VERSLAG
AANGAANDE
EEN ONDERZOEK IN DUITSCHLAND
NAAR
ARCHIVALIA BEIAHSBIJK VOOR DE SESCHIEDEHIS
VAN
NEDERLAND
DOOR
Dr. p. j. blok,
HOOGLEERAAR TE GRONINGEN.
X30lt;S-l.OO\'Z.
i- \'S-GMVENHAGE.
* •.AyjEMEENE iLANDSDRUKKERIJ. quot; 1888.
v\' 9 *7 V/
ï c y ^ x
e quot; x\\ X.
\\
VERSLAG
/lt;
\'Ocp
AANGAANDE
EEN ONDEEZOEK IN DUITSCHLAXD
NAAR
ARCHIVALIA
BELANGRIJK VOOR DE GESCHIEDERIS
VAN
NEDERLAND
DOOR
Db. p. j. blok,
HOOGLEERAAR TE GRONINGEN.
1886 -1887.
S-GHAVEMIAGE.
ALGEMEENE LANDSDRUKKERIJ. 1888.
t ■
1078 4571
INHOUD.
Bladz.
I. VERSLAG VAN HET ONDERZOEK; INGESTELD
IN 1886................................1
la. Stadtarchiv te Keulen........................5
li. Stedelijke Bibliotheek te Keulen..........9
2a. Hauptstaatsarchiv te Dresden..................10
2h. Kcin. Bibliothek te Dresden................16
\'ia. Kon. geheimes Staatsarchiv te Berlijn............17
35. Kon. Bibliothek te Berlijn........ . 18
4a. Staatsarchiv te Marburg......................20
ib. Universiteits bibliotheek te Marburg............24
■M. Staatsarchiv te Düsseldorf....................25
hi. Stedelijke Bibliotheek te Düsselderf..... . 30
BIJLAGEN.
A. Kopieboeken van de brieven der Keulsche Regeering 31
B. Lijst der dochterkloosters van de abdij Steinfeld . . 39
C. Incunabelen der Stedelijke Bibliotheek te Keulen. . 40
D. Archief van Albrecht en George van Saksen te Dresden 41
E. Het 2de huwelijk van Prins Willem van Oranje (Haupt-
staatsarchiv te Dresden)....................62
F. Brieven van en aan Prins Willem I (Ibid) .... 73
G. Verbetering van den handel in de Republiek (Ibid) . 92
H. Uittreksel uit een Vlaamsche kroniek der XVe eeuw.
(Kon. Bibliothek te Dresden)................93
I. Het gezantschap des Keizers in de Nederlanden. 1576-
1579. (Geii. Staatsarchiv te Berlijn)............94
K. Correspondentie van den Pruissischen gezant baron von Thulemeyer met zijne regeering. (Geheimes
Staatsarchiv te Berlijn)..................97
II
Bladz
L. Stukken over den tachtigjarigen oorlog. (Staatsarchiv
te Marburg)..............
M. Oorkonden uit het Staatsarchiv te Düsseldorf ... 18\'
II. VERSLAG VAN HET ONDERZOEK INGESTELD
IN 1887................................189
la. Staatsarchiv te Müuster...........189
U. Bibliothek des Altherthumsvereins te Münster . . . 2I£
BIJLAGEN.
A. Antwoord van het bestuur van het Staatsarchiv te Münster op de aanvrage betreffende het archief van
Borculo...............214
2. Staatsarchiv te Osnabrück..........216
\'3a. Staatsarchiv te Bremen...........217
\'Sb. Stadtbibliothek te Bremen. .........224
4ö. Staatsarchiv te Hamburg..........225
45. Stadtbibliothek te Hamburg.........228
5. Staatsarchiv te Lübeck. . ........234
()«. Staatsarchiv te Hannover..........235
6è. Bibliothek te Hannover...........237
la. Landesarchiv te Wolfen büttel........238
Th. Landesbibliothek te Wolfenbüttel.......254
8a. K. K. Hausarchiv te Berlijn.........256
Sb. Köd. Geheimes Staatsarchiv te Berlijn.....258
9. Staatsarchiv te Altenburg..........278
10. Staatsarchiv te Coburg...........279
11. Staatsarchiv en Bibliothek te Meiningen .... 281
12. Staatsarchiv en Herzogliche Bibliothek te Gotha. . 282 13«. Saksen-Ernestinisches Gesammt-Archiv te Weimar. 284
13i. Bibliotheek te Weimar...........28quot;
14. Staatsarchiv te Wiesbaden.........288
VEESLAG
AANGAANDE
EEN ONDERZOEK IN DÜITSCHLAND
NAAR
ARCHIVALIA,
belangrijk voor de gescMedenis van Nederland. 1886.
Ofschoon het niet te ontkennen valt, dat in onze eigene archieven, zoowel in die, welke onder het beheer van het Rijk staan, als in die, welke in het bezit zijn van gemeenten en particulieren , nog zeer veel materiaal ongebruikt, ja onbekend is, mag ik in onzen tijd wijzen op het gelukkig verschijnsel, dat men meer en meer opmerkzaam wordt op de schatten, die voor de kennis onzer geschiedenis nog in menig archief voorhanden zijn. Overal in den lande ziet men den lust ontwaken om die schatten nader te leeren kennen en ze te behoeden voor vernietiging of verspreiding. Rijk en gemeenten wedijveren in het aanstellen van wetenschappelijke archivarissen , die , met liefde voor de geschiedenis der voorvaderen bezield, zich zetten aan het ordenen van de stukken , die aan hunne zorgen zijn toevertrouwd — de eerste voorwaarde voor het ontstaan van behoorlijke catalogi en inventarissen. Zoo zal men binnen niet al te langen tijd tot de beoefenaars der Neder-landsche geschiedenis kunnen zeggen : uw materiaal is voorhanden en geordend; de oogst wacht op den man, die oogsteu wil. Rijk en gemeenten hebben dan gedaan , wat de voorstander der staatsbemoeiing van hen kan eischen. Dan mogen zij met volle recht zeggen: thans geschiedvorschers, is het uwe beurt!
Bedenkt men wel altijd, hoeveel zelfbeheersching, hoeveel zelfverloochening noodig is om een goed archivaris te zijn? Evenmin als de beste bibliothecaris hij is, die de meeste boeken in zijn bibliotheek gelezen heeft, evenmin is hij de beste archivaris, die de meeste boeken heeft geschreven over onderwerpen, die rnet behulp van zijn archief kunnen
2
behandeld worden. Een onzer meest bekende bibliothecarissen, een man, bim
•wiens naam verre buiten onze grenzen geëerd wordt als die van een altl
der eerste kenners van boeken in Europa, zeide mij eens:»ik heb geen voo
tijd om te lezenquot;. Ik geloof, dat een goed archivaris, altijd zoo- roei lang zijn archief nog niet geordend is, evenzoo zal moeten zeggen:
»ik heb geen tijd om te schrijvenquot;. Maar wie, die bij het onderzoek 1
van archieven wel eens wat nieuws, wat onbekends ontdekt heeft, zal Du
ontkennen, dat het eene groote mate van. zelfbeheersching en zelfver- ten
loochening eischt, den plicht als archivaris te stellen boven den lust I
om volledig uit te werken, wat daar straks den zoeker geopenbaard is? doe
Maar ik dwaal af van het punt, waarover ik wenschte te schrijven- ge1.
Ik wilde dit slechts doen uitkomen , dat mijne sympathie voor het nai
nieuwe leven , dat zich in het archiefwezen vertoont, niet alleen de voc
zaak geldt, maar ook de personen, die de levende blijken zijn van de inv
verjongingskuur, die deze tak van wetenschap in de laatste tijden ten He
onzent ondergaat. eei
Waar zooveel jonge krachten met moed en lust zich aan het archief- vir
wezen hebben gewijd, daar wilde ook ik, die in dezelfde atmospheer KI
ben opgegroeid, niet achterblijven om het mijne te doen tot bevordering dei
van hetzelfde doel; het ordenen en bijeenbrengen van het materiaal do
voor onze geschiedvorschers. Ik ben mij zeer goed bewust, dat ik mij Ft
daardoor eenigszins begeef op een weg, dien ik eigenlijk niet geheel te als den mijne mag beschouwen , maar op het gebied der wetenschap
ken ik geene private jacht; bovendien, een beoefenaar van de nieuwere vr
geschiedenis , die niet een stukje van een archivaris is, kan mijn ideaal nu
niet zijn! sc
Mijne studiën brachten mij in de laatste jaren meermalen in aan- is
raking met Duitsche archieven, speciaal met de archieven te Marburg ar
en Wiesbaden, en ik bemerkte, dat niet alleen in die beide plaatsen di
maar ook elders in de Duitsche staatsarchieven nog tal van stukken bc
berustte, belangrijk voor de beoefenaars onzer geschiedenis. m
Jaren geleden hadden de heeren Van den Bergh en Groen, om slechts di
de voornaamste onderzoekers te noemen , ^klopjachtenquot; gehouden in w
enkele Duitsche archieven : de heer Groen met een beperkt doel, de zc
heer Van den Bergh in meer algemeenen zin. Maar in die jaren, om- w
streeks 1840, waren de meeste Duitsche archieven óf nog niet geordend z(
óf voor het publiek gesloten. Wanneer een onderzoeker, vooral een d
buitenlandsch onderzoeker, aan de deur van het archief kwam aan- d
kloppen, werd hij óf met een kleinigheid afgescheept óf eenvoudig niet P
toegelaten ; van geluk mocht hij spreken , wanneer de archivaris zoo k
welwillend was hem een en ander uit eigen beweging te laten zien. ti
Vooral was de »Geheimthuereiquot; groot, als de bezoeker zelf archivaris o was. Met het noodige wantrouwen omtrent zijne bedoelingen werd hij
zoo gauw mogelijk verder gezonden , daar men vreesde voor voorstellen v
tot ruiling of zelfs voor pogingen tot offlcieele opeisching van archivalia c
— de Staat was toen nog een tempel, waarin alleen ingewijden werden I
3
binnengelaten; het staatsarchief het heilige der heiligen van dien niet altijd reinen tempel. Alleen de heer Groen , met Koninklijke machtiging voorzien, arbeidend aan een » monumentum aero perenniusquot; voor een roemvol geslacht, kon meer gedaan krijgen dan anderen.
De tijden zijn sedert veranderd en de opkomst van het machtige Duitsche Rijk heeft ook in deze voor de wetenschap der geschiedenis ten goede gewerkt.
Niet alleen worden de staatsarchieven in Pruisen thans bestuurd üoor wetenschappelijk gevormde mannen van groote verdiensten , omgeven van een staf van even wetenschappelijk ontwikkelde ambtenaren , maar de archieven zijn in behoorlijke gebouwen geplaatst, voortdurend wordt gearbeid aan het vervaardigen van catalogi en inventarissen. Onder de leiding van mannen als Max Duncker en Heinrich Von Sybel zijn de staatsarchieven uit de verschillende deelen eener landstreek bijeengebracht in centrale archieven voor iedere provincie. Zoo vindt men de archieven van de hertogdommen Gulik, Kleef, Berg en Mark, van het keurvorstendom Keulen benevens die der meeste kloosters aan den Neder-Rijn thans allen bijeen te Düssel-dorf; die van het voormalige keurvorstendom Hessen, vanHanau, van Fulda enz. te Marburg ; die vanTrier , Mainz , de Paltz (gedeeltelijk) enz. te Coblenz.
In plaats van de vroegere geheimzinnigheid is thans gekomen eene vrijzinnige opvatting, waardoor thans ook buitenlanders in de archieven meer als welkome bezoekers dan als lastige dwarskijkers worden beschouwd.
Het eenige misschien , wat nog van die vroegere geheimzinnigheid is overgebleven , is het voorschrift, dat aan geen bezoeker der staatsarchieven wordt toegelaten zelf de catalogi in te zien. Natuurlijk levert dit vele bezwaren op, zoowel voor de geschied vorschers als voor de beambten van de archieven , die meestal met den besten wil niet bij machte zijn om te voldoen aan het verlangen van den onderzoeker , die niet een bepaald stuk wenscht te gebruiken , maar wenscht te weten , wat er over een bepaald onderwerp in het archief te vinden is. Dikwijls zou de onderzoeker zelf in een uur den arbeid kunnen verrichten, waarmede hij thans den beambte, die in het onderwerp natuurlijk niet zoo goed tehuis is, veel langer moet lastig vallen. Dikwijls zal hij, die alle zijden van zijn onderwerp kent, het oog laten vallen op stukken, die de beambte onopgemerkt laat voorbijgaan. Het is te hopen , dat de Pruisische Regeering onderzoekers en beambten in dezen te gemoet zal komen , door bij voorbeeld aan de directeuren der staatsarchieven machtiging te verleenen om voor zuiver wetenschappelijk onderzoek het verbod op te heffen.
Vrijgeviger waren in dezen de Regeeringen van het koninkrijk en van het groothertogdom Saksen, die mij dadelijk toestonden ook de catalogi in te zien. Hetzelfde kon ook in het stedelijk archief te Keulen geschieden. Zoo kon mij daar niet overkomen , wat mij bij
voorbeeld te Düsseldorf gebeurde, waar men mij mededeelde, dat vele oorkonden, op Gelderland en Limburg betrekking hebbende, in de catalogi vermeld -waren, maar daaruit moeilijk konden worden opgezocht , daar zij tusscheu honderden andere oorkonden in aangeteekend stonden.
Men trekke hieruit evenwel niet de conclusie, dat de Pruisische Kegeering het wetenschappelijk onderzoek niet bevordert. Het tegendeel mocht ik ondervinden , toen mij door de welwillende tusschenkomst van Zijner Majesteits gezant te Berlijn, Jhr. Mr. Van der Hoeven, verleden jaar werd toegestaan , niet minder dan 24 portefeuilles met origineele stukken van en over Lodewijk van Nassau , te Marhurg berustende, in het depot der staatsarchieven te Groningen in te zien en af te schrijven , voor zoover ik dit noodig oordeelde.
Juist deze laatste omstandigheid gaf mij den moed onze Eegeering voor te stellen mij een subsidie toe te kennen , ten einde ean aanvang te kunnen maken met het onderzoek der Duitsche staatsarchieven en van de archieven in eenige Duitsche steden. De Regeering stemde na rijpe overweging in mijn voorstel toe en bezorgde mij de noodige volmachten van de Duitsche overheden , zoodat ik den Isten Augustus 11. mijne reis kon aanvaarden. Ik bezocht toen achtereenvolgens het stedelijk archief te Kéulen , het Hauptstaatsarchiv te Dresden, het Kon. Geheimes Staatsarchiv te Berlijn , het Staatsarclnv te Marburg en dat te Düsseldorf.
Wat ik daar vond , heb ik in de hier volgende bladzijden nader beschreven. Ik mag evenwel tot die beschrijving niet overgaan zonder aan onze Regeering, aan Z. M. gezantschap te Berlijn , aan de Pruisische en Saksische Regeeringen mijn dank te hebben betuigd , voor den weiwillenden steun, mij bij mijne onderzoekingen verleend. Niet minder ben ik verplicht aan prof. dr. Von Sybel , Director der Freus-sischen Staatsarchive te Berlijn , aan dr. Hassel, Director der Siichsischen Staatsarchive te Dresden , aan dr. Hohlbaum te Keulen , en aan zoo vele andere archivarissen en beambten aan de archieven , die mij met dc meeste vriendelijkheid ter zijde stonden, overal, waar ik hunne hulp inriep.
Groningen , I November 1886.
P. J. Blok.
I. STADTARCHIV TE KEULEN.
(Bij het Rathhaus, geopend 10—1 dagelijks.)
Dit archief is, zoo niet het rijkste, toch gewis een der rijkste stedelijke archieven van üuitschland, in overeenstemming met de aanzienlijke rol door de stad Keulen vervuld in de ontwikkelingsgeschiedenis der lauden aan den Beueden-Rijn. Het was te verwachten , dat in dit archief veel te vinden zou zijn voor de geschiedenis van den handel der Nederlandsche riviersteden, waarover reeds Ennen iu zijne Quellenmr Gcsckichte der Stadt Köln enkele oorkonden had uitgegeven en in de Mittheïlungen aus dein Stadtarchiv voh Köln van den tegenwoordigen archivaris dr. Ilühlbaum belangrijke aanwijzingen waren gedaan.
1. De oudere Oorkonden zijn voor het grootste gedeelte reeds uitgegeven door Lacomblet, Ennen , Sloet e. a. Enkele onuitgegevene uit de 13de, 14de en 15de eeuw, vooral uit het Hanse-archief, werden door mij afgeschreven of geregistreerd : zij volgen aan het slot van dit verslag in bijlage A. Rijkeren oogst zouden -wellicht de oorkonden uit de 15de en 16de eeuw hebben opgeleverd ; het scheen echter wen-schelijk het onderzoek niet verder uit te strekken dan tot het midden der 15de eeuw, daar het archief thans tot op dien tijd nauwkeurig is geordend , dank zij de boven mijn lof verheven energie van dr. Hohl-baum en zijne adsistenten.
3. Belangrijk voor onze handelsgeschiedenis zijn de Kopieboeken van de brieven, geschreven door de Keulsche regeering, eene reeks van deelen , beginnende met 1367.
In het eerste deel vindt men brieven over handelsbetrekkingen met Nijmegen (fol. 575 en fol. 73), klachten over den tol te Nijmegen (fol. 42), betrekkingen met Zutphen (fol. 69 en 735). In het derde deel trekken de moeilijkheden met Gulik-Gelder (1396 —13\'J8j de aandacht; talloos zijn de klachten over rooverijen, door Geldersche edelen gepleegd; verder verdienen de betrekkingen met Harderwijk (fol. 68), met den Bosch (fol. 1115), 1155, 116), moeilijkheden met Jan van Arkel over den tol te Everstein (fol. 138), de opmerkzaamheid. In het vierdedeel vindt men talrijke brieven aan Arkel, Gelder en Albrecht van Holland. Zoo ook in het vijfde , waarin Nijmegen , Arnhem en Zwolle (fol. 86) vooral op den voorgrond treden. In het zevende en achtste deel treedt ook Maastricht herhaaldelijk op. Deze laatste deelen en het negende leveren velerlei belangrijke gegevens op voor de kennis der toestanden in Gelderland en Holland iu de woelige tijden omstreeks 1420; druk correspondeert de regeering van Keulen met de steden in die staten over den Rijksban, over rooverij, over de inwendige twisten in de beide
6
landen. Het tiende deel (1424—1427) ontbreekt in de reeks, die overigens volledig is. Enkele stukken uit deze kopieboeken volgen hierachter in bijlage A. Goede regesten van vele brieven tot 1440 zijn uitgegeven in de bovengenoemde Mittheilungen; ook de volgende kopieboeken zullen ^
mettertijd op dezelfde voortreffelijke wijze worden geëxcerpeerd en in regesten uitgegeven.
3. In de Veeteregisters vindt men talrijke veetebrieven van Geldersche, Hollandscbe en Brabantsche ridders. In bijlage A. vindt men enkele daarvan vermeld. Talrijk zijn de veetebrieven vooral voor het einde der I4de eeuw tijdens den twist van Keulen met den Gulik-scb.en ridder Arnold van Hoemen, burggraaf van Odenkircheu en voogd van Gelder.
4. In bet archief te Keulen bevinden zich verder de stukken uit de H a n s e kantoren te Brugge en Antwerpen van de 13de tot het einde der 16de eeuw , toen de archieven dier kantoren naar Keulen werden overgebracht. \'Deze archieven zijn evenwel nog niet geordend, evenmin als dat van het Keulse he kantoor zelfvan het midden der 15de tot het midden der 17de eeuw. Het vereischt geen uitvoerig betoog , dat in deze afdeeling zeer veal belangrijks moet schuilen voor de geschiedenis van onzen rivierhandel; een enkele blik
in dezen chaos is voldoende om te zien, dat vooral Dordrecht in j
nauwe betrekking met Keulen stond.
5. Van groote beteekenis voor onze geschiedenis zijn ook de hier bewaarde Akten van den Niederrheinisc b-W estfalischen K r e i t s (van 1583 tot het einde der 18de eeuw), vooral voor de geschiedenis van den 80jarigen oorlog en den strijd tusschen Munster en Keulen.
6. Zoo ook de hier bewaarde Akten van dé Stfidtetage des Rijks, beginnende met het einde der I5de eeuw. Het is bekend, dat in de 17de eeuw vooral de steden van noordwestelijk Duitschland niets liever wenschten dan zich te verbinden met de Vereenigde Provinciën tegenover de steeds aangroeiende macht der vorsten. De bewijzen voor deze neiging zijn hier in overvloed te vinden.
7. Niet minder belangrijk voor de geschiedenis van den strijd tegen Spanje, is bet Buch Weinsberg, bevattende de mémoires van den Keulscben burgemeester quot;Von Weinsberg uit de 16de eeuw; dr. Höhlbaum zal dit boek eerlang uitgeven en daarbij gebruik maken van de talrijke bronnen, die bet Keulsche archief uit dezen tijd bezit voor de geschiedenis van Kerk en Staat; van gewicht is onder de laatst bedoelde stukken vooral de verzameling van besluiten der Keulsche regee- 1 ring ten opzichte van den godsdienst, van 1520 tot 1624 (Gymnas. Bibl.,
Ms. folio, n0. 101), de suspectenlijst der Nederlandsche vluchtelingen, enz.
8. Een eigenaardig bestanddeel van bet stedelijk archief, vormen deFarragines Gelenii, eene ongeordende massa van originalia, afschriften en excerpten, bijeengebracht door den Keulscben verzamelaar Gelenius (17de eeuw) in 29 deelen. Voor onze geschiedenis van belang zijn in deel II een aantal stukken over den slag bij Weeringen;
in deel VI (fol. 234 tot 243) eene kroniek van Gelder, van omstreeks
1
7
1550, zijnde eene opeenvolging van korte levensbeschrijvingen dei-vorsten van Gelder van de vroegste tijden af; in deel XXI (fol. 129), eene lijst van dochterkloosters der beroemde abdij Steinfeld , waaruit de lijst der Friesche dochterkloosters hierachter volgt als bijlage B. Op deze lijst volgt in dit deel eene kroniek van Steinfeld tot op het einde der 16de eeuw. In deel XXIV (fol. 107) een bul van Paus Sixtus IV, nieuwe statuten vooi* de broeders en zusters van de kloosters Jerusalem en Belhanië te Middelburg , gedateerd 1 Juli 1484. In hetzelfde deel (fol. 203) eene Informatio ratione decanatus Susterensis in yuncto exercitii Reli-gionis, 1647.
9. Onder de manuscripten van het archief vindt men :
N0. 104. lieyneri Snoy Goudani liber XI de Duce Burgundiae Carolo (ms. papier 17de eeuw), zijnde een deel der bakende kroniek van Snoy.
Nquot;. 124. Hollandsche Beha, afkomstig uit de bibliotheek van (het graafschap) Blankenheim , loopende tot het begin van 1393 ; slotwoorden: ». . . ende want men hem dat huys niet opgevenquot; (ms. papier 15do of 16de eeuw.) Waarschijnlijk is dit dezelfde, die bedoeld wordt bij Muller, Lijst, bladz. 31.
N0. 125. Latijnsche Wereldkroniek, geschreven anno 1465 (1): ipso die Bernardi sancti abbatis per me Cornelium Preys de Yeerseken (ms. papier). Het begin luidt; «Sapientis consilium docet in tempore ocii scribere sapienciam curiosaque preteritarum rerum indagacio prodest potissime etc.quot; De schrijver zegt in het prooemium , dat hij\'volgens de »mores apisquot; een en ander heeft bijeengezocht uit Josephus, Eusebius, Isidorus, Augustinus, Comestor, Thomas van Aquino, Vincentius, frater Martinus en anderen, »nonnullis etiam speculativis interpositis alles vereenigd tot een «volumen, cui nomen imponitur compendium cromcarum.quot; Het boek begint met Genesis en de bijbelsehe historie, gaat voort met de geschiedenis van Babyloniërs, Perzen, Grieken , Romeinen (vooral de Grieksche en Romeinscbe philosophen) , de Romeinsche en Grieksche keizers, de Duitsche keizers tot op Lodewijk van Beieren. Tot dezen genaderd, zegt de schrijver: »eodem anno, videlicet 1322, ego qui presentes compilavi et conscripsi cronicas natus fui in festo Beati Petri ad Vincula, cuius nomen propter hoc fuit mihi in baptismo donatum\'\'. Hij heette dus Petrus of Pieter en is geboren 1 Augustus 1322; Cornelis Preys is\' slechts de afschrijver. Belangrijk zijn zijne berichten vooral na omstreeks 1340: bij het verhaal van den dood van Willem IV zegt hij bijv. : »eodem eciam anno locutus sum viro religiose Frisoni, cum ad suum capitulum generale (veniret?) quaerens ab eo , quod evenisset de dicto comitéquot;. De kroniek loopt tot 1397 en sluit met eene geschiedenis der Pausen tot dien tijd. De schrijver wijdt veel aandacht aan Nederrijnsche en Nederlandsche zaken en heeft waarschijnlijk als geestelijke in den omtrek van Keulen of in de stad zelve geleefd. Het gedeelte, dat over de 14de eeuw handelt, verdient uitgegeven te worden.
(1) Er staat abusievelijk 1365, wat blijkens den tekst onmogelijk is.
8
N0. 129. Kroniek van Gleve-Gelder tot de 16de eeuw, weinig be-teekenend (ms. papier).
Onder de »Aeltere mss.quot; N0. 138. »He begijnnet dat prologus ende sermoene zo den geistlichen novicien des ijnnigheu mans broeder Thomas van Kempenquot;.
N\'. 299 (papier fol.) Annotationes in collegium theoreticum dr. Herm Boerhaave.
Onder de Blatter nog N0. 45: 400 verzen van den Parthenopeus op twee aaneen verbonden bladen perkament, beginnende:
»Dat mesquam hem uter maten ,
Datti den coninc entie prelatenquot; etc.
Eindigende:
»Want ghi dor heme hebt gedoget,
Als ghi hier nu hebt getoegetquot;.
Het is het bekende Keulsche ms.
10, In het archief zijn ook nog aanwezig de stukken uit bet archief der oude Keulsche Universiteit. Onder deze vindt men in het boek der Jurhtenfahultiit (A XI, 11, blz. 8—10) de stichting door den Alkmaarder Johannes Vorlerch van een beurzenfonds ten behoeve van drie onvermogende studenten »in jure canonico sive civiliquot;, waarvan één altijd mag aangewezen worden door burgemeesters en raden van Alkmaar (begin 15de eeuw). Verder vindt men in den Matrikel der Universiteit, die weldra zal uitgegeven worden vanwege de »Gesellschaft für Eheinische Geschichtskundequot;, eene menigte namen van Nederlandsche studenten uit de 14de, 15de en 16de eeuw.
It. Onder de mss. der Gymnasial-Bibliothek, thans ook in het stedelijk archief opgenomen, treft men aan:
folio, n0. 101. De bovengenoemde besluiten van den Keulschen Raad omtrent den godsdienst.
N0. 72. Hnnrici De Gorinchem tractatus seu casus decern et septem (ms. papier 15de eeuw).
N0. 88. Eyn devoete andachtige Epistel eins devoeten Reguliers van Wyndesem van geestlicken vortganck (ms. papier 15de eeuw).
Quarto:
N0. 85. o. a. Gerardus Groet de paupertate (ms. papier 15de eeuw).
N0. 143. Johannis Blomendael postilla pauperum (ms. papier 15de eeuw).
Nquot;. 153. Rusbruc libellus de perfectione filiorum dei.
Nquot;. 215. o. a. mysticae acceptationes Abbonis de Middelhurch Zei. 1436 (ms. papier 15de eeuw).
Octavo en duodecimo.
Nquot;. 53. Ruysbroek van den twaleff dogheden (ms. papier 15de eeuw).
N0. 55. o. a. Gerardi Magni epistola ad novicios (ms. papier 15de eeuw).
N0. 69. o.a. Van onser vrouwen lof, dwelke dat Jacob Van Maer-landt makede (ms. papier 15de eeuw).
N0, 92, o. a. 1°. Tractatulus de reformatione virium anime curanda
9
devoti viri domini Gerardi de Zutphania; 2°. Tractatus Hugonis de Sanclo Victore; 3°. Epistula Magistri Gerhardi Groten ad novicios (begin: »omne gaudium estimatequot;); 4°. Libellus de imitatione Chris li et contemptu omnium vanitatum mundi (ms. papier 15de eeuw).
Deze boeken zijn meest allen afkomstig uit het klooster der Kruisbroeders te Keulen.
Ik\' mag mijne mededeelingen uit het archief der stad Keulen niet eindigen, zonder mijne erkentelijkheid te hebben uitgesproken over de hoogst welwillende wijze, waarop de heeren dr. Höhlbaum, dr. Keussen en dr. Korth mij in hun archief den weg hebben gewezen en inzage hebben verstrekt van de bestaande en nog in wording zijnde catalogi en inventarissen.
In de stedelijke bibliotheek te Keulen, die hare handschriften heeft afgestaan aan het stedelijk archief, bevinden zich ouder de incunabelen enkele, die nog niet door dr. Campbell in zijne Annales de la typo-graphie neerlandaise zijn opgenomen. Eene lijst dier incunabelen volgt in bijlage C.
10
II. HAUPTSTAATSARCHIV TE DRP:SDEN.
Het Haupststaatsarcliiv te Dresien (Schloss tegenover den Zwinger, geopend 9—1 en 3—6) bevat de archieven der Albertinische lijn van het Saksische vorstenhuis.
Dit archief bevat voor de Nederlandsche geschiedenis een aantal merkwaardige stukken , die zeer gemakkelijk te vinden zijn in de uitvoerige en goed bewerkte catalogi. Door de welwillendheid van de Saksische Regeering en van den directeur van het archief, Gebeimrath dr. Hassel, kon ik deze catalogi nauwkeurig bestudeeren, zoodat ik mij mag vleien, dat zeer weinig stukken van eenige beteekenis aan mijne aandacht zijn ontsnapt. Tot dit resultaat heeft de ijverige hulp van den Archivrath dr. Distel en van den Kegistrator, den heer Rosen-krantz, zeker niet het minst medegewerkt. Ik neem de gelegenheid te baat om bij deze aan gemelde heeren, vooral ook aan den laatste, dien ik zoo dikwijls lastig heb moeten vallen, mijn innigen dank te_ betuigen voor het verlichten van mijn arbeid in de gewelven van het archief.
Onder- de afdeelingen van het oude Albertinische archief trok vooral mijne aandacht
A. Het- archief van Albrecht van Saksen en zijn zoon George, de bekende potestaten van Friesland. De stukken van dit archief zijn gecatalogiseerd in de volgende Archiv-Verzeichnisse:
1°. 1, 25 , afd. Friesland.
2°. Kriegssachen II, 350, afd. Niederliindische Kriegssachen.
3°. Niederliindische Sachen , afd. Friesl.-Sachen.
De bijgevoegde nummers zijn die der Locate, waarin het Dresdener archief verdeeld is en waarin de stukken, die ongeveer bij elkander behooren , zijn opeengestapeld.
Uit de volgende bladzijden zal men zien, dat het archief van Albrecht en zijne zonen bijna volledig bewaard is, wat Friesland betreft; wat Holland en de overige Nederlanden aangaat, is het, hoewel nog zeer merkwaardig, toch niet geheel volledig bewaard.
In de catalogi sub 2° en 3° bedoeld vindt men aangewezen als liggende in;
Loc. 8497. Schreiben Maximilians an Albrecht von Sachsen (1480— 1498), vooral betrekking hebbende op den strijd tegen de Hoekschen, do expectantie van Utrecht, de geldzaken (Origineelen).
Loc. 8182. Frieslandische Sachen (1482—1497). Belangrijke verzameling originalia: eigenhandige brieven van Albrecht, hertog George,
11
de Friesche hoofdeliugen en keizer Maximiliaau over Friesche aangelegenbeden , 189 folia.
Loc. .8497. Briefe Kaiser Maximilians an Albrecht (1487—14amp;0). Ori-gineelen.
Loc. 8497. Allerhandt Briefe au herzog Albrecht, waaronder ook een van Alexander VI. (1487—1500.)
Loc. 8184. Verzeichniss über die Fries. Briefe 1488—1499 , so Eöra. Kon. Maj. meinem guedigen Herru von Sachsen gegeben hat.
Loc. 10695. Ze it un gen aus (.en Niederlanden 1473 — 1495.
Loc. 7993. Das neue Heerfahrtsbuch, bevattende stukken over de veldtochten van 1488, 1489, 1490 en 1494, voornamelijk opgaven van wat Saksen daarvoor heeft geleverd.
Loc. 9818. Brieven van Max. aan Albrecht (1490) over de bezetting van de aan Montfoort en Naaldwijk ontnomen sloten.
Loc. 10372. Niederlandisch-Friesische Sachen aus 1499, bevattende eene uitvoerige briefwisseling tusschen Philips en de Saksische vorsten over de verovering van Ameland en Terschelling door hertog Hendrik van Saksen , benevens over andere zaken.
Loc. 8184. Friesl. Sachen vol. 1 en II. Twee dikke deelen van 255 en 300 folia over de Friesche toestanden onder hertog George tot 1506. In het eerste deel is zeer merkwaardig de uitvoerige beschrijving der Friesche landen ouder het stadhouderschap van Everwijn, .graaf van Bentheim, met opgave van de grietenijen, de grietmannen aldaar, de kloosters, steden en dorpen in ie lere grietenij en het bedrag der rente die zij opbrengen, verder de geheven accijnsen. In deze lijst, loopende over 148 folia, ontbreekt Zevenwolden.
Loc. 8184. » Ungefehrliche Tax und Auszugquot; van de inkomsten in Friesland 1497—1509.
Loc. 8182. Die vom herzog Albrecht gemachten Rüstungen, zur Besetzung der Niederlande und deshalb contrahirte schulden (1495) , met nog verschillende brieven daarover in 2 deelen.
Loc. 8182. Frieslandische Sachen 1501—1504 Een dik deel van 350 folia, originalia en afschriften.
Loc. 8184. Oiigineele brieven uit het jaar 1504, bevattende klachten van Hansesteden over zeerooverij der Friezen. Ibid 1505—1509. Een deel van 360 folia van denzelfden aard ais het voorlaatste.
Loc. 8185. Inventarissen van de verdedigingsmiddelen, voorhanden op de huizen te Harlingen en Leeuwarden in 1508 (20 folia).
Loc. 8184. stukken over de Saksische expeditie naar Friesland, tot ontzet van hertog Hendrik, 1509, waarin fol. 31—35 een overzicht van de geschiedenis der Friesche landen sedert 1494, dienende om de onderdanen in Saksen te bewegen tot het verleenen van hulp.
Loe. 8183. Friesl. Sachen 1510—1514. Een deel van 330 folia , van denzelfden aard als bovengenoemde.
Loc. 8193. Irrungen, tusschen hertog George en den bisschop van Munster wegens den Frieschen krijg, 1512. Hierin fol. 1—4 zeer belangrijke instructie voor de gezanten te Munster, fol. 5—14 klachten
12
bij don keizer, fol. 17—quot;22 het antwoord van Munster, fol. 24—43 klachten over Oost-Friesland, fol 46 opgave der renten van de Ommelanden , in 1506 toegestaan.
Loc. 8184. Bevel van Maximiliaan (1508) aan de «graven in Frieslandquot; om 50 gulden jaarlijks te betalen voor het Rijkskamergericht.
Loc. 8193. Friesl. Kriegssachen : opgave van de hoplieden inJFries-land, den voorraad op de sloten aldaar en rekeningen over A0 1514 en volgende jaren. (350 folia.)
Loc. 8193. Lijst van de Friesche kloosters in het begin der 16de eeuw (46 ten W., 24 ten O. van de Lauwers) 3 folia.
Loc. 8183. Friesl. Sachen 1514—1515. Een deel van 375 folia met origineelen en afschriften.
Loc. 8184. Friesl. Sachen 1516—1537. Een deel van 250 folia met gegevens over den Zwarten Hoop, de overdracht van Friesland enz.
Loc. 8193. Vergelijk tusschen de Friezen onderling over de gerechtelijke boeten (dd. 1448) omgezet in Meissensche geldswaarde (11 folia).
Loc. 8194. Meting van de Bildt door Frans Minema en Hessel Martena met opgave van de gebruikers. Hierin ook opgaven omtrent de kosten der droogmaking van de Bildt enz. (1513—1.518).
2. In den catalogus sub 1°. bedoeld vindt men eene talrijke menigte oorhonden uit de jaren 1488—1517, waarvan onder bijlage D eene opgave volgt.
3. Eindelijk zijn nog vele gegevens voor de kennis der Friesche geschiedenis tijdens de Saksische heerschappij te putten uit de Copial-Mcher, vooral uit de nummers 12, 16, 106, 108, 109, 110, 112 en 121. Ook uit deze Copialbiicher vindt men in bijlage D een en ander, wel het belangrijkste, bijeen in den vorm van regesten.
Men mag beweren, dat het Friesche archief van Albrecht van S. en zijne zonen bijna volledig bewaard is gebleven. Dat dit geschied is, hebben wij hoogst waarschijnlijk te danken aan August van Saksen , die in 1553 zijn broeder Moritz opvolgde ; August heeft het eerst orde gebracht in het archief der Saksische kanselarij. Dat hij een goed denkbeeld van een archief had , blijkt vooral hieruit, dat hij standvastig geweigerd heeft gehoor te geven aan de aanmaningen van zijn bloedverwant Wilhelm IV van Hessen om de stukken over de ongelukkige Anna van Saksen te vernietigen, wat deze daarentegen bijna volledig heeft gedaan ; zoo vinden wij te Dresden eene menigte stukken over de moeilijkheden tusschen Anna en den Prins van Oranje , terwijl het Hessische archief te Marburg bijna niets daarover kan aanwijzen.
B. De tweede reeks van stukken in het archief te Dresden , voor onze geschiedenis van belang, begint met het voorjaar van 1560, toen de quaestie van het huwelijk van Prins Willem van Oranje met Anna van Saksen op het tapijt kwam, en eindigt met het begin van de 17de eeuw.
1. Van vóór 1560 vindt men alleen in Loc. 8520 (Verzeichniss Kriegssachen , vol. II, fol. 24, nquot;. 4a, 1—30) eene zeer curieuseen uitvoerige
13
beschrijving van de feesten te Brussel ter eere van Philips II in 1549, door dr. Franz Kram opgesteld voor Moritz van Saksen.
2. Over het huwelijk van Prins quot;Willem met Anna vindt men het voornaamste bijeen in:
Loc. 9941. Printzen zu Uranien Heirath (1560 u. 1561), een dik deel, bevattende de hierover tusschen Saksen, Hessen en den Prins gevoerde onderhandelingen ; hierin vele origineele brieven van den Prins, waarvan slechts zeer enkele bij Groen zijn uitgegeven.
Loc. 9941. Der Prinzessin von Uranien Reise nach Colln und derselben Versorgung daselbst (1567—1569). Hierin een verslag van den keurvorstelijken gezant von Berlepsch omtrent haar toestand in den aanvang van 1569; verder brieven van Prins Willem, August van Saksen, Wilhelm van Hessen en Anna, origineelen en kopieën.
Loc. 9941. Kopieën van brieven, geschreven door en aan Balthasar Wormb, kamerdienaar van keurvorst August, over het huwelijk van Anna (1560). Hierin vindt men merkwaardige gegevens omtrent de wijze waarop de Prins tijdens de gevoerde onderhandelingen in betrekking bleef met Anna en personen uit hare omgeving; vooral Wormb was een invloedrijk agent van den Prins.
Loc. 9941. De officieele stukken betreffende het huwelijk der Prinses. Hierin ontbreekt fol. 301 , waarin moet gestaan hebben het belangrijke document over de religie van Anna, welks onderteekening t\'e vergeefs door August van den Prins werd geëischt.
In ditzelfde Locat nog allerlei stukken over de feestelijkheden bij gelegenheid van het huwelijk.
Loc. 9942. Beschrijving der huwelijksfeesten.
Loc. 9942 (ii0. 8 C, fol. 17). Nauwkeurige beschrijving van de trouwplechtigheid zelve met de aanspraken on de preek, door den superintendent van Leipzig, dr. Pfeffinger, daarbij uitgesproken. Zeer merkwaardige verzameling.
Loc. 8032. Stukken over prinses Anna, rakende hare behandeling na 1572, haar verblijf te Zeitz , haar dood en hare nalatenschap.
Bovendien vindt men nog bronnen voor deze treurige geschiedenis in de Copialbücher 261 , 300, 345 en 509. Regesta van het voornaamste uit deze stukken, met enkele brieven enz. in extenso, in bijlage E.
3. Over de betrekkingen van Saksen tot de onlusten in de Nederlanden bezit dit archief eene menigte stukken.
Loc. 8510 (Verzeichniss Handschreiben n0. 62, fol. 18). Handschrei-ben Oraniens an Kurf. August 1562—1570 , bevattende eene geregeld onderhouden correspondentie over politieke en private aangelegenheden.
Loc. 9819. Veranderung der Religion in den Niederliinden (1566— 1567). Hierin correspondentie van den Prins met keurvorst August over de toestanden in de Nederlanden , vooral over de aanneming der Augs-burgsche confessie. Verder eene menigte brieven , gewisseld tusschen de Dnitsche vorsten, over eene interventie in de Nederlanden.
Loc. 9307—9315 (Verzeichniss Kriegssachen II, 350) bevattende 94,
r
14
meerendeels lijvige, deelen over den SOjarigen oorlog tot in het begin der 16de eeuw. Meestal bevatten deze deelen »Zeitungseorrespondenzquot; met de nieuwste nieuwtjes uit Nederland, waaromtrent wij van elders nauwkeuriger en beter ingelicht zijn ; hier en daar verspreid een enkelen brief van den Prins , in den regel reeds bij Groen uitgegeven. Overigens ligt in deze deelen een schat van gegevens voor de geschiedenis der politiek van de Duitsche vorsten in de 16de eeuw ten opzichte van de -dreigende houding der Spaansche monarchie tegenover de rijksvorsten aan de Nederlandsche grenzen. In deel 1 vindt men o. a. op bl. 209 de justificatie van 1568 met de Latijnsche vertaling, » conversum ex (jallico sermone a Kicolao de Hamsquot;; in\' deel 4 belangrijke correspondentie van Wilhelm van Hessen met Keurvorst August over de voorgenomen interventie in de Nederlanden in 1567 bij de eerste geruchten over de komst van Alva. Wilhelm van Hessen begeerde toen niets liever dan zulk eene interventie »vor die bedrangtten Christen in den Niederlanden quot; en stond in nauwe betrekking tot den Prins , die hem o. a. 25 Oct. 1567 te Cassel bezocht. In deel 5,6, 7, 10 , II, 13, 16, 22, 23 en 25 weder correspondentie met Willem van Hessen tot 1574; in deel 28 met zijn broeder Philips van Hessen (1575—1576), gedachtenwisselingen over de toestanden iu de Nederlanden. In deel 7 en 9 onderhandelingen tusschen de keurvorsten en den Keizer over dezelfde zaken. In deel 12 stukken over den tocht van den Prins in 1569. In deel 15 over de leening, door prins Willem in 1568 bij August opgenomen. In deel 26 tot 43 stukken over den oorlog van 1574 tot 1588. In deel 40 het advies van Jenitz over de houding der Duitsche vorsten. In deel 43 onderhandelingen met Denemarken over de Nederlandsche zaken. In deel 47 en 48 over de Spaansche troepen in Keulen en Trier (1588—1589). In deel 50 over de bemiddelingsvoorstellen van het Rijk na 1590. In deel 51 stukken over een voorgenomen interventie in de Nederlanden (1594—1599). Dedeelen 55—70 loopen over den veldtocht der Spanjaarden in de Rijnlanden in 1599 , en bevatten talrijke brieven en bijlagen. De deelen 73—81 behandelen het jaar 1600. Deel 83 bevat de gezantschapsberichten van den keizerlijken gezant in de Nederlanden Leopold von Strahlendorff (1604). Deel 88 eene beschouwing over de oorzaken van den opstand der Nederlanden.
Loc. 9309. Gedetailleerde opgave, uit een Spaansch boek overge-. nomen , van de sommen , door Spanje betaald ten behoeve van den Nederlandschen oorlog van 1 April 1567 tot einde Aug. 1576. Deze sommen bedragen in totaal 22 462 885 dukaten.
Loc. 10720. Brieven van Heinrich Wachtel uit den Haag aan den keurvorst over de toestanden in de Nederlanden 1578—1582, van weinig belang.
Loc. 9818. (N0. 7 C). De besprekingen van dr. Andreas Paul met Languet over de vredesonderhandelingen te Keulen in 1580.
Loc. 9310. Zes brieven over de sluiting van de Sont (1581 en 1582).
Loc. 9310. Schriften betreffende de plannen van Spanje tegen de Evangelische rijksstenden, 1588.
15
Loc. 9310. Stukken betredende het verraad van Geertruideuberg- in 1590 door den Saksischen overste Philips von Draschwitz; brieven vaii Hohenlohe aan keurvorst Christiaan hierover.
Loc. 9818 (B. n0. 16). Drie dikke deelen met stukken over de vredesonderhandelingen, 1593—1607, vanwege het Duitsche Rijk begonnen.
Loc. 9314. Acta van den Rijksdag te Frankfurt aquot;. 1600 , betreffende interventie in de Nederlanden.
Loc. 9314. Graff Wilhelm Ludwigs von Kassaw Beschreibung\' der Schlacht bij Newportt, kort na den slag opgesteld.
Loc. 10157. Rapport over de pogingen van Lübeck (1602) om vermindering van rijkslasten te verkrijgen , belangrijk voor de geschiedenis van onzen Oostzeehandel.
Loc. 8284. Legatie in de Nederlanden van Leopold von Strahlen-dorff (1604-1607).
Verder vindt men in de Copialbücher 261 , 300, 321, 345 en 514 nog enkele brieven over den SOjarigen oorlog.
Loc. 10154. Pogingen van Frankrijk en de Nederl. om in Frankfurt am Main vrije godsdienstoefening te verkrijgen (1612 — 1614).
Loc. 8304. Stukken over de klachten van Maximiliaau van Bronk-horst, heer van Batenburg , wegens de schatting van Batenburg door de oorlogvoerende partijen (1625—1628).
Loc. 74(19. Onderhandelingen met de Staten over bemoeilijking van den Silezischen handel in garen en linnen (1634).
De belangrijkste berichten omtrent den 80jarigen oorlog zijn die, vervat in de brieven van en aan den Prins van Oranje. Uittreksels hieruit, benevens enkele brieven in extenso in bijlage F.
4. Over de geschiedenis der Republiek na 1648\'bevat het archief te Dresden nog enkele stukken.
Loc 10720. Berichten van den Cammerrath Tancken uit den Haag aan den keurvorst (1662—1664), van veel inzicht in onze toestanden getuigend. Van denzelfde ook berichten over 1667 en 1668, vooral over de Triple Alliantie.
Van 1685 af zijn de diplomatieke correspondentiën der Poolsch-Saksische gezanten in den Haag hier bewaard. (Verzeichniss Gesandt-schaften, IV, V, 8, fol. 181).
Prof. P. L. Muller te Leiden , excerpeerde bij zijn bezoek aan dit archief in 1868 een groot gedeelte van deze diplomatieke correspondentiën , voor zoover zij betrekking hadden op de politiek tegen het einde der 17de eeuw.
Vooral verdient de aandacht te worden gevestigd op de belangrijke papieren van den gezant Lagnasco (1707—1710), op de Rescripte aus dem geheimen Consilium an den Gesandten im Haag (1722—1750), op de papieren van Kauderbach (1739—1776). Van 1778 tot 1865 ontbreken de gezantschapsberichten uit den Haag; de betrekkingen tus^ schen de beide; landen waren in dien tijd niet van veel beteekenis.
Verder vindt men voor de 18de eeuw nog:
Bundels verhandelingen over het traktaat van Sevilla, 1729 (Arcbiv-Verzeichniss VII, 26, I nquot;. 1).
16
Correspondentie met lord Albemarle over Nederlandsclie zaken (1701— 1705) (Arch. Verz. IV, V, 20).
Correspondentiën uit de Nederlanden 1713, 1734, 1735; uit Ceylon en Batavia, 1731 ; uit de Nederlanden, 1792 (van Reinhardt; Arcliivv. IV, V, 20).
Loc. 2837. Brieven van de Staten aan Augustus II en III (1698— 1751) o. a. 6 Nov. 1698 om bescherming voor de naar Saksen gevluchte Réfugiés, 28 Nov. 1098 over den korenhandel op Danzig.
Loc. 5263. Uitvoerige berichten van den gezant Kauderbach over de plannen tot verbetering van den handel in 1751. Uittreksels hieruit in bijlage G.
Loc. 30087. Afschriften van brieven , gewisseld tusschen Willem I en de gevolmachtigden der Mogendheden te Londen (1836—1838).
De Kiin. Bihliotheh te Dresden bevat nog enkele manuscripten en incunabelen , van belang voor onze geschiedenis en letterkunde. De welwillendheid van den directeur Gehelmrath dr. Forstemann stelde mij in staat een en ander daarover op te teekenen. Het resultaat van mijn onderzoek was evenwel niet zoo belangrijk als ik mij had voorgesteld : de verwachting , dat bij den aaukoop der talrijke schilderijen, prenten en curiosa van Hollandschen oorsprong ook menig oud manuscript naar Dresden zou verhuisd zijn , bleek mij ijdel te zijn.
Onder dé mss. vindt men :
LI 33« fol. la, Ylaamsche kroniek van 1468 tot de tijden van Maxi-miliaan, waarin berichten omtrent het oproer te Zierikzee in 1472 en den tocht naar Gelder in 1473, opgenomen in bijlage H (ms. papier 15 eeuw). Op fol. 12 eene tweede Vlaamsche kroniek , loopende tot 1436 , waarin ook een en ander omtrent de noordelijke Nederlanden.
M. 295. Een werk van Menno Simons, verdeeld in de volgende onder-deelen : van den tijdt der genaden , van waere penitencie, van gelove, supplicatie , van den Apostolischen üoope (12° in 176 bladen, I6de eeuw).
M. 291. Gebedenboek, geschreven door »Ghese ten Broecke, non te Selwert int doester , voer die devoete suster Anne Tijddinghesquot; (12°, met miniaturen en gekleurde houtsneden, 15de eeuw).
G. 82 en 83. Naamrolle van schoudts, borgemeesters, schepens ende rades van Utrecht, 1196—1669 (2 deelen in fol., 17de eeuw).
G. 87. Kort verhaal van den oorsprong van den ]aasten Javaaschen oorlog (1741), fol., 112 bladz.
G. 95. Afschrift door Leo Sibrandus Friso gemaakt van de kroniek van Occo Scarlensis (1591).
G. 96. 88 kopieën van brieven door Floris Hermalen, de Staten-Ge-neraal en verscheidene vorsten en prinsen geschreven van 27 Aug. 1577 tot 1 Nov. 1582 aan de Staten van Utrecht, vroeger bewaard in de Mariakerk te Utrecht.
De incunabelen vindt men in bijlage C achter die van de Keulsche Bibliotheek.
17
III. KON. GEHEIM ES SÏAATSARCHIV TU BERLIJN.
Het Staatsarchief to Berlijn (Klosterstrasse, geopend dagelijks 9—3) bevat die oorkonden en akten . welke op de gescliiedenis van den Bran-denburg-Pruisischen Staat in het algemeen betrekking hebben, de ar-archieven der centrale regeering te Berlijn. Aan het hoofd van allo Pruisische Staatsarchieven onder den Rijkskanselier is de beroemde geschiedkundige prof. Von Sybel geplaatst. Om toegang tot een der staatsarchieven te verkrijgen kunnen buitenlanders zich wenden tot de Pruisische regeering.
J. De politieke betrekkingen van de Nederlanden met Brandenburg en Pruisen beginnen eigenlijk eerst met den Grooten Keurvorst. Toch vindt, men ook voor de eerste tijden van den SOjarigen oorlog belangrijke gegevens in het Brandenburgsche archief, daar ook in Brandenburg de gebeurtenissen in de Nederlanden zeer de aandacht trokken.
R. 39 n0. G5. Deze bundel bevat vooreerst deelen van de correspondentie tusschen Saksen en Brandenburg over de Nederlanden; voor 1573 en 1574 slechts weinig beteekenende overblijfselen dezer correspondentie, enkele brieven van Philips II, Requesens enz.
Veel belangrijker zijn de authentieke kopieën der correspondentie van keizer Rudolf met zijne commissarissen in de Nederlanden (1576—1579); vooral van gewicht zijn do gezantschapsberichten der keizerlijke commissarissen in de Nederlanden. Uittreksels daaruit vindt men in liijlage I. Verder zijn er ook dergelijke correspondentiën omtrent de onderhandelingen te Keulen.
R. 39 n0. 67. Klachten van Oostfriesland over nadoelen , dit Land toegebracht door Spanjaarden eu Nederlanders , 1585—1587.
R. 39 n0. 68. Stukken over de bezetting van Westfalen en het Triersche door de Spanjaarden , 1586—1587.
R. 39 n0. 76. Verzameling van stukken over de latere jaren van den oorlog, 1578—1597; in u°. 73 over de verovering van Rijnberk door Maurits.
^ R. 35 A n0. 17. Belangrijke verzameling stukken over de Gulik-Kleefsche successie, waarin o. a. de correspondentie van markgraaf Ernst en paltsgraaf Wolfgang met aartshertog Leopold (1609—1610); verderuit-voerigeacta over de onderhandelingen te Keulen in het najaar van 1610. Merkwaardig zijn ook de onderschepte brieven van aartshertog Leopold , 36 missives, die licht verspreiden over de geheime intriges bij die quaestie.
3. Overigens bevat het Staatsarchiv eene uiterst belangrijke reeks diplomatieke correspondentiën van de Brandenb.-Pruis. gezanten in Den Haag, beginnende met den tijd van den Grooten Keurvorst en doorloopende tot in de 19de eeuw.
2
18
De heer prof. P. L. Muller te Leiden had de correspondentie uit de tijden van den Groeten Keurvorst reeds vroeger onderzocht en geëxcerpeerd , gedeeltelijk ook reeds gepubliceerd in zijne werken over de laatste helft der 17de eeuw Ik bepaalde mij dus lot een deel der 18de eeuw en excerpeerde in de weinige dagen , die ik nog te Berlijn kon doorbrengen , de correspondentie in cijferschrift van den Pruisischen gezant in den Haag, baron von Thulemeyer, over de!jaren 1782-1786, voornamelijk wat betreft de inwendige toestanden in de Republiek. Wèl zijn in het Rijksarchief en het Huisarchief des Konings in den Haag- afschriften van vele dier brieven , die door de Regeering hier onderschept waren, maar vele , die of aan de oplettendheid der Hollandsche agenten ontsnapten èf niet ontcijferd konden worden door de beambten in Den Haag èf per koerier aan den gezant werden gezonden, ontbreken in de Haagsche verzamelingen; bovendien vond ik in deze correspondentie nog eene menigte brieven van Frederik den Groote en zijne ministers over de antwoorden, die de Pruisische Regeering aan Thulemeyer zon doen toekomen. Mijne excerpten bewijzen m.i. voldoende de belangrijkheid dezer correspondentiën voor de geschiedenis der Republiek. Ik vestig daarom de aandacht onzer geschiedkundigen op deze rijke bron. De Pruisische Regeering , die mij toestond alle stukken van vóór 1815 te onderzoeken , te excerpecren of over te schrijven , zal zeer zeker ook aan andere onderzoekers den toegang tot deze schatten niet weigeren.
In de heeren dr. Friedlaender, dr. Philippi en dr. Arnold vond ik welwillende gidsen in het staatsarchief te Berlijn ; ook hun breng ik mijn dank voor hunne ijverige hulp , die mij tot op zekere hoogte het nadeel vergoedde van liet verbod om aan niet-ambtenaren catalogi en inventarissen voor te leggen.
De Kijn. Bihlüthek te Berlijn bevat nog eenige mss., die voor onze letteren en onze geschiedenis van belang zijn.
In folio;
52. De bekende codex van Maerlant\'s Bestiarius.
115« en 115i. Extracten uit Van Meteren, van de hand van Frederik Hendrik en kort voor zijn dood geschreven.
263. Landrecht van Bommel , Tie! en Bommelerwaard , 1620 geschreven door A. de Raedt Janss., schoolmeester.
268. Costuymen van Vlissingen, 1650.
298. Dagboek van Johan George van Saksen op eene reis o. a. door Holland, einde 17de eeuw.
415. Extract uit de notulen der classis Tholen , 10 December 1680 , over Jan van Berlekom.
758. Kroniek van Occo Scarlensis, geschreven door Jarich Donnés te Ferwert, 1579.
884—897. Stukken over de Kaap de Goede Hoop, 1803—1806.
In quarto;
42. Het fraai geïllumineerde gebedenboek van Maria van Gelder, in ivoren band, 15de eeuw, Nederrijnsche taal.
19
154. Ms. gedichten van Hooft, Spiegel e. a., waarschijnlijk alle reeds gedrukt.
238. Afbeelding der gewassen, door Simon v. d.\'Steil in lG95aaii de Kaap gevonden , met 52 platen.
In octavo:
Summa clirijstlicher leere der predicanten in Oost-Vriesland, 1565.
Onder de codices Latini:
In folio :
13. Henricus de Gouda, Summa (ms. 15 eeuw).
131i en 131c. Handvesten van Culemborgh en Genealogie van den Imyse Culemborgh.
245. Dcscriptio itineris Hierosolomytani, anno 1389, auctore Joh. Witte de Hese presbytero Trajectensis diocesis. Dit ms. van 12 folia is blijkens het prooemium een cadeau aan Petrus de Via, nepos van Joh. XXII, gegeven door Angelus de Deo, die het «transsumpsit in Romana lingua quot;.
2GG. Emmius, historia nostri temporis (ms. 17de\'eeuw).
In quarto:
122c. Chronologia episcoporum Traject. (14de eeuw). 265. Afschriften van de oorkonden der Servatius-abdij te Maastricht, gemaakt door den verzamelaar Quix.
355. Joh. Busch, de origine moderne Devotionis , de origine mo-nasterii in Windesom , Epistolae ad diversos , Sermones; Gerhardi Grot, Informacio noviciorum. Het boek heeft blijkens eene aanteekening er in behoord aan het klooster S. Pancras te Hamersleben en is geschreven door Joh. Schulteti filius, Arnoldi de Schuttorp, de gymn. Halberstadensi.
Van de incunabelen der bibliotheek bestaat geen afzonderlijke catalogus.
20
IV. STAATSARCHIV TE MARBURCl.
Het archief van liet, voormalige keurvorsteiidora, nu de provincie Hessen, vroeger in fle hoofdstad Cassel bewaard, bevindt /.icli tegenwoordig in het oude landgrafelijko slot te Marburg, welks zalen , voor een groot-deel gerestaureerd op kosten des Keizers , thans meerendeels gevuld ziju met de oude keur vorstelijke archieven en die van Hanau en Fulda; de gerestaureerde ridderzaal, dagtcekenend uit de l.\'ide eeuw, en de kapel, waarin ook Luther eenmaal gepredikt heeft, worden niet gebruikt als archiertokalen. Boven op een der iioogste bergtoppen uit den omtrek gelegen, is dit klassieke slot wel een der fraaiste archiefgebouwen, die ergens bestaan; de moeite, die de bezoeker doen moet om den top te bereiken , wordt ruim-choots beloond door de prachtige panorama\'s , die zich opdoen vcor het oog, en den interessanten aanblik, dien het gebouw zelf met zijne bijgebouwen oplevert. In de bijgebouwen, meest allen ook uit oude tijden dagteekenend, wonen de beambten van het archief, dat van 8 tot I uur geopend is.
Aan het hoofd van dit archief staat dr. Könnecke, wiens uitnemende gaven van organisatie de bewondering opwekken van iederen bezoeker. Ik wil niet nalaten hier mijne dankbaarheid uit te spreken voor de groote welwillendheid en hulpvaardigheid, die ik te Marburg mocht ondervinden, vooral van de zijde van dr. Könnecke en den Archiv-secretar dr. Winter, eene welwillendheid, waarvan ik reeds vroeger de bewijzen had ontvangen , toen een aantal portefeuilles met brieven van en over Lodewijk van Nassau mij in het vorige jaar werden toegezonden om ze in de lokalen van het archief te Groningen te gebruiken.
De betrekkingen van de Nederlanden met Hessen zijn in vroegere tijden zeer levendig geweest, minder omdat de beide landen zooveel gemeenschappelijke belangen hadden , dan wel omdat het huis van Oranje van het midden der I6de tot het midden der I8de eeuw zeer gelieerd was met het Hessische vorstenhuis. Vooral landgraaf Wilhelm IV van Hessen, diens zoon Moritz en de tweede keurvorst Karl waren innig verbonden aan het huis van Üranje-Nassau.
1. Afgezien van de oude oorkonden van Fulda, die betrekking hebben op Nederlandsche bezittingen\' dier abdij en reeds vroeger herhaaldelijk zijn uitgegeven , vangt de reeks der stukken over Neder-landsche zaken aan onder de regeering van den bekenden landgraaf Philips, en wel met berichten uit den Haag, in 1535 door den Hessi-scben agent Dirk Smit aan den landgraaf gezonden, over de bewegingen der Wederdoopers , waarin deze levendig belang stelde. Deze berichten zijn te vinden in den bundel:
21
Niederlaude 1535—1566, waarin o. a. tal van vertrouwelijke brieven van de Nassau\'s over Nederlandsche toestandei); daarvan zijn bij Groen reeds enkele gedrukt, echter lang niet alle belangrijke, wat misschien hieraan te wijten is, dat dit archief eerst sedert kr)rt in orde is gebracht.
Deze bundel is de eerste van eene reeks van meer dan 100 bundels over de Nederlanden , belangrijk vooral voor het eerste gedeelte van den SOjarigen oorlog, tot 1574, toen Lode wijk van Nassau, de intieme vriend van landgraaf Wilhelm , op het slagveld van de Mookerheide viel. Niet alleen met Lodewijk correspondeerde de landgraaf trouw sedert 1562; ook met prins Willem, graaf Jan en de » Religionsverwandte-quot; of »Correspondenzfürstenquot; : Saksen, Wurtemberg, de Paltz, Brandenburg, Brunswijk en anderen , voerde hij eene drukke briefwisseling over de Nederlandsche zaken. In den regel was Wilhelm de tusschenpersoon bij de onderhandelingen der Nassausche vorsten met de overige Duitsche heeren; hij vervulde tot op zekere hoogte de rol, die na 1580 door Jan van iSassau werd vervuld. In zijne brieven aan de üuitsche vorsten vindt men dan ook eene menigte gegevens voor onze geschiedenis.
Zoo in den bundel 1568 II een aantal stukken over den keurvorstendag te Bacharach , waar gehandeld werd over eene interventie in de Nederlanden; in dien 1569 over de f 10000, door graaf Jan van Nassau van baksen geleend ; in dien van 1571 correspondentie met den graaf van Nieuwenaar; in die van 1572 1 en II, over de wervingen van Alva en den Prins; in die van 1573, drie in getal, over de onderhandelingen met Frankrijk door bemiddeling van graaf Lodewijk ; in dien van 1574 over den veldtocht van Christofiel van de Paltz en graaf Lodewijk; in dien van 1575 over de vredesonderhandelingen; in dien van 1576 over Johan Casimir\'s plannen en de Pacificatie ; in die van 1577 , weder drie in getal, brieven van Marnix en Johan Casimir; in dien van 1577—1579 zeer belangrijke correspondentie met Jan van Nassau over diens vertrek naar de Nederlanden ; in dien van 1578 belangrijke berichten omtrent de reis van don Ramiro Nnüez in üuitschland om den steun der vorsten voor don Jan te verkrijgen; in 1579 o. a. een brief van Dathenus over Nederlandsche toestanden; in andere deelen over 1579 en 158\') belangrijke gegevens voor de Keulsche onderhandelingen, correspondentie met den gezant aldaar, Antoine des Traos, en den Keulschen burgemeester Pilgrim; in dien van 1582 belangrijke brieven over de zending van Anjou; in dien van 1583 tot 1585 correspondentie met Heinrich Ebel (pseudonym Johan Hugo) uit Madrid, Antwerpen en Amsterdam . over de toestanden in Spanje en de Nederlanden , ook met Antonius Levinus; in dien over 1586 over de nadering der Spanjaarden aan den Nederrijn , waardoor ook Hessen bedreigd werd. Talloos zijn de berichten uit de Nederlanden , als bijlagen bij deze brieven gevoegd en waaraan zij den naam » Zeitungs-correspondenz quot; te danken hebben. In den bundel 1587—1590 vindt men correspondentie met Otto van Bilandt, overste-luitenant van den West-faalschen Kreits, over de tochten van Maarten Schenck.
Landgraaf Moritz voerde evenzoo met Jan van Nassau eene zeer drukke briefwisseling over de plannen tot interventie in de Nederlanden ;
veel vindt men hierover in den bundel 1591 —1600, evenals over de benoeming van Ernst van Oostenrijk en later van Albrecht tot landvoogd , welke benoemingen aanleiding gaven tot correspondentie tusschen Moritz en den Keizer.
In den bundel 1601—1610 brieven van prins Maurits en de Staten-Generaal om Hessen te bewegen met geld en troepen te helpen ; verder nog een Journaal over het beleg van Ostende, gehouden door Jacobus Junius voor Willem Lodewijk van Nassau. In den bundel 1610—1613 belangrijke correspondentie van den Hessischen agent in den Haag, Philibert du Bois. In dien van 1613 tot 1619 eene lijvige correspondentie over een voorgenomen huwelijk van Frederik Hendrik met Elizabeth van Hessen , dochter van Moritz. Als bemiddelaar in deze zaak trad op Johan van Kassau-Dillenburg; de gezant der Staten-Gen. in Hessen was Peter vau Brederode, die van de Oranje\'s Gaston de Lambert. De door den Prins gevraagde bruidschat vau 100 000 rijnsche guldens werd ra vele moeilijkheden toegestaan en het voor-loopig verdrag door bemiddeling van Kurpfalz te Frankfort gesloten. De Staten en de Oranjes weigerden echter dit verdrag , door hunne gezanten gesloten, goed te keuren , om redenen van politieken aard , daar in dat verdrag weinig gelet was op het hoofddoel, dat de Staten en de Prins er mede hadden , n. 1. eene nauwere verbintenis met de Unie der Protestanten. Morilz , woedend hierover , correspondeert met zijne bloedverwanten en maakt de zaak in 1617 af, hoewel hij later .de Protestantsche Unie tot een verbond met de Nederlanden zocht te brengen. In den bundel 1633 tot 1634 diplomatieke correspondentie met Joachim de Wicquefort, resident van Hessen in den Haag 1635—1630 ; twee bundels met correspondentiën met Lodewijk van Kinschot van denzelfden aard.
Het belangrijkste»gedeelte dezer correspondentiën ziju de beide bundels 1638—1648, bevattende de hoogst interessante briefwisseling van de Wicquefort met de landgravin Amalia , toen voogdes over haren zoon , Wilhelm VI. Diens vader. Wilhelm V, correspondeerde druk met Hendrik Casimir van Nassau 1636—1637; Amalia bezocht dezen zelfs te Groningen. In een bundeltje 1638 — 1639 , vindt men vier kinderlijke brieven van den jongen prins Willem van Oranje aan den even jongen Wilhelm VI.
In het laatst der 16de eeuw waren de betrekkingen tusschen het huis Oranje-Nassau en de Hessischo vorsten minder innig, zoodat in den bundel 1644—1697 weinig anders te vinden is dan felicitatiebrieven bij geboorte en huwelijk en condoleantie-brieven bij sterfgeval in een der beide familiën; alleen over het gezantschap van Brasser in Hessen (voorjaar 1672) , om hulp tegen Frankrijk van den landgraaf te verkrijgen , zijn stukken van belang voorhanden.
2. Vrieudschappelijker en inniger wordt de verhouding tusschen do beide huizen weder in de 18de eeuw , door het huwelijk van Johan Willem Friso met Maria Louise van Hessen , de dochter van keurvorst Karl. De keurvorst werd voogd over den jongen Willem IV, ten gevolge waarvan wij hier stukken vinden over de erfenis van Willem 111,
23
in den bundel 1702—1717; in dien van 1717 — 1740 over de vesting Maastricht; in dien van 1721 — 1730 over het uithuwelijken van «ene Engelseheof Pruisische prinses aan Willem IV (1726), over de » amortisatiequot; van Veere eu Vlissiugen (1723), over het stadhouderschap in Overijssel (1724). Belangrijk in dezen bundel is de correspondentie over de opvoeding van Willem IV, tusschen Maria Louise en Keurvorst Karl (1725—1727). In den bundel 1731 —1746 ontmoet men stukken over de middelen om den katholieken tak van het huis Nas-au te doen uitsterven en zijne goederen in handen van Willem IV te brengen. Minder belangrijk is de bundel 1751 — 1784.
In den bundel Niederlande, Varia, ontmoet men zeer merkwaardige briefwisselingen, o. a. 1748—1751 , berichten van den resident Mann uit den Haag; 1730—1747, zeer intieme correspondentie van Willem IV eu zijne moeder met Friedrich van Zweden, keurvorst van Hessen; 1721 —1729, van Maria Louise met de keurvorsten Karl en Friedrich, haar vader en haar broeder. Andere particuliere correspondeutiën en gezantschapsberichten uit den Haag uit de jaren 1725—1747.
Eene tweede collectie Varia (O. W. 1. 784) bevat c. a. de corres-pondentie van den graaf van Rechteren niet keurvorst Karl (1708) over binnenlandscbe politiek.
Eene derde collectie Varia (O. W, 1, 793) bevat o. a, stukken over de OTiderhandelingen tusschen de Duitsche Protestiinten in 1567 gevoerd over eene interventie in de Nederlanden.
3. In het archief van Marburg is ook eene reeks diplomatieke correspondeutiën der residenten in den Haag uit de 18\'leeeuw, loopende viiu 1702—1769 en van 1785—1806, die evenwel weinig belangrijks schijnen te bevatten, wat wel te verwachten was bij de on beteekenende rol, die Hessen in de politiek speelde; toch kan het zijn nut hebben , te zien , wat een toeschouwer, die buiten de intriges van Engeland , Frankrijk, Pruisen en Rusland stond, daarover mededeelde aan zijn vorst.
4. Onder de bronnen voor onze geschiedenis zijn ook te rekenen de bundels correspondeutiën met Saksen, de Paltz e. a. Vooral vestig ik de aandacht in dit opzicht op die met Saksen voor het eerste gedeelte van den 80jarigeu oorlog en liet huwelijk van den Prins met prinses Anna , waarover nog enkele gewichtige stukken voorhanden zijn.
In de afdeeling Franhreich, vooral in de bundels 1562—1563, 1562—1574 en 1569 (drie deelen) komt veel voor, wat voor onze geschiedenis van belang is, vooral de correspondentie van Wilhelm IV met Languet (Jan. —Aug. 1569) over de gebeurtenissen in Frankrijk en de Nederlanden.
5. Merkwaardige gravures eu kopieën van plannen en kaarten voor de belangrijkste wapenfeiten , vooral van den tijd van Maurits en Frederik Hendrik, vindt men in de beroemde verzameling, de Wïl-hélmshöher Plane, kolossale portefeuilles met teekeningen en gravures , waarvan ik noem in de eerste portefeuille;
IS0. 2. Ordre de bataille du délivrement de Coevorden , 1594.
24
N0. 3. Ordre de la bataille de Nieuwpoort, dressé par le Prince d\'ürauge.
N0. 4. TeekeiÜDgen van het beleg van Rees in 1605 en in 1622.
6. In het archief verspreid vindt men aanteekeningen over den aankoop van de schilderijen der Oasseler Gallerie , in de 18de eeuw; de beer dr. Könnecke, heeft een werk hierover in manuscript bijna gereed, waaruit natuurlijk veel te leercn valt voor onze kunstgeschiedenis.
Hierachter volgen in bijlage K brieven en excerpten uit de bundels , die op den SOjarigen oorlog betrekking hebben.
In de UniversiteitsUbliotheek te Marburg bevinden zich o. a over-blüfselen der bibliotheek van Corvey , vooral incunabelen , die echter niet afzonderlijk gecatalogiseerd zijn.
25
V. STAATSAKCHIV TE DÜSSELDORF.
Het mouwgebouwije Staatsarchiv te Düsseldorf (geopend 9—1 uur), bevat de archieven van de landen aan den Nederrijn en van eenigo kloosters in die streken. Men kan het dus verdeelen in do archieven van Jülich-Berg , Cleve-Mark en Kurkciln , benevens die van de kloosters Essen, Marienfrede , Wertheu , Xanten enz. Aan het hoofl van dit rijke archief st-fiat Geheimrath dr. Harless, tevens bibliothecaris tier stedelijke bibliotheek
Het was te verwachten , dat men hier veel zou vinden voor onze geschiedenis, vooral voor die vau Gelderland en Limburg. Dit kon trouwens van te voren blijken uit het overzicht van het archief, door dr. Lamprecht gepubliceerd in het Zeitschrift für Rhein. GeschicMsk.
1. Jülich-Berg. In het Urkunden-archiv van dezen afdeeling vindt men ook nog onuitgegeven oorkonden , betrekking hebbende op de geschiedenis van Gelder. Daar evenwel de catalogi niet ie mijner beschikking stonden en de oorkonden daarin alleen chronologisch zijn geregistreerd , is het thans niet mogelijk met eenige zekerheid te zeggen , of de weinige oorkonden , waarvan hierachter de regesten volgen in bijlage L , de eenige zijn , in dit lt;irchief voor ons van belang. Enkele mededeelingen , die ik dank aan de welwillendheid van dr. Harless, doen mij bijna met zekerheid vermoeden, dat er nog vele oorkonden , zoowel in dit deel van het archief als in de beide volgende afdeelingen , voorhanden zijn , die licht kunnen verspreiden over onze geschiedenis. Ik mocht echter van de ambtenaren , aan het archief verbonden , niet eiscben , dat zij alle oorkonden, misschien 5 of 6000 in getal, nagingen om erdeNederlandscheofopde Nederlanden betrekking hebbende uit op te zoeken.
Gemakkelijker was het voor de heeren ambtenaren aan het archief, mij inzage te verleenen van den inhoud der loketten . waarin do Akten-stücke worden bewaard : ik durf wel aannemen , dat ik van de Akten-stttcke in dezej en de volgende afdeelingen een volledig overzicht hel) verkregen.
In de afdeeling Jülich-Berg vond ik:
B. 22. Herzogth. Geldern. Copeibuch von Urkunden über Austausch und Erwerbung einzelner Distrikte (12 bis 14Jahrh.) — een exemplaar van het register, dat ook te Arnhem bewaard wordt en bij Nijiioif het oudste register wordt genoemd (ms. papier, einde 15de eeuw).
B. 23. Jülich-Geldern. Copeihuch enthaltend Concessionen , Pfand-verschreibungen , Privilegiën , Schenkungen , Heiraths-vertrage, n. s. w. (1385—1392). Nijhoff heeft dit boek niet gekend en slechts enkele daarin voorkomende stukken naar de origineelen afgedrukt (ms. papier 14de eeuw, 155 folia).
26
B. 24. Copeibuch der von dein Hertzoge Wilhelm von Jülich, Hertzoge von Geldern uud Graf von Zütplien, ausgestellten Urkunden, Reversen, u. s. w. (1392—1394), even belangrijk als het voorgaande , evenmin door Is ij h off gebruikt fms. papier 14de pbuw , 96 folia).
Hierbij ingebonden :
B. quot;24« , bevattende de geheele correspondentie van hertog Willem met de Curie over de vacante bisschopszetels van Maintz en Utrecht (1389 en volgende jaren).
B. 25. Copeibuch enthaltend Concessionen , Bestallungen , Gnaden-bezeigungen u. s. w. (1400 — 1403) , zeer belangrijk (ms. papier 15de eeuw 61 fo\'.ia).
In het Landesarchiv Jülich-Berg , afd. Geldern, zijn de volgende nummers van beiang :
K0. 3. Correspondentie van Willem van Gulik en zijne vrouw met hunnen zoon Reinald , Willem van Berg, de steden Aken en Keulen, den bisschop van Luik, euz. (1392—1394), allen kopieën, zeer belangrijk.
IS0. 4. Kopieën van de verdragen en privileges, ten behoeve van Gelder door Eduard 111 en Reinald II gesloten en gegeven; oorkonden van keizer Lodewijk van Beieren; stukken over het verbond met Keulen ; alles uit de jaren 1337—1340.
N0. 4V3. Verhandlungen tusschen Gerhard van Gulik en Arnold van Gelder over Geldersche zaken 1444 — 1447, met nog eene menigte stukken van vroegere jaren.
K0. 5. Bevestiging \'van privileges van Gelder en Zutphen door keizers en koningen, meestal uit de 16de eeuw; hierbij ook oorkonden van Sigismund over den ban, uitgesproken over hertog Arnold.
N0. 51/2. Kopieën en concepten van verdragen , gesloten door Maxi-miliaan en Philips met Gulik-Kleef betreffende Gelder (1478—1503).
isquot;0. 6. Verhandelingen en verdragen tusschen Gulik en Gelder over de moeilijkheden 1495—1499.
Is0. 7. Idem over 1496.
N0. 8. Onderhandelingen van Gulik-Berg en Kleef met Lodewijk XH van Frankrijk over bijlegging van de geschillen met Gelder (1498,/.
K0. 8V,. Zeer belangrijke verzameling van stukken over den Gel-derschen oorlog, 1488—1506.
N0. 9. Rekening van Rntger van Reuwijc van het »Richtamptquot; van Üverbetuwe, 1388—1390.
N0. 10. » Dit is die scattinghe van den alingen lande van Gelren , also als die gescatt is van boven te beneden toe in den jaere van (13)69 \'\' — eene zi-er belangrijke lijst van de inwoners der steden en dorpen met bijvoeging van de som, die /.ij opbrachten; het is jammer, dat zij zich alleen uitstrekt over dc Betuwe en liet Overkwartier.
IS\'0. 11. Rekening van de » herbergquot; van Eduard van Gelre, Kersdag 1371—1372, met belangrijke gegevens o. a. omtrent een bezoek van Albrecht van Holland aan Nijmegen einde Maart 1372.
27
N0. 12. Kopie van de statuten der St. Joris-orde. Het verdrag\' gesloten tusschen Engeland en Frankrijk in 1389. Hierin ouk nog de origineele oorkonde van Reinakl II over het huwelijksverdrag met Alianora (Goch , sabb. p. f. beati Matthiae 1332).
N°. 13. Onderhandelingen over de Geldersche quaestie tusschen Karei van Gelder en Willem van Gulik (1537—1539).
TS0. 14, Onderhandelingen te Brussel over het recht op Gelder (Mei 1539).
jN\'0. 15. Gezantschapsberichten van Garl Harst, gezant in Spanje (1538-1539).
N0. 16. Gezantschap van Carl Harst bij den keizer en koningin Maria over deze quaestie (1538—1539).
K0. 17«. Correspondentie met Garl Harst, hertogelijk gezant in Engeland , over deze quaestie (1539—1540).
K0. Mh. Idem 1541-1542.
N0. 18. Onderhandelingen te Gent, 1540.
N0. 19. Correspondentiën met de gezanten op de rijksdagen onz. over de Geldersche quaestie (1541—1543).
N0. 20. Onderhandelingen te Regensburg (1541).
N0. 21. Instructies, deducties enz., bestemd voor de rijksdagen (1542).
N0. 22. Rechtsbeschouwingen over de Geldersche successie.
N0. 23. Memoriën over de aanspraken van Gulik (1542).
N0. 24. Klachten van de landvoogdes Maria over den den inval van Maarten van Rossum , op den rijksdag te Neurenberg ingeleverd (1543)
N0. 27. Kopieën van officieele stukken over de successie.
N0. 27IiL Stukken over den Gelderschen oorlog (1539—1542).
iN\'0. 28. Berichten over de keizerlijke troepen in Gulik (Nov 1543).
N0. 29. Stukken over het traktaat van 1544.
Bovendien bevat het archief Jülich-Berg nog vele stukken over den 80jarigen oorlog in de rubrieken »Allgemeine politische Beziehungan quot; en » 3Öjahri»er Kriequot;- vooral natuurliik over de «Geldersche successie\'! (N0. 10, 12, 13, 24, 28, 32).
Hieronder de volgende nummers van den catalogus , rubr. AUg Polit. Beziehungen.
N0. 57. Deputatie aan de Staten-Generaal (1629).
N0. 89. Stukken over de bezetting van Guliksche vestingen in 1631 en 1632.
JS0. 118. Stukken over de bezetting van Ravenstein (1635).
iX0. 121. Klachten over de ongeregeldheden der Staatsche bezettingen (1635 en 1636).
iSG. 189 en 190. Stukken over de bezetting van Wesel (1644).
N0. 271. Over den rang van de hertogelijke agenten (16711.
N0. 2835. Over de alliantie (1683—1684).
2. In het Kurkölnische Archiv , in de afd. XH , lit. ü bis Brabant:
Verhandelingen betreffende de betrekkingen tot Brabant en het Nederl.-Bourg. Gouvernement (Göln-Brab. Unionen), 1431—1724, bevattende alle verdragen tusschen den aartsbisschop en de regeering te
28
Brussel gesloten, vuur een groot deel opgeiioiuen in de regesta in bijlage L. In Afd. XII Nieder 1. n°. 4:
а. Onderhandelingen metde Staten over de versterking van Bonn (1704).
Jk Het gezantschap van von Leckum in den Haag (1786—1791).
c. Briefwisseling tussehen prins Willem V en den keurvorst van Keulen over de moeilijkheden in 1787.
Bovendien nog verspreide stukken :
Verzameliug van stukken over het subsidium charitativum , op te brengen door de geestelijkheid in Gelder (1548).
Verdragen met Gelder uit de 15de eeuw.
Deductie over de erfopvolging in Gelder (1538).
Onderhandelingen over moeilijkheden met de Republiek (17()4).
Stukken over de subsidiën , door Keulen te geven volgens het verdrag van Febr. 1750.
Omtrent de oorkonden in deze afdeeling geldt hetzelfde , wat vroeger omtrent die van Jülich-Berg is gezegd.
3. In het archief Cleve-Mark. Abth. Geldern. Deze afdeeling bevat 96 nummers met Akteustücke, beginnende met 1423 en loopende tot het einde der 18de eeuw. Belangrijk zijn hierin de oudste stukken uit de 15:1e eeuw, handelende over de moeilijkheden met Arnold van Gelder, en die van het einde der 16de, tijdens den inval der Spanjaarden in het Duitsche Rijk.
In het oorkonden-archief van Cleve-Mark schuilt ook nog menige oorkonde,- voor Gelder, Brabant en Limburg van belang. De oudste oorkonden zijn van omstreeks 1230; talrijk zijn zij vooral voor den tijd van hertog Arnold van Gelder. Ook omtrent deze oorkonden geldt, helaas, het vroeger gezegde , dat de moeite om ze uit te zoeken voor de ambtenaren wel wat te groot is, terwijl den bezoeker zeiven door de de instructie belet wordt de catalogi in te zien.
1. Analoog met de Farragines Gelenii te Keulen zijn de papieren van den verzamelaar van Dorth in dit archief. In dl. IX vindt men berichten over den moord der de Witten , beschreven door een ooggetuige , overigens van weinig belang. In deel XVII stukken over de reformatie, vermoedelijk van meer belang, maar tijdens mijn bezoek in bruikleen te Münster.
5. Von\'ts bevatten de kloosterarchieven, vooral dat van Wertlien, dat bezittingen in Friesland had nog stukken voor onze geschiedenis van belang, ik noem daaronder deTraditiones Werthinenses , waarvan evenwel ook de Leidsche Bibliotheek een exemplaar bezit.
б. Eindelijk bezit het archief te Düsseldorf nog verscheidene mss. voor onze geschiedenis van belang.
Hieronder zijn te noemen :
A. 25. Privilegiën van Gelder, loopende tot het begin der 15de eeuw (nis. 15de eeuw).
A. 45. Bella et expeditiones Uliviensium 1357—1539, getrokken uit do stadsrekeningen van Wesel. Hierin ook eene Historia Guilielmi Ducis (\'Uviae \'nis. begin 16de eeuw). Verder nog: kopieën der oude
schenkingsbrieven van Teisterhant aan het stift Utrecht, uit de jaivn 840, 993, 1002, 1021, 1026 (ms löile eeuw).
A. 102. Kroniek van Cleve met eene Genealogie van den huyse van Culemborch , door .lordaan Guesont, drost van Culemborg, medegedeeld aan Herin. Ewichius, predikant te quot;VVesel 1655; hierbij onk een afschrift der handvest van 1436, door Joh van Beusichem aan Kuilenburg gegeven.
A. 116. Kroniek van Gelder, getiteld »Deni oersprunck der Voichten, Graven ende hertogen met haren cronykeu des landts van Gelrequot;. Het begin luidt; »In den jaeren 878, doen Kairle der Kalue keyser was, is in dat Beesdum van Koelen een groetc nye pliitze gevveyt, daernu Gelder steetquot;. De kroniek eindigt met 1543; zij is 14 folia groot, dient als inleiding op eene geschiedenis van Goeh en is geschreven in de 16de eeuw.
4. 205. Handvestinglie der stede van Haerlem , beginnende met eene kopie van alle handvesten van Haarlem tot het begin der 15de eeuw: » l)it sijn brieve ende hantvesten der stede van Haerlem nutscap ende vrijhede inhoudendequot;. Het ms. bevat vervolgens nog »Koren ende statutenquot; van 1190 en volgende jaren (slecht en onvolledig uitgegeven bij v. Oosten de Bruyn . Handv. van Haarlem). Het slot luidt; »Ex-plicuit privilc^ia et statuta insimul scripta et collecta per manus Nycolay Wilhehni deo gratias a. d. 1409 hora nona sabbato ante diem Palmarumquot;. Het ms. is 35 folia quarto groot en goed geschreven, de herkomst onbekend, waarschijnlijk uit de verzameling Nettesheim.
A. 228. Consuetudines Curiae Feudalis Cüviensis, waarin ook een en ander over Zutphensch leenrecht.
A. 248. lien dik deel bevattende stukken uit de 15de en 16de eeuw zonder eenige volgorde, meestal betrekking hebbende op Nijmegen en Overbetuwe, waarin o. a. stukken over Zutphensch leenrecht; de Reformatie van keizer Karei (Nijmegen 10 Sept. 1547); over dijkrecht aan den Rijn; liet erfhuisrecht van Nijmegen; de brief van Karei van Gelder vnor Overbetuwe (Nov. 1493); statuten van het Sinterklaasgild te Nijmegen; stadboek van Nijmegen, begin 15de eeuw; landrechten van Nederbetuwe van 1403, 1410 en 1439; de privileges en lnndrechten van Overbetuwe 1447; nieuw stadrecht van Nijmegen; dingtalen van Nijmegen ; stukken over de landsheerlijkheid van Gelder en de aanspraken van Berg, Kuik en Culemborg op zekere rechten in Gelder enz. Het ras., blijkens den inhoud vroeger thuisbehoorende te Nijmegen , is uit de verzameling Nettesheim afkomstig en vroeger door den verzamelaar Ritz te Aken aan dezen geschonken.
A. 250. Varia, waarin een bundel stukken over Venlo , o. a. de verdeeling van het gevolg van Willem van Gulik in de stad bij zijn intocht 8 Feb. 1538; eene lijst van de markltollen op Maas, Waal en IJsel, die de Venloërs hadden te betalen in de 15de eeuw; een register van oorkonden, in het begin dezer eeuw aanwezig in het archief van
30
Venlo; bezwaren door de Venloërs 1c berde gebracht op een landdag; te Nijmegen in delöfleeeuw.
In do stedelijke hilliotJieek te Düsseldorf vindt men eene menigte nog weinig onderzochte handschriften en incunabelen, meestal van theologischen inhoud, afkomstig uit de kloosters en abdijen Werthen, lissen, Marien frede , Xanten enz. Ik vestig de aandacht onzer oudheidkundigen op deze belangrijke verzameling, die evenwel nog weinig geordend is. Inderhaast teekende ik een enkel nummer uit de verzameling mss. op:
G. 11. Compendium historiae auabaptisticae (ms papier 17de eeuw), met bijlagen.
15. 83. Magistri Gerardi dicti Groet contra focaristas. Eiusdem epis-tola ad quendam melaquot;colicum. Eiusdem consilium sive menciocuidam juvcni data, cui collata fuit ecclesia quedam curata. Tractatus varii ascetici. Diversa miracula circa quadam puella (?) per diabolum facta (ms. papier 15de eeuw.)
15. 112. Van varen in dat heilige hint. (14de eeuw?)
15. 1G5. Collectanea studiorum Johannes de Groninga, abbatis Wer-densis (1540).
Overigens werken van Thomas a Kempis, Brinckerinck e. a., alle in het Latijn.
31
BIJLAGE
1. Hendrik, bisschop van Utrecht, aan zijne aartsdiakens, enz.
Henricus, dei gratia Trajectensis Episcopus, dilectis in Christo archy-dyaconis, decanis, provisoribus et eorum vices gerentibus nniversisin dyocesi Trajectensi constitutis presentia visuris salutem in domino sempitornam. In virtute sanctie obedientiae et sub pena suspensionis ab officio vobis singulis et universis districts precipimus, quantum oranes sacerdotes vobis subditos, ecclesias sen capelias regentes, ad diem , horam et locum, que lator presentium vobis dixerit, per certos nuncios veros et discrelos in unum convocetis, mandatum nostrum per-sonaliter audituros et diligentius opere completuros, nullos pro se mittentes procuratores , cum presens negotium in hac parte requirat presentiam eorumdem. Si quis autem in convocando, seu etiam in veniendo , quod absit, extiterit contumax aut rebellis aliquo modoaut remissus ociat se exuere ab officio divino, suspensus auctoritate presentium et citatus coram nobis aut nostro .. officiale Trajectense ad diem, quam lator presentium sibi nominaverit, infra octo dies a die, qua contumax, rebellis aut remissus in aliquo predictorum fuerit inventus, de tali et tunta inobedientia responsurus. Insuper mandamus in tran-scriptum mandati nostri presentis omnibus subditis viris per nuncios veros, qui ad convocandum ipsos a vobis fuerint emissi, transmittatis ut ea quae ipsi sunt inserta fidelius exequantur. Nomina vero inobedien-tium nobis rescribatis nam eorum inobedientiam in quandoque dimi-simus, hactenus dimittere nolumus uec possumus absque pena. Datum a. d. MCC sexagesimo quinto feria sexta ante beati Laurentii.
ürig. perk. Het zegel bijna geheel vergaan.
(Urk. 1265, n0. 293, Archiv Coin).
2. Een stuk ongeveer eensluidend met het stuk gedrukt Oorkon-denb. v. Holl. en Zeel. II, n0. 20(5. Varianten: Ilusduae v. Ilasdenne, dominus Joh. v. dictus Joh., astringent v. astrinxerent, viros nobiles v. tales nob. Verder zijn de genoemde heeren niet de in dat stuk gedrukte, maar dom. Johannes dictus Per sin, dom. Wïllelmus et Flo-rentius , fraires de Brederode , Nicolaus de Catch , Johannes de Wifleit, Eterdus de Alblais , terwijl de abt van Middelburg er in het geheel niet bij te pas komt. Het stuk is gedateerd: A. D. MCC septuagesimo in die heati Dionisi (9 Oct.) apud Montem Sancte Gertrudis. i)e zegels van Floris, Joh. Persin en een der beide Brederodes zijn voortreffelijk bewaard. Orig. perk. (Archiv Coin, n0. 337).
3. Bisschop Guy van Utrecht geeft den Keulenaars vrijgeleide, Dec. 1311.
32
I
Nos Guyflo, dei gratia cpiscopus Trajectensis, iiotum facimus in his lt; suscriptis , quod nos dedimus et damns teuore presentium civibus co-loniensilius liberum (it, firmura conductuui deducendi bona sua seu nierciiiionia per alveum Rani sen alios rivos quoscumque terre nostra, ipsos qufim et bona sua et res in ipsis alveis sub nostro conductu rece-pimus per listrictum dominii nostri vel terre nostre et sub nostra pro-tectione sccurn , presentium nostrarum testimonio litterarum , datum a. d. MCCC undecimo, die dominieapost beati Andreee Apostoli. Or. perk, met aanb. zegel. (Urk. 1311 , n0. 774, Arehiv Coin.)
4. Verbond van Reinold van iionyoe en Valkenbergh met den aartsbisschop van Keulen 1313. (Farragines Gelenii II, 92, Arehiv Coin).
5. 6. Reeks van stukken voortspruitende uit dit verbond , dat den heer van Monyoe en Valkenbergh eene rente toekende; de quitantiën dezer rente van eeue reeks van jaren zijn aanwezig, bijna allen met goed bewaarde zegels der opvolgende heeren. De rente werd in den regel uitbetaald aan hunne vertegenwoordigers te Keulen , waar zij een hotel in de Trankgasse hadden. Volgens de oork. n0. 808A, van 16 Mei 1314, werd dit huis toen bewoond door Druda van Geldern , eene verwante van het hertogelijk huis van Gelder. Ook Reinoud 1 van Gelder en zijne opvolgers genoten zulk eene rente, waarvan de quitantiën voorhanden zijn; van Reinoud II een 5 Nov 1334, gedateerd uit Cliantilly bij Parijs. Blijkens eene oorkonde van 20 Mei 1323 (n0. 10941 had Reinoud I 500 mark holl paym. jaarlijks ontvangen,, Reinoud II kreeg toen 350 mark jaarlijks. Ook de hertogen van Gelder hadden een huis te Keulen.
7. 2 Juli 1356. (Quesnoy) Willem van Beieren, graaf van Holland enz., begeert van Keulen , dat het zijn broeder , markgraaf Bodewijk ,
vrij zal staan de verpande bezittingen zijner moeder te Keulen te lossen. (Orig. papier).
8. 9 Mei 1358. Albrecht van Beieren geeft de Hansa een vrijheidsbrief voor den handel op Dordrecht.
9. 1 Febr. 1371. Eduard van Gelder schrijft aan burgemeesters, schepenen en Rand van Keulen , dat hij op »den Riine ende stroemequot; in zijne landen de kooplieden zal beschermen met voorbehoud van zijne tolrechten en uitsluiting van goed zijner vijanden.
10. Brief van de schepenen en raad van Rotterdam aan Willem van Gulik. Aug. 1372.
Hertoge van Guylge , vriendlike grote met gunsten vursz., scepene ende raet der porte van Rotterdam, lieve here, wi geven u te kennen , dat wi in der wairheydt verstaen hebben , dat een knecht, gehetten Vrancke Wilhemssoene, in uwen lande ophanden ende gevangen is, overmids dat hi een ondersate soude sijn des heren Jan van Bloys , die welke knecht man hettet Vrancke van der Gouden ende is geboiren in ons liefs geduchtes lieren lande van Hollant, ut eenen dorpe, dat gehetten is Nuwekerke. Oec bi en bad bie nye goet onder her Jan van Bloys ende noch en heft een derdendel van enen huse, dat hem bijnnen der Goude verstorf, dat nyet lange sijn en was dan vier maende of daeromtrent, waeromme wi u vriendeliken bidden door ons
soodes dienstes wille, dat ghi den knecht wilt laten aetteu tot sijnre onscoude, want hi onse burger was, eer hi to Koine roer,
Zaterd. na St. Petersdage ad Viucla 1372.
Hetzelfde van Jan van Rosendael, ridder, baljuw van Zuidholland, en van Dirk van Zwieten, knaap, baljuw van Delfland en Schieland.
11. Vrede tusschen Otto van Arkel en Keulen. 1 Dec. 1379.
Wi Otte van Arkel doen kunt ende bekennen openbaerliken mit desen brieve, dat wi alle veetscap . twist ende tzweyungen, die wi mit wisen eersamen luden burgermeysteren ende anderen burgeren der stat van Coelne, of si mit ons, gaende hebben mochten vur data des briefs, gantzliken , luterliken ende purlyken gesaet endegesoyntsijn, also dat ons gheen den andern om den sa ken wille noch om alle dat si daeroiii ergangen hebben, mach tot op desen dach huden, krueden, hundern noch occasunen en sal, heymeliken noch openbare , overmits si selver of yeman van sinen wegen sonder enigherhand argelist. Doch waert sake dat yement van ons of van den onsen te spreken of te seggen had op yement van den burgeren van Coelne van saken , die. gesaet waren vur data des briefs, daer brieve of waren, die mach dat doen mit recbte op suiker stede, daert billiken heyscht ende gebuert, sonder daermede dese voorscr. vruyntlike soyne in eniger wijs te krenken of te letten; voert, waert sake dat yement van den burgern van Coelne te doen had mit ons of mit onsen ondersaten van saken , die gescien mogen na data des briefs, daev zullen wi hem gunstelic recht inden onsen óf doen, als sijs aen ons begaren of heyschendesijn. Inorconde des briefs bezeghelt met onsen zeghel. Ghegeven int jaer ons heren 1379 des anderen daechs na sinte Andriesdach Apostel.
Orig. papier met zegel aanhangend (Urk. Arch. Coin n0. 3280).
12. 15 Juli 1387. quot;Willem van Gulik benoemt Henrickvan Steyn-bergen tot zijn rentmeester.
Het slak wordt gezegeld door eene menigte ridders en knapen: heer Willem van den Berghe ende van den Bylant, heer Derick here van f3atenborch , heer Reynaelt here van Brederode ende van (Thennep , heer Gyselbreclit here van Vyanen ende van den Ghoye , heer Henrich here van der Ameiden, heer Henrich here van Ghemen, heer Gerit here van Culem-borch ende van der Lock, heer Alert here, van Buren ende van Bosvichem, heer Herman van Ghemen here tot Anholt, heer Reynolt here tot Oyen , heer Gerit here tot Werdenborch , lieer Johan here tot quot;Wyckeraede , heer Gerit van Herlen here tot Poderoyen , heer Segcr van Groyssbeek here tot Hoemen , heer Zweder van Vyanen, heer Wolter van IJsendern , heer Henrich van Wyckeraede, heer Johan van Kessei, heer Sander van Vos-sem , heer Henrich van der Straten , heer Johan van Hoenseler geheeten van den Velde, ridders; Johan van Loven alste soen van H\\ ensberch , Frederick greve van Murse ende here van Bare, Gyselbrecht van Broechorst here tot Borcloe, Gyselbrecht alste soen van Brouchorst, Wolter here van Voerst ende van Keppel, Henrick here van Wijssche, Derick here van Wijssche, Willem van IJsendern, Arnt van den Gruythuys ende Johan Moraplier van Overhage , knapen.
34
13. Tolbrief van hertog Albrecht voor de Hause. 2 Nov. 1388.
»Dit is der Oesterlinghe recht dat hem hertoghe Aelbrecht bezeghelt
lievet te hebbene in den tolhuzen , ghegeven iu den Haghe opten 22sten tjach in Aprille int jaer ons heren MCCC drie ende tsestich.quot; Bevestiging van den brief gedrukt bij van Mieris 111 , 145.
(ürk. Coin 1388, Hanse I).
14. 28 Sept. 1391 (Ulft) Kidder Evert, heer tot ülfft, meldt aan de ,,tad Keulen , dat hij niemand gemachtigd heeft in zijn naam aan de stad veste aan te zeggen en dat hij vrede met haar wil hebben , als zij dit ook begeert. \' \' (Fehderegister.)
15. Brief van Catharina van Gelder aan Keulen over de tollen. 1 Juli (1391).
Katherina van Beyeren, bij Goids gnaden hertoginne van G-elre, grevinne van Zutphen.
Goide vriende , wy begeren u te weten , dat up den stroem des Rijns, baven ende beneden\', voel saken geschien , dair au onse ghetninde ende alrelieffste here ende geselle , die hertoge van Gelre, greve van Zutphen , ende wy mede verkort ende veronrecht werden an synen ende onsen thollenvryheden ende rechten. Also dat wy dairomme mit onsen gemeynen Haide ende steden ende mit namen by Raide ende goitdun-cken quot;onsz Raide ende vriende , dien onse gheminde here vorgen nu op dese tijt syne lande bevalen heeft, overdragen sijnt ende onsen thcllnern ende Amptluden ontboden hebben, dat sy nyemant mit eynger co-manscap -den Rijn of Wale up of neder voer onse tholle varen en laten thent onsen wederbieden, ende dit seri ven wy an u, begerende, dat gi uwe medeburger ende alle coeplude hirvoer apenbaerlich warnen wilt, dat sy au onse tholle van den Rijn ende van den Wale nyet en komen, up dat sy des ghenen hinder noch schade en krigen, want wy hirmede onzen geminden heren, ons ende die onseijn desen saken gequyt willen hebben. Ghegeven tot Rosendale up sinte Gallen dach 1391. Or. papier, (ürk. Arcbiv Coin).
16. Verklaring van Willem van Gulik. na zijne benoeming tot burger van Keulen. Mei 1393.
Wir. . . Wilhem van Guylge, van der gnaden Goids hertzouge zo Gelre ind Greve zo Sutphenne, dom kunt allen luden ind bekennen oevermidz desen brief, dat wir mit den eerbern luden burgermeystern, Raide ind anderen burgern der stat van Coelne overmitz unsen Rait ind vrunde vruntligen oeverdragen haven, alsus dat wir des Raitz und der stede van Coelne Burger worden sijn ind bliven soilen unse leyvedage lanck ind sy uns ouch zo ijrme Burger untfangen hamt, liarumb so ham wir dem Raide ind der steede van Coelne vur iren guden t ruwen geloyfft ind gesichert ind na mit upgereckten vingern lijfligen zo den heilgen geswoiren, dat wir den Rait, dy Burger ind dy inge-sessene der stat van Coelne semenelenigen ind sunderlingen in allen nnsen landen, herschaften ind gerichten ind ouch buyssen unsen landen m;t yren gueden ind komenschaften beschermen, bevreden ind
35
behoeden soileu an lyve ind an guede, gelyckerwijs as unsselfs lade ind burger sonder argelist; ind desgelycke solen wir ind unse lude in Coelne beschirnapt sijn , bevreedt ind beboit sijn an lijve ind and guede as ijrs selfs lude ind burger ayn argelist. Ind daromb solen uns der Rait ind dy stat van Uoelne alle jair , as lange as wir ley ven , zo zent Martijns missen geyven ind wal betzalen bijnnen ijrre .stat van Coelne hundert guldene gut van golde ind swaer van gewichte offt wert darvur an andern payeraente bijnnen ijrre stat genge ind geve sonder wederreide ind sonder alrekene argelist. In des zo urkunde... A. D, 1393, feria quinta post Inventionem sancte Crucis.
Or. pap. (ürk. Arcbiv Cciln , n0. 4906).
17. 10 Oct. 1396. Ridder Otto van der Leek, beer tot Hedel,zegt de stad Keulen veete aan wegens verongelijking van Godert van Roer. Helpers: Emont van Zoelen. Hendrik van Helbergen , Johan van Lobe. Wolfart van Hokelom , Hendrik van Vaeldric, Peter van Bilant. Philips van der Lecke (bastaard), Joban en Jacob van Sips , Gerritdie Greve , Godart van Reyle en Blawe Johan. (Fehderegister, Arcbiv Cciln.)
18. 20 Febr. 1398, De stad Keulen schrijft aan de stad » zo des Hertzougen-buscliquot; , dat zij Johan van Herlair , heer te Merwick, en Emont van Helpen moet bewegen tot eindigen van de veete, daar de stad Keulen niets weet van verongelijking dier ridders en des hertogen door hare burgers; evenzoo met Dirk de Reuver en Johan van Olden
(Fehderegister.)
19. Febr. 1398. Brief van Keulen aan hertog Albrecht en van Zierikzee aan Keulen over roof van zes last » Schonsche haringquot; op het Marsdiep ten nadeele van Keulsche kooplieden : Zierikzee wil ze niet teruggeven dan op bevel des graven. (Copeibuch IV , Arcbiv Cöln.j
20. 20 Febr. 1398. Hertog Albrecht aan de stad Keulen, dat zij haar eigendomsrecht op de betwiste baring moeten bewijzen , door de handelsmerken harer kooplieden, daar ook den Bosch , Kampen en Harderwijk de lading van het schip voor zich opeischen.
(Or. brief, Arcbiv Oöln).
21. Brief van Keulen aan Jan van Arkol. April 1398.
An den Eydelen Waelgeboren Juncker van Arkell, heren zo Hage-steyne ind zo Pirlenpont, unsen bysonderen lieven vrunt. Eydel lieve bysonder vrunt. Wir ham verstanden , wye ijr tolner zo Éversteyne etzlige have ind gut an dem selven urme lolle bekombert have, de unsen burgern zo gehoerende sy ind have dat gedayn op eynen Ertz-bu.sschofl\' zo Coelne. Ind want wir noch unse stat up eynen Ertzbusschott zo Coelne noch op sijn gestichte noch up nyemant anders nyct pandbar noch bedeplichtich sijn dan alleyne up uns selfs stat, de wir vuruns haven ind halden , as dat also fursten, heren , steden ind allen guden Inden kundich is, durch des wille bitten ind begeren wir fruntlichvan uch , dat ir dat vurg. unsz burger gut unbezwert, ledicb ind los wilt laissen. Ind vort up sulge geloyfde, as Goyswijn van Rokell as vur 40 schilde, ind Gerart van der Heyden as vur 16 schilde burge sijnt worden ,
gentzlichen wilt vertzyeu ende quyt schelden. Inde wilt uch da ijnno so fruntlich bewysen as wir uch getruwen ind as ir went, dat wir flurch uren wille deden aft\' wirs ijrgen vermuchteD. Got sy mit uch. Jtatum feria quinta post domin. quasimodo geniti.
(Gopeibuch IV. Archiv. Cöln).
2\'2. Begin 15de eeuw. Brielle vraagt aan Keulen om vrijgeleide voor zijne kooplieden. (Oi\'ig. Brief. Archiv. Cciln).
23. 23 Nov. 1400. Groningen vraagt de bemiddeling van Keulen in den twist met Frederik van Blankenheim . die de huldiging verlangt tegen de privilegiën in en door het voor de stad opgerichte kasteel den handel belemmert. (Orig. Brief. Archiv. Cöln).
24. 14 Aug. 1403 (Haag). Albrecht verleent voor den tijd van 15 jaren tolvrijheid aan de Hamburgers, vrijdom van zeesond en voorrechten ten opzichte van misdrijven, vergunt hun verder in zijne landen »Hanse zu haltenquot;. Het stuk is ook bezegeld door den graaf van Oostervant, den elekt van Luik en de steden Dordrecht, Haarlem. Delft, Leiden en Amsterdam. (Orig- papier. Urk. Arch. Cöln).
25. 9 Oct. 1403. Schepenen en Raad van Gent verzoenen hertog Albrecht en zijne steden met de stad Hamburg.
(Codex Wisb. Seerecht fol. Gh.)
26. 23 Juni 1409. Het gild der grauwwerkers te Utrecht verklaart op verzoek der Hanse-kooplieden te Antwerpen voortaan geen geroofd goed meer te zullen koopen.
27. Brief van Keulen aan Nijmegen over de vischkorven. 1 Nov. 1413.
Civitati quot;Novimagiensi. Onse gunstlige grciase ind wat wir guts vermogen , sunderlinge gude vrunde. Uns is vorkomen, dat die vijssch-koerve, die neden uss dem lande mit visschen in unse stat zo marte gevoyrt werdent, midden ingezoigen ind gesmalt sijn ind nyet van maissen noch wyden en sijn, as die doch van alders alweige zo sijn plaigen . damit dat unse burger ind der gemeyne kaufman bedroigen wirt. Also begeiren wir vruntlichen van uch, dat ir dat vort in Hollant schryven ind verkondigen wilt, so dat dit gedroch verhoyt indgekeert werde ind dat die koerve vorfan wirden gemacht up ijre aide inaisse, want wn dat nyet en geschege, so moesten wir dat also richten , as sicU dat geburde, dat unse burger ind kaufiude damit nyet vurder gescheidiget en warden. (Copeibuch V. Arch. Cöln).
Later over dezelfde zaak aan Dordrecht op dezelfde wijze.
28. Brief van Keulen aan de Nederl. steden over de vijandschap van den hertog van Berg. 7 Aug. 1416.
Civitati Novummagiensi. Erber gude vrunde. Wir ham verstanden . wie der hogeboeren furste. her Adolph, hertzough zom Berge und greve zo Kavensberg, etzligen nederlentzschen steden und anderen dergelijck van worden geschreven haven soele, wie dat man uns ind nnsz stat geynerlige provande noch koufmanschaff zo noch aff brengen noch voeren en soele durcli sijn lant zo wasser noch zo lande , of so wa he des machtich ofmoegicksy, danne aff wir doch geyn geschrichte oder kuntschaff gesien en haven , dan ons dat van flochmeren ankomen
37
is. Ouch so bam wir veruoymen, dat der hertzouch van J erne Berge die kouflude ind schiflude, die deu Rijn upkomment, zo Daysseldorf, zo Ap .... {?), zo Moleheim ind anderswa in syne lande eyden ind sweren doe, dat sy sulcho war ind koufmanschaff, als sy da voeren ind Vgt;rer.-gen , uns noch unser burgern verkouffen noch auch dat salve gut vur unsz stat nyet ups lay n en solen. Ind want, gude vrunde , unse stat van Coelne van al iers her alreweygen der stapel geweyst is, meysten-dal van alien gudeu ind koufmanschaflen, die den Rijn up of quot;neder qwemen , as ir auch selve dat wale wist ind indencken mach ind wir doch daremboyven im van dem hertzougen van deme Berge daran so unrecht ind boven unse alte herkommen ind vryheit gehindert ind ge-drengt werden, dat uns doch in der wijs nyet langer zo geheugen noch zo lyden en steyt, so begeren wir uch darumb zu wissen, wert sache dat eyncke ur burger of kouliude mit ijrre war oö\' koufmanschaff also vur unse stat qwemen ind uns noch den burgern umb desvursz. gedencknis wille des hertzougen van deme Berge dar nyet verkouffen noch upslayu en weulden, so en stoende uns den koufluden ind schiflud^n nyet zo gehengen vur unsj stat mit der selver yre war ind koufmanschaff vort an hoyrre zo varen umb die anders wa zo verkouffen off zo vervij^sen , als ir selver ouch dat wale versijnnen ind merken moegt, des ir doch gude vrunde van uns entgeyne ungunst haven noch npneymen en wilt, want wir des in der wijs nyet langer oyver gesijn en konnen.
Hetzelfde aan: Zutphen , Arnhem, Nedcrwesel, Cleve , Emmerik, Kampen, Deventer, Zwol, Utrecht, den Bosch, Delft, Dordrecht en Leiden. (Copeibuch VI, Archiv Coin).
29. 8 Maart 1451. Brief van Keulen aan de steden Haarlem , Leiden, Delft en Amsterdam en de kooplieden van den Haag, Katwijk en IN oord wijk, over schade toegebracht aan Keulsche kooplieden; deze klacht werd herhaald Donderdag na Paschen, toen » der ganzer ge-meynze Ritterschafft, steiden ind koufluden der landen van Hollant ind van Selant in den Hage vergaddertquot; waren. (Copeibuch XII, Archiv Coin).
30. 11 Aug. 1456. De burggraaf van Leiden keurt het verdrag goed tusschen zijn tollenaar te Gouwersluis en de Hanse gesloten.
Orig. perk. (Urk. Archiv Cöln).
31. 17 Juni 1452. Dorpat geeft aan de oudermans der Hanse te Deventer kennis van een geleidebriof voor den Dorpatschen burger Hans Ossenbruch tot invordering van een schuld te Bergen op Zoom.
Orig. perk. (Urk. Archiv Cöln).
32. 29 Juli 1452. Rudolf van Diepholt verleent aan alle kooplieden der Hanse onbeperkt vrijgeleide in zijn stift.
(Abschr. H, fol. 104 Archiv Céiln).
33. 1 Aug. 1452. Hetzelfde door Amersfoort. (H. fol. 104 i.
34. 1 Aug. 1452. Hetzelfde door de stad Utrecht.
35. 21 Aug. 1452. Hetzelfde door de stad Kampen. (fol. 104 c.)
36. 1 Oct. 1453. Rudolf geeft aan de Hanse voor zijn stift een uni-
38
form toltarief, waarvan alleen de tollen te Amersfoort, Rlienen en Amerongen zijn uitgezonderd. (ibid fol. 106.)
37. 26 Oct. 1454. De tolgaarder te Gouda geeft kennis van de overeenkomst over den Goudschen tol met de Hanse te Utrecht, welke overeenkomst voorloopig duren zal tot St. Jan. 1457.
Orig. perk. (ürk. Archiv Coin).
38. 2 Jan. 1455. Philips van Bourgoudië geeft aan de Hanse het voorrecht alleen te Gouda den zeetol te betalen en niet te Sparendam, waar de tolbeambten dien eischen. Orig. perk. (Urk. Archiv Cöln).
39. 2 Jan. 1455. Depositie van dit stuk en dat over den tol te Geervliet in de oorkondenkamer in den Haag. (Copie Archiv Cöln).
40. 13 Jan. 1455. De kerkmeesters der Buurkerk te Utrecht verplichten zich tegenover de te Utrecht resideerende Duitsche kooplieden der Hanse tot onderhoud van de door dezen geschonken beschilderde vensterglazen in de kerk. Or. Perk. (Urk. Archiv Cöln).
41—43. 5 Dec. 1458. De kerkmeesters van St. Geertrui, St. Nicolaas en St. Jacob verbinden zich tot het behoorlijk onderhoud der »bonte,: glasvensters, aan die kerken geschonken door de thans naar Brugge verplaatste kooplieden der Hanse. 3 oorkonden, Orig. perk. (Urk. Archiv Cöln).
44. 20 Dec. 1473. Eduard IV zendt gezanten naar Utrecht om te onderhandelen met de Hansesteden. (Copie Archiv Cöln.)
45. 1 Jan. 1474. Volmachtsbrief voor de gezanten der Hanse te Utrecht. (Copie Archiv Cöln )
46. 28 Febr. 1474. Vrede te Utrecht tusschen Engeland en de Hanse.
(Copie Archiv Cöln.)
47. 21 April 1477. Johan van Bergen op Zoom verleent aan de Hanse een vrijbrief voor het bezoeken zijner stad gedurende 25 jaar.
Orig perk. (Archiv Cöln).
48. 19 Aug. 1480. Stadhouder en Raad v. Holland verklaren, dat de tolvorderingen te Geervliet, Gouda en Sparendam tegen de privileges in verhoogd zijn en dat van den lakenhandel alleen de oude tollen mogen gevorderd worden. Orig. perk. (Archiv Cöln).
49. 31 Juli 1481. Nieuwe tolordonnantie van Maximiliaan en Maria voor zout, haringvangst en verpakte haring in Holland , Zeeland en Friesland. Orig. perk. (Archiv Cöln).
50. 1 Juli 1484. Bul van Paus Sixtus IV voor de broeders en zusters van de kloosters Jeruzalem en Bethanië te Middelburg, bevattende nieuwe statuten. (Farragines Gelenii dl. XXIV fol. 107.)
39
BIJLAGE B,
Lijst der dochterkloosters der abdij Steiufeld in Friesland.
fAbbatia Steinfeld) genuit in Frisia Occideutali Traj. dioc. Abbatiam horti Mariae. Abbatiam quoque in Dockum Traj. dioc. dictam in monte S. Marine. Item Abbatiam monialium S. Nicolai in Merua, dictam Camera S. Mariae Mon. Dioc., nuncupatam Oldekloester in die Mentis. Horlus Mariae habet sub se: Vallis S. Mariae, vulgariter dictam Lidlum, quae habet sub se praeposituram scilicet Vineam Domini, sitam in Bolswert, et prioratum dictum Bergum, mons S. Michaelis. Item Monasterium horti Mariae habet sub se praeposituram, scilicet Sepulchrum S. Mariae Vir-ginis, vulgariter Buluken closter. Item praeposituram scilicet Gratia Mariae, vulgariter Schil molde. Item prioratum, scilicet Mons S. Catharine, vulgariter Hilgerle. Item prioratum, scilicet Belhleem.
Dockum Ahhatia habet sub se praeposituram Porlam S. Mariae, vulgariter KiAsmar. Item praeposituram in Orieutali Frisia dictam Berte. Item praeposituram in Monte Syon, dictam Vemekloster. Item prioratum dictum Sylva S. Mariae vel Templum Domini, vulgariter Werta.
Merna Abhatia, monasterium monialium, habet sub se praeposituram S. Mariae, vulgariter Delandt. Item praeposituram S. Mariae, vulgariter Langen. (Farragines Gelenii XXI, fol. 129, Arch. Cole).
40
BIJLAGE C.
Incunabelen, niet bij Cnmpbell aangeteekend. a. Stadtbibliothek Cöln.
N0. 29. Collationes qua» dicuutur fecisse rautuo rex Salomon sa-pientissimus et Marcolphus facie deformis et turpissimus, tarnen ut fertur eloquentissimus. Impressus Daventriae a. d. 1496.
Np. 127. Van den seven droefbedeu ofte weden onser Lieven Vrouwen. Geprent te Delf in Ilollant iut jaer ons heeren 1497 op de XVIde dach van Merte. (Vignet: Heilige Maagd, verder nog eenige platen in den tekst).
IS0. 220. De vergheriug der simpelder Medicinen in manier van practiken (titel uit de voorrede opgemaakt). Ghemaect int jaer ons hem 1484 ; met talrijke platen.
T). Kon. Bibl. Dresden.
Litt. Rom. A 756. Vulgaria Terentü in Teutonicam Linguam tra-ducta. Daventriae impressa A. D. 1489 24 Nov.; eene houtsnede vooraan.
Ling. Latina 1502. De elegantiis terminorum ex Laur. Valla breviter collectis nee non praecepta elegantiarum. Daventriae in platea episcopi 1491 , 7 Juni.
Ling. Lat. 1501. Praecepta elegantiüm oratorum de latinis Oratio-nibus ornate componendis nee non praecepta elegantiüm terminorum breviter ex Laur. de Valla et aliisdoctis collecta. Daventriae s. typ. n. 1491.
41
BIJLAGE ».
Archief van Albrecht en George van Saksen (te Dresden).
1. Brief van Siegmund Pruesehinck aan Albrecht. 2\'2 April 1498.
Durchleuchtiger Hochgeporner Furst, Gue liger Herr, E.F. G. seii. raein untertenigen willigen Dienst zuvor. E. F. G. Schreiben unserm allergnedigsten Herrn dem lïöm. Kayser zugeschickt hab ich Seiner Kayserlichen Majestat zubracht und geantwort; was S. K. Maj. raaynung ist, wirdet E. F. G. aus S. K. G. Schreiben vernemen und verkunde dabey E. F. G., das die ungetreuen Fleming zu Gent und Brugkgantz uneyns sein miteinander; eiu wil feehten den andern , slahen an einander die Kopff abe. Dan noch viel frotner Leute ia den zweien Steten sein , dergleichen auf dem Laude , den der grob unerlich Handel, mit meinem gnedigsten Hern dem Rom. Kunige begangen, leid und nnsgefellig ist, so sein beide mein Gn. Hern. Hertzog ChristofF und Hertzog Wolfgang van Baiern, mit 1800 Knechten hinab in das Land, darauf uns allergn. Herr eiu merglich Geit ausgeben bat. Herr Reimpecht von Reichemburg und Her Veit von quot;Wolkenstein sein auch binabe. So hat mein gn. Herre von Oesterreicb auch 1000 gute Knecbte ge-schickt und ander mer auss den Ursachen. Und so E. F. G. und ander mein Gned. und Gn. Hern Churfurstcn und Fursten kommen, ist gar Hoffnung zu habeu, S. Köu. Maj. warde kein Not mer haben sonder alles gut werden.....Collen an Sant Jorijs Abend 148S.
Sigismundt Prueschinkh. freiherr zu Stettemberg.
Archiv Dresden, Loc. 8497, Kaiser Friedrichs Schreiben an Albrecht, fol. 7.
2. 7 Aug. 1488. Albrecht aan zijn zoon George, dat de overige vorsten van het rijksleger tegen de Vlamingen reeds waren afgetrokken, maar hij met Brandenburg e. a. in Zeeland streed en de steden belegerde.
3. 9 Oct. 1488 (Mechelen). Maximiliaan geeft aan Albrecht nog 6000 goudguldens boven de reeds toegestane 4000 jaarlijks.
Orig. ürk.
4. 17 Oct. 1488 iMecbelen). Maximiliaan geeft aan Albrecht, zijn »besten Hauptmanquot;, nog 4000 goudg. jaarlijks. Orig. Urk.
5. 16 Dec. 1488 (Antwerpen). Maximiliaan en Philips stellen Albrecht aan tot hun gouverneur-generaal tijdens hunne afwezigheid.
Orig. Urk.
6. 16 Dec. 1488 (Antwerpen). Tweede exemplaar, alleen van Maximiliaan. Orig. Urk.
42
7. 26 Dec. 1488 (Bergen op Zoom). Maximiliaan belooft maandelijks 10 goudg. soldij voor de door Albrecht bijeengebrachte ruiters. Orig. Urk.
8. Brief van Max. aan Albrecht over de toestanden in Holland. Jan. 1489.
Hochgeboiner lieber Oheim uud Fürst. Als wir unns in unser statt Dordrecht die dachfart von Hollandt daselbst zu haltenn gefugt haten, sein wir daselbs erlich und wol empfangen, desglich in unser Statt von Delfft und findeu die ganntz gut und willig mit Erbietung dar zu strecken Ir Leib und Gut. Und nachdem in unser Statt Leiden ettlich Auffrurer under der Gemeinden sich hielten, die denn durch unser Parthey gutlich nidergelegt wurden, und wiewol die Dachfart, die zu Durde-recht gehalten solt sein, merklicher Ursachen halb in unsere Statt Delfi\'t zu hallten angeslagen war, haben wir und unsere und der Lannde Raete in Rate fuudeu , das der Tag zu Leiden nutzlicher dann an keinem anderen ende zu hallten sey, und uns darauf dahin gefunden und sein auch erlich und wol empfangen und funden die Statt ganntz gut und willig mit hoher erbietung und sein alle Staten von den Landen bey uns und in solchem furnemen und willen, wir hotten die Sach zu unsern willen auszurechten, das wir deren Liebe zu erkunden nicht l.an wollen lassen; und was uns furter begegnet, sol desiglich gescheen. Gegebeu in unser Statt von Leiden am Sontag nach Circumcisionis A0. 89 unsers Reichs im dritten Jare.
Loc. 8497. Schreiben Max. au Albrecht, fol. 3.
9. Uitspraak van Maximiliaan in den twist tusschen Haarlem en de overige hoofdsteden van Holland. 8 Jan. 1488(9).
Upten dach van huyden, den 8ten iu Januario anno lxxxviii , soe sijn die gedeputeerden van vijf hoefsteden van Hollant, te wittene Dordrecht, Delf, Leyden , Amsterdam ende der Goude an die eene zyde ende die stede van Haerlem an dander zyde gecompareert ende gepresenteert voor onsen aldergenadiehtsten heer, den Roomschen Goninck, endt synen Raide, by hem wezend, ende gestelt in synen handen zekere twist, wesende tusschen partyen voirsz., roerende die contribucie van der jegenwoordigen oorloge , upgeresen by den voorsz. lande van Hollant tegens die van Rotterdam , den heer van Montfoordt ende hoere medeplegers. Van den welck twiste ende geschil dieselve partien hebben hem geheelick submitteert ende gestelt int seggen, arbitrarye ende vuytspraeck van den Goninck ende tselve zeggen ende appointement belooft te volcoomen ende te onderhouden. Soe ist by hem geseyt ende geappointeert geweest, alst dat die voirscr. van Haerlem sullen onderhouden up hoeren oost binnen der voirsz. stadt honderd ruyters, ende voirts om die betalinge van vijftich knechten sullen sy contribueren die somme van hondert ponden grooten vlaems eens dragens , die welcke somme gestelt sal worden in den handen van den clereken ende tresoriers van desz. voirsz, jegenwoirdiger oorloge omme gedistribueert te wordene , dairt beboeren sal. Int welck doen sy sullen vry en quyt wesen van alle lasten ende contribucie angaende
43
die voerleeden tijt ende oeck mede van toecomendeu tijt vau desen voirs. oorloge. Item sullen die selve van Haerlem gehouden sijn te doene alle assistencie ende bystandicheden hem mogelick sijnde omme te innen die pennijnge, die de lande van Kermerlant ende Vrieslant behoiren te contribueeren tot desen voirs. oorloge. Voirt soe sullen die voorz. van Haerlem zenden hare gedeputeerden by den Staten van den voors. lande van Hollant omme met hemlieden te communiqueren alrehande saken ter welvaert vanden selven lande.
Gedaen inder voors. stadt van Haerlem , den dach ende jaer als boven. Aldus onderteykent: Maximiliaen ende Witte.
Gecoll. copie, ürk. n0. 8720, Archiv Dresden.
10. 3 Febr. 1489. Brief van Carondelet, waarbij deze erkent van Albrecht te hebben ontvangen het koninklijk grootzegel en contrazegel, besloten in een zilveren bus, uit Rijssel, waar de zegels hadden gelegen gedurende de *detencie ende gevangenissequot; van Carondelet.
Dresd. Archiv, Loc. 8497, Schreiben Max. an Albr. von Sachsen (1480—1498), fol. \\b.
11. 21 Juni 1489. Brief van den graaf van Harras aan George van Saksen , dat Albrecht voor drie weken Geertruidenberg heeft bemachtigd ; dat Eavenstein beloofd heeft de schriftelijke beloften van Max., hem te Brugge in handen gegeven, te zullen teruggeven , mits Max. voogd zij over zijne zonen ; groote slag voor Dordrecht, waarin .500 Hoekschen zijn gedood en verdronken , 470 gevangen, 22 hunner schepen gezonken , waarop zij over land zijn gevlucht; Albrecht ligt nu voor Rotterdam. Orig. Urk. Arch. Dresden.
12. 15 Juli 1489. De schuld van Max. aan Albrecht bedraagt thans 52 265 rijnsche guldens. Orig. Urk. Archiv Dresden.
ie. 25 Juli 1489 (Frankfort). Maxim, bedankt Albrecht voor zijne diensten in de Nederlanden en wenscht hem verder succès toe.
Archiv Dresden, Loc. 8497, Briefe Max. an Albrecht (1487—1491), folio 2.
14. 20 Oct. 1489. Burgem., Schepenen en gezworen Raad van Leuven beloven den amnestiebrief van Maximiliaan en Philips te zullen houden.
Orig. Urk. Archiv Dresden.
15. 28 Oct. 1489. (Passau). Max. aan Albrecht, dat Philips uit Mecheleu naar het slot te Breda is getrokken, zooals hij vernomen heeft. Hij vreest, dat de daar in den omtrek talrijke Hoekschen hem zullen oplichten. Daarom moet Philips liever te Namen resideeren. Hij heeft vernomen, dat Albrecht het slot van Brederode en daarna Kuilenburg wil aanvallen en daarom het leger bijeengetrokken heeft in de Meierij. Hij vindt dit goed maar wil, dat Albrecht eerst 1500 man naar Bretagne zendt. Het kasteel van Brederode moet hij sloopen en daarna Kuilenburg afsluiten door een toren op den weg naar Utrecht, die land en water beheerscht. Culemborg, wiens stad en slot sterk zijn, moet er beter af komen dan de gevaarlijke Brederode.
Archiv Dresden , Loc. 8497 , Briefe Max. en Albrecht (1487—1490), fol. 3.
44
16. 8 Jan. 14Ö0 (Lintz). Volmacht van keizer Frederik voor Al-breebt, om bet aandeel in bet over de rijksstenden omgeslagen geld voor 2000 knechten in de Nederlanden te innen.
Or. Urk. Archiv Dresden.
17. 9 Jan. 1490. Brussel geeft eene verklaring, gelijk aan die van Leuven in October.
Or. Urk. Archiv Dresden.
18. 27 Maart 1490. Overeenkomst van Albrecht met de Raien van Max. in de Nederlanden over zijne dienstrekening.
Or. Urk. Archiv Dresden.
19. 1 April 1490, De Hooge Raad en die van Financiën in de Nederlanden , geven getuigenis omtrent Albrechfs goede diensten.
Or. Urk. Archiv Dresden.
20. 20 April 1490 (Insprückj. Max. aan Albrecht, verzoekt dezeu de uit Gent ontslagen heeren: Carondelet, de abten van S. Berlin en S. Omer, Philips van Nassau , Maarten van Polheim, de heeren van Minckesal en Villerion, Reinhart Mey en Philips Leet, te verzoenen met Wolfgang van Polheim. met wien zij twisten over zijne gevangenschap.
Arcbiv Dresden , Loc. 8497, Schreiben Max. an Albrecht
(1480-1498), fol. 38.
21. 5 Juli 1490. (Lintz). Max verzoekt Albrecht, na de verovering van Montfoort zich te keeren tegen bet slot van Woerden.en vervolgens Vianen te bemachtigen »die Mauern der Statt und Sloss abwerfen und ein Dorff daraus machen.quot;
Archiv Dresden, Loc. 8497 , Schreiben Max. an Albr.
(1480 -1498), fol. 41.
22. 16 Juli 1490. (Ems). Max. raadt Albrecht tocb voorzichtig te zijn met zijn persoon na den mislukten storm op Montfoort; als geweld niet helpt, moet hij de stad maar insluiten met veel volk en zich neder slaan voor Woerden; de Hollanders kunnen het met geld langer uithouden dan Montfoort; hij smeekt hem den moed niet te verliezen.
Archiv Dresden , Loc 8497 , Briefe Max. fol. 5.
23. 3 Sept. 1490 (Mechelen). Max. en Philips stemmen toe in de jaar-lijksche lijfrente van 2000 goudg., door Holland en Friesland aan Albrecht geschonken. Orig. Urk. Arch. Dresden.
24. 3 Sept. 1490. (Mechelen). Zij beloven hem 3000 goudgulden jaarlijksche lijfrente voor zijne verschotten, thans 14 535 goudg.
Orig, Urk. Arch. Dresden.
25 De Staten van Holland roepen Albrecht te hulp. 4 Sept. 1490.
Wy Bedelen ende gedeputeerden van den grooten ende cleynen steden van Hollant ende Vrieslant, op den tijt vergadert sijnde in dendach-vaert tot Scoenhoven , representeerende den Staten van den gemeyneu landen van Hollant ende Vrieslant voirsz,, bekennen mitten desen onsen brieve, dat wy den durluchtigen ende hoegeboeren vorst, Albrecht, hertoge van Zassen , lantsgrave in Duerijngen, margrave te Messen ,
45
stadtliouder generael mijns aldergenadichsteu heereu \'sKoms conijock ende onsen heere, synen soen , mit alle uerasticheit vervolcht eud« gebeden hebben albier in Hollant te willen comen omme ons ende dese landen bulpe ende bystandt te doene tegens den burcbgrave van Montfort ende in anderen saken ende den selven landen ende den on-dersaten Tan dien van der orloge, die de burcbgrave zekere langen tijd denselven landen ende ondersaten gedaen heeft, te verlossen .... bekennen sculdicb te wesen de somme van 2000 gouden Andriessche gulden tsiaers desselfs ons genedigen heeren leven lanck geduerende te betalen tot twee termijnen tsiaers.... ende obligeeren ende verbinden hierinne ende onder alle onsen persoenen ende gueden ende den gemeynen burgern ende ingesetenen der voirsz. lauden van Hollant ende Vrieslant hueren persoenen ende goeden, wair men ons oft henlieden sal connen oft mogen vinden.... Des toirconde hebben wy gebeden den stadthouder generael ende den anderen luyden van den Raide, gestelt ten saeken ons voirsz. genadichsten heeren van hoere landen van Hollant, Zeelant ende Vrieslant, dit mitten segel van der camere van den Raide in Hollant voor ons te besegelen. Twelek wy Jan Grave van Egmondt etc.
Arch. Dresden, Loc. 8845, Grig. Perk. met zegel.
.26, 8 Sept. 1490 (Brück). Max. verzoekt Albrecht geduld te hebben met de betaling der gelden, die de Raad der Nederlanden hem zoo hoogst langzaam doet toekomen , en doet een beroep op zijn goeden wil om den jongen Philips toch niet te verlaten.
Archiv Dresden , Loc. 8497, Briefen Max. an Albrecht.
(1487-1490), fol. 7.
27. Brief van Philips den Schoone aan Albrecht. Sept. 1490.
Mijn lieve Oem, My lanct te weten, hoet mijt U staet, want ic wilde wel, dat gby wedre hier bi Mijn wart, want als mijn alder-ghenadeste Herre end Vatter, der Rom. K., in dese lauden niet sijn mach, zoe begheric, dat gby, lief oem, bi mi zijt of andres het ne zoude hier niet wel gaen, als gby dat zelfs wel versteet. Aldus zoo bidic Ü , dat ghy in corteytt wedre comt, my ende alle den goede ghetrouwe dienare van mijn voorseide Herre ende Vatter troest ende hulp te donne , alst wel in Ü is. Mijn lieve oem, ic biddic U, dat ghy mijn scoelmestre, den proest van Ludic, helpen wilt, als dat mijn aldeghenedeste Herre ende Vatter hem houden wille in zijn goet Recht ende wilt voor hem spreken of ic zelf der wuere, en als ic wel in U vertrauwe, dat weet den Almeugenden Got, die U corts wedre om senden wil. Gescreven mitter hant van Uwen neve
Philips.
(In de verzameling onmiddellijk volgende op het voorgaande stuk.)
28. Y 1490. Albrecht aan George over de oorlogszaken in de Nederlanden. Archiv Dresden, Copialb. 12, fol. 28.
29. Sept. 1490. Verdrag met Montfoort over de overgave der sloten Woerden en Montfoort. Copialb. 12, fol. 29.
46
30. 20 Sept. 1490. Üe schuld van Maxim, aan Albrecht, sedert 1488 aangegaan, bedraagt thans 88 130 Andriesg. Orig. ürk. Arch. Dresden.
31. 26 Sept. 1490. (Lier). Albrecht wordt opnieuw gouverneur-generaal voor den tijd van 1 jaar. Orig. Urk. Arch. Dresden.
32. 26 Sept. 1490. (Lier). Max. en Philips schenken Albrecht levenslang 5000 Andriesgulden \'s jaars voor zijne diensten. Urig. Urk. Arch. Dresden.
33. 21 Maart 1491. (Mechelen). Philips, Albrecht en eenige Neder-landsche heeren beloven , dat de door de Staten in den Franschen oorlog geleverde benden zullen betaald worden uit de bede.
Orig. Ürk. Arch. Dresden.
34. 20 Juli 1491. (Neurenberg). Maximiliaan en Philips benoemen Albrecht tot kapitein van de sloten Vilvoorden, Genappe, Gorkum en Woerden. Orig. Urk. Arch. Dresden.
35. 3 Nov. 1491. (Botzen). Belofte van Max. en Ph. Albrecht een nieuwe volmacht als gouv.-gen. te zullen geven. Orig. Urk. Arch. Dresden.
36. 3 Nov. 1491. (Botzen). De sloten Vilvoorden, Genappe, Gorkum en Woerden aan Albrecht afgestaan , totdat zijne financieele eischen voldaan zijn. Orig. Urk. Arch. Dresden.
37. 3 Nov. 1491. (Botzen). Albrecht ontvangt nog eene lijfrente van 5000 Andriesgulden boven de 35 000 voor zijn ambt vastgestelde en de reeds vroeger geschonken 5000 Andriesg. Orig. Urk. Arch. Dresden.
38. 3 Nov. 1491. (Botzen). Bevestiging van Albrecht als gouverneur-generaal der Nederlanden. Orig. Urk. Arch. Dresden.
39. 3 Nov. 1491. (Botzen). Stad en kwartier van Limburg aan Albrecht -afgestaan voor zijne vorderingen. Orig. Urk. Arch. Dresden.
40. 12 Nov. 1491, (Botzen). Bevel aan de rentmeesters in Tyrol om 35000 pond uit te betalen aan Albrecht. Orig. Urk. Arch. Dresden.
41. 12 Nov. 1491. (Botzen). Volmacht voor Albrecht om namens Max. en Philips vrede te sluiten met den hertog van Kleef, de Gentenaren en die van Sluis. Orig. Urk. Arch. Dresden.
42. 7 April 1492. (Augsburg). Max. aan Albrecht, dat de Keizer hem zeer ongenadig behandelt en hem allerlei inkomsten heeft ontnomen.
43. 31 Mei 1492. (Augsburg). Max. aan Albrecht, dat hij nu met den Keizer verzoend is.
44. 6 Juni 1492. Karei van Gelder beveelt zijne onderdanen den wapenstilstand met Albrecht te houden. Orig. Urk. Arch. Dresden.
45. 11 Aug. 1492. Gent belooft den vredebrief, 29 Juli te Sluis ge-teekend , te zullen houden. Orig. Urk. Arch. Dresden.
46. 22 Aug. 1492. Hertog George van Saksen belooft den bisschop van Brixen 6000 rijnsche guldens te betalen , die Albrecht dezen schuldig is. Orig. Urk. Arch. Dresden.
47. 16 Sept. 1492 (Frankfort). Max. aan Albrecht, dat hij hem spoedig na den rijksdag zal komen zien.
48. 22 Oct. (1492) (Frankfort). Maximiliaan betuigt Albrecht zijn dank voor de inneming van Sluis en verzoekt hem den Engelschen Koning goed te ontvangen en dezen te ondersteunen tegen Frankrijk.
Arch. Dresden , Loc. 8497, Schreiben Max. an Albr. (1480-1498), fol. 26.
47
49. 23 Oct. 1492. (Frankfort). Max. aan Aibrecht, dat hij met Al-brecht ziju leger naast het Engelsche hoopt op te slaan.
50. 24 Oct. 1492. (Mechelen). Philips belooft in een eigenhandig-onderteekend stuk de financieele beloften van zijn vader aan Albrecht te zullen houden. Orig. Ürk. Arch. Dresden.
51. 12 Dec. 1492. Max. aan Albrecht, dat hij hem te Luxemburg hoopt te ontmoeten ; dat hij zijn best zal doen Albrecht\'s zoon Frie-drich tot bisschop van Würzburg te verheffen.
52. 16 Dec. 1492. Jan van Barry belooft als slotvoogd van Me Jein-blik Albrecht trouw te zullen dienen. Hierbij de borgstellingen van Thomas Beuckclair , rentmeester. en Floris van Wijngerden , griffier van Holland. Orig. (irk. Arch. Dresden.
53. 26 Febr. 1493. (Colmar). Maxim, aan Albrecht, dat hij nog met weet, of Gelder het bestand tot 1 Mei zal aannemen; dat hij de ex-spectantie op Utrecht van den Paus heeft verkregen en zeer goed staat met Christoffel van Baden ; dat het garnizoen te Maastricht onvoldoende is en Albrecht dus meer troepen daarheen moet zenden.
Arch. Dresden , Loc-1497, Schrei ben Max. an Albr. (J480-1498), ful. 60.
54. 23 Sept. 1493. (Innsprück). Max. erkent de vrijheid van Friesland, terwijl iedere haard jaarlijks 1 groot (16 in een rijnsche gulden) aan het Rijk moet betalen. Orig. Urk. Arch. Dresden.
55. 18 Dec. 1493. De schuld van Max. aan Albrecht is thans 272 757 goudguldens. Orig. lrrk. Arch. Dresdpn.
56. 19 Dec. 1493. (Weenen). Borgstelling van Max. en Philips voor Albrecht, waarbij zij beloven borg voor hem te zijn voor 11 000 pd., die hij geleend heeft van Nicolaas Spinnel, koopman te Gruua.
Orig. (rrk. Arch. Dresden.
57. 20 Dec. 1493. (Weenen). Vrijgeleide van Maximiliaan voor de-personen , die Albrecht zal zenden tot inning van de sommen, die hij in 1495 zal terugbetalen. Orig. Urk. Arob. Dresden.
58. 21 Dec. 1493. (Weenen). Maxim, beveelt ziju Oostenrijkschen rentmeester 52 265 rijnsche guldens te betalen aan Albrecht wegens voorschotten in de llongaarsche en Nederlandsche oorlogen.
Orig. Urk. Arch. Dresden.
59. 18 Febr. 1494 (Hoese). Maximiliaan g-eeft Albrecht de beschikking over de sloten van Woerden , Genappe, Vilvoorde, Let klein» kasteel van Sluis, Medcmblik en de blokhuizen van Haarlem. Zit— rikzee en Middelburg. Orig. Urk. Arch. Dresden.
60. 23 Mei 1494. (Kempten). Max. bevestigt het verbond tusschen Groningen en Oostergo. Urk. Arch. Dresden.
61. 24 Mei 1494. (Kempten). Max. eischt van Gron. en do Friezen den eed aan de Keizerlijke gezanten en erkent de vrijheid der Friezen tegen 4000 goudg. \' Urk. Arch. Dresden.
62. 14 Juni 1494. (Worms). Maximiliaan geeft volmacht aan Albrecht om de onderhandelingen met Gelder te voeren tnt zijne komst
Orig. Urk, Arch. Dresden.
48
63. 12 Au^. 1494. Gilles van Falkenstein belooft Geervliet voor Al-brecht te zullen houden. _ Orig. Urk. Arch. Dresden.
64. 12 Nov. 1494. (Antwerpen). Westergo moet zijn aandeel in de 4000 goudg.aan v. Langen en v. Eberstein leveren. Urk. Arch. Dresden.
65. 30 Nov. 1494. (Antwerpen). Max.. on Philips beloven uit de beden van Holland en Frieslant aan Albrecht zijne vordering van 301 928 goudguldens te zullen betalen. Afstand van Medemblik, Geervliet, Woerden , Haarlem en Genappe aan Albrecht tot aan de betaling der schulden. \' Orig. Urk. Arch. Dresden.
66. 1 Dec. 1494. (Antwerpen). Max. en Philips beloven Albrecht te zullen helpen bij het innen der gelden , die hem toekomen.
Orig. Urk. Arch. Dresden.
67. 4 Dec. 1494. (Antwerpen). Max. en Philips beloven Albrecht de 24 000 goudg., die hij nog voor dat jaar te kort ontvangen had , in twee termijnen te zullen betalen. Orig. Urk. Arch. Dresden.
68. 18 Dec. 1494. (Antwerpen). Vrijgeleide van Max. en Philips voor de personen , die Albrecht uit de Nederlanden naar zijne landen wil zenden ten einde zijne zaken te bezorgen.
Orig. Urk. Arch. Dresden.
69. 18 Dec. 1494. (Antwerpen). Vrijgeleide tot hetzelfde doel voor Albrecht zeiven. Orig. Urk. Arch. Dresden.
70. Dec. 1494. (Antwerpen). Max. en Philips geven Albrecht een bewijs van goeden dienst tot op dat oogeublik.
ürig. Urk. Arch. Dresden.
71. 2 Febr. 1495. (Mecheleu). Thomas Beuckelaer, raad en rentmeester van Holland en Friesland, belooft de soldij te zullen betalen wor de garnizoenen in Albrecht\'s sloten.
Orig. Urk. Arch. Dresden.
72. 2 Febr. 1495. (Mecheleu). Dezelfde belooft uit de bedeii ieder jaar 50 000 goudg. te zullen betalen , totdat de schuld van 301 928 goudg. betaald is. Orig. Crk. Arch. Dresden.
73. 5 Feb-r. 1495. Do stad Brussel neemt 6000 pond over van de ichuldeu van Albrecht. Orig. Urk, Arch. Dresden.
74. 1G Febr. 1495. (Hohdam). Verpanding aan Albrecht van Rijssel, ï^luis , Vilvoorde, Gorkum , Middelburg en Zierikzee . voor de schulden Tiiu Max. en Philips. Orig. Urk. Arch. Dresden.
75. üitnoodiging der Scbieringers aan Albrecht. 3 April 1495.
De steden Bolswart en Workum cn de hoofdelingen Godschalk Jougema. Dowa Harijngsma, Foelka en Rauck Heemstra en Rauck ïïamstra aan Albrecht, » mijt onze anholders unde vrenden\' , dat zij zich herinneren de goede diensten , door Albrecht aan den Keizer belezen , en ook die aan hen tegenover Groningen. Daar evenwel Groningen het gemaakte » reses\'quot; niet houdt, »mit scattijnge , mit vangen unde spannenquot; en zij zeer in nood zijn, »demnae so is ons onderdanighe g-hebeed , Uwer Genaed wijl ons doer God unde Gherechticheit so ghe-
49
nedich wesen unde ons gogen die konliclce Mayesteyt tobidden, dat ons sijn konlicke Mayesteyt so genaedicli sy unde scliicke ons een steedhouwer ofte potestaet hijr om ons to recht to schicken unde to bant hebben nae uutwysinge onse landespreweleyen , hoe wy die reclite-lick heer broebt hebben ; unde hoe die konlicke Mayesteyt gheliewen wolde ons arme gelyderen des beyligen Ricks Uwen Genaedeu Persoen tot sulken voernemen ende ambt ghebrueken wolde , dat wy hoch-liken unde van hartten Lygerende , so bijdden wy Uwen vorstelicken Genaed , wilt U van desen niet heswaren, dan wy sullen U vorstelieke Genaed mit uwen onderhaldijnghe also halden , dat ü vorstelieke Genaed ons to bydaneken sal hebben. Wy wijllen ons oick tiegen U vorstelieke Genaed mit allen reden ende geboersaem bywysen als ghetrow onderdaene des heyligeu Rickes unde alle saeken nae U vorstelieke Genaede rechten als nae ons steedhower ofte potestaet voorsz. beschermen , dat U vorstelieke Genaed an ons gevallen hebben sullen, antwijwel U vorstelieke Genaed wil sijck in desen saeken genedelieken halden unde bewysen, daermet wy niet so lichtwaerdich van den beyligen Rijck gedrongen worden , unde die hant au ons holden , dat willen wy altijt an ü vorstelieke Genaede gaern verdinen unde God voer U bijdden.... Int jaer als men screef na Goeds geboerte 1495 op den derden daeges in Aprillis.
Met stukken van de op den brief gedrukte zegels en bandteekeningen der regeeringen van de steden en der hoofdelingen.
Loc. 8497, Allerhandt Briefe an hertzog Albrecht. 76. Brief van dezelfden van denzelfden datum.
Zij beklagen zich over » dat grote gewelt, daer ons geschiedt alle daegen an huusbrekinghe, vangenschijp und grote gued scaeden van die van Groengen met haer pertye ende anhangers\'\' en vragen recht. Zij hebben daarom reeds gevolmachtigden gezonden aan Maximiliaan , die ook bij Albrecht geweest zijn; ook hebben zij gezonden naar Otto von Langen. Zij zullen nu nog eens drie gevolmachtigden zenden , zoodra George van Eberstein met zijne troepen in Friesland is, gt; want hadden -wy nu voel roemen of reppijnge in ons land gemaekt, so haddeten die rebellen ende onboersamen bygemerekt, daer wy gelaeten hebben om dat beste daer uut to kommen. Daerom bidden wy ü vorstelieke Genaed dit en dat beste to verstaen unde dat die heren unde knechten boewen geroert worde in ons land geschickt, wandt het van grote noed is, sal die konlicke Mayesteyt eer daer in geschien ende justicye over die rebellen , unde dat van stonden an , hwant die van Groengen unde ander hovetlijngen in Oestergho unde Westergho hebben boeden uut in plaetsen om knechten in onse landen paelijngen to leggen; unde komen sy eer dan des koenijngs knechten, so saelt niet gued to doen w7esen, unde komen U knechten, van wege des konlycke Mayestaet eerst, so mach men dat doen sonder ghebreek of hinder; unde mede so hebben wy procuratoer, als meyster Harmen die Vrees ,
4
50
doktoer unde Raede des konlycke Mayestaet, daer macht heeft van ons rechten tiegen die van Groengen....
Met stukken van de zegels en handteekeningen der hoofdelingen.
Ibidem, fol. C8.
77. 6 April 1495 (Mechelen). Brief van Eberstein aan Albrecht: » ob E. F. G. die Handlung mit Fneslant noch zur Willen ist, sol E. F. G. mich wissen lassen E. G. entliche Meyning, dan die knecht nog nf pescheid derselben Reise halben warten , und geren ziegen •wolten und gehorsam sein. Item Gen. Herr, noturfftigwurt sein, das E. F. G. mich mit ainem beselich brieff, als ein Furst des heilligen Reichs abfertigen lasse in Frieslant zu handlen , damit wan mer dae komen , mer etwas zu weissen haben ....
Archiv Dresden, Loc. 8497, Schreiben Max. an. Albr.
(1480—1498), fol. 67.
78. 26 April 1495 (Vilvoorde). Albrecht beklaagt zich over de bewering der Bmsselsche regeering , dat hij met vijandelijke bedoelingen ruiters en voetvolk in de Nederlanden heeft gebracht. Ibid.
79. 6 Sept. (Worms). Maximiliaan verklaart, dat de landvrede van Worms Albrecht niet zal schaden in zijne vorderingen en hij met zijne onderdanen vrij zal zijn van den gemeenen penning.
Orig. ürk. Arch. Dresden.
80. 9 Sept. 1495. (Worms). Max. en Philips betalen aan Albrecht 50 000 rijnsg. én beloven hem ook het overige te zullen betalen. Ib.
\'81\'. 25 Sept. 1495. (Worms). Schuldbekentenis van Max. aan Albrecht ten bedrage van 11 000 pd. Ib.
82. 26 Dec. 1495. (Brussel). Philips beveelt zijn opperkamerheer de representanten der Staten van Holland en Friesland over te halen jaarlijks 50 000 goudg. aan Albrecht te betalen volgens hunne belofte van
4 Sept. 1490. „.AH
83. 27 Oct. 1495 (Insprück). Maximiliaan geeft aan Albrecht 2500 goudg. op do bede van Tyrol, op afdoening van de 50 000 goudg. \'s jaars. Ib.
84. 24 Febr. 1496. Gevers van Jan van Outhuesden wegens ontvangsten uit den tol te Geervliet. Ib.
85. 18 Nov. 1496. (Lindau). Maximiliaan belooft aan Albrecht eene jaarlijksche rente van 6296 goudg. op de inkomsten uit zijne erflanden , totdat de 325 928 goudg. Rh., die hij hem schuldig is, zijn afbetaald.
Ib.
86. 18 Nov. 1496. (Lindau). Bevestiging der verpanding van de bovengenoemde Nederl. sloten aan Albrecht. Ib.
87. (1496). Verdrag door den aartsbisschop van Mainz voorgesteld tot regeling der schulden van Maxim, aan Albrecht. Met vidimussen van den aartsbisschop van Mainz en den bisschop van Merseburg.
Ib. Friesl. Sachen , 11 n0. 8/a
88. 13 Aug. 1497. Gillis van Musen en zijne vrouw verkoopen aan Albrecht hun huis te Mechelen voor 1000 goudg. en 100 currente penningen. Ib. Fr. S., 11 n0. 9.
51
89. 18 Aug. 1497. Bevestiging der schepenen van Mechelen hiervan.
ld. blz. 11 n0. 10.
90. 17 Jan. 1498. Cornelis van Berghe belooft jaarlijks 6 varkens te leveren in het. Saksische huis te Mechelen. 11). Fr. S., 11 n0.11.
91. 1G Maart 1498. Overeenkomst van Max. en Albrecht over de kosten van den Gelderschen oorlog. Ib. Fr. S., 14 n0. 11.
92. 17 Maart 1498. (Brussel) Philips geeft aan Albrecht jaarlijks 5000 Andriesg. als pensioen , benevens 2000 op den tol van Geervliet en 3000 op dien van Gorkum. 1b. Fr. S., 4 n0. 19.
93. 25 Maart 1498. (Insprück), Max. belooft aan Albrecht, voor nog een jaar hulp in den krijg met 200 paarden en knechten, 15 000 rijns-guldens. 1b., 14 n0. 8.
94. 30 April 1498. (Sneek). Huldigingsverdrag van Westergo aan Albrecht. quot; ld., 7 n0. 10.
95. 20 Juli 1498. (Tilburg) Vidimus van Max. van den leenbrief van Friesland voor Albrecht. 1b., 18.
96. 24 Sept. 1498. (Mechelen). Machtiging van Albrecht voor Boso, graaf zu Stollberg, Siegmund Pflug , kanselier, Wilbald von Schaune-burg, Nidhardt Fuchs, hauptmann, om de huldiging van quot;VVestergo voor hem aan te nemen. 1b. 4, n0. 20.
97. 9 Oct. 1498. quot;Wilwolt von Schaumburg , stadhouder van Friesland voor Albrecht, eiscbt van de geestelijke stiften, dat zij de eetwaren te Sneek ter markt brengen ten behoeve van zijne pas aangekomen ruiterij.
98. 15 Oct. 1498. Bevestiging van het verdrag van 30 April.
Ib. bladz. 10.
99. 20 Oct. 1498. Leeuwarden huldigt Albrecht. 1b. bladz. 10.
100. 28 Oct. 1498. Transumten der vrijheidsbrieven voor Friesland van Willem II (3 Nov. 1248) en Sigismund (30 Sept. 1417).
Ib. 21, n0. 1.
101. 30 Oct. Instrumentum Installationis Domini Albert! Ducis Saxoniae et Gubernatoris Frisiae. Ib. bladz. 10.
102. 4 Nov. 1498. (Vollenhove). Frederik, bisschop van Utrecht, bemiddelt tusschen Albrecht en Groningen; hij bewerkt een bestand tusschen de stad en de veldheeren van Albrecht tot 7 Febr.
1b. 14 , n°. 9.
103. 25 Maart 1499. (Goch). Belofte van Max., dat Philips geen verdrag zal sluiten met Karei van Gelder tegen den wil van Albrecht van Saksen en George van Beieren; deze mag dit wel zonder zijne toestemming. Ib. 11, N0. 13.
104. 27 Maart 1499. (Neusz). Max. bevestigt het verdrag, 18 Maart te Brussel gesloten tusschen Philips en Albrecht, waarbij de eerste voor 350 648 rijnsche guldens zijne pretentie op Friesland \'laat vallen, onder voorwaarde dat hij het recht op dat gewest altijd voor die som kan terugkoopen. Ib. 11, N0. 12.
105. 27 Maart 1499. (Neusz). Maximiliaan verheft Albrecht tot
52
Tjotestaat van Friesland (ook Groningen en Oostfriesland enz. hierbij.)
1b. 6««, Nquot;. 21.
Het origineel wordt bewaard onder n0. 9295 derürk.
106. 14 April 1499. (Goch). Max. belooft Albrecbt en zijne Raden te zullen verlossen, als zij gevangen worden in den Gelderscben krijg.
1b. 14, n°. 10.
107. 14 April 1499. (Goch). Max. benoemt Albrecbt en George van Saksen tot zijn plaatsvervangers in den oorlog tegen Karei van Gelder en belooft hun de veroverde landen te zullen overlaten, totdat zij voldaan zijn wegens hunne voorschotten. Ib. 14 , n0. 11.
108. Max. vergunt aan Albrecbt het Friesche wapen te voeren.
19 Aug 1499.
Wir Maximilian .... Als wir hievor nach zeittigem Vorrate unnser und des heiligen Reichs Churfursten, Fursten und Stennde, so auf unnserm küniglichen Tag zu Freyburg ira Briszgew in trefflicher Antzal bey unns versammelt gewesen sein, den hochgebornen Al-brechten Hertzogen zu Sachsen, lanndtgraven in Boringen und Marg-graven zu Meyssen, unnserm lieben Oheimen undFürsten, . . . . zu Gubernator unnd Potestaten über die Prelaten, Grafen, Edelen, Stedt, Commun unnd Einwohner des Lannde unnd Insein Ostergew, Westergew, Sibenwalden, der Grunijnger Gebiete, Dutmarschen, Stranndfriesen, Wurstfriesenn , Stellingwarff, unnd aller annder genennten des Frieszlannds .... das wir .... gegonnet unnd zu-gelassen haben .... in den Innsigeln , Secreten unnd PettschafTten, die sy in Hanndlungen und Sachen die Auszübung des obbestimmten Gubernats unnd Potestats beruerende brauchen unnd weiter nit, in Mitte bey den Zeichen unnd Schilden Ir Erblicher Lennden ein gelben oder goldfarben Schild, darijnnen aufrecht ein Swartzer Adler mit zwayen Haupten sich von einander kerend, yedes.Haubt mit eynem Diadem mit seynen ausgebrayten Flugen und unnden in seynem Swanntz den Schild unnd Wappen der yetzberürten Frieszland, die sein mit namen ; een plaber Scbild , darijnn ob einander Zwin gelb Leo mit Iren aufgeworffen Swenntzen zum gaen geschickt, unnderhaib unnd oberhalb der berürten Leo in demselben Schilde ausgepraytet gelbe spene , graben nnnd machen lassen .....Aschaffenburg, 19 Aug. 1499.
Ib. bladz. 3, n0. 1 , Arch. Dresden, met fraai zegel.
109. 5 Oct. 1499, Revers van Edzard en Hugo van Oostfriesland, waarbii zii Albrecbt erkennen als potestaat van Friesland.
J Ib. blad. 10.
110. 12 Oct. 1499. De beide graven van Oostfriesland beloven, dat onderdanen van Albrecbt vrij zullen mogen varen door hun gebied.
Ib. bladz. 8.
111. 12 Oct. 1499 (Leeuwarden). Het Oldambt met de sloten Oter-dum en Pekelburg , benevens het dorp Bellingwolde , door A Ibrecht aan Edzard afgestaan tot aan de teruggave van het voorschot van 16000 goudg.
Ib. bladz. 14, n0. 13.
53
112. 12 Oct. 1499. Edzard van Oostfriesland belooft nog de hem in den krijg tegen Groningen verpande ambten , sloten en dorpen af te zullen staan aan Albrscht tegen teruggave eener door hem verstrekte som van 9000 goudg. Deze plaatsen en landen zijn: Delfzijl en de Ommelanden tusschen de Eems en het Groninger Diep.
Ib. bladz. 14, n0. 12.
113. 1 Maart 1500 (Brussel). Philips belooft Albrecht te zullen helpen in de onderwerping der hem ongehoorzame landen.
Ib. 7, n°. 1.
114. 6 Maart 1500. Rijksban over Groningen uitgesproken.
lb. bladz. 1 , n0. 1.
115. Archief van Holland over Friesche zaken.
8 April 1500. (1)
Philips de Schoons verklaart de volgende archiefstukken over Friesland te hebben overgegeven aan Siegmund Pflug, als commissaris van hertog Albrecht.
....Ende 1°. eerst eenen brief iu Lalyne mit eenen gouden zegel, daarmede Keyser Lodovicus quartus bevelt den grietmans, raadsmannen ende anderen van den lande van Oistrigo ende Westrigo in Oistvrieslant, dat zy Greve Willem van Henegouwen ende van Hollant nemen voir hueren rechten landsheere, in dato 1330 (2); 2°. Brief, daermedo Hoggha, Howoudt ende die van Medembliec bekennen, alsoe zy by toedoen van Grave Floris van Hollant huer lant weder bedijct hebben, dat zy hem daervoer wedergegeven hebben eeuwelijck ende erflick tlant, geheeten Harckencoch, in dato 1294 (3); 3quot;. Eenen brief, daer-mede die van Staveren bekennen Graef Floris van Hollant ende zynen naecomelingen voir hueren gerechten here; ende in denselven brief is geinsereert een brief van Graef Floris (!) voirsz, dairinne hy deselve van Staveren sekere vryheden ende privilegiën gegeven heeft, in dato 1299 (4); 4°. Eenen brief, daermede die van Staveren machtigen zekere persoenen tontvangen Grave Jan van Henegouwen voir hueren rechten erfheer ende hem hulde ende eedt te zweren ende heur stede rechten van hem tontfangen, gelijck zy voirtijts gedaen hadden Grave Floris van Hollant, in dato 1299 (5); 4°. (!) Eenen brief, daermede Hessel, heeren Gelmersz , ontfaet van den Grave van Hollant zijn huys ende erve binnen Staveren tot eenen rechten leen, in dato 1308 (6); 5°. Tractaet van peys, daermede die van Westergo, bekennen Grave Willemende zijn nacomelingen alle die Jurisdictie in lant van Westergoe in alle die rechten, als zijn voorvaders die gehad hebben, ende Grave Willem
(1) Met fouten gedrukt in het Gr. Charterb. 1, 792.
(2) Charterb. 1, 185.
(3) Oork. v. H. en Z., II, 877.
(4) Charterb. 1, 132.
(5) Charterb. 1, 131.
(6) Charterb. 1, 135.
54
geeft hem weder eeuige privilegiën, in dato 1310(1); 6°. Eeoeu brief, daermede zekere prelaten ende grietmans in Oestvrieslant geloven te houden alsulke soene, ais gemaect is tusscheu Willem , Grave van Hollant, aen deen zijde ende die van Campen an dander mit huere medelanders , daerinne geinsereert es den brief van soene van den voorsz. Grave quot;Willem besegeit met xi segelen, in dato 1318 (2); 7°. Eenen credencie brief, daermede die van Staveren machtigen sekere persoenen te comen by den Grave, in dato 1327 (3); 9°. (!) Gebiijf, daermede die van Staveren bleven een seggen an den Grave van Hollant, hueren rechten here, alsulcke brneken als zy misdaen hebben, in dato 1327 (4); 10°. Eenen brief, daermede Grave Willem van Henegouwen, Grave van Hollant, met den byscop van Zuyden seggen ende vuytspreken over die van Staveren van der brueke , die zy misdaen hadden, dat zy den Grave betalen zullen 1500 marck engels, in dato 1328 (5); 11°. Eenen brief, daermede die van Staveren bekennen, dat zy angenomen hebben alsulke tractaet, als mitten Grave van Hollant gemaect is ende begrepen in die hantvesten , die daerof gemaect zijn, in dato 1327 (6); 12°. Een Instrument , daermede blijct, dat die van Staveren gesouden hebben zekere huere gedeputeerden anden Grave van Hollant, hemluyden macht gevende om mit denselveu Grave te tracteren , ende beloven altgunt tonderhouden, dat by hemluyden getracteert zoude wesen, welcke gedeputeerden geboden hebben den Grave van Hollant te voldoen van alsulke mesdaet, als by den voirsz van Staveren mesdaen was, tot des Graven zeggen, behouden huer lijf, in dato 1327 (7); 13°. Eenen brief, daermede die van Staveren zenden an den Grave van Hollant zeker huer gedeputeerde om te tracteren met den Grave, belovende vast ende gestade te houden , tguent dat by hemluyden gedaen zal wesen, in dato 1353 (8); 14°. Eeneu brief, daermede die grietmans , prelaten en de mederechters bekennen tontfangen ende gehult te hebben hertogen Aelbrecht van Beyeren voir hueren rechten here, voir him ende zijn naecomelingen tot eeuwigen dagen, in dato 1398 (9); 15°. Soenbrief tusschen den Grave van Hollant en die van Westergo , roerende dat zy des Graven scout van Staveren verdreven hadden, in dato 1328 (10); 16°. Eenen brief, besegeit met VI zegelen vuythan-gende met groenen zyden coerden, daerinne die grietmans ende den
(1) Charterb. 1, 149.
(2) Charterb. 1, 158.
(3) Charterb. J, 177.
(4) Charterb. 1, 179.
(5) Charterb. 1, 182.
(6) Charterb. 1, 179.
(7) Charterb. 1, 178.
(8) Charterb. 1, 210.
(9) Charterb. 1, 284. (10) Charterb. 1, 182.
55
gemeeneu lande van Westergo, van Vroenacker, Wildingen , Wagen-brugge , Harich ende van Hemloin ende alle die mederechters ende die gemeente bekennen Grave Willem van Henegouwen alsulcke recht, als hy ende zijn ouders gehadt hebben binnen der stede van Staveren , in dato 1328 (1); 17°. Vidimus van een brief, daermede die van Staveren bekennen den Grave van Hollant alsulck recht, als hy ende zijn ouders gehadt hebben binnen zijn poirte van Staveren ende die hant-veste houdt, die zy hebben van Graef Floris, in dato 1328, ende tvidimus in dato 1343 (ü); 18°. Eenen brief, daermede die van Staveren hulden ende ontfangen Grave Willem van Henegouwen voir hueren gerechten geboeren heere, in dato 1328 (3); 19°. Eenen brief, daermede Halico van Hildema ende Reyner Rensiga, hooftlingen tus-schen de Lauwer ende die Eemze, daermede zy hertoge Aelbrecht opgedragen hebben zekere landen, heerlicheden ende sloten, geloven tselve van hem ende zynen nacomelingen te houden ten leene , in dato 1398 (4); 20°. Eenen brief, daermede Witzel heeren Ockenz. ende andere hooftlingen tusschen der Jade ende der Eemze voirz. geloven hertoge Aelbrecht ende zynen nacomelingen behulpich ende bystandich te wesen met alle huer macht, tot wat tyden zy eysschen zouden willen die stede ende tlant van Coevoirden mit den lande van Drent ende van Twent, ende viant te worden mit hem des Stichts van Utrecht, talie tyden zy des vermaent zullen worden , in dato 1398 (5); 21°. Eenen brief, daermede zekere gecommitteerde van Staveren van der stede wege gehult hebben hertoge Willem van Henegouwen voor hueren rechten heere, in dato 1352 (6); Eenen anderen brief, daermede die van Staveren bekennen gehult te hebben hertoge Willem van Beyeren , Grave van Hollant, voir hueren rechten lantsheere, in dato 1353 (7); 22°. Eenen brief, daermede Ocken , heer van Bruecker-lant, updraecht hertoge Aelbrecht Brueckerlant ende andere landen ende burgen om te houden van hem ende zynen nacomelingen te leene , in dato 1381 (8); 23°. Eenen brief, daermede hertoge Aelbrecht geeft die van Westergo ende Oestergo veel ende diversche brieven van privilegiën , bezegelt met zijns zelfs zegel ende die zegelen van Willem ende Jan zijn soenen, gegeven in den Hage des Maend. na St. Ber-thelm. dach anno 1398 (9); 25°. (!) Eenen brief, daermede Widzel heeren Ockenz. ende ander hooftlingen tusschen der Lauwerzee ende der Eemze in Oestvrieslaut geloven hertoge Aelbrecht ende zijn naco-
(1) Charterb. 1, 180.
(2) Charterb. 1, 181.
(3) Niet gedrukt.
(4) Niet gedrukt.
(5) Niet gedrukt.
(6) Charterb. 1, 208.
(7) Charterb. 1, 210.
(8) Friedlander, Ostfr. ürk. 1, 121; Driessen, Mon. Gron. IV, 791.
(9) Charterb. 1, 285.
56
meliugen , dat alle zijn luydeu eude ondersaten , iu zyoen laut geseteu , tot eeuwigen dagen tolvry varen sullen duer huer lant, dat zy hadden of vercrigen souden, in dato 1398 (1); 26°. Eenen brief, daermede Alico van Hildema ende ander hooftlingen tusschen der Lauwer ende der Eemze in Oestvrieslant geloven voir him ende hueren naecome-lingen hertoge Aelbrecht ende zynen naecomelingen tot allen tyden tot hueren vermane hulpich ende bystandich ende viant der stadt van Groeningen te wesen , soeverre die selve van Groeningen den voirz. hertoge Aelbrecht ende zynen naecoraelingen ongehoirsamich waren of worden , hem te hulden voor hueren heere ende daerinne nye en leeten setten scout ende gerechte, in dato 1398 (2); 27°. Eenen brief, daer medeWidzen, heeren Ocken zone, ende Volmaer Alenzone, hooftlingen an geender zyde der Eemze in Oestvrieslant mede updragen Hertoge Aelbrecht seker landen , heerlicheden ende sloten , aldaer int lange verclaert, om die van hem ende zynen naecomelingen te houden ten leene, iu dato 1398 (3); 28°. Eenen brief, daermede heer Widzel heren Ocken zone ende Volmaer Alenzone geloiven hertoge Aelbrecht bystandich te wesen ende viant te worden der stadt Groeningen ende hem te brengen in possessie aldaer van zijn recht, in dato 1398 (4); 29°. Eenen anderen brief, daermede Tamo Gokenga ende Menno Ha-warda, hooftlingen tusschen der Lauwer ende der Eemze in Oestvrieslant , updragen voir him ende hueren naecomelingen den Grave van Hollant, te houden van him ende zynen naecomelingen tot eenen goeden erfleene diversche landen, heerlicheden ende sloten , aldaer verclaert, in dato 1398 (5); 30°. Soen , gemaekt tusschen hertoge Aelbrecht van Beyeren ende die van Oestergo ende Westrigo met diverschen singulieren persoenen, daerinne verclaert, in dato 1398(6); 31°. Eenen brief, daermede Hommekover Snellegherzone ende Hay Wibbenzone , hooftlingen tusschen der Lauwer ende der Eemse in Oestvrieslant, mede opdragen zekere lauden, goeden, heerlicheden ende sloten den Grave van Hollant om van him te houden te leene tot eeuwigen dagen, in dato 1398 (7); 32°. Eenen brief, daermede die van Oestrigo ende Westrigo overgedragen zijn met hertoge Aelbrecht hem te hulden voir eenen rechten heer up zekere condiciën ende voirwaerden, aldaer verclaert, in dato 1399 (8); 33°. Eenen brief, daermede die gemeen bueren van Oude Holepat ende Nyeu Holcpat met hueren consorten geloven hertoge Aelbrecht van Beyeren eude zyneu erven al te doen, dat goede, ge-
(1) Niet gedrukt.
(2) Niet gedrukt.
(3) Friedlander, Ostfr. Urk. 1 , 141.
(4) Niet gedrukt.
(5) Niet gedrukt.
(6) Charterb. 1, 283.
(7) Niet gedrukt.
(8) Charterb. 1, 290.
57
trouwe ondersaien hueren lautsheren sculdich zijn te cloene, ende beloven daertoe huer aandeel te betalen van den pachte naer uutwysen der hantvesten , die de voirz. hertoge gegeven heeft die van Stelfinc-werf ende Soeterwerf met hueren consorten, datum anno 1396 op tHeylich Sacramentsavont (1); 34°. Soenbrief, besegeit mitten segelen van prelaten ende grietmans rnitten gemeenen rechters van Oestrigo ende Westrigo , roerende densoen, gemaect tusschen hertoge Aelbrecht ende himluyden , begripende diversche vryheden ende punten , gegeven tot Bolswairt anno 1401 (2); 35°. Eenen brief\', daermede die gemeene rechteren van Smelgerlant beloven tonderhouden al sulcke vrede, als gemaect is den lande van Hollant aen deen zyde ende den lande van Oestrigo ende Westrigo, in dato 1406 (3);\' 36°. Eenen brief, daermede den gemeene rechteren van Honzegelande bekennen ange-nomen te hebben alsulcken vrede, als die van Oestrigo ende Westrigo angegeven zijn mit den Grave van Hollant, in dato 1406 (4); 37°. Soenbrief, gemaect bij sekere singuliere persoenen van der Duut-scher Hanse tusschen hertoge Willem van Bayern aen deen zyde ende die van Oestrigo ende Westrigo aen dander zyde, daerin die-zelve Vriesen bekennen hertoge Willem voir hueren heeren, soe die segsluyden dat vuytspreken souden, in dato 1406 op Sinte Brixius-dach (5); 38°. Eenen brief, daermede die van Groeningen bekennen ende geloven te houden alsulcke soen , als die van Hollant gemaect hebben met die van Oestrigo ende Westrigo in Oestvrieslant, gegeven in dato 1406 op Sinte Cecilyendacb (6); 39°. Een vrede, gemaect tusschen Grave Willem van Beyeren ende den prelaten, grietmans ende mederechters, in dato 1407(7); 40°. Eenen brief, daermede die van Staveren bekennen voir hem ende hueren naecomelingen hertoge Jan vnn Beyeren ende zynen naecomelingen van Gods ende rechts ■wegen onl-fangen te hebben voer huren rechten, geboeren erfhere, in dato 1421 (8); 41°. Soen tusschen hertoge Jan van Beyeren gemaect aen dien zyde ende Oge tot Brouck, hooftlinck toe Ouwerck, Eemden ende der stadt van Groeningen an dander zyde, begrippende veel punten, in dato 1421 op Sinte Gielis dach (9); 42°. Kenen brief, daerinne die grietmans, rechteren ende gemeene goede luyden van Hindelopen ende ilolken-weer bekennen, dat zy gebult hebben hertoge Jan van Beyeren voir him ende zynen erven voir hueren rechten lantshecre, in dato üuyst 1421 (10);
(1) Charterb. I, 296.
(2j Charterb. I, 327.
(3) Charterb. I, 356. Waarschijnlijk Fimelgerlant, zie de volgende nos.
(4) Niet gedrukt.
(5) Charterb. 1, 354.
(6) Charterb. 1, 355.
(7) Charterb. 1, 360.
(8) Niet gedrukt.
(9) Charterb. 1, 437.
(10) Charterb. 1, 430.
58
44°. (!) Hantveste, gegeven die van Oestrigo ende Westrigo iu Oestvries-lant, daerinne verclaert staen veel ende diversche punten ende onder andere, dat zy van eiken huys jaerlicx geven sullen aen den Grave twee oude vlaemsche groten, daervan die elf werdich sijn een loot silvers erfflick, iu dato 1421 (1); 45°. Noch vier gelycke hantvesten, gegeven Wagebrugdele , Lidlem , Woldenresedele ende Wondrichem , oick in Vrieslant gelegen (2); 46°. Eenen brief, daermede die Oldermannen , liaiden ende gemeene der stadt van Dockum int lant van Oestrigo bekennen gehoirsaemheit gedaen te hebben hertoge Kaerle van Bourgongen ende dat zy van den zeiven hertoge Karei ontfangen hebben zekere privilegien , roerende hoe dat zyluyden hem voirtan regiereu souden ende anders in den zeiven brief verclaert, in dato 1470 den Ssten dach van Julio (3); 47°. Een bondelken met veel brieven , daerinne vele particuliere soenen vuyt Oestvrieslant bekennen den Grave van Hollant voir hoeren heere (4); 48°. Bekennende by desen , dat wy up dese tijt geen ander of meer brieven en weten noch en hebben, der voirsz. gerech-ticheit van Vrieslant antreffende. Beloeven voir ons, onsen erven ende naecomelingen in princelicke waere woirden ende up onse eere ende trouwe , dat, indien wy hierna eenige andere brieven vinden , der voirsz. gerecbticheit aengaende, dat wy die zijnre lieffden sullen doen geven ende leveren sonder vertreck ende daermede ons noch hem behulpen noch die gebruycken en zullen jegens ousen voirsz. oem van Saxen noch zynen erven .... Bruessel, den 8 A-pril 1499 naer Paesschen.
Urk. Arch. Dresd. Friesl, Sachen , 2, n0. 1.
114«. 23 Juli 1500. George aan Amsterdam met verzoek om een schip uit Emden los te laten, dat daar aangehouden was, hoewel het een vrijgeleide van hem had. Copialb. 122, S. 245.
115. 21 Aug. 1500. (A.duard). Verdrag tusschen hertog Albrecht en Groningen wegens allerlei moeilijkheden. Frederik van Utrecht en George von ïhurn treden hierbij op als bemiddelaars van wege den Keizer. Friesl. S. 9 5 , n°. 2.
116. 21 Aug. 1500. (Aduard). Artikelen van vereeniging hierbij , areteekend door Egbert Konnink, Roeloff Ulgher en Lulef Hoornken.
Ib. 9£, n0. 3
117. 16 Oct. 1500. (Wesel). George von Thurn, legaat in Friesland, verplicht zich de Ommelanden en wat hij er verder bezet heeft, volgens het verdrag van Aduard terug te zullen geven aan George en Hendrik van Saksen of hunne erven, op bevel van Keizer en Rijk.
Ib. 9S, n0. 4.
118. 25 Oct. 1500. (Rome). Paus Alexander aan Albrecht, vermaant
(1) Gharterb. I, 425.
(2) Gharterb. I, 430.
(3) Gharterb. I, 637.
f4) Gharterb. 1, 168 , 169 , 170 , 282.
50
hem »ab huiusmodi Frisie bello tutum (se) retrahcn liever tegen
de Turken te vechten. Dresd. Archiv, Loc. 8j97, Allerhanrlt
Briefe an herzog Albrecht (1487—1500), fol. 2.
119. 31 Oct. 1500. (Brussel). Heinrich van Saksen verheft Hugo, graaf van Leining , heer te Penig, tot zijn gouverneur in Friesland en tot gevolmachtigde procuratores en syndici: Christoffel von Taubenheim en Wilhelm Truxses , ridders, benevens Gaspar Ziegler.
Ibid. 6 aa, nquot;. 22.
120. 18 Nov. 1500. Jacob van Bronkhorst, heer van Batenburg verklaart zijn slot en zijne stad te willen afstaan aan Heinrich van Saksen. Urk. Friesl. Sachen 19 , n0. 2.
121. 1500. George aan Albrecht over de hulp door graven en beeren tegen Friesland toegezegd. Copialb. 106, fol. 126.
122. 1500. De bussen van Erik van Brunswijk te Overemden afgestaan aan Edzard om de Ommelanden te bedwingen.
lb., fol. 162.
123. 1500. Hertog Heinrich aan de hoofdelingen over Groningen\'s schending van het gesloten verdrag. lb., fol. 1625.
124. 1500. Hertog Heinrich aan Erik van Brunswijk over -ïijne bussen te Overemden. lb., fol. 163.
125. 1501. George aan zijn Raad in Friesland, dat hij geen geld meer kan zenden. \' lb., fol. 179 ^11.180.
126. 1501. George biedt zijne bemiddeling aan tusschen Munster en de ütrechtsche steden. \' lb., fol. 181 i.
127. 1501. George aan den hertog van Gulik over de door diens vader geleende bussen. lb., fol. 1885.
128. 1501. George beveelt 3000 rijnsche guldens uit Saksen ami Edzard te zenden. \' lb., fol. 209.
129. 1501. George aan Hugo von Leining over het aanzoek om hulp door te Dam vereenigde hoofdelingen. Ib., fol. 2696
130. 1501. Samenkomst te Nederwesel van George met den bisschop van Munster en graaf Edzard, tot regeling hunner geschillen.
Ib., fol. 3185.
131. 1501. Siegmund Pilug door George naar de Nederlanden gezonden. quot; Ib., fol. 3285.
132. 1501. Dr. Ghristoph Koppeuer door George tot kanselier van Friesland verheven. \' lb., fol. 333.
133. 1501. ChristofFel vau Taubenheim als gezant door George naar de Nederlanden gezonden. lb., fol. 3335.
134. 1501. George schrijft aan zijn Raad in Friesland, dat hij bericht heeft van de zege bij Damme. lb., fol. 366.
135. 1501. Samenkomst van George\'s Raden te Wildeshausen met Munster en Brunswijk, over de geschillen. lb., fol. 372.
136. 1501. George weigert de door Utrecht aangeboden bemiddeling tusschen hem en Groningen. lb., fol. 379.
137. 1501. George weigert de te Wildeshausen gemaakte bepalingen aan te nemen. lb.. fol. 416.
60
]38. 1502. George antwoordt der stad Emden op haar vertoogeo omtrent de geleende 3000 gulden en de quaestie van Klaarkamp.
Copialb. 10, fol. 52.
139. 1502. Bevel van George om zijne soldaten in Friesland met den winter te ontslaan. Ib., fol. 595.
140. 1502. George aan zijn Raad, over de twisten tusscben de Friezen en Enkhuizen. 1b., fol. 99.
141. 3 Febr. 1503. Vrijgeleide van Philips voor George van Saksen , voor eene reis naar de Nederlanden. ürk. Friesl. Sach. 20, n0. 5.
142. 1503. George verzoekt Edzard geduld te hebben met zijne vorderingen. Copialb. 108, fol. 239.
143. 1503. Verdrag van wapenstilstand met Groningen , van St. Jan tot St. Michiel. Ib., fol. 293.
144. 1503. Vrijgeleide voor de beide graven van Oostfriesland naar Saksen door Keulen en Hessen heen. Ib., fol. 301.
145. 9 Juli 1504 (Leeuwarden). De edelen van Oostergo, Westergo, Sevenwolde en Stellingwerf beloven jaarlijks den 21sten penning te zullen geven van landrenten en liggende grond.
(Met meer dan 100 handteekeningen en eenige zegels).
Urk. Friesl. Sachen, S. 10.
146. 10 Juli 1504 (Leeuwarden). George staat 10 rijnsche goudg. jaarlijks af aan den pastoor M. Haring te Bolsward tegen overgave eener vicarie aldaar. Urk. Friesl. Sachen, S. 3, n0. 2.
147. -1504. George benoemt dr. Kilian Konig tot zijn kanselier in Friesland. Copialb. 109 , fol. 31.
148. 25 Juni 1506. (Groningen). George belooft voor 2000 rijnsche g. jaarlijks Edzard van Oostfr. te erkennen als stadhouder der Ommelanden tusschen Eems en Gerkesbrugge.
Urk. Friesl. Sachen, S. 6 aa, nc. 23.
149. 25 Juni 1506. (Groningen). Edzard belooft Groningen te zullen verdedigen, totdat de Keizer over de stad heeft beschikt en zijne onkosten hem zijn voldaan. Urk. Friesl. Sachen, S. 14, n0. 14.
150. 12 Aug. 1505. (Hartten auf der Drenth). Verdrag tusschen George en Edzard over het den laatste toevertrouwde stadhouderschap tusschen Eems en Lauwers. Urk. Friesl. Sachen, S. 22, n0. 2.
151. 15 Dec. 1509. (Leeuwarden). George benoemt den graaf van Bentheim en Steinfurt tot zijn stadhouder in Westfriesland.
Urk. Friesl. Sachen, 6aa, u0. 29.
152. 1509. Twisten tusschen Hendrik en George over de heerschappij in Friesland. Copialb. 110, fol. 49.
153. 1509. Brief van George over het strandrecht op een te Stavoren gestrand schip. Copialb. 112, fol. 258 b.
154. Oct. 1511. Stavoren berekent de geleden schade door ^zeeroof van Lubecksche zeeroovers op 7000 pd. Ib. S. 14, nquot;. 15.
155. 21 Oct. 1511. De Raad van Hinlopen berekent zijne op dezelfde wijze geleden schade op 7500 pd, Ib. S. 14, n°. 16.
61
156. 6 Jan. 1514. (Eiszleben). Verbond van George met de hertogen van Brunswijk tegen Edzard van Emdeii. Urk. Friesl, Sachen, S. 7. nquot;. 2.
157. 10 Jan. 1514. (Insprück). Eberhard van Konigstein en George van Lichtenstein benoemd tot rijkshoofdlieden tegen de graven van Emden en Groningen. Friesl. S., S. 6 aa, n0. 25.
158. 13 Jan. 1514. (Münden). Quitantie van Erik van Brunswijk voor 1000 rijnsche g. door hem van George ontvangen. Id. S. 7, n0. 3.
159. 8 Febr. 1514. (Oldenburg). Verbond van de heeren van Dorn-heim met Saksen en Brunswijk tegen Edzard. Ib. nquot;. 4.
160. 8 Febr. 1514. (Oldenburg). Nader verdrag tusschen George en de drie hertogen van Brunswijk. Ib. nquot;. 5.
161-166. 15 April 1515. Rijksban over Groningen en Emden ; stukken daarover. Friesl. Sachen , S. 1.
167. 23 April 1515. Quitantie voor 3000 goudg. voor het onderhoud van 1000 knechten gedurende twee maanden door de hertogen van Brunswijk ten behoeve van George. Friesl. S. 7, n0. 6.
168. 31 Jan. 1515. (Dockum). Karei van Gelder geeft vrijgeleide aan Johan van Mersen voor eene reis door zijn gebied. Ib. S. 20, n0. 6.
169. 5 Maart 1515. (Weiszenfels). Overeenkomst van George met eenige hoplieden in Friesland over achterstallige soldij. Ib. S. 15, n0. 17.
170. 19 Mei 1515. (Middelburg). Afstand van Friesland aan Karei V.
Orig. met prachtige zegels, lb. S. 11, n0.14.
171. 5 Nov. 1517. Verklaring van Johan van Ar,rad omtrent de schulden van George. Ib. S. 9 a.
172. Oct. p. Intendit 1523. Revers van Hendrik van Brunswijk, waarbij hij en zijne broeders afstand doen van hunne vorderingen op George wegens den oorlog in Friesland. Ib. S. 14, n0. 18.
6\'2
BIJLAGE E.
liet tweede huwelijk van Prins Willem van Oranje.
(Hauptstaatsarchiv Dresden).
1. 23 Maart 1560. Gunther von Schwartzenburg aan Wormb , kamerdienaar van den keurvorst. dat de Prins liem verzocht beeft het portret van Anna mede te nemen. „, ,
Loc. 9941. Briefe v. u. a. Wormb, fol. 1.
2. 4 Mei 1560. Brief van den keurvorst aan landgraaf Philips van Hessen, dat Gunther von Schwartzenburg bij hem is geweest om namens den Prins , » nach verglichener Nassawiscber Handlang quot; een der Saksische of verwante prinsessen ten huwelijk te vragen. Over verschillende personen was gesproken en » letzlich ook over prinses Anna , omtrent wie de gezant blijkbaar nadere instructies bad. August\'s bezwaren: 1quot;. omtrent de religie. 2°. omtrent den zoon uit het eerste huwelijk, werden door Gunther beantwoord met de betuiging, dat alles wel schikken zou. Later kwam hij terug met George von Holla en verklaarde » obwolh S. L. die wahre Christl. Religion in Iren Landen noch tzur zeit offentlich nit predigeu lassen dorffte, so were doch S. L. dèrselben hertzlich genaigt. Esz soltenn auch dem Frawlein Ire Gewissen in Religionssachen frey gelassenn, Ir auch ein Evangeliscber Predicant und der rechte Gebrauch der Sacramenten in Iretn Zimmer unvorbindert gestattet - wordenn quot;; 2°. omtrent de kinderen uit bet tweede huwelijk, dat zij tot markies zouden worden verheven en f 70 000 inkomen zouden genieten. August was er wel voor toe te stemmen, 1°. omdat Anna niet mooi was en dus niet veel kans bad op een goed huwelijk; 2°. omdat de Prins een gt; schoner, janger, ver-moglicher Herrquot;\' en »vernunfftiger , sittlicher und furtrefflicber Furstquot; was, »von hohem verstandquot;, zooals August nog onlangs te Frankfort bad gezien ; 3°. omdat het goed was in de hooge Nederlandsche kringen iemand te hebben , die bij voorkomende gelegenheden een oog in het zeil kon houden. Zonder den landgraaf wil hij niets verder doen.
Loc. 9941. Printzen zu Uranien Heirath , 1560 und 1561 , fol. 1.
3. 4 Mei 1560. Instructie voor Hans von Carlowitz als gezant bij den landgraaf om over deze zaak te spreken, volkomeu gelijkluidend.
Ibid. fol. 4.
4. 18 Mei 1560. Antwoord van den landgraaf op den brief van August. 1°. Hij kent de verdiensten en gaven van den Prins en gelooft ook wel, dat deze in zijn hart de Augsb. confessie is toegedaan, maar weet ook , dat de Koning er niets van weten wil en de Prins zijne beloften omtrent de religie niet kan houden ; 2°. Anna is een keurvorstendochter en zou als zoodanig dalen in stand^ door dit huwelijk; *3®. de Prins zit diep in de schulden , vooral bij bet huis Schetz te
63
Antwerpen ; 4°. de zoon uit het eerste huwelijk gaat toch altijd vóór de zonen van Anna ; 5°. zijn de notie en de taal vreemd voor Anna ; (1°. de Prins is ouder en Anna zelf zal daarom niet willen. Ihld. fol. 11.
4«. 5 Juni 1560. Instructie van A. voor Hans v. Penniokaw om over deze punten voorzichtig met Gunther te spreken ; zonder in bijzonderheden te treden , moet hij dezen in het algemeen zeggen , dat de landgraaf bezwaren maakt. Ibid. fol. 17.
5. 23 Juni 1560. Bericht van Pennickaw, dat Gunther geen antwoord wilde geven zonder met Holla gesproken te hebben maar dat do zaak nog niet afgebroken is. Ibid. fol. 27.
6. 30 Juli 1560. Wormb aan Gunther, dat de keurvorst het portret heeft afgekeurd als te zijn »hupscher als das Lebendigequot;. Nu moet het minstens nog 14 dagen duren.
Loc. 9941. Briefe von und an Wormb, fol. 3.
7. 8 Aug. 1500. Willem van Hessen aan August, dat hij zijn best zal doen om zijn vader tot toestemming te brengen, mits de Prins de godsdienstquaestie regelt. Loc. 9941. Printzen zu Üranien Heirath, fol. 44.
8. 24 Aug. 1560. Wilhelm van Hessen aan August, dat zijn vader niets van de zaak weten wil en dat er » eine Person im Wege leiget, welche sich itzo unterstehet alle Ding zu reformiren und nit gerne siehett, das wir zu viell FriendtschatFt kriegenn an denen Ortern und bei denen , so uns bey den grossen Herren wolh furdern kOnnen.quot; Ware dit niet zoo , dan zou landgraaf Philips wel te bewegen zijn.
Ibid. fol. 54.
9. Reeks van brieven den ganschen herfst 1560 door van dezelfde strekking , tusschen Saksen , Hessen en Schwartzenburg gewisseld. Ibid.
10. 26 Nov. 1560. brief van Gunther aan Wormb , dat de Prins in Saksen komen zal met 61 volgelingen o. a. Johan en Lodewijk van Nassau, drie graven van Solms, de heeren van Batenburg, Warfusé , van der Meer, van Wijngaerden, van Brecht, van Chalons, van Be-soyen , van Wittenhorst, van Pluttdion (?); verder den hofmeester Wilt-precht, Varich , van Oberemd , Seras , van Borstein , van Gottinges , van Allendorff, van Mall, van Lohe, vom Stein , Farman , Vir, den secretaris Lorich enz. Loc. 9941. Briefe von und an Wormb , fol. 5.
11. 29 Nov. 1560. Bericht aan August, dat de Prins » mit vielen Graven und anderu gutten Leutten quot; onverwacht te Leipzig is gekomen en daarna naar Dresden wii. De keurvorst gaat dadelijk uit zijn kasteel Lochaw naar Dresden om hem te ontvangen.
Copialb. 261 , fol. 80 en 81.
12. 13 Dec. 1560. Knuttell van Mainz uit aan den keurvorst, dat hij rnet een paar dagen te Leipzig zal zijn , waar de Prins onlangs ook geweest was. Loc. 9941. Printzen zu üranien Heirath, fol. 86.
13. 14 Dec. 1560. (Dresden). Instructie voor Jenitz als gezant naast Knuttell bij den landgraaf. Herhaling van de vroegere verklaringen des Prinsen omtrent de beide punten ; verder mededeeling, dat de Prins en Anna elkander gezien hadden en elkaar goed bevielen. Ibid. fol. 92.
14. 17 Dec. 1560. (Leipzig). Lodewijk van Nassau aan Womb, te.r hegelekling van een brief ties Prinsen aan Anna, met de vraag, of rle vroegere brieven aaa Anna gesloten aan deze waren overhandigd dan wel of de keurvorst en zijne vrouw ze aan deze ter band stelden.
Loc. 9941. Briefe an quot;VVormb, fol. 9.
15. Antwoord hierop , dat zij aan Anna zelve waren overhandigd. Ibid.
16. 17 Dec. 1560. (Leipzig). De Prins aan de keurvorstin; hij bedankt haar voor de vriendelijke ontvangst en zegt, dat zij medelijden met hem zou hebben » wan E. G. wuste, wie mir das Wormlein Dach und Nacht das Hertz durchfristquot;.
Loc. 9941. Printzen zu Uranien Heirath , fol. 114.
17. 25 Dec. 1560. (Sondershausen). De Prins aan den keurvorst, dat hii met ongeduld wacht op de beslissing der zaak.
Ibid., fol. 115.
18. 28 Dec. 1560. (Cassel). Jenitz aan August, dat Philips van Hessen hem en Knuttell eerst dien dag heeft ontvangen, terwijl de Prins met ongeduld te Sondershausen zit te wachten op antwoord van den »wun-derlichen alten Heyligenquot;. De groote tegenpartij is » fraw Margarethaquot;.
quot;Willem van Hessen doet al zijn best, maar moet er toe komen om Jenitz in het holle van den nacht bij zich te ontbieden, uit vrees voor ontdekking zijner bemoeiingen Ibid. fol. 97.
19. 29 Dec. 1560. Landgraaf Philips aan August, 1°. dat hij nog mans genoeg is om zonder zijn zoon Wilhelm te regeeren ; 2°. » ist der Pririntz von Uranien noch ein Pappist, boret Messe , isset uff die ver-bottene Tage kein Fleisch und ist auch vonn seinem Vatter zu Franck-furt nicht \'anderstt gehaltenn, derdann offentlich gesagt, Er seywohl inn der Religion ertzogenn aber inn den Niederlanden gar gewendet wordennquot; ; 3°. de Prins kan niet anders doen tegenover den Koning, wat de keurvorst duidelijk kan bemerken , als bij maar iemand naar Antwerpen zendt; 4°. de kinderen uit het tweede huwelijk hebben geen voldoende zekerheid van rechten ; 5°. dat Anna verliefd is, is kinderwerk; 6°. Knuttell, \'s Prinsen gezant, heeft hem , den landgraaf, gezegd , dat er geen sprake kan zijn van een Evangelisch predikant bij Anna , maar dat zij alleen bij Nieuwenaar of Meurs de sacramenten zou kunnen ontvangen. Hij is er dus tegen. Ibid. fol. 99.
20. 30 Dec. 1560 (Sondershausen). Wiltperg aan Wormb uit naam van den Prins , verzoekt om een nieuw portret van Anna, » auf ein Brett und des Angesicht uber ein Seidt.quot; Wormb moet het zenden aan Schetz te Antwerpen, die het naar Breda moet overzenden.
Loc. 9941 , Briefe an Wormb , fol. 10.
21. I Jan. 1560 (Sondershausen). De Prins aan August, vraagt dringend om de beslissing.
Loc. 9941. Printzen von Uranien Heirath, fol. 120.
22. 1 Jan. 1561. (Sondershausen). De Prins verzoekt den keurvorst de zaak ook zonder Hessen door te zetten, wiens weigering hem door Knuttell bericht was. Ibid. fol. 125.
65
\'23. 4 Jan. 1561. Jenitz doet verslag van zijn gesprek met den landgraaf, waarin Jenitz heeft gezegd: gt; er hat auch zu Dresden ansere Predigten mit Vleisz gehort und ich wuste nit anders dan das er seine Bruder und Schwestern alle in der Religion ertzogenquot;. De landgraaf had alles alleen behandeld , buiten medeweten van zijne Kaden en zijne zonen. De voornaamste reden van tegenstand bij deii landgraaf scheen te zijn , dat hij de zaak niet vertrouwde, juist omdat de Koning van Spanje in het huwelijk had toegestemd. Hij had bij de vermelding van dit laatste punt uitgeroepen: »Ja, do steckts, Got\'s marter!quot;.
Ibid. fol. 128.
24. 8 Jan. 1561. (Sondershausen). De Prins aan August, dat hij van Jenitz en Knuttell op hunne terugreis gehoord heeft, wat de landgraaf heeft gezegd ; dat hij hoopt op eene persoonlijke ontmoeting-tusschen den landgraaf en den keurvorst. Ibid. fol. 121.
25. 13 Jan. 1561. Hessen aan August, dat deze volgens het contract van Mei 1556 de zaak niet alleen mag beslissen maar beide verwanten moeten toestemmen in het huwelijk. Ibid. fol. 148.
26. 30 Jan. 1561 (Breda). De Prins is den 25sten aangekomen en vraagt August om spoedige voltrekking van het huwelijk. Ibid. fol. 123.
27. 21 Febr. 1561. August aan den Prins, dat hij het schrijven van den lanigraaf van 13 Jan. maar niet had beantwoord; dat hij intasschen den landgraaf te Naumburg had ontmoet, waar\'evenwel deze geen woord over de quaestie had gezegd, hoewel Anna er ook was; later had August er weder aan Hessen overgeschreven. August vraagt omtrent de quaestie van den godsdienst uog een » vertrauiich erclerennquot; van den Prins. quot; Ibid. fol. 142—1Ö0.
28. 21 Febr 1561. August aan zijn zwager, den koning van Denemarken , dat hij besloten is het huwelijk door te zetten, ook zonder toestemming van Hessen. Ibid. fol. 148.
29. 27 Febr. 1561. Brief van landgraaf Philips aan August. \'
Ibid. ^ gt
30. 13 Maart 1561. Brief van August aan den landgraaf. ] 5 S
Ibid. | |.|
31. 1 April 1561. Brief van den landgraaf aan August. , 5 Z.
Ibid. i c 2
32. 4 April 1561. Brief van den landgraaf aan August.
ïq -t
Ibid. i | g
33. 9 April 1561. Brief van August aan den landgraaf. ! Egquot;
Ibid. \' ; P B
34. 23 Maart 1561. Vrij vriendelijke brief van den landgraaf aun Oranje , waarin hij nogmaals zijne religieuse en financieele bezwaren ontwikkelt. Ibid. fol. 187.
35. 25 Maart 1561. De Prins aan August, dat de zaak nu moet doorgaan ; dat hij zijn broeder Lodewijk heeft afgezonden um de noodige maatregelen met August te bespreken. Ibid. fol. 185,
(Hi
36. 11 April 1561. Prinses Anna aan den landgraaf om hem te verbidden , gecorrigeerd met hand van August. Ibid. fol. l\'*-
37 14 April 1561. August aan den Prins, dat graaf Lode wijk bij bem\'is aangekomen; hij zendt thans den Prins het concept van eene verklaring omtrent den godsdienst benevens opmerkingen omtrent de .louarie van Anna. Ibid, fol 192
38. 14 April 1561. De keurvorstin Anua aan den Prins, dat bi] wel wat te veel haast maakt, maar dat men toch zijn zin zal doen.
Copialb. o09, tol. Iby.
39. 16 April 1561. August aan Hessen, met krachtig aandringen op
toeareven, voor de laatste maal.
Loc. 9941- Printzen zu Uraiueu Heirath, lol. 197.
40. 26 April 1561. Antwoord van Hessen, formeele weigering. Ibid,
41 27 April 1561. De landgraaf aan prinses Anna met terechtwij-
zingen over hare bewering in haren brief, dat zij al met den Prins verloofd is, en eene ernstige vermaning om niet met hem te huwen.
42. 11 Mei 1561. (Brussel). De Prins zendt Wiltperg met een brief aan Auc-ust, waarbij deze nog eene niojidehngc. toezegging van Wiltperg ontvangt omtrent het punt der religie. De Prins verk aart m den brief »das Ich dasselbe auch mein Leben lang eben so stedt und vest halten wille, als wan Ichs in vilen Bnffen und Zieglen von mirgeben hette .
43 Mei 1561. Concept der schriftelijke verklaring, door Augustge-vraaed, maar door den Prins alleen mondeling gedaan. 1. dat de Prins \\nna zal laten hij de » wahre Augspurgische Religion ; ~ dat zij (Jbristeliiko boeken van Lutherschen inhoud mag hebben en lezen; 3. .lat zii het sacrament mag gebruiken, waar dit mogelijk is;4 . dat de Prins bii ziekten van het kraambed of hij gevaar van overlijden een ledikant bii haar zal ontbieden; 5°. dat de kindereu zul en onderwezw worden n. de Augsb. Confessie. Op bevel van August zeiven waren bij
het laatste punt geschrapt de woorden:»und darm geteufft und erzogen
W44el10quot; Juni 1561. August aan Hessen , dat het huwelijk zal doorgaan fin wat de inhoud is der bepalingen omtrent de douane; invitatie voor
. * lOlCl. 101.
4515 Juni 1561. De landgraaf aan August, dat hij er dan maar in berusten zal, »dewil es.also rnusz und soil seinquot;; dat hij voor Ziehen ziine zonen bedankt voor de invitatie; dat de jonggehuwden door zijne landen terug mogen reizen. 1 Dut. tol. -ay.
46 26 Aug. 1561. Huwelijk van den Prins met Anna, ingezegend door dr Pfeffinger, superintendent van Leipzig. Na de trouwplech tigbeid aanspraak van markgraaf Hans van Brandenburg integenwoor-diffheid van de genoodigden, waarin hij er op wees, dat de Prinses was npgevoed in de Augsb. Confessie en volgens deze het Avondmaal zou mogen genieten; dat hij overtuigd was, dat de Prins haar daarin met
07
mi bemoeilijken. Loc. 9941. Acta des Printzeus Heirath , u0.8c. fol. 17.
47. 5 Sept. 15G1 (Arnstadt). \\ Brieven van den Prins aan August
48. 19 bept. 1561 (Mainz). 1 op zijne huwelijksreis naar de
49. 29 Sept. 1561 (Düsseldorf). ; Nederlanden; ook van Anna aan
50. 24 Oct. 1561 (Breda) l de keurvorstin.
51. 3(1 Oct. 1561 (Brussel). ■ Ibid.
52. 15 April 1562. Brief van August aan den Prins, dat erleelijke praatjes rondgaan over de verhouding der beide echtgenooten.
Copialb. 300, fol. 472.
53. 16 April 1562. Brief van de keurvorstin aan Anna over de gehoorzaamheid aan echtgenooten en over de gevolgen van afwijking van vorstelijke gewoonten. quot; Ibid.
54. Brief van den Prins aan August. 11 Mei 1562.
.... \\ on wegen des widerwerttigen Zustandts, so meiner vilge-liebten Gemahel von mir zugefuegt worden sein solte, ist nicht ohn , dar mir auch von andern Orten gleichfals allerlay reden undAnzaige, die sonder zweiffel aus böser, neidischer Leute ausgeben entsprungen, lurkhomen , aber wir baide saind dieser tröstlichen zuversicht, Got der Almechtige werde dies erdicht Geschray meines verdichten pluct-gierigen Gemuets auf bessere wege und furnemtlich dahin schickhen , das E. Churf. Gnaden im werckh spuren und befinden werden , das Ich in solichem Fall rr.ergedachter meiner Gemahel zu Bewahrung standlieher und schuldiger Ehre und Trew dermassen begegnet, das zu seiner Zeit verhoflentlich junge Leibeserben abkhomen und dieses Verdachts selbst das widerspiel bezeugen sollen . . . . Brussel. 11 Mav a» 62. \' \'
Wilhelm Priutz zu Uranien.
Loc. 8510. Handschreiben, n0. 62, fol. 5.
55. quot;Van dezelfden datum een briefje van Anna aan den keurvorst, waarin : »ich bitte auch E. G., sie wollen nicht zweifeln . das ich bei meinem Glauben und bei der christlichen Religion nicht bleiben soldt, sondern ich gedenk mich also zu halten in dem und allem andern , das E. G. ein Wolgefallen daran thragen sol. Ich werde auch von keinem Menschen darum angefochtenquot;. Ibid.
56. Voorjaar 1562. Collectie brieven van den Prius en Anna aan den keurvorst en zijne vrouw met. huiselijke berichten.
Loc. 9941, Printzen zu Uranien Heirath.
57. 8 Nov. 1562. (Dillenburg). Bericht van den Prins, dat Anna den Isten November bevallen is van eene dochter, terwijl hij nog op reis is naar Frankfurt.
Loc. 8570, Handschreiben Oraniens an August, n0. 62, fol. 2S.
58. Doop van Prins Maurits. 4 Febr, 1565.
Den 4ten Febr. des lauffenden 65ten Jahres ist die Kinttaufzu Breda angestellt und dazu der Churf. zu Sachsen , Lantgraf zu Hessen , die Grevin van Mors, Graff Herman von Nuenar, Gemahl des Printzen Stifschwester, dergleichen die Grevin von Brederode aus Holant berutfen
08
worden. Die Grevin von Mörs ist voa wegen Irer Leibesscli\\vaclieit aussen blieben und an Ire Stadt Freulin Juliana, Grevm von Nassa, verordnet worden. Als nhun die Zeit der Kinttauf, als nemlici i r nach Mittair, kommen (inmassen dan die Kinder in Brabant nacn Essens getanft werden), bat sich der Tauff von wegen des grossen Apparats uud Magnificenz vast bis umb sieben L\'r verzogen. Doselbst und zuvorn uf die bestimbte Stunde saint die Zunfte oder inbus von der Burgerschaft der Stadt Breda in groszer Antzal erlicn und wol in Schwartz geklevdet, ein Jeder mit seiner Zunft-Scbilt und einei brennenden Fackel oder Tortscben erscbienen, und haben also von brennenden Fackeln eine Gasse gescblossen von dem Ort des foddern Sob losses gegen der Stadt werts, do die Pnncessin Ir Kmdbett gehalten und der Printz gewonlicb zu sein pflegt, bis zu der Gapellen ; welche im bintern Scblos nach der Sehe werts ungeverlich 200 ge-meiner Schritt von der Princessin Gemach gelegen, durch welche Gasse der brennenden Fackeln der junge Herr getragen worden und die, dorauf bestellt gewesen vor und nach gegangen sein. Die Previa von Brederode aus Holant, eine geborne Grevin von Isuenar , bat das Kindt neben Freulin Julianen, Grevin von Nassau, als substituirten Gevatter von wegen der Grevin von Mors getragen. Denen sind ge-folo-et Freulin Magdalena, Grevin von Nassau , des Printzen bchwester , und Freulin Maria, des Printzen elteste Tochter, welche den beiden vorgenannten Gevattern langen Rocks nacbgetragen. Diesen ist das Freulin von Nuenar, deren von Brederode Schwester, nnt den andern Frauentzimmer in gutter Antzal nachgegangen. Vor dem Kindt seint gangen des Printzen eltester Sobn, Monsieur de Burem, welcher eine Westerhaube, durchan mit den allerschönsten edlen Gestemen besetzl und bestickt, uf einem schonen guldenen Kussen gehalten. Der Marg-
graf vom Berg , der Graff von Megen , Gubernator in Geldern , Graft Ludwig von Nassau, der Graff von Hohenstrass, Graff von Brederode , Graff von Oberemden, Graff von Kulemburg, Graff von Solm ausLot-tringen , Graff Carl von Mansfeit, Graff Peter Erasten Sohn und andere Herrn haben mit Fackeln und sonst vor dem Kmde aufge warttet und zum Teil Chrisen , Oleum benedictum , Salem sapientiae Hantfasz, Backben. Servietten getragen. Der Abt von_ K, nicht weit von Breda wonhaftig, Benedictiner Ordens, bat das Kindtgetauftund Mauritius Augustus Philippus gênant und vor der laufl bat ehrdem Printzen 3000 Garisgulden, 600 rbein. jarhcks Einkommens und drey berlicher vorgulter Kopf vorehrett. In der Gapellen. welche m iorma dreyer Rundel gebawett uud mit statlichen fapezereien behangen gewesen , war im Eingang zur lincken Harit em schon klein seiden Bett zugericht mit berlichen Verhangen bekleidet. das Kindt vor und nach de? Tauff darein zulegen, dabey die Gevatterm sambt den l\'rauen-zimmer gestanden. Zur rechten Hant ein Altar, dorbei der Herr A ^t, der Teuffer, sambt seiner Geselschaft und vi en Lichten zufiuden gewesen. Im dritten Rundel, der Tbur gegenuber r\'.wischen dem I euffer und Frauenzimmer stunden wir. sambt oberzelter Graven und Herrn.
69
Oben in der üapellen nach dem grossen gt;Sale werts, seint uf beiden Seiten der Rundel zwene Cbor , ungeverlich 12 Schucb breit und lang , mit Tappezereien uf den Seiten und sonst allentbalben mit rotem Sammett und seidenen Kussen und Vorhengen ufs zierlicbste zugericbt gewesen , dorauf auch Frauenzimmer gestanden. Mitten in der Capeüen ist eine Bune drey Stuften hoch aufgeschlagen und daruber ein gul-dener Himmel ufs allerzirlichst zugericbt, uf der Erden und die vier Seulen gulden Tuch, uf allen vier Seiten des Himmels guldene Kussen , untten unter dem Himmel, welcher mit relnem Golt und roter Seiden vorkleppelt, ein Taufstein, welche ein gros verguit Beckben , alles mit guldenem Tuch herlich bekleidet gewesen. Ueber der Capelle , uf dem grossen Sale ist ein Buffet oder Credentz aufgeschlagen und darauf eine grosse Antzal des allerschonsten Silbergescbirrea von Fla-scben , Kannen , Kopfen , Scheuren , Passen , Schiften , Piralen , Schalen und ander gesetzet gewesen. Nach volendeter Tauft bat Graft\' Ludwig von Nassau , Graff Carl von Mansfeit, der Herre von Boesta wol-riechend Wasser in einer vorgulten Giskanne und Backhen bracht, Serviete gehalten und uns waschen lassen. Darnach und wie wir noch in der Capellen gewesen , bat mban die Musica horen uud uf allen Theilen des Yvalles das Geschutz abgehen lassen. Nach diesem baben wir das Kindt aus der Capellen nach der Princessin Gemach geleitet, uud als wir vor der Capellen ins Scblos kommen, ist der Printz, welcher als der Vatter nach Gewohnbeit des Landes nicbt bei dèr ïauff sein darff, zu einem Jeden unter uns in Sonderheit gegangen und gegen unsern Hern geburliche , auch gegen uns gnedige , Dancksagung gethan und ist gleichwol mit Scbiessen und der Musica immer fortge-fharen worden. Uf solchs seint wir in der Princessin Gemach, welchs auch mit uberaus herlichem Silbergesohirr, Tappezereyen und sonst gezirrt gewesen, erfoddert worden und allda die Geschenke, wie sichs geburt, uberantworttett. Als das gescbehen , bat Freulin Magdalena , Grevin von Nassau, den Gevattern das Confect und Freulin Maria , des Printzen Tochter, Hypocras getragen und ausgeteilt. Darauf ist mban nach gescbebener Dancksagung, Ehrerbietung und geburlicber Reverentz zu Tische gegangen und ist der Speise in der Ordnung auf-getragen worden. Nacb Essens bat mban allerley Tentze und insouder-lich ein schon lustig und kunstreich laufend Tentz gehalten uud damit also dieselbe und nachfolgende Necbte ein gros Teil zubracht.
Loc. 8510, Handschreiben Oraniens an August, fol. 163.
59. 9 Febr. 1565. (Breda). Anna van Oranje aan keurvorstin Anna van Saksen met klachten over Lodewijk van Nassau , die twist stookt tusschen den Prins en haar; dat zij niemand heeft om haren nood te klagen , daar hare trouwe dienaren allen verwijderd zijn; dat zij reeds drie jaren zoo heeft geleefd , maar het niet langer kan uithouden.
Ibid. fol. 170.
60. 26 Mei 1565. Instructie voor den gezant, die uit Saksen in overleg met Hessen wordt gezonden om te bemiddelen tusschen den Prins en zijne vrouw, met verzoek aan den Prins om geduld met haar te
7(t
hebben eu de dienaren zijner gemalin terug te roepen ; de gezant moet beide partijen sparen. Ibid. fol. 178,
61. 26 Juni 1565. (Brussel). De Prins aan August, dat hij gaarne alles wil doen om den vrede in zijn buis te herstellen; dat hij den gezant onbelemmerd zal laten onderzoeken naar bet gebeurde in de omgeving der Prinses. Ibid. fol. 203.
02. 5 Maart 1568. August aan Anna van Oranje , dat hij diep medelijden heeft met haren toestand en die des Prinsen en met Hessen over de zaken zal spreken. Copialb. 345, fol. 29 b.
63. 11 Nov. 1568. (Cöln). Anna smeekt, gelijk in andere brieven van dit en het volgende jaar, om hulp voor haar en haar gemaal, tenminste voor haarzelve in haren deerniswaardigen toestand. Handschr. (Jr., ful. 248.
64. 18 Jan. 1569. Verslag van den keurvorstelijken gezant von Berlepsch omtrent Anna\'s toestand te Keulen. Zij heeft in twee jaar slechts 250 kronen van den Prins ontvangen en heeft groot geldgebrek met haar talrijk gevolg, terwijl zij over 6 of 8 weken bevallen moet. Zi wil niet naar Dillenburg . omdat de pest daar heerscbt en zij daar bij afwezigheid des Prinsen slecht behandeld wordt. Zij wil liever te Keulen blijven, waar zij veilig is in de versterkte rijksstad en te midden van meer dan 150 voorname Nederlandsche familiën , die daarheen uitgeweken zijn. Op de reis van Keulen naar huis terug had Berlepsch te Dillenburg Jan van Nassau gesproken, die haar wel op Dillenburg wilde nemen, maar met slechts 10 of 12 personen , daar hij reeds f 5000 ten koste gelegd heeft aan de familie van den Prins.
Loc. 9941. Der Prinzessin von Uranien Eeise nach Cöln und derselben Versorgung daselbst,
65. 20 Sept. 1569. (Coin). Anna aan den Prins, weigert nogmaals naar Dillenburg te komen. Zij wil hem alleen te gemoet gaan tot Siburg; verder kan zij niet komen » mitt meinem dicken Bauchquot;.
Loc. 8510. Handschreiben Oraniens an August, fol. 276.
66. 3 Dec. 1569. (Meissen). De Prins met eene politieke zending in Saksen , klaagt bij August zeer over zijne vrouw , die hem niet anders wil ontmoeten dan in bet klooster te Siburg, waar een hem vijandige abt was en bij voor zijne veiligheid vreesde , daar Alva op hem loerde. Ibid. fol. 266.
67. 18 Febr. 1570. August aan Anna , dat zij haar voorgenomen bezoek maar moet uitstellen , daar hij en zijne gemalin in April niet te huis zijn; dat hij haar en den Prins evenwel hoopt te ontmoeten te Cassel. Copialb. 345, fol. 333J.
68. 23 Ap il 1570. (Dillenburg). De Prins aan August met klachten over zijne gemalin , zeer uitvoerig, met hare brieven , overtuigende bewijsstukken voor haar wangedrag en haren onwil.
Handschr. Or., fol. 282.
69. 30 Sept. 1572. Instructie voor de keur vorstelijke Raden , die met Anna zullen spreken , om te zien hoe met haar is te handelen.
Loc. 8032, die Printzessin von Uranien betreffend.
71
70. Wilhelm van Hessen aan keurvorstin Anna. 19 Mei 1575.
Hochg-eborne Fürstin, frundliche liebe Muhme und Dochter. J(;ii
ha be E. L. Schreiben dd. 16 May empfang-en und daraus verstanden , das E. L. Her und Gemal Iro zu erkennen geben, dasz sich der Printz an das Walsch Nonnelain zu verheiraten Vorhabeus, welchs icb rnich nicht gnugsamb verwunderen kann, obs aus Dorheit oder öchalkait oder irren baiden zusammen gelaimet. geschicht. Diewaile dan solclis nit one Verongelimpfung und Diffamirung des loblichen Hauses Saxen bescheen kan , so mocht ich wol wissen , was E. L. her Vatter darzu wurde sagen und dhun. Und diewail die arme Pritrtzessin in grossem unaussprechlichem Jamer und Elend alda sitzt und das sie schon gesundigt, war darzu von irem vermainten Hernn grosse ürsach geben und schier dazu geraizt worden, so deucht mich E. L. her Vater konte nicht weniger als zu wenigsten iren Wittumb und zugebrachtes Hei-ratsgut wiederzufordern , davon sie sich erhalfcen, damit nit die Leute zudencken, want si uns nur schmaten und lesterten, wie sie konten, dasz wir sie noch musten Genad Juncker darzu haissen. Datum 19 Maii a0. 75. Wilhelm landgr. zu Hessen.
Loc. 9308, Kriegssachen, BI. 26, fol. 383.
71. Verzeichniss der Bücher, welcher inn der Prinzessin Kastenn befunden worden.
Biblia ïeutsch auszgestrichen , a0. 51 zu Wittenberg gedruckt. fol.
» in frembder Sprache in Roth Leder. • fol.
Der Römiscben Kayser Historiën von dem Abgang des Augustus
bis au \'l itum aü. 35. fol.
Josephus des Essars, in roth Leder. fol.
Historia imperial y Cesarea (a°. 47). fol.
Zwei Theil in roth Leder gebunden , darauf: Plutarque 1 u. 11. fol.
Zwei Theil, daruf: Historie du Monde, de Pline (1562). fol.
Les Marguerites de la Marguerite des Princesses, tres illustre roine de Navarre, roth Leder in kleinem Modo.
Kreuterbuch D. Hieronimi Backe (a0. 1546), in weisz Leder. fol.
Ephemeridum novum atque insigne opus ab anno 56 usque in 1603, in schwartz Leder. fol.
Le Plasaant rendu do decke dron (sic) de fortune non moins recreatif de subtil et ingenieus (1506). in 4\'.
Drei Theil in 8\'. de Secretis Elexii von Piemont, deren 2 in weisz Pergament und 1 in schwartz Leder.
Zwei Theil in 8° in roth Leder: de vray et parfaict Embelisseinent de la face.
Ein Ertzneibuch . geschrieben, in Pennen Penfament gebunden in 4°.
Dialogos zweier Christen, welche sich über die gemeinen Lester in der Welt beklagen , in roth Leder vergult. in 4°.
Ein Buchlein von der Gefatterschaft bei der Tauffe, durch Jodocum Hockerum (a0. 68). in 8°.
Exposition familiere des principaux points du Catechisme et de la Doctrine Christienne in forma Dialogue (a0. 1561).
72
Wurtzpeetlein vor der krancken Seele, in 8°., durcli Michel Bock {ae 1Ö70).
Christliche Gebate uf alle Ta^e in der Wochenu M. Joaniiis Avenarii
ia 8quot;.
Trostbuchlein, wie man die Sunde erkennen und umb vergebung bitten soil, durch Nicod. Kramer. Die Printz. v. Ur. betr.. fol. 48.
73
BIJLAGE F.
Hauptstaatsarchiv Dresden.
Brieveu van en aan l\'rins Willem I.
1. 14 Dec. 1559. August aan Hessen, dat, Gunther von Schwartz-burg hem heeft medegedeeld, dat de Koning van Spanje door de regentes der Nederlanden hulp heeft beloofd aan de aartsbisschoppen aan den Rijn , ingeval zij om godsdienstige redenen worden bemoeielijkt.
Loc. 8508. Handschreiben , fol. 196.
la. Keurvorst August aan den Prins. 25 Jan 1562.
De brief bij Groen 1, blz. \'79, bevat nog het volgende :
.... quot;Was uns abor von mehr dan einem Ortte desz Babste ge-schwinder furhabender Practick halbenn unnd das der Kon. Würde zue Hispanien derselbenn auch verwandth sein sollte, angelangt, des gleichenn was Ire Kon. quot;Würde an den König von Franckreicii der Religion halbenn durch den Herrn von Hornn soil haben gelangfen lassen , davon uberschicken wir E. L hiebei Abschrifft, und wie wei 1 wir die Kön. Würde zue Hispanien solcher Practiken halben mit dem Bapst gegen andere entschuldiget, so will doch solchewenig angesehen werden. Da nun der Religion halben ein Krig solte furgenommen werden . haben E. L. zu bedencken , wasz treflliche Weitterung inn Deutsch-und andern Landen daraus erfolgen wolten , und zweiBeln wir nicht, was E. L. Ires Teils zu Abwendung derselben thun kunnen , dasz sie dartzu werden geneigt sein. (quot;opialb. 300, fol. 458.
2. 27 Febr. 1562. (Maastricht). De Prins aan August over eene samenkomst van Christoffel van Wurtemberg, den kardinaal van Lotharingen , de Guise en eenige theologen, die 15 Febr. te Elzass-Zabern heeft plaats gehad ; hij kent den uitslag dezer verhandelingen nog niet.
Loc. 8510. Handschreiben Oraniens an August (1562-1570), nc. 62, fol. 1.
3. De Prins aan August. 2 April 1562.
.... also das die Sachen itzmals in Franckreich gantz unrechtsamb und verwirret sehen , und warlich wir in diessen Niederlanden mochten woll leiden . das sich die Frantzosischen Herrn allerseitz miteynander guttlich und friedlich verglichen betten, dann dieweill sie sich also beiderseits mit Krigsvolck rusten mussen, wir uns fursehen, das sich mit der Zeitt die beide Hauffen tsusamenschlagen und ein ander Spiel darausz erheben moge. Darmnb nemen wir auch unserer schantzen achte , ob wir uns gleich idchts anders dan alles guten und kelner TInfreundtschafft zu Inen vorsehen. Sunst ist es allhie oben uns und auch in Hispanien noch friedsamb und rughig und ich und mein
74
freuudlirh liebe üemahl seiut roch sampt deu unsern iu guter Wol-fa rfh .... Brussel, 20 A.prilis a0. 62.
Wilhelm Priutz zu Uranien.
Ibid. fol. 2.
4. li .Mei 1562. (Brussel). Üe Prins aan August, dat hij zal voortgaan met geregelde y wolraainende correspondentz, dieselb E. Churf. Guaden zu furfallendeuGelegenhaiten dieserLandts ArtfurbeilauflendeZeittungen zu berichten\'\', zooals hij reeds tweemalen (zie boven) heeft gedaan.
Ibid. fol. 5.
5. 14 Mei 1562. August aan deu Prins, dat hij in de fransche twisten geen van beiden wil helpen; dat de Prins trachten moet Koning Philips ook buiten de Fransche zaken te houden, daar anders ook de Huge-iloten hulp zouden zoeken in Duitschland. Copialb. 300, fol. 4925.
6. 1 .luli 1562. (Brussel). De Prins aan August, spreekt zijne vreugde uit over het tot stand komen van den vrede in Frankrijk.
Handschreiben Oraniens, fol. 10.
7. 3 Juli 1562. (Brussel). De Prins aan August met dezelfde voldoening over de vredesvoorwaarden. Ibid. fol. 13.
8. De Prins aan August. 13 Aug. 1562.
Xa eenige woorden in boven aangeduiden geest over den vrede in Frankrijk, volgt een P.S. in cijferschrift, behelzende, dat 3000 Spanjaarden op de Spaansche grens en 300\') Italianen in Italië gereed staan om den kouiiig van Frankrijk te steunen. »Wir aber in diessen Nieder-lande seint noch still, wrie gleichwohl ersucht worden dem Königezu Franckreicb Beistandt zuthuu, hahens aber mit Glimpf abgeschlagen und mochten wol leiden, das unser Köuig in Hispania dergleichen audi thete. Wir konnen Inen aber jbenseits an seinem Vorhabennitt verhinderen , welchs alles E. L. bey sich in geheim werden zu behalten wissennquot; .... Brussel, 13 Aug, 62.
Wilhelm Priutz zu Uranien.
Ibid, fol 17.
9. 25 Oct, 1562, (Brussel). Brief van den Prins over de verwonding van Vendóme bij Rouen, Ibid. fol. 26.
10. 5 Dec. 1562. (Frankfurt). De Prins aan August met herinnering aan hunne ontmoeting kort te voren. Ibid. fol. 29.
11. 7 Jan. 1563. (Brussel). De Prins doet aan August mededeelingen omtrent de toestanden in Frankrijk. Ibid. fel. 30.
12. August aan den Prins, 12 Sept. 1563.
August waarschuwt den Prins voorzichtig te zijn tegenover Gran-velle » und konnen dises Mannes Gelegenheit noch selbst wohl be-dencken , wass Guths er des Orths im Regiment schaffe und das er sender zweivell inn E. L. Besten bey der Kon. Maj. nicht sein wierd. Weill er aber bey Ihrer Kon. Würde in solchem hohen Ansehen und Vertrawen ist, so will dannoch vonnöthen sein, das hirmit gutte Be-schaidenhait und Vorsichtigkait gepraucht werde, damit Ire Kon. Würde die Ding nicht etwa dahin verstellen oder deuten möchte, als wolle man derselben in Bestellung Irer Regirung vorgreiffen und Mass stellen
oder et was anders dardurch meiueii. Souderlicb aber konten wirli.L. nicht rathen , das amp;ie sich bey dieser Gelegenheit ohne Zuthun der anderen Herren von der Regirung uud Stande fiir sich allein wider den Cardinal einlassen sollten. Dan ob gleich E. L. gnugsamb Ursacb wider Inen belten , wurde es docb E. L. dabin gedeutet werden , als ob sie gerne V\'erenderung der Religion inn diesen Landen furnehmen wolten, darinnen man dan des Orths , wie E. L. besser wissenn, kainen Schertz verstelipn noch leiden kann. Solten aber audi E. L. von dera Cardinal fursetzlich und mutwillig bescbwört und angegeben werdenn and wir konnten E. L. in dem wider Inen rathllch und beistendig sein , auf den Fall sollen Sie uns als Irem Freundt finden. Wir bitten aber E. L., wan von der Kon. Würde i\'erner Antwort und Bescheid einknmpt , E. L. wolle uns der Gelegenhait (soviel Ir zu schrei be i und uns zu wissen zimbt) ferner vertraulich berichten und sollen die Ding wohl dermassen geheimb gehalten werden , das sicb E. L. derhalben kaines Nachteils zu befahren.....Dresden , 12 Sept. 1563.
August zu Sacbsen.
Copialb. 321 , fol 176.
13. 23 Dec. 1563. (Brussel.) De Prins aan August, dat hij den 18Jen teruggekomen is: berichten over de toestanden in Frankrijk.
Loc. 8510, Handschreiben Oraniens, fol. 31.
14. 5 Jan. 1566. (Brussel.) De Prins aan August, dat er in de Nederlanden groot gebrek aan koren is en deze dus den Prins een grooten dienst zal doen met zijne toestemming te,geven tot den aankoop van 200 last Rochmerkoren, ten einde die te verknopen in de Nederlandsche steden. Ibid. fol. 238.
15. 8 April 1566. (Brussel.) De Prins zendt zijn secretaris Jan Loricb naar Augsburg, om den raad van August in te winnen omtrent zijne houding in de Nederl. zaken. Ibid. fol. 216.
16. Sept. 1566. (Antwerpen ) De Prins zendt August het plakkaat van 3 Sept. en de » Corte belydinghe des Geloofs der geenre die overal in Nederlandt ende bysonder in dese stadt N. de waerachtige leere des Evangeliums aenhangen ende nu ter tijt van denghenen , die men Ghees-telijck noemt (dye de waerheyt baten ende gheerne souden verduysteren) tonrecht voor ketters ende oproermakers worden gelastert ende ver\'volcht.. Ghedruct met Gracie ende Privilegie des Alderhoochsten a0. 1566 quot; met begeleidenden brief.
Loc. 9819, Yeranderung der Religion (1566), fol. 44.
17. 28 Dcc. 1566. (Amsterdam). De Prins aan August; hij vreest » dieweill dia Regirung dieser Landen also seltzame wege furnembt und ohne Rath und Guttduncken vieler gueter und friedtsamer Leuthe in diesen schweren und wichtigen Sachen handiet, das woll ein ge-meiner Uffstandt und Emporung hierausz entstehen möchte......quot;
Ibid. fol. 211.
18. Voorjaar 1567. »Der Printz bekennt sich öffentlich zu der Augspurgischen Confession und hellt an, clasz ILme derselbigen Exer-
r*/■»
it)
citium inn seyner Hofhaltung freigelassen werde, liatt Hire F. G. Sohn, denn Hern vonn Beuwern, zu sich gehnn Breda holen lassen. Graff Ludwig von Nassau ist vor 14 Tage doch heimblicher Weise selbander ins Nederlandt getzogen und zum Herrn Printzeu ganntz unvermerckt kommen . Corresp. init Wilhelm v. Hessen I. 1567,
in dl. 4 der Kriegssachen.
19. De Prins van Oranje aan Keurvorst August. 21 Mei 1567.
» Vereuderuug der Religion in den Niederlanden und derentwegen entstandene Ünruhe belangende.quot;
üurchleuchtiger hochgcborner Khurfurst, E. G. seven unsere gantz quot;willige freundliche Dienst allezeit zuvor, Gnediger Herr. Auss son-derm zu E. G. habeudem und durch ire vielfaltige uns erzeigte trewe und gunstige Guthaten bestetigts vertrawen, können derselben wir diszmals dienstlich nit verhalten. das wir allerhandt erheblichen und ehrbafften Bedenckhen halben veruhrsacht worden seindt, uns sambt der hoohgebornen unserer freundtlichen lieben Ehegemahel, Frawen Annen geborner Hertzogin zu Pachsen, und unserm beider Hoffgesinde ein Zeitlang ausz den Niederlanden zubegeben , wie E. G. wir solehes schriftlichen und durch uusern Bruder Grave Johannen mundtlich vor einer guten Zeitt haben verstendigen lassen, nhunmehr vor vierzehen tagen alhier , deme Almachtigen sey lob und danckh, glücklich and wol ankhommen seindt. Nhun weren wir wol guthwillig und geneigt gewesen, gemelte unsere glückliehe ankunfft, auch die uhrsachen ytzangeregten unsere abreyssens ausz den Niederlanden . E. G. zeitlicher und nabh der lenge zuzuschreiben und dieselbige umb mittheylung ires rhatsamen Bedenckenns, wesz wir uns hinfurters zuverhalten, daruff wir (wie billich) nehist Gott unser höchst vertrawen setzen, bittlich und in geheimbd antzulangen.
Esz ist aber uns auff unserm heruff reyszen glaublii-h vorkommen , auch von E. G. und desz hochgebornen unsers freundlichen lieben Hern Vetterns, Schwagers und Bruders, Hem Wilhelms Landgraven zu Hessen, zu der Regentin in den Niederlanden abgefertigten beider Ge-sandten (welche auif unser erfordern uns nicht weith von Collen in des Hertzogen von Gulichs Behausung , Deuspurg gênant, angespro-chen haben) Antzeige geschenen, das E. G. zu yetziger Zeitt in iren Landen nicht anzutreften were, sondern zur Key. Maj., unserm aller-gnadigsten Hern , sich in eyl naher Prage hatte begeben; derwegeu wir nothwendiglich beweget worden seindt, disz unser vorhabendt schreyben ein Zeitlang und bisz zu verhoffter E. G. glücklichen Wi-derkunfft einzustellen.
Nhun ist uns aber gestrigen Tags durch hochermeltts unsers freundlichen lieben Hern Vetterns, Schwagers und Bruders Landgraven Wilhelms freundtlichs zuenthbieten under anderm Kunth gethan worden , das E.G. vorgenommene Reyse zu der Key. Maj. keinen vorthgang genommen , sondern dieselbige in iren Fürstenthumben noch zur Zeitt inochte (?) anzutreffen seind, derhalben wir nicht underlasseu haben im\'igen disz schreiben an E. G. alsbaldt zuverfertigen und ist an die-
77
selbigc liiemit unsere dienstliche iioehvleissige iiitt, Sie wülltu dieses langsamen zusdireybens ausz erzelten urhsai-hen uns gunstiglich ent-schuldigt halten und nacb verlessuug und goediger erwegung deszje-nigen, so diszmal ahn dieselbe wir vertrewlich gelangen zu lassen veruhrsacht worden, uns ir gnedigs uud vertrewlichs Bedeucken , wesz wir uns , wie ob angeregt, binfurtcr in dieszen yetzigen Zeiten und Leufiften gehalten mügen , hieraufF gutwillig mittbeylen. Damit ulmn solches zum funderlichtsen geschehen moge, konnen wir anfeEglich nicht underleszen, E. G. deszjenigen , so dieselbige von uns vor guter Zeitt der Niederlandischen enthstandenen Unrichtigkeiten halben in Vertrawen zum offtermbal zugescbreiben worden ist , abermals dienst-lich zuerinnern , daraus E. G. der Lenge nach bericht werden seindt, wölchergestalt vor guter Zeytt nach Verreysung derKiinig. Maj. ausz Hispanien in der verordenten jN\'iederlandischen Kegierung durch listige anstellung ettlicher eigennutziger Personen allerhandt beschwerliche newerungen vorgenommen und under anderm in berathschlagung gezogen sey worden , das zu erhaltung der papstlichen lehr ein ver-meinte geschwinde Inquisition in den Isiederlanden furderlich ange-richtet und zu Handhabung derselben ettliche angebene Biscboven hien und wider verordert unci erhalten solten werden.
Nhun ist in ytzt angeregter Berathschlagung vielerley vorgulauöen und vorgeschlagen unsers gewissens dieszmhal nicht still schweigen nach der jenigen unbillichs begeren , so solclie Inquisition 211 treyben vo \'genoinmcn hatten , mit unsenn Beyfall liaben können bestetigen. (?) Sonderlich in deme, dasz sie underm schein angebener Inquisition sicli understanden haben eines unleydlichen und zwar zuviel unchristlichen und Tyrannischeu Gewaltts uber Leib und Guth der armen Under-thanen anzumaszen und mit denselben ohne vorgehende rechtmeszige erkentnis nach allem ireu aignem Willen und Wolgefallen umbzu-gehen : derhalben wir endtlich bewegt seindt worden, gegcn solcbe unrechtmeszige vorgenommene Geschwindigkheydt dasjenige, so von uns nach unsenn geringen verstandt der Billigkeit gemass erachtet worden ist, in gemeineui Hoffrhat anzuzeigen und unser gewissen und Reputation hierin der geburn nahe zu salviren, unangesehen das uns wol bewust, das wir damit wcnig Oancks verdhienen, ja uuch bey irer Maj. und der Hegierung in höchsten argwhon und misztrawen gerathen wurden , dasz allen gleichwol ungeachtet nichts destoweniger auff obangeregte gantzs beschwürlicher weysze vorgenommene Inquisition zum hefftigsten gedrungen und derselben ei ufu li rung auch mit ausserstem ernst versuclit uud vorgenommen ist worden.
Dieweyl danu wir solche vorgenommene Unbilligkeyt zeytlich erkantt und gespurt haben, seindt wir zu mehrer rettung unserer Reputation, auch gewissens und ehren halben, veruhrsacht worden, uns obangeregten Kiederlendischen Raths ettlichermaszen und soviel muglich gewesen ist, der Zeytt zu entschlagen , auch unsern gnedigsten Hern deui König zu Hispanien unsers verbrachten Bedenckens mit vermeldung desselben Uhrsachen schrifTilich zuverstendigen und seine Maj. vor allerhandt
78
Lesorgteu Weyterungeu iu üuderthenigkeit trewlich zu wahrneu , wie disz alles E. U. vor diesser Zeit weithlautt\'tiger von uusz berichtet uud verstendigt seindt worden.
Nhun ist aber leider in volgender Zeyt, als unsere trewe Wolmei-miug uud geschehene Wbarnung nicht stat bat linden mögen, der vielfaltigen ubrigen zum tbeyl geubteu , zum theyl gedraweter und vorgeuommener gescbwindigkeyt balben , der gemèin Mann dermassen erbittert und ungeduldig worden, das man sicb hien und wieder der angebenen Inquisition nicht allein widersetzt und dafür gebetten son-dern letzlicb aucb dagegen understanden bat, die offentliche Predigt und exercierung der Evangeliscben Liibr obne schewe anzuricbten . dariiber sicb aucb violerley Ünordnungen mit sturmung der Bilder , Ausbreyttung allerbandt verbottener Secten und andern derglicben sacben zugetragen und letzlicb dermaszen uberbandt genommen haben , das daraus erst ein gemeine ünruwe entbstandeu und die Niderlande durcbaus bey nabe in ausaerste gefahr und verderben (wie E. G. solcbes so wol von uns selbst als obne zwei vel aucb von andern verstand iget worden seindt) wberen gerathen.
Damit nbun solcbem angangenem unversehenem fewer ettlicber mas-sen gestewertt und zu recbtmessiger und bestendiger abwendung kunfftigen grössern Uurbats notige Berathscblagung vorgenornmen inOcbte werden, baben wir nacb entstandener solcber ünruwe zu ercleruug unserer schuldigen guten Zuneigung an unsemi aussersten Vleys fdocb obne rbum zumelden) nicbts erwynden lassen sondern aucb mit unser selbst eigenen gefhaar die erbitterte ünderthanen hieu und wider ettlich inhaal gestillet und under anderm den Einwobneru der Statt Anttorff, mit ausdrucklichem Vor wissen und Be willigung der llerzogin zu Panna als Gubernantin der Niderlande, bewilligtquot; und nachgeben, dasz ibnen, gleich wie auch andern Landen und Stetteu. frey stehen soil, das wordt Gottes obne Besorgung ainiger Leibsgefhaar, biss auü\' fernere der König Maj. mit Rbat und Zutbuu der allgemeinen seiner Maj. Niderlanden Stende\' geburlicher Anordnung, öffentlich pre-digen zu lassen , wölche Zulassung auch bochgedacbte Gubernantin nicht allein die Zeitt nicht widerfochten sondern (wie mit irerGnaden Handt und Siegel beweysslich ist) ausdrucklich hat ratificirtund bestettigt.
Wiewol nhun nicht allein wir, sondern auch viell andere gutberzige Personen allen muglichen Vleys furgewendet und gern gesehen batten . Jasz der gemeine Mann sich mit gemelter Zulassung contentiren und die Regierung den uffgerichten Vertrag und Abscheidt in seinen VVertb und Verstandt hatten bleiben lassen, so ist doch nichtt mug-licb gewesen den gemainen Mann durchauss zugleich und alsbaldt zu der gewundschten Ruhe zu brengen, darzu dann nicht wenig goholffen, das die Regierung hieroben angezeigten Abscheidt zu cavil-lirn und under solcbem schein mit trawhen, ja auch ipso facto dar-wider zu baudlen angefangen hat, dardurch es aucb endlichen so weith kommen , das nicht allein die Predigt Gottliebs wordts haben auffhören und abgesteltt werden mueszen, sondern das man auch die Personen ,
79
mit deme Leib und Guth derbal ben zu strafen, die Praedicauten heng-kei.» lassen, auch weyters umbzubringen bevolhen und au ge tangen bat mit angehengter erclerung , dasz die Königl. Maj. solches aussdruck-lichen gebotten uud dasz kein ander mitte! were, dieselbe vou irem billiehem Zorn und vielfaltigem wol erubrsachten Ernst abzuwenden. dann das die Predigen und Exercitium Religionis alsbaldt abgescbalft, dann Ire Maj. endtlicb entbschlossen keine Religion dann die bissdaher in derselben Landen geubbte Bapsttiscbe zu dulden.
Neben deme und zum zweytten bat Hocbgedachte Gubernantin auch uns einen gantzs bendencklicben Aydt uud irer Köu. Maj. ernsten he-veleb derhalben scbriftlicb und durch mundtliebe Werbung ettlich mbaal furbalten lassen und zum liefftigsten begertt, das wir uits soleben Aydt zu leisten keinigs Wegs weigern wolten. wie daim E. G. die Copey gemeltes Aydts vou uns zugescbickt worden . wolcber abnmutung wir uns niebt unbillicb zum böebsten beschwart funden baben . wusten auch derselben die Zeitt unsers Lebens ohne Verletzung unsers Gewissens nicht Vol ge zu tbun , noch in eine solche gefarüche und ungewonliche Yerpflichtung nus einzulassen; derhalbeu wir dann uothwendiglich verubrsacht seindt worden , uns solchen angerunuthen Aydts gegen Iren G. zuverwaigern. Letztlich hatt vielgetnelte Gubernantin ungeachtet der langwierigen Dienst , die wir (ohne Rhu\'m zu melden) der König ilaj. aus Hispanien vou unsern Kindtagen uhu in unserm bevolbenen Geburnament und Regierunge unsers Verhofiens mit derselben Landt und Cnderthanen nutzs bisz antf den heutigeu Tag trewlich erzaigt haben , sich understanden , uns bey der Kön. Maj. und derselben Lauden in einen unverdhienten Verdacht zu brin-gen und ettlich Kriegsvolckh unsser unersucht in uuusern bevolbneu Regierung und Vestung heirnlicher Weyse einfhuren zu lassen . gleich als ob wir uns etwa understanden hatt en , unsere Pflicht in Vergess zu stellen oder der König Maj. uns feintlich zuwidersetzeu , so doch dagegen. Gott Lob, landtkundig und offenbar ist, das wir uim ubnt* underlasz betliessen liaben , Irer König Maj. in unserm bevolbneu Guber-uament unserm euszersten Vermögen nahe, auch mit unserm merk-lichen Unstatten, zum trewlichsteu zudbienen und in allem thun und lassen anderst nicht dann wie uns Ebren und Pflicht hal bei- geburt. bat mit Rhat uud That yederzeit zuerzaigen.
üieweil dann wir ytzt angezeigte gegen uns furgenommene bedenck-liche und gleichwol niemals veruhrsachte Geschwindigkeyt befunden haben, auch derselben hinfflrters bey ytztwebrenden ünrichtigkeytton uns noch ferner versohnen batten mueszen , fürnuemblich aber dasz man die freyeu Predigt Gottliebs Wortts nicht alleiu ka tries weg? nicht gestatten sondern auch diejenige, so solches begeren wolten , mit höchstem ernst ersehen will, -so seindt wir zu erhaltung unserer Reputation, auch Versicherung unsers Gewissens uud Glaubeus verubrsacht worden , uns nicht alle in unserer bissanhero get rage ner Gu-bernament vermöge der König Maj. Mandats. so dem Aydt uff dom Fall der Verwaigerung inverleibt gewesen ist, zu enthschlagen , sondern
80
auch uus sebbst persönlich /eitlang ausz den JN\'iderlanden bieber zu unsern Brudern zu begeben , bissolaug dasz der Almachtige seiue Gott-lirbe Gnade verleyben ■wirdt, dasz wir mit gutem Gewisseri und obne liöcbste gefhaar unsers leibs und Lebeus der ortb bleiben mogen, ilamit uusere niissgunstige ye desto vveuiger ubrsacb babeu, uus ainigeu unbillicben Vorbabens bey der Kon. Maj. mit Ungrundt ferner zu beschuldigen oder anzutragen.
Nach deme aber bey uns vermutblieh ist, dasz von sok-hen unserm billichen verreiszen ungleit-he Rede hien und wider aussgebreyttet und es von Irer Maj. duroh augebeu unserer missgunstigen zum ergsteu und also auffgenommen werden möchte, dasz sie uns persöalich zu ersi.\'heinen bey yerlierung unserer Haab und (iueter citiren wurden , und derowegeu unsere uoturfft erfordert, dasz wir hierin unsern Ge-legeuheit zeitlich bedencken und guten Kbats pflegen, so ist biemit «•m E.G. unsere gantzsdienstliche bitt, dasz sie uubeschwert sein wölle , uus ir rhatsambs erachten in gutem Vertrawen herauff mitzutheilen und uns insouderheit zuverstendigen , ob sie vor guth und nutzlich t-racbteu , dasz wir die ubrsachen unsers Abreysens ausz deme Nider-landt und sonderlich das jenige, so uns zu nachteyl und Verkleine-i\'iing von vielgedachter Regentin ist vorgenommen worden, an andere Khur- und Fürsten gelangen laszeu uud dardurch den Verdacht, carin wir sonst auss ungegrundten Bericht unserer miszgünstigen eibwan kommen mochten, zeitlich ableynen, die Kon. Maj. soviel da weniger zu unserer üngnade zu irritiren , oder aber diesse Ding noch zur \'Zeytt biss zu besserer vorstehender Gelegenheyt mit Gedultt still-schweygendt hingeben sollen laszen.
Gleicbfals ist auch insonderbeyt au E. G. , auf den Fall , wo sie vor gutt erachten wurde, diese Ding an andere Khur- und Fürsten ge-langen zu laszen, uusere hocbvleyszige Bitt, dasz sie uns verstendigen wölle, wülcher gestalt ungeverlich solches zum fuglichsten und obne Besorgung der Kön. Maj. zu Hispanien unsers gnedigsten Hern üngnade uder fernerer Erbittung gescheben möchte , dan wir Irer Maj. Unwillea zugern, soviel immer möglich und wir gewissens halben tbuu mogen , in diessen und allen andern sacben wolteu vermeyden, wie wir aucli solches irer Kön. Maj. vor unserm Abraysen schrifftlichen zuerkhenuen gegeben haben; solcher mittbeilung E.G. getrewen Rhats wollen wir uns zu derselbeu gentzlich vertrosten uud diesze und andere uns be-wiesene Guttbateu die Zey t unsers Lebens umb dieselbige unserm euszersten Vermogen nach gern und williglich verdbienen.
Es solte uus auch billich geburt habsu zu Erclerung unserer uuder-thenigeu dienstwilligkheyt, E.G. als baldt selbst persönlich zu ersuchen uud von dieszen und andern uns anliegendeu Sacben derselbeu rhatsambs Bedeucken anzuböreu , haben abersolcbe Rayse, ebeuudzuvor wir E.G. solches kunth gethan, und ob E. G., das wir dieselbe persönlich besuchen, kein Bedenckens trageu, auch gegen wölche Zeitt cs E.G.. diedannmit vielfaltgeu Geschatï\'ten beladen, am gelegensteu sein wurde, verstendigt weren, einstellen wollen , gantzs dienstlich
81
Inttenclt E. G., wollen uns dessen vergewissigen zu laszen unbeschweret sein , so wullen wir unsore Gescheffte dahin richten , das wir uns ufiquot; E.G. bevelcb allex.eit an derselben zum furderlichsten verfuegen raögen.
Welches alles E. G. wir uns sonderm zu derselbeu habenden hohen Vertrawen diszmal in eyl nicht unvermeldet haben wollen laszen, verhoffendt, sie werde darauff sich mit furderlicher gnadiger und will-fiiriger Widerantwort ercleren und dagegen uns ver iren dieustwilligen yederzeit brauchen , halten und erkhennen. Datum Siegen, den 21 Mav, Anno 1567.
Wilhelm Printz zu Uranien.
(Hauptstaatsarcbiv Dresden , Verenderung etc., 156G-1567 ,
bl. 397-403 Loc. 9819.
20. 9 Juni 1567. (Dresden). Antwoord van August hierop, dat hij niet weet, of het wel aanbeveling verdient, zich , zooals de Prins van plan is, niet eene uitvoerige beschrijving der Nederlandsche troebelen tot de keurvorsten te wenden , daar ook onder de keurvorsten Katholieken zijn en de Koning nog niets bepaald tegen hem, den Prins, heeft ondernomen; dat deze eerst, zoodra de Koning dit doet, óf schriftelijk of door gezanten zich tot de keurvorsten behoort te wenden.
Ibid fol. 404.
21. 26 Juni 1567. (Dillenburg). Aanbevelingsbrief van den Prins aan August voor den wegens den godsdienst uit Antwerpen ge\'vluchten Thomas van Gheern. Loc. 8510 , Handschreiben Oraniens, fol. 240.
22. 25 Oct. 1567. De Prins is bij Wilhelm von Hessen te Cassel.
Dl. 5, Kriegssachen, fol. 156.
23. 17 Nov. 1567. Relatie van von Berlepsch over een gesprek door hem te Sondershausen met den Prins gehouden over den door Saksen te verleenen steun. Dl. 1, Kriegssachen, fol. 474.
24. 30 Dec. 1567. (Dillenburg). De brief des Prinsen bij Groen III, 152 hier in zijn geheel en in het Duitsch. Ibid fol. 7.
25. .11 Jan. 1568. (Breda). Brief van de Raden van den Prins aan dezen , dat de Brusselsche regeering commissarissen heeft gezonden om zijne bezittingen te inventariseeren en zijne onderdanen te ontslaan van den aan hem gedanen eed. Dit is te Bergen reeds gebeurd door van der Stegen en Hinquart; te Breda wacht men Odart en Enterrer.
Loc. 9308. Dl. I , Kriegssachen, fol. 4.
26. 17 Jan. 1568 (Dillenburg). De Prins bericht aan August, dat men reeds begonnen is zijne Bourgondische goederen te confisceeren.
Ibid, fol. 13.
27. De Prins aan August. 1 Febr. 1568.
Durchleuchtiger Hochgeborner Churfurst. Ewren Gn. seind alltzeit unser gantzgutwillige freuntliche Dienst und was wir mehr Liebe und Gunsts vermogen zuvor, Genediger Herr. Demnach die Wollgebornen unsere freundliche liebe Schwiiger und Ordens Brueder, Graff Hermann zu Newenar und Anthoni von Lalaing, Graff zu Hochstraszen, E. G.
6
82
und anderen Chur- und Fursten uf den itzigen Tag zu Fulcla veror-dnete Rethe und Commissarien durch Iren abgefertigten Edellman ersuchen und bitten laszen , das sie sich soviel bemuheu und uf Mittell und Wege mittgedencken helffen wolten, wie doch unsere bestrickte Mitt Ordens Brueder, die Grafen zu Egmont und Horn , durch der Kom. Kays. Mai., unsers allergnedigsten Herrn, allergnedigsten Intercession oder andere Wege Irer Bestrickung gnedigst entledigtt oder sonst zu gepurlichen Rechten , wie Graven des Reichs, als sonderlich der von Horn , gelaszen und mittler zeit der Billicbeit und Trem Standt gemesz nach tractiret und gehalten worden mogen , und wir dem nicht zweiffeln , es werden E. G. Abgesandte solches Alles ferner au dieselbige zuruck gelangen laszen , so haben wir nitt underlaszen konnen , E. G. auch vor unsz gantz dhienstlicher weise zu bitten , das E. G. Iren Abgesandten gnedigst zu bevelhen gelieben wollen , das sie sich nebens andere Chur- und furstlichen Gesandten und Commissarien uf ange-regten Tag dieser Sachen mitt allem Vleisze undernehmen und uff die Mittel gedencken wollen , die den verstrickten Herrn durch guttliche Intercession oder andere wege der Rechten ahm nutzlichsten und er-sprieszlichsten sein mogen , wie E. G. Gesandten auss hoherem Ver-standt alle Gelegenheit am besten werden zu erwegen wissen. Das seindt wir umb E. G. altzeit hienwider zuverdhienen gantz willig. So werden auch E. G. die bestrickten Herrn hierdurch dermassen an sich verbinden, dasz sie und Ire nachkommen solche erzeugte Gnade und quot;Wolthat zum\' ewigen Tagen in keinen Vergess stellen sondern sich derselben beruhemen und alltzeit E. G. hienwider mitt Gueter und Blude zu-dhienen sich verpflicht und schuldig erkennen werden. Datum Dillen-burgh, ahm ersten Febr. a0. 1568.
quot;Wilhelm Printz zu Oranien.
Gelijkluidend aan Brandenburg. Ibid, fol. 20.
28. 12 Febr. 1568. (Antwerpen). Berichten aan den Prins omtrent de toestanden aldaar. Odart en Vison zijn daar aangekomen met twee lijsten van verdachte burgers; op de eene staan 800, op de andere 252 personen. De Raad van Antwerpen heeft geprotesteerd tegen de willekeurige arrestatiën van Roede Roede in de stad. In den omtrek van Hondschoote huist eene bende, die allen priesters de ooren afsnijdt.
Ibid, fol. 29.
29. Alva aan den graaf van Buren. 13 Febr. 1568.
Wolgeborner Grave. IN\'achdem Ire Maj.quot; begeren , das Ir Derselben
und den Iren heut oder morgen thienen sollen , gleichwie Eure Eltern Irer Maj. Vorfahren gethan , so hab ich den Hern von Schasze mit noch etlich andern zu Euch abgefertigt, welche Euch dasjenige, so Ihre Maj. mir Euern halben ufferlegt und bevolhen haben , vermelden sollen; derhalben an Euch mein gunstiges gesinnen , Ir wollen Innen gleich mir selber glauben geben und Euch demjenigen, so er von wegen Köd. Maj. Euch antzeigen wirdt, gemesz verhalten und es gewöhnlich darfur achten , das hiermit anderst nicht dan Euer bestas,
83
ehr und befurderung gemeint und gesucht wurdt. Wil Eucii also hiernit dem Almechtigen bevolhen haben.
Datum Brussel, den 13den Febr. a0. 68.
Euer Frundt, der Hertzog von Alba, manu propria.
Ibid, fol. 35.
30. Berichten uit Antwerpen aan den Prins. 15 Febr. 1568.
. . . . Es ist mir trewlich Leidt, das ich E. G. bedreubte zeittung zuschreiben soli; dieweil es aber ahn mich gelangt, bat mir meines Erachtens nicht gebeuren wölln, E. G. solches unangezeigt zu laszen. Unnd ist, das die alte Gravinne von Hornen mir gestern geschrieben, das ir reyttender bott hatt E. G. sohn auff einre Hittigwagen mit sampt seinem hofFmeister, dem von Wilpurg, von Loeven naher AntorfF fuhren sehen , des vorhabens, das man Inne von dannen als-baldt inn Seelandt bringen und mit dem ersten wind naher Spanieu schicken soli. Die von der üniversitet zu Loeven haben sich dagegen setzen wollen , es hat aber alles nicht helffen mögen. Ibid, fol. 32.
31. De Prins aan August van Saksen. 25 Febr. 1568.
Durchleuchtiger Hochgeborner Churfurst, E. G. seynen unsere gantz
gutwillige Dienst jedertzeit zuvor, gnediger Herr. Wir setzen in keinen zweiffel, E. G. werden nhunmehr aus unserm gesterigs tags an E. G. auszgegangenn schreiben und denen damit uberschickten Zeittungen under anderm gnedig und mitleidlich vernom men haben , was von wegen unsers freundtlichen lieben sones mit höchster unserer bekhummernus an uns gelangt hat. Wiewol nhun zuverhoffen gewesen , es sollten sich die sachen mit ermeltenn unserm sohne vielleicht anderst erhalten, so befinden wir doch aus einem schreiben, so uns von unsers sohns hofïmeister , Heinrichen von Wiltperg, in dieser stundt zukhommen , das leider die obgedachte zeittung mehr dan zuviel wahr und gewisz ist, welchs dan uns , als dem vatter , neben andern unsern vielfeltigen beschwerungen, damit der Almechtige uns teglich je mehr und mehr heimbsucht und angreiffet, zu schmertzlicher bekhummernus , trubsal und anfechtung thut geraichen. Wir wollen aber zu Seiner Allmech-tigkeit verhoffen und nicht zweiffeln, Er werde solch unser obligend creutz, schwermuth, bekhummernus und unglucklichen zustandt nach seinem göttlichen willen zu rechter zeit miltern und zur bes-serung pringen, auch unser unschuldt an tag pringen und uns entlich vor unserer miszgunstigeu unpilliche handlung und practicken, so sie gegen uns unverschuldt teglich uber und vornhemen, gnediglich schutzen und erretten. Wie wir auch dasselbige mit Gedult, sovil uns muglich ist, wollen verhoffen und erwartten.
Dillenberg, am 25 Febr. a0. 1568.
Wilhelm Printz zu Uranien.
Ibid, fol. 58.
32. 28 Febr 1568. Instructie van den Prins voor Gunther van Schwart-zenburg als zijn gezant bij Saksen; met het antwoord van August op diens vertoog Ibid, fol. 45.
84
32. 1508. Breve Relacion en octava Rima de la Jornada que a liecho 1 Ulmo y exmo Senor Duque d\'Alva des da Espana hasta los estados de Flandes. Compriesta por Balth. de Vargas. (Anvers 1568). Ibid, fol. 89.
34. 7 Mei 1588. (Brussel). Brief van Alva aan keurvorst August, aandringende op straf voor de vijanden des Konings , die in zijne macht zijn, en op ontzegging van steun aan hen. Ibid, fol. 79.
45. 31 Mei 1568. Antwoord van August, aandringende op zachtheid tegenover de Nederlanders. Ibid, fol. 80.
36. 6 Sept. 1568. Instructie van keurvorst August voor graaf Ludwig zu Eberstein , die bij den Keizer moet aandringen op een protest over de wijze, waarop Al va in de Nederlanden huist. Ibid, fol. 316.
37. 1568. » Kurzer Bericht, woher der Niederlilndische Aufruhr ent-sprungen, auch wehr derselben ahm mehrern Theil eyn Ursach istquot; , een scherp stuk tegen Granvelle en Alva, aan August gezonden door de oude graviu van Mansfeld. Ibid , fol. 323.
38. De Prins aan August. 7 Oct. 1568.
Durchleuchtiger Hochgeborner Churfurst. E. G. sey unser willig dienst sampt allem vermogen unnd gutem zuvor, Gnediger Herr. E. G. hatten wir woll langst hiebevor sollen newe zeittunng- zuschreiben unnd allerley gelegenheitt unsers zugks vorstendigen. Es hatt sich aber noch bishero nichts sonderlichs, dasz des schreibens werdt sey, zugetragenn , dann wir von allerley furgefallenen unversehenen ungelegenheit, da wir sonst wol gernn forthgewöllett hattenn , widder unsern willen nicht ohrie grosse beschwerung und schadenn diese zeitt hero seindt anff-gehalten worden, üemnach wir aber die sachen etlichermaszen ver-mittelst Göttlicher Gnaden zu richtigkeitt bracht, seindt wir den 5ten Octobris gegen Abendt umb vier uhren zu Witthem auffgebrochen , den Graffen von Barbi mit tausend pferdenn bey tag nach des Hertzogen von Alba lager , so obberhalb Masiricht an der Mase zwo meilen von unserem lager jenseits dem wasser gelegen, da wir das geschrey hatten gehen lassen , wir unsern pasz nhemen woltenn, weissen lassen , da wir die gewisse kundschafft gehabt, das der feindt uns den pasz uber die Mase zuverhindern inn willens gewesen. Wir aber haben unsern zugk an einem andern orth genommen, die gantze nacht getzogen und seindt den 6ten Octobris morgens zu sonnenaufgang bey drey meylen nidderhalb des Hertzogen vonn Alba lager auff die Mase ankhommen, daselbst einen fhurt antroffen und mit Gottes hulff glucklich sampt allem unserem kriegsvolck , geschutz und wagen inn eill uberkhommen; das wir warlich bekhennen mussen und augen-scheinlich gesehen heben , das der Almachtige Ewige Gott uns durch verleyhung gutes wetters, verhinderuug allerley feyndtlichen an-schlege, da er uns doch mit einem geringen volck in demselben pasz hatte aufhalten und verhindern mogen , vetterlich und wairlich meynet und noch beshero vor schaden gnediglich behutt hatt. Und wiewol wir nhun gesinnet gewesen wehren , denselben tag fortzuziehen und den feindt zusuchen, so haben wir doch unser kriegsvolck und pferdt nicht ausmatten wollen , welches diese vergangene nacht einen weitten
85
zugk gezogen , uud seindt derohalben heudt allhie zu Stockheim piieben damit sie wiederumb ausruhen mögen, der meynung mit Gottes hulff morgen den feint zuvolgen. Dan wie uns die khundtschafft einkhom-men, dasz maun sein leger hab brennen sehen, halten wir es dafür, er seye auffgezogen. Wir seindt von unsern khundtscbaÖten , so wir in seinem leger ha ben , zuersehen gewertigk, wo er seinen Zug hin nehmen wolle____zu Stockheim in unserm Lager, den 7ten Oct. ac. 1568.
Wilhem Printz zu Uranien.
Ibid, fol. 289.
39. 10 Maart 1569. (Manheim). Instructie van den Prins voor graaf Jan van Nassau, als zijn afgezant bij August, wien hij 3000 Thaler voorschot moet vragen ten einde zijne soldaten te kunnen betalen en zijne verpande goederen te kunnen lossen ; in zeer wanhopige termen smeekend om medelijden en hulp in zijn ongeluk. Ibid, fol. 350.
40. 9 Juli 1569. (Conflans). De Prins aan August met eene beschrijving van den veldtocht in Frankrijk. Ibid , fol. 398.
41. 28 Nov. 1569. (Meissen). Verslag van Jenitz van een gesprek met den Prins te Meissen, waar deze met den heer d\'Ossemville gekomen was om den keurvorst om hulp te vragen ten behoeve van Coligny en de Hugenoten. Hessen had zich uiet ongenegen betoond om te helpen, als de overige vorsten dat ook wilden. De Prins had hem de oorzaken der fransche verwikkelingen uitvoerig verklaard en als redenen van zijn eigen vertrek uit Frankrijk genoemd: I°.-om van wege Coligny hulp te zoeken in Duitschland; 2°. om volgens afspraak te onderhandelen met zijne ontslagen ruiterbenden , die hij in de herfst-mis te Frankfort had moeten betalen ; in overleg met graaf Jan had hij de ruiters bewogen tot een uitstel van hunne vorderingen tot de volgende mis. Loc. 8510 , Handschreiben Oraniens, fol. 272.
42. 3 Dec. 1569. (Meissen). De Prins beklaagt zich bij den keurvorst, dat deze hem niet heeft willen ontvangen maar alleen Jenitz heeft gezonden ; overigens maakt hij zich bevreesd , dat de keurvorst boos is wegens zijne poging om tot hem door te dringen. Ibid , fol. 266.
43. 5 Dec. 1569. (Dresden). August aan den Prins, dat hij met zijne verwanten moet raadplegen over Coligny\'s verzoek , dat Ossemville dus voorloopig niet te Meissen behoeft te wachten, daar dit te lang zou duren. Wat den Prins zelf betreft, hij beklaagt hem. » E. L. wissen sich aber zu erinnern , dasz wir derselben zu Irem Furnehmen niemals gerathen noch uns in solche Handel, die uns allen auszufuhren zu schwör, auch vieler Ursachen halben bedencklich, haben einlaszeu wollen. Wir batten aber leiden mogen , das E. L. unserm Rath ge-folget, so mochten auch E. L. Sachen itzo etwas leidlicher stehen und wir desto mebr Ursach habenn , uns E. L. als des Schwagers antzu-nehmennquot;. Copialb. 345, fol. 316.
44. 2 Febr. 1570. (Dresden). August aan den Prins, dat hij hem in April hoopt te zien, daar de Prins hem gemeld heeft, dat hij hem dan hoopt te bezoeken; hij wil hem steunen, waar dit mogelijk is.
Copialb. 514, fol. 115 S.
86
45. De Prins aan Dr. Cracaw. 7 Juni 1572.
Guilhelmus Princeps Auraniae, Comes Nassoviae etc.
Etsi non dubito, Clarissime Doctor, quin rerum Belgicarum rumor jam pridem isthuc ad te pervenerit, non possum tamen me tenere, quin Dei Opt. Max. admirabile opus et beneficium nova commemoratione apud te concelebrem. Quod sane si aliud post homines natos extitit laude et admiratione dignum, facile caetera omnia vel superat vel certe aequat. Quid enim possit vel cogitari admirabilius, quam hoe nostro miserrimo tempore , extremis illis et prope deploratis calamitatibus bel-gicis ita manum admovisse supremum illum rerum omnium modera-torem, Deum, ut ferocissimum atque immanissimum illum Albanum Tyrannum , cuius vel nomen iam summis principibus et populis terrori esse caeperat, nulla vi nullisque copiis sed quasi sua ipsius mole et fastu turgentem ita oppresserit, ut iam etiam infimae plebis feci etveroipsis suis satellitibus atque sicarijs ridiculus esse incipiat, ut maximas et munitissimas civitates, arces firmissimas, portus Oceani oportunissimos in potestatem nostram reduxerit, summosque Christiani orbes Principes, qui non multo ante erant infestissimi artissimo benevolentiae vinculo nobis conciliarlt, ubi ab omnibus rebus imparati, humanis auxiliis destituti, bonis omnibus eiecti, patria extorres, omnium rerum inopes atque a cunctis prope mortalibus derelicti nihil minus sperare posse videbamur; hoc sane est illud, quod in Scriptura Sacra tanto preconio celebratur, quod rebus deploratis auxiliatur Dominus, quod feroces ac superbos tyrannos e summo faelicitatis culmine dejectos in praeceps detur-bat, miseros autem et afflictos, qui se invocant, in sublime erigit.
Restat igitur, ut manum auxiliarem tam manifeste porrigenti Domino ne refragemur, sed primum quidem singularem eius hanc cle-mentiam gratis animis et preconiis prosequamur, tum vero etiam industria, labore, vigilantia atque omni conatu coeptum eius opus studeamus promovere. Etenim, quando Reip. Christianae salutis et tranquillitatis fenestram tamdiu exoptatam tandem iam Dominus aperit, nou est perfectum, quod otiosi atque expectantes, donee suum ipse opus perfecerit, desideamus sed potius statuendum est cuique pro se manum operi esse admovendam. ut eo afflueutior atque uberior Dei gratia in uos rodundet. Certum enim est iam eum hoe suo tam admirabili opere cunctis populis et principibus Christianis quasi signum erexisse , quo eos ad curam reipublicae et religionis justitieque a diuturna oppressione vindicandae canto classico couvocet. Et sane agitur non unius Belgii sed totius Germaniae et vero etiam universi orbis Christiani negotium. Nam si hac tam preelara nobis occasione semel e manibus elapsa liber-tatis germanicae et religionis oppressores iam attonitos et labantes iterum erexerit, non dubium est quin redintegratis viribus non modo Belgium omne sibi subiuugent sed conjunctis animis atque armis usque in intima Germaniae viscera prorumpent et quotquot Euangelü doctrinam secuti tyrannicum Pontificis Romani iugum excusserunt, per summam crudelitatein conabuntur extcrmimire. Nee enim potest amplius posthac eorum conatus esse obscurus neque dubia consilia,
87
que illi jam a multis retro annis in Ecclesiae Domini perniciem ac proinde mGermaniae libertatisoppressionem machinati sunt. Quam ob rem attingit baud dubie vel inprimis Illustrissimos Germaniae Principes haec causa et jam certe nihil pene reliquum est, nisi ut incepto operi faelix et fausta corona imponatur. Quod certe minimo negotio fieri potest.
Dominus ipse exercituum ille potentissimus dominator classicum canit, signum erigit, tyrannos opprobrio et ignominio cooperit, terrore percellit, eorum fastum prosternit, vires atterit, animos frangit, ipse in eos copias educit, exercitum armat, gladium acuit, ipse denique prelium hoc adversus iuratos sui nominis hostes cum summa omnium admiratione gerit, nos eius signa tantum sequemur necesse est, vic-toriam datam amplectamur, hostes jam prostrates erigi ne sinamus.
Quod nisi fecerimus, periculum est profecto et ne offensus Dominus sese a nobis avertat et hostium imminentem perniciem in nostrum corpus redundare patiatur.
Ego certe pro meis viribus quicquid est in me officio nullumque non moveo lapidem neque quidquam relinquo intentatum, quod ad promovendam banc causam putem posse pertinere et nullis certe vel laboribus vel sumptibus parcendum duco et video etiam summo Dei beneficio eo lain deductum esse negotium , ut minimo momento vires adversariorum penitus collabi necesse sit.
Sed non adsunt mihi facultates, quibus hoc tantillum oneris feram, et vult etiam Dominus aliorum Principum, qui se Christiani, nostrae et publice salutis, libertatisque Germaniae propugnatores profitentur, quique hactenus maximo zelo et singulari fortitudine turn religionis sinceritatem turn Reipub. Germaniae libertatem tutati sunt, operara atquo auxilium adhiberi.
Inter quos cum Illustrissimus Saxoniae Dux Elector facile principem locum teneat, non possum sane mihi persuadere eius Celsitudinera hoc tantum negotium esse deserturam passuramve, ut tantae gloriae et laudis, que ex instaurata religione recuperataque iis provinciis, quae Germaniam vel maxime attingunt libertate , procul dubio redundabit, nullam partem sibi possit arrogare , presertim cum eius Celsitudo nullo suo incommodo summum commodum atque iucredibile adiumentum ad banc rem conficiendam adferre possit. Etenim si palam auxilium suppeditare minus ex usu esse statuit, infinitae sunt rationes, quibus vel occultissime quod vult possit perficere, quas ei Illustrissimus eius Gener Dux Jo. Casimirus facile suppeditabit.
Nihil enim hoc quidem tempore nos deficit aliud nisi pecuniae vis et quidem non admodum ingens tantum, ut nostras copias iam alio-qui paratas et satis instructas in hostem etiamnunc imparatum possi-mus educere, quod si fecerimus, certe hoc tempore et hac rerum oportunitate atque unanimi prope incolarum Belgii voluntate non dubium est quiu helium hoc primo quoque tempore vixdum etiam inchoatum confecerimus.
Etenim ereptis Albano portubus ac stationibus maris praecipuisque ac munitissimis urbibus ademptis et caeteris prope omnibus civitatibus
88
eius presidia recusantibus, amissa etiam authoritate fideque apud mercatores nihil potest esse residuum (mode ut neque Ulo spatium res-pirandi neque Civitatibus, que ab illo desciuerunt, oceasio iterum sub eius imperium redeundi desparatis auxiliis detur), nisi ut vel turpi fuga salutem querat vel in nostram potestatem quam primum veniat.
Quare quid potest Illustrissimo tuo Principi esse gloriosius, quid preclarius , quid ad sempiternam laudem et perpetuam in posteritatem nominis eius gioriam illustrius quam tantula pecuniae summa, rem tantam, tam preclaram et non modo Belgie sed toti Garmaniae atque adeo universo orbi tam salutarem perficere.
Non minor profecto gloria ad eius Cels: Illustriss: ex hoc facto redibit quam superiori etate consecutus est Illustrissimus eius pre-darae memoriae frater Mauritius, utrinque enim hispanica tyrannis eiecta, utrinque Germania liberata, utrinque religio instaurata et pax atque tranquillitasoppressispopulisredditacelebrabitur uno ; etiam erit buius gloria prestantior, quod ex ijs locis eiectus erittyrannus, in quibus jam per multos annos firmissimam sedem fixerat et munitissimis undique oppidis atque arcibus septus nihil esse tam firmum arbitrabatur, quod eius viros roburque posset unquam convellere.
Age itaque , vir clarissirae , et Illustrissime Principis tui Cels : author esto , ne tantam laudem sibi eripi vel certe (si sua gloria contentus ex alienis negotiis laudem omnino non querit) ne tam preclarum conscientiae testimonium , quod iure animum suavissima recordatione ex tam lucu-lento in Remp. Christianam collato beneficio per omnem vitam permul-cebit-, sibi patiatur elabi. Quid enim possit ei in omni vita cadere optatius quam tantula pecuniae summa miserrimis atque afflictissimis inferioris Germaniae populis ex crudelissima tyrannide atque oppressione solatium et levationem, toti Germaniae parem tranquillitatem universoque orbi Christiano securitatem et denique pietati ac sincerae religioni tutum pcr-fugium redemisse. Rogo itaque te, mi Cracovi, ut sedulo rem urgeas et tuam nobis operam hac in re vel importune, si necesse erit, naves.
Prestabis sane singulare in Ecclessiam Dei ac proinde in universam Remp. Christianam beneficium et mihi preterea ita te facies gratum et me sum-mum a te accepisse beneficium sim existimaturus , quod certe, si Dominus dederit, ut res in Belgio recte constitui atque instaurari possint, ita erga te tuosque omnes referenda gratia prosequar, ut eius nomine tibi sis ali-quando impendite gratulaturus. Vale. Dillenbergae, VIII Idus Junii 1572.
Tui benevolentissimus, Guilhelmus de Nassau.
Liber Her Doctor, ich bitt Ir wollet ewer bestes thun und bei meinem genedigen Herren dem Churfursten mitt fleis anhalten , das mich Ire Churf. Gn. uff dismal nitt wollen verlassen; ich hett euch gern in deutscli schreiben lassen , dweil abev mein deutscher secretarius nitt bei der bant ist gewest, so hab ich es aufl\' latcir.iss lassen schreiben.
46. De Prins aan dyu keurvorst van Keulen. 27 Juli 1572.
Hochwerdiger Churfurst, Churf. Gnaden. Ewer Gnaden Schreiben den 20 Julii zum Bruell datirt, darinnen E.G. sich des Schadens, so
89
den Unterthaneu im Erzstili\'t Cölu, furnemblich aber den A.rapter Kempten und Berckh, dnrch unser Kriegsvolck zugefugt worden sein sollte , zum hochsten beschwertt, ist uns den 22sten gethanen Monats woll zukohmmenn und haben dessen Inhalt ungern vernohmenn und heiten uns gentzlich versehen, es sollte unser Kriegsvolck unserm ernsten Bevelh gelebt und E. G. sampt Dero Erzstifft Cjlnische Untterthenen geschondt haben , wie wir dan nitt zweiffeln , E. G. werden von den Iren vor lengst bericht sein, das wir und ander unser Kriegsvolck zu unserm Durchtzug solchs selbst gethan haben. quot;Wir haben aber nitt underlaszen etliche dieser Ursachen halben zu Reden zustellen , welche uns zur Antwortt gegeben , sie haben keine quot;Wissenschafft getragen, das dieselbe E. G. Uuterthanen gewesen , in Ansehung sie sich der-massen feindlich ertzeigt, dasz sie etliche der unsern nitt allein aus-getzogen, geplünlert und beraubt, sondern auch gantzs grimmiger Weyse geschlagen , verwundet, erbarmlich erwurgt und umpracht haben; und ob wir gleich uns desen zum hochsten zu beschweren genugsamb befugt, haben wir doch E. G. deszhalben nitt bemuhen sonder viel mehr mit Gedult ubersehen und erwinden wollen. Ferner konten wir E. G. nitt pergen , wfilchermaszen wir zue gewisze zettungen kommen , das E. G. sampt dero Ertzstifft Cöln sich gegen uns und unsern Mitverwanten albereitt gantz feindlich erclerett unnd sich feindlich zuerkleren ferner bedacht sein sollen, die uns aber, ob wir mitt E.G. niemals icthwas zu Ungutem zu thun gehabt oder noch habeh mochten , mitt nichten zu erinnern wissenn , als seindt wir soviel da mehr veruhrsacht worden, E.G. zuersuchen und zubegehren , E. G. wollen uns, was Dieselb dartzu bewegt, eigentlich verstendigen , dan dei-Hertzog von Alba betreffendt wiszen sich E.G. gutermaszenn zueri\'i• nernn , welcher Gestalt er mit gantz erschrecklicher unerhorter Ty-ranney nun ein lange in den Burgundischen Niderlanden nicht allein allen wollherprachten Freiheiten , Privilegien und Rechten , auch der Kon. Maj. zu Hispanien , unsers gnedigsten Herrn , zu dero Ankunfft und Einhnldung gethanen Eydt, sonder auch der naturlichen Pillich-keitt zuwider grossirt und gewutet habe, unnötig alles in specie zu vermelden. Hetten uns derentwegen zu E.G. mit nichten versehen, das E. G. des von Alba unchristliche Tyrannische Herschnng, darneben auch Stoltz und Hochmutt, damitt er nitt allein im Niederlandt seinen Mutwillen geubt sonder auch viel! wollgeordnete des Heyl. Röm. Reichs Decreta uff jungst gehaltenem Reichstag , furnemblich aber die Muntz-ordnung zu Schmach und Verkleinerung genannts Reichs Teutscher Nation trutzlich und freventlich verachtet, Ir gefallen lassen , viell weniger zuerhaltenn und forttzueplantzen die Handt gepothen soltenn habenn. Dieweil aber solches offenbar und am Tag und wir dan etliche Vestungen im Furstenthumb Geldern einbekhommen, die wir mitt Kriegsvolck nach Notturfft zu besetzen bedacht, welche an das Ertzstifft Cöln schier greintzen und stossen , damit wir derowegen , was wir uns gegen E.G. und vielgemelte Ertzstifft zu verseheu haben , ob nemlich E. G. und Dero Ertzstifft sich unsern, unserer Mittverwanten und
90
gemelter stetteu unnd Vestungen Feindt ercleren wollen oder nicht, eigentlieh und grundtlich wissenn und vernehmenn mogen.... Alten rod t bey Roremondt, 27 Julii Anno 72.
Wilhelm , Printz zu Uranien.
Loc. 9317, Kriegsachen, Dl. 16, fol. 146.
47. 27 Juli 1572. Brief van den Prins aan het domkapittel met verzoek de neutraliteit van bovenbedoelde vestingen te erkennen. Ibid , fol, 148.
48. 17 Aug. 1572. De Prins aan Adolf van Holstein, dat hij toch zijn plan om Alva te helpen moge opgeven. Ibid, fol. 162.
49. Adolf van Holstein aan den Prins. 20 Aug. 1572.
.... Das aber under der Kon. Maj. zu Hispanien Rebellen fast unerzehliche Secten sein , als Widerteuffer, Libertiner , Davidgorister , Adamiter, Arrianer, daher des verdampten Mahomets Sect Ibren Ursprung genohmenn, das ist jedermenniglich wissent, und sehe die Sache zu dem Ende ausz, als sie sich für etzliche Jaren in dem Bauren üfruhr und in der quot;Widerteuffer Entporung zu Munster erzeuget und befunden. Ob nun demjenigen , der sich solcber Rott anhengig machett, deren Tugent das Werck auszweisett, nemblich dasz sie die Kirchen an Ihren Kleinodiën plundern, berauben, den armen Leuten iren Plut und Scbweiz abschatzen und Ihnen das Ihre nehmen, sie zu Ihrer ordent-lichener Obrigkeit Ungehorsamb dringen wollen und, wie nechst fur Deventer alhier geschehen , do sie die armen elenden Siecben in ihrem Hausz jemmerlich verbrennet. »Gott der Almachtige seinen Segen und Gnade verleyben quot; werde, ob auch »bei der Keys. Maj. unddemHey-ligen Reich solchs Jemants zu Gute kommenquot; könne und werde, was auch Einem und dem seinen vor »Ruhm und Ehre dahero zuverhoffen quot;, das wollenn wir E. L. unnd allen Verstendigen zu bedencken hiemitt heimgeschoben sein lassen.....Deventer , 20 Aug. 72.
Adolff zu Holstein.
Ibid, fol. 163.
50. Adolf van Holstein aan Alva. 18 Aug. 1572.
Hochgeborner Furst, Heber Oheim. E. L. gebenn wir hiemitt zuver-
nehmenn , das wir vermittelst gottlicher verleyhung gestrigs Tags, ist gewesen 17 Aug., alhir zue Deventer angelangtt, und hatt sich miser Zugkauff Bremen, Wildehausen, Kloppenberg und Haselunde erstrecktt, woltenn auch fortter durcii Lingenn getzogenn. Es hatt aber der Droste daselbst, Ernst Muhlerdt, desz geringen Vorradts halben ann Proviandt sich gegen unns beklagtt, zudetne auch berichtett, das wir mitt der Uberscbiffung uber die Embse woll zwene Tage werden zuprengen muessen. Darumb haben wir uns uff die rechten Handtt gewendett, seindt von Haselunde uber die Haese unndEmbsz-brucken zue Meppen getzogen und uns wiederumb uff die lincken Handt gekerett nach dem Neienhause , des Furhabens das wir unsern Pasz zue Campen uber die Isell nehmenn woltenn. Es ist uns aber inn der Nacht Post unnd Zeittung zugekohmenn , das die Rebellen etzliche Schiffe an Campen gelegtt, ein Stucke der Maurenn eingeschossen und
91
die von Cam pen dahin bewegt, das sie sich auffgegeLen umid den Grafen zue Bergen, welcher von dieser Seitten undder Felowdie Statt belagertt, eingelassenn hettenn; das es auch mit denen vonn Schwoll unnd den Rebellen dergegestaltt inn Handell stunde, dasz zuvermue-tenn , sie -werden sich Inen auch auffgeben. Darumb seindt wirverur-sacht worden unsern Wegk uff Ootmersen zunehmenn , zuderBehuff, ob Schwoll so woll als Camnen sich auffgegeben hette, das wir eyligst Deventer erreichen und dafür sein mochten , das dieselbige Statt in der Rebellenn Hende auch nicht kommen mochte, den uns glaublicher Bericht angelangtt, den wir auch inn unnser Ankunfft allhir war befundenn , das die Gemeine alhir zue Deventer etwas wankelbar sein solte . . . Denn Irer Kon. Würde Rebellen nicht alleine waszwischen Deventer und Lingen verkehrett und verwustett, Kirchen , Clausenn unnd Clostere , auch die gemeine Irer Kon. Maj. Ünderthanen spoliirt und beraubt, das Stedtlein Oldensell, auch welchs von Gelegenheitt des Ortts an sich etwas vest ist, fur unsere Ankunfft eingenommenn , mitt 3 Fenlein Knechten besetzett und daraus allen Pasz unnd Durch-tzugk , beidts zu Ross und Fuesz, verhindert, unnd auch die Stette Campen, Schwoll, Zutphen. zusambt allen Stetten und Platz der Graffschafft Zutphen einbekommen und ausserhalb Deventer inn Irer Macht haben. Nu gehett uns solche Gelegenheitt hochlich zu Hertzen unnd machen der getrewen Neygung nach , die wir zue der Kon. Maj. zue Hispanien und diesen Irer Kon. Maj. Landen tragen die Fursorge, nachdem wir befindenn , wie wanckelbar das Gemuete der Gemeine allhir zue Deventer ist, auch aus vorgehendenn Beyspylen an den andera Stetten zu erspuren haben . mitt was verreterlicher ge-schwinden Anschlege die Rebellen umbgehen und sich von Tago zu Tage je lenger je lenger je mehr stereken, dasz auff unsern Abzugk, wann wir uber die Isell, Rhein, Wahl und Maase wehren , ein gleichmessiger Abfall der Statt Deventer, so woll als mit Campen , ervolgen wurde. Zudeme seumen die Rebellen nicht, sondern fahreu in Irem hochstrafflichen Furnemen immer fortt, haben sieder der Zeitt, dasz sich Schwoll ergeben , Geenemueden , Hasselt und noch etzliche andere Orter nach der Westfalischen Greintz inn Iren Gewalt gebracht, ... das die wankelbare Gemuete der Gemeine in solchen Stetten, welcher Gemuete durchaus des groszen Theils dem üffrurischen Rebcl-lischen Hauffen zugethan , vermittelst Ihrer Statt, Thor und Pfortenn Eroffnung unnd ünterdruckung der Kon. Würde Besatzung den Rebellen sich auch mochten anhengig machen..... Deventer, 18 Aug. 1572.
Adolf zu Holstein.
Hij raadt ook het krijgsvolk nu te Deventer te monsteren , zooals hot verlangt, en niet eerst te Maastricht. Ibid, fol. 167.
51. Oct. 1572. Hessen en Saksen besluiten den Prins aan te bieden hem en zijne vrouw te Erfurt te onderhouden. Saksen zal 2000 , Hessen 1000, Jan van Nassau 1500, Lodewijk 500 Thaler jaarlijks geven en een rentmeester zal \'s Prinsen inkomsten beheeren.
Loc. 8032, Akten der Printz. Anna, fol. 5
92
BIJLAGE ».
Verbetering van den handel in de Republiek.
1. 1 Oct. 1751. Brief van Kauderbach , resident in den Haag , aan zijne regeering over het plan door den Prins ingediend. » On attribue a Mr. de Lannoy ce Projet, auquel Hop et Marcelis ont aussi travaillé avec deux marchands d\'Amsterdam et de Rotterdam; mais il n\'est guères gouté dans le public, y ayant beaucoup de critiques et mème (les pasquinades ó. Amsterdam, oü on le regarde comme moinspropre è. relever le commerce qu\'amp; le ruiner.quot;
2. 5 Oct. Idem aan idem : » la suite (du projet) trouve assez d\'appro-bation dans le Publicquot; maar het grcote beletsel zijn de bestaande traktaten met de overige mogendheden.
3. 28 Oct. Idem aan idem : » on mande d\'Amsterdam, que quoique ce Projet soit clair et bien detaillé, les plus au fait du commerce prétendent qu\'il n\'y a pas un point, qui soit practicable et qui nesera sujet a mille inconvénientsquot;.
4. einde 1751. De oorzaken van den achteruitgang des handels in Holland zijn: 1°. de steeds aangroeiende handel der vrije steden Hamburg .en Lubeck »accoutumées d\'aller directement amp; la sourcequot;; 2°. de overal toenemende buitenlandsche concurrentie, vooral in Frankrijk en Engeland; 3°. de bloei der fabrieken in de Oostzeesteden , die nu zelf de grondstoffen koopen in de landen, die ze voortbrengen ; 4°. de hooge rechten in de Republiek. Vooral Hamburg heeft zeer veel voordeel getrokken uit den achteruitgang van den handel der Republiek ; verder ook Lubeck, Bremen , Stettin en Koningsbergen. Van de 100 Hol-landsche schepen , die de Fransche havens verlaten , zijn er minstens 80, die Hamburg direkt trachten te bereiken zonder Holland, het vroegere eutrepót, aan te doen ; alles van wege de hooge rechten.
93
B IJ LAGE H.
Uittreksel uit eene Vlnamsche kroniek (15de eeuw).
Dresden, Kcin. Bibl., ms. M 33a.
147 2____Item in den selven tide süo rees een olleede in de stad van
Sircxsee in Seelant, want die gemiente doodden 2 van tshertogen lu-den , waerom die hertoge wert seer gram ende quam met synen volcklt;! ende gecreech die stadt tot sinen wille met listicheden ende dedejusticie over scm van den misdadigen , ende die mieste menichte ontquamen ende alsoo wert die pais gemaect om eene sekere somme van penningen , als van 300000 leeuwen.
147 3____Item als men screef 1473, corts nae Paeschen , soo tracdio
Hertoge mit eenen machtigen beere ia Gelderlant ende ierst voor die stadt van Remunde, dewelke hem hulde swoer ende ontfincken als haeren mombor ; ende van daer trac bi voer een slot, welke bi beleide; ende die binnen den slote waeren , hadden hem manliken ende doodden van sinen volke , want sie lietense binnen comen , als oft si niet versien en hadden geweest; ende alsi binnen waren , doen openbaerden si hem
ende sloegender een deel doot, alsoo met.....maer ten einde soo
gaven si hem op, behouden lijf ende goet; ende aldus soo trac hi van daer voor Venloo, welke bi ooc beleide; ende die van Venloo waren scalc ende lietense binnen scote comen ende si hadden hem ooc, oft si niet versien en waren ende stelden hem bussen ende lietender een deel teennemale uitvaren ende aldus maecten si eenen grooten scaert in sijn heer ende deden baer poorten op ende volgden na ende grecegen van sinen bussen ende werpense in haer vesten, maer dat en baette hem niet, want die Hertoge wert vergramt ende dede soo menich busse stellen op die poorten, dat hise al ontwee scoet; ende aldus soo moesten si hem hulde doen , weder si wouden oft en wouden. Ende voort van Venloo soo trac bi tot Niemegen, welke stad was wel gemaect ende versien om wederstaen , al so hem dochte, want si was wel gebolle-werct ende versien van mannen van wapenen , hooge van ^esten, wel gespijst van bussen , vol provanden; maer die Hertoghe belachse omtrent 3 weken oft een maent ende si weerden hem manliken ende doodden van sinen volke, maer hem en baette geen weere, want die Hertoge van Cleve lach over dwater ende die Prince over dander side ende aldus soo en mochter niemant uut noch incomen ; ende aldus soo en mochten sijt niet houden ende sy gaven hem op ende quamen uut van den besten poorteren al in swerte cleederen ende die stadvroeders al ongewapent ende gaven haer ende haer wapine over in sinen handen ende aldus soo wert hi daer ooc gebult ende alle die andere steden van den lande van Geldere, als Arenhem , Suutvenen, Doesborch, swooren hem hulde ....
94
BIJLAGE I.
Stukken over het gezantschap des Keizers in de Nederl. 1576-1579.
Geheirnes Staatsarchiv te Berlijn, R. n0. 65.
1. 11 Dec. 1576. Relatie van de Keizerlijke gezanten over de onderhandelingen met den Prins.
2. 12 Dec. 1576. (Lintz). Keizer Rudolf aan den keurvorst van Brandenburg met verzoek om raad, hoe hij handelen moet in de Neder-landsche zaken. Na den dood van Maximiliaan had hij reeds gezanten naar Brussel gezonden maar thans na de Antwerpsche Furie en nu ook Frankrijk zich meer met de Nederlandsche zaken inliet, wist hij niet wat te doen en wendde zich tot den keurvorst » als zu der wir hierinn , wie auch sonst in allem andern, ein sonders Vertrewen hahenquot;.
3. 22 Dec. 1576. Relatie van de gezanten in de Nederlanden omtrent een stand der onderhandelingen met den Prins.
4. 20 Febr. 1577. (Middelburg). Copie van het antwoord van den Prins aan de gezanten des Keizers namens de Skaten van Holland en Zeeland.
5.-24 Febr. 1577. (Middslburg). Relatie van dan Keizerlijken gezant Gaill omtrent zijn gesprek met den Prins en de onderhandelingen te Middelburg.
6. 1 April 1577. (Brussel). De Keizerlijke gezanten berichten omtrent de toestanden in de Nederlanden, vooral over de eischen van de Duitsche troepen , met welker oversten zij zelf te Antwerpen onderhandelden ten behoeve van de Staten ; over de houding van Don Jan ; over de besprekingen met Oranje.
7. 20 Maart 1577. Berichten omtrent het vertrek der Spaansche en Duitsche troepen uit de Nederlanden.
8. 8 April 1577. Berichten der gezanten over dezelfde zaken.
9. Mei 1577. Relationes van 12, 21 en 25 Mei 1577 over de Nederlandsche zaken, zeer uitvoerig. Die van 21 Mei 1577 bevatten een uitvoerig gesprek met den Prins. De bezwaren van Prins Willem tegenover de Spaansche regeering waren volgens dat gesprek: 1°. dat de Algemeene Staten Don Jan reeds hadden erkend vóór het vertrek van het Duitsche krijgsvolk en dus een bewijs van vertrouwen hadden gegeven , dat slecht was beloond; 2°. dat de Spaansche regeering den Prins zijne goederen in Brabant, Bourgondië en Luxemburg nog niet had teruggegeven; 3°. dat de graaf van Buren nog altijd in Spanje werd teruggehouden ; 4°. dat Don Jan zich voortdurend met verdachte en onbetrouwbare personen had omringd; 5°. dat er was gehandeld tegen de vroegere afspraken te Middelburg met de Keizerlijke gezanten, die toen ook hadden willen bemiddelen; 6°. dat de Pacificatie en het
95
Eeuwig Edikt voor Holland en Zeeland onvoldoends waren , omdat daarin alleen sprake was van handhaving der Katholieke religie ; eindelijk kon men nooit op de Spaansche regeering vertrouwen , daar » haeretieis non est servanda fides quot; volgens de gewoonte van Rome. De Prins had de anderdaagsche koorts en men kon daarom maar om den anderen dag met hem onderhandelen. De gezanten trachtten zijn wantrouwen weg te nemen en spreken als hunne meening uit, dat men niets zal bereiken , als de Spaansche regeering niet » per conniventiam utranique-religionem, saltem ad tempusquot; toelaat. Bij de nadere besprekingen beklaagde de Prins zich over de houding van Don Jan tegenover Utrecht, dat hij door allerlei middelen van Holland en Zeeland trachtte te scheiden; verder over Amsterdam , dat weigerde te deelen in de lasten van Holland. Het licentgeld was nu opgeheven , het convooi-geld voorloopig nog behouden.
10. 20 Oct. 1577. (Luxemburg). Don Jan aan den Keizer, dat hij met groote\'bevreemding de komst van Matthias heeft gezien; dat hij wel gelooft, dat de Keizer niets van zijns broeders plannen wist, maar hoopt, dat de Keizer dezen nu terug zal roepen.
11. Nov. 1577. Een reisbericht van een van \'s Keizers afgezonden boden meldt, dat Don Jan woedend is op den Keizer, daar deze Matthias\' vlucht wel had kunnen beletten; hierin ook mededeelingen omtrent de houding van den Prins tegenover de burgerij van Antwerpen en Brussel.
12. De Keizer aan den keurvorst van Brandenburg. 14 Nov. 1577.
.... Welchermaszen sich aber inmittelsz zugetragen , das unser freund-
licher geliebter Brueder und Furst, Ertzhertzog Mattias zu Oestenreich, sich durch etlicher Leuthe Anfürrung dahin bewegen lassen, dasS. L. den dritten vorbestimmten Monats in der Nacht unangemeldet von hinnen getzogen und (wie wir hernach bericht wurden) den Weeg auf beruerte Niderlande genommen, solches wirdet E. L. zweifels one vor disem verstanden haben. Wann nuhn ain solchs von Seiner unsers Brueders Liebden unser unwissent unnd wider unnsern Willen furge-nommen , so ist uns dasselb nit unbillich ganntz frembdt, auch deswegen und sovil desto beschwerlicher furgehalten , das, ob wir wol in unnserem Gewissen unns vor Gott unnd der Welt frei unnd in diser Sachen ganntz unschuküg wissen , wir doch hierdurch in vast ungleichen unnd beschwerlichen Verdacht gerathen , zudem das aucli diser Handel nit wenig gefahr auf sich tregt, unnd haben demnacli nit unnderlassen, alsbaldt wir des andern Tags solchs innen worden , von Stunden S. L. auf alle Strassen, so derselbe vermuetlich gebrau-chen mogen , etliche ansehenliche Personen nach zu schicken , zu dem Ende, damit S. L. von solchem Irem unbedachtsamen Furnehmen ab-wendig gemacht unnd sich zurück zu begeben entweder mit gueter Bescheidenheit oder durch Abschickung deren Mittel, so zu Fortset-zung S. L. furgenommenen Raisz gehorig, bewegt werden möchte. Nachdem aber derselben nachgeschickten Personen kaine, ob sy wol alle mogliche Eyl unnd Vleisz gebraucht, S. L. angetroffen , so können
96
■wir (wiewol uns dessen biszher kaiu Gewiszhait zukomen) annderst niclit vermueten , alsz das S. L. nunmehr in den bemelten Niderlandon ankomen sain werden, unnd derwegen unns ferner dahin entschlossen ain ansehenliche unnd solche Person, welche so wol bey S. L. alsz den jNiderlandischen Stenden Gehür haben müge, alsz nemblich den Edlen , unnsern unnd des Reichs lieben getrewen Otthainrichen , Graven zu Schwartzenburg, Herrn zu Hohen Lanntsberg, unsern Rath und Obristen Hofmarschaick , hinabzufertigen unnd dureh denselben nit allain Seine unnsers Brueders Liebden dartzu mit auszfuerlicher Erinnerung alles dessen, so sy darunder billich zubedenckhen , bestes quot;V leys und Ernsts zuvermahnen , das S. L. weitter nit greiffen wolle als sich gebure unnd Sig gegen dein durchleuchtigsten unnserrn freundtlichen lieben Vettern , Schwager unnd Bruedern, dem Kunig zu Hispanien, als derselben Lande naturlichem Herrn unnd Landtsfursten, zu verantwortten getrawe. Auch anf den Fall, das S. L. sich alberait des Gubernaraents unnderfangen hette , dasselb zu wolgedachts Kunigs besten unnd sonderlichen dahin richten wolle, das die Lande in Seiner des Kunigs Liebden Gehorsam unnd Devotion , inmassen die Stende selbst sich dessen jederzeit gegen unns unnd sonst erpotten, bleiben und erhalten werden mochten, souder auch obbemelte Niderlendische Stende obnermassen zu der Gepur zu weisen unnd sonderlich zuvermahnen, dahin bedacht zu sein , wie alles widerumb in vorigen guetten Fridstandt zu bringen unnd darbey
zuerhalten.....quot; Hij heeft dadelijk zijn gezant in Spanje bevolen met
allerlei argumenten er op aan te dringen »das sy die Milde der Scharpffe vorsetzen unnd die Sachen noch main zu leidlichen unnd solchen Mitteln khommen lassen wollequot;. Ook aan Don Jan heeft de Keizer een brief gezonden , daar deze reeds in Luxemburg met troepen gereed stond, met verzoek om voorloopig nog met een formeelen aanval te wachten en bij de komst van Schwartzenburg wat in te schikken. Ook den bisschop van Luik en den hertog van Gulik heeft hij in dien geest geschreven met verzoek om te bemiddelen tusschen don Jan en de Staten.
13. 5 Dec. 1577. De keurvorst aan den Keizer, dat hij de maatregelen des Keizers uitstekend vindt maar toch den raad moet geven , dat de Keizer den Koning van Spanje moet trachten over te halen Matthias tot gouverneur te benoemen , daar anders te vreezen is, dat de Franschen hun oogen op de Nederlanden zullen slaan.
97
BIJLAGE K.
Corrospondentie van den Pmissischen gezant baron van Thulemever met zijne regeering. (Gelieimes Staatsarchiv Berlin.)
1782-1787.
1782. 22 Jan. Th. au Roi. Niettegenstaande de vertoogen van de Prinsgezinde partij blijft de Prins Brunswijk nog raadplegen, lederen morgen komt Brunswijk aan het Hof en confereert een paar uur met den Prins; 4 of 5 maal per dag brengen boden van den Prins hem pakketten. Ue conferenties tusschen den Prins en den Hertog zijn evenwel dikwijls minder aangenaam , daar de Prins zich dikwijls hardnekkig verzet tegen de meening van den Hertog, die evenwel met geduld alles van hem verdraagt.
29 Jan. Th. au Roi. Rendorp is voorloopig tevreden over de verklaring van Brunswijk omtrent de souvereiniteit van Amsterdam in zijne eigene zaken maar nieuwe moeilijkheden zullen niet uitblijven.
28 Jan. Hertzberg a Th. De gezant moet een onderhoud vragen met de Prinses en haar aanraden het hof van Versailles te menageeren , ja den Prins te bewegen zich bij Frankrijk aan te sluiten.
8 Febr. Th. au Roi. De Prinses heeft hem gezegd, dat het voor haar zeer moeilijk zal zijn de fransche partij te steunen. De Prinses zal hem voortaan ontmoeten ten huize van de barones de Danckelmann om verdenking te vermijden. De Republiek dient zich meer en meer aan te sluiten bij Frankrijk, nu de Keizer de barrière wil vernietigen en de Staten dreigt los te laten. Maar de Fransche regeering maakt de aansluiting van den Prins zelve moeielijk door het steunen der tegenpartij.
15 Febr. Th. au Roi. De Prins wordt slecht gesteund in de maatregelen , die hij neemt, zoodat bijv. de schepen, die in den slag bij Doggersbank ontredderd zijn , nog niet zijn gerepareerd. In de Staten van Holland worden voortdurend sarcasmen geuit tegen Bleiswijk.
19 Febr. Tb. au Roi. De Prins moet eenige leden der tegenpartij opnemen in zijn Raad » afin de prévenir tout soupcon quot; van de zijde van Vaughuyon. De Prins heeft dezen verteld , dat dé Marine niet sterk genoeg is om tegelijk voor de convooien en de kustverdediging te zorgen en dan nog in verre zeeën te strijden, wat Frankrijk wil.
22 Febr. Th. au Roi, Vaughuyon beklaagt zich over de omgeving des Prinsen , vooral over van Heyden en van Weideren , die alle dagen druk omgingen met den Engelschen agent Wentworth.
26 Febr. Th. au Roi. In de Staten van Holland wordt heftig gesproken tegen Bleiswijk naar aanleiding van den toestand der Marine; de Prins heeft opgemerkt. dat de raadpensionaris zich nooit met de Marine heeft ingelaten. De agitatie in de Republiek neemt toe.
7
98
1 Maart. Th. au Roi. Amsterdam treedt weder heftig op tegen Bruns-wijk ; stormachtige zittingen der Staten van Holland. l)c Prins beklaagt zich over een schotschrift tegen hem.
12 Maart. Th. au Roi. De Prins is verontwaardigd over de koele wijze , waarop het bericht omtrent het gebeurde te Namen in de Staten
van Holland is opgenomen. . -n-. i
19 April. Th. au Rui. » Le crédit du Prince d\'Oracge se faiblit (Ie plus en plusquot; , de zaken gaan meestal tegen zijn zin door. Fagel heeft Thulemeyer gewaarschuwd voor de geheime plannen der frausche partij
tegea deu stadhouder. ™
\'23 April. Th. au Roi. Toenemende agitatie tegen Brunswijk. De pamfletten fbedreigen den Prins in heftige taal.
30 April.quot; Th. au Roi. De Prins heeft Thulemeyer m audientie ontvangen ; deze heeft hem den raad van Z. M. overgebracht om zich actiever te toonen. De Prins zal handelen naar den gegeven raad.
7 Mei. Th. au Roi. De omgeving- van den Prins is veel te veel En-o-elschgezind ; de natie hoopt op den invloed der Prinses hiertegen.
10 Mei. Th. au Roi. De Prins beklaagt zich . dat de Staten van Holland al zijne ijverige bemoeiingen op diplomatiek en oorlogsgebied
verlammen. „ , , . , .
21 Mei. Th. au Roi. De brief van Friesland is een zeer merkwaardig
feit voor den stand der partijen.
24 Mei. Th. au Roi. De Prinses tracht den Prins over te halen zich van wege de gisting in het land te Amsterdam en elders te vertoon en.
28 Mei. Th. au Roi. Men heeft het plan ter vervanging van Brunswick den Prins een Conseil te geven, waarin ook de Prinses zitting zou hebben. De Prins ziet zijne gemalin naar de oogen maar toont zich toch gekwetst over de voorliefde, die men haar toont. Zij zelve houdt zich daarom voorzichtig op den achtergrond.
7 Juni. Th. au Roi. Bleiswijk spreekt reeds het gansche jaar over aftreden om gezondheidsredenen.
2 Juli. Th. au Roi. De Prins wil de vloot dit jaar sparen , daar zij nog zoo pas in orde is, en haar liever een volgend jaar krachtiger-laten optreden , zeer tegen den zin van Frankrijk.
5 Juli. Th. au Roi. Z. M. had gevraagd naar de oorzaak der verwijdering tusschen den Prins en de Prinses en wat er van aan was, dat Brunswijk nog van den Bosch uit den Prins regeerde, hir is inderdaad eene verwijdering geweest over de opvoeding van de vorstelijke kinderen , waarbij de Prinses gelijk had. De Prins is wat jaloersch op hare talenten en hare populariteit maar de Prinses is verstandig en de verwijdering zal dus wel weêr verdwijnen. De Prinses heeft bijv. op een voorstel van den Prins om haar in de zaken te raadplegen, zeer quot;•ereserveerd geantwoord, dat zij in zaken van belang alleen in zijne tegenwoordigheid zou spreken. De Amsterdammers hebben Th. gevraagd , of hij niet er op wilde influenceeren , dat de Prinses feitelijk in den raad werd opgenomen , daar dit veel verbeteren zou en bijv. de partijen in Amsterdam zou vereenigen. Hij laat zich liever met zulke
99
|);irtijvoorstellen niet in. Men klaagt op de vloot zeer over do administratie van Urunswijk.
9 Juli. Th. au Roi. Hij heeft volgens bevel van Z. M. met de Prinses en Bleiswijk gesproken over de buitenlandsche aangelegenheden.
23 Juli. Th. au Roi. De Staten van Holland hebben de nominatie van den Prins voor het baljuwschap van Woerden en van Muiden afgewezen. Algemeene klachten over \'s Prinsen onbekwaamheid ; Vaughuyon klaagt ook over zijne Anglomanie. Men beweert, dat de Prins over abdicatie denkt.
2G Juli. Th. au Roi. Gesprek met den Prins over die nominatie. Hij heeft den Prins opgewekt actiever te zijn , handig in het geheim met enkele leden der tegenpartij te onderhandelen en zijne Anglomanie te laten varen. De Prins heeft hem geantwoord , dat hij inderdaad ontevreden was op den Engelschen Koning, die niet op zijne vertoogen lette, en van plan was om den oorlog met kracht voort te zetten.
2 Aug. Th. au Roi. De Prins wordt zeer slecht geraden in zijne omgeving. Hij zal moeten toegeven aan enkele eischen der tegenpartij.
6 Aug. De patriottenpartij wordt voortdurend aangezet door la Vaughuyon , zooals de Prinses hem heeft gezegd. De Prinses wil gaarne gebruik maken van het aanbod van Z. M. om iets voor haar gemaal te doen. Zij zou haar gemaal raadplegen , wat zij Z. M. zou verzoeken in hun belang te doen, nu er blijkbaar gevaar dreigt. Th. heeft van haar vernomen, dat Rendorp aan üranje gehecht is, en vindt het daarom geraden, dat hij tot dezen Amsterdamscheu magistraatspersoon in intiemer verhouding tracht te komen om met hem te kunnen raadplegen , wat Z. M. zou moeten doen.
9 Aug. Th. au Roi. Hij heeft overeenkomstig het bevel van Z. M. Bleiswijk gepolst. Deze zegt., dat de Prins absoluut de patriottenpartij wat moet ontzien en zich voegen naar den raad der Prinses. Deze laatste heeft Th. belooft over den Prins te zullen waken.
13 Aug. Th. au Roi.- De Prins heeft hem gezegd, dat hij een Apologie van zijn gedrag zal publiceeren.
16 Aug. Th. au Roi. Th. vindt dit gevaarlijk, daar het natuurlijk kritiek zal uitlokken van de tegenpartij en niemand van zijne tegenstanders zal overtuigen.
20 Aug. Th. au Roi. Hij heeft zich op bevel van Z. M. in betrekking gesteld met de Amsterdamsche regenten, van wie alles afhangt en die ook wel geneigd zijn om toe te naderen.
23 Aug. Th. au Roi. De van Harens, vertoornd op het stadhouderlijk huis wegens de zaak van Onno Zwier, doen in Friesland al hun best om den Prins te benadeelen. De dominés werken den Prius ook tegen. Het eenige middel tot redres is: toenadering tot Amsterdam. Het heeft een goeden indruk gemaakt, dat de Prins naar Tessel is gegaan om de reden van het niet vertrekken der vloot te onderzoeken ; men geeft algemeen den vice-admiraal Hartsinck de schuld van de vertraging.
27 Aug. Th. au Roi. De vloot kan eerst over 10 of 12 dagen uitzeilen, welk uitstel het gevolg is van de twisten tusschen van Kins-
100
hergen, sl\'ame de la Marine hollandaisequot;, en Hartsinck ; Kinsbergen wil zijn ontslag nemen wegens de tegenwerking van fransche zijde. Amsterdam heeft voorgesteld de betrekkingen met Frankrijk te hernieuwen maar de Russische gezant Markof heeft met de ongenade dei-Keizerin gedreigd, als men hierin trad, welk heftig optreden evenwei door prins üalitzin wordt verloochend.
3 Sept. Th. au Roi. De Stadhouder en de Raadpensionaris hebben Th. verzocht met Amsterdam te onderhandelen over eene verzoening. Daarop heeft deze gesproken met burgemeester Temminck, een eerwaardig en eenvoudig man van grooten invloed in zijne stad. Temminck zeide , dat hij in deze rumoerige dagen dacht af te treden wegens de opgewondenheid der bevolking. Hij klaagde over de weinige bescherming des handels door de Oranjepartij , over de werkeloosheid dei-vloot en het gevaar, waaraan de O.I. C. bloot stond, zonder dat men iets voor haar deed; dit waren de oorzaken der verbittering der Am-sterdamsche kooplieden. Th. betuigde, dat de Prins van plan was om zijn gedragslijn te wijzigen, waarop Temminck hem den raad gaf zicli in betrekking te stellen met Visscher, pensionaris der stad. Th. sprak daarop met Rendorp, wiens invloed niet zoo groot was als die van Temminck. Deze zeide, dat het vertrouwen op den Prins geheel verdwenen was en zeer moeilijk weder op te wekken; het eenige middel was misschien de vermeerdering van den invloed der algemeen geachte Prinses. Th. gaf daarop verslag van dit alles aan den Prins en de .Prinses. De Prinses beloofde haar best te zullen doen, de Prins was zeer dankbaar voor de tusschenkomst van Z. M. en beloofde zich naaide aanwijzingen te zullen gedragen door toe te naderen tot Amsterdam. Th. meent, dat er drie partijen zijn : 1°. die het stadhouderschap willen vernietigen ; deze partij is zwak en kan alleen slagen bij groote ongevallen . als bijv. de gevreesde verovering der retourvloot; 2°. de stadhouderlijke ; 3°. de regentenpartij, die slechts enkele prerogatieven des Prinsen wil opheffen.
10 Sept. Brunswijk blijft in den Bosch , naar het schijnt nog den ganschen winter; de agitatie tegen hem vermindert, hoewel er nog velen zijn , die hem geheel willen verwijderen. De ijver des Prinsen blijft vruchteloos, daar men alles verkeerd opneemt, wat hij doet. De grootste stokebrand is Cornelis do Gijselaer, achterkleinzoon van Cornells de Witt, pensionaris van Dort, een erfvijand van Oranje. De bemanning der vloot wordt gecompleteerd ten koste van het leger, dat ook zeer lijdt door desertie.
13 Sept. Th. heeft met pensionaris Visscher gesproken. De bezwaren van dezen waren 1°. de werkeloosheid der vloot, terwijl de Prins meer liet oog hield op de weinig nuttige armee ; 2°. de invloed van Brunswijk, die nu evenwel minder was, nu hij in den Bosch woonde. Hij betuigde, dat Amsterdam zeer dankbaar was voor de intenties van Z. M. en volstrekt den Prins geene voorrechten wilde ontnemen.
17 Sept. De gisting is steeds groot onder het volk. Te Amsterdam heeft men Hartsinck in effigie opgehangen en verbrand. Holland wenscht
101
van den Prins rekening en verantwoording over de vloot, wat deze niet wil geven aan ééne provincie , wel aan de Staten-Generaal als admiraal-generaal der Unie. Amsterdam nadert tot den Prins.
20 Sept. Gisting te Amsterdam , vooral tegen Hartsinck. De troepen zijn machteloos, de schutterij wil hem niet beschermen. Toch heeft deze weinig schuld , daar zijne macht veel te zwak was.
24 Sept. Th. heeft aan den Prins en de Prinses gemeld, wat Z. M. hem heeft opgedragen, namelijk dat v. Goltz te Parijs de toezegging heeft ontvangen, dat Vaughuyon de verwijdering tusschen de partijen niet zal aanstoken. Th. hoopt, dat dit inderdaad zoo zal zijn , daar de anti-stadhouderlijke partij van Frankrijk afhangt. Amsterdam is goed gezind, heeft de beweging tegen Hartsinck tegengehouden en den druk der pamfletten over de Marine beperkt.
27 Sept. Vaughuyon tracht Amsterdam over te halen tot het voorstellen eener alliantie met Frankrijk; de Prins is niet voor zulk eene nauwe alliantie. Vaughuyon heeft aan het Secreet Besogne eene vereeni-ging der beide vloten te Brest voorgesteld en 10 linieschepen van de Kepubliek daarvoor gevraagd. Holland, Friesland en Overijsel stemden toe, de overige 4 provinciën wilden eerst instructie hebben van de committenten. Dit zal slecht werken, daarBrantsenburg en Randwijk , afgevaardigden van Utrecht en Gelderland , intieme vrienden van den Prins zijn en hunne aarzeling aan hem zal worden geweten. Ook Zoutman en Reynst zijn sterk tegen de expeditie, heeft Bleiswijk hem gezegd, als zullende onze vioot te zeer verzwakken. Dit werkt slecht voor den Prins, wiens door zijne opvoeding gekweekte vijandschap tegen Frankrijk zeker niet verdwenen is , zegt Bleiswijk.
I Oct. Utrecht en Gelderland hebben toegestemd maaralleen, als het kan gebeuren van 1-8 Oct., wat afhangt van wind. Toenemende ontevredenheid op den Prins over de werkeloosheid van de vloot, spotprenten en libellen talrijk. De Anglomanie van den Prins verbittert Frankrijk.
4 Oct. De Prins heeft een gesprek gehad met Vaughuyon zonder veel succes. Hij heeft den gezant te Parijs, Berkenrode , verzocht aan Vergennes mede te deelen , dat hij goed gezind is. Th. ried hem dit liever te schrijven dan te laten zeggen, maar de Prins zeide dit niet te kunnen doen, daar het hof van Versailles immers zijn titel niet erkende. Th. heeft gesproken met Huygens, afgevaardigde van Amsterdam , om die stad nog meer aan zich te verbinden.
8 Oct. De Prins heeft aan Bylandt, gezien bij de patriottenpartij, bevel gezonden om naar Brest te zeilen met de 10 linieschepen. Een jong officier in Zeeland , de Witt, is betrapt op correspondentie met iMigeland en gevat. De anti-stadhouderlijke partij wil de jurisdictie over militairen geven aan een staatsraad van burgerlijke samenstelling.
II Oct. Bleiswijk wil aftreden, wat jammer zou zijn voor den Prins. Deze rekent te sterk op de gehechtheid des volks ann Oranje en is onvoorzichtig tegenover deregenten. Th. heeft met den Prins gesproken en hem de aan v. Goltz gebleken goede gezindheid te Versailles mede-
102
gedeeld. De Prins heeft zijne dankbaarheid aan Z. M. betuig-d eu wil gaarne medewerken om de goede verstandhouding met Frankrijk te bevorderen maar Bylandt heeft niet gehoorzaamd aan zijn bevel; met eenige hoofdofficieren is hij in den Haag gekomen en heeft de verantwoordelijkheid voor zulk eene verzwakking der vloot niet op zich willen nemen. De Prins beklaagt zich overliet gebrek aan krijgstucht, dat hieruit blijkt.
15 Oct. Bleiswijk heeft hem gezegd , dat Vaughuyon in de laatste dagen een hoogen toon aanneemt wegens de zaak van Brest en klaagt over den onwil des Prinsen. De Prins zelf rekent te veel op de gehechtheid des volks en meent die vooral op de vloot te bespeuren. Tweede audientie van de commissie uit Holland onder leiding van de Gijselaer om met den Prins over de vloot te spreken.
18 Oct. Friesland heeft den Prins een brutalen brief geschreveu over de werkeloosheid der vloot. De Prins heeft eene commissie benoemd om hem voor de vloot met raad te steunen, bestaande uit Wassenaer, Reynst, Zoutman en de Admiraliteiten van Amsterdam en van de Maas.
22. Oct. De Russische leening van 6 mill, te Amsterdam mislukt waarschijnlijk, niettegenstaande het aanbod van hoogeren interest.
25 Oct. Bleiswijk heeft hem gezegd, dat hij de mislukking der zaak van Brest zeer betreurt, daar zij veel zou hebben verbeterd in de verhouding tot Frankrijk en de klachten over werkeloosheid de • vloot zou hebben tegengehouden. Bleiswijk is nooit franschgezind geweest maar meent, dat men nu, in den oorlog met Engeland , moet breken met het oude systeem van aansluiting aan die mogendheid. Het is waar, dat de Marine zeer tegen Frankrijk is en zelfs in Amsterdam regenten van dezelfde meening zijn. De Marine zelve heeft den tocht naar Brest niet gewild.
29 Oct. Gesprek met den Prins. De Prins is zeer vertoornd over de houding der Staten van Holland en hunne resolutie van 24 Oct. over de zaak van Brest, waarbij zij alle schuld verre van zich werpen. Hij vreest, dat Vaughuyon over bem zal klagen. Hij heeft aan Th. gezegd , dat hij een » malhonnête homme quot; zou zijn , als hij nu Anglo-maau was; dat bovendien Yorke en het vorige Engelsche ministerie hem zeer hadden benadeeld door gebrek aan handigheid. De Prins zon het betreuren , als Bleiswijk aftrad.
1 Nov. Gesprek met de Prinses , op bevel van Z. M., over de onvoorzichtige uitingen des Prinsen in particuliere gesprekken tegenover Frankrijk ; dat hij geheel van Engeland moet afzien , zooals ook de natie en de regenten willen; dat hij niet meer moest hooren naar Brunswijk en zich niet moest laten verlokken door het huwelijksvoorstel van den prins van Wales ten opzichte van prinses Louise. De Prinses antwoordde, dat de Prins inderdaad onvoorzichtig was geweest in de zaak van Brest; dat hij inderdaad liever Frankrijk moest ontzien ; dat Brunswijk thans weinig invloed had , naar zij meende; dat er geen quaestie was van een huwelijk van prinses Louise. Th. meent op te
103
uierkeu , dat de familie Oranje gaarne eeu huwelijk van Louise zou zien met den achterneef van Z. M.
5 Nov. De Russische leaning1 van 6 mill, en de Spaansche van 5 mill, mislukken zeer waarschijnlijk.
8 Nov. Het misverstand tusschen den Prins en Vaughuyon neemt steeds toe. Een gedeputeerde van Amsterdam heeft zich beklaagd , dat de Prins niet naderde tot Amsterdam; \'s Prinsen ;aanzien vermindert steeds.
12 Nov. De Prins heeft voorgesteld de directie der[gemeenschappelijke ondernemingen met Frankrijk te geven aan het Secreet Besogne en hem te ontlasten van de leiding der Marine. De oppositie heeft geweigerd, ten einde hem in de moeilijkheden te laten. quot;
15 Nov. Frankrijk heeft door Vaughuyon den Prins steun laten aanbieden , als hij bij zijne tegenwoordige intenties bleef; de zaak van Brest is nu op den achtergrond. De tegenpartij wil Bleiswijk een adjunct geven in van Berckel, pensionaris van Amsterdam , waarin Bleiswijk niet wil treden , hoewel men hem wijst op het voorbeeld van Oldenbarnevelt.
19 Nov. Amsterdam heeft eene deputatie benoemd om Bleiswijk tot blijven te bewegen; dit zal ook wel gebeuren, als de Gijselaer er niet in slaagt hem in de Statenvergadering de minderheid te bezorgen. Gisting overal. In de groote steden tracht de Oranjepartij het volk tot oproer te verleiden door geheime aanstokedjcn; vermomde-personen van hoogen rang nemen deel aan deze gevaarlijke pogingen , in de hoop de gebeurtenissen van 1747 te doen hernieuwen ten gunste des Prinsen.
22 Nov. Het voorstel van Friesland, verontwaardigd over de Marinezaken , om eene commissie te benoemen tot het leiden der politieke eu militaire zaken , vindt veel steun bij de regenten der tegenpartij. De Oranjepartij dringt bij den gezant aan op eene krachtige tusschen-komst van Z. M. ten behoeve van het huis Oranje. Th. stelt nu voor, dat hij met de noodige voorzichtigheid namens Z. M. onder de hand de hoofden der tegenpartij zal wijzen op de constitutie der Republiek, die zulke maatregelen als de voorgestelde verbiedt.
26 Nov. Th. heeft volgens bevel van Z. M. de Priuses gewaarschuwd niet te vertrouwen op de goede gezindheid van la Vaughuyon. Bleiswijk is herbenoemd, gesteund èn door den Prins èn door Vaughuyon. De Raadpensionaris zeilt tusschen de partijen door maar hecht toch zeer aan de stadhouderlijke macht. De hovelingen doen den Prins ge-looven , dat hij grooteu invloed heeft op het volk, wat geheel onwaar is, zooals Th. aan den Prins heeft gezegd.
29 Nov. De Russische leening is voorloopig mislukt evenals de Deen-sche van 18 mill.; ook de Fransche van 1 mill, onder waarborg van de banken van leening kan niet eens doorgaan. Misschien zal het mogelijk zijn er een te sluiten voor Frankrijk ouder garantie der Staten-Generaal, waarvoor Vaughuyon thans weder moeite doet. Het krediet van Frankrijk is zeer gedaald.
104
6 Dec. Fagel heeft hem in vertrouwen een en ander medegedeeld omtrent den stand der onderhandelingen tusschen Brantsen en Fitz-herbert over den vrede met Engeland. De steden beginnen overal in Holland te tornen aan het recht van benoeming der magistraten. De tegenpartij is zeer verontwaardigd over de houding van Frankrijk in betrekking tot de onderhandelingen met Engeland. De gunstige stemming der Friesche steden , die in tegenstelling met den adel den Prins goed gezind waren , begint te verdwijnen. Hartsinck zal zijn ontslag nemen en vervangen worden door den Amsterdammer vice-admiraal Reynst, een goed zeeman maar die nog geen slag heeft bijgewoond.
10 Dec. Op bevel van Z. M. zal hij spreken met de leiders der tegenpartij. Vooraf heeft hij de Prinses aanbevolen om haar gemaal te overtuigen van de noodzakelijkheid van toenadering tot de tegenpartij in overleg met Bleiswijk. De Oranjepartij is zeer onhandig geweest door het uitlokken der Oranje-demonstraties in den Haag; in de Staten heeft de Gijselaer de Oranjekleur zelfs in tegenwoordigheid van den Prins de kleur van het oproer genoemd, toen de Prins zijne maatregelen tot herstel der orde verdedigde. De Prins heeft op een maaltijd eenige dagen geleden de gezondheid van Brunswijk gedronken ! De Prinses is daarentegen zeer verstandig en heeft Th. gelegenheid gegeven den Prins te ontmoeten; bij dat gesprek heeft Th. den Prins nogmaals gewezen op de noodzakelijkheid om de tegenpartij te ontzien en geen Anglomanie te toonen , waarop de Prins met de gewone betuigingen van dankbaarheid en belofte van beterschap heeft geantwoord. . 13 Dec. Tb. heeft gesproken met Rendorp, zeer bevredigend. Deze is zeer gehecht aan de Prinses. In overleg met Rendorp en Bleiswijk heeft hij verder gesproken met de voornaamste gedeputeerden en vleit zich met succes. Alleen van Berckel is zeer onbeschoft geweest.
17 Dec. De gedeputeerden van Amsterdam hebben zich geërgerd over de houding van van Berckel. Een ander gedeputeerde ter Staten-Ge-neraal heeft Th. verzocht toch vooral met de magistraten zijner stad te spreken, daar de Prins nog vele vrienden had , die echter bij de heerschende opwinding op den achtergrond bleven. De openingen aan den eersten gedeputeerde van Gelderland hebben ook in dat gewest goed gewerkt, zoodat de Prinsenpartij daar den toeleg heeft belet om het reglement van 1750 omver te werpen. In Utrecht en Overijsel is zoodoende hetzelfde plan ook mislukt. In Friesland verliest de Prins terrein , maar de fransche partij is daar nog klein en met handigheid te overwinnen. De Raadpensionaris leidt de zaak van de Haagsche bewegingen zeer handig, evenals die van Brest. De volksbewegingen ten gunste van den Prins in Rotterdam en Amsterdam houden aan.
20 Dec. In de Z.-Nederlanden begint men zich ten oorlog toe te rusten. Het protest der Pruis, regeering naar aanleiding van het libel tegen de Prinses is goed ontvangen en men heeft er naar gehandeld. De onderhandelingen met de hoofden der tegenpartij zijn door Th. voortgezet en geven goede hoop; de groote meerderheid wil de prerogatieven des Prinsen uict inkorten. Haarlem alleen is het eens met van
105
Berckel. De Prins heeft overal nog vele vrienden en zal met gematigdheid en handigheid nog veel van zijn invloed kunnen herwinnen.
31 Dec. Het vuur gloeit nog door onder de asch , wat blijkt uit de overal aangeplakte brieven, behelzende bedreigingen tegen de patriottenpartij , waarop eenige leden der Staten hebben voorgesteld om den Prins het commando over de garde te ontnemen en die onder de Staten van Holland te plaatsen voor hunne veiligheid. De gezant maakt zijne verontschuldigingen , dat hij op aandringen der Prinses een paar regels ten gunste van den Prins van Oranje heeft opgenomen in de memorie aan de Staten van Holland van den 17den ; hij heeft lang weerstand geboden aan den aandrang der Prinses maar eindelijk toegegeven en hoopt, dat Z. M., die hem zijn ongenoegen hierover heeft te kennen gegeven , hem dit eigenmachtig handelen zal vergeven. De Hnadpen-sionaris is ziek; de patriottenpartij wil de Gijselaer of Sieberg, pensionaris van Haarlem , naast hem stellen , terwijl de Oranjepartij den secretaris van den Raad van State, van Hees, wenscht; deze laatste is verkeerd wegens zijne bekende Anglomanie. De dood van Bleiswijk zou eene ramp zijn, daar hij gt; absolument indépendantquot; is , evenmin fransch- als engelschgezind en het Stadhouderschap als onmisbaar beschouwt. Hem ontbreekt misschien » fermetéquot; maar hij heeft dan ook een moeilijk standpunt tusschen de partijen in.
1783. 3 Jan. De Keizer is zeer gehaat in de Oostenrijksche Nederlanden ; det zal misschien iets wegen in de kwestiën met hem. De plannen om den Prir.s het bevel over de garde te ontnemen worden nu onschuldiger voorgesteld als een aanloop om de Staten van Holland beter te doen beschermen tegen het volk.
10 Jan De Prins heeft hem gezegd, dat de Staten van Friesland ernstig plan hebben het Stadhouderschap te vernietigen ; de patriottenpartij wil nog een slag slaan gedurende den oorlog en nu den Prins tot een soort van Doge rnaken ; zij vreest voor een kalmer toestand in vredestijd. Bérenger, chargé d\'affaires van Frankrijk, stookt volgens Bleiswijk de patriotten op en heeft dezen persoonlijk gekwetst.
13 Jan. Brief van Frederik II aan de Staten van Holland, ter versterking der memorie van Thulemeyer van denzelfden datum aan de Staten-Generaal.
() Jan. Th.au Hoi. Bérenger heeft de regenten der tegenpartij opgestookt niet naar Thulemeyer te luisteren. De Gijselaer en van Berckel willen den Prins het bevel werkelijk ontnemen. Hierbij gaat een verzoek van Prins en Prinses van Oranje, dat Z. M. iets voor hen zal doen.
14 Jan. Z. M. heeft volkomen gelijk, dat de geheelc verwijdering van Brunswijk inderdaad goed zou zijn voor het huis van Oranje, maar dit zal niets geven , als men het werkelijk op den Prins heeft gemunt. De invloed van Brunswijk is op het oogenblik klein bij den afstand van den Haag en do noodzakelijkheid voor den Prins om dadelijk te beslissen in de meeste /, iken. De patriotten partij wil de prerogatieven des Prinsen vernietigen eu hem alleen de traktementen laten. De Prins heeft aan Bleiswijk over de vredesonderhandelingen geschreven
406
in krachtige termen tegeu Eügelaml, dat men niet moet toegeven aan Engelands eischen ; in denzelfden geest laat hij zich ook tegen anderen uit. Hij heeft zich bij Th. beklaagd over Vaughuyon en diens intrigues tegen hem en hoopt, dat Z. M. te Versailles iets daaraan zal kunnen doen en het Hof daar gunstiger zal kunnen stemmen ; nu is het hem niet mogelijk , iets naar den zin van Frankrijk te doen.
20 Jan. Het antwoord der Staten van Holland aan Z. M. is opgesteld door bet Hof van Holland en geredigeerd door de Gijselaer; Bleiswijk wilde dit niet doen. De Prius heeft van Heyden Reinestein naar Parijs gezonden met een brief voor den Koning en een voor Ver-gennes ; hij heeft dit ook aan Vaughuyon gezegd. Ook deze is naar Parijs, maar heeft eerst de Gijselaer te Dort bezocht. De brief der Staten van Holland was overgebracht door een bijzonder koerier, omdat zij den gezant van Rheede niet vertrouwden.
24 Jan. Vaughuyon heeft de keuze van van Heyden afgekeurd wegens diens Anglomanie; maar na het vertrek van van der Borch is er geen ander geschikt persoon aan het Hof des Prinsen. Hij heeft aan Th. gezegd, dat de Prins de schuld droeg van de gisting in Holland. Vaughuyon is een persoonlijke vijand des Prinsen. De Raadpensionaris beklaagde zich bij Th., dat de Prins soms maatregelen nam zonder hem te raadplegen ; Th. heeft hierover de Prinses onderhouden , die het ontkent.
28 Jan. De Gijselaer en de zijnen beweren, dat zij de prerogatieven onaangetast hebben willen laten, maar hij heeft 9 Dec., gesteund door Amsterdam , voorgesteld den Prins het bevel over de garde te ontnemen : %an Berckel heeft zelfs in de havens gedeputeerden willen benoemen om den admiraal-generaal te vervangen. La Vaughuyon en de patriottenpartij doen het voorkomen, dat de Prins de schuld is van den afzonderlijken vrede van Frankrijk, wegéns de zaak van Brest. De Friesche landdag in Febr. zal handelen over het voorstel om den Prins de nominatie voor civiele en militaire ambten te ontnemen ; daar zijn enkele voorname leiders der beweging. Hierbij extracten uit de couranten , die ongepaste artikelen bevatten over den brief van Z. M., die bij de welgezinden een goeden indruk heeft gemaakt.
28 Jan. Hertzberg en Finckenstein , ministers, au Roi. Er moet in den Courier du Bas-Rhin een artikeltje worden geplaatst tegen de ongepaste opmerkingen der patriottische couranten.
31 Jan. Th. au Roi. Van Heyden is slecht ontvangen door Vergen-nes , daar men hem heeft voorgesteld als den grooten leider der Engelsche partij , den raadgever des Prinsen in dezen oorlog en den bewerker der beweging van 6 Dec. in den Haag.
4 Febr. De brief van Z. M. heeft de Staten van Holland blijkbaar veel kalmer gestemd.
Id. Th. a Heitzberg. Vaughuyon is onvertrouwbaar. De Prins heeft wel fouten begaan, maar te Versailles heeft men Frederik H bedrogen en doet zijn best om den Prins te benadeelen.
7 Febr. Th. au Roi. De zaken staan goed voor den Prins na den
107
brief van Z. M. Als de Prins uu maar handig is. Te Amsterdam ziju bij de vernieuwing der magistraten nu gematigden gekozen. De Prins heeft verkeerd gedaan met zich in den brief aan den Koning van Frankrijk » Prince d\'Orange quot; te teekenen en niet ^Guillaumequot; , zooals Th. hem had geraden; een ijverig Oranjeman had den Prins in dezen weder verkeerd geraden. De brief is niet eens aangenomen. In Friesland is groote twist, zopdat de Prins hier nu zeer geschikt tusschenbeide kan komen, wat uitstekend zou zijn.
11 Fehr. Thulemeyer aan Luzac , dat hij zich heeft te matigen in zijne uitdrukkingen over Z. M. Luzac schrijft terug, clat de halfofficieele Courier du Bas-Rbin veel verder gaat tegenover de Staten van Holland.
Id. De ministers te Berlijn a Th. Het beste redmiddel zou zijn, dat Engeland Negapatnam teruggaf »par une négociation avec le Piiuce d\'Orangequot;.
Id. Th. au Roi. Vaughuyon heeft zich bij deu Raadpensionaris beklaagd over de comedie van min allooi, die in den Haag is opgevoerd onder goedkeuring des Prinsen en beleedigend is voor Frankrijk. De Prins heeft op verlangen van Thulemeyer den schrijver doorgehaald en Th. heeft het stuk aan von Goltz gezonden om dezen te doen zien , hoe min het was.
14 Febr. De Prins heeft eene vergadering der 0. 1. C. zeer goe l gepresideerd ; als hij maar wat meer zelfvertrouwen heeft » il déploye-ra peut-être dans la suite une capacité , qu\'on n\'est guères clisposé ii lui attribuer.quot; Van Heyden is wel een Anglomaan maar haat den hertog van Brunswijk en had soms evenveel invloed op deu Prins als deze. De brief van Z. M. heeft goed gewerkt op de patriottenpartij.
18 Febr. De Prins heeft zeer nederig geantwoord op de berisping van Z. M. wegens zijne houding in de zaak der comedie. De Prinses heeft te zijner rechtvaardiging een brief aan Z. M. geschreven.
25 Febr. Th. had gehoopt, dat de zending van van Heyden eene briefwisseling tusschen Vergennes en den Prins zou ten gevolge hebben, waardoor de vijandige inlichtingen van Vaughuyon zouden zijn opgewogen. Van Heyden roemt zeer den steun van von Goltz te Parijs.
28 Febr. Verzet van Alkmaar, waarschijnlijk het eerste van eene reeks van plannen tegen den invloed des Prinsen op de stedelijke regeeringen, uitgaande van Vaughuyon. De Prins moet daarom zeer voorzichtig zijn in deze zaak; hij heeft voorloopig zeer goed gedaan met in het algemeen te antwoorden , dat deze quaestie de privileges zijner voorvaderen raakt en dus van veel belang is. Bleiswijk zal zien , wat er gedaan moet worden in dit geval.
4 Maart. In de onderhandelingen met Engeland houdt de Prins zich zeer goed bij de moeilijke positie, waarin hij verkeert: hij laat zich met die zaken weinig in. Het verzet van Alkmaar vindt steun bij de Amsterdamsche regeering. Te Arnhem dreigt een burgerkrijg, zoodat de Prins er troepen heen zendt. De zending van van Heyden naar Parijs is vruchteloos geweest, alleen » vains complimentsquot; en geen schijn van onmiddellijke correspondentie, het doel des Prinsen. Vaughuyon
108
heeft dan ook zijne vrienden hier gerustgesteld; van Heyden heeft Vergennes alleen gesproken in tegenwoordigheid der gewone gezanten , Brantsen en Berkenrode.
7 Maart. Een invloedrijk gedeputeerde , behoorende tot de tegenpartij, heeft Th. gezegd, dat men onder zijne partij de Prinses zeer hoog stelde ; dat de Prins liever naar haar dan naar anderen moet luisteren ; dat hij » condescendance quot; moet toonen tegenover de Regenten. Dezelfde (Rendorp ?) zeide hem ook , dat de patriottenpartij vertoornd was over Frankrijk\'s houding in de vredesonderhandelingen.
11 Maart. Op leger en vloot kan de Prins rekenen (maar het is te hopen , dat hij ze niet zal behoeven), zooals blijkt uit het adres, hem 8 Maart, op zijn verjaardag, overgereikt door luit-adm. van Wassenaer. Th. vleit zich , dat de Prins zal toegeven op het punt der prerogatieven.
14 Maart. De libellen worden al te brutaal; nu wil er een zelfs den Prins oj) het schavot brengen! Dit libel heeft den Prins zeer getroffen. Men wil hein door eene deputatie uit de Staten van Holland vragen , waarom hij de hulp van Z. M. heeft ingeroepen; de Prins is met een behoorlijk antwoord gereed.
18 Maart. Bleiswijk; zegt hem , dat hij ieder oogenblik een koerier wacht met het Engelsche ultimatum omtrent Negapatnam. Z.M. heeft gevraagd naar de positie van den Prins. Vaughuyon werkt hem tegen uit persoonlijken haat en bevordert de opwinding, die onrustbarend wordt overal. De Prinsgezinden zijn onhandig en hunne partij neemt steeds af. Het vroegere middel om magistraten te winnen , het uitdeelen van ambten en onderscheidingen , geeft niet meer, nu de zaken zoo staan. Vooral aanvallen op de electie der magistraten volgens de reglementen van 1748. Zelfs Bleiswijk wankelt in dit opzicht en is niet meer zoo ijverig voor den Prins.
21 Maart. Het antwoord der Staten-Generaal op den brief van 17 Dec. zal zeer bevredigend luiden. Alkmaar wordt niet gesteund door Amsterdam en Dort. Th. heeft Bleiswijk trachten te winnen door complimentjes over zijn verstand, enz.
25 Maart. De meerderheid der Staten van Holland is voor een gepast antwoord op den brief van Z. M. De Gijselaer en van Berckel hebben nog doorgedreven , dat men den Prins zou vragen, loie hem reden tot klachten bij Z. M. hadden gegeven en waarom hij zich eigenlijk tot Z. M. had gewend. De Prins heeft overlegd met de Prinses , Bleiswijk on Th. en zal op het tweede niet antwoorden, op het eerste, dat hij geen oude koeien wil uit den sloot halen maar gaarne zich wil verzoenen met hen, die vrede met hem willen. De poging van Friesland om de quoten van dat gewest te verlagen zal het met Holland in twist brengen , naar Th. hoopt.
28 Maart. De leiders der tegenpartij in Gelderland en Overijsel be-hooren tot den hoogen adel. De beweging te Rotterdam en liet adres der zeemacht heeft een goeden indruk gemaakt. Het aantal Prinsgezinden is nog zeer groot en Th. hoopt veel van den vrede. Vergennes
409
heeft een gesprek met van Heyden over de zaak van Brest altijd vermeden ; wel heeft hij gezegd, dat de Anglomanie van den Prins alleszins verklaarbaar was, waarop van Heyden klaagde , dat het hof te Versailles reden gaf aan de tegenpartij om te gelooven , dat het die partij steunde. Berkenrode is geacht te Parijs , maar Brantsen moer, als een vriend der tegenpartij. De Prinses wordt er zeer hoog gesteld.
1 April. Van Heyden is een man van invloed bij den Prins en een vijand van Bleiswijk , die daardoor verbitterd wortit en van den Prins afkeerig. Vooral de handelingen van den Prins in de zaak van Brest en van de beweging van 6 Deo. zijn Bleiswijk onaangenaam geweest. De secretaris Larrey en de baron van Lijnden , eerste gedeputeerde van Gelderland , gouverneur der jonge Prinsen , zijn liet met Th. eens , dat men Bleiswijk moet ontzien. Van Heyden is de zwager van den gezant te Berlijn , van Eheede , en door zijne vrouw geparenteerd aan aanzienlijke Engelsche familiën. De fouten van den Prins zijn; 1°. zijne zwakheid tegenover de aanvallen op zijn gezag , onmiddellijk volgende op heftige uitbarstingen ; 2°. zijne hoogheid tegenover regenton , die den vrede willen; 3°. het plaatsen van geborneerde lui zonder aanzien aan het hoofd zijner partij in de provinciën. Bij de tegenpartij zijn betere krachten. Bij den Prins is alleen van Heyden een man van be-teekenis, nu van den Borch te Weenen is.
Id. Op raad van Bleiswijk heeft de Prins met Amsterdam gesproken over de zaak der militaire jurisdictie.
4 April. Van Berckel heeft de houding van den Prins in de laatste dagen zeer geapprecieerd en verklaard , dat hij gaarne den vrede wil, » pourvu que les choses fussent conduites a l\'avemr avec plusdedex-térité et d\'intelligencequot;. Maar de Prins is niet handig genoeg om in tiet geheim zich te verstaan met de voornaamste regenten. Voortdurend doen de regeeringen van Spanje, Denemarken, Rusland en Frankrijk pogingen om te Amsterdam geld te krijgen maar vooral de beide eersten hebben geen krediet meer.
8 April. Bleiswijk wil wel enkele beperkingen der stadhouderlijke macht, bijv. de voorgestelde gedeputeerden in de havens. Hij weet, dat zijn ambt afhangt van de regenten en dat zij hem er alleen in laten , omdat er geen geschikt plaatsvervanger is in dezen oorlogstijd en bij de binnenlandsche twisten ; daarom begint hij ook af te vallen van den Prins. De Russische gezant Markof wil weg, omdat zijne (lee-nings)plannen mislukken en de bemiddeling van Rusland voor den vrede is afgewezen ; de Ergelsche factie betreurt hem en geeft Bleiswijk de schuld van het laatste.
18 April. Vaughuyon gaat naar Parijs. Hij wijt zijne niet-benoeming te Londen aan de koningin , die haar gunsteling d\'Adhemar daarheen heeft doen zenden. Zijne vrienden hier wijten zijn nederlaag aan den Prins , alsof deze hem niet met plezier had zien heengaan ! Vaughuyon heeft aan Th. gezegd, dat hij zeer tevreden was over Bleiswijk, » qui marche toujours sur la même lignequot;; dat de Prins zich niet weder met Londen moest inlaten , wilde hij de gunst van Versailles behouden.
110
25 April. De zaak van Brest komt weder te berde maar de Prins is er nu gelukkig af, terwijl van By landt nu algemeen wordt beschuldigd. De financiën van Friesland zijn geheel in de war. Verder is de zaak van den Raad van oorlog aanhangig.
2 Mei. De Raad is gesupprimeerd. Het Stadhouderschap zal wel blijven bestaan , dank zij den steun van Z. M. in December, maar de Prins zal zijne hooge positie en prerogatieven verliezen , ook voor zijn Huis, totdat een zijner opvolgers, »qui joindra a la fermeté requise le talent de l\'éloquence quot;, misschien alles kan herwinnen.
,9 Mei. De onrust in Gelderland is gelukkig door Oranjegezinde leden der Staten tot bedaren gebracht. De patriottenpartij — daarvan heeft Th. nu bewijzen — wordt door\' Amsterdamsch geld en omkooping gesteund ; onlangs is een bankroetier geholpen door Amsterdamsch geld , hem op geheimzinnige wijze aangeboden.
16 Mei. Th. heeft gesproken met Rendorp, sl\'artisan de la catastrophe du Due Louis quot;, overigens Oranjegezind. Deze heeft hem gezegd: 1°. dat Engeland zeer voordeelige voorwaarden heeft aangeboden vóór de Russische bemiddeling; Rendorp heeft toen geraden de zaak mede te deelen aan Vaughuyon , die de zaak heeft doen afslaan als » insidieux et peu sincèrequot; ; 2°. de Republiek is nog rijk genoeg om twee jaar lang oorlog te voeren maar wordt slecht bestuurd en er is geen enkel man van » genie quot; aan het hoofd. Fagel is zwak. Bleiswijk is afhankelijk van de patriotten. De Prins heeft te weinig zelfvertrouwen en te weinig welsprekendheid. De Prins en de Prinses hebben Th. daarna quot;trachten over te halen om bij Z. M. op krachtiger optreden te zijnen gunste aan te dringen- De Prins erkende: «que ses successeurs doués de plus de talens que lui, regagneraient peut-ètre le terrain perdu ; il avait fait de grandes fautes et ce n\'était peut-être qu\'ó, l\'égard de la pacification avec l\'Angleterre, qu\'il pouvait s\'applaudir de sa conduitequot;. Ook Rendorp had verbaasd gestaan , dat Z. M. niet krachtiger was opgetreden.
23 Mei. Keizer Jozef wil geld leenen te Amsterdam maar er is overal gebrek aan klinkende munt op het oogenblik, waarschijnlijk ten gevolge van de groote massas, die naar Amerika en O. Indië zijn gegaan, terwijl de Spaansche zilvervloten in den oorlog wegbleven. De laatste had 20 mill, piasters aan boord en de Spaansche fondsen te Amsterdam zijn door het bericht van hare aankomst 3 pet. gerezen.
31 Mei. De kalmte tegenover den Prins keert terug , de storm schijnt te bedaren. Het is evenwel te vreezeu, dat de Republiek weer na den oorlog terug zal zinken in de » inertie , qui semble tenir si pres au fond de sa constitutionquot;.
3 Juni. Niet de graaf van Weideren maar de baron van Lijnden gaat waarschijnlijk als gezant naar Londen , tot ergernis der patriotten. De twisten zijn nog niet uit met den vrede ! In iedere zitting der Staten vau Holland wordt de Prins beleedigd. De Prinses ziet er slecht uit van al het verdriet. De Prins klaagt, dat vijf of zes pensionarissen alles drijven; dat men nu zijne Zwitsersche garde wil hervormen. Hij wil
411
nu zelf weder optreden in de Staten, maar dat iszeer gevaarlijk , daar liij niet praten kan tegen zijne tegenstanders. Do werking van den stap van Z. M. is geheel verzwakt.
6 Juni. Bleiswijk heeft geweigerd op verzoek van Fagel in de Staten voor den Prins op te treden. Te Rotterdam en te Leiden is bij bezoeken des Prinsen gebleken , dat de natie nog aan hem gehecht is; ook te Amsterdam zou dit blijken maar de Prins durft er niet heen , daar Brunswijk hem in der tijd bang gemaakt heeft voor een aanslag op zijn leven aldaar.
13 Juni. Bleiswijk heeft zicli aangenaam willen maken bij de tegenpartij door een voorstel om den verkoop der brevetten voor de compagnieën aan den Prins te ontnemen, maar het is verworpen tot zijne ergernis en wel.... omdat men er den Prins over wilde raadplegen !
17 Juni. De O. I. C. heeft gerapporteerd , dat zij 11 mill, schade heeft gehad bij den oorlog; de handelsomzet der O. 1. C. bedraagt 40 mill., de jaarlijksche suppletietroepen ongeveer 2500 man. De quaestie der brevetten en van den verkoop der compagnieë i , waarbij inderdaad vele misbruiken zijn , zullen waarschijnlijk in overleg met den Prins in de Staten van Holland worden behandeld , wat een teeken van toenadering kan zijn en de gematigden van beide partijen bijeen kan brengen. Vaughuyon evenwel werkt dit tegen door zijne intrigues ; zijne agenten zijn vol lof over de Gijselaer en van Berckel en hunne vrienden. Weldra zal men nu aanvallen op het recht van patenten , door den Prins uitgeoefend; deze is bang voor vaste garnizoenen , die daardoor verbonden zullen worden aan de stedelijke regeeringen. Z. M. schijnt krachtiger voor den Prins te willen optreden blijkens de depêche van 10 Juni maar Th. is er tegen, daar het nu misschien zou schaden. Z. M. moet de Oranjepartij steunen tegenover de woelingen, van uit Versailles aangestookt, maar niets meer doen. De Oranjepartij heeft geen leiders, ofschoon een groot deel der natie nog tot haar behoort. Bleiswijk is nu geheel afhankelijk van de tegenpartij en lieeft reeds 14 dagen lang niet met den Prins geconfereerd , ofschoon hij hiertoe eigenlijk verplicht is.
20 Juni. Ook de Prinses is van meening, dat de vrede de rust zal doen terugkeeren. Toch is dit voorloopig nog niet het geval, terwijl men nu weder spreekt over eene gedeeltelijke afdanking van liet leger. De Prinsenpartij steekt overal het hoofd op , vooral in de steden nabij den Haag. Ook Rendorp heeft dat opgemerkt tegenover Th. Hij heeft Th. ook gezegd, dat de Prins te veel onbeteekenende gunstelingen in de ambten heeft gebracht. Onze natie, zeide Rendorp, moet geregeerd worden door een klein getal menschen van aanzien , populair en talentvol. Op de vloot bij Texel heerscht een oproerige geest, zoodat de admiraliteit van Amsterdam vele equipages, o. a. die van Kinsbergen, heeft ontslagen.
24 Juni. Door de hoofden der oppositie wordt een aanval op de vreemde officieren , den verkoop der compagnieën, de uitreiking van brevetten boven de effectieve kaders, enz. voorbereid.
142
\'27 Juni. Het uitblijven der zilvervloten doet aan klinkende munt jaarlijks 00 sï 80 mill, piasters te kort komen. De schaarsehte van geld houdt aan. De Russische leening gaat zeer slecht vooruit.
I Juli. Bleiswijk toont weer wat toenadering tot den Prins maar is toch zeer voorzichtig hiermede uit vrees voor zijne positie. De Ooster-sche oorlog, die dreigt, trekt bier uit een handelsbelang zeer de attentie. Vaughuyon heeft er met Th. over gesproken.
8 Juli. De Russische Keizerin heeft Kiusbergen aangeboden op zeer voordeelige voorwaarden in haar dienst te treden. Het is te hopen, dat hij blijft in weerwil van de hatelijkheden , waaraan hij bloot staat. Vele officieren zijn hem reeds voorgegaan benevens 1200 ontslagen matrozen der Tesselsche vloot. Van wege de Ocstersche verwikkelingen zullen eenige schepen als convooi bij de handelsvloten worden toegestaan. Generaal Dumoulin heeft het aanbod der Keizerin nog niet aangenomen ; wel de genie-officier van Suchtelen , die zeer bekwaam is. De genie-officier Hottinger wordt door Savoys aangezocht. Dumoulin zal het liefst in Russische dienst willen treden.
II Juli. De Russische chargé d\'affaires heeft een artikel over de Oostersche kwestie geplaatst onder de rubriek Riga in de Gazette de la Haye en die van Leiden. Engeland heeft weinig belang bij den Levanthandel, veel minder dan Frankrijk en de Republiek.
15 Juli. Th. heeft Dumoulin gepolst. Hij klaagt over de weinige achting, die men hier toont voor de genie , maar begunstigt niet het overgaan in Oostenrijkschen of Russischen dienst.
■ 22 Juli. De Raadpensionaris heeft hem gezegd, dat enkele Regenten nu de oude verhouding tot Engeland willen herstellen maar weinig steun vinden.
üö Juli. In Holland komen jaarlijks 12 mill, gulden als interest van Engelsche schuldbrieven aan Hollandsche kapitalisten ; de handel op Holland is tijdens den oorlog opgehouden en nog niet van veel be-teekenis. Het geld wordt zoo schaarsch in Engeland. De handel van Amerika op de Republiek neemt toe maar blijft nog ver beneden den handel der Hollanders. De concurrentie doet de Amerikaunsche waren hier dalen in prijs. Enkele Amsterdamsche huizen zijn niet ter goeder trouw.
29 Juli. De leeningen te Amsterdam gelukken nog maar niet wegens de schaarschte van geld; van de Russische 6 mill, zijn nog maar 2 mill, bijeengeschraapt, terwijl de Keizerin 5 a 7 pet. provisie geeft aan de bankiers en de uitgifteprijs 98 pet. is; de Keizerin krijgt zoo 93 of 92 pet. in handen. Het is uitgekomen , dat baron van der Capellen , kommandant der garde, samenspant met de patriotten. De Prins heeft hem het Hof ontzegd maar hij blijft toch in den Haag en zelfs kommandant der garde, waaraan de Prius niets kan doen. De Prinses had dan ook wijselijk geraden niet zoo vér te gaan , daar de vrouw van van der Capellen geallieerd was aan twee machtige familiën.
1 Aug. Behalve van Lijnden, een verkwister, en van Weideren, gesteund door den Prius, wil ook Brantsen naar Engeland als gezant
113
en heeft veel kans, nu de Prins ziet, dat Weideren niet slagun zal, en hij zich niet meer wil bemoeien met de zaak.
5 Auquot;-. Bleiswijk klaagt over de Anglouianen , die door iiuune onvoorzichtigheid liet vredewerk belemmeren ; hij prijst Brautsen zeer. De patriottenpartij is zeer roijaal met het geld van den Staat ten opzichte van de gezanten , die tot haar behooren , o. a. den onbekwamen Wassenaer te Petersburg, die daar gehaat is eu 80 000 gulden jaarlijks krijgt.
15 Aug. Gisting nog altijd iu sommige gewesten, nu echter tegen deregenten, o. a. te Arnhem. Bleiswijk is ziek ; als zijn plaatsvervanger is de eerste gedeputeerde der Edelen aangewezen met maar ééne stem meerderheid tegenover de Gijselaer. Amsterdam heeft eindelijk iets gedaan tegen de libellenschrijvers door er een paar te straffen.
19 Aug. »\\\'oila une paix digne de la guerre, dans laquelle un parti violent et la conduite mal-adroite du Chev. Yorke, autant que la hauteur du Lord Stermont, ont entrainé la République.quot; Capellen houdt vol en heeft den Prins gezegd, dat de hertog van Brunswijk hem heeft willen overhalen om de allerintiemste geheimen van het Hof mede te deelen. Waarschijnlijk zal hij vervangen worden door van Stockum eu een gewoon regument in de plaats krijgen. Overal oefent de magistraat de schutterijen om het volk in toom te houden en de Prins blijft passief: hij heeft Th. gezegd, dat het roeien tegen den stroom de oorzaak was van zijn ongeluk. De Prins wordt altijd meer impopulair, maar men zal hem zijne voorrechten wel laten, en,»si un homme de génie, dont Papparition , je 1\'avoue, ne me paroit pas fort prochaine, vu le petit nombre de gens a talent qui existent en Hol-lande , était mis a la tète des affaires en qualité de conseiller du chef de la Républiquezou het licht vallen het verloren terrein te herwinnen. De Prinses is ziek van verdriet.
22 Aug. Men spreekt er over om de bevolking ten platten lande te wapenen, gelijk in Zwitserland, wat absurd is in een mercantielen staat, waar de bewoners zoo hokvast en huiselijk zijn.
2(3 Aug. Het is te hopen , dat de Prins iu de onderhandelingen met Engeland zijn Anglomanie wat weet te bedekken, » fruit de son éducation et des menées odieuses des ministres de France quot;.
29 Aug. De Edelen hebben in de Staten van Holland aangedrongen op verlegging der onderhandelingen naar Londen maar de gedeputeerden van Amsterdam , altijd verknocht aan het hof te Versailles, hebben eene kleine stad met de gewone middelen overgehaald om met hen te stemmen en zoo de meerderheid gekregen. Th. heeft den Prins onderhouden over de onvoorzichtige houding der Edelen tegenover Versailles in deze zaak. De Prins heeft zich verontschuldigd met de gezindheid der meerderheid van de Edelen , waartegen hij machteloos was. Hij was evenwel blijde, dat de uitslagtegengeloopen was, want het aanbod van Negapatnam in ruil voor het herstel des Prinsen zou hem zeer in ongelegenheid hebben gebracht. De Prins zeide ook , dat de tusschenkomst van Z. M. in Januari een veelomvattend plan der
8
114
tegenpartij tegen hem had verijdeld. Hij erkende, dat de gisting in Holland was afgenomen , maar in de overige provinciën nog voortduurde , aangestookt door leden der Regeering. De vrede zal veel meer rust ook hierin ten gevolge hebben.
2 Sept. De Staten van Holland hebben na de teekening van het verdrag gezegd, dat de inwendige twisten nu ook moeten ophouden. » J\'aime a me flatter, que cette declaration au lieu d\'etre un vain compliment , sera un bon augure pour les intéréts du Prince.quot; Maar zeker is dit nog niet en de Prins moet zeer voorzichtig zijn in zijne houding tegenover den nieuwen Engelschen gezant.
5 Sept. Frankrijk wil 100 mill, livres leenen in de Hollandsche steden onder garantie der Staten-Generaal, maar men zal hierin wel niet treden. De fransche fondsen dalen steeds evenals de Engelsche reeds zeer zijn gedaald. De patriotten geven den Prins de schuld van den nadeeligen vrede.
9 Sept. Men spreekt van eene reis der Prinses naar Soestdijk om geheel te herstellen , maar zij durft den Prins niet alleen laten in deze omstandigheden.
12 Sept. Vergennes geeft de schuld van den vrede aan de onhandigheid en langzaamheid der Hollanders. Bleiswijk roemt Brantsen daarentegen zeer.
15 Sept. Engelands financieele tóestand is ellendig en de Engelsche macht staat op den rand van den afgrond. Graaf Shelburne is in den Haag overal rondgeleid door van Weideren en diens Engelsche vrouw. Hij is gisteren in de receptiezaal op het huis ten Bosch door Prins en Prinses ontvangen. Prinses Louise was niet bij die receptie.
19 Sept. De ontvangst van Shelburne heeft niet veel beteekend. Deze. heeft ook met Bérenger, Bleiswijk , Fagel en Rendorp gesproken over de aanleiding tot den oorlog en de Engelsche politiek van die dagen sterk afgekeurd. De Prins is weêr bang voor een nieuwen aanval op zijn gezag en vreest een burgeroorlog als het einde van al de gisting. Th. ziet de zaken niet zoo donker in , al domineert nu de patriottenpartij. Bleiswijk heeft in de Staten van Holland met warmte voor het gezag van den Prins gesproken tegenover het voorstel van de Gijselaer om dezen de benoeming der admiralen te ontnemen.
23 Sept. Het adres in Friesland heeft de gisting weder doen toenemen. De Prins heeft kalm en waardig geantwoord en Th. heeft hem aangeraden toch vooral voorzichtig te zijn. Overal worden vrijkorpsen opgericht.
26 Sept. De Prins gaat den goeden weg op en luistert meer en meer naar de Prinses. De raadgevingen van den onvoorzichtigen Anglomaan en de Regeering der Vereenigde Provinciën worden niet meer zoo gevolgd.
30 Sept. Van Lijnden is de gewilde gezant te Londen van de patriottenpartij. De Prins moet hein steunen , a.1 heeft hij met Brunswijk lang overhoop gelegen. Hij is wTel ongeschikt door zijne bandeloosheid , die indertijd door hem als gezant te Stockholm zoo is getoond , maar de Prins kan hem niet te veel ontzien. Harris doet pogingen om Prinses
115
Louise voor den Prins van Wales ten huwelijk te verkrijgen , wat in Engeland Koning en natie aangenaam is; de Prins en de Prinses hadden liever een Pruisisch huwelijk, maar zullen wel toegeven , als de kans hierop niet verbetert.
3 Oct. Bérenger wijst de Regenten zijner partij op de gevaren voor hun handel bij den oorlog van Jozef tegen de Porte. De verschillende leeningen gaan te Amsterdam niet zeer vlot. De Engelsche fondsen dalen sterk wegens de flnancieele moeilijkheden aldaar. De beurs is wantrouwend. De Prins van Nassau-Weilburg klaagt over de heer-schende anarchie en over de opheffing van den Raad van Oorlog, die ook hem aan de civiele jurisdictie onderwerpt; hij was volgens Bleis-wijk altijd de man der regenten, als veldmaarschalk in spe tegenover Brunswijk. Volgens Fagel willen de patriotten nu trachten de prins-gezinden uit alle ambten te weren. De Republiek gaat door die verdeeldheden haren ondergang te gemoet. De Prins steunt, ook volgens Fagel, zijne aanhangers niet krachtig genoeg. De Staten van Friesland zijn ontevreden op den Prins, wapenen de schutterijen en willen ook hst landvolk wapenen; eene commissie is daar benoemd om de prerogatieven van den stadhouder te onderzoeken.
7 Oct. De Prins steunt in Zeeland van Weideren voor de ambassade te Londen ; de patriotten willen van Lijnden; de gematigden Brantsen. Van Lijnden zal het wel winnen. De resolutiën der Staten van Holland over de brevetten en compagnieën , buiten den Prins om genomen , zijn kwetsend voor hem. Het beste is , dat de Prins passief blijft, tot dat de Regenten onderling twist krijgen; de schutterijen , nu gewapend , zullen spoedig invloed eischen op het stedelijk bestuur , anarchie zal ontstaan en dan is de Prins de eenige, die de orde kan herstellen, als volgens de constitutie de aangewezen bemiddelaar tusschen de partijen.
10 Oct. Gesprek van Th. met Prins en Prinses. De Prins klaagt over de houding van Friesland, Utrecht en Overijssel en vreest zelfs voor zijn leven. Th. stelt hem gerust met de verklaring, dat hij de zaken te donker inziet en dat hij moet naderen tot de bevolking, nu misleid door Regenten en predikanten. De Katholieken, Doopsgezinden en Remonstranten doen met geld en anderszins allerlei pogingen om burgerrechten te verkrijgen. De kansels worden tegen den Prins gebruikt. Men ziet hetzelfde ongeveer als in 1747, maar nu tegen den Prins. Gevaarlijk is vooral de Amsterdamsche\' club, maar zelfs deze denkt er niet aan den Prins weg te jagen , alleen hem in zijne macht te beperken. Er is nu sprake van eene Oranjegezinde vereeniging onder de Regenten. De patriotten trachten door vaste garnizoenen het leger aan de stedelijke regeeringen te verbinden en wroeten in de onmiddellijke omgeving des Prinsen om ook daar verraad te kweeken. De Prins wil niet door eene bevordering der Engelsche huwelijksplannen nog meer verbittering wekken.
10 Oct. Cérisieris »écrivain aux gages de la Cour de Versailles , dirigé par un ex-jésuite, St. Marchand, secrétaire du Due de la Vau-ghuyonquot;. Er is maar één middel om den Prins te helpen, namelijk
iiG
Frankrijk te bewegen de patriotten tot toenadering te noodzaken , vooral de Gijselaer en van Berckel.
14 Oct. Dit laatste is het eenige middel. De Prins begrijpt, dat hij zijne Anglomanie moet laten varen en wil den raad van Z. M. in alles opvolgen , zooals hij nu te Utrecht toont.
17 Oct. De Oranjepartij dringt aan op een krachtiger optreden van Pruisen, maar Th. vindt beter eene gereserveerde houding aan te nemen. Een optreden van Engeland ten gunste van den Prins zou alles bederven. De Prins heeft in het begin van den oorlóg fouten , grove fouten begaan, maar de patriotten hebben dit sterk overdreven. De dagbladschrijvers der partij vertellen overal, dat Pruisen zich tegenover Frankrijk heeft verbonden den Prins los te laten en deze mogendheid de Regenten in ieder geval zal beschermen. Het eenige middel is, Frankrijk te bewegen met Pruisen samen te werken in verzoenenden geest. De Prins is wanhopend en denkt er over zich terug te trekken , of ten minste een adjunct te vragen , wiens keus evenwel zeer lastig is.
21 Oct. De omgeving van den Prins is gedeeltelijk van Engelsche afkomst en werkt zeer voor Engeland , terwijl de haat der natie tegen Engeland groot is; Th. heeft Prins en Prinses nadrukkelijk hierop gewezen. De patriotten en Bérenger beweren , dat op den dag na den vrede de Prins het parool heeft gegeven » Negapatnam en Versailles wat volgens verklaring van officieren op hun eerewoord onwaar is.
24 Oct. Alkmaar maakt zich gereed om zelf zijn magistraat aan te stellen , welk voorbeeld elders zal worden nagevolgd\', zoodat het stadhouderschap feitelijk zal worden afgeschaft. Bérenger zet zijne regeering op tegen den Prins. Th. heeft Bleiswijk overgehaald met de Gijselaer en van Berckel te spreken over eene toenadering tot den Prins. Wilde Frankrijk dit steunen , dan was de zaak gezond. Vergennes is er de man voor.
28 Oct. Th. aan de Ministers. De positie van Th. is moeilijk. De patriottenpartij wantrouwt hem als Oranjegezind. De Oranjepartij meent, dat zijn stelsel van eene altijd gewenschte samenwerking met Frankrijk tot herstel van den vrede onmogelijk is; zij zoekt haar eenigen steun bij Engeland. De Prins zelf beweert, dat zijne eigene partij hem niet steunen zal , als ook hij niet bij Engeland steun zoekt. Wat is de quot;meening van den Prins vau Pruisen? Th. zal trachten diens wenschen zooveel mogelijk te vervullen.
Id. Th au Roi. Hij heeft op bevel van Z. M. de tegenpartij gepolst. Een magistraat gt;aussi bien éclairé que bien intentionnéquot; (van der Hoop ?) heeft met van Berckel en de Gijselaer gesproken, maar zonder vrucht, daar zij hebben geantwoord, dat Z. M. zeer vooringenomen is voor den Prins en deze allereerst zijne verkeerde raadslieden moet loslaten. Zij wisten deze evenwel niet te noemen. Feitelijk bestaan zij ook niet na het vertrek van Brunswijk. De Prinses wil nu , dat Th. het zal probeeren met eenige afgevaardigden van Amsterdam en Dort, maar hij durft dit niet doen zonder machtiging van Z. M. De club , »factieuse mais formidable par le nombre des Régents, qui la composentquot;, heeft te
117
Amsterdam cenige zittingen gehouden en begeeft zich nu te Utrecht aan den arbeid. De oprichting eener üranjecluh is mislukt. Üe Amster-damsche burgemeester Temminck heeft zich verklaard voor handhaving der stadhouderlijke macht. Enkele friesche patriotten hebben zich tut den Keizer gewend., die verklaard heeft niet voor den Prins te zullen werken , wat zij gemeend hadden, dat hij zou doen.
31 Oct. De positie van den Prins is niet fraai. Men meent zelfs, dat zijn leven gevaar loopt, als hij zich in Overijssel of in Friesland vertoont. De Keizer doet al zijn best om Maximiliaan in Munster te brengen , wat gevaarlijk is voor de Republiek wegens de zwakheid dei-grenzen in Overijsel en Drente.
4 Nov, Bérenger heeft zich in eene memorie bij de Staten-Generaal officieel beklaagd over de houding der Republiek in den laatsten oorlog , waarop Holland wil doen antwoorden , dat de marine niet werken\'kon door » certaines circonstances daarmede den Prins bedoelende. Holland dreigt, als het niet wordt gesteund, zelf een bode met dit antwoord te zullen zenden. Enkele Oranjegezinden meenen , dat de Prins zich eenigen tijd in zijne Duitsche Staten moet terugtrekken , maar dat is zeer gevaarlijk..
7 Nov. Th. heeft op bevel van Z. M. met Bérenger gesproken over de mogelijkheid eener samenwerking tot herstel van den vrede. Bérenger wees op de toenemende verbittering der Regenten en op den tegenzin der natie tegen Engeland, Do zaak van Brest schijnt meer tegen de admiralen dan tegen den Prins gericht te zijn.
11 Nov. Bérenger juicht de verzoenende pogingen van Th. toe en beweert ook, dat hij bij den Prins nu eindelijk teekenen van goeden wil ziet. De aanval der Oostenrijkers in Vlaanderen is in de Staten-Generaal opgenomen » avec une mollesse bien digne d\'un Ktat, dont la décadence serait prochainequot;, op raad van Bleiswijk nog al, die geene instructie van Holland had. Fagel heeft aangedrongen op krachtiger optreden. De Prins heeft de garnizoenen van Sluis en Lillo versterkt.
14 Nov. Bérenger heeft aan Th. zeer bevredigende openingen gedaan omtrent de gezindheid van Frankrijk, in geval de Prins maar goed wilde. Tot feitelijke samenwerking met Bérenger is het evenwel nog niet gekomen. Ook deze klaagt zeer over de slappe houding der Staten tegenover den Keizer.
18 Nov. Vergennes heeft de hertogin de la Vaughuyon onderhouden over hare uitingen tegen Prins en Prinses. De invloedrijkste persoon aan het Hof der laatsten is thans baron van Lijnden van Hemmen » Sans être doté d\'un génie supérieur, il a cependant beaucoup de capacité pour les affaires, Ie résultat d\'une longue routinequot; ; maar ook de verzoenende pogingen van dezen geven nog weinig.
21 Nov. Bérenger toont zich tot verzoening geneigd, maar van Berckel heeft nog onlangs eene conferentie met den Prins afgeslagen. De Prins is genegen om zich naar de wenschen van Frankrijk te schikken. Alles is het gevolg der pogingen van von Gultz te Versailles op bevel van Z. M. oin Vergennes te bewegen tot eene verzoenende houding.
118
28 Nov. De Zweedsche leeiiiug- van l\'/j mill, gulden te Amsterdam is volteekend door den machtigen steun van Hope. De zaak der magistraatsverkiezing is nu door den Prins in de Staten van Holland aan de orde gesteld; het is te hopen, dat Bleiswijk in dit opzicht nu zijne slappe houding van den laatsten tijd zal opgeven.
2 Dec. De Prins bedankt Z. M. voor zijne welwillende pogingen bij het Hof van Versailles, al vreest hij voor het resultaat, zoolang dat Hof zijne tegenstanders blijft steunen. 6 Dec. zal, volgens den Prins, de patriottenclub te Utrecht over de Staatsregeling beraadslagen onder bescherming der vrijkorpsen aldaar. De Prins is woedend over de lafheid tegenover Oostenrijk.
5 Dec. De toestand in Indië boezemt zorg in voor de bezittingen van Engeland en de Republiek aldaar.
9 Dec. De Oosten rij ksche gezant Reischach heeft bij verschillende leden van de Regeering aangedrongen op eene nauwere aansluiting bij Londen en Weenen. Ook hij den Prins heeft hij zeer gemarqueerd gesproken. De Prins heeft geantwoord , » qu\'il ne connaissait d\'autre intérêt que celui de l\'Ktatquot; , maar was toch eenigszins in verlegenheid gebracht. De Anglomaan Fagel had meer toenadering tot dit denkbeeld getoond. De Engelsche partij vat hierdoor weder moed. Reischach heeft Bleiswijk maar niet gepolst, daar dit nutteloos zou zijn. Bérenger houdt het oog op Reischach. Bérenger klaagt weder over den Prins en doet niet veel voor het herstel der eendracht; hij heeft tot de voornaamste patriotten gezegd , dat zijne regeering de beweging tegen den Stadhouder en zijne voorrechten ongaarne zag maar zich niet zou verzetten tegen eventueele hervormingen.
12 Dec. De schaarschte van geld heeft sedert een paar maanden opgehouden , maar de O. I. C. is in een slechte positie en er zal eene leening voor haar noodig zijn, zoodat de mogendheden weder weinig kans hebben op het slagen harer leeningen. Fagel heeft woedend geantwoord op de onbeschaamde nota des Keizers over de Vlaamsche grenzen, vooral over den brief van Belgiojoso aan Reischach hierover.
16 Dec. Op bevel van Z. M. heeft Th. den Prins gezegd, dat het zeer goed zou zijn voor diens belangen , als hij eenige intelligente en handige mannen, gematigd van gezindheid , naar de Provinciën zond om de gemoederen te kalmeeren en de herinnering aan het vroeger beminde Oranjehuis te vernieuwen , opdat het volk , eenmaal tot kalmte gebracht, afkeerig zou worden van de onrust stokende regenten. Üe Prins antwoordde, dat zijne vrienden , bevreesd geworden , niet meer durfden optreden. Hij wist zeer goed, dat hier reden voor was. De omstandigheden worden kritieker in de Republiek , in alle gewesten. Men wil do concessies van 1747 intrekken. Het ministerie heeft hem gevraagd of het recht van nominatie des Stadhouders eene bepaalde concessie of slechts een gewoonte tot grond had. Hij antwoordt hier kortclijk op , dat het eerste het geval is , hoewel niet overal op dezelfde wijze en in dezelfde mate. Vergenncs heeft bovendien de patriotten-
119
partij aangemoedigd door zijn zinspelen op » eventueele hervormingenquot;, die ook door Pruisen zouden worden toegestaan.
19 Dec. Bérenger werkt de leeningsplannen des Keizers te Amsterdam tegen , evenals de plannen van Reischach om de Republiek tot eene alliantie met den Keizer te bewegen. Hij heeft de patriotten gewaarschuwd en staat in dit laatste opzicht voor hen in ; dit heeft hij aan Th. gezegd. Eenige leden der Oranjepartij raden den Prins de alliantie met Oostenrijk niet geheel af te slaan met het oog op zijne bezittingen in het Rijk en in de Z. N. Eenige regenten van Amsterdam zien in de plannen des Keizers met Antwerpen nog zooveel gevaar niet, daar de handel toch niet daarheen zal trekken van Amsterdam, waar veel geld zit en godsdienstvrijheid heerscht. Het is onbegrijpelijk! Antwerpen toch bezit tal van rijke kooplieden en burgers en is door de nieuwe edikten des Keizers al mooi op weg* naar godsdienstvrijheid. De Prins wil nog niets van Oostenrijk weten en al werkt Harris in dien geest bij hem , de invloed der Prinses wordt steeds grooter en zal hem op den goeden weg houden.
23 Dec. De beleedigingen der Republiek op de grenzen duren voort Oranjegezinde gisting in Gelderland en Overijssel, zich uitende door pamfletten en adressen tegen de gedeputeerden ter Staten-Generaal van die gewesten. In de Staten van Holland heeft de Gijselaer zich zeer ruw uitgelaten tegen de Edelen en den Prins, die aan hun hoofd staat, bij gelegenheid van bespreking over de vredesonderhandelingen ; de Edelen wilden namelijk Frankrijk dwingen om de Republiek toe te staan een afzonderlijken vrede met Engeland te sluiten, terwijl Amsterdam hiervan wilde doen afzien.
26 Dec. Bérenger heeft met Th. gesproken en verklaard, dat hij bevel had ontvangen om den Prins en vooral de Prinses te ontzien. De laatste stelde hij zeer hoog en hij vertelde, dat hij de patriotten tot gematigdheid had opgewekt. Als de zaakgelastigde vertrouwbaar is, is dit het gevolg van het optreden van von Goltz te Versailles. De Prins en de Prinses zijn zeer verheugd over deze goede gezindheid. Reischach heeft zich geheel verbonden aan de Engelsche partij. Th. deelt R.\'s intrigues mede aan Bérenger om hem in goeden luim te houden.
30 Dec. Bérenger houdt het oog op Reischach maar hij is bevreesd de partij der Koningin te zeer te verbitteren , terwijl Vergennes hem ook geen vaste instructies geeft. In Holland begint men ongerust te worden over de plannen des Keizers en onderzoekt naar den toestand der grensvestingen. Do Angloinauen worden integendeel geheel Oos-tenrijksch. Rendorp is de raadsman van Reischach. Gelukkig heeft hij weinig invloed in Amsterdam. Hop klaagt over de behandeling van Belgiojoso en de Brusselsche regeering. De Raadpensionaris en zelfs een bekend invloedrijk Amsterdamsch koopman spreken met de grootste luchthartigheid over de kansen van Antwerpen , wijzende op lt;le zandbanken voor de Schelde, wier opruiming millioenen zou kosten en niets zou geven. Minder gerust is men tegenover \'s Keizers aanspraken op Bergen op Zoom en de barrière. Het is te hopen, dat de Prins en
120
zijne hoveliugeo geen steun zullen verleenen aan Bylandt en andere e verdachten in de kwestie van Brest! t 1784. 2 Jan. De woelingen houden aan , de pamfletten der patriotten- j a partij vernietigen de goede gezindheid des volks, al hoopt Th. dat dit t t op den duur beter zal worden. De woelingen , nu reeds twee jaren lang I g tegen den Prins gericht, zijn voorbereid reeds vóór den oorlog met Engeland. Een plechtige eed verbindt de regenten tot handhaving der ;« e constitutie maar enkele partijgangers doen hen hiervan afwijken. Amster- ^ dam is niet meer de zetel der oppositie. De oude invloedrijke regenten uit t de patricische familiën hebben hun invloed verloren; parvenus, werkende op het volk door de dagbladen , drijven den tegenstand. Men 1 \' ziet hier »menées analogues a celles qui dans les grands Empires ont | 1 conduit aux révoiutions et a leur destruction.quot; Friesland wil den Prins i
het patentrecht ontnemen ; Alkmaar de benoeming der magistraten ; Gelderland, Overijssel en Utrecht willen het in 1747 bevestigde reglement van 1674 opheffen. Uit naam van Z. M. heeft Th. de Staten-Generaal gewezen op de mogelijke gevolgen van hunne zwakheid tegenover den Keizer en dit heeft invloed ^ehad: de gemoederen worden warm.
■6 Jan. Op bevel van Z. M. heeft Th. den Prins geraden geld uitte strooien onder het mindere volk en vertrouwde personen in de steden te gebruiken om het te bewerken. De Prins antwoordde, dat dit niets gaf, zooals reeds gebleken was; dat hij van 1781 tot 1783 meer dan f 400 000 daarvoor had uitgegeven , maar niet op kon tegen Frankrijk , Amsterdam en eenige vermogende particulieren. Het mindere volk wordt in \'toom gehouden door schutterijen en vrijkorpsen. Om den Prins te kwetsen wil men hem nu de benoeming der admiralen ontnemen en door eene commissie onder Martfeld en Dumoulin de grenzen laten inspecteeren.
9 Jan. De Prins wil zich geheel naar Z. M. schikken. Een lid der Statenregeering, van de Oranjepartij, heeft met van Berckel gesproken over eene toenadering. Het is te hopen dat Bleiswijk en Bérenger in dezelfden geest willen werken. De Prins geeft door zijn gemis aan kracht dikwijls aanleiding tot het verwijt, dat hij niet rechtuit is.
21 Jan. Onaangenaamheden tusschen Portugal en de Republiek over handelszaken.
23 Jan. Z. M. wil een bekwaam genie-ofticier hebben \'i Die in du Republiek waren, zijn echter in Russischen dienst overgegaan; misschien is er een uit Frankrijk te krijgen.
27 Jan. Reischach doet alle moeite om den Prins te bewegen zich bij den Keizer aan te sluiten ; waarschijnlijk wil hij ook Brunswijk weder terug doen keeren , wat de Prins wol schijnt teweuschen. Ook Rusland werkt in dien geest mede.
30 Jan. Zelfs Groningen, de eenige trouwe provincie, begint nu te wankelen. Tegen Brunswijk ontstaat nieuwe on tevreden lieid wegens tlen_ toestand der grensvestingen.
fT Febr. De brief van den l\'rins aan Holland over de electie is flink
121
eu zal voortreffelijk werken. Keischach tracht de Oranjepartij te overtuigen , lt;lat hare redding en die der voorrechten van het Oranjehuis alleen van den Keizer te wachten zijn. Bérenger wijzigt zij tie hofding tegenover Reischach en schijnt bevel te hebben om Oostenrijk te menageeren.
10 Febr. De revolutie schijnt thans naderbij te komen. Te Wijk is een oproer geweest tegen de Oranjepartij ; ook de vrijkorpsen te Utrecht wapenen zich, zelfs met artillerie, en betrekken de wacht met de bajonet op het geweer.
17 Febr. Dumoulins plan voor de vestingen op de grenzen is dooiden tresorier-generaal op zijde gelegd , zoo het heet wegens pogingen van Frankrijk om ondergeschikten om te koopen om het aan Frankrijk mede te deelen. quot;Waarschijnlijk echter is dit de reden, dat men geen kans ziet om de 9 mill, kosten bijeen te brengen , die het plan zal vereischen , bij de groote achtf-rstallige sommen in de bijdragen der gewesten. Men wil Brunswijk door een eervol ontslag en behoud van traktement tot vertrekken bewegen. De Prins toont na Brunswijks vertrek naar den Bosch weinig plezier voor het militaire leven en komt zelden op de parade, misschien omdat de regimentscommandanten meest allen tegen hem zijn. Hij zit altijd in zijn kabinet, geeft audiëntie en leeft zeer eentonig. Zijne raadslieden zijn Fagel, van Hees, van Heyden Reinestein en van Lijnden van Hemmen ; de laatste is geheel in ongenade bij de patriotten , sedert hij op verzoek der Prinses gouverneur der j.onge Prinsen is geworden.
20 Febr. De Raadpensionaris heeft geen verstand van de buiten-landsche zaken, bezit wel talent maar is te zwak en heeft de Oranjepartij sedert eenige maanden verlaten. Hij zal wel aftreden en dan vervangen worden dooi\' Sieberg, pensionaris van Haarlem, onbekwaam maar ijverig patriot en zeer welsprekend.
22 Febr. Memorie van een onbekende uit den Haag, behelzende eene verdediging van de houding des Prinsen tegenover Frankrijk en de verklaring, dat hij zeer gaarne toenadering zou bewerken. Hierbij cene lange memorie van van Heyden aan het Pruisische ministerie over d(3 voortdurende aanvallen op den Prins en over de noodzakelijkheid om het Oranjehuis te steunen. Frederik aan zijn ministerie over de eerste memorie: » Ce mémoire est si mal concu, qu\'il mérite roforme pour être présenté ii M. de Vergennes. Les Hollandais n\'ont pas le sens commun. D\'ailleurs ils veulent nous mettre de leur alliance, ce qui ne nous convient point dans le moment présent.quot;
27 Febr. Th. au Roi. Van der Borch uit Zweden is thans in den Haag en lieott Th, een plan medegedeeld om met de patriottenpartij samen, thans geheel geleid door do pensionarissen van Amsterdam, Dort en Haarlem, de kanunniken te Keulen en Munster om te koopen ten gunste van den prins van llohenlohe eu tegen de candidatuur vau den aartshertog aldaar.
2 Maart. Het plan van van der Borch schijnt in den geest der patriotten te vallen.
122
5 Maart. In Overijssel begint het volk zich te roeren tegenover de regenten. De Prins heeft zich nedergelegd bij de commissie voor de grensvestingen maar weigert de militaire jurisdictie los te laten.
9 Maart. De Prins is zeer voldaan over de memorie ten zijnen gunste van wege Z. M., voor Vergennes bestemd; nog meer over de belofte van Z M. om bij de Staten-Generaal iets voor hem te doen. De Staten van Holland zijn 14 dagen op reces gegaan om te vermijden, dat zij den Prins volgens gewoonte op zijn verjaardag zouden moeten geluk-wenschen.
12 Maart. De Prins wil wel eenige kleine wijzigingen in den brief van Z. M. aan de Staten-Generaal gebracht zien ; die brief gaat met zijne amendementen hierbij terug, o. a. met wegneming van de gezegden omtrent den Raad van Oorlog, de nominatie der vlagofficieren en de verkiezing der magistraten.
Id. Th. h Hertzberg. Hij is zeer tevreden over de bij den brief gevoegde instructiën , als den eenigen weg aanwijzende om het Oranjehuis te redden. Men moet oppassen om niet al te bout te spreken en gematigd blijven. De minister heeft een nauwkeurigen staat gevraagd van de aanvallen op de prerogatieven des Prinsen ; in de memorie van van Hejden staat hierover genoeg maar de bepalingen op het Stadhouderschap zijn eene mengeling van wet en gewoonte.
16 Maart. Th. au Roi. Bérenger is niet zoo goed gezind tegenover den Prins als men wel zou wenschen; hij staat zeer onder den invloed der tegenpartij en laat zich door haar veel wijsmaken. Th. zal over de Keulsche zaak eene samenkomst hebben met de drie pensionarissen.
19 Maart. De Prins is niet te bewegen om vriendelijk te zijn tegen Bérenger. De Keizer vleit de Amsterdamsche regeering om haar te bewegen zich bij hem aan te sluiten. De Prins wil niets weten van eenige handeling tegenover Brunswijk , aan wien hij nog altijd gehecht is.
Id. Th. a Hertzberg. Gosse, boekhandelaar in den Haag, is reeds bekend met den brief van Z. M. Waarschijnlijk heeft Manzon , redacteur van den Courier du Bas-Rhin , die eene fransche vertaling van den brief heeft ontvangen , uit de school geklapt. Th. heeft dezen gezegd het stuk nog niet te publiceeren en voortaan voorzichtiger te zijn.
23 Maart. Th. au Roi. Van Berckel heeft gezegd , dat de Keulsche onderhandelingen buiten den Prins om moesten gaan , daar deze alles vertelde aan Brunswijk , volgens hem geheel voor Oostenrijk gewonnen. Hij wil, dat Th. het plan zal overwegen met de gedeputeerden van Amsterdam ter Statenvergadering. Th. heeft dat niet gewild, daar zulke zaken geheim moeten blijven. Hij wantrouwt van Berckel zeiven, die volgens berichten omtrent zijn karakter zeer goed in staat zou zijn om alles aan baron Reischach te verraden. Er is een twist ontstaan tusschen de Amsterdamsche pensionarissen van Berckel en Visscher en de Amsterdamsche burgemeesters, daar de pensionarissen tegen den zin van deze hebben gestemd in de zaak van Purmerend en Alkmaar. Bérenger is meer en meer bij Th. in verdenking gekomen van hem beet te nemen met zijne woorden van gematigdheid.
123
Th. aux ministres. Het is noodig, dat vou Goltz Dog eens bij Vergennes aandringt op een krachtig optreden tegen de partiotten en hunne eischen.
26 Maart. Th. au Roi. Men is te Leiden een complot tegen den Prins op het spoor, f 10 000 zijn geboden aan een man uit het volk om dit uit te voeren. \'De aanklager beschuldigt den doopsgezinden predikant van dei-Kemp als de oorzaak van dit complot door zijne oproerige predikatiën.
ld. aux Ministres. Ook de Prins begeert, dat de memorie door von Goltz aan Vergennes zal worden ter hand gesteld.
30 Maart. Th. an Roi. Men beweert, dat de doopsgezinde dame , die de f 10 00Ü aanbood, gek is; zij en de aanklager blijven vrij rond-loopen in Leiden.
2 A.pril. De brief aan de Staten-Generaal is goed opgenomen. De gedeputeerde van Groningen heeft aan Th. zijne volkomen instemming betuigd. Ook Bleiswijk is er tevreden over. De Amsterdamsche burgemeester Dedel, die het Oranjehuis niet ongenegen is, heeft met Th. gesproken en geklaagd over \'s Prinsen besluiteloosheid en inconsequentie. Dedel is bij de fransche partij als Anglomaan niet gezien ; hij is een vijand van van Berckel. Dedel zegt, dat de Prins dikwijls » pas de clerc quot; maakt en daardoor zijne eigene aanhangers verbittert, o. a. ia de kwestie der militaire jurisdictie en die van Alkmaar, waarin hij 9 maanden bleef zwijgen ; bij benoemingen enz. De Prins moet zich meer in acht nemen. Th. gaat in overleg met de Prinses voort om\'doorbesprekingen met de regenten eene verzoening voor te bereiden.
6 April. Th. heeft gesproken met de burgemeesters van Amsterdam , zooals Z. M. had bevolen. Als van Berckel, de Gijselaer en Sieberg niet door Frankrijk gesteund worden, vallen zij zeker, da.\'.r de burgemeesters het moede zijn onder hen te staan. De Prins moet handelen in overleg met enkele regenten en dan flink; tot nu toe was hij veel te zwak.
9 April. Alle regenten zeggen, dat de Prins moet beginnen met de verwijdering der Anglomanen uit zijne omgeving. Vooral de Amsterdammers willen verzoening en zijn genegen do essentieele prerogatieven te handhaven. Van Berckel heeft aan Bérenger gevraagd , wat bij doen moest, maar deze had nog geene instructies. Bérenger heeft zich bij Th. beklaagd, dat de Oranjepartij hem wantrouwde.
13 April. De Prins moet nu van de goede stemming profiteoren en in de Staten-Generaal van Holland verzoeningsvoorstellen doen of laten doen ; in de Staten-Generaal kan dit het best gebeuren door Gelderland , waar de meerderheid der regenten Oranjegezind is; Zeeland cn Groningen zullen zulk een optreden zeker steunen. Ook de Prinses is van deze meening.
Ki April. In de Staten van Zeeland is reeds een goed gemotiveerd verzoeningsvoorstel gedaan. ALs hot in Holland er door gaal , is alles in orde. Vaughuyon wordt in den Haag verwacht, en uit zijne houding zal blijken , wat Frankrijk wil.
20 April. Th. heeft aan de Prinses medegedeeld, dat Z. M. ook te
124
Londen voor den Prins zal werken. Zij is zeer dankbaar hiervoor. De Prins toont inderdaad kracht tegenover Oostenrijk in de zaak van Lillo en is woedend over Holland\'s lafheid en zwakheid tegenover den Keizer. » Le moment n\'est guères éloigné, ine dit-il, oü Je serais honteux de porter Tuniforme de l\'Etat.quot; Hij heeft aangedrongen op eene autorisatie om de grensvestingen in staat van tegenweer te brengen en deze is eindelijk gekomen. De Prins heeft Dumoulin naar de Vlaamsche grens gezonden en wil zelfs de garde laten opmarcheeren.
27 April. Vaughuyon is terug en heeft met Thulemeyer gesproken ; hij wil van den Prins nog altijd niets weten, üe Koning van Frankrijk wil zich niet met de twisten inlaten, maar de gezant zal als particulier het zijne doen tot herstel der eendracht. Hetzelfde heeft hij tot de Prinses gezegd, duidelijk op liet verschil wijzende tusschen haar en den Prins, wien hij vooral de kwestie van Brest wijt. De Prinses heeft zijne dienstbetuigingen aangenomen zonder zich van haar man te scheiden. Zij heeft den Prins bewogen aan de verschillende gewesten verzoenende brieven te schrijven. In Utrecht staan thans de zaken slecht voor den Prins.
23 April. De regeering van Amsterdam heeft aan Th. eene nota overgereikt met de plechtige verklaring, dat zij het Stadhouderschap wil handhaven en verheugd is over den stap van Z. M. Vooralquot;üedel heeft dit bewerkt. In Utrecht zijn het voornamelijk de steden , die de oppositie drijven.
ld. Th. aux ministres. Het plan van van der Borch ontmoet tegenstand bij den Prins en den Raadpensionaris, die hem niet vertrouwen , hoewel iiij uiterst bekwaam is en de zaken zeker beter zou hebben geleid dan de heer van Lansbergen, de tegenwoordige gezant te Bonn.
30 April. Th. au Roi. Van Lijnden zal, niettegenstaande het verzet der Engelsche Regeering, toch naar Londen gaan als gezant. Dedel geeft telkens blijken van goeden wil, vooral ook in de zaak van den Zeeuwschen officier, die den nieuwen eed weigerde. De patriottenpartij eischte drens straf in een brief van de Staten van Holland aan de Staten van Zeeland , maar Amsterdam heeft dit tegengehouden, zoodat de officier alleen bevel kreeg om in den Haag te komen.
4 Mei. Vaughuyon wil nog niets van den Prins hooren ; hij vroeg in een gesprok met Th. om feiten , die de veranderde gezindheid des Prinsen bewijzen ; hij wil, dat de Prins tot de patriotten zou zeggen, dat hij ongelijk gehad had en van stelsel zou veranderen ; dat de Prins verder liever naar de Prinses moest luisteren dan naar zijne gewone raadslieden. Hij beweert, dat de Koning van Frankrijk vast besloten is zich niet met de twisten in te laten. Alles bewijst, dut hij eene dubbele rol speelt. Overigens is de loop der zaken bevredigend. Gelderland heeft gehandeld, zooals zijne gedeputeerden aan Th. beloofd hadden, en bi sloten een behoorlijk gunstig antwoord op den brief van Z. M. te zenden. De bisschop van Luik is nu gestorven. Zal de aartshertog 0\')k daar bisschop worden ? De Prins heeft den Raadpensionaris aangemaand dit tegen te werken; deze heeft deu Franschen gezant
125
geraadpleegd en een dubbelzinnig antwoord ontvangen; volgons zijne mededeeling aan Th. had Vaughuyon geene instructies. De, tegenpartij verbreidt hier het gerucht, dat Z. M. door twisten met Rusland belet zal worden hier tusschenbeiden te komen.
7 Mei. Th. heeft alle moeite gedaan om den Raadpensionaris te bewegen tot flink optreden in de Luiksche zaak; maar hij durft niet tegen Oostenrijk optreden, als Frankrijk geen steun verleent. Fagel heeft Th. de exorbitante eischen des Keizers medegedeeld, zelfs voordat zij aan de Staten-Generaal zijn opengelegd. De welgezinde regenten willen hiertegenover eene of- en defensieve alliantie met Pruisen en Frankrijk stellen.
11 Mei. Hertzberg a Thulemeyer. Vergennes heeft over de woelingen op dezelfde wijze gesproken tegenover von G.dtz als Vaughuyon tegenover Thulemeyer. Het ia duidelijk, dat de Fransche Regeering de twisten wil bestendigen. De Prins moet zelf in de Statenvergaderingen optreden en krachtig werken op de afgevaardigden.
Id. Th. au Roi. De O. I. C. heeft voorgesteld met Engeland te onderhandelen over teruggave van Negapatnam. Vaughuyon wijt dit geheel aan den Prins, die de betrekkingen met Londen zou willen herstellen. Vaughuyon — dit blijkt duidelijk — wil niets doen om de eendracht te herstellen , waardoor zijn voorzichtig opgetrokken gebouw in duigen zou vallen. Th. zal trachten hem niet nog meer te verbitteren. De Prins houdt zich goed in de Oostenrijksohe kwestie en dringt quot;krachtig aan op tegenweer. De tegenstanders van Brunswijk roereu zich weder tegen dezen , dien men wantrouwt als Oostenrijker. Eene commissie is door Holland benoemd om den Prins zijne verwijdering te vragen : Bleis-wijk, van Berckel en een derde. De Prins gevcelt zich gekwetst hierdoor.
14 Mei. De Prins heeft het vertrek der garden tegen den zin der patriotten weten door te zetten ; verscheidene regimenten trekken op naar de grenzen. De Gijselaer heeft in de Staten van Holland voorgesteld een onderzoek in te stellen naar de Akte tusschen Brunswijk en den Prins; hij noemde den eerste » Ia peste de la nationquot;. Men zegt, dat Brunswijk den slag zal afwenden door een vrijwillig ontslag , maar Th. gelooft dit nog niet, daar de hertog vol schuld zit en zijn traktement niet missen kan. Vaughuyon spreekt op honigzoeten toon over deze nieuwe quaestie.
15 Mei. Ministres a Th. Hij moet den Prins bewegen allen onder zijne leiding tegenover Oostenrijk te vereenigen.
18 Mei. Th. au Roi. De burgemeesters van Amsterdam zijn voortreffelijk gezind tegenover de pogingen van van Berckel. Op Vaughuyon valt volstrekt niet te rekenen. De Prins heeft overlegging van de Akte beloofd aan de commissie uit Holland.
21 Mei. De mogelijkheid bestaat, dat eene Pruisische partij de Fransche intrigues voortaan zal neutraliseeren. Nu wordt de Prins weder beschuldigd van ontblooting der grensplaatsen. Vaughuyon heeft aan Th. zijne voldoening betuigd over de houding des Prinsen in deze zaak. Frankrijk heeft bemiddeling aangeboden.
126
quot;25 Mei. De Prins zal do Akte aan Z. M. zenden met een brief. Th. heeft hem geraden toch vooral voorzichtig\' te zijn in zijne woorden tut do commissie uit Holland, waaraan hij de Akte zal overgeven.
2.S Mei. Vaughuyou vertrekt plotseling, misschien uit vrees om zich te compromitteeren tegenover de Oosten rij ksche hofpartij te Versailles. Bérenger\'zal nog blijven tot einde herfst, wanneer de nieuwe gezant Vérac zal komen ; dan zal ook hij verdwijnen. Vaughuyon heeft den Prins betuigd, dat hij zeer voldaan was over diens toenadering tot Frankrijk en dat hij »enviait le sort de son successeurquot; ! Hij zeide nog, dat nu ook de woelingen zouden ophouden.
1 Juni. Ministres a, Th. Het is niet verstandig, dat de Prins het zoo opneemt voor den gehaten Brunswijk.
Id. Th. au Hoi. Vaughuyon is in ongenade bij het Fransche ministerie , dat verontwaardigd is over de Oostenrijksche eischen.
4 Juni. De Republiek houdt zich nog goed tegenover de brutale houding van Oostenrijk.
5 Juni. Ministres ii Th. » Je vous sais gré de m\'avoir communiqué un précis de l\'acte ... 11 me semble que eet acte ne contient rien , dont on puisse faire des reproches au Prince-Stadhouder , surtout après les conseils que les Etats-Généraux doivent avoir donné alors a ce jeune Prince , sorti de la minoritéquot;. Maar zij is slechts tijdelijk en nu moet de Prins zich losmaken van dien band.
8 Juni. Th. au Roi. De brief van den Prins ter begeleiding der Akte is wel geïnspireerd door eerlijkheid en dankbaarheid , maar hoogst onhandig, heeft ook reeds vele goedgezinden verbitterd. Zijne gewone raadslieden, zelfs zijn secretaris Larrey, hebben niets van dien brief geweten. Bleiswijk zegt aan Th., dat deze brief weder alles bedorven heeft.
15 Juni. lioi ii Th., » Quant a ce qui regarde le Prince d\'Orange, vous voyez bien avec qui nous avons a faire et qu\'étant accoutumé depuis sou enfance a se laisser diriger par le due Louis, qu\'il ne changera pas a présentquot;.
Id. Th. au Roi. Te Leiden oproer tegen de regenten en eisch om het vrijkorps te ontbinden. De Prins moet oppassen met die volksbeweging.
18 Juni. Friesland wil den Prins het patentrecht ontnemen en Holland zal dan ook niet daarin achterblijven. De Prins houdt Brunswijk nog staande , in weerwil van den algemeenen aandrang om hem te ontslaan met behoud van traktement; dit vindt de Prins eene beleedi ■ ging voor Brunswijk , die door de aanneming hiervan schuld zou bekennen. Hij zal toch moeten toegeven. De Oranjekleur is verboden in Holland.
22 Juni. De volksbewegingen en de aankomst van eene bekende Rotterdamsche vrouw in den Haag veroorzaken onrust bij de regenten ; bedienden van den Prins en twee kolonels zijn voor het Hof gedaagd wegens gesprekken met die vrouw.
25 Juni. De Regenten zijn bevreesd, nu de garnizoenen in de steden van Holland zijn verminderd om de grensplaatsen te beveiligen. De vrienden des Prinsen stoken de volksbewegingen inderdaad aan;
127
de patriotten letten met groote angstvalligheid op iedere beweging der Prinsgezinden en vallen lien lastig met onderzoek naar liunne handelingen. De hertog zal wel verbannen worden en had liever dadelijk na den vrede voor eenigen tijd moeten heengaan.
29 Juni. De Prinses doet haar best om overeenkomstig het gevoelen van Z. M. den Prins te weerhouden , Brunswijk zoo te steunen. Men zegt, dat Reischach last beeft oin voor Brunswijk op te treden. Het protest van Th. tegen de uitingen der courantiers over den brief van Z. M. is in de Staten van Holland met minachting behandeld. Van Berckel zeide , dat men » den kerel quot; moest laten terugroepen door zijne Regeering; Bleiswijk, dat men hem moest laten bluffen en zijne nota ter zijde leggen. Th. vraagt zijne Regeering om hem voldoening te verschaffen voor die beleedigingen. Het is goed een ander cijferschrift dan het zoo veel jaren gebruikte aan te nemen. De nieuwe secretaris van het gezantschap te Londen , Tribolet, kan dat op zijne doorreis medenamen.
Id. Th. k Hertzberg. Th. vraagt dringend om steun en klaagt, dat men hem te Berlijn niet flink genoeg ter zijde staat, zoodat men in de Republiek meent, dat Pruisen niets zal doen, als men den Stadhouder maar niet geheel op zijde zet. Men had te Berlijn liever het plan moeten uitvoeren , dat hij in Jan. 1783 ontwikkelde, namelijk in verband met de toen welgezinde hoven van Petersburg en Weenen bij Frankrijk sterk aandringen op pogingen tot herstel van de eendracht. In plaats daarvan heeft men te Versailles bijna genade gevraagd voor den Prins en zijiie fouten erkend , terwijl men tocli wist, dat Frankrijk al zijn best deed om met behulp der patriotten de macht des Prinsen te vernietigen. Nu Weenen en Petersburg veranderd zijn , moet Pruisen krachtig voortgaan , anders zal de Prins bezwijken voor den storm.
2 Juli. Th. au Roi. Het antwoord der Republiek op de Oosteïirijksche nota is thans in handen van Bérenger , die door zijne uitlatingen doet vermoeden , dat Frankrijk voor den afstand van Maastricht zou zijn , terwijl de Republiek hierin niet wil treden. Als Frankrijk in geval van oorlog hulp weigert, zal de invloed van Engeland weder stijgen. Een bevriend gedeputeerde, eerste lid der gedeputeerden zijner provincie, (v. Lijnden v. Hemmen ?) heeft op zich genomen den Prins te wijzen op de noodzakelijkheid om zich van Brunswijk te scheiden , als hij den vrede in het land wil herstellen. Rusland nadert tot Oostenrijk, wat ook blijkt uit de houding van den Russischen gezant tegenover Bérenger. Van Bleiswijk heeft Th. gehoord , dat de Staten van Holland eindelijk beraadslagen over een antwoord op Zr. Ms. brief van 19 Maart. De stadhouderlijke partij is ontmoedigd, daar de couranten en pamfletten er in geslaagd zijn om den indruk van den brief van Z. M. bijna uit te wisschen bij de natie.
6 Juli. Bleiswijk heeft hem gezegd, dat hij niets verwacht van Frankrijk, daar de Koningin er veel invloed heeft. Th. vermoedt, dat Bérenger de Redemptie-dorpen wil doen afstaan. Door middel van de Prinses heeft Th. den Prins gewaarschuwd, Brunswijk niet te hand-
428
haven en voorzichtig te zijn in zijne uitingen tot de commissie. De nota\'s van Th. tegen de pamfletten en de krantenschrijvers worden maar niet beantwoord en een krachtiger houding is nooilig.
9 Juli. De stemming van het fransche hof strookt niet altijd met die van den gekant, zooals blijkt in de Oostenrijksche kwestie. Vaughuyon ried in der tijd tot voorbereiding ten oorlog; nu zegt Bérenger, dat Oostenrijk daardoor onnoodig verbitterd is. Th. antwoordde, dat de Regenten dit wel hadden moeten doen tegenover de natie. Hij drong weder aan op samenwerking met Pruisen. De Prins is mismoedig over de zaak van Brunswijk en wil zelfs naar Dillenburg wijken, zoodra het gevaar van oorlog voorbij is. Th. heeft hem nogmaals aangespoord den hertog op te geven. De Prins is zeer voorzichtig geweest in zijn antwoord aan de commissie, aan wier hoofd de drie pensionarissen stonden. Van Bleiswijk vernam Th., dat ook de verwijdering van Brunswijk de patriotten wel niet zou bevredigen.
13 .luli. Amsterdam\'s burgemeesters zijn ook in deze zaak zeer gematigd geweest en onthouden zich v;in bemoeiingen er mede, onder den indruk der raadgevingen van Z. M. Th. dringt bij den Prins aan op toegeven in deze kwestie.
16 juli. De Prins heeft het verzoek ten opzichte van Brunswijk bepaald afgeslagen; als men hem wilde ontslaan, moest men een geregeld proces tegen hem gaan voeren. De deputatie heeft gezegd , dat \'zij met de zaak zoude voortgaan. De Prins zeide aan Th., dat hij zélfs betreurde toegestemd te hebben in het vertrek van Brunswijk naar- den Bosch; later erkende hij, dat hij de onmogelijkheid inzag om Brunswijk te handhaven, maar verbitterd was door de ruwheid van den aanval. Th. heeft den Prins opgemerkt, dat de Keizer, die de burgemeesters van Amsterdam , tegenstanders van den hertog, had geprezen , de ware oorzaak was van de beweging tegen hem. Het zal misschien goed zijn het onbehoorlijke uitstel van antwoord op den brief van Z. M. te doen ophouden door eene nota met verzoek om antwoord. Groningen heeft zich aangesloten bij dat van Gelderland. Er moet iets gedaan worden tegen de krantenschrijvers in dienst der patriotten ; » les folliculaires — voila la veritable source des mauxquot;.
20 Juli. De Prins begint meer te luisteren naar de Prinses en de invloed van van Lijnden van Hemmen neemt toe. Th. heeft den Prins gewezen op het gevaar der volksbewegingen tegen de magistraten, aangestookt door de Oranjepartij , nu weder te Rotterdam. De Prins moet zijne ontevredenheid daarover toonen. Harris komt binnenkort; hij zal, blijkens de mededeelingen van Z. M. trachten , de Engelsche partij te doen herleven. Dit moet hij liever niet doen, maar hoog spel spelen en schijnbaar samenwerken met de patriottenpartij om zoo den invloed van Frankrijk te breken.
23 Juli. De patriotten willen zelfs een deel van het garnizoen in de grensplaatsen te hunner bescherming naar Rotterdam overbrengen, o. a. een regiment kavalerie uit Breda. De Raadpensionaris is geheel veor de alliantie met Frankrijk en rekent op bet tot stand komen
129
daarvan. Hij vergeet geheel , wat hij den Prins te danken heeft. Hij heeft gezegd , dat het antwoord wel ongewoon lang uitbleef, maar dat het schrijven van zuik een brief als die van Z. M. ook niet gewoon was ! Dat Holland zich wel niet storen zou aan Groningen en Gelderland.
27 Juli. De Prins is niet » dominé par la passion dü vin zooals zijne vijanden beweren , integendeel matig, zelfs matiger dan de Hol-landscbe doktoren goed vinden in het vochtige klimaat. Slechts tweemaal heeft de Prins in deze richting gezondigd , eens ten huize van Bleiswijk en eens bij een maaltijd met gedeputeerden. Th. ziet hem dikwijls per dag , maar nooit dronken. Zijne neiging voor lange maaltijden , waar veel gedronken wordt, heett hij op raad der Prinses bestreden , zooals hij zelf aan Th. heeft gezegd. Aan het hof zijn twee of drie personen . die wel wat te ijverig zijn voor zijne zaak, maar overigens geen slecht karakter hebben. Bentinck, zijn aide de camp, heeft veel invloed in militaire zaken ; verder van Heyden en van Lijnden van Hemmen, mannen van aanzien. De beide eersten zijn wel wat Engelschgezind , maar de laatste is zeer flink en als onpartijdig bekend. De aanhangers van Brunswijk zijn gering in aantal en weinig in tel. De Prins is goed onderwezen, heeft eene kolossale memorie en kent de Staatsregeling buitengewoon goed. Hij is evenwel zwak en wantrouwend , het laatste vooral na het vertrek van Brunswijk ; daarom valt weinig op zijne vastheid te rekenen. Dikwijls raadpleegt hij niemand. De Prinses is zeer gezien , maar vertrouwt ook zich zelve niet genoeg. Fagel en van Hees ziju gehecht aan Engeland en Brunswijk en vooral vau Hees heeft in den laatsten tijd den Prins meermalen geraden in de kwestie van Brunswijk. Reischach heeft zich aan een groot diner uitgelaten, dat hij hoopte, dat men tegenover Brunswijk niet te ver zou gaan , daar deze een bloedverwant was des Keizers; als hij werd verbannen zou hij hem wel in den Haag willen logeeren in zijn eigen huis.
30 Juli. De kwestie van Brunswijk is in behandeling. Th. zal den Prins aanraden passief te blijven, daar zijn tegenstand toch niets zou baten. De nota om aan te dringen op antwoord aan Z. M. heeft gewerkt , zoodat men in Holland er over zal gaan spreken. Bleiswijk was woedend over de uitdrukking » se mettre en règle avec le Prince quot; in die nota en heeft zich zeer sterk en beleedigend over Z. M. uitgelaten tegenover Fagel.
3 Aug. Amsterdam heeft voorgesteld een onderzoek in te stellen naar den opsteller der bekende Akte. Het is bekend, dat dit de Raadpensionaris was, toen nog pensionaris van Delft en de vertrouwde van Brunswijk. De Raadpensionaris zou op die wijze zijn verdiende loon krijgen voor zijne ondankbaarheid. De Prins verbindt nog altijd zijne zaak aan die van den hertog en wil hem niet loslaten , zooals hij aan Th. zeide, daar dan, gelijk na 1781, onmiddellijk een aanval op hem zei ven zal volgen. Hij wil de Akte brengen voor een der gerechtshoven van de Republiek, maar verwart daardoor eene staatszaak met eene civiele. Hij hoopt op den steun der overige provinciën tegenover Hol-
9
130
land , als het tegenover hemzelven tot uitersten komt. Hij beklaagt zich, dat de hertog nooit heeft gedacht, dat het zoover zou komen. Alleen wil de Prins hierin toestemmen, dat den hertog de keuze wordt gelaten tusschen den Üostenrijkschen dienst en dien der Republiek; dit durven de patriotten evenwel tegenover Oostenrijk niet doen. De Prins zeide , dat hij er over dacht om heen te gaan, maar Th. bezwoer hem dit niet te luid te zeggen , daar men er van zou profiteeren om hem te benadeelen. Th. vleit zich evenwel, dat de Prinses in het belang haren kinderen dit zou beletten , daar hun vader hunne rechten niet mag opgeven. Het onbeschaamde rapport van Zeeland zal waarschijnlijk resolutie worden van de Staten-Generaal, niettegenstaande het verzet van van Lijnden , van Blitterswijck en van Citters (de eerste is eerste gedeputeerde van Zeeland) Th. heeft dezen gezegd, dat hij zulk eene resolutie niet zou aannemen. Hij stelt Z. M. voor eene nieuwe nota te zenden met betuiging van ontevredenheid over dit Zeeuwsche rapport, in gematigde maar flinke woorden.
6 Aug. Brunswijk maakt zich illusiën over zijne positie; hij gelooft niet, dat men zal doorgaan , en beklaagt zich, dat de Prins niet flink genoeg voor hem optreedt. Sedert een 14 dagen zijn de patriotten moediger , waarschijnlijk steunend op de gehoopte fransche alliantie en uit Versailles aangezet. De burgeroorlog staat voor de deur, in Arnhem heeft de schutterij het garnizoen reeds gemolesteerd. Bleiswijk wil aftreden. De Prins gedraagt zich niet naar den raad van Z. M., maallaat zich nog altijd inspireeren door den hertog , tot ergernis ook van zijne eigene partij.
10 Aug. De Prins wil met » opiniatreté inconcevable quot; alles op het spel zetten voor Brunswijk, wiens zaak in 8 of 10 dagen zal beslist zijn. Bleiswijk weigert gehoor te geven aan den aandrang van welgezinde regenten om bemiddelend op te treden, uit vrees voor zijne eigene positie. Bleiswijk zegt ten opzichte van de nota, dat Holland zich niet zal storen aan de kleinere provinciën. De Quadt, oud Pruisisch officier, heeft de beweging te Arnhem onderdrukt als komman-dant dier stad. In Utrecht dreigt ook oproer. Het antwoord op de nota zal zijn niet van de Staten-Generaal maar van de provinciën in het bijzonder; zeer onbehoorlijk! Bleiswijk heeft dat doorgezet. Vele gedeputeerden zijn verontwaardigd.
13 Aug. De Prins heeft gedreigd te zullen vertrekken , naar aanleiding van de resolutie omtrent de woelingen te Rotterdam. De Prinses heeft hem gesmeekt zich toch te matigen in zijne uitingen en eindelijk gezegd, dat zij in dit geval zou hlijven en Pruisens bescherming inroepen voor haar en de haren. Groningen en Gelderland zijn nog Prinsgezind maar ook daar werken de patriotten ijverig met pamfletten , vooral op het platteland. De Prins moet zich vooral onthouden van het opwekken van volksbewegingen , die hem nog veel meer benadeelen. Bérenger is vertoornd op Reischach wegens diens uitingen over Brunswijk en beweert nog altijd, dat zijne Regeering gaarne de eendracht hersteld zou zien.
131
17 Aug. De gisting\' in Rotterdam is nog groot; zelfs de troepen, die ontbonden worden, nullen misschien weigeren op te treden als » satellites quot; der regenten.
20 Aug. De hoop der vrienden van Brunswijk op Oostenrijk is ijdel, daar Reischach aan Fagel heeft gezegd, dat hij tot zijn spijt bemerkte, dat zijne gevoeligheid in dit opzicht te groot was geweest en dat hij geen bevelen iu dit opzicht had. De bekende Akte is opgesteld door Bleiswijk iu overleg met Fagel en goedgekeurd door den toenmaligen Raadpensionaris Stein , die haar zelfs wilde mededeelen aan de Staten-Generaal. Het is dus niet noodig naar den schrijver te zoeken ! De resolutie van Holland heeft den Prins zeer getroffen, maar hij hoopt nog op de andere provinciën ; het protest der Edelen zal in naam van het geheele college geschieden. Th. heeft hem matiging aanbevolen. De gisting wordt steeds grooter , de schutterijen zijn overal gewapend en men wil ook het platteland wapenen ; pamfletten over volkssouverei-niteit enz. worden overal uitgegeven tegenover de magistraten. Het leger is ontevreden over de regenten , maar deze zullen de soldij vermeerderen.
24 Aug. De Prins schijnt inderdaad passief te zullen blijven in de zaak van Brunswijk, volgens de mededeeling der Prinses, dat hij zich naar den raad van Z. M. zal gedragen.
27 Aug. Brunswijk heeft nog niets gedaan tegenover de resolutie van Holland , dan alleen , dat hij den Prins heeft geschreven, dat het goed is, de vaandels der Hollandsche gardes in zijn hotel te brengen onder bewaking van den in rang op hem volgenden officier; dat men de Staten-Generaal maar niet tegenover Holland moest stellen, als dit toch niet hielp.
31 Aug. Brunswijk houdt zich goed en maakt zich gereed om heen te gaan , men zegt naar Brussel, waarschijnlijk naar eene Duitsche stad, aan zijne familie toebehoorend.
3 Sept. Het antwoord op de nota zal wel niet geheel onbevredigend zijn. Het schijnt, dat de patriotten nu wel eene toenadering wenschen ; als de Prins nu maar niet koppig is.
7 Sept. De patriotten willen inderdaad toenadering , wat blijkt uit de resolutie van Holland, die echter door de clausule van de twee aan den Prins toe te voegen raden dezen zal verbitteren. Th. heeft hem geraden niet te gauw alles te verwerpen. Men zegt, dat Brunswijk niet van plan is om heen te gaan en brieven aan de provinciën heeft geschreven met verzoek om volgens de wetten der Republiek te worden geoordeeld.
lü Sept. De patriotten zijn verontwaardigd over den raad van Frankrijk om toe te geven aan den Keizer en hebben dit in eene conferentie met Bérenger duidelijk gezegd. Fagel is verontwaardigd over het onbetamelijke antwoord der Staten-Generaal, tegen zijn raad besloten ; ook verscheidene andere regenten hebben dit betuigd en zien met verontwaardiging de aanvallen op den Prins. Fagel vleit zich, dat Z. M. den onbetamelijken brief niet stilzwijgend zal laten passeeren. Hij vroeg
182
spoedig in kennis te worden gesteld van de bevelen , die Th, iu dit opzicht ontving; te veel onverschilligheid in dezen zou de patriotten maar aanmoedigen en hun nieuwe kracht geven in de oogen des volks.
14 Sept. Het schijnt, dat Brunswijk de zaak op een accoord wil werpen , mits zijne geldelijke belangen niet lijden. De stemming dei-patriotten tegenover den Prins is beter. Hij moet nu handige raadslieden kiezen om iets te herwinnen van de populariteit, die nooit persoonlijk zijn zal.
21 Sept. Het protest der Edelen in Holland tegen de resolutie omtrent de Akte is opgemaakt door Bleiswijk. De Prins wacht niet veel goeds van de verzoenende pogingen van Amsterdam. Men wil hem nu in de verscuiJlende takken van bestuur raadslieden ter zijde stellen. In Utrecht wil men het reglement van 1G74 afschaffen. De Oranjepartij toont weinig eenheid en kracht en zoekt voor een deel steun in de volksbewegingen , een noodlottig middel.
24 Sept. Die van de laatste meening zijn weinig in getal; de meeste regenten der Oranjepartij zijn bevreèsd om in den val van den Prins medegesleept te worden. De zaak van Brunswijk is zoo goed als beslist , alleen Groningen , Overijssel en Gelderland zullen de resolutie van Holland niet aannemen.
24 Sept. Th. a Hertzberg, Van Lijnden van Hemmen is de auteur van het antwoord der Staten-Generaal; hij heeft zich laten beetnemen door de patriotten. De Prins eu de Prinses zijn zeer boos op hem. Eénige leden der Oranjepartij hebben aan Th. gezegd, dat Z. M. blijkbaar zijne nicht niet meer steunt. Men had vroeger flinker bij Frankrijk moeten optreden ; nu is het beter op het oogenblik niets te doen, zegt Th., uit vrees van de patriotten te verbitteren.
28 Sept. Th. au Hoi. Z. M. wil niet antwoorden op den brief der Staten-Generaal. Deze is uit de pen van Sieberg, het lid van het Triumviraat, dat met de patriotten den Prins wil verlagen tot een soort van Doge. Als Z. M. den Prins niet steunt, valt diens partij uit elkander en de patriotten, rekenende op het verbond tusschen Versailles en Weenen zullen de Oranjes ten val brengen. De fout zit in het optreden te Versailles.
1 Oct. Brunswijk wil nog niet toegeven , zegt de Prinses, weigert een accoord en schijnt te willen wachten, totdat ook de andere provinciën hem afvallen.
5 Oct. Er is algemeene overeenstemming in de Republiek, dat men niet moet toegeven aan den Keizer. Frankrijk is nog altijd zeer dubbelzinnig in zijne houding tegenover dezen. De fransche alliantie zal over een paar dagen tot stand komen.
8 Oct. Het schijnt, dat men niet bij meerderheid den Hertog waagt te verbannen en dat Holland wil wachten tot den staat van oorlog voor het volgende jaar , om daarop zijn traktement te schrappen. Rei-schach heeft den Prins verklaard , dat de Keizer zijne eischen handhaaft.
12 Oct. Waarschijnlijk zal Brunswijk zich verwijderen onder voorwendsel, dat op het oogenblik zijn ambt in de Republiek onvereenigbaar
133
is niet ziju rang in het Keizerlijke leger; dit heeft de Prins Th. doen vermoeden.
15 Oct. De patriotten hebben het rapport der commissie, die met ünmoulin de grensplaatsen heeft onderzocht, heimelijk doen drukken om den Prins in de oogen des volks te benadeelen.
22 Oct. Brunswijk heeft te Aken een huis gehuurd en zal dus wel heengaan; Th. betreurt, dat juist deze nabijgelegen plaats is gekozen. Bérenger heweert altijd , dat hij de eendracht wil bevorderen. De oudste zoon van den Prins heeft gevraagd om het kommando over het garderegiment van Brunswijk , wat hem is toegestaan.
26 Oct. De Prins werkt dagelijks met den Baad van State aan het voorbereiden van den oorlog, die nabij schijnt.
29 Oct. Generaal-majoor van der Hoop , die als volontair in het Pruisische leger heeft gediend, is een der weinige officieren van ondervinding ; hij is dan ook de raadgever des Prinsen. Hij en Dumoulin willen , nu het leger der Staten op het oogenblik krachtiger is dan dat in de Z. N., vooral in kavallerie, den aanval beginnen. De officieren missen alle vertrouwen in hunne soldaten en moeten voortdurend de desertie beletten. Th. is overtuigd, dat Versailles een oorlog zal weten te beletten.
2 Nov. Reischach is vertrokken met eene drooge nota. Bérenger zegt, dat Z. M. verkeerd gedaan heeft met de Republiek aan te moedigen in haar verzet tegen den Keizer. Engeland toont eene groote voorliefde voor den Keizer in den laatsten tijd. De patriotten klagen te recht over Frankrijk\'s slappe houding tegenover den Keizer.
5 Nov. Fagel heeft aan Th. gezegd, dat er eene resolutie te wachten is, strekkende tot het inroepen van Pruisensbemiddeling. Van Berckel en de Gijselaer zijn er tegen, de natie is er voor. Over een paar dagen komt Saiins te Berlijn met eene opdracht van den Prins om Z. M. te bewegen de lichtingen der Republiek bij de Duitsche vorsten te bevorderen. De natie betreurt het antwoord op den brief van Z. M. Als de Staten-Generaal thans wilden , zou de bemachtiging van Gent en Antwerpen licht vallen ; men spreekt ook van een bombardement van Triest.
9 Nov. Het schijnt, dat de partijzucht bedaart tegenover het oorlogsgevaar. Th. heeft den Prins aangeraden vooral de volksbewegingen tegen de regenten niet te bevorderen. Het zal moeilijk zijn om een leger bijeen te brengen ; de garnizoenen aan de grenzen hebben zooveel geëischt, dat er van Groningen tot Nijmegen maar 7 bataillons beschikbaar zijn van 300 a 350 man. Alles gaat even langzaam. Het garnizoen van Maastricht is op de helft,1 6000 man; de gouverneur Nassau-Weilburg wil in het leger dienen en heeft de stad overgelaten aan van Weideren en van Wilke » rien moins que gens de tête quot; ; de stad is slecht voorzien. De Prins wil gaarne ten;oorlog trekken , maar is volstrekt niet op de hoogte; hij zou geleid moeten worden doorheen ervaren generaal. De Prinses negeert de aanvallen in de pers om voor het oogenblik maar vrede te houden.
16 Nov. Th. heeft gesproken met van der Hoop op bevel van Z. M.
134
Hij heeft dezen geraden vooral te zorgen voor infanterie en artillerie, veel meer dan voor kavallerie, vanwege de dijken en kanalen in deze streken. De generaal beaamde dit volkomen, maar merkte op, dat er wel genoeg kanonnen waren maar geen kanonniers; dat de infanterie niet best is, tenzij men ze met 12 000 Duitschers vermeerdert. Ook Dumoulin vindt dit, maar beiden zijn vol moed, al weten zij dat de Republiek , alleen blijvende, zal bezwijken. Dumoulin rekent meer op de inundatiën ; hij gaat naar Utrecht en Gelderland om die gewesten in staat van tegenweer te brengen; groote angst aldaar. Het plan om de landbevolking te wapenen zal doorgaan , maar waar zijn de officieren ? Het is jammer, dat de partijzucht nog gloeit. In de Staten van Holland was sprake van een Conseil naast den Prins; Bleiswijk zeide, dat de Prins zich geheel toewijdde aan zijne taak. » Dat is mogelijk quot; , zeide van Berckel, » maar er komt niets goeds of wezenlijks vanquot;. Deze en zijne vrienden hebben den Prins voorgesteld den Fran-schen generaal de Martange in het leger op te nemen, wat de Prins heeft afgewezen als eene poging om hem het bevel te ontnemen. In Gelderland wil men telkens in de Staten het reglement van 1674 opheffen; daar, in Overijssel en in Utrecht hebben de Oranjegezinden veel last en moeite.
19 Nov. De Prinses en Th. doen alle moeite om den Prins te bewegen tot het aannemen van een militairen raad; ook van der Hoop. Maaide Prins wil er niet van hooren en denkt nog al hoog van zichzelven. De Staten van Holland willen van Hees en Gilles als onbekwaam afzetten.
23 Nov. Th. i\\ Hertzberg. Salm wilde zich zeer aansluiten bij den Prins en Pruisen, maar de Prinses en Th. hebben hem dit afgeraden. Het schijnt, dat Z. M. wel zou willen treden in een gemeenschappelijk optreden met Frankrijk bij den Keizer; Th. meent, dat dit niet geven zal. Toch schijnt Z. M. in te zien, dat er iets voor de Republiek moet gedaan worden.
23 Nov. Th. au Roi. De Prins wil niets weten van de Martange, maar dit kan de ontluikende harmonie, ontstaan door de dagelijksche samenwerking, wel weder verstoren,
28 Nov. Een Amsterdamsch regent zeide tot Th., dat in de lento 50 000 man bijeen zullen zijn , maar dat hij hoopte op de hulp van Z. M. Th. deed uitkomen, dat Z. M. door geen tractaat aan de Republiek was verbonden; dat Frankrijk eerst moest worden gevraagd. Generaal Verschuer is naar Oassel om troepen te werven.
3 Dec. Maillebois en andere officieren willen gaarne in Staatsdienst treden ; de eerste is met 3 a 4000 man door Frankrijk ter beschikking gesteld van de Staten-Generaal. De Prins wil niets van een fransch hoofdofficier weten en dit zal groote moeilijkheden geven. Van der Hoop heeft, een plan van aanval, namelijk versterking van Breda, daar infanterie en kavallerie bijeenbrengen , de Oostenrijkers afleiden door eene expeditie om Maastricht te voorzien, dan zich werpen op Antwerpen met de troepen om Breda.
7 Dec. De gezindheid van Brabant en Vlaanderen is zeer ongunstig
435
jegens den Keizer. De Prius heeft eindelijk besloten Maillebois aan te nemen. Hessen-Cassel is gouverneur van Maastricht geworden.
10 Dec. De landbevolking in de Republiek wil de wapenen niet opvatten, daar zij toch reeds veel last heeft van de troepen en dan nog hare bezigheden zou moeten opgeven.
14 Dec. De Prins wil, dat Maillebois voorloopig alleen infanterie-geueraal zal zijn en geen veldmaarschalk, tenzij ook Lewe en Maes-dam, bevelhebbers van Sluis en Breda, dezen titel ontvangen. De zwakke bezetting der Fransohe grens, terwijl de barrière zoo goed als gesloopt is, zou deze zijde voor Frankrijk openstellen, als het de üostenrijksche Nederlanden wilde veroveren, wat niet moeilijk zou vallen. De onrust in Overijssel, Gelderland en Utrecht is groot, daar zij ontbloot zijn van troepen ; de wapening der boeren is ook gevaarlijk , daar de Oostenrijkers dan alles zullen verwoesten.
14 Dec. Th. amp; Hertzberg. Z. M. ziet duidelijk in , dat Frankrijk de Republiek wil bewegen Z. M. over te halen aan den Keizer den oorlog te verklaren , wat hij zelfs in bondgenootschap met Frankrijk niet wil. Th. vindt dit verstandig, daar Pruisen ook wel aan zijn lot kan overgelaten worden tegenover Oostenrijk en de Republiek » ne se pique pas toujours de reconnaissancequot;. Bemiddeling is veiliger en schitterender voor Pruisen , maar de patriotten zullen deze weigeren , als Frankrijk niet mede doet. Die van Rusland of Engeland wordt niet begeerd. Frankrijk zal niet licht met den Keizer in oorlog willen geraken , tenzij geheel Europa tegen dezen de wapenen opvat.
17 Dec. Th. au Roi. Harris is koel ontvangen door de patriotten , maar sluit zich aan bij den Russischen gezant. Bentinck, die met eeniga reputatie gediend heeft in den vorigen Amerikaanschen oorlog, zal de expeditie om Maastricht te voorzien kommandeeren. De Prins werkt onophoudelijk hard met den Raad van State en is onvermoeid; jammer, dat hij zoo weinig troepen heeft! Eenige provinciën, vooral Groningen, weigeren zich geheel van troepen te ontblooten , in weerwil van df bevelen. De wapening van het platteland ontmoet ceel tegenstand. Het is te hopen, dat de bewoners van Groesbeek de wapenen, die huu op verzoek van Z. M. ontnomen zijn wegens moorden en plunderingen in de naburige bosschen , niet terug krijgen. Zoo is het ook gelegen met de bevolking in de buurt van den Bosch, waar de bewoners feitelijk struikroovers zijn.
21 Dec. Amsterdam heeft voorgesteld streng op te treden tegen du auteurs der Akte. De Hertog blijft, helaas, nog te Spa, onder voorwendsel van het opstellen eener rechtvaardiging. De storm zal losbarsten over Fagel en Bleiswijk. Rusland heeft zich sterk uitgelaten ten gunste des Keizers en bij de Staten-Generaal aangedrongen op een vergelijk met hem.
24 Dec. Men zegt, dat Denemarken zich bij de Russische nota zal aansluiten. Het verdient aanbeveling Rusland niet te ontstemmen door eene formeele weigering. Het belastingplan van Bleiswijk zal wel niet goedgekeurd worden , daar de levensmiddelen sedert den laatsten oorlog
136
nog uiet iu prijs gedaald zijn. De voorwaarden , onder welke de fran-sche troepen zijn overgedragen, zijn zeer bezwarend.
28 Dec. De Russische nota is ook te Berlijn en Londen medegedeeld, maar de Hollanders laten zich niet afschrikken , al zegt ook Bérenger : » ces gens-ci seront écrasés avant qu\'on puisse venir a leur secoursquot;. Dan is in allen gevalle de schuld aan de zijde der fransche partij, daar de Prins altijd aangedrongen heeft op vermeerdering van het leger , wat men altijd heeft tegengehouden uit vrees voor de mililaire macht des Prinsen. Zoo zijn nu slechts 30 000 man bijeen voor alle vestingen. Harris heeft met Th. gesproken over den toestand en gezegd , dat hij gaarne voor den Prins wil werken , maar dat de Republiek voor Engeland verloren is. Hij stemt toe, dat dit de schuld is van Yorkeen de Engelsche politiek, en beweert, dat hij zich nu van alle inmenging onthoudt. Th. twijfelt aan dit laatste, al gedraagt hij zich tot nog toe zeer gematigd.
31 Dec. De mondelinge verklaring van den Russischen gezant aan de Staten-Generaal doet uitkomen , dat in geval van vijandelijkheden de Republiek kan rekenen op een verbond tusschen Rusland en den Keizer en deelneming van het eerste aan den krijg. Dit heeft Fagel medegedeeld. Het antwoord der Staten-Generaal was den gezant onvoldoende ; hij vroeg nadere mondelinge verklaring, die Bleiswijk en Fagel echter niet konden geven. Men twijfelt niet aan de toestemming van Maillebois om het bevel over het leger op zich te nemen; iederen dag wordt antwoord verwacht. Bleiswijk wacht met ongeduld op de korhst van Vérac, daar Bérenger hem brusqueert. Deze toont onophoudelijk zijn afkeer van den Prins. Harris is het orakel van den Russischen gezant. De pogingen van Verse huer te Cassel gelukken niet door de tegenwerking van Oostenrijk.
1785. 4 Jan. De Prins heeft Th. gezegd, dat de vijf landprovinciën tegenover Holland en Zeeland de Schelde wel willen openen , wat hun minder schrik inboezemt dan een oorlog met den Keizer , als Frankrijk ten minste niet met 25 000 man wil helpen om het platteland te beschermen. De Prins zeide, dat men er ook over dacht zich tot Pruisen te wenden, wat Th. afraadde, daar de vermoedelijke weigering de Oranjepartij zeer zou benadeelen. De beschikbare kavallerie is maar 650 man , drie regimenten dragonders, in garnizoen te Maastricht; dc gewone troepen zijn onvoldoende voor de vestingen, terwijl de landprovinciën om bescherming roepen. Men is in Holland zeer ongerust. Harris profiteert er van om alles in de war te sturen en doet niets tegen Oostenrijk , stookt ook den onervaren Russischen gezant op. Het wantrouwen tegen de regenten neemt toe. Ernstige tegenstand tegen den Keizer is niet te wachten , terwijl Maasdam en andere officieren weigeren te dienen onder Maillebois. De Prins wordt weder beschuldigd van tegenwerking van de wervingen van Salm.
7 Jan. Fagel heeft aan Th. de eischen van Maillebois medegedeeld. Hij wil generaal der infanterie worden, f 10 000 inkomen mot het uitzicht op don rang van veldmaarschalk, als deze benoemd wordt,
137
reiskosten en uitrusting f 100 000, f 500 000 \'sjaars voor soldij van 3600 man, wier lichting {\'400 000 moet kosten. Dit zal wel toegestaan warden, maar moeielijkheden zijn er bij deze inrichting te wachten met den kapitein-generaal. Men strooit uit, dat de Prins in den Haag blijven zal in geval van oorlog, maar dat is niet aan te nemen. De houding van Rusland is zeer dubbelzinnig. Van Hees zal afgezet worden als een vriend van Brunswijk.
7 Jan. Th. a Hertzb. Kalkstein moet komen , ofschoon er vrees is voor misverstand tusschen dezen en Maillebois. Th. ziet den laatste niet gaarne komen , als vriend der patriottenpartij. Hij raadt nog altijd tot flink optreden voor den Prins te Versailles, al lacht men hem nog zoo uit.
11 Jan. Th. au Roi. De Keizer schijnt af te zien van de Schelde maar eischt Maastricht. Van Hees zal wel vallen. De landprovinciën hechten zeer aan Maastricht. Deze verzoenende berichten zullen de wapening wel weder tegenhouden.
11 Jan. Hertzb. è- Th. Er is geen reden voor ongerustheid. Frankrijk onderhandelt druk met Jozef en zal zeker tusschen beiden komen , des noods door eene gewapende interventie.
14 Jan. Th. au Roi. De Staten-Generaal zijn niet genegen Maastricht af te staan. Vergennes staat thans zwak te Parijs. Engeland heeft officieel gevraagd naar het aantal oorlogschepen der Staten in Indië , om onaangenaamheden aldaar te voorkomen. De Am sterdam scho kooplieden hebben Weener wissels geweigerd óf uit patriotisme óf omdat men de Weener bank niet vertrouwt. Hope heeft uit vrees voor het gepeupel eene soort van verdediging moeten publiceeren. De regenten willen den Prins wel helpen , mits hij hen steunt.
18 Jan. Th. heeft overeenkomstig bevel van Z. M. de Staten-Generaal gewaarschuwd toch niet met de wapening op te houden. Bleiswijk heeft hem gezegd, dat hij overtuigd was, dat Frankrijk wel helpen zou 11a den eersten schok maar voorloopig alleen zou bemiddelen.
21 Jan. Fagel heeft hem de in het Geheime Besogne behandelde aanbiedingen van Oostenrijk omtrent de Schelde laten zien. De Prins heeft eene Apologie uitgegeven, die wel niet veel helpen zal. Men lacht hem uit. Men zegt, dat Harris met eenige regenten over eene En-gelsche bemiddeling onderhandelt.
25 Jan. Men vreest, dat de wapening der boeren een verzet van hunne zijde tegen de regeering ten gevolge zal hebben , zoodra zij gewapend zijn. Vérac heeft bij zijne beleefdheidsvisites alle gesprekken over zaken vermeden.
25 Jan. Th. a Hertzberg. Het is volkomen juist, dat do Prins zich bij de patriotten moest aansluiten , maar dit is heel lastig , daar de Prins zich elk oogenblik vergeet en verder hot eene oogenblik op zijn stuk staat en dan weder toegeeft. De patriotten zouden dadelijk vallen , zoodra zij hunne republikeinsche denkbeelden opgaven voor eene toenadering tot den Prins.
28 Jan. Th. au Roi. Het Beiersche plan van Jozef is natuurlijk zeer uaar den zin dor patriotten, die daardoor oen zwak vorstin het zuiden
138
zouden krijgen. Harris tracht voortdurend de moeielijkheden te vermeerderen.
I Febr. Het patriottencomitó hoopt op een oorlog tusschen Pruisen en Oostenrijk om dan dadelijk den Prins omver te werpen.
Id. Te Leiden en Dordt hebben oproeren plaats , gisting op het platteland. De Prins heeft geweigerd de oproeren te dempen , zeggende, dat hij zeer gevleid is door deze beweging onder de natie, dat hij nooit woelingen heeft gesteund of zal steunen.\' De crisis zal voor Oranje misschien over eenige dagen komen.
4 Febr. Van Berckel en de zijnen doen al hun best om de oproeren te dempen. Van Berckel heeft gezegd, dat de Prins souverein wil worden , » un Prince qui ne sait point conserve!- les prérogatives qui lui ont été transmises par ses ancêtres !quot;
8 Febr. Vérac is zeer vertrouwbaar, maar Bérenger de eeuwige onruststoker, » nourri de la haine qui animait le Due de la Vaughuyon contre la personne du chef de la République quot;, die nu tracht Vérac tot zijne zienswijze over te halen. De positie van den Prins is critiekdoor de onhandigheid zijner partijgenooten en hunne onvoorzichtige uitingen tegen Frankrijk, hunne vriendelijkheid tegen Harris. Baron van Lijnden is bij beide partijen gezien. Deze heeft aan Th. gezegd, dat de Prins in zijne Apologie zich liever bad moeten bepalen tot 1784; beter was het plakkaat en de brief van 31 Jan., die zeker indruk op de natie zou maken. De Prins heeft de door marschen vermoeide garde na zijne eerste weigering toch uit Breda laten komen; de soldaten zijn boos.
II Febr. Gesprek met Vérac over de toestanden, zeer bevredigend. Hij liet zich vergoelijkend uit over la Vaughuyon. Het is te hopen, dat de Oranjepartij hem nu niet verbittert met hare Anglomanie. Ook in de Apologie zijn enkele plaatsen niet aangenaam geweest aan het fransche hof. Vérac zeide, dat bij in last had zich niet met de twisten te bemoeien en zijn best wilde doen voor verzoening, dat Bérenger (voor wiens raad Th. hem waarschuwde) hem nog geen enkel ongunstig advies over den Prins had gegeven ; dat de weigering van den titel »Altesse Royalequot; aan de Prinses zeer ongepast was tegenover eene zuster van Z. M.
15 Febr. Vérac noemt den Prins zelfs » Monseigneurquot; en neemt geen deel aan de intrigues , tot ergernis van de patriotten en Bleiswijck , die Vaughuyon zeer missen. De nieuwe aanval op den stadhouder wegens het plakkaat is niet gevaarlijk ; wel echter het verblijf van Brunswijk te A.ken , zoo dicht aan de grens, daar men nog altijd correspondentie niet den Prins\'vermoedt. De Prins heeft geraden de door het Keizerlijk leger geroofde fourages gewapenderhand terug te nemen , maar de Ptaten-Generaal hebben eenvoudig te Versailles geklaagd.
Id. Th. a Hertzberg. De beschuldiging van de ministers , dat de Prins de hand heeft gehad in de beweging op het platteland is onwaar. Men verzekert, dat de Prinses kennis gehad heeft van brief en plakkaat. De Prinsenpartij heeft zeker schuld aan de beweging. Salm hecht te veel
139
aan zijne betrekkingen met de hoofden der aristocratie. De Prins moet zich aansluiten bij de gernatigxle regenten, die hij thans van zich afstoot door zijne onbegrijpelijke Anglomanie; ook Vérac moet hij in dit opzicht ontzien en Th. laat geene gelegenheid voorbijgaan om er op te wijzen.
18 Febr. Th. au Roi. De inkomsten des Keizers uit de Z. N. zijn in 1784 geweest f 12 mill. Brab., behalve de dons gratuits. In den 7jnrigeu oorlog gaven zij 80 mill., in den Beierschen 21 mill. Het geld wordt er schaarsch. Vérac sluit zica meer en meer aan bij » la Princesse d\'Orange et son époüxquot;.
22 Febr. De Staten van Friesland zijn vertoornd over enkele beweringen in de Apologie en willen eene rechtvaardiging geven van hun gedrag in den oorlog: » avec nombre de détails odieux pour le Princequot;, Brunswijk moet Aken verlaten. De Prinses zegt, dat zij van geene correspondentie weet. De Raadpensionaris wil aftreden , terwijl de Staten-Generaal de financiën en den regeerlngsvorm willen hervormen. Vérac blijft passief.
25 Febrr De resolutie der Staten omtrent den verjaardag van den Prins zal de landbevolking weder verbitteren en de beide partijen verder van elkander brengen. De Prins heeft aan Th. gezegd, dat Zweden troepen wil leveren tegen een subsidie-verdrag, waarvan hij dadelijk werk wil maken.
26 Febr. Hertzberg k Th. De Prinses heeft de Apologie niét gezien vóór het oogenblik van de uitgave.
1 Maart. Th, au Roi. De uitgave der Apologie is zeer ontijdig geweest. De Prins moet vooral Vérac ontzien. Generaal van der Hoop tracht den Prins te bewegen zich niet tegenover Maillebois te plauisen. Groote verbittering nog altijd tegen Brunswijk, vooral nu de Iveizer voor hem schijnt te zijn. De beweging over de resolutie betreflfeude den 8sten Maart neemt toe; de Prinses kan door hare raadgevingen veel doen om den Prins en de zijnen voor onvoorzichtigheden te bewaren.
4 Maart. Maillebois wordt alle dagen verwacht. De Prinses heeft hem in antwoord op eene opmerking van Z. M. verzekerd, dat de door Versailles hoog opgenomen woorden in do Apologie : »d\'après la paix ignominieuse que les Francais nous ont procurée quot;, niet heeft gestaan in dat stuk , » telle qu\'elle est émanée au moins de la chancellerie Stad-houdériennequot;.
8 Maart. Gilles en van Hees zijn afgetreden op verlangen dor patriotten. De uitingen van Salm omtrent de onveiligheid van Maastricht door do plannen van Brunswijk , hebben veel opzien gebaard. Salm is gehoord voor eene geheime commissie uit de. Staten-Generaal maar wankelde in zijn antwoord. Hij heeft gesproken van eene «permissionquot;, later van eene » injonctionquot; van Z. M. om de beide partijen tegen Brunswijk te waarschuwen. Hij is te vertrouwelijk geweest met de pensionarissen van Dort en Amsterdam.
\' 11 Maart. Harris heeft hem gezegd , dat de Keizer do Staten-Generaal alleen wil bevreesd maken en geen oorlog wenscht. Hij hoeft ook
140
verklaard, dat de binnenlandsche toestand vau Engeland niet toelaat zich te Weenen voor de Republiek in de bres te stellen , wat Th. wenschelijk had genoemd.
15 Maart. De oorlogstoerustingen worden met ijver voortgezet, de aanvulling der regimenten geschiedt met succes, vooral in Amsterdam en Rotterdam , hoewel ten koste der handelsraarine. Over 5 maanden zullen, naar men zich vleit, 50 000 man bijeen zijn, maar dan is het lot der Republiek wel reeds beslist. Het regiment van Salm kan ten minste marcheeren , al is het weinig geoefend. De Zweedsche kolonel Sprengporten krijgt een hoog traktement, maar mem is niet zeker van zijne talenten. Dumoulin zal in zes weken gereed zijn met de inundatie van Utrecht; Holland en Zeeland rekenen op den Bosch en Breda, maar vooral op het die plaatsen omringende water. Harris is naar Amsterdam gegaan, blijkbaar om vrienden voor Engeland te winnen. Utrecht is in onrust door democratische woelingen ; als de Prinsenpartij handig is, kan zij daar iets verrichten.
18 Maart. De zending- der twee gezanten naar Weenen , op aandrang van Frankrijk geschied is , zeer vernederend; het doel is wel het geven van satisfactie voor de beleediging der Oostenrijksche vlag op de Schelde. Vérac beeft in last de Republiek tot deze en andere stappen te dwingen. Men hoopt hier, dat dan eindelijk Frankrijk iets zal doen voor de Republiek, wat de natie daar reeds lang wenscht tegen den zin der Koningin en der hofpartij.
22 Maart. Th. beeft op bevel van Z. M. Salm onderhouden over zijne beweringen omtrent eene opdracht van Z. M. Hij heeft zich verontschuldigd met de bedoeling om de beide partijen te verzoenen. De patriotten hebben er zelfs ernstig aan gedacht Z. M. te bedanken en nog meer inlichtingen te verzoeken! Gelukkig is dit »desseiu absurdequot; opgegeven.
25 Maart. Maillebois is hier zeer vriendschappelijk ontvangen door de Prinses en den Prins, die hem zelfs nog vóór de eedsaflegging de lijst der troepen heeft gezonden. Dumoulin heeft hem den toestand der grensversterkingen uitgelegd.
29 Maart. Th. heeft met Maillebois gesproken. Deze vindt den militairen toestand ellendig en wil verscheidene officieren vervangen , o. a, den onervaren Prins van Hessen en den Engelschgezinden kommandant van Weideren te Maastricht. Hij kan niet werken met de autoriteiten en wil een comité voor militaire zaken ingesteld zien. Breda moet het middelpunt zijn der verdediging, gesteund door Bergen op Zoom en de vestingen in Zeeuwsch Vlaanderen , aan de andere zijde door den Bosch en andere vestingen; voor deze plaatsen zijn 20 000 man noodig maar de rest van het leger is dan onvoldoende. Zij, die troepen hebben bijeengebracht. Lebben alleen aan eigen voordeel gedacht. Ook hij wil verzoenend optreden tusschen de partijen. Do Prins is wel volgens hem »Angloisquot; in zijn hart, maar hij hoopt, dat deze, ten minste uiterlijk, dit zal verbergen. Brunswijk is de schuld van den toestand van het leger. De patriotten zijn nog zoo kwaad niet. De houding van den
141
Prins in militaire zaken is wel tot nu toe onzeker geweest, maar Th. hoopt, dat Maillebois dit zal verbeteren. Salm is woedend op den Prins van wege het verhoor , waaraan deze hem heeft onderworpen ten opzichte van zijne uitingen over Brunswijk. Th. heeft Salm over zijne woorden berispt en vooral over zijne uitlatingen tegenover de patriotten. De Staten-Generaal weigeren Overmaas en Vroenhoven af te staan en vragen opheldering omtrent het bedrag der schadeloosstelling en van de bepaling omtrent de Scheldekwestie.
1 April. De patriotten zijn ontevreden op Frankrijk wegens de weinige energie dezer mogendheid bij de verdediging der Republiek tegen den Keizer. Harris heeft aan de voornaamste regenten te Amsterdam eene verbintenis met Engeland aangeboden en zelfs in denzelfden geest de patriottenpartij bewerkt, maar Th. gelooft, dat de fransche partij zich nooit bij Engeland zal aansluiten. De Prins doet goed meer en meer bij Maillebois steun te zoeken en Th. tracht hem hiervan te overtuigen. De eigen troepen van Maillebois zullen beter zi jn dan de overige geworven legioenen. De artillerie-officier Bonnard heeft vergunning om tijdelijk in Hollandschen dienst te treden.
8 April. Maillebois staat vooral goed met de Prinses en laat den Prins zijne geliefkoosde détails over; Maillebois » se borne uniquement au travail de cabinet avec toute l\'activité possiblequot; en raadpleegt dagelijks met den Prins en den tresorier-gen. Bisdom. De HoUandsche bladen gaan veel te ver in hunne beweringen omtrent de berichten van Salm. Deze zal een officieel démenti van die berichten door zijne beschermers, de patriotten, moeten uitlokken.
8 April. Gesprek met Maillebois. Deze heeft den Prins gewezen op de langzaamheid zijner bureau\'s en op het voorbeeld van Z. M. in Pruisen. Hij heeft geen neiging om den Prins in zijne autoriteit als kapitein-generaal tegen te werken. De Prins moet, als Koning Frederik , » simplifier la machinequot;, zonder de verschillende deelen der administratie uit het oog te verliezen. De Prins had alles erkend » et avoua mème modestement, que 1\'éducation qu\'on lui avait donnée, n\'avait fait de luiqu\'un corporalquot;. »Devenez done généralquot; , zeide M., » je vous offre mes lumières , mon expérience , enfin tout ce que je possède; s\'il le faut, je deviendrai votre secrétaire quot;. Maillebois wil den zeer actieven Bentinck aan het hoofd stellen van het » bureau militaire quot;. Bovendien moet er voor de zaken der armee een «Conseilquot; zijn, waarin Maillebois zitting moet hebben. Maillebois is door de patriotten aangezocht maar rekent op Th. om hem bij den Prins te steunen. Hij wil een leger van 55 000 man, waarvan 30 000 altijd mobielen 25 000 in de garnizoenen. De patriotten hebben reeds gezegd, dat Maillebois hun man niet was.
12 April. Vérac en Maillebois dringen aan op krachtige verdedigingsmaatregelen en de laatste doet al zijn best om het HoUandsche leger te verbeteren. Hij is het, zooals hij aan Th. zeide, volkomen eens met Z. M., dat kanonnen en infanterie hier de hoofdzaak moeten zijn; de 4000 man kavallerie der Staten-Generaal zijn overvoldoende, als zij maar bruikbaar zijn. Hij vindt reeds veel tegenwerking, o. a.
442
wilden Delft en Leiden zijn legioen niet herbergen. Hij wil verder vaste kaders, afschaffing der ge breveteerde officieren , instelling van pensioenen , subsidietraktaten met Duitsche vorsten.
15 April. De patriotten vinden Maillebois te duur en beknibbelen op soldij , wapening enz Maillebois heeft zich tot de Prinses gewend met verzoek hem te waarschuwen voor mogelijke aanklachten en bezwaren bij den Prins tegen hem ingediend. Zij heeft dit beloofd, mits hij wederkeerig dit doet ten opzichte van de aanklachten enz. tegen den Prins.
Id. Th. a Hertzb. Wat de berichten omtrent Salm in de dagbladen betreft, het is moeilijk daaraan in het geheim iets te doen , want alles wordt ruchtbaar in dit land; vooral een stap bij Bleiswijk zou dadelijk bekend zijn bij de patriotten. Z. M. heeft het volgende geschreven: »Au reste comme il y a dans les papiers publics, qa\'on avait découvert une correspondance secrette entre le Due L. de Brunsvic et le Sr. de Slijpe , je serais curieux de savoir, si cela est vrai ou non , mais il faut me le dire simplement en deux mots, sans entrer dans un grand verbiage ii eet égardquot;. Th. heeft naar eisch geantwoord »sur cette injonction peu obligeantequot; maar te gelijk om meer bepaalde bevelen gevraagd omtrent zijne houding. Vou Goltz is altijd veel te voorzichtig in zijn optreden te Versailles.
19 April. Th. au Roi. Maillebois staat zeer goed met Prins en Prinses, maar heeft te kampen met gebrek aan geld in de schatkist der Staten-Generaal, ten gevolge van de langzame opbrengst der quoten, vooral door Friesland en Zeeland. De Prins doet al zijn best voor hem en zijn plan voor een kamp bij den Bosch en voor het te lichten legioen. De partij van deu Prins heeft de overhand behouden in de Staten van Gelderland.
22 April. De meeste patriotische regenten willen niets hooren van eene eenigszins vernederende schikking met den Keizer; Amsterdam en Bleiswijk wel. Maillebois gaat voort met zijne regelingen en heeft van den Prins diens gebouwen te Rijswijk tot woning gekregen.
26 April. Maillebois klaagt zeer over de langzaamheid en hetjage-i op détails van den Prins, waarop Th. hem deed opmerken , dat die langzaamheid dikwijls het gevolg is van de buitenlandsche woelingen en liet gebrek aan geld.
29 April. De patriotten zitten zeer in de war , daar er veel geld noodig is om de troepen behoorlijk voor den oorlog voor te bereiden. Maillebois wil veldmaarschalk zijn , maar Maasdam ook en men ziet op tegen het geven van het hooge traktement voor dien post aan twee officieren. Maillebois en de Prins hebben onaangenaamheden gehad over eene aide-de-camp , waartoe Maillebois zijn neef, den franschen kolonel d\'Aubespine , wilde benoemen , wat tegengewerkt werd door invloedrijke aanhangers van het Oranjehuis. Maillebois beschuldigde tegenover Th. den Prins van valschheid in dezen. Th. heeft toen gesproken met de Prinses en de Prins heeft daarna de houding zijner vrienden scherp gehekeld.
3 Mei. Hatris heeft Th. gezegd, dat hij den Prins van Wales zeer toegedaan was en dat » le règne malheureux de George III devrait être
143
efFacd des an 11 al es de la Grande Bretagne quot; —hoogst onvoorzichtig van den anders zoo handigen gezant. Vérac minacht Rusland misschien wal te veel. Th. heeft de memorie omtrent Salm nog niet durven aanbieden uit vrees voor publicatie van Salms geheele verhoor en de transactiën te Berlijn vanwege de patriotten.
6 Mei. De Staten-Generaal willen nog eenige kleine concessiën aan den Keizer doen omtrent de Scheldeforten. Vérac raadt de geëischte schadeloosstelling van 12 mill, met eene aanbieding van 6 mill, te beantwoorden maar tot nu toe beeft men er geen ooren naar. Bleiswijk is niet zeker van het gelukken der onderhandelingen.
10 Mei. Wassenaer ïwickel en van Leyden zijn als afgevaardigden naar Weenen aangewezen door Holland , dat dit dadelijk naar Frankrijk heeft bericht zonder op de overige gewesten te letten. Zoo krachtig heeft Vérac in Holland gewerkt voor den vrede met den Keizer. De Staten van Holland en vooral Amsterdam doen in de zaak der schadeloosstelling als echte kooplieden en marchandeeren; zonder te denken aan de eer van den Staat worden de kosten van een oorlog berekend om te zien , wat voordeeliger is. Zeeland wil oorlog in allen gevalle, Utrecht ook tot eiken prijs.
Id. Th. i Hertzberg. Th. heeft met Vérac gesproken over de Beiersche kwestie , maar schreef er niet over in zijn gewonen brief au Roi, omdat deze zeer op kortheid aandringt; dit is wel nadeelig voor de zaak »mais enfin , il faut La servir comme Elle le demandequot;. Het geheim van de door Pruisen voorbereide ligue tegen den Keizer is reeds doorgedrongen.
13 Mei. Th. au Roi. Brunswijk zal een Apologie publiceeren met interessante brieven er bij van den Raadpensionaris, zijn creatuur. De Engelsche handel breidt zich zelfs uit naar de Molukken en Batavia, volgens eene mededeeling van den Gouverneur-Generaal.
17 Mei. Do ijver der patriotten voor den vrede bekoelt merkelijk, nu zij de Beiersche kwestie op het tapijt zien ; enkele steden zeggen reeds, dat men veel te ver is gegaan met concessiën. Vérac zegt: »la paix n\'est pas faite- encore quot;, maar Th. gelooft het tegendeel. In de W. I. bezittingen der Republiek wordt gesproken ov.er eene eigene regeering gelijk op het vasteland van Amerika. In O. I. ziet het er niet fraai uit volgens de Suffren. Ceylon is in slechten staat van verdediging , vooral Trinconomale , dat dadelijk moet vallen voor iederen vijand.
20 Mei. De gezanten te Parijs hebben geschreven , dat er niet te rekenen valt op de Beiersche kwestie , maar Th. meent, dat hunne argumenten geen steek houden. Maillebois ziet den vrede niet gaarne en is verbaasd over den lichtvaardigen afstand der belangrijke Scheldeforten. Hij klaagt over de langzaamheid der Staten-Generaal en over tegenwerking. Van alle zijden begint de oorlogsijver in de Republiek te verflauwen, zelfs het denkbeeld van het kamp zal wel opgegeven worden. Maillebois vreest, dat de Keizer op eens een aanval zal doen.
24 Mei. De onzekerheid in de onderhandelingen duurt voort. De pa-
144
triotten klagen zeer over Frankrijk\'s houding en -willen niet toegeven.
27 Mei. Maillebois klaagt zeer over den invloed der Oostenrijkschge-zinde hofpartij te Versailles, waardoor Vérac en Vergennes genoopt worden tot hun aandrang in Holland op vrede. De (Jostenrijksche troepen schijnen zich te vereenigen en de Prins heeft de regimenten bevolen gereed te zijn om op het eerste hevel te marcheeren.
31 Mei. Het gerucht loopt, dat Oostenrijk voor Brunswijk wil optreden ; Vérac moet dit aan van Berckel onder de hand als mogelijk hebben voorgesteld. Dit zou de patriotten nog meer verbitteren dan de meest vernederende voorwaarden en Th. zou zich niet verbazen, als zij tot het uiterste weigerden hierin te treden.
3 Juni. De Oostenrijkers naderen in de Z. N. Men beweert, dat Luxemburg door de Franschen tijdelijk zal worden bezet om het garnizoen vrij te maken. De aartshertogin-landvoogdes spreekt telkens over de ondankbaarheid der Republiek jegens Brunswijk. Vérac heeft tot ergernis der patriotten openingen ten gunste van Brunswijk gedaan;
7 Juni. Maillebois klaagt over de houding van Versailles. Er is sprake van een verdrag tusschen Holland en Utrecht tot versterking van de Grebbe op de (jeldersche grens. Holland heeft beloofd de door den vijand bezette gewesten niet als in 1672 te willen berooven van hunne rechten. Brantsen meldt, dat er geen sprake is van eene bezetting van Luxemburg door de Franschen.
Id. Een vriend van Th., burgemeester en lid van het Secreet Besogne , heeft hem gezegd , dat er geen sprake is van een verbond (na den vrede) tusschen Frankrijk, den Keizer en de Republiek; dat Vergennes hierover niet kan gesproken hebben met Brantsen, zooals men beweerde.
10 Juni. Er is verschil tusschen Maillebois en den Prins, die weder zijn » défaut de dextérité quot; toont; bovendien werken de patriotten en Bérenger sterk op Maillebois. De Prins wil hem geen veldmaarschalk maken en werkt hem tegen bij benoemingen. De Prinses heeft haar best gedaan om den generaal te bevredigen, maar deze heeft thans twee memories aan de Staten-Generaal gepresenteerd: 1°. Résumé sommaire des objets, sur lesquels il a donné ses considérations ; 2°. Considérations présentées au Prince pour l\'établissement d\'un Département Militaire. De Prins had op het eerste in langen tijd niet geantwoord, zoodat Maillebois hem nu maar passeerde. De Prins bezit geen » talent de rnanier les espritsquot;, maar het is ook waar, dat dit plan hem alle autoriteit zou ontnemen. De Prins heeft Maillebois herinnerd , dat hij alleen generaal der infanterie was. Th. heeft Maillebois gesproken, maar kon alleen bewerken , dat deze zijne gehechtheid aan den Prins betuigde. Misschien kan Z. M. hem nog tot bedaren brengen met een enkel woord.
14 Juni. Maillebois wil president zijn van het voorgestelde college, maar het is onmogelijk met de constitutie der Republiek te rijmen, dat de Raad van State dan onder hem zou staan, wat hij wil. Hij wil de veranderingen in het leger te snel doorzetten en denkt niet aan
de nationale neigingen. De Prins heeft ook onvoorzichtig gedaan met Maillebois te verbitteren door de betuiging, dat hij alleen uit noodzakelijkheid het Département Militaire zou goedkeuren.
17 Juni. Bij de ergernis der patriotten over Frankrijk\'? houding steekt de Engelsche partij het hoofd op. De crisis voor de Fransche partij zal komen, als de kwestie van de leening ten behoeve van de schadeioos-stelling aan den Keizer aan de beurt komt. Maillebois zegt over Versailles : » la Reine n\'a point un génie supérieur mais elle est bien soufflée Zij wordt dikwijls door den Koning afgewezen maar toch dikwijls ten laatste aangehoord. Volgens M. buigt Vergennes zich voor hare partij om zijn post te behouden. M. meent ook, dat- de Koning nooit feitelijk de Republiek tot toegeven zal dwingen.
21 Juni. De deputatie naar Weenen zal heden vertrekken maar mag zich niet bemoeien met de schikking, die te Versailles wordt besproken ; zij heeft eene betuiging van vriendschap voor den Keizer en van hoop op het behoud zijner welwillendheid over te brengen ; verder eene loochening van vijandelijke bedoelingen bij het verzet der Republiek tegen de opening der Schelde. De nu weder ten opzichte van den Keizer gerustgestelde patriotten, te Utrecht vergaderd, maken zich gereed tot nieuwe aanvallen op den Prins. De Prins heeft aan Th. gezegd, dat hij misschien voor geweld zou bukken ten opzichte van zijn eigen persoon maar nooit zijne kinderen zou laten berooven van hunne rechten. Th. hoopt,, dat die flinkheid zal aanhouden , hoewel hij sterk twijfelt. De zaak van Brost is eindelijk genoeg onderzochten komt weder op het tapijt. Maillebois komt tegen het einde der maand terug van zijne inspectie der grenzen. Th. heeft reeds, voordat Z. M. het bevel daartoe gaf, in overleg met de Prinses getracht hem te bevredigen; als do Prins nu wilde toegeven, zou het goed gaan.
24 Juni. De patriottenpartij verdeelt zich thans in aristocraten en democraten , waarvan de Prins zou kunnen proflteeren , » s\'il savait flatter et manier les esprits avec souplessequot;. Maillebois wil vertrekken , als het verschil met den Prins blijft leiden tot » une bagarrequot;. De grondoorzaak van \'s Prinsen boosheid is » la crainte de passer dans le public pour ètre sous la tutèle du Général quot;. De Prins zeide tot Th. op diens verloogen: » le C. de M. a été appellé en Hollande pour commander sous mes ordres l\'armée de la République en cas de guerre, mais non pour me gouvernerquot;.
28 Juni. De Staten van Holland willen den Prins onder een Conseil stellen met den ijdelen titel van president en daarin laten beslissen bij meerderheid van stemmen. De Prins wil niets hooren van eene verzoening met Maillebois en de instelling van een Département Militaire , al werd dit ingericht naar zijn zin. Th. kan hem er maar niet toe brengen. Hij zegt: »il ne tolérerait jamais, que ceux que le sort avait placés au dessous de lui, osassent lui donner la loiquot;.
ld. Th. a Hertzberg. De poging van den Prins van Pruisen bij van Reede om de Republiek onder de hand te bewegen de oude pretentiën van Hohenlohe te honoreeren is niet zeer handig geweest; van Reede
10
146
had er niet officieel over moeten schrijven aan Fagel en Salm had den Prins niet zoo met een goeden uitslag- moeten vleien. De brief van de Gijselaer aan van Reede is naief van brutaliteit; juist de Gijselaer is de groote vijand van den Prins en doet al zijn best om dezen grof te Leleedigen. Hertzberg moet met van Reede de betrekkingen aanhouden , daar deze druk correspondeert met de patriotten; maar alles in het diepste geheim. Th. is dankbaar voor de kennisgeving van den brief van de Gijselaer aan van Reede (1).
1 Juli. Th. au Roi. Maillebois is terug maar wil het denkbeeld van een Département Militaire niet opgeven; hij staat thans in nauwe betrekking met de patriotten en gaat met velen van hen om, hoewel hij nog altijd zeer goed gezind is jegens de Prinses.
5 Juli. De Prinses heeft Th. medegedeeld , d.it zij zeer tevreden is over de resolutie der Staten van Holland omtrent de wapens; op die wijze moeten de patriotten doen , zullen de oogen der natie eindelijk opengaan voor hun drijven.
8 Juli. De Prins en Prinses gaan eerst op reis naar Breda, vervolgens naar het jubilé te Franeker. Dit is zeer verstandig. Zij moeten zich vertoonen om de populariteit te herwinnen; want de natie is nog altijd welgezind en de stadhouderlijke partij zou het hoofd wel opsteken , als zij beter werd aangevoerd. De Amerikanen drijven een grooten smokkelhandel op de Nederlandsche en Fransche bezittingen in W. I., waardoor de Hollandsche kooplieden zeer benadeeld worden en de stemming tegenover de nieuwe Republiek minder gunstig wordt.
12 Juli. De Raad van State heeft den Prins zijne meening gevraagd omtrent den naast hem te plaatsen Raad maar hij wil er niet van hooren, hoewel de Prinses, de generaals van der Hoop en Dumoulin en Thulemeyer zelf al hun best doen om hem over te halen. Maillebois heeft toenadering getoond en door bemiddeling van Thulemeyer met den Prins een gesprek gehad, dat zeer bevredigend afliep, zoodat hij nu medegaat naar Breda. Groningen en Gelderland zijn in de Staten-Generaal voor den Prins; Friesland, Utrecht en Overijssel worden kalmer gestemd ; alleen in Holland is nog overal gisting; overal ontstaan er vrijkorpsen. Het is te denken , dat de kooplieden en werklieden hiervan spoedig genoeg zullen krijgen , daar het hen in bun beroep belemmert. De kansen voor den Prins staan goed, nu aristocraten en democraten elkander in het haar vliegen. Nu moet de Prins toonen , wat hij vermag.
15 Juli. Thulemeyer is niet gerust over het antwoord van den Prins op het rapport van Maillebois over de vestingen op de grens. Dit antwoord kan alles weder bederven en, als het goed is, veel verbeteren, al blijven de regenten m Holland nog altijd te vreezen ; als de Prins
(1) Onder dezen brief staat in de kopie op het Rijksarchief in den Haag eene noot: »Is. B. toutes les lettres depuis le 28 Juin 1785 ont été déchiffrées sans en faire de minute ou brouillonquot;. Deze lacune loopt tot 6 Dec.
•147
dau zorgt, dat het bestuur verbeterd wordt. zal hij bet vertrouwen der natie kunnen terugwinnen.
19 Juli. Maillebois klaagt zeer. Van verschillende zijden wordt zijn rapport niet gunstig beoordeeld, daar hij veel te kort op reis was om alles goed te kunnen onderzoeken. Meu vindt over het algemeen ook zijne pretentiën wat al te groot.
22 Juli. Vérac zal vertrekken, wat Th. zeer spijt, daar hij gunstig over hem dacht. De Prinses heeft ook aan Th. haar spijt daarover te kennen gegeven, hoewel zij bet zeer betreurde, dat Vérac nooit met den Prins over zakeu sprak. Th. antwoordde hierop, dat dit misschien zeer goed was, daar zij het toch niet eens waren; Vaughuyon deed het wel maar maakte een handig gebruik van die gesprekken om den Prins te benadeelen.
26 Juli. Bérenger, de stokebrand, is gelukkig ook vertrokken. Als de Prins nu maar eenvoudig recht door zee gaat en niet zwak is en bovendien het bestuur verbetert, is er reeds zeer veel gewonnen. In Utrecht is de beweging onder de Oranjegezinde democratie zeer levendig. De Prinses is te Eotterdam met gejubel ontvangen.
29 Juli. Van der Hoop is wegens onaangenaamheden met Maillebois uit den dienst ontslagen. Als de Prins nu maar, al was het voor het oog, met dezen wilde samenwerken ! Maar hij is nu zeer bang voor raadgevers. Hij zou nu niet eens Brunswijk terugwenschen, »\'il s\'ap-plaudit plutót d\'être sorti de tutèlequot;. De Prinses alleen weet hem met zachtheid nu en dan nog te leiden.
2 Aug. Het gezantschapshotel van Frankrijk is nog altijd het toevluchtsoord der patriotten, »qui seraient bien peu de chosequot;, als Frankrijk hen niet steunde.
5 Aug. Maillebois verliest zeer veel invloed wegens de protectie van zijn neef d\'Aubespine en den man zijner vroegere maitresse, markies Cassine. Als de Prins nu gematigd antwoordt op het rapport, gaat alles goed, maar zijn » mauvaise humeurquot; is altijd te vreezen. De Prinses heeft Th. beloofd, dat zij in deze richting mede zal werken. Friesland wordt meer en meer welgezind en heeft zijne vrijkorpsen ontwapend. De crisis voor het huis van Oranje schijnt voorbij te zijn. Zij is gekomen tijdens den oorlog met Engeland , toen de kooplieden zooveel verliezen leden en de administratie der Marine van alle zijden ergernis opwekte tegenover den Prins. » C\'est alors qu\'une resolution, une expulsion même du Stadhouder étaient è. appréhender, si V. M. n\'avait écarté cette catastrophe par sa puissante interventionquot;. De Prins moet nu zorgen passief te blijven , daar zijne ongeschiktheid om met rnen-schen om te gaan zelfs zijn eigene partij op den duur van hem zou vervreemden Als de Prins de zaak niet bederft, zullen zijne zonen misschien, »s\'ils ont du talentquot;, den glans van het stadhouderschap kunnen herstellen.
12 Aug. Gesprek met den Prins. Hij wil volstrekt niets toegeven aan de eischen van Maillebois, die hij geheel op dezelfde lijn stelt als Maasdam en Lewe. Ai is Maillebois oud en zal hij weldra van het
148
tooneel verdwijnen , » ce n\'est pas Thomme qui fait le mal, c\'est l\'usurpationquot;. De Prinselijke partij wint telkens in omvang. Rotterdam toonde groot enthousiasme bij zijn bezoeK. De regenten zijn bang. Yan Ternietiging der stadhouderlijke macht is geen sprake meer , misschien nog van beperking.
16 Aug. Salm is plotseling in den nacht uit den Haag vertrokken , misschien in verband met de geruchten over een komplot te Aken tegen Brunswijk.
19 Aug. De kwestie te Amersfoort, zoo goed door van der Hoop aangevat, heeft de zaak van Oranje zeer bevorderd, daar de noodzakelijkheid van een stadhouder is gebleken.
23 Aug. De patriotten willen het recht van patent, dat den Prins toebehoort, beperken, geleerd door de Amersfoortsche kwestie. Dit moet hen benadeelen , terwijl zij bovendien van hun standpunt verkeerd hebben gedaan met het volk te wapenen. De democratische woelingen kunnen den Prins te stade komen , »s\'il peut réussir se tenir ö, 1\'écartquot;.
30 Aug. De Amsterdamsche regenten hebben den Prins verzocht om op zijne reis naar Friesland Amsterdam niet aan te doen , daar het volk zoo in gisting verkeert.
6 Sept. Volgens Maillehois is de Koningin »un présent que la Providence Divine a fait a la France dans sa colère et (l\'on) en verra avec le temps les funestes effetsquot;. Men gelooft hier, dat de gezant van Saksen aan de Republiek eene opneming in den Duitschen Bond heeft aangeboden , maar dit is even gegrond als een aanbod van dien aard , door Frankrijk aan Th. toegeschreven ! Sommige Hollandsche regenten hebben op een optreden van den Bond gewezen als een middel om den Keizer gunstiger te stemmen jegens de Republiek. Yérac staat tusschen de partijen in en wordt voor onbekwaam gehouden. Hij beantwoordt niet aan de gunstige verwachting , die Th. van hem had. De chargé d\'affaires Caillard is gedurende zijn verblijf te Parijs geheel omgeslagen en een vurig aanhanger der hofpartij aldaar geworden.
9 Sept. De volksbewegingen nemen toe; vooral te Leiden en den Haag is gisting. »Je prévois avec beaucoup de peine que nous sommes a la veille de voir éclater une commotion intérieure accompagnée peut-être d\'une effusion de sang. Le peuple, l\'armée de terre et la marine manifestent un attachement décidé pour la maison d\'Orange et ne demandent qu\'un homme de tête pour les conduire, mais la protection de la France assure aux Régens du parti patriotique une prépondérance, qu\'on ne saurait contesterquot;.
13 Sept. Z. M. wil weten , wat de intrigues van Harris uitwerken bij de patriotten? Th. heeft Harris gesproken. Hij betuigde niets openlijk te willen doen uit vrees van den Prins te benadeelen. Hij zeide verder , dat hij het land wilde losrukken uit de handen van Frankrijk en het het oude aanzien in Europa wilde teruggeven, tot eiken prijs een verbond met Frankrijk wilde tegenhouden. Hiervoor had hij goud met volle banden over. Th. zeide , dat dit ijdel werk was , omdat het land te rijk was om er met goud iets te kunnen doen ; dat de patriotten , de
149
heerscbende partij, eene aansluiting bij Frankrijk zochten om den Prins te overheerschen ; dat Harris vrienden moest zoeken te krijgen en op eene betere gelegenheid wachten om zijn doel te bereiken. Harris zeide: »Eh bien , les Provinces Unies sont done perdues et la Maison d\'Orange avec ellesquot; ! De garnizoenen der vestingen zijn versterkt. Maillebois1 verdedigingsplan wordt geroemd. Hij wil met Hessen-Philipstbal en van der Hoop uit den Bosch de verdediging leiden. Tb. gelooft, dat de Keizer alleen vertoon maakt om eenige millioenen meer van de Republiek te krijgen. Vérac toch zeide , dat in drie weken alles in orde zou zijn.
16 Sept. De oorlog is niet waarschijnlijk. Zeeland heeft al toegegeven na de bewegingen des Keizers tegen dat gewest, die misschien wel met Frankrijk afgesproken zijn. De wanorde neemt toe. Zeeland en Overijsel willen de opgeroepen troepen niet naar de grenzen laten gaan. » La Haye ressemble a une place de guerre quot; door ds vrees van vier of vijf pensionarissen voor het volk. Op het platteland patrouilleert overal de kavallerie om de naburige dorpen in bedwang te houden. »L\'anarchie et le désordre sont portés au comble quot; en de Prins weet geen raad. Hij wil absoluut naar zijne Duitsche Staten trekken, in weerwil van de pogingen van Fagel en anderen. Het afscheid van de Prinses , die naar Friesland ging, was treffend. De Prins is zelf met Maillebois naar Breda.
20 Sept. Thulemeyer zal Harris niet meer bezoeken om de achterdocht van Frankrijk te vermijden, ofschoon hij nooit verder tot dezen in betrekking heeft gestaan dan de bevelen van Z. M. reikten. Z. M. moet niets gelooven van de praatjes uit Versailles omtrent den Prins, daar zij afkomstig zijn van Vérac en deze ze heeft van de pensionarissen van Dort en Amsterdam.
23 Sept. Men zegt, dat Salm zich in Frankrijk zoolang heeftopgehouden om te voldoen aan eene opdracht der patriottenpartij , daar hij meer te Versailles dan te Parijs is geweest. Saint-Genies, die als »Autoinequot; verdacht staat van eene rol te hebben gespeeld iu de samenzwering tegen Brunswijk te Aken heeft de vlucht genomen , verkleed als kamerdienaar der hertogin d\'Halize , schoonzuster van Vérac.
ld. Th. e\\ Hertzberg. Antwoord op vragen. 1°. De Prins heeft geen schuld aan de volksbewegingen in den Haag, gericht tegen eenige oftlcieren van vrijkorpsen uit Leiden en Schiedam, die men verdacht van ook in den Haag eeu vrijkorps te willen oprichten ; 2°. de Prins heeft goed gehandeld, alleen te overijld de Staten van Holland bijeengeroepen , nadat het Hof hem ontzet had; 3°. het eenige middel om er iets aan te doen is te Versailles krachtig op te treden. Z. M. had geschreven : »pour moi je fais des voeux pour que tout ceci se passe tran-quillement, car dans la situation présente des choses je me trouve hors d\'état de pouvoir me mèler de tout celaquot;. Vérac gelooft alles, wat de patriotten hem vertellen , en is nog gevaarlijker dan de vorige gezanten , daar hij alles overbrieft. Von Goltz is ook nadeelig voor den Prins, daar hij die praatjes weèr in zijne depêches aan Z. M. opneemt. Z. M. zou goed doen, weder een brief te schrijven aan de Staten-
150
Generaal. Kan men Rusland niet voor de zaak interesseereu ? Th. wil het ook nog, als Z. M. het goedvindt, wel eens probeeren bij van Berckel en de Gijselaer , ofschoon hij er niet veel nut in ziet.
27 Sept. Th. au Roi. De brieven zullen heden worden overgereikt. Het schijnt, dat de Prins ernstig denkt over een vertrek naar zijne Duitsche Staten, maar dit is gevaarlijk. De Prins is nu te Breda.
27 Sept. Th. k Hertz berg. Ook Z. M. raadt den Prins niet heen te gaan maar overigens is Thulemeyer op het oogenblik zonder instructiën , als de Prins een wanhopigen stap doet.
30 Sept. Th. au Roi. De brieven hebben goed,gewerkt en de patriotten zeiven betuigen weder hunne goede gezindheid. Als de Prins slechts meer toenadering toonde en ordelijker bestuur voerde! Vérac heeft zich in heftige termen over den Prins beklaagd.
Id. Th. è Hertzberg. Het ware te hopen , dat de Prins wilde toestemmen in eeu » Conseil mixtequot;, volgens het voorstel in de dépêche van de Ministers, maar hij wil absoluut niet. Toch hoopt Th. de hoofden der patriotten nog te kunnen kalmeeren. Vérac zeirle zeer ten onrechte, dat de Prins sommige gewesten, vooral Zeeland, tot oorlog had willen bewegen ; hij zegt te willen medewerken tot de eendracht maar Th. gelooft dit niet, tenzij Z. M. er te Versailles op aandringt hem instructiën in dien geest te geven. Sedert 1782 duren nu reeds de aanvallen op den Prins, ontwijfelbaar door Frankrijk gesteund.
4 Oct. Th. au Roi. De Prins gaat heden naar Friesland. Het is te hopen , dat hij daar handelt naar den raad der Prinses. Deze weet er iedereen te winnen door haren eerbied voor de eigenaardige friesche gebruiken. De patriotten betuigen openlijk zeer tevreden te zijn over de preliminairen en offeren hun vaderland op aan » l\'espérance, peut-être la certitudequot; van den steun van Frankrijk tegen den Prins. Friesland is er tegen. De Prins had door den Haag moeten komen ; dan zou de zaak misschien geschikt zijn. Maar hij weigert dit te doen.
Id. Th. ii Hertzberg. De Courier van Kleef moet niet zoo tegenover Frankrijk ageeren , waardoor het Oranjehuis wordt benadeeld.
7 Oct. Th. au Roi. Alle provinciën behalve Holland keuren de preliminairen af. De Prins heeft op zijne reis veel gehechtheid aan zijn Huis gezien. Toen Th. Bleiswijk hierop wees en ook op den wensch van Z. M. om den Prins in het bevel hersteld te zien , antwoordde deze, dat zijn invloed » absolument nul quot; was, waardoor hij zich zeiven veroordeelt.
Id. Th. a Hertzberg. Hij wil liever niet den post te Weenen aanvaarden wegens het onvoldoende traktement en zijne toch reeds groote schulden, waardoor hij ook hier nauwelijks kan blijven. Zijne pogingen om de hoofden der patriotten te bewerken zijn ijdel; van Berckel en de Gijselaer lachen om Z. M. Vérac is nog minder vertrouwbaar dan zijne voorgangers.
10 Oct. Th. au Roi. Mailleboü is verzoend met den Prins, die hem na den dood van Maasdam het bevel over Breda heeft gegeven. Mail-lebois, door den Prins daartoe aangezocht, heeft de partijen willen verzoenen maar is niet geslaagd, zooals hij erkende.
151
14 Oct. Vérac wil nog minder vau den Prins weten dau Vaughuyon en is nog gevaarlijker. De bevelen aan von Goltz kunnen beslissen over het lot der Oranjes. De Prins heeft in Utrecht getriomfeerd door het besluit der Staten. Salm is terug en zegt geslaagd te zijn in de opdracht, hem door de patriotten gegeven. Het denkbeeld van een » Conseil mixtequot; is niet uitvoerbaar door het verzet van den Prins en van de regenten. Th. heeft getracht de patriotten met de Prinses in betrekking te brengen maar dit is mislukt, daar zij ontwijkend antwoordden.
18 Oct. Th. weet wel, dat de patriotten hem haten , wat Z. M. hem schreef, maar gelooft niet, dat de leden der Staten-Generaal zoo denken. Maillebois geeft zich veel moeite voor de verzoening maar altijd te vergeefs. De regenten eischen , dat de opvoeding der jonge Prinsen aan patriotten worde overgelaten , en willen aan de Prinses invloed geven. Maillebois begint gehaat te worden bij de patriotten. Van Ber-ckel, dj Gijselaer en Seeberg doen thans alles. Men zegt, dat zij zelfs een koerier naar Parijs hebben gezonden om te spreken over het antwoord op den brief van Z. M.; Fagel en van Lijnden zijn verdacht bij de patriotten.
21 Oct. Fagel heeft met Bleiswijk gesproken maar deze weigert iets voor den Prins te doen en zegt, dat de Staten den Prins kunnen bevelen , wat hij zal doen , maar niet in pourparlers met hem kunnen treden. De afwezigheid der prinselijke familie begint de patriotten te hinderen en men heeft Th. zelfs gevraagd, of hij er niets aan kan doen. Th. heeft gezegd, dat hij volstrekt geen invloed in die richting had en niet wist, of het nog lang kon duren.
25 Oct. Vérac wordt niet ten onrechte van langzaamheid in de zaak van den vrede beschuldigd. Hij is verrast door de houding van Holland. Luzac (Gazette de Leyde) is weinig vertrouwbaar als het liet Oranjehuis geldt, bijv. in de zaak van van Goeus ; dikwijls ook slecht ingelicht, zooals bijv. in het zoogenaamde antwoord van Holland op den brief van Z. M., dat nog niet eens bestaat, en in het bericht omtrent de aanvaarding door Maillebois van het bevel te Breda.
28 Oct. Larrey is thans het middelpunt der Oranjepartij in den Haag en Th. heeft hem afgeraden het adres der burgerij te laten doorgaan . terwijl de patriotten toch de:a Prins het bevel wel zullen teruggeven.
2 Nov. Bene vernietiging van het stadhouderschap is onmogelijk : de natie is overal zeer gehecht aan Oranje. Z. M. vraagt naar\'s Prinsen raadgevers, die zoo tegen den zin der patriotten zijn. Oranjegezinde regenten , die de aanstelling van zulke raadgevers bewerkt hebben , zijn er niet. In militaire zaken is van der Hoop \'sPrinsen raadsman; voor marinebelangen diens broeder, hoofd der admiraliteit van Amsterdam , en van Kinsbergen; in de politiek Fagel en van Lijnden en eenige burgemeesters. De Prins is dikwijls te driftig en zeer onvoorzichtig in zijne woorden over personen. Bisdom, de tres.-gen., Mol-lerus , secr. van den Raad van State, en Paulus , fiscaal in de admiraliteit van de Maas, zijn patriotten en hebben Oranjemannen vervangen. Wat
152
den Conseil betreft, de drie leiders zouden er niet eens in willen zitten , daar zij thans alle macht in handen hebben. Th. zal von Goltz te Versailles blijven inlichteü maar hij moet niet alles gelooven , wat van de patriotten komt; hij antwoordt soms niet eens op Th.\'s brieven.
Id. Th. k Hertzberg. De Prinses heeft hem gezegd , dat zij allen lof over had voor zijn ijver, voor het huis van Oranje en het zeer natuurlijk vond, dab het Triumviraat hem haatte. Von Goltz doet niets voor het huis van Oranje. De correspondentie van van Reede met de Gijselaer is zeer verdacht en zijne aangeboden bemiddeling (op 200 mijlen afstand) onmogelijk. Harris wil hem zelfs door van Lijnden laten terechtwijzen wegens zijne houding tegenover den Prins; van Reede schijnt over te loopen maar men moet hem niet verbitteren.
4 Nov. Th. au Roi. De reis in Friesland heeft daar veel goed gedaan. Brantsenburg, eerste gedeputeerde van Utrecht in de Staten-Generaal, wees er Th. onlangs op, dat de zaak van den Prins nog niet verloren was, als 5 provinciën hem steunen,
8 Nov. Th. heeft aan de Prinses bericht gezonden van den stap van Z. M. te Versailles. Inhoud van den brief der Staten van Holland aan Z. M. De Edelen hebben geprotesteerd tegen de beginselen daarin. Amsterdam heeft er uit geschrapt, «qu\'il serait a désirer que le Prince suivit les conseils éclairés de V. M.quot; , als eene uitnoodiging om tus-schenbeide te komen. De patriotten willen den Prins in alles onder de Staten plaatsen en rekenen op Frankrijk. De Prins moet zich maar houden aan de raadgevingen der Prinses en zich bedwingen. De terugkeer van den Prins naar den Haag is nog niet waarschijnlijk. Het Triumviraat heeft gespot met den brief van Z. M., vooral de Gijselaer.
ld. Th. a Hertzberg. Von Goltz laat zich beetnemen door de berichten uit Holland te Versailles Het zal noodig zijn den brief van Holland te beantwoorden en de argumentatie te bestrijden; daarbij moet oak eenigé lof voor Friesland en Utrecht komen.
11 Nov. Th. au Roi. Maillebois is geheel in onmin met de patriotten wegens zijne pogingen voor den Prins. Hij heeft het Triumviraat voorgesteld te onderhandelen door middel van geheel onzijdige regenten maar dit werd niet aangenomen en hij noemt ze nu »très malhonnêtes gensquot;, die hun eigen belang voorop stellen. Hij wil zelfs naar zijn land terugkeeren liever dan zich te onderwerpen. Het Triumviraat houdt zijne benoeming te Breda tegen. Men zegt, dat Salm hem den voet wil lichten ; deze is geheel voor de patriotten en laat zich niet uit over den Prins. De Oranjepartij is volkomen moedeloos door het optreden van het Triumviraat. Uit de berichten van von Goltz blijkt, dat Versailles niet van stelsel wil veranderen.
15 Nov. De trouwe regenten rekenen op Zr. Ms. steun. Z. M. moet den hrief van Holland beantwoorden en de Oranjepartij steunen.
18 Nov. De Prinses heeft Th. verzocht aan Z. M. hare dankbaarheid te betuigen en hem te verzoeken , vooral te Versailles op te treden. Th. heeft haar gesmeekt den Prins over te halen toch in deze omstandigheden wat te veinzen , ten einde het pas aan de Republiek zoo
153
nauw verbonden Frankrijk niet te verbitteren. Maillebois doet zijn best om te verzoenen, wat Vérac van hem verwijdert.
22 Nov. Het Triumviraat gaat thans te ver en valt den Prins zelfs aan in zijne bezittingen. De Prinses heeft het onmogelijke gedaan om den franschen gezant aan haar huis te verbinden maar alles te vergeefs. Toch is het een lichtpunt, dat Rendorp e. a. niet langer het juk der pensionarissen willen dragen.
25 Nov. Het is te hopen, dat Versailles het stadhouderschap niet geheel wil vernietigen. De Prinses merkte zeer juist op, dat het thans niet meer in Frankrijk\'s belang was de twisten aan te stoken, nu de alliantie gesloten was.
Id. Th. ö, Hertzberg. Z. M. heeft weder een onaangenamen brief geschreven: »il taxe de verbiage mon rapport du 11 Nov. et veut seu-lement savoir , si on chassera le Prince ou nonquot;. Waarom blijft de memorie aan de Staten van Holland zoo lang uit ? Als Z. M. het huis Oranje wil laten vallen, » il en est bien le maitrequot;.
29 Nov. Th. au Roi. Z. M. heeft aan ïh. ter beoordeeling gezonden de memorie om te antwoorden op den door Seeberg geredigeerden brief van de Staten van Holland. Te Versailles is de bron van het kwaad en als ven Goltz niet flinker optreedt, geeft alle moeite niets; von Goltz beantwoordt soms in maanden de brieven van Th. niet. Gelderland is het meest voor Oranje gezind In Holland heeft de Prins in de regeering te Rotterdam, Delft, Gouda en Brielle talrijke aanhangers\'; ook de Hollandsche Edelen zijn goed, maar dit beteekent weinig. In Zeeland vindt hij eenigen steun. In Utrecht staan Edelen en Geëligeerden tegenover de stad , die thans overwonnen is. In Overijssel zijn de steden alle zeer heftig iu de oppositie, al zijn er ook vrienden. In Friesland is de stemming na den oorlog veel verbeterd. In Groningen is alles in orde. In Drenthe handhaaft de drost van Heydenj de orde ; de onaangenaamheden op de doorreis te Meppel zijn het werk van onhandige vrienden.
2 Dec. Von Gultz heeft Th. geschreven , wat hij te Versailles voor den Prins heeft gedaan. Th. zal dit mededeelen aan de Prinses, zoodra hij haar langs een zekeren weg bericht kan zenden. Als Frankrijk wilde , was de Prins gered ; maar het ziet in hem den vertegenwoordiger der Engelsche factie en wil hem als zoodanig vernietigen. » Votre protection , Sire , est Tégide de la Maison stadhoudériennequot;. De Prins moet voorloopig passief blijven.
Id. Th. ii Hertzberg. Hij verwacht met ongeduld de memorie van Z. M, aan de Staten-Generaal. Hij vreest, dat in 1786 de stadhouderlijke macht zal vernietigd worden, al wil Z. M. ook alleen de takken opgeven om den stam te redden.
6 Dec. Th. au Roi. Harris is naar Amsterdam om den moed zijner vrienden aan te wakkeren, ten vervolge op zijne nota. De patriotten hebben de vijf groote steden gewonnen voor hun besluit omtrent het bevel in den Haag en nog twee andere zullen zich daarbij aansluiten. De crisis is sterk en de beloofde Memorie noodig.
9 Deo. De patriotten beweren, dat de Prins Middelburg heeft aan-
154
gezet zich tegen de fransche alliantie te verklaren. Dit is onjuist. De eerste gedeputeerde van Zeeland, van Lijnden van Blitterswijck , vertegenwoordiger van den Eersten Edele , heeft hierin zijne bevelen overschreden. De Prins heeft zich er zelfs tegen verzet. Th. heeft dit aan von Goltz en de Vérac medegedeeld. Deze laatste heeft Th. zijn goeden wil tot herstel der eendracht betuigd maar gezegd, dat hij nog geene instructies had. Th. heeft vruchteloos getracht hem over te halen de Resolutie van Holland tot afzetting van den Prins als komrnandant van den Haag tegen te houden. Bleiswijk heeft eenige hoop in dit opzicht gegeven maar is niet te vertrouwen. In vele steden is Th. goed ontvangen , vooral door de burgemeesters van Amsterdam , maar niets kan geschieden zonder Frankrijk. Th. heeft eenige uitdrukkingen in de Memorie gewijzigd en verzacht en zal ze heden overgeven.
13 Dec. De ïlemorie heeft goed gewerkt en de natie begint den vernederenden toestand tegenover Frankrijk zeer te verafschuwen. De Prinses heeft ook ingezien , dat men een deel van de minder essentieele voorrechten zou kunnen opgeven om de hoofdzaak te redden. De Prins wil niets hooren van een terugkeer naar den Haag. Bisdom heeft hem op het Loo bezocht, niet om hem tot terugkeer te bewegen maar om den staat van oorlog enz. te legelen. Th. heeft von Goltz er op gewezen , dat in de zaak van den Haag den Franschen gezant verzoenende instructiën dienden gegeven te worden. De Vérac is welgezind jegens Z. M. maar wordt beheerscht door de patriotten. De Raadpensionaris schijnt den goeden invloed der Memorie tegen te werken en heeft op eene aanmaning van Th. zuurzoet geantwoord, eenigszins ironisch : » que les Etats avaient effectivement de trés grandes obligations amp; V. M.quot;.
16 Dec. De Memorie werkt goed. Zelfs Bleiswijk is reeds wat beter gezind. Bleiswijk zeide eerst, dat de zaak van het bevel alleen de Staten van Holland en niet de Staten-Generaal aanging, maar eindigde toch hiermede , dat de eersten Z. M. hierin ter wille zouden zijn. Hij erkende, dat Amsterdam en Rotterdam de afzettingsresolutie niet wilden. De rondreis van Th. bij de burgemeesters gaf bevredigende resultaten, vooral te Amsterdam.
20 Dec. De Prinses is het met Th. eens, dat de bemoeiingen van Z. M. ten goede werken. Th. begrijpt zich niet, dat Vergen nes den geborneerden Vérac zulk een vertrouwen schenkt. De Prinses heeft geantwoord , dat eene officieele afkeuring van Middelburgs voorstel door van Lijnden namens den Prins thans overtollig zou zijn , nu Frankrijk toch reeds zijn doel heeft bereikt; vroeger ware zij zeer ge-wenscht geweest. De laugzaamheid van den Prins is onlangs weder gebleken bij de behandeling van een plan tot vermindering der lichte troepen , door den Raad van State aan den Prins aangeboden ; diens antwoord kwam 4 dagen te laat, zoodat de Raad zich eenvoudig met het rapport er over tot de Staten-Generaal richtte zonder zijne medewerking. Vérac is naar Amsterdam om die stad te doen toestemmen in de Resolutie.
155
23 Dec. De opschudding te Utrecht is aangelegd door de heftige patriotten Abhema en Bickers. De Prins zal op aandrang der Prinses tevreden zijn met eene eenvoudige herstelling der vroegere orde van zaken zonder bepaalde satisfactie. Th. moedigt Amsterdam en Rotterdam voortdurend aan ia hunne goede gezindheid. Vergennes eischt eene verklaring van den Prins ten gunste der alliantie maar de Prinses en Th. meenen, dat dit, nu Zeeland zich bij de overige gewesten heeft aangesloten, volkomen ongepast is. De laster der patriotten, tegenover den Prins te Versailles verspreid , houdt niet op.
Id. Th. è, Hertzberg. De krachtige houding van Z. M. tegenover de klachten van den franschen gezant over Th. hebben hem zeer bevredigd. Als Z. M. zoo voortgaat, zijn de patriotten gauw uitgepraat. Misschien zou de formatie van eeu paar korpsen in Kleef nog van meer invloed zijn.
27 Dec. Th. au Roi. Vérac zegt altijd , als Th. hem over de Haagsche zaak spreekt, dat hij geene instructiën hierover heeft. Als de Franschen niet willen medewerken , is alles gedaan. Indien de Hollandsche resolutie doorgaat en in Utrecht het reglement van 1674 valt, zullen ook in de overige provinciën de zaken veranderen ouder den druk der patriotten. De catastrophe van het huis Oranje zal, naar men zegt, in dezen winter nog komen. Th. wint terrein in Holland zelf.
Id. Th. i\\ Hertzberg. Von Goltz is de dupe te Versailles, daar Vergennes het met de patriotten eens is. Nu hebben zij weder Th. als de groote oorzaak van de houding des Prinsen aangevallen en zich over hem beklaagd. Ofschoon Z. M. hem weinig steunt en Versailles intrigeert , neemt Th\'s. ijver voor Oranje niet af. Hij is voortdurend in correspondentie met de Prinses en raadpleegt met haar. Men zegt, dat Prins Heinrich sedert zijne fransche reis zeer voor Vergennes is ingenomen en zijn verblijf te Rotterdam zeer schadelijk is voor de Oranjes , daar de Prins nu meent, dat Vergennes hemzelven inderdaad genegen is. Mocht Z. M. toch eindelijk eens van het tegeudeel overtuigd zijn en het intriguespel te Versailles doorzien!
30 Dec. Th. au Roi. De berichten van von Goltz omtrent de oogenblikkelijke goede gezindheid van Vergennes zijn voortreffelijk____als
Vergennes ten minste oprecht is. De zaak van Brest wordt nu weder tegen Kinsbergen gebruikt, die, naar men zegt, in Russischen dienst wil treden wegens de ondankbaarheid van zijn land.
1786. 3 Jan. Het goede voorbeeld door Utrecht gegeven met de handhaving van het reglement vaa 1674 zal werken in Gelderland en Overijssel. Amsterdam is zeer gematigd maar zal in de zaak van het kom-maudo wel neutraal blijven. Men zegt, dat de Keizer eene alliantie heeft aangeboden aan de piatriotten ; hat is interessant te weten , wat Frankrijk daarin doen zal. Vaughuyon leidt de onderhandelingen over eene alliantie met Spanje.
Id. Th. a Hertzberg. Hij is zeer gerust over den indruk der mededee-lingen van Vergennes aan Z. M. Zoowel Harris als Vérac wantrouwen hein (Th.). Reede is nog altijd verdacht wegens zijne briefwisseling met patriotten. Von Goltz doet niet veel en is niet zeer handig. De aanban-
156
gers van Oranje aarzelen een weinig, daar de patriotten steeds beweren , dat Z. M. het bij deze vertoogen laten zal.
6 Jan. Th. au Roi. Bleiswijk zegt, dat alles afhangt van de houding van Amsterdam; Th. heeft al zijn best gedaan om de overheden dier stad met den Prins te verzoenen en is gedeeltelijk geslaagd, daar de burgemeesters eene schikking voorstellen. Van Berckel echter, gesteund door de Fransche partij en eenige eerzuchtige jonge regenten , kan het nog winnen. Van Lijnden heeft aan Th. gezegd , dat hij het voorstel van den Middelburgschen burgemeester van Citters heeft doen intrekken , wel verre van het uit te lokken. Th. klaagt over de ongeregeldheid in de correspondentie van von Goltz , zoodat hij nog niet weet, of zijne brieven van 1 Nov. al zijn ontvangen en welken indruk de memorie van den 9den Dec. te Versailles heeft gemaakt. quot;Wat hij ziet, doet hem gelooven, dat Frankrijk den stadhouder wil maken tot een werktuig.
10 Jan. Cadeaux aan Lodewijk XVI, Vergennes en Vérac. Th. tracht voortdurend Amsterdam te winnen. Uit een gesprek met een patriotsch regent is gebleken, dat men den Prins de electie der magistraten wil ontnemen en de reglementen in Utrecht, Gelderland en Overijssel wil vernietigen.
Id. Th. è Hertzberg. Men ziet te Berlijn het gevaar nog niet in , hoewel het zeer duidelijk is. Th\'s. persoonlijke positie wordt steeds onaangenamer , daar de patriotten en Vérac hem haten , Harris hem wantrouwt wegens zijne gesprekken met Vérac. Z. M. heeft geschreven: » on parviendra seulement k le maintenir en place , c\'est lö, le non plus ultra de nos espérancesquot;, maar Th. heeft dit niet aan de Prinses durven zeggen uit vrees van haar te ontmoedigen, terwijl zij toch reeds ziek is van verdriet. Th. meent, dat hij zijn doel zou bereiken, als hij flink werd gesteund en als aan Vergennes werd duidelijk gemaakt, dat hij door den Prins te vervolgen Berlijn zou verbitteren. Th. heeft geen betrekking meer met den Prins en is altijd bang, dat deze den strijd zal beginnen ; met de Prinses is hij voortdurend in correspondentie, maar deze moet met de grootste voorzichtigheid plaatshebben, daar de post van de Staten-Generaal, soms zelfs van Holland is. De Prinses is zeer verstandig maar moet zeer oppassen met den driftigen Prins, die bovendien wantrouwend is en jaloersch op de talenten zijner vrouw. Th. heeft de Prinses gewezen op de noodzakelijkheid voor den Prins om de zaken wat sneller te doen gaan en zelfs verteld , dat een aanzienlijk patriot had gezegd, dat de Prins op het Loo moest blijven , als hij wilde, dat men gewoon werd alles zonder hem te doen. De kortheid der rapporten maakt ze onduidelijk maar Z. M. wil het zoo ! Oranjegezinden wenschen een gewapend optreden van Z. M. of ten minste eene opstelling van troepen aan de grens. Misschien zal het gebeuren als de verbanning — het laatste bedrijf — er is. Iedereen is overtuigd, dat die vertoogen voortaan nutteloos zijn, daar Versailles, de patriotsche agenten en Salm de patriotten al lang hebben genezen van hunne vroegere vrees hiervoor.
13 Jan. Th. au Roi. Amsterdam is nog niet besloten. Vérac antwoordt
157
altijd op dezelfde wijze bij iedere poging van Th. om hem tot samenwerking te bewegen. De Prinses is zeer verdrietig en hare gezondheid lijdt veel onder alles, wat haar treft. Men vreest voor tering: Z. M. moet haar bemoedigen.
17 Jan. De formatie van eenige bataljons aan de grens heeft de patriotten al bang gemaakt en men krijgt allerlei overdreven berichten. Van Berckel slaagt nog niet te Amsterdam.
ld. Th. ii Hertz berg. Al weder vijf postdagen voorbij en één brief van von Goltz ! en dat in deze omstandigheden ! Men moet flinker optreden en Th. den Regenten moed laten geven om op te treden voor den Prins. Reedes correspondentie met Salm is verdacht.
20 Jan. Th. au Roi. De Keizer zoskt toenadering tot Frankrijk en tot de patriotten. Vérac onderhandelt na de ontvangst van dépêches telkens met hen. Vergennes heeft te Weenen den Prins als de oorzaak van de langzaamheid der vroegere onderhandelingen voorgesteld.
24 Jan. Vergennes heeft aan Maillebois geschreven , dat hij de eendracht moest bevorderen , evenals aan Vérac ; de eerste antwoordde , dat het boven zijne krachten was, de laatste weet niet, wat te doen. Van Berckel staat nog altijd tegenover zijne overheden op dezelfde hoogte. Z. M. heeft Th. bevolen met von Goltz te correspondeeren maar deze antwoordt niet.
Id. Th. ü Hertzberg. Hij is dankbaar voor Hertzbergs goede diensten te zijnen behoeve , vooral bij den Prins van Pruisen. De metaorie van von Goltz bewijst duidelijk, dat Versailles alleen iets doet om van Z. M. af te komen maar altijd zeer weinig. Salm wordt zeer goed ingelicht uit Potsdam , bijv. omtrent de gezondheid van Z. M. De Prins verliest den moed en spreekt weder van dat heillooze vertrek naar zijne Duitsche Staten, dat alles zou bederven. Z. M. wil niets meer doen dan trachten » de maintenir simplement le Stadhoudératquot;, zooals hij schreef, maar dit mag de Prins niet weten.
27 Jan. Th. au Roi. Zweden roemt de patriotten zeer en wil ook in de alliantie treden na overleg met Versailles. Van Berckels invloed te Amsterdam is wankelend. Frankrijk heeft naast Vérac andere agenten, o. a. graaf de Grimould en graaf de Coëtlouri, die zeer druk met de patriotten en Vergennes handelen. Men denkt er over om Vaughuyon weder als gezant te zenden.
31 Jan. Maillebois heeft een tweeden brief van Vergennes ontvangen en tracht nu Versailles te overtuigen, dat Frankrijk zich bij den Prins moet aansluiten in zijn eigen belang, daar hij de blijvende macht representeert, terwijl de patriotten altijd zwak kunnen worden. Von Goltz schrijft, dat deze pogingen te Versailles sensatie wekken. Ook Maillebois meent, dat von Goltz flinker moet optreden , anders wordt hij door de Oostenrijksche partij gedupeerd.
3 Febr. De patriotten hebben geen zin in de alliantie met Zweden, daar zij vermoeden , dat het eigenlijk hun geld wil. De Prinses schrijft, dat de Prins bij gelegenheid van het cadeau aan Frankrijk ijverig mede wil werken om zijne goede gezindheid te toonen. Dit heeft Th.
158
dadelijk aan vou Goltz medegedeeld. De Prinses zou gaarne willen weten , op welke conditie Versailles wil medewerken tot het herstel in het kommando. Als Versailles wil, kan men wel een wegvindsn. De gedachte aan een vertrek naar Duitschland zal nu wel weder verdwijnen , dank zij Th.\'s bemoeiingen en vertoogen.
Id. Th. k Hertzberg. Hij zal aan Finckenstein en Z. M. niet laten blijken , dat hij afweet van den krachtigen stap van ven Goltz te Versailles. Toch is niet alles gewonnen , want de voorwaarden van de zijde van Versailles zullen wel hard zijn ; dit meent ook Z. M.
7 Febr. Th. au Roi. Salm gaat naar Parijs met eene opdracht der patriotten, naar het schijnt. Salm heeft veel invloed op Vérac en Vergennes, minder dan hij meent op de patriotten. Salm heeft beloofd bij de terugkomst der Prinselijke familie in den Haag van Berckel bij den Prins te brengen. Gesprek met Rendorp; het voorstel van van Berckel is nog niet geheel verworpen. Het Triumviraat houdt de verzoening tegen uit vrees voor verlies van invloed. De stappen van Vérac om de patriotten tot verzoening te bewegen zijn onbeteekenend.
Id. Th. ii Hertzberg. Het antwoord van Z. M. op de klachten tegen von Goltz en hemzelven is zeer bemoedigend. Vérac en de zeer in vloe lrijke legaiie^ecretaris Caillard zijn verlegen tegenover hem. Rendorp heeft gezegd , dat zijne partij geene vreemde inmenging met een leger ooit zou dulden , maar zich zou verdedigen tot den laatsten ademtocht. Dit zal wel een » gasconnade quot; zijn, want de Bataafsche moed is in den laatsten tijd niet bijzonder gebleken. Hij beweerde ook , dat de bemoeiingen van Z. M. kwaad zouden ge laan hebben ! Rendorp is An-glomaan en intiem met Harris.
10 Febr. Th. au Roi. Van Berckel doet nog altijd veel moeite voor zijn plan. De patriotten beweren, dat Frankrijk hun niets heeft gezegd omtrent de zaak van het kommando , wat niet overeen zou komen met de belofte van Vergennes aan von Goltz. De Prins moet voor einde Maart terugkomen wegens de belangrijke dingen , die er dan te doen zijn: 1°. de quoten , 2°. de landsverdediging.
14 Febr. Gelukkig was de president van de Raad van State een vriend van den Prins, anders zou deze gepasseerd zijn bij liet bevel aan de troepen om de Scheldeforten te ontruimen ! Nu is nog in alle haast een koerier naar het Loo gegaan om de handteekening des Prinsen op de patenten te krijgen. Amsterdam is nog niet besloten aangaande het voorstel van van Berckel. Vérac heeft bekend , dat zijne instructiën zeer algemeen waren en alleen in het algemeen spraken over herstel der eendracht; hij kon niets doen zonder krachtiger bevelen uit Versailles. Omtrent de Haagsche zaak durft hij daarom niets te doen. Dit wijst duidelijk op het plan van Frankrijk.
17 Febr. De Prinses bedankt Z. M. voor zijne belangstelling in hare gezondheid maar wil zich in deze omstandigheden niet sparen; zij zal haar man blijven raden zich naar den raad van Z. M. te richten. Amsterdam is nog altijd onzeker, al wint van Berckel veld. Maillebois e. a. zien weinig heil in de reis van Salm, dien_zij niet vertrouwen.
159
De Prins is zeer onvoorziclitig geweest met de weigering van twee door de bevolking gewilde gecommitteerden voor den Raad te Groningen. Th. heeft zijn best gedaan om de Prinses te bewegen den Prins dezen maatregel te doen intrekken , die Groningen zou kunnen doen afvallen en al het werk van ïh. vernietigen.
21 Febr. De gedeputeerde van Groningen, president van de week, heeft de deliberatie over de O. I. C. buiten den Prins om geopend, wat wel een gevolg kan zijn van de grove fout te Groningen. De Amsterdamsche burgemeesters, door Rendorp geleid , zijn nog altijd op den goeden weg; Rendorp heeft Th\'s. bezwaren tegen\'van Berckel\'s voorstel\' bij burgemeesters aangevoerd.
Id. Th. a Hertzberg. Het Triumviraat heeft bekend, dat Vérae hen had verzocht toenadering te bevorderen, maar zij hebben geweigerd. Amsterdam altijd door Rendorp nog op den goeden weg, maar het is zeer moeilijk , daar de jonge Regenten het met de patriotten houden. Als Vergennes maar mede wilde werken ! Salm gaat over een paar dagen naar Parijs.
24 Febr. Th.auRoi. Vérac heeft aan Th. gezegd, dat hij bevel heeft om de patriotten tot toenadering op te wekken ; dit bevel was echter zeer vaag. In de concrete zaak van het kommando is hij nog altijd zonder instructiën en dit houdt alles tegen, ook volgens Maillebois en Salm. Het schijnt uit een gepubliceerden brief, dat Maillebois de hand gehad heeft in het komplot tegen Brunswijk.
28 Febr. Vérac heeft hem gezegd, dat Salm maar met Vergennes moest spreken over de middelen om eendracht te bevorderen , daar deze de stemming der patriotten zoo goed kende.
2 Maart. Salm is vertrokken , terwijl het hem niet gelukt is benoemd ie worden tot overbrenger der geschenken. Salm is onvertrouwbaar door zijn haat tegen den Prins en zijne betrekkingen met de Regenten, die het komplot tegen Brunswijk te Aken hebben gesmeed. Het verzoeningsplan van Salm, Vérac en enkele hoofden der patriotten gaat gepaard met eene zeer essentieele vermindering der stadhouderlijke macht en moet dus geweigerd worden, tenzij Versailles het duet wijzigen.
7 Maart. Patrouilles in den Haag. Gisting bij het volk. Ue Staten zijn, bevreesd voor ongeregeldheden op 8 Maart, naar hunne steden gegaan. Vérac is nog altijd werkeloos , de correspondentie met Maillebois is gestaakt, daar zijne rondborstige taal niet behaagde. De Prins-gezinden in Friesland hebben , helaas, de gematigde patriotten tegengewerkt ; de Prins doet zeer onvoorzichtig met zijne aanhangers, hoe onbekwaam ook , te verdedigen tot eiken prijs.
Id. Th. a Hertzberg. Von lioltz verschuilt zich achter de door hem ontvangen bevelen om niet te zeer aan te dringen. Z. M. wil niets meer doen en antwoordde nog onlangs; » c\'est toujours la mème tirelire waarop het antwoord altijd hetzelfde moest blijven. Th. heeft het te Amsterdam doen voorkomen , alsof Z. M. zelf hem alles beval te zeggen , wat hij zeide , en het is hem daar lang gelukt de patriotten te bestrijden maar ru begint men in te zien, dat hij alleen zijne eigene
1G0
meening verkondigde. Krachtige steun ontbreekt hem steeds in weerwil van Hertzbergs welwillendheid. Hij weet wel, dat een gewapend optreden op een algemeenen oorlog zou uitloopeu, maar heeft toch krachtiger steun noodig, wil het Oranjehuis niet te gronde gaan. De correspondentie met von Goltz is altijd slap.
10 Maart. Th.auRoi. Het volk is ontevreden over het niet geschieden van feestelijkheden op 8 Maart. Als er een flink leider was, zou er zeker eene bloedige uitbarsting der volkswoede komen. De opdracht aan Salm luidt: voor te stellen den Prins geheel op zijde te zetten maar eene beperkte macht toe te kennen aan zijne kiudereu. Th. ziet hierin liet werk van Salm zelf, die zoo twist wil stoken in de stadhouderlijke familie en partij zelve. Rendorp werkt flink tegen van Berckel in de kommando-kwestie.
14 Maart. Amsterdam heeft met 21 tegen 15 stemmen de gewichtige resolutie voor den Prins aangenomen. Rendorp heeft hem de resolutie medegedeeld. Th. heeft haar medegedeeld aan de Prinses en, op raad van Rendorp, er op gewezen , dat de Prins op dezen grondslag moet medewerken, ilen zegt, dat eenige patricische familiëu ook in andere steden het juk der pensionarissen moede zijn.
Id. Th. a Hertzberg. Z. M. vertrouwt Salm ook niet. Ook Larrey meent, dat de Prins tevreden kan zijn met de resolutie. Op het Loo schijnt men dit, helaas , niet zoo geheel te meenen en klaagt over weinig steun van de zijde van Z. M., die zijne nicht aan haar lot overlaat. Hier is veel waars in , want Z. M. neemt niet eens notitie van Th\'.\'s optreden en slagen te Amsterdam. Rendorp beeft gezegd , dat de Prins verloren is, als hij nu niet toetreedt; hij merkte ook zeer juist op , dat de Staten den Prins onmogelijk alleen meester van de troepen kunnen laten uit vrees voor eene herhaling vau 1650.
17 Maart. Th.auRoi. De Prins heeft geantwoord, dat de resolutie twee kanten had, maar alles te zamengenomen toch feitelijk alles gaf, wat men thans mocht verwachten. Het gerucht wil echter , dat de Prins niet zal toegeven. Rendorp heeft gezegd, dat deze in dat geval verloren was; men had wel niets te vreezen van Willem V, als men de troepen geheel in zijne hand gaf, maar misschien wel van zijne opvolgers , getuige 1650, vooral sedert de patriotten (zeer onhandig) de troepen van zich hebben vervreemd. Z. M. zou goed doen zijn gevoelen in deze zeer gewichtige omstandigheden aan den Prins kenbaar te maken. Van Berckel heeft 11 Regenten van Amsterdam tot een protest tegen de resolutie voor den Prins bewogen. De houding van het Triumviraat komt niet overeen met de belofte van Vergeunes. Z. M. heeft hem verwezen-naar von Goltz om de stemming van Versailles te vernemen, maar diens correspondentie is zeer ongeregeld , zoodat heden eerst na zes weken weder een brief is ingekomen, de derde in dit jaar\'. De plannen dei-patriotten zijn gericht tegen : 1°. de electie der magistraten , 2°. de reglementen in Gelderland, Utrecht en Overijssel, 3°. het recht der patenten.
21 Maart. De Prins heeft zeer gematigd en verstandig geantwoord op de onbehoorlijke Friesche brieven. De positie is evenwel kritiek en
1(31
het is noodig, dat Z. M. de Oranjeg-ezinden krachtig steunt, vooral door flinker optreden te Versailles. In Utrecht beginnen de Oranjege-zinden te wanhopen en roepen om hulp van Z. M.; Yérac heeft\' nog altijd geene instructiën en de goede trouw van Versailles is zeer verdacht. In alle steden verschijnen Fransche agenten om de patriotten aau te moedigen. Coëtloën is de man geweest, die te Amsterdam het protest heeft aangeraden. Hooft en van Berckel zeiden zelfs, dat zij de zekerheid hadden, dat Frankrijk hen niet zou tegenhouden, als de Prins op zijde werd gezet of ten minste beperkt, en dat zij van Z. LI. niets te vreezen hadden. De beweging van den 17den in den Haag is door den ijverenden de Gijselaer zelf uitgelokt.
Id. Th. a Hertzberg. Kenige » cervaux brülésquot; van de heffe des volks hebben in den Haag weder alles bedorven , wat door de resolutie gewonnen was. Ook te Utrecht gaat het slecht. Th. zal zien , wat hij nog bij Bendorp doen kan , maar er is niets van te wachten , als Z. M. niet krachtig optreedt te Versailles en te Berlijn bij den Franscheu gezant. Th.\'s positie wordt zoo onhoudbaar. Von Goltz blijft altijd slap en zijne woordenrijke letteren geven geen nieuws.
24 Maart. Th. auRoi. Maillebois heeft Vergenues weder gewezen op den ellendigen toestand, die alleen kon verbeteren, als Frankrijk en Pruisen samenwerkten: Frankrijk op de patriotten , Pruisen op den Prins. Maillebois erkende bij Th. , dat Vérac blijkbaar niets begreep van de instellingen der Republiek en lui was. De patriotten zijn zeer bevreesd voor het volk en beschermen zich door gewapende burgers en boeren. Te Delft is een Oranjekorps van eenige honderden leden. De katholieke priesters steunen de patriotten met hun invloed om het volk rustig te houden, daar zij op verdraagzaamheid van de patriotsche zijde rekenen.
21 Maart. Th. heeft de bevelen van Z. M. omtrent de houding des Prinsen tegenover de resolutie aau dezen overgebracht door middel van de Prinses. Hij zal naar het Loo gaan, als het noodig blijkt. Rendorp heeft goede verwachting van den uitslag dezer pogingen ; hij had reeds 13 stemmen van de 19 gewonnen in de Staten van Holland, toen het tumult van den 17den alles kwam bederven. Het Triumviraat heeft er op gewezen als een bewijs, hoe noodig het is het kommando niet aan den Prins te laten. Ook Rendorp meent, dat één woord van Frankrijk den storm zou bezweren, maar hij vreest, dat het dit woord niet zal spreken, als hij let op de handelingen van Vérac.
id. Th. :i Hertzberg. Z. M. heeft niet geantwoord op het voorstel om Rendorp en zijne collega\'s door een compliment aan te moedigen. Z. M. heeft aan hüm ook niets aangenaams gezegd maar hij is dit sedert eenigen tijd gewend en vindt zijne troost in de goedkeuring van Hertzberg. Z. M. is een groot man , »mais la reconnaissance n\'est pas la vertu , qu\'il a le plus cultivéequot;. Er is zeker een streng plichtgevoel noodig om niet ontmoedigd te worden. Hij hoopt op eene betere toekomst. Z. M. heeft geschreven: »j\'ai fait tout ce qui a dépendu de moi pour porter la France a s\'intéresser en faveur du Prince et ce serait agir imprudemment d\'aller au delö. Voilé, la chose du moins en bon
11
1C2
train, ce dont je suis tres charmé, et pourvu que le Priuce évite de donner dans de nouveaux écarts, je crois que celi pourra tourner de manière ö, le sauver; mais la facon de négocierpour cela en France, que vous proposez, ne va pas du toutquot;. Als Z. M. meent, dat de Hollandsche troebelen een oorlog tusschen Pruisen en den Keizer kunnen verwekken, heeft hij misschien gelijk, -want Reischach heeft, naar men zegt, bevel om de patriotten den steun des Keizers aan te bieden , als zij iets van Pruisen vreezen. Misschien wil Hertz berg dit laatste aan den Prins van Pruisen merledeelen om dezen te waarschuwen voor de plannen des Keizers. Rendorp is een groot bewonderaar van Hertz-berg en herinnert zich met veel genoegen de kennismaking met hem.
30 Maart. Frédéric a Finckenstein. De Prins doet alles om zijne zaak te bederven en heeft den pruikenmaker zeker opgestookt. Th. zond hierover verkeerde berichten. »J\'ai écrit hier lè bas (au Prince) que je ne me mèlerais plus de ses affaires, s\'il voulait les gamp;terquot;. De Prins moet ophouden met die volksbewegingen , »eet te bètise de se mêler avec le petit peuple, cela lui cassera le colquot;, daar de aristocraten immers met de troepen en hunne macht kunnen doen, wat zij willen. Als Frankrijk het eischt, wil Z. M. Thulemeyer terugroepen , op wien hij boos is wegens zijne verkeerde inlichtingen omtrent het oproer.
31 Maart. Th. au Roi. St. üenies, gewezen fransch officier en leider van het komplot tegen Brunswijk te Aken , is in den Haag onder bescherming van zijn medeplichtige, de Gijselaer. De anarchie is overal ongeloofelijk gróót, zoodat op eene leening van eenige millioenen , door de Staten-Generaal uitgeschreven, slechts voor f 130 000 is geteekend, terwijl het vorige jaar de Staatsobligatiën 215 pet. stonden! Van Velzen, geneesheer aan het Hof, heeft geschreven , dat de Prinses aan waterzucht schijnt te lijden. De Prins houdt zich goed maar wordt zeer ernstig onder den indruk der moeilijkheden. Vérac is nog altijd zonder instructiën omtrent de Haagsche kwestie maar Coëtloën heeft de Hollandsche steden bezocht om hen te bemoedigen tegenover de resolutie van Amsterdam en heeft zelfs gezegd, dat de afschaffing van het stadhouderschap nood ig is. Vérac liet zich ontvallen, dat zijne regeering hem had bevolen den patriotten te zeggen , dat Frankrijk de Staten in hunne souvereiniteits-rechten zou handhaven.
Id. Th. a Hertzberg. Vérac heeft tegenover hem alle nieuwigheden , door de patriotten ingevoerd, verdedigd. Rendorp is degene, die hem de intrigues van Coëtloën heeft medegedeeld. Toen Th. Vérac hierover sprak, viel deze uit, dat C. alleen aan den Koning rekenschap schuldig was en aan hemzelven en dat hij niet wist, of Th. als gezant sprak. Hij antwoordde, dat hij overtuigd was, dat Vérac deed naar de bevelen van den Koning maar dat zijn goede raad aan de patriotten slecht werd gevolgd. Vérac is geheel en al door de patriotten ingenomen tegen Oranje. Th. wanhoopt aan den goeden wil van Frankrijk ; zoo zal men er niet komen !
4 April. Tb. au Roi. Th. beklaagt zich over de beschuldiging van Z. M., dat hij het oproer verkeerd had voorgesteld »dans la vue,
103
comme V. M. a trouvé bon de s\'exprimer, de tirer quelque pension de la Princesse d\'Orange en disculpant le Prince, son Epouxquot;. Zoo iets meent hij niet verdiend te hebben. Bauer, een der aanleggers van het komplot, is naar Gelderland gevlucht maar de Prins heeft hem laten verwijderen en hem zijne verontwaardiging doen kennen. De zaak van Amsterdam heeft Th. zeer gehaat gemaakt bij de patriotten.
Id. Th. è Hertzberg. Z. M. had hem o. a. geschreven : «Jevouspaye pour m\'écrire la vérité. Loin de le faire, vous voulez disculper le Prince d\'Orange. C\'est me tromper et si vous continuaz sur ce pied , vous me forcerez a vous mettre dehors tout de sui^equot;. Bovendien moest hij aan den Prins zeggen, dat, als deze zoo deed , Z. M. r.ich niet meer met hem zou bemoeien. Th. heeft geantwoord » avec une fermeté décente quot; en wil zich voorloopig met niets inlaten , nu Z. M. hem zoo behandelt voor zijne waarschuwingen.
7 April. Th. au Roi. Amsterdam blijft standvastig en de Prins toegevend gezind. De Prinses heeft verzekerd , dat de Prins zich naar den raad van Z. M. wil schikken en toenaderen tot de gematigde patriotten. Zij betreurt het oproer van 17 Maart. De Prins moet zijne vrienden , die dergelijke zaken bevorderen , in toom houden. Velzen verloochent den brief over de waterzucht maar men meent in \'s Prinsen omgeving verschijnselen van dien aard te zien.
Id. Th. ö, Hertzberg. Als Z. M. hem terugroept, zal hij gaan met een gerust geweten. Z. M. schreef heden weder: » Je suis bien mécontent de tout cela, c\'est a dire du Prince d\'Orange, car je vois, qu\'il prépare sa perte de gayeté de coeurquot;. Vergennes\' klachten over hem zijn weder fraai. Harris negeert hem , zelfs als hij het geheele corps diplomatique inviteert; het is dus bijna ongeloofelijk , dat Vérac hem van knoeierij met Harris verdenkt. Hij moet zich nu zeer voorzichtig over den Prins uitlaten tegenover Z. M. maar zal zich richten naar de instructiën van Hertzberg.
11 April. Th. au Roi. Van Berckel heeft te Amsterdam een verbond met den Keizer aangeraden maar men is er daar niet voor en ook Frankrijk schijnt het niet te willen, hoewel Vérac en Rfischach zeer intiem zijn. Rendorp keurt het af, dat Harris denkt over openlijke stappen ten gunste van den Prins , daar dit alles zou bederven; hij vindt de Fran-sche alliantie wel niet goed maar wil, als een goed burger, het heer-scbende systeem eerbiedigen. Th. kan Harris niet bewerken, daar hij het beter vindt om alle verdenking te vermijden zich niet met dezen in te laten.
Id. Th. amp; Hertzberg. Hij is nog altijd zeer getroffen door de verwijten van Z. M., al begint deze zich nu meer tegen den Prins uit te laten. Z.M. schreef, dat de Prins den pruikenmaker had moeten tegenhouden. Verder; »tout le monde sait, que eet esclandre a été mis en oeuvre par le S. Harrisquot;. Th. zal het antwoord maar aan de Prinses overlaten. Z. M. heeft de berichten zeker uit de Gazette de Leyde, een zeer apokrief kanaal. Wat Harris betreft, die koerier, na het gebeurde afgezonden, kan wel over het Haagsche kommando gezonden zijn. Th.
kan Harris niet sondeereu , om dezelfde reden als boven. De voorstellen vanSalm, door von Goltz gemeld, zijn ouaamiemelijk : 1°. het Reglement in Overijssel en Ltrecht kan niet opgeofferd worden aan denzin van de enkele steden, die er in die gewesten tegen zijn , 2°. de verwijdering der aanzienlijke personen, tevens gouvernementsleden , van hot Hof is een absurde eiscb. Von Goltz moet van Salm de plannen der patriotten te weten zien te komen. Salm zelf wil generaal-majoor worden maar hij heeft nog een dozijn kolonels vóór zich en Th. kan dus niet voor hem doen , wat deze aan von Goltz heeft gevraagd. Hieruit blijkt echter zijn drijfveer.
14 April. Th. au Roi. Geen nieuws over de zaken van den Prins; dit is tijd gewonnen om Amsterdam te bewerken over de kwestie der prerogatieven van den kap.-gen. De Prins heeft toegegeven aan den aandrang der Prinses en wil onderhandelen met Overijssel over wijziging van het Reglement. De Staten-Generaal hebben besloten het legioen Mail-lebois af te danken tot ergernis van den generaal en van Vérac; ook de brigade Hessen en alle lichte troepen , behalve het legioen Salm.
ld. Tb. ii Hertzberg. De voorstellen van Salm zijn dwaas, ook in de oogen van een zeer aanzienlijk Oranjegezinde, die verwachtte, dat Z. M. er niet met Frankrijk over zou onderhandelen zonder den Prins te hebben geraadpleegd. De Prins is, ook volgens zijne aanhangers, zwak, driftig en onvoorzichtig maar buiten twijfel eerlijk en oprecht. Als hij eens » prend le mors aux dents kan men vreemde dingen verwachten. In Sept. nog zeide hij aan Th., dat hij geen bevelen van Z. M. behoefde te ontvangen en dat hij even goed souverein üuitsch vorst was als deze. Th. merkte toen op , dat Z. M. zijn beschermer was en als zoodanig ontzien moest worden, maar hij weet niat, wat te doen, als deze bescherming ophoudt. Vérac is eerlijk maar de dupe van den ijverenden secretaris Caillard en de patriotten. In het begin naderde hij zeer tot de Prinses maar beeft dit moeten laten en is toen buiten de maat gegaan. Salm heeft, naar men zegt, opdracht oto Coëtloën als gezant te vragen , die bet geheel met de patriotten eens is en » de la boutique de Vaughuyonquot;. Tb. durft niets meer ten gunste van den Prins te schrijven en denkt een goed heenkomen te zoeken, als de zaken niet van aard veranderen » Quant a mes rapports, V. Excellence en recevra souvent de trés iusipidesquot;. Hij zal de zaken laten loopen , zooals zij loopen.
18 April. Th. au Roi. Van de 19 stemmen in de Staten van Holland ziju er 10 voor de goede zaak gewonnen, volgens mededeelingen uit Amsterdam. De pogingen der patriotten om de regeering van Rotterdam om te zetten willen niet gelukken. De Staten van Overijssel wijken niet voor de steden. De Edelen hebben in Gelderland de zaak van den Prins gered. In Friesland hoopt men de kalmte te kunnen herstellen. De Prinses heeft hem verzocht aan Z. M. te verklaren , dat de Prins de beweging zou hebben tegengehouden, als hij er van geweten had. Ook de Prins is zeer gevoelig voor de verdenking van Z. M. Vérac moet den patriotten en Bleiswijck hebben gezegd, dat de Koning van
165
Frankrijk de onafhankelijkheid der Republiek , met name der Staten van Holland , zou beschermen en iedere buitenlandsche inmenging\' zou verhinderen. De bron van dit bericht is zeer goed. Th. gelooft het ook daarom , omdat Vérae zich tegenover hem onlangs iets dergelijks liet ontvallen.
Id. Th. t\'i Hertzberg. Nog altijd is hij gevoelig over de berisping van Z. M. Von Goltz meent, dat de resolutie van Amsterdam aan Frankrijk te danken is ! Hij begrijpt niets van de instellingen der Republiek en handelt met onvergefelijke zorgelooshei 1. Het is te vreezen , dat de Prins boos zal worden over de voortdurende berispingen van Z. M. en dan onhandelbaar zal zijn. De Prinses klaagt zeer ovsr Z. M,, die zooveel gewicht hecht aan de berichten van het vijandige Versailles , geïnspireerd door de patriotten. Zij heeft hem verzocht Z. M. te verzekeren , dat de Prins geen kennis gehad heeft van het oproer en, had bij deze gehad, het zou hebben verhinderd. Niemand is minder geneigd dan de Prins, schreef zij, om dergelijke middelen aan te grijpen. Th. zal in een volgend rapport hieromtrent mededeeling doen.
21 April. Th. au Roi. Zelfs in Indië is strijd, daar de gerechtshoven zich verzetten tegen den Gouverneur, zoowel in quot;W. I. en Guyana als in O. I. In Utrecht, Gelderland en Overijsel gaat alles goed. Maillebois beweert, dat de tweede conferentie van Vergennes met Salm minder goed voor dezen is afgeloopen , daar men zijne eerzuchtige plannen doorzag. Het legioen Maillebois is met zeer onbehoorlijken spoed in 3 dagen afgedankt en uit den Bosch verwezen. Th. hoopt, dat de betuigingen van Esterno omtrent de goede gezindheid van Versailles oprecht zijn ; als Vergennes de resolutie van Amsterdam wil aannemen , zal de Prins dit ook doen , naar Th. meent. Wat den Raad van Oorlog betreft, deze is nuttig, als er alleen kwestie is van geregelde samenkomsten en een Bureau Militaire; maar als die raad alle oorlogszaken wil bestieren , moet hij in confliot komen met den Raad van State, aan wier hoofd de Prins staat.
Id. Th. Hertzberg. Hij bedankt hem voor de kennismaking met het rapport van Finckenstein aan Z. M. en hij zal die mededeelingen ter gelegener tijd bij de Prinses gebruiken. Het zal noodig zijn naar het Loo te gaan om de Prinses op de hoogte te brengen maar hij wil dit niet doen op eigen gezag uit vrees van zich te comprocnitteeren. Kan Finckenstein geen bevelen in dien geest uitlokken, zonder dat Z. M. bemerkt, dat het op Th.\'s verzoek geschiedt? De laatste brief van von Goltz voorspelt harde eischen aan den Prins van Fransche zijde. Het is jammer, dat Finckenstein Z. M. niet heeft kunnjn kalmeeren aangaande de zaak van den Prins, maar er bestaat zeer zeker geen verband tusschen dezen en Harris , zooals Z. M. vermoedt.
25 April. Th. au Roi. Vérac heeft alle voorstellen met de patriotten besproken en ze naar hun zin ingericht. Harris gaat heden voor eenige dagen naar Arasterdam; hoewel hij geen betrekkingen heeft met het Loo, is hij toch een gevaarlijk intrigant. Reudorp en Amsterdam zijn altijd goed gezind. Bendorp zeide, dat hij dagelijks terrein won in de
! liü
Staten. Ook hij meent, dat Vergeunes de patriotten wat moet doen toegeven, gelijk de Prins wat moet toenaderen. Th. heeft aan de Prinses de voorstellen van d\'Esterno en Salm doen toekomen. Zij antwoordde, dat de Prins en zij wel genegen waren direct met Versailles (e onderhandelen maar dat Salm\'s voorstellen geheel onaannemelijk waren ; zij hoopt, dat Z. M. niets zonder hare voorkennis met Esterno zal afspreken. Zij erkent, dat betere administratie in militaire zaken noodig is, maar zegt ook, dat de instelling van een Département Militaire altijd een harde voorwaarde is en zelfs onaannemelijk, op de wijze zooals Salm dit wil. Eene schikking is nuttig maar men moet den Prins vrijlaten in de keuze der middelen en als de Staten zich beklagen over langzaamheid, moeten zij den Prins ook de gelegenheid laten zich te verdedigen.
Id. Th. a Hertzberg. Het verwondert hem niet, dat ook Hertzberg Salm\'s voorstellen onaannemelijk vindt. Salm is geheel het orgaan van het Triumviraat. De Memorie van Vérac over de twisten is zeer onaangenaam voor Pruisen, wat ook de welgezinden erkennen. Misschien is het goed deze met eene Pruisische Memorie te beantwoorden om de welgezinden gerust te stellen. Met 1 Mei houdt le commissie van Rendorp als gedeputeerde in den Haag, helaas, op, zoodat het dan moeilijk zal zijn met hem te overleggen , daar Th.\'s kas hem niet vergunt talrijke reizen naar Amsterdam le doen. Rendorp vroeg, hoe de Prins van Pruisen over de Hollandsche zaken denkt. Verzoek om een nieuw cijferschrift, daar het bestaande zeer oud is. Als de Memorie gezonden wordt, zou Th. deze gaarne eerst in minuut ontvangen om met de welgezinde leden van de regeering van Amsterdam te raadplegen over het tijdstip van indiening en de eventueele wijzigingen.
25 April. Frédéric aux Ministres. De beschuldiging tegen Thule-meyer was ongegrond.
28 April. Th. au Roi. Bij de ziekte van Bleiswijk is Gijselaer aangewezen als zijn plaatsvervanger met 13 tegen 6 stemmen. Rendorp , de ziel van Amsterdam, was ongelukkig juist ziek. Van Berckel heeft eecige malen échec geleden in den Raad. Rendorp zegt, dat vele regenten het Triumviraat moede zijn. Maillebois wil vertrekken en gaat eerst naar het Loo, dan naar zijn gouvernement of misschien naar zijn land terug, om de kalmte terug te winnen, die hij in Holland niet kan vinden. De patriotten zijn zeer tevreden over Salm en de memorie van Vérac, zooals van Berckel aan Maillebois zeide. Salm schijnt zich geheel aan te sluiten bij de Oostenrijksche partij te Versailles. De raad van Harris aan den Prins om naar zijne Duitsche Staten te gaan, medegedeeld uit Berlijn, is zeer verkeerd.
Id. Th. a Hertzberg. Rendorp heeft hem verzocht te Amsterdam te komen en ook eene reis naar het Loo zal noodig zijn om den Prins over te halen tot het Département Militaire, dat een einde moet maken aan de ook door aanhangers verwenschte langzaamheid. Z. M. wordt veel kalmer aangaande den Prins en heeft geschreven , dat hij wil medewerken tot eene schikking. Eene Memorie is noodig tegenover die van Vérac.
107
2 Mei. Th. au Roi. Th. dringt bij den Prins voortdurend aan op het volgen van den raad van Z. M. en op het in toom houden zijner aanhangers. Hij is voortdurend ia correspondentie met de Prinses en overlegt met Larrey. De Prins heeft in een brief aan Larrey betuigd , dat hij wil samenwerken met Amsterdam, dat zich gebeten toont op het Triumviraat en zijne macht wenscht te herwinnen. De Prins onderhandelt in verschillende gewesten met de Staten en wordt flink gesteund door zijne aanhangers. Rendorp heeft bewerkt, dat Amsterdam een brief schreef aan de Staten ten gunste van het teruggeven van het kom-mando aan den Prins, maar hij wil eerst tijd winnen om eene meerderheid te verkrijgen , voor hij eene formeele propositie in dien geest doet. Hij heeft aan Th. gezegd , dat hij de Prinses ook de militaire eer, die haar toekomt, wil teruggeven.
2 Mei. Finckenstein au Roi. Het is noodig om eeue Memorie in te dienen om de Prinsgezinden te bemoedigen tegenover die van Vérac. Z. M. stemt toe.
5 Mei. Th. au Roi. De patriotten hebben de meerderheid in het college van Bewindhebbers der O. I. C. In de Rotterdamsche electie heeft de Prins zich gericht naar den raad van de Amsterdamsche Regenten maar men heeft te Rotterdam een nieuwe geheel patriotschgezinde nominatie opgemaakt. De onderhandelingen met Overijssel gaan voort.
Id. Tli. :i Hertzberg. Hij bedankt hem voor de welwillende woorden naar aanleiding van Zr. Ms. berisping. Hertzberg begrijpt den toestand in de Republiek zeer goed. De positie van de arme Prinses \'is treurig. De welgezinde Regenten beginnen te wankelen onder de voortdurende beleedigingen en vervolgingen , waaraan zij blootgesteld zijn. Z. M. heeft nog altijd hoop op Frankrijk maar dit is niet te vertrouwen ! Th. »ronge son freiu en silencequot;.
9 Mei. Th. au Roi. Z. M. heeft hem bericht omtrent de gunstige gezindheid van Versailles. Deze zal nu goed kunnen werken, daar de Staten van Holland tot den 17den te huis zullen blijven. Salm werkt meer in zijn eigen belang dan in dat van den Prins , dien hij voortdurend beschuldigt en bedreigt, als hij hem geen generaal-majoor maakt en zijn legioen niet doet behouden. Z M. heeft bevolen de Prinses aan te sporen, haar gemaal te doen toegeven in de twee kwestiëu : het koni-mando in den Haag en het Département Militaire. De Prioses antwoordde , dat de Prins zich wilde nederleggen bij het voorstel van Amsterdam , als dit werd aangenomen in den geest van de welgezinde Regenten der stad, mits niet de Gedeputeerden in afwezigheid der Staten de bevoegdheid der Staten verkrijgen om in zekere gevallen over de troepen te beschikken, terwijl er ook geen precedent bestaat, dat de Prins het kommando niet zou hebben, als hij in den Haag was. quot;Wat het Département Militaire betreft, het is onmogelijk iets te beslissen , als hij niet zeker weet, wat men daaronder verstaat; als het eenvoudig moest dienen om den Prins den arbeid te verlichten en om grooter snelheid te verzekeren , wilde de Prins er wel in treden; niet als meu zijne erfelijke rechten daardoor wilde inkorten.
Id. Th. a Hertzberg. Hij verheugt zich,dat het denkbeeld eeuer Memorie is goedgekeurd. Men moet hieromtrent in overleg treden met de welgezinde Regenten. Men moet te Berlijn verzekerd zijn , dat ook Th. meent, dat eene gewapende tusschenkomst den Prins zou doen verbannen, maar men moet in Frankrijk met verdubbelden ijver optreden en er op wijzen , dat eene handeling ten gunste van den Prins de vriendschap met Pruisen zou versterken. iSalm wil, dat Th. hem het brevet van generaal-majoor verschaft benevens zekerheid voor zijn legioen, en heeft dit aan von Goltz gezegd. Th. antwoordde, dat hij hierin niet kon treden en het alleen eene belooning zou kunnen zijn voor eenen grooten dienst, aan den Prins bewezen ; dat men verder den Prins van Hessen dan zou passeren, broeder van de kioonprinses van Pruisen. Salm dreigt den Prins een kool te stoven maar vergeet, dat hij zijn regiment aan dezen te danken heeft. Salm heeft aan von Goltz gezegd , dat hij vóór zijn vertrek met Yergennes eene overeenkomst zou sluiten omtrent de Hollandsche zaken. Th. vermoedt, dat Salm niets anders te doen had dan Vergennes te bewegen tot een stap ten gunste der patriotten — de Memorie van Vörac. Maillebois zegt, dat Salm geïntrigeerd heeft met behulp der partij van de Koningin om Frankrijk en Pruisen in twist te brengen, maar dat Vergennes hem heeft ontmaskerd. De Prinses heeft aan van Haeften , gezant te Weenen , gezegd, dat zij niet geloofde aan eene verzoening, voordat de Prins en zij in het graf lagen,
12 Mei. Th. au Roi. De Prins moet toegeven aan de eischeu van Friesland omtrent het Reglement, die gematigd zijn.
Id. Th. a Hertzberg. Hij zal aan Rendorp en de Prinses mededeelen, dat de Memorie zal komen. De verzekering aan den Prins, dat hij gesteund zal worden, zal hem afhouden van onberaden stappen. Th. bewondert de flinke brieven van Hertzberg en Finckenstein aan Z. M. Wat d\'Esterno vertelt omtrent de uitlatingen van den Prins en den dreigenden toon van Th., is volkomen onwaar ; Th. bedankt voor de inedededeeling van dezen laster. Salmis de oorzaak der Memorie en niemand anders. Maillebois is terug van het Loo en zeer tevreden over Prins en Prinses.
16 Mei. Th. au Roi. De verandering der Fransche geldswaarde heeft de renteniers onaangenaam gestemd, daar zij 6 pet. verliezen. Uit Frankrijk komt jaarlijks 12 mill., uit Engeland 15 mill, aan rente hierheen. Maillebois heeft den chev. Midinant, oud-kolonel van zijn legioen, naar Versailles gezonden om Salm tegen te werken. De welgezinde Regenten willen bij gelegenheid van de Memorie de kommando-kwestie weder op het tapijt brengen. Gisteren is de Memorie overgereikt en door de welgezinden goed ontvangen. Vérac, wien bij er kennis van had gegeven, zeide, dat zijne verklaring ongeveer analoog was, maar in den loop van den dag kwam hij tot andere gedachten door de bij hem geplaatste agenten. Ook Bleiswijk was tevreden er over.
ld. Th. amp; Hertzberg. Ook de courant van Kleef heeft een kopie ontvangen. De agenten naast Vérac, namelijk Caillard , de la Cóte en Coët-
1G9
loën , zijn uit het veld geslagen , nu zij ontmaskerd zijn. Er wordteen prent verkocht, waarop Véracmeteen blinddoek, geleid door S;dm en Coëtloën, zeer waar ! De patriotten beweren, dat zij veel te verwachten hebben van den Prins van Pruisen, den vriend van Frankrijk.
19 Mei. Th. au Roi. Zeeland, vertoornd op het Triumviraat wegens het vijfde departement voor de O. I. C., weigert quoten te betalen. De Prins heeft twee zeer goede brieven geschreven , een aan de meerderheid te Amsterdam om steun toe te zeggen , een aan Groningen over de twisten aldaar , waarbij hij toegeeft in de electie der magistraten. Ver-gennes moet het plan van Saim niet hebben goedgekeurd en daarop moet deze zich geheel bij Calonne en de Castries hebben aangesloten. Zijn intieme vriend Coëtloën geeft zich veel moeite voor het legioen. Deze heeft Th. aangeboden buiten Vérac om met hem te onderhandelen maar Th. zal hem in het oog houden en ontzien, daar hij Vérac beheerscht. Een Amsterdamsch gedeputeerde heeft Tb.de samenwerking aangebo len van eenigen zijner ambtgenooten , maar in het geheim. Voor het oogen-blik waren zij in de Staten in de minderheid en moesten tijd winnen. Zij wilden overleggen met den Prins, die ook geduld moest hebben. Coëtloën is thans de gevaarlijke vijand maar Tb. twijfelt, of Ver-gennes het geheel met hem eens is.
Id. Th. iï Hertzberg. Van Reede beeft zich weder schuldig gemaakt aan lichtzinnigheid: 1°. heeft hij de Memorie van den loden vooraf geannonceerd ; 2°. heeft hij verteld, dat Z. M. en het Ministerie ■zeer onte ■ vreden waren over de Fransche Memorie. Dit wekt op nieuw verbittering bij de patriotten en Vérac tegen Z. M. Coëtloën br;icht gisteren een dringenden brief van von Goltz ten gunste van Salm en zijn legioen ! Von Goltz schijnt Salm hoog te stellen. Morgen gaat Th. naar het Loc om den Prins tot enkele dingen over te halen , waarvan zijn lot in eenige provinciën afhangt.
26 Mei. Th. au Roi. Hij heeft den Prins bezocht en hem het noodzakelijke van eenig toegeven onder het oog gebracht. De Prins is zeer gevoelig over de Fransche intrigues en de tegenwerking, die de Amsterdamsche Regenten van de ijverigste Franschgezinden ondervonden ; verder over den steun, door Frankrijk verleend aan den zoogenaamden Prins van Nassau. De Prins wil vast medewerken met de Amsterdammers en een deel zijner prerogatieven laten vallen. Th, heeft bovendien gewaagd te wijzen op de wenscbelijkheid, (\'at de Prins de kleinigheden overliet aan aides de camp en subalterne beambten. De Pnnses, die er bij was, juichte dit alles toe. Het Gel-dersche Reglement is gehandhaafd door de Staten in een scherpe Resolutie. In alle provinciën nemen de welgezinde Regenten toe. De prinselijke familie op het Loo is welvarend, de jonge prinsen gaan verstandelijk goed vooruit. Eenige patriotsche Regenten hebben gesproken over een antwoord op de Memorie van Vérac.
Id. Th. ii Hertzberg. De Prinses ziet er niet uit naar waterzucht. Vérac en de Russische gezant gaan veel met elkander om. De plannen van Versailles worden nu toch duidelijker! Zelfs Z. M. schijnt het ein-
170
delijk in te zieu. Von Goltz spreekt over niets dan over de belangen van Salm.
30 Mei. Th. au Eoi. Zr. Ms. bevelen om door de Prinses bij den Prins aan te dringen op eene bevordering van Salm ten einde dezen te winnen , zullen worden uitgevoerd. Th. heeft dat onderwerp reeds ter sprake gebracht bij zijn bezoek op het Loo. De Prins antwoordde , dat hij het legioen Salm niet wilde vernietigen maar het hervormen in twee bataljons huzaren. Wat het generaal-majoorschap betreft, reeds de Prins van Hessen en die van Waldeck vroegen er om maar waren afgewezen, daar vele aanzienlijke familiën leden hadden onder de kolonels , die het ook wilden verkrijgen. Salm had nog 36 kolonels boveu zich! Op het oogenblik is de meerderheid der Staten patriotsch en het zou niet voorzichtig zijn do kommando-kwestie nu op het tapijt te brengen. Eén woord uit Versailles zou alles in het reine brengen.
Id. Th. ii Hertzberg. Vergennes schijnt weder wat meer toenadering te ■willen. Van Rendorp heeft Th. in den laatsten tijd niets vernomen ; hij moet dezen zeer ontzien , daar hij vurig Engelscbgezind , zeer anti-Franscli en zelfs wat Onstenrijksch is, bovendien onvoorzichtig en roekeloos, zoodat hij bijv. aan Salm, een gunsteling van zijn vrouw, het geheele plan heeft medegedeeld om den Prins in het kommando van den Haag te herstellen. De Prinses is ook altijd voorzichtig met hem. Toch is hij te gebruiken. Hertzberg moet dit niet mededeelen aan van Reede , die met Rendorp van ouds in cijfercorrespondentie staat.
2 Juni. Th. au Rol. Het doet hem genoegen , dat Vergennes weder met von Goltz heeft gesproken over herstel der eendracht. Een koerier is dezer dagen weder door de patriotten aan Salm gezonden, zeker lot het overbrengen vanuit Versailles gevraagde inlichtingen. Th. heeft namens Z. M. den Prins geraden Salm niet tegen te werken. Zijn legioen is overgenomen op de repartitie van Holland.
6 Juni. Vergennes schijnt eindelijk te begrijpen, dat het einde der zoo hoog gestegen oneenigheid ook in het belang van Frankrijk is. Th. heeft den Prins aangemaand toch Versailles niet te verbitteren. Het Triumviraat is evenwel druk aan den arbeid. Gijselaer beeft met den Amsterdamschen burgemeester in de deputatie ter statenvergadering gesproken over een accoord tusschen meerderheid en minderheid. De meerderheid in de Amsterdamsche regeering steunt zeer op Z. M. Zij wil een voorstel doen om de vrijkorpsen op te heffen en de pers te breidelen , daarna de militaire macht van den Prins ter sprake brengen.
9 Juni. In Friesland staan de zaken volgens een Friesch lid der Staten-Generaal goed, niettegenstaande de intrigues van het Triumviraat. Dit lid zeide ook , dat in de overige provinciën de Haagsche kommando-kwestie veel ergernis wekte. Het volk in Utrecht, in zijne democratische verwachtingen teleurgesteld, begint tegenover de patriotten te staan , vooral te Wijk. De Prins heeft op aandrang van Th. het plan om te vertrekken opgegeven. De Prinses wil de militaire honneurs niet alleen als Prinses van Pruisen ontvangen.
Id. Th. k Hertzberg. Von Goltz beweert, dat Z. M. zijn gedrag goed-
171
keurt en hij eigenlijk reeds te krachtig is opgetreden; dat Z. M. den Prins wil »mettre dans l\'heureuse impuissance de faire le malquot; en hem daarom wil beperken. Th. heeft hem geantwoord, dat dit niet kan tegen den wil des Prinsen en der Staten-Generaal en dat men voorzichtig moet zijn om den Prins niet te kwetsen. Von Goltz begrijpt niets van de instellingen der Republiek en doet soms dwaze voorstellen. Hertzberg heeft gelijk met te twijfelen aan de goede gezindheid van Versailles: het doel der Memorie van Vérac was alleen den patriotten te toonen, dat zij niets van Z. M. te vreezen hadden , en was dus tegen Pruisen gericht. Von Goltz heeft ook niets gevat van de zending van Salm , die volstrekt niet gekomen is om te verzoenen maar alleen om bescherming voor de patriotten te verkrijgen. Z. M. wantrouwt Salm terecht en meent zeer juist, «qu\'il faut lui tenir le bec dans l\'eauquot;.
13 Juni. Th. au Roi. De Prinses heeft geantwoord , dat de Prins nu niets voor Salm kan doen, al wilde hij diens onwettige wenschen bevredigen ; de Prins zal zich niet verzetten tegen het behoud van Salm\'s legioen. Den 13den vertrekt de stadhouderlijke famiile voor 14 dagen naar Zeeland , waar nog vele Engelschgezinde Regenten zijn; de Prinses zal den Prins daar wel weerhouden van te groote onvoorzichtigheid tegenover zijne vrienden. Zoolang de Fransche agenten blijven woelen en niet luisteren naar de bevelen van Vergennes, zal de gisting blijven bestaan.
16 Juni. Maillebois doet zijn best voor de zaak van den Prins door zijn gemachtigde te Versailles, de Ternant. Deze heeft reeds twee zeer bevredigende conferentiën met den Minister gehad maar bij de derde heeft de Minister vermeden over zaken te handelen. Men schijnt te Versailles de zaak liever over te laten aan Vérac of aan de talrijke agenten in den Haag. Maillebois is overtuigd, dat Salm te Versailles den Prins voortdurend zwart maakt; De Coëtloën heeft zich zelfs laten ontvallen , dat Salm wel wegens zijn talent en zijne geboorte Stadhouder zou kunnen worden. Maillebois is zeer weinig ingenomen met Vérac, dien hij onbekwaam noemt. Men zegt, dat de Dortsche Regent Gevers naar Versailles is om Vergennes in den geest der patriotten te bewerken. Overal gisting. Het schijnt, dat de Fransche regeering alle Oranjegezinden uit de posten wil weren , maar dit zal zoo licht niet gaan , want zij nemen toe in aantal.
20 Juni. Coëtloën zeide aan Th., dat de Prins het aanbod der oorlogschepen aan zijn Koning in Gelderland scheen tegen te werken , wat Th. betwistte op grond van berichten der Prinses, die behelsden , dat de Prins de Regenten zijner partij had aangemaand te treden in het voorstel van Amsterdam dienaangaande. Th. zal de Prinses nog eens doen opmerken , dat men Frankrijk in dezen ter wille moet zijn. Er is geen verschil van meenir.g in het Triumviraat, zooals Z. M. had vernomen ; Gijselaer helt alleen meer over tot de democratie dan de beide anderen. In Amsterdam staan 15 ijverige patriotten tegenover 21 wel-gezinden ; in het volgende jaar moet Rendorp aftreden en zal vervangen
172
worden door Hooft, den intiemen Triend van van Berckel, waarom het Triumviraat voorloopig de zaken wel zal rekken.
23 Juni. Gisting in den Haag tegenover de dwangmaatregelen der patriotten , die steunen op eene gewapende burgermacht. Amsterdam houdt zich nog altijd goed, al dreigen de patriotten het te zullen overstemmen in de Staten. Gijselaer heeft in de Staten uitgevaren tegen den Prins, omdat deze zijn nog zoo jongen zoon met het kommando der garde heeft begiftigd ; Rotterdam merkte op , dat men in 1747 tijdens de revolutie het geheele militaire bewind aan den Prins had opgedragen.
27 Juni. De Oranjekleur wordt weder veel gedragen in den Haag. Vele gematigde Regenten willen de vrijkorpsen opheffen als een groote oorzaak van gisting. Th. heeft van Z. M. vernomen, dat hij de naar Kleef gevluchte aanstokers der Haagsche beweging van 17 Maart uit zijne Staten heeft verdreven; Hess wordt verdacht van samenspanning met de patriotten maar Bauer was een onberaden ijveraar voor Oranje.
Id. Th. a Hertzberg. De zakenvan het Oranjehuis zijn nog altijd in hetzelfde stadium: Frankrijk, doet niets voor de eendracht en steunt integendeel onder de hand de patriotten. Yon Goltz zegt altijd, dat hij niet krachtiger durft optreden , omdat Z. M. den Prins alleen » tellement quellementquot; wil handhaven. Rendorp komt andere week in den Haag; het is te hopen , dat hij voorzichtig is. Het hoofd der Amsterdamsciie deputatie , Elias , zal hem wel wat in toom kunnen houden. Overigens is Rendorp zeer bevriend met Harris. Ongelukkig komt zijn »vriend quot; S\'alm ook weldra terug en zal hem misschien al zijne geheimen weten afhandig te maken.
30 Juni. Th. au Rol. De stadhouderlijke familie komt eerst half Juli uit Zeeland op het Loo terug; in Middelburg en andere plaatsen is het rustig, niet in den Haag, waar het volk zeer in gisting is en de patriotten het door patrouilles enz. in toom willen houden.
Id. Th. a Hertzberg. Heeft de Prins een stap gedaan bij den Fran-schen gezant te Berlijn, zooals Von Goltz beweert? Salm had aan dezen gezegd, dat de Prins en de Prinses zich hadden gewend tot het Fransche Ministerie; een paar dagen later zeide Rayneval, dat van Reede een dergelijke Memorie aan Esterno had overgereikt. Von Goltz vindt dezen omweg zeer gevaarlijk , daar het van vrees voor de patriotten getuigt en de Fransche regeering den Prins wijzen zal op hare onderhandelingen met de patriotten ; dit is volkomen juist. Een vertrouwde der prinselijke familie wist er niet van, toen Th. hern er naar vroeg. Is van Reede ook weder onvoorzichtig geweest? Von Goltz schreef weder, dat Vergennes Vérac had aangespoord om de patriotten tot eene schikking te bewegen ; tot nu toe heeft dat nog niet veel gegeven, daar de patriotten steeds verder gaan ! Rendorp deelde Th. mede, dat de patriotten te Amsterdam terrein winnen onder leiding van Hooft en van Berckel.
4 Juli. Th. au Roi. De Prins weet zijne aanhangers in Zeeland in toom te houden. De strenge maatregelen der Staten in den Haag hebben
173
de rust hersteld. De voorstellen van Amsterdam omtrent de pers zijn niet gunstig opgenomen ; ook met die omtrent de vrijkorpsen zal het wel zoo gaan. Maillebois heeft te vergeefs getracht, Vérac deoogente openen. Anarchie te Utrecht.
Id. Th. h Hertzberg. Er is weinig hoop op eene schikking vau de kommando-kwestie.
I Juli. Th. au Roi. De stap van Engeland is nadeelig voor de goede zaak; er is eene partij, die op Frankrijk hoopt, en eene, dieopZ. M, rekent, maar niemand durft /-ich openlijk voor Engeland verklaren. Amsterdam heeft voorgesteld Maillebois f 50 000 te geven en wegens zijne schulden twee jaren voorschot op zijn traktement.
II Juli. De brief van den Prins aan Utrecht is zeer verstandig. De Memorie van Engeland wordt overal afgekeurd, terwijl Harris volhoudt , dat zij als een bewijs van vriendschap op prijs moet gesteld worden. Gordon, kommandant van het Utrechtsche vrijkorps , is bij Vérac geweest met een opdracht der burgerij om hem te verzoeken het stadhouderschap op te heffen, een democratische regeering in te stellen en de Oranjegezinde Regenten af te zetten. Vérac moet geantwoord hebben , dat zijne regeering blijkens de Memorie zich niet met de twisten wilde bemoeien.
14 Juli. De Prins zal zich voorloopig te Soestdijk vestigen om te onderhandelen met de Staten van Utrecht over wijziging in het Reglement. Vergennes schijnt ontevreden te zijn over de houding van Vérac, volgens Von Goltz. Th. heeft met van Keil gesproken om de houding van Gelderland in de kwestie der oorlogschepen ; deze heeft verklaard , dat de kwartieren Nijmegen en Zutfen , geleid door hem en van Lijnden , integendeel zich hebben aangesloten bij het voorstel van Holland ; enkele Regenten hadden gewezen op den ellendigen toestand der vloot en dat het daarom beter was een gezantschapsgebouw aan te bieden.
Id. Th. k Hertzberg. Van Reede heeft dus eene Memorie bij Esterno ingediend naar aanleiding van een brief van de Prinses aan hem ! Het ware beter, dat die brief niet geschreven was, want de Prinses heeft eene vernedering ondergaan door bet antwoord uit de hoogte aan de «Prinses van NassauVon Goltz is woedend maar Th. zelf vrij onverschillig tegenover de handelwijze der Prinses. Th. twijfelt aan de oprechtheid van Vergennes tegenover von Goltz. Als er verbetering in den toestand zal komen, moet Z. M. door von Goltz aandringen op eene regeling der kommando-kwestie en door Th. de welgezinden flink laten steunen ; thans is er weinig anders te doen dan Bendorp en de zijnen aan den gang te houden en door voorzichtig te handelen in de andere provinciën de partij van den Prins te versterken.
18 Juli. Th. au Roi. Maillebois heeft zijn best gedaan om op Vergennes te werken, toen diens zoon, diens oom Du Vivier en Geotfroi, eerste secretaris van buitenl. zaken te Parijs, in den Haag geweest zijn. De zoon vooral had van zijn vader bevel om goed toe te luisteren en zich op de hoogte der zaken te stellen. Er is sprake van ora Capellen van de Marsch ter vervanging van Salm naar Parijs te zen-
174
den; Gijselaei- is in Gelderland geweest om de patriotten aldaar te bewegen hun slag te slaan tijdens de afwezigheid van den Prins; van Berckel is in liet geheim bezig geweest met de hoofden te Utrecht.
Id. Th. è, Hertzberg. De Amsterdamsehe regeering verliest terrein. Vergennes is nog niet geheel te vertrouwen. Vérac heeft te Amsterdam een vrijkorps, dat hem begroette , met loftuitingen overladen. De Prins en de Prinses hopen op de Amsterdamsehe regeering.
21 Juli. Th. au Rol. De bereidwilligheid van den Prins om met verschillende Staten te onderhandelen heeft zijne zaak goed gedaan. In Friesland hebben de Staten flink elke patriotsche beweging onderdrukt en den kommandant van het vrijkorps berispt. Salm is terug en vertoont zich nog niet in het publiek, daar hij ongesteld is. Yergennes is zeer ontevreden op hem. Men verwondert zich , dat Vergennes niet meer toenadering toont tot Amsterdam, zoo gewichtig bij leeningen. Maar dan zou Vergennes zijne oude bondgenooten moeten opgeven.
25 Juli. De Prins heeft zich in Zeeland voortreffelijk gehouden en schijnt door den tegenspoed geleerd te hebben.
29 Juli. Harris heeft den president der week mondeling om antwoord op zijne Memorie gevraagd. De Geldersche en Zeeuwsche gedeputeerden willen eerst een antwoord aan Z. M. zenden en dringen aan bij Th. op een aanvraag om antwoord, evenals die van Harris. Dit zou evenwel te veel gelijken op samenwerking met dezen. Rendorp heeft één stad der tegenpartij, Hoorn , voor Amsterdams voorstel gewonnen maar dit geeft nog weinig. Bleiswijk heeft oogenschijnlijk wel zin in eene schikking maar hij is onvertrouwbaar. Vérac is nog altijd werkeloos. P. S. De zaak is met 10 tegen 9 stemmen tegen den Prins beslist.
ld. Th. k Hertzberg. Gesprek met Salm. Deze was zeer ontevreden over de Memorie van van Reede, die toevoegselen gehad heeft, o. a. een tegen Thulemeyer en een om den Prins den titel van Prins van Oranje weder toe te kennen. Dit alles was Th. onbekend en het schijnt, dat van Reede er veel uit eigen beweging aan heeft toegevoegd. Rendorp wint wat terrein en is bovendien na 1 Augustus voor drie maanden voorzittend burgemeester. Gijselaer en Gevers zijn in Utrecht en Gelderland geweest. Von Goltz zegt altijd , dat Vergennes ontevreden is op Vérac, maar van zijne goede gezindheid blijkt niets. P. S. De afloop der zaak van het kommando bevestigt de juistheid van den twijfel aan Vergennes\' goeden wil.
1 Aug. Th.auRoi. In een vergadering der patriotten heeft de Gijselaer heftig uitgevaren en de noodzakelijkheid betoogd om snel voort te gaan , waarop een bedaarder Alkmaarder Regent opmerkte, dat het beter was eerst het stadhouderlijk gezag te ondermijnen zonder door een plotselingen aanval den haat van velen op zich te laden. »On dévoue a l\'exécration de la postéritéquot; den Raadpensionaris, die zulk een besluit nam met ééne stem meerderheid tegenover eene zoo aanzienlijke minderheid , waaronder Adel, Amsterdam, Rotterdam en Delft. Amsterdam zal protesteeren. Th. heeft de Prinses gesmeekt den Prins af
175
te houden van een overijM besluit. De Oranjepartij heeft den moed en ook het vertrouwen op Thulemeyer verloren , wijzende op deze gebeurtenis, waarin Vérac, ren minste Coëtloën , alles had gedaan om Schiedam over te halen en daardoor eene meerderheid te verkrijgen. Th. wees hen op de noodzakelijkheid om dit laatste niet al te luid te zeggen , ten einde Frankrijk niet te verbitteren.
ld. Th, a Hertzberg. Wat denkt Z. M. van de Hollandsche zaken ? Zeer zeker zal hij in zijne laatste dagen geen oorlog willen uitlokken. Een invasie zou de patriotten geheel in de armen van Frankrijk werpen maar men had reeds lang moeten dreigen zich met andere mogendheden te zullen verstaan omtrent de belangen van het huis Oranje. Nu wordt de zaak steeds moeilijker. Als Th. nog iets voor de Oranjepartij kon doen en deze verzekeren van Z. M.\'s steun ! Maar men luistert te Berlijn niet naar hem en de catastrophe nadert. Men moet evenzoo doen als Frankrijk. Coëtloën is geen week achtereen in den Haag; de markies de la Cóte, schoonzoon van Vérac, is ook druk bezig om zich een carrière te maken. Th. klaagt over Z. M. , die nog aan de praatjes over hem gelooft. Maillebois heeft de Prinselijke familie te Breda gezien. Th. hoopt naar aanleiding van den laatsten brief van Z. SI., dat deze krachtiger wil optreden. P. S. Het is treurig, dat Z. M. dezen tak zijner familie wil loslaten. Hertzberg moest als zijn denkbeeld uiten , of men de getrouwe steden niet mondeling of door een Nota zou kunnen verzekeren van Z. M.\'s goedkeuring van hare houding en dat deze gaarne iets voor haar doen wil, als zij het noodig achten Hoe spoediger dit gebeurt, hoe beter. De Prins heeft het bericht der resolutie met kalmte opgenomen , terwijl de Prinses zeer getroffen was.
4 Aug. Tb. au Roi. De Oranjepartij is bang voor een aanslag op den Frins; ook voor den gang van zaken is het beter, dat deze in Friesland of Zeeluid gaat wonen. Bleiswijk heeft van Fagel een en ander moeten hooren over Fransche intrigues maar klaagde over En-gelsche pressie op Hoorn. Bleiswijk klaagt bij Th., dat hij niet meer door den Prins wordt geraadpleegd , en wil zich blijkbaar wreken Hij zeide het volgend jaar te willen aftreden , nu onherroepelijk. De crisis is ernstig en het gebeurde bewijst duidelijk, wat men van Frankrijk te wachten heeft.
8 Aug. Amsterdam denkt er over om te trachten de resolutie te doen vernietigen maar zijne Regenten durven niet eens optreden tegen de pers. Bij de discussie over het legioen Salm en het antwoord aan Engeland heeft Bleiswijk zquot;lfs gezegd , dat Holland den meesten invloed in de Staten-üenenuil moest hebben en de Unie zou verlaten, als men zich zoo tegenovi r zijne wenscuen stelde.
11 Aug. De welgezinde Hegenten te Amsterdam wankelen zeer onder den indruk van het gebeurde en nemen af in getal, gewonnen door de patriotten. Zoo, zeide Fagel, wordt het protest van Amsterdam zeer problematisch. Ook de bevolking is geheel ontmoedigd en dit werkt zeer op de welgezinde Regenten. Utrecht bedreigt sedert het bezoek van de Gijselaer de Staten van dit gewest. Paludanus en van
170
Buren zijn te Middelburg en wekken de Zeeuwsche patriotten op om de Regenten der Oranjepartij te verjagen.
Id. Th. a Hertzberg. Tot zijne groote verbazing let Z. M. zelfs niet op de resolutie ! Finckenstein ziet de houding van Frankrijk goed in maar Th. moet in zijne berichten aan Z. M. op dat punt zeer voorzichtig ziju. Hij vertrouwt op Hertzberg, die zeer juist inziet, dat men de 9 steden moet steunen.
15 Aug. Th. au Eoi. De Staten-Generaal en Holland staan tegenover elkander in de zaak van het legioen Salm. Het Triumviraat heeft aan Vergennes geschreven , dat de terugkomst van den Prins de vernietiging der Fransche paitij zou veroorzaakt hebben ; Yérac schreef zelfs , dat dan zijne veiligheid zou hebben gevaar geloopen. Amsterdam wil met andere provinciën samenwerken en men zegt, dat er reeds correspondentie gevoerd wordt met de voorname Regenten in die gewesten. Het zou goed zijn om de 9 steden te steunen door een bewijs van goedkeuring, in overleg met Amsterdam te geven.
Id. Th. a Hertzberg. Von Goltz moet belast worden met het doen van flinke vertoogen te Versailles in overeenstemming met de Nota aan de 9 steden. De Oranjepartij klaagt over den slechten steun van Z. M., die toch alles kon redden door een optreden te Versailles. Von Goltz heeft nog niet eens geantwoord op den brief van 28 Juli over de resolutie! Zooals Hertzberg zal zien uit de bijgaande depêche aan Z. M., heeft Th. zijn raad om voorzichtig te werk te gaan zooveel mogelijk opgevolgd. Een lid der Oranjepartij, gedeputeerde eener provincie, heeft hem afgeraden zich te wenden tot de gedeputeerden der welgezinde Hollandsche steden maar was er voor, eerst met Amsterdam daarover _ te spreken, zoodra Z. M. het vergund had.
18 Aug. Th. au Roi. Het bevel van Z. M. om aan de 9 steden door eene mondelinge verklaring, des noods door eene Kota zijne goedkeuring te betuigen in overleg met Amsterdam , den Prinsen de Prinses , zal worden opgevolgd. Th. zal dadelijk naar Amsterdam gaan om met Rendorp te spreken en daarna naar het Loo. De la Cóte gaat eindelijk naar Parijs terug maar von Goltz moet hem niet vertrouwen , daar hij veel feller patriotschgezind is dan de gezant zelf. Coëtloën is 8 dagen te Utrecht geweest om er te intrigeeren. Holland verzet zich steeds tegen het besluit der andere gewesten om het legioen Salm af te danken ^ het wil dit legioen in den Haag plaatsen ter vervanging van de Zwitser-sche garde en een ander regiment. De brief van den Prins is door de Gijselaer op hoogst beleedigende wijze besproken ; het was beneden de\' waardigheid er op te antwoorden , zeide hij, en men zou den Prins wel gehoorzaamheid aan den Souverein leeren.
Id. Th. a Hertzberg. Ook de Prinses schrijft aan H. met den koerier , die terug gaat. De Prinses verkiest eene geschreven Nota boven een mondelinge verklaring maar wil, dat er niet over gesproken wordt met van Lijnden, die juist in den Haag is. Deze laatste is tegen eene geschreven Nota en dringt vooral aan op voorafgaand overleg met Amsterdam ; hij meent verder, dat het tegenover de meerderheid in de
177
Staten voorzichtiger is, eerst met Rendorp te spreken en het aan dezen over te laten, of ook andere Amsterdamsclie regeeringsleden moeten geraadpleegd wordei\'. Dit zal Th. doen en dan naar het Loo gaan, zoodat minstens één postdag zondersctirijven zal moeten voorbijgaan. Men moet thans zeer voorzichtig zijn en de aansluiting van de andere provinciën bij Amsterdam zoeken te verkrijgen , nu Versailles blijkbaar niet ter goeder trouw is. Een der Amsterdamsche gedeputeerden , die Rendorp\'s onvoorzichtigheid kent, is het volkomen eens met Thulemeyer, dat men met Rendorp zeer op zijne hoede moet zijn ; Rendorp is het hoofd der stadhouderlijke partij te Amsterdam en wil vooral de Prinses behagen. Von Goltz heeft eindelijk geantwoord op den brief van 28 Juli en laat zich blijkbaar beetnemen door Vergennes. Maillebois raadt, te Wesel wat beweging te maken , »non pour faire la guerre mais pour casser les vitres om de patriotten te verschrikken.
25 Aug. Th. au Rei. Gelukwensch aan den nieuwen Koning » Le salut de la Maison d\'Oranje sera du \'a. la protection, queV. M. luiaccordequot;.
29 Aug. Op bevel van Z. M. zal Th. de 9 steden bemoedigen, zoodra de Staten morgen bijeen zijn, zonder echter Z. M. te compromit-teeren. Th. heeft Vérac nog eens tot samenwerking aangespoord maar deze had nog altijd geene instructiën op dit punt! Zijne laatste instructiën waren, dat zijn Koning wel de eendracht wenschte maar zich niet wilde inlaten met de twisten en de hervorming der misbruiken. Misschien kan Von Goltz bij Vergennes iets doen om Vérac ten minste van intrigues te weerhouden. De Oranjeg.\'zinden zijn ontmoedigd en bang voor de gewapende vrijkorpsen. Röndorp werkt te vergeefs tegen van B\'rekel. De Staten van Holland beschermen de democratie tegen hun eigen belang in, alleen om den Prins te benadeelen. Zij hebben alleu troepen op de Hollatuische repartitie aangezegd den kap.-gen. niet te gehoorzamen, als hij beveelt de bewegingen in de overige gewesten te helpen onderdrukken. De la Cóte is met een nieuw plan van verzoening van wege de patriotten naar Versailles.
Id. Th h Hi rtzberg. De staat van zaken is niet schitterend. Het is te hopen, dat Von Goltz de hem thans gegeven instructiën letterlijk opvolgt. Ken Oranjegezinde zei le dezer dagen, dat alles afhangt van Vergennes\' houding; Th. staat daarvoor niet in. Von Goltz moet V. het masker afrukken. Instructiën in goeden zin aan Vérac zuuden het kwaad weldra bij den wortel afsnijden. Von Goltz laat zich beetnemen en Vergennes weet zeer goed, dat de meerderheid te Amsterdam klein is, zoo lat hij niet bevreesd behoeft te zijn voor Goltz\' dreigement, dat de beurs voor Frankrijk gesloten zal worden. Harris heeft den Pruisi.-chen officier vou Geusau gezegd, dat Z. tl. de Republiek moest »overstroomeuquot;, maar de officier heeft zeer goed en gematilt;rd ge-antwonrd. Von Geusau heeft aan Th. verteld, dat Z. M. aan de Prinses hail laten zeggen, dat hij honderdduizend, ja honderdduizenden kronen over heeft voor hare redding uit dezen toestand. Dat is een goed bericht en Th. heefc reeds in de verte aan enkele regeeringsleden iets hiervan laten bemerken. Geweld zou ook thans alles bederven. Vou Goltz be-
12
178
grijpt niets van den toestand in Holland ; den invloed der Amster-
darascbe meerderheid stelt hij veel te hoog. • o
5 Sept. Th. au Roi. De burgeroorlog dreigt uit te barsten in Gelderland. De Staten aldaar tasten flink door maar de welgezinde Regenten m Holland durven niets wagen en bekennen, dat zij zich zullen laten medevoeren door den stroom liever dan zich op te offeren door onberaden iiver. Th. doet zijn best om hen op te wekken maar vooral de Amsterdamsche meerderheid is ontmoedigd. Eemge gedeputeerden van Rotterdam en Amsterdam zijn met veel moeite eindelijk door hem bewogen om te trachten in de Staten van Holland de meerderheid te verkrijgen bijv. door eciie kleine stad in het Noorden over te halen. De Oranjepartij hoopt nog steeds op de gevolgen van Zr-^ 0Ptl\'elt;|e° te Versailles, waardoor misschien eemge patnotsche Re0enten l.et Triumviraat zullen afvallen. De discussie in de Staten is ^er stormachtig geweest; de Gijselaer heeft gezegd, dat de Prins, veracht in het buitenland, in het land zelf werd verfoeid.
Id Th. è, Hertzberg. Dank voor de mededeeling, dat Z. M. heelt besloten Von Görtz in buitengewone missie te zenden om te handelen met hem en Vérac. Maar Von Görtz is eerst ™ m
gekomen, dus 15 jaar later dan hij! Zal het publiek met deuken , dat Z. M. ontevreden op hem is? Zijne positie is ^quot;oeilijk geweest ook omdat het traktement zoo nietig is en Z. M. Fredenk 11 in den laatsten tijd gt;zoo ongenadig wasquot;. Overigens kan de zending van Von Gortz licht verspreiden over de houding van Versailles, al zal zij de patriotten nog meer verbitteren. Von Görtz weet mets van de instellingen der Republiek en kent geen Hollandsch terwijl vele Regenten niets anders spreken. Het ware beter geweest dut Von Gortz met eene
dringende opdracht naar Versailles was gezonden. Schiedam is indertijd door Coëtloën door bedreigingen met een Fransch leger van 80 000
man tot aansluiting bewogen. j 4. v „i iw
3 Sept Th au Roi. Vérac kwam gisteren zeggen, dat hij al zijn best
eedaan had om de patriotten te doen bedaren maar dat deze verbitterd waren door de berichten uit Hattem. Hij voegde er bij, dat, als de troepen van Gelderland naar Utrecht kwamen , de burgeroorlog zou uitbreken en Frankrijk dan actief zou moeten optreden in den twist; dat zijn Koning de afschaffing der Reglementen iu Gelderland, Overijssel en Utrecht bepaald wilde, zooals Vergennes meermalen aan Von Goltz had gezegd. Dit alles heeft Th. dadelijk aan de Prinses medegedeeld , met den raad aan den Prins om zich te matigen. Ook Von Goltz zal nog heden op de hoogte gebracht worden. De Hollandsche troepen zijn naar de grenzen eezonden De zending van Von Görtz doet hem pijnlijk aan, te meer daar de loop der zaken het gevolg is van het niet luisteren naar zijn
raad door den vorigen Koning.
12 Sept. Von Görtz is den 9den op het Loo aangekomen. Th vond zoo even een brief van Vérac, die zeer ongerust was en Th. naar het doel van G.\'s komst vroeg. Th. antwoordde, dat G. kwam om met hem en Vérac samen te werken tot herstel der rust. Vérac zeide, dat
179
hij ffeen instmctiën liad en dus niets kon doen; hij beweerde, flat Engeland zijn best deeil om de twisten aan te stoken , zelfs al moest de Prins vallen, ten einde de Republiek een onnut bondgenoot van Frankrijk te maken. Th; zeide hierop, dat ook daarom samenwerking zeer noodig was. De brief van den Prins in antwoord opdien van Holland over zijn optreden in Gelderland was zeer verstandig en gematigd.
15 Sept. De Hollandsche troepen staan aan de grenzen dier provincie, versterkt door gewapende patriotten. De meeste bevelhebbers in de vestingen der Generaliteit weigeren de bevelen van Holland alleen te gehoorzamen. Van Weideren heeft te Maastricht het regiment Waldeck flink in toom gehouden (1).
(1) Van dezen tijd af berust de leiding der onderhandelingen niet meer bij Von ïhulemeyer maar Lij Von Gcirtz. Zie verder de extracten iu het Nederl. Rijksarchief I, blz. 384 vlg.
180
B IJ L A G E L,.
Stukken over den 80 jarigen oorlog\'.
Staatsarchiv Marburg.
1. 2 Oct. 1559. Landgraaf Wilhelm van Hessen doet aan landgraaf Philips rnededeelingen omtrent de berichten, die hij van Günther van Schwartzenburg en de Graven Jan en Lodewijk van Nassau ontvangen heeft aangaande de toestanden in de Nederlanden, de dreigende samenwerking van Spanje en Frankrijk tegen de Evangelischen en de noodzakelijkheid voor dezen om zich nauw met elkander te verbinden.
Kiederl. 1535-1566.
5. 15 Febr. 1564. De Prins vraagt aan landgraaf Wilhelm, hoe hij moet antwoorden op den brief van den Paus. Ibid.
6. 3 Maart 1564. Antwoord van Wilhelm, dat de Prins zich in die zaak, liefst door het zenden van graaf Lodewijk, moet wenden tot Saksen, dePaltz, Wurtemberg enz., daar het hier een gewichtig punt geldt. Hij raadt den Prins te antwoorden in denzelfden geest als deze later deed.
7. 25 Maart 1564. Brief van den Prins aan Wilhelm over de verhouding tot Granvelle. , ,,, ,
8. 1 Juni 1564. De Prins aan Wilhelm over dezelfde zaak.
9 4 Dec. 1566. Brief van de Procuratoren der Antwerpsche Gemeente over den toestand der Protestanten in de Nederlanden, geteekend door Marcus Perez, Herman van der Meere, Karei van Bombergen, Francois Godin, Jean Le Carlier, Nicolaas Sellin, Nicolas Du Vivier (Latijn en Duitsche vertaling.)
9a. 5 Febr. 1567. Pogingen van de Paltz om Saksen en Hessen tot een gemeenschappelijk optreden to Worms te bewegen ten gunste van het verzoek om hulp en steun der Nederlandsche gezanten op den riiksdaa-. Niederl. 1567.
10 amp;De Prins aan Nieuwenaer. 17 Maart 1567. Lieber Herr. Ich gebe Euch zu erkennen, das wir uff die peste Weise es immer in der Welt bescheen hatte mugen, dein Unglück entkommen semdt; des wir wol sagen konnen, wir seyen von Newem geboren. Ich weia kein Mittel hie dannen hinwegk zu kommen.....Antorff 17 Martu loo7.
Ibid.
11. Oct. 1567. Landgraaf Wilhelm aan hertog Julius van Brunswijk, dat de Prins bij hem te Cassel is geweest om te spreken over zijne bijzondere belangen en over Eginont en Hoorne, waarover Hessen beloofd had de andere vorsten te zullen raadplegen.
Franckreich 1562-15/4.
181
12. 18 Nov. 1567. Simon Bing aan landgraaf Wilhelm, hoe deze dea Prins, die 22 Nov. te Cassel zal komen, het best zal ontwijken.
Niederl. 1567.
13. De Prins aan landgraaf Lodewijk. 31 Maart 1568......darneben
ist uns vor gewisz angetzeigtt worden, wiewirdan solchs uff den Fall, wo der Fried gemacht were, leichtlich glauben konnen, dasderDuca de Alba durch den vonn Arnbergh unnd des Konnigs Kriegsvolck ganntz hefftig anhalten unnd in Vorhabeim sein soli diesen kunfl\'tigen Sommer in ein stadtliches Lager zich zu begebenn. Weme aber solche Rusttung geldtte unnd wohin vorgemellter Duca de Alba mehrgedacht Kriegsvolck zu brauchen gemeint sein soil, darvon haben wir nog zur Zeitt nichts grundtlichs erfharen konnen. Es langt uns aber eusserlich ahn , das darmitt Denmarc oder Cleve soil gemeint werden .... Sovyell sonst die Sachen in den Niederlanden belangen thutt, vernehmen wir, dasz der Duca de Alba sampt seinem Anhang in der angefange-nenn Tyranney von Tag zu Tage zunehme und allen Vleisz brauche, die arme Lenndt unnd darein betruebte Christen seinem eussersten Vermogen nach zu verder ben unnd auszutilgen. Von unssers Sohns Ankunfft in Engellandt seind urns von dreien Orten gleichmessige Zeittung zukommen.... Dillenbergk, am letzten Martii, a0. 68.
Wilhelm Printz zu Oranien.
Niederl. 1568. I.
14. 12 Mei 1568. Maximiliaan 11 aan August van Saksen, dat de Prins de Nederlanden wil aanvallen , wat een storing van den landvrede zou zijn. Maximiliaan is in Spanje opgekomen voor den Prins en de gevangen Graven maar wil niets hooren van geweld. August moet den Prins den tocht afraden en aan Maximiliaan mededeelen , wat hij van diens plannen weet; August moet, als het noodig is, als kreitsoverste den Prins tegenhouden ia vereeniging met de kreitsen op de Nederlandsche grenzen; August moet zijne plannen op Friesland opgeven. Ibid.
15. 21 Mei 1568. August aan den Keizer , dat hij niets van \'s Prinsen plannen weet en in geene betrekking staat met dezen , ofschoon hij wel vermoedt, dat de Prins toebereidselen maakt; dat hijzelf geen plannen op Friesland heeft, «obwohl E. Kays. Maj. unverborgen, wes meine Vor-fahren und ich des Frischlandes berechtigetquot;. Ibid.
16. 14 Juli 1568. Instructie voor den Hessischen gezant in Saksen. De Paltzische gezant, dr. Ehem , was bij landgaaf Wilhelm geweest om te spreken over geldelijke hulp , die den Prins heimelijk verleend zou worden , ingeval »die Niederlandischen Stette, wye man von An-fanng vertrostet, das Ihre auch thetten unnd sich recht verhieltennquot;. Willen de steden niets doen , dan zou men ook moeten stilzitten. Hessen had een overste met dr. Ehem naar den Prins gezonden om er over te spreken. De Prins heeft geantwoord, dat hij aanbiedingen had van enkele steden om zijne troepen in te nemen , zelfs van eene »gar vor-nehme quot; stad. De Engelsche Koningin is ook genegen om te helpen , wanneer de Duitsche vorsten iets doen ; ook de Duitsche graven aan
L
182
den Rijn zullen dan moed vatten. Wilhelm van Hessen is er zeer voor, nu iets voor den Prins te doen, wegens Let gevaar voor het Rijk van Spanje\'s overmacht. Niederl. 1568. 11.
17 Juli 1568. Berichten uit Weenen omtrent het plan om aartshertog- Karei van Oostenrijk tot landvoogd in Spanje te verheffen, waarop de Koning van Spanie in de Nederlanden zou kunnen komen.
Niederl. 1568. I.
18 Juli 1568. Zending van George von Scholtey, Hessisch overste, aan Christoffel van Wurtemberg om dezen te bewegen den Prins te steunen. Hij moet voornamelijk wijzen op de belangen van den godsdienst , terwijl de üuitsche vorsten toch ook de Hugenoten hebben gesteund en de Nederlanden nog wel een deel des Rijks uitmaken. Ibid.
19. 25 Juli 1568. Wurtemberg heeft groote bezwaren, vooral wegens zijne bezittingen in Bonrgondiö: bovendien »sovill den Printzen anlanget, ^er wher kein Krigsmann, er helt sich mit etzlichenn liederlichenn Leutl.pnn eingelassen; mit denen werde es Ihm nicht wholl gehennquot;. Ibid.
\'JO Juli 1568. Hessen aan de Evangelische vorsten. Alva heeft vrijheid gevraagd a;ui Tecklenburg om door zijn gebied te mogen\' trekken ; hij staat gereed om met 3500 ruiters en twee regimenten voetvolk door rie Westfaalsche kreits op Dillenburg aan te rukken en de Nassausclie Graven en heeren te straffen voor hunne hulp aan den Prins. Hessen vraagt dringend om hulp. luid.
21. 1 Jan. 1569 De heer de Cormaillon komt namens den Prins in Hessen en de Paltz om een plan des Prinsen uiteen te zetten voor eene groote onderneming en om geld te vragen »pour faire quelque grande chose amp; Ia gloire de Dieuquot;. Frankreich 1569. Hl.
22. 18 Febr. 1569. (Straatsburg). De Prins verbindt zich onder borgstelling van Albrecht van Nassau-Saarbrück en Lodewijk van Nassau om 1°. zijne troepen voor de eerste maand te zullen betalen met Leipziger mis omstreeks Pascha; 2°. met de Frankforter mis in den herfst zelf te Frankfort te zullen komen om de soldaten tevreden te stellen.
Niederl. 1569-1570.
24. 18 Oct. 1569. (Straatsburg). De Prins aan landgraaf Wilhelm , dat hij den 1 Iden te S. is aangekomen en zich thans naar de Paltz en Saksen wil begeven om meer troepen te werven. Frankreich 1569.1.
24. 28 Juni 1572. Brief van deu Prins aan Maximiliaan , waarop het antwoord bij Groen slaat. Niederl. 1572. 1.
25. 17 Maart 1573. Instructie van den Prins voor Herman van Hullingen als zijn gezant in Hessen om den landgraaf over te halen hem geldelijk te steunen in het belang van het Evangelie. Niederl. 1573.
26. 4 Nov. 1576. Brief van deu Prins aan landgraaf Wilhelm over de Pacificatie van Gent. Niederl 1576. II.
27. Wilhelm van Hessen aan zijne gezanten te Heidelberg. 5 Jan. 1577.
.....Sonstet seindt wir mit Euch einig , dasz der Stende des Reichs ,
sonderlich aber der benachbartenn unnd dieszem Niederlendischen Kriegs-wesenu nechstgesessener Kreisze Notturff woll erfordert, diesze Dinge etwas mehr unnd wachendcr als beschiehet inn Acht zu nehmenn
1S3
uund nicht so schlefFericht zu dieszen antwenden Creferlicheitteu zu~ thun , hielten auch darfar, da die altenn Teutsehen noch lebtean , sie wurden sich dieselbigen mit mehrerm Ernst, üfsehenn unnd Eiffer ange-legenn sein lassen, aber nunmehr ist leider dabin gerathenn , dasz ein jeder ufs Privatum und keiner uffs Publicum siehett. Derowegen wir , als der Wenigste , es unsers Theils auch dahinstellenn uund Gott unnd der Zeit die Sacben bevehlen mussen. Niederl. 1577. I.
28. 15 Jan. 1577. (Siegen). Jan van Nassau aan landgraaf Wilhelm , dat de pest te Dillenburg zelfs is doorgedrongen tot in de kamers der Prinsessen van Oranje; meer dan 30 personen op het slot zijn er aan gestorven , ook eene dochter van graaf Jan. Niederl. 1577 (1579).
29. 24 Jan. 1577. (Siegen). Idem aan idem. De vredesonderhandelingen in de Nederlanden zijn volkomen mislukt door den tegenstand vau Holland, Zeeland, Gelderland, friesland en nog een gewest tegen den eisch om ; zgt; Catholique Roomse godsdienstquot;, als de eenige erkende te beschouwen. Ibid.
30. 9 Febr. 1577. (Siegen). Idem aan idem. Het bericht van de terugkomst van Philips Willem uit Spanje is niet geloofwaardig; mededeelingen omtrent de opvoeding des Graven te Madrid. Ibid.
31. 4 Maart 1577. Johan Casimir klaagt bij den landgraaf over den ellendigen toestand der Nederlanden. Niederl. 1577. II.
32. 8 Maart 1577. (Dillenburg). Jan van Nassau aan den Landgraaf over de vredesonderhandelingen in de Nederlanden. Niederl. 1577 (1579).
33. 22 Maart 1577. (Arnstadt). Gunther von Schwartzenburg aan landgraaf Wilhelm. Hij beklaagt zich over den ellendigen toestand der Nederlandsche Christenen » wan aber niemandt, wie man zu sagen pflegt, der Katzen die Schellen anhengea will unndt wir Deutschenn also mit sehenden Augen blindt, musz man es ferner fur eine sonderbare Straf Gottes verstehen unndt wirdt ohne Zweifell die Ruthe nicht lange aussen bleibenquot;. Niederl. 1577. II.
34. 25 Maart 1577. (Dillenburg). Jan van Nassau aan den Landgraaf over de onderhandelingen in de Nederlanden. Niederl. 1577 (1579).
35. 31 Maart 1577. (Siegen). Jan van Nassau aan den Landgraaf over de houding van Don Jan, »wie er sich dan auch newlicher Zeit dieszer Wortt verlauten lassen: »Si Monsieur le Prince m\'oyeroit, il me geusteroitquot;, der Meinung, da er mit dem Printzen zu Sprache kommen mochte , er wolte Irer Liebden solche gute Wortt gebenn , das dieselbe Ime ohne Zweifel beifallen solten, welches Ime aber, so viel ich von dem Hern Printzen verstanden , ob Gott will, fehlen soilquot;.
Ibid.
36. April 1577. Don Jan namens Koning Philips aan denLandgraaf, roept zijne hulp in tot herstel van den vrede in de Nederlanden en ook zijn steun als bloedverwant. Dit is het begin van eene onvruchtbare correspondentie met den Landgraaf. Niederl. 1577. II.
37. 8 Aug. 1577. (Dillenburg). Jan van Nassau aan den Landgraaf. »Gnediger Herr, E. G. soli ich uff Dero gnedig Begiren in dienst-lichem Vertrawen nicht verhalten , welcher Gestalt der Herr Printz uit
184
fill in S G. Thiener ahi hero abgefretiget, das Jie Derselben Sohn sampt den zween eltesten Dochtern zu Dero Gnaden in Holland furen sollen , sondern dasz audi Dero Gnaden ahn mich abermals begertt, das mit denselben Ich audi binnen kommen wollte. Wan wir dan unsz ent-schlossen, dasz wir den 17ten hujus vermittelst gottlicbem Gnaden ulbie auff^ein unnd uff die Raisz begeben wollen, so hab ich nit unn-derlassen sollen, E. G. vermogen gethanen Zusage derselben hiemit zu verstendigen , bittend , da E. G. mir ettwasz hevehlen wollen , so Ich den Akt verrichten solte, dasz mir solches hierzwischen zukomnien modite, soli ahn meinem treuen Vleisz ob gutte Will nichts erwin-denquot;. Nieder1. 1577 (1579).
38. 19 Aug. 1577. (Brussel). Belangrijke politieke brief van Marnix aan den Landgraaf over de toestanden in de Nederlanden.
Niederl. 1577. HI.
39. 28 Nov. 1577. Belangrijke brief van Jan van Nassau aan den Landgranf over de toenmalige omstandigheden. Niederl. 1577 (1579).
40. 15 Jan. 15/8. Geloofsbrief voor den Spaanschen gezant Don Ramiro Nunez als gezant in Hessen. Niederl. 1578. III.
41. 2 Mei 1578. (Worms). Belangrijke brief van Marnix aan den Landgraaf over politieke onderwerpen. Niederl. 1577. III.
42. 29 Juli 1578. Aanbevelingsbrief van Keizftr Rudolf voor Don Ramiro Nuïïez. Niederl. 1578. III.
43. Sept. 1578. Don Ramiro Nunez verzoekt de tusscbenkomst des Landgraven in de Nederlandsche woelingen. Ibid.
44. 24-26 Sept. 1578. Antwoord van den Landgraaf aan Don Ramiro , Philips 11 en den Keizer, dat de Koning maar één middel beeft om den vrede te bewerkstelligen , namelijk toe te geven » in puncto reli-gionis quot; en de Protestanten in die landen te dulden. Ibid.
45. 16 Oct. 1578. Johan Casimir aan den Landgraaf, rechtvaardigt zijne houding in de Nederlanden , waarover deze sedert het begin des jaars met hem had gecorrespondeerd. Ibid.
46. Jan. 1579. (Gent). Dathenus aan den Landgraaf met berichten over de Nederlandsche zaken. Niederland. 1579. L
47. 22 Jan. 1579. (Antwerpen). Marnix aan den Landgraaf over den politieken toestand. Niederl. 1577. UI.
48. 3 Maart 1579. (Antwerpen). Marnix aan den Landgraaf over hetzelfde onderwerp. Ibid.
49. Juni 1579. Beschrijving van het beleg van Maastricht, geïllustreerd met penteekeningen. Ibid.
50. 10 Dec. 1579. Brief van Johan Casimir aan den Landgraaf, dat hij nog geene troepen heeft geworven in Frankfort of Bourgondië maar rekent op den steun van Hessen. Ibid.
51. 13 Oct. 1581. (Arnhem). Brief van E verhard van Reydt aan Jan van Nassau over de nederlaag in Friesland op 30 Sept.
Niederl. 1581-1582.
52. 26 Febr. 1582. Brief van Koningin Elizabeth aan den Prins over de zonding van Alencon naar de Nederlanden. Ibid.
185
53. Febr. 1582. Brief van Elizabeth aan den Prins over dezelfde zaak.
Ibid.
54. 26 April 1582. Anjou aan den Landgraaf, waarbij hij verzoekt om zijn steun in de moeilijke taak in de Nederlanden. Ibid.
55. 12 Juli 1584. (Marburg). Dd Landgraaf meldt den dood des Prinsen aan zijn Raad te Cassel; »was vor ein jammerlichen Ausgang der gutte fromme Josias Belgii genommen , das hapt Ir ob beyliegendem Schrei-beu , so uns diesen Morgen zukommen , ferner zu wrnehmennquot;.
Niederl. 1583-1585.
56. 23 Juli 1584 (Dillenburg). Jan van Nassau aan Landgraaf Wilhelm. j\'Als hoehermelts Hern Printzen furnemsten Freundt unnd zu welchem Hire Gnaden fur andern Jederzeitt ein sonderlich guttes Ver-trawen gehabttbeveelt hij den Landgraaf \'s Prinsen familie aan en verzoekt hem hetzelfde te doen bij den keurvorst van Saksen , die hem eerstdaags komt bezoeken. IbiJ.
57. 4 Sept. 1584. (Delft). Maurits van Nassau aan Landgraaf Wilhelm met verzoek om de Raden van Jan van Nassau , wieu men in-structiën heeft medegegeven, te willen hooren. Ibid.
58. 24 Sept. 1584. (Delft). Otto van Wolmenckhausen aan Landgruaf Wilhelm. Hij raadt hem aan om Maurits te helpen in het verkrijgen van de grafelijke waardigheid over Holland , daar Zeeland zeer sterk overhelt tot Frankrijk. Ibid.
59. 1 Juli 1586. Leicester aan Landgraaf Moritz , verzoekt de werving van Adolf van Nieuwenaer in Hessen toe te staan. Niederl. 1586.
60. 7 Mei 1587. Parma aan Landgraaf Moritz, vraagt vergunning om in Hessen koren te mogen aankoopen, wat geweigerd wordt.
Niederl. 1587-1590.
61. 18 Juli 1588. (Leeuwarden). Brief van Willem Lodewijk aan Landgraaf Moritz met eene beschrijving van den ondergang der Armada , zeer uitvoerig. Ibid.
62. 26 Nov. 1594. Graaf Jan aan Maurits van Nassau met klachten over de plunderingen der Staatsche troepen in Westfalen, waaruit moeilijkheden met het Rijk kunnen voortkomen. Niederl. 1591-1600.
63. 30 Juni 1599. Willem Lodewijk aan Hohenlohe over de krijgstochten in het Guliksche. Ibid.
64. 22 Jan. 1600. (Enkhuizen). Paludanus aan Landgrasf Moritz over de door Staatsche schepen buitgemaakte oude Hessische kanonnen, na den Schmalkaldischen oorlog op de Canarische eilanden gebracht.
Ibid.
65. 31 Mei 1601. (den Haag). Graaf Maurits aan Jan van Nassau over zijne plannen op Rijnberk. Niederl. 1601-1610.
66. Einde 1601. Johan van Santen, heer van Middelharnis, en Egbert Alberda van Slochteren, als gezanten bij Hessen, vragen om hulp voor de Staten-Generaal maar ontvangen een weigerend antwoord.
Ibid.
67. 5 Febr. 1602. Graaf Maurits vraagt vergunning om door den graaf
186
von Solms 1000 ruiters ia Hessen te laten werven, wat geweigerd wordt, ten minste niet openlijk wordt toegestaan. Ibid.
68. 15 Mei 1602. Maurits vraagi om eene kopie van Landgraaf Wil-lielm\'s » Observationes stellarumquot;. Ibid.
69. Einde 1614. De Staten-Generaal vragen om steun van de Duitse he Protestanten , zonder welken het hun niet mogelijk is den strijd voort te zetten. Hierbij een zeer interessant overzicht van den strijd tegen Spanje, zooals die tot nu toe gevoerd was. Ibid.
70. 1617. Gezantschap van den heer van Brederode in Hessen met het doel om hulp voor de Staten te verkrijgen. Ibid.
71. 17 Sept. 1627. (Grol). Brief van Willem van Nassau en Siegen aan Landgraaf Moritz over de verovering van Grol. Niederl. 1621-1639.
72. Juli 1631. Instructie voor den Hessischen gezant bij de Staten, Levin von Donop, die de Staten moet bewegen tot een gemeenschappelijk optreden tegen Tilly, die in Hessen huist. Ibid.
187
BIJLA.GE M.
Oorkonden uit het Staatsarchiv te Düsseldorf.
1. 5 Febr. 1355. (Mechelen). Verbond van quot;Wenzel, hertog van Brabant , met Keulen. Churcölu. Archiv, A.bth. Xü , Litt. D bis , Verhand-lungen.
2. 16 Juni 1396. Philips van Bourgondiö gebiedt zijn stadhouder in Limburg en zijnen anderen ambtenaren het traktaat van Maart 1395 met Johan van Loen, heer van Heinsbergen Leeuwenberg, te houden, waarbij deze verklaart voor 1000 Rh. guldens \'sjaars Limburg te zulltm verdedigen. ürig Urk. Perk, Archiv Jülich-Berg.
3. 5 Jan. 1404. (Aires). Margaretha, hertogin van Bourgondië , benoemt Johan van Leen, heer van Heinsberg, tot stadhouder van hare landen Limburg , Fauquemont, Dalen , Wastemberg , Carpen en Lo-mersbeim. Orig. Urk. Perk. Archiv Jülich-Berg.
4. 7 Mei 1415. (Brussel). Anthonie van Brabant machtigt Johan van Loen, heer van Heinsborg en Leeuwenberg, van \'s hertogen wege in Limburg en üvermaze eene schatting te heffen van 6000 rijtlsche guldens » bi onsen araptluden ende scepenen , also ghewoenlic es, van einen gegeliken, die de scepenen kennen ende houden , dat niet be-devri en sijn , sonder yemant daerin te sparen of te verdragenquot;.
Orig. Urk. Perk. Archiv Jülich-Berg.
5. 26 Juli 1416. (Brussel). Jan van Brabant bevestigt Johan van Loen , heer van Heiusberg en Leeuwenberg, als drost van Limburg.
Orig. Urk. Perk. Archiv Jülich-Berg.
6. 5 Oct. 1430. Philips van Bourgondië schenkt privilegiën aan Brabant, Limburg en de Overmaasche landen.
Orig. Urk. Perk. Archiv Jülich-Berg.
7. 15 Aug. 1431. Verbond tusscheu aartsbisschop Frederik van Keulen en Philips van Bourgondië.
Churcoln. Archiv , Abth. XII, Litt. D bis , Verhandlungen.
8. 21 Dec. 1447 (Brussel). Philips van Bourgondië staat hertog Gerhard van Gulik-Berg toe de leenen, die hij reeds lang van hem had moeten verheffen, nog een jaar zonder verlei te behouden.
Orig. Urk. Archiv Jülich-Berg.
9. 27 Maart 1473 (Luxemburg). Geloofsbrief voor een gezant van Karei den Stoute aan den aartsbisschop van Keulen.
Churcoln. Archiv , Abth. XII, Litt. D bis, Verhandlungen.
10. April 1473. Brief van het kapittel van Keulen aan Karei den Stoute over opgekomen moeilijkheden. Ibid.
11. 18 Jan. 1501. Verbond van Philips den Schoone met Keulen. Ibid.
12. 28 Jan, 1535 (Brussel). Instructie voor Wilhelm van Nassau,
188
Catzenelnbogen en Dietz, en Wilhelm, graaf van Nieuwenaer en Meurs, als gezanten des Keizers bij Keulen, Saksen en Gulik, om te spreken over een verbond van defensie tegen de Wederdoopers. Ibid,
13. 18 Maart 1537. Instructie voor Cornelis Scepperus als gezant bij Keulen over datzelfde verbond. Ibid.
14. 6 April. 1559. Philips 111 bevestigt privilegiën, door Karei V en Philips II in de Nederlauden aan Keulen geschonken. Ibid.
15. 7 Febr. 1569. Verklaring van den Admirant van Arragon, namens den Koning van Spanje aan de drie kreitsen aan den Neder rijn gedaan. Ibid.
16. 29 Sept. 1724. Brief van den aartsbisschop van Keulen aan keizer Karei VI over de handelsvoorrechten der Keulenaars in de Oos-tenrijksche Nederlanden. Ibid.
17. 7 Juli. 1773 Vaststelling der grenzen tusschen Limburg en Gullk. Orig. Urk. Archiv Julich-Berg.
VERSLAG
AANGAANDE
EEN ONDERZOEK IN DÜITSGHLAND
NAAR
ARCHIVALIA,
belangrijk voor de geschiedenis van Nederland. 1 8 87.
i.
nvursTER.
A.
Staatsarchw.
In de oostelijke gewesten van ons land wordt dikwijls de bewering gehoord , dat de invallen van Christoffel Bernard van Galen in l(i65 en 1672 een zeer noodlottigen invloed hebben gehad op den toestand der archieven aldaar. Het is niet onnatuurlijk , dat men het er voor houdt, dat de oorlogstoestand voor die archieven niet bijzonder jrunstig geweest is: boe dikwijls toch werden en worden in zulke gevallen de belangrijke stukken uit hunne bewaarplaatsen weggenomen, hetzij door de ambtenaren zelve, om hunne vernietiging of confiscatie te vermijden , hetzij door den vijand, die ze als goede buit medevoert of ze tracht te doen verdwijnen ten einde de latere administratie te bemoeilijken. Het is niet te ontkennen , dat de invallen van Christoffel Bernard inderdaad voor verschillende archieven zeer schadelijk zijn geweest , maar men gaat te ver, wanneer men beweert, dat hij tal van archieven heeft geplunderd om hun inhoud naar Münster over te brengen. Het eenige archief, waarvan dit een rogenblik vermoed kon worden , is dat van Borculo, zooals later blijken zal; van stukken , uit andere archieven in ons land afkomstig, vindt men in de Münstersche archieven geen spoor , behalve in eene groote verzameling van stukken , die de verzamelaar Kindlinger (gestorven in 1819} van heinde en verre
190
heeft bijeengebracht en die na zijn dood door de Pruisische regeering is aangekocht.
Eeue andere sage omtrent Munster luidt, dat in den Hervormingstijd tal van kerkelijke archieven, belangrijke manuscripten en boeken uit de kloosters van ons land door de vluchtende geestelijken naar dat bisdom zijn overgebracht. Het is niet onwaarschijnlijk, dat dit nu en dan heeft plaats gehad. Zeer zeker echter dient men zich ook in dit opzicht van den rijkdom der Münstersche archieven geen illusiën te maken. Ik heb — gesteund door de groote voorkomendheid en den hulpvaardigen ijver van de heeren dr Ugen , archivaris , en dr. Fincke , privaatdocent aan de Academie te Münster, — geen moeite gespaard om zekerheid in dezen te verkrijgen, overtuigd nis ik was , dat die stukken , als zij voorhanden waren , inderdaad hoogstlielangrijk konden zijn. Ook hier is mijn resultaat negatief geweest en ik kan verzekeren , dat noch in het Staatsarchief noch in het stedelijk archief noch in die der Münstersche kerken stukken van dezen aard aanwezig zijn. De in de kerkelijke archieven aanwezige ouüe stukken zijn in onzen tijd alle door de kerkelijke overheden aan de regeering uitgeleverd en door deze in het Staatsarchiv geplaatst; de vriendelijke Domcapitular dr. ïibus, die de overbrenging grootendeels leidde en de kerkelijke archieven te Münster beter dan iemand anders kent, verzekerde mij, dat hij er nooil stukken had aangetroffen, die uit Nederlandsche kerken of kloosters afkomstig waren.
Behoeven wij dus deze rubrieken van stukken voortaan niet meer te-Münster te zoeken, de betrekkingen van Münster en het Münstersche tot ons land zijn te nauw geweest dan dat het aquot;chief aldaar niet iets voor de beoefening van onze geschiedenis zou kunnen opleveren. Men behoeft slechts te denken aan de Münstersche gouwen in Groningerland , wier toestand in de Middeleeuwen door Von Ledebur en Von Richthofen zoo goed is beschreven ; verder aan Westerwolde, dat sedert het midden der 13de eeuw, zeker sedert 1316 onder Münster stond en tot in de 161e eeuw gestaan heeft; eindelijk aan Borculo, Bredevoort en andere plaatsen in de Graafschap, wair Münster van de 14de tot in de 17de eeuw zijne rechten deed gelden. Maar er is nog meer. Het huis Werth , door de Culemborgen beheerd , was tot in de i6de eeuw leen van Münster; het klooster Ahdinghof in Paderborn had bezittingen bij Putten op de Veluwe, bij Haeften , Buren, Gorkum , Kedichem , Gameren en elders in Gelderland, Zuid-Holland en Utrecht. Eindelijk nam het bisdom, als nabuur, deel in de groote gebeurtenissen , die in ons vaderland plaats hadden : in de Geldersche twisten van de 14de, 15de en 16de eeuw; in de woelingen der Wederdoopers (1); in den SOjarigen oorlog; in de oorlogen met Frankrijk in de 17de eeuw ,
(1) Wat hieromtrent voor onze geschiedenis van belang is en te vinden in de Münstersche archieven , is door den verdienstelijken Ötaatsarchivar dr. Keiler te Münster en door prof. Cornelius te München uitgegeven en bewerkt.
101
vooral in de tijden van Christoff\'el Bernhard (1). De bewijzen van dit alles zijn in het Staatsarchief te vinden.
Een belangrijk deel van de stukken in liet Staatsarchief vormt ook de reeds genoemde verzameling van Kindlinger (2), waarin zich tal van copieën en origineelen bevinden, betrekking hebbende op de kerkelijke en wereldlijke geschiedenis van Utrecht, Gelderland, Overijssel en Groningen.
Van de oudste betrekkingen van ons land met Munster, dagtee-kenende uit de dagen , toen de heilige Ludger (800), wiens kerk te Münster staat, hier het Evangelie verkondigde, zijn, builen de levensbeschrijvingen van dien in het oosten van ons land zoo bekenden heilige, te Münster geen sporen achtergebleven. Het oudste gedenk-teeken, dat aan de oude , vooral door de werkzaamheid van Ludger bekeerde Münstersche Gouwen herinnert, is waarschijnlijk de muurschildering , die zich in den Dom boven het noordelijke portaal bevindt. De Dom is in de 13de eeuw gebouwd , ten minste dit gedeelte er van , en de trouwe Friesche zonen van den Münsterschen bisschop wilden niet achterblijven in het toonen van belangstelling in het groot-sche bouwwerk , öat in de hoofdstad van het bisdom werd ondernomen ; zij namen den bouw van dit portaal voor hunne rekening en versierden het ter herinnering aan hunne vrijgevigheid met eene schildering, waarin zij werden voorgesteld als schatting leverende aan den Heiligen Paulus, wien de Dom gewijd was; men ziet ze in feestelijk gewaad opgaan tot den Heilige, wien zij de voortbrengselen van hun land: vee , kaas en veldvruchten, aanbieden. Aan deze hoogst interessante schildering vastknoopende, begin ik het overzicht van het te Münster door mij opgespoorde met:
a. Stukken over de geestelijke jurisdictie in het Münstersche Friesland.
In de eerste plaats viel mijn oog op:
Ms. VII, 451 a. Geistliche Jurisdiction in Friesland (Groningen), Bd. I, 1275-1559; Bd. II, 1560-1566. Behalve de bij Niesert, Fried-lander en Wilmans afgedrukte oorkonden van 1 April 1275 en 2 Jan. 1282, bevinden zich in dezen bundel de volgende origineele oorkonden en copieën :
1. (fol. 13). 28 Nov. 1458. » Nos fratres Ebberhardus Dei paciencia abbas , Gerhardus Deltft, prior , Herdericus , cellerarius , ceterique con-ventuales monasterii S. Juliane Virginis in Rothem ord. S. Bened.quot; , erkennen de incorporatie van de proostdij Usquert, waarvan de geco-pieerde oorkonde volgt, » salvo ven. dom. Juliano preposito rnoderno usufructuquot; uit de preposituur »ad vitam, reser^ata etiam nobis etsu^-cessoribus nostris peusione 200 floren. dom. Rodolpbi Episcopi Traj.
(1) Wat er omtrent hem en zijn tijd in de Münstersche archieven is te vinden, is alles door Tücking en Der Kinderen gebruikt, zoodat ik mij daarmede weinig bezig hield.
(2) Van 1804 -1806 archivaris van den Prins van Orai je-Fulda.
192
aut eorum valore per abbatem quociens dicta abbacia in Rothem quovismodo vacaveritquot;. (copie).
2. Hierbij nog eene verklaring, dat 3 flor. dom. Rodol phi gelijk zijn aan 2 flor. de Reno. Deze verklaring is gedateerd 1 Dec. 1458.
3. (fol. 13). 26 April 1461. De eed van gehoorzaamheid aan Münster , afgelegd door »dominus Albertus Vrese, persona personatus in Baffloquot;.
4. 1484. Wicherus, prior, Ludolphus, cellerarius, Joh. de Groningen en de overige conventualen van Rothem verzoeken bisschop Hendrik van Münster bij notarieele akte, opgemaakt door den notaris Gher-brandus filius Nicolai de Groninge, om de bevestiging van hunnen nieuwgekozen abt, Joh. Lulle, in de plaats van den 27 Aug. gestorven eu 28 Aug. begraven abt Lambertus Olcinius vmet geschonden aanhangend zegel van den notaris).
5. 1487. Hendrik van Münster verheft op verzoek van Joh. Rengers de parochiale kerk van Schermer, waarvan deze de geërfde pntronus is, tot een klooster van de orde S. Crucis , terwijl de vroegere plebanus en defensor dier kerk, Joh. Struker, vrijwillig zijn rechten afstaat, (copie).
6. 12 Aug. 1490. Joh.Poertfliet, rector, Theod. Texalie, procurator, en de overige conventualen » novi conventus S. Helene regine in Schermer , fratrum ord. S. Crucis, terre Frisiaequot; verklaren de door den bisschop ingestelde orde te zullen handhaven. De instelling dier orde was geschied 6 Maart 1489 bij eene oorkonde, gezegeld door Joh. Rengers en zijne vrouw Agneza van Horstmar. (Oiig. Zegels verloren. Zie Felth , Register 1, 236).
7. 28 Oct. 1505. Bernardus, abt van Aduard, en zijn convent erkennen , dat de bisschop hun ditmaal veroorloofd heeft hun abt te laten wijden door den vicarius in pontificalibus; latere abten moeten »ua oelder herkunftquot; zeiven in het stift komen. (Ürig. zegel verloren).
8. Circa 1510. Een stuk over de jurisdictie der Münstersche bisschoppen in Groningerland.
9. 15 Aug. 1519. De » officialis terre Frisiequot; vergunt aan »Mag. llcko, curatus in Dammonequot; en zijne opvolgers om praebendarii en vicarii aan te stellen, die aan Münster gehoorzaam zullen zijn; hiervoor moet jaarlijks 1 rijnsche gulden per jaar betaald worden » in synodalibus clericorum posterioribus in Fermiszemquot;.
10. circa 1520. De deken en olficiaal ther Mollen klaagt over de achterstallen van de tienden in de proostdij van Loppersum , die den bisschop van Münster toekomen.
11. 20 Maart 1528. Antwoord van den bisschop van Münster aan Eggerich Bennyga tho Grymersum , drost te Leeroort, waarbij hij dezen de door hem gevraagde proostdij van Weener scheukt, die opengevallen was.
12. 20 Dec. 1531. Overeenkomst tusschen luitenant en hoofdmannen en de Ommelander volmachten, gesloten op het ri^dbuis te Groningen , over de rechten der pastoors in de Ommelanden , voornamelijk over de begrafenisgelden.
193
13. 8 April 1532. Tweede overeenkomst hieromtrent. (Zie Feith , Register 1, 387.)
14. 7 Juni 1535. Viglius van Zuichem , doctor , officiaal en proost van Hummerzum , handhaaft zijue rechten als zoodanig. (Orig. met goed bewaard zegel.)
15. 11 Aug. 1535. Door bet oproer der Wederdoopers in bet vorige jaar was de officiaal toen niet in Groningerland gekomen , waarom luitenant en hoofdmannen toenmaals de geestelijken van de Ommelanden naar Groningen hadden ontboden »umme ermanijnghe halven , se sollen unbijllyken und ungotlyken handel! afstellen und er leven tbo betterenquot;. Toch waren zij » in oren undogensemen leven blyven sijttenquot;. De officiaal zal ben voortaan , zooals hij bij dezen verklaart, zelf weder komen bezoeken en de hulp der overheid inroepen, als het noodig blijkt.
16. 14 Aug. 1535. Luitenant en hoofdmannen roepen de pastoors , vicarissen en praebendaten op om persoonlijk Zaterdag te 8 uren voor ben te verschijnen (achterop : xgt;ob has litteras in Oldehove nemo sacerdolum comparuitquot;).
17. 1 Oct. 1536. Brief van üfko Ufkens aan den officiaal over de proostdij van Loppersum. (Zie Feith, Eerste vervolg, blz. 61.)
18 13 Maart 1537. Brief\' van Joh. Dutmarus, abt van Rottum , aan den officiaal. Officium meum et obsequium promptissimum. Audivi de adventu tuo apud nos, venerabilis domine , post Pascafia festum, de quo multam gaudeo, tum propter varia negofia, que inter discor-dantium partes versantur , cum maxime jurisdictionis dispendio. Quare rogatus a quibusdam capitanibus ac domicellis, necnon a dom. pastore in Oldenzjdl Tuam Humanitatem bis meis scriptis supplicare, ut causam de prebenda in Zantweer, per judices suspectos evulgatam, velis suspendere per mandatum usque ad tuum proximum adventum, sicut doraini possidentes in Groeninge seculares per mandatum ad te trans-missum decreverunt ac discernerunt. Ceterum de negotio venerabilis abbatis in Tezinge ago tibi immortales gratias, ita tamen ut que scripta prelata sunt pacificentur. Vale, ex muscolo meo Rotthumano a. 1537, 14 Martii.
tuus deditissimns ac officiosissimus Joh. Dutmarus, in Rotthem abbas, prepositus Usquerdensis.
19. 4 Maart 1537. Brief van JufFer Bauwe Enters toFradama , Glas Kater en El vert Eater , hovelingen te Fradama, aan den officiaal, met gedetailleerde klachten over de wederrechtelijke bezetting in het vorige jaar eensr praebende te Zantweer tegen het traktaat tusschen Groningen en den bisschop van 13 Mei 1530.
20. 12 Maart 1539. Viglius van Zuichem doet bij notarieele akte afstand van zijne proostdij in Hummerzum aan Reneke van Burmania.
21. 29 Dec. 1540. Gooswijn Jansz. wordt door de zusters van Olde-klooster tot abt verkozen. Getuigen: Frans Jacobsz. in Berne, Dodo Heddensz., prebeudatus te Damme, Frederik Hardensteyn, idem ; Lubbe van Langben , priores, Albert quot;Wybens , subpriores , en 34 zusters, met name genoemd. (Not. akte.)
13
194
22. 12 Mei 1541. Eggerick Beenijngha scurijft aan Johan van Oost-friesland over zijne rechten op de proostdij van Weener.
23. 1553. Klacht van Johan van Vijsbeek, deken te Oldenzaal en officiaal te Deventer, over de usurpatie van de proostdij van Farmsum door Everhard van den Grave na den dood van den ten vorigen jare overleden Bolo Ripperda.
24. 24 Aug. 1553. Onderzoek van den officiaal naar den toestand van het »verleddigtequot; klooster, »welcks in den Damme gelegen, darvan die guider alienert und destrahert sijn sollen quot; en naar den toestand van den godsdienst in Groningerland.
25. 7 Maart 1556. Gerard van Ahuis, prior van Schanner , dooide zusters van Thesinge tot abt verkozen in plaats van den gestorven Gerardus van Groningen. Getuigen : Guilhelma Conradi, priores , Elizabeth Cannegeters, subpriores, en 15 andere zusters, met name genoemd. (Not. akte.)
26. 27 Juni 1556. Presentatie van Duthmar Rengers als abt van Rothem , door het domkapittel van Münster.
27. 1557. De vroegere officiaal in Friesland, Albert Mumme, beschrijft den toestand van de geestelijke jurisdictie van Münster in Groningerland in de 16de eeuw.
28. 20 Dec. 1558. Brief van Philips 11 aan den bisschop van Münster met hevige klachten over de geestelijkheid in Groningerland, die »ire auf-gesetzte alte Ghristlichen kirchengebreuch und ordnungen in mehrerlei wege verachtlich ühartreten und unter anderm ire geburliche priesterliche tonsur noch kleidung sonder in gemain weltliche klaider tragen , ire offentliche beyschlitff und dieselbe fur ire eheweiber halten und nemen und also durch diese ire offentliche lasterliche miszbreuch dem ge-mainen unverstendigen mann grosse ergernus machen und verursa-chenquot;. Hij verlangt daarom , dat de bisschop, evenals hij zelf elders in Friesland gedaan heeft, commissarissen zal aanstellen tot onderzoek van den toestand , en belooft de hulp van zijne ambtenaren te Groningen daarbij.
29. 18 April 1559. De bisschoppelijke commissarissen: Godfried Ludolfi te Usquard , Tymau Petri te Loppersum, Joachim Scuttorpte Damme , Egbert Merkema te Oldehove , Sicke Tibema te Hummerzum , Everard Olbeke te Baflo , verzoeken niet den ongeschikten Quintinus , pastoor te Groeter Munte, maar ilag. Fredericus Hardensteyn als officiaal te mogen hebben met het oog op de tempora »turbulentissimaquot; en den vervallen toestand der geestelijke jurisdictie.
30. 30 April 1559. Bij den pas voorgevallen dood van den officiaal Godfried Ludolfi vraagt Everard Olbeke om diens post.
31. 8 Mei 1559. Godfried van Arnhem, abt van Aduard, dringt aan op de inlijving van het klooster Trimunt in dat te Assen , dat ook van de Bernardijnen is maar in het diocees Utrecht ligt. Hij wijst op de »omnium rerum summa penuria, ne quid dicam miserius, in ïri-munta; si quid diurnis nocturnisque laboribus lucrifecerint, unde rem familiarem sustentent, id continuis grassatorum incursionibus et mili-
195
turn vagabundorum violeutia atteritur zoodat een algemeen vertrek der »vestales quot; te wachten is, terwijl daarentegen te Assen geen gebrek is dan alleen aan »sacrae virgines, propterea quod omnia hie diversis haeresibus infesta sunt et amor profitendae religionis apud seculares valde refriguitquot;. Ook de overleden officiaal had hierop meermalen aangedrongen.
32. 11 Mei 1559. Bisschop Bernhard antwoordt, dat hii er over denken zal.
33. 18 Mei 1559. Gedrul ere proclamatie, naar aanleiding vamp;n den brief van Philips II, aan de geestelijkheid der Münstersche gouwen over de handhaving der jurisdictie en der kerkleer.
34. 21 Mei 1559. Johannes Richwijn , de nieuw benoemde officiaal, verklaart met St. Jacob in Groningerland te zullen komen.
35. 26 Nov. 1559. Hermannus Bernhardi uit Dockum door de zusters benoemd tot abt van Selwerd in plaats van den 3 Sept. gestorven abt Gosswinus. Getuigen: Joh. Hardensteyn, priores, en 13 conven-tualen, verder de abten van Rottum (Dutmar Rengers) en Tesinge (Gerard Abuis) en de notaris Corn. Kempius. (Goed bewaarde zegels van Selwerd, Rottum en Tesinge.)
36. 8 Maart 1560. Corn. Kempis , »redgher en rechter ten Dammequot; verklaart, dat hij , op verzoek van Mr. Haro Wijneken, Hillebrant Hen-dricksz., gezworen weddeman ten Damme, en diens vrouw \'voor zich heeft geroepen , die daarna gezworen hebben, dat hr. Rumbert Bouwsma , pastoor te üthwirde, te hunnen huize »in een gelachquot; gezegd heeft, »dat alle pastoeren ende priesteren, de misse deden, uth der serift wal thoeveren kimden , dan het were niet gesecht, dat se het doenn suldenquot;. CZie Feith , Register II, 142.)
37. 28 Juli 1560. Bevelschrift van luitenant en hoofdmannen te Groningen om den nieuwen officiaal. Joh. Richwijn, overal te gehoorzamen.
38. 3 Sept. 1560. Cornells Quindt, pastoor in Maiori Menterna, door Joh. Richwijn benoemd tot zijn plaatsvervanger tegen belofte van gehoorzaamheid aan Minister.
39. 8 Sept. 1560. Burgemeester en rechters van Appingedam begiftigen den officiaal met de vrije prebende der kerk, mits hij in Appingedam komt wonen.
40. 1560. Reeks van stukken over het herstel der kapel te Surhuizum.
41. 1560. Lijst der proosten in Hunsingo :
Abeke Onstenman , praepositus in Merne , in Liens , in Sabardt.
Joh. Mepsche , personatum habens in Baffio, habet practerea duo beneficia ultra personatum. Ultra 40 beneficia vacantia, in Baffio 2 beneficia vacantia. Vacat in Liens 40, ntitur Abeke Unstenman in Westhade.
D. Mepsche .... Loppersum.
Joh. Mepsche .... personatus Baffioe.
Abeke Unsta .... Liens.
Rottem .... üsquart.
non reperitur Humersum.
42. 6 Jan. 1561. Pastoor, burgemeester en kerkvoogden ten Damme
106
presenteereu Adriaau van ïwyckel als opvolger van den gestorven officiaal Quindt. .
43. 18 Aug. 1562. Adriaan Tvvyckel verklaart, dat hij 29 Juli looi en in 1562 te Usquard zeend gehouden heeft »mit myneu notarlo nha older gewoentenquot; maar dat toen Joh. Krithe, pastoor te Westerwijt-■wert en Koninklijk commissarius voor de geestelijke jurisdictie te Usquert, die zijne commissie als zoodanig wenschte neder te leggen , op aandrang der verzamelde priesters dit niet gedaan heeft, mits zij zich hielden aau de oude gewoonten en de bevelen van Munster.
44. 28 Nov. 1562. Gerhard v. Oesendorp verzoekt aan den bisschop , dat »omme allenthalven guede frede und caberscap te underbolden\' tusschen Eemsland en Coevorden »de grentsen gescheiden mochten
■wordenquot;. ^ . ,
45. 30 Nov. 1562. Gedeputeerden der Ommelanden verklaren den bisschop bij notarieels akte, dat de priesters aldaar zich beklagen over onrechtmatige inmenging van luitenant en hoofdmannen te Groningen in de geestelijke jurisdictie. (Zie Feith, Register 11, 207.)
46. 14 Dec. 1562. De bisschop wendt zich met dezelfde klachten tot Yiglius en tevens tot de landvoogdes , vooral naar aanleiding van de beschuldiging wegens ketterij tegen den pastoor te Bullo , dr. Joh.Elsz.
47. 24 Dec. 1562. Margaretha belooft onderzoek maar verklaart er overigens nog niets van te kunnen zeggen. , .
48. 1563 (Voorjaar). Commissie van den bisschop op den licent. juris Jöhan Schaden en den notarius Gerhardt Lennep tot onderzoek van den toestand der geestelijken in de Ommelanden. (Zie Feith, Register
II, 233.) , ^
49. 23 Aug. 1563. Luitenant en hoofdmannen geven den Umme-lander geestelijken bevel dezen heeren te gehoorzamen.
50. Einde 1563. Onderzoek naar een boekje met aanteekeningen van den vroegeren ofüciaal Johan Rengers over de geestelijke jurisdictie in Friesland, waarnaar reeds omstreeks 1550 te vergeefs gezociit was.
51. Juli 1566. Joh. Krithe, gesulrielegeerd officiaal, door de stad Groningen naar Münster gezonden om te spreken over de geestelijke jurisdictie en de gevolgen voor de kerkelijke goederen van de doorbraak der Noordzeedijken in den vcrlgen winter.
52. 4 Oct. 1566. De officiaal Gerard Werninck, pastoor te Middel-stum schrijft aan den bisschop: »het uproer, so in Holland, Brabant, Flanderen, mit der bilden stormen en kercken verwosten nu nyelich erresen, oick all by uns begijntin the breken und hebben die anhan-o-ers derselven bijunen Gronnige der Broderkerckj van ein erbraedt der stadt erlanget mijt dem voorbeholt, dat sie nicht dat licht an die altarren ende bilden begaen solden, wy sulcks mijt der clocken luden dorch ein edict by verboete hoger pene van dem raethuse afgelesen; ende im o-elvcken ist oick van lutenant ende hovetmannen in die Ummelanden in allen kercken by K. M. hogste ungnade verbodden. Desser unan-rresien hebben sie gelichwoll de Broderkercke alsoe verwoestet, dat gijn vestigie the seyn, waer ein altaer, soe\'wall dat hoge als andere,
197
gestaen , uiid werdt dair geprediget alle dage van Emders ende derge-licken predicanten. Im geliken sijnnen in E. F. G. stijfft diises ordes die kercken tho Oisternyelandi;, Garshusen , Grijpskercken , Winsum , Obergum , Gertsweert ende Woltersum van den anhangeren verwoestet. Etliche und veile anderen hebben die bilden selvesten wech gebracht, der eine singet ende predickt Swinglium, der ander Luterum , der derde singet Latijn bisz tot der predike , lette et dair by berusten und ist ein iders sijn gevoelen na verloevet the dry ven und der werdt gans nicht inne gedaen dan verbüjff alle uproers halven the vermyden. Dat ick in der coninck saken nu nicht darff attenteren.quot; Hij vraagt om eene bisschoppelijke missive aan de geestelijkheid in de Ommelanden.
53. Een dergelijke brief ook van Joh. Crite (1).
54. 1566. Een bundel stukken over de verhouding van het klooster Betlehem tegenover de abdij van Rottum.
55. 1 Juli 1567. Gerhardus Werninck aan den bisschop, dat de toestand der geestelijke jurisdictie » in temlicher wallstandtquot; is.
56. 8 Oct. 1567. Klachten van Margaretha bij de Mepsche, » dat sullicke der gheistlicke veiiedene mishandelongh soe slechtelick oversien ende vergheven worde quot; ; zij eischt strenger optreden tegen de ketters.
57. 22 Oct. 1567. Mepsche schrijft in dien geest aan Münster en vraagt de aanstelling van Dutmar Rengers van Rottum en Henricus Lontze van Selwerd tot buitengewone commissarissen, »que je cognoy estre constantz, catholiques et d\'une telle dexterite, quilz ponrront en cecy bien effectuer l\'intention tant de Son Alteza que de Vre. Seigneuriequot;.
58. 15 Nov. 1567. Gerhard Werninck schrijft aan den secretaris van den bisschop over een twist in het klooster te Wittewierum tusschen abt en convent, waarbij de abten van Lidlum en Mariëngaarde tus-schenbeiden waren gekomen ; zij hadden drie fratres in de gevangenis geworpen, wat volgens quot;Werninck eene te strenge straf was voor hunne oneerbiedigheid.
59. 4 April 1568. Gedrukt mandement van den bisschop tegen de ketters en de afvallige geestelijken in zijne Friesche diocese.
60. 22 Sept. 1568. Protest van Groningen tegen de invoering van het uieuwe bisdom.
61. 27 Febr. 1577. De Ommelander gedeputeerden wenden zich tot het domkapittel van Münster om nu , na den dood van bisschop Knijff, door wiens optreden de Münstersche rechten geschonden waren, op grond van de Pacificatie van Gent de oude toestanden te herstellen en Gerardus Werninck, die als officiaal nooit teruggeroepen maar alleen verhinderd was zijn ambt waar te nemen, weder als officiaal te doen optreden. (Zegels van : Henricus Lontzenius , abt van .Selwerd , Christoffel van Ewsum te Rasquart en Jennelt, joncker, en Edzarl Rengers ten Post, hoveling).
(1) Volgens rns. n0. 168 van het Münst. Alterthumsverein: » Joh. Krythe , suüfraganeus Monast., canonicus veteris eccl. D. Pauli nee non pastor ad S. Servatium , u0. 1575 pie in Domino defunclus\'\'.
108
62. 18 Maart 1577. Antwoord van het domkapittel met toestemming in het verzoek.
63.7 April 1577. Bevel des Konings aan de gedeputeerden van Groningen en de Ommelanden om den ouden toestand aldaar te herstellen. (Copie).
64. 16 April 1577. Werninck neemt zijne plichten bij schriftelijke verklaring weder op zich.
65. 3 Mei 1577. Bevel van luitenant en hoofdmannen om voortaan Werninck weder als offlciaal te erkennen.
66. 16 Maart 1614. Bevel van Albrecht van Oostenrijk om de »ansehen-liche berumbte Bibliotheca quot; van bisschop Knijff, na diens dood wederrechtelijk in bezit genomen door diens kapellaan Bernhardt von Bruck-tern, nu pastoor te Ypen buren , uit te leveren aan den drost van Lingen.
Belangrijke bijdragen tot de kennis der Münstersche jurisdictie kunnen verder geput worden uit de door Von Ledebur naar mss. uit de verzameling Kindlinger (Bd. 43) gedrukte stukken en uit enkele oorkonden in het Münstersche Urkundenarchiv, waarvan hieronder de excerpten volgen:
a. 67. 14 Aug. 1429. Verklaring omtrent den toestand der proostdij Hummerke en omtrent de straffen uitgesproken door de zeend aldaar. (Copie).
68. 20 Sept. 1441. Leenbrief van bisschop Hendrik van Meurs voor Unico Ripperda , die de door Dutmar Rengers geresigneerde proostdij Utthuus had gevraagd.
69. 28 Mei 1458. Revers van abt Hendrik, priores eu convent van Silo over de woordelijk daarin opgenomen oorkonde van den 27sten, waarbij bisschop Johan van Munster den hof te Bafflo aan dit klooster in leen geeft met voorbehoud van 14 mark rente daaruit (met zeer goed bewaard zegel).
70. 28 Nov. 1458. Origineel van n0. 2 en n0. 3 hierboven.
71. 26 April 1461. Origineel van n°. 1 hierboven.
72. 24 April 1484. Rottum vraagt om de erkenning van den nieuwen abt Lambertus (zie n0. 4 hierboven).
73. 1487. Origineel van n0. 5.
74. 12 Aug. 1490. Copie van n°. 6.
In deel 19 van de verzameling van Kindlinger nog op blz. 56:
75. 1524. Uniko van Ripperda belooft als proost van Emden gehoorzaamheid aan de Münstersche jurisdictie.
In de afdeeling 8 G. Negotia quoad terras Frisomm, komt midden onder eene verzameling stukken over Westerwolde nog eene collectie stukken over de proostdij üthuus in de 16de eeuw voor.
Met behulp van deze stukken, bier onder a verzameld, en van die, welke in het Register van het Archief van Groningen , bij Emo en Menco, bij Driessen, bij Friedlander, bij Niesert, bij Wilmans en bij Richthofen te vinden zijn , is het mogelijk eene vrij volledige geschiedenis van de kerkelijke toestanden in Groningerland in de latere Middeleeuwen te schrijven.
199
h. De heerschappij van Münster over quot;Westerwolde (1) heeft zeker sedert 1316, misschien ook iets vroeger reeds, bestaan en in het archief van Münster komen dan ook tal van stukken voor, die op quot;Westerwolde betrekking hebben.
In de afdeeling 8 G., Negotia quoad terras Frisomim.
1. Brevis et succincta deductio dominii castri Wedden et terrarum Westerwalde et Benningkwalde cum attinentiis, een handschrift van een paar bladzijden, beginnende: Anno 1316 in die S. Priscae Virginis consules et incolae terrae Westerwalde in quinque parochiis habltantes dicti Vamschwede, Vlachwede , Selligerwedde(?) und Loe se suosque successores proprio arbitrio et ex libera voluntate protectioni Episcopi Monasteriensis Lodovici submiserunt ....
Hierin komen verder berichten voor uit 1400 ,1459 , 1482 ,1486 , 1498 en dan eenige uit de 16de eeuw tot 1576. Het ms. is van 1600.
2. Een afschrift van het vorige.
3. Perbrevis deductio domiaii castri Wedde et terrarum Westerwalde et Benningkwalde cum attinentiis.
Hierin veel meer berichten uit 1582, 1586 , 1587 , 1604, 1642. Dit stuk is opgemaakt in 1646.
De deductiën , hier genoemd, zija waarschijnlijk samengesteld om te dienen bij de toenmalige twisten en processen tusschen Münster en de stad Groningen, waarvoor ook moest strekken de hiermede overeenkomende ms. Deductie van 1643, waarvan de Khoer spreekt (P. E. J. P. IV, 2, 232) en wijlen de heer Koning te Wedde mij een exemplaar deed toekomen.
In het Urkundemrchw liggen nog de origineele oorkonden van 18 Jan. 1316, 17 en 19 Aug. 1459 , 7 Juli 1476, 1 April 1482, 8 Maart 1486 (2) met eenige afschriften van die oorkonden, welke allen herhaaldelijk zijn afgedrukt en gebruikt.
In deel 19 van de verzameling Kindling er komt nog eene collectie stukken over Westerwolde voor :
4. (Blz. 60). 1498. De ingezetenen van Bellinkwold met Upham en Utham erkennen den bisschop als heer op den grondslag van het verdrag van 1316.
5. (Blz. 75). 20 Aug. 1498. Bisschop Coenraad betuigt den Wester-■wolders zijn dank voor het hem verstrekte geld.
6. (Blz. 75). 1501. De bisschop verklaart, dat Westerwolde hem de 100 gulden, die het hem op dien datum te Wulffte gaf, vrijwillig heeft toegestaan , en belooft het land bij de oude rechten te zullen laten blijven.
(1) Zie R. Fruin, Geschiedenis van quot;Westerwolde.
(2) Op dezen dag zijn drie stukken uitgegeven: nl. 1°. een belofte van Van Haye Addinge, dat hij het bestaande verdrag met Münster zal houden; 2°. eene verklaring van denzelfde, dat hij het slot te Wedde met de vijf kerspelen en het gerecht als landdrost van Münster zal bezitten (Fruin, blz. 144); 3°. zijne erkenning der verpachting aan Groningen.
200
7. (Biz. 90). ? De bisschop verkoopt zijne rechten in Westerwolde op het kerspel Westkerke aan ïamme Hiddepoel en Johan Reghewert, met de bepaling, dat hij het ieder jaar te Midwinter kan terugkoopen voor 200 rijnsche guldens.
8. (Blz. 73). 22 April 1530. Schrijven van den rechter te Aschendorf aan de gevolmachtigden van het Stift Münster over het plan van den Gelderschen stadhouder om een blokhuis op te richten ia de Bour-tange, waardoor Westerwolde en Bellingwolde geheel van Münster gescheiden zouden worden: de inwoners dier landen weigeren Gelder te huldigen en willen liever het land verlaten.
9. (Blz. 74). 1530. Berend van Hackfort roept de Westerwolders op om Dinsdag a. s. te Wedde den hertog van Gelder te komen huldigen.
In deel 82;
10. 8 Juli 1576. Requisitionsschrift der regeering van Münster, aan den graaf en de gravin van Aremberg gericht, met den eisch om of Wedde , Westerwolde en Bellingwolde terug te geven óf drie vorsten als scheidsrechters te doen benoemen in het verschil met Münster.
Over het kanaal, dat in 1483 geprojecteerd werd en van de Eems bij Heede naar Groningen zou loopen (Feith , Register 1, 215) komen, behalve het origineele verdrag met Groningen van 29 Sept. 1483, ia bet Urkundenarchiv nog voor:
11. 25 Aug. 1486. De stad Münster belooft aan de stad Groningen de aan den bisschop voor het kanaal gegeven sommen te zullen vergoeden , als het niet tot stand komt.
12. 16 Febr. 1502. Quitantie van Groningen voor de stad Münster wegens 400 goudguldens , door Münster betaald ingevolge het verdrag van 1486.
In de afdeeling 8 G nog behalve tal van afschriften een aantal stukken uit de 16de eeuw over de rechten van Münster op Westerwolde tegenover de aanspraken van Gelder en Bourgondië ; getuigenissen van oude bewoners hierover ; correspondentie met de Brusselsche regeering over deze zaak (1540); ook met de Staten-Generaal en de Staten van Stad en Lande (1582 en 1583).
c. Stukken in het algemeen betrekking hebbende op Groningen.
I6de eeuw. Verklaringen omtrent de grensscheiding tusschen Eemsland en Reiderland.
Theodoricus Kicolai ii Gouda , keilener ter Gryse Moncken , oldt 48 jaeren ; Lot Jansz. toe Woldendorp , oldt 99 jaeren ; Coert Gysens toe Woldendorp , oldt 80 jaeren; Harcke ïiddes toe Lalleweer, oldt 58 jaeren ; Jan Cuyper toe Groeter Munte, Foeke Mennes toe Borghse-weer, oldt 49 jaeren; Nelle Epekens toe Groeter Munte, oldt 70 jaeren ; getuigen over de genoemde grensscheiding en de doorbraak van den Dollart in 1299, welke laatste datum volgens den keilener stond in » een olde solter in hoer conventquot;, terw7ijl het ook bleek » uut een olde taefel, daer de gescheften ende accidenten des conventes in geschreven staen In den » solter quot; stond ook nog, » dat drie abbeten
201
in de olde stoeve begraeven leggen , -welcke platzie nu in tcliepste van den Dollert is gelegen , beheltelicken dat Middewolderkercke op ettel ackerlandt van de olde stoeve met een dele van het choer gelegen isquot;. Dit zeer merkwaardig ms. is 6 bladzijden groot.
d. Stukken betrekking hebbende op Overijssel.
In de verzameling Kindlinger:
Bd. 124. Een ms., geheeten: Registrum trium curtium in Zal-landia, Yrthe, Oylst und Archem mincupata, welke aan het klooster Essen behoorden. Dit zeer merkwaardige ms., waarop nog met eene hand uit de 15de eeuw aangeteekend staat; » Dat boeck hoert upt hues then Dyepenbroeck is van papier en 120 bladzijden groot. Het is uit het begin van de 15de eeuw en bevat tal van kopieën van over-drachtsbrieven met ms. aanteekeningen op zijde. Daarbij bevindt zich nog een bundel origineelen, kopieën enz. betrekking hebbende op dezelfde bezittingen en loopende van de 14de tot de 17de eeuw (274 blz.).
Beide bundels zijn zeer merkwaardig vour de geschiedenis van het Overijsselsche in de latere Middeleeuwen.
In het Urkundcnarchiv :
1. 17 Oct. 1402. Hugho van Vlederinge, rechter te Otmarssen, geeft eene verklaring over eene overeenkomst tusschen Lubbert en Evert v. d. Vossesharen en Lubbert en Dirk v. d. Xyenhorn over eene erfenis. (Zegel slecht bewaard).
2. 3 Juni 1424. Joh. v. Bervorde , rechter te Oldenzaal, geeft eene verklaring over de tienden te Vragheren. (Zegel goed).
3. 13 Jan. 1445. Overeenkomst van Rudolf van Diepholt met Minister voor zich en zijne steden Deventer, Kampen, Zwolle en Oldenzaal, vooral ten behoeve van den handel. (Perk. met slecht bewaarde zegels).
4. 17 Jan. 1465. Verbond tusschen de bisschoppen van Utrecht en Münster, vooral betreffende de landen over den IJssel en de stad Deventer. (Perk. goed bewaarde zegels).
5. 18 Maart 1484. Tienjarig verbond tusschen de bisschoppen van Utrecht en Münster vooral ten behoeve van den handel. (Perk. met goed bewaarde zegels van de bisschoppen , het Utr. domkapittel, graaf Everwijn v. Bentheim , Deventer, Kampen en Zwolle).
In het archief van Borculo tal van overdrachten van goederen in het Overijsselsche.
In de afdeeling 9 H. Negotia quoad protinciam Gelriae :
6. 1620. Klachten van den pater en het fraterhuis te Grol over aanmatigingen van den deken te Oldenzaal bij de benoeming van een nieuwen pater bij de Augustijnen te Grol.
7. 1625. Rekening van de proostdij te Oldenzaal.
8. 1673. Stichting van een altaar in de kerk te Oldenzaal door dr. van Offenberg.
9. Tal van stukken , betrekking hebbende op het Stift Witmarsen , o. a. stichtingsoorkonde, copie van de privilegiën , akte van onderwerping aan Münster, 21 Juni 1657.
202
Onder de Münstersche Heberegister voud de heer Prof. Gallee te Utrecht, die de Ileherollen nader onderzocht heeft, nog een zeer merkwaardig stuk (Cat. II, 19, p. 159), een Heberegister van het oude graafschap Dalen van 1188 (copie uit de 18de eeuw), getiteld » Domini Henrici comitis de Dalen fundatorls castri in Depenhemquot;, 12 folia groot. Het begint: » notum sit tam presentibus quam futuris in Christum credentibusquot; en bevat een schat van namen en zaken, belangrijk voor de geschiedenis van Overijssel in de 12de eeuw.
e. Stukken betrekking hebbende op Gelderland.
In de Afd. 9 H. Negotia quoad yrovinciam Gelriae:
1. 1600. Bericht van den domkoster van Velen over de geestelijke jurisdictie van den bisschop van Milnster in Groenlo, Bredevoort, Aalten , Dinxperlo , Varseveld , Stinderen , Silvold , Hengelo , Belm upt Loe. Hij klaagt vooral over den kommandant van Groenlo, die bij de verovering dier plaats zijn intrek genomen had in het nonnenklooster , de nonnen had verjaagd en den kerkvloer in zijn keuken had laten leggen ; verder over het uitoefenen van collatierechten en het beheeren der Münstersche kerkgoederen door Staatsche ambtenaren.
2. 16ö6. Beschrijving van den toestand der parochiën Aalten , Winterswijk en Dinxperlo bij de verovering door ChristofTel Bernard , opgemaakt door den vicaris-generaal van Alphen
In het Urliundenarchiv :
1. 1 Sept. 1324-. Reinout, zoon van den graaf van Gelder, belooft zich te\'zullen houden aan eene scheidsrechterlijke uitspraak in de geschillen met Münster door een scheidsgericht van 6 mannen van iedere zijde; hij zal voor de 6 Münsterschen 12 borgen naar Bocholt zenden. (Goed zegel).
2. 7 Mei 1325 Reinout, zoon van Gelder, belooft in de geschillen met Münster het scheidsgericht van den raad van Keulen aan te zullen nemen. (Goed zegel).
3. 26 Juni 1325, Reinout, zoon van den graaf van Gelder , belooft 6 Oct. met graaf Willem van Holland, Gerhard van Gulik en Adolf van den Berghe te Keulen te komen ; de bisschop zal er dan komen met Godfried van Sayn , Otto van Ravensberg en Simon van der Lippe om een zoen met Reinout te treffen in de verschillen omtrent de Münstersche bezittingen in het Zutfensche. (Goede zegels).
4. 28 Juni 1326. (Wesel). Reinout van Gelder, zoon van den graaf, verzoent zich met Münster, in den twist over huis en heerlijkheid Ber-mentveld, het gericht te Winterswijk , Aalten en Dinxperlo en het vrijgraafschap (met 9 goede zegels van: Gelder, W.V.Holland, Gerh. v. Gulik, Dirk van Cleve, Dirk v. Meurs en Zutfen, Emmerik, Arnhem en Groenlo).
5. 28 Juni 1326. Tweede stuk hierover, gezegeld door de scheidsrechters Dirk v. Cleve en zijn broeder Johan, domdeken te Keulen. (Goede zegels).
6. 13 Juli 1326. Lodewijk van Münster laat krachtens den zoen
2Ü3
Breievoort aan Gelder en verpandt aan Reinold de gerichten te quot;Winterswijk , Aalten en Dinxperlo met het vrijgraafschap. (Goed zegel).
7. 27 Mei 13^6. Jacob van Aymle, ridder , richter in Overbetuwe , treedt op als scheidsrechter tusschen Heteren en Driel bij een twist over een meertje , dat zij gemeenschappelijk bezitten. (Goed zegel).
8. 8 Juni 1336. Reinout van Gelder geeft eeue gelijke verklaring hieromtrent. (Goed zegel).
9. 26 April 1348. Gerhard van Bachem , deken van St. Walburg te Arnhem, geeft eeue bevestiging van de uitspraak van Jacob van Aymle. (Goed zegel).
10. 6 Dec. 1348. Reinout van Gelder belooft zijne raadslieden—Fred, van Meurs, Gisebr. van Bronkhorst, Reinout v. Coevorden , Dirk van Wissche , Gerard van Arnhem , Dirk v. d. Straten , Joh. van Homunt, Joh. v. Wijn, Joh. v. d. Kamenaden en Udo v. Mekern— niet te zullen afzetten, voordat zij hunne schade betaald gekregen hebben (de zegels van Reinout, Allart v. Driel en Dirk v. Lent verloren).
11. 4 Mei 1364. Priester Herman deMolendino te Groenlo verklaart, dat do beide executeurs van het testament van Thidericus de Enschede, domheer te Münster, hem de inkomsten van het altaar van S. Marie en de 12 Apostelen te Groenlo met vele andere goederen hebben afgestaan tot heil der ziel van den gestorvene. (Goed zegel).
12. 26 Jan. 1365. Joh. v. Bermentvelde verklaart, dat bisschop Floris van Münster hem voor eene schuld, door de bisschoppenquot; Adolf en Johan ten bedrage van 800 Mark bij hem gemaakt, heeft afgestaan als aflosbaar pand: het huis Oding, den vrijstoel van Yochengraven, de goederen Hessing, Hying en Hermelding in het kerspel Sudlon , benevens de buurt Natterden. (Zegel verloren).
13. 20 Aug. 1372. Willem van Gulik verklaart aan Willem van Bronkhorst schuldig te zijn 1800 oude gouden sch., waarvan hij hem er 800 aanwijst op den tol te Nijmegen, toen in het bezit van Sander v. Redinckhoven en Johan Vighe maar voor die som door Bronkhorst aan te koopen. (Zegel).
14. 16 Dec. 1372. Zoen tusschen Nijmegen en den burggraaf Willem van Bronkhorst, die door de stad benadeeld was in zijn rechten op den burcht, de poorten en andere burggrafelijke rechten (met 9 zegels , ■waarvan nog 3 aanwezig: die van Giselbrecht van Bronkhorst-Bor-culo , Hendrik van Wisch en Hanno Puls, deken te Seflic).
15. 14 Eebr. 1380. Claas van Langen belooft de hem door bisschop Potho voor 100 Mark verpande goederen, o. a. Toleken en Belemans-huis te Loche in het kerspel Borculo, als burgleen te zullen verheffen te Bredevoort of, als dit verloren gaat in het Eemsland; bij aflossing zal hij andere goederen koopen en die ook in burgleen verheffen.
16.1380. Burggr. Johan v. Stromberg verkoopt aan Dirk en Willem van Lintelo het eikenwoud op het goed Schar onder Vrageren bij Groenlo.
17. 6 Mei 1382. Notarieele akte, waarbij Cunigundis van Ringen-burg alle goederen van Ringenburg: het goed Lutteke Yshorst, den hof Hassele en het goed Uselbruggen in het kerspel Dingden , de
204
tienden in de kerspelen Aalten, Varsseveld en Bocholt, aan Munster vermaakt.
18. 11 Mei 1382. Herbert en Engelbert van Langen beloven aan bisschop en domkapittel van Munster de overeenkomst, met hun vader Claas van Langen gesloten omtrent het burggraafschap en burgleen van Bredevoort, in alle opzichten te zullen houden (met twee goede zegels).
19. 13 Mei 1403. Joh. de Gruter Gerritsz. en Dirk Ploech , schepenen te Arnhem , verklaren , dat Gertrude van Hirne en hare zuster Lisebert de goederen van haren oom, Johan van Hirne, en haren broeder Gerrit afstaan aan Hendrik van Brienen (met goed bewaarde zegels).
20. 1 Aug. 1421. Drie gebroeders ten Mersche, twee gebroeders Laerinck en Andries Creyngh bewerken eene overeenkomst tusschen Hendrik v. Brienen en Berthold ten Mersche over het goed te Mersche bij Lochem (met acht goede zegels).
21. 28 Ang. 1431. Het convent der nonnen »upten Gravequot; te Does-borch erkent, dat Hendrik van Brienen , vader van zuster Aleyde , haar erfdeel heeft uitgekeerd (zegels van de priesters Dirc de Gruter en Gherit van Huete.)
22. 4 April 1448. Vrede tusschen Munster en Keulen onder bemiddeling van Gelder (goede zegels).
23. 31 Oct. 1449. Otto v. Bronkhorst beleent Geert van Keppel met het goed Waenijnck onder Nede op dezelfde voorwaarden, als vroeger de von Heidens het bezaten.
24. 20 Sept. 1453. Hendrik van Gemen ontvangt het ambt op den Braam met voorbehoud der rechten van den Münsterschen bisschop op de hem ingeruimde sloten Ahaus en Ottenstein.
25. 9 Jan. 1473. De richter tusschen Maas en Waal, Jacob van Riemsdijk , geeft eene verklaring omtrent het huwelijksverdrag tusschen Herman v. Mekern en Margaretha v. Gaall met zeer merkwaardige bepalingen omtrent de goederen (drie zegels).
26. 3 Jan. 1475. Dirk ter Horst, burggraaf en richter, Johan v. Pallant en Arnold v. Oy , schepenen, te Nijmegen , verklaren , dat de vrouw van Herman v. Zand wiek hem hare bruidsgift voor zijn leven ten gebruike heeft gegeven (goede zegels).
27. 2 Febr. 1475. Volmacht van Keizer Frederik voor den bisschop van Munster om stad en slot Zutfen in bezit te nemen en zich er te laten huldigen (goed zegel). Hierbij eene verklaring van den graaf van Berghe, dat hij dit goedkeurt.
28. 1 Mei 1475. De Keizer staat ook de graatscbap Zutphen in pand af, met f 60 000 af te lossen (goed zegel).
29. 7 Sept. 1478. Revers van ridderschap en steden in Zutfen, waarbij zij de verpanding erkennen en Münster huldigen, mits zij het pand ten gunste van Karei v. Gelder en zijne erven met f 16 000 kunnen lossen. (Goede zegels van ridders en steden. ZieNijhoff, Gedenkw. V, 94 en 98).
30. 15 Aug. 1479. Johan v. Wijsch geeft den bisschop tijdens de veete met Zutfen zijn slot te Selm bij Hall in bewaring. (Zegel weg).
205
31. 18 Aug. 1479. Catharina v. Gelder en de stenden van het hertogdom erkennen den bisschop van Münster als regent en voogd voor Karei en Philippa. (Met 40 goede zegels. Zie Nijhoff, V, 106).
32. 8 Dec. 1479. Hendrik van Münster sluit als voogd van Gelder met goedkeuring der stenden een verbond metFrankrijk. (Met zes goede zegels).
33. 7 Maart 1480. Hendrik van Münster belooft aan de bezetting van Wageningen , 31 man , ieder 2V. stuiver soldij ; de hoofdman Claus Schroder krijgt 5 st.
34. 1480 en 1481. Betalingen voor het krijgsvolk te Wageningen en Groenlo.
35. 13 Nov. 1484. Hendrik v. Münster verklaart van ThomasBeucke-lair, rentmeester van Maximiliaau , 2000 r. gulden ontvangen te hebben op de geheele schuld van 12 000 r. gulden.
ƒ. Urkundenarchiv Borculo.
Toen Christoffel Bernard van Galen in 1665 in ons land viel, was Borculo, waarover hij steeds met de Staten twistte, een der eerste plaatsen , die hem in handen vielen , den 28sten Sept. van dat jaar. Langen tijd hadden de twisten over deze plaats aangehouden en van veel belang was voor den bisschop het bezit van het archief van Borculo , dat hij dan ook volgens de overlevering medevoerde en na den vrede van Cleef niet teruggaf. Misschien heeft de omstandigheid , dat een groot deel van het archief van Borculo zich in het Staatsarchiv te Münster bevindt , het vermoeden doen ontstaan, dat de bisschop in die dagen het geheele Borculosche archief hierheen heeft overg-ebracht. Vermoedelijk heeft dit vermoeden voedsel gekregen , toen het omstreeks 1820 bleek , dat tal van oorkonden, op de kerkelijke toestanden in het Borculosche betrekking hebbende, zich te Münster bevonden en de door de Neder-landsche Kegeering met de Pruisische aangeknoopte onderhandelingen in 1824 en J826 de uitlevering van een aantal oorkonden en akten aan de provincie Gelderland ten gevolge hadden. Het onderzoek , dat de heer archivaris dr. Ilgen met vriendelijke toestemming van den Staats-archivar dr. Keiler te mijnen gevalle instelde , leidde echter tot een ander resultaat, dat wel niet onorastootelijke zekerheid gaf, maar toch zeer waarschijnlijk maakte, 1°. dat reeds in 1614, bijeen proces over Borculo voor het Rijkskamergericht te Spiers, stukken uit het archief van Borculo in handen van Münster waren; 2°. dat deze stukken na den dood der laatste gravin van Borculo in 1579 aan Münster gekomen zijn; 3°. dat ook in 1653 een aantal » Borkeloische Paquetteu quot; in het archief te Münster aanwezig waren. Van eene wegvoering der archivalia uit Borculo naar Münster door Christoffel Bern hard is overigens in diens papieren niets te vinden. (Zie Bijlage A). Ik vermoed op deze gronden , dat ook dit verhaal omtrent de archivalia van Borculo, evenals die omtrent andere stukken , die door den bisschop geroofd zouden zijn , tot de sagen moet gerekend worden.
Het Oorkonden-archief van Borculo bevat omstreeks 300 origineele stukken , van politieken en van privaatrechterlijken aard ; overdrachten
200
van eigendommen in liet Zutfensche en Overijselsche; vrijlatingen en ruilingen van erfhoorigen van de 14de tot de 16de eeuw; protesten en verklaringen omtrent de rechten van Münster op Borculo uit de 16de en 17de eeuw. In de overdrachten van eigendommen vindt men een schat van namen van ridders en heeren uit het Zutfensche , verder van magistraten , burgers eu boeren in en om Boiculo en Groenlo.
De belangrijkste stukken zijn :
1. 30 April 1275. Henricus van Borculo , ridder, burggraaf v. Coe-vorden, beleent Rudolf, zoon van ridder Volcker van Echten, met de groote en kleine tienden in het Echtenerefene en in Suthwalda. (Copie 17de eeuw).
2. 22 Juni 1294. Baldewinus, edelheer van Steinfurt, ruilt met Henricus de Borculo Ermegardis, de vrouw van quot;Willem van Wijn-ekelhusen, tegen Hadewigis, de dochter van Hadewigis van Wijn-ckelhusen, volgens ministeriaal recht (Or. zender zegel.)
3. 29 Jan. 1310. Wicbold , zoon van Herman van Loge , belooft aan zijne vrouw\'Nessa, zuster van Dirk van Kleef, graaf van Hilkerode , als huwelijksgift 80 M. rente. Getuigen; Theod. v. Bylant, Sweder v. Eingelberg, Johan en Otto v. Nahus, Wessel v. Boetzlar, Wilb. v. Wisch , Winricus v. Wesenthorst, Symon v. Eylse, Everhard v. Ulffte.
4. 12 Juni 1310. Schepenen v. Groenlo verklaren, dat Engelbertus Eschikine beloofd heeft zijn pas gebouwden molen niet langer dan twee jaren te laten gaan zonder toestemming van Henricus, domicellus de Borclo. Getuigen: Rolandus, pastoor in Groenlo, Gotfriedus de Borculo , Hermannus Kempinc , richter in Groenlo , Ludolfus de Borclo , Joh. gen. Papibike (Met goed stedelijk zegel.)
5. 30 Nov. 1311. Henricus, domicellus et dominus de Borckulo, laat Aleydis, dochter van Willem Wollensone, vrij uit zijn ministeriaal recht. Get. Godefridus , domicellus de Borckulo, domicella Beatrix (vrouw van Henricus), Joh. Pape Ybekine, Ludolfus de Borclo, Joh. gen. Erger, Joh. Scheme , Peregrinus gen. Eampe, Turc Coc. (Zonder zegels.)
ö. 8 Jan. 1320. Godeverde v. Borcklo, proost te Zutfen, verklaart met de » buren quot; Herm. quot;Wif, Engelb. Budel, Henric. Grus, Lamb. Hescelinc , Gerh. ton Brocke , Gerhart Wemink , Wessel v. Resepe, Evert Overinc , Henr. Sceereman, Escele Wernerinc, Goswin Wesselinc , de rechten van Hendrik v. Boriclo, van Lichtenhorst en van Duden-werde op de » Tuele Beke quot; en op eenige dijken zeer goed te kennen (met zegels en een transfix van Herm. Kempinc, Herm. v. d. Har-hulse , Rudger Selinc water, waarbij zij de oorkonde onder vreemd zegel bezegelen).
7. 18 Nov. 1336. Reinout v. Covorde geeft zijn oom Henric , den heer van Borculo, quitantie van de voogdijrekening en betuigt zijn dank voor de voogdij, (Zegel gedeeltelijk.)
8. 11 Maart 1348. Reinout v. Gelder vergeeft Gijselbrecht, beer van Bronkhorst, en zijne » partie quot; alle schade hem toegebracht, mits deze de san onschuldigen toegebrachte schade vergoede volgens uitspraak van vier scheidsrechters. (Overblijfsels van zegel.)
207
9. 7 Jan. 1349. Keynold v. Gelder sfaat aan Gijs. v. Bronkliorst en diens erven de vrije rechtspraak toe over een gebied bij Bronkhorst » binnen sinen voer l...hten van syn (em huse ?) tot Bronchorat (met zegel).
10. 7 Jan. 1349. Hij belooft ook Gijs. schadeloos te zullen houden wegens alle door Gijs. op zich genomen verplichtingen. (Zegel.)
11. 20 Juni 1350. Frederik v. Meurs, Giselbert v. Bronkhorst, Fre-derik v. Baar, Gerhard v. Heeker en Otto v. Driel verbinden zich alleen te samen vrede te zullen sluiten met den hertog. (Zegels.)
12. 27 Juli 1350. Reinout v. Gelder bekent aan Henrich v. Solms, heer v. Ottenstein , 366 M. schuldig te zijn en belooft teruggave er van tegen Paschen a. s. te Groenlo. (Zegels van den consilium prin-cipis; de heer v. Voorst, Arnold v. Erckel, Wilh. v. Broechusen, Diederic v. Keppel, Dideric v. Lent.)
13. 11 Maart 1352. Eduard v. Gelder geeft aan de heeren v. Bronkhorst de volle rechtspraak, in hun slot Bronchorst (Zegel goed.)
14. 27 Mei 1353. Eduard v. Gelder, Joh. v. Wifliet, heer v. Cuic en Baarsvelt, Frederic, graaf v. Meurs, Gerard v. Harlaer, heer v. Amersoyen , Frederic , heer v. Baar , Joh. die Coc , heer van Weruen-bergk, Dideric, heer v. Zuilen , beloven aan Giselbr. v. Bronchorst jaarlijks 2000 goede gouden schilden bij vooruitbetaling, zoolang hij den hertog gevangen houdt. (Goede zegels. Zie Kijhofl\', Gedenkw. 11, 64).
15. 30 Aprii 1370. Eduard v. Gelder en Zutfen belooft aan Willem v. Bronkhorst en Arnt v. d. Laewic hen schadeloos te zullen houden van iedere schade, die zij beloopen bij de verhandelingen met Symon v. Sculenborg. (Goed zegel.)
16. 15 Oct. 1371. Reinout v. Gelder bevestigt Gijsbrecht v. Bronkhorst in alle rechten in Groenlo, die diens huis bezit sedert de verpanding door graaf Otto v. Gelder. (Goed zegel.)
17. 18 Nov. 1371. Reinout v. Gelder geeft aan Willem v. Bronkhorst het ambt van burg- en dijkgraaf te Nijmegen met burcht en Rijk voor 4000 gouden schilden , mits hij rekenschap aflegt van zijn beheer. (Goed zegel.)
18. 19 Nov. 1371. Burgemeesters, schepenen en raad van Nijmegen erkennen Will. v. Bronkhorst als burggraaf. (Goed zegel.)
19. 16 Aug. 1376. Willem en Maria v. Gulik-Gelder , bekennen nog 3000 gouden sch. schuldig te zijn aan W. v. Bronchorst van wege het burggraafschap te Nijmegen en geven hem daarvoor de helft van den tol te Nijmegen in pand.
20. 17 Aug. 1376. Willem en Maria v. Gulik-Gelder, beloven aan W. v. Bronkhorst voor de 5500 gouden sch., die hij nog te vorderen heeft van ■wege het ambt van burggraaf, de halve schatting van stad en Rijk van Nijmegen , en van stad eu ambt van Goch ; bovendien , dat hij te Nijmegen in 4 jaar niet om schuld mag aangesproken worden; eindelijk \'/3 van de hertogelijke helft der schatting in Nijmegen.
21. 19 Aug. 1376. Willem en Maria erkennen , dat W. v. Bronkhorst vrij zal zijn van alle breuken, die uit den oorlog voortvloeiden , eu
208
niet zal lastig gevallen worden wegens den aanval op de landen van Redinchoven , die op hun bevel geschied is; daarentegen handhaven zij hunne aanspraken , voortvloeiende uit den slag van Baesweiler.
22. 26 Nov. 1382. Willem v. Gulik-Gelder eximeert voor drie jaren Willem v. Bronchorst en zijne broeders Ghiesbrecht en Vrederic met hunne bezittingen uit zijn recht.
23. 31 Mei 1397. Frederik, bisschop v. Utrecht, verklaart, dat hij wegens den zoen, door hertog Willem van Gulik-Gelder gemaakt tusschen Utrecht en die van Coevorden, deze helpen zal tegen hunne vijanden met eene macht van hoogstens 100 paarden, mits zij den hun opgelegden afstand ook doen.
24. 28 Febr. 1402. Reinout v. Gulik-Gelder bevestigt de privilegiën van ridders, knechten , mannen en dienstmannen van het graafschap Zutfen. (Zie Nijhoff III, 248).
25. 24 Aug. 1427. Arnold v. Gelder-Gulik belooft zijnen raad, Willem v. Bronkhorst, schadeloos te houden wegens zijne hulp in de Diepholter veete.
26. 14 April 1443. Arnold v. Gelder en Otto v. Bronkhorst en Borkulo beloven aan bisschop Rudolf hem binnen zes weken op de hoogte te stellen van hunne twisten en zich dan binnen twee maanden aanzijn scheidsgericht te onderwerpen.
27. 17 Aug. 1448. Walram v. Meurs, Otto v, Bronkhorst en Borkulo , Reinout v. Homoet, benevens de steden Harderwijk, Hattem , Elburg en Wageningen, verbinden zich tot bescherming van de Veluwe tegen mogelijke aanvallen.
28. 19 Aug. 1470. Adolf v. Gelder en Gulik beslecht een twist tusschen Gijsbert v. Borkulo en de stad Groenlo over eenige burgers, die door Gijsbert\'s vader gevangen genomen zijn; Groenlo zal 5 jaar lang de inkomsten van Gijsbert aldaar bezitten onder voorwaarde van teruggave onmiddellijk daarna.
29. 8 Dec. 1494. Graaf Everwijn v. Bentheim-Steinfurt en Johan , graaf v. Holstein-Schauraburg, sluiten een verbond met Frederik v. Bronkhorst-Borkulo.
30. 7 April 1499. Verbond tusschen Frederik v. Bronkhorst-Borkulo en de drie Geldersche hoofdsteden.
31. 18 Juni 1529. Verklaring van Joost v. Bronkhorst-Borkulo over zijne beleening met Borkulo door bisschop Frederik van Munster. De leenbrief is hierin overgenomen.
32. 17 Jan. 1542. Berndt van Vorden , rechter te Borkulo , verklaart krachtens een getuigenverhoor, dat de Diepenheimsche eigenhoorigen in de heerlijkheid Borkulo niet meer of minder diensten hebben te verrichten dan andere eigenhoorigen. (Zegels van richter en keurnooten).
33. 9 Oct. 1542, Leenbrief van bisschop Frans v. Münster voor Joost van Bronkhorst-Borkulo.
34. 11 Dec. 1556. Maria v. d. Hoya, weduwe van graaf Joost, verklaart, dat zij Borkulo slechts voor haar leven in lijftocht bezit en dat het na haren dood weder aan Münster vervalt.
209
35. 13 Juni 1563. Testament van gravin Maria , waarbij zij hare kleinodiën , renten enz. vermaakt aan hare nicht, Maria v. d. Hoya-Limburg.
Het archief Culenborg-Werth.
Dit archief bevat 32 oorkonden , waaronder ;
1. 14 April 1311. Peter v. d. Lecka verklaart, dat het huis Werth eigendom is van Münster.
,2. 2 Juni 1311. Peter v. d. Lecka verklaart het huis Werth gekocht te hebben van Gerhard van Werth en het den bisschop in leen te hebben opgedragen.
3. 30 Mei 1346. Joh. v. Culenborg verklaart het huis Werth inleen te hebben ontvangen, evenals zijn voorvader Peter v. d. Lecka het had.
De oorkonden loopen tot 1561.
Archief van Ahdinghof.
In het archief van het voormalig klooster Abdinghof in Paderborn komen stukken voor over een hof te Putten en andere bezittingen van dat klooster in het Geldersche , namelijk bij Haaften , liehven , Buren , Kedichern en Gameren, ook te Gorkum.
1. 3 Oct. 1357. Ridder Arnold v. Arkel en zijne zonen doen ten behoeve van het klooster Abdinghof afstand van hunne rechten op den hof te Putten , vroeger bewoond door zekeren v. d. Helle.
2. 27 Aug. 1358. Reinout v. Gelder bevestigt deze oorkonde.
3. 30 Maart 1358. Johannes, abt van Abdinghof, verkoopt aan Wille ;ii , voogd van Tuul, de helft der tienden te Tuul bij Haeften.
4. 13 Juli 1358. Voor de schepenen : Ghiselbert, Hacbert en Willem v. Tuel verkoopt Giselbert v. ïuel aan den priester Johan Hubertssoen , vertegenwoordiger van Abdinghof, goederen te Hanen bij Tuel.
5. 29 Nov. 1363. Verpachting van de helft der tienden te Gameren, waarbij als getuigen optreden: Pelegrinus de Reno , kanunnik van S. Pieter te Utrecht, Walther , pastoor te Gameren , Johannes , pastoor-te Budel, en Joh. Salomonis, priester.
6. 23 April 1368. Verzoening van Clawes v. d. Steyne , proost te Werden, met Herbert v. Putten, Bernt v. d. Dorerr weert, Hendric Mumme, priester, Arn v. d. Lawijc, richter van Veluwe, Joh. v. d. Lawijc , Claes en Diederic v. Aller, Henric van Herwen.
7. 7 Jan. 1372. Abt Coenraad v. Abdinghof, Diederik en Henric van Aller stichten het St. Andries altaar te Putten.
8. 9 Dec. 1375. Voor den vicecureet in Putten, Symon deCruysse, doet Christina, weduwe van Diederic van Aller, afstand van den Zijlhof te Putten, door haar van het klooster Abdinghof in pacht gehouden. Getuigen : Geerhard Scorpijng , richler , Wilhelm de Beisteren , Kylo de Kalde gen. Nanneman de Holwijnchusen, Altet Mun-tere, Jacob Wolf gen. Wolf de Starbrogk.
9. 12 April 1381. Floris van Utrecht incorporeert de kerken van Putten en Voerthusen in het klooster Abdinghof.
Bovendien tal van verpachtingsbrieven uit deze streken uit de 14de en 15de eeuw met een schat van namen.
14
210
Stukken over Br edevoort, Winterswijk en Dinxperlo.
Jn Dl. 3 der collectie Kindling er.
1. Blz. 129. 1238 en 1247. Henricus v. Loen en Ludovicus nobilis de Steinfurt, bezitters van Bredevoort, zullen samen een muur bouwen om Bredevoort; hiertoe zullen dienen de steenen van het kasteel van Loen. Zie Sloet, nc. 599.
2. Blz. 128. 1 April 1284. Baldewinus de Steinfurt verkoopt aan Munster de noordelijke helft van Bredevoort met toebehooren, den Ahof en andere hoven en erven in Aalten. Zie Sloet, n0. 1073.
3. Blz. 2. 1306. Otto van Ahus en Coenraad v. Tune krijgen van Münster de burchten Landeck en Vrisenberg met de daarbij behoorende ambten , rechten en inkomsten , wegens den aankoop door hen van het slot Bredevoort.
4. Blz. 131. 2 Aug. 1316. Otto van Ahus verklaart, dat hij het door hem van zijn oom Herman van Loen geërfde slot Bredevoort en de heerlijkheid van Loen cum attinentiis voor 600 Mark aan Münster verkoopt.
5. Blz. 146. 1321. Men so van Heydene belooft het domkapittel niet aan te spreken, als de bisschop hem lastig valt wegens de 263 Mark, die hij betaald heeft voor Bredevoort, Loen , Bocholt enz.
6. Blz. 43. 29 Juni 1326. Zoen tusschen Gelder en Münster over Bredevoort, quot;Winterswijk etc. Zie hierboven.
In deel 126 van de verzameling Kindling er bevinden zich eene menigte copieën van verkoopbrieven van tienden in de Betuwe , huwelijkscontracten , overdrachten van molens, huizen en hoven, vooral in en om Buren en Culemborg, ook echter bij Borkulo. De meeste copieën zijn genomen naar stukken uit de Mde en 15de eeuw en schijnen afkomstig te zijn uit het archief van de heerlijkheid Culemborg. Zij bevatten een schat van namen van plaatsen en personen uit die streken en geven tal van berichten , belangrijk voor de topographie van de Betuwe. Bij deze stukken ligt ook een kroniek , loopende van 1144 tot 1572, die mij echter niet zeer belangrijk toescheen. Het geheele deel is 274 folia groot.
In de Nem Archivalische Sammlung, Vol. 90, vindt men tal van copieën van stukken , betrekking hebbende op de bezittingen van Ab-dinghof in de Nederlanden. Zeer belangrijk zijn hierin de origineele protokollen van hofgerichten, van Juli 1546 tot, 1558 gehouden te Putten door Willem van Scherpenzeel, drost op de Veluwe, en Johan Sloesz , ambtman en keurmeester van den abt van het klooster Abding-hof, ambtmannen en hofrichters van den hof te Putten.
Bd. 116 van de verzameling Kindling er bevat nog eene menigte overdrachten van eigendommen, voornamelijk uit de provincie Gelderland.
f. Stukken betrekking hebbende op de geschiedenis van Utrecht.
1. Bd. 127 van de collectie Kindlinger. Kroniek van Herbaren van Mijnden, kleinzoon van den in 1550 gestorven Melis van Mijnden, eene geschiedenis van de geslachten Amstel en Mijnden, ge-
211
schreven in de tweede helft der 16de eeuw, vooral belangrijk voor de geschiedenis van Utrecht tusschen 1520 en 1540, een fragment, groot 29 bladzijden. (Zie Muller , Bijdr. Hist. Gen. 1882 , blz. 328 vlg.).
Hierbij nog tal van copieën en origineelen daarachter op 127 folia.
2. Bd. 128 van de collectie Kindling er bevat tal van copieën van stukken uit en over Utrecht en Utrechtsche familiën: leenbrieven , overdrachten , huwelijkscontracten , testamenten , vooral van de familiën de Wael, van Amerongen , Woutman enz. Verscheidene stukken hebben behoord aan het kapittel van St. Servaas te Utrecht. De meesten zijn uit de 14de, 15de en 16de eeuw. Het geheele deel is 155 folia groot.
3. Ruilingen van ministerialen tusschen Utrecht, Münster, klooster Essen , Keulen en andere streken aan den Beneden-Rijn.
g. Stukken, betreffende de algemeene geschiedenis van ons land.
Kreisbvch 52 en volgende nummers.
Tal van stukken over den 80jarigen oorlog, evenwel van ondergeschikt belang, meestal grenszaken.
Kreishvch 53.
1. 18 Martii (15)74. Antwoord op het verzoek om cautie voor mogelijke schade, door de Münstersche kreits aan Christoffel van de Paltz en Lodewijk van Nassau gedaan. Deze beide aanvoerders verklaren, dat zij volstrekt geen plan hebben om ergens schade aan te richten en dat zij ook wel cautie daarvoor willen geven, gelijk zij dit hebben gedaan aan den keurvorst van de Paltz , kreitsoverste aan den Boven-Eijn. quot;Wat de gevraagde copie van hun Keizerlijk patent betreft, » dieselbige zu suchen quot; hebben zij » aus allerhandt erheblichen ursachen nitt unbil-lichs bedenckens gehabtquot;. Datum Mherlandt. (Zie mijn Corresp. Lod. v. Nassau , blz. 143 volg.).
2. Zeituug aus dem leger bei Mastricht, 21 Martii. Het leger is in drie hoopen verdeeld : lu. Christoffel met een regiment te Mahrlandt. Zijne troepen zijn ruiters en knechten onder den overste-luitenant v. d. Meisenbach, en overste Adam Wees , ten getale van 500 paarden en ettelijke vendels ; overste Zacharias Gleissenberger met 12 vendels haak-schutters. Ritmeesters onder hem zijn Maurits v. d. Doenau, Affenstein , Darrenberg e. a.; hoplieden: Brandt, Zoen e. a.; 2°. Graaf Ludwig te Mersen met ruiters en haakschutters. Ritmeesters: Herman Calenberg enz.; hoplieden : Zeilen , Schenk , Bloem e. a. Bij hem zullen zich nog 15 vendels Gasconjers en 300 man lichte ruiterij voegen, die nog te Zweibrücken zijn ; 3°. Graaf Hendrik voor Maastricht bij den berg te Grumfelt met Nederlandsche ruiters en knechten. Ritmeesters: Adam v. Loo e. a.; hoplieden : Adam Koch , Bernhard van Segen , Frederik van Laer e. a. Op den 8sten heeft een gevecht plaats gehad, quot;waarin van beide zijden velen gebleven zijn , o. a. Don Francisco de Medina , groot-commandeur van de lichte ruiterij , en Don Stefano Bernardino de Mendoza. Den 14den is hopman Brandt, die op een plundertocht was , bij een uitval uit Maastricht gedood. Den 15den is uit Maastricht een uitval gedaan met 4 a 500 man zonder ernstig
212
gevecht. Deu 17den heeft men uit Maastricht te 1 uur \'s nachts eene escaminada gewaagd op een dorp, waarin troepen van Graaf Hendrik lagen; 50 Nassauers en 8 Spanjaarden met een hopman gedood. Den 18den \'s nachts hebben de Paltzers het slot Limburg trachten te veroveren maar het krijgsvolk kwam te laat. Een gedeserteerd hopman van Lodewijk, genaamd Hackfurt, werd bij Wittem ingehaald en veroordeeld.
Gesandtschaftliche Correspondent.
In Conv. 533 :
1. Instructiën voor de Münstersche gezanten, die tusschen 1581 en 1609 naar de Nederlanden werden gezonden om te klagen over overschrijding der grenzen door de troepen van Hohenlo en Spinola; om op de vredesonderhandelingen te Antwerpen te letten enz.
2. Van veel belang is de correspondentie van den Münsterschen gezant in den Haag, met zijne regeering, onder bisschop Christoffel Bernhard , 1650-1661. Zijne in het Hollandsch gestelde brieven geven interessante mededeelingen over den toestand in ons land tijdens den Engelschen oorlog en den Zweedsch-Deenschen krijg, verder over de verhouding van de stad Munster tot de Staten 1657-1661. Uit deze laatste categorie blijkt, dat Liewe v. Aitzema zeer in de Münstersche intrigues betrokken was en vooral in 1660 eene drukke geheime correspondentie met de stad voerde. Een onderzoek, dat ik met den Assessor Griesberg, archivaris der stad, in het stedelijk archief in het werk stelde, voornamelijk met het oog op deze briefwisseling, leverde niets op; het schijnt, dat de compromitteerende stukken vernietigd zijn. Ook overigens bevat het stedelijk archief geene voor onze geschiedenis belangrijke stukken.
Kaarten :
1. 1577. Kaart der landscheiding tusschen het Stift Münster en het ambt Bredevoort.
2. 1631. Grenskaart aan de zijde van Winterswijk en Vreden.
3. 1667. Idem.
4. Grenskaart van de Overijsselsche grens.
Latere greuskaarten zijn van de 17de en 18de eeuw.
B.
Bihliothek des Alterthumstereins.
Ms. N0. 74. Onvervanckelijk verhael van de Staet ende bescapenheyt der rechtmatige sake , aengaende de heerlijckheyt Borckeloe, door ordre van de Hoochmog. Heeren Staten-Gen. der Ver. Nederlanden.
Ms. N0. 82. Van Meyster Evert van Eze, curret in Almeloe ende Rector der Suesterenhues in Almeloe, ende van deu beginne ende vuyricheyt des cloesters Marienwolde bij Northern (copie, 53 bladz. in quarto, 16de eeuw).
Het ms. begint; » In den jaer\' ons Heren 1404 des iersten dages van der Prille Maent starflf die Eerw. Heer Evert van Eze, curret toe Al-
213
meloe, een heerlijck Meister in der Medicinen. Hy ga ff velen siecken te vergeves die waldaden der gesontheyl. Dese was een fundator ende een sonderlingh helper des cloesters St. Marienwolde by Northoerne quot; enz. Het ms. verhaalt verder zijne bekeering door Geert Grote » buyten der stadt van Deventer quot; , kort voor den dood van den beroemden prediker. Mr. Evert ging toen in Heeren Florenshues enz. Het ms. is zeer belangrijk voor de geschiedenis van Windesheim , welks voornaamste bewoners met Mr. Rvert in betrekking stonden.
214
BIJLAGE A.
Antmord van het hestiiur van het Staatsarchiv te Munster op mijne vragen aangaande het archief van Borkelo.
Ew. Hochwohlgeboren beehere ich mich auf die gefaellige Anfrage vom 29 vor. Mts. ganz ergebenst zu erwidern , dass von dein Borkelo-sclien Actenarchiv nur geringe Reste hier vorbanden sind. Eine Anzabl der auf die Kircblicben Verhaeltnisse der Herrscbaf\'t Borkelo bezüg-licben ürkunden und Acten des 14-16 Jhs., feruer Processacben des 16 u. 17 Jbs. wurdeu unter dem 1 Maerz 1824, resp. dem4Februar 1826 , an den zeitigen Gouverneur von Geldern von der Koemglicben Preussischen Regierung hierselbst ausgeliefert.
Die im biesigen Staatsarcbiv vorbandenen Reste entbalten Corres-pondenzen der Herren von Borkeloh mit verscbiedenen Staedteo : Arn-aeim , Zutpbeu , dem Stift Werdeu . den Generalstaaten von Friesland , dem Herzog von Geldern u. A. aus den Jabren 1476-1536 und beziebeu sicb zumeist auf die Verbaeltnisse der üntertbanen in der Herrscbaft; ferner finden sicb darin ISacbricbten über Bernt von Hackfurt, über eine- Scbenkung (Davenhus) der Diepenbroeck\'s an das Kloster Vin-nenberg etc.
Ueber den Zeitpunkt, wann diese Arcbivalien und das ürkundenarcbiv au Munster gekommen sind, baben die angestellten Nacbforscbungen leider kein voellig gesicbertes Resultat ergeben. Es scbeint doch , dass ein Tbeil derselben bereits mit dem Tode der Witwe des Grafen Jobst von Bronkborst und Borkelo 1579 an den Biscbof von Münster als Lebiisberren der Herrscbaft gelangt ist. Einige der oben erwahnten Originalcorrespondenzen der Herrn van Borkelo sind naemlicb im Juni 1614 bei dem Reichskammergericbt zu Speier als Beilagen in dem Process Ministers wider Limburg-Styrum wegen Borkelo praesentirt worden , wahrscbeinlicb doch von Seiten Münsters. Denn am 28 August 1614, auf einem Communicationstag der Münsterscben und Limburg-scben Gesandten zu Vreden, mussten die Ersteren auf Auslieferung der von der Mutter der zeitigen Grafen von Limburg-Styrum beim Tode ihrer Mutter, der letzten Herrin von Borkelo (1579) bei Seite gescbafTten Siegel und Briefe besteben , unter denen besonders namhaft gemacbt werden das Lebnbucb der Herschaft Borkelo und verschiedene Register. Aber Limburg-Styrum scbeint nicht darauf eingegangen zu sein; denu von dem Lebnbucb findet sicb keine Spur im hiesigen Staatsarchiv und ebenso fehlen umfangreichere Register.
Einer Notiz des Münsterscben Repertors zufolge existirte hier eine » Designation der im Esterscben Esch, K(irchspiel ?) Gesikher, von dem
215
Sohne des Borggering, K(irchspiel ?) Vreden, gefundenen die Herrschaft Borkelo betreffenden Briefschaften de 1652 cum inventario aller im Archiv befundenen Borkeloischen Paquetten de 1653quot;. Leider ist diese Designation nicht mehr vorhanden und es kann daher über Umfang und Bedeutung derselben nichts Sicheres mitgetheilt ■werden. Am 9 December 1662 — diese Notiz findet sich ebenfalls im Repertor — lieferte der Münstersche Syndicus Bochorst eine Anzahl von Urkunden und Actenstücken , zumeist aus der 2 Hülfte des 16 Jhs. an seinen Landesherrn ein. A.uch diese scheinen in der Mehrzahl abhanden ge-kommen zu sein; einzelne der aufgeführten Stücke sind jetzt im ür-kundenrepertor der Herrschaft Borkelo -verzeichnet.
Auch diese Notiz dürfte wohl darauf hindeuten, dass die übrigeu Archivalien bereits vorher in den Besitz von Münster gekommen sindt; auf jeden Fall ist in dem Münsterschen Landesarchiv, Abtheilung Borkelo , und ebenso in den sonstigen Correspondenzen Christoph Bern-hards bis jetzt nichts darüber gefunden worden, dass die Erwerbung des Archivs erst 1665/6 oder 1672/3 erfolgt sei.
Dass die Geldrischen Staaten früher öchritte behufs Auslieferung der Archivalien der Herrschaft Borkelo gethan haetten, hat sich ebenfalls nicht feststellen lassen, wahrscheinlich sind aber doch die oben ange-führten Abgaben 1824 en 1827 auf Grund dortseitiger Reklamatiouen erfolgt.
Koenigliclm Staatsarchiv.
Dr. Kellee.
210
II.
O § IV A B SI ü C K.
Staatsarchiv.
De betrekkingen vau het bisdom Osnabrück tot ons land zijn niet innig geweest. Alleen met het lanischap Westerwolde, dat met de oostelijk en zuidelijk gelegen gouwen eertijds onder dat bisdom bekoorde , heeft het iets te maken gehad. Over die geestelijke zaken was enhter ia het Staatsarchief niets te vinden.
In het archief van Bentheim:
Eep. I, XIII. Acta betreffende het huis te Rhenen, 1761-1768.
Rep. I, IX. Grenstwisten tusschen Bentheim en Twente en Coevordeu in de 16de en 17de eeuw. Hierin eenige stukken met getuigenissen van grensbewoners over de oude grens.
In de Rélationen:
1, 198. Zeer uitvoerige gezantschapsberichten (beginnende met 1716) uit den Haag.
In de Stilvische Deposito,:
A. 28. Kroniek der biscopen van Utrecht.
Begin : » Wodatt die here Christus, unsere Verlosser ende Saligmaker, den Apostolen bevollen hefft in die gantse werldt dat Evangeliurn to verkundigen ende wo sulcks volgents geschiet is, hefft man in den Nuuw Testamente ende insunderheit der geschichten der Apostolen quot; ....
De kroniek bevat vooral omtrent Overijsel vele bijzonderheden, waaruit in verband met de taal valt op te maken , dat zij in dat gewest geschreven is, misschien in een klooster op de grens. Het schrift wijst op omstreeks 1600. Een proef is: n0. 56 igt;rredericus van Badenn wort na bisschup David bisschup ; bi sinen tiden voerde die hertog van Saxen krieg tegens Vrieslandt ende geschach groten schade dorch duertog in Averijssell, also datt men rutter ende knechte dortegens holden muste ende worden anno 1498 4000 kriegsknechte in Averissell verschlagenquot;.
Archieven der kloosters op de grenzen.
Waarschijnlijk is in de thans nog niet geordende kloosterarchieven van Frenswegen , Mariengarten in Schuttorf en Reden nog wel een en ander te vinden. De heer candidaat Meyer, die mij bij afwezigheid van den heer Staatsarchivar Herquet in het archief op vriendelijke wijze voorthielp kon mij geen uitsluitsel geven omtrent den tijd , waarop het catalogizeeren dezer archieven ter hand genomen zou worden. Den heer Meytr en den (sedert overleden) heer Ilerquet zeiven , die mij met groote vrijgevigheid toestond gedurende zijne afwezigheid het archief te bezoeken , ben ik dankbaar voor hunne vriendelijke hulp.
217
lil.
B R E E IV
A.
StaatsarcMv.
De oude betrekkingen van onze koopsteden met de Hanzesteden gaven aanleiding tot het vermoeden, dat in de archieven dier steden talrijke gegevens te vinden zijn , belangrijk voor de handelsgeschiedenis van ons land. Inderdaad bevatten de door prof. Höhlbaum uitgegeven drie deelen van het Hansisches ürkundenluch en ook Ae Hanse-recesse een aantal zeer belangrijke oorkonden , die op ons land betrekking hebben. Ook het Bremisches Urkv/ndenlmch geeft een en ander, dat de aandacht van den beoefenaar onzer handelsgeschiedenis verdient.
Bij de ijverige werkzaamheid , die door de leden van het Hansische Geschichtsverein is aan den dag gelegd , schijnt het misschien overbodig, dat\'ik ook de archieven der Hanzesteden aan een nader onderzoek onderwierp. Verschillende redenen werkten evenwel samen om mij te doen besluiten toch ook deze steden te bezoeken. Vooreerst gaat de bewerking van het Hansisches Urkundenbuch uit den aard der zaak slechts zeer langzaam vooruit, wat in nog hooger mate het geval is met de Hanserecesse; ten tweede letten de uitgevers dier verzamelingen natuurlijk meer op de stukken , die voor hun doel het meeste belang hadden , en lieten andere , die toch voor de beoefenaars van onze geschiedenis van belang waren, ongedrukt; eindelijk neemt de stof, vooral voor de Hanserecesse in de 15de en 16de eeuw zoo geweldig toe, dat twijfel geoorloofd schijnt, of men het drukken dier stukken op den duur zal voortzetten, te meer daar de belangrijkheid van de Recesse met hunnen toenemenden omvang niet evenredig toeneemt, ja zelfs schijnt af te nemen.
Dit alles deed mij besluiten in het archief van Bremen nauwkeurige nasporingen te doen, vooral naar de stukken , die door het Hansische Geschichtsverein óf eerst geruimen tijd later óf vermoedelijk niet gedrukt zullen worden. Zoo nam ik als punt van uitgang bij het nagaan der te Bremen voorbanden oorkonden het jaar 1433 en ging aan het werk, voorgelicht door de welwillende hulp van den Bremer Staats-archivar dr. Von Bippen, die mij op vriendelijke wijze eenige dagen lang den arbeid verlichtte in een vertrekje van het interessante Rath-haus , welks merkwaardigheden niet alleen in den Rathskeller bestaan maar ook overigens de aandacht verdienen van hem, die zich voorde aloude Hansa interesseert.
In de dagen van de » bloedplakkaten quot; en later, in de eerste jaren
218
van den SOjarigen oorlog, moeten zich ook te Bremen Nederlandsche famüiën gevestigd hebben , voornamelijk in de Neustadt, gelijk de overlevering wil. Met het oog op deze immigratie deed ik eenige nasporingen , die evenwel tot geen resultaat leidden ; in het Bürgerhuch van 1519 tot 1599 zijn zeer weinige namen van bepaald Nederland-schen oorsprong te vinden.
а. Oorkonden in het archief van Bremen.
1. 14 Sept. 1424. De Raad van Groningen verklaart aan de stad Bremen , dat hij nu iu vrede is met aartsbisschop Nikolaas.
2. 19 Mei 1425. De Raad van Groningen belooft drie jaren lang vrede te zullen houden met Bremen en den aartsbisschop.
3. 1425 ? Groningen schrijft aan Ocke ten Broecke , dat het toetreedt tot den vrede tusschen dezen en Bremen.
4. 16 Febr. (1440?) Haarlem, Leiden en Amsterdam verklaren aau Bremen , dat zij zich verzoend hebben met Utrecht en verzoeken dit mede te deelen aan den aartsbisschop, die wegens den oorlog tegen Utrecht hun vijand geworden was.
5. 16 Febr. (1440?) Deventer biedt zijne bemiddeling aan in den strijd tusschen Bremen en Groningen.
б. 19 Juli 1441. Deventer en Kampen schrijven aan Bremen ter ondersteuning van de klachten van den koopman Helmike Van der Heyde.
7. 21 Nov. 1441. Deventer en Kampen geven eene verklaring omtrent \'hun scheidsrechterschap in den twist tusschen Bremen en Helmike Van der Heyde.
8. 16 Juli 1442. Dordrecht schrijft aan Bremen over de teruggave van het door Bremer schippers aan zijne op Noorwegen handelende burgers ontnomen goed, daar zij geen deel nemen aan den oorlog tusschen Amsterdam en de Oosterlingen.
9. 15 Sept. 1442. De Pruisische steden schrijven aan Bremen, dat zij voor het oogenblik het verkeer met Holland nog niet kunnen afbreken.
10. 4 Nov. 1442. Groningen vraagt aan Bremen de vrijlating van den in Groningsch gebied wonenden en te Bremen opgebrachten Wygher Olumna.
11. 24 Nov. 1442. Verbintenis van een Bremer tegenover den Raad om met zijn schip en manschap te strijden tegen Hollanders en Zeeuwen , mits hij Vj van den buit en van de gevangenen mag behouden.
12. 21 Dec. 1442. Groningen eischt van Bremen de loslating van een burger.
13. 6 Juni 1443. Kampen vraagt genoegdoening voor den dood van den Kamper burger Dijbbolt van Dueren en teruggave van zijn schip ; hij en de zijnen waren door Bremers aangevallen onder voorwendsel, dat hij een Vlaminger was.
14. 15 Juli 1443. Kampen vraagt aan Bremen om teruggave van het Genueesche pantser en den tabbert van Dijbbolt van Dueren aan diens zoon.
219
15. 4 A.ug- 1443. Kampen verzoekt aan Bremen , dat het de reeds lang in zee zijnde kooplieden niet lastig zal vallen , terwijl het nu zijn burgers bevolen heeft hunne goederen niet te laden in Holland-sche , Zeeuwsche of Friesche schepen.
16. 13 Sept. 1443. Verdrag tusschen Bremen en Terschelling.
17. 6 Deo. 1443. Bremen bepaalt met Dongerdeel en Ferwerderdeel een dag te Groningen tot beslechting van hunne twisten.
18. 15 Dec. (1443?). Utrecht vraagt aan Bremen om de teruggave van lakeu , door Bremer schippers aan Utrechtsche burgers ontnomen.
19. 1444? Bremen geeft eene verklaring omtrent den met Groningen gesloten tienjarigen vrede.
20. 3 April 1444. Grund en Knigge, leden van den Bremer Raad, worden aangesteld tot aanvoerders ia den oorlog tegen de Hollanders, Zeeuwen , Vlamingen en Westfriezen.
21. 30 April 1444. Vrijgeleide van bisschop Rudolf van Utrecht voor de gezanten van Bremen en Stade, die met hun gevolg van 40 personen naar Kampen zullen gaan om er eene bijeenkomst te houden met de Hollanders.
22. 2 Juli 1444. Vijf vrijschepenen van het H. Roomsche Rijk geven eeae verklaring omtrent de overeenkomsten tusschen Bremen , Bentheim en Helmike van der Heyde, gesloten den 6 Mei 1441 door tusschen-komst van Deventer en Kampen.
23. 11 Juli 1444. Groningen vraagt schadevergoeding voor die van Ameland, bemoeilijkt door Bremer uitleggers.
24. 12 Juli 1444. Groningen vraagt de teruggave van een door Bremers genomen schip, toebehoorende aan Reynke Meckens te Groningen.
25. 6 Sept. 1444. Groningen vraagt op nieuw om recht voor die van Ameland en zendt tevens het traktaat tusschen Bremen en Ameland over, dat door de Bremers niet erkend werd.
26. 23 Nov. 1444. Harderwijk vraagt vergoeding voor schade aan een burger van de stad toegebracht.
27. 22 Dec. 1444. Herhaling van dezen eisch.
27. 1 Aug. 1445. »quot;Wy Rytzeko üngha , hovetlijng, unde ghemenen landlude und inwoners des landes Ameland\'\' sluiten vrede met Bremen. (Zegels van Rytzeko, Frederijck, kerkheer van Ameland, en de Older-mans en Raad van Dockum).
28. 19 Oct. 1445. Amsterdam verzoekt aan Bremen om tegen 19 Nov. gezanten te zenden naar Harderwijk of Kampen teu einde over schadevergoeding te onderhandelen.
29. 27 Mei 1446. Deventer verklaart, dat krachtens den gesloten vrede Holland, Zeeland en Friesland 2600 gulden rh. te betalen hebben als schadevergoeding aan Stade.
30. 31 Aug. 1446. Nijmegen verzoekt aan Bremen schadevergoeding voor den Nijmeegschen burger Rembolt v. d. Berghe.
31. 12 Maart 1447. Rechters en Raden van Westergo verklaren , dat zij met Bremen een vierjarigen vrede gesloten hebben.
220
32. 29 Febr. 1448. Quitautie van Harderwijk voor de door Bremen betaalde schadeverg-oeding\' aan burgers dier stad.
33. 17 Maart 1448. Verlenging1 van het handelsverdrag tusschen Bremen en Philips van Bourgondië voor den tijd van drie jaren.
34. 6 Nov. 1448. Volmacht van den Bremer Raad voor Lüder von Varle om den tweeden termijn der door Holland , Zeeland en Friesland te betalen schadevergoeding van 5000 guld. rh. te ontvangen.
35. 9 Maart 1449-1 Maart 1450. Collectie van quitanties van Bremer burgers wegens ontvangen geld als schadevergoeding voor in den Bourg. oorlog geleden schade, alles uit de door de Bourgondiërs opgebrachte 12 000 guld. rh.
36. 30 Oct. 1450, Stade verklaart de 2600 g. rh. (zie n°. 29) van Bremen ontvangen te hebben.
37. 1450 ? Vrijgeleide voor den Groninger Herman Tade , die voor particuliere zaken naar Bremen komt.
38. 1451 ? Zwolle bemiddelt in een twist tusschen Bremen en Groningen.
39. 15 Maart 1451. De vrede tusschen Westergo en Bremen wordt voor twee jaren verlengd.
40. 24 Sept. 1451. Verklaring van eenige gemeenten van Oostergo, dat zij den vrede met Bremen drie jaren zullen houden.
41. 14 Febr. 1454. Bolsward schrijft aan Groningen met het verzoek er toe te willen medewerken, dat de vrede tusschen Bremen en Westergo blijve bestaan.
42. 24 Febr. 1454. Groningen biedt aan Bremen zijn bemiddeling aan voor dien vrede.
43. 13 Maart 1454. Oostergo verlengt den vrede met Bremen weder voor drie jaren.
44. 28 Maart 1454. Bolsward doet hetzelfde.
45. 1 April 1454. Dockum doet hetzelfde.
46. 3 April 1454. Groningen verzoekt aan Bremen om nog twee oorkonden over dezen vrede.
47. 7 Juni 1454. Botto Halbada, Foddo Popkama en Wighher Cam-pena , bestuurders van Ferwerderadeel, geven aan Groningen de plechtige verklaring, dat zij den vrede niet geteekend hebben en dus de klachten van Bremen moeten afwijzen ; toch willen zij nu wel vrede sluiten.
48. 18 Maart 1457. Groningen schrijft aan Bremen over de aangeboden bemiddeling in den twist tusschen Bremen en de Westfriezen , waarover den 31 Juli te Groningen eene dagvaart zal plaats hebben.
49. 1458. Burgemeester, Schepenen en Raad van »Boedelswartquot;, ook voor Sneek, Wolderkum, Hinlopen en Westergoland optredend, schrijven aan Groningen over den brief van Dockum aan Ostringen, waarin gesproken was over aan Bremers berokkende schade. Zij hebben in Westergo nooit iets tegen de Bremers ondernomen maar integendeel door hen wel 2200 postul. g. schade gehad. Zij willen -wel de tusschenkomst van Groningen, Amsterdam of Enkhuizen , maar niet die van Kampen.
221
50. 28 Juli 1458. Bolsward schrijft aan Bremen , dat het vóór Bar-thol. gezanten naar Groningen zal zenden om met Bremen over een vrede te onderhandelen.
51. Zat. na Sacram. 1458? Kampen zal eenige raadsleden naar Gro-ningen zenden om te spreken over de Friesche zaken.
52. 2 Oct. 1458. Bremen verklaart ten opzichte van de Groninger vordering om schadevergoeding tot een bedrag van 500 g. rh. gaarne bet scheidsgerecht van Kampen, Zwolle en Deventer aan te nemen.
53. 5 Mei 1459. Amsterdam geeft eene verklaring omtrent een tus-schen Westergo en Bremen gesloten vrede.
54. 2 Nov. 1460. Bolsward quitteert voor 666V, post. g. door bemiddeling van Amsterdam als schadevergoeding van Bremen ontvangen.
55. 10 Aug. 1461. Stavoren bedankt Bremen voor de vrijlating van Olfert Reynsz van Stavoren.
56. 31 Mei 1464. De Raad van Amsterdam vraagt schadevergoeding voor tal van door Bremer uitleggers benadeelde burgers.
57. 9 Nov. 1467. Amsterdam vraagt teruggave van het 3 Oct. dooiden Bremer Hans Voet op het Zwin bij de Roode Bank genomen schip van Pieter Lobbe.
58. 6 Maart 1472. Karei van Bourgondië aan den bisschop van Munster en administrateur van Bremen , dat de zaak der Bremer kooplieden voor zijn Raad gekomen is; dat de inbeslagneming hunner goederen het gevolg is van de rooverij van Heimeke Voet teu nadeele van Antwerpenaars; dat hij volstrekt geen oorlog met Bremen heeft, aan welks burgers hij goede justitie belooft; dat de bisschop zijn best moet doen om de rooverijen te doen ophouden.
59. 17 Aug. 1472. Bremen aan Middelburg, dat het reeds tweemaal geschreven heeft maar nog geen antwoord bekomen ; dat de houding van Middelburg in den twist tusschen Bremen en Antwerpen niet goed is en het een voorbeeld moet nemen aan Amsterdam en andere Hol-landsche steden.
60. 17 Maart 1473. Amsterdam aan Bremen over het vrijgeleide voor Amsterdamsche burgers in den strijd tusschen Bremen en Antwerpen , welk vrijgeleide met zes maanden moet verlengd worden.
61. 20 Oct. 1473. Antwerpen erkent \'s Hertogenbosch , Gouda, Munster en Kampen als arbiters, Amsterdam of Utrecht als opper-arbiter in den twist met Bremen.
62. 3 Sept. 1474. Amsterdam , bij het lot als opper-arbiter aangewezen, belooft zijn best te zullen doen om den twist te beslechten.
63. 29 April 1475. Reynier Barsen, raadslid van Bremen, aangewezen als leider in den oorlog tegen Bourgondië.
64. 1475. Overeenkomst met eenige voerlieden over het brengen van levensmiddelen en wapenrustingen naar Münster ten behoeve van Bremer krijgsknechten in den Bourg. oorlog.
65. 1477. Publicatie van Bremen over den door bemiddeling van Amsterdam gesloten 14jarigen vrede met Antwerpen , volgens welken Bremen ieder jaar 1800 g. te Amsterdam aan Antwerpen zal uitbetalen.
222
66. 13 Dec. 1492. Deventer quitteert voor 400 goudg., door Bremen betaald in afdoening op de in Deventer gesloten leening van 1000 goudg.
67. 11 Sept. 1494. Idem voor 200 goudg.
68. 13 Oct. 1500. Hendrik de Oudere van Brunswijk zal op verzoek der Bremers den vrede tusschen Albrecht van Saksen en Groningen trachten te herstellen.
69. 1500-1503. Pakket met stukken over de door Bremers in Groningen geleden schade.
b. Belangrijke gegevens vonr de kennis van onzen handel en betrekkingen met Bremen zijn verder te vinden in de volgende pakketten in het Bremer archief.
1. A. 2 e. Verschillende acta over de verhouding tot de Staten 1641-1644, waarin de Hanzesteden in den regel scherp tegenover Zweden staan ; hierin o. a. eene merkwaardige rekening van de gezanten Johan Heerde en Niclas Jerren over hunne onkosten tijdens een gezantschap naar den Haag.
2. A. 2 ƒ. Gezantschap van dr. Bethmannus Hertesianus (quot;1643-44) en van Johan Tillmau en Joh. Heerde (1647-48), met zeer interessante mededeelingen over allerlei personen bijv. over Lieuwe van Aitzema.
3. A. 2 ff. Stukken over de hernieuwing van het verbond tusschen de Staten en Hamburg en Bremen (Aug. 1644-Aug. 1645), ook over de onderneming van Louis de Geer.
4. B. 2 a. ïal van pamfletten over de kwestie van de heerlijkheid Ameland. Onderhandelingen met de Hanzesteden 1586, 1624, 1625 1627-1641. Zeer interessant is hierin het reisverhaal van den gezant der Hansa, Adolf Osnabrugk , die in het voorjaar van 1586 ons land bezocht en mededeelingen geeft over de verhouding tot Leicester en over de voorname leiders der Republiek, als Leoninus, Thin . Buys , Mennin e. a. Mededeelingen omtrent den handel. Onderhandelingen van 1514 te Bremen, waarbij de Hollandsche, Zeeuwsche, Fransche en quot;Waterl. steden gezanten zenden » in naam van ere gnadige here Prince quot; (met nette copie); van 1530 te Bremen, waar gezanten van de landvoogdes Margaretha verschijnen (met nette copie); van 1534 te Hamburg, waarheen de Keizer gezanten zendt (met nette copie); alles zeer belangrijk voor de kennis van de verhouding tusschen onze handelssteden en de toen in crisis verkeerende Hansa.
5. B. 2 b. Stukken over verhandelingen en verdragen in 1604 , 1613 , 1614, 1616, 1645, 1646,1657; met andere minder belangrijke stukken en berichten uit de Nederlanden uit de 17de eeuw.
6. B. 2 c. Verhandelingen tusschen de Hanzesteden onderling in de 17de eeuw met betrekking tot de Nederlanden.
8. B. 14 c. 1669-1810. Correspondentie der Hanseatische agenten in den Haag.
7. W. 14 a. Tal van oorkonden uit de 16de eeuw.
1. 1 Maart 1553. Hayo Ripperda v. Farmsum klaagt, dat hij zijn pensioen van Bremen nog niet ontvangen heeft.
223
2. 1544. Klachten over zeerooverij van Enkhuizers.
3. 10 Oct. 1566. Margaretha van Parma klaagt bij den aartsbisschop van Bremen over de talrijke wervingen in Noorddnitschland ten behoeve van de Nederl. insurgenten.
4. 1568-1573. Klachten bij verschillende Holl. steden over zeerooverij der Watergeuzen, daar thuis behoorende.
5. 1568-1773. Brieven van Alva over de Bremer vrijbuiters.
6. 6 Juli 1568. Lodew. v. Nassau en Anthonie van Lalaing zenden uit het » veltlager fur (ïroninge quot; gezanten naar Bremen.
7. Juli 1568. Brieven aan Bremen over den ook voor deze stad gevaarlijken tocht van Alva.
8. 29 Dec. 1569. Bremen klaagt bij den Prins over de Watergeuzen , vooral over twee schepen onder de Amsterdammers Bernardin Gerlofsz , Dirk v. Bremen en Thom. Laers, door de Amsterdammers zeiven als vijanden beschouwd.
9. 28 Nov 1571. Geloofsbrief van den Prins voor zijne afgezanten , den heer van Games en Leonard Casembrott.
10. 22 April 1573. Verzoek van Ernst v. Mandesloe om hem door aanhouding van Holl. schepen en goederen aan zijne achterstallige soldij te helpen.
11. 14 Oct. 1573. Brief van den Prins over de sedert 20 Juli ingevoerde voorschriften voor zijne kapiteins onder den admiraal Duco v. Martena.
12. Maart 1576. Stukken over de onderneming van Barthold Entens met 10 schepen aan de Wezer, vanwaar de aartsbisschop hem verjoeg.
13. 11 Mei 1584. Brief van de Staten aan Bremen om de onderhandelingen tusschen graaf Edzard en de Spanjaarden over den verkoop van Emden tegen te werken.
14. 1587. Stukken over de blokkade van de Wezer door de Hollanders.
15. 1587-1593. Acta in de zaak van den naar Bremen geweken Amsterd. koopman Hendrik Witsen , die gelden van de Staten-Gen. onder zich had.
16. Tal van stukken, gewisseld met Verdugo, Requesens e. a.
17. Diarium of Protocollum van dr. Heinrich Meyer, senator van Bremen , in 1654 in Holland onderhandelende over hulp tegen Zweden. Hierin zeer belangrijke stukken, origineelen en copieën; verder mede-deelingen omtrent de quot;Witt en de toestanden hier te lande en over Cromwell, met wien Bremen ook onderhandelde.
c. A. 2 l. Deze afdeeling bevat de Hanserecesse, waarvan hier 16 Biinde aanwezig zijn. Bd. 1 en 2, behelzende de Recesse uit de 14de en 15de eeuw, zijn zeer fragmentarisch; eerst na 1540 begint de volledige verzameling , loopende tot 1629.
In Bd. 1 vindt men op blz 118 de Recesse van den Hansadag te Utrecht in Juli 1473, gehouden in het reventer van het Grauwe Klooster, waar onder bemiddeling van Karei den Stoute over de moeilijkheden met Engeland werd gesproken. Verder vindt men vooral in dit en de beide volgende deelen allerbelangrijkste gegevens voor de kennis
224
van den handel onzer .steden, vooral voor dien van Deventer , Kampen en Zwolle, welke steden nog omstreeks 1530 op de Hansadagen eene belangrijke rol speelden.
B.
Stadthilliothek.
Ms. h. 17. 4. Dyalogus creaturarum cum figuris per Ger. Leeu.
Ms. c. 13. Gebedenboek (perk.) met fraaie miniaturen, in het Hol-landsch geschreven; de aanteekening, waarin de plaats van herkomst genoemd werd , is er uit gesneden.
Ms. c. 16. Gebedenboek (papier) met eenvoudige initialen , geschreven door «broer Dirck van Farmsumquot;.
Incunabelen zijn hier niet aanwezig.
225
IV.
HAMBURG.
A.
Slaatsarchiv.
Dezelfde soort van onderwerpen, waaromtrent te Bremen een en ander verwacht kon worden , gaf mij aanleiding tot een bezoek aan Hamburg. Golden hier in het algemeen bij mijn onderzoek dezelfde restricties als te Bremen , bovendien moest ik hier letten op het feit, dat de groote brand van Mei 1842, die drie dagen aanhield en een vierde deel der stad — ook het raadhuis, waar het archief bewaard werd — in de asch legde , op het aanwezige historisch materiaal een grooten invloed moest geoefend hebben. Inderdaad droegen vele stukken , die onder mijne oogen kwamen , de sporen van den brand , terwijl de heer Meyer , die mij bij de afwezigheid van den heer Archivaris zijne vriendelijke hulp verleende, mij zeide , dat het met moeite geredde slechts een klein overblijfsel uitmaakte van datgene, wat er vroeger aanwezig was.
а. Het belangrijkste vond ik, vooral betreffende den handel van Friesland en Groningen in de 14de en 15de eeuw, in het
UrkundenarcMv.
1. 29 Juni 1322. (LI. 26). Burgimagistri et scabini ville de Ardenburg schrijven aan Hamburg over een volmacht, door Dankart Spierinc gegeven aan Johan Coevoet.
2 Idem (LI. 28; van Sluis.
3. 1323. (Z. 1). »Judices, dicti gretmanni, districtus Winnege, con-sules et scabini civitatis Leowardensis necuon patres summi venerandi divina miseracione abbates Orti S. Mariae , S. Joh. Bapt. in Bethania Sanc-tique Bonifacii in Dockum et illustris prepositus in Bergumquot; verklaren , dat de broeders van het klooster Klaarkamp geen goederen op het strand gestolen hebben.
4.11 Dec. 1323. (W. 26). Wibrand, abt van Klaarkamp, verzoent zich met Hamburg ; ook gezegeld door de abten van Mariengaarde , Bethanië , den proost van Bergum, consules et scabini in Leowardia et Dockum.
5. 26 Maart 1334. (Y. 3). Verdrag van Hamburgen Lubeck met den abt van Stavoren.
б. 10 Juli 1347. (W. 27). Brief van Westergo over de vijandschap met Hamburg.
15
226
7. 25 Juli 1347. (P. 48). AVibranJus, dictus abbas Claricampiquot; verklaart een brief van Hamburg\', waarin vrijgeleide gegeven wordt aan Friesche boden, die over den vrede zullen komen spreken , ontvangen te hebben: het vrijgeleide zal gelden tot S. Michiel.
8. 9 Aug. 1347. (Ee. 36). Klaarkamp , Jerusalem , Mariengaarde, S. Bonifacius en Purswert, benevens de »persone , curati, gretmanni, judices et tota universitaa de Winninge in Alba üstergine ac opidani in Lewerden et Dockumquot; , sluiten een verdrag van vrede met Hamburg. Afgezanten -waren frater Goswinus, convers van Klaarkamp, en Dodo Rijke, burger in Dockum, met nog elf andere Friezen (met 13 goed bewaarde zegels).
9. 9 Aug. 1347. (Ee. 37). Ook Aduwerth en Hunesgho. Gezanten: Bernard en Hayo , presbyteri, en Sibbeke, conversus van Aduwerth , benevens Fredericus de Howersyle (2 goede zegels).
10. 9 Aug. 1347, (Ee. 38). Ook Menterna en Aldeombecht. Gezanten : Albertus , convers van Werum ; Gocko , convers van Faltwerth ; Sycko en Wobbe Altetes sone, » cives in Appinghedamme.quot; (4 zegels).
11. 29 Jan. 1348. (P. 18). De abten , grietmannen en »conjudicesquot; van Alba Ostergo verzoeken om de inwoners der go voor 112 goudg. te quiteeren , nu de vrede immers »nuper quot; gesloten is, en den 20sten penning niet te heffen van de handelaars uit de go.
12. 22 Febr. 1348. (P. 19). De » gi\'e(ma)manui suique conjudices terre Albe Oslerginis quot; protesteeren tegen de brieven , door de prelaten van de go aan Hamburg gezonden , daar dit buiten hun medeweten geschied was.
13. 26 Juni 1349. (P. 6j. Vidimus van het verdrag van 9 Aug. 1347 met Hunesgo en Aduwerth.
14. 26 Sept. 1358. (LI. 10). sJohannes dictus Scrape, oppidanus de Amstelredammequot; , verklaart zich voldaan over 30 last koren , die hij wegens tolontduiking verbeurd had , maar die hem na bemiddeling van Lodewijk den Romein , markgraaf van Brandenburg, tegen betaling van 10 Mark boete zijn teruggegeven.
15. 6 Dec. 1369. (Li. 28). »Scabini et consules de Staverenquot; verklaren , dat eenige Hamburgsche burgers en een burger van Staveren verzoend zijn.
16. 4 Nov. 1376. (Y. 6). » Schepenen ende raet in Staverenquot; verklaren , dat de Hamburgers den vrede niet geschonden hebben.
17. 6 Mei 1877. (Z. 9). Verdrag tusschen Hamburg en Jarich Lewe-kenz. over den graventol te Staveren.
18. 11 Aug. 1377. (Aa. 5). Schepenen en raad van Staveren bevestigen dit verdrag.
19. Maart 1384. (Aa. 2, 4). Staveren geeft eene volmacht aan zijn schepen Simon Bere tot het voeren van onderhandelingen met Hamburg over den vrede.
20. 9 April 1384. (P. 5). Simon Bere sluit een verdrag met Hamburg aangaande de vredesonderhandelingen.
21. 10 April 1384. (P. 4). Vredesverdrag tusschen Staveren en Hamburg
227
22. 14 Aug. 1403. (Kapselquot;). Prmlegie.vaii Al brecht voor Hamburg.
23. 20 Juni 1412. (Y 3). Handelsverdrag tusschen Hambarg en Staveren.
24. 24 Febr. 1431. (Kapsel 7). » Dit is de kopmans pryvileyge in Hollantquot;.
25. 29 Juni 1440. (P. 35).»Recht en Rade van Westergoelandequot; vragen teruggave van een schip , toebehoorende aan Huge Heertig , burger in Workum.
26. 15 Aug. 1440. (P. 36). Gherlacus, abt van Staveren en Hemelen, verzoekt om vrijlating van den Staverschen burger Johan Ghyseberts-soen , daar hij immers geen Hollander is.
27. 1440 ? (P. 52), Drie getuigenissen over schepen , in den oorlog tusschen Hamburg en de Hollanders geroofd en te Groningen verkocht; het eerste van Have Ripperda; het tweede van Lubbert Eschijng, ambtman van Selwerd ; het derde van Poppe Snelgers en anderen ten Dam me.
28. 5 Mei 1487. (LI. 36). Vrijgeleide vau hertog Johan v. Saksen voor zendboden van Deventer, het Stift Utrecht en de Geldersche steden ter bijwoning van eene dagvaart te Lübeck.
29. 1489. (LI. 29). »Bruder Gert, hofmeester op Schirmonijkquot; schrijft aan den Raad van Hamburg over vermeende zeerooverij, op het eiland bedreven.
b. In Cat. VI, nquot;. la, vol. 1, Fase. 6 :
Correspondentie met Hollandsche steden van de 151e tot de 17de eeuw , in den regel van zeer weinig belang. Ik teekende hieruit op :
30. Isov. 1479. Brief van burgemeesters, schepenen en raad van Bolsward met klachten over roof van een schip op de Elbe, met verzoek om loslating van den schipper en zijne beide jongens, die door den roover , zekeren » heer Gheerd naar Oldenburg gevoerd waren.
31. 7 Aug. 1487. Brief van Kampen aan Hamburg over roof van Duitsche lakens door een zeeroover » genoempt dat kint van Texellquot;; de Kamper schippers waren door de Hansa beschuldigd , dat zij deze lakens gekocht zouden hebben , toen zij in 1479 met hunne schepen voor Tessel lagen ; de regeering van Kampen ontkent dit.
c. In Cat. VII, Lit K :
Stukken over den haringhandel, loopende van den oudsten tijd tot de 19de eeuw. Hierin in Fase. 2 en 5 a stukken over den handel op Schonen, ook met de Hollanders. Zie hierover Klefiker , Hamb. Gesetze VII, 9 secj., die deze stukken gebruikte.
d. In Cat. Lit. N c, n0, 1.:
1. Stukken over het postwezen in de richting naar Amsterdam. Uit de bijgevoegde lijsten der postillons blijkt, dat de weg in 1716 was:
Hamburg, Dinsdag, \'s avonds 11 uur af.
Klosterseven , Woensdag \'s morg. 10 uur ,
Bremen , \'s avonds 6-7 oponthoud,
Wildeshausen , Woensdag \'s morg, 11 uur,
langen, Donderdag \'s midd. 3 uur ,
Kooterveer, Vrijdag,
Amersfoort, \'s nachts half 6,
Amsterdam, Zaterdag \'s midd. 101/..
18 April 1571. Commissie van den Prins voor den zeekapitein Hans van Oerthuysen (met aanhangend zegel in metalen doos).
e. In de 16de eeuw vluchtten vele Nederlanders ook naar Hamburg. De Raad dier stad wenschte, dat zij , toen zij zich op den duur daar vestigden , ook in de stedelijke lasten zouden deelen, en sloot in 1605 met 130 te Hamburg gevestigde Nederlandsche familiën een verdrag voor 10 jaren, waarbij deze familiën 5172 pd. jaarlijks beloofden op te zullen brengen ; daarvoor ontvingen zij een deel der burgerlijke rechten. De Nederl. familiën richtten in dienzelfden tijd , zeker vóór 1586 — het jaar , waarvan de oudste rekening voorhanden is — eene armenkas op , die nog als Niederl. Armencasse te Hamburg bestaat en waarin altijd de nakomelingen der Nederl. familiën den voorrang genieten bij uit-keeringen. Zie hierover: (Max Meyer und Gaedeckens) die Niederl. Armencasse, Hamburg\'s Stille Wolthitterin, 3te Aufl. 1860. Het is bekend, dat een deel van Hamburg een sterk Hollandsch karakter vertoont en dat namen als: Groninger Strasse, Hollandischer Brook etc. daar tot heden toe nog bewaard gebleven zijn.
B.
StadifnUiothek.
De stedelijke bibliotheek van Hamburg, thans onder leiding van dr. Eyssenhardt, is rijk aan handschriften , voornamelijk afkomstig uit de verzameling van den geleerden Von L\'ttenbach, die omstreeks 1700 meermalen ons land bereisde (1). Von Uffenbach maakte kennis met de voornaamste geleerden van ons land in dien tijd, wist van hen aanwijzingen omtrent kostbare boeken en handschriften te verkrijgen en was bekend met de toenmalige antiquaren ; vooral stelde hij belang in geschriften , betreffende de geschiedenis der Katholieke Kerk, en wel het meest in die van het Jezuïtisme , waaromtrent hij vermoedelijk inlichtingen en aanwijzingen verkreeg bij den zeker niet onpartijdigen Van Heussen en andere » Jansenisten In zijne verzameling komen dan ook tal van manuscripten voor van Katholiek-theologischen aard (2),
1
Zie zijne reisbeschrijvingen in iümw, een boek uitge ■ geven in 1753 en 1754. Hij was hier eenigen tijd in 1705 en 1710.
229
die echter voor mijn doel minder interessant waren dan die van histo-risclien aard. Onder de nummers van den eenigszins omslachtigen en niet zeer vertrouwbaren catalogus der theologische en historische handschriften vond ik de volgende, die voor de kerkelijke en wereldlijke geschiedenis van ons land van belang waren.
A. In den Catal. Hist.
Folio.
1. N0. 1. (11). Codex Chartaceus, getiteld: Petri Dyvaei antiquita-tum Brabantiae liber , door den schrijver zelven van aanteekeningen en wapens voorzien , die in de uitgave van Miraeus niet voorkomen.
2. N°. 2. (12). Codex Chartaceus, getiteld: Histoire des Trouhles, 1517-1568. (Zie Muller, Lijst, blz. 30).
Dit ms. begint: » Ayant les Roys Catholiques et Threschretien mis fin a la guerre qui avoit duré entre les deux couronnes quot; ; het eindigt; » au territoire de Groeninge s\'estoit faite maistre de Delfziel et du chateau de Weddequot;. Het is 78 folia groot en uit de 18de eeuw. Bij de samenstelling zijn Hopperus, Scepperus, Heuterus, Mendoga, Strada, Petit e. a. schrijvers gebruikt.
3. N°. 3. (13). Codex Membr.
Bevattende:
a. Privilegiën, rechten en statuten van St. Maria te Utrecht, 14de eeuw.
i. Privilegiën der Duitsche orde, 1503.
Nadere inlichtingen omtrent dit ms. kon ik niet verkrijgen , daar het juist voor geruimen tijd uitgeleend was.
4. N0. 5. (15). Codex Chartaceus.
Georg. Vollenhovauus , Rerum memorabilium ab institute
Ultraj. Episcopatu in eadem diocesi et provincia. Hierbij eene afbeelding van Volleuhove, gemaakt door den schrijver in 1597 te Brussel, waar hij toen in ballingschap leefde.
5. N0. 6. (16). Codex Chartaceus.
Hierin :
a. Bellurn civile Trajectinum.
Dit ms. uit de 16de eeuw begint: » Trajectum sub plaga septen-trionali civitas metropolitanaquot; en eindigt; » adfuere etiam cantores perpetuo vere varia carmine et concentu modulautes. Absoluto prandio episcopus Cameracenus, qui prius consecraverat mensem una cum re-liquis, qui in consecratione adfuere, gratias Omnipotenti Deo egitquot;. Zie Bellum Traj. Henrico Bomelio auctore (uitg. Hist. Gen.), blz. 12 en blz. 60 en vlg.; Lijst v. Muller, blz. 48. Daarna volgt nog eene lijst der a0 1546 te Utrecht benoemde Vliesridders , de beschrijving van den intocht van Karei V te Utrecht in 1541 , de oprichting van het Vreeburg in 1529 en de beschrijving van het feest van het Gulden Vlies te Utrecht in 1546.
230
. Epistolae ad hist. Eed. Traj., -waarin;
Ratio eorwm quae acta sunt per deputatos reverendi domini episcopi Traj. in ultimo concilio provinciali (2-22 Mei 1536), met copieën van de in dat concilie ontvangen brieven. Het offleieële verslag van de zittingen , waaronder staat: » ita est conventus ad rem ipsam paucis explicatam teste hac nostra subscriptione: Johannes v. d. Vorst a Loenbeke, decanus majoris; Hermannus de Gouda, decanus beatae MariaeTraj.quot;
c. Oork. 1227 (kopie 17de eeuw), zijnde de beslechting van een twist tusschen liet kapittel van S. Pieter en Gijselbert v. Nyenrode en beginnende : igt; Wilhelmus Zuermont canonicus eel. S. Joh. Traj., judex communis cause et praesentibus infrascriptis a venerabili viro domino Officiali curiae Traj. specialiter deputatus quot; etc.
d. Necrologium van S. Salvator te Utrecht (kopie 17de eeuw; zie v. Heussen en v. Rijn 1, 194 en II, 485).
Hierbij nog- eenigti oorkonden van S. Salvator :
1331 crast. beat. Agath.
1238 feria quinta proxima post festum Lucae.
1328 crast. Epiph.
1253 infr. Oct. Joh. Bapt.
e. Anniversarium Vallis S. Mariae prope Trajectum met historische aanteekeningen , loopende tot 1458 (kopie 17de eeuw).
f: Genealogische aanteekeningen omtrent de heeren van Ahcoudt rnet copieën van oorkonden uit de 14de en 15de eeuw en de goederenlijst ran de door Gijsbrecht v. Abcoude gestichte kanunniksprebende (alles copie 17de eeuw).
g. De praesenti ielh et ollata pace deliberaiio secunda. Ms. 16de eeuw , samengesteld met behulp van citaten uit tal van klassieke auteurs.
6. IS0. 7 (17). Cod. Membr.
Wilhelmus Procurator. Zie Lijst v. Muller, blz. 11. Begin: » de latibulis egressi Fresones quot; ; einde: » nos autem petimus dominum cum patrono nostro eisdem miraclis venerariquot; (136 p. 14de eeuw). Hierin aanteekeningen uit dezelfde eeuw. Zie over een bijgebonden blad perkament : Müllenhoff en Haupt, Zeitschr. Bd. Xllï S. 192.
7. Nquot;. 8 (18).
a. Anonymi chronicon Trajectinum, 640-1205: het cbronicon Egmunda-num. Zie Lijst v. Muller, blz. 10 (copie 17de eeuw, 123 blz.) Begin; anno dom. incarn. 640 S. Arnulphus Episc. Glodulfus filius eius post episcop. sanctitatem eius imitabaturquot;; einde: als het Chron. Egm. bij Kluit.
h. Anonymi historia Belgica (165 blz. 16de eeuw). Begin : » quis et qualis olim tempore J ulii Caesaris fuerit statusquot; ; einde: » 1432 inau-
231
guratur ab Harmoniis, Hollandis, Zelandis ac Frisicis.quot; Het ms. is versierd met gekleurde en ongekleurde wapens.
c. Belgica varia historica , bevattende :
1. Charter van Karei V, 13 Maart 1549, over de niet-geldigheid van het Gulden Privilegie in Holland, Zeeland en Mechelen (copie 17de eeuw, 82 blz. groot).
2. Die chronycque ofte Historie der Edele ende Welgebooren heeren ende baroenen van Egmondt op het cortste uyt die ouwde bouckeu cortelings gevonden in de abdye van Egmondt, door Anth. Hovaeo , medebroeder derselver abdye ende daer gemaeck abt tot Enternaecken, ende es daer gedruct, abt wesende. Begin : » als men alle die ouwde bouckenquot;; einde: » ende wort begraeven den 12den desz voorsz. maendt in de cappel opt hoff v. d. Haghe (1Ó89).quot; 40 blz. groot. Zie Muller , Lijst, blz. 89.
3. blz. 140-161. Cronica domiuorum de Heusden. Begin: A. D. 803 quo regnavit Carolus Magnus; einde: usque ad\' ann. dom. 1556. Zie Muller, Lijst, blz. 91.
4. blz. 162-217. Register der goederen, 3gt; iucompsten eude gerechtic-heytquot;, van Egmond, met eenige oorkonden en aanteekeningen uit de 16de eeuw (copie 18de eeuw).
Quarto.
1. N°. 2 (250). Cod. Chartaceus, waarin;
•
a. Causae per le quali la Fiandra tumulte et si rebello al Re Cat-tolico 1556. Begin :» Dovendosi narrarge i rnottivi et tumultiquot;. Ms. 16de eeuw.
2. N0. 3 (251). Cod. Chart.
Recueil v. Hopperus, afschrift 17de eeuw.
Octavo.
N0. 1. Cod. Chart.
Niderl. Bienenkorb 1608.
B. Onder de Cod. Germ.
Verschillende mss , genoemd bij Pertz.
1. fol. K0. 205. Guill. Herm. Goudanus, Hollandiae Gelriaeque Bel-lum, Zie Muller, Lijst, blz. 30.
2. fol. Nc. 31 J. Compendium historiae Episc. Ultraj. (695-1345). Zie Muller, Lijst, blz. 31, 49, 65.
C. Onder de Cod. Theol.
1. N0, 1099. Cod. Chart. Begin : » Op teu Asschel Woensdach. In dien tiden sprac Jesus tot sinen discipielen: Wanneer dat ghi vastet, so en will niet werden , hoedanich die ypocriten quot;. Het ms. is 200 fol. groot en uit de 14de eeuw.
2. N0. 1160. Preek in het Nederduitsch (± 1535.)
232
3. N0. 1113. (D 65). Cod. Chart.
bevattende:
a. Passio et Vita S. Bonif. et sociorum;
i. Vita S. quot;Willebrordi:
c. Vita B. Gregorii per S. Ludgerum;
d. Martyrologium Rom. en Vita S. Ludgeri.
Deze codex is een afschrift uit de 16de eeuw; op den zeer ouden band staat kerkelijke muziek, vermoedelijk uit de 13de eeuw.
4. N0. 1725 (D. 18). Cod. Membr.
» In hoc volumine continentur quot; (met oude hand).
a. Liber gestorum Barlaam et Josaphat, editus a Joh. Damascene, viro sancto et erudito, per manus fratris Joh. Broeckuus, A. D. 1406.
b. Relatio de tribus ilagis.
C. Relatio de duobus ducibus Alemannicis et per admirabilem ani-marum ostensionem in pacem convenientibus.
d. Vita S. Fursei, confessoris Christi.
e. Historia de exaltatione S. Crucis dominicae , per manns fratris Bar-toldi ten Hove, a. d. 1407.
Op dit boek , dat blijkbaar uit het begin der 15de eeuw dagteekent, staat nog; » Liber Monast B. Mariae Verg. in Windess. Ord. Canon. Reg. prope Zwollis.quot; Het is 257 p. groot, zeer fraai geschreven en bevat ms. correctiën uit dezen zelfden tijd.
5. N0. 1728 (D. 18). Cod. Chart.
a. Sinte Franciscus leven door Bonaventura met de inscriptie: » Dit boec hoert toe den susteren des besloten Convents tot Sinte Katrinen ende S. Elijsbeth ter Goude in Rosendalquot;.
b. Van Sinte Elisab. legende van Dueringhe. Het ms. is 444 p. groot en uit de 15de eeuw.
6. N0. 1558 (D. 9). Cod. Membr.
Liber emortualis sive memorialis abbatiae Vallis Pacatae, vulgo in Dael, in Episcop. ültraj.
De oudste aanteekeningen zijn uit de 14de, de jongste van het einde der 16de eeuw. Eenige aanteekeningen van historischen aard komen achteraan.
7. N0. 2173 (D. 13). Cod. Chart.
a. Excerpta ex S. Patrum Scriptis per fr. Henr. Jacobi Leidensem, conventualem Mon. Steynensis, a0 1503,
Het boek is » liber canonicorum regularium in Steyn prope Goudam oppidum Holl.quot;; het is 336 blz. groot.
233
8. Nquot;. 2194 (D. 13). Cod. Chart.
a. Een geestelijke oeffeninghe om een nyeu mensc aec te trecken. l. Een sere devote oeffeninge van die passie ons lieves heren.
c. Den Berch van goude en troostelyke lere.
d. Genomen ut dit twede boeck Profectus religiosorum.
e. Die goede prior van Gruenendale Ruysbroek.
Eene inscriptie zegt: » Dit boeck hoert toe Machiel Cloet, dr., wonende Kerkcloet te Mechelen voer de stadhuys quot;.
234
V.
LITBECH.
A.
Staatsarchiv.
Dezelfde redenen , die mij er toe brachten Bremen en Hamburg te bezoeken, deden mij ook naar Lübeck komen. Het bleek mij evenwel spoedig, dat de oorkonden , die zich in het Archief van Lübeck bevinden en op onze geschiedenis betrekking hebben, hetzij reeds afgedrukt waren in de geschriften, uitgegeven door het Hansische Ge-schichtsvereii en in het Liih. TJrlmndenbuch, hetzij op het .punt staan van gedrukt te worden. De grijze archivaris der stad , Dr. Wehrmann , zeide mij, dat het archief dezer Hanzestad het best kon vergeleken worden bij een uitgeknepen spons ; hij , die langer dan een gewonen menschenleeftijd in het archief gewerkt had, verzekerde mij , dat er geene andere stukken van beteekenis meer waren dan die, welke tot eene der beide bovenbedoelde categorieën gebracht kouden worden: enkele nog onuitgegeven stukken hadden betrekking op erfeniskwestiën van minder belang.
Onder de Akten in dit archief zocht ik nog naar de papieren van Li emoe van Aitzema, waaromt ent in den catal. op Residentur IIoil. 1 stond aangeteekend , dat zij met 1635 begonnen. Ongelukkig was het pakket. niettegenstaande de moeite, die Dr. Wehrmann zich bij het zoeken getroostte , niet te vinden , zoodat ik genoodzaakt was mijn onderzoek in die richting te staken. Veel wetenswaardigs over deze nalatenschap staat opgeteekend in den arbeid van Wurm over Foppius van Aitzema (Gymnasial-progr. Hamburg, 1854en 1855). Voorhanden waren nog de overigens zeer interessante brieven van den agent der Hansasteden Huneken uit de jaren 1669 , 1671 , 1672 enz.
Omtrent de immigratie van Nederlanders, die hier vrij belangrijk geweest moet zijn, zoowel in vroegeren als iu lateren tijd , kon ik niets vinden ; evenmin over de oprichting der oude baksteengebouwen . vooral der kerken , waarbij , naar men wil, nederlaudsohe architecten de leiding hadden.
B.
In de Stadtbibliothek vindt men geene manuscripten, die voor onze geschiedenis van belang zijn.
235
VI.
H AnnvovER.
A.
StaatsarcMv.
Meer dan in Lübeck dacht ik te vinden in Hannover. De betrekkingen van ons land met de hertogen van Brunswijk-Lüneburg waren vooral in de 16de en l\'Tde eeuw vrij belangrijk , hoewel niet bijzonder innig; in de eerste plaats moest hier gedacht worden aan de houding van hertog Erik van Brunswijk tegenover den opstand tegen Spanje. In het latere keurvorstendom en koninkrijk Hannover zijn bovendien verschillende kleinere staten opgegaan, wier beheerders met de Nederlanden in aanraking gekomen zijn , zooals Hoya , Bremen , Verden , Oostfriesland. Eindelijk liggen in het Haimoversche enkele groote kloosters , die aan de Windesheimsche beweging hebben medegedaan.
Met belangstelling sloeg ik dus het onderzoek in den catalogus, Reposit. Holland, gade, en vond daar inderdaad de volgende stukken;
а. N0. 1. Niederl. Sachtn 1566. Hierin eene opgave van alle stukken , die in 1566 en 1567 tusschen Spanje en den Keizer over den opstand in de Neder]. gewisseld zijn , met den korten inhoud daarvan.
1. 13 Aug. 1566. Klacht over de verzameling van troepen in het Rijk ten dienste der opstandelingen.
2. 25 Aug. 1566. Aanwijzing van George von Holl, Gelimar von Münnichhausen en Gunther von Schwartzenburg als leiders dier woelingen.
. 3. 21 Sept. 1566. Antwoord van den Keizer , dat hij deze heeren afgeraden heeft zich met de nederl. zaken te bemoeien (kopie van den brief aan hen er bij).
4. 7 Oct. 1566. De Gouvernante betuigt haren dank hiervoor en schrijft, dat ook Gulik beloofd heeft een goed buurman te zullen zijn.
5. 27 Oct. 1566. Zij verzoekt 10 000 voetknechten en 3000 ruiters in het Rijk te mogen werven.
б. 7 Jan. 1567. Philips vraagt om steun door het verbieden van iedere hulp aan de opstandelingen. Verder de inhoud der mondelinge instructie voor Chantonay, die het bericht van Alva\'s spoedige komst moest overbrengen ; hierbij nog eene verklaring van Philips aan de keur- en rijksvorsten, dat hij het niet op de rijkssteuden maaralleen op de oproerlingen gemunt heeft.
236
7. 7 Maart 1567. Max. II aan Philips met antwoord op denvorigen brief, dat hij hierin niet kan handelen als tegenover Zweden, omdat het hier geen zuivere » prophansache quot; geldt en hij dus geen hulp kan verbieden op grond van den godsdienstvrede (van Augsburg). Hij meldt verder, dat Hames » in dem Executionskhrieg vor Gotta im veldtleger runnd geschlaicht, on zweifel allain darumben , daselbst wider Ire Kun. Maj. allerlai widerwerttige practicqqen zu treiben. Das demnach die Khays. Maj. dem Churf. zue Sachsen unnd dann auch Khays. Commis-sarien geschrieben, sich gedachten Hames zu entschlagen unnd aus dem Leger abzuwerfen quot;.
Met dezen brief eindigen de extracten.
h. N0. 2. Pieter van Brederode\'s aanvrage om hulp tegen Spanje (1603-1607), van weinig belang.
c. K0. 3. Zusammengelegte Aktenstücke 1578, 1581 , 1604, 1625. Hierin ligt een latijasche brief (± 1578) aan den Prins , 24 folia groot geschreven door een tegenstander der fransche alliantie uit \'s Prinsen omgeving, met zeer belangrijke politieke beschouwingen over het voordeel eener Duitsche alliantie en over den strijd tegen de dreigende ochlocratie.
d. K0. 4. Uriginalbriefe des Kaisers Rudolf II (I60I-I603). Belangrijke stukken over Rudolfs plannen tot interventie in de Nederlanden 1603 en 1604, vuoral brieven van en aan Simon v. d. Lippe. Hieronder ook een paar brieven van Oldenbarneveldt aan S. v. d. Lippe: 1°. 18 Sept. 1603, over de gezindheid van Jacobus I; 2°. 8 Dec. 1603, dat\'hij, Oldenbarneveldt, zich tot nog toe heeft gehouden aan de ten vorigen jare met Simon v. d. Lippe gemaakte afspraak, ofschoon in Engeland en ook in den Haag voorstellen van tegengestelde strekking zijn gedaan; 3°. 14 Jan. 1604, in denzelfden geest.
e. N0. 8. Zending van den Brunsw. afgezant Geuter naar den Haag over eene opneming in de Unie. 1616.
Hierin verscheidene brieven van graaf Ernst Casimir van Nassau , die bij de onderhandelingen een gronte rol speelde en herhaaldelijk met Oldenbarneveldt confereerde over een nauw verbond met Brunswijk-Lüneburg of eene opneming van dezen staat in de Unie.
ƒ. N0. 15. Relationes van Wicquefort (1663-1679).
Deze verzameling bevat interessante brieven. Wat de zaken van den zomer 1672 betreft, er is een brief van 20 Aug. over de volksbewegingen, terwijl die van einde Aug. en begin Sept. juist ontbreken.
q. N0. 19 , 19fl , 205, 20c, 20cl, andere Relationes van Wicquefort (1660-1672).
J/. N0. 22. Acta van Lampadias en Gourville over de Triple Alliantie.
i. N0. 235. Huneken\'s Relationes, 1669-1681 , zeer belangrijk maar minder uitvoerig dan die van Wicquefort.
237
k. N0. 101«. Betrachtung über den gegenw. verwirrten Zustand der Niederlande, 1747, waarschijnlijk door Prof. Schmaus te Göttingen.
I. N0. 106. Stukken over de gevolgen van den val van het handelshuis de Neufville 1763, vooral over de toenmalige handelscrisis.
Behalve deze stukken en het beroemde Cartularium van den Utr. Dom, waarvan Pertz spreekt in zijn Archiv XI, 454 (zie Muller, Lijst, blz. 49), bevindt zich te Hannover nog eene reeks van afschriften uit Brusael, betrekking hebbende op de Nederlandsche verwikkelingen in de 16de eeuw en bijeengebracht door den overleden Dr. Mittendorf. Verder in de verzameling manuscripten nog Ms. 19a over den verkoop der goederen, behoorende tot het markiezaat van Veere en Vlissingen (18de eeuw).
Eindelijk in het Caleïiberger Archiv, Des. 21 en 22, benevens in het Celler Archiv, Des. 44 tal van stukken over diezelfde verwikkelingen 1550-1570, meest allen van ondergeschikt belang.
B.
In de bibliotheek te Hannover bevinden zich geene mss. over Nederl. geschiedenis.
238
VII.
WOLFE Hf BtT TEL,.
A.
Landesarchiv.
Het Geheime Haus- und Landesarchiv der hertogen van Brunswijk te Wolfenbüttel is eeu der weinige inrichtingen, die deze stad behouden heeft, toen de zetel van het hertogelijke hof naar Brunswijk werd overgebracht en quot;Wolfenbüttel eene plattelandsstad werd; met de hertogelijke Bibliotheek — de Bibliotheek , waar Lessing werkte — het Consistorium en misschien nog eene enkele herinnering meer aan de oude grootheid bleef ook het Archief hier gevestigd. Het werd in den laatsten tijd door den Staatsarchivar van Brunswijk , Dr. von Schmidt-Phiseldeck , en den ijverigen Archivar , Dr. Zimmermann, met groote zorg gerangschikt in zalen , zooveel mogelijk ingericht volgens de strenge eischen, die men in onze dagen stelt aan bewaarplaatsen van- archieven. De beide genoemde heeren hadden de groote vriendelijkheid mij te toonen , hoe zij de nieuwere theorieën op het gebied van het archiefwezen hadden toegepast met behoud van het goede, dat zij gevonden hadden in de systemen van vroegeren tijd , en met het oog op de speciale eischen, die ten opzichte van het reeds voorhanden gebouw en de bestaande verzameling archivalia moesten bevredigd worden. Kon ik ten vorigen jare de aandacht onzer archivarissen vooral vestigen op het Pruisische Staatsarchief te Marburg en het archief te Keulen, het is mij aangenaam daarnaast nog twee andere archieven te kunnen noemen, waarheen ik hen zou willen verwijzen als naar plaatsen , waar leering is op te doen : dat te Wolfenbüttel en dat te Weimar.
Bij ons heeft men tot nog toe het meest het oog gevestigd op het verkrijgen van doelmatige gebouwen , zeer zeker eene behoefte , waarop in de eerste plaats moest gelet worden , daar toch voor het goed bewaren der archivalia allereerst goede bewaarplaatsen noodig zijn. In de tweede plaats echter komt het er op aan — en in dit opzicht meen ik, dat in onze archieven over het algemeen nog te veel de oude sleur wordt gevolgd — bij het opstellen der archivalia zelve die maatregelen te nemen , waardoor het behoud daarvan zoo lang mogelijk verzekerd blijft. Ik wil hier niet eens spreken van enkele archieven ten onzent, mij goed bekend, waar tot voor korten tijd met gezegelde oorkonden op onverantwoordelijke wijze werd omgegaan; ik hoop , al ben ik er niet zeker van , dat in geen onzer grootere archieven thans de toestand
239
zoodanig is, dat men b. v. bij gebruik der oorkonden noodzakelijk de zegels moet schenden. Ik denk bij mijne opmerking over het opstellen der archivalia vooral aan dingen , die onze archivarissen van den ouden stempel voor kleinigheden zouden gehouden hebben : aan lachtverver-sching in de lokalen , die ik vooral te quot;Weimar zoo uitstekend ingericht vond ; aan vermijding van het vormen van stofnesten; aan oordeelkundige opstelling der oorkonden, zoodat zij elkander niet drukken (vooral te Marburg); aan vermijding van onnoodige vouwen in perkament of papier; aan vermindering van het gevaar voor vocht; aan de wijze van inbinden der grootere mss., kortom aan zooveel bijzonderheden , waarop in de door mij genoemde archieven nauwkeurig gelet wordt en die dikwijls ieder op zich zelf een aanmerkelijken invloed kunnen hebben op den levensduur van een dokument. Ik denk verder aan de wijze van noteeren der oorkonden en andere dokumenten , waarbij voortdurend » der Benutzer quot; den archivaris voor den geest staat; aan de middelen om slecht geconditionueerde stukken voor verdere vernietiging te behoeden , waarin Dr. Burkhardt te Weimar zulk een onovertroffen meester is. Ik denk eindelijk aan de Alpha en Omega vau alles , aan de liefde en zorg der archivarissen voor de hun toevertrouwde verzamelingen , die mij vooral in de genoemde archieven zoo troffen. Het is waar , dat men elders archivarissen vindt, die met den inhoud, zelfs van speciale gedeelten, van hun archief meer vertrouwd zijn. Er zijn er zelfs, die meenen , dat het de eerste plicht van\' den archivaris is, dat hij zelf den inhoud van zijn archief tot in bijzonderheden leere kennen. Kr zijn er , die dezen plicht zoover uitstrekken , dat zij al de door mij hierboven genoemde » kleinighedenquot; verre beneden zich achten en zich alleen met de uüyave der belangrijke stukken uit hunne verzamelingen inlaten. Dpze laatsten zijn misschien betere historici maar of zij goede archivarissen zijn , valt minstens te betwijfelen : historici zijn er buiten de archieven ook , maar wie zal de archieven leioareti, als de archivaris het niet zijn eersten plicht acht op den toestand zijner papieren te letten en eerst daarna op den daarvan, voor zoover
zijne kennis » den Benutzern quot; van dienst kan zijn ; wil hij in de derde plaats de belangrijke stukken door uitgave onder de oogen van anderen brengen of boeken schrijven over de gebeurtenissen, vermeld in de
onder hem berustende stukken, het sta hem vrij maar.....in de
derde plaats! (1)
Ik weet, dat er ook ten onzent archivarissen gevonden worden , zooals Dr. Könnecke te Marburg, Dr. Burkhardt te Weimar, Prof. Hühlbaum te Keulen en Dr. von Schmidt Phiseldeck te Wolfenbüttel, om van andere hoogst verdienstelijke mannen te zwijgen , maar ik meen , dat wij nog veel zouden kunnen leeren door het bestudeeren der inrichtingen, die ik in de eerste plaats noemde, en van enkele andere j
(I) Ik merk hier op, dat ik hier niet speciaal van ons land spreek, ook van andere streken , die ik bezocht.
240
■waar men kau leereu, wat men niet moet doen. Bij zulk een studie is het resultaat soms het oude: tariis modis hene fit! maar men zal uit de drie door mij genoemde archieven nimmer vertrekken zonder ■wijzer geworden te zijn, zonder dieper doorgedrongen te zijn in de altijd moeielijke kwestie, hoe praktijk en theorie elkander de hand dienen te reiken.
Waren de papieren van den in onze geschiedenis zoo bekenden hertog Loiewijk Ernst niet te Wolfenbüttel bewaard, de moeite van een onderzoek aldaar naar voor ons belangrijke historische documenten zou niet beloond geworden zijn. Nooit waren vóór het midden der 18de eeuw de betrekkingen tusschen Brunswijk-Wolfenbüttel en ons land van beteekenis. De aanwezigheid van de bedoelde papieren echter maakte mijn bezoek aan het archief te Wolfenbüttel misschien tot het belangwekkendste , dat ik dezen zomer bracht. De nalatenschap van den in 1788 overleden vorst is zeer volledig bewaard gebleven: de boeken zijn in de groote Bibliotheek te Wolfenbüttel; de papieren liggen nog ongeveer in den toestand, waarin zij vóór eene eeuw aankwamen, in het hertogelijk archief.
a. Om te beginnen met de stukken, die in het algemeen voor onze geschiedenis van belang zijn , heb ik de eer de aandacht van onze geschiedkundigen te vestigen op de volgende nummers van de rubriek: Holland.
•N0.2. Francisci Bavdemonlii Instructiones beiden Staaten von Holland, Prinzen und Stadten , 1588-1590 — de instructies voor den gezant, die politieke verbintenissen met ons land moest aanknoopen.
K0. ld. Correspondentie van Lieuwe van Aitzemae. a. met de Bruns-wijksche regeering ; 1, 1635-1654 ; II, 1654-1666.
IS0. 4. Betrekkingen van de Staten met het vorstelijke huis in 1671 en 1672, van weinig belang: onderhandelingen over troepen, enz.
N°. 10. Legatie van den gezant von Dehn naar de Rep. (1728-1730).
Nquot;. 13. Relationen des Geh. Raths baron Deneken von Nienlande (1744-1761), eene zeer belangrijke aanvulling van datgene, wat het eerste deel der archieven van hertog Lodewijk Ernst oplevert.
h In de Acta Puhlica IIer zogs Jtilii:
n0. 176. Stukken over de immigratie van vervolgde Kederlandsche familiën in Brunswijk 1570, 1582, 1584-1586.
Over den aanleg van kanalen in Brunswijk door den hollandschen ingenieur Willem de Raadt zie men : Müller\'s Zeitschrift für Kultur-geschichte , Bd. 14.
c. Het archief van Lodewijk Ernst, verdeeld in twee afdeelingen, waarvan de eerste vooral de stukken van vóór de woelingen in de Nederlanden , de tweede de op die woelingen betrekking hebbende dokumenten bevat.
A. Bij de eerste afdeeling dient de aandacht gevestigd te worden op
241
de volgende nummers van het Repertorium, die ik hier tot beter overzicht van den samenhang der dokumenten in historische volgorde aangeef.
N0. 112. Almanakken 1739 tot 1762 en 1786 tot 1788 met aantee-keningen daarin, meestal niet van veel beteekenis gij zich zelf, maar met allerlei kleine bijzonderheden , die bij de beschouwing van dit tijdvak van belang kunnen zijn.
N. 113. Partikuliere aanteekeningen van den Hertog, waarvan de meest interessante, n. 1. die over de uitgaande stukken van 1769 tot 1782, aan den Prins v. Oranje zijn teruggegeven en dus vermoedelijk in het Huisarchief des Konings liggen ; zij moeten licht verspreiden over de mate van invloed des Hertogs op den gang der Staatszaken onder Willem V.
Nquot;. 71 A. Pièces curieuses 1746, 174S.
Hierin liggen o. a. eene lange missive van quot;Wassenaer Twickel aan den griffier Fagel, ged. Versailles, 15 Maart 1746, en eene belangrijke Memorie van Bentinck aan den P. v. O., 14 Mei 1746, beiden zeer belangrijk voor de kennis van de houding der Republiek tegenover Frankrijk. Verder nog twee uitvoerige memoriëu van Bentinck aan den Prins van 18 en 21 Nov. 1747.
N0. 71 B. Pièces curieuses 1747-1750: pamfletten, enz. van weinig belang.
N0. 64. Correspondentie met Weenen, 1751 en 1752.
Nquot;. 27c. Miscellanea 1751-1754: pamfletten, enz.
Ts0. 21d. Diverses pièces hollandaises, 1752 r pamfletten, enz.
N0. 28. Stukken over de voogdij.
N0. 30. Différentes pièces hollandaises, 1752-1753 , van weinig belang.
N0. 63. Brieven 1752 en 1753, bevattende eene zeer belangrijke correspondentie van verschillende hooggeplaatste personen met deu Hertog over binnen- en buitenlandsche politiek en zaken betreffende het stadhouderlijke hof; vooral met de Bentinck\'s en met Larrey.
N0. 65. Miscellanea, 1752-1754, van minder belang.
N0. 66-68. Journalen met aanteekeningen, eigenhandig door den Hertog opgesteld, loopende van Nov. 1752 tot April 1753. Deze journalen zijn zeer belangrijk wegens de oordeelvellingen over personen en zaken en de inhoudsopgave van geschreven brieven, gehouden gesprekken en conferentiën , verzonden missives , enz. aan en met betrekking tot de Prinses , Hop , Bentinck , Larrey e. a.
N0. 23. Stukken over de Barrière-steden en hare versterking (1751-1760), waaronder verscheidene copieën van in 1786 teruggegeven brieven van den raadpens. Steyn (zie B n0. 16), belangrijk voor de latere bescbuldigingen.
IS0. 24. Repertorium actorum, hierop betrekking hebbende.
N0. 20-22. Rekeningen van de domeinen en van de gardes du corps , voornamelijk gediend hebbende bij het nederleggen der voogdij.
N0. 35. Papiers concernant les troubles, 1754-1759: brieven en gedrukte stukken , vooral uit het voorjaar van 1759 , waaronder tal van anonyme missives. Bij de gedrukte proclamatie van de aanhangers van
16
242
prinses Carolina, getiteld : » Opwekking aan alle godsdienst- en vrijheidlievende Borgeren staat aangeteekend , dat de Hertog deze in den morgen van 17 April 1759 ontvangen heeft en haar dadelijk aan Steyn overhandigde; deze gaf haar den ■22sten terug » sonder sig met mij over die materie verder te uiten, of hij eenige deeou vertes op dat subject gemaakt heeft, als hij mij belooft hadde In een brief van Burmania aan den Hertog , 26 Maart 1759 , wordt gesproken van een gerucht over binnen 14 dagen te wachten groote » changemens, desquels on sera extrêmement surpris waarbij vooral de baron van (irovestins betrokken was. Ook uit Groningen berichten over pogingen ten gunste van prinses Carolina.
N0. 25. Négociation pourlapaix, 1759, belangrijk voor de kennis van Brunswijk\'s bemiddeling tusschen de oorlogvoerende mogendheden.
Een zeer lijvig pakket met hoogst belangrijke stukken.
3 Nov. 1759. Brief van lord Holdeinesse namens George 11, waarin Brunswijk verzocht wordt om namens Engeland en Pruisen aan de gezanten van Frankrijk, Oostenrijk en Rusland in den Haag een congres voor te stellen , welk verzoek steunt op »la confiance extréme , que S. M. a de tout temps reposée dans les lumières et dans la prudence de V. A. S.quot;
6 Nov. Brunswijk neemt den voorslag aan.
20 Nov, Engelsche nota aau de bovengenoemde gezanten met het voorstel tot het houden van een congres , met een begeleidenden brief aan Brunswijk.
In de volgende stukken worden de onderhandelingen, die ten gevolge van het wantrouwen tusschen Engeland en Pruisen , den onwil van Frankrijk en de onhandigheid van den Eng. gezant Yorke niet snel vorderden , voortgezet tot het einde van 1762 met hulp van Steyn, Bentinck en Fagel. Ook een en ander over het voorstel van Pruisen (Oct. 1762) om te Wesel en Gelder Staatsch garnizoen te plaatsen. Verder veel belangrijks over de verhouding van Engeland tot Pruisen in het najaar van 1762 en de moeilijkheden over het teekenen der preliminaires tusschen Engeland en Frankrijk; de papieren over deze laatste kwestiën waren den llden Jan. 1763 door lord Halifax aan Yorke gezonden met bevel ze alleen te gebruiken , als het noodig werd de houding van Engeland te rechtvaardigen.
N0. 25 B. Gorresp. avec Sa Maj. Britt. ,1759, nog belangrijker voor de kennis van diezelfde zaken.
N0. 26 en 27. Stukken over het proces tegen Onno Zwier van Haren,
vooral . . , . . i
N°. 27 A., waarin tal van brieven, origineel en in copie, van de Piinses-Uouairière en de heeren Rengers, Sminia, Burmania, Bergsma e. a. over deze kwestie en de daarmede samenhangende toestanden in
Friesland.
N0. 34. Allerlei projecten.
iN®. 36. Stukken over de executie van v. d. Meer in 1760.
Nquot;. 38. Brieven uit O. Indië.
I\\0. 39. Brieven over den toestand der O. I. C. 1761 en 1762.
243
IS\'0. 32. Miscellanea 1763-1770 ) pamfletten , brieven enz.
IS10. 31. Miscellanea 1764-1766 | van ■weinig belang.
N0. 33. Mémoires et projets, van militairen aard.
N0. 47. Brieven van Brunswijk aan Maria Louisa (teruggegeven it. 1765), loopende over de jaren 1760-1764 , eene zeer lijvige verzameling maar van weinig belang; de brieven worden om de drie of vier dagen gezonden en dragen een weinig vertrouwelijk karakter; zij bevatten niet veel anders dan berichten over den oorlog en over den gezondheidstoestand van den Prins.
K0. 27 B. Brieven van graaf Bentinck (1766-1770), eene zeer belangrijke verzameling, waarin o. a.:
4 April 1766. Beschouwing over de oorzaken van den aanval der Franschen in 1747, verwijzende naar een stuk van Zeno Bentinck, waarin de ware beginselen van het stadhouderschap en de neutraliteit der Republiek overeenliomstig met die van 1733 waren ontwikkeld (1). Zoolang de graaf v. Wassenaer leefde, waren hier te lande de beginselen der Grande Alliance gevolgd maar na zijn dood in 1745 was het anders geworden onder invloed van zijn broeder Wassenaer Twickel. » J\'ai perdu alors mon maitre et mon second. Je suis resté seul avec peu de soutieu et sans avoir d\'autre conseiller que feu Mr. Ie GrefSer Fagel, par les avis duquel je me suis conduit dans toutes les délibé-rations d\'Etat, tant dans l\'assemblée de Hollande que des Etats Géné-raux, oü tout se traitoit, se décidoit et s\'expédioit:quot; Daarom had Fénélon hem in eene onderschepte dépêche » cerveau brülé quot; genoemd. In 1745 en 1746 had Frankrijk zoo met hulp van Wassenaer Twickel zijn ouden invloed in de Republiek herwonnen en stelde een eigenaardig soort van neutraliteit voor. Fagel stierf einde 1746. Toen was van Citters nog zijn eenige hoop. » 11 vint \'d la Haye mandé parmoi. Je le mis sur la voye de s\'assurer des faits en détail et de voir par ses propres yeux. Dans la Besoigne Secrette aux Etats Généraux le Député de Zelande suivoit les impressions et les directions de la cabale en Hollande et cela k l\'insu de sa propre province (car il est :i noter que jamais on n\'a osé porter régulièrement en délibération aux Etats de Hollande la négociation aux Et. Gén. avec la France).quot; Mr. van Citters, »inforraé a fond et voyant clair , en dit deux mots a Mr. Van Hoorn, qui le firent trembler. Van Hoorn saigna du nez , recula et se rétracta. La France in for mée, que c\'était la Zelande qui lui jouoit le tour, se vengea sur elle , l\'attaqua et par l;i occasionna la Revolution de 1747, dont voilu la véritdble Histoire, nécessaire pour l\'intelligence de mon mémoire, et c\'est aussi la clef de ce que Mr. le C. P. van Citters dit le 8 de Mars dans sa harangue, quand le Prince fut introduit a la Cour de Justice, en parlant de l\'élévation du feu Prince au Stadhoudérat, ce que personne a pu com-prendre que moi seul. J\'ai jugé cette digression nécessaire par ce que le 10 de Mars a table le Prince d\'O. me fit quelques questions sur la
(1) Zie N0. 71 A, hierboven.
véritable cause de la Révolution. Je lui promis de lui éclaircir le fait ü loisir. Ceci n\'est écrit que de mémoire, n\'ayant pas eu tems de relire tous les papiers de ce tems-lamp;. Mais je le ferai et m\'engage a prouver et vérifier tout ce qui dessus. Ce qui sera d\'autant plus nécessaire , que personue que mol ne peut l\'informer è. fond sur eet événement notable et que parmi les gens du gouvernement il n\'y en a pastrois, que je sache, qui voulussent s\'on donner la peine, quand même ils le pour-roient. Je reviens au sujet du mémoire inclus , que V. A. S. m\'a paru approuver a Vienne.quot; Ook nu nog zijn deze beginselen de ware , hoewel men altijd moet bedenken , dat deze Memorie gemaakt is in een tijd van verwarring, onmiddellijk na de afschaffing der pachterij en vóór de collecte, dus in een tijd van geldgebrek en na een oorlog » sans conduite et pas conséquent malheureuseHet in de Memorie aangegeven plan was vrij wel gevolgd maar toch waren de toenmaals gemaakte veranderingen geene verbeteringen geweest. Hij vraagt teruggave van de Memorie, onmiddellijk nadat de Prins haar zal gelezen hebben.
13 April 1766. Bentinck verklaart, niettegenstaande alles, wat men van hem verteld heeft, een goed vriend van den Hertog te zijn.
N0.28. Stukken over de voogdij over den Prins, van weinig beteekenis.
Nc. 29 en n0. 42. Stukken over de installatie van deu Prins iu 1766, belangrijke verzameling.
K°. 45. Stukken over de reis naar Amsterdam in 1768.
K°. 16. Journalen , 1772-1789.
De drie eerste deeltjes zijn exemplaren van de t Kieuw Geïnventeerde Koopmans, Comptoir- eu Schrijf-Almauachquot;, gedrukt te Amst. bij de wed. Gijsb. De Groot, uitgegeven door de Erven wed. C. Stichter op \'t Kokkin, voor de jaren 1772-1774. Zij bevatten eigenhandige aan-teekeningen van den Hertog, gelijk in de vroegere almanakken (onder n°. 66-68) maar veel minutieuser. Gewoonlijk staat de Hertog te half zes op; dan gaat hij » le matin de bonne heure a la Courquot;, meestal omstreeks 7 uur, en dan te paard met den Prins » k la parade des gardes du corpsquot;. Vervolgens gaat bij werken van 9-11, dan te 11 uur met den Prins naar de » parade des gardes Suissesquot; en daarna gaat hij visites maken of ontvangt ze of werkt nog wat tot het diner. liet diner wordt in den regel met vreemdelingen genoten, wier namen worden genoemd, \'s Avonds van 8 uur tot middernacht werkt hij weder in zijn kabinet; een enkele maal begint te 8 uur een souper, maar dan arbeid hij daarvóór. Deze almanakken geven geene belangrijke mededeelingen omtrent de feiten; alleen het dagelijks voorvallende wordt er in aangeteekend (1). Veel belangrijker dan deze drie deeltjes, waarvan liet laatste slechts tot Juni 1774 is gebruikt, zijn de nu volgende 15 folio deelen sedert dat tijdstip tot Juli 1779, niet door den Hertog zeiven, maar door zijn secretaris opgesteld of ten minste ge-
(1) Dergelijke almanakken vindt men ook in andere pakketten verspreid.
245
schreven. Zij geven den korten inhoud van alle morgengesprekken , met den Prins gevoerd ; van andere gesprekken met Neuerl. en vreemde staatslieden; van afgezonden missives, copieën en brieven aan den Prins, aan Bleiswijk e. a ; in het kort de geheele volledige geschiedenis van het prinselijk hof en de politiek der Staten in dat tijdperk. Ieder der 15 folio deelen bevat omstreeks 250 dichtbeschreven pagina\'s, een ware goudmijn voor de beoefening onzer historie. In N0. 17 vindt men een uitvoerigen Index op deze journalen.
N0. 7-14. Stukken over de jaren 1775-1781, plakkaten, extracten, rssolutiën, pamfletten enz., van weinig belang.
JN0. 49. Stukken betreffende den toestand der troepen van de Republiek 1782-1784, waarschijnlijk verzameld met het oog op de bekende beschuldigingen.
N0. 5. Diverses pièces (1782-1784), uit den Haag den Hertog toegezonden : extracten uit de resolutiën van de Staten en van de Raden van Dort, Gouda en Haarlem ; memoriën, notulen, missives enz., in de St. Gen. en de St v. Holland ter tafel gebracht en opgemaakt. Hierbij nog een afzonderlijke bundel over de zaak van Kaat Mossel.
S0. 6. Lettres de la Gueldre, de la Frise, d\'ütrecht (1781-1784), benevens copiëen van brieven van den Hertog aan Bleiswijk (1772-1775).
Corresp. met Bleiswijk:
3 Juli 1772. Brunswijk aan Bleiswijk over een gesprek met Fagel, die alleen had toegestemd in een huwelijk van zijn dochter met den jongen Van Tuyl, mits de Prins zijn zoon bij de eerste de beste gelegenheid opnam onder de Geëligeerde Raden in Utrecht. Ook de zoon van Pesters wilde dit worden en men praatte reeds over eene bepaalde belofte aan Pesters, waarover Fagel zich beklaagde. Fagel had hem eene Memorie van Van Zuylen aangeboden over de beteekenis van het Eerste Lid in Utrecht, een zeer leerzaam stuk, waarover hij gaarne Bleiswijk\'s gevoelen zou vernemen.
4 Maart 1773. Brunswijk aan Bleiswijk over een gesprek met Thule-meyer (dien hij niet vertrouwde » amp;, cause de son méchant caractèrequot;) naar aanleiding van de Russische politiek en de kwestie van Danzig. Wat denkt Bleiswijk daarvan ?
De verdere brieven bevatten weinig belangrijks.
Uit Gelderland:
7 April 1781. Branfsen aan den Hertog; ook Pieck en Beatinck aan denzelfden over het gepasseerde op den landdag.
11 xVpril 1781. quot;W. van Lynden , Brantsen, Pieck en Bentinck aan den Hertog over de vijandige houding van v. d. Capellen op den landdag tegenover de militaire voorstellen.
30 Mei 1781. Van Lynden aan den Hertog. » C\'est avec infiniment de regret, que je vois V. A. participer au sort commun des premiers dans un Etat, qui par leur situation se trouvent trop souvent exposés aux soupcons et a la calomnie de la multitude ; maux contre lesquels dans un tems de malheur il n\'y a d\'autres armes qu\'une pureté de conscience, qui malheureusement dans l\'instant ne peut se manifester
246
eu dehors. L\'atrocité et la nonvraisemblance seront toujours ii l\'égard de V. A. dans 1\'esprit de tous ceux, qui ont eu et ont encore rhon-neur de l\'approcher , des surs garand s de la fausseté d\'un pareil soupgon, que le tems confondra , lorsque , l\'échauffement des esprits fmi, les affaires rentreront dans leur assiette naturelle. J\'espère , que les mesures qu\'on prendra , amèneront le plutót possible cette époque , qu\'elles seront les plus propres ü conserver le repos et la tranquillité en dedans, qu\'elles ramèneront l\'amour des peuples pour S. A. S., qui seurement n\'est pas éteint et qu\'elles remettront la république sans honte dans son état antérieur de neutralité ou qu\'elles procureront amp; eet état une bonne et honnête paix.quot;
2 Juli 1781. Van Heeckeren v. Suideras aan Br. met verzoek om steun voor zijne sollicitatie als gezant in Denemarken of Zweden ; hij voegt hierbij copie van zijn verzoek aan den Prins, er op wijzend, dat hij reeds lang solliciteerde en , »als een der gezeleerdsten voor de hooge Persoon et het Doorl. Huys van U. D. H.quot;, door eene weigering » openlijkquot; zou worden »ten toon gesteldquot;.
Oct. 1781. Brieven van Bentinck, v. Lynden , Pieck en Brantsen over den Gelderschen landdag, evenals die van 1782 en 1783.
7 Jan. 1782. Brief van Bentinck aan den Hertog over den toestand der gemoederen te Arnhem, vooral klagend over Bekking, die met den Nijmeegscheu gemeensman Morees samenspande om het reglement te doen opheffen en gesteund werd door de familie Bouricius, vooral dooiden stadssecretaris, den commies Tulleken, den controleur ümbgrove
a. voormalige gunstelingen van den Prins, die aan dezen alles te danken hadden.
20 Juni 1782 Brunswijk aan Bentinck met klachten over Capellen, » deeze braeve Patriot, die niet schroomd het vaderland het onderste boven te werpen , wanneer hij maar kan reusseeren verontwaardiging, «uiterste veragting en mépris tegenover Van Zuylen v. Nyevelt quot;, die openlijk had durven zeggen , dat hij » de distributeur en aanplakker van de infame libellen quot; tegen Br. was geweest.
1783. Collectie stukken en brieven van v. Heeckeren en Bentinck over de oproeren te Arnhem en Zutphen.
23 April 1784. Bentinck aan den Hertog: »plutót rompre que plierquot;. Pieck en v. Lynden houden reeds in Mei en Juni 1783 met schrijven op.
1784. Brieven van v. Heeckeren uit Zutfen en van Bentinck uit Arnhem over den toestand; de laatste brieven zijn van 13 en 20 Aug. 1784.
Verder brieven van den secretaris Ardesch over Geldersche zaken.
Brieven uit Utrecht:
31 Maart 1782. Brunswijk aan mr. Joh. v. Haeften , waardijn van de munt te Utrecht, met dankbetuiging voor de toezending zijner interessante brieven over de munt en over zijn ambt, maar : » ik moet aan U W.E.D. reitereeren, hetgeen ik reeds aan Dezelve gedeclareert heb, dat ik mij absoluut buyten staat bevind , zulks (eene bevordering) te effectueeren eu dat ik mij in geene politique zaekeu , en prin-
\'247
cipieel die, welke het begeeren van ambten raakt, hoegenaamd niet kan nog mag meieeren
Nov. 1782. Brief van Du Moulin , dat hij de Neye zal voorstellen als opvolger van den sousluit. Wagenaar te Bergen op Zoom.
Brieven uit Friesland;
1782-84. Van Charles Bigot, broeder van eene mevr. de Lannoy, ov?r friesche zaken ; evenzoo van v. Hanswijk , van v. d. Haer en v. Cam-pens Nieuwland uit Leeuwarden, vooral over de stemming op de friesche landdagen van Febr. 1782, Maart en Juli 1783 en Maart eu Juli 1784. Van Hanswijk brengt van de laatste vele brieven persoonlijk over »omdat de post mefieere en in dezen U D. H. met mijn secretesse zal noodig oordeelenquot;. Bij deze brieven tal van bijlagen, gewisselde officieele stukken , notulen van redevoeringen enz. De Hertog betuigt herhaaldelijk zijn dank voor deze berichten en zijn » méprisquot; voor mannen als de Rengersen , vader en zoon, die hem nu nog willen lastig vallen over zijne commissie in Wedde (1754). De laatste brieven en stukken dagteekenen van Aug. 1784.
N0. 19. Inventaire des papiers de Boisle Duc, bevattende den inhoud der door den Hertog uit den Haag daarheen medegenomen stukken (1782).
N0. 50. Miscellanea, 1785. Eene verzameling pamfletten, vertaalde spotverzen en officieele gegevens, vooral betreffende het ontslag van Nassau-Weilburg; het geheel is van weinig belang.
N0. 51. Tumulte d\'Aix de Chapelle (178t:), bevattende een uitvoerig verhaal van het oproer te Aken van 24 Juni 1786.
N°. 104. Eigenhandige Fransche vertaling door den Hertog van het werk van prof. Schluzer : » Ludwig Ernst, herzog von Br.quot;, dat samengesteld was met behulp van bescheiden uit het hertogelijk archief.
B. N0. 18. Stukken over de onderhandelingen te Weenen, in 1749 en 1750 vooral door Bentinck gevoerd over den overgang des Hertogs in Staatschen dienst. Uit deze stukken blijkt volkomen, dat men hem te Weenen slechts noode heeft willen missen.
Nquot;. 1 A. Stukken betreffende den stap van Temminck en Rendorp, 8 Juni 1781.
6 Juni 1781. (Den Haag). Brunsw. aan den Prins, dat hij zijn brief van gisteren ontvangen heeft, waarin deze hem aanraadde den Keizer te Brussel niet te bezoeken ; hij zal om den Prins te believen zijn voornemen laten varen eu daarom alleen » manquer a uu devoir si essentiel dans ma situation vis ii vis l\'Empereur tegenover wien hij geheel anders staat dan de Prins. » Je n\'ignore point que l\'animosité de mes Ennemis contre moi est monté au suprème degré et depuis que je suis positive-ment informé, qu\' après que la dernière fameuse opposition de Mrs. d\'Amsterdam a paru, le premier Ministre de la Rép. d\'Hollande a dit que je ne pourrois tenir plus longtems ici, qu\'il n\'y avait danstoute la république qu\'une voix ii ce sujet, en se servant de cette expression : hij moet weg, que je dois m\'attendre a tout ce que la passion peut susciter dans le coeur humain, mais cette situation ne me fera fuir mes ennemis ni ne pourra m\'engager k aucune bassesse! J\'irai
248
la tête levée au devant de tous les dangers, dout on me menace; une conscience nette et ma confiance en Dieu sera mon bouclier; si la Divine Providence a décidé que je dois succomber a mes injustes eu-nemis , il faut s\'y soumettre avec résignation mais je succomberai avec cette tranquillité d\'ame, que je n\'ai rieu k me reprocher ni vis ö. vis de l\'Etat ui vis a vis de V. A. et de Sa Maison, ni que j\'ai manqué eu rieu aux engagemens solennels , que j\'ai contracté il y a trente ans pour le maintieu de la présente forme de Gouvernement.....quot;
8 Juni. De Prins aan den Hertog : » La bombe Amsterd. est enfin éclatée ; l\'orage , qui menacoit depuis quelque temps , est enfin tombé et nous savons , ce qu\'ils veulent. Graces a Dieu, j\'ai pu leur parler avec fermeté et avec prudence. Dieu m\'a assisté et j\'espère, que je les ai arcelé a point nommé, car si je leur cédois en ceci, outre que je serois un monstre d\'ingratitude, je me couvrirois de honte aux yeux de l\'Europe, mais je devrois perdre 1\'affection de tous les honnêtes Gens et je viendrois ii la Merci de nos Ennemis. Je joins ici un billet au Pens. sous cachet volant, oü V. A. trouvera le Précis de cette mémo-rable conversation. Je dois dire, que le P. s\'est bien conduit et qvi\'il sent comme moi, a quoi cette démarche mène: ils veulent attaquer la Place par Pendroit le plus fort; celui la entamé, la Place n\'est plus tenable , tous les autres ouvrages sont pris 1\'un après l\'autre et le corps de la Place restant sans défense, par ce que le Gouverneur a eu la lacheté de ue pas défendre , quand il le pouvoit, Pendroit le plus fort, est obligé de se rendre ö, discrétion , et il comprend que lui et tous ceux, qui ne suivent pas aveuglement Mrs. d\'Amsterdam , seroient les uns après les autres les victimes de ma liicheté ! Je suis persuadé , que, si feu Charles I n\'avoit pas abandonné Myl. Strafford, il n\'avoit pas péri lui mème sur Téchaffaut, et Myl. Str. n\'etoit pas son second Père. 11 n\'est pas possible de leur parler plus fortement que je l\'ai fait. Je prie V. A. de lire cette pièce, s\'il se peut, avec tranquillité et de se calmer autant que possible, afin que cela ne nuise pas ö. sa santé. Elle peut compter sur moi et h présent que V. A. est attaquée aussi indignement, je veux périr avec Elle ou nous sauver tous les deux. J\'y joins la lettre de Heeneman avec celle du Gén. Du Moulin , avec les lettres de Mrs. Gross et Kupfer, les Expéditions d\'hier, que j\'ai retrouvées, et les Mémoires du 6 et du 2. Je serai charmé de savoir, si Elle approuve mes appointemens; j\'ai appointé de deux facons sur celle du garde de corps Paedevoer. J\'en laisse le choix è, V. A. et serai charmé de savoir, si Elle k quelque autre pour ce Poste. La Haye , ce 8 Juin 1781.
G. Pr. d\'Orange.quot;
Behalve de copie van de aanspraak van Temminck liggen in dit pakket nog éenige brieven van den Prins met antwoorden van Bruns-wijk uit dien zomer ; de minuut van de Memorie van Brunswijk van 21 Juni, door hemzelven gecorrigeerd; brieven van W. Bentinck, Van Lynden v. Hemmen, prins Frederik van Hessen, majoor Von Dopf, Von Thulemeyer, gen. Du Moulin, J. G. Van Oldenbarneveld gen.
249
Tullingh , Van Heyden , W. Van Nagell, B. Lewe, Fagel, Van By-landt, Van Iddekinge, prins Willem van Hessen en tal van Duitsche vorsten met betuiging van leedwezen en verontwaardiging over den aanval van Amsterdam en dankbetuiging voor de toezending van het verweerschrift.
N0. 1. B. Hierin verscheidene brieven van den Prins , waaronder:
28 April 1782 \'s morgens 10 uur, over de plannen der tegenpartij tegen de aanstaande kermis , waarvoor hij den Hertog waarschuwt, vooral Van Berckel en Van Lynden als hoofdleiders aanwijzend : » V. A. peut être sure, que je ne l\'abandonnerai jamais et qua je prouverai toujours les sentiments de la reconnaissance que j\'ai pour toutes ses bontés depuis mon Enfance. Mais il s\'agit de bien peser, quel parti 11 faut prendre. 11 n\'y en a point sans inconvénients: d\'uncóté, en cédant au Torrent, on peut jouer le jeu de ses ennemis; mais de l\'autre, en tenant ferme, il est k craindre, que Ton doive employer des moyens violents et verser le sang, et de pareils moyens sont bien dangereux et s\'ils ne réussissent pas, tout est dit. Si V. A. prend le parti de céder au Torrent, je crois qu\'il faut absolument, que cela ne (sic) se fasse par capitulation en acceptant les offres de ses ennemis, et que V. A. reste toujours la maitresse de revenir du jour au lendemain , etpourlors je crois, que V. A. pourroit prendre Tun ou autre prétexte pour aller passer quelque temps a Bois-le Due dans son Gouvernement dans le courant du muis prochain ou vers celui de Juin. Si V. A. croit, quïl vaut mieux qu\' Elle reste , il sera bon de former un Plan comment agir en cas de désordre, afin de prendre de bonnes mesures pour éviter autant que possible l\'effusion du sang humain et empêcher nos ennemis communs de se rendre les maitres absolus de ce Pays. Je suis fort embarassé de tout ceci, et si V. A. me demandroit en Honneur et en conscience, ce que je crois qu\'elle devroit faire dans les circonstances
facheuses, je ne scaurois en vérité quel conseil lui donner......
Personne ne sait que j\'écris ceci a V. A.quot;
Brunswijk antwoordt onmiddellijk , dat de brief hem zeer heeft bedroefd , maar dat hij ziet, dat ue Prins zijne tijdelijke verwijdering verkiest. Hij had er reeds lang over gedacht, daar de Prins zich tegenover anderen in dien geest had uitgelaten , maar nu gaat hij zeker, hoewel hij niet vat, dat hij eerst in Mei of Juni zou moeten vertrekken , terwijl het komplot al met de kermis moet uitbarsten ! Menschen-bloed wil hij niet storten en wil zelfs liever voor goed heengaan, als de Prins dit beter acht. De Prins antwoordt nog \'s avonds 10 uur, dat hij alleen een tijdelijk vertrek aanraadt, daar de Hertog misschien spoedig weder terug zou kunnen komen. In 1781 wilde hij » tenir ferme maar na de mislukking van de Declaratie aan de Edelen en de Staten van Holland en van den brief aan Friesland , terwijl de tegenpartij altijd veld wint, » ce que j\'ai avisé l\'été passé pourrait bien ètre pas de saison pour l\'été prochain.quot;
2 Mei 1782. De Prins aan Brunsw.: » Je ferai du reste ce que je pourrai pour me tranquilliser, mais ma tête est trop faible pour
250
résister a tous les assauts et ce qui me terrasse le plus, c\'est que je ne puis me satisfaire moi-même. ... Je n\'ai pas d\'autre intention que celle li^i (d\'aider V. A.) mais l\'un me dit, qu\'il y a a craindre des troubles ; d\'autres me disent que ce sont des mensonges, je ne sais plus que croire et c\'est 1^, ce qui me tourne la tête.
Gr. Pr. d\'Orange.quot;
24 Mei 1782. Brief van prinses Wilhelmina, waaruit zonneklaar blijkt, dat zij de auteur van het plan der tijdelijke afwezigheid is geweest.
Nquot;. 2. A. Stukken over den aanval op de Akte van Consulentschap.
Hierin een project-deductie in 1781, opgesteld door den Hertog en in Maart 1784 naar den Haag gezonden, als legger voor de bekende Memorie over dit onderwerp. Deze deductie bevat een uitvoerig verhaal van de wijze , waarop in Oct. 1749 Bentinck Rhoon met de Keizerlijke familie begon te onderhandelen over den overgang in Staatschen dienst. Bruuswijk werd naar Weenen ontboden, maar weigerde aanvankelijk, daar Keizer Frans 1 en Maria Theresia beiden verklaarden, » dat zij ongaarne zouden consenteeren , dat den Hertog in den dienst van de Rep. overging.quot; Eerst in Dec. gaven zij gehoor aan Bentinck\'s herhaald aandringen , zoodat de voorwaarden toen werden vastgesteld, en wel door den Keizer en de Keizerin zelve .... In 1766 had de Prins zijn verlangen te kennen gegeven, dat de Hertog hem vergezellen zou op de voorgenomen rondreis, maar deze had wegens het ophouden der voogdij alleen het radikaal van veldmaarschalk, dat hem geen macht gaf om den Prins, zooals deze wilde, met zijn raad le dienen; » ver-schèyden welmeenende heerenquot; kwamen toen op het denkbeeld der Akte , die 3 Mei geteekend werd. De Hertog had zich nooit gedragen als Eerste Raad en zich noch met de Marine noch met de politiek ingelaten.
Het overzicht is door J. H. Van Olderbarneveldt gen. Witte Tullingh nagezien en met eenige opmerkingen teruggezonden aan den Hertog, daarna op enkele punten gewijzigd.
Bovendien in dit pakket nog tal van origineele en gecopieerde brieven over de Akte.
N0. 2. B. 3 Sept. 1784. Inhoud van een gesprek van gen. Van der Hoop, als vertrouwde van den Prins, met den Hertog in diens kamer gevoerd. De Hertog wil de gevolgen van zijn adres aan de 5 provinciën afwachten en zijn ontslag niet vragen maar belooft voorloopig noch de Rep. noch den Keizer te dienen. Hij heeft als Keizerlijk generaal nog geen stap bij den Keizer gedaan en de vrees van den Prins, dat hij naar Brussel zou ontboden zijn , is ongegrond. De Hertog gaf v. d. Hoop eene schriftelijke memorie in dien geest mede , opdat deze zich niet vergissen zou, maar vroeg onmiddellijke terugzending daarvan.
In dezen bundel nog tal van brieven van v. d. Hoop en v. Hees over de verhouding van den Hertog tot den Keizer; verder over de plannen van eene verzoening met de heeren van Amsterdam door bemiddeling van Rouse; ook over het voorstel van verzoening van 13 Sept. 1784, dat weder door v. d. Hoop namens den Prins werd overgebracht,
251
maar a!s zeer vernederend door Brunswijk met verontwaardiging afgewezen. Aan Van Hees schrijft de Hertog hierover: »que je voyoisavec douleur, que le Prince au lieu de travailler pour moi dans ces provinces (Zeel. en Utr.) s\'étoit adressé a mes ennerais pour faire un accomode-ment; qu\'il pouvoit bien prévoir qu\'il seroit k mon désavantage, et que par cette démarche même il donnoit ü, connoitre de ne pas approuver ou de ne pas se flatter d\'aucun bon succès de ma démarche auprès les provincesquot;. 20 Sept. aan den Prins, dat hij bepaald niet tevreden is met eenvoudig ontslag maar vernietiging der voor hem beleedigende resolutiën eischt. Verder nog tal van brieven van den Prins aan Brunswijk en antwoorden daarop uit dit najaar.
21 Juli 1784. Brief aan Reiscbach van den Hertog, die de bescherming des Keizers inroept. Verdere uit dien brief volgende belangrijke correspondentie.
N0. 3. Pieces sur les persécutions, 1781-1784, gedeeltelijk medegedeeld aan Schlözer voor zijne bovengenoemde verdediging.
Hierin vooral belangrijk eene collectie stukken over gen. Du Moulin na diens »verraadquot; op 17 Dec. 1783 , toen hij aan De Gijselaer, Van Berckel en Van Wijn mededeelingen deed omtrent den toestand der fortificatiën: ongeveer 200 nummers, loopende tot 19 Mei 1784, zeer volledig met tal van bijlagen.
N0. 4. Pièces sur le général Du Moulin, van minder belang.
K0. 5. A. Gegevens voor de op te stellen Deductie van 1784.
N0. b. B. Stukken over het verraad van Maastricht.
N°. 6. Lettres d\'un ami, 1783 en 1784, eeue zeer belangrijke collectie , waarschijnlijk brieven van Van Hees.
K°. 7. Gerechtelijk protokol over het komplot om de brieven van den Hertog te stelen (zomer 1783) met tal van bijlagen.
N0. 11. Journaal of authentiek bericht daarover.
24 Juni 1785 kreeg Brunswijk een anonymen brief, het eerste bericht omtrent het genoemde komplot, welks doel daarbij werd omschreven : stukken te vinden , waarmede men hem van verraad zou kunnen beschuldigen en tegelijk den Prins zou kunnen compromitteeren. De papieren werden te Aken bewaard in een Capucijner klooster, waar de Hertog tweemaal per week kwam om ze na te zien. Zekere Lafaye, een weggejaagde knecht van Brunswijk , zou zich in het klooster aanmelden om er 12 dagen boete te doen. Gedurende zijne boetedoening zou hij zich op een avond meester maken van den portier en met behulp van eenige buiten geposteerden de papieren rooven. De leider der zaak zou zijn een werfofficier van het legioen van Salm, DePinget, geholpen door een anderen werfofficier, Varanchan de St. Genie. Ook een gewezen Fransch officier, d\'Arros, was er in betrokken. Deze laatste verried de zaak , gaf den 24sten den Prins zelven kennis er van en liet zich den 28sten ook bij den Hertog aandienen, wien hij waarscbijnlijk ook den anonymen brief had gezonden. D\'Arros deelde mede, dat De Gijselaer de aanlegger was in overleg met Salm en Maillebois. De Hertog gaf de regeering van Aken kennis van het komplot; zij nam
252
d\'Arros 19 Juli gevangen en onderschepte naar zijne aanwijzing tal van brieven der samenzweerders, waardoor alles mislukte.
K0. 12. Papieren en stukken over deze zaak, welke niet in handen van de rechtbank zijn gesteld , waarschijnlijk van groot belang voor zekere geheime verstandhoudingen.
IN0. 13. Brieven van Maillebois, d\'Arros, Belgiojoso, Metternich en andere hooggeplaatste personen in de Zuid. Nederlanden. O. a. brief van Maillebois aan d\'Arros:
»30 Juillet 1785, la Haye. Je vous rends, Monsieur, mille graces de votre attention et de votre confiauce, dont vous pouvez ètre sur que je n\'abuseray pas. Je ne suis point dans le secret assez pour corres-pondre avec les autheurs du plan. Adressez-vous pour les fonds a ceux, qui le dirigent. Cependant comme vous me paroissez pressé d\'argent, je vous envoye une lettre de change de vint ducats de ma poche , que vous me rendrez quand vous le pourrez. Recevez , Monsieur , les assurances de mon attachement. L. C. d. M.
Soyez sage et loyal comme un pieux chevalier doit l\'être.quot;
Hierbij ligt een wissel van 150 g. Holl. op Molière en C0- in den Haag , te betalen door M. Gosswiju Kuhnen te Aken.
Uit deze stukken blijkt, dat d\'Arros van de zaak wist door zijn zwager, den officier Boulet de la Toulière, ook door De St. Genie in de zaak ingewijd.
jNquot;. 15. A-D. Stukken , door prof. Schlözer gebruikt.
N°. 16. D-E. Depêches van de agenten Daehne en Haenichen uit den Haag aan Ludwig Ernst, loopende van 1 Mei tot Oct, 1784 (de vórige zijn in den Bosch verbrand), verder van 1785-1788.
In deze hoogst belangrijke verzameling vond ik in pakket A de stukken gewisseld over het testament van mevr. Steyn , wier papieren onlangs in het Rijksarchief zijn opgenomen.
19 Juli 1783 schrijven de executeurs-testam. den Hertog over de bepalingen van dit testament, waarvan zij copie overzenden. Volgens het testameDt moeten de brieven van Steyn , die de Hertog, de Prins van Oranje en de andere erfgenamen van wijlen prinses Anna in hun bezit hebben , uitgewisseld worden tegen die van genoemde AA. SS. aan Steyn om met de andere papieren van den Raadpensionaris te worden opgepakt in een kist met drie sleutels voorzien , die zal geplaatst worden in eene kamer van het weeshuis te Haarlem. De papieren zullen daar eene eeuw lang moeten bewaard worden en vervolgens worden verbrand. De Hertog raadpleegde over deze zaak den secretaris van den Raad van State , Van Hees , daar hij aanvankelijk bezwaar had in de uitwisseling , die hem zou berooven van vele stukken , op grond van welke hij zijn beheer in de Republiek meende te kunnen verdedigen.
10 Aug. Van Hees raadt den Hertog tot de uitwisseling, maar tevens om notarieel gelegaliseerde copie te nemen van de afgestane stukken , wat in het testament niet letterlijk verboden w7as. Wat de brieven van den Hertog zeiven betrof, zij waren van veel belang voor dezen ; de brieven van Steyn, die zouden teruggegeven worden , konden
253
verder geen nadeel veroorzaken : » personne au monde ue les verra, elles devront être brülées après cent ans écoulés et que par conséquent Ton n\'en pourra pas mème indirectement faire un mauvais usagequot;. Op raad van Van Hees heeft in Aug. de uitwisseling plaats gehad, zoowel door den Hertog als door den Prins. De Hertog heeft daarop zijne teruggezonden brieven zonder onderscheid verbrand.
Deze correspondentie met de agenten in den Haag is hoogst belangrijk , vooral die van 1784, toen bijna iederen dag door hen geschreven werd. Tal van bijgevoegie stukken verhoogen het gewicht der collectie.
K0. 17. Correspondentie met den Keizer, den minister Belgiojoso e. a. na 1784, waarin tal van origineele brieven van genoemde personen.
N#. 20. Correspondentie met de stadhouderlijke familie e. a. na het vertrek van Brunswijk uit de Republiek.
Deze zeer belangrijke collectie bevat ongeveer 200 brieven van den Prins, de Prinses, Prins Willem Frederik , Prinses Louise , den griffier Fagel e. a., waarin de meest geheime en intieme politieke zaken dei-Republiek worden besproken.
15 Oct. en 19 Oct. 1784. Prinses Wilhelmina aan den Hertog, zeer hartelijke brieven , wijzende op eeue mogelijke » triomphe de la bonne causequot; en getuigende van »la puretó des intentions (du Due), un sujet efficace de consolation, qu\'il n\'est point au pouvoir de ses ennemis de lui ravirquot;.
Oct. 1784. Brieven van Fagel met betuiging van oprecht leedwezen over de rol, die hij tegenover den Hertog moet spelen , en van innige gehechtheid.
21 Juli 1787. Willem V aan Brunswijk, dat hij alle brieven , sedert 1784 door den Hertog aan hem geschreven , op diens verzoek zal laten terugzenden ; hij heeft de Prinses belast met het bijeenzoeken daarvan.
30 Juli 1787, De Prinses aan Brunswijk, dat de papieren afgezonden zijn volgens de lijst, door den Hertog bij de aanvrage om terugzending gevoegd.
Van deze papieren is in het archief niets te vinden ; hoogstwaarschijnlijk heeft de Hertog ze verbrand, evenals hij met die van Steyn deed; van enkele brieven vindt men nog copie in deze collectie bij de antwoorden van den Prins.
Oct. 1787. Brieven van Fagel met betuiging van vreugde over de revolutie en in de verwachting, dat ook den Hertog thans satisfactie zal gegeven worden.
28 Nov. 1787. Dankbetuiging van v. d. Spiegel voor den gelukwensch bij zijne benoeming, met de verklaring van »un désir sincère de con-tribuer a faire rendre a V. A. la satisfaction et la justice, qui lui est due depuis longtemsquot;.
Nquot;. 21. Miscellanea, 1785-1788, pamfletten, plakkaten, oproerige geschriften enz.
N°. 23. Een pakket, waarin een zeer curieuse verzameling van 180 Orangistische pamfletten , verschenen 1781-1788.
254
B.
Larules Bihliothek.
Deze beroemde bibliotheek, in de 17de eeuw door Hertog August gesticht, bevat naast een rijken boekenschat, waarin ook de bibliotheek van Ludwig Ernst eene plaats inneemt, eene hoogstbelangrijke verzameling handschriften (1). Toen ik de bibliotheek bezocht, was zij nog niet voor het publiek geopend maar de groote welwillendheid van den geleerden directeur, prof. Von Heinemann, gaf mij gelegenheid om den catalogus der handschriften nauwkeurig te onderzoeken. Ongelukkig is deze catalogus zeer slecht ingericht: de indeeling beantwoordt niet aan de eerste eischen der systematiek, de opgave der titels is hoogst onvolledig; op die wijze werd het onmogelijk zich een eenigs-zins volledig overzicht te verschaffen van de manuscripten, die voor onze vaderlandsche geschiedenis en letteren van belang waren , te meer, daar de ambtenaren , die mij hadden kunnen helpen bij het onderzoekeu der stukken, nog niet beschikbaar waren. Ofschoon de nieuwe monumentale catalogus, waaraan prof. Von Heinemann sedert een paar jaren zijne krachten wijdt, de hoogste eischen belooft te zullen bevredigen , nieen ik toch , — met het oog op de omstandigheid, dat die hoogst bezwaarlijke arbeid uit den aard der zaak nog in langen tijd niet voltooid zal\' zijn , — onzen historici en letterkundigen geen ondienst te doen met de opgave van di ■ manuscripten, die ik als bepaald Neder-landsch kon herkennen.
\' Aitzema (Leo Von), Brief an Herzog August.
Alchymia (Reime Von der), Holl., 74 BI. fol.
Aquilius (Henricus), Chronik von Gelderland, 117 fol. (Zie Muller, Lijst van Kron., blz, 66 en 68).
Aquilius (Henricus), Chronik von Geld., met noten van Scriverius.
Arnoldus de Rotterdam , Traotatulus de indulgentiis XX quaestiones continens.
Dat leven des heylighen biscops Augustini, item S. Augustini scrift van syner moeder leven (XVde eeuw).
Batavia , Satura Batavica de Battavis ac Mattiacis.
V. d. Beeck, Chronicon Hollandiae 114, 2 (Muller, Lijst, blz. 36).
Belgium , Niederl. handel 1566.
Statutum antiquum Belgicum.
Handvesten , gegeven door Willem en Albrecht v. Beieren.
Bijbels, verschillende oude Hollandsche drukken.
Breviaria, met illustratiën uit de 13de (?) en 14de eeuw.
Dat leven des heylighen biscops Brictius (14de eeuw).
Brinckerink , Collationes.
Reimcalender, Niederd. Holl., met fraaie figuren.
(1) Zie Nederl. Spectator van 22 Oct. 1887, waar ik een en ander over deze bibliotheek mededeelde.
255
Holl. Westph. vertaling van het Hooglied.
Chronik der Niederl. van Joh. v. d. Beeck (Muller, Lijst, blz. 38). Privilegia, a regibus Rooi. Frisonibus data a. d. 803, 1248, 1330. Vom Friesischen Kriege, 55 fel.
Chrcnieon Gelriae, partitn a Wilh. De Berchem descriptum (Muller, Lijst, blz. 68).
Groet (Mag. Ger.), de paupertate.
Speculum peccatorum.
De cura ammarum non acceptanda.
Epistola ad abb. Campensem contra Simoniam.
Giot (Gerard), S. Magnus.
De periculo pastoralis curae.
De locatione ecclesiarum.
De focaristis.
De periculo past. curae et de locatione eccl.
Grotius, Ondersoeck en naericht aengaende de sieckte en het over-lyden van den ambassadeur Grotius.
Groot (Mag. Gerh.), Recommendatio ejusdem cum epitaphio. Groninger Landrecht.
Gerardus Groot, Epistola ad quendam novitium Ord. Carth.
Heda , Hist, provinelae et episcop. Ultraj. (Muller, Lijst, blz. 43).
D. Heinsius, Epistolae aau Meursius , euz.
J. B. Heinsius, Epistolae ad Val. Andreae.
Von dem Hollandischen Krieg, 1571 u. 1572.
Ambassade van Duvenvorde en Hogerbeets naar het Noorden , 1611.
Jeannin , Lettres , Nov.-Dec. 1607.
Joh. De Deo, liber poenitentialis.
Leeu , Ger., Prima pars speculi MV , XVI sermonibus vulgata (1487). Lipsius, Epistolae.
Maerlant, der Natueren Bloeme. (Zie Jonckbloet in de Gids 1843). Schreiben eines ünbekannten an einen hochgeboraen Fürsten, sich der verfolgten Christen in Niederl. anzunehmen. (Magdeb. 1557).
Wyndesem , Liber de viris illustribus Ord. Canon. Reg. Mon. in Wyndesem (149 , 10 Extr. 7).
Ik merk hierbij op , dat onder de duizenden titels van handschriften in dezen catalogus nog een honderd voorkomen , die bij mij twijfel wekten , of de daardoor onduidelijk aangewezen ms. niet voor onze geschiedenis of letteren van belang konden zijn (Zie Jonckbloet, 1.1.).
250
VIII.
B E K LIJST.
A.
K.K. HausarcMv.
Bij rnijn bezoek aan Berlijn in het vorige jaar kon ik geen toegang verkrijgen tot het K.K. Hausarehiv , waarvan thans dr. Grossmann (ook ten onzent bekend door zijne studie over de Amst. Beurs in 1672) archivaris is; dit jaar kwam ik toegerust met eene machtiging om daar onderzoekingen te doen en in de verwachting er vele stukken te vinden . die op het Huis van Oranje betrekking hadden , daar toch de betrekkingen tusschen de Pruisische koningsfamilie en ons vorstenhuis sedert hef midden der 17de eeuw zeer innig waren geweest. In die verwachting vond ik mij bedrogen. Alle stukken, waarvan men vermoeden kon , dat zij eenig politiek belang hadden, zijn bij de scheiding tusschen Haus- en Staatsarchiv naar het laatste overgebracht; alleen de stukken van zuiver persoonlijken aard zijn in het Hausarehiv .gebleven. Die laatste stukken kwamen natuurlijk voor mijn onderzoek minder in aanmerking; correspondentie uit de kinderjaren tusschen Prinses Wilhelmina en haren broeder, den lateren koning Friedrich Wilhelm II ; felicitatiebrieven bij verjaardagen , brieven van rouwbeklag bij sterfgevallen ; akten van verloving en huwelijk vormen de groote meerderheid dezer verzamelingen.
Toch vond ik nog iets zeer interessants in de:
Acta zur Verlobung des Gr. Kurf.
6 Jan. 1641. Brief van Willem , baron Van Gent, aan den Keurvorst, waarin hij hem gelukwenscht met de aanvaarding des- regeering en hem mededeelt, dat de jonge Prins Willem van Oranje verloofd is met Prinses Maria van Engeland. » Quant a moi, vieil et syncère serviteur que je suis de Tauguste Maison de Brandenburg, il me semble qu a ladite Alt. Electorale pareille alliance avec Madlle. la Princesse d\'Orange ne seroit que tres-utile, tant pour le maintien de ses bons pays de Clève, la Marche et leurs dépendences, que pour tant mieux faire venir a la Maison le Duché de Nieuborgh et serendre plus redoutable en Allemagne et ailleurs en questions et disputes, qui luy pourroient y estre suscitées, veu la puissance de eest Estat par mer et par terre. Si vous jugez, que ce cas pourroit estre trouvé agréable par dek, je m\'offriroys comme entremetteur et m\'employeroys ü le negotier et par moy mesme et par les amis, que j\'ay a la main propres cela. Obligez moi, Monsieur , d\'un mot d\'advis de ce qui vous en semble quot; . . . .
257
Verder in de; Acta betr. das Ehebündnisz des Gr. Kurf.:
10 Sept. 1646. Bevel aan den Keurv. secretaris Joh. Freder. Schletzer om zich den 18den Oct. te bevinden te Zwartsluis bij den opperkamerheer Von Burgstorff, welk bevel 24 Sept. hernieuwd wordt.
26 Sept. 1646. Instruction für den Oberkammerhern Conradt Von Burgstorff, die bij de terugkomst van Prins Frederik Hendrik uit üet leger , in den Haag, Breda of elders eene audientie moest vragen om een huwelijk tusschen den Keurvorst en Prinses Louise voor te stellen.
Dr. Grossmann, die met groote welwillendheid alles bijeenzocht, wat mij misschien zou kunnen dienen , toonde mij verder een zeer belangrijk stuk (Preussen C III, b, 35), in 1649 te Cleef gedrukt bij Jacob v. Biesen , bevattende:
Conditiën ende voorwaerden, waer op ende nae d\' welcke Frederic Wilhelm , bij der Gr. Godes etc. met een compagnie Friesche huys-luyden ende inghesetenen door hun Ghedeputeerden, Pieter Sickes ende Lieuwe quot;Wilckels, navolghende contrakt van Erf-Pacht nopens het ghebruyck ende inruyminghe van een partye Landen , ghelegen ontrent ende beneden den Stadt Werwen aen de Elve (I), den 18 Jan. 1648 heeft ghemaeckt ende aenghegaenquot;.
Dit stuk , zeer belangrijk voor de kennis der Neierl. kolonisatie in Pruisen , bevat 15 artikelen:
1. De erfpacht zal zijn 2 rijksdaalders van de Holl. morgen ; elk huisgezin zal 60 morgen lands hebben.
2. De Keurvorst zal hen beschermen in hun bezittingen.
3. De Gereformeerde religie wordt hun toegestaan » sonder turbatiequot;.
4. Ten behoeve der kerkdienaren en der armen zullen 60 morgen lauds vrij worden geschonken , benevens hout, steen , ijzer , kalk en gras voor te bouwen kerken.
5. In crimineele zaken zullen de immigranten gevonnist worden volgens het landrecht; voor civiele mogen zij raadslieden en schepenen kiezen, keuren maken, over gewone dagelijksche zaken vergaderingen houden ; de schouten zullen door den Keurvorst gekozen worden uit eene hem aangeboden nominatie van drie personen , Nederlanders.
6. Gedurende de eerste drie jaren hebben zij vrijdom van pacht.
7. De 70 familiën krijgen een voorschot van 10 000 rijksd., die zij in 9 jaar terug zullen betalen ; de eerste 6 jaar betalen zij 7 pet. rente, daarna moeten zij de rest in drie jaar betalen met de nog loo-pende interesten, terwijl zij met huis, hof en goederen zoo lang» ver-borghtocht blijven quot; aan den Keurvorst.
8. In plaats van de gewone » laudstuyren quot; betalen zij na driejaar Vo rijksd. van de morgen en zijn verder vrij van alle heeren- of hofdiensten.
9. Een beëedigd landmeter zal te hunner beschikking zijn.
10. Tegen betaling der tollen hebben zij vrijheid om binnen- en buitenslands te handelen.
(1) In de Altmark.
17
258
11. Timmerhout (nam. iepen-en vurenhout) mogeu zij vrij halen uit de bosschen bij Rathenow en Tangermünde ; brandhout is daar schaarsch, zoodat zij daarin gebonden zijn aan de bestaande ordonnantiën ; turt
mogen zij vrij steken.
12. Op de te bouwen keurvorstehjke molens zullen zij /16 van aet
schepel geven. ^ x n
13. Als een der Nederlandsche boeren zich van de pacht wil ontslaan
en wil vertrekken, moet hij die aan een anderen Nederlander overdragen.
14. Bij sterfgeval erven de naaste bloedverwanten, al wonen zij elders , en mogen de erfenis verkoopen ; bij niet opkomen der erfgenamen\' na jaar en dag, vervalt de erfenis aan den Keurvorst; als dan binnen 6 jaar de erfgenamen nog opkomen , heeft de Keurvorst recht
0P15.1°A.1 deze » huysluvdenquot; zijn alleen den Keurvorst onderdanig; als een der oude ingezetenen, » die door den oorlooghe verdreven ofte andersins van daer gegaen zijnquot;, zich weder aanmeldt, zal hij óf anders worden tevreden gesteld óf op dezelfde voorwaarden zich onder hen mogen nederzetten.
B.
Köti. Geheimes Staatsarchiv.
Ten vorigen jare had ik reeds de gelegenheid om een aantal be-•scheiden in dit voor onze geschiedenis zooveel opleverende archief te raadplegen. Toen kwam reeds het vermoeden bij mij op, dat er toch bepaald meer briefwisselingen tusschen de huizen Oranje en Hohen-zollern in dit archief aanwezig moesten zijn, dan die kleine overblijfselen , die ik bij mijn eerste bezoek had ingezien. Nu het bleek , dat het Huisarchief des Keizers in deze richting niets van belang opleverde , besloot ik nogmaals een ernstig onderzoek naar dergelijke corres-pondentiën in te stellen in het Staatsarchiv; bij dat onderzoek vond ik een krachtigen steun in den heer dr. Meinhardus , archivaris in het Staatsarchiv. die zich mij ten gevalle de groote moeite getroostte zelf een aantal pakketten na te gaan, daar de inventarissen niet uitvoerig1 g\'Gnoeg\' quot;Wcireri om van d6n inhoud dier pakketten dadelijk een overzicht te verkrijgen. Ik hoop, dat de hulpvaardige archivaris mij mijn misscbien wel wat te dringend aanhouden zal vergeven met bet oog op het belang der stukken, die wij op deze wijze machtig werden. Ik neem evenwel hier de gelegenheid te baat om mijne dankbaarheid te uiten voor de vriendelijke ontvangst, die de beambten in de Pruisische Staatsarchieven mij ook dit jaar bereidden, en voor de vele bewijzen van belangstelling in mijne onderzoekingen, die ik te Berlijn en elders mocht ondervinden en waarover ik mij nog na mijne terugkomst telkens mag verheugen, wanneer ik over de eene of andere zaak nadere inlichtingen wensch te hebben.
Evenals ten vorigen jare onthield ik mij van speciale onderzoekingen
259
naar correspondentiëa uit den tijd van den Grooten Keurvorst, daar eensdeels mijn hooggeschatte ambtgenoot P. L. Muller te Leiden deze briefwisselingen nauwkeurig had bestudeerd en geëxcerpeerd, zelfs gedeeltelijk uitgegeven in zijn boek, Wilhelm III ton Oranien und Cr-F. Von Waldeck quot; ; anderdeels de uitgaven van Droysc.n, Erdmans-dof er e. a. tal van deze brieven aan het licht deden komen. Ik maakte alleen eeue uitzondering voor twee bundels, die nog niet gebruikt schenen te zijn. Het eerste was een bundel, gemerkt Rep. 34 , nc. 243 , bevattende: Korrespondenz mit Prinz Moritz. In dezen bundel zit veel meer dan de titel zou doen vermoeden , wat zal blijken uit de volgende uittreksels van brieven :
1. 1 April 1609. De Keurvorst aan Prins Maurits met verzoek om zijn steun in de Guliksche kwestie.
2. 22 April 1609. Prins Maurits belooft dezen.
3. 3 Mei 1609. Prins Maurits aan den Keurvorst, dat deze zelf in het Guliksche moet optreden, daar aan zijne tegenwoordigheid veel gelegen is.
Andere brieven uit de jaren 1613-1616 over dezelfde kwestie o. a.:
4. 4 Febr. 1615. Prins Maurits aan den Keurvorst, dat deze, als de belanghebbende, het eerst dient te handelen; dat de Staten gereed zijn hem te helpen, »dan itn fal E. G. diese sache bey sich selbsten nicht mit ernst angriffen undt etwas ansehenlichs diesen anstejienden Sommer dabey thun, solle nicht allein den herrn Staten undt dero geallierten , sonder auch E. G. landtsassen selbst eine ursach gegeben worden sich desto khuler in ermelter sache zu ertzeigen , wie wir das E. L. an dero abgesandten umbstandig berichtet undt demselbigen ahnzubringen er-sucht haben , welches wir E. L. zu bedencken wollen gestelt habenquot;.
5. April 1645. Correspondentie van Winand Rodens over de stemming van bet Huis van Oranje aangaande het voorgenomen huwelijk met Prinses Louise.
6. 14 Aug. 1647. Zending van Christian Von Dohna naar den Prins om te verzoeken de zeer gedrukte Kleefsche landen te willen ontlasten.
7. 24 Febr. 1678. Brief van Willem III aan den Keurvorst over de aan de Staten gevraagde 6000 man .... » les charges et frais excessifs de la guerre durant ces dernières années ont tellement épuisé les finances, que de le presser hi dessus (nam. dat de Staat der Ned. de Spaansche subsidiën zou voorschieten) seroit le vouloir obliger a une impossibilité toute notoire.quot;
8. 21 April 1678. Willem III verzoekt den Keurvorst toch haast le maken met het bijeentrekken van troepen aan de Maas, » en consi-dérant que le bien de la cause commune et pas moins ses propres intéréts demandent, qxie Ton haste les dispositions requises pour celaquot;.
9. 15 Aug. 1678. De Keurvorst aan den Prins .... gt;Es hatt mir Reinh. Blaespiel, wiewohl mit wenigen , berichtet, wesmassen E. L. eine glück-liche Operation vor Mons gehabt undt die Frantzosen zur Retirade gezwungen. Ich kann nicht auszdrücken , was vur hertzliche Freude
^260
und VergnüguDg ich darab empfuuden und erwarthe mit rustigstem Verlangen die Umbstande und particularitaten dessen, so sich zuge-trao-en. Indessen gratulire E. L. ich von gantzem hertzen und bitte denquot; Höehsten, dasz Er E. L. werckhen ferner dergestalt gesegnen wolle , damit ein so scbandt- und schadlicher Frieden , wie man deu-selben zue Nimwegen hatt schliessen wollen , nicht zur Ratification gebracht werden moge. Was ich desfals an den Staat geschrieben, Mruhen E. L auss beygehender Abschrift zu ersehen. Ich bin ver-sichert, dasz E. L. nach dero wie bekannter Generositat dergleichen unerhörte Procedur, welche der Staat gegen mich en particulier
helt, nimmermehr billigen wurde.....quot;
10. 2 Sept. 1678. (Honselaersdyck). De Prins aan den Keurvorst.... v Je n\'ay point informé Votre A. E. de ce qui s\'est passé a 1\'affaire prés de Mons, puisque Mr. Ie Bn. Ue Spaen sen estoit chargé, maïs ie luy dois ce témoignage qu\'il a agi en cette rencontre avec beaucoup de bravoure, aussi bien que l\'infanterie de V. A. E., qui out tres bien fait. Je luy reus graces de l\'assistance que j\'en ay eu. A mon retour cy j\'y ay trouvé les affaires tout embrouillées , par quoy j ay entretenu au long Air. de Meyuders, dont il informera sans doute V. 4. E. et k quoy je n\'adjouterez que de l\'asseurer, que je néghgerez aiiqu\'un occasion pour luy témoigner ma passion pour ces interests, lesquels je prefererez toujours au miens propres: le plus grand chagrm que i\'ay, cé de ne le pouvoir ainsi que je le souhaiterois.... quot;
Latere brieven uit dit eu liet volgende jaar bevatten meestal ontboezemingen over het noodlottige van den vrede van Nijmegen , zoowel door den Keurvorst als door den Prius sterk afgekeurd.
11 19 Sept. 1079 (la Haye). Prins Willem aan den Keurvorst.....
Way bien receu la lettre , que V.A.E. m\'a fait l\'honneur de m\'escnre du mois passé\' Je suis entiêrement de son sentiment, que lesdifférens y mentionnés ne se pourront accomoder par des lettres mais qu\'il sera nécessaire que l\'on vienne en conférence. Ainsi je n\'importunerez pas V. A. E. ii répondre amp; toutte les particularilés de sa lettre mais je fairez mon possible , que cette conférence se puisse venir bientót et que l\'on choisisse des personnes bien intentionées pour cultiver la bonne intelligence entre V. A. E. et eest Estat, qui est si nécessaire pour les interests de tous deux. Si je pouvois estre si heureux de la voir moy mesme, je crois que je la pourois désabuserde beaucoup de mauvaises et fausses impressions, qu\'onluy adonnées,entreautrescellequequandt l\'Estat a demandé les sis mille hommes ft V. A. E., qu\'ils avoient déja resolu de faire la Paix , dont je luy puis asseurer du contraire et que
les choses en ce temps en estoient bien éloignées.......quot;
12. 29 Sept. 1679. Antwoord hierop. »E.L. angenehmes vom 19 Sept.
ist mir wohl worden.....Ich begreiffe gar wohl , dasz eino bestiindige
freundtscbafl\'t und ein verstandnus zwischen mir und dem Staat zu beyder Theilen groszen nutzen gereicht, es ist auch E. L. so wohl als aller weltb bekandt, was ich bey dem Staat gethan und zugesetzet. Ich verlange aber auch billig, dasz man mir mit gleichmessiger auf.
2G1
richtigkeit begegne und meine gerechte Desideria nicht verüchtlich ausser acht schlage......quot;
13. 26 Jan. 1686. Fuchs aan prins Willem III. Twee Framp;nsche réfugiés zijn bij hem gekomen met een aanbevelingsbrief uit Zwitserland en bericht, dat er nu succes te wachten is bij een oorlog met Frankrijic, wegens de groote macht, die Lodewijk in het land zelf noodig heeft. Bij een godsdienstoorlog, meent hij, zouden echter de Evangelischen het onderspit delven. Misschien is er iets te doen, als Engeland (wegens de inbezitneming van Oranje), Spanje en Lotharingen maar begonnen.
14. 20 Sept. 1686. Von Goltz aan den Prins. Brief uit Dieren van 10 dezer ontvangen ; hij verheugt zich over \'s Prinsen gezondheid » zutn besten des Vatterlandes , der evang. Religion und der guten Parthey in Europaquot;.
15. 18 Dec. 1688. Fuchs aan den Prins. Hij maakt hem opmerkzaam op het gevaar voor Cleve en Westfalen van de fransche zijde en wijst op het leger van Waldeck bij Doesburg , dat hiervoor kan waken.
De tweede bundel, gemerkt Tit. CCXI. Colonisten sachen, Generalia Nquot;. 20, bevat tal van stukken, belangrijk voor de vestiging van Nederl. kolonisten in de Mark (1), waaronder:
1. Acta over de plaatsing van hollandsche familiën in de Kurmark in 1777, tot ontginning van woestliggende landen en tot invoering der hollandsche boterbereiding.
2. üit de bureau-akten van den staatsminister vou Voss eene verhandeling over den toestand der kolonisten in de Pruisische staten, dag-teekenende uit het einde der 18de eeuw.
Een andere bundel getiteld : Tit. LI, Amt Koenigshorst, sect d, K0.18, bevat stukken over den toestand der boterbereiding in Pruisen in de 17de en 18de eeuw.
Een vierde is de bundel gemerkt Rep. 9, D 1. Deze bevat belangrijke gegevens voor de geschiedenis der Hollandsche kolonisatie in de Mark , waaronder:
Juni 1647. Aanvraag om woestliggeud land teu behoeve van Hollandsche emigranten door Pierre Lamy. Pierre Lamy trok in Aug. daaraanvolgende in de Mark rond om land uit te zoeken voor die vestiging, die vooral in den omtrek van Friedeberg (in de Neumark) plaats had.
Aug. 1648. Contract met eene noordhollandsche «Compagniequot; emigranten onder leiding van den baljuw Johan Wijngaard.
1711. Vestiging vaa Nederlanders in A\'eu-Holland (Oost-Pruisen , bij Elbing), waarbij bepaald wordt, dat zij gereformeerd moeten zijn en niet luthersch mogen worden, meó strenge strafbedreigingen tegen luthersche propaganda.
Ook nog onder Friedrich Wilhelm I en Friedrich II kwamen Hollanders zich in grooten getale aanbieden n. a. in 1740. Vooral op het einde van 1747 trachtte Friedrich II vele kooplieden en anderen uit
(1) Zie; O. Schwebel, Holland und Brandenburg.
262
Holland naar zijne Staten te lokken. De gezant d\'Ammon in den Haag correspondeerde herhaaldelijk hierover met den Koning. 1 Sept. 1747 verscheen een » Erneuertes Edit von den vermehrten Wohlthaten und Vortheilen vor die Auswartigen, die sich in den Kon. Preusz. Landen niederlassendat ook hier in verschillende couranten werd opgenomen. Friedrich II zag tengevolge der revolutie van 1748 en 1749 verscheidene Hollanders zich in zijne Staten vestigen.
Zie overigens over deze hoogst interessante immigratiën in de Mark en elders , waar nog b. v. in namen van personen en inrichting van boerderijen (Hollandereien) tal van sporen dezer landverhuizingen in de 17de en 18ie eeuw te vinden zijn de publicaties genoemd : Puhlicationen aus den Preusz. Staatsarchiven. Daar worden eenige deelen gewijd aan de pogingen der Pruisische vorsten tot verheffing van den landbouw in hunne staten: ook op de » Hollandereienquot; wordt daarin zeer gelet.
De correspondentiën uit de 18de eeuw bevatten zeer belangrijke bijdragen tot de kennis van onze geschiedenis in dat tijdvak, vooral voor de laatste helft der 18de eeuw.
a. Rep. 96, N0. 104, Lee.
Correspondentie tusschen Frederik II en Willem IV. Tal van brieven over de kwestie der opvolging in Siegen, voor onze geschiedenis minder belangrijk maar getuigenis gevende van de uiterst vriendschappelijke verhouding tusschen de beide vorsten, waarop reeds Ranke opmerkzaam maakte bij de uitgave (S. W. Bd. 24) van eenige door hem in het Huisarchief in den Haag en verder te Berlijn gevonden brieven. Ranke heeft dezen bundel gekend (1) maar er alleen uit overgenomen , wat voor zijn doel van gewicht was. Voor onze geschiedenis zijn hier nog eenige bij Ranke niet gedrukte brieven van belang.
1. 4 Maart 1741. De Prins hoopt, » qu\'il se trouve des moyens pour terminer amp; l\'amiable les différends survenus entre V. M. et la Reine de Bohème au contentement mutuel. Ce souhait a peut-être quelque chose d\'intéressé en soi, puisque je serois au désespoir avec les sentimens, que j\'ai voué fi V. M., que mes relations aux maitres, que je sers, me missent jamais dans les föcheuses et pour moi trés désagréables cir-constances de ne pouvoir pas si souvent faire ma cour amp; V. M., que je le voudrois bien......quot;
2. 24 April 1741. De Prins betuigt zijn dank voor een vriendelijken brief van Frederik en gevoelt zich gelukkig door zijne vriendschap. » Quoique de toute part on n\'entende parler que de promotion de géné-raux , cependant notre République, qui pourtant a déja augmenté son infanterie d\'onze mille hommes et qui a résolu d\'augmenter encore ses forces de 900 dragons et 10 000 hommes d\'infanterie , ne songe pas encore a nommer des généraux pour les commander, et tout cela prin-cipalement paree qu\'on ne laisse par de sentir, qu\'il y auroit de l\'in-justice de n\'y pas comprendre un capitaine général de trois provinces
(1) Zie in het aangehaalde deel der S. W.: S, 186.
263
h l\'üge de trente aus, la ou ses ancêtres ont tous été géoéraux d\'infanterie et maréehaux plus jeunesquot;. Hij gaat dezen zomer weder naar Siegen en Dillenburg om te zien , hoe het daar gaat.
3.5 Mei 1741. Felicitatie van den Prins wegens den slag bij Mollwitz.... »V. M. peut dire avec vérité, que pour son coup d\'essai elle en a fait uc de maitre et l\'ordre oblique , dans lequel elle a combattu, et le mélange d\'infanterie parmi la cavallerie, l\'une et 1\'autre hors de la routine ordinaire , que, je ne scai par quel droit, s\'est arrogé un espèce d\'empire absolu dans le métier , ne lui attireront pas moins d\'éloges pour la profondeur de sa connaissance que pour la magnanimité, avee laquelle elle a montré que son courage égaloit sa naissance et sa grandeur , et tous les gens du métier l\'applaudiront.....quot;
4. 17 Jan. 1742. In het belang zijner aanspraken op Siegen vraagt de Prins aan Frederik eene aanbeveling bij den nieuwen Keizer.
5. 11 Febr. 1742. Dankbetuiging voor den steun , in de zaak van Siegen, waaraan » .... je suis et même uniquement redevable de l\'heureux succès d\'une affaire de si grande importancequot;.
Verder nog tal van gelukwenschen met het nieuwe jaar enz. , ook van Frederik aan » votre charmante épouse quot;; in deze brieven komen de » noeuds de sang et de coeurquot; dikwijls voor, terwijl de Prins zich herhaaldelijk » trop petit individu quot; en » petit individu comme moi quot; betitelt, die den invloed moet ondergaan van de bewegingen in de groote Staten — uitdrukkingen , waarin een zekere spijt niet te miskennen valt.
1. Rep. 34, n0. 227, d1. In dit pakket vindt men onder stukken van lateren datum, waarover straks, ook nog brieven van Frederik II aan Willem IV en Prinses Anna. De meeste dezer brieven zijn van weinig-belang , felicitatiën, condoleantiebrieven enz. Hieronder echter:
6. De brief, waarbij Prins Willem den Koning zijne verheffing meldt: »Sire, J\'ai cru qu\'un de mes premiers soins devoit être celui de faire part h V. M. de l\'étonnante pt subite révolution qui vient d\'arriver par une direction manifeste de la Providence et par laquelle je me trouve appellé d\'une commune voix des Régens et du peuple a occuper dans notre République tous les postes de mes ancêtres. J\'espère que le même Dieu , dont c\'est l\'oeuvre et dont je bénis les admirables voyes , me douera des talens et des qualitez necessaires pour m\'en acquitter è. la gloire et au bien et a l\'utilité de ma patrie: je m\'estimerez heu-reux , Sire, si je pais contribuer ^ reserrer les anciens liens, qui ont toujours si éfroitement subsisté entre les glorieux ancêtres de V. M. et cette République et pour la deffense de laquelle dans des tems amp; peu prés sembables è, ceux-ci ils ont si eflicacemeut coocouru.....quot;
7. 17 Mei 1747. Frederik eigenhandig aan den Prins : »Monsieur mon cousin , vous pouvez être persuadé de la part que je prens a tout ce qui regarde votre personne et que j\'ai appris avec satisfaction l\'una-nimité , dont les Prov. Unies vous ont élu leur Stadhouder. Vousallez maintenant monter sur un théatre , oü vous pourrez déployer aux yeux detoutela terre ces vertus, que jusqu\'a ce temps vous ne renfermiez
26 i
pas tant en vous même que vos amis ne les connaissent. Voustrouvez les affaires de la République daus une situation critique; c\'étoit dans des circonstances setnblables que les Romains élisoient des Dictateurs et que souvent le mérite d\'un seul homme donnoit eet Etat une face heureuse et nouvelle. Puissiez-vous contribuer ii ramener daus votre patrie cette paix, dont toute l\'Europe a tant besoiu et que toute l\'Europe désire en continuant la guerre! Les mains ensanglantées, qui ceuillissent des lauriers , sont souvent destestées pour le mal involontaire qu\'elles font et par ces veuves et ces orplielins, qui redeman dent leur père et leurs parents. II n\'y a que les mains pures, qui cueillissent l\'olive, qui re§oiveut les bénédictions d\'autant plus siucères qu\'elles s\'employent réellement pour le bonheur de 1\'humanité. Votre facon de penser m\'est trop connue pour que je saisisai avec l\'empressement le plus vif les occasions, oü je pourrai concourir avec vous au retablis-sement du repos de l\'Europe et ci l\'affermissement de cette République , dont mes ancètres ne furent pas des Alliez inutiles . . . .quot;
8. Kort daarna werd Gronsfeld door den Prins gezonden om te spreken 1°. over een gezant (Frederik was met ieder tevreden); 2°. over den verkoop van de heerlijkheid Montfoort (Frederik wilde hierover later beslissen); 3°. over het vroeger gebeurde tusschen Pruisen en de Republiek in de Silezische oorlogen (Frederik wilde alles vergeven en vergeten); 4°. over eeu flink gezamenlijk optreden (Frederik schreef zijn minister ; » vous répondrez en termes ménagés et assaissonnés de bien de compliments , que je reconnaissois comme je devois la ccnfiance parti-culière, avec laquelle le Prince avoit bien voulu s\'expliquer avec mol
\'sur un sujet de telle importancequot;; hij wil wel eene bemiddeling aanbieden , maar na voorafgaand overleg tusschen Engeland en de Republiek).
c. Rep. 9G, F , n0. 104, Mmm. Deze bundel bevat de door Ranke uitgegeven correspondentie van Frederik II met Prinses Anna.
d. Rep. 96, F., 100 o.
Correspondeuz mit Ludwig Von Braunschweig , 1742-1767.
9. 1742. Eenige brieven, waaruit blijkt, dat toenmaals de tus-schenkomst van Frederik II te St. Petersburg den Hertog zijn vertrek van daar mogelijk maakte en dat de Koning zijne aanspraken op Koerland steunde.
10. 14 Jan. 1759. Brunswijk aan den Koning met het bericht van den dood der Prinses: »Son caractère , sestalens, son mérite et ses sentimens étoient particulièrement connus ïi V. M., aussi suis-je persuadé, Sire, que vous accorderez quelques regrets a sa mémoire. Elle est morte dans les mèmes sentimens pour V. M., dont Elle a toujours fait profession. Elle a vivement senti le jour mème de sa mort les dernières assurances , que V. M. lui a donné de la continuation de son affection et de son amitié. Elle a recommandé ses Enfans a la protection de V. M. La manière , dont Elle a pris congé de ces Enfans; ce qu\'elle a dit au Prince de Weilbourg , auquel Elle destinoit Mad. safille; la facon dont Elle m\'a parlé, sa constance, la tranquillité de son ame , tout cela
2G5
l\'a caractérisée. Je n\'entre clans ces détails, que paree que jesuisper-suadé, Sire, que ce tableau vrai et naturel fera plaisir a V. M.quot; Hij vraagt verder om zijn steun in deze moeilijke omstandigheden.
11. Breslau , 25 Jan. 1759. Frederik antwoordt: » Je regrette amère-ment par le décès de cette grande et digne Princesse la perte d\'une amie, dont j\'ay toujours admiré les talents et les qualités éminentesquot;. Hij betreurt hat, in zijne omstandigheden zoo weinig te kunnen doen , maar » je met toute ma confiance dans l\'habileté de V. A. et je suis persuadédat de Hertog de rechten der stadhouderlijke familie zal verdedigen en de » alliances naturellesquot; van de Republiek zal aanhouden.
12. 8 Jan. 1761. Frederik II vraagt den steun van den Hertog bij den aankoop te Amsterdam of elders van lOi\'i 12 000 geweren , die hij dringend noodig heeft; hij wil ze koopen door middel van den chargé d\'affaires Von Hellen » sans éclat mais a deniers comptantsquot;.
13. 27 Oct. 1767. Dankbetuiging van Bruuswijk voor de vriendelijke aanmoediging van Z. M. om ook de jonge Prinses als raadsman te dienen: » je la servirai avec le mème zèle et fidélité, que j\'ai témoigné è, ce que je crois pour le Prince d\'Orange, que j\'ai considéré toujours comme mon propre fils, que j\'aime le plus tendrementquot;. Hij is zeer getroffen door de goede gezindheid vau Z. M., die eene Prinses, » qui a été formée par V. M. Elle mème et pour laquelle Elle daigne prendre un si tendre intérèt quot;, aan den Prins heeft gegeven.
Verder bevat deze correspondentie weinig belangrijks.
e. Rep. 96, n0. 104. Nnn. Brieven van Willem V (1767-1786), meestal van particulieren aard, gelukwenschen met het nieuwe jaar en dergelijke. Hierbij echter nog:
14. 2 Sept. 1769. Paoli is den vorigen dag op het Loo geweest: » comme je croyois, qu\'il ne convenoit point ii un Descendant de Guil-laume Premier , fondateur d\'une République libre , quoique la Cour de France aye fait présenter un Mémoire ;i L. H. P. par leur Ambassadeur , de traiter les vaisseaux avec pavilion Corse comme forbans , de traiter ainsi quelqu\'un qui avoit entrepris de combattre pour la liberté de sa patrie. Nous l\'avons recu et il est resté chez nous jusqu\'au soir, qu\'il est retourné ;i Amsterdam. 11 compte passer en Angleterre. 11 a beaucoup de difficulté a s\'exprimer en Francais mais on voit sa conversation que c\'est un homme de tète , comme il l\'a prouvé . . . . quot;
15. 2 Jan. 1779. De Prins wil Z. M. op de hoogte van den toestand brengen en daarom: »J\'ai fait faire le Mémoire sur la situation politique de la République des Provinces Unies tant dans l\'intérieur que relati-vement ;i la France et a l\'Angleterrequot;, dien hij hierbij voegt. Frankrijk heeft geen recht om te klagen over de handhaving der resolutie van 19 Nov. 1778 en in geval van oorlog roept de Prins dj3 bescherming van Z. M. in, ook bij de binnenlandsche woelingen, s J\'ose croire, qu\'ayant permis que je m\'alliasse a Elle en épousant la Princesse, Sa Nièce, Alliance qui fait tout mon bonheur sur cette terre , Elle ne verra pas avec indifférence s\'exécuter des menées qui pourroient tendre a ren-
266
verser la forme du Gouvernement actuel et k me priver du Stadhou-dérat et ma Posterité, ou du moins h lui óter tout pouvoir et toute considérationquot;. De Prins wijst verder op het » péril immédiatquot; en » l\'extrème besoin que j\'ai de Son secoursDe Memorie geeft een uitstekend overzicht van den toestand eu laat vooral het licht vallen op de verbintenis van Amsterdam met La Vaughuyon , dagteekenende van Oct. 1778; zij is 12 bladzijden groot en bevat als bijlagen de aan Frankrijk en Engeland in Deo. aangeboden memoriön.
16. 24 Dec. 1779. Dankbetuiging van den Prins voor de goedkeuring van zijne houding in de twee laatste jaren: » rien ne peut plus m\'encourager a redoubler d\'efforts pour m\'en rendre dignequot;.
17. 23 Jan. 1781. Toespeling op de reis der Prinses, dieZ.M. mondeling op de hoogte heeft gebracht van den toestand.
De volgende brieven van den Prins zijn onbelangrijk , daar de Prinses voortaan de politieke correspondentie met Z. M. alleen voerde.
18. 10 April 1782. Frederik 11 aan den Prins: » Comme vous me renvoyés è, ma nièce, je suis entré avec elle dans tous les détails. Votre situation est épineuse et il faut redoubler en efforts de prudence pour s\'en tirer. Cependant en chargeant vos médiateurs Russes de vous assurer les possessions aux Indes, dont maintenant les Francois sont maitres, vous ne risqués rien et personne ne peut prétendre de ia Eépubüque, qu\'elle fasse la paix en risquant de perdre ses plus riches possessions et en aigrissant la France contre elle , ce qui seroit un levain dangereux , qui dans la suite du tems, privé des barrières comme vous \'l\'êtes, pourront occasionner une guerre comme celle qui pensa détruire la Hollande l\'année 1672. Je voudrois, mon cher Prince, ne pouvoir vous entretenir que d\'objets plus agréables pour vous tous; mais je crois ma sincérité préférable è. une lache flatterie.....quot;
19. 13 Dec. 1782. De Prins aan Frederik II: »V. M. peut être assurée, que je n\'aurai jamais d\'attachement pour aucune puissance étrangère , qui me fasse agir d\'une manière contraire a ce que je regarde comme les vrais intéréts de la République, que j\'ai l\'honneur de servir et que je suis prêt ö, sacrifier mon sang et ma vie pour le maintien de ses justes droits . . . .quot;
20. 6 Jan. 1783. Lange brief van den Prins over den toestand. Wat denkt Z. M. van gt; une idéé qui m\'est venuenam. een vertrouwd persoon naar Parijs te zenden om het Fransche hof beter in te lichten omtrent \'s Prinsen gezindheid ?
21. 12 Sept. 1783. Lange brief van den Prins over den toestand , er op wijzend, dat onder zijne voorgangers de partijzucht nooit zoo ver ging en dat de patriotten door ambten niet te winnen zijn , wat Z. M. had aangeraden; dat de trouwe Oranjepartij hierdoor benadeeld zou worden.
22. 12 Oct. 1783. Frederik 11 aan den Prins. Hij moet toch vooral geene Engelschgezindheid toonen; in dat geval kan Z. M. iets voor hem doen bij het Fransche hof; de verhouding tot dit hof is eene oorzaak van veel klachten in de provinciën.
267
23. 7 Dec. 1783. De Prins beklaagt zich over de » pusillammité inconcevablequot; der patriotten tegenover den Keizer,
In het voorjaar van 1784 betuigt de Prins herhaaldelijk zijn dank voor de hulp hem door den Koning verleend door zijne memoriën en protesten , maar in den zomer beginnen de klachten weder bij de moeilijkheden over de Akte van consulentschap, gepaard met verzoeken om hulp en steun. De correspondentie loopt tot 1786 maar geeft weinig anders dan de van elders reeds bekende feiten ; de belangrijke brieven werden met Prinses Wilhelmina gewisseld.
ƒ. Rep. 96 , 104 Ppp. Drie deelen uiterst belangrijke correspondentie tusschen Prinses Wilhelmina en Frederik II, getiteld Immediat-Cor-rt\'spondciiz mil Prinz. Wilhclmine. De correspondentie begint met 1767 en loopt zeer volledig tot 1786, tot een paar dagen vóór den dood des Konings; zij is zeer intiem , als van een vader met eene dochter, en bevat de belangrijkste berichten omtrent den toestand der Republiek en de personen, die er eene politieke rol speelden. In de beide eerste deelen (tot 1785) komen betrekkelijk weinig concepten of copieën van de antwoorden van Frederik 11 voor, die echter, naar men mij mededeelde , in het Huisarchief des Konings in den Haag vrij volledig bewaard zijn ; in het derde deel zijn de copieën der antwoorden bijna allen voorhanden. Het behoeft niet betoogd te worden , dat deze verzameling uiterst gewichtig is, vooral daar Prinses Wilhelmina, naar het schijnt, zeer veel van hare correspondentiën met andere personen heeft doen vernietigen. Met de door mij te Wolfenbüttel onderzochte brieven kunnen die in deze deelen dienen om ons eene volledige geschiedenis van de laatste tijden der Republiek uit het oogpunt der Oranjepartij te verschaffen. Moge de arbeider niet lang uitblijven, die dezen oogst zal binnen halen !
In het derde deel bevinden zich nog eene menigte copieën van brieven , gewisseld tusschen den Hertog de La Vaughuyon en den Fran-schen minister Vergennes benevens tusschen Vaughuyon en den patriot M. B(ercke] ?) uit het jaar 1784, waarvan ook in de Fransche archieven wel een en ander te vinden zal zijn.
Dat derde deel loopt van 1785-Aug. 1786. Om den geest der brieven te doen kennen geef ik hier eenige excerpten (1).
24. 10 Maart 1785. Frederik II aan de Prinses.... » Je suis föché, ma chère enfant, de vous Ie dire, mais votre République est prodi-gieusement déchue de son ancienne gloire et je m\'appercois avec peine , que vous manqués de bons sujets.....quot;
25. 16 Maart 1785. Dezelfde aan dezelfde.... »Je puis vous dire en
(1) Enkele gegevens omtrent de verhouding tusschen Pruisen en de Républiek ten tijde van Frederik II vindt men in de ten onzent zoo goed als onbekende dissertatie van G. Dressier , Friedrich II und Hertz-berg in ihrer Stellung zu den Holl. Wirren 1783-1786 (Breslau 1882), bewerkt met behulp der papieren van Hertzberg.
268
gros, ma chère enfant, que vous envisagés fort bien les choses ; mettre dehors les boutefeux et les étourdis est un préalable. Je congois, que néanmoins vous ne manquerez pas de peines et d\'embarras, mais sou-venés vous pour vous ranimer, que ce he sera qu\'ii vos soins et ü votre sagesse que vos enfants seront redevables de conserve!- Ie poste, dans lequel ils sont nés.quot;
26. 10 Mei 1785.....»De grace ne montrés ma lettre a personne.
Je m\'expliqus avec vous è, coeur ouvert; mais ceci n\'est pas fait pour se répandre dans le public.quot;
27. 13 Juli 1785.....»Jen\'ai d\'autre but dans mes conseils, ma
chère enfant, que celui de conserver le stadhoudérat dans votre familie. Les talents du Prince d\'Orange sont tres bornés. 11 lui faut des appuis. Vous ètes la seule, qui peut l\'assister.quot;
28. 25 Juli 1785. Antwoord der Prinses op den laatsten brief..... jSijedois convenir, que le Prince ne réunit pas absolument toutes les qualités qu\'il lui\'faudroit dans sa position , j\'ose cependant assurer mon cher oncle , qu\'il a beaucoup plus de talens qu\'elle ne lui en suppose.quot;
29. 6 Aug. 1785. Antwoord van Frederik II hierop.... »Je me suis exprimé franchement avec vous dans une matière , ou il s\'ugit de la conservation de votre familie. Vous me répondés, ma chère enfant, comme une femme qui s\'exprime avec une retenue louable sur le sujet de son mari. Ainsi chacun de nous a joué le róle qui lui convient. Je me garde bien de vous presser de venir chés nous dans un tems, ou vous ne devés pas mettre le pied hors de votre République. Vous y ètes indispensablement nécessaire.quot;
30. 21 Jan. 1786.....»J\'en reviens toujours a ce que je vous ai souvent écrit. Conservons le tronc de l\'arbre et dans des tems plus pros-pères les branches repousseront. 11 faut, que le Prince témoigne de la fenneté et une noble assurance dans les moments critiques, ou il se perd de réputation dans toute l\'Europe. Quel est dans l\'univers l\'homme auquel les événements viennent comme il les désire ? Personne , au contraire tous essuyent des revers; et c\'est dans ses momens que doit briller le courage et la grandeur d\'iime. VoilJi mon avis, ma chère enfant, voila ce que je tache d\'espérer, que le stadhoudérat reste , quitte è, attendre de plus favorables conjonctures. Si le Prince prend d\'autre parti, il doit se regarder lui mème comme le déstructeur de sa familie et dès ce moment je l\'abandonne iï sa funeste destinée. Voilii, ma chère enfant, comme j\'envisage et que j\'ai toujours envisagévotre situation scabreuse. Empechés le Prince de se perdre, faites tous vos efforts pour réveiller sa constance et son courage.quot;
31. 28 Maart 178G. Frederik 1! aan de Prinses......»Après ce qui
vient de passer ii la Haye et Utrecht je preuds congé du stadhouder et vous declare que je ne me melerai plus de ses affaires. Qu\'il se perde , puisqu\'il le veut ainsi. Quoi, lorsqu\'avec mille peines je trouve quelque expédient pour redresser ses affaires, aussitöt de son cóté il gate tout. Cela en est trop. II nquot;y a que vous et vos enfants innocents, qui soyent ^ plaindre. Pour le Prince d\'Orange , qui n\'agit que par
209
caprice et toujours mal k propos , il ne lui arivera que ce qu\'il mérite , si on le met de cóté ! J\'ai défendu a Thulem. de s\'entremettre doré-navant dans ces affaires pour ne me point rendre indiscret en voulant soutenir les extravagances de ceux qui agissent en insensés. Voilé,, ma chère enfant, è quoi votre mari me réduit....quot;
32. 27 Mei 1786. Frederik II aan de Prinses.... iSauvons la racine et sacrifions quelques branches.....quot;
Achterop een brief der Prinses van 31 Juli, staan nog van den lOden Aug. (hij stierf den 17den) met potlood eenige onduidelijk geschreven woorden van zijne hand, die moesten dienen als concept voor een antwoord.
ff. Rep. 96, F. 145, XX 1-3.
Correspondent zwischen Wilhelmine und Friedr. Wilhelm II. 1787-1797.
Ook deze correspondentie is zeer volledig bewaard. Zij begint met de onderhandelingen met Eayneval, einde 1786, en ontwikkelt de redenen, waarom de Prins niet in diens voorstellen kan treden, üit een dezer brieven :
33. 27 Febr. 1787, van de Prinses, blijkt duidelijk, dat zij degene geweest is, die tegenover de » license des gazettes\'\' het noodigachtte de voornaamste authentieke stukken over de onderhandelingen met Von Gortz en Rayneval te laten afdrukken , voor zoover zij tot rechtvaardiging der stadhouderlijke partij konden dienen. De Prins en de Prinses leiden weigerden den raad van Z. M. op te volgen om de eischen van Rayneval in te willigen.
De briefwisseling van de Prinses ging evenals die met Frederik II dikwijls buiten den Prins om. Zeer belangrijk zijn de brieven over de pogingen tot verzoening in het voorjaar van 1787. De toon der brieven is veel zelfstandiger dan in die aan Frederik II.
34. 20 Mei 1787. De Prinses aan Z. M.....»Le sort des armes doit
décider le nötre, il n\'y a pas ï\\ balancer.quot;
35. 27 Juni 1787. De Prinses aan Z. M.....»Les circonstances de
la République m\'ont fait juger que ma présence a la Haye pourroit être peut-être de quelque utilité, c\'est ce qui me fait prendre la réso-lution de m\'y rendre secrètement afin de prévenir les petits désordres qu\'une joye inmodérée du peuple auroient pu amener. Je pars demaiu a 5 henres du matin et compte y être le soir avant minuit. J\'ai cru de mon devoir de vous communiquer ceci, mon cher frère , etd\'ajouter que 1\'idée vient de moi seule et que je serai tres flatté, si. vous ne le désapprouvez pas, mais en même tems que je ne me dissimule point le róle difficile que j\'aurai a jouer. J\'aurai l\'honneur de vous faire savoir , ce qui s\'y passera.....quot;
36. 1 Juli 1787. De Prinses aan Z. M. Zij is behouden terug.
Verhaal van het gebeurde____»Le procédé de la cabale de Hollande a
mon égard est sans exemple et révolte toute la terre mais je suis fachée de devoir vous dire, que M. de Thulem. a montré une froideur trés singulière de la part de votre ministre. Je lui ai écrite hier pour insister
270
sur uiie démarche energique de sa part. J\'ignore ce qu\'il fera, mais s\'il alloit trop loin , je vous suplie de ne vous en prendre qu\'a moiseule, et s\'il étoit désavoué, il me semble que cela ne lui ferait pas tort dans ce cas ei, n\'ayant pas eu le tems de demander vos ordresquot;. Zij is nu wat moede maar schrijft morgen uitvoeriger.
Deze klacht over Thulemever\'s houding is de hoofdzaak in hare eerstvolgende brieven.
37. 10 Juli 1787. Zij is zeer dankbaar voor de tusschenkomst van Z. M. en voor zijne goedkeuring van hare reis, die zij niet had ondernomen » sans avoir consulté des gens sages et prudens; je ne pouvois pas prévoir la catastrophe , qui a eu lieu. Du reste je ne craignois rien. Si on m\'avoit laissé coutinuer mon chemin , j\'avois quelque espoir que le voyage ne seroit pas inutile et je n\'aurois rien négligé pour la réussite . ...quot;
38. 16 Juli 1787. Zending van Stamfort om Z. M. nog nader in te lichten omtrent het gebeurde.
Friedrich Wilhelm was verontwaardigd over het voorstel van een paar ongenoemde hoofden der patriotten , aan Thulemeyer gedaan , om sous main met de Prinses te onderhandelen buiten den Prins om.
39. 15 Jan. 1795. Deze laatste brief der Prinses uit den Haag is met bevende hand geschreven. iC\'est au moment de quitter ce pais et la République vraisemblablement pour toujours que j\'ai l\'honneur de vous adresser ces lignes, mon trés cher frère. Je pars dans peu d\'heures avec la chère et malheureuse Mimi et son pauvre enfant. Nous sommes forcés de nous rendre avec un batiment pêcheur de Scheveling soit d\'abord en Zélande soit directement en Angleterre. II ne nous reste que ce parti amp; prendre, vue la foite gelée qui ferme les ports et l\'extrême danger de sortir du pais par terre , toutes les avenues étant occupées ou menacées par les ennemis et M. de quot;Wallmoden trouvant bon de se replier avec son armée sur l\'Yssel. Je me flatte , que le Prince et mes fils pourront bientót nous suivre; car ici il n\'y a plus de ressources. II est trop tard h présent de rechercher les causes qui de cou-séquences en conséquences nous reduirent au point, oü nous eu sommes. Je ne me plaint de rien, je tacherai de suporter mon sort, quel qu\'il soit, en mettant ma confiance dans le bon Dieu , qui aura pitié de nous. Je l\'invoquerai sans cesse pour vous, mon cher frère, et pour ce qui vous apartient....quot;
In dezen zelfden bundel bevinden zich nog eenige brieven van den Erfprins, meestal van meer intiemen aard, o. a. nog:
40. 6 Maart 1795, waarin hij uit Hamptoncourt schrijft, dat het onmogelijk geweest was elders heen te vluchten dan naar Engeland. Hij wilde zich nu naar Nassau begeven maar daar die streken zeer bedreigd werden door de Fransche legers, zou de Erfprinses met haar kind voorloopig naar Pruisen willen gaan. Eenige dagen later komt de invitatie van Z. M. , dat zij met haar kind naar Berlijn zal komen.
Deze laatste brieven bevatten geene politieke zaken.
271
h. Rep. 96 , F. 145, WW.
Immediat-Correspondenz des Pr. Wilhelm V mit Kon. Frledr. Wilhelm II (1787-1795).
41. 7 Febr. 1787. Dankbetuiging van den Prins voor de zending van Von Görtz en de decoratie zijner beide zonen.
42. 29 Juni 1787.... »Je me trouve dans latriste Nécessité de faire part a V. M. que la Princesse sa soeur, qui se proposoit d\'aller a ia Haye, a été arretée hier en route par ordre de la commission Person-nelle , nominée par les Etats d\'Hollande pour commander les troupes employées dans le cordon sur leurs frontières, et qu\'on la retient pri-sonnière k Schoonhoven en attendant les ordres des Etats d\'Hollande. Quoique je ne puis croire, que les Etats approuvent une demarche aussi contraire au droit des Gens et a la sureté publique , et que je me flatte de recevoir la Nouvelle que la Princesse est relachée, j\'ai cru ne pou-voir me dispenser de donner connoissance sur le champ k V. M. d\'un attentat aussi inoui, fait ö, la personne de sa soeur, et d\'implorer sa protection dans la situation cruelle, oü je me trouve avec ma familie ....quot;
43. 11 Juli 1787. De Prins is dankbaar voor de blijken van liefde van Z. M. voor zijne zuster. Niet allen hebben schuld en hij smeekt daarom de onscbuldigen te sparen onder deze natie » qui doit après Dieu sa liberté ö, un des Ancêtres de V. M. qui a jetté les ionde-mens de eet Etat. C\'est en son nom , au nom de Guillaume 1, que j\'ose implorer la clémence de V. M. pour mes compatriotes et pour la supplier de ne pas punir l\'innocent avec le coupable. Elle s\'acquerera un honueur immortel en délivrant eet Etat de la cabale, quiadétruit tout ordre et toute forme de Gouvernement dans la Hollande et l\'Overijsel et qui employe le fer et le feu pour venir a ses fins et maitriser en despotes ce Pais sous le faux Prétexte d\'y rétablir la liberté.....quot;
Geregelde briefwisseling verder in dit en de volgende jaren.
44. 15 Febr. 1788. De Prins aan Z. M., dat bij met Kalkreuth heeft gesproken over de loopende geruchten van een aanval der Franschen op Zeeland, den Bosch of Maastricht, of een inval der Réfugiés.
In deze brieven wordt herhaaldelijk gesproken van de hoop, dat Z. M. zal willen » daigner permettre quot; , dat de troepen nog eenigen tijd in de Republiek blijven.
45. 7 Juni 1788. De Prins wensebt Z. M. te Kleef te bezoeken.
46. 19 Juni 1788. De Koning is met zijn zoon, den Kroonprins , op het Loo geweest, de Prins niet in Kleef; de Kroonprins blijft nog een paar dagen op het Loo. Dankbetuiging van den Prins voor de hem bewezen eer.
47. 30 Juni 1788. De Prins zal letten op de houding der Franschen, waarvoor Z. M. hem gewaarschuwd heeft, en met zijne generaals een plan van defensie opmaken , dat hij Z. M. zal voorleggen.
48. 8 Juni 1789. De Prins zal op den raad van Z. M., om de financiën beter te regelen, zeer zeker letten. Dit jaar is het uitzenden eener vloot naar de Oostzee niet mogelijk meer maar tegen de lente zal hel wel
272
gaau. Hij _ betuigt zijne instemming met Z. M. pogingen tot herstel van den vrede » et de prevenir les suites que l\'Effervescence des Esprits dans cette partie du monde pourroit produire, si on n\'y met pas ordre a temsquot;.
Verder belangrijke brieven over de krijgsverrichtingen in 1792 en 1793.
i. Rep. 96 , F. 145, WW. Acta des Kon. Friedr. Wilhelm II.
Hierin :
49. 4 Jan. 1793. Brief van Z. M. met eene uiteenzetting van datgene , wat hij reeds voor de Republiek doet. Hij kan zijne troepen evenwel niet op het grondgebied der Republiek zenden, daar dan Frankrijk terstond het geheele gewicht van den oorlog tegen dien verzwakten Staat zou richten, die dan onvermijdelijk zou ten onder gaau.
k. Rep. 34, n0. 227, d 1.
Correspondentie van de leden van het Oranjehuis met Friedrich Wilhelm II en Friedrich Wilhelm III (1795-1803).
50. 19 Maart 1795. Prinses Wilhelmina aan den Koning .... »Vous ne pouvez ignorer, mon cher frère , le bouleversement total, qui a eu lui en Hollande peu après notre depart; notre présence n\'auroit pu Tempècher et nous avons pris le seul parti, que nous pouvio.ns prendre dans les facheuses circonstances , oü nous nous trouvionsquot;. Zij betuigt hare dankbaarheid voor de groote welwillendheid, die de Koninklijke familie in Engeland haar heeft getoond , maar toch wil zij naar Duitschland gaan met het oog op de financiën, waarvoor de inkomsten uit Nassau van veel belang zijn. De zwangerschap van »Mimiquot; belet echter eene onmiddellijke komst.
51. 20 April 1795. Prinses Wilhelmina aan den Koning. Dankbetuiging voor den vriendelijken brief van 3 Maart, maar de toestand in Holland is ellendig. »Je prévois des malheurs, si la cause de la Répu-blique n\'est pas envisagée par les Puissances, qui y sont intéressées, conime étant celle de tous les Gouvernements.quot;
52. 8 Mei 1795. Z. M. aan Prins Willem V. Hij is zeer getroffeu door diens beide brieven. Het ongeluk der familie Oranje was het onvermijdelijk gevolg van de » circonstances malheureuses, auxquelles il étoit impossible de rémédier en dernier lieuquot;. Hij zelf heeft vrede moeten sluiten maar vermijdt met opzet eene officieele erkenning der Bataafsche Republiek. »Dégagé présentement du róle pénible, quej\'ai tenu pendant trois ans dans la coalition , je serai d\'autant plus a même de rendre des services utiles è une maison, qui m\'inspire è tous égards le plus tendre et le plus vif intérêt.quot; Men moet wachten op den alge-meenen vrede; dan kan ook Engeland weder wat doen voor de Republiek.
53. 14 Mei 1795. Prins Willem V aan Z. M. met verzoek om steun tot herstel der zaken , voorloopig tot het doen ontruimen van het grondgebied der Republiek door de Franschen; dan zal de natie zeker den ouden regeeringsvorm herstellen, die alleen met behulp der Fransche troepen wordt vernietigd.
54. 28 Mei 1793. Antwoord des Konings. Hij heeft medelijden met
273
den toestand des Prilisen maar »Je le demande üi V. A. S., dépendroit-il de moi avec la meilleure volonté du monde, d\'employer dans les conjonctures présentes des mesures capables de rémédier au désordre et d\'arrêter après coup les effets d\'une revolution, que les Puissances coalisées n\'ont pas eu le pouvoir de prévenir dans le fort de la guerre ?quot; Engeland alleen kan bij den algemeenen vrede iets voor hem doen, zij het dan ook tegen eene compensatie voor Frankrijk; hij dien vrede wil ook hij medewerken.
55. 12 Juni 1795. Een dergelijk antwoord van Z. M. op den hrief des Prinsen ter begeleiding van de Mémoire justificatif van 28 Mei.
56. 22 Juli 1795. Prins Willem V aan Z. M. Hij heeft ^cbargéson hls cadet de se reudre en Allemagne et d\'y rassenibler tous les officiers, bas-officiers et soldats de l\'armée de la République qui pourront le joindre.quot;
57. 3 Aug. 1795. Z. M. aan den Prins. Hij kan dit besluit niet goedkeuren met het oog op den vrede van Bazel. De poging is bovendien veel te zwak.
58. 9 Aug 1795. Prins Frederik aan Z. M. uit Osnabrück. Hij heeft geene vijandige voornemens, maar wil alleen de trouwe aan bangers helpen en verzamelen.
59. 17 Aug. 1795. Z. M. aan Prins Frederik. Het doel van het ras-semblement is blijkens den brief van den Prins-Stadhouder niet » asylequot; en »assistance zooals Frederik het wil doen voorkomen, maar » réta-blissement de l\'ordre dans la Eópublique quot;, en dat mag hij niet toelaten op grond van den vrede van Bazel.
60. 5 Sept. 1795. Prinses Wilhelmina aan Z. M. De Prins heeft alleen bedoeld to wijzen op het nut, dat men misschien later uit het rassemblement zou kunnen trekken , niet op een onmiddellijken aanval als doel der beweging. Zij voegt hierbij eene lange en belangrijke memorie aan de Ministers, gedagteekenrt 28 Aug., met bittere klachten over Z. M. gedrag jegens haar en do haren.
61. 10 Sept. 1795. De Prins aan Z. M., dat hij zijn oudsten zoon heeft gezonden om Z. M. beter in te lichten.
62. 22 Sept. 1795. De Prins aan Z. M. met gelukwenschen wegens zijn verjaardag, tevens wijzende op de schending der demarcatie-linie door de Fransche troepen aan den Rijn.
63. 2 Oct. 1795. Antwoord van Z. M. aan de Prinses, waarin bij wijst op de almacht der Fransche wapenen voor het oogenblik.
64. 2 Oct. 1795. Antwoord van Z. M. aan den Prins, dat hij er niets aan doen kan en bij zijne inzichten blijft.
65. 2 Oct. 1795. De Pruisische Ministers aan Z. M. Klachten over den » ton peu délicatquot; der memorie van Prinses Wilhelmina.
66. 5 Oct. 1795. Antwoord van Z. M. op den brief van 22 Sept., waarin » les voeux qu\'elle renferme se trouvent confondus avec les operations de l\'armée Francaisequot;. De demarcatie-linie is bij Eichelkamp volstrekt niet geschonden. (De Ministers, die dit antwoord opstelden,
18
274
achtten de-ze terechtwijzing het beste antwoord op de gt;brutalequot; brieven van den laatsten tijd).
Na deze minder aangename briefwisseling met Friedrich Wilhelm II komen in de collectie vooreerst geen brieven voor tot kort vóór den dood van den Koning. Eerst in 1797 , in den zomer, doet de Erfprins Willem Frederik een aanvraag om steun , al is het maar door hulp aan Engeland.
68. Febr. 1801. Mededeeling aan Friedr. Wilh. Ill van don brief, door den Erfprins aan den Czaar geschreven om diens hulp te verkrijgen.
In dit voorjaar komt weder cene geheele reeks van brieven van den Erfprins over de teruggave der goederen van het Huis van Oranje door bemiddeling van Pruisen. Juli 1801 beginnen de onderhandelingen hierover tusschen Stamfort en Tollius namens de Oranje\'s en Hultman namens de Bataafsche Republiek te Berlijn. Ook over de schadeloosstelling in Duitschland.
09. 26 Febr. 1802. De Erfprins aan Z. M. (uit Parijs). De eerste consul was zeer vriendelijk en betuigde zijne goedkeuring over den brief des Prinsen aan diens aanhangers, waarin hij bun vrijheid gaf weder in het bestuur der Bataafsche Republiek op te treden. »Je ne puis assés me louer de la réception qui m\'a óté faite , ainsi que des dispositions, oü j\'ai trouvé le Ier consul: je dois en dire autant du ministre des relations intérieures.
.70. 17 Maart 1802. De Erfprins aan Z. M. (uit Parijs).... «Jen\'aiqu\'è, me louer de mon séjour ici et des dispositions, que le premier consul témoigne avoir notre égardquot;.
Nog tot 1803 brieven hierover, waarin de Erfprins zich gewoonlijk teekent » Pr. Hér. d\'Orange Fuldaquot;.
I. Rep. 34, 227, d 1. . . ,on/
Hierin ook eene collectie stukken over de onderhandelingen in 1804 omtrent de schadeloosstelling, aan het Huis van Oranje te verleenen door de Bataafsche Republiek.
71. 11 Oct. 1804. Prinses Wilhelmina aan Z. M. Zij betuigt hare verbazing over het mislukken der onderhandelingen. Talleyrand heeft hierin eene zeer dubbelzinnige rol gespeeld en ontkent tot het daarover met de Republiek gesloten verdrag te hebben medegewerkt. Napoleon beweert, dat hij niets van de zaak weet of wil weten en zijn gezant in de Bataafsche Republiek, Sémonville, terug zal roepen. De oorzaak van de mislukking van het plan is Verheul, die, naar men vertelt, bij eene korte afwezigheid van Sémonville te Aken , met een bevel van Napoleon in dezen geest in den Haag is gekomen.
Uit de brieven blijkt, dat Napoleon vooral den Erfprins niet vertrouwde. Ook Prins Willem V zelf schrijft een kort briefje over deze zaken aan Z. M.
Over de houding van het Huis van Oranje tegenover Napoleon vergelijke men de Fürstcnhriefe, in de Hist. Zeitschrift voor 1887 gepubliceerd door dr. Bailleu,
275
m. Rep. 34 , 227, d 1 «.
Lettres du Roi de Hollandc.
72. 12 Juli 1813. Louis Napoleon aan de Pruisische gevolmachtigden te Prang (uit Griitz). Hij ontvouwt nogmaals de redenen , die hem tot den afstand van zijn koningschap brachten , en waarvan de eerste is: » se conserver dans une sorte d\'indépendance jusques i\\ ce moment (d\'une paix générale)quot;. Hij voegt hierbij eene uiteenzetting, waarom alle Mogendheden belang quot;hebben bij de onafhankelijkheid van Holland.
73. 1822. Hij maakt aanspraak op schadeloosstelling voor de particuliere eigendommen, die hij in Holland achterliet, te zamen tot een bedrag van ruim drie millioen gulden, waaronder het ameublejuent enz. van het paleis te Amsterdam ; andere goederen in zijne vroegere paleizen (boeken, zilver, meubelen, linnengoed enz.) benevens de door hem zelven gekochte woningen en landerijen.
Hierin ligt ook eene collectie Lütrcs aulhographes du Princc cVOrange (Willem Frederik).
74. 25 Febr. 1813. Willem Frederik van Oranje aan Friedrich Wilhelm Hl. »Sire, Si les devoirs que m\'imposent les intéréts de ma maison m\'out oblige ces dernières années de me prescrire une ligne de conduite différente du système de V. M., j\'ose me üatter qu\'Kile n\'aura pas méconnu pour cela mes sentimens. Maintenant, oü les circonstances me permet-tent de joiudre mes vues a celles de V. M., je cède avee urie véritable satisfaction aux impressions de mon coenr en m\'empressant de lui offrir 1\'hommage de mes services, désirant avoir l\'occasiou de lui donner de nouvelles preuves de mon sincère attachement h sa personne .... » Hij biedt hem verder ook zijn zoon Frederik aan en vraagt zijne eigene wederopneming in het Pruisische leger, zoodra hij uit den Oostenrijk-schen dienst zal ontslagen zijn.
75. 13 April 1813. (Stockholm). De Prins van Oranje aan Keizer Alexander. Dankbetuiging voor het bevel aan generaal van Suchtelen , » d\'appuier auprès du Prince Royal de Suède mes démarches, pour autant qu\'elles ne concerneroient rien qui fut contraire aux vues de ce Prince.... La manière franche, ouverte, loyale et j\'ose le dire amicale, dont m\'en a traité le Prince Royal et qui est conforme a son caractère et ii sa conduite politique, m\'out mis ö, mème d\'obtenir les assurances que je pouvois désirerquot;. Deze wil met zijne troepen alles doen om » ma patrie quot; te bevrijden, » du moment, oü les intéréts de la Suède et les traités conclus avec V. M. I. et l\'Angleterre auroient atteint leur butquot;. De Kroonprins heeft er in toegestemd, dat de Prins in zijn hoofdkwartier komt, » comme le point le plus favorable pour moi pour pouvoir contribuer l\'avancement de la cause commune et a agir en faveur de mes compatriotes. Elle a encore approuvé, que je me rendisse en Angleterre afin de tacher d\'obtenir du Prince Régent les secours nécessaires pour tirer parti des circonstances et soutenir les dispositions , que les évènements permettront aux habitans de manifesterquot;. Hij gaat dus naar Londen, waar hij einde April denkt te zijn. Dadelijk na afloop dezer zending zal hij zich_ bij S. M. I. vervoegen.
276
76.13 April 1813. (Stockholm). Dezelfde aan Friedricli Wilhelm III. Ber-nadotte is uitstekend gezind , » ne laisse cependant pas d\'etre peiné, que les relations d\'amitié et d\'alliance ne soyent pas encore rétabhesquot;. De komst van Jacobi , die Willem hem aankondigde , deed hem genoegen. » S. A. R. observoit même, que, si après une des dernières notes offi-cielles de M. de Tanaok l\'occupation de la Poméranie par des troupes Suèdoises entrainoit un état de guerre avec la Prusse , il étoit réservé è- rimportance clu moment actuel de voir accorder les secours demandés par le général au service de cette puissance sans attendre que les relations d\'amitié avec elle seroient rétabliesquot;. De Kroonprins is zeer goed gezind voor de algemeene zaak en tracht de Zweden van Finland op Noorwegen te leiden , dat hem door lingeland en Rusland beloofd is. De Kroonprins kan daarom Noorwegen niet opgeven en Willem is het met hem eens, dat dit » dette sacrée quot; is » i sa nationquot;, als Rusland Finland niet wil opgeven. Alle natiën trachten thans het verlorene te herwinnen. Denemarken is natuurlijk tot afstand niet over te halen , waardoor een deel der Zwcedschn troepen gebonden is. Ook baron Wangenheim uit Hannover dringt bij Bernadotte op een spoedig voortrukken aan. . Tr , ,,r,
77. 31 Jan. 1814. (den Haag). De Souvereine Vorst aan Fnednch Wilhelm III. Dankbetuiging voor de hulp bij de verovering van Den Bosch. Hij heeft Commissarissen gezonden om Venlo en Maastricht weder voor den Staat in bezit te nemen. ^ l 1
78. 3 Maart I8I4. Friedrich Wilhelm antwoordt hierop. Gelukwensch met de inneming van Den Bosch; de artillerie van die vesting en van Gorkum zijn tót zijne beschikking , maar Bulow heeft de veroverde munitie noodig voor zijne troepen.
79. 3 April 1814. Willem I aan Friedrich Wilhelm III. De constitutie is aangenomen, het leger georganiseerd door den Erfprins en gereed om met de Pruisen mede te werken.
De correspondentie van de leden van het Oranjehuis met Friedrich Wilhelm HI is overigens nog niet toegankelijk: zij ligt nog verzegeld in het Hausarchiv.
n. Rep. 96, n0. 37 (A-D enz.) bevat Immediai-Correspondenz van de agenten en gezanten in de Republiek ten tijde van i rederik II eti Frederik Wilhelm II, eene hoogst belangrijke verzameling van ongeveer 40 pakketten, waarvan 3/4 uit den tijd van Frederik H. Deze Immediat-Correspondenz bevat behalve de duplicaten der depêches , die door de agenten en gezanten aan de ministers werden gezonden en die ook in de Gcsandschaftliche Corrcspoiidenz (Rep. 34) voorkomen, de onmiddellijke correspondentie van Z. M. met de agenten en gezanten huiten de ministers om. üit de correspondentie van Thulemeyer zagen wij vroeger (zie mijn vorig verslag), dat deze ook met de ministers correspondeerde hinten Z. M. om.
o. Zeer belangrijk voor onze geschiedenis in de laatste jaren van de Republiek zijn ook nog de weinig onderzochte papieren van den mi-
277
nister Hertzberg, die bijv. van 1783 tot 1787 buiten deu Koning om met Prinses Wilhelmina cone zeer levendige briefwisseling onderhield. De papieren van Hertzberg zijn echter zoo veel omvattend, dat het onderzoek daarvan met dit speciale doel langen tijd zal kosten (zie boven).
\'p. Van niet minder belang moet de correspondentie van Prinses quot;Wilhelmina met haren broeder friedrich Wilhelm II in de laatste jaren der regeering van Frederik II zijn, die ik echter niet heb gezien. •
278
IX.
ALTENBIJRC;.
Staatsarchiv.
Het archief van dit Hertogdom was juist gesloten in den tijd , toen ik mij in Thüringen ophield, en ik verzocht dus den heer Schiffmann , Registrator in het archief, mij te willen melden , of het ook stukken bevatte, die voor onze geschiedenis van belang konden zijn. Metgroote welwillendheid nam de heer Schiffmann deze taak op zich en onderzocht de Repertoria van het archief. Hoewel de toestand dezer Repertoria niet toeliet, alleen daaruit over den inhoud der daarin aangewezen Akten een geheel volledig overzicht te verkrijgen, bleek het weldra, dat de stukken, waarin van ons land sprake was, hoofdzakelijk betrekking hadden op den doormarsch van voor de Staten geworven troepen in 1745 en 1747. Verder bevindt zich hier nog een bundel stukken over de hervorming in Auhalt (1654), waarover Vorst Christiaan van Anhalt zich beklaagde bij ds Staten, en eindelijk eene correspondentie tusschea Hertog Friedrich Wilhelm van Saksen en den Keurvorst van Mainz over den oorlog in de Nederlanden , hoogstwaarschijnlijk niet anders dan Zeitungs- Correspondem over de eerste jaren van den SOjarigen oorlog, zooals men er in alle Duitsche Staatsarchieven vindt.
279
X.
COBVRCi.
Slaatsarchiv.
In dit archief, waar dc Archivrath Muller (a. D.) mij zeer welwillend ontving , loonde het resultaat mijner onderzoekingen weinig de daaraan bestede moeite. Waar door de titels van sommige pakketten , zooals zij in de uitvoerige Catalogi voorkwamen , eenige verwachting omtrent hun inhoud bij mij werd opgewekt, ondervond ik teleurstelling.
Zoo onderzocht ik nader in de verzameling Akten de bundels:
a. A 1, 1, 9, 27, fol. 211, bevattende stukken over die Verlassen-schaft von Ludwig Ernst Von Braunschioeig, die in Mei 1788 te Gotha overleed aan de gevolgen eener beroerte. Onder de Akten betreffende hem viudt men den inventaris zijner nalatenschap en de verklaringen der geneesheeren , die met de lijkschouwing belast waren. .
J. A I, T , 28 , 5. 2 , fol. 457 en 490 , getiteld: Pmatangelegenheiten Joh. Friedrich des Mittleren im Grumbachischen Handel en Eigenhandige Schriften des Herz. Joh. Friedrich des Mittleren. Ik onderzocht beide bundels, hopende daarin bewijzen te vinden voor het bestaan van betrekkingen tusschen de leiders van de beweging in de Nederlanden in 1565 en 1566 en de partij van Grumbach , maar mijn onderzoek leidde tot geen positief resultaat.
c. A, III, fol. 302 en 310, getiteld; Josias von Cohurf/s Feldzüge (Franz. Krieg). In dezen bundel bevinden zich talrijke gegevens voor de kennis dér veldtochten van 1793 en 1794 in de Z.-Ncderlanden , waarbij ook het Nederlandsche leger onder de Prinsen van Oranje optrad.
d. A IV, 32 a 3, Nassau, fol. 106 , getiteld : Joh. Friedrichs Correspondent mil Nassau, bevat niets voor onze geschiedenis van belang,
e. A IV , 32 a 5, Nassau , fol. 135 , getiteld: Joh. Casimirs Corres-pondenz mit Nassau, bevat eene correspondentie met Prins Maurits uit het begin der 17de eeuw. De meeste van deze brieven loopen over wederzijdsche geschenken van paarden enz. Iets interessanter is een brief van
29 Juli 1603. Maurits aan Joh. Casimir. Dc jonge Gabriël Von Godt-fardt, die onder hem kwam dienen , had hem een schrijven overgebracht van Hertog Joh. Casimir, waarin deze hem sprak over eene Jezuieten-samenzwering. Maurits antwoordt: » Was nuhn daszjene,
280
dasz E. L. een Italiener, Baronius gonendt, verbracht, anlanget, is nich obn , dasz er dasselbige alhier undt in Franckreich, Engollandt undt auch sunst etlichen Religionsverwanthon auff andern orten vor-geben , undt kunnen darausz anders nicht spuren dan dasz Ime der Jezuiten geschwinde anschl.\'ige zimblicher massen bekhennet seindt, wie man dasselbige danu in Franckreich , Engellandt, Schotlandt undt wir selbst alhie leider ini werck zuviel erfharen. Wasz wesens aber ermelter Baronius undt von wannen er herkhomme, ist unsz unbe-wust, also dasz wir darob E. L. kheine besoudere nachrichtung geben khonnen....
ƒ. A IV, fol. 389, Nassau, getiteld: Inlercessionen an Casimir von Coburg, voor onze geschiedenis zonder belang.
Ook onder de oorkonden bevindt zich niets voor ons van beteekenis.
281
XI
91 E I Af 1IV « E W.
Noch in het Staatsarchief van dit Hertogdom , noch onder de handschriften der bibliotheek bevindt zich eenig document, dat voor onze geschiedenis van belang is: het eenige, wat ik vond, was Ms, 87 der Ilerz. Bibl., bevattende de beschrijving van de reis des Prinsen Ernst Ludwig van Meiningen naar Holland, 1685, van weinig waarde.
282
XII,
GOTH A.
A.
StaatsarcMv.
Het Staatsarchief te Gotha leverde niets belangrijks op voor mijn onderzoek , voor zoover ik ten minste kon nagaan bij een onderzoek van de inventarissen; de omstandigheid, dat de archivaris, Archivrath Kreutzberg, kort te voren overleden was en nog geen opvolger had ontvangen , bemoeilijkte echter mijn onderzoek zeer.
B.
Ilerzoglichc Bibliothch.
•De beroemde en aan merkwaardige handschriften zoo rijke Bibliotheek te Gotha, bevat behalve het bekende fragment van den Leeken-spieghel (Cod. membr. II, 220) eene zeer belangrijke collectie brieven van en aan De Groot, de familie Bernouilli en andere Hollandsche geleerden uit de 17de en 18de eeuw.
De correspondentie van De Groot is voornamelijk te vinden in twee bundels:
1. Cod. Chart. A 392 (fol. 1-45).
Deze codex bevat eenige brieven van De Groot uit Parijs aan Bern-hard van Sachsen-Weimar. Op last van de Zweedsche regeering moest De Groot bij de Fransche regeering optreden in het belang van Hertog Bernhard , » ten einde Uwe Furst. Genade sonder eenigh uitstel middel worde gegeven om iets treffelijck in Duitschlant te mogen uitrechtenquot;. Uit de brieven van De Groot blijkt, dat deze zich zeer veel moeite voor de zaak gaf en den Koning herhaaldelijk op audiëntiën tot ondersteuning van den Hertog trachtte over te halen.
De brieven, waarvan een paar in de groote verzameling zijner Epistolae zijn uitgegeven, beginnen met 24 Juli 1636. Uit 1637 zijn
er verscheidene o. a. 8 Dec. 1637.....» Ik verstae de uitcomste uit
Straesburg nu wat veiliger is, twelek mij lief is om U Ed. ende de sijnen wille. Soo uwe Ed. weder te Parijs comt, sullen nae ons vermogen soecken te toonen , hoe veel wij deselve estimeren , sijnde mij ende mijne huisvrouw seer leedt, dat wij sulcx in uwer Ed. laetste
283
passagie niet nae wensch hebben connen doen. Uit de onderlinge discoursen boude ick, dat meer proffijt voor mij soude vallen als voor uwe Ed., indien mijne memorie goed genoech waere quot; .... Verder uit 1638. Die van 1637 zijn allen in het Hollandsch. Zij zijn bijna uitsluitend van politieken inhoud.
Nog eenige andere brieven van De Groot van 1643-1645 zijn hierbij gevoegd.
2. Cod. Chart. A. 473 bevat de reeds in 1670 uitgegeven briefwisseling van De Groot met Israël Jaski te Daazig (1637-1642), zijnde 38 brieven over politiek en handelsaangelegenheden , soms ook met zeer interessante uitingen van persoonlijken aard.
Fol. 112. Brief van Grotius aan Opitz , de bekende van 11 (21 Mei) 1639.
Andere brieven nog op fjl. 121 en 129.
3. In deze bibliotheek bevinden zich ook verscheidene bundels , bevattende de nagelaten papieren van Hertog BernharJ van Sachsen-Weimar (1604-1639).
Ik doorzocht deze bundels , maar vond er niets in , wat voor onze geschiedenis van belang was.
284
XIII.
UT EI MAR.
A.
Sachsen-Ernestinisches ((esammt-Archw.
Dit zeer belangrijke archief, welks bestuurder Geheimrath dr. W. Burkhardt de aan zijne zorgen toevertrouwde inrichting op uitstekende wijze aan haar doel deed beantwoorden, vooral door de invoering van maatregelen onmiddellijk aan de praktijk ontleend, kon voor onze geschiedenis belangrijke dokumenteu bevatten. Het schijnt, dat de in mijn vorig verslag herhaaldelijk ter sprake gekomen Keurvorst August van Saksen in de tweede helft der 16de eeuw tal van stukken uit dit archief naar Dresden heeft overgebracht, terwijl daarentegen stukken , die daar, in het Albertinische archief, thuis behoorden , hierheen, in het Ernestinische, verzeild zijn. Zoo zal men te Dresden soms stukken vinden, die men te Weimar zou zoeken, en omgekeerd. De voortreffelijke registers, waarop ook het Ernestinische archief mag bogen en waarin de uiterst hulpvaardige dr. Burkhardt mij den weg wees, maakte mij het onderzoek hier zeer gemakkelijk; de uitstekend ingerichte werkkamer , die in het schoone archiefgebouw den bezoekers ten dienste staat, maakte het tevens aangenaam (zie boven onder Wolfenbüttel).
a. Uit den tijd van Hertog Albrecht en zijne zonen George en Hendrik (Albertinische lijn) vond ik hier:
Reg. A , fol. 219 , n0. 327.
1. 1500. Bevel van Keurvorst Friedrich aan zijn broeder Johan om in Saksen » eyn gemeyn aufgepot ausgeen zu lassenquot; tot hulp van Hendrik, zoon van Albrecht, die door de » Friszlenderquot; belegerd wordt, zooals Albrecht hem gemeld heeft.
2. 31 Mei 1500. Brief, waaruit blijkt, dat Albrecht de te Augsburg verzamelde vorsten om hulp had aangezocht; het »aufgebotquot; in Saksen leverde hem 200 man en 3000 gulden.
3. Juni 1500. Brieven van George aan Hertog Johan uit Leipzig , waarin hij Johan verzoekt om na Pinksteren 400 man naar Eisleben te zenden , als zijn contingent in den Frieschen krijg. Uit deze brieven blijkt, dat George gebrek had aan geld en aan manschappen en dat beiden niet dan met veel moeite uit de Saksische hertogdommen konden verkregen worden.
285
4. Uit eene collectie in dezen bundel, getiteld; »Frisische Sache zur Naumbrugk gehandelt (10 Juli 1513) Kerzogk. Georgem zue Sacbssen hülffe zu thun blijkt dat te Naumburg de Raden van Brandenburg, Hessen en de Saksische Hertogen bijeengekomen zijn om te zien, wat er in deze gedaan moest worden. Na onderling overleg begaven de Raden zich naar Frankfort, waar de Keizer zich bevond , waarop deze Ezdp.rd van Oostfriesland en de stad Groningen met den rijksban bedreigde , wanneer zij de rechten van George niet beter ontzagen.
5. circa 15 Jan. 1513. Brief van den Hertog van Luneburg aan Johan van Saksen, waarin hij mededeelt, dat hij en zijne neven met 1000 paarden , 1000 lansknechten en 600 gewapende boeren tot hulp van George naar Friesland zullen trekken. George zelf had een aantal ruiters en 5000 krijgsknechten bij zich. De aanhangers van Edzard hadden te zamen 8000 man te velde. De Luneburgers namen nog 5 kartouwen , 6 noodslangen en 60 veldslangen mede.
I. Reg. C, fol. 463-531, bevat eene zeer groote collectie stukken over de Gelder-Guliksche verwikkelingen van 1537 tot 1545, niet minder dan 37 pakketten vol origineele brieven en copieën van de daarin betrokken vorsten en afgezanten. Deze collectie is uiterst belangrijk , ook voor de ontwikkeling van den Schmalkaldischen bond , waarmede deze Guliksche kwestie zeer nauw samenhing. ■
Belangrijk vooral zijn de stukken in de volgende pakketten :
N0. 4 a en 4 h, waarin de secretaris van Gulik eene samenkomst verzoekt met den Keurvorst van Saksen of met diens Raden, wijzende op de plannen van Keizer en Paus tegen de Evangelische Stenden.
N0. 6. Hierin eene belangrijke instructie voor den Keurvorstelijken gezant, Hans Von Dolzig, die 1539 naar Gulik , Hessen en Nieuwenaar is gezonden.
K0. 7. Correspondentie van den Keurvorst met den Engelschen kanselier Cromwell (1539), vooral met betrekking tot de scheiding van Hendrik VH1 en Anna van Kleef.
K0. 9. Belangrijke stukken over een verbond tusschen Saksen , Gulik en Frankrijk en over het huwelijk van den jongen Hertog Willem van Gulik met Jeanne van Navarre.
N0. 11. Stukken over de betrekkingen der Religionsverwanten (1541) met Frankrijk en Navarro, vooral over den wensch van den Keurvorst van Saksen om Philips van Hessen niet in het verbond met Frankrijk op te nemen.
N0. 28. 2 Febr. 1543. Brief van Landgraaf Philips, waarin hij verklaart liever de Geldersche kwestie op te geven dan zijne eigene landen in gevaar te brengen.
N0. 31. Raad van Keurvorst aan den Hertog van Gulik, dat hij zich zeiven moet zien te helpen; hij zal met Hessen en Keulen den vrede trachten te bewerken. Hierin ook stukken over de zending van Me-lanchthon naar Gulik en Keulen ter regeling der reformatie aldaar (1543).
Met de stukken, door mij te Düsseldorf nagegaan, vormen deze
286
pakketten een volledig overzicht van de algemeene politieke beteekenis der Geldersche kwestie.
c. Eeg. J , pag. 99-102, E. IS0. 5.
Stukken over de stemming in de Nederlanden in 154(3 tijdens den aanval des Keizers op den Sehtnalkaldischen Bond ; de berichten daaromtrent , die den Keurvorst aanleiding gaven om te hopen op woelingen in deze streken , kwamen over Hamburg naar Otto van Luneburg, die ze wederom aan Saksen overbracht.
d. Keg. D, pag. 45 , K0. 89.
Deze bundel bevat stukken over het huwelijk van Willem van Oranje met Anna van Saksen (zie mijn vorig verslag).
1. 24 April 1559. Brief van Philips van Hessen aan Hertog Johan Friedrich , dat hij zijne toestemming heeft gegeven tot het huwelijk van Anna met Hertog Ludwig, den oudsten zoon van Keurvorst Friedrich van dePaltz.
2. 13 April 1559. Hertog August van Saksen aan Philips van Hessen , dat hij Anna nog wat jong vindt, maar over het huwelijk met Hertog Ludwig denken zal.
3. Beschrijving van de feestelijkheden bij het huwelijk van Anna en den Prins : Schwendi, Von Holle , Von Münnichhausen , Johan , Lode-wijk en Adolf van Nassau , de graven van Idstein, Weilburg, Saar-bruck , Solms , Schaumburg , Wittgenstein en Mansfeld behooren tot \'s Prinsen gevolg. De Prins heeft ook deelgenomen aan den kerkgang , die geheel naar den Lutherschen ritus werd geleid.
Overigens zijn deze stukken onbelangrijk.
e. Reg. C, pag. 334, n0. 8 h.
Correspondentie tusschen Paltzgraaf Friedrich en Johan Wilhelm van Weimar over de Nederlandsche zaken , zonder veel beteekenis, de gewone Zeitungscorres\'pondenz.
f. Reg. N, pag. 474, n°. 225, 2.
Brief van Hertog Johan Wilhelm aan den Prins van Oranje.
22 Dec. 15G6. De Hertog heeft diep medelijden met de door Philips onderdrukte Nederlanders. Hij is » durch etzliche reine und bewertte
Christliche Theologen und predicanten..... aus der herschaü\'t Mans-
feldt und sonsten underthenniglich verstendiget und berichtet.... wel-cher massen und gestalt sie zu gottseliger Christlicher Reformirunge der Kirchen nitt allein des verdamlichenn Bapsttumbs sondernn auch des bin und wider einressenden Calvinismi und derselben ergetzlichenn verfurlichenn Lehr halben, in obberurten Niederlanden geburlicher ordentlicher Weise weren berufenn und erfordertt werden; darumb sie uns underthenniglich ersucht und gebetten, sie ann E. L. gnediglich zuvor zuschreiben, das sie von derselbenn untter solcher Vocatio inn geburlichem schutz, schirm und verthedigunge gehaltenn und genomen werden möchtenquot;. Hij doet daarom den Prins dit verzoek, »denn
287
E. L. wissen sich prinzlich zu erinnera, in was sonderlichem vertrauen E. L. herr Vater mitt weilandt dem hochgebornen fursteu herrn Jo-hannssen dem Eltern , hertzogen zu Sachsen , Churf., unserm gnedigen lieben herrn und Vattern, baide Cbristl. gedechtenus, herkommen; daruber auch ermügett, das sich E. L. mit unserer angebomen Bluts-freunden, weilandt des auch hochgebornen fursten, unsern liebenn Vettern , hern Moritzen, hertzogen zu Sacbseu, Churf., selichen, einicher tochter, E. L. gemahl, unserer furstlichenn liebenn Muhmenn echeli-chenn vermehlett und vertrauwett. Darumb wir anderst nicht schliessen noch ermessen konnen , dan E. L. werden fur sich der Augspurgischen Confession , in welcher sie vonn jugent her mit sonderlichem vleisze instituirt und ansfiffet weren , nochmals ganz Christlichenn zu unserer waren Christlichen Religion neigunge und willen aus gottlicher Schaf-funge haben und tragen
g. Reg, C, nquot;. 39, fol. I en II.
Deze deelen bevatten stukken over den Nederland schen opstand, o. a. van den dood van Egmont en Hoorne eene beschrijving gt; von einem, der es selbst gesehennquot;, die evenwel niets bijzonders oplevert. Vooral Zeitungscorrespondenz met Hessen. In vol. II staat nog eene beschrijving van het begin van dsn opstand in 1572 (April) en eene van den uittocht van graaf Lodewijk uit Mons door eene ooggetuige. Deze laatste luidt; » Graff Ludwig ist kranck uff einem Wagen gelekt und als er an den Ortt, da herr Frederico hielt, vorüberzog, liesz er den quot;Wagen halten und grieff mit der Handt an den Huet und gab so viell anzeige, das er gerrne mit Ihme geredt hette. So baldt nahet sich Capitan Juliano Romelix zu ihme und sagt Graff Ludwig demselben, es were ihme leidt, dasz er nicht Don Frederico die hende kussen mochte, und so baldt solches ermelter Capitan dem hern Frederico hinwieder angezeigt, haben sie einander gegrussett und seindt ohne alle Cere-monien daruber passieret und istt innen kein leidt geschehenn und dieweill nam sich jennzeits besorgett, hatt man Ihnen vier oder funff soldaten zur Salvagarda zugeordnett.....
B.
Bibliotheek ■
Onder de talrijke hier aanwezige authographen van personen , die in de kerkelijke geschiedenis der 16de eeuw een rol hebben gespeeld, komen waarschijnlijk ook brieven voor van Nederlandsche theologen en andere personen van aanzien. Ik vestig dus de aandacht onzer kerkhistorici op deze verzameling, die door den geleerden bibliothecaris, dr. Kohier, met groote zorg behandeld wordt. In de bibliotheek vond ik een exemplaar van de 2de uitgave van de » suyverlicke ende seer schoone Disputatiequot; (Zie de Hoop Scheffer, Gesch, der Kerkhervorming, blz. 360 , noot 3,), over Jan vau Woerden,
288
XIV.
WIESBADEN.
Staalsarchiv.
Het Staatsarchief te Wiesbaden , thans onder leiding van den Staats-archivar, dr. Sauer, bevat de overblijfselen van de\' oude Nassau\'sche archieven , voor zoover de daartoe behoorende archivalia niet naar den Haag , Berlijn of Münster (archief Siegen), misschien ook nog naar andere plaatsen verzeild zijn. Vooral het Dillenburgsche archief is hier zeer fragmentarisch, daar na 1815 tal van archivalia vooral uit dezeafdee-ling door den bekenden gpschiedschrijver Arnoldi namens de regeering van Nassau aan den Koning der Nederlanden uitgeleverd zijn ; naar men te Wiesbaden meende , meer dan rechtens aan den Nederlandschen tak van het huis Nassau toekwam. Ook het huis Hohenzollern heeft als erfgenaam van Willem IH een deel der archivalia naar Berlijn ont-i boden.
Toch is uit den schipbreuk nog genoeg gered om het archief te Wiesbaden aan te kunnen merken als een rijke bron voor de kennis der geschiedenis van den opstand tegen Spanje. In de eerste plaats komen hierbij in aanmerking de Dïllenhurger Correspondenzen, waarvan ik eeu aantal deelen onderzocht, die betrekking hebben op de tweede helft van de zestiende eeuw. Ik maakte hieruit de hieronder volgende uittreksels van brieven, die in deze verzameling voorkomen. Daar mij bij het onderzoek dezer papieren de Archives de la Maison d\'Orange , die niet in de archiefbibliotheek voorhanden waren , niet ten dienste stonden, kan het zijn , dat enkele stukken van belang mij niet in het oog vielen; ik meen echter te mogen verzekeren, dat dit voorbehoud niet geldt voor de eerste deelen , die ik eerst kort geleden zeer nauwkeurig bad bestudeerd, meer misschien voor de deelen 1578 tot 1581, waarin eene zoo groote massa brieven voorkwam, dat mijn geheugen mij niet voldoende meer kon helpen.
In de tweede plaats doorzochten de beide archivarissen — dr. Sauer zelf was afwezig — dr. Ausfeld , die mij altijd hulpvaardig ter zijde stond, en dr.Hagemann, voor mij het archief van Weilburg, waarin ik stukken dacht te vinden , die eenig licht zouden verspreiden over de houding van Prinses Carolina en Karl Christian van Weilburg tijdens de woelingen van 1760 tot 1787, waaraan zij soms ijverig deelgenomen hebben. Het onderzoek leverde echter geene positieve resultaten op.
De stukkeu uit de afdeeling Idstein, die voor deze geschiedenis in
289
de tweode lie]ft der 16de eeuw van belang zijn , zijn ■waarschijnlijk allen in de iJillenburger Correspondenzen ingelijfd. Deze Correspon-denzen bleven dus de hoofdzaak.
Op den voorgrond treden hier de Kopieboeken van Jan van Nassau, die van 1574 af zoo goed als volledig bewaard zijn en menig stuk bevatten, dat men te vergeefs elders zou zoeken , naast tal van concepten van brieven, die in de Archives hunne plaats hebben gevonden.
a. Oudste bundel.
1. 5 Deo. 1551 (Dillenburg). Graaf Willem van Nassau aan den Prins van Oranje. Herhaling van het reeds voor eene maand gedaan verzoek om hulp » mit geltt, pulver und anderm daar hij een aanval van Maurits van Saksen op Dillenburg verwacht. Maurits plunderde reeds in het Stolbergsche en Schwartzburgsche. Overbrenger van den brief was de pas in Nassauschen dienst getreden Ileinrich von Wiltperg.
2. 7 Dec. 1551 (Breda). Antwoord van den Prins op zijns vaders brieven van 3 en 16 Nov. Hij is met Nieuwenaar en Meurs eenigen tijd te Brussel, Mechelen en Antwerpen geweest en eerst pas teruggekomen. Na overleg met zijne raden en vrienden geeft hij hem in overweging niet tegen Maurits te velde te trekken , » sonderlich des grossen merglichen chostens, so E. L. und mir zu unserm entlichen Verderben daraufF gehen wurde, auch der gefahr halben , die E. L. daruber bestehen musztequot;, maaralleen verdedigenderwijze op te treden. Overigens moet graaf Willem bedenken: »da E. L. ain geringe Anzall kriegsleuth annemen und underhalten wolte, das sie gar nichts damit aussrichten und unsz baide in grosse last unnd beschwarung furen terwijl hij de bezetting van Dietz en andere in 1548 verkregen goederen toch niet kan beletten. Iedere werving zou een onmiddellijkeu inval van Maurits uitlokken. Hij moet zijne eigene persoon en het slot Dillenburg goed laten bewaken en overigens alles overlaten aan de processen , die loopende zijn. Er is bovendien hulp te wachten van den Keizer tegen Maurits, van wien »zu vermuten , das er aufFeiner andern und frembden Nation arregung, die ain sondern nutzen darauss zu schepffen vermaine, erweckt und angefangen seyquot;. De Prins heeft den Keizer en Granvelle vóór 14 dagen reeds om hulp verzocht. Wat de gevraagde som gelds betreft, hij kan die niet dan met moeite bijeenbrengen en verzoekt tot Fobr. geduld te hebben. Als het noodig is, zal bij hem als een getrouwe zoon met goed en bloed helpen. Een busmeester heeft hij zelf niet. Over kruid zal hij met Nieuwenaar spreken.
3. 17 Dec. 1551 (Breda). Wiltperg aan graaf Willem. De landvoogdes heeft den Prins toegestaan troepen en kruid naar Dillenburg te zenden ; geld heeft de Prins te Antwerpen opgenomen,
4. 17 Dec. 1551 (Breda). De Prins aan zijn vader. Hij zal alles zenden , ook den busmeester; toch moet de Keizerlijke hulp worden afgewacht,
5. 21 Dec. 1551 (Breda). De Prins aan zijn vader. Hij zendt hem 6000 gulden en 12 centenaars kruid, benevens een aantal krijgsknechten. Aremberg zal twee busmeesters leenen.
19
290
G. 22 Maart 1552 (Breda). De Prins aan zijn vader. Hij heeft met leedwezen vernomen , dat Reinhard Von Solms bij Hanau gevangen is; de graaf moet Dillenburg niet verlaten » bis auf besser Lufftquot;.
7. 28 Maart 1552 (Breda). De Prins aan zijn va ler. Hij heeft de landvoogdes verzocht eeuige krijgsknechten van het leger van Mirten van Rossem naar Dillenburg te zenden. Wat geld betreft, » so bin ich audi mit schulden also quot;beladen , dasz ich nicht weisz, -wie ich mich derselbigeu erledigen muge, dan ich nach allem angewandten Yleysz noch by kauffleuthen noch andern auch mit hochstem Interesse nit so viel zu wegen brengen kan , dasz ich gedachte meine schuldt, wie ich doch gern thun wolt und solt, verrichten mugequot;. Toch zendt hij nog f 2000.
8. 11 Mei 1552 (Dillenburg). Graaf Willem aan den Prins. Lange hrief met verzoek om hulp tegen het hem bedreigende Hessen, dat zich geheel aan Frankrijk verbonden heeft; hij is niet te Butzbach verschenen , zooals verscheidene vorsten in zijne omgeving , om zich met dc Franschen en Maurits te verbinden.
Deze brieven blijven tot den dood van Maurits in denzelfden geest luiden ; herhaaldelijk treedt de Prins bij den Keizer en Granvelle voor zijn vader op, ook in de volgende jaren tot den vrede te Passau , toen het gevaar van de zijde van Hessen afnam en de twisten over Dietz in een proces verliepen.
1). In een bundel, getiteld: Sohreïben ohne Datum (1560-160G), tal van aanteekeningen en losse papieren van graaf Jan, ook betreffende de Unie , het stadhouderschap in Gelderland en den toestand der Nederlanden na den dood van den Prins, waarschijnlijk van veel belang maar eerst bij eene nauwkeurige bestudeering op de rechte waarde te schatten.
c. 1566.
9. 24 Mei 1566. Een stuk, dat er uitziet als notulen in klad met tal van verkortingen en ratures , getiteld: * Brief discours da ce qu\'est venu en délibération et a esté resolu touchant le faict de 1\'alliance et de la Requeste faict le 24 May, esfans presents plusieurs del\'alliance suslite ce deputes (a0. 1566)quot;. Het luidt aldus:
» Se trouvans lesdits Seigneurs députes ledit 24me jour en certain lieu pour consuller les inconveniens de trouver remede convenable pour obvenir aus maulx, des quels on leur faisoyt journellement rapport, estans de tout contraires i\\ leur requeste et è, la response , que sur icelle Mad. leur avoyt acoordé et donné par apostille , pouvans donner cause a plus grand mal, fust ouy chacun d\'eulx en préser.ce de touts et entendu devant ce qu\'il avoyt veu , ouy et par aultres entendu----
(De berichten loopen over bekende zaken namelijk : de dreigementen der tegenpartij tegen de aanhangers van het verbond om hen te be-■wegen er van af te zien, het ontslag der drie edellieden van het hof, do teleurstelling van hot door do » estrangiersquot; opgezette en tot oproer neigende volk).
291
.... Pour obvior a ung tel et si grand malheur apres longue et meure deliberation n\'ont trouvé rien plus convenable pour conteuir le peuple esmea et avertir le mal, qu\'estans eulx suffisamment ad vert ia , de faire tant envers Son Altesse , qu\'Elle veuille commander aux magistrats, que nul ne soye appréhendé sans précedente deue information faicte par le juge ordinaire, laquelle sera, devant que apprehendre le corps, ré-monstré i Son Altesse et le conseil d\'Estat pour j pouvoir prucsider légitimement et donner ordre selon l\'exigeiice du cas , espérans qu\'estant faict ainsi le peuple sera contenu en office et se contenterastquot;.
Dit zeer belangrijke stuk is geschreven met de hand van Graaf Lodewijk ; het werpt een halder licht op de bedoelingen der verbondenen.
10. 3 Juli 1566 (Mechelen). Philips v. d. Aa aan Lodewijk. Verzoek om aan den Eaad der Hertogin te schrijvei;, dat hij het request niet geteekend heeft, zooals het gerucht wil; in dat geval zal hij bij de Hertogin iets trachten te doen voor » la repoublickequot;.
11. 13 Juli 1566 (Marburg). Zekere Kauffung aan Lodewijk. Hij heeft zijne boodschap overgebracht. » Mann quot; is hier van oordeel, dat als de Prins zich » offentlich zu den Religions ver wandten erklertquot; en Hertog Erik van Brunswijk hem daarom wil aanvallen, de Prins zich openlijk tot Saksen , Hessen en de overige vorsten moet wenden met blootlegging van den » status causaequot;. (Zie Archives II, 154 en mijne Corresp. van Lod. v. Nassau , blz. 42).
12. 5 Aug. 1556. Propositie van den graaf Van Megen te Nijmegen en antwoord van de burgerij daarop.
13. 14 Aug. 1566. De Prins aan den rentmeester van Vianden , Dagsburg, St. Veit en Butgeubach, dat die landen door bemiddeling van graaf Lodewijk » eine benante und ausgedruckte geldsteur zu gebeu bewilligetquot;. Hij verzoekt de inning daarvan te beginnen, (Zie mijne Corresp. van Lod. v. Nassau , blz. 36).
14. 27 Aug. 1566 (Kopenhager,). Koning Frederik van Denemarken aan den Prins. Verzoek om twee of drie oorlogschepen met zijne hulp te mogen uitrusten voor den krijg tegen Lubeck.
15. 25 Sept. 1566. Berndt Van Hovel aan den graaf van den Berg, dat de kansen van graaf Lodewijk in het Stift Munster niet kwaad staan. Gulik echter begeert ziju optreden niet en bij het Domkapittel en andere leden der Munstersche regeering bestaan ernstige bezwaren tegen Lodewijk ; deze zal 1°. van religie moeten veranderen , 2°. vreezeu zij, dat het Stift geheel onder Bourgondië zal komen. Hij heeft deze twee bezwaren uit den weg trachten te ruimen maar nu moet de Prins optreden bij Domkapittel, Keurvorsten en nabijgelegen vorston. Diep geheim is wenschelijk.
16. 19 Sept. 1566. Minuut van de instructie voor Ludwig Van quot;Wittgenstein als gezant van den Prins bij de Saksische Hertogen en den Keurvorst. Alles van de hand van Lodewijk. (Zie Archives II, 288).
17. 1 Oct. 1566 (Antwerpen). Herman Van Westerholt verklaart, dat hij Lodewijk » zu behuff der verbnndenen Ritterschafft und ettlicher Stenden der Niderburgundischen Landen quot; duizend ruiters belooft tegen
292
eene jaarlijksche soldij van duizend kronen. Hierbij ook de aanstelling van George Von Holl tot ritmeester en »oberstlieutenainquot; , geteekend door Lodewijk namens het Verbond. Verder aanstelling van Van Boll-schwingen , Malspurg , Westerholt, AdamWaise, Rosenbach en Weis-senbruck tot ritmeesters en hoplieden.
18. 2 Oct. 15ö6. Berndt Van Hoevell aan Lodewijk, dat de regeering van Munster 10 of 11 Oct. veranderd zal worden.
19. Eene geheele collectie brieven over de wervingen in dit najaar.
20. 1 Dec. 1566. Lange brief van den Prins aan graaf Jan met instruction voor hem , Konigstein , Hanau en Wittgenstein als gezanten bij den Paltzgraaf Wolfgang, Wurtemberg on Baden.
21. 30 Dec. 1566 (Gent). Charles Utenbove le fils aan graaf Lodewijk over den toestand te Gent.
22. Tal van brieven van Duitscbe vorsten aan den Prins uit dit najaar , ook van particulieren uit de Nederlanden , over werving enz.
d. Bundel Jan-Dec. 1566.
23. 4 Juni 1566 (Metz). Jean Taffin aan Lodewijk over zijne werkzaamheden te Metz, » oü il vous avoit pleu rae donner churge sur la résolution , que primes i Malines , de requérir un concile géne\'ral de l\'Empereur par 1c moven des Princes assemblez ü Augsbourg. Si tost qu\'en auray response ne faudray vous en avertirquot;.
Hij beveelt hem zijn jongsten broeder als secretaris aan.
24. Allerlei stukken over den voorgenomen veldtocht van graaf Adolf naar Hongarije.
25. Een merkwaardig stuk , getiteld : » Discours gemaect by zeecker burgeren van Amsterdam omme mijn heere die Priuche van Uraengen te verthonen , hoe dat het minre broeders convent noch by tcorpus deser steede noch by die van de gereformeerde religie, als men seyt, nyet geinvadeert noch geoccupeert isquot;.
e. In den bundel 1567 , I.
26 21 Febr. 1567. De Prins aan Johan van Nassau. Lange en belangrijke brief over den toestand in de Nederlanden.
27. 6 April 1567 (Jen Haag). Arent Van Dorp belooft » Jeudy pro-chain quot; bij den Prins te zullen komen » au parachef de l\'affaire cogneue a Vre Excellencewaartoe men » Samedi prochaiu le 12me de ce moisquot; zal overgaan; hij hoopt dan zijne instructie te zullen ontvangen.
28. 7 April 1567. De Prins beveelt den uit Antwerpen gevlucbten Wesenbeke bij graaf Jan aan.
29. 21 Mei 1567. Lange brief van den Prins aan den Keurvorst van Saksen over zijn vertrek.
ƒ. In den bundel 1567, IL
30. 8 Mei 1568 (Wesel). Diederik Snoeien (Sonoy) aan den Prins, dat een zekere Thomas Gerritsz Donsburch uit Amsterdam bij hem geweest is met eene commissie van graaf Lodewijk om naar Waterland ie reizen » umb alda mitten inwoonders derselben soekere collecten von
203
P fen nun gen zu doin , das er gethan hatt und aldair etliclio gclasscn, die verhauffen zu kortzen tagen etliche Pfeunungen bey den anderen zu haben. Dan dieweyle etliche dairin beschwert sein, dieweyle sey E. F. Gr. handt oder segliel nit haben geseben, nademael E. F. G. Iro Gubernator von wegen K. M. sey, -were derhalben sein undertenige bitt und begeren, E. F. G. wollen so woll doin und an dieselbige Stette schreiben und solches an wulgemellten seynen Bruder Graeff Lodewijck bestellen lassenquot;. Thomas Gerritsz zou zelf wel bij den Prins komen , maar hij moet nu eerst naar Lodewijk. Hierbij nog een lijstje van de bedoelde agenten ; »In Hoorn: Jan Martenz. Fijffer, Peter Florisz., J. Pietersz. Hoofft, en eenige ongenoemden In Enkhuizen: Gerbrant Bertzoen , Wibrant Frederiksz., Ryckert Claesz. In Monnikendam : Floris Symansz., Peter Bericksz. (bede borgermesters gewest), Claes Gerritsz. In Edam : Claes Geysbertsz., Peter Jansz. brouwer. In Purmerent: Cornells Henmnsz., Peter Jacop^z. In dy dorpen sijn mede gecommitteerde gestelt, warfan dy fan Hoern wetenschap hebenquot;.
g. In de bundels 1568 {I, II en III) allerlei bijzonderheden over de voorbereiding van den inval, correspondentie over den aanvoer van paarden en over bij Saksen geleend geld. In den derden bundel een Fransch overzicht van 24 folia over het ontstaan der troebelen.
h. In den bundel 15G9 eenige brieven van Jacob Schwartz aan graaf Jan over geldzaken , overigens niets merkwaardigs.
i. In den bundel 1570.
31. Mémoire amp; Mr. Silvius pour les affaires de Mr. Dolhein, opgesteld te Chieperton Febr. 1570 door Adam de Bergnes.
Dit zeer merkwaardige stuk beschijft don toestand der quot;Watergeuzen. Adam de Bergues heeft 4 schepen bij zich : de Pest (van Haarlem), het Vliegende Hert (van Hoorn), de Geelvink of de Valk (van Amsterdam) , de Engel (van Einden) bensvens nog een klein schip van 20 of 24 ton, de Nagtegaal. üp ieder schip zijn 24 » matelotzquot;, die hij evenwel niet kan regeeren ; het zijn »gens sans religionquot; en lieden , die tot alles in staat zijn, zelfs om hem uit te leveren aan Alva, die reeds lang het oog op hem heeft. Om hen in toom te houden moet hij 60 soldaten hebben, maar om ze te betalen heeft hij nog maar 10 écus, terwijl hij voor de uitrusting der schepen reeds 7000 écus besteed heeft. Ook het onderhoud der 3 of 4 edellieden en 5 of 6 bedienden , die hij bij zich heeft, kan hij niet bekostigen. Behalve geld heeft hij , om uit te kunnen gaan en voor geval van storm ergens te kunnen binnenloopen , een paspoort en een brief van den Prins noodig. De »judge of admirality quot; heeft hem zijne zeilen en meer zaken ontnomen en hij durft niet meer naar Londen terug om ze op te vragen. Het beste is nu in alle stilte onder geleide van een Engelschman de rivier af te zeilen en de zee te bereiken.
7e. 1571.
32. 21 Jan. 1571. Ernst Van Mandelsloe schrijft den Prins, dat hij gaarne bij hem wil komen , wat deze hem verzocht heeft.
29 i
33. Voorjaar 1571. Samenkomst van den Prins met Otto v. d. Mals-purg. (Zie mijne Corresp. van Lod. v. Nassau , blz. C8j.
34. Voorjaar 1571. Brieven van Jacob Schwartz over de betaling van liet krijgsvolk , behoorende tot de troepen van den Prins in 1568 en 1569.
I. In den bundel 1572 vond ik niets belangrijks,
m. 1573.
35. 7 Mei 1574 (Dordrecht). De Prins aan graaf Jiin. Een zeer melankolieke brief, toch vol vertrouwen op de toekomst met het oog op het in Frankrijk gebeurde. Klachten over het ongeluk van » Mrs. Ie due Christophe et demesfrères, lesquelz je tiens asseurément morts ; je ne cognois aulcuns, puisque nous sommes privez de ceux, sur les-quelz j\'avois basty tout nostre fondement et mis tout mon espoir, car quant ii vous, oires qu\'il n\'y auroit en vérité personne plus propre et idonne, si est ce que jamais je ne vous en oseroye importuner, sca-chant fort bien qu\'il y auroit aulcune raison de metre toute nostre maison en hazard de se perdrequot;. Jan is de eenige , die nu met de Duitsche vorsten kan onderhandelen en van alles weet. Belangrijke mededeelingen over den toestand in Frankrijk, den staat der financiën en der middelen van verdediging in Holland.
Van 1574 af begint eene geregelde reeks kopieboeken van Jan van Nassau.
n. 1574.
36. 27 April 1574 (Maintz). Schomberg aan Lodewijk, dat hij met Dathenus naar hem op weg is en hem te Keulen of Éssen, anders te Dillenburg, hoopt te ontmoeten. De haakschutters zijn op hun terugtocht te Ingelheim aangekomen.
o. 1574.
37. 9 Febr. 1577 (S;egen). Graaf Jan aan Willem van Hessen over de wijze, waarop Philips Willem in Spanje behandeld wordt, volgens de berichten van een dienaar van den jongen vorst, onlangs uit Spanje overgekomen. Hij heeft eene omgeving van 16 personen, waarbij een Spaansch geestelijke als gouverneur. Hij is gezond en flink, maar verlangt sterk naar zijn geboorteland. Kij gaat dikwijls zonder toezicht uit rijden. Aan het hof is hij nog niet geweest, sedert de Prins gewapend is opgetreden , maar Z. M. zond hem in den vorigen zomer , toen hij zware koorts had, zijn eigen arts.
38. 29 Oct. 1577 (Antwerpen). Graaf Jan aan Gunther van Schwartz-burg. Hij hoopt dezen weldra te Breda te zien. » Was sonsten den Matthiam anlangt, sei derselb allein durch etliche particular personen, alls dem Hertzogen vora Arscott und noch ettliche wenige , one wissen und verwilligung , so woll der Gen. Staten als auch Irer Gnaden, erordert und beschrieben worden. Ire Gn. habenn woll ettwas nachrichfcung unnd berichts gehabt, das solche ding fur der hanndt gewesenn , aber doch nicht vermeinet, dat man darmit one vorgehennde berathschla-
295
gung unnd sambtlichcm schlusz vortfahren sollo. Wo der herr Printzs nicht das beste gethan hette unnd nochmals thette, were zu besorgen gewesen , unnd zwar noch , das bedes, der gute herr unnd diojenige , so S. F. D. erfordert, -wurden schimpflich bestanden und Irer eins theils nicht one gefhar gewesenn seinquot;.
f. 1578. Deze bundel en de volgende tot 1581 zijn ingenaaid en dus gemakkelijker te gebruiken; de overige bundels in deze geheele verzameling zijn tot nog toe weinig geordend. Dr. Ausfeld stelt zich voor binnen korten tijd de papieren van graaf Jan zorgvuldig te regelen.
39. 1 Febr. 1578 (Brussel). De Prins aan de Staten van Gelderland. Hij verzoekt onmiddellijk alle beschikbare troepen naar het Zuiden te zenden en Gelderland in staat van verdediging te brengen.
40. Voorjaar 1578. Collectie van stukken over de verdediging van Gelderland.
41. Kersmis 1578. Jan van Nassau aan een onbekende. Verdediging van zijne administratie in Gelderland, zeer uitvoerig en belangrijk (fol. 534-539). Concept.
42. Juni 1579. Concept eener zeer belangrijke instructie voor zijn zoon Willem Lodewijk en diens mede-afgezanten in Holland (fol. 547).
43. Zomer 1579. Belangrijke collectie concepten van brieven aan tal van personen, steden en coilegiën , over de Unie.
q. 1579,
44. Jan. 1579 (A.rnbem). Jan van Nassau aan den Prins. » Mit der Union bat es anfencklich , wie ich aus Hollandt allhie ankommen , grosze muhe genommen , dasz fast jemeniglich , ja auch die Patriotten selbst, zum heftigsten dargegen verhetzt gewesen. Als sie aber der Sache ferner bericbtet und Ihnen die eingebildete A.rgumenta und Calurnnien wiederlegt worden , hat es darmit Gottlob nhumehr ein andere meinung genommen und seindt derselben itziger zeit so hoch begierig als sie zuvor dawieder gewesen. Insonderheit aber hat die gantze RitterschaCft, au?genommen die Bannerherrn , under welchen dan mein Schwager vom Berge sehr böse officia thut und sich wieder gar ubel verfuren last, ihn diss werck entlich gar wol gefallen lassen und allso das sie auch geschlossen , im fall schon Bannerherrn , deren doch keiner gegenwertig gewesen, auff irer meinung verharren wolten , dasz sie niebts desto weniger mit denen Stetten , so darzu willig, die Union eingehen und annehmen wollenquot; Verder zeer belangrijke mede-doelingen over personen en zaken , vooral met betrekking tot de Unie (fol. 308).
45. 25 Jan. 1579 (Arnhem). Brief van Jan van Nassau aan » den von Bryelquot;. » Gestern seindt wir von Utrecht wiederkommen und ist daselbst die Union nach vielfaltige gehabter Disputation und gepflogener underhandlung von denen von Holland, Seeland, Utrecht und Friesischen Umblanden , wie in gleichem von uns fur uns selbst und dan durch die Geldrischen Deputirten von der Ritterschafft und ettlicher kleinere Stette wegen underzeichnet worden ; die von Nim wegen und Arnhem
Isi-osiL - 9
29G
soindt Gottlob audi so fern kommen, dasz icli vcrhofT, sie zum lanfusten morgen oder ubermorgen auch underzeichnen werden und die ubrigen all nhumehr auch nacbfolgen. Die von Deventer haben sich in gleichem auch -wol erelert far sich und die von Campen und Schwol mit erpiothen , dasz sie diesel be zu ankunft Ires stathalters, dessen sie freundtlich gewertig seindt, annehmen und underzeichnen wollen, in betrachtung, das sie der Mollender keineswegs entrathen oder ent-behren können (ful. 316).
46. Losse aanteekeningen betreffende de Unie.
47. Tal van in 1579 geschreven brieven , noodzakelijke aanvulling van de in de Archives gedrukte.
r. 1580.
Geregelde correspondentie met tal van daartusschen ingevoegde origi-neele brieven van allerlei aanzienlijke Nederlanders, van den Prins enz., vooral handelende over de Malcontenten en den vredehandel te Keulen.
s, 1581.
Veel minder merkwaardigs.
Ook voor de volgende jaren schenen mij deze collectiëa niet van zooveel beteekeris. Bij het onderzoek dezer papieren zal men na mijne mededeelingen uit de eerste bundels kunnen volstaan met een nauwkeurig nagaan van de bundels 1577-1580 , vooral met het oog op de wording en de werking van de Unie van Utrecht.