/
/-V
J \'w
\'6/ | 376
n
110
DE RELIEKEN VAN THOMAS A KEMP1S.
Toen in 18S0 wijlen Mgr. O. A. Spitzen zijn beroemd werk uitgaf: Thomas a Kempis als Schrijver der Navolging gehandhaafd, wijdde Mr. J. J- van Doorninck aan dit uitstekend boek eenige waardeerende bladzijden, welke hij aldus besloot:
„ „What have the good people of Zwolle done iu any way to commemorate, or preserve, or honour the name of Thomas a Kempis?quot; vroeg mij dezer dagen ds. Kettlcwell. En ik hob niet zonder schaamte moeten erkennen, dat hot gebleven is bij een niet verwezenlijkt plan (1S02) om een gedenkteekeu voor hem op te richten. Het werk van den heer Sp. betaalt een goed deel onzer oude schuld; niet de ge-heelc. En, hoewel ik geen groot voorstander ben van het verheerlijken van personen door het oprichten van gedenktecken(eu), zoude ik meenen, dat, waar Italië voor den gewaanden en onbeliehaamdeu G er sen een sierlijk monument in Cararisch marmer gesticht heeft, Nederland den waren man niet verloochenen, maar zichtbaar huldigen moet. Wie daarvoor sympathie gevoelt, moge het doen blijkenquot; \').
Inderdaad, wij hebben jegens den grooten Agnietenberger heel wat goed te maken, \'t Wordt hoog tijd, dat wij ophouden jegens dat sieraad van Nederland slechts onverschilligheid te koesteren.
Zoo weinig acht slaan wij op den Kempenaar, dat velen zelfs niet eens weten, waar zijn gebeente rust; dat men omtrent zijne relieken den grofsten onzin openbaar maakt, welke door het couranten-lezend publiek als eene belangwekkende historische bydrage genoten en door de dag- en weekbladen met de grootste waardeering overgenomen wordt.
\') Provinciale Ooerijselsche en Zwolsche Courant van 3 Januari 1881.
27
386
Zoo geschiedde het nog in het laatst van het vorige jaar, toen in De Telegraaf een verslag verscheen van een artikel over Thomas a Kempis en diens relieken, een pennevrucht van de hand des heeren Jhr. Salvador, door dezen in een Fransch tijdschrift geplaatst. Uit De Telegraaf ging het , interessantequot; artikel over in andere bladen, o. a. ook in de Kamper Courant, die, blijkbaar zeer ingenomen met de belangwekkende bijzonderheden door dezen causeur op historisch gebied aan het licht gebracht, haar lezers op een uitvoerig verslag onthaalde.
Ik kan onmogelijk instemmen met den lof door genoemde bladen den schrijver gebracht. Het artikel toch wemelt van onnauwkeurigheden en, erger nog, van onjuistheden, welke als vast staande feiten worden meegedeeld met eene stelligheid, alsof hier eene in de geschiedenis van Overijsel doorkneed historicus het woord voerde.
Goed beschouwd, is zulk een erbarmelijk knutselwerk geene ernstige wederlegging waard, doch het gezag, waarmede deze causeur optreedt, de stellige toon, waarop hij zijne ontdekkingen (?) aan de markt brengt, zullen allicht — daar weinigen in de gelegenheid zijn om de juistheid van des schrijvers mededeelin-gen aan een onderzoek te onderwerpen — in de toekomst aanleiding geven tot allerlei dwalingen omtrent den persoon van Thomas a Kempis; redenen, die mij bewogen eene korte wederlegging te schryven en tegenover de fictiën van Jhr. Salvador de ware geschiedenis der relieken van den grooten Agnietenberger te stellen.
\'t Is waar, wat ik hier mededeel is in hoofdzaak reeds gegeven door Mooren: Nachrichten üher Thomas a Kempis, die, in het vijftiende hoofdstuk van genoemd werk: Die Grahstatte des Thomas a Kempis und die Erhebung seiner Geheine en verder in den aan dit werk toegevoegden Codex diplomaticus, de geschiedenis van het wedervinden der relieken van Thomas en hare verdere lotgevallen heeft te boek gesteld. Doch niet
387
ieder heeft Mooren by de hand, en het feit zelf, dat een onzinnig verhaal als dat van Jhr. Salvador door Katholieken en Protestanten met belangstelling gelezen wordt en zonder tegenspraak blijft, geeft my voldoenden waarborg, dat ik geen overbodig werk verricht met nogmaals de toedracht van het weder-vinden der gebeenten van den eerbiedwaardigen dienaar Gods te verhalen.
„Na eene schilderachtige beschrijving—zoo luidt genoemd verslag van de Kamper Courant — van zijne reis naar Zwolle en Kampen tot ouderzoek naar de in de eerste stad bewaarde overblijfselen van den beroemden monnik der vijftiende eeuw, welke naar de meening van den schrijver ontwijfelbaar de schrijver is van de Imitation de Jésus Christ \'), besluit jonkheer Salvador zijne zeer interessante beschouwing aldus:
„„Zoo groot is de ondankbaarheid der menschen, dat op den oogenblik, dat do stad Vercelli een standbeeld opricht ter eere van den schrijver van de Imitation de Jésus Christ, daarbij voor model nemende Jean Gersen, een nimmer bestaan hebbende persoonlijkheid, die niets anders is dan de zoon van een spelfout (wij vragen nederig verschooning aan zijn verdediger Mgr. Kardinaal Alimonda, aartsbisschop van Turijn), op den oogenblik, dat de laatste uitgave van het woordenboek van Larousse de Imitation de Jésus Christ toeschrijft aan den kanselier Gerson, met deze bijvoeging: „deze meening is algemeen aangenomen tegenwoordigquot;, — laten de Nederlanders Thomas a Kempis zonder standbeeld, zonder gedenkteeken. Eenige geloovigen hebben nu en dan den wensch geuit van op den berg Sint-Agnes (Kloosterberg) nabij Zwolle, eene kerk te zien oprichten gewijd aan hem, die daar woonde bijna vijf eeuwen geleden en waarin de kostbare reliekenkast zou geplaatst worden, die wij niet zonder moeite hebben ontdekt in de sacristie van een protestantsche kerk te Zwolle; maar die zeldzame roepstemmen zijn zonder weerklank gebleven.
\') Wat mag toch wel de redactie van de Kamper Courant bewogen hebben den titel van Thomas\' meesterwerk in het Fransch te geven ? Zou de redactie in de meening verkeeren dat de Tmitn/io Christi oorspronkelijk in het Fransch geschreven werd?
388
Die onverschilliglicid, die vergeteuheid stuit on verdriet ons innig, en wij zouden geneigd zijn bittere verwijten te doen aan onze landen geloofsgenooten — de Xederlandsche Protestanten — zoo goed als aan de Katholieken, als die sehoone woorden van den schrijver van de Imitation ons niet in het geheugen kwamen; „Diegene alleen is waarlijk groot, die een groote goedheid heeft. Diegene alleen is waarlijk groot, die klein is in zijn eigen oogen, en die voor niets de grootste eerbe wij zingen telt. Diegene alleen is waarlijk wijs, die allo dingen op aarde veracht om te gclooven in Jezus Christusquot;.
Zoo zij het.quot; quot;
„Thomas a Kempis woonde ten tijde van de hertogen uit het Bourgondische huis in het Ccllebroedersklooster \') nabij Zwolle, gedurende een-en-zestig jaren.
In de godsdienstoorlogen van de zestiende eeuw werd het klooster verwoest. ïhans staan er daar ter plaatse twee gebouwtjes, eene school en ecne herberg, en voorts is er een protestantsch kerkhof. Daar ter plaatse was vroeger liet kerkhof van het klooster waar Thomas a Kempis in 1471 begraven werd \'1). Bij den inval der ïransehe [?] troepen in 1072 deed de keurvorst van Keulen de doodkist met groote staatsie overbrengen naar de Sint-Jozefs kapel te Zwolle (op 10 Aug. 1072). Men opende toen de kist, en het skelet, voor zooverre het nog bestond, werd uit elkander genomen en te zamen geplaatst in een reliekenkast van eikenhout, met dit opschrift in koper gegraveerd; „Reliquiae Pii Thomae a Kempisquot;. De kast bleef in de Sint-Jozefs kapel tot in 1S09, toen het gebouw werd afgebroken, en de relieken werden overgebracht naar de protestantsche Sint-Michiel kerk, waar zij nog zijn. De onderkaak is er in 1847 uitgenomen, en door den Kardinaal Pitra overgebracht naar de Abdij der Benedictijnen te Solesmes. Jonkheer Salvador heeft den schedel van Thomas a Kempis mogen opmeten. De omtrek is twee-en-vijftig, de langste middellijn is achttien en de kortste middellijn dertien centimeters. „Die afmetingen, zegt de schrijver, evenals de buitengewone hooge welving van den schedel bewijzen hoe sehoon het
1
) Een nieuwe „blunderquot;, Thomas werd niet op het kerkhof maar in den trans van de kloosterkerk begraven.
389
hoofd is geweest, hoezeer de fakulteit der vereering ontwikkeld was en hoe machtig de hersenen waren.quot;
De schrijver haalt ook de woorden van Leo XIII aan: „De Imitation de Jésus Christ is het bock zonder wedergade gebleven van de katholieke wijsbegeerte, beter werk werd nimmer geschreven.quot; quot;
ïot zoover het verslag der Kamper Courant.
Ik zal hier geen philippica houden tegen de schendende hand, die den alouden Sint-Agnietenberg in „den berg Sint-Agnesquot; veranderde; ik zal evenmin stilstaan bij de ergerlijke vergissing, die de schrijver beging, toen hij zonder blikken of blozen verhaalde, dat Thomas a Kempis gedurende 61 jaren woonde in het CcllehroedersWoosier nabij Zwolle; bij het vermakelijke referaat, dat Paus Leo XIII de Navolging onder de philosophische werken rangschikt; bij het onzinnig verzinsel, dat de Katholieken — want dezen zullen toch wel de geloovigen zijn, welke Jhr. Salvador bedoelt — eens den snuggeren inval zouden gehad hebben, eene kerk te bouwen, gewijd aan iemand die noch gecanoniseerd noch gebeatificeerd is, die zelfs, voor zoover mij bekend, officieel nog niet eens den titel van venerabilis of „eerbiedwaardigequot; di aagt; — genoeg zij het, even op deze dingen te wijzen, om te doen zien, dat wij te doen hebben met een man, die, zonder zich ook maar de meest elementaire kennis van zijn onderwerp verzameld te hebben, ex tripode is gaan orakelen.
Waar\' ik vooral op wensch te wijzen, is de zinsnede, waarin de schrijver beweert, dat hij niet zonder moeite de kostbare reli-kenkast, welke het gebeente van Thomas zou bevatten, ontdekt heeft in de sacristie van een protestantsche kerk te Zwolle, eene mededeeling, welke later nog aangevuld wordt met de opmerking, dat de relieken tot het jaar 1809 in de Sint Jozefskapel verbleven, maar in genoemd jaar, toen dit gebouw werd afgebroken, naar de protestantsche Sint Michiel zijn overgebracht, waar zij nog zijn.
Tegenover deze bewering stel ik mijne pertinente ontkenning. De relieken van Thomas a Kempis zijn nooit in zenzprotestant-
390
sche kerk geweest; zelfs in 1672, toen zij werden opgegraven, werden zij niet in een der Zwolsclie kerken bijgezet, zelfs niet in de groote of St. Michielskerk — die destijds weder door de Katholieken gebruikt werd — maar „de Hoochweerdichste Cheur-vorst van Geulen — aldus de Aartspriester Arnold Waeyer\') — onder wiens leiding de opgraving geschiedde, [heeft ze] voorts door zijn commissarius heer Meringh in mijn Capelle, St. Jozef toegeygent, doen brengen, om hier te sullen verblijven ende wel bewaert worden, also datter niet vervreemt noch verstrooyt en souden wordenquot;.
Over deze opgraving heeft Waeyer ons in zijn dagboek eene uitvoerige beschrijving nagelaten, van welke twee door den schrijver eigenhandig vervaardigde afschriften bestaan, die thans in eigendom toebehooren aan de parochie van den H. Michaël te Zwolle. Deze beschrijving is getiteld en luidt aldus:
ATTESTATIE
Van \'t vixden deb Gebeenten van den Godisaligen Thomas van Kempen op S. Agnieten-Bergh, oft gemeïnlyck Bebgh-Cloosteb genoemt, by Swolle, op den eebsten Augustus, ouden stijl, in \'t jaab onzes Heeben 1672.
lek oudergeschreven attesteere midts desen, dat dese de lleliquieu syu van den Godtsaligen Thomas van Kempen. Tot bevestinge dor Waerheyt conneu dese navolgende Redenen en Ken-teyekeneu dienen.
Eerstelyck: Yind\' ick in de Chronycke der Ganonycken Regulieren van S. Agnieten Bergh, pag. 137, dat hij Thomas,, in transitu orien-taliquot;, dat is: in den Trans oft Pandt ten Oosten begraven licht.
Ten andereu; heb ick dickmaels van een Eerw. Priester ende een gelecrt Man, Licentiaat in de Godtheyt, met nameu Volquerus
!) In zijn: Atteslutie van het vinden van het Gebeente van den Godtsaligen Thomas a Kempis (gedrukt bij Mooren, Nachrichten etc.). Eene Latijnsche vertaling van deze attestatie bij Amort: Deductio critica, p. 322.
391
Herckiugc, die, uaci\' dat hij alhier te Swolle 44 jaren Pastoor hadde geweest, den 22 November in \'t jaar 1002 gestorven is, geLoort, dat dieu Godtsa; Man Thomas van Kempen seven voeten in den Trans oft Pandt ten Oosten, van de ehoor-dcur af te meten, begraven lach, \'t welek niemant ter we feit en wiste, dan iek alleen.
Oversulx, naer dat nu aldaor door last van den Doorluehtichsteu en Hooghweerdichsten Heer Maximilianus Henricus Cheurvorst van Geulen om de Reliquien van desen Godtsa: Man te sore keu, omtrent drie weeekeu langh gegraven was eude de arbeyders by naer aeu syn grafstede gceomen waren, gingh ick dacr op staen, seggeude: soo ghij Hem hier niet en vindt, dan en behoeft ghij niet meer te soeeken; want myn reden hier van was de bovengemelte aeuwysingeu.
Hierna, te weten op den eersten Augusti, synde douderdach, syn de gemelte lleliquieu ofte gebeenten van ons gevonden, maer wij en dorsten deselve niet elevereu eude opueuien souder keuuisse eude commissie van den geiuelteu Doorluchtichsten Heer. Oversulx dese ougeroert gebleven syn.
Als wij nu te Swolle wederom geconien waren, is dit vinden syu Doorlueht bekent gcmaeckt, die tersout ordre dede geven, datter twee mijters noch densclven avondt derwaerts gesonden syn, die dese Reliquien liggende noeh in haer rust-plaetse bewaeckt ende bewaert hebben.
Op den derden Augusti, synde saturdach, syn wy naer dat wy van syn Doorlucht met volle commissie, last ende bevel gemachticht waren na S. Agnieten Bergh gegacn eude hebben aldaer de gevonden rust-plaetse van den Godtsal: Thomas van Kempen geopcut, ende eeu seer schoon gheraemte gevonden, zóó wel in ende aan malean-deren gevoceht eude geschiekt, dat men daar af outset eude be-weeeht was.
Syn hooft lach op torven soo goet ende gheef (ghelyck se noch te sien syn) als oftse eerst gegraven waren; eude het was ter rechter sydeu op de aerde gelegen, waer door dese rechter syde des hoofts een weynieh geschouden is; syne tandeu, noch wit syude, haddehy alle in \'t bovenste syns monts, maer door \'t aonraecken vielen dei-twee oft drie uyt. Syne handen lagen noch Cruys-weges, te weten: de rechter over de slincker hant, hebbende uoch alle vingers aeu
392
de handen ende de tienen aen de voeten; maer de ribben ende schouder-bladeren waren vergaen. Hij haddc noch een stocltieu [stooltje] om den hals tot de schouders toe; de rest hiervan was vergaen.
Waer uyt noch meer andere redenen ende kenteykenen ontstonden, want;
I. Lach deze gheracmte van de choor-deur, wiens fundament noch tegenwoordich licht ende soo vast gemetselt is, datse met brcek-ysers soude moeten gebroken worden, seven voeten, soo de voorseyde over-levcringe oock mcldet. ïreeke hier aen de vasticheyt der choor-deureu fondament, omdat aen de seven voeten met meten niet te misten en was ende daerom ooek tusschen beyden soo net uyt-kwamen datter niet een stroo-brete aen en scheelde.
II. Hy was de alder-naeste by \'t choor liggende als de wecr-dichste van alle de andere, die ooek in de selve Trans oft Pandt lagen, ja, dat noch meer is, nooyt en isser yemant in desen Trans naerder by het choor begraven geweest als dese Godtsal: man. Soo lichtelyk te bewysen is:
Want desen gantschen Trans oft Pandt door eost men volcome-lyck weten, waer dat ooyt eenige graf-steden geweest syn ende dat uyt zwarte strepen ende linien, die sich daer in \'t sandt vertoonden, hebbende de gelyckheyt van een tombe ofte dood-kisto, sooveel iiaer langhde ende breete belanght; want men sach daer claerlyck twee lange swarte strepen ofte linien ende twee corten naer de groote als de doot-kistc geweest was; weleke twee strepen ofte linien, soo men oordeelde, van \'t lyck der doot-kisten plancken ver-oorsaeekt waren; weleke strepen ofte linien tusschen [H] choor ende syn gheraemte niet en waren ende diensvolgens hij als de alder-weerdichste naest bij \'t choor begraven is.
III. Hy lach seer diep begraven met syn voeten onder \'t fundament des Trans, soo wen aen dc andere niet en sach, ter oorsaecke dat hy er niet lichtclyck opgegraven ende uytgehaelt en soude worden.
IV. Leest men in syn leven dat hij onder de middelmate van stature geweest is; dies is hy alldaer gemeten ende drie vinger breet
393
corter als ses voeten, syudc de middelmact vau der meuschefl stature bevoudon \').
V. Is de reden, wegen de costelyckheyt van syn gemelte stoeltien: Gerardus Gortbeen, den tweeden naest hem liggende, hadde oook noch een stuckjen van een stoel om syn hals, maer was van grof laken; maer de syne was van wit-satynmet swarte bloemties, welcke den Hoogh-gedachten Cheurvorst van Geulen voor sy[n] selven gehouden ende medegenomen heeft.
VI. Is aenmerekens-werdich datter schoone bloemties gevonden syn, niet verspreyt maer t\' samen in een bossehien gewassen, die alsoo fraey eierlyek ende bloeyende waren als de bloemen in \'t saysoen des Mays kennen wesen.
Dese bloemties, als gewortelt in den enekel van den slincker voet binnen beens, waren omtrent een voet hooeh recht opstaande gewassen synde van colour wit, root ende geel, welcke ik met mijn rechter bant daer uyt te gelyck getrokken hebbe.
Sy waren thien voeten met de aerde, ick segge met sandt bedeckt, want dit gedachte clooster op eenen sandt-bergh S. Agnictcn toe-gewijdt gelegen was, welck sandt soo dicht, stijf ende vast in een gehecht, bekleeft ende gesloten was, dat het met grooten arbeyt ende moeyte daer uyt moest gegraven worden.
Ende dacrom worden dese schoone bloemties by de Wyssen voor \'t grootste Mirakel-teyeken gehouden, midts haer de sonne niet beschijnen en coste.
VIL Vondt men alleen ende nergens anders leem in syn grafstede waermede de kiste tot een langer ende beter bewaringe syns lichaeras rontsom bestreken ende beleemt was.
VIII. Hier comt noch by dat de gemelde Chronycke seght: pag. 137: dat hij Thomas van Kempen ad latusfratris Petri Herbert: ter syden ende oock naest frater Peter Herbert cenen diaken begraven is.
Desen Petrus Herbert, soo de selve Chronycke secht: pag. 135: was cleyn van persoon ende soo teer van complexie ende natuer, dat hij de gesette regelen niet en coste onderhouden.
^ „Infra mediocritatcmquot;: P. Herb. Rosweyde, Vindic. p. 115.
394
Aengaende syn grafstede, sj\'iide nacst dcu Godtsal: Thomas vau Kempen, voudt men wel de keii-tcyokeuen vau een kiste, te weten: swarte strepen ofte linieu in \'t sandt, hebbende de gelyckheyt van een doot-kisto, maer een leege plaotse; soo dat descn diaken Petrus Herbert vegen syn teeriieyt ende swaoklieyt des licliaems geheel vergaen was sender yet van hem te vinden.
Desgelijoks seelit de selve Chronycke: pag. 130: dat descn Petrus Herbert begraven is „ad latus fratris nostri Gerardi Cortbeenquot; (soo deu Godtsal: Thomas van Kempen in deze syne chronyek selfs sohryft) ter syden vau onsen frater Gerardus Cortbeen.
Dewelcke is geweest een priester te Harderwyek geboortich, vroom ende sterek, quia erat homo fortis et aptus ad communes et graves labores. Ibid. p. 134.
Syn gheracmte vondt mcu uaest de leege placts, daer Petri Herberts grafstede was, hebbende noch een stuckien van een stoel, syndo van grof laken, om syn hals; ende men costc aon syn gebeente wel sien, dat hy een groot, robust ende sterek man geweest was, eude dien volgens bequaom, om in den ooghst ende des winters hout te houwen eude andere gemeyne sware werekeu te doeu.
IX. lek hebbe Veram Effigiem ïhomae a Keinpis iu mijn capellc hangen, waer op \'t cranium vau dese syne gheracmte seer wel ge-lyckende is.
Uyt alle dese voors. redenen ende keuteyekeneu can mengenoecli sluyten, dat de boven gemelte ghebecntcu syn van dcu Godtsal: Thomas van Kempen.
Welckc ghebceuten noch seer ordentelyck ende vast acu ecu gevoecht eude gehecht waren, maer syu hier tor plaetse op den 3 Augusti deses jaers, in de tegeuwoordicheyt van den Hooghwecr-digen Domheer ende syns Doorluchts Commissarius Heuderisus Meringh, Doctor der bcyder Hechten, heer Emanuel van Tweuhuysen, Doctor dor beyder Hechten ende scholte van Swollc, Pater Eranciscus Corlui, Casparus Evcrardus Sclirieck, bcyde Paters der Canouickcu Regulieren, alsoock van my hier onderschreven ende meer andere, eerst van P. Corlui, maer dese flaeu werdende voorts van P. Sclirieck uyt malcanderen genomen.
Hierna syn dese gebeenten van desen Godtsal; man uyt syu rust-
395
plaetse, clacr hy twee houderdt jaren en eene gelegen eude gerust liadde, eerwcerdelyck opgcnoiuen iu een earosse geset eude tot binnen Swolle gebracht.
Weleke voorts den voornoemden Doorluolitichsten ende Iloog-weerdichsten Clieurvorst van Cenlen door syn gemelten Commis-sarium Heer Meringh in myn capelie, S. Joseph toegeeygent, heeft doen brengen, om hier te sullen verblyven ende wel bewaert worden alsoo datter niet vervremt noch verstrooyt en sonde worden.
Soo syn Doorlucht pcrsoonelyck my selfs in \'t wegh-reysen uyt Swolle secr scherpelijck belast ende bevolen heeft.
Gevende tot dien eynde bevel ende last aen desen synen comniis-sarium Dom-heer Meringh, dat hij hier toe een costclycke ende eierlyeke tombe sonde laten maeckeu om daer de meer-gemelte Reliquien ofte Gebeenten van dien Godtsal; Man in te leggen oude te bewaren.
Gelyck oock geschiet is; want ick selfs hebbe op den 29 Juni synde den feest-daoh der H. Apostelen S.S. Petri ende Pauli 1074 de groote Gebeenten in dese tombe geleyt ende de clcynstc in eene van die daer ingezette laykens.
Mitsgaders oock in \'t auder laeyken, boven op dese staende, heb ick geleyt eenige synder tanden, een stuxken van syn cappe, eenige verdorde bloemties, die omtrent syn enckel binnen-beens des sliuckcr-voets wiessen, twee torven, die onder syn hooft lagen, nagels synder doot-kiste ende leem, daer sy van buyten rontsom mede beleemt ende bewaert was; want alle dese daerby mede gevonden syn.
Om syn grafstede ten allen tyden wederom te connen vinden, synder, terstont naer \'t opnemen syner gedachte Gebeenten, tot geloof-weerdicheyt twee graeuwe steenen, t zij van de kereke ofte elooster, d\' eene aen \'t hooft-eynde ende d\' ander aen \'t voeten-eynde geleyt ende met de aerde ofte sandt bedeckt ende gevult.
Verklare alles, soo ick selfs met myn eygen hant hier boven geschreven hebbe, voor Godt ende de Werelt, waerachtich te syn.
Oirconde myn eigen onderteyekeninge, Abnoldus Waeïek,
Pastor, Filiusque Swollensis,
verus ocularis testis.
390
Op de keerzijde van dit blad schreef de opvolger van pastoor Waeyer, Joannes Daniels, deze
NOÏA.
Omdat do een lade bij verdragen afviel van de ander op het cranium, soo isser een uytgenomeu en dat dat dacr iu was in de ander gedaen, die in de tombe is.
Joan. Daxiels, Successor domini Wayeri \').
Op het laatste blad schreef pastoor Waeyer nog de volgende bijzonderheden:
Postquam Reliquiae Pii ïomae a Kempis mihi in custodiam traditae et in saeello meo colloeatae suut miracula scquentia ejus Pa-trocinio ad dietas Reliquias facta attestor.
Anno 1074 tempore aestivo Virgo devota, eujus niauus dextera aliquo tempore arida omnique motu ac dolore destituta atque a ebirurgis derelicta erat, vovit (ubi pins Thomas a Kempis a sancta Ecclesia in Sanctorum numerum relatus esset) veile se annuatim „syn Avondt-vasten ende synen Heyligen-daeh vierenquot;, hoc est: in ejus profesto jejunare et festum ipsum confessione ac piis exercitiis sine servili opere eelebrare; ast illo nondum Sanctorum numero adscripto id peragere non potuit. Haec virgo tamen, sub meo regimine existens, iu eadem intentione perstitit; interim facta confessione ac sumpta S. Eucharistia, sedens coram ejus tumba, votum, quo ante se obstriuxerat, die 0 Novembris innovavit et eonvalcsccre cocpit et brevi tempore sanitati restituta est; adco ut hae suis omnibus ofliciis fungeretur sicut altera, qua nunquam manca fuerat.
Praeterea varias personas dolore dentium laborantes ejus patrocinio liberatas comperi.
Insuper in sacello meo suavissimus odor, aliquoties a variis et fide dignis utriusque sexus, imo et iu congregatione more nostro habita perceptus est.
Ita quoque attestor,
Arjjoldus Waeyeii.
\') Deze aanteekening werk niet opgenomen.
van pastoor Daniels heeft Moeren in zijn
397
Ook Pater E. van Schrieck, van wien Waeyer\'s handschrift melding maakt, stelde een proces-verbaal op van de wedervinding en opneming van onzen Thomas van Kempen \'). Hij had eene gelofte gedaan om, wanneer het lichaam mocht gevonden worden, zoovele H. Missen te lezen, als er letters zijn in deze spreuk: „Overal heb ik rust gezocht, maar nergens gevonden dan in een hoekje met een boekje: In omnibus requiem quaesivi et nusquam inveni nisi in angello cum libello.quot; Hij had het geluk het te vinden en volbracht zijne gelofte.
„Groot was aller vreugde en heerlijk het gejubel, toen met eerbiedige hulde dat dierbaar overschot, op een wit laken gelegd, in een prachtig rijtuig naar Zwolle vervoerd werd, vanwaar eene groote menigte volks kwam toestroomen, om in feestelijken optocht den stoet te vergezellen. Men hield stand bij het huis van de familie van Twenhuyzen, waar het werd bewaard tot den avond en alstoen overgebracht in de huiskerk van den pastoor de Waeyerquot; \'O-
Bij het sluiten van den vrede en het vertrek der Munstersche troepen bleven de relieken in de St. Jozefs-kapel onder de hoede van den aartspriester, pastoor Waeyer. Bij zijn vertrek uit Zwolle gelastte de keurvorst den pastoor „seer scherpelijckquot; de kostbare overblijfselen zorgvuldig te bewaren, „ende daeraf niemant geven oft minste mededeylenquot;.
Die lastgeving heeft Waeyer stiptelijk volbracht, niettegenstaande hy van verschillende zijden, bij herhaling, werd lastig gevallen en geprest, om althans een gedeelte van het gebeente af te staan.
De eerste, die bij den Aartspriester stappen deed, om de relieken te bekomen, was de toenmalige Prior van het Hegulieren-klooster Groenendael bij Brussel, die van den Apost. Vicarius, den Bisschop
\') Een extract van dit proces-verbaal bij Moeren, S. 279. 2) Aldus de hierachter uitvoeriger besproken brochure : Oe twee-honJerdjarige Gedenkday.
398
van Castorië een brief had weten te bekomen, waarin deze den Zwolschen pastoor mededeelde, dat het hem zeer aangenaam zou zijn, zoo Waeyer kon goedvinden, althans een gedeelte der relieken aan den Groenendaelschen Prior af te staan, opdat „dien H. Man int geselschap syner Broederen soude rustenquot;. Pastoor Waeyer zelf verhaalt ons in zijn Dagboek:
„Twee Reguliers hebben mij desen brief van syn Hooghweerden behandicht, versoekende, dat den inhoudt deses briefs voldaen moghte worden; sy hadden by haer lieer Sonimer ■), die my hierover seer lasticli viel, willende dat men hier in syn Hooghweerden van Cas-torien moeste verplichten; ende hij bracht my soo verre, dat ick hem verwilliehde een Gebeente te sullen hebben, ende hiermede waren sy niet tevreden, maer wilden de geheele Gheraemte hebben sullende my een gebeente laten. Ick, naer haer wegh-gaen, comende by my selfs, was \'t my leet, dat ick hen soo veel haddc toegestaan, soo dat ick een besluyt maeckte, hen oock geen Gebeente te sullen geven.
Daeghs hiernae quaemen sy wederom, om de gemclte Geraemte te willen hebben, ende waren verwondert, dat ick hierin weygeraehtieh was, omdat my syn Hooghweerden bevolen haddc sulex te sullen doen. Gaf hen tot antwoort, dat den heer Ceurvorst van Geulen de gedaghte Reliquiën in mijn eapelle gesonden haddc, om daer verwaert te worden ende my oock in \'t wegh-gaen uyt Swolle scherpelijk bevolen haddc, dat ick deselve wel soude bewaren, ende daer-af niemant geven oft minste mededeylen; soo dat sy onverrichter saken wederom vertrocken synquot; 1).
Twee jaren na de mislukte pogingen der Groenendaelsche Regulieren werd Waeyers standvastigheid andermaal op de proef gesteld. Nu was het de Keurvorst van Keulen zelf, die, in strijd met zijn vroeger aan Waeyer gedane lastgeving, den Aartspriester wilde bewegen om de relieken aan de Reguliere Kanunniken van
1
) Dagboek v. Waeyer, blz. 404.
399
Keulen af Ie staan. Leonardus Ingenrae, kapelaan-eleëmosynier van den Keurvorst, Kanunnik van de collegiale kerk te Bonn, schreef den 24 Augustus 1679 aan Waeyer en verzocht hem de relieken tegen een ontvangbewijs aan genoemde Reguliere Kanunniken ter bewaring te willen toevertrouwen, tot tijd en wijle betere tijden zouden aanbreken, die een terugvoeren der relieken naar Zwolle mogelijk zouden maken.
Waeyer had niet de minste genegenheid om naar het „soet gefluyt van den vogelaerquot; te luisteren; hij nam den brief voor kennisgeving aan en teekende in zijn dagboek bij het afschrift „in marginequot; aan: „niet beantwoortquot;.
Een zelfde lot wedervoer den reedsgemelden Bisschop van Gastorië, Joannes vas Neerkassei, die in 1683 nogmaals een poging waagde ten gunste der Groenendaalsche Kanunniken. „Pater Soly, — zoo luidt het ineen Latijnschen brief, dien de Bisschop den 1 Juli 1683 aan Waeyer richtte — Prior van Groenendael buiten Brussel, verlangt vurig een gedeelte der relieken van Thomas a Kempis; mocht u aan dit verzoek willen voldoen, dan bewijst u daarmede tevens den Keurvorst van Keulen een grooten dienst. Daar binnen weinige dagen de Prior zelf naar Zwolle komt, of anders een zaakgelastigde van zijnentwege, zou ik gaarne spoedig van u vernemen, of u geneigd is aan zijn verlangen te voldoen, dan wel van meening is, dat er geen termen bestaan, om hierin genoemden Prior ter wille te zijnquot;.
„Hierop — zegt Waeyer — sal ick mijns dunckens niet ge-antwoort hebben, omdat ick van sints niet en ben, om eenige gebeenten van dese H. Reliquiën te misten ende te vervreemden, gelyck my syne ceur-vorstelycke Doorluchticheyt van Geulen selfs in syn wegh-reysen uyt Swolle bevolen heeftquot;.
Gelukkig bleven de Munstersche troepen niet lang te Zwolle. Had de bezetting eenige jaren langer geduurd, de Reguliere Kanunniken waren zonder twijfel naar hun klooster Bethleem te Zwolle teruggekeerd. Zooals blijkt uit de hierachter als bijlage opgenomen
400
stukken, hadden zü in vereeniging met de pastoors, den adel en de burgerij van Zwolle in dien geest reeds stappen gedaan bij den Heiligen Stoel. Waren zij teruggekeerd, dan zou hetWaeyer wel niet mogelijk zijn geweest de relieken te behouden. De Kanunniken zouden ze ongetwijfeld hebben opgevraagd en verkregen en, na het vertrek der Duitsche troepen — bij de hernieuwing van den ouden slaat van zaken vóór de Fransch-Duitsche invasie — naar een hunner kloosters in veiligheid gebracht hebben-
Over de verdere lotgevallen der relieken worden ons eenige belangrijke bijzonderheden meegedeeld in een artikel, bij gelegenheid van den tweehonderd-jarigen gedenkdag der opgraving van Thomas\' gebeente, in de Nieuwe Uselbode opgenomen ).
„In latcren tijd — zoo verhaalt de ongenoemde schrijver — schijnt men niet zoo angstvallig meer geweest te zijn, althans verhaalt wijlen de Hoog Eerw. Heer van Kessel [Deken van Zwolle] in een schrijven aan den Heer J. Mooren, dat tusschen 1820 en 1830 een Doctor Medicinae, tengevolge van een bijzonder onderioek verklaard had, dat van het Gebeente nog slechts de linkerzijde aanwezig was. Waar de beenderen der rechterzijde gebleven zijn, is onbekend. Ten jare 1847 verklaart Dom Pitra van de orde der Benedictijnen, uit de abdij van Solesmes, die toenmaals in ons land eene wetenschappelijke reis deed, dat aan hem door den pastoor gegeven is „maxillam tribus dentibus imbutam: het kakebeen met drie tandenquot; 1).
1
) In zijn La Hollande Catholique (pag. 121, Paris 1850) zegt Dom Pitra: „A Zwolle j\'ai eontemplé les restes d\'a Kempis avec un tel empressement que 1\'on a bien voulu m\'aecorder un fragment insigne de sa depouille mortellequot;. Na ontvangst van het kostbare geschenk gaf Dom Pitra aan pastoor Tempelman deze verklaring af: „Ego infrascriptus monachus professns c congregatione Gallica ord. S. Benedicti attestor aceepisse a. llevdo. Do. Tempelmann partem
401
Alsnu zijn nog aanw ezig in de reliquiënkast door den Keurvorst van Keulen geschonken de beenderen der linkerzijde (wanneer namelijk het oordeel van don evengDnoemde geneeskundige juist is) het geheele hoofd, de halve kinnebak met één tand, de wcrvol-beenen van den rug, — eenige stukjes klei, waarmede de doodkist bestreken was, eenige brokjes turf, waarop het hoofd gerust had, eenige stofjes kalk, de steeltjes der bloemen, die uit den linkervoet gegroeid waren, en nog iets van de stolen en dan nog de beenderen der rechterhand. De beenderen liggen in de kist naast elkander; het hoofd echter in een bord-papieren doos; de rechterhand in een spanen-doosje, terwijl de bloemensteeltjes en het stukje van de stolen in papier gewikkeld zijn.
De kist werd tot in 1S09 bewaard in de huiskerk iu de Spiegel-stecg en toen overgebracht naar de Michaels-kerk, waar ze thans nog te zien zijn. Bijzondere eer of hulde is nooit aan het stoffelijk overblijfsel bewezen, ofschoon Pastoor de Waeyer l) twee daadzaken vermeldt, die op de aanroeping vau Thomas zouden gebeurd zijn en welke, zoo zij al niet als wonderen moeten gelden, zeker toch als wonderbaar te beschouwen zijn: si non miracula saltern mirabilia.
Misschien heeft men wel te lang die kostbare overblijfselen van den grooten Thomas a Kempis verborgen gehouden, afgesloten in een kist op eene plaats, waar niemand ze zoeken zoude. Zeker leeft en blijft hij leven, de man, die zijne vereerders telt bij millioenen; hij leeft en zal blijven leven door zijne geschriften; maar hij kon en moest ook meer zichtbaar leven onder ons, vooral iu de stad, waar hij geleefd en gewerkt heeft.quot;
Zooals uit deze mededeelingen blykt, is na den dood van pastoor Waeyer een gedeelte der relieken naar elders overgebracht; althans er bevindt zich thans in de reliekenkast een kleiner aantal beenderen dan er oorspronkelijk in waren, \'t Is wel niet waar-
ossium pii servi Christi Thomae a Kempis, maxillam nempe tribus dentibus imbutam in Abbatia nostra Solesmensi tuto et pie perren-niterque asservandam. Tester J. A. Dom Pietra ord. S. 15ened. Zwollae, 10 Sept. 1847quot;.
\') De anonieme schrijver spreekt steeds van pastoor „rle Waeyerquot;; zijn eigenlijke naam was echter Arnoldus Waeyer.
28
m
schijnlijkj dat de nazaten van den vurigen vereerder van Thomas den schat, dien Waeyer noch aan den Aartsbisschop-Keurvorst van Keulen, noch — niettegenstaande het herhaalde verzoek van zyn Bisschop — aan de ordebroeders van den Agnietenber-ger wilde afstaan, dat de opvolgers van pastoor Waeyer zoo weinig piëteit zouden gehad hebben, dat zij een gedeelte der relieken zouden geschonken hebben aan eene protestantsche kerk.
Nogthans, hoe onwaarschijnlijk ook, de mogelijkheid bestaat en daaruit volgt, dat Jhr. Salvador inderdaad in eene protestantsche kerk eenige relieken van Thomas kan ontdekt hebben, — ofschoon ook in dit geval zijn bericht, dat hij daar den schedel van Thomas gemeten heeft, nog wel een nadere toelichting behoeft. Immers blijkens het zooeven meegedeelde, rust het hoofd van Thomas in de katholieke St. Michaël; nu is het wel waar, dat de schrijver der Navolging een uitstekend hoofd had, maar dat hij onder de „bicephalenquot; gerangschikt moet worden, schijnt mij een wel wat al te gewaagde bewering.
Om hieromtrent zekerheid te hebben, wendde ik mij tor. den Weleerw. Zeergeleerden Heer J. Vermeer Azn., Predikant te Zwolle, met verzoek mij wel te willen berichten, of te Zwolle in een der protestantsche kerken ook eenige relieken van Thomas a Kempis bewaard werden. Na een nauwkeurig onderzoek ingesteld te hebben, antwoordde Ds. Vermeer mij den 25 Mei j. 1.:
„Naar aanleiding uwer missive van 11 dezer heb ik de eer u te antwoorden;
Dat voorzooveel ik heb kunnen nasporen (en ik weet niet dat één hoekje der St. Miehiel, der Bethlehemsche en der Boerenkerk van mij niet onderzocht is geworden) geen deel der gebeenten van den nu zaligen Thomas a Kempis in eene van de drie genoemde kerken bewaard wordt.
Wel bevond zieh in de (voormalige) Sacristie van de St. Michaël-kerk eene eikenhouten kast in den muur gemetseld, volstrekt niet sierlijk; maar zij was geheel lediff en bevatte niets bijzonders. Ik heb altijd verondersteld, dat zij, na de Reformatie, eerst daarin geplaatst
403
was, wellicht om het Avoudmaals-scrvies daarin te bergen; trouwens zij had niets van een relieken-kast.
Trouwens pastoor Arnoldus Waeyer zou dat gebeente in geen protestantsehe kerk geborgen hebben, eu had hij \'t in 1072 gedaan, hij zou er wol voor gezorgd hebben, dat het daar niet gebleven ware.
Jhr. Salvador heeft zieh mijns inziens wel vergist.quot;
Inderdaad, dat heeft hij en meer dan dat. „Errare humanum estquot;, maar over zulk een groot man als Thomas a Kempis en dan nog wel op zulk een magistralen toon te durven schreven, zonder zich eerst voldoende op de hoogte der zaak gesteld te hebben, is eene daad, die, mijns inziens, niet zonder protest mocht blijven.
Het gebeente van den vromen Agnietenberger rust nog steeds in de katholieke St. Michaël te Zwolle. Toen in plaats van de oude waterstaatskerk in de Nieuwstraat, door de onvermoeide zorgen van den ijvervollen Herder, den Zeer Eerw. Heer N. A. van Balen, in de onmiddellijke nabijheid der oude kerk ter eere van den H. Aartsengel een schoone gothieke tempel was verrezen, welke met zijn slanken, rijzigen toren een der meest monumentale gebouwen van Zwolle uitmaakt, werd aan het stoffelijk overschot van den groeten Kempenaar in de sacristie van de nieuwe kerk een voorloopige rustplaats gegeven. Daar heb ik, nog slechts weinige weken geleden, met eigen oogen mij kunnen overtuigen, dat alles zich nog in denzelfden toestand bevindt, waarin het verkeerde toen in 1872 de hierboven aangehaalde brochure: De tweehonderdjarige Gedenkdag enz. geschreven werd.
De „costelycke ende cierlyeke tombequot;, welke naar het verhaal van pastoor Waeyer door den Keurvorst van Keulen geschonken werd, is, helaas, zwaar beschadigd. Van de engelen-kopjes, die oorspronkelijk de vier bovenhoeken der kist versierden, zijn er twee afgevallen en het geheel — waarom het verzwegen — ziet er vervallen uit: deze sarkophaag is den grooten man zeer zeker onwaardig.
404
\'t Wordt meer dan tijd, dat Thomas a Kempis de eer ont-vange, waarop hij ten volle recht heeft, eene eer hem al le lang onthouden, dat zijn gebeente worde bijgezet in eene hem waardige tombe en boven zijn graf een monument verrijze, dat getuigt van onze diepe vereering voor den man, die door zijn onnavolgbaar schoone en verhevene Imitatio niet alleen zich zelf maar ook ons vaderland met onsterfelijke glorie gekroond heeft.
„Wie daarvoor sympathie gevoelt moge het doen blijkenquot;, schreef Mr. van Doorninek in 1881, en zijn woord vond weerklank. Na het verschijnen van de reeks van werken door Zwolle\'s geleerden pastoor, wijlen den hoogleeraar Mgr. O- A. Spitzen, aan de handhaving van Thomas\' rechten gewijd, vormde de kanunnik van Wolvega, de Hoogeerw. Heer L. B. Mulder, in overleg met eenige vereerders van den schrijver der Imitatio, eene commissie van voorbereiding tot verwezenlijking van het plan. reeds jaren geleden ontworpen en herhaaldelijk besproken maar telkens weer opgegeven: de oprichting van een monument ter eere van Thomas a Kempis. Dank zij den volhardenden ijver van Kanunnik Mulder, die hoe hoog bejaard ook nog altijd beschikt over de frissche krachten der jeugd, is de commissie thans zoover gevorderd, dat aan het plan reeds een begin van uitvoering is gegeven door het uitschrijven eener prijsvraag voor een gedenkteeken, dat ter eere van Thomas a Kempis in de nieuwe St. Michael te Zwolle zal worden opgericht.
De oprichting van het monument is dus verzekerd, maar met recht heeft de commissie verklaard, dat zij er zeer veel aan hecht dat plan uit te voeren op eene wijze, die de nagedachtenis van den schrijver der Imitatio waardig zal zijn. Daartoe nu zijn de ingekomen bijdragen niet voldoende; wie dus sympathie voor deze schoone zaak gevoelt — en welk Nederlander, welk katholiek Nederlander vooral, zou dit niet — haaste zich op klinkende wijze daarvan blijk te geven, opdat spoedig glansrijk moge ver-
405
goed worden wat Nederland eeuwen lang ten opzichte van den grooten Agnietenberger verzuimd heeft \')•
Kampen. B. P. Velthuijsen, Pr.
\') Volgaarne verecnigt de redactie van De Katholiek zich met dezen wenscli van den Eerw. Schrijver. Uit het rondgezonden Programma voor den wedstrijd — dat gratis verkrijgbaar is bij den secretaris der jury (W. B. G. Molkenboer, Vossiusstraat 50, Amsterdam) — voegen wij daar nog bij, dat de gelegenheid tct inzending van ontwerpen open blijft tot 15 Januari 1S95. Over aard en stijl van het gedenk-tceken (Ncderlandsche stijl van de vijftiende eeuw) alsmede over de voorwaarden van den wedstrijd geeft het Programma volledige inlichting. Er zijn twee prijzen uitgeloofd; een van duizend en een van vijfhonderd gulden. De jury bestaat uit do navolgende leden: Dr. II. J. A. M. Schaepman, Voorzitter; Dr. P. J. H. Cuypers; Ad. Delvigne; G. TV. van Heukelum; Nic. Molenaar; Jhr. Mr. Victor de Stuers en W. B. G. Molkenboer, Secretaris. Intusschen worden aanvullende bijdragen voor het gedenkteeken, dat op die wijze een kunstrijke en alleszins waardige hulde belooft te worden, in ontvangst genomen door den penningmeester der commissie, den Z.Eerw. Heer W. E. Weitjens, Pastoor te Joure (Eriesland). Moge de deelneming de verwachting nog overtreffen.
noot van de kedactie.
BIJLAGEN %
A.
Dagboek van Aenoldus Waeyer, pastooe te Zwolle, blz. 390 (1672 Jülij).
Dcu 30 dezes Lebben de Canonieken-Regulicren van ons, soo Geestelyeke als wercltlycke, Getuigeuisse der waerheyt versocht, om
2) Hier volgen als bijlagen, behalve het reeds gemelde verzoekschrift ten gunste der Reguliere Kanunuiken, twee brieven aan pastoor Waeyer gericht, welke op de relieken van Thomas betrekking hebbeu.
40G
desen naci\' llomcu tc seudcn, ten cyiulc datse hier iu haer cloostci\' lietlileeiu mogliteu herstelt worden, luydende aldus:
Eminentissimi et Reverendissimi Patres, Domini Clementisümi!
Nos Pastores, Nobiles ae Cives urbis Swollae in Provineia Trans-isalana Diooesis Ultrajectensis infrascripti hie attestamur. Nobis et Coueivibus uostris antiquitus notum esse, quod Canouiei Regulares ordinis S. Augustini quondam Possessores Monasterii Bethleem nuneupati et ejusdem ïempli non aliter quam ob Fidem Catholicani ab Ilaeretieis Calviuistis ex hac civitate Swollana expulsi sint circa Annum 1580.
Jam autem cum singulari dementia divina armis Catholicis haec nostra Civitas illis erepta sit, hinc nos ac communitatem nostram ex animo dcsidcrare et anhelare redituni ac restitutioncm corundem Canonicorum Regularium in praedictum Monasterium licet destruc-tum et Templum nnicuni illis sujierstes in tota Provineia snpradicta, iu vencrationeiu Piissimi Patris ejusdem Ordinis ac Servi Dei Thomae a Kempis, qui Suburbiis nostris ad S. Agnctis Montem exemplaritcr vixit, devote scripsit ac tandem mortuus et sepultus jaeet.
Propterea humiliter supplicantcs Eminentias vestras, ut authoritate a Sanctissimo Domino nostro Papa Clemente decimo sibi coneessa inhibere non graventur, ne a quibuscunque aliorum Ordinum lleligiosis sivc Regularibus sivc non llegularibus, in Societate quomodocunqne nuneupata viventibus, praedictum Canonicorum Regularium Monasterium Bethleem nuneupatum quamvis destruetum et Templum adhuc integrum annexosque reditus oecupare queaut sive illis a quibuscunque Superioribus assignari. In quorum fidem haec subsignavimus. Datum Swollae, 30 Julii 1672.
Van dese gemelde Heeren geeft den Heer Leouardus Ingeurae, Capellaen van den Doorluclitighsteu Cheurvorst van Ceulen, dese getuygeuisse:
Eminentissimi et Reverendissimi Patres, Domini Clementissimil
Ego infraseriptus ad veritatis testimonium dandum voeatus fidem faeio supradictos llevereudos Dominos esse Pastores et reliquos Illustres Consultissünos et Magnificos Incolas ac Cives Civitatis Swollensis sitae in Provineia Transisalana ct unperrime felicibus Sercuissimi Principis Electoris Colonicnsis et Principis Monastericnsis
407
amis occupatac; quod attestor cum soliti mci ct proprii sigilli appo-sitioue et manuspropriae subscriptiono. Swollac, 30 Mensis Julii 1672.
Lconardus Ingenrac, Prothonotarius Apostolicus, Ai-chidiaco-nalis collegiatae Bonncusis Canouicus, Sorcnissimi ac Reverondissimi Archiepiseopi ac 1\'riucipis Electoris Colo-niensis Sacellanus Major, Elecniosynarius ac sacrarum Caeremouiarum Magister.
B.
AllCHIEF VAN DJ3 1\'AllOCHIE VAN DEN H. MlCHAEL
te Zwolle.
Admodum Reoereude et Amplissinie Domine Pastor!
Simul atque rcdii mox tros Ducatou. deposui ad mauus 11. P. Lcctoris. Nequivi citius gratias agcrc, quod statim mo febris locto affixcrit, quacum adluic conflictor, sed uti videtur remittente, desti-tutus oumi cibi appctitu. Gratias itaque mme paucis ago ci pro mutuo datis pccuniis ct pro omnibus bcuevolentiac exhibitis siguis ct doloo quod lougiorc non valucrim uti colloquio admodum revc-rendae Dojuinatiouis vestrae; idcirco nunc pcto per littcras crudiri ad pauca scquentia ;
1. Quantum distet Windcslicim Daventria ct versus quam plagam ?
2. Quantum item et versus quam plagam Mons S. Agnetis ?
3. Quantum Windcslicim a monte?
4. An et ubi in tractu Isalae in vicinia habitarint Jienedictini, Cistcrcienscs, Praemoustratenses, Carthusiani?
5. Desidcro tria Alexandri VII vota breviter rcpeti. Item quo anno flagitarit ct impctrarit ïhomae uostri ciEgiem Swollis? Et quanto cam in honorc habucrit. Denique rogo milii ad tempus trans-mitti Chronicon Montis S. Agnetis, quod mild per banc acstatem est summc necessarium ncc aliunde habere queo ; restituani quam fidelissime.
Auriivi etiam aliquando Coloniae, quod Albert et Isabella Belgii Principes postularint ïhomae uostri bcatissimi reliquias exhumare
408
atque tunc voluerint vitani ad Kotam Koniam mitterc pro bcat.ili-catiouc; quod subsit vcri anlielo otiani scire. Atque hacc sunt, adm. Keverende et Amplissime Domiue Pastor, ad quae in praosentiarum desidero respousum. Nuperam salutem mihi ad eelsitudinem raeum impositam nequii adliucdum deponere, quod statim a reditu iueeperini occumbere. Doluit tarnen summopere I). Zübr Muhlen, Vice-Caneel-larius Monasteriensis, quod do mea excursione nihil reseicrit adeoqne por me non valuerit officiosissimam salutem ad vestram Amplitudinem trausmittere. Tempus ordinarium paroxysmi cogit ine abrumpore ae valediccre suo adm. Reverendo et Amplissimo Domino, eum eontes-tatioue tamen quod sim perpetuus
Adm. Revereudae et Amplissimae vestrae Dominationis,
Servus HENB. BBÜWER.
Noucom. Junii 1G79.
18
P. S. Jam hasee paravi et solum nondum elausi, eum eece liodie eirca undecimam mihi eae asportantur, quas placuit Adm. Revercndae Dominationi vestrae sub 14 elapsi Maji ad me exarare gratissimas, in quibus ubi nonnihil restitutus fuero hinc inde aliquam elucidaii-onem petaiu. Hinc me commendo ut in litteris. E lecto, post tertian, feria secuuda Pentecostcs.
Mynheer
Mynheer Arnoldus Waeycr wonende op de Spiegelsteeg tot Swoll.
De bode is bctaelt.
c.
ARCUIEF VAN DE PAllOCHIE VAN DEN H. MlCHAEL TE ZWOLLE.
Reverendissime el Amplissime Domiue!
Injuria temporis eoegit nos thesaurum Capituli nostri ad latebras mittere et quasi humo contegere; eum et inde oriretur rumor, procuravit Revcrendissmius piae memoriae eum nobis insciis ad
409
alium locum clam transfcrri. Rcscivit tameu hoc lllustrissimus Princeps Monasterieusis, qui dcsidcrat cum iu doiucstico suo oratorio collocarc, sicuti Later liarum plenius rcfcrct. Crcdimus Patrouo nostro magis gloriosum futurum si publicc exponatur ct honorctur in tain digno loco quam quod cogatur latere absconditus, dummo-do non publicetur enj as eae sunt aut a quo fuerint exccptae reliquiae propter periculum capituli nostri. Quamobrem nobis non crit ingratiun, quod llcverendissima ct Amplissima Doniiuatio vestra dignctur concedere pracfato Illustrissimo Principi potcstatcm prae-dictas rcliquias transferendi ad talcin usum, data apocha vel rcvcrsali, se omni tempore quando rogatus fuerit ab liabcntibus jus depositum repctendi restituturum. Cum Patrono nostro conjungimus preccs, ut Deus dignctur Ileverendissimam ct Amplissimam Dominationcm vestram diu conscrvarc incolumcm. Vale
Reverendissimc ct Amplissimc Uomiuc 1).
\') Dc onderteekening outbreekt. Van het oorspronkelijke folioblad is het onderste gedeelte afgesneden.