yoe^psaal! tot 3c êcivuenta VAN
IX C. C. S T A P
l\'rcdikant te Wijk hij Dinir.Ur.lc
ij k b ij D u u H s t i-; i) !•;,
C. V 0 N K.
1889.
is 11» mi ai?
otoamp;gt;p«aa4 tot de êcmcc-nU VAN
b. c. c. sta p
Predikant te Wijk bij Duurstede.
bibliotheek der
rijksuniversiteit
UTRECHT
coll. thomaasse
c. v 0 n k. 1889.
ij ie b u duurstede ,
Deze toespraak, gehouden den 25en November 1888 in de Hervormde Kerk alhier, ziet op verzoek van eenigen mijner Gemeenteleden, het licht, met de bede dat de lezing er van moge zijn tot stichting en tot opwekking om Hem te zoeken, Die de Opstanding is en het leven, zoo iemand in Hem gelooft, die zal niet sterven in eeuwigheid.
God heeft den mensch de eeuw, d. i. eeuwigheid in het hart gelegd. Met dit woord van den wijze des O. Vs. wordt duidelijk te kennen gegeven het levensgevoel in den mensch, het gevoel van een eeuwig leven, dat in den mensch, die zondaar is, bestaat, ook waar hij het zich niet kan verklaren, en nog veel minder ontveinzen; want de ontkenning van een leven na dit leven moge door sommigen heimelijk worden gekoesterd, en door enkelen opentlijk uitgesproken, toch staat het vast, dat niemand begonnen is met ongeloof omtrent de eeuwigheid, maar dat hij daarin geëindigd is na een leven van loszinnigheid en onverschilligheid omtrent het ééne noodige, of als besluit van een stelsel i waardoor het menschelijke in hem werd versteend, en het .geweten werd verhard; maar het geldt ook in zekeren zin hiervan: »wat voor de wijzen en verstan-»digen is verborgen, wordt den kinderkens geopen-))baardquot;, alzóó, dat hij, die niet door aardschgezindheid is verblind, noch door twijfelzucht is meegesleept, nog altijd aan de eeuwigheid gelooft, ook al heeft hij zelfs niet veel hope des geloofs; wat is het leven zoet voor den mensch, hoe aantrekkelijk het aanzijn zelfs voor den lijder op het krankbed; wat droomt hij zich niet leven, telkens als hij een weinig beterschap bespeurt of meent te bespeuren ; is dit
4
laatste zoozeer te verklaren, toch mogen wij elkander niet nalaten te herinneren , dat het eeuwige leven eerst wordt verkregen door den dood heen; en daarom zeggen wij u: wilt gij ten leven, het eeuwige leven ingaan, bereidt u op den dood voor; en hoort daartoe naar het woord van den grootsten lijder des O. Vs., die zijne klachte uitte over het moeitevolle van het leven, dat hij leidde; wij verwijzen UI: naar het boek
JOB III: 17—19.
17. Daar houden de boozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;
18. Daar zijn de gebonrlenen te zamen in rust; zij hooren de stem des drijvers niet.
19. De kleine en de groote is daar, en de knecht vrij van zijnen heer.
Wij ontmoeten in deze woorden M. G: den vromen Job, als hij voor \'t eerst zijnen mond opende voor zijne vrienden Elifaz, Bildad en Zofar, nadat hij van al het zijne was berooid, en eene afzichtelijke krankte zijn lichaam dreigde te verteren; zeven dagen en zeven nachten hadden zij zich in zijne nabijheid opgehouden met de uiterlijke teekenen van weedom en rouwe over Zijn lijden om de leden, niets durvende zeggen omdat zij zagen dat zijne smart zeer groot was; immers ook wij zijn soms verlegen bij het aanschouwen van het bitter lijden van anderen, zoodat onze mond wordt gesnoerd, en ieder woord ons besterft op de lippen; maar hun starre blik op hem zonder een enkel woord verzwaarde niet weinig zijne smart, en was ontzettender dan de redenen ,
die zij later voorbrachten , zoodat hij eindelijk uitbrak in woorden en zijnen geboortedag -vervloekte en den nacht waarin men zeide : Een knechtje is geboren.
Hij, die nog kort geleden vasthoudende aan zijne oprechtigheid, Gode niets ongerijmds toeschreef, ja veeleer in dit lijden Zijnen God verheerlijkte, komt er nu toe het graf te loven boven de plek op de aarde, die hij thans besloeg, en roemt het gestorven zijn boven het leven, omdat het graf dan toch een einde maakt aan alle lijden hierbeneden, zooals dit wordt uitgedrukt in onze tekstversen.
Zegt vrij, dat Job in eene treurige gestalte voor God en menschen verkeerde, maar beschuldigt hem eerst, als Gijl; ervaart, wat Job had ondergaan,
Tocli zult gij in deze woorden treffende ja ontroerende werkelijkheid aanschouwen; maar dieper, daarachterziende ontzettender toestand vinden, maar eindelijk ze eene vertroostende waarheid achten voor het geloof in Jezus Christus , die den dood heeft te niet gedaan en het leven en de onverderfelijkheid heeft aan het licht gebracht, en dat ziet door den dood henen op het eeuwige leven ; wij beschouwen dan den dood en het graf van zijne uitwendige zijcle en vinden hier eene schoone schets; we letten op het inwendige ons geopenbaard door het Evangelie en we zien een\' ontzettenden toestand; terwijl hij eindelijk in het licht van \'t verhelderd geloof de beschrijving van Job verre overtreft.
6
Daar houden de boozen op van beroering en daar rusten de vermoeiden van kracht; daar zijn de gebondenen tezamen in rust: zij hooren de stem des drijversquot; niet; de kleine en de groote is daar en de knecht vrij van zijnen heer. Verplaats u in den geest op den akker der dooden, waar ons ten volle wordt gepredikt: Het is den menschen gezet eenmaal te sterven, en ook : Door één mensch is de zonde in de wereld gekomen, en door de zonde de dood, welke is doorgegaan tot alle menschen; moet gij met het woord van Job in de hand, niet erkennen, dat hij wat het uitwendige aangaat treffende werkelijkheid heeft geschetst ? Allen en allerlei worden daar bewaard tot den grooten dag des gerichts, maar vinden daar het einde van hun leven, en ook het einde van hun werk op aarde, en zoo is de dood de grenspaal der boosheid; waar de goddelooze geweld gedreven heeft hier op aarde en de boosheid des harten ontzettend is openbaar geworden, zoodat niemand ze stuiten kon, in het graf is de grens voor die macht; moge hij hebben verleid, gelijk ook zijn verleid, en tot erger voortgegaan, hier is hem een perk gesteld, en de hefstigste vijand van God en van zijn\' naaste staakt zijn woede, en zwijgt als de grond, waarin hij wordt geborgen; hoe lang de nijvere huisvader ook hebbe gewerkt en gezwoegd, eens komt hij tot rust, zij \'t ook tot gedwongen rust, en wordt hij tot stilstaan gedwongen in den nacht, wanneer niemand werken kan; want daar rusten de vermoeiden van kracht; maar ook zijn er de gebondenen in rust, zij hooren de stem des des drijvers niet; al kennen wij gelukkig den toestand van den slaaf in vroeger dagen niet, waarin deze
7
wordt bespied bij al zijn werk door eeu\' opzichter met de zweep in de hand, om, ook bij vermoeienis gegeeseld te worden op den ontblooten rug; toch moet gij wel menigmaal het woord der Schrift toestemmen: »in het zweet des aanschijns zult Gij uw brood etenquot;, doch ziet ook daaraan komt in den dood een einde, als de last des levens u van de schouders wordt genomen en gij tot het eeuwige leven wordt opgeroepen , vrij van de dienstbaarheid der zonde en ellende. Immers ook daar bevindt zich de meest volkomen gelijkheid van alle menschen, die hier hemelsbreed onderscheiden zijn; de groote en de kleine is daar, de koning en de bedelaar; het kind des geluks en de man van beproeving; de rijke gierigaard en de arme gulhartige , de pasgeborene en de grijsaard; ja toch , ei- is eenig verschil op den grond van het kerkhof, waar des rijken graf is gesierd met een gedenksteen en bloemen en kransen, terwijl de kleine man in een afgelegen plek onder kille graszoden geborgen (bij God wellicht uitverkoren en dierbaar!); onder die bovenste laag allen gelijk, rustig nevens elkaar; geen millimeter gronds elkaar betwistende; de vrijheid gelijkheid en broederschap tot stand gekomen , wat voor de levenden eene onbereikbare zaak is; de knecht is niet minder dan zijn heer, want heerendiensten worden niet meer gevergd en slavenketenen worden niet meer geschud; voorwaar! geen wondei\' dat de grijsaard reeds op aarde het hoofd omlaag buigt, als om te kennen te geven, dat hij daar ruste vindt, die hij in \'t leven vruchteloos heeft gezocht; de dood is het einde van alle lijden hierbeaeên, zeg, kunt Gij het niet begrijpen,
8
dat alzoo bezien, de lijder het matte oog opent, als het hem voor den geest komt, dat de dood toch een einde maakt aan dat verdorven worden ? neen het bevreemdt ons niet., dat hij soms naar den dood verlangt, en hijgend uitziet naar den tijd, dat dit onduldbaar lijden zijn eindpaal heeft bereikt, waar de dood hem\' is als het openen van de kooi voor den vogel, die aanstonds haar gevangenis ontvlucht. Waarlijk, dien is de dood, ontkomen aan den strik des vogelvangers, bevrijding van de zweep des drijvers; ontboeing van de banden dei-gevangenis ; geen ongenoode gast, maar een ingeroepen helper, die bevrijdt; waar met den dood de laatste wee verdwijnt; voor dien is de dood haast een ieesi, zooals het door sommigen in het leven wordt gevierd.
En toch Gel ! is dit alléén niet veel meer dan schijn, die ook in dezen allerontzettendst bedriegt; want doen wij van deze schildering van den dood en het graf door Job niets af, wij blijven daarbij niet staan en gevoelen dat het niet alles is gezegd, waar wij leven onder de bedeeling des N. Verbonds, waarin het leven en de on verderfelijkheid door liet Evangelie is aan het licht gebracht, waardoor ook de eeuwige duisternis helderer is bekend gemaakt, Zeker, aan Job werd ook later een tip van den sluier opgelicht, die de eeuwigheid voor ons bedekt, als hij betuigde: Ik weet, mijn Verlosser, mijn Goël leeft, en als de wormen mijn huid zullen hebben doorknaagd, zal ilc uit dit mijn vleesch God aanschouwen ; maar toch Gel.! was het hem niet gegeven, zoo diep daarin door te dringen, dat de
9
heerlijkheid der eeuwigheid haren vreugdevollen terugslag op het leven in den tijd dezes levens wierp ; dit toch was weggelegd voor de openbaring der genade en waarheid, ons door Jezus Christus geworden, en op dien grond zeggen wij; dit woord moge voor het uitwendige waar zijn en schoon, naar het uitwendige hebben wij de volle waarheid in Christus ontvangen: het is den menschen éénmaal te sterven en daarna het oordeel. Het oordeel waarin wij allen voor den rechterstoel van Christus geopenbaard moeten worden, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door het lichaam geschiedt, naar dat hij gedaan heeft, het zij goed, het zij kwaad. Daarom al noemt gij het graf de stille rustplaats van Gods dooden, toch is de werkelijkheid daarachter neen, boven het graf deze: de rechtvaardigen zullen gaan in het eeuwige leven, maar de goddeloozen in de eeuwige pijn; de grenspaal der boosheid is tevens de ure der vergelding, die op een ongedacht keerpunt slaat, waarin God met vlammend vuur wraak doet over degenen, die Hem niet hebben liefgehad en het Evangelie van Zijnen Zoon Jezus Christus ongehoorzaam zijn geweest; de rustplaats der dooden is eene plek der aarde niet van stille rust alleen , maar van onrust en smart, voor hen die den dag der genade, den tijd des levens hier-beneên hebben verbeuzeld in ijdele genoegens, of doorgebracht in grover of fijner ongerechtigheid ; van wroeging des gewetens voor hen, die het pad der grofste ontkenning van wat onze zielen kan zalig-maken, hebben bewandeld; van nimmer eindigend berouw voor hen, die alles hebben gezocht, behalve wat hunne harten kon vernieuwen voor het eeuwige
10
leven; ot die als de rijke man in de gelijkenis lek-kerlijk hebben geleefd, en als \'t ware zich met het vette der aarde hebben gemest tot den dag der slachting. Zelfs de gelijkheid der dooden, waarvan menig levende wraakgierig spreekt, zij wordt ten slotte eene wreede onwaarheid, alzoo daar bij hen de grooste tegenstelling zich aan ons geestesoog opdoet in eeuwig wel en eeuwig wee-, eeuwige blijdschap op het hoofd dergenen die hier om Christus wil hebben getreurd; eeuwige smart en pijn, weening en knersing der tanden over hen, die zondër God hebben geleefd en zijn gestorven in hunne zonden. Zeker, de kleine en de groote is daar, maar niet in éénerlei toestand, veeleer verscheiden van elkaar als dag en nacht; gedragen van de Engelen, Gods gedienstige geesten, in Abrahams schoot, of het nog geopend, na het sluiten daarvan hierbenêen, iu de hel, zijnde in de pijn; ach, wat ontzettende afstand is er tusschen die beiden; men zou \'t niet zeggen bij het aanschouwen van den akker der dooden, maar daar gaapt tusschen allen, die in de aarde slapen zulk een onmetelijke afstand, eene diepe, onoverkoombare klove tusschen wie God dienden en die Hem niet dienden; allen slapen daar den slaap des doods om eenmaal te ontwaken, maar dezen ten eeuwigen leven, genen tot versmaadheden en tot eeuwige afgrijzing; dezen komen door hun zuchten heen tot de vrijheid der heerlijkheid der kinderen Gods; genen worden door het genieten van de valsche vrijheid op aarde, met eeuwige banden der duisternis geboeid, waaraan zij nimmer, neen nimmer! zich IvLumen onttrekken. O ontzettende verscheidenheid bij uitwendige gelijkheid, maar tevens ernstige wekstem voorallen, die
11
onder het Evangelie van onzen Heer leven, ook om getroost te worden bij de vrees voor deze allergrootste droefenis; waarlijk, we mogen ons wel verzekeren omtrent den grond onzer hoop voor de eeuwigheid; want men kan dien dood en dat graf wel bedekken met groen en bloemen, met zerken en sierlijke spreuken , maar daarmede heeft men de rust voor de ziel niet verzekerd; schoone lijkredenen mogen worden uitgesproken, — al zouden ook allen ons beweenen, en de vromen zelfs ons roemen, het zou ons geen nuttigheid geven, en ons geen enkele schrede nader aan den hemel brengen, zoo wij het loon der ongerechtigheid hebben verworven. Zelfs het smartelijkst lijden waarborgt ons niet, dat wij in den dood er van bevrijd worden, indien wij op het lijden van dezen tijd onze hoop voor de eeuwigheid bouwen, en rekenen op verlossing van alle banden der zonde en der ellende.
Neen, niet de dood, hoezeer hij ook een einde maakt aan alle ellende van dezen tijd , aan alle wee! en ach ! van dit korte leven, een eind ook aan allerlei ongelijkheid en strijd in het onder-maansche, niet de dood is de verlosser der lijdende menschheid, maar de Levenvorst, die uit den hemel kwam om te lijden , en die leed en stierf om óns van den vloek der zonde en van de vreeze des doods te bevrijden; want Christus heeft in zijnen dood de bezolding der zonde betaald, en daardoor den dood en het verderf, dat wij rechtvaardig hebben te duchten, overwonnen en ons het eeuwige leven door den levendmaken Geest verworven.
12
Zonder het geloof in Hem geen rustige blik op het graf, en buiten het leven in Hem en zonder hoop op Zijne gerechtigheid geen vrede, als het graf zich straks voor ons opent. Of zouden wij troost voor het moegestreden hart vinden bij de Heidensche oudheid, die de ruste des doods meent te vinden in een eindeloos zoeken en veranderd worden ? Of ook bij het ongeloof van velen, die het gezicht op de eeuwigheid en een eeuwig leven in de gemeenschap met God uit het oog hebben verloren, en die dan juist wanhopend zwijgen, als de dood luide roept, of met een ongegrond en luchthartig: «Het zal wel goed terecht komenquot; de vreeze des doods meenen te kunnen bestrijden , en in geheele vergetelheid van den hoogsten ernst en het ontzettende van het oordeel na het sterven de ure en rouwe des doods doorbrengen. Neen Gel.! indien we ■daarvoor den naam van navolgers van Christus dragen, dat wij wat beschaafder, indien maar niet verfijnder in de zonde, en gemakkelijker leven, maar voorts evenmin iets weten van den toestand der ziel na den dood, dan zijn wij al de ongelukkigste van alle menschen; want indien ook hiernamaals den rechtvaardige êenerlei wedervaart met den goddelooze, wordt de vraag der moedeloosheid gewettigd : Immers heb ik te vergeefs mijn hart gezuiverd?; als het kind des voorspoeds even heerlijke zaligheid te wachten heeft als de kruisdrager hierbenêen , is er groote ongelijkheid, die ook in het generzijds niet wordt vereffend; waartoe dan toch het verschil tusschen den groote en kleine, tusschen den dienstknecht en zijn heer, zoo zij beiden gelijk zullen zijn hiernamaals.... maar
13
genoeg, om te doen zien, in welke ongerijmdheid wij vervallen, indien wij ons in de armen van het ongeloof werpen en ons niet houden aan Hem, Die de boeien des doods heeft verbroken en het leven der onsterfelijkheid heeft teweeggebracht, gelijkelijk voor allen, die in dit leven waarlijk gestorvea zijn aan de zonde, die God onteert en Christus Jezus Zijnen Zoon aan \'t kruis heeft gehecht. Ziet, waar wij dan nu hebben geleerd bij de kruispaal van Christus om vergeving te vragen van onze zonden, van vele of weinige, openbare en verborgen; waar wij daar geloovig Hem hebben aangeroepen en gesmeekt, daar heeft Christus een troostwoord voor ons, als Die den hemel en het eeuwige leven bij Zijnen Vader heeft verworven, en dooden graf te niet gedaan, en spreekt Hij ons van het huis Zijns Vaders met zijne vele woningen, waarhenen Hij zelf is gegaan om den boetvaardigen en door de vreeze des doods gedrevenen eene plaats te bereiden; want gerechtvaardigd door het geloof in Zijn bloed, hebben wij vrede met God en ook vrede met ons graf, dat wij dan niet meer huiverend vreezen, maar kalm verbeiden in welgegronde hoop op de eeuwige verberging in Christus heerlijkheid; en zullen wij in het lijden van deze wereld , in stêe van te wenschen, dat de dood ons haalt, (zooals de wanhoop soms uitroept) , met stille vreugd op het einde merken, ja soms door Gods genade met hijgend verlangen tegemoet gaan de ontbinding van ziel en lichaam, als die voor den geloovige beteekent: ontbonden te worden en met Christus te zijn ; daar wordt dan nu de schildering van het graf door Job des Christens geloofstaal en roem : „daar houden de boozen
14
op van beroeringquot;, d. i. daar geen verzoeking door de zonde meer, zooals zij hier den geloovige zoo lichtelijk overvalt; daar geen vermoeienis meer zonder uitrusten, want zij zullen de kracht vernieuwen; daar geen banden, die knellen, of doornen, die diep in \'t vleesch dringen, maar altijd krachtig en vrij om als een held het voorgestelde pad te loopen, zonder dat de zweep des drijvers hen vervolgt ; daar hongeren zij niet meer en dorsten niet meer, want het Lam zal hen leiden tot levende fonteinen der wateren; daar zal niemand meer zeggen: »ik ben ziekquot; want zij zullen allen vergeving van ongerechtigheid hebben; ook de kleine en groote is daar, want zij zullen Mij allen kennen, zegt de Heere, van den kleine onder hen tot den groote onder hen; en zij zullen toch allen één zijn (niet eenerlei) zalig zijn in het verheffen van den lof van Hem, Die hen gokocht heeft en verlost uit de groote verdrukking en de vreeze des doods. Zelfs de knecht is er vrij van zijnen heer, want zij zullen allen Gods kinderen genaamd worden, zonen en dochteren van God, hun aller God en Vader, Hoe verschillend hun stand hier beneden ook zij geweest, de dood maakt hen allen gelijk; want de Levensvorst maakt hen allen gelukzalig, waar zij het leven uit eigen hand hebben verloren, en het eeuwige leven hebben weergevonden in \'s Heeren dood. Is het wonder dat zij door die genade gesterkt verlangen naar het einde , waarin het beste hun deel zal zijn; en dat zij behagen hebben om uit te wonen uit het lichaam, d. i. in te wonen bij den Heer !
15
Laat ons dan ons benaarstigen om die rust in te gaan. Of zullen wij als velen do gedachte des doods als dweeperij en somberheid des geestes verbannen uit \'t \'hart, onder den schijn, alsof wij ongeschikt zouden zijn voor het leven op aarde.
Dat is toch maar alteveel de hoogste wijsheid dezer wereld, die zooveel doet en ijvert voor dezen tegenwoordigen tijd , en oog en hart heeft voor al wat zichtbaar en tastbaar is, en aan wie nog gedurig moet herinnerd: Wat baat het u, zoo gij de geheele wereldgewint en lijdt schade aan Uwe ziel ? O, hoe wordt de ernst van dit leven voorbijgezien, en dartelt men zijn dagen dooi\', ook waar de stemme des doods gedurig door ons wordt vernomen; ja zelfs men spot met den dood en de eeuwigheid, zich niet ontziende om langs \'s Heeren wegen uittegahnen ))wij leven langquot;. Zal het goed zijn als de Heer ons daaromtrent zal onderzoeken, en hoe lang zal dat aanhouden o mijn medereiziger naar den dood en het graf ? — totdat de dood ook aan deze beroering een einde maakt ? ! Maar dan zou het einde vree-selijk zijn , en in stee van rust u grooter onrust brengen, dan Ge hier ooit hebt gekend; wat wij U bidden mogen, ga niet voort op den weg der lichtzinnigheid, keer terug van het pad der ijdelheid en bekeer u tot Uwen God, en hoor de vermaning van zijnen Zoon : Wees dan ook gij bereid, want in welke ure Gij het niet meent, zal de Zoon des menschen komen. Bedenkt dat de Heere U daartoe opwekt, zoo dikwijls de mare des doods uw oor bereikt, gelijk het ons zoo menigmaal overkwam , en Hij ons daarin vermaant dat Gij U ook bereidt voor dat einde, dat ons allen zeker wacht. Meent evenwel
16
niet, dat de gedachte des doods , of het spreken over den dood, of ook het treuren over den geliefden afgestorvene zonder meer u geschikt maakt voor uw eigen sterven; alleen wanneer daardoor uwe ziele vlucht tot den levenden Christus in den hemel, zal het u gewin zijn, en u verzekeren van de ruste die er overblijft voor het volk van God. Zoekt dan uwe rechtvaardigheid niet in uw eigen deugd, alsof gij daar op gerust zoudt kunnen sterven, maar zoekt veeleer de rechtvaardigheid, die in Christus de uwe is door het geloof; en verzekert u alzoo van zijne liefde, en steunt op de zoenverdiensten van Christus, dan zult Gij op beproefder grond zeggen dan Agag koning der Amalekieten tot Sainuël: Voorwaar, de bitterheid des doods is geweken. Of moogt Gij dat uit genade betuigen , zooals de lieer Jezus zich aan de zijnen door den Heiligen Geest verklaart als de opstanding en het leven, dat Gij zijt overgegaan uit den dood in het leven, wat heerlijke toekomst hebt Gij dan voor U; moge dan dit leven veelbewogen zijn, gij zult eenmaal uitrusten ; wordt gij hier benauwd van vele zijden, daar zult gij van allen last en van de zonde bevrijd wezen; zijt gij hier een vergeten burger, daar wordt gij niet achteraangeplaatst , maar zijt van Uwen Vader gekend , Die zich dan ook tot de kleinen wendt. Wel vreest gij nog menigwerf, ziende op U zeiven, maar de Heer is getrouw. Hij houdt woord. O klem u dan aan Hem vast, blijf in Hem, en Hij zal Lij U wonen en in U zijnen als Gij als treurenden over geliefde dooden uw levensweg gaat, verblijdt U dan in onzen God, Die een God is van volkomen zaligheid ook voor hen, die ons zijn
17
voorgegaan in het Vaderhuis daarboven, waardoor Gij U vereenigen zult met het lied van denChris-tendichter:
Wel stuit hier zoo smart\'lijk mijn schemerend oog
Op menig meedoogenloos graf,
Maar liet oog mijner ziel gaat van d\'aard naar omhoog, \'t Geloof neemt den blinddoek mij af.
Ik leun op een steen, reeds bewassen en grijs,
Daar heb ik mijn dooden beschreid. Die steen is de muur, die hun Lustparadijs Alleen van mijn tranendal scheidt.