-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

1

-ocr page 4-
-ocr page 5-

ONTMASKERD EN ONTWORSTELD.

-ocr page 6-
-ocr page 7-

HET ENGELSCH VRIJ GEVOLGD

DOOK,

J. W. A. NO TT EN,

Predikant te Rotterdam.

—--

BIBLIOTHEEK N€D. HERV. KERK

6 sCL

/0# E/0 ROTTERDAM,

J. M. B R E D É E.

-ocr page 8-

schenking uit de bibliotheek van

h.m. de koningin

-ocr page 9-

VOOEWOORD.

Mijn onvergetelijke vriend Ds. E. W. King, wees mij in December 1883 op een zeer oud Engelsch hoek, getiteld: Precious remedies against Satan s devices: to which is added, impediments to assurance, and, the means of removing themquot; waarvan hij eerst gedacht had eene vertaling te bezorgen, maar dat hij liever door mij onder de oogen van ons publiek gebracht zag.

Gaarne nam ik eene bewerking op mij, nadat mij zijne hulp, die ik vanwege mijne gebrekkige kennis van de Engel-sche taal zoo hoogst noodig had, was verzekerd.

Oorspronkelijk meende ik mij te bepalen tot het leveren van eene artikelen-reeks in de Bazuin, onder den titel: „tegen de

-ocr page 10-

listen des Satan\'s gewapendquot;; maar toen iJc, uit vrees van de lezers te zullen vermoeien door zoovele weken achtereen over hetzelfde onderwerp te schrijven, het voornemen te kennen gaf dezen arbeid te staken, was niet alleen de drang om voort te gaan sterk, maar werd ook het verzoek, om later het geheel verkrijgbaar te stellen, door zoovelen gedaan, dat ik dit wel beloven moest.

Broeder King mocht de voltooiing van dezen arbeid, die zoozeer de sympathie had van zijn hart en ivaaraan hij zoo lang mogelijk deel nam, niet heieven. Na een hevig lijden werd hij 15 April 1885 opgenomen in het Vaderhuis. Toen de smartelijke krankte, die hem ten grave sleepte, zich openbaarde, schreef hij: „ik gevoel mij zeer zwak; het schijnt mij toe, dat de tijd mijner ontbinding aanstaande is; maar ik weet, \'wat het zijn zal, Jezus in Zijne heerlijkheid te aanschouwend

Ofschoon over zijn gemis bedroefd en deelnemende in den rouw der zijnen, misgunden wij hem de ruste niet en was de\' gedachte ons liefelijk, dat hij, voor eeuwig aan Satans listen ontworsteld, zijne accoorden bij de hallels der hemelingen wegen mocht.

Inderdaad, ook Engeland heeft zijne minbekende „oude

-ocr page 11-

schrijvers , rlie m onze dagen verdienen gehoord te worden. Onder hen neemt Thomas Brooks eene eerste plaats in. Hij spreekt, ooi- in dit werk, nadat hij gestorven is; en zijn woord, opgediept uit de zee der vergetelheid, drage onder \'s Heeren aanbiddelijk bestuur, nog rijkere vrucht voor het nageslacht, dan het voor zijne tijdgenooten hébhen mocht!

Het komt ons voor, dot dit bock tot geschenk axtn jeugdige lidmaten zeer geschikt is; mam\' dat ook de oudste van dagen er winst meê kan doen.

Nquot; o T T E N.

Rotterdam, Juli 1886.

-ocr page 12-

/

INHOUD.

Hoofdsl. Blnlt;,Z-Inleidende opmerkingen......... ^

I. De listen van Satan om de ziel tot zonde te

lokken...............

II. Satans toeleg, om geestelijk traag te maken,

zooveel doenlijk de betrachting der Godsdienst-plicliten te verhinderen en op die wijze de zielen

04

te vervoeren.............

III. Do listen van Satan om zielen in een droevigen, twijfelenden, onzekeren en troosteloozen toestand te honden..............

IV. De listen des Satans in verband met de verschillende maatschappelijke toestanden.....1\' 4

V. De listen van Satan, door welke hij arme zielen verhindert den Heere Jezus Christus aan te nemen en zich \'toe te eigenen en naar het Evangelie op Hem alleen te vertrouwen voor hunne eeuwige gelukzaligheid, en hoe er ons tegen te wapenen. 210

VI. Algemeene beschouwingen........^

Toegift. Wat de verzekerdheid des geloofs in den

weg staat, en in welken weg ze verkregen wordt 243

-ocr page 13-

INLEIDENDE OPMERKINGEN.

In het vijfde vers van het 2e hoofdstuk van den 2en brief aan de gemeente te Corinthe zegt de apostel, dat de bloedschendige persoon door zijn zondig gedrag teedcre zielen had bedroefd. Zij, die in de zonden wandelen, zijn Hazaëls voor de godzaligen, die hen tot zuchten en tranen brengen. 2 Kon. 8:11. Jeremia weende in het verborgen over Juda\'s zonden, en de apostel Paulus kon niet dan weenende spreken over den wandel van hen, die hij vijanden noemde van het kruis van Christus. Fil. 3 : 18. Ook de rechtvaardige Loth was neergebogen door den ontuchtigen wandel van Sodoms inwoners. 2 Petr. 2:7,8. Ieder hunner was een Hazaël in zijne oogen; een Hadadrimmon in zijn hart.

Begenadigden treuren zoowel om de zonden van anderen, als om hunne eigene; niet het minst over de zonden dergenen, die haar verbloemen en schertsen met de verdoemenis hunner eigene zielen. Zij worden in den omgang met zulke ij dele menschen of schuldig of bedroefd. Ps. 119 : 136 tot 158.

In het 6e vers verklaart hij, dat de straf den bloed-schendigen persoon opgelegd, genoeg was, en dat de ge-

i

-ocr page 14-

2

meente daarom niet moest weigeren hem, die berouw had, en over zijne vorige handelingen treurde, weder in liefde te ontvangen. Het strekt niet tot eer van Christus, tot verhoogde evangeliewaardeering, of tot welzijn der zielen, als de belijders aan bloedhonden doen denken.

In het 7e, 8e en 9e vers wekt de apostel de gemeente op den gevallene te vergeven, te vertroosten en haie liefde aan hem te bevestigen, opdat hij niet door overmaat van droefheid zou verslonden worden; wijl toch Satan rond gaat, om, zoo mogelijk, den bedroefde naar God tot wanhoop te brengen.

Iemand heeft lieflijk gezegd: „Dat men treure om zijne zonden en zicli dan verblijde om zijne droefheid. De droefheid om de zonde, die de ziel verhindert naar het verzoendeksel te zien, houdt Christus van haar gescliei-den.

In het laatste gedeelte van vers 10 en in vers 11 geeft de apostel eenc andere reden op, waarom hij bij de gemeente medelijden wenscht met denberouwhebbenden zondaar; hij zegt: „Opdat de Satan over ons (jeen voordeel krijrje: want zijne gedachten zijn ons niet onbekend

De vergelijking is ontleend aan den schraapzuchtigen koopman, die alle gelegenheden zoekt, om anderen te verschalken. Satan is die listige koopman. Niet om de huizen der weduwen, maar om de zielen is het hem te doen.

Zijne listen, raadslagen, samenrottingen, kunstgrepen, lagen zijn ons niet onbekend.

Wie geene persoonlijke ervaring hoeft van de listen des Satans, waarmede hij onze eerste ouders heeft verschalkt, en waarmede hij ons telkens ten val zoekt te brengen, is slechts in naam Christen.

-ocr page 15-

3

Satan heeft verschillende listen om der menschenzielen te bedriegen, te verstrikken en ten verderve te voeren, ïen bewijze strekke het apostolische: „Doet aan de géheele wapenrusting Gods, opdat (jij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels.\'\'\'\'

Het Grieksche woord, door listige omleidingen vertaald, is veelbeteekenend.

Het beteekent verraderijen ; onverhoeds iemand van achteren aanvallen. Het doet ons denken aan krijgslisten; aan het in hinderlaag lokken; aan het lagen leggen door de oude listige slang, die, gelijk aan Dan\'s adder, nevens den pelgrim op het pad schuifelt en hem in de verzenen bijt, en zoo zijn gif als tot het hoofd en hart blaast. Het beteekent zulke strikken, die gespannen worden, om iemand op zijn weg te vangen. Zoo overvalt de dief den reiziger, of werpt de sluipmoordenaar den niets kwaads vermoedende in de gracht.

Voorbedachtelij k en listig gelogde strikken. Uitgaan met het doel cm eene prooi te zoeken. Juliaan wist door zijne listen meerderen schipbreuk te doen lijden aan hun geloof, dan al zijne vervolgende voorgangers door hunne wreedheden. Zoo doet Satan meer kwaad, als hij in schapenvacht komt, dan, als hij zich toont als een briescheude leeuw.

Ten bewijze strekke 2 Tim. 2 : 26: „En zij wederom ontwaken mochten uit den strik des duivels, onder welken zij gevangen waren tot zijnen wil.quot; Het Grieksche woord is naar recht vertaald door ontwaken.

De apostel zinspeelt op iemand, die in slaap gevallen of door wijn bevangen, wakker moet geschud of tot bezinning gebracht worden.

Het Grieksche woord door gevangen waren overgezet.

-ocr page 16-

4

beteekent levend genomen. Het is eigenlijk een oorlogsterm en doet donken aan soldaten op het slagveld genomen, tot krijgsgevangenen gemaakt, of aan vogels door den vogelaar verstrikt. Satan heeft zijne strikken voor de wijzen en de eenvoudigen; voor de edelmoedigen en vreesachtigen; voor de rijken en de armen; voor de bejaarden en de jeugdigen.

Welgelukzalig zijn zij, die in de door hem gelegde strikken niet worden gevangen en bewaard.

-ocr page 17-

HOOFDSTUK I.

DE LISTEN VAN SATAN OM DE ZIEL TOT ZONDE TE LOKKEN.

„Opdat de Satan over ons geen voordeel krijger want zijne gedachten zijn ons niet onbekend.quot;

2 Cor. 2 : 103 en 11.

De eerste list van den Satan is: het aas voor te houden, en den angel te verbergen; den gouden beker te toonen, en het gif aan het oog te onttrekken; liet zoete, aangename, voordeelige van do inwilliging der zonde voor te spiegelen en van den toorn en de ellende, die op de overtreding van Gods gebod zeker volgen, te zwijgen. Onze eerste ouders werden door deze list gevangen: „Toen zeide de slang tot de vrouw: „Gijlieden zult den dood niet sterven; maar God weet, dat ten dage, als gij daarvan eet, zoo zullen uwe oogen geopend worden en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad.quot; (Gen. 3 : 4 en 5.)

Uwe oogen zullen geopend en gij zult als goden wezen; — hier is het aas, het zoete, het voordeel. Maar

-ocr page 18-

6

hij houdt den angel, de schande, den toorn, en het verlies, dat zekerlijk volgen moet, verborgen.

De oogen des geestes kunnen geopend zijn tot overdenking en vreugde, maar er is ook eene opening der lichamelijke oogen tot schande en verwarring. Hij belooft het eerste, maar bedoelt het laatste en bedriegt alzoo. Hij geeft een appel voor een Paradijs. Evenzoo doet hij met duizenden ia onze dagen. Gemakkelijk weet hy door zijn gouden aas ons te misleiden. Hij belooft der ziel eer, genoegen, voordeel enz., maar betaalt haar met teleurstelling, verachting en verlies. Met een gouden aas beproefde hij Christus te vangen, zie Math. 4 ; 8, 9. Hij toondo Hem de schoonheid en heerlijkheid der wereld, waardoor ongetwijfeld menig vleeschelijk hart zou zijn verstrikt; maar op \'s Heeren genegenheden hadden deze verleidende voorwerpen volstrekt geen vat. Velen evenwel zijn voor eeuwig omgekomen, ten einde toe, vervoerd door het klatergoud der wereld. \') Tegenspoed heeft zijne duizenden verslagen, maar voorspoed zijne tienduizenden.

Wilt gij u tegen deze list des Satans wapenen ? Neem het volgende in acht: Houd u op den grootst mogelijken afstand van de zonden en speel niet met het gouden aas, dat Satan voorhoudt, om u te vangen. Paulus zegt. Hom. 12 ; 9. „Hebt een afkeer van het booze.quot; Het Grieksche woord, hier door afkeer overgezet, spreekt zeer sterk.

1) Om dr. Taylor te verleiden, beloofden zij hem niet alleen vergeving, maar ook een Bisdom.

Angustinus zegt, dat velen ellendig zijn door schadelijke dingen lief te hebben, maar nog ellendiger worden door ze te bezitten.

Bernard bad: „Geef Ileere, dat wij zóó het tijdelijke genieten, dat wij het eeuwige niet derven.quot;

-ocr page 19-

7

■wil zeggen: te haten als de hel zelve, te haten met afschuw.

Anselra placht te zeggen, dat hij liever zonder zonde in de hel, dan met de zonde in den hemel zou zijn.

De wijste en veiligste weg is zoover mogelijk van de zonde te staan; niet te naderen tot de deur der ontuchtige, Spr. 5:8; en ons te onthouden van allen schijn des kwaads, 1 Thess. 5 : 22.

quot;Wie niet in den put vallen wil, houde zich ver van den rand. Wie vermetel genoeg is, om aan dien rand te dansen, zal er duizend tegen een invallen.

Jozef houdt zich verre van de zonde en zijn geweten blijft onbevlekt.

David waagt zich in hare strikken en wordt gevangen: de vrede zijns gemoeds wijkt; Gods heilig ongenoegen rust op zijne ziel; zijne beenderen worden verbrijzeld.

De zonde is eene pest, ja de grootste en meest besmettende pest in de wereld, en toch, hoe weinigen zijn er, die haar zoo vreezen, dat zij quot;zich op een afstand houden! „Weet gij niet, dat een weinig zuurdeesem het geheele deeg zuur maakt?quot; (1 Cor. 5 : 6.) Zoodra ééne zonde zich van Adam\'s hart had meester gemaakt, vonden alle zonden toegang tot zijne ziel en beheersehten haar. Adam\'s eene zonde verspreidde zich over zijn gansche geslacht; „Daarom, gelijk door éénen mensch de zonde in de wereld gekomen is en door de zonde de dood; en alzoo de dood tot alle menschen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebbenquot; (Rom. 5 : 12.)

Ach, er is niet slechts een gezondigd hebben in Adam, ook een zondigen na Adam.

Hoe wordt het kind besmet door de zonde van zijnen vader, de vrouw door die van haar man, de dienstknecht

-ocr page 20-

8

door die zijns lieeren. \') De zonde is van zulk een aanstekelijken aard, dat ééne zonde in liet hart van één mensch eene geheele wereld besmetten kan.

Bedenk, dat zonde slechts eene bittere zoetigheid is. Zij is zoet, maar haar nasmaak is bitter. De beker dei-zonde heeft walging tot droesem, zelfverwijt tot nasmaak. „Indien het kwaad in zijnen mond zoet is, hij dat verbergt onder zijne tong; hij dat spaart en hetzelve niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt; zijne spijze zal in zijn ingewand veranderd worden; gal der adderen zal zij in hot binnenste van hem zijn. (Job. 20 : 12—14.)

IJdele lieden, die dwaasheid vreugde achten, scheppen veel behagen in verbodene genoegens. Velen verlangen zich in te laten met de moordende beton der zonde. Velen eten op aarde, wTat zij in de hel zullen verteren. De zonden, waarmede zij zich voeden, zullen hen verslinden.

Als do maaltijd is afgeloopen, betaalt men de rekening. Men wane niet met den duivel te kunnen feestvieren en daarna met Abraham, Izak en Jakob in het Koninkrijk der hemelen het Avondmaal te zullen houden. Wie zich met slangenvenijn voedt, wordt door de slang gedood.

Bedenk ernstig, dat de zonde de grootste schade aanbrengt. Zij doet ons Gods gunst derven, die beter is dan het leven; ook „de onuitsprekelijke en heerlijke vreugde.quot; (1 Pet. 1 ; 8) en den „vrede Gods, die alle verstand te boven gaat.quot; (Fil. 4 : 7.) Ook zeer begeer-

1) Kwade samensprekingen verderven goede zeden, en vooral de slechte voorbeelden der meerderen, doen veel kwaad Zij kunnen, met het oog op hunne verantwoordelijkheid, niet te veel op hunne hoede zijn.

-ocr page 21-

lijke genadegiften. (2 Kron. 15 : 3, 4; Ps. 51 : 14; Jes. 59 : 2—8)

Zeer terecht antwoordde een Engelsche kapitein, bij gelegenheid van het verlies van Calais, aan een hoog-moedigen Franschman, die hem schimpende vroeg, wanneer hij Calais wilde terugnemen: „Zoodra uwe zonden de onzen zullen hebben overtroffen.quot;

Bedenk ernstig, dat de zonde betooverend en bedrie-gelijk van aard is. Zij is kind van den grootsten bedrieger, de grondslag van alle bedrog der wereld, en in haar eigen natuur uitermate bedriegelijk. „Vermaan elkander ten allen dage, zoolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde.quot; (Heb. 3 : 13.) Zij zal de ziel kussen en lieflijk toespreken en nochtans haar verraden. Zij zal met Delila glimlachend op ons zien, en ons in do hand des duivels stellen, evenals dezo Simson in die der Filistijnen gaf. De zonde geeft den Satan macht over ons, en het voordeel om ons aan te klagen en aanspraak op ons te maken, als op dezulken, die zijne kenteekenen dragen.

De zonde bedriegt de ziel zoo, dat zij het kwade goed en het goede kwaad, het bittere zoet en het zoete bitter, het licht duisternis en de duisternis licht noemt; ach, menige ziel, door de zonde betooverd, heeft het tot den dood toe tegen God uitgehouden! Te midden van de betooveringen der zonde zal de ziel er zelfs niet om geven, ofschoon God slaat en verwondt; zij vreest niet, maar volhardt op den weg van boosheid, gelijk wij zien in Farao, Bileam en Judas. Zeg haar, dat de zonde eene adder is, die zekerlijk zal dooden, zoo zij niet gedood wordt; dat de zonde heimelijk doodt, toch zal de

-ocr page 22-

10

misleide niet kunnen, niet willen ophouden met zondigen.

Toen men den geneesheer Theotimus zeide, dat hij zijne beide oogen zou verliezen, als hij zich niet wilde onthouden van sterken drank en onreinheid, was zijn hart zóó door de zonde betooverd, dat hij antwoordde:

„Vaarwel dan zoet licht!quot; Hij wilde liever zijne oogen verliezen dan zijne zonden laten. Ach, droevig beeld van den mensch, die, door de zonde betooverd, liever God, Christus, den hemel, zijne eigene ziel verliest dan met zijne zonden te breken.

De tweede list van den Satan, om zielen tot de zonde te lokken, is: de zonde te dekken met het lichtkleed der deugd. Om te voorkomen, dat de ziel de zonde ontvliedt, stelt hij haar voor, niet in haren waren aard, maar vernist, verguld, met den naam en in het gewaad der deugd. De hoogmoed stelt hij voor als netheid; de gierigheid, door den apostel als afgoderij veroordeeld, als zuinigheid; de brasserij als gulhartigheid, enz. Wilt gij u tegen deze list wapenen ? Bedenk, dat de zonde, niettegenstaande haar schoone namen gegeven worden, haar karakter behoudt, d. i. afschuwelijk blijft. Eene vergiftigde pil blijft, ofschoon verguld, vergiftigd. Een wolf blijft, ofschoon met eene schapevacht gedekt, roofgierig. Een duivel is niet minder duivel, al vertoont hij zich soms als een engel des lichts. Zoo is de zonde niet minder afschuwelijk, omdat ze als onschuldig wordt geprezen. Bedenk, dat de zonde gevaarlijker is, naarmate zij met schooner namen wordt getooid. Dit zien wij duidelijk in onze dagen, waarin zoovelen, die eenmaal de heiligmaking schenen na te jagen, tot dwaasheid

-ocr page 23-

11

zijn gekeerd. Dit is zoo duidelijk, dat wij er slechts de aandacht op te vestigen hebben. De gevaarlijkste insecten schuilen weg in de schoonste bloemen; evenzoo worden de grootste ondeugden in deze wereld met de bekoorlijkste namen genoemd.

Beschouw de zonde in hot licht, waarin gij haar over eenigen tijd zult moeten beschouwen. Och, geliefde lezers, als gij op uw sterfbed zult nederliggen en voor Grods rechterstoel verschijnen zult, zal de zonde ontmaskerd en van haar tooisel ontdaan worden. Eenmaal zal het geweten ontwaken. Gij zult de zonde zien in hare ware gedaante, als kind der hel.

Bedenkt, gij, geloovigen, dat dezelfde zonden, die de Satan met schoone verven kleurt, den Christus Gods het leven hebben gekost; dat Christus uit den schoot des Vaders is gekomen op deze aarde, het tooneel van zonde en dood; dat de Schepper een schepsel werd; dat Hij, Die met heerlijkheid was bekleed, verscheen in het vleesch; dat Hij, Wiens heerlijkheid den hemel en de aarde vervult, als kindeke in de kribbe lag, geboren uit de maagd, gekomen onder de wet, ons in alles gelijk, uitgenomen de zonde; dat Hij, Die de duivelen bindt, verzocht werd door Satan; dat Hij, quot;Wiens de wereld is en hare volheid, hongerde en dorstte; dat de Rechter over allen, veroordeeld en de Vorst des Levens werd gedood; dat Hij, in quot;Wien de Vader een welbehagen heeft, moest klagen: „Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten!quot; Dat Hij, Die de sleutelen heeft der hel en des doods, in het graf werd gelegd. Hij, Die gedurende Zijn leven geen\' plaats voor Zijn hoofd, en na Zijnen dood geen graf voor Zijn lichaam ten eigendom had; dat Zijn hoofd, bij den aanblik, waarvan deengelen

-ocr page 24-

12

hunne kronen nedenverpen, met doornen werd gekroond; dat Zijne oogen, schitterender dan de zon, in den dood werden gesloten; dat Zijne ooren aan engelen hallels gewoon, lasteringen, smaadredenen, kruiskreten moesten hooren; dat Zijn gelaat, veel schooner dan dat der men-schen kinderen, door ellendige Joden werd bespogen; dat de mond, die sprak, zooals nooit een mensch gesproken heeft, van Godslastering werd beschuldigd; dat Zijne handen, die steeds zegenend waren uitgestrekt, en Zijne voeten „aan blinkend koper gelijkquot; aan het kruis werden genageld ; dat daar op de standplaats des gerichts, al Zijne zintuigen werden gekweld. Zijn gevoel door de nagels, die met mokerslagen door de palmen van handen en voeten werden gedreven; Zijn reuk door den pestwalm, die opsteeg van uit den grond met bekkeneelen bezaaid, met het bloed en zweet der gevonnisten gedrenkt, met het stof des doods van velen bedekt; Zijn smaak door gal en azijn; Zijn gehoor door schimptaal en hoon; Zijn gezicht door de tranen Zijner moeder en hot lijden Zijner jongeren; o, bedenkt, dat dit alles gebeurde en gebeuren moest, om de zonde te boeten, die de Satan u met schoone kleuren zoekt te schilderen.

De overweging van het lijden Christi moet de ziel tegen de zonde kanton, liaar bewegen, die te ontvlieden en te bestrijden. Terecht heeft Bernard gezegd: „Hoe dieper Christus zich om onzentwil heeft vernederd, des te dierbaarder moet Hij ons zijn.quot;

Wie in de wonden van Jezus leest, kan niet anders dan de zonde afschuwelijk vinden.

Daarom broeders en zusters, ziet op den gekruisigden Christus. Ziet op Hem, des morgens vroeg en des avonds laat, ziet op Hem, in voor- en tegenspoed. Waar het

-ocr page 25-

13

hart zich buigt voor den Gekruisigde op Golgotha, zal de voet zich reppen op het pad van Gods geboden.

De derde list van den Satan, om zielen tot de zonde te lokken, is: haar te verkleinen. Hij zegt: „het is slechts eene geringe overtreding; gij kunt haar begaan, zonder schade voor uwe ziel.quot;

Wilt gij u tegen deze list wapenen? Bedenk ernstig, dat de zonden, die gewoonlijk door ons in de rubriek „kleinighedenquot; worden geplaatst den toorn Gods hebben doen ontbranden. De „kleinstequot; zonde is mot de wet, de natuur, het wezen en de heerlijkheid Gods in strijd en daarom dikwerf door Hem gestreng bezocht. Zoo wij niet geheel door Satan verblind zijn, kunnen wij dagelijks Gods bezoekende hand de lichamen, de namen, de bezittingen, de huisgezinnen, en de zielen zien treffen van hen, die de zonde indrinken als water, onder de leuze, dat zij slechts aan geringe overtredingen zich schuldig maken.

Bedenk ernstig, dat de inwilliging van kleine zonden den weg opent voor grootere.

Hij, die kleine zonden inwilligt, om grootere te vermijden, zal licht door God in zooverre worden losgelaten, dat hij in eene nog grootere zonde valt. \' Do zonde is van eene bresschietende natuur; steelsgewijze, stap voor stap, sluipt zij in de ziel, totdat zij haar in hare strikken heeft verward en in hare moerassen doet zinken. David staat zijn oog toe te zwerven en valt daardoor in die vreeselijke zonden, die hem oorzaak werden van diepgaand lijden. Jakob, Petrus en andere heiligen hebben de droeve ervaring opgedaan, dat het toegeven

-ocr page 26-

14

aan „kleine zondenquot; den weg heeft gebaand voor grove overtredingen. De kleine dief zal de deur openen voor een grooteren dan liij; , eene kleine wig, ergens ingedrongen, maakt ruimte voor eene grootere. Satan zal u eerst lokken, om bij don dronkaard aan te zitten, dan met hem een glas te ledigen, en eindelijk met hem u aan brasserij over te geven.

Hij zal u eerst verleiden, om onreine gedachten te koesteren, dan onreine blikken te werpen, daarna onreine ■woorden te sproken, en eindelijk te offeren op de onreine altaren des vleesclies. Hij zal eerst uwe oogen naar de gouden tong richten, dan eene begeerte in u werpen haar te bezitten, daarna zal hij er u toe brengen haar te betasten en eindelijk u aansporen haar u toe te eigenen. Do zonde staat nooit stil. Er is een afdalen van zonde tot zonde. Helaas! hoevelen zijn in deze dagen afgekeerd van de waarheid door eerst de Schrift en de Goddelijke instellingen gering te achten, ze daarna te minachten en ze eindelijk geheel te verwerpen. Zoo verheffen zij zich boven de Schrift en hare verordeningen en voeden van Christus onteerende en zielverdervende gevoelens.

Op eene onmerkbare wijze neemt de heerschappij der zonde dus in de zielen toe. De Prediker zegt, hoofdst. 10 : 13, „het begin der woorden zijns monds is dwaasheid en het einde zijns monds is booze dolligheid.quot; Als iemand begint te zondigen, weet hij niet, waar of wanneer, of hoe hij er een einde aan zal maken. Gewoonlijk gaat de ziel van kwaad tot kwaad. Do eene dwaasheid wordt uit do andere geboren.

„Kleine droppels water, kleine korrels zand,

Vormen \'s werelds zeeën en \'t onmeetlijk strand.quot;

-ocr page 27-

15

Om u tégen deze derde list van den u tot zonde ver-lokkenden Satan te wapenen, bedenk ernstig, dat het droevig zou zijn u om eene beuzeling tegen God te stellen.

Het is schandelijke ontrouw zich ter wille van eene kleinigheid van God to scheiden.

De verzoekingen tot kleine zonden moeten ook klein zijn, en hoe schandelijk is het niet door kleine verzoekingen tot zonde vervoerd te worden. Het is duivelsch, om zonder verzoeking te zondigen; hot is een weinig minder dan duivelsch, om voor geringe aansporingen te bezwijken; hoe geringer de verzoeking tot zonde is, hoe grooter onze schuld, als wij in haar vallen.

Wie gevoelt niet, hoe snood het is, tor wille van eene beuzeling een vriend te kwetsen en te bedroeven; maar welk Christen gevoelt dan ook niet, dat er geene woorden te vinden zijn, om het gedrag te laken van wie door moedwillig „kleinequot; zonden te bewierooken, Christus klagen doet en den H. Geest bedroeft. Daarom, als de Satan n influistert, dat het slechts kleine zonden zijn, waartoe hij u bewegen wil, geef hem dan ton antwoord, dat somtijds de grootste onvriendelijkheid betoond wordt in het plegen van kleine dwaasheden, en dat gij daarom uwen besten en grootsten Vriend niet wilt mishagen, door Zijne grootste vijanden te begunstigen.-

Bedenk ernstig, dat er groot gevaar, ja veelal het grootste gevaar schuilt in „kleine zonden.quot; „Een weinig zuurdeesem maakt het geheele deeg zuur.quot; (1 Cor. 5 : 6.) Kleine zonden, ter sluiks in de ziel gedrongen, ontwikkelen en werken daar heimelijk, totdat zij haar dreigen te verwoesten. Niet zelden worden de geringste ongesteldheden voor onze lichamen uiterst nadeelig, om-

-ocr page 28-

16

dat wij gewoonlijk er weinig acht op geven, en verzuimen bijtijds middelen tot herstel aan te wenden.

De geschiedenis meldt ons, dat koning Lysimachns, door terwille van eene teug waters eene wijle te vertoeven, zijn koninkrijk verloor. Een schorpioen is klein, maar doodt door zijn steek een leeuw. Eene muis is klein, maar doodt, in den snuit van den olifant gekropen, dit machtige dier. Zoo vergezelt niet zelden het grootste gevaar de kleinste zonden. Wij zijn geneigd er weinig meê te rekenen, verzuimen spoedig er tegen te waken, en zoo nemen zij toe in kracht, die ons terneder werpt en vertreedt.

Een klein lek doet het vaartuig zinken; eene kleine bres in dam of dijk veroorzaakt eene overstrooming; een kleine steek in het hart ontneemt den mensch het leven, en eene kleine zonde, zonder overvloedige genade, verdoemt hem.

Tegen Satans list, de zonde te verkleinen, dient ernstig bedacht te worden, dat vele kinderen Gods de sterkste proeven van gehoorzaamheid hebben mogen geven, liever de vreeselijksto martelingen verduurden, dan te doen, wat de wereld eene geringe overtreding noemde. Denk aan Daniël en zijne vrienden. Het scheen eene geringe zaak het gebed te verzuimen of voor Nebukadnezar\'s beeld te buigen. Toch lieten zij zich liever verbranden, of in dan leeuwenkuil worpen, dan ontrouw te worden aan hun God.

Hoe beschamend is het de bladzijden in de kerkgeschiedenis te lezen, die met bloed zijn geschreven. Het „martelaarsboekquot; is terecht steeds bij de gemeente in eere gebleven. Ik heb gelezen van een edelen dienstknecht des Heeren, met name Mark van Arethusa. Hij bekleedde het leeraarsambt ten tijde van Constantijn en had een afgodstempel doen sloopen. Later, toen Juliaan

-ocr page 29-

17

keizer werd, stond deze er op, dat de bewoners dei-plaats dien weder zouden Louwen. Zij verklaarden zicli er toe bereid, maar Mark weigerde. Daarop namen liera de leden zijner gemeente, aan wie hij liet Evangelie liad verkondigd, ontdeden hem van zijne kleederen, en pijnigden niet slechts zijn naakt lichaam, maar gaven hot veil aan jongelieden, die liem met scherpe yzeren pinnen staken. Hiermede niet tevreden, bestreken zij hem met honig, en hingen hem in eene mand aan een paal, opdat hij aan de stralen der zon blootgesteld en door de wespen gestoken zou worden. Al deze wreedheden werden hem aangedaan, omdat hij niets wilde doen voor de wederopbouwing van den afgodstempel. Om hem hiertoe te bewegen, stelden zij hem voor slechts een lialven penning daarvoor bij te dragen. Deed hij dit, men zou hem in vrijheid stellen. Maar hij weigerde. Door het geven van een hal ven penning had hij zijn leven kunnen redden; maar hij bleef getrouw aan het beginsel, dat vele Christenen als het hunne belijden, maar waaraan zeer weinigen getrouw worden bevonden, namelijk, dat wij liever ons moeten prijsgeven aan de ergste martelingen, die menschen en duivelen kunnen bedenken, dan de minste zonde te doen, door welke wij God onteeren, ons geweten wonden, den godsdienst smaadheid aandoen en onze ziel in gevaar brengen.

Bedenk ernstig, dat de ziel nooit onder de schuld en het gewicht van de minste zonde kan staande blijven, als God haar bezoekt. Door de kleinste en onreinste dieren plaagde God den hoogmoedigen Farao en geheel Egypte zóó, dat zij, er onder zuchtende, moesten uitroepen; „dit is Gods vinger.quot; Exod. 8 vers 16—19. Als God de kleinste schepsels met kracht aangordt, drukken

-ocr page 30-

18

zij de machtigste, hoogmoedigste en vermetelste dwingelanden en doen hen nederzinken. Zoo zal de ziel bezwijmen en ternederzinken, als God een zwaard stelt in de hand der geringste zonde en deze tegen haar wapent. Een kwaad geweten vergalt de wereldsche vreugde.

Bedenk „de bezoldiging der zonde is de dood;\' van de zonde, zonder onderscheid, hetzij klein of gioot. Strikt genomen is er geene kleine zonde; want er is geen kleine God, tegen AVien men kan overtreden.

Dat wij dan beven voor de geringste vonken, die van het helsche aanbesld des Satans spatten, voor de begeerlijkheid der verleiding, met het oog op s Vaders Eengeborene, Die niet gespaard, maar, als het offer der verzoening, tot zonde werd gemaakt, opdat de kracht Zijner genade in nieuwigheid des levens zou doen wandelen.

De vierde list van Satan, om tot zonde te verlokken, is: aan de zonden van Gods kinderen te herinneren, met verberging van hunne deugden. Hij wijst op hunne zonden en verbergt hun berouw, hunne droefheid; b. v. hij houdt de ziel het overspel van David, den hoogmoed van Hiskia, het ongeduld van Job, de dronkenschap van Koach, de trouweloosheid van Petrus voor, maar houdt voor haar hunne tranen, verslagenheid, vernedering, m. e. w. hunne droefheid naar God verborgen.

Wilt gij u wapenen tegen deze list? Bedenk ernstig, dat de Geest des Heeren even zorgvuldig heeft doen opteekenen, dat de rechtvaardigen uit hunne zonden zijn opgericht, als, dat zij er toe kwamen in zonden te vallen. David valt op eene vreeselijke wijze, maar dooi

-ocr page 31-

19

[

ge- bekeering rijst liij liefelijk uit dien val. Hij bidt; „Delg be- mijne overtreding uit naar de grootheid Uwer barmhar-; in tigheden. Wasch mij wel van mijne ongerechtigheid, en snt. reinig mij van mijne zonde, want ik ken mijne overtredingen, en mijne zonde is steeds voor mij. Ontzondig ^an mij met hij sop en ik zal rein zijn: wasch mij en ik zal )0t. witter zijn dan sneeuw. Verlos mij van bloedschulden, een o God, Gij God mijns heils.quot; (Ps, 51 : 3—5., 9 en 16).

Het is waar, dat het hart van Hiskia zich verhief op die al de zegeningen, hem door den Heere geschonken, maar de het is even waar, dat „Hiskia zich verootmoedigde, om [ers de verheffing zijns harten, hij en de inwoners van der Jerusalem, zoodat de groote toornigheid des Heeren over ,c]it hen niet kwam in de dagen van Hiskia.quot; (2 Kron. 32 : 26). oen Het is niet te ontkennen, dat Job den dag zijner

geboorte vervloekte; maar het valt evenmin te betwijfelen, dat hij, opgericht, met diep gevoel des harten heeft beleden: „Zie, ik ben te gering; wat zou ik U antwoorden, den? Ik leg mijne hand op mijnen mond. Eenmaal heb ■en^ ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, nne maar zal niet voortvaren. Met het gehoor des oors heb _ v_ ik U gehoord; maar nu ziet U mijn oog. Daarom verfoei npd ik mij en ik heb berouw in stof en asch.quot; (Job. 39 : 37, van 38, en 42 ; 5, 6)

tudt Het valt niet te loochenen, dat Petrus zich zeer aan ino- den dierbaren Meester vergreep; maar, hoe duidelijk was ook zijne bekeering! \') Eén liefdeblik van Jezus gtio- verteedert hem in tranen.

loen Denk aan Petrus op den Pinksterdag.

zijn

. \') Luther belijdt, dat lüj bij zijne godgeleerde studiën geen woord ontmoette,

V quot; hinderlijker dan het woord bekeering, maar dat hij er later zaligheid in smaakte, looiquot; bedroefd te ziju over zijne zonde, en zich daarna over die droef beid te verheugen.

.

-ocr page 32-

20

.

Een kerkvader zegt, dat deze apostel later nooit een haan kon hooren kraaien, zonder bitterlijk te weenen en om vergeving te bidden.

Acb, velen struikelen over de gebreken der geloovigen naar de hel. Zij ergeren er zich aan en smeden er wapenen uit tegen het Christendom. Maar ook anderen volgen een David en Petrus in hun zondigen, maar niet in hunne bekeering. Bekeering is do sleutel tot het rijk der genade. quot;Wie zich niet bekeert, blijft verloren.

Toen keizer Theodosius er op aandrong, om tot de tafel dos Heeren te worden toegelaten, verontschuldigde hij zijn onbetamelijk gedrag door zich op Davids zonde te beroepen, waarop Ambrosius antwoordde: „Gij hebt David\'s overtreding nagevolgd, volg hem ook in zijne bekeering, en nader dan aan de tafel des Heeren.quot;

Bedenk verder, dat deze heiligen geen handel hebben gedreven met de zonde. Een of twee malen zijn zij gevallen, soms diep gevallen; maar zij stonden weer op door bekeering, opdat zij zich des te vaster, voor eeuwig, aan Christus mochten houden. Zij vielen, om zoo te zeggen, bij toeval, bij overrompeling, nu en dan. En gij, die achter bunne overtredingen zoekt te schuilen, zondigt gereedelijk, vermetel, met ingenomenheid en hardnekkig. Door handel met de zonde te drijven, zijt gij zoo aan haar gewoon, met haar vertrouwd, door haar vergezeld, dat gij, als \'t ware, u in de vervloekte noodzakelijkheid hebt gebracht te zondigen, zoodat gij zoowel zoudt kunnen ophouden te leven, als, dat gij zoudt kunnen ophouden te zondigen. Door de gewoonte is de zonde u eene andere natuur geworden, die gij zoo min kunt, als wilt afleggen, ofschoon gij weet, dat, als gij haar niet aflegt. God uwe ziel voor eeuwig verwerpen zal. Gij

-ocr page 33-

21

een weet, dat als er geene scheiding komt tusschen de zonde

len en uwe ziel, Christus en uwe ziel nooit kunnen ver-eenigd worden.

jen Als gij met de zonde handel wilt drijven, en steeds

er u verschanst achter het feit, dat vele kinderen Gods

ren zwaar hebben overtreden, bedenk dan dit: zij zijn in

liet de zonde gevallen, en gij leeft in de zoude; zij zijn na

•ijk hun val opgestaan, door bekeering en geloof in den Heiland, maar gij hebt noch de kracht, noch de begeerte,

de om op te staan; gij wentelt u veeleer in de zonde en

;de zult in uwe zonde sterven, tenzij de Ileere zich over

ide uwe ziel ontferme.

ebt Wat zoudt gij zeggen van de redeneering: „ Deze en

jne die hebben eeno enkele maal uit den giftbeker gedronken en zijn nauwelijks den dood ontkomen, maar ik zal

sen dien dagelijks aan de lippen brengen en toch niet sterven ?quot;

zij Een dwaas zoudt gij noemen, wie zoo redeneert. Maar

op redeneeren niet vele ij dele lieden aldus : „ David, Petrus

rig, en anderen hebben eens vreesdijk gezondigd, en werden

te nauwelijks zalig, maar ik werp mij dagelijks in den

gij, maalstroom der ongerechtigheid en zal toch den hemel

on- binnen gaan?quot; Bedenk, dat de dag nabij is, waarop zij,

.rd- die zich zeiven vleien, beschaamd zullen staan; eene

gij leugen zal iu hunne rechterhand worden bevonden; ouder

aar de zelfmoordenaars zal hunne plaats zijn.

od- Bedenk ernstig, dat, hoewel God Zijn volk niet heeft

wel onterfd om hunne zouden, Hij hen nochtans strengelijk

nen daarom heeft bezocht \'). David zondigt en God verbrij-

e u --

gjg 1) Joséfhus verhaalt, dat niet laug nadat de Joden Christus gekruisigd

aict ^a(:^en\' zoovelen hunner tot den kruisdood veroordeeld werden, dat er niet slechts kruisen te kort kwamen, maar ook geene ruimte genoeg was, om ze

Gij te planten.

-ocr page 34-

22

zelt zijne beenderen: „Doe my vreugile en blijdschap hooren; dat de beenderen zich verheugen, die Gij verbrijzeld hebt.quot; (Ps. 51 : 10.) „Nu dan liet zwaard zal van uw huis niet wijken.quot; (2 Sam. 12 : 10.) Hoewel God Zijne goedertierenheid van hen niet zal wegnemen en in Zijne getrouwheid niet zal feilen; Zijn verbond met hen niet breken, noch iets veranderen, dat uit Zijn mond gegaan is. toch zal Hij hunne overtreding met de roede bezoeken, en hunne ongerechtigheid met plagen. (Ps. 89 : 30—35.) De Schrift is vol treffende bewijzen.

quot;Wat zeg ik? Deze waarheid is zoo bekend bij allen, die iets van de Schrift weten, dat de poging, om haar te bctoogen, zou kunnen doen denken aan don man, die op vollen middag eene brandende kaars aandroeg, opdat men de zon zou zien.

De Joden hebben eenespreuk: „Israëloverkomtgeene straf, waarin niet een greintje van het gouden kalf is.quot; Hiermede bedoelen zij, dat de afgoderij in de woestijn zulk eene groote zonde was, dat God haar in elke bezoeking gedenkt. Er is niemand, die ten dage des lijdens zichzelven niet als de oorzaak zijner droefheid heeft aan te merken. Vergeten wij echter niet: er ligt zegen in de bezoeking, die God over Zijne kinderen brengt. Zelfs is het niet bezoeken der zonde, het ongekastijd laten zondigen, af te bidden. Dit geldt in het algemeen van tegenspoed en kruis. Iemand schreef aan zijn zieken vriend: „ik acht het niet kennen van tegenspoed een ongeluk; ik acht ellendig, wie nooit ellendig is geweest.quot;

Maar het is eene genade, dat onze droefheid geene rechterlijke straf, maar vaderlijke kastijding is. Hij, die de galg verdiend heeft, mag blij zijn, als hij er met zweepslagen afkomt. Gods kastijdingen zijne onze leeringen,

-ocr page 35-

23

Zyne geeselingen onze lessen, onze terechtwijzingen. liet verdient onze opmerking, dat zoowel in het Hebreeuwsch als in het Griekseh, kastijding en leering door een en hetzelfde woord worden uitgedrukt, en dat leering het einddoel der kastijding is, gelijk ook een spreekwoord aangeeft: „Lijden maakt wijs, en kwelling geeft verstand;quot; waarom Luther, zeer juist, de droefheid des Christens - Theologie noemde. Zoo zegt Elihu: „God spreekt eens of tweemaal, doch men let niet daarop. In den droom, door het gezicht des nachts, in de shü-meringen op het leger; dan openbaart Hij het voor het oor dor lieden, en Hij verzegelt hunne kastijding; opdat Hij den mensch afwende van zijn werk, en van den weg der hoovaardij; dat Hij zijne ziel van het verderf af-houde: en zijn leven, dat het door het zwaard niet doorga.quot; (Job 33 : 14—18.)

Als Satan wijst op de zonden van anderen met het doel om u te doen vallen, denk dan aan hun lijden, opdat gij voor de zonde moogt worden bewaard. Leg uwe hand op uw hart en zeg: „O, mijne ziel, als gij met David zondigt, zal uw weg als die van David door de diepte zijn.quot;

Bedenk ernstig, dat er slechts twee voorname redenen zijn, waarom God den val der Zijnen heeft vermeld; de eéne is, om hen, die door zwakheid in de zonde vallen, voor bezwijken en vertwijfeling te bewaren; de andere: opdat hunne zonden tot bakens mogen zijn, voor wie staan, opdat zij toezien niet te vallen. \')

Het is nooit in Gods hart opgekomen de zonden Zijner

1) Bernard verhaalt van een Godvruchtig mensch, die steeds, als hij hoorde van iemand, die eene groote zonde had gepleegd, tot zichzelven zeide ; „heden viel hij, morgen zou ik kunnen vallen.quot;

-ocr page 36-

24

kinderen te vermelden, om anderen tot zonde aan te moedigen, maar veeleer, dat zij daardoor worden gewaarschuwd, om op hunne paden te letten; zich ernstiger aan Christus te klemmen en alle aanleidingen en verzoekingen tot het kwade te vermijden.

Er is niets ter wereld zoo openbaar in strijd met het voorname doel, dat Grod heeft met het vermelden van de zonden Zijner kinderen, dan dat daarin aanmoediging zou gezocht worden om te zondigen; en wanneer gij ze ontmoet, die hierin vrijbrief tot ongerechtigheid vinden, gij moogt hen aanzien, als die zijn zonder Christus, zonder genade, door God verworpen en door Satan b|j de hand gevat, om te worden geleid naar de donkere diepten des eeuwigen doods.

De vijfde list van Satan, om de ziel tot zonde te lokken is: haar God voor te stellen, als een God van genade. Hij weet de heerlijkste waarheid ten kussen te doen strekken. Te doen insluimeren op wat juist drang tot godzaligheid zijn moest. „O,quot; zegt Satan,\' „gij behoeft de zonde zoo niet te vreezen, u om harentwil niet zoo te verontrusten, want God is de Vader van alle barmhartigheid ; een God, Die behagen heeft in genade, nooit moede wordt haar te bewijzen, meer geneigd om Zijn volk te vergeven dan te kastijden; Zijne slagen zijn niet te duchten, waarom zoudt gij u dan zoo om de zonde bekommeren?quot;

Wilt gij u tegen deze list wapenen ? Bedenk dar. ernstig, dat er in deze wereld geen zwaarder oordeel is dan aan de zonde te worden overgegeven. quot;Wee! den mensch, dien God aan zichzelven overgeeft, en hem niet tegen-

-ocr page 37-

25

staat op don weg dor zonde. Wee! wee! den meiisch, wiens zonden God door do vingers ziet. \') Als Grod toelaat, dat do weg der zonde effen en aangenaam wordt, dan is dit eene hel aan deze zijde des grafs; een vreeselijk teeken van Grods ongenoegen, een bewijs, dat Hij verwerpt.

„Efraïni is vergezeld met de afgoden, laat hem varen,quot; (Iloséa 4 : 17) is een droevig woord. Het is, alsof er staat: „Hij wil niet vermaand worden, luj is onverbeterlijk, hij heeft zich verwant mot het kwade, en zal\' or zijn deel van hebben: hij valt met opene oogen, laat hem vallen tot zijn eigen verderf.quot;

Niet minder vreeselijk is des Heeren woord: „Dies heb Ik hen overgegeven in hot goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hunne raadslagen.quot; (Ps 81 : 13). De ziel, die aan de zonde is overgegeven, is rijp voor de hel, jaagt naar het verderf. Wel mag daarom in ieders hart en op ieders lippen eene bede zijn als doze; „Ach, Heere! waaraan Gij mij ook overgeven wilt, geef mij niet over aan hot goeddunken van mijn hart! Wilt Gij mij overgeven aan droefheid of verzoeking of versmaad-heid, ik zal geduldig nederzitten en zeggen: „Het is de Heere! Hij doe, wat goed is in Zijne oogen!quot; (1 Samuël 3; 18). Doe alles, wat Gij mij wilt doen; leg eiken last, dien Gij wilt, op mijne schouders; maar laat mij niet wandelen in mijne wegen.quot;

Bedenk ernstig, dat God even rechtvaardig als barmhartig is. Do Schrift predikt zoowel Zijne rechtvaardigheid als Zijne barmhartigheid. Wilt gij bewijs? Denk aan

1) Augustiuus zegt: „Het is mensclielijk iu de zonde te vallen; duivelsch daarin te volharden; bovennatuurlijk daaruit weder op te staan.quot;

-ocr page 38-

26

de afgevallen engelen, die uit den hemel werden geworpen, „overgegeven aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te wordenquot; (2 Petr. 2 : 4—6); aan de uitdrijving van Adam en Eva uit het Paradijs; aan de wateren van den zondvloed; aan den vuurregen, die Sodom en Gomorra verteerde; aan de graven in de woestijn; aan de engelen des verderfs, die langs straten en wegen gaan; aan al de jammeren, die als zoovele kinderen der zonde zijn; denk vooral aan het lijden van Gods mensch geworden Zoon, aan Gethsemané en Golgotha.

Bedenk ernstig, dat niets droeviger is dan tegen genade te zondigen. Gods bezoekingen kunnen in dien weg niet achterwege blijven. David zegt in een der Psalmen: „Ik zal van goedertierenheid en recht zingen.quot; (Ps. 101 ; 1). Als de goedertierenheid versmaad wordt, zetelt het recht zich op den troon.

De Heere is gelijk een Vorst, die zijn leger niet tot de oproerlingen zendt, alvorens door een heraut vergeving te hebben beloofd aan allen, die zich onderwerpen. Hij doet de witte vlag Zijner genade hijschen; zalig, voor eeuwig zalig zijn zij, die hierdoor gewonnen worden; maar voor hen, die in hunne oproerigheid volharden, wappert de roode vlag Zijner gerechtigheid. \')

Laat de geschiedenis van oud-Israël tot leering zijn. God verkoos dat volk om Zijne kennis en dienst te bewaren. Hij vermenigvuldigde het wonderdadig; van het getal zeventig werd het in weinige jaren zeshonderd

1) Naarmate God traag is tot toorn, zijn Zijne gerichten vreeselijk. Als wij de genade misbruiken, om onze lusten te dienen, zal God, gelijk iemand gezegd heeft, de hel uit den hemel laten regenen, eer Hij zulke zonden onbezocht laat.

-ocr page 39-

27

duizend; de voorspoed klom met de verdrukking; allerlei zegeningen stroomden hen toe. De Ileere ontbond hun zak en omgordde hen met blijdschap; Hij omringde hen met vroolijke gezangen van bevrijding; Hij droeg hen als op arends vleugelen en bewaarde hen als den appel Zijner oogen. Maar, wijl zij misbruik maakten van Zijne genade, werden zij de voorwerpen van Zijn heilig ongenoegen. Zoo min als iemand de menigvuldige blijken van Gods goedertierenheid, die hen omringden, zou kunnen noemen, zoo min zouden de ellenden kuntfën aangegeven worden, die hen, vanwege hunne zonden, zijn overkomen. Bode op bode was in don loop der tijden gezonden, om te waarschuwen en tot bckeering te manen. En ten slotte voorspelde de Heere Jezus, dat Jerusalem — het middelpunt, hart, leven, de vreugde en de trots des Joodschen volks — zou worden vernield. „Niet één steen zou op den anderen steen gelaten worden.quot; (Matth. 24 : 2) Zoo is het geschied. Veertig jaren na Zijne hemelvaart, toen Yespasianus en zijn zoon Titus de stad belegerden, brak de dag der wrake aan. Het zwaard, dat jaren lang geflikkerd had, zonder dat deszelfs flikkering boete en berouw had gewekt, werd losgelaten. Zoo vruchtbaar was .die dag in jammeren, dat de wereldgeschiedenis schier geen tweeden weet aan te wijzen. Hongersnood dreef de Joden tot het verslinden van oud leder, hooi en het uitwerpsel der dieren; ja, in wanhoop en vertwijfeling slachtte eene moeder haar zuigeling. Door den honger en het zwaard kwamen elfhonderd duizend Joden om; in één nacht werden twee duizend Jerusalemmers opengereten en zes duizend in een voorportaal van den tempel verbrand; de geheele stad werd bestormd en in de asch gelegd;

-ocr page 40-

28

negen en zeventig duizend harer inwoners werden gevangen genomen, die, volgens Eusebius en Josefns, de geringste diensten moesten verrichten. En tot op deze ure is het eertijds zoo beweldadigde nakroost van Abraham verstrooid in alle deelen der wereld, dragende

7 O

het loon hunner ondankbaarheid, den vloek hunner Christus-verwerping. Geen volk, eens zóó geëerd, maar Ook thans zóó vernederd, als het Joodsche volk!

Zoo ook werd het tot den hemel toe verhoogde Kapernaüm bedreigd tot de hel toe vernederd te zullen worden.

Geene zielen, als zij vallen, vallen zoo diep in de hel, als die door de hand der genade hot naast bij den hemel zijn verheven geweest. \')

Bedenkt, onbedaehtzamen! die zoo geneigd zijt misbruik te maken van de genade, dat de plagen, die de lieere verachters en misbruikers van Zjjne genade, in de bedeeling des Evangelies zendt, gewoonlijk geestelijke plagen zijn, zooals: blindheid des geestes, hardheid des harten, ongevoeligheid des gewetens; m. a. w. in den weg der veronachtzaming van Gods genade wordt het verstand duisterder, de wil eigenzinniger, het hartgeslo-tener, het geweten ontrefbaarder. En deze geestelijke plagen zijn tienduizendmaal erger dan die van uitvven-digen aard. Bedenkt daarom, dat het ontkomen aan tijdelijke oordeelen, geen waarborg is, dat de geestelijke u niet zullen treffen. De apostel zegt: „Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zoo groote zaligheid geen acht nemen.quot; (Hebr. 2 : 3). Daarom dan, als Satan, om u

1) Des mensclieu overtredingen worden verzwaard, naar gelang der verplichtingen, die op hen rusten.

-ocr page 41-

29

tot zonde te lokken, u God wil voorstellen als alleen goedertierenheid te zijn, en u de waarheid zoekt to verbergen, dat Hij een welbehagen heeft in heilig recht, zegt dan dien leugenaar, dat zonden tegen genade gepleegd de grootste rampen over deze wereld zullen brengen; dat gij niet tegen haar wilt overtreden, wijl diep in uwe ziel de overtuiging is geboren, dat Grods goedertierenheid tot bekeering moot leiden, dat zij ons wordt geopenbaard, opdat wij toevlucht zouden nemen onder do heilige en heiligende schaduwen van Gods vleugelen.

Bedenkt ook, dat, hoewel Gods algemeene genade over al Zijne werken is, toch Zijne bijzondere genade beperkt is tot hen, die Hij met Zijne vreeze vervult. Exod. 34 : G, 7 lezen wij: „Als nu de Ileere voor zijn aangezicht voorbij ging, zoo riep Hij: „Ileere, Ileere God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid!quot; „Die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden; die de ongerechtigheid en overtreding en zonde vergeeft; die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid dei-vaderen aan de kinderen, en aan de kindskinderen, in hot derde en in hot vierde lid.quot; En Exod, 20 : 6: „En doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die Mij liefhebben en Mijne geboden onderhouden,quot; De dichter van Ps. 25 verzekert: „Alle paden des Heeren zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen, die Zijn verbond en Zijne getuigenissen bewaren.quot;

Psalm 33 getuigt: „De goddelooze heeft vele smarten, maar die op den Heere vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.quot;

Psalm 33 predikt: „Ziet des Heeren oog is over

-ocr page 42-

30

degenen, die Hem vreezen, op degenen, die op Zijne goedertierenheid hopen.quot;

Psalm 103 herinnert: „Want zoo hoog de hemel is boven de aarde, is Zijne goedertierenheid geweldig over degenen, die Hem vreezen.quot;

Wij zouden de aanhalingen kunnen verhonderdvoudigen; maar reeds genoeg. Als Satan tracht TJ tot zonde te lokken, door U God voortestellen als een God alleen van genade, antwoordt dan, dat, hoewel Zijne algemeene gunst zich uitstrekt tot al de werken Zijner hand, nochtans Zijne bijzondere gunst beperkt is tot hen, die Hem liefhebben en Zijne geboden onderhouden; die Hem vertrouwen, op Hein hopen en Hem vreezen; en, dat gij hier onder dezen behooren moet, zult gij hier namaals gelukkig kunnen zijn. Gij moet Zijne „particuliere genadequot; deelachtig zijn, Zijn welgevallen trekken, of anders, ondanks Zijne algemeene goedheid, in eeuwige rampzaligheid storten.

Bedenkt tevens, dat zij, die eens „inwendig verheerlijktquot; op aarde waren en nu in den Hemel zegevieren, wel verre van in de genade Gods drijfveer te vinden, om in de zonde te bewilligen, in haar juist de sterkste drangreden vonden om tegen haar te getuigen en haar te ontvlieden. Zoo leert ons de dichter van Ps. 26, als hij zegt, van vers 3—-5 : „want Uwe goedertierenheid is voor mijne oogen, en ik wandel in Uwe waarheid. Ik zit niet bij ij dele lieden, en met bedekte lieden ga ik niet om. Ik haat de vergadering der boosdoeners, en by de goddeloozen zit ik niet.quot;

De gedachte aan de goedertierenheid Gods gaf Jozef kracht; „Hoe zou ik,quot; zeide hij, „dan dit een zoo groot kwaad doen en zondigen tegen Godquot; (Gen. 39 : 9.) Hij

-ocr page 43-

31

hield zijn oog op de genade Gods gevestigd en daarom kon de zonde hem niet in hare strikken verwarren.

Zijne ziel, ontvlamd zijnde door de genade, bleef doof voor de stem zijner onbeschaamde verleidster. Satan klopte dikwerf aan de deur, maar de gedachte aan genade, of wilt ge, de indruk van Gods goedertierenheid, liet hem niet toe te antwoorden, laat staan de deur te openen.

Zoo zegt ook Paulus: „zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde? Dat zij verre. Wij\'j die der zonde gestorven zijn, hoe zullen wij nog in dezelve leven?quot; (Rom. 6 : 1 en 2.)

Niets ter wereld doet den menscli minder op een heilige en meer op den Satan gelijken dan zijne bewering, dat de genade vrijbrief tot zondigen geeft.

Het is des duivels logica, de genade Gods in ontuchtigheid te veranderen.

Men zou met meerder recht kunnen beweren, dat de zee brandt, of het vuur verkoelt, dan dat de vrije genade Gods de ziel werkelijk geneigd maakt tot het kwade.

Paulus zegt: „Ik bid u dan broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij Uwe lichamen stelt tot eene levende, heilige en Gode welbehagelijke offerande, welke is Uwe redelijke godsdienst.quot; Zoo ook vermaant Johannes: „Ik schrijf U deze dingen, opdat gij niet zondigt.quot; (1 Joh. 2 : 1.) Wat had hij geschreven? Lees 1 Joh. 1 : 3, 7, 9; en 2 : 1: „dat wij gemeenschap zouden hebben met den Vader en Zijnen Zoon; dat het bloed van Christus reinigt van alle zonde; dat, indien wij onze zonden belijden. Hij getrouw en rechtvaardig is, dat Hij ons de zonden vergeve; en dat, indien wij ge-

-ocr page 44-

32

zondigd hebben, wij oenen Voorspraak bij don Yader hebben, Jezus Christus don rechtvaardige.quot;

Deze dierbare waarheden, getuigenissen Tan de ontfermingen Gods, lioudt de Apostel den geloovigen voor, opdat zij er door voor zonde bewaard zouden worden.

Hoe verstaanbaar trouwens. Of, wat zal bet kind bewaren voor ongoboorzaamheid aan bet ouderlijk bevel?

Immers de levendige gedachte aan de liefde des vaders, of de teederheid dor moeder. quot;Wat zal den man, gereed om ontrouw te worden aan de gade zijner jeugd den schaamteblos op hot aangezicht jagen? Immers de plotselinge, overweldigende gedachte aan bare toewijding en zorg.

Wat zal den Christen beveiligen tegen afdwaling en zonde? Immers de indruk van Gods goedertierenheid, en de levende wetenschap van de genade van Jezus Christus, Die, daar Hij rijk was, arm is geworden, opdat wij door Zijne armoede rijk zouden worden.

Dit is zoo waar, dat, wie er zich tegen kanten durft, een mensch is zonder Christus, zonder genade, en dus levende in droeven toestand en dreigend gevaar.

De zesde list van Satan, om de ziel tot zonde te lokken, is: haar te overreden, dat de bekeering gemakkelijk is en zij er daarom niet zoo behoeft tegen op te zien te zondigen. „Stol u voor, zegt bij, „dat gij u aan eene overtreding schuldig maakt, dan is het toch zoo moeielijk niet, om op den rechten weg terug te keeren, uwe zonden te belijden, bedroefd te zijn, om vergeving te vragen, en uit te roepen: „zijt mij genadig, o God!quot; en als gij dit doet, zal God u verhoeren, uwe zonden vergeven en uwe ziel redden.quot;

-ocr page 45-

33

Door deze list weet Satan velen tot zonde te brengen en de slavenkluisters der zonde te doen dragen.

quot;Wie van het hooren naar deze list genezen wil zijn, wie er zich tegen wapenen wil, bedenke ernstig, dat do bekeeriug een zeer moeielijk werk is; een werk, dat onzen krachten te boven gaat. Slechts do kracht, die Christus uit de dooden heeft opgewekt, kan des zondaars hart breken en tot God doen keeren. Eer zou men een diamant kunnen versmolten, dan zijn eigen hart waarlijk boetvaardig maken; een vuursteen in vleesch veranderen,-, dan zich tot den Heere wenden; eeno wereld schoppen, of dooden opwekken, dan zonder genade zich bokeeren. Bekeering is eene bloem, die niet in aardsche hoven groeit. „Zal ook een Moorman zijne huid veranderen, of een luipaard zijne vlekken? Zoo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen.quot;

Bekeering is eene gave van Boven. Wij worden niet geboren met bekeerde harten. Do Christus is verhoogd aan de rechterhand Gods „om Israël te geven bckcering en vergeving van zonde.quot; Paulus schrijft aan Timóthëus (2 Tim. 2 : 25): „Met zachtmoedigheid onderwijzende degenen, die tegenstaan; of hun God te eeniger tijd bekeering gave tot erkentenis dor waarheid.quot;

De jjdele waan van sommige onkundige, misleide zielen is, dat in het spreken van deze vijf woorden: „Heere! ontferm U over mij!quot; kracht genoeg ligt om hen in den hemel te brengen; maar zij dwalen. Evenals velen, door nagemaakte juweelen te koopen, arm worden, zoo storten velen in de hel, door verkeerde begrippen aangaande bekeering. Zij ruston in hunne bekeering, hoewel zij er slechts do schaduw van is.

Bedenk ook, welke dc natuur der ware bekeerina; is.

\' O

3

-ocr page 46-

34

Bekeering is iets anders dan, wat ijdole lieden er zich van voorstellen. \') Bij de bekeering hebben wij te letten op de daad, het onderwerp en de voorwaarden.

De daad. Het is een veranderd zyn. Een omgewend zijn. Efraim zeide: „Bekeer mij, zoo zal ik bekeerd zijn.quot; (De Engelscbe vertaling luidt: „Wend mij om en ik zal omgewend zijn.quot;) En wederom: „nadat ik bekeerd ben, heb ik berouw gehad.quot; (Eugelsche vertaling: „Nadat ik omgewend ben geworden, ben ik bekeerd.quot;) Jeremia 31: 18, 19.

Het is zich om te keeren van de duisternis tot het licht.

Het onderwerp dor verandering en bekeering is de geheele mensch. Beiden, des zondaars hart en leven; eerst zijn hart, dan zijn leven; eerst zijn persoon, daarna zijn wandel. „Wascht u, reinigt u,quot; ziedaar de verandering des persoons; „doet de boosheid uwer handelingen van voor Mijne oogen weg, laat af kwaad te doen; leert het goede te doen,quot; ziedaar de verandering in den wandel. Jesaia 1 : 16, 17. Zoo ook zegt Ezechiël (hoofdst. 18 : 31): „Werpt van u weg al uwe overtredingen, waardoor gij overtreden hebt; en maakt u een nieuw hart en eenen nieuwen geest.quot;

Ik sprak ook van de voorwaarden dezer verandering en dacht aan \'tgeen, waarvan beiden hart en wandel moeten worden bekeerd, namelijk de zonden. Hetiseene bekeering van alle zonden tot God. Het hart moet van den staat, van de macht der zonde; het leven van de

1) De Grieken hebben twee woorden om de natuur der bekeering uit te drukken. Het eene heeft de beteekenis van zorgvuldig, beangst, bekommerd te zijn, nadat iets verkeerds gedaan is; het andere: het herkrijgen van wijsheid of wijzer worden, na begane dwaasheden.

-ocr page 47-

35

daden der zonde worden verlost. Beiden moeten tot God gekeerd zijn. De Heere moet in den weg der begenadiging op den troon van het hart zetelen, en de wandel moet zijn gekenmerkt door gehoorzaamheid aan Zijn wil.

Daarom spreekt de apostel van eene bckeering „van de duisternis tot hot licht en van de macht des Satans tot Grod.quot; (Hand. 26 : 18.)

Dit is de bekeoring der Schrift. Is zij nu wel zoo gemakkelijk, als Satan voorstelt? Behalve hetgeen wij zeiden, moet nog in aanmerking worden genomen, dat zij insluit eene afkeering van de meest geliefkoosde zonden. Efraim zal zeggen: „Wat heb ik meer met de afgoden te doen.quot; (Hos. 14 : 9). Bij Ezechiël lezen wij: „Daarom zal Ik u richten, o huis Israels! een ieder naar zijne wegen, spreekt de Heere Heere: keert weder en bekeert u van al uwe overtredingen, zoo zal de ongerechtigheid u niet tot een aanstoot worden.quot;

Heródes wendde zich van vele zonden af, maar brak niet met alle zonden, liet Herodias niet los, en dit leidde tot zijn verderf.

Judas was ongetwijfeld onder zichtbare verandering, maar hij bleef aan het geld verkleefd, dorstende naar grootschheid des levens en dit deed hem snellijk rijpen voor de hel. Wie zich niet van alle zonden afkeert, heeft zich slechts in schijn van sommige afgewend.

Iedere zonde randt de eer, het wezen en de heerlijkheid Gods aan. Door haar wordt het hart van Christus miskend, de H. Geest bedroefd en de vrede des gemoeds verstoord. Daarom zal de boetvaardige ziel de zonde haten, tegen haar strijden, en steeds bij den gekruisigden Christus kracht zoeken, om haar te overwinnen. De ware boetvaardige kent vader noch moeder, rechteroog noch

-ocr page 48-

36

f

rechterhand en zal het ecno uitrukken en de andere en

afhouwen. . , i

Saul spaarde Agag en dit kostte hem zijn koninkrijk be

en zijn leven. Daarbij is bekeering niet slechts eene de

afkeering van alle zonden, maar ook eene toekeering tot wc

alle goed. Zij is oen liefhebben en waardeeren van, en ov

een jagen naar alle goed. „Maar wanneer de goddelooze va

zich bekeert van al zijne zonden, die hij gedaan beeft, ge

en al Mijne inzettingen onderhoudt, en doet recht en ooi

gerechtigheid, hij zal gewisselijk leven; hij zal niet ster- hei

venquot; De Schrift bedoelt niet slechts eene negatieve ge(

rechtvaardigheid en heiligheid. Dat een boom geene wa

kwade vruchten voortbrengt, is niet genoeg; om niet zei

uitgehouwen en in het vuur geworpen te worden, moet gij

bij0 o-oedc vruchten voortbrengen. Zoo ook is hot met

genoeg niet boos te zijn, gij moot begenadigd en goed zijl

zijn, wilt gij niet door de bijl der Goddelijke^ wraak, gij

aan\' den wortel uwer ziel gelegd, voor eeuwig afge- (lv

sneden worden. „Allo boom dan,quot; zegt Jezus, „die geene zijt

goede vruchten voortbrengt, wordt uitgehouwen en in wo

het vuur geworpen.quot; (Math. 3 : 10.) ^

Waar het diepe besef van de zondigheid der zonde Me ontbreekt, kan van geene bekeering sprake zijn. De J

zonde is in strijd met God. God is licht, de zonde is sch duisternis; Hij is het leven, zij is de dood; Hij is hemel,

zij is hel; Hij is schoonheid, zij is wanstaltigheid. zoe

Tot do ware bekeering behoort een besef van de boos- zoo

aardigheid der zonde, dio de engelen uit den hemel sloot. Ma en het eerste menschenpaar uit het Paradijs. Zij is de

eerste hoeksteen in de hel, en heeft alle vloeken, kruisen, kui

en ellenden in deze wereld gebracht. Door haar is de zaa

mensch onderworpen aan den tijdelijken, den geestelijken lt; oe

-ocr page 49-

37

I

re en don eeuwigen dood. Ja, zij heeft hem zijn God doen verliezen. Zij liet hem zonder hoop. Ook kent de ware jk bekeerde droefheid en verbrijzeling des harten vanwege ne de zonde ; en zijne droefheid is inniger, naarmate :ot wordt verstaan tegen welk een ontfermenden God is en overtreden. De bekeering brengt niet slechts tot afkeer ize van de zonde, maar ook tot een walgen van ons zelvcn; ift, gelijk iemand niet slechts afkeerig is van vergift, maaien ook van den schotel of het vat, dat er de reuk van er- heeft. Tot oud Israël word gezegd: „Daar zult gij dan !ve gedenken aan uwe wegen en aan al uwe handelingen, ne waarmede gij u verontreinigd hebt, en gij zult van u iet zeiven eene walging hebben over al uwe boosheden, die oet gij gedaan hebt.quot; (Ezech. 20 ; 43.)

iet En ten laatste: ware bekeering zal iemand wegens

)ed zijne zonde beschaamd maken: „Wat vrucht dan hadt

ak, gij toen van die dingen, waarover gij u nu schaamt?quot;

ge- (Hom. G : 21.) En wederom „Opdat gij het gedachtig

ene zijt, en u schaamt, en niet meer uwen mond opent van-

in wege uwe schaamte, wanneer Ik voor u verzoening doen zal over al hetgeen gij gedaan hebt, spreekt do Heere

nde Heere.quot; (Ezech. 16 : 63.)

De Het geloof aan do vergeving der zoude gaat met

3 is schaamte over de zonde gepaard.

nel, quot;Ware bekeering brengt tot het kruisigen van het zondig (7j, tot hei heilig wraak nemen over de zonde,

oos- zoo als in Manasse, Paulus, den stokbewaarder, Maria

[oot, Magdalena, en anderen kan worden gezien.

5 de Neemt men al deze zaken te zamen, dan zal ieder

sen, kunnen begrijpen, dat het niet zulk eene gemakkelijke

3 de zaak is, zich te bekeeren, als Satan ons dat zou willen

jken doen gelooven.

-ocr page 50-

38

Ieder zal dan gereedelijk toestemmen, dat in de be-keering der ziel de kracht van \'s Heeren genade zich verheerlijkt.

Bedenk ernstig, dat bekeering eeno voortdurende daad is. Ware bekeering neigt des menschen hart Gods inzettingen altijd, d. i. ten einde toe, te betrachten. De waarlijk boetvaardige gaat voort van geloof tot geloof; van kracht tot kracht. Hij staat niet stil en ziet niet om. Bekeering is eene genade, die, evenals alle andere genadegaven, hare dagelij ksche werking heeft. Ware bekeering is eene altijd wellende bron, waaruit de wateren van heiligend berouw steeds vloeien. De dichter zegt: „Mijne zonden zijn steeds voor mij.quot; Een ware boetvaardige herdenkt dikwijls de vorige dagen en de tijden zijner ij delheid. „Ik was te voren,quot; zegt de apostel, „een godslasteraar, en een vervolger, en een verdrukker.quot; Bekeering is dus eene voortdurende daad van terugzien, eene onberouwelijkc bekeering, een terugzien, opdat men niet tot dwaasheden wederkeere. Gelijk het geloof niet in eene enkele oefening bestaat, gelijk de liefde zich niet slechts in eene enkele handeling kenbaar maakt, zoo ook is de bekeering voortgaande, tot zij voltooid zal zijn in het loven der verlosten voor den troon.

Bedenk ernstig, dat, als het bekeeringswerk zoo gemakkelijk ware, als Satan het tracht voor te stellen, niet zoovelen onbekeerd zouden blijven, die nochtans vanwege de aanklacht des gewetens, verontrust door den schrik der eeuwigheid, dikwijls weenen in benauwdheid der ziel. Ja, wat meer zegt, zooveel millioenen zouden nü niet in de hel zijn.

Wilt gij zeggen, dat het gemakkelijk is zich te be-

-ocr page 51-

39

keeren, terwijl een arme zondaar, wiens geweten ontwaakt is, zich gelukkig zou achten alles te geven, indien hij slechts bekeerd was.

quot;Waarlijk, wie zich in dezen strik van Satan vangen laat, speelt ontzettend hoog spel; zijne ziel, do eeuwige zaligheid is de inzet.

Indien de ware bekeering zulk eene gemakkelijke zaak is, waarom vertoornen zich do goddeloozen telkens, als hun do noodzakelijkheid der bekeering, met uit de Schrift ontleende bewijsgronden, ernstig, maar liefderijk wordt voorgehouden? Waarom kunnen zij er dan toe komen om den trouwen arbeider in \'s Heeren wijngaard, die tot bekeering roept, te smaden, en door hunne booze woorden en werken aan het verderf van hunne eigene zielen te blijven arbeiden?

Bedenkt ernstig, kinderen Gods, dat het een even groot werk der genade is, iemand zich van zijne zonden te doen bekeeren, als hem van de zonde geheel te spenen.

Door ons vallen in de zonde worden de krachten dei-ziel verlamd; het bewijs van onzen genadestaat wordt op dat oogenblik als uitgewischt. Twijfelingen beroeren derhalve het gemoed. Nu nemen de verdorvenheden des harten meer toe, en het gew^eten wordt, na iederen val, bf meer vertoornd, bf meer in slaap gebracht. Als, niettegenstaande dit alles, de Christen na een val zich bekeert, dan is de genade, hem daartoe verleend, even groot, als die, welke vereischt wordt, om hem in het geheel niet te doen zondigen.

Dezelfde middelen, dienstig om de ziel voor de zonde te bewaren, moeten gebruikt worden, om haar, door berouw, op te heffen uit droeven zondenval.

Wij weten, dat de barmhartigheid en goedertierenheid

-ocr page 52-

40

Gods een bijzonder middel is om de ziel voor de zonde te bewaren, gelijk David zegt in Ps. 26 : 3—5: „Uwe goedertierenheid is voor mijne oogen, en ik wandel in Uwe waarheid. Ik zit niet bij ijdele lieden, en met bedekte lieden ga ik niet om. Ik baat de vergadering-der boosdoeners en bij de goddeloozen zit ik niet.quot; Op dezelfde wijze nu wordt in de ziel boronw verwekt, wordt zij na jammerlijke afwijking tot bekeering gebracht. In dezen zin spreekt ook Hoséa (lioofdst 6 : 1 en 2:) „Komt en laat ons wederkeeren tot den Heere, want Hij heeft ons verscbeurd en Hij zal ons genezen. Hij heeft geslagen, en Hij zal ons verbinden. Hij zal ons na twee dagen levend maken; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen, en wij zullen voor Zijn aangezicht leven.quot; Het was het vertrouwen op Gods liefde, dat Hij hen zou genezen, hunne wonden verbinden, en hunne terneder geslagene geesten levend maken, dat berouw deed geboren worden in hunne harten en hen tot Hem deed wederkeeren.

Door vele andere bijzonderheden zon deze waarheid kunnen worden opgehelderd, maar wij vertrouwen reeds genoeg te hebben gezegd. In het algemeen bedenke men, dat er even zooveel kracht en liefde van God, geloof in en vreeze voor Hem; even zooveel zorg, om Hem te behagen en Zijne eer te beoogen, vereischt wordt, om berouw bij den gevallene te verwekken, als er toe noodig is, om hem voor de zonde te bewaren. Dit is genoeg, om ons te overtuigen, dat zich van de zonde te bekeeren, een even groot werk is, als zich voor de zonde te wachten, en haar niet te doen. Bedenk ook, dat hij, die nu, onder voorwendsel, dat de bekeering zulk eene lichte zaak is, u tot zonde lokt, u later in

-ocr page 53-

41

de donkerste kleuren de raoeielijkheid van dat werk zal Yoor oogen stollen, om u tot wanhoop te drijven en uwe ziel voor eeuwig te verderven. Hij zal uwe zoude u zoo voorstellen, dat hij u tot haar zal doen zeg\'gen : „Wij zijn uwe, wij moeten u volgen\'quot; r) Dan zal Satan de ziel verzoeken opwaarts te zien, en haar een God vol toorn voorstellen; in zich zeiven te zien, en haar op een beschuldigend on veroordeelend geweten wijzen; nederwaarts te zien, waar eene geopende hel bereid is om alle onboetvaardigen te ontvangen. Op zulk eene wijze zoekt hij de bekeering tegen te gaan. „Wat, hoe,quot; zegt hij, „acht gij de bekeering eene lichte zaak, hebt gij liet in uw leven zoo gemakkelijk bevonden, om ééne geliefkoosde zonde te overwinnen? Herinnert gij u niet, hoe dikwerf gij over bijzondere zonden hebt geklaagd en vast besloten hadt ze te laten, er mee te breken, terwjjl ze tot nu toe niet overwonnen ziju?quot; Wat moet het dan zijn om alle zonden te overwinnen? Hebt gij uwe zonden niet steeds liever gehad dan den Zaligmaker ? Hebt gij de wereld niet steeds liever gehad dan den hemel? Hebt gij het gebruik der genademiddelen niet veronachtzaamd? Hebt gij den Geest des Heeren niet gedurig wederstaan? Hoe zou ik u kunnen voorhouden de vreesehjke zonden door u gepleegd, de vele goede werken door u verzuimd, de vermaningen uws gewetens, die gij hebt wederstaan! Daarom, gij kunt gerust besluiten, dat gij niet zult, niet kunt bekeerd

1) Beda verhaalt van een aanzienlijk persoon, die gedurende zijne ziekte vermaand werd, om zicli te bekeeren, maar verklaarde dit niet te willen doen, omdat, in geval van herstelling, hij door zijne vrienden zou worden bespot. Toen zijne kwaal verergerde, en hij nogmaals tot bekeering aangemaand werd, gaf hij ten antwoord, dat het te laat was, want dat hij reeds veroordeeld was.

-ocr page 54-

42

worden. De tijd voor bekeering is voorbij; de deur der genade is gesloten, en gjj zult zeker door een rechtvaardig God voor eeuwig verworpen worden.quot;

Daarom, waarde lezer! bedenk, dat hij, die u nu tot zonde lokt, door u voor te houden, dat de bekeering gemakkelijk is, u ten laatste tot wanhoop zal drijven, door u haar als iets onmogelijks voor te stellen.

quot;Wie dan wijs is, wende zich af van de lokstem van Satan, en luistere naar hot getuigenis des Eeuwigen, dat tot vroegtijdige bekeering maant.

Eene zevende list van Satan om de ziel tot zonde te lokken, is: haar aan te moedigen mot de gelegenheden en verleidingen tot zonde te spelen. Hij zegt bijv.: „gij moogt gerust metgezel van den dronkaard zijn en van zijn drank prooven, indien gij slechts zorgt niet in zijne dronkenschap te doelen. Neem vrij met Achan do gouden tong in oogenschouw, maar eigen u die niet toe.quot;

Wilt gij u tegen deze list wapenen? Bepeins de woorden dor Schrift, die ons zoo nadrLikkelijk gebieden alle aanleiding tot zonde, zelfs den schijn des kwaads, te vermijden. 1 Thes. 5 : 21: „Onthoudt u van allen schijn des kwaads.quot; Schuw alle onrechtzinnigheid, onzuiverheid en onwelluidendheid, zooals gij eene slang op uw weg, of gif in uwe spijs zoudt schuwen.

Toen den Joden geboden werd zich van zwijnenvleesch te onthouden, wilden zij in hunne onderlinge gesprekken dit dier zelfs niet bij zijn waren naam noemen.

Zich van allen schijn des kwaads te onthouden, is, naar de schoone beschrijving van Bernard, „al wat van een kwaden schijn of slecht gerucht is, alles, wat het

-ocr page 55-

43

geweten of den goeden naam zou kunnen bevlekken, te schuwen.quot; „Wie,quot; zoo zegt dezelfde schrijver, „zijn goeden naam buiten en zijn -vrede in huis liefheeft, moet de schaduwen der zonde vreezen.quot; Livia gaf haren echtgenoot Augustus goeden raad, toon zij hem zeide: „het betaamt u, niet slechts geone verkeerdheid te doen, maar ook den schijn daarvan niet te hebben.quot; Zoo zegt Judas: „Maar behoudt anderen door vreeze en grijpt ze uitliet vuur; en haa/t ook den rok, die van het vleesch bevlekt is.quot; Zijne spreekwijze is aan de Mozaïsche wetgeving ontleend, waarin onreinheid verklaard werd in het aanraken van besmette huizen, vaten, kleedingstukken of onreine personen. Gelijk men onder de wet geene bezoedelde kleedingstukken mocht aanraken, zoo hebben wij niet slechts grove zonden te haten en te schuwen, maar alles, wat met hare geuren doortrokken en met haar merk gestempeld is. Dit is het, wat bedoeld wordt in Spreuken 5:8: „Maak uwen weg verre van haar en nader niet tot de deur van haar huis.quot; Wie zich niet branden wil, vreeze het vuur. Wie het klokgelui vreest, roere het touw, dat don klepel in beweging brengt, niet aan. Iemand hoeft ergens gezegd: „Zoo dikwerf ik onder ij dele lieden heb verkeerd, ben ik minder geworden, boette ik iets van mijn menschzijn in.quot;

Wie zich waagt te midden van de verzoeking tot zonde, en dan bidt: „Leid mij niet in verzoeking,quot; is gelijk aan den man, die zijn vinger in het vuur steekt en dan bidt, dat hij niet gebrand worde. Daarom zegt Salomo, Spr. 4 : 14, 15: „Kom niet op het pad der goddeloozen en treed niet op den weg der boozen; verwerp dien, ga er niet door; wijk er van en ga voorbij,quot;

Deze drievoudige vermaning predikt luide, dat de

-ocr page 56-

44

scliijn der zonde dient vermeden te worden met denzelfden ernst, waarmede do zeeman de klippen mijdt.

Bedenk ernstig, dat er gewoonlijk geene overwinning over de zonde kan behaald worden, tenzij men zicli van do aanleiding daartoe afwendt. Wie zich met de gelegenheden der zonde wil vermaken, kan onmogelijk over haar zegepralen. In getrouwheid en rechtvaardigheid laat God in den put vallen, wie het wagen wil aan den raad te dansen. Wie de gelegenheden tot zonde niet wil ontvlieden, blijft haar slaaf. Zoolang er brandstof in onze harten aanwezig is, kunnen wij niet veilig zijn, als wij met het vuur der verleiding spelen; wie kruit met zich omdraagt, blijve ver van de vonken verwijderd. Wie zich derhalve in de gelegenheid om te zondigen begeeft, verzoekt zich zeiven en stelt den duivel in de gelegenheid zijne ziel te verzoeken.

Hoogst zelden raakt, wie do gelegenheden tot zonde liefheeft, niet in Satans strikken verward. Hoogst zelden bewaart God voor het plegen der zonde, wie zich niet wil wachten, voor wat tot haar lokt. Wie zich in de gelegenheden tot zonde begeeft, is gelijk aan den dwaas, die door olie vuur wenscht te dooven.

Bedenk, waarde lezer, hoe dikwerf gij voor de macht der verleiding zijt bezweken, toen gij haar vermetel hebt getrotseerd; en weet, dat de zonde eene leeuwin gelijkt, die niet straffeloos voor haar hol laat dartelen, laat staan met hare manen spelen.

Bedenk ernstig, dat dierbare heiligen, die vroeger op aarde „heerlijkquot; waren, en nu in den hemel zegevieren, zieh van de gelegenheid, om te zondigen hebben afgewend, als van de hel zelve. Welk een heerlijk voorbeeld heeft Jozef ons nagelaten. In hem schitteren, boven

-ocr page 57-

45

anderen, de vier voorname deugden uit; want iu die ééne verzoeking, die hij wederstond, ziet men zijn moed, zijne rechtvaardigheid, matigheid en voorzichtigheid.

Den Nazireërs werd niet alleen verboden wijn te drinken, maar zelfs de druif of haar schil te proeven. Zoolang een vogel hoog in de lucht vliegt, is hij veilig; maar zoodra hij den strik nadert, is hij in gevaar.

Job zegt: „Ik heb een verbond gemaakt mot mijne oogen, hoe zou ik dan acht gegeven hebben op eene maagd.quot; Hij stelde een wacht voor de deuren en vensteren zijner ziel, opdat zij niet bezoedeld of in gevaar gebracht zou worden. Het oog is het venster der ziel; zoo het altijd open blijft, zal zij er voor moeten boeten. Memand mag mot aandacht blijven staren op iets, dat hij niet golieel beminnen mag. Het beste en veiligste is; hot oog altijd op de hoogste en edelste voorwerpen gevestigd te houden, gelijk de zeeman op de ster ziet, terwijl zijne hand het roer heeft gegrepen. Zoo deed David. In Ps. 26 ; 4, 5 zegt hij: „Ik zit niet bij ijdele lieden en met bedekte lieden ga ik niet om. Ik haat de vergadering der boosdoeners en bij de goddeloozen zit ik niet.quot;

Men verhaalt, dat naijver bij sommigen den slaap heeft verdreven, wanneer zij dachten aan de eere, die vroegeren helden werd toegebracht. Do gezochtste en uit-nemendste voorbeelden moesten allen, zooals bij sommigen het geval is, een spoorslag zijn tot navolging. Dat dan de voorbeelden van uitnemende geloovigen ons er toe brengen, om alle gelegenheden tot zonde te schuwen. Dat wij ernstig begeeren dezelfde genade deelachtig te zijn van hen, met wie wij wenschen verheerlijkt te worden. Naarmate Christus in ons woont, zullen wij winst doen met de groote wolk van getuigen, die rondom ons is.

-ocr page 58-

46

Bedenk ook, dat het schuwen der gelegenheden tot zonde bewijs is van genade. Genade alleen onderscheidt den eenen mensch boven den anderen in deze wereld. Wat iemand is in de ure der verzoeking, dat is hij in waarheid. Dan openbaart zich de kracht der waarheid en der genade in hem. Hij is in waarheid een kind van God, die met Loth in Sodom kuisch kan zijn; met ïimótheüs in Azië, onder de wellustige Efezeren, matig kan leven; met Job in het land Uz, welks inwoners bijgeloovig en goddeloos waren, oprecht kan wandelen; met Daniël in Babyion heilig kan zijn; en met Nehemia in Susan voor den Heere kan ijveren.

Bij menigen goddelooze spreekt zich de verdorvenheid niet uit, wijl de gelegenheid ontbreekt. Maar wie op verschillende wijzen wordt aangevochten en nochtans weigert het kwade te doen, bewijst deugdzaam te zijn.

Zonder Christus, zonder den II. Geest kan niemand de gelegenheden om te zondigen wederstaan. In eigen kracht staande, ziet en begeert men de zonde, en zou men alles willen geven, zelfs zijne eigene ziel, om haar te genieten. Buiten de genade Gods, kan niets don tot zonde aangevochtene beschermen.

O, wapen u dan tegen Satans list door Gods genade in Christus te begeeren, en zij leert u alle gelegenheden tot zonde te schuwen.

Eene achtste list, die Satan oefent, om de ziel tot zonde te lokken, is : haar de tijdelijke zegeningen, die de god-deloozen genieten, voor te houden, en er haar tevens opmerkzaam op te maken, dat zij verschoond blijven van vele ellenden, waarmede anderen, die niet op zondige

-ocr page 59-

47

wegen wandelen, hebben te worstelen. „Ziet gij,quot; zegt hij, „de vele zegeningen, welke dezulken genieten, die wegen bewandelen, waaraan gij zelfs niet durft denken. Zij worden verlost, waar anderen zuchten; liebben overvloed, waar anderen kommer dreigt; jubelen, waar anderen klagen. Schier geen onweder dor beproeving breekt los boven hun hoofd. Geen tranenbrood breken zij, maar aan den feestdiscli zetten zij ongehinderd zich neder. Wilt gij dus, instcdo van in den bangen nacht des tegenspoeds te wandelen, de zon des voorspoeds uw pad zien bestralen, verlaat den weg der gerechtigheid en treed op dien der zondaren.quot; \')

In dezen strik ving de duivel de personen, bedoeld in Jeremia 44 : 16, 18. „Aangaande het woord, dat gij tot ons in des Heeren naam gesproken hebt, wij zullen naar U niet hooren. Maar wij zullen ganschelijk doen, al hetgeen uit onzen mond is uitgegaan, rookende aan Melécheth des hemels, en haar drankofferen offerende, gelijk als wij gedaan hebben, wij en onze vaders, onze koningen en onze vorsten, in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; toen worden wij met brood verzadigd, en waren vroolijk, en zagen geen kwaad. Maar van toen af, dat wij opgehouden hebben aan Melécheth des hemels te rooken, en haar dankofferen te offeren, hebben wij van alles gebrek gehad en zijn door het zwaard en door den honger verteerd.quot; 1)

Dit is de taal van onkundige, goddelooze en bijge-loovige lieden.

1

) Lactantius zegt, dat sommige heidenen even slecht wilden zijn als hunne goden, verklarende, dat het hun onteerend zou wezen hun nijt gelijk te zijn.

-ocr page 60-

48

Wilt gij u tegen deze list van Satan wapenen? Bedenk ernstig, dat niemand in des Heeren hart lezen kan door op Zijne hand te zien. Uit de geschiedenis van Saul en anderen blijkt, dat Zijne hand van barmhartigheid op iemand kan zijn, terwijl Zijn hart tegen hem is. \') Daarentegen kan do hand van God tegen iemand zijn, niettegenstaande Zijn hart mot teedere ontferming jegens hem is vervuld, zooals in Job en Efraïm kan worden, gezien.

De wijze Prediker zegt; „ook liefde, ook haat -weet de menseh niet, uit al hetgeen voor zijn aangezicht is. Allo dingen wedervaart hun, gelijk aan alle anderen; eenerlei wedervaart den rechtvaardige en den goddc-looze, den goede en den reine, als den onreine; zoo dien, die offert, als dien, die niet offert; gelijk den goede, alzoo ook den zondaar; dien, die zweert, gelijk dien, die den eed vreest.quot; (Pred. 9 : 1, 2.) De zon beschijnt: zoowel de doornen heg, als de kostelijkste vruchtboomen; de sneeuw- en hagelbuien ontlasten zich zoowel op den mesthoop als op het vruchtbare veld. Zoo is het ook in het leven der menschen. De uiteinden van den boozen Achab en den vromen Josia komen in alle opzichten overeen. Saul en Jonathan, hoe verschillend in hunne betrekking tot God, waren in hun dood niet gescheiden. Gezondheid, rijkdom en eer, kruisen, ziekte en tegenspoed zijn zoowel het deel der goeden als der boozen. Dezelfde woestijn, waarin Israels oproerigen

1) Een heidenscli schrijver oordeelde, dat de -Toodsclie godsdienst niet deugen kon, omdat de Joden zoo dikwerf overwonnen, verarmd en verdrukt werden; en dat die van Eome de ware was, omdat de Eomeinen voorspoed hadden en de wereld beheerschten. Toch, hoewel dezen de li.an.il des Heersn hadden; hadden genen Zijn want zij waren teederteminden.

-ocr page 61-

49

vallen, biedt ook Mozes een graf. Rijkdom was liet deel van den godvreezenden Abraham, maar ook van den godvergeten Nabal. Achitofel bezat wijsheid, zoowel als Salomo. Doëg werd door Saul geëerd, evenals Jozef door Paraö. In den regel hebben de ongeloovigen het meest, en do geloovigen het minst, van wat de aarde aan schatten en gaven bezit; maar aan de laatst,en worden de hemelsche goederen geschonken.

Bedenk ook, dat niets den IIeere zoo tot toorn tergt, dan wanneer men in Zijne goedheid en barmhartigheid aanleiding vindt, om hot kwade te doen. Dit zogt ons het vuur, dat uit den hemel over Sodom en Grommorra regende. Dit wordt ook nadrukkelijk geleerd in Jer. 44 : 20/28: „Toen sprak Jeremia tot al het volk, tot de mannen en tot de vrouwen en tot al het volk: het rooken, dat gijlieden in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem gerookt hebt, gij en uwe vaderen, uwe koningen en uwe vorsten, en liet volk des lands, heeft de IIeere daaraan niet gedacht, en is het niet in Zijn hart opgekomen? Zoodat het de Heere niet meer kon verdragen, vanwege de boosheid uwer handelingen, vanwege de gruwelen, die gij deedt; daarom is uw land geworden tot eene woestheid, en tot ontzetting, en tot oenen vloek, dat er niemand in woont, gelijk het is te dezen dage: Vanwege, dat gij gerookt hebt, en dat gij tegen den IIeere gezondigd hebt, en des Heeren stem niet gehoorzaam zijt geweest, en in Zijne wet, en in Zijne inzettingen, en in Zijne getuigenissen niet hebt gewandeld: daarom is U dit kwaad wedervaren, gelijk het is te dezen dage.quot;

„Voorts zeide Jeremia tot al het volk, en tot al de vrouwen: „Hoort des Heeren woord, gij gansch Juda,

i

-ocr page 62-

50

die in Egypteland zijt! Zoo spreekt de Heere der heir-scharen, de God Israels, zeggende: Aangaande u en uwe vrouwen, zij hebben toch met uwen mond gesproken, en gij hebt het met uwe handen vervuld, zeggende: Wij zullen onze geloften, die wij beloofd hebben, gan-schelijk houden, rookende aan Melécheth des hemels, en haar drankofferen offerende: nu zij hebben uwe geloften volkomenlijk bevestigd, en uwe geloften volkomen gehouden.quot;

„Daarom hoort dos Heeren woord, gij gansch-Juda, die in Egypteland woont! Ziet, Ik zweer bij Mijnen grooten Naam, zegt de Heere, zoo Mijn Naam met den mond van eenig man van Juda in gansch Egypteland meer zal genoemd worden, die zegge: Zoo waarachtig als de Heere Heere leeft!quot;

„Ziet, Ik zal over hen waken ten kwade en niet ten goede; en alle mannen van Juda, die in Egypteland zijn, zullen door het zwaard en door den honger verteerd worden, totdat zij ten einde zijn. Maar die aan het zwaard ontkomen, zullen uit Egypteland weder-keeren in het land van Juda, weinig in getal; en het gansche overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn, om aldaar als vreemdelingen te verkeerea, zullen weten, wiens woord bestaan zal, het Mijne of het hunne.quot;

Deze woorden dienen met veel ernst te worden overdacht, opdat zij in onze harten gegrift en gedurig in onze gedachten mogen zijn. De redeneering, dat de zegeningen Gods oorzaak kunnen zijn tot zondige vrijheid, is duivelsch. Zij, die haar overnemen, wandelen boven een vulkanischen bodem, en mitsdien in ontzettend gevaar. Zij kunnen Gods toorn afwenden noch ontkomen. De grootste boosheid in den mensch is slecht

-ocr page 63-

51

te zijn, omdat God goed is; een boozer geest is in de hel niet te vinden.

Memand is dieper gezonken, dan die tegen genade zondigt. Het vergelden van goed voor kwaad is Goddelijk; van goed voor goed is mensclielijk; van kwaad voor kwaad is dierlijk; maar van kwaad voor goed is duivelsch.

O, wel mag op onze lippen de bede zijn: „Bewaar, o Heere! mijne ziel voor deze boosheid!quot;

Bedenk, dat er geene grootere ellende in dit leven is, dan niets van de ellenden te kennen; geene grootere reden tot droefheid dan aan alle droefheid vreemd te zijn. Wee! wee! de ziel, die door God niet bezocht wordt. God slaat liet hardst, wanneer Hij weigert te slaan. „Efraim is vergezeld met de afgoden, laat hem alleen.quot; Hos. 4 : 17. Zie ook Jes. 1 : 5. Als een geneesheer zijn patient opgeeft, zegt men: „het is gedaan^ er is geene hope meer.quot; Zoo ook, als God eene ziel overgeeft, om onbeteugeld te zondigen, mag men naar waarheid zeggen: de doodsklok kan om harentwille geluid worden; zij is verloren, want zij is gestorven en ontworteld. Straffeloosheid is de moeder van valsche verzekerdheid, de stiefmoeder der deugd, het gif voor den godsdienst, de mot voor de heiligheid; zij baant den weg voor allerlei kwaad. Augustinus zeide: „De godsdienst baarde rijkdommen, maar de dochter verslond spoedig hare moeder.quot; Tijdelijke zegeningen worden de ziel soms tot strikken. Vatablus verklaart de woorden: „Ik leg eenen aanstoot voor zijn aangezichtquot; (Ezech. 3 : 20) aldus: „Ik zal hem in alles voorspoedig doen zijn, en hem door geene wederwaardigheden van zijne zonden teruohouden.quot;

-ocr page 64-

52

Voorspoed is een struikelblok, waartegen millioenen gestooten en gevallen zijn, vaak tot hunne eeuwige schade. — Bedenk ernstig, dat de goddeloozen, ondanks al hunne tijdelijke zegeningen en hun vrijgaan van tegenspoed, veel meer missen dan genieten. Zij hebben vele zegeningen en toch is er bij hen een bestendig hunkeren naar meer; zelfs, wat zij bezitten, is niets in vergelijking, van hetgeen zij nog begoeren. Zij hebben, wel is waar, eer en rijkdom, genoegens en vrienden, aanzien en macht, en eene, naar hunne meening, verzekerde toekomst voor hunne kinderen. Van hen spreekt Job (hoofdst. 21) en da dichter van Ps. 73 : „Hunne huizen hebben vrede zonder vreeze, en de roede Gods is op hen niet. Hunne jonge kinderen zenden zij uit als eene kudde, en hunne kinderen huppelen. Zij heffen op met de trommel en de harp en zij verblijden zich op het geluid des orgels. In het goede verslijten zij hunne dagen; hunne oogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven. Er zijn geene banden tot hunnen dood toe, en hunne kracht is frisch; zij zijn niet in moeite als andere men-schen.quot; Nochtans is dit alles niets bij hetgeen zij werkelijk missen. Van hen, die alleen tijdelijke zegeningen genieten, mag met recht gezegd worden: „alle menschelijke zegeningen zijn slechts verwoestingen.quot;

Hun ontbreekt het aandeel aan God, aan Christus, aan den H. Geest, de beloften, het genadeverbond en de eeuwige heerlijkheid. Zij missen de aanneming tot kinderen en de verzoening met God. Met gerechtvaardigd, zijn zij ook zonder heiligmaking. Zonder vergeving van, missen zij kracht tegen de zonde. Zij zijn in slavernrj.

Zullen zij waarlijk gelukkig zijn, ze behoeven „de goedertierenheid, die beter is dan het levende vreugde.

-ocr page 65-

53

die onuitsprekelijk en vol van heerlijkheid is; den vrede, die alle verstand te boven gaat; de genade, welker kleinste vonk meer waarde heeft dan al de schatten en gaven dezer aarde. Zij behoeven een huis, dat fondamenten heeft, welks Kuustenaar en Bouwmeester God is; rijkdommen, die niet vergaan; de heerlijkheid, die niet verwelkt, en het koninkrijk, dat niet bewogen worden kan.

De goddeloozen zijn inderdaad de meest behoeftigen in de wereld. Zij missen twee zaken, die hunne zegeningen zegeningen doen zijn en genot aanbrengen, namelijk: de zecjen des Heeren, en tevredenheid des harten. Zonder dezen is hun hemel aan deze zijde der hel, slechts ellende. Als hunne harten zich, bij de gedachte aan liunneu overvloed verheffen, kunnen zij door eóne vraag van hun geweten worden terneder geslagen. Vraag slechts: het is waar, dat gij al deze heerlijkheden bezit, maar hebt gij deel aan Christus? aan de gunst van God? aan de gemeenschap des Heiligen Geestes? Waar zijn de bewijzen, dat de hemel de uwe is? dan verbleeken hunne aangezichten, hunne gedachten worden ontroerd, hunne harten verslagen en zij gevoelen, dat hunne zegeningen verwelken. Och, werden de oogen der goddeloozen slechts geopend, om te zien, hoeveel zij in al hun overvloed ontberen, zij zouden met Absalom uitroepon: „AYat baten mij al deze dingen, zoolang ik des konings aangezicht niet zie?quot; M. a. w. „Wat zijn eerbewijzingen, rijkdommen en der schepselen gunsten, zoolang ik de gunst van God, de vergeving mijner zonden, doel aan Christus en de hope der heerlijkheid missen moet?quot;

Dat ieder, die in zulk een staat verkeert, bidde: „o God! geef mij geestelijke zegeningen, of ik sterf! Geef ze mij, of ik zal eeüwig sterven!quot;

-ocr page 66-

54

Bedenk ernstig, dat tijdelijke zegeningen niet zijn, zooals zij schijnen, of geschat worden. Wel hebben zy een uitwendigen glans, maar daarvan ontdaan, zal het spoedig blijken, dat zij het hoofd met zorgen en het hart met vreeze vervullen. De bezitters dier zegeningen worden vaak gekweld door de vrees voor verlies. Nu eens dreigen de vlammen, dan weêr verontrusten de stormen; van do trouw hunner bedienden niet zeker, durven zij soms zelfs zich op eigene kinderen niet verlaten. AVie kan de verborgene kwellingen beschrijven, die niet zelden de dagen en nachten verbitteren!

Een keizer zeide eens terecht: „Gij ziet op mijn purperen kleed en mijne gouden kroon, maar zoo gij de zorgen kendet, die daaronder verontrusten, gij zoudt ze niet willen bezitten, al lagen ze, om zoo te zeggen, voor uwen voet.quot;

Augustinus zegt in zijne verklaring van Ps. 26: „Velen zijn ellendig door schadelijke dingen lief te hebben; maar nog veel meer door ze te bezitten.quot; ISTiet, wat men geniet, maar het beginsel, waaruit men geniet, geeft ware vreugde. Al, wat God geeft, zonder het in liefde te heiligen, zal, wanneer Hij den mensch tot verantwoording zijner handelingen roept, blijken tegen hem te getuigen; niet omdat hij Zijne gaven heeft gebruikt, maar ze heeft misbruikt.

Overweeg het doel, waarom God de goddeloozen met tijdelijke zegeningen overlaadt en hen vrijwaart van lijden en droefenissen, waaronder anderen moeten zuchten. Asaf wijst daarop in Ps. 73 : 17—20: „Totdat,quot; zegt hij, „ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte. Immers zet Gij hen op gladde plaatsen; Gij doet hen vallen in verwoestingen. Hoe worden zij als

-ocr page 67-

55

in een oogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen. Als een droom na het ontwaken; als Gij opwaakt, o Ileere, dan zult Gij hun beeld verachten.quot; Zoo ook de dichter van Ps. 92 in vs. 8: „Dat de goddeloozen groeien als het kruid, en al de werkers der ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in der eeuwigheid verdelgd Avorden.quot; God stelt hen op eene hoogte, om hen terneder te werpen. Hij verheft hen, opdat Hij hen vernedere. Tot Farao zegt Hij, Exod. 9 : 16: „Maar waarlijk daarom heb Ik u verwekt, opdat ik Mijne krachten aan u betoone, en opdat men Mijnen Naam vertello op de gansche aarde.quot;

Ach, lezers, wie, zoo hij niet verstandeloos was, zou willen verheven worden, opdat hij terneder geworpen worde; wie zou wenschen boven anderen gesteld te worden, opdat hij beneden allen gesteld worde? Geen goddelooze op aarde met Lucifer ten hemel verhoogd, of hij zal met hem terneder gebracht worden in de diepte der hel. Wie kan dit ernstig bedenken, zonder ootmoedig te begeeren, liever klein te mogen zijn in deze wereld en groot in de andere; laag aan deze zijde des grafs, en hoog hiernamaals; \') veel zelfs in don tijd te ontberen, onder de geringsten te leven, en eeuwig niet God te zijn; ja, hier desnoods op eenen mesthoop te zitten, en straks naast Jezus in den\'troon Zijner heerlijkheid.

Overweeg tevens, dat God hen meestal het meest plaagt en kastijdt, die geacht worden door Hem gespaard en bemind te zijn; want zij worden meestal met geestelijke oordeelen bezocht, die Hy het minst met tijdelijke

1) „Geef Heere! dat wij zulk een gebruik maken van tijdelijke zegeningen, dat wij de eeuwige niet verbeuren!quot; (Bernard.)

-ocr page 68-

56

straffen bezoekt. Inwendige plagen treffen in den regel lien, die geene uitwendige kennen. Lees Ps. 81 : 13, Ps. 78 : 26—31. In Ps. 106 : 15 zegt de psalmist: „Toen gaf Hij hun hunne begeerte: maar Hij zond aan hunne zielen eene magerheid.quot; Het is een geducht oordeel, als in een vet gemest lichaam eene magere ziel woont, of een hart vol zonden in een huis vol goed verblijf heeft.

Wie kent de blindheid des geestes, de hardheid des harten en de gevoeligheid des gewetens van hen, die door de wereld gelukkig geacht worden, omdat hun niet, als anderen, plagen of rampen treffen. Ach, het ware ons beter, dat al de tijdelijke plagen, die den menschcn-kinderen sedert den val van Adam zijn overkomen, ons tegelijk troffen, dan dat wij worden overgegeven aan de geestelijke oordeclen, aan geestelijke blindheid of verharding des harten. De toestand van den geestelijk veroordeelde is zonder hoop. Zulk een acht de gunstbewijzen of de bezoekingen van God niet meer. Hij blyft onbewogen, zelfs bij den aanblik des doods en bekommert er zich niet om, of hij ten hemel varen of ter hel dalen zal. Hij is aan zijne zonden verkleefd, zij zijn zijne goden, hij wil er niet mêe breken, en God heeft vastelijk besloten zijne ziel rechtvaardige vergelding te doen ontvangen, \') Wordt hij nog gespaard, het is, opdat zijn oordeel des te zwaarder worde. Hij beteugelt zich in niets; hij rijpt voor het eeuwige verderf. Zijne schuld draagt hij in zijn boezem om, en de wraak volgt hem,

\') Beter is het een bezeerd, dan een verschroeid geweten te hebben. Het is beter geen, dan een verhard hart te hebben ; geen, dan een verduisterd verstand.

-ocr page 69-

57

waar hij zich ook wendt. Als nu dezulken niet reeds ellendig zijn aan deze zijde der hel, — wie dan?

Overweeg eindelijk welk eene strenge verantwoording van alle ijdele lieden zal geëischt worden, van de wijze, waarop zij het goede dezes levens hebben genoten. Er is een dag des gerichts. Dan zal men rekenschap moeten geven van zijn rentmeesterschap; verantwoording ook van hetgeen verzuimd of vereischt werd. O, indien men zich slechts gedurig verplaatste in den dag der toekomst, indien men de ontzaglijke waarheid bepeinsde, dat eerlang do misbruikte zegeningen moeten verantwoord worden, veler harten zouden mot vreeze worden vervuld, veler lippen zouden beven en er zou verrotting komen in veler beenderen. Velen zouden dan uitroepen: Vervloekt zij de dag, toen de eerekroon op ons hoofd werd gedrukt en de schatten dezer wereld in onzen schoot werden geworpen. Ja, vervloekt zij de dag, toon de zon van voorspoed zoo helder op ons scheen en wij door de verleidingen dezer bedriegelijke wereld onzen God vergaten, Jezus Christus gering achtteden, de belangen onzer ziel verwaarloosden en den dag des oordeels uit onze gedachten hebben gebannen.quot;

Filips de Derde, die zich niet aan een buitensporig leven had overgegeven, betuigde, dat hij liever ziju rijk wilde verliezen, dan moedwillig God beleedigen. En toch, toen de doodsangsten hem benauwden, en hij meer ernstig en nauwgezet dacht, aan wat hij al voor God te verantwoorden had, riep hij uit: „Och, of het God behaagd had mij nooit op den troon te stellen. Och, had ik de jaren, in mijn rijk doorgebracht, liever in de eenzaamheid der woestijn gesleten; had ik maar een eenzaam leven met God geleid! Wat baat mij nu al de

-ocr page 70-

58

heerlijkheid, die ik gehad heb? Zij vermeerdert slechts de kwelling des doods.quot;

God houdt nauwkeurige rekening. Wie den Christus als den Borg en Middelaar versmaadt, bekommert zich om don oordeelsdag niet, totdat hij is aangebroken. Dan zal het worden verstaan.

De vertraging van Grods wraak veroorzaakt de toeneming der zonde; en deze is oorzaak, dat God opstaat om wraak te nemen.

Misbruikte zegeningen zullen zeker den rechtmatigen toorn Gods op ons doen nederdalen. Zijne lankmoedigheid neemt eens een einde.

De dag der vergelding breekt eens aan. Al vertraagt Hij Zijn gang, Hij komt zeker. Hoe trager Hij is in het opheffen van de roede, des te dieper zal de wonde zijn, die Hij op den dag der wrake Zijnen tegenstanders zal toebrengen.

Van alle daden der menschen wordt in den hemel aanteekening gehouden, en deze zullen op den oordeelsdag voor de ooren der geheele wereld luide worden voorgelezen, opdat allen het rechtvaardig vonnis, dat over alle verachters en misbruikers van \'s Heeren goedertierenheid zal worden uitgesproken, moeten beamen.

Eene negende list van Satan, om zielen tot zonde te lokken, is: haar voor te houden, de kruisen, die de godzaligen te dragen, en al het lijden, dat zij dagelijks te doorworstelen hebben. Hij zegt; „Gij ziet toch, dat niemand op aarde zoo gekweld wordt, als zij, die voorzichtiger en heiliger dan hunne buren willen wandelen. In huis zijn zij een spreekwoord, en daarbuiten eene

-ocr page 71-

59

versmading. Evenals de boden tot Job, zoo komt de eene ellende na de andere tot hen; aan hunne moeielijkheden en droefenissen is geen einde.

„Daarom is het verkieslijker in minder lastige wegen te wandelen, al zijn ze zondig, dan met de zinneloozen mede te gaan, die hunne dagen in jammer en ellende doorbrengen, ofschoon het in hunne macht is, door mij te volgen, voorspoed en vreugde te hebben.quot; Ja, ook zóó fluistert Satan de ziel in.

Wilt gij u tegen deze list des Boozen wapenen? Bedenk, dat al de tegenspoeden van Gods kinderen medewerken tot hun voordeel, en hunne heerlijkheid. Zij ontdekken hun met toenemende klaarheid, hoe vuil en afschuwelijk de zonde is. Een Duitschc godgeleerde zeide op zijn ziekbed: „Gedurende deze ziekte heb ik recht leeren verstaan, hoe groot God, en wat de boosheid der zonde is.quot; Tegenspoeden zijn als een kristallen glas, waarin de zie! het duidelijkst de onoogelijkheid der zonde kan zien. God ontdekt in den bangen weg der verdrukking, dat de zonde eene bittere zoetigheid is, een zeer groot kwaad, ja, het grootste kwaad ter wereld. Hij doet de verdrukkingen meewerken tot dooding en reiniging hunner zonden. Tegenspoeden zijn, als \'t ware, des Heeren oven, 1) waarin Hij Zijn volk van hun schuim zuivert en hunne deugden doet schitteren. Bij Jes. 1 : 25 zegt Hij: „Ik zal Mijne hand tegen u keeren en Ik zal uw schuim op het allerreinste afzuiveren, en ik zal uw tin wegnemen.quot; Lees ook Jes. 27 : 8 en 9.

Gelijk aloë wormen doodt, en koude en vorst het

*) Onze wapenen roesten in den tijd van vrede, maar blinken ten dage des oorlogs.

-ocr page 72-

60

ongedierte doen sterven, zoo ook worden onze verdor- I Zo

venlieden in den weg der verdrukking overwonnen. | zij

Onder alle dreigende profetiën bleven de Joden hunne | toi

afgoden vasthouden, maar na dc Babylonische gevangen- 1 k(

schap werden er geene afgoden meer onder hen gevonden. I n£

Tegenspoeden zijn ook liefelijke behoedmiddelen tegen I sc

de zonde. Elihu zei: (Job. 34 : 31 en 32) „zekerlijk heeft I is

hij tot God gezegd: Ik heb Uw straf verdragen, ik zal 1 n

het niet verderven. Behalve, wat ik zie, leert Grij mij : I *

heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen,quot; en 1 1

Job zegt: (hoofdst. 39:38.) „Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden, ja, tweemaal, maar zal niet voortvaren.quot;

Het kind, dat zich gebrand heeft, vreest het vuur. De ziel onder Gods roede zegt: „zonde is waarlijk een bitter iets; in het vervolg zal ik, in des Heeren kracht, op mijne hoede zijn tegen hare verleiding. \')

Door van zijn weg te dwalen, ontweek Augastinus eens iemand, die zich in eene hinderlaag gelegd had, om hem kwaad te doen; zoo ook is tegenspoed menigmaal oorzaak, dat wij eene zonde niet ontmoeten, die het op den ondergang onzer kostelijke zielen gemunt had.

Tegenspoeden doen Gods kinderen vruchtbaarder worden in godzaligen wandel, „want Deze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij Zijne heiligheid zouden deelachtig worden.quot; Hebr. 12 : 10, 11.

Na eene regenbui geven de bloemen een liefelijken geur; na besnoeid te zijn, draagt de wijnstok des te beter; de noteboom draagt des te meer, als hij geslagen is.

1) Gelijk de pekel het vleesch voor bederf bewaart, zoo worden de geloovigen ook door tegenspoeden voor de zonde beveiligd.

-ocr page 73-

61

Zoo groeien en ontwikkelen de heiligen te meer, naarmate zij uitwendig lijden. Tegenspoed is niet slechts vaak middel tot hekeering maar ook tot aanwas des geloofs. Manasse\'s keten was hem voordeeliger dan zijne kroon. Luther kon, naar zijne eigene verklaring, vele bijbelteksten eerst in de school des lijdens verstaan. ,Gods huis van tuchtiging is Zijne school van onderwijzing.quot; De steenen, waarmede men Stefanus overdekte, dreven hem slechts nader tot Christus, den Hoeksteen. De wassende wateren hieven Noach\'s ark nader bij den hemel. In den weg van tegenspoed komt de zie), tot duidelijker en voller genietingen van God.

„Daarom,quot; zegt de Heere, Hos. 2 : 13, „ziet. Ik zal haar lokken, en zal haar voeren in de woestijn; en Ik zal naar haar hart spreken.quot;

Door tegenspoeden maakt God zich toegangen tot de ziel, opdat Hij haar meer liefelijk zij. Hij geeft haar Hem te stellen tot eene fontein. Toen het martelaarslijden klom, en er slechts eenige schreden waren tusschen hem en de eeuwigheid, zag Stefanus de hemelen geopend en Christus staande aan de rechterhand Gods.

Wanneer openbaarde God Zijne heerlijkheid aan Jakob? Toen hij een steen tot peluw, den harden grond tot bed, struikgewas tot gordijnen en den starrenhemel tot gewelf had; toen zag hij de engelen in hunne schitterende kleeding op- en nederwaarts gaan. In den weg des tegenspoeds verkrijgen do geloovigen meer bevinding van des Heeren kracht, om hen tc ondersteunen, van Zijne wijsheid, om hen te bestieren, van Zijne genade, om hen te verkwikken en te vertroosten, en van Zijne goedheid, om hun meer liefde tot en vreugde in een heilig leven te geven.

-ocr page 74-

62

Er zijn fonteinen, wier wateren des middags koud, maar des nachts warm zijn. Zoo zijn vele kinderen Gods dikwerf koud omtrent de dingen van Gods koninkrijk ten dage des voorspoeds: maar vol ijver, zoodra de nacht van tegenspoed is aangebroken.

Verder dienen tegenspoeden om de harten der geloovigen nederig en teeder te houden. nGedenk aan mijne ellende en aan mijne ballingschap, aan den alsem en galle. Mijne ziel gedenkt er wel terdeeg aan, en zij bukt zich neder in mij. Klaagl. 3 : 19, 20. Toen David onder de roede was, zeide hij in Ps. 39 vers 10. „Ik ben verstomd, ik zal mijnen mond niet open doen, want Gij hebt het gedaan.quot;

Een kind Gods had de gewoonte om, telkens als iets tot zijn voordeel uitliep, de Klaagliederen van Jeremia te lezen, opdat hij zijn hart tot nederigheid zou stemmen. Voorspoed werkt evenzeer mede, om het hart tot hoogmoed te verheffen, als tegenspoed, om te vernederen. Dit ondervinden Gods kinderen, en daarom kussen en omhelzen zij het kruis, gelijk een ongeloovige eene wereldsche kroon zoude doen.

Tegenspoeden dienen dikwerf om de geloovigen nader tot God te brengen, en hen meer dringend en ernstig te doen zijn in hunne gebeden. „Eer ik verdrukt werd,quot; zegt David, „dwaalde ik, maar nu onderhoud ik Uw Woord. Het is mij goed, dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik uwe inzettingen leerde.quot; Ps. 119 : 67 en 71. „Ik zal,quot; zegt de Heeee, Hos. 5 : 14 en 15, „Efraim zijn als een felle leeuw en den huize van Juda als een jonge leeuw. Ik zal verscheuren en heengaan; Ik zal wegvoeren en er zal geen redder zijn. Ik zal heengaan en keeren weder tot Mijne plaats, totdat zij zichzelven

-ocr page 75-

63

schuldig kennen en Mijn aangezicht zoeken; — als hun bange zal zijn, zullen zij Mij vroeg zoeken.quot; En dat deden zij ook, zooals in Hoofdst. 6 : 1 en 2 geschreven staat: „Komt en laat ons wederkeeren tot den IIeeee, want Hij heeft verscheurd, en Hij zal ons genezen; Hij heeft geslagen en Hij zal ons verbinden. Hij zal ons na twee dagen levend maken; op den derden dag zal Hij ons doen verrijzen en wij zullen voor Zijn aangezicht leven.quot;

Zoo ook, toen God hunne wegen met doornen had * omheind, zeiden zij: „Wij zullen heengaan en keeren tot onzen eersten Man, want toen was het ons beter dan nu.quot; Hos. 2 : 6.

Ach, de geloovige kan zoo jammerlijk afdwalen, en een tijd lang in die dwaling volharden, maar in den weg des tegenspoeds leert hij voor God buigen en de roede kussen.

„Ik,quot; zegt hij, „zal Uw gramschap dragen; want ik heb tegen U gezondigd.quot; En terwijl de herinnering aan vroegeren vrede en blijdschap in den wandel met God gesmaakt, hem aangrijpt, zucht hij om genezing der ziel.

Tegenspoeden dienen ook om kwijnende gaven te verlevendigen. In den weg dos lijdens wordt het kwijnend geloof versterkt; ontvangt de verkoelde liefde nieuwen gloed; wordt de verflauwde hoop verlevendigd; worden de vertroostingen vermenigvuldigd.

Men zou den Christen bij een tol kunnen vergelijken, die des te beter draait, naarmate hij gezweept wordt. Luther zei: „die in tegenspoeden zijn, verstaan de Schriften het beste; maar zij, die in voorspoed zijn, lezen met onverschilligheid.quot; Bijen worden met honig gedood en met azijn verlevendigd. Waar de honig

-ocr page 76-

64

des voorspocds vaak doodend is voor de genadegaven, daar worden zij door den azijn des tegenspoeds verlevendigd.

Tegenspoed ontneemt aan do lieflijkheid der wereld, die ons zou kunnen verlokken, haren glans; verbreekt de kracht van den inwendigen lust, die ons tot dwaasheid of ij delheid zou kunnen aanprikkelen.

quot;Wijl nu de moeilijkheden en tegenspoeden, die op den weg der heiligmaking ondervonden worden, slechts mede werken, om aan de heiligen groote voordeelen te bezorgen, zij niemand zoo dwaas, om naar Satans influisteren te luisteren en het effen pad der goddeloosheid te verkiezen, boven den vaak hobbeligen weg des levens.

Bedenk, dat al de tegenspoeden, die Gods kinderen treffen, slechts het lichaam kwetsen, maar hunne ziel niet kunnen benadeelen. „Wie is het,quot; vraagt de apostel, (1 Petr. 3 ; 13) „die u kwaad doen zal, indien gij navolgers zijt van het goede?quot; Hij wil zeggen: „zij mogen u op vele wijzen bedroeven, maar zij zullen u op geene wijze kunnen benadeelen.quot;

Toen een heiden door een dwingeland werd veroordeeld, om in een vijzel met een ijzeren stamper in stukken te worden gestooten, zeide hij; „gij kunt slechts het vat, of het omhulsel van Anaxarchus slaan; mij kunt gij niet treffen.quot; Zijn lichaam was hem datomhnl-sel, maar hij achtte zijne ziel te zijn het eigenlijk lt;X-. Wat dunkt u, is er in dit woord van een heiden niet iets beschamends ?

Socrates zeide van zijne vijanden; „zij mogen mij dooden, maar zij kunnen mij niet benadeelen.quot;

Zoo kunnen ook tegenspoeden ons dooden, maar zij

-ocr page 77-

65

kunnen ons geen nadeel doen. Zij kunnen ons hot leven benemen, maar zij kunnen ons niet onzen God, onzen Christus, onze kroon ontrooven.

Bedenk tevens, dat de tegenspoeden, die Gods kinderen treffen, hen in Zijne oneindige liefde worden toegezonden. „Zoo wie Ik lief lieb, die bestraf en kastijd Ik.quot; (Openb. 3 : 19). Augustinus vroeg eens, vóór zijne bekeering, als hij bemind was, hoe hij dan met ziekte bezocht werd?

Zoo plegen de goddeloozen te spreken, omdat zij niet weten, dat kastijdingen de onderpanden zijn onzer aanneming en de merkteekenen, dat wij Gods kinderen zijn. God heeft één Zoon zonder zonde, maar geen zoon zonder droefheid. Zijn woord zegt ons duidelijk, dat de Zijnen niet moeten meenen, dat Hij hen haat, omdat Hij hen kastijdt, maar, dat zij eer hunne aanneming tot Zijne kinderen moeten betwijfelen, als zij zonder kastijding blijven. Eene begenadigde ziel mag door do donkerste wolk de goedkeurondo blikken van zijn God op zich gevestigd zien. Door don toorn Zijner kastijdingen moeten wij de liefelijkheid van Zijn aangezicht zien, evenals wij door een regenboog het liefelijke licht dor zon zien in eene donkere en waterhoudende wolk.

Toen Sobald van Munster met de post te bed lag, en door zijne vrienden gevraagd werd, hoe hij het maakte, zeide hij, op zijne zweren wijzende: „deze zijn de sieraden en kostbare juweelen, waarmede Christus mij versierd heeft.quot; Eene pas uit den staat der duisternis overgebrachte ziel is een ruw edelgesteente gelijk, weshalve God door beproevingen haar polijst en geschikt maken wil voor de heerlijkheid hier boven. Haar zoo te bearbeiden, is het werk van dierbare liefde.

-ocr page 78-

66

Wel verre dus, dat de beproevingen, die Gods kinderen ten deel vallen, hinderpalen zullen zijn tot heiligmaking, en ook maar eenigszins aanleiding zouden geven, om naar Satans lokstem te luisteren, als deze tot het bewandelen van de wegen der boozen noodigt!

Bedenk wederom, dat het evenzeer onze plicht, als ons voorrecht is, onze beproevingen niet af te meten naar de pijnen, die zo ons veroorzaken, maar naar het doel, dat er mede bereikt wordt.

Toen de Israëlieten uit Egypte trokken, werden hun medegegeven zilveren en gouden vaten en kleederen, naar hunne begeerte. Zie Exodus 12 ; 35 en 36. Ook uit Babel werden zij later met rijke geschenken gezonden. Zie Ezra 1 en 7.

Zie dus meer op het einde, dan op het begin van eens Christens beproeving. Bodenk de verdraagzaamheid van Job en wat het einde des Heeren in Zijne leiding met hem was.

Zie niet op Lazarus, zooals hij voor des rijken mans poort lag, maar zie op hem, zooals hij in Abraham\'s schoot is. Tuur niet op het begin van Jozefs leven, toen de vervulling van zijnen droom, dat zon en maan en elf sterren voor hem zouden buigen, onmogelijk scheen, maar zie op hem als heerscher over geheel Egypte. Zie ook niet op David, toen er als ééne schrede tusschen hem en den dood was, noch toen hij, door sommigen benijd, door anderen gering geacht, en weder door anderen veracht werd, maar zie op hem, gezeten op zijn koninklijken troon, of stervende op het bed van eer, omringd door zijnen zoon Salomo en al zijne adellijken.

Tegenspoeden zijn gelijk aan eeno donkere gang naar

-ocr page 79-

67

des Vaders huis, en aan eene modderige laan naar een koninklijk paleis.

Wat dunkt u, waarde lezer, moet de menscli niet ■waanzinnig zijn, die op Satans raad de wegen der heiligheid schuwt en die der zonde bewandelt, omdat op den weg dor gerechtigheid strijd is en lijden?

Bedenk nogmaals, dat het doel door Grod beoogd in de tegenspoeden, die Hij don Zijnen zendt, alleen is om hen te beproeven en niet, zooals velen dwaselijk zich inbeelden, om hen to plagen, of hen te verderven. „Hij kent don weg, dio bij mij is,quot; zegt Job, (Hoofdstuk 23 : 10) „Hij beproevo mij; als goud zal ik uitkomen.quot; En in Deut. 8 : 2 lezen wij: „En gij zult gedenken aan al den wog, dien U de Heere, Uw God, deze veertig jaren in de woestijn geleid heeft; opdat Hij u verootmoedigde, om u te verzoeken; om te weten, wat in uw hart was, of gij Zijne geboden zoudt houden, of niet.quot; God beproefde hen dus, opdat Hij hen en anderen zou doen weten, „wat in hun hart was.quot;

Het is gemakkelijk in een warm bad te baden; en op een zonnigen dag kan iedere vogel zingen. Als hot weder bijzonder ruw en guur is, wordt het- openbaar welk gestel wjj hebben; zoo brengen tegenspoeden de genadegaven, die wij bezitten, aan het licht. Verdorde bladeren vallen met winderig weder af, en doode takken breken, zoodra er eenig gewicht aan gehangen wordt. Pas dit toe op het gebied des geestelijken levens.

Metaal wordt door kloppen gekeurd; het geluid moet zuiver zjjn. Ook God beproeft Zijn volk, als ik mij zoo uitdrukken mag, door kloppen en als zij dan een liefelijk geluid geven, verandert Hij hun nacht in dag en hun kruis in eene kroon. Dan hooren zij die stem:

-ocr page 80-

68

„Maak u op, word verlicht, want Uw licht komt, en de heerlijkheid des Heeren gaat over u op.quot; Jes. 60:1.

Bedenk eindelijk nog, dat de ellenden, die de godde-loozen op hun weg ontmoeten, veel grooter en zwaarder zijn, dan die, welke de gcloovigen ooit ondervinden.

Hoe vreeselijk zijn do verwijtingen en knagingen, die op den weg dos verderfs moeten worden verduurd!

„De goddoloozen zijn als eenc voortgedrevene zee, want die kan niet rusten en hare wateren werpen slijk en modder op. De goddeloozen, zegt mijn God, hebben geenen vrede.quot; (Jes. 57 : 20 en 21).

In dc zegeningen, die zjj genieten, liggen strikken, waarin zij steeds gevangen worden. Vloeken en kruisen volgen hunne paden in en buiten hunne woning. Wat beteekent een deftig gewaad, zoo het met den pestwalm is besmet? quot;Welke waarde hoeft een gouden beker, zoo deszelfs bodem met vergift is doortrokken ? De vloek en toorn van God vergezellen den zondaar op al zijne zondige wegen. Sla Deut. 28 op en lees van vers 15 tot het einde van dat hoofdstuk, en ook Lev. 26 van veis 14 tot het einde, en gij zult zien, hoe Gods vloek den zondaar treft. Hij volgt hem in de stad en op het land; bij zijn in- en uitgaan blijft hij steeds zijn gezel; zyne bezittingen zijn oorzaak van gedurige geschillen en in het zoetste, dat hij geniet, is Gods toorn gemengd. De mot is in zijn kleed; de pestilentie onder zijn vee; droogte op zijn veld; en menigmaal worden zijne kinderen oorzaak van zijne grootste droefheid en diepste beschaming. Het zwaard der wrake zweeft steeds boven zijn hoofd en dreigt elk oogenblik don draad zijns levens af te snijden.

Welke vreugde en vrede kunnen nu dezulken genie-

-ocr page 81-

69

ten, als slechts het oog huns gewetens een weinig open is om dat zwaard te zien? Dan, het kan niet anders, worden zij vervuld met angst; benauwdheden en beving grijpen hen aan!

Eene tiende list van Satan, om ons tot zonde te lokken, is; ons op te wekken, om ons te vergelijken met hen, die ergerlijker wandelen dan wij. In dezen strik ving de duivel den hoogmoedigen Farizeër, toen deze zich-zelven zegende in zijn vervloekten staat. „O God,quot; zeide hij, „ik dank U, dat ik niet ben gelijk andere menschen, roovers, onrechtvaardigen, overspelers, of ook gelijk deze tollenaar.quot; (Luk. 18 ; 11.) 15. v. Satan zegt; „Gij vloekt immers niet, zooals de goddeloozen doen; uwe uitroepen „o, Hóquot;, „o, Jóquot;, „och, grutquot;, enz. zjjn op zijn ergst genomen slechts bastaardvloeken. Ja, gij zijt nu en dan wel wat dartel, maar staat toch niet gelijk met hen, die zich aan werkelijke onzedelijkheden schuldig maken. Het is waar, strikt eerlijk zijt gij niet; in kleinigheden durft gij wel eens uwe naasten „boet nemenquot;, maar gij doet toch niet mee met hen, die zelfs in gewichtige aangelegenheden hunne medemenschen bedriegen en zelfs hun geheelen ondergang veroorzaken. Gij zit en keuvelt en proeft met de dronkaards, maar gij behoort geenszins onder de duizenden, die zich dronken drinken. Ook kunnen de lichte verheffingen van uw hart, die zich slechts in blikken en woorden openbaron, volstrekt niet gelijk gesteld worden met do hoogmoedige daden van anderen.quot;

Wilt gij tegen deze list van Satan u wapenen ? Bedenk ernstig, dat er geen grooter en sterker bewijs is

-ocr page 82-

70

voor iemands huichelarij, dan, dat hij een open oog heeft voor de feilen van anderen en blind is voor de zijne; „den splinter ziet in zijns broeders oog en den balk in zijn eigen oog niet merktquot;; zich van brillen bedient^ om de gebreken van anderen te zien, en weigert om een spiegel te nomen, om de zijne te leeren kennen; de zonden van anderen te vermenigvuldigen en de zijne steeds te verkleinen.

Besteed liever uw tijd, om uwen inwendigen toestand en uwe uitwendige daden aan het Woord van God, dat u eenmaal oordcelen zal, te toetsen, dan u met hen te vergelijken, die slechter zijn dan gij. \')

Wie zich zclven met anderen, die slechter zijn dan bÜ, vergelijkt, moge aan zich zeiven en anderen schijnen een engel te zijn, — door zich aan het Woord Gods te toetsen, zou hij zich zeiven kunnen zien als beelddrager des duivels; — ja, als duivel. „Heb Ik niet u twaalf uitverkoren? en een uit u is een duivel!quot; zeide Jezus. (Joh. 6 : 70.)

Velen gelijken den duivel. Ach, welke monsters zouden zij in hunne eigene oogen zijn, zoo zij zich zei ven wilden toetsen aan den Bijbel, instede van zich te vergelijken met de meest onrechtvaardige lieden!

Bedenk ernstig, dat, hoewel uwe zonden niet zoo groot zijn, als die van anderen, nochtans zonder waar berouw en vrijgevende genade van God, gij even zeker als zij, zult veroordeeld worden. Al moge het zijn, dat

*) Hoe meer wij God naderen, hoe meer wij aan ons zondebederf zullen worden ontdekt. Wie lang in de zon ziet, is niet in staat de dingen rondom hem gade te slaan. Men zegt, dat de basilisk sterft, wanneer hij in een spiegel ziet. Zoo gaat het op eene geestelijke wijze den zondaar, wanneer hij recht ziet in Gods Woord, den spiegel der ziel.

-ocr page 83-

7i

gij niet zoo diep in do hel zult nederzinken als anderen, toch bestaat die hel voor u, zoowel als voor hen, tenzij het heerlijk licht van Gods genade in het aangezicht van Christus u bestrale. Het is waar, dat God Zijne straften zal regelen naar de meerdere of mindere zonden op aarde gepleegd; doch, zal do overweging bij uwen dood u kunnen troosten, dat gij niet zoo zwaar zult gestraft worden als anderen, wanneer gij u bewust zult zijn voor eeuwig van de heerlijke tegenwoordigheid van God, van Christus, de heiligen en de engelen gebannen te moeten worden, en nooit te zullen kunnen genieten de zalige dingen des eeuwigen levens? \')

Hierbij zal het echter niet blijven; gij zult niet alleen uit den hemel gesloten worden, maar gij zult voor eeuwig in de hol opgesloten blijven; \'-) niet alleen uitgesloten van de tegenwoordigheid van God en Zijne engelen, maar voor eeuwig opgesloten met den duivel en al de verlorenen. quot;Wat dunkt u, geliefde lezer, zou het niet tienduizendmaal beter voor u zijn, door bekcering uwe zonden af te breken, dan daarin te blijven voortleven, totdat, hetgeen wij schreven, voor u in vreeselijke ervaring bewaarheid wordt?

De God Israels is zeer barmhartig; bekeer u en keer tot Hem, opdat uwe ziel voor eeuwig leve! Bedenk, dat de smart der rampzaligen verschrikkelijk is, vooral omdat alle hoop, alle valsche hoop op ontkoming vervloog. De gedachte zelfs aan het eeuwigdurende der pijniging kan den mensch buiten do grenzen der wanhoop

\') De poort van hoop, van genade, van heerlijkheid, van vertroosting, van zaligheid zal voor eeuwig voor hen gesloten blijven. Matth. 25 : 10.

^ Chrysostomus, van de hel sprekende, zeide terecht: „Laat ons niet zoeken, waar de hel is, maar laat ons trachten haar te ontvluchten.quot;

-ocr page 84-

72

voeren. Hoe moet deze gedachte dan de verdoemden vanwege de onrust hunner harten, vanwege hunne dolzinnige woede hunne tanden doen knersen!

„Laat ons dienen dan, dienen God;

Dit raad ik jong en oud,

En houden Zijn gebod;

Hem bidden menigvoud:

„O, Heer! wil ons beschermen,

Voor \'t vleien van de slang En voor het eeuwig kermen!quot;

Och, eeuwig is zoo lang!quot;

Nog heeft Satan eene andere list, om zielen tot zoude te lokken; hij weet het oordeel door dwaallceringen te verduisteren en te bezoedelen en zoo den mensch tot losbandigheid te leiden. Er zijn vele droeve voorbeelden.

Hoe velen beelden zich in, dat de goddelijke instellingen arme, niets beduidende, zinlijke dingen zijn, die een man van beschaving benedon zich kan achten; dat de H. Schriften vol feilen en onzekerheden zijn, eu aan het „gezond verstandquot; dienen getoetst te worden; dat het iets ongerijmds, ja, afgoderij is God in oen Middelaar te aanbidden; dat Jezus Christus geen historisch persoon is, maar alles, wat van Hem gezegd wordt, voor beeldspraak moet worden geacht en ons heen wijst naar licht en liefde en andere goede gestalten in den mensch; dat er zoomin een persoonlijke God als een persoonlijke duivel bestaat, zoomin op een plaatselijken hemel te hopen, als voor eene plaatselijke hol te vreezen is, maar, dat de uitdrukkingen der Schrift, die ons zoo iets zouden doen vermoeden, ons slechts kenbaar maken, wat in den mensch-zelf omgaat; dat de mensch onder geene wet staat dan die des geestes, d. i. der vrijheid.

-ocr page 85-

73

Zoo zouden wij kunnen voortgaan, want inderdaad, het getal afschuwelijke meeningon, die de boosheid, als een vloed in ons midden heeft doen doorbreken, is legio.

Wilt gij u tegen deze list des Satans wapenen? Bedenk ernstig, dat God denzelfden afkeer heeft van een dwa-lenden, ij delen geest, als van een zondig leven. Onder Israël was geheel onrein, wiens hoofd melaatsch was. Grove dwalingen maken het hart ijdel, den wandel losbandig. Dwaling des verstands vreet door als de kanker en maakt de ziel melaatsch in het oog van God.

De zonde, dochter der dwaling, is ook op hare beurt moeder der leugenen. Als straf voor gepleegde ongerechtigheid worden sommigen door den Ueere overgegeven aan zielverdervende leeringen. Ook de geschiedenis der heidenwereld is in dezen leerzaam.

el betaamt het ons ootmoedig God te bidden, dat het Hem behage ons in Zijne handen te nemen en, wat Hij ook over ons brenge, ons nooit over te geven aan dwaalleeringen, die duizenden hebben verleid en op den breeden weg doen wandelen.

Neem de waarheid in alle zachtmoedigheid aan en laat haar rijkelijk in u wonen. Wie zich togen haar stolt, haar den toegang tot de ziel belet, zal ook onder Gods oordeel vallen en tot zijn verderf aan dwalingen worden overgegeven.

Paulus spreekt van hen, die de liefde der waarheid niet aangenomen hebben, om zalig te worden, en zegt; „daarom zal hun God zenden eene kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden gelooven; opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid.quot; (2 Thess. 2 : -10—12.)

-ocr page 86-

74

Zoo gij dan uwe zielen liefhebt, waarde lezers, tergt den Heere niet.

Wie de waarheid in liefde aanneemt, is tegen dwaal-leeringen gewapend. Hij wordt niet lichtelijk „als een ■vloed bewogen en omgevoerd met allen wind der leer, door de bedriegerij der menschen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling gebracht te worden.quot; (Efez. 4 : 14.)

Niet hij, die veel verstandelijk ontwikkeld is, maar die het meest de waarheid met zachtmoedigheid in zijn hart ontvangt, geniet het voorrecht van een gezond en zuiver oordeel te bezitten; terwijl anderen worden bedrogen door hen, die er werk van maken het oordeel hunner medemenschen te verduisteren en hunne zielen te verderven. Wilt gij dan daarvoor bewaard worden, dat dan „het woord van Christus,quot; dat dierbaarder is dan goud, ja, dan fijn goud, „rijkelijk in u wone.quot; (Col. 3 : 16.)

Wij kunnen de waarheid gedurig hooren, in ons geheugen hebben opgenomen, haar anderen aanprijzen, — en dit zegt reeds veel, maar toch, alleen hare inwoning in onze ziel doet ons oordeel gezond blijven. Laat het Woord u niet vreemd zijn. Het zij daarentegen uw dierbaarste gezel. Zoo zult gij kunnen staan ten dage, als aan uwe rechter- en linkerzijde velen zullen vallen, afgeleid door het leugenachtig geroep: „ziet, hier is de Christus, of ziet, daar is Hij.quot;

Er was meer vernuft dan ware wijsheid in den raad, dien iemand gaf aan zijn vriend: „Nader de waarheid niet al te zeer, opdat uwe tanden niet door uwe hielen uiteengeslagen worden.quot; Alleen als de waarheid rijkelijk in u woont, zijt gij gélukkig; anders, ook te midden van aardschen overvloed en omringd door de stroomen van weelde, waarlijk ongelukkig te heeten.

-ocr page 87-

75

Melanchton zeide: „Het is met de waarheid als met ■wijwater; ieder prijst het en meent, dat er zonderlinge krachten in zijn, maar, zoodra men voorstelt er hen mee te besprengen, sluiten zij hunne oogen en wenden hunne aangezichten af.quot; Bedenk ernstig, dat dwalingen schade veroorzaken. Eens zal het vuur beproeven, hoedanig ieders werk is. (1 Cor. 3 ; 11—15.) Dan zullen alle moeite en arbeid, aangewend om dwaal-leeringen te verdedigen en te verspreiden, troost noch voordeel aanbrengen. \')

Och, of zij, die van \'s morgens vroeg tot \'s avonds laat, hunne krachten en vermogens wijden aan het verspreiden van Godonteerendc en zielverdervendc gedachten toch ernstig wilden bedenken, dat zij alles zullen verliezen. Zoo zij behouden worden, zal het zijn als door vuur. Hoe dwaas is het geld uit te geven, voor hetgeen geen brood is en arbeid, voor hetgeen niet verzadigen kan. Hoe dwaas zal dit blijken ton dage, als de rekening gesloten zal worden, en alle werken met vuur zullen worden beproefd! Laat u dan raden. Koop de waarheid en verkoop haar niet. Wat gij voor haar geeft, zij is nooit te duur. Al wilde men u voor haar, in ruil, de geheele wereld geven, gy zoudt, zoo de koop gesloten werd, u bitter bedriegen: heel de wereld heeft luttele waarde bij de waarheid vergeleken!

Vergeet niet, dat één dag, ja één uur gewijd aan het onderzoek of de verbreiding dor waarheid, uwe ziel meer troost en voordeel zal aanbrengen, dan vele duizenden

1) Het glas glinstert, maar breekt; kan hamerslag noch hitte des vuurs verdragen. Dit is het beeld van de dwaling.

Het goud schittert naarmate het gewreven en in de smeltkroes gelouterd wordt. Dit is het beeld van de waarheid.

-ocr page 88-

76

jaren gewijd aan do studie en verbreiding van ijdele meeningen, die haar ontstaan hebben van den god dezer wereld en niet van dien God, die eenmaal de wereld zal oordeelen en alle verdorvene meeningen der menschen verdoemen.

Haat, verwerp alle leeringen en meeningen, die tegen de leer der godzaligheid zich kanten en de deur voor goddeloosheid openen. Ja, heb er een afschuw Tan. Wend u ook af van allen, die eene gestrengheid eischen, waarvan de Schrift niet weet, en onze verdorvene natuur willen verheffen om bovennatuurlijke dingen te doen, die niemand kan doen, dan in de bovennatuurlijke kracht, die Christus uit den doode heeft doen opstaan.

Verwerp alle meeningen dergenen, die hunne gerechtigheid willen stellen in de plaats van die van Christus en die hunne goede werken stellen op den troon van den Heiland, opdat zij met Hem zouden heerschen.

Verwerp ook alle leerstellingen, die de rechtvaardigheid van Christus in zulk een licht stellen, dat zij de betrachting der plichten der godzaligheid uitsluit. \') Ook alle meeningen, die de heerlijke en zalige voorrechten der geloovigen in de bedeeling des evangelies geringer schatten dan die onder de wet.

Als in onze ziel een heilige haat is tegen dergelijke dwalingen, wij zullen staande blijven, terwijl velen rondom ons vallen; wij zullen schijnen als de dagvorstin in hare heerlijkheid, terwijl het licht van velen, die eens als sterren hebben geglansd, uitgaat als dat van eene walmende kaars.

1) Gideon had 70 wettige zonen en slechts één bastaard-zoon en toch heeft die ééne bastaard al zijne zonen, op één na, gedood. (Richt. 9 : 5.)

Door de erkenning van eene enkele dwaling, kan de weg des levens worden gemist.

-ocr page 89-

77

„Houd u vast aan de waarheid.quot; Gelijk men -vleesch niet tot zijn arm stelt, (Jes. 17 : 5) voordat men van den Heere is afgeweken, zoo zal men zich aan geene dwaalleeringen houden, voordat men de waarheid heeft losgelaten; — houd u daarom vast aan de waarheid. De waarheid is uwe kroon, houd haar vast en laat niemand u haar ontrooven.

Heeft God de waarheid aan uwe ziel niet zoet gemaakt, ja, „zoeter dan honig of honigzeem?quot; En wilt gij dan niet uwe paden hemelwaarts richten, u voedende met die hemelsche spijs?

Vraag u zei ven af, of gij nooit de ziel-troostende, ziel-verkwikkende en ziel-sterkendo kracht der waarheid hebt ervaren? Hebt gij nooit ervaren, dat de waarheid is eene leidsvrouw, om u den weg te wijzen, een staf, om u te ondersteunen, een middel, om uw hart te versterken, en eene medicijn, om u te heelon? En wilt gij dan niet u aan de waarheid blijven vasthouden? Is zij niet uwe trouwste vriendin geweest in uwe donkerste dagen; bleef zij u niet bij, toon al uwe vrienden u hadden verlaten? Heeft zij voor u niet meer gedaan, dan de geheele wereld tegen u kon doen en zoudt gij haar dan willen loslaten? Is zij niet uw rechteroog, zonder welk gij Christus niet kunt zien; uwe rechterhand, zonder welke gij niets voor Hem kunt doen; uw rechtervoet, zonder welken gij niet met Hem kunt wandelen? O, houd u dan in uw oordeel en uw verstand, in uwen wil en uwe genegenheden, in uwe belijdenis en uwen wandel vast aan do waarheid.

De waarheid is kostelijker dan goud of robijnen, en al, wat u lusten mag, is met haar niet te vergelijken. (Spr. 3 : 15).

-ocr page 90-

78

Zij is een hemelsche spiegel, waarin wij den luister en de heerlijklieid der goddelijke wijsheid, kracht, liefde en barmhartigheid zien. In dezen spiegel kunt gij het aangezicht, de gunst en de schatten van Christus zien.

0, dat uwe ziel aan de waarheid kleve, evenals die van Ruth aan Naömi kleefde; (Ruth : 15, 16) en zeg ook gij: „Ik zal de waarheid niet verlaten, om van achter haar weder te keeren; waar zij gaat, zal ik gaan; waar zij vernacht, zal ik vernachten en zelfs de dood zal haar van mijne ziel niet scheiden. \')

Paulus vermaant (Tit. 1 : 9) vast te houden aan het getrouwe woord. Het is beter te scheiden van eer, rijkdom, vrienden, genoegens en gunstbewijzen der wereld, ja, zelfs van uwe naaste en dierbaarste betrekkingen, ja, ook van uw eigen leven, dan van de waarheid. O, behoud de waarheid en zij zal u eeuwig in veiligheid en gelukzaligheid bewaren. Zalig zijn zij, die door de waarheid bewaard worden!

Wees nederig. Nederigheid zal u vrijwaren van den schadelijken invloed van menigen pijl door Satan voor u geworpen en u menigen strik, door hem gespannen, doen ontgaan.

Evenals kleine heesters en struiken ongedeerd blijven, als hevige windvlagen groote boomen schudden, en van takken, bloesems of vruchten berooven, zoo blijven nederige zielen onbewogen, als de geest der dwaling hoogmoedigen doet wankelen en terneder werpt.

Nederige zielen worden niet zoo licht door Satan en wereld misleid.

*) Een martelaar zeide: „ofschoon ik voor de waarheid niet kan strijden, kan ik toch voor haar sterven.quot;

-ocr page 91-

79

De God des lichts en der waarheid heeft een lust, om te wonen in het hart der nederigen, en naarmate dat licht en waarheid in de ziel wonen, zullen duisternis en dwaalbegrippen uit haar verdrongen worden.

Gelijk vocht in ledige vaten kan worden uitgestort, zijn nederige harten geschikt, om de genade Gods te ontvangen en hoe meer genade uitgestort wordt in de ziel, hoe minder dwaalleeringen haar kunnen overmeesteren of verontreinigen.

Het is een lieflijk woord in Ps. 25 : 9: „Hij zal de zachtmoedigen (dat zijn de nederigen) leiden in het recht en Hij zal den zachtmoedigen Zijnen weg leeren.quot; Wie door God geleerd en geleid wordt, zal niet licht op dwaalwegen gebracht worden. Hoed u dus voor geestelijken hoogmoed. Hoogmoed vuurt de verbeeldingskracht aan, verzwakt de genadegiften en maakt plaats voor allerlei dwalingen. Niemand wordt zoo gemakkelijk door dwaalleeringen verstrikt en gevankelijk weggevoerd als de hoogmoedige.

Het is gevaarlijk wijs te willen zijn boven hetgeen geschreven is; in onbeteugelde nieuwsgierigheid te willen dringen in alle verborgenheden en zoo door eene vleeschelijke gezindheid te worden opgeblazen. Zielen, die zoo zweven boven de grenzen der nederigheid, vallen gewoonlijk in de verderfelijkste dwalingen. \')

Bedenk ernstig, welke groote onheilen door dwaalbegrippen zijn veroorzaakt. Dwaling is de vruchtbare moeder van monsterachtige kinderen, die dorpen, steden en volken in vuur en vlam hebben gezet. Dwaling des

1) De hoogmoedige doet ons denken aan den man, die zoo lang naar de maan staarde, tot hij in een put viel.

-ocr page 92-

80

gewetens brengt vele groote zedelijke en maatschappelijke onheilen mede.

Dwaling is de onreine vrouw, die „vele gewonden heeft nedergeveld en wier gedooden machtig velen zijn.quot; (Spr. 7 : 26).

Onder bare gedooden zijn vele aanzienlijken, vele geleerden, vele belijders der waarheid, zoowel van vroe-geren als van lateren tijd. Wie zou dit durven ontkennen? Welke genadegaven heeft zij reeds verzwakt, hoeveel vreugde en troost zijn door baar geroofd! Zij heeft de banden van menigen arbeider verlamd, zijne oogen verblind, zijn oordcel beneveld, zijn hart verbard, zijne genegenheden afgeleid, zijn voet vervoerd en zijn geweten toegesloten.

Kunt gij, waarde lezer, dit alles ernstig bedenken zonder voor de dwalingen te beven als voor de bel zelve ?

Eene twaalfde list van Satan, om de ziel tot zonde te lokken, is: haar te overreden in slecht gezelschap te verkeeren. Och, tot welke afschuwelijke goddeloosheden en boosheden beeft Satan velen doen vervallen, door hen met ij dele lieden te doen verkeeren!

Wilt gij u tegen deze list wapenen? Bedenk ernstig, hoe nadrukkelijk de Heer beveelt het gezelschap van booze lieden te schuwen. Laat de [waarschuwende stemme Gods uw hart verteederen \') Lees biddende Efez. 5:11; „En hebt geene gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veeleer.quot; Spr.

*) Gods geboden moeten zwaarder wegen dan alle menschelijke verorde ningen en voorschriften. (Hieronymus)

-ocr page 93-

81

4 : 14—15; „Kom niet op het pad der goddeloozen en, treed niet op den weg der boozen. Verwerp dien, ga niet door; wijk er van en ga voorbij.quot; Verder 1 Oor.

5 : 9—11; 2 Tliess. 3 : 6 en Spr. 1 : 10—15. Laat de overdenking van deze teksten uw hart met heiligen afkeer vervullen van het onheilig verkeer met ijdele lieden.

De geboden des Heeren zijn onherroepelijk. Zoo gij ze niet betracht, zullen zij ten laatste tegen u getuigen, en zijn als molensteenen, die u in de diepte zullen doen zinken, ten dage, als Jezus zal komen, om de wereld te oordeelen.

Bedenk ernstig, dat de omgang met ijdele lieden gevaarlijk, verpestend is. De Schrift predikt dit schier op elke bladzijde. Hare uitspraken worden door de ervaring gestaafd.

Och, menigeen heeft zijne goederen, krachten, goeden naam, ja, zijne ziel verloren door met goddeloozen te verkeeren. Wend u dan van hen, zooals gij u wenden zoudt van een onreinen poel, waaruit gevaarlijke dampen opstijgen, die dood en verderf verspreiden; vermijd hen, zooals een zeeman het de klippen en rotsen doet, waartegen zijn vaartuig te borsten zou stooten. Gelijk onkruid het graan tracht te verstikken; onreine vochten het bloed bederven; eene besmette woning de buurt in gevaar stelt, zoo bedreigt slecht gezelschap ieder, die er zich mede inlaat.

De heiden Bias zeide eens, toen hij op eene zeereis door een hevigen storm overvallen werd, en bemerkte, dat vele slechte lieden, die met hem in het schip waren, de goden aanriepen: „houdt toch op met smeeken, en zijt doodstil; ik zou niet willen, dat de

6

-ocr page 94-

82

goden bemerkten, dat gij hier zijt, want zij zouden ons allen om uwentwil in de diepte doen zinken.quot; Kon nu een heiden zooveel gevaar zien in het gezelschap van booze lieden, en zoudt gij dat niet kunnen? „Der zotten metgezel,quot;\' zegt de wijze koning, (Spr. 13 : 20) „zal verbroken worden.quot;

Bedenk ernstig onder welke namen en denkbeelden de Schrift de godvergetenen schetst. \') Zij noemt hen leeuwen, om hunne woede; heren, om hunne wreedheid; drahen, om hunne afzichtelijkheid; honden, om hunne onreinheid; wolven, om hunne sluwheid. Ook teekeut zij hen als schorpioenen, slangen, doornen, distelen, bramen, stoppelen, slijk, kaf, stof, rook, enz., zooals gij kunt zien in de aan den voet dezes aangehaalde teksten.

Het is niet veilig af te gaan op de namen, die de booze lieden zich zeiven geven, of op de teekening, die hunne vleiers van hen geven. Hierdoor worden velen misleid. De Schrift zij ook hier ten vraagbaak, ten betrouwbaren gids! Nabal was in werkelijkheid, wat zijn naam deed vermoeden, zoo zijn alle booze menschen gelijk aan de namen, waarmee de Schrift hen noemt.

Bedenk ernstig, dat het gezelschap van booze menschen eens zeer tot last wras voor de kinderen Gods, die in het strijdperk op aarde waren en nu zegevieren in den hemel. De psalmist zegt; „Wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mezech, dat ik in de tenten Kedars wroon! Mijn ziel heeft lang gewoond bij degenen, die den vrede haten.quot; (Ps. 120 : 5, 6.) Jeremia zucht: „Och! dat ik in de

») 2 Tim. 4 : 17, Jes. 27 : 1. 2 Pet. 2 : 22. Matth. 10 : 16. Openb. 9 : 3—10. Matth. 3 : 7. Jes. 10 : 17. Jlatth. 7 : 16. Job. 21 : 18. Ps. 18 : 43. Ps. 1 : 4. Jes 41 : 2. Ezecli. 22 : 18, 19. Ezech. 24 : 6.

-ocr page 95-

83

woestijn eene herberg der wandelaren had! zoo zou ik mijn volk verlaten en van lien trekken: want zij zijn allen overspelers, een tronwlooze hoop.quot; (Jer. 9 : 2.) Zij vermoeiden de ziel van den rechtvaardigen Loth door hunne ongerechtige werken. (2 Pet. 2 : 7 en 8.) Zij maakten hun het leven moede, zoodat hun de dood begeerlijker scheen dan het leven. Omgang met hen brengt begenadigde zielen in schuld of in droefheid. Eene geloovige dame op haar sterfbed, beangst en ontroerd, smeekte; „O Heere! laat mij niet in de hel zinken, waar de booze lieden zijn; want Gij weet, dat ik nooit hun gezelschap liefhad.quot;

-ocr page 96-

HOOFDSTUK II.

SATANS TOELEG, OM GEESTELIJK TRAAG TE MAKEN, ZOOVEEL DOENLIJK DE BETRACHTING DER GODSDIENSTPLICHTEN TE VERHINDEREN EN OP DIE WIJZE DE ZIELEN TE VERVOEREN.

„Daarna toonde Hij mij Jósua, den hooge-priester, staande voor het aangezicht van den Engel des Heeren ; en de Satan stond aan zijne rechterliand, om hem te wederstaan.quot;

Zach. 3 : 1.

Eene eerste list, waardoor hij dit doel zoekt te bereiken, is: de wereld in het bekoorlijkste kleed aan de ziel voortestellen en haar als gansch begeerlijk aan te prijzen. Hij weet maar al te goed, dat de schoonheid der wereld op velen eene betooverende kracht heeft. \') Het is waar, dat Christus in dien strik niet kon gevangen worden; dat de Overste dezer wereld kwam, maar aan Hem niets

i) De schijnschoonheid der wereld is voor den Christen gevaarlijker dan haar geweld; haar vleiende zonneschijn is te duchten boven haar bruisende stormen.

-ocr page 97-

85

had; maar nauwelijks worpt de Booze zijn gouden aas voor ons uit, of wij zijn bereid er mede te spelen; nauwelijks werpt hij zijn gouden bal uit, of velen loopen om dien te grijpen. O, hoe vele belijders van Christus, in onze dagen, hebben een tijdlang den Ileere en Zijne instellingen gezocht en gevolgd, totdat zij, als de jongeling in het Evangelie, zich afkeerden, verkleefd aan het stof. Satans toeleg was gelukt. Hij hield hun do praal der wereld voor; zij werden er door betooverd; nu begonnen zij de heilige dingen gering te achten en terwijl van lieverlede hunne genegenheden er voor verkoelden, keerden zij ze ten slotte in treurige verblinding ten eenen-male den rug toe. Aan Satans hand bewandelden zjj een hellend vlak, dat afdaalt, al dieper en dieper, naar de donkere verblijven des doods.

De wereld hoeft met den vuistslag des gewelds duizenden vernield, maar haar glimlach sleepte tienduizenden ten verderve. De sirenenzangen der wereld betoo-veren ons; hare kussen zijn Judaskussen, die ons verraden.

De eer, pracht en heerlijkheid dezer wereld zijn gelijk aan zoet vergift, dat, zoo het ons niet ten eenenmale verderft, toch aan groot gevaar blootstelt.

Wilt gij u tegen deze list van Satan wapenen ? Bedenk, hoe niacliteloos alle aardsche dingen zijn. Zij kunnen zoomin onheil van u weren, als wezenlijke bezittingen u bezorgen. De gouden kroon kan geene hoofdpijn genezen; de fluweelen pantoffels de smart der jicht niet verzachten; het juweelen halssierraad niet van kiespijn bevrijden. De kikvorschen plaagden niet slechts de arme Egyptenaren in hutten, maar ook de rijken in hunne prachtige woningen.

Dagelijks zien wij, dat uitputtende koorts of folterende

-ocr page 98-

86

lichaamssmart, zoowel de geëerden, als de vergetenen onder de zon, ten deel vallen.

De verderfengel schrikt niet terug voor groote bezittingen, maar velt don man van millioenen, zoowel als de vrouw, die hare bezittingen by penningen telt. \') quot;Wat zeg ik? De grootste bezittingen zijn onzeker. quot;Wieheden akker aan akker kan voegen, is morgen wellicht tot den bedelstraf gebracht. In Eicbteren (Hoofdstuk 1 : 6) lezen wij van 70 koningen, die, deerlijk verminkt, gretig de kruimpjes aten, die van de tafel eens anderen konings vielen, en hoe de overwinnaar, die hen tot zulk eene ellende vervallen deed, op zijne beurt een dergelijk lot onderging.

Waarom zoudt gij u uit den hemel laten houden door dingen, die u zelfs op aarde gecne verlichting kunnen geven ?

Bedenk veel de ijdelheid, en ongenoegzaamheid van alle aardsche goederen. Salomo predikte: „ijdelheici. der ijdelheden; het is al ijdelheid.\' Diep doordrongen van deze waarheid, noemden onze eerste ouders hun tweeden zoon: Habel, d. i. nietigheid, ijdelheid. Salomo sprak uit ervaring en had de dingen dezer wereld doorzocht en ontrouw bevonden. Daarom herhaalde hij gedurig zijne prediking. Het is daarom eene bedroevende gedachte, dat er zoovelen zijn, die verklaren (en in gemoede mcenen dit naar waarheid te doen), dat zij het geheel eens zijn met den koninklijken prediker, en evenwel die ijdelheden najagen, alsof in niets anders rust en zaligheid te vinden ware. Ach, zij spelen hoog spel. Yoor de beuzelach-tigste dingen geven zij Christus, den hemel en de zalig-

\') De Scyth Nagas vroeg, toen hij de rijke geschenken en versierselen hem door den keizer van Constantinopel gezonden, afwees, of deze dingen hem voor onheilen, krankheden en den dood behoeden konden.

-ocr page 99-

87

heid hunner zielen prijs. Zij stellen hunne harten op die beuzelingen, alsof ze hunne kroon en de glans hunner heerlijkheid waren. O, bepeins daarom zoolang de ij delheid van al het ondermaansche, dat gij daarvan innig overtuigd, het vergankelijke onder uwe voeten kunt vertreden en die Christus ten voetbank stellen.

Chrysostomus zeide eens; „als hij de geschikste persoon ware, om voor de geheele wereld te prediken en al hare bewoners te zamen waren vergaderd, en hij den hoogsten berg tot een predikstoel had en over eene stem als het geluid van de bazuin des Archangels beschikken kon, hij geen ander tekstwoord kiezen zou, als dat in Ps. 4 : 3. „hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen liefhebben?quot; En hij had reden voor die gedachte.

Wie \'s menschen jagen naar het vergankelijke gadeslaat, en aan loon in dien weg verkregen denkt; wie in de weegschaal ter eener zijde de vreugde en ter anderer zijde de droefenissen legt, zooals beiden bij de aanbidding van het stof ten deel vallen, zal spoedig zien, dat de winst in de verste verte niet geëvenredigd is aan het verlies, en dos predikers woord beamen: „ijdelheid der ijdelheden, het is al ijdelheid.quot;

AVij overdrijven, meent gij? quot;Welaan dan, gij, die verklaart in waarheid te gelooven, dat alles hier beneden ijdelheid is, zeg mij, waarom gij meer tijd wijdt aan het aardsche dan aan het hemelsche, meer uwe gedachten vestigt op de dingen dezer wereld dan op Christus en het heil uwer onsterfelijke zielen ? quot;Waarom veronachtzaamt gij uwe plichten jegens God, om meer van de wereld te genieten? Waarom jaagt gij zoo ernstig naar de dingen dezes leven, terwijl gij toelaat, dat uw

-ocr page 100-

88

hart koud blijft voor God en Christus? Waarom verheft zich uw hart, als de wereld u met haren glimlach vereert en u den wierook harer hulde brengt? Waarom zijt gij zoo neergeslagen, als zij u hare afkeuring doet gevoelen? Waarom schijnt uwe vreugde vergaan, als de wonderboom van aardschen voorspoed dreigt te verwelken ?

Bedenk de onzekerheid en veranderlijkheid van alle ondermaansche dingen. \') Zij gaan even spoedig voorbij als een snelvlietenden stroom, eene schaduw, een schip, een vogel, een pijl. „Zult gij uwe oogen laten vliegen op hetgeen niets is?quot; vraagt Salomo, Spreuken 25 vs. 5. Paulus zegt, 1 Cor. 7 : 31; „de gedaante dezer wereld gaat voorbij.quot;

De aarde „hangt aan een nietquot; (Job 26 : 7). De hemel heeft een fundament. Daarom wordt Timótheüs vermaand, „om de rijken in deze tegenwoordige wereld te bevelen, dat zij niet hoogmoedig zijn, noch hunne hoop stellen op de ongestadigheid des rijkdomsquot; (1 Tim. 6 : 17). De rijkdommen, eer en genietingen dezer wereld gaan van den eenen tot don anderen, als vogelen, die van boom tot boom huppelen. De geschiedenis van Job en van Nebukadnezar kan er van getuigen. Niemand kan van zijne schatten zeker zijn. Eén storm ter zee, ééne vlam, één ontrouw vriend, één onbedachtzaam woord, één valsche getuige zou den rijksten en meest geëerden mensch plotseling een bedelaar of een gevangene kunnen maken. Al de heerlijkheden dezer wereld zijn als rook en kaf. „Het zal alzoo zijn,quot; zegt Jesaja, (hoofdst. 29 : 8) „gelijk wanneer een hongerige droomt, en ziet, hij eet; maar als hij ontwaakt, zoo is zijne

\') Rijkdommen zijn nooit hun, die er op vertrouwden, trouw geweest.

-ocr page 101-

89

ziel ledig, of gelijk, als wanneer een dorstige droomt, en ziet, hij drinkt; maar, als Lij ontwaakt, zoo is hij nog mat en zijne ziel is begoerig.quot;

Waar is al de heerlijkheid van Salomo? Waar zijn de prachtige gebouwen van Nobukadnezar ? Waar zijn de negenhonderd ijzeren wagenen van Sisera? Waar is de macht van Alexander of het gezag van Augustus, die eens schier heol de bekende wereld liet beschrijven? Hetgeen velen het meest deed schitteren, werd oorzaak, dat zij hun roem verloren. Ik denk aan Sim son\'s kracht; aan Absalom\'s schoonheid ; aan Achitófel\'s staatkunde; aan de gunst des konings, waarin Haman deelde; aan, — doch, waartoe meer ?

Wat leeren ons de vier machtige rijken der Chaldeën, Perzen, Grieken en Romeinen? Hoe spoedig gingen zij onder en werden vergeten ?

Inderdaad, die heden rijk is, kan morgen arm zijn; de schatkamers, die heden zijn gevuld, kunnen morgen leeg geplunderd zijn; de hoveling van heden, kan morgen verschoveling zijn; die heden gezond is en sterk, kan morgen verzwakt zijn en krank.

Laat deze onzekere dingen u niet terughouden van de betrachting dier heilige en hemelsche plichten, welke uwe ziel nu gelukkig kan maken, en straks, wanneer al de voorbijgaande dingen u „vaarwel voor eeuwig!quot; toeroepen, haar ook eeuwige zaligheid zal doen genieten.

Bedenk ernstig, dat vanwege de verdorvenheid des harten, de «rroote dingen dezer wereld zeer schadelijk en gevaarlijk zijn voor den uit- en inwendigen mensch. Velen worden er door van hunne rust, vrede, vertroosting en vergenoeging beroofd; anderen worden er door onderworpen aan vrees, bekommering, nijd, haat, twisten en

-ocr page 102-

90

gevaren. Dilnvijls doen zij den mensch vertrouwen in het vleesch. „Des rijken schatten zijn zyn sterke toren.quot; David zegt, Ps. 30 : 7 : „ik zeide wel in mijn voorspoed, ik zal niet wankelen in eeuwigheid.quot; Rijkdomraen doen het hart dikwijls zwellen van ijdelen trots, en God, den Rotssteen onzer zaligheid, vergeten en verlaten. „Als Jeschurun vet werd,quot; zegt Mozes, Deut. 32 : 15, „sloeg hij achteruit; (gij zijt vet, gij zijt dik, ja met vet overdekt geworden!) en hij liet God varen. Die hem gemaakt heeft en versmaadde den Rotssteen zijns heils !quot; Hoe veel tijd, gedachten en krachten worden er verspild met de dingen dezes levens! Zij verhinderen den geest om geloof op Grod te oefenen; zij beletten zalige gemeenschap met God: zij verkoelen de liefde voor Hem en den naaste, en verleiden ons, om hen, die naar Gods wil niet vragen, na te wandelen. De rijkdommen dezer wereld verstikken het woord, zoodat de ziel geheel ledig blijft onder het gehoor van de meest hart-doorzoekende en ontdekkende predikingen. Ach, waar de beurzen vol goud zijn, zijn de harten vaak ledig aan genade!

Koning Hendrik de Vierde vroeg den Hertog van Alva, of hij do zonsverduistering, die toen plaats gevonden had, had waargenomen? „i^een,quot; antwoordde deze, „ik heb te veel te doen met de aarde, om naar den hemel te zien.quot; Och, hoe teekent dit woord de belijders van Christus in onze dagen! Pijnlijk is de gedachte, maar hunne harten zijn zoo vervuld met de dingen des aardschen levens, dat zij nauwelijks tijd hebben op te zien naar Boven of te denken aan Christus en wat tot hunnen eeuwigen vrede dient.

Het is met de rijkdommen, schoon eerlijk verkre-

-ocr page 103-

91

gen, als met het manna: die weinig hadden vergaderd, hadden geen gebrek, en die veel hadden vergaderd, hadden er geen voordeel van.

In de meening van bloemen te plukken, strekt men de handen uit naar de doornen der wereld. Door haren valschen schijn worden duizenden betooverd; zij weven een schoonen draad, die straks in doodsangst doet stikken.

Bedenk, dat al de zaligheid dezer wereld gemengd is; ons licht is gemengd mot duisternis; onze vreugde met droefheid; onze genietingen met pijn. Hadden wij slechts een scherpziend geestelijk oog, wij zouden bemerken, dat in de vreugde dezer wereld onze wijn met water, onze honig met gal, onze suiker met alsem gemengd is en onze rozen vol doornen zijn. Droefheid vergezelt aardsche vreugde; gevaar aardschè veiligheid. Met betrekking tot aardsche dingen zijn alle menschelijke verwachtingen ijdel. De wereld kent eigenlijk geene vreugd, wel pret, dat is afleiding, verstrooiing. Hare vreugde is gelijk aan een stroovuur, eene groote vlam, maar weinig kracht; aan een Geyser, waar het kokende water uit de diepte opborrelt, maar het koude IJsland toch niet verwarmt; aan een Tantalusstroom, die op het oogenblik der verkwikking deinst en wijkt.

Tracht naar kennis en verzekerheid van betere dingen. Wanneer de hemel het doel van ons streven is, zal de aarde weldra gering zijn in onze schatting. De bekendheid met en de verzekerdheid van iets beters verhief den geest der heiligen van ouds boven het stof en deed hen de schoonheid en heerlijkheid dezer wereld met voeten treden. „Zij namen de rooving hunner goederen met blijdschap aan, wetende, dat zij in zich

-ocr page 104-

92

zeiven een beter en blijvend goed in do hemelen hadden.quot; (Hebr. 10 en 11.) „Zij verwachtten eene stad, die fundamenten heeft, welks Kunstenaar een Bouwmeester Grod is. Zij waren begoerig naar een beter Vaderland, dat is, naar hot hemelseho. Zij hielden zich vast als ziende den Onzienlijke, want zij zagen op de vergelding des loons.quot; Daarom achtten zij al de grootheid en heerlijkheid dezer wereld te gering, om er hunne harten op te zetten. Men kan slechts zich vergapen aan de wereld, zoolang men onbekend is met iets beters. Men at eikels, eer men tarwe kende.

quot;Wist men slechts, wat het zegt met God verzoend en bevriend te zijn; een witten keursteen te ontvangen en daarop een nieuwen naam geschreven, welken niemand kent, dan, die hem ontvangt, (Openb. 2 : 17); had men slechts een voorsmaak van den hemel en de levende hoop daar eenmaal te zullen wonen, hoe gemakkelijk zou men dan de wereld onder de voeten kunnen treden.

Het was een voortreffelijk gezegde van Lodewijk van Beijeren, keizer van Duitschland : „slechts zulke dingen zijn waard, dat men er zich moeite voor getroost, om ze deelachtig te worden, die bij eene schipbreuk niet zullen zinken of weggespoeld worden, maar met hun bezitter zwemmen.quot;

Er zijn goederen van don troon der genade, welke zijn: God, Christus, do IT. Geest, de aanneming tot kinderen, do rechtvaardiging, de vrede bij God, enz.; er zijn ook goederen van de voetbank van dien troon, zooals: eer, rijkdommen, gunst der menschen en velerlei gemakken en vertroostingen dezes levens. quot;Wie nu bekend is met en verzekerd van de goederen van dien troon, zal die van de voetbank op den rechten, dat is op lut-telen prijs kunnen schatten.

-ocr page 105-

93

Toen Basilius geld en bevordering werd aangeboden, zeide hij: „geef mij geld, dat altijd duren zal; heerlijkheid, die nooit zal verwelken; want de gedaante dezer wereld gaat voorbij, gelijk de wateren eener rivier voorbij eene stad stroomen.quot;

Och, laat uw hart uitgaan naar de groote dingen der eeuwigheid, die u vreugde zouden geven in het leven, vrede in het sterven en eene kroon der rechtvaardigheid op den dag van Christus\' verschijning iu heerlijkheid. Dan zoudt gij u kunnen verheffen boven al de schoon heid en praal dezer betooverendo wereld. Zoodra iemand toch verzekerd wordt, dat hij de kroon en schepter en vorstelijke kleederen dragen zal, verliezen ook de dingen, waaraan hij vroeger groote waarde hechtte, hun gloed in zijne oogen. Zoo zal ook de zekerheid groote en heerlijke dingen in Christus te bezitten, eene heilige versmading in de ziel verwekken van al de nietige, beuzelachtige dingen, die zij vroeger boven God, Christus eu don hemel had gewaardeerd.

Bedenk ernstig, dat de genieting van eenig wereldsch goed geene ware verzadiging des harten geeft. Ware gelukzaligheid is te groot en te heerlijk, dan, dat zij in iets buiten God zou kunnen worden gevonden. God is des Christens hoogste goed. De gezegende engelen genieten volmaakte gelukzaligheid en nochtans hebben zij goud noch zilver, juweelen noch eenige heerlijkheid dezer wereld. Indien gelukzaligheid in deze dingen te vinden ware, zou de He ere Jezus, die de rechtmatige Erfgenaam van alles is, zeker Zijne wieg (eene kribbe) voor eene kroon; Zijne geboortekamer (een stal) voor een vorstelijk paleis; Zijne armoede voor weelde; Zijne geringe volgelingen voor schitterende hovelingen;

-ocr page 106-

94

en Zijne sobere spijzen voor de keurigste gerechten verwisseld liebben. Men kan deze dingen naar hartelust genieten en toch voor eeuwig rampzalig zijn. Men kan als Farao groot en toch zonder genade zijn; als Saul geëerd en doemwaardig; als Haman rijk en ellendig. Derhalve kan de zaligheid niet in deze dingen zijn. Hoe zou de zaligheid kunnen bestaan in dingen, die den mensch op zijn sterfbed niet kunnen vertroosten. \') Kunnen eerbewijzen, rijkdommen, of vrienden u in uwe stervensure troosten? Zij kunnen niet eens ons de gezondheid, kracht, gerustheid, of ook slechts één uur van verkwikkenden slaap bezorgen.

Nog eens: geen ondermaansche dingen kunnen de begeerte der ziel bevredigen. Wie het geld liefheeft, blijft naar vermeerdering zijner inkomsten dorsten. Het aardsche goed kan ons doen zinken, maar verzadigen niet.

Alleen het bloed van Christus, de getuigenis van Zijnen Geest, een levendig besef van Zijne liefde en gunst en de hoop om eeuwig met Hem te zijn, kunnen de ziel in waarheid bevredigen.

Bedenk ernstig, welk eene waarde de ziel des men-schen heeft. Zij is meer waard dan duizend werelden. Zij kan zich nooit meer verlagen, dan wanneer zij zich vergaapt aan eene verwelkende heerlijkheid, terwijl zij in staat is gemeenschap te houden met God in Christus en eene eeuwige heerlijkheid te genieten. Seneca kon zeggen: „ik ben te groot en voor te groote dingen geboren dan, dat ik een slaaf van mijn lichaam zou zijn;quot; zeg gij dan toch: „mijne ziel is te groot en voor te groote dingen

(1 Gregorius de Groote placht te zeggen: „De armoede des menschen bestaat niet in gemis aan geld, maar in gemis aan genade.quot;

-ocr page 107-

95

geboren, dan dat zij gekluisterd zou zijn aan het stof.quot;

Wij hebben te uitvoeriger stil gestaan bij de quot;wijze, waarop wij ons tegen deze gevaarlijke list van Satan te wapenen hebben, omdat deze list vooral vaak doel treft en de zielen onberekenbare schade aanbrengt. Toch kunnen wij niet eindigen, zonder met een kerkvader te wenschen, dat Salome\'s woorden: „Toen wendde ik mij tot al mijne werken, die mijne banden gemaakt hadden en tot den arbeid, dien ik werkende gearbeid had: ziet het was al ijdelheid en kwelling des geestes; en daarin was geen voordeel onder de zon,quot; (Pred. 2 : 11) geschreven waren op de posten der deuren, die gij steeds ingaat; op de tafels, waaraan gij plaats neemt; op de borden, waaruit gij uwe spijze eet; op de koppen, waaruit gij drinkt; op de bedsteden, waarop gij slaapt; op de muren der huizen, die gij bewoont; op de kleederen, die gij gebruikt; op de hoofden der paarden, die gij berijdt; en op de voorhoofden van allen, die gij dagelijks ontmoet, opdat uwe zielen niet door de schoonheid en heerlijkheid der wereld worden verhinderd in die heilige en hemelsche werkzaamheden, welke zegen in dit leven en zaligheid na den dood aanbrengen. Gelukkig, driewerf gelukkig, bij, die zijn laatsten adem uitblaast in den boezem van Hem, Die eeuwig leeft en Die volkomene en storelooze zaligheid schenkt, aan wie de geestelijke en eeuwige goederen van Christus verkiest boven de^ tijdelijke en voorbijgaande dingen dezer wereld.

Eene tweede list van Satan, om zielen van heilige plichten en godsdienstige betrachtingen af te houden, is: haar het gevaar, de schade en het lijden, daaraan ver-

-ocr page 108-

96

bonden, voor te houden. Door deze list liield Satan geloovigen terug van het belijden. „Nochtans geloofden ook zelfs velen uit de oversten in Hem; maar om der Farizeën wil beleden zij het niet, opdat zij uit de Synagoge niet zouden geworpen worden.quot; (Joh. 12 :42.)

Menigeen zegt: „Ik zou in alle wegen Gods wandelen en mij geheel onderscheiden van de wereld, zoo ik niet vreesde in dien weg tijdelijk verlies te lijden en allerlei onaangename en pijnlijke ontmoetingen te hebben.quot; Hoe moet ieder zich derhalve wapenen tegen deze verzoeking en dezen strik van den Satan!

Bedenk, dat al de moeiehjkheden en droefenissen, die u op den weg der gerechtigheid overkomen, u niet in werkelijkheid kunnen schaden. „Wie is het, die u kwaad doen zal, indien gij navolgers zijt van het goede?quot; (1 Petr. 3 : 13.) Zelfs het natuurlijk geweten kan niet anders dan hulde bewijzen aan het beeld van God, gedrukt op de woorden en handelingen der godzaligen, zooals o. a. blijkt uit het gedrag van ïfebukadnezar en Darius jegens Daniël. Alle wederwaardigheden, die den mensch op den weg der gerechtigheden overkomen, kunnen hem van zijne schatten niet berooven. Uitwendige bezittingen kunnen hem ontnomen worden, maar hij heeft onvervreemdbare bezittingen, de gunst en nabijheid van God; vergeving van zonde, blijdschap in den Geest, vrede des gewetens en wat dies meer zij. Deze schatten kan Jezus alleen schonken en niemand dan Hij kan ze ontnemen. quot;Waarom zou dan een Christen worden teruggehouden van den weg der godzaligheid? Zou hij de stormen vreezen, wiens schatten veilig zjjn in de handen eens Vriends? De schatten der geloovigen zijn altijd veilig in de handen van Christus; zijn leven, zijne

-ocr page 109-

97

ziel, zijne genade, zijne kroon, alles is in de hand van Christus. „Ik weet, Wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd, dat Hij machtig is mijn pand, bij Hem weggelegd, te bewaren tot dien dag,quot; zegt de apostel, 2 Tim. 1 ; 12.

De kostelijkste bezittingen eens kinds zijn hot veiligst in de hand dos vaders, zoo zijn ook onze zielen en hare genade veilig in de hand van Christus.

Bedenk, dat andere kinderen Gods, die hier op aarde hebben geschitterd als lichten, en nu in don hemel zegevieren, in dc betrachting van de plichten dor godzaligheid hebben volhard, niettegenstaande al de moeielijk-hedon, waarmede zij te worstelen hadden en de gevaren, die hen omringden. ]) Nehemia en Ezra werden aan alle zijden bedreigd, nochtans gingen zij voort met den tempel en Jernzalems muren te bouwen. Zoo ook bleven Daniël en zijne vrienden, ofschoon door niemand aangemoedigd en onder veel tegenstand, den Heerc aankleven, en in Zijne wegon wandelen. „Hoewel zij,quot; om met den dichter van Ps. 44 te spreken, „verpletterd werden in eene plaats van draken, en met eene doodsschaduw bedekt; hoewel zij geacht werden als slachtschapen, is hun hart niet achterwaarts gekeerd, noch hun gang geweken van Gods pad.quot; (Ps. 44 : 19—20.)

En Paulus en de andere apostelen, hoewel wetende, dat hun banden en verdrukkingen in allo plaatsen te wachten stonden, hielden aan in het werk en den dienst huns Hoeren. quot;Waarom zoudt gij dan hun heilig voorbeeld niet volgen? Voorwaar dat volgen is

*) De martelaar W. Flower zeide: „de hemel zal eer nedervallen, eer ik zal ophouden Christus te belijden.quot; Sanctus riep uit, terwijl hij schier ongeëvenaarde martelingen moest verduren: „Ik ben een Christen.quot; Geene folteringen konden hem den dienst des Heeren doen verlaten. En op welk eene groote wolk van getuigen zou kunnen worden gewezen.

7

-ocr page 110-

98

niet slechts uwe plicht, maai\' ook uwe heerlijkheid.

Bedenk, dat al de moeielijkheden en gevaren aan do betrachting van heilige plichten verhonden, slechts tijdelijk zijn, zelfs van zeer korten duur; maar, dat derzelver verzuim u zou blootstellen aan tijdelijke en eeuwige gevaren beiden. „Hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zoo groote zaligheid geen acht geven?quot; (Ilebr. 2 : 3.) De apostel zegt niet: „als gij zulk ecne groote zaligheid verwerpt, of daarvan afstand doet,quot; maar, als gij daarop geen acht geeft, d. i.: „als gij die minacht, of er niet om geeft,quot; Er zal dan geen weg, geen middel in de wereld zijn, om do goddelijke gerechtigheid te ontvlieden. Do betrachting van godsdienstige plichten moge blootstellen aan de afkeuring der menschen, wie ze daarom verzuimt, ervaart het ongenoegen Gods; door ze te betrachten, zou men tijdelijke goederen kunnen verliezen, maar door ze niet te betrachten. God, Christus en den hemel voor eeuwig kunnen derven. In het eerste geval zou een kortstondig genot worden gemist, maar in het tweede geval die gadelooze heerlijkheid, waarvan gezegd wordt, dat „geen oog haar gezien, geen oor haar gehoord heeft en die in des menschen hart niet is opgekomen.quot;

Bedenk ook, hoe God weet door moeielijkheden uit moeielijkheden, door gevaren uit gevaren, door drocfe-nissen uit droefenissen te redden. Door de toezending van kleine moeielijkheden weet Hij Zijn volk van grootere te verlossen, zoodat het telkens openbaar wordt, hoe wijselijk Hij alles weet te beschikken. God regelt de wederwaardigheden, die den Zijnen op den weg der gerechtigheid overkomen, zóó, dat zij ten slotte moeten getuigen: „Gij hebt alles wel gemaakt.quot;

-ocr page 111-

99

Van hoeveel vleeschehjke verzekerdheid, hoogmoed, vormelijkheid en lauwheid in Zijn dienst, vitzucht en wereldsgezindheid heeft Hij de Zijnen genezen, door hen in den weg, dien zij naar Zijnen wil bewandelen en in Zijn dienst staan, te doen lijden en aan allerlei beproevingen bloot te stellen? Gij hebt gelezen van dien godzaligen man, die reeds plaats genomen had op een voor Frankrijk bestemd vaartuig, maar die door zijn been te breken, verhinderd werd de reis mode te maken en latei-vernam, hoe hij aan het verderf der schipbreuk was ontkomen. Zoo breekt de Ileere menigmaal do beenen der Zijnen, opdat ILj hunne zielen voor eeuwig zou behouden. Hij geeft hun bittere artsenijen om hunne geestelijke kwalen te genezen. Dat dan geen gevaar, hoe dreigend, geene ellende, hoe groot, ons verhindere onzen plicht te betrachten!

Bedenk ten laatste nog, dat gij in den dienst van God getrouwelijk wandelende, ondanks al de moeielijkheden, die zich daarin voordoen, meer zult gewinnen, dan gij er bij mogelijkheid in kunt verliezen. „De godzaligheid is een groot gewin.quot; (1 Tim. 6 : 6.) Welk eene vreugde, vrede, vertroosting en nut genieten de geloovigcn op den weg der gerechtigheid! Zij ondervinden, dat de godsdienst geen ledige klank is, maar eene kracht; een dienst, waarin de Heere behagen heeft, en waarin Hij zich in Zijne dierbaarheid en heerlijkheid aan de zielen openbaart. \')

David zegt (Ps. 63 ; 1 en 2): „Mijne ziel dorst naar U. Voorwaar, ik heb U in het heiligdom aanschouwd,

1) In zijn boek aan martelaren zegt Tertuliaan te recht sprekende van het lijden der Christenen, waarin het vleesch iets verloor, maar de geest daarentegen won, „dit is de beste koophandel, die meer gewin aanbrengt dan men heeft prijs gegeven.quot;

-ocr page 112-

100

ziende Uwe sterkheid en Uwe kracht.quot; Wie kan ten volle beschrijYen do vriendelijke blikken, woorden en wenken des Tleeren, Zijne troostrijke openbaringen en levendmakende invloeden aan de zielen dergenen, die in den weg der getrouwheid op Hom wachten?

Wie deze geestelijke ervaring, „de bevinding der heiligen,quot; kont, zal ze hooger schatten dan al de heerlijkheid dezer wereld, en in dit genot rijke belooning vinden voor al het goledene en het te lijden kwaad. Onder al hunne wederwaardigheden kunnen de heiligen zeggen, dat zij spijze te eten en drank te drinken hebben, die de wereld niet kent. Laat de Christen slechts zijne tijdelijke verliezen vergelijken bij zijne geestelijke, inwendige en eeuwige winsten en hij zal zien, dat hij voor eiken penning, in \'s Hoeren dienst verloren, een goudstuk heeft gewonnen.

Och, als de lieden dezer wereld wisten, wat de heiligen zelfs in hunne donkerste dagen genieten, dan zouden zij de ketenen van Manasse verkiezen boven zijne kroon. Voor hunne lichte verdrukkingen zullen zij een gansch zeer uitnemend, eeuwig gewicht der heerlijkheid hebben; voor de droefheid van oogenblikken \'), eene eeuwige vreugde.

Een martelaar zeide tot een medegevangene om Christus\' wil: „nog slechts een oogwenk en gij zult in den hemel zijn.quot; Zoo is het. Laat dan geene wederwaardigheden u den weg des Hceren doen schuwen. Dierbaarder dan de wereld, ja, dan uw leven, zij en blijve u de dienst des Heeren!

1) Het kruis moge zwaar drukken, het zal slechts kort op de schouders rusten. Een martelaar zeide van de vervolgingen van Juliaan: „een kortstondige storm, waarop eene eeuwige kalmte volgen zal.quot;

-ocr page 113-

101

Eene derde list van Satan, om zielen van heilige plichten en godsdienstige betrachtingen af te houden, is: haar de moeiehjkheid daarvan voortestellen.

Satan zegt; „het is zwaar en hoogst moeielijk in den geest te hidden, altijd op God te wachten, nauwgezet met Hem te wandelen, en zóó levendig, opgeruimd en volhardend in gemeenschap met de heiligen te zijn, als dit is voorgeschreven; liet is tienduizendmaal beter dit alles te verzuimen dan er u mede in te laten.quot;

Deze list gelukt maar al te dikwerf.

Wapen er u tegen.

Vestig daartoe uwe aandacht meer op de noodzakelijkheid van den dienst dos Hoeren dan op de moeiclijk-heden er aan verbonden. Ga op deze of dergelijke wijze met uwe ziel te rade: „O, mijne ziel! hoewel de roeping van Gods kinderen zwaar is, ze is noodzakelijk voor de eere Gods en de bekendmaking van Zijnen Naam in deze wereld. Door aan haar getrouw te zijn, worden dc zonden wederstaan en de genadegaven gesterkt; in dien weg worden kwijnende vertroostingen verlevendigd en treden de gezegende bewijzen van uw zaligmakend geloof in het helderste licht. Allo zondige vrees wordt verzwakt en uwe hope verlevendigd; do harten der godzaligen worden verblijd en de mond dor goddeloozen, die elke gelegenheid te baat nemen, om den Naam des Hoeren te lasteren en met minachting te spreken over den weg, dien Zijn volk bewandelt, gestopt.quot;

Bedenk ernstig, dat de Heere Jezus het volgen van Hem gemakkelijk zal maken door de liefelijke openbaringen van Zichzelven aan uwe ziel. „Gij ontmoet den vroolijke en die gerechtigheid doet, degenen, die Uwer gedenken op Uwe wegen,quot; zegt de profeet Jesaja. (Jes.

-ocr page 114-

102

64 : 5.) Indien gij aan de ontmoeting met Grod, in Wiens gemeenschap alle heil, allo zegen is opgesloten, niet alles hebt, dan zal niets in den hemel, of op aarde n tot Zijnen dienst bewegen. Als de liefde van Rachel voor Jakob den harden dienst van Laban vreugde kon doen zijn, hoeveel te meer zal dan de Christen bij het genot van de liefde des Heeren Diens dienst een vreugdevol-len noemen. Of, twijfelt gij ? De Heere zal de ziel zoo liefelijk ondersteunen, dat Zijn dienst, ook, waar die inderdaad voor hot vleesch zware offers vraagt, wel verre van tot droefheid te stemmen, doet opspringen van vreugde; geen last is, maar een lust; niet gedwongen, maar vrijwillig; een vervroegde hemel op aarde.

Het vertrouwen op \'s Heeren bekwaammakende genade deed Nehemia zich verheffen boven alle moeielijk-heden en teleurstellingen, die hij telkens ondervond \'). Zoo lezen wij, in Zyn bock, (Neh. 2:19, 20) dat, toen Sanballat en Tobia en Gesem hem tegenstonden, hij hun ten antwoord gaf; „God van den hemel zal het ons doen gelukken en wij, Zijne knechten, zullen ons opmaken en bouwen.quot; Nehemia staat niet alleen. Integendeel, wie het werk des Heeren doet, zal worden ondersteund en bekrachtigd; het moeielijkste kan dikwerf zelfs blijmoedig worden verricht. De Heere zal kracht geven naar het werk, dat Hij te doen geeft en Zijne hulpe schenken, naarmate die wordt behoefd.

1) Melanchton, die door twijfelingen en moeielijkheden en vrees voor zijne vijanden soms zóó ontmoedigd kon worden, dat hij wilde afzien van het werk, dat hij ondernomen had, werd eens door Luther op de volgende wijze quot;berispt: „als het werk niet deugt, waarom hebben wij het dan begonnen; als het een goed werk is, waarom zouden wij er dan van afzien ? Waarom zouden wij, die Christus, den Overwinnaar, aan onze zijde hebben, de overwonnen wereld vreezen?quot;

-ocr page 115-

103

Vestig uw oog op het leven en lijden van Jezus Christus, op den arbeid van Hem, Die om uwentwil zoo onuitsprekelijk veel heeft doorstaan. Ach, wolk eene zee .van jammeren heeft Hij moeten doorwaden, om u eeuwig heil te verwerven \').

Christus heeft niet geweigerd om het kruis te dragen, wijl het zoo zwaar was, of den toorn te verduren, wijl hij zoo ontzaglijk was; Hij wees den bitteren lijdenskelk niet af. Neen, Zichzelf volkomen bewust, gaat Hij, vastberaden als een held voort van schrede tot schrede. Jesaja voert Hem sprekende in: „Do Heere Heereheeft Mij het oor geopend en Ik ben niet woderspannig; Ik wijk niet achterwaarts. Ik geef Mijnen rug dengenen, die Mij slaan en Mijne wangen dengenen, die 3lij het haar uitplukken; Mijn aangezicht verberg Ik niet voor smaadheden en speeksel.quot; (Jos. 50 : 5 en 6.) O, denk aan den Christus, Die niet terugdeinsde voor \'s Vaders toorn, den last uwer zonden, de boosheid van den duivel en de woede der wereld, maar gemoedigd liep de loopbaan Hem voorgesteld. Kan deze biddende overweging u niet verheffen boven allo teleurstellingen, die gij moot ondervinden, en u in staat stellen Christus volhardend te volgen, — dan is het te vreezen, dat gij er door niets anders toe te bewegen zult zijn. Do waarlijk geloovige ziel ervaart de aantrekkingskracht van het kruis, maar ook do kracht, die van den Gekruisigde uitgaat en gevoelt den liefdedrang tot Hom, Die het eerst hooft liefgehad, Die tot het vragen naar Zij non wil en het doen van Zijne geboden brengt.

1) Zanchius zeide: „het is niet betamelijk, nu het Hoofd met doornen gekloond is de leden met rozen te sieren,quot;

-ocr page 116-

104

Overweeg, dat heilige oefeningen alleen bezwaarlijk zijn voor liet vleesch, niet voor de ziel en hare geheiligde genegenheden. Zij zijn veeleer eene hemelsche vreugde. Paulus betuigt: „ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mensch. Met het gemoed dien ik do wet Gods; maar met het vleesch de wet der zonde.quot; (Hom. 7 : 22 en 2G.)

Al de geboden en wegen van Christus; zelfs die, welke het uitplukken van rechter oogen en afhouwen van rechter handen eischen, zijn vreugdevol voor het edele deel dei-heiligen. De geloovige is in den besten toestand, als bij meest van God ziet en smaakt; als hij het hoogste genot in Hem heeft en het meest opgewekt en levendig is in Zijnen dienst. Dan wenscht hij innig, dat het altijd zoo met hem mocht blijven, en hij, onafgebroken den ouden mensch door den Geest doodend, onvermoeid bezig blijve in den dienst des Heeren, die hem een genot en een paradijs is.

Denk ernstig aan de heerlijke belooning voor hen weggelegd, die ondanks alle moeiehjkheden en zooveel, wat ontmoedigen zou, aan den dienst des, Heeren verkleefd blijven. Hot werk moge zwaar zijn, de belooning is groot. De avond kroont den dag. De hemel zal alles vergoeden. Ja, een uur in den hemel zal „het volstandig blijven ten einde toequot; rijkelijk vergelden \').

Deze overweging deed den apostel de grootste moeielijk-heden verduren: „hij zag op de vergelding des loons;

*) Basilius zegt van eenige martelaren, dat zij den geheelen nacht, vóórdat zij verbrand zouden worden, naakt aan de koude en mist blootgesteld zijnde, elkander vertroosteden met deze woorden: „de winter is scherp, maar de lente in het paradijs zal zoet zijn; nu beven wij van koude, maar in Abraham s schoot wordt alles vergoed.quot;

-ocr page 117-

105

hij verwachtte de stad, die fundamenten heeft, welks Kunstenaar en Bouwmeester God is; hij begeerde een hemelsch vaderland.quot; (Hebr. 11 ; 10, 16, 26).

Ook Jezus heeft dit vooruitzicht bemoedigd. „Ziende,quot; zegt Paulus, „op den oversten Leidsman en Voleinder des geloofs, Jezus, Dewelke voor de vreugde, die Hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en de schaude veracht en is gezeten aan de rechterhand dos troons van God.quot; (Hebr. 12 : 2.)

Wie in den dienst des Heeren wil volharden, moet meer op den troon dan op het kruis zien; meer op de toekomende heerlijkheid dan op de tegenwoordige ellende; meer op, wat aanmoedigt, dan op, wat ontmoedigt; God te dienen is reeds eene belooning.

Elke geloofsdaad wordt met vertroosting bekroond, gelijk de hitte het vuur vergezelt en de zou schijnsel geeft. De dichter zegt terecht: „Ook wordt Uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is groote loon.quot; (Ps. 19 : 12). Niet «oor, maar in het houden van die is yroote loon. De verkwikkingen, de vertroostingen, de vrede, de vreugde, die do geloovigen in Gods wegen genieten, zijn in hunne oogen zoo kostelijk, zóó heerlijk, dat zij ze niet voor tien duizend werelden zouden willen verwisselen. O, als de eerstelingen reeds zoo liefelijk zijn, hoe heerlijk zal dan de oogst zijn! Hoe heerlijk zal de kroon zijn, waarmede Christus de Zijnen zal kronen, die getrouw zullen zijn gebleven tot in den dood! Het genot in de woestijn doet groote gedachten koesteren van de vreugde in het beloofde land.

Eene vierde list van Satan, om zielen van heilige plich-

-ocr page 118-

106

ten en godsdienstige betrachtingen af te honden, is; haar verkeerde gevolgtrekkingen te laten maken van den gezegenden Middelaarsarbeid van Christus.

Zoo zegt hij; „omdat Jezus Christus alles voor de Zijnen gedaan heeft, hebben zij slechts verblijd te zijn. Hij heeft hen volkomen gerechtvaardigd, de wet voor tien vervuld en der Goddelijke gerechtigheid genoeg gedaan ,en is als hun\' Plaatsbercider naar den hemel wedergekeerd, waar Hij met Zijne voorbede steeds voor hen voortreedt bij den Vader; daarom hebben zij niet meer te treuren over hunne zonden, en het zoo nauw niet te nemen met de opkomst tot de verkondiging des Woords, het gebed en do waarneming van andere genademiddelen.quot;

Och! hoevele belijders van Christus heeft Satan van godsdienstige werkzaamheden afgehouden door hen zulke droevige, buitensporige gevolgtrekkingen uit de liefelijke en heerlijke dingen, die de Heere Jezus voor Zijn volk gedaan heeft en doet, te laten maken.

quot;Wit gij er u tegen wapenen?

Overdenk de Schriftplaatsen, die u op de voorschriften des Evangelies wijzen, even ernstig als die, waarin gij gewezen wordt op den dierbaren Middelaarsarbeid van Jezus Christus. Het is droevig en gevaarlijk wel te zien op onze voorrechten in Hem en niet op den dienst, dien Hij van ons vraagt.

Het rechte zien op Jezus is een zien, op wat Hij voor ons deed en doet, maar zóó, dat ons hart Zijne liefde erkent, verheft en met de levendigste en zaligste wedermin beantwoordt; m. a. w. zóó, dat wij met toewijding vragen naar Zijnen wil.

Laat ik u eenige dier bedoelde teksten noemen:

-ocr page 119-

107

„Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is van den Heiligen Geest, Die in u is. Dien gij van God hebt, en dat gij uws zelfs niet zijt? Want gij zijt duur gekocht, zoo verheerlijk\' dan God in uw lichaam en in uwen geest, welke Godes zijn.quot; (1 Cor. 8 : 19 en 20) „Zoo dan, mijne geliefde broeders! zijt standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig zijnde in het werk dos Heeren, als die weet, dat uw arbeid niet ij del is in den Heere.quot; (1 Cor. 15 vs. 58) „Doch laat ons, goeddoende niet vertragen.quot; (Gal. 6 : 9) „Verblijdt u te allen tijd. Bidt zonder ophouden.quot; (1 Tiiess. 5 : 16, 17) „Werkt uw zelfs zaligheid met vreeze en beven.quot; (Filipp. 2 : 12). „Laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken.quot; (Hebr. 10 : 24).

Wie zich niet wil laten verleiden door den Booze moet niet lichtvaardig over deze en dergelijke teksten heen lezen, maar ze ernstig overdenken, en in zijn hart bewaren. Wie biddend de Schrift ten vraagbaak stelt, zal Christus en Zijnen dienst aankleven, waar anderen, onder den schijn van innige belangstelling in den arbeid des Heilands, Hem don rug toekeeren.

Bedenk, dat inplaats de groote en heerlijke dingen, door Christus voor ons gedaan en nog te doen, ons moesten terughouden van de waarneming der godsdienstplichten, zij juist de grootste prikkels daartoe moeten zijn. Dit leert ons de Schrift schier op elke bladzijde. Misken vooral niet uitspraken als deze: „Dat wij verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, Hem dienen zouden zonder vreeze, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen onzes levensquot; (Luk. 1 ; 74, 75.)

Christus heeft u verlost van al uwe vijanden, van

-ocr page 120-

108

den vloek der wet, de overlieerschende, veroordee-lende macht der zonde, den toorn Gods, den prikkel des doods en de pijnigingen der hel; — maar, met welk doel? Immers, opdat uwe liarten verruimd zouden zijn en gij een zoet genot zoudt smaken in den dienst van God \'). De apostel herinnerende aan de groote voorrechten der geloovigen, zegt: „Dewijl wij dan deze beloften hebben, geliefden! laat ons onszelven reinigen van alle besmetting des vleesches en des gees-tes, voleindigende de heiligmaking in de vreeze Gods.quot; (2 Cor. 7 : 1.) En (Tit. 2 : 11/14): „Want de zaligmakende genade Gods is verschenen aan alle menschen, en onderwijst ons, dat wij de goddeloosheid en de wereldsche begeerlijkheden verzakende, matig, en rechtvaardig en godzalig leven zouden in deze tegenwoordige wereld; verwachtende de zalige hoop en verschijning der heerlijkheid van den grooten God en onzen Zaligmaker, Jezus Christus, Die zich voor ons gegeven heeft, opdat Hij ons zou verlossen van ongerechtigheid, en Zichzelven een eigen volk zou reinigen, ijverig in goede werken.quot;

Er bestaat geen krachtiger prikkel, om Gods kinderen tot eene blijmoedige en aanhoudende betrachting van heilige werkzaamheid aan te sporen, dan die ontleend wordt aan het feit van Christus\' zelfopofferende liefde en Zijne onbezweken trouw. quot;Wat do verschrikkingen van het helsche vuur niet kunnen teweegbrengen, kan de

^ \'s Menschen zaligheid op aarde bestaat in een Gode gewijd leven, en zijne zaligheid in den hemel zal in heiligheid zijn. Christus heeft Satan\'s juk van de halzen der Zijnen genomen, opdat hunne harten zich zouden buigen onder het juk Zijns Vaders.

-ocr page 121-

109

biddende bepeinzing van de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat.

Bedenk ernstig, welk een heerlijk voorbeeld vele ontslapene geloovigen gegeven hebben. Der heiligen zinspreuk in alle eeuwen is geweest: „altijd werkzaam.quot; Luther zegt: „God bemint den looper, niet den vragerquot;, (twister.)

Hoe lief had David de binnenkamer en het lofzingen van \'s Heeren Naam: „Ik loof IJ,quot; zegt hij, „zevenmaal des daags over de rechten Uwer gerechtigheidquot; (Ps. 119 ; 164.) Wie overtreft dien man naar Gods harte in het onderzoeken en bepeinzen van het Woord? „Hoe lief,quot; zegt hij, „heb ik Uwe wet! zij is mijne betrachting den ganschen dag.quot; (Ps. 119 vs. 87.)

En nu sprak ik nog niet van Jakob, Mozes, Job, Daniël en de overige profeten, noch van de apostelen, die ook gevonden werden in de gerechtigheid van het kruis en allen overvloedig zijn geweest in werken der godzaligheid tot roem van Gods genade!

De dag des gerichts nadert. Dan zal God vragen, niet, wat wij gelezen, maar, wat wij gedaan hebben; niet, wat wij besproken, maar, wat wij overwonnen hebben.

Sommigen zeggen, „wijl Christus alles voor ons,gedaan en geleden, m. a. w. alles volbracht heeft, behoeven wij niet zoo nauwgezet te zijn in het vervullen van godsdienstige plichten, als men beweert in het belang der wereld te zijn.quot;

Als zulk eene redeneering niet uit de hel is, van waar is zij dan? Waren de profeten en apostelen nog in leven en moesten zij zulke redenen hooren uit den mond dergenen, die belijden deel te hebben aan de groote dingen, die Jezus Christus voor Zijne gemeente heeft ge-

-ocr page 122-

110

daan, hoe zouden zij blozen en hunne harten met droefheid worden vervuld.

Bedenk, dat zij, die niet wandelen in de wegen der gerechtigheid, (d. i. die niet op God wachten in de betrachting der verschillende door Hem voorgeschrevene diensten,) niet in hunne harten het bewijs kunnen omdragen, dat zij gerechtvaardigd zijn, deel hebben aan God en straks den hemel zullen binnengaan. „Kinder-kensquot;, zegt de apostel Johannes, in zijn lsten brief, Hoofdstuk 3 : 7, „dat u niemand verleide; die de rechtvaardigheid doet, is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is en wederom: „Hierin zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar. Een iegelijk, die de rechtvaardigheid niet doet, is niet uit God, en die zijn broeder niet lief heeft.quot;

„Indien gij weet, dat Hij rechtvaardig is, zoo weet gij, dat een iegelijk, die de rechtvaardigheid doet, uit Hem geboren is. Die daar zegt: Jk ken Hem, en Zijne geboden niet bewaart, die is een leugenaar en in dien is de waarheid niet. Maar, wie Zijn woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden; hieraan kennen wij, dat wij in Hem zijn.

„Die zegt, dat hij in Hem blijft, moet ook zelf alzoo wandelen, gelijk Hij gewandeld heeft. Indien wij zeggen, dat wij gemeenschap met Hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zoo liegen wij en doen de waarheid niet. Maar indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, zoo hebben wij gemeenschap met elkander en het bloed van Jezus Christus, Zijnen Zoon, reinigt ons van alle zonde.quot; En Jakobus vraagt: „Wat nuttigheid is, het mijne broeders, indien iemand zegt, dat hij het geloof heeft, en hij heeft de werken niet? Kan dat

-ocr page 123-

Ill

geloof hom zalig maken? Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzoo is ook het geloof zonder de werken dood.quot; \')

De beoefening der godzaligheid is het beste middel, om bewaard te worden voor des Satans begoochelingen.

Wilt gij in u zeiven een blijvend en gezegend bewijs omdragen van uwe gemeenschap mot den Vader en den Zoon, en van de waarheid der genade en de zekerheid van uwe zaligheid hiernamaals, wees dan ijverig in het doen van Gods geboden en wend u niet af van de betrachting uwer godsdienstige plichten. De Heilige Geest is het onderpand onzer hemelsche erfenis, en die Geest schenkt liefde tot en blijdschap in don wandel waardiglijk het evangelie.

Bedenk ten slotte, dat or heerlijke doeleinden zijn, waarom de geloovigon godsdienstige plichten vervullen. Bij de waardeering der plichten dient vooral gelet te worden op het beginsel, waaruit en het dool, waartoe zij worden vervuld. Niet om eene eigene gerechtigheid te verkrijgen, maar om te getuigen van Zijne rechtvaardiging en de vernieuwing des harten; liefde is liefdes wetsteen en een goede boom brengt goede vruchten voort; om te getuigen van hunne liefde tot God en hunne oprechte gehoorzaamheid aan Zijne bevelen; te getuigen van hunne verlossing van geestelijke slavernij en van de heerlijke inwoning des Heiligen Geestes; om de wereld te beschamen en de rechtvaardigen te verblijden.

Deze en nog vele andere heerlijke doeleinden moeten

1) Heerlijke woorden maken ons niet heilig, maar een godzalig leven, een voorzichtige wandel doen ous het welgevallen Gods trekken. Een onvruchtbare boom is voor liet vuur bestemd. Het Christendom bestaat niet in spreken, maar in den wandel met God,

-ocr page 124-

112

bereikt worden door den godzaligen wandel dergenen, die in Christus Jezus liun Borg en Heiland vonden.

Als deze overwegingen u niet kunnen bewegen, om op God in de betrachting van heilige diensten te wacliten, ik vrees, dat gij u niet zoudt laten overreden, al stond zelfs daartoe een doode uit de graven op, maar dat gij u aan uwe zonden zoudt blijven vastklemmen en \'s Heeren dienst verwaarloozen, al moest gij zoo voor eeuwig verloren gaan.

Eene vijfde list van Satan, om de ziel van heilige plichten en godsdienstige verrichtingen af te houden, is: haar de armoede en droefenis voor te houden, waarmede zij te worstelen hebben, die in Gods wegen wandelen, en daarin wenschen te volharden.

„Ziet gij niet,quot; zegt Satan, „dat zij, die dien weg bewandelen, de armsten, geringsten en meest verachten dezer wereld zijn ?quot; Op deze wijze vingen de Farizeön de dienaren (Joh. 7 : 47—49): „zijt ook gijlieden verleid? Heeft iemand uit de oversten in Hem geloofd, of uit de Farizeën? Maar deze schare, die de wet niet weet, is vervloekt.quot;

Wilt gij er u tegen wapenen? Bedenk, dat de teeder levende kinderen Gods, ofschoon ook arm naar de wereld, inwendig rijk zijn. arm aan tijdelijke, rijk aan geestelijke goederen. De schijn der oogen bedriegt. Des Konings dochter is geheel verheerlijkt, inwendig.quot; Ps. 45 : 14. Jakobus vraagt op den toon der vaste verzekerdheid; „Hoort, mijne geliefde broeders! heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld, om rijk te zijn in het geloof en erfgenamen des Koninknjks, hetwelk Hij be-

-ocr page 125-

113

looft dengenen, die Hem liefhebben?quot; (Jakob. 2 : 5). En Smyrna\'s gemeente werd vertroost door den verheerlijkten Heiland: „Ik weet uwe armoede, doch gij zijt rijk.quot; (Openb. 2 : 2.) Eijk in God te zjjn, is nog iets anders, iets beters dan rijk door God te zijn.

En ofschoon de godvruchtigen weinig bezitten van het aardsche, voor hen is eene heerlijke toekomst. Zij mogen zeggen; straks I „Vrees niet, gij kleine kuddeke!quot; zegt Jezus, „want het is uws Vaders welbehagen ulieden het Koninkrijk te geven.quot; Hoewel zij weinig in banden hebben, bezitten zij veel in de toekomst. Do wereld acht reeds hen gelukkig, die rijke erfenissen in de toekomst verwachten, ook al zijn voor het tegenwoordige de zorgen dos levens bun niet vreemd; zoudt gij dan de geloo-vigen ellendig achten, omdat zij weinig bezitten, daar zij het vooruitzicht hebben van een heerlijk Koninkrijk ?

Ik ben overtuigd, dat de armste geloovige, zoo het in zijne macht ware, wat hij in hope bezit, niet zou willen verruilen voor zoovele werelden, als er sterren zijn aan het firmament of zandkorrels aan de boorden der zee.

Bedenk, dat in alle eeuwen ook kinderen Gods zijn geweest, die ruim bedeeld met aardsche goederen of toegerust met op menschelijke wijze verkregen wetenschappen, of begiftigd met wereldsche eer en aanzien onder de menschen, ondanks alle moeilijkheden, in den dienst des Hoeren hebben volhard.

Zoo niet vele, dan toch sommige wijzen, machtigen, edelen hebben den Heero gediend. quot;) Getuige Abraham, Jakob, Job en zelfs vele koningen, van wie in de

\') „Godvruclitige edelen (zegt iemand) zijn als witte raven en even schaarsch als de sterren van eerste grootte; maar toch heeft God ze in alle eeuwen gehad.quot;

-ocr page 126-

114

Schrift wordt melding gemaakt. Hoe velen zijn er ook onder ons, die den Heere dienen en alles veil hebben voor Zijn Naam en Zijne zaak.

Bedenk ernstig, dat de geestelijke rijkdommen van de armste geloovigen do tijdelijke schatten van de godde-loozen in deze wereld verre overtreffen; zij kunnen zonder wereldsche schatten en eerbe wij zingen volkomen tevreden zijn met de rijkdommen der genade, die ze in Christus genieten: „Zoo wie gedronken zal hebben van het water, dat Ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten.quot; (Joh. 4 : 14). De rijkdommen der naar de wereld arme geloovigen zijn duurzaam; zij blijven hen altijd bij: zij vergezellen hen naar de gevangenis, naar hun ziekbed, tot en over hot graf. Deze geestelijke schatten zijn als wijn, om hen te verkwikken; als brood, om hen te versterken; als klecderen, om hen te verwarmen; als wapenrustingen, om hen te beschermen. Doch, wie weet niet, dat de schatten dezer wereld de begeerten der ziel niet kunnen verzadigen? Zij zijn als eene verwelkende bloem, hunnen bezitters gelijk. ])

Bedenk, dat hoewel er in vergelijking van de we-reldlingen weinige godsdienstigen zijn, „slechts een klein kuddeke,quot; (Luk. 12 ; 32) ze toch eene ontelbare menigte vormen, zooals wij lezen in Openb. 7 : 9. „Na dezen zag ik, en ziet, eene groote schaar, die niemand tellen kon, uit alle natie en geslachten, en volken, en talen, staande voor den troon en voor het Lam, bekleed zijnde

J) Croesus was zoo rijk, dat hij uit zijne eigene inkomsten een leger kon onderhouden, nochtans viel hij met zijnen zoon, terwijl zijn groot leger geslagen werd en hebben anderen zijne schatten geërfd.

-ocr page 127-

115

met lange, witte kleederen on palmtakken waren in hunne liandon.quot;

Bedenk ernstiglijk, dat na slechts zeer weinig tijds, na eene nachtwake, als \'t ware, die verachte heiligen, die Gods eigendom zijn, helderder zullen schitteren, dan de zon, in al haren glans; spoedig zullen zij in hunne tronen gezeteld zijn, om de menigte te oordooien, zooals de apostel zegt in 1 Cor. 6 : 2. „Weet gij niet, dat do heiligen de wereld oordeolen zullen?quot; Op dien dag zullen de aaiizienlijkon en rijken, de geleerden en edelen wenschen, dat zij hot eens waren geweest on al hunne dagen hadden doorgebracht mot die weinige arme, geminachte wezens \') in den dienst des Hoeren! O, hoe zal deze hoozo wereld eens den dag vervloeken, waarop zij zulke onwaardige gedachten hooft gekoesterd van do arme heiligen, en zich beklagen, dat hunne armoede haar ten struikelblok is geweest, om haar te verhinderen de wegen dor heiligheid te bewandelen.

Een Christen-koning der oudheid, een prachtig feest bereid hebbende, gaf last, dat zijne edelen, die toen nog Heidenen waren, in eene benedenzaal zouden worden geplaatst, en dat eenige arme Christenen, in zijne zaal en wel aan zijne tafel zouden zitten.

Toen deze handelwijze velen verwonderde, rechtvaardigde hij haar, door te verklaren, dat hij Christenen, hoe arm ook, grooter sieraden achtte aan zijne tafel, en zijn gezelschap meer waardig, dan de rijkste ongeloovige edelen; want terwijl dozen in het helsche vuur zouden

1) Hoewel Johannes lt;le dooper arm was, noemt de Heere hem den grootste, die van vrouwen geboren zijn. Och, arme heiligen! wie uwe waarde niet kent, moge geringe gedachten van u hebben, maar de Heere denkt anders van u.

-ocr page 128-

116

kunnen geworpen worden, zullen genen met hem deelen in de hemelschc zaligheid.quot; Hoewrel men de sterren soms in poelen, of onreine grachten teruggekaatst ziet, zijn zij in werkelijkheid aan den hemel gevestigd. Evenzoo, hoewel wij do godzaligen soms op aarde in armoedige, ellendige omstandigheden zien, toch zijn zij in werkelijkheid gevestigd in den hemel. Zoo zegt Paulus in Efeze 2 : 6. „En heeft ons mede opgewekt en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus.quot; Allen, die weigeren den weg ten leven te bewandelen, om de armoede dergenen, die zich daarop bevinden, moesten tot zich zei ven zeggen : „de dag nadert, waarop de arme godvruchtigen in heerlijkheid zullen schitteren, waarop zij de wereld zullen oordeelen; dan zullen de onrecht-vaardigen wenschen in hunne plaats te zijn en gaarne, als het in hunne macht ware, tien duizend werelden geven, om de eer en gelukzaligheid te genieten, die zij dan deelachtig zullen worden.quot;

Bedenk, dat ook reeds in dit leven een tijd komen zal, waarin de smaadheid der Kerk zal worden weggenomen. Dan zal niet meer op smadelijke wijze van de wegen des Heeren worden gesproken.

Zij, die ten staarte waren, zullen ten hoofde worden.

Tijdelijke rijkdommen en voorspoed zullen hun deel zijn. \') De apostel Johannes in Openb. 21 de heer-

1) De volgende teksten zullen deze waarheid genoegzaam bevestigen: Jes. 31 : 12; Jes. 30 : 23 en 62 : 8, 9; Joël 2 : 23, 24 ; Mich. 4:6; Amos 9 : 13, 14; Zach. 8 : 12; Jes. 41 : 18, 19 en 55: 13 en 65 : 21, 22 en 61 : 4, 10 en Ezech. S6 : 10. Hierbij moet echter in acht worden genomen:

1°. Dat de grootste vertroosting vreugde en vrede der heiligen in deze tijden bestaat in meer heldere, volle en bestendige genieting van God; en 2° dat, waar tijdelijke zegeningen aan de heiligen geschonken worden, over hen zulke eene mate van den Geest zal worden uitgestort, dat hunne schatten en uitwendige heerlijkheid geene strikken voor hen zullen zijn, maar gouden bruggen om een rijk genot in den levenden God te hebben*

-ocr page 129-

117

lijkheid der Kerk, het nieuwe Jeruzalem, dat uit den hemel nederdaalt, beschrijvende, zegt ons: „De volken die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; vele koningen der aarde brengen hunne heerlijkheid en eer in dezelve.quot; Bij Jesaja lezen wij in Hfdst. 60 ; 9 en 17: „Want de eilanden zullen Mij verwachten, en de schepen van Tarsis vooreerst, om uwe kinderen van verre te brengen, hun zilver en hun goud met hen ... „Voor koper zal Ik goud brengen, en voor ijzer zal Ik zilver brengen, en voor hout koper eu voor steenen ijzer,quot; en in Zach. li : 14: „en hot vermogen aller Heidenen rondom zal verzameld worden, goud en zilver en klcedoren in groote menigte.quot; De Heere heeft beloofd, dat de zachtmoedigen het aardrijk zullen beërven, en, dat hemel en aarde zullen voorbijgaan, eer eene jota of een tittel van Zijn woord onvervuld zal blijven. Vreest dus niet, gij, naar de wereld, arme kinderen Gods! hoewel sommigen u nu, om uwe armoede minachten, de deur voor u sluiten, u den rug toekeeren, en allen, behalve de weinigen, die met God wandelen en in de schatten van Christus hun rijkdom zien, u geringschatten, want de dag komt, wanneer gij verheven zult worden; uwe armoede zal veranderen in rijkdom; straks zult gij eerekronen dragen. Maar dit is niet alles. God zal Zijne kinderen machtiglijk vermenigvuldigen; in groote getalen zullen zondaren zich tot Hem bekeeren. Leest Jes G6 : 8, 20. Zeggen de Schriften niet, dat de koninkrijken der wereld moeten worden onzes Heeren? (Openb. 11 : 15).

Heeft God Christus niet gegeven de Heidenen tot een erfdeel en de einden der aarde tot eene bezitting ? Heeft de Heere niet gezegd, dat in het laatste der dagen, de

-ocr page 130-

118

terg van het huis des Heeren zal vastgesteld zijn op den top der bergen, en dan tot denzelven alle Heidenen zullen toevloeien? Leest en overdenkt Jes. 60 en 66 en 2 : 1/5 en daar zult gij sprake vinden van de menigten, die tot Christus zullen bekeerd worden. Dat gij zoo moogt geleid worden om met den Heere te worstelen in den gebede, dat Hij den dag Zijner heerlijkheid verhaaste, opdat de smaad van Zijn volk en Zijne wegen moge worden weggenomen.

Eene zesde list van Satan, om zielen van godsdienstige plichten terug te houden, is: haar te wijzen op de groote menigte, die naar de begeerte hunner harten wandelende, den weg der gerechtigheid versmaadt.

„Ziet gij niet,quot; zegt Satan, „dat de aanzienlijken en rijken, do edelen en geleerden, ja, de meeste men-schen zich niet over den godsdienst \') bekommeren, en waarom zoudt gij de zonderlinge willen zijn? Volg liever de meerderheid.

quot;Wilt gij er u tegen wapenen? Bepeins de schrift-plaatsen, die tegen het volgen van zondige voorbeelden waarschuwen. Lees o. a. Exod. 22 : 2: „Gij zult de menigte tot booze zaken niet volgen; en gij zult niet spreken in eene twistige zaak, dat gij u neigt naar de menigte, om het recht te buigen.quot; De menigte is gewoonlijk diep onkundig; zij kent den weg des Heeren niet; zij spreekt kwaad van hetgeen, waarvan zij niets weet; zij is met nijd gekeerd tegen den dienst des Heeren en kan er daarom niets goeds van zeggen. Zij

•) Joh. 7 : 48, 49; 1 Cor. 1 : 26—28.

-ocr page 131-

119

zeggen \'); „Deze weg wordt overal tegengesproken.quot; In JSTum. 16 wordt geboden: „Wijkt toch af van de tenten der goddeloozen en scheidt u van hen afquot; en Paulas zegt, Efez. 5 : 11: „En hebt geene gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veel eer.quot;

Zoo ook Salomo in Spreuken 4 : 14 en 0 : 6: „Kom niet op liet pad der goddeloozen on treed niet op den weg der boozen. Verlaat de slechtigheden.quot;

AVie met de menigte mede wandelt, zal ook met haar vergaan. Wie in loven en wandel het groote deel dor menschheid gelijkt, zal ook ten laatste met hen lijden in hot helsche vuur. 1)

Het is slechts een klein kuddoke, dat het Koninkrijk ontvangt. Do menigte zou u wel in do zonde kunnen doen vallen; ja een enkele zondaar zou dat kunnen doen; maar alle menschen te zamen zouden u niet kunnen helpen do eeuwige straf te ontvlieden. Zelfs de geschiedenis van Mozes en Aaron kan ons in dezen loeren. Door do menigte tot zonde gebracht, ontgingen zij de kastijding niet; evenmin als de andore overtreders mochten zij het land der belofte ingaan.

Bedenk ernstig de waarde en voortreffelijkheid uwer ziel. Zij is een juweel. Hare waarde gaat al het onder-maansche te boven. Hot verlies der ziel is onherstelbaar. Onherroepelijk. Mot haar is alles verloren. Wie zijne ziel verliest, stort voor eeuwig in het verderf. Moet hij niet dwaas, niet krankzinnig genoemd worden, die zich

1

) Zonde en straf zijn me^ de hechtste ketenen aan elkander verbonden.

-ocr page 132-

120

doodt om de menigte te behagen? En is niet hij nog dwazer, nog krankzinniger te achten, die ter wille van de menigte zijne ziel prijs geeft aan den dood?

quot;Wantrouw den weg, dien de menigte bewandelt. Tegen den stroom in, zij uwe leus. quot;Wie niet tegen deu stroom oproeit, wordt in dien afgrond gesleept, waaruit de engelen u niet zullen kunnen redden. Is het niet beter alleen op een rechten weg te wandelen, dan met eene menigte op kromme paden te gaan? Is het niet verkieselijker alleen naar den hemel te klimmen, dan met eene menigte af te dalen naar de hel?

Eene zevende list van Satan, om van heilige plichten en godsdienstige verrichtingen terug te houden, bestaat in het inwerpen van eene menigte ij dele gedachten in de ziel, en wel op het oogenblik, dat zij God zoekende, of op Hem wachtende is.

Op deze wijze heeft hij den ijver voor geestelijke werkzaamheden in vele gemoederen gedempt, en vele vromen voor eenigen tijd afgebracht van den nauwge-zetten dienst des Heeren.

„Ik heb,quot; zeggen sommigen, „geen hart meer, om te bidden; de lust tot, en de vreugde in het onderzoek des Woords is van mij geweken; ook vind ik geen genot in den omgang met de godvreezenden. Satan vervolgt mij zoo en bestormt mij met zulk eene menigte ij dele gedachten omtrent God, de wereld en mijne eigene ziel, dat ik beef, als de begeerte bij mij opkomt, om in heilige betrachtingen den Heere te zoeken. Ach, de ij dele gedachten, die Satan mij dan inwerpt, bedroeven, knellen, verwarren, en verbijsteren mijne ziel zóó, dat

-ocr page 133-

121

zij mij gedurig in moedeloosheid ternederbuigen. Die gedachten verhinderen ook, dat, al neem ik de godsdienstige betrachtingen waar, mijn hart verbeterd, levend gemaakt, vernieuwd wordt; ik kan geen troost of verkwikking krijgen, zooals vroeger, schoon ik dit zoo innig begeer.quot;

Arme, gewonde ziel, er is genezing voor uwe smart, er is een wapen tegeu Satan\'s list. O, bid, dat uw hart diep aangedaan moge worden vanwege do grootheid, heiligheid, majesteit en heerlijkheid van dien Grod, voor Wien gij u stelt, en met Wien gij in godsdienstige betrachtingen gemeenschap houdt. Wie zou niet bevreesd zijn met eene veder te spelen, terwijl hij tot een koning spreekt? Door geringe gedachten van God te koesteren, terwijl wij Hem naderen, verzoeken wij don duivel zich op te maken en ons met eene menigte ij dele gedachten te bestormen, die ons verstoren en afbrengen van het wachten op God. Niets zal zoozeer medewerken, om zulke ijdele gedachten te bannen, dan hot zien op God, als een alwetend, alomtegenwoordig, almachtig God; een God vol van alle heerlijke volmaaktheden; een God, quot;Wiens majesteit, heiligheid en heerlijkheid Hem niet zal toelaten de geringste ongerechtigheid te. aanschouwen. De reden, waarom de zalige, heilige en heerlijke engelen in den hemel zelfs niet ééne ijdele gedachte hebben, is: zij zijn onafgebroken diep doordrongen van de grootheid, heiligheid, majesteit en heerlijkheid Gods.

Wees, ondanks de zwervende gedachten, die uwe ziel beroeren, volhardend in godsdienstige plichten. Het zal eene liefelijke hulp voor de ziel zyn, om op God te blijven wachten, als gij vast bij uzelven besluit, om te volharden in het gebed, in het lezen, hooren, en over-

-ocr page 134-

122

denken van het Woord, in de gemeenschap met de heiligen, al wordt gij door y^elo gedachten geplaagd. Velen kunnen uit eigene ervaring getuigen, dat, toen zij hunne harten hadden gericht, om op God te wachten, de Satan hen heeft verlaten en naliet hunne zielen in die mate te kwellen. Zoodra Satan bemerkt, dat de ijdele gedachten, die hij in de ziel werpt, haar meer waakzaam, ijverig en nauwgezet maakt in de betrachting van heilige plichten, houdt hij op met zijne verzoekingen. Hij hield op Christus te verzoeken, toen Hij volstandig wederstand bood.

Overweeg, dat die ijdele gedachten, die bij u opkomen, terwijl gij in godsdienstige betrachtingen den Hcere zoekt, u niet als zonde worden toegerekend, zoolang gij ze niet koestert, maar steeds verafschuwt, en wederstaat. Hoewel zij onzen geest mogen beroeren, behoeven zij ons geweten niet te bezoedelen, of ons te verhinderen, genadegiften of zegeningen te genieten. Dit vermag het inwerpen van ijdele gedachten door den Satan niet, maar wel de vrijwillige koestering derzelve, zulk eene koestering, als bedoeld wordt in Jer. 4:14: „O, Jeruzalem, hoe lang zult gij de gedachten uwer ijdelheid in het binnenste van u laten vernachten?quot; Zulke ijdele gedachten doorkruisen de geheiligste harten, maar vernachten slechts in de onreinste. Zoolang iemand in oprechtheid God in de oogen kan zien en tot Hem zeggen: „Heere! als ik tot U nader, dringt zich eene wereld van ijdele gedachten bij mij op, die mijne ziel verstoren, mijn geloof verzwakken, mijne vertroostingen verminderen en mijne geestelijke kracht verslappen. Och, dezen zijn mij een last, eene plaag, eene droefheid. Och, doe mij recht, verlos mij van die ijdele gedachten.

-ocr page 135-

123

dat ik zoete gemeenschap met U moge oefenen!quot; — dan kunnen zij hem geen kwaad doen of eenige zegening doen verbeuren. Kon dat het geval zijn, dan zou niemand op aarde ooit genade verkrijgen, of eeuwig-zalig worden.

Bedenk ernstig, dat, door tegen zondige gedachten te waken, haar te wederstaan, er over te treuren en te weenen, gij den liefelijksten en sterksten bewijsgrond van de waarheid en do kracht der genade, die zich in u verheerlijkt, en u in oprechtheid en getrouwheid voor God doet wandelen, in u zult omdragen; en gij don kortsten en zekersten weg inslaat, om er van verlost te worden. Vele lage en zinnelijke beweegredenen, zooals de hoop op voordeel, het verkrijgen van vrienden, van een naam in de maatschappij, enz., mogen iemand nopen, om behoedzaam te zijn in zijne gesprekken en handelingen, maar alleen een edel, geestelijk, eeuwig beginsel kan ons drijven onze gedachten te bewaken. Dat beginsel is: liefde tot God, heilige vrees, heilige bekommerdheid, om den Heere te mishagen. Het wordt zeer juist opgemerkt, dat, hoe schandelijk zonden zijn, inwendige zonden, zonden des harten, misdadiger zijn, omdat zij die der duivelen gelijken. Niets bewijst duidelijker, dat iemand door den Heiligen Geest bewerkt wordt, dan, wanneer zjjne gedachten in onderwerping aan het Woord gebracht worden, zooals de apostel zegt in 2 Cor. 10 ; 4 en 5: „quot;Want de wapenen van onzen krijg zijn niet vleeschelijk, maar krachtig door God, tot nederwerping der sterkten; dewijl wij de overleggingen ternederwerpen, en alle hoogte, die zich verheft tegen de kennis van God, en alle gedachten gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus.quot;

-ocr page 136-

124

Als zondige gedachten bij u opkomen, denk dan aldus : De Heere neemt er acht op. „Hij verstaat ze van verrequot; zegt de psalmist. Hij kende van verre de bloeddorstige gedachten van Herodes, en zoowel de begeerte van Judas, om te verraden, als de booze en heiligschendende gedachten der Parizeen. Denk ook: al deze gedachten bezoedelen en verpesten mjjne ziel, en ontsieren en bederven veel van hare inwendige schoonheid en heerlijkheid; zoo ik deze of gene zonde pleeg, waartoe mijne gedachten mij neigen, dau moetik mij bekeeren, of. ...? Bekeer ik mij, dan zal het mij meer droefheid, schande, hartverbreking en bloeding der ziele kosten, eer mijn geweten wordt gestild, de vertroosting en vreugde weder-keeren, en de schuldvergeving in mijn geweten verzegeld is, dan de ingebeelde winst of het gewaande zinnelijk genot, het waardig is. „Wat vrucht dan hadt gij toen van de dingen, waarover gij u nu schaamt?quot; vraagt de apostel in Rom. 6 : 21.

Bekeer ik mij niet, — o! dan zullen mijne zondige gedachten schorpioenen zijn, die mij eeuwiglijk zullen steken, roeden, die mij zullen geeselen, doornen, die mij eeuwig zullen prikken, dolken, die mij eeuwig zullen wonden, wormen, die nooit zullen sterven. \') Waak daarom tegen alle booze gedachten; wees volstandig in haar biddend te wederstaan en te beweenen; dan zullen zij u niet deren, hoewel zij u voor een tijd mogen beangstigen; bedenk, dat hij, die dus strijdt, meer doet dan de meest schitterende en roem verwervende huichelaar.

Leg u met toenemenden ernst toe op de werkzaam-

1) Evenals door inwendige bloeding menigeen gedood wordt, zoo zal het ook zijn door zondige gedachten bij hen, die zich niet bekeeren.

-ocr page 137-

125

heid des geestes, om met de volheid van God vervuld te worden en met alle geestelijke en hemelsche dingen verrijkt te worden. quot;Waarom hebben de engelen in den hemel zelfs geene enkele ij dele gedachte? Het is, omdat zij met de volheid Gods vervuld zijn. Neem hetalseene bij bevinding gekende waarheid aan, dat hoemeer de ziel vervuld is met do volheid Gods, des te minder ruimte in haar zal zijn voor ijdele gedachten. Niets is natuurlijker. Hoe meer een vat met edel vocht gevuld is, des te minder ruimte zal er zijn voor, wat vervalschon zou. O, vraag dus veel van God, van Christus in de vervulling van dierbare beloften door uitgezochte bevindingen voor uw hart en gij zult minder last hebben van ijdele gedachten. „De goede mensch brengt goede dingen voort uit den goeden schat des harten,quot; Matth. 12 : 35.

Koester gedurig heilige en geestelijke genegenheden, want uwe gedachten zullen zich daarnaar regelen.

„Hoe lief heb ik Uwe wet! Zij is mijne betrachting den ganscben dag.quot; (Ps. 119 : 97). „Wij zullen het meest bepeinzen, wat wij het meest liefhebben.quot; „Word ik wakker, zoo ben ik nog bij U.quot; (Ps. 139 : 18) Wie werkzaam is in liefde tot God en Zijne wet, zal ook veel aan Hem en Zijne wet denken. Een kind zal zijne moeder niet vergeten.

Vermijd menigvuldige wereldsche bezigheden. \')

O, laat tocb de wereld uw hart en uwe gedachten niet in beslag nemen! Zielen, die door de zorgvuldig-

*) Ingewikkeld in 2 Tim. 2 : 4 in het Grieksch, is eene vergelijking, die

Paulus ontleent aan de wet in het Romeinsche rijk, die soldaten verbood

zich bezig te houden met het werk van anderen, of met landbouw en handel zich in te laten.

-ocr page 138-

126

heden dezes levens belieerscht worden, zullen altijd, als zij tot God naderen, door ijdele gedachten bedroefd en gekweld worden. Planeten, die den kortsten omloop hebben, zijn het dichtst bij de zon; en zij, die het minst over wereldsche bezigheden bezorgd zijn, zonder hunne aardsche roeping te verwaarloozen, zijn dikwijls het dichtst bij God.

Eene achtste list van Satan, om ons het vervullen van godsdienstige plichten te verhinderen, is; ons in de gestalte der eigengerechtigen en der zichzelf genoegzamen te doen rusten in onze geboden, in het hooren en lezen van het quot;Woord en in onzen omgang met Gods kinderen. Nadat hij hierin zijn doel heeft bereikt, geeft hij de ziel op deze wijze te redeneeren: „Wel, het is even zoo goed nooit te bidden, als op zijne gebeden te rusten, even zoo goed nooit het Woord te hooren, of te lezen, als alleen in dat hooren en lezen te rusten; even zoo goed nooit met de heiligen omgang te hebben, als in dien omgang te rusten.quot; En met deze list verhindert hij velen hunnen weg naar den hemel te blijven bewandelen, door hen af te brengen van geestelijke verrichtingen, die al hunne vreugde en lust hadden moeten zijn. Wilt gij er u tegen wapenen?

Bepeins gedurig de verkeerdheden en zwakheden, die uwe uitnemendste werkzaamheden aankleven. Iemand zegt, dat hoogmoed en zelfvertrouwen gereedelijk in onze beste plichtsbetrachtingen kruipen. Och, welke vlekken en smetten zijn er te zien op het gelaat van onze liefelijkste daden. Daarom, als gij alles, wat gij kunt, gedaan hebt, is het noodig met deze bede te sluiten:

-ocr page 139-

127

„Treed niet in het gericht met Uwen knecht, o Heere!quot; \')

Wij mogen allen met de Kerk van ouds zeggen: „al onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed.quot; (Jes. 64 : 6.) quot;Ware God streng in het merken op al het gebrekkige onzer boste daden, dan zouden wij allen Tergaan. Och, hoeveel verdampt in den oven Gods als schuim, wat goud scheen in ons oog!

Bedenk de ongenoegzaamheid en het onvermogen van uwe beste verrichtingen, om uwe ziel te troosten, te verkwikken en op te beuren ten dage der benauwdheid; wanneer duisternis rondom u waart; als God tot u, als eertijds tegen Israël, zal zeggen: „Gaat henen, roept tot de goden, die gij verkoren hebt; laten die u verlossen, ten tijde uwer benauwdheid.quot; (Richt 10; 14.) O, als God tot u moest zeggen: „ga tot uwe gebeden, tot het hooren van preeken, tot uw vasten en zie, of zij u kunnen helpen; of zij u kunnen ondersteunen, of zij u kunnen redden:quot; dan moet en zult gij uitroepen: „Och, niets dan Christus; — niets dan Christus alleen!quot; Mijne gebeden zijn niet Christus; het hooren naar het quot;Woord is niet Christus; mijn vasten is niet Christus!quot; Een goedkeurende blik, één lichtstraal van Christus, één goed woord van Hem, één blijk Zijner liefde in den dag des tegenspoeds en der duisternis zal de ziel meer levend maken en verkwikken, dan alle vroegere

1) Bisschop Beveridge beleed iu zijn dagboek: „Ik kan niet bidden, zonder te zondigen, ja ik kan geene preek hooren of zelf prediken of ik zondig; ik kan geene aalmoes geven of zelfs naar het avondmaal gaan, of ik zondig: nog meer, ik kan niet eens belijdenis mijner zonden doen, zonder ze te vergrooten door de wijze, waarop ik ze belijd; wegens het berouw, dat ik betuig te hebben over mijne zonden moet ik berouw hebben; mijne tranen dienen gewasschen te worden, en zelfs deze wassching moet weder gereinigd worden door het dierbaar bloed van mijn Verlosser.quot;

-ocr page 140-

128

plichtsbetrachtingen, waarin zij heeft berust, die ze mitsdien tot baar Christus gemaakt heeft. Christus kan alleen bet rustpunt uwer ziel zijn.

Christus is de kroon aller kronen; de heerlijkheid aller heerlijkheden; en de hemel aller hemelen.

Bedenk ernstig, dat allo goede dingen, waarin wij rusten, ons even zeker voor eeuwig zullen verderven, als de grootste gruwelen, die door ons kunnen gepleegd worden. De zielen, die, na alles gedaan te hebben, niet zoo alleen tot Christus opzien en in Hom hun rust en middelpunt vinden, door al hunne diensten aan Zijne voetbank neer te leggen, moeten in droefheid neder-liggen: hun bed is voor hen in de hel bereid. „Ziet gij allen,quot; zegt de profeet, Jes. 50:11, „die een vuur aansteekt, die u met spranken omgordt, wandelt in de vlam van uw vuur, en in de spranken, die gij ontstoken hebt. Dat geschiedt u van Mijne hand; in smart zult gijlieden nederliggen.quot; „Is het goed wonen hij een verterend vuur; hij een eeuwigen gloed?\'\'\'\' (Jes. 33:14.) Is het goed? Blijf dan maar steeds in uwe plichtsbetrachting berusten; zoo niet, — zie, dat gij alleen in het hart van Christus uw rustpunt vindt.

Overdenk veel de noodzakelijkheid en de voortreffelijkheid van de rustplaats, die God voor arme zondaren heeft daargesteld. Hijzelf, Zijne vrije genade en onge-houdene liefde is die rustplaats; de zuivere, heerlijke, weergalooze rechtvaardigheid van Christus is die beproefde plaats van rust. Ach, het is droevig er aan te denken, dat de meesten die rustplaats vergeten, waarover ook de Heere in Jer. 50:6 klaagt: „Mijn volk waren verlorene schapen, hunne herders hebben hen verleid, zij hadden hen gevoerd naar de bergen; zij gingen van

-ocr page 141-

129

berg tot heuvel, zij vergaten hunne legering.quot; Ach, arme zielen, die de voortreffelijkheid van de rustplaats, die God bereid heeft, niet kennen, dwalen van berg tot heuvel, van de eene plichtsbetrachting tot de andere, en zoeken nu eens hier, en dan weder daar, bevrediffins:

\' \' O O 7

maar zij, die de voortreffelijkheid van de door God voor hen bereide rustplaats kennen, zullen zeggen: „vaarwel mijn vertrouwen op gebeden, of op liet lezen, of hooren verkondigen van het quot;Woord, of op vasten; wij rusten niet moer, op wat ivy doen, maar wij willen alleen aan hot hart van Christus, op Zijne liefde, op Zijne gerecli-tigheid rusten; alleen, wat Hij deed en doet, is de grond van ons betrouwen.quot;

n

-ocr page 142-

HOOFDSTUK III.

DE LISTEN VAN SATAN OM ZIELEN IN EEN DROE-VIGEN, TWIJFELENDEN, ONZEKEREN EN TROOS-TELOOZEN TOESTAND TE HOUDEN.

„Zijt nuchteren, en waakt; want uw tegenpartij, de duivel, gaat om als een brieschende leeuw, zoekende, wien hij zou mogen verslinden.quot;

1 Petr. 5:8.

Hoewel Satan de geloovigen nooit van hunne kroon kan berooven, is zijn haat en nijd zoo groot, dat hij geene middelen onbeproefd zal laten, om hen van hun troost en vrede \') te berooven; hun leven hun tot een last en eene plaag te maken, hen hunne dagen in d roodheid en rouw, in zuchten en klagen en gedurige twijfelingen en onzekerheid te doen doorbrengen. Zij zeggen

^ De martelaar Bradford zegt in een zijner brieven; „O, Heere, soms is het zoo met mij, dat ik meen geen onderscheid te kunnen vinden tusschen mijn hart en dat der goddeioozen : ik heb een even verduisterden geest als zij; en een hart, even stout, eigenzinnig, oproerig eu verhard als zij.

-ocr page 143-

131

dan: „Och, wij hebben geen deel aan Christus; onze genadegiften zijn niet zaligmakend; onze hoop is die des huichelaars; ons vertrouwen is vermetel: onze genietingen zijn slechts inbeeldingen.quot;

Wij wenschen hierbij in bijzonderheden stil te staan.

Eene eerste list van Satan, om geloovigen in oen droe-vigen, twijfelenden, onzekeren en troosteloozen toestand te houden, opdat hun leven hun eene plaag zij, is: hen op de zonde te doen zien, en over de zonde te doen peinzen. Hij weet hen meer op hunne zonde te doen letten dan op hunnen Zaliymaker \'); ja, zóó aan de zonde te doen denken, dat hun Zaligmaker vergeten en miskend wordt en zij zich gedragen, alsof er geen Heiland ware.

De oogen van zulke geloovigen zijn zóó op hunne kwaal gevestigd, dat zij het geneesmiddel, hoe nabij het ook zij, niet kunnen zien, en zij bepeinzen hunne schuld zóó, dat zij geest noch hart hebben, om aan hunnen Borg te denken.

Hoe er ons tegen te wapenen?

Kleingeloovigen moeten overwegen, dat, hoewel Jezus Christus hen niet heeft vrijgemaakt van de inwoning der zonde, zij toch verlost zijn van har-e verdoemende kracht. Het is waar, dat zonde en genade niet te zamen sterven; nochtans zoolang een geloovige in deze wereld adem haalt, moeten zij te zamen wonen in hetzelfde huis, Christus moge den geloovige, in dit leven, niet van iedere zoude bevrijden, toch heeft Hij alle geloo-

\') Een Christen moet Christus in zijn boezem omdragen als eene bloem van verlustiging, want Hij is een Paradijs van vreugde. Hij, die Christus niet meer acht dan zijne zonde, kan nooit zoo dankbaar en vruchtbaar zijn, als hij moet zijn.

-ocr page 144-

132

vigen, van de verdoemende kracht van alle zonden verlost \')

„Zoo is er clan nu geene verdoemenis voor degenen, die in Clnistus Jezus zijn, die niet naar hot vleesch wandelen, maar naar don Geest.\' (Rom. 8 : 1). De wet kan den gcloovige niet bescliuldigen, omdat Christus haar voor hem vervuld heeft. Goddelijke gerechtigheid kan hem niet straffen, want Christus heeft aan haar genoeg gedaan. Zijne zonden kunnen hem niet veroor-deelcn, dewijl zij in het bloed van Christus vergeven zijn. Ook kan zijn eigen geweten hem niet op goede gronden veroordeelen, omdat Christus, Die meerder is dan zijn geweten, hem heeft vrijgesproken.

Bedenk, dat, hoewel Christus u niet van do kwellende en grievende kracht dor zonde hooft verlost, Hij u toch heeft vrijgemaakt van hare overheersching en heerschappij. ~) Gij zegt, dat de zonde u zoo kwelt en grieft, dat gij niet bij machte zijt aan God te denken, tot Hem te naderen, of tot Hora te spreken. O! denk toch, dat het iets anders is, dat de zonde u kwelt en bedroeft, of, dat zij heerschappij over u heeft. „A\\ ant de zonde zal over u niet heerschen ; want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.\' (Rom. 6 : 14) De zonde moge in een heilige oproerig zijn, maar zij zal in hem niet heerschen. Het gaat met de zonde in de wedergeborene als met die dieren, waarvan Daniël spreekt in zijn boek, Hdst. 7 vs. 12 ; „Aangaande ook de overige

*) Zonde gelijkt aan het klimop aan den muur, dat hoewel tot den wortel toe afgekapt, toch later weder uitspruit, totdat de geheele muur omvergeworpen wordt.

\') Tertuliaan zegt, dat de eerste Christenen liever geworpen werden voor de leeuwen hwiten, dan overgelaten aan hunne lusten in hen.

-ocr page 145-

] 33

dieren, men nam hunne heerschappij weg, want verlenging van het leven was hun gegeven tot tijd en stonde toe.quot;

Dan heerscht de zonde in do ziel, als deze Meeds her eld Is haar te gehoorzamen en naar hare hevelen te luisteren, gelijk onderdanen zich aan de hevelen van hunnen vorst onderwerpen. Hoewel men do hevelen van een wettigen koning met bereidwilligheid opvolgt, wordt een tyran met weerzin gehoorzaamd. Al do diensten aan dezen bewezen, zijn gedwongen en niet uit gehoorzaamheid. Eene vrije en gewillige onderwerping aan de eischen der zonde, verraadt, dat de ziel onder hare heerschappij is; maar van deze plaag, deze hel, worden alle geloovigen door Jezus verlost. De zonde kan van een geloovige niet zeggen, wat de hoofdman van zijnen krijgsknecht zeide: „Tk zeg tot dezen: „Ga!quot; en hij gaat; en tot den anderen: „Kom!quot; en hij komt, en tot mijnen dienstknecht: „doe dat!quot; en hij doet het: „want het hart van den Christen verzet zich tegen do bevelen der zonde, en als zij zijne ziel tot den duivel zou -willen voeren, klaagt hij ze bij den Hcere aan en smeekt Hem om recht. „Heere!quot; zegt de geloovige, „de zonde wil de dwingeland in mij zijn; zij wil me dingen laten doen, die met Uwe heiligheid zoowel als mot mijne zaligheid; met Uwe eer en heerlijkheid, zoowel als met mijne vertroosting en vrede in strijd zijn; doe mij daarom recht. Gij rechtvaardige Rechter van hemel en aarde, en dood dezen dwingeland wegens zijne vermetelheid.quot;

Houd gedurig een oog op de beloften van vergeving der zonde, zoowel, als op hare inwendige werkingen. Hot is eene ontwijfelbare waarheid, dat Grod de zonden van Zijn volk vergeeft, die Hij niet in dit leven geheel

-ocr page 146-

134

in hen onderwerpt. Paulus bidt drie malen (d. i. dikwijls) verlost te mogen worden van den doorn in zijn vleesch; en wat antwoord ontvangt hij ? Dit: „Mijne genade is u genoeg.quot; (1 Cor. 12 : 9). „Ik zal lien reinigen van al luinne ongerechtigheden, met dewelke zij tegen Mij gezondigd hebben; en Ik zal vergeven al hunne ongerechtigheden, met dewelke zij tegen Mij gezondigd en met dewelke zij togen Mij overtreden hebben.quot; — „Tk delg uwe overtredingen uit als een nevel, en uwe zonden als eene wolk; keer weder tot Mij, want Ik heb u verlost. Ik, Ik ben hot, Die uwe overtredingen uitdelg, om Mijnentwil en Ik gedenk ze niet meer.quot; \') O, treurende zielen, die uwe dagen onder den last uwer zonden in zuchten en steunen doorbrengt, waarom houdt gij U zoo onvriendelijk jegens uwen God en waarom doet gij uwe eigene zielen zooveel schade, door niet een oog te werpen op die heerlijke beloften van vergeving, die uwen geest in den donkersten nacht en onder den zwaarsten last der zonde, zoude kunnen opbeuren en verkwikken?

Zie1 uwe zonden aan als aan Christus te zijn toegerekend, als schulden, die de Heere volkomen heeft voldaan. Het zou inderdaad met de vlekkelooze rechtvaardigheid van God niet zijn overeen te brengen Christus in den hemel te hebben ontvangen en Hem aan Zijne rechterhand te doen zitten, zoo Hij slechts éenen penning van die schuld onbetaald had gelaten. Maar nu al onze schulden door Zijnen dood zijn kwijt-

\') Jer. 33 : 8; Jes. 44 : 22 —; 43 : 25; — Micha 7 : 18, 19 en Col. 2 : 13, 14. De beloften Gods zijn een dierbaar boek, waarvan iedere bladzijde van mirre en genade drupt. Hoewel de zwakke Christenen ze niet kunnen lezen en zicb toepassen, kan en wil de H. Geest ze aan hunne zielen toepassen.

-ocr page 147-

135

gescholden, zijn wij vrij en Hij is verheven aan des Vaders rechterhand, dat is tot hot toppunt Zijner heerlijkheid, en de verhoogde Heiland is het zekerste onderpand van onze zaligheid. „Want, Dien, Die geene zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem.quot; (2 Cor. 5 : 21). „Al onze zonden werden op Hem gelegd,quot; zegt de Evangelische profeet. „Maar Hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is Hij verbrijzeld ; de straf, die ons den vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijne striemen is ons genezing geworden. Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar Zijnen weg: doch de Heere heeft ons aller ongerechtigheid op Hora doen aanloopen.quot; (Jes. 53 : 5 en 6). Ik moet dus niet mismoedig neder-zitten bij de gedachte aan schulden, welke door Christus geheel betaald zijn. Zou het niet een bewijs zijn van veel zwakheid, ik had haast gezegd: krankzinnigheid, als een schuldenaar mismoedig zat te peinzen over schulden, die zijn borg gereedehjk, vrijelijk en van heeler harte volkomen betaald heeft ? Het besef van do groote liefde van Christus moest ons opwekken onzen Borg eeuwig lief te hebben en te eeren en de\' hand te zegenen, die de schuld heeft betaald; maar om mismoedig neder te zitten, als de schuld reeds gedelgd is, is eene zonde, die inderdaad door berouw dient gevolgd te worden.

Christus heeft alle geschil tusschen God en ons vereffend. Gij herinnert u den bok in Lev. 16 : 21, op welks hoofd werden gelegd: „al de ongerechtigheden der kinderen Israels, en al hunne overtredingen, naar al hunne zonden.quot; Hij was een type van den Heere Jezus, op Wien al onze zonden gelegd werden en Die

-ocr page 148-

136

ze alleen heeft gedragen, weggedragen naar een land der vergetelheid, zoodat ze nooit meer zullen gedacht worden.quot; Een geloovige belast met de schuld zijner zonde, mag den Heere aanzien en op deze wijze met Hem pleiten: „Het is waar, Heere! dat ik U veel schuldig ben, maar Uw Zoon was mijn rantsoen, mijne verlossing; Hij was mijn Borg en ondernam om voor mijne zonden te antwoorden: Zijn bloed was deprus, dien Hij er voor betaalde. Ik weet, dat Gij bevredigd zijt, want Hij had geene zonde. Het was mijne schuld, die Hij heeft voldaan. Sla Uw Boek op en zie de schuld gedelgd door Uwe eigene hand en wel alleen, omdat Christus heeft geledon en voor de zonde genoeg gedaan.quot;

Eene tweede list van Satan, om geloovigen in een droevigen, twijfelenden, onzokeren en troosteloozen toestand te houden, is: hen te bewegen, om valsche bepalingen te maken van hunne genade.

Satan weet, dat evenals onjuiste bepalingen van zonde de ziel op de eene wijze benadeelen, zoo ook onjuiste bepalingen van genade dit op eene andere wijze doen. Wilt gij een voorbeeld? Satan tracht zooveel doenlijk verkeerde denkbeelden te doen koesteren van het geloof. Sommigen overreedt hij daarvan te hooge denkbeelden te vormen. Hij zegt, dat, wie gelooft, ten volle verzekerd is, dat hij deelt in de liefde, waarmede God Zijne kinderen liefheeft, en mitsdien van de vergeving zijner zonden. Zoo zegt Satan: „Wat spreekt gij van geloof? Geloof is eene verzekerdheid van Gods liefde en van de vergeving van zonde, en dat hebt gij niet; gij weet, dat gij er aan twijfelt en dus hebt gij het geloof niet.\'

-ocr page 149-

137

Door velen zulk eene verkeerde voorstelling van het geloof te geven, houdt liij hen in eenen twijfelenden toestand, en blijven hunne harten al de dagen van hun leven met droefheid vervuld. Zoo wij verklaarden, dat een mensch alleen dan kan gezegd worden te loven, als hij de sterkste bewijzen daarvan kan geven, door te lachen, te springen, te loopen, te werken, te wandelen enz., zouden dan uiet duizenden, die onder in- en uitwendige zwakheden zuchten en daarom niet kunnen lachen, springen, loopen, werken of wandelen, moeten verklaard worden dooden te zijn, hoewel zij nog tot de levenden behooren? Zoo is het ook op het gebied des geestelijken levens.

Bedenk ernstig, dat er waar geloof, ja eene groote mate des geloofs kan aanwezig zijn, zonder de verzekerdheid er van. De Kananésche vrouw in het Evangelie had groot geloof en nochtans lezen wij niet, dat zij verzekerdheid had. „Deze dingen heb ik u geschreven,quot; (zegt Johannes in zijn 1 Zendbr. Hfdst. 5 : 13) „die gelooft in den naam des Zoons van God, opdat gij weet, dat gij het eeuwige leven hebt, en opdat gij gelooft in den naam des Zoons van God.quot; In deze woorden ziet gij, dat zij, aan wie de apostel schreef, geloovigen waren, en dat zij, volgens het besluit en de beloften Gods, en ook, door in werkelijkheid het zaad des levens in hunne harten te hebben ontvangen, het eeuwige leven hadden. Dit bezaten zij in Christus, hun Hoofd, Die in den hemel gezeten. Zijn lichaam. Zijne bruid vertegenwoordigt. „Die ons mede heeft opgewekt en ons mede gezet heeft in den hemel in Christus Jezus,quot; (Ef. 2 : 6) en toch schrijft de apostel, opdat zij weten zouden, dat zij het eeuwige leven hadden. Iets anders is het een recht op

-ocr page 150-

138

den hemel to hebben en iets anders dat te weten; iets anders is het bemind te zijn en iets anders te weten, dat men bemind is. Iets anders is het, dat God iemands naam in het boek des levens schrijft, en iets anders, dat ITij hem dat openbaart en tot hem zegt: „Verblijd u, dat uw naam geschreven is in de hemelen.quot; Zoo zegt Paulus in Efez. 1 ; 13: „In Welken gij ook zijt, nadat gij hot woord der waarheid, namelijk het evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte.quot; En de profeet Micha in zijn boek, Hfdst. 7 : 8 en 9; „Verblijd u niet over mij, o mijne vijandin! wanneer ik gevallen ben, zal ik weder opstaan ; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal mij de Heere een licht zijn. Ik zal des Heeren gramschap dragen, want ik heb tegen Hem gezondigdquot; enz. Deze ziel was in duisternis en nochtans had zij groot geloof gelijk blijkt uit de woorden: „Als ik gevallen ben, zal ik weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal mij de Heere een licht zijn.quot; — „Hij zal mij uitbrengen aan het licht, ik zal mijn lust zien aan Zijne gerechtigheid.quot;

Bedenk ernstiglijk, hoe God het geloof in de Schrift voorstelt. Hij bepaalt het geloof als eene aanneming van Christus: „Zoo velen Hem aangenomen hebben, dien heeft Hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk, die in Zijnen naam gelooven,quot; (Joh. 1 : 12) Als een kleven der ziel aan God, hoewel niets dan droefenissen daarmede verbonden zijn; \') — een komen

») Matth. 11 : 28. Joh. 6 : 37. Heb. 7 : 25, 26. Jes. 50 : 10. Ps. 37 : 5 enz.

-ocr page 151-

139

tot God in Christus; en ook dikwijls een rusten, steunen of wentelen der ziel op Christus. Het zekerst en het nuttigst is liet, ondeugden en genadegaven te bepalen, zooals God dat doet. Alleen op deze wijze kan de ziel vastgesteld en verzekerd worden tegen de omleidingen van raenselien en duivels, die door onjuiste beschrijvingen van genade, zielen in een twijfelenden en kwijnenden toestand zoeken te houden en hun leven tot een last en droefheid voor hen doen zijn.

Bedenk ernstiglijk, dat er waar geloof kan zijn bij veel twijfeling. Dit blijkt duidelijk in do herhaalde vermaningen van Christus aan Zijne discipelen: „Wat zijt gij vreesachtig, gij kleingeloovigen.quot; Matth. 8 ; 26 en Matth. 6; 30 — 14:31 — 16: 8 enz. Ware ge-loovigen kunnen dus nog vele twijfelingen hebben. Geloof en twijfel kunnen tegelijkertijd in dezelfden persoon aanwezig zijn. Toch worden de twijfelingen in de geloovigen veroordeeld.

Bedenk, dat verzekerdheid een gevolg is van het loof, daarom kan zij het geloof zelf niet zijn. De oorzaak kan niet het gevolg zijn, evenmin als do wortel de vrucht is. Gelijk het gevolg voortvloeit uit de oorzaak, de vrucht uit den wortel, de stroom uit de fontein, zoo ook verzekerdheid uit het geloof. Vraagt gij bewijs? Welnu, de verzekerdheid van zalig te zijn en vergeving van zonden te hebben, ontstaat door de getuigenis van den Geest van God, dat wij Zijne kinderen zijn, (Efez. 1 : 13) en de Geest getuigt dit niet, vóór wij geloovigen zijn, want, „wij zijn kinderen Gods, door het geloof in Christus Jezusquot; (Gal. 3 : 26) en in Gal 4 : 6 zegt de apostel: „Overmits gij kinderen zijt, zoo heeft God den Geest Zijns Zoons uitgezonden in uwe harten. Die roept

-ocr page 152-

140

„Abba, Vader!quot; daarom is verzekerdheid geen geloof, maar volgt op hetzelve, evenals de uitwerking volgt op de oorzaak.

Daarbij kan niemand verzekerd zijn van zijne zaligheid, totdat hij mot Christus vereenigd is, of totdat hij in Christus geënt is; en niemand kan in Christus geënt zijn, vóór hij geloof heeft. Hij moet eerst door het geloof in Christus geënt zijn, voor hij verzekerdheid van zijne zaligheid kan hebben, waaruit dus duidelijk blijkt, dat verzekerdheid niet liet geloof, maar veeleer vrucht van hetzelve is.

En wederom; iemand moet eerst geloof hebben, eer hij verzekerdheid kan hebben, daarom is verzekerdheid geen geloof. Dat iemand eerst geloof moet hebben, eer hij verzekerdheid kan hebben, dewijl hij de verzekerdheid daarvan kan hebben, dewijl hij de verzekerdheid van iets, dat hij niet heeft, niet kan hebben. Men moet eerst het zaligmakend geloof bezitten, eer men door het geloof kan zalig worden, daar men niet door iets, dat men niet bezit, kan zalig worden; daarom moet men eerst geloof hebben, eer men daarvan de verzekerdheid kan omdragen en alzoo volgt het klaarblijkelijk, dat verzekerdheid niet het geloof is.

Eene derde list van Satan, om zielen in een droevigen, twijfelenden en onzekeren staat te houden, is; haar verkeerde gevolgtrekkingen te doen maken van do wederwaardigheden des levens.

„Ziet gij niet,quot; zegt Satan, „hoe God in Zijne voorzienigheid, zich stelt tegen uwe gebeden en begeerten.

-ocr page 153-

141

uwe tranen, verwachtingen en beste pogingen ? \') Zeker zou Hij zoo met n niet kunnen handelen, als Hij u lief-liacl en Zijne ziel Zich in u verlustigde.quot;

Hoe er u tegen te wapenen ?

Bedenk ernstig, dat vele dingen strijdig mogen zijn met onze begeerten, die dit niet zijn mot ons welzijn. Allen, die met wijsheid menschelijkc begeerten en handelingen hebben vergeleken met de daden des Heeren, weten, dat Abraham, Jakob, David, Job, Mozes, Jona, Paulus en anderen vele dingen overkwamen, die in strijd waren met hunne begeerten en hun streven, maar toch niet strijdig met hun heil. Menigmaal werkt eene artsenij strijdig met den wensch van den patient, terwijl zij nochtans naar des geneesheers bedoeling, zijne ziekte doet keeren.

Bedenk ernstig, dat Gods hand tegen iemand kan zijn, terwijl Zijne liefde op hem gevestigd is. Niemand kan uit Gods hand besluiten, hoe Zijn hart jegens iemand gesteld is. De hand Zijner voorzienigheid kan met ons zijn, terwijl Zijn hart tegen ons is. Zoo was de hand Zijner voorzienigheid met Saul, Haman, Assur en John, en nochtans was Zijn hart tegen hen. „Ook liefde, ook haat weet de mensch niet uit al hetgeen voor zijn aangezicht is.quot; Zie Pred. 9 : 1 en 2. De hand des Heeren was tegen Efraim en toch was Zijn hart zeer op hem gesteld:

„Ik heb wel gehoord, dat zich Efraim beklaagt, zeggende: „„Gij hebt mij getuchtigd, en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf. Bekeer mij, zoo zal ik bekeerd zijn, want Gij zijt de Heere, mijn God! Zeker-

\') Zie Ps. 77 : 8 en 12. — 86 : 1 en 73 : 2 en 23.

-ocr page 154-

142

lijk nadat ik bekeerd ben, beb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelvea ben bekend gemaakt, heb ik op de heup geklopt; ik ben beschaamd, ja ook schaamrood geworden, omdat ik de smaadheid mijner jeugd gedragen heb.quot;quot; „Is niet Efraim Mij een dierbare zoon ? Is hij Mij niet een troetelkind? want sinds Ik tegen hem gesproken heb. denk Ik nog ernstiglijk aan hem; daarom rommelt Mijn ingewand over hem; Ik zal Mij zijner zekerlijk ontfermen, spreekt de Heere.quot; Lev. 31 : 18—20.

God kan, vergun ons, zuur aanzien, strengebjk berispen, en hard kastijden, ook waar en wanneer Hij teeder-lijk bemint. De hand des Heeren was zeer tegen Job, en toch was Zijn hart zeer op hem gesteld, gelijk blijken kan, bij eene vergelijking van hoofdst. 1 en 2 met hoofdst. 41 en 42 van het boek, dat den naam van dien lijder der oudheid draagt.

Ook was \'s Heeren hand zwaar rustende op David en Jona, terwijl toch Zijn hart zeer op hen gesteld was. Wie de gevolgtrekking wil maken, dat het hart van God tegen hen is, tegen wie Zijne hand is, zou, en wie beeft niet? het geslacht der rechtvaardigen veroordeelen.

Bedenk, dat al de tegenspoeden, die den heiligen overkomen, alleen ten doel hebben hen voor te bereiden voor het bezit van het groote goed, dat Hij voor hen bereid heeft.

God handelde in strijd met David\'s begeerte, toen Hij hem zijn kind ontnam, nochtans had Hij wat beters voor hem beschikt; want inplaats van een bastaard, gaf Hij hem eenen wettigen zoon, om, na hem de kroon te dragen.

Jozef werd uit haat en nijd door zijne broeders verkocht, en als hij in een ver land weigerde aan de zondige

-ocr page 155-

143

begeerte zijner meesteres te voldoen, werd hij in de gevangenis geworpen. Toch moesten die leidingen Gods de wegen openen voor zijne latere verheffing, waardoor hij in staat werd gesteld zijns vaders gezin, dat toen de zichtbare Kerk van Christus was, te behouden. God heeft het derhalve zoo bestuurd, dat zijne broeders moesten bevorderen, wat zij zoditen tegen te werken. Jozef werd door hen verkocht, opdat hij niet geëerd zou worden en juist daardoor verkreeg hij eer!

David was bestemd voor een koninkrijk; maar ach! door welke engten, benauwdheden en doodsgevaren moest hij gaan, eer hij de kroon mocht dragen! eu dat alles moest hij verduren, opdat de kroon des te heerlijker zou zijn en te vaster op zijn hoofd zou gevestigd blijven. En wat leert ons de geschiedenis van Jona? \')

Bedenk ernstiglijk, dat al de tegenstrijdige, donkere, diepe en wisselende leidingen, die do geloovigen ondervinden, bevordelijk zijn voor hun wandel naar den hemel en de vreugde op hunne reis derwaarts vergrooten. Daartoe regelt de Heere, in Zijne wijsheid en liefde, alle omstandigheden, en zij werken mede tot het werkelijk geestelijk en tijdelijk welzijn dergenen, die\' Hem liefhebben. Evenals al de duistere leidingen des Heereu met David moesten dienen hem op don troon te vestigen, en die met Daniël en de drie jongelingen om hunne eer te bevorderen, zoo moeten dergelijke leidingen ook dienen, om de zielen der geloovigen te verheffen boven alle dingen, die beneden God zijn. Evenals de wateren Noach\'s ark nader tot den hemel brachten en de steenen

1) Des Heeren handelingen zijn zoo duister, zoo diep, zoo veranderlijk, dat de wijste en edelste Zijner kinderen daaruit geene gevolgtrekkingen kunnen maken.

-ocr page 156-

144

op Stefanus geworpen, slechts dienden om zijne ziel des te spoediger in de togonwoordiglicid van Christus te brengen, zoo zullen allo beproevingen, die wij op den weg des levens ondervinden, aan onze harten geheiligd zijnde, dienstig zjjn, om ons nader tot den hemel te brengen en ons Christus des te meer doen genieten.

Eene vierde list van Satan, om zielen in eenen droe-vigen, twijfelenden en onzekeren staat te houden, is: haar wijs te maken, dat zij geene ware, maar ingebeelde genade bezit. „Alles wat scliittcrt, is geen goud,quot; zegt Satan, zoo is ook alles geene genade, wat gij genade acht. quot;Wat gij geloof heet, is slechts eene inbeelding van u; wat gij ijver noemt, is slecht natuurlijke drift en hartstocht; en zelfs het licht, dat gij meent te hebben, bezitten allen; en velen, die meer verlicht waren, dan gij zijt, zijn nu in de hel. Satan zoekt niet alleen mot veel ernst huichelaars te doen gelooven, dat zij de ware genade deelachtig zijn, maar veel meer nog tracht hij geloovigen te overtuigen, dat de genade, die zij bezitten, nagebootst is.

Er zijn wapenen tegen deze list in het tuighuis des hemels.

Bedenk ernstiglijk, dat door genade niet altijd hetzelfde verstaan wordt.

1. Wordt zij beschouwd als het genadige ■welbehagen Gods, door welke het Hem behaagt zondaars in Christus, Zich toe te eigenen. Dit welbehagen is de fontein van alle zegeningen en wordt genade genoemd, omdat het den mensch begenadigd voor God stelt; maar dit is alleen in God.

-ocr page 157-

145

2. Door genade wordt verstaan de gaven der genade, en deze zijn óf algemeene of bijzondere.

Er zijn algemeene gaven, die zoowel geloovigen als huichelaars kunnen bezitten, zooals do gave van kennis of de gave om te bidden.

Andere gaven zijn alleen het deel der geheiligden, zooals geloof, nederigheid, zachtmoedigheid, liefde, geduld, enz., zie Gal. 5 : 22, 23.

Bedenk biddend het verschil tusschen vernieuwende en beteugelende genade; tusschen heiligende en slechts het leven wijzigende genade, zooals in de volgende bijzonderheden zullen worden aangewezen.

1. Zaligende genade maakt ons in- en uitwendig leven heerlijk. „Des Kouings dochter is geheel verheerlijkt inwendig.quot; (Ps. 45 : 14) Zij verlicht het verstand, heiligt den wil en de genegenheden; zij werpt heerlijkheid op al de edele krachten der ziel; en gelijk zij het inwendige verheerlijkt, doet zij het ook het uitwendige. „Hare kleeding is van gouden borduursel.quot; (Ps. 45 : 14) Zij doet den mensch zien, wandelen en handelen op zulk eene heer-lyke wijze, dat zelfs de goddeloozen moeten getuigen: „gij zijt rechtvaardiger dan ik.quot;

Evenals genade een vuur is, om het schuim en de onreinheid der ziel te verbranden, zoo is zij ook een sieraad om haar te versieren. Zaligmakende genade maakt den mensch in- en uitwendig nieuw: „Zoo iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel.quot; (2 Cor. 5 : 17). Maar dit doet algemeene genade niet. De eerste verandert des menschen natuur, terwijl de laatste slechts den uitwendigen mensch beteugelt of ketent. Ook in eene kooi blijft een leeuw een leeuw; alzoobeteugelt tijdelijke genade velen en verhindert hen booze handelingen te

10

-ocr page 158-

146

doen, ofschoon hunne harten er niet afkeerig van zijn. Zaligende genade herschept een leeuw in een lam, zooals Hand. 9 ons doet zien.

2. Zaligende genade maakt ons met de uitgezochtste en hoogst verhevene, de ziel heiligende en verrijkende voorwerpen gemeenzaam. Met God en Christus, en niet \'s Ilecren dierbare beloften, die van meer waarde zijn dan eene geheele wereld; en met een onbewegelijk koninkrijk, eeno onverwelkelijke kroon der heerlijkheid, en niet hemelsehe schatten, die mot noch roest te vreezen hebben, en door geen dief gestolen worden. Zie Cor. 4 : 18; Hebr. 11.

Daarentegen blijft de mensch ondanks den zegen van ^ algemeene genade, slechts aan het stof gekluisterd.

3. Zaligende genade stelt een Christen, wanneer hij is, die hij wezen moot, in staat geestelijke daden met ware vreugde te verrichten. Begenadigde zielen noemen het juk van Christus zacht. Zijn last licht en Zijne geboden niet zwaar; Zijn dienst heeten zij een liefdedienst, die nooit verdriet; „Ik heb een vermaak in de wet Gods, naar den inwendigen mensch.quot; (Rom. 7 : 22.) De psalmist beschrijft den man, die zalig gesproken wordt, als een liefhebber van het woord Gods. Hij zegt; „Zijn lust is in des Heeren wet.quot; (Ps. 1 : 2.) „Het is den rechtvaardige eene blijdschap recht te doen,quot; zegt Salomo in Spr. 21 ; 15. Der begenadigde zielen zijn al de wegen des Heeren liefelijkheid en Zijne paden vrede. (Spr. 3 ; 17.) Maar der zielen, die bekeerende genade missen, en slechts zedelijke verbetering deelachtig zijn, zijn geestelijke diensten een last, en oorzaak van vele verdrietelijkheden; „Waarom vasten wij en Gij ziet het niet aan? waarom kwellen wij onze ziel en Gij weet

-ocr page 159-

147

liet niet.quot; (Jes. 58 : 3.) „Gij zegt,quot; zeggen zij in Mal. 3 : 14, „het is te vergeefs God te dienen; want wat nuttigheid is liet, dat wij Zijne wacht waarnomen en dat wij in het zwart gaan, voor het aangezicht des Ileeren der heirscbarou?quot; — En wederom: „AVanneer zal de nieuwe maan overgaan, dat wij leeftocht mogen verkoopen en de sabbat, dat wij koorn mogen openen? verkleinende de efa, en den sikkel vergrootende en verkeerdelijk handelende met bedriegelijko weegschalen.quot; (Amos 8 : 5.)

4. Zaligende genade doet den mensch met vreoze en met de meeste zorgvuldigheid over zijn hart waken; hij onderzoekt het gedurig en tracht al deszclfs drijfveeren en bedoelingen recht te kennen, (Zie Ps. 51 : 12, — 119 : 36, 80 — 139 : 23, 24 — 8G : 11 en Math. 23.) Algemeene genade, die slechts tot de betrachting van zedelijke deugden brengt, doet den mensch er meer op uit zijn om anderen te loeren, te vermanen, tot plichtsbetrachting op te wekken en te leiden. Anderen te loeren en eigen hart onbearbeid te laten, teekent het karakter der Farizeën, en doet aan Judas en Deinas denken.

5. Door genade wordt des menschen hart geneigd om, ondanks allo gevaren en moeielijkheden, de wegen der heiligheid en de hemelsche dingen om liunne reinheid lief te hebben en aan te kleven. „Uw Woord is zeer gelouterd en Uw knecht heeft het lief.quot; (Ps. 119 : 140.) Alsof de dichter zeggen wilde; Anderen hebben het lief en betrachten liet met vleeschelijke bedoelingen, om er vertrouwen, eer en voordeel door te verkrijgen; maar ik heb het lief om deszelfs geestelijke schoonheid en reinheid. Zoo ook bewijst hij in Ps. 44 : 18, 20: „Dit

-ocr page 160-

148

alles is ons overkomen, nochtans hebben wij TJ niet vergeten, noch valschelijk gehandeld tegen Uw verbond. Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze gang geweken van Uw pad. Hoewel Gij ons verpletterd hebt in eeno plaats der draken en ons mot eene doodsschaduw bedekt hebt.quot; Maar tijdelijke genade ondersteunt de ziel niet onder tegenstand en bange ontmoetingen in des Heeren wegen; dit blijkt duidelijk uit Joh. 6 : 66; ook leert de Heiland dit in de gelijkenis\'van den zaaier, mot het zaad, dat op steenachtige plaatsen viel. Matth. 13 ; 20, 21.

6. Bekeerende genade stelt den mensch in staat over eene wereldsche kroon hoen te stappen, en het kruis van Christus op te nemen; Christus\' kruis te verkiezen boven de eer dezer wereld. Zij heeft Abraham, Mozes D aniël en al de heiligen in Hebr. 11 genoemd, in staat gesteld dit te doen. Tijdelijke genade kan de ziel niet in staat stellen het kruis van Christus boven eene wereldsche kroon te verkiezen; want als de keus tusschen deze twee moet gedaan worden, zal de tijd-Christen het kruis van Christus vertreden om de kroon der wereld op te nemen. „Demas heeft mij verlaten, hebbende de tegenwoordige wereld lief gekregen.quot; (2 Tim. 4 : 10.) De jongeling in het Evangelie (Matth. 19 ; 20, 22) had veel goeds; hy wilde veel geven om het hemelrijk te beërven en was er zeer nabij gekomen, maar toen Christus hem Zijn kruis voorhield, stapte hij er over heer. om de wereld te genieten. Toen Christus hem gebood: „Ga heen, verkoop, wat gij hebt, en geef het den

armen......ging hij bedroefd weg, want hij had vele

goederen.quot; Als de hemel op zulke voorwaarden moet verkregen worden, dacht hij, dan mocht Christus dien

-ocr page 161-

149

voor Zich boliouden, hij begeerde hom niet; hij was bitter teleurgesteld; het offer was hom te zwaar.

7. Heiligende en vernieuwende genade doet de ziel zich op geestelijke plichten toeleggen; zij is in haar een geestelijke, inwendige drang. Het gevoel van Gods liefde dringt haar op Hem te wachten, en voor Hem te beven; de gedachte aan de liefelijkheid en zaligheid van de gemeenschap met den Heere, door haar vroeger in dien weg gesmaakt, is haar een gedurige prikkel. \')

De liefelijke blikken, de genadige woorden eu zalige omhelzingen, die bekeerde zielen van Christus hebben gehad, terwijl zij voor Zijne zaak ijverden, wekken haar op en drijven haar aan om te volharden in de betrachting van heilige plichten, en op Hem te wachten. -) Maar tijdelijk beteugelende genade doet den mensch godsdienstige plichten betrachten, alleen omdat hij daartoe door zijne meerderen gedreven wordt, of de belooning der wereld zoekt, of een goeden naam in do maatschappij begeert, of uit een der vele dergelijke beweegredenen. Ach, uit gewijde en ongewijde geschiedenis kan menige proeve worden aangegeven!

De abt, door Melanchton vermeld, leefde ingetogen, wandelde ootmoedig en nederig, zoolang hij gewoon geestelijke was; maar, toen hij door zijne schijnbare heiligheid de abdij verkreeg, werd hij ondragelijk hoog-

1) „Evenals, wat ik ofFere, U, o Heere! niet kan behagen, zonder dat ik daarbij mij zelven geve, zoo ook de goede dingen, die wij van U ontvangen, hoewel zij ons verkwikken, kunnen ons niet bevredigen, zoo Gij daarbij U zelven niet aan ons geeft.quot;

Het is een voortreffelijk woord van Bernard: „Heere! Gij zijt der ziele, die U zoekt goed; wat moet Gij dan zijn voor haar, die U reeds gevonden heeft.quot;

-ocr page 162-

150

moedig en beleedigend, en toen hem de roden van die verandering gevraagd werd, zeide hij: „Dat zijne vorige nederige blikken dienden om de sleutels der abdij te vinden.quot; Zulke armzalige, lage, ijdele drijfveeren bewegen quot;don tot betrachting van godsdienstige plichten.

8. Zaligmakende, heiligende genade zal iemand den Heere met volharding doen volgen in het verlaten van alle zonden en het betrachten van Zijne voorschriften. J ozna en Ivaleb hebben volhard den Heere te volgen; Zacharias en Elisabet waren rechtvaardig voor God, onberispelijk, wandelende in al de geboden en rechten des Heeren; de heiligen worden in de Openbaring beschreven als de zoodanigen, die het Lam volgen, waar Hot ook heengaat; maar het uitwendig Christendom kan den mensch niet in staat stellen te volharden in het volgen van den Heere. Al wat de onbekeerde doen kan, is, Hem gedeeltelijk, ongestadig en aarzelende te volgen, zooals kan gezien worden in Jehu, Heródes, Judas, of ook in de Schriftgeleerden en dc Farizeën, die de munte, en de dille, en den komijn vertienden, maar nalieten het zwaarste der wet, namelijk het oordeel, en de barmhartigheid en het geloof. \')

Zaligende genade pront haat in het hart tegen alle zonden en liefde voor alle waarheid; zij werkt in den mensch haat togen do zonde, die hij niet kan dooden, en terwijl hij van haar walgt, zou hij soms alles tor wereld willen geven, om haar te boven te komen. Eene waarlijk begenadigde ziel kan zoggen; „hoewel er

\') Num. 14 : 24: „Volhard heeft Mij na te volgen.quot; Eene spreekwijze aan een schip ontleend, dat met gezwollen zeilen krachtig door den wind wordt voortgedreven, Luk. 1 ; 5, 6. Openb. 14 : 4. Matth. 23 : 23.

-ocr page 163-

151

geeu enkele zonde in mij is gedood, toch wordt elke zonde door mij gehaat en verfoeid. Hoewel ik geen enkel gebod gehoorzaam, zoo als ik dat moest en wensch te doen, toch is elk gebod des Heeren mij dierbaar. Ik schat die geboden, die ik niet vol,r \'ion kan gehoorzam zeer hoog en heb ze lief.quot; „Ik heb Uwe geboden lief, meer dan goud, ja meer dan fijn goud. Mijne ziel onderhoudt Uwe getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.\'quot; (Ps. 119 : 127 ou 107).

9. Zaligende genade leidt de ziel om te rusten in Christus, als in haar hoogste goed. Zij doet haar in Hem hot middelpunt vinden barer begeerten. „Tot wien zullen wij gaan ? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens.quot; (Joh. G : 68). „Ik vond Hem, Dien mijne ziel liefheeft; ik hield Hem vast en liet Hem niet o-aan.quot;

/ o

(Hoogl. 3:4) Do wijsheid, die een geloovige van Christus verkrijgt, doet hem berusten in Zijne wijsheid; en de liefde, die de ziel van Christus heeft, doet haar rusten in Zijne liefde; en de gerechtigheid die zij van Hem heeft, doet haar rusten in Zijne gerechtigheid. \') Zaligende genade is een straal van Christus, die de ziel in Christus doet rusten. De stroom leidt tot de fontein, of het gevolg tot de oorzaak. Zaligende genade leidt de ziel tot Christus, maar de onbekeerde steunt op bedriegelijke gronden, zoekt zijn rust buiten Hem.

10. Zaligende genade zal eene ziel in staat stellen om aan Christus genoeg te hebben: Hij is haar genoeg, al moet zij eer, rijkdom, genoegens of de toejuiching

1) Joh. 6 : 68. Hoogl. 5 ; 10 en 3 : 4. Genade is de ster, die tot Christus leidt; de wolk- en vuurkolom, die de ziel tot het hemelsch Kanaiin voert, waar Christus als Hoofd heerscht. 1 Cor. 1 : 30. Fil. 3 : 9.

-ocr page 164-

152

der scliopscleu ontberen. „Dat is genoeg, Jozef leeft !quot; Zoo zegt eene begenadigde: „al is er geene eer, geene rijkdommen, noch gezondheid, noch vrienden, Christus is er. Hij regeert en zegeviert.quot; Christus is haar de kruik met manna, hot vat met olie, een bodemlooze oceaan van allo vertroosting, genoegen en bevrediging. Zij hoeft Hem en haar ontbreekt niets; „Jfiets hebbende, cn nochtans alles bezittende.quot; (2 Cor. 6 : 10) Maar iemand, die slechts beteugelende genade bezit, kan bij gemis van uitwendige genoegens niet tevreden cn stil zijn. Hij zegt bij zichzel ven: „Christus is goed, als nevens Hem eer, rijkdom cn genietingen des levens gevoegd worden. Ik moet bij Christus de wereld hebben, of ik zal. Hem verlaten en de wereld volgen.quot; En hij doet dit, evenals de jongeling in liet Evangelie, ten koste Zijner ziel. Och! hoeveel blinkende belijders van Christus zijn er in do wereld, die niet tevreden en vergenoegd kunnen zijn bij het gemis van een gewaand vvcreldsch genoegen, maar die zich kwellen, en jammeren, alsof er geen God, geen hemel, geen Christus ware, om het gemis van alle dergelijke uitwendige genietingen te vergoeden. Maar eene waarlijk geloovige ziel kan zeggen: ik heb alle dingen, omdat ik Christus bezit; alle dingen dus in Hem bezittende, zoek ik geene andere belooning, omdat Hij zelf de belooning is. Niets is mij zonder Christus liefelijk; geene eerbe wij zingen, rijkdommen of toejuichingen der schepselen kan ik genieten, dan door er een smaak van Christus in te hebben. Het bezit van alle vergankelijke dingen kan mij niet gelukkig maken, als Christus, Die het toppunt mijner heerlijkheid is, gemist wordt. Evenals Absalom zeide: „Wat baat mij dit alles, zoolang ik des Konings aangezicht niet zie ?quot; zoo zegt de

-ocr page 165-

153

goloovige: „Wat spreekt gij mij van tijdelijke genietingen, als ik liet aangezicht Desgenon, Dien ik liefheb, niet kan aanschouwen? Eer en rijkdommen en des schepsels gunst zijn niet Christus; geef mij Hem en laat de wereld aan de lieden dezer wereld, opdat zij haar onder zich verdoelen. Ik schat Christus boven dat alles; ik begeer mijn Christus boven alle dingen dezer wereld te genieten. Zijne tegenwoordigheid vergoedt het gebrek van alle genoegens en Zijne afwezigheid zou al nnjnc genoegens verbitteren.quot; Christus is „alles en in allen.quot; Do Christen heeft alles in Christus en Christus is alles voor den Christen. Zijn wij ziek: — Hij is een Greneesheer; zijn wij dorstig: — Hij is eene Fontein; zijn wij behoeftig: — Hij is machtig om te helpen; vreezen wij den dood: — Hij is het Leven; zijn wij in duisternis: — Hij is het Licht; zijn wij zwak: — Hij is sterk; zijn wij in armoede: — Hij is overvloed; begeeren wij den hemel: — Hij is de Weg. De ziel kan niets begeeren of Christus zegt: „dat is in Mu, in Mij volmaaktelijk en eeuwig.quot; „Niemand dan Christus, niemand dan Christus,quot; riep de martelaar Lambert uit, zjjne handen opheffende, toen de toppen zijner vingers reeds door de vlammen ontstoken waren.

Eene vijfde list van Satan, om do ziel in een droevi-gen, twijfelenden en onzekeren toestand te houden, is: haar in te fluisteren, dat de strijd, dien zij voert, niet den heiligen eigen is, maar ook door huichelaren en goddeloozen gevoerd wordt. Dit is zoover bezijden de waarheid, dat er even zooveel verschil is tusschen den

-ocr page 166-

154

strijd door bekeerde en dien door onbekeerde menschcn te voeren, als er verschil is tusscben licht en duisternis. In de volgende bijzonderheden toonon wij het aan.

1. De gcloovige is tegen de zonde. Zijn verstand, wil en genegenheden, ja, al de krachten en vermogens der ziel zijn tegen haar gewapend. Een gierigaard kan gierigheid veroordoelen, terwijl zijn hart naar het goud blijft dorsten; een hoogmoedige kan den hoogmoed veroordeelen, terwijl zijn hart met eigen waan blijft vervuld; een dronkaard kan de onmatigheid afkeuren, terwijl hij slaaf blijft van het glas; op gelijke wijze kan iemand het stelen en liegen veroordeelen, terwijl zijn hart deze zonden blijft vasthouden. „Die dan een anderen leert,\'quot; zegt de apostel in Rom. 2 : 21/3 : „leert gij u zeiven niet? die predikt, dat men niet stelen zal, steelt gij ? die zegt, dat men geen overspel doen zal, doet gij overspel? die van de afgoden een gruwel hebt, berooft gij het heilige ? die op de wet roemt, onteert gij Grod door de overtreding der wet?quot; Maar der heiligen wil is tegen de zonde: „Het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik.quot; (Rom. 7 ; 19) Ook zijn zijne genegenheden er tegen: „hetgeen ik haat, dat doe ik.quot; Rom. 7 : 15.

2. Een heilige strijdt tegen de zonde in het algemeen: tegen de geringste, zoowel als tegen de grootste; tegen de meer voordeelige en aangename zonden, zoowel als tegen die, welke hem minder aantrekkelijk zijn; hij strijdt tegen alle zonden, hoewel hij geene enkele zóó kan overwinnen, als hij dit wenscht.

Hij weet, dat elke zonde een aanval is op de heiligheid van God, zoowel als op zijn eigen welzijn; op de heerlijkheid Gods, zoowel als op den vrede en de vreugde zijner ziel.

-ocr page 167-

155

Hij weet, dat alle zonde hatelijk is in de oogen Gods en dat alle zondaars verraders zijn van de kroon van den Heere Jezus. Hij ziet op eene zonde en gedenkt, hoe zij Noach, den meest rechtvaardigen man van zijn tijd, ten val bracht; hij ziet op eene andere en herinnert zich, hoe zij Abi\'aham, den grootsten geloovige op aarde, overwon; wederom ziet hij op eene andere en gedenkt, hoe zij David, den beste der koningen op aarde, ter nederwierp. Hij denkt aan de zonden, die Simson, den sterksten; Salomo, den wijsten; Mozes, den zachtmoe-digsten; Job, den lankmoedigsten man op aarde, terneder wierpen. Deze overweging verwekt een gevoel van verontwaardiging in zijn binnenste tegen allo zonden, zoodat niets zijne hoop kan bevredigen, dan de verdelging van alle lusten, die hem bedroeven en pijnigen. Zulk een rechtvaardige wordt niet tevreden gesteld met de verlossing van éene zonde, neen, hij wil van alle zpnden bevrijd zijn; hij wil niet, dat eenige zonden gekruisigd en andere gespaard worden, maar roept steeds tot den Heere: kruisig ze allen, kruisig zo allen. De strijd der onrechtvaardigen is eenzijdig; zij toornen op éene zonde en glimlachen tegen eene andere; sommige zonden werpen zij de deur uit, en anderen liefkozen zij. Gij kunt dit zien in Jehu, Herodes, Judas, Simon Magus en Demas. Booze lieden strijden soms tegen grove zonden, die niet alleen zijn tegen de goddelijke Wet, maar ook tegen die der natuur en der volken: maar zij achten alle verborgene zonden, zooals; ijdele gedachten en woorden, zondige neigingen, verbasterde vloekwoorden enz., zeer gering. Zij strijden tegen die zonden, welke in strijd zijn met hunne eer, hun voordeel en genoegens, maar houden vrede met die, welke voor hen zijn als hun rechter oog

-ocr page 168-

156

of rechter hand. „quot;Want een iegelijk,quot; zegt Jezus in Job. 3 : 20 : „die kwaad doet, haat het licht en komt tot het licht niet, opdat zijne werken niet bestraft worden.quot;

3. De geloovige weet, waarom hij tegen de zonde strijdt. Hij beeft er vele en goede redenen voor. De liefde tot en de eer van God dringen hem *); om de zalige gemcenscbapsoefoning met den Heere en de geestelijke en hemelsche zegeningen is het hem te doen. Ook voert hij don strijd, omdat het bloed van Christus voor hem gestort is en \'s lleilands eer dat vordert; daarbij wordt hij door den Geest er toe gedreven en Diens vertroostingen schenken hem daartoe de kracht. Maar de strijd van de onrechtvaardigen wordt gevoerd om lage, zinnelyke en wettische redenen; zij vreezen voor schade en schande onder de menschen, of beven voor de hol, en sidderen bij de herinnering aan de vloeken der wet. -)

4. De strijd in den geloovige is gezegend, voorspoedig en overwinnend. In zijn strijd tegen de zonde wint hij steeds veld. „Die van Christus djn, hebben het vleesch gekruisigd met de bewegingen en begeerlijkheden quot;) (Gal. 5 : 24). Christus legt Zijne hand op hen en helpt hen

1) Hoewel het voor ons uitnemend is voor verleiding bewaard te worden, toch wordt Gode de meeste eer toegebracht, als de zonde om geestelijke en hemelsche redenen wordt wederstaan.

2) Het was een voortreffelijk gezegde van Eusebius Emésenus: „Onze vaderen hebben de vlammen overwonnen, laat ons de vurige pijlen des boozen overwinnen.\'\' Bedenk, dat de vreugde, die op de overwinning over de zonde volgt, duizendmaal het schijnbaar zoete der zonde overtreft.

3) Iemand heeft terecht gezegd; Deze twee: genade en zonde, zijn als twee watervaten in een put; als het eene vat boven is, is het andere beneden. Hoe meer genade in de ziel toeneemt, des te meer sterft de zonde in haar.

-ocr page 169-

157

de gevangenis gevangen nemen en hunne voeten te zetten op den hals dier lusten, die vroeger hunne ziel kwelden en van hare vertroostingen beroofden. Evenals het huis van Saul steeds zwakker en dat van David steeds sterker werd, zoo doet de Heere de genade, die het edeler deel der heiligen is, gelijk David, in kracht wassen, en de verdorvenheid, gelijk het huis van Saul, steeds krachte-loozer worden. \')

Maar de zonde in den goddelooze wint veld en wordt steeds sterker; ondanks al zijn strijd, wordt zjjn hart steeds meer vermetel en verhard in den weg der zonde. Er zijn vele voorbeelden. Donk aan Jehu en Judas, die ongetwijfeld velerlei strijd, beweging en opstand in hunne harten zullen gehad hebben, toen God zulke vreeselijke dingen tot hen sprak en zulke gerichten over hen uitoefende.

Maar denk er aan tot uwe waarschuwing: hoewel Christus der zonde door Zijne kracht, door Zijnen Geest, dood en opstanding, den doodsteek heeft gegeven, nochtans sterft zij langzaam. Even als iemand, die eene doodelijke wonde heeft gekregen, langzaam sterft, zoo is het ook met de zonde in het hart van een heilige. De dood van Christus op het kruishout was een langzame dood, zoo ook die der zonde in de ziel.

De ziel van den uitnemendste der menschen hangt in dit leven tusschen vleesch en Geest 1) gelijk, naar men zegt, de lijkkist van Mahomed te Mekka, tusschen twee

1

) De Romeinen verloren menigen veldslag en nochtans waren zij in het eind overwinnaars in de oorlogen, die zij voerden; juist zóó gaat het met de godvreezenden.

-ocr page 170-

158

zeilsteencn hangt; of zooals Erasmus door de Papisten wordt voorgesteld, tussclien hemel ea hel, of ook, zooals bij den stam van Manasse de helft was aan deze zijde van den Jordaan ia het laad der Amorieten, en de andere helft was aan de andere zijde, ia het Heilige laad. Nochtaas overwinnen de geloovigen eindelijk het vleesch en treden op den nek van hunne geestelijke vijanden.

Eene zesde list van Satan, om zielen ia eenen droe-vigen, twijfelenden en geslingcrden toestand te houden, is: haar te overredeu, dat zij zich in eeueu slechten staat bevinden omdat zij zich niet zoo in Cluistus kunnen verblijden, als zij dat voorheen konden doen; immers smaken zij nu niet meer al die vertroostingen en genietingen, die zij vroeger hadden. Daarom spreekt hij haar in dezer voege aan: „Gij kent den tijd, toen uw hart verwarmd werd door de liefde van Christus, en gedurig reden vond om Hem met psalmen te prijzen; hoe zijt gij nu gevallen, want waar zijn uwe vertroostingen en uitingen van vreugde? Hieruit kuut gij den slechten staat kennen, waarin gij u bevindt, en ook begrijpen, dat het nooit recht met u is geweest, want in dat geval zouden toch uwe vertroostingen en uwe vreugde zoo niet kunnen verkwijnen.quot; Door zulke redeneeringen wordt de ziel dikwijls misleid en er toe gebracht, om Satan toe te stemmen, dat zij zich zelve heeft bedrogen, toen zij meenen dorst, dat het goed met haar stond.

Wilt gij u tegen deze list wapenen? Bedenk, dat het missen van vertroostingen niets bewijst tegen het bezit van bekeerende genade; de ziel kan vol zijn van heilige genegenheden, terwijl zij ledig is van goddelijke vertroos-

-ocr page 171-

159

tingen. Er kan zijn, en er is ook dikwijls veel genade, waar geen enkele druppel van vertroosting of vreugde aanwezig is. \') God heeft deze beiden niet zoo aan elkander verbonden, dat zij niet kunnen gescheiden worden. \'1) De wijsheid, die van boven komt, zal iemand nooit doen redeneeren: „Ik heb geene vertroosting, daarom heb ik ook geene genade; ik mis de vreugde, die ik vroeg-er smaakte, daarom is mijn staat niet goed, en heb ik in zelfbedrog geleefd.quot; 3Iaar zij zal hem aldus leeren spreken: „Hoewel ik de gevoelige vertroosting mis, nochtans blijft de God van mijne vertroosting; hoewel mijne vreugde geweken is, nochtans blijven de zaden der genade.quot; Ue vreugde van de uitnemendste mcnschen is het glas gelijk : helder en breekbaar en altijd aan het gevaar blootgesteld van gebroken te worden.

Bedenk ernstig, dat, wat gij bezit, oneindig beter is dan de vreugde en de vertroostingen, die gij verloren hebt. Uwe eenheid met Christus, uwe aanneming tot kind van God, tot erfgenaam des hemels is u niet ontnomen, ofschoon gij de vertroostingen door do zonde, hebt verloren. Hoewel uwe vertroostingen verloren zijn, nochtans zijt gij een zoon, zij het ook een ongetrooste zoon; ook een erfgenaam, hoewel een ongetrooste erfgenaam, en een heilige, hoewel een ongetrooste heilige, Jer. 31 : 18/20. Ofschoon mve beurs met zilver (uwe vertroostingen) verloren is, toch is uwe kist met juweelen (uwe eenheid en gemeenschap met Christus, uw kindschap, uw bege-

1

*) Geestelijke vreugde is eene zon, die dikwijls bewolkt is : hoewel zij eene bloem is, zóó schoon, als ooit in het paradijs gegroeid heeft, toch is zij blootgesteld aan verwelking en verdorring.

-ocr page 172-

160

nadigd zijn, uw aangenomen zijn tot erfgenaam der eeuwige zaligheid) niet weg. en een dier kostelijke juweelen is van meerdere waarde, dan al de vertroostingen in deze wereld. Laat dan dit een middel zijn, om uw hart te versterken, eene ster, om u te leiden, een staf, om u te steunen, dat uwe kist met juweelen veilig is, hoewel uwe beurs met zilver te loor ging; of wilt gij, dat uw kapitaal is bewaard, al ging eene enkele coupon verloren.

Bedenk, dat uw toestand niet erger is dan die door zoo vele kostelijke zielen, die Christus in dit leven dierbaar Avaren en die nu in Zijne heerlijkheid deelen, is doorleefd. Sla hunne aardsche geschiedenis op. Nu hoort gij hen lofzingen en blijde zijn, dan weder treuren en weenen. Nu eens zingen zij: „De Ileere is mijn deel,quot; en dan weder zuchten zij en roepen in groote bedruktheid uit: „quot;Wat buigt gij u neder, o mijne ziel? Waarom zijn de harptonen verwisseld in weeklachten, waarom is liet orgelgezang verwisseld in tranen?quot; — Zie Ps. 51 : 14; — 80 7, 8; Job. 19 ; 6, 8, 9; Klaagl. 1 : 16; Ps. 13 : 6; Klaagl. 5 ; 15.

Bedenk, dat uwe vorige vreugde is ontstaan uit de nieuwheid en schielijkheid der verandering in uwen staat. ^ Of moet het iemand, niet zeer verheffen en vertroosten, als hij plotseling zijn nacht in dag, zijne duisternis in licht, zijn bitter in zoet, ziet veranderd ? Het kan niet anders dan iemands hart met blijdschap vervullen, als in de ure, waarin hij ziet, hoe Satan hem beschuldigt.

*) Als een misdadiger, op hel punt zijnde ter dood te worden veroordeeld, onverwachts gratie verkrijgt, zal hij daarover veel vreugde en blijdschap gevoelen De schielijke verandering in zijn toestand zal zijn hart doen huppelen van blijdschap, nochtans zal die vreugde, na verloop van tijd, verminderen hoewel zijn leven hem even dierbaar zal zijn als ooit.

-ocr page 173-

161

zijn eigen hart hem veroordeelt, de eeuwige (rod op hein toornt, de poorten des hemels voor hom gesloten zijnen de geheele schepping tegen hem gewapend is, om wraak over hem uit te oefenen, als, zeg ik, in die ure Christus zich aan hem openbaart en tot hem zegt:quot; Ik alleen heb de pers van Mijns Vaders toorn getreden voor u; Ik heb Mijn leven als een rantsoen voor u afgelegd; met Mijn bloed heb Ik aan Gods gerechtigheid voldaan; Zijn toorn gestild; en alzoo alle blijken van Zijne liefde voor u verkregen; met Mijn bloed heb Ik de vergeving uwer zonde, en uwe verlossing van de hel verworven en tevens, hoor het met aanbidding! uw recht op den hemel.quot; Kan dit anders dan de ziel met vreugde vervullen en haar van blijdschap doen huppelen?

Bedenk, dat God de vertroostingen aan Zijn volk zal wedergeven. Hij zal de schier uitgebluschte lamp helderder doen schijnen, dan ooit te voren \'). Hoewel uwe zon voor het oogenblik moge bewolkt zijn, de Heere zal die wolken verstrooien en maken, dat zij uw hart verlichte en verwarme, als in de dagen van ouds. Zoo zegt de psalmist: „Gy, Die mij vele benauwdheden en kwaden hebt doen zien, zult mjj weder levend maken, en zult mij weder ophalen uit de afgronden der aarde. Gij zult mjjne grootheid vermeerderen, en mij rondom vertroosten.quot; (Ps. 71 : 20, 21) God ontneemt een weinig troost, om de ziel veel te doen ontvangen. Dit toont

\') Toen de martelaar Hudson op den brandstapel zich verlaten gevoelde, boog hij onder zijne ketenen, en als hij ernstig gebeden had, werd hij krachtig vertroost en hij verdroeg zijn lijden met moed. Zoo ook de heer Glover; in het gezicht van zijn brandstapel, riep hij zijn vriend toe: „Hij is gekomen; — Hij is gekomen!quot; bedoelende den Trooster, Dien Christus beloofd had te zenden.

11

-ocr page 174-

162

ons de profeet Jesaja in boofdst. 57 ; 18; „Ik zie hunne wegen en Ik zal hen genezen; en Ik zal hen geleiden en hun vertroostingen wedergeven, namelijk aan hunne treurigen.quot; Blijf dus geduldig wachten, o dierbare ziel! uw storm zal in eene kalmte eindigen en uw donkere nacht zal worden vervangen door een dag van zonneschijn; uwe droefheid zal veranderen in gejuich, en de wateren van vertroosting zullen zoeter zijn en hooger in uwe ziel rijzen dan ooit; de genade is zekerlijk uwe, maar de tijd om haar te schenken is des Heeren. Wacht maar op God. Nog een weinig, en gij zult bevinden, dat de Ileere u van alle zijden vertroost. Zie Ps. 4 ; 8, 9. Ps. 116 ; 6.

Eene zevende list van Satan, om de ziel in eenen droevigen, twijfelenden en vragenden toestand te houden, is; haar te herinneren aan de gedurige wederkeeriug tot dezelfde zonde, waaraan zij zich vroeger had schuldig gemaakt, en die zij met schaamte en droefheid heeft beweend en in gebeden voor den Heere gebracht, met een vast voornemen haar te zullen wederstaan.

Satan zegt: „Uw hart is niet recht voor God en daarom kan ook uw staat niet goed zijn. Gij bedriegt u zeiven met te denken, dat God u Zich voor eeuwig-zal toecigenen; Hij zal niet zulk eenen tot Zich nemen, die wel over de zonde klaagt, maar telkens weder voor haar zwicht; die met tranen en zuchten de zoude belijdt en nu en dan diezelfde zonde doet.quot;

Inderdaad is het zeer treurig, dat eene ziel, nadat zij genade en barmhartigheid van den Heere heeft verkregen, en Hij tot haar van vergeving en vrede gespro-

-ocr page 175-

163

ken heeft, en haar de tranen van de oogen heeft afge-wisclit, weder tot dwaasheid keert. Ach! hoe stellen die gedurige wederkeeringen tot de zoude den mensch bloot aan de grootste droefenissen en do ergste verzoekingen. Zij doen de wonden opnieuw bloeden, verduisteren vorige verzekeringen en bewijsgronden van eenmaal den hemel te zullen beërven; geven een zwaard in de hand des gewetens, om de ziel op allerlei wijzen te verwonden; doen zoozeer vreeze, verschrikking en angst in de ziel ontstaan, dat zij niet zoo dikwijls en zoo ernstig, als vroeger, in de gebeden kan zijn, en zij ook onder het bidden de vertrouwelijkheid en vreugde in God mist, die zij vroeger had. Zij geven Satan gelegenheid, om als \'t ware over Christus te zegevieren; zij maken het werk van bekeering moeilijk; het leven wordt een last en de dood wordt eene vreeselijke verschrikking.

En toch zijn er wapenen tegen Satan\'s list.

Bedenk ernstig, dat er vele plaatsen in de Schrift zijn, die duidelijk de mogelijkheid aantoonen, dat de geloovigen zich aan dezelfde zonden schuldig maken, waarvan zij reeds bekeerd zijn geworden. „Ik zal hunlieder afkeering genezen. Ik zal hen vrijwillig liefhebben, want Mijn toorn is van hem gekeerd.quot; Hos. 14 : 5. Op gelijke wijze zegt Jeremia in Hoofdst. 3 : 12, 14: „Ga henen en roep deze woorden uit tegen het Noorden en zog: Bekeer u, gij afgekeerde Israël, spreekt de Heere, zoo zal Ik Mijnen toorn op ulieden niet doen vallen: want Ik ben goedertieren, spreekt de Heere. Ik zal den toom niet in eeuwigheid behouden. Bekeert u gij afkeerige kinderen! spreekt de Heere, want Ik heb u getrouwd, en Ik zal u aannemen, eenen uit eene stad, en twee uit een geslacht en zal u brengen te Zion.quot; En in

-ocr page 176-

164

Psalm 78 : 47 lezen wij; „En zij weken terug \') en handelden tronwelooslijk, gelijk hunne vaderen, zij zijn omgekeerd, als een bedriegelijke boog.quot;

Niemand verwondere zich hierover. Hoewel hunne bekeering oprecht is, toch is, in dit leven, hunne genade zwak en hunne zelfverloochening onvolmaakt; hoewelzij door genade bevrijd zijn van den vloek der wet en van de heerschappij der zonde, nochtans kan het zijn, dat de genade hen niet heeft bevrijd van het zaad van deze of gene zonde, en daardoor is het mogelijk telkens weder te struikelen. Als het vuur niet geheel uitgebluscht is, wie zal het dan onmogelijk achten, dat de kolen weder vlammen en branden?

Bedenk ernstig, dat de vermaardste en nu verheerlijkte heiligen, in de dagen hunner pelgrimsreis, gedurig door dezelfde zonde zijn verrast. Uit werd toegelaten, opdat zij hunne onbekwaamheid zouden zien, om in eigen kracht de verzoeking of inwendige verdorvenheid te wederstaan, veel min te overwinnen; opdat zij alzoo afgebracht van alle valsch vertrouwen ten allen tijde geheel en alleen op God zouden rusten. Zoo verkrijgt de Geneesheer onzer zielen den lof en de eer voor Zijne macht, wijsheid, barmhartigheid en goedheid, Hij, die heelen, helpen en genezen kan, als de ziekte meest gevaarlijk 2) is en anderen uitroepen: „Daar is

J) De zonde van afkeering (in het Engelsch: acMerswaartsglijding) is eene zielwondende zonde: „Ik zal hunlieder afkeering genezen.quot; Men leest van geene wapenrusting voor den rug, doch wel voor de borst. Toen een soldaat pochte over een litteeken op zijn voorhoofd, vroeg Cesar Augustus hem, of hij het niet had ontvangen, toen hij op zijne vlucht achterom zag.

\') De verloren zoon zag de grootheid van zijns vaders barmhartigheid te beter, toen hij, na de ouderlijke woning te hebben verlaten, weder ontvangen werd.

-ocr page 177-

165

geene hulpe meer voor hem in God,quot; en het hart van den lijder hem begeeft en zijne hoop stervende is.

Bedenk, dat in de grootste afschuw van, en droefheid over de zonde, of zelfs in de zoetste en gezochtste ontdekkingen van Gods genade \') niet eene kracht is, die voor altijd kan beschermen tegen het vallen in vorige verkeerdheden. De ontdekkingen, die God van Zijne liefde, en heerlijkheid aan eene ziel schenkt, blijven niet altijd bij; de indruk er van verzwakt, mits goed verstaan, zeggen wij; zij behouden hare frischheid en kracht niet onafgebroken, maar verwelken langzamerhand en de ziel kan wederkeeren tot dwaasheid. l)it is o. a. in Petrus te zien. Nadat hij, uit den mond van Christus, eene heerlijke getuigenis had gehad van zijne gelukzaligheid, poogt hij, ook uit vrees, dat hij en zijne makkers niet veilig zouden zijn, als zijn Heere zich aan lijden overgaf, Hem te verhinderen naar Jeruzalem te gaan, opdat Hij daar niet in de handen Zijner vijanden zou vallen. Daarna nam Jezus hem mede op den berg en toonde hem Zijne heerlijkheid, opdat hij zou gesterkt worden voor de ure der verzoeking; en toch spoedig daarop verloochende hij, op de schandelijkste wijze, den Heiland, meenende op die wijze zich zeiven te beveiligen. Matth. 26 : 69, 75. En wederom, nadat Christus zijn hart had verbroken, en na Zijne opstanding uitdrukkelijk beval „zegt.... Petrus, dat Ik hem voorga naar Galilea,quot; wordt hij weder door zijne slaafsche vrees overmeesterd, gelijk blijkt uit Gal. 2 : 11—13.

T) Christus verweet Zijaen discipelen hunne ongeloovigheid en de hardheid hunner harten, en deze hadden toch Zijne heerlijkheid gezien, de heerlijkheid als des Eeniggeborenen van den Vader, vol van genade en waarheid. Joh 1:14 Matth. 16 : 15—19.

-ocr page 178-

166

God heeft Zijne liefste kinderen voor hunne afdwalingen zwaar doen lijden, zooals in Zijne handelwijze met Josafat en Petrus kan gezien worden.

A.ch, Heere! hoe hard moet het hart van dien man zijn, die ziet, hoe ernstig Gij uwe liefste kinderen voor hunne zonden kastijdt, en nochtans het eene lichte zaak kan achten tot do zonde weder te keeren.

Eene achtste list van Satan, om zielen in een droe-vigen, twijfelenden en dóbberenden toestand te houden, is: de bewering, dat de staat niet goed is, waar men gestaag door verzoekingen vervolgd, geplaagd en gekweld wordt. Zijne methode is; eerst de ziel met verzoekingen te vermoeien en te bedroeven en haar dan met de gedachte te verzoeken, dat zij niet bemind is, omdat zij zoo verzocht wordt \'). Op deze wijze weet hij velen jaren lang in treurenden toestand te houden.

Bedenk ernstiglijk, dat de meest beminden des Hoeren, gewoonlijk het meest zijn verzocht geworden. 2) Hoewel Satan de Christenen nooit van hunne kroon kan be-rooven, toch is zijne boosheid zoo groot, dat hij juist daarom hen blijft verzoeken, opdat hij hen ten minste van hunne vertroostingen beroove. Zijne vijandschap tegen den Vader quot;is zóó, dat hij juist die kinderen, die het naast aan Zijn hart liggen en Hem het dierbaarst zijn,

\') Hij kan zóó verzoeken, dat een heilige zijn leven moede wordt. „Mijne ziel is verdrietig over mijn leven,quot; Job 10 : 1.

\') Eoovers vallen geene ledige schepen aan; en bedelaars behoeven geene aanvallen van dieven te vreezen. Zij, die het meest van God bezitten en het rijkste zijn in genade, zullen ook het meest door Satan worden aangevochten.

-ocr page 179-

167

te meer met zijne verzoekingen zal vermoeien en bedroeven. Niemand is zóó aan zijne beproevingen blootgesteld geweest als Christus, Die toch don Vader het naast en het dierbaarst was. David was door den Heere bemind en toch werd hij verleid het volk te tellen. Job, die zelfs door God hoogehjk geprezen werd, is van de verzoeking niet vrij gebleven, getuige de droevige uitlatingen, die hem in zijne diepe droefheid ontvallen zijn. Petrus werd zeer door Christus gewaardeerd. Dit blijkt uit de getuigenis, die Hij gaf van diens geloof en zaligheid; uit de openbaring van Zijne heerlijkheid op den berg en uit den liefdevollcn blik, dien Hij op hem wierp, na zijnen vreeselijken val, en nochtans werd hij van den Satan beproefd, zooals Jezus hem voorzegd had: „Simon, Simon, zie, de Satan heeft ulieden zeer begeerd te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude.quot; Luk. 22 : 31, 32. Paulus had de eer tot aan den hemel toe verheven te zijn, en eene heerlijkheid te zien, die niet kon worden uitgesproken en toch, nauwelijks is hij tot zijne gewone werkzaamheden wedergekeerd, of hij wordt door een engel des Satans met vuisten geslagen, „.opdat hij zich niet zou verheffen.quot; (2 Cor. 12 : 2—7.)

Als nu deze heiligen, die werkelijk en bij uitnemendheid door God bemind werden, verzocht zijn geworden, laat geen geloovige meenen, dat hij niet bemind is, omdat hij verzocht wordt. Het is even natuurlijk, dat een geloovige, die teederlijk bemind wordt, wordt verzocht, als, dat de zon schijnt, of een vogel zingt.

Een geloovige moest niet over de verzoeking klagen, want zij is het deel van alle geloovigen. „Want wij hebben den strijd niet,quot; zegt de apostel, „tegen vleesch

-ocr page 180-

168

en bloed, maar tegen de overheden, tegen de macliten, tegen do geweldhebbers dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.quot;

Bodenk, dat alle verzoekingen, die den geloovigen overkomen, door eene liefdevolle hand, aan hen zullen geheiligd worden. Welke heerlijke bevindingen verkrijgen de heiligen van do wijsheid van God, door de wijze, waarop Hij hen leert de geestelijke wapenen te gebruiken, om de verzoekingen niet alleen te wederstaan, maar ook te overwinnen; en van Zijne genade om hen te vergeven en te ondersteunen. „Daarom,quot; zegt Paulus, „ontving ik een engel des Satans, die mij met vuisten, zou slaan,quot; —- „opdat ik mij niet zon verheffend (2 Cor. 12 : 7.) Dit zogt hij tweemaal; in het begin en aan het einde van dat vers. Werd hij niet door een engel des Satans met vuisten geslagen, wie weet, hoe zijn hart zou gezwollen zijn? Hij zou door de ijdolheid zijns ge-moeds hooger zijn verheven geworden, dan, toen hij in de verrukking des geestos geweest was. Verzoeking is de school van God, waarin Hij Zijn volk de zoetste en duidelijkste openbaringen schenkt van Zijne liefde; eene school, waarin Hij hen leert meer aanhoudend en meer ernstig te zijn in plichtsbetrachting \') (Toen Paulus verzocht werd, bad hij driemaal, d. i. dikwijls en ernstig.) Eene school, waarin God Zijn volk leert, meer dan ooit, teeder, zachtmoedig en barmhartig te zijn jegens arme aangevochtene zielen; meer afschuwelijkheid in de zonde en ledigheid in het schepsel te zien, en eene grootere behoefte te hebben aan Christus,

\'i Luther zegt: „Er Zijn drie dingen, die iemand een prediker maken: Overdenking, gebed en verzoeking.

-ocr page 181-

169

en aan de vrije genade; en eindelijk, dat alle verzoekingen slechts middelen zijn, die Hij bezigt, om hen te beproeven, te louteren, en te doen schitteren. De uitkomst van alle verzoekingen zal het welzijn der heiligen zijn. Dit leert ons de geschiedenis van Gods kinderen van alle tijden en plaatsen. Hij, de Almachtige, de Liefderijke, Die licht uit duisternis, goed uit kwaad, zoet uit bitter, het leven uit den dood, troost uit droefheid voortbrengen kan, zal ook veel goeds voor Zijn volk uit alle verzoekingen doen geboren worden.

Bedenk ernstig, dat geene verzoekingen de heiligen benadeelen, zoolang zij door hen worden wederstaan. Het is niet de verzoeking van Satan, maar uwe bewilliging; niet de verleiding, maar de toestemming, die de verzoeking aan uwe ziel schadelijk doet zijn. Als de verzochte geloovige de verzoeking wederstaat, en met Christus zegt: „Ga achter mij. Satanquot; en met den pas bekeerde: „ik bon niet de man, die ik was,\'1 of ook, zooals Luther, allen, in alle verzoekingen, aanraadt te zeggen: „ik ben een Christen,quot; — en zij hem tot groote droefheid is, dan is zij hem niet tot zonde, hoewel zij zihi gemoed tot verstoring is. Als iemand op den Heere kan zien en zeggen: „ach, Heere! ik heb vele uitwendige beproevingen; ik heb vele groote en gewenschte zegeningen verloren, en toch, Gij, Die de harten doorgrondt, weet, dat al deze kruisen en ontberingen mijne ziel niet zoo verwonden, of mijn hart zulke zuchten doen slaken en mijne oogen zoovele tranen doen storten, als de verzoekingen, waarmede Satan mij volgt; — dan zijn de verzoekingen verdrietelijkheden, maar geene zonden.

Satan is een nijdige vijand; zooals zijne namen zijn, zoo is hij; al de namen, die hij draagt, duiden zijne

-ocr page 182-

170

Y ij andschap aan. JTij wordt genoemd: de aanklager, de verzoeker, de verder ver, de opeter, de benijder; en hij toont deze nijdigheid en haat, door soms lieden tot zonden te verzoeken, die geheel in strijd zijn met hunne natuurlijke geaardheid. Hij verzoekt sommigen God te lasteren en Zijn bestaan te ontkennen; onreinigheden en andere dergcljjke zonden te doen, die hun eer noch voordeel kunnen aanbrengen, maar het hart moeten doen beven van ieder, die de eerste gedachte daaraan bij zich voelt oprijzen. Ook in dergelijke gevallen zal het der ziel niet tot zonde gerekend worden, als zij die aanzoeken van den duivel wederstaat en ze met zuchten en droefheid voor den Heere brengt en bij Hem zoekt er van verlost te worden; de zegepraal, die zij in dien weg verkrijgt, zal zijn tot meerdere pijniging van Satan, die te meer zal moeten lijden, naarmate hij de heiligen op aarde heeft gekweld.

Wedersta dus dadelijk en beslissend alle verzoekingen van Satan. Trotseer de verzoeking op het eerste gezicht. Het is veilig te wederstaan, gevaarlijk in woordenwisseling te treden. Eva viel door te redetwisten, toen zij Satan had moeten wederstaan en trotseeren. Hij, die in de ure der verzoeking staande wil blijven, moet pleiten, zooals Christus deed: „Er staat geschreven.quot; Satan is vermetel en onbeschaamd, en als gij niet beslist zijt in uw wederstaan, zal hij zijne verzoeking herhalen. Het is uwe hoogste eer en uwe hoogste wijsheid, de verzoeking in haar eerste begin beslist te wederstaan, want alle middelen daarna tegen haar aangewend, zullen meestal blijken te laat te zijn.

Catharina Bretterge zeide eens, na eene zware aanvechting: „Redetwist niet met mij, Satan, ik ben maar

-ocr page 183-

171

eene zwakke vrouw; als gij iets te zeggen liebt, zog het dan aan Christus, die mijn Pleitbezorger, mijne Kracht en mijn Verlosser is; Hij zal voor mij pleiten!quot;

Niemand moet trachten des Satans kunstgrepen door zijn eigen vernuft te wederstaan. Hij, die meent door twisten en redeneeringen Satan van zich te kunnen verwijderen, biedt inderdaad Satan hulp. Zeg tot de verzoeking, wat Efraïm tot zijne afgoden zei: „Gaat henen van mij, want, wat heb ik meer met u te doen?quot; (Hos. 14) of als ,David tot de zonen van Zeruja: „Wat heb ik met u te doen?quot; (2 Sam. 16 : 10). Gij zoudt te hard voor mij zijn. Hij, die zoo de verzoekingen wederstaat, zal nooit door haar worden overwonnen.

Wedersta krachtig en gedurig de verzoekingen des Satans met verklaringen gegrond op do eer en de liefde Gods; op uwe eenheid en gemeenschap met Hem; op de goedheid, het bloed en den dood van Christus; op Diens bemiddeling en heerlijkheid; op de stem, de raadgeving, de vertroostingen, de tegenwoordigheid, het zegel, de ingeving, de geboden, de hulp en het getuigenis van den Heiligen Geest; op de heerlijkheid des hemels; de voortreffelijkheid der genade; de liefelijkheid der heiligheid; de waarde der ziel; en op de bitterheid en het kwade der zonde.

Zie, dat dit wederstaan even gedurig als krachtig zij, — blijf altijd gewapend; Satan komt altijd met nieuwe verzoekingen, als de oude te zwak bevonden worden; Houd u in kalmte bereid voor een storm. De verzoeker is rusteloos, en listig \'), hij zal zijne verzoekingen

1) Lukas 4 : 13. „En als de duivel alle verzoeking voleindigd had, week hij van Hem voor een tijdquot; Christus had geene rust, totdat Hij beproefd was geworden met allerlei beproevingen.

-ocr page 184-

172

schikken naar uw gestel en naar uwe neigingen. Satan wenscht niets liever dan met den wind te zeilen. Is uwe kennis zwak, dan verzoekt hij u tot dwaling; zijt gij teedor van aard, schroomvallig en overdreven nauwgezet, dan verzoekt hij u om niets anders te doen dan te hooren, te bidden, te lezen enz. Is uw geweten verruimd, zoo zal hij u tot vleeschelijk zelfvertrouwen trachten over te halen; hebt gij een vrijmoedigen geest, dan zoekt hij u vermetel te maken; zijt gij vreesachtig, dan wenscht hij u wanhopig te doen zijn; zijt gij hoogmoedig en stroef van aard, dan zoekt hij u tot dwaasheden te doen vervallen; wees daarom altijd bereid opnieuw door hem te worden aangevallen en laat de eene overwinning eene aansporing zijn, om eene andere te behalen. Als gij uwe verzoeking hebt overwonnen, wacht er u voor uw boog te ontspannen; zie, dat hij altijd gespannen en in kracht bhjve. Als gij eene verzoeking hebt overwonnen, moet gij u voor eene volgende beleid houden. Evenals wantrouwen, in sommige opzichten, do moeder is van veiligheid, zoo is gerustheid de poort van gevaar. Men moet bet meeste vreezen, dat men het minst van alles vreest. Als Satan altijd brullende is, moeten wij altijd wakende zijn, om hem te weder-staan. Zekerlijk zal hij, die krachtig en gedurig wederstand biedt aan de verzoekingen des Satans, eindelijk ze allen te boven komen en voor het tegenwoordige zal hij bewaard worden, door dezelve in het verderf gestort te worden.

Gedenk ten slotte, dat het gevaarlijk is aan de minste zonde toe te geven met het doel, om van de grootste verzoeking te worden verlost. Die dezen weg inslaat, doet denken aan den man, die zich met inkt wiesch, om rein

-ocr page 185-

173

te worden, of ook aan een ander, die een lichter kruis van papier verwisselde met een van ijzer, dat zwaar, moeielijk te dragen en bloedig is. De minste zonde op het geweten rustende, zal de ziel meer wonden, grieven en terneder slaan, dan al de verzoekingen in de wereld kunnen doen; geef daarom niet toe aan de geringste zonde, om zoo van de grootste verzoeking verlost te worden. Hij, die aan zonde wil toegeven, om van de verzoeking te worden verlost, zal des te meer verzocht worden en des te minder in staat zijn de verzoeking te weder staan.

-ocr page 186-

HOOFDSTUK IV.

ÜE LISTEN DES SATANS IN VERBAND MET DE VERSCHILLENDE MAATSCHAPPELIJKE TOESTANDEN.

„Want de Satan zelf verandert zich in eenen engel des lichts.quot;

2 cor. 11 : 14.

Met des monschen maatschappelijke positie zoekt Satan winst te doen, om tc verstrikken en te verderven.

Ik zal beginnen met op de voornaamste listen te wijzen, dio Satan aanwendt, om de aanzienlijken der aarde te verderven.

Eene eerste list in dezen is: hen tot trotsclilieid en hoovaardij te bewegen, hen aan te sporen zich voor de toekomst te verzekeren, door zooveel mogelijk schatten te verzamelen, zooals wij kunnen zien in Farao, Achab, Rehabéam, Jerobcam, Absalom, Joab, Haman en anderen. Had do Schrift hieromtrent niets gezegd, dan zouden wij uit eigen ervaring genoeg kunnen leeren, dat Satan door hen alleen en geheel en in alle dingen, zich zeiven te doen bedoelen, bezig is, om hunne namen in het stof te begraven en hunne zielen voor eeuwig te doen zinken

-ocr page 187-

175

in de hel. „Allen,quot; zegt de apostel in Pil. 2 : 21 „zoeken het hunne.quot; Betrekkelijk allen, want er zijn slechts weinigen, die hunne persoonlijke belangen en hunne eigene eer, voor de eer van God, of het algemeen belang, zouden ten offer brongou.

Wie zich tegen deze list wil wapenen, bedenke vooreerst ernstig, dat liet zoeken van ons zelven eone zonde is, die tot vele andere zonden leidt, — zonden, niet alleen tegen de wet van God en de voorschriften des evangelies, maar ook tegen de wet dor natuur. \')

Zij dreef de Farizeën, om zich tegen de leer van Christus te stellen; Judas, om zijnen Meester, voor een handvol zilverlingen, te verraden; en Pilatus, om den gezegenden Jezus te veroordeelen, niettegenstaande hij geene schuld in Hem vond, opdat hij in de gunst van zijne tegenstanders zou blijven deelen. Geliazi werd door haar gedreven tot leugentaal; Bileam tot vloeken; Saul en Absalom tot aanslagen op het leven van David. Zij dreef Faraö, om de Israëlieten te vervolgen, en Haman, om middelen te beramen de Joden, die God besloten had met Zijne machtige hand te verlossen, te verdelgen. Zij lokt den mensch, om valsclie weegschalen en bedrie-gelijke weegsteenen te gebruiken; zij doet hem den weg van verdrukking en wreedheid bewandelen „om den rechtvaardige voor geld te verkoopen en don nooddruftige om een paar schoenenquot; (Amos 2 : 6). Ik ken geene zonde in de wereld, waartoe eigenliefde den mensch niet doet vervallen, al is het tot zijn eeuwig verderf.

Bedenk ernstig, dat het zoeken van zichzelf den

l) Eigenliefde is de wortel van haat jegens anderen, 2 Tim. 3 : 2. Eerst: „liefhebbers van zichzelvenquot; en dan — „wreed.quot;

-ocr page 188-

176

mensch zeer verlaagt; liet ontdoet hem van zijnen adel en van zijne heerlijkheid; de edelman wordt in dien weg een dienstknecht, ja, zelfs een slaaf der slaven, gelijk te zien is in Judas, Demas, Bileam, de Schriftgeleerden en Farizeën. Zoekers van zichzelven huigen zich voor het schepsel, gelijk de vele duizenden van Gidéon zich bij het water hogen.

Deze zonde leidt iemand er toe eens anderen lusten te dienen en daarvan voordeel te trekken. Zij doet den mensch allerlei gedaante-wisselingen ondergaan. Zij maakt zondaren tot echte satanskinderen. Soms vertoonen zij zich als engelen des lichts, dan als engelen der duisternis ; nu eens schijnen zij vóór God te zijn, en dan weder zijn zij Zijne openbare tegenstanders; heden roepen zij: „Hosanna in de hoogste hemelen!quot; morgen doen zij het: „kruisig Hem, kruisig Hem!quot; hooren. Nu eens willen zij met de heiligen samen bouwen, maar, als de gelegenheid zich aanbiedt, gaan zij met de vijanden mede, om hen tegen te staan, gelijk blijkt in de geschiedenis van Ezra en Nehemia. Voor wie zichzelven zoeken, is, helaas, geen dienst zóó laag, zóó ellendig, die zij zich niet zouden laten welgevallen ter bereiking van hunne oogmerken. Zij kunnen niets hoogers zien dan de genietingen van het schepsel, want hierop is al hunne aandacht gevestigd. De apostel schetst hun karakter: „A.ls die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen en het schepsel geëerd en gediend hebben boven den Schepper, Die te prijzen is in der eeuwigheid.quot; Rom. 1 : 25.

Van ïibérius wordt gezegd, dat hij, zoolang Augustus regeerde, onbesproken was van gedrag; en zoolang Drusus en Germanicus in leven waren, veinsde die deugden te

-ocr page 189-

177

bezitten, die hem een goeden dunk bij het volk zouden geven, maar ook, toen hij het gezag in handen had, niets deed, zonder zicli aan overtreding schuldig te maken, en er geene misdaad gepleegd werd, waaraan hij geen deel had.

Overdenk ernstig, welke vreeselijke vloeken uit den hemel over alle zoekers van zichzelven worden uitgesproken; „Wee dengenen, die huis aan huis trekken, akker aan akker brengen, totdat er geene plaats meer zij, en dat gijlieden alleen inwoners gemaakt wordt in het midden des lands.quot; Jes. 5 : 8. Ook in Ilabakuk 2 : 6, 9—12 zegt de Heere: „Wee dien, die vermeerdert, hetgeen het zijne niet is (hoe lange!) en dien die op zich laadt dikken slijk \'); Wee dien, die met kwade gierigheid giert voor zijn huis, opdat hij in de hoogte zijn nest stelle, om bevrijd te zijn uit de hand des kwaads! — Want de steen uit den muur roept en de balk uit het hout antwoordt dien. „Wee dien, die de stad met onrecht bevestigt!quot; — De materialen van het met onderdrukking gebouwde huis zullen als getuigen tegen den bouwheer opstaan. De steenon van dezelfde muren zullen uitroepen: „Heere! wij zijn met bloed en geweld opgebouwd geworden,quot; en de balk zal antwoorden: „Ja, waarlijk Heere! het is zoo;quot; de steenen zullen dan roepen: „Wraak Heere! op die zoekers van zichzelvenquot; en de balk zal antwoorden; „Wee, hem, omdat hij zijn huis met bloed gebouwd heeft.quot; — „Wee dengenen,quot;

*) Een zeer rijk en zelfzuchtig Romein, Crassus, wikkelde zich uit dorst naar goud in oorlog met de Partliianen, door wie hij met 30,000 Romeinen verslagen werd; en omdat de barbaren hadden gegist, dat hij alleen om hunne bezittingen hen had beoorloogd, goten zij gesmolten goud in zijn iijk, zeggende: „Verzadig er u mede.quot;

12

-ocr page 190-

178

zegt Jesaja, Hdst. 10 ; 1 en 2: „die ongerechte inzettingen inzetten, en den schrjjvers, die moeite voorschrijven, om de armen van het recht af te wenden en om het recht der ellendigen Mijns volks te rooven, en opdat zij de weezen mogen plunderen.quot; — „Wee den gerusten te Zion,quot; zegt Amos in zijne profetie, (Hfdst. 6 : 1 en 6) „en den zekeren op den berg van Samaria, die de voornaamste zijn van de eerstelingen der volken, ou tot dewelke, die van het huis Israëls komen, — die wijn uit schalen drinken, en zich zalven met de voortreffelijkste olie, maar bekommeren zich niet over de verbreking van Jozef;quot; en Micha (Hfdst. 2 : 1:) „Wee dien, die ongerechtigheid bedenken en kwaad werken op hunne legers; in het licht van den morgenstond doen. zij het, dewijl het in de macht van hunlieder hand is.quot;

Uit deze plaatsen der Schrift kan men zien, hoe zij, die zichzelven zoeken, arbeiden, maar het blijkt: hunne winst is hunne schade; hunne genoegens, hunne pijn; hunne vertroostingen, hunne kwelling; hunne eer, hunne schande; hunne verheffing, hunne nederlaag. Schade, onteering, beroering en schande, kwelling en verwarring is het zeker deel van hen, die alleen zichzelven bedoelen.

Toen de Tartaren den hertog van Marscody hadden overwonnen, maakten zij een beker van zijn schedel en stelden daarop het opschrift: alles heyeerende, alles verliezende.

Bedenk ernstig, dat zij, die zichzelven zoeken, zich zeiven verliezen en verderven. Absalom en Judas zochten zichzelven en verdierven zichzelven. Saul deed dit ook en sloeg de handen aan zijn eigen leven. Ook Achab en hij verloor zichzelven, zijne kroon en zijn rijk. Ook Faraö, en hij en zijn machtig leger verdronken in de

-ocr page 191-

179

Roode Zee. Kaïn zocht zichzelven en versloeg inderdaad met zijnen broeder zichzelven. Góliazi zocht wisselkleederen en de Heere wikkelde zijn gemoed in een melaatschen huid. Haman zocht zichzelven en verloor zijn leven. De overheden en stadhouders, do raadsheeren en landvoogden, zochten in het verderf van Daniël, zichzelven, maar zij verdierven zichzelven, hunne vrouwen en hunne kinderen. Wat zij, die zichzelven zoeken, meenen een staf te kunnen achten, om hen te steunen, wordt (door de hand der gerechtigheid) eene ijzeren roede, om hen te verbreken. De kruisen derzulken zijn altijd meerder dan hunne zegeningen; zij hebben meer kwellingen dan genoegens, meer droefenissen dan vertroostingen. Wie zich zeiven zoekt, kwelt zich zeiven, verderft zich zeiven; hij draagt steeds een beul in zich om; er woont eene hel in zijn binnenste.

Bedenk veel het voorbeeld van de uitnemende heiligen, die, zooals b.v. Mozes, zichzelven hebben verloochend en het algemeen welzijn hebben verkozen boven hun eigen voordeel. „De lieere zeide tot Mozes„laat Mij toe, dat Mijn toorn tegen hen ontsteke, en hen verterc: zoo zal Ik u tot een groot volk maken,quot; (Exod. 32 : 10.) Maar dit aanbod had voor Mozes geene aantrekkelijkheid; grootmoedig, als hij was, begeerde hij dringend en bad hij ernstig, dat het zijn volk mocht worden vergeven en het mocht worden gespaard, zooals kan gezien worden in Num. 14 : 13—19: „Vergeef toch de ongerechtigheid dezes volks, naar de grootte TJwrer goedertierenheid, en gelijk Gij ze van Egypteland af tot hiertoe vergeven hebt.quot; — Och! deed God zulk een voorstel aan velen, die zich even wijs als Mozes achten, en ook bij anderen hoog staan aangeschreven, het ware te

-ocr page 192-

180

Treezen, dat zij het algemeen welzijn zouden laten varen, om hunne eigene belangen te zoeken; zij zouden er zich niet om bekommeren, wat van het volk werd, als zij en de hunnen maar groot en heerlijk in deze wereld werden. Een Babel moge voor hen gebouwd worden, al ware het ook op de asch en de puinhoop van het volk. Lager geesten dan deze zijn zelfs niet in de hel en dit is zeker, dat er zoodanige niet in den hemel zijn. Hunne harten en beginselen moeten veranderd worden, of zij zijn voor eeuwig verloren. Nehemia was een groot man, eene edele ziel, iemand, die het algemeen belang zocht; hij had zijn tijd, zijne kracht en zijne bezittingen over voor het welzijn en den vrede van zijn volk: „Ook van dien dag af,quot; zegt hij in zijn boek (Hfdst. 5 : 14—18), „dat hij mij bevolen heeft hun landvoogd te zijn in hei; land Juda van het twintigste jaar af, tot het twee-en-dertigste jaar van den Koning Arthahsasta, zijnde twaalf jaren, heb ik, met mijne broederen, het brood des land-voogds niet gegeten. En de vorige landvoogden, die voor mij geweest zijn, hebben het volk bezwaard, en van hen genomen aan brood en wijn, daarna veertig zilveren sikkelen; ook beerschten hunne jongens over het volk; maar ik heb alzoo niet gedaan, om der vreeze Gods wil. Daartoe heb ik ook aan het werk dezes muurs verbeterd en wij hebben geen land gekocht, en al mijne jongens zijn aldaar verzameld geweest tot het werk. Ook zijn van de Joden en van de overheden honderden-vijftig man, en die van de Heidenen, die rondom ons zijn, tot ons kwamen, aan mijn tafel geweest. En wat voor eenen dag bereid werd, was een os en zes uitgelezene schapen, ook werden mij vogelen bereid en binnen tien dagen van allen wijn zeer veel; nog heb ik

-ocr page 193-

181

bij dozen het brood dos landvoogds niet gezoclit, omdat de diensbaarlieid zwaar was over dit volk.quot;

Ook Daniël was zulk een man; hij werd door den-zelfdon geest geleid. In zijn boek (Hfdst. 6 ; 5 en 6) wordt gezegd: „Toen zochten de vorston en de stadhouders gelegenheid te vinden tegen Daniël vanwege het koninkrijk; maar zij konden geene gelegenheid noch misdaad vinden, dewijl hij getrouw was en geene vergrijping noch misdaad in hem gevonden werd. Toen zeiden die mannen: „Wij zullen tegen dezen Daniël geene gelegenheid vinden, tenzij wij tegen hem iets vinden in de wet zijns Gods.quot;

En wie was aan Christus gelijk! Wie verloochende zichzelven als Hij! Hij gaf Zichzelven over. Hij legde Zijn leven af. O, kinderen Gods, zie onafgebroken op deze liefelijke en dierbare voorbeelden, opdat uwe zielen er door mogen worden levend gemaakt en gij moogt worden gesterkt meer voor anderer welzijn, dan voor uwe eigene belangen te handelen. Vele Heidenen hebben zich zelfs hierdoor onderscheiden.

Bedenk ernstig, dat ons eigen ih een groote hinderpaal is voor de betrachting van Goddelijke dingen. Het zoeken van zichzelven verblindt de ziel zoo zeer, dat zij geene schoonheden in Christus of voortreffelijkheid in heiligheid kan zien; het ontneemt de ziel den geestelijken smaak, zoodat zij niet kan genieten de zoetheid van het Woord en van de wegen Gods, noch van het gezelschap van Zijn volk; het sluit de hand voor al de zielverrijkende gaven van Christus; hot verhardt het hart voor al Zijne roepstemmen; het stelt de ziel tot een ledigen wijnstok en tot eene dorre wildernis. „Israël is een uitgeledigde wijnstok, hij brengt weder

-ocr page 194-

182

vrucht voor zich.quot; (Hos. 10 : 1.) Mets toont zoo zeer, hoe geheel ledig de mensch is van God, van Christus en Zijne genade, dan het zoeken van zich zeiven. \') De Farizeön overtroffen anderen in het zoeken van zichzelven en zij waren het ook, die Christus, Zijn woord en Geest hot minst achtten.

Daar is geen grooter hinderpaal, dan het zoeken van zichzelven voor de betrachting van alle godsdienstige plichten. Dit is het, wat zoo velen verhindert naar God en de voortreffelijke dingen der eeuwigheid te zien; juist hun eigen ik verhindert hen op God te wachten, of in Zijnen naam te handelen, of op die wegen te blijven, waarin Hij zich laat vinden. Dat zoeken van zichzelven doet den mensch de dingen, die tot zijn vrede dienen, nalaten; en terwijl hij zelf den hemel niet wil ingaan, zoekt hij anderen te verhinderen, die het koninkrijk met geweld willen innemen Zoo handelden, de Schriftgeleerden en de Farizeën. Maar een begenadigde ziel wordt op geheel andere wegen geleid; zooals o. a. blijkt uit Hoogl. 7 : 12; „Laat ons vroeg ons opmaken naar de wijnbergen, laat ons zien, of de wijnstok bloeit, de jonge druifjes zich open doen, de granaatappelboomen uitbotten; daar zal ik U mijne uitnemende liefde geven.quot; Al wat de Kerk heeft en is, is alleen voor Hem! Laat de wereld vruchten voortbrengen voor zichzelven en voor zichzelven opstapelen, de begenadigde zielen verbergen en stapelen op voor Christus. Gelijk Christus Zijne verdiensten. Zijne vertroostingen en Zijne kroon

\') Zoekers van zichzelven, als Ezau, verkiezen een weinig spijze boven hun recht van eerstgeboorte; en met de lieden van Sichem achten zij den doornenbosch boven de druif, den olijf- en den vijgeboom; ja, ledige dingen boven een vollen — en lage dingen boven een heerlijken Christus.

-ocr page 195-

183

voor lien weglegt, zoo hebben zij al hare vruchten, hare liefde, hare genadegiften, hare bevindingen en hare diensten alleen voor Hem, Die de ziel harer vertroostingen, en de kroon en het toppunt van al hare heerlijkheid is. De zinspreuk dor heiligen is: „Voor U, o! Heere, voor U!quot; of: „niet ons, o Heere: niet ons!quot;

Eene andere list van Satan, om de aanzienlijken der aarde te verstrikken en te verderven, is: hen aan te hitsen tegen de geloovigen, die Gods sieraden. Zijn begeerlijk deel, de lust Zijner oogen en de vreugde Zijns harten zijn.

Dus deed Satan Farao zich tegen de kinderen Israels stellen, en dat was de oorzaak van ziju verderf. Haman werd eveneens geleid tegen de Joden op te staan en dit bracht hem aan de galg, die hij voor Mordechai had opgericht. Zoo ook spanden de edelen te Babyion samen tegen Daniël en gingen daarom met de hunnen het verderf te gemoet. In Openb. 20 : 7—9 lezen wij; „En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de Satan uit zijne gevangenis ontbonden worden, en hij zal uitgaan, om de volken te verleiden, die in de vier hoeken der aarde zijn, den Gog en den Magog, om hen te vergaderen tot den krijg, welker getal is als het zand aan de zee. En zij zijn opgekomen op de breedte der aarde en omringden de legerplaats der heiligen, en de geliefde stad; en er kwam vuur neder van God uit den hemel en heeft hen verslonden.quot;

Wie zich tegen deze list wapenen wil, bedenke, dat niemand zich heeft gestold tegen de heiligen, of hij is door den God der heiligen in het verderf gestort. De

-ocr page 196-

184

goddelijke gerechtigheid is steeds te sterk geweest voor allen, die de heiligen hebben wederstaan en zich tegen hen hebben gesteld, gelijk blijkt uit de geschiedenis van Saul, Farao, Ilaman en anderen. Hij bestrafte koningen, zeggende: „Tast Mijne gezalfden niet aan en doet Mijne profeten geen kwaadquot; (Ps. 105 : 15). Als mannen van den geest en de beginselen van Bileam zich tegen de heiligen hebben gesteld, heeft steeds de Engel des Heeren hen op den weg ontmoet tot hun verderf. Hoe velen zijn in de hel gestort, die zich tegen het Lam, en Zijne getrouwe getuigen, hebben gesteld! Hoe is hun bloed, door het rechtvaardig oordcel Gods, als water ter aarde gestort ! Hoe is de eer en grootheid in het stof gelegd van hen, die als Farao hebben gezegd: „Wij zullen vervolgen, wij zullen achterhalen, wij zullen den buit deelen, onze zielen zullen van hen vervuld worden.quot; In de dingen, waarin zij trotschelijk hebben gesproken en gehandeld, zijn zij door een rechtvaardig oordeel getroffen. De geschiedenis geeft hiervan voorbeelden te over. \')

Overdenk eiken morgen de volgende Schriftplaatsen, waarin God verklaart Zijn volk ter zijde te zullen staan, en hen te doen zegevieren over hunne grootste en listigste vijanden. „Vergezelt u te zamen, gij volken! doch wordt verbroken; en neemt ter oore, allen gij, die in verre

1) De door wreedheid onovertroffen bisschop van Londen, Bonner, die velen in de gevangenis deed werpen en ter dood brengen, alleen omdat zij dan Heere Jezus Christus in waarheid liefhadden, werd zelf in de gevangenis te Marshalsea geworpen, waar hij in de grootste armoede en ellende stierf; en, zooals verhaald wordt, werd hij onder de muren dier gevangenis begraven, zonder door iemand beweend te worden. liet oordeel, dat Jojakim, koning van Juda, trof, werd ook aan Bonner vervuld: „Niemand beklaagde hem en daar was niemand om te zeggen; och mijn broeder! of och mijne zuster! Met eene ezelsbegrafenis werd hij begraven.quot; (Jer. 22 ; 18 19.)

-ocr page 197-

185

landen zijt, omgordt u, doch wordt verbroken! Beraadslaagt eenen raad, doch hij zal vernietigd worden; spreekt een woord, doch het zal niet bestaan; want God is met ons.quot; (.les. 8 : 9, 10.) „Vrees niet, gij wormpje Jakobs, gij volkje Israels! Ik help u, spreekt de Heere, en uw Verlosser, is de Heilige Israels enz.quot; (Jes. 41 : 14—16.) „Alle instrument, dat tegen u bereid wordt, zal niet gelukken, en alle tong, die in het gericht tegen u opstaat, zult gij verdoemen; dit is de erve der knechten des Heeren en hunne gerechtigheid is uit Mij, spreekt de Heere. (Jes. 54 : 17.) „Nu zijn wel vele Heidenen tegen u verzameld, die daar zeggen: Laat ze ontheiligd worden, en laat ons oog schouwen aan Zion. Maar zij weten de gedachten des Heeren niet, en verstaan Zijn raadslag niet, dat Hij hen vergaderd heeft als garven tot den dorsehvloer. Maak u op en dorsch, o dochter Zions! want Ik zal uwen hoorn ijzer maken en uwe klauwen koper maken, en gij zult vele volken verpletteren; en Ik zal hunlïeder gewin den Heere verbannen en hun vermogen den Heere dor gansche aarde.quot; (Micha 4:11,13.) „Ziet, Ik zal Jeruzalem stellen tot eene drinkschaal der zwijmeling allen volken rondom, ja, ook zal zij zijn over Juda, in de belegering tegen Jeruzalem.quot; „En liet zal te dien dage geschieden, dat Ik Jeruzalem zal stellen tot een lastigen steen allen volken; allen, die zich daarmede belasten, zullen gewisselijk doorsneden worden, en al de volken der aarde zullen zich tegen haar verzamelen.quot; Zach. 12 : 2, 3.)

Bedenk ernstig, dat gij de heiligen niet kunt bestrijden zonder tegen God te strijden, om de nauwe en gezegende betrekking, die tusschen Hem en hen bestaat. Gij kunt niet tegen de heiligen strijden, of gij zult einde-

-ocr page 198-

186

lijk bevonden worden tegen God te hebben gestreden, en is er grooter dwaasheid denkbaar, dan, dat de zwakheid zelve zich stelt tegen oneindige Kracht? De nauwe betrekking, die tusschen den Heere en de geloovigen bestaat, wordt voorgesteld door den band, die man en vrouw samen bindt: „zij zullen tot één vleesch wezen.quot; „Deze verborgenheid is groot; doch ik zeg dit, ziende op Christus en op de gemeente — want wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vleesch en van Zijne beenen.quot; (Efoz. 5 : 3 of 32.) Zij wordt ook voorgesteld door de betrekking tusschen het hoofd en de leden, die één lichaam uitmaken, en door de ent en den stam, die door inplanting één gemaakt worden. De zaligheid der ziel bestaat in niets anders dan in de vereeniging met God, en hare ellende ligt in niets zoo zeer, als in hare ver-wydering van Hem. Deze vereeniging is zoo nauw, dat een geloovige niet kan geslagen worden, of de Heere heeft er gevoel van, en trekt hot Zich aan: „Saul, Saul, Avat vervolgt gij Mij ?quot; Hand. 9 : 4. „In al hunne benauwdheden was Hij benauwdquot; (Jes. 63 : 9). Wie heeft zich ooit tegen God gesteld en is voorspoedig geweest? Wie heeft het zwaard tegen Hem opgenomen, die niet door het zwaard is vergaan? Met één woord zou God u ter hel kunnen doen nederdalen; daarom zou het uwe grootste wijsheid zijn uw zwaard aan Zijne voeten neder te leggen. „Kust den Zoon, opdat Hij niet toorne, en gij op den weg vergaat!quot; (Ps. 2 : 12).

Bedenk ook, dat gij aan de heiligen (als middelen) veel verschuldigd zijt voor de zegeningen, die gij geniet en voor de afwering van velé oordeelen, die u anders reeds lang in het verderf zouden hebben doen storten. Liet God het niet om de heiligen, Hij zou spoedig den

-ocr page 199-

187

hemel tot koper on de aarde tot ijzer doen worden; Hij zou spoedig u van uwe heerlijke kleeding berooven en u op een mesthoop doen liggen, gelijk Hij het Job, ter beproeving, tijdelijk deed. De heiligen zijn de pilaren, die de wereld steunen en haar verhinderen op u te vallen ; zij verhoeden, dat uwe beenderen niet met eene ijzeren roede verraorseld worden. „Dies zeide Hij, dat Hij hen verdelgen zou, ten ware Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheure voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijne grimmigheid af te keeren, dat Hij hen niet verdierf.quot; (Ps. 106 : 23).

Hadden do heiligen niet menigwerf zich in de scheure, tusschen Gfod en u gesteld, gij zoudt reeds lang van uit het land der levenden zijn afgesneden, en gij zoudt uw deel roods hebben ontvangen met hen, wier namen geschreven zijn in het stof. Vele volken, steden en gezinnen worden met zegeningen omringd, om den wille der Jozefs, die er leven; en worden bewaard voor onheilen, om don wille van do Mozessen, de Daniel\'s, de NoaclTs on de Job\'s, die in hun midden wonen. Het is een lief woord, dat in Spr. 10 : 25 staat: „Grelijk een wervelwind voorbjj gaat, alzoo is de goddelooze niet meer; maar de rechtvaardige is een eeuwige grondvestquot; — of „is de grondvest der wereld De rechtvaardigen zijn de grondvesten der wereld, welke zonder hen spoedig zou waggelen en ineen storten. Zoo zegt do psalmist; „Het land en al zijne inwoners waren versmolten; maar ik heb zijne pilaren vastgemaakt.quot; (Ps. 75 : 4) èn weder in Ps. 76: 2—4 : „God is bekend in Juda, Zijn naam is groot in Israël; en in Salem is Zijne hut, en Zijne woning in Zion. Aldaar hooft Hij verbroken de vurige pijlen van den boog, het schild en het zwaard en den krijg.quot;

-ocr page 200-

188

De list van Satan om de wijzen en yeleerden te verstrikken en te verderven, is: hen zich te doen verhoo-vaardigen op hunne geleerdheid en bekwaamheden; nu eens door hen te bewegen daarin te rusten, dan weder door hen dezulken te doen minachten, die minder met gaven bedeeld zijn dan zij, hoewel zij hen in genade en heiligheid overtreffen; somtijds door hen te overreden, hunne geleerdheid en bekwaamheden te gebruiken tegen de eer van Christus, de vreugde des Geestes, de bevordering van het evangelie en de vrijheid der heiligen.

Wilt gij u tegen deze list wapenen? Bedenk ernstig, dat gij niets hebt, dan hetgeen gij ontvangen hebt; Christus is do Fontein van algeniecne gaven, zoowel als van zaligmakende genade.

„Wat hebt gy,quot; vraagt de apostel in 1 Cor. 4 : 7, „dat gij niet hebt ontvangen? en zoo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij, alsof gij het niet ontvangen hadt?quot;

Er zijn er, die hun eigen geluk uitspinnen, gelijk eene spin, door een draad van hun eigen weefsel. Van alle geleerdheid en bekwaamheid, die gij bezit, kunt gij zeggen met den man, die zijne bijl in het water liet vallen: „Ach, mijnheer! want het is geleend.quot; Al, wat ik heb, is geleend van de Fontein, die alle vaten in hemel \') en op aarde vult en doet overvloeien. „Heere!quot; zoo betaamt ons te zeggen, „mijne gaven zijn niet zoozeer de mijnen als de Uwen.quot; „Wij geven U, uit Uwe hand,quot; zeide de vorstelijke profeet, 1 Kron. 29 : 14.

1) Wat gij ook zijt, gij zijt liet Hem verschuldigd, Die u geschapen heeft; en wat gij ook bezit, gij zijt het Hem verschuldigd, Die u heeft verlost,

Bernard.

-ocr page 201-

189

Overdenk ernstig, dat velen door op hunne eigene bekwaamheden te steuren en to vertrouwen, hun eigen verderf hebben bewerkt, gelijk kan gezien worden in Achitofel; in de vorsten en stedehouders, die tegen Daniël samenspanden en in de Schriftgeleerden en Farizeën. God heeft er een behagen in de verwatenen te beschamen ; derhalve, wie op hunne geleerdheid en bekwaamheden vertrouwen, slaan op drijfzand hunne tenten op. Mets ter wereld tergt God meer, om zich van eene ziel terug te trekken, dan zulk een gedrag, en hoe kan iemand staande blijven, als \'s Heeren kracht van hem is geweken ? De leunselen buiten God zullen als pijlen zijn, die het hart doorboren. Ach! hoevelen in onze dagen hebben hunne vrienden, hun leven, hunne zielen verloren, door op hunne geleerdheid en bekwaamheden te steunen! De heiligen worden beschreven als te zijn leunende op hunnen Liefste, den Heere Jezus Christus. (Hoogl. 8 : 5) Wie alleen leunt op den arm van Christus, leidt het hoogste, veiligste en zaligste leven. Ellende en groote gevaren staan voor de deur dergenen, die op iets anders leunen; en hun grootste gevaar is, dat zij zich buiten gevaar achten. De grootste wijsheid in de wereld is des wijzen mans raad, Spr. 3 : 5, te betrachten; „Vertrouw op den Heere met uw gansche hart en steun op uw verstand niet.quot;

Overweeg, dat gij anderen niet meer in bekwaamheden overtreft, dan zij u overtreffen in genade en heiligheid. Daar zijn dikwijls groote gaven en schitterende bekwaamheden, terwijl er slechts weinig genade aanwezig-is; en er is dikwijls eene groote mate van genade, waar slechts geringe gaven zijn. Gij moogt anderen overtreffen in gaven van kennis, geleerdheid en welsprekendheid

-ocr page 202-

190

en toch kunnen zij hooger staan dan gij in gemeenschap met God, in het genot van henielsclie dingen, in heilige toegenegenheden en een onbcrispelyken wandel voor God. Zou het geene dwaasheid zijn een ander te verachten, omdat hij niet zoo rijk is als wij in lood en ijzer, terwijl hij duizendmaal rijker is in zilver, goud, juweelen en paarlen? En is het dan geene dwaasheid, als wij grootere gaven en voortreffelijker bekwaamheden hebben dan anderen, dezen daarom te minachten, terwijl zij duizendmaal meer genade bezitten dan wij ? Eu toch, hoezeer heerscht deze booze geest in de wereld!

Toen de oogen van Augustinus open gingen, moest hij droevig klagen; „de ongeletterden staan op en nemen het koninkrijk met geweld en wij met al onze geleerdheid worden in de diepte der hel geworpen.quot;

De groote apostel der Heidenen, Paulus, overtrof in geleerdheid en beksvaamheden al de doctoren en rabbijnen van zijnen tijd en toch, hoe nederig en teederlijk gedroeg hij zich jegens de ellendigsten en zwaksten. „Wie is er zwak,quot; vraagt hij in 2 Cor. 11 : 29, „dat ik niet zwak ben ? quot;Wie wordt er geërgerd, dat ik niet brande ?quot; en weder in 1 Cor. 8 vs. 13. „Daarom indien de spijze mijnen broeder ergert, zoo zal ik in eeuwigheid geeu vleesch eten, opdat ik mijnen broeder niet ergere.quot; Maar waar wordt deze beminnelijke geest gevonden in de doctoren der Theologie onzer dagen? Eer zien zij grimmig op en spreken bitterlijk jegens hen, die niet zien, zooals zij zien, en spreken, zooals zij sproken. Dat dezulken weten, dat de geest des Heeren, in de meest verachte heiligen, sterker zal zijn dan zij en Zijne verschijning in hen, in de laatste dagen zal vol geestelijke schoonheid en heerlijkheid zijn, en du heerlijkheid, die

-ocr page 203-

191

zij zoo gaarne de hunne noemen, zal verduisteren. De Geest des Heercn zal niet toelaten, dat Zijn gezochte juweel: — de genade — altijd onder liet stroo eu het gruis der geleerdheid bedekt blijve. Zie Jes. 10 : 13—-17.

Bedenk, dat er geen waarschijnlijker weg is, om de gaven eu bekwaamheden te doen verzengen en verdorren, dan door zich op dezelveu te verhoovaardigen en er in te rusten; hen gering te achten, die ze niet bezitten, en zich tegen personen, wegen en dingen te stellen, waarop Jezus Christus Zijn hart heeft gesteld. O, hoe dikwijls heeft God reeds de gaven en bekwaamheden van velen doen verkwijnen, die weleer als lichten hadden geschenen. Hoe is hunne heerlijkheid overschaduwd geworden. „Het zwaard (des Heeren) zal over zijnen arm zijn, en over zijn rechteroog; zijn arm zal ten eenemale verdorren, en zijn rechteroog zal ten eenemaal donker worden. (Zach. 11 ; 17).

Ziehier een reden tot verootmoediging en rouwklagen. Vele geloovigen, die de gave bezitten, om de geesten te onderscheiden, zien dit en weenen er over in het verborgen; och, dat de bedoelden zeiven een diepgaand besef verkregen van Gods afwezigheid van hen, opdat zij zich mochten bekeeren en voor Hem vernederen en Zijne uitverkorenen met liefde bejegenen; Als zij op den Heere willen steunen en niet op hunne gaven en bekwaamheden, dan zal Hij hen met Zijne genade bezoeken en hen meer schitterend doen schijnen en meer doen arbeiden ter eere van Christus en tot opbouwing van het geloof der heiligen, dan ooit te voren.

Satan heeft zijne listen, om de heiligen te benadeelen.

-ocr page 204-

192

Eene zijner grootste listen is: hen te verzoeken zich jegens elkander vreemd te houden, en daarna uiteen te gaan; dan bitter en naijverig te worden, en dan „elkander te bijten en te verteren.quot; (Gal. 5 : 15.)

Onze eigene droevige ervaring is hiervan een al te groot bewijs. De Israëlieten in Egypte hebben elkander niet meer gekweld, dan belijders van Christus in onze dagen doen. Ach, velen onder hen zijn verteerd geworden.

De wapenen tegen deze listen zijn:

Vestig racer de aandacht op elkanders genadegaven dan op elkanders zwakheden en gebreken. \') Het is bedroevend, dat de heiligen vele oogen hebben om de gebreken hunner broederen te zien, en niet één oog, om hunne genadegaven op merken; dat zij zich van brillen bedienen, om des anderen zwakheden te bemerken, liever dan spiegels, om hunne deugden te aanschouwen.

Erasmus maakt melding van iemand, die al de foutieve en gebrekkige verzen in de werken van Homérus had verzameld, maar al het voortreffelijke daarin stilzwijgend voorbijging. Och, dat dit niet de praktijk ware van velen, die eindelijk in den hemel elkander zullen ontmoeten ; dat zij niet zoo naarstig waren ora, met voorbijgaan van de goede eigenschappen, op elkanders zwakheden en gebreken te wijzen. De Corinthiërs hadden meer het oog op de zonde van den bloedschendigen persoon, dan op zijn berouw, zoodat hij bijna door droefheid zou zijn overmand. (2 Cor. 2 : 7, 8.)

Zegt toch, gij kinderen Gods! wat geeft meer vreugde,

a) Keizer Vespasiaan was meer bereid de gebreken zijner vrienden te bedekken, dan hunne deugden. Kan een Christen zonder te blozen het ernstig bedenken, dat een Heiden hem hierin overtreft?

-ocr page 205-

193

het zien op de voortreffelijkhedoii van anderen of het staren op hunne gebreken? Welke vreugde of troost is er in het zien op de zonden, de krankheden, de naaktheid onzer vrienden? Gij weet, dat zonde de vijandin en de ziekte is der ziel; en welk een hart moet hij hebben, die zich met dit waar te nemen, verheugt ? Genade is de gezochtste bloem in des Christens hof; zij is het rijkste juweel aan zijne kroon; zij is zijn vorstelijk gewaad; zijne hoogste heerlijkheid en daarom is zij het aangenaamste en verrukkendste voorwerp, waarop het oog kan rusten. Zonde is duisternis, — genade is licht; zonde is de hel, — genade de hemel; welk eene dwaasheid is het, meer op de duisternis dan op het licht, meer op de hel dan op den hemel te zien!

Ziet God niet meer op de genade, die Zijn volk bezit, dan op hunne zwakheden? Zekerlijk doet Hij dat. Hij zag meer op David\'s en Asafs oprechtheid, dan op hunne gebreken, hoewel deze groot en menigvuldig waren. Hij zag meer op Job\'s geduld, dan op zijne hartstochten. \') „Gij hebt do verdraagzaamheid van Job gehoord!quot; zegt de apostel, Jak. 5:11— Geen enkel woord van zijn ongeduld. Iemand maakte eene afbeelding van Alexander, die een litteeken op zijn aangezicht had, en teekende hem met zijnen vinger daarop. God doet Zijne vingers op de litteekens van Zijn volk, opdat hunne gebreken niet gezien kunnen worden.

Ach, dat de heiligen het hunne hoogste eer mochten achten hunnen hemelschen Vader hierin gelijk te worden.

\') De zonde is het werk van Satan, de genade dat van God; en is het niet betamelijk, dat een kind het meest in het oog en in zijn hart houdt het werk zijns vaders ?

13

-ocr page 206-

194

Door zoo te handelen, zouden vele zonden tedekt, de bedoelingen der goddeloozen tegengegaan, des Satans listen verijdeld, vele wonden geheeld, menig droevig hart vertroost en God grootere eere worden toegebracht.

Bedenkt ernstig, dat liefde en eensgezindheid uwe eigene veiligheid en vastigheid het meest verzekeren. Het leger des Heeren is onoverwinnelijk, als het in gesloten gelederen strijdt. De wereld moge op u toornen en u lagen leggen, maar zij zal u nooit kunnen deren. Eenheid waarborgt het best de veiligheid in de gemeente. Dit werd op eene levendige wijze door den Scythischen koning, gelijk Plutarchus vermeldt, voorgesteld. Kort voor zijnen dood gebood hij, dat aan zijne tachtig zonen een bundel pijlen, vast aan elkander gebonden, zou worden overhandigd, opdat zij ze zouden breken. Hoe zij dit ook beproefden, gelukte het hun niet. Daarop gebood hij den band los te maken, en nu viel het hun gemakkelijk iedere pijl afzonderlijk te knakken. Toen maakte hij de volgende toepassing: „Mijne zonen, zoolang gij te zamen vereenigd zijt, zult gij onoverwinnelijk zijn, maar zoodra de band der eenheid onder u verbroken wordt, zult gij gemakkelijk in stukken gebroken worden.quot;

Vestigt uwe gedachten op die geboden Gods, welke de onderlinge liefde eischen. Zoodra uwe harten tegen elkander beginnen op te staan, laat Gods gebod die zondige neiging bestraffen, door tot u zeiven te zeggen: Heeft de eeuwige God ons niet geboden hen lief te hebben, die Hem liefhebben? En is het niet het leven, om te gehoorzamen en de dood om te rebelleeren ? Ziet daarom, dat gij de geboden des Heeren gohoorzao.mt, want zij kunnen niet worden vernietigd. Overdenkt toch

-ocr page 207-

195

veel deze geboden Gods; „Een nieuw gebod geef Ik u, dat gij elkander liefliebt; gelijk Ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander lief hebt.quot; (Joh. 13 : 34.) Het wordt een nieuw gebod genoemd, omdat het in het Evangelie vernieuwd en door het voorbeeld van Christus bekrachtigd is. „Dit is Mijn gebod, dat gij elkander liefliebt, gelijkerwijs Ik u liefgehad heb. Dit gebied Ik u, opdat gij elkander liefliebt.quot; „Zijt niemand iets schuldig dan elkander lief te hebben; want, die den anderen liefheeft, die heeft de wet vervuld.quot; „Dat de broederlijke liefde blijve.quot; „Laat ons elkander liefhebben, want de liefde is uit God, en een iegelijk, die liefheeft, is uit God geboren cn kent God.quot; \') Wat ik u bidden mag, overdenkt toch veel deze dierbare geboden, opdat uwe liefde jegens elkander steeds moge toenemen.

Het werd bij de stichting der gemeente van Christus door de Heidenen opgemerkt, dat in dagen van diepe ellende, toen vaders en moeders hunne kinderen verlieten, de Christenen (anders elkander onbekend) elkander bijstonden en dat de band der geestelijke maagschap sterker bleek te zijn dan die des bloeds. Och, dat er meer van dezen geest onder de heiligen in onze dagen heerschte! De wereld werd eens door water verwoest, wegens de hitte der lusten, en het wordt gezegd, dat zij nogmaals door vuur zal verwoest worden, wegens de koudheid der liefde.

Overdenkt meer de voortreffelijke dingen, waarin gij het eens zijt, dan alle andere dingen, waarin gij verschilt. Door dit te doen, zou de zonde in uwe harten ten

\') Joh. 15 : 12, 17. Rom. 13 : 8. Hebr. 13 : 1. 1 Joh. 4 : 7. 1 Petr. 1 : 22, en 3 : 8. 1 Joh. 3 : 11, 23 en 4 : 11.

-ocr page 208-

196

onder gebracht worden, uwe liefde toenemen en uwe harten te zamen vereenigd worden. In de meeste dingen zijt gij het met elkander eens, slechts in weinige verschilt gij. In de gewichtigste dingen, zooals in uwe waardeering van God, Christus, den Heiligen Geest, de Schriften enz. komt gij overeen; gij verschilt slechts in die punten, die reeds lang oorzaak van geschil zijn geweest onder mannen van godsvrucht en geleerdheid. Zouden Heródes en Pilatus, Turken en Heidenen, beren en leeuwen, tijgers en wolven, ja, legioenen van duivelen het kunnen eens worden, en zouden de geroepene heiligen het niet kunnen eens worden, die slechts in ondergeschikte punten uiteengaan, welke hunne vereeniging in den hemel niet kunnen verhinderen?

Overdenkt ernstig, dat God „de God des vredesquot; is, en dat Christus er eene eere in stelt „de Vredevorstquot; en „Koning van Salem,quot; d. i. „Koning des vredesquot; genoemd te worden, en dat de Geest is een Geest van vrede: „De vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede.quot; (Gal. 5 ; 22.)

Waarom zouden dan de heiligen niet zijn kinderen des vredes? Zekerlijk kunnen prikkelbare lieden, spoedig tot twist en strijd genegen, het zoete getuigenis van hun deel aan een God des vredes, aan een Vredevorst en aan een Geest van vrede niet bezitten in die mate als de bevoorrechte zielen, die jagen naar de dingen, welke liefde en vrede bevorderen. Zelfs het woord vrede is zoo zoet en liefelijk; het woord is van den hemel, als de zaak, die het spelt; de vruchten des vredes zijn aangenaam en voordeelig en begeerlijker dan ontelbare overwinningen; de vrede is een zegen, die den weg opent voor menigvuldige vertroostingen.

-ocr page 209-

197

Liefde en vrede onder de heiligen zullen de raadslagen hunner vijanden vernietigen; ja, zij verslappen dezer handen het meest, stellen hunne hoop te leur en slaan hen ter neder.

Laat het er u bovenal om te doen zijn, vrede met God te hebben. \') liet is te vreezen, dat hier de oorzaak schuilt van die bitterheid, welke zooveel verdeeldheid onder Christenen doet ontstaan. Gij hebt er niet naar gestaan, zooals u dit had betaamd, vrede met God te onderhouden, en gevolgelijk hebt gij den ouderlingen vrede op zulk eene vreeselijke wijze verbroken. De Heere heeft beloofd, dat, als iemands wegen Hem behagen, Hij ook zijne vijanden met hem zal bevredigen.quot; (Spr. 16 : 7) Hoeveel te meer zou Hij de kinderen des vredes onderling vrede doen behouden, als hunne wegen aan Hem behaagden? Alle schepsels zijn aan Zijne bevelen onderworpen. Laban achtervolgde Jakob met eene bende; Ezau trok hem met eene andere bende te gemoet; zij hadden beiden vijandelijke voornemens; maar omdat Jakob\'s wegen den Heere behaagden, heeft Hij in Zjjne Almacht de omstandigheden zoo bestuurd, dat Laban hem verliet en Ezau hem te gemoet ging, beiden met een kus! De een heeft met een eed den band van vriendschap met hem gesloten en de andere met tranen; — beiden hadden vrede met hem.

Overdenkt veel de nauwe betrekking, die tusschen de heiligen bestaat. Deze overweging had grooten invloed op het hart van Abraham. „Eu Abram zeide tot Lot; „Laat toch geene twisting zijn tusschen mij en tusschen

1) Wees niet bevreesd te veel te weten, maar wel, hetgeen gij weet, te weinig in praktijk te brengen.

-ocr page 210-

198

u, en tusschen mijne herders en tusschen uwe herders, want wij zijn mannen broeders.quot; (Gen. 13 ; 8). In Ps. 133 : 1 is het zulk een liefelijk woord; „Ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het, dat broeders ook samenwonen.quot; Zij zijn zonen van hetzelfde huis; leden van hetzelfde huisgezin; leden van hetzelfde lichaam. In 1 Cor. 12:27 zegt de apostel: „En gijlieden zijt het lichaam van Christus en leden in het bijzonder,quot; en wederom in Efez. 5 : 30: „Want wij zijn leden Zijns lichaams, van Zijn vleesch en van Zijne beenen.quot; Zullen nu de leden van het natuurlijk lichaam elkander dienen en voor elkan-nuttig zijn en de leden van dit geestelijk Lichaam elkander verteren en verwoesten? Het is strijdig met de wet der natuur, dat de natuurlijke leden elkander verwonden, en is het niet meer tegen do wet der natuur en der genade, dat de leden van het heerlijke lichaam van Christus dat elkander doen ? En evenals gij allen leden van hetzelfde Lichaam zijt, zoo zijt gij ook allen strijders onder denzelfden Leidsman uwer zaligheid, den Heere Jezus, strijdende in dezelfde kracht, onder dezelfde banier, met het oog op dezelfde kroon, tegen de wereld, het vleesch en den duivel. En gelijk gij strijdgenooten zijt, zijt gij ook deelgenooten van hetzelfde lijden onder de vaak drukkende hand van dezelfde vijanden: den duivel en de wereld; zijt gij reisgenooten naar het land Kanaan — „het nieuwe Jeruzalem, dat daar boven is.quot; — „Wj hebben hier geene blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.quot; (Hebr. 13 : 14). De erfgenamen des hemels z-yn vreemdelingen op aarde. Grelijk zij allen mede-rei-zigers zijn, zoo zijn zij allen mede-erfgenamen van dezelfde erfenis.

Overdenkt de ellenden, die uit tweedracht geboren

-ocr page 211-

199

worden. Ontbinding is do dochter van verdeeldheid. En welk eene schade lijdt de zaak van Christus door de tweedracht der heiligen! Hoevelen, die beginnen op Gods wegen te treden, worden daarin verhinderd en bedroefd; hoe worden de monden der goddeloozen geopend en hunne harten verhard door de tweedracht van Grods volk! Houdt steeds in gedachte, dat de oneenigheid van Christenen de zegepraal van den duivel is. Is het niet zeer bedroevend, dat Christenen den duivel reden geven tot zegepraal? Iemand heeft ergens dit merkwaardige woord gesproken: „Neem het geschil weg en roep den vrede terug, opdat gij niet een man, uwen vriend, verliest, en do duivel, uw vijand, over u beiden juiche.quot;

Overdenkt ernstig, dat het geene oneer, maar veeleer eene eer is, de eerste te zijn in het pogen, om gestoorden vrede te herstellen. Abraham was ouder en achtingswaardiger dan Lot, nochtans zocht hij het eerst den vrede met zijn mindere; dit heeft God, tot zijn eer, doen vermelden. O, hoe jaagt God, de God des vredes, door Zijn Geest en Zijne gezanten, naar vrede met arme zondaars! God kondigt het eerst vrede aan ons: „Zoo zijn wij dan gezanten van Christus\' wege, alsof God door ons bade: wij bidden u van Christus\' wege, laat u met God verzoenen.quot; (2 Cor. 5 : 20) De genade Gods komt eerst tot ons, en wie kan zulk eene gezegende en met bloed gekochte nederbuiging weder-staan, dan zielen, in wie Satan, de god dezer wereld, in waarheid regeert? Aan God is onrecht aangedaan, en toch is Hij de Eerste, Die vrede met ons zoekt te maken. „Ik heb gezegd: Ziet hier ben Ik, ziet hier ben Ik, tot een volk, dat naar Mijn naam niet genoemd was.quot; (Jes. 65 : 1). Hoe breekt de vrijheid en rijkdom

-ocr page 212-

200

Zijnei\' genade door, hoe schijnt zij op arme zielen! Als iemand de zon vermijdt, volgen hare stralen hem toch na, evenzoo, als wij ons van de „Zon der Gerechtigheidquot; keeren, ook dan volgen de stralen harer liefde en genade ons na. Christus liet de boodschap Zijner verrijzenis, d. i. Zijner vergevende liefde, zoo nadrukkelijk brengen aan Petrus, die Hem verloochend had, en aan de anderen, die Hem verlaten hadden: „gaat heen, zegt Zijnen discipelen en Petrus, dat Hij u voorgaat naar Galiléa; aldaar zult gij Hem zien, gelijk Hij ulieden gezegd heeft.quot; (Mark. 16 : 7) Ach, konden allen het maar begrijpen, dat het niet eene vernederende, maar Gode gelijkende daad is het eerste gereed te zijn om vrede te zoeken met hen, die ons verongelijkt hebben; zulke daden bewijzen, dat God met ons is.

„Zalig zijn de vreedzamen,quot; d. i. de vredemakers.

Het is niet eene onverschillige zaak, aan des Christens willekeur overgelaten, al dan niet naar vrede te jagen, maar het is een plicht, dien hy betrachten moet; door uitdrukkelijke voorschriften wordt hij daartoe aangemaand. Al schijnt de vrede van hem te vluchten, hij moet er naar jagen: „Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niemand den Heere zien zal.quot; \'). Vrede en heiligmaking moeten nagejaagd worden met de grootste drift, die men zich kan voorstellen. „Wijk af van het kwade, en doe het goede, zoek den vrede en jaag dien na.quot; (Ps. 34 : 15). Het Hebreeuwsche woord voor „zoekquot; vertaald, beteekent: zoek ernstiglijk, met geweld, met liefde, met verstand,

\') Hebr. 12 ; 14: „Jaagt den vrede naquot;, evenals een vervolger 1 em najaagt, dien hij vervolgt. Jaagt hem na als den meest kostbaren schat.

-ocr page 213-

201

met naarstigheid, en dat door; „jaag dien naquot; overgezet, beteekent; „jaag dien ernstig na.quot; Het beeld is ontleend aan de gretigheid van roofdieren of vogels, die snel en ver loopen of vliegen, liever dan hunne prooi te missen. De apostel houdt den Romeinen dezen plicht voor in Hom. 14 : 19: „Laat ons dan najagen, hetgeen tot den vrede en hetgeen tot de stichting onder elkander dient.quot; O, gij gemelijke en kwalijk gestemde Christenen, kunt gij aan deze bevelen des Heeren denken zonder te blozen en te weenen?

Van Aristippus wordt verhaald, dat hij, hoewel een Heiden, uit eigen beweging tot zijn vijand Eschines ging en tot dezen zeide: „Zullen wij niet verzoend worden, totdat wij het onderwerp worden van ieders gesprek ?quot; En toen hij tot antwoord kreeg, dat Eschines zeer gaarne vrede met hem wilde maken, zeide hij: „Houd dan in gedachte, dat, hoewel ik de oudste ben van ons tweeën, ik u het eerst heb opgezocht.quot; — „Inderdaad,quot; zeide deze, „gij zijt een veel voortreffelijker man dan ik ben; ik heb het geschil veroorzaakt, maar gij hebt de verzoening bewerkt.quot; Laat ons steeds bidden, dat deze Heiden op den dag des oordeels niet zal opstaan tegen de zoo hooggeroemde belijders van Christus in onze dagen, „die hunne tong scherpen als een zwaard, een bitter woord aanleggen, als hunnen pijl.quot; (Ps. 64 : 4).

Greloovigen moesten vereenigd zijn en met elkander wandelen op den weg der genade en der heiligheid, zoover, als zij daarin overeenkomen, het Woord Gods als den eenigen toetssteen en rechter hunner daden erkennende. Het is eene liefelijke raadgeving des apostels, die in Fil. 3 : 14—16 staat opgeteekend; „Ik jaag naar het wit, tot den prijs der roeping Gods, die van

-ocr page 214-

202

boven is in Christus Jezus. Zoo velen dan, als wij volmaakt zijn, laat ons dit gevoelen; en indien gij iets anderszins gevoelt, ook dat zal u God openbaren. Doch, daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen.quot; God verliest veel, en de Christenen verliezen veel en de Satan heeft veel voordeel, als de kinderen Gods niet in liefde te zamen wandelen, voor zoover zij, naar hun geweten, in Zijne wegen blijven. Het is hunne zondeen schande, dat zij niet gezamenlijk willen bidden en zich voor den Ileere vernederen, omdat zij in eenige ondergeschikte punten het niet eens kunnen zijn. AVelk eene dwaasheid is het van hen, die honderd mijlen moetende afleggen, waarvan vijf en negentig door allen moeten bewandeld worden, te weigeren dat gezamenlijk te doen, omdat zij de vijf overige mijlen toch van elkander moeten scheiden? En toch is dat de dwaasheid van vele Christenen in onze dagen, die weigeren vele dingen te doen, die zij mogen doen, omdat zij niet alles kunnen doen, dat z\'j moesten. Het is te vreezen, dat de Heere door geeselingen hen daartoe zal dwingen. Hij zal hunne beenderen breken en hunne harten doorboren, om hen van deze zielsziekte te genezen.

Laat het Woord de eenige toetssteen en rechter zijn van alle personen en daden. „Tot de wet en tot de getuigenis! zoo zij niet spreken naar dit Woord, het zal zijn, dat z|j geen dageraad zullen hebben.quot; (Jes. 8 : 20) Immers naar dat Woord zullen allen op den laatsten dag der wereld geoordeeld worden. „Het woord,quot; zegt Jezus in Joh. 12 ; 48, „dat Ik gesproken heb, zal hem oordeelen ten laatsten dage.quot; Laat toch uwe schemerachtige inbeeldingen en meeningen niet de rechters

-ocr page 215-

203

worden van \'s menschen daden, maar houdt u aan den eenigen waren regel en pleit steeds: — „Er staat geschreven.quot;

Toen eens een lastig man, in een strijd meteen

godvreezend persoon, uitriep: „luister naar mij, luister naar mij,quot; antwoordde de andere: „luister gij niet naar mij, en ik niet naar u, maar — laat ons heiden naar den apostel luisteren.quot;

Wees ernstig in het beoordeelen van u zeiven. „Want indien wij ons zeiven oordeelen, zoo zouden wij niet geoordeeld worden.quot; (1 Cor. 11 : 31). Waren de harten der Christenen moer werkzaam in het oordeelen en veroordeelen van zich zei ven, zij zouden niet zoo licht-vaardiglijk anderen oordeelen en veroordeelen, noch ook zoo bitter zijn jegens hen, die het niet met hen eens zijn. Niemand is zoo bevreesd anderen te beoordeelen, als zij, die zich zeiven het meest beoordeelen. Zij zijn bevreesd om van een ander kwaad te denken of te spreken of hen in eenig opzicht te verongelijken. Zij geven altijd de beste en meest gunstige verklaringen van de handelingen van anderen, omdat zij zoo goed bekend zijn met hunne eigene zwakheden en gebreken.

Zij, die met voorbijgaan van zich zeiven, gedurig eens anderen staat beoordeelen, en dat wel op- eene roeke-looze en valsche wijze, zouden wel doen door eiken morgen de volgende teksten met ernst te overdenken: „Oordeel niet, opdat gij niet geoordeeld wordt, want met welk oordeel gij oordeelt, zult gij geoordeeld worden, en met welke mate gij meet, zal u weder gemeten worden.quot; „Oordeel niet naar het aanzien, maar oordeel een rechtvaardig oordeel.quot; „Die daar eet, verachte hem niet, die daar niet eet; en die niet eet, oordeele hem niet,

-ocr page 216-

204

die daar eet, want Grod heeft hem aangenomen.quot; „Zoo dan oordeelt niets voor den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn. Welke ook in het licht zal brengen, hetgeen in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten, en alsdan zal een iegelijk lof hebben van God.quot; Matth. 7 : 1, 2. Joh. 7 : 24. Rom. 14 : 3, 10, 13 en 1 Cor. 4 : 5.

Zekere Delphidius beschuldigde iemand voor Juliaan van iets, dat hij niet bewijzen kon en waaraan ook de beschuldigde verklaarde niet schuldig te zjjn. „Als het genoeg is,quot; zeide Delphidius, „slechts eene beschuldiging te ontkennen, wie zal dan schuldig bevonden worden?quot; waarop Juliaan hem ten antwoord gaf: „en als het genoeg is slechts beschuldigingen in te brengen, wie kan dan onschuldig zijn ?quot;

Zoek bovenal met ootmoedk/heid bekleed te worden. 1 Petr. 5 : 5. ^Nederigheid maakt een mensch vreedzaam onder zijne broederen; vruchtbaar in goeddoen; blijmoedig in lijden, en volhardend in eenen heiligen wandel. Nederigheid bekwaamt ons tot de gewichtigste diensten, die wij Christus verschuldigd zijn, zonder ons te doen nalatig zijn in de betrachting der geringste diensten jegens de minsten der heiligen. Joh. 13 : 5. Nederigheid kan zich met het armoedigste gerecht voeden en nochtans wordt zij onderhouden met de meest uitgezochte lekkernijen: als God, Christus en de heerlijkheid. Nederigheid stelt iemand iu staat te zegenen, die hem vloekt, te bidden, voor wie hem vervolgt. Een nederig hart is eene woning voor God, een leerling van Christus een gezel van de engelen, en bereid voor de heerlijkheid. Nederigheid is de voedster en behoudster van alle genaden, en de bevorderaarster van alle heilige plichten.

-ocr page 217-

205

Er zijn drie dingen, die nederigheid aan deze zijde van den hemel niet kan vinden: — Zij vindt geene volheid in het schepsel; geene zoetheid in de zonde; en geen leven in eene instelling buiten Christus. En er zijn drie dingen, die een nederig mensch altijd vindt aan deze zijde van den hemel: eene ledige ziel; een vollen Christus, en zoetheid in elke genade en plichtsbetrachting, ■waarin God genoten wordt. De nederigheid kan weenen over de gebreken van anderen en blijde zijn over hunne genadegaven. Zie 1 Thess. 1 : 2— 6. De nederigheid maakt iemand stil en tevreden in den geringsten toestand en verhindert hem eens anderen voorspoed te benijden. De nederigheid eert hen, die krachtig zijn in genade, en onderschraagt hen, die zwak zijn. Efez. 3 : 8. De nederige is rijker dan anderen en acht zich zeiven de minste te zijn van allen. \') Hij ziet veel goeds om zich heen, en merkt weinig bij zich zeiven op. Noem het geloof den held en de liefde de min der genade, maar weet, dat de nederigheid haar versierster is; zij werpt heerlijkheid op al de genaden der ziel.

Zoo de Christenen meer in nederigheid toenamen, zouden zij minder bitter en gemelijk, meer zachtmoedig en liefderijk zijn in hun gemoed en in hunne handelingen. „Ik oordeel,quot; zegt een nederige, dat het nu met deze Christenen heel goed staat, maar het zal hiernamaals veel beter met hen staan. Zij zijn nu op de grenzen van het nieuwe Jeruzalem, en de tijd hunner omzwerving is voorts kort.quot; Een nederig mensch getuigt

*) De nederige ziel is gelijk het viooltje, dat lang groeit, zijn hoofd nederwaarts buigt en zich onder zijne bladeren bedekt; en ware het niet, dat de welriekende reuk zijner vele deugden hem der wereld ontdekte, zou hij in het verborgen wenschen te leven en te sterven.

-ocr page 218-

206

eer van anderer deelgenootscliap aan God, don hemel, aan Christus en elke Nieuw-Testamentische zegening, dan van eigene zekerheid dienaangaande. Waren de Christenen nederiger, er zou minder onheilig vuur en meer warmte der liefde onder hen zijn, dan nu dikwerf het geval is.

Evenals Satan zijne listen heeft, om bevoorrechte zielen te verderven, zoo wreet hij ook winst met onkunde en armoede te doen tot verzoeking.

Somtijds verleidt hij hen onkunde voor te wenden door de middelen, om kennis te verkrijgen, ongebruikt te laten, ja, te minachten. Onkunde is do moeder van dwalingen, de oorzaak van beroering en misslag. Zij is de breede weg tot de hel en maakt iemand tegelijk een gevangene en een slaaf van den duivel. Onkunde berooft den mensch van zijne waardigheid en stelt hem gelijk aan een beest, ja, zelfs ellendiger dan de beesten, die vergaan. Niemand wordt zoo gemakkelijk en zoo dikwijls in des Satans strikken gevangen, als de onkundige; hij wordt lichtelijk geleid om den ganschen dag met den Satan te dansen en te droomen des nachts met Christus avondmaal te zullen houden.

Er zijn wrapenen tegen deze listen:

Bedenk ernstig, dat een onkundig hart een boos hart is; dat „de ziel zonder wetenschap niet goed is.quot; (Spr. 19 : 2.) Een onkundig hart is in duisternis, en niets goeds kan er in komen, wijl de weg naar het hart door het verstand loopt. „Maar indien uw oog boos is, zoo zal geheel uw lichaam duister zijn.quot; (Mattb. 6 : 23.) Een melaatsch hoofd en een melaatsch hart zijn onafscheid-

-ocr page 219-

207

bare gezellen. Onkundige harten zijn boos en zij ontzien zich niet, ijzingwekkende gedachte! hun venijn zelfs op Gods aangezicht te spuwen, zooals Faraö deed, toen dikke duisternis op hem was.

Bedenk, dat, evenals blindheid het gebrek is des aan-gezichts, alzoo onkunde dat i-3 der ziel. Evenals liet gemis van lichamelijke oogen de schoonheid van het aangezicht rooft, zoo ook verliest de ziel hare schoonheid door het gemis van geestelijke oogen. Een man zonder kennis is als een arbeider zonder handen, een schilder zonder oogen, een reiziger zonder voeten, een schip zonder zeilen, een vogel zonder vlerken of een lichaam zonder een ziel.

Bedenk, dat onkunde den mensch tot een voorwerp van Gods haat en toorn maakt. „Zij zijn een volk dwalende van hart, en zij kennen Mijne wegen niet. Daarom heb Ik in Mijnen toorn gezworen: Zoo zij in Mijne rust zullen ingaan.quot; „Want het is geen volk van eenig verstand, daarom zal Hij, Die het gemaakt heeft. Zich deszelven niet ontfermen.quot; Christus heeft gezegd, dat Hij komen zal „met vlammend vuur, wraak doende over degenen, die God niet kennen.quot; Onkunde zal eindigen in het ontvangen van vreesehjke vergelding. \') Als gij een armen, blinden man ziet, zult gij hem niet verachten of haten, maar gij zult medelijden met hem hebben, doch de blindheid der ziel maakt een mensch verachtelijk in de oogen van God. God heeft gezworen, dat onkundige lieden nooit den hemel zullen ingaan. De hemel zelfs zou voor dezulken eene ellendige plaats zijn.

1] Ps. 95 : 10, 11; Jes. 27 : 11; Thes. 1 : 8. Zij, die Gods wegen niet kennen, moeten noodwendig dwalen; en hun dwalen voert naar de diepte:i der hel.

-ocr page 220-

208

„Mijn volk is uitgeroeid, omdat het zonder kennis is; dewijl gij de kennis verworpen hebt, heb Ik u ook verworpenquot;. (Hos. 4 : 6.) \')

Bedenk, dat onkunde eene zonde is, die tot alle andere zonden leidt; alle zonden worden in onkunde gevonden. „Grij dwaalt, niet wetende de Schrift.quot; Matth. 22 : 29. Zij spoort den mensch aan de heiligen te haten en te vervolgen.quot; Zij zullen u uit de synagogen werpen; ja, de ure komt, dat een iegelijk, die u zal dooden, zal meenen, Grode eenen dienst te doen. En deze dingen zullen zij ii doen, omdat zij den Vader niet gekend hebben, noch Mij.quot; (Joh. 16 : 2, 3) Paulus schrijft aan zijne onkunde toe al de wreedheden, die hij aan de Christenen heeft gepleegd. „Ik was te voren een Godslasteraar, en een vervolger, en een verdrukker, maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetende gedaan heb.quot; 1 Tim. 1 ; 13. Onkunde dreef de Joden er toe, om Christus te kruisigen; „Vader, vergeef het hun,quot; zeide Christus van Zijne moordenaars, „want zij «ie#, wat zij doen.quot; Luk. 23 : 34. „Want indien de oversten dezer wereld ze gekend hadden, zoo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruisigd hebben.quot; (1 Cor. 2 :8.)

Zonde was eerst de oorzaak van onkunde, maar nu is onkunde oorzaak van alle zonden. „Zweren en liegen; moorden en stelen; hoereeren en allerlei ongerechtigheid nemen de overhand,quot; zegt de profeet, „omdat er geene kennis van God in het land is.quot; Niemand is zoo vermetel en menigvuldig in de wegen der zonde als de onkundigen; zij storen er zich niet aan, wat zij tegen God, Christus,

1) Rome zegt dat onkunde de moeder is van godsvrucht, maar de Schrift zegt, dat zij de moeder is van het verderf.

-ocr page 221-

209

den hemel, de heiligheid of hunne eigene zielen doen of zeggen. „Onze tongen zijn de onze! wie is heer over ons? Zij verderven het en spreken booselijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte; zij zetten hunnen mond tegen den hemel, en hunne tong wandelt op de aarde. Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geene kennis, die Mijn volk opeten, alsof zij brood aten ? Zij roepen den Heere niet aan.quot; (Ps. 73 : 8, 9 en 14 : 4.)

14

-ocr page 222-

HOOFDSTUK V.

DE LISTEN VAN SATAN, DOOR WELKE ■ HIJ ARME ZIELEN VERHINDERT DEN HEERE JEZUS CHRISTUS AAN TE NEMEN EN ZICH TOE TE EIGENEN EN NAAR HET EVANGELIE OP HEM ALLEEN TE VERTROUWEN VOOR HUNNE EEUWIGE GELUKZALIGHEID, EN HOE ER ONS TEGEN TE WAPENEN.

,W!int wij hebben den strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.

Efeze 6 : 12.

Zijne eerste list, om zielen te verliinderen geloof in Christus te oefenen, is: haar de grootheid en afschuwelijkheid harer zonden voor te houden.

„Wat,quot; zegt Satan, „meent gij, die met zulke opge-hevene handen tegen Hem gezondigd hebt, ooit genade van Christus te ontvangen? Gij hebt de aanbiedingen van genade geminacht, den Geest tegengestaan, het Woord van God smaadheid aangedaan en alle kwaad met lust besproken en bedi-even. Neen, voor anderen heeft Hij genade en vergeving, maar niet voor u.quot;

-ocr page 223-

211

Wie zich tegen deze inderdaad fijn gesponnen list wapenen wil, bedenke, dat hoe grooter onze zonden zijn, des te dringender onze behoefte aan een Zaligmaker is. Hoe zwaarder uw last, des te dringender uwe behoefte aan iemand, die u hem helpt dragen; hoe dieper en gevaarlijker de wond, des te meer wordt de hulp van een geneesheer vereischt. Wie anders dan een krankzinnige zou zeggen: „Mijn last is zwaar, daarom zal ik om geene hulp roepen; mijne wond is diep, daarom zal ik er geene zalf voor vragen; mijne ongesteldheid is gevaarlijk, daarom zal ik niet naar een geneesheer gaan.quot; Zeker is hot geestelijke krankzinnigheid, althans des duivels logica, om dus te redeneeren: „Mijne zonden zijn groot, daarom zal ik niet tot Christus gaan; ik durf niet op Christus rusten of leunen.quot; Daarentegen moest de ziel dus redeneeren: „Hoe grooter mijne zonden zijn, des te meer behoef ik genade en vergeving, en daarom wil ik tot Christus gaan, Die lust heeft in ontferming, en Die de zonden vergeeft om Zijn eigen Naams wil.quot; Mich. 7 : 18; Jes. 43 : 25.

Bedenk, dat de rijkste beloften van genade en ontferming zijn gegeven aan toevlucht nemende zielen. Daarom, hoe zondig gij ook moogt geweest zijn, toch, als gij wilt wederkeeren, dan is God in barmhartigheid en vergeving de uwe. 2 Kron. 30 : 9. Jes. 3 : 12. „Ga henen en roep deze woorden uit tegen het Noorden en zeg: „Bekeer u, gij, afkeerige Israëlquot; enz. Joel 2 : 13. Scheur uw hart en niet uwe kleederen, Jes. 55 : 7. „De goddelooze verlate zijnen weg, en de ongerechtige man zijne gedachten; en hij bekeere zich tot den Heere, zoo zal Hij Zich zijner ontfermen en tot onzen God, want Hij vergeeft menigvuldig,quot; zie ook Ezechiël 18.

-ocr page 224-

212

Zondaar! Dc grootheid uwer overtredingen sluit u niet buiten de genade, als slechts uwe bonden u berouwen en gij ze wilt afbreken, m. a. w. als gij u slechts tot de Fontein van vergevende en heiligende genade wilt keeren.

Het hart en de armen van Christus zijn steeds wijd geopend om den wederkeerenden zondaar te omhelzen. Het is niet alleen de grootheid uwer zonde, maar uw moedwillig blijven in die zonden, dat u voor eeuwig zal verderven.

Bedenk ernstighjk, dat de grootste zondaren genade hebben verkregen; en daarom al de engelen in den hemel, alle mensclaen op de aarde, en de duivelen in de hel, niet kunnen beweren, dat er ook voor u geene genade te verkrijgen is. Manasse was een beruchte zondaar; hij deed Juda erger zondigen dan de Heidenen, die de Heere voor het aangezicht der kinderen Israëls had verdelgd; hij was oorzaak, dat de straten van Jeru-zalem met het bloed der heiligen gedrenkt werden. Hoe scheen hij door deze daden te zijn een duivel in mensche-lijke gedaante! En nochtans, toen hij zich voor den Heere verootmoedigde en Hem zocht, liet Deze Zich door hem verbidden: Hij verhoorde zijne smeekingen; Hij bracht hem weder te Jeruzalem en maakte Zich aan hem bekend en kroonde hem met barmhartigheid en goedertierenheid, zooals kan gezien worden in 2 Kron. 33. Evenzoo was Paulus eens een lasteraar, en een verdrukker en ook hij verkreeg genade. 1 Tim. 1—13.

Bodin verhaalt van een oproermaker, die een grooten aanhang had verkregen tegen een Romeinsch keizer. Deze vervaardigde eene proclamatie uit, waarin hij eene aanzienlijke som gelds beloofde aan een ieder, die den

-ocr page 225-

213

oproerling, hetzij levend of dood, tot hem zou brengen. De oproerling dit hoorende, stelde zich zeiven den keizer voor en vroeg om de belooning. Daarop zeide de keizer: „als ik hem laat dooden, zal de wereld zeggen, dat ik het doe, om het geld te behouden.quot; Daarom vergaf hij den misdadiger, en gaf hem het geld.

O, zondaars! zou een Heiden, die slechts een druppel, van ontferming en barmhartigheid in zich heeft, dus handelen, en zou Christus, Die alle volheid van barmhartigheid, genade en heerlijkheid in Zich heeft, niet veel meer doen ?

Zekerlijk „rommelen Zijne ingewanden van barmhartigheidquot; over don grootsten der oproerlingen. Och, zoo gij slechts tot Hem wilt komen, zult gij Hem bereid vinden, om te vergeven. Wie kan de gewilligheid van Jezus Christus schetsen, om den grootsten der oproerlingen te ontvangen en te begunstigen. \') Het getrouwe en aller aanneming waardige woord heeft hen reeds opgewacht bij hunne komst in de wereld.

Zondaars, als Zijne ingewanden van barmhartigheid, u niet verteederen, winnen en trekken, zal de rechtvaardigheid van God een snelle getuige tegen u zijn; gij zult in eeuwige ellende nederzinken om de verwerping van het voorgestelde en aangeboden heil. Christus laat nog de witte vlag van genade wapperen voor weder-keerende zondaars, die aan Zijne voeten neergeknield, genade zoeken; maar durven zij bestaan het tegen Hem vol te houden, dan zal Hij de roode, bloedige vlag doen hijschen en zij zullen door de hand der gerechtigheid voor eeuwig getroffen worden. Hij is wel een Lam,

\') Col. 1 ; 19; — 2, 3, 1. Neh. 9 ; 17. Gij zijt een God van verge vingen.

-ocr page 226-

214

maar een Lam, Dat toornen kan. Zondaars! wie niet door de ijzeren roede van Christus wil worden getroffen, moet Zijn gouden schepter kussen.

Bedenk, dat Jezus Christus nergens in de Schrift heeft uitgesloten de grootste dor zondaren, die willig zijn Hem aan te nemen, in Hem te gelooven, in Hem te rusten, voor hunne zaligheid. Ach, zondaren, waarom zoudt gij wreeder, onbarmhartiger jegens uwe eigene zielen zijn, dan Christus is? Christus heeft u niet van de genade uitgesloten, waarom zoudt gij het u zei ven doen ? O, wil toch veel biddend overdenken de heerlijke woorden in Joh. 6 : 37. „Al wat Mij de Vader geeft, zal tot Mij komen en die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpenquot; — Zie ook 1 Cor, 6 ; 9, 11. „Jezus Christus is gisteren en heden Dezelfde tot in eeuwigheid.quot; Hebr. 13 : 8. En hoe dierbaar zijn de woorden in Hand. 10 : 34, 35. „En Petrus den mond opendoende, zeide : „Ik verneme in der waarheid, dat God geen Aannemer des persoons is; maar in allen volke, die Hem vreest en gerechtigheid werkt, is Hem aangenaam.quot;

Bedenk, dat hoe grooter zondaar gij geweest zijt, des te grooter eer gij voor Christus zult zijn, als Hij u zal kunnen aanzien als te zijn den arbeid Zijner ziel. Jez. 53 : 11. „Om den arbeid Zijner ziel zal Hij het zien en verzadigd worden.quot;

Bedenk ernstig, dat, hoe langer gij u van Christus terug houdt, des te meer uwe zonden in grootheid en kracht zullen toenemen, en kracht tegen de zonde wordt slechts verkregen in de gemeenschap met Christus. — «En indien Christus in ulieden is, zoo is wel het lichaam

77 ^ _

dood om der zonde wil, maar de geest is leven, om der gerechtigheid wil.quot; (Rom. 8 : 10) Zie ook 1 Joh. 1 : 6

-ocr page 227-

215

en 7. Alleen liet geloof ia Christus bindt den sterken man de hand en voet; geneest elke geestelijke ziekte, en maakt den mensch sterk, om te wederstaan en te overwinnen. Zonde is altijd liet zwakste, waar geloof het sterkste is. Zondaar! bedenk, dat er geen weg op aarde bestaat, om van de schuld en de kracht der zonde verlost te worden, dan door het geloof in den Zaligmaker. Voornemens noch klachten, maar het geloof geeft u eene goddelijke overwinning over het lichaam der zonde, dat u te sterk is en u zekerlijk zal verderven, zoo het niet door de hand des geloofs verdorven wordt.

Bedenk wijselijk, dat er niets in Christus is, om den grootste der zondaren af te schrikken in Hem te ge-looven, maar daartegen alles in Hem is, om hen daartoe, tot hunne eeuwige gelukzaligheid, aan te moedigen. Hoogl. 1 : 3. Ziet gij op Zijne beide naturen, Zijne gezindheden, Zijne namen en titels; op Zijn Profetisch, Priesterlijk en Koninklijk ambt, dan vindt gij niets om den grootsten der zondaren te ontmoedigen, maar daarentegen vele dingen, om hem aan te moedigen tot het schuilen bij Hem. „Want het is des Yaders welbehagen geweest, dat in Hem al de volheid wonen zou.1\' Col. 1 : 19 en 2 : 3. „Mijn Liefste is blank en rood. Hij draagt de banier boven vele duizenden.quot; Hoogl. 5 : 10. Christus is de grootste en noodzakelijkste bezitting; Hij is een waar en eeuwigdurend en zielverzadigend goed. Zondaars! zijt gij arm? Hij heeft goud in overvloed, om u rijk te maken. Zijt gij naakt? Hij heeft koninklijke kleederen van gerechtigheid om u te kleeden. Zijt gij blind? Hij heeft oogenzalf om uwe oogen te verlichten. Zijt gij hongerig? Hij heeft manna om u te voeden. Zijt gij dorstig? Hij zal eene fontein van levend water

-ocr page 228-

216

zijn, om u te verkwikken. Zijt gij gewond? Hij heeft zalf om u te heelen. Zijt gij krank? Plij is een medicijnmeester om u te genezen. Zijt gij krijgsgevangene? Hij heeft een rantsoen betaald om u te verlossen. O, gelooft in Hem! Als gij dit doet: „al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw, al waren zij rood als karmozijn, zij zullen worden als witte wol.quot; Jes. 1 : 18. Nog meer — uwe ongerechtigheden zullen worden vergeten, evenals zij vergeven zijn; God zal ze achter Zijnen rug, in de diepte der zee worpen, zie Jes. 43 : 25 — 38 : 17 en Mich. 7 : 19.

Bedenkt ernstig do volstrekte noodzakelij klieid om ia Christus te gelooven. „Den vreesachtigen en ongeloovigen is hun deel in den poel, die daar brandt van vuur en sulfer, hetwelk is de tweede dood.quot; Openb. 21 ; 8. „Indien gij niet gelooft,quot; zegt Jezus in Joh. 8 : 24, „dat Ik Die ben, gij zult in uwe zonden sterven.\'\'\'\' Eu wie in zijne zonden sterft, moet in hét oordeel komen, en in zijne zonden in de hel geworpen worden. „Wie niet gelooft,quot; zegt Johannes „is aireede veroordeeld.quot; Joh. 3 : 18, 36.

Zondaars! de wet, het evangelie en uw eigen geweten hebben het vonnis des doods over u uitgesproken, en gij kunt die veroordeeling niet ontgaan, dan door in Christus te gelooven, en daarom bid ik u, vraagt den H. Geest in u de kracht des ongeloofs te verbreken; u alle bedenkingen te ontnemen, opdat gij ootmoedig en vertrouwend u aan \'s Heeren voeten moogt nederwerpen. O, wekt u zeiven op, onder het biddend overwegen, van wat wij u voorhielden, den Heere Jezus aan te grijpen; ziet op Hem en wacht op Hem, van AVien alle goede en volmaakte giften komen en gunt Hem geene rust, totdat

-ocr page 229-

217

Hij u geve het juweel: het geloof, dat meer waard is dan hemel en aarde; in welks bezit gij in dit leven gelukkig zult zijn, vreugdevol zult sterven, en heerlijk zult schitteren in den dag van Christus. Zie Jes. 64 : 7. Joh. 1 : 17 en Jes. 62 : 7.

Eene tweede list van Satan, om arme zondaars terug te houden van het vrijmoedig geloof in Christus en hen te beletten Hem zich toe te eigenen, is; hun hunne onwaardigheid voor te houden.

„Wat,quot; zegt Satan, „gij verdient de grootste rampzaligheid, daarom zijt gij het minste greintje genade onwaardig. Meeat gij, dat Christus ooit zulk een onwaardig ellendeling, als gij zijt, erkennen, aannemen, of omhelzen zal? Neen, zeker niet; waren er eenige verdiensten in u, dan voorzeker, zou Cliristus gewillig zijn u te ontvangen, gij zijt onwaardig Christus in uw huis te ontvangen, hoeveel onwaardiger zijt g|j Hom in uw hart te ontvangen.quot; Eene niet minder fijn gesponnen list dan de vorige. Wees op uwe hoede.

Bedenk ernstig, dat God nergens in de Schrift eenige waardigheid in het schepsel hoeft geëischt, als voorwaarde tot het geloof in Cliristus. Zoek naarstiglijk door de ge-heele Schrift en gij zult geen enkel woord vinden, dat Satan recht geeft u op deze wijze afteschrikken. De ziel heeft geene waardigheid, vóór zij op Christus tot hare zaligheid rust.

Bedenkt toch zondaars, dat Satan u uwe onwaardigheid voorhoudt, alleen, om uwe ziel voor eeuwig van Christus gescheiden te houden, en daarom, niettegenstaande al uwe onwaardigheid, komt tot Christus, zoekt

-ocr page 230-

218

het leven in Hem, leert op Hem te rusten, d. i. gelooft in Hem en gij zijt voor eeuwig zalig. Joh. 6 : 40 en 47.

Bedenkt biddend, dat niemand Christus ooit aangenomen en zich toegeëigend en van Hem genade en vergeving heeft ontvangen, dan dezulken, die hunne onwaardigheid hebben gevoeld en beleden. Welke waardigheid was er toch in Matthéüs. Zacchéüs, Paulus, en den stokbewaarder, vóórdat zij tot Christus waren gekomen en vóórdat zij in Hem geloofden? AVaarlijk geene! Daarom zondaars! moet gij, wel verre van door het besef uwer onwaardigheid te worden afgeschrikt, aldus redeneeren: „Christus heeft de uitgezochtste genaden, de grootste gunsten, de hoogste waardigheden, en de uitnemendste voorrechten aan onwaardige zondaars geschonken en daarom, o! dierbre zielen! verflauwt of wanhoopt niet, maar wacht stil en geduldig op de zaligheid des Heeren!

Bedenkt, dat, als de ziel zich van Christus wil terughouden, totdat zij waardig is, zij nooit tot Hem zal komer ; zij zal zich Hem niet toeëigenen of ooit één met Christus zijn, en daarom in eeuwige ellende moeten neder-zinken. „Ziet gij allen, die een vuur aansteekt, die u met spranken omgordt! wandelt in de vlam van uw vuur en in de spranken, die gij ontstoken hebt. Dat geschiedt u van Mijne hand, ia smart zult gij nederliggen.quot; (Jes. 50 : 10). God heeft alle waardigheid in Christus weggelegd, opdat het schepsel moge weten, waar haar te vinden en er naar te zoeken. Er is voor onwaardige zielen geen weg, om waardig te worden, dan die des geloofs in Christus. Het geloof in Christus maakt slaven tot zonen; vijanden tot vrienden.

God noemt niemand waardig dan geloovigen, die waardig gemaakt worden door de waardigheid van den Per-

-ocr page 231-

219

soon, de rechtvaardigheid, de genoegdoening, de bemiddeling en de inwoning van Christus. Leest Joh. 1 ; 12; Luk 2 : 23 en Opb. 3 : 4.

Bedenkt ernstig, dat, als gij slechts u zeiven naarstig wilt onderzoeken, gij zult inzien, dat het uwe eigene hoogmoed en dwaasheid is, die \'u neigt om eenige eigene waardigheid tot Christus te brengen. Gaarne zoudt gij iets tot Christus brengen, om u bij Hem aannemelijk te maken; geheel ledig tot Hem te komen, schijnt u iets stuitends te zijn. Maar de Heere roept in Jes. 55 : 1, 2: „O, alle gij dorstigen! Komt tot de wateren en gij, die geen geld hebt, komt enz.quot; Hij roept dus geheel arme, onwaardige zielen, om te komen en Zijne dierbare gunstbewijzen vrijelijk deelachtig te worden.

Hiertegen verzetten zich de hoogmoed en dwaasheid der zondaren, en hoewel de [Heere hen zoo vrijelijk roept, willen zij niet komen, omdat zjj geen geld en waardigheid kunnen medebrengen. Och, zondaars, wat kan rechtvaardiger zijn, dan dat gij voor eeuwig zoudt verloren gaan, omdat gij de dingen dezer wereld, den draf der zwijnen, verkiest boven de melk en den wijn: de zoete en dierbare dingen des evangelies, die u zoo vrijelijk worden voorgehouden. Bedenkt dit: het is niet zoozeer een besef van uwe onwaardigheid, dat-u terughoudt, om den Heere Jezus als uwen Zaligmaker te omhelzen, als wel de hoogmoed van uw hart, het niet geheel omgekomen zijn met u zeiven en met al, wat schepsel heet.

Eene derde list van Satan, om arme zondaren terug te houden van in den Heiland te gelooven en Hem zich toe te eigenen, is: hen in te fluisteren, dat zij daartoe

-ocr page 232-

220

eene zekere geschiktheid en voorbereiding behoeven.

Hij zegt: „Gij zijt zoo niet geschikt Christus aan te nemen; gij zijt niet vernederd en gerechtvaardigd; gij hebt geene genoegzame smart over uwe zonde: gij kent geene toestanden van angst en ontzetting, waarvan anderen gewagen; gij moet wachten, totdat gij meer geschikt en bereid zijt, om den Heere Jezus aan te nemen.

quot;Wie zich tegen deze list wil wapenen, bedenke biddend, dat Christus is aangenomen door menschen, die niet zoo voorbereid en bekwaam gemaakt waren, als Satan zegt noodig te zijn; zij hebben in Hem geloofd en zijn door Hem gered. Matthéüs werd geroepen, terwijl hij bezig was de inkomende rechten in ontvangst te nemen, en van zulk eene kracht ging Jezus\' roepstem gepaard, dat hij in staat gesteld werd Hem dadelijk, gewillig te volgen. Matth. 9 : 9. Wij lezen niet van eenigen angst of eenige vreeze, waaronder hij zou verkeerd hebben, voor hij door Christus geroepen werd. Zeg mij, welke bekwaamheid of geschiktheid bezaten Zacchéüs, Paulus en de stokbewaarder voor hunne bekeering? Luk. 19 : 9; Hand. 9 en 16. God trekt sommigen tot Zich door de liefelijke en zachte stem van het evangelie, en gewoonlijk zijn zij, die aldus tot Christus gebracht worden, de nederigste, nauwgezetste en vruchtbaarste Christenen. God is vrij in de wijze, waarop Hij werkt; hetzy Hij door de wet of het evangelie, door lokken of dreigen, door de voorstelling van de hel of van den hemel aan de ziel des zondaars arbeidt.

Hij brengt sommige zielen langen tijd aan den voet van den borg Sinaï, waar Hij Zijne wet gaf onder donder en bliksem en wint hen. Hij spreekt tot anderen met zachte stem en wint hen ook. Wat de een van te voren

-ocr page 233-

221

leert, leert de andere van achteren. Waar de een meer over zijne zondigheid aangedaan is, drukt den ander meer het Godsgemis neder. Het komt er op aan, of wij tot Christus gebracht zijn.

Wanneer gy tot Christus gebracht zijt langs meer wettische leiding, oordeel en veroordeel dan niet, die meer langs evangelischen weg tot Hem kwamen; en gij, die meer zacht geleid zijt, veracht niet degenen, die door hevigen strijd kw\'amen tot het rustpunt der ziel.

Sommigen komen tot Christus door vuur, storm en onweder, anderen door zachtere en stillere werking des Geestes. Gezegend, die tot Christus kwamen, zij het dan door de zweepslagen der ontdekking of door de trekking van de koorden der liefde; zij het door de koude des winters, of door de warmte des zomers. Tot Christus komt niemand in waarheid, dan die Hem noodig heeft en dierbaar acht, en de ontdekking des H. Geestes heeft geen ander doel dan om ons het leven in eigen hand te doen verliezen en te doen vinden in Hem, Die het Leven der gemeente is. Wie het eerst in de reddingsboot is, is het spoedigst verlost van de angsten op de zwakke kiel te doorleven. Wie het spoedigst zich aan Christus geeft, is het spoedigst bevrijd van de angsten der verlorene ziel.

Sta biddend stil bij de volgende bijbelplaatsten, welke duidelijk toonen, dat arme zondaren, die geene geschiktheid bezitten, om met deu Heere Jezus in aanraking te komen en Hem aan te nemen en te omhelzen, nochtans in Hem mogen gelooven, en op Hem mogen steunen en vertrouwen voor hunne zaligheid. Dit juist is het evangelie. Spreuken 1 : 20, 23; 8 : 1—11; 9 : 1—6; Joh. 3 : 14—18, 36; Openb. 3 : 15—20. De Heere Jezus stond te kloppen aan de deur der

-ocr page 234-

222

Laödicensen; Hij begeerde, dat zij avondmaal met Hem hielden, opdat Hij met hen mocht avondmaal houden; dat is: opdat zij met elkander in nauwe gemeenschap mochten treden. Welnu, welke bekwaamheid en geschiktheid bezaten deze Laödicensen om Christus te ontvangen? In \'t geheel geene, want zij waren lauw; koud noch heet, een walgelijke drank gelijk, zij waren ellendig, jammerlijk, arm en blind en naakt; en toch, om hun Zijne groote genade en nederbuigende liefde te toonen, noodigt Hij de grootste der zondaren, ofschoon zij er volstrekt niet toe voorbereid of geschikt gemaakt waren. Hij noodigt ons te komen, zooals wij zijn.

Bedenk ernstig, dat de Heere zulk eene geschiktheid en voorbereid zijn in de ganscho Schrift niet vordert, als voorwaarde om tot Christus te mogen komen, in Hem te mogen gelooven en Hem te mogen aannemen. \') Het geloof in Christus is de groote zaak, waarop God bij de zondaars aandringt, de gansche Schrift door, zooals zelf bij oppervlakkig Schriftonderzoek blijkt.

Wellicht werpt men tegen: „Maar, zegt Christus niet: „Komt herwaarts tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven?quot; Matth. 11 : 28.

Hierop wil ik een drievoudig antwoord geven:

1. Ofschoon de uitnoodiging geschiedt tot dezulken, die vermoeid en belast zijn, toch wordt de rust beloofd aan komende en geloovende zielen.

2. Deze tekst bewijst, dat zij, die onder de zonde zuchten als onder een zwaren last; die belast zijn met zoudeschuld en het besef van Gods toorn, tot Christus

1) Rom. 4 : 5. God rechtvaardigt de goddeloozen. Dit is gelukkig ; anders was er geene hoop, sedert allen van nature zondaars en goddeloozen zijn.

-ocr page 235-

223

moeten komen om rust te vinden; maar hij bewijst niet, dat alleen dezulken moeten komen, en evenmin, dat alle menschen aldus gebukt moeten gaan onder het besef van hunne zonden en ongenoegen Gods vóór zij tot Christus komen. Arme zondaren, wanneer zij, zoo onder gevoel van zonde en toorn, geneigd zijn te gaan van het eene schepsel naar het andere, van plicht naar plicht en van gebod naar gebod, om rust te vinden: en wanneer zij die vonden in iets of in iemand, zij zouden nooit tot Christus komen; maar hier noodigt de Heiland hen vriendelijk tot Zich; en om hen aan te moedigen, verbindt Hij Zich zelf om hun rust te geven. „Komt,quot; zegt Christus, „en Ik zal u rust geven.quot; Ik zal ze u niet slechts tooneu en er u over spreken, maar „Ik zal ze u geven.quot; Ik ben de getrouwheid zelve, en kan niet liegen, „Ik zal u rust geven;quot; Ik, Die de grootste macht, de sterkste wil, het meeste recht heb haar u te geven. „Ivomt, beladene zondaren, en Ik zal u rust geven.quot; Niets is zoo begeerlijk, zoo gewenscht als rust, en voor u is zij het hoogste goed. „Komt,quot; zegt Christus, dat is, „gelooft in Mij, en Ik zal u rust geven. Ik wil u vrede met God schenken, en vrede met uw geweten. Ik wil uwe stormen veranderen in eene eeuwigdurende kalmte. Ik zal u eene rust geven, die de wereld u noch geven, noch ontnemen kan.

3. Er is niet ééne tekst, die Gods geheele bedoeling uitdrukt en daarom, vergelijk die eene tekst met die vele andere teksten, die wij u reeds hebben aangegeven en het zal duidelijk blijken, dat ook zij, die niet zoo vermoeid en belast zijn met hunne zonden, en die niet zoo vervuld zijn met angst en vreeze, nochtans tot Christus mogen komen en Hem mogen aannemen en omhelzen.

-ocr page 236-

224

Bedenk, dat alle droefheid, smart, schaamte en berouw, slechts aangenaam kan zijn voor God, als vrucht van het geloof, zooals de stroom uit de bron, de tak uit den stam en de gevolgen uit de oorzaak voortkomen. Zach. 12 : 10. „Zij zullen Mij aanschouwen. Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem rouwklagen.quot;

Alle rouwklagen onder het evangelie vloeit voort uit het geloof; eerst zullen zij Hem aanschouwen en dan rouwklagen.

Eene vierde list, die Satan te baat neemt, om arme zondaren te verhinderen in den Heiland te gelooven en zich aan Hem toe te vertrouwen, is: hen in te geven, dat Christus onwillig is, om hen te redden.

„Het is waar,quot; zegt Satan, „Christus kan u redden, maar wil Hij ook? Ofschoon Hij machtig is, toch wil Hij zulk een booswicht, als gij zijt, niet redden; gij hebt Zijn bloed met uwe voeten vertreden, en gij hebt uw gansche leven door in openlijken opstand tegen Hem geleefd.quot;

Het wapen tegen deze list des Satans is: dit weinige te overwegen:

1. De komst van Christus van den hemel naar de aarde, met het doel, om zondaren te redden, toont duidelijk Zijne gewilligheid. Matth. 9 : 13. „Ik ben niet gekomen, om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekeering;quot; zie ook 1 Tim. 1 ; 15.

2. In het afleggen van Zjjne heerlijkheid tot behoudenis van zondaren wordt ook Zijne gewilligheid, om hen te redden, openbaar. Hij verlaat den schoot Zijns Vaders, Hij legt het kleed Zijner heerlijkheid af; Hij stelt Zijne kroon ter zijde en zegt Zijne schitterende

-ocr page 237-

225

omgeving voor een tijd vaarwel, en dat alles, opdat Hij zondaren redden zou.

3. Het doorwaden van de diepe zee van jammeren, die hare golven over Zijn heilig hoofd deden gaan, opdat zondaren vergeving zouden ontvangen en gerechtvaardigd, verzoend en gered zouden worden, bewijst duidelijk Christus\' gewilligheid om te redden. 2 Cor 5 ; 19, 20.

4. Het uitzenden van gezanten vroeg en spa, om zondaren te bidden, zich met God te laten verzoenen, verkondigt luide, hoe bereid en gewillig Hij is, om hun ten Zaligmaker te zijn.

5. Zijne klachten tegen hen, die Hem weigeren te kennen, en die niet door Hem gered willen worden, verkondigen allerwege Zijne gewilligheid, om zondaren te behouden. 1 Joh. 1 : 11. „Hij is gekomen tot het Zijne en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.quot; Zoo ook in Joh. 5 : 40. „Gijlieden wilt niet tot Mij komen, opdat gij het leven hebbet.quot;

6. Zijne blijdschap over de bekeering van zondaren bewijst, dat Hij hen behouden wil. Luk. 15 : 7. „Ik zeg ulieden, dat er meer vreugde is in den hemel over éen zondaar, die zich bekeert, dan over negen en negentig rechtvaardigen, die de bekeering niet van noode hebben.quot; God de quot;V ader verheugt zich over den terugkeer van den verkwistenden zoon; Christus verheugt zich in de beschouwing van Zijn eigen werk; de Heilige Geest verblijdt zich, als Hij in zondaren als in Zijn tempel wonen kan; en de engelen zijn verheugd over het uitbreiden van \'s Heeren rijk. Der zondaren Zaligmaker is der engelen Heer. Zij dienen gaarne den Koning van het Godsrijk in Zijne leden.

15

-ocr page 238-

226

Satan werkt veel door valsche leeraars, die zijne boden en gezanten zijn, om de kostbare zielen der men-schen voor eeuwig te bedriegen, te misleiden en te verwoesten. \') Jer. 23 ; 13, Micha 3:5; zij verleiden hen en brengen hen van den rechten weg op zijpaden en dwaalwegen. „Wacht u van de valsche profeten,quot; Matth. 7 ; 1-1, 15. Deze berooven de ziel van levenssappen; Phil. 3 : 2. Zij kussen en dooden; zij roepen; „Vrede, vrede,quot; totdat de zielen in eeuwigdurenden jammer storten. — Gij kunt ze onderscheiden aan de volgende Kenteekcnen:

I. Zij zijn menschenbehagers; zij zoeken in hunne prediking meer hot oor te streelen, dan het hirt te verbeteren. -) Jes. 30 : 10 — Jer. 5 : 30, 31. Zij behandelen heilige zaken meer, om hunne eigene bekwaamheden te toonen, dan dat zij ze behandelen met vrees en eerbied. Schuchterheid in het heilige is hun vreemd. Valsche leeraars zijn zielenverwoesters ; zij zijn gelijk aan een onkundige heelmeester, die de wond wel heelt, maar nooit in waarheid geneest.

Door vleierij werden Achab, Heródes, Nero en Alexander ten val gebracht. Valsche leeraars zijn de grootste handlangers der hel. „Greene bittere, maar vleiende woorden zijn de bron van alle kwaad,quot; zeide Valerius, een Romeinsch keizer. Zoo is het.

II. Valsche leeraars zjjn altijd bezig de getrouwe dienstknechten des Heeren te belasteren, en van hun goeden naam te berooven. Zoo beschuldigden Korach,

l) Hand. 20 : 28—30; 2 Cor. 11 : 13, 15; Efeze 4 : 14; 2 Tim. 3 : 4—6; Tit. 1 : 11, 12; 2 Petr. 2 : 18, 19.

*) Zoo zijn echter de ware leeraars niet, Gal. 1 : 10; 1 Thess. 2 : 1—1.

-ocr page 239-

227

Dathan cn Abiram, ilozes en Aaron, dat zij te veel op zich namen. Num. 16 : 3, 9. En zoo werd de goede Micha aangevallen door Achab\'s valsche profeten, die hem met slagen in srede van met tegenbewijzen op zijne redenen antwoord gaven. 1 Kon. 22 : 24. Ja, Paulus, de groote apostel der Heidenen, moest het ondervinden, hoe valsche leeraars zijne bediening ondermijnden, en hem van zijn goeden naam beroofden. 2 Cor. 11 : 10. Zij verachtten hem in plaats van hem te bewonderen; zij beschouwden hem meer als een dwaas, dan als een geleerde. En onze Heere Jezus verdroeg dezelfde harde bejegening van de Schriftgeleerden en Farizeën, die met de grootste inspanning, hun eigen crediet zochten te handhaven op de puinhopen van Zijn goeden naam. Ik veronderstel, dat valsche leeraars geen acht slaan op eene uitdrukking van Augustinus: „Hij, die mij gaarne mijn goeden naam ontneemt, draagt ongaarne bij tot mijne belooning.quot;

Hl. Zij onthalen op do voortbrengselen van hun eigen brein en hart; Matth. 24 : 4, 5, 11, 14; Titus 1 : 10; Jer. 14 : 14; Jer. 23 : 16. Zij zijn Satan\'s grootste vrienden; door de goddelijke rechtvaardigheid zal de straf der hel hen treffen, indien de Geneesheer der zielen het niet verhoedt.

IV. Zij gaan groote en gewichtige zaken, beiden van wet cn evangelie, gemakkelijk voorbij, en hechten de meeste waarde aan die zaken, die van \'t minste belang en gewicht zijn voor de zielen der menschen. 1 Tim. 1 : 5—7. Valsche leeraars zijn oven nauwgezet in kleinigheden, als nalatig in gewichtige zaken. Denk aan mug en kemel. Matth. 23 : 23. Als zulke leeraars niet de grootste huichelaars zijn, weet ik het niet. 1 Tim.

-ocr page 240-

228

6 : 3—5. De aarde draagt hen al zuchtende en de hel is hun bereid.

V. Valsche leeraars bedekken en versieren hunne gevaarlijke beginselen en hun schandelijk bedrog met fraaie toespraken en aannemelijke voorwendsels, met verheven denkbeelden en gulden woorden. Zij weten het: versuikerd vergift gaat er gemakkelijk in. Zij wikkelen hunne verderfelijkste (zieldoodende) pillen in goud, maar al hunne versieringen zullen ten slotte blijken slechts leugens te zijn. \')

VI. Valsche leeraars trachten meer de menschen voor hunne gevoelens te winneh, dan hun gedrag te verbeteren. Matth. 23 : 15. Zij houden zich het meest bezig met de hoofden der menschen; hun werk bestaat niet in de bekeering van het hart, of in de verbetering van het leven, en hierin gelijken zij zeer veel op hun vader, den duivel.

VII. Valsche leeraars maken koopmanschap van hunne volgelingen, 2 Petr. 2 : 1—8. Zij slaan meer acht op uwe goederen dan op uwe opbouwing en zoeken hun eigen voordeel meer dan de redding uwer zielen. Wanneer zij slechts uw vermogen hebben, bekommeren zij er zich niet over, of Satan uwe ziel heeft. Openb. 18 : 11—13. Valsche leeraars zijn de grootste aanbidders van het gouden kalf. Jer. 6 : 13.

\') Zie Kom. 16 : 17, 18; 2 Cor. 11 : 13—15; Gal. 6 : 12, 13.

-ocr page 241-

HOOFDSTUK VI.

ALGEMEENE BESCHOUWINGEN.

„Want eenigen hebben zich aireede afgewend achter den Satan.quot;

1 Tim. 5 : 15.

Onze beschouwing loopt ten einde. Slechts rest ons eenige opmerkingen te maken en toepasselijke wenken te verzamelen.

Ofschoon Satan zijne listen heeft, om de zielen tot zonde te brengen, toch hebben wij toe te zien hem niet de schuld te geven van al onze verkeerdheden. Ook Satan kan worden verongelijkt. quot;Wij doen dit, wanneer we de uitingen van ons eigen boos hart hem toeschrijven. Dikwerf beschuldigen de menschea den duivel, van hetgeen zij zich zelf hebben te wijten, zooals Eva Gen. 3 : 13.

Er is een gewillig luisteren naar Satan. Zonde en bedrog gaan samen in de wereld. Ons hart is zóó snood, dat het boos wil zijn, zeer boos zelfs, en dan de boosheid aan Satan toeschrijven. Matth. 15 : 19.

De mensch is aan den adel zijner hooge geboorte ontzonken. Het natuurlijk hart is de begraafplaats van gestorven godsvrucht te heeten. Het verstand is ver-

-ocr page 242-

230

duisterd. De wil is verkeerd. Het geheugen is ontrouw; het laat los, wat liet vasthouden, en houdt vast, wat het loslaten moest. Het geweten laat zich omkoopen en in slaap sussen. De tong is de vruchtbare moeder van allerlei ij dele woorden.

Satan kan slechts tot zonde verleiden door list, hij kan er niet toe dwingen door macht; hij mag ons verzoeken, maar tegen onzen wil kan hij ons niet overwinnen; hij mag ons verleiden, maar zonder onze medewerking kan hij ons niet schaden. Helaas, wij keeren ons gewillig achter hem!

Satan heeft zeer de hand in de meeste zouden. Hij was het, die onze eerste ouders tot opstand verleidde. Gen. 8 : 1, 4 en 5; die David aanzette om het volk te tellen, 1 Kron. 21:1; die Petrus aanspoorde Christus te berispen, waarom de Heiland zeide; „Ga Aveg, achter mij, Satanas,quot; Matth. 16 : 22, 23.

Het was Satan, de menschenmoorder van den beginne, Joh. 8 ; 44, die Kaïn er toe bracht den rechtvaardigen Abel te dooden; die verraad werkte in het hart van Judas tegen Christus.

Zooals Joab de hand had, in hetgeen de vrouw van Thekoa verhaalde, zoo heeft Satan gewoonlijk de hand in alle zonden, die de menschen begaan.

Satan moet dubbel verlof hebben, vóór hij iets tegen ons kan doen. Hij moet verlof hebben van God en va.n ons zelf, vóór hem iets tegen ons welzijn gelukken kan. Hij moet volmacht hebben van God, zooals gij zien kunt bij Job; ofschoon de duivel kwaadwillig genoeg was, om hem te verderven, bezat hij niet de minste masht

-ocr page 243-

231

hem aan te raken, voordat God hem vrijheid gaf. Job. 1 ; 11, 12; 2 ; 3—5. Eu zooals Satan verlof moet hebben van God, zoo moet hij het ook van ons hebben. Als hij verzoekt, moeten wij toestemmen; als hij iets voorslaat, moeten wij luisteren; als hij beveelt, moeten wij gehoorzamen; of anders is al zijne moeite, en zijn al zijne verzoekingen te vergeefs en blijft het kwaad, waartoe hij ons verleidt, slechts voor zijne eigene rekening. Zeer opmerkelijk is dienaangaande Handel. 5 : 3. De apostel doet Satan geene verwijtingen; liij verwijt slechts Ananias. Als iemand, in verzoeking gebracht zijnde, uitroept: „O God! deze verzoeking zal mij overwinnen, zal mijne ziel bezoedelen; ik heb geene kracht, om haar te wederstaan; o, help, help, ter wille van Uwe eer, van Uwen Zoon, van Uwe beloiten!quot; dan is dit roepen een bewijs, dat Satan zijne toestemming niet heeft verkregen.

Slechts gtestelijke wapenen kunnen de ziel dienstig zijn in den strijd met den duivel. Dit toont de apostel aan, Efeze 6 : 13; 2 Cor. 10 : 4. Gij hebt niet te doen met een zwakken, maar met een machtigen vijand, en daarom behoeft gij ook machtige, d. w. z. geestelijke wapenen.

Yleeschelijke wapenen vermogen tegen Satan niets.

Met door steen of slinger, maar door zijn geloof in den Heere der heirscharen verwierf David de eer en het voorrecht zijn voet op Goliath te zetten, 1 Sam. 17 : 45.

quot;VVie tegen Satan strijdt in de kracht van zijn eigen voornemen, standvastigheid, of wat dies meer zij, zal zeker voor hem moeten vlieden.

De eenige weg, om staande te blijven en te overwinnen, is: zich te verdedigen met het: „Daar staat ge-

-ocr page 244-

232

schreven,quot; Matth. 4 : 10. Het is God, Die de overwinning geeft, en dit behoort de leuze te zijn van ieder Christen. Er is geen zwaard, dan het tweesnijdend zwaard des Geestes, dat bestand zal blijken in den strijd tegen Satan. Daarom, wanneer gij verzocht wordt tot onreinheid, zeg: Daar staat geschreven: „Zijt heilig, want Ik ben heilig; en wederom: „Laat ons onszelven reinigen van alle besmetting des vleesches en des geestes.quot; Wanneer hij u verzoekt, om Gods Voorzienigheid en Vaderlijke zorg voor n te wantrouwen, beroep u op \'sHeeren beloften, zooals: „Die Hem vreezen, hebben geen gebrek,quot; 1 Petr. 1 : 16; 2 Cor. 7 : l;Ps. 34:10. Als hij u bevreesd wil maken, dat gij zult verflauwen en vallen, en nooit het einde zult kunnen bereiken van de loopbaan u voorgesteld, zeg: Daar staat geschreven: „De rechtvaardige zal zijn weg vasthouden,quot; Ps. 84 : 11; Job. 17 : 9; Daar staat geschreven: „En Ik zal een eeuwig verbond met hen maken,quot; Jer. 38 : 40; Daar staat geschreven: Die den Heere verwachten, zullen de kracht vernieuwen,quot; Jes. 40 : 31; Daar staat geschreven: „Want bergen zullen wijken, en heuvelen wankelen, maar Mijne goedertierenheid zal van u niet wijken,quot; Jes. 54 : 7, 8, 10; Daar staat geschreven: „Kan ook eene vrouw haren zuigeling vergeten? Ofschoon deze vergat, zoo zal Ik toch u niet vergeten.quot; Jes. 49 : 15 en 16.

God zal weldra Satan verpletteren onder de voeten der heiligen. Christus, onze Kampvechter, is reeds te velde getrokken en zal eerlang onze voeten plaatsen op den nek onzer geestelijke vijanden. Satan is een overwonnen vijand.

Christus heeft hem gevangen genomen en over hem gezegevierd aan het ki-uis. Christus heeft hem reeds

-ocr page 245-

233

overwonnen, en u de wapenen in de hand gegeven, opdat gij hem ook in Zijne kracht moogt overwinnen.

Ofschoon Satan een brullende leeuw is, toch zal Christus, de Leeuw uit Juda, hem voor u doen vlieden en vallen.

Zoeke toch ieder zijn hart in eene nederige, biddende, waakzame gestalte te houden.

Waar Satan zoovele middelen heeft, om de zielen der menschen te strikken en te verderven, hoe noodig is het dan nuchteren te zijn en te waken.

Een geloovige dient, als \'t ware, oogen van voren en van achteren te hebben, om Satan\'s strikken te ontwijken en vast te staan in de ure der verzoeking.

Beware Gods genade voor de boosaardigheid des Satans. Satan is enkel nijd en vijandschap. Hij kan het geluk des schepsels niet dragen. Hij is gekant tegen de eere Gods. Dit maakt hem zoo ijverig in het spannen van zijne strikken, om den mensch, zoo mogelijk, even rampzalig te maken, als hij zelf is. Niets laat hij onbeproefd. Met alles, zooals ons bleek, tracht hij winst te doen. Van don aard, do gesteldheid, de verbeelding, het beroep des menschen, en wat niet al, zoekt hij partij te trekken.

Moge de grootheid van \'s Heeren genade des te meer verheerlijkt worden, en God, ondanks alle aanslagen des Satans, de heiligen hier doen overwinnen, om hen hiernamaals met heerlijkbeid te kronen!

Hoe talrijker en listiger de vijanden der kinderen Israëls waren, des te glansrijker vertoonde zich de macht, wijsheid en goedheid des Heeren. Ondanks allen tegenstand der vele vijanden, werd Gods oude volk in Kanaan

-ocr page 246-

234

gebracht. Als de apostel Paulus deze dingen overwoog, roemde hij in zijne eigene zwakheden en nooden en in de aanvallen van Satan, opdat de kracht van Christus in hem wonen mocht. 2 Cor. 12 : 7—9.

Als Satan zooveel listen en middelen heeft, om de zielen der menschen te verstrikken en te verderven, dan moet het ons niet verwonderen, dat er zoo weinigen, maar wel, dat er zoo velen gered worden.

Maar dit is het juist niet, waarbij ik u bepalen wil; ik wil u nog eenige wenken geven en u zeggen, hoe tegen al zijne listen op uwe hoede te zijn.

I. Indien gij niet door eenige list des Satans wilt gevangen worden, houd u dan bij het Woord, Spr. 15 : 24; Gal. 6 ; 16, Fil. 3 : 5. Niemand bewandelt zijn weg veiliger en aangenamer, dan die zich bjj het Woord houdt. Wanneer de menschen het Woord Gods loslaten, laat God hen ook los. en Satan neemt hen bij de hand en voert hen in zijne strikken naar zijn welgevallen. Z|j, die het Woord bewaren, zullen bewaard worden in de ure der verzoeking; „Omdat gij het woord Mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zoo zal Ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de geheele wereld komen zal, om te verzoeken, die op aarde wonen. Openb. 3 : 10.

II. Wacht er u voor den Heiligen Geest Gods tegen te staan of (en dit is de zonde der geloovigen) te bedroeven. Het is de Geest van onzen Heere Jezus Christus, Die ons de strikken des Satans kan ontdekken. O, indien gij dien liefelijken en gezegenden Geest bedroeft, Die alleen machtig is u te beveiligen voor de afgronden des

-ocr page 247-

235

Satans, — door wien zult gij dan beschermd worden ? De Geest des Heeren is uw Raadgever, uw Trooster, en uwe Kracht. Alleen de Heilige Geest maakt een mensch te sterk voor Satan, om te overwinnen. „Hij is meerder. Die in u is, dan die in de,wereld is.quot; Jes. 43 : 10; Ps. 72 : 2, 3; 1 Tess. 5 : 16; Hand. 2 : 4 ; 1 Joh. 4:4.

III. Tracht naar meer hemelsche wijsheid; gij hebt slechts weinig kennis in vergelijking met anderen, en met de kennis, die gij zoudt gehad hebben, zoo gij minder nalatig geweest waart. Er zijn veel geleerde — maar weinig wijze menschen ; er is dikwijls veel kennis, maar slechts weinig wijsheid, om met die kennis voordeel te doen; kennis zonder wijsheid doet denken aan een vurig maar blind paard, dat toomeloos voortholt en zijn berijder vallen doet. Niet de geleerdste, maar de wijste Christen ziet Satan\'s strikken, ontwijkt en ontsnapt. „De weg des levens is den verstandige naar boven,quot; zegt Salomo, „opdat hij afwijko van de hel beneden.quot; Spr. 15 : 24. Hemelsche wijsheid maakt den menseh begeerig hoog boven de aarde te vliegen; en hoe hooger zijne geestelijke vleugelen hem dragen, hoe verder hij buiten het bereik van Satan\'s strikken is. O zielen, hoeveel hemelsche wijsheid behoeft gij, om te zien, waar Satan zijn lokaas nederlegt en hoe luj zijne strikken spant; en om geschikte wapenen te vinden tegen zijne listen en die wapenen ter juister tijd, inwendig en krachtdadig aan te wenden.

IV. Bied oogenblikkelijk tegenstand tegen zijne eerste voorstellen; het is veilig te wederstaan, het is gevaarlijk te twisten. Eva twist en valt in het Paradijs. Gen. 3. Job wederstaat en overwint op den mesthoop. Hij, die met Satan\'s lokaas wil spelen, zal spoedig door zijn haak

-ocr page 248-

236

gevangen worden. De overwinning is beloofd aan hen, die wederstaan, niet aan hen, die twisten: „Wederstaat den duivel en hij zal van u vlieden.quot; Jak. 4 : 7.

V. Jaag er naar vervuld te worden met den Heiligen Geest; de Geest des Heeren is een Geest van licht en macht, en wat kan eene ziel zonder licht en macht doen tegen de geestelijke boosheden in de lucht? Efeze 6 : 12. Het is niet genoeg den Geest te bezitten, gij moet met Hem vervuld worden; dat is, jaag naar overvloed des Geestes; hij, die meent genoeg van den Heiligen Geest te bezitten, zal zich spoedig door den vijand overwonnen zien. Daarom, tracht meer uw hart vervuld te hebben met den Heiligen Geest, dan uw hoofd met denkbeelden, uw koffer met zilver, of uwe zakken met goud; zoo zult gij de strikken van dezen vogelaar ontkomen, en over al zijne aanslagen zegevieren.

VI. Houd u nederig. Een nederig hart wil liever in het stof liggen, dan door ondeugd te rijzen, en eer alles laten varen dan den vrede van een goed geweten te derven. Nederigheid beschermt de ziel tegen menigen pyl door Satan geschoten, en tegen menigen strik door Satan gespannen, zooals de lage struiken vrij loopen van vele windvlagen, die de groote boomen schudden en wegrukken. Hoe nederiger iemand is, hoe minder macht de duivel heeft om hem door verzoeking te vangen.

VII. Houd gestreng, nauw en bestendig de wacht. Eene zorgelooze ziel is reeds verstrikt; de ziel, die niet tegen de verzoeking waken wil, zal stellig voor hare macht moeten zwichten. Satan werkt het sterkst op de verbeelding, als de ziel slaperig is. De tijd van zorgeloosheid is Satan\'s gelegenheid, om de ziel te overvallen en te verderven, zooals Jozua deed met de inwoners

-ocr page 249-

237

van Aï. De beste weg, om veilig en verzekerd te zijn tegen al de aanvallen des Satans, is: metNehemiaen de Joden te waken en to bidden, te bidden en te waken.

Wanneer Satan zoo listig is in het wachthouden, zullen dan de Christenen niet heilig, geestelijk waken? Wij zijn steeds door verzoekingen omringd. Satan laat geene gelegenheid voorbijgaan, om onzen vrede te verstoren, om ons geweten te bevlekken, om onze blijdschap te verminderen, om ons geloof te verzwakken, om ons onze verzekerdheid te ontnemen en om onze vrijmoedigheid te doen vluchten. O, boe noodig is het dan voor ons, altijd op onzen wachttoren te staan, om door deze listige slang niet te worden verrast! Waakzaamheid is een waken, een wachthouden van de ziel; het is een gestadig, zorgvuldig gadeslaan van ons hart en van onze handelingen onder de verschillende omstandigheden van ons leven, ons steeds dicht bij God te houden en dicht bij Zijn Woord. Ik wil dit zevende punt besluiten met dezen raad: herinner n steeds, dat onze vijanden zoo listig zijn, dat zij ons zullen bedriegen en aanvallen, waar zij ons het meeste kwaad kunnen doen, en het daarom voor ons noodzakelijk is altijd op onze hoede te zijn.

VIII. Oefen steeds gemeenschap met God. Uwe kracht, om staande te blijven en Satan\'s vurige pijlen te weerstaan, is gelegen in uwe gemeenschap met God; eene ziel in nauwe gemeenschap met God kan wel verzocht, maar niet gemakkelijk overwonnen worden, want zij zal tot den dood toe strijden.

Gemeenschap is het gevolg van vereeniging; gemeenschap is eene wederzijdsche onderhandeling tusschen Christus en eene begenadigde ziel; gemeenschap is als een ladder, waarlangs Christus liefelijk afdaalt in de

-ocr page 250-

238

ziel, en waarlangs de ziel door goddelijken invloed liefelijk opklimt tot Christus. Gemeenschap met Christus vuurt aan, heft op en versterkt. Toen Simson gemeenschap oefende met God, kon geen enkele vijand voor hem bestaan, maar ging hij van overwinning tot overwinning; maar, toon hij zorgeloos werd, bezweek hij spoedig voor zijne vijanden, evenzoo gaat het met uwe ziel; zoolang uwe gemeenschap met God voortduurt, zult gij de geestelijke boosheden in de lucht te sterk zijn. Gemeenschap met God is een schild te land, zoowel als een anker op zee; zij is een zwaard, omu te verdedigen, zoowel als een staf om u te ondersteunen: daarom, oefen voortdurend gemeenschap met God.

IX. Strijd niet tegen Satan in eigen kracht, maar ga tot don Heere Jezus, om nieuwen moed en nieuwe kracht tegen eenige oude of nieuwe verzoeking, om kracht en nieuwe invloeden van Boven, om niet tegen de macht der verzoeking te bezwijken. Gij kunt niet steunen op vroeger ontvangen genade. Petrus zeide: „ Al werden zij ook allen aan ü geërgerd, ik zal nimmermeer aan U geërgerd worden,quot; en daardoor bezwijkt hij zoo treurig voor eene nieuwe verzoeking; hij vloekt en zweert en verloochent Christus driemaal en dat, ondanks de heerlijke openbaringen van des Ileeren heerlijkheid hem met Johannes en Jakobus boven de andere jongeren geschonken.

O zielen! als de strik gespannen is, ziet op Jezus Christus, Die in het evangelie verhoogd is, gelijk de koperen slang in de woestijn; en zegt tot Hem „Lieve Heiland, hier is weder een strik, gespannen om mijne ziel te vangen, en vroeger ontvangen genade alleen zal mij niet verlossen; o! geef mij nieuwe kracht, nieuwe sterkte, nieuwe invloeden, nieuwe genade, opdat ik dezen

-ocr page 251-

239

strik moge ontsnappen.quot; Herinnert u, dat gij nooit uwe kracht tot tegenstand en overwinning moet verwachten van vroeger ontvangene genade, maar van de vernieuwde invloeden des hemels.

X. Bid veel; het gebed is voor de ziel eene beschutting, is Gode eene offerande en voor den duivel een geesel. David\'s hart was dikwijls meer ontstemd dan zijne harp; maar als hij gebeden heeft, roept hij in spijt van den duivel: „Keer weder tot uwe rust, o mijne ziel!quot; Als er door geen aardschen weg te ontsnappen is, is het door een hemelschen; dat is voor den Christen de weg des gebeds; de eenig overgebleven weg, om Satan\'s strikken te ontkomen.

XI. Wees dankbaar. Zij, die Satan\'s strikken ontsnappen, die niet door hem naar zijn welgevallen worden beheerscht, behooren dankbaar te zijn. Het is den Christen eene roeping en zaligheid met David, den koninklijken profeet, te juichen: „Loof den Heere mijne ziel! en al, wat binnen in mij is. Zijnen heiligennaam,quot; (Ps. 103 : 1, 2) „Die ons niet heeft overgegeven tot eene prooi des Satans, en ons niet heeft doen gevangen worden door de strikken, ons door hem gespannen.quot; Het besef van deze groote weldaad hief Davids hart ten hemel, en bezielde zijne lofzangen, Ps. 124 : 6, 7.

Zult gij dankbaar zijn voor de mislukking van een aanslag op uw leven of op uwe bezittingen? en zult gy niet veel meer dankbaar zijn, wanneer gij de strikken ontsnapt, die Satan uwen kostbaren zielen gespannen heeft?

Bedenk dit, dat verlossing van Satan\'s strikken het grootste en duidelijkste bewijs is, dat Gods hart Zich tot ons neigt. Vele menschen ontkomen door de hand der Voorzienigheid wel menigen strik, hun door men-

-ocr page 252-

240

schen gespannen, maar niet de strikken des Satan\'s. Saul, Judas en Demas ontsnapten ongetwijfeld vele strikken der menschen, maar geen van hen ontkwam aan de strikken des duivels. Vele menschen zijn door de hand der Voorzienigheid boven de strikken der menschen verheven, maar worden door de hand der gerechtigheid overgegeven, om in Satan\'s strikken te vallen; uwe verlossing van Satan\'s strikken is eene vrucht van bijzondere liefde. Kunt gij dit indenken zonder dankbaar te zijn, en den Heere te geven de eere Zijns Naams?

XII. En nu ten slotte is dit alles eene opwekking voor de Christenen, om naar hun eeuwig tehuis te verlangen. O, verlang te zijn aan het hart van Christus; verlang te zijn in het hemelsche Kanaan; want deze wereld, deze woestijn is vol strikken; alle bezigheden, alle genietingen zijn vol strikken, want Satan is zoo machtig en listig, dat hij dikwijls van onze grootste en dierbaarste zegeningen onze grootste strikken weet te maken. Somtijds zal hij den man een strik spannen door de vrouw zijner keuze, zooals Job. Somtijds zal hij het kind een strik doen zijn voor den vader; denk aan Absalom en aan Eli\'s zonen. En somtijds zal hij de dienstknecht een strik doen zijn, zooals Jozef was voor zijne meesteres. Geliefden, Satan is zóó listig en geslepen, dat hij uwe bekers, uwe kleederen, uwe huizen, uwe tuinen en al uwe uitspanningen zoovele strikken kan doen zijn. Hoezeer moet de overweging van dit alles ons doen zeggen; De slaaf verlangt naar zijne vrijheid; de gevangene naar de losprijs; de reiziger naar de herberg en de zeeman naar de haven. En zal dan het volk van God niet verlangen te zijn aan het hart van Christus? De apostel zeide: „Ik word van deze twee gedrongen,

-ocr page 253-

241

hebbende begeerte om ontbonden te worden, en met Christus te zijn;quot; Pil. 1 : 23. „Want wij weten, dat, zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis, niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen. — Want ook wij, die in dezen tabernakel zijn, zuchten, bezwaard zijnde, nademaal wij niet willen ontkleed, maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde.quot; 2 Cor. 5 : 1, 4.

Zooals Paulus eens sprak van banden en kwellingen, die hem overal wachtten; wat hen moet doen uitroepen ; „Laat ons van hier gaan, laat ons van hier gaanen hen moet doen zeggen met Monica, de moeder van Augustinus: „Wat doen wij hier? Waarom gaan wij niet van hier? Waarom vliegen wij niet sneller?quot; O, zielen; voordat gij zijt opgenomen aan het hart van Christus, zal uw geluk niet volmaakt, niet onvermengd, niet bestendig zijn; tot zoolang zal Satan u kwellen en strikken spannen om u te vangen, daarom moet gij altijd uitroepen met de bruid: „Kom, Heere Jezus.quot; Openb. 22 : 20. Is Christus niet de Ster van Jakob, Die verlicht degenen, die in duisternis zijn? niet de Vredevorst, Die de olijftak des vredes aan onrustige zielen uitreikt? Is Hij niet meer dan alle rijkdommen en schatten? Is Hij niet de Kroon der kronen, de Roem van allen roem, en de Hemel der hemelen? O, verlangt daarom steeds naar een volmaakt ongestoord en bestendig genieten van Christus in den hemel; want tot zoolang zal Satan steeds plannen en bedoelingen tegen u hebben; hij verzamelt steeds zijne krachten en zal u nooit met rust laten, voordat gij in eeuwigdurende heerlijkheid aan het hart van Christus zijt opgenomen.

16

-ocr page 254-

TOEGIFT.

WAT DE VERZEKERDHEID DES GELOOES IN DEN WEG SÏAAÏ, EN IN WELKEN WEG ZE VERKREGEN WORDT.

Satan is gesteld op vleesclielijke gerustheid, maar daarentegen voor de verzekerdheid des geloofs bevreesd.

Ik wil u ten slotte aanwijzen, door welke beletselen velen van de verzekerdheid verstoken blijven, en u eenige middelen doen kennen, om ze uit den weg te ruimen.

De eerste hinderpalen voor verzekerdheid zijn, \'t spreekt van zelf, gedachten der wanhoop, alsof er geene genade zou zijn.

Deze doen den mensch strijden tegen God met Zijne eigen wapenen, en, als \'t ware, vergift zuigen uit de liefelijkste beloften. Zij maken, dat hij harde gedachten koestert van God, met zijne eigene ziel en zijne eigen geluk twist, en zelfs genademiddelen in struikelblokken verandert. Eene wanhopige ziel is zichzelf een afschrik, van alle zijden verontrust, vol vrees en strijd. Zij is een last voor anderen, maar allermeest voor zich zelf; steeds

-ocr page 255-

243

bezig zich zelf te versclirikken, te kwellen en te veroor-deelen.

Hoe zou het in zulk een toestand mogelijk zijn eene goed gegronde verzekerdheid te verkrijgen ? Sta mij dan toe zulke zielen te vermanen, om ze, mocht het zijn, daardoor uit hun wanhopigen toestand te verlossen.

I. Zeg mij, is wanhoop niet een groot kwaad en eene afschuwelijke zonde ? Is zij niet oneer voor God, een verwijt aan Christus en een dolk voor de ziel ? Wanhoop is de vrucht van het grootste kwaad, dat op de wereld gepleegd wordt, namelijk van ongeloof. Zij is de dochter van onwetendheid, en van verkeerde begrippen van God en Zijne genade; van verkeerde opvattingen der Schrift; en naar het hart van Satan, die, zelf voor eeuwig uit het Paradijs gesloten, nu met inspanning van al zijne krachten zielen aan het binnengaan tracht te doen wanhopen.

quot;Wanhopige zielen, laat de grootte dezer zonde u krachtig opwekken te strijden als om uws levens wil, om uit dezen toestand te geraken, die even zondig als ongelukkig en evenzeer te haten als te bejammeren is.

II. Zeg mij, was het niet wanhoop, die Judas deed omkomen, terwijl de moordenaars van Christus door het geloof in Hem behouden werden? Hand. 2 : 23.

Zette Judas niet door te wanhopen de kroon aan zijne misdaden op?

De armen der genade waren geopend, om Manasse te ontvangen. Maria Magdalena was van duivelen bezeten, en Christus wierp ze uit haar en maakte haar hart tot Zijnen tempel. Paulus was vol goddeloosheid en godslastering, vol woede en nijd tegen Christus, Zijn volk en Zijne leer; en toch, o, let er op, Paulus is een uit-

-ocr page 256-

244

verkoren vat, is opgetrokken in den derden hemel, en is in ruime mate de gaven en genade des Heiligen Geestes deelachtig geworden.

De apostel spreekt, 1 Cor. 6 : 9—11, van sommigen, die buitengewoon goddeloos waren; en die toch door de oneindige goedheid Gods werden afgewasschen van de onreinheid hunner zonden, en tot het genot der vergeving gebracht, gerechtvaardigd en geheiligd door het bloed en den Geest van Christus. Daarom, wanhopende ziel, zeg niet, dat gij in uwe zonden zult sterven en ten laatste in eeuwige smart zult nederliggen. quot;Was het tot Gods verheerlijking hun vergiffenis te schenken, — en zou het Hem dan tot oneer verstrekken u te vergeven? Werden zij door hunne onwaardigheid van Gods genade niet uitgesloten? — waarom zou dan uwe onwaardigheid den stroom van Gods genade zoodanig van u afwenden, dat gij voor eeuwig zoudt moeten omkomen?

III. Zeg mij, is de redding van den zondaar niet uit vrije genade? „Uit genade zijt gij zalig geworden.quot; Efeze 2:8.

De Heere Jezus is gave van vrije genade: Zoo lief had God de wereld, dat Hij Zijnen Zoon gaf, niet Zijnen dienstknecht; Zijn eigen, niet Zijn aangenomen Zoon; ja. Zijn eeniggéboren Zoon. Joh. 3 : 16.

Als Christus gave van vrije genade is, dan is ook het heerlijk verbond der genade om niet: „Ik zal Mijn verbond stellen tusschen Mij en tusschen u;quot; (Gen. 17 : 2) eigenlijk zegt de grondtekst: „Ik zal u Mijn verbond geven.quot; God bemint vrijwillig: „Ik zal hun-lieder afkeering genezen, Ik zal hen vrijwilliglijk liefhebben,quot; Hoséa 14 : 4. „De Heere heeft geen lust tot u gehad, noch u vorkoren, om uwe veelheid boven alle

-ocr page 257-

245

andere volken; maar omdat de Heere ulieden liefhad,quot; Deut. 7 : 7, 8. De grond van Gods liefde ligt enkel en geheel in Zichzelf. In ons is geene liefde, noch eenige beminnelijkheid, om een enkelen straal Zijner liefde op ons te doen schijnen; integendeel, in ieder menschenhart is genoeg onreinheid, trouweloosheid en vijandschap, om Gods ontzaglijken toorn tot hun eeuwig verderf uit te dagen.

Nog eens, God rechtvaardigt ons vrijwillig: „En worden om niet gerechtvaardigd uit Zijne genade, door de verlossing, die in Christus Jezus is.quot; Aan arme zondaren wordt om niet vergiffenis geschonken: „Dezen (Christus) heeft God door Zijne rechterhand verhoogd, tot een Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekeering en vergeving der zonden.quot; Zij zullen ook om niet zalig worden: „Want de bezoldiging der zonde is de dood, maar de geuadegift Gods is het eeuwige leven door Jezus Christus, onzen Heere.quot; Zoo ziet gij dus, dat alles vrije genade is. Geen dierbaarder woord dan het woord om niet. Waarom dan, wanhopende zielen, zoudt gij blijven zitten zuchten, alsof God lust had in uw verderf? Ook dan zelfs, wanneer uw hart u onverschillig schijnt en hard en alles donker voor u is, wanneer uwe zonden vele en uwe angsten groot zijn; ziet, hier is heerlijke, rijke, gadelooze genade voor u. O, laat u door deze wateren verkwikken; hier is hartsterking; o laat u versterken, opdat uwe droefheid in blijdschap moge veranderen, en uwe klachten worden verwisseld met gejuich.

IV. Zeg mij, verstaat en overweegt gij wel ernstig en gedurig die heerlijke plaatsen in de Schrift, die op \'t duidelijkst en overvloedigst Gods genade voor arme

-ocr page 258-

246

zondaren aan \'t licht brengen; zooals Ps. 86 ; 5; Neh. 9 : 17?

Hebt gij ook reeds overdacht, wat geschreven staat Jes. 55 : 7—9: „De goddelooze verlate zijn weg, en de ongerechtige man zijne gedachten: en hij bekeere zich tot den Heere, zoo zal Hij Zich zijner ontfermen, en tot onzen God, want Hij vergeeft menig vul diglijkof, zooals sommigen den grondtekst lezen: „Hij zal do vergiffenis vermenigvuldigen.quot;

Denk ook ernstig, biddend na over Kum. 14 : 19, 20; Exod. 34 : 6, 7; Micha 7 : 18, 19; Jes. 30 : 18, 19; Ps. 78 : 34—39; Ps. 103 : 8—13; Jer. 31 : 1—14; Luk. 15 ; 20—24; en 1 Tim. 1 : 13—17. O, daar straalt zooveel liefde, zooveel genade, barmhartigheid en lankmoedigheid door deze teksten, overvloedig genoeg om den grootsten angst weg te nemen, de donkerste wolken te verdrijven en de droevigste ziel te bemoedigen. Waarom dan wanhopende ziel, maakt gij uw leven eene hel, door zulke kleine en geringe gedachten te hebben van Gods liefde en haar te wegen in de schaal van uw bekrompen en verduisterd vorstand ?

V. Zeg mij, doet gij het dierbare bloed van den Heere Jezus geen onrecht, het bloed, dat betere dingen verkondigt dan dat van Abel?

Heeft het reeds duizenden tot heerlijkheid gebracht en kan het uwe ziel niet tot heerlijkheid brengen? Heeft het werkelijk eene ontelbare menigte verlost van den toekomenden toorn ? en is het nu krachteloos, om u geheel te verlossen? Zullen er nog niet millioenen na ons door dit bloed behouden en gerechtvaardigd worden? Waarom zoudt gij dan aan uwe behoudenis wanhopen ?

-ocr page 259-

247

Men verhaalt van vijf monniken, die de beste middelen trachtten uit te vinden, om de zonde te dooden; do één zeide : te denken aan den dood; de tweede te denken aan het oordeel; do derde te denken aan de vreugde des hemels; de vierde te denken aan do folteringen der hel; de vijfde te denken aan het bloed van Jezus Christus; en voorzeker, de laatste had het recht.

Green uitnemender en sterker beweegreden, tot wat Gode behagelijk is, dan de biddende bepeinzing van het liefdebetoon des Hollands. Als gij van uwe wanhopige gedachten wilt verlost worden, peins dan gedurig over dat dierbare bloed, on vraag vrijmoedigheid, om het u toe te eigenen; zoo zal de droefheid van u wijken ; de Heere zal uw eeuwig licht, uw eeuwige roem zijn; gij zult niet meer verlaten heeten, want de Heere zal Zich over u verheugen. De apostel roept uit, met het oog op het bloed van Christus: „Wie is het, die verdoemt? Christus is Het, Die gestorven is!quot; Hij ziet op al zjjne vijanden, en zegt; „Maar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars.quot; Rom. 8 : 34—37. O, wanhopende zielen, voegt niet bij al uwe vorige zonden, nog deze éene, namelijk; het bloed van Christus gering te achten.

Gij ziet dat anderen, wier toestand even slecht, zoo niet slechter was dan de uwe, genade hebben gekregen. God heeft hun hel in een hemel veranderd. Hij heeft in hunnen vernederden staat aan hen godacht; de stormen van hun geweten doen bedaren, en hunne ontstelde ziel tot rust gebracht. Hij heeft alle tranen van hunne oogen afgewischt en is voor hunne harten eene bron van leven geworden. Daarom wees niet ontmoedigd, maar zie op naar den troon der genade. Bedenk, quot;Wie uwe

-ocr page 260-

248

Rust is, en versmaad geen oogenblik langer door wanhoop de barmhartigheid des Heeren.

Er is meer. De verzekerdheid der zaligheid wordt zeer in den weg gestaan door het twisten over zaken, die boven ons bereik zijn.

Sedert Satan door God uit den hemel geworpen, en in de ketenen der duisternis geboeid werd, gebruikt hij al zijne kennis, macht en ondervinding, om de menschen in dezelfde ellende te storten, en wanneer hij niet verhinderen kan, dat zij toch ten laatste zullen binnenkomen iu het Paradijs, hier boven, zal hij toch al zijne krachten inspannen, om hen hier beneden het leven tot eene wildernis te maken. Daarom zoekt hij hen bezig te houden met de raadsbesluiten Gods en hunne bijzondere verkiezing, om hen in een maalstroom vau redeneeringen te brengen.

Eij het onderzoek der Schrift voegt niet de vraag; „ben ik uitverkoren?quot; maar: „wat is do weg naar den hemel?quot; „hoe wordt mijne ziel zalig?quot;

quot;Wie de vrijmacht Gods, zooals die zich in het zalig worden des zondaars verheerlijkt, tracht overeen te brengen met de verantwoordelijkheid van den mensch, zal niet slagen. En niet voor de rechtbank van ons verstand, maar voor die des gewetens dienen deze vraagstukken gebracht te worden.

O, twijfelende, door redeneeren u vermoeiende ziel, laat het uw voorrecht zijn niet te redeneeren, maar te gelooven, bidden en te wachten op God. Wanneer Satan u wil bezig houden met redeneeringen, zeg dan tot hem, en zeg het ernstig: „De geopenbaarde dingen zijn voor ons, maar de verborgene voor deu Heere onzen God.quot; (Deut. 29 : 29.)

-ocr page 261-

249

Telkens in redeneeringen verstrikt en uit het veld geslagene Christenen, wanneer gij wildet eindigen met redeneeren en kinderlijk te gelooven en te gehoorzamen, verzekerdheid zou uw deel worden; en gij zoudt neder-liggen in vrede, en niemand zou u verschrikken. (Job 11 : 13—20.)

Een derde beletsel voor verzekerdheid is; Het niet grondig onderzoeken van onze eigene ziel, en, van hetgeen God reeds aan haar deed en nog doet.

Hij, die niet ernstig en gedurig het werk Gods aan zijne ziel opmerkt, zal steeds klagen over gebrek aan verzekerdheid; en hij zal lang moeten wachten, eer hij haar verkrijgt. Slechts in den weg der dankbare erkentenis, van wat God deed, wordt, pleitende op Zijne trouw, opwas in de genade verkregen. O, gij twijfelende en verontruste zielen, houdt u verzekerd, dat gij nooit het liefelijke der verzekerdheid smaken zult, tenzij gij een blik naar binnen slaat, en diep in uw hart graaft. Bedriegt u niet; geen zorgeloos en oppervlakkig onderzoek van uw hart zal u in staat stellen, het verborgen werk Gods aan uwe ziel te ontdekken. Wanneer gij niet zoekt als naar verborgen schatten, zult gij Christus en Zijne genade nooit vinden.

Ten vierde noemen wij: Het bedroeven en wederstaan van den Geest der genade door niet ootmoedig naar Zijne stem te luisteren, en, in stede van Hem onafgebroken naar de oogen te zien, Zijne raadgevingen te verwerpen, en ook door Hem toe te schrijven, wat moest toegeschreven worden aan eigene hartstochten of aan de macht der duisternis.

Twijfelende zielen, als gij verzekerd wilt worden van uw heil, moet gij acht geven op de wenken des Heili-

-ocr page 262-

250

gen Geestes, en u onvoorwaardelijk aan Zijne leiding onderwerpen; gij moet naar Zijne geboden vragen en Zijn voetspoor volgen. Dit is de weg, om in Hem te bezitten een Geest, Die verzegelt, getuigt en verzekert.

Ten vijfde wijzen wij op de gewoonte van twijfelende zielen om linn gevoel en hunne gewaarwordingen tot maatstaf te nemen voor hun geestelijken staat.

Wie is in staat zich een denkbeeld te vormen van de vrees en verwarring, die zich vaak meester maakt van zielen, die b.v. op deze wijze redeneeren: „Ik gevoel niet, dat Gods aangezicht zoo tot mij gekeerd is als voorheen; daarom is ook zeker mijn staat verkeerd; ik gevoel niet zulke lieflijke, opwekkende en verlevendigende invloeden des Geestes als voorheen; daarom vrees ik ook niet in genade aangenomen te zijn en in mijne zonden te zullen sterven.quot; Zij, die hun geestelijken staat afmeten naar hun gevoel en hunne gewaarwordingen, wat doen zij anders dan zichzelf in één dag, neen, in één uur gelukkig en ongelukkig achten? Wat anders dan hun gevoel en hunne gewaarwordingen stellen in de plaats van de Schrift? Zullen de menschen en hunne daden niet door het Woord geoordeeld worden? „Het Woord, dat Ik gesproken heb,quot; zegt Christus. (Joh. 12 : 48) „dat zal hem oordeelen ten laatsten dage.quot;

Laat mij u ernstig raden: Laat uw staat alleen beoor-deelen door de Schrift; handhaaf de uitspraak van het Woord tegenover die van uw gevoel; en wanneer na eene ernstige en biddende toetsing van uw hart aan het Woord, dat Woord u oprecht en wedergeboren noemt, houd dan dat getuigenis vast, verheug er u in en geef niet meer toe aan twijfeling of vrees. Laat uw gelaat niet meer droevig zien; want niets is in staat de ziel

-ocr page 263-

251

ongelukkig te maken, die door het Woord Gods gelukkig genoemd wordt.

Vooral, wij merken het in de zesde plaats op, staan onteederheid des levens, zorgeloosheid en traagheid in godsdienstige plichten de verzekering zeer in den weg. De apostel zegt; „Daarom broeders! benaarstigt u te meer, om uwe roeping en verkiezing vast te maken, want dat doende, zult gij nimmermeer struikelen. Want alzoo zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwige Koninkrijk onzes ITeeren en Zaligmakers Jezus Christus.quot; (2 Petr. 1 : 10, 11.) Zie ook Joh-14 : 21—23. God heeft een welgevallen in een nauwgezet leven. Do Heere „rijdt door de vlakke volden.quot; De geestelijke zegeningen overstroomen wel de laagten maar niet de hoogten. Wie de kroon wil dragen, moet de loopbaan loopen; zoo ook, wie verzekerdheid wil verkrijgen, moet gaarne vragen naar Gods wil. Slechts een hartelijk gebed is van kracht. Jak. 5 : 16. In zekeren zin kunnen wij zeggen: God verhoort ons, zooals wij bidden. Flauwer gebeden zullen nauw merkbaar verhoord worden. Elias bad ernstig (Jak. 5 ; 17, hij bad een gebed) en God antwoordde hem.

Nog vestigen wij de aandacht op het willekeurig ver-waarloozen van het een of ander gebod of het terzijde stellen van den een of anderen godsdienstigen plicht. Wie van zijn kindschap verzekerd wil worden, handele niet willekeurig, naar eigen luim en inzicht, maar zoeke den Heere in iedere roeping en in elk voorschrift, waarin het Hem behaagt Zijne heerlijkheid te openbaren. Laat ons ernstig bedenken, dat al de wegen van Christus „wegen van liefelijkheidquot; zijn, Spr. 3 : 17. Meer nauwgezet op den Heere te wachten, is het middel om

-ocr page 264-

252

het licht te doen opgaan in de ziel. Wij mogen niet zwijgen van de te groote liefde tot de wereld, als oorzaak, dat menigeen in het duistere omdolen blijft.

Een „wereldsch Christenquot; kan moeielijk verzekerd worden van zijne zaligheid. Het stof dezer wereld drukt zoo op de vleugels zijner ziel, dat hij zich moeielijk opheffen kan ten hemel. In Gen. 13 : 2 lezen wij, dat Abraham zeer rijk was in vee, in zilver en in goud: in den grondtekst staat, „Abraham was zeer zwaar;quot; om aan te wijzen, gelijk iemand zegt, dat rijkdom een zware last is en dikwerf den Christen blijdschap en geluk onthoudt, Salomo\'s rijkdom deed hem meer kwaad, dan zijne wijsheid hem goed deed. De dingen dezer wereld zijn gelijk aan Jona\'s wonderboom; de mensch mag eene wijle onder hunne schaduw nederzitten, maar spoedig verwelken en sterven zij. „Zult gij uwe oogen laten vliegen, op hetgeen niets is?quot; Spr. 23 : 5. Wereld-sche Christenen, klaagt niet langer over uw gebrek aan verzekerdheid, maar verootmoedigt, vernedert u oprecht voor den ïïeere vanwege het zoo gretig navolgen van de ijdele dingen dezes levens, en het onvermoeid bezig zijn met zoovele aardsche zaken, ten koste van het behartigen, van wat tot uwen vrede dient. Verheft u boven deze wereld. Zij zij onder uwen voet. Wie de wereld niet los laat, kan van den hemel niet zeker zijn. Wanneer een wereldsch Christen behouden wordt, dan gaat het als door vuur. God wil niet de genietingen des hemels geven aan hen, die zich zoeken te verzadigen mot de geneugten der aarde. Belijders van Christus, die gelijk Ezau aardsche spijze verkiezen boven de grootste aller zegeningen, zullen met Ezau ten laatste deze hemelsche Paarl met tranen zoeken, en toch, gelijk hij, verworpen worden.

-ocr page 265-

253

Ten slotte waarschuwen wij tegen bet vasthouden van de eene of andere geheime boezemzonde.

Ach, menigeen speelt met de zonde, zelfs even, nadat hij herhaaldelijk tegen haar gebeden en haar bitterlijk heeft beweend. Er zijn ook kleine vossen, die den wijngaard bederven.

Ik zou kunnen spreken van opvliegendheid, prikkelbaarheid, bemoeizucht, onwaar zijn, enz.! Wie zich voorneemt eene enkele zonde vast te houden, kan zich ook voorbereiden op een leven vol vreeze. Laat uw karakter-zonde los. Lever haar uit aan den Heiland. Breng haar aan den voet van Zijn kruis. Bedenk, dat de oprechtheid van uw hart blijken moet juist uit het bestrijden van uwe boezemzonde. „Want al Zijne rechten waren voor mij, en Zijne inzettingen deed ik niet van mij weg,quot; Ps. 18 : 23: dat wil zeggen: „Ik waakte ijverig en gestreng tegen die bijzondere zonde, tot welke ik de meeste neiging gevoelde; en dit bewijst mij duidelijk de oprechtheid van mijn hart met God.quot; Dit is zeker, er is geen huichelaar op de gansche wereld, die niet aan de eene of andere boezemzonde vasthoudt; ofschoon hij somtijds zeer ijverig zal schynen in het strijden tegen andere zonden, zooals gij zien kunt bij Saul, Jehu, Judas en Herodes. Do oprechte strijdt tegen zi)ne boezemzonde en dit verschaft in duisternis en droefheid meer troost en genot dan het liefkozen der zonde geven kan.

De overwinning der boezemzonden, maakt die der andere zonden gemakkelijk. Toen Goliath verslagen was, gingen de overige Filistijnen op de vlucht.

Zie op de schade, die uwe ziel reeds geleden heeft door uwe boezemzonden. Door er aan toe te geven, hebt gij u zeiven beroofd van geestelijke kracht, van ge-

-ocr page 266-

254

meenschap met God, en van den Geest van licht, leven, vrijheid en heerlijkheid; ja, van onuitsprekelijke vreugde, en van een vrede, die alle verstand te boven gaat. O, dat bet besef, van hetgeen gij reeds verloren hebt en nog dagelijks verliest, door aan de zonde toe te geven, u krachtig aanspore haar te dooden.

Bedenk, dat het uwe roeping en uw roem is eiken dag te handelen, zooals gij eens op uw sterfdag zoudt wenschen gehandeld te hebben. Driemaal gelukkig de ziel, die zich zoo gedraagt. Daar is geen weg zoo vol vrede en troost als deze.

quot;Wanneer gij bemerkt, dat uw hart naar boezemzonden uitgaat, vermaan dan u zeiven op deze wijze: O, mijne ziel! zoudt gij de zonde toegeven, en liefhebben als uw sterfdag daar was? Zoudt gij haar niet veeleer haten en bejammeren, en tegen haar waken en bidden met den meest mogelijkcn ernst? Zoudt gij niet voor de zonde beven, meer dan voor de hel, en de ware oorzaken der zonde niet meer verfoeien, dan de vergiftigste slang? Zoudt gij zoo op uw sterfdag doen? Waarom dan niet eiken dag?quot;

Bedenk, dat vrees en twijfel niet zullen ophouden uwe ziel te kwellen, voordat uwe boezemzonden overwonnen zijn. Gij zult steeds blijven vreezen, dat al uwe ervaringen niet de minste waarde hebben en dat uw Christendom slechts schijn en nagebootst is, totdat gij u geheel aan den Heere hebt gegeven. Uw zielsoog zal door het vasthouden van do zonde zoo beneveld worden, dat zij de paarlen der genade niet in hare heerlijke schoonheid zal kunnen zien. Door het vasthouden aan de zonde wordt de Geest uitgebluscht. De vleugelen des geloofs en des gebeds worden gekortwiekt. De Christen kan in

-ocr page 267-

255

diea weg noch standvastig, noch vurig, noch vrijmoedig zijn in het loopen op den weg naar den hemel. Afdalen en opklimmen kan niet tegelijk geschieden. En wie zich door de zonde naar beneden laat trekken, kan zich niet verheugen over liet opklimmen naar boven. „Wie is zij, die daar opklimt uit de woestijn en lieflijk leunt op haren Liefste ?quot;

In dat woord wordt de betrekking geschetst, die de Christen heeft op den hemel en den Heiland. De aarde is het land zijner vreemdelingsebap, de hemel is zijn Vaderland en Christus ia zijn Leidsman. Gelukkig, wie zich deze betrekking bewust is. Gelukkig, wie zich niet van deze wereld gevoelt, en op den Christus leunt; hij reist zeker; reeds mag hij de kusten des hemels zien blauwen; straks landt bij er ook en voor eeuwig aan; der list en het geweld des Satans ontkomen, brengt hij eere en heerlijkheid toe aan Hem, Die op den troon zit en aan het Lam, Dat geslacht is.

-ocr page 268-
-ocr page 269-
-ocr page 270-
-ocr page 271-