfbedrog; maar in waarheid ging ze te loor. Het licht des Evangelies, hoe heerlijk ook, van welke uitnemende verlossing ook getuigend, kan toch niet verhinderen, dat duizenden, zelfs onder die heilmare, jukdragers zijn. Denk aan den eigenwilligen godsdienstdrijver, aan den dienaar der lippen en vormen, aan den eigengerechtigen wet-vervuller, aan den oprichter van een nieuw werkverbond; zij mogen allen den schijn der vrijheid en der gelijkheid vertoonen, zij zijn slaven. Daar is slechts één vrij volk; hun is de dienst van God behoefte, levenslust en zaligheid. Door den Zoon vrijgemaakt is het waarlijk vrij. Van dat volk spreekt de korte tekst.

In het Hooglied, een zuiver geestelijk boek, wordt de wonderbare liefde des Heeren voor Zijn volk, en van Zijn volk tot Hem beschreven. Met vele beelden worden de verschillende gesteldheden dezer liefde en de verschillende toestanden der ge-loovige ziel met betrekking tot den Heere geschetst. Christus en de gemeente is het gronddenkbeeld, — de heerlijkheid, die zij in Hem en Hij in haar ziet. Wij gaan de schoone, hoewel eenigszins donkere uitspraken in ons tekstverband voorbij. Zij spreken van de verrassing, het heilgenot en de zelfovergave van den Bruidegom. Wij staan stil bij de karakterschets, de

-ocr page 105-

93

machtsopenbaring, toeëigening, eerekroon van de bruid in dit woord: „Mijn vrijwillig volk.quot; Zoo noemt Christus de Zijnen. De geloovigen zijn des Heeren vrijwillig volk. Die ééne, rijke gedachte is der bepeinzing waard.

Zij zijn een vrijwillig volk: naar den aard van Gods liefde.

Zullen wij een volk recht kennen, zijne karaktertrekken recht verstaan, dan moeten wij opklimmen tot zijn oorsprong. De ware aard van Gods Kerk is voor velen verborgen. Bij velen is een weerzin om haar oorsprong te erkennen. En toch, dtór is de sleutel tot zijn kennis, daar is de bron van zijne heerlijkheid. Die oorsprong is: De vrijwillige liefde des eeuwigen Gods. Er is eene verkiezing tot zaligheid. Hoe ook misbruikt, hoe ook geloochend, de Bijbel leert haar te duidelijk, dan dat gegronde twijfel mogelijk zou zijn. Mozes heeft haar gekend, en Jeremia heeft haar gepredikt. De Zaligmaker heeft van haar getuigd, en de Apostelen hebben haar vermeld. Tegenover vrijdenkers van vroegeren en lateren tijd, die de diepte van \'s menschen afval loochenden en de verheerlijking der men-schelijke natuur beoogden, heeft de gemeente de leer der uitverkiezing blijven omhoog heffen. Die verkiezing is eene daad Gods. Hij is de Heere. Hij geeft geene rekenschap van Zijne, daden. Al Zijne daden zijn wijs en heilig. Als het morgenlicht der eeuwigheid zal zijn aangebroken, zal \'t worden verstaan. Zijn raad bestaat.

Alles naar Zijn val.

De plaats, waar wij geboren werden, en de krankte, die ons ten grave doet dalen — verkoren.

De lusten, die ons ten deel vallen, en de smarten, die ons grieven — verkoren.

Verkoren ook, eer zij geschapen waren, van voor de tijden der eeuwen, de engelen, die in den val hunner natuurgenooten niet zouden deelen, maar zouden blijven trawanten van Zijn troon.

Verkoren ook, eer zij geboren waren, eeuwig, de scharen, de breede scharen uit het afvallig menschelijk geslacht, bestemd tot den geestelijken strijd op aarde, tot de eeuwige rust daar boven. Geene verdienende oorzaak in eenig schepsel. Het is Gods welbehagen. Hem zij de eer! Die verkiezing is de bron, waaruit alle zegeningen vloeien: de overgave des Zoons; de trekking uit de macht der duisternis; de verzorging met teedere trouw, de bewaring op den weg ten leven; de inleiding in de hemelsche heerlijkheid.

Het vrije, het souvereine, het wel willen Gods vervrdineert, verkiest, formeert een volk.

Maar welk een volk?

-ocr page 106-

94

Een volk naar zijn eigen patroon. Een volk naar zijn eigen beeld. Een volk, niet slechts verkoren, maar met het karakter der verkiezing, dat is vrij; toegerust uit Gods schatkameren met welbehagen, met bereidwilligheid. Uit de wereld van slavernij, van gevangenschap, van „kneohtelijkheidquot; wordt een ontzaglijk wonder van genade te voorschijn gebracht: een volk der vrije liefde, een volk met vrije liefde, eeuwig in oorsprong, onbedriegelijk in kenmerk, goddelijk van karakter, koninklijk in openbaring, onverwinlijk in kracht, de lust van Gods oogen : Een vrijwillig volk.

Zij zijn een vrijwillig volk ; naar de kracht van Christus\' kruis. Wie het volk Gods wil kennen, kenne zijn Koning, zijn Hoofd, zijn Verlosser: kenne den aard van Zijn persoon, de kracht van Zijn werk, de kern van Zijn offer.

De vrijwilligheid van Christus, Zijne vrije zelfovergave. Zijne onuitputtelijke gehoorzaamheid. Zijn lust om het welbehagen te doen, ziedaar het welriekende, het verzoenende, het heiligende van Zijn arbeid. Ziedaar het levensbeginsel der Kerk. Die vrijwilligheid weêrklinkt uit de eeuwigheid, geurt uit de Profetie, predikt uit de kribbe, roept uit Gethsémané, spreekt van Golgotha. Christus is de vrijwillige Borg — voor een vrijwillig volk. Hij is niet tevergeefs gekomen. Hij heeft niet vruchteloos geleden. Niet nutteloos is de bittere kelk geledigd. Neen, de schuld der zonde is betaald; de wet is vervuld; Gods recht is voldaan. God kan in gemeenschap met zondaren treden; Gods liefde kan hare zegeningen geven, zonder dat zij in het minst den glans Zijner heiligheid en rechtvaardigheid verdron-kert. Het blijkt, Gods Heiligheid is de zuiverheid, en Gods rechtvaardigheid is het vuur Zijner liefde. De Christus, diep vernederd, wordt onuitsprekelijk verhoogd. Opgestaan uit de dooden, vaart Hij ten Hemel, en neemt Hij plaats „ter rechterhand der kracht Gods.quot; Met eer en heerlijkheid is Hij gekroond. Alle dingen zijn in Zijne hand. Hij is Priester op Zijn troon. Van dien borg, van dat offer, van dien troon gaat kracht uit. Die kracht herschept, maakt vrij, heiligt, brengt tot den Vader. Die kracht vereenigt. Zoo is het Godsrijk gelijk aan een lichaam; de geloovigen zijn malkanders leden, Christus is aller hoofd; gelijk aan een tempel: de geloovigen zijn levende steenen, saamgevoegd door het cement des kruises, bezield door den adem des Geestes, Christus is de uiterste hoeksteen; gelijk aan een breedgetakten boom, Christus is de wortel; gelijk aan een talrijke kudde, Christus-is de herder; gelijk aan een volk, dat onderscheiden van andere volkeren, een eigen Koning heeft.

-ocr page 107-

95

naar bijzondere wetten leeft, rijke voorrechten geniet, een eigendommelijke taal spreekt. Die kracht verwekt een vrijwillig volk.

Zij zijn een vrijwillig volk: naar den drang van het eigen hart.

Juist deze vrijwilligheid is de grootste triumf van Gods ge nade in het hart der geloovigen. Of wat is de kern van dat genadewerk? Wat is het wonder in den wedergeborene? Wat maakt hem een mensch Gods? Wat onderscheidt hem van de wereld? Wat maakt hem geschikt voor den Hemel? Wat wapent, heiligt, bekrachtigt hem? Het is de verandering van wil, het is de omkeering der genegenheden, het is de vrijwilligheid tot God. Ja, \'t is waar, alles is genade, de natuur is onwillig, het bedenken des vleesches blijft vijandschap tegen God, wij worden als vijanden gezaligd; maar — vergeten wij de keerzijde niet. Vrijwillig kozen de geloovigen de zijde des Heeren. Geen vleeschelijke middelen drongen hen. Geen geweld dreef hen. Hun verstand is verlicht, en hun hart is geopend voor de waarheid. Zij hebben het woord gaarne aangenomen. De Heilige Geest heeft de kracht der vijandschap verbroken. Door verlichtende en overredende genade werden zij gewillig. Zij zien de grootheid en snoodheid hunner zonden en bidden gewillig om vergeving; zij zien de dienstwaardigheid des Heeren en bidden gewillig om een hart, geneigd tot de vreeze van Zijn Naam; zij zien de dierbaarheid van den Zaligmaker en bidden gewillig in Hem te worden gevonden. Zijn eigendom te mogen zijn; zij zien het ijdele dezer wereld en bidden gewillig; „Wend mijne oogen af, dat zij geen ijdelheid zien!quot; Vrijwillig keerden zij zich tot God, volgden zij den verachten Heiland, onderwierpen zij zich in geloof aan des Heeren Woord. Vrijwillig geven zij getuigenis, komen zij er vooruit, dat des Heeren Naam, zaak, eer en volk hun dierbaar werd. Getrouw tot in den dood, doen gevaren noch beroovingen, banden noch martelingen hen terugdeizen. Zie het in Paulus. Hij wist, wat hem overkomen zou, maar wankelde niet. „Wat doet gij, dat gij weent, en mijn hart week maakt?quot; sprak hij, „want ik ben bereid, niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor den Naam van den Heere Jezus.quot; Zie het in de geloovige Hebreen: Zij hebben „de rooving hunner goederen met blijdschap aangenomen.quot; Zie het bevestigd in de geschiedenis der Christelijke Kerk, die op elke bladzijde van den heldenmoed harer martelaren gewaagt. Denk b. v. aan die jeugdige Christin, die met haar kind in de armen naar de gerichtsplaats ging, zeggende; „Er worden

-ocr page 108-

96

heden kronen uitgedeeld, ik ga heen om er een te ontvangen.quot; Vrijwillig dragen zij het kruis om des Heeren wil, onderwerpen zij zich aan het leed dezer aarde. Zij hebben in de wereld vele verdrukkingen. Allerlei tegenspoed is hun deel. Krankte treft hen; dierbaren ontvallen hun; zorgen des levens drukken hen; teleurstellingen grieven hen; bestrijdingen des Satans kwellen hen; maar zij zijn heilig gewillig om te ondergaan, waartoe de Heere hen roept. Zij willen dagelijks hun kruis opnemen. Zij weten, wat het zegt, „geduldig te zijn in de verdrukking,quot; en hunne „zielen in lijdzaamheid te bezitten.quot; Zij kunnen er zelfs toe komen „te roemen in de verdrukkingquot; en „het voor groote vreugde te achten, wanneer zij in velerlei verzoekingen vallen.quot; Zij kunnen het verstaan, waarom David zei; „Ik zal mijn mond niet opdoen; want Gij hebt het gedaan,quot; en waarom de kerk betuigde: „Ik zal des Heeren gramschap dragen; want ik heb tegen Hem gezondigd. Hij zal mij uitbrengen aan het licht.quot;

Vrijwillig arbeiden zij in Zijn naam, voor Zijne zaak.

Vrijwillig vragen zij naar Zijn wil, volbrengen zij Zijne bevelen. De liefde dringt hen. Zij hebben lust in des Heeren wet. Zij kennen het gaarne herbergen, het blijmoedig geven, m. a. w. het dienen met blijdschap.

Zij zeggen: „Zie de dienstmaagd des Heeren,quot; of bidden: „Spreek Heere, Uw dienstknecht hoort.quot;

Vrijwillig blijven zij in den dienst des Heeren. Zij willen niet weder ontslagen worden. Integendeel. Deze dienstknechten willen geen anderen heer; deze onderdanen begeeren geen anderen koning. Dagelijks betuigen zij: „Onder Uwe heerschappij zijn wij zalig, zijn wij vrij.quot;

Dagelijks danken zij, dat zij knechten Gods zijn geworden, onder de macht der genade staan, en stemmen zij biddende in: „Hetzij dat wij leven, wij leven den Heere; hetzij dat wij sterven, wij sterven den Heere; hetzij dan dat wij leven, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.quot;

Het is een leger van vrijwilligers. Het zijn krijgsknechten van koninklijken aard. Het is een onverdelgbaar, een edel, een vrijwillig volk, de eer, de roem, de glorie van Christus.

Zij zijn een vrijwillig volk: naar het voorbeeld der heiligen.

Vrijwilligheid was steeds het karakter van Gods kinderen onder alle bedeelingen hun lust. Zelfs de bediening der wet kent vrijwillige offers. De geschiedenis van Gideon wijst ons op driehonderd vrijwilligers. Debora zingt; „Looft den Heere om het vrijwillig volk.quot; David is verheugd, als het volk vrijwillige

-ocr page 109-

97

offers brengt; hij bezingt bet vrijwillige volk in Ps. 110. Salomo dankt na de voltooiing des tempels om de vrijwilligheid des volks. Jesaja is voor Jehova een vrijwillige, waar hij zegt: „Zend mij!quot; Jezus zegt als herder: „Mijne schapen hooren mijne stem.quot; Paulus roemt: „Ik heb een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mensch.quot; Hij verzekert zich: „Zoo ik het gewillig doe, ontvang ik loon.quot; Eeuw aan eeuw, geslacht aan geslacht, één keus, één roem, één exempel: één vrijwillig volk. Te midden van het gedrang en ten aan-hoore der slaven klinkt steeds het lied:

„Wat vreê heeft elk, die Uwe wet bemint!

Zij zullen aan geen hinderpaal zich stooten,

Ik, Heer! die al mijn blijdschap in ü vind,

Hoop op uw heil met al uw gunstgenooten:

\'k Doe Uw geboón oprecht en welgezind;

Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten.quot;

Zij zijn een vrijwillig volk: naar de heslemming des levens.

„Uw liefdedienst heeft mij nog nooit verdroten!quot; Dat is de onvergankelijke leuze, het herkenningswoord voor al Gods kinderen, de weerklank op Jezus\' Woord: „Mijn vrijwillig volk!quot; In die vrijwilligheid is geheel hun geestelijk leven omschreven. Het vrijwillige volk alleen is afhankelijk, is oprecht, heeft lief, is gewapend, strijdt met vuur, heeft eene onbedriegelijke verwachting, geniet ware blijdschap en wordt eens wettig gekroond. Gelukkig volk! Gezegend zij, die harten leven, lichaam en geest vrijwillig afstaan aan Hem, Die alles en in allen is, die, wat zij zijn, voor Hem willen zijn en, wat zij hebben, voor Hem willen hebben, zij, wier roem het is: „Wij zijn des Heeren.quot; Het moge gaan door diepten en over hoogten, doorlijden en strijd; geen nood. Ondanks alles, wat hen bejegent, blijven zij getrouw, volharden ten einde toe. Straks een zalige kroningsdag. Straks het volksfeest der uitverkorene natie. In eeuwig licht, in eindelooze vreugde treedt Jezus hun tegemoet, plaatst zich op Zijnen wagen, wordt door Zijn eigen volk getrokken en spreekt: „Wees gegroet, wees gezegend, wees gezaligd, Mijn vrijwillig volk!quot;

Ach, hoe velen dienen vrijwillig de zonde. Hoe velen jagen de ijdelheid na. Hoe velen verheugen zich in de ongerechtigheid. Hoe velen zoeken zelfs in de waarheid sterkte voor hun zondig leven. Of zijn er niet, die aldus redeneeren: „zoo God ons verkoren heeft, zoo zullen wij ook door Hem tot de zaligheid

7

-ocr page 110-

98

worden gebracht?\'\' Zoo wij daar uw naam hebben genoemd, mijn lezer, weet, dat gij uw on

vrnmacub. zjuuimt 11« l u 111 eruau

*

te doen wordt om zalig te w

met de geopenbaarde dingen, die voor ons en onze kinderen zijn, dan met de verborgen dingen, die voor den Heere onzen God zijn. Luther zegt in zijne voortreffelijke voorrede tot den brief aan de Eomeinen: „Hier moet den waanwijzen en hoog-moedigen geesten paal en perk worden gesteld, die met hun verstand hier aan \'t werk gaan, om eerst den afgrond van Gods wetenschap te peilen en zich vruchteloos moeite geven, om eerst te weten, of zij wel uitverkoren zijn. Die lui moeten dan wel tot een van beide uitersten komen, dat ze öf wanhopen óf het water over den akker laten loopen. Volg gij de orde, die deze brief ook houdt; leer eerst uwe ellende en de genade van Christus; dan zult gij dit leerstuk als heiligend en troostvol leeren kennen.quot; Zoo is het. De praedestinatieleer mag den levenden Heiland niet verdringen. Waar dit geschiedt, volgt doode rechtzinnigheid en bedorven mysticisme. Wie om tot zekerheid te komen begint te vragen: „Ben ik uitverkorenquot; ontvangt van de Schrift geen antwoord en loopt gevaar ten laatsten zijn hoop op den zandgrond van valsche bevinding te bouwen. Op de vraag „Wat moet ik doen om zalig te worden?quot; antwoordt de Schrift met onbedriegelijke zekerheid: „Gelooft in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden.quot; En wie gelooft, heeft Gods vrijmacht leeren aanbidden, zijne eigene doemschuld leeren bekennen, en van heeler harte leeren toestemmen, dat het zalig worden enkel aan Gods genade is te danken.

Ach, hoe bleek uwe onwilligheid om tot bekeering te komen. Hoe veel drang is er gebruikt. Hoe vele middelen zijn gebezigd. Nu eens klonk de vriendelijke noodiging; dan weder drong de boetbazuin. Telkens waren verontschuldigingen gereed. Met de diepste onverschilligheid zelfs werden de roepstemmen bejegend. Hoe? Met onverschilligheid? Kon u dat van het harte? Dat kon het, helaas, helaas! En dat kon het, niet weken en maanden lang, maar vele jaren achtereen. Sprak soms het geweten, was er nu en dan misschien indruk bij besef van de noodzakelijkheid eener waarachtige bekeering, een lichtzinnig Felix-woord was het middel om de onrust te verbannen. Waarlijk, gij hebt niet gewild. Ach, hoe bleek uwe onwilligheid om tot het geloof te komen, om tot de kennis der liefde van Christus te komen. Of was niet Gods Woord meestal gesloten? Werden de middelen der genade niet schan-

achter de leer van \'s Heeren

-ocr page 111-

99

delijk verzuimd? Werd de verkondiging des Evangeliums biddend ontvangen? Was niet alles in staat uw oog en oor te boeien, behalve de voorstelling van de liefde van Christus ? Waart gij niet menigmaal den schoonzonen van Lot gelijk, zoodat zij, die u van de liefde van Christus spraken, in uwe oogen waren als jokkend? Waarlijk, gij wilt tot Jezus niet komen, opdat gij het leven hebben moogt.

Ach, hoe bleek uw onwil om Jezus te belijden en in Jezus wegen te wandelen. Hebt gij u Zijn Naam en zaak niet geschaamd? Koost gij niet de zijde dergenen, die de geloovigen dweepers noemen of althans overdreven achten? Hebt gij om Jezus\' wil smaadheid en kruis willen dragen? Hebt gij met Mozes „verkoren, liever met het volk Gods kwalijk gehandeld te worden, dan voor een tijd de genieting der zonde te hebben?quot; Als er vervolging kwam, als weer kerkerboei en kerkerfoltering den belijders van Christus wachtten, zoudt gij dan den naam, dien gij nu nog draagt, blijven dragen? Is uw hart op de vreeze Gods gezet? Is het „Heere, wat wilt gij, dat ik doen zal,quot; uwe levensbede? Is Gods wil uw wet? Heiligt gij des Heeren dag, eert gij Zijn Naam, zoekt gij Zijn gunst? Waarlijk, gij hebt niet gewild, dat de Heere over u Koning ware.

Zult gij onwillig blijven? De nood moet u de zijde van Jezus doen kiezen; want, doet gij het niet, gij komt eeuwig om. De liefde des Heeren moet u Zijne zijde doen kiezen; want Hij alleen is het waard, dat ge Hem aanhangt, onverdeeld en onafgebroken. De keuze van Maria om aan Zijne voeten te zitten berouwt nooit. De keuze van Ruth, om met Zijn volk te leven, valt nooit tegen. De keuze van Jozua, om Hem te dienen stelt nooit teleur.

Arme zondaren. Verlorene zondaren, schuldige zondaren in eigen schatting, kiezen waarlijk Zijn zijde en de zijde van Zijn volk. Hij werpt ze niet uit; Zijn volk stoot hen niet af. Inte-endeel. Hij roept: „Wendt u naar Mij toe en wordt behou-en.quot; Zij dringen: „Ga met ons, en wij zullen u weldoen, wij reizen naar die plaats, van dewelke de Heere gezegd heeft: Ik zal u die geven.quot; O \'t is zoo, gij kunt u zeiven van de banden der zonde niet losmaken. Gij kunt uw hart niet veranderen. Gij kunt de verzoekingen der wereld en des duivels niet te boven komen. Maar nu, wat gij niet kunt, dat kan de Heere; want Hij is een wonderdoend en almachtig God, Die de dooden levend maakt en de dingen, die niet zijn, roept, alsof ze waren. Hij maakte een vrouw uit Adams rib. Hij veranderde den steenrots in een waterfontein. Hij deed de staf

-ocr page 112-

100

Aarons bloeien en vrucht dragen. Hij verloste Maria Magdalena van zeven duivelen. Hij hield Saulus in zijn vijandig woelen stil op den weg naar Damascus. Hij bekeerde den moordenaar aan het kruis. Hij kan den grootsten zondaar toonbeeld van Zijne genade maken. Och, of gij voor Hem nedervielt, om Zijne genade smeektet, u aan Hem opdroegt en niet rusttet, voor gij u onderdaan wist van Hem, Wiens Koninkrijk niet van deze wereld is.

Welk een voorrecht, welk een eer tot des Heeren volk te behooren. En toch, geloovigen, wat is er weinig waardeering van het u gegeven heil. Ach, hoe vele redenen zijn er om u diep te schamen. Of zijt gij niet verachterd in de genade? Is er niet minder ernst dan in vorige dagen? Hebt gij uwe eerste liefde niet verlaten ? Is het thans, of was het vroeger de bloeitijd van uw geestelijk leven? Waart gij steeds vurig van geest in het dienen van den Heere? Was er geen traagheid des ge-loofs, geen onvrij moedigheid in het vertrouwen? Woonden er geene kleine gedachten van den Heere in uw hart? Deed menschenvrees niet vaak zwijgen, waar gij geroepen werdt te getuigen? Hebt gij geen valsche schaamte gekend? Is er nooit gebedeld om de gunst der wereld; trok haar sirenenlied n niet aan; schrikten hare bedreigingen u niet af? Was er niet dikwerf traagheid tot de volbrenging van plichten, waartoe Zijne liefde u riep? Was er nimmer vadsigheid onder geestelijken arbeid? Waart gij steeds gewillig te dragen, wat de Heere u te dragen gaf; te lijden, wat Hij van u vroeg ? Kleefdet gij Hem ten allen tijde aan, en volgdet gij Hem onafgebroken gewillig langs eiken weg, dien Hij voor u koos? Streedt gij steeds in Zijn kracht den goeden strijd tegen Zijne vijanden, u van de overwinning verzekerende en het oog vestigende op de kroon, die Hij zal doen dragen?

Wij zouden kunnen voortgaan met vragen, die de blos dei-schaamte op het gelaat der ziel moeten roepen, doch reeds meer dan genoeg om u diep te doen buigen voor Hem, met belijdenis van ontrouw, met de bede om bekrachtiging door Zijnen Geest. Ja, vroegt gij maar veel om den H. Geest. Door dien Geest geeft gij het hart gewillig over aan den Heere. Door dien Geest zult gij met David kunnen zeggen: „Mijne lippen zullen uwen lof overvloedig uitstorten.quot; Door dien Geest zullen de leden uwe lichaams en de krachten uwer ziel des Heeren zijn. Door dien Geest zullen uwe ooren „rasch zijn om te hooren,quot; zullen uwe handen gereed zijn om „gerechtigheid te werken,quot; zullen uwe voeten „gericht zijn op den weg des vredes,quot; „geschoeid met de bereidheid des Evangeliums,quot;

-ocr page 113-

101

en gewillig om „met lijdzaamheid te loopen de loopbaan, die u is voorgesteld.quot; Door dien Geest zult gij wandelen waardig den Heere „tot alle behaaglijkheid.quot; Door dien Geest zult gij lot en weg gaarne aan den Heere toevertrouwen, uwe bekommeringen op Hem werpen, en zeggen; „Hij is de Heere, Hij doe, wat goed is in Zijne oogen.quot;

O, zoudt gij niet? Hoe gewillig was uw Koning om voor u te komen op deze aarde in dienstknechtsgestalte, om voor u zich diep te vernederen, aan geeselpaal en kruis! Hoe gewillig is Hij om uwe belangen te behartigen daar boven! Hoe gewillig zal Hij zijn u steeds uit Zijne volheid genade voor genade te geven, en straks u op te nemen in het paleis Zijner heiligheid! Laat die gewilligheid steeds voor uwe oogen zijn. Gij zelf hebt u aan Hem verbonden, gij hebt geschreven met uwe hand: „wij zijn des Heerén;quot; wilt u uwe roeping steeds herinneren.

En voorts, de Heere kent u. Hij weet, dat het u gaat als Bethuels dochter. In haar schoot waren twee volken, twee stamhoofden. Ook in u zijn er twee, even onderscheiden in aard en natuur.

De een is meerder; want hij is zoo oud als gij zij t; de ander is minder; want hij is later, misschien eerst onlangs geboren. Toch sprak God; „De meerdere zal den mindere dienen.quot; Ach, als gij let op de uitingen van uw hart, op uw leven, dan schijnt het, of die meerdere den mindere overheerscht. De Heere hoort uw zuchten, ziet uw worstelen, verstaat uwe vreeze. Hij weet, dat in u, dat is in uw vleesch geen goed woont. Hij weet ook, dat de zonde u de dood geworden is. Hij weet ook, dat gij telkens vrijwillig bij Hem, den Verlosser, schuilt. Hij zal straks volkomen verlossen. Dan ontvlucht de meerdere uwe tent. Dan wordt gij gekroond, zooals geen aardsch Monarch zijne onderdanen kronen kan. Het vrijwillige volk draagt eeuwig de kroon des levens; dat is de kroon der eere bij God, waardoor de smaadheid, om Christus\' wille gedragen, voor eeuwig is uitgewischt; dat is de kroon der innigste vreugde, der liefelijkste rust, der zaligste vrede, der kalmte, die hier slechts bij voorsmaak gekend, in den hemel stoore-loos genoten wordt; dat is de kroon der onverderfelijkheid, wier glans niet zal tanen. Heerlijke toekomst voor des Heeren vrijwillig volk!

-ocr page 114-

HONIG UIT DE STEENROTS.

„En Hij deed hem honig zuigen uit de steenrots, en olie uit den kei der rots.quot; Deut. 32 : 133.

In dit woord wordt gewezen op den zegen door Jehova aan oud-Israël bewezen. Zij deelden rijkelijk in Kanaans overvloed. Zij plukten de vruchten van het land, dat zij niet bearbeid hadden. Zoo groot wa« de overvloed, dat de honig, door de menigte der bijen ook in steenrotsen verzameld werd en de olie als van zelf droop uit de olijfboomen, die, bij menigte, zelfs tusschen de spleten der keiachtige rotsen groeiden.

De reiziger door de onbewoonde en woeste streken van het oude Palestina wordt somtijds verrast door het ontmoeten van een groepje olijfboomen, die in een handvol aarde op den overigens steenachtigen grond wortel hebben kunnen schieten. Soms vindt hij ook wel in de klove der rotsen eene nijvere kolonie van bijen. De verborgen klomp druipt van wilde honig. Hoe heerlijk is voor zijne verdroogde lippen de uitvloeiende zoetigheid; en des te meer welkom, wijl hij haar op eene onverwachte plaats vindt.

Het is immers niet van de rotsen, dat de uitgeputte reiziger voedsel verwacht? Naakt en kaal en door de zon verbrand is de rots. De arend moge er zijn nest in maken en het wilde konijn in de spleten huisvesten, de gouden korenaren zullen er nimmer opschieten, noch ook de wijnstok zijne sappige vruchten doen rijpen. En toch vloeit uit de spleten van diezelfde rotsen de nonig, en kan de eenzame olijfboom er zijne wortels aan vastklemmen. Zoo mag ook nog de vermoeide en

-ocr page 115-

103

dorstige reiziger werkelijk en letterlijk honig zuigen uit de steenrots en olie uit den kei der rots.

De bekoorlijkheid van dit beeld ligt hierin, dat er dikwerf zegeningen gevonden worden, wam men zulks niet had vermoed. Dit is even waar in het geestelijke als in het natuurlijke. Zelfs is voor den Christen geen tijd zoo rijk aan honig en olie als de steenharde tijd van tegenspoed. Dan verliest de wereld hare kracht op hem. Zijn geloof wordt openbaar en geoefend. Het hart hangt dan niet aan aardsche schatten of eer, of aan vooruitzicht van bijzondere voordeelen, ja zelfs niet aan huiselijke vreugde. Maar de beroofde ziel zoekt haar heil, haar genot alleen in Jezus. Daar is de ware honigraat. Alle liefelijke genadegiften, de vrede, die het verstand te boven gaat, de godzalige gerustheid, het hongeren naar den hemel, het deelen in de vertroostingen des Geestes, alles vloeit, als \'t ware, uit de geheime cellen, die binnen de rots der verdrukking liggen. De geloovige met den Bijbel in zijn hand en den Zaligmaker \' quot; i hart neder zittende wordt verwaardigd honig te

zuigen

Hoe wonderlijk geeft God dikwerf aan zijn volk bijzondere vreugde in tijden van zorg en druk! Bij verlies van aardsche schatten wordt de troost gesmaakt, dat de schatten der ziel veilig zijn, dat de erfenis in goede handen is en trouwelijk wordt bewaard.

Zijn onze vrienden gelijk aan trekvogels, die heengaan, wanneer het gure jaargetij aanbreekt; verlaten zij ons in den hangen dag des tegenspoeds, die vroeger feest met ons vierden, wij hechten ons te sterker aan Hem, die meer aankleeft dan een broeder. Moeten wij ons dierbaar kind, de vreugde in onze woning, of onze trouwe echtgenoote, de zonnestraal in ons leven, of de lieve oude moeder, wier vriendelijk aangezicht ons jaren lang uit den gemakkelijken, maar met haar oud geworden stoel heeft tegengeblonken, grafwaarts brengen, dan richten wij onze blikken naar ons hemelsch Vaderland, waar Jezus al de Zijnen verzamelt, met een dankbaar hart, dat er ten minste één huis is, waar de doodsengel niet kan binnentreden. Onze gedachten gaan des te menigvuldiger naar God! De hemel schijnt meer nabij! Christus is meer dierbaar. De stille binnenkamer wordt meer gezocht en het leven meer ontward uit de nijpende zorgen, moeielijkheden en afleidingen der wereld. Hoe zwaar viel het ons om tot deze treurige woestijnen van den tegenspoed gedreven te worden. En toch, welke heerlijke stroomen van hemelschen honig hebben onze zielen daar mogen indrinken. „Het is mij goed verdrukt te zijn geweest,quot; ia

-ocr page 116-

104

niet alleen de betuiging van Israëls zanger. Velen hebben het vóór hem gezegd, en velen zullen het nog na hem belijden.

Inderdaad, wij begaan een groote dwaling, wanneer wij denken, dat de eenige dingen, der gelukwensching waard, bestaan in voorspoedige dagen, aangename uren, m. a. w. in een onbewolkten hemel voor dit leven. Dat zijn niet uwe veiligste, niet uwe meest winstgevende tijden. Hebt gij ooit God gedankt voor het verwekken van een orkaan? Toch heeft menige orkaan een zondaar naar Golgotha gedreven en een afgedwaalde naar den door hem verlaten post. Veel van het beste, innigste, heiligste gedeelte van uw karakter werd juist in die perioden uwer levensgeschiedenis ontwikkeld, welke bij uwe gedachtelooze, wereldsche vrienden deernis omtrent uw persoon opwekten. Men had u kunnen gelukwenschen. Gij waart inderdaad in den smeltoven der verdrukking; maar nimmer, nimmer werd uwe ziel zulk een overvloed van honig aangeboden, dan toen de harde steenrots beneden u en de geopende hemel boven u was. Toen viel er te genieten van de honigraten van Christus? Als gij vermoeid werdt van wege de moeielijkheid van den weg, dan noodigde de eeuwige rust u des te meer tot verlangen uit. Als kwade tijdingen u wachtten, of als gij ze werkelijk ontvingt, dan maakten zij de blijde tijdingen des Evangelies des te dierbaarder voor uwe ziel. Als de dood een graf aan uwe zijde opende, dan opende hij eene begraafplaats voor de wereldsche gezindheden en afgoderij van uw hart. Als booze lieden u plaagden, of uw goeden naam belasterden, hoe zeer zaagt gij dan uit naar die wereld, waar de boozen u niet meer kunnen bemoeielijken en de vermoeiden tot rust gebracht zijn.

Zoo ongeveer schreef voor jaren iemand in een Engelsch blad.

En hij had gelijk. De geestelijke steenrots, Jezns Christus, de rots der eeuwen voor ons geslagen, doet waterbeken der verkwikking stroomen; zij ruischen door het onvruchtbaarste zand der aardsche woestijn. En in de school van het kruis geeft Hij het al den Zijnen te ervaren, dat gelijk geen Christen lijdt onder het bestuur Zijns Gods, opdat hij bezwijke en sterve, hij zoo ook geenszins vruchteloos behoeft om te zien naar troost en raad, naar kracht en hulp in zijnen druk; maar dat er een milde bron van vertroostingen is geopend quot;voor het lijdend hart, waarvan niemand tevergeefs verkwikking zal wachten; waarvan ook niemand geweerd wordt, die er toe nadert met een troost begeerend gemoed.

God bereidt Zijnen kinderen dikwerf heerlijke verrassingen.

Wat tegen scheen, blijkt niet zelden voor. De loods wordt

-ocr page 117-

105

in den storm beproefd. Op de binnenwateren kweekt men geene ervarene zeelieden, en met het kamergeweer wordt men niet tot den strijd gehard.

Honig uit de rots! wel bem, die geleerd beeft den verachten Jezus aan te kleven en, die ondanks de spottaal der wereld: „Zou er heil bij den Gekruisigde zijn?quot; tot Hem opziet, die „zonder gedaante en heerlijkheidquot; is voor het oog van den natuurlijken mensch, en erkent, dat Hij is de heilfontein, dat bij Hem zijn meerdere schatten, betere en heerlijker genietingen dan de wereld geven kan.

Deze aarde moge voor dien in nadruk een land der vreemdelingschap zijn en dit leven een strijd, zijn weg is zeker.

Straks, te huis gehaald, valt de sleutel uit zijn levensboek en bij de ontraadseling van veel, dat hem hier duister bleef, zal hij aanbiddend en dankend erkennen: „Gij, Heere! hebt alles wel gemaakt. Er was voor mij honig uit de steenrots en olie uit den kei der rots!quot;

-ocr page 118-

Ü1T TROUW VERDRUKT.

„Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik uwe inzettingen leerde.quot;

Psalm 119 ; 71.

Voorspoed is den Christen dikwerf schadelijk, tegenspoed is hem niet zelden nuttig.

Dit is de ervaring van alle eeuwen. In het dagboek van menig Christen zou men kunnen lezen: In dagen van voorspoed liet ik na in te keeren tot mij zelf, in teederheid des gewetens op mijne daden te letten. In stede van de plaag mijns harten, mijne zielsgebreken recht gade te slaan, begon ik groote gedachten van mij zelf te koesteren. Slechts zelden droeg ik een vernederd harte om. Maar door het kruis, dat God mij toezond, onderzocht ik mijne wegen, begon ik mijn hart op mijne wegen te zetten. Toen bleek mij meer de ver-doemlijkheid van mijne beste daden; mijne groote ongelijkvormigheid aan Gods wet werd mij duidelijk; smart, innige smart werd over mijne afwijkingen geboren.

Ik leerde meer de zondigheid der zonde kennen, haar God onteerend karakter en hare droeve gevolgen; zij werd mij een last.

Toen voorspoed mijn deel was, kwam ik er toe daden te plegen, daar vroeger mijn hart over sloeg; vergat ik gedurig mij voor Gods aangezicht te stellen en rekenschap van mijne daden te geven; begon ik veeleer ver van mijn hart te leven. Ik begon mijn genoegen te zoeken in dingen buiten God en vergat mijn hart te bewaren boven alles, dat te bewaren is. Ik oefende weinig gemeenschap met God, heiligde God weinig in mijn hart, sprak zelden van Hem en bekommerde er mij weinig over, of ik was een eere van Zijn Naam.

-ocr page 119-

107

Doch toen er een storm opstak, toen mijn weg tegen vleescli en bloed was, leerde ik meer mij aan den Heere te gewennen, mijn heil bij Hem te zoeken en verstaan, dat zijn gunst meerdere rijkdom is dan die van al, wat schepsel heet.

In zonnige dagen werd ik gewaar, dat mijn hart traag werd tot het goede. Ik viel in slaap. Mijne handen werden traag en mijne knieën slap.

Maar toen de zon des voorspoeds onderging, zag ik mijn beeld in de fontein, waarvan ik las, dat zij, als de zon hare middaghoogte had bereikt, zeer koud water uitstortte, doch ter middernacht zeer heet. Immers ten dage van mijn voorspoed was ik koud van hart, koel van woord en ondankbaar van bestaan; maar in den nacht der veelvuldige beproeving werd ik ijverig in de beoefening der godzaligheid. Het ging mij als een steen, die vonken van zich geeft, hoe meer men hem met ijzer slaat. Als de kamillen, die geur verspreiden, naarmate zij verpletterd worden.

Toen het mij „naar den vleeschequot; ging, woelden allerlei dwaasheden in mijn hart. Doch in dagen van kruis ging het mij als kostbaar metaal, dat in den smeltkroes gelouterd wordt.

Met David moet ik betuigen, „eer ik verdrukt werd, dwaalde ik; maar nu onderhoud ik Uwe geboden.quot;

Inderdaad, de Heere kastijdt zijn volk, opdat het Zijner heiligheid zou deelachtig worden. De verdrukkingen zijn in Zijn hand, wat een lancet in de hand van den geneesheer is, die den lijder kwaad bloed wil aftappen, en wat het snoeimes in de hand van den hovenier is, die de wilde loten van den stam verwijdert. Gelijk de wind dient om de lucht te zuiveren, de winter om het ongedierte te dooden, de ploeg om het onkruid te vernielen, de wan om het kaf te verwijderen, zoo gebruikt Gods Geest menigmaal ellende des levens om den reizigers naar den Hemel de ware vreemdelingsgestalte te geven, en hen als beelddragers van den Christus, Die hen vertegenwoordigt onder de engelen, Hem te doen vertegenwoordigen onder de zondaren.

Bittere artsenijen, diepe insnijdingen zijn vaak noodig tot enezing des lichaams; ook pijnlijke tucht is vaak middel om en Christen te doen wandelen waardiglijk het Evangelie, overeenkomstig zijne dure roeping en zijn heerlijk voorrecht.

Ach, of het niet noodig ware! Maar het kruis is niet zelden een breidel om het dartele vleesch te temperen en terug te houden van de zonden.

In de school van het kruis leert de Christen Gods Woord te waardeeren, de kracht en de zoetheid van Gods beloften te smaken. Dat woord wordt hem een bron, waaruit hij drinkt.

-ocr page 120-

108

een wapen, waarmeê hij strijdt, een licht en een lamp, een stok en een staf.

In de school van het kruis worden de gebeden van Gods kinderen ernstiger en geestelijker. Nooit waren Davids gebeden hartelijker, als wanneer de benauwheid groot was. Hiskia bad in bange uren met tranen.

Gelukkig de leerlingen in de school van het kruis, die Hem tot hun toevlucht stellen, bij wien uitkomsten zijn tegen den dood.

Gelukkig den lijdenden Christen, die onder het kruis, dat Gods hand hem op de schouders leggen wou, de rechte gestalte omdragen mag. Dan ziet hij Gods hand in zijn kruis. Hij berust in Gods raad. Onderwerpt zich aan Gods wil. Is volgzaam en overgegeven. Stelt de allerhoogste tot een fontein. Ziet van al het schepsel af. Blijft goede gedachten van den Heere koesteren. Gelooft, dat Gods liefhebbend hart de tuchtigende roede bestiert. Hij erkent de noodzakelijkheid der kastijding. Zij wordt hem een voorrecht.

Ofschoon over de oorzaak der tuchtiging vernederd, is hij vroolijk over de bemoeienisse Gods.

Hij proeft Diens liefde, erkent Diens trouw en roemt nu in de verdrukking. Gods rechtvaardigheid verheerlijkende is hij lijdzaam en stil. Aan den Souvereine laat hij het over, wanneer het kruis van de schouders zal worden genomen, in Diens handen «telt hij de uitkomst van zijne bittere beproeving. Het is zijne bede er door geoefend te mogen worden, onder alles een goed toeverzicht op God te mogen houden en Hem ook in den donkersten weg te mogen aankleven, op hope tegen hope.

Ja, gelukkig de lijdende Christen, die in deze gestalte verkeert; de Christus, Die door lijden in heerlijkheid is ingegaan, is bezig hem rijp te maken voor den Hemel. De levende Christus is den lijdenden Christen ten onderpand, dat hij in den strijd niet zal bezwijken. Straks worden alle tranen afgewischt. Dat zal Jezus doen. Straks valt uit het levensboek de sleutel. Alle raadselen worden ontraadseld. Het blijkt, ook de hevigste storm moest dienen om het bootje in veilige haven te brengen. Het blijkt, de lofzangen dergenen, die uit groote verdrukking kwamen en zich vereenigen rondom den troon van God en van het Lam, lossen zich, als ware er afspraak, onafgebroken op in het; Zijn Naam moet eeuwig eer ontvangen!

-ocr page 121-

DE NOODZAKELIJKHEID DES GELOOFS IN DONKERE DAGEN.

„Hoop op God.quot;

Ps. 42 ; 6.

Hoe nadeelig is het ongeloof en hoe heerlijk het geloof in wegen van kruis en druk.

Het ongeloof is de wortel van\' veel kwaad. Niet het minst in dagen van beproeving brengt het den Christen veel schade toe. Het maakt hem kleinmoedig en buigt hem ter neder, alsof er geen hoop op redding ware. Het beroert zijn harte. Ontneemt zijne kracht, zijne geestelijke sterkte. Doet hem Gods macht, goedheid, waarheid en trouw in twijfel trekken, en harde gedachten van God koesteren.

Het ongeloof maakt het kruis dubbel zwaar en doet verkeerde middelen aangrijpen om er van verlost te worden. Het ongeloof berooft van waren troost, overstelpt het hart van droefheid, doet „wegdruipen van treurigheid,quot; maakt „als een lederen zak in den rook.quot;

Het ongeloof doet bitter klagen over Gods weg. Maakt onhandelbaar jegens hen, die troosten willen. Belet te buigen onder Gods hand. Doet veeleer twisten met den Heere.

Het ongeloof maakt den Christen ongeduldig. Doet hem de beloften voorbijzien, Gods waarheid in twijfel trekken en in den waan leven, dat God hem in zijn ellende niet gadeslaat, hem lijden doet, opdat hij bezwijke.

Het ongeloof doet in God een vijand zien en zijne liefde miskennen. Het doet vooruit loopen. Maakt onbekwaam om recht te bidden. Doet de uitreddingen van vorige dagen vergeten. Bedroeft Gods Geest. Zet het hart open voor alle inblazingen des Satans.

-ocr page 122-

110

Heerlijk is daarentegen de oefening des geloofs in dagen van lijden en strijd! Het geloof doet den Heere aankleven. Geeft moed in donkere dagen. Houdt het hoofd boven, als de wateren der verdrukking stijgen. Doet rusten op de trouw van den God des verbonds. Verdrijft de vreeze. Versterkt het hart. Maakt krachtig in den Heere, als „een held, die in het slijk der straten treedt en als het paard van Gods Majesteit in den strijd.quot; Wie recht geloof oefent „dringt met zijn God door eene bende, springt met Hem over een muur.quot;

Het geloof doet Gods kinderen staat maken op Gods belofte. Alle bekommernissen op den Heere werpen. Steeds de toevlucht nemen onder de schaduw van Diens vleugelen. Het geloof maakt stil, onderworpen, bereid den Leidsman te volgen zelfs over het meest doornige pad. Het geloof vervult het hart met goede gedachten van God. Doet spreken tot Zijn lof. Van vurige uitreddingen gewagen. Uit de troostbronnen drinken. De kracht der rijke toezeggingen ervaren. Met blijdschap reizen. Koemen in de verdrukking. Verzekeren, dat God uit trouwigheid verdrukten kastijdt tot hun heil.

Het geloof doet den Christen de tuchtroede kussen, als bewijs, dat God zijn hart op hem zet, dat hij geen bastaard, maar een zoon is. Het geloof verzekert, dat de vaderlijke kastijdingen eene vreedzame vrucht zullen opleveren. Dat God er door oefenen wil in den weg der Godzaligheid. Dat God rechtvaardig is in al Zijne wegen. Dat Hij ook weer uitkomst geven zal op Zijn tijd, in Zijn weg, op Zijne wijze.

Het geloof doet zien op Gods eeuwige liefde. Op Christus\' volbracht Middelaars werk. Op de Voorbede van den Grooten Hoogepriester van het huis Gods. Op de deugden Gods.

Ook op het voorbeeld der heiligen, die in geloof gestreden hebben; op hun ijver en moed, alsook op de uitkomst hunner wandeling.

In dien weg wordt licht over Gods waarheid verkregen. Wordt de waarheid meer inwendig gekend. Doorleefd. Ondervonden waarheid in het binnenste. Ja, dit vooral is de zegen, die God in bange wegen aan Zijne kinderen geeft. Zij leeren meer vertrouwd worden met de Schrift en proeven en smaken, dat Gods Woord waarachtig is. „Ik heb het gevoeld,quot; zei eens een eenvoudig landbouwer uit den achterhoek van Gelderland in eene diligence tegen een modern prediker, die hem de Godheid van Christus betwistte, „ik heb het gevoeld, dat Jezus Gods Zoon is.quot; Zoo gaat het den Christen, als hij geloovig werkzaam is onder de beproevingen des levens. Hij wordt door Gods Woord gelaafd, gevoed en verkrijgt vrij-

-ocr page 123-

Ill

moediglieid, om tegen de mannen des ongeloofs, al kan hij hunne redeneeringen niet weerleggen, te zeggen, ik weet, dat Gods Woord de waarheid is, ik heb het ervaren.quot;

Er wordt verhaald van een Roomsch Katholiek priester, die een kind het Nieuwe-Testament afnam, maar den kleine hoorde zeggen: „gij kunt mij toch de twaalf hoofdstukken van het Evangelie van Johannes, welke ik van buiten ken, niet afnemen, mijnheer!quot;

Met eerbied gezegd, in kruiswegen leeren Gods kinderen, als hun geloof recht werkzaam is op de rechte wijze, gedeelten van Gods Woord van buiten. Dan bekommeren zij zich niet om de critiek, die aan den Bijbel knaagt, zij hebben dien Bijbel in hun hart. Het gaat hen, als dien armen vrome, die op den witten rand in zijn Bijbel naast vele teksten een B en een E geschreven had, en, die op de vraag waarom hij zulks had gedaan, ten antwoord gaf; O, al die teksten heb ik beproefd en echt gevonden!

God is een toevlucht voor de Zijnen. Hij is krachtig bevonden een hulp in benauwdheid. Onze ziel hope op Hem. Na den pelgrimstocht geeft Hij rust in het Vaderhuis. Na den korten strijd des levens schenkt Hij eene eeuwige heerlijkheid. Dies hebben wij goeden moed.

-ocr page 124-

EENE LIEFELIJKE VERGUNNING.

„Werpt al uwe bekommernis op Hem.quot;

1 Petr, 5 vs. 7a.

De apostel troost in hoofdstuk 4 van Cor. 1—15 de Christenen onder het lijden, dat zij om Christus\' wille te verduren hadden. Van vs. 16—19 toont hij vervolgens aan, dat, als zij weldeden, zij geen kwaad te vreezen hadden en zich de belijdenis der ware christelijke leer niet behoefden te schamen. Ja, dat God wel zijn volk bezocht, doch dat het oordeel der on-geloovigen en ongehoorzamen aan het Evangelie verschrikkelijk zijn zou. De laatsten zouden het eeuwig oordeel Gods niet ontvlieden; terwijl zij, die gelooven, om Christus\' eeuwig geldende Borggerechtigheid zouden vrijgesproken worden. Daarom moesten zij, die om den Naam van Christus, naar den wille Gods, en volgens Diens wijze bestelling leden, welgemoed zijn; zóó dat zij hunne zielen, dat is hunne gansche personen. Hem, als den getrouwen Schepper, aan Wien zij alles te danken hadden, en die al Zijne beloften nakomt, toevertrouwen en al hunne belangen vertrouwelijk in Zijne handen stellen, „met weldoen,quot; d. i. wandelende op den weg der Godzaligheid, in het pad van \'sHeeren geboden.

Daarop geeft de apostel in ons teksthoofdstuk van vs. 1—5 eenige voorname plichten der opzieners en leden der gemeente aan, en vermaant in onzen tekst, als ware Christenen, onder Gods slaande en drukkende hand een nederig, ootmoedig en gevoelig hart om te dragen. In dien weg zou uitredding en verhooging hun deel zijn. In dien weg zouden zij ook niet te zeer neêrgebogen maar in den Heere goedsmoeds zijn.

-ocr page 125-

113

De geloovigen mogen goedsmoeds zijn. Ook in de moeielijkste omstandigheden hebben zij eene veilige toevlucht. Daarom is het in den tekst: „Werpt al uwe bekommernis op Hem; want Hij zorgt voor u.quot;

Eenvoudige, maar in zorgvolle dagen en tot troost, bemoediging en opbeuring van bekommerde harten, zeer gepaste woorden!

De apostel spreekt van „bekommernis.quot; Het oorspronkelijke woord geeft ook te kennen: eene goede zorg; als bijvoorbeeld van een vader voor zijne kinderen; een heer voor zijne huisge-nooten; een landman voor den zaai- en oogsttijd; een leeraar voor zijne gemeente ; een zondaar voor zijn eeuwig heil; eene ontwaakte ziel om troost deelachtig te worden; en een godvruchtige om meer in Christus bevestigd en voor de eeuwigheid bereid te worden.

Elk moet in zijn kring zijn beroep getrouw waarnemen, en, met het oog op Gods zegen, alles verrichten, wat mogelijk is tot zijn tijdelijk en eeuwig heil. Dit is allerwege de leer dei-Schrift.

Maar het woord in den tekst door „bekommernisquot; vertolkt geeft eigenlijk te kennen eene angstige zorg en bijzonderen kommer, waardoor (gelijk het grondwoord ook verdeden be-teekent,) het hart als vaneen gescheurd, en de ziel hevig ginds en weder geslingerd wordt; men het rustpunt buiten den Heere zoekt en, als het dan niet gevonden wordt, ongeloovig en twijfelmoedig denkt: „hoe zal deze of gene zaak terecht komen?quot; „Hoe kom ik uit deze of die moeielijkheid?quot; „Hoe word ik ooit zalig0quot; „Hoe komt mijn lichaam met eere in het graf en mijne ziel in den hemel ?quot;

Dergelijke gestalten zijn in strijd met de leer van Jezus; „zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult: noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleeden zult.quot; En wederom: „wat zijt gij vreesachtig, gij kleingeloovi-gen?quot; En van Paulus: „Weest in geen ding bezorgd.quot;

„Werpt al uwe bekommernis op Hemquot; is het in den tekst. Er is meer dan ééne bekommernis. De bekommernissen zijn velerlei. Vooral in een tijd van verdrukking, vervolging en „berooving van goederenquot; gelijk de geloovigen, aan wie Petrus schreef, doorleefden. Daar is toch menige bekommernis naar het lichaam. De Christen heeft dikwerf weinig van wat de aarde aan schatten en gaven bezit. Hij bewoont vier naakte muren, die niet eens zijn eigendom zijn, en telt meestal zijn aardsch kapitaal bij penningen. Soms laat de behoefte zich gevoelen, dreigt armoede, dat schrikbeeld voor onze natuur! Menig-

-ocr page 126-

EENE LIEFELIJKE VERGUNNING.

„Werpt al uwe bekommernis op Hem.quot;

1 Petr. 5 vs. 7ö.

De apostel troost in hoofdstuk 4 van Cor. 1—15 de Christenen onder het lijden, dat zij om Christus\' wille te verduren hadden. Van vs. 16—19 toont hij vervolgens aan, dat, als zij weldeden, zij geen kwaad ti? vreezen hadden en zich de belijdenis der ware christelijke leer niet behoefden te schamen. Ja, dat God wel zijn volk bezocht, doch dat het oordeel der on-geloovigen en ongehoorzamen aan het Evangelie verschrikkelijk zijn zou. De laatsten zouden het eeuwig oordeel Gods niet ontvlieden; terwijl zij, die gelooven, om Christus\' eeuwig geldende Borggerechtigheid zouden vrijgesproken worden. Daarom moesten zij, die om den Naam van Christus, naar den wille Gods, en volgens Diens wijze bestelling leden, welgemoed zijn; zóó dat zij hunne zielen, dat is hunne gansche personen. Hem, als den getrouwen Schepper, aan Wien zij alles te danken hadden, en die al Zijne beloften nakomt, toevertrouwen en al hunne belangen vertrouwelijk in Zijne handen stellen, „met weldoen,quot; d. i. wandelende op den weg der Godzaligheid, in het pad van \'sHeeren geboden.

Daarop geeft de apostel in ons teksthoofdstuk van vs. 1—5 eenige voorname plichten der opzieners en leden der gemeente aan, en vermaant in onzen tekst, als ware Christenen, onder Gods slaande en drukkende hand een nederig, ootmoedig en gevoelig hart om te dragen. In dien weg zou uitredding en verhooging hun deel zijn. In dien weg zouden zij ook niet te zeer neergebogen maar in den Heere goedsmoeds zijn.

-ocr page 127-

113

De geloovigen mogen goedsmoeds zijn. Ook in de moeielijkste omstandigheden hebben zij eene veilige toevlucht. Daarom is het in den tekst: „Werpt al uwe bekommernis op Hem; want Hij zorgt voor u.quot;

Eenvoudige, maar in zorgvolle dagen en tot troost, bemoediging en opbeuring van bekommerde harten, zeer gepaste woorden!

De apostel spreekt van „bekommernis.quot; Het oorspronkelijke woord geeft ook te kennen: eene goede zorg; als bijvoorbeeld van een vader voor zijne kinderen; een heer voor zijne huisge-nooten; een landman voor den zaai- en oogsttijd; een leeraar voor zijne gemeente; een zondaar voor zijn eeuwig heil; eene ontwaakte ziel om troost deelachtig te worden; en een godvruchtige om meer in Christus bevestigd en voor de eeuwigheid bereid te worden.

Elk moet in zijn kring zijn beroep getrouw waarnemen, en, met het oog op Gods zegen, alles verrichten, wat mogelijk is tot zijn tijdelijk en eeuwig heil. Dit is allerwege de leer der Schrift.

Maar het woord in den tekst door „bekommernisquot; vertolkt geeft eigenlijk te kennen eene angstige zorg en bijzonderen kommer, waardoor (gelijk het grondwoord ook verdeden be-teekent,) het hart als vaneen gescheurd, en de ziel hevig ginds en weder geslingerd wordt; men het rustpunt buiten den Heere zoekt en, als het dan niet gevonden wordt, ongeloovig en twijfelmoedig denkt: „hoe zal deze of gene zaak terecht komen?quot; „Hoe kom ik uit deze of die moeielijkheid?quot; „Hoe word ik ooit zalig?quot; „Hoe komt mijn lichaam met eere in het graf en mijne ziel in den hemel?quot;

Dergelijke gestalten zijn in strijd met de leer van Jezus: „zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten, en wat gij drinken zult: noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleeden zult.quot; En wederom: „wat zijt gij vreesachtig, gij kleingeloovi-gen?quot; En vau Paulus: „Weest in geen ding bezorgd.quot;

„Werpt al uwe bekommernis op Hemquot; is het in den tekst. Er is meer dan ééne bekommernis. De bekommernissen zijn velerlei. Vooral in een tijd van verdrukking, vervolging en „berooving van goederenquot; gelijk de geloovigen, aan wie Petrus schreef, doorleefden. Daar is toch menige bekommernis naar het lichaam. De Christen heeft dikwerf weinig van wat de aarde aan schatten en gaven bezit. Hij bewoont vier naakte muren, die niet eens zijn eigendom zijn, en telt meestal zijn aardsch kapitaal bij penningen. Soms laat de behoefte zich gevoelen, dreigt armoede, dat schrikbeeld voor onze natuur! Menig-

8

-ocr page 128-

114

maal heeft hij met tegenspoed te worstelen; de inkomsten verminderen, de bezittingen slinken weg, de toekomst is donker. Niet zelden draagt hij een gebrekkig of ziekelijk lichaam om. Daarbij treft hem smaad en spot en tegenstand der wereld, die haar karakter niet verloochent, en nu zoowel als vroeger vijandig tegen Jezus, en die van Jezus zijn, zich toont.

O, als men te veel op het schepsel en te weinig op God ziet, wordt de taal der moedeloosheid gehoord, wordt er onge-loovig woelen gekend.

De oprechte eet hier wel eens tranenbrood en drinkt hier wel eens water, bitter als gal. Niet onvermengd is het zoet der aarde. Snoode vijanden kunnen den Christen wel zoo benauwen, dat hij, als vermagerd en uitgeteerd moet klagen: „ik ben moede van mijn zuchten en mijn oog is doorknaagd van verdriet.quot;

Maar vooral naar de ziel is dikwerf de zorg, de kommer

froot. Als een zondaar door Gods licht aan zich zeiven is ont-ekt, hoe bekommerd is hij dan! Vrees van voor eeuwig om te komen heeft hem met al hare verschrikkelijkheid aangegrepen ; zijne eigene conscientie, wet en duivel ontrusten en benauwen hem, alsof er voor hem geene zaligheid ware! Hoe zwaar drukt hem dan het pak zijner zondenschuld op het hart! Hoe bitterlijk weent en zucht de bezwaarde ziel! Hoe laag bukt zij voor Gods genadetroon! Hoe verlegen vraagt ze: „zou zulk een, als ik ben, nog mogen hopen, nog kunnen behouden worden?quot; En als zij al eenigszins hoop en moed uit het Evangelie put, hoe ongeloovig, twijfelmoedig is ze menigmaal ! En valt ze, als een nietige aardworm, voor Jezus\' voeten, wat kan de strijd, de aanvechting des Satans dan hevig zijn, zoodat ze met den dichter uitroept: „o God! ik ben bekommerd van wege mijne zonde!quot;root. Als een zondaar door Gods licht aan zich zeiven is ont-ekt, hoe bekommerd is hij dan! Vrees van voor eeuwig om te komen heeft hem met al hare verschrikkelijkheid aangegrepen ; zijne eigene conscientie, wet en duivel ontrusten en benauwen hem, alsof er voor hem geene zaligheid ware! Hoe zwaar drukt hem dan het pak zijner zondenschuld op het hart! Hoe bitterlijk weent en zucht de bezwaarde ziel! Hoe laag bukt zij voor Gods genadetroon! Hoe verlegen vraagt ze: „zou zulk een, als ik ben, nog mogen hopen, nog kunnen behouden worden?quot; En als zij al eenigszins hoop en moed uit het Evangelie put, hoe ongeloovig, twijfelmoedig is ze menigmaal ! En valt ze, als een nietige aardworm, voor Jezus\' voeten, wat kan de strijd, de aanvechting des Satans dan hevig zijn, zoodat ze met den dichter uitroept: „o God! ik ben bekommerd van wege mijne zonde!quot;

Ook bij den voortgang op den weg ten leven wordt de „bekommernisquot; gekend. Ofschoon men veel troost uit het Evangelie genoot en tot de rust gevende daad des geloofs kwam; ofschoon men gelooven dorst een kind van God te zijn en meermalen de zalige voorproeven van het heerlijk hemelleven had — blijft „bekommernisquot; geene vreemde zaak. O, wanneer men, door afwijking des harten van God en door het inwonend bederf in een duisteren, doodigen en afgezakten staat geraakt; als des Heeren vriendelijk aangezicht wordt gemist; als het is, alsof Jezus van verre staat; als de Heilige Geest Zijne troostrijke invloeden onttrekt; vooral in de ure des doods, wanneer het lichaam door pijn gefolterd wordt, de vorst der duisternis nog zijnen laatsten kans komt wagen om de ziel haar

-ocr page 129-

115

hoop en moed te ontnemen, — o, als men dan zijn schandelijk verzuim, zijne zonden, zijne ontrouw en ondankbaarheid levendig onder het oog krijgt, welk een geklaag, gezucht, geween, gekerm is er dan bij den oprechtsten, godvruchtigsten, begenadigsten mensoh! Hoe wordt de vroomste ziel dan met meer dan ééne pijl doorboord! Hoe mismoedig is dan Gods beste vriend, Gods innigste vriendin! Hoe roept de ziel dan uit, als de Heere op haar geschrei wat vertoeft, en als \'t ware met Zijn troostrijk licht des Geestes wat achter blijft: „o, dat ik mij toch niet met valsche hoop heb gevleid en iu ijdelen waan mij als hemelburger heb beschouwd!quot; Hoe zucht ze uit de diepte van het God missend en naar God zoekend hart; „zal dan de Heere in eeuwigheid verstooten; houdt Zijne goedertierenheid in eeuwigheid op! heeft God dan vergeten genadig te zijn!quot;

Al uwe bekommernissen, zegt de tekst, en in de daad, de meeste bekommernissen zijn niet van den Heere, maar uit des menschen zondig, ongeloovig, God, Gods beloften, Gods ver-bondsliefde, Gods macht en trouw wantrouwend hart. Dat hart speelt den Christen parten. Dat hart biedt den Satan in zijne aanvallen op het geloof krachtigen steun.

Het is waar, de bekommering over zijn tijdelijk belang is wel goed, als haar paal en perk gesteld wordt, en men niet toegeeft aan moedeloosheid, alsof er geen uitkomst ware; als men er niet bij blijft stilstaan, maar er mede naar den Heere gaat en op Diens wijs, machtig en goedertieren bestier ziet; als men de zaak in \'s Heeren hand stelt en vertrouwt, dat Hij nooit beschamen zal, die op Hem hopen, maar hun altijd eene heerlijke uitkomst geven, zoodat men met de kerk van den ouden dag zegt: „Ik zal uitzien naar den Heere, ik zal wachten op den God mijns lieils; mijn God zal mij hooren !quot;

Het is goed, ja zalig voor een mensch over zijne eeuwige belangen\'verontrust en bekommerd te worden; maar er is geen reden om toe te geven aan moedeloosheid en ongeloovige bedenkingen, alsof de zonden te groot waren om vergeven te worden, en alsof er geen weg ontsloten ware, om getroost te worden in leven en sterven.

Integendeel, men mag veeleer denken; dat ik mij schuldig en doemwaardig voor God heb leeren kennen, door Jezus alleen wensch behouden te worden, tot Hem als een verlorene de toevlucht neem, vergevende en heiligende genade begeer, aan \'s Heeren volk verbonden ben, — is het werk van Gods Geest in mij. Vrije genade moet ik de eer geven. Ik zou gerust gebleven zijn en in valschen vrede naar de hel zijn ge-

-ocr page 130-

116

gaan; maar de Heere heeft in ontferming op mij neergezien en mij door Zijnen Geest tot een nieuw schepsel in Christus geschapen. Daarom troost en bemoedig ik mij met Gods onfeilbare belofte: „Mijne ziel wacht op den Heere, en ik hoop op Zijn Woord.quot; —

Ja, de bekommering is voor den godvruchtige heilzaam. Hij mag wel innig bewogen en aangedaan zijn over het bederven van zijn weg voor Gods aangezicht; wel rekenen met de bezwaren, teleurstellingen en rampen des levens; wel diep in ootmoed gebukt gaan onder den zwaren last der zonden des volks; wel, — doch waartoe meer?quot; Salomo zegt: „welgelukzalig is de mensch, die geduriglijk vreest.quot;

Ja, de Godvruchtige heeft op Gods bezoekende hand acht te geven, zich er onder te vernederen, doch hij heeft zijne vrijmoedigheid niet weg te werpen en zich den Heere niet voor te stellen als een vertoornd en strafoefenend Eechter, maar als een kastijdend, doch in Christus gaarn vergevend, liefderijk God en Vader. Hij heeft te trachten, tot beschaming van alle afgoden, in zijn sterken en machtigen God zich op te bouwen, met den dichter van Ps. 42 ; „wat buigt gij u neder, o, mijne ziel! en zijt onrustig in mij ? hoop op God; want ik zal hem nog loven voor de verlossingen Zijns aangezichts.quot; Daarom zegt Petrus ook: „werpt al uwe hekommernis op Hem.quot; Het Grieksche woord door „werpenquot; overgezet wordt met een Hebreeuwsch woord (Ps. 37 : 5), dat „wentelenquot; beteekent, in de schrift afgewisseld en wordt gebruikt bijv., als er sprake is van het afwentelen van een zwaarwichtigen steen van een put of van den ingang eener spelonk. In den tekst wijst het op een zwaren last, dien men op eens anders schouders werpt, zoodat men er van bevrijd wordt. Ook geeft het te kennen; iets, dat moeielijk en gevaarlijk is, van zich te werpen, gelijk de zeelieden den last, die het scheepke dreigt te doen zinken, aan de golven prijs geeft. (Hand. 27 : 19 en Jona 1.)

Terecht is die „bekommernisquot; een zware last geheeten; een pak, dat men zonder Gods bijzondere hulp niet dragen kan; waaronder men dikwerf zoo gebogen gaat, dat, als de Heere het niet wegnam of wat dragelijk maakte, men er onder bezwijken zou.

„Werpt al uwe bekommernissen op Hem,quot; zegt Petrus, dat is: op God, op Jehova, den regeerder en bestuurder van alle dingen, den machtigen en trouwen verbonds-God van Zijn volk, den barmhartigen en liefderijken Vader in den Heere Jezus Christus.

Een tweetal vragen doen zich hier voor. Wat gaat dat

-ocr page 131-

117

„werpenquot; vooraf? Hoe en wanneer werpt men zijne bekommernis op den Heere?

Wat gaat dat „werpenquot; vooraf? Dat men bij Goddelijk lickt zijne bekommernis en de oorzaak daarvan ziet en gevoelt en daarmêe naar God gaat. Alles voor den troon der genade nederlegt en als een macktelooze, geheel verlegene, in waren ootmoed en nederigbeid der ziel als voor de voeten van Jezus, den gezegenden Verlosser, nedervalt, en door Hem als Middelaar, den rechter om genade, redding en verlossing smeekt! Ook, dat men geloovig vertrouwt, dat Gods eeuwige ontfermingen, liefde en trouw in Zijnen Zoon oneindig zijn en Hij mitsdien een armen zondaar, of zijn arm volk, dat in angst of pijn, in nood en dood, in Obristus, den eeuwigen Borg, tot Hem vlucbt, niet afwijzen, of hulp- en troosteloos laten zal. Daartoe bemint God Zijn volk te sterk. Daartoe zijn er te veel toonbeelden van Zijne genade in den Hemel en op de aarde.

Hoe en wanneer werpt men zijne bekommernis op den Heere ? Wanneer men niet alleen Hem alle nooden en behoeften, ziels- en lichaamsleed, bekend maakt, Zijn licht en hulp inroept om van wat drukt verlost te worden, maar ook het bezwaard gemoed vertrouwelijk uitstort in Gods liefhebbend Vaderhart en zich in de liefdearmen van den Goddelijken Verlosser werpt, zich geheel en tot zaligheid aan Hem overgeeft en toevertrouwt. Alles zóó aan het hoog bestuur van God opdraagt, dat men den ganschen last van bekommernis als van zich af en op de schouders van den Almachtige overdraagt. Dan zegt men met den zanger: „Immers is mijne ziel stil tot God; van Hem is mijn heil. Immers is Hij mijn rotssteen en mijn heil, mijn hoog vertrek, ik zal niet grootelijks wankelen.quot; „In God is mijn heil en mijn eer; de rotssteen mijner sterkte, mijne toevlucht is in God.quot;

Dan, ja, dan keert de ziel tot hare ruste weder, alsof er geen bekommernis meer ware. Goddelijke hulp, krachtige ondersteuning wordt ondervonden. Het zwaarste kruis weegt licht. Zalige onderworpenheid wordt gekend. Men wordt geholpen en uitgered. De duisternis verdwijnt en het liefelijkst licht van Gods aangezicht koestert. Men krijgt inzicht in Gods weg, vat Gods bedoelingen, en ziet zich het hinderlijkst vertrouwen op God gegund. Het heerlijkst einde lacht in het verschiet. Al, wat God doet, is dan goed. Men weet, de uitkomst zal zalig zijn.

De ziel zegt in die ure: O mijn God, ik geef alles in Uwe handen! ik vertrouw mij in nood en dood geheel aan U toe! ik vertrouw geheel op U! Gij zult het altoos met mij

-ocr page 132-

118

wèl maken; en, — als ik Uw licht, hulp en troost maar heb, waarop ik in Uw Zoon mij verlate! — dan zal alles wel zijn. Al zullen de vijanden hevig woeden. Gij, o Heere! zijt en blijft mijn trouwe Helper. Van ganscher harte zing ik met den Psalmist; „De Heere is mijn licht en mijn Heil, voor wien zou ik vervaard zijn ?quot; —

Het mag dan hier met de ziel gaan, zooals het wil; — al wordt ze eens met duisternis omringd; in het strijdperk gebracht; onder gemis van „gevoelige genadequot; gesteld, zij weet en vertrouwt dan vast op grond van de gerechtigheid des Heilands, dat zij nooit verlaten zal worden; dat door het licht van de Zon der gerechtigheid, dat door Jezus alle duisternis zal opklaren; dat het straks geheel en voor eeuwig licht en blijdschap in God wezen zal, — straks als alle strijd gestreden en de overwinning behaald zal zijn door Hem, namelijk Jezus, Die haar heeft liefgehad en Gode gekocht met Zijn bloed en gemaakt tot koning en priester om over zonde en dood voor eeuwig te triumfeeren.

Welk een nadruk heeft derhalve Petrus\' opwekking. Het is, alsof hij zegt: „weest niet te neerslachtig, te neêrge-bogen onder Gods krachtige hand; weest wel diep vernederd voor God, maar niet hopeloos en moedeloos, alsof er nooit uitkomst en verlossing uit de hand uwer verdrukkers komen zou. Zoekt het niet bij eenig schepsel; want het stelt u te leur, — onmachtig, öf ontrouw, öf onwillig als het is. Zoekt het bij den Heere, Wiens macht onbeperkt. Wiens liefde oneindig, Wiens trouw onkreukbaar is; bij Hem, Die altijd ontfermend en vriendelijk, altoos dezelfde blijft en ook tot u gezegd heeft: „Ik zal zijn, die Ik zijn zal.quot; Weest dan toch niet zóó ontrust en bekommerd, alsof God geen machtige en trouwe Helper ware, alsof Hij de verzuchtingen van Zijn volk niet gadesloeg en al hunne tranen niet in zijn flesch bewaarde. Laat toch die nijpende bekommering varen. Zoekt u in den Heere te versterken! Hij is een toevlucht van geslachte tot geslacht! Werpt al uwe hekommernis op Hem. Doe het gerust; want Hij zorgt voor u. Zijn oog is op u geslagen. Zijn arm waakt over u. Zijn hart klopt voor u. Zijne toezeggingen gelden u. Zijn Christus bidt voor u. Zijne engelen dienen u. Zijn Geest geleidt u. Zijn volheid behoort u. Zijn Hemel wacht u.

-ocr page 133-

DE WEG TOT GEBEDSVERHOORING AANGEWEZEN.

Wederom zeg ik u: „indien er twee van n samen stemmen op de aarde, voor eenige zaak, die zij zouden mogen be-geeren, dat die hun zal geschieden van Mijnen Vader, die in de hemelen is.quot;

Matt. 18 ; 19.

De Heere Jezus sprak tot Zijne jongeren. Hoogst ernstig was Zijn toon. Immers het vorige vers vangt Hij aan met het plechtige: „Voorwaar zeg Ik u.quot; En in den tekst is het: „Wederom zeg Ik u.quot; Ik, Die de Amen, de Getrouwe en Waarachtige Getuige ben, zegge u; Ik verzeker het u met een voorwaar, dat u uit Mijn mond moet zijn als een dure eed. Het blijkt dus, hetgeen de Heiland beloven wilde, was van het grootste gewicht. Trouwens Hij sprak van hidden en van gehedsverhooring. En die bidt, moet bidden „in den geloove, niet twijfelende; want die twijfelt is een baar der zee gelijk, die van den wind gedreven en op en neder geworpen wordt.quot; Het was er den Heiland derhalve om te doen, Zijnen jongeren allen twijfel te ontnemen.

„Indienquot;, zegt Hij, „er twee van u samenstemmen op de aarde, over eenige zaak, die zij zouden mogen begeeren, dat die hun zal geschieden van Mijnen Vader, die in de hemelen is.quot; Waar dus een samenstemming van twee, of, gelijk uit het volgende vers kan worden afgeleid, van drie hunner was in den gebede, mocht op de verhooring vastelijk worden gerekend.

Israels koning verzekerde reeds, dat het gebed der oprechten den Heere welgevallig is, en Jacobus, dat het krachtig gebed

-ocr page 134-

120

des rechtvaardigen veel vermag. Zou liet dan vruchteloos zijn, wanneer meerderen, met saamgesmolten harten en ineengeslagen handen, den Heere aanhopen als een waterstroom?

De Heiland spreekt van twee of drie; niet op de menigte, maar op het samenstemmen der bidders kwam het aan. Het Grieksche woord, door samenstemmen vertaald, doet aan de welluidende overeenstemming, die in de muziek plaats hebben moet, denken. De bidders moesten samenstemmen, niet uit inschikkelijkheid van den een voor den ander, veel min uit vreeze, maar oprecht en ongedwongen. Zij moesten hetzelfde doel beoogen en innig overtuigd van de reinheid en belangrijkheid van het beoogde, samen willen werkzaam zijn om het te verkrijgen. M. a. w. een samenstemming wordt bedoeld, waardoor men staat „in een zelfden zin en in een zelfde gevoelen;quot; want het moest een samenstemmen zijn „over eenige zaak, die zij zouden mogen begeeren.quot;

Het behoeft nauwelijks gezegd, dat hier geen sprake zijn kan van eenige zaak, waarbij één van hun voor zijn persoon een bijzonder belang had. In zulk een geval kwam samenstemming minder te pas. Maar van eene zaak, waarbij zij te zamen belang hadden. En dan niet zoo zeer een zaak, die hun lichamelijk welzijn, hun aardschen voorspoed betrof, als wel eene, die bepaald de eere Gods en het heil Zijner kerk op aarde aanging. Want zonder nu het gevoelen te deelen van hen, die meenen, dat de Heiland alleen het oog had op de door Hem gegevene voorschriften betreffende de kerkelijke tucht, en mitsdien het samenstemmen uitsluitend goldt bij gevallen, waarin de gemeenschap der kerk of toegesloten of ontsloten moest worden; zonder zelfs ons neêr te leggen bij de verklaring van anderen, die hier aan eenige buitengewone verrichtingen der Apostelen willen hebben gedacht, als de mededeeling van den Geest door oplegging der handen, het doen van wonderwerken enz., komt het ook ons voor, dat Jezus minder eene algemeene waarheid ten beste geeft, als wel een bepaald geval aangeeft, en dat wij, minder dan ooit recht hebben. Zijne toezegging los te maken van het verband, waarin zij voorkomt. De Heiland had Zijne jongeren een voorschrift gegeven, hoe zij, als straks Zijne gemeente, gegrondvest in Zijn bloed, geplant zou zijn en aan hunne zorgen zou worden toevertrouwd, te handelen hadden met de ongeregelden en hardnekkigen. En nu verklaart Hij, op de stelligste wijze, tot hunne bemoediging, dat, wanneer twee of drie hunner zouden samenstemmen over eenige zaak, hun ambt en bediening als Apostelen betreffende, die zij in den gebede, tot bevordening van Zijn Koninkrijk en

-ocr page 135-

121

tot heil der zondaren zouden begeeren, ze hun geschieden zou van Zijnen Vader, die in de hemelen is.quot;

Aangezien nu in het voorschrift der tucht een ten allen tijde geldende regel is neêrgelegd, en de arbeid aan het Godsrijk duurt tot den dag der dagen, heeft ook de belofte blijvende beteekenis; en waar ten slotte niet alleen de Apostelen, maar heel de gemeente, in den arbeid der liefde aan het hart der afgewekenen, aan de uitoefening van het middel ter behoudenis (de tucht) heeft deel te nemen en bij de komst van \'s Heeren rijk belang heeft, daar mag de heerlijke toezegging des Zaligmakers niet tot apostelen, leeraren en opzieners der gemeente worden beperkt.

Maar zooveel is zeker, dat hier in het algemeen gedacht worden moet aan eene zaak, die Gods Koninkrijk op aarde betreft: aan de uitbreiding van dat rijk, tot verheerlijking van God, in de bekeering der zondaren en de heiliging der gemeente; aan den zegen op de middelen, die daartoe in Gods kracht worden aangewend; aan het beteugelen der vijanden, die de kudde des Heeren bedreigen; aan het heelen van scheuren en het wegnemen van ergernissen, die den geestelijken wasdom belemmeren; aan het ootmoedig, geloovig belijden der Christenen, en wat dies meer zij.

Overweging, of hetgeen men begeert, ons of anderen wezenlijk nut verstrekken en tot verheerlijking des Heeren dienen kan, m. e. w. of het begeeren geoorloofd is, dient dus vooraf te gaan.

Te bidden om dingen, die slechts dienen zouden tot „verzadiging van het vleesch,quot; die men „in zijnen wellust zou doorbrengenquot;, is zondig of ijdel. „Gij bidt wel,quot; zegt Jacobus, „en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt.quot; Was het dan eene zaak, zooals wij omschreven, en stemden zij, na nauwgezette overweging en eerbiedige bepeinzing er te zamen in overeen, dat het eene voor God heerlijke en voor hen en de gemeente hoogstwenschelijke zaak zou zijn, dan konden zij in den Naam van Jezus vrijmoedigheid gebruiken om die van God te begeeren. Dan was hun bidden niet willekeurig, maar door den H. Geest, Die in hen woonde, hen leidde en door hen werkte. Dan konden zij staat maken op kennelijke verhooring. Jezus\' „Vader, Die in de hemelen is,quot; zou hun hunne begeerte geven.

Zij hadden er niet aan te twijfelen, hun ijverig, geloovig, vertrouwend gebed zou worden verhoord. De mond der waarheid verzekerde het hun. Zijn Vader, de Vader der lichten, van Wien alle goede giften en volmaakte gaven afdalen, zou zich den verhoorder des gebeds betoonen. Zijn Vader trouwens

-ocr page 136-

122

was ook hun Vader. Hij droeg hun een toegenegen hart toe ; aan macht ontbrak het Hem niet; de eere Zijns Naams is Hem dierbaar. Daarom, o mijne jongeren, wil Jezus zeggen, als gij naar \'s Vaders wil in Mijnen Naam, gemeenschappelijk u buigt voor den troon der genade om eene zaak, die ge verlangt met een heilig oogmerk en diep gaande overtuiging, dat zij heilzaam en noodig is, niet ongetroost gaat gij heen. U zal geschieden naar uw geloof!

Naar dit woord van Jezus is het Zijnen apostelen gegaan. Wie denkt b. v. niet aan hun eendrachtelijk samenzijn en bidden om den H. Geest en aan het heerlijk Pinksterwonder, waarmede dat biddende samenzijn werd bekroond?

Heeft dit Woord van Jezus aan Zijne jongeren, ons, leeraren, medeopzieners en verzorgers, leden der Gemeente niets te zeggen? Moet het den schaamteblos niet op het gelaat onzer ziel brengen?

Wat is de weg om het verkeerde uit de gemeente te weren? Om haar bloei te zien toenemen? Om de eenheid van Gods kinderen te verkrijgen?

Het gebed, zooals wij het omschreven, naar Jezus\' Woord.

„Daar komt nog vleesch en wereld bij,quot; mag wel de droeve klacht zijn met het oog op de toepassing der tucht, op de bediening des Woords, op allen arbeid in de gemeente, niet het minst op de gedachtenwisseling met hen, die van ons, b. v. op kerkelijk gebied, verschillen. En nu zal dit wel zoo blijven, zoolang wij in de wereld zijn en vleesch omdragen; maar toch, naarmate de bede: „verlos ons dan, en maak ons vrijquot; uit drang des harten opklimt tot den troon, zal de macht der wereld zwakker en de invloed van het vleesch minder zijn. O, mocht eens deze zaak, zaak des harten, zaak van gemeenschappelijk gebed worden! Onze God zou wonderen doen.

-ocr page 137-

DE HEERE ONS DEEL.

„De Heere. is mijn deel.quot;

Klaag\'l. 3 : 24a.

„De Heere is mijn deelquot; sprak de profeet Jeremia, als hij op Jeruzalems puinhoopen zat en klaagliederen zong. Jeruzalem was verwoest en het volk gevankelijk weggevoerd. Hoe kon Jeremia, die achter gebleven was, anders dan daarover klagen en weenen?

Nadat hij zijnen tranen den vrijen loop gegeven en Israels ellende niet alleen bepeinsd, maar ook in den gebede zijnen God voorgehouden had, troostte hij zich, en zeide ; „De Heere is mijn deel, zegt mijne ziel, daarom zal ik op Hem hopen.quot; Het is, alsof hij zegt: „Is ook mijn volk mij ontvoerd, de tempel vernield, Jeruzalem verwoest, ja alle heerlijkheid Israels gevloden, nochtans is mij de Heere gebleven, en Hij is mijn deel.

„De Heere is mijn deel,quot; zoo spreekt de gemeente van Christus, en zoo mag ieder geloovige spreken. Want Hij is het deel, de eigenlijke en eeuwige bezitting van al de Zijnen.

De Heere is mijn deel. Ieder mensch noemt iets zijn deel, zijn eigendom, waarover hij zich verheugt, het zij wat het zij, al ware het nog zoo weinig; een vorst noemt zijn koninkrijk zijn deel, de rijke zijn geld, de landman zijne akkers enz. Maar de Christen zegt: de Heere is mijn deel.

Ofschoon hem ook een deel van de goederen dezer wereld behoort, ja de gansche wereld zelfs zijn eigendom is, wijl de apostel gezegd heeft; „alles is uwequot;, toch als zijn eigenlijk en bijzonder deel beschouwt hij niet het aardsche, maar zijn God.

„De Heerequot;, d. i. :

Jehma; de alleen ware en levende God, de Schepper aller dingen, de Heer aller heeren, de Koning aller Koningen; Hij is het hoogste goed, de grootste schat.

De drieeenige God; de drie personen worden in de H. S. met den naam Heere of Jehova aangeduid. God de Vader,

-ocr page 138-

124

Psalm 2 ; 4 en 110 : 1. God de Zoon, Jer. 23 ; 6. GoddeH. Geest, 1 Cor. 3 ; 16, 17. Zoodat wij kunnen zeggen, de Drie-eenige is mijn deel, maar ook elk der drie personen ons deel kunnen noemen.

Hij is mijn deel: met al Zijn eigenschappen; Zijn kracht ondersteunt mij; Zijn wijsheid bestiert mij; Zijn alomtegenwoordigheid komt mij ten goede; Zijne liefde is mijn geluk; Zijn trouw is mijn troost.

Met alles wat Hij is-, met de ambten, die Hij bekleedt en de eere, die Hem toekomt, — als de God van alle heil, die van den dood redt.

Met alles wat Hij heejt; en Hij heeft onuitsprekelijk veel. Zijne rijkdommen zijn onnaspeurlijk. Hij is mijn deel met Zijne heerlijkheid en zaligheid, met Zijn licht en leven, met Zijne heiligheid en gerechtigheid.

Hoe is de Heer ons deel? Dikwerf wordt den een of ander het eigendomsrecht op deze of gene bezitting bestreden; maar niemand overkomt dit meer dan een Christen. Intusschen is het duidelijk, dat de Christen tegenover alle aanvechtingen kan zeggen; „De Heere is mijn deel!quot; En dit;

door Gods eigen wil. Wij konden God ons deel niet noemen, wanneer Hij dit niet zelf verkoos; maar, dank zij Zijne liefde! Hij heeft dit van eeuwigheid gewild. En wie kan Zijn wil wederstaan?

Hij heeft zich aan ons gegeven. Wij zouden dit deel niet hebben kunnen nemen of verdienen; het is ons echter gegeven; „Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eenigge-boren Zoon gegeven heeft.quot; God heeft ons Zijn Zoon niet slechts gezonden als de apostelen en profeten, die ook weer van ons gegaan zijn; maar Hij heeft Hem ons ten eigendom geschonken.

Daarom noemt Hem ook de apostel; ,.Gods onuitsprekelijke Gave.quot; Met Christus hebben wij ook God den Vader en den H. Geest, die in Jezus\' geboorte krachtig werkte en Hem uit het graf en ook in de harten der zondaren heeft verheerlijkt.

Uit kracht van het genade-verbond. Door dit verbond heeft God zich met Zijn volk verloofd en ondertrouwd. De belofte luidt; „Ik zal hun tot een God zijn,quot; d. i. hun goed, hun deel, hun eigendom.

Voorts: door het hloed van Jezus Christus.

Door de geestelijlce geboorte uit God.

Door erfrecht.

Door de vereeniging met Christus.

Door het inwonen van den H. Geest.

Welk een deel is de Heere? Hij is het grootste deel, want Hij is de onbegrijpelijk groote en eenig rijke God. „Wien heb ik nevens U in den hemel, nevens U lust mij ook niets

-ocr page 139-

125

op de aarde.quot; Of zooals Luther vertaalt: „Wanneer ik U slechts heb, zoo vraag ik naar niets.quot;

Het schoonste deel. Op vele bezittingen der mensehen rust de vloek, wijl ze in den weg der ongerechtigheid verkregen zijn. De Heere echter is de heiligheid en heerlijkheid zelf.

Het volkomen bevredigende deel. Geen goederen der wereld geven den mensch volkomen voldoening, de Heere alleen kan dit, wijl Hij zelf de bevrediging van alle behoeften is.

Hij is voor u, als zondaar, een Heiland; als gevangene, een Verlosser; als leerling, een Onderwijzer; als kind, een Vader.

Wie Jezus heeft, heeft leven en overvloed..

Het zekerste deel. Alle goederen dezer wereld zijn onzeker; maar al wordt ons ook niets zóó bestreden als dit deel, dat Jezus heet, zoo is ons toch niets zekerder dan- Hij. Paulus roemt; „ik ben verzekerd, dat noch dood, noch leven, noch Engelen, noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomênde dingen, noch hoogte, noch diepte, nog eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus, onzen Heere.quot;

Een eeuwig deel. Hij blijft voor ons niet slechts gedurende dezen tijd, maar in alle eeuwigheid dezelfde. Deze bron welt onophoudelijk; deze zon gaat niet onder. Niet slechts staat er geschreven: „Jezus Christus is gisteren en heden en tot in eeuwigheid dezelfde,quot; maar ook: „Maria heeft het goede deel verkozen, dat van haar niet zal worden weggenomen.quot;

De vrome Berridge lag op zijn sterfbed. Hij was reeds eenige uren sprakeloos, en slechts een zeer flauwe polsslag gaf bewijs, dat de laatste adem nog niet aan de, bleeke lippen was ontvlucht. Zijne vrouw, de trouwe gade zijner jeugd, de troost en steun zijns ouderdoms, waggelt naar hem toe en vat de reeds verstijfde hand. „O mijn dierbare man, zie mij nog eenmaal aan, kent gij mij niet?quot; Geen antwoord. Nu sluit zijne geliefde dochter hare armen om hem heen: „Och, vader, lieve vader! kent gij ook mij niet meer?quot; Tevergeefs werd teeken van leven gewacht. Toen stond een Christelijke vriend op en fluisterde hem in het oor: „Kent gij Jezus?quot; Nu rees er blijk van herinnering in den starren blik. „JezusT\' vroeg hij, als in een droom, Jezus? En een glimlach van zaligen vrede speelde op zijn gelaat. „Jezus? Hij is mijn deel in eeuwigheid, mijn Jezus en mijn al,quot; en hij ging in, in de vreugde zijns Heeren.

Gelukkig, wie zeggen kan, „de Heere is mijn deel.quot;

Is mijn deel, hoe schoon! Wees tevreden, mijne ziel, en zie niet nijdig naar den voorspoed van de rijken dezer wereld. Verheug u over uw eigendom! Geniet het, en prijs het anderen aan!

-ocr page 140-

VRIJGEKOCH T.

,.Gij zijt duur gekocht, wordt geene dienstknechten der menschen.quot; 1 Cor. 7 : 23.

Wie herkent aan dit mannelijk woord Paulus niet. Hij leert den Cormthiërs o. a., het volgende: het Christendom brengt geene verandering te weeg in de betrekkingen van het burgerlijk leven, en daarom moet een ieder in dien stand blijven, waarin hij leefde toen hij tot Christus werd bekeerd. Het Christendom wil den loop des maatschappelijken levens niet verstoren, maar heiligen. Over geen eerlijk beroep behoeven we ons te schamen, en ook de Christenen in dienstbaren stand zijn vrijgelatenen des Heeren. Toch was ook de burgerlijke vrijheid voor den Corinthiërs begeerlijk, en in geen geval moesten zij vergeten wiens eigendom zij waren. Van nature waren zij in de droeve slavernij der zonde, onder de heerschappij des satans; maar Christus had hen vrijgekocht door den prijs van Zijn dierbaar bloed. Opgezocht door Zijne genade en gebracht tot het geloof in Zijn naam, waren zij „verlost uit hunne ijdele wandeling,quot; vrijgemaakt van de schuld en de macht dei-zonde. Onder de vrijwerkende en vrijmakende macht der genade mochten zij juichen: „Gij hebt ons Gode gekocht met Uw bloed.quot; Zij hadden niet te vergeten, dat de ware vrijheid bestaat in het eigendom zijn van Jezus Christus, Die om haar te verwerven, Zijne ziel ten schuldoffer gesteld had. Zij moesten die vrijheid op den rechten prijs stellen. In ham staan. Toezien „dat zij zich niet wederom met het juk der dienstbaarheid lieten bevangen.quot; Zij moesten geen dienstlcnechten van menschen worden.

-ocr page 141-

127

Niemand meene, dat Paulus hier een vrijbrief tot ongehoorzaamheid aan den wettigen meester of tot verzet tegen de bevelen der vrouw wil geven. Het zou in strijd zijn met geheel het evangelie en met wat hij zelf nadrukkelijk heeft verkondigd. Neen, het Christendom maakt de beste burgers, de trouwste onderdanen. De Christelijke liefde verhoogt en heiligt de betrekkingen des levens. Zij maakt de heeren liefderijk en de onderhoorigen getrouw. De vreeze Gods doet erkennen, dat God zelf rangen en standen heeft ingesteld, dat de leer : „vrijheid, gelijkheid en broederschapquot; een droombeeld is, op aarde niet te verwezenlijken, en, zoo \'t geschiedde, veeleer tot vloek dan tot zegen der menschen zou zijn.

Het behoeft niet gezegd, dat de Apostel nog minder er aan denkt, om van den arbeid der dienende liefde af te manen. Integendeel. Christus\' leven was dat der dienende liefde. Hij had lief met eene liefde der algeheele toewijding aan het beminde voorwerp. Iets van Zijn Geest moest in de Zijnen zijn. Hoe predikte Hij zulks, b. v. toen Hij de voeten Zijner jongeren wiesch. Een Christen zonder liefde is niet denkbaar. Is liefde het wezen Gods, bracht liefde er Gods Zoon toe onze natuurgenoot te worden en Zijne menschheid in den dood te geven, de liefde doet den Christen Gods beeld vertoonen, bewijzen, dat Christus in hem woont. De liefde kleedt den naakte, voedt den hongere, troost den bedroefde, zoekt den verlatene op, heft den gevallene op, weent met den weenende, verblijdt zich met den verblijde. Zij staat bij met raad en daad. Zij geeft brood voor het lichaam, maar ook brood voor de ziel. Zij is uitgebreid. Zij vergeet zelfs den bewoner der verste landen niet. De Heiden is het voorwerp harer gebeden, de Jood dat van hare verzuchtingen. Hoe meer zij geeft, hoe rijker zij wordt om altijd meer te geven. Die liefde woonde ook rijkelijk in Paulus\' hart. Als een bode des levens ging hij op weg tot allen, die verre waren, en terwijl hij voor Jezusquot; naam alle trappen van vervolging doorliep, toonde hij zich onder de medemenschen welmeenend, deelnemend en meedoogend; verloochende hij zich zei ven voor zijne broeders en zusters in het geloof, terwijl hij hen onophoudelijk opwekte tot de beoefening der liefde, door Christus zelf tot kenmerk van het discipelschap gesteld.

Maar wat bedoelt hij dan toch, als hij zegt: „Wordt geene dienstknechten van menschen.quot; De Apostel waarschuwt den Corinthiërs, dat zij, in dingen die de consciëntie en den godsdienst raken, zich niet zouden schikken en plooien naar men-schelijke begrippen en veroordeelen; dat zij menschengunst en

-ocr page 142-

128

eere niet zouden stellen boven de goedkeuring Gods. Dit toah zou onbestaanbaar zijn met de vrijheid, waarmede Christus hen vrijgemaakt had, en met den dienst, dien zij verschuldigd waren aan Christus, die hen duur gekocht, ja, langs den bloe-digen kruisweg zich ten eigendom verkregen had. Hem moesten ■zij in dezen alleen raadplegen en gehoorzamen, zoo niet, zij zouden trouweloos zijn aan hun Heere, tot schade van de uitbreiding van Zijn rijk.

Zeker zon de zucht om dat rijk te doen komen, om de verbreiding des Woords te bevorderen, om bij anderen ingang te vinden, of om gevallenen op te heffen er toe hunnen en moeten brengen om zich zeiven te spenen aan een op zich zelf geoorloofd genot; maar die zelfde begeerte zou tot verzet moeten prikkelen, waar in naam van den godsdienst de eisch tot die onthouding kwam en beslag werd gelegd op de vrijheid die in Christus is.

„Wordt geen dienstknechten van menschen.quot; Vooral in onzen tijd mag deze apostolische vermaning worden behartigd. Niet het minst hebben de dienaren des Woords er meê te rekenen. Zij zijn wel dienaren der gemeente, maar om Christus ivüle. Zij hebben wel al hunne krachten en vermogens tot heil der gemeente aan te wenden ; zij hebben wel toe te zien, dat zij „de kwaden verdragenquot; en de zwakken niet ergeren; maar zonder iemands slaaf tc zijn. Geen menschenvrees richte hunne wegen. Niet om de toejuiching van het schepsel, maar om de handhaving van het Woord des Heeren zij het hun te doen. Christus\' kruis zij hun roem. Zijn Woord zij hun gids. Hem te verheerlijken zij hun levenstaak. Gedurig hebben zij zich te onderzoeken, of het waarlijk zoo is. Want, ach, zelfzucht sluipt ons na in de binnenkamer en op den kansel, en zoo dikwerf strijden we voor ons eigen ik, terwijl wij meenen, dat het ons werkelijk om de waarheid en de eere des Heeren te doen was. Maar zijn we ons in teederheid der consciëntie bewust te waken over de zielen en te ijveren voor Hem, Wien al da eere toekomt voor des zondaars heil, — dan, broeders, werpen wij het juk van de schouders, dat menschen er op leggen willen, en ons herinnerende hoe duur wij zijn gekocht, roepen wij het elkander toe: „Wordt geen dienstknechten van menschen.quot;

-ocr page 143-

JEZUS - ONZE VRIEND,

.,Ja, zulkeen is mijn Vriend, gij dochters van Jeruzalem.quot; Hoogl. 5 : 16.

De bruid is ingenomen met haar Bruidegom. Zij heeft Zijne beminnelijkheid geschetst en roept nu Jeruzalems dochters toe: „Ja, zulkeen is mijn Vriend,quot; alsof zij zeggen wilde; „Verwondert het u dan nog, dat ik Hem zoo lief heb en hoogacht; dat ik rusteloos ben, voor ik bij Hem ben; dat ik voor geen prijs ter wereld Hem zou willen missen, en dat mijn mond niet laten kan Hem te prijzen?quot;

Zij had Hem „liefstequot; genoemd, een woord, dat verwantschap en toegenegenheid uitdrukt en terecht door haar gebezigd wordt; want Hij is haar vleesch en bloed deelachtig, haar maagschap geworden, en Hij heeft Zich voor haar in den dood gegeven.

Met hetzelfde recht noemt zij hem „Vriend.quot; Er is tusschen Christus en den geloovige de teederste betrekking. De liefde tot Hem is onuitputtelijk in namen; en al die namen zijn aan Zijne liefde, aan Zijne persoonlijkheid, aan Zijn werk ontleend. Hij is haar broeder; haar man; haar gids op den weg; haar bondgenoot in den strijd; haar arts op het krankbed en haar raadsman in verlegenheid. Hij is m. e. w. haar Vriend.

Ach, de schijnheilige wereld speelt met het woord vriend. Zij geeft dien naam aan den eerste den beste. In leugenachtige taal misbruikt zij de uitdrukkingen der edelste gevoelens. Maar wat vriendschap is, dat is zoo schaars onder de kinderen der menschen te vinden. Waar bij het schepsel eenige vriendschap aanwezig is, daar is een aandrift onzer ziel werkzaam,

9

-ocr page 144-

130

waardoor wij onze aandachtige beschouwing op eenig geliefd voorwerp zetten. Daar volgt eene genegenheid tot weldoen, eene begeerte naar vereeniging en eene vreugde bij het bezit.

Hoe aangenaam is het op aarde een vriend te hebben, in wien dat alles onswaarts woont, in wien wij vertrouwen stellen, voor wien wij ons hart ontlasten, van wien wij raad en bestuur ontvangen in de verschillende omstandigheden des levens.

Zulk een vriend is Jezus voor Zijne gemeente. Geen vriend wordt op aarde gevonden, die Hem evenaart. Aardsche vrienden, hoe welwillend ook, staan dikwerf verlegen, als zij u raden zullen; maar Hij nooit; „raad en het wezen zijn Zijne.quot; Uwe aardsche vrienden hebben soms de macht niet om u te helpen; doch Hij roept door een wenk van Zijn alvermogen de dingen, die niet zijn, alsof zij waren. Uwe aardsche vrienden zijn soms achteloos omtrent uwen toestand; maar Hij zorgt altijd, slaapt of sluimert nimmer. Zij brengen u menigmaal op onvriendelijke wijze uwe gebreken onder het oog; maar Hij geeft mild en verwijt nooit. Zij kunnen dikwerf niet verdragen, dat gij uw bezoek herhaalt; maar Hem kan men dwingen, zonder dat de vriendschap zelfs in het minst wordt gestoord. Zij mogen niet eens alles weten; maar aan Hem openbaart men de grootste geheimen van het hart met eene vertrouwelijkheid, onder de menschen niet gekend. Zij worden soms ontrouw; menschenvriendschap, — wie heeft er geen ondervinding van — wisselt, en het „hosannaquot; van heden is vaak voorspel van het „kruisig hemquot; van morgen; maar bij Hem is geen verandering of schaduw van omkeering; Hij is „gisteren en heden dezelfde, tot in eeuwigheid.quot;

Jezus is waarlijk de Vriend der geloovigen. Hebben vrienden elkander lief, — Jezus heeft Zijn leven voor Zijne vrienden afgelegd; meer, voor Zijne vijanden ging Hij in den dood, opdat zij Zijne vrienden zouden worden. Verdedigen vrienden elkander, staan zij elkander bij, nemen zij elkanders naam in bescherming, — de Heere Jezus verdedigt de geloovigen tegen den Satan en de wereld en is hun voorspraak bij den Vader. Hebben vrienden gemeenschap met elkander, alles voor elkander veil, wandelen zij samen, laten zij lezen in elkanders hart, zijn zij gevoelig over elkanders ellende, ten nauwste samen vereenigd, ergeren zij zich niet aan elkanders armoede en wangestalte, blijven zij in dagen van afwezigheid in liefde aan elkander gedenken en aan elkander getrouw in tegenspoed zoowel als in voorspoed, — dat alles is bij Jezus op geheel eenige wijze. Hij bezoekt met Zijn heil, spreekt tot hen in

-ocr page 145-

131

Zijn woord en door Zijn Geest, hoort gaarne hunne begeerte en luistert onafgebroken naar hunne gebeden. Hij deelt hun de geheimen van Zijne liefde mede, is in „al hunne benauwdheden mede benauwd,quot; noemt hen Zijn oogappel, rekent Awnwe vervolgers Zijne vervolgers en schaamt zich hunner niet, ondanks den afstand, die er is tusschen hen en Hem. In den hemel behartigt Hij hunne belangen. Waar ze ook zijn op aarde. Zijn oog slaat hen gade; Zijn arm is over hen uitgebreid; Zijn hart draagt hen met zich; Zijn volheid is voor hen ontsloten. Niets is in staat Zijne vriendschap te doen kwijnen. Liefde en trouw gaan bij Hem hand aan hand. Hij verlaat Zijn volk nimmer. Vooral in de ure des lijdens ervaart het geloovig hart, wat het aan dezen Vriend heeft. Hij is een schuilplaats voor den zwerver, een erfdeel voor den arme, ten steun voor den zwakke, ten troost voor den bedroefde. Zulk een Vriend is Christus. In de dreigendste gevaren, te midden van den hevigsten strijd, in nood en dood is Hij den Zijnen nabij, als de lucht, die wij inademen, als de meest getrouwe!

Wel ons, als wij dien Vriend kennen, als wij met de bruid kunnen zeggen: „Zulk een is mijn Vriend.quot; Dan werd Hij onze liefste. Wij leerden Hem beminnen boven allen en boven alles. Dan werden Zijne vrienden onze vrienden. Dan werd het onze lust Zijn wil te doen. „Heere, wat wilt Gij dat ik doen zal!quot; werd onze levensbede. Dan werd ons hart bevreesd Hem te beleedigen en er op gesteld Zijn lof te hooren. Hem verheerlijkt te zien.

Och, of allen Hem ten Vriend kozen!

Helaas, het natuurlijk hart kant zich tegen dien Jezus, bekommert zich om Zijne vriendschap niet, wapent zich tegen Hem en stoot in ondank Zijne zoekende en noodigende liefde af. Welk een dwaasheid, welk een schuld!

Vriendelijke woorden spreekt Jezus; of is dit geen vriendelijk woord: „Wie is slecht, die keere zich herwaarts?quot; Of dit: „Wendt u naar Mij toe, en wordt behouden?quot; Och, of allen op die vriendelijke woorden heilbegeerig antwoordden: „Trek mij, en wij zullen u naloopen.quot;

Hij onze Vriend, wij Zijne vrienden. Welk een wonder! Een wonder van genade! Zijner eeuwige, hoogstwijze, zegenrijke, onveranderlijke liefde is het te danken. Welk een rijkdom! De ouden zeiden: „Een leven zonder vrienden is geen leven;quot; maar nu kunnen wij desnoods alle aardsche vrienden missen. Met Hem is God, de drieëenige God, onze Vriend; om Zijnentwil zijn de engelen onze vrienden. Hij geeft ons niet slechts recht op Zijn persoon, maar ook op al Zijne goederen.

-ocr page 146-

132

Wel mag ons aangezicht van schaamte gloeien van wege onze ontrouw; ach, koel van hart, koud van woord, ondankbaar van bestaan zijn wij zoo menigmaal. Wanneer vervult hoogachting voor, blijdschap in, liefde tot Jezus ons zoo, dat wij met de bruid roemen: „Zulkeen is mijn liefste, zulkeen is mijn quot;Vriend?quot; Verkleefdheid aan het stof, oneerbiedigheid onder het Woord, liefdeloosheid jegens anderen en wat niet al, geeft gedurig recht om ons te vragen, wat Absalom aan Huzaï vroeg: „Is dit uwe weldadigheid aan uwen Vriend?quot;

Jezus onze Vriend, wij Zijne vrienden. Welk een troost, als wij willen bidden. Als de levenszee hol en hoog staat. Als \'t op sterven aankomt. Welk een reden om den Vader te danken, dat Hij zulk een Vriend ons gaf. Zóó kon alleen de quot;Vader geven.

Nu kunnen wij ons gerust aan Zijn bestuur onderwerpen. Wij hebben Hem veel te bezoeken. Volkomen te vertrouwen. Geen gemeenschap te houden met Zijne vijanden. Hem aan anderen aan te prijzen. Ons vooral te wachten, dat wij de kleine geloofslamp van een onzer broeders of zusters niet uitblazen.

Het leven der vriendschap is dat der dienende liefde. Zoo heeft Jezus geleefd. Zoo leeft Hij daarboven. Zoo moet het leven der Zijnen zijn. Zoo kan het zijn door Zijn Geest. En zoo zal het zijn, naarmate wij meer verstaan, wat het zegt, dat Hij ons behoort en wij Zijn eigendom zijn. Hier gelooven wij, straks zullen wij aanschouwen. O, wat zal het zijn, als vrij, verlosten, den Verlosser zullen zien en met al de verzamelde vrienden zullen loven; „Zulkeen is mijn liefste, ja zulkeen is mijn Vriend!quot;

-ocr page 147-

NIET AF TE MALEN.

,,Het beeld des onzienlijken Gods.quot;

Cor. 1 : \\óa.

Ook in vele Christelijke gezinnen vindt men een afbeelding van den Zaligmaker, een „Eoce Homoquot; of iets dergelijks. Toch mag de vraag geopperd, of wij niet beter deden met ons tegen deze versierselen te kanten.

Mag, lean de Heere Jezus worden afgebeeld? Hij is God-mensch, God en mensch „in eenigheid des persoons.quot; Gods Zoon is ingetreden in onze natuur, ons in alles gelijk geworden, uitgenomen de zonde. Maar de gestaltenis van den dienstknecht aangenomen hebbende, legde Hij de heerlijkheid van den Eengeborene des Vaders niet af.

Wie zou den Zone Gods, zelf God, mogen afbeelden? Wie zou het hunnen ? Het is naar waarheid gezegd: de poging om ons den Onzienlijke zienlijk voor te stellen, is even ongerijmd als het streven om al de stralen der zon in één bundel te vatten, of al de stroomen der zee in één enkelen emmer te gieten.

„Maar des Heeren menschheid,quot; vraagt men ,„is deze niet weer te geven op doek of blad?quot;

Maar zou de nauwe, onbegrijpelijk nauwe vereeniging der twee naturen zonder eenigen invloed zijn geweest op het gelaat van den Heiland? Als Mozes\' aangezicht van hemelglans blonk, toen hij van den bergtop daalde, waar hij God had ontmoet, zal dan het aangezicht des Heeren niet iets verhevens hebben gehad?

Was Hij niet „de schoonste der menschenkinderen ?quot;

Hij, was zander zonde. Niet slechts heilig van natuur en onzondig in leven, maar zelfs onvatbaar voor zonde. De bron

-ocr page 148-

134

der onreinheid, waarmede wij ter wereld komen, en waaruit alle dadelijke ongerechtigheid als uit eene onzalige fontein vloeit, was in Christus niet aanwezig. Volmaakt heilig kwam Hij ter wereld, volmaakt zuiver leefde Hij. En de goddelijke persoon had zulk een invloed op de menschelijke natuur van Christus, dat deze voor geen verleiding vatbaar was. De onveranderlijkheid van het genadeverbond heeft alleen zijne vastigheid in het niet hunnen zondigen van het Hoofd des verbonds. Was Jezus vatbaar geweest voor zonde in Zijne omwandeling op aarde, dan zou Hij, evenzeer als onze stamvader Adam, voor de verleiding des duivels hebben hunnen vallen; die mogelinlcheid zou de werkelijlce vernietiging van het genade-verbond hebben kunnen zijn. De sterke uitdrukkingen des Bijbels van Gods onveranderlijke liefde en besluit zouden ten eenenmale van alle kracht ontbloot zijn.

Wel was Christus de deelgenoot onzer eindige, afhankelijke natuur, maar het „zonder zondequot; gold van Hem in veel sterkeren zin dan van den eersten, recht geschapen mensch. Tot het hart van dezen kon de zonde zich doortocht banen; tot dat van Christus niet.

En zou dit niet reeds een beletsel zijn tegen het afbeelden van Jezus? Wie heeft ooit een mensch zonder zonde gezien? De zonde heeft allerwege haar tent opgeslagen en maakt zich kenbaar op tallooze wijze. Zij heeft de harmonie in het scheppingslied verstoort. Door haar is deze wereld het tooneel van veelvuldigen strijd. Zij heeft de aarde met dorens en distels bezaaid; met bloed en tranen en zweet gedrenkt, met het stof des doods bedekt. Haar gif drong in onze aderen door. Door haar werden wij niet oppervlakkig besmet, maar ten eenenmale melaatsch. Ach, de onreine ziel woont in een bouwvallige hut. En dit niet slechts; maar die hut is in dienst der zonde. Onze lichaamsleden zijn wapenen der ongerechtigheid. Ook heeft de zonde hare sporen in ons vleesch gezet. Aan haar zijn die wangestalten en gebreken te wijten, die gij onder de kinderen der menschen aantreft. Wat meer zegt, de zondelast spreekt vaak uit oog en mond, uit gang en houding. Hier leest gij trots, daar onachtzaamheid op het gelaat; hier bespeurt gij de begeerte om op de onreine altaren des vleesches te offeren, daar ontdekt gij den slaaf van brasserijen en geneugten des levens.

Zóó diep zijn soms de merkteekenen, die de zonde liet in het lichaam, dat er menigmaal een weerzin moet worden overwonnen, om ons in te laten met den man van „ongenietbaarquot; voorkomen. En al is het waar, dat er onder de menschen

-ocr page 149-

135

aangename figuren zijn, dat velen ons aantrekken door het open oog en den gullen lach, een mensch zonder zonde zagen ivij nooit. En zelfs wonderen van genade nemen de merkteekenen der zonden niet weg, vóór het ten deele zal zijn te niete gedaan en de bruid van Christus met de heerlijkheid Christi zal zijn bekleed.

Maar daarom dan ook Jean men geen portret maken van den Eénigen, op Wien het allen geldende en diepvernederende woord niet past; in zonde ontvangen en in ongerechtigheid geboren.

Wie zou ook in staat zijn om de macht der liefde, die in des Heeren oog zal zijn te lezen geweest, weer te geven door penseel of stift? Waarlijk, het beeld zou te ver beneden de werkelijkheid moeten blijven.

De zonde heeft ons leeren haten. Toch is er nog liefde op aarde. En al laat liefhebben zich moeielijk in woorden beschrijven, zonder liefde kan niemand leven. Men leeft zelfs, naarmate men liefheeft. En ons leven is hooger, waarachtiger, naarmate het voorwerp onzer liefde hooger, waarachtiger is. Denk aan de liefde eener moeder, waardoor het kind zich gelukkig gevoelt. Aan de liefde eens bruide goms, waardoor de bruid zich van zorg voelt ontslagen. Denk aan de liefde eener zich in den Heere verblijdende ziel, de liefde, die psalmen doet zingen in den nacht, niet bezwijkt voor kerkerboei en kerkerfoltering, maar, uit het geloof geboren, op hare beurt voedsel geeft aan het geloof, dat de wereld overwint.

Maar wat zegt die liefde bij de liefde van Jezus 1 Zij gaat de kennis te boven. Wij kunnen slechts stamelen over haar breedte en lengte, haar diepte en hoogte. In de eeuwigheid geboren, laat zij zich uit in den tijd, eindigt zij nimmermeer. O, de liefde van Christus, eene lieïde der diepste zelfverzaking, der algeheele en onafgebrokene toewijding aan het geliefkoosde voorwerp, is boven onzen lof! Zij is een zee zonder strand en zonder bodem. Die liefde deed Hem zichzelven,overgeven om der zondaren Borg te zijn, neen, deed Hem verlangend uitzien naar de volheid (1 \' quot;1 deed Hem één worden

bracht Hem onder den

toorn, maakte Hem tot zonde en deed Hem ingaan in onze ellende, om zelfs onze verdoemenis te smaken. Zij richtte al Zijne treden, van de krib tot het kruis. En zoo nu de liefde, waarmée Hij geeft lief te hebben wat aardsch of hemelsch is, zich niet verbergen laat, hoe sprak dan de liefde, waarmée liefhad, uit het vriendelijk oog. En waar is de schilder, die meenen zou, dat Hij dat oog naar het leven kon teekenen?

-ocr page 150-

136

Nu sprak ik nog niet van het lijden, het ziele- en lichaamslijden van Hem, die onze zonden in Zijn lichaam droeg op het hout.

O, het is zoo spoedig gezegd, Jezus was de man van smarten; maar slechts de hemel verstaat deze gedachte, die de aarde niet in al hare diepte kan pijlen. Al bezweek de Heiland niet onder het gruwzaamste leed, meene daarom niemand, dat het Hem niet drukte met centenaarslast. De lijdende Jezus had niet de broosheid van het gras, maar evenmin de ongevoeligheid van graniet. Hij is in al zijn lijden mensch. In Gethsémané zien wij Hem zelfs in zwaren strijd. Bij den aanblik des lijdens en het gevoel van deszelfs oorzaak beangst en ontroerd, ontstaat er strijd tusschen Zijne eindige, lijden-schuwende natuur en Zijne Godverheerlijkende en ons beminnende gehoorzaamheid. Jezus is steeds, ook als lijder, eenig. Elke vergelijking van Hem met een anderen lijder, met den grootsten martelaar, is de ongerijmdheid zelve. Eer zou men met een tredmolen den sterrenhemel kunnen bereiken, eer men zou kunnen zeggen wat de zonde den Heiland gaf te dragen. Zelfs het prophetisch beeld van den lijdenden Christus, zooals het in de geschriften des ouden verbonds staat geteekend, is schaduw.

De doornenkroon kan men teekenen. De kruisnagels kan men schilderen; maar wat de met doornen gekroonde heeft

tevoeld, en wat er omging in de ziel des Gekruisigden, zelfs in e verte niet vermoeden.evoeld, en wat er omging in de ziel des Gekruisigden, zelfs in e verte niet vermoeden.

Waar is de kunstenaar, die durft te meenen, dat hij in staat zou zijn de namelooze smart en de geheel eenige onderworpenheid te leggen op het gezegend aangezicht. Ik stem toe, ook vrome handen hebben getracht die taak te volbren-

fen; zelfs christelijke kunstenaars waren gewoon op de knieën it werk te verrichten; maar ik weet ook, niemand hunner kan ten volle zijn geslaagd. Ook bij het fraaiste Christusbeeld roept de geloovige uit: „dat is mijn Heiland niet!quot; Een der meest beroemde vrouwen heeft gezegd, dat het gemakkelijker was de zon met een houtskool te teekenen dan een portret van den Christus te maken. En zoo is het. Daarenboven heeft er nimmer eene echte afbeelding van den Heer bestaan. „De schilders verzinnen zulk een beeld naar hunne opvatting,quot; zegt Dr. Kohlbrügge in zijne Kathechismus, en hij voegt er bij: „men verhaalt van een Spaanschen of Neurenberger Jood, die zich voor geld door een schilder aan een kruis liet binden, om tot model te dienen, en dien de schilder toen, om zijn werk volkomen te hebben, met een dolk doorstak.quot; Welk een ge-en; zelfs christelijke kunstenaars waren gewoon op de knieën it werk te verrichten; maar ik weet ook, niemand hunner kan ten volle zijn geslaagd. Ook bij het fraaiste Christusbeeld roept de geloovige uit: „dat is mijn Heiland niet!quot; Een der meest beroemde vrouwen heeft gezegd, dat het gemakkelijker was de zon met een houtskool te teekenen dan een portret van den Christus te maken. En zoo is het. Daarenboven heeft er nimmer eene echte afbeelding van den Heer bestaan. „De schilders verzinnen zulk een beeld naar hunne opvatting,quot; zegt Dr. Kohlbrügge in zijne Kathechismus, en hij voegt er bij: „men verhaalt van een Spaanschen of Neurenberger Jood, die zich voor geld door een schilder aan een kruis liet binden, om tot model te dienen, en dien de schilder toen, om zijn werk volkomen te hebben, met een dolk doorstak.quot; Welk een ge-

-ocr page 151-

137

dachte! De Christusportretten niets dan copijen van een den Christus vijandigen, schraapzuchtigen, vermoorden Jood!

Zeker is hij diep te beklagen, die bij het aanschouwen van een Christusbeeld geen ander gevoel kende dan dat van afkeer en spot; maar wij hebben juist op onze hoede te zijn tegen een gevoel, dat vaak in open. zee weg drijven doet. In den bloeitijd van het geestelijk leven kende men de Christusbeelden niet, en toen zij er kwamen, ach, moesten ook de kerkvaders klagen, dat men gevaar liep er eere aan toe te brengen. Waar het zinnelijke, zichtbare op den voorgrond treedt, loopt men gevaar het geestelijke, onzichtbare uit het oog te verliezen. En is het niet een droeve werkelijkheid, dat juist in onze dagen van on- en bijgeloof de portretten van Christus vermenigvuldigen. Ach, het portret van den Heiland aan den wand, maar het evangelie een gesloten boek, en de zonde op den troon van het hart. Menige jonge dochter versiert zich met een kruis en wil van den Gekruisigde niets weten.

Wij hebben geen Christusportret van noode. Hij is immers bij ons, waar wij ons ook bevinden. Scheidende van ons, is Hij bij ons gebleven, en straks komt Hij weder om ons tot Zich te nemen.

Het geloof ziet Hem, hoort Hem, leunt op Hem, verwacht Hem. Hij openbaart zich niet in „lichten en gezichten,quot; maar heerlijk in zijn Evangelie.

Dat Evangelie maalt ons Jezus af. Bij het licht des Heiligen Geestes zien wij des Heeren heerlijkheid, roepen wij uit: „Al wat aan Hem is, is gansch begeerlijk.quot;

Wij zelf dienen Zijne portretten te zijn. Wel ten deele, maar nochtans kennelijk. Naarmate Christus in ons leeft, in ons een gestalte heeft verkregen, zal ons leven openbaring zijn van Zijn leven in ons binnenste. Zalig, die veel van Jezus openbaart. Straks zal de Christus Zijne heerlijkheid op hem leggen, en terwijl hij dan in den eeuwigen Verlosser beeld des eeuwigen Vaders ziet, zal hij zelf toonbeeld van Diens verlossende liefde zijn.

-ocr page 152-

DE HEERE VERHOORT HET GEBED VAK HET BANG GEMOED.

„Als mij bange was, riep ik den Heere aan, en riep tot mijnen God; Hij hoorde mijne stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijne ooren.quot;

Psalm 18 7.

David is de dichter van dit lied. Eerst erkent hij in het algemeen de verlossingen, welke de Heere aan hem geschonken had; vs. 2—4. In vs. 5 en 6 geeft hij eene beschriiving van de hooggaande benauwdheden en bittere vervolgingen, die hij van Saul ondergaan had. Dan teekent hij verheven en geheel dichterlijk de wijze, waarop de Heere hem verlost had; vs. 7—20. Voorts betuigt hij van vs. 21—29 de zuiverheid zijner handelingen, verhaalt eindelijk — vs. 30—46 — zijne volgende overwinningen op zijne vijanden en eindigt met lof en dankzegging. Dit zelfde lied treffen wij aan 2 Samuel 22, waar dezelfde zaken in dezelfde orde worden voorgedragen. Men houdt het er voor, dat de 18o psalm en 2 Sam. 22 als 2 uitgaven zijn van hetzelfde zangstuk; dat David het oorspronkelijk tot eigen stichting heeft opgesteld en het later herzien en met eenige verandering, zelfs wat het l® en 2e vers betreft, met aanvulling „aan den opperzangmeester,quot; om gebruikt te worden in het Heiligdom, bij den openbaren godsdienst, heeft overgegeven. Het middenpunt van den psalm is het 7e vers: „Als mij bange was, riep ik den Heere aan en riep tot mijnen God; Hij hoorde mijne stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijne ooren.quot;

Dat het David dikwerf bange was, weten wij. Onophoudelijk vervolgd door Saul, die hem naar het leven stond, was hij menigwerf gelijk aan het veldhoen op de bergen. Naar men-

-ocr page 153-

139

schelijke berekening scheen hij telkens den dood nabij; maar, als hij tot den Heere riep, werd Diens macht verheerlijkt. Hij redde hem keer op keer. Hij verloste hem eindelijk volkomen, toen alle nakomelingen van Saul en aanklevers van zijn huis, die hem het bezit van den troon betwist hadden, werden ten ondergebracht, en hij, op den troon bevestigd, volkomen vrede genoot. In dat tijdperk heeft hij dit lied vervaardigd. Toen herdacht hij den weg, dien God met hem had gehouden, zijne moeite, zijn bidden, zijne uitreddingen; toen riep hij uit: „Als mij bange was riep ik den Heere aan en riep tot mijnen God; Hij hoorde mijne stem uit Zijn paleis, en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijne ooren.quot;

David wil zeggen: als ik in die benauwende omstandigheden verkeerde en het mij zeer bang was, als het scheen, dat de Belialsmannen zouden overwinnen en banden der hel, d. i. des grafs mij omringden, als ik naar menschelijke uitzichten niets anders kon verwachten dan eerlang in het graf te zullen dalen, als het was, alsof de dood mij reeds in zijne strikken gevangen had, wendde ik mij biddende tot Hem, Dien ik kende, niet slechts als Jehova, den eenigen God, maar als mijn God, mijn verbonds God, van Wien ik verzekerd was, dat Hij mij kon en wilde verlossen. Ik riep Hem aan, op de ernstigste wijze om bijstand en verlossing. Ook liet de Heere zich verbidden. Hij hoorde mijne stem uit den Hemel, waar Hij woont als in Zijn paleis, en mijn geroep werd gunstig verhoord.

David heeft gesproken in naam van al de geloovigen. Zijne ervaring is die der gemeente van al de eeuwen. Er is in dit opzicht niets nieuws onder de zon. Davids toestand wordt telkens opgezonden. Davids uitredding gedurig aanschouwd. De Heere verhoort het gebed van het bang gemoed, is dan ook de heerlijke waarheid, die wij aan des Dichters woord ontleenen.

Aan deze ervaring heeft de Christen dringend behoefte.

Op deze ervaring kan de Christen vastelijk rekenen.

Door deze ervaring verkrijgt de Christen het heerlijkst onderwijs.

In deze ervaring bestaat des Christens blijvende roem.

Aan deze ervaring heejt de Christen dringend behoefte. Zij is hem onmisbaar, omdat hij dikwerf met David moet zeggen: „Het is mij bange.quot; Zijn hart buigt zich menigmaal onder den druk der bezwaren. Zijn lichaam kan hem tot last, tot bezwaring zijn. Het is aan vele kwalen en smarten onder-

-ocr page 154-

140

worpen en belemmert soms de ziel in hare werkzaamheden.

Des Christens hart doet hem niet zelden bange oogenblikken beleven. Geen raadselachtiger wereld dan die kleine wereld daar binnen. Dat hart is een doolhof; een afgrond, als gij wilt. Uit dat hart komt de zonde voort, in wat vorm zij zich ook vertoonen moge. Welke verdorvenheden wonen er! Onkunde, ongeloof, hoogmoed, onoprechtheid, gierigheid, .... voorwaar, David, ofschoon de man naar Gods harte, heeft terecht gebeden: „Wie zou de afdwalingen verstaan? reinig mij van mijne verborgene zonden.quot; Dat hart heeft Paulus, de groote prediker der gerechtigheid, die voor God geldt, doen zuchten, en elk Christen heeft er tegen te strijden.

Soms benauwt hem het gevoel van dacl.elijlce schuld. Ach, zijn wandel was niet teeder. Zijn geweten, gesteund door het gezag van Gods wet, klaagt er hem over aan. Nu roept hij uit als de dichter weleer: „Mijne ongerechtigheden gaan over mijn hoofd; als een zware last zijn ze mij te zwaar geworden.quot; Soms vecht de Satan hem aan. De duivel is de bittere vijand der kinderen Gods. Geweld en list staan hem ten dienste. Hij verwondt menigmaal het Godvreezend gemoed en drijft het in de engte. God laat hem nu en dan, altijd om heilige en wijze redenen, toe „te ziftenquot; en „met vuisten te slaan.quot;

Wat kan ook het zondig gezelschap der wereld den Christen hinderen; en wat kunnen de steeds klimmende ongerechtigheden van zijn tijd hem beangstigen!

Gaat de zaah van Christus hem ter harte, stelt hij belang in Diens heerlijk Koninkrijk, dan moet het hem smartelijk zijn te zien, hoe openbare en verborgene vijanden samenstem-men in den strijd tegen Gods Gezalfde, hoe het woord, het werk en de gemeente des Geestes wordt miskend.

De Christen is kruisdrager op aard. Dat kruis weegt soms zwaar. Nu eens is het geestelijk, dan weer lichamelijk. Ook kan hij een dubbel kruis te dragen hebben, en dan is het hem dubbel bang. Deze is krank, en gene voelt het drukken van de zorgen des levens; deze ervaart den smaad om Christus wil, en gene ziet zich zijne dierbaarste betrekkingen ontrakt; deze wordt geroepen tot een belangrijk werk, en het gevoel zijner onbekwaamheid drukt hem neêr; gene wandelt in duisternis, weet niet welken weg hij heeft in te slaan om Gode welbehagelijk te zijn, of gevoelt zijn genadestaat bestreden, betwijfelt de oprechtheid van zijn geloof, kan niet als vroeger psalmen: „de Heere is mijn Herder, mij zal niets ontbreken!quot;

Ook kent de Christen soms de verberging van Gods aange-

-ocr page 155-

141

in. licht. Er is een tijd van geestelijke verlatenheid. Als God

en zich terugtrekt, doet Hij het, om ons dieper aan ons bederf te

ld ontdekken, om ons in het stof te vernederen en meer dan ooit

lt. naar Hem te doen hongeren. De Christen gevoelt dikwerf de

\'k nabijheid des Heeren. Hij hoort Zijn stem fluisteren. Hij leest

e, in Zijn oog. Hij leunt op Zijn arm. Hij legt het hoofd als aan

r, Zijn hart te ruste, m. e.w. hij beseft, dat Zijne liefde zegenende

e- en zegen belovende over hem is uitgestort. Maar ook soms ge-

ie voelt hij, dat hij Gods nabijheid mist. Dan is het hem bang.

ir Hij herinnert zich vroegere blijdschap; beseft, dat niets of

k niemand zijne ziel tot hare rust kan doen keeren dan God

alleen, naar Wiens gemeenschap zij dorst.

l, Soms overmeestert den Christen heimwee naar den Hemel.

t Hij gevoelt zich in een vreemd land en verlangt naar huis.

j Ook kan vrees voor den dood hem bestormen. In deze en der-

r gelijke toestanden zucht zijne ziel tot den Heere, is de gebeds-verhooring hem onmisbaar, heeft hij behoefte om met David

i te kunnen zeggen: „Als mij bange was, riep ik den Heere aan

» en riep tot mijnen God; Hij hoorde mijne stem uit Zijn paleis,

t en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijne ooren.quot;

i

Bleek ons de gebedsverhooring onmisbaar, dan is het van het grootste belang, dat wij haar als zeker, als onloochenbaar kennen. De Christen lean vastelijh op haar rekenen. Als het hem bang is, als zijne ziel zich neêrbuigt in hem, dan is hij bedroefd, dan zucht hij en roept tot den Almachtige, Wiens verhooring hem onmisbaar is. Maar dat is ook niet tevergeefs. De werkzaamheden van het geloovige hart, onder den druk der bezwaren, zijn niet ijdel. De gebedsverhooring is eene onloochenbare waarheid. Er zijn vele en velerlei gronden voor ons geloof. Vooreerst: er is een God. God bestaat. Niet slechts als een iets, als een gedachtending, zooals de modernen droomen, maar als de persoonlijke, levende, zich zelf bewuste, van de stof onderscheidene, als de scheppende en onderhoudende God. Al wat bestaat, bestaat door Hem. Hij is zelfs de oorsprong der eeuwigheid. De Godheid is hare fontein. De volmaaktheid van Gods wezen sluit een eeuwig zijn in zich. Het is onmogelijk, dat God er ooit niet zou zijn geweest. Hij is uit kracht van zijn volmaaktheid noodzakelijk. Uit die volmaaktheid vloeit dus de eeuwigheid looit. Ia God de Vader der eeuwigheid. Hij is ook de eeuwige Vader, de eeuwige oorsprong alles goeds. Hij openbaart zich aan het redelijk schepsel, aan den mensch in liefde. Hij maakt zich bekend als de levende bron aller levens, als de fontein van licht en leven, van heil en zaligheid.

-ocr page 156-

142

Dat doet Hij in de natuur. Wel heeft het zedenbederf onzen geest verstompt voor de hoogheerlijke beteekenis der natuurverschijnselen, zoodat wij een hoogere openbaring behoeven, die ook den verloren sleutel tot de raadselen der schepping ons wedergeeft; maar toch de natuur, Gods werk, openbaart Gods Wezen. De schepping is vol van de grootheid van haren Schepper. Uit het vergankelijke kennen wij den Onvergankelijke. Welk een almacht, wijsheid en liefde stralen ons tegen, hetzij wij boven ons, rondom ons of beneden ons staren! Waarlijk, elke tintelende ster boven ons, elk sneeuwvlokje in de ruimte, elke storm en elke ruischende wind, elke bloem in onzen hof en elke worm op ons voetpad, elk schepsel getuigt, wetens of ontwetens: „Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw naam over de gansche aarde!quot;

De Schrift vult de natuur aan. Zij is Gods hoogste Openbaring. Zij bestraalt alles voor ons met nieuw licht. Nooit kunnen wij te hoog ingenomen zijn met onzen Bijbel. Nooit te zeer afkeerig zijn van eene prediking, die het gezag der Schrift ondermijnt. Wij hebben te bidden voor die predikers, maar hunne prediking te ontvluchten; te bidden voor die schrijvers, maar hunne geschriften te verscheuren. Natuur en Schrift staan zusterlijk naast elkander, wijzen ons samen naar den Allerhoogste. Maar de dubbele stem, die ons Gods grootheid verkondigt, wijst ons tevens op ons onvermogen, verzekert ons van onze geringheid. En waartoe? Opdat wij met onze onmacht tot Gods almacht, met onze ledigheid tot Zijne volheid zouden gaan, m. e. w. opdat wij, onze afhankelijkheid van Hem erkennende, de vervulling onze behoeften bij Hem zouden zoeken. En dat kan dan ook niet tevergeefs geschieden. Het kind schreit niet vruchteloos om \'s moeders borst. De jonge rave roept niet\' vruchteloos om voedsel. De zonnebloem wendt zich niet vruchteloos naar de Zon. Veel minder vraagt de mensch tevergeefs, wat hij behoeft, van zijn God. Hij, die voor al Zijne schepselen zorgt, trekt zich bijzonder den mensch aan. Pronkstuk van Zijn schepping op aarde, liet Hij zich vooral aan hem gelegen liggen. Het is waar, de mensch heeft zijn God verlaten; maar ook den zondaar liet God niet aan zich zeiven over. Hoe blijkt dit in het woord der genade aan Adam verkondigd en in Adam gelegd. Het werd door zijn nakroost verworpen; maar door Noach bewaard. Later werd Abraham geroepen en was de besnijdenis onderpand van \'s Heeren liefde. Toen donkere wolken dreigend boven het volk der belofte hingen, werd Mo-zes aangegord met kracht. Toen Achabs woede of Jezebels list den dienaren Gods den dood had gezworen, verhief Elia zijne

-ocr page 157-

143

stem. Toen ten laatste het licht geheel voor de duisternis scheen te wijken, was „de volheid der tijdenquot; gekomen, en de Zon der Gerechtigheid verspreidde licht en leven. Toen,... doch waartoe naar meerdere bewijzen gezocht, dat God zich met den zondaar bemoeit? Blijkt het niet reeds duidelijk uit het geweten, uit dien stedehouder Gods daar binnen, die ons het Gods bestaan verzekert en van goed en kwaad getuigenis geeft. Dat geweten is kostelijke gave Gods. Het wekt tot bidden op, maar is dan ook een stemme Gods in het binnenste, die de gebeds-verhooring verzekert.

Hoe is het mogelijk, vragen wij. Om de verzoening door Christus aangebracht. „Alzoo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij Zijnen eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe,quot; dat heet ergens, opdat „een iegelijk, die den Naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.quot; Christus, de gave Gods voor eene verlorene wereld. Luther noemt den tekst, die het ons verzekert, „een Evangelie in het klein.quot; Eenmaal hebben negers uit Zuid-Africa een Zendeling dringend gebeden om het boek, waarin de schoone spreuk stond te lezen: „alzoo lief heeft God de wereld gehad,\'quot; en men verhaalt, dat de beroemde Zendeling Williams bij elke eerste Evangelieprediking op een nieuw deel der Zuidzee-eilanden dezen tekst ten grondslag placht te leggen. Op dien tekst, op het groote feit daarin vermeld, rust ons geloof, dat God het gebed verhoort. Ach, welk een klove had de zonde gegraven tusschen den Schepper en het sche psel! Menschen nog engelen konden haar dempen. Maar God wilde zich verheerlijken in het zaligen van zondaren. Hij gaf Zijn Zoon. Deze heeft Zijne ziel ten schuldoffer gesteld.

„Heilige Vader,quot; zoo sprak Hij, in de dagen der vernedering, „ik heb U verheerlijkt op de aarde ; ik heb Uwen naam

feopenbaard den menschen, die Gij mij uit de wereld gegeven ebt; ik heilig mij zeiven voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in de waarheid.quot; Onuitsprekelijk heeft Hij geleden: op het kruis genageld, van God verlaten, is Hij den dood des misdadigers gestorven. Zoo heeft Hij alles volbracht, wat Gods rechtvaardigheid vorderde. De straf, die op de zonde was gedreigd, is door Hem geleden; de gehoorzaamheid, die gevorderd werd, heeft Hij betoond; met ziel en lichaam heeft Hij zich geofferd, opdat de verlossing Zijns volks volkomen, naar ziel en lichaam, wezen zou. Dit offer was genoegzaam tot delging der schuld, tot demping der kloof. Door Zijn bloed is de versche en levende weg tot Gods gemeenschap ingewijd. Deeopenbaard den menschen, die Gij mij uit de wereld gegeven ebt; ik heilig mij zeiven voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in de waarheid.quot; Onuitsprekelijk heeft Hij geleden: op het kruis genageld, van God verlaten, is Hij den dood des misdadigers gestorven. Zoo heeft Hij alles volbracht, wat Gods rechtvaardigheid vorderde. De straf, die op de zonde was gedreigd, is door Hem geleden; de gehoorzaamheid, die gevorderd werd, heeft Hij betoond; met ziel en lichaam heeft Hij zich geofferd, opdat de verlossing Zijns volks volkomen, naar ziel en lichaam, wezen zou. Dit offer was genoegzaam tot delging der schuld, tot demping der kloof. Door Zijn bloed is de versche en levende weg tot Gods gemeenschap ingewijd. De

-ocr page 158-

144

opstanding, hemelvaart en plaatsing aan Gods rechterhand strekken daarvan tot bewijs. De Middelaar is nu verheerlijkt. Hij heeft alle macht in den hemel en op de aarde. Allerwege moet nu Zijn Evangelie gebracht. Allerwege moet de roepstem weerklinken: „laat u zaligen!quot; Zelfs de diepst gezonken en worden tot de gemeenschap Gods in Christus geroepen. De H. Geest past het verworvene heil toe. Die Geest maakt levend. De van zonde overtuigde mensch heeft aan het gebed behoefte. In Jezus\' naam leert hij komen, op Jezus\' middelaarswerk leert hij pleiten, en God, die steeds den zondaar in het offer Zijns Zoons aanschouwt, heeft in dat komen, in dat pleiten een welbehagen, toont zich een verzoend God, een teeder liefhebbend Vader, verhoort het gebed, mild en onbekrompen, doet boven bidden en denken, zoodat er gepsalmd wordt: „Milde handen, vriendelijke oogen, zijn bij U van eeuwigheid!quot;

Bleek ons aireede, dat ons geloof in God als den Gebedsverhoorder op goede gronden steunde, wij hebben nog meer. God zelf heejt ons die verhooring verzekerd. Wij hebben TAjn eigen woord. Wie kent niet de onwaardeerbare toezeggingen dienaangaande in den ruimsten overvloed in onzen Bijbel te vinden? Moet ik er u herinneren? Maar zelfs onze kinderkens kennen het woord: „Doet uwen mond wijd open, en Ik zal hem vervullen.quot; Of: „Roep Mij aan in den dag der benauwdheid. Ik zal er u uithelpen, en gij zult Mij eeren.quot; Zij weten dat in den 65en psalm tot God wordt gezegd: „Gij hoort het gebed,quot; en dat Jehova bij Jesaja verzekert: „De ellendigen en nooddraf-tigen zoeken water, maar er is geen, hun\' tong versmacht van dorst: Ik, de Heere, zal hen verhooren. Ik de God Israels zal hen niet verlaten.quot;

Waarlijk, indien iets in de Schrift onophoudelijk verzekerd wordt dan is het; „De Heere is nabij allen, die Hem aanroepen, allen, die Hem aanroepen in der waarheid. Hij doet het welbehagen dergenen, die Hem vreezen, en Hij hoort hun geroep en verlost ze.quot; Jezus zelf sprak tot Zijne jongeren: „Bidt, en gij zult ontvangen,quot; en wederom: „Al, wat gij den Vader bidden zult in Mijnen naam, zal Hij u geven.quot;

En gelijk Hij, Die zoo spreekt, „geene verandering kent of schaduw van omkeering,quot; zoo zijn ook Zijne beloften onwankelbaar zeker, bezegeld in het bloed des kruises. Ook de wereld belooft veel; alles, wat het oog des menschen bekoren, zijn hart verheugen en hem verkwikken kan. Maar hoe stelt zij te leur. Zij speelt met hare woorden en verbreekt hare eeden. Trouweloos als de zee, is hare vriendschap vaak bedrog. Ook ontbreekt haar dikwerf de macht om, wat zij werkelijk toe-

-ocr page 159-

145

dacht, te geven. Maar wat de Almachtige belooft is zeker en vast. Op Zijne woorden kunnen wij veilig bouwen, en moeten wij ons geheel verlaten. Het geloof erkent de vastigheid der woorden Gods. Voor het geloof is het genoeg te weten. Hij heeft liet zelf gezegd, het staat in Zijn eigen woord: „Het gebed der rechtvaardigen zal Hij verhoeren.quot;

Ook hebben wij de geschiedenis mede. Er is eene ervaring van vele eeuwen. Met haar mag gerekend. De geheele bijbel-sche geschiedenis is eene geschiedenis van gebedsverhooringen. Oud- en Nieuw Testament getuigen hetzelfde. Met het leven der oude heiligen doet ons geloof winst.

Er is een groote wolk van getuigen.

Pelgrims in den vreemde, vaak door niemand geacht, schijnbaar vergeten, soms diep verdrukt, hebben het zalig ervaren, dat hun Vader zag in het verborgen: „Als het hun bange was, riepen zij den Heere aan en riepen tot hun God; Hij hoorde hunne stem uit Zijn paleis en hun geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijne ooren.quot; Abraham, ten dage der beproeving; Jacob, bij Laban in het open veld, of later bedreigd door Ezau; Jozef, de verdrukte in de gevangenis; Mozes, aan de roode zee; David, in het midden zijner vijanden; Hiskia, in doodsbenauwdheid op het krankbed; Elia, in de dagen van Achab; Daniël, onder de leeuwen; de Jongelingen, in den gloeienden oven; Jeremia, in den kuil; Jona, in het hart der aarde, zij allen, en zoovele duizenden met hen, ondervonden in nood en zorg, in kommer en aanvechting, dat het niet tevergeefs is toevlucht tot den Heere te nemen. Zij ondervonden, wat zij aan hun God hadden. Het ging hun naar des dichters woord: „Die in de schuilplaats des\'Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Almachtigen.quot; En nu noemden wij nog uitsluitend namen der oude bedeeling. Werden Jezus\' eerste belijders niet op hun gebed „vervuld met den Heiligen Geestquot;, gedoopt met den vuurdoop van den Pinkstergeest, die hen tot getuigen zalfde van Zijn grooten Naam? Werd Petrus niet op het gedurig gebed der gemeente door een engel des Heeren uit den kerker geleid? Denk aan Paulus en Silas. Zij zijn in de gevangenis geworpen en gekneld in den stok; maar hunne harten verheffen zich biddend ten hemel, en de muren des kerkers weerklinken van psalmen in den nacht. Uit den Hemel werd geantwoord; want zie, de deuren sprongen open, en de boeien vielen af; een heerlijke prediking volgde, een rijke vrucht werd geoogst.

Het was steeds de roem der Kerk: „Onze God hoort het gebed!quot;

Ook de geschiedenis van ons dierbaar Vaderland bevestigt

10

-ocr page 160-

146

deze waarheid. Schier geen land met eene geschiedenis zoo rijk als het onze. Dat kleine plekje gronds, aan de zee ontwoekerd, heeft een grootsch verleden. Eens was Nederland groot, werd zijn naam overal geacht en zijn taal alom geleerd; eens wapperde zijn vlag schier op alle wateren. Geestelijke zegeningen stroomden op onzen geliefden bodem. Het was, toen Vorst en volk erkenden: „De Heere is God!quot; Geen volk heeft zoo\'n zwaren strijd te strijden gehad, is zoo geteisterd als ons volk. Het heeft een bloedstrijd gestreden. De geschiedenis onzer vaderen is in bloed gedoopt, in bloed van Prinsen en Edelen, zoowel als van burgers en armen. Daar laagt ge eens, o Nederland, verdrukt, en in uwe heiligste rechten gekrenkt. Daar laagt ge, beheerscht op eene wijze, die uw karakter in het aangezicht sloeg, om uw godsdienst gestriemd, op uw geweten getrapt. Daar laagt ge eens, verwonnen, uitge-wischt uit der volkeren rei, ingelijfd in een rijk, dat wreedaardig spotte met uwe rampen, in inkomsten verminderd, met armoede bedreigd. Daar laagt ge, genoopt uwe boeien te kussen en het bloed van uw kroost te zien stroomen op de slagvelden des doods. Maar een en andermaal is dat lot geweken; net juk brak, de ketenen vielen, de moed herrees, de vijanden vluchnten, de plaats werd hernomen. De Heere was aan de spits. Bij Hem werd hulp gezocht ten dage, als het bang was. Hij redde keer op keer. „Hij,quot; betuigden onze vaderen, „Hij heeft verlost, en daar is geen andere God, die alzoo verlossen kan.quot; De inname van den Briel door de Watergeuzen; het ontzet van Leiden tengevolge van het keeren van den Noordoosten wand met daarop gevolgden storm uit den Noordwesten; het vernielen van de overwinnelijke vloot van Spanje op de lersche kusten tengevolge van hevigen en langdurig aanhoudenden storm; de schitterende overwinning in den grooten slag bij Nieuw-poort door zonneschijn en wolken van stof: de zon scheen den vijand vlak in het gezicht, terwijl het stof van Nieuwpoorts-duinen hun in de oogen woei; ziedaar antwoord des Heeren op het gebed der geloovigen. Dit wisten de vijanden. De Spanjaarden richtten dikwerf hun geschut naar den Hemel, alsof zij in woede God wilden bestrijden, wijl Hij het gebed der Geuzen hoorde. De Fransche bevelhebber verklaarde in 1793, dat hij het Nederlandsch kanon niet vreesde, maar tegen het Nederlandsch gebed niet strijden kon. O, wij weten het, het ongeloof, dat van God niet weten wil, verminkt onze geschiedenis, maar: „Wij zullen het niet verbergen voor de kinderen, vertellende de loffelijkheden des Heeren en Zijne sterkheid en Zijne wonderen, die Hij gedaan heeft.....opdat het na-

-ocr page 161-

147

j

zoo volgende geslacht die weten zoude.....en dat zij hunne hope

gt;nt- op God zouden stellen en Gods daden niet vergeten, maai-md Zijne geboden bewaren.quot;

fd; Hoe menig treffende gebedsverhooring verhaalt ons de on-

jke gewijde geschiedenis. Doch, zou er wel een geloovige zijn, die gt;en er niet van gewagen kan? Wij denken het niet. Neen, gelijk )lk er geen Christen is, wien het bidden eene vreemde zaak is, ird zoo ook ervoer elk kind van God tot zijne zaligheid, dat het ie- gebed niet ijdel is. O, de macht des gebeds! Op het gebed ii- zijn tranen gedroogd en klachten veranderd in gejuich. Op gt het gebed is Gods heerlijkheid gezien en Gods gemeenschap en genoten. Het gebed is de sleutel tot Gods Vaderhai\'te; het ivv schild, waarop des boozens pijlen afstuiten; het bolwerk des d, geloofs; de ademhaling der ziel; de pols van het geestelijk :e- leven; de hamer, waarmeê wij kloppen aan de poort des he-r- mels; de aker, waarmee wij scheppen uit de volheid des Heest ren: genade voor genade; de vleugel, waarmee wij vliegen in naar het ver gelegen land, om vandaar rijk beladen naar de

in aarde te keeren. Op het gebed moeten zwaarden versplinteren,

k bergen zich vereffenen, worden zeeën droog en valt de hemel open!

i, Wij hebben eenige toestanden genoemd, waarin het den

a Christen bang was. Welnu, dan roept hij niet tevergeefs. Drukt

i\' het aardsche lichaam hem ter neder, zijn God bemoedigt hem

door de hoop eens een lichaam te zullen hebben, gelijk aan dat van Jezus\' heerlijkheid. Kwelt hem de inwonende zonde, i zijn God verzekert hem, dat hij met Christus is gekruisigd,

l dat eens het lichaam der zonde zal worden te niete gedaan

en Jezus Zijne gemeente den Vader voorstellen zal als „een reine maagd zonder vlek of rimpel.quot; Gaat hij gebukt onder gevoel van dadelijke schuld, zijn God betuigt getrouw en rechtvaardig te zijn en de Hem beledene zonden te vergeven. Beangstigt hem da verzoeking des satans, zijn God wil den booze schelden en de belofte vernieuwen straks hem onder de voeten des Christens te zullen verpletteren. Hindert hem de zondige omgeving, zijn God bepaalt hem bij het voorrecht, dat hij niet van deze wereld is, en terwijl Hij hem in het verborgene wijsheid bekend maakt, doet Hij bidden : „Uw Koninkrijk kome!quot; Verontrust hem de tegenstand aan de zaak van Christus geboden, zijn God stelt hem gerust; ofschoon Zijn weg is in de diepte, ofschoon duisternis rondom Hem is, Zijne zaak zal triomfeeren. Draagt hij een kruis, zijn God heft op, helpt dragen, geeft kracht, doet erkennen, dat liefde het op de schouders legde. In ziekte is Hij zijn krankbezoeker, in armoede zijn uithelper, bij smaad zijn trooster, bij droeve verlie-

-ocr page 162-

148

■Ken zijn steun, bij moeielijken arbeid zijn wijsheid, in duister- !al

nis zijn licbt, en als het verlangen naar den Hemel sterk in ; £

zijn binnenste spreekt, weet Hij het te matigen, en als de vreeze ; ?e

des doods hem bestormt, weet Hij die vreeze te verbannen, hem

de blijde kusten der eeuwigheid te toonen en van het eeuwig ^

leven te verzekeren. O, des Christens leven is eene gedurige 1 ^

ervaring: „Als mij bang was, riep ik den Heere aan en riep 1 ^

tot mijnen God; Hij hoorde mijne stem uit Zijn paleis en mijn

geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijne ooren!quot; \'fr

! h

Ce waarheid, dat God het gebed verhoort, onmisbaar en -zeker, is eene der meest verhevene waarheden van het Christen- -j dom. Door haar verkrijgt de Christen het heerlijkst onderwijs. Immers werd zij reeds door ons Godsbegrip gewaarborgd, op hare beurt predikt zij ons veel van God. Zij verkondigt ons met luide stem de liefde Gods; die zich vederlnrigt en overal en wys en ten allen tijde werkzaam is. God is liefde! Eerst als wij dat weten, kunnen ons al Zijne eigenschappen vertroosten. En wij weten het; de gebedsverhooring verzekert het ons. Nu stralen al de deugden Gods, tot een geheel vereenigd, ons tegen als ééne zon der hope en des levens. Hoe buign die liefde zich neder! Wie meet den afstand, die den sterrentroon van deze aarde scheidt! Welk een afstand tusschen ons en Hem, Die ons schiep; tusschen Hem, den Almachtige, den Algenoegzame, den Heilige, den Eeuwige en ons; geringe, hulpbehoevende, onreine kindereu des stois! En toch. Hij zegt: „Ik heb u lief;quot; dat is: Mijn hart slaat voor u, het hart van Mij, Die als de Volzalige en Zelfgenoegzame u niet noodig heb. Die als de Heilige niet anders dan afkeer van u hebben moest. Die als de Rechtvaardige eer op u toornen kon.

Zulk een neêrbnigende liefde behoeft het bang gemoed, waarom het bidt: „Neig uw oor tot Mij!quot; Luther zegt: „daarmee verklaart de Christen, dat luj niet zoo sterk kan roepen, dat het zijne begeerte voor Gods ooren brengen kan, en daarom bidt hij, dat God zich of \'t ware wat nederwaarts geliefde te neigen, opdat Hij hem hooren mocht.quot; En dit doet Hij. De dichter van Ps. 34 verzekert: „De oogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen, en Zijve ooren tot hun r/eroep.quot;

Die neerbuigende liefde is boven onzen lof. Gemakkelijker ware het van de Heem\'len de maat te nemen met een span, of den oceaan ledig te scheppen met de hand, dan hare waarde te schetsen. Zij gaat de kennis te boven. Zij is werkzaam op eene wijze, die tot verbazing roept. Immers allerwege. In het Noorden en het Zuiden, in het Oosten en het Westen, in alle

-ocr page 163-

149

landen der wereld, ouder verscLiillende omstandigheden des levens treft ge zondaren aan, die zich in alles van den Heeré afhankelijk kennen, wien de omgang met God eene gedurige behoefte is, wien \'t steeds om den Goddelijken zegen te doen is, die onophoudelijk vragen; „Gadank mijner,quot; met Nehemia; of; „O God! zijt mij zondaar genadig,quot; met deiï tollenaar; of; „Neem Uwen Heiligen Geest niet van mij,quot; met David. Waar zij ook zijn, in weelde of in armoe des levens, in aanzienlijke steden of in nauw bekende gehuchten, Gods liefde laat zich aan hen niet onbetuigd, zegenende strekt zij hare hand tot hen uit, met David doet zij hen zeggen; „Als mij bange was, riep ik den Heere aan, en riep tot mijnen God; Hij hoorde mijne stem uit Zijn paleis en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijne ooren.quot;

Onuitsprekelijk wijs is die liefde werkzaam. Zij weigert soms de verhooring van ons gebed, of stelt haar uit. In beide gevallen is het ons ten zegen. Dwazen als wij zijn, weten wij vaak niet, wat wij begeeren. Soms reeds op aarde en eeuwig in den Hemel wordt gedankt, dat menige wensch overvuld, menig gebed onverhoord bleef. Wordt ons het gevraagde onthouden, dan wordt ons iets beters geschonken. God verhoort wel steeds het gebed, maar heeft de wijze waarop zich zeiven voorbehouden. Ook den tijd wanneer. Ons bidden heeft soms van het dwingen eens kinds. De liefde Gods wordt bij die eener moeder vergeleken ; zij is echter, en eeuwig dank en eere, dat het zoo is! van hare kortzichtigheid en zwakheid vrij. Meen dan niet, mijn broeder en mijn zuster, dat uw gebed is afgewezen, omdat ge geen verhooring ziet. Leer op de verhooring wachten. God heeft zich verbonden u het gebedene of iets beters te geven, en Hij zal het doen, maar dan, als Hij het den rechten tijd rekent. Wat u heden schaden zou, is u morgen wellicht nuttig; wat ge heden verspillen zoudt, kan morgen misschien door u recht gewaardeerd worden; daarom laat Hij u wachten. O, wij begrijpen u; gij hebt zoo\'n innige begeerte om onberispelijk voor God in de liefde te -wandelen; uw hart is tegen de zonde gekeerd, ge kunt er u niet aan ontworstelen, gij roept tot den Heere er u van te verlossen, gij deedt het reeds dikwerf, reeds jaar en dag, en telkens wies het onkruid op den akker uws harten, telkens stak de ongerechtigheid, dat duizendkoppig monster, zijn hoofd op om u te verschrikken. Ach, hoort God dan uw gebed niet? Zeker. Straks zal Hij u van die verdorvenheid volkomen bevrijden. Nog een wijle draagt ge haar mede, opdat ge het beter verstaan zoudt, hoe heerlijk de weg der genade is; opdat de.

-ocr page 164-

150

ervaring van een God, Die lief heeft, door die van een God, Die trouwe houdt, zou worden gevolgd; opdat ge zoudt leeren op het Lam te zien; opdat ge straks te heerlijker zoudt zingen voor de grootheid der verlossing.

O, wij begrijpen u; gij beschouwt den Hemel als uw Vaderland ; daarheen trekt gij; hier is het land uwer vreemdelingschap; gij zoudt nu steeds „trek naar huisquot; willen gevoelen, of althans tot sterven gereed, zeilreê willen zijn; gij vraagt dit aan den Heere, en zie, in stede van blijmoedig en opgewekt over den dood te spreken, gevoelt ge u gebonden aan gade en kroost, aan vrienden en magen, gebonden aan het leven met zijn lief en zijn leed. Ach, hoort God dan uw gebed niet? Zeker. Maar Hij is wijzer dan gij. Hij geeft uit Zijne volheid wat noodig is, van jaar tot jaar, maar ook van oogenblik tot oogenblik. Hij geeft als het noodig is. Stervens genade behoeven wij in de ure des stervens.

Hier hebben wij genade noodig om gewillig en blijmoedig des Heeren raad uit te dienen, om te leven tot Zijn eer, om lief te hebben en onze zorgen te wijden aan het gezin, dat Hij ons gaf, om te werken het werk, waartoe Hij ons roept, en zóó ons vreemdeling te weten, dat onze verwachting niet van dit leven is en wij, onder beding van losmakende genade, weg willen, wanneer de Heere geen langer blijven gedoogt. En die losmakende genade zal Hij geven. Te allen tijde is Zijne liefde werkzaam. Mogelijk denkt gij eerst niet te kunnen scheiden; maar het zal u gaan als David: „Als mij bange was, riep ik den Heere aan, en riep tot mijnen God; Hij hoorde mijne stem uit Zijn paleis en mijn geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijne ooren.quot;

Bleek ons de gebedsverhooring reeds eene onmisbare, onloochenbare, verhevene waarheid, dan werd eigenlijk reeds hare dierbaarheid, hare zegenrijkheid betoogd, en gevoelden wij, hoe zij den Christen oorzaak is van blijvenden roem. Daarover dan ook nog slechts een enkel woord. Naarmate ons hart vervuld is van de waarheid „God hoort het gebed,quot; zal het biddend uitgaan tot de Bron alles goeds; naarmate deze waarheid in ons leeft, zullen wij biddend leven, en biddend te leven is Godzalig te leven. O, spreek ons niet van uwe godzaligheid, wanneer uw hart ver van God is; rechtzinnig kan uw belijdenis zijn, ongeschokt uwe verwachting van den Hemel, zedig uw leven; maar Godzalig zijt gij slechts in de nabijheid van, in de gemeenschap met God. Biddend te leven is veilig te zijn. Veilig ten alle tijde, onder alle omstandigheden. Biddend te

-ocr page 165-

151

leven is Gode welgevallig te leven; Hij heeft een welbehagen in het vertrouwend stamelen zijner kinderen. Biddend te leven is gezegend te leven; in dien weg werken alle dingen mede ten goede; is ten zegen te leven. In dien weg wordt zegen rondom ons verspreid. Biddend te leven is Godverheerlijkend te leven. De zoodanige kent den Heere onder en in alles en geeft Hem zoo lof en eere. Hij is met den Heere. Hij is overal in Zijne nabijheid. Hij leeft, iemand heeft het terecht gezegd, in de lucht, die God ademt. Hij handelt in het gevoel Zijner tegenwoordigheid.

Naarmate wij aan de gebedsverhooring gelooven, zijn wij vervrijmoedigd om alle dingen, groote en kleine, voor God te brengen, is Hij „onze toevlucht.quot; Welk eene eere is het, toegelaten te worden tot de allerhoogste Majesteit, te mogen leven onder de schaduw van den troon des Eeuwigen! Hoe zinkt aardsche grootheid, wereldsche eer in het niet, bij het voorrecht van den armen zondaar, die den bedelstaf ontving en Gods aangezicht zoekt.

Wat is troostrijker dan te weten: God hoort mijn gebed. Wij weten niet, lezer, of het u wel eens gegaan is als ons; maar wij kenden oogenblikken, waarin wij ons zoo geheel alleen, zoo van al wat schepsel is verlaten gevoelden, waarin het ons te moede was, alsof niemand ons begreep. O, in die uren vooral, als alles teleurstelt en ontvalt, liegt en bedriegt, afwijst en alleen laat, welk een rijke troost geeft de gedachte. God kent en verstaat mij. Hij hoort mijn gebed.

Deze waarheid moet elke vreeze verbannen en een licht der vreugde doen opgaan in den nacht onzer veelvuldige ellende. Ja, wat meer zegt, zij heft in zekeren zin onze ellende op; zij neemt haar weg. Zij is, als \'t ware, het kernachtige thema van alle woorden des vredes, door Profeet en Apostel verkondigd; zij sterkt in de ure des doods en levert de stof van een danklied, dat daarboven, door heel de eeuwigheid heen, door ontelbare scharen wordt aangeheven.

Die nooit bang geweest is, heeft nog nooit gebeden. „Nood leert bidden,quot; zegt eene oude spreuk. Liever zeggen wij, „in den nood wordt bidden geleerd.quot; Tot het bidden behoort niet eene groote mate van verstand, van geestesgaven, maar een hart, geroerd door den Heiligen Geest.

Daarom zijn er kinderen en onwetenden naar de wereld, die het kunnen, en bejaarden en geleerden, die er vreemd van zijn. Het gebed bestaat niet in woorden, het kan eene zucht zijn of een traan.

-ocr page 166-

152

Die nooit baug werd vanwege zijne zonde, zijn Godgeinis of het gevaar van voor eeuwig om te komen, heeft nooit „uit diepten der ellendenquot; tot God geroepen, maar is ook nooit gekomen tot Davids troost. Wij deuken er niet aan trap en mate te bepalen, voor te schrijven „wat al gekend moet worden,quot; wij weten, dat Gods leidingen verschillend zijn, dat zelfs de een later leert, wat de andere vroeger verstond, dat het geloofsleven zeer eenvoudig is, en ons geloof te beter is, naarmate het eenvoudiger en kinde lijker is; maar toch Davids taal drukt de ervaring uit van allen, die den weg des gebeds bewandelen: „Als het mij bange was, riep ik den Heere aan.quot; Onderzoeken wij ons, is God onze God ?\' Mijnen God, zegt David. Dat woordje mijn is zoo klein en zegt toch zooveel. Welk een bezitting. God te hebben tot ons deel. Alleen in Christus kan en wil Hij de God des zondaars zijn. „Christusquot;, zegt de Apostel, „heeft ook eens voor de zonde geleden, Hij rechtvaardig voor de onrechtvaardigen, opdat Hij ons tot God zou hrengen.quot; Dierbare Heiland! Den kerkvader Augustinus werd eens gevraagd door een wijsgeer : „waarom is het toch, dat gij, die zulk een kundig mensch zijt, professor in de welsprekendheid, altijd weder hetzelfde vertelt? Verveelt u dat niet?quot; en het antwoord was: „Al ware de hemel mijn predikstoel, de legioenen der gezaligdeu mijn gehoor en de eeuwigheid mijn dag, zoo zoude Christus mijn tekst zijn.quot;

Zijn wij door Hem tot God gebracht ? Velen bidden niet. Velen hebben slechts de vertooning des gebeds. Bij velen is het, zooals Rome vaak onwetend tegen zich zelve getuigt, een „opzeggenquot; van hunne gebeden. Het hart deelt er niet in. Het is taak of strafwerk. Vrees dringt er toe. Velen bidden tegen hunne zonden en gaan dan zondigen tegen hun bidden. Wij moeten bidden om te leereu bidden. De H. Geest is de Geest des gebeds. Hij doet vermaak in het gebed vinden, en als wij zoover zijn, dan hebben wij den kortsten weg gevonden om God te leeren kennen en door Hem waarlijk wijs gemaakt te worden. Het biddend leven begint, wordt voortgezet en ten einde gebracht met de bede om genade en om gevonden te worden in de gerechtigheid des kruises.

Ook zelfs op uitwendige vernedering slaat God acht. Ook in de natuur verhoort Hij het gebed. Daar is veel, wat van het gebed zoekt af te trekken. Daar is een stem des vleesches, der wereld en des Satans, en zij zegt: bid niet! Maar daar is een andere stem, en zij zegt: bid! Zij komt door het geweten en de Schrift, door den Heere en Zijne dienaren, maar ook uit de graven dergenen, die ons ontvielen door den dood.

-ocr page 167-

153

Sommigen zeggeu; „wij willen niet bidden!quot; Wij antwoorden: gij wilt dus verloren, reddeloos verloren gaan. Het leven zonder gebed is een bestendig afdalen naar de donkere diepten des eeuwigen doods. Anderen beweren; „wij kunnen niet bidden!quot; Wij antwoorden: zoo dit niet sleclits de taal dei-lippen is, een poging om u achter uwe onbekwaamheid te verbergen ten einde in valschen vrede te kunnen blijven voortleven, dan klaagt gij aan God uw nood en smeekt Hem om ontferming, dan vraagt gij om vergeving en bekeering. Dan bevindt gij u al vast in de school, waar het bidden wordt geleerd. Nog weer anderen zuchten : „wij durven niet bidden!quot; O, wij verstaan u, maar wekken u op: gij moogt bidden, gij hebt met een ontfermend God, met een vriendelijken Heiland te doen. Al is uw gebed in gebroken taal, in ongekuischten vorm, het doet er niet toe. God zal het niet versmaden. Nooit zou er gebeden zijn op aarde, nooit gebeds-verhooring zijn aanschouwd, zoo God Zijn Zoon niet gegeven en Deze den Heiligen Geest niet had verworven. Die Geest werkt het gebed in het hart. De Christus, Die als de groote Hoogepriester van het huis Gods den toegang tot God verwierf, doet over het toegaan verzoening, neemt de gebeden in Zijne voorbede op en maakt ze zoo den Vader aangenaam. Ach, uw vleesch, geloovigen, is zoo traag, de wereld leid u zoo gemakkelijk af, de booze heeft u zoo spoedig verstrikt! Wat is er een steunen op schepselen hulp! Wat is er weinig gebed in het dagelijksche leven! Wat wordt er weinig op ge-bedsverhooring gewacht! Bedroef den H. Geest niet. Vraag Hem zich in genade aan u uit te laten en u uwe flauwheid te ontnemen. Gebed en verderf gaan nimmer samen. God verstaat den bidder, die geen woorden vinden kan. God ziet met welgevallen op den gansch ontblooten bidder neer; zijne tranen vergadert Hij in Zijn flesch; zijne klachten sluit Hij in Zijn hart.

In Engeland is een Hospitaal van het kruis. Wie er aanklopt ontvangt een stuk brood. De gekruisigde Christus heeft een Hospitaal voor arme zondaren gebouwd; er is brood voor den hongerige, lafenis voor den dorstige, een bad voor den bezoedelde, een kleed voor den naakte, een wapen voor den bestredene; met een woord, daar is alles. Laat het uw voorrecht zijn veel aan de deur van dat hospitaal te kloppen.

Dit hebben de geloovigen voor boven de wereld: zij kennen „een sterke toevlucht.quot; Wel is er reden om bang te zijn, inzonderheid in onze veelbewogen dagen, dagen ook van afval en ontrouw, bang allereerst voor ons zelf; maar neen, uit den

-ocr page 168-

154

Hemel klinkt ons liet woord des Heilands tegen; „hebt goeden moed.quot;

Hij, Die met ons is, is meer, dan die tegen ons zijn. Hij woont hoog, maar ziet laag. Is ons pad soms nog moeielijk, Hij is onze leidsman, op Hem mogen wij leunen. Zijn wij nog in een nacht van beproeving, de morgen zal dagen. Is onze hand nu nog met zorgen gevuld, straks zal zij de harp des Hemels bespelen.

Dit is de steeds oude en eens eeuwig nieuwe geschiedenis; „Des avonds vernacht het geween; maar des morgens is er gejuich.quot; In Gods paleis gaan wij in. Dan zijn alle tranen afgewischt. Wij zijn volkomen gered. Ons hoofd draagt den stralenkrans. Wij heerschen als koningen. De helsche Saul en zijne medestanders, die ons den troon betwistten, zijn voor altijd overwonnen. Wij zien terug op den weg, die achter ons ligt en juichen: „Als ons bange was, riepen wij den Heere aan en riepen tot onzen God: Hij hoorde onze stem uit Zijn paleis, en ons geroep voor Zijn aangezicht kwam in Zijne ooren.quot;

-ocr page 169-

WAAR ONZE KRACHT LIGT.

„Welgelukzalig is de mensch, wiens sterkte in ü is.quot;

Ps. 84 : 6a.

Góds volk heeft een dure roeping op aarde. Dat we er ons iets van herinneren, om des te beter te kunnen oordeelen welke de sterkte is, die de dichter op het oog heeft.

Zij worden geroepen tot geloof en gehoorzaamheid; in en onder alles standvastig en getrouw den Heere aan te kleven; op het geklank van het Evangelie nauwkeurig acht te geven en die stem dadelijk op te volgen; overeenkomstig hun staat, (eertijds waren zij duisternis, maar nu licht in den Heere) als kinderen des lichts, te wandelen; op \'s Heeren Naam te vertrouwen; zich in dien Naam steeds te verheugen; den strijd aan te binden tegen Satan, zonde en wereld; onder alle bezwaren, van welken aard dan ook, te zien op den Heere en met onderwerping aan Zijn hoog bestel, op grond van \'s Middelaars gerechtigheid van Hem te verwachten, dat hij op Zijn eigen tijd. Zijn gerechtigheid hun ten goede zal doen gelden en hen uit al hun druk verlossen. Daartoe is sterkte van noode.

Trouwens, deze dingen zijn van dien aard, dat er zich veel tegenstand tegen opdoet en vele hindernissen te doorworstelen zijn.

Geloof te oefenen; onder alle bedeelingen der Voorzienigheid met God vergenoegd en in Hem gerust te zijn; steeds te blijven in het midden van het spoor der gerechtigheid; tegen zoovele vijanden op de wacht te staan, ja die te bestrijden;

-ocr page 170-

156

en zicli met al zijne belangen, voor tijd en eeuwigheid, op den Heere te verlaten. Wat wordt er niet toe vereischt!

De dichter heeft geen lichaamssterkte op het oog. Ook geen gemoedssterkte, die men zich zelf door redeneeringen bezorgen kan. Hij bedoelt geloofssterkte, eene mate van licht en kracht des geloofs, waardoor men puttende uit de volheid des Heeren, genade voor genade, in staat is te doen, waartoe Hij roept. Van nature meent de mensch kracht in zichzelven te hebben. Schepselvergoding, maar vooral zelfverheerlijking is allerwege waar te nemen. Wie u ontmoet, is bereid het vernuft, het vermogen des menschen te prijzen. Wat kan de mensch niet! roept men u in geestvervoering toe. Hij kan de aarde omklemmen met ijzeren banen, zeebergen doorklieven, afstanden bespotten, licht en vuur en kracht uit de aarde delven, den bodem dwingen naar zijn lust.

En de arme mensch, die met God niet rekent, beseft niet, hoe diep afhankelijk hij is van de Bron alles levens.

Als de zondaar aanvankelijk wordt stil gehouden op het breede pad ; als zijne oogen geopend worden voor het betamelijke van den dienst des Heeren, meent hij kracht in zichzelven te hebben ontvangen om betamelijk voor den Heere te verkeeren, vertrouwelijk op Zijn getuigenis aan te gaan, het pad van Zijn geboden te houden en, al strijdende en lijdende met eene levendiger hope op Hem, te loopen de loopbaan, welke aan ons wordt voorgesteld. Met Israël staande aan den voet van Horeb zegt hij; „naar al wat de Heere gesproken heeft zullen wij doenquot; en dat blijft zoo, tot de stemme hem zegt: „gij zult God niet kunnen dienen; want Hij is een heilig God.quot;

Welgelukzalig nu acht de dichter den mensch, die dat bij aanvang mag hebben geleerd; die ziet, dat in hem geen kracht is; maar die daarin ruime dankensstof vindt, dat, terwijl hij niets kan, er een God der krachten in den hemel is, en hem de hand is toegereikt van den sterken Held, bij Wien hulpe besteld is.

Nimmer hebben de geloovigen sterkte uit zich zelf. Wel hebben zij bij de wedergeboorte een beginsel van een nieuw leven ontvangen, dat de dienst van God betamelijk acht er. daarin alleen genoegen neemt; maar het heeft hen niet onafhankelijk van den Heere gemaakt. Integendeel. De Geest bracht hen over uit de duisternis tot het licht, uit de dienstbaarheid tot de vrijheid, uit den dood tot het leven, en aan gestadige bewerking van dien Geest hebben zij behoefte. Hij is hen niet slechts ten Overtuiger, ten Zegel, ten Getuige,

-ocr page 171-

157

ten Onderpand, maar ook livm Leidsman, Opwekker, Ziele-trooster en Bekrachtiger. Zij hebben gestaag, ja, tot elke geloofsdaad, Zijne invloeden en bekrachtiging van noode. Dit getuigt de schrift; dit leert de ondervinding van eiken dag. Hnnne sterkte is in den Heere, en Hij is in staat hen zoo te bekrachtigen, dat zij in staat zijn tot dingen, die verbazend zijn voor het vleeschelijk oog, ja, dat hun geen last te zwaar, geen leed te drukkend, geen kuil te diep, geen berg te hoog, geen pad te lang valt, maar zij met Paulus zeggen: „ ik vermag alle dingen door Christus, Die mij kracht geeft,quot; of met David: „met mijn God spring ik over een muur, en dring ik door eene bende.quot;

In den Heere is de vastheid van hun staat. Hij heeft hen verkoren. Het verbond, waarin zij zijn ingelaten, rust op onwrikbare zuilen. Gods genade is onberouwelijk. Liefde en trouw gaan bij Hem hand aan hand. Nooit laat Hij varen de werken Zijner handen, De groote Hoogepriester bidt voor hen, dat hun geloof, hoe ook onder de asch bedolven, nooit ophoude.

Hun geestelijke sterkte, alles, wat zij in het geestelijke vermogen, is steeds en telkens van den Heere. Hunne dadelijke sterkte is van Hem. Hij schenkt hun licht; verlevendigt hun geloof; wekt hun ijver op; bestiert hun gangen; leert hunne vingeren ten oorloge en hunne handen ten strijde; houdt hen in bijzondere gevallen staande, met één woord, in Hem is hunne steriele. Uit Hem halen zij, als geestelijke ranken uit den waren wijnstok, sap en voedsel tot onderhouding en versterking van hun geestelijk leven.

Van Hem ontvangen zij genade en sterkte, om tegen den duivel, de zonde en de wereld te kunnen strijden en in Zijne kracht te overwinnen.

In Hem hebben zij alles.

Nevens Hem hebben zij niets in den Hemel en, lust hun ook niets op aarde. Hij is hun deel in eeuwigheid.

Hij zelf is hun licht in duisternis, hun troost in droefenis, hun kracht in zwakheid, hun alles, als alles hen ontvalt, hun leven in den dood.

Naar den schijn der oogen gaat het van ellendig tot ellendiger, van krachteloos tot krachteloozer; maar zoo gaat het juist, zooals het gaan moet; wrant zoo ziet het geloof, dat onzichtbare dingen aanschouwt, dat de sterkten Godes zijn. En waar hun weg een volbrenging is van Gods kracht in hunne zwakheid, daar gaan zij van „kracht tot kracht,quot; dat is, van de eene sterkte God« tot de andere.

Zoo leeren zij zingen „Zijn naam moet eer ontvangen,quot; Zoo

-ocr page 172-

158

worden zij rijp voor den Hemel. In den Hemel zullen zij binnen gaan.

Wel wordt liet hun bij den dag wonderbaarder, dat zij er komen zullen; maar zij zullen er komen.

De sterke God zal er lien brengen.

O, vergeten wij het niet, waar onze kracht ligt.

Dat vergeten is de oorzaak van zooveel ellende, als allerwege bij ons openbaar wordt, de oorzaak van — doch ik noem niets. Onderzoeken we ons slechts, broeders en zusters, of veel niet heel anders zou zijn, als wij onze sterkte meer in den Heere zochten. Vergeten wij niet: als wij zwak zijn, zijn wij machtig.

Schrijve de H, G. recht diep des dichters woord in de tafelen onzer ziel: „Welgelukzalig is de mensch, wiens sterkte in U is!quot;

-ocr page 173-

EEN VRAAG, DIE BESCHAMEN MOET.

„Van waar komen krijgen en vechterijen onder u? komen zij niet hiervan, namelijk uit uwe wellusten, die in uwe leden strijd voeren? Jacobus 4:1.

Een merkwaardig man die Jacobus. Hij werd de jongere of mindere genaamd, om hem te onderscheiden van Jakobus, den broeder van Johannes, die door Herodus gedood is met het zwaard. Hij was de zoon van Alféus Kléopas en werd de broeder des Heeren geheeten, omdat hij van de maagschap van Maria was. Om zijn bijzonder heiligen levenswandel werd hij de Rechtvaardige geheeten. Hij wordt vermeld als eerste opziener van de Christelijke gemeente te Jeruzalem. De reinheid van zijnen wandel dwong zelfs den Joden achting af. Maar Ananias de Hoogepriester, gesteund door de Schriftgeleerden en Farizeërs, dwong hem bij gelegenheid van het Jood-sche Paaschfeest, zich op de tinne des tempels te plaatsen, om over het geloof in Christus te spreken; en ziende,\' dat zijne toespraak met belangstelling werd aangehoord, werden de vijanden woedend en wierpen hem naar beneden. Toen wierp men hem met steenen. En terwijl hij voor zijne beulen bad, hetgeen op velen een diepen indruk maakte en zelfs een priester deed uitroepen: „Hoort gij het niet? de rechtvaardige bidt voor u!quot; werd hij met een knods afgemaakt. Zoo werd hij, tijdens de Romeinsche landvoogd afwezig was, door de Joden in het jaar 62 vermoord. De geschiedschrijver Josephus zegt: „Om den moord, gepleegd aan Jakobus den rechtvaardige, kwam de toorn Gods over Jeruzalem en Judea en geheel het Joodsche land.quot;

-ocr page 174-

160

De brief, ons van Jakobus bewaard, was aan de verstrooide joden gericht. Hij onderscheidt zich van alle andere Apostolische brieven, wijl niet altijd geloovigen, maar soms ook on-geloovigen aangesproken worden. Men heeft terecht opgemerkt, dat de stijl meer aan een profeet des ouden- dan aan een apostel des Nieuwen verbonds doet denken. De naam des Zaligmakers komt slechts twee malen in den geheelen brief voor. Toch draagt Jakobus\' schrijven het merk der ingeving des Heiligen Geestes, wat zeg ik, verdient het zelfs in de hoogste mate onze belangstelling.

Geschreven in het jaar 60, had deze brief ten doel, om de Christenen te troosten, te onderwijzen, te versterken in de leer iler rechtvaardiging door het geloof en tot een heiligen wandel aan te sporen, maar ook om de goddeloozen voor het aanstaande Godsgericht te waarschuwen.

De meening, dat Jakobus van Paulus inzake de goede werken verschillen zou, berust op onkunde.

Luther, die er zelfs eerst toe kwam om den heerlijken brief van Jakobus „een brief van strooquot; te noemen, heeft dan ook later zijne dwaling ingezien. Paulus en Jakobus beschouwen de luerlcen uit een verschillend oogpunt: de eerste verwerpt ze als grond van verdienste en de ander handhaaft ze als kenmerken der genade, als vruchten der geloofsgemeenschap met Jezus Christus. Paulus toont aan, dat het waar geloof alleen steunen doet op den Middelaars-arbeid van den eenigen Heiland, en Jakobus vernietigt den waan dergenen, die Jezus tot een dienaar der zonde maken, door de verzekering, dat een waar geloof met reinheid des levens gepaard moet gaan.

De brief van Jakobus is bij uitnemendheid practisch.

In het derde hoofdstuk waarschuwt hij tegen de neiging der Christenen om als leeraren op te treden: „Zijt,quot; zegt hij. „niet vele meesters,quot; d. i., „niet vele leeraren!quot; Dec hristenen uit de Joden waren zeer op het leeraarsambt gesteld. Dit is nog ten huidigen dage zoo. Is het een eigenaardig verschijnsel, dat bijna ieder, die tot den Heere bekeerd wordt, in den aanvang wenscht het Evangelie te mogen prediken, vooral bij de bekeerde Israëliërs is die begeerte sterk. Bijna iedere tot het belijden van den Christus gekomen Jood meent geroepen te zijn anderen te leeren. Zoo was het in Jakobus\' dagen. En het schijnt, dat ook toen reeds velen de vereischten tot het predikambt te gering schatt\'en, zoodat zelfs onkundige, boosaardige en liefdelooze mannen meenden er naar te mogen staan.

Hiertegen trekt de Apostel te velde. Slechts enkelen zijn geroepen om te leeren; de meesten moeten onderwezen worden.

-ocr page 175-

161

Het leeraarsambt, hoe begeerlijk ook, brengt een zware verantwoordelijkheid met zich; wee den dienaar des Woords, die den weg der Zaligheid niet voorstelt, — en toch, deelend in de verdorvenheid der menschelijke natuur, loopt hij telkens gevaar te vallen en onbedachtzaam in het spreken te zijn. Daarom, zoo zegt hij als \'t ware, sta niet zoo bijzonder naar de Heilige bediening, inzonderheid werp u zelve niet tot leeraren op.

Vervolgens neemt hij aanleiding uit de bedachtzaamheid, die in den prediker vereischt wordt, om in het algemeen over het misbruik der tong te spreken en keert in het 9de vers tot de zaak, waarover hij vers 1 begonnen was te schrijven, terug. Hij schetst het beeld van de twistgierigen en hooggevoelenden, die de wijsheid in pacht waanden te hebben en zich het leeraren aanmatigden en wilquot; laten gevoelen, dat — zoo min als een fontein zoet en zout water voortbrengen kan — zegening en vervloeking uit den mond van denzelfden leeraar komen mag; daar anders veel jammeren door hen in de gemeente van Christus gebracht worden. In hun heersch-zucht en betweterij, bij hun valschen ijver en twistgierig bestaan, door hun sectegeest en bekrompene waarneming, ver-toonen zij in niets het beeld van den waarlijk geroepenen, wel onderwezenen, aan het heil der gemeente arbeidenden gezant van den Vredevorst.

Dieper vat de apostel daarna nog eens de zaak op, en terwijl hij met innig leedgevoel de verwoestingen gadeslaat, door de zichzelven zoekende leeraren teweeggebracht, tast hij het kwaad bij den wortel aan, rukt de bedekselen der schande weg, trekt de maskers af door de diep beschamende vraag: „ Van waar komen krijgen en vechterijen onder uf Komen zij ■niet hiervan, namelijk uit uwe wellusten, die in uwe leden strijd voeren?quot;

En nu behoeven wij niet te blijven staan bij de mannen van dien tijd, die, door naar het „meesterschapquot; te staan, oorzaak werden van zooveel kwaads; wij hebben veeleer ons zelf te beproeven, en bijaldien ook in onze dagen van „krijgen en vechterijenquot; gesproken kan worden, de oorzaak biddend na te speuren.

„Krijgen en vechterijen,quot; d. i. openbare beroeringen in de gemeente des Heeren en onderlinge krakeelingen.

Ach, sinds de mensch zijn God den oorlog verklaarde, d. i. sinds hij oproerling werd in Gods zedelijke schepping, is de aarde het tooneel van strijd geworden. Strijd niet slechts in de hoven, waar de woekerplant zich tracht te voeden ten koste van den stam; strijd niet slechts van het dier tegen den

II

-ocr page 176-

162

menscli, maar strijd van den mensoh tegen zijn naaste. De zonde bracht een wanklank in het heerlijke scheppingslied. Door haar oorlog in het groot en in het klein. Zij heeft den broederband losgewoeld. Zij heeft den mensch van zijn God vervreemd en den mensch des menschen bestrijder gemaakt.

Dat wordt aanschouwd, zelfs onder den herstellenden arbeid van Gods zoon. Wat zou men\' gezien hebben, als God den toorn had behouden.

Toch geeft Gods genade ons ook iets anders te aanschouwen.

Uit eeuwige liefde heeft de beleedigde Majesteit zelve een ontwerp der verzoening uitgedacht, zelve alles daargesteld, wat tot redding noodig is. Wij hebben het genadige, het gadelooze, het allesoverklimmende van die liefde te erkennen en te bewonderen.

Gods Zoon nam onze natuur aan om de Middelaar Gods en der menschen te kunnen zijn. In vernedering en armoede, in smaad en smarten is Hij gekomen. De angsten der hel hebben Hem getroffen. Den dood, die op de zonde gedreigd was, is Hij gestorven. In één woord: niet slechts heeft Hij gehoorzaamheid aan Gods wret betoond, maar ook wat wij verdiend hadden, heeft Hij geleden. Zoo heeft hij alles volbracht. Groef de zonde een klove tusschen God en ons, Hij wierp er zich in en heeft haar gedempt. Bouwde de zonde een muur tusschen God en ons, Hij wierp er zich op en brak hem af. Dit verzekert Zijn Evangelie aan allen, die ellendig zijn. Zijn Geest doet dat Evangelie verstaan. Hij schenkt dien Geest aan allen, die hem van den Vader gegeven zijn. Aan hunne zondigheid ontdekt, van hunne zonden overtuigd, leeren zij zich wenden naar Hem. Om vergeving en verlossing van ongerechtigheid, om vrede met God, om God is het hun te doen. In Hem vinden zij hun borg, hun middelaar, hun redder, hun eeuwigen behouder. Zijn vrede deelt Hij hun mede. Een vrede, die alle verstand te boven gaat. En terwijl zij van harte alle menschen de eeuwige zaligheid gunnen en zelfs werkzaam worden om hun den weg des levens te wijzen, of te doen wijzen, zijn zij innig verbonden aan hen, die met hen het geloof verkregen.

Gods genade in Christus legt een broederband, die niet van deze wereld is. Hij loopt door heel de wereld en vereenigt allen, die in Jezus den Christus vinden. De gemeente des Heeren is eene geestelijke familie. Zij wordt gebouwd tot eene woonstede Gods in den Geest.

De scheiding door de zonde in het leven geroepen, wilde de Eeuwige opheffen. Van het Paradijs af heeft Hij dit verklaard,

-ocr page 177-

163

beloofd, getoond, en in de zending Zijns Zoons, als de God-mensch op aarde aanvankelijk volvoerd.

Door Bethlehem en Golgotha wordt er nu vrede op aarde verkondigd en gesmaakt. Het levendig geloof wekt liefde. Het Evangelie des kruises is het vereenigingspunt in de zedelijke schepping; de band der volmaaktheid; het heeft éénheid en gemeenschap, liefelijkheid en samenbinding tot doel. Dat Evangelie heeft de toekomst. De diep vernederde Zone Gods is verheerlijkt, en de Christusregeering zal er toe leiden, dat alle door de zonde opgetrokkene scheidsmoren geslecht zullen worden, dat alles wat in den hemel en op de aarde is vereenigd zal worden.

De zonde moet hier balling worden en haar laatste spoor verdwijnen.

Voor den hardnekkigen zondaar straks geen plaats dan in de hel.

Voor Christus\' bruid de hemel en de nieuwe, de wedergeborene aarde. Heerlijke toekomst! Dan zal niet meer de liefde verkouden en de diep beschamende vraag niet meer worden gehoord: „ Van waar komen krijgen en vechterijen onder u ? Kmien zij niet hiervan, namelijk uit uwe wellusten, die in uwe leden strijd voeren?quot;

Reeds in de eerste jaren des Christendoms moest die vraag gebracht? Nog is zij noodig.

Openbare beroeringen in de gemeente en onderlinge kibbelarijen zullen er meer of min blijven, zoolang de satan het werk van Christus bekampen mag, en de zonde op aarde werkt en woelt. Toch is het eene getuigenis tegen \'s Heeren gemeente, bewijs, dat zij haar voorrecht weinig waardeert, hare roeping gebrekkig verstaat, hare toekomst gedurig uit het oog verliest.

Ach, hoe verdeeld is in onzen tijd het leger des Heeren, waardoor den vijand eene tijdelijke overwinning gemakkelijk wordt gemaakt. Wat twistappelen worden geworpen in de rijen der godvreezenden. Ik zwijg van het feit, dat allerwege scheuringen worden aangericht onder leiding van mannen, die zich de Heilige bediening aanma.tigen en met den moed der vermetelheid hun vaak ergerlijk leven door eenzijdige voorstelling der waarheid zoeken te bedekken; van het feit, dat vele belijders van Jezus er zoo gemakkelijk toe te brengen zijn, om achter scheurmakers zich te begeven en hen in hunne zonden te stijven. Van het feit, dat de uitoefening der kerkelijke tucht veel van haar beteekenis heeft verloren, omdat er zoo vele toevluchten der leugens zijn, waarin de door de Christelijke liefde bearbeide zich veelal terugtrekt en met vroom gelaat

-ocr page 178-

164

Gods waarheid krachteloos zoekt te maken. Ik zwijg nu zelf van het feit, dat zij, die dezelfde belijdenis liefhebben, vaak bitter en heftig elkander bekampen waar de „kerkelijke quaestiequot; onder de oogen wordt gezien.

Ik zwijg van dit alles, ofschoon de Apostolische vraag ook hier tot nadenken roept, en zijn beweren den sleutel tot menig raadsel geeft. Of meent gij niet, mijn lezer, dat, als er van geen „wellusten, die in onze leden strijd voerenquot; sprake kon zijn, er wel sprake zou wezen van alle deze dingen ? Of meent gij niet, dat ook hier de schaamteblos op het gelaat der ziele voegt ?

Wij bepalen ons echter thans tot de belijdende gemeente van Jezus, tot wat in haar midden aanschouwd wordt.

Ach, hoe dikwerf verneemt men dat „krijgen en vechterijenquot; aan den bloei eener gemeente knagen. Trouwens de liefde, kenmerk der genade, kenmerk van het discipelschap van Jezus, is kenmerk van de gemeente des Heeren. Zij bloeit, naa.rmate ^ij liefde oefent; zij kwijnt, naarmate de liefde is verkond.

„Krijgen en vechterijenquot; in eene gemeente, die naar Jezus zich noemt! Welk een gedachte. Is het mogelijk? Helaas. Zaken van ondergeschikt belang kunnen de zonen en dochters van hetzelfde huis van elkander vervreemden, tegen elkander in het harnas jagen. Niet zelden is het slechts een woordenstrijd, waarvoor de harten koud en de hoofden warm worden. Verschil van leiding tot en op den weg naar den Hemel; van opvatting van een bijbelwoord; van inzicht in het profetisch woord; van oordeel over de houding en roeping van broeders, die buiten eigen kerkverband leven, ja wat niet al, is in staat om de hartstochten gaande te maken?

Van waar die „krijgen en vechterijenquot; ? Zij komen niet van God. Hij heeft geen welbehagen aan dat droevig stooten van elkander.

Van waar? Van de wellusten, die in onze leden krijg voeren.

Wij hebben te denken aan de begeerlijkheden des vleesches en der oogen en de grootheid des levens, aan alles, wat het vleesch streelt en vermaak aandoet, maar niet het minst aan hoogmoed en zelfzucht. De inwonende zonde, (wij bepalen ons tot ware geloovigen, al weten wij, dat ook menigmaal de onbekeerdheid van de belijders oorzaak van de woelingen in de gemeente is) de inwonende zonde wil niet luisteren naar de stem van het nieuwe schepsel, maar kant er zich tegen; het wederspannige vleesch wil niet buigen, het zoekt tal van voorwendselen en bedient zich van allerlei wapenen. De verdorvenheid wil het „meesterschapquot; over ziel en lichaam om te vervullan met

-ocr page 179-

165

haat, nijd, toorn, wrok en al, wat kwaad heeten kan. Zij zoekt het verstand af te trekken en achterdocht en vooroordeel in te boezemen, den wil, de genegenheden te verlokken, zoodat eerst koelheid, daarna afkeerigheid geboren wordt en men ten laatste zelfs elkander verloochenen en tegen elkander met den verklaarden vijand gemeene zaak maken kan. Voorwaar een schouwspel. Satan naar het hart, maar dat haast de Engelen zou doen schreien.

De hand over hand toenemende zonden zijn de eigenlijke oorzaken van de beroeringen der volken. En al de beroeringen, die het gemeentelijk leven teisteren, zijn aan wereldsgezindheid, aan vleeschelijkheid en hoogmoed des harten te wijten.

Vergeten wij het niet.

Kennis der kwaal is begin der genezing.

In kerk en staat en huisgezin speelt „meesterschapquot; een droeve rol. Het iets willen beteekenen, het voor elkander niet willen zwichten, gebrek aan betamelijke onderwerping, ziedaar de bron der ellende.

Dat wij ons vernederen voor den Heere. Dat wij vragen om de wijsheid der heiligen, om genade des Geestes tot het „dooden van de leden, die op aarde zijn.quot;

Dat wij staan naar de levende gemeenschap met den levenden Heiland.

Dat wij arbeiden aan de komst van Zijn heerlijk rijk, maar steeds gedachtig aan het „beginnende te Jeruzalem.quot;

Op de groote vergadering te Edinburgh in Juni 1867 sprak de Veteraan onder de zendelingen. Dr. Duff, over de behoeften van Indië. Na zijne korte toespraak verzocht hij de siiamge-komene leeraars naar huis te gaan en jonge mannen uit hunne gemeenten naar Indië te zenden om het Evangelie te prediken. Hij sprak met zulk een ernst, dat hij in zwijm viel, en men hem uit de zaal moest verwijderen. Toen hij zijne oogen weer opsloeg, vroeg hij, waar hij was, en vernam hij de omstandigheden, waaronder hij daar gekomen was, „Jaquot; zeide de zendeling, „ik pleitte voor Indië, en ik hield toch niet op, voor dat mijne toespraak geeindigd was, deed ik wel?quot; Men zeide hem, dat dit niet het geval was geweest. „Oquot; was het antwoord, „breng mij dan terugquot;, en ik zal mijne toespraak voleindigen..quot; Geen bedenkingen hielpen. Hij wilde. Toen hij teruggebracht was, stond de geheele vergadering op om naar hem te luisteren. „Vaders en moeders uit Schotland, is het waar, dat gij uwe zonen niet naar Indië wilt laten gaan? Ik bracht daar 25 jaar door, verloor er mijne gezondheid, ben teruggekomen zwak en lijdend; maar indien het waar is, dat

-ocr page 180-

166

wij gene zonen of kleinzonen hebben, sterk genoeg om naar Indië te gaan, dan zal ik overmorgen mijn koffer pakken en aan de gindsche heidenen zeggen, dat, als ik al niet langer gezond in hun midden leven kan, ik dan toch onder hen wil lijden en sterven.1\'

Hoe beschamend! „Maarquot; zegt gij wéllicht „wij kunnen toch niet allen naar de heidenen gaan.quot; Het is waar, maar gaat gij zoover gij kunt? En sterkt gij de handen van hen, die gaan ? Toen er eens te middernacht een groote brand uitbrak en alle bewoners van een huis meenden, dat er niemand meer te redden viel, werd er op de 5de verdieping een klein kind gezien, dat om hulp riep. Spoedig werd een ladder opgezet, en een brandweerman klom de treden op. Toen hij de tweede verdieping bereikte, barstten de vlammen met kracht uit alle vensters, en de menigte wanhoopte aan de redding van het kind. De moedige man kromp ineen en zou achterover gestort zijn; maar een uit de menigte riep, „spuit hem nat!quot; en de eene waterstraal na den andere werd uit diepte tot hem opgespoten, en zoo bereikte hij den top der la.dder en redde het kind, doordien zij hem nat gespoten hadden. Welnu, wanneer gij niet heengaan kunt naar Afrika of Azië, of waar ook de heidenen wonen, ondersteun en verkwik, die er arbeiden, svuit hen nat, die daar staan in de hitte van het gevecht, opdat ze zielen mogen winnen voor den Heer. Zielen te winnen voor den Heer, naar mate dit onze levenstaak en onze levenszaligheid is, zullen we ons minder laten verlokken tot krijgen en vechterijenquot; wat zeg ik, zullen wij ten slotte zelfs minder tot „krijgen en vechterijenquot; worden gelokt.

Men verhaalt van een zekere stad, die belegerd werd, het volgende:

De vijand rukte aan, en de commandant van \'t vijandige leger zond bericht, dat ze zich over moest geven, of gebombar-bardeerd zou worden.

De bevelhebber gaf ten antwoord: Wij vechten niet. Met deze boodschap moesten de gezanten gaan.

Daarop gaf hij bevel aan een omroeper, dat die door de stad moest gaan om allen toe te roepen; „Ieder moet in zijn werk blijven, niemand mag zich met den vijand inlaten. Ieder moet in de betrekking blijven, waarin hij geplaatst is.quot;

De vijand kwam. Hij vond de poorten open, ieder aan zijn werk en niemand in een houding, alsof hij vechten wou.

De belegeraar moest wel aftrekken; want zulk een stad te bestormen zou hem nooit tot roem kunnen zijn.

Getrouw in \'t werk des Heeren, zij het onze leus tegenover

-ocr page 181-

167

naar eiken broeder, die ons uitdagen wil, wij vechten niet-, wij

i en vechten niet dan onder de banier van Koning Jezus tegen

sond satan en zijn rijk.

jden „Krijgen en vechterijenquot; zullen wel blijven, zoolang de zonde

woont op aarde. Maar wie in de nabijheid van Jezus leeft,

men ziet zijn beeld in dien reiziger, die een hoogen berg heeft be-

laar klommen. Halverwege den berg woed een vreeselijk onweder,

die hij hoort den donder rollen, de regenstroomen plassen; maar

irak boven zijn hoofd is het kalm en stil. Wie in de nabijheid van

leer Jezus leeft, is verheven boven de onzalige twisten, die in de

:ind laagte worden gevonden, ze kunnen hem doen schreien maar

zet, hinderen niet. \'

«de Dat wij liefhebben met ons gansche hart.

alle Dat wij in den weg der gedurige dooding van ons eigen

het ik slechts naar Jezus\' wil vragen en Zijne eer zoeken, ge- Dan zullen „krijgen en vechterijenquot; verre van ons zijn, en

t!quot; te midden van den strijd des geloofs zal ons oog zich richten

tot naar de kroon, die hangt aan het einde der baan, wat zeg

en ik, smaken wij een vervroegden hemel op aarde.

nu,

lar en,

ht,

len ns-;en ier

iet

ge

ir- __

\'et

ie

in n.

in

-ocr page 182-

HOE IS ï A AT HET MET ONS GELOOF?

„Gelooft gij in den Zoon van God V\' Joh. 9 ; 353.

De Heere Jezus had in den tempel gesproken over slavernij en vrijheid. De Joden roemden op vrijheid, de Heer noemt hen slaven. Burgerlijk kan men vrij zijn, geestelijk slaaf; het lichaam ontboeid, de geest gekluisterd. „Wie de zonde doet, is een dienstknecht der zonde.quot; En wel oppervlakkig moet de zelfkennis zijn, indien men zonder schaamte zijne verhouding tot de zonde zou kunnen betrachten. Zoo oppervlakkig was de zelfkennis der Joden, tot wie Jezus sprak. Hun trots werd gekrenkt. Verbitterd, namen zij steenen op, om ze Hem naar den schedel te werpen. Jezus\' ure was echter nog niet gekomen. Hij ging ongedeerd uit hun midden. Nu ontdekte Hij een blindgeborene. Zijne discipelen vroegen, of \'t aan dezen ongelukkigen of aan diens ouders te wijten was, dat hij blind geboren was. Het antwoord was terechtwijzend. Er lag geen bijzondere zonde. Gods heerlijkheid zou geopenbaard worden. Daartoe was Jezus gekomen.

Nu spoog de Heere op aarde en bestreek des blinden oogen met slijk en beval hem zich te wasschen in het badwater Siloam. De man deed naar dit woord en was ziende.

Toen ontstond er strijd onder de schare. De een zeide: hij is het, die blind was en bedelde; de ander beweerde: hij is het niet; maar hij gelijkt op hem. Maar de beweldadigde verklaarde : ik ben het en verhaalde zijne genezing. Hij werd naar de farizeën gebracht. Hier sprak zich het stoutste ongeloof uit. Eerst werd liefde tot den Sabbat het voorwendsel, waarom men den Christus verwierp; toen ontkende men, dat

-ocr page 183-

169

de genezene blind geweest was. Ten slotte werden \'s mans ouders geroepen om van de zaak te getuigen. Dezen erkenden wel hun zoon en, dat hij blind geweest was, maar lieten zich over het wonder der genezing niet uit. Vreeze greep hen aan. Immers, het was hun bekend, dat men had vastgesteld, wie Jezus als den Christus beleed de Synagoge uit te werpen.

Wederom moest nu de genezene voor het gehoor. Op eenvoudige, naieve wijze handhaaft hij het feit, aan hem geschied. Met de vraag; „wilt gijlieden ook Zijne discipelen worden?\'\' toont hij te weten, dat geen heilbegeerte hen tot herhaalde navorschingen dreef, en met de korte, afdoende antwoorden op hunne bedenkingen vernedert hij hen op gevoelige wijze.

Wederom wordt hun trots gekrenkt.

Eerst door Jezus; nu door een beweldadigde door Zijn hand. Gekrenkte trots is ontroostbaar. Toch zoeken zij troost in wraak; „zij wierpen hem uit.quot;

Jezus hoorde dit, zocht hem op en wilde hem brengen tot een zien, niet slechts naar het lichaam, maar ook naar den geest. Hij wilde zich zelf aan hem openbaren, en deed daartoe de vraag: „Gelooft gij in den Zoon van God?quot;

Onze tekst moet ons bijzonder gewichtig zijn, vraagt onze onverdeelde aandacht; want in dien tekst treedt de Zone Gods zelf met eene gewichtige vraag voor ons op; wordt in de blindgeborene ons eigen beeld geschetst en ons het geloof gepredikt, zonder hetwelk voor ons leven noch zaligheid is.

Gelooft gij in den Zoon van God? Het is de Heere Jezus zelf, die zoo vraagt. Het is hoogst belangrijk Hem te leeren kennen, want; „üit is het eeuwige leven, dat zij U kennen, den eenigen waarachtigen God en Jezus Christus, dien Gij gezonden hebt.quot;

Wij leeren Hem hier kennen, als den Zone Gods. Zoo noemt Hij zich zelf. Zoo noemt Hem ook God de Vader en de H. Geest. Op Thabor en bij de Jordaan klonk het uit de hoogwaardige heerlijkheid; „Deze is Mijn Geliefde Zoon.quot; Onder de aanwijzing „de Zone Godsquot; verstonden de Joden den Messias. „Kust den Zoonquot;, is het in Psalm 2.

Jezus is Gods Zoon in veel hoogeren zin als iemand dei-schepselen, die den eernaam „Zoon of dochter des Allerhoog-stenquot;\' dragen mag.

Hij is de Zone Gods, de Eeniggeborene. De Zone Gods van eeuwigheid. Zelf God.

Let er op, hoe het geloof in Hem wordt verlangd. Hij verlangt het zelf in den tekst. Dat is iets, wat geen mensch, wie het ook zij, vorderen kan.

-ocr page 184-

170

Hij is mensch geworden om onzentwil, ging goeddoende door het land, leed en stierf den smadelijbsten en smartelijksten dood tot verlossing van velen en werd zoo een Heiland voor arme zondaren.

Wij leeren Hem kennen als den Helper in ellende. Medelijden en ontferming woonden in het hart van Jezus. Hij hielp eerst lichamelijk, toen geestelijk. Hij is machtig om te helpen. Waar niemand helpen kan — als bij den blindgeborene — kan Hij. Hij is niet slechts machtig, maar ook gewillig.

Wij leeren Hem kennen als dengene, die arme, verlorene zondaren zoekt. Immers in de tekstgeschiedenis lezen wij: „Jezus hem vindende.quot; Dit vinden was geen toeval. Neen, Jezus had gezocht. Gelijk Hij Matthefls, Zacheüs, de Samari-taansche en tal van anderen gezocht had, zoo zocht Hij dezen man. Hoe men Hem\' ook kwalijk bejegend, ja uitgeworpen had, Hij ging voort te zoeken.

Wij leeren Hem kennen als dengene, die de verloreren opneemt. Hij zeide eens; „Wie tot mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen.quot; Dit bewees Hij hier op uitnemende wijze. De blindgeborene was door de Pharizeeën uit den tempel geworpen, Jezus nam hem op. Hij was een arm, owwetena mensch;

niemand scheen zich om hem te bekommeren, zelfs zijne ouders niet. De Heere Jezus bekommerde zich echter om hem.

Wij stonden bij den vrager stil, dat wij ook een wijie bij den ondervraagde toeven en in hem onze beeltenis zien.

Hij was een hlindgeborene. Welk een treurig lot. Blinden hebben aanspraak op onze hulp en medelijden. Job was den blinden tot oogen, gelijk hij zelf getuigt. Hetgeen zij aan hunne oogen verloren, trachtte deze vrome man door zijne hulp te vergoeden. Wij zijn verplicht hem daarin na te volgen. Wie een blinde beleedigt, bezondigt zich zeer tegen den heiligen Wetgever, die gezegd heeft; „Gij zult geenen aanstoot zetten voor het aangezicht van eenen blinde; maar gij zult vreezen voor uwen God,quot; en „vervloekt is hij, die een blinde op den weg doet dwalen.quot;

De blindgeborene was diep te beklagen. De aarde was hem als \'t ware een duistere kelder. Hij zag niets van de groote werken Gods. Niets van de werken der kunst. Hij zag zijne ouders niet. Hij zag ook zijn Heiland en grootsten weldoener niet, toen deze het eerst tot hem kwam.

Dat is het beeld van den toestand aller Adamskinderen. Wij zijn van nature geestelijk blind, hebben geen oogen voor Gods genadewerk en gena-bewijzen, kennen zelfs onzen God en

-ocr page 185-

171

Schepper niet. Die geestelijke blindheid is erger dan de natuurlijke. Toch bekommert de mensch van nature er zich niet over; trouwens zijn blindheid bereikt haar toppunt in dit ééne, bijna ongelooflijke, hij weet zelf niet, hoe blind hij is; wat zeg ik, hij acht zich ziende en spreekt niet zelden over de dingen van het koninkrijk Gods, maar juist zooals de blinde het over de kleuren doet.

De geestelijke blindheid bestaat in diepe onkunde van God en geestelijke zaken door de zonde.

De gevallen mensch, de zondaar, is aan den blinde gelijk, die het gebruik van zijn lichamelijk oog mist, de voorwerpen, die hem omringen, niet kan zien.

Een blinde is buiten staat, om zich juiste begrippen te vormen van hetgeen hij niet zien kan; doorgaans onverschillig, voor hetgeen zij, die zien kunnen, hem verhalen van hetgeen hij toch niet zien kan en ongeneigd om zijne begrippen, hoe onjuist ook, op te geven, wanneer zienden hem daartoe dringen. Zoo ook op geestelijk gebied. De geestelijk blinde vormt zich van geestelijke dingen onjuiste begrippen heeft geen diepgaand gevoel van zijne geestelijke behoeften en is afkeerig om zich op het geestelijke ernstig toe te leggen.

Aangeborene blindheid is ongeneeselijk bij den mensch; de bekwaamste oogenarts staat hier machteloos. Zoo is het met de geestelijke blindheid; de uitnemendste prediker neemt haar niet weg.

Jezus maakt de blinden ziende. De opening van het zielsoog is wonder van \'s Heeren macht. Zij is niet eene op zich zelf staande daad, maar behoort tot de vernieuwing des zondaars, tot de levendmaking der geestelijk dooden.

De levendmakende werking Gods gaat over den geheelen mensch, strekt zich dus ook uit tot het verstand, ja begint met het verstand. Door haar wordt het verstand zoodanig veranderd, dat het in zijne bevatting en beoordeeling van de geestelijke dingen geheel anders wordt dan tot hiertoe; te voren duisternis, nu licht; te voren verward, nu duidelijk; te voren ongevoelig en afkeerig, nu belangstellend en begeerig.

De door Jezus genezene was niet slechts blindgeboren, maar ook arm. Hij bedelde.

Beeld van den toestand der menschenkinderen. Wij zijn arm. Door den hoogmoed, ons van nature eigen, erkennen wij het niet. Maar zóó diep afhankelijk zijn wij van den Heere, dat wij niets, van wat de wereld aan schatten en gaven bezit, tot ons bijzonder eigendom kunnen maken, zoo Hij het\' niet wil. Hij is de bron aller zegeningen. Van Hem is elke goede gave.

-ocr page 186-

172

Eu al staan wij nu door Zijne goedheid tegenover de mensoheti niet als een bedelaar, tegenover den Heere staan wij — al waren wij rijk als Croesus — als een bedelaar. Ons leven, voedsel, deksel enz. is in Zijn hand. Hij maakt arm en rijk. Onder Zijn bestuur komt de arme vaak tot groeten rijkdom en kan de man van millioenen tot den bedelstaf gebracht worden.

Aan het graf van ieder mensch kan worden gezegd: „het geschiedde, dat de arme man stierf.quot; Gelukkig wie hier zijne geestelijke armoede leerde kennen; wie het leerde inzien, hoe wij van nature rijk zijn aan onafzienbare schuld en arm aan waarachtig geestelijk goed. Gelukkig wie hier de bedelstaf leerde opnemen aan het huis van vrije genade, aan de deur van den rijken God en Zaligmaker. Op zijn graf kan worden gezegd: „en de engelen droegen hem in Abrahams schoot.quot;

De door Jezus genezene was onbekend met den Heere Jezxus. Jezus had reeds geruimen tijd in Judea verkeerd. De blinde moest wel van Hem gehoord hebben. Wie had in die dagen niet van den profeet uit Nazareth gehoord ? Het geruchtmakende van Zijne teekenen en wonderen, het verhevene van Zijn leer en het sterksprekende van de vijandschap tegen Hem, gaven eene dagelijksehe en dadelijke gelegenheid om Hem allerwege kenbaar te maken. Toch kende de blinde Hem niet.

Zoo gaat het met velen. De geschiedenis van\' Jezus is hen niet vreemd; zij is reeds in de jeugd hun onderwezen; zij liebben dikwerf van Jezus gehoord; zij hebben Zijn woord in huis — toch kennen zij Hem niet. Niet tot hun eer, tot hun schande en schade dient getuigd; Jezus is nabij hen; maar zij kennen Hem niet.

Eindelijk, de door Jezus aangesprokene had veel goeds van Hem ontvangen. De grootste weldaad, die geen mensch hem bewijzen kon, had Jezus hem bewezen: zijne oogen waren .geopend.

Hoe talrijk zijn de zegeningen, die Zijn hand ook ons schonk. Daar is geen mensch op aarde, of hij is toonbeeld van \'sHeeren liefde, deelgenoot van Zijne weldaden, getuige van Zijn lankmoedigheid. Het is de Heer, die aan een ieder ozer het aanzijn schonk. Niets ontbrak ons gedurende ons leven. Hij heeft onophoudelijk van het noodige voorzien. Hij gordde ons lichaam aan met kracht en onze hand met sterkte, zoodat wij tot den arbeid in staat waren. Hij vergunde na moeitevol werk een verkwikenden slaap en liet, na liefelijke ruste, tot nieuwen arbeid ons weder ontwaken. Hij gaf zegen aan ons werk en voorspoed aan onze plannen. Hij, doch waar zouden wij eindigen, indien wij wilden pogen de zegeningen Gods in orde te ver-

-ocr page 187-

173

halen. — dit eene nog, Hij schonk ons Zijn dierbaar Woord, dierbaar althans voor de ziel, die gaarne luistei\'t naar de stem haars Gods; de Heilige Schrift, die den weg wijst ten leven. Waarom ook Paulus vraagt: „Weet ge niet, dat de goedertierenheid Gods u tot bekeering .\'eidt?\'\'

Niet slechts treedt in den tekst de Zone Gods zelf met een gewichtige vraag voor ons op; wordt in den blindgeborene onze beeltenis geschetst; maar ons ook het geloof gepredikt, zonder hetwelk voor om leven noch zaligheid is.

„Gelooft gij in den Zoon van God?quot; Eene gewichtige vraag. Jezus vroeg naar het geloof. „Zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen,quot;

Hij vroeg niet, weet gij iets van Mij? want het weten alleen baat niet. Het is mogelijk, dat iemand veel van den Heere weet en Hem toch niet lief heeft. Niet: „bewondert gij Mij?quot; want dit zou niet veel hebben beteekend. De schare was soms verbaasd over Jezus\' leer en teekenen en jubelde hare Hosannahs, maar kwam er later even gemakkelijk toe kruiskreten aan te heffen. Niet: hebt gij reeds zoo lang en zoo veel geweend? want hartstochtelijke droefheid bij aandoening der zenuwen en hevige angst bij de aanklachten des gewetens kan worden gekend door het onherboren hart; trap en mate van droefheid wordt in de Schrift nergens bepaald, en niet in onze tranen maar in den Persoon van den Heiland licht de vergunning tot het geloof.

Niet — hebt gij reeds deze en gene goede werken verricht ? Want geen voorbereiding is noodig om tot Jezus te komen. Komen, zooals wij zijn, is de noodiging. Onze gerechtigheid is als een wegwerpelijk kleed. Jezus draagt Zijn naam te recht. Niets ontbreekt aan Zijn werk. Getrouw voert Hij Zijne bediening uit. En heiligmaking is alleen mogelijk in den weg van het geloof.

Jezus vraagt: „gelooft gij in den Zoon van God?quot;

Wat is het geloof? Het is een kracht Gods, waardoor wij Jezus aangrijpen. Eene overgave van het hart aan Hem; eene onderwerping van onzen wil aan de heerschappij Gods; een werk des H. Geestes, dat in het leven des menschen openbaar wordt. Het geloof wordt ons in de Schrift geschetst onder het beeld van het zien op Jezus, ook van het wandelen met Hem. Het bestaat hierin, dat men tot Jezus bidt, vlucht, Hem aangrijpt, Hem zijn hart ontsluit en in Hem rust. Het geloof is een heilgeheim, het voert ons buiten ons zelf en brengt ons in Christus over.

-ocr page 188-

174

„Gelooft gij in den Zoon van God?quot; Eene \'peramp;oonliyke vraag. Het Christendom is steeds iets persoonlijks en moet dat voor een ieder worden. Het algemeene, oppervlakkige Christendom, door duizenden gehuldigd, heeft niets gemeens met het Christendom der Schrift. Niet de reddingsboei, aan boord van het schip, maar om onze lendenen behoudt in de golven! Zoo ook hier. Wij moeten persoonlijk tot God bekeerd zijn. In ons hart moet Christus wonen, zal het wel met ons zijn,

Gelooft gij? Niet — gelooft deze of gene? (Och, wij kunnen ons bezighouden met anderer staat; anderer geloofsleven beoor-deelen ; wat men noemt met den maatstaf loepen en ons zeiven vergeten.) Maar gelooft gij? vraagt Jezus. Niet —zult gij gelooven? Maar gelooft gij heden? Op dit oogenblik?

Het ware geloof brengt tot aanbidden van God, dat is tot verheerlijking van Zijnen Naam; gaat gepaard met liefde tot God; spreekt zich uit in gehoorzamen aan God en doet zalig zijn door hopen op God.

Gelooft gij in den Zoon van God? Eeneie vraag. Hij was zelf God, die zoo vroeg. God wil niet tevergeefs gevraagd hebben, maar verlangt een antwoord! Eenmaal moet dat antwoord gegeven worden.

Eene onderscheidende vraag. Het geloof maakt onderscheid tusschen menschen en menschen. De gemeente van Christus is eene geestelijke familie, zoo wij gelooven, zijn wij er lid van; is een geestelijke kudde, zoo wij gelooven, behooren wij tot de schapen of lammeren; een geestelijk huis, zoo wij gelooven, zijn wij levende steenen, samengevoegd door het cement van het kruis. Alles komt aan op het geloof in den Zone Gods. Zonder dat geloof dalen wij «ƒ naar de donkere diepten des eeuwigen doods, met dat geloof klimmen wij op naar de bergtoppen der eeuwige heerlijkheid. Daar staat gescheven: „wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar wie niet geloofd zal hebben, zal verdoemd worden.quot;

De blindgeborene was bereid in Jezus te gelooven; want hij vroeg aan Jezus:

„Wie is Hij, Heere! opdat ik in Hem gelooven moge?quot; en toen Jezus zich nader verklaarde, kwam hij tot de ontboezeming: „ik geloof Heere!quot; en „hij aanbad Jezusquot;. Niet slechts hij bad tot Jezus; maar hij aanbad Jezus; zijne ziel was enkel aanbidding, zalige toeweiding.

Waarlijk, Jezus is niet verre van, maar dicht bij die naar Hem vragen!

Ook tot ons komt Jezus\' vraag: „Gelooft gij in den Zone Gods?quot;

-ocr page 189-

175

Hoe staat het met ons geloof\'? Wast ons geloof? Laat ons bij die vraag een wijle stilstaan.

Gelijk in de schepping in gezonden toestand allerwege groei en levensontwikkeling is waar te nemen, zoo ook op het gebied des geestelijken levens. De boom, in vetten grond geplant, wortelt steeds dieper en breidt zijne breede takken in weelderigen dos uit; het gezonde kind groeit bij goede verpleging spoedig op. Zoo wast ook het geloof. De Schrift gewaagt er allerwege van.

De vraag van Jezus: „Gelooft gij in den Zone Gods?quot; moet ons tot zelfonderzoek leiden. Zoo wij het geloof niet bezitten, kan er van geen toenemen sprake zijn; maar waar wij het deelachtig worden, moet het groeien, of het is waarlijk niet wel met ons, wij zijn geestelijk krank. Het is allen niet duidelijk, waarin de groei van het geloofsleven bestaat. Vele verkeerde meeningen zijn dienaangaande in zwang. Ook is het van het grootste belang, dat de gemeente van Christus in dit opzicht tot helderheid kome.

Gaan wij na, waarin de wasdom des geloofs bestaat.

Ons geloof wast, wanneer wij meer en meer overtuigd worden van de waarheid der Schrift; als de Schrift ons steeds dierbaarder wordt en wij, ondanks de aanvallen van een valschelijk dusgenaamde wetenschap, met toenemende helder-

Iheid in haar het woord Gods zien.heid in haar het woord Gods zien.

Als onze kennis van Christus toeneemt. Als het onze gedurige ervaring is, dat Hij de éénige maar ook algenoegzame Zaligmaker is.

Als ons vertrouwen op Christus vaster wordt en wij ten allen tijde, onder alle omstandigheden, op Hem hopen, wetende dat Hij een arm met macht heeft, en dat liefde en trouw bij Hem hand aan hand gaan.

Als wij leeren gelooven zonder gevoelen.

Als besef van onreinheid en doemschuld ons onze vrijmoedigheid niet ontneemt, maar veeleer drang is tot ootmoedig en volhardend gebed.

Als het uitstellen van de vervulling van \'sHeeren beloften, wel verre van tot moedeloosheid te brengen, tot een vertrouwend wachten voert, tot beoefening van de vermaning; „Zoo de Heere vertoeft, verbeidt Hem; Hij zal gewisselijk komen.quot;

Er is veel, jvat den bloei van het gefoofsleven in den weg staat. Denk aan Satans listen. Hier komt ook vleesch en wereld bij.

Wilt ge, mijn lezer, meer bepaald zien aangewezen, wat den wasdom des geloofs belemmert?

-ocr page 190-

176

Wij noemen u in de eerste plaats weinig Schriftonderzoek en nalatigheid in het gebed; maar ook de meening, die helaas bij velen gehuldigd wordt, alsof het gevoel meer is dan het geloof. Het behoeft wel niet gezegd, dat wij niet gaarne voor wat men „verstands-christendom\'\' pleegt te noemen, zouden strijden; maar het geloof steunt op Gods Woord en niet op aandoeningen, gestalten, bevindingen, genietingen en wat meer van dien aard zij. Of zijn ze niet aan allerlei afwisseling onderhevig? Is het in ons binnenste anders dan in de natuur, waar helder en somber weer, storm en regenvlagen, hageljacht en zonneschijn elkander afwisselen. De Christen kan soms de gevoelige verzekering van Gods liefde missen en nochtans geloof oefenen, zich de beloften van een in Christus verzoend God toeeigenende.

Naar het gevoel zei Heman: „Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternisse, in diepten. Uwe grimmigheid ligt op mij; Gij hebt mij nedergedrukt met al uwe barenquot; enz.; maar door het geloof sprak hij; „o Heere God mijns heils!quot;

Er is eene gevoeligheid, waarin wij ons zei ven behagen. Zij laat in ons gemoed ten slotte niets dan twijfelingen achter.

Wij weten, wie beweert te gnlooven, maar geen ondervinding heeft van de kracht der waarheid, bedriegt zich zelf, behoort tot de lauwe naamchristenen, die van Jezus spreken, maar Zijne gemeenschap niet kennen; maar ook dient gezegd, dat, ofschoon het ware geloof door de bevinding bevestigd wordt, het nochtans steunt op het Woord des Heeren, en zoolang wij dit uit het oog verliezen, kan er van wasdom des geloofs geen sprake zijn.

Ook wordt die wasdom tegengehouden door het tevreden zijn met wat men noemt „tot ruimte gekomen te zijn.quot;

Men versta ons wel. De Heere voert de onder schuldgevoel ter neêrgebogene, die de toevlucht neemt tot Zijn troon, in de ruimte. Wie aan Jezus\' voeten nedervalt, wordt door hem opgericht en aangelegd aan Zijn liefhebbend hart. Daar daalt troost en vrede in de ziel bij het wedervinden van God.

In de ure, waarin wij, wegwerpende alle gebroken bakken en bedriegelijke leunselen, met de geloofshand de wonden van den Heiland aanraken en in aanbidding der ziel de taal des geloofs en der liefde spreken, het: „mijn Heer en mijn God!quot; in die ure wordt het ons met onfeilbaar gezag verzekerd, dat niet alleen anderen, maar ook wij zeiven deel hebben aan den Zaligmaker.

Deze verzekering verbant alle bezwaren en geeft een vrede, die alle verstand te boven gaat.

-ocr page 191-

177

Maar zij heeft niets gemeens met de verruiming, die wij bedoelen en bij velen kenmerk der ware bekeering is, waardoor zij meenen, dat zij en- zijn. Ontstaat er voor en na onrust, de satan fluistert: „Waarom zoudt gij u ontrusten, gij hebt immers eens die heerlijke ervaring gehad?quot; Zoo sluimert men in. En zóó gevaarlijk is deze slaap, dat het geloof zelfs wegsterven zou, indien de overste Leidsman en Voleinder des geloofs er niet in teedere liefde en onwankelbare trouw voor

zorgen bleef.

Vooral is onkunde een beletsel voor het geloof. Weinige kennis van God in Zijne heiligheid, rechtvaardigheid enz., van de wet Gods, in hare zuiverheid, uitgebreidheid en geestelijkheid; van Christus, als Gods onuitsprekelijke gave, onmisbaar en algenoegzaam; van den vrijen toegang voor zondaren ontsloten tot den troon van God, die als de genadetx-oon gegrond is in het bloed der verzoening.

Naarmate deze kennis gering is, is het geloof zwak. Ook noemen wij hoogmoed. Hoogmoed is eene groote oorzaak van het ongeloof bij den natuurlijken mensch, maar ook een beletsel voor het geloof in den Christen. Of vloeit de wettische gestalte, die altijd eerst,, beter en waardig wil zijn, niet uit hoogmoed voort? Geheel onze natuur kant zich tegen het zalig worden uit genade. ;God wil het leven geven, maar wij willen het verdienen. Liever plaatsen wij ons als heiligen op pilaren, blootgesteld aan zonnehitte en winterkoude; kastijden wij ons in vunzige kerkers; en getroosten we ons allerlei ontberingen om ons de zaligheid waardig te maken, dan dat wij haar zoeken in den weg der genade.

De geloovige heeft don weg der verlossing leeren beamen; maar ach, hij kent een zielstoestand die zich inderdaad kant tegen het ontwerp van vrije genade.

Wij kunnen — wij hebben het elders gezegd — ons uit volle overtuiging afkeeren van eene prediking, die Jezus niet tot middelpunt heeft, en strijden voor den man „die niets weten wil dan Jezus Christus en dien gekruisigd,quot; en toch, op de beoefening komt het aan, en deze veroordeelt ons. Ach, wat onderscheid niet slechts tusschen wat de naamchristen schijnt en wat hij is, maar ook tusschen, wat de Christenen van harte gelooven, en, wat zij beoefenen! Wij zingen; „Ach, niets in ons, het al in Hem, zoo komt men te Jeruzalem!quot; — en er zijn zoo vele hoogten in ons hart. Wij getuigen, dat al ons werk vijandschap is, — en berusten niet alleen in het werk van Hem, Die Zijn naam met recht draagt, getrouw Zijne bediening uitvoert en aan Wiens werk niets ontbreekt.

12

-ocr page 192-

176

Wij noemen u in de eerste plaats weinig Schriftonderzoek en nalatigheid in het gebed; maar ook de meening, die helaas bij velen gehuldigd wordt, alsof het gevoel meer is dan het geloof. Het behoeft wel niet gezegd, dat wij niet gaarne voor wat men „verstands-christendomquot; pleegt te noemen, zouden strijden; maar het geloof steunt op Gods Woord en niet op aandoeningen, gestalten, bevindingen, genietingen en wat meer van dien aard zij. Of zijn ze niet aan allerlei afwisseling onderhevig? Is het in ons binnenste anders dan in de natuur, waar helder en somber weer, storm en regenvlagen, hageljacht en zonneschijn elkander afwisselen. De Christen kan soms de gevoelige verzekering van Gods liefde missen en nochtans geloof oefenen, zich de beloften van een in Christus verzoend God toeeigenende. \'

Naar het gevoel zei Heman: „Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternisse, in diepten. Uwe grimmigheid ligt op mij; Gij hebt mij nedergedrukt met al uwe barenquot; enz.; maar door het geloof sprak hij: „o Heere God mijns heils!quot;

Er is eene gevoeligheid, waarin wij ons zeiven behagen. Zij laat in ons gemoed ten slotte niets dan twijfelingen achter.

Wij weten, wie beweert te golooven, maar geen ondervinding heeft van de kracht der waarheid, bedriegt zich zelf, behoort tot de lauwe naamchristenen, die van Jezus spreken, maar Zijne gemeenschap niet kennen; maar ook dient gezegd, dat, ofschoon het ware geloof door de bevinding bevestigd wordt, het nochtans steunt op het Woord des Heeren, en zoolang wij dit uit het oog verliezen, kan er van wasdom des geloofs geen sprake zijn.

Ook wordt die wasdom tegengehouden door het tevreden zijn met wat men noemt „tot ruimte gekomen te zijn.quot;

Men versta ons wel. De Heere voert de onder schuldgevoel ter neêrgebogene, die de toevlucht neemt tot Zijn troon, in de ruimte. Wie aan Jezus\' voeten nedervalt. wordt door hem opgericht en aangelegd aan Zijn liefhebbend hart. Daar daalt troost en vrede in de ziel bij het wedervinden van God.

In de ure, waarin wij, wegwerpende alle gebroken bakken en bedriegelijke leunselen, met de geloofshand de wonden van den Heiland aanraken en in aanbidding der ziel de taal des geloofs en der liefde spreken, het; „mijn Heer en mijn God!quot; in die ure wordt het ons met onfeilbaar gezag verzekerd, dat niet alleen anderen, maar ook wij zeiven deel hebben aan den Zaligmaker.

Deze verzekering verbant alle bezwaren en geeft een vrede, die alle verstand te boven gaat.

-ocr page 193-

177

Maar zij heeft niets gemeens met de verruiming, die wij bedoelen en bij velen kenmerk der ware bekeering is, waardoor zij meenen, dat zij er zijn. Ontstaat er voor en na onrast, de satan fluistert: „Waarom zoudt gij u ontrusten, gij hebt immers eens die heerlijke ervaring gehad?quot; Zoo sluimert men in. En zóó gevaarlijk is deze slaap, dat het geloof zelfs wegsterven zou, indien de overste Leidsman en Voleinder des geloofs er niet in teedere liefde en onwankelbare trouw voor zorgen bleef.

Vooral is onkunde een beletsel voor het geloof. Weinige kennis van God in Zijne heiligheid, rechtvaardigheid enz., van de wet Gods, in hare zuiverheid, uitgebreidheid en geestelijkheid; van Christus, als Gods onuitsprekelijke gave, onmisbaar en algenoegzaam; van den vrijen toegang voor zondaren ontsloten tot den troon van God, die als de genadetroon gegrond is in het bloed der verzoening.

Naarmate deze kennis gering is, is het geloof zwak.

Ook noemen wij hoogmoed. Hoogmoed is eene groote oorzaak van het ongeloof bij den natuurlijken mensch, maar ook een beletsel voor het geloof in den Christen. Of vloeit de wettische gestalte, die altijd eersfe.. beter en waardig wil zijn, niet uit hoogmoed voort? Geheel onze natuur kant zich tegen het zalig worden uit genade. :God wil het leven geven, maar wij willen het verdienen. Liever plaatsen wij ons als heiligen op pilaren, blootgesteld aan zonnehitte en winterkoude ; kastijden wij ons in vunzige kerkers; en getroosten we ons allerlei ontberingen om ons de zaligheid waardig te maken, dan dat wij haar zoeken in den weg der genade.

De geloovige heeft den weg der verlossing leeren beamen; maar ach, hij kent een zielstoestand die zich inderdaad kant tegen het ontwerp van vrije genade.

Wij kunnen — wij hebben het elders gezegd — ons uit volle overtuiging afkeeren van eene prediking, die Jezus niet tot middelpunt heeft, en strijden voor den man „die niets weten wil dan Jezus Christus en dien gekruisigd,quot; en toch, op de beoefening komt het aan, en deze veroordeelt ons. Ach, wat onderscheid niet slechts tusschen wat de naamchristen schijnt en wat hij is, maar ook tusschen, wat de Christenen van harte gelooven, en, wat zij beoefenen! Wij zingen: „Ach, niets in ons, het al in Hem, zoo komt men te Jeruzalem!quot; — en er zijn zoo vele hoogten in ons hart. Wij getuigen, dat al ons werk vijandschap is, — en berusten niet alleen in het werk van Hem, Die Zijn naam met recht draagt, getrouw Zijne bediening uitvoert en aan Wiens werk niets ontbreekt.

12

-ocr page 194-

178

Dit is de ellende van de kinderen Gods, die zij steeds meer leeren kennen, dat zij gedurig vergeten, niets te weten, niets te kunnen, niets te willen zonder Christus, dat zij niet alleen en geheel op genade willen drijven, maar nog altijd tot „eigen hulpquot; terugkeeren, en zoo in de beoefening verloochenen, dat de zaligheid in geenen anderen is.

Gelukkig, wien deze hoogmoed recht tot ellende wordt. Want wie den droeven zielstoestand, waarover wij spreken, niet ontdekt, i0 niet achter het geheim: zich te laten zaligen; geloof moge er in zijn binnenste zijn, het is, naar den aard der zaak, zeer zwak.

Ten slotte. Zeer schadelijk voor den bloei van het geloofsleven is de waan, dat het beter is een kleingeloovige dan een grootgeloovige te zijn. Hoe men aan deze meening komt, weet ik niet. Waarschijnlijk echter is zij voortgekomen uit de gegronde vrees, dat menigeen een groot geloof bespreekt zonder waarlijk den grooten Heiland te kennen; en uit de overtuiging, die wij van harte deelen, dat het beter is in bestendige vreeze, onder zelfveroordeeling en bij twijfel aan eigene oprechtheid naar waarheid in het binnenste te staan, dan vermetel, aan alle schuchterheid in het heilige vreemd, zich voor kinderen Gods te verhoovaardigen!

Dit neemt niet weg, dat de genoemde meening ten zeerste dient bestreden. Of zou zij niet veelal worden aangetoffen? Wie dit beweert, is een vreemdeling in de gemeente des Hee-ren. Het is een feit, dat men vroolijk roemende Christenen ontmoetende, gul is met de verklaring, dat het „een voet te hoog zitquot;; dat men zich niet zelden geroepen acht den blijden juichtoon te onderdrukken.

Twee ouderlingen mijner eerste gemeente verhaalden eens, hoe zij bij een bezoek in Zeeland, een Zondagavond doorbrachten bij den sinds lang overleden Ds. B. te G. Een der aanwezige Christenen, die langen tijd bekommerd scheen te zijn geweest, roemde in de taal der psalmen dien God, „die Zijne vijanden verjaagd had.quot;

Toen hij was heengegaan, meende deze prediker tot een zijner ouderlingen te moeten zeggen; „wij moeten dien goeden broeder deze week wat kortwieken, hij zou te hoog vliegen.quot;

Zie, deze allesbehalve Bijbelsche geest leeft voort tot groote schade van het geloofsleven der gemeente.

Het is heerlijk geloof te mogen oefenen, al is het klein; maar ons voorrecht klimt, naarmate ons geloof toeneemt.

Gewaande nederigheid dekt niet zelden hier den bespotte-lijksten hoogmoed.

-ocr page 195-

179

ï

eer Sta naar een groot geloof. Wat is een groot geloof, vraagt ets ge? Luister. Op een dorpje in Amerika leefde eene onaanzien-ien lijke vrouw, bij hare buren wegens haar eenvoudig geloof be-jen kend onder den naam van „Catharina met het groot geloofquot; lat Eens kwam een reizende predikant in het dorp, en, van de Godzalige vrouw hoorende, begeerde hij haar te spreken. Aan dt. hare woning gekomen, ontmoet bij een oud moedertje, dat zoo-3n, even met een bundel gesprokkeld hout uit het woud is terug-m; gekeerd. „Zijt gij Catharina met het groote geloof?quot; vraagt de rd prediker. „Of ik een groot geloof heb, weet ik niet,quot; antwoordde zij, rcaar dit weet ik, „dat ik een grooten Heiland fs- héby

3n Wat dunkt u, behoefde de prediker wel meer te weten?

iet \' Dit is een groot geloof, groote gedachten van den Heiland, :e- van den liefderijken en trouwen Heiland te hebben.

er

ii- Niet „zonder groote oorzaakquot; wordt ons de vraag gedaan:

;e hoe het met ons geloof staat? Of het al dan niet wast? Want o- die geloofsgroei is niet alleen noodzakelijk maar ook heerlijk, v- Noodzakelijk. Immers, wat niet groeit, kwijnt. Zoo is het op

)r natuurlijk, zoo ook op geestelijk gebied.

1 Wanneer de Christen niet gedurig meer bevestigd wordt in de waarheid, zal hij ten prooi worden van allerlei bestrijdingen. De vaste grond meer en meer wegvallend onder zijn voet, zal hij, zonder des Heeren bewarende genade, wegzinken in de ;i j moerassen des ongeloofs.

b Het is met de geestelijke kennis als met de natuurlijke,

i Zonder aanvoer van kennis krimpt ons verstand in. Zonder brood vermagert ons lichaam, en ons geestelijk leven kan niet , groeien, tenzij het dagelijks tere van het geestelijk voedsel, het ware, hemelsche Manna. Wie niet met Lavater zeggen kan: „Jezus Christus wordt mij iederen dag dierbaarder en onmisbaarder,quot; zal steeds minder gedaante en heerlijkheid in den Heiland zien.

Waar het vertrouwen niet vaster wordt, neemt het wantrouwen toe. Naarmate wij minder den Heere tot onze sterke toevlucht stellen, voor Hem ons hart ontsluiten, op Zijne goedertierenheid hopen, steunen wij meer op stoffelijke kracht, op nietig schepsel. Wie den Sprinkader des levenden waters verlaat, houwt zich bakken uit, gebrokene bakken, die geen water bevatten. Wie God niet stelt tot eene fontein, zoekt zich te laven aan de bedriegelijke troostbronnen dezer wereld.

Zoo kwijnt het christelijk leven. Op velerlei wijze wordt dit openbaar. Of men vervalt in een „raak niet en smaak niet

-ocr page 196-

180

en roer niet aanquot;, of wel in eene ruimheid van geweten, die de meest droeve gevolgen na zich sleept.

Heerlijk daarentegen is de groei des geloofs. Of is het niet heerlijk, te midden van de woelingen der tijden, terwijl duizenden volgelingen willen zijn van mannen, die in vernielen hunne eere stellen, met ongeschokt vertrouwen den Bijbel omhoog te blijven houden, als een dierbaar Godsgeschenk te roemen, en, vastelijk overtuigd, dat wij niet noodig hebben den Bijbel te verdedigen, maar dat hij verdedigt, wie gelooft, hem te stellen tot onze vraagbaak op de reis naar de eeuwigheid; en, ondanks alle tegenwerpingen des ongeloofs met volkomen bewustzijn te zeggen; „ik weet dat Gods woord de waarheid is! ? quot;

Is het niet heerlijk steeds meer en meer ontdekt te worden aan de dierbaarheid van Christus, en uit de volheid van een in Hem verblijd hart te erkennen, dat Hij de vrijstad onzer verberging is; Zijne volheid tegenover onze ledigheid; Zijne genade tegenover onze schuld; Zijn rijkdom tegenover onze armoede; Zijne macht tegenover onze onmacht; Jezus alles tegenover ons nietsl Niet heerlijk tot Hem te zeggen: „G-ij zijt in eiken nood onze Vriend; in elk gevaar onze Uitredder; in elke droefheid onze vreugde; in elke angst onze vrede; in elke armoede onze Verzorger; in elke krankheid onze Heelmeester ; in eiken honger ons brood; in eiken dorst ons water; in elke verlegenheid onze raad; in elke beproeving onze Lou-teraar; in eiken vloed onze steenrots en burg; bij elke belaging onze toevlucht; bij elke beschuldiging onze Voorspraak; Gij zijt onze hope in het leven, ons leven in het sterven, onze opstanding in het graf, en in den hemel onze heerlijkheid !

Is het niet heerlijk, in donkere dagen in den Heere gerust, onwankelbaar als de rots van graniet in het woelig element, te vertrouwen, dat de uitkomst niet falen zal, dat men in Gods weg wel beproefd maar niet beschaamd kan worden, en alle dingen zullen medewerken ten goede, dengenen, die den Heere liefhebben!

Geeft onze wasdom in de genade geene blijdschap aan de eloovigen, die er getuigen van zijn ? Is de genade niet mede-eelzaam? Weert zij geen afgunst?

Zijn wij, toenemend in het geloof, niet overvloedig in de liefde? Is de liefde niet eene dochter des geloofs? en kwijnt zij niet, wanneer ons geloof zwak is, en groeit zij niet, wanneer ons geloof wordt vermeerderd? Werkt het geloof niet door de liefde? Is liefhebben geene zaligheid?

Daarenboven zullen wij, naarmate wij geloof oefenen, in den

-ocr page 197-

181

gekruisigden en verheerlijkten Heiland niet gemoedigd onze pelgrimsreize voortzetten door het land onzer vreemdelingschap? Niet lijdzaam zijn in wegen van kruis en druk?

En zal de hope der heerlijkheid niet sterker spreken in onze ziel, naarmate het oog vertrouwelijker zich vestigt op den Levensvorat?

Bedriegen wij ons niet, dan is nu de vraag in ons hart: in welken weg wordt ons geloof vei sterkt?

Het antwoord kan kort zijn.

In den weg van opzettelijk en biddend Schriftonderzoek.

Van nauwgezette waarneming van de middelen der genade.

Van gedurig gebed.

Van dierbaar achten van het geloof.

Van schuilen hij en blijven in Christus. Christus zelf is de Voleindiger des geloofs. Hij voleindde hetgeen het geloof der Vaderen tegemoet zag. Hij voltrok het gebouw der hoop dei-aloude Godsvrucht. Hij is zijnen volgelingen niet alleen voorgegaan op het pad des geloofs in gehoorzaamheid tot den dood; maar heeft over den dood getriumfeerd, den dood overwonnen, den dood als uit den dood voor de Zijnen weggenomen. Hij heeft alles tot volkomenheid gebracht, wat het geloof verwacht en de hoop verbeidt. Nog eens; Hij heeft de geheele wet vervuld, de straf gedragen en eene eeuwige gerechtigheid aangebracht. Al Zijne volgelingen zijn in Hem, hun grooten Voleinder, alles te boven gekomen. Zij zijn met Hem gekruisigd, gestorven, begraven, opgewekt en gezet in den hemel. Hij is de verdienende oorzaak des geloofs. Hij werkt het door Zijn Geest. Hij leert het oefenen, wekt gedurig op om te gelooven, schenkt kracht des geloofs, bewaart het in hen, zoodat niemand het kan ontnemen; Hij brengt het tot volkomenheid,, en verwisselt het eens door aanschouwen.

In vereeniging met Hem, zal ons geloof toenemen. Uit Hem is de geestelijke groeikracht. Door Hem is de openbaring van het geestelijk leven. Gezond in het geloof is men alleen in Jezus\' nabijheid.

Dicht bij den Zielenarts alleen, vaart onze ziele wel.

En nu, mijn lezer, wat zegt gij van u zei ven?

Gelooft gij in den Zoon van God?

Jaren lang is Hij u gepredikt. Op allerlei wijze, in allerlei vormen is u de weg ten leven voorgesteld. Was het tot uwe zaligheid ?

Wees ernstig. De zaak is van het hoogste gewicht. „Die niet gelooft, is aireede veroordeeld,quot; heeft eens de Zaligmaker gezegd.

-ocr page 198-

182

Daarom spreken Gods dienaren telkens over liet geloof. Ongeloof is verschrikkelijk. Ach, zoovelen, ofschoon verstandelijk overreed, dat de Bijbel Gods Woord, en Jezus de Eedder is, volgen de aanwijzing der Schrift niet en houden hunne harten verre van den Zaligmaker. Zij leven in ongeloof. De wet veroordeelt hen. Het Evangelie verzwaart hun vonnis. „Als iemand de wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid onder twee of drie getuigen. Hoe veel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die den Zone Gods vertreden en het bloed des Testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was, en den Geest der genade smaadheid heeft aangedaan?quot;

Zij hebben geen vrede in hun consciëntiën.

Eens zal dat consciëntie ontzettend spreken.

De dienaren des Woords verzekeren, dat „wie geloofd zal hebben en gedoopt zal zijn, zal zalig worden, maar wie niet geloofd zal hébben, zal verdoemd worden.quot;

Die prediking zal God bekrachtigen. De uitspraak Zijner knechten zal Hij bevestigen. De weg des ongeloofs daalt af naar de diepten des eeuwigen doods!

De ongeloovige miskent Gods deugden; verwerpt der. Verlosser; wederstaat den Heiligen Geest.

Nog eens ongeloof is verschrikkelijk. Ach, of gij het erkendet, die tot hiertoe in wereldzin en zondelust, in zorgeloosheid en valschen vrede uwe dagen doorbracht. Nog is de genadetijd niet voorbij.

Nog vraagt Jezus, opzoekend en uitlokkend: „gelooft gij in den Zoon van God?quot;

Straks is het te laat. Welk eene ontzaglijke beteekenis heeft dat woord in het dagelijksche leven. Iemand heeft te recht gezegd; „Is iets te kort, men kan nog aanlengen, of te ledig, men kan nog aanvullen, maar is men te laat, en dit slechts weinige minuten, de voortsnellende tijd kan niet worden ingehaald en teruggebracht.

Verschrikkelijk het woord „te laat,quot; wanneer het u een verloren geluk aankondigt, eene verijdelde hoop u voor de voeten werpt, en morgenrood in duisteren nacht verkeert, en levenslust in ijzige koude verandert.

Een dag te laat kwaamt gij tot uwe geliefde, gisteren beschikte zij over haar hart.

Gisteren werd de betrekking, die gij heden zoekt, uw buurman geschonken.

Een kwartier te laat bereiktet gij den oever, want reeds vloog het schip als eene meeuw over de golven.

-ocr page 199-

183

Te laat, slechts ééne seconde, kwaamt gij aan het krankbed, waarop de stervende vader den verwachten zoon nog eens in het oog wenschte te zien.quot;

Ach, wat zegt dat alles nog bij het te laat om behouden te wenden ?

Nog is het de dag der zaligheid. „De Zoon des menschen heeft macht om op aarde de zonden te vergeven.quot; Wie tot Hem komt, zal Hij geenszins uitwerpen.

Bij velen kwijnt het geloof. Hoe wij het weten? Uit de vruchten des ongeloofs. Wel mag de schaamteblos het gelaat onzer zielen kleuren, broeders en zusters! bij de vraag, „hoe het met ons geloof staat.quot;

Of, om iets te noemen, verheffen wij blijmoedig des Heeren Naam? Oefenen wij hartelijke broedermin? Is er hooge ingenomenheid met de instellingen des Heeren? Wandelen wij in ootmoed? Is geldgierigheid ons vreemd? Vervult barmhartigheid ons hart ? Bewaren wij onze kleederen onbesmet ? Staan wij op de wacht tegen de zonde, die ons lichtelijk omringt? Is ons leven, een leven des gebeds ? Stellen wij de leiding des Heiligen Geestes op prijs? Doen wij, wat wij kunnen, tot bevordering van \'s Heeren rijk? Inderdaad beschamende vragen. Dat ons antwoord zij eene vurige bede tot Jezus Christus, dat Hij door het geloof in onze harten wonel

Gelukkig, wie zeggen mag, dank zij \'s Heeren liefde, ik geloof in den Zoon van God; mijn oog ziet Hem, mijn arm leunt op Hem, mijn oor hoort naar Hem, mijne tong prijst Hem, mijn hart aanbidt Hem; ik weet Hem bij mij als de Getrouwe. O, laat het uwe bede zijn, dat Hij zelf u het geloof beware en vermeere, totdat het straks met aanschouwen zal worden verwisseld, in dat heerlijk land, waar Jezus al Zijne verlosten verzamelt.

Zijne verlosten, welk eene gedachte! Hij heeft ons verlost, broeders en zusters! Hij verlost ons, en Hij zal ons voor eeuwig verlossen. Hoe moest die geloofswetenschap, en die geloofsver-wachting ons niet alles voor Hem doen zijn! Laat mij met eene geschiedenis eindigen.

De tranen van eene slavin, die juist ter veiling zou worden aangeslagen, trokken de aandacht van een heer, terwijl hij over de openbare marktplaats van eene der Zuidelijke slavenstaten ging. De andere slaven van dezelfde groep, die op ééne lijn met haar stonden, schenen er zeer onverschillig bij te blijven, terwijl elke slag van den hamer haar deed beven. De vriendelijke man stond stil, om te vernemen, waarom zij

-ocr page 200-

184

alléén weende, en er werd hem geantwoord, dat de anderen deze dingen gewoon waren, en misschien zelfs blijde konden zijn, eene verandering te ondergaan na de harde wreede huizen, waaruit zij kwamen, maar dat zij met veel zorg door een goeden eigenaar opgevoed was geworden, en nu ontstelde bij de gedachte, wie haar zou kunnen aankoopen. „Hoe duur is zij?quot; vroeg de vreemdeling. Hij bedacht zich een oogenblik, toen hij het hooge rantsoen vernam, maar betaalde het.

Toch kwam er geene vreugde op liet gelaat der arme slavin, toen men haar zeide, dat zij vrij was. Zij was eene slavin geboren, en wist niet, wat vrijheid beteekende. Hare tranen vielen overvloedig op het geteekende perkament neder, hetwelk haar bevrijder haar bracht, om haar het bewijs er van te leveren. Zij zag hem alleen met vrees aan.

Eindelijk maakte hij zich gereed om zijne reis te vervolgen, en toen hij haar zeide, wat zij doen moest, als hij vertrokken zon zijn, begon het haar op eenmaal duidelijk te worden, wat vrijheid was. Bij de eerste opwelling zeide zij — „Ik wil hem volgen, — ik wil hem volgen; ik wil hem geheel mijn leven dienen.quot; En op elke redeneering, welke men haar daartegen aanvoerde, antwoordde zij alleenlijk: „Hij verloste mij! hij verloste mij! Hij verloste mij!quot;

Wanneer vreemdelingen het huis dezes meesters plachten te bezoeken, en gelijk anderen den getrouwen dienst der liefde van het gelukkige meisje opmerkten, en vroegen, waarom zij zoo ijverig was in ongevergd dienstwerk, nacht op nacht, en dag op dag, dan had zij maar één antwoord, en zij gaf het met vreugde — Hij verloste mij! Hij verloste mij! Hij verloste mij!

Zóó zij het met ons. Dat wij Hem, die ons gekocht heeft met Zijn bloed, dienen met blijdschap, en als men ons rekenschap vraagt van de redenen, waarom wij met al het onze Zijn eigendom willen zijn, zij ons antwoord dat der vrijgemaakte slavin: Hij verloste mijl Hij verloste mij! Amen.

-ocr page 201-

HET GODVEKHEERLIJKEND ZINGEN.

„Zingende den Heere met aange naamheid in uw hartquot;.

Coll. 3 : 163.

Alles, wat God ons bevolen heeft, bedoelt niet sleolits Zijne verheerlijking, maar ook ons heil. Dit betreft ook het voorschrift in den tekst.

God wordt onafgebroken geprezen door het gezang der engelen en gezaligden voor Zijn troon, Hij moet ook geprezen worden door het lofgezang Zijner kinderen op aarde, die, wanneer zij Hem zoo verheerlijken, er zelf grootelijks door gezegend worden.

Wie weinig of in het geheel niet zingt ter eere Gods, berooft zich van menigen zegen. Het is echter een droevig feit, dat wij alle geboden des Heeren te weinig gehoorzamen, en dit geldt inzonderheid van de aanwijzing in den tekst; „zin-gende den Heere met aangenaamheid in uw hart.quot;

Wij moeten zingen.

Wij moeten den Heere zingen.

Wij moeten den Heere zingen met aangenaamheid in ons hart.

Onze tekst is eene vriendelijke vergunning, maar ook een ernstig bevel: zingt.

Het is ons niet vrijgelaten, of wij al dan niet ter eere Gods zullen zingen, maar het is onze dure roeping. Toch niet gedwongen, maar vrijwillig en van harte dient het te geschieden. Opwekkingen daartoe treffen wij in menigte in Gods woord aan. Ps. 33 ; 1—3; „Gij rechtvaardigen! zingt vroolijk in den Heere; lof betaamt den oprechten. Looft den Heere met

-ocr page 202-

186

de harp; psalmzingt Hem met de luit en het tien snarig instrument. Zingt Hem een nieuw lied; speelt met vroolijk geschal.quot; Ef. 5 : 19; „Zingende en psalmende den Heere in uw hart.quot; Jacobus 5 : 13. „Is iemand goedsmoeds? dat hij psalm zinge.quot;

Wij hebben van het zingen ter eere Gods het schoonste voorbeeld, dat ons tevens ten bevel verstrekt, namelijk dat van Jezus: Hij zong den lofzang.

De muziek door Juball, den zoon van Kaïn, uitgevonden, werd reeds onder Mozes bij openbare feestelijkheden, als aan de Hoode zee, en bij de Godsdienstige samenkomsten gebruikt. Dat ook het leger er gebruik van maakte, blijkt bij de inname van Jericho.

Door David vooral werden muziek en zang vermeerderd en opnieuw geordend. Hij stelde 24 zangkoren, bestaande uit 4000 personen, onder leiding van 288 zangmeesters aan, die gezamenlijk stonden onder toezicht van drie hoofd-muziekmees-ters; Asaf, Heman en Jeduthun. Hij vervaardigde eveneens een tal van liederen en psalmen van eene onschatbare, zoowel dichterlijke als godsdienstige waarde, die door alle geslachten Israels door alle eeuwen heen werden gespeeld en gezongen. (1)

Het gezang behoorde tot den godsdienst der oude huishouding, en neemt, op Hoog gezag, eene plaats in bij de godsdienstoefeningen onder den nieuwen dag.

In ons tekstvers stelt de Apostel het zingen ter eere Gods zeer hoog. Immers hij zegt: „het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart.quot;

De aaneenschakeling van deze verschillende vermaningen plaatst ze allen op ééne lijn.

Het is opmerkelijk, dat er weinig menschen zijn, die volstrekt niet zingen kunnen; zij het ook nog zoo gebrekkig. Den Heere komt het echter niet zoo zeer op eene schoone stem aan, als wel op het hart. Ieder zinge met de stem, hem door den Heere gegeven. Dit neemt niet weg, dat wij weldoen ons in het zingen te oefenen, onze stem zoo veel mogelijk te beschaven, m. a. w.: zoo goed te zingen, als ons slechts mogelijk is, wijl ons zingen den Heere geldt, en wij als Christenen bij de wereld niet hebben achter te staan, die zich veel moeite geeft, om op bekorende wijze het schepsel ter eere te zingen.

1

Zie het uitnemend boekske van mijn vriend Beuker: „Bijbelsche Archeologie,quot; bij P. van der Sluis Jr., te Amsterdam.

-ocr page 203-

187

Het is dus zeer verkeerd en zondig het zingen, gelijk velen doen, na te laten, omdat men geene uitnemende stem bezit. Ieder zinge, zoo goed hij kan.

Het lichtzinnige lied is eea machtig wapen des satans. Maar ook het geestelijk lied bezit eene groote kracht en werkt zegenrijk, b. v. leercnd, opiveJclcend, hekeerend.

Leerend. Dit zegt de tekst: leert elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liederen.quot; Hoe leerend zijn b. v. de gezangen en liederen, die wij in de H. S. hebben, als de psalmen Davids. Het gezang kan ten prediking strekken en eene getuigenis van Jezus Christus voor de wereld zijn. Het gezang bij de godsdienstoefening is de prediking der gemeente.

Opwekkend. De tekst zegt: „leert en vermaant elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liederen.quot; Het gezang vermaant ons steeds op treffende wijze, verheft onze godsdienstoefening, en draagt niet weinig tot algemeene opwekking bij. Het gezang verlevendigt den geest, verdrijft den slaap, ook den geestelijken slaap, bevrijdt van mismoedigheid, verbant den twijfel, stort moed, ijver en vreugde in het hart uit. Het is een der beste middelen tegen de zonde en een geesel voor den duivel; het geeft de ziel als \'t ware vleugelen, waardoor het haar mogelijk wordt zich over alles, allen nood en zorg, tot God zelf te verheffen en zalige gemeenschap met Hem te oefenen.

Bekeerend. Het gezang is een kostelijk genade-middel, dikwerf door God gebruikt tot bekeering van zondaren. Door menig lied zijn geestelijk dooden opgewekt. Het is dus niet slechts iets schoons, maar een talent, door God aan de enkelen en aan de geheele gemeente gegeven, waarvoor wij Hem verantwoordelijk zijn. Wij hebben er meê te woekeren voor Zijn Eijk, De kerkvader Basilius merkt ergens, zeer zinrijk, het volgende van de waarde des lieds op:

„De Heilige Geest den afkeer der menschelijke natuur van hetgeen goed en heilig is, op het diepst kennende, en wetende, hoe groot daarentegen de neiging is tot al, wat oor en hart ingeeft, vereenigde de lieflijkheid des gezangs met de verkondiging des heils, opdat wij als ongemerkt, tevens al zingende, den schoonen zin der woorden zouden verstaan, daarin handelende als een verstandig geneesheer, die, om den onwilligeu patient te bewegen tot het innemen van den bitteren drank, aan den rand van het glas eenige honig smeert. Op dezelfde wijze zal de melodie der Psalmen de jonge menschen, welke het lied beminnen, nooden en lokken tot het in zich opnemen van het goede zaad des woords.quot;

-ocr page 204-

188

Augustines de kracht en den zegen des gezangs besprekende, zegt; „Ach Heere, hoe menigmaal heb ik geweend over Uwe Psalmen en lofzangen, als mijn gemoed zoo innig verteederd werd door het vreugde-lied Uwer heilige gemeente. Lie stem . is in mijne ooren gedrongen en Uwe waarheid heeft mijn hart verbrijzeld; en door deze Uwe waarheid is bij mij een heilig nadenken gewerkt, zoodat de tranen mij zacht langs de wangen vloeiden. Ach, hoe zoet waren mij zulke tranen.quot;

Luthers vijanden schenen ook iets van die kracht te kennen, toen zij er over klaagden, dat hij de Roomsch Katholieke kerk grooter nadeel toebracht door zijne liederen dan door zijne prediking.

Wij hebben den Heere te zingen. „Zingende den Heere!quot; Het hoofddoel des gezangs is de verheerlijking des Heen-en. Alle zingen, dat niet ter eere Gods geschied, al ware het nog 200 schoon, is zondig. Zingt den Heere, want:

Hij gaf ons het gezang;

Hij gaf ons den inhoud van hei gezang;

Hij bemint het gezang.

Wij hadden geene stem tot zingen, wanneer de Heere ons haar niet gegeven had. Het gezang is eene heerlijke gave Gods. De gezaligden in den hemel genieten veel, wat wij nog missen, als: volkomene zondeloosheid, het zalig aanschouwen Gods enz., maar het gezang, dat hunne zaligheid verhoogt, heeft de Heere ook ons in genade gegeven.

Hij gaf ons den inhoud van het gezang: Zijne goedertierenheid. De dichter van Ps. 136 roept bij herhaling uit; „Looft den Heere: want Zijne goedertierenheid is in der eeuwigheid.quot; En steeds is de liefde Gods het groote thema, dat de ge-loovigen bezingen. Staan wij hier uitvoeriger bij stil. Gaan wij na welke blijken van Gods liefde zij ontvangen, en wat hen vooral tot zingen dringt.

Door Gods liefde verstaan wij Zijne genegenheid om ellen-digen te redden. Op menschelijke wijze laat Hij er zich over uit, opdat wij eenigermate de grootheid dier genegenheid kennen zouden. Er is sprake van „het rommelen Zijner ingewanden van barmhartigheid.quot; Alle schepselen ervaren Gods liefde: „De Heere is aan allen goed en Zijne goedertierenheden zijn over alle Zijne werken.quot; Hij laat Zijne zon opgaan over boozen en goeden en regent over rechtvaardigen en onrecht vaardigen. Uit Zijne hand ontvangen allen het leven, den adem en alle dingen. Hij geeft Zijn Woord, en laat den weg ten leven

-ocr page 205-

189

wijzen. Doch, wij gaan dit alles voorbij, om te gewagen van het eeuwig voornemen der genade, om eene ontelbare schare gezaligde menschenkinderen te doen wonen in den heerlijken hemel. Deze liefde, uitgaande uit het harte Gods en eindigende in de heerlijkmaking, is van eeuwigheid tot eeuwigheid.

Deze liefde is als eene zee zonder bodem en zonder strand. Deze stroom begon te vloeien, eer de wereld was, eer de zon hare stralen uitstortte, eer de rivieren hare wateren voortstuwden naar den Oceaan, eer de engelen de engelen, of de menschen de menschen liefhadden.

Toen er nog geene schepselen waren, had God ons lief. Welk eene diepte! Wie kan haar peilen? Waarlijk de liefde Gods gaat de kennis te boven.

Christus is, gelijk de ouden zeiden, het kanaal, waardoor die liefde in verscheidene strooraen tot ons afvloeit. Wij noemen slechts iets. Hoe zouden wij alles kunnen noemen, wat Schrift en ervaring ter onzer kennis brachten? Daarenboven: „wij kennen ten deele.quot;

Gods liefde openbaart zich bijzonder:

In het zenden- van Christus. Dit feit deed de engelen zingen: „Eere zij God in de hoogste hemelen, vrede op aarde, in menschen een welbehagen!quot; En Jezus zelf zeide: „Alzoo liefheeft God de wereld gehad, dat Hij Zijn eeniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.quot; Alzoo liej . . . i/belief? Zóó lief, dat de menschelijke taal te arm is, pm het naar waarde te vermelden, onuitsprekelijk.

In den dood van Christus. Johannes hoorde de 24 ouderlingen juichen: „Want Gij zijt geslacht en hebt ons Gode gekocht met Uw bloed, uit alle geslacht en taal en volk en natie;quot; en met dit gezang vereenigden zich de \'engelen, ten getale van 10 duizendmaal 10 duizenden, en duizend maal duizenden, zeggende met eene groote stem: „Het Lam, dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht, en rijkdom, en wijsheid, en sterkte, en eer en heerlijkheid, en dankzegging.quot;

In het opwekken van Christus. Immers de opwekking van Christus is het bewijs, dat Hij waarlijk alles volbracht had, wat volbracht moest worden; dat Hij den dood overwonnen en het leven verworven had. In Christus is de Christen reeds den dood te boven gekomen en tot het leven gerechtigd. De verhoogde Heiland is waarborg van des Christens verhooging. Ja, niet slechts is de levende Christus ten onderpand, dat de levende Christen over allen dood voor eeuwig triumfeeren

zal, maar in den Levensvorst is reeds het eeuwige leven hem

-ocr page 206-

190

gegeven: „Maar God, die rijk is in barmhartigheid door Zijne groote liefde, ■waarmede Hij ons lief gehad heeft, ook, toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus.quot;

Denk voorts aan de trekking des zondaars uit de duisternis; aan de rechtvaardiging in den weg des geloofs; aan de heiliging van hart en wandel door den Geest der genade en der gebeden; aan de aanneming tot kinderen; aan de verheffing tot koningen en priesters; aan de trouwe bewaring op den weg des levens, zoodat „dood noch leven, engelen noch overheden, noch machten, noch tegenwoordige, noch toekomende dingen, noch hoogte, noch diepte, noch eenig ander schepsel hen kan scheiden van de liefde Gods, welke is in Christus Jezus hunnen Heere.quot;

Maar vergeet vooral niet de liefelijke ervaringen, die \'s Hee-ren liefde den geloovigen schenkt. Hij, die Sion gegrond heeft, heeft gezegd: „Ik zal U tot een God zijn.quot; Van Hem zingen zij: „Deze God is onze God.quot; Soms worden zij aan Zijne liefde herinnerd: „Ut heb u lief gehad met eene eeuwige liefde, daarom heb ï). u getrokken met goedertierenheid.quot; Soms bij de vergeving der zonden bepaald: „Ik, Ik ben het, Die Uwe overtredingen uitdelge om Mijnentwil, en Ik gedenk uwer zonden niet.quot; Soms van Zijn welgevallen verzekerd, of door treffende uitreddingen verblijd. Soms heerlijk onderwezen, zoodat b. v. het onderscheid tusschen wet en Evangelie, vleesch en geest, straf en kastijding hen duidelijk wordt. Soms gevoelig verzekerd, zoodat zij ingeleid in de algenoegzaamheid van Christus, met de bruid jubelen: „Als een appelboom onder de boomen des wouds, zoo is mijn Liefste onder de zonen: ik heb grooten lust in zijne schaduw, en zit er onder, en zijne vrucht is mijn gehemelte zoet.quot;

Dit alles levert stof tot geestelijk gezang.

Vooral het diepgaand bewustzijn van onwaardigheid legt den geloovigen het lied ter eere van \'s Heeren liefde op de lippen. Als hij verstaat, dat de Heere vrijwillig lief heeft; dat Diens liefde niet opgewekt werd door iets in het beminde voorwerp, maar slechts met Zichzelven te rade ging, dan zegt hij: „ik had den dood verdiend en ontvang het leven; ik had de hel verdiend en verkrijg den hemel;quot; dan bezingt hij de liefde van Hem, Die waar Hij dooden kon, zegenen wou, en wiens doen recht en gerechtigheid zou zijn, indien, in stede van ontferming, toorn bij Hem was.

Niet altijd heeft de Christen voor des Heeren liefde een

-ocr page 207-

191

open oog. Soms, helaas, doolt hij om, dor en onvruchtbaar. Soms maakt de zonde eene scheiding tusschen hem en den Heere. Gods vriendelijk aangezicht is wel eens verborgen. Vreeselijk is de nacht der geestelijke verlating. Maar \'s Heeren goedertierenheid verduurt de eeuwigheid. „Ik,quot; zegt Hij, „zal u niet begeven, noch verlaten.quot; Wel bezoekt Hij de ongerechtigheid met de roede maar Zijne goedertierenheid zal niet wijken. Dit wordt vaak op verrassende wijze openbaar, en juist dit verrassende dringt tot zingen. O, het heugt u, mijn broeder of zuster, hoe ge op het onverwachts uwe banden geslaakt en uwe tranen gedroogd zaagt. Gij ontmoetet soms een vriend op uw pad, wiens woord u ten zegen werd; gij gingt misschien diep neergebogen naar de plaats des gebeds, en gij gingt als een vrijgelatene heen; gij knieldet misschien bezwaard en benauwd, en gij stondt op gesterkt in den geest.

Hoe menigmaal werdt gij, eer gij het wist, als geschud uit het stof en gezet op de wagens van \'s Heeren vrijwillig volk!

En hoe geeft de Heere de blijken Zijner liefde ter goeder ure. Nooit laat Hij het water over de lippen komen. Wel op Zijn tijd redt Hij, maar Zijn tijd blijkt steeds de rechte tijd. Als de geloovige bij liet overdenken van den v -g, die achter hem ligt, dit opmerkt, moet hij zingen. En naarmate het bewustzijn, in Gods liefde te deelen, sterker is, klimt de toon van zijn lied. Het woordje mijn is klein, maar veelzeggend. Trouwens kleine dingen kunnen dikwerf veel zeggen. De wimpel aan den mast zegt ons van welken kant de wind waait; de zwaluw, een kleine vogel, voorspelt ons den naderenden zomer; eene zucht, een vallende traan zegt soms meer dan ellenlange redevoeringen en uitgewerkte predikatiën. Zoo is het met het woordje mijn. Iemand heeft ergens gezegd, „menige ziel heeft jaren werk om het te spellen.quot; Maar wanneer het gespeld mag worden bij het licht des Heiligen Geestes, dan wordt er gezongen. O, hoe heerlijk, als men vrijmoedigheid heeft, om te zeggen: daar is een Zaligmaker, en Hij is voor mij; daar zijn tal van beloften en zij zijn voor mij; daar is een bloed der verzoening en het is voor mij-, daar is een hemel en hij is voor mij. Hoe heerlijk, als men, vervrijmoedigd door het geloof, al de vijanden kan uitdagen, nederig en stoutmoedig, (trouwens genade maakt nederig en vrijmoedig en de meest begenadigde zal het nederigst en stoutmoedigst zijn) zeggende: „Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door Hem, die ons heeft liefgehad.quot;

Wij hebben den Heere te zingen, niet slechts, wijl Hij ons het gezang gaf, en ook ons de stof tot zingen schenkt, maar

-ocr page 208-

192

r

ook wijl Hij hel gezang hemint. Hiervoor strekt ten bewijze, dat Hij zelf ons het gegeven en ten voorsclirift gesteld heeft; dat Hij als mensch zelf op aarde gezongen heeft; en de zalen des hemels voortdurend weerklinken doet van het gezang, dat is als het ruisohen veler wateren, en als het rollen van den donder; en tegelijk zoo lieflijk als de muziek van de citerspelers (Openb. 14 : 2). Ook het feit, dat Hij Zijn oor tot ons gezang neigt, hoe gebrekkig en onvolkomen het zij!

Wij wezen er reeds op, dat Jezus met Zijne jongeren den lofzang zong. De Zaligmaker heeft in die aandoenlijke ure niet slechts het gemeenschappelijk gezang in Zijne kerk geheiligd, maar ook Davids psalmen als woorden Gods verklaard. Neen, godvruchtige David, dat hadt gij niet vermoed, toen gij in psalmen uw hart ontlastet, dat deze liederen op de gezegende lippen zouden worden genomen van Hem, Wien ze profetisch bezongen! De Heiland heeft er zingende het zegel op gedrukt, en Zijne gemeente als \'t ware toegeroepen hoe hoog zij de psalmen te waardeeren hebbe.

Zij zijn dan ook ten allen tijde den lievelingsbundel van Gods kinderen geweest. Om het behoud van dien bundel is gebeden, gestreden, geleden. Moet ik het martelaarsboek voor u openen? IJ herinneren b. v., hoe de leeraar Adelbert, toen hij in 667 psalmzingende door het toen nog heidensche Pruisen trok, met zijne metgezellen vermoord werd? U voorlezen, hoe de aanzienlijke Publia te Antiochië, omdat zij het psalmzingen niet laten wou, op last van Juliaan zoo lang in het aangezicht geslagen werd, totdat het onkenbaar geworden was? U doen hooren, hoe de tapijtwerker Thomas Kalberge in 1554 te Doornik gekerkerd en naar den brandstapel geleid werd, omdat hij eenige psalmen in een boek geschreven, niet slechts zelf zich eigen gemaakt, maar ook aan een vriend geleerd had, en hoe die man des geloofs te midden der vlammen den HSden psalm aanhief? U mededeelen, op welke eene wijze de oude Tanneke Baers in 1568 te Gent werd onthoofd, omdat zij het had durven bestaan eene kraamvrouw door het zingen van een psalm heen te wijzen naar de Bron van alle heil?

U . . . doch genoeg, om u te doen zien, hoe de gemeente steeds getoond heeft, dat zij den psalmbundel liefhad en haar voor geen prijs wou missen.

Neen, wij zijn niet af keerig van een christelijk lied, geweld uit het geloovige hart, zij het dan ook van een dichter der 19cle of der 17lt;te eeuw. Al neigen wij tot de meening, dat de onderscheiding in den tekst van „psalmen, lofzangen en gees-

■■■*

-ocr page 209-

193

telijke liederenquot; heenwijst naar de verschillende soorten der gewijde liederen, wij spreken het gaarne uit, dat de „anti-gezanggeestquot; o. i. in beginsel verkeerd, dikwerf zeer ongeestelijk zich openbaart; maar wij betreuren het diep, dat menig gezang, om met Da Costa te spreken geen „kind der psalmenquot; is, en wel verre van de uitdrukking van het geloof der gemeente te zijn, daar vijandig tegenover zich plaatst.

Indien het waar is, dat het zangerige „ontwaakt gij die slaapt, staat op uit de doodenquot; aan een morgenlied der eerste Christenen is ontleend, en dat, naar der Heidenen bewering, de eerste Christenen liederen hadden, waarin zij den Heere Jezus of ook den H. Geest „als eene godheid vereerden,quot; dan zijn die verzen ongetwijfeld „uitbreidingen der psalmenquot; geweest. Zoo behoort het. Weg met elk lied, dat geen vleugel is van het door Gods Geest bewogen gemoed. Slechts wie zich heeft gelaafd aan de psalmen, als aan eene rijkelijk vloeiende bron, kan in de schaduw van krib of kruis Hem huldigen, die naar de verwachting der oude Gods-Kerk in het vleesch is verschenen en middelpunt van heel de Gods-openbaring heeten moet.

God heeft ons steeds Christen-zangers gegeven. Dierbare mannen. Zij zongen en leerden anderen zingen. Wij schatten de oude en nieuwe bundels van hen, wier roem was en is iu het kruis des Heeren, zeer hoog.

Maar wie nu meent onder den nieuwen dag de psalmen te mogen ter zijde stellen, voor welke uitnemende liederen ook, vindt in ons een ernstig bestrijder. En juist dit bedenkelijk verschijnsel, dat waar het lied ingang vindt, de psalmen op den achtergrond geraken, dringt tot biddende behoedzaamheid. Vergeet het niet geloovigen, uw Jezus zong de psalmen.

Een dichter, die geen psalmen meer leest, zal uit en naar het hart van Gods kinderen niet zingen.

Een gemeente, die naar den psalmbundel niet grijpt, zal haar geestelijke kracht zien slinken. Bezing, o Christenzanger! de vervulling der profetie, maar doe het gezeten aan de bron, die de oude pelgrims heeft gelaafd. Zing, o gemeente van Jezus! het lied, dat God door een Christen-zanger u geeft, maar laat het boek der psalmen u steeds zijn en blijven een gouden kleinood. Zij zijn een voedende manna, een zalvende olie, een heelende balsem bevonden. Zij hebben aangevuurd tot den strijd en ten licht verstrekt op het pad. Kerkerwanden hebben er van weergalmd, en op de pijnbank hebben zij krachten gegeven. Zij hebben het doodszweet gedroogd, en het doodsdal verhelderd. Zij zijn meêgenomen naar den hemel: want in hun rusteloos lied doen de gezaligden nog psalmtoonen hooren.

13

-ocr page 210-

192

ook wijl Hij hel gezang hemint. Hiervoor strekt ten bewijze, dat Hij zelf ons het gegeven en ten voorschrift gesteld heeft; dat Hij als mensch zelf op aarde gezongen heeft; en de zalen des hemels voortdurend weerklinken doet van het gezang, dat is als het ruischen veler wateren, en als het rollen van den donder; en tegelijk zoo lieflijk als de muziek van de citerspelers (Openb. 14 : 2). Ook het feit, dat Hij Zijn oor tot ons gezang neigt, hoe gebrekkig en onvolkomen het zij!

Wij wezen er reeds op, dat Jezus met Zijne jongeren den lofzang zong. De Zaligmaker heeft in die aandoenlijke ure niet slechts het gemeenschappelijk gezang in Zijne kerk geheiligd, maar ook Davids psalmen als woorden Gods verklaard. Neen, godvruchtige David, dat hadt gij niet vermoed, toen gij in psalmen uw hart ontlastet, dat deze liederen op de gezegende lippen zouden worden genomen van Hem, Wien ze profetisch bezongen! De Heiland heeft er zingende het zegel op gedrukt, en Zijne gemeente als \'t ware toegeroepen hoe hoog zij de psalmen te waardeeren hebbe.

Zij zijn dan ook ten allen tijde den lievelingsbundel van Gods kinderen geweest. Om het behoud van dien bundel is gebeden, gestreden, geleden. Moet ik het martelaarsboek voor u openen? ü herinneren b. v., hoe de leeraar Adelbert, toen hij in 667 psalmzingende door het toen nog heidensche Pruisen trok, met zijne metgezellen vermoord werd? U voorlezen, hoe de aanzienlijke Publia te Antiochië, omdat zij het psalmzingen niet laten wou, op last van Juliaan zoo lang in het aangezicht geslagen werd, totdat het onkenbaar geworden was? U doen hooren, hoe de tapijtwerker Thomas Kalberge in 1554 te Doornik gekerkerd en naar den brandstapel geleid werd, omdat hij eenige psalmen in een boek geschreven, niet slechts zelf zich eigen gemaakt, maar ook aan een vriend geleerd had, en hoe die man des geloofs te midden der vlammen den HSfleu psalm aanhief? U mededeelen, op welke eene wijze de oude Tanneke Baers in 1568 te Gent werd onthoofd, omdat zij het had durven bestaan eene kraamvrouw door het zingen van een psalm heen te wijzen naar de Bron van alle heil?

U . . . doch genoeg, om u te doen zien, hoe de gemeente steeds getoond heeft, dat zij den psalmbundel liefhad en haar voor geen prijs wou missen.

Neen, wij zijn niet afkeerig van een christelijk lied, geweld uit het geloovige hart, zij het dan ook van een dienter der 19rle of der l?116 eeuw. Al neigen wij tot de meening, dat de onderscheiding in den tekst van „psalmen, lofzangen en gees-

-ocr page 211-

193

telijke liederenquot; heenwijst naar de verschillende soorten dei-gewijde liederen, wij spreken het gaarne uit, dat de „anti-gezanggeestquot; o. i. in beginsel verkeerd, dikwerf zeer ongeestelijk zich openbaart; maar wij betreuren het diep, dat menig gezang, om met Da Costa te spreken geen „kind der psalmenquot; is, en wel verre van de uitdrukking van het geloof der gemeente te zijn, daar vijandig tegenover zich plaatst.

Indien het waar is, dat het zangerige „ontwaakt gij die slaapt, staat op uit de doodenquot; aan een morgenlied der eerste Christenen is ontleend, en dat, naar der Heidenen bewering, de eerste Christenen liederen hadden, waarin zij den Heere Jezus of ook den H. Geest „als eene godheid vereerden,quot; dan zijn die verzen ongetwijfeld „uitbreidingen der psalmenquot; geweest. Zoo behoort het. Weg met elk lied, dat geen vleugel is van het door Gods Geest bewogen gemoed. Slechts wie zich heeft gelaafd aan de psalmen, als aan eene rijkelijk vloeiende bron, kan in de schaduw van krib of kruis Hem huldigen, die naar de verwachting der oude Gods-Kerk in het vleesch is verschenen en middelpunt van heel de Gods-openbaring heeten moet.

God heeft ons steeds Christen-zangers gegeven. Dierbare mannen. Zij zongen en leerden anderen zingen. Wij schatten de oude en nieuwe bundels van hen, wier roem was en is in het kruis des Heeren, zeer hoog.

Maar wie nu meent onder den nieuwen dag de psalmen te mogen ter zijde stellen, voor welke uitnemende liederen ook, vindt in ons een ernstig bestrijder. En juist dit bedenkelijk verschijnsel, dat waar het lied ingang vindt, de psalmen op den achtergrond geraken, dringt tot biddende behoedzaamheid. Vergeet het niet geloovigen, uw Jezus zong de psalmen.

Een dichter, die geen psalmen meer leest, zal uit en naar het hart van Gods kinderen niet zingen.

Een gemeente, die naar den psalmbundel niet grijpt, zal haar geestelijke kracht zien slinken. Bezing, o Christenzanger! de vervulling der profetie, maar doe het gezeten aan de bron, die de oude pelgrims heeft gelaafd. Zing, o gemeente van Jezus! het lied, dat God door een Christen-zanger u geeft, maar laat het boek der psalmen u steeds zijn en blijven een gouden kleinood. Zij zijn een voedende manna, een zalvende olie, een heelende balsem bevonden. Zij hebben aangevuurd tot den strijd en ten licht verstrekt op het pad. Kerkerwanden hebben er van weergalmd, en op de pijnbank hebben zij krachten gegeven. Zij hebben het doodszweet gedroogd, en het doodsdal verhelderd. Zij zijn meêgenomen naar den hemel: want in huu rusteloos lied doen de gezaligden nog psalmtoonen hooren.

13

-ocr page 212-

194

Wij zagen: wij hebben den Heere te zingen; wij hebben (few, Heere te zingen; zien we in de laatste plaats: wij hebbenden Heere te zingen met aangenaamheid in onze harten.

Hij heeft Zijne genade in ons verheerlijkt; ons wedergeboren, onze zielen gewasschen, ons vrij, gelukkig, ons Zich ten eigendom gemaakt. Daarom hebben wij te zingen: van harte en ra het hart.

Van harte d. i. hartelijk, gevoelvol; want slechts het gezang, dat uit het hart komt, is den Heere welbehagelijk en gaat tot het harte Gods.

Zingen van harte, d. i.; zingen in den geloove, en zonder het geloof is het onmogelijk Gode te behagen, ook onmogelijk tot\' Zijne eer te zingen. Gelijk het geloof tot prediken, hooren, bidden enz. noodzakelijk is, zóó ook tot het gezang; het moet uitdrukking des geloofs zijn.

Ook uit liefde. De Apostel zegt: „Al ware het, dat ik de talen der menschen en der engelen sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden.quot; En met hetzelfde recht beweren we: al konden we zingen als een engel en we hadden de liefde niet, zoo waren we een klinkend metaal of luidende schel geworden. Het gezang is de verheffing van een liefhebbend hart tot den God der liefde.

Van harte te zingen d. i. ook in ootmoed te zingen. Daarboven werpen de verlosten de kroon der zaligheid en de harp der heiligheid neder aan de voeten van Hem, die op den troon zit en van het Lam, dat geslacht is.

Het gezang is velen, die er in uitmuntten verzoeking tot hoogmoed gefeest. Wie echter op hoogmoedige wdjze, slechts om zich te laten hooren, zingt, die zingt niet den Heere maar zichzelf en zulk een gezang is den Heere een gruwel.

Van harte, d. i. blijmoedig. Hoe blijmoedig zingen de hemelingen en het Godverheerlijkend gezang der strijdende kerk op aarde, doet vervroegde zaligheid smaken.

Van harte, d. i. verheven, van wege de hoogachting der ziel voor Hem, wiens liefde tot verwondering noopt.

Van harte d. i. dankbaar\', het woord door aangenaamheid vertolkt, kan ook door dankbaarheid worden overgezet. Eigenlijk zegt de grondtekst: zingende den Heere met genade, d. i. aangedreven door de genade Gods.

Zoo opgevat, zegt dus de Apostel: „Zingende den Heere onder den indruk van Zijne genade. Zulk zingen is het welbehagen des Drieëenigen, de vermaking des Borgs, de vreugde der engelen en de wellust der zielen.

-ocr page 213-

195

Luther zegt; „de woorden met genade kunnen vertaald worden Herdoor, dat de opwekking tot het zingen van psalmen, lofzangen en geestelijke liederen ontstaan moet door Gods genade, d. i., dat zulke liederen gezongen behooren te worden zonder dwang of gebod, maar uit vrijen lust en innige liefde.quot; „Echter,quot; zoo gaat hij voort, „geloof ik, dat Paulus op het oog had die genade, die er in de lieflijkheid des lieds is. Immers het moeten hartverheffende en heerlijke liederen zijn, die elkeen gaarne hoort. Sommige gezangen hebben de bekoorlijkste en zoetvloeiendste woorden, doch zijn wereldsch en vleeschelijk; andere daarentegen hebben wel wat van den christelijken zuurdeesem, wier gebrek dan weêr is, dat de woorden slecht gekozen zijn, zoodat ten slotte van beide kan gezegd worden, dat zij niet tot streeling zijn van het christelijk oor.quot;

Niet slechts van harte, maar ook in het hart dient gezongen. In het harte, dit duidt een geestelijk zingen aan, dat niemand hoort, als Hij ter Wier eere het geschiedt. Gelijk men in den geest, in den zin onzer gedachten bidden en danken kan, zoo ook zingen ter eere Gods. Dit kan overal, ten allen tijde, ook onder onze dagelijksche bezigheden geschieden. Ons hart moet niet slechts een tempel of een altaar des Heeren, maar ook eene harpe Gods zijn, waarop bestendig Zijn lof weerklinkt.

„In het hart. Dat dit woord geen verbod bevat om met den mond te zingen, is duidelijk. De bedoeling is, dat wij het lied niet aanheffen ter eere van menschen, maar ter eere van Hem, die al ons loven waardig is. Immers, waar het lied de uitdrukking is van gebed of van dankzegging, of waar het een verlangen uitspreekt naar zalige gemeenschap, zou het daar iets anders zijn dan openbare huichelarij, indien wij het aanhieven, zonder dat het ons van harte ernst was voor God? Er is dan ook wel eenig gevaar in den ijver, die velen doet samenkomen om de welluidendheid der melodie of om het verkrijgen van eene goede stem, dat daar ten leste het gezang slechts gezang wordt, zonder hart, zonder meening, zonder gevoel. En dan, hoe menigmaal dwaalt het listige hart niet af? Velen toch wenschen er voor aangezien te worden, dat het hun ernst is met de geestelijke behoeften, zoo zij slechts van tijd tot tijd een geestelijk lied zingen, niettegenstaande het hart er geen deel aan neemt, ja de inhoud zelfs niet eens gevolgd wordt met de gedachten. Zulk zingen nu is wel voor den zanger misschien eene christelijke uitspanning, maar voor het oor van den Almachtige, niets minder dan huichelarij.quot;

-ocr page 214-

196

Lütkemanu maakt de juiste opmerking, dat de oprechte Christen het lied niet anders in den mond durft nemen als het gebed n.1. met oprechte aandacht en vreeze des Heeren. En Augustinus zegt er van: „ik beken dat, wanneer ik zoo zing, dat ik mij zelf meer over den lieflijken klank verblijd dan over den inhoud des lieds, ik mij daarmede strafwaardig bezondig. Ik wil liever niet zingen of hooren zingen, wanneer er niet de gepaste aandacht aan gewijd wordt.quot;

Welk een rijken zegen, als wij ook op deze wijze — door lieflijke en Godverheerlijkende gezangen — het woord van Christus rijkelijk in ons doen wonen. Welk een vrede en welk eene vreugde in den geest, — welk eene kracht tegen verzoekingen van allerlei aard, wanneer de Christen bij al zijn arbeid zichzelf met gezang sticht en opbouwt. Hen, die het hooren, kan het zelfs ten zegen gedijen. Wat doet het ons weldadig aan te hooren, hoe de landman op het veld en de arbeider in zijn werk zich het hart verruimt en den arbeid verlicht door een geestelijk lied. Hoe veel gelukkiger maakt het den Christen, hetzij hij in zijne woning is, of zich buiten in \'t veld bevindt, als hij den Heere een loflied zingt — dan dat hij toegeeft aan verstrooiing des harten door zich nutteloos te bekommeren over de zorgen des levens. Die Godegevallige gewoonte hadden de eerste Christenen, en waar de liefde van Christus ons verwarmt en vervult, daar wordt de Apostolische opwekking met volkomen instemming des harten tot eigen ervaring: „Indien iemand goedsmoeds is, dat hij psalmen zinge.quot;

Zingt den Heere met aangenaamheid in uw hart, d. i. dus: verheerlijk den Heere met uw hart door kostelijke gedachten; met uwe lippen, door met zout besprengde woorden en lieflijk gezang; met uw leven, door een wandel waardiglijk het Evangelie; met uw lijden, door onderworpenheid aan \'s Heeren wil en een winst doen met kastijding; met uw dood, door uw leven niet dierbaar te achten maar \\reil te hebben \'roor Hem, Wiens eigendom gij levende geworden zijt en stervende blijven zult.

„O,quot; riep eens een bloedgetuige, „welk eene kleine zaak eenmaal voor Christus te sterven; zoo het mogelijk ware, ging ik duizendmaal voor Hem in den dood?quot; Trouwe belijder van Jezus, in den geest aan de houtmijt staande, die u, geestelijk dronken, ten predikstoel werd, luisteren we naar uw woord, dat ons de Apostolische vermaning verklaart: „zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart.quot;

Uit Paulus opwekking blijkt de lieflijkheid van den waren

-ocr page 215-

197

Godsdienst. De natuurlijke menscli zegt van den dienst Gods: „welk eene vermoeidlieid!quot; en spreekt minachtend van „een ia iet zwart gaan voor des Heeren aangezicht!quot; Maar de Christen zegt: „het is zalig den Heere te dienen;quot; en, al is de weg ten hemel, een weg van strijd, van zelfverloochening, bergopwaarts, toch moet de aantijging verstommen, alsof het christendom slechts voor afgeleefden en niet voor de voor vreugde levende jongelingen en jongedochters geschikt ware. In het christendom wordt men eerst waarlijk verheugd. Maaier is onderscheid tusschen de vreugde der wereld, en die dei-gemeente; tusschen vleeschelijke en geestelijke vreugde. De eerste aan het stof gebonden, eindigt in het stof; de laatste onafhankelijk van de dingen dezer wereld, uit God, eindigt in de bron alles goeds.

In de wereld bemint men de liederen der ijdelheid; in de gemeente zingt men „ter eere van Jezus.quot;

Hoe sterk spreekt uit onze beschouwing het geluk van den Christen; maar ook de droeve staat van den ongeloovige. Wel verre, dat deze tot zingen zou worden opgewekt, wordt hij vermaand tot boete en berouw. En, wie nu zichzelven beproeven wil, ziet zich hier een kenmerk van genade aangewezen. Hij is een Christen, die geleerd heeft, wat het zegt: „den Heere te zingen met aangenaamheid in het hart.quot; Want wie Gods liefde, het besproken thema, bezongen heeft, heeft ook van „rechtquot; gezongen. De dichter van Psalm 101 zegt; „Ik zal van goedertierenheid en recht zingen.quot;

Genade en recht zijn gelijkelijk verheerlijkt. Christus heeft als Borg den vloek der zonde gedragen. Het wraakzwaard des toorns Gods is ontwaakt tegen den Man, die Zijn Medgezel was. En niemand komt tot het roemen in Gods vergevende liefde, of hij leert een welbehagen nemen in het straffen der ongerechtigheid, hij wordt met Gods recht vereenigd, en heeft van ganscher hart erkend: „met recht mag ik verstooten zijn.quot;

Onderzoeken wij ons. De hemelvaart der Godskennisse wordt voorafgegaan door de hellevaart der zelfkennis. En, al denken wij er niet aan, „trap en matequot; der ontdekking aan te geven; slechts, wie het leven in eigen hand niet houden kan, werpt zich in de armen van den Redder der verlorenen: slechts wie God in de Wet niet vinden kan, zoekt Hem in het aangezicht van Jezus Christus; slechts wie zich zeiven veroordeelt, zal niet veroordeeld worden. In de tranen der droefheid naar God, ontkiemt het zaad der blijdschap in God.

Geloovige, zing! Gij hebt reden te over. Moet ik u nog iets

-ocr page 216-

198

lierinneren ? „De zondaren zullen van de aarde verdaan worden,quot; daarom zing. Of heeft Oud-Israël niet gezongen aan de overzijde van de Roode zee, toen het de lijken der vijanden zag? Of staat er niet geschreven: „De rechtvaardige zal zich verblijden, als hij de wrake aanschouwt?quot; En staat er niet geschreven: „Laat de dochters van Juda zich verheugen, om Uwer oordeelen wil?quot;

Maar hoe ? Heeft dan de Christen lust in het verderf zijner natuurgenooten ? Neen, maar hij wenscht God verheerlijkt en de volkomene verlossing van Christus\' kerk een feit te zien. De zonde bracht een wanklank in het scheppingslied, verbrak de harmonie tusschen de aarde en den hemel, en doet den Christen gedurende zijn pelgrimstocht hier beneden dikwijls zuchten; „Wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech en in ke-dars tenten woon!quot; Straks houdt die klacht op. De hemel is het vaderland der uit God geborenen; ook de aarde, de vernieuwde aarde zullen zij erfelijk bezitten. De zonde wordt voor eeuwig banneliTig. Voor den hardnekkigen zondaar geen plaats dan in de hel. De verloste schare juicht in den hemel; „Onze voeten zijn staande in uwe poorten, o „Godsstadquot;! en op de aarde, is elk, dien men ontmoet, een engel Gods, een aanbidder van denzelfden Heer. In dat vooruitzicht geloovige, zing!

De Rechter der wereld komt in heerlijkheid, daarom zing! Of heeft de oude Godskerk niet gejubeld :

„De Heere is onze Rechter, de Heere is onze Wetgever, de Heere is onze Koning, Hij zal ons behouden?quot; En heeft de Apostel niet gebeden, dat de toekomst van Jezus Christus mocht worden verhaast? Was het niet de kreet des verlangens: „Amen, kom Heere Jezus, ja kom haastelijk Heere!quot; Het is de u bekende, de door u beminde Jezus, die op \'t komen staat. Dezelfde, Die voor u in Gethsémané bad, voor Cajaphas verdroeg, voor Pilatus niet bezweek, aan het kruishout de wereld overwon, uit het graf zegevierend te voorschijn kwam, heenging naar den Vader, om u te dragen in Zijn hoogsprie-sterlijk hart, en uit Zijne volheid in uwe nooden te voorzien met eene teederheid en trouw, die onder geene woorden te brengen is. Ja, Hij is dezelfde. Hij had u lief met eene liefde der diepste zelfverzaking, der algeheele toewijding en Zijne liefde zal niet rusten, voor zij u volkomen verheerlijkt zal zien. Daartoe wil Hij komen. Daarom: zing!

„Waar echter het hart nog zucht onder den onverbiddelijken eisch van de wet en dus het knechtelijke juk de schouders nog knelt, daar, daar geen lofzang. Maar behaagt het Hem, Die Gods wet heeft vervuld en hare vloeken getorst om

-ocr page 217-

199

boeien en banden te verbreken, dan worden er gezongen vroo-lijke gezangen van bevrijding.quot;

Hieronymus, van dien tijd der „losmakingquot; sprekende, zegt: „Ge moogt u wenden, waarheen gij wilt, hetzij naar den akker of in de woonkamer of in den kelder, gij hoort daar den landman, den burger, de dienstbode het vroolijk Hallelujah zingen.quot;

Er is echter een toestand, die aan deze stroomen van vreugde haar klaarheid ontzegt, indien n.1. onze wandel niet waardiglijk het Evangelie is. Wie den Heere wil zingen, moet breken met hetgeen niet uit Hem is; het lied ter verheerlijking Zijns heiligen Naams kan niet op zondige lippen genomen worden.

Kan van hen, die nu eens boezemzonden aan de hand houden, dan wêer zingende \'s Heeren naam groot maken —- worden gezegd, dat zij oprecht leven voor God? Hoe zwaar valt het niet van het Woord tot de zonde te gaan, en dan weer van de zonde tot het Woord te keeren. Die samenvoeging kan slechts kort duren. Weldra wordt het laatste ter zijde gesteld en de zonde zingt haar triumflied.

En dat wilt gij immers niet ?

Ja, zegt weUicht deze of gene, maar wat al kruis, dat gedragen moet worden! Ik weet het. Er zijn verdrukkingen in het vleesch; krankheden van allerlei aard; de pestader des lasters treft niet zelden; dierbaren ontvallen; familiekruisen drukken; verzoekingen omringen; giftige pijlen des satans wonden; ongeloovige gedachten woelen; zonden overvallen .... Hoe dan te zingen? Ware het niet beter te klagen, te zuchten? Paulus leert ons in Komeinen 7, dat klagen en roemen te zarnen kunnen gaan. Zoo ook bidden en danken. Zoo ook zuchten en zingen. Daarenboven, kunt gij geen lofpsalm zingen, zing een klaaglied. Er zijn psalmen in de diepten. Liederen van „een bedrukte, als hij overstelpt is.quot; Vergeet niet, dat de verdrukkingen niet uit toorn, maar uit liefde worden toegezonden ; dat er in de school des lijdens veel te leeren valt; dat in de smeltkroes des hjdens onze ziel gevormd worden moet naar Jezus\' beeld; dat zonder strijd geene overwinning, zonder kruis geene kroon verkregen wordt; dat er eene volheid van genade is voor eiken toestand berekend, en dat Jezus steeds, als de meest Getrouwe, zoo nabij is, als de lucht, die wij in ademen.

De bekende Oh. Chatelanat heeft zoo treffend gezegd: „Men zegt dat de Schotsche bergbewoners, na storm en regen hunne heuvelen bewandelen, om de edelgesteenten te verzamelen, die hier en daar op den bodem in de stralen der zon glinsteren.

-ocr page 218-

200

Zoo gebeurt het menigmaal dat een straal van Gods genade, de hemelsche schatten, na hevigen storm voor ons opent. Zulk een leven der beproeving is dikwerf noodig, om ons te toonen dat Gods genade genoeg is. Daarin worden de vruchten des Geestes; liefde, blijdschap, vrede en heiligheid het meest gevonden; maar een boom moet soms dikwijls gesnoeid worden om de vrucht uitnemend te doen zijn.

De diamant moet lang geslepen worden eer hij schittert in vollen glans. Er zijn zieken die alleen hoop op herstel kunnen bekomen door pijnlijke kunstbewerkingen. Zoo kan de lijdens-school tot grooten zegen worden.quot;

Zing den Heere. Vraag om den H. Geest; Hij is de Geest des gebeds, ook des gezangs; „Open mijne lippen zoo zal mijn mond Uwen lof verkondigen.quot;

Ach, wat al redenen om ons te schamen over ons zingen. Wat is het vaak anders dan gedachteloos, geesteloos, galmen?

Hoe heerlijk zal het in den hemel zijn!

Daar zal niemand meer behoeven te vermanen tot de verheerlijking Gods ; eeuwig zullen de stranden der eeuwigheid en de zalen van het nieuwe Jeruzalem weergalmen van \'s Heeren lof. En is het den Christus vaak goed te zingen op reis, hoe goed zal het hem zijn te zingen in het Vaderhuis!

Het Vaderhuis, — het geloof ziet het reeds in de verte; eens gaan wij het binnen aan de hand van Jezus. Zijn naam moet eeuwig eer ontvangen!

-ocr page 219-

STRAKS.

„In het huis mijns Vaders zijn vele woningen; anderzins zou Ik het u gezegd hebben ; Ik ga heen om u plaats te bereiden. En zoo wanneer ik heen zal gegaan zijn, en u plaats zal bereid hebben, zoo kome Ik weder, en zal u tot Mij nemen, opdat gij ook zijn moogt, waar Ik ben.quot; Joh. 14 : 2 en 3.

Jezus is naar Zijne menschlieid niet meer op aarde. Zijne Hemelvaart is voor al de Zijnen de bron van vreugde en rust, maar ook van lioop. Toen Hij heenging zegende Hij Zijne ongeren en in die eerstelingen zegende Hij allen, die, door al de eeuwen heen, het hart aan Hem zouden geven. Wien Jezus zegent, die is en blijft gezegend. Nu Jezus ons bij Zijn heengaan den zegen heeft achtergelaten, hebben wij den vloek niet te vreezen. Nu Jezus in den hemel is, kan onze verwachting niet van de aarde zijn. Jezus wil dan ook, dat wij minder met het tegenwoordige dan met de toekomst rekenen zullen. De avond zal den dag kroonen. Na den korten strijd des levens eene eeuwige heerlijkheid.

„Straks,quot; fluistert Jezus, als \'t ware den Zijnen toe. En onder al het heerlijke, dat de dag der eeuwigheid ons brengen zal, behoort wel in de eerste plaats volkomene icennis. Kennis van Hem, Die „al ons lieven, al ons leven, meer dan alles waardig is.quot; Men kan de heerlijkheid van een Koning beter zien, wanneer men leeft onder de schaduw van den troon, dan wanneer men leeft in eenig afgelegen gedeelte des rijks. Zoo is het hier. De geloovigen kennen Hem, Die uit zoo grooten nood en dood hen heeft verlost. Hij is hun geen onbekende. — Eene goddelijke openbaring is hun ten deel gevallen; de schil-

-ocr page 220-

202

len zijn hun van de oogen genomen; Jezus ontdekt Zichzelven in hun binnenste tot hun heil, tot hunne vreugde. Dat kennen geeft de Vader: want „niemand komt tot den Zoon, tenzij de Vader Hem trekke.quot; Dat kennen werkt de H. Geest; want „niemand kan zeggen Christus den Heere te zijn dan door dien Geest. Zij kennen Hem in Zijne Majesteit, als den eenigen en algenoegzamen Zaligmaker, Die alles en voor eeuwig heeft volbracht, als hunnen Zaligmaker in Wiens wonden zij mogen schuilen, als de duiven in de kloven der rots. Zij kennen Hem in Zijne stem, die in hunne harten klinkt, in Zijne leidingen, die duidelijk ervaren en dagelijks worden waargenomen, in de werkingen des Geestes, die gedurige reiniging en heiliging des harten, in die vruchten, die alleen door Hem zijn te geven. Zij vermelden Zijn lof, roemen Zijne schoonheid; „mijn liefste is blank en rood. Hij draagt de banier boven tien duizenden;quot; maar het is hier een „kennen ten deele,quot; een kennen door het geloof, een ontdekken van een straaltje van Christus\' heerlijkheid ; hunne zielen in vergankelijke lichamen wonende, zijn voor eene volkomene kennis, voor het aanschouwen niet vatbaar. Dat aanschouwen is hun toegezegd. De Priester-Koning bidt: „Vader Ik wil, dat daar Ik ben, ook die bij Mij zijn, die Gij Mij gegeven hebt, opdat zij Mijne heerlijkheid mogen aanschouwen, die Gij Mij gegeven hebt.quot; Zij zullen Hem zien, gelijk Hij is, van aangezicht tot aangezicht. De zaligheid wordt dikwerf gesteld in het zien: „Zalig zijn de reinen van hart: zij zullen God zien.quot;

Wie dan met Job heeft kunnen zeggen: „mijne nieren verlangen zeer in mijn schoot,quot; diens oogen zullen Hem zien. Jezus zal door de gezaligden gezien worden met het lichamelijk oog; dat heerlijk lichaam van hunnen Heer, Die om hunnentwil Gethsémané\'s grond met Zijn bloedzweet heeft bevochtigd en aan het kruis voor hen stierf, zullen zij aandachtig gadeslaan met den diepsten eerbied, verhevensten lof en zaligste verlustiging. Hun gezicht zal door niets worden belemmerd. Op aarde konden zij dikwerf moeielijk gelooven, hadden zij vaak vleeschelijke en bekrompene gedachten; maar, wat hiei\' kwelde, is daar ontnomen. De groote verborgenheid: „God geopenbaard in het vleesch,quot; geeft hun zulke schitterende proeven van de macht, wijsheid en liefde des Heeren, dat zij in Hem, Die als Zoon gegeven en als Kind geboren werd, hun Eedder en Koning zullen aanbidden. De gaven, die de H. Geest aan de menschelijke natuur van Jezus heeft gegeven, vooral nu Hij boven Zijne medegenooten met vreugde-olie is gezalfd, zullen hun stof tot prijzen en loven zijn.

-ocr page 221-

203

Diep zullen zij inzien in Zijne heerlijke ambten, en in de wijze, waarop Hij die heeft bekleed. Zij zullen worden ingeleid in de geheimen der verlossing, in de liefde des Vaders tot den Zoon, in ... . doch wat poog ik u te schetsen, wat geen apostel kon, wat geen engel vermag! Heil u, zoo Jezus Zelf het u eenmaal ontsluiert in de oorden, waar smettelooze heiligheid en storelooze vreugde wonen, waar Gods ziel en lichaam vervullende gemeenschap onmiddellijk genoten en de engelenzang eeuwig beantwoord wordt: „eere zij God in de hoogste hemelen!quot;

Luister, o mijne ziel, naar dat „straksquot; van Zijne lippen. Het verzoene u met het heden. Het zij ook de bron van uw vreugde, rust en hope. Het sterke u bij den strijd des levens en houde u staande als uw voet dreigt te wankelen. Het legge u een lied op de lippen in den donkersten nacht, als de storm des onweders opsteekt. Het doe u eerbiedig zwijgen, waar ge zoo menige vraag onbeantwoord moet laten en zoo menig raadsel in Gods leidingen niet ontraadselen kunt.

Het doe u volgen met de lijdzaamheid des vertrouwens, langs eiken weg, waarlangs de Meester u leiden wil. „Straks.quot; Wat dan? Plaats in het Vaderhuis, waar Jezus is; bij Hem, die wel van de aarde ten hemel voer, maar toch bij de Zijnen bleef en hen eens tot Zich neemt in de eeuwige tabernakelen, op de bergtoppen der heerlijkheid.

Jezus verliet deze aarde, waarop Hij 33 jaren had getoefd. Niet door den dood. Dien was Hij reeds gestorven en daaruit opgewekt, maar door eene stille en statige hemelvaart, terwijl Zijne jongeren, die zoo iets niet hadden vermoed. Hem star-oogend, met stijven, starren blik, hebben nagestaard, totdat eene wolk Hem aan hunne oogen onttrok. Zoo stonden zij dan alleen, die arme jongeren, zoo gewoon op den Meester te leunen, verlaten en overgegeven aan de vijandschap der wereld en aan de bittere smart eener teleurgestelde hoop.

Maar neen. Wij weten beter. De hemelvaart van Jezus, was de bevestiging van Zijn eigen woord, wierp over Zijn leven\' het helderste licht, zou voor Zijne jongeren de kracht van hun arbeid zijn, wijl zij de bron van den rijksten zegen is.

Wel was de hemelvaart eene nadrukkelijke prediking, dat Jezus\' Koninkrijk niet van deze wereld is, dat Zijne onderdanen het heil niet in het aardsche hebben te zoeken, maar wat nood, waar zij ivaarborg is van de zaligste toelcomst?

Eer het scheppings-woord gesproken was, was er engel noch

-ocr page 222-

204

menscli, dier nocli plant, was er niemand en niets dan God. De bedoeling der schepping kan dus niets anders geweest zijn, dan de openbaarmaking van Gods heerlijkheid voor het oog van zedelijke schepselen. Daarom lezen wij: „God heeft alles gewrocht om Zijns Zelfs wil,quot; d. i. tot Zijne heerlijkheid. De erkentenis van des Heeren heerlijkheid zou het schepsel tot zaligheid zijn.

Ach, wat heeft de zonde gedaan! Door haar Gods eer verdonkerd, en des schepsels heil verwoest. Door haar deze aarde een schouwtooneel van ongerechtigheid. Zij heeft den vrede verbannen, en ontsloot een poel van veelvuldige jammeren. Maar in Christus, in Zijne hemelvaart, en door Zijn Geest wordt alles hersteld.

De heerschappij is op Christus\' schouders. Alle macht is Hem gegeven in hemel en op aarde. Hij is Priester op Zijn troon. Heeft Hij als priester geboet voor wat de l5\'6 Adam misdreef; Hij zal als Koning herstellen, wat deze verdierf. Naar het ontwerp Zijner regeering zal de aarde vol worden van de kennis des Heeren, gelijk de wateren den bodem der zee bedekken.

Straks zal de wanklank uit het scheppingslied genomen worden. Voor de aarde heeft dan de ure der wedergeboorte geslagen. Eene onafgebrokene lente heerscht. In onverwelkelijke pracht vertoont zich Gods schepping. Hij, Die alle dingen nieuw maakt, heeft haar gezuiverd door vuur. Geen tak scheurt af. Geen bloem verdort. Geen rozenblad wordt meer besmet. En de arme kinderen Gods, die hier, vaak opgesloten in groote steden, voortgejaagd door allerlei arbeid, in vunzige kelders wonen, op armzalige zolders huizen, of door krankte en lijden aan schamele legers gebonden nooit of bijna nooit iets van Gods schepping te aanschouwen kregen, zullen den toon verstaan van Davids lied: „O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is Uw Naam over de gansche aarde!quot; Dan de gemeente verlost. De dood gestorven. De hel ontkracht. De liefde volmaakt.

De liefde volma/jM. Dat is het, wat de toekomst zoo heerlijk maakt.

De zonde heeft de liefde doen vluchten. Sinds de mensch zijn God den oorlog verklaren dorst, is er oorlog op elk gebied; oorlog in het groot en oorlog in het klein.

Christus heeft eene liefde geopenbaard, die alle beschrijving te boven gaat, en onder de stroomen van zegeningen, die zij teweeg bracht, en die zij vloeien doet, neemt de liefde eene eerste plaats in.

Geene liefde, dat is de hel; volkomene liefde, dat is de

-ocr page 223-

205

hemel. Straks voor wie haten wil, slechts die donkere diepten des eeuwigen doods. De door de zonde verbroken band tus-schen aarde en hemel wordt hersteld. Aardbewoners en heme-lingen, zoo lang door de zonde gescheiden, worden verbroederd.

De Afrikaan bedekt zijn fetischboom niet meer met een krans van menschenlijken; de Zuidzee-eilander slaat zijne tanden niet meer in menschenvleesch; het rad van den djagger-nauts-wagen wordt niet meer gehoord; de valsche verlichting van hoog beschaafde Europeanen werpt geen bedriegelijk schijnsel meer.

Het kruis van Golgotha, of liever de Gekruisigde op Golgotha, is middelpunt aller zielenvereeniging, en gebogen voor Zijn troon, ziet men de schande des kruises uitgewischt en in Hem den dierbaren Heiland.

Nakomelingen van Sem, Cham en Jafet gaan hand in hand. Allen hebben lief. Lief in Hem, Die hen samenbracht, en Die Zelf het voorwerp hunner innigste toewijding is.

Heb goeden moed, mijn broeder en zuster, straks zult gij niet meer gebrekkig liefhebben. Hier hebt gij Jezus lief; door genade lief boven alles; zoo lief, dat gij Hem aller liefde waardig acht en Paulus\' woord beaamt: „Zoo iemand den Heere Jezus Christus niet lief heeft, die zij eene vervloeking.quot; Gij hebt eene liefde van begeerte naar, eene liefde van blijdschap in, eene liefde van ijver voor Christus. Die liefde, geworteld in het hart, gaat aller schepselen liefde te boven, strekt zich uit tot al, wat aan Hem is, wat Hij doet en wat Hem lieft; zij verduurt de eeuwigheid. Zij is oprecht, vrijwillig, brandende

felijk het vuur in verlichtende, verwarmende en verterende racht. Zij is zorgvuldig in het vermijden van, wat den Geliefde beleedigt, vruchtdragend en vrijmoedig; vervolging noch dood doet zij ontzien. Zij openbaart zich in gebed tot, aanprijzing van, verwondering over, gehoorzaamheid aan Hem. Het natuurlijke hart is niet in staat tot die liefde, maar Jezus heeft eerst lief, verandert het hart, maakt van vijanden vrienden, van een vervolgenden Saulus een Paulus, die gaarne alle trappen van vervolging om Zijnentwil doorloopt. De liefde der geloovigen is wederliefde, en staat met het kennen van Jezus in het nauwste verband. Hem te kennen, is Hem lief te hebben ; en naarmate men Hem kent, heeft men Hem lief. Als wij het weten: voor mij verbond Hij zich in de eeuwigheid om de Redder te zijn; voor mij, diep schuldige, doemwaardige, verliet Hij Zijn troon, leed Hij gewillig smaad en spot, liet Hij Zich kruisigen, ledigde Hij den kelk des toorns Gods, mij zocht Hij op en hield Hij staande, schonk Hij het geloof enelijk het vuur in verlichtende, verwarmende en verterende racht. Zij is zorgvuldig in het vermijden van, wat den Geliefde beleedigt, vruchtdragend en vrijmoedig; vervolging noch dood doet zij ontzien. Zij openbaart zich in gebed tot, aanprijzing van, verwondering over, gehoorzaamheid aan Hem. Het natuurlijke hart is niet in staat tot die liefde, maar Jezus heeft eerst lief, verandert het hart, maakt van vijanden vrienden, van een vervolgenden Saulus een Paulus, die gaarne alle trappen van vervolging om Zijnentwil doorloopt. De liefde der geloovigen is wederliefde, en staat met het kennen van Jezus in het nauwste verband. Hem te kennen, is Hem lief te hebben ; en naarmate men Hem kent, heeft men Hem lief. Als wij het weten: voor mij verbond Hij zich in de eeuwigheid om de Redder te zijn; voor mij, diep schuldige, doemwaardige, verliet Hij Zijn troon, leed Hij gewillig smaad en spot, liet Hij Zich kruisigen, ledigde Hij den kelk des toorns Gods, mij zocht Hij op en hield Hij staande, schonk Hij het geloof en

-ocr page 224-

206

de vergeving der zonden; voor mij zorgt Hij op de trouwst mogelijke wijze; als wij dit weten, zou dan ons hart, onze mond Hem niet „den lieven Jezusquot; noemen?

Ach, dat ons hart zoo koud, ons woord zoo koel, ons bestaan zoo ondankbaar zijn kan, en het dikwijls schijnt, alsof Jezus geene gedaante of heerlijkheid voor ons heeft!

Wat werd er van ons, indien de liefde van Jezus wederliefde ware! Maar neen. Hij wil de Zijnen zaligen, daarom openbaart Hij Zich aan hen en zoo doet Hij hen Hem liefhebben, en liefhebben is zaligheid. En waar de ziel zich ver-klaagt van wege haar gebrek aan liefde, en het besef harer ongelijkvormigheid aan, wat zij wezen moest, haar den schaamteblos op het aangezicht brengt, daar spreekt Hij van vergeving en fluistert opbeurend: straks!

Straks zullen de geloovigen in eene volkomene klaarheid de uitnemendheid Zijner liefde in hare lengte en breedte, diepte en hoogte ontdekken; dan zal alle koude en koelheid en ondank verre zijn gedaan.

Liefhebben is heilig te zijn; zij zullen dan Gods beeld in volkomenheid dragen. Christus zal op hen schijnen en zij zullen Zijne heerlijkheid terugkaatsen. Gelijk zij het beeld des aardschen gedragen hebben, zullen zij het beeld des Hemel-schen dragen. Zijn heerlijk lichaam gelijkvormig zijnde, zijn ze in nadruk gekomen tot een volkomen man, tot de mate der grootheid, der volheid van Christus. Als verheerlijkten, als heiligen van hooge plaatsen, in wien al Jehova\'s lust is, zullen zij in de gemeenzaamste vriendschaps-oefening met hun gezegend Hoofd leven, door de Serafs en Cherubs met ontzag en bewondering worden aanschouwd en de hemelingen zullen het weten, hoe Jezus hen mint, hoe lief zij Jezus hebben en dat de hallels der verkorene zondaren: „Het Lam, dat geslacht is, zij toegebracht de dankzegging, de lof, de eer en de heerlijkheid tot in eeuwigheid!quot;, de hallels der verkorene engelen verre overtreffen in het oor van Hem.

Nog eens, hebt goeden moed, mijne broeders en zusters, een Heiland is in den Hemel. Straks zijt gij er bij Hem. Dan worden alle tranen afgewischt, ook, die gij hier over uwe zonde schreit. De zonde is weg en hare gevolgen vloden voor eeuwig heen.

Jezus is heen gegaan. Voor Hem was dat henengaan ge-wenscht. Deze aarde leverde Hem niets dan doornen en diste-len op. Zijne Hemelvaart was Zijne verheerlijking. Hoe diep was Hij vernederd! Geen mensch op aarde is immer zoo mis-

-ocr page 225-

207

kend, vernederd en gemarteld als Gods eigen Zoon, de Messias des Vaders, de Heere der heerlijkheid. In Zijne hemelvaart is zijne eer hersteld. „Daarom,quot; zegt een apostel, „heeft God Hem uite\'mate verhoogd en Hem een Naam gegeven, die boven allen naam is, opdat in den Naam van Jezus zich zoude buigen alle knie dergenen, die in den hemel en op de aarde en onder de aarde waren, en alle tong belijden zoude, dat Hij de Heere is.quot;

Hij is der Gemeente gegeven tot een Hoofd boven alle dingen.quot;

Zij heeft redenen om zich over Zijn heengaan te verblijden.

De dichter zong terecht;

„Op de vleugels van de winden,

Voer de troost der Godgezinden,

Naar Zijn eigen Rijkspaleis!

Wat had \'s Heilands zegewagen Een gewicht van heil te dragen Op die snelle hemelreis!quot;

Hij ging heen als een overwinnend Veldoverste om na den strijd te zegepralen: „Hij heeft de gevangenis gevankelijk gevoerd.\'quot; Zijne kleederen waren met bloed geverfd, en op die kleederen stond geschreven: Koning der koningen en Heer der heeren.

Hij ging heen als de JToogepriester onzer belijdenis. De namen der Zijnen zijn geschreven in Zijn hart, en Hij is een Voorbidder voor allen, die ellendig zijn.

Als de groote Herder der schapen. Hij slaapt of sluimert niet, maar houdt onafgebroken het oog gevestigd op de kudde, die „sneeuwwitquot; door Zijn bloed, bewaard door Zijne trouw, eens grazen zal op de eeuwige heuvelen.

Als de Plaatshekleeder der Zijnen. Wie met Paulus zeggen mag: „Ik ben met Christus gekruisigd,quot; is ook aireede met Christus gezet in den hemel. Heeft de lijdende\' en stervende Christus de schuld der zonde geboet, in Zijne opstanding is de gemeente der geloovigen gerechtvaardigd door God en in Hem, den ten hemel gevarene, haar gezegend Hoofd, heeft zij onderpand harer aanstaande verheerlijking niet slechts, maar haar Vertegenwoordiger onder de engelen Is de gemeente op aarde beelddraagster van haar Heiland onder de zondaren, Christus is beelddrager der verheerlijkte menschheid onder Cherubs en Serafs.

Hij is heengegaan als de Voorlooper. De geloovigen volgen Hem. Hier gaan zij soms reeds in door het geloof, straks gaan zij werkelijk in. Bij den dood naar de ziel; in den dag der opstanding naar ziel en lichaam beiden. Want Hij is heengegaan,

-ocr page 226-

208

als de Bruidegom, die voor Zijne bruid eene plaats bereidt e-die, als Hij de plaats bereid zal bebben, komt om haar tot Zich te nemen, opdat zij moge zijn, waar Hij is.

Straks komt Hij u halen, mijn broeder en zuster. Laat uw verlangen gematigd zijn. In den hemel bereidt Hij u plaats, maar ook van uit den hemel bereidt Hij u op aarde voor die plaats.

Straks, als gij voor die plaats geschikt zijt, als gij „gereedquot; zijt voor de bruiloft, zal Hij u halen. Hij maait het rijpe graan.

Straks, o welk eene verrassing zal u ten deel vallen. Gij meent wellicht, dat het de dood is, die vóór u treedt en zie het is Jezus, de Levensvorst, Die den dood overwon, hem tot Zijn dienaar maakte. Die den dood uit den dood weggenomen heeft en u nu voor eeuwig leven doet.

Straks geene zonde. Dat is eene heerlijke tijding. De zonde maakt hier den strijd zoo moeielijk. Zij doet dikwerf klagen en in het zwart gaan. Zij kleeft onder alles en ten allen tijde aan. Zij rooft den vrede der ziel en beleedigt den Heere. Zij bezwaart en doet zuchten. Om van haar verlost te werden, zou de Christen er dikwerf niets tegen hebben, als zijn aardsche tabernakel werd omvergeworpen.

Nog eene wijle, gij, die treurt over de plagen van aw hart en alle zonden schudt gij af; als een vrijgekochte des Heeren, komt gij met gejuich tot het hemelsch Jeruzalem, om er te lieven, te leven, te loven, zooals alleen de verloste zondaar het doet.

Straks vindt gij uwe dierbaren, die in Christus ontslapen zijn, weder. Zij zijn u slechts voorgegaan en wachten u op in de loofhut der hemelsche palmen. Zij zijn gekomen aan het einde der reis. Als gij straks al de heiligen der beide testamenten ontmoet, met hen wandelt langs de stranden der eeuwigheid, hebt gij weêrgevonden allen, om wier gemis gij op aarde niet zonder hope hebt getreurd.

Straks woont gij niet meer uit van den Heere. Hier wordt gij het dikwerf gevoelig gewaar, dat in te wonen in het lichaam der zonde en uit te wonen van den Heere woorden van ééne beteekenis zijn. Als straks het verouderd reiskleed u van de schouders genomen zal worden, zult gij onmiddellijk zijn bij den Vriend uwer ziel. Hier is Hij wel bij u, hier zijt gij ook bij Hem; maar iets beters wacht u. Uw geloof wordt aanschouwen; uw gebed wordt verhoord; uwe hoop wordt meer dan verwezenlijkt; uwe liefde wordt volmaakt.

Uw geloof verwachte, de hope verbeide, het gebed begeere, de liefde geniete, zooveel zij hier kan, de zaligheid; straks houdt het ten deele op. Het volmaakte is dan gekomen.

%

-ocr page 227-
-ocr page 228-
-ocr page 229-