gt;« -5 ■
gt;-t
oei
S. oct.
5735
iL....................................................................i
LEGAAT
VAN
Prof. Dr. J. A. C. OUDEMANS.
S\' *-■ r-,.
-y/*
/
/
VOORWOORD.
Veiil, zeer veel is er reeds, zoowel in vroegeren als in lateren tijd ■gesehreven over Vrij-Metselarij, zoodat er inderdaad eene rijke, slechts voor een betrekkelijk klein gedeelte algemeen bekende Letterkunde over dit onderwerp aanwezig is.
Ten deele strekken de bestaande werken ter onderrichting van de Ingewijden omtrent de beteekenis der veelvuldige plechtigheden in de talrijke graden, en der zinnebeeldige voorstellingen, zoowel als der legenden en overleveringen der Orde, wier oorsprong in de mysteriën ■der oude wereld en den Mozaïsehen eeredienst, benevens de Hebreeuw-selie aanschouwingen en, vooral onder het Volk van Israël, bestaande vereenigingen wordt gezocht; ten deele zijn het twistschriften, in welke de eene ritm (van welke er zeer velen bestaan) door de andere wordt bestreden, somtijds met al die bitterheid welke de kettervervolging, ock op het Kerkelijk gebied der verschillende secten, steeds kenmerkte, en waarin waarlijk geen spoor of zweem te vinden is van Humaniteit.
Voor een ander gedeelte werden die werken geschreven om te voldoen aan de nieuwsgierigheid der profane wereld, die boven alles begeerig is om te weten wat er toch wel voorvalt in de Loges, waaromtrent zij zich vaak de buitensporigste, bespottelijkste en met het eenvoudige gezonde verstand meest strijdige voorstellingen vormt.
Eindelijk is er een tal van geschriften in de wereld gezonden ter bestrijding van de Orde, aan welke niet alleen de verderfelijkste bedoelingen maar zelfs ook de afschuwelijkste buitensporigheden worden te laste gelegd.
Gedurende ongeveer eene halve eeuw heb ik ijverig er naar gestreefd , om mij met al die pennevruchten bekend te maken, ze te onderzoeken en met elkander te vergelijken, en tot mijn leedwezen
voomvooEü.
lien ik moeten komen tot de slotsom dat zij al zeer weinig bevatten, waardoor zoowel de Ingewijde als de Profaan kan geraken tot eene juiste kennis van het stellige wezen der Vrij-Metseharij-
Deze inderdaad ontmoedigende ervaring was het welke mij, op gevorderden leeftijd, de pen deed opvatten om de vruchten van een zoo veeljarig en ijverig onderzoek eindelijk algemeen wereldkundig Ie maken.
Het is geenszins mijn doel een verhaal te leveren van legenden, plechtigheden, versierselen, onderscheidingsteekenen en dergelijke, hetgeen ik even doelloos acht als eene beschrijving der étiquette aan het Hof van ],odewijk XIV, daar de Ingewijde in dit alles breedvoerig wordt onderricht , en het den Profaan volstrekt niet wijzer maakt indien hij ook nog zoo nauwkeurig weet welke paswoorden de Broeders uitspreken of welke herkenningsteekens zij maken, en het voor hem niet de allerminste waarde zon hebben wanneer hij volkomen in staat ware zich, in woord en schrift, op Magonnieke wijze uit te drukken. — Neen, mijn doel ligt hooger en strekt daarheen om de Orde in haren aard en wezen algemeen te doen kennen. A I)e Vrij-Metselaars-Orde bestaat en werkt nier, buiten maar [ in de Maatschappij, zij heeft eene hoog ernstige roeping te vervullen I ter veredeling der profane wereld, door den individuelen Mensch te l ontwikkelen tot dien staat van typische volmaaktheid, waardoor hij \\ alleen kan beantwoorden aan het ideaal hetwelk niet alleen door de j verschillende Godsdienststelsels maar ook door dichtkunst en wijsbe-/ geerte — de zuiver materialistische ontwikkelingshypothese zelfs niet I uitgezonderd — van de Menschheid is gevormd.
\\ Zal zij dit verheven doel ooit of immer kunnen bereiken dan moet de geheele profane wereld haar kennen in haren aard en wezen, dan moet zij door deze op hare volle waarde worden geschat, maar dan moet zij ook ontdaan zijn van alles wat niet met haren waren aard overeenstemt, en haar in dit streven belemmeren of tot hare miskenning leiden kan.
IV
Onder alle vereenigingen van Godsdienstigen, Staatkundigen en Maatschappelijke aard, die, zoowel in liet beschaafde Europa als in andere werelddeelon, bij de meest verschillende volken, zoowel in de vroegste oudheid als in den tegenwoordigen tijd, bestonden eh nog bestaan, is er zeker geen die zoo verschillend wordt beoordeeld, waarmee van de eeue zijde zoozeer wordt gedweept , die aan deu anderen kant zoo diep wordt verguisd en verafschuwd, ja voor de belichaming van het kwade beginsel uitgekreten als de Vr ij - M e t-s e 1 a r ij, eene Broederschap die zich zoo diep in den nacht dei-tijden-verliest, dat zij van eenen onberekenbaar veel hoogeren ouderdom is dan eenige der thans in de Oostelijke en Westelijke halfronden bestaande Godsdienstige leerstelsels, in haar ontstaan met het eerste optreden van liet tegenwoordige menscliengeslacht te zamen valt.
Van af den tijd waarin de Pausselijke Oppermacht werkelijk in liet maatschappelijke leven ingrijpende te voorschijn trad werd de Broederschap getroffen door de Vaticaansche bliksems, die echter tot hiertoe krachteloos van haar afgleden niet alleen, maar juist integendeel, door derzelver gloed, haar eene ontwikkeling schonken waardoor zij zich nog des te meer uitbreidde, en zich zelfs tot Staatsinstelling verhief.
Luistert men nu naar de stemmen welke nog heden ten dage uit het Vaücaau vernomen worden dan is de Vr ij-M e t s e 1 a r ij niets anders dan de Kerkelijke en Staatkundige Revolutie, die niet alleen den Vorsten der aarde maar God zelf alle macht ontroven, altaar en troon verbrijzelen, en, met de, naar het heet, uit haren boezem voortgesproten Kerkhervorming, de maatschappij ten ondergang brengen en aan algeheele verwoesting ten prooi geven wil, ja dan is zij de openbare GodverloocJtening, die aan Nihilismm en Anarchismns het aanzijn geeft.
Sprak het UUramontanwnm nu hier, bij zeer zeldzame uitzonde-ling op zijn doorgaand karakter, ten minsten op een enkel punt slechts gedeeltelijk waarheid, ware de Vrij-Metselarij inderdaad de bakermat der Kerkhervorming, dan zou haar wezen ook met dat van deze laatste moeten te zamen vloeien. — Niets evenwel is minder het geval, en het is werkelijk veel meer de vraag of zij min-
VOOBAVOORD.
lieu ik moeten komen tot de slotsom dat zij al zeer weinig bevatten, waardoor zoowel de Ingewijde als de Profaan kan geraken tot eene juiste kennis van het stellige wezen der Vrij-Metselarij.
Deze inderdaad ontmoedigende ervaring was liet welke mij, op gevorderden leeftijd, de pen deed opvatten om de vruchten van een zoo veeljarig en ijverig onderzoek eindelijk algemeen wereldkundig te maken.
Het is geenszins mijn doel een verhaal te leveren van legenden, plechtigheden, versierselen, onderscheidingsteekenen en dergelijke, hetgeen ik even doelloos acht als eenc beschrijving der etiquette aan het Hof van Lodewijk XIV, daar de Ingewijde in dit alles breedvoerig wordt onderricht, en het den Profaan volstrekt niet wijzer maakt indien hij ook nog zoo nauwkeurig weet welke paswoorden de Broeders uitspreken of welke herkenningsteekens zij maken, en het voor hem niet de allerminste waarde zou hebben wanneer hij volkomen in staat ware zich, in woord en schrift, op Ma^onnieke wijze-uit te drukken. — Neen, mijn doel ligt hooger en strekt daarheen om de Orde in haren aard en wezen algemeen te doen kennen. A De Vrij-Metselaars-Orde bestaat en werkt nier, buiten maar [ in de Maatschappij, zij heeft eene hoog ernstige roeping te vervullen 1 ter veredeling der profane wereld, door den individuelen Mensch te l ontwikkelen tot dien staat van typische volmaaktheid, waardoor hij \\ alleen kan beantwoorden aan het ideaal hetwelk niet alleen door de ) verschillende Godsdienststelsels maar ook door dichtkunst en wijsbe-/ geerte — de zuiver materialistische ontwikkelingshypothese zelfs niet ( uitgezonderd — van de Menschheid is gevormd.
\\ Zal zij dit verheven doel ooit of immer kunnen bereiken dan moet de geheele profane wereld haar kennen in haren aard en wezen, dan moet zij door deze op hare volle waarde worden geschat, maar dan moet zij ook ontdaan zijn van alles wat niet met haren waren aard overeenstemt, en haar in dit streven belemmeren of tot hart* miskenning leiden kan.
IV
Onder alle vereenigiugen van Godsdienstigen, Staatkundigen en Maatschappelijke aard, die, zoowel in het beschaafde Europa als in andere werelddeelen, bij de meest verschillende volken, zoowel in de. vroegste oudheid als in den tegenwoordigen tijd, bestonden en nog bestaan, is er zeker geen die zoo verschillend wordt beoordeeld, waarmee van de eene zijde zoozeer wordt gedweept, die aan den anderen kant zoo diep wordt verguisd en verafschuwd, ja voor de belichaming van het kwade beginsel uitgekreten als de Vr ij - M e t-s e 1 a r ij, eene Broederschap die zich zoo diep in den nacht dei-tijden-verliest, dat zij van eenen onberekenbaar veel hoogeren ouderdom is dan eenige der thans in de Oostelijke en Westelijke halfronden bestaande Godsdienstige leerstelsels, in haar ontstaan met het eerste optreden van het tegenwoordige menschengeslacht te zamen valt.
Van af den tijd waarin de Pausselijke Oppermacht werkelijk in het maatschappelijke leven ingrijpende te voorschijn trad werd de Broederschap getroffen door de Vaticaansche bliksems, die echter tot hiertoe krachteloos van haar afgleden niet alleen, maar juist integendeel, door derzelver gloed, haar eene ontwikkeling schonken waardoor zij zich nog des te meer uitbreidde, en zich zelfs tot Staatsinstelling verhief.
Luistert men nu naar de stemmen welke nog heden ten dage uit het Vaticaan vernomen worden dan is de Yr ij-M e t s e 1 a r ij niets anders dan de Kerkelijke en Staatkundige Revolutie, die niet alleen den Vorsten der aarde maar God zelf alle macht ontroven, altaar en troon verbrijzelen, en, met de, naar het heet, uit haren boezem voortgesproten Kerkhervorming, de maatschappij ten ondergang brengen en aan algeheele verwoesting ten prooi geven wil, ja dan is zij de openbare Godverloochening, die aan Nihilismus en Anarchimms het aanzijn geeft.
Sprak het Ultramontanwmis nu hier, bij zeer zeldzame uitzondeling op zijn doorgaand karakter, ten minsten op een enkel punt slechts gedeeltelijk waarheid, ware de V r ij - M e t s e 1 a r ij inderdaad de bakermat der Kerkhei\'vorming, dan zou haar wezen ook met lt;lat van deze laatste moeten te zamen vloeien. — Niets evenwel is minder het geval, en het is werkelijk veel meer de vraag of zij min-
der door de Confessioneel Orthodoxe Protestanten dan wel door de ultramontaansch Eoomsch Katholijken wordt verafschuwd en in den allerdiepsten afgrond vervloekt. — Ja ik herinner mij nog in lang. vervlogen dagen, toen ik, als jonge wolf, eerst kort geleden het licht had gezien, een boekje te hebben gelezen waarin een uiterst rechtzinnig Predikant verhaalde dat de Vr ij- Metsela a r s in hunne loodsen {Loges bedoelde de goede man) te zamen kwamen, om met zeer plechtig Ceremonieel otters aan den Duivel op te dragen, alsof wij, even als zijn WelEerwaarde, zoo verstandeloos waren, om, op grond van, door baatzucht uitgedachte, menschelijke leerstellingen, aan eenen persoonlijken duivel te gelooven.
De bron van dezen woedenden haat is zeer zeker niet ver te zoeken , maar alleen gelegen in het feit dat de V r ij - M e t s e 1 a r ij niet vraagt naar kerkgenootschappelijke leerstelsels of geloofsbelijdenissen , en, van den aanvang der eeuwen af aan, daar staat als de-oorspronkelijke Godsdienst, ver verheven boven die geloofsverdeeldheid welke de zich nog al zelfs Christelijk noemende sekten elkander te vuur en te zwaard doet bestrijden, en aan de zoogenaamde Godgeleerden dier verschillende sekten een even gemakkelijk als ruim-ja weelderig middel van bestaan en eene schier onweerstaanbare maatschappelijke macht schenkt.
Ligt nu aan de tallooze beschuldigingen, door geheel de profane wereld, tegen het, niet alleen door haar maar, wat oneindig erger is, door vele Ingewijden zelfs, ongekende en onbegrepen wezen der Vrij-Metselarij ingebracht, eenige ook maar de allergeringste
waarheid ten grondslag?......In geenen deele! — Wel verre van
de Godverloochening te huldigen is de Vr ij- Metsela r ij een eigenaardige Godsdienstvorm, waarbij de geloofsbelijdenis alleen berust op de erkenning van den Opperbouwmeester en den Goddelijken Grootmeester , die, in de Sint Johannes graden, of de zoogenaamde blauwe Vrij-Metselarij, onder den zinnebeeldigen naam van A don Hiram vereerd, en, in den tweeden of Gezellen graad door hef\'Heilige woord Bocïz, als Verlosser voorgesteld wordt, even als de Opperbouwmeestef,\' reeds terstond in den eersten of leerliugs-graad, in het heilige woord Jachin, als Schepper wordt erkend.
Hierdoor werd het der Societeit van Jesus mogelijk eene geheel van hare Oppergezag afhankelijke soort van Tloomsch Katholijke v r ij-Metselarij te stichten, de zoogenaamde Stride Observantie, in welke de leden van den hoogsten graad tot het Coelihaat verbonden zijn.
Wat nu haar revolutionaire karakter, haar streven naar omverwerping van troon en altaar aangaat, het kan niet worden ontkend dat even goed van de V r ij - M e t s e 1 a r ij, of ten minste van haren uiterlijken schijn, misbruik is gemaakt als van iederen anderen Godsdienstvorm, om haar te doen dienen als momtuig en voermiddel, ter bereiking van doeleinden die met haar wezen in openbaren tweestrijd zijn. — — Zoo was de door den Graaf C a g 1 i-
7
0 s t r o gestiehtte Egyptische Ritus niets anders dan een werktuig in de hand van den Prumischen Koning Prederik II, met evenveel recht de Groote genoemd als de Bandiet Glorioso, mits men er Duivel achter voege; — een werktuig tot het voorbereiden van de groote Staatsomwenteling, waardoor dit gekroonde wangedrocht hoopte het Duitsche Keizerrijk te doen vallen, ten einde zijn MoHyolex-Qiamp;aX over Duitschland te doen heerschen.
Evenmin echter als uitzonderingen eenen algemeenen regel kunnen krachteloos maken, even zoo min kunnen nu dergelijke misbruiken dienen tot maatstaf, om daarnaar het wezen der Vr ij-M e t s e-
1 a r ij te beoordeelen. — Dit te willen doen ware even goed alsof men de leer van eenig Kerkgenootschap verderfelijk en zedeloos wilde noemen, omdat er onder deszelfs Priesters of Leeraars schandvlekken der Menschheid, onder zijne leken gemeene misdadigers voorkomen.
De vraag waarop het hier eenvoudig aankomt is deze: „Wat is de V r ij - M e t s e 1 a r ij, in haren aard en oorsprong, — wat is haar doel, — hoe beantwoordt zij hedendaags aan hare roeping?quot;
Wat het tweede gedeelte dezer vraag aangaat: het doel der Vrij-Metselarij, hieromtrent zou de Profaan, die zich, hetzij uit werkelijke weet- of wel, zooals trouwens met zeer velen het geval is, uit bloote nieuwsgierigheid in de Orde laat opnemen, zeer zeker te vergeefs hopen tot eene duidelijke en stellige wetenschap te geraken door de instructie welke gegeven wordt in de hedendaagsche Loges, die veelal niets meer of minder zijn dan eene soort van meer / vormelijke genootschappen, societeiten of Clubs, waar men nog zekere verouderde plechtigheden in stand houdt, aan den Candidaat meer of minder omslachtige proeven doet ondergaan, die, bij den man van ernst en geestkracht, geen anderen indruk dan van verveling te weeg-brengen , en hem, na zijne aanneming, naar mate hij hoogere graden verkrijgt, achtervolgens eene reeks van legenden i\'needeelt, die over den aard en oorsprong der Orde geen wezenlijk licht verspreiden.
Alles wat in de Loges omtrent het wezenlijk practische-doel der Orde wordt verkondigd is in de hoogste mate uiteenloopend en heeft geen anderen maatstaf dan de geest welke heerscht onder de meerderheid der Broeders, waaruit zoodanige Loge is te zamen gesteld, en waarop door den Achtbaren Meester van den Stoel, zoo deze eene overwegende persoonlijkheid bezit, ook wel eenen alles beslissenden invloed wordt uitgeoefend.
In de eene Loge heet het doel der Orde te zijn volkomen V r ij-h e i d van den Geest in het uiten van iedere persoonlijke overtuiging. — Hoe weinig die Vrijheid echter algemeen wordt erkend i bewijzen de vaak maar al vinnige twisten in den boezem der Orde/ en is mij nog meer in het bijzonder van nabij gebleken door het voorbeeld van Broeders wien de verdere toegang in eene Loge werd geweigerd nadat zij waren uitgekomen voor begrippen welke, bij de groote meerderheid der Broeders geen bijval mochten vinden.
8
Nu doet liet er zeker niet liet allerminste toe of\' ik, met betrekking tot die begrippen, hun geestverwant al of niet ben; zeer zeker zou, indien ik daar den hamer had gevoerd, ik mij verplicht hebben geacht, met al de kracht die in mij is, hunne denkbeelden te bestrijden, maar nimmer zou ik hebben geduld dat hun de verdere toegang werd geweigerd.
In eene andere Loge is het symbolum algemeene maatschappelijke G e 1 ij k h e i d. — Woont men echter de vergaderingen bij dan ontdekt men aldra dat er zich clubjes van standgenoten vormen, die zich zorgvuldig, zooveel slechts immer mogelijk, van Broeders uit eenen minderen stand in de maatschappij verwijderd houden, terwijl zelfs, in grootere localiteiten, de tot hoogere standen behoorende Broeders zich vereenigen tot eene Loye, die zekere pretentie van Aristocratie wil doen gelden, zoodat er in de Loges nog veel minder dan, onder den drang der omstandigheden, in de Profane Wereld Gelijkheid bestaat.
In weer eene andere Loge is de leus: Broederschap, IlKum-niteit. Liefde. — Schoone theorie voorwaar! — Maar wat zal men zeggen van de wijze op welke zij wordt in praktijk gebracht, wanneer men ziet dat door rampspoed getroffen nagelaten betrekkingen van Broeders, zelfs waardigheidsbekleeders eener Loge, hulpeloos aan hun lot worden overgelaten, en te gronde gaan, indien zij niet door vrienden en bekenden uit de profane wereld of door Godsdienstleeraars van een of ander Kerkgenootschap, tot hetwelk zij behooren, worden voortgeholpen?
Op deze wijze leent zich dus de V r ij - M e t s e 1 a r ij, in hare hoedanigheid van geheim genootschap, van welks wezen de Profaan zich de allerdwaaste denkbeelden vormt, tot de meest uiteenloopende theo-riën, die ons echter tot de kennis van het ware doel geen enkelen stap nader brengen.
Intusschen wordt er in de Zo^es voortdurend gesproken van een Lie lit, te midden der duisternis brandende in het binnenvertrek des Tempels, en van een verloren Meester-Wo o r d, hetwelk moet worden gezocht.
Welk is nu dit woord? — Het is geen der heilige woorden, welke in de verschillende graden, het nieuwe of het teruggevonden Mees-terwoord worden genoemd, maar geen beteekenis hebben, waardoor een ernstig en verheven doel wordt uitgedrukt, daar zij geen andere kracht bezitten dan om aan de Broeders onderling tot Wacht- en Pas-woord, gelijk aan het Militaire Parool en Contreügne te dienen.
Heeft dan de Orde er nog niet in kunnen slagen dit woord terug te vinden? — Wanneer men haar in haren tegenwoordigen tcestand beschouwt, en de heerschende geest in de Profane Wereld daarmee vergelijkt, dan moet men tot de slotsom komen dat alle hare werkzaamheden vruchteloos zijn.
Zal zij intusschen iets beteekenen, zal haar bestaan eenige waarde
9
hebben dan moet zij haar Woord algemeen doen weerklinken en haar Licht helder doen uitstralen, opdat de gelieele Menschlieid daar-lt;loor blijvend worde verlicht.
Het woord, tot welks opsporing de Vrij-Met se la rij is geroepen is geen ander dan het levende levenwekkende Woord, de Logon waarvan een der Vaderen van de Orde, met wiens boek de Ingewijde allereerst wordt bekend gemaakt, zegt: „Lu principio er at Verbumquot; (in den beginne was het Woord). — Dit Woord is een met het Licht, waarom het ook heet: „Lirat Lux veraquot; (dit was het ware Licht). — Dit helder lichtende woord verlicht iederen mensch bij zijne komst tot het aardsche leven, — „quae illuminat omnem hominem venientem in hunc Mundem,quot; — daar het in zijn binnenste, als in een en levenden Tempel, getuigt met onweerstaanbare profetische kracht, zoodat het met het volkomcnste recht ook „Ln-hien de Luminequot; (Licht van het Licht, of beter, allemitnemendst Licht) mag genoemd worden.
Dat een denkbeeld van een zoodanig Machtwoord algemeen is verspreid dit wordt bewezen door tal van mystieke overleveringen, zouals omtrent het zegel van Koning Salomo, met behulp waarvan alle ook de meest verborgene natuurkrachten oppermachtig kunnen worden beheerscht, en waarmee zoo menig Kassid voorgeeft, als Lial-■Scheimes wonderen te kunnen verrichten, welk bijgeloof, hoezeer ook op eene verkeerde opvatting berustende, toch op de zaak zelve, zij zij dan ook onbegrepen, terugwijst. — Ook in de gewijde en ongewijde, of zoogenaamde witte en zwarte Magie worden, door middel van woorden en tooverformulieren, de geesten bezworen en gebannen.
Is dit nu alles slechts een bijgeloof hetwelk allen redelijken grond mist, een bloote hersenschim, of bestaat er werkelijk een profetisch Woord, hetwelk den Mensch zijne bestemming met onfeilbare waarheid doet kennen, daar het in hem getuigenis geeft van Toehoinü, Geestesleven en Verantwoordelijkheid?
Om tot de beantwoording dezer vraag te geraken moet men niet {tlleen de historische maar ook de palingeuetische oorkonden van het Menschdom raadplegen. — Daarom is het eerste onderwerp van Maqonnieke studie :
DE MENSCH.
De natuur van dit met onmiskenbaar redeneervermogen begaafde ■wezen, hetwelk op zijn tegenwoordig standpunt in dien toestand welke verkeerdelijk als zijn natuurstaat wordt beschouwd, zeer terecht, in Maqonnieke taal een ruice steen wordt genoemd, vormt het uitgangspunt van hetwelk alle zoeken naar het Woord der waarheid eenen aanvang nemen moet, en daarom is de eerste vraag:
10
Wat is de M e n s c h ?
Op die vraag antwoordt de Confessionalist; „de Beelddrager Godsquot; en de Materialist: „liet hoogst ontwikkelde dier, de totaalsom van alle organismen.quot;
Voor deze beide zoo hemelsbreed verschillende lijnrecht aan elkander tegenovergestelde beweringen staande vraagt deVrij -Metselaar eenvoudig: Wat is waarheid?
Volgens de eerste opvatting is de Mensch een hoog verheven wezen, bestemd om de Vertegenwoordiger Gods op aarde te zijn. — Volgens de andere daarentegen is hij niets meer dan het volmaakste dier, van alle andere dieren slechts qmntitatief, dat is alleen door eene hoogere som van ontwikkeling, onderscheiden.
Om in deze tegenstrijdigheid de waarheid te vinden is het allereerst noodzakelijk den Mensch te beschouwen in verband met de geheele natuur, eu dan vordert de onpartijdigheid, zonder welke geen wetenschappelijk onderzoek mogelijk is, het eerste woord te laten aan de Materialisten.
Een der Profeten van het Matericdismus, de Duitsche Hoogleeraar Lor enz Oken, beweert: alle lieven ontstaat uit de zee, het organische slijm, waarin de electriciteit leven doet ontstaan, wordt voortgebracht aan de stranden, geen organismus werd ooit geschapen dat grooter dan een infusorisch stipje en bij gevolg microscopisch was, uit welke infusoria (afgietseldiertjes) al het grootere is ontwikkeld.
Van dit zelfde stelsel uitgaande laat de veel meer nog bekende Kngelsche Profeet Darwin den Mensch van uit de allerlaagste organismen, door eene lange reeks van trapsgewijze ontwikkelingen, uit eene uitgestorven apensoort, de antropos alalos (sprakelooze Mensch) ontstaan.
Wil men nu de historische waarde dezer genealogie van den Mensch, met Vader Aap, Grootvader Dolf ja. Overgrootvader Omter, Oud-Overgrootvader Zeekwal, enz. leeren kennen, dan moet men allereerst van de geheele ontwikkelingstheorie de wezenlijke waarde cnder-zoeken.
Bij dit onderzoek moet men natuurlijk aanvangen op den aller-laagsten trap op welken het enkelvoudige leven zich openbaart, het vormleven namelijk, dus bij het Plantenrijk, daar zich in het dierenrijk reeds dadelijk een dualismus (dubbelvoudigheid (van plastisch) (vormend) en dynamisch (dierlijk) leven openbaart.
De Apostelen der Ontwikkelingshypothese beweren dan ook, uitgaande van eene geheel en al verkeerde toepassing van het door Leibnitz aangenomen stelsel van eenen algemeenen oceaan, dat het plantenrijk in dien oceaan zijnen oorsprong nam, en de fora der zee, naar mate het droge zich verhief, werdomgevormd in eene landflora, zoodat de wieren zich trapsgewijze tot Criptoyamen, (bedekt bloeiende)
11
Monocoiylcdonen (cenzaadlobbigen) Dicotyledonen (meer zaadlobbigen) en zoo al verder ontwikkelden.
Indien nu deze geheele ontwikkelingstlieorie werkelijk op waarheid gegrond ware dan zou men over de geheele uitgestrektheid van de zeekusten der aarde, wier totaal bedrag met eene tijdruimte van millioenen jaren gelijk staat, nog voortdurend sporen van dergelijke omvorming moeten aantreffen, daar er geen enkele natuurlijke reden denkbaar is, waardoor het ontwikkelingsproces zou zijn gestuit geworden.
Waar nu eehter ook op de kusten der, in onze dagen, schier geheel bekende aarde de wetenschap, op derzelver tegenwoordig standpunt, hare meest ernstige onderzoekingen moge hebben te werk gesteld, nergens heeft zij een enkel spoor van zoodanig ontwikkelingsproces, in eene werkelijk voorkomende omvorming, kunnen ontdekken, maar wel heeft zij integendeel bewijzen te over gevonden,, die aan de geheele ontwikkelingstheorie, op kruidkundig gebied, alle wetenschappelijke waarde ontnemen.
Overal waar de Algae (Wieren) de landplanten tot op het strand te gemoet gingen wordt derzelver braine kleur geelachtig; indien er nu eenige de allerminste neiging tot overgang uit de eene in de andere soort bestond, dan zou deze zich daardoor moeten doen kennen dat de uit blauw en geel zamengestelde groene kleur der landplanten, onder den invloed der zee, insgelijks eene geele tint aannam.
Geheel in tegenstelling hiervan is het nu een algemeen overal voorkomend feit dat het groen der landplanten, die zoover onderworpen worden aan den invloed der zee als zij onder deze kunnen blijven voortgroeijen, juist een blauwe tint aanneemt, zoodat de beide soorten, wel verre van tot elkander te naderen, integendeel hunne verwijdering van elkander door het aannemen van tegenovergestelde kleuren bewijzen.
Ook in vorm en ontwikkeling is geen spoor van overgang te ontdekken. —- Nergens ontmoet men ook maar eenige de minste aanduiding van eenen overgangsvorm tusschen de Monocotyledonae (een-zaadlobbige planten) en de Algae (Wieren) en evenmin zelfs komen deze elkander door eene trapsgewijze ontwikkeling te gemoet.
Daar waar het zeewater zich met het zoete water vermengt worden de Wieren, in het brakke water, in plaats van meer, minder ontwikkeld, totdat de geheele zeevegetatie eindelijk totaal wegkwijnt, en door de bloeijende lischplanten van het zoete water vervangen wordt.
Waar de flora der zee, in plaats van die van het zoete water, die van het land ontmoet zijn het, in plaats van de hoogst ontwikkelde zeegewassen, integendeel juist die, uit de lagere afdeeling der Confmae die tegen de kust opklimmen, terwijl daarentegen de landplanten die naar de zee afdalen, zooals het strandkruid en het lepelblad, tot de hoogere afdeeling der Dicotyledonae (meer zaadlobbige planten) behooren.
12
Het onderzoek der thans levende natuur, waarvan de kennis reeds in den naclit der tijden, tot welke de oorsprong der Vrij-Metse-1 aars-Orde opklimt, den grondslag der diepste wijsheid vormde, dit onderzoek vertoont overal eene scherpe afscheiding, die dus volstrekt verbiedt aan eene ontwikkeling der land- uit de zee-fora ook maar het allerminste geloof te slaan.
Vindt nu de ontwikkelingstheorie in de tegenwoordige toestanden geenen den minsten steun, al evenmin bewijst de fossiele flora eene trapsgewijze ontwikkeling.
Het is eene volstrekte onwaarheid dat de exogene of dicotyledonische boomen van lieverlede zouden zijn ontwikkeld uit de reusachtige mossen, varenden paardenstaarten, die, in de voorwereld, de hoogte van scheepsmasten bereiken; want de Geologie (aardkunde) bewijst op het overtuigendst dat in het steenkolen tijdperk, te gelijk met deze gewassen, de exoge boomen in rijken overvloed voorkwamen.
Zelfs de plutonische traprotsen hebben de fossiele bewijzen bewaard van een, voor deze vreeselijke overstroomingen van uit de aarde gebarsten gesmolten steen, van voorwereldlijke lava, bestaan hebben van Coniferae (kegeldragende boomen) zooals de Araucaria, die zich zelfs tot de reusachtige hoogte van zestig ellen verhief.
Lager dan de steenkolenbeddingen zijn de fossiele landplanten zeldzaam. — De \'utt-fora van den ouden rooden zandsteen vertoont zich zeer armoedig, maar geheel in tegenoverstelling hiervan leverde toch het droge land, niettegenstaande het slechts uit verspreide eilanden van geringe uitgestrektheid bestond, desniettemin werkelijke boomen van het geslacht der Coniferae, hetzij Acauriae of wel Pinae, dje met de tegenwoordige Noordsche pijnboomen verwant waren.
Gaat men nu over tot het dierenrijk dan vindt men hierin evenmin bewijzen voor het stelsel van trapsgewijze ontwikkeling van een lager tot een hooger organismus.
Om aan dit kunstig opgebouwde stelsel eenige wezenlijke waarde bij te zetten zouden de fossielen der organismen uit het dierenrijk zeer klein zijn en op den allerlaagsten trap van ontwikkeling staan moeten, zoodat zij alleen konden worden beschouwd als embryones, (kiemen) evenals in den moederschoot de Monade (eenling) zich ontwikkelt tot een vormloos Embryo, eenen wanstaltigenffioefas (vrucht) en eindelijk een voldragen, levensvatbaar én öntwiKkèlbaar schepsel.
Geheel in tegenspraak met deze bestaansnoodwendigheid nu is de Geologische bevinding.
Boven den lagen ouden rooden zandsteen verheft zich eene laag van bleek gekleurden zandsteen, die geen fossielen bevat en dus een AzoiscU (levenloos) tijdperk vertegenwoordigt, door hetwelk de organismen der voorafgegane en opvolgende tijdperken zeer scherp van elkander zijn afgescheiden.
Op dien ouden rooden zandsteen nu, en wel op den basis der formatie, ontmoet de Geoloog de reusachtige gauoïdische visch Astero-
13
h-pis, een ware beenviscli van zuiver typisch symetrisohe vorming, geheel onverzeld van kleinere en minder ontwikkelde van den typi-sehen vorm afwijkende soorten, die in hoogere en dus onberekenbaar jongere lagen veelvuldig voorkomen, alsmede den Pterichtys (vleugel-visch) eene der oudste fossiele visschen, die insgelijks tot de van een beenachtig geraamte voorziene en dus hoog ontwikkelde GanoUhit behoort.
Om zich een denkbeeld te vormen van de grootte van den Aste-rolepis behoeft men slechts te weten dat er exemplaren zijn gevonden wier kopschild het voorhoofd van eenen oliphant zou kunnen bedekken, hetgeen bewijst dat deze ichtiolieth (versteende visch) van het palaeozoïsche tijdperk het overblijfsel is van eenen voorwereldlijken, volgens zijne ingewanden, verscheurenden zeereus, die eene lengte van twee of drie ellen moet bereikt hebben.
Was die visch nu in vorm een reus, uit de in zijne Coprolithen (dreksteenen) zichtbare spiraalvormige inrichting zijner darmen, gelijk aan die der tegenwoordige haaijen, zoowel als uit zijne tanden, die wel gedeeltelijk visch- maar ook voor een ander deel reptilen tanden waren, bekleedt hij eene plaats naast de hoogst ontwikkelde Icthjo-Reptilia (vischachtige kruipdieren).
Deze geologische feiten bewijzen dat de Ganoïden in een zoo vroeg, ten eenemale van latere afgescheiden, tijdperk der aarde terstond optraden als dieren van groote gestalte en zeer hooge organisatie.
Nog veel sterker wordt dit bewijs voor het algemeen heerschende karakter der palaeozoïsche formatie wanneer men in de veel lagere en dus al weer onberekenbaar oudere formation, nog beneden dc onderste Silnrische lagen, in den CcmhriscJieu groep, onder eene verscheiden duizenden ellen dikke reeks lagen van Conglomeraten, Grau-wacke en Schiefer, in den kalksteen van Ba/a, weer eenen reus aantreft, den Onchus van de Orde Cestracion en het geslacht Spinax (haai) welke Placotde (kraakbeenvisch) met name die soort welke onder den naam Onchus MurcJmoni bekend is, volgens de afmeting der doorns, die bij deze soort van visschen bij de rugvinnen staan, onzen hedendaagschen Spinax acantlüas (hondshaai) tot vijfmalen toe in grootte overtrof en derhalve tot eene lengte van vijf ellen bereikte.
Niet alleen volgens de organen der bloedcirculatie en de genitalia (voorttelingsorganen) die bij het geslacht Spinax derwijze zijn ingericht dat er tusschen deze dieren eene werkelijke paring plaats heeft, terwijl uit de eijeren de jongen zich in het lichaam der moeder ontwikkelen, zoodat deze visschen vivipares (levendbarende) zijn, maar ook vooral volgens het zenuwstelsel en de ontwikkeling der hersenen, de eenige maatstaf waarnaar het standpunt van een dier wordt bepaald, stonden deze Placoiden zeer hoog.
Juist bij deze soort van visschen is dit orgaan zoo sterk ontwikkeld dat het de hersenmassa der reptilen (kruipdieren) tot de massa
14
van liet ruggemerg in verliouding staande als drie tot een, zeer nabij komt, hetgeen ook moet beschouwd worden als oorzaak dier hooge ontwikkeling van het instinct, hetwelk alle visschers bij den gewonen hondshaai aan de hedendaagsche zeekusten waarnemen.
Op grond van alle deze eigenschappen is het dat de groote Linnaeus de ware Placoïde, die een kraakbeenig geraamte met uitwendige platen, punten of doorns van been vereenigt, zooals bij dezen OhcIius het geval is, zoo hoog stelt dat hij de geheele soort boven alle andere visschen verheft, om haar, als eeue orde van Amphibia nautia (zwemmende tweeslachtige dieren) bij de reptilen te plaatsen.
Volgens de ontwikkelingshypothese zouden de oudste visschen van eene zeer lage orde moeten zijn, en uit de hun voorafgegane weekdieren ontwikkeld, maar terwijl men nu nergens ook maar het geringste spoor of zweem ontmoet aan den Okenschen Oester, van tusschen wiens schelpen een wanstaltige bnik is uitgegroeid, vindt men hier integendeel de feitelijke bewijzen dat het geslacht der visschen is begonnen met de familie Cestraciou, eene Placoïde die den mond niet, zooals de tegenwoordige haaien, onder maar aan het einde van den snuit heeft, en dus, volgens de eigene uitspraak der ontwikkelingsprofeteu, die alles willen bewijzen uit het vruehtleven, en waarbij dus de plaatsing van den mond aan de onderzijde van den kop voor een bewijs van embryonische vorming moet gelden, op een zeer hoog standpunt van ontwikkeling moet worden geschat.
Niet alleen levert dus de Geologie geen enkel feitelijk bewijs voor het aannemen eener ontwikkeling van eene lagere tot eene hoogere soort, in de wereld der visschen, maar daarentegen van verbastering en verlaging, zoowel door misplaatsing als door gebrek van ledematen. — Een feit waarop ik bij de beschouwing van den Mensch in zijnen aard en wezen zal terugkomen.
De oudste visschen, die zoo even zijn beschouwd geworden, waren volkomen symatrisch, dat wil zeggen zij vertoonden het typische getal van vier ledematen, in vinnen die de plaats innamen dervoor-, €ii achterbeenen bij de hoogere orden van georganiseerde wezens.
Eerst veel later ontmoet men de orde Malacoptcrygil SMrachiaii van Cu vier, waarbij de typische ledematen zijn misplaatst, en in nog veel latere tijdperken de naar slangen gelijkende visschen, zooals de alen, Conger-alen, Muratne en Syubranclius, die deze ledematen gedeeltelijk of zelfs geheel missen.
Een niet minder klemmend bewijs tegen de ontwikkelingstheorie, wier Profeet Oken de visschen door ontwikkeling wil doen afstammen uit de Mollusca (weekdieren) is vooral dat ook zelfs bij deze laatstgenoemde soort van schepselen geen trapsgewijze ontwikkeling uit de lagere tot de hoogere soorten, bij voorbeeld uit de armpootigeu tot de koppootigen, ergens bemerkbaar is.
Het Silwisclte tijdperk levert eenen zoo grooten schat van fossielen uit de orde der CepJialopodae (koppootigen) die, door groote vrijheid
15
van beweging, het bezit eener werkelijke hersenmassa in eene kraak-beenige holte van den kop en van volkomen gezicht-s- en gehoororganen, in ontwikkeling boven vele vissehen staan, dat de perioden van den Lias en den Oöliih bij uitnemendheid mogen beschouwd worden als een tijdvak van deze koppootigen, tot welke nu nog de Argonaut, Nautilus of Menevoir behoort.
Dat de organismen van den voorwereldlijken Oceaan in alle opzichten hooger stonden dan die van het zoogenaamde Post-Adamitische tijdperk, zoodat ook hierin geen toenemende ontwikkeling maar integendeel achteruitgang, ontaarding en verval merkbaar is, blijkt al verder uit eeue vergelijking der fossiele met de hedendaagsche zeekreeften.
De hoogte toch waarop eenig dierlijk organismus staat hangt af van de vrijheid van beweging en de weerbaarheid. — Nu is wellicht de oudste vorm der geleedde dieren, welke in de palaeozoïsclie sedi-mentlagen voorkomt, die van eene bijzondere soort van kreeften, de Trilohiten, eene geheel uitgestorven dierensoort, die, zoowel in bewegelijkheid als in weerbaarheid, de in latere tijdperken voorkomende schaaldieren ver overtreft.
Terwijl bij de latere kreeften en krabben de kop en het lijf door een zamenhangend schild bedekt zijn, en de staart, de roeispaan van het dier, zijn eenig bewegingsorgaan voor het water is, zijn bij de Trilohiten de kop, het lijf en de staart duidelijk onderscheiden. — De eerste en de laatste bestaan elk uit een stuk, maar daarentegen is de schaal van liet lijf verdeeld in geledingen die zich over den rug uitstrekken, zoodat het dier eene buigzaamheid bezat die het in staat stelde zich, als een egel, in elkaar te rollen, eu al zijne zachte deelen in zijn hard pantser te verbergen.
Ook in de ontwikkeling der organen, vooral van het gezichtsvermogen , stonden deze zonderling gevormde zeer bewegelijke dieren op eenen hoogen trap. — Zij hadden een halvemaanvormig kopschild, dat in het midden sterk verheven was; de oogen stonden aan beide zijden, met duidelijk zichtbare facetten, zoodat zij met de zoo kunstig gevormde oogen der vliegen overeenkwamen. — Bij de soort Trlmoeleus is de, boogvormige rand, welke de bulten van den kop omgeeft, met diepe gaten voorzien, waarvan men wel het doel niet met stellige zekerheid kan bepalen, maar die, daar men bij deze soort nog niet, zooals bij de overigen, oogen heeft ontdekt, schijnen te kunnen worden beschouwd als oogholten. — Is deze vooronderstelling juist dan zou\' deze soort niet twee oogen met facetten, maar een groot aantal afzonderlijk rondom den kop geplaatste oogen hebben bezeten, hetgeen te minder aannemelijk is. daar de zamenstelling der bij andere soorten ontdekte oogen recht geeft om aan te nemen dat deze dieren met een zeer hoog ontwikkeld gezichtsvermogen begaafd waren.
Met betrekking tot de weerbaarheid stonden deze dieren evenzeer op eenen hoogen trap. — Niet alleen maakte hun beweeglijk harnas
16
hen onkwetsbaar, maar in het voor de Geologie zoo hoogst belangrijk ^\'/quot;«■/-gebergte vindt men eene soort van deze dieren, de Argea armatus, bij welke de weerbaarheid tot den hoogsten trap is opgevoerd. — Dit merkwaardige dier heeft eenen ronden aan het voorhoofd bijzonder hoog gewelfden kop, gewapend met twee lange als dolken gescherpte hoornen, die naar bokshoornen gelijken. — De zijden van den kop, die werkelijke kogels vormen, rusten op eenen half cirkelvormigen rand, die naar achteren in lange stekels ujtloopt. Op dien wrong verheffen zich twee stekels of hoornen welke boven den rug uitsteken. — Aan dien zesvoudig gehoornden kop sluit zich aan een gepantserd lijf bestaande uit zes geledingen, wier pantser-schilden allen uitloopen in stekels die naar achteren en beneden gericht , zijn, en wel zoo dat de paren, naar achteren toe, steeds langer, grooter en dikker worden. — Aan dit harnas sluit zich een staart-schild uit een stuk, geheel met lange stekels bezet, en op de verhevene plaats, die het dichtst bij de laatste geleding van den ro:np staat, van eenen naar achteren gerichten hoorn voorzien.
Na den tijd van den Thon-Schiefer is deze zonderlinge dierensoort zoo geheel verdwenen dat men hooger dan de onder Silurische formatie, geen enkel spoor daarvan aantreft, en toch waren zij zoo menigvuldig dat Barrande, uit de veelvuldige fossielen op alle trappen van ontwikkeling, eene geheele geslachtlijst heeft kunnen daarstellen.
Gaat men nu, in opklimmende orde, over tot de Rept ilia (kruipende dieren), dan vindt men dat de vreeselijke, niet alleen water-en-land- maar ook zelfs vliegende reptielen, zooals de Dinosaurus, 1/eosauras, Meg aiosaurus, Plesiosaurus, Ignanodon, Fterodactylus, Ramphori/ncJms, of welken naam de wetenschap aan deze fossiele hagedis- of krokodilachtige dieren moge hebben gegeven, volgens de overblijfselen van hun gebit, allen verscheurende monsters waren, tot zelfs van eene grootte welke die van den oliphant ver overtreft, daar sommigen de lengte van vijftig voet, dat is van 16 a 17 Meters bereikten, en tevens dat deze schepsels van het secundaire tijdperk de in hunne soort meest volmaakte ontwikkeling bezaten.
Ook in deze soort van organismen vindt men geen enkel spoor van hoogere ontwikkeling noch overgangsvorming, maar wel integendeel weer van teruggang en ontaarding, daar niet alleen de grootste yavialen van de Ganges slechts dwergen zijn bij deze fossiele reuzen vergeleken, maar ook, in de tertiaire lagen, voor zoover men weet, gelijktijdig met den Menscli, liet oplddische geslacht verschijnt, het gebroed der slangen, die, zoowel door het gemis van ledematen — pooten — als door overmaat van wervels en ribben, tot 400 toe, en vooral door het bezit van vergif, monsters zijn welke de afschuwwekkende type van het op het allerdiepst verlaagd reptiel voorstellen.
Komt men nu eindelijk tot het tertiaire tijdperk, dat der zoogdieren, dan ontmoet men alweer hetzelfde verschijnsel van het op-
17
treden der verschillende dierensoorten op den hoogsten trap van ontwikkeling en later steeds toenemenden teruggang. — Wat toch zijn de Oliphant, de Rhinoceros, de Hippopotamus, de Beer, de Leeuw, de Koningstijger, het Kund, zij het ook zelfs een Bison, Karbauw of Zebu, vergeleken bij den Mammouth, den Mastodont, het Binothe-rioii, het Sivatherion, den ürus, Holen-Beer en Holen-Tijger van de Eöceensche, vüoceeiiscJte en plioceemciie tijdperken.
Ook hier is dus in ons plektoceemche of zoogenaamde Post-Adam-itische tijdperk den blijkbaarsten achteruitgang, in plaats van toenemende ontwikkeling, duidelijk merkbaar, en hoe is dit nu overeen te brengen met de theorie van eene voortdurend onafgebroken volmaking.
Volgens de Ontwikkelings-hypothese zouden de Organismen van ieder tijdperk, na derzelver hoogst mogelijke eigenaardige ontwikkeling te hebben bereikt, door middel van overgangsvormen, in Organismen van eene hoogere Orde en een opvolgend tijdperk moeiten veranderen.
Indien dit waarheid ware dan zou het mogelijk zijn, om, door eene reeks van exemplaren, zooals bij voorbeeld de Conchjlien (schelpen) in eenen zoo rijken overvloed opleveren, die overgangsvormen aan te wijzen, en geslachtslijsten te vormen zooals Barrande van de Tri-lohiten heeft daargesteld.
Nu evenwel weet de Geologie niets van dergelijke overgangsvormen; geheel in tegenoverstelling hiermede vertoonen zich de opvolgende tijdperken als typische dagen, gedurende welke de daartoe behoorende Organismen te voorschijn komen, derzelver hoogsten trap van.eigen-dommelijke ontwikkeling bereiken, en vervolgens ontaarden en wegkwijnen, om voor de Organismen van een opvolgend tijdperk plaats te maken.
Tegenover deze onwraakbare geologische feiten vertoont de geheele ontwikkelingstheorie zich als een natuurphilosophische droom, waarin de Mensch-aap van Darwin en de zeerozen en zeedruiven, die de Maillet zijnen Indischen Wijsgeer TeUiamed laat zien en eten, volstrekt geen hoogere wetenschappelijke waarde hebben dan de Magneetberg, het diamanten-dal en de vogel Roe uit de Arabische Nachtvertellingen.
Na een zoodanig ernstig onderzoek van de oorkonden der natuur komt men dan tot de aanneming van het door Cu vier geleverde bewijs dat het leven nimmer, op den scheikundigen weg, uit het organische slijm kon ontstaan, daar de invloed welke het leven zelf uitoefent op de elementen die een deel van het levende lichaam uitmaken en door dit laatste worden aangetrokken, geheel tegenovergesteld is aan de werking die, zonder leven, alleen door chemische verwantschap wordt teweeg gebracht.
Dan moet men wel voor alle Organismen de Generatio aequivoca aid spontanea (de dubbelzinnige of oorspronkelijke voortbrenging) aan-
2
IS
nemen, maar dan is ook de M e n s c h niet, door ontwikkeling, traps- doc
ge wij ze voortgekomen uit den Zeekwal, maar eveneens het gewrocht een
eener Spontane primaire generatie, en moet hij dus, als geheel zelf- wa,
standig wezen, van den aanvang af worden nagespoord.
iosi
--sch
mo
Is nu de M e n s c h, even als alle andere organismen, het Product eener Spontane primaire generatie, dan is het ook, om zijne natuur vei te leeren kennen, noodig hem, van af zijn eerste optreden als zelfstan- Mc dig Genus Homo (Menschengeslacht) na te sporen. gei Het tijdstip van dit eerste optreden is, in spijt van de onmisken- hu bare vorderingen der positieve wetenschap, nog steeds gehuld in eenen we duisteren nacht, wier donkerheid het voor lederen Bom bast us gemakkelijk maakt, om aan zijne in een wetenschappelijk mom gesto- in ken droomen eenen glimp van waarheid te geven. in Hoe onwaarschijnlijk het ook moge voorkomen, met het oog op ste den toenmaligen toestand der nog aan zoo veelvuldige en zoo hevige rec stuiptrekkingen onderworpen aarde, dat zij reeds in het secundaire bri tijdperk zijn bestemd geweest, om tot woonplaats van wezens met do groote redenerende hersenen te dienen, schijnt het echter niet onrede- gelijk te vooronderstellen dat er reeds in dat secundaire tijdperk zoo- di( danige wezens zouden hebben kunnen bestaan. mlt; Wanneer men toch in Sagen, Legenden en Sproken de vreesselijke de beschrijving leest van gevleugelde en ongevleugelde Draken dan schijnt ree het schier onmogelijk dit vernielende ongedierte louter voor het gewrocht eener ontstelde en verwarde verbeelding te houden, terwijl yjv men toch nergens in de bekende wereld eenig spoor daarvan ontdekt. — Agt; Maar wanneer nu de Geologie ons de fossielen vertoont van den str vreesselijken slangclraak Plesiosaurus, een Salamander van eene reus- da achtige grootte, wiens lange naar het lichaam van eenen Vython of mi eenen Boa gelijkende hals eenen kop als van eenen aligator draagt,
of van den nog versehrikkelijkeren vliegenden draak Pterodacti/lus, di
een vliegende krokodil, wiens vlucht eene wijdte van vijf meters xm bereikte, en die even als andere Saurii (hagedisachtige dieren) van
dat tijdperk, volgens derzelver gebit, verscheurende monsters waren; di\'
en als dan deze fossielen ons schepsels hierin vertoonen geheel en al or
overeenstemmende met de gedrochten die men als vruchten eener ov
dwaze verbeelding wil voorstellen, dan wordt het bijna eene zedelijke ga
overtuiging dat de verbeelding onmogelijk vormen kon scheppen, zoo ee geheel overeenstemmende met me ondergegane werkelijkheid, vele
eeuwen voor dat die werkelijkheid , door de betrekkelijk nog zoo , Jnj
jonge Geologische wetenschap werd aan het daglicht gebracht. hc
Veel natuurlijker dan een zoo wonderbaar toevallig te zamen tref- he
fen van eene weelderige verbeelding met de werkelijkheid, moet het lt;k
voorkomen, dat het denkbeeld van zoodanige monsters is verkregen lij
19
door overlevering van eigene aanschouwing, welke, in verloop van eeuwen, nadat deze ondieren van de oppervlakte der aarde verdwenen waren, door den geest der poëzie werd geïdealiseerd.
Wel werden er uit liet tijdperk der sehrikreptilen tot nog toe geen fossielen van menschelijke overblijfselen of voortbrengselen van men-schelijke nijverheid gevonden, maar dit bewijst nog niets tegen de mogelijkheid van het bestaan van het mensehelijk geslacht.
Dit bestaan kan alleen op grond van logische redenering worden verondersteld, maar in geen enkel opzicht feitelijk worden bewezen.— Men weet dus hoegenaamd niets van de levenswijze, de zeden en gewoonten der mogelijke toenmalige aardbewoners, waaruit men tot hunne begrippen of aanschouwingen omtrent de natuur en hun eigen wezen eenig gevolg zou kunnen trekken.
Wellicht woonden zij, gelijk nog heden ten dage de Vuurlanders, in kunstelooze hutten van ineengestrengelde onbewerkte boomtakken, in de open lucht, bedienden zich tot wapens van onbewerkte knodsen, steenen, lange scherpe kinkhorens, bevestigd aan het uiteinde van rechte jonge boomstammen, wapens van visschen, zooals de tot dolk bruikbare stekel van den Oncltus, vischgraten, zooals die overal, door wilde volken, tot pijlspitsen worden gebruikt, tot drink en ander gereedschap van schelpen, in een woord van allerlei voorwerpen in dien staat zooals de natuur ze oplevert, zoodat zelfs in geval ze mochten zijn bedolven geraakt en na (luizende eeuwen gevonden worden, het onmogelijk is te raden, of ze al of niet, ooit aan eenig redelijk wezen ten gebruike dienden.
Gemakkelijk zelfs zou de Poëzie hier de beelden kunnen scheppen Tyn geharnaste Ridders, de borst bedekt met het kopschild van den Asterolepius, gewapend met knods, dolk, speer, boog en pijlen, strijdende tegen den vreesselijken slangdraak of het uit de lucht neerdalende gevleugelde monster, met den wijdgeopenden muil van den menschenverslindenden Gaviaal.
Wat het niet vinden van hunne eigene overblijfselen aangaat, ook dit zou, bij het volstrekt ontbreken van alle feitelijke sporen, gemakkelijk kunnen worden verklaard.
Mogelijk lieten zij de lijken verslinden door de vraatzuchtige monsters die hen omringden, als zeker het eenvoudigste en onfeilbaarste middel, om de besmetting van die lijken te weren ofwel lieten zij dezelve, na ze over het vuur te hebben gedroogd, in de open lucht tot stof overgaan, zooals dit bij de Guebren in gebruik is, of vernietigden ze op eenigerlei andere wijze, zoodat er geen het minste spoor van overbleef.
Dit alles echter is slechts eene p logische sluitredenen gegronde hypothese, welke alleen eene betrekkelijke wetenschappelijke waarde hebben kan, maar die ten minste op het Bancinianismm dit vooruit heeft: eensdeels dat zij niet als eene positieve waarheid of Atheïstisch dogma wordt verkondigd, en anderdeels door geen wetenschappelijke feiten weersproken wordt.
20
Moge nu ook deze gehcele hypothew van een prae-tertiair men— schengeslacht niets meer zijn dan een droom, zooveel is ten minsten volkomen zeker, dat het tijdstip op hetwelk de Mcmch zoo stellig een aardbewoner was, dat hij de sporen van zijn aanzijn in het rotsgebergte achterliet, bij geen mogelijkheid tijdrekenkundig kan worden aangetoond, evenmin als dit mogelijk is met de tijdperken gedurende welke de opvolgende scheppingen werden tot stand gebracht.
Wanneer men de geologische oorkonden raadpleegt en daaruit ont-waardt hoe de verschillende elkander opvolgende Organismen, na verloop van tijd ontaarden van derzelver eigenaardige oorspronkelijke typische volmaaktheid, in welke zij zich eerst vertoonden, zoodat de eerste licht beweegbare, zwaar gewapende, volkomen symetrisch gevormde visschen allengs overgingen in wezens die, zoowel door misplaatsing als door gebrek van ledematen, en doorverdraaijingdes lichaams misvormd waren, — en de eerste reusachtige, in derzei ver aard volmaakt typisch ontwikkelde Eeptielen, welke men de kroon en het sieraad van hun geslacht zou mogen noemen, tot het wal-\'chelijke, kruipende, vergiftige slangengebroed verlaagd werden, dan mag men, bij analogie redenerende, ook met logische rechtmatigheid aannemen dat dat er eenmaal een tijdperk was, in hetwelk het Men-schengeslacht zich in de hoogst mogelijke volmaaktheid, voor welke het door zijne organisatie vatbaar kon zijn, vertoonde , maar dat hierop eveneens eene degeneratie volgde, die wij, in verkleining en verzwakking der individuen, zoowel als in de verkorting van derzelver levensduur, bij moderatie berekend, nog steeds zien voortgaan, en die wellicht in steeds toenemende mate zal voortduren, tot dat ook de Genus Homo eindelijk in eenen Rarjnarohr (Godenschemering) zal ondergaan.
In welk tijdvak van den levensduur der Aarde nu echter dit tijdperk van menschelijke volmaaktheid moet worden gesteld, dit ligt geheel in het duister, en is alleen eene hypothese op volmaakt zuiver logische redenering gegrond.
Zooveel is zeker dat ook de Geologie tot nog toe op dit punt geen het minste licht verspreiden kan, daar hare oudste oorkonden slichts getuigen van rassen, die, geheel in tegenoverstelling met de oorspronkelijke typische volmaaktheid van andere organismen, bij derzelver eerste optreden, in den fossielen staat, reeds de blijken vertoonen van zeer ver afgeweken te zijn van den idealen typus (grondvorm) zoodanig, dat men in twijfel staat of men niet de overblijfselen voor zich heeft van verlaagde geheel verdierlijkte wilden, in dien staat geraakt door soortgelijke oorzaken en op soortgelijke wijze als de antropologische jaarboeken, ook nog in onzen tijd, de voorbeelden van geheel verwilderde, tot het, als gewoon dagelijks voedsel, eten van menschenvleesch — zooals de sage van Han van Ysland verhaalt — vervallen individuen en geheele familiën hadden te boekstaven.
3i
Doet men mi onderzoek naar de oudheid der allereerste aan ons bekend geworden Geologische oorkonden, dan vindt men dat deze in der daad hoogst merkwaardig is. — De oudheid der, zoowel in •de oude als in de nieuwe wereld gevonden Menschelijke overblijfsels is zoo groot, dat het, op zijn minst genomen, vermoeijend ja zelfs verwarrend wordt, wanneer men denzelven in gewone jaartallen wil uitdrukken. — Aan een bij den mond der Missisippi, — zeer zeker eene der oudste oorspronkelijke rivieren van Amerika, en daarom, door de oorspronkelijke bewoners, die de geboorteplaats van den eersten Mensch aan derzelver oevers plaatsten, Mecha-Chehe (Vader der ^ ateren) genoemd — gevonden Mensehengeraamte schrijft Dr. Do wier, op grond van Geologische begrooting, eeneu ouderdom toe van, op zijn allerminst, 50,000 jaren, maar dit is nog niets bij de berekening van Vivian, dat de mensehenbeenderen gevonden in den bodem der Grot van Kent, in Btvotishire, voor meer dan 2,500 Eeuicew daar moeten zijn neergelegd. — De door het Menschdom nagelaten sporen, in de tertiaire lagen in Frankrijk gevonden, stemmen volkomen overeen met dezen hoogen ouderdom, die de cosmogonische berekeningen zoo oneindig ver overtreft, en eindelijk heeft niet alleen Bourgeois, te St. Prist in de howsnsie pliocene laag, maar ook Delauny te Pomnce, Departement Maine et Loire, in de bovenste, ja zelfs de Vibraye, te Selles sur Chrer, in de midden miocenc laag, sporen van Menschelijke nijverheid gevonden.
Hoedanig nu doen deze oudste bekende vertegenwoordigers van het Mensehelijk geslacht zich voor, met betrekking tot derzelver liohame-lijke, verstandelijke en zedelijke ontwikkeling9 — Waarlijk niet als de ideale type van den Gemis Homo; zoodat, daar men op geen enkelen redelijken grond zou kunnen aannemen dat, terwijl alle andere organismen zich eerst vertoonen in de hoogst mogelijke volkomenheid van derzelver soort, en eerst door verloop van tijd allengs daarvan ontaarden, alleen de Mensch, in tegenoverstelling hiermede, zou zijn opgetreden, als een emhryonisch schepsel, hetwelk zich eerst tot het ideaal van zijne soort moest ontwikkelen, men hierdoor te meer gerechtigd is, om aan het Menschdom, in zijnen staat van typische volmaaktheid, eenen nog veel hoogeren ouderdom toe te kennen.
De stelling der Poligmisten, volgens welke men voor de verschillende rassen ook onderscheidene scheppingsmiddelpunten zou moeten aannemen, omdat het onmogelijk is de zoo hemelsbreed van elkander afwijkende typen, die de thans bestaande rassen onderscheiden, toe te schrijven aan omvorming door climaterische invloeden te weeg gebracht , vindt haren grond in de onverandevlijkheid van type en zelfs gelaatskleur, welke die rassen, onder alle hemelstreken, behouden.
Niet alleen toch vindt men de donkere koperkleur, die vele oorspronkelijke Amerikaansche stammen kenmerkt, en tot den generieken naam van Roodhuiden aanleiding gegeven heeft, even goed onder de bevrorene als onder de verzengde luchtstreek geheel onveranderd,
22
maar ook zelfs Europa levert hiervan een voorbeeld in de onveranderlijkheid van het Semitische ras.
De Joden toch die, sedert achttien eeuwen, vau het Oosten tot het Westen, van het Noorden tot liet Zuiden, in alle, en wel het meest in de gematigde en koude, landen van Europa verstrooid leven, vertoonen onveranderlijk hunnen volkstrek, hun geheel nationaal voorkomen, hetwelk dan ook de eigendommelijke, zeer kennelijke-/ooftóie type wordt genoemd, voor zoover ten minsten als zij niet zijn afvallig geworden van hunne nationaliteit en hunne kerkleer en verbasterd door geslachtsgemeenschap met de Goyim (vreemdelingen). — .Ia zelfs zoo standvastig is die tvpe, dat de nakomelingen van Joden die tot het Christendom overgingen en dus buiten hunne Natie huwden, nog gedurende vele geslachten, daarvan de duidelijkste sporen vertoonden .
Ken nog meer in het oog vallend bewijs dezer, onveranderlijkheid van type wordt geleverd door de Rhomni, (Mannen) zooals zij in hunne eigene taal heeten, of wel Ziqeuners, Zingari, Gitano*, Gypsis enz., gelijk zij meer algemeen bekend zijn, omdat, zij zich, nog veel minder dan de Joden, slechts uiterst zeldzaam of in het geheel niet met vreemdelingen vermengen.
Dit zwerfvolk behoort tot eenen oud Aliaïsclien Volksstam, verwant met de Finnen, onder welke zij, in hethoogeNoorden, gaarne verblijf houden en zelfs zich vestigen. — Zij noemen zich zeiven llindostans kinderen, en zijn, waarschijnlijk stamverwant met do Banians of Banjaris, die in Indië hetzelfde zwervende leven leiden, afkomstig uit de vroegere bewoners van dit land, die door den Arischen- of iraw-stam werden overwonnen, en waarvan de onge-lukkigsten, die in de onmogelijkheid waren om naar ver verwijderde streken uit te wijken, de Caste der door de Brahmanen voor onrein verklaarde Pariah\'s uitmaken, of in de achterwouden van Ceilon, als Faddah\'s rondzwerven.
Deze llomni vertoonen eene onveranderlijke type, en behouden even zoo goed onder den Poolcirkel als onder de Keerkringen dezelfde donkere gelaatskleur en glanzig zwarte haarlokken en oogen.
Ook hun verstandelijk en zedelijk karakter blijft zich overal gelijk. Zij bezitten bekwaamheid, vlijt, slimheid, tevredenheid, en, zoo zij zich, bij uitzondering, ergens nederzetten, zijn zij zeer bruikbaar en wel te vertrouwen.
De gevolgtrekkingen nu, welke men uit deze trekken der bestaande rassen kan afleiden, gelden ook, volkomen in dezelfde mate, van de fossiele rassen, en deze vertoonen eveneens verschillende typen, die met geen mogelijkheid tot eikanderen kunnen worden in verband gebracht.
De Menschelijke schedels uit den Mammouths-tijd, zooals die in 1S57 in het Neanderdal, bij Dusseldorf en te Enr/is bij Tynik, door den ijverigen Schmerling gevonden werden, schijnen het midden
23
te houden tussclieu den Australiër en den Eskimo. — Bij fragmenten van een en schedel, door Dr. Tan del te Eyuuheim bij Colmar gevonden, schijnt de aangeziohtshoek 65 te hebben bedragen, terwijl de grondvorm meer een dolichocephaal (eirond) dan een hracJiycepJiaal (breedschedelig) karakter vertoont. — Bij Arezzo werd, door Professor Cocchi te Flortnce, in den heuvel Olmo, op eene laag van meermergel, ter diepte van 15 Meters, boven de alluviale gronden der Arno eenen schedel gevonden die, ouder dan de door Boucher te Moulin Quiynon bij Abbeville gevondene, van voor den Ijstijd afkomstig schijnt.
Alle deze schedels, waarvan de laatste, even als die van EyuisJmm, van Engis en van het Neanderdal, dolichocephaal is, wijzen terug op het bestaan in Europa van een vroeger dan het bracliycejrfnde ras, hetwelk eene Mongoolsche type vertoont.
In de Scotsch-Hills heeft men scliedels ontdekt van tweeërlei kennelijk zeer onderscheiden type, daar de eene kennelijk die der oude Britten, wtlke sommigen, wellicht niet geheel zonder eenigen grond, van de Joodsche Natie willen doen afstammen, de andere die der Australiërs vertoont.
Dit oude ras schijnt van eene korte gestalte te zijn geweest, en sommigen meenen wel, dat vooral de mannen een zeer verwilderd voorkomen moeten hebben gehad, omdat zij, bij gebrek aan metalen gereedschap, den baard ongeschoren droegen. Wellicht is het dit ras waarvan de Sagen der Svart Alfr, Dwergen en Aardmannetjes afkomstig zijn.
De vooronderstelling omtrent hun voorkomen mist echter idle beslissend gezag; — vooreerst is het geheel onbewezen of niet dit ras, even als grootendeels het Amerikaansche, baardeloos was, ten anderen bericht ons de groote zeevaarder James Cook zeer uitvoerig, hoe de Polynesische volken, die, zoover men weet, allereerst door hem bezocht werden, zich, door middel van schelpen, even zindelijk en gemakkelijk als met het fijnste mes, wisten te scheren.
Eindelijk zou diezelfde vooronderstelling ook gelden van de geheele Hunnenbevolking, die, zeer zeker in een pleistoceensch of Fost-Adamitisch tijdvak, zich over een zeer groot deel van Europa uitstrekte, zooals blijkt uit hare overal verspreidde cyklopische bouwgewrochten, daar dit volk toch ook evenzeer zoo geheel van metalen gereedschappen verstoken was, dat de tijd van deszelfs voörheerschend bestaan in de Noordsche Oudheidkunde het steen-tijdperk uitmaakt.
In het hol du Frontal, te Furfooz bij Dinant, zijn, uit den llendiertijd, die op den Mammouthstijd volgt, twee schedels gevonden , insgelijks van zeer verschillende type, daar de eene zuiver brachyceplwal is.
Schedels, gevonden in het dal der Lesse, in het oude Groot-Hertogdom luxembury, schijnen een ras aan te duiden, hetwelk kort van gestalte maar zeer sterk ontwikkeld was, met een kortschedelig
24
hoofd van piramidalen vorm, zoodat liet aangezicht die ruitvormigheid vertoont welke alsnog het kenmerk is der Mongoolsche geslachten.
Wellicht zou de nakomelingschap van deze bevolking eener voorwereld , tot welke de Geschiedenis niet kan opklimmen, maar waarvan alleen in vroegere eeuwen de Saye en in onzen tijd de openbaring der Gesteenten, op eene in der daad wonderbaar overeenstemmende wijze, getuigïnis geeft, nog kunnen voortleven iu het Iberische ras, hetwelk men, scherp onderscheiden van het Arhche, nog aantreft in Noordelijk Italië en in de Pyreneën, welks vele thans uitgebrande vulkanen bevattend gebergte, daardoor wellicht van Vyro (vlam) zijnen naam ontleent.
Met betrekking tot hunne verstandelijke ontwikkeling schijnen deze volken, wat kunstvaardigheid betreft, in eenen staat van kindsch verval te hebben verkeerd, maar overigens eenen sterken ondernemingsgeest te hebben bezeten, waardoor zij, veel minder dan met het thans levende zoogenaamd beschaafde of liever verfijnde geslacht het geval is, tegen werkelijk schier onoverkomelijk te achten bezwaren opzagen, en zich door geen toenmaals daarmee onvermijdelijk verbonden gevaar, lieten afschrikken.
Wel is het blijkbaar dat de oudste volken, wier bestaan Geolüf/uch bewezen is. niet in eenen staat van dierlijkheid verkeerden, die hen voor redelooze wezens zon kunnen doen houden, daar zij werkelijke nijverheid, naar de mate hunner behoefte, beoefenden, eene nijverheid van welke zelfs de langzame ontwikkeling kan worden aangetoond, maar die toch nog altoos volkomen kinderlijk was.
Levende in een tijdvak, oneindig verder verwijderd dan dat van Tubal-Kain, de zesde afstammeling van den Adam (Mensch) der Mozaïsche legende, die daarin wordt genoemd als de leermeester van alle werklieden in koper en ijzer, waren zij nog verstoken van deze kunst, en daarmee van het bezit van metalen werktuigen.
De grot van Macaguone op Sicilië bevat overblijfselen vf.n den Elephas antiqum te zamen met voortbrengselen van menschelijke vlijt. Ook op andere plaatsen heeft men dergelijke gevonden. — Zij bestaan echter allen uit voorwerpen van zeer grof aardewerk, gereedschappen en wapentuigen van rendiergewij en been, zooals kaakbeenderen van den reusaehtigen holenbeer, ingericht tot strijdaksten, in welke de hoektanden waren gelaten, zoodat het geheel een gevaarlijk en moorddadig wapen vormde, en, zooals zelfs in den heuvel Ohao, van voor den ijstijd, van vuursteen, als bijlen, bijtels, messen, zagen, lansen, pijlpunten, ja zelfs lange smalle scherp gepunte voorwerpen, die eene soort van dolken kunnen geweest zijn.
Vele van deze vuursteenen voorwerpen vertoonen eene bewerking, die niet alleen getuigt van volhardende vlijt, maar ook van eene zekere mate van kunstvaardigheid, terwijl zij tevens het bewijs leveren voor
25
•de omlernemendc onversclirokkenheid dezer volken, die daarin de dolende Eiddersohap der Middeleeuwen, zij liet dan ook met een meer realistisch doel, bijna evenaarden.
Waarschijnlijk was het hunne onkunde, die hen buiten staat stelde , om de tot hun gebruik, als grondstoffen, benoodigde mineralen in ■eigen bodem op te sporen, zoodat die slechts hier en daar bij toeval ontdekt werden, van welke ontdekkingen zich dan het gerucht wijd «n zijd, van mond tot mond verspreidde.
Wat hiervan zijn moge, zooveel is zeker, dat deze volken, tot het bekomen van den, voor de vervaardiging van hunne w-apens en gereedschappen, benoodigden dlcx (vuursteen) genoopt werden tot het ondernemen van groote, veimoeijende en gevaarvolle reizen, te bezwa-render omdat er noch gebaande wegen noch bruggen bestonden, en zij noch vaartuigen noch andere vervoermiddelen bezaten, zoodat zij genoodzaakt waren te voet hunnen weg te zoeken door schier ondoordringbare wildernissen, bevolkt met verscheurend gedierte en •wemelende van venijnig gewormte, hetwelk in kreupelhout, ruigte ■eu moeras eene veilige schuilplaats vond, en breede snel stroomende rivieren, hetzij zwemmende, mogelijk zelfs nog wel met eene vracht beladen, of wel op drijvende boomstammen of hoogstens op ruw te zamen gebonden vlotten over te steken.
Al deze bezwaren konden echter geenszins beletten dat bij voorbeeld de stammen, die in Belr/ic langs de Lesse woonden, vuursteen gingen halen uit Champagne zoowel als uit Touraine uit den berg Pressigny. — Deze gevaarvolle tochten moeten dengenen, die ze had afgelegd, bij zijn stamgenooten, tot eer gestrekt hebben, zooals men daaruit kan opmaken, dat zij zelfs toenmaals reeds fossiele schelpen, die alleen in Champagjtc voorkomen, vandaar meebrachten, hoewel deze hun tot niets anders dienen konden dan om ze te doorboren, ten einde ze als een vreemd en zeldzaam, de hoogste onderscheiding schenkend sieraad, evenals in de Middeleeuwen de gouden Eidderketen, om den hals te dragen, ten bewijze dat zij werkelijk waren geweest in het verre gewest, vanwaar uitsluitend die schelpen konden worden gehaald.
Hunne levenswijze moest overeenstemmen met die van alle jagervolken , daar men geen enkel spoor vindt, uit hetwelk zou kunnen worden opgemaakt dat zij huisdieren hielden, maar de overblijfselen der dieren, welke hun tot voedsel hebben gestrekt, de blijken dragen van op de jacht gedood te zijn, terwijl derzei ver huiden tot kleeding en legersteden gebezigd werden.
Hun verblijf hielden zij, of waarschijnlijk in het gunstige jaargetijde, in de open lucht, zooals door veelvuldige stookplaatsen werd aangewezen , of wel in door de natuur gevormde spelonken, welke, aan de in dezelve herkenbare haardsteden kunnen worden onderscheiden van de holen, die aan de wilde dieren ten verblijf hebben gestrekt, en eindelijk wellicht in hutten op palen in het water gebouwd, om
te beter tegen de onverwachte nachtelijke aanvallen van het roofgedierte beveiligd te zijn.
In het voorafgaande heb ik gewezen op de hoogst merkwaardige overeenstemming van de Sayv, met de zoovele eeuwen later aan het daglicht gebrachte Geologische werkelijkheid, en zulks om daarmee aan te toonen dat die Sagen moeten worden gewaardeerd als overleveringen van geslachten wier geschiedenis in een ondoordringbaar duister is gehuld.
Hiermede toch verkrijgt men eenen leidraad ter opsporing van het ontstaan der afgetrokken denkbeelden, die het zedelijk leven vormen, hetwelk, als het allergewichtigste punt bij een antropologisch onderzoek de meest onverdeelde aandacht verdient, en het is daarom, dat ik mij thans wil bezig houden met de zedelijke ontwikkeling dezer fossiele volken, die daarom vooral hier te merkwaardiger is, daar zij alle denkbeeld van de door de Profeten der ontwikkelingstheorie opgezette voorheerschende dierlijkheid onvoorwaardelijk uitsluit.
Deze volken begroeven hunne dooden. — Nu zou een moderne natuur wijsgeer hieromtrent wel kunnen aanvoeren dat zij dit deden\', omdat hun instinct op dezen trap van organisatie i\'ceds genoeg ontwikkeld was, om hun te doen beseffen dat dit noodig was, om de lucht die zij inademden niet te vergiftigen, maar deze vooronderstelling kan niet opgaan, wanneer men ziet dat zij in hunne spelonken, te midden der overblijfselen, van de tot voedsel gebruikte dieren leefden, even als de Eskimo\'s in hunne sneeuwhutten, in eenen dampkring die, door rottende uitwasemingen verpest zou zijn, indien dit niet door de strenge koude werd belet, zoodat men dan ook mag aannemen dat toenmaals in Europa, mogelijk bij het naderen van den ijstijd, eene zeer lage temperatuur, wellicht eene voortdurend trapsgewijs toenemende koude heerscht.
Alleen de wijze waarop de lijken werden ter aarde besteld bewijst genoegzaam, dat men hier niet met eenen blooten gezondheidsmaatregel, zooals de hedendaagsche maatschappij met hare higyene dweept, te doen heeft.
In het jaar 1852 werd in eenen heuvel bij Aurignac eene begraafplaats gevonden uit den Mammouths-tijd, toen ook de, sedert het tertiaire tijkvak uit Europa verdwenen, Elephas meridionalis, nog in dit werelddeel leefde, in welke begraafplaats de duidelijke overblijfselen gevonden werden van doodenmalen en doodenoffers, alsook van het medegeven van teerhost, wapens, gereedschappen en zekere gewijde voorwerpen, bij wijze van amuletten, aan den afgestorvenen, op zijne reis naar het Geestenland.
Gelijke verschijnselen levert ook het Hol van Frontal bij Binant, hetwelk eene soortgelijke begraafplaats uit den rendiertijd bevat.
Neemt men nu in aanmerking dat dit liol, zooals reeds werd opgemerkt, schedels van zeer onderscheidene type bevat, dan zou men hieruit de gevolgtrekking kunnen afleiden dat de verschillende rassen, die terzelfder plaatse hebben geleefd, in dit opzicht overeenstemmende begrippen hadden.
De voorwerpen bij de geraamten gevonden, die men niet anders dan als amuletten kan beschouwen, omdat men daarvoor geen praktische bestemming weet te ontdekken. bestaan in ten deele doorboorde vloeispathkristallen, granietsteenen, voorwerpen van koolzuur koper, en nog meer andere dergelijke, van welke men niet anders kan aannemen, dan dat zij derzelver waarde aan eene geheimzinnige beteekenis ontleenden.
Deze zorg voor de stoffelijke overblijfselen der afgestorvenen, die in de verschillende Godsdienststelsels van het historische tijdperk, den geloovigen als een heilige plicht wordt voorgeschreven, is een zeer merkwaardige en belangrijke karaktertrek in het leven der volken van een tijdperk, waarheen zelfs bijna de Sage niet opklimt.
Zeer terecht merkt Sir Charles Level 1 hierbij aan, dat die zorg voor de dooden, het onbetwistbare bewijs oplevert, voor het in het gemoed dier volken algemeen bestaan hebbend geloof aan een toekonistin leven, en dit is het nog wel voornamelijk, waardoor de waanzinnigheid der ontwikkelingstheorie der Darwinisten in het helderste licht treedt.
De Mensch allengs, als langs eenen Jacobsladder, van uit het organische slijm, tot zijn tegenwoordig standpunt van redeneerend dier opgeklommen, is het geliefkoosde leerstelsel der hedendaagsche zoogenaamde natuur-wijsgeeren. — Naar het lichaam is het tweehandige
wezen niets meer dan een van lieverlede veredelde aap, maar.....
naar den geest?.....
•Fa, hier weet men met het begin niet te recht te komen, daar men toch niet den moed heeft, om zich openlijk te verklaren voor aanhangers van het zinnelooze stelsel door A be rcr omb ie, op blz. 2(i van zijne Intellectual Forcers voorop gezet, dat ook de lagere (lieren, bij gevolg ook de Ascaris horridus en de enkele Monade eene onsterfelijke redelijke ziel bezitten.
Die lastige Geest! . . . . waarlijk wel voor de hooggeleerde Heeren een ware plaag-, klop- en spotgeest, die alle hunne zorgvuldig opgebouwde, met de uiterste inspanning geknutselde Theorien in de war brengt, laat zich echter maar niet zoo met geleerd klinkende drogredenen en brommende volzinnen uit den weg redeneren, maar doet met onweerstaanbare kracht, zich kennen als het element, dat het onderscheid daarstelt tusschen den redelijken mensch en her, redelooze dier.
Allereerst, en wel op eene wijze die, voor ieder schepsel begaafd met het vermogen om op te merken, uit zijne waarnemingen gevolgen te trekken en daaruit sluitredenen op te maken, volkomen dni-
28
delijk is, doet die Geest zijn aanzijn kennen in eene eigenscliap welke zelf den hoogst ontwikkelden dieren volstrekt ontbreekt.
Deze eigenschap is geen andere dan de solidariteit van het Mensch-dom, dat is de niet, zooals bij het dier, individuele maar geslachtelijke ontwikkelbaarheid, of geschiktheid om mede te werken tot eene zich voortplantende, steeds toenemende verstandelijke ontwikkeling, van het geheele geslacht.
Ten gevolge toch van deze eigenschap is het, dat de door het eene geslacht verkregen kundigheden, door het volgende worden opgezameld en uitgebroeid, zoodat — en dit moet door iederen Broeder Vrij-Metsela ar, als richtsnoer van zijn geheelè gedrag, worden in het oog gehouden — ieder Mensch, die zijn leven wel besteedt en werkzaam is tot heil der nakomelingschap, in zoodanige steeds toenemende mate, dat dc vooruitgang, die in het EoceenscJie tijdperk des bestaans van een volk, slechts een kruipen was, in het plioceensche daarentegen, eene steeds sneller wordende vlucht neemt.
Nog op eene aridere, en nog veel merkwaardiger wijze echter, manifesteert de menschelijke Geest zijn bestaan, door de vatbaarheid tot het vormen van ahstracte en super naturalistische denkbeelden van Toekomst.
Omtrent dit zoo boven alles merkwaardige den Mensch geheel uitsluitend geschonken vermogen zegt de Ridder Chretien Maine de Bi ran, in het Ille deel zijner Antropologie: „Er zijn niet slechts „twee tegenover elkander staande beginselen in den Mensch maar „drie. — Er zijn in hem drie levens, drie orden van vatbaar-„heden. — Ofschoon er eene volmaakte harmonie mocht bestaan „tusschen de gevoelende en werkende vermogens, welke den Mensch „daarstellen, zou er nog eene hoogerenatuur, een derde leven zijn, „dat zich niet door dia volmaakte harmonie zou bevredigd vinden, „maar instinctmatig de waarheid zou doen gevoelen, dot er een ander „geluk, eene andere wijsheid, eene andere volmaaktheid bestaat, „boven het hoogste hier op aarde bereikbare geluk: boven de hoog-„ste wijsheid of verstandelijke en zedelijke volkomenheid voor welke „de Mensch, ook bij het krachtigste streven, gedurende zijn aardsche „daarzijn, vatbaar is.quot;
Die afgetrokken denkbeelden nu, zijn aan het dier, uit zijnen aard, omdat het geen andere dan bloot stoffelijke behoeften kent, volkomen vreemd, zoodat het geschikt is, om van de volmaakte harmonie tusschen de gevoelende en werkende vermogens, van welke de Ridder de Bi ran met zooveel juistheid spreekt, het meest onverdeeld genot te hebben.
Geheel anders is dit met den redelijken, zooveel hooger dan het dier ontwikkelden Mensch, die, zoo hij alleen tot de voldoening der •bloot dierlijke behoeften is beperkt, zelfs te midden van den rijksten overvloed, tot eene doodelijke, uit overzadiging voortspruitende, levensverveling vervalt.
29
Het bewijs voor het werkelijk bestaan van den menscbelijken Geest, is dus niet alleen gelegen in bet bezit van een redenerend vermogen, of in de geslachtelijk overerfelijke ontwikkelbaarheid, maar boven alles in de vatbaarheid voor begrippen, die voor zijn leven op aarde niet alleen in het geheel niet noodig maar integendeel, voor het onbeperkte genot van dat leven zelfs hinderlijk zijn, zooals, in de allereerste plaats, de bewustheid van zijn eigen geestelijk bestaan, en het denkbeeld van een volgend leven.
Geheel verschillend van het dier, zwoegt het redenerend, steeds aan de toekomst denkend wezen, onder de marteling eener onevenredigheid tusschen zijnen aardschen toestand en zijne geestvermogens, die in staat zijn de toel-omzt te omvatten. — Als dus en die Toe-korast, cn zijn- eigen Geest eene hersenschim waren, en zijn geheel redeneerend vermogen, slechts de vrucht van zijne bijna tot het zesvoudige van het zoogdier ontwikkelde hersenmassa moest zijn; wanneer hij dus, bij zijnen dood, onvoorwaardelijk ophield met zelf-hewuste individualiteit te bestaan, dan ware dit zoo hoog geroemde Menschelijke wezen het eenige, hetwelk de natuur op de afschuwelijkste wijze zou hebben bedrogen, door aan hetzelve vatbaarheden te schenken, voor welke het een bereikbaar doel mist.
In tegenstelling toch der theorie van Sir W. Hamilton in het Ie deel blz. 10 zijner Lectures: dat het zwaarste onheil hetwelk den Mensch zou kunnen treffen, zon bestaan in het volkomen bezit van de speculatieve waarheid, naar welke hij nu, gedurende zijn geheele aardsehe leven, als naar het toppunt van het hoogste geluk, voort-voortdurend streeft, zou men omgekeerd mogen zeggen, dat het juist het grootste, ja niet te beseffen ongeluk voor den redelijken Mensch zou wezen, indien die speculatieve waarheid, in het geheel niet bestond, omdat hij in dat geval vruchteloos naar derzelver bezit gestreefd zon hebben.
Welk gevolg moet men nu trekken uit die zoo merkwaardige natuurwet, welke zelfs het meest krasse ongeloof niet kan loochenen, ja die, naar evenredigheid van de vorderingen der Wetenschap, steeds duidelijker op den voorgrond treedt, dat er in het gevoel en de vermogens, waarmede levende wezens zijn begaafd, niets overtolligs, niets zonder beteekenis gevonden wordt?
Elke begeerte heeft haar eigen doel, elk vermogen heeft plaats en gelegenheid om werkzaam te zijn, hetzij in het tegenwoordige of in de Toekomst.
Indien er nu geen volgend leven, geen onsterfelijkheid bestond, dan zon de Mensch eene uitzondering op dien algemenen regel zijn. — In plaats van het meest volmaakte en verhevenste dier — waarvoor hij door de Materialisten wordt verklaard — een Wanschepsel, dat is een, door misplaatsing en overmaat, misvormd Orga-nismus, begaafd met aandriften, voor welke in het Heelal geen anti-type bestaat, met vatbaarheden van verstand en denkvermogen waarvoor
30
zich geen doel van geëvenredigde grootte zou opdoen, omdat het verlangen naar de Toekomst den Mensch gedurende zijn geheele leven bezielt, en hem zelfs niet verlaat wanneer hij, met volkomen onverzwakt bewustzijn, den laatsten adem uitblaast.
l)it geloof aan een toekomend leven — zoo dichterlijk uitgedrukt iu de fabel van den vogel Phoenix — hetwelk zoo onmiskenbaar bestond bij die fossiele volken, van welke zelfs geen overlevering tot ons is gekomen dan wellicht de Sagen der •/otlmntn en Tranen, — de tegenwoordige Pruissen, van ouds Borussm genaamd, die, even als nog tegenwoordig alle slaven volken, het geslacht der Asen vijandig waren; — dit geloof hetwelk ook nu nog onveranderlijk wordt gevonden bij alle volken, zoowel bij den dierlijken Neger, in de Afrikaansche wildernissen, als bij den onder eeuwige sneeuw en ijs bedolven Eskimo, den woesten Kaffer, den vreesachtigen llotlentot, den stompzinnigen Vuurlander, den bloeddorstigen Maörie, ja zelfs, volgens Strzelecki, in zijne „Physical Description of New-South-Walesquot;, bij de Australische wilden, die lang werden gehouden voor geheel gelijk te staan met het redeloos gedierte, maar die wel degelijk blijken te gelooven aan eene eeuwige zaligheid, welke zij in de sterren zullen genieten; — dit geloof, hetwelk bij al die volken bestond, lang voor zij door eenig bewoner van landen, in welke een der meer bekende Godsdienstige stelsels bestaat werden bezocht, en hetwelk zich daardoor als een niet aangeleerd, maar ingeschapen denkbeeld, op de ondubbel zinnigste wijze, doet kennen, is dus wel het allersterkste bewijs voor het werkelijk bestaan van een mpernaturalistisch levensbeginsel in het Menschen geslacht.
Het verschil tusschen het redelooze. alleen voor het genot van het tegenwoordig oogenblik levende dier, en den redenerenden, den zienersblik steeds op de Toekomst gericht houdenden Mensch, is derhalve niet quantitatief, door de toevoeging van eenige meerdere stofdeeltjes aan zijne hersenmassa, maar volkomen qualitief, door des Menschen eigenaardige soortelijke Organisatie, zoodat dit verschil in het geheel geen trapgewijzen overgang gedoogt, door ontwikkeling van een iden-tisch (soortgelijk) beginsel, hetwelk bestaat of niet bestaat, omdat het bsrust op de al of niet aanwezigheid in het individu, van een spiritualistisch element, waarvan het bestaan door eene zoo geheel eigen-dommelijke levensuiting wordt bewezen.
Wanneer nu het, volgens de leer van zoogenaamde Naturalisten, door de werking der electriciteit, uit, in zich zei ven doode, walche-lijke slijm, op den scheikundigen weg, tot steeds toenemende volmaking ontwikkelde, en evenzoo weer in Monaden opgelost wordende dier, kennelijk ontbloot is van het redeneer-vermogen, dat zich tot de bovenzinnelijkheid van afgetrokkene, niet uit onmiddelijke waarneming zamengestelde denkbeelden kan verheffen, en tevens de niet persoonlijke maar soortelijke ontwikkelbaarheid voortbrengt, dan zou men moeten aannemen dat er een punt destijds is geweest, op het-
31
welk zoodanigquot; redeloos dier, tot Mensch ontwikkeld wordende, alleen door de toevoeging van eenige atomen (stofdeeltjes) tot een met eenen redelijken en redeneerenden Geest begaafd wezen is overgegaan.
Zoodanige overgang nu is eene natuurlijke onmogelijkheid, en zou nimmer kunnen plaats hebben zonder een kennelijk Wonder, veel wonderlijker nog dan al de wonderen welke de Mozaïsche en Pro-JetiscJie legenden verhalen; — een Wonder, dat is eene gebeurtenis, van wier aanneming het Materialismus een allerdiepst afgrijzen heeft.
Volgens het beginsel der Materialisten zeiven is dus zoodanige overgang volstrekt onmogelijk, omdat geen element, een met zijne natuur-strijdig product, de redelooze stof, geen redenerenden Geest voortbrengen kan.
Het geloof dus aan een leven na den dood, in een tijdstip der aarde hetwelk buiten alle berekening ligt, — dat geloof hetwelk een niet aangeleerd maar ingeschapen hegrip insluit, geeft den genadeslag aan de hypothese der ontwikkeling van den Mensch uit de, door eene bloot scheikundige werking, ten leven gewekte organische stof.
Heeds in de allervroegste ons bekende tijden, gold het ontdekken der bron van dit algemeen verspreide Onsterfelijkheids-Geloof voor de hoogste wijsheid; en in der daad heeft dit Geloof eene nog veel hoogere beteekenis.
Het denkbeeld van een Geestelijk leven in eene Geestenwereld kan niet bestaan, zonder het te gelijk aannemen van eenen Beheer-scher en Opperhoofd der Geesten, een boven alles verheven Opperwezen, dat is dus van het even snpernaturalistische Godsbegrip, hetgeen derhalve, op dezelfde gronden, evenzeer voor een ingeschapen denkbeeld moet worden erkend.
Onafscheidelijk van het Godsbegrip is de neiging tot het Gebed, omdat de Mensch de vatbaarheid in zich heeft uit de hem omringende natuur zelve, het besef te ontvangen van eene boven die Natuur verheven Macht, waarmee hij zich in gemeenschap kan stellen, welk besef zich onveranderlijk voordoet bij alle volken zonder onderscheid, zelfs, volgens de ontdekking van Strzeiecki, bij den Atistralischen Wilde, die tot daartoe werd aangevoerd, als het feitelijke bewijs, dat de Mensch in zijnen verkeerdelijk dus genoemden Natuurstaat, hoegenaamd geen ingeschapen Gods!) eg rip zou bezitten.
Aan dit ingeschapen besef, van eene boven de bloot stoffelijke verhevene Macht, ontleent de in waarheid natuurlijke, dat is nog niet door de materiëele richting bedorven Mensch, eene zedelijke kracht, ver verheven boven de sterkste der machtigste dieren, en ook die uitwerking is volkomen natuurlijk.
32
Om zich hiervan tc overtuigen, neme men tot voorbeeld den bond, en merke op, welk eene onverschrokkenheid hij toont, zoodra hij weet, dat hij steun vindt bij eenen Mensch, die voor hem eene melior natura is, welke onverschrokkenheid het dier, zonder het vertrouwen op die hoogere natuur, nooit zou hebben verkregen, daar ze niet in deszelfs aard ligt, zooals de wel kwaadaardige maar toch vreesachtige wilde hond, voldingend bewijst.
Wat nu de Mensch is voor den hond, een hooger wezen namelijk, op welks hulp hij vertrouwt, tot hetwelk hij in gevaar zijne toevlucht neemt, maar waarvoor hij op zijne beurt zich ook weer geheel opoffert, datzelfde is voor den Mensch, volgtris At Materialisten zeibim, het verhevenste wezen op aarde, de boven het bloot stoffelijk geweld, zelfs boven den strijd der elementen verhevene onzichtbare Macht, het Opperwezen, onverschillig op welke wijze hij zich dit moge voorstellen, eu uit het vertrouwen op die niet bloot bewusteloze Natuurkracht, maar regelende en besturende Almacht, put hij eene geloofskracht, die alle machten op aarde te boven gaat.
Met het oog op het bewezen geloof, aan eene onsterfelijkheid kan het ook niet anders, dan als bewezen aangenomen worden, dat de fossiele volken een Godsbegrip, en daarmee eene wijze van aanbidding, eenen eeredienst bezaten.
Bij het ontbreken van alle sporen, waaruit men tct het bestaan, in dit voor ons Eöceemcke tijdperk, der waarschijnlijk reeds van haren Protoiypm ontaarde Mensehheid, van eenigen eeredienst zou kunnen besluiten, kan er ook niet worden gedacht aan eene Priester caste, zooals bij de Bralmianen, Egyptenaren en Joden, of zelfs van eenen Priester stand, welke, gelijk thans nog in de Eoomsch-Katholijke Kerk, eenen alles overwegenden invloed uitoefenende, ter bevordering-van eigen belang, eene onsterfelijkheid zou hebben verzonnen. — Derhalve dus, moet de oorsprong van zoodanig begrip wel elders worden gezocht.
Tot de verdere nasporing van zoodanigen oorsprong overgaande, stelt zich het eerst op den voorgrond, eene geheel natuurlijke overtuiging, aan de beschouwing der eigene persoonlijkheid en der omringende stoffelijke wereld ontleend, en die overtuiging wordt versterkt door een metaphysisch (bovennatuurlijk) bewust worden, geboren uit inwendig zelfbeschouwing, tot welke noch uitwendige beschaving noch geleerdheid noodig is.
Wanneer de in de vrije natuur levende, nog niet door schoolwijsheid en materialistisch of confessionalistisch vooroordeel, op een dwaalspoor geleidde Mensch, er toe geraakt, om zich, liefst in de-eenzaamheid , met de beschouwing van zijn eigen innerlijk wezen bezig te houden, dan herkent hij weldra in zich zeiven eene Trimurt hi, (driedeelig wezen) bestaande uit een stoffelijk lichaam, hetwelk door het onbewuste plastische of vormleven, in de wisselwerking der organen, door assimilatie (gelijkmaking) van opgenomen worden stoffen.
33
vordt onderhouden; — eene voor gewaarwordingen vatbare gevoelige id, die zich in her, dynamische leven manifesteert, door instinct of latuurdrift, door welke alle tot behoud van het individu of de soort \'ereischte willekeurige bewegingen worden bestuurd, alsook door de ympathie (toegenegenheid) en antipathie, die men bij de dieren zelfs ip eene veel sterkere en min feilbare wijze waarneemt , dan bij den klenseh; — en ten slotte, als bekrooning van het geheel, eeu rede-terend beginsel, hetwelk hem in staat stelt zijne waarnemingen eu :ewaarwordingen te vergelijken, in onderling verband te beschouwen, laaruit gevolgtrekkingen af te leiden, en synthetische (zamengestelde) lesluiten op te maken; — hem, langs dien weg bedeelt, met eene, liet bloot individueel, gelijk bij het dier, maar geslachtelijk voort-lurend toenemende ontwikkelbaarheid, en eindelijk hem in staat stelt, mi de abstracte denkbeelden van Toekomst, eindeloosheid en onvergankelijkheid in den kring zijner bevattingeu op te nemen.
Daar nu alles wat de waarnemende Mensch rondom zich zien en asten kan, in worden en vergaan, aan de eenwig onveranderlijke wet an stofwisseling onderworpen, en dus vergankelijk is, kunnen de lenkbeelden van Eemciyheid, dat is Grenzen!oosheid en Onvenjanl-e-ijkheid, waarvan de natuur geen enkel stoffelijk voorbeeld oplevert, lij geen mogelijkheid aan de stoffelijke natuur zijn ontleend, eu noet dus de Bede, die nogthans deze denkbeelden, als bij intuïtie instorting) in zich opneemt, en daarin troost en steun vindt, nood-rendig de eigenschap zijn, van een den Mensch inwonend zelfstandig Vezen, welks natuur geheel tegenovergesteld is aan die des siofs, n in geenerlei opzicht onderworpen, aan de wetten door welke deze rordt beheerscht.
Vestigt de Mensch al verder den blik op de hem omringende we-eld, zoover hij die slechts vermag te overzien, dan moet hij ook laar de volstrekte noodzakelijkheid erkennen, van een van de stof inafhankelijk vrijmachtig Wezen, onmisbaar voor het te weeg bren-;en, — zij het dan ook door het oordeelkundig besturen der elec-riciteit, of welke andere levenwekkende kracht het wezen moge,— ii die volkomen lijdelijke eenvormig vermengde stof, van de eerste evensspanningen tot het vormen van tallooze schepselen in eene on-indige verscheidenheid, die zoo hemelsbreed verschilt van de resultaten ier chemische keurverwantschap, welke zich door eene standvastige ioodsclie eenvormigheid van derzelven producten onderscheiden.
Op deze wijze moesten de begrippen van stof en geest, als essen-ieel (door den aard van derzelver innigste wezen) aan elkander egenover gesteld, en aan geheel verschillende Wetten onderworpen, rel van zelf ontstaan, en die tegenoverstelling moest nog duidelijker e voorschijn treden, naarmate de ervaring aantoonde dat de verzwaking van het lichaam gelijken tred houdt met de toenemende helder-leid van den Geest, wanneer deze niet door ziektetoestanden wordt leneveld.
3
34
Hier vooral dus, deed de Geest zieli kennen, als een gelieel zelf- do(
standiquot;- wezen, hetwelk met te meer kracht te voorschijn komt, naar- vee
mate het bevrijd wordt van de banden, in welke het door het stofte- zoi
lijke lichaam, met zijne beperkte vermogens, is gekluisterd. op
Dit zoo telkens bij herhaling waargenomen feit maakt het volkomen vai
duidelijk, dat de Wetten, door welke de beide elementen worden be- dui
heersclit, zoo diametraal aan elkander zijn tegenover gesteld, dat zij dof
zelfs geen enkel punt van overeenstemming vertoonen, door welk ver- beu
schijnsel de eeuwigdurende tweestrijd in de redelijke wereld volkomen spr
wordt verklaard. de
Zoodra de Mensch de opmerking had gemaakt van deze anders gai
onoplosbare tegenstrijdigheid tusschen zijne gevoelens eu begeerten en ]
zijne rede, dat is tusschen zijn door het levensbeginsel of dc Ziel m,
beheerscht wordend stoffelijk lichaam, en den hem. boven de dieren insi
verheffenden redelijken Geest, en vervolgens ontwaarde hoe deze gel
met elkander voortdurend strijdende elementen door tegenstrijdige kui
wetten worden beheerscht, moest hieruit, volgens eene gezonde, juist voo
voor den eenvoudigen meest bevattelijke loyica (redeneerkunde) de ope
stelligste overtuiging voortspruiten dat, daar het lichaam aan de al- wegt;
gemeene wet van stofwisseling is onderworpen, en werkelijk zich weer |
in Monaden oplost, de Geest daarentegen onvergankelijk zijn moet, dat
daar onvergankelijkheid het kenmerk is van dat element, hetwelk ver
aan de vergankelijke stof is tegenovergesteld, en waarvan de droomeii bev
de absolute onafhankelijkheid van het lichaam bewijzen. aai
De geslachtelijke ontwikkelbaarheid, dat is zijne solidariteit met blij:
zijn Voor- en Nageslacht, die hij daardoor aan zich zeiven bespeurde, voll
dat hij zijn voordeel deed met de kundigheden door vorige geslach- zijn
ten opgezameld, terwijl hij, op zijne beurt, zijne aangeleerde weten- ]
schap,quot; verrijkt met de vruchten zijner eigene ervaring, op zijne dini
nakomelingen overdroeg, van al hetwelk hij geen spoor kon ontdek- den
ken in de dierenwereld, die hij, van geslacht tot geslacht, juist op voo
dezelfde hoogte van instinctmatige ontwikkeling blijven zag, moest 1
er hem natuurlijk toe leiden, zich zeiven te beschouwen als een Wezen kon
van meer verhevene natuur, voor steeds toenemende ontwikkeling daa
bestemd, en het bewust worden van zoodanige Betlemming sloot van idtl
zelf in zich het denkbeeld van Verantwoordelijkheid omtrent peli
de wijze, waarop hij zijne begaafdheden al of niet tot het bereiken bm:
dier Bestemmmj mocht hebben aangewend. stel
Reeds alleen hel ingeschapen streven naar de middelen van zelf- de
behoud en levensgenot moest den Mensch, zelfs op dat blijkbaar een(
reeds verlaagde standpunt, waarop het stoffelijke bewijs van zijn digs
verblijf op aarde door het getuigenis der gesteenten wordt geleverd, war
vormen tot eenen onderzoeker dier natuur, die iu alle zijne werke- 2
lijke behoeften voorziet, en tegen wier gevaren hij zich zoekt te be- voo;
schutten. liet
Daar hij nu, hoe ver hij ook in de kennis der natuur mocht zijn aan
i.
doorgedrongen, tegen liet einde van zijn leven overzag hoe oneindig veel er voor liem nog te leeren overbleef, hetgeen liij toch zoo vurig zou wensehen te doorgronden, moest dit besef, gepaard aan zijne op natuurlijke gronden gevestigde overtuiging der Onsterflijkheid van zijnen Geest, en aan het besef van zijne bestemming tot voortdurende ontwikkeling, hem de ontbinding van zijn stoffelijk lichaam doen beschouwen als eeuen overgang tot eenen aan die bestemming 1 leant woordenden hoogeren trap van volmaking, en daaruit voortspruitend daaraan geëvenredigJ geluk, en zulks te meer daar hij in de geheele hem omringende natuur nergens stilstand, overal vooruitgang ontwaarde.
Het gelooi\' aan een volgend leven is dus, in den volsten zin, insiinctmaiig, en het is volstrekt onmogelijk om de inspraak van dit instinct als bedriegelijk te beschouwen, omdat het volstrekt onmogelijk is dat de Mensch uit zich zelven tot het eerste denkbeeld zou kunnen geraken van Onsterflijkheid, indien deze niet werkelijk voor hem bestond, hem, als door eene duistere herinnering, was geopenbaard 4 en bovenal het begrip hiervan uit zijnen eigen aard en wezen voortsproot, zooals ik iu het voorafgaande heb aangetoond.
L it mijne reeds vroeger ontwikkelde redenering blijkt overtuigend dat dit besef van On sterflijke id en het daarmee onafscheidelijk verbonden Godsbegrip noodwendig moet hebben geleid tot het bewust worden van Verantwoordlijkheid en de behoefte tot aanbidding, hoedanig dan ook, van een Opperwezen, en nu blijft nog alleen de vraag ever, welke die Godsdienst, die men, met volkomen zekerheid, aan deze fossiele volken kan toeschrijven, moge zijn geweest?
Het eerste en meest natuurlijke waaraan men, bij de beantwoording dezer vraag, met eenige waarschijnlijkheid moet denken is aan den Vnwdiensi, die ook bij de oudste historische Volken, het eerste, voorkomt.
De bij de toenmaals waarschijnlijk veel meer, en veel heviger, voorkomende onweders, de als een vurige regen neerschietende bliksem, de daardoor verwekte branden in het geboomte, de eveneens veel heviger uitbarstingen der vuurspuwende bergen moesten de, in wetenschap-pelijken zin, eerste Menschen natuurlijk bekend maken met het gebruik van het vuur, dat, daar zij zelf het nog niet wisten te ontsteken, voor hun eene bovennatuurlijke geheimzinnige gave was, en de weldadige invloed der zonnewarmte moest, in verband hiermee, eenen Zonnedienst doen ontstaan, waarbij de Zon de vertegenwoordigster werd van het weldadig Opperwezen, hetwelk hun licht en warmte schonk.
Zelfs bij die Volken die, — en dit is ook van toepassing op de vooronderstelde anti-fossiele stammen, — zooals sommigen meenen, het gebruik van het vuur niet kenden, behoeft men nog geen gebrek aan een voorwerp van Godsdienstige vereering te vooronderstellen.
36
Onbekend kon, om de straks vermelde natuurverschijnselen, het vuur hun in geen geval zijn, maar indien zij er geen begrip van hadden, om het ten hunnen eigenen nutte te gebruiken, dan moest het, als bliksem uit den hemel schietend of uit het hart der aarde barstend, hun schrik inboezemen, en het beeld worden eener verwoestende demonische Macht, die vijandig tegen den Gever der goede gaven overstond.
Maar nu moesten zij juist zooveel te eerder den blik vestigen op het tegenover gestelde het eerste vernietigende element, het waterv zonder hetwelk geen aardsch schepsel leven kan, dat ten deele zoowel in hun onderhoud, alsook in andere behoeften voorzag, en te midden waaraan zij wellicht eene veilige schuilplaats vonden, tegen de reusachtige roofdieren van dit tijdperk.
Hieruit moest, in zoodanig geval, een JFaterdienst ontstaan, daar het dan dit element was, waarin het weldadig Opperwezen woonde, en daar nu, bij de historische volken, het water als een vrouwelijk wezen werd voorgesteld, zou ook hiermee overeenstemmen de vooronderstelde beteekenis van eendoor de Vibraye gevonden zeer ruw uit Mammouthsbeen gesneden naakt vrouwenbeeldje, hetwelk zou kunnen wijzen op eene beschouwing, van het als scheppingskracht werkzame vochtig element, voorgesteld door de Vrouwelijkheid, even als het kenmerk der Mannelijke kracht wijst op den Vuurdiemt.
Reeds hiervoor, heb ik wel zeer uitdrukkelijk gewezen, op de merkwaardige overeenstemming van de Openbaring in de fossiele oorkonden , vervat met den inhoud der Sage, die juist uit kracht dier overeenstemming schijnt te moeten worden beschouwd , als de naklank van overleveringen uit een volstrekt onbekend voorleden, en juist dit is het wat in het vervolg zeer bepaald moet worden in het oog gehouden.
Zoo is dan nu in het voorafgaande volkomen logisch bewezen, dat de Mensch niet uit het Dierenrijk kan zijn ontwikkeld, maar door spontane generatie (onmiddelijke schepping) moet zijn voortgebracht ; — dat hij reeds van zijne oorspronkelijke type ontaard moet zijn geweest, in den tijd in welken zijne oudste sporen voorkomen ; — dat hij een onstoffelijk beginsel in zich heeft: — dat het denkbeeld van Onsterflijkheid en daarmee het Godsbegrip, de aandrift tot hidden en de Godsvereering hem ingeschapen of instinctmatig eigen zijn, — — en zoo komt men dan, na een onberekenbaar tijdsverloop, en onbegrijpelijke omwentelingen in de natuur, als ware het met eenen sprong, van de fossiele tot de historische of ten minsten legendarische Volken.
Hoezeer de onder de fossiele schedels, nevens brachicepJale ook dolichocephale zijn gevonden , schijnt het toch dat in het quaternaire of deluviaansche tijdperk, Europa hoofdzakelijk bevolkt was, door een
37
kortschedelig Menschenras, waarvan men nog overblijfselen meent te vinden in de Magyar en, Tyrolers, Baskiers, Finnen, Lappen, enz. maar hetwelk, voor het grootste gedeelte, door den uit F er zié gekomen ovaalschedeligen Arischtn- of Iran-stam verdrongen werd.
Deze rondschedelige volksstam komt voor onder den naam van lluaneu wellicht de Joihnnen der Sage — en beeft de onwraakbaarste bewijzen voor zijn wezenlijk bestaan nagelaten , in de overal verspreide Dolmen, Hunnebedden —■ tegelijk offeraltaren en begraafplaatsen — wellicht van aanvoerders — Hunnenschansen en andere cyclopische bouwgewrochten.
Ook deze Hunnen waren onbekend met het gebruik der metalen, en bedienden zich daarom, op dezelfde wijze als de fossiele volken, van steenen werktuigen, gereedschappen en wapenen. — In de kunst van pottenbakken geven zij blijk van eene veel hooger ontwikkelde kunstvaardigheid dan de fossiele volken. — Hunne dooden begroeven zij ook niet in door de natuur gevormde spelonken maar in afzonderlijke begraafplaatsen. — Dat zij werkelijk eenen Godsdienst bezaten blijkt voldoende uit hunne Offeraltaren; maar hoedanig deze Godsdienst was, hieromtrent bestaan, tot nog toe, geen bepaalde gegevens.
Wellicht behoorden ook tot dezen stam de Felasgen, de oude bewoners van Griekenland, die door de uit Azië, over den Hellespont gekomen Hellenen, ongeveer twaalfhonderd jaren voor onze tijdrekening, werden ten onder gebracht. — Deze Falasgen, van welke aanzienlijke cyclopische bouwgewrochten nog overig zijn, bezaten eene zekere beschaving; — zij beleden eenen zuiveren natuurgodsdienst , dat wil zeggen dat zij geen Goddelijke vereering toebrachten, aan de elementen zeiven; maar aan de onstoffelijke natuurkrachten, die als ziel daarin werkte, en die zij zich als persoonlijk denkende en vrijmachtig handelende Wezens voorstelden.
De Geschiedenis van dit tijdperk ligt tot hiertoe gehuld in eene duisternis, die zich verlengt tot op den uit Azië overgekomen, zich door de hoogste schoonheid onderscheidenden Arisehen stam.
Wil men dus het Menschelijk geslacht in zijnen eerst bekenden maatschappelijken toestand zien, dan moet men den blik wenden naar Aziè, waar door de Unigenisten (die het geheele Menschdom van een enkel paar willen doen afstammen) de bakermat van het Menschelijk geslacht wordt geplaatst, hetzij in het dal van Cashmir, of wel in Aardesch Gaar, aan de oevers van den Tanais.
De meest algemeen bekende onder de geschiedenissen, die tot den oorsprong van het historische tijdvak opklimmen, is voorzeker de Mozaïsche, en in der daad\'heeft deze onbetwistbare verdiensten, zoo men de Cosmogonie waarmee zij aanvangt, slechts niet letterlijk maar symbolisch opvat, en de Joodsche Chronologie geheel en al ter zijde stelt.
Dat toch het Menschelijke geslacht, in deszelfs oorspronkelijke typische volkomenheid veel ouder moet zijn, dan die tijdrekening
38
aangeeft, blijkt voldingend daaruit dat, na het tijdstip op hetwelk de Schepping van het eerste Menschenpaar wordt, verhaald, reeds terstond, bij het volgende geslacht melding wordt gemaakt van het bouwen van eene stad.
Om het even of men de Unif/enistische leer of wel de Foligenisti-■icJie (die meerdere verschillende Scheppingsmiddelpunten aanneemt) moge toegedaan zijn, de Maatschappij kan nimmer anders worden beschouwd dan voortspruitende uit het familieleven, en is een natuurlijk gevolg van de behoefte, om zich, door vereeniging vau krachten, te sterken tegen gevaar, welk dit ook wezen moge.
Het alleroudste gezag was dus het Vaderlijke, hetwelk, bij het overlijden des Vaders, in zooverre overging op den oudsten zoon, dat wel de overigen, die in het huwelijk traden, hoofden werden van huisgezinnen, over welke zij eene volstrekt onbeperkte willekeurige macht uitoefenden, maar toch het oppergezag, als Hoofd van het geslacht, bleven eerbiedigen van den Eerstgeborenen, in wiens Ban diegenen, die ongehuwd bleven, als Eigenlieden of ten minsten als Hofhoorigen, verbonden bleven.
Naarmate zich nu de Stammen uitbreidden tot geheele Natiën, groeide ook natuurlijk, in dezelfde evenredigheid, het aanzien der algemeene Opperhoofden, en gaf dit allengs aanleiding tot de Koninklijke Macht, die, als de Vaderlijke Macht vertegenwoordigende, voorgaf een Goddelijk Recht te bezitten op geheel onbeperkte volstrekt willekeurige Alleenheerschappij.
Zoo wordt reeds, na eene dier geweldige omkeeringen door het Water, aan welke men den naam van Zondvloed geeft, gewag gemaakt vau een Wereld-Rijk, Bethel of Babyion genoemd.
Waarschijnlijk behoorde de bevolking van dit Rijk tot den Semi-tischm- of ÏVran-stam, maar, hoe dit zij, zooveel is zeker dat zij eene niet onaanzienlijke mate van ontwikkeling moet hebben bezeten, als men, ten bewijze hiervan, het oog vestigt, op een zoo monumentaal bouwgewrocht als de bekende Toren van Bahel, waarvan de bouwvallen, nadat zijn bestaan langen tijd was betwist en als eene Fabel beschouwd, eindelijk zijn teruggevonden. — Dat zij eene zeer bepaalde wijze van Godvereering had blijkt daaruit, dat het zooeven genoemde monumentale gebouw bestemd w-as, om op deszelfs top eenen tempel te plaatsen gewijd aan het Opperwezen, omtrent het begrip waarvan een meerder Hcht wordt verspreid, door hetgeen met betrekking tot eenen anderen Volksstam is bekend.
Nevens of liever tegenover den Semitischen- of Twan-sXnxn stond de Arische- of /mra-stam, aldus genoemd naar de bergvlakte Iran, of wellicht naar Aardesch-Gaar, in Perzie, welk land door velen wordt voorondersteld de geboorteplaats van het Menschelijk Geslacht te zijn.
Even als de CJialdeérs, — van welke dit algemeen bekend is, —
eerden ook de Ariérs, de Guehren, die later, onder den naam
39
van Cimbrtu, naar Europa kwamen, de sterren, aan welke zij eenen Eeredienst wijdden, uitgeoefend wordende door de Magi, die in lioog aanzien stonden, zelfs verheven boven de Hoofden die liet Patriarchaal, dat is willekeurig, gezag uitoefenden.
Ongeveer tweeduizend jaren later werd deze sterredieust gewijzigd, tot eene vereering van het verwarmende en licht gevende element, liet Vuur, als zinnebeeld der weldadigheid van Ormuzd of Oromazes, het Opperwezen, door eenen der Mar/i, die daarom sedert de wijste onder de wijzen, Mouhed-Mouhtdan-Lerdust werd genoemd.
Deze Zerdust, ook verschillend Zoromiro, Zaradmtro en Zer-hache genoemd, liracht van den Berg Aardesch-Gaar, waar zich de Tempel van het heilige vuur bevindt, de Zend-Awsta, de heilige schrift der Parsi.
In dit boek leert hij de volmaakte onfeilbaarheid van O r m u z d, eu tevens, terwijl hij zedelijke en stoffelijke reinheid beveelt, dat de .Menscli zich voor God behoort te schamen, om zijnen cvenmensch eenig leed te doen, boven alles hem van goed of leven te berooven ; — dat hij zich moet onderwerpen aan alle vervolgingen, geloovende, dat het beproevingen zijn, hem door God gezonden, daar al het lijden hetwelk hij geduldig zal hebben gedragen, even als de werken van liefdadigheid, die hij zal hebben verricht, hem zat worden vergolden, in een volgend leven, waar hij daardoor vergeving van zonden zal verkrijgen.
De onverschillig op welke wijze dan ook verkregene overtuiging van de ontaarding des Menschdoms, moest natuurlijk leiden tot het denkbeeld van terugkeer tot de oorspronkelijke typische volmaaktheid, en bijgevolg van eenen Verlosser en Middelaar tusschen den Schep-per en het Hem onwaardig geworden schepsel, en zoodanige Middelaar is het, die, zooals wij straks zien zullen, in Mif/ira of Sosiai te voorschijn treedt.
Onder alle oude Godsdienststelsels is er geen enkel te vinden, hetwelk zoo volledig overeenstemt met het Evangelie, en daarvan zoo geheel de echt Profetische voorafschaduwing is als de Zend-Aveüa, waarvan de leer nog steeds door de Guébren wordt beleden.
Even als hunne voorvaderen voor vijfduizend jaren leven zij nog steeds van brood, groenten en vruchten, en drinken niets dan water. — Zij reinigen de lijken hunner doodeu door het vuur, door namelijk het lijk, onder het uitspreken van gebeden, boven een vuur te laten ronddraaien, totdat de Zon opkomt, waarna zij het op een dubbel kruis neerleggen, met het gezicht naar het Oosten gekeerd, om in de open lucht tot stof te vergaan, terwijl de ziel wordt opgenomen in Aryana (het verblijf der Gelukzaligen) of geworpen in Doeyak, den afgrond vol onreinheid, tot op het tijdstip op hetwelk Ormuzd Mithra of Sosias zal zenden, om hen te roepen tot de algemeene Opstanding, waarna de aarde door de Komeet Gnrsies zal worden verbrand.
40
Het groote feest der Guebren is de Nloe-Ru: (Nieuw Licht) wanneer de offers aan liet eeuwige Vuur worden gebracht, bij het intreden der lente-naehtevening, zoodat dit feest overeenstemt met het, verkeerdelijk naar de Joodsche tijdrekening geregelde, Opstandings-feest der Christenen.
Zij erkennen eene Trimurtld, bestaande uit Zeruane Akkerene de Demi-Ourgos (de Eeuwige of Vader des tijds), Ormuzd en Mithra of Sosias (de Goddelijke, Middelaar en Verlosser). — Deze drie personen vormen in het boek Zend eenen Eenigen God, Wiens Hemelsch verblijf is bevolkt met Izeds en AmscJiaspands, die voor zijnen troon staan.
Hiertegenover staat het kwade beginsel, Ahriman, die, met zijne Dev:* en ArcM-Bews, eenen onafgebroken strijd voert tegen Ormuzd.
— Deze strijd nam eenen aanvang, toen Ahriman (de Slang der boosheid) zich negenmalen, negenmaal negenmalen en negenmaal negenduizendmalen tegen Ormuzd verhief, en zal eerst eindigen wanneer Mithra, als Sosias op aarde komen en het monster in Doeyak neerwerpen zal.
Het symbolum van dezen Godsdienst is oorspronkelijk een in het midden doorsneden of dubbel gouden Kruis, welks vier uiteinden in het midden zijn gespleten in drie takken, waarvan er twea ter wederzijde sikkelvormig zijn omgebogen.
Meer dan tweeduizend jaren voor onze tijdrekening stichtte Nimrod. het Hoofd van een zwervend Jagervolk, het llijk van Babylon, hetwelk door eenen zijner nakomelingen, Belus, tot een wereldrijk werd gemaakt.
Alles wat men tot hiertoe van den Babylonisehen Godsdienst weet is, dat het eene natuur- en sterredienst was, welke in de vereering van het heilige Vuur, als warmte- en lichtgevende hoofdstof, zinnebeeldig werd voorgesteld en verpersoonlijkt in Bel, Bal of Baiil (de Lichtgod), die ook wordt genoemd Baal-Zebub (Vlie-gen-God), omdat de vliegen door het licht worden aangetrokken, en zich zeiven daaraan, als ten vrijwilligen offer schijnen te brengen, alsmede Baill-Phegor (de bevruchter of levenwekker), welke laatste hoedanigheid aanleiding gaf, dat zijn dienst ontaarde ia ontucht, waarom hij dan ook nog in den Beelzebub der Christelijke Demouo-logie wordt teruggevonden.
Aan dezen God meent men dat ook de Tempel, bestemd om den top des Torens van Babel te bekroonen, zou zijn gewijd geweest.
Op den muur des reusachtigen Tempels van Belus — zooals die God ook wordt genoemd — te Babylon, zag men de afbeeldingen der monsters, waarvan Be rot et de navolgende beschrijving geeft:
— „Er was een tijd gedurende welken alles gedompeld was in „duisternis en vocht, in welks schoot wanstaltige wezens van wonderbare vormen werden geteeld. — Het waren Menschen met twee „vleugels, of met vier vleugels en twee gezichten, anderen die te
41
„gelijk man en vrouw waren, weer anderen met pooten en hoornen //Van eenen geitenhok, of met paardenbeenen, ook geheele Paard-.„meuschen, Stieren met Menschenkoppen, vierdubbele honden ver-j,eenigd uitloopende in eenen visch, Mecrmensohen en allerlei zwem-y,mende en kruipende monsters.quot;
Deze pliantastische voorstellingen schijnen niets anders te zijn dan ■eene door de Poëzie geïdealiseerde afbeelding, der thans door de ■Geologie aan het daglicht gebrachte voorwereldlijke monsters, zooals kikvorschen die bijna de grootte hadden van eenen Mensch, en zouden als zoodanig wellicht kunnen geacht worden eenen logischen grond op te leveren voor de hypothec van het bestaan, in het secundaire tijdperk van een Menschenras, hetwelk de toen levende monsters had aanschouwd, en van deze eene overlevering nagelaten, die, in een volgend tijdperk der aarde door de weelderige verbeelding der Aziatische Volken was omgevormd.
Ja wie weet, zoo mag men, bij de bestaande onzekerheid vragen, of de typisch volmaakte Mensehheid niet reeds bestond in de Koolperiode, hetgeen volkomen zou overeenstemmen met de Mozaïsche Scheppingslegende, die den nog niet ontaarden Mensch uitsluitend van plantenvoedsel leven laat.
Deze Fimrdienst heerschte ook onder de Perzen, — in wier land de vlammen der Naphia uit den grond zeiven opstijgen, — tot dat zij, in het eenendertigste jaar der Eegeering van Darius Hystaspes werd hervormd door Zoroastro, die als leeraar optrad, nadat hij «erst in een hol geleefd en, door het onderzoeken der verborgen natuurkrachten, geleerd had, onbegrijpelijke werken te verrichten.
Met het oog op het Staatkundige streven hetwelk de profane wereld, volgens hare eigene verbeelding, aan de Vrij-Metselarij toedicht, is het volstrekt noodzakelijk ons ook met burgerlijk maatschappelijke toestanden bezig te houden.
Wat de Regeeringsvorm dezer Volken aangaat, zij was nog steeds gegrond op het Patriarchale stelsel. — Het Staats-Opperhoofd was de Lands-Vader, wiens opvolger, bij het ontstaan van den toestand dien wij thans met den naam van Sede vacante aanduiden, door het lot, onder aanwending van verschillende daartoe strekkende middelen, werd aangewezen.
Naarmate, bij de uitbreiding des llijks, van Volksstam tot groote, hare onderdanen bij millioenen tellende Monarchie, de zoogenaamde Landsvader veranderde en in aanzien steeg tot eenen machtigen Heer-scher, die op eene afgodische vereering aanspraak maakte, opgrond van een Goddelijk Recht, zooals thans nog het geval is met lluslauds Alleenheerscher, wiens minste wenk als een rechtstreeks Godshevel\' moet worden gehoorzaamd; — naarmate hij dien ten gevolge meer
43
vervreemd werd van zijne onderdanen, in die zeli\'de mate, werd zijne heerschappij drukkender voor het Volk.
Wel vormden, bij den //-««-stam, do familie- en stam-Hoofdeu eenen Adel, maar deszelfs invloed was vernietigd, door de willekeur van den Heerscher, die , uit kracht zijner door niets beperkte Machtsvolkomenheid , zijne bijzondere gunstelingen koos tot Satrapen in de verschillende rangen van het Staatsbewind, die, even als de Ttchi■ notcnik (letterlijk vertaald: Mannen van Hang) een willekeurig gezag uitoefenden, in naam van den almachtigen Opperheer, zoowel over dezen Adel als over het geheele Volk, hetwelk zij op de verregaandste wijze verdrukten en uitzogen.
Ten gevolge hiervan, zoowel als van een, later nog in het Noorden van Europa gevolgd stelsel, om, in geval van overbevolking, koloniën uit te zenden, even als bij de oude Grieken, onder geleide van eenen Hoofd-Aanvoerder, en een aantal aanzienlijke personen, daartoe aangewezen door den Alleenheerscher of zijne satrapen, om zich van hun te ontslaan, met last om eene verwijderde landstreek Ie zoeken, eu aldaar een nieuw Kijk te stichten, was het dat telkens een gedeelte van het volk gedwongen werd hun vaderland te verlaten.
Die landverhuizers waren in den meest volstrekten zin bannelingen, wieu het, onder bedreiging van de wreedste doodstraffen, verboden was hun Vaderland weer te bezoeken , voor zij zich van den hun opgelegden last volkomen hadden gekweten, en zij zoodoende de macht konden vergrooten van het Moederland, welks belangen men eischte dat zij, in spijt van alle ondergane mishandelingen, steeds boven alles, ja zelfs boven hunne eigenwaarde; moesten behartigen.
Op deze wijze was het dat eene afdeeling van het Arische ras van de bergvlakte van Iran afdaalde naar de boorden van den Gauges, en, in een tijdperk tot hetwelk slechts de overlevering opklimt, zich als eene onweerstaanbare Legermacht uitbreidde over Hindostau, hetwelk door den Altaïscheu stam was bevolkt.
Daar nu uit al het voorafgaande overtuigend blijkt, hoezeer van de vroegste lang voorhistorische tijden af aan, allen die in staat waren iets degelijks voort te brengen steeds, door een ingeschapen Profetisch Woord gevoelden dat er een, van de stof onafhankelijke, de blinde Natuurkracht beheerschende. Schepper moest bestaan, algt; een zelfstandig redelijk Wezen, aller aanbidding waardig, is het hoofdzaak om, ook bij deze Kolonie van Ariërs, aan te vangen met hunne Godsdienstleer, die de duidelijkste blijken van afstamming uit de leer van Zoroastro vertoont.
De geheele leer der Veda\'s (heilige schrift) berust op het beginsel van eenen eeuigen God: Brrm, wiens algemeene naam is Isour (groote wil) maar die ook tevens Kazan am, en Dosothame (de duizendnamige) wordt genoemd.
Wel verre er vandaan echter, dat dit laatste een duizendtal van eikanderen onderscheiden Goden zou aanduiden, wordt het Opper-
wezen wel degelijk ook genoemd Appnrtischa (de onverdeelbare) en Okita (buiten wien geen anderen zijn) hetgeen echter niet belet dat hij ook de namen draagt van Trim out hi (de drieëenige) en Tetratrejom (de God van drie eigenschappen) — namelijjc als ScJieppt)-, Onderhouder en Verdelger, verpersoonlijkt als Era hm a of Birmah, Vishnou en Shiva.
Wat in dit opzicht zeer merkwaardig moet worden geacht, is dat de namen, door de Brahmcmeu aan hunnen M ah as t our (grooteGod) gegeven volmaakt overeenstemmen met die, welke ook thans nog aan het Opperwezen worden toegevoegd, en wel boven alles, dat hij ook Krepatshaja (God van Genade) wordt genoemd.
Van hem bestaat geen stoffelijke vorm, zoodat hij wordt voorgesteld, als een op een voetstuk geplaatsten steenen kogel, in het midden van eenen Tempel in welken hoegenaamd geen beelden zijn, omdat zijne almacht en zijne werken zelfs uit de allergeringste plant zijn te kennen , en zoo groot en talloos zijn, dat zij door geen figuren kunnen worden uitgedrukt, zoodat hij of in het geheel geen gedaante of alle gedaanten heeft.
Daar hij, als Addhie-Dieba, de boven alles verhevene is, worden hem geen offers aangeboden, maar draagt men niets dan gebeden en lofzangen op aan den hoog verhevenen N i d a k a r-A v i a t h a n-S i r b o s r o e p (de onsterflijke onzichtbare Geest) dien men niet kan afbeelden.
Toen deze N i t h e h-S e r v a s h e r-0 n a d i e (eeuwige Heer des Hemels) de wereld wilde scheppen, gaf hij het bestuur van Makah-Smyo (de Hemel) over aan zijnen eerstgeborenen B i r m a h of B r a h m a. — Deze moest twee machtige reuzen overwinnen. Modar (tweedracht) en Kyton, (verwarring) die hij in Murto (stof of aarde) neerwierp.
Hierop wees hij aan de drie Machten derzelver taak aan, en liet zich op een betelblad drijven op Jhocile (de Chaotische zee). — Hij is de God der Wijsheid, en zijne Gade Sarasouttie, de Godin der Wetenschappen en kunsten.
Door bloot inwendige aanschouwing, dat is door de vrijmachtige werking van zijnen wil, riep hij het zijn te voorschijn uit het niet zijn, en schonk het leven aan Ma ja of Mat ra-Mar ia, (de groote Maria) de Moeder van A d d h i e Boud d h a en van al wat leeft, wier naam zooveel beteekent als Wereldzee, en verwant schijnt met het Hebreeuwsche Mara (bitterheid) hetgeen weer overeenstemt met de opvatting der Parsi dat het z ij n, in den zin van het leven op aarde, een toestand van lijden is.
Dit wezen is de reine, geheel onstoffelijke en dus hartstochtlooze, liefde, — het vrouwelijke gevoel in de Godheid, die door dit gevoel gedrongen wordt zich te openbaren, tot heil der arme stervelingen.
In zijne hoedanigheid als levenswekker van Maja, — verwant
44
met Maiim, (water) — het lijdelijke of vloeibare element, wordt Bralima ook voorgesteld als de zon, onder den naam van Soerja.
Hij heeft geen bijzondere seete, maar het zijn diegenen onder de naar hem dus genoemde BraJminen, die zich meer bijzonder aan zijnen dienst wijden, door welke de beide groote afdeelingen van het Brah-misme: de Vishuaïa of VisJtuoiiilen en de Shivaïteu beheerscht worden.
Hij wordt voorgesteld zittende op de Pedma-Nahhah, de Nymphae-of Lotusbloem, omdat hij uit die bloem, het zinnebeeld des over-vloeds, der vruehtbaarheid en van het geluk, te voorschijn kwam, toen zij uit den navel van Isour ontsproot.
Birmah, — eigenlijk ten onrechte vereenzelvigd met Brahma, daar deze laatste juist een was der drie Machten tot werkzaamheid geroepen door hem, wiens naam beteekent; de ticeede in Macht, — wordt ook vereerd onder den naam van Parabrama, toen hij, eene menschelijke gedaante aangenomen hebbende, de drie Machten voortgebracht, als Maïso, gezeten in den eersten Hemel, de be-heerscher der hoofdstoffen, voortgekomen uit zijnen mond als scheppend Woord; — Vishnou, uit zijne borst of zijn van heilige liefde vervuld hart, in den tweeden Hemel, de Eechter maar tevens Verlosser der Menschen, de Vader der armen en de beschermer der ongelukkigen; — eu eindelijk Brahma, uit zijnen buik; in den derden Hemel, de bestuurder en wetgever in den Godsdienst, die het geheele leven des Mensehdoms, gedurende deszelfs verblijf op aarde in het stof, moet beheerschen en heiligen.
Uit al het voorafgaande blijkt, dat men hier te doen heeft, met eene bloot zinnebeeldige dichterlijke voorstelling, zoodat alle denkbeeld van werkelijk Veelyodeudom uitgesloten blijft, daar alles van den Drieëenigen uitgaat en tot hem terugkeert.
V i s h n o u is in der daad niets anders dan de belichaming, het in zichtbaren vorm uitgedrukte heeld van Isour Parabrama, zooals hij niet alleen als Onderhouder van het stoffelijke leven, maar vooral ook als zedelijke Verlosser van het Mensehdom te voorschijn treedt.
De letterlijke vertaling van zijnen naam is: die bemint, onderhoudt en vertroost. Hij is de tweede persoon van de Hindosche T r i-m u r t h i en de verpersoonlijking der Goddelijke liefde. — Hij draagt ook den naam van Bat a ra Gourou (Opperheer en leeraar der Menschen), en is, als zoodanig, verwant met G a n e s a, den God der Wijsheid, zooveel als Heilige Geest: daarom beginnen de Hindos hunne schriften met de aanroeping:
„Shri Shri Ganesa schahai /quot;
(Heilige Ganesa kom mij te hulp) en stellen aan het slot de formule : „Sider astoe-ta-tastoe !
\' ti-dny Gana pataje namah !
uAng Shri Goeroébjoe namah!\'\'\'\'
(Dat zij zoo! Onder aanroeping van den naam van Ganesa en aan Batara Goeroe).
45
Om hare overgroote solioonlicid koos V i s h n o u tot zijne Gade Ti o k li i a of La cs mi, eene der Tscïiauiorotno (veertien jmreelen die uit de Melkzee voortkwamen). Zij is de moeder van het Heelal en wordt daarom ook 1! i r m a d e v i e (Aardgodin) genoemd, alsook Sri of Sri s (Rijkdom-Vruchtbaarheid). — Zij wordt voorgesteld als eene vrouw van volmaakte schoonheid met buitengewoon groote gevulde borsten, op het allernauwst omstrengeld door Vis li nou, die in dezen stand den naam draagt: L o k h i ü-N a r r a y o n (vrucht-baarmakende Geest Gods).
Als G o n e s a en D a r m a Dove de God der deugd en der menschlievendheid, is hij ook de God des gebeds en der aandacht, die de gebeden der stervelingen, zoo zij int een rein hart voortkomen, door zijne voorspraak ondersteunt.
In zijnen dienst zijn alle bloedige Offers streng verboden, en bestaan de Offergaven alleen uit suikergebak, vruchten en bloemen, voornamelijk welriekende, zooals de Melati. — De Maritiga-hoom is hem toegewijd. — Op een der feesten, hetwelk op den dag dei-volle maan in September, wanneer de oogst deszelfs volkomene rijpheid heeft verkregen, ter eere zijner Gade, de Godin Lokhia wordt gevierd, nuttigen zijne belijders niets anders dan de melk van kokosnoten.
Deze belijders, die eene der beide groote afdeelingen van het Brahmisme uitmaken, kleeden zich in hoog goudgeel, en dragen, als onderseheidingsteeken, eenen gouden drietand, — bet zinnebeeld der Driecenheid, — met eenen steel van bloedkoraal.
Telkens als het kwaad op aarde de overhand heeft genomen, verschijnt Vis h nou in het vleesch, om het Menschdom daarvan te verlossen. — Eene zoodanige invleesching draagt den naam van Avoutar of Avatara.
Bijzonder merkwaardig, met betrekking tot zijn karakter als V e r-losser is die Avoutar, waarin hij verschijnt als C r i s h n a. — Door zijne in deze gedaante verrichte wonderen, redde hij tallooze raenschen, die onder ramp en lijden gebukt gingen; — wasehte de voeten der Brahminen. ten bewijze dat de Mensehen elkander in broederlijke liefde moeten dienen en geenen liefdedienst , welke die ook zij, als vernederend mogen beschouwen: — predikte zijne leer, die hij in de Gieta achter liet; — daalde neder ter helle, waar hij, onder den naam van Maliahakhara (groote tijger) de slang Calaya, de verpersoonlijking van het kwade beginsel, overwon, en keerde daarop, van licht stralende, naar zijne hemelsche woning terug. — Zijn negende Avoutar, als Addhie Boudha, zullen wij later behandelen.
Eindelijk is hij, als G o d h a d o r, de beschermer der uit het stof afgescheiden zielen, en heeft als zoodanig te Goya eenen Tempel, Dormmonarija genoemd, waar de gebeden voor de rust der zielen van afgestorven bloedverwanten worden opgedragen op eenen steen
46
op welken V i s h n o u , bij zijne hemelvaart, zijnen laatsten voetstap zon hebben ingedrukt.
l)e derde persoon in de lieilige Trilogie der lliudo\'s is \' S li i v a, de Verdelger, ook O g n i p o t i (Vuurgod) en K a r t i e k (Krijgsgod) genoemd. — Daarquot; verdelgen nu niets anders is dan herscheppen, draagt hij ook den naam M a h a d e v a (God der Wedergeboorte.)
Hij is het die, aan het einde des tijds, deze stoffelijke aarde in Vuur zal doen vergaan, als eene loutering tot het vormen van eene nieme Aarde, over welke Vishnou zelf, in zijne tiende heerschen zal.
De Gemalin van S h i v a is F a r b o t i e , de Godin der Wijsheid, maar tevens ook van den Oorlog, in welke laatste hoedanigheid zij Ma-Jam a (Moeder des Doods) wordt genoemd, alsook Kali (de Godin der Liefde en des Doods) terwijl zij, ouder den naam M a r i a t a 1 e, als Godin der verwoestende kinderpokken wordt aangeroepen. — Te gelijkertijd is zij, als Do er ga, dc Nemesis, wedervergelding, en alzoo ook de strenge Godin der Deugd.
De dienst van Shiva eiseht bloedige offers, boven alles de doodstraf der misdadigers. — Zijne belijders vormen de strengste sekte in den godsdienst der Brahmanen; zij onderseheiden zich door eene voor niets terugdeinzende Vaderlandsliefde; onder hen bestaat het vreeselijke geheime Genootschap der Thugs, hetwelk zish de bevrijding van Indie van vreemde overheersching ten doel stelt. — Zij dragen eene donkerkleurige kleeding, met tot onderscheidings-teeken, een kokertje, als afbeelding van den Lingam, en wanneer zij in het Thugisme zijn opgenomen, een gouden schopje aan een zwarte snoer aan den hals.
Zoodanig is de van de Parsi afkomstige, in het oog van iederen onbevooroordeelden, als de zuiverste profetische voorafschaduwing en grondslag van het Evangelie, voorzeker eerwaardige Godsdienst der Hindo\'s, in welke nog zeer bijzondere opmerking verdient, dat het Opperwezen ook den naam draagt van A p p a n a (Eeuwige of He-melsche Vader) in welke hoedanigheid hij wordt aangebeden op den berg Shiemanchelom, in eeuen Tempel, die met het volste recht een onnavolgbaar wereldwonder mag genoemd worden, waar een negen-daagsch feest ter zijner eere wordt gevierd.
Wat nu de Staatkundige inrichting van dit Volk aangaat, deze berustte op het Castenwezen, een uitvloeisel van den Godsdienst.
De eerste Caste wordt gevormd door de Bralminen, de handhavers van den voorvaderlijken Godsdienst, ter verdediging waarvan tegen de overweldiging der ongeloovige Vreemdelingen zij, als eene soort van den hoogsten Jdel, vonneude Geestelijke Ridders, de wapens voerden. — Zij zijn de uitsluitende beoefenaars van alle wetenschap-
47
pen, vooral de natuur-, geschied- en de krijgskunde, alsmede van de voornaamste kunsten, zooals bouwkunde, beeldhouwkunst, wapen-smeekunst, de lioogere dicht- en toonkunst, en dergelijke.
Volgens de legende zijn zij voortgekomen uit het hoofd van Brahna, en vormen daarom eenen Geestelij la-u Hootjen Adel, onafhankelijk van de Vorsten, die hen, als het eerste lichaam in den Staat, moeten ontzien.
De tweede Caste of stand is der Ksairias of Krijgslieden, een Adel gelijk aan de Middeleeuwsche in Europa. — ïot deze Caste behooren ook de Vorsten, uit dien hoofde aan de Bralminen ondergeschikt. — De legende laat hen voortkomen uit de schouders van ]5 r a h m a.
De derde Caste, legendarisch uit den buik van B r a h m a gesproten, is die der JFesjas, Landbouwers, Zeevaarders en Kooplieden. — Ook deze hebben nog in zekere mate pretensie van Adel, zoodat ook Edel geachte Leenmannen daartoe behooren.
De vierde Caste is die der Soedras, ■werklieden, zoowel die ambachten beoefenen als veldarbeid verrichten, dienst doen als scheepsgezellen en Koelies (sjouwerlieden). — Zij heeten te zijn voortgekomen uit de voeten van B r a h m a.
Eindelijk zijn er nog de Pariahs, die geen deel hebben aan B r a h m a en dus tot geen Caste behooren. — Waarschijnlijk zijn zij de oudste bewoners van Indië van den Altaischen stam, die overwonnen werd door de Ariërs, wier grondstelling was, dat ieder, die zijn leven hooger schat dan zijne vrijheid, dat is zich aan eenen overwinnaar overgeeft, dat leven onwaardig is, en ver beneden het dier behoort te worden geacht.
Deze streng erllijke standsverdeeling was oorzaak, dat het Volk zich gewaarborgd vond tegen die dwinglandij, door welke de Semitische Volken in het Oosten worden gekenmerkt, daar zij het Volk krachtig maakt, dewijl iedere stand zijne eigene rechten verdedigde, zoowel tegen de overigen als tegen den Vorst, die, zooals reeds gezegd, tot de tweede Caste behoorende, ondergeschikt was aan de Brahminen, welke de mindere Casten tegen alle mogelijke onderdrukking van de zijde der Ksairias in bescherming namen.
Te gelijker tijd was zij de bron der hoogst mogelijke ontwikkeling in kunsten en liandwerksnijverheid, daar de zonen, opgevoed in hot bedrijf van hunnen vader, de door hem verkregene bekwaamheden overerfden, en ze verder uitbreidende, daarin tot eene steeds vooruitstrevende volmaaktheid geraakten.
Ten gevolge hiervan is, om bij voorbeeld slechts een enkele tak van kunstnijverheid ten voorbeeld aan te voeren, de vervaardiging der Indische blanke wapens, zoowel tot aanval als tot verdediging, zelfs tot nog toe in spijt van alle vorderingen der wetenschap, door de bekwaamste Europeërs nimmer kunnen worden geëvenaard.
De bouwgewrochten uit de dagen van Koning Joudister zijn
48
de onvergankelijke en onwraakbare getuigen voor het werkelijk bestaan eener kunst, waarbij zelfs de opgesmukte beschrijvingen van tooverpaleizen in de Arabische Nachtvertellingen in het niet verzinken.
Nergens ter wereld, bij voorbeeld, vindt men een wonderwerk hetwelk, zelfs maar in de verste verte, zon kunnen worden vergeleken , mot de aan A p p a n a gewijdde Pagode van den Berg Sche-nmnchelom. — Die geheele Tempel is niets anders dan een massieve rotsberg, met den beitel uitgehold tot een reusachtig gebouw, uiten inwendig versierd met duizende standbeelden, die men met de voeten aan de rots heeft vastgelaten.
Niet minder merkwaardig zijn de bouwvallen van Ma/oeliwaroni ot Maeélipoeram, een dorp aan de kust van Coromandel, in lang ver-loopen eeuwen , de twee millioenen inwoners tellende hoofdstad van den beroemden en machtigen Jou dist er, een der vijf zonen van Pand ou, de Helden van den Maliaheroth. — Die oudheden overtreffen verreweg alles, wat de overblijfselen uit den voortijd groots en schoons opleveren.
Nergens in geheel de bekende wereld, vindt men in een zoo kleiu bestek zooveel gebouwen in en uit rotsen gehouwen, al de heuvels zijn met Tempels, pyramiden, Chauderies (rusthuizen voor reizigers) en dergelijke overdekt, door ouderaardsche gewelven uitgehold, alles uit een enkel stuk uit denzelfden rotsberg gevormd.
Opmerkenswaardig onder anderen zijn zeven Tempels die zich aan het strand, in eene rechte lijn achter eikanderen, meer dan eenemijl ver in de zee uitstrekken, als een rif van klippen, als hoedanig-zij dan ook, onder den naam van: „de zeven Pagoden van Mcmélit-naroniquot; op de op de zeekaarten dezer streek aangeteekend staan, — Van de twee verstafgelegene zijn bij eene lage ebbe, de toppen maar even zichtbaar, de andere verheffen zich trapsgewijze boven het water, en de eerste staat nog even op het strand, zoodat de vloed er in stroomt. — Ook ziet men bij eenen zeer lagen waterstand, nog ver in het rond de toppen van vele andere bouwvallen uit het water opsteken.
Intusschen is omtrent dezen inbraak der zee in het land, zoomin als van den ondergang dezer eenmaal zoo omvangrijke en prachtige Hoofdstad, niet het allerminst met betrekking tot tijd of omstandigheden bekend, hetgeen voorzeker wel een bewijs is dat eene zoo gewichtige gebeurtenis zeer verre opklimt boven het bereik der Mozaïsche Geschiedenis, die toch den ondergang van andere Aziatische steden,, als zoovele voorbeelden der Godswraak heeft opgeteekend.
Niet ver van het strand staat een middelmatige berg, die den zeelieden tot baken dient, en geheel met bouwvallen is oveidekt.— Aan den zeekant staat aan den voet des bergs een zeer schoone Payode, met al hare kolommen en ornamenten uit eene enkele rots gebeiteld, in denzelven bevinden zich rondom eene menigte meer dan levensgroote beelden in derzelver nissen, allen aan denzelfden steen
49
vast, even als, in het midden van den Tempel, het beeld van eenen man van reusachtige grootte, met eenen myter op het hoofd, die, aan handen en voeten geketend, in eene sareophaag ligt.
Hier en daar liggen groote steenblokken, sommigen ter hoogte van vijftien bij eene lengte van zestig voet, aan de eene zijde geheel met basrelieven bedekt.
Verder op bevindt zich eene ruime zaal met drie rijen zuilen, alles in den berg uitgehouwen. — Deze zaal is geheel op hetzelfde plan ingericht als de hedendaagsche Chauderies, zoodat zij ook tot het huisvesten van reizigers schijnt te hebben gediend. — Aan weerszijden van den ingang dezer zaal staat eene rij beelden.
Den top des bergs bereikt men gemakkelijk langs breede trappen, die aan vier zijden in de rots zijn uitgehouwen.
Halverwege aan de zuidzijde van den berg staat een Tempel, mede uit een stuk uit dezelfde rots gebeiteld, waarvan de muren bedekt zijn met zeer goed uitgevoerd beeldwerk. — Aan diezelfde zijde afdalende is weer, diep in den berg, eene Grot uitgehouwen, die, door tallooze zuilen onderschraagd, blijkens de aanwezige altaren en standbeelden, almede tot Godsdienstig gebruik heeft gediend.— Onder deze beelden is het voornaamste Vishnou, in reusachtige grootte, liggende in eene soort van bed, met eene opgerolde slaiïo-tot hoofdkussen.
Alles, in den meest letterlijken zin, is zoozeer uit een stuk, dat de voeten der beelden nog derzelver natuurlijke verbinding hebben behouden met de rots, uit welke de beitel des kunstenaars ze heeft te voorschijn gebracht.
Op den getakten kruin van eene volstrekt onbeklimbare rots, staat een prachtige Tempel, tot welke men, volgens het zeggen der Brakminen, langs binnen in de rots uitgehouwen trappen opklimmen kan.
Buiten het dorp staan, almede aan de zuidzijde, vijf Tempels van verschillende grootte, omringd van levensgroote figuren, alles een geheel vomend met den rotsgrond, op welken het zich verheft.
Op vele dezer oudheden bevinden zich zeer zuiver uitgevoerde en goed ben-aarde opschriften, waarvan de karakters echter niet tot eenige der thans bekende talen behooren.
Leveren nu de fossielen het onomstootelijke bewijs, dat die voorwereldlijke Volken, uit een buiten alle grenzen van mogelijke berekening liggend tijdvak, van welke men, op grond der verkregene gegevens, mag aannemen, dat zij op eenen lagen trap van ontwikkelino-stonden, wel zeer zeker begrip hadden van eene Onsterflijkheid0, en dus ook, als bestaansnoodwendigheid voor eene Geestenwereld, van een Opperwezen, hetwelk op de eene of andere wijze werd aangebeden; hier vindt men een volkomen historisch Volk, welks
4
50
liooge oudheid blijkt uit Monumenten, bedekt met op- of inschriften in eene primitieve taal, uit eenen tijd zoo lang voorleden, dat zelfs de grootste geleerden des lands, evenmin als de beroemdste Oriëntalisten van Europa, meer in staat zijn die opschriften te ontcijferen; —■■ een Volk, blijkens diezelfde Monumenten zoowel als blijkens zijne dichtkunst, opgestegen tot eenen niet meer te evenaren trap van ontwikkeling, in het bezit eener geordende en, vergelijkenderwijze, vrijzinnige Staatsregeling, in welks boezem zich, niettegenstaande dit alles, wat toch, volgens de leer der Neoloym, de kinderachtige ijdel-heid van het Godsidée zou hebben moeten doen inzien, ditzelfde Godsbegrip zich juist in dezelfde, met zijne overige kundigheden de schoonste evenredigheid vormende wijze, heeft ontwikkeld^
Zoodanig bleef de toestand tot, — zeshonderd vijf en twintig jaren voor onze tijdrekening, terwijl Hindostan in vollen glans schitterde, de negende Avatara van V i s h n o u plaats vond, als A d d h i e B o u d d h a S o m m o n a C o d o m.
Volgens de legende verscheen Vislinou, na zich eerst, in zijne zevende Avatara te hebben voorgedaan als Herder, in de negende, onder den zoo even genoemden naam, waarvan de vertaling luidt: Hoogverhevene Mensch zonder driften. — In deze Avatara wordt hij ook Prabpuditsan (Heilige van hooge afkomst) P r a b b i n-Tsjan (Heilige Heer) en Sak je Moeni (GrooteLeeraar) genoemd.
Hij wordt gezegd geboren te zijn uit een Maagd, welke bevrucht werd door de stralen der zon, dat wil zeggen door de rechtstreek-sche en spontane inwerking dier Godskracld, die in de heilige Sanskrit-taal den naam draagt van O d of O d a (allesdoordringend Licht). — Die Maagd wordt genoemd M a t r a Maria (de groote of aanzienlijke Maria), omdat zij uit hetzelfde verheven Vorstenhuis was gesproten als Paonsontout, Koning van Tc.ve-Lanka op Tapohrane, — dat is het, tusschen de Wildernis van Medandampe en het rotsgebergte van Bocaul ingesloten. Rijk van Kandi-Ouda, op Serendih of Ceïlon, — die de voedstervader was van Sommona C o d o m of eigenlijk S u m m a n a K h u t a m a.
Na eerst eenige jaren in een hol te hebben geleefd, trad hij op zijn vijfendertigste levensjaar op, als hervormer der ware zoo echt humane leer van Vishnou, in tegenoverstelling van het strenge, in dit opzicht naar de Mozaïsche Wetgeving gelijkende aitsluitings-stelsel der Sldvaïten.
Geheel in overeenstemming met het beginsel door Vishnou zelf, in de Gieta neergelegd, leerde hij dat alle Menschen zonder onderscheid elkander als Broeders behooren behulpzaam te zijn.
Vooral dit punt is het waarop ik later, bij de verdere ontwikkeling van het wezen der Vrij-Metselarij zal hebben terug te komen.
Hij verbood alle wraakoefening als der Godheid onwaardig, alsmede de bloedige offers van den dienst van Shiva, wiens Priesters vooral hem vijandig waren, en beval niets dan vruchten en bloemen
51
te offeren. — Alle kennis was hem aangeboren; hij deed vele wonderen ; werd door de Engelen aangebeden, kondigde zelf zijn verscheiden aan, offerde zich op voor de zijnen, wien hij zelfs zijn eigen lichaam te eten gaf, daalde neder ter helle en verloste zijnen broeder Thevethat, die, met eenen doornenkroon op het hoofd, om de zonden der wereld gekruisigd was.
Door deze zelfopoffering is Bouddha, met zijne beide Bodcli-nat/cas, Dharma en Sangi, met welke hij eene Triade vormt, opgeklommen tot steeds hoogere Heiligheid, die zich afspiegelde in zijne weldaden, totdat hij, als een schitterend Licht, buiten het bereik van den mensehelijken blik opsteigende, van de aarde verdween, nalatende zijne leer van algemeene onbaatzuchtige Liefde, voortspruitende uit de leer van een eenig zuiver geestelijk O p p e r-wezen, hetwelk alle zijne schepselen met Vaderlijke liefde verzorgt.
Deze trapsgewijze opklimming wordt voorgesteld door de verschillende transen der Tempels, eindigende in eenen koepel, zooals de Boro Boudour of eigenlijk beter gezegd Bara Bouddha (duizend B o u d d a h s) op Java.
Het hoogste heil hetwelk hij zijnen belijders als loon hunner deugd beloofde is Nirvana (het niet zijn), dat wil zeggen het geheel zelfverloochenend opgaan in den wil van en vereenzelvigd worden met God, waarin alleen MouHh (gewijde rust) wordt gevonden, en dat ook reeds door Mouhed-Mouhedan Z e r d u s t den Mensch als heiligste plicht werd voorgeschreven.
Even als zulks met het zuivere oorspronkelijke Christendom het geval was, heeft men deze leer vaak willen beschouwen als subversief voor den maatschappelijken toestand, maar ook hier is die beschuldiging van allen grond ontbloot.
\'Wel predikte Bouddha de meest volstrekte broederlijke Gelijkheid, maar dit was flleen eene gelijkheid overeenkomstig met de Evangelische, en geenszins een gewelddadig verzet tegen het overoude Castemcezen, en het was er wel ver van daan dat hij ooit eeue om-keering der op de leer van V i s h n o u gegronde toestanden zou hebben aanbevolen.
Evenmin was ook deze hervorming, zooals het latere lüanmmm, verderflijk voor den bestaanden Kunstzin, daar de Bouddhistischc bouwkunde, de waardige voortzetting en ontwikkeling was, der voorvaderlijke Kunst, zooals door tallooze voortbrengselen in denzelfden stijl bewezen wordt.
Te Ellora, bij voorbeeld, is een heuvel, in de gedaante van eene halve maan. in welken een dertigtal spelonken zijn uitgehouwen. — In deze bevinden zich vierentwintig Bonddlmtkche kloosters en vier Tempels, onder welke laatste, die der Kailas de voornaamste is; — het is een blok van honderd twintig voet hoogte bij zeshonderd voet omtrek, uitgesteld op een in de basaltrots uitgehouwen onderaardsch plein, van driehonderd zestig voet lang en honderd zesentachtig voet
52
breed; — dit blok massieve basalt is uitgebeiteld tot eenen Tempel, uitwendig versierd met kolommen, kleine pyramiden en koepels, allen verbonden met de lioofdmassa, en verder met basrelieven, voorstellende reusachtige Olyphanten, die het geheel schijnen te dragen ; — het inwendige bestaat uit eene groote zaal, omgeven met kapellen, en een op kolommen rustend gewelf.
In de vallei van Adjuntha zijn zeven en twintig Tempels, boven onpeilbare afgronden, in de rotsen zelven uitgehouwen; — het zijn meesterstukken van BouddhistiscJie bouwkunst, met zuilen, rosetten, arabesken en verandah\'s versierd, en opgevuld met kolossale figuren van phantastische dieren. — Andere in diezelfde rotsmassa uitgehouwen sombere cellen bevatten Alfresco uitgevoerde schilderingen, voorstellende Koninklijke plechtigheden, Godsdienstige Processien en Veldslagen, bij welke laatste alle Oud-Indische wapentuigen afgebeeld zijn.
Benares is de heilige stad bij uitnemendheid; zij werd dertig eeuwen geleden gesticht en was tot in de negende eeuw het middelpunt van den Bouddhistischen Godsdienst.
Deze meer uitvoerige schets van de beschaving en den godsdiensr der Hindos was vooral noodig, om den invloed, dien deze laatste op andere Volken in Azië, — niet alleen van Arischen, maar ook van Semitischen stam, zooals bij voorbeeld de Chinezen, — heeft uitgeoefend , zoodat zij, zich naar Egypte uitgebreid hebbende, de bron is geworden uit welke M o z e s , of eigenlijk M o-I s i s (uit het water opgenomen) zijn Godsdienststelsel heeft geput.
De Godsdienst der Oude Eyyptenareu toch, zooals zij aan de ingewijden werd geleerd, was een zuiver Monotheismus (leer van eenen eenigen God). — Dat hij algemeen als een PolUIieismus (Veelgodendom) ja zelfs als een Fantheïmim (Algodenleer) wordt beschouwd, is eene grove dwaling, daaruit voortspruitende, dat men niets anders kent dan de Godsdienst des Volks, waarin deze e e n i g e God in drie personen: Osiris, Serapis, en Ho rus, met zijne Gade, de geheimzinnig omsluierde luaagddijke Isis, de moeder van Horns, door de Priesters, onder welke ook M o z e s geruimen tijd behoorde, werd voorgesteld als omringd door tallooze hem ondergeschikte dienstbare Geesten, door wier afbeeldingen zij de verschillende eigenschappen van het Opperwezen voor het Volk, zochten aanschouwelijk te maken.
Een der rechtstreeksche uitvloeisels der leer van B o u d d h a is het Lamimus in Tldhet, waar het optrad als de hervorming van de vroegere leer der olagi het ScJiammanismus (Hemels-leer) afkomstig van het Schammaya (Hemel) der Chaldeén.
In het Lamismus heet het Opperwezen Mahamunie (Groote God), en de hoofd voorschriften der zedeleer stemmen overeen, met die van
Z o r o a s t r o, V i s h n o u en A d cl li i e B o u d cl h a S u m m an a Kli ii tam a, namelijk: God te vereeren, niemand leed te doen, iedereen te geven wat hem toekomt, en de meest volstrekte verdraagzaamheid op het stak van Godsdienst in acht te nemen.
Het is bekend dat het Boudilhisnms is uitgebreid in geheel China, een land dat zich op eene dnizende jaren tellende beschaving verheft, en groote Geesten heeft voortgebracht, zooals Konfutzé, een tijdgenoot van Herodotus, wiens wijsgeerig stelsel hierop neerkomt; Er bestaat één eenige eeuwige God, uit wiens wezen de Menschelijke rede is voortgesproten, zoodat dan ook het eenige Godsdienstige voorschrift bestaat in het opvolgen der Natuurwet en der inspraken van de Goddelijke rede, het Geweten, waarom de studie der Natuur en de oefeningen in Zelfkennis voorgeschreven zijn als de eerste plichten , zoowel als de zedelijke ontwikkeling van den naasten door het geven van goede voorbeelden. — Bij deze leer bestaat de Godsdienstoefening alleen in inwendige vereering, zonder uitwendig gebaar, welk laatste, als uitgaande van den nietigen Mensch, den hoogen boven-zinnelijken God, ten eenenmale onwaardig is. — In het toekomstige leven wordt door het Opperwezen noch belooning gegeven, noch straf opgelegd, maar zijn geluk en ongeluk, noodwendige gevolgen van des Menschen eigen gedrag, daar voor de onsterfelijke ziel, de deugd hare belooning vindt in haar zelfbewustzijn, terwijl daarentegen de booswicht, door de herinnering zijner niet meer te herstellen euveldaden, gedurende eene hopelooze eeuwigheid wordt gepijnigd.
Minder bekend is het echter, dat ook het Sintoïsmm, de Staatsgodsdienst in Japan, — een land welks beschaving, zij het ook in andere vormen, niet bij de Europeesche achterstaat, — uit den-zelfden wortel is gesproten als het Bouddhimim, hetwelk, hoezeer ook verbasterd, zijne grondwaarheden nogthans tot over de Polynesische Volken schijnt te hebben uitgebreid.
De oorsprong van het Sintoismus verliest zich, even als het Scha-manismus, in den nacht der tijden. —Het eenige Opperwezen, welks zinnebeeldige Vertegenwoordiger de Zon is, wordt in de van alle beelden ontblootte, uitsluitend tot stille aanbidding en prediking ingerichte Tempels voorgesteld, door eenen ronden spiegel in een zuiver witte omlijsting, welke laatste de reinheid van het geweten verbeeldt. — Die God draagt den naam T e n-S i o-d a i-s i n (Groote L i c h t-G eest of waarachtig Licht). — Hij heeft twee gezellen, waarmee hij eene Trilogie vormt, Tino-o (Vuurkoning) en M i s z a-o (Waterkoning) die echter niets anders zijn, dan de aan hem onderworpen Scheppings-elementen. — Zijn eigen wezen vormt evenwel eene Drieëenlieid, daar hij één is met Tojo-ke-o-dai-sin (Schepper van Hemel en Aarde) en zijnen Vader Fatsma (de Heer der Heerscharen) de Beschermgod van Japan, het land der Zoti.
Wendt men zich nu al verder Oostwaarts, naar de eilanden van
54
den Stillen Oceaan, dan vindt men, zelfs bij de minst ontwikkelde volken, die nog nimmer met beschaafde Natiën in aanraking gekomen waren, en dus de godsdienstbegrippen van deze nog niet hadden kunnen overnemen, op de merkwaardigste wijze dezelfde grond-aanschouwingen terug.
Bij de bewoners dezer eilanden vond Cook, toen hij hen voor het eerst bezocht, de leer van een eenig Opperwezen, genaamd Tarcataïhetoomoo. — In den aanvang der tijden teelde deze, bij de Bots Tepapa, eenen zoon Tane, die de Weldoener is van het Menschelijk geslacht, en daarom in de eerste plaats wordt aangebeden , alsmede eene dochter Tettowmatatayo (de tijd). — Met deze beiden vormt hij eene Trim u r t i.
Deze Volken maken zeer veel werk van de plechtige ter aarde bestelling hunner lijken en van hunne Moraï (begraafplaatsen), waar zij dooden-offers brengen, als een onwraakbaar bewijs voor hun geloof aan O n s t e r f 1 ij k h e i d.
De Maöries op Niemc-Zeeland vereeren eenen e e n i g e n God, in drie personen, als Vader, Zoon en Geest, welke laatste wordt voorgesteld in de gedaante van eenen Vogel. — De naam van dit Opperwezen is M a o u ï-H a n g a-Il a n g u ï (Drieëenige) of ook N o e ï-A t o e il (almachtige Heer).
Hunne dooden leggen zij in een graf, Oedoepa (Huis des Roems) genoemd, op hetwelk zij levensmiddelen offeren, in het geloof dat de onsterflijke Geest hieraan nog steeds behoefte heeft.
Van de begrippen der Paponas of Australische wilden, omtrent de onsterflijkheid, heb ik reeds vroeger gesproken.
Zijn nu alle deze, gedeeltelijk in eenen staat van kindsheid ver-keerende Godsdienstige stelsels, in derzelver zonderlinge overeenstemming, blijkbaar niets anders dan uitvloeisels, door het Brahmismm en Bouddhismm, voortgekomen uit de leer van Z a r o a s t r o en het nog zooveel oudere Sc7iammanismus, denzelfden familietrek ontmoet men bij al die oude Aziatische Volken, die in de Mozaïsche en andere Joodsche schriften worden aangeduid als Got/im (Vreemdelingen).
B a ii 1, ook B a a 1 r u m (Dondergod) genoemd, der Midianiten; Moloch der Moalileti; Hypsistus of üpsistos (de Hoogste) der Syriers, die met ü ran os (Hemel) en Ge (Aarde) eene Triade vormt, en door de Amjriers werd afgebeeld als een Vogel met drie hoofden, is eene en dezelfde persoonsverbeelding als M i t h r a der Par si, het alles doordringend Licht, in de Heilige Sanskrit-taal aangeduid als Cd of O d a en in de Ring-Veda als A d i t a (Oneindige) — waarop ik nog later zal terugkomen.
Alvorens tot de Volken in Europa en daarna in Amerika over te gaan, verdient het de hoogste opmerking dat, in alle deze Godsdiensten, even als in ons Evangelie, de Godheid wordt voorgesteld als een weldadig Opperwezen, dat, met allesomvattende Vaderliefde, voor zijne schepselen, als voor zijne geliefde kinderen
zorgt en waakt, terwijl, als een natuurlijk en noodwendig gevolg van deze opvatting, door al deze Godsdienststelsels de meest onbe-krompene zelfverloochenende Broederliefde, als eerste en heiligste plicht wordt voorgesteld.
Op dezelfde wijze als nu eene Arische bevolking zich had uitgebreid over geheel Hindostan en allengs over den Indischen Archipel, evenzoo richtte zich ook een stroom der, op hoog bevel, uit het Vaderland verdreven kolonisten, over den Hellespont, naar het Zuid-Oosten van Europa, het tegenwoordige Griekenland, te dier tijd bewoond door de Pelasr/en, een deel van het groote Hunnenvolk, hetwelk, te oordeelen naar de ruwe monumenten, die hiervan overal gevonden worden, toenmaals geheel Europa schijnt te hebben be-heerscht.
Hoezeer deze Pelasgen worden voorgesteld als een wild Volk, van hetwelk sommigen hebben beweerd, dat zij zelfs het gebruik van het Vuur niet kenden, bezaten zij echter eene zekere mate van ontwikkeling, zooals uit hunne cyclopische gebouwen blijkt, en eenen zeer bepaalden hoewel ruwen Natuur-Godsdienst.
De cyclopische Tempel op het eiland Gozzo bij Maltha, oudstijds Mylete genoemd, en behoorende tot Groot Griekenland, bevat, als symholum (voorstelling) van den God, die daar aangebeden werd, eenen kegelvormigen steen, als zinnebeeld der Vruchtbaarheid, gelijk de Lingam, en tevens van het Licht, in den Vuurdienst, even als de gouden kegel, die door Aaron, aan het volk van/«mé? ter aanbidding werd voorgesteld, en die men eeuwen lang heeft voorondersteld een Kalfs- of Stierenbeeld te zijn geweest, zoodat hieruit duidelijk blijkt dat deze Pelasgen het Opper w e z e n voorstelden als een Lichtgod, de schepper, bevrachter en onderhouder van het Heelal.
Dit Opperwezen vormde eene Tetrade (viertal). — Chaos (de Oneindige) bracht Ge of Gaya (Aarde) en Tartaros (Afgrond) voort, met welke beiden hij eene Triade vormt, en uit de veree-niging van G a y a en Tartaros sproot Eros (Liefde).
Wat hoofdzakelijk aan dezen Godsdienst kan worden verweten is dat zij, in deze legende, het stelsel van geslachtelijke voortplanting, van welke de Tetrade het synibolum daarstelt, op den weg van bloedschendige gemeenschap, huldigt, evenals dit zelfde verwoestende stelsel, over hetwelk de Wetenschap sedert lang den staf heeft gebroken , ook in de Mozaïsche Scheppings-legende aan de eerste Menschen wordt toegeschreven.
Toen nu de Ariërs zich onder den naam van Hellenen in Griekenland vestigden, vermengden zij al spoedig de Godsdienstbegrippen van hun Vaderland met die, der door hen overwonnen bevolking. —-
5()
De Arische oorsprong vertoont zieli nogthans daarin op het allerduidelijkst dat zij, bij de dichterlijke persoonsbeschrijving hunner Goden, hun blauwe oogen de goudblonde lokken toeschrijven, terwijl bovendien de geheele grondslag der Hellenische Mythologie niets anders is dan de Arische Triade.
Gedreven, door de natuurlijke zucht, om aan hunnen godsdienstvorm, zij het ook ten koste van deszelfs reinheid, door middel van accomodatie, ingang te verschaffen, door ze met die der oorspronkelijke bewoners in gewrongen overeenstemming te brengen, eene wijze van handelen die steeds op verbastering en verval van iederen Godsdienst is uitgeloopen — vereenzelvigden zij hunnen zuiver geestelijken D e m i-0 urgos of Zeruane Akkerene met den PelasgiscJien Z e u s of D i o s, de vrucht der bloedschendige gemeenschap van K r o n o s, de kleinzoon van Chaos, met zijne zuster E h e ï a, daarom ook K r o n i o n en Kronides genoemd.
Deze Zeus was dus het hoogste Wezen, de Koning des Hemels en der Aarde. — Hij wordt voorgesteld als de machtige Dondergod, die, even als de Zon, de wolken verzamelt, en dus de met donkere wolken omhulde. — In het bijzonder werd hij dan ook op het eiland Kr^eta vereerd als Zonnegod, — het eeuwige Licht, — daar hij, even als Osiris eu andere verpersoonlijkingen der Zon, gezegd werd jaarlijks te sterven — waarbij men zijn Heilig gehouden graf vertoonde — en in het voorjaar tot een nieuw leven te verrijzen. — Daar vierde men ook het feest zijner geboorte, — of liever wtderop-standing, — door Wapendansen ter eere van den Ovencinnaar des Doods, de bron der Onsterfelijkheid, vergezeld van de vreugdekreten der menigte en het schelle geluid der Muziekinstrumenten. — Hij is het die de Godspraken geeft, en zijn geliefde Zoon, is de verkondiger van zijn W o o r d.
Met dezen zijnen Zoon, de goudlokkige H e li o s-P h o ï b o s-A p o 11 o n , (de Alziende) — wiens Licht in alle schuilhoeken doordringt, die al het verborgen openbaar maakt, de beschermer der Rechtvaardigheid en der heiligheid van den Eed, de God des Heils en der Eede, het Hemelsche Licht, hetwelk aan de gewijde Dichters de gave der profetie schenkt, — en zijne dochter Pallas A t h e n a e , de Maagdelijke Godin der Wetenschappen en der krijgskunde, de verpersoonlijking der Alwijsheid, vormt Z e u s eene Triade,
Dat ook aan Zeus, die de Vader van Goden en Menschen wordt genoemd, liefderijkheid tegenover zijne Menschenkinderen werd toe geschreven, blijkt daaruit dat hij, volgens Homerus, bij zijne Gade, Dione of Hera, — de Koningin des Hemels, de beschermster van den huwelijkstrouw, de vrouwelijke voorstelling van zijn eigen wezen, derhalve zijne wederhelft, aan welke hij alle zijne plannen mededeelt, — de Vader was van Aphrodite, de Godin der Schoonheid, der Liefde en des Huwelijks.
57
Ontwijfelbaar was het de verderfelijke invloed der overwonnen Pelasgen, — die in de laagste zinnelijkheid verzonken waren, zooals blijkt uit de fabel van Ovidius, die Deukalion en P y r li a laat veranderen in slangen, de type der allerdiepste ontaardingquot;, — welke de oorspronkelijke Goddienst der Hellenen zoodanig verbasterde, dat deze eindelijk in eenen poel der meest walchelijke tegennatuurlijke ontucht veranderd werd.
Die verbastering ging zelfs zoover, dat zij de nationaliteit zelve vernietigde, zoodat van den ouden naam eu oorsprong der Ariërs , die van hunnen tocht over den Hellespont derzelver nieuwen naam van Hellenen ontleenden, geene andere herinnering overbleef dan in den naam van A r e s, de reusachtige Oorlogsgod, de Heer der Heerscharen , die met zijn lichaam zeven plectra lands beslaat, en in zijne woede brult als tienduizend stieren. — De Genius excercitus (Leger-geest) der Eomeinen. — Even als de Hellenen over den Hellespont, zoo wendde zich een andere, veel sterkere stroom van Arische landverhuizers of ballingen, over den Kaukasus, naar westelijk Europa, waar deze Kelten of Galen (dal of diepte bewoners, omdat zij uit de val-lijen van hun Vaderland afkomstig waren) de oorspronkelijke Hunnen-bevolking verdreef of aan zich onderwierp.
iVel onderging ook hun voorvaderlijke godsdienst, waarschijnlijk als een gevolg derzelfde oorzaken, menige gewichtige verandering, maar toch bleef de oorspronkelijke trek daarvan duidelijk bewaard.
Het eenig eeuwig Opperwezen, de Schepper van het Heelal, noemden zij Hu, terwijl het vrouwelijke in zijne natuur, de reine Hemelsche liefde, werd verpersoonlijkt onder den naam der Wereldgodin C e r i d w e n. — Deze H u is de almachtige Schepper en Onderhouder van al wat bestaat, de Oppermachtige bestuurder van het Noodlot en de geleider der zielen naar de Onsterfelijkheid, en alle Keltische Godennamen zijn, even als bij den Dosothame (Duizendnamige) der Brahmanen, slechts zoovele uitdrukkingen van zijne verschillende hoedanigheden.
In de geheimleer der ingewijden staat Hu geheel vrij boven de natuur; hij red de Ark, met een enkel Menschenpaar uit den Zondvloed; bestuurt als Heer der Heerscharen, de veldslagen, schenkt den Menschen de gave der profetie en dichtkunst, en stuurt het schip der Wereld door den dierenriem.
Deze laatste voorstelling wordt ontwikkeld in de Scheepsmythe, welke daarom te merkwaardiger moet geacht worden dewijl H u zich daarin vertoont als D r i e ë e n h e i d.
De evengemelde Scheepsmythe werd verklaard op drie verschillende wijzen volgens welke Hu in drieërlei karakter te voorschijn treedt: — Vooreerst als Scheepsmythe, in zoo verre Hu als Schepper en Vader van het Menschelijk geslacht, het schip van den Mensch door den Chaos, aan den oever der aarde stuurde; — ten anderen als Calendarische mythe, in denzin dat Hu, als onderhouder.
58
liet zonneschip jaarlijks door tien stierenriem stuurt, en, na de voorjaarsoverstroomingen, de natuur, als nieuw geschapen, weer voortbrengt; — ten derden als On sterflijkheids-mythe, daar Hu als Zaligmaker, het schip van den Mensch, over de watereu des doods, naar den oever der Onsterflijkheid stuurt.
In de openbare Volksleer was H u de natnur zelve, die, even als Osiris, in den winter sterft, om in de lente weer op te staan, terwijl hij, als gestorven God, den naam van Aceldon draagt, gelijk Osiris dan ook Serapis werd genoemd.
Op dezelfde wijze zijn alle Keltische Godinnen verpersoonlijkingen der eigenschappen van Oeridwen, die beurtelings als Maagd, Moeder, Koningin, enz. wordt voorgesteld.
Even als de IlelleniscJie Mythe van Zeus verhaalt dat hij Metis (beleid) had verslonden, voor dat Pallas uit zijn hoofd te voorschijn kwam, zoo heet het ook bij de Kelten dat Ceridwen, in de gedaante van eene hen eenen tarwekorrel verslond, die eene gedaanteverwisseling was van den Profeet Gwion, de ziel van den door veeljarige zorg eindelijk geestelijk ontwikkelden aardenzoon Avagdu, en dat zij, negen maanden later, hem tot een nieuw leven baarde, onder de geedaante van den schoonen gewijden Zanger Talimsin. — In die gedaante als hen, legde zij ook het Druïden-ei, het zinnebeeld der Wedergeboorte.
Hoezeer nu deze Godsdienst een zuiver Theïsme schijnt, vormt Hu nogthans eene Trimurthi-. als Teutahtes (schepper), Hesos (Middelaar) en Beien (ongeschapen Licht), zoodat ook hier weder bet ingeschapen begrip van Drieöenheid voorkomt.
Terwijl nu dit alles in Europa gebeurde, had er in het Perzische Vaderland eene gewichtige verandering plaats gegrepen.
Zooals reeds vroeger is gezegd was, naamate de bevolking zich uitbreidde, het uit de Vaderlijke macht voortgesproten Souvereine gezag steeds drukkender geworden. — De ongehuwden vooral werden meer en meer behandeld als slaven, tot straf omdat zij weigerden te huwen, hetgeen men als de eerste plicht beschouwde, daar men in een voortdurend toenemen der bevolking de kracht des Staats zocht.
Heemeer nu het eenmaal waarlijk Vaderlijke gezag verbasterde eu overging, in het evenzeer op beweerd Goddelijk Hécht, — waarmee zelfs in onze dagen nog wordt gedweept, — steunend willekeurig gezag van eenen Alleenheerscher, die het landsbestuur aan zijne, eigenmachtig tot Satrapen van allerlei rangen gekozen, gunstelingen overliet, werd de toestand langs hoe meer onhoudbaar voor de ongehuwden, terwijl de gehuwden nog eene zekere mate van schijnvrijheid genoten.
59
Als steeds zwaarder gedrukte slaven van den Oppervorst, die, als uitdrukking van zijn willekeurig gezag ook zelfs over de Stamvorsten, zich den titel aanmatigde van Schah-in-Schah (Heer der Heeren), bleven deze ongelmwden in den ban van hun Opperhoofd, zonder wiens toestemming, zij zijn gelned niet mochten verlaten, en wanneer zij het waagden dezen ban te verbreken, vervielen zij onder het wildvangsrecht, uit kracht waarvan zij, in den meest volstrekten zin, voyelvrij waren. — In den ban blijvende, waren zij zelfs geen meester meer over hunnen persoon, daar hunne Heerschers, ook met betrekking tot de Huwelijksgemeenschap, onbepaald blinde gehoorzaamheid eischten, en, ter uitbreiding van hunne slavenmacht, deze rampzaligen, volgens stoffelijke regelen van paarkeus, als redelooze dieren, te zamen koppelden, zonder zelfs ook maar in het allerminste derzelver wederzijdsche neigingen daarbij te raadplegen.
Natuurlijk kon een dergelijk lot alleen worden gedragen, door vuige slavenzielen, die, uitsluitend hunkerend naar dierlijk genot, als ten eenenmale ontaarde en verlaagde wezens, kropen aan de voeten hunner Heerschers, met het verachtelijke doel om derzelver gunst te verwerven, en door derzelver genade wellicht op hunne beurt tot veile handlangers der dwingelandij verheven te worden.
Groot echter werd het aantal dergenen wier fier gevoel van eigenwaarde hen onweerstaanbaar dreef, om, met de uiterste doodsverachting, het schandelijke slavenjuk te verbrijzelen, en, alle gevaren trotseerende, hunne vrijheid gewapenderhand te veroveren.
Zoodanig waren de Edel-Vrijen, die, hunnen ban verbrekende, in de wildernis, te midden van verscheurend gedierte en vergiftig gewormte, de Vrijheid zochten welke hun in den boezem der toenmalige Maatschappij was ontzegd.
Weldra vond het voorbeeld dezer Wïld-tn-Udd-Vrijen navolging-bij die Jonkvrouwen wier eergevoel in opstand kwam, tegen het denkbeeld van zich, als veile deernen, te moeten overgeven aan de gedwongen omarmingen, van eenen man aan wien zij, volgens een op proefondervindelijke dierkunde gegrond stelsel van keurfokking, door hare Heerschers, ter vergrooting en verbetering van derzelver Slavenmacht, waren toegewezen, en die, om zoodanige verdierlijking te ontgaan, zich voegden bij de Wild-Vrijen, wier bewondering zoozeer door den moed dezer gevluchte Jonkvrouwen werd opgewekt, dat zij haar, met de hoogste vereering, onder hunne hoede namen.
Deze uitgewekenen vonden eene schuilplaats te midden der ontoegankelijke rotsen van de bergketens die, ter wederzijde van de groote Zoutwoestijn en de woestijn van Bezo Edzistan, het oude Iran, in het Zuidwesten en Noordoosten doorsnijden en in den Kaukusus overgaan. — Hier leefden zij en vermenigvuldigden door uit, vrije keuze en wederzijdsche bewonderende genegenheid, aangegane huwelijken met de even als zij uitgeweken Jonkvrouwen, terwijl zij van de landstreek waar zij zich hadden gevestigd, en zich tegen de
60
legerbenden van den Opperlieer zegevierend verdedigden, den naam ontvingen van Gimeriera of Cimbren, — in het oudste Perzisch Giiebren, — zooveel beteekeuende als bewoners van bergtoppen, zooals dit nog in het Fransche Cim.es en het Spaansche Cuuéra (bergtoppen) is bewaard.
Behalven deze aanduiding gaven zij zich zeiven ook de namen van Gar-Mannen (geheele mannen), All-Mannen (levende in broederlijke gemeenschap), Aarde-Mannen (het tegenwoordige Wereldburgers), — omdat zij uit hunne erven verdreven waren, en vooral Weer- of Heer-Mannen (strijdvaardige mannen - krijgslieden), welke laatste benaming zij voor hunnen hoogsten eeretitel hielden.
Den oorspronkelijken Godsdienst bewaarden zij, zonder Priesters of zoogenaamde Godgeleerden, in al deszelfs eenvoudige zuiverheid.
Het almachtig Opperwezen duidden zij aan met den in de San-skriet-taal overgegane uitdrukking van Od of O da (ongeschapen Licht dat het Heelal doordringt), welk Licht zich den Mensch openbaart als een Trimurthi, bestaande uit eenen almachtigen en alwijzen Schepper en Onderhouder; eenen Bestrijder van het kwade beginsel, en eenen Verlichter van den Menschelijken Geest.
Geheel in overeenstemming met dit reine Godsbegrip was ook hunne Zedekunde. — Zij leerde dat de Mensch, uit hoogere spheer afkomstig, niet tot de Aarde behoort, en daarom zich voor den wel-dadigen Al va der moet schamen, iemand zijner natuurgenooten, uit zelfzucht, eenig leed toe te voegen, maar integendeel ijverig behoort te zijn in de weldadigheid, wier beoefening, zoowel als de beproevingen, die hij hier op aarde moet dragen, hem in de Eeuwigheid zal worden toegerekend, weshalve de ware geloovige, gedurende zijnen wereldstrijd, om niets anders moet bidden dan om onderwerping, ten einde zelfs het hardste noodlot te kunnen torschen, zonder den Goddelijken ivil te weerstreven, alsook om kracht en moed tot den strijd tegen de stoffelijke wereld, in welken strijd hij eerst dan mag grijpen naar het zwaard der verdelging, wanneer hij daartoe gedwongen wordt door den ingeschapen heiligen plicht van zelfbehoud, in welk geval hij toch nog tevens voor de bekeering zijner vijanden moet bidden.
Onder deze Cimhreu of Guehren was het dat, drieduizend vijfhonderd jaren voor onze jaartelling, Moubed-Moubedan-Zerdust optrad, en deze begrippen van Godsdienst en zedeleer te boek stelde in de Zmd-Avesta.
Zonder eenige verpoozing waren deze Guehren onafgebroken blootgesteld aan de vervolgingen van den Oppervorst, die hen niet anders, dan als doodschuldige opstandelingen, tegen zijn onfeilbaar Goddelijk Hecht wilde beschouwen, en daar nu nog bovendien de steeds toenemende veronzedelijking van de Gaulers (dalbewoners) der vlakten, die zich lijdelijk tot slaven eener willekeurige dwingelandij lieten verlagen, hen met de uiterste walging vervulde, kwam hun eens zoo
61
dierbaar Vaderland, hen als ontheiligd voor, en boezemden zelfs de bloelende oevers van den Tandis hen afkeer in.
Weldra rijpte nu ook in hunnen boezem het besluit, om den steeds meer ontwijd wordenden vaderlandschen grond te verlaten, en in onbekende streken een nieuw Vaderland te zoeken. — Van dit denkbeeld vervuld kozen zij den wijsten en dappersten uit hun midden tot Heerman (Legermeester), aan wien zij den titel van Odin (Godenzoon) gaven, als eene erkenning der waarheid, dat zijne wijsheid en zijne deugden, zoovele gaven waren hem door God geschonken.
Onder leiding van dezen Odin braken zij, vijfentwintig eeuwen voor onze jaartelling, op van den berg Alhuri, waar eenmaal de wondervol prachtige Tempel Aardes-Gaar of Ast/ar cl, — thans nog het vaak geschonden Heiligdom der teruggebleven Guébren, — werd gesticht, en trokken, in Noordwestelijke richting, naar den Kaukasm, vanwaar nu nog de bevolking, van het leschaafde Europa Kaukasiers worden genoemd.
Van hier uit trokken zij door de Zuidwestelijke streken van het tegenwoordige Rusland, zich meer en meer naar het Noorden en Westen uitbreidende, voorbij de hun vijandige tot den Turau-iiam behoorende Semitisch-Moitgoolsch-Slavische Hunnen-Volken, der dierlijk ruwe en verraderlijke Burussen en Wenden of Wanen, die in de Sayen als den Asen (Aziaten) vijandige spookachtige wezens worden voorgesteld, en nog voortdurend, als Pruisen, zich de erfvijanden betoonen van het Kimbrisch-Gennaansche ras.
Wat den Godsdienst dezer Kimbren aangaat, zij vertoont de duidelijkste sporen van haren oorsprong. — Als verpersoonlijking van den onzichtbaren eeuwigen Od vereerden zij Surtr als den zwarten of in donkerheid gehulden onzichtbaren God, de almachtige beheersoher dör\'Vuürwereld, — dat is der leven en werkzaamheid verspreidende Scheppingskracht, — de Alfadur, die eenmaal, met zijn leger van vurige geesten, — gelijk de Seraphim (van Seraph of Ter ah — vurig) en de, met vlammende zwaarden gewapende, krijgshaftige Cherubim, — het kwaad van de Aarde zal verdelgen.
Deze onzichtbare God was tevens het eeuwige Licht, in de zichtbare natuur vertegenwoordigd door Sunni (de Zon), waarom zij ook dit hemellichaam met den naam van Odin (Gods Zoon) noemden.
Volgens de Sage was deze Odin, — die, in het verloop dei-tijden , met hunnen eersten aanvoerder en als door God zelf ter hunner uitredding verwekten Leidsman werd vereenzelvigd, — geboren aan den uitersten rand der Aarde, uit negen reine Maagden, ter aanduiding der getalswaarde van het Hoog Heilige Driemaal Drie. — Dit getal toch is de voorstelling der Goddelijke eigenschappen , in derzelver drieledige hoedanigheid, als; spiritualistisch, Gedachte, Wil, Woord; psychologisch. Gewaarwording, Gevoel, Geloof; physisch. Wijsheid, Kracht, Schoonheid; door wier veree-
62
nigde werking het Heelal uit de onbezielde stof geschapen en ondev-honden wordt.
Bij het Scheppingswerk treedt de onbekende beheerscher der Vuur-wereld, in Odin verpersoonlijkt, te voorschijn als eene Trilogie, onder de namen van Vidar, Vile en Ve. — Later vormt hij, als Odin zelf, eene Wereldbesturende Triade met zijne beide zonen: de Dondergod Thor of Do nar, de machtige Ase, en de witte of Licht-God Ba ld ii r, die aan het Menschdom de wet der eeuwige reTucquot;liefde gaf~ TToor de listen van den leugen-Geest Loki werd vermoord, maar eenmaal zal terugkomen, om de door vuur gelouterde en wedergeboren aarde te beheerschen.
Met het oog op het hooge standpunt op hetwelk bij de Kimbren, in scherpe tegenstelling met de overige Volken der oudheid, de vrouw was verheven, kan het niet anders dan zeer natuurlijk geacht worden, dat de Vrouwelijke of Moederlijke trek, dien zij in het karakter der Godheid erkenden, de zorgende Liefde, werd vertegenwoordigd door de Gade van Odin, de Godin H e r t h a (Moederlijke Aarde), ook genoemd Trigga (de Koele), omdat zij eenen afkeer heeft van den gloed der driften, van welke Godin het heet, dat zij het schip des Menschdoms (de Aarde), vroolijk door de Wereldzee henenstuurt; — ook noemde men haar F r e ij a (de Vrije - door zedelijke reinheid zelfstandige), de Godin der Vrijheid en der oprechte Liefde, welke laatste zonder volstrekt vrije genegenheid ondenkbaar is. — Als zoodanig is zij ook de tegen misleiding gewapends beschermster der Waarheid in het Echtverbond, waarom zij ook naakt met een zwaard in de hand wordt voorgesteld.
Hoezeer door sommige Geschiedschrijvers wordt beweerd dat de Odin der Ynglinga Saga eerst in de zesde eeuw naar Europa zou zijn gekomen, bewijst dit niets anders dan dat de uitdrukking O d i u (Zoon- of Man-Gods) geen persoonsnaam maar alleen de eeretitel was van eenen door God venvekten Leidsman, — Heer- of Ilerr-Man. — Tevens moet niet worden uit het oog verloren, dat tegenover deze bewering de berichten staan, der alleroudste schrijvers, volgens welke de Oppergod der Germanen de namen droeg van Wodan, Godan, Guothan, die toch zeer kennelijk met Odin verwant zijn.
Is het nu tot zekere hoogte mogelijk den stroom na te gaan, der Volksverhuizing van het Arische ras, zooals deze zich over de Oude Wereld uitbreidde, geheel anders is het, zoodra men den voet zet op het Westelijke halfrond.
Hier ontbreken alle historische oorkonden, en is men dus alleen beperkt tot pogingen, om de beslaande Volksoverleveringen met de waarschijnlijkheid in verband te brengen, om ten minste eenigen
(53
leiddraad te vinden, langs welken een oversteken van het Oostelijke naar het Westelijke halfrond, als aannemelijk zou kunnen worden beschouwd.
Wil men toch hierbij zich volstrekt plaatsen op het standpunt van de Uuicjenulen, volgens wier uitlegging van de Hebreeuwsche Cos-mogonie, — zooals deze met enkele onsamenbangeude, ja zelfs met elkander strijdige trekken in de Mozcilsche Sclieppingslegende is geschetst, — het geheele Menschelijke Geslacht van een enkel paar, noodwendig door bloedschendige gemeenschap tusschen broeders en zusters, zou moeten afstammen, dan is hot even volstrekt noodzakelijk een, buiten het bereik van alle overlevering liggend tijdvak aan te nemen, gedurende hetwelk het Menschdom, reeds eene onberekenbare uitbreiding verkregen hebbende, niet alleen in eenen staal van lichamelijk eu verstandelijk typische volmaaktheid verkeerde, — zooals, gelijk ik reeds vroeger bewees, uit de beschouwing van alle andere schepselen, met volkomen logische zekerheid moet worden afgeleid, — maar bovendien ook in het bezit was van wetenschappelijke technische kundigheden, die sedert, ten gevolge van steeds toenemende ontaarding, verloren gingen, in zoodanige mate, dat de herinnering daarvan, alleen nog in tooversproken is blijven voortleven, door welke kundigheden het toenmaals levende geslacht zou moeten zijn in staat gesteld geworden, zich bij scharen, over den wijden Oceaan, naar verwijderde werelddeelen te begeven.
Wel kan de mogelijkheid eener zoodanige verspreiding des Mcn-schengeslaohts, van uit een enkel Scheppingsmiddelpunt niet absoluut worden betwist, maar toch levert de beschouwing van Amerika aan de andere zijde zeer veel grond, om tegenover de letterlijke opvatting der Mozaïsche legende, tot de stelling der Poligeuisten over te hellen, daar de standvastigheid der typen, niettegenstaande alle mogelijke climaterische invloeden, op welke ik reeds vroeger wees, hier in het Westelijke halfrond, nog veel sterker dan in de oude wereld, uitkomt.
In Amerika toch vindt men, van het uiterste Noorden, onder de keerkringen doorgaande, tot aan den Zuidelijken uithoek, een schijnbaar antoclitonisch (eigenaardig zelfstandig) Menschenras, op welks uitwendige vorming alle climaterische invloeden schijnen af te stuiten, daar dit ras, zoowel in de aequatoraal streek (onder de evenachtslijn) als onder de Poolcirkels nagenoeg dezelfde koperkleur vertoont, door welke het zich van de eigenlijke Poolvolken onderscheidt, met eene scherpte, die terstond in het oog springt.
Ook de meer gevulde met de vrouwelijke ronding overeenstemmende vormen, eu de bijna algemeene baardeloosheid der mannen vormen eenen eigenaardigen trek van dit ras, die aan hetzelve eenen zekeren schijn bijzet van kinderlijkheid, welke sommige antropologen heeft geleid, tot de mijns inziens zeer gewaagde maar, zoo zij gegrond bevonden werd, zeker de polygenistische stavende, ja volkomen be-
64
wijzende vooronderstelling\', dat liet van lateren oorsprong zou zijn dan de rassen der oude Wereld, van welke liet zich zoo kenmerkend onderscheidt.
Aan den anderen kant zijn er vooral Joodsche Geleerden, die dit ras willen verklaren voor eenen tak van het Semitische, ja daarin de nakomelingschap willen zien der Israëlieten ran het afgescheurde Eijk der tien stammen, maar vooreerst bieden de Roodhuiden, zoonis zij doorgaans genoemd worden, in hun uiterlijk voorkomen geen enkel punt aan, van overeenkomst met het zoo bekende Semitische ras, hetwelk, om slechts iets te noemen, niets minder dan baardeloos is, en ten anderen zouden die geleerden eens moeten mede-deelen hoe dan toch wel, in eenen tijd uit welken de toestanden volkomen bekend zijn, die Israëlieten uit hunne ballingschap naar Amerika zouden hebben kunnen komen.
Wat er nu ook voor een later ontstaan van dit autochtonische ras moge te zeggen zijn, zooveel is volkomen zeker dat, wanneer men de hoogst merkwaardige overblijfselen gadeslaat van den buitengewoon lioogen trap van ontwikkeling op welken het eenmaal stond, men aan hetzelve niet anders dan eene zeer hooge oudheid toeschrijven kan.
Die blijkbaar zoo hooge oudheid belet echter niet dat de overleveringen van vreemdelingen die, zoowel van het Westen als van het Oosten, van over zee zouden gekomen zijn, hetgeen met de gebrekkige middelen welke de oudste historische Volken bezaten, in eenig bekend tijdvak, wel volstrekt onmogelijk moet worden geacht. — Verder spreken die overleveringen ook van blanke Menschen , welke Allujheiois worden genoemd, en wier nakomelingen men mogelijk zou kunnen vinden in de Mandans, die blank van huid met blonde haarlokken en veelal blauwe oogen zijn.
Wat nu de Godsdienst van dit zoo naar allen schijn oorspronkelijke Volk aangaat, wel vindt men gewag gemaakt van eene meer materialistische opvatting, aangeduid onder den naam van Slangen-dienst , die door Acamapichtli de Held van Anahnac werd bestreden, maar desniettemin bij den stam der Tahnmaras in stand werd gehouden, doch in bijna geheel Amerika werd vervangen door eenen Licht-, Vuur- of Zonne-dienst, van welke het onderzoek in de hoogste mate belangwekkend is.
De grondslag van dit Godsdienststelsel is de erkenning van een eenig zuiver onstoffelijk Opperwezen, dat onder geenerlei gedaante kan worden afgebeeld en aan hetwelk den naam wordt gegeven van P a c h a c h a m a k (de Onzienlijke) omdat zijn eigen naam A t a g u ij u niet mag worden uitgesproken. — De zuivere onstoffelijkheid van dit wezen blijkt daaruit dat de liefderijkheid van zijne natuur wordt verpersoonlijkt als een vrouwelijk wezen, Pacha-chamana genaamd, met hetwelk hij, als zijne wederhelft, geheel vereenzelvigd is.
Dit Opperwezen had van eeuwigheid, twee volkomen aan hem gelijke Wezens voortgebracht: To up an, het ongeschapen L i e h t, (ie Weldoener der Wereld, en T e x c a 11 i p o c li a, de Groote Geest van Waarheid en Liefde. — Met deze beiden vormde hij dus eene T r i m u r t h i, zinrijk voorgesteld door vazen van gebakken aarde, in den vorm der Egyptische Canopi, uit welke, in plaats van den eenen halfgeborene, drie vereenigde hoofden te voorschijn komen.
Wel gaf geestelijke hoogmoed en kwade trouw, aan dit Godsdienststelsel den naam van veelgodendom, of nog liever den vloeknaam van Afgodendienst, maar die lasterlijke aantijging vond alleen een voorwendsel in de omstandigheid dat, even als overal, ook zelfs in de Christologie, de verschillende eigenschappen van het Opperwezen door verschillende namen worden aangeduid.
Merkwaardig is in dit opzicht dat Pachachamak, ook den naam draagt van Tamoussi Gabon (Hemelsche Vader) even als T o n-p a n wordt aangeduid als B o c h i c a (Verlosser).
Tegenover dit d r i e ë e n i g Opperwezen staat vijandig een Geest des Kwaads en des Verderis, Iroucan of Maboya, verpersoonlijkt in den eersten van zijne typische volmaaktheid vervallen Mensch, H o g u a b o of N o e n a n k - M a c h a n a, die, omdat hij zich geheel had verdierlijkt, ook Niang (Duivel) wordt genoemd.
In de hoogste mate merkwaardig is het, dat in deze Godsdienst het denkbeeld wordt uitgedrukt, van ontaarding en verval, evenals dit door de fossiele getuigen tot eene logische gevolgtrekking wordt gemaakt, en in volkomene overeenstemming met deze grondstelling heet het verder dat: toen het Meuschdoin geheel in het allerdiepste verderf verzonken lag, verscheen de, hetzelve van alle zedelijk lijden verlossende T o u p a n B o c h i c a (Verlossend L i c h t), als C a-maxtli-Onchauk-Noemakschi (Menschgeworden Licht en L e v e n s v o r s t), onder den naam van Manco C a p a k (Rechtvaardige Heer of V r e d e v o r s t) of ook van Quetzalcoatl (Gevederde Slang), onder welken laatsten naam zijne tegelijk aardsche en hemelsche of Goddelijke en Menschelijke natuur wordt aangeduid. — Zijn symholum was het Kruis, zooals dit wordt voorgesteld in den grooten Theocalli (Tempel of Godshuis) in de ruïnen van Sau Domingo de Palenque, waar men tegen den achterwand ziet afgebeeld, een zeer groot Kruis, ter wederzijde aan hetwelk vier Menschelijke figuren, als in aanbidding geknield liggende, zijn voorgesteld.
Deze Manco C a p a k schreef aan het Menschdom zijne, in den Admapu vervatte wet van vrede en liefde voor, verbood op het aller-gestrengste alle vijandschap en beval, in zijne hoedanigheid van Hooge Priester, met uitsluiting van alle bloedige Offeranden, alleen bloemen en vruchten, met gebeden en lofzangen aan het Oppenvezen te offeren. — Al verder leerde hij dat de Mensch, onder alle omstandigheden, in stilte op God moet vertrouwen en alle zijne vermogens aanwenden (en algemeenen nutte, daar allen voor elkander
5
aansprakelijk zijn, zoodat ieder, die de gaveu welke God hem schonk in overdaad verkwist, aan het geheele Menschdom eenen diefstal pleegt, en dat in het toekomstige leven de Mensch, in de gevolgen zijner handelingen, belooning of straf zal ondervinden.
Toen hij deze zijne taak had volbracht begaf hij zich naar den mond der rivier Huasacmloo, waar hij verdween, na aan de Cholulanen beloofd te hebben dat hij eenmaal als Montecuzoma (Machtige Heer) zou terugkomen, om het Rijksbewind te aanvaarden.
Dat deze Godsdienst, — welks stichter zich zeiven H u a c c h a C h a y e (Vriend der Armen) noemde — al zeer Oud moet zijn, blijkt daaruit, dat de beschaving der groote Amerikaansche Rijken, die reeds voor meer dan tweeduizend jaren haren hoogsten trap van bloei had bereikt, daaruit was voortgesproten.
Van de hoogte op welke die beschaving stond, kan men zich een denkbeeld vormen, door de nog bestaande praalgebouwen in de Queche-Pitaö (heilige steden). — Aan de Westzijde van het Conaciuthzm, (Zonneplein) dus met den voorgevel naar het Oosten gekeerd, staat, juist als middelpunt der stad, het Amantzin Expan of de Sjemyim Sona (Zonnetempel), die eene lengte en breedte van honderd Meters , dus eene oppervlakte van 10,000 M2, bij eene duizelingwekkende hoogte heeft. — Deze reuzentempel, tot welken men opgaat door middel van een bordes van twintig trappen, welke ieder tien Meters lang en uit eenen enkelen steenblok gehouwen zijn, is geheel omgeven door eene rondloopende Gallerij, rustende op kolommen ingelegd met goud en zilver, op eenen grond van schildpad, terwijl de A zo tea (platte dak) een waren toovertuin te aanschouwen geeft.
Uit het hier voorafgaande beknopte overzicht, wordt het duidelijk, dat alle verschillende Godsdiensten, — ten minsten van het Arische ras, met volkomen zuiverheid, — voortvloeijen uit dezelfde bron, die geen andere is, dan een den Mensch in zijn binnenste gesc\'ionken onstoffelijk, derhalve volstrekt bovennatuurlijk Licht, een in hem van de Waarheid getuigend Profetisch Woord, en moeten beschouwd worden als zoovele voorafschaduwingen van het Goddelijk Evangelie.
Hieruit blijkt toch, volgens de op zoo merkwaardige wijze, in onze dagen, door de Geologie bevestigde getuigenissen, van Geschiedenis en overlevering, met de volkomenste zekerheid, dat de Mensch niet door trapsgewijze ontwikkeling uit schepselen van lagere orden kan, maar door spontane generatie moet ontstaan zijn, — dat die Mensch oorspronkelijk eene typische volmaaktheid moet hebben vertoond; even als alle andere schepselen naar derzelver aard, maar ook, even als deze, van die volmaaktheid is vervallen; — dat het geloof in een op het aardsche volgend toekomstig Leven, en hiermee natuurlijk
67
aan eene Geestenwereld, su een boven de stof verheven zuiver geestelijk Opperwezen, eeu niet aangeleerd maar instinctmatig, dat is ingeschapen begrip is, hetwelk men onder alle hemelstreken, zoowel bij de hoogst ontwikkelde, als bij de minst beschaafde volken terug vindt, — en eindelijk dat men steeds heeft geloofd in eenen Middelaar die eenmaal het Menschdom zou verlossen, van dat zedelijke lijden, dat het gevolg is der ontaarding van zijne oorspronkelijke typische volmaaktheid.
Hoogst merkwaardig is hierbij, dat alle deze Volken zich het Opperwezen voorstellen als eene Drieêenheid, waarop alleen eene uitzondering wordt gemaakt, door de leer van Mozes, die, om zich te onderscheiden van de Egyptische Priesters, — tot welke hij, ten gevolge zijner opvoeding, door de Egyptische Koningsdochter, had behoord, in wier geheimen hij was ingewijd, en aan wier leer hij de zijne had ontleend, zoodat zij middellijk afstamt van de leer van Zerdust, — welke niets dan eenen eenigen volstrekt ondeel-baren G- o d wilde erkennen.
Dit belet echter geenszins, dat juist de talrijkste secte der Israi-\'-liten, de Chassidim, wel degelijk eene Drieêenheid erkennen lt;-n aan eenen Middelaar tusschen God en den Mensch gelooven, welk geloof zij ontleenen aan den Schohar, die in de XIIIdeEeuw, ■door B, e b S i m o n-b e n-J o c h a i werd geschreven.
Dit merkwaardige kabbalistische boek handelt over het Goddelijke Wezen, zijne verborgen eigenschappen, zijne verschillende namen, en zijne inwerking op de stoffelijke en geestelijke wereld. — Voornamelijk wordt daarin geleerd en aangetoond, dat God reeds meermalen, in Menschelijke gedaante, op aarde verschenen is, en, even als ieder •gewoon Mensch, gegeten en gedronken heeft. — De tegenwerping, welke hedendaags door de moderne (zoogenaamde Wijsbegeerte) tegen liet Geloof in de Godheid van Jezus Christus wordt aangevoerd, dat God, geïncarneerd zijnde, onmogelijk meer alom tegenwoordig zou kunnen zijn, werd reeds door dezen geleerden Rabbi weerlegd in de leer der drie Parzifm, volgens welke Gods wezen bestaat uit drie gedaanten of personen, van welke er niet een, maar zelfs twee geïncarneerd kunnen worden, zonder de Goddelijk eenheid te vernietigen.
Inderdaad is er niets aan te voeren tegen dit denkbeeld van herhaalde incarnatie, door welke de overeenstemming tusschen de grond-begrippen der verschillende Godsdiensten, bij volken van welke zelfs in de verte niet kan worden nagegaan, hoe zij met elkander zouden hebben kunnen in betrekking staan, op zeer eenvoudige en volkomen natuurlijke wijze zou worden verklaard; — zoodat het wel der moeite waardig is te onderzoeken of, en zoo ja in hoeverre het D rie ii e n-ti e i d shegrip kan zijn neergelegd, in de openbaring der Natuur, waarvan, reeds in de alleroudste legendarische tijdperken, het onderzoeken ■een voortdurend streven der Wijzen is geweest.
68
Hierbij moet men alweer aanvangen met den Meusch, als de eerste onder de Schepselen. — Reeds de oude Grieken bestempelden dit Wezen van Microcosmots (kleine Wereld) ter aanleiding dat hij, hoewel dan ook zeer in miniatuur, een getrouw afbeeldsel was, van het Macfocosnios (groote Wereld) of Heelal, met hetwelk de Mensch in samenstel en wijze van vorming overeenstemt.
Van dit denkbeeld uitgaande, moet men dus allereerst de vorming der samenstellende dealen van het stoffelijk Heelal, — dat is de wording der Hemellichamen, onder welke ook de aarde behoort, — trachten na te sporen.
Om zich hiervan een juist denkbeeld te kunnen vormen moet men beginnen met datgene gade te slaan, wat wij dagelijks onder onze oogen zien plaats grijpen, ja zelfs kunstmatig kunnen te weeg brengen.
Wanneer eene zekere hoeveelheid vloeistof, — bij voorbeeld een stilstaand water van eenige diepte, aan eene gematigde temperatuur is blootgesteld, dan ontwikkelt zich in deszelfs boezem het vroeger latente Caloricum (warmtestof) en tracht zich naar buiten de middsl-stof, in welke het is gebonden, eenen uitweg te banen, om zich met zijnen oorsprong, het Caloricum in den dampkring, te vereenigen.
Daar nu echter de drukking der oppervlakte dit ontsnappen, zoo niet geheel, ten minste grootendeels, belet, worden er blaasvormige lichamen of cellen gevormd, die door de middelstof waarin zij zich bevinden van rondom te zamen gedrukt en door de inwendige warmte uitgespannen, beurtelings de wisselwerking dezer beide krachten ondergaande en, door afwisselende exostose (uitzetting) en endosniose (inkrimping) gerakende in eenen toestand van pulsatie (trilling of klopping) als Monera (enkelvoudige lichamen) den grondslag van alle organismen, zoowel bezielde als onbezielde, uitmaken.
Alvorens verder te gaan moet men wel in het oog houden, dat bij deze voortbrengingswijze onbetwistbaar de eerste plaats wordt ingenomen, door eene van buiten aangebrachte, op de werkelooze vloeibare middelstof inwerkende Kracht, de natuurlijke of kunstmatige warmte, door welke het latente (sluimerende) levensbeginsel tot werkzaamheid wordt gewekt, terwijl het, zonder die opwekkende Kracht, in eene Chaotische rust gebleven zou zijn.
Daar nu dergelijke uitwerkselen door den Mensch willekeurig kunnen worden te weeg gebracht, is het volkomen duidelijk, dat een aan de onbezielde stof ten eenenmale vreemde beredeneerde Wil bij zoodanige proeven werkzaam is.
Wil men nu datgene, wat de even aangevoerde proefnemingen dagelijks kunnen aanschouwelijk maken, toepassen op de wording van het Heelal en van de aarde in het bijzonder, dan moet men zich in de allereerste plaats doordringen van de waarheid, dat het
09
ahsolwtu Niets, uit hetwelk de Vecchi Zeianti, de ouderwetsche ij veraars voor eene door geen raensclienverstand te begrijpen reclit-zinniglieid, willen drijven, dat de geheele wereld zou zijn voortgebracht, niets meer of minder is dan een in werkelijkheid onbestaanbaar afgetrokken denkbeeld, ontleend aan de Wiskunde, dat is juist aan de meest materialistische van alle wetenschappen, daar zij niets anders voor waar wil erkennen dan hetgeen A B kan bewezen worden, en tevens de meest onpractische, daar zij vlakken zonder dikte, lijnen zonder breedte en punten zonder eenige uitgebreidheid aanneemt als axiomata (stelregels), waarvoor in de werkelijke natuur hoegenaamd geen aequivalent (gelijke waarde) bestaat.
Dit in geen enkele zelfs niet in de Mozaïsche Scheppingslegende vooropgezette, en dus maar alleen door waanwijze onkunde gedroomde absolute Niets, is in den volsten zin des woords onbestaanbaar, en zou iedere wereldorde volstrekt onmogelijk maken.
Volgens de beroemdste geleerden, diepste denkers en nauwkeurigste onderzoekers, zooals van Helmond, H o b b e s, H i e r o-nimus Car dan us di Pavia, Uené Descartes, Bat-teux. Herschel en anderen, is de grenzelooze ruimte geheel vervuld, met eenen onbegrijpelijk fijnen W\'ereld-ether door Herschel aangeduid met den naam van Star-dust (sterrenstof).
Dat dit niet eene bloot natuurphilosophische hypothese, maar eene stoffelijke waarneembare werkelijkheid is, wordt bewezen door het steeds korter worden van den omloopstijd der komeet van E n c k e, hetgeen aantoont, dat de ruimte binnen welke die komeet hare baan beschrijft, is aangevuld met eene tegenstandbiedende stof. — In lateren tijd heeft men ook meenen waar te nemen, dat onze aarde eene spiraalvormige baan beschrijft , tengevolge waarvan zij de zon steeds meer nadert als ware het om zich met dezen haren oorsprong te hereenigen.
Op dezelfde wijze nu, als de wording der rudimentaire organismen in de stilstaande, door uitwendigen invloed verwarmde, vloeistof plaats heeft, is dit ook het geval met de vorming der Hemelbollen in de siderische ruimte.
De voornaamste elementen van dezen Wereld-ether zijn het Ihi-droyenium (waterstof) en het Phloyistikon of Caloricum (warmtestof, hoofdstoffelijk vuur), hetwelk Benjamin Franklin en Priestly reeds beschouwden, als het algemeene Levensbeginsel, de Ziel der Natuur, uit welke alle de schijnbaar verschillende krachten, als Magnetismus, Electriciteit, Oalvanismus, enz. voortkomen.
Die Wereldziel, — zooals dit element met het volste recht mag worden genoemd, — bevindt zich echter van natuur in eenen gebonden toestand, die haar belet, zonder eenige op haar inwerkende Kracht, eenige de minste vorming tot stand te brengen.
Üit haren aard toch, verkeert de oorspronkelijke stof in eenen staat van volstrekte rmt, dat is van chemisch evenwicht, door een-
70
vormige vermenging, die alle denkbeeld aan vorming in den meest volstrekten ziu volkomen uitsluit, daar de scheikundig gebonden elementen (hoofdstoffen) bij geen mogelijkheid op elkander kunnen terugwerken.
De terugwerking kan eerst mogelijk worden door vrijmaking van het calorkum, waardoor het chemische evenwicht door eenvormige vermenging verbroken, en het electrische evenwicht door evenredige slingering, daarvoor wordt in de plaats gesteld.
Dit electrische evenwicht alleen, kan dus oorzaak worden, vau de klopping of trilling door beurtelingsche txostose en endosmose, welke aan alle, hetzij grootere of kleinere georganiseerde lichamen het leven geeft, door ze in eene rollende beweging te brengen.
Op welke wijze, nu eene zoodanige afscheidende werking, ter vrijmaking van het Caloricum, kon plaats grijpen in de oorspronkelijke stof, die nergens aan eenige uitwendige werking kan blootgesteld zijn, daar zij door de geheele nergens begrensde ruimte, overal gelijkmatig is verdeeld, terwijl zij zich in eenen cJiaötischtu toestand van eenvormige vermenging bevindt, zoodat de verbreking van dit chemisch eenvormige evenwicht, als met deszelfs aard in tweestrijd, niet uit deze oorspronkelijke stof zelve voortkomen kon, dit is de vraag waarop het hier voornamelijk aankomt.
Het wordt door sommige zoogenaamde natuurphilosophen beweerd, dat de oorspronkelijke stof, in plaats van in eenen staat van volmaakte rust, zou verkeeren in eene voortdurende gisting, uit welke in den eindeloozen tijd allerlei onbestaanbare combinatiën door opbruising ontstonden, tot dat er, te midden van dezen ouankchtn arbeid, eindelijk door een bewusteloos blind toeval, eene levensvatbare combinatie tot stand kwam, die het thans bestaande Heelal daarstelt.
Deze stelling heeft echter juist evenveel waarde alsof men beweerde, ■ dat de samenstellende deelen van eenige duizende uurwerken, die door eenen Idioot onophoudelijk door elkander zouden worden geworpen, eindelijk eens bij toeval zoodanig in elkander grepen, dat zij accuraat geregeleerde uurwerken vormden.
Om nu eene zoodanige stelling aan te nemen, is er een veel sterker geloof noodig, dan om de sprookjes van „Moeder de Gans,quot; Guli-vtra reizen, of de Avonturen van den Baron von MnnchJiaiisen voor waarachtige geschiedenissen te houden.
Bovendien is het denkbeeld van voortdurende gisting, dat is spontane heweging, der Wereld-Stof nog in openbaren tweestrijd met onze waarneming, daar wij zien dat, om in het stilstaande water organismen te doen ontstaan, juist die rust der middelstof de eerste voorwaarde is.
Evenals de, met behulp van kunstmiddelen voor het menschelijk oog waarneembare, vorming van rudimentaire organismen, zooals Monera en Bacteria, in de doorschijnende vloeibare middenstof, door eenen van buiten.op die stof werkenden invloed wordt te weeg ge-
71
bracht, even zoo moet ook noodwendig het ontslaan der Siderische organismen of Hemel-lichamen, worden te weeg gebracht door eene oorzaak welke op die algemeene stof kan inwerken.
Daar nu de Wereld-stof de geheele ruimte vervult, zoodat er buiten haar gebied niets kan zijn, moet dus die oorzaak in de stof zelve zijn gehuisvest als in een lichaam, doch tevens moet zij niet alleen van die stof en hare kenmerkende eigenschappen volstrekt onafhankelijk, maar zelfs aan zijnen aard geheel tegenovergesteld zijn, zoodat tegenover de absoluut lijdelijke werkeloosheid van deze in chemisch eenvormig evenwicht verkeerende stof, hier in de scheppende oorzaak een beredeneerden wil moet aanwezig zijn.
Door eenen zoodanigen geheel vrijmachtigen wil brengt het niet tot de stof behoorende, maar hoezeer ook daarin wonende toch cjuali-tatief (soortelijk) daarvan onderscheidene zelfstandig redeneerende scheppingsvermogen, in den Wereld-ether plaatselijke levensspanningen te weeg.
Door deze levensspauningen wordt het eenvormige evenwicht verbroken , het Caloricum, vrijgemaakt en omgezet in warmte, waardoor, even als zulks door spanning plaats heeft in de Menschelijke hersenen , cp die plaatsen eene verhoogde temperatuur wordt ontwikkeld.
Deze aldus te weeg gebrachte locale temperatuursverhooging is het, waardoor in het groot, geheel soortgelijke uitwerkselen worden te weeg gebracht als wij het geheel in onze macht hebben, zoo dikwijls men wil, in de doorschijnende vloeistof ter aanschouwing te brengen.
De oorspronkelijke Wereldstof nu, kan niet anders worden beschouwd, dan als een grenzenloos en derhalve onder geen gedaante af te beelden lichaam, in hetwelk de sluimerende levenskracht tot den staat van levende ziel wordt opgewekt, door den scheppenden Wil van eenen boven de stotfelijkheid verhevenen, daarvan geheel onafhanke-lijken, volstrekt vrijwerkenden redelijken Geest, die dus met het volste recht als Almachtig Opperwezen wordt aangeduid.
Dat dit O p p e r w e z e u in den meest volstrekten zin eeuiciy wezen moet, volgt uit de grenzenloosheid van het Heelal, die volstrekt onbetwistbaar, met betrekking tot tijd zoowel als tot ruimte, de oneindigheid insluit.
Hier bewijst dus de Wijsbegeerte der natuur, volkomen aanschouwelijk en tastbaar, het bestaan van een eeuwig, alwijs en almachtig Opperwezen, niet als eene afgetrokkene schepping van den Geest maar als eene absolute bestaansuoodwendigheid der geheele zichtbare Wereld, daar de eerste aanstoot door welke het werkelooze eenvormige evenwicht in de oorspronkelijke Wereldstof wordt verbroken en hiermede de eerste grondslag gelegd van het geheele scheppings-proces, niet anders kan worden gegeven, dan door eene vrij werkende Oppermacht, omdat zij nergens buiten de stof eenen zetel hebben kan, wel in die stof, even als des Menschen redelijke Geest in zijn lichaam, als inwonende aanwezig is, maar toch in aard en strekking daarvan ten
73
eeiiemale onderscheicleii zijn moet, omdat zij geheel vrijmachtig, volgens een kennelijk beredeneerd plan, naar eigene keuze, scherp begrensde plaatselijke levensspanningen opwektt.
In den volsten zin vormt dit Opperwezen dus eene Triade. bestaande uit Lichaam, Ziel en Geest, welke drie elementen, opliet innigst vereenigd, een ondeelbaar geheel vormen.
Wil men, — na voor het algemeen door alle tijden heen overal verspreide geloof in het bestaan van een Opperwezen in de natuur zelve den grond te hebben gevonden, — nu ook eenen der-gelijken grond zoeken voor het even algemeene geloof in de O n-s t e r f e 1 ij k h e i d, en te dien einde de menschelijke natuur onderzoeken, dan vindt men eene volkomene overeenstemming met het Heelal.
Het eerste toch wat men hierbij ontwaart is eene, de vorige nauwkeurig afbeeldende Triade in het wezen van den Mensch.
Dit aan het hoofd der schepping geplaatste Wezen, vertoont op het duidelijkste drie verschillende bestanddeelen, uit welke het in harmonische evenredigheid is te zamen gesteld, als: een stoffelijk Lichaam, hetwelk een deel uitmaakt der algemeene Wereld-stof; eene levende Ziel, een sprank van liet algemeene levensbeginsel des Heelals, en een redelijke Geest, welke den mensch boven de geheele dierlijke wereld verheft, en blijkbaar eene uitstraling is van den als O p p e r w e z e n erkenden Wereld-Geest, eene straal van het eeuwige Licht, door den vrijmachtigen wil van den Opper-Bouwmeester des Heelals uitgestort, in den tot dit doel ge-vormden Mensch, in wiens binnenste het, als levend Woord, van de eeuwige Waarheid getuigenis geeft.
Dat nu die, van een eeuwig Opperwezen uitgegane Geest, even zoo goed als deze zijn oorsprong, onvergankelijk wezen moet, wordt reeds terstond op het alleronbehvistbaarst bewezen, door de vooral voor de Materialisten onomstootelijke wiskundige waarheid, dat het deel, geen eigenschap bezitten kan, qualitatief verschillende van het geheel, waaruit het is genomen.
Behalve uit deze zeer zeker onaantastbare waarheid, blijkt ook uit de werking van den Menschelijken Geest, dat deze als volmaakt iden-tisch (gelijksoortig) moet worden beschouwd, met den algemeenen Goddelijken W e r e 1 d - G e e s t.
Hoogst merkwaardig in dit opzicht is de overeenstemming, welke er bestaat tnsschen het Classeerende stelsel door den MenscheUjl-eii Geest uitgedacht, om hem bij zijne wetenschappelijke studiën ten leiddraad te strekken, en de natuurlijke Classificatie, welke men bij de beoefening der Geologie aantreft.
Verwonderlijk inderdaad is het karakter onder hetwelk dit Classeerende beginsel zich, met betrekking tot deze wetenschap voordoet.
Terwijl dit ordenend vermogen zich, met opzioht tot alle andere Wetenschappen, immers doet kennen als een beginsel, hetwelk in den
i
73
Mensch zeiven ligt, bestaat het integendeel iu de paleontologische Wetenschap als een beginsel kennelijk liggende buiten — ja zeev ver buiten — het Menschelijke bereik.
Voor myriaden eeuwen toch, oneindig lang voordat er eene Menschelijke gedachte bestaan kon, werden dezelfde beginselen van Classificatie door Menschelijke geleerdheid in de meest geachte schriften neergelegd, door de opeenvolgende Geologische tijdperken ontwikkeld.
De uitgestorven zoowel dierlijke als plantaardige voortbrengselen van deze Planeet werden naar tijdsorde in derzelver geschiedenis gerangschikt in overeenstemming met dezelfde Wetten van het denkvermogen die regelmaat en orde in het werk der latere Geleerden brachten.
Nog sterker, zoo mogelijk, blijkt deze geestelijke identiteit uit de. overeenstemming der producten, zoowel in mechanisch als in aestetisch opzicht.
quot;De Mensch is de groote geschapen werkman der Wereld, het eenige Wezen dat, het werk des Scheppers voortzettende, daaraan hoogere uitkomsten geeft, terwijl hij, op elk door den Scheppende-i Wil voor hem ontgonnen gebied, zich eene ruime spheer ziet aangewezen voor zijn onuitputtelijk en veelzijdig vernuft.
De geschiktheid tot het bereiken van dezelfde doeleinden door dezelfde middelen, de vatbaarheid tot denken en handelen in dezelfde practische spheer bewijst de gelijksoortigheid van den Menschelijken met den algemeenen Wereld-Geest, en derhalve dat hij van dezen laatsten niet qualitatief (soortelijk) maar alleen quantitatief (in omvang) verschilt, dus een afschijnsel daarvan is.
Op grond van deze opmerkingen en van de uit derzelver onderling verband voortvloeiende gevolgtrekkingen is men dus gerechtigd tot het opmaken der navolgende sluitredenen.
1°. De normale toestand van absolute rust, door eenvormig evenwichtige vermenging van de oorspronkelijke stof kan niet veranderd, de tot het levensproces door wisselwerking noodige scheiding dei-elementen niet tot stand gebracht worden zonder de, allen tegenstand van de kracht der traagheid overwinnende inwerking van eenen ten eenemale van de stof onderscheiden denzelven almachtig beheerschen-den wil;
Dus moet er een G e e s t e 1 ij k V r ij m a c h t i g O p p e r-wezen z ij n.
2°. Het Heelal kan niet anders zijn dan grenzeloos, daar buiten deszelfs grenzen het Niet zou moeten bestaan, welk Niet in zich zeiven een onzin is, daar het alle begrip van ruimte uitsluit; — en daar nu de grenzeloosheid, met betrekking tot de ruimte, tevens, met betrekking tot den tijd, de eeuwigheid in zich sluit, moet de macht die het Heelal beheerscht dezelfde eigenschap bezitten;
Dus moet het Opperwezen eeuwig z ij n.
3°. De overeenstemming tusschen de werken der scheppende Macht
74
en die van den Meusch bewijst dat de Menschelijke Geest gelijksoortig is met den Wereld-Geest, die steeds erkend werd als almachtig Opperwezen;
Dus is ook de Men schel ij ke Geest onsterflijk.
4°. Het onderzoek der Natuur bewijst dat alle geslachten van dieren bij derzelver eerste optreden op aarde de hoogste typische volmaaktheid naar hunnen aard vertoonden, maar dat dit geenszins het geval is bij den Mensch voor zoover hij sporen van zijn aanzijn heeft nagelaten;
Dus moet de Mensch z ij n ontaard.
5°. De ontaarding van den Mensch was het gevolg van zijn streven naar verzadiging van z^te dierlijke driften, waardoor hij zijn lichaam verzwakte en zijne organen ongeschikt maakte voor hoogere verrichtingen;
Dus is de Mensch verantwoordelijk voor zijne ontaarding.
6°. De Natuur streeft vocAlurend in alle richtingen om ieder evenwicht, waar het verbrokt moge zijn, te herstellen. — Door de ontaarding van den Mensch is het evenwicht verbroken tusschen zijnen Geest en zijn lichaam, welk laatste alleen bestemd was tot middel door hetwelk de Geest zijne roeping kon vervullen. — Daar dit in den ontaarden toestand niet meer mogelijk is, spreken alle Godsdienststelsels van Arischen oorsprong van eenen Goddelijken M i d d e 1 a a r;
Dus is de leer der Verlossing overeenkomstig de Natuur.
7°. De oudste •Godsdienststelsels zoowel als die der meest verwijderde Volken van onzen tijd stellen het Opperwezen voor als eene Trilogie. — Het onderzoek der Natuur leert ons dat zoowel het Heelal als de Mensch is samengesteld uit drie geheel verschillende maar innig verbonden bestanddeelen;
Dus is het Drieëenheidsbegrip op de Openbaring Gods in de Natuur gegrond.
Deze geheele streng logische redeneering toont dus op de ouweer-legbaarste wijze aan dat alle deze begrippen geen door Kerkgezag opgedrongen Dogmata (Leerstellingen) zijn, maar ingeschapen denkbeelden , instinctmatig voortvloeiende xiit de natuur van den Mensch zoowel als van het Heelal, van hetwelk hij een oneindig verkleind afbeeldsel of wel het Proto-Plauma (de Grondvorm) daarstelt.
De erkenning der uit de Menschelijke natuur voortspruitende en dus onbetwistbare gegrondheid van dit geloof in het verloren M eesterwoord, van dat Profetische Woord, hetwelk in het gemoed van den Mensch, nis in een voor het gewoel der Wereld
75
ontoegankelijk binnen vertrek, in de stilte van den Middernacht getuigenis geeft van God en van Onsterflijkheid, die beide hoofdzuilen van den overal door den O p p e r-B ouwmeester gestichten Tempel, die door Hem Mensch werd genoemd, de algemeene verspreiding van dat waarachtig Licht, hetwelk in het heilige Midden vertrek van dien Tempel onuitblusschelijk ontstoken werd, is van het hoogste gewicht voor de levensvatbaarheid der Maatschappij
Wanneer er geen Toekomst bestaat, wanneer de Mensch geen onvergankelijk beginsel in zich heeft, wanneer met de oplossing van zijn stoffelijk lichaam in Monaden en Bacterial alles voor hem gedaan is, wanneer hij, in een woo^f, niets meer is dan een dier, niets meer dan eeue slang of krökodii, dan bestaat er voor hem ook geen zedelijke Verauticoordelijkheid voor zijn handelingen tegenover zijne natuurgenooten, dan kan er nimmer eenige de minste spraak zijn van solidariteit met zijne Medemenschen. — Dan staat hij als eenling, in den meest volstrekten zj® geheel vrij op zich zei ven; — dan is voor hem het eenige levenswel, de eenige levensvoorwaarde de verkrijging van het meest onbeperkte levensgenot; — dan is zijn eenige plicht de plicht jegens zich zeiven, om zich, door alle binnen zijn bereik liggende onverschillig welke middelen, op de meest onbekrompen wijze al datgene te verschaffen, wat zijne zinnelijkheid streelen en hem, overeenkomstig zijne naar onafgebroken genot strevende dierlijke natuur, gedurende zijn kortstondig leven op aarde, het meest ongestoorde geluk verschaffen kan.
Zonder eenige hoop op eenen volgenden zelfbewusten individueelen levenstoestand kan hij geen ander verlangen hebben dan als eenmaal, een weinig vroeger of later, het ogenblik komt waarin hij dit leven moet afleggen, van genot verzadigd, ja walgende, in een gedroomd niet z ij n, — dat is tot absolute vernietiging van ziju individueel wezen, — over te gaan, en voorzeker ware hij een ellendige dwaas, een beul van zich zeiven, wanneer hij ook maar het geringste deel van dit zelfzuchtige genot, of zoo men wil geluk, opofferde ten bate van anderen, die niets tot vermeerdering van dit genot bijdragen.
Dan heeft de machtige Heerscher volkomen recht wanneer hij, met geweld gelijk een Napoleon, of met behulp van eenen tot heerschzuchtige doeleinden verlaagden en vervalschten Godsdienst, zooals een Russische C z a r, zijne onderdanen verlaagt tot eene kudde last- en slachtvee, ten koste van wier bloed hij, als een statenroover, alles aan zich zoekt te onderwerpen, en een Wereldrijk te stichten; — dan hebben de Ttijken en Vermogenden een onbetwistbaar recht, om de armen en weerloozen uit te buiten en tot hunne slaven te maken;
maar..... dan hebben ook de armen, de Proletariërs, het volste
recht wanneer zij in massa opstaan, het bloed hunner verdrukkers bij stroomen doen vloeien, en, onder het gewicht hunner ruwe kracht, de Machtigen der aarde verpletteren. — Dan is het eene onduldbare
7fi
aanmatiging wanneer eenig zoogenaamd maatschappelijk gezag, door deszelts wetten, de baudelooze individneele Vrijheid wil beperken. — Dan, in een woord, is volkomen anarchie (regeeringloosheid) de eenige erkenning der onbetwistbare Rechten van den Mensch.
Volstrekt onverklaarbaar is het hoe eene materialistische zoogenaamde Wijsbegeerte immer is kunnen opkomen in het brein van eenen Mensch, die zich zeiven voor het meest volmaakte Wezen in de Natuur beschouwt. — Ware toch de levensbestemming van het tweehandige dier alleen tot de aarde bepaald, dan zou hij, in plaats van het allervolmaaktste, het allerellendigste zijn onder alle geschapen Wezens, gefolterd door een verlangen hetwelk nimmer bevredigd kan worden en dus tot nameloos en hopeloos lijden gedoemd, hakende naar eene duistere toekomst, en toch gedwongen om zich vast te klemmen aan het kortstondige heden, buiten hetwelk niets wezenlijks bestaat. — Ja dan was er, met den gloed van onbevredigd verlangen, en de vrees -voor den dood, die iedere bevrediging onmogelijk maakt, in zijnen boezem, voor hem niet het allergeringste geluk denkbaar, dan ware hij het eenige mikpunt op aarde en zijne schepping niets anders dan eene dwaasheid, een ijdel pralen met het vermogen der redelooze Natuurkracht, om, in openbaren tweestrijd met haar eigen wezen, ook toch een redeneerend, voor soortelijke ontwikkeling vatbaar dier te kunnen voortbrengen.
Geheel in strijd met het zelfzuchtige Materialismus en deszelf volmaakt logische gevolgen, vormt in al die Godsdienstige Wetgevingen van Arischen oorsprong, die uitsluitend moeten beschouwd worden als de Profetische voorafschaduwingen van het Evangelie der volmaakt reine liefde, en die derzelver grond vinden in de Openbaring Gods in de Natuur, — dat is in het den Mensch, als opmerkend en redenerend wezen ingeschapen Godsbegrip — de plicht tegenover den Natuurgenoot, — om in de taal der moderne Wijsbegeerte te spreken de Humaniteit, — den grondslag der geheele zedeleer.
In de\' Zend-Avesta heet het dat de Mensch zich voor God behoort te schamen om zijnen Medemenschen eenig leed te berokkenen. — Volgens de Edda is het Baldur, — het eeuwige ongeschapen Licht — die , met zijnen alter ego (dubbelganger) of tweelingbroeder H e r m o d e, de zwaar geharnaste, met zwaard en schild gewapende goddelijke Bode, — dat is het wereld overwinnende eeuwige W oord, — als de Broederen A 1 c e s, de wet der onstoffelijke Liefde tot het Mensclidom in het rotsgesteente griffelt. — De Admapn leert dat iedere Mensch voor het lot zijner Natuurgenooten persoonlijk verantwoording schuldig is.
Hoogst merkwaardig is het dat alle deze gewijde boeken op pro-phetischen toon spreken van een toekomstig tijdvak, gedurende hetwelk ongestoorde Vrede en Broederliefde, onder het bestuur vaneen hoog verheven Wezen, eene Goddelijke persoonlijkheid die, inzicht-bare gedaante, als Meeste r op aarde heerschen zal, en het Mensclidom
77
terugvoeren tot eenen zoodanigen staat, van zedelijke reinheid en daaruit vooruitspruitend ongestoord geluk als waarvan, reeds sedert laug verloopeu eeuwen, de Dicliters onder den naam van Gouden Eeuw en nog hedendaags vele vroomgeloovigen onder den naam van JJui-zendjarig Rijk, de uitlokkendste voorstelling geven, nog ver overtroffen echter door de Apocalyptische schildering van het Hemelsche Jeruchdayim (Stad des Vredes).
Wonderbaar inderdaad is de overeenstemming van deze overoude,, blijkbaar van den eenig waren oorspronkelijken Godsdienst afstammende gewijde Zedeleer met den geheelen inhoud van het Evangelie, zooals het, voor bijna negentien eeuwen, allereerst aan het Volk, hetwelk hieraan de meest dringende behoefte had, werd verkondigd.
Hier is het beginsel van solidariteit met het gehele Menschdom en daaruit voortvloeiende bovenaardsche Humaniteit tot zulk eene ideale, inderdaad Goddelijke hoogte opgevoerd dat het niet meer geldt die bloot maatschappelijke rechtvaardigheid welke, op grond der vol-komene democratische Rechtsgelijkheid, verbiedt den Natuurgenoot datgene aan te doen, wat men niet zelf zou wenschen te ondergaan, maar dat de Leerling die gelijk wil worden aan zijnen Meester, zijne eigene individualiteit geheel moet verloochenen, om zich zei ven ( voor het algemeen welzijn op te offeren.
Kan nu het Opperwezen met Zijn scheppingswerk geen ander doel immer hebben gehad dan te voldoen aan den gebiedenden eiscb van Zijn zuiver Geestelijk wezen, om, in onbegrensden kring, het verhevenste genot te verbreiden, en aan alle Zijne schepselen, naaide Hem bekende maat hunner vatbaarheid, het meest volmaakte geluk te verschaffen, dan moet ook het Evangelie, in den meest absoluten zin, voor Goddelijk worden erkend.
Wanneer men zich toch voorstelt dat geheel de Maatschappij zou ziju gevestigd op den grondslag van het Evangelie, zonder eenig bijmengsel van Mozaïsche of Eomeinsche rechtsbegrippen, en dat alle Mensehen, geen enkel individu uitgezonderd, Aai Évangelie ioi onver-anderlijk richtsnoer van hun geheel levensgedrag aannamen, dan is er voorzeker wel niemand die met gezond verstand zou kunnen tegenspreken dat de Wereld zou zijn een rijk van ongestoorden Vrede en dat, als een zeer natuurlijk gevolg hiervan, het Menschdom een zoo volmaakt geluk zou genieten als mogelijk kan zijn bij het voortbestaan van lichaamszwakte en gebreken, ziekte en dood.
Datgene nu wat zoo geheel onvoorwaardelijk beantwoordt aan het in de Natuur geopenbaarde doel der Godheid moet onfeilbaar in zijnen aard Goddelijk wezen. — Op geen enkelen verstandigen grond kan dus de Goddelijkheid van het Evangelie worden betwist, maar dan volgt hieruit ook volkomen logisch dat die Jezus die dit Goddelijke Évangelie verkondigde in waarheid God moet zijn, daar datgene wat Goddelijk is ook alleen door God zelf kan worden daar-gesteld.
78
Het geloof aan de Godheid van een Wezen in Menschelijke gedaante op aarde verschenen, als de Architypus (oorspronkelijk wezen) des Mensclielijken geslachts in deszelfs primitieve typische volmaaktheid , dat is met andere woorden als de belichaming der Godsgedachte, is geenszins vreemd of uitsluitend tot de Evangelische leer beperkt.
Reeds in het oudst bekende Godsbegrip, de Schem (Hemel-leer) waarvan de Kabbala, — zooals ik reeds opmerkte, door de Joodsche Secte der Khassidirn beoefend, — een uitvloeisel is, wordt aangenomen dat het Opperwezen in Menschelijke gedaante op aarde verschijnt en onder de Menschen verkeert, en in de Veda s heet het• dat Vishnon eene zichtbare gedaante aanneemt zoo dikwijls hei kwaad de overhand op aarde heeft verkregen.
Even zoo goed als het bestaan van een Gods- en O/isterflljkheids-begrip door alle tijden heen, en bij alle zelfs de meest dierlijke volken , het geloof hieraan zich als een instinctmatig of ingeschapen denkbeeld doet kennen, evenzoo moet men, op denzelfden grond, het denkt)eeld van geheel spontane belichaming of invleesching der Godheid voor ingeschapen houden, en kan er niets essentieel ongerijmds zijn in de vooronderstelling dat diezelfde Jezus, in den morgenstond des nog niet van dezen zijnen Archiiypns ontaarden Menschdoms, op aarde heerschappij voerde, en ook eenmaal weer zal terugkeeren, om een Kijk van algemeenen Vrede, uit de puinhoopen van eenen treurig verbasterden Maatschappelijken toestand, als een Phenix, uit zijne asch, te voorschijn te roepen.
Is nu het Evangelie datgene wat men in waarheid mag aanduiden met den naam van Woord Gods dat het Menschdom den weg wijst tot het volmaakte onverstoorbare geluk, naar de bereiking waarvan ieder Menseh, — zij het ook zelfs onbewust, — van zijne wieg tot aan zijn graf voortdurend streeft; — is de inhoud van dat Evangelie dus in waarheid eene blijde boodschap, in volkomen overeenstemming met het eenige doel hetwelk het Opperwezen, naar Deszelfs eigen geestelijken aard, met Zijne schepping kan hebben beoogd, om Zijne schepselen het hoogste geluk waarvoor zij vatbaar zijn deelachtig te doen worden; — is dan Jezus Christus alleen daardoor krachtdadig ontwijfelbaar bewezen waarachtig God te zijn, het ongeschapen Licht verlichtende iederen Menseh bij zijne komst in de wereld, het wereld overwinnende Woord, hetwelk alvermogend de stof beheerscht, en, in Menschelijke gedaante optredende , de Architypus is van dit geslacht, dan kan de bestemming van den Menseh, gedurende zijn geheele leven hier op aarde, geen oogenblik langer twijfelachtig zijn.
Dan is het volstrekt onmogelijk dat die bestemming ooit of immer eene andere zou kunnen wezen dan de volkomene navolging van den zooeven genoemden Architypus, en da nauwgezette betrachting Zijner leer, ten einde langs dien weg terug te keeren tot den staat van typische volmaaktheid, in de toekomst het geluk te genieten.
79
van eene eindeloos voortschrijdende ontwikkeling, in den boven alle zelfzucht verheven genialen toestand.
A
Zoo ben ik dan gekomen tot het wezen der V r ij - M e t s e 1 a r ij in haren waren aard, waarvan wij thans in de eerste plaats de genootschappelijke Geschiedenis raceten trachten na te sporen.
Reeds in den nacht der tijden bestonden er geheime Genootschappen, welke de zedelijke waarheden zoowel als de geheime krachten der Natuur naspoorden, en de tooverij der Sage en de vroegste Middeleeuwen was niets anders dan de kennis dier verborgen krachten, welke waren ontdekt door sommigen, die hunne wetenschap zorgvuldig geheim hielden, waarom zij later, door eene op die kennis naijverige Priesterschap, als Ketters en Toovenaars ten vure werden gedoemd.
Zoodanige Genootschappen vormden zich van het begin der Wereld, of ten minsten sedert de ontaarding van het Menschdom, zij bestonden eene lange reeks van eeuwen, maar derzelver overblijfselen, vermengd met de puinhoopen der allereerst bekende Eijken, zijn bijna onkenbaar geworden, en uiterst moeielijk is daarom de taak van iederen ijverigen Vrij-Metselaar, wien de gebiedende plicht is opgelegd, om die Vereenigingen in derzelver ontstaan na te sporen.
Zeer natuurlijk verklaart zich de oprichting van dergelijke Genootschappen. — Toen zedenbederf en misdaad zich onder het van zijne typische volmaaktheid vervallen Menschdom vertoonden en in evenredigheid van die mate, waarin zij zich voortplanten begonnen diegenen, wier geweten hun verwijten deed den wensch te voeden, om door voorspraak en bemiddeling den toorn van het Opperwezen af te wenden. — Naarmate dit verlangen zich meer kenbaar maakte traden Wijze en door kennis en levenswandel achtbare Mannen op, om door gebed en boete de schuld te verzoenen en, als raadgevers en leidslieden, der menigte den waren weg tot reinheid en zedelijk leven te wijzen, terwijl zij den sleutel hunner bijzondere kundigheden neerlegden in zinnebeelden, waarvan de beteekenis slechts werd verklaard aan diegenen, die zij waardig keurden om, als Ingewijden, in hunnen kring te worden opgenomen.
Het eerste Genootschap van dien aard, van hetwelk mij vergund was het bestaan tot klaarheid te brengen is niet, — zooals velen meenen en ook onze geleerde Br. C1 a v e 1 schijnt te vooronderstellen, — de Egyptische Priesterstand maar dat der Magi (Meesters) van den Arischen stam, hetwelk zelfs nog bestond in het begin onzer tijdrekening, daar het de voornaamsten uit dit Genootschap waren, die den armen zuigeling in de kribbe te Bethlehem Ephrata voor den Christus Gods erkenden.
Dit Genootschap bestond uit drie graden als: Fedawh (Getrouwen Leerlingen), Destowr* (Gezellen-Broeders) en Magi (Meesters) aan
80
wier hoofd de Moubtd Moubedau (Wijste der Wijzen) stond. — Des-zelfs doel was de beoefening der kennis van het Menschelijke hart als de eerste en belangrijkste Wetenschap, en van de geheimen der Natuur en der Kunst, en vooral het prediken van eenen op die kennis gegronden natuurlijken Godsdienst.
Bij de verovering door de Ariërs breidde hunne leer zich uit over Hindostau, — waar de leden des Genootschaps den naam droegen van Gymnosophifsten (Wijzen der naakte Waarheid) — en het was van daar dat zij overkwam naar Egypte, om later als Bouddhismws weer terug te keeren naar India, waarom dan ook A d d h i e B o u d d h a S u m m a n a K li u t a m a, onder de Type van eenen Egyptenaar wordt voorgesteld.
De Wijzen van Memphis eu Heliopolis stonden in hooge achting bij het Volk, en de roem die van hunne geleerdheid uitging was zoo groot, dat Wijsgeeren, Krijgslieden en aanzienlijken naar Egypte reisden, om zich bij hen te laten inwijden en hunne geheimen quot;6 leeren kennen. — L y k u r g u s en Solon vonden hier de grondtrekken hunner zedewetten, Orpheus de Grieksche fabelleer. — Thales, Pythagoras, Herodotus, Democritus weiden in deze school gevormd. — In een woord waren de Mysterien der Grieken niets anders dan de door spelende groote kinderen verbasterde uitvloeisels der Egyptische Geheimleer.
Mo zes die, als Mo-Isis, te Heliopolis als Priester was ingewijd bediende zich van de onder hun verkregen kundigheden, om onder het Semitische Volk zijnen Godsdienst te stichten, en het was onder de Hehreeéu dat zich, als een minder volkomen ontwikkelde rank van de leer der Magi, het Genootschap vormde der Khassideén (Ge-loovigen) of Esseën, wier vormen eenige overeenkomst vertoonen met die der Vrij-Metselaars, en waartoe, vooral omdat zij hoofdzakelijk de Bouwkunde als Maatschappelijk beroep beoefenden, naar men wil beweren S. J o z e f als Oud- en Opper-Meester zou hebben behoord.
Toen de allereerste E d e 1 - V r ij e n zich hadden vereenigd om ouder zelf gekozen leidslieden en aanvoerders, in het hart der ongebaande Wildernissen den onduldbaren druk der toenemende Dwingelandij te ontgaan, kon die nieuwe Maatschappij, onder welke zich ook, — als door hunne meerdere kennis tot leidslieden aangewezen, Magische Broeders bevonden, alleen daardoor levensvatbaarheid bezitten , dat zij gegrondvest was op de sympathische medegevoelendheid der Geesten, op de eeuwige Vriendschap of volmaakt bovenaardsche reine Goddelijke Liefde, zonder bijmengsel van eenige andere zelfzucht dan uitsluitend die van de alleredelste natuur, in zoover zij in sympathische mededeeling eu uitbreiding de vermeerdering zocht van
81
eigen persoonlijk Geluksgevoel, en, door algeheele zelfopoflering ter bevordering van liet algemeen geluk, streeft naar de bevrediging van het hoogste en reinste verlangen, zooals dit wordt afgespiegeld in de eeuwig onverstoorbare harmonie van den Sterrenhemel.
Op deze grondslagen ontstond in hun midden de Wapen-Broederschap der Sterren-Orde van het Eozen-Kruis, als een Gods-dienstig-zedelijk en tevens krijgshaftig genootschap, geheel gelijk aan de Geestelijk-Militaire Ridder-Orden der Middel-Eeuwen, op wier oorsprong ik later zal terugkomen.
Het Symbolum (Zinnebeeld) dezer Broederschap was een Kruis in den vorm eener ster met twaalf punten, in welk getal de Triade (drietal) en de Te trade, (viertal) is vervat, in het midden beladen met eene enkele bloedroode Eoos, het Pentacidum (Vijfhoek), als voorstelling der Goddelijke Genade.
Deze Broederschap had, even als die der Magi, drie Graden als: Knapen, Vrijen en Odlinyen. — Aan het hoofd stond de ()din, aan wien was toegevoegd een raad van Oude-Odlinijm, die men al? een vierden Graad zou kunnen beschouwen.
Op den voet van dit Genootschap bestond nog de geheele Maatschappelijke inrichting der Germanen, in den tijd van welken de Romeiusche schrijvers gewagen, zooals voldingend daaruit blijkt dat men bij hun als onderscheidingen vermeld vindt de rangen van Hertog, Graaf, Adeüvy, Ridder (Ruiter die in den krijg de middelen had verkregen om te paard ten strijde te trekken) en Vrijelin;/ (Krijgsman).
Ook was het uit deze zelfde bron dat de Geest van Vereeniging, de Gilde, die onder de Kimbrisch-Germaansche Volken heerschende was, deszelfs oorsprong nam. — Dit had ook aanleiding gegeven tot. den bekenden Siteven-Bond, maar niet of slechts schaars bekend is de hieruit voortgesproten Saana-lüdderscJuip, ingesteld door Hertog Ba 1 drin, en naar zijne Gade Suana genoemd.
Behalve de beoefening van de Godsdienstige grondwaarheden, zooals die uit het Arische Vaderland waren overgebracht, bestonden de plichten der Leden van deze Vereeniging of Gilde, in; Toewijding aan de Vrouwen; Bescherming der Verdrukten; Strijd voeren voor de Vrijheid; Trouw tot den Dood.
Vooral in het zoeken naar het ongeschapen Licht of de kennis van het Profetische Woord, — de Openbaring Gods in de Natuur, werden de plichten dezer Broeders zeer verscherpt door Brenner, den Zoon van Bal drin, die ook vrouwen in deze Vereeniging deed opnemen.
liet is volstrekt onnoodig hier de vormen te beschrijven met welke de opneming in deze krijgshaftige Broederschap plaats vond en evenmin zou het ter bereiking van het mij voorgestelde doel, om het vare IFezen van de oorspronkelijke Vrij-Metselarij te doen kennen, iets bijdragen indien ik mij hier bezig hield met een geslachts-
(i
S2
register van af Baldrin tot op Si eg mar, die, ten tijde waarin de llomeiusclie benden Neder-Germanie bezetten, als Hertog aan het hoofd stond der Cherusken en de Vader was van Hermann, die door hem, tot het aanleeren der toenmalige krijgskunde, werd geplaatst in Romeinschen krijgsdienst, waar hij met den rang van Tribunus miütare (Krijgs-0verste) ook de waardigheid van Equen llomanm (Romeinsch Ridder) verkreeg.
Gedurende zijn verblijf onder de Romeinen, waarvan vele aanzienlijken, — zooals ook door Br.-. Clavel wel uitdrukkelijk vermeld wordt, — openlijk volgers waren van de Mozaïsche Wetgeving, — welke nog meer werd verspreid door de bij de Joden geminachte (ralileen, Galaten of Galliërs, die twee en eene halve eeuw voor onze tijdrekening, in Palestina eene volksplanting hadden gevestigd, — was Hermann bekend geworden met de Messiaamche Profetie, hoofdzakelijk naar de opvatting der Etsseën die, na de verwoesting van den eersten Tempel en de wegvoering van het Joodsehe Volk door Berodaeh Ba 1 adan naar Babylon, zeven eeuwen voor onze tijdrekening, dit lot waren ontweken en zieh vooral ook in Germanie hadden verspreid. — Boven alles gewichtig was ook voor hem, in verband hiermee, het feit dat de voornaanisten uit het land waaruit zijn geslacht afstamde, de Mar/i, het te Bethlehem geboren kind als den Verlosser, in wien hij de verpersoonlijking vat; den Licht-God Bal der meende terug te vinden, hadden aangebeden.
Van dit begrip uitgaande was het dat hij, in zijn Vaderland teruggekeerd, in verband met de Suana-Orde, in navolging der Magische Broeders van het Heilige Vuur, eene Wapen-Broederschap stichtte. — Als Romeinsch Ridder was hij toegetreden tot de Broederschap der Bonw-Meesters, die, even als hedendaags de Officieren van het Wapen der Genie, aan de Legers verbonden waren. — Gedurende zijn verblijf onder de Romeinen had hij ook de meest overvloedige gelegenheid gehad om te ontdekken hoe verderfelijk het stelsel van privaat Eigendom was voor de beoefening der door Baldur bevolen Broederliefde en dit bewoog hem om cïe AU-Mende (gemeenschappelijk bezit) tot grondslag te leggen der door hem gestichte \\eree-niging.
Het eerste gronddenkbeeld hiervoor vond hij in de Kimbrisch-Germaansehe inwijdingen, omtrent welke de merkwaardigste sporen voorkomen in de Edda, vooral in den zang ten titel voerende: nde Wonderen van Harquot; (de Heer-God), waaruit blijkt dat het doel dier Inwijding was de reine vereering van het ongeschapen Licht, en daarom het krijg voeren tegen Geweld, afgebeeld in oen voort-durenden strijd van den Machtigen Ase Thor tegen de Reuzen, de voorstelling van de machten der duisternis, door wier listen de £«c//i-GW Baldur was vermoord geworden.
Om deze reden gaf hij ook aan deze Vereeniging den naam van Har- of Hermanns Wapen-Broederschap (Wapenbroederschap
83
der Verhevene- of Gods-Mannen) en stelde voor deze het Syuhólum in zooals het bij de Magische Broeder* van cle allervroegste tijden was aangenomen.
De Zoon van Hermann, de in de Komeinsche slavernij geboren Tumelik, dien door zijne Moeder de Allrune Wittliehe T/imnelda,, in het geheim de beginselen van zijnen door vergif vermoorden Vader waren ingescherpt, diende als Tergiductor (Luitenant) in het Ger-maansehe Legioen, hetwelk onder den landvoogd Pontius Pilatus te Jeruzalem in bezetting lag.
Aangespoord door de van zijne Moeder geërfde weetgierigheid had hij geen gelegenheid, die zich hem mocht aanbieden, ongebruikt laten voorbijgaan om de prediking te hooren van den wijzen Rahbi van Nazareth. —• Zelf een balling op vreemden bodem hadden diens woorden eenen voortaan onuitwischbaren indruk op zijn gemoed te weeg gebracht, maar toen het hem te beurt was gevallen de gast te zijn van den Centurio (Hoofdman-Kapitein) op het oogenblik in hetwelk diens knecht, door een enkel machtwoord, was gezond gemaakt, beschouwde hij den door Priesters en Schriftgeleerden zoo diep verachten, door Phariseëa (Afgescheidenen), Saddnceën (Rechtvaardigen) en Herodianen (Hovelingen) als om strijd met ongehoorde boosaardigheid vervolgden Nazarener als een dier Goden van zijn Volk, die hij geleerd had als zoovele onderscheidene verpersoonlijkingen van Allfadur (Hemelsche Vader) te vereeren.
Dit alles echter was het nog niet alleen wat bestemd was om zijn hart te treffen. — Begaan met het lot van den leeraar, was het Tumelik die zich, gehuld in eene Lijkwade, om onkenbaar te zijn, had verborgen in den Olijfhof, bereid, om met zijn goed zwaard den Meester, zij het ook ten koste van zijn leven, te verdedigen, cn eerst toen hij dezen den bijstand zijner eigene leerlingen en bestendige volgers hoorde afwijzen, nam hij de vlucht, ten einde zich niet doelloos bloot te stellen.
Hij was bevelhebber der wacht bij den Lysostrotos (Rechtplaats), toen de Landvoogd in radeloosheid zijn Ecce Homo (Zie den Mensch) uitriep, door welke woorden hij tot in zijn hart getroffen werd. — Hij was de onderbevelhebber der Cent ar ie, welke met de wacht op den Kruisberg werd belast. — Hij was het die de Maagdelijke Moeder Maria beschermde tegen de baldadigheden van het dooide Priesters opgezweepte grauw, toen zij zich verwijderde met Johannes, ten gevolge waarvan tusschen dezen en den Romein-schen Officier de innigste vertrouwelijkheid ontstond. — Hij was liet die met zijnen Centurio uitriep: „TTaarlijk! deze was Gods-Zoo nquot;. — Eindelijk was hem het bevel opgedragen over de bewakers van het Graf des Gekruisten, van wiens verrijzenis hij dus ooggetuige was.
Was de verrezene hem, voor Zijnen dood, hei levende beeld geweest van Mimir, — het Woord, van wien Odin Wijsheid
84
leerde, — thans, ids Overwinnaar van den dood, was hij voor hem de opgestane Baldur, het Licht der Wereld, die het Menschdom door driemaal-drii: ringen aan zich verbonden had.
Alles wat hij had gehoord en gezien had hem doen besluiten om een Licht voor zijne landgenooten te worden, en datgene, wat hij van zijnen boezemvriend, den Jpostel Johannes, had geleerd, hun te verkondigen.
Uitsluitend bezield met dit verheven denkbeeld, onttrok hij zicli aan den Eomeinschen krijgsdienst, en, schier onoverkomelijke bezwaren overwinnende, keerde hij terug in zijn Vaderland, na lange omzwerving, gedurende welke hij de kleindochter van eenen der Maiji, die aan de kribbe te Betlilvhcm de eerste otters hadden gebracht , tot Gade verkreeg.
Zoodra hij zich in de erve zijner Vaderen weer gevestigd vond, begon hij zijne taak met het hervormen der door zijnen Vader gestichte Vereeniging, aan welke hij den naam gaf van Hermanns W a p e n-B roeder schap van het Ware Kruis, daar hij haar wenschte te maken tot bron van het Licht hetwelk hij onder zijne landgenooten zocht te verspreiden.
Het zou mij tot een volstrekt doellooze wijdloopigheid leiden wanneer ik hier eene beschrijving wilde geven- van de Hierarchic (rangregeling) der Broederschap, die den ytkr\'uideu Jezus erkent voor haren eeuwigen Groot-Meester, van hare ceremoniën en plechtige feesten of van de geheimzinnige beteekenis harer symbolen en sieraden, in welk opzicht zij eene navolging was der Magische Broeders en der Sterre-Orde van het Rozen-Kruis-, en het is volkomen voldoende voor mijn doel hier de Statultu ■ (Grondslagen) te vermelden op welke de Broederschap was gevestigd.
Het doel hetwelk T u m e 1 i k aan de volgens zijne overtuiging gewijzigde Broederschap voorstelde was: de algemeene verspreiding van het hem door den A1 v a d e r en O p p e r-B o u w-M e e s t e r des Heelals geschonken Licht, de verkondiging van het Woord dei-Waarheid en de leniging van alle zedelijk en stoffelijk lijden (\'oor krachtdadige bestrijding van het Kwaad op Aarde, waarvoor isder Ingewijde Broeder moet bereid zijn ieder oogenblik zijn leven ten otter te brengen.
Baar God, in den persoon van Jezus Christus, op tarde heeft willen verschijnen in den staat der allerdiepste armoede eu der vervolgde onschuld moet ieder ingewijde de hoogste eerbewijzen aan de armoede toebrengen en de onrechtvaardig verdrukten ontvangen als de Vertegenwoordigers van zijnen Goddelijken Groot-Meester, met wier bezoek hij wordt begenadigd, om hem de gelegenheid te geven tot het beoefenen van den heiligen plicht der Liefde.
Geen Ingewijde mag zich afgeven met Koophandel waarvan Ze/f-zucht de ziel uitmaakt en die daarom door den G r o o t-M e e s 1 e r wordt gelijk gesteld met Hoof.
85
In de woorden van den Groot-Meester is het duidelijk uitgedrukt dat God, als een liefhebbend Vader voor zijne kinderen, zich zeiven heeft opgeofferd, om zijne redelijke schepselen, nadat zij van hunne typische volmaaktheid waren ontaard, weer tot zich te trekken. — Daarom moet de Ingewijde steeds bereid zijn zich zeiven op te offeren voor het algemeen welzijn.
God is een Geest, en die Hem aanbidden, moeten aanbidden in Geest en Waarheid. — Dus moeten de Ingewijden den hoogsten prijs stellen op het voortdurende inwendige gebed, als wijding en richtsnoer hunner daden, zonder aan uitwendige Godsdienstvormen eenige zelfstandige waarde toe te kennen.
Voortdurend werkt de Groot-Meester tot heil des Mensch-doras en Zijn werken getuigen van Zijne Godheid, zoodat hij geen getuigenis van Menschen behoeft. — In navolging van dit voorbeeld moet dus de Ingewijde iedereu dag van zijn leven besteden in voor zijne natuurgenooten nuttigen arbeid, zonder hiermee te jagen naar hunnen lof, en tevens moet hij zijn geloof niet laten steunen op menschelijk gezag maar alleen op de Goddelijkheid der Evangelieleer, waarvan de volmaakte betrachting het volmaakte geluk verzekert. — Eindelijk moet hij zooveel mogelijk het bekend worden zijner goede daden en het verbreiden van zijn roem zoeken te beletten, terwijl hij door zijnen arbeid geen ander stoffelijk voordeel dan zijn levensonderhoud mag zoeken.
Met duidelijke woorden waarschuwt de Groot-Meester tegen de verkeerdheid, om de tegenspoeden die den Mensch treffen te verklaren voor straffen wegens zijne ondeugden, en dus mag de Ingewijde nimmer vergeten dat de rampen, waardoor de ongelukkige naar de wereld wordt bezocht, zoovele beproevingen zijn met welke God juist de voortreffelijksten onder Zijne kinderen bezoekt om hen van alle aardsgezindheid te verlossen. — In verband hiermee moet hij, in navolging van den Goeden Herder, zich zeiven beschouwen als, in den kring in welken hij is geplaatst, een wacldhondende Broeder, verplicht tot de bescherming dergenen die onrechtvaardig door de Wereld worden belaagd.
De door den verheven Groot-Meester zeiven eenmaal verrichte voetwassching is het zinnebeeld der aflegging van alle aardsgezindheid ; daarom moet de Ingewijde streven naar de vernietiging dezer giftbron van alle Menschelijk lijden, door het voorbeeld te geven van eenvoudigheid, en geen dienst vernederend achten door welken hij het welzijn van een Broeder of Zuster kan bevorderen.
Bij de betrachting dezer plichten moet hij onder alle omstandigheden ernstig bedenken hoe in de gegeven toestanden zou zijn gehandeld door Hem, die gezegd heeft: — „Indien Gij mij lief hebt „zoo hewaart mijne f/ehoden. — hit is mijn gebod dat Gij elkander „liefhebt gelijkerwijH ik U heb lief gehad. — Niemand heeft meer „liefde dan hij die zijn leven opoffert voor zijne vrienden,\'quot; — ten
86
einde in alle opzichten nauwgezet het voorbeeld te volgen van den G i\' o o t-M e e s t e r, wiens leven Liefde is.
Heilige plicht is het voor den Ingewijde, om het W oord der Waarheid te doen hooren en liet Licht te ontsteken, opdat de Vrede van den Groot-Meester, buiten wien hij niets vermag, allerwege heersche, en terwijl hij openlijk tegen zelfzucht en liefdeloosheid strijd voert moet hij zich boven alles, wachten voor het pronken met eigene mildheid, omdat zijn Groot-Meester beval de door Hem zelf bewezen weldaden geheim te houden.
Niet alleen onder rampen en tegenspoeden moet de Ingewijde blijmoedig het Kruis, hem opgelegd, dragen, maar hij moet ook de uiterste matiging in acht nemen ten aanzien van stoüelijke genietingen, die zoo licht de bron worden tot die zelfzucht die de aarde maakt tot eene Grimma Her na (wreede Moeder) en alleen kan veerden bestreden door het inwendige gebed om kracht tot zelfverloochening en onthouding.
Om ongestoord op dit pad te kunnen voortgaan moet de Ingewijde alle betrekkingen, welke hem zelfs zoo dierbaar zijn als zijne eigen ledematen, afsnijden wanneer hij daardoor zou worden verleid tot ontrouw aan zijnen plicht.
Onder alle uitwendige uitingen van de zelfzucht is er geen zoo gevaarlijk als de Geestelijke Hoogmoed, die den Mensch zich zeiven doet verheffen op eigene deugd of Godsdienstkennis, daar hij den aanleg hiertoe als genadegave ontving uit de hand zijns Scheppers tot het kennen en eeren van Wien geen Menschelijke Geleerdheid vereischt wordt. — Daarom moet de Ingewijde den vertrouwelijken omgang vermijden met Geestdrijvers en Ongeloovigen. •
Steeds behooren de Ingewijden zich te doordringen van de waarheid dat zij, strijdende voor het geloof in een Geestelijk beginsel, en tegen alle Geestelijke slavernij, in de Wereld zijn als schapen te midden der wolven en zich daarom nauw aaneensluiten, zonder iemand anders hun vertrouwen te schenken dan aan beproefde Broeders ot Zusters. — Dit algemeen wantrouwen mag hun echter nimmer verleiden het goede in hunne natuurgenooten te miskennen, daar zoodanige miskenning een onvergeeflijke misdaad is, en, terwijl zij onverbiddelijk zijn tegen het kwaad, moeten zij zich boven alles wachten voor een lichtvaardig oordeel naar den schijn, maar allen, wier daden getuigen van derzelver geloof in den Goddelijken Groot-Meester, voor hunne Broeders en Zusters erkennen, zonder het verschil van Menschelijke leerstellingen en uitleggingen der eenige waarheid hierbij ook maar in het allerminste in aanmerking te nemen.
De Goddelijke G r o o t-M e e s t e r prees de arme weduwe, die alles wat zij bezat opofferde voor hare lotgenooten en stelde aan eenen Rijke den eisch: „ Verhoop al icat Gij helt tn geef het den „armenquot; Hierdoor leert de Ingewijde dat hij uit de hem geschonken stoffelijke gaven alleen zooveel nemen mag als voor de voldoening
87
zijner wezenlijke behoeften noodig is en al het overige moet ten oiter brengen aan de leniging van het lijden zijner natuurgenooten.
Eindelijk sprak de G r o o t-M eester: — „ Wie zijne vrouw „anders verlaat dad om hoererij die (jeeft aanleiding dat zij overspel „doet. — Wie zijns naasten huisvrouw aanziet, om haar te hegeeren, „die heeft in zijn hart reeds overspel met haar gedaanquot; — Deze eisch leert den Ingewijde de meest zelfopofferende toewijding aan de Vrouw die zich, uit vrije Liefde, met hem heeft verhonden, en, na haar, aan het geheele vrouwelijke geslacht, waarbij hij echter zich zorgvuldig moet wachten voor alle vertrouwelijke toenadering, die hem in gevaar zou kunnen brengen.
Terwijl dit alles in Germanie plaats vond, had zich de leer van den Gekruisten alom verspreid, niet alleen in Palestina en de daaraan grenzende gewesten, maar ook naar Griekenland en Rome. — Ten einde in het Joodsche land de woedende vervolging te ontgaan der Priesters en Godgeleerden, die niets onbeproefd lieten om hen bij de overheerschende achterdochtige Komeinen, als opstandelingen tegen het Keizerlijke gezag, verdacht te maken, verborgen de Naza-reners, zooals zij in het eerst werden genoemd, hunne Vereeniging onder de zinnebeelden van het geheime genootschap der Esseèn,, dat wel gehaat was bij de Priesters, maar tegen welke zij, uithoofde van derzelver strenge zedelijkheid, niets openlijk durfden ondernemen, en waarvan zeer velen de leer des Kruises, waardoor hunne grondstellingen tot de hoogste volmaaktheid werden opgevoerd, hadden omhelsd.
Naarmate echter, ten spijt der vijandige Priesterschaar, het getal der geloovigen met den dag aangroeide, en vooral nadat zij te Antiochie het eerst den naam van Christenen hadden aangenomen, slaagden hunne tegenstanders, die niets onbeproefd lieten om hen onder hun Priesterlijk gezag te doen bukken, er meer en meer in eene steeds scherpere vervolging in het leven te roepen.
Toen nu de Christenen gedwongen werden hunne bijeenkomsten te houden in de diepte der wouden, te midden van ontoegankelijke rotsen eji in onderaardsche holen, en voortdurend in gevaar verkeerden niet alleen van openbaar geweld, waartegen men zich door uitgezonden verspieders kou waarborgen, maar ook van verraders in eigen boezem, die zich opzettelijk lieten opnemen in den Broeder-kring, ten einde, voor een Judasloon, den vijanden als aanbrengers te kunnen dienen, toen was de schare der Belijders gedwongen zich in een geheimzinnig duister te hullen, en toevlucht te nemen tot herkenningsteekens en paswoorden, die alleen aan de getrouwen werden medegedeeld, terwijl de nieuwelingen werden onderworpen aan velerlei langdurige en zware proeven, niet alleen om zich te overtuigen van
88
hunne oprechtheid, maar ook van hunne zielskracht en zedelijken moed, in het zeer denkbare geval dat zij zouden hebben te kiezen tusscheu verraad en marteldood.
Het eerste herkemingsteekeu waarvan de Christenen zich bedienden was het Teeken des Kruinen, zooals het nog in de Latijnsche Kerk wordt gemaakt, eu de eerste paswoorden: „De Heer is opgestaan.\', waarop het antwoord luidde: „•/«, waarlijk! Hij is opgestaanquot;
Het verraad der Falsche Broeders, die zich, trots alle waakzaamheid, wisten in te dringen, en die reeds Paul us herhaaldelijk in gevaar brachten, deed echter dit teeken en herkenningstbrmulier spoedig algemeen bekend worden en dit dwong den Belijders in het vervolg allerlei verschillende teekens en paswoorden aan te nemen.
Gelijk de Esse\'cn voornamelijk de Bouwkunde als maatschappelijk bedrijf hadden beoefend, zoo ook traden de Christenen onder de Romeinen in steeds toenemende mate in het Genootschap der Bouw-meesters, dat weldra hoofdzakelijk bestond uit belijders van het Evangelie, die hierdoor gelegenheid vonden om te voldoen aan den op hen, als Homeinsche onderdanen, rustenden krijgsplicht, zonder persoonlijk gewelddadigheden te plegen.
Een natuurlijk gevolg hiervan was dat zij de gereedschappen van hun maatschappelijk bedrijf\', zooals passer, winkelhaak, paslood, vxi-terpas enz., bezigden tot zinnebeelden hunner leer, die zoodoende voor den oningewijde verborgen bleef\'.
In deze hoedanigheid van Bomc-Meesters was het dat de eerste Christenen met de Eomeinsche legioenen kwamen naar de Wingewesten, waar zij zich, vooral in Brittannie en Germunie, van lieverlede ter beoefening hunner kunst vestigden.
Volgens de eenvoudige kleeding door welke zij zich, zoowel in onderscheiding van de Èomeinsche als van de Germaansche dracht, , deden kennen, werden zij aangeduid met den naam van Culdeèrs (Kapdragers-Cowlers). — Vooral in Brittannie verkreeg hun Genootschap eene zoo hooge ontwikkeling dat hun maatschappelijk bedrijf\' den naam verkreeg van Koninklijke Kunst, en zij zich, vooral van j daar uit, overal verspreiden, naarmate de volken kwamen tot dien hoogeren trap van beschaving op welken de waardeering der Bouwkunst eenen aanvang neemt.
Niet alleen hielden zij zich bezig met den bouw van bedehuizen, als voorstelling van den levenden Tempel, maar ook met de prediking van het Evangelische Woord in deszelf\'s nog onvermengde zuiverheid.
^ Door hunne vereeniging met de Broeders van het W a r e Kruis waren zij het middel om de Germaansche Volken bekend te doen worden met die Goddelijke leer van Broederschap, waarvan de door de Broederen A 1 c e s in de rotsen gegrifte wet van eeuwige vriendschap de voorafschaduwing was, zoodat, zij daarom bij do nakomelingschap der, van af de vroegste, zich in den nacht der
8!»
eeuwen verliezende, tijden, het ongeschapen Licht aanbiddende, Ariivs eene gretige opname vond.
Toen Keizer Oonstantijn, — die op eene de Geschiedenis bespottende wijze de, Groote wordt genoemd, — het Christendom tot Staats-Godsdienst verheven, of beter gezegd vernederd had, was dit de oorzaak van de spoedig toenemende verbastering der zuivere Evangelie-leer. — De nederige opziener der Apostolische gemeente verkreeg nu, als Ohiapoa (Bisschop) eene verhevene waardigheid, en, in overeenstemming hiermee, zocht men naar middelen om aan de hoogst eenvoudige Godsdienstoefeningen der vervolgde Nazarcm-m de meest mogelijke plechtigheid, en, in overeenstemming met het glansrijke Keizerlijke Hof, den schitterendsten uitwendigen praal bij te zetten.
De zuivere leer van Hem, die in de wereld gekomen was in de gestalte van eenen dienstknecht, leverde nogthans hoegenaamd geen grond voor persoonlijke verheffing, daar het gebed in de eenzaamheid van het Binnenvertrek en in de Middernachtelijke duisternis door Zijnen mond, waarin nimmer bedrog werd gevonden, als de verhevenste Godsvereering was aanbevolen.
Onder deze omstandigheden was het dat die Christenen uit de Joden, wier streven het gedurende de verloopen eeuwen reeds was geweest, om het Christendom te doen aannemen als eene hervorming van de Mozaïsche Wetgeving, hunnen invloed op overwegende wijze deden gelden. — Hunne voorvaderlijke instellingen werden in schijnbare overeenstemming gebracht met de Christelijke voorschriften; — de boeken van M o z e s alsook die der Profeten werden, nevens het Evangelie, aangenomen tot grondslag der Staats-K e r k , die onderworpen werd aan wetten welke, zoo goed en kwaad het gaan wilde, met de beginselen van het Christendom bestaanbaar werden gemaakt, terwijl ieder die hiertegen de stem zou hebben durven verheffen zich verzekerd houden kon van op de wreedaardigste wijze als Ketter te worden vervolgd.
In overeenstemming met deze aldus gewijzigde leer werd, bij de openbare Godsdienstoefening, het leven, werken en sterven van Jezus Christus mimisch-dramatisch voorgesteld onder de zinnebeelden van den Mozanchen Offerdienst, en het feit dat de Hooge Priesters gedurende vijf eeuwen met Vorstelijk gezag hadden ge-heerscht, — waarop ook de aanspraken van den Pauselijken Stoel op wereldlijk gezag van den Opper-Priester der Latijnsche of Roomsch-Katholijke Kerk is gegrond, — gaf aanleiding tot eene Priester-Heerschappij, die als eene Theocratie, tegen welke het niemand geraden was zich te verzetten, schier dagelijks in Macht en aanzien steeg.
90
Viiu uit Byzantiuu, de toenmalige zetel der oppermacht van het Romeinselie Wereldrijk, die, naar dezen Keizer, den naam van Constaai\'moptL liud ontvangen, verbreidde de aldus gewijzigde Godsdienst, onder den naam van liet rechtzinnige Christendom, de tegen alle ketterijen strijdende Kerk, zich naar Rome en verder naar Gallie, waar hij zich evenzeer als heerschzuchtige, bloeddorstige Staats-(iodsdienst, de bondgenoot der Vorstelijke dwingelandij en roofzucht , deed kennen, en dagelijks meer de leer van Vrede en Liefde van deszelfs Goddelijkeu Stichter verloochende.
Intnsschen had zoowel in Enydaud als in DuiUcliland het zuivere door de Culdeh-s gepredikte Christendom den geest der voorvaderlijke leer dezer Volken doordrongen en vasten voet in de gemoederen verkregen, totdat de doemwaardige Saxen-beul, het van bloed druipende gekroonde Monster, de\' roover-Keizer Karei, wien, ten hoon van Menschelijk gevoel en beschaving, nog steeds den bijnaam van de Groote wordt toegekend, zijne met tallooze benden moordenaars gesteunde zendelingen naar het hart van het oude Germanie zond, ten einde de vrije bewoners dier streken met overmachtig wapengeweld te noodzaken zijnen zoo diep van het Christendom ontaarden Godsdienst te omhelzen en zich aan zijne dwingelandij te onderwerpen.
Wel hadden de van den milden geest des Evangelies doordrongen Germanen den diepsten afschuw van de leer, die hun door de Priesters van bloedig geweld werd opgedrongen, maar ondanks hunnen bovenmenschelijk heldhaftigen tegenweer moesten zij bezwijken onder het wicht van den overmachtigen vijand. — Wel werd nu iedere zij het ook maar schijnbare afwijking van de zoogenaamde rechtzinnigheid wreedaardig op de bloedigste wijze gewroken, maar juist daardoor trok de belijdenis van den zuiveren Godsdienst zich terug in geheime Broedervereenigingen, uitgegaan van de Hermannt-Broe-dernchajj van het Ware Kruis.
Het was natuurlijk dat deze Wapenbroederschap, aan wier hoofd nog voortdurend de nakomelingen van Hermann stonden, zbh in liet geheimzinnigste duister moest hullen, maar juist ontving zij een nieuw leven uit de matelooze dwingelandij van den trotschen Overweldiger, die zich aanmatigde van de vrije Germanen, gewoon zich als de evenknieën hunner Vorsten te beschouwen, den eed als onderdanen te eischen.
Déze der oud Gennaansche Vrijheid aangedane hoon bracht de afstammelingen van den Bevrijder (les Vaderlands er toe, om, juist ter plaatse waar de legioenen van den Wereldheerscher Caesar Oc-tavianus Augvamp;tuz door hem waren vernietigd, het Verbond te stichten der Wetenden of Verlichten, algemeen bekend als de Heilige V e h m e, welks oorspronkelijke roeping was, openbaar geweld met heimelijk geweld te keeren, en ieder, onverschillig wie hij zijn mocht, die zich eenen openlijken of verraderlijken aanslag tegen de
91
Vrijheid durfde veroorloven, voor het Middernachtelijk hloedyerecht te dagen , en, zoo hij zich niet kon verantwoorden of wel niet verscheen , ter dood te veroordeelen, aan de voltrekking van welk doodvonnis het hem onmogelijk was te ontkomen.
Dit Genootschap was een gewijzigde vorm der Broeders van het Wa re Kruis, krachtens den ingeschapen plicht van zelfbehoud, door den meest volstrekten nooddwang in het leven geroepen. — Deszelfs leden waren bij niemand bekend maar herkenden elkander door middel van teelcen, woord en yrevp. — Het is algemeen bekend dat het geheim lag in den dolk, die geteekend was met drie kruisen en vier letters, aan welke men de beteekenis heeft willen geven der oud-Duitsche woorden; Stock, Stein, Gras, Grein, maar waarvan nog altoos de beteekenis alleen aan de Ingewijden in den hoog-sten graad is bekend gebleven, evenals die der vier U\'s in welke men alleen het Naamcijfer van Hermann heeft meenen te zien.
De Orde der Vehm-Rechters was verdeeld in drie graden, als: Vroonhoden (dienende Broeders), Vrij-Schepenen (Broeders) en Vrij-Graxeti (Meesters), aan wier hoofd de Opper-Vrijgraaf of Stuelheer stond. — De inwijdingen geschieden in het uur van Middernacht en gingen met vele en indrukwekkende plechtigheden gepaard, -op verborgen plaatsen, waar ook de terechtzittingen werden gehouden.
Met onverpoosden ijver wakende, was de Heilige Vehme met de tallooze menigte harer overal verspreide maar onbekende en dus Onzichtbare leden, de schrik van alle geestelijke en wereldlijke Overweldigers en het bolwerk der Vrijheid, terwijl hare macht zich nog te meer uitbreidde, toen een nazaat van Hermann, die zelf tot de Wetenden behoorde, Hendrik, bekend onder den bijnaam van de Vogelaar, den Duitschen Keizerstroon besteeg.
Reeds was met den tocht der Saxen, onder Hengist en Horsa, naar Brittannie, de Germaansche vrijheidsgeest daarheen overgebracht en had onder de Ihptarclde zoo diepe wortelen in den volksaard geschoten dat zelfs de Normaudische overweldiger niet in staat was ze uit te roeien.
Intusschen had Wilbert in de VHe eeuw het Genootschap gesticht der Metselaars en Bouwmeesters, die in Engeland den naam behielden van Cvldeèrs, maar vooral in Duitschland bekend werden als Vrije-Steenhomcers, naar de gehouwen steenen die doorgaans tot bouwmateriaal gebruikt werden.
Aan deze Broederschap viel het gemakkelijk de zuivere Godsdienstleer, waarin zij zich met de Wapen-Broederschap van het Ware Kruis vereenigde, te bewaren onder de zinnebeelden van hun bedrijf, waarmee zij voor de ongewijden den Tempelbouw van Salomo voorstelden.
De wonderen van Bouwkunst, door dit Genootschap daargesteld, brachten het zoo hoog in aanzien, dat aan hetzelve boven alle andere Gilden de meest uitgebreide voorrechten werden toegestaan
!)2
cu wel voornamelijk het Jm de non evocaudo, krachtens hetwelk de gildebroeders nimmer, om het even ouder welke beschuldiging, voor eenigen geestelijken of wereldlijken rechter konden worden gedaagd, maar uitsluitend volgens hunne eigene wetten, vervat in hetRuttm-loek, — overeenkomstig den naam van Bowclmt (Loge), dien zij aan hunne vergaderplaatsen gaven, — voor den Kaad hunner eigene Meesters, die ook tot het halsrecht bevoegdheid hadden, te recht stonden.
Deze geheel zelfstandige Vrijheid, die later aan het Genootschap de vinnigste vervolging berokkende van de zijde der geestelijkheid, voor welke iedere onafhankelijkheid van hare heerschappij onuitstaanbaar was, gaf aanleiding dat de broeders van het Ware Kruis zich lieten opnemen in dit Gilde, in welks boezem zij de uit Fcrzie overgebrachte Arische grondaanschouwingen overplantten, en waardoor de onderscheiding in theoretische en practische Bouwmeesters ontstond.
De steeds toenemende macht der Kerk, en haar rusteloos streven, om door alle denkbare, onverschillig welke middelen zich van voortdurend uitgestrekter wereldlijk gezag, ja van de onverdeelde Wereld-Heerschappij meester te maken, — die macht welke de verlichte Broeders van ketterij beschuldigd en verdreven of gedwongen had hunne geheimen in een ondoordringbaar duister te hullen, had eindelijk het aanzijn gegeven aan den rampzaligen waanzin der Kruistochten, uitgedacht door de Geestelijkheid, met het doel om daarmede den Adel, het eenige bolwerk tegen de dwingelandij, te gronde te richten, en uit de vrijgemaakte Hofhoorigen zich eenen aanhang te scheppen.
Toen F re der ik vau Zicaheu, bijgenaamd Barharonm (roodbaard), die tegen de oorspronkelijke of Semj)er-Vrijen den woedendsten haat koesterde, den Duitsch-Keizerlijken troon had bestegen, gelukte het zijner toomelooze heerschzucht in eenen bloedigen oorlog, door middel van moord en brandstichting, de onafhankelijkheid te vernietigen der souvereine Wild—, Vrij- en Burg-Graven, die hij vervolgens willens of onwillens medesleepte op den Kruistocht, op welken de tegen hem, als verrader der Duitsche Vrijheid, door de Heilige Vehme uitgesproken Groote Bloedban, door verdrinking in den Ci/dnus, aan hem werd voltrokken.
Onder de van hun wettig gezag aldus gewelddadig beroofde Burg-Graven bevond zich ook een der nazaten van Hermann, toenmaals Groot-Commandeur of Legermeester der \'Wapen-Broederschap van het Ware Kruis en Stoelheer der Heilige Vehme.
Hij, een boezemvriend van de Frankische Edellieden Hugues de Payains en Godefroi de S. Omer, die doorhem zeiven waren
ingewijd, deed te Jeruzalem aau dezen het denkbeeld aan de hand tot oprichting der Orde van de Ar nu: Krijyxkuecldtu van Jezus Christus, die later, toen zij van Boudewijn II een huis in de nabijheid van den verwoesten Tempel hadden verkregen, den naam aannamen van Tempel-Heeren of Ridders van chn Tempel.
Deze Orde was verdeeld in drie graden, als; Zwarte Broeders of Wapenknechten, Knapen of Novicen en Ridders, die de Ordegelofte hadden afgelegd. — De regeï der Orde was zeer gestreng, daar de Ridders verplicht waren zich in hunne kleeding en geheele levenswijze van alles wat als weelde kon worden beschouwd, alsook van alle bedwelmende middelen te onthouden, en zich geen ander genot te veroorloven dan heigeen tot hun levensonderhoud volstrekt noodzakelijk kon geacht worden. — Evenzoo mochten zij geen rijkdommen bezitten, en het was alleen de overtreding van dit voorschrift, waardoor deze doorluchtige Orde ten val werd gebracht.
Eenmaal den zetel der Orde in Jeruzalem gevestigd hebbende, vereenigden zij zich met de tot het Christendom bekeerde Essehi, die wel de Evangelieleer hadden aangenomen, maar zich daarbe-nevens nog zeer gestreng aan de Mozaïsche Wet hielden. — Deze vormden nog steeds een gesloten Genootschap, welks leden zich aan de beoefening der bouwkunst en het onderzoek der natuur wijdden en van hen was het dat de Ridders die Rabbijnsche geheimen leerden kennen, welke zinnebeeldig in de geschiedenis van den Jeruza-lemschen Tempel werden voorgesteld.
Eveneens vereenigden zij zich met de Magische Broeders uit Iran, die reeds sedert elf eeuwen het onwankelbare geloof in het te Bethlehem verschenen en door de voornaamsten onder hunne Vaderen met eigen oogen aanschouwde Licht der Wereld hadden bewaard.
Langs dezen weg werd de Orde der Tempel-Hcerm de voortzetting der Orde van het Rozenkruis, der door Hermann aanvankelijk gestiehtte, door zijnen zoon Tumelik voltooide Wapen-Broederschap van het Ware Kruis, en der Heilige Vehme, op het allernauwste, in theoretisehen zin verbonden met de Genootschappen der CuldelTS en der Vrije-Steenltomvers, terwijl zij haren oorsprong handhaafde door haar streven naar Vrijheid op Kerkelijk, Staatkundig en Maatschappelijk gebied.
Straks noemde ik de overtreding der Orde-regelen als de oorzaak van den ondergang dezer Orde. — Reeds haar even vermelde Vrijheidszin had haar den haat berokkend der Geestelijke en Wereldlijke Heerschers. -— Toen nu de Orde, die zich allerwege uitgebreid en in alle landen hare Preceptorijen gevestigd had, zoover van haren oorsprong was afgeweken, dat zij aanzienlijke rijkdommen bezat, wekte haar steeds toenemende invloed niet alleen den nijd maar ook de vrees der Hooge Geestelijkheid zoowel als der Vorsten, en toen nu de Kerkelijke en Staatkundige dwingelandij, vertegenwoordigd door twee afschuwelijke monsters, do Eransehe Koning Philippe
!gt;4
lc Bel en Paus Clemens V, de roofgierige klauwen had ineengeslagen, werd de Orde, tot loon van hare, door eene reeks van schier fabelachtige heldendaden in het Heilige Land, der Kerk bewezen onschatbare diensten, van de bespottelijkste, ja onmogelijke wandaden beschuldigd, en hare leden op het onverwachtst verraderlijk vermoord.
Onder de weinigen, wien het gelukte aan dezen doemwaardigen moord te ontkomen, was de Maarschalk der Orde Hugues d\'An-mont met zeven Ridders, die, daar de Arabische taal algemeen ouder de Tempelieren gesproken werd, in Moorsche dracht vluchtten naar Schotland tot den Groot-Commandeur Harris.
Zeer natuurlijk had de laaghartige misdaad, door den Paus aan de Orde gepleegd, hun den diepsten afschuw ingeboezemd van de Kerk, tegenover welke zij zich van alle banden ontslagen achtten. — Onder die banden was eene der voornaamste, de door hen afgelegde! Priester-Gelofte, van welke zij zich door den grooten Kerkban ontslagen beschouwden, en in aanmerking nemende dat in de oorspronkelijke Evangelieleer het Coelihaal noch verplichtend nocl, zelfs verdienstelijk werd geacht, daar de Goddelijke Groot-Meester den band des huwelijks zelfs voor heilig en onschendbaar had verklaard, welke onschendbaarheid door de Kerk zelve nog was overdreven, besloten zij, in een te York door de aan den moord ontkomen Ridders gehouden geheim Kapittel, zich in het huwelijk te begeven, om langs dien weg, door hunne nakomelingschap, de Orde in stand te houden.
Hier was het ook dat de Tempelieren zich vereenigden met de Culdeërs of Broeders der Koninklijke Kunst, en zich in het in de Vilde eeuw door Wilbert gestichte, met de belangrijkste voorrechten en vrijheden begiftigde Bouwmeesters en Metselaarsgilde lieten opnemen als theoretische broeders, waarvan de benaming afkomstig is van Vrij- en aangenomen Metselaars, onder welke de hardnekkig vervolgde Tempel-Bidders zich tegen de woede hunner bloeddorstige vijanden beschutten, daar zij door hunne opname deelden in de vrijheden die aan het, even als alle andere, in die dagen eene macht in den Staat vormende Gilden, op hunne voorrechten hoogst naijverige Genootschap der Bouwkundigen waren toegekend.
Daar echter voor de steeds in het duister rondsluipende bespieding der Geestelijkheid niets verborgen kon blijven, was spoedig ontdekt dat de theoretische of symbolische leden van het Bouwkundige Gilde niets anders waren dan de gehate Tempelieren, van welke men tot ■zelfs de herinnering zou hebben willen uitroeien. — Van dien tijd af aan dagteekent de woede der Kerk tegen de Vrij-Metselarij, die zich eindelijk uitte in den grooten Kerkban, en zelfs bij de Kerkhervorming op het grootste deel der Voorgangers en belijders van de nieuwe leer overging.
95
Hier hebben wij dan nu den oorsprong der Vr ij-Mot se laars-Orde, zooals wij die, in haren tegenwoordige!! vorm, onder dezen naam kennen.
Wij leeren haar bier kennen als de voortzetting van de Magische Broeders of Broeders van het eeuwige Licht, de Orde van het Bozen-Kruis, de Kassideim, de Hem ami\'s Broederschap van het Ware Kruis, de Culdehs, de tot het Evangelie bekeerde Esseè\'u en eindelijk de Tempel-Heeren.
De afstamming uit deze laatste Orde blijkt uit de, met die der Ridders van den Tempel rustende verplichting tot het beschermen van weduwen en weezen en uit het heilige driemaal-drie, waarvan ik de oorspronkelijke beteekenis reeds in het eerste gedeelte van dit werk heb verklaard, maar dat tevens in het nauwste verband staat, met de geschiedenis der Orde van den Tempel, die dit SytnhohiM had overgenomen van de Magische Broeders.
De namen der van de Esse\'cn afkomstige Kolommen en de letters Lquot;. B.*. M.*. met welke de herkenningswoorden in de drie zoogenaamde S. Johannes-Graden aanvangen, herinneren behalve der-zelver llebreeuwsche verklaring ook aan den naam van den ongelukkiger! laatsten Groot-Meester der Orde van den Tempel, .1 a c q u e s Bernard de Mo lav, die, als een slachtoffer van Vorsten- en Priester-verraad, zijne Heldenziel in de vlammen des brandstapels opgaf.
Van dit standpunt beschouwd, kan alleen de verachtelijkste, niets anders dan vuig eigenbelang zoekende huichelarij weigeren de Vrij-Metselarij te erkennen voor de eerbiedwaardigste uiting van den eenigen waren Godsdienst, het bolwerk van des Menschen zedelijke en maatschappelijke Vrijheid.
Evenals echter het Heiligste, zelfs de reine Evangelieleer op de allermisdadigste godslasterlijke wijze werd en nog steeds wordt misbruikt, zoo kon ook de Vrij-Metselaars-Orde eene dergelijke ontwijding niet ontdaan. — Zij onderging eene verbastering door de van bloed druipende hand vau een der eerlooste wanschepsels, die ooit het Menschelijk geslacht tot onuitwischbare schande hebben verstrekt: eene verbastering, van welke ook nu nog de sporen niet -zijn uitgewischt.
Toen de afschuwelijke, huichelende Koninus-moonleuaar en tiran Olivier Cr om well, met zijne het zoogenaamde Oude-Testament tot richtsnoer van hun gedrag nemende, moordende en roovende Puriteinsche Rondkoppen, geheel Engeland tot een moordhol, en zich zeiven van het willekeurigste oppergezag meester gemaakt had, begreep zijn sluwe geest volstrekt behoefte te hebben aan een krachtig middel, door hetwelk hij in staat gesteld werd op de domme overeenkomende, op de Vrij-Metselaars menigte te werken.
Met dien helderen blik, zonder welken het hem zou onmogelijk zijn geweest zijn leven van aaneengeschakelde misdaden te rekken
:)()
totdat eindelijk, op ongeveer zestigjarigen leeftijd, de dood zijne rekening afsloot en Engeland verloste van zijne ondragelijke dwingelandij, zag hij dit middel in de Vrij-Metselaars-Orde met hare eerwaardige herkomst, hare strenge zedeleer, haar streven naar zedelijke Vrijheid, haar gewijde geheimen en hare zinnebeeldige plechtigheden.
Geen anderen afgod hebbende, dan zijn eigen persoon, geen ander doel najagende dan de zegepraal zijner duivelachtige Staatkunde, gebruikte hij haar tot een werktuig en deed haar ontaarden tot een revolutionair geheim genootschap, in hetwelk niets anders dan de Vorm van deszelfs overouden oorsprong was overgebleven.
Zelf een volslagen Atheïst in den meest absolnteu zin, spottende met alles wat slechts eenigszins als Godsdienst of zedeleer kon beschouwd worden, en op de laaghartigste wijze list, geweld noch vlijerij sparende, om zijn doel, — de bemachtiging der onverdeelde alleenheerschappij, — te bereiken, verborg hij dezen verraderlijken toeleg onder het huichelachtige mom van strenge deugd en dwepende vroomheid. — Hij was onvermoeid in het bidden, vermanen, dreigen en opwekken. — Hij is het, die het Engelsche Volkskarakter besmette met die even zoo verachtelijke als verderfelijke zucht tot schijnheiligheid, die het nog heden ten dage kenmerkt, tot de dolzinnigste potsen van revivelt en Salvation-Army en wat dies al ir eer zij aanleiding geeft, en door zoodanige kluchtvertooningen den waren Godsdienst bespottelijk maakt.
De Godsdienst, welken hij predikte, met het doel om hem tot zijne dienaar te maken, was een gedrochtelijk mengsel van met voorbedachte kwade trouw uit derzelver verband gerukte Evangelische stellingen, monnikachtige kwezelarij en Joodsche barbaarschheid; — daarbij huichelde hij algemeene Vrijheid, Gelijkheid en Broederschap, viel op de. knieën en riep, met eenen afgrijzen wekkenden Meineed, God aan tot getuige dat hij liever eenen herdersstaf zou willen aanvaarden dan de waardigheid van Protector, daar alle aardsche grootheid in strijd was met zijne beginselen, die hij, met diepe smart, alleen opofferde om de Natie te behoeden voor verwarring, totdat God haar zou ingeven op hoedanigen voet zij hare regeering behoorde in te richten.
In verband met zijne geheimkramerij en zijne heiligschendende voorwendsels van rechtstreeksche Goddelijke openbaringen, was de in het oog der profane wereld geheimzinnige V r ij-M etselaars-O r d e juist geschikt om tot het bereiken van zijn oogmerk misbruikt en, overeenstemmig daarmee, schandelijk verdraaid te worden.
I i ij matigde zich aan op te treden als stichter, of voor het minst als hersteller van een Genootschap, welks grondbeginselen zijne misdaden op het alleronvoorwaardelijkst veroordeelden, en zond afgevaardigden naar alle steden van Enyeland. Schotland en Ierland, om het nieuwe Genootschap, — zooals hij hetzelve wilde beschouwd hebben, — overal te vestigen.
97
Ter bereiking van dit doel stond hij, ter goedmaking der kosten, de in die dagen hoogst aanzienlijke som toe van 10,000 amp; S. of ƒ 120,000, of zooveel meer als zon blijken noodig te zijn.
De naam van Vrij-Metselaars bracht hem op het denkbeeld om, in strijd met herkomst en essentieel Christelijk karakter, als doel der Orde voor te stellen den symbolischen herbouw des Jern-zalemschen Tempels, zooals die, onder leiding van Zerubbabel en Esdras had plaats gevonden. — Dat dit echter slechts eene tooneelmatige voorstelling was achter welke hij zijn waren toeleg, om alle Vorstelijk gezag, hoever dit ook van alleenheerschappij mocht zijn verwijderd, uit te roeien en daarvoor republikeinsche dwingelandij in de plaats te stellen, listig verborgen hield, blijkt op het ondubbelzinnigst uit het karakter der Nivellewrs (Gelijkmakers), zooals de Orde werd genoemd onder het Meesterschap van Ka ins borough, en na hem Harrington, — die de bedoelingen van Cromwell doorgrondde en daarom, met een aantal anderen, door dezen in den kerker geworpen en vermoord werd.
Deze Nivelleurs waren de Jacolijnen van die dagen; zij waren voornamelijk de Konings-moordenaars; zij wilden, even als bij de groote Fransche Staatsomwenteling de Berrjpartij en in onze dagen de Nihilisten, een volstrekte vrijheid en gelijkheid invoeren en streefden naar algeheele regeeringloosheid.
Natuurlijk strookten deze nihilistische begrippen in de verste verte niet met de bedoelingen van Cromwell, die naar de voortdurende uitbreiding van zijn eigen willekeurig gezag streefde en dit doel door het verspreiden van dwepende denkbeelden eener, van ware Godsdienst hemelsbreed verschillende verwarde mystiek (geheimkra-merij) zocht te bereiken. — Daarom deed hij het destijds in Engeland volstrekt van hem afhankelijke Genootschap weer deszelfs ouden naam aannemen, terwijl Venn er, Gray, Go wier, Hop kings, Hapton, Lokeyer, Thompson, benevens een aantal Nivelleurs, op de gruwelijkste wijze, door de aanhangers van den tyran, werden vermoord.
Na den dood van dezen bloeddorstigen, met zijne huichelarij niets dan zelfverheffing najagenden geweldenaar, verminderde de heillooze invloed, welke hij op de Orde had uitgeoefend, en waardoor hij haar eene met haren oorsprong en hare vroegere geschiedenis ten eenenmale strijdige richting had gegeven, van lieverlede, vooral door den invloed der hoogere graden, waarvan de St. J o h a n n e s of zoogenaamde blauwe Vrij-Metselarij, niettegenstaande het verderf nog lang in haren boezem bleef voortwoelen, door de onvermoeide pogingen van verdienstelijke Broeders, meer en meer den heilrijken invloed ondervond.
Natuurlijk kon het door Cromwell uitgestorte vergif slechts zijdelings werken op de Orde in andere landen, en wel het allerminste in Duitschland, waar zich steeds onverminderd had doen
7
98
o-eldeu de invloed der Wapen-Broederschap van het Ware Kruis, welke in 137s een nieuw leven had ontvangen, doordien Christoph von Rosenkreutz, die, als een afstammeling der Guebrcn, dezen naam had aangenomen, zich naar het Oosten had begeven, waar hij door de Broeders van het Rozen-Kruis met de meeste hartelijkheid was opgenomen, bij zijne terugkomst de aloude Orde van het Rozenkruis op nieuw invoerde.
Ondanks den verderfelijken invloed van Cromwell was echter de Loo-e te York onwankelbaar getrouw gebleven aan het oude stelsel dei-3 Culdcërs, de verspreiding namelijk der onvervalschte leer van den Goddelijken Groot meester quot;Jezus Christus, die het bewijs voor de waarheid Zijner woorden zoo gaarne aan de beschouwing (lei-natuur ontleende, welk doel dan ook in de Hooge Graden opeidijk wordt blootgelegd.
Het nauwe verband in hetwelk de Vrij—Metselaars—Orde staat tot de Orde van den Tempel, blijkt voldingend uit de toepassing der aan het Metselaarsambacht ontleende zinnebeelden, van welke ik straks dc oorspronkelijke beteekenis zal verklaren.
Met betrekking tot deze naaste afstamming is de allegorische herbouwing des Tempels van Salomo, — een van de Esseen ontleend Godsdienstig beeld, op hetwelk ik nader zal terugkomen, de aanduiding van den plicht om de Orde der Tamp;yupel-Hcevan te helpen herstellen.quot; — Be getallen van drie, zes en negen, of eenmaal-t weemaal- en driemaal-drie, wijzen, onverminderd derzelver oorspronkelijke zuiver geestelijke beteekenis, terug op de Geschiedenis der Tempelieren, wier Orde in 1118 door negen Edellieden gesticht, in 1127 driemalen zooveel of zevenentwintig Ridders telde, van welke er negen werden afgevaardigd naar het Concilie te Troj/es, om de erkenning der Orde te vragen; na het bekomen waarvan zij drie zetels, te JeruzaleM, Aleppo en Ccsarea, stichtten. ■ Het ballot eereu van eeuen kandidaat met witte en zwarte ballen was ook regel bij de Tempelieren, wier kleuren waren wit en zwart, als voorstelling van Licht en Duistevnis, ot, volgens de opvatting der Mystici- (Geheimleer), genade en gestrengheid. — Be blauwe klem-die de St. Joh a nn es-graden onderscheidt en waarom deze de hlauwc Vrij-Met sela rij wordt genoemd, stelt deze beide kleuren voor, omdat uit dc vermenging van zuiver wit en zwart blauw geboren wordt, zooals ook het luchtruim aan de vermenging van het licht met de duisternis zijne blauwe kleur te danken heett. — Het witte schootsvel en de witte handschoenen stellen het witte Ordekleed voor der Templieren, die den uiterlijken schijn van bouwlieden hadden moeten aannemen. — Be trotfel of het truweel, het kenmeikend voornaamste gereedschap van iederen Metselaar, is de voorstelling van een der armen van het Orde-Kruis, hetwelk uit_ vier dergelijke langwerpige driehoeken was samengesteld. Be drie verraderlijke gezellen Jubelus, Tubelos en Jubelum, die, door baatzucht
99
gedreven, volgens de legende van den Tempelbouw, den Bouwmeester Ad on hi ram om het leven brachten, zijn, — behoudens de nader te ontwikkelen oudere voorstelling, — Philippe le Bel, Clemens V en Nossodei, die de Orde verraadde, omdat hij door zijn schandelijk gedrag daarin niet de bevordering had kunnen verkrijgen op welke zijne aanmatiging aanspraak maakte. — Adonldram. is, in het verband dezer allegorie, nu eens de vermoorde Groot-Meester Jacques Bernard de Mo lay en dan de Suh-Prior van Mont-faucon, Carlo de Mont e Carm e 1, die door drie sluipmoordenaars werd omgebracht, hetgeen de eerste aanslag was der verraders tegen de veiligheid der Orde. — De geschiedenis vermeldt, dat de lijken van deze beide Groot-Waardigheidbekleeders der Orde onder de Accasia (Kruisdoren) werden verborgen, en hierom heet het dat de beteeke-nis van den Accasiatak den waren Meester bekend is. — Wat eindelijk de Logeplechtigheden betreft, deze allen zijn of in overeenstemming met de bij de Temp el-He eren bestaande gebruiken, of wel eene zinnebeeldige voorstelling van de geschiedenis der Orde, wier gebruiken zoowel aan de eerste Christenen als aan de Magische Broeders waren ontleend.
Zoo ben ik dan eindelijk gekomen tot de beschouwing der Vrij-Metsel a r ij, zooals zij zich in onze dagen voordoet aan het oog der Profane Wereld. — Wil men deze inlichten omtrent den waren aard van het zich in de Egyptische duisternis van hieroglypen en symbolische ceremoniën hullende genootschap, dan moet men zich doordringen van de innige overtuiging dat het tot niets dient te schermen met groote woorden, sisMenschenliefde, Verlichting, Lankmoedigheid, Verschooning, Inschikkelijkheid, Verzoeningsgezindheid, Vrede, Een-dracht, Hulpvaardigheid, vooral ten aanzien van Weduwen en Weezen, Aanmoediging voor hescheideu Verdiensten, Opheffing van Gevallenen, IJver voor algemeene Welvaart en wat dies meer zij, want zeer terecht zegt de Vertaler van het bekende werkje: „Sarsena of de Volmaakte Bouwmeesterquot; in eene noot op blz. 43: „Ditalles tracht „ook hij te beoefenen, die niet tot de Orde der Vrij-Metselaars hehoori, „maar van de reine leer van Jezus doordrongen is.quot;
Ware dit alles het eenige doel der Orde dan zou men gerust mogen beweren dat zij, in onze dagen vooral, hoegenaamd geen reden van bestaan meer kan doen gelden. — Niet alleen toch bestaan er een aantal Vereenigingen, die, uit een Godsdienstig beginsel, openlijk ditzelfde doel verkondigen, maar dagelijks neemt zelfs het getal toe dergenen, die niet alleen de Evangelische leer maar alle Godsbegrip, als hunner hooge ontwikkeling onwaardig, met minachting verwerpen , en desniettemin in alles wat ik hier opnoemde eenen vaak overdreven ijver ten toon spreiden.
100
Waarlijk! Voor de betrachting van alle deze deugden, die zeker door niemand openlijk zullen worden gewraakt is geen geheimzinnig-genootscliap, geen geheimniskramerij noodig, daarvoor zouden alle \' proeven van eenen nieuweling, alle ceremoniën, alle zinnebeelden,.
herkenningsteekens en paswoorden een kinderachtig spel zijn, even 1 belachelijk alsof men de tegenwoordig openbare Godsdienstoefeningen ; en philantropische bijeenkomsten, geiijk in de dagen der vervolgingT v evenals samenzweringen in het geheim wilde houden.
Nogmaals herhaal ik: Zoo de Orde geen ander, — en, als Volkomen Vrij-Metselaar alles ontvangen hebbende, raag ik zeggen, — geen hooger doel had, dan ware het geradenste de Zo//e-werkzaani-heden in het openbaar te verrichten. — Hierdoor toch zou zij het zwijgen opleggen aan den laster die tegen haar wordt uitgebraakt, eit zoover gaat van haar te last te leggen, dat zij vijandig is aan Godsdienst en Maatschappelijke Orde en in hare bijeenkomsten de afschuwelijkste zedeloosheid wordt gepleegd.
In het vooronderstelde geval zou volkomene openbaarheid , wel verrevan de Vrij-Metselarij te schaden, haar integendeel voordeel aanbrengen, door haar de achting der geheele Profane Wereld te-verschatten, haar zoodoende in staat te stellen om openlijk op te treden en op den steun van Kerk- en Staatsbestuur aanspraak te doen gelden, terwijl desniettegenstaande hoegenaamd niets zou beletten , het oorspronkelijke plechtige ceremoniëel in stand te houden T evenals dit het geval is bij onderscheidene Kerkgenootschappen, van\' welke zoowel de leer als zelfs de zinnebeeldige beteekenis van het rituaal algemeen ook aan alle ontwikkelde weetgierige en onbevooroordeelde niet-leden bekend is.
Het is er wel zeer verre van daan dat ik mij zou inbeelden hier eene geheel eigendommelijke wijsheid te verkondigen, of zelfs maar een nieuw denkbeeld aan de hand te geven. — Hoe vele, ook in de Profane Wereld, hoogst verdienstelijke Meesters, bevinden zich niet onder de Groot-Waardigheden door welke de Orde wordt bestuurd? — Het zij genoeg hier te wijzen op onzen Doorluchtigen Tijdgenoot, wijlen Z. K. H., de zoowel om zijne veelzijdige kundig-, heden als om Zijne vlekkelooze, vooral in eenen Vorst, zoo uiterst 1 zeldzame zedelijkheid door Ingewijden en Profaneu hoog vereerde. I Prins Prederik der Nederlanden, Groot-Meester nationaal en stichter j van een nieuw stelsel, hetwelk, naar ik meen, door de meeste Neder-landsche Loges wordt gevolgd. — Welnu, indien mijne zoo even I ontwikkelde theorie werkelijk eenige practische waarde had, dan voorzeker zouden de Ordes-Överheden, niet alleen hier maar in alle landen en vooral in Zweden, waar de Vrij-Metselarij als eene Staats-instelling wordt beschouwd, door eigene ervaring zijn geleid tot hetzelfde denkbeeld, hetwelk dan zeer zeker algemeene toepassing-zon hebben gevonden.
Het baat niet hier tegen aan te voeren dat de Hoofd-Lof/e ia
101
Engeland hare statuten openlijk; bekend maakte, en daardoor de liooge graden afschafte, of dat de groote Moeder-loge Eoyale York te Berlijn der door ijdele nieuwsgierigheid gedrevene Wereld verkondigde, dat zij de weldadigheid in den numsten zin des woords voor het eenige echte, zuivere eu geoorloofde doel der Orde erkende. — Dit waren niets anders dan handelingen gepleegd onder de pressie der Eegeeringen, aan wier ergdenkendheid, uit derzelver heerschzuclit voortvloeiende, men wilde, tegemoet komen, om zich tegen belemmeringen en vervolgingen te vrijwaren, maar aan welke, met betrekking tot het ware doel der Orde, niet de allergeringste waarde mag worden gehecht; — verklaringen, die men dwaas zon moeten zijn, om ze voor waarheid aan te nemen.
Wanneer men gedurende ongeveer eene halve eeuw zich met 011-{ifgebroken onderzoek tusschen Passer en Winkelhaak heeft beziggehouden dan mag men zich wel gerechtigd achten openlijk te verklaren dat er m de symholen der Yrij-Metselarij geen liet, minste verband kan worden gevonden met cone bloot pMlcmtropische of Jmmanitaire Yereeniging, op welke het; „laat uw licht schijnen voor de Me n sell en opdat zij Uwe goede werken mogen zienquot;, volkomen van toepassing zou zijn, en wier leden wel zinneloos zouden wezen indien zij hun licht ouder dc Korenmaat plaatsten, hetgeen bovendien met de roemzucht der overgroote meerderheid in openbaren tweestrijd zijn zou.
Het bewijs hiervoor is wel zeer zeker dat Ag Loge Royale York, toen zij voor ongeveer eene eeuw hare door de Dwingelandij van den PruisiscJien politic-staat afgeperste ellendige verklaring in de wereld zond, zich tevens verplicht vond, in verband hiermee, hare ceremonie-wetten te veranderen, onder voorwendsel dat deze niet meer voor den geest des tijds berekend waren.
Wel is het onmogelijk om in do lagere of zoogenaamde SI. Johcmnes V r ij-M e t s e 1 a r ij een ander doel aan te wijzen dan de zedelijke veredeling van den Mensch, maar hoe beuzelachtig vertoont zich de Orde dan ook daar waar geen hoogere graden aanwezig zijn, waarlijk lt;illezins geschikt om iederen verstandigen man, ten minsten wanneer hij eenmaal den Meestergraad heeft verkregen, afkeerig te maken van het kinderachtige poppenspel, waarin hij te vergeefs eenig voedsel voor geest of gemoefTzou wachten te vinden.
Neen! — duizendmaal neen! — Het zoo ingewikkelde ceremonie-wezen der Orde, hetwelk men bij alle stelsels in hoofdzaak terug vindt, en waaromtrent op de groote Orde-Yergadering te JVilhelmsbad werd gezegd dat het niet uit de weldadigheid kan worden verklaard, zoowel als de verdeeling in opklimmende graden, — die geen reden van bestaan zou hebben, indien er geen ander doel bestond dan de beoefening der Weldadigheid, een doel uit hetwelk zeer zeker geen gevaar voor de Maatschappij kan voortspruiten, dit alles, — onverschillig wat hieromtrent ook aan Ingewijden of Profanen moge worden
103
verteld, — dit alles wijst op een meer verheven doel, hetwelk alleen in de hooge Graden trapsgewijze wordt ontsluierd.
Eindelijk nog, indien de V r ij-Met sela rij geen ander doel kende dan het in beoefening brengen der weldadigheid in den meest uitgestrekten zin, dan zeer zeker zou de Societeit van Jezus, die zich voorwaar niet met gebeuzel ophoudt, het nimmer der moeite waardig hebben geacht, ter bereiking van haar streven het middel te zoeken in de Orde, door derzelver doel op hare eigenaardige wijze te ontwikkelen, en het stichten van het stelsel der Stride Observantie, in welke de leden van den zevenden graad die van Schotsche Oud- ut Oppermeester en Ridder van St. Andreas, — die in plaats van een krijgshaftig een uitsluitend Kerkelijk karakter vertoont, doordat de Broeders zonder degen in de Loye verschijnen, — tot het strengste Coelihaat zijn verplicht.
Uit alle deze beschouwingen wordt het voor ieder, hij moge al of niet lid der Orde zijn, volkomen duidelijk dat haar ware wezen moet gelegen zijn in het streven naar een verborgen doel, en hoedanig dit doel nu -is zal ik in de nog volgende bladen ontwikkelen.
Wanneer een Profaan naar behooren zijn verlangen heeft te kennen gegeven en op de voorgeschreven wijze is voorgesteld om in de Orde te worden opgenomen, dan wordt, op bevel des Ilooywaardiyen Meesters van den Stoel, een onderzoek ingesteld naar zijn zedelijk gedrag, hetgeen zoo scherp is, dat ik voorbeelden zou kunnen aanvoeren van allerhoogst aanzienlijke personen, die om hunne zedelooze levenswijze werden afgewezen.
Is zoodanig onderzoek naar het oordeel van den regeerenden Meester voldoende, dan wordt over zijne al of niet toelating beslist bij vrije stemming, door middel eener ballotage met witte en zicarte hallen, welke ballotage helder Licht moet zijn, hetgeen in de taal der Orde wil zeggen dat de urn geen enkele zwarte bal mag bevatten.
Wanneer nu ook deze proef te zijnen gunste is afgeloopen, wordt hij gebracht in de zwarte Kamer, als het zinnebeeld dat het stoffelijke lichaam uit eene zwarte moeder, dé aarde, is voortgekomen, en dat zijn geest daarin, als in eene gevangenis besloten is, zonder ander gezelschap dan het W oord, hetwelk hij nog niet heeft lee-ren verstaan. — Vervolgens wordt hij, als zoekende, langs moeielijke en schijnbaar gevaarlijke wegen, ingeleid in de Loye waar hem eerst het zwakke en eerst daarna het volle Licht gegeven wordt. — Daarna ontvangt hij het AV oord, hetwelk beteekent; „God heeft mij yeschajienquot;, en wordt hem tot taak aangewezen het bearbeiden van den rnweit steen, die geschikt moet worden gemaakt om te kunnen dienen bij den bouw des Tempels van Salomo (Wijsheid).
103
Eeeds het praedicaat van Hooy-Waardige, lietwelk aan den Voorzitter der Loge of, in de taal der Orde, den Meester van den Stoel. niet alleen door do Broeders, zonder eenig onderscheid van graden, maar ook door de overige Officieren der I.oyc wordt gegeven, terwijl ook de Broeders Meesters het praedicaat Eerwaardu/e gegeven wordt, bewijst dat men hier te doen heeft met eene Geestelijke^ Orde, zooals met name de Tempelieren, waarbij (Ie~Broeders Meesters de vertegenwoordigers zijn der Orde-Bidders, die zonder onderscheid de waardigheid van gewijd Priester bezaten.
Het spreekt wel van zelf, dat het doel eener Geestelijke Orde, het moge dan door den een\' goedgekeurd, door een ander veracht worden, niet anders dan een Geestelijk doel wezen kan, welk feit al dadelijk ieder vermoeden van Mateiialistische Vrijdenkerij onvoorwaardelijk buitensluit, omdat het. geloof aan een geestelijk element in den Menseh, het Spirituali-imus of Siiperiiaturalismus daarvan, als bestaansnoodwendigheid, den grondslag uitmaakt, zoodat de \\ rij-Metselaar s-0 r d e, met hare Eerwaardige Meesters en Zeer Eerwaardige of Hoog Waardige Overheden, blijkbaar het bovenzinnelijke leven ten onderwerp moet hebben, en het dus niet anders dan een vuilaardige laster zijn kan aan die Orde een Godverloochcnend streven ten laste te leggen, daar van het geloof in een zelfstandig Geestelijk Wezen het persoonlijke Gods-Begrip volstrekt onafscheidelijk is.
De stemming over het aannemen van eenen nieuweling in de Orde heeft plaats door middel van witte en zwarte ballen.
Dit gebruik wijst terug op de oudst bekende der spiritualistische Vereenigingen; de Magische Broeders, Ridders van het Licht ot het Rozenkruis. — Keeds heb ik er op gewezen, dat de mystieke (geheimzinnige) beteekenis van het Licht is genade, van de Duisternis daarentegen gestrengheid. — Het Licht nu wordt voorgesteld door het Wit, zooals wij, om geen andere voorbeelden aan te halen, overtuigend zien in de Edda, waar de Lichtgod B a 1 d u r ook den naam van witte God draagt, de duisternis daarentegen door het zwart, welke beteekenis ook is aangenomen in de V r ij-M e t s e 1 a r ij, zooals blijkt uit de uitdrukking dat de ballotage helder Licht moet zijn, waarmede wordt aangeduid dat er geen enkele zwarte bal, — dus geen enkele smet van onreinheid, — onder de witte mag worden gevonden. — Behalve dit beteekent het H it rein-Ijjsid, het Zwart besmetting, en het is overeenkomstig die beteekenis dat den nieuwen Broeder twee paren witte, als een paar mans- en vrouwen-handschoenen worden gegeven, omtrent welke laatste ik moet wijzen op hetgeen in den Catechismus wordt geleerd, dat de Vrouwen-handschoenen dienen om den V r ij-M e t s e 1 a a r te herinneren aan zijnen heiligen plicht dat hij zijne Echtgenoote, als de eenige uitverkorene .van zijn hart, getrouw moet beminnen en haar geen oogenblik kan vergeten zonder aan zijne verplichting ontrouw
104
te zijn, welke leer terugwijst op de Guehren, bij welke de Vrouw in \'«side hoogste acliting\' stond, daar de Vrije Liefde den grondslag uit-\\W maakte van _ het echtelijke verbond. — Ook is het Wit eenquot; beeld y van Openbaring, het Zicart daarentegen van Verborgenheid, hetgeen alweer bewezen wordt door de Sagen der Edda omtrent den Witten Baldur, die zich in de wet der eeuwige liefde openbaarde, en den zwarten S u r t u r, de voorstelling van den onbekenden God of het onbegrijpelijk Opperwezen. — Eindelijk is liet Wit de voorstelling van het Geestelijk, het Zicart daarentegen van het stolfelijk element. — Daarom wordt de Candidaat in de Zwarte Kamer geplaatst, zonder ander gezelschap dan het Woord, om hem te leeren dat hij alleen door dit zelfs onbewust in zijn binnenste getuigende Woord de heerschappij van zijnen Geest over zijne stoffelijke neigingen kan erlangen.
In het eerste gedeelte van dit werk heb ik aangetoond hoe de Ariërs, in het bijzonder de Guehren, en onder deze vooral de Broeders van het Rozenkruis, door ijverig zoeken, in de stoffelijke natuur het bewijs vonden voor een drieëenig Opperwezen, hetwelk zich openbaart als Licht, of anders gezegd W ij s li e i d oiji het Wereldplan te vormen, als Woord, dat wil zeggen als Kracht, om, als bloote wilsuiting, de Scheppingsdaad te volbrengen, en als 11 a.de gt; c\'at is Schoonheid, oni uit de vereeniging van A\\ ijsheid en Kracht de volmaakte harmonie te doen ontstaan. — De mythe van A h r i m a n, die zich tegen O r m u z d verheft, zoowel als de Sage van den blinden Hodur, die Baldur om het leven brengt, duidt aan dat de Guehren en de van hen afstammende ^ Cimbrisch-Germaansche Volken wel degelijk geloofden aan eenen / staat van oorspronkelijke typische volmaaktheid, van welken het ^ Menschelijke geslacht in een gegeven tijdvak was ontaard, maar waartoe het bestemd was terug te keeren, en, in verband hiermee, dat het de roeping was van den Mensch, om, door ts streven naar de aanschouwing van het ware Licht en de kennis van het alvermogende oord, — dat is de wetgeving naar welke de Mensch zich moet gedragen zoo hij wil beantwoorden aan het doel waarmee hij geschapen werd, — trots alle gevaren met welke het kwade beginsel hem in de duisternis bedreigt, onvermoeid te zoeken naar het hiertoe dienende middel, hetwelk alleen kan gevonden worden in het verwijderen van zijne verkeerde neigingen en in het zuivere Godsbegrip, dat de volmaakte Wijsheid is.
Overeenkomstig deze leer wordt de nieuweling op donkere en moeielijke W egen, als zoekende geleid tot daar waar het Licht hem wordt gegeven en hij bekend wordt gemaakt met het Woord, hetwelk de beteekenis heeft „God heeft mij geschapenquot;, omdat de erkenning van God als Schepper, de eerste schrede is op den Weg die tot volmaakte kennis leidt. — De mice steen waaraan hij met inspanning moet arbeiden is het beeld van hem zeiven, in den staat van ont-
103
warding waartoe hij is vervallen en waarvan liij alle sporen moet uitdelgen, om te worden tct eenen levenden Steen, geschikt om tot den bouw te dienen van den zedelijken Tempd der Wijsheid, die niets anders is (,an het zinnebeeld van den eersten toestand des Mensehen in zijne typische volmaaktheid.
W anneer de eenmaal aangenomen Broeder van Leerling tot Gesel wordt bevorderd is het eerste wat hem bij liet binnentreden der Lot/c in het oog valt de Vlammende Ster met de letter G- in het midden, welke letter hem wordt gezegd te beteekenen Geometrie (aardmeting). — Hem wordt een nieuw herkenningswoord meegedeeld hetwelk betee-kent: „Li God is sterktequot; en dat tevens, zooals ik nader zal aanwijzen, het denkbeeld van Verlossing insluit, alsmede een nieuw paswoord, vertaald wordende door „Korenaar\'\', een beeld op hetwelk ik zal terugkomen bij het behandelen der overeenstemming met het Evangelie, van hetwelk de leer der Gnehren de profetische Voorafschaduwing was.
De Vlammende Ster, — het zinnebeeld van het eeuwige ongeschapen Licht, zoowel in de Zend-Avesta als later in de Edda als voorwerp van aanbidding voorgesteld, — is geen andere dan die, welke, de Magi ten Leidster verstrekte. — Het woord Geometrie, hetwelk hem wordt gezegd de beteekenis der letter G in het midden der vlammende ster te zijn, herinnert aan de waarheid dat de Gxiebren tot hunne kennis van God zoowel als van het voorledene en de toekomst waren geraakt door het grondig onderzoek van de Openbaring der Natuur, zooals zij zich in hunne woonplaats de Aarde doet kennen, maar hare hoogere geestelijke geheimen verborgen houdt voor dengenen, die haar uitsluitend met stoffelijk oog, ter bereiking van bloot materialistische doeleinden, beschouwt.
Inderdaad de natuur is vol geheimenissen, die alleen met geestelijken zienersblik kunnen worden doorschouwd. — Zij roept ons met verlokkende stem naar buiten het gewoel der Wereld, en geven wij aan hare sprakelooze noodiging gehoor dan voert zij ons in het voorledene terug of spiegelt ons eene eindelooze toekomst voor, maar hem die alleen het tastbare tegenwoordige zoekt blijft hare gewijde taal voor eeuwig onverstaanbaar.
De beteekenis van het herkenningswoord duidt aan dat de Guehren in de kennis van O r m u z d sterkte vonden tot het weerstaan van Ahriman, de Slang der boosheid, en de vertaling van het paswoord
1()()
in dezen graad, dat de rijkdom der natuurgaven, waarvan de Korenaar het beeld is, hun het Opperwezen leerde kennen als de liefderijk voor hnn onderhoud zorgende oorspronkelijke Al vader, en tevens dat zij daarin de vermaning zagen tot het betrachten van hunnen heiligen plicht, oin te rijpen voor den oogst, wanneer Sosias het rijk van Mithra zal komen voorbereiden.
In den Meestergraad van welks symbolen de volkomene beteekenis eerst bij het behandelen van de Evangelische toepassing kan worden gegeven, is het eerste waardoor de Candidaat tot dezen graad bij zijne intrede in de Loyt getroffen wordt, het gezicht van eene lijl-kistgt; met alle de uitwendige teekenen van vergankelijkheid. — Met \'herkenningswoord der Meesters, dat het Nieuwe Meestencoord wordt genoemd, beteekent: „Schijnbare Verdtrjlijklieidquot;, en het paswoord, hetwelk hem tevens als naam wordt gegeven: „Tempel Godsquot;. — Nu verneemt hij ook de beteekenis der Acacia als herkenningsteeken waar de vermoorde Meester moet worden gezocht, alsook dat hij Wijaheid, Kracht en Schoonheid moet bezitten in overeenstemm.\'ng met de hoedanigheid van het Oppencezen dat de Wereld bestuurt met Wijsheid, de Schepping onderhoudt door zijne Kracht en in de volmaakte harmonie van Zijne werken, de verhevenste Schoonheid doet aanschouwen.
De beteekenis van het Nieuwe Meesterwoord is de uitdrukking van het geloof der Guehren aan een onvergankelijk leven, tengevolge waarvan des Menschen vergankelijkheid slechts schijnbaar is, als alleen geldende voor het stoffelijke lichaam, hetwelk geenszins de eigenlijke Mensch vormt en niets anders is dan een Tempel of Tabernakel (tent of hut) bestemd tot woning voor den on sterflijken Geest, de zuivere emanatie (uitvloeisel) der Godheid, zoodat de Mensch zich, gedurende zijne inwoning in de stof moet beschouwen als een Tempel Gods, gelijk dit denkbeeld door liet den Meester tot naam verstrekkende paswoord wordt uitgedrukt.
Wat de beteekenis der drie zuilen, — Wijsheid, Kracht, Schoonheid genoemd — op welke de Tempel rust, aangaat, deze stemt volkomen overeen met het Godsbegrip hetwelk de Guehren aan hunne ernstige natuurbeschouwing hadden ontleend.
107
Tot hiertoe hebben wij dan het eerste gedeelte der drieledige verklaring van de drie eerste of St. Johannes graden, die te samen de gewone of zoogenaamde hlauice V r ij m e t s e 1 a r ij uitmaken, en onder bedekking van wier symbolen de boosaardig vervolgde Temp e 1-Heeren hunne Doorluchtige Orde in het geheim voortplantten.
Hoe nietig ja vaak beuzelachtig, — zooals de Schrijver van het reeds vroeger aangehaaalde werk „Sarsenaquot;, die tot eene Lot/e onder het gebied der ten eenenmale van haren oorsprong ontaarde zoogenaamde Moederloge, Royale York te Berlijn behoorde, niet zonder reden opmerkt, — deze graden zich ook veelal mogen voordoen, zoodat de zoekende daarin niets meer leert dan hetgeen ieder rechtschapen Profaan evenzeer voor zijnen plicht erkent, leveren zij desniettemin, bij gepaste en doelmatige werkzaamheid, overvloedig stof tot de verhevenste beschouwingen, en bewijzen voor het allerminst liet algemeene karakter der Orde, hetwelk ik in de volgende gedeelten dezer verklaring ten slotte geheel duidelijk in het Licht zal stellen, zoodanig als het zich in den hoogsten Graad volkomen vertoont.
Alleen hij toch die tot den hoogsten graad is opgeklommen bevindt zich in staat alle geheimen te ontsluieren , daar de leer der Orde eerst trapsgewijze wordt ontwikkeld in de Hoogt Graden tot de behandeling waarvan ik thans overga.
A A A A
De eerste dezer Hooye Graden is die van Volmaakt Meester of Schot, ter herinnering aan de Tempel-Heeren, die in Schotland een toevluchtsoord vonden.
In dezen Graad, waartoe, in het oude Engelsche stelsel, niemand zich kan aanmelden maar door de Lotje zelve moet worden uitgenoodigd, is het blauw der S. Johannes J.oge vervangen door groen. — Het herkenningswoord hetwelk hem wordt medegedeeld beteekent Heer, een der namen van het Opperwezen als vrijmachtig beheerscher dei-natuur, dien men den Broeder doet kennen als de Eeuwige, die was, is en zijn zal en wiens eigenschappen zijn: het ahsolute bestaan of de vrije Zelfstandigheid, de Oneindigheid, de Almacht en de Eenheid.
Deze Graad is de laatste in welke, volgens het oud Engelsch rituaal — hetwelk ik in hoofdtrekken gevolgd heb, omdat ik zonder noodzakelijkheid mijn bestek ver te buiten zou gaan, indien ik, evenals Broeder Clavel de verschillende stelsels met alles waardoor zij zich van eikanderen onderscheiden, al ware zulks ook maar opper-
108
Tlakkig, liier wilde behandelen, terwijl ik mogelijk hierbij onwillekeurig zon worden geleid tot het, in strijd met den geest van Broederliefde , maken van aanmerkingen, die als hatelijk, mogelijk wel als persoonlijk zouden kunnen worden beschouwd,—de overeenstemming met den natuurlijken Godsdienst onzer Arische vaderen zichtbaar is.
De Groene kleur is het zinnebeeld van de Hoop der Opstanding , die de Mayi ontleenden aan het herleven der natuur na den winter zonnestand, terwijl de verklaring van den aard en de eigensehappen van het Opperwezen volkomen overeenstemmen met het Godsbegrip in de Zend-Avesta en daarna in de Edda neergelegd.
Zooals ik reeds zeide waren de Arhche grondaanschouwingen, die ook op den naburigen Turan-iAwsx niet zonder invloed konden blijven , lang niet alleen voor de Mozaïsche \\V etgeving, maar zelfs voor A b r a h a m, die door de Israëlieten zoowel als door de Arabieren, even als zij van Semitisch ras, als hun Stam-of Aarts-Vader wordt erkend overgegaan op liet Volk dir Hehreën j en, vooral na de wegvoering bij het verwoesten van den eersten Tempel, ten minste op een deel van bet Joodsehe Volk, met name de secte der Pltarizeén en de Broederschap der Esseéu, die aan een toekomstig leven geloofden, niettegenstaande men daaromtrent niets vermeld vindt in de Mozaïsche sehriften, in welke aan de betrachting der Wet uitsluitend stoffelijke belooningen worden toegezegd, hetgeen ook oorzaak was dat de Saddnceèu het denkbeeld van opstanding als een bespottelijk bijgeloof verachten.
Toen nu de Tempelieren in Palestina waren gevestigd, ver-vereeuigden zij zich, zooals ik reeds vroeger heb vermeld, met de lot het Christendom bekeerde Esseën, en het is langs dien weg dat de reeds in de Kerk uit het zoogenaamde Oude Testament overgenomen Joodsehe begrippen zich onder de Tempel-Heer en ontwikkelden.
Natuurlijk moesten die begrippen met de daartoe behoorende Legenden dus ook overgaan op de V r ij - M e t s e 1 a r ij en de aantooning hiervan vormt het tweede gedeelte der verklaring van het wezen der Orde, waarvoor ik de verschillende Graden op nieuw kortelijk moet doorloopen.
Keeds de naam van V r ij - M e t s e 1 a r ij duidt, in verband met de legende in het Vie en Vile Hoofdstuk van het Ie Boek der Koningen, de betrekking der Orde aan tot het Joodsehe Genootschap
109
der Esseén of Khamdchi, die als maatschappelijk beroep de bouwkunde beoefenden, en met welk Genootschap, waarvan de Leden het Chistendom hadden aangenomen, de T e m p e 1-H e e r e u zich vereenigden.
Bij zijn opname in den eersten graad wordt den nieuweling medegedeeld, dat deze benaming afkomstig is van de Metselaars die Salomo koos om den Tempel te bouwen. — Volgens de Joodsche overlevering werden deze door hem verheven tot den rang van Vrij-Heereu, eene soort van aan den stand der Mandarijnen bij de Indo-Chineesche Volken gelijke Edellieden, wier waardigheid alleen persoonlijk was, maar die levenslang bevrijd waren van wat men in onze dagen de Rijks-belastingen, — wel te onderscheiden van de opbrengsten ten voordeele van den Tempel en de schier ontelbare Priesterschaar, — zou noemen.
Nog vóór hij tot de Loye wordt ingeleid hoort hij reeds drie slagen, die ook in de Loye tot signaal dienen; — hij moet, zooals het in de zinnebeeldige taal der Orde heet, drie reizen doen, en vervolgens laat men hem door drie schreden naderen tot het altaar.— Ook hier slaat dit heilige getal weer op de Goddelijke D r i e e e n-heid in welke de Esseén geloofden, evenals de Khassideén, in het oostelijk deel van Europa, zooals ik reeds in de voorgaande bladen heb vermeld.
De teekenen, aan welke de V r ii-M e t s e 1 a a r wordt herkend, zijnTHe Easier, de Winkelhaak en het Liniaal, gereedschappen, die bij de bouwkunde volstrekt onmisbaar zijn en ook gebruikt werden door de Esseën, onder welke zij eveneens eene zinnebeeldige betee-kenis hadden, van welke de zedekundige zin aan den Broeder Leerling wordt verklaard. — Evenzoo is het gelegen met het witte schootsvel en de witte handschoenen. Ook deze voorwerpen golden bij de Esseén als zinnebeelden van arbeidzaamheid, reinheid van levenswandel en huwelijkstrouw, omdat zij, die tot deze Broederschap behoorden, nimmer, zooals de Priesters, ten laste van het algemeen mochten leven, maar in hun levensonderhoud moesten voorzien door persoonlijken arbeid, als waarborg voor eene zedelijke levenswijze.
Het Woord, hetwelk hem als herkenningswoord medegedeeld en verklaard wordt te bevatten de geschiedenis van zijne schepping als volmaakt wezen, en, in verband met den ruwen steen, van zijne ontaarding, is de erkenning van het Sc/zeppini/s-IFoord, waarvan het in den aanhef van BerucJds of Genesis, — welk boek de Mozaïsche Schcppingslegende bevat, — heet: „God sprak.quot;
Het Licht, dat hem wordt gegeven, niet alleen als het begripvan alle deugden, maar ook vooral als het zinnebeeld van den O p p e r-B o u w meester, beteekent wel allereerst dat Licht, waarvan de Schepping al het overige voorafging, maar doet in dit gedeelte mijner verklaring zich ook kennen als de voorstelling der Sechina, — de heerlijkheid des Heeren, waarvan het in de Mozaïsche
110
legende lieet dat zij ruste op de Cherubim, die boven de gewijde ark waren geplaatst, — een schitterend schijnsel, dat waarschijnlijk door eene soort van Icosaedrou of dergelijk optisch toestel in den tabernakel werd te weeg gebracht.
De Gezellen-Graad, die zich zoo schraal voordoet, dat sommige Broeders daardoor tot de vooronderstelling zijn geraakt als zou de Orde aanvankelijk slechts twee graden hebben gehad en deze eerst later, om het even waarom, daartusschen zijn ingeschoven, onderscheidt zich van den vorigen alleen door de Vlammende Ster, den kvhieküeen, op welken gezegd wordt dat de Gezellen hunne gereedschappen slijpen, en het Waterpas.
De Vlammende Ster was, als zinnebeeld en voorstelling van het Opperwezen, door de Esseèn van de Magi overgenomen te gelijk met het D r i e ëe n h e i d s-begrip en het geloof\' in de O n-s t e r f 1 ij k h e i d. — De Kubiekstem stelt de wet voor, aan welke de Mensch alle zijne daden behoort te toetsen, en eindel\'jk is het , Waterpan de uitdrukking zoowel der algemeene gelijkheid van alle Menschen tegenover hunnen Schepper, alsook daarvan dat de Leden van het Genootschap der Hsseè\'u aan elkander gelijk geacht werden.
Het herkenningswoord, hetwelk den nieuwen Gezel wordt mede-deeld, en hetwelk „Kracht Godsquot; beteekent, is tevens de naam van den Losser, in het He Hoofdstuk van het verhaal van RntJi, en alzoo het beeld van Verlossing door Genade, uit den staat van verval en zedelijke armoede.
Omtrent het paswoord is het niet noodig in een breedvoerig betoog te treden om den Joodschen oorsprong hiervan te doen herkennen, daar dit hetzelfde woord is, waarvan de tot Veldheer verheven Roo verhoofdman J e p t h a zich in den burgeroorlog bediende. om door de uitspraak daarvan de, opgestane Ephrdhnite» te onderscheiden.
Eij de beschouwing van den nu volgenden derden of Meesier-Graad, — in welke de blauwe of S. Johannes Vrij-Met sela rij hare hoogste volkomenheid bereikt , — van het EsseeïscJ/e standpunt moet allereerst worden in het oog gehouden, dat men hier te doen heeft met de eigenlijke JoodscJw begrippen, dat is van dat gedeelte van het vroeger bestaan hebbende IsraelitiscJie Volk, hetwelk, na den dood van Salomo, het Eijk van Jnda had gevormd, en met vergunning van zijnen beschermheer, den Persischen Koning C y r u s of Kores. zooals hii met de Hebreeuwsche uitdrukkinlt;r wordt
Ill
genoemd, onder de leiding van Zerubbabel was teruggekeerd naar Jeruzalem en daar den tweeden Tempel liad gebouwd, terwijl de tien stammen, waaruit onder Jeroboam en zijne opvolgers het Kijk van Imwl liad bestaan, in de ballingschap waren verstrooid geraakt, en door de uit vreemdelingen samengestelde bevolking der Samaritanen vervangen.
Niettegenstaande nu een zoogenaamd heidensehe Vorst bevel had gegeven tot het herbouwen van den Tempel, en daardoor het duidelijkste bewijs geleverd dat ook de Arische Volken niet alleen het eeuwige Opperwezen vereerden, maar ook de Mozaïsche Wetgeving uit hunnen oorspronkelijke!! Godsdienst was voortgesproten, betoonde toch het Joodsche Volk, — aldus genoemd naar den stam van Juda,\'— welke naam de beteekenis heeft: „Lof Godsquot;, of wel naar de Hebreeuwsche letter met welke de naam van God wordt geschreven, in welk geval die naam de pretentie uitdrukt van uitverkoren Volk Gods, — den sterksten afschuw van de Samaritanen, en helde in steeds toenemende mate over tot geestdrijvende onverdraagzaamheid.
Van lieverlede ontwikkelde zich iu den Joodschen Staat eene vol-slagene Priesterregeering, waarbij de Hooge-Priester het Vorstelijke gezag uitoefende, hetwelk later in de Christelijke Kerk tot het wereldlijk gezag der Pausen aanleiding gaf.
Evenals nu nog hedendaagsch in de Roomsch-Katholijke Kerk, met en benevens de Schriftuur, de mondelinge overlevering canoniek dogmatisch gezag bezit, — omtrent welke Traditiones Apostolonm de bepalingen voorkomen in de „ Canones et Becreta Sacro Saucti „oecumenici et generalis Concilii Tridentiniquot;, en wel Sessio V, Caput VII, alsmede Sessio XIV, Caput I. — Zoo was dit ook het geval in de Joodsche Kerk, waar de legendarische overleveringen der Rahhouim (Schrift- of Godgeleerden) vaak boven de Mozaisclte Wet werden gesteld, zoodat geen Jood het zou hebben gewaagd de waarheid dier overleveringen te betwisten.
De geheele derde graad nu is niets anders dan de mimische dramatische voorstelling van eene dier tot den Tempelbouw betrekking liëbbende legenden, die den grondslag vormde van het Genootschap der Esseén en die door de Temp el-He er en werd overgenomen als het zinnebeeld van eene waarheid op welke ik in het derde gedeelte mijner verklaring zal terugkomen.
In de Geschiedenis van het oude Israëlietische Eijk in het I Boek der Koningen, het Vile Hoofdstuk, vs. 13 sqq, leest men dat Salomo eenen inwoner van Tyrus, Hi ram, —in de taal der Orde Adonhiram genaamd, ter onderscheiding van Hiram Koning van
112
Tints, — de zoon van eenen Phoenisclien Kopergieter en eene Israë-lietisclie Vrouw uit den stam van Naphthali, die weduwe was, ontbood om al het tot den Tempel en de uitoefening van den eeredienst noodige koperwerk te gieten.
Volgens de overlevering, zooals die onder de Essei-n werd bewaard, zou deze Adonhirara geenszins eenen zoo beperkten werkkring hebben gehad, maar als Opperste Bouwmeester den geheelen Tempelbouw hebben bestuurd. — In zeker opzicht heeft deze opvatting de waarschijnlijkheid voor zich, omdat in het voorafgaande Vie Hoofdstuk alleen wordt gezegd dat Salomo den Tempel bouwde maar geen Bouwmeester wordt genoemd, terwijl het toch volstrekt onaannemelijk is, dat een Oostersche Despoot, al bezat hij er ook meer dan iemand anders de bekwaamheid toe, zich, gedurende zeven jaren met het dagelijksch bestuur van een zoodanig werk persoonlijk zou belasten, — Met het oog op het beroep hetwelk de Geschiedenis aan den Tyreen-schen kunstenaar toeschrijft, zou deze legende het ook verklaarbaar doen worden waarom tot paswoord in den Leerlingsgraad werd ge-
/\'kozen den naam van Tu balk a in, volgens\'kozen den naam van Tu balk a in, volgens Beruchis IV, 23 de zesde der met het bloed van den nog typisch volmaakten Abel bevlekte afstammelingen van Kaïn, die daar ter plaatse wordt genoemd; „een leermeester van alle werklieden in Koper en Uzer.quot;
Deze Ado n hi ram verdeelde de Werklieden, volgens de legende,, in drie klassen, namelijk: Leerlingen, Oezellen en Meesters aan welke hij ieder een afzonderlijk herkenningswoord gaf, tot het voorkomen van vergissingen bij de verdeeling van het loon, hetwelk aan ieder,, naar gelang der klasse tot welke hij, overeenkomstig zijne bekwaamheden behoorde, was toegelegd, en dat hij aan de Leerlingen bij de zuil J, aan de Gezellen bij de zuil B en aan de Meesters in het / Middenvertrek betaalt. — Drie Gesellen, zoo heet het verder in de Legende — die deze Jubelus, Jubel os en Jubelum noemt,— waren ontevreden omdat hun loon niet gelijk was aan dat der Meesters, en besloten Ado n hi ram het meesterwoord met geweld af te persen, en vervolgens, om hunnen toeleg geheim te houden, hem te vermoorden. — Overeenkomstig dit plan bracht de eerste hem, aan de westelijke deur, met een ijzeren liniaal eenen slag toe in den hals, waarop hij ontvluchtte naar de zuidelijke deur, waar hij van den tweeden eenen slag met eenen ijzeren winkelhaak tegen de borst ontving, terwijl, toen hij door de oostelijke deur meende te ontsnappen, de derde, met eenen steenhouwershamer gewapend, hem den schedel verbrijzelde.
Door deze drie slagen worden ook de herkenningsteekens der drie graden verklaard als de nabootsing der natuurlijke bewegingen bij-het ontvangen van eene kwetsuur.
113
Zooals ik reeds straks zeide is de Mecster-Graad de voorstelling-van deze Legende. — Wanneer de.Candidaat tot dezen Graad in de slechts flauw verliciite Lor/e wordt binnengeleid, ziet hij op het vloerkleed, dat den Tempel voorstelt, eene doodkist, waarvan men echter den aanblik voor hein zoekt te verbergen. — Hoezeer niet overal hetzelfde rituaal wordt gevolgd, ontvangt hij echter in sommige Loges de slagen met Lineaal en Winkelhaak van de Opzieners, terwijl de Hoogwaardige Meester hem den slag toebrengt met den hamer, welks baan te dien einde met eene zachte veerkrachtige stof is bekleed. — Zoodra hij dezen slag ontvangen heeft wordt hij in de kist neder-gelegd alsof hij werkelijk ware doodgeslagen, en met een lijkkleed overdekt. — Vervolgens heft de Hoogwaardige Meester hem daaruit op en geeft hem het niemce Meesterwoord, hetwelk, zooals ik reeds in het eerste gedeelte mijner verklaring zeide, beteekent; „Schijnbare_^gt;c ontbinding.quot; — Eindelijk geeft men hem eenen Acacia-Xak, waaromtrent hem wordt geleerd dat de moordenaars het lijk van den verslagenen Meester voorloopig hadden verborgen onder eenen steenhoop van negen cubiekvoeten, op welken zij eenen Acacia-iak hadden gestoken, ten einde later de plaats te kunnen terugvinden, en, bij eene gunstige gelegenheid, het beter te kunnen verbergen.
De Zedelijke en Godsdienstige waarheden, die in dezen Graad worden aanschouwelijk gemaakt zijn de volgende: de drie slagen waarmee de Bouwmeester wordt vermoord door drie Gezellen, die ontevreden zijn omdat zij niet werden gelijk gesteld met de Meeslcrs, beteekenen, dat Hoogmoed, Hebzucht en Wraak de gevaarlijkste hartstochten zijn, en dat het Materialismus, dat is het streven naar stoffelijk genot en zelfverheffing, en de daaruit voortspruitende ontevredenheid met het door den Opperbouwmeester bepaalde levenslot en de in verband daarmee aangewezen plaats in de Wereld, den Mensch vervoeren tot de afschuwelijkste en onherstelbaarste misdaden en dus oorzaak zijn van zijne geheele ontaarding. — Het neerleggen in de doodkist en daarna opheffen uit dezelve, zoowel als de beteekenis van het herkenningswoord der Meesters toont aan dat het Geloof in de Opstanding der afgestorvenen ook onder de Esseén bestond. — Wat de Acacia aangaat, hiervan kan de beteekenis eerst in het derde gedeelte mijner verklaring worden medegedeeld.
A A A A
Zoo zijn wij dan weer genaderd tot de Hooge Graden, tot welke men slechts bij keuze kan opklimmen, en dus weer het eerste tot
8
114
diü der Vohmakie Mvcsttrs of Schoften, die in sommige stelsels de hoogste graad is welke de Orde der vervolgde ï e m p e 1-H e e r e n vertegenwoordigt.
In dezen Graad treedt de nieuweling de Lojc binnen met eeneu strop om den hals. — Volgens den cathechismus verklaart hij bij de zuidelijke deur des Tempels den grafsteen van den vermoorden Meester A d o n h i r a m te hebben gezien en den grooten J e h o v a te kennen, terwijl het Herkenningswoord in de Hebreeuwsche taal dv Heer beteekent.
In dezen en de volgende graden is de Joodsche oorsprong zoowel als de Godsdienstige strekking der Orde volstrekt onmiskenbaar. — De strop om den hals en het gewag maken van den grafsteen van den vermoorden Meester, wijzen volkomen duidelijk op de Kh\'midei-sjJic of Esseïische overlevering omtrent den vermoorden Bouwmeester Adonhiram, wiens lijk, volgens de Legende, door de moordenaars een strop om den hals gelegd en door de westelijke deur buiten den Tempel werd gesleept. — Wat het woord Jehova aangaat, wordt vooral iu de profane wereld vrij algemeen voorondersteld dat dit in de Hebreeuwsche taal de ware naam was van het Opperwezen. — Die vooronderstelling is echter volstrekt ongegrond; die naam mogt nimmer worden geschreven maar alleen aangeduid door de vier medeklinkers -Tod, Re, Van, He, of wel door de verdubbelde letter Jod, en nooit anders worden uitgesproken dan eenmaal \'sjaars door den Hoogen Priester, waarbij het woord echter zoodanig door het bazuingeschal werd overstemd, dat het volstrekt onverstaanbaar was, terwijl het voor het overige door Ado n a i (Heer) werd vervangen, tengevolge van al hetwelk de ware naam is verloren geraakt.
Wel is het waar dat dit woord, zooals het nog wordt gebruikt, het eeuwige en stoffelijke en dus onzichtbare onder geen vorm af te beelden Wezen aanduidt, hetwelk was, is en zijn zal, maar daarom wordt dit nog geenszins door den vermeenden Hebreeuwschen naam uitgedrukt op de wijze zooals zulks in den Kateehismus voor dezen graad wordt geleerd.
De eerste spraak waarmee de oorspronkelijke Mensch zich aan zijne natunrgenooten verstaanbaar maakte, moest, zooals wij dit aan de alleroudste bekende talen bespeuren, voornamelijk uit klanken bestaan, en bij onze volslagen onbekendheid met de oorspronkelijke wellicht algemeene taal moeten wij ons daartoe bepalen de beteekenis der klanken zooveel mogelijk na te sporen.
Zonder eenige tegenspraak is de A een aantooneude klank, dien wij nog immer, op vroolijkcn toon, laten hooren zoo dikwijls het
115
ons gelukt is, door langdurige, moeielijkc nasporingen en diepzinnige overdenking eene waarheid te ontdekken en, naar de mate van ons begrip, duidelijk voor te stellen.
Deze vreugde nu moet de oorspronkelijke Menseli in de allerhoogste mate hebben gevoeld, toen het hem, door onafgebroken natuurbeschouwing en onberekenbare inspanning van zijnen geest, was gelukt, de raadselen die hem allerwege omringden op te lossen door het ingeschapen Godsbegrip, waaraan hij het vermogen ontleende om zich het werkelijk bestaan van een alle natuurkrachten beheersehend Opperwezen, als eerste oorzaak der Wording van het Heelal, duidelijk voor te stelleu.
Even zoo is ook de klank der O of den daarmee verwante TJ, naarmate dit uit de verschillende tongvallen voortvloeit, reeds op zich zeiven eene aanroeping of aanbidding, hetgeen wij in ons zeiven kunnen waarnemen onder omstandigheden in welke wij onwillekeurig worden gedrongen tot uitroepingen, wanneer wij, in angst, gevaar of\' afgrijzen, de hulp, bescherming, uitredding of steun inroepen van eene macht, welke de onze te boven gaat, en die dus voor ons eene welior uatura, een boven ons verheven wezen is; of ook wanneer wij voor eenige ongehoopte, onze stoutste verwachting te boven gaande weldaad, onze niet onder woorden te brengen vreugdevolle dankbaarheid pogen uit te drukken, vooral in oogenblikken waarin het overspannen gevoel de werking van den koelzinnigen Geest zoozeer beheerscht dat het den laatsten onmogelijk is de onze bevatting als een stortvloed overstelpende denkbeelden oogenblikkelijk te ordenen, en die denkbeelden in sierlijk afgeronde volzinnen uit te drukken; — een toestand van alles overheerschend gevoelsleven die bij den nog niet verstompten, zedelijk versleten oorspronkelijken Mensch, inden vollen jeugdigen bloei der schepping, zeer gewoon moet geweest zijn.
Uit dit alles vloeit van zelf voort, dat de eerste uitdrukking met welke het pas geschapen Menschdora, levende onder eenen Hemel welks onpeilbare van glans vervulde diepte, een levendig beeld der oneindigheid voorstelde, het Opperwezen aanduiden moet bestaan hebben uit de deels aanroepende, deels betoogende klanken AO, OA, ATI AUO, OUA enz. waarmee in de oudste der bekende talen, het Sanskrit, de uitdrukking is verwant van Oil of Odu, waarmede de alles doordringende kracht wordt aangeduid.
Daar nu zelfs bij het gebruik onzer Westersche talen de algemeen bekende echt Semitische tongval zich onderscheidt door eene scherpe aspiratie, is het zeer wel aan te nemen dat de verloren geraakte Hebreeuwsche naam van het Opperwezen kan hebben geklonken als Jhovah of iets dergelijks, waaruit later het algemeen gebruikte drielettergrepige woord is gevormd, maar hoewel dan nu de verklaring hiervan moge mank gaan, zooveel is volkomen zeker dat onder ■den naam, hoedanig die dan ook op hel Saloino\'s zegel der
116
legende mo^e zijn g\'egTavcertl g\'eweest, liet oneindige Opperwezen werd verstaan.
□ □ □ □
De nu onmiddellijk volgende Graad in de Schotsche loyc is die welke den naam draagt van Zwarte Broader, en de Sehotscke Leer-lings- en Gezellen-Graden in zieli vereenigt, terwijl aan de Leden ook wel den naam van Uitverkoren Broeders wordt gegeven.
Het eerste wat den Candidaat reeds bij zijne intrede in het bui-tenvertrek treft is de geheel zwarte bekleeding, waarvan de somberheid nog door eene flauwe verlichting wordt verhoogd, alsook dat de signalen, die hij reeds hier verneemt, niet, zooals in de voorafgaande graden, door slagen met den hamer, maar door luiden met eene klok of bel worden gegeven, en eindelijk dat hem eene bel en eene brandende lantaarn worden ter hand gesteld, onder mededeeling dat hij; eenen duisteren weg heeft af te leggen.
Wanneer hij in de Loye is binnengetreden, ziet hij dat cok deze eveneens met zwart bekleed en alleen door eene lantaarn verlicht, is terwijl onder de op het altaar voor den Groot-Meester geplaatste voorwerpen zich ook eene Kroon bevindt. — Zijne aanstaande Broeders zijn in lange rouwmantels gehuld en, behalve met den ook in de vorige Graden gedragen wordenden d^gen, ook nog gewapend met eenen dolk aan eenen zwart en wit gestreepten schouderband.
Het herkenningswoord in dezen Graad is hetzelfde als in den Meestergraad der St. Johanna s-Loye, hetwelk slechts op eene bijzondere wijze wordt uitgesproken, en het paswoord is de naam van den vermoorden Bouwmeester.
Omtrent de Kroon op het altaar wordt hem gezegd dat deze eene voorstelling is der Kroon van Salomo, zooals zij was gemaakt van pju (joud, met het daarop gegraveerde opschrift: „Heiligheid des Heer en\'\', en beteekent dat wij de Kroon des Levens moeten verdedigen, welke, ter belooning van onzen geestelijken tempelbouw, voor ons in de Eeuwigheid is weggelegd.
Eindelijk wordt hem, als dat deel der legende hetwelk tot de stichting van dezen graad zou hebben aanleiding gegeven, verhaald dat Salomo, met groote droefheid den op Adonhiram gepleeg-den moord vernomen hebbende, aan 27 Meesters bevel gaf om het lijk, hetwelk men aan den op den steenhoop geplaatsten Jcacia-isk had ontdekt, van de plaats waar het door de moordenaars was verborgen weg te nemen en op eervolle wijze te begraven. — Toen zij de plaats waren genaderd, bleven 18 der meesters de wacht houden, terwijl de 9 anderen, te midden der dikste duisternis, bij den glansvan een buitengewoon helder van den Acacia uitstralend bovennatuurlijk licht, terstond het lijk vonden.
117
Nadat nu liet lijk in een prachtig graf was neergelaten vergunde Salomo aan de negen Meesters, die het lijk hadden gedragen, zijne Kroon aan te raken en beschonk hen ter onderscheiding meteen zilveren doodshoofd, hetwelk om den hals werd gedragen, eenen ■xlolk ter hunner verdediging, eene lantaarn, om ook bij nacht den Tempel te bezoeken, en eene bel of klokje, om zich ten allen tijde bij hem aan te melden, alle welke onderscheidingen vervolgens ook aan de overige achttien Meesters werden vergund, op hun vertoog dat de begrafenis toch onder hunne bescherming had plaats gevonden.
De hierboven kortelijk verhaalde Legende zoowel als hetgeen omtrent de Kroon op het altaar wordt gezegd, beantwoordt geheel aan het wezen van de Broederschap der Esseën. — Het was eene veree-niging van in waarheid oprechte eu godsdienstige mannen, even wars van Plmrizeeach vertoon, — hetgeen in onze dagen ook nog maar al te veel, tot onberekenbare schade voor den eenigen waren inwendigen Godsdienst, met uiterlijke Kerkschheid wordt gemaakt,— als van Sculduceesch materialismus en HerodiamscJte lichtzinnigheid.
De Kroon, waarmee zij zich, door het aanleggen der Tefllim om het hoofd, symbolisch kroonden, was hun een beteekenisvol zinnebeeld : het was de Kroon der Heiligheid aan de Thiara van den Hoogen Priester, die in overdrachtelijken zin wordt toegeschreven aan Salomo, in de beteekenis van de H\'are Wijmeid, als bestaande in eenen Godzaligen levenswandel, zoodat zich vooral in dezen hoogen Graad de V r ij-M e t s e 1 a r ij doet kennen als eene oprecht Godsdienstige instelling.
X X X X
De hierop volgende Graad is die der Schotsche Meesters en Ridders van St. Andreas, vertegenwoordigende de waardigheid van 1! i d-der van den Tempel.
In dezen graad wordt den candidaat reeds in het voorvertrek de eerste en daarna de tweede gelofte afgenomen, na welke laatste hem weer eene strop wordt om den hals gelegd.
Wanneer hij in de Loge is binnengeleid, ontwaart hij terstond dat zij het voorkomen heeft van eene Kappittelzaal der T e ra p e 1 h e e-ren, even als deze geheel wit bekleed met roode kruisen, hoewel van «enen anderen vorm, hetgeen in der tijd noodzakelijk was geworden, om de vijanden van den Tempel op een dwaalspoor te brengen.
lis
Heeft hij nu, op bevel van ileu Grootmeester de derJc gelofte afgelegd, dan ontvangt hij den llidderdar/ met liet plat van den degen, en volgt onder de schijnbeweging, alsof hij znl worden opgehangen, zijne aanneming, na welke hij de vierde gelofte aflegt in handen van den Grootmeester, van wien hij de bevoegdheid ontvangt tot het stichten van St. J o h a n n e s-Loj/e-s.
De versierselen van dezen Graad zijn het Groene lint met het St. .Iiidreas-Krms, op hetwelk de beeltenis van den H. Andre as-door de zon beschenen, is voorgesteld, alsmede de roode schouderband, waaraan de vlammende Ster is gehecht, terwijl hem, bij liet teruggeven van zijnen degen, dien hij tot hiertoe van af den eersten Graad heeft moeten afleggen, alvorens in de Loye, tot welke hij wordt bevorderd, binnen te treden, wordt gezegd, dat dit wapen hem nimmer meer in eenige Loye zal worden ontnomen. Ook verneemt hij, dat de roode Schouderband strekt ter nagedachtenis van A d o n-h i r a m.
In dezen graad wordt hem de legende medegedeeld, die blijkbaar eene overdrachtelijke beteekenis heeft, dat na de verwoesting van den Tempel eenige ijverige Bouwmeesters besloten, deszelfs overblijfselen te verzamelen, en de lijkkist van A d o n h i r a m op te sporen; dat zij den hoeksteen des Tempels onbeschadigd en daarop, in eenen driehoek, het oude Meesteruoord Elohim (oorspronkelijk) gegrift vonden; dat zij, met behulp van een gouden koord en eene bij den bouw gediend hebbende kraan, die drie hunner bij het schitterende licht eener vlammende ster ontdekten, dezen Grondsteen oplichten en het lijk in veiligheid brachten, en eindelijk, dat de twaalf lichten de voorstelling zijn der twaalf bouwmeesters, door welke de leer der Orde over de geheele aarde wordt verspreid.
Het Meesterwoord in dezen Graad is het oude Meesterwoord, terwijl het nieuwe het paswoord is.
Bij het Licht van dit gedeelte der Verklaring doet deze Graad zich niet anders voor dan als een speling van den St. Johannes-Meesü-ryraad, daar zij berust op eene bij de Essem volkomen onbekende Legende, die blijkbaar eene overdrachtelijk verhevene beteekenis heeft, welke zelfs voor den ernstig nadenkenden Profaan een niet geheel onverklaarbaar raadsel, zou behoeven te blijven, en die ik mij voorstel weldra in het derde gedeelte mijner verklaring op te lossen.
11!)
Zoo zijn wij dan genaderd tot den tusschengesclioven graad, van welken ik reeds te voren sprak, en die slechts schijnbaar iets gemeens heeft met de ware Vrij-Met sela rij, namelijk die van SchoUclw Oud- en. Opper-Meester, waaraan men den naam van Hooge Schotsche Loyc heeft gegeven.
Het ceremonieel in dezen Graad wijkt geheel af van al de vorigen. — De Loge is rood behangen; al de Broeders verschijnen zonder degens, met uitzondering van den Wachtliebbenden, die bij de deur staat, waaromtrent aan den nieuweling wordt gezegd dat in dezen Graad geen tot bloedstorting bestemde wapenen worden gebruikt. — De Moester van den Stoel wordt Y i e xuuud curwaardiye genoemd.— /1 let herkenningswoord is Sarsena, hetgeen heet te beteekenen: Volmaakte Bouwmeester. — Tot dezen Graad worden alleen onge-huwden toegelaten, dewijl het ccelïbaat volstrekt verplichtend is, daalde Broeders geen verbintenis mogen hebben buiten de Orde. — Wanneer de Recipieiidm, zooals de zoekende in dezen Graad wordt genoemd, buiten de loge heeft verklaard van alle andere verbintenissen, ook van die des huwelijks, vrij te zijn, wordt hij als een boeteling, met een sluier over het hoofd en een brandende waskaars in de hand binnengeleid, waarop hij van den Heester van den Stoel een wit met rood gevoerd schootsvel en zeven — het gewijde getal in dezen graad — slagen met den hamer ontvangt. — Xu wordt hem geleerd dat, hoewel alle overige Vrij-Metselaars zijne Broeders heeten te zijn, hij nochtans van hen even ver verwijderd is als van de Frofauen, en hij dus de geheimen, die hem in dezen Graad zullen worden toevertrouwd, aan niemand hunner mag mede-deelen, ja zelf* niet aan den Groot-Meester der Orde, omdat die geheimen niets gemeen hebben met die van alle overige Graden, waarbij wordt gevoegd dat de verschillende punten van den door hem afgelegden Eed, de ceremoniën en hieroglyphen hem niet mogen worden verklaard, maar hij de beteekenis van dezelve allengs znl doorgronden, daar de Broeders in dezen Graad de nachtelijke stilte beminnen en alleen in de ondoordringbaarste duisternis veiligheid kunnen vinden. — In het midden van den Tempel, zooals deze l.oije wordt genoemd, ziel de nieuw aangenomene eene vierkante geheel vergulde kist, op welks deksel de naam van Jehova in eenen driehoek is geplaatst. — Schijnbaar is die kist bestemd om de Ark der Getuigenis in den Mozatscheu Tabernakel voor te stellen, maar de Meester zegt tot den nieuweling dat hij nog niet mag weten wat besloten is in deze kist, die hem wordt voorgesteld als het graf van Adonhiram. — Eindelijk toont men hem de Vaten der reiniging, als het zinnebeeld van vleesclielijke reinheid.
120
Ouder den invloed der Soek-teil van Jezus, die zelve niets anders is dan een geheim e/enootucJiap, hetwelk, vooral na deszelfs opheffing door den Heiligen Stoel, de dringendste behoefte had om zich onder den schijn van V rij-M et se 1 a rij te verbergen, ten einde, trots de maatregelen der verschillende Regeeringen, te blijven bestaan, is, door het van haar uitgegane stelsel der Stride Observantie, deze Graad in de Orde ingeschoven.
De roode of, zooals het in deu Katechismus heet, vuurkleur is die der hoogste Geestelijkheid in dc lloomsch Katholijke Kerk, en wordt, als hoogste onderscheiding, gedragen door de Cardinalen of leden van het Heilige Collegie. — De benaming van viermaal Eerwaardige beteekent de Jemiten van vier geloften, dat zijn de zoodanigen die behalve de drie bekende Priestergeloften nog de vierde van ouvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan de Ordes-Overheden hebben afgelegd, en de hoogste klasse der ingewijden uitmaken. Het in dezen Graad heilige z e v e wtal duidt de zevende wijding aan, die van Priester, welke wordt voorafgegaan door die van Betir-Kaclder, LicJiUlrar/er, Lezer, Bezweerder, Suhdiaken en Di\'ilfeu. Dat deze Graad eigenlijk volstrekt niet tot de Orde der Vrij-Met-se laars behoort, maar, onder den dekmantel van een zeker cere-moniëel, is ingedrongen, blijkt overtuigend: vooreerst uit de omstandigheid dat terwijl in den onmiddellijk voorafgaanden Graad de Broeder bij zijne aanname de stellige verzekering heeft ontvangen dat hij nimmermeer in eenige Loge zijnen degen zal behoeven af te leggen, hier integendeel allen ongewapend verschijnen, hetgeen zich alleen laat verklaren in eene vereeniging van Priesters, waarmede ook het gedwongen coelihaat treffend overeenstemt. — Hoezeer deze Graad in haar eigenlijk wezen ten eenenmale vreemd is aan de v:ure Vrij-Metselarij blijkt op de meest overtuigende wijze daaruit dat de nieuweling alle overige Vrij—Metselaars moet beschouwen als gelijk staande met Vrofaneu, hetgeen het absoluut exclusivistisch karakter der Societeil van Jezus aantoont, waarbij boven alles opmerking verdient dat hem de heilige plicht wordt opgelegd om alle geheimen, die hem zullen worden toevertrouwd, te verbergen niet alleen voor de Broeders van mindere Graden, — hetgeen natuurlijk zou wezen, — maar zelfs voor den Ordes Groot-Meester, dien ik aan het einde mijner verklaring zal doen kennen. — Eindelijk is de vierkante gouden kist, wier vorm als Tetrade de stoffelijke schepping, en tevens eene viereenheid, dat is de drieëeenheid met toevoeging van een door de onbevleH ontvangen Heilige Moeder-Maagd vertegenwoordigd Vrouwelijk element, voorstelt het zinnebeeld der Orde, die hier in de gedaante van den Bouw-Mecster Adonhiram optreedt.
121
In dezen Graad nu wordt de Broeder uaauwlettend gadegeslagen uu zijne geheimste denkwijze en gevoelens nitgevorscht, met die solierp-zinnigc mensclien en karakterkennis die de Eerwaarde Paters Jezuïten, van den eersten aanvang af, in zoo hooge mate kenmerkte, dat men zich bijna geneigd zou gevoelen aan hunne orde het monopolie daarvan toe te kennen.
Hebben zijne Oversten zich nu overtuigd, dat hij in gemoede overeenstemt met de beginselen en het doel der orde. en hem, ook met betrekking tot zijne geestontwikkeling, als een bruikbaar werktuig leeren kennen, dan wordt hij eindelijk toegelaten als Assessor bij den Geheimen llaad, waar hem vergund is, eene raadgevende stem uit te brengen. — Deze Raad houdt hare zittingen, even als iedere andere raadsvergadering, zonder eenig zinnebeeldig ceremonieel, in een vertrek, in welks midden eene met een groen kleed overdekte tafel staat, op welke een Kruisbeeld is geplaatst en waaraan tie Leden van den Raad op dezelfde wijze eu met even weinig omslag plaats nemen, als bij voorbeeld de leden van een Gerechtshof.
Thans eerst leert de llooyv Schot den waren aard en het doel der door hem aangegane verbintenis volkomen kennen, maar wordt hij door de Overheden niet geschikt geacht tot medewerking aan hun doel, of meenen zij zijne onvoorwaardelijke instemming te moeten wantrouwen, dan blijft alles voor hem tot aan zijnen dood, gehuld in eene echt Egyptische duisternis, en zijn alle symbolen en hiëroglyphen voor hem nimmer iets meer dan ijdele raadsels.
Tot slot van dit gedeelte mijner verklaring, hebben wij nu nog den eigenlijken oorspronkelijken Zevenden Graad, die, daar waar de voorafgaande is tusschen gevoegd, hierdoor de achtste is geworden, namelijk die van Grootkruis der St. Johannes of volkomen V r ij-M e t s e 1 a r ij, in welke de ware aard der Orde duidelijk wordt voorgesteld.
In dezen Graad wordt de Meester van den Stoel, even als in de Orde der T e m p e l-II e e r e n, Machtige Meester genoemd; hij wordt bijgestaan door eenen Officier, die den titel van Doorluchtige Maarschalk ontvangt, alle de Leden voeren den titel van Bidder en de Loge draagt den naam van Kapittel.
Even als reeds in den St. Johannes Leerlingsgraad, wordt de candidaat geleid in ecu duister vertrek, waar hem door twee Ridders wordt afgevraagd, of hij volhardt bij zijne tot hiertoe afgelegde geloften , of hij gezind is zich te onderwerpen aan daarmede overeenstemmende nieuwe verplichtingen en vooral of hij vermoedt, dat, onder den sluier der Geheimen, eenig berispelijk, zedeloos of misdadig doel verborgen is.
122
Zijn zijne antwoorden voldoende, dan wordt hij in de Kapittelvergadering binnen geleid. — Hier draagt de plaats, die door den Machtigen Meester wordt bezet, den naam van den Troon van Salomo, en wordt hem de verborgenheid van Ado n hi ram verklaard, en hem verboden om deze aan de Broeders der voorafgaande Graden mede te deelen.
Het Ordeteeken is een Kruis aan een wit lint; het herkenningswoord beteekent; God is mijn sterke wnnr, en het paswoord: God is hiijit veroverd (joed.
A
De verklaringen, die hem in dezen Graad worden gegeven bewijzen , dat de Orde bier niet meer staat op het Joodsehe standpunt van de Broederschap der Esseen, maar dat haar ware wezen geheel behoort tot datgene, wat ik zal ontwikkelen in het derde gedeelte mijner verklaring, waartoe ik thans overga.
Alsnu overgaande tot het laatste gedeelte van mijne verklaring der slechts in overdrachtelijken zin een Geheim bewarende V r ij-M e t-selarij, zie ik mij genoodzaakt op nieuw met de beschouwing van den eersten graad aan te vangen.
Welk denkbeeld do Profaan zich ook moge vormen van onze Orde — en waarlijk, het kan niet anders, of velen moeten zich de meest verkeerde, ja zelfs bespottelijke voorstellingen vormen wan eene Vereeniging, tegen welke de Laster sedert eeuwen al haar venijn heeft uitgebraakt. — Alehvmistisehe droomerijen, zooals het zoeken naar den Steen der Wijzen, de verandering der metalen en het Levens-elixter (waarvan beweerd wordt, dat het door li a r o u n van Aleppo werd uitgevonden) tooverij, verkeer met geesten, Godverloochening, revolutionaire samenzwering, ja zelfs tegennatuurlijke ontucht werd door geestelijk bedrog in alle Kerkgenootschappen aan de Orde te last gelegd. en door eene nieuwsgierige en op schandaal beluste menigte, die men publiek noemt, gretig aangenomen, en dit kan geen verwondering wekken, wanneer men bedenkt, dat zelfs de Heiliffe Vader Pans Clemens V de T e m p e 1-H e e r e n van dit
123
alles beticlitte. — Welk denkbeeld, zeg ik, de Profaan zieli ook moge vormen van onze Orde, wanneer hij werkelijk de waarheid zou willen onderzoeken, dan zou hij die met eene geringe moeite kunneii leeren kennen en, zelfs zonder in de Orde te treden, zoo al niet hare gebruiken en zinnebeelden , dan toch haren aard leeren ontdekken en zich van haar verheven Christelijk karakter overtuigen.
Om dit doel te bereiken, zou het volkomen voldoende zijn, indien de Profaan, die niets anders van hooren zeggen weet, dan dat de Orde den H. J o h a n n e s tot Patroon heeft, en dat hare Leden een Woord en een Licht zoeken, zich aanmeldde om in de Orde te worden opgenomen. — Wordt hem nu, na gedaan onderzoek de toelating vergund, dan wordt hij, op den dag der aanneming, geleid in het voorvertrek, waar hij gedurende eenigen tijd wordt alleen gelaten. — In dit vertrek vindt hij op eene tafel, voor welke men hem laat neerzitten, tusschen twee brandende waskaarsen, eeneu Bijbel, opengeslagen bij het St. Johannes Evangelie.
Indien hij nu zou volharden bij zijn voornemen, om voor altoos aan de Orde den rug te keeren, dan staat het hem volkomen vrij terug te treden, en dit te kennen te geven aan den Broeder Preparateur, die hem weder uitlaat zonder den minsten aandrang te be proeven, en waarlijk, hij zou wel door eene onverbeterlijke lasterzucht bezield moeten zijn, indien hij na deze proef nog tegen de Orde vooringenomen bleef.
Heeft hij echter besloten in de Orde te treden, dan wordt hij met het gebruikelijke ceremonieel tot Broeder aangenomen, waarbij hij den eed van geheimhouding aflegt op de H e i 1 i g e Schrift.— Nadat dit heeft plaats gehad, wordt hem mededeeling gedaan eerst van het herkenningsteeken, — waarin hij met eeuige opmerkzaamheid een gedeelte van het Kruisteekeu moet herkennen, — en daarna van het herkenningswoord, hetwelk, zooals ik reeds vroeger zeide, beteekent: God heeft mij geschapen.
Bij het onderricht dat nu volgt, wordt hem geleerd, dat onze Geest, hoe helder lichtend ook in zich zeiven ah van God uitgegaan, toch besloten is in het duistere omhulsel van een stoifelijk lichaam, van welks knellende banden hij zooveel mogelijk moet worden bevrijd, — dat wij daarom alle overdaad en genotzucht bestrijden en in ootmoed en nederigheid leven moeten, ons vergelijkende bij eeneu ongevormden , ruwen steen, die tot den bouw des Geestelijken Tempels moet worden geschikt gemaakt, den moeielijken arbeid, welken wij moeten verrichten in het geheim, dat is niet met uiterlijke vertoo-uing, maar in de stilte van ons eigen hart; — dat die zware arbeid bestaat in het beteugelen onzer driften en hartstochten, en de overwinning van ons zelfzuchtig 11c; —dat in het medegedeelde Woord de geschiedenis is vervat van het ontstaan des Hrclals; — dat in dit Woord, verbonden met het beeld van den nog wanstaltigen, tot den bouw des Tempels, als voorstelling der belijdenis van den waren
124
Godsdienst, niet alleeu de schepping in hare volmaaktheid, maar ook de ontaarding van den mensch zich afspiegelt; — dat hij het Licht zal ontvangen, in hetwelk onze lletr God en Ordes Groot-Meesür Jezns Christus verschenen is, dat glansrijk ongeschapen Licht, hetwelk van Hem getuigt, die onze eenige Leidsman is en in wiens kracht wij alles vermogen; — dat wij daarom getrouw moeten zijn aan de 11 aarheid, de wapenen des Geloofs aangorden, en ons toevertrouwen aan de hoede der onvergankelijke Liefde-, — dat, even als onze namen worden ingeschreven in het boek der Orde, zoo ook, wanneer wij getrouw zijn, onze namen zullen worden opgeschreven in het Boek des eeuwigen Levens door onzen Meester, die ons allen bij name roept, dien wij moeten liefhebben, gelijk hij ons eerst heeft liefgehad, en in wien wij moeten blijven als in den waren wijnstok, van welken wij niets meer zijn dan de ranken, daar wij zonder li e m niets vermogen; — dat daarom wij, in wie, — daar de Oostersche Wijzen reeds zooveel hadden verkregen in de openbaring der Natuur, en de Joden in de met woorden der men-schelijke taal uitgedrukte belofte, — die belofte geheel is vervuld door de VereeniyiiKj, waarvan de vlammende Ster getuigt, even als onze Goddelijke Meester Jezus Christus niet door eigen kracht werkte, bij al onzen arbeid steeds den blik moeten verheffen tot, den Opper Bon w-M e e s t e r.
Wanneer men deze onderrichting niet slechts eenmaal ontvangen, maar, gedurende eenen langen loopbaan, zelf dikwijls aan minder gevorde Broeders gegeven heeft, dan waarlijk, kan men slechts in de algeheele ontaarding eener Moeder-Loge, zooals de Royale York te Berlijn, verschooning vinden voor het feit, dat een tot dit verbasterde stelsel behoorende Broeder, zooals de schrijver van S a r s e n a durft zeggen: „over het doel der Orde en hara geheimen wordt nimmer gehandeld.quot;
Het is inderdaad geen wonder, dat dergelijke uitingen van eenen V r ij-M etselaar, die verklaart even als ik gedurende bijna eene halve eenw te hebben gearbeid, nog veel meer dan de kinderachtige geheimkramerij van onwetende Broeders, die zich slechts in de Orde lieten opnemen ter bevordering van hun maatschappelijk belang, of wel omdat het tot den goeden toon behoort, de dwaze veroordeelen tegen de Orde moeten versterken, en aan den boosaardigen laster eenen schijn van waarheid bijzetten, en onverklaarbaar inderdaad
125
is liet gebrek aan doorzicht, neen, de volslagene blindheid van zoo-danlgen Broeder.
Ik herhaal hier nog eenmaal, dat de Profaan, die niet verder was gekomen dan tot in het voorvertrek eener Loge, en zich daarop, indien hij bij voorbeeld een hardnekkig Atheist ware, zou hebben teruggetrokken, reeds volkomen voldoende omtrent het zoogenaamd f/cheime doel dèr Orde zou zijn ingelicht, daar het Geheim hier slechts in naam bestaat, op dezelfde wijze als bij voorbeeld in de Roomsch Katholieke Kerk nog altoos wordt gesproken van het Mysterie der H. Mis, niettegenstaande de geheele leer dier Kerk, niet alleen dooide Canoues et Decreta, maar ook door den algemeen verkrijgbaren Katechismus openbaar bekend is.
Zoodra toch de zoekende in het voorvertrek heeft plaats genomen, wordt zijn blik getroffen door het H. Evangelie van St. Johannes, en hier leest hij dan;
„In het begin was het Woord, en het Woord was bij God, „en het W oord w as God.
„Dit was in het begin bij God.
„Alles is door hetzelve gemaakt, en zonder dat is er niets ge-„maakt van alles wat gemaakt is.
„In hetzelve was het leven, en het leven was het Licht der „Menschen.
„En het Licht schijnt in de duisternis, en de duisternis heeft „het niet begrepen.
„Dit was het waarachtige Licht, verlichtende iederen Mensch „bij zijne komst in de Wereld.
„Hij was in de Wereld en de Wereld is door Hem gemaakt, „en de Wereld heeft H e m niet gekend.
„H ij kwam in zijn eigendom en de zijnen hebben H e m niet „aangenomen.
„Maar aan allen die Hem aangenomen hebben, heeft Hij de „Macht gegeven om kinderen Gods te worden.quot;
„En het Woord is vleesch geworden, en heeft onder ons ge-„woond, en wij hebben Zijne Glorie gezien, eene Glorie als van den „Eengeborenen des Vaders, vol van genade en waarheid.quot;
„Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komen en „zeide: „ziet daar het Lam Gods, die wegneemt de zonde der „ „Wereld.
„„Dit is Hij van wien ik sprak: Na mij komt er een man, die (.„voor mij gesteld is, want Hij was voor mij.
„En Johannes getuigde zeggende; „Ik heb den Geest, gelijk „„eene duif van den Hemel zien nederdalen, en hij bleef op Hem.
126
„„Ik kende Hem niet, maar Hij die mij gezonden heeft, om «„met water te doopen, zeide mij: „Op wien gijquot; den Geest zult zien „„„nederdalen en op hem blijven, deze is het die doopt met den „„„Heiligen Geest.
„„Ik heb het gezien en ik heb getuigenis gegeven, dat Hij de „„Zoon Gods is.
In datgene wat hem hier, nog vóór hij door eenigen band aan de Orde is verbonden of eenige de minste verplichting tegenover haar op zich genomen heeft, ter lezing wordt gegeven, vindt d? zoekende al dadelijk opheldering waarom de Loyeaan St. Johannes Baptist us is gewijd, en — hetgeen hij licht ook al van hooren zeggen weet — het feest van dezen eersten Martelaar voor het Evangelie, door de Orde met zooveel plechtigheid wordt gevierd als het feest van het volle Licht, wanneer de als het afbeeldsel hiervan beschouwde zon haar hoogste standpunt heeft bereikt. — Hij leert reeds hier wat er wordt verstaan onder het Woord, namelijk dat eeuwige Woord, hetwelk het grenzeloos Heelal in het aanzijn roept cu in het gemoed van den Mensch getuigenis geeft. — Tevens ziet hij dat het Licht, hetwelk door de Orde vereerd of zoo men wil aangebeden wordt, niets minder is dan een geschapen licht, waardoor de Orde, -—• zooals het zelfs wel door onkundige Broeders is voorgesteld, — eene soort van verouderden Natuurdienst zou zijn, maar dat bovennatuurlijk zuiver onstoffelijk Licht aan hetwelk de Mensch zijne inenschheid te danken heeft. — Eindelijk wordt het hem duidelijk, dat dit Woord niets anders is dan het Woord dc-i Leven*, het Licht der Wereld, verpersoonlijkt in onzen Heer God Jezus Christus.
Is nu, ik herhaal het, de zoekende Profaan niet een volslagen Materialist, die alle denkbeelden welke zich boven de tastbare stof verheffen als zoovele bewijzen beschouwt vau eene krankzinnigheid, die, zooals bijna een vierde eeuw geleden, zekere leould he geestige schrijver omtrent de onderzoekers van het toen zeer veel besproken wordend Spiritismus, aanraadde, door gedwongen beweging en koude baden moet worden genezen, of is hij geen rechtzinnig Mozdkt, die het Kruis als de afschuwelijkste ergernis beschouwt, dan zal hij zeker niet terugtreden, maar, hoedanig ook to: hiertoe zijn gevoelen moge zijn geweest, zicli aangetrokken gevoelen, om, door zijne opneming in de Orde, gelegenheid te vinden tot een verder onderzoek hoedanig deze verhevene zuiver supernaturalistisclie leer in de Loye in toepassing wordt gebracht.
Heeft nu zijne inwijding plaats g-ehad, dan ontvangt hij reeds in den eersten Graad lessen van matigheid, ootmoed, nederigheid, zeil beheersching, waarheidsmin, geloofsvertrouwen en menschenlief\'de; allen , Christelijke deugden, die wij alleen dan, zonder zelfzuchtige bedoelingen kunnen betrachten, wanneer wij worden bestraald door het Kaaracltie/ Licht, van hetwelk de Patroon onzer Orde heeft
getuigd en het eemoig W oord ook in ons binnenste vernomen wordt.
Waarlijk, men moot wel door eene opzettelijke baatzuclitige hoos-aardiglieid zijn bezield, om reeds na dit weinige het streven der Orde nog te blijven miskennen.
r
Hoe onbeduidend ook de Graad van Gezel uit haren aard moet schijnen, daar hij beteekent het in praktijk brengen van datgene wat den tot dezen tweeden Graad bevorderden Broeder als Leerling werd onderwezen, vindt hij hier toch den cubieksteen, op welken de gereedschappen worden geslepen, en wordt hem geleerd dat de Orde eene Maatschappij vertegenwoordigt, in welke vrede, waarheid en eendracht wonen en die zich over de gcheele wereld moet uitstrekken, alsook dat hij boven alles nijd, laster en onmatigheid vlieden
en met ijver en bedachtzaamheid arbeiden moet.
■
Dc onbeduidendheid, die aan dezen Graad wordt verweten, is dus eigenlijk, slechts schijnbaar en bestaat alleen voor die Broeders die, aangelokt door een vertoon van geheimzinnigheid, zich alleen uit ijdele nieuwsgierigheid tot Vrij-Metselaar lieten aannemen, of wel in dc betrekkingen, die zij door hun lidmaatschap kunnen aanknoopen, de bevordering hunner maatschappelijke belangen en stollelijke ondersteuning zoeken.
Hoezeer dan ook al geen verheven, toch is de Slijpsteen een zeer beteekenisvol eu practisch beeld, waaruit de Gezel moet leeren dat hij, om voortdurend in staat te zijn tot de beoefening der deugden, die hem gedurende zijn leerlingschap werden ten plicht gesteld, — evenals de Stemhouicer zijne gereedschappen voortdurend moet slijpen, indien hij geen gebrekkigen, doel- en vmchteloozen arbeid verrichton en zich niet, zonder eenig voordeel voor zich zeiven, tot uitputting toe vermoeien wil, — zijn Christus-zin onophoudelijk moet scherpen door zijne handelingen zonder onderscheid te toetsen aan het Woord. — Zoo ook leert hem het paswoord in dezen Graad dat hij moet worden tot eene dier vruchtbare korenaren die, bij den oogst, in de schuren worden verzameld, welk doel hij dan alleen kan bereiken wanneer het herkenningswoord in hem waarheid is, en hij zijne sterkte vindt in God.
128
Reeds in het vorige gedeelte mijner verklaring sprak ik van de Lijkkist, door wier aanblik de Candidaat tot den Graad van Meester wordt getroffen bij zijne intrede in de Loye, die een tooneel van dood en vergankelijkheid schijnt te vertoonen. — Bij het flauwe licht van eene in een doodshoofd brandende lamp wordt de Candidaat in de lijkkist neergelegd en met een doodkleed overdekt, terwijl, wanneer hij bij het ontvangen van het, Meesterwoord, daaruit wordt opgericht, hem in de helder verlichte Loye de Vlammende Ster tegenschittert, en hij den Accacia-ivk- ontvangt.
Nu wordt hem in den Kathechismus geleerd: dat die Vlammende Ster het zinnebeeld is van het Opperwezen, dat ver boven alle aardsche grootheid is verheven in heerlijkheid; — dat wij ons voor dezen oorsprong van ons bestaan moeten verootmoedigen; — dat op ons de heilige verplichting rust, om onze verarmde Broeders naar ons vermogen te verzorgen en hen deelnemend met wijzen raad bij te staan; — eindelijk, dat wij alles moeten aanwenden om vrede te stichten en eene onverbrekelijke eendracht te bewaren. — Het teeken met den hamer wordt hem verklaard als een beeld der roeping van den Mensch, omdat daar de ziellooze stof eenen klank geeft wanneer er op geslagen wordt, zooveel te meer de redelijke Mensch, door zijne daden, eeuen weerklank moet geven op het Goddelijke Woord en openlijk zijnen Schepper eer moet toebrengen met een rein hart hetwelk aan God als een heilige Tempel behoort te zijn toegewijd. — De benaming van Zonen der Wedwce, aan de Yrij-Metselaars gegeven, wordt hem gezegd daarvan af te stammen dat Adonhiram. de zoon was eener weduwe, die, na den aan den Meester ge-pleegden moord, door de Broeders werd onderhouden.
De soort van lijkplechtigheid, die aan den Candidaat-Meester wordt verricht, wordt veelal gehouden voor eene dramatische voorstelling van den moord, gepleegd aan den Hoog Waardigen Groot-Meester Jacques Bernard de Molay van de Orde der Tempel-Heeren.
129
— Hoe vereerenswaardig nu de nagedachtenis van dezen martelaar van de meest materialistische en dus allerlaagste hartstochten, van toomelooze heersch- en hebzucht ook moge wezen, heeft de hier gepleegde handeling eene veel meer verhevene beteekenis. — Die ontegenzeggelijk indrukwekkende plechtigheid is eene zinnebeeldige voorstelling van den overgang uit de duisternis van het graf, in hetwelk wij, ten gevolge onzer ontaarding, door den storm der driften, — voorgesteld door de slagen die den Candidaat worden toegebracht, — worden gedompeld, tot het Licht des eeuwigen levens, in hetwelk wij van aangezicht tot aangezicht de heerlijkheid zullen zien van God.
De geheele handeling is dus niets anders dan een zielverheffend beeld der Opstanding, van welke onze Groot-Meester ons de verzekering heeft gegeven, voorgesteld in de opwekking van Lazarus, zooals wij die beschreven vinden in het H. Evanyelie van St. Johannes in het Xle Hoofdstuk. — Dat het dit feit is op hetwelk, als op een feitelijk bewijs voor de mogelijkheid der Opstanding, de Orde in dezen Graad het oog heeft, blijkt volkomen daaruit dat, volgens Vs. 39 van het zooeven aangehaalde Hoofdstuk, omtrent het lijk van Lazarus, de opmerking tot Jezus werd gericht dat het reeds in ontbinding was overgegaan, waarmede de beteekenis van het Meester-woord overeenstemt.
Onder dit beeld moet de vrij en onbevangen denkende Broeder al spoedig eene toespeling vermoeden op den dood en de opstanding van onzen Goddelijken Groot-Meester, als zou deze onder de legende van Adonhiram zijn verborgen, en in deze opvatting moet hij nog versterkt worden wanneer hij den oorsprong verneemt der benaming van Zonen der Weduwe, daar hem, bij eenig nadenken, de overeenkomst moet treffen der, volgens de woorden van den aan het Kruis stervenden Jezus in het 11. Evangelie van S. Johannes, Hoofdstuk XIX: 26 amp; 27, zeer aannemelijke Kerk-legende, volgens welke de H. Moeder-Maagd, tijdens den dood van onzen Verlosser reeds Weduwe zou zijn geweest.
Wat nu de zedelijke onderrichtingen betreifen, die in dezen Graad worden gegeven, zal wel niemand onbeschaamd genoeg zijn om openlijk te betwisten dat de betrachting der hier opgelegde plichten niets anders is dan het beoefenen der Christelijke Deugden.
t
Alles wat in den Meester-Graad is onderwezen, wordt nader toegelicht in den nu volgenden vierden Graad van Volmaakt Meester of Schot, in welken de geroepene candidaat belooft ten allen tijde die
9
130
deugden, welke de V r ij-M e t s e 1 a r ij voorschrijft, in ootmoed te zullen betrachten. — Hier leert hij in den naam van Jehova ook het ware, nimmer verloren gegane Meesterwoord, hetwelk niets anders is dan de erkenning van het eeuwig Opperwezen. — Vervolgens wordt hem gezegd, dat hij met eenen strop werd binnengeleid, als een teeken, dat hij niet moet schromen voor de allerdiepste vernedering, wanneer deze dienstbaar is om hem te brengen tot zijnen G r o o t-M e e s t e r, wiens Goddelijk Evangelie den vasten grondslag der Orde uitmaakt, en tevens dat het groene schootsvel en het groene Ordelint de hoop uitdrukken, waarin hij geen oogenblik moet verflauwen , om door de getrouwe en standvastige beoefening der Evangelische deugden tot volkomenheid te geraken. Eindelijk wordt hem nog geleerd, dat de drie Vrij-Metselaarsslagen de aanduiding zijn van het geloof der Orde in de H. Drieëenheid, en dit wel ter herinnering aan de drie boven alles gewichtige gebeurtenissen, namelijk de Schepping van den Mensch door den Vader, de Verlossing door den Zoon, en de Verlichting door den H. Geest, alsook dat die drie slagen zinspelen op het vermoorden van den rechtvaardigen Abel, van den H. Johannes den Dooper en van onzen Heer God Jezus Christus. — Ten slotte verneemt hij, als debeteekenis van den .Iccacia-iak bij den waren Meester bekend, dat, volgens de legende, het Kruis waaraan onze Goddelijke Groot-Meester stierf, zou zijn gemaakt geweest van Acaciahout, welk Kruis ons ten zegen is, en daarom in de Logeteekens bij gedeelten wordt voorgesteld.
Heeds in deze eerste der hoogere graden, vertoont zich het volkomen Christelijke karakter der V r ij-M etselarij in een schitterend Licht, hetwelk nog in glans toeneemt, naarmate men opklimt tot de waardigheid van volkomen V r ij-M etselaar.
Reeds hier kan er geen twijfel meer bestaan of het Woord, hetwelk in de Orde wordt gezocht, is het Geloof in eenen eeuwigen almaehtigen God, als Schepper van het Heelal, in eene H. Drieeenheid, in de Verlossing door onzen G r o o t-M e e s t e r en Heer God Jezus Christus, en in de heiligende kracht van hetZ/w/s door de verlichting van den Heiligen Geest, in wiens vlekkeloos Licht wij den boven alles verheven God leeren kennen als onze Vader, tot wien wij moeten komen langs moeielijke paden, zonder schroom ook voor de diepste vernedering welke de Profane Wereld ons kan aandoen, ja, al moeten wij ook gelijk de heldhaftige Patroon onzer Orde, St. Johannes, ons leven aan de Waarheid ten ofl\'er brengen.
131
Dit Geloof is door Bijgeloof en daaruit voortspruitend Ongeloof dermate verduisterd, dat men liet ware Woord als grootendeels verloren en slechts door weinigen bewaard mag bescliouwen.
Den Broeder, die eenmaal tot de Hooge of Schotsche Loge geroepen is, staat liet vrij zich aan te melden om bevorderd te worden tot Ziearte Broeder.
In dezen Graad vertoont de Loge zich, even als in den St. J o-h a n n e s Meestergraad, geheel zwart bekleed, maar zij wordt verlicht door eene lantaarn en eene brandende lamp, welke laatste, benevens de Kroon én het Zwaard, op het altaar is geplaatst, terwijl het teeken niet wordt gegeven met den hamer maar met een klokje of bel.
Voor hij in de Loge binnen treedt, wordt den zoekende een dergelijk klokje en eene lantaarn ter hand gesteld. — Is hij nu toegelaten en, nadat hij, altoos op de Heilige Schrift, de vernieuwde gelofte, bijna even als in de vorige Graden, heeft afgelegd, in dezen Graad aangenomen, dan ontvangt hij achtereenvolgens een schootsvel, op hetwelk vier rozen zijn voorgesteld, eenen dolk aan eenen zwart en wit gestreep-ten schouderband, een zilveren doodshoofd, hetwelk aan een zwart «n wit lint om den hals gedragen wordt.
Thans wordt hem geleerd, dat de dolk het zinnebeeld is van den strijd, dien hij verplicht is te voeren tegen alle gewelddadigheid,— dat de Broeders onwaardig zouden zijn om hunnen Meester te vinden, indien zij zich dit geluk niet ten nutte maakten, om hem door daden de hoogste eer te bewijzen; — dat onze vrome Vaderen wandelden te midden van de verschrikkingen der duisternis en tot de graven der dooden moesten gaan, om hunnen vurig beminden Meester te zoeken; — dat de drie zwaarden op het altaar en de tafel geplaatst, dienen, om ons te herinneren dat wij als Bidders, rustig Onder ieder, ook het allerdreigendste gevaar, voortdurend moeten strijden tegen de vijanden der Waarheid, — eindelijk dat de Kroon de tegenwoordigheid verbeeldt van Salomo (de Wijsheid).
132 t
Oppervlakkig moge het slechts als eene eenigszins vreemde afwijking in het overigens schitterende ceremonieel der Orde beschouwd worden, dat deze duistere Loye slechts verlicht is door eene lantaarn en eene brandende lamp op het altaar, maar dit staat in het allernauwste verband met de Christus-Geschiedenis.
Het geheele duistere voorkomen der Loge zinspeelt op de duisternis van den vloeknacht, in welken de macht der duisternis of des stofs zegevierde over Hem die een Licht is op ons pad en eene lamp voor onzen voet, afgebeeld door de lamp op het altaar.
In dien feestnacht van den afgrond werd onze Goddelijke Groot-Meester verraden en kwam de gewapende bende van den Hoogen Priester met lantaarneu, om Hem te zoeken.
Even zoo als nu dit beulengebroed Hem kwam zoeken in de duisternis van het nachtelijk uur, om li e m over te leveren aan liet naar Zijn bloed dorstende schijnheilige Priesterroi, even zoo moeten ook wij Hem zoeken op donkere en moeielijke paden, te midden van de duisternis der Profane wereld, om Hem te volgen en door eene onvoorwaardelijke toewijding te vereeren.
Ook de vier rozen op het schootsvel staan in verband met de Vtrlomny die wij uit genade ontvangen. — Van de vroegste tijden af aan was de roos het zinnebeeld der Genade, en zij heeft nog tegenwoordig deze zelfde mystieke beteekenis in de Eoomsche Kalholijke Kerk, zooals overtuigend blijkt uit de Litanie van O. L. V. van Loretto, waar de H. Moeder-Maagd wordt begroet met de namen Mater Divinae Gratiae (Moeder der Goddelijke Genade) en Rosa mystica (geheimzinnige roos).
De dolk en het doodshoofd doen zien dat deze graad afkomstig is van de uit de aloude Wapenbroederschap van het Ware Kruis voortgesproten Heilige Vehnie, bestemd ter vernietiging van alle zoowel geestelijke als wereldlijke willekeurige, dat is revolutionaire Dwingelandij, waarvan de Hooge Priester, die te dier tijde het wereldlijke met het kerkelijke gezag vereenigde, de voorstelling is; dat de band aan welke beiden gedragen worden, zwart en wit is, ziet terug op den Bean-Seant, de Standaard der Tempel-Heeren, zwart en wit met een rood Kruis.
Het onderricht, dat onze vrome Vaderen wandelden in schrik en duisternis, is eene voorstelling van de vervolging der eerste Christenen , het Christendom der Catacomben.
Eindelijk is de Kroon een zinnebeeld van God, hier voorgesteld onder den Hebreeuwschen naam van Salomo die de Wijsheid beteekent.
133 t
Wanneer nu een Zwarte Broeder bevorderd wordt tot SchoUch Meester en Ridder van St. Andreas, dan wordt liem, nadat hij in het voorvertrek, in handen van den geleidenden Broeder, de beide eerste geloften, op het JI. Evangelie van St. Johannes, heeft afgelegd , de strop om den hals geslagen. — In de Loge gekomen ontvangt hij, zoo als ik reeds heb gezegd, den Eidderslag, en wordt daarop de schijnbeweging gemaakt alsof men hem wilde ophangen, waarop hij wordt aangenomen en de laatste gelofte aflegt. — Nadat hij vervolgens den rooden schouderband met de vlammende ster heeft ontvangen, verneemt hij, dat de ware beteekenis der letter G in het midden der vlammende ster geen andere is dan Golgotha. — Verder wordt hem geleerd, dat de eenige ware Tempel Gods verwoest en bedorven is, maar dat wij vertroost worden door de hoop van denzelven eenmaal in zijnen vollen luister te zullen herstellen, daar de grondsteen, rustende op het graf van onzen Meester, en op welken het eenige ware Meesterwoord is gebeiteld, in het midden van eenen driehoek ongeschonden is gebleven; — dat de beelden van den Engel, den Leeuw, den Os en den Arend de pilaren des Tempels versieren; — dat de twaalf lichten de twaalf oudste Bouwmeesters voorstellen, — dat wij den muur van geweld en bedrog moeten afbreken en ons hart moeten maken tot eenen Tempel der ware Godsvrucht en der Vrijheid, waarmede wij door onzen Goddelijken Meester zijn vrij gemaakt; — eindelijk dat wij dezen Meester in onschuld en heldenmoed gelijk moeten worden.
t
• • •
Voor iederen Profaan, die ten minste, al mocht hij ook een onverzettelijke Atheïst zijn, in de Christologie geen volslagen vreemdeling is, moet het zonneklaar worden, dat deze Graad, welke de waardigheid van Ridder van den Tempel vertegenwoordigt, geheel en onvermengd berust op den Christeüjkeu grondslag, die alleen nog als zinnebeeld met de legende van A d o n h i r a m wordt in verband gebracht.
13
De strop, waarmeee de Candidaat in de Lotje wordt gevoerd, is de voorstelling der touwen, waarmede onze Goddelijke G r o o t-Meester door de bende van den Hoogen Priester werd gekneveld, en de schijnbeweging van hem op te hangen, vertegenwoordigt de mishandelingen die hem werden aangedaan, toen H ij door Priesters en Schriftgeleerden werd ter verantwoording geroepen.
Het Orde-lint, de roode Stola (schouderband), is hetzelfde als in de Wapenbroederschap van het Ware Kruis; het wordt gedragen van den rechter schouder naar de linker zijde, ter herinnering aan de doorstoken zijde van onzen Groot-Meester, en vertoont de kleur des Offerbloeds van hem als het Lam Gods, vergoten op Golyotha, terwijl de vijf punten van het Ordejuweel, de vlammende Ster,. Zijne vijf wonden vertegenwoordigen en de omringende vlammen herinneren aan den ijvergloed voor de eer van onzen Groot-Meester, die ons bezielen en vuur en vlammen doen trotseeren moet.
Het St. Andreas Kruis aan het groene lint, het Ordeversiersel der VolmaaMe Meesters prijkt in dezen Graad met eepe Zon, ten teeken, dat door de opstanding uit den dood van onzen eénigen Meester ons het volle Licht der Hoop is geschonken.
De bedorven toestand van den Tempel beteekent de verbastering der alleen ware Kerk van onzen Heer God Jezus Christus door menschelijke leerstellingen en Secten verdeeldheid; welk eeniga ware boven geloofsstrijd verheven Kerk, de Orde geroepen is te herstellen.
De Grondsteen des Tempels, die onbeschadigd gebleven is, en op welken de Heilige Drieëenheid is voorgesteld, verbeeldt de Kerk, gesticht door Jezus Christus, en gevestigd op het graf van Hem die de eenige hoeksteen is van ons Geloof, onze Hoop en onze Liefde.
De beelden van Engel, L^eemo, Os en Arend, met welke de on-dersteunkolommen des Tempels zijn versierd, zijn de algemeen bekende afbeeldingen der vier Evangeliën, in welke uitsluitend het ware Woord is vervat.
De twaalf lichten stellen de twaalf Apostelen voor, door wier arbeid de Kerk Gods is gebouwd.
Het geweld en bedrog, welks vesting wij moeten slopen, is nog altoos hetzelfde als waardoor onze Groot-Meester werd geklonken aan het Kruis, dat ook in de Eoomsch Katholieke kerk en wel meer bepaald in de Litanie van het H. Kruis, wordt begroet met den naam Destructio Superhorum, dat is de verdelging dergenen die uit hoogmoed geweld en bedrog plegen.
Eindelijk is de los, dat wij onzen Groot-Meester moeten gelijk worden, niets anders dan de weerklank der woorden van den V e r-losser, dat zijne leerlingen even als Hij moeten volmaakt worden, gelijk hun Hemelsche Vader volmaakt is.
135
JHS
Reeds in het voorafgegane gedeelte mijner verklaring lieb ik gezegd, dat de nu volgende graad van Sehotsclu; Oud- en Opper-Meester, onder den veelvermogenden invloed der Societeit van Jezus, doorliet in haren boezem gekweekte, uit Coadjutoren temporalis (wereldlijke of tijdelijke helpers) van dit Geheime Priestergenootsehap samen gestelde stelsel der Strikte Observantie, in de Schotsehe Loge is tus-schen geschoven, met het doel om onder den alle vermoeden schijnbaar onmogelijk makenden toovermantel der Vrij-Metselarij het streven der Societeit te bevorderen.
De Ordegelofte in dezen Graad stemt volkomen overeen met de beginselen der Societeit van Jezus, daar zij den Broeder verbindt tot volstrekte verloochening van eigen individueele zelfstandigheid, blinde onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan de hem gegeven wordende bevelen, en absolute geheimhouding van al datgene wat hem zal worden meegedeeld, zelfs tegenover den G r o o t-M e e s t e r der Orde.
Voor het overige blijft in deze vuurkleurige Loge alles even geheimzinnig en wordt den nieuw aangenomen Broeder niets ter wereld anders medegedeeld dan ijdele raadsels.
Zoo mag — om te beginnen — hij niets weten van de uitlegging die aan de verschillende punten van den door hem afgelegden Eed wordt gegeven.
Hij mag de reden niet kennen waarom hem is afgevraagd of hij ook eenige andere verbintenis van welken aard ook heeft aangegaan. — De Meester van den Stoel die vier m a a 1 Eerwaardige wordt genoemd, mag hem de beteekenis van het heilige ZeventvA. niet ontvouwen; — de verborgen beteekenis van de verwoesting des Tempels mag hij niet kennen; — de zin der hieroglyphen en cere-monien moet hem duister blijven; — hij moet onwetend blijven omtrent den tijd op welken de Orde ten prooi aan vervolging is geweest; — hij mag niet weten wat de vier kaarsen, de daarnevens geplaatste letters en de zeven sterren rondom de vlammende ster beduiden; — eindelijk blijft\' de inhoud der vergulde kist, die het graf van A d o n h i r a m schijnt voor te stellen , hem een ondoordringbaar geheim.
136
J H S.
Deze tusscheugesclioveu Graad, die, blijkens den plickt van ge-lieimhouding zelfs tegenover den Groot-Meester, een van de Orde der V r ij - M e t s e 1 a a r s volkomen onafhankelijk geheel op zich zeiven staand, zich alleen onder den schijn van Vrij-Metselarij verbergend, geheim Genootschap vormt, staat geheel op een uitsluitend Clericaal standpunt.
Dat de nieuwe broeder zelfs de strekking van den door hem af-gelegden eed niet mag kennen is eene in de zich door de grondigste menschenkennis onderscheidende Societeit van Jesjes zeer gewone voorzichtigheid. — Immers zoolang men zijn hart niet tot in deszelfs diepste schuilhoeken heeft kunnen doorgronden zou het gevaarlijk kunnen zijn hem te leeren hoedanig in eeuige gegevene omstandigheid die eed zou kunnen worden toegepast. Eerst dan wanneer men tot de volle overtuiging is geraakt dat hij voor niets, onverschillig wat het zijn moge, zal terugdeinzen, dat hij ieder persoonlijk gevoel voor goed heeft gesmoord, dat hij bereid is ieder hem gegeven bevel welk ook, te volbrengen en daarbij den moed bezit, om, zoo noodig, daarvoor zijn leven te wagen, dat hij in één woord is gewerden als een 1 ij k, dan eerst is hij waardig, te naderen tot den Gélitimm Raad en daar te vernemen wat van hem in een zich voordoend geval kan worden geëischt.
Om dezelfde reden mag hij ook, niet weten waarom iedere andere verbintenis, zelfs die des Huwelijks, een beletsel zou zijn geweest tegen zijne opname in dezen Graad, daar iedere verklaring hiervan hem zon doen zien dat hij Zeete-broeder eener Priesterlijke Orde is geworden, in plaats van, zooals het heeten moet. Commandeur in eene militaire Ridderschap.
De verborgene beteekenis van de verwoesting des Tempels mag hij niet kennen omdat die gebeurtenis hier zinspeelt op de verdrijving der Jesuit en in 1767, sedert welken tijd deze Orde bleef voortbestaan onder den schijn van een bijzonder stelsel van Vrij-Metselarij, die zij bezigde als een schild tegen de vervolginge\'.i, van welke den Nieuweling zelfs de tijd niet mag worden gezegd, omdat hij hierdoor de waarheid op het spoor zou kunnen komen.
De zeven sterren rondom de vlammende ster zijn, even als het heilige zevental in het algemeen, de verschillende rangen in de Pauselijke HierarcMe (rangorde), de Vlammende Ster zelve echter, met de den Italiaanschen naam G e s u beteekenende letter G in het midden verbeeldt hier de Societeit van Jezus, die bestaan kan zonder de andere sterren daar zij is als de Zou, om welke de planeten, die gezamenlijk de Kerk uitmaken, zich rondwentelen.
De vier kaarsen beteekenen de in dit Genootschap ingewijden
137
van don hoogsteu Graad of Jesuit en van vier geloften, alsook de Yiereenheid van welke ik reeds vroeger heb gesproken.
De ook voor den ingewijden zeiven nog altoos geheimzinnige gouden kist is als een tabernakel waarin het Corpus Christi (het lichaam van Christus) het Allerheiligste Sacramtnt des Altaars volgens de leer lt;ler Roomsch Katholijke Kerk is besloten, daar het leerstuk der Traumihstantiatie (de overgang der H. Hostie in den levenden Jezus Christus) — welke stoffelijke hervorming moet plaats hebben dooide kracht der Sacramentale woorden: tiHoc enini est Corpus meumquot;, door het uitspreken waarvan de Priester bij ieder H. Misoffer het wonder verricht, door de Paters der Socieieii van Jezus bovenal tegen iedere bedenking staande houden wordt, even als ook het dogma der onbevlekte ontvangenis, volgens hetwelk de 11. Moeder-Maagd geeu deel had aan de ontaarde Menschelijke natuur, even zoo min als onze Heer God Jezus Christus zelf, welk leerstuk door den overwegenden invloed der veelvermogende Orde, ondanks alle tegenwerpingen zelfs vau de hoogste Geestelijken, door den Heiligen Stoel werd afgekondigd.
t
AAA
Eindelijk beu ik dan weer genaderd tot den Graad der Volkomen Vrijmetselaars, of Grootkruisen der Orde van St. Johannes, die van den voorafgaanden zoowel in vorm als in wezen geheel en al verschillend is.
Bij het openen der Lot/e wordt op de gewone tijdvragen door den Maarschalk geantwoord dat het de volmaakte tijd is, op Keihen de IVacJiters met schrik onticaakten.
Bij het voorbereidend onderzoek van den Candidaat wordt dezen door den Broeder Adsistent afgevraagd of hij bereid is zijnen even-mensch met goed en bloed bij te staan, en te leven eu te sterven in het eenige ware geloof.
Bij zijne aanneming legt hij de gelofte af op het XXIe Hoofdstuk der Openbaring van St. Johannes.
Het herkenningsteeken is de stand der aanbidding, wat de betee-kenis der woorden betreft heb ik deze reeds iu het vorige gedeelte mijner verklaring medegedeeld even als het Orde-teeken.
In de ophelderingen die hem nu gegeven worden leert hij dat de ruwe steen der Leerlingen beteekent de Goddelijke Openbaring der
138
Natuur, — de slijpsteen der Gezellen de Mozaïsche Wetgeving, — de trektafel der Meesters het H. Evangelie, — de drie kaarsen de H. Driecenheid, — de de vlammende ster liet verschijnsel hetwelk de Mayi leidde tot de lichamelijke aanschouwing van het op aarde neergedaald waarachtig Licht, — Adonhiram Onze Verlosser en Heer God Jezus Christus, — de drie moordenaars Ag Secten die den God-Mensch en eeuwigen Groot-Meester vervolgden, — dat St. Johannes als Patroon der Orde wordt erkend, omdat hij het eerst de H. Drieëenheid heeft aanschouwd, —eindelijk dat het aanroepen van de Zonen der Weduwe terugwijst op den Kindermoord te Bethlehem.
Wanneer do werkzaamheden zijn afgeloopen heft do Machtige Meester het Te Deum aan waarmee de Loge wordt gesloten.
*
AAA
Het allereerst wat bij de beschouwing van dezen Graad, die toch het volkomene in de Vrij-Metselarij daarstelt, terstond moet in het oog vallen is dat hij met den voorafgaanden in geen het allerminste verband staat, en omtrent deszelfs bijzondere hieroglyphen hoegenaamd geen opheldering geeft, maar zich integendeel rechtstreeks aan den Graad van SchoUchen Meester en Ridder van St. A n d r e a s aansluit.
Deze omstandigheid bewijst voldingend dat de vunrkleurige ten onrechte zoogenaamde Hooge Schotsche Loye der Oud— en Opper-Meesters niet anders is dan eene woekerplant op den stam der Ware Vrij-Metselarij, een tusschengeschoven Graad van welke de verklaring voor zooveel noodig, wordt gegeven in den aan onze vaak misbruikte Orde volstrekt vreemden Geheimen Raad van welken ik vroeger sprak.
In de volkomene Vrij-Metselarij is er met geen enkel woord sprake van een viertal of zevental van vier kaarsen of zeven sterren rondom de Vlammende Ster evenmin als van de vergulde kist of der-zelver geheimzinnige inhoud, en het is dus niet hier dat eenige verklaring omtrent deze vreemdsoortige slechts met een Maconniek vernis overstreken symbolen gegeven wordt, hetgeen zeker iedereu Ridder Grootkruis terstond moet doen inzien dat ieder die in de roode zoo kennelijk Priesterlijke Loge wordt toegelaten, daar met eene in der daad bewonderens-waardige list, op een dwaalspoor wordt geleid.
13ü
Hier vertoont de Vrij-Metselarij in hare volkomenheid haar zuiver Christelijk karakter in al de schitterende verhevenheid van het waarachtige Licht, hetwelk als het levenwekkende Woord in het binnenste van lederen Mensch wordt ontstoken.
Eeeds de aanduiding van den volmaakttu tijd als die op welken de Wachters met schrik ontwaakten toont op de ondnbbelzinnigste wijze dat hier sprake is van het oogenblik in hetwelk het vlekkelooze Licht opsteeg uit den zwarten nacht, en onze Goddelijke Verlosser Jezus Christus uit de duisternis van de Groeve der vertering in de schitterende stralen van het morgenlicht, als de Dageraad eener nieuwe wereld te voorschijn trad.
Bij het voorloopig onderzoek van den Candidaat, hetwelk aan zijne opname in het Hoog Kapittel voorafgaat, is er geen sprake hoegenaamd , — zooals in de roode Loge, — van vervreemding zelfs van Zijne Broeders, ja zelfs van den boven deze allen verheven Groot-Meester.
Welverre hiervandaan wordt hem integendeel op den allerernstig-sten toon de stellige verklaring afgeëischt of hij bereid is niet alleen voor zijne Orde Broeders maar voor zijne natuurgenooten in het algemeen alles wat hij bezit zelfs zijn leven ten offer te brengen, dat is met andere woorden het voorbeeld te volgen van onzen Goddelijken Meester, zelfs tot in den dood.
De Orde Gelofte die hij hier aflegt op het XXIe Hoofdstuk der Openbaring van St. Johannes, de Leermeester van Tume 1 ik, die de eigenlijke stichter was der Orde van het Ware Kruis, welke zich onder afwisselende vormen, als een gulden draad door de geheele geschiedenis van den Germaanschen stam slingert, — herinnert aan de beschrijving welke is terecht onder het beeld van eenen adelaar voorgestelde Apostel, de boezem- vriend van onzen Goddelijken G r o o t-Meester, in verheven Oosterschen stijl geeft van het eeuwige Eijk des Vredes, — die Gelofte is het onbetwistbaarste bewijs voor het eerste Geloof in Onsterflijkheid.
Het herkenningsteeken verbeeldt den stand van onzen eeuwigen Groot-Meester, toen hij in den Hof Gethsemane de hulp inriep van zijnen en onzen Hemelsehen Vader van wien Hij met het volste recht mocht zeggen; „God is mijne sterke muurquot; om* na door eenen Hemelbode versterkt te zijn, hierop te laten volgen: „God is mijn veroverd goed,quot; hetgeen door de woorden in dezen graad wordt uitgedrukt. — Verder wijst dit teeken ook nog op den stand des Goddelijken Lijders toen Hij aan den geeselpaal werd uitgerekt.
De onderrichting die den nieuwen Ridder Grootkruis wordt gegeven bewijst het principieel Geloof onzer Orde in God, niet alleen als Schepper maar ook als Rechter del\' wereld en dus aan de Verantwoording welke de Mensch eenmaal zal moeten afleggen van zijne levensdaden, in het H. Evangelie der Genade en dus aan de Verlossing door Jezus Christus, het icaaracJdig Licht, en daarmee in de H. Drieëenheid. — Het te hulp roepen van de
1-iO
Zonen der Weduwe, als terugwijzing op den Kindermoord aan welke niemand ontkwam dan onze Groot-Meester, gepaard aan de om-standigheid dat, volgens de legende de H. Moeder Maagd, bij den dood van haren Goddelijken Zoon Weduwe was, beteekentdat Hij de eenige Zoon der Weduwe is van wien alleen wij onze redding hopen.
De beteekenis der drie Lichten in den zin der drie Secten door welke onze Groot-Meester vervolgd werd ziet op de Pharizem als huichelende confessioneele geestdrijvers, de Sadduceén als Atheïsten, die, in eigen gerechtigheid en zelfgenoegzaamheid, hun eigen afgod waren, en de Herodianen als Slaafsche aanbidders van aardsche Grootheid.
Eindelijk stelt het witte Ordelint den witten Candidaats-toga voor met welken onze Goddelijke Groot-Meester door de bespotting van H e r o d e s werd bekleed.
Uit al het voorafgaande zal het wel voor een ieder, die geen absolute vreemdeling is in de geschiedenis der Evangelieleer volkomen duidelijk zijn geworden dat de Vrij-Metselarij niets anders is dan de leer van onzen Goddelijken Groot-Meester en Heer God Jezus Christus in denzelver oorspronkelijke zuiverheid, in een woord het Chridendoin der Catacomben, de lijdende Kerk der eerste eeuwen van onze jaartelling, toen de belijders van het Kruis zich, als wareS^ zij eene rooverbende, in ontoegankelijke schuilhoeken te midden der dikste duisternis verbergen en door alle bedenkelijke middelen waken moesten tegen valsclie Broeders, die ook reeds St. Paulus dikwijls in gevaar brachten.
Evenals de Roouisch, Katholieke Kerk genoemdwordtnaarSt. Petrus, zoo is de Vrij-Metselarij de Kerk van St. Johannes, die de Apostel der Liefde wordt genoemd
Maar, zoo zal nu de Profaan vragen, indien dit alies zoo is waartoe dient dan de geheimzinnigheid met welke de Orde zicü omhult?
Zeer gemakkelijk inderdaad is de beantwoording dezer schijnbaar zoo moeielijke vraag.
Het is niets anders dan een dwaas vooroordeel te willen beweren dat alles wat zich in het duister verbergt alleen daardoor reeds het onweerlegbaar bewijst geeft van zijn misdadig karakter, dat het daglicht niet kan verdragen; en inderdaad moet men zich verwonderen dat nog iemand den moed heeft met zoodanig argument te voorschijn te durven komen, wanneer men den blik vestigt op despotieke staten zooals Pruisen en Rusland, waar juist het edelste streven door
141
eene even almachtige als bandelooze politie als hoogverraad wordt vervolgd.
Zoolang het Mensobdom de aarde bewoont heeft de duisternis eenen verwoeden strijd gevoerd tegen het Licht. — Reeds in de tijden tot welke slechts de Sage opklimt waren de Broeders des Lichts genoodzaakt hunne heilleer van God, Onsterf 1 ijkheid en Verantwoording in het Geheim alleen aan ingewijden te verkondigen, om zich te vrijwaren tegen de slechts naar Stoffelijke Macht, overweldiging en teugelloos zingenot dorstende Dwingelandij.
Gedurende eeuwen moesten de Christenen zich verbergen en hunne heiligste Godsdienstige verrichtingen in het diepste Geheim uitoefenen, van waar nog in de Roomsch Katholieke Kerk wordt gesproken van het Geheim des Altaars, niettegenstaande de beteekenis en zelfs de woorden der Consecratie van het II. Misoffer niet alleen aan de Geloovigen maar even zoo goed aan de dissidenten volkomen openbaar bekend zijn.
Toen de gekroonde Moordenaar Keizer Karei de Groote de door zijne tallooze rooverbenden omstuwde zendelingen van een reeds diep verbasterd en tot verachtelijk werktuig van geweld en moord verlaagd Christendom naar Germanie zond, toen werden de belijders van het Ware Kruis gedwongen de zuivere leer, die zij hadden ontvangen tot eene geheimleer te maken.
Om zich nu tegen indringers te vrijwaren moesten zij hunne toevlucht nemen tot herkenningsteekenen en woorden, die bestemd waren om alleen aan de ingewijden toegang tot de vergaderingen te verschaffen.
Het eerste waarvan men zich in de Kerk der Catacomheu bediende was het li. te eken des Kruis es met het in de Roomsch Katholieke of Latijnsche Kerk nog altoos gebezigd wordende formulier: „In nomine Pat ris amp; Filii amp; Spiritui Sancti.quot; (In den naam des Vaders en des Zoons en des H. Geestes) waarop de aangesprokene dan antwoordde „Amenquot; (dit zij zoo.)
Toen echter dit herkenningsformulier ook aan de vervolgers dei-Christenen was bekend geworden en door dezen tot verraad werd misbruikt verloor het als zoodanig alle waarde van veiligheidsmaatregel, en moesten de Geloovigen bedacht zijn op het vinden van andere herkenningsteekens en paswoorden, die weer ten minste gedurende eenigen tijd hun uitsluitend bekend waren.
Voor alles wilde men dat deze nieuwe herkenningsteekens en woorden in een geheimzinnig verband zouden blijven met de grondwaarheid, en daarom koos men tot teeken eene beweging die eenig deel van het H. Kruis voorstelde, gepaard aan woorden die de belijdenis van eene of andere geloofswaarheid uitdrukt zooals: „God heeft mij geschapenquot; „Miju Verlosser leeft,quot; „God is mijn sterke muur„God is mijn veroverd goedquot; en dergelijke.
Welnu zoodanig zijn nog altoos de herkenningsteekens en woorden
142
van de Broeders Vrij-Metselaars, die telkens als zij dezelve ge-bruiken daardoor worden herinnerd aan hunne belijdenis van eeneu Levenden God als Vader van Zijne schepselen, van de Verlossing door het Kruis van Jezus Christns en van hunne ^ er-antwoording in de Onsterflijkheid.
Hier blijkt dus dat het zoogenaamde Geheim der Vrij-Metselarij slechts zinnebeeldig of in naam, als eene herinnering aan vroegere dagen bestaat maar in het wezen der zaak algemeen bekend is. — Elf hoe zou er ook immer nog zelfs door eenen pas aangenomenen Broeder Leerling aan het wezenlijk bestaan van een heilig bewaard geheim kunnen worden geloofd, waar de Orde door zoo menigen afvalligen Broeder, — zooals bij voorbeeld voor ongeveer eene halve eeuw dooiden bekenden Dr. Wap, — in het openbaar werd afgezworen niet alleen maar waar zelfs, om nog niet eens te spreken van de onthullingen in 1736 door Pa char d te Luik, de groote Loge van Engeland de statuten der Orde openbaar maakte?
Maar — zoo hoor ik in mijne verbeelding de Profane Wereld vragen — als dan ten slotte de Vrij-Metselarij zou moeten blijken niets anders te zijn dan de oorspronkelijke lijdende en strijdende Kerk, gedurende de eerste eeuwen van haar bestaan onder den druk der bloedigste vervolging, hoe zou het zich dan laten verklaren dat de Godsdienstleeraren der onderscheidene Kerkgenootschappen de Orde veroordeelen en als eene pest beschouwen?
Deze oogenschijnlijk onoplosbare vraag laat zich nochtans gemakkelijk beantwoorden wanneer men slechts niet moedwillig blind wil zijn voor de Kerkelijke toestanden, die niet anders dan betreurenswaardig kunnen worden genoemd.
Zeer zeker zou het volstrekt onmogelijk zijn dat de Vrij-Met se-1 aars-Orde, zooals ik die in het voorafgaande heb doen kennen, werd afgekeurd door de belijders van het zuivere niet door inzettingen van Mensehen vervalschte Evangelie.
Dit is dan ook geenszins het geval, maar onder alle Kerkgenootschappen die zich noemen naar den Christus Gods is er geen enkel dat niet als zelfstandig lichaam op zoodanige nevens of zelfs boven de eenvoudige Evangelieleer gestelde inzettingen berust.
Toen het Christendom tot Staats-Godsdienst was verheven vormde zich in deszelfs boezem een machtige Priesterstand op den grondslag van het zoogenaamde Oude Testament. — Hieraan paarde zich een dagelijks meer uitbreiding verkrijgend stelsel van Kerkleer, en in ver-band hiermee ontvdkkelde zich in steeds toenemende mate de stand der God- beter gezegd — Schrift-Geleerden, even als die onder de Joden had bestaan, — eigenlijk in den meest volstrekten zin een onding, daar tot de prediking van het eenvoudige door ongeleerde Visscher-lieden verbreide Evangelie der Genade hoegenaamd geen diepzinnige studie noodig is.
Naarmate nu die Kerkleer allengs meer en meer geloofspunten en
143
leerstukken vaststelde, eu, de overleveringen te baat nemende, eene strenge Wetgeving invoerde, ontstond er verschil van opvatting dei-door de Kerk geijkte dogmata (Leerstellingen) en ten gevolge hiervan afwijkingen van de als alleen rechtzinnig door de Kerk vastgestelde leer, die als Ketterijen veroordeeld en op de wreedaardigste bloedigste wijze vervolgd worden.
Trots allen gewetensdwang en geloofsvervolging vestigden zich toch eindelijk meer en meer dissideerende Kerkgenoot schappen, die ieder voor zich zelven een afzonderlijk leerstelsel aannamen, waarbij men er vooral op uit was om, in de eigene verklaring der Evangelische waarheden, zoover mogelijk tot het tegenovergestelde uiterste\' van de leer der heerschende Kerk af te wijken.
In diezelfde mate ging hiermee gepaard de uitbreiding van het aantal eu het gezag der zoogenaamde Godgeleerden, wier twisten vaak over de duisterste punten aanleiding gaven tot den viunigsten religiehaat, welke juist het middel was om die verschillende Kerkgenootschappen krachtig te ontwikkelen.
Het spreekt van zelf dat deze ontwikkeling in het overwegende belang moet zijn dergenen die juist, ten gevolge der uiteenloopende meeningen, als Priesters en Leeraars hun bestaan vinden in eenen werkkring die — hetgeen waarlijk niet iedereen ten deel valt — met hunne neiging overeenstemt.
Wil men dit in een inderdaad hoogst bespottelijk uiterste feitelijk bewezen zien, dan wende men den blik over den Oceaan naar de Ver-eenigde Staten van Noord-Amerika, waar menigeen die wellicht voor geen Maatschappelijken Werkkring bruikbaar was eene nieuwe verklaring van het een of ander leerstellig begrip uitdenkt, en in het stichten van eene zij het ook nog zoo vreemde secte zijn brood vindt.
Natuurlijk moeten dus allen wien de Geloofsverdeeldheid een min of meer rijk, gemakkelijk een grootendeels in aanzien staande middel van bestaan verschaft afkeerig zijn van eenen zuiver Evan-lischen Godsdienst, verheven boven Kerkleer en religiehaat, daar zij allen om het zeerst staande houden dat het tijdelijk en eeuwig geluk van den Mensch uitsluitend te vinden is in hunne leer, buiten welke alles door hen voor ketterij wordt verklaard.
Een zoodanige algemeene Kerk nu wordt daargesteld door de Vrij-Metsel ar ij. In haren tempel wordt geen andere belijdenis gevorderd dan het levendige zich in daden openbarende geloof in God, als onzer aller Vader, en in den Godimnsch Jezus Christus, als de Verlosser der Wereld. — Zij vraagt niet naar Kerkgezag maar erkent iederen belijder van het H. Evangelie als een door het H. Sacrament des Doopsels gewijden Priester der tegen de Wereld strijdende Kerk, zooals daaruit blijkt dat de Volkomen Vrij-Metselaar tot alle Apostolische hajidelingen bevoegd is.
Zeer natuurlijk moeten dus de leden van eenen stand, welks reden van bestaan alleen is gegrond op verschil van opvatting, dat wil
144
zeggen op menschelijke uitleggingen der eenige Grondwaarlieid en mensclielijke voorscliriften . door individueele opvatting met die eenige waarheid in verband gebracht, eenen hevigen afkeer hebben van eene Broederschap die zich, in tegenoverstelling hiermee, ten doel stelt om alle belijders van het Goddelijke Evangelie des Kruises, zonder eenig onderscheid van Kerkleer, in eene in waarheid Katholieke Kerk van onzen Heer God Jezus Christus te vereenigen, en aan iederen belijder van dat Evangelie dc Priesterlijke waardigheid toekent, zooals die voor eeuwen door iederen Kidder van den Tempel uitgeoefend werd.
Geenszins wil ik ontkennen dat de Vrij-Metselarij ook daarin gelijk staat met het Chriüendom zooals wij dit uit de geschiedenis van vroegere en latere eeuwen kennen, dat zij zelfs door hare bestuurders herhaaldelijk op de schandelijkste wijze is vervalscht, en tot de bereiking van bloot stoffelijke, met haar wezen ten eenemale strijdige ja misdadige doeleinden misbruikt, of elders tot een onbeduidend volslagen zielloos poppenspel gemaakt.
Maar is niet zelfs het H. Evangelie der Liefde, door den onreinen klauw van Geestelijke en Wereldlijke Dwingelandij, misvormd tot eene leer van haat, vervolging, moord en verwoesting? — Zijn niet in naam van onzen Hemelschen Vader stroomen bloed vergoten en tallooze brandstapels ontstoken?
Monsters in menschelijke gedaante zooals een Olivier Cromwell en een Napoleon I hebben de Orde misbruikt om hun doel te bevorderen. — Hoezeer zij om de Vrij-Metselarij aan zich dienstbaar te maken haar eigenlijke wezen moesten vervalschen, blijkt voldingend daaruit dat door hun drijver ook hraeliefm in de Orde werden opgenomen, hetgeen een volslagen nonsens is.
Zeer zeker ken ik onder mijne Joodsche Broeders er meer dan een wien ik de hoogste achting toedraag, wier vriendschap ik op den hoogsten prijs stel, maar in de Vrij-Metselaars-Orde zijn zij misplaatst want even goed zou men eenen Jood kunnen kiezen lot lloomsch Katholieken Priester of tot Protestantsch Godsdienstleeraar als tot Vrij-Metselaar. — De eenige voorwaarde waardoor hunne toelating kan worden gewettigd is dat de Orde worde vervalscht zooals dit plaats had door de Berlijnsche Moederloge Royale York mix train Globes, die geen ander dan een bloot philantropische doel wil erkennen.
Op zoodanige wijze nu moge de Orde alles worden wat men slechts wil maar zij houdt op Vrij-Metselarij te zijn. — Zij wordt eene vereeniging om het even van welken aard ook, die, onverschillig om welke redenen, een kinderachtig spel drijft met Maconnieke Vormen, die zoodra zij derzelver eigenaardige geheimzinnige beteekenis verliezen, op zich zeiven niets meer dan ijdele vormen zijn, gelijkstaande met die tooneelvertooningen, waarin Godsdienstige handelingen op de planken worden gebracht.
Het doel der Orde bij haren eerste ontstaan in den :aacht der
145
tijden was nimmer een ander dan het opsporen in de natuur van de bewijzen voor het bestaan van God en Onsterflijkheid en later, na het verschijnen van onzen Goddelijken Groot-Meester Jezus Christus, van de Ontaarding, de Verlossing en de Wedergeboorte tot vernieuwde reinheid.
Deze onderwerpen zijn de vijf punten der Vlammende Ster waarvan, God lijdende in Gethsemane, en aan het Kruis verhoogd op GoZyoW» het middelpunt, het waarachtig Licht uitmaakt.
Geen Genootschap dat niet uitsluitend dit doel beoogt mag zich Vrij-Metsela rij noemen zonder zich aan opzettelijke kwade trouw schuldig te maken, en waar dergelijke vervalsching voorkomt betreft het vereenigingen die buiten de Orde staan en waarmee ik mij dus niet heb bezig te houden.
Na in de voorafgaande bladen de Vrij-Met sela rij te hebben voorgesteld, zooals ik haar door gezette studie van ongeveer eene halve eeuw tot in hare hoogste graden leerde kennen , zou ik hiermee mijne taak als volbracht kunnen beschouwen; ware het niet dat de bij voortduring tegen haar uitgebraakte laster mij noodzaakte haar ook te doen kennen in hare betrekking tot de burgerlijke Maatschappij.
In allerlei van Confessioneel-Clericale zijde in het licht gegeven wordende schotschriften wordt onze Orde voorgesteld als de Revolutie, als strevende naar verbrijzeling van troon en altaar, naar Godverloochening en Kegeeringloosheid, naar gewelddadige vernietiging der bestaande Maatschappij en van alle standsverschil door middel van verraad en moord; als schuldig aan den moord van den ongelukkigen Koninklijken Martelaar Lode wijk XVI (NB., het werk van den Pruimcheu Koning met behulp van een als Vrij-Met sela rij vermomd maar aan de Orde volstrekt vreemd Geheim Genootschap) van den Hertog van Berry en van zoo veltn, die aan de uitroeiing van Godsdienst en Burger-Maatschappij in den weg stonden, als een lichaam vonnende met de Internationale (omdat die vereenigiug door hare woordvoerders de verheven Vrij-Metselarij der Proletariërs word t genoemd) met het Nihilisme, in een woord met alle revolutionaire Genootschappen en misdadige vereenigingen.
Zoo er immer een bespottelijke Laster werd uitgebraakt dan voorzeker is het deze, daar alle Kerkleerstellige en Staatkundige debatten in de Loges ten strengste verboden zijn.
Voorzeker is dwingelandij van welken aard ook volstrekt onver-eenigbaar met het zuiver Evangelische Christendom zooals dit voortdurend wordt beleden door de Vrij-Metsel aars-Orde, welke daarom voor alle geestelijke of wereldlijke Alleenheerschers een doorn in het oog wezen moet.
En wat nu het met de Vrij-Metselarij in niet het allerge-
10
ringste verband staande luternationalisiiie en Nildlbsme aangaat zij zijn niets anders dan de \\dtvloeisels van den wanhoop, die zich overal van het volk meester maakt, waar, zooals in Rusland, iedere poging tot herstel van onrecht als misdaad wordt gestraft.
Dat nu de Y r ij - M e t s e 1 a r ij ten eenemale vreemd is aan dit alles en nimmer handelend op het Maatschappelijke gebied treedt, zoo zij slechts niet door het brutaal geweld der overheersching tot zelfverdediging wordt gedwongen, en het eeuwig ware op natuur en Godsdienst gevestigde grondbeginsel wordt gehuldigd, dat de volken niet bestaan ter wille van den persoon eens heerschers, maar de ttegeeringen, als lasthebbers en zaakwaarnemers van het algemeen, zijn daargesteld ten dienste der volken, en zich uitsluitend de bevordering der algemeene belangen der Res puhlica (openbare zaak) ten doel behooren tc stellen.
Zeer zeker kan er wel geen dwazer beschuldiging worden uitgedacht dan een republikeinsch. of zelfs democratisch streven toe te dichten aan de Vrij-Metselaars-Orde. — Vooreerst is zij de wel naar den geest des tijds gewijzigde, maar toch onmiddellijke voortzetting der Orde van den Tempel, in welke uitsluitendEdelliedm van oude afkomst werden toegelaten, ten anderen vormen hare opvolgende graden eene aristocratische hier archie, een Adel in eigen boezem, en dat hierbij het denkbeeld van erflijlcheid geenszins is uitgesloten blijkt uit de voorrechten aan den zoon van eenen Vr ij-Metselaar, aan eenen Luw ton, in de Orde toegekend.
Vooral moet de beschuldiging van een democratisch streven bespottelijk voorkomen, wanneer men terugziet op den eerst bekenden oorsprong onzer Orde uit de Broeders des Lichts of der Doorluchtige Sterre-Orde van het Rozen-Kruis, in Perzie in het gebergte van Iran.
De Staatsregeling van den eersten vrijen staat, zooals ik die in het eerste gedeelte van deze mijne beschouwingen onder de oude Arische volken, overeenkomstig de overlevering schetste, zooals deze later onder de daarvan afkomstige Scandinavo-Germaansche (afgescheiden Krijgshaftige) stammen bestond, en zelfs thans nog onder de vrije oorspronkelijke bewoners der Nieuwe Wereld wordt aangetroffen, was berekend op eene steeds ongestoord toenemende zedelijke, volksontwikkeling, daar zij voldeed aan alle eischen der rechtvf.ardigheid, alle goede inzichten ten gepasten tijde tot derzelver recht liet komen , en ieder in de gelegenheid stelde om zijne rechten, aanspraken en belangen in het openbaar te verdedigen en te onderwerpen aan het oordeel zijner standgenooten, waarvan de latere rechtspraak door evenknieën, onder het leenstelsel afkomstig was.
Uit de uitwendige omstandigheden in welke deze eerste vrije Staat zich bevond, vloeide van zelf voort dat ottervaardigheid ten algemeenen nutte, zooals zij ook door onzen hoogverheven Groot-Meester werd gepredikt, als de hoogste verdienste moest worden beschouwd. — Die vrije Staat was toch samengesteld uit Vogelvrijen, welke zich
147
hadden onttrokken aan den mensch onteerenden ban van den Alleen-heerscher, die geen middelen, hoe laag en misdadig ook, onizag, om hen weer onder liet juk te brengen. — Om dit lot, boven hetwelk de eervolle Krijgsmansdood. onder Gods vrijen Hemel met het scherp gewette zwaard in de vrije vuist, hnn verreweg verkieslijk was, te ontgaan, hadden zij, zooals ik reeds vroeger verklaarde, de wijk genomen naar ongebaande wildernissen vol verscheurend gedierte, zoodat zij dus onophoudelijk moesten gereed zijn, om hun leven te verdedigen, zoowel tegen hongerige roofdieren als tegen het beulenrot van den Geweldenaar.
Bij een zoo onafgebroken, van alle zijden dreigend gevaar kon het niet anders of de meest onverschrokken strijder moest, in het oog zijner lotgenooten, als de voortreffelijkste onder hen gelden, en daar rechtschapenheid, oprechtheid en trouw onafscheidelijk zijn van den offervaardigen krijgsmansmoed moesten deze deugden noodwendig worden beschouwd als de zoodanige die, vooral wanneer zij met beleid en doorzicht gepaard gingen, de hoogste onderscheiding verdienden.
Om zich van de waarheid dezer stelling te overtuigen behoeft men geenszins tot boven het bereik der Geschiedenis op te klimmen. — Immers was het, zooals ons zelfs de Romeinsche Geschiedschrijvers en met name Tacitus, in zijn beroemd werk „de Morihm Germa-norvmquot; berichten, op grond van deze den hoogsten zielen-adel uitmakende deugden dat de volken van Germaansclieri Stam derzelver Odlingi (Edellieden of aanvoerders) kozen, aan welke dooi allen geheel vrijwillig de hoogste eer bewezen werd. — De oudste en er-varenste dezer Odlingi ontvingen den eeretitel van Graven (Oudsten of Grijsaards) en vormden hetgeen men thans eenen Regee-rings-Raad zou noemen. — Eindelijk werd, door algemeene stemming der Vrije Hamen, uit deze Odlingi hij, die den hoogsten roem had weten te verwerven, gekozen tot Hertog of algemeenLegerhoofd. • Natuurlijk moest in den aanvang deze door persoonlijke hoedanigheden verkregene onderscheiding ook van geheel persoonlijken aard zijn, maar voor die stammen welke — zich aan de geestelijke en stoffelijke dwingelandij des op Goddelijke vereering aanspraak makenden Alleenheerschers onttrokken hebbende — nu hunnen geest in vol-komene vrijheid vermochten te ontwikkelen, kon het echter niet verborgen blijven dat, even als ten gevolge der paring van de in derzelver soort meest volkomene individuen een dierenras lichamelijk veredeld werd, even zoo ook de zedelijke hoedanigheden en geestelijke vatbaarheid van de ouders op de kinderen oveigingen, en, bij hunne alles beheerschende neiging tot overpeinzing, bespiegeling en onderzoek der hen omringende natuur, kon het niet anders of de verschijnselen, die zij in dit opzicht waarnamen moesten hen van lieverlede brengen tot de ontdekking der oorzaken, en zoodoende eindelijk tot eene stelselmatige overtuiging leiden.
Het natuurlijke gevolg hiervan was, dat de zoon van eenen Odling,
148
op grond van zijne afkomst, al dadelijk een zeker vertrouwen genoot „ en, zoo hij door zijn gedrag en zijne daden zich zijner afkomst waardig toonde boven met hem, in dit laatste opzicht, gelijkstaande Gemeen Vrijen, gekozen werd, om zijnen vader in de door dezen bekleedde waardigheid op te volgen.
Zoo ontstond de Adel van het bloed, die echter, wat het genot dei-door de volkskeuze daaraan geschonken voorrechten aanging, steeds van persoonlijke verdiensten afhankelijk bleef.
Op alle deze gronden moet het dus als de grootste zinneloosheid worden beschouwd de Vrij-Met se la rij te willen beschuldigen van een streven om alle standsonderscheiding te vernietigen. — Wel predikt zij Gelijkheid maar het is die rechtsgelijkheid welke, uit de reine leer van het H. Evangelie voortvloeiende, hemelsbreed verschilt van, ja lijnrecht tegenovergesteld is aan de alles verwoestende leer dei-Revolutie.
Wanneer het woord Revolutie wordt uitgesproken is het in verreweg de meeste gevallen dat daaraan uitsluitend het denkbeeld wordt gehecht van volksopstand tegen het wettig gevestigde gezag. — Deze beschouwingswijze is ten eenemale in strijd met de waarheid; — iedere willekeurige beperking der individuele Vrijheid, alle Dwingelandij, door wien ook uitgeoefend of op welke beweerde gronden ook gevestigd , is Eevolutie, is eene omkeering van den eenigen natuurlijken door God zelf ingestelden Eechtstoestand, welke bestaat in de meest volkomene individuele Vrijheid, alleen beperkt door reciprociteit en solidariteit.
Vergelijkt men nu de leer van de Revolutie met die der Vrij— M e t s e 1 a r ij, zooals ik deze in de voorafgaande bladen heb ontwikkeld dan wordt het terstond duidelijk hoezeer beiden met elkauderen in den meest snijdenden tweestrijd zijn.
Vrijheid! Gelijkheid! Broederschap! — Zoodanig was de wapenroep, of liever de moordkreet, het dolzinnige veldgeschrei onder welke, bijna eene eeuw geleden, de havelooze woeste horden der groote Staatsomwenteling als een ontelbaar heirleger van lichtzinnig bezworen eu nu niet meer te bannen helsche geesten, dood en verderf brakende, met onweerstaanbaar geweld, met plundering en moord op de toenmaals bestaande Maatschappij aanstormden, en, tegelijk met hare vele deels zelfs walchelijke gebreken, ook al het onmiskenbaar goede waarop hare eerste grondslagen waren gevestigd, en waartoe men zelfs hedendaags, zij het ook onder gewijzigde vormen, gaarne zou willen terugkeeren, onder den voet haalden en onherstelbaar verwoestten.
Schoon, ontegensprekelijk schoon was deze theorie, voorwaar wel geschikt om, daar waar zij voor het eerst werd verkondigd, een zoolang onder den ijzeren hiel der geestelijke en wereldlijke dwingelandij van ruw geweld vertrapt volk in blakende geestdrift te ontvlammen, ja, bij den geringsten tegenstand, tot de dolzinnigste razernij te vervoeren , maar in den ahsoluten geest der Eevolutie opgevat is zij niets
149
meer dan eene holle theorie, welki\' Ijij iedere herhaalde proefneming is gebleken niet de allergeringste praetische waarde te bezitten.
De natuurlijke reden van dit proefondervindelijk bewezen verschijnsel is eenvoudig omdat deze theorie, in revolutionairen zin opgevat, in openbaren tweestrijd is met de natuur, dat wil zeggen volstrekt ongeschikt voor het zedelijke bestaan van eene uit menschelijke, dat zijn gebrekkige door stoffelijke neigiugen en driften beheerschte, wezens samengestelde Maatschappij, daar zij alleen in eene wereld van volmaakt, in den genialen (zuiver geestelijken) toestand verkeerende, wezens hare toepassing zou kunnen vinden.
Vooral de eerste en de laatste term dezer stelling zijn de uitdrukking eener waarde, die buiten alle menschelijke berekening ligt, en nooit naar eiscli wordt geschat voor dat haar gemis met bitterheid wordt betreurd.
Vrijheid, volkomene persoonlijke Vrijheid zonder eenige andere beperking dan de grenzen van reciprociteit en solidariteit (wederkee-righeid tegenover tijdgenoot en nageslacht) aangewezen door het gelijke recht van ieder der tegenwoordige en toekomstige leden der samenleving, die geen verkorting van dit hun recht gedogen, is, ik herhaal het, het eenige fundamenteele rechtsbeginsel hetwelk den maat-schappelijken band daarstelt, de grootste on waardeerbaarste schat \\ au redelijke wezens , bestemd voor een eindelooze toekomst van steeds voorwaarts strevende ontwikkeling, welke geen minder doel heeft dan die volmaakte zelfbewuste rust, het eeuwig onverstoorbare geluk, dat-is het vaak onbegrepen maar daarom niet minder vurig verlangen van iederen Mensch; de onmisbare voorwaarde voor de zedelijke en. verstandelijke ontwikkeling des geheelen Menschdoms, zonder welke het door allen begeerde geluk nimmer kan worden verkregen.
Broederschap, algemeene verbroedering, de meest volmaakte uiting van eeuwige hemelsche reine liefde, die iederen Mensch tot den willigen dienaar van zijne naaste maakt, en alle vermogens van lichaam en geest, ter eendrachtige bevordering van het algemeene welzijn, met eene volkomene zelfverloochenende offervaardigheid in eenen Oceaan van harmonie d.jet samenvloeien; — voorwaar! Slechts tweehandige monsters, zedelijke wangedrochten kunnen, door duivelachtige heerschzucht bezield, de verwezenlijking van dit denkbeeld als niet boven alles begeerlijk beschouwen, omdat hunne vloekwaardige, dood, verderf en verdierlijking aanbrengende heerschappij op de in den diepsten afgrond der hel uitgebroede leer: verdeel m heersch! is gewettigd.
Van de vroegste tijden af aan, uit welke slechts overleveringen ja alleen schemerige Sagen tot de kennis van het thans levende geslacht zijn gekomen, in het Westen zoowel als in het Oosten, vormde deze Broederschap den grondslag der opvolgende Godsdienststelsels bij de volken van den Arischen stam, en geen wonder daar zij hare bron vindt in de natuur der Menschen, die, allen door denzelfden drie-
148
op grond van zijne afkomst, al dadelijk een zeker vertrouwen genoot en, zoo hij door zijn gedrag eu zijne daden zich zijner afkomst waardig toonde boven met hem, in dit laatste opzicht, gelijkstaande Gemeen Vrijen, gekozen werd, om zijnen vader in de door dezen bekleedde waardigheid op te volgen,
Zoo ontstond de Adel van het bloed, die echter, wat het genot der door de volkskeuze daaraan geschonken voorrechten aanging, steeds van persoonlijke verdiensten afhankelijk bleef.
Op alle deze gronden moet het dus als de grootste zinneloosheid worden beschouwd de Vrij-Metsela rij te willen beschuldigen van een streven om alle standsonderscheiding te vernietigen. — Wel predikt zij Gelijkheid maar het is die rechtsgelijkheid welke, uit de reine leer van het H. Evangelie voortvloeiende, hemelsbreed verschilt van, ja lijnrecht tegenovergesteld is aan de alles verwoestende leer dei-Revolutie.
Wanneer het woord \'Revolutie wordt uitgesproken is het in verreweg de meeste gevallen dat daaraan uitsluitend het denkbeeld wordt gehecht van volksopstand tegen het wettig gevestigde gezag. — Deze beschouwingswijze is ten eenemale in strijd met de waarheid; — iedere willekeurige beperking der individuele Vrijheid, alle Dwingelandij, door wien ook uitgeoefend of op welke beweerde gronden ook gevestigd , is Eevolutie , is eene omkeering van den eenigen natuurlijken door God zelf ingestelden Eechtstoestand, welke bestaat in de meest volkomene individuele Vrijheid, alleen beperkt door reciprociteit en solidariteit.
Vergelijkt men nu de leer van de Eevolutie met die der Vrij— M e t s e 1 a r ij, zooals ik deze in de voorafgaande bladen heb ontwikkeld dan wordt het terstond duidelijk hoezeer beiden met eikanderen in den meest snijdenden tweestrijd zijn.
Vrijheid! Gelijkheid! Broederschap! — Zoodanig was de wapenroep, of liever de moordkreet, het dolzinnige veldgeschrei onder welke, bijna eene eeuw geleden, de havelooze woeste horden der groote Staatsomwenteling als een ontelbaar heirleger van lichtzinnig bezworen en nu niet meer te bannen helsche geesten, dood en verderf brakende, met onweerstaanbaar geweld, met plundering en moord op de toenmaals bestaande Maatschappij aanstormden, en, tegelijk met hare vele deels zelfs walchelijke gebreken, ook al het onmiskenbaar goede waarop hare eerste grondslagen waren gevestigd, en waartoe men zelfs hedendaags, zij het ook onder gewijzigde vormen, gaarne zou willen temgkeeren, onder den voet haalden en onherstelbaar verwoestten.
Schoon, ontegensprekelijk schoon was deze theorie, voorwaar we! geschikt om, daar waar zij voor het eerst werd verkondigd, een zoolang onder den ijzeren hiel der geestelijke en wereldlijke dwingelandij van ruw geweld vertrapt volk in blakende geestdrift te ontvlammen, ja, bij den geringsten tegenstand, tot de dolzinnigste razernij te vervoeren , maar in den ahsoluten geest der Eevolutie opgevat is zij niets
149
meer dan eene holle theorie, welkn bij iedere herhaalde proefneming is gebleken niet de allergeringste practische waarde te bezitten.
De natuurlijke reden van dit proefondervindelijk bewezen verschijnsel is eenvoudig omdat deze theorie, in revolutionairen zin opgevat, in openbaren tweestrijd is met de natuur, dat wil zeggen volstrekt ongeschikt voor het zedelijke bestaan van eene uit menschelijke, dat zijn gebrekkige door stoffelijke ueigiogen en driften beheerschte, wezens samengestelde Maatschappij, daar zij alleen in eene wereld van volmaakt, in den genialm (zuiver geestelijken) toestand verkeerende, wezens hare toepassing zou kiiunen vinden.
Vooral de eerste en de laatste term dezer stelling zijn de uitdrukking eener waarde , die buiten alle menschelijke berekening ligt, en nooit naar eisch wordt geschat voor dat haar gemis met bitterheid wordt betreurd.
Vrijheid, volkomene persoonlijke Vrijheid zonder eenige andere beperking dan de grenzen van reciprociteit en solidariieit (wederkee-righeid tegenover tijdgenoot en nageslacht) aangewezen door het gelijke recht van ieder der tegenwoordige en toekomstige leden der samenleving, die geen verkorting van dit hun recht gedogen, is, ik herhaal het, het eenige fundamenteele rechtsbeginsel hetwelk den maat-schappelijkeu band daarstelt, cle grootste onwaardeerbaarste schat \\ au redelijke wezens , bestemd voor een eindelooze toekomst van steeds voorwaarts strevende ontwikkeling, welke geen minder doel heeft dan die volmaakte zelfbewuste rust, het eeuwig onverstoorbare geluk, dat is het vaak onbegrepen maar daarom niet minder vurig verlangen van iederen Mensch: de onmisbare voorwaarde voor de zedelijke en verstandelijke ontwikkeling des gelieelen Menschdoms, zonder welke het door allen begeerde geluk nimmer kan worden verkregen.
Broederschap, algemeene verbroedering, de meest volmaakte uiting van eeuwige hemelsche reine liefde, die iederen Mensch tot den willigen dienaar van zijne naaste maakt, en alle vermogens van lichaam en geest, ter eendrachtige bevordering van het algemeene welzijn, met eene volkomene zelfverloochenende offervaardigheid in eenen Oceaan van harmonie doet samenvloeien; — voorwaar! Slechts tweehandige monsters, zedelijke wangedrochten kunnen, door duivelachtige heerschzucht bezield, de verwezenlijking van dit denkbeeld als niet boven alles begeerlijk beschouwen, omdat hunne vloekwaardige, dood, verderf en verdierlijking aanbrengende heerschappij op de in den diepsten afgrond der hel uitgebroede leer: verdeel en lieersch! is gewettigd.
Van de vroegste tijden af aan, uit welke slechts overleveringen ja alleen schemerige Sac/en tot de kennis van het thans levende geslacht zijn gekomen, in het Westen zoowel als in het Oosten, vormde deze Broederschap den grondslag der opvolgende Godsdienststelsels bij de volken van den Arischen stam, en geen wonder daar zij hare bron vindt in de natuur der Menschen, die, allen door denzelfden drie-
] 30
eenigen God door het van den beginne bij Hem geweest zijnde Zij n eigen wezen zijnde ongeschapen Woord geroepen tot het Licht des zelfbewusten aanzijns, eikanderen niet anders dau als kinderen van eenen zelfden Henielschen Vader dus als broeders beschouwen kunnen.
Hoezeer nu ontegensprekelijk in de natuur zelve gegrondvest, en onbetwistbaar de bron van het volmaaktst mogelijke aardsche geluk bleef die Verbroedering echter tot hiertoe nog steeds behooren tot de l\'ia Vota (vrome wenschen) en zulks om de eenvoudige reden, dat zij in strijd is met de menschelijke zelfzucht, en nimmer zal het den geest der Kevolutie gelukken haar door brommenden woordenpraal of door ruw geweld wezenlijk tot stand te brengen, omdat zij niet anders t)estaanbaar kan zijn dan in eene Maatschappij van boven de zelfzucht, boven stolfelijke en zinnelijke begeerten en hartstochten verhevene volmaakte wezens, terwijl de gewelddadige omkeering niets anders is dan het geheel teugelloos botvieren dier booze hartstochten, door wier gevloekte heerschappij het Menschelijk Geslacht van des-zelfs typische volmaaktheid is vervallen.
Wat nu hiervan ook wezen moge, vermindert dit toch in geen enkel opzicht de zedelijke waarde van den eersten en laatsten term van het revolutionaire Geloofsformulier, van welke de practische verwezenlijking, zoo zij mogelijk ware, boven alles zou gewenscht zijn, daar zij de uiting zijn van de edelste aspiratien der Menschelijke Ziel.
Geheel anders echter is het gelegen met den middelterm, welke, volgens de eenzijdige begrippen van de Profeten der Kevolutie, dienen moest om de beide anderen in onderling verband te brengen, maar die in waarheid niets anders uitdrukt dan de droom eener door hersenkoorts ontstemde en bevangen verbeelding.
Gelijkheid, in dien geest zooals zij door de mannen der Kevolutie van vroegeren en lateren tijd wordt opgevat, is in den meest volstrekten zin eene natuurlijke onmogelijkheid, omdat zij iu den vinnig-sten tweestrijd is met de Goddelijk onfeilbare openbaring der Natuur, en iedere poging om haar, hetzij door gewelddadige maatregelen of wel door sluw beraamde listige aanslagen, feitelijk daar te stellen, kan-niet anders zijn dan in de hoogste mate verderflijk voor het Mensch-dom, omdat zij vooreerst de Vrijheid en Broederschap volstrekt onmogelijk maakt, en ieder denkbeeld van ontwikkeling onvoorwaardelijk buitensluit.
Ja, de Gelijkheid welke de Revolutie bedoelt, —zooals zij door het terrorismus (schrikbewind) in 1793, met hulp van de heilige (?) Gnillotiw., werd doorgedreven is in lijnrechte tegenspraak met de natuur.
Bij al de schoone harmonische overeenstemming, welke de opmerkzame beschouwer overal waar het hein vergund is iu het onbegrensd heelal den vorschenden blik te slaan, tot in de kleinste schijnbaar onbeduidendste deelen waarnemen kan, ontdekt hij nergens eenig ook maar het allergeringste spoor, aan volkomene gelijkheid in de geheele bezielde of onbezielde natuur, van die Gelijkheid welke ontaart in
151
eenvormigheid^ door welke liet op g-roote schaal werktuigelijk daarge-stelde voortbrengsel van Menschelijke nijverheid wordt gekenmerkt.
Zoowel in het kleine en schijnbaar onbeduidende als in het oneindig groote en onmiskenbaar merkwaardige wordt deze waarneming den ernstigen en ter goeder trouw naar het Licht strevenden onderzoeker ontwijfelbaar duidelijk. — Onder de ruwe steenen, zooals ze eeuw in, eeuw uit door den wilden bergstroom met donderend geweld worden voortgerold, vindt men er geen twee die, op de keper beschouwd, in alle opzichten volkomen aan elkander gelijk zijn; — niet alleen bieden de boomen van dezelfde soort onderling den grootsten rijkdom van onderscheidende vormen aan, maar ook dezelfde boom draagt geen twee bladeren tusschen welke men, bij een slechts geringe mate van oplettendheid, geen onderling verschil ontdekt. — Niet anders is het gelegen met het gedierte hetwelk woud, veld en vloed bewoont, — zelfs Menschelijke tweelingen kunnen, trots de meest sprekende gelijkenis van gestalte en wezenstrekken, toch bij eene nauwkeurige beschouwing van elkander worden onderscheiden, en wil men, in de scherpste tegenoverstelling van het laagste aan het ver-hevenste, zich alleen bepalen tot het op het allerdiepst verlaagde, van ledematen beroofde vergift dragende ras der kruipdieren dan is het iederen, zelfs slechts oppervlakkigen natuuronderzoeker volkomen bekend, dat onder het geslacht der adders geen twee exemplaren worden gevonden, wier fraai gevlekte huid nauwkeurig dezelfde teekening vertoont.
Even zoo is het ook gelegen in dat slechts onbeduidend kleine deel van het grc-nzenlooze Hemelruim, hetwelk zich aan den gewa-penden blik vertoont, met zijne honderde sterrenhemelen, (luizende zonnestelsels en myriaden van zonnen, planeten en wachters, licht gevende of licht weerkaatsende bollen, ilie, als eene niet te evenaren zelfs de stoutste verbeelding overtreffende eeuwigdurende feestverlichting, aan den nachtelijken hemel schitteren. —Ook hier zijn er onder dat ontelbare leger geen twee zoo volkomen aan elkander gelijk dat de sterrekundige ze niet zou weten te onderscheiden.
Eicht de natuurvorscher nu van deze bezielde en onbezielde stot den onderzoekenden blik op het meesterstuk der Schepping, op den met een afgetrokken redeneervermogen begaafden Mensch, dan wordt hij ook hier terstond in nog veel hoogere mate getroffen door den aanblik dierzelfde verscheidenheid, die de individualiteit daarstelt, door welke het Menschelijk wezen zich nog meer bijzonder onderscheidt.
Hoe treffend ook somtijds de gelijkenis tusschen twee individuen moge wezen, toch is het niet meer dan een sprookje dat zelfs de naaste betrekkingen ze niet van elkander zouden kunnen onderscheiden, een sprookje hetwelk in sommige gevallen, zooals bij voorbeeld van den Mnn met het ijzeren manker en van den door zijne eigene moeder voor haren zoon erkenden Sir Roger ïichborne wel door vuig ja misdadig eigen belang, zoowel ter wraking van het
152
door zoodanige naaste betrekkingen afgelegde getuigenis als ter reclit-vaardiging van omkoopbare en omgekochte meineedige Eecliters kan zijn uitgedacht, — en die verscheidenheid getuigt van de hoogste wijsheid, daar eene volmaakte eenvormigheid tot de schromelijkste verwarringen op maatschappelijk en zedelijk gebied aanleiding geven zou.
Is deze verscheidenheid nu reeds onmiskenbaar in des Menschen lichamelijken toestand, nog veel meer is zij dit met betrekking tot zijne zedelijke en verstandelijke hoedanigheden.
Moge er ook al eene merkwaardige geestverwautschap bestaan, waardoor de individuen op maatschappelijk, staatkundig, wetenschappelijk, zedekundig en Godsdienstig gebied, naar gelang van derzelver algemeene belangen en inzichten, worden vereenigd tot groepen en partijen, evenzeer is het toch eene volstrekt onbetwistbare dagelijks door de ondervinding bevestigde waarheid dat er, zelfs onder de rechtscbapenste en minst bevooroordeelde lieden, geen twee personen worden gevonden wier persoonlijkheid zoo geheel in elkander opgaat dat zij tot in de geringste bijzonderheden volmaakt eenstemmig denken, hetgeen, wel verre van aan de overeenstemming oir.trent hmdamenteele beginselen te schaden, juist een bewijs is voor de vrije individueele overtuiging.
Met betrekking tot de verstandelijke vermogens vertoont zich , zelfs bij de grootste mannen, bij de Vorsten in wetenschap en kmst, geheel hetzelfde verschijnsel.
Terwijl de een zich uitsluitend op het practische gebied beweegt leett de ander in eene wereld van bespiegelingen in welke zijn zienersblik de oneindigheid doorzweeft.
Terwijl de ontledende analytische geest alle afzonderlijke verschijnselen tot in de kleinste bijzonderheden met onfeilbare scherpzichtig-heid onderscheidt, en zoodoende eenen vasten onwrikbaren grondslag legt voor de positieve wetenschap, verbindt het samenstellende sy/tóc--tiscUe genie alle die verspreide gegevens, en maakt, door middel van zijne gevolgtrekkingen eu sluitredenen, de algemeene wetten aan de beschaafde wereld bekend.
De dichter wordt geboren en de hem bezielende gloed slaat uit in laaie vlammen, hoe zij ook somtijds door een volslagen gebrek aan alle ontwikkeling moge worden onderdrukt, terwijl de grootste geleerde, zoo de iVowefews-vonk van het PindariscJie vuur hen werd onthouden, zoo hij de dwaasheid begaat van te willen pronken met eene gave die hem werd onthouden, het, in spijt van alle geestmar-telende inspanning welke hij zich mocht getroosten, nimmer verder brengt dan tot het knutselwerk eener kunstmatige rijmelarij.
De een is bestemd om te schitteren in al hetgeen groot is en verheven en aan het geheele Menschdom ten zegen strekt, een ander daarentegen munt uit in kleinen kring, waardoor hij in zijne naaste omgeving een bescheiden maar juist daardoor zooveel te reiner geluk verspreidt.
153
Even zoo is de eene Mensch alleen geschikt tot bloot stoffelijken arbeid, waarin hij somtijds eene schijnbaar onnavolgbare volmaaktheid bereikt, hoezeei- hij voor alle afgetrokken denkbeelden volstrekt onvatbaar is, terwijl bij den anderen, al werd hij ook voor eene bloot werktuigelijke ja zieldoodende bezigheid opgeleid, het yenit toch alle hinderpalen omverwerpt en als een lavastroom met onweerstaanbaar geweld in verblindenden glans doorbreekt, en zegevierend de eerste plaats in de naijverige Maatschappij verovert.
En nu wil de Eevolutie, als een waanwijze Doctor Ox, die de geestige Jules V e r n e zoo beteekenisvol met Meesterhand schetste, lt;le wereld in strijd met het doel van den Schepper, die aan ieder van zijne schepselen deszelfs eigenaardige plaats aanwees , naar haar eigen zin hervormen door alle die verscheidenheden onder een zelfde waterpas door te drijven, en met geweld tot eene geest en zieldoodende eenvormigheid te dwingen, zonder met de verschillende lichamelijke geschiktheid, zedelijke hoedanigheden en verstandelijke vatbaarheid der verschillende individuen ook maar in het allerminst rekening te houden.
Zonder in aanmerking te willen nemen dat de een gezond, sterk en scherpzinnig, de ander daarentegen lijdende en zwak van lichaamskrachten of geestvermogens, de een ijverig en volhardend de ander wispelturig en traag, de een matig en spaarzaam de ander weelderig, spilziek en tot de meest doellooze verkwisting geneigd, de een zelf-opofferend de ander zelfzuchtig is, in een woord dat hetMenschelijk karakter door de meest snijdende tegenstellingen gekenmerkt wordt, wil zij, in haren eigenwaan en krankzinnige zelfvergoding als ware zij de Jlwijze, alle individuen zonder onderscheid van aard, aanleg ot geschiktheid, onder eene zelfde algemeene wet brengen en hun den dwangrechtsplicht opleggen om, zonder eenig persoonlijk eigen- of familie-belang, alle hunne krachten te besteden ten algemeenen nutte, in één woord, volgens het grondbeginsel der alle zelfstandige persoonlijkheid versmorende staatsregeling van het oude en der Kerkleer van het Christelijke Rotdt, alle spontane individualiteit te doen opgaan in de gemeenschap van de meest strijdige elkander volstrekt neutra-liseerende of vernietigende bestanddeelen.
In hare zuiver logische consequentie duit zij geenerlei onderscheid van stand, talent of vermogen, en is iedere onderscheiding als be-loomng van deugd of bekwaamheid haar een gruwel, iedere zedelijk geoorloofde ja lofwaardige poging tot eervolle zelfverheffing door verdiensten eene misdaad van gekwetste Volks-Majesteit, daar zij uitgaat van de theorie dat ieder individu volstrekt verplicht is zich geheel en onvoorwaardelijk voor de algemeene zaak op te otteren, zonder op eenige bijzondere belooning daarvoor te mogen aanspraak maken.
Het is volkomen duidelijk dat eene zoodanige theorie alleen zou kunnen uitvoerbaar zijn, wanneer de droom, die den grijzen S we den-borg eene Republiek der Engelen voorspiegelde op aarde verwezen-
154
lijkt, dat is met andere woorden de Wereld het onderste boven gekeerd werd. — In de Mensehelijke Maatschappij kan zij alleen worden in practijk gebracht onder het patronaat van Sint Guillotine, en zoo dit ooit of immer een duurzame Staatsinrichting worden kon dan zou deze schijnbaar zoo verhevene theorie dier Profeten van het meest krasse ongeloof, die alleen in eigene kracht tot zelfvolmaking op en voor de aarde willen geraken, de ware giftbron zijn van het afschuwelijkste Ostracimus, gelijk aan dat van het oude Athene, waar deugd en verdiensten eenen grond tot verbanning der Edelsten uit het Vaderland opleverden.
Even duidelijk is het dat de duurzame invoering van eene zoodanige Staatsregeling, zoo zij immer mogelijk kon zijn, aan alle zedelijke en verstandelijke ontwikkeling, aan allen edelen wedijver den doodsteek geven moet.
Wel is de spreuk: „doe ml en zie niet omquot; de eenige grondslag-der ware rechtschapenheid, wel behoort dus ieder rechtschapen Mensch het goede te doen, en, volkomen in overeenstemming met de theorie van het revolutionaire materialismus, alle zijne krachten te wijden aan de bevordering van het maatschappelijk belang, zonder hiermee eenige zelfzuchtige bedoeling te verbinden, wel is, uit een bloot Staatsrechtelijk oogpunt beschouwd, dit de eenige grondslag van den in waarheid Vrijen Staat, — (en jnist deze onomstootelijke waarheid is, zelfs voor den hardnekkigsten ongeloovige, het onwraakbaarste bewijs voor de Goddelijkheid des Evangelies van onzen Groot-Meester, die in het vleesch verscheen om ons de ware Vrijheid deelachtig te doen worden) -- maar het gaat met deze theorie even als met de Christelijke Liefde, die wel in alle zich Christelijk noemende Kerkgenootschappen door Priesters en Leeraars gepredikt, maar, zelfs, door dezen, in de practijk zoo zeldzaam wordt betracht dat men, om niet eens te spreken van het leekendom, aan die herders en voorgangers zeiven met het volste recht de woorden mag in den mond leggen : ndoet wel naar mijne woorden maar niet naar mijne werken.quot;
Vooral sedert de groote Staatsomwenteling, die het wezen der Europecsche Maatschappij het onderste boven keerde, en voer geen ander aanzien meer plaats liet dan voor dat hetwelk wordt ontleend aan stoffelijk bezit, — nog brutaler zelfs sedert de vernieuwde Revolutie, die in 1S4S in Nederland ten minste nog zonder bloedstorting-werd tot stand gebracht, is de zelfzucht in den allerlaagsten vorm, met steeds toenemende ruwheid, onbeschaamd te voorschijn getreden.
Het verkrijgen van rijkdom of ten minste van de middelen tot het zij het ook slechts valsche vertoon hiervan, het jagen naar, grover of meer verfijnd zingenot, naar valsche grootheid, die verguld lood voor zuiver goud wil doen doorgaan, met volkomen onverschilligheid omtrent de wegen die hiertoe moeten leiden, is de eenige grondwet geworden der moderne Maatschappij, en hij die nog mocht droomen ven eergevoel of Edelzin wordt uitgejouwd als een Gek, die gelijk
155
Diogenes door de Ahderiten, in een dolhuis behoort te worden opgesloten, ten einde hij de eenvormigheid niet verstore.
Waar zou nu nog, in eene op dien voet van eenvormigheid inge-riehte Maatschappij, ue drijfveer moeten gezocht worden die de indi-vidueele bestanddeelen der uitsluitend door de allerlaagste zelfzucht tot het grofst materialistische streven bezielde massa immer zou kunnen bewegen tot zelfopoffering ten nlgemeenen nutte, tot buitengewone inspanning hunner stoffelijke, zedelijke en geesteskrachten in het belang der Maatschappij, tot edele daden van onbaatzuchtige naastenliefde. zonder eenige de allerminste hoop van hierdoor immer eenige eervolle onderscheiding; niet alleen voor hun eigen persoon maar boven alles voor hunne nakomelingen te verwerven.
Waarlijk men mag betwijfelen of de leiders der Revolutie, aan welke men toch eene zekere mate van doorzicht, van juist berekenende sluwheid niet kan ontzeggen, inderdaad zoo dwaas zouden zijn dat zij het doel van de algemeene veredeling des Menschdoms, waarvoor zij zoo zeer schijnen te ijveren dat zij ten minste altoos daarvan den mond vol hebben, ja die zij als van de daken prediken als het eenige wat aanbidding waardig is, zouden wanen immer te kunnen bereiken door eene strenge wetgev\'ng als die van eenen Dra con, op den voet van het alleen voor slavenzielen, voor Homines ad servi-teitem natos (Menschen die tot dienstbaarheid geboren zijn) bestemde Romeinsche rechtsbegrip, volgens hetwelk ieder burger verplicht was zijne individueele gewetensovertuiging ten offerte brengen op het altaar der wet, en onvoorwaardelijk moest opgaan in den Staat, wier slaaf hij was; — dat zij een zoo liinrecht met des Menschen dierlijke neiging in strijd zijnd denkbeeld zouden kunnen doordrijven en tot duurzame Staatsregeling verheffen, zelfs door de macht van strop of valbijl, of wel door de onweerstaanbaar overredende tooverkracht hunner opgeschroefde JiumanUeits-theorie?
Die theorie is alleen berekend voor wezens van de hoogste, van alle materialistische onreinheid ontdane, spiritualiteit, terwijl alle geestelijk leven door hen, als eene waanzinnige dweperij wordt verworpen en zij ook uit dien hoofde het diepste afgrijzen hebben van liet H. Evangelie waarin alleen de ware humaniteit is verval.
Bovendien zal het toch wel altoos onmogelijk blijken belanglooze zelfopoffering door wettelijken rechtsdwang in beoefening te doen brengen, omdat het eene volstrekte onmogelijkheid is, om bij de quot;VVet eenen vasten maatstaf te stellen voor de krachten van lichaam en geest die ieder afzonderlijk individu bezit, en derhalve voor de hoogste mate van inspanning tot welke hij bij mogelijkheid in staat is, en waartoe hij dus in verband hiermee kan worden gedwongen.
Neemt men nu hierbij nog in ^anmerking dat de revolutionaire maatschappij evenmin op zedelijk als op stoffelijk gebied eenige verheffing hoe ook genaamd, eenige uitmuntendheid boven het algemeene peil van middelmatigheid dulden wil, en dat dus eindelijk ieder streven
156
naar persoonlijkL\', zedelijke of verstandelijke voortreffelijkheid haar verdacht worden moet als eene poging tot zelfverheffing en machtsver-krijging, die met geweld behoort te worden onderdrukt en geweerd, zooals reeds de Classieke Oudheid ons hiervan een voorbeeld oplevert in Aristides die te Athene alleen daarom door het Ostracismm getroffen en uit zijn Vaderland verbannen werd, dat hij boven zijne om hunne sluwheid beruchte medeburgers uitmuntte in recJdschapen-heid, dan is het duidelijk dat de den Mensch ingeschapen zucht tot gemoedsrust en zelfbehoud hem meer en meer moet terughouden van zich op eenigerlei wijze door zedelijkheid of kennis te onderscheiden, daar schitterend talent en verheven deugd, welke openbare achting verdienen, naijver en nijd opwekken en zeer licht tot laaghartige vervolging aanleiding geven, aan welk gevaar in eene revolutionaire Maatschappij geen enkel tegenwicht overslaat, waardoor het individu zou kunnen worden bewogen om dit gevaar te trotseeren.
Het natuurlijk gevolg van dit alles kan dus nimmer anders zijn dan dat ieder in maatschappelijken zin verstandig mensch zich, als voor de grootste dwaasheid, wel zorgvuldig zal wachten voor iedere poging om, in een of ander opzicht , onverschillig wat het ook wezen moge, uit te munten.
Eensdeels toch heeft hij geen de minste hoop, de moeite die hij zich hiervoor zou moeten geven immer op eenigerlei wijze naar v aarde beloond te zien, en anderendeels weet hij maar al te wel dat hij integendeel zou moeten vrezen door eene zij het ook mogelijk slechts zwakke poging in dien zin zich zeiven niet alleen de grievendste miskenning maar zelfs gevaar voor zijne persoonlijke Vrijheid ja wellicht voor zijn leven te berokkenen.
Daar nu de mensch geen bloot geestelijk wezen is, ja zelfs, volgens de leer der Revolutie, dit niet zijn mag, moet, bij het volstrekt ontbreken van iederen zinnelijken prikkel tot naijver voor het individu, onder den druk der Revolutionaire Gelijkheid, de geheele uit van alle spontaniteit beroofde individuen samengestelde massa, zonder eenige uitzondering, onder het voortdurend lagerdalende peil der alge-meene eenvormige middelmatigheid verzinken.
Zoo moet zelfs ieder denkbeeld van eergevoel allengs worden uit-gewiseht totdat er voor het geheele volk een tijdperk aanbreekt van volslagen stilstand in de eenvormigheid des doods.
Is het nu eindelijk zoover gekomen dan ontstaat, door het vermogen «ener van buiten op de in traagheid verzonken massa inwerkende kracht, gelijk aan die der athmospherische warmte op den stilstaanden rottenden poel, vaak op het alleronverwachtst in die massa eene plotselinge gisting, onder begunstiging waarvan eene machtige persoonlijkheid te voorschijn treedt die, door zijn allen tegenstand verpletterend overwicht, het geheel onderwerpt aan hare onweerstaanbare alleenheerschappij.
Raadpleegt men nu de Geschiedenis van vroegere en latere eeuwen dan vindt men overal het feitelijk bewijs dat iedere Oglocratie (Regee-
157
ring van de minst ontwikkelde massa) steeds onveranderlijk is opgevolgd door het Ccemriatmis dat is door de alleenheerschappij van eenen enkelen, die , door in stilte gekweekte bekwaamheden, gepaard aan eenen alle tegenwerking trotseerenden wil, die massa vernedert en beheerscht.
Gaat men nu verder de geschiedenis na van zoodanige overweldigde alleenheerschappij dan komt men aldra tot de evenzeer op feiten gevestigde overtuiging dat absolute Gelijkheid, volstrekt onbestaanbaar met Vrijheid, juist het kenmerk is der grootste dwingelandij.
De alleenheerscher toch duldt in zijne onderdanen geen persoonlijke eigenwaarde, geen individueele gewetensovertuiging, geen zelfstandigheid, even zoo min als erflijke rechten, die zijn glans verduisteren» zijne macht beperken kunnen tegenover die menigte die hij beschouwt als zijn wettig eigendom, als eene kudde last- en slacht-vee, waarvan alle individuen voor hen gelijk zijn even als voor God, daar hij zelf zich een God op aarde waant, en de Slaafsche vereering van allen zonder onderscheid als zijn recht beschouwt.
Iedere dwingelandij, om het even of van eenen Caesar of, wat bij de nog zooveel meer onweerstaanbare ruwe kracht der menigte nog duizendmaal erger is, van do min ontwikkelde massa, ducht boven alles dat zedelijke overwicht, de vrucht van deugd aan kennis gepaard, waardoor de Mensch boven het algemeene waterpas der hem op het allerdiepst vernederende onbeduidendheid wordt verheven.
Voor den Alleenheerscher, hij moge een wangedrocht zijn als Lode wijk XIV, — die onbeschaamd de stelling durfde uitspreken: „de Staat hen ik,quot; — of wel een Romeinsche, Fransche, Russische of Pruisische Caesar zijn, is iedere verheven geest een verdacht wezen, een vreesaanjagend spooksel, hetwelk hij niet kan bezweren en daarom te bannen zoekt.
Het is de Souvereine wil der zelfheerschappij, even goed van den Alleenheerscher als van de een schrikbewind oefenende massa, dat alle individuen zich voegen moeten naar den maatstaf die deze stoffelijke Almacht eenmaal heeft aangegeven, en dat zij niet wagen zich anders te beschouwen dan als steenen waarmee het Staatsgebouw wordt opgetrokken, om te dienen tot voetstuk voor het gouden afgodsbeeld hetzij van eenen almachtigen Nebuchodonosor, die als een God op aarde de algemeene en uitsluitende aanbidding eischt, of van eene sociaal democratische Republiek, die de menschelijke rede als de hoogste macht, als het Opperwezen beschouwt, welke steenen dus in eenen zelfden vorm worden geperst , om het even of zij voor de grondslagen of wel voor de kroonlijst door den Meester zijn bestemd.
De Alleenheerscher zou meenen zijn eigen gezag te vernietigen, zijne waardigheid te verloochenen indien hij zelfs aan het grootste genie aan den diepdenkendsten geest vergunde hem te leiden en te raden of op zijne handelingen ook maar den allergeringsten invloed uit te oefenen.
In eigen oogen is die zelfheerschappij volstrekt onfeilbaar, en wil nog veel meer door de wereld als zoodanig worden beschouwd, daarom kan zij uit haren aard niets anders dulden dan voor haar doel bruikbare maar zelfstandig onbeduidende middelmatigheden, die, aan den voet van haren verheven troon in het stof geknield, haar onafgebroken in koor toejuichen en bewierooken; en wee dengenen die slechts door blik of gebaar eene andere meening durft te kennen geven: onverbidderlijk wordt hij gedoemd tot het schavot, tot den kerker, of, mogt hiertoe dooi een of andere oorzaak de macht ontbreken, tot den hongerdood.
Wil men zelfs in onze dagen het feitelijke bewijs zien der innige overeenstemming tusschen Autocratie en Oylocrat\'u dan behoeft men slechts den blik te vestigen op het tegenwoordige Pruisische C\'aesa-rismus in DuiUchland, hetwelk tegenover den herlevenden vrijen Ger-maanschen geest, voor deszelfs door bloed en ijzer zoowel als door meineed, verraad en list overweldigd gezag steun zoekt in het Socia-lismus, dat op de meest barbaarsche wijze werd onderdrukt in zooverre het uitging van eene partij welke vijandig was aan het Caesa-rismus, terwijl het juist door ditzelfde Caesarismus wordt in bescherming genomen, wanneer het dienen moet om daaraan den steun der massa te verzekeren.
Zoodanig revolutionair streven kan dus nimmer het doel zijn van de Vrij-Metselarij, die de ware verdienste huldigt en, — voor zoover do Loges ten minste in hare werkzaamheden getrouw zijn aan het beginsel, — deugd en talent beloont door verheffing tothoogere graden in de Orde.
Maar, zoo vraagt men wellicht, ook afgescheiden van alle socialistische en communitische denkbeelden, huldigt zij dan ook mogelijk bij voorkeur eenen bijzonderen Staatsvorm, is zij in haren aard vijandig aan het Monarchaal beginsel, en leert zij dat die Vorstenlooze regee-ringsvorm die Republiek wordt genoemd het ideaal is waarnaar de Maatschappij behoort te streven?
Om deze vraag op jeene afdoende wijze voor de Profane wereld verstaanbaar en volkomen duidelijk te beantwoorden moet men weer onderzoeken wat in dit opzicht zou kunnen overeenstemmen met haren aard, waardoor men alleen kan komen tot kennis van den invloed, dien zij zou kunnen geacht worden, door verspreiding harer zuiver evangelische beginselen, op de Maatschappij uit te oefenen.
In de onmiddellijk voorafgaande beschouwingen hebben wij reeds gezien dat de beide revolutionaire uitersten, zoowel de Autocratie van het persoonlijk willekeurige gezag als ook de Oglocratie der massa, evenzeer verderflijk ziju voor de ontwikkeling en volmaking van het Menschelijke geslacht, daar beiden voeren tot de heerschappij der steeds tot een lager peil zinkende middelmatigheid, tot vernietiging van alle zedelijk beginsel, zelfstandigheid en eergevoel, tot stilstand en zedelijken dood.
159
Maar welke is nu de maatschappelijke inrichting, hoedanig is het Staatkundig beginsel waardoor dat doel, hetwelk de Vr ij-Metselaars-O r de beoogt kan worden bereikt?
Bij het zoeken naar een antwoord op deze levensquaestie is het eerste vereisehte te rade te gaan met de Natuur, uit wier rein Goddelijke Openbaring eenmaal de V r ij - M e t s e 1 a r ij geboren werd.
Zeer zeker — het kan niet nadrukkelijk genoeg in velerlei stijl worden herhaald — is het de eerste plicht van iederen rechtschapen Mensch wel te doen zonder omzien, de deugd te betrachten zonder zinnelijk zelfzuchtig bijoogmerk, zonder uiterlijke praalvertooning en zonder te jagen naar dat loon van roem of voordeel, hetwelk de zinnelijke wereld hem heeft aan te bieden.
Even zeker echter staat tegenover deze heilige waarheid die andere dat niet alleen de zinnelijke natuur van den Mensch maar zelfs de door zijnen Schepper in hem gelegden trek tot gezelligheid, die hem op de achting en de genegenheid zijner medemenschen leert prijs stellen, het verlangen in hem doet ontstaan, om het goede hetwelk hij in het belang van enkelen of van het algemeen verricht, te zien erkennen, en de nagedachtenis hiervan, ook zelfs nog na zijn verscheiden, te doen voortleven, en even zeker is het de heilige plicht der Maatschappij om hem te gemoet te komen in de bevrediging van dien loftelijken wensch, opdat die bevrediging aan anderen ten spoorslag ter navolging moge verstrekken.
Niet alleen dus is dit eene plicht dier dankbaarheid, welke ieder Mensch, die zich dezen naam niet onwaardig maken zich zeiven niet als een monster brandmerken wil, reeds voor het goede hetwelk hij ven hem geniet aan zijnen naaste, en dus in eene nog veel hoogere mate de Maatschappij aan hare in waarheid verdienstelijke leden schuldig is, maar het nauwgezet en onpartijdig betrachten van dien plicht wordt ook gebiedend voorgeschreven door eene gezonde huishoudkunde van Staat, omdat de openbare belooning en algemeene vereering van ware verdienste, zooals ik reeds daar even zeide, opwekt tot die navolging van welke de geheele Maatschappij de heilrijkste vruchten geniet, en die, moge zij ook al aanvankelijk niet uit eene geheel reine bron voortvloeien maar eene zelfs in dat geval nog altoos reeds meer verfijnde minder dierlijke zelfzucht tot drijfveer hebben, toch van lieverlede meer verhevene gevoelens en beginselen in den boezem der massa opwekt, en dus krachtdadig werkt aan de steeds toenemende veredeling van het geheele levende en zelfs toekomstige geslacht.
Ware, van den eersten aanvang der zoogenaamde beschaving in den boezem der volken van den grooten Arischeu stam, deze leiddraad zonder eenige de allergeringste afwijking gevolgd geworden, ware nimmer, ten gevolge van aan dien stam vreemde ja ten eenemale vijandige invloeden, de geleidelijke ontwikkelingsgang door de revolutionaire uitersten gestremd, dan voorzeker zou thans de zich beschaafd
160
noemende, op liare verlichting brallende XlXe Eeuwsclie moderne ^laatscliappij op een veel hooger standpunt zijn geplaatst dan zulks tegenwoordig het geval is, en geen bloot uitwendige gladheid van vormen maar ware zedelijke beschaving zou het doel zijn van het thans levende geslacht.
Indien dus de openbare erkenning en belooning van ware verdiensten en het vereeuwigen der herinnering daaraan bij wege van voorwaardelijk erfelijke onderscheiding, niet door de gunst van eenen Alleenheerscher maar door de stem des volks bij wet toegekend, het rechte middel is tot voortdurend toenemende veredeling des Mensch-doms, dan komen wij thans tot de vraag: is dan die Regeeringsvorm welken men gewoon is bij uitzondering met den naam van \'Republiek aan te duiden de eenige staatkundige toestand onder wier heerschappij alleeM ware ontwikkeling en veredeling kan plaats vinden?
Het antwoord op deze vraag kan, van het standpunt hetwelk de v:are en voUomene Vrij-Metselaar inneemt, wel geen ander zijn dan dat de vorm niets hoegenaamd beduidt, en het dus voorzeker niet bij uitsluiting die vorm is dien men ouder den naam van Uepn-bliJceinsche Regeering verstaat, maar wel het wezen der zaak dat is de Republiek in den eigenlijken alleen waren zin des woords, namelijk dat Staatsbestuur hetwelk, uitgaande van de innige overtuiging dat de volken niet bestaan ten behoeve van de personen der Regeerders maar de Regeeringen ten dienste der volken, zich uitsluitend de bevordering der algemeene belangen der lies Puhlica (openbare zaak) ten doel stelt.
De daarstelling van zoodanig Staatsbestuur eischt geenszins onvoorwaardelijk de afwezigheid van eenen Vorst. — In gulden letteren heeft de Geschiedenis de namen geboekstaafd van edele als sterren der eerste grootte schitterende Vorsten uit vroegeren en lateren tijd, die zich geheel hebben opgeofferd voor het welzijn des volks van hetwelk zij in den meest absoluten zin de vaders waren, en in tegenoverstelling hiervan heeft zij in hare rollen de geheugenis bewaard van zoogenaamde Republieken, die volstrekt niets anders waren dan afschuwelijke on verdragelij ke OligarcMen (Heerschappijen van feitelijk bevoorrechte Regeeringsfamilien) onder welke het geheele volk aan de faatzucht van bevoorrechte geslachten werd opgeofferd.
De eenige Staatsinrichting die inderdaad de hoogste aanbeveling verdient is de navolging van dit Regeeringsbeginsel hetwelk, als het eenig ware, voortspruit uit den natuurlijken aard der op vrije ver-eeniging ter wederzijdsche bescherming van individueele rechten gegronde Maatschappij daar zij den Staat vrijwaart tegen schokken en slingering.
Dit ontschatbare voorrecht nu wordt volstrekt gemist bij die Staatsregeling aan welke men uitsluitend den naam geeft van Republi-keinsche Regeeringsvorm en waar de hoogste macht berust in plaats van bij eenen erflijken Vorst bij eenen President, die ofschoom hem
161
tengevolge eener onbegrijpelijke verwarring van denkbeelden, voor den duur zijner functien de persoonlijke onschendbaarheid of gerechtelijke onverantwoordelijkheid van alle zijne handelingen is gewaarborgd, toch slechts voor eenen bij de Constitutie vastgestelden tijd is verkoren.
Het gevolg van deze inrichting is — zooals men in alle Eepu-blieken op beide halfronden telkens bij herhaling aanschouwt — een voortdurend jacht maken op de verovering van den Voorzitters-stoel waarbij de gegadigden zelfs niet terug deinzen voor de laag-hartigste en misdadigste middelen, die hen aan de allerdiepste Verachting van iederen rechtschapen Mensch moeten prijs geven, ja in eenen in waarheid zedelijk geordenden Staat iedere openbare betrekking ten eenenmale onwaardig zouden doen verklaren.
Om dit zoo vurig begeerde doel te bereiken vormt ieder, die hiertoe, door het verspreiden van onverschillig welke gevaarlijke theorien, slechts de minste kans ziet, zich eenen aanhang, eene Staatkundige of Sociale partij, om uit de te weeg gebrachte verdeeldheid zijne heerschappij te doen ontspruiten.
Deze verschillende partijen voeren tegen eikanderen eenen onafgebroken strijd, waardoor de gemoederen in voortdurende gisting worden gehouden, zoodat er slechts een oogenblikkelijke Volkswaan noodig is om het land in al de gruwelen van eenen burgeroorlog te dompelen en aan het allergrootste gevaar voor vreemd geweld, ja aan volslagen en onherstelbaren ondergang bloot te stellen.
Zoodanig soort van zeer ten onrechte zoogenaamde Gemeenebesten zijn van tweeërlei aard, waarvan de eene niet voor de andere onder doet en verderflijkheid voor het algemeen belang.
Het zijn of verfoeilijke Oligarcldën zooals bijvoorbeeld die van Venetië, van Genua, van de Vereenig de Nederlanden, enz.: of wel Democratiën, gelijk, nu bijna honderd jaren geleden, op het einde der XVIII Eeuw, de eenige en ondeelbare Frannche en in Nederland de BataafscJie Republiek.
In de eerste soort wordt het Volk in de knellendste slavernij gehouden door eenen trits van bevoorrechte familiën, die, van geslacht tot geslacht in den alle gevoel versmoorenden koophandel schatten vergaderd hebbende, door de macht van hunnen stoffelijken rijkdom zich van de Eegeering wisten meester te maken, en vervolgens, de algemeene zaak, de Res Pullica aan hun eigen belang opofferende, met elkander een verbitterden strijd voeren om de Oppermacht.
In de laatste soort daarentegen wordt wel dezelfde strijd zelfs met meer woede en uitsluitend onder aanwending van bloot ruw geweld gestreden, maar zij loopt daarop uit dat het laagste, meest onbeschaamde en van alle beschaving eu zedelijk beginsel ontblootte uitvaagsel der Maatschappij, vaak onder aanvoering van vroeger wegens roof, moord en brandstichting veroordeelde losgelaten tuchthuisboeven , zich eindelijk door de kracht der menigte van die Oppermacht meester maakt.
11
162
Do Gescliiedenis levert dan ook de onwraakbaarste bewijzen dat beide soorten van zoogenaamde Republieken, reeds van af de dagen der classieke oudheid steeds aan hetzelfde zoo even genoemde euvel mank gingen, namelijk aan gebrek aan Stabiliteit, die bij den voort-durenden strijd om het ahsohde gezag eene volstrekte onmogelijkheid zijn moest, en dit is dan ook de oorzaak dat zij allen, na een wat langer of korter zelfstandig bestaan, en na zelfs den hoogsten trap van rijkdom, aanzien en macht te hebben bereikt, door inwendige beroering zijn te gronde gegaan, en hetzij aan het Caesarhuus of wel aan vreemde overheersehing, zelfs van nog in den nacht van barbaarschheid verzonken volken, ten prooi gevallen.
Eene zoodanige wisselvalligheid in het Staatsbewind, waar nu eens de eene dan weer de andere partij bovendrijft, de meest uiteenloo-pende beginselen, zooals ten tijde der Guelfeii en Gibéllijnen naar de onverdeelde heerschappij streven of wel, zooals bij de Montecchi\'s en Papulletti\'s, een bloote familie-vete in het spel is, en er, onder de leus Barha! {baarrT) of Sin Barla {baardeloos) bloedig wordt gestreden over de gewichtige vraag of men zich al dan niet moet laten scheren, zoodat ten slotte het barbiers-gilde den doodslag geeft, eene zoodanige wisselvalligheid, zeg ik, maakt iedere gevestigde zedelijke overtuiging in den boezem der massa, die zich steeds naar het voorbeeld van leiders en voorgangers richt en daarmee iederen waren vooruitgang, in zedelijken, staatkundigen en maatschappelijken kring j onmogelijk.
Dezelfde beginselen toch die heden, terwijl zij heerschende zijn, als edel en verheven aller navolging waardig worden beschouwd, worden morgen, zoodra eene tegenovergestelde partij zich van de Staats-Ahnacht heeft meester gemaakt, als verderflijk en Staatsgevaarlijk gebrandmerkt en vervolgd, zoodat er ten laatste de schro-melijkste verwarring van denkbeelden ontstaat omtrent datgene , wat in waarheid voor goed en recht moet worden gehouden.
Als eene natuurlijke maar doodelijk vergiftige vrucht, voortgesproten uit den verpesten, van wegrottende zelfstandigheden vervulden bodem van eenen zoo heilloozen toestand, worden de handelingen van Ee-geerders, volken en individuen niet meer beoordeeld naar ds beginselen welke daarvan de drijfveren waren, maar alleen naar de uitkomsten van stoffelijk voordeel welke zij opleverden, en wordt er eene algemeene onverschilligheid geboren voor de algemeene zaak, waarvan alweer de, als een Sodoim-Appel, alle menschelijkheid verstikkende vrucht is, dat iedereen zijne eigene persoonlijke belangen ten koste der maatschappij zoekt te bevorderen, en in een woord alles voor geoorlooft houdt wat hem zeiven voordeel aanbrengt, ja zoodanige lage met de natuurlijke bestemming van den Mensch als een gezellig en individueel voor eindelooze volmaking bestemd schepsel, lijnrecht strijdige handelwijze volkomen gerechtvaardigd acht door de overweging dat anderen dit toch ook, almede ten zijnen koste, doen
163
en liij dus eene onverantwoordelijke dwaaslieid zou begaan indien hij zijn eigen belang aan de belangen van liet algemeen opofferde.
Behalven dit alles is de uitsluitend dus genoemde, Republikeinsclie Eegeeringsvorm nog meer dan eenige andere geschikt, om de openbare mening te doen overslaan tot verderfelijke uitersten, die den waren vooruitgang stremmen.
Onder de Oligarchie ontwikkelt zich natuurlijk haat en verachting tegenover de zich hooger noemende standen, omdat deze eene drukkende overheersching op het door hun verachte Volk uitoefenen.
Onder de Democratie, die geen op eervolle gronden gevestigde stands-onderscheiding duldt, maar onvoorwaardelijke Gelijkheid eischt, wordt de menschelijke neiging gedreven tot het najagen van schatten, ten einde door ruimte van zingenot alle andere verbodene bloot zedelijke genietingen door zinncnbedwelming zooveel mogelijk te vervangen.
Eindelijk gaan onder den druk der laatste, zelfs de beschaafde toon en goede vormen verloren, en worden de beginselen die eertijds voor Edel en Eidderlijk golden beschouwd als een bespottelijk Don Qnixotismus, als het kenmerk eener hatelijke niet geweldadig genoeg te onderdrukken aanmatiging van zedelijke meerderheid, die door alle, onverschillig welke middelen in de kiem moet worden verstikt, zoodat juist die individuen die, door derzclver zedelijke voortreffelijkheid, de krachtigste werktuigen voor de ware beschaving zouden zijn, onweerstaanbaar gedwongen worden tot de voor het zedelijk leven zoo hoogst gevaarlijke keus, om of de martelaars te worden hunner innige overtuiging, of, in strijd met hunne verheven beginselen, dus tegen hun geweten en betere neiging, deel te nemen in de verkeerdheden der massa, ten einde zich voor barbaarsche vervolging te vrijwaren.
Het streven naar eene algemeen geldende Staatsregeling die zulke vruchten afwerpt als ik in het hier voorafgaande, op het gezag der Onwraakbare Geschiedenis, in zuivre trekken heb geschetst kan nimmer in overeenstemming worden gebracht met het wezen en doel der V r ij-M etselarij, met welke zoodanig streven in tegendeel lijnrecht strijdig zou zijn.
Zooals ik in mijne beschouwingen tot hiertoe op de meest stellige wijze aantoonde, sproot de Orde in de grijze oudheid voort uit het zoeken naar overtuigende bewijzen in de Openbaring die Natuur voor het bestaan van een persoonlijk Opperwezen en vo.r des Menschen O n s t e r f 1 ij k h e i d.
Op dezelfde wijze zocht zij na de verschijning in menschelijke gedaante van onzen Groote Meester naar bewijzen voor Goddelijkheid van Zijn Evangelie en dus ook van Zijnen Persoon
164
buiten het gezag der Profeten in Israël, wier schriften door de Kerk met Goddelijk gezag worden bekleed.
Van dit standpunt uitgaande, buiten hetwelk wel de doode vorm maar nimmer het levende wezen der V r ij-M e t s e 1 a r ij kan bestaan, is het dus volstrekt onmogelijk dat zij ooit of immer eenig ander doel zou kunnen hebben dan de steeds toenemende zedelijke ontwikkeling en volmaking van geheel het Menschelijk geslacht, ten einde het voor het tegenwoordige, zoowel als voor eene eindelooze toekomst zoo gelukkig mogelijk te maken, door het betrachten van het H. Evangelie der Goddelijke Humaniteit met alle de deugden die uit de algemeene Menschenliefde voortvloeijen, in die Vrijheid met welke onze Groot -Meester Jezus Christus ons heeft vrijgemaakt.
De middeleeuwsche spreuk; nFac Deus eteruos Facem pasisque Mimstrosquot; (Schep, o God! eeuwigen Vrede en dienaren des Vredes) is nog altoos het voortdurende gebed der V r ij-M etselaars-Orde, dat ook met andere woorden wordt uitgedrukt in het allervolmaaktste gebed, waarin onze Groot -Meester ons leert bidden: „ Veniat Regmtui Tuum libera nos a mcdoquot; (Dat üw Eijk kome en verlos ons van het booze).
In verband met deze bede om de komst ook reeds op aarde des eeuwigen Eijks van onzen Heer God Jezus Christus is het doel hetwelk onze Orde zich voorstelt V r ij li e i d en door V r ij-heid, als hare heilrijke vrucht Vrede zoowel op Individueel (persoonlijk) en Collectief (Maatschappelijk) Supernaturalistisch (bovennatuurlijk) als ook op Materieel (stoffelijk) gebied.
Daarom beveelt zij hare Leerlingen met alle hunne krachten van lichaam en geest te arbeiden aan den ruweu steen opdat alle scherpe eikanderen afstootende hoeken met het aan de Goddelijke eeuwige wet geslepen staal worden weggenomen — dat is in de zuivere taal des Evangelies alle ergenissen worden afgehouwen — en die levende steenen op eikanderen passen ten einde een hecht, alle stormen trotseerend gebouw, een Tempel des eeuwigen, waarachtigen L i c h t \'s, daarmee kunne worden opgetrokken.
Die heilige Vrede kan echter onmogelijk anders tot stand komen dan door volkomen V r ij h e i d , zonder andere beperking dan die voorgeschreven in de Wet der eeuwige Liefde, daar alle men-schelijke dwang, onverschillig van welken aard die wezen moge, aanspoort tot verzet, onweerstaanbaar prikkelt tot opstand, ten ware zij, de overwinning behalende, er in zou slagen om het Menschdom te vormen tot eene verzameling van lijken zonder wil of eigene beweging, van ziellooze leviuren, en daarmee de Maatschappij tot eenen pestpoel van bederf.
Van die zich dagelijks op ieder gebied openbarende waarheid op het innigst doordrongen, heeft de Orde den diepsten afkeer van Vorm-dwang en is het haar ijverig en standvastig streven om, door ver-
105
nietiging der Eenvormigheid de duurzame, alleen uit de erkenning der eenige Waarlieid voortspruitende Eenheid, daar te stellen.
Dit onafgebroken streven naar Eenheid niet door uiterlijken schijn maar door zamenstellende gelieel zelfstandige deelen, maakt de V r ij-M e t s e 1 a r ij tot de grootste blijvende weldaad voor de Maatschappij, de Lichtbron, wier uitschietende stralen eenmaal voor goed zullen zegevieren door de duisternis wanneer het rijk van den eeuwigen Groot-Meester volkomen, de levende Tempel volbouwd zal zijn.
Eeeds in de vroegste tijden tot welke de Geschiedenis opklimt was het streven naar Eenvormigheid, zoowel in Geestelijk als Wereldlijk opzicht, dc vloek des Menschdoms, en dit is zeer natuurlijk, daar zij op Geestelijk gebied in lijnrechten tweestrijd is met het voorbeeld gegeven door onzen Groot-Meester, die Zijn Goddelijk Evangelie van genade en liefde niet alleen aan de Joden, — die ook nu zelfs nog door aardsgezinde Christenen voor het uitverkoren Volk Gods en Zijne hoog bevoorrechte landgenooten worden gehouden, — maar ook aan Canamüten, Pheniciers, Romeinen, Germanen in een woord aan alle verfoeide Gerijm verkondigde, maar zelfs aan de op het diepst vervloekte Samaritanen met welke H ij zich zelfs niet ontzag op zoodanigen vriendschappelijken voet te verkeren dat H ij hunne gulle gastvrijheid aannam, terwijl H ij hun verkondigde dat de Hemelsche Vnder niet wil gediend zijn met eenvormige Kerkleer of Kerkgebaar maar alleen door uit het hart van den Mensch voortkomende aanbidding in Geest en waarheid.
Op het Wereldlijk gebied was het de met het zwaard overweldigde Rijks Eenheid naar welke gestreefd werd door Heerschers zooals Nebuchodonosor, Xerxes, Cambyses, Alexander, Caesar, Karei {de Grootel) en waarnaar ook nog in onze dagen wordt gestreefd door het Mongoolsche Czarendom niet alleen maar ook door Wilhelm van Hohenzollern, wiens staatkundig doel tevens in verband stond met een Kerkelijk, de zegepraal namelijk van het Protestantismm in Duitschland, ter bereiking van welk doel in 1866 het Eoomsch Katholijke Oostenrijlc uit het Duitsch Verbond uitgestoten en Frankrijk door allerlei listen tot oorlog gepord en vernietigd moest worden.
Met welke stroomen bleeds ook gedrenkt heeft zoodanige Rijks-Eenheid nimmer een duurzaam bestaan kunnen hebben, omdat de verschillende volken wel in vrede en vriendschap met elkander kunnen verkeren zoolang derzelver eigendommelijk karakter zelfstandig blijft, maar zoodra zij door eenen tiran in eenen door hem uitgedachten vorm worden geperst, in den woedendsten haat tegen eikanderen ontbranden, of wel, indien de uitslaande vlammen met geweld worden gedoofd, zich inwendig verteren en vergaan tot eenen aschhoop uit welken alle leven geweken is.
Hetzelfde wat ik hier op grond der historische getuigenissen zeide
166
van de verschillende volken, geldt ook van de individuen en dit is het waardoor ook een ander verschijnsel, hetwelk wij vooral in onze dagen waarnemen kunnen, volkomen duidelijk wordt verklaard.
Bijna eene eeuw geleden in het in zoo menigerlei opzicht gedenkwaardige jaar 1789 werd de Staatkundige Eeuvormigheid veranderd in eene Maatschappelijke met welke het Pruisische Caesarimus een innig verbond tracht te sluiten, ten einde haar dienstbaar te maken aan de Alleenheerschappij en door dit revolutionaire monsterverbond eindelijk het Perinde ac Cadaver (dat zij worde als een lijk) door „B 1 u t li u n d E i s e nquot; op de geheele Menschheid toe te passen.
Altijd onveranderlijk was het de Revolutie, nu in den vorm van eenen alle individualiteit onderdrukkende Geweldenaar, dan in die van eene zoogenaamde openbare meening, die er naar streeft door Ecnvoraügheid tot Eenheid te geraken.
Deze Eeuvormigheid, ik kan het niet genoeg herhalen, is de vloek der Wereld, het werk van den Vorst der Wereld, tot wiens uitdrijving onze Orde van het begin der tijden is geroepen.
Deze Eenvormigheid kan niet anders leiden dan hetzij tot eenen wanhopigen worstelstrijd, wanneer er nog een kern is overgebleven van mannen die genoeg gevoel van eigenwaarde en rustigen mannenmoed hebben aangehouden, om, het even verachtelijk als walchelijke Monster de openbare meening geheten trotserende, in het strijdperk te treden, of wel tot de algeheele vernietiging van alle edele neigingen.
Onder deze heb ik alleen maar te spreken van de heilige V a d e r-landsliefde die, om met P o u 1 i n te spreken, geen reden van bestaan meer kan doen gelden, „lorsqiie tous les peuples semhlent „avoir été jetés dans le méme moule, lorsque toiites les diffdrences de „pays ei pays, usages, coutumes, traditions, disparaissent de plus en „plus, hroyés sous les roues des locomotivesquot; (wanneer alle volkeren geworpen schijnen in denzelfden vorm, wanneer alle onderscheid tusschen het eene volk en het andere, in gebruiken, gewoonten, overleveringen meer en meer verdwijnen, verbrijzeld onder de raderen der stoomtrekkers), en wee! duizendvoudig wee! over het Menschdom wanneer het zijne voorvaderlijke overleveringen verloochent, dan verscheurt het de heiligste banden en holt, in toomloozen vaart, den afgrond van Verenkeling en door Verenkeling, van Verdierlijkiag te gemoet.
Deze Eenvormigheid is het dus die de eigene levenskracht bluscht, de levenskracht verlamt als een stalen schroef om een der lichaams-deelen gelegd of liever als een worgkoord, het werktuig van den beul en eindigen moet met den wortel des levens te doen sterven, omdat juist in de verscheidenheid der vezelen het beginsel des alleen op harmonische zamenwerking van in derzelver aard verschillende bestanddeelen berustenden levens, gelegen is.
Daarom heeft het Volk hetwelk de Eenvormigheid tot algemeene
167
Wet verheft zijn eigen oordeel geveld, en mag men met Mac D u f t daarvan zeggen:
„Fit to yovtm!
nNo, not to livé, O ndserahle nation!quot;
(Geschikt om te heerschen! Neen, niet om te leven, O ellendig Volk!)
Die door den Vader der leugenen gepredikte geestdoovende alle zelfstandige persoonlijkheid verstikkende Eenvormigheid met alle macht te bestrijden, hare grondslagen te ondermijnen, haar onder hare eigene puinhopen te bedelven en voor haar eene uit het vrije individuele leven gegroeide Eenheid uit verschillende zelfstandige elementen zamengesteld daarvoor in de plaats te stellen, dit is in den volsteu zin arbeiden aan den bouw des eenigen geestelijken Tempels van het Waarachtig Licht.
Zoodanig is dan ook het doel onzer Orde naar welks bereiking reeds werd gestreefd door onze naaste voorgangers de Tempel-H e e r e n, in strijd met den rampzaligen geest welke zich sedert de vijfde eeuw van de zich Christelijk noemende Kerk had meester gemaakt.
Wanneer men nu dit alles wat ik in de voorafgaande bladen aan de Geschiedenis en de leer onzer Orde ontleende aandachtig overweegt , dan moet ieder onbevooroordeelde zeer zeker tot de stellige overtuiging komen dat de ware V r ij-M etselarij, die in haren strijd tegen de geestdoodende Eenvormigheid en afgoderij met Men-schelijke leerstellingen, hare heiligdommen ontsluit voor alle oprechte belijders van den Gek ruisten Jezus, onverschillig of zij al dan niet tot eenig in de Profane Wereld erkend Kerkgenootschap behooren niets anders is dan de Gemeente der Nazareners in hare oorspronkelijke Evangelische zuiverheid en ijver voor de beoefening der Evangelische deugden, de ware lijdende en strijdende Kerk, gesticht door onzen Groot-Meester, op de rots des Geloofs in Zijne Godheid, en die de vervolging des als een Engel des Lichts vermomden Vorst der Wereld, ondanks al de macht van geestelijke en wereldlijke dwing-landij, van dweepzucht en ongeloof, nog nimmer heeft kunnen overweldigen.
Hoe heldhaftig ook strijd voerende tegen stoffelijk geweld, houdt zij zich echter aan de woorden des G r o o t-M e e s t e r s: ,/ Geef den Keizer mat des Keizers lt;s,quot; en wat de les aangaat dat men Gode meer moet gehoorzamen dan den Menschen bedient zij zich als wapen van het W o o r d der Waarheid en van het Licht dat, als de blixem, van het Oosten tot het Westen schijnt.
Nimmer kan zij dus in eenig opzicht worden gevaarlijk geacht,
168
noch voor de ware Kerk van Jezus Christus, noch voor eenige op die Rots der Eeuwen gegrondveste Monarchie, noch voor de belangen der ware uit het H. Evangelie voortspruitende beschaving, die in haar juist den onwrikbaarsten steun vindt.
Maar, zoo hoor ik mijne lezers vragen, wanneer dit alles voor waarheid moet worden aangenomen, van waar dan de afkeer van de V r ij-Met se lar ij, die zoo algemeen in de profane wereld bestaat
Die afkeer is zeer natuurlijk en spruit alleen voort uit den voort-durenden strijd der duisternis tegen het Licht, de strijd van A h r i m a n , de Slang der boosheid , tegen O r m u rjl, waarvan reeds de Zend-Avesta spreekt, uit de lasteringen welke de Oude Slang, de Vader der Leugenen uitbraakt tegen de Broeders des Lichts.
Onze God del ij ke Grootmeester Jezus Christus, die het Land doorging goed doende, en tegen hen die gezeten waren op den Stoel van Mozes met het volste vertrouwen kon zeggen: „Wie Uwer overtuigt mij van zonde?quot; werd vervolgd door drie secten; de Pharize\'én, de mannen der Kerkleer, aangevoerd door het talloos heir van Priesters en Schriftgeleerden; de Sadduceën, die, alleen steunende op menschelijke rechtvaardigheid, het werkelijk bestaan van een leven boven de stoffelijke natuur hardnekkig ontkenden en daarom den Nazarener tot een voorwerp van spot maakten, zoodat zij in den volsten zin de opvolgers waren dergenen van welke, reeds in den grootsten bloei van het Israëlitisch Koningrijk , David klaagde dat zij openlijk het bestaan van God loochenden, en de Herodianen, de alleen naar aardsche grootheid en stoffelijk belang jagende en daarvoor kruipende aanhangers van het Caesarimnus.
Even als dit nu voor bijna XIX eeuwen geschiedde met onzen G r o o t-M e e s t e r zoo is zulks ook nog voortdurend het geval met onze Orde. — Nog voortdurend wordt zij vervolgd door drie eikanderen onderling vijandige, den Vorst de)\' duisternis als werktuigen dienende partijen, wier aanvallen echter altoos machteloos zullen blijken als het Rijk des Satans, omdat dit rijk tegen zich zeiven verdeeld is.
De eerste dier verbitterd vijandige partijen is het Clericalimnus of Confessionalismus, hetwelk zich, bij het steeds toenemend aantal van kerkelijke richtingen, secten of kerkgenootschappen in den volsten zin voordoet als een veelhoofdig monster. — Het zijn de zoogenaamde Godgeleerden met hunnen aanhang, die sedert de vijfde eeuw, toen de nederige opzieners der Gemeente werden veranderd in gezaghebbende Eijks-Heeren, het heillooze zoo lijnrecht met de leer des Evangelies strijdige werk der Joodsche Priesters en Schriftgeleerden hebben opgevat.
Die Godgeleerden die, om zich zeiven eenen aanzienlijken stand in de Wereld en eenen alles overwegenden invloed te verzekeren, het eehvoudige aan en door ongeleerde lieden gepredikte en toch zoo volmaakt duidelijke op alle maatschappelijke toestanden practisch toepasselijke H. Evangelie, welks betrachting van het Menschdom de hoogste mate van op aarde mogelijk geluk verzekert, hebben
169
misvormd tot eene lioogst ingewikkelde, eene levensstudie vereiscliende en tot de meest uiteenloopende opvattingen aanleiding gevende wetenschap, die Godgeleerden hebben van niets eenen zoodanigen afschuw als van een practisch Christendom, verheven boven geloofsverdeeldheid, hetwelk allen die gelooven in den geopenbaarden Christus Gods, zonder onderscheid van den Vorm onder welken zij in dezen eenigen onder den Hemel gegeven naam Zijnen en Onzen Hemelse hen Vader aanbidden, erkent als Huisgenooten des Geloofs.
Om het even of zij zweren bij het woord van een levend onfeilbaar Opperhoofd, die het Vicarim Fil\'n Bei, gelijk eenmaal de Hooge Priester te Jeruzalem, den naam des Heeren, aan het voorhoofd draagt , of wel bij ingelijks door menschen zamengestelde belijdenisschriften en formulieren van eenigheid, zij pllen strijden op hun gebied, ieder voor eene uitsluitende Kerkleer, die zij voorstellen als de eeuige Waarheid.
Het ideaal naar hetwelk zij streven is de Eenheid, doch niet eene eenheid des Geloofs uit het individueele leven opgegroeid, maar eene eenheid van uitwendigen vorm, als een uit ziellooze bestanddeelen opgetrokken gebouw vooraf in bestek gebracht, waaraan de persoonlijke overtuiging zich in blinde gehoorzaamheid moet onderwerpen, de Menseh zich onvoorwaardelijk moet dienstbaar maken, zoodat hij ten slotte niet meer persoonlijke zelfstandigheid bezit dan de stok in de hand des grijsaards.
Ieder die, sterk door op eigen onderzoek gevestigde gewetensovertuiging, zich niet wil buigen onder het Geestelijke dwangjuk, wordt als scheurmaker afgesneden of als ketter uitgestoten; ja, hadden onze hedendaagsche zoogenaamde Godgeleerden het nog, even als een Torquemada of een Calvin, in hunne macht, konden zij nog gelijk een Cromwell beschikken over het geweld van den vleesche-lijken arm, gewis zouden zij geen oogenblik aarzelen, om iedere vrije levensuiting op het gebied des gewetens door strop ofmutsaerd ja, ten koste van stroomen bloeds, door moordend staal en lood tot zwijgen te brengen, de brandstapels te doen rooken en de blinde schare hunner getrouwen op den reuk van gebraden menschenvleesch te vergasten.
Hun ideaal is dus niet de levende Eenheid, maar de ziellooze Eenvormigheid van het graf waarvan de dichter zong
„W eiland grofs u n d edel „Nick te dieser Schildel „K e i n e m G r u s s e d a n c k „Je nes Beingerippe,
„O h n e Wang u n d L i p p e,
H a 11 e Gold u n d E a n gquot;
En schoon nu de schrilste uiting van dit streven door de schep-
170
ping van San Inigo de Loyola, den moedigen Ridder der H. Maagd, in het algemeen bekende en met het volste recht verafschuwde uPerindv ac Cadaverquot; in een formulier werd uitgedrukt, wane daarom toch vooral niemand dat die aanklacht uitsluitend tegen de Kerk van Home zou kunnen worden gericht.
Ten eenemale in den snijdendsten tegenspraak met het vooropgezette beginsel gaat het Protestautismus aan dit zelfde heuvel mank en een echt gereformeerd Hoogleeraar zegt ten aanzien der Kerkhervorming: „dat de eenheid verbroken werd, maar de e e n v o r-„m i g h e i d werd slechts getemperd. Of wat hebben de kerken der „Hervorming anders gedaan, dan op andere wijs de eenvormigheid „van Rome in eigen boezem hersteld. De nationale tegenstand „heeft doorgewerkt, en voor de eenvormige Kerk van alle natiën, „is, in veelheid van vormen de nationale Kerk in plaats gekomen, „maar het individueel verzet, het recht der persoonlijkheid, en daarmee „de vrijheid van het leven, ze is ook in onze Hervormde; Kerken „gesmoord. — Och bij ons bleef het, zoo ge iedere natie op zich „zelven neemt, eenvormigheid in belijdenis, eenvormigheid van geestelijk type, eenvormigheid in eeredienst en bestuur. — Ook bij ons „Hervormden werd maar al te spoedig, de stroom des levens „dichtgevroren door de ijskoude lucht van formalistische eenvormig-„heid. — Ook hier werd het nogmaals, als weleer bij Rom?, niet „eene eenheid uit hel leven gegroeid, maar eene eenheid die hst leven „dwingen wilde.quot;
Op eene andere plaats, uitsluitend van de Roomsch Katholijke Kerk sprekende, zegt diezelfde Hoogleeraar: „Vandaar de natuurlijke „verstandhouding van de leiders der Kerk met de heroën der Rijks-„eenheid, want hoe ook vaak op elkander gebeten, in het beginsel „van hun streven waren beiden een.\'\' —Maar vergelijkt men hiermee de voorafgaande redeneering dan komt men tot de slotsom dat deze onwraakbare uitspraak even goed voor de Hervorming geldt als voor de Moeder-Kerk.
Ook de Vaderlandsche Geschiedenis, om hier geen andere aan te halen, heeft in bloedig schrift de oorkonden geboekstaafd waardoor deze stelling zonneklaar wordt bewezen, zoowel in het op barbaarsche wijze vermoorden der Mennonieten, volgens de uitspraak van den zachtaardigsten der Kerkhervormers, den geleerden P h i 1 i p p Melanchton, die zich niet schaamde zijn gevoelens te formuleeren in de woorden: „Qui iterum mergit mergaturquot; (Verdrink de Wederdoopers) als in den geweldadigen strijd tegen de Arminianeti, wier vervolgers niets te verwijten hebben aan eenen Hertog d\' A1 b a eenen Don Ju an de Vargas, eenen J o a n H e s s e 1 s en de mannen van welke het heet in het Geuzea-Iiethoek:
„De Spaansche Inquisitie,
„Voor God malitie.
171
„De Spaensche Inquisitie,
„Als draexbloet fel,quot;
Hoezeer nu nog tegenwoordig zelfs ook hier te lande liet denkbeeld van alles overlieerscliende Kerkleer wordt gehuldigd, blijkt nit den gerechtelijkeu eed, van welken niemand, op grond van persoonlijke gewetensovertuiging mag worden vrijgesteld, zoodra hij officieel niet behoort tot een Kerkgenootschap welks leer het eed zweren voor zondiy — (om ons van den geijkten term te bedienen) — verklaart, en zulks niettegenstaande art. 164 der vigeerende zoogenaamd liberale Grondwet van 1848 wel uitdrukkelijk zegt:
„Ieder belijdt zijne godsdienstige meeningen met volkomen vrijheid, „behoudens de bescherming der Maatschappij en harer leden tegen „de overtreding der strafwet.quot;
Welke bepaling toch wel niet uitsluitend zal beteekenen dat men niet meer voor ongezondheid in de leer zal worden opgehangen, maar ook zeker wel degelijk dat zoodanige yodsdiensüye meeningen in de praktijk moeten worden geëerbiedigd, te meer daar toch bij art. 207 al. 3 van het nieuwe Nederlandsche Strafwetboek, de valsche verklaring, — zoo als zij bij voorbeeld door de Doopsgezinden wordt afgelegd, — wordt gestraft als Meineed, en dus het openbare belang niet kan worden aangevoerd als drangrede voor het behoud van den Eedsdicang, en zulks nog te minder daar het eenvoudigste gezonde verstand volkomen duidelijk moet zien dat de zedelijke band die men wil vinden in het aanroepen van God tot getuige der waarheid uitsluitend bestaat voor dengenen die aan het bestaan van eenen God dat is van een persoonlijk zelfbewust en al besturend Opperwezen gelooft.
Wil men nog verder een bewijs voor de overeenstemming tusschen-de leiders der Kerk met de Heroën (?) der Eijkseenheid, dan vindt men dit in de houding van het Pruisische Caesarismus, dat, om aan zijne Protestantsche Kerk de geestelijke oppermacht te verschaffen in 1866 geheel Duitschland in al de gruwelen van den burgeroorlog dompelde en desniettemin, ondanks de verwaten uitspraak: „w i r g e h e n nicht n a c h O a n o s s a,quot; thans bij het Vaticaan steun zoekt voor zijne autocratische politiek.
Dit nog steeds in het duister albeheerschend Clericalumus nu wil in de baatzucht die al deszelfs handelingen bestuurt geen andere Godsdienst erkennen dan de zoodanige, welke uitsluitend steunt op het gezag der Kerkleer, die voor het grootste gedeelte is ontleend aan As. Mozaïsche wetgeving, en beschouwt als een misdadig bestaan, ja als een afschuwlijke ketterij iedere poging om de gegrondheid der hoofdwaarheden van iederen Godsdienst welke dien naam verdient, onafhankelijk van dat gezag uit de natuur te bewijzen.
Zeer natuurlijk dus moet deze partij dus den woedendsten haat koesteren tegen de V r ij-M e t s e 1 a r ij, als waarin alleen de, zooals
172
ik vroeger zeide, door de vijf punten der vlammende Ster aangeduide Grond-Waarheden gehuldigd, maar aan Kerkgenootscliappelijke leerstellingen hoegenaamd geen waarde gehecht wordt, en tevens is zij het die aan eene andere evenzeer vijandige partij aanzijn gegeven heeft.
In alle Kerkgenootschappen zonder onderscheid zien wij in steeds toenemende mate scheuringen ontstaan, daar de wetenschappelijk ontwikkelde geest zich niet langer wil onderwerpen aan den geloofsdwang van allerlei onzinnige, met de gezonde rede zoowel als met de uitspraak der positieve wetenschap, ja zelfs met den geest van het U. Evangelie strijdige stellingen, die in iedere Kerkleer worden gedreven.
Zeer terecht wordt door den reeds aangehaalden rechtzinnig gereformeerden Hoogleeraar, van de Hervormde Kerk sprekende, ten dien aanzien gezegd; „Was het niet een al te stout bestaan, de grondfout „der eenvormigheid van Eome over te nemen, zonder de krachtige „hierarchic, waardoor bij Home die eenvormigheid werd gesteund? „De geesten vrij te verklaren, gelijk de Hervorming deed, en hun „toch den ban van alle geestesleven in het juk der eenvormigheid „op te leggen, moest het niet op schreiende teleurstelling uitloopen? „Is het niet natuurlijk dat de golving van den stroom gedurig die „ijskorst zoekt te breken; dat eerst een deel der Kerk moest worden „uitgeworpen, zoolang men het organisme nog samenhield, en dat „straks een heir van ontevredenen samenschool en eene ongezonde „gisting in het leven riep.quot;
Die ongezonde gisting bestaat in alle kerkgenootschappen, waarvan een Kenan, een Loyson, een Pi er son en eene wolke van andere getuigen kunnen ten bewijze strekken, en heeft eindelijk het aanzijn gegeven aan een trits van Atheïsten, die, zich meer en meer uitbreidende, de zoo licht door iedere\', zij het ook nog zoo zwakke wind van lering , als een riet heen en weer geslingerde openbare meening in steeds toenemende mate begint te beheerschen, zoodat men met den Franschen dichter uit de vorige eeuw hiervan zeggen mag;
uAu hon vieux temps on taxait de folie
„Tout ennemi de la Divinité
t,Mais de nos jours Vesprit fort qui la iiie
„Est un savant digne dïétre chanté.
„On est hien loin de la philosoplde
nQuand on est loin de finerédulitc.quot;
De hardnekkige verkeerdheid van het Cleriealisrnus, om in plaats van, — hetgeen toch zoo gemakkelijk geweest ware, —zijn voordeel te doen met de ontdekkingen der Wetenschap, als zoovele feitelijke
173
bewijzen voor de grondwaarheden van den Godsdienst, die zoo doende even zoo goed in het verstand als in het gevoel zon zijn gevestigd geworden, integendeel de onzinnigste, niets afdoende beweringen door te drijven, als geloofspunten, waartegen reeds een Galileo Galileï, in naam der wetenschap de stem verhief, die verkeerdheid alleen heeft de tallooze half en kwart geleerden onzer dagen er toe gebracht om op grond der voorlang bewezen onhoudbaarheid dier aan de Mozaïsche Cosmogome ontleende en bovendien nog door eene letterlijke opvatting verdraaide stellingen, alle denkbeeld van Godsdienst als een voorwerp van bespotting alle Godsbegrip als een doorslaand bewijs van onkunde, ja zelfs van bekrompen geestvermogens te beschouwen.
Deze zoogenaamde Vrijdenkers, die, in plaats van vrij niets anders zijn dan de slaafsohe dienaren der door hen zelf verheven afgoden, zooals de Haagsche brillenslijper Baruch Spinosa, vormen eene, in evenredigheid van het onbesuisde drijven der Clericalen, steeds in kracht winnende partij, die, even als de andere, den vinnigsten haat koestert tegen de V r ij-M e t s e 1 a r ij, omdat zij, naar de maatschappelijke Oppermacht strevende, alle Godsbegrip wenscht uit te roeijen ten einde hunne eigene theorie van zedelijke volmaking, zonder eenig vooraitzicht en dus zonder eenig doel hoegenaamd tot eenige en hoogste wet en zich zeiven tot C e n s o r e s Juris Eomanae (zederechters naar het Eomeinsche Recht) te verheften, tot zedelijke Inquisiteurs wier heerschappij nog oneindig meer dan die der Rechtbanken van geloofsonderzoek zou zijn.
Wel erkennen deze ongeloovigen even goed als hunne voorgangers reeds in de dagen van Koning David, dat de Maatschappij kreupel gaat aan grove gebreken, wel willen zij, even als de Sadduceéu, gehouden worden voor de BecMmard\'ujen, wel dringen zij hierom met iederen dag meer aan op eene kleingeestige Wetgeving die alles reglementeert, onder politietoezicht plaatst, uitwendige zedelijkheid, dat is huichelarij, als een dwangrechtsplicht voorschrijft en alle vrije persoonlijkheid aan banden legt, ten einde ook in de zedelijke wereld de alle individueel leven versmoorende EemonuigJteid door te voeren, en dat alles in naam van zedelijke verbeteriny; maar niettegenstaande nu onze Orde, in de bearbeiding van den ruwen steen, even zeer streeft naar zedelijke verbetering harer leden, kan zij nogthans nimmer anders dan een gruwel zijn in het oog dezer naar de wereld heerschappij strevende Wijzen bi eiyen oor/en, die, even als de Titanen in de Grieksche fabel, de bergen op eikanderen zouden willen stapelen, om den Hemel met rotsen te beuken en te bestormen, omdat zij boven alles den Opper-Bouwmeester als oorsprong der geheele natuur erkent; en het H. Evangelie van onzen Goddel ij ken G r o o t-M e e s t e r voorstelt als het eeuige ware Meesterhoek, hetwelk den grondslag van alle Menschelijke volmaking vormt.
Reeds zoeken deze valsche Vrijdenkers tot in de Lones hun gift te verspreiden en, als kermisvertooners, eenen tooneel dageraad daarin
174
met verblindend liclit-effect te doen scliitteren en alleen daardoor dat onze Orde zicli zelve verloochende en ophield de ware V r ij-Metselarij te zijn, is het dat zij bij deze Ongeloovigen genade zou kunnen vinden.
De derde partij nu eindelijk die eeneu verbitterden strijd voert tegen de Yr ij-Metselaar s-0 r d e is die welke, even als de Herodianen in den aanvang onzer tijdrekening, het Caesarismus liebben verheven tot hunnen afgod, zoodat men, onverschillig of zij zich al dan niet van den Godsdienst als werktuig bedienen, als hunne geloofsbelijdenis hun, zonder de minste onrechtvaardigheid, de woorden van Mathias Claudius mag in den mond leggen;
Was den Fiirsten gelnstet ist Hecht, mul ihre Wincke sind Willen » der Gutter^
Hoedanig ook in superuaturalistiscJien zin hunne geloofsovertuiging wezen moge, op Maatschappelijk gebied strijden zij voor het volstrekt onbeperkte Vorstengezag, aan hetwelk niet alleen in het dagelijks leven maar zelfs in gewetens aangelegenheden ieder zich onvoorwaardelijk zou moeten onderwerpen.
Die afgoderij tegenover de N e b u c h o d o n o z o r \'s, die gaarne hun zestig ellen hoog gouden standbeeld aan hunne onderdanen of slaven ter uitsluitende aanbidding zouden voorstellen, en eenig kladwerk dat hun conterfeitsel moet verbeelden, de eereplaats doen innemen in de vunzigste kroegen, waar iedere, zij het ook half dronken, bezoeker gedwongen is, om, als gold het een beeld van den gekruisten G od-Mensch, op straffe van gekwetste Majesteit, daaraan, met ongedekten hoofde, den diepsten eerbied te bewijzen, — die afgoderij, zeg ik, is, hoe diep verlagend ook voor den zich zijner waarde bewusten Menseh, toch zeer natuurlijk, daar deze moderne Herodianen, zij mogen voor het overige tot de Pharizeen overhellen of in het ongeloof der Sadduceën voldoening voor hunnen trots zoeken, toch nog in hun binnenvertrek, in plaats van een altaar des Licht\'s, eenen huisselijken afgod hebben opgericht, voor wiens eeredienst zij de middelen alleen van de genade des Heerschers kunnen erlangen.
De een toch snakt naar niets anders dan aardsch genot en streeft daarom naar vette posten, aan welke zoo min mogelijk arbeid verbonden is; — een ander wenscht de heerschzucht, die als een daemon (kwelgeest) zijn hart in bezit heeft genomen, tegenover zijne mede-menschen bot te vieren, en verlaagt zich daarom tot het vleijen der schandelijkste hartstochten van zijnen Meester, ten einde diens vertrouwen te winnen en door hem te worden geplaatst in het hoogste Staatsbewind, waar hij gelegenheid heeft allen die hem naderen te dwingen voor hem in het stof te kruipen als voor eenen Satraap; — een derde is opgeblazen van eigenwaan, verbeeldt zich in wetenschap
175
of kunst een yenie te zijn, en liunkert naar het blinkende speelgoed van aan bontkleurige linten bengelende afbeedsels van allerlei mogelijke en onmogelijke dieren, die, als eene parodie op de Ridderschap der Heldeneeuwen, voor zoovele bewijzen van ware verdienste moeten gelden; — een vierde eindelijk verlangt reikhalzend om uit het duister zijner afkomst van onbekende maar mogelijk brave achtingswaardige ouders, voor welke hij echter laag genoeg is zich te schamen, op te klimmen tot standverheffiing en begunstigd te worden met een dier vaak duur betaalde brieven, door welke hij verheven wordt tot een armzalig, even bespottelijk als verachtelijk caricatuur van dien ouden eerwaardigen Adel, tot welken in laag verloopcn eeuwen zelfs de lijfeigene kon opklimmen als belooning voor zelfopoft\'erenden ijver ter bevordering van het algemeen welzijn, maar waarvan het latere namaaksel alle waarde mist, omdat de schitterendste waardigheden door AJleenheerschers, uit blooten willekeur, juist aan de allerdiepst verachtelijke wezens werden geschonken.
Alle deze verlangens nu kunnen het best bevredigd worden door eenen Gebieder, die een zoo volstrekt onbeperkt gezag bezit zoodat zijn minste wenk het gezag heeft van een rechtstreeks Godsbevel, waarop niemand waagt zich ook maar de allergeringste aanmerking-te veroorloven, en het dan ook daarom dat alle deze afgodendienaars eenen hardnekkigen strijd voeren voor het Caesarismus.
Reeds heb ik aangetoond dat onze Orde, hoezeer uit haren aard noch Socialistisch, zooals het thans genoemd wordt, noch zelfs maar Repuhlilcemsch, in den bekrompen zin welke aan deze uitdrukking-wordt gegeven, kunnende zijn, zich nogthans alleen kan vereenigen met het beginsel van beperkte Monarchie, zooals in den tegen-woordigen tijd wordt aangeduid met den naam van Parlementair Stelsel, waarbij het geheele Volk, door middel zijner zelfgekozen Afgevaardigden de hoogste wetgevende macht uitoefent, en de behartiging zijner eigene belangen regelt, zoodat hier de stelling onzer Vaderen wordt gehuldigd dat de Volken niet bestaan ten bate van Heerschers maar de Regeeringen ten nutte van de onderdanen aan hare hoede toevertrouwd.
Wanneer men nu deze richting, dat streven naar eene met de ware Godsdienst en de goede zeden bestaanbare, neen, daarmee in noodzakelijk verband staande V r ij h e i d, vergelijkt met datgene wat de geschiedenis van den dag niet alleen maar zelfs de cronique scau-dalense ons doet vernemen, dan moet men het wel als zeer natuurlijk beschouwen dat Vorsten die, al mogen zij zich ook al niet vermeijen in het bezit dier willekeurige Macht, die het toppunt hunner wenschen zou zijn, toch het verheven standpunt, op hetwelk een voor de volken rampzalig noodlot hen plaatste, alleen op prijs stellen ter wille van de omchendbaarheid, dat is het zinnelooze voorrecht, om, zonder immer ook wegens persoonlijke handelingen ter verantwoording te kunnen worden geroepen, zich volstrekt ongebonden „ kunnen
176
overgeven aan dronkenschap en de allerwalclielijkste, zelfs misdadige ontlicht, ja in hunne omgeving de gruwelijkste moorden te plegen; dat zoodanige Vorsten afkeerig zijn van de V r ij-M e t s e 1 a r ij, en dat deze het voorwerp is van den voortdurende haat hunner Satellieten die de veile handlangers hunner buitensporigheden, de lage slaven hunner driften zijn.
Even als onze G o d d e 1 ij k e G r o o t-M e e s t e r werd vermoord door de verraderlijke zamenwerking van drie elkander den vinnigsten haat toedragende Secten, zoo ook wordt onze Orde vervolgd door den J.aüer van de drie hier genoemde partijen, die wederkeerig met de kwaadaardigste vijandschap bezield, volstrekt eenstemmig handelen waar het geldt ter bevordering harer aardsche belangen, de onver-valschte leer van het H. Evangelie zoo mogelijk te versmoren.
Na aldus reden te hebben gegeven van de stelselmatige verdachtmaking aan welke de V r ij-M e t s e 1 a r ij ten doel staat en die alleen uit de walchelijkste pestholen als een vuile damp opstijgt, wil ik thans ten slotte nog eenige regels wijden aan het wantrouwen waarmee zij door het groote Profanum Vulgus (ongewijd gemeen) wordt beschouwd.
Dit wantrouwen is alleen eene vrucht van bekrompenheid, eenzijdigheid en onkunde en vindt zijn voedsel deels in eene verkeerde richting der werkzaamheden in sommige Loges, als ook in het hoogst berispelijke privaat gedrag van onwaardige broeders, die door de Orde zouden behooren uitgeworpen te worden, en anderendeels in de nabootsing der Maqonnieke vormen door andere vereenigingen die met de V r ij-M etselarij hoegenaamd niets gemeens hebben dan op zijn hoogst den naam waarachter zij hun ware, met de Orde vaak lijnrecKt strijdige doel, op huichelachtige wijze zoeken te verbergen.
Eeeds vroeger heb ik er op gewezen hoe vele Logen niets meer of minder zijn dan eene bijzondere soort van Societeiten of Clubs die alleen met de ware Orde in verband schijnen te staan volgens het oppervlakkige of laat mij liever zeggen volstrekt zinledige denkbeeld door den reeds meermalen aangehaalden Schrijver van Sarseua uitgedrukt in de woorden:
„In den eigenlijken zin heet eene geheime vereeniging slechts dan „Vrijmetselarij, wanneer zij tot een bepaald doel zich van de attri-„buten en zinnebeelden uit het Vrijmetselaars handwerk bedient, „zonder dat is zij een geheel ander genootschap. Deze bepaling „behoorde ook de grondslag te zijn voor de hooge graden; want „alleen daardoor kunnen wij verzekerd zijn, dat wij, op onze sym-„bolische loopbaan, niet in handen vallen van deze of geene
177
„secte, wier bedoelingen met die der Vrijmetselarij regtstreeks „strijdig zijn.quot;
Hier wil dus de Schrijver het wezen der V r ij-M etseiarij zoeken in den uitwendigen vorm en daarin een waarborg vinden tegen vervalsching, maar hoe is het met een dergelijk denkbeeld van waarborg te rijmen wanneer hij onmiddellijk daarop laat volgen dat eene door hem bedoelde Secte „hare medeleden verplicht tot het ver-„krijgen der drie Johannesgraden, alleen met het doel, om onder „het masker van Vrijmetselarij hare geheime oogmerken te bereiken. „Door dit middel kan dan zoodanige Secte verzekerd zijn, ten allen „tijde openlijk geduld te worden; want men is reeds lang gewoon „aan het protectorium, hetwelk de Vrijmetselarij in eenige landen „geniet, een\' zoo wijden zin te geven, dat alles, wat onder den naam „van hooge graden bestaat, daaronder begrepen wordt,quot; hetgeen dus zooveel beteekent alsof het voor die door hem bedoelde hooge graden onmogelijk zou wezen, om , even zoo goed als in de S. Johannes graden de uitwendige vormen te behouden en de legende van Adonhiram op de meest uiteeuloopende bedoelingen van toepassing te maken.
Waarlijk wanneer een broeder die zich beroemt zeven en veertig jaren lang ijverig gearbeid en alles ontvangen te hebben, een zoo onverklaarbaar volkomen gebrek aan doorzicht toont, dan is het geen wonder dat er Loges bestaan die, tegen betaling van zoo of zooveel honderd gulden, de graden uitdeelen en waar men niet anders zoekt dan gezellig verkeer, uitgezocht tafelgenot en nu en dan een schitterend feest.
Bitter doch ongelukkigerwijze maar al te waar zijn de woorden van den Schrijver:
„Het grootste getal der Vrijmetselaars is dat wat de hommels zijn „onder de honigbijen.
„Arm aan geest gelijk dezen aan vlijt; werkeloos, overgegeven aan „zinnelijke lusten, verteeren zij alles, zonder nieuwen voorraad in te „zamelen; zij stoeten de rechtmatige kinderen buiten en nemen bezit „van de erfenis. Eindelijk ontbreekt het hun aan voedsel, en zij „sterven uit.quot;
Ja die ellendige „hommelsquot; die alleen toegang tot de Loge hebben gezocht, hetzij uit kinderachtige ijdelheid, omdat het naar hun bekrompen inzicht tot den goeden toon behoort en hun als zoodanig een zeker aanzien verschaft, of wel uit baatzucht, omdat zij in de aangeknoopte betrekkingen de bevordering hunner maatschappelijke belangen zoeken, zijn oorzaak van het gebrek hetwelk door den Schrijver wordt in het licht gesteld wanneer hij zegt:
„Hij, die in de Loges voedsel voor den geest zoekt, zal zich \\ „jammerlijk bedrogen vindenquot;] want de werkzaamheden^ zooals zij 1 „thans gehouden worden, zijn het beste middel om den ijver in korten \' „tijd geheel uit te blusschen- Inderdaad heeft men bij het stichten „onzer Orde, of althans bij hare tegenwoordige inrichting, dit punt
l
12
178
„te zeer verwaarloosd, en men moet op trage onverschillige medebeden gerekend hebben.
„Wanneer men de Vrijmetselaars in liet algemeen gadeslaat, vindt „men bij verlichte koppen weinig ingenomenheid met hunne Orde.
„Het zijn of nieuwelingen , of leden die het reeds zeer ver in de „Vrijmetselarij gebracht hebben, bij welke nog ijver en belangstelling „wordt aangetroffen, want de Leerlings-receptie is bijzonder geschikt „om die belangstelling op te wekken, en hij, die reeds ver gevorderd „is, nu — die is dan ver gevorderd.
„In den tweeden graad verkoelt de ijver reeds voor dingen, welker „nut of strekking door niemand kunnen aangewezen worden. Onbe-„grijpelijk is het derhalve dat mannen van doorzicht tot dusverre de \\ „gewenschte verbetering niet ondernomen hebben. Kan aan de Orde „in de hoogere graden — dat is in het wezenlijke — door overeen-„komst eene veranderde richting gegeven worden, om welke redenen „zou dit niet eveneens in de lagere graden kunnen plaats grijpen, „vooral wanneer deze verbetering voor het behoud der Orde zoo gebiedend noodzakelijk wordt?
„Datgene wat men in de Loge de werkzaamheden noemt, bestaat, . „behalve de gewone ceremoniën, in het voorlezen van ontvangen „brieven, en in redevoeringen, die deze of gene onder de broeders „goed vindt te houden over onderwerpen, die veelal met het doel „der Orde geene de minste gemeenschap hebben, en door den spreker „naar zijnen smaak gekozen en met zijne denkbeelden voorgedragen „worden; want er bestaat geen voorschrift, hetwelk te dien aanzien „wenken geeft.quot;
„De briefwisseling is onbelangrijk, en vermeldt de stichting eener „Loge, de viering van het Johannesfeest enz.
„In die Loges waar geene hoogere graden aanwezig zijn, hoe beuzelachtig vertoont zich daar de Vrijmetselarij in de drie J ohannes-graden !
„Beschouwen wij nu de Orde van deze zijde, dan daait zij aan-„merkelijk in onze schatting, en zij heeft eenen harden strijd om „zich staande te houden.quot;
Hoogst merkwaardig maar tevens voor den volkomen V r ij-M e t-s e 1 a a r hoogst bedroevend zijn nog ten slotte de zinsneden, welke de Schrijver aanhaalt uit het bekende Journaal voor Vrijmetselaars, als ware het om te bewijzen dat hij in zijn oordeel niet alleen staat:
„„Welk is het gronddoel der Vrijmetselarij? Zoo vroegen niet zelden „„verlichte en in het heiligdom grijs gewordene Vrijmetselaars elkander „„onder vier oogen of in talrijke vergaderingen. Een geheimzinnig „„gelaat of een lachje van zelfbehagen was dan het antwoord; terwijl „„men het openbare doel miskende, of buiten staat was het naar „ „waarde te vereeren en te betrachten, en zich schaamde de wille-„ „keurige bepalingen te dien aanzien aan elkander te belijden.\'quot;\'
Al datgene waarover de Schrijver van Sarsena hier klaagt is zeer zeker eene droevige waarheid, vooral nog allermeest toepasselijk op
179
■die Loges die op de leest van liet bedorven Pruisisclie stelsel der Berlijnsclie Moeder-Loge Royale York aux trois globes zijn geschoeid.
Dit steeds voortwoekerende bederf, waardoor het gelieele eerwaardige lieliaam even langzaam als zeker wordt verteerd, is eene noodwendige vracht der verbastering door de bedervers der Orde, Olivier Cromwell en Napoleon I in haren boezem binnengedrongen, ten einde haar aan hunne helsche staatszucht dienstbaar te maken.
Beide deze tirannen dreven door dat ook niet Christenen, ja verklaarde vijanden van het Christendom, die niet alleen de Goddelijke Evangelieleer van den Gekruiste niet belijden, maar zelfs Zijn persoon als een Volksbedrieger, Oproermaker en Godslasteraar vloeken en verafschuwen, als Broeders werden opgenomen, en hierdoor was het dat het doel onzer Orde noodzakelijkerwijze ten eenemale moest verloren gaan.
Zooals ik in al het voorafgaande aantoonde, is de Vrij-Metsela rij niets meer of minder dan een uitsluitend Christelijk lichaam, welks eenig doel bestaat in het in oorspronkelijke reinheid bewaren der geschiedenis, leer en openbaring van het vleesch geworden Woo r d des Levens, het ongeschapen waarachtig Licht der Wereld, onzen eenigen Groot-Meester Jezus Christus, als de Godsdienst verheven boven de Secten-verdeeldheid, door de zoogenaamde Godgeleerden , als zoo vele vergiftige paddenstoelen gekweekt.
Zoodra nu echter in het Heiligdom Priesters werden aangesteld die niet alleen voor die Godsdienst onverschillig zijn, maar wier kerkelijke belijdenis hun zelfs verbiedt haar te erkennen, werd het streven naar dit eenige doel onzer Orde volstrekt onmogelijk en moest hare werkzaamheid zich bepalen tot een verwaterd naturalistisch Beismus en eene algemeene voortaan iederen grondslag missende geheel willekeurige Moraliteit.
Daar nu eene vereeniging zonder een bepaald en verheven uitsluitend doel alle duurzame levensvatbaarheid mist, en, al moge zij ook gedurende eene eQtiigszins langere of kortere reeks van jaren haar stelselloos bestaan voortslepen, toch nimmer den duur der eeuwen trotseeren kan, is het allereerst met betrekking tot het standvastig streven naar het oorspronkelijke doel dat de Orde gebiedend verbetering eischt.
Iedere verbetering in dit opzicht wordt echter tegengehouden door de Hommels, die wel tegen hunne klinkende specie den Meestergraad inruilen, maar op welke ik alweer de woorden des Schrijvers van Sarsena moet, toepassen:
„Dat eenigen in de Orde slechts burgerlijke voordeden beoogen; (/dat anderen in dit genootschap treden, omdat het tot den goeden „toon behoort, en velen het aankleven om maandelijks eenen genoe-„gelijken avond in een goed gezelschap door te brengen, — dit „alles is zoo begrijpelijk, dat het verder betoog daarvan onnoodig is.
„Eindelijk bestaat er nog eene klasse van Vrijmetselaars, welke de
180
„Orde houdt voor hetgeen zij waarlijk is; die, zonder hersenschim-„men na te jagen of voor in het duister verborgen bedoelingen eene „blinde geestdrift te gevoelen, het wezen der Vrijmetselarij nimmer „tracht uit te vorschen en het koel en onbekommerd aanziet, wanneer „haar onderstelde doel te leur gaat.quot;
Die Hommels nu, die, evenals hunne naamgenooten uit den Bijenkorf zouden uitgeworpen worden, berokkenen der Orde nog een veel grooter nadeel, en hiermee is het dat ik tot mijne volgende bedenking kom.
Zeer terecht zegt de aangeliaalde schrijver, van deze „HommeW sprekende, dat zij zijn overgegeven aan „zinnelijke lusten.quot; —Ja het is maar al te waar, dat zeer vele broeders zich niet alleen overgeven aan een onzedelijk levensgedrag in den algemeenen zin, waarbij men dan aan hoezeer hoogst berispelijke de man naar lichaam, ziel en geest ontzenuwende toch nog altoos natuurlijke uitspattingen of aan onedele en bedriegelijke handelingen denkt, zoodat zelfs eerste Officieren der Loge ten slotte in de tuchthuizen te recht komen, doch waartoe nog te willen verbloemen wat toch reeds wereldkundig werd, dat er zelfs gevonden worden die nog wel voor uitstekend ijverige Broeders willen doorgaan, die altoos den mond vol hebben van de voortreffelijkheid der V r ij-M e t s e 1 a r ij , en nochtans zich onbeschaamd overgeven aan die allerwalchelijkste soort van onvucht die men niet noemen mag. Zelfs is mij in lang verloopen jaren een Meester van den Stoel bekend geworden, wiens afschuwelijke gemeenzaamheid met zijnen liverijknecht aanleiding gaf tot een openlijk familieschandaal, dat door een rechtsgeding tot echtscheiding gevolgd werd.
En nu zeide ik dat het wantrouwen van zoovelen ten aanzien onzer Orde eenen grond vindt in bekrompene eenzijdigheid. — Inderdaad welken indruk dergelijke gruwelen moeten maken op het Profanum Vulgus behoef ik hier zeker wel niet in het breede uit te meten; hoe men dergelijke schandvlekken met den vinger aanwijst, hen bij name noemt en dan, met een hoonlach op de lippen zegt: Ook hij is immers een uwer Broederen.
Intusschen — er kan niet krachtig genoeg op worden jangedrongen — toch bewijzen dergelijke schandalen niets ten nadeele der Vrij-Metselarij en kunnen alleen door opzettelijke kwade trouw als wapens tegen haar worden gebruikt.
Of zijn er niet tallooze naam-Christenen — ik heb er wel gekend die in de Kerk schenen te huis te liggen — die met dezelfde afschuwelijkste ziekte zijn besmet? — Zijn niet bij herhaling Boomsch Katholieke Priesters zoowel als Protestantsche Evangelie-Leeraars door rechterlijk vonnis, na een gestreng en onpartijdig onderzoek, openlijk veroordeeld wegens Crimen nefandum (eerlooze misdaad) zelfs nog wel op aan hunne onderrichting toevertrouwde mindeijarigen gepleegd, maar is daarom het Christendom een stelsel van God en Mensch onteerende zedeloosheid, of wordt in de leer der Boomsch
181
Katholieke of in de Evangeliesohe Kerk de tegennatuurlijke ontucht aanbevolen? Dit zal zeker tocli wel niemand durven beweren.
Hebben niet monsters als een Philips II met zijne Inquisiteurs, ean Lode wijk XIV met zijue Jemilen en Brayontlers, een Olivier Cromwell met zijne bij het zoogenaamde Oude Testament zwerende Parlteinsche Rondkoppen, waarvan onze groote Vondel zong:
„Gy bnddet Koning Karei zoo na als veur „Nu hruit u een schobbert, een Protecteur !quot;
de gruwelijkste slachting aangericht, hier onder Geuzen en Ketters, ginds onder Papisten? — Heeft niet een krankzinnige Lord George Gordon, met zijnen aanhang van schooiers en geboefte, onder het oorverdoovend gegil: „iVo Popery1quot; hetzelfde beproefd? — En dat alles ad majorem Dei Gloriam (ter meerdere eere Gods) in naam van dien God die, als een weldoend Vader van alle Zijne schepselen, over goeden en boozen Zijne zon laat opgaan en regent over rechtvaardigen en onrechtvaardigen, zoodat men aan hunne gevloekte schimmen met den dichter de hoog ernstige vraag zou mogen tegemoet voeren:
uToujours le Ciel et Bleu lorsqu\'oii Commet des Crimes, „Ce Bieu Vous a-t-il dit: je vetcx être vengé?
Liet niet de Corsieaansche Overweldiger Napoleon I het Te Deum laudamus (God wij loven U) aanheffen, om zijne den heldenfeiten van eenen Sc hinder Hannes waardige overwinningen te vieren ? — Hebben de Pruisische roof horden niet den God yaw Rechtvaardigheid en Liefde gebeden om zegen op hunne wapenen toen zij , na meineedig plechtig bezworen verdragen te hebben verscheurd, Duitschlands velden met bloed drenkten in den doemwaardigsten Broedermoord? — Beweert niet zelfs nu nog, terwijl ik deze bladen schrijf, een Guiteau, den President der Noord-Amerikaansche Unie, den door zijne medeburgers algemeen geachten en betreurden Garfield te hebben vermoord op Gods bevel?
Alle deze feiten zijn in den meest volstrekten zin onloochenbaar, maar is het H. Evangelie daarom minder eene openbaring van de hoogste en reinste Liefde, of predikte onze Heer God Jesns Christus immer eene leer vau bloedwraak, moord of geweld?
Voorzeker kan zelfs de venijnige lastertong des brutaalsten ongeloofs dit bij geen mogelijkheid beweren; — en als dan nu alle de einde-looze gruwelen in naam der Godsdienst gepleegd, van welke ik hier slechts enkele ten voorbeeld aanhaalde, maar waarvan de verdere opsomming mij ver buiten mijn bestek zou voeren, volstrekt niets kunnen te kort doen aan de Goddelijkheid van het H. Evangelie des Kruises, dan kan ook, in het oog van iederen onpartijdigen, het schandelijke wangedrag van onwaardige Broeders niets hoegenaamd bewijzen ten nadeele van de zedelijke waarde der Vr ij-Metsel ar ij.
182
De hoogste uiting der Goddelijke liefde is Gerechtigheid; de V r ij-M e t s e 1 a a r die in waarheid dezen naam verdient, erkent die tegen de bedorven natuur van den ontaarden mensch strijdende deugd als de eenige grondslag van den Tempel des waarachtigen Lichts en streeft naar hare algemeene betrachting zonder aanzien des persoons, ja eene der beteekenissen van de letter G in het hart der Vlammende Ster is geen andere dan de aanduiding van deze deugd, uit welke alle ontwikkeling voortvloeit, zonder welke er nimmer eenige wezenlijke Vrijheid kan bestaan.
Gerechtigheid is de eenige ware en duurzame grondslng der Menschenwereld en het steeds toenemende gebrek hieraan is de kanker der hedendaagsche Maatschappij, die, trots haar brallen tegen het zoogenaamde vuistrecht der Middeleeuwen en het stelsel van bevoorrechte standen, meer en meer als beginsel aanneemt om dengenen die voor het oogenblik de macht in handen heeft ten koste van den minderen in het gelijk te stellen.
Wil men een feitelijk bewijs voor het verderfelijke van dit stelsel, dan kan ieder Nederlander dit met schrik ontwaren iu onze volsla-gene Nationale weerloosheid. — De zeer zeker niet van onkunde te beschuldigen Minister van Oorlog moest het met smart en schaamte erkennen dat ons leger niet in staat zou zijn om, bij de aanranding van eenen roofzuchtigen nabuur, die dienst te bewijzen welke de Natie recht heeft van hetzelve te eischen.
De oorzaak van deze treurige desorganisatie onzer levende strijdkrachten is gelegen in de Kaderquestie, dat is in het toenemend gebrek aan Officieren en Onder-Officieren van alle rangen en graden, omdat, op zeer weinige uitzonderingen uit den ten ondergang ge-doemden ouden Adel na, onze jonge lieden in steeds toenemende mate afkeerig worden van den vrijwilliger! militairen dienst, welke afkeer zich juist allermeest openbaart onder die klassen, in welke de kracht der Maatschappij gelegen is.
En wat is nu de oorzaak van dezen afkeer — een afkeer zoo sterk dat zij de voorkeur geven aan veel minder eervolle burgerlijke bedrijven niet alleen, maar die ook zelfs veel minder stoffelijke voor-deelen opleveren, en zulks in strijd met den geest der eeuw, die stoffelijk voordeel als het meest begeerlijk acht? — Eenvoudig dewijl bij de Natie de overtuiging is gevestigd dat er voor den minderen Krijgsman nimmer recht is te verkrijgen tegen den hoo-geren in rang, aan wiens meest volstrekten willekeur hij is overgegeven.
Reeds in maatschappelijk opzicht dus zou de Vr ij-Me t s e 1 a rij,, die in haren boezem geen willekeurige macht erkent, maar gebiedend Recht voor Allen eischt, dus het gewichtigste element voor de levensvatbaarheid der Maatschappij moeten worden beschouwd, maar er is geen ware en duurzame onpartijdige Gerechtigheid mogelijk zonder de erkenning der grondwaarheden voorgesteld door de Vlammende Ster.
183
Daarom is onze verheven Orde door den Opp er-Bouw me es ter bestemd om, wanneer eenmaal datgene waaraan thans den naam van Christendom wordt gegeven, door den verpestenden invloed van zelt-zuelit en sectenhtiat zal zijn te gronde gegaan, de bewaarster te zijn der reine onverva Isclite leer van het H. Evangelie derLiefde, tot dat onze Goddelijke Groot-Meester in Zijner, uit levende steenen gebouwden Tempel geheel onverdeeld heerschen zal als de Koning der E e r e.
Tot dat die dag aanbreekt is zij als de Lotusbloem ontsproten uit de Melkzee de troosteres aan den rand van de donkere groeve dei-vertering en in de vlijmendste smart, de bewaarster van het ware gezag en is dus op haar van toepassing de gevoelvolle taal die de Dichter ontboezemde toen op het graf van den onschuldigen Koninklijken Martelaar eene nederige Muurbloem werd ontdekt;
uMais quelle est cette jltwr que son instinct pieitx,
„Smquot; l\'aile du Zéjir amine dans ce lieu?
a Quoi! Tu quittes le Temple oil vivent tes racines?
uSensible Girofleé, amante des ruines,
„Et Ton tribut fidele accompayne nos Rois?
„Ah! Puisque la terreur a courhe sous ses loix „Du lys infortuné la tige Souveraine ii Que nos jardins en deuil se choisissent pour Reine. — // nTriomplie sans rivale, et que Ta sainte fleur I iiCroisse pour le Tomleau, le Tróne et le Malheurquot;
Juist die zoo oneindig ver boven alle maatschappelijke belangen verheven roeping onze Doorluchtige Orde maakt het voor isderen Broeder en dus zeker wel allereerst voor iederen V o 1 k o m e n V r ij-Metselaar ten heiligen plicht alle krachten in te spannen tot het aanbrengen van die verbeteringen door welke, tot tijdelijk en eeuwig welzijn des Menschdoms, de bereiking van het gewijde doel moet worden verzekerd.
In der daad bestaan er ook gebreken in de Orde die oorzaak zijn dat zij, zoo als ik reeds vroeger zeide, en door den Schrijver van Sarsena wordt bevestigd, ten gevolge van de verkeerde richting-der werkzaamheden in sommige Loges, tallooze malen doorhetPro-fanum Vulgus met eenen blik van wantrouwen beschouwd, zoo niet ten eenemale miskend wordt.
Hoe weinig er wordt beantwoord aan het, op voorbeeld der geheel van het ware wezen der V r ij - M e t s e 1 a r ij afgeweken Berlijnsche Moederloge Royale York, veelal vooropgezette doel, weldadigheid in den meest uitgebreiden zin of Humaniteit zooals het, vooral in den tegenwoordigen tijd zoo gaarne wordt uitgedrukt, heb ik reeds vroeger aangestipt.
Met het volste recht wordt er in de door mij aangehaalde frag-
184
meuten uit Sarsena geklaagd over zoodanige Loyeii als, met algeheele terzijdestelling van alle wezenlijke doel, niets meer of minder zijn dan gewone letterkundige vereenigingen onder met die soort van werkzaamheden in geen het minste verband staande Maconnieke vormen.
Zoodanig vasthouden aan vormen, die bij dergelijke ten onrechte met den naam van Loges prijkende vereenigingen alle beteekenis ten eenemale missen, zou echter alleen tot bespotting, maar nimmer tot wantrouwen kunnen aanleiding geven, daar het niets anders is dan een kinderachtig spel, waarbij niemand voor- of nadeel heeft.
Dergelijke afwijkingen, hoe betreurenswaardig zij overigens voor de verheven waardigheid onzer Orde ook zijn mogen, zouden evenwel alleen kunnen leiden tot een medelijdend schouderophalen over de zinledige geheimniskramerij van volwassen en gedeeltelijk zelfs verstandige lieden, en op de bij velen eenen ijdelen schrik verwekkende receptie, ceremoniën en zoogenaamde proeven de oude spreuk doen toepassen: Partunient montes nascitur ridicu-1 u s m u s (de bergen zijn in barensnood, eene belachelijke muis wordt geboren) maar nimmer zouden zij grond kunnen opleveren voor eenig wantrouwen, daar die liefhebberij even onschuldig zou zijn als die andere bij onze studenten plechtigheden en schitterende feesten, wanneer een der jonge lieden die in den gecostumeerden optocht — vaak met verspilling van ontzaglijke sommen van welke zeker een veel meer algemeen nuttig gebruik zou hebben kunnen gemaakt worden, terwijl zij nu slechts dienen, om de booze hartstochten op te wekken, en de in meerdere of mindere mate noodlijdende klassen tot woede te prikkelen — de rol van den eenen of anderen regeerenden vorst vervulde, nu ook den volgenden dag eene receptie of cour geeft tot het ontvangen der openbare hulde, welk spel toch nog wel nooit iemand op het denkbeeld bracht dat hij zich van de Regecring zocht meester te maken.
Veel erger daarentegen is het misbruik dat er van de vormen en den naam der V r ij - M e t s e 1 a r ij wordt gemaakt door andere ge-geheime Vereenigingen, die hun gevaarlijk doel verbergen achter dit momtuig, hetwelk hun de veiligheid hunner beraadslagingen verzekert.
Eeeds sprak ik vroeger van het toch algemeen zelfs door geachte schrijvers als werkelijke Vrij-Metselarij beschouwde stelsel der Stride Observantie, welke echter in het wezen der zaak niets anders is dan eene schepping der Societeit van Jesus, wier statuten, volgens de leer van de Vaderen der Orde, zooals Escobar, Diana en anderen, veroorlooven om, ter bereiking van het doel, de wereldheerschappij der Orde, alle ook de meest verschillende vormen aan te nemen.
Draagt nu dit stelsel, zooals ik bereids aantoonde, een in het oog loopend clericaal karakter, aan de andere zijde is de Societeit, met hare
185
tot een spreekwoord geworden sclierpzinniglieid er voortdurend op uit om onze Orde in haar wezen te doen verbasteren, en zoekt zij , door schijnbaar afvallige geloovigen, de openlijke Godverloochening in haren boezem te doen binnensluipen, ja zij is in dit duivelachtig opzet reeds zoover geslaagd, dat er zelfs Loges bestaan in welke door den Meester van den Stoel de valsche Dageraad van het ongeloof wordt aangekondigd.
Zoodanige openlijke verloochening van den Opper Bouwmeester als persoonlijk vrijmachtig denkend en handelend Opperwezen moet voldoende zijn om iederen onpartijdige te overtuigen dat dergelijke Vereenigingen, in welke alleen het geloof aan blinde redelooze natuurkrachten wordt gepredikt, in het wezen der zaak niets gemeens hebben met de V r ij - M e t s e 1 a r ij, maar alleen het feit dat zij daarvan vorm en naam hebben aangenomen is voldoende, om onder het Profanum Vulgus het denkbeeld te verspreiden dat Yrij-Metselaar en Atheïst woorden van eenerlei beteekenis zijn.
Eene andere beschuldiging, die onze Orde wordt naar het hoofd geworpen, is die van eene revolutionaire Vereeniging, die het toelegt op omverwerping der bestaande Maatschappij. — Ook hierin weer is het de Societeit welke in het geheim dien laster verspreidt.
Om dit voorgeven eenen schijn van geloofwaardigheid te geven, doet zij door de getrouwen die zij als Valsche Broeders in de Orde heeft weten te doen binnensluipen, zelfs in de Loges het dwaalbegrip te doen verspreiden dat de V r ij - M e t s e 1 a r ij eene schepping zou zijn van den bloeddorstigen huichelaar Olivier Cromwell, de ellendige moordenaar, die onder het geroep van V r ij h e i d aan de ondragelijke dwingelandij zijner verachtelijke puriteinsche rondkoppen onderwierp.
Vergelijkt men nu hiermee het onweerlegbare feit dat het met Pruisisch goud door Graaf Cagliostro, als afgezant van Koning F r e d e r i k II, gestichte Egyptische stelsel de bron was waaraan de groote Pransche Eevolutie ontvloeide, zooals duidelijk bleek uit de oorspronkelijke leus: Lilia pedibus destrue (vernietig de lelieplant), dan kan het in der daad niet moeielijk vallen aan deze zienswijze eenen gereden ingang te verschaffen, en het is hiervan dat de tegenstanders onzer Orde behendig gebruik maken.
In der daad is zelfs in de dagen van het thans nog levende geslacht, van den uitwendigen schijn van V r ij-M e t s e 1 a r ij misbruik gemaakt tot het vermommen van geheime Vereenigingen wier doel geen ander was dan het afschuwelijke Divide et impera (verdeel en heersch).
Zoo werd, om mij bij slechts een enkel voorbeeld in ons eigen land te bepalen , in den tijd toen de voor het algemeen raadselachtige intimiteit van wijlen Koning Willem II met den toenmaligen Til-burgschen Pastoor, later Aartsbisschop Z w ij s e n, stof gaf tot allerlei koffiepraatjes, die de dwaasheid waaraan men den naam van open-
186
bare meening geeft, schier tot krankzinnigheid opwonden, ouder nageaapt Maqonniéke vormen door den geheimen invloed der Sociëteit van Jesus de zoogenaamde Orde gesticht der Anti Jesuitische Broeders. — In schijn was dit geheim Genootschap alleen een gewrocht van Protestantsche onverdraagzaamheid, welks leden zich verbonden om hunne Koomsch Katholieke medeburgers door alle bedenkelijke middelen in derzelver maatschappelijke betrekkingen te benadeelen. — Dit kerkelijke karakter was echter niets anders dan een voorwendsel, eensdeels om den waren oorsprong en de eigenlijke strekking te vermommen en anderdeels om eene menigte onverdraagzame dwazen en op ondersteuning azende fortuinzoekers tot deelneming te lokken, maar in het wezen der zaak was het geheele Genootschap volstrekt niets anders dan eene herhaling der in de vorige eeuw bestaan hebbende zoogenaamde Patriottische Clubs, waarmee het ook de herkenningsteekens en paswoorden gemeen had, en het was ook grootendeels door deszelfs invloed dat de staatkundige omkeering Ln 1848 tot stand kwam.
Dergelijke afschuwelijke woekerplanten aan den gewijden stam zetten een schijn van waarheid bij aan den door de vijanden der Orde voortdurend uitgebracht wordenden Laster.
Nog laatstelijk is er, zoogenaamd door een Broeder in Frankrijk, een allervuilaardigst Schotschrift in het licht gegeven, bestemd om de onkundige menigte in den waan te brengen dat de met eene in de oude en nieuwe geschiedenis voorbeeldelooze bloedige revolutie dreigende sociale beweging zou uitgaan, maar dit laaghartig streven wordt aanmerkelijk daardoor benadeeld dat — hetgeen waarlijk onverklaarbaar moet schijnen — de schrijver in zijne schilderingen bewijst volslagen onkundig te zijn omtrent alle in de Loges gebruikelijke ceremonien en plechtigheden die toch, om slechts een enkel ook voor Profanen zeer onderhoudend werk te noemen, in de „Hutoire pittoresque de la Franc-Maqonneriequot; van Br.-. C 1 a v e 1 zeer nauwkeurig beschreven zijn.
In dit schotschrift wordt op eene, naar de Schrijver, van wien men uit het voorafgaande reeds duidelijk bespeurt dat hij zich de hoedanigheid van Broeder slechts aanmatigt, of zijne betaalsheeren zich inbeelden, recht listige wijze, op het gezag van „Les Socictés Secretes et la Sociètéquot;, welks werk uitsluitend wordt aangehaald, de
V r ij-M etselarij vereenzelvigd met het Carlonarismus, het Il/u-mimsmus, het Nihillismus, het Fenianismus, ja zelfs de Internationale, dit laatste op geen anderen grond, dan dat A s s i, die wordt gezegd
V r ij-M e t s e 1 a a r te zijn geweest, de Internationale zou hebben genoemd de „Vrijmetselarij van alle Prolitariers der Wereld.quot;
Waarlijk de Schrijver moet wel hebben gerekend op eene overgroote geest-bekrompenheid bij zijne lezers, om met eenen zoo goeden grond voor den dag te durven komen, terwijl het toch niets meer dan eene algemeen bekende spreekwijze is, eene innige verbindtenis van een
187
zeker aantal personen, onverschillig welk ook het doel zij, met den naam van Vrij-Metselarij te bestempelen.
Bespottelijke!1 Laster dan die in dit schotschrift wordt uitgebracht is nu wel volstrekt ondenkbaar, zooals volkomen duidelijk moet worden zelfs voor den Trof aan, wanneer hij van de staatkundige toestanden en gebeurtenissen slechts eenigermate op de hoogte is.
Het Carhonarmnm, thans den naam dragende van Una Italia of ook Italia Irridente is eene bloot nationale Vereeniging, ten doel hebbende de bevrijding van het gemeenschappelijke Vaderland uit den druk die door een volstrekt onevenredig aantal van willekeurige Heerschers werd uitgeoefend.
Evenzoo werd het lersche Fenianismus de voortzetting der voormalige Ribbon-Men en Molly Maguires, voortgebracht door de dwingelandij van John-Bull over het beklagenswaardige Smaragden-Eiland, terwijl het NiJdlismus in Rusland het eenige middel is ter verbetering in een Eijk, waar de bescheidendste en onderdanigste daartoe strekkende smeekbede met de allergruwelijkste martelingen wordt bestraft.
Eindelijk was het Illuminismm in Beijeren niets anders dan een soort van Protestantsch Jesuitismus, door den Predikant W e i s s h a up t gesticht met het doel om de Eegeeringsmacht in handen van de leden der Vereeniging over te brengen.
Niets is intusschen buitensporige!- dan een streven tot omverwerping van Troon en Altaar te last te leggen aan de V r ij-M etselarij, wanneer men bedenkt dat Z. K. H. Prins F r e d e r i k der Nederlanden gedurende meer dan eene halve eenW\'cte\'^ationale Groot-Meester öifzer Orde in Nederland was.
Ter bestrijding van al dien laster is er geen meer doelmatig middel dan openbaarmaking van datgene wat men het Geheim onzer Orde noemt, en het is deze onomstootelijke overtuiging, die het mij als den heiligsten plicht deed beschouwen in de voorafgaande bladen het ware wezen der V r ij-M etselarij aan de Profane Wereld te doen kennen.
Le Livre d\'Orde la Noblesse.
L\'Ouvrage de quarante a cinquante feuilles d\'impression format Graud Jésus qui parattra sous ce titre constituera une Histoire pliilo-sopliique de la Noblesse dans les deux hemisphères et contiendra les Chapitres suivants.
1. Kecherclies philosophiques sur l\'Origine de la Noblesse de race et considerations sur le Cycle de la Légende, divisées, comme suit:
a. Hypothese de l\'Origine de l\'Homme en sa qualité de creature essentiellement raisonnable et responsable;
h. Hypotlièse de la religion, des moeurs, coutumes et usages des races pré-Adamites;
c. Systême réligieux des plus anciens peuples historiques de race Arienne;
d. Origine de la distinction des rangs chez ces peuples et devoirs imposés aux personnes réputées Nobles;
11. La Noblesse chez les Peuples Européens de rage Celtique-Cirnérienne-Scandinavo-Germanique :
a. Arrimannes , )
b. Leudes, [ Leurs droits et devoirs;
c. Vassaux, ;
III. Systême et droit fécdal.
IV. La Chevalerie:
a. Les franc Burgraves,
b. Les Confréries Equestées,
c. Ordres de Chevalerie:
1°. Ordres Eeligieux amp; Militaires dites Chapitral, 3°. Décorations instituées par les Souverains.
Y. Dictinctions honorifiques:
189
a. Les Blasons,
1°. leur Origine,
2°. Science Heraldique.
b. Sphragistique.
VI. Notice sur la Noblesse Indoue.
VII. Considerations comparatives sur la rage des Autochtones de TAmérique :
a. Son origine probable,
b. Sa religion,
c. Sa Noblesse,
d. Ses Blasons.
VIII. Notice sur les Polynésiens.
IX. Raison phisiologique de la Noblesse héréditaire.
X. Considérations philosophiques sur son influence sociale.
XI. Conditions de son existence et de son droit a la consideration publique.
XII. Ses devoirs et ses droits.
XIII. Sa restauration.
XIV. Code Equestre.
L\'Ouvrage sera illustré de nombreuses gravures concernant les Ordres de Chevalerie et les sciences heraldique et sphragistique.
...