-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

BIJBEL

. /^r

!

(Byhcl zonder Ps, prijs ƒ 00.50)

-ocr page 6-
-ocr page 7-

BIJBEL ^

nat is

DE GANSCHE HEILIGE SCHRIFT

BRVATTEXDK AI.LK I)R CANONIRKK BOKKEN »KS

OUDEN EN NIEUWEN TESTAMENTS

OP LAST VAN DE HOOG-MOGENDE HEEREN STATEN-GKNERAAL DER VEREENtGDE NEDERLANDEN

EN VOLGENS HET nESI.UIT VAN DE NATIONALE SYNODE GEHOUDEN TE DORDRECHT IN DE JAREN MDCXVIII EN MDCXIX UIT DK OORSPRONKBMJKR TAI.EN IN ONZE NEDRRI.ANDSCHR GETROUW K flt; IJ K OVERGEZET

UITGEGEVEN DOOR HET NEDER LANDSCH BIJBELGENOOTSCHAP 1880

-ocr page 8-

STOOMDRUK — VAN BOEKHOVEN — UTRECHT

-ocr page 9-

MKT

i

gt;5 OUDE TESTAMENT

-ocr page 10-

STOOMDRUK — .1. VAN BOEKTTOVKN — UTRECHT

-ocr page 11-

HET

OUDE TESTAMENT

-ocr page 12-
-ocr page 13-

HEGISTEll VAN DE BOEKEN

DES

OUDEN TESTAMENTS

Bladz. 1- 63

Genesis. Exodus

Leviticus............IS

Numet-i........... ..........t?lt; sXS

Deuteronomium....................

210- 255 255- 286 286- 317

Jozua Richteren . Ruth.

...................................Q-17_ qlt;gt;j

Eerste boek Samuël.................jo9_ qSq

Tweede boek Samuël...............*Wï_ -kik

Eerste boek der Koningen............./iiu\\

Tweede boek der Koningen......*......4S7— A7A

Eerste boek der Kronieken ... ........474— Mn

Tweede boek der Kronieken . . . . ! ! ! ! ! i i i MO-

553

Ezra

Nehemia......................................553-

Ester ........................................566 - 584

Job............................................584quot; 594

De Psalmen .\' !..............5^quot; 5^7

627- 707

De Spreuken.

De Prediker . . . !...............™5

Het Hoog,ied ; ; ; ; ; ; ; ; ^

Jeremia. .................... 750- »1?

Kzechfèigliedoien ;\'an jeremia: •\' •\' : ■\' •\' •\' : : : «sl- m

Daniël . ! i ..........................

Hoséa......; ;.............974

Joël .... .............«Zo-

Amos .....................no?-- S7

Obadja . ................9§7~

jona. : ..............^-h995

Micha .... .............

Nahum .....................

Habakuk ......*.............IS?5

Zefanja...... ..............

Haggai . . . . !................ 1008—1011

Zacharia ....................... —

Maleachi . . .....................—1024

.....................—1027

-ocr page 14-
-ocr page 15-

\'i

HET OUDE TESTAMENT.

HET EERSTE BOEK VAN MOZES

GKNAAMD

GENESIS.

HOOFDSTUK 1.

lu den beginne schiep God den hemel en de aarde.

2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis was op den al-grond; en de Geest Gods zweefde op de wateren.

3 En God zeide: Daar zij licht: en daar werd licht.

4 En God zag het licht dat het goed was; en God maakte scheiding tusschen het licht en tus-schen de duisternis;

5 en God noemde het licht dag, en de duisternis noemde hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de eerste dag.

6 En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren, en dat make scheiding tusschen wateren en wateren.

7 En God maakte het uitspansel, en maakte scheiding tusschen de wateren, die onder het uitspansel zijn en tusschen de wateren, die boven het uitspansel zijn: en het was alzoo.

8 En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest en het was morgen ge-Aveest, de tweede dag.

9 En God zeide: Dat de wateren van onder den hemel in ééne plaats vergaderd worden, en dat het droge gezien worde: en het was alzoo.

10 En God noemde het droge aarde, en do vergadering der wateren noemde hij zeeën: en God zag dat het goedquot; was.

11 En God zeide: Dat de aarde uitschiete grasscheutjes, kruid zaadzaaiende, vruchtbaar geboomte, dragende vrucht naar zijnen aard, welks zaad daarin zij op de aarde: en het was alzoo^

12 En de aarde bracht voort grasscheutjes, kruid zaadzaaiende naar zijnen aard, en vruchtdragend geboomte, welks zaad daarin was, naar zijnen aard: en God zag dat het goed was.

13 Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de derde dag.

14 En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tusschen den dag en tusschen den nacht; en dat ze zijn tot tcekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren;

15 en dat ze zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde: en het was alzoo.


1

-ocr page 16-

G K NES I\'S 2.

lü God dan maakte do twee groot© lichten, het groote licht tot heerschappij des daags, en het kleine licht tot heerschappij des nachts, ook de sterren;

17 en God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde,

18 en om te heerschen op den dag en in den nacht, en om scheiding te maken tusschen het licht en tusschen de duisternis: en God zag dat het goed was.

19 Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de vierde dag.

20 EnGodzeide: Dat de wateren overvloedig voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde in het uitspansel des hemels.

21 En God schiep de groote wal-visschen en alle levende wreme-lende ziele, welke de wateren overvloedig voortbrachten, naar haren aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijnen aard: en God zag dal het goed was.

22 En God zegende ze, zeggende: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeën, en het gevogelte vermenig-vuldige op de aarde.

23 Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de vijlde dag.

24 En Godzeide: De aarde bren-ge levende zielen voort naar haren aard, vee, en kruipend en wild gedierte der aarde, naar zijnen aard: en het was alzoo.

25 En God maakte het wild gedierte der aarde naar zijnen aard, en het vee naar zijnen aard, en al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijnen aard: en God zag dat het goed was.

26 En God zeide: Laat ons men-schen maken, naar ons beeld, naar onze gelijkenis; en dat zij heerschappij Hebben over do visschen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over het vee, en over de geheele aarde, en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt.

27 En God schiep den mensch naar zijn beeld, naar het beeld

Gods schiep hij hem; man en vrouw schiep hij ze.

28 En God zegende ze, en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde en onderwerpt ze, en hebt heerschappij over de visschen der zee, en over het gevogelte des hemels, en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt.

20 En God zeide: Zie, ik heb ulie-don al hot zaadzaaiende kruid gegeven, dat o]) de gansche aarde is, en alle geboomte in hetwelk zaadzaaiende boomvrucht is: het zij u tot spijze,

30 maar aan alle gedierte der aarde en alle gevogelte des hemels en alle kruipend gedierte op de aarde, waarin eene levende ziel is, heb ik al het groene kruid tot spijze fjefieven. En liet was alzoo.

31 En God zag al wat hij gemaakt had, en zie, liet was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest, de zesde dag.

HOOFDSTUK 2.

Alzoo zijn volbracht de hemel en de aarde en al hun heir.

2 Als nu God op den zevenden dag volbracht had zijn werk d.it hij gemaakt I iad, heeft hij gerust op den zevenden dag van al zijn werk dat hij gemaakt had;

3 en God heeft den zevenden dag gezegend en dien geheiligd, omdat hij op denzelven gerust heeft van al zijn werk, hetwelk Godgeschapen had om te volmaken.

4 Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, als zij geschapen werden; ten dage als de 11EERE God de aarde en den hemel maakte,

5 en .allen struik des velds eer hij m do aarde was, en al het kruid des velds eer het uitsproot; want de 11 ei:me God had niet doen regenen op de aarde, en er was geen mensch geweest om den aardbodem te bouwen,

0 maar een damp was opgegaan uit de aarde en bevochtigde den ganschen aardbodem.

7 En de Hëeue God had den mensch geformeerd uit bet stof


-ocr page 17-

GENESIS 3.

der aarde, en in zijne neusgaten geblazen den adem des levens: alzoo werd de mensch tot eene levende ziele.

H Ook had de TTeere God eenen hol\' geplant in Eden, legen het Oosten, en hij stelde aldaar den mensch, dien quot;hij geformeerd had.

1) En de Heehe God had alle geboomte uit het aardrijk doen spruiten, begeerlijk voor het gezicht en goed ter spijze, en den boom des levens in het midden van den hof, en den boom dor kennis-se des goeds en des kwaads.

10 En eene rivier was voortgaande uit Eden om dezen hof te besproeien , en werd van daar verdeeld en werd tot vier hoofden.

11 De naam der eerste rivier is Pison: deze is het die het gansche land van Havila omloopt, waar het goud is;

12 en het goud van dit land is goed; daar is ook bedólah, en de steen sardonyx.

Ui En de naam der tweede rivier is Gihon: deze is het die het gansche land Kusch omloopt.

14 En de naam der derde rivier is Hiddékel: deze is gaande naar het oosten van Assur. En de vierde rivier is Frath.

15 Zoo nam de Heeue God den mensch en zette hem in don hof Eden, om dien te bouwen en dien te bewaren.

1g En de Keeue God gebood den mensch, zeggende: Van allen boom dezes hofs zult gij vrijelijk eten;

17 maar van den boom derken-nisse des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage als gij daarvan eet zult gij den dood sterven.

18 Ook had de Heere God gesproken: Het is niet goed dat de mensch alléén zij : ik zal hem eene hulpe maken, die als tegen hem over zij.

19 Want als de Heere God uit de aarde al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels gemaakt had, zoo bracht hij ze tot Adam, om te zien hoe hij ze noemen zoude: en zoo als Adam alle levende ziele noemen zoude, dat zoude haar naam zijn.

20 Zoo had Adam genoemd de namen van al het vee, en van liet gevogelte des hemels, en van al liet gedierte des velds; maar voor den mensch vond hij geene hulpe, din als tegen hem over ware.

21 Toen deed de Heere God oenen diepen slaap op Adam vallen, en hij sliep; en hij nam ééne van zijne quot;ribben, en sloot derzel-ver plaats toe met vleesch.

22 En de Heere God bouwde de ribbe, die hij van Adam genomen had, tot eene vrouw, en bijbracht ze tot Adam,

23 Toen zeide Adam: Deze is ditmaal been van mijn gebeente en vleesch van mijn vleesch: men zal ze Manninne heeten, omdat ze uit den man genomen is.

24 Daarom zal de man zijnen vader en zijne moeder verlaten, en zijne vrouw aankleven; en zij zullen tot één vleesch zijn.

25 En zij waren beiden naakt , Adam en zijne vrouw, en zij schaamden zich niet.

HOOFDSTUK 3.

De slang nu was listiger dan al het gedierte des velds, hetwelk de Hke-re God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: Is het ook dat God gezegd heeft: Gijlieden zult niet eten van allen boom dezes hofs?

2 En de vrouw zeide lot de slang: Van de vrucht der hoornen dezes hofs zullen wij eten;

3 maar van do vrucht des booms, die in het midden des hofs is heeft God gezegd: Gij zult daarvan niet eten, noch die aanroeren , opdat gij niet sterft.

4 Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood . niet sterven;

5 maar God weet, dat ten dage als gij daarvan eet, zoo zullen uwe oogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende. het goed en het kwaad.

0 En de vrouw zag dat die boom goed was tot spijze en dat hij een lust was voor de oogen, ja een boom die begeerlijk was om verstandig te maken: en zij nam van zijne vrucht en at; en zij ga ook haren man met haar, en hij at


-ocr page 18-

4

7 Toen werden hun beider oogen geopend, en zij werden gewaar dat zij naakt waren; en zij heclit-ten vijgeboom-bladeren te zamen en maakten zich schorten.

8 En zij hoorden de stemme van den Heere God, wandelende in den hof, aan den wind des daags. Toen verborg zich Adam en zijne vrouw voor liet aangezicht van den Heere God in het midden van het geboomte des liofs.

9 En de Heere God riep Adam, en zeide tot hem: Waar zijt gij?

10 En hij zeide: Ik hoorde uwe stem in den hof, en ik vreesde: want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.

11 En hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven dat gij naakt zijt? Hebt gij van dien boom gegeten, van welken ik u gebood dat gij daarvan niet eten zoudt?

12 Toen zeide Adam : De vrouw, die gij bij mij gegeven hebt, die heeft mij van dien boom gegeven, en ik heb gegeten.

13 En de Heere God zeide tot de vrouw: Wat is dit dat gij gedaan hebt? En de vrouw zeide: Die slang heeft mij bedrogen, en ik heb gegeten.

14 Toen zeide de Heere God tot die slang: Dewijl gij dit gedaan hebt, zoo zijt gij vervloekt boven al het vee en boven al het gedierte des velds: op uwen buik zult gij gaan en stof zult gij eten, alle de dagen uws levens.

15 En ik zal vijandschap zetten tusschen u en tusschen deze vrouw, en tusschen uw zaad en tusschen haar zaad: dat zal u den kop vermorzelen, en gij zult het de verzenen vermorzelen.

1G Tot de vrouw zeide hij : Ik zal zeer vermenigvuldigen uwe smart, namelijk uwer dracht: met smarte zult gij kinderen baren; en tot uwen man zal uwe begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben.

17 En tot Adam zeide hij : Dewijl gij geluisterd hebt naar de stemme uwer vrouw en van dien boom gegeten, daar ik u van gebood, zeggende: Gij zult daarvan niet eten, zoo zij het aardrijk om uwentwille vervloekt, en met smart zult gij daarvan eten alle de dagen uws levens;

18 ook zal het u doornen en dis-telen voortbrengen, en gij zult het kruid des velds eten:

19 in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aarde wederkeert, dewiji gij daaruit genomen zijt; want gij zijt stof en gij zult tot stof wederkeé-ren.

20 Voorts noemde Adam den naam zijner vrouw Eva. omdat zij eene moeder aller levenden is.

21 En de Heere God maakte voor Adam en zijne vrouw rokken van vellen, en toog ze hun aan.

22 Toen zeide de Heere God: Zie, de mensch is geworden als onzer één, kennende het goed en het kwaad: nu dan, dat hij zijne hand niet uitsteke en neme ook van den boom des levens, en ete, en leve in eeuwigheid.

23 Zoo zond de Heere God hom weg uit. den hof Eden, om een aardbodem te bouwen, daar hij uit genomen was;

24 en hij dreef den mensch uit, en stelde Cherubim tegen het oosten des hofs Eden, en een vlammend lemmer eens zwaards, dat zich omkeerde, om te bewaren den weg van den boom des levens.

HOOFDSTUK 4.

En Adam bekende Eva zijne huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde Kain, en zeide: Ik heb eenen man van den Heere verkregen.

2 En zij voer voort te baren zijnen broeder Habel; en Habel werd een schaapherder, en Kain werd een landbouwer.

3 En het geschiedde ten eind3 van eenige dagen, dat Kain van de vrucht des lands den Heere offer bracht,

4 en Habel bracht óók, van de eerstgeborenen zijner schapen en van hun vet; en de Heere zag Habel en zijn offer aan,

5 maar Kain en zijn offer zig hij niet aan: toen ontstak Kain zeer en zijn aangezicht verviel.

GENESIS 4.


-ocr page 19-

GENESIS 5.

o

6 En de Heere zeide tot Kain: Waarom zijt gij ontstoken en waarom is iiw aangezicht vervallen?

7 Is er niet, indien gij weldoet, verhooging? en zoo g\\j niet wel doet, de zonde Jigt aan de deur: zijne begeerte is toch tot u, en gij zult over hem heerschen.

8 En Kain sprak met zijnen broeder 11 abel; en het geschiedde als zij in het veld waren. dat Kain tegen zijnen broeder ilabel opstond en hem doodsloeg.

9 En de Heere zeide tot Kain: Waar is Habel uw broeder? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder?

10 En hij zeide: Wat hebt gij gedaan ? Er is eene stemme van het bloed uws broeders, dat tot mij roept van den aardbodem.

11 En nu zijt gij vervloekt, van den aardbodem, die zijnen mond heeft opengedaan om uws broeders bloed van uwe hand te ontvangen:

\'12 als gij den aardbodem bouwen zult, hij zal u zijn vermogen niet meer geven; gij zult zwervende en dolende zijn op aarde.

13 En Kain zeide tot den Heere : Mijne misdaad is grooter dan dat zij vergeven worde.

14 Zie, gij hebt mij heden verdreven van den aardbodem, en ik zal voor uw aangezicht verborgen zijn; en ik zal zwervende en dolende zijn op de aarde, en het zal geschieden dat al wie mij vindt mij zal doodslaan.

15 Doch do Heere zeide tot hem: Daarom al wie Kain doodslaat zal zevenvoudig gewroken worden. En de Heere stelde een toeken aan Kain, opdat hem niet versloeg al wie hem vond.

1G En Kain ging uit van het aangezicht des Heer en , en hij woonde in het land Nod ten oosten van Eden.

17 En Kain bekende zijne huisvrouw, en zij werd bevrucht, en baarde Henoch; en hij bouwde eene stad, en noemde den naam dier stad, naar den naam zijns zoons, Henoch.

18 En aan Henoch werd Irad geboren , en Irad gewon Mehujaël, en Mehujaël gewon Melhusaël, on Methusaël gewon Lamech.

19 En Lamech nam zich twee vrouwen: de naam van de eerste was Ada, en de naam van de andere Zilla.

20 En Ada baarde Jabal: deze is geweest een vader dergenen die tenten bewoonden en vee hadden.

21 En de naam zijns broeders was Ju bal: deze was de vader van allen die harpen en orgelen hantee-ren.

22 En Zilla die baarde óók, Tubal-Kain , oenen leermeester van allen werker in koper on ijzer; en de zuster van Tubal-Kain was Naëma.

23 En Lamech zeide tot zijne vrouwen Ada en Zilla: Hoort mijne stem, gü vrouwen Lamcchs, neemt ter oore mijne rede: voorwaar, ik sloeg wel eenen man dood om mijne wonde, en oenen jongeling om mijne buile;

24 want Kain zal zevenvoudig gewroken worden, maar Lamech zeventigmaal zevenmaal.

25 En Adam bekende wederom zijne huisvrouw, en zij baarde oenen zoon, en zij noemde zijnen naam Seth; want God heeft mij, sprak zij, een ander zaad gesteld voor Habel, want Kain heeft hem doodgeslagen.

2G En aan Seth zeiven werd óók een zoon geboren, en hij noemde zijnen naam Enos. Toén begon men den name des Heeren aan te roepen.

HOOFDSTUK 5.

Dit is het boek van Adams geslachte. Ten dage als God den mensch schiep, maakte hij hem naar de gelijkenis Gods;

2 man en vrouw schiep hij ze, en zegende ze, en noemdehunneu naam mensch. ten dage als zij geschapen werden.

3 En Adam leefde honderd er* dertig jaren, en gewon eenen zoon naar zijne gelijkenis, naar zijn evenbeeld, en noemde zijnen naam Seth.

4 En Adams dagen, nadat hij Seth gewonnen had, zijn geweest\'achthonderd jaar; en hij gewon zonen en dochteren.

5 Zoo waren alle de dagen van Adam, die hij leefde, negenhon-


-ocr page 20-

GENESIS 6.

6

derd jaar en dertig jaar; en hij stierf.

G En Set.li leefde honderd en vijf jaren, en hij gewon Knos.

7 En Setli leefde, nndat hij Enos j gewonnen had, achthonderd en zeven jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

8 Zoo waren alle de dagen van Seth negenhonderd en twaalf jaar; en hij stierf.

9 Èn Enos leefde negentig jaar, en hij gewon Kenan.

10 En Enos leefde, nadat hij Kenan gewonnen had, achthonderd en vijftien jaar; en hij gewon zonen en dochteren.

11 Zoo waren alle de dagen van Enos negenhonderd en vijfjaren; en hij stierf.

12 En Kenan leefde zeventig jaar, en hij gewon Mahalaleël.

13 En Kenan leefde, nadat hij Mahalaleël gewonnen had, achthonderd en veertig jaar; en hij gewon zonen en dochteren.

14 Zoo waren allo de dagen van Kenan negenhonderd en tien jaren; en hij stierf.

15 Èn Mahalaleël leefde vijfenzestig jaren, en hij gewon Jered.

16 En Mahalaleël leefde, nadat hij Jered gewonnen had, achthonderd en dertig jaar; en hij gewon zonen en dochteren.

17 Zoo waren alle de dagen van Mahalaleël achthonderd vijfennegentig jaar; en hij stierf.

18 En Jered leefde honderd tweeënzestig jaar, en hij gewon Henoch.

19 En Jered leefde, nadat hij Henoch gewonnen had, achthonderd jaar; en hij gewon zonen en dochteren.

20 Zoo waren alle de dagen van Jered negenhonderd tweeënzestig jaar; en hij stierf.

21 En Henoch leefde vijfenzestig jaar, en hij gewon Methüsalah.

22 En Henoch wandelde met God, nadat hij Methüsalah gewonnen had, driehonderd jaar; en hij gewon zonen en dochteren.

23 Zoo waren alle de dagen van Henoch driehonderd en vijfenzestig iaar.

24 Henoch dan wandelde met

God; en hij was niet meer, want God nam hem weg.

25 En Methüsalah leefde honderd zevenentachtig jaar, en hij gewon Lamech.

20 En Metlmsalah leefde, nadat hij Lamech gewonnen had, zevenhonderd en tweeëntachtig jaar; en hij gewon zonen en dochteren.

27 Zoo waren alle de dagen van Methüsalah negenhonderd en negenenzestig jaar; en hij stierf.

28 En Lamech leefde honderd en tweeëntachtig jaar, en hij gewon eenen zoon;

29 en hij noemde zijnen naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over ons werk en over de smarte onzer handen, van wege het aardrijk dat de Heere vervloekt heeft.

30 En Lamech leefde, nadat hij Noach gewonnen had, vijfhonderd en vijfennegentig jaar; en hij gewon zonen en dochteren.

31 Zoo waren alle de dager van Lamech zevenhonderd en zevenenzeventig jaar; en hij stierf.

32 En Noach was vijfhonderd jaar oud; en Noach gewon Sem, Gham en Jafeth.

HOOFDSTUK 6.

En het geschiedde als de men-schen op den aardbodem begonnen te vermenigvuldigen, en hun dochters geboren werden,

2 dat Gods zonen de dochteren der menschen aanzagen dat zij schoon waren, en zij namen zich vrouwen uit allen, die zij verkoren hadden.

3 Toen zeide dö Heere: Mijn Geest zal niet in eeuwigheid twisten met den mensch, dewijl hij ook vleesch is; doch zijne dagen zullen zijn honderd en twintig jaar.

4 In die dagen waren er] reuzen op de aarde, en ook daarna, als Gods zonen tot de dochteren\'der menschen ingegaan waren en zich kinderen gewonnen hadden: deze zijn de geweldigen, diejvan ouds geweest zijn mannen van naam.

5 En de Heere zag dat de boosheid des menschen .menigvuldig was op de aarde, en al het gedicht


-ocr page 21-

gkne

rant der gedachten zijns harten te

: allen dage alleenlijk boos was. erd ^ Toen berouwde het den Huere i\'on dat hij den mensch op de aarde . gemaakt had, en het smartte hem rlat aan zijn harte;

en- 7 cn de Heere zeide: Ik zal den en mensch, dien ik geschapen heb verdelgen van den aardbodem, van an den mensch tot het vee, tot het 3n- kruipend gedierte, en tot het gevogelte des hemels toe; want het en berouwt mij dat ik ze gemaakt heb. on 8 Maar Noach vond genade in

de oogen des Heeren. m 9 Dit zijn de geboorten van No-

is ach. Noach was een rechtvaardig, le oprecht man in zijne geslachten: 3t Noach wandelde met God. :t 10 En Noach gewon drie zonen,

Scm, Gham en Jafeth. jj 11 Maar de aarde was verdorven

d voor Gods ar.r^-ezicht, en de aarde i- was vervuld ;t wrevel.

12 Toen zag God de aarde, en i zie, zij was verdorven; want al

het vleesch had zijnen weg verdorven op de aarde.

13 Daarom zeide God tot Noach:

, Het einde van alle vleesch is voor mijn aargezicht gekomen, want de aarde is door hen vervuld met wrevel; en zie, ik zal ze met de aarde verderven.

14 Maak u ecne ark van gofer-hout; met kameren zult gij deze ark maken; en gij zult ze bepek-ken van binnen en van builen met pek.

15 En aldus is het dat gij ze maken zult: driehonderd ellen zij de lengte der ark, vijftig ellen hare breedte, en dertig ellen hare hoogte.

10 Gij zult een venster aan de ark maken, en zult ze volmaken tot eene el van boven; en de deur der ark zult gij in hare zijde zetten; gij zult ze met de onderste, tweede en derde verdiepingen maken.

17 Want ik, zie, ik brengeenen | watervloed over de aarde, om

alle vleesch, waarin een geest des levens is, van onder den hemel te verderven: al wat op de aarde is zal den geest geven.

18 Maar met u zal ik mijn ver-

I bond oprichten; en gij zult in de (

SIS 7. 7

ark gaan, gij, en uwe 2onen, en uwe huisviouw, en do vrouwen uwer zonen met u.

19 En gij zult van al wat leeft, van allen vleesche, twee van elk doen in de ark komen, om met u in het leven te behouden: mannetje en wijfje zullen ze zijn.

20 Van het gevogelte naar zijnen aard, en van het vee naar zijnen aard, van al het kruipend gedierte des aardbodems naar zijnen aard, twee van elk zullen tot u komen om die in het leven te behouden.

21 En gij, neem voor u van alle spijze, die gegeten wordt, en verzamel ze lot u, opdat ze u en hun lot spijze zij.

22 En Noach deed naar al wat God hem geboden had, zóó deed hij.

HOOFDSTUK 7.

Daarna zeide de Heere lot Noach: Ga gij en uw gansche huis in de ark: want u heb ik gezien rechtvaardig voor mijn aangezicht in dit geslacht.

2 Van alle rein vee zult gij tot u nemen zeven en zeven, het mannetje en zijn wijfje; maar van het vee dat rliet rein is twee, het mannetje en zijn wijfje;

3 ook van het gevogelte des hemels zeven en zeven, het mannetje en het wijfje, om zaad levend te houden op de gansche aarde.

4 Want over nog zeven dagen zal ik doen regenen op de aarde veertig dagen en veertig nachten, en ik zal van den aardbodem verdelgen al wat bestaat dat ik gemaakt heb.

5 En Noach deed naar al dat de Heere hem geboden had.

6 Noach nu was zeshonderd jaar oud als do vloed der wateren op de aarde was.

7 Zoo ging Noach, en zijne zonen, en zijne huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem in de ark, vanwege de wateren des vloeds.

8 Van het reine vee en von het vee dat niet rein was, en van het gevogelte en al wat op den aardbodem kruipt,

9 kwamen er twee en twee tot Noach in de ark, het mannetje en


-ocr page 22-

8

liet wijlje, gelijk God Noach ge-boden had.

10 En het geschiedde na die zeven dagen, dat de wateren des vloeds op de aarde waren.

11 In het zeshonderdste jaar des levens van Noach, in de tweede maand, op den zeventienden dag (Ier maand, op dezen dag zijn alle fonteinen des grootenafgronds opengebroken en de sluizen des hemels geopend;

12 en een plasregen was op de aarde veertig dagen en veertig nachten.

13 Even op dienzelfden dag ging Noach, en Sem en Cham en Ja-felh, Noachs zonen, desgelijks Noachs huisvrouw, en de drie vrouwen zijner zonen met hen in de ark:

14 zij, en al het gedierte naar zijnen aard, en al het vee naar zijnen aard, en al het kruipend gedierte dat op de aarde kruipt naar zijnen aard, en al het gevogelte naar zijnen aard, alle vogel van allerlei vleugel.

15 En van alle vleesch, waarin een geest des levens was, kwamen er twee en twee tot Noach in de ark.

16 En die er kwamen, die kwamen mannetje en wijfje, van alle vleesch, gelijk als hem God bevolen had. En de Heere sloot achter hem toe.

17 En de vloed was veertig dagen op de aarde, en de wateren vermeerderden, en hieven de ark op, zoodat zij oprees boven de aarde.

18 En de wateren namen de overhand en vermeerderden zeer op de aarde; en de ark ging op de wateren.

19 En de wateren namen gansch zeer de overhand op de aarde, zoodat alle hooge bergen, die onder den ganschen hemel zijn, bedekt werden;

20 vijftien ellen omhoog namen de wateren de overhand, en de bergen werden bedekt.

21 En alle vleesch, dat zich op de aarde roerde, gaf don geest, van het gevogelte, en van het vee, en van net wild gedierte, en van al het kruipend gedierte, dat op

de aarde kroop, en alle Kien- ^ schen; sl

22 al wat eenen adem des gees- \' tes des levens in zijne neusgaten had, van alles wat op het droge was, is gestorven. a

23 Alzoo werd verdelgd al wat be- * stond, dat op den aardbodem was, van den mensch af tot het vee, tot

het kruipend gedierte, en tot het ^ gevogelte des hemels, en zij werden j verdelgd van de aarde; doch Noach 1 alleen bleef over, en wat met hem in de ark was.

24 En de wateren hadden de overhand boven de aarde, honderd en vijftig dagen.

HOOFDSTUK 8.

En God gedacht aan Noach, en aan al het gedierte en aan al het vee, dat met hem in de ark was; en God deed eenen wind over de aarde doorgaan, en de wateren werden stille.

2 Ook werden de fonteinen des afgronds en de sluizen des hemels gesloten, en de plasregen van den hemel werd opgehouden.

3 Daartoe keerden de wateren weder van boven de aarde, heen en weder vloeiende; en de wateren namen af ten einde van honderd en vijftig dagen.

4 En de ark rustte in de zevende maand, op den zeventienden dag der maand, op de bergen van Ararat.

5 En de wateren waren gaande en afnemende tot de tiende maand: in de tiende maand op den eerste der maand werden de toppen der bergen gezien.

0 En het geschiedde ten einde van veertig dagen, dat Noach het venster der ark, die hij gemaakt had, opendeed,

7 en hij liet eene raaf uit, die dikwijls heen en weder ging, totdat de wateren van boven de aarde verdroogd waren.

8 Daarna liet hij eene duif van zich uit, om te zien of de wateren gelicht waren van boven den aardbodem ;

9 maar de duif vond geene ruste voor de holte baars voets; zoo keerde zij weder tot hem in cle ark,

T

GENESIS 8.


-ocr page 23-

GENESIS 9.

want de wateren waren op de gan-sche aarde; en hij stak zijne hand uit on nam ze, en bracht ze tot zich in de ark.

10 En hij verbeidde nog zeven andere dagen , toen liet hij de duif

• wederom uit de ark;

11 en de duif kwam tot hem te-; gen den avondtijd, en zie, een afgebroken olijfblad was in haren bek: zoo merkte Noach dat de wa-

, teren van boven de aarde gelicht , waren.

12 Toen vertoefde hij nog zeven andere dagen, en hij liet de duif uit, maar zij keerde niet meer tot hem weder.

13 En het geschiedde in het zeshonderd en eerste jaar, in de eerste maand, op den eerste dier maand, dat de wateren droogden van boven de aarde: toen deed Noach het deksel der ark af en zag toe, en zie, de aardbodem was gedroogd.

14 En in de tweede maand op den zevenentwintigsten dag der maand was de aarde opgedroogd.

15 Toen sprak God tot Noach, zeggende:

16 Ga uit de ark, gij, en uwe huisvrouw, en uwe zonen, en de vrouwen uwer zonen met u.

17 Doe al het gedierte dat met u is, van alle vleesch, aan gevogelte, en aan vee, en aan al het kruipend gedierte dat op de aarde kruipt, met u uitgaan; en dat zij overvloediglijk voorttelen op de aarde, en vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen op de aarde.

18 Toen ging Noach uit, en zijne zonen, en zijne huisvrouw, en de vrouwen zijner zonen met hem.

19 Al het gedierte, al het kruipende en al het gevogelte, al wat zich op de aarde roert, naar hunne geslachten, gingen uit de ark.

20 En Noach bouwde den Heere een altaar; en hij nam van al het reine vee en van al het rein gevogelte , en offerde brandofferen op dat altaar.

21 En de Heere rook dien liefelijken reuk, en de Heere zeide in zijn harte: Ik zal voortaan den aardbodem niet meer vervloeken om des menschen wille , want het gedichtsel van \'s menschen harte is boos van zijne jeugd aan; en ik z:\\l voortaan niet meer al het levende slaan gelijk als ik gedaan heb.

22 Voortaan alle de dagen der aarde zullen zaaiing en oogst, en koude en hitte, en zomer en winter, en dag en nacht niet ophouden.

HOOFDSTUK 9.

En God zegende Noach en zijne zonen, en hij zeide tot hen: Zijt vruchtbaar en vermenigvuldigt, en vervult de aarde;

2 en ulieder vreeze en ulieder verschrikking zij over al hét gedierte der aarde en over al het gevogelte des hemels, in al wat zich op den aardbodem roert en in alle visschen der zee: zij zijn in uwe hand overgegeven.

3 Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze: ik heb het u alles gegeven, gelijk het groene kruid.

4 Doch het vleesch met zijne ziele, dat is zijn bloed, zult gij niet eten.

5 En voorwaar, ik zal uw bloed, het bloed uwer zielen eischen, van de hand van alle gedierte zal ik bet eischen, ook van de hand des menschen, van de hand van eens iegelijks broeder zal ik de ziele des menschen eischen.

0 Wie des menschen bloedvergiet, zijn bloed zal door den rnensch vergoten worden; want God heeft den mensch naar zijn beeld gemaakt.

7 Maar gijlieden, woest vruchtbaar en vermenigvuldigt; teelt overvloediglijk voort op de aarde, en vermenigvuldigt op dezelve.

8 Voorts zeide God tot Noach, en tot zijne zonen met hem, zeg- * gende:

9 Maar ik, zie, ik richt rnijn verbond op met u, en met uwen zade na u,

10 en met alle levende ziele die met u is, van het gevogelte, van het vee, en van alle gedierte der aarde met u, van allen die uit de ark gegaan zijn, tot al het gedierte der aarde toe..

11 En ik richt mijn verbond op met u, dat niet meer alle vleesch door de wateren des vloeds zal


-ocr page 24-

GENESIS 10.

10

worden uitgeroeid, en dat er geen vloed meer zijn zal om de aarde te verderven.

12 En God zeide: Dit is het toeken des verbonds dat ik geve tusschen mij en tusselien ulieden en tusselien alle levende ziele, die met u is, tot eeuwige geslachten :

13 mijnen boog heb ik gegeven in de wolken; die zal zijn tot een teeken des verbonds tusschen mij en tusschen de aarde.

• 14 En het zal geschieden als ik wolken over de aarde breng, dat deze boog zal gezien worden in de wolken.

15 Dan zal ik gedenken aan mijn verbond, hetwelk is tusschen mij en tusschen u en tusschen alle levende ziele van alle vleesch: en de wateren zullen niet meer wezen tot eenen vloed om alle vleesch te verderven.

16 Als deze boog in de wolken zal zijn, zoo zal ik hem aanzien, om te gedenken aan het eeuwig-verbond tusschen God en tusschen alle levende ziele, van alle vleesch dat op de aarde is.

17 Zoo zeide dan Oodtot Noach; Dit is het teeken des verbonds , dat ik opgericht heb tusschen mij en tusschen alle vleesch dat op de aarde is.

18 En de zonen Noachs, die uit de ark gingen, waren Sein, en Chain, en Jafeth; en Cham is de vader van Kanaan.

li) Deze drie waren de zonen van Noach; en van deze is de gansche aarde overspreid.

20 En Noach begon een akkerman te zijn, en hij plantte eenen wijngaard.

21 En bij dronk van dien wijn, en werd dronken; en hij ontblootte zich in het midden zijner tent.

22 En Cham, Kanaans vader, zag zijns vaders naaktheid, en hij gaf het zijnen beiden broederen daar buiten te kennen.

23 Toen namen Sem en Jafeth een kleed en leiden het op hun beider schouders, en gingen achterwaarts, en bedekten de naaktheid huns vaders: en hunne aangezichten waren achterwaarts rje-keerd, zoodat zij de naaktheid huns vaders niet zagen.

24 En Noach ontwaakte van zijnen wijn, en bij merkte wat zijn jongste zoon hem gedaan had;

25 en hij zeide: Vervloekt zij Kanaan; een knecht der knechten zij hij zijnen broederen.

quot;20\'Voorts zeide hij: Gezegend zij de Heere, de God van Sem; en Kanaan zij hem een knecht:

27 God breide Jafeth uit, en hij wone in Sems tenten; en Kanaan zij hem een knecht.

\'28 En Noach leefde na den vloed driehonderd en vijftig jaar.

2\'.) Zoo waren alle de dagen van Noach negenhonderden vijftig jaar; en hij stierf.

HOOFDSTUK 10.

Dit nu zijn de geboorten van Noachs zonen, Sem, Cham en Jafeth ; en hun werden zonen geboren na den vloed.

2 De zonen Jafeths zijn Gomer, en Magog, en Madai, en Javan, en Tubal, en Mesech, en Tiras.

3 En de zonen Gomers zijn As-kenaz, en Rifath, en Togarma.

4 En de zonen Javans zijnElisa, en Tarsis, de Kittiten enDodaniten.

5 Van deze zijn verdeeld de eilanden der volken in hunne landschappen. elk naar zijne sprake, naar hunne huisgezinnen, onder hunne volken.

6 En Chams zonen zijn Kusch, en Mizraïm, en Put, en Kanaan.

7 En de zonen van Kusch zijn Seba, en Havila, en Sabta, en Uaëma, en Sabtecha. En de zonen van Raëma zijn Scheba en Dedan.

8 En Kusch gewon Nimrod: deze begon geweldig te zijn op aarde.

9 Hij was een geweldig jager voor bet aangezicht des Heeuen ; daarom wordt gezegd: Gelijk Nimrod, een geweldig jager voor het aangezicht des Herren.

10 En het begin zijns rijks was Babel. en Erech, en Akkad, en Kalné in het land Sinear.

11 Uit dit land is Assur uitgegaan , en heeft gebouwd Ninevé, en Rehoboth, Ir, en Kalah,

12 en Rescn, tusschen Ninevé


-ocr page 25-

cn lusschen Kalah: dut is die groote stad.

13 En Mizraïm gewon de Luditen, en de Anamiten, en de Lehabiten, en de Naftuhiten,

14 en de Pathrusiten, cn de Kas-luhiten, waaruit de Filistijnen voortgekomen zijn, en- de Kaftoriten.

15 En Kanaan gewon Sidon, zijnen eerstgeborene, en Heth,

16 en den Jebusiet, en den Amo-riet, en den Girgasiet,

17 en den Heviet, en den Arkiet, en den Siniet,

18 en den Arvadiet, en den Ze-mariet, en den Hamathiet; en daarna zijn de huisgezinnen der Ka-naamten verspreid.

19 En de landpale der KanaUni-len was van Sidon, waar gij gaat naar Gerar tot Gaza toe; waar gij gaat naar Sodom en Gomorra, en Adama, en Zeboïm tot Lasa toe.

20 Dit zijn Chains zonen, naar hunne huisgezinnen, naar hunne spraken, in hunne landschappen, in hunne volkeren.

21 Voorts zijn Sem zonen geboren; dezelve is ook de vader aller zonen van Heber, broeder van Ja-feth, de grootste.

22 Sems zonen waren Elam, en Assur, cn Arpachsad, en Lud, en Aram.

23 En Arams zonen waren üz, cn Hul, cn Gether, cn Mas.

24 En Arpachsad gewon Selah, en Selah gewon Heber.

25 En Heber werden twee zonen geboren: des éénen naam wasPe-leg, want in zijne dagen is de aarde verdeeld; en zijns broeders naam was Joktan.

20 En Joktan gewon Almodad, en Selcf, en Hazarmaveth, en Jerah,

27 cn Hadoram, cn Uzal, cn Dikla,

28 cn Obal, cn Abimacl, cn Scheba,

2(J cn Ofir, cn Havila, enJobab: deze allen waren Joktans zonen.

30 En hunne woning was van Mesa af, waar gij gaat naarSefar, het gebergte van het Oosten.

31 Dit zijn Sems zonen, naai* hunne huisgezinnen, naar hunne spraken, in hunne landschappen, naar hunne volkeren.

11

32 Dit zijn de huisgezinnen der zonen van Ncach, naar hunne geboorten , in h anne volkeren; cn van deze zijn de volken op de aarde verdeeld na den vloed.

HOOFDSTUK 11.

En de ganschc aarde was van éénerlei sprake en éénerlei woorden.

2 Maar het geschiedde als zij tegen het Oosten togen, datzijeene laagte vonden in het land Sincar, cn zij woonden aldaar.

3 Èn zij zeiden een ieder tot zijnen naaste: Kom aan, laat ons tichelen strijken en wèl doorbranden. En de tichel was hun voor steen, en het lijm was hun voor leem.

4 En zij zeiden: Kom aan, laat ons voor ons cenc stad bouwen cn cenen toren, welks opperste in den hemel zij; cn laat ons cenen naam voor ons maken, opdat wij niet misschien over de ganschc aarde verstrooid worden.

5 Toen kwam dc Heeue neder om te bezien de stad en den toren, die de kinderen der menschen bouwden;

ü en dc Heere zeide: Zie, zij zijn éénerlei volk en hebben allen éénerlei sprake, en dit is het wat zij beginnen le maken; maar nu, zoude hun niet afgesneden worden al wat zij bedacht hebben te maken?

7 Kom aan, laat ons nedervaren cn laat ons hunne sprake aldaar verwarren, opdat een iegelijk de sprake zijns naasten niet hoore.

8 Alzoo verstrooide de Heeue hen van daar over de ganschc aarde ; en zij hielden öp de stad te bouwen.

9 Daarom noemde men haren naam Babel; want aldaar verwarde dc Heere de sprake der ganschc aarde, en van daar verstrooide de Heere hen over de ganschc aarde.

10 Dit zijn dc geboorten van Sem. Sem was honderd Jaar oud en gewon Arpachsad, twee jaren na den vloed.

11 En Sem leefde, nadat hij Arpachsad gewonnen had, vijfhonderd jaar; cn hij gewon zonen en dochtercn.

GENESIS 11.


-ocr page 26-

12

12 En Arpachsad leoWo vijfendei Mk Jaar, en liij gewon Selah.

13 Kn Arpachsad leeldc, nadat hij Selah gewonnen had, vierhonderd en drie jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

14 Kn Selah leefde dertig jaar, en hij gewon Heber. ..

15 En Selah leefde, nadat hij Heber gewonnen had, vierhonderd en drie jaren, en hij gewon zonen en dochteren.

■JG En Heber leefde vierendertig ;aar, en gewon Peleg.

17 En Heber leefde, nadat hij Peleg gewonnen had, vierhonderd en dertig jaar; en gewon zonen en dochteren.

18 En Peleg leefde dertig jaar, en hij gewon Rehn.

19 En Peleg leefde, nadat hij Rehu gewonnen had, tweehonderd en negen jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

20 En Rehu leefde tweeëndertig jaar, en hij gewon Serug.

21 En Rehu leefde, nadat hij Serug gewonnen had, tweehonderd en zeven jaren; en hij gewon zonen en dochteren.

22 En Serug leefde dertig jaar, en gewon Nahor. ..

23 En Serug leefde, nadat hij Nahor gewonnen had, tweehonderd jaar; en hij gewon zonen en dochteren.

24 En Nahor leefde negenentwintig jaar, en gewon Terach.

25 En Nahor leefde, nadat hij Terach gewonnen had, honderden negentien jaar; en hij gewon zonen en dochteren.

26 En Terach leefde zeventig jaar, en gewon Abram, Nahor, en Haran.

27 En dit zijn de geboorten van Terach : Terach gewon Abram, Nahor, en Haran; en Haran gewon Lot.

28 En Haran stierf voor het aangezicht zijns vaders Terach, in het land zijner geboorte, in Ur der Chaldeën.

29 En Abram en Nahor namen zich vrouwen: de naam van Abrams huisvrouw was Sarai, en denaam van Nahors huisvrouw was Milka, eene dochter van Haran , vader van Milka en vader van Jiska.

HOOFDSTUK 12.

De llEKiiE nu had tot Abram gezegd: Ga gij uit uw land en uit uwe maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat ik u wijzen zal;

2 en ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen en uwen naam groot maken; en wees een

3 en ik zal zegenen die u zegenen, en vervloeken die u vloekt; en in u zullen alle geslachten des aardrijks gezegend worden.

4 En Abram toog henen, gelijk do Hkkmktot hem gesproken had, en Lot toog met hem; en Abram was vijfenzeventig jaren oud toen hij uit Haran ging.

5 En Abram nam Sarai zijne huisvrouw , en Lot zijns broeders zoon, en al hunne have, die zij verworven hadden, en de zielen, die zij verkregen hadden in Haran; en zij togen uit om te gaan naar het land Kanaan, en zij kwamen in het land Kanaan.

(i En Abram is doorgetogen in dat land, tot aan de plaats Sichem, tot aan het eikenbosch Moré: en de Kanaaniten waren toen ter tijd in dat land.

7 Zoo verscheen de HEistu: aan Abram, en zeide: Uwenzade zal ik dit land geven. Toen bouwde hij aldaar een altaar den Heere, die hem verschenen was.

8 En hij brak op van daar naar het gebergte quot;tegen het Oosten van Beth-El, en hij sloeg zijne tent op, zijnde Beth-El quot;tegen het Westen en Ai tijgen het oosten; en hij bouwde daar denllEEUE een altaar, en riep den name des IIeeuen aan.

GENESIS 12.

30 En Sarai was onvruchtbaar, zij had geen kind.

31 En Terach nam Abram zijnen zoon, en Lot, Harans zoon, zijns zoons zoon, en Sarai zijne schoondochter, de huisvrouw van zijnen zoon Abram, en zij togen met hen uit Ur der (1 haldeen om te gaan naar het land Kanaan; en zij kwamen te Haran en woonden aldaar.

32 En de dagen van Terach waren tweehonderd en vijf jaren; en Terach stierf te Haran.


-ocr page 27-

GENESIS 43.

13

9 Daarna vertrok Abram, gaande en trekkende naar het Zuiden.

10 En daar was honger in dat land; zoo toog Abram af naar Egypte, om daar als vreemdeling te verkee-ren, dewijl de honger zwaar was in dat land.

11 En het geschiedde als hij naderde om in Egypte te komen , dat hij zeide tot Sarai, zijne huisvrouw: Zie toch, ik weet dat gij eene vrouw zijt, schoon van aangezicht ,

12 en het zal geschieden als de Egyptenaars u zullen zien, zoo zullen zij zegden: Dat is zijne huisvrouw ; en zij zullen mij dooden , en u in het leven behouden.

13 Zeg toch; Gij zijt mijne zuster, opdat het mij wel ga om u, en mijne ziele om uwentwille leve.

14 Én het geschiedde als Abram in Egypte kwam, dat de Egyptenaars deze vrouw zagen dat zij zeer schoon was.

15 Ook zagen haar Farao\'s Vorsten, en prezen ze bij Farao; en die vrouw werd weggenomen naar Farao\'s huis.

1G En hij deed Abram goed om harentwille; zoodat hij had schapen, en runderen, en ezels, en knechten, en maagden, en ezelinnen , en kemelcn.

17 Maar de Hseke plaagde Farao met groote plagen, ook zijn huis, ter oorzake van Sarai, Abrarns huisvrouw.

18 Toen riep Farao Abram, en zeide: Wat is dit dat gij mij gedaan hebt? Waarom hebt gij mij niet te kennen gegeven dat zij uwe huisvrouw is?

10 Waarom hebt gij gezegd: Zij is mijne zuster, zoodat ik ze mij tot eene vrouw zoude genomen hebben? En nu, zie daar is uwe huisvrouw, neem ze en ga henen.

20 En Farao gebood zijnen mannen vanwege hem, en zij geleidden hem en zijne huisvrouw en alles wat liij had.

HOOFDSTUK 13.

Alzoo toog Abram op uit Egypte naar het Zuiden, hij en zijne huisvrouw en al wat hij had, en Lol met hem.

2 En Abram was zeer rijk, in vee, in zilver, en in goud.

3 En hijging, volgens zijne reizen, van het Zuiden tot Beth-El toe, tot aan de plaats, waar zijne tent in den beginne geweest was, tusschen Beth-El en tusschen Ai;

4 tot de plaats des altaars , dat hij in het eerst daar gemaakt had ; en Abram heeft aldaar den name des Heeuex aangeroepen.

5 En Lot, die met Abram toog, had óók schapen en runderen en tenten.

6 En dat land droeg ze niet om samen te wonen; want hunne have was veel, zoodat zij samen niet konden wonen;

7 en daar was twist tusschen de herders van Abrams vee en tusschen de herders van Lots vee. Ook woonden toen de Kanaaniten en Fereziten in dat land.

8 En Abram zeide tot Lot: Laat toch geene twisting zijn tusschen mij en tusschen u, en tusschen mijne herders en tusschen uwe herders; want wij zijn mannen broeders.

1) Ts niet hetgansche land voor uw aangezicht? Scheid n toch van mij : zoo fiij de linkerhand kiest, zoo zal ik ter rechterhand gaan; en kiest gij de rechterhand, zoo zal ik ter linkerhand gaan.

10 Imi Lot hief zijne oogen op en hij zag de gansche vlakte van den Jordaan, dat hij die geheel bevochtigde: eer de Heehe Sodom en Gomorra verdorven had, was zij als de hof des Heemen, als Egypleland, als gij komt te Zoar.

11 Zoo koos Lot voor zich de gansche vlakte van den Jordaan, en Lot trok tegen het Oosten; en zij ^werden gescheiden , de één van den ander.

12 Abram dan woonde in het land Kanaan; en Lot woonde in de steden der vlakte, en sloeg tenten tot aan Sodom toe.

13 En do mannen van Sodom waren boos en groote zondaars tegen den Heehe.

14 En de Heere zeide tot Abram, nadat Lot van hem gescheiden was: Hef nu uwe oogen op en zie van de plaats waar gij zijt, noordwaarts en zuidwaarts, en oostwaarts en west-

I waarts;


-ocr page 28-

14 GENE

15 want al dit land, dat gij ziet, zal ik u geven en uwen zade lot in eeuwigheid.

16 En ik zal uw zaad stellen als liet stof der aarde, zoodat indien iemand liet stof der aarde zal kunnen tellen, ook uw zaad zal geteld worden.

17 Maak u op, wandel dour dit land in zijne lengte en in zijne breedte ; want ik zal het u geven.

18 En Abram sloeg tenten op, en kwam en woonde aan de eikenbos-sclien van Mamré, die bij Hebron zijn; en hij bouwde aldaar den Heere een altaar.

HOOFDSTUK 14.

En het geschiedde in de dagen van Amrafel, den Koning van Sinear, van Arjoch, den Koning van Ellasar, van Kedorlaomer, den Koning van Elam, en van Tideal, den Koning der volkeren,

2 dat zij ki\'ijg voerden nul Bera,

den Koning vanSodoni, en met I Jirsa,

den Koning van üomorra, Sinab, den Koning van Adama, en Semeber, den Koning van Zeboïjn, en den Koning van Bela, dat is Zoar.

3 Deze allen voegden zich te za-men in het dal Siddim, dat isquot; de Zoutzee.

4 Twaalf jaar hadden zij Kedorlaomer gediend, maar in het dertiende jaar vielen zij af.

5 Zoo kwam Kedorlaomer in het veertiende jaar, en de Koningen, die met hem waren, en sloegen de Kefaïten in Asteroth-Karnaïm, en de Zuziten in Ham, en de Emiten in Schavé-Kirjathaïm,

ü en de Horiten op hun gebergte Seïr, tot aan het effen veld vanPa-ran, lietwelk aan de woestijn is.

7 Daarna keerden zij om en kwamen tot En-Mispat, dat is Kades , en sloegen al het land der Amaleki-ten, en ook den Amoriet, die te H;izezon-Tamar woonde.

8 Toen loog de Koning van Sodom uit, en de Koning van Gomorra, en de Koning van Adama, en de Koning van Zeboïm, en de Koning van Bela, dat is Zoar; en zij stelden zich tegen hen in slagorde in het dal Siddim:

9 tegen Kedorlaomer, den Koning 51S 14.

van Elam, en Tideal, den Koning der volkeren, en Amrafel, den Koning van Sinear, en Arjoch, den Koning van Ellasar; vier Koningen tegen vijlquot;.

10 Het dal nu van Siddim was vol lijinputten; en de Koning van Sodom en Gomorra vluchtten, en vielen aldaar; en de overgeblevenen vluchtten naar het gebergte.

11 En zij namen al de have van Sodom en Gomorra, en al hunne spijze, en trokken weg.

12 Ook namen zij Lot, den zoon van Abrams broeder, en zij ne have, en trokken weg; want hij woonde in Sodom.

13 Toen kwam er een die ontkomen was en boodschapte het aan Abram den Hebreër, die woonach-tig was aan de eikenbosschen van Mainró, den Amoriet, broeder van Eskol en broeder vanAner, welke Abrams bondgenooten waren.

14 Als Abram nu hoorde dat zijn broeder gevangen was, zoo wapende hij zijne onderwezenen , deinge-borenen van zijn huis, driehonderd en achttien, en hij joeg ze na tot Dan toe.

15 En hij verdeelde zich tegen hen des nachts, hij en zijne knechten , en sloeg ze; en hij jaagde ze na lot Hoba toe, hetwelk is ter linkerhand van Damascus.

1Ü Kn hij bracht alle have weder, en ook Lot zijnen broeder en zijne have bracht hij weder, alsook de vrouwen en het volk.

17 En de Koning van Sodom toog uit hem tegemoet, (nadat hij wedergekeerd was van het verslaan van Kedorlaomer en de Koningen, die met hem waren) tot het dal Schavé, dat is, het dal des Konings.

18 Én Melchizédek, de Koning van Salem, bracht vóór brood en wijn; en hij was een Priester des allerhoogsten Gods.

19 En hij zegende hem en zeide: Gezegend zij Abram Gode, den Allerhoogste, die hemel en aarde bezit;

20 en gezegend zij de allerhoogste God, die uwe vijanden in uwe hand geleverd heelt. En hij gaf hem do tiende van alles.

21 En de Koning van Sodom zei-


-ocr page 29-

GENEST

do tot Al)ram: Geef mij de zielen, manr neem de have voor n.

22 Doch Abram zeide tot den Koning van Sodmn: Jk hol» mijne hand opgeheven tot don IIkkiik . den allerhoogst en God , die hemel j en aarde bezit:

23 zoo ik van een draad af tot oen schoenriem toe, ja /no ik van alios dat uwe is iets neme! opdat gij niet zegt: Jk hob Abram rijk go-maakt.

24 Het zij buiten mij; alleen wat do jongelingen verteerd hebben, en het deel dezer mannen die mot mij getogen zijn, Aner, Eskol en Mam-ré, laat die hun deel nemen.

HOOFDSTUK 15.

Na deze dingen geschiedde het woord des Hei:hen tot Abram in een gezicht, zeggende: Vrees niet, Abram; ik ben u een schild, uw loon zeer groot.

2 Toen zeide Abram: Heere Hi:igt; RK, wat zult gij mij geven? daar ik zonder kinderen henenga, en do bezorger van mijn huis is doze Damascener Eliëzor.

3 Voorts zeide Abram: Zie, mij hebt gij geen zaad gegeven, en zie, do zoon van mijn huis zal mijn erfgenaam zijn.

4 En zie, het woord des Hiseren was tot hom, zeggende: Deze zal uw erfgenaam niet zijn; maar dio uit uwen lijve voortkomen zal, dio zal uw erfgenaa m .?Ü n.

5 Toen leidde hij hem uit naar buiten on zeide: Zie nu op naai\' den hemelen telde sterren, indien gij zo tellen kunt; en hij zeide tot hem: Zóó zal uw zaad zijn.

0 En hij geloofde in den Heere ; on hij rekende het hem tot gerechtigheid.

7 Voorts zeide hij tot hem: Ik ben de Heere, die u uitgeleid heb uit Ur der Ghaldecn, om u dit land te geven om dat erfelijk te bezitten.

«s En hij zeide: Heere Heere, waarbij zal ik weten dat ik hot erfelijk bezitten zal?

9 En hij zeide tot hem: Neem mij eeno driejarige vaars, en eene driejarige gei t, on oenen driejarigen ram, on eene tortelduif, en eene jonge duif.

S 1-5, 10. 15

10 En hij bracht hem alle deze, on hij deelde zo middendoor, en hij leide elks doel logen het andoro over; maar het gevogelte deelde hij niet.

quot;11 En het wild gevogelte kwam neder op helaas, maar Abram joeg hot weg.

12 En bot geschiedde als de zon was aan het ondergaan, zoo viel een diepe slaap op Abram; en zie, een schrik, en groote duisternis viel op hem.

13 Toen zeide hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat van hen niet is, en zij zullen hen die^ non, en zij zullen ze verdrukken vierhonderd jaar.

14 Doch ik zal ook het volk richten hetwelk zij zullen dienen, en daarna zullen zij uittrekken met groote have.

15 En gij zult tot uwe vaderen gaan met vrede; gij zult in goeden ouderdom begraven worden.

16 En het vierde geslacht zal herwaarts wederkeoren; want de ongerechtigheid dor Amoriten is lot nog toe niet volkomen.

17 En het geschiedde dat do zon onderging en hot duister werd, en zie, daar was een rookonde oven en vurige fakkel, die tusschen die stukken doorging.

18 Te dien dage maakte de Heere een verbond met Abram, zeggende: Uwen zado heb ik dit land gegeven , van do rivier van Egypte af tot aan de groote rivier, de ri-» vier Frath;

19 den Koniot, en den Keniziet, en den Kadmoniet,

20 enden Hothiet, en den Fere-ziot, en do Rofaïten,

21 en de i Amoriet, en den Ka-naaniet, en den Girgasiet, en den Jebusiet.

HOOFDSTUK 16.

Doch Sarai, Abrams huisvrouw, baarde hem niet; en zij had eene Egyptische dienstmaagd, welker naam was Hagar.

2 Zoo zeide Sarai tot Abram: Zie toch, de Heere heeft mij toegesloten, dat ik niet bare, ga toch in lot mijne dienstmaagd, misschien zal


-ocr page 30-

a E NESTS 17.

16

ik uit haar gebouwd worden. En Abram hoorde naar de stem van Sarai.

\'.i Zoo nam Sarai, Abrams huisvrouw, de Egyptische Hagar, hare dienstmaagd, ten einde van tien jaren dat Abram in het land Kanaan gewoond had, en zij gaf haar aan Abram haren man, hem tot eene vrouw.

4 En hij ging in tot Hagar, en zij ontving. Als zij nu zag dat zij ontvangen had, zoo werd hare vrouw veracht in hare oogen.

5 Toen zeide Sarai tot Abram: Mijn ongelijk is opu; ik heb mijne dienstmaagd in uwen schoot gegeven; nu zij ziet dat zij ontvangen heelt, zoo hen ik veracht in hare oogen: de Hjceuk richte tusschen mij en tusschen u.

(» En Abram zeide tot Sarai: Zie, uwe dienstmaagd is in uwe hand, doe haar wat goed is in uwe oogen. En Sarai vernederde haar, en zij vluchtte van haar aangezicht.

7 En de Engel des Uhisren vond haar aan eene waterfontein in de woestijn, aan de fontein op den weg van Sur;

8 en hij zeide: Hagar, gij dienstmaagd van Sarai, van waar\'komt gij en waar zult gij henengaan? En zij zeide: Ik ben vluchtende van het aangezicht mijner vrouwe Sarai.

9 Toen zeide de Engel des IIKEUEN tot haar: Keer weder tot uwe vrouwe, en verneder u onder hare handen.

10 Voorts zeide de Engel des Heeren tot haar: Ik zal uw zaad grootelijks vermenigvuldigen, zoodat het vanwege de menigte niet zal geteld worden.

11 Ook zeide des Heeuen Engel tot haar: Zie, gij zijt zwanger en zult eenen zoon haren, en gij zult zijnen naam Ismaël noemen,quot; omdat de Heere uwe verdrukking aangehoord heeft.

12 En hij zal een woudezel van een mensch zijn; zijne hand zal tegen allen zijn, en de hand van allen tegen hem; en hij zal wonen voor hel aangezicht aller zijner broederen.

13 En zij noemde den name des Heeren die tot haar sprak: Gij (Jod (lesaanziens; want zij zeide:quot; Heb ik ook hier gezien naar dien, die mij aanziet?

14 Daarom noemde men dien put den put Lachai-Roï; zie, hij is tusschen Kades en tusschen Bered.

15 En Hagar baarde Abram eenen zoon; en Abram noemde den naam zijns zoons, dien Hagar gebaard had, Ismaël.

10 En Abram was zesentachtig jaren oud toen Hagar Ismaël aan Abram baarde.

HOOFDSTUK 17.

Als nu Abram negenennegentig jaren oud was, zoo verscheen de Heere aan Abram , en zeide tot hem: Ik ben God de Almachtige: wandel voor mijn aangezicht en zijt oprecht;

2 en ik zal mijn verbond stellen tusschen mij en tusschen u, en ik zal u uitermate vermenigvuldigen.

3 Toen viel Abram op zijn aangezicht ; en God sprak met hem, zeggende:

4 Mij aangaande, zie, mijn verbond is met u, en gij zult tot eenen vader van menigte der volkeren worden;

5 en uw naam zal niet meergenoemd worden Abram , maar uw naam zal wezen Abraham, want ik heb u gesteld tot een vader van menigte der volkeren.

6 En ik zal u uitermate vruchtbaar maken, en ik zal u tot volken stellen, en Koningen zullen uit u voortkomen.

7 En ik zal mijn verbond oprichten tusschen inij en tusschen u en tusschen uwen zade na u in hunne geslachten, tot een eeu wig-verbond, om u te zijn tot eenen God, en uwen zade na u.

8 En ik zal u en uwen zade na u het land uwer vreemdelingschappen geven , het geheele land Kanaan , tot eeuw igc bezitting; en ik zal hun tot eenen God zijn.

9 Voorts zeide God tot Abraham: j nu zult mijn verbond houden, . en uw z uad na u , in hunne

geslachten.

10 Dit is mijn verbond dat gijlieden houden zult, tusschen mij en tusschen u en tusschen uwen


-ocr page 31-

SIS i8.

GENE

17

zadc na u : dat nl wat mannelijk is u besneden worde.

11 En gij zult het vleesch uwer voorhuid besnijden; en dat zal tot een teeken zijn van het verbond tusschen mij en tusschen u.

12 Een zoontje dan van acht dagen zal u besneden worden, al wat mannelijk is in uwe geslachten: de ingeborene des huizes, en de gekochte met geld van allen vreemde, welke niet is van uwen zade;

13 de ingeborene uws huizes en de gekochte met uw geld zal zekerlijk besneden worden; en mijn verbond zal zijn in ulieder vleesch, ten eeuwigen verbom Ie.

14 En wat mannelijk is, de voorhuid hebbende, wiens voorhuids-vleesch niet zal besneden worden, die ziele zal uit hare volken uitgeroeid worden: hij heeft mijn verbond verbroken.

15 Nog zeide God tot Abraham: Gij zult den naam uwer huisvrouw Sarai niet Sarai noemen, maar haar naam zal zijn Sara,

lü want ik zal haar zegenen, en u ook uit haar oenen zoon geven, ja ik zal haar zegenen, zoodat zij tot volken worden zal: Koningen der volkeren zullen uit haar worden.

17 Toen viel Abraham op zijn aangezicht, en hij lachte; en hij zeide in zijn hut: Zal eenen die honderd jaar oud is een kind geboren worden, en zal Sara die negentig jaar oud is baren?

iH En Abraham zeide tot God: Och dat Isrnaël mocht leven voor uw aangezicht!

11) En God zeide: Voorwaar, Sara uwe huisvrouw zal u eenen zoon baren , en gij zultzijnen naam noemen Isaitk; en ik zal mijn verbond met hem oprichten, lot een eeuwig verbond zijnen zade na hem.

20 En aangaande Tsmaël heb ik u verhoord; zie, ik heb hem gezegend en zal hem vruchtbaar maken en hem gansch zeer vermenigvuldigen ; twaalf Vorsten zv.1 hij gewinnen, en ik zal hem tot een groot volk stellen.

21 Maar mijn verbond zal ik met Isaiik oprichten, dien u Sara op dezen gezellen tijd in het andere jaar baren zal.

22 En hij eindigde met hem te spreken, en God voer op van Abraham.

23 Toen nam Abraham zijnen zoon Ismaël, en alle de ingeborenen zijns huizes, en alle degekochten met zijn geld, al wat mannelijk was onder de lieden des huizes Abrahams, en hij besneed het vleesch hunner voorhuid even tenzelfden dage, gelijk God met hem gesproken had.

24 En Abraham was oud negenennegentig jaar, als hem het vleesch zijner voorhuid besneden werd;

25 en Ismaël zijn zoon was dertien jaar oud, als hem het vleesch zijner voorhuid besneden werd.

20 Even op dezen zelfden dag werd Abraham besneden, en Ismaël zijn zoon.

27 En alle mannen zijns huizes, de ingeborene des huizes, en de gekochte met geld, van den vreemde af, werden met hem besneden.

HOOFDSTUK 18.

Daarna verscheen hem de Heere aan de eikenbosschen van Mamré, als hij in de deur der tente zat, toen de dag heet werd.

2 En hij hief zijne oogen op en zag; euzie, daar stonden drie mannen tegenover hem; als hij ze zag, zoo liep bij hun tegemoet van de deur der tente, en boog zich ter aarde;

3 en hij zeide: Heere, heb ik nu genade gevonden in uwe oogen, zoo ga toch niet van uwen knecht voorbij:

4 dat toch een weinig water gebracht worde, en waschtuwe voeten , en leunt onder dezen boom ;

5 on ik zal eenebete broods halen, dat gij uw harte sterkt; daarna zult gij voortgaan, daarom dat gij tot uwen knecht overgekomen zijt. En zij zeiden: Doe zooals gij gesproken hebt.

0 En Abraham haastte zich naar de tenl tot Sara, en hij zeide: Haast u, kneed dnematen meelbloem, en maak koeken.

7 En Abraham liep tot de runderen , en bij nam een kalf, teeder en goed, en llij gaf het aan den knecht, (lie haastte om dat loc te maken.

8 En hij nam boter en melk, en het kalf dat hij bereid had , en hij


-ocr page 32-

51S 18.

hebben; en zoo niet, ik zal het weten.

22 Toen keerden die mannen het aangezicht van (laar on gingen naar Sodom; maar Abraham bleet nog slaande voor het aangezicht des He eren.

23 En Abraham trad toe en zeide:

Zult gij ook den rechtvaardige met den goddeloozo ombrengen?

24 Misschien zijn er vijftig rechtvaardigen in de stad: zult gij ze ook ombrengen, en de plaats niet sparen om de vijftig rechtvaardigen, die binnen haar zijn?

25 Het zij verre van u zulk een ding te doen, te dooden den rechtvaardige met den goddelooze, da t de rechtvaardige zij gelijk de goddelooze : verre zij het van u: zoude de Rechter der ganschc aarde geen recht doen?

2G Toen zeide de Heere: Zoo ik te Sodom binnen de stad vijftig rechtvaardigen zal vinden, zoo zal ik de g:insche plaats sparen om hunnentwille.

27 En Abraham antwoordde en zeide: Zie toch, ik heb mij onder- \\ wonden te spreken tot den Heere,

hoewel ik stof en assche ben:

28 misschien zullen aan de vijftig rechtvaardigen vijf ontbreken: zult gij dan om vijf de gansche stad verderven? En hij zeide: Ik zal ze niet verderven, zoo ik daar vijfenveertig zal vinden.

2Ü En hij voer nog voort tot hem te spreken, en zeide: Misschien zullen aldaar veertig gevonden worden. En hij zeide: Ik zal het niet doen om der veertig wille.

30 Voorts zeide hij: Dat toch de Heere niet ontsteke dat ik spreek: misschien zullen aldaar dertig gevonden worden. En hij zeide: Ik zal het niet doen, zoo ik aldaar dertig zal vinden.

31 En hij zeide: Zie toch, ik heb \\ mij onderwonden te spreken tot

don Heere: misschien zullen daar twintig gevonden worden. En hij zeide: Ik zal ze niet verderven om der twintig wil.

32 Nog zeide hij: Dat toch de Heere niet ontsteke dat ik alleenlijk ditmaal spreek: misschien zullen daar tien gevonden worden. En hij

GENE

zette het hun voor, en stond bij hen onder dien boom, en zij aten.

O Toen zeiden zij tot hem : Wnnr is Sara mve hnisvronw? En hij zei-de: Zie, in detente.

10 En hij zeide: Ik zal voorzcl:or weder tot u komen omtrent dezen tijd des levens, en zie, Sara uwe huisvrouw zal eenen zoon hebben. En Sara hoorde het aan de deur der tente welke achter hem was.

11 Abraham nu en Sara waren oud en weibedaagd: het had Sara opgehouden te gaan naar de wijze der vrouwen.

12 Zoo lachte Sara bij zichzelve, zeggende; Zal ik wellust hebben, nadat ik oud geworden ben en mijn heere oud is?

13 En de IIeere zeide tot Abraham : Waarom heeft Sara gelachen, zeggende: Zoude ik ook waarlijk baren nu\'ik oud geworden ben?

14 Zoude iets voor den Heeue te wonderlijk zijn? Ter gezetter tijd zal ik tot u wederkomen, omtrent dezen tijd des levens, en Sara zal eenen zoon hebben.

15 En Sara loochende het, zeggende: Ik heb niet gelachen; want zij vreesde. En hij zeide: Neen niaar gij hebt gelachen.

16 Toen stonden die mannen op van daar, en zagen naar Sodom toe; en Abraham ging met hen om hen te geleiden.

hl En de Heere zeide: Zal ik voor Abraham verbergen wat ik doe?

18 Dewijl Abraham gewis tot een groot en machtig volk worden zal, en alle volkeren der aarde in hem gezegend zullen worden.

19 Want ik heb hem gekend, opdat hij zijnen kinderen en zijnen huize na hem zoude bevelen, en zij den weg des Heehex houden, om te doen gerechtigheid en gerichte; opdat de Heere over Abraham brenge hetgeen hij over hem gesproken heeft.

20 Voorts zeide de Heere: Dewijl het geroep aangaande Sodom en Gomorra groot is, en dewijl hunne zonde zeer zwaar is,

21 zal ik nu afgaan en bezien, of zij naar het geroep, dat tot mij gekomen is, het uiterste gedaan

-ocr page 33-

SIS 19.

19

GENE

zeide: Ik zal ze niet verderven om der tiene wil.

33 Toen ging de Heere weg, als liij geëindigd had tot Abraham te spreken; en Abraham keerde weder naar zijne plaats.

HOOFDSTUK 19.

En die twee engelen kwamen te Sodom in den avond, en Lot zat in de poorte te Sodom; en als Lot hen zag, stond hij öp hun tegemoet, en boog zich met het aangezicht ter aarde;

2 en hij zeide: Zie nu, mijne heeren, keert toch in ten huize van uwen knecht en vernacht,en wascht uwe voeten, en gij zult vroeg opstaan en gaan uws weegs. Kn zij zeiden: Neen, maar wij zullen op de straat vernachten.

3 En hij hield bij hen zeer aan, zoodat zij tot hem inkeerden en in zijn huis kwamen; en hij maakte hun cenen maaltijd, en bakte ongezuurde koekskens, en zij aten.

4 Eer zij zich te slapen leiden, zoo hebben de mannen dier stad, ile mannen van Sodom, van den jongste tot den oudste toe, dat huis omsingeld, het gansche volk, van het uiterste einde af;

5 en zij riepen Lot toe en zeiden tot hem: Waar zijn die mannen die dezen nacht tot u gekomen zijn? Breng ze uit tot ons, opdat wij ze bekennen.

ü Toen ging Lot uit tot hen aan de deur, en hij sloot de deur achter zich toe;

7 en hij zeide: Mijne broeders, doet toch geen kwaad.

8 Zie toch, ik heb twee dochters, die geenen man bekend hebben: ik zal ze nu tot u uitbrengen, en doet haar zooals het goed is in uwe oogen; alleen doet dezen mannen niets, want daarom zijn zij onder de schaduw mijns daks ingegaan.

9 Toen zeiden zij: Kom verder aan. Voorts zeiden zij: Deze ééne is gekomen om als een vreemdeling hier te wonen, en zoude hij alleszins rechter zijn? Nu zullen wij u meer kwaad doen dan hun. En zij drongen zeer op den man, op Lot, en zij traden toe om de deur open te breken.

10 Doch die mannen staken hunne hand uit en deden Lot tot zich inkomen in het huis, en slotende deur toe.

11 En zij sloegen de mannen, die aan de deur des huizes waren , met verblindheden, van den kleinste tot aan den grootste, zoodat zij moede werden om de deur te vinden.

12 Toen zeiden die mannen tot Lot: Wien hebt gij hier nog meer? eenen schoonzoon, of uwe zonen, of uwe dochteren, en allen, die gij hebt in deze stad, breng ze uit deze plaats;

13 want wij gaan deze plaats verderven, omdat het geroep aangaande hen groot geworden is voor het aangezicht des Heeuen , en de Heeue ons uitgezonden heeft om haar te verderven.

14 Toen ging Lot uit, en sprak tut zijne schoonzonen, die zijne dochteren nemen zouden, en zeiile: Maakt u op, gaat uit deze plaats, want de Heeue gaat deze stad verderven; maar hij was in de oogen zijner schoonzonen als jokkende.

15 En als de dageraad opging, drongen de engelen Lot aan, zeggende : Maak u op, neem uwe huisvrouw, en uwe twee dochteren, die voorhanden zijn, opdat gij in de ongerechtigheid dezer stad niet omkomt.

16 Maar hij vertoefde: zoo grepen dan die mannen zijne hand en de hand zijner vrouw en de hand zijner twee dochteren, om de verschooning des Heeuen over hem, en zij brachten hem uit en stelden hem buiten de stad.

17 En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zoo zeide hij: Behoud u om uws levenswil, zieniet achteru om en sta niet op deze gansche vlakte: red u naar het gebergte henen, opdat gij niet omkomt.

18 En Lot zeide tot hen: Neen toch, Heere:

19 zie toch, uw knecht heeft genadegevonden in uwe oogen, en gij hebt uwe weldadigheid groot gemaakt, die gij aan mij gedaan hebt, om mijne ziele te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen ge-


-ocr page 34-

20

ml worden naar liet gebergte benen, opdat mij niet misscbien dat kwaad aankleve en ik sterve.

20 Zie toch, deze stad is nabij om derwaarts te vluchten, en zij is klein, laat mij toch derwaarts behouden worden, (is zij niet klein?) opdat mijne ziele leve.

21 En hij zeide tot hem: Zie, ik lioh uw aansezicht opgenomen ook in deze zaak, dat ik deze stad niet omkeere, waarvan gij gesproken hebt; , , ,

22 baast u, behoud u derwaarts, want ik zal niets kunnen doen totdat gij daarhenen ingekomen zijl. Daarom noemde men den naam dezer stad Zoar.

23 De zon ging op boven de aarde als Lot te Zoar inkwam.

24 Toen deed de Heeü 12 zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van den Hi2EiiK uit den hemel;

25 en hij keerde deze steden om, en die gansche vlakte, en alle inwoners dezer sleden, ook het gewas des lands.

28 En zijne huisvrouw zag om van achter hem: en zij werd oen zoutpilaar.

27 En Abraham maakte zich des morgens vroeg op, naar de plaats waar hij voor hot aangezicht des Hei-:i«EN gestaan had,

28 en hij zag naar Sodom en Gomorra toe, en naar het gansche land van die vlakte: en hij zag, en zie, er ging een rook van het land op, gelijk de rook eens ovens.

20 En het geschiedde toen God de steden dezer vlakte verdierf, dat God aan Abraham gedacht, en hij leidde Lot uit het midden dezer omkeering, bij het omkee-ren dier steden, in welke Lot gewoond had.

3(3 En Lot toog op uit Zoar, en woonde op den berg, en zijne twee dochters met hem, want hij vreesde binnen Zoar te wonen; en hij woonde in eene spelonk, hij en zijne twee dochters.

\'31 Toen zeide de eerstgeborene tot de jongste: Onze vader is oud, en er is geen man in dit land om tot ons in te gaan naar de wijze der gansche aarde:

32 kom, laat ons onzen vader wijn te drinken geven, en bij hem liggen, opdat wij van onzen vader zaad in het leven behouden.

33 En zij gaven dien nacht haren vader wijn te drinken, en de eerstgeborene kwam en lag bij haren vader; en hij werd het niet gewaar bij haar nederliggen noch bij haar opstaan.

34 En het geschiedde des anderen daags dat de eerstgeborene zeide tot de jongste: Zie, ik heb gisteren nacht bij mijnen vader gelegen: laat ons ook dezen nacht hem wijn te drinken geven; ga dan in, üg bij hem, opdat wij van onzen vader zaad in het leven behouden.

35 En zij gaven haren vader ook dien nacht wijn te drinken, en de jongste stond op, en lag bij hem; en hij werd het niet gewaar bij haar nederliggen noch bij baai-opstaan.

36 En de twee dochters van Lot werden bevrucht van haren vader.

37 En de eerstgeborene baarde oenen zoon, en noemde zijnen naam Moab: deze is de vader der Moa-bilen, tot op dezen dag.

38 En de jongste baarde óók oenen zoon, en noemde zijnen naam Ben-Ammi: deze is de vader der kinderen Amnions, tot op dezen dag.

HOOFDSTUK 20.

En Abraham reisde van daarnaar het land van het Zuiden, en woonde tusschen Kades en tusschen Sur; en hij verkeerde als vreemdeling te Gerar.

2 Als nu Abraham van Sara zijne huisvrouw gezegd had: Zij is mijne zuster, zoo zond Abimé-lech de Koning van Gerar en nam Sara weg.

3 Maar God kwam tot Abimélech in eenen droom des nachts, en hij zeide tot hem: Zie, gij zijl dood om de vrouw die gij weggenomen hebt, want zij is met eenen man getrouwd.

4 Doch Abimélech was lot haar niet genaderd; daarom zeide hij: IIeere, zult gij ook een rechtvaardig volk dooden?

5 Heeft hij zelf mij niet gezegd:

GENESIS 20.


-ocr page 35-

SIS 21.

(J K N E

21

Zij is mijne zusier? en ook zij heeft gezegd: Hij is mijn broeder; in oprechtheid mijns harten en in reinheid mijner handen heb ik dit gedaan.

6 Kn God zeide tot hem in den droom: Ik heb ook geweten dat gij dit in oprechtheid nws harten gedaan hebt, en ik heb u ook belet tegen mij te zondigen; daarom heb ik u niet toegelaten haar aan te roeren.

7 Zoo geef dan nu dezes mans huisvrouwe weder, want hij is een Profeet, en hij zal voor u bidden, opdat gij leeft ; maar zoo gij haar niet wedergeeft, weet dat gij voorzeker sterven zult, gij en iil wat het uwe is.

8 Toen stond Abimélech \'s morgens vroeg op en riep alle zijne knechten, en sprak alle deze woorden voor hunne ooren; en die mannen vreesden zeer.

9 En Abimélech riep Abraham en zeide tot hem: Wat hebt gij ons gedaan, en wat heb ik tegen u gezondigd, dat gij over mij en over mijn koninkrijk eene groote zonde gebracht hebt? CJij hebt daden met mij gedaan die niet moesten gedaan worden.

10 Voorts zeide Abimélech tot Abraham: Wat hebt gij gezien, dat gij deze zake gedaan hebt?

11 En Abraham zeide: Want ik dacht, alleen is de vreeze Gods in deze plaats niet, zoodat zij mij om den wille mijner huisvrouw zullen dooden.

12 En ook is zij waarlijk mijne zuster, zij is mijns vaders dochier, maar niet mijner moeder dochter; en zij is mij ter vrouwe geworden.

13 En het is geschied als God mij uit mijns vaders huis deed dwalen, zoo sprak ik tot haar: Dit zij uwe weldadigheid, die gij bij mij doen zult: aan alle plaatse waar wij komen zullen, zeg van mij: Hij is mijn broeder.

14 Toen nam Abimélech schapen en runderen, ook dienstknechten en dienstmaagden, en gaf ze aan Abraham; en hij gaf hem Sara zijne huisvrouw weder.

15 En Abimélech zeide: Zie, mijn land is voor uw aangezicht: woon waar het goed is in uwe oogen.

10 En tot Sara zeidehij: Zie, ik heb uwen broede.quot; duizend zilverlingen gegeven; zie, hij zij u een deksel der oogen, allen die met u zijn, ja bij allen, en wees geleerd.

17 En Abraham bad tot God, en God genas Abimélech, en zijne huisvrouw, en zijne dienstmaagden , zoodat zij baarden;

18 want dequot; Hekue had alle de baarmoeders van het huis Abimé-lechs ganschelijk toegesloten, ter oorzake van Sara, Abrahams huisvrouw.

HOOFDSTUK 21.

En de Heeiie bezocht Sara gelijk hij gezegd had, en de Heere deed aan Sara gelijk als hij gesproken had;

2 en Sara werd bevrucht, en baarde Abraham eenen zoon in zijnen ouderdom, op den gezellen tijd, dien God hem gezegd had.

3 En Abraham noemde den naam zijns zoons, die hem geboren was, dien Sara hem gebaard had, Isaak.

4 En Abrahtim besneed zijnen zoon Isaak, zijnde acht dagen oud, gelijk God hem geboden had.

5 En Abraham was honderd jaar oud als hem Isaak zijn zoon geboren werd.

G En Sara zeide: God heeft mij een lachen gemaakt; al wie het hoort zal met mij lachen.

7 Voorts zeide zij: Wie zoude Abraham gezegd hebben: Sara heeft zonen gezoogd? want ik heb eenen zoon gebaard in zijnen ouderdom.

8 En het kind werd groot, en werd gespeend. Toen maakte Abraham oenen grooten maaltijd op den dag als Isaak gespeend werd.

U En Sara zag den zoon van Hagar de Egyptische, dien zij Abraham gebaard had, spottende,

■10 en zij /eide tot Abraham: Drijf deze dienstmaagd en haren zoon uit; want do zoon dezer dienstmaagd zal met mijnen zoon, met Isaak, niet erven.

11 En dit woord was zeer kwaad in Abrahams oogen, ter oorzake van zijnen zoon.


-ocr page 36-

22 GÊNE

12 Maar God zeide tot Abraham: Laat het niet kwaad zijn in uwe oogen over den jongen en over uwe dienstmaagd: al wat Sara tot u zal zeggen, hoor naar hare stem; want in Isaiik zal u zaad genoemd worden,

13 doch ik zal ook den zoon dezer dienstmaagd tot een volkstellen , omdat hij uw zaad is.

14 Toen stond Abraham \'s morgens vroeg op, en nam brood en cene flesch water, en gaf ze aan Hagar, die leggende op haren schouder; ook gaf hij haar het kind, en zond haar weg. En zij ging voort, en dwaalde in de woestijn Ber-Seba.

15 Als nu het water uit de flesch uit was, zoo wierp zij bet kind onder een van de struiken,

16 en zij ging en zette zich tegenover, afgaande zoover als die met den boog schieten; want zij zeide: Dat ik het kind niet zie sterven; en zij zat tegenover, en bief hare stemme op en weende.

17 En God hoorde de stemme des jongens, en de Engel Gods riep Hagar toe uit den hemel en zeide tot baar: Wat is u, Hagar? Vrees niet, want God heeft naar des jongens stemme gehoord, ter plaatse waar hij is.

18 Sta op, bef den jongen op, en boud bem vast met uwe hand, want ik zal bem tot een groot volk stellen.

19 En God opende hare oogen dat zij eenen waterput zag; en zij ging en vulde de flesch met water, en gaf den jongen te drinken.

20 En God was met den jongen en bij werd groot, en hij woonde in de woestijn, en werd een boogschutter;

21 en bij woonde in de woestijn Paran, en zijne moeder nam hem eene vrouw uit Egypteland.

22 Voorts geschiedde het ten zelfden tijd, dat Abimélech, mitsgaders Pichol zijn krijgsoverste, tot Abraham sprak, zeggende: God is met u in alles wat gij doet:

23 zoo zweer mij nu bier bij God: Zoo gij mij of mijnen zoon of mijnen neef liegen zult! Naar de weldadigheid die ik bij u ge-518 22.

daan heb, zult gij doen bij mij en bij het land waarin gij als vreemdeling verkeert.

24 En Abraham zeide: Ik zal zweren.

25 Doch Abraham berispte Abimélech ter ooi-zake eens waterputs, dien Abimélechs knechten met geweld genomen hadden.

26 Toen zeide Abimélech: Ik heb niet geweten wie dit stuk gedaan heeft, en ook hebt gij het mij niet aangezegd, en ik heb er ook niet van gehoord dan heden.

27 En Abraham nam schapen en runderen en gaf ze aan Abimélech; en die beiden maakten een verbond.

28 Doch Abraham stelde zeven ooilammeren der kudde afzonder-lijk.

29 Zoo zeide Abimélech tot Abraham : Wat zullen hier deze zeven ooilammeren. die gij afzonderlijk gesteld hebt?

30 En hij zeide: Dat gij de zeven ooilammeren van mijne hand nemen zult, opdat het mij tot een getuigenis zij dat ik dezen put gegraven heb.

31 Daarom noemde men die plaats Der-Séba, omdat die beiden daar gezworen hadden.

32 Alzoo maakten zij een verbond te Ber-Séba. Daarna stond Abimélech op, en Pichol zijn krijgsoverste, en zij keerden weder naar het land der Filistijnen.

33 En hij plantte een bosch in Ber-Séba, en riep aldaar den name des Heeren des eeuwigen Gods aan.

34 En Abraham woonde als vreemdeling vele dagen in der Filistijnen land.

HOOFDSTUK 22.

En het geschiedde na deze dingen dat God Abraham verzocht, en hij zeide tot hem: Abraham! En hij zeide. Zie hier ben ik.

2 En hij zeide: Neem nu uwen zoon, uwen eenige, dien gij lief-hebt, Isaiik, en ga benen naai het land Moria en offer hem aldaar tot een brandolfer, op een van de bergen, dien ik u zeggen zal.


-ocr page 37-

SIS 23.

G E N E

23

3 Toen stond Abraham \'s morgens vroeg op en zadelde zijnen ezol, en nam twee van zijne quot;knapen met zich, en Isaak zijnen zoon; en hij kloofde hont voor het brand-oller, en maakte zich op en ging naar do plaats, die God hem gezegd had.

4 Aan den derden dag, toen hief Abraham zijne oogen op en zag die plaats van verre;

5 en Abraham zeide tot zijne knapen: Blijft gij hier met den ezel, en ik en de jongen zullen henengaan tot daar; als wij aangebeden zullen hebben, dan zullen wij tot u wederkeeren.

ü En Abraham nam het hout des brandoffers en leide het op Isaak zijnen zoon; en hij nam het vuur en het mes in zijne hand, en zij beiden gingen te zamen.

7 Toen sprak Isaak tot Abraham zijnen vader en zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zie hier ben ik, mijn zoon. En hij zeide: Zie, het vuur en het hout, maar waar is het lam tot het brandoffer?

8 En Abraham zeide: God zal zichzelven een lam ten brandoifer voorzien, mijn zoon. Zoo gingen zij beiden te zamen;

0 en zij kwamen tot de plaats, die God hem gezegd had; en Abraham bouwde aldaar een altaar, en hij schikte het hout, en bond zijnen zoon Isaak, en leide hem op het altaar boven op het hout;

\'10 en Abraham strekte zijne hand uit en nam het mes om zijnen zoon te slachten.

11 Maar de Engel des IIreuen riep tot hem van den hemel en zeide: Abraham, Abraham! En hij zeide: Zie hier ben ik.

12 Toen zeide hij: Strek uwe hand niet uit naar den jongen, en doe hem niets; wanf nu weet ik dat gij godvreezend zijt en uwen zoon, uwen eenige, mij niet hebt onthouden.

13 Toen hief Abraham zijne oogen op en zag om, en zie, achter was een ram in de verwarde struiken vast met zijne hoornen; en Abraham ging en nam dien ram, en olferde hem ten brandoffer in zijns zoons stede.

14 En Abraham noemde den naam van die plaats: De Heere zal \'t voorzien; waarom heden ten dage gezegd wordt: Op den berg des i l eeren za 1\' I, voorzien worden.

15 Toen riep de Engel des Hee-ren tot Abraham ten tweeden male van den hemel,

16 en zeide: Ik zweer bij mijzel-ven, spreekt de Heere: daarom dat gij deze zake gedaan hebt, en uwen zoon, uwen eenige, niet onthouden hebt,

17 voorzeker zal ik u grootelijks zegenen, en uw zaad zeer vermenigvuldigen, als de sterren des hemels en als het zand dat aan den oever der zee is; en uw zaad zal de poorte zijner vijanden erfelijk bezitten;

18 en in uwen zade zullen gezegend worden alle volken der aarde, naardien gij mijne stemme gehoorzaam geweest zijt.

10 Toen keerde Abraham weder tot zijne knapen, en zij maakten zich op en zij gingen samen naar Ber-Séba; en Abraham woonde te Ber-Séba.

20 En het geschiedde na deze dingen dat men Abraham boodschapte. zeggende: Zie, Milka heeft ook Nahor uwen broeder zonen gebaard:

21 Uz zijnen eerstgeborene, en Buz zijnen broeder, en Kemuël den vader van Aram,

22 en Kesed, en Hazo, en Pildas, en Jidlaf, en Bethuël;

23 (en Bethuël gewon Uebekka); deze acht baarde Milka aan Nahor, den broeder Abrahams.

24 En zijn bijwijf, wier naam was Reüma. die baarde ook Tebah, en Gaham, en Tahas, en Maiicha.

HOOFDSTUK 23.

En het leven van Sara was honderd en zevenentwintig jaar: dit waren de jaren des levens van Sara.

2 En Sara stierf te Kirjath-Arba, dat is Hebron, in het land Kanaan; en Abraham kwam om Sara te beklagen en haar te beweenen.

3 Daarna stond Abraham op van het aangezicht zijner doode, en hij sprak tot de zonen Heths, zeggende :


-ocr page 38-

24 GENEI

4 Ik bon een vreemdeling on inwoner bij u; geeft mij eene eiï-begrafenis bij u, opdat ik mijne doode van voor mijn aangezicht begrave.

5 En dc zonen Helbs .\'intwoord-den Abraham, zeggende tot hem:

6 Hoor ons, mijn heere; gij zijt een Vorst Gods in het midden van ons: begraaf nwe doode in de keure onzer graven; niemand van ons zal zijn graf voor u weren, dat gij uwe doode niet zoudt begraven.

7 Toen stond Abraham op, en boog zich neder voor hel volk des lands, voor de zonen Heths;

8 en hij sprak met hen, zeggende: Is \'t met uwen wil dat ik mijne doode begrave van voor mijn aangezicht, zoo hoort mij, en spreekt voor mij bij Efron, den zoon Zohars,

9 dat hij mij geve de spelonk Machpela die hij heeft, die aan het einde van zijnen akker is, dat hij ze mij voor het volle geld geve, tot eene erfbegrafenis in het midden van u.

10 Efron nu zat in hol midden der zonen Heths; en Efron, dc Hethiet, .antwoordde Abraham voor de ooren der zonen Heths, voor alle degenen die ter poorte zijner stad ingingen, zeggende:

11 Neen mijn heere, hoor mij: den akker geef ik u, ook de spelonk die daarin is, die geef ik u; voor de oogen der zonen mijns volks geef ik u die: begraaf uwe doode.

12 Toen boog Abraham zich neder voor het aangezicht van het volk des lands,

13 en hii sprak tot Efron voor de ooren van het volk des lands, zeggende: Trouwens, zijt gij \'t? Lieve, hoor mij: ik zal het geld des akkers geven, neem het van mij, zoo zal ik mijne doode aldaar begraven.

14 En Efron antwoordde Abraham , zeggende tot hem:

15 Mijn heere, hoor mij : een land van vierhonderd sikkelen zilvers, wat is dat tusschen mij en tusschen u? Begraaf slechts uwe doode.

16 En Abraham luisterde naar Efron, en Abraham woog Efron het geld, waarvan hij gesproken gt;IS 24.

had, voor de ooren der zonen Heths, vierhonderd sikkelen zilvers, onder den koopman gangbaar.

17 Alzoo woud Efrons akker, die in Machpela was, die tegenover Mamré lag, de akker, en do spelonk die daarin was, en al het geboomte dat op don akkersfond, dat rondom in zijne gansche land-pale was, bevestigd

18 aan Abraham lot eene bezitting voor de oogen der zonen Heths, bij allen die tot zijne stadspoorte ingingen. „ A11

19 En daarna begroef Abraham zijne huisvrouw Sara in de spelonk des akkers van Machpela, tegenover Mamré, dat is Hebron, in het land Kanaan.

20 Alzoo werd die akker, en de spelonk die daarin was, aan Abraham bevestigd tot eene erfbegrafenis, van de zonen Heths.

HOOFDSTUK 24.

Abraham nu was oud en weibedaagd, en de Heere had Abraham in alles gezegend.

2 Zoo sprak Abraham tot zijnen knecht, den oudsten zijns huizes, regeerende over alles dat hij had: Leg toch uwe hand onder mijne heupe,

3 opdat ik u doe zweren bij den Heeue, den God des hemels en den God der aarde, dat gij voor mijnen zoon geene vrouw nemen zult van de dochterender Kanaaniten in het midden derwelken ik woon,

4 maar dat gij naar mijn land en naar mijne maagschap trekken en mijnen zoon Isaak eene vrouw nemen zult.

5 En de knecht zeide tot hem: Misschien zal die vrouw mij niet willen volgen in dit land: zal ik dan uwen zoon moeten weder-brengen in het land waar gij uit-

^ 0 En Abraham zeide tol hem: Wacht u dat gij mijnen zoon niet weder daarhenen brengt.

7 De Heere , de God des hemels, die mij uit mijns vaders huis en uit het land mijner maagschap genomen heeft, en die tot mij gesproken heeft, en die mij gezworen heeft, zeggende: Uwen zadezalik


-ocr page 39-

SIS 24.

GENE

25

dit land geven: die zelf zal zijnen Engel voor uw aangezicht zenden, dat gij voor mijnen zoon van daar cene vrouw neemt.

8 Maar indien de vrouw u niet volgen wil, zoo zult gij rein zijn van dezen mijnen eed; alleenlijk breng mijnen zoon daar niet weder henen.

9 Toen leide de knecht zijne hand onder Abrahams zijns heeren heup, en hij zwoer hem over deze zake.

10 En de knecht nam tien keme-len van zijns heeren kemelen en toog henen; en al het goed zijns heeren was in zijne hand; en hij maakte zich op en toog henen naar Mesopotamië, naar de stad Nahors.

11 En hij deed de kemelen neder-knielen buiten de stad bij eenen waterput, op den avondtijd, den tijd als de putsters uitkwamen;

12 en hij zeide: Heere, God mijns heeren Abrahams, doe ze mij toch heden ontmoeten, en doe weldadigheid bij Abraham, mijnen heere.

13 Zie, ik sta bij de waterfontein , en de dochteren der mannen dezer stad zijn uitgaande om water te putten:

14 zoo geschiede het dat die jonge dochter, tot welke ik zal zeggen: Neig toch uwe kruik dat ik drinke, en die zal zeggen: Drink, en ik zal ook uwe kemelen drenken, degene zij die gij uwen knecht Isaiik toegewezen hebt, en dat ik daaraan erkenne dat gij weldadigheid bij mijnen heere gedaan hebt.

15 En het geschiedde eer hij ■ geëindigd had te spreken, zie, zoo kwam Rebekka uit, welke aan Bethuël geboren was, den zoon van Milka, huisvrouw van Nahor, den broeder Abrahams; en zij had hare kruik op haren schouder.

16 En die jonge dochter was zeer schoon van aangezicht, eene maagd, en geen man had haar bekend; en zij ging af naar de fontein, en vulde hare kruik, en ging op.

17 Toen liep die knecht haar tegemoet, en hij zeide: Laat mij toch een weinig water uit uwe kruik drinken.

18 En zij zeide: Drink, mijn heer; en zij haastte zich en liet hare kruik \'neder op hare hand, en gaf hem te drinken.

19 Als zij nu voleindigd had hem drinken te geven, zeide zij: Ik zal ook voor uwe kemelen putten, totdat zij voleindigd hebben te drinken.

20 En zij haastte zich en goot hare kruik uit in den drinkbak, en liep weder naar den put om te putten, en zij putte voor alle zijne kemelen.

21 En de man ontzette zich over haar, stilzwijgende, om te merken of de Heere zijnen weg voorspoedig gemaakt had of niet.

22 En het geschiedde als de kemelen voleindigd hadden te drinken, dat die man een gouden voor-hoofdsiersel nam, welks gewicht was een halve sikkel, en twee armringen aan hare handen, welker gewicht was tien sikkelen gouds.

23 Want hij had gezegd: Wiens dochter zijt gij? geef het mij toch te kennen: is er ook ten huize uws vaders plaats voor ons om te vernachten?

24 En zij had tot hem gezegd: Ik ben de dochter Bethuëls, des zoons van Milka, dien zij Nahor gebaard heeft.

25 Voorts had zij lot hem gezegd: Ook is er stroo en veel voeder bij ons, ook plaats om te vernachten.

20 Toen neigde die man zijn hoofd en aanbad den Heere.

27 en hij zeide: Geloofd zij de Heere , de God mijns heeren Abrahams, die zijne weldadigheid en waarheid niet nagelaten heeft van mijnen heer; aangaande mij, de Heere heeft mij op dezen weg geleid naar het huis van mijns heeren broederen.

28 En die jonge dochter liep en gaf ten huize harer moeder te kennen gelijk deze zaken waren.

29 En Rebekka had eenen broeder, wiens naam wasLaban; enLaban liep tot den man naar buiten tot de fontein.

30 En het geschiedde als hij dat voorhoofdsiersel gezien had en de armringen aan de handen zijner zuster, en als hij gehoord had de


-ocr page 40-

^6 GENE

woorden zijner zuster Rebekka, zeggende: Alzóó heeft die man tot mij gesproken: zoo kwam hij tot dien man, en zie, hij stond bij de kemelen bij de fontein;

31 en hij zeide: Kom in, gij gezegende des Heéuen; waarom zoudt gij buiten staan? Want ik heb het huis bereid, en de plaats voor de kemelen.

32 Toen kwam die man naar het huis toe, en men ontgordde de kemelen, en men gaf den kemelen stroo en voeder, en water om zijne voeten te wasschen en de voeten der mannen, die bij hem waren.

33 Daarna werd hem te eten voorgezet; maar hij zeide: Ik zal niet eten totdat ik mijne woorden gesproken heb. En hij zeide: Spreek.

34 Toen zeide hij: Ik ben Abrahams knecht;

35 en de Heere heeft mijnen heer zeer gezegend, zoodat hij groot geworden is; en hij heeft hem gegeven schapen en runderen, en zilver en goud, en knechten en maagden, en kemelen en ezelen.

36 En Sara, mijns heeren huisvrouw, heeft mijnen heere eenen zoon gebaard, nadat zij oud geworden was; en hij heeft hem gegeven alles wat hij heeft.

37 En mijn heere heeft mij doen zweren, zeggende: Gij zult mijnen zoon geene vrouw nemen van de dochteren dor Kanaiiniten, in welker land ik woon;

38 maar gij zult trekken naar mijns vaders huis en naar mijn geslacht, en zult mijnen zoon eene vrouw nemen.

39 Toen zeide ik tot mijnen heere: Misschien zal mij die vrouw niet volgen.

40 En hij zeide tot mij: De heere, voor wiens aangezicht ik gewandeld heb, zal zijnen Engel met u zenden en hij zal uwen weg voorspoedig maken, dat gij mijnen zoon eene vrouw neemt uit mijn geslacht en uit mijns vaders huis.

41 Dan zult gij van mijnen eed rein zijn, wanneer gij tot mijn geslacht zult gegaan zijn; en indien zij ze u niet geven, zoo zult gij rein zijn van mijnen eed.

42 Én ik kwam heden aan de

SIS 24.

fontein, en ik zeide: O HEERE, God mijns heeren Abrahams, zoo gij nu mijnen weg voorspoedig maken zult op welken ik ga:

43 zie, ik sta bij de waterfontein ; zoo geschiede dat de maagd die uitkomen zal om te pulten, en tot welke ik zeggen zal: Geef mij toch een weinig water te drinken uit uwe kruik,

44 en die tot mij zal zeggen: Drink gij óók en ik zal ook voor uwe kemelen putten, dat deze die vrouw zij, die de Heere aan mijns heeren zoon heeft toegewezen.

45 Eer ik geëindigd had te spreken in mijn harte, zie zoo kwam Hebekka uit, en had hare kruik op haren schouder, en zij kwam af lot de fontein en putte; en ik zeide tot haar: Geef mij toch te drinken.

4G Zoo haastte zij zich en liet hare kruik van zich neder, en zeide: Drink gij, en ik zal ook uwe kemelen drenken; en ik dronk, en zij drenkte ook de kemelen.

47 Tóen vraagde ik haar en zeide: Wiens dochter zijl gij? En zij zeide: De dochter van Belhuel, den zoon Nahors, welke Milka hem gebaard heeft. Zoo lelde Ik het voorhoofdsiersel op haar aangezicht, en de armringen aan hare handen;

48 en ik neigde mijn hoofd en aanbad den Heere, en ik loofde den Heere, den God mijns heeren Abrahams, die mij op den rechten weg geleid had, om de dochter van mijns heeren broeder voor zijnen zoon te nemen.

49 Nu dan, zoo gijlieden weldadigheid en trouw aan mijnen heere doen zult, geeft het mij te kennen, en zoo met, geeft het mij óók te kennen, opdat ik mij ter rechter- of ter linkerhand wende.

50 Toen antwoordden Laban en Bethuël en zeiden: Van den Heere is deze zake voortgekomen, wij kunnen kwaad noch goed tot u spreken:

51 zie Rebekka is voor uw aangezicht , neem haar en trek henen; zij zij uws hoeren zoons vrouw, gelijk de Heere gesproken heeft.

52 En het geschiedde als Abrahams knecht hunne woorden hoor-


-ocr page 41-

GENESIS 25.

27

de, zoo boog hij zich ter aarde voor den Heere.

53 En de knecht langde voort zilveren kleinoodiën en gouden kleinoodiën en kleederen, en hij gaf ze aan Rebekka; hij gaf ook haren broeder en harcr moeder kostbaarheden.

54 Toen aten en dronken zij, hij en de mannen die bij hem waren, en zij vernachtten: en zij stonden des morgens op, en hij zeide: Laat mij trekken, dat ik tot mijnen heere ga.

55 Toen zeide haar broeder en hare moeder: Laat de jonge dochter een dag of tien bij ons blijven; daarna zult gij gaan.

50 Maar hij zeide tot hen: Houdt mij niet op, dewijl de Heere mijnen weg voorspoedig gemaakt heeft; laat mij trekken, dat ik tot mijnen heere ga.

57 Toen zeiden zij: Laat ons de jonge dochter roepen, en haren mond vragen.

58 En zij riepen Rebekka en zeiden tot haar: Zult gij met dezen man trekken? En zij antwoordde; Ik zal trekken.

59 Toen.lieten zij Rebekka hunne zuster en hare voedster trekken, mitsgaders Abrahams knecht en zijne mannen;

60 en zij zegenden Rebekka en zeiden tot haar: O onze zuster, word gij tot duizenden millioenen, en uw zaad bezitte de poorte zijner haters.

01 En Rebekka maakte zich op met hare jonge dochteren, en zij reden op kemelen , en volgden den man; en die knecht nam Rebekka en toog henen.

62 Isa rik nu kwam van waar men komt tot den put Lachai-Roï; en hij woonde in het Zuiderland.

03 En Isaak was uitgegaan om te bidden in het veld, tegen het naken van den avond; en hij hief zijne oogen op en zag toe, en zie, de kemelen kwamen.

04 Rebekka hief óók hare oogen op en zij zag Isacik, en zij viel van den kemel af; .

05 en zij zeide tot den knecht: Wie is die man, die ons in het veld tegemoet wandelt? En de knecht zeide: Dat is mijn heere. Toen nam zij den sluier en bedekte zich.

00 En de knecht vertelde Isaak alle de zaken, die hij gedaan had.

67 En Isaak bracht haar in de tente zijner moeder Sara; en hij nam Rebekka en zij werd hem ter vrouwe, en hij had haar lief. Alzoo word Isaiik getroost na zijn moeders dood.

HOOFDSTUK 25.

En Abraham voer voort en nam eene vrouw, wier naam was Ketura.

2 En zij baarde hem Zimran, en Joksan, en Medan, en Midian, en Jisbak, en Suah.

3 En Joksan gewon Scheba en Dcdan; en de zonen Dedans waren de Assuriten, en Letusiten, en Leümmiten.

4 En de zonen Midians waren Efa. en Efer, en Henoch, en Abida, en Eldaii: deze allen waren zonen van Ketura.

5 Doch Abraham gaf Isaak al wat hij had;

6 maar den zonen der bijwijven, die Abraham had, gaf Abraham geschenken, en zond ze weg van zijnen zoon Isaak, terwijl hij nog leefde, oostwaarts naar het land van het Oosten.

7 Dit nu zijn de dagen der jaren des levens van Abraham, welke hij geleefd heeft, honderd vijfenzeventig jaren;

8 en Abraham gaf den geest, en stierf in goeden ouderdom, oud en des levens zat, en hij werd tot zijne volken verzameld.

9 En Isaak en Ismacl, zijne zonen , begroeven hem in de spelonk van Machpela, in den akker van Efron, den zoon van Zohar, den Hethiet, welke tegenover Mamré is:

10 in den akker, dien Abraham van Heths zonen gekocht had; daar is Abraham begraven, en Sara zijne huisvrouw.

11 En het geschiedde na Abrahams dood, dat God Isaiik zijnen zoon zegende; en Isaak woonde bij den put Lachai-Roï,

12 Dit nu zijn de geboortenquot;Is-maëls, des zoons Abrahams, dien


-ocr page 42-

SIS 2G.

G E N E

28

Hagar, Sara\'s Egyplisclic dicusl-maagd, Abraham gebaard heeft;

13 en dit zijn de namen dor zonen Ismaëls, met hunne namen naar hunne geboorten: de eerstgeborene Ismaëls, Nebajoth; daarna Kedar, en Adbeël, en Mibsam,

14 en Misma, en Duma, en Massa,

15 Hadar, en Tema, Jetur, Nafis, en Kedma.

16 Dit zijn de zonen Ismaëls,en dit zijn hunne namen, in hunne dorpen en paleizen, twaalf Vorsten naar hunne volkeren.

17 En dit zijn de jaren des levens van Ismaël, honderd zevenendertig jaren; en hij gaf den e;eest en stierf, en hij werd verzameld tot zijne volkeren.

18 En zij woonden van Havila tot Sur toe, hetwelk tegenover Egypte is, waar gij gaat naar Assur; hij heeft zich nedergeslagen voor het aangezicht aller zijner broederen.

19 Dit nu zijn de geboorten l\'saaks, des zoons Abrahams: Abraham gewon Isaiik.

20 En Isaiik was veertig jaar oud, als hij Rebekka, de dochter Bethuëls, des Syriërs, uitPaddan-Aram, de zuster van Laban den Syriër, zich ter vrouwe nam.

\'21 En Isaak bad den HEERE zeer in de tegenwoordigheid van zijne huisvrouw , want zij was onvruchtbaar; en de Heere liet zich van hem verbidden, zoodat Rebekka zijne huisvrouw zwanger werd.

22 En de kinderen stieten zich te zamen in haren lijve. Toen zeide zij: Is het zoo? waarom ben ik dus? en zij ging om den Heere te vragen.

23 En de Heere zeide tot haar: Twee volkeren zijn in uwen buik, en twee natiën zullen zich uit uw ingewand vanéén scheiden; en het ééne volk zal sterker zijn dan het andere volk, en de meerdere zal den mindere dienen.

24 Als nu hare dagen vervuld waren om te baren, zie, zoo waren tweelingen in haren buik.

25 En de eerste kwam uit, ros; hij was geheel als een haren kleed: daarom noemden zij zijnen naam Esau.

20 En daarna kwam zijn broeder uit, wiens hand Esaus verzenen hield: daarom noemde men zijnen naam Jakob. En Isaiik was zestig jaar oud als hij ze gewon.

27 Als nu deze jongens groot werden, werd Esau een man, verstandig op de jacht, een veldman; maar Jakob werd een oprecht man, wonende in tenten.

28 En Isaak had Esau lief, want het wildbraad was naar zijnen mond; maar Rebekka had Jakob lief.

29 En Jakob had een kooksel gekookt; en Esau kwam uit het veld, en was moede.

30 En Esau zeide tot Jakob: Laat mij toch slorpen van dat roode, dat roode daar, want ik ben moede: daarom heeft men zijnen naam genoemd Edom.

31 Toen zeide Jakob: Verkoop mij op dezen dag uwe eerstgeboorte.

32 En Esau zeide: Zie, ik ga sterven; en waartoe mij dan de eerstgeboorte?

33 Toen zeide Jakob: Zweer mij op dezen dag, en hij zwoer hem: en hij verkocht Jakob zijne eerstgeboorte.

34 En Jakob gaf Esau brood en het linzenkooksel; en hij at en dronk, en hij stond op en ging henen: alzoo verachtte Esau de eerstgeboorte.

HOOFDSTUK 26.

En daar was honger in dat land, behalve de eerste honger die in de dagen Abrahams geweest was: daarom toog Isaak tot Abimélech, der Filistijnen Koning, naar Gerar;

2 en de Heere verscheen hem en zeide: Trek niet af naar Egypte: woon in het land, dat ik u aanzeggen zal;

3 woon als vreemdeling in dit land, en ik zal met u zijn en zal u zegenen; want u en uwen zade zal ik alle deze landen geven, en ik zal den eed bevestigen, dien ik Abraham uwen vadergezworen heb;

4 en ik zal uw zaad vermenigvuldigen als de sterren des hemels, on ik zal uwen zade alle deze landen geven; en in uwen zade zul-


-ocr page 43-

SIS 26.

GENE

20

lcn gezegend worden alle volken der aarde;

5 daarom dat Abraham mijne stemme gehoorzaam geweest is, en heeft onderhouden mijn bevel, mijne geboden, mijne inzettingen, en mijne wetten.

G Alzoo woonde Isaak te Gerar.

7 En als de mannen van die plaats hem vraagden van zijne huisvrouw, zeide hij: Zij is mijne zuster; want hij vreesde te zoggen, mijne huisvrouw: opdat mij misschien , zeide hij, de mannen dezer plaats nietdooden om Rebekka; want zij was schoon van aangezicht.

8 En het geschiedde als hij eenen langen tijd daar geweest was, dat Abimélech de Koning der Filistijnen ten venster uitkeek, en hij zag, dat, zié, Isaak was jokkende met Rebekka zijne huisvrouw.

9 Toen riep Abimélech Isaak en zeide: Voorwaar, zie, zij is uwe huisvrouw: hoe hebt gij dan gezegd: Zij is mijne zuster? En Isaak zeide tot hem: Want ik zeide: Dat ik niet misschien om harentwille sterve.

■JO En Abimélech zeide: Wat is dit dat gij ons gedaan hebt? Lichtelijk had een van dit volk bij uwe huisvrouw gelegen, zoodat gij eene schuld over ons zoudt gebracht hebben.

11 En Abimélech gebood den ganschen volke, zeggende: Zoo wie dezen man of zijne huisvrouw aanroert, zal voorzeker gedood worden.

12 En Isaak zaaide in datzelfde land, en hij vond in datzelfde jaar honderd maten, want de Heere zegende hem.

13 En die man werd groot, ja hij werd gaandeweg grooter, totdat hij zeer groot geworden was;

14 en hij had bezitting van schapen en bezitting van runderen en groot gezin, zoodat hem de Filistijnen benijdden.

15 En alle de putten die zijns vaders knechten in de dagen van zijnen vader Abraham gegraven hadden, die stopten de Filistijnen en vulden ze mot aarde.

Ifi Ook zeide Abimélech tot Isaak:

Trek van ons, want gij zijt veel machtiger geworden dan wij.

17 Toen toog Isaak van daar en hij legerde zich in het dal van Gerar, en woonde aldaar.

18 Als nu Isaak wedergekeerd was, groef hij die waterputten op, die zij ten tijde Abrahams zijns vaders gegraven, en die de Filistijnen na Abrahams dood toegestopt hadden; en hij noemde der-zelver namen naar de namen, waarmede zijn vader die genoemd had.

19 De knechten Isaaks dan groeven in dat dal, en zij vonden aldaar eenen put van levend water;

20 en de herders van Gerar twistten met Isaaks herders, zeggende: Dit water hoort ons toe: daarom noemde hij don naam van dien put Esek. omdat zij met hem getwist hadden.

21 Toen groeven zij eenen anderen put, en daar twistten zij óók over: daarom noemde hij des-zelfs naam Sitna.

22 En hij brak van daar op, en groef oenen anderen put, en zij twistten over dien niet: daarom noemde hij zijnen naam Rehoboth, en zeide: Want nu heeft ons de Heere ruimte gemaakt, en wij zijn gewassen in dit land.

23 Daarna toog hij van daar op naar Ber-Séba.

24 En de Heere verscheen hem in dien nacht, en zeide: Ik ben de God van Abraham uwen vader: vrees niet, want ik ben met u, en ik zal u zegenen en uw zaad vermenigvuldigen, om Abrahams mij nes knechts wille.

25 Toen bouwde hij daar een altaar, en riep den name des Heeren aan; en hij sloeg aldaar zijne tento op, en Isaaks knechten groeven daar eenen put.

2tgt; En Abimélech trok tot hem van Gerar, met Ahuzzath zijnen vriend en Pichol zijnen krijgsoverste.

27 En Isaak zeide tot hen: Waarom zijt gij tot mij gekomen, daar gij mij haat en mij van u hebt weggezonden?

28 En zij zeiden: Wij hebben duidelijk gezien dat de Heere met


-ocr page 44-

30 GENE

u is; daarom hebben wij gezegd: Laat toch een eed tnsschen ons zijn, tussehen ons en tnssclien n, en laat ons eon verbond mot 11 maken:

20 zoo gij bij ons kwaad doet, gelijk als wij \'n niet aangeroerd hebben en quot;gelijk als wij bij n alleenlijk goed gedaan hebben , en u in vrede hebben laten vertrekken! Gij zijt nu de gezegende des Heeren.

30 Toen maakte hij hun een maaltijd, en zij aten en dronken.

31 Én zij stonden des morgens vroeg op, en zwoeren de één den ander; daarna liet ze Isaak gaan, en zij togen van hem in vrede.

32 En het geschiedde ten zeiven dage, dat Isaaks knechten kwamen en boodschapten hem van de zaak des puts, dien zij gegraven hadden, en zij zeiden hem: Wij hebben water gevonden.

33 En hij noemde denzelven Séba: daarom quot;is de naam dier stad Ber-Séba, tot op dezen zelfden dag.

34 Als nu Esau veertig jaar oud was, nam hij tot vrouw Judith, de dochter van Beëri den Hethiet, en Basmath, de dochter Elons des Hethiets.

35 En deze waren Isaiik en Re-bekka eene bitterheid desgeestes.

HOOFDSTUK 27.

En het geschiedde als Isaiik oud geworden was, en zijne oogen donker geworden waren, dat hij niet zien kon, toen riep hij Esau zijnen grootsten zoon, en zeide tot hem: Mijn zoon! En hij zeide tot hem: 7Ae hier ben ik.

2 En hij zeide: Zie nu, ik hen oud geworden, ik weet den dag mijns doods niet:

3 nu dan, neem toch uw gereedschap, uwen pijlkoker en uwen boog, en ga uit inquot; het veld, jaag mij een wildbraad;

4 en maak mij smakelijke spijzen, zooals ik ze gaarne heb, en breng ze mij; dat ik ete, opdat mijne ziele u zegene eer ik sterve.

5 Rebekka nu hoorde toe als Isaiik tot zijnen zoon Esau sprak; en Esau ging in het veld om een wildbraad te jagen, dat hij het inbracht.

SIS 27.

6 Toen sprak Rebekka tot Jakob, haren zoon, zeggende: Zie ik heb uwen vader tot Esau uwen broeder hooren spreken , zeggende:

7 Breng mij een wildbraad, cn maak mij smakelijke spijzen toe, dat ik eie; en ik zal u zegenen voor het aangezicht des Hkeren, vóór mijnen dood.

8 Nu quot;dan mijn zoon, hoor mijne stem in hetgeen dat ik u gebiede;

9 ga nu henen tot de kudde, en haal mij van daar twee goede gei-tenbokjes; en ik zal ze uwen vader maken tot smakelijke spijzen, gelijk als hij gaarne heeft;

10 en gij zult ze uwen vader brengen, en hij zal eten, opdat hij u zegene vóór zijnen dood.

11 Toen zeide Jakob tot Rebekka zijne moeder: Zie, mijn broeder Esau is een harig man, en ik ben een glad man:

12 misschien zal mijn vader mij belasten, en ik zal in zijne oogen zijn als een bedrieger: zoo zoude ik oenen vloek over mij halen, en niet oenen zegen.

13 En zijne moeder zeide tot hem: Uw vloek zij op mij, mijn zoon: hoor alleen naar mijne stem, en ga, haal ze mij.

14 Toen ging hij , en hij haalde ze en bracht ze zijner moeder, en zijne moeder maakte smakelijke spijzen, gelijk als zijn vader gaarne had.

15 Daarna nam Rebekka Esaus hares grootsten zoons kostelijke kleederen die zij bij zich in huis had, en zij trok ze Jakob haren kleinsten zoon aan;

-16 en de vellen van de geitenbokjes trok zij over zijne handen en over de gladheid van zijnen hals;

17 en zij gaf de smakelijke spijzen en het brood, dewelke zij toegemaakt had, in de hand Jakobs hares zoons.

18 En hij kwam tot zijnen vader en zeide: Mijn vader! En hij zeide: Zie hier ben ik; wie zijt gij, mijn zoon?

19 En Jakob zeide tot zijnen vader: Ik ben Esau uw eerstgeborene ; ik heb gedaan gelijk als\'gij lot mij gesproken hadt; sta toch op


-ocr page 45-

6KNË

zit, en eet van mijn wildbraad, opdat uwe ziele mij zegenè.

20 Toen zeide Isaak tot zijnen zoon: Hoe is dit, dat gij het zoo haastig gevonden hebt, mijn zoon? En hij zeide: Omdat de Heere uw God het heelt doen ontmoeten voor mijn aangezicht.

21 En Isaak zeide tot Jakob: Nader toch, dat ik u betaste, mijn zoon, of gij mijn zoon Esau zelf zijt of niet.

22 Toen kwam Jakob bij, tot zijnen vader Isarik, die hem betastte; en hij zeide: De stemme is Jakobs stemme, maar de handen zijn Esaus handen.

23 Doch hij kende hem niet, omdat zijne handen harig waren gelijk zijns broeders Esaus handen; en hij zegende hem.

2\'i En hij zeide: Zijt gij mijn zoon Esau zelf? En liij zeide: ïk ben \'t.

25 Toen zeide hij : Stel het nabij mij, dat ik van het wildbraad mijns zoons ete, opdat mijne ziele u zegene. En hij stelde het nabij hem, en hij at; liij bracht hem ook wijn, en hij dronk.

26 En zijn vader Isaak zeide tot hem: Kom toch bij en kus mij, mijn zoon.

27 En hij kwam bij en hij kuste hem; toen rook hij den reuk zijner kleederen en zegende hem, en hij zeide: Zie, de reuk mijns zoons is als de reuk des velds hetwelk de Heere gezegend heeft.

28 Zoo geve u dan God van den dauw des hemels en de vettigheden der aarde, en menigte van tarwe en most.

29 Volken zullen u dienen en natiën zullen zich voor u neder-buigen; wees lieer over uwe broederen, en de zonen uwer moeder zullen zich voor u nederbuigen; vervloekt moet hij zijn zoo wie u vervloekt, en zoo wie u zegent zij gezegend.

30 En het geschiedde als Isaak voleindigd had Jakob te zegenen, zoo geschiedde hot toen Jakob maar even van zijns vaders Isaaks aangezicht uitgegaan was, dat Esau zijn broeder van zijne jacht kwam.

31 Hij nu óók maakte smakelijke

SIS 27. 31

spijzen toe, en bracht ze lot zijnen vader; en hij zeide tot zijnen vader: Mijn vader sla op en ete van het wildbraad zijns zoons, opdat uwe ziele mij zegene.

32 En Isaak zijn vader zeide tot hem: Wie zijt gij? En hij zeide: Ik ben uw zoon, uw eerstgeborene, Esau.

33 Toen verschrikte Isaak met zeer groote verschrikking gansch zeer, en zeide: Wie is hij dan die wildbraad gejaagd en tot mij gebracht heeft? En ik heb van alles gegeten eer gij kwaamt, en heb hem gezegend: ook zal hij gezegend wezen.

34 Als Esau de woorden zijns vaders hoorde, zoo schreeuwde hij met eenen grooten en bitteren schreeuw gansch zeer, en hij zeide tot zijnen vader: Zegen mij, ook mij, mijn vader!

35 Eri hij zeide: Uw broeder is gekomen quot;met bedrog, en heeft uwen zegen weggenomen.

3G Toen zeide hij: Is \'tniet omdat men zijnen naam noemt Jakob, dat hij mij nu twee malen heeft bedrogen? Mij ne eerstgeboorte heeft hij genomen, en zie, nu heeft hij mijnen zegen genomen. Voorts zeide hij: Hebt gij dan geenen zegen voor mij uil behouden?

37 Toen antwoordde Isaak en zeide tot Esau: Zie, ik heb hem eenen heer over u gesteld, en al zijne broeders heb ik hem tot knechten gegeven, en ik heb hem met koren en most ondersteund: wat zal ik u dan nu doen, mijn zoon?

38 En Esau zeide tot zijnen vader: Hebt gij maar dezen éénen zegen, mijn vader? Zegen mij, ook mij, mijn vader! En Esau hief zijne stemme op en weende.

39 Toen antwoordde zijn vader Isaak en zeide tot hem: Zie, de veiligheden der aarde zullen uwe woningen zijn, en van den dauw des hémels van boven af zuit gij gezegend zijn.

/jO En op uw zwaard zult gij leven, en zult uwen broeder dienen ; doch het zal geschieden als gij heerschen zult, dan zult gij zijn juk van uwen hals afrukken.


-ocr page 46-

GENESIS 28.

32

41 En Esau haatte Jakob om dien. zegen waarmede zijn vader hern gezegend had, en Esau zeide in zijn harte: De dagen van den rouw mijns vaders naderen, en ik zal mijnen broeder Jakob dooden.

42 Toen aan Rebekka deze woorden van Esau haren grootsten zoon geboodschapt werden, zoo zond zij henen en ontbood Jakob haren kleinsten zoon, en zeide tot hem: Zie, uw broeder Esau troost zich over u, dat hij u dooden zal.

43 Nu dan, mijn zoon, hoornaar mijne stemme en maak u op, vlied gij naar Haran, tot Laban mijnen broeder,

44 en blijf bij hem eenige dagen, totdat de gramschap uws broeders keere,

45 totdat de toorn uws broeders van ii af keere, en hij vergeten hebbe hetgeen gij hem gedaan hebt; dan zal ik zendenen u vandaar nemen: waarom zoude ik ook van u beiden beroofd worden op éénen dag?

4G En Rebekka zeide tot Isaak: Ik heb verdriet aan mijn leven vanwege de dochteren Heths: indien Jakob eene vrouw neemt van de dochteren Heths, gelijk deze zijn, van de dochteren dezes lands, waartoe zal mij het leven zijn?

HOOFDSTUK 28.

En Isaak riep Jakob en zegende hem, en gebood hem, en zeide tot hem: Neem geene vrouw van de dochteren Kanaans:

2 maak u op, ga naar Paddan-Aram, ten huize van Bethuël,uw moeders vader, en neem u van daar eene vrouw van de dochteren La-bans uw moeders broeder.

3 En God almachtig zegene u, en make u vruchtbaar en vermenig-vuldige u, dat gij tot eene menigte van volkeren wordt;

4 en hij geve u den zegen Abrahams, u en uwen zade met u, opdat gij erfelijk bezit het land uwer vreemdelingschappen, \'t welk God Abraham gegeven heeft.

5 Alzoo zond Isaak Jakob weg, dat hij toog naar Paddan-Aram, tot Laban, Bethuëls zoon, den Syriër, den broeder van Rebekka, Jakobs en Esaus moeder.

Ij Als nu Esau zag dat Isaak Jakob gezegend, en hem naar Paddan-Aram weggezonden had om zich van daar eene vrouw te nemen; en als hij hem zegende, dat hij hem geboden had, zeggende: Neem vrouw van de dochteren

7 en dat Jakob zijnen vader en geweest i getrok-

was en naar ken was;

8 en dat Esau zag dat de dochteren Kanaans kwaad waren in de oogen Isaaks zijns vaders,

9 zoo ging Esau tot Ismaël, en nam zich tot eene vrouw, boven zijne vrouwen, Mahalath, de dochter Ismaëls, des zoons Abrahams, de zuster van Nebajoth.

10 Jakob dan toog uit van Ber-Seba en ging naar Haran.

11 En hij geraakte op eene plaats waar hij vernachtte, want de zon was ondergegaan; en hij nam van de steenen dier plaats, en maakte zijne hoofdpeuluw, en leide zich te slapen te dier zelfder plaatse.

12 En hij droomde; en zie, eene ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan den hemel raakte; en zie, de Engelen Gods klommen daarbij op en neder.

13 En zie, de Heere stond op dezelve, en zeide: Ik ben de Heere, de God uws vaders Abrahams en de God Isaaks: dit land, waarop gij ligt te slapen, zal ik u geven en uwen zade.

14 En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u en in uwen zade zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.

15 En zie, ik ben met u, en ik zal u behoeden overal waar gij heuentrekken zult, en ik zal u wederbrengen in ditzelfde land; want ik zal u niet verlaten, totdat ik zal gedaan hebben hetgeen ik tot u gesproken heb.

10 Toen nu Jakob van zijnen slaap ontwaakte, zeide hij: Gewisselijk is de Heere aan déze plaatse, en ik heb \'t niet geweten.

17 En hij vreesde, en zeide: Hoe

zijne moeder gehoorzaam geweest aar Paddan-Aram gi


-ocr page 47-

SIS 29.

GENE

33

vrccsclijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poorte des hemels.

18 Toen stond Jakob des morgens vroeg op, en hij nam den steen, dien hij tot zij nehoofdpeuluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teeken, en goot er olie boven op;

19 en hij noemde den naam dier plaats Beth-El, daar toch de naam dier stad te voren was Luz.

20 En Jakob beloofde eene gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op dezen weg dien ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om Ie eten en kleederen om aan te trekken,

21 on ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn: zoo zal de Hekre mij tot eenen God zijn,

22 en deze steen, dien ik tot een opgericht teeken gezet heb, zal een huis Gods wezen, en alles wat gij mij geven zult, daarvan zal ik u voorzeker de tienden geven.

HOOFDSTUK 29.

Toen hief Jakob zijne voeten op en ging naar het land der kinderen van het Oosten.

2 En hij zag toe, en zie, daar was een put in let veld; en zie, daar waren drie kudden schapen nevens dien nederliggende, want uit dien zelfden put drenkten zij do kudden; en daar was een groote steen op den mond van dien put,

3 en derwaarts werden alle de kudden verzameld, en zij wentelden den steen van den-mond des puts, en drenkten de schapen, en leiden den steen weder op den mond van dien put, op zijne plaats.

4 Toen zeide Jakob tot hen: Mijne broeders, van waar zijl. gij? En zij zeiden: Wij zijn van Haran.

5 En hij zeide tot hen: Kont gij Laban, den zoon Nahors? En zij zeiden: Wij kennen hem.

(» Voorts zeide hij tot hen: Is ?t wel met hem? En zij zeiden: \'t Is wel; en zie. Rachel zijne dochter, die komt met de schapen.

7 En hij zeide: Zie, het is nog hoog dag,quot; het is geen tijd dat het vee verzameld worde: drenkt de schapen , en gaat henen, weidt cc.

H Toen zeiden zij: Wij kunnen niet, totdat alle de kudden te zamen zullen verzameld zijn , en men den steen van den mond des puts af-wentele, opdat wij de schapen drenken.

9 Als hij nog met hen sprak, zoo kwam Rachel met de schapen, die haren vader toebehoorden; want zij was eene herderin.

10 En het geschiedde als Jakob Rachel zag, de dochter van Laban, zijn moeders broeder, dat Jakob toetrad en wentelde den steen van den mond des puts, en drenkte de schapen van Laban, zijn moeders broeder.

11 En Jakob kuste Rachel, en hij hief zijne stemme op en weende;

12 en Jakob gaf Rachel te kennen , dat hij haars vaders broeder en dat hij de zoon van Rebekka was. Toen liep zij henen en gaf het haren vader te kennen.

13 En het geschiedde als Laban die tijding hoorde van Jakob, zijn zusters zoon, zoo liep hij hem te gemoet, en omhelsde hem en kuste hem, en bracht hem tot zijn huis: en hij vertelde Laban alle deze dingen.

14 Toen zeide Laban tot hem : Voorwaar, gij zijt mijn gebeente on mijn vleeschquot;; en\'hij bleef bij hem eene volle maand.

15 Daarna zeide Laban lot Jakob: Omdat gij mijn broeder zijt, zoudt gij mij dèshalven om niet diénen? Verklaar mij , wat zal uw loon zijn?

16 En Laban had twee dochters: de naam der grootste was Lea, en de naam der kleinste was Rachel.

17 Doch Lea had teedere oogen, maar Rachel was schoon van aangezicht.

18 En Jakob had Rachel lief; en hij zeide: Ik zal u zeven jaren dienen om Rachel uwe kleinste dochter.

19 Toen zeide Laban: Het is beter dat ik ze u geve, dan dat ik ze eenen anderen man geve: blijf bij mij.

20 Al zoo diende Jakob om Rachel zeven jaren; en die waren


-ocr page 48-

GENE

in zijne oogcn als eenige dagen, omdat lilj haar liefhad.

21 Toen zeidc Jakob tot Laban: Geef mijne huisvrouw, want mijne dagen zijn vervuld, dat ik lot haar inga.

22 Zoo verzamelde Laban alle de mannen dier plaats, en maakte eenen maaltijd.

23 En het geschiedde des avonds dat hij zijne dochter Lea nam en bracht haar tot hem; en hij ging tot haar in.

24 En Laban gaf Zilpa, zijne dienstmaagd, aan Lea zijne dochter, haar tut eene dienstmaagd.

25 En het geschiedde des morgens en zie, hel was Lea. Daarom zeide hij lot Laban: Wat is dit dat gij mij gedaan hebt? Heb ik niet bij u gediend om Rachel? Waarom hebt gij mij dan bedrogen?

26 En Laban zeide: Men doel alzoo niet te dezer onzer plaatse, dat men de kleinste uilgeve vóór de eerstgeborene.

27 Vervul de week van deze; dan zullen wij u ook die geven, voor den dienst, dien gij nog andere zeven jaren bij mij dienen zult.

28 En Jakob deed alzoo, en hij vervulde de week van deze. Toen gaf hij hein Rachel zijne dochter, hem tot eene vrouw.

29 En Laban gaf aan zijne dochter Rachel zijne dienstmaagd Bilha, haar tot eene dienstmaagd.

30 En hij ging ook in tot Rachel, en had ook Rachel liever dan Lea; en hij diende bij hem nog andere zeven jaren.

31 Toen nu de Heere zag dal Lea gehaat was, opende hij hare baarmoeder; maar Rachel was onvruchtbaar.

32 En Lea werd bevrucht, en baarde eenen zoon, en zij noemde zijnen naam Ruben; want zij zeide: Omdat do Hekhk mijne verdrukking heeft aangezien, daarom zal miin man mij nu liefhebben.

33 En zij werd weder bevrucht, en baarde eenen zoon, en zeide: Dewijl de IIkere gehoord heeft dat ik gehaat was, zoo heeft hij mij ook dezen gegeven, en zij noemde zijnen naam Simeon.

34

S1Ö 30.

34 En zij werd nog bevrucht, en baarde eenen zoon, en zeide: Nu zal zich ditmaal mijn man bij mij voegen, dewijl ik hem drie zonen gebaard heb; daarom noemde hij zijnen naam Levi.

35 En zij werd weder bevrucht, en baarde oenen zoon, en zeide: Ditmaal zal ik den Heere loven; daarom noemde zij zijnen naam Juda. En zij hield op van baren.

HOOFDSTUK 30.

Als nu Rachel zag dat zij Jakob niet baarde, zoo benijdde Rachel hare zuster; en zij zeide lot Jakob: Geef mij kinderen, of indien niet, zoo ben ik dood.

2 Toen ontstak Jakobs toorn tegen Rachel, en hij zeide: Ben ik dan in plaats van God, die des buiks vrucht van u geweerd heeft?

3 En zij zeide: Zie daar is mijne dienstmaagd Bilha, ga tot haar in, dat zij op mijne knieën bare en ik ook uit haar gebouwd worde.

4 Zoo gaf zij hem hare dienstmaagd Bilha tot eene vrouw, en Jakob ging tot haar in.

5 En Bilha werd zwanger, en baarde eenen zoon:

G toen zeide Rachel: God heeft mij gericht en ook mijne stemme verhoord, en heeft mij eenen zoon gegeven; daarom noemde zij zijnen naam Dan.

7 En Bilha Rachels dienstmaagd werd weder bevrucht, en baarde Jikob den tweeden zoon.

8 Toen zeide Rachel: Ik heb worstelingen Gods met mijne zuster geworsteld, ook heb ik de overhand gehad; en zij noemde zijnen naam Naftali.

9 Toen nu Lea zag dat zij ophield van baren, nam zij ook hare dienstmaagd Zilpa en gaf die Jakob loi. eene vrouw.

10 En Zilpa, Lea\'s dienstmaagd, baarde Jakob eenen zoon.

11 Toen zeide Lea: Daar komt een hoop; en zij noemde zijnen naam Gad.

12 Daarna baarde Zilpa, Lea\'s dienstmaagd, Jakob den tweeden zoon:

13 toen zeide Lea; Tot mijn ge-


-ocr page 49-

GENESIS 30.

35

luk, want dc dochters zullen mij gelukkig achten; en zij noemde zijnen naam Aser.

14 En Ruben ging in dc dagen des tarwenoogstes, en hij vond Dudaïm in het veld, en hij bracht ze tot zijne moeder Lea. Toen zeide Rachel tot Lca: Geef mij toch van uws zoons Dudaïm.

15 En zij- zeide tot haar: Is \'t weinig dat gij mijnen man genomen hebt, dat gij ook mijns zoons Dudaïm nemen zult? Toen zeide Rachel: Daarom zal hij dezen nacht voor uws zoons Dudaïm bij u liggen.

1G Als nu Jakob des avonds uit het veld kwam, ging Lea uit hem tegemoet en zeide: Gij zult tot mij inkomen, want ik heb u om loon zekerlijk gehuurd voor mijns zoons Dudaïm; en hij lag dien nacht bij haar.

17 En God verhoorde Lea, en zij werd bevrucht, en baarde Jakob den vijfden zoon.

18 Toen zeide Lea: God heeft mijn loon gegeven, nadat ik mijne dienstmaagd mijnen man gegeven heb; en zij noemde zijnen naam Issaschar.

19 En Lea werd wederom bevrucht, en zij baarde Jakob den zesden zoon:

20 en Lea zeide: God heeft mij, mij begiftigd met eene goede gifte; ditmaal zal mijn man mij bijwonen, want ik heb hem zes zonen gebaard; en zij noemde zijnen naam Zebulon.

21 En zij baarde daarna eene dochter; en zij noemde haren naam Dina.

22 God dacht ook aan Rachel, en God verhoorde haar en opende hare baarmoeder;

23 en zij werd bevrucht, en baarde eenen zoon: en zij zeide: God heeft mijne smaadheid weggenomen.

24 En zij noemde zijnen naam Jozef, zeggende: De Heere voege mij eenen anderen zoon daartoe.

25 En het geschiedde als Rachel Jozef gebaard had, dat Jakob tot Laban zeide: Laat mij vertrekken, dat ik ga tot mijne plaatse en naar mijn land.

26 Geef mijne vrouwen en mijne kinderen, om dewelke ik u gediend heb, dat ik vertrekke; want gij weet mijnen dienst dien ik u gediend heb.

27 Toen zeide Laban tot hem: Zoo ik nu genade gevonden heb in uwe oogen: ik heb waargenomen dat de Heere mij om uwentwille gezegend heeft.

28 Hij zeide dan: Noem mij uitdrukkelijk uw loon, dat ik geven zal.

29 Toen zeide hij tot hem: Gij weet hoe ik u gediend heb, en hoe uw vee bij mij geweest is;

30 want het weinige dat gij vóór mij gehad hebt, dat is tot eene menigte uitgebroken, en dc Heere heeft u gezegend bij mijnen voet: nu dan, wanneer zal ik ook werken voor mijn huis?

31 En hij zeide: Wat zal ik u geven? Toen zeide Jakob: Gij zult mij nietmetal geven, indien gij mij deze zake doen zult: ik zal wederom uwe kudde weiden en bewaren;

32 ik zal heden door uwe gan-sche kudde gaan, daarvan afzonderende al het gespikkelde en geplekte vee, en al het bruine vee onder de lammeren, en het geplekte en gespikkelde onder de geiten; en zulks zal mijn loon zijn.

33 Zoo zal mijne gerechtigheid op den dag van morgen met mij betuigen, als gij komen zult over mijn loon, voor uw aangezicht: al wat niet gespikkeld en geplekt is onder de geiten, en bruin onder de lammeren, dat zij bij mij gestolen.

34 Toen zeide Laban: Zie, och ja. het zij naar uw woord.

35 En hij zonderde af tenzelfden dage de gesprenkelde en geplekte bokken, en alle de gespikkelde en geplekte geiten, alles waar wit aan was, en al het bruine onder de lammeren, en hij gaf ze in de hand zijner zonen.

3G En hij stelde eenen weg van drie dagen tusschen zich en tus-schen Jffkob; en Jakob weidde de overige kudde Labans.

37 Toen nam zich Jakob roeden van groen populierenhout en van hazelaar en van kastanje, en hij


-ocr page 50-

GENESIS 31.

36

schilde daarin wille strepen, ont-hlootendc hot witte, hctwolk aan die roeden was,

38 en liij leide deze roeden, die liij gescliild luid, in de goten cn in de drinkbakken van het water, waar de kudde kwam drinken, tegenover de kudde; en zij werden verhit als zij kwamen om te drinken.

39 Als dan de kudde verhit werd hij de roeden, zoo lammerde de kudde gesprenkelde, gespikkelde, en geplekte.

40 Toen scheidde Jakob de lammeren , en hij wendde het gezicht der kudde op het gesprenkelde cn al het bruine onder Labans kudde; en hij stelde zijne kudden alleen, en hij zelte ze niet bij Labans kudde.

41 En het geschiedde telkens als de kudde der vroegelingen verhit werd, zoo stelde Jakob de roeden voor dc oogen dor kudde in de goten, opdat zij hittig werden bij de roeden;

42 maar als de kudde spade hitl ig werd, zoo stelde hij ze niet; zoodat de spadelingen Laban en de vroegelingen Jakob toekwamen.

43 En die man brak gansch zeer uit in menigte, cn hij had vele kudden, en dienstmaagden en dienstknechten, en kemelen, cn ezels.

HOOFDSTUK 31.

Toen hoorde hij de woorden der zonen Labans, zeggende: Jakob heeft genomen alles wat onzes vaders was, en van hetgeen dat onzes vaders was heeft hij al deze heerlijkheid gemaakt.

2 Jakob \'zag ook het aangezicht Labans aan, en zie, dat was jegens hern niet als gisteren en eergisteren.

3 En de Heere zeide tot Jakob: Keer weder tot het land uwer vaderen en tot uwe maagschap, en ik zal met u zijn.

4 Toen zond Jakob henen en riep Rachel en Lea op het veld tot zijne kudde,

5 en hij zeide tot haar: Ik zie uws vaders aangezicht, dat het jegens mij niet is als gisteren cn eergisteren; doch de God mijns vaders is bij mij geweest.

0 En gijlieden weel dat ik met al mijne macht uwen vader gediend heb;

7 maar uw vader hen ft bedrie-gelijk met mij gehandeld, en heeft mijn loon tien malen veranderd; doch God heeft hem niet toegelaten mij kwaad te doen.

.S Wanneer hij aldus zeide: De gespikkelde zullen uw loon zijn, zoo lammerden alle de kudden gespikkelde; en wanneer hij al zóó zeide: De gesprenkelde zullen uw loon zijn, zoo lammerden alle dc kudden gesprenkelde.

1) Alzoo heeft God uwen vader het vee ontrukt en aan mij gegeven.

lu En het geschiedde ten tijde als de kudde hittig werd, dat ik mijne oogen ophief en ik zag in den droom, en zie, de bokken die de kudde beklommen waren .ne-sprenkelde, gespikkelde en hagel-vlekkige.

11 lui de Engel Gods zeide tot mij in den droom: Jakob! En ik zeide: Zie hier ben ik.

12 En hij zeide: Hef toch uwe oogen op en zie, alle bokken die de kudde beklimmen zijn gesprenkelde, gespikkelde, en hagelvlek-kige, want ik heb gezien alles wat Laban u doet.

13 Ik ben de God van Beth-El, alwaar gij het opgerichte teeken gezalfd hebt, waar gij mij eene gelofte beloofd hebt: nu, maak u op, vertrek uit dit land, en keer weder in het land uwer maagschap.

14 Toen antwoordden Rachel en Lea en zeiden tot hem: Is er nog voor ons een deel of erfenis in onzes vaders huis?

15 Zijn wij niet vreemden van hem geacht? Want hij heeft ons verkocht, en hij heeft ook steeds ons geld verteerd.

16 Want al de rijkdom, dien God onzen vader heeft ontrukt, die is onze en onzer zonen; nu dan, doe alles wat God tot u gezegd heeft.

17 Toen maakte zich Jakob op en laadde zijne zonen en zijne vrouwen op kemelen.


-ocr page 51-

GENESIS ill.

37

18 en liij voerde, al zijn vee weg, en al zijne, have die hij verworven had, liet vee dat hij bezat, hetwelk hij in Pjsddan-Aram verworven had, om Ie komen lot Isank, zijnen vader, naar het land Kanaan.

\'19 Laban nu was gegaan om zijne schapen te scheren; zoo slal Raoliel de Teralim dio haar vader had.

20 En Jakob ontstal zich van het harte Labans des Syriërs, overmits hij hem niet te kennen gaf dat hij vlood.

21 En hij vlood, en al wat het zijne was, en hij maakte zich op en voer over de rivier, en hij zette zijn aangezicht naar het gebergte

22 En ten derden dage werd Laban geboodschapt dat Jakob gevloden was.

23 Toen nam hij zijne broeders met zich, en jaagde hem achterna eenen weg van zeven dagen , en hij kreeg hem op het gebergte fiilead.

24 Doch God kwam tot Laban den Syriër in eenen droom des nachts, en liij zcide tot hem : Wacht ii dat gij met Jakob niet spreekt, noch goed noch kwaad.

25 En Laban achterhaalde Jakob; Jakob nu had zijne tent geslagen op dat gebergte; ook sloeg Laban met zijne broederen de zijne op het gebergte Gileads.

20 Toen zeide Laban tot Jakob: Wat hebt gij gedaan, dat gij u van mijn harte ontstolen hebt, eii mijne dochteren ontvoerd hebt als gevangenen met den zwaaide.

27 Waarom zijt gij heimelijk gevloden, en hebt it mij ontstolen, en hebt het mij niet aangezegd, dat ik ii geleid hadde met vreugde en met gezangen, met trommel en met harp?

28 Ook hebt gij mij niet toegelaten mijne zonen en mijne dochteren lê kussen; nu, gij hebt dwaselijk gedaan zuo doende.

29 Het ware in de macht mijner hand ulieden kwaad te doen; maar ulieder vaders God heelt tot mij gisteren nacht gesproken, zeggende: Wacht u van met Jakob te spreken of goed öf kwaad.

30 En nu, gij hebt immers willen vertrekken, omdat gij zoozeer begeerig waart naar uws vaders huis: waarom hebt gij mijne goden gestolen?

31 Toen antwoordde Jakob en zeide tot Laban: Omdat ik vreesde; want ik zeide: Opdat gij niet misschien uwe dochteren mij ontweldigde 1.

32 Bij denwelken gij uwe goden vinden zult, laat hem niet leven; onderken gij voor onze broederen wat bij mij is, en neem het tot u. Want Jakob wist niet dat Rachelquot; ze gestolen had.

3IJ Toen ging Laban in Jakobs tent, en in Lea\'s tent, en in de tent der beide dienstmaagden, en hij vond niets; en als hij uit Lea\'s tent gegaan was, kwam hij in Rachels tent.

3^ Maar Rachel had de Terafim genomen en zij had die in een kemels-zadelluig gelegd, en zij zat op dezelve: en Laban betastlèdie gansche lont en hij vond niets;

35 en zij zeide tót haren vader: Dat de toorn niet ontsleke in mijns hoeren oogen, omdat ik voor quot;uw aangezicht niet kan opstaan, want het aaat mij naar de wijze der vrouwen; en hij doorzocht, maar hij vond de Teralim niet.

30 Toen ontstak Jakob en twistte met Laban, en Jakob antwoordde en zeide tot Laban: Wat is mijne overtreding, wat is mijne zonde, dat gij mij zoo driftig hebt nagejaagd?

37 Als gij al mijn huisraad betast hebt-, wat hebt gij gevonden van al het huisraad uws huizes? Leg het hier voor mijne broederen en uwe broederen en laat ze richten tusschen ons beiden.

38 Deze twintig jaren ben ik bij u geweest: uwe ooien en uwe geiten hebben niet misdragen, en de rammen uwer kudde heb ik niet gegeten.

39 Het verscheurde heb ik tot u niet gebracht, ik heb het geboet; gij hebt het van mijne handgeëischt, het ware des daags gestolen of des nachts gestolen.

/j0 Ik ben geweest dat mij bij dag de hitte verteerde en bij nacht de vorst, en dat mijn slaap van mijne oogen week.


-ocr page 52-

SIS 32.

38

GENE

41, Ik ben nu twintig jaren in uw huis geweest: ik heb u veertien jaren gediend om uwe beide dochteren, en zes jaren om uwe kudde, en gij hebt mijn loon tien malen veranderd.

42 Zoo niet de God mijns vaders, de God Abrahams en de vreeze Isaaks, bij mij geweest was, zeker gij zoudt inij nu ledig weggezonden hebben. God heeft mijne ellende en den arbeid mijner handen aangezien, en heeft u gisteren nacht bestraft.

43 Toen antwoordde Laban en zeide tot Jakob: Deze dochters zijn mijne dochters, en deze zonen zijn mijne zonen, en deze kudde is mijne kudde, ja al wat gij ziet, dat is mijn: en wat zoude ik deze mijne dochteren heden doen, of aan hare zonen, die zij gebaard hebben?

44 Nu dan, kom, laat ons een verbond maken, ik en gij , dat het tot een getuigenis zij tusschen mij cn tusschen u.

4o Toen nam Jakob eenen steen, en hij verhoogde dien tot een opgericht teeken;

4G en Jakob zeide tot zijne broederen : Vergadert steenen; en zij namen steenen en maakten eenen hoop, cn zij aten aldaar op dien hoop.

47 En Laban noemde hem Jegar-Sahadutha, maar Jakob noemde denzelven Gilead.

48 Toen zeide Laban: Deze hoop zij heden een getuige tusschen mij en tusschen u. Daarom noemde men zijnen naam Gilead,

49 en Mizpa, omdat hij zeide: Dat de Heere toezicht houde tusschen mij en tusschen u, wanneer wij de één van den ander zullen verborgen zijn.

50 Zoo gij mijne dochteren be-leedigt, en zoo gij vrouwen neemt nevens mijne dochteren, niemond is bij ons: zie toe, God zal getuige zijn tusschen mij en tusschen u.

51 Laban zeide voorts tot Jakob: Zie daar is deze zelfde hoop, en zie daar is dit opgericht teeken, hetwelk ik opgeworpen heb tusschen mij en tusschen u:

52 deze zelfde hoop zij getuige, en dit opgericht teeken zij getuige, dat ik tot u voorbij dezen hoop niet komen zal, en dat gij tot mij voorbij dezen hoop en dit opgericht teeken niet komen zult ten kwade.

53 De God Abrahams en de God Nahors, de God huns vaders, richte tusschen ons. En Jakob zwoer bij de vreeze zijns vaders Isaaks.

54 Toen slachtte Jakob eene slachting op dat gebergte, en hij noodigde zijne broederen om brood te eten; eii zij aten brood, en vernachtten op dat gebergte.

55 En Laban stond des morgens vroeg op, en kuste zijne zonen en zijne dochteren, en zegende ze; en Laban trok henen en keerde weder lot zijne plaatse.

HOOFDSTUK 32.

Jakob toog óók zijns weegs; en de engelen Gods ontmoetten hem.

2 En Jakob zeide, met dat hij ze zag: Dit is een heirleger Godsquot;; en hij noemde den naam derzelver plaatse Mahanaïm.

3 En Jakob zond boden uit voor zijn aangezicht tot Esau zijnen broeder, naar het land Seïr, de landstreek Edoms,

4 en hij gebood hun, zeggende: Zóó zult gij zeggen tot mijnen heere, tot Esau: Zóó zegt Jakob uw knecht: Ik heb als vreemdeling gewoond bij Laban, en heb er tot nu toe vertoefd;

5 en ik heb ossen en ezelen, schapen, en knechten en maagden; en ik heb gezonden om mijnen heere aan te zeggen, opdat ik genade vinde in uwe oogen.

ü En de boden kwamen weder tot Jakob, zeggende: Wij zijn gekomen tot uwen broeder, tot Esau; en ook trekt hij u tegemoet, en vierhonderd mannen met hem.

7 Toen vreesde Jakob zeer, en hem was bange, en hij verdeelde het volk dat met hem was, en de schapen en de runderen en de ke-meien, in twee hciren;

8 want hij zeide: Indien Esau tegen het éene heir komt cn slaat het, zoo zal het overgebleven heir ontkomen.

9 Voorts zeide Jakob: O God mijns vaders Abrahams en God mijns vaders Isaaks, o Heere, dié tot mij gezegd hebt: Keer weder


-ocr page 53-

S1S 33. 09

daarna zal ik zijn aangezicht zien; misschien zal hij mijn aangezicht aannemen.

21 Alzoo ging dat geschenk henen voor zijn aangezicht; doch hij zelf vernachtte dien nacht in helleger.

22 En hij stond op in dien nacht, en hij nam zijne twee vrouwen en zijne twee dienstmaagden en zijne elf kinderen, en hij toog over \'het veer Jabbok;

23 en hij nam ze en deed ze over die beek trekken; en hij deed overtrekken hetgeen hij had.

24 Doch Jakob bleef alléén over; en een man worstelde met hem totdal de dageraad opging;

25 en toen liij zag dat hij hem niet overmocht, roerde hij het gewricht zijner heupe aan, zoodat liet gewricht van Jakobs heupe verwrongen werd als hij met hem worstelde;

20 en hij zeide: Laat mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal u niet laten gaan. tenzij dat gij mij zegent.

27 En li ij zeide tot liern: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob.

28 Toen zeide hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heeten, maar Israël; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de men-schen, en hebt overmocht.

29 En Jakob vraagde en zeide: Geef tocli uwen name te kennen. En hij zeide: Waarom is \'t dat gij naar mijnen name vraagt? En hij zegende hem aldaar.

30 En Jakob noemde den naam dier plaatse Pniël; Want, zeide hij, ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijne ziele is gered geweest.

31 En de zon rees hem op als hij door Pnuël gegaan was; en hij was hinkende aan zijne heupe.

32 Daarom eten de kinderen Is-raëls de verrukte zenuw niet, die op het gewricht der heupe is, tot op dezen dag, omdat hij het gewricht van Jakobs heupe aangeroerd had aan de verrukte zenuw.

HOOFDSTUK 33.

En Jakob hief zijne oogen op ei\\ zag; en zie, Esau kwam, en vier

G Ë N 1?,

tot uw lauil en lol uwe maagschap, en ik zal wèi bij u doen:

10 ik ben geringer dan alle deze ■weldadigheden en dan al deze trouw, die gij aan uwen knecht gedaan hebt; want ik ben met mijnen staf over dezen Jordaan gegaan, en nu ben ik tot twee heiren geworden.

11 Ruk mij toch uit mijns broeders hand, üit Esaus hand; want ik vreeze hem, dat hij niet misschien kome en mij sla, de moeder met de zonen.

12 Gij hebt immers gezegd: Ik zal gewis bij u weldoen, en ik zal uw zaad stellen als het zand der zee, dat vanwege de menigte niet geteld kan worden.

13 En hij vernachtte aldaar dien zeilden nacht; en hij nam van hetgeen hem in zijne hand kwam een geschenk voor Esau zijnen broeder:

14 tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen,

15 dertig zogende kemehnnen met hare veulens, veertig koeien en tien varren, twintig ezelinnen en tien jonge ezels;

16 en hij gaf ze in de hand zijner knechten, elke kudde bijzonder; en hij zeide lot zijne knechten: Gaat gijlieden dóór voor mijn aangezicht, en stelt ruimte tusschen kudde en tusschen kudde.

17 En hij gebood den eerste, zeggende: Wanneer Esau mijn broeder u ontmoeten zal, en u vragen, zeggende: Wiens zijt gij, en waarhenen gaat gij, en wiens zijn deze voor uw aangezicht?

18 zoo zult gij zeggen: Dat is een geschenk van uwen knecht Jakob, gezonden tot mijnenheere, tot Esau; en zie, hij zelf is óók achter ons.

19 En hij gebood ook den tweede, ook den derde, ook allen die de kudden nagingen\', zeggende: Naar ditzelfde woord zult gij spreken tot Esau, als gij hem vinden zult;

20 en gij zult ook zeggen: Zie, uw knecht Jakob is achter ons. Want hij zeide: Ik zal zijn aangezicht verzoenen met dit geschenk dat voor mijn aangezicht gaat, en

-ocr page 54-

GENESIS 31.

40

honderd mannen met hem. Toen verdeelde hij de kinderen onder Lea en onder Rachel en onder de-twee dienstmaagden,

2 en hij stelde de dienstmaagden en hare kinderen vooraan, en Lea en hare kinderen meer achterwaarts, maar Rachel en Jozef achteraan.

3 En hij ging voorhij him aangezicht henen, en hij boog zich zeven malen ter aarde, totdat hij bij zij nen broeder kwam.

quot;4 Toen liep Esau hem tegemoet, en nam hem in den arm, en viel hem om den hals, en kuste hem; en zij weenden.

5 Daarna bief hij zijne oogen op en zag die vrouwen en die kinderen, en zeide: Wie zijn deze hij u ? En hij zeide: De kinderen, die God uwen knecht genadig verleend heelt.

G Toen traden de dienstmaagden toe, zij en hare kinderen, en zij bogen zich neder;

7 en Lea trad óók toe met hare kinderen, en zij bogen zich neder; en daarna trad Jozef toee.i Rachel, en zij hogen zich neder.

8 Èn hij zeide; Voor wien is al dit heir dat ik ontmoet heb? En hij zeide: Om genade Ie vinden in de oogen mijns heeren.

9 Maar Esau zeide: Ik heb veel, mijn broeder: het zij het uwe wat gij hebt.

\'10 Toen zeide Jakob: Och neen, indien ik nu genade in uwe oogen gevonden heb, zoo neem mijn geschenk van mijne hand; daarom dat ik uw aangezicht gezien hel) als had ik Gods aangezicht gezien, en gij welgevallen aan mij genomen hebt.

11 Neem toch mijnen zegen die u toegebracht is, dewijl God het mij genadig verleend lieeft, en dewijl ik alles heb. En hij hield bij hem aan, zoodat hij het ham.

12 En hij zeide: Laat ons reizen en voorttrekken, en ik zal vóór u trekken.

13 Maar hij zeide tot hem: Mijn heere weet dat deze kinderenteeder zijn, en dat ik zogende schapen en koeien bij mij heb; indien men ze maar éénen dag afdrijft, zoo zal de geheele kudde sterven *,

14 mijn heere trekke toch voorbij voor het aangezicht zijns knechts; en ik zal mij op mijn gemak als leidsman voegen naar den gang van het werk, hetwelk voor mijn .aangezicht is, en naar den gang dezer kinderen, totdat ik bij mijnen heere te Seïr kome.

15 En Esau zeide: Laat mij toch van dit volk dat met mij is u bijzetten. En hij zeide: Waartoe dat? Laat mij genade vinden in mijns heeren oogen.

16 Al/.oo keerde Esau dien dag wederom zijns weegs naar Seïr toe.

17 Maar Jakob reisde naar Suk-koth, en bouwde een huis voor zich, en maakte hutten voor zijn vee: daarom noemde hij den naam dior plaats Snkkoth.

18 Kn Jakob kwam behouden lot de stad Sichem, welke is in het land Kanarin, als hij kwam van Paddan-Aram; en hij legerde zich in het gezicht der stad.

19 En hij kocht een deel des velds, waarop hij zijne tent gespannen had, van de hand der zonen Hemors, des vaders van Sichem, voor honderd stukken geld;

20 en hij richtte aldaar een altaar op, en noemde het: De God Israels is God.

HOOFDSTUK 34.

En Dina, de dochter van Lea, die zij J.ikob gebaard had, ging uit om de dochteren van dat land te bezien.

2 Sichem nu, Hemors des Heviets, des landvorsten zoon zag haar, en hij nam ze en lag bij haar en verkrachtte ze.

3 En zijne ziele kleefde aan Dina, Jakobs dóchter, en hij had de jonge dochter lief, en sprak naar het hart van de jonge dochter.

4 Sichem sprak ook tot zijnen vader Hemor, zeggende: Neem mii deze dochter tot eene vrouw.

5 Toen Jakob nu hoorde dat hij zijne dochter Dina verontreinigd had, zoo waren zijne zonen met het vee in het veld; en Jakob zweeg totdal, zij kwamen.

(5 En lieniur. Sichems vader ging uit tot Jakob om met hein tespreken.

7 En de zonen Jakobs kwamen


-ocr page 55-

GENESIS :Vl

41

van liet veld als zij dit hoorden; en het smartte dezen mannen, en zij ontstaken zeer, omdat hij dwaasheid in Israël gedaan had, Jakobs dochter onteerende, hetwelk alzoo niet moest gedaan worden.

8 Toen sprak Hemor met hen, zeggende: Mijns zoons Sichcms ziele is verliefd op uiiederd ochter: geeft ze hem toch tot een e vrouw;

9 en verzwagert u met ons; geeft ons uwe dochteren, en neemt voor u onze dochteren,

10 en woont met ons; en het land zal voor uw aangezicht zijn: woont en handelt daarin, en stelt u tot bezitters daarin.

11 En Sichem zeide tot haren vader en tot hare broederen: Laat mij genade vinden in uwe oogen, en wat gij tot mij zoggen zult zal ik geven;

12 vergroot zeer over mij den bruidschat en het geschenk, en ik zal geven gelijk gij tot mij zult zeggen: geeft inij slechts de jonge dochter tot eene vrouw.

13 Toen antwoordden Jakobs zonen aan Sichem en Uemor zijnen vader bedriegelijk, en spraken, (omdat hij Dina hunne zuster verontreinigd had),

Vi en zij zeiden tot hen: Wij zullen deze zake niet kunnen doen\', dat wij onze zuster aan eenen man geven quot;zouden die de voorhuid heeft; want dat ware ons eene schande.

/15 Doch hierin zullen wij u te wille zijn: zoo gij wordt gelijk wij, dat onder u besnéden worde al wat mannelijk is,

16 dan zullen wij u onze dochteren geven, en uwe dochteren zullen wij ons nemen, en wij zullen met u wonen, en wij zullen tot één volk zijn.

17 Maar zoo gij naar ons niet zult hooren om besneden te worden, zoo zullen wij onze dochter nemen en wegtrekken.

18 En hunne woorden waren goed in de oogen van He mor en in de oogen van Sichem, Hemors zoon;

19 en de jongeling vertoefde niet deze zake te doen: want hij had welgevallen in Jakobs dochter, en hij was geëerd boven al zijns vaders huis.

20 Zoo kwam Hemor en Sichem, zijn zoon, tot hunner stads poorte, en zij spraken tot de mannen hunner stad, zeggende:

21 Deze mannen zijn vreedzaam met ons: daarom laat ze in dit land wonen, en daarin handelen, en het land (zie, het is wijd van omvang) voor hun aangezicht zijn ; wij zullen ons hunne dochteren tot vrouwen nemen, en wij zullen onze dochteren hun geven.

22 Doch hierin zullen deze mannen ons te wille zijn dat zij met ons wonen, om tot één volk te zijn, als al wat mannelijk is onder ons besneden wordt gelijk als zij besneden zijn.

23 Hun vee en hunne bezitting en alle hunne beesten, zullen die niet onze zijn? Alleen laat ons hun te wille zijn, en zij zullen met ons wonen.

21 En zij hoorden naar Hemor en naar Sichem zijnen zoon, allen die te zijner stads poorte uitgingen , en Kij werden besneden, al wat mannelijk was, allen die te zijner stads poorte uitgingen.

25 lui het geschiedde ten derden dage, toen zij in desmarte waren, zoo namen dè twee zonen Jakobs, Simeon en Levi, broeders van Dina, een iegelijk zijn zwaard, en kwamen stoutèlijk in de stad, en doodden al wat mannelijk was;

20 zij sloegen ook Hemor en zijnen zoon Sichem dood met de scherpte des zwaards; en zij namen Dina uit Sichems huis, en gingen van daar.

27 De zonen Jakobs kwamen over de verslagenen, en plunderden de stad, omdat zij hunne zuster verontreinigd hadden.

28 Hunne schapen en hunne runderen en hunne ezels, en hetgeen dat in de stad en hetgeen dal in het veld was namen zij;

29 en al hun vermogen en alle hunne kleine kinderen en hunne vrouwen voerden zij gevankelijk weg, en plunderden ze, en al wat binnenshuis was.

30 Toen zeide Jakob tot Simeon en tot Levi: Gij hebt mij beroerd, door mij stinkende te maken onder de inwoners dezes lands, onder de


-ocr page 56-

/j2 GENE

Kanaanilen on onder do Foroziten; on ik ben weinig volks in getal: zoo zij zich tegen mij verzamelen, zoo zullen zij mij verslaan, en ik zal verdelgd worden, ik en mijn huis.

31 En zij zeiden: Zoude hij dan met onze zuster als met eenehoer doen?

HOOFDSTUK 35.

Daarna zeide God tot Jakob; Maak u op, trek op naar Heth-El en woon aldaar; en maak daar een altaar dien God, die u verscheen toen gij vluchttet voor hot aangezicht van uwen broedei-Ksau.

2 Toen zeide Jakob tot zijn huisgezin en tot allen, die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden die in het midden van u zijn, en reinigt u, en verandert uwe kleederen;

3 en laten wij ons opmaken en optrekken naar Belh-Kl; en ik zal daar een altaar maken dien God, die mij antwoordt ten dage mijner benauwdheid, en nnt mij geweest is op den weg, dien ik gewandeld heb.

4 Toen gaven zij Jakob alle de vreemde goden, dié in hunne hand waren, en de oorsierselen, die aan hunne ooren waren, en Jakob verborg ze onder don eikenboom die bij Sichem is.

5 En zij reisden henen; en Gods verschrikking was overdo steden, die rondom hen waren, zoodat zij de zonen Jakobs niet achterna jaagden.

(J Alzoo kwam Jakob to Luz in het land Kanaan (dat is Beth-El) hij en al het volk dat bij hem was;

7 en hij bouwde aldaar een altaar, en noemde die plaats El Beth-El; want God was hem aldaar geopenbaard als hij voor zijns broeders aangezicht vluchtte.

8 En Debora, do voedster van Rebekka, stierf, en zij werd begraven onder aan Beth-El, onder dien eik, welks naam hij noemde Allon-Bachuth.

9 En God verscheen Jakob wederom, als hij van Paddan-Aram gekomen was, en hij zegende hem;

SIS 35.

10 en God zeide tot hem: Uw naam is Jakob: uw naam zal voortaan niet Jakob genoemd worden, maar Israël zal nw naam zijn; en hij noemde zijnen naam Israël.

11 Voorts zeide God tot hem: Ik ben God de Almachtige: wees vruchtbaar en vermenigvuldig; oen volk, ja een hoop der volkeren zal uit u worden, en Koningen zullen uit uwe lendenen voortkomen.

12 En dit land, dat ik Abraham en Isaak gegeven heb, dat zal ik u geven; en uwen zade na u zal ik dit land geven.

13 Toen voer God van hem op ter plaatse, waar hij met hem gesproken had.

14 En Jakob stelde een opgericht teeken op ter plaatse waar hij met hem gesproken had, een steencn opgericht toeken, en hij stortte daarop drankoffer en goot olie daarover;

15 en Jakob noemde den naam dier plaatse, alwaar God met hem gesproken had, Beth-El.

Ki En zij reisden van Beth-El, en er was nog eene kleine streek lands om tot Efratha te komen; en Rachel baarde, en zij had hot hard in haar baren.

17 En het geschiedde als zij het hard had inbaar baren, zoo zeide do vroedvrouw tot haar: Vrees niet, want dezen zoon zult gij óók hebben.

18 En het geschiedde als hare ziele uitging (want zij stierf) dat zij zijnen naam noemde Benoni; maar zijn vader noemde hem Benjamin.

19 Alzoo stierf Rachel; en zij werd begraven aan den weg naar Efrath, dat is Bethlehem.

20 En Jakob richtte een gedenk-teeken op boven haar graf: dit is het gedenkteeken van Rachels graf tot op dezen dag.

21 Toen verreisde Israël, en hij spande zijne tent op gene zijde van Migdal-Eder.

22 En het geschiedde als Israël in dat land woonde, dat Ruben henen-ging en lag bij Bilha zijns vaders bijwijf; en Israël hoorde het.


-ocr page 57-

SIS 3G.

GENE

43

En de zonen Jakobs waren twaalf.

23 De zonen van Lea waren: Ruben, Jakobs eerstgeborene, daarna Simeon, en Levi, en Juda, en Issaschar, en Zebulon.

24 De zonen van Rachel: Jozef en Benjamin.

25 En de zonen van Bilha, Rachels dienstmaagd: Dan en Naftali.

26 En de zonen van Zilpa, Lea\'s dienstmaagd: Gad en Aser. Dit zijn Jakobs zonen, die hem geboren zijn in Paddan-Aram.

27 En Jakob kwam tot Isaak zijnen vader in Mamré te Kirjath-Arba, dat is Hebron, waar Abraham als vreemdeling had verkeerd, en Isaak.

28 En de dagen Isaaks waren honclerd jaar en tachtig jaar.

29 En Isaak gaf den geest en stierf, en werd verzameld tot zijne volkeren, oud en zat van dagen; en zijne zonen Esau en Jakob begroeven hem.

HOOFDSTUK 3ü.

Dit nu zijn de geboorten van Esau, dat is Edom.

2 Esau nam zijne vrouwen uit de dochteren van Kanaan: Ada, de dochter van Elon den Hethiet, en Aholibama, do dochter van Ana, de dochter van Zibeon den Heviet;

3 en Basmath, de dochter van Isinaël, de zuster van Nebajoth.

4 Ada nu baarde aan Esau Elifaz, en Basmath baarde Rehuël,

5 en Aholibama baarde Jehus en Jaëlam en Korach. Dit zijn Esaus zonen, die hem geboren zijn in het land Kanaan.

6 Esau nu had genomen zijne vrouwen , en zijne zonen, en zijne dochters, en alle de zielen zijns huizes, en zijn vee, en alle zijne beesten, en al zijne bezitting die hij in het land Kanaan verworven had, en was vertrokken naar een ander land, van het aangezicht zijns broeders Jakobs;

7 want hunne have was te veel om samen te wonen, en het land hunner vreemdelingschappen kon ze niet dragen vanwege hun vee.

8 Derhalve woonde Esau op het gebergte Seïr; Esau is Edom.

9 Dit nu zijn de geboorten Esaus, des vaders der Edomiten, op het gebergte Seïr.

10 Dit zijn de namen der zonen Esaus: Elifaz, de zoon van Ada, Esaus huisvrouw; Rehuël, de zoon van Basmath, Esaus huisvrouw.

11 En de zonen van Elifaz waren Teman, Omar, Zefo, en Gaëlam, en Kenaz;

12 en Timna was een bijwijf van Elifaz, den zoon Esaus, en zij baarde aan Elifaz Amalek: dit zijn de zonen van Ada, Esaus huisvrouw.

13 En dit zijn de zonen Rehuëls: Nahath en Zerah,quot; Samma en Mizza: dat zijn geweest de zonen van Basmath. Esaus huisvrouw.

14 En dit zijn geweest de zonen van Aholibama. dochter van Ana, dochter van Zibeon, Esaus huisvrouw; en zij baarde aan Esau Jehus, en Jaëlam, en Korach.

15 Dit zijn de Vorsten der zonen Esaus: de zonen van Elifaz, den eerstgeborene Esaus, waren: de Vorst Teman, de Vorst Omar, de Vorst Zefo, de Vorst Kenaz,

16 de Vorst Korach, de Vorst Gaëtam , de Vorst Amalek: dat zijn de Vorsten van Elifaz in het land Edom; dat zijn de zonen van Ada.

17 En dit zijn de zonen Rehuëls des zoons Esaus: de Vorst Nahath, de Vorst Zerah, de Vorst Samma, de Vorst Mizza: dat zijn de Vorsten Rehuëls in het land Edom; dat zijn de zonen van Basmath, de huisvrouw Esaus.

18 En dit zijn de zonen van Aholibama, de huisvrouw Esaus: de Vorst Jehus, de Vorst Jaëlam, de Vorst Korach: dat zijn de Vorsten van Aholibama de dochter van Ana, de huisvrouw Esaus.

19 Dat zijn de zonen Esaus, en dat zijn hunlieder Vorsten: dat is Edom.

20 Dit zijn de zonen van Seïr, den Horiet, inwoners van dat land: Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana,

21 en Dison, en Ezer, en Disan: dat zijn de Vorsten der Horiten, zonen van Seïr in het land Edom.

22 En de zonen Lotans waren


-ocr page 58-

GENESIS 37.

44

Hori en Hernam ; cn Lotans zuster was Timna.

23 En dit zijn do zonen van Sobal: Alvan, on Manahath, en Ebal, Solo, on Onam.

24 En dit zijn do zonen Ziboons: Ajja en Ana; dat is die Ana die do muildieren in do woestijn gevonden hooft, toon hij zijns vaders Ziboons ezels weidde.

25 En dit zijn do zonen van Ana: Dison; en Ahoiibama was do dochter van Ana.

2G En dit zijn do zonen Disons: Hemdan, en Esban, onJithran, en Koran.

27 Dit zijn do zonen Ezers: Bil-han, en Zuiivan, en Akan.

28 Dit zijn do zonen Disans, Uz en Aran.

29 Dit zijn do Vorsten dor ITori-ten: de Vorst Lotan, de Vorst Sobal, do Vorst Zibeon, do Vorst Ana,

30 de Vorst Dison, de Vorst Ezer, do Vorst Disan: dit zijn do Vorsten dor Uorilen, naar hunne Vorsten In het land Soïr.

31 En dit zijn do Koiingon dio geregeerd hebben in hot land Edom, oor oen Koning regeerde over do kinderen Israels.

32 Bela dan do zoon Boors regeerde in Edom, on de naam zijner stad was Dinhaba.

33 En Bela stierf, en Jobab de zoon van Zerah, van Bozra, rogeerde in zijne plaats.

34 En Jobab stierf, en Husam uit dor Temaniten land rogeorde in zijne plaats.

35 En Husam stierf, en in zijne plaats regeerde Hadad de zoon Be-dads, die Midian versloeg in het veld Moabs; en denaam zijner stad was Avith.

30 En Jladad sliorf, on Samla vanMasrekaregeerde in zijn»! plaats.

37 En Samla stierf, on Saul van Rehoboth aan do rivier regeerde in zijne plaats.

38 En Saul stierf, en Baiilimnan de zoon Achbors regeerde in zijne plaats.

39 En Baiilhanan do zoon Achbors sliorf, en Hadar regeerde in zijne plaats; on do naam zijner stad was Paü; en do naam zijner huisvrouw was MohetabecI, eene dochter van Hatred, de dochter van Mezahab.

40 En dit zijn de namen der Vorston Esaus, iiaar hunne geslachten, naar hunne plaatsen, met hunne namen: de Vorst Timna, do Vorst Alva, do Vorst Jethoth,

41 de Vorst Ahoiibama, de Vorst Ela, do Vorst Pinon,

42 do Vorst Kenaz, de Vorst Te-man, de Vorst Mibzar,

43 de Vorst Magdiël, do Vorst Iram: dit zijn de Vorsten Edoms, naar hunne woningen, in den lande hunner bezitting. Hij is Esau, do vader Edoms.

HOOFDSTUK 37.

En Jakob woonde in het land dor vreemdelingschappen zijns vaders, in hot land Kana-in.

2 Dit zijn Jakobs geschiedenissen. Jozef, zijnde een zoon van zeventien jaar, weidde de kudde met zijne- broeders, (en hij was een jongeling), mot do zonen van Bilha en do zonen van Zilpa, zijns vaders vrouwen; en Jozef bracht huu kwaad gerucht tot hunnen vader.

3 En Israël had Jozef lief boven allo zijne zonen, want hij was hom een zoon dos oudordoms; en hij maakte hem oenen veelvorwigen rok.

4 Als nu zijne broeders zagen dat hun vader hem boven allo zijne broederen liefhad, haatten zij hem en konden hem niet vrediglijk toesproken.

5 Ook droomde Jozef oenen droom, dien hij aan zijne broederen vertelde; daarom haatten zij hem nog te meer;

0 en hij zeide tot hen: Hoort toch dc/.ou droom, dien ik gedroomd heb:

7 en zio, wij waren schoven bindende in het midden des voids; or zie, mijne schoof stond op, en bleef ook staande; en zie, uwe schoven kwamen rondom, en bogen zich neder voor mijne schoof.

8 Toen zeiden zijne broeders tot liem: Zult gij dan ganscholijk over ons regeeren? Zult gij dangansche-lijk over ons hoorschon? Zoo haat-


-ocr page 59-

GENESIS 37.

.011 zij hem nog to meer om zijne droomen en om zijne woorden.

\'J En liij droomde nog oenen anderen droom, en verhaalde dien aan zijne broeders, en hij zeide: zie ik heb nog oenen droom gedroomd , en zie, de zon en de maan en elf sterren bogen zich voor mij neder.

K) En als hij het aan zijnen vader en aan zijne broederen verhaalde, bestrafte hem zijn vader, en zeide tot hem: Wat is dit voor een droom dien gij gedroomd hebt? Zullen wij dan ganschelijk komen, ik en uwe moeder en uwe broeders, om ons voor u ter aarde te buigen?

11 Zijne broeders dan benijdden hem; doch zijn vader bewaarde deze zake.

12 En zijne broeders gingen henen om de kudde van hunnen vader te weiden bij Sichem.

13 Zoo zeide Israël tot Jozef: Weiden uwe broeders niet bij Sichem? Kom dat ik u lot hen zonde. En hij zeide lot hein: Zie, hier ben ik.

14 En hij zeide tot hem: Ga toch henen, zio naar den welstand van uwe broederen en naar den welstand van de kudde, en breng mij een woord wederom. Zoo zond hij hem uit hel dal Hebron; en hij kwam te Sichem,

15 en een man vond hem (want zie, hij was dwalende in het veld) ; zoo vraagde hem deze man, zeggende: Wat zoekt gij?

16 En hij zeide: Ik zoek mijne broederen; geef mij toch te kennen waar zij weiden.

17 Zoo zeide die man: Zij zijn van hier gereisd, want ik hoorde zo zeggen: Laat ons naar Dothan gaan. Jozef dan ging zijne broederen na, en vond ze te Dothan.

18 En zij zagei hem van verre; en eer hijquot;tot hon naderde, sloegen zij tegen hem oenen listigen raad om hem te dooden,

19 en zij zeiden de één tot den ander: Zie, daar komt deze meesler-droomer aan:

20 nu komt dan en laat ons hem doodslaan, en hem in een dezer kuilen werpen; en wij zullen zeggen: Een boos dier heeft hem opgegeten; zoo zullen wij zien wat van zijne droomen worden zal.

21 Iluben nu hoorde dat, en verloste hem ait hunne hand, en hij zeide: Laat ons hem niet aan hel leven slaan.

22 Ook zeide Ruben tot hen: Vergiet geen bloed: werpt hem in dezen kuil, die in de woestijn is, en legt de hand niet aan hem; opdat hij hem uit hunne hand verloste, om hem tot zijnen vader weder te brengen.

23 En het geschiedde als Jozef tot zijne broederen kwam, zoo togen zij Jozef zijnen rok uit, den veel-verwigen rok dien hij aanhad,

24 en zij namen hém en wierpen hem in den kuil; doch de kuil was ledig, er was geen water in.

25 Daarna zaten zij neder om brood te eten, en hieven hunne oogen op en zagen, en zie, een reisgezelschap van Ismaëliton kwam uit Gilead, en hunne kemelen droegen specerijen en balsem en mirre, reizende om dat af te brengen naar Egypte.

20 Toen zeide Juda lot zijne broederen: Wat gewin zal het zijn, dat wij onzen broeder doodslaan en zijn bloed verbergen?

27 Komt en laat ons hem aan deze Ismaëlilen verkoopen, en onze hand zij niet aan hem; want hij is onze broeder, ons vleesch. En zijne broeders hoorden hon.

\'28 Als nu de Midianitische kooplieden voorbijlogen, zoo trokken en hieven zij Jozef op uit den kuil, en verkochten Jozef aan deze Is-maëliten voor twintig zilverlingen; die brachten Jozef naar Egypte.

29 Als nu Ruben tot den kuil wederkeerde, zie, zoo was Jozef niet in den kuil; toen scheurde hij zijne kleederen,

30 en hij keerde weder tot zijne broederen en zeide: De jongeling is er niet; en ik, waar zal ik henen-gaan?

31 Toen namen zij Jozefs rok, en zij slachtten eenen geitenhok, en zij doopten den rok in het bloed;

32 en zij zonden den veelverwigen rok en deden hem lol hunnen vader brengen, en zeiden: Dezen hebben


-ocr page 60-

/j6 gene

wij gevonden; heken toch, of deze uws zoons rok zij, of niet.

33 En hij herkende hem, enzeide: \'t Is mijns zoons rok, een boos dier heeft hem opgegeten: voorzeker is Jozef verscheurd.

34 Toen scheurde Jakob zijne kleederen, en leide eenen zak om zijne lendenen, en hij bedreef rouwe over zijnen zoon vele dagen;

35 en alle zijne zonen en alle zijne dochteren maakten zich op om hem te troosten, maar hij weigerde zich te laten troosten, en zeide: Want ik zal rouw bedrijvende tot mijnen zoon in het graf nederdalen. Alzoo beweende hem zijn vader.

36 En de Midianitcn verkochten hem in Egypte aan Potifar, Farao\'s hoveling, overste der trawanten.

HOOFDSTUK 38.

En het geschiedde ten zeiven ti jde dat Juda van zijne broederen aftoog, en hij keerde in tot een man van Adullam wiens naam was Hira;

2 en Juda zag aldaar Je dochter van een Kanaanitisch man, wiens naam was Sua, en hij nam ze en ging tot haar in;

3 en zij werd bevrucht, en baarde eenen zoon, en hij noemde zijnen naam Er.

4 Daarna werd zij weder bevrucht, en baarde eenen zoon, en zij noemde zijnen naam Onan.

5 En zij voer nog voort en baarde oenen zoon, en noemde zijnen naam Sela; doch hij was te Kezib, toen zij hem baarde.

ü Juda nu nam eene vrouw voor Er zijnen eerstgeborene, en haar naam was Tamar.

7 Maar Er, de eerstgeborene van Juda, was kwaad in des Heeukn oogen; daarom doodde hem de Heere.

8 Toen zeide Juda tot Onan: Ga in tot uws broeders huisvrouw, en trouw haar in uws broeders naam, en verwek uwen broeder zaad.

9 Doch Onan wetende dat dit zaad voor hem niet zoude zijn, zoo geschiedde het als hij tot zijns broeders huisvrouw inging, dat hij

SIS 38.

het verdierf tegen do aarde, om cl zijnen broeder geen zaad te geven.

10 En het was kwaad in de? ,] Heeren oogen wat hij deed; daarom , i, doodde hij hem ook.

11 Toen zeide Juda tot Tamar \\ zijne schoondochter; Blijf weduwe ] in uws vaders huis, totdat mijn i zoon Sela groot worde; want hij ] zeide: Dat niet misschien deze óók sterve gelijk zijne broeders. Zoo ging Tamar henen en bleef in haars vaders huis.

12 Als nu vele dagen verloopen waren, stierf de dochter van Sua, huisvrouw van Juda; daarna troostte zich Juda, en ging op tot zijne schaapscheerders naar Timna tóe, hij en Hira zijn vriend, de Adullamiet.

13 En men gaf Tamar te kennen, zeggende: Zie, uw schoonvader gaat op naar Timna om zijne schapen te scheren.

14 Toen leide zij de kleederen barer weduwschap van zich af, en zij bedekte zich met eenen sluier en omwond zich, en zette zich aan den ingang der twee fonteinen, die op den weg naar Timna is;

want zij zag dat Sela groot geworden was en zij hem niet ter vrouwe was gegeven.

15 Als nu Juda haar zag, zoo hield hij ze voor eene hoer, overmits zij haar aangezicht bedekt had;

1G en hij weck tot haar af naar den weg, en zeide: Kom toch,

laat mij tot u ingaan; want hij wist niet dat zij zijne schoondochter was. En zij zeide: Wat zult gij mij geven, dat gij tot mij ingaat?

17 En hij zeide: Ik zal u eenen geitenhok van de kudde zenden. En zij zeide: Zoo gij pand zult geven totdat gij \'t zendt.

18 Toen zeide hij: Wat pand is \'t dat ik u geven zal? En zij zeide:

Uwen zegelring, en uw snoer, en uwen staf, die in uwe hand is; hetwelk hij haar gaf, en ging tot haar in, en zij ontving bij hem.

19 En zij maakte zich op en ging henen, en leide haren sluier van zich af, en zij trok de kleederen van hare weduwschap aan.

20 En Juda zond den geitenhok


-ocr page 61-

GENESIS 39.

47

door do hand van zijnen vriend den Adiillamiet, om het pand uit üe hand der vrouw te nemen; maar hij vond ze niet.

21 En hij vraagde de lieden van hare plaats, zeggende: Waar is de hoer, die bij deze twee fonteinen aan den weg was? En zij zeiden: Hier is geene hoer geweest.

22 En hij keerde weder tot Juda en zeide;1 k heb ze niet gevonden, en ook zeiden de lieden van die plaats: Hier is geene hoer geweest.

23 Toen zeide Juda: Zij houde het voor zich, opdat wij niet misschien tot verachting worden; zie, ik heb dezen bok gezonden, maar gij hebt haar niet gevonden.

24 Kn het geschiedde omtrent na drie maanden, dat men Juda te kennen gaf, zeggende: Tamar uwe schoondochter heeft gehoereerd, en ook zie, zij is zwanger van hoererij. Toen zeide Juda: Brengt ze hervoor, dat zij verbrand worde.

25 Als zij voorgebracht werd, zond zij tot haren schoonvader, om te zeggen: Bij den man wiens deze dingen zijn ben ik zwanger, en zij zeide: Beken toch, wiens deze zegelring en deze snoeren en deze staf zijn.

20 Kn Juda kende ze, en zeide: Zij is rechtvaardiger dan ik, daarom dat ik haar aan mijnen zoon Sela niet gegeven heb. En hij bekende haar voortaan niet meer.

27 En het geschiedde ten tijde als zij baren zoude, zie, zoo waren tweelingen in haren buik.

28 En het geschiedde als zij baarde, dat een de hand uitstak; en de vroedvrouw nam ze, en zij bond eenen scharlaken draad om zijne hand, zeggende: Deze komt het eerst uit.

29 Maar het geschiedde als hij zijne hand weder introk, zie, zoo kwam zijn broeder uit; en zij zeide: Hoe zijtquot; gij doorgebroken? Op u is de breüke. En men noemde zijnen naam Perez.

30 En daarna kwam zijn broeder uit, om wiens hand de scharlaken draad was; en men noemde zijnen naam Zerah.

HOOFDSTUK 39.

Jozef nu werd naar Egypte afgevoerd; en Potifar, Farao\'s hoveling, een overste der trawanten, een Egyptisch man, kocht hem uit de hand der Ismaëliten, die hem derwaarts afgevoerd hadden.

2 En de Heeue was met Jozef, zoodat hij een voorspoedig man was; en hij was in zijns hoeren des Egyptenaars huis.

3 Als* nu zijn heere zag dat de Heere met hem was, en dat de Heere al wat hij deed door zijne hand voorspoedig maakte,

4 zoo vond Jozef genade in zijne oogen, en diende hem; en hij stelde hem over zijn huis, en al wat hij had gaf hij in zijne hand.

5 En het geschiedde van toen af dat hij hem over zijn huis en over al wat het zijne was gesteld had, dat de Heere dés Egyptenaars huis zegende om Jozefs wille, jade zegen des h keren was in alles dat hij had, in het huis en in het veld.

0 En hij liet alles wat hij bad in Jozefs hand, zoodat hij met hem van niets kennis had, behalve van het brood dat hij at. En Jozef was schoon van gedaante en schoon van aangezicht.

7 En het geschiedde na deze dingen dat zijns heeren huisvrouw hare oogen op Jozef wierp; en zij zeide: Lig bij mij.

8 Maar hij weigerde het en zeide tot zijns heeren huisvrouw: Zie, mijn heere heeft geen kennis met mij wat er in het huis is; en al wat hij heeft, dat heeft hij in mijne hand gegeven;

9 niemand is grooter in dit huis dan ik, en hij heeft mij niets onthouden dan u, daarin dat gij zijne huisvrouwe zijt: hoe zoude ik dan een zóó groot kwaad doen, en zondigen tegen God?

10 En het geschiedde als zij Jozef dag op dag aansprak, en hij naar haar niet hoorde, om bij haar te liggen en bij haar te zijn,

11 zoo gebeurde het op zekeren dag dat hij in het huis kwam om zijn werk te doen, en niemand van de lieden des huizes was daar binnenshuis;


-ocr page 62-

GENESIS 40.

48

12 en zij greep hem bij zijn kleed, zeggende: Lig bij mij; en hij liet zijn kleed in hare hand, en vluchlle en ging nit naar builen.

\'J3 En liet geschiedde als zij zag dal hij zijn kleed in hare hand gelalen had en naar builen gevlucht was,

14 zoo riep zij de lieden van haar huis, en sprak lol hou, zeggende: Ziet, hij heeft ons den Hebreeuwschen nian ingebracht om met ons te spotten; hij is tot mij gekomen om bij mij te liggen, en ik heb geroepen met luider slem:

15 en het geschiedde als hij hoorde dal ik mijne slem verliief en riep, zooiiet hij zijn kleed bij mij, en vluchtte en ging uil naar buiten.

10 En zij leidezijn kleed bij zich, totdat zijn\'heer in zijn huis kwam.

17 Toen sprak zij tot hem naar diezelfde woorden, zeggende: Do IJebreeuwsche knecht, dien gij ons hebt ingebracht, is tot mij gekomen om met mij te spotten;

18 en het is geschied als ik mijne slem verhief en riep, dal hij zijn kleed bij mij liet en naar buiten vluchtte.

19 En het geschiedde als zijn heer de woorden zijner huisvrouw hoorde, dio zij tot hem sprak, zeggende: Naar deze woorden heeft mij uw knecht gedaan, zoo ontstak zijn toorn;

20 en Jozefs hoer nam hem en leverde hem in het ge vangen hu is, ter plaatse waar des Konings gevangenon waren; alzoo was hij daar in het gevangenhuis.

21 Doch do Jii:Kui:was met Jozef en wondde zijne goederlieron-heid tot hem, en gaf hom genade in de oogen des oversten van hot gevangonhuis:

22 en de overste van het gevangonhuis gaf alle de gevangenen, die in hot gevangenhuis waren, in .lo-zefs hand, en al wat zij daar doden deed hij;

28 do overste van het gevangenhuis zag gansch op geen ding dat in zijne hand was, overmits dat de 11 BERE mot hein was; en wal hij deed, dat deed de Heeme wèl gedijen.

HOOFDSTUK 40.

En hot geschiedde na deze dingen dat de schenker des Konings van Egypte en de bakker zondigden tegen hunnen hoere, tegen den Koning van Egypte,

2 zoodat Farao zoor toornig word o[) zijne twee hovelingen, op den overste der schenkers en op don overste der bakkers;

3 en hij leverde zo in bewaring ten huize van den overste der trawanten, in het gevangenhuis, ter plaatse waar Jozef gevangen was.

4 En de overste der trawanten bestelde Jozef bij bon, dat hij ze diende; en zij waren eeniye dagen in bewaring.

5 Zij droomden nu beide oenen droom, elk zijnen droom, in éénen nacht, elk naar de uitlegging zijns drooms: de schenker on do bakker die des Konings van Egypte waren, die gevangen waren in het gevangenhuis.

G En Jozef kwam dos morgens tot hen, en hij zag zo aan, en zie, zij waren ontsteld.

7 Toon vraagde hij do hovelingen van Farao, die bij bom in hechtenis waren in het huis zijns hoeren, zeggende: Waarom zijn uwe aangezichten heden kwalijk gesteld?

S En zij zeiden tot hem: Wij hebben oenen droom gedroomd, on er is niemand die hom uitlog-ge. En Jozef zeide tot hen: Zijn do uitleggingen niet Godos? Vertelt ze mij toch.

9 Toon vertelde de overste dor schenkers Jozef zijnen droom, en zeide tot hem: In.mijnen droom, zio, zoo was een wijnslok voor mijn aangezicht;

fo en aan den wijnstok waren drie ranken; en hij was als bottende, zijn bloeisol ging op, zijne trossen brachten rijpe druiven voort;

11 en Farao\'s beker was in mijne hand; en ik nam diedrui venen drukte ze uit in Farao\'s beker, en ik gaf den beker in Farao\'s hand.

12 Toon zeide Jozef tol hem: Dit is zijne uitlegging: de drie ranken zijn drie dagen;


-ocr page 63-

GENESIS 41.

/i9

13 binnen nog drie dagen zal sFarao mv hoofd verheden en zal din- n in uwen staat herstellen, en ings ^ij zult Farao\'s beker in zijne hand diVf teven , naar de vorige wijze toen dei fgij zijn schenker waart.

■; \'14 Doch gedenk mijner bij uzel-erd iven wanneer liet u wèl gaan zal, ien |en doe toch weldadigheid aan len mij, en doe van mij melding bij Farao, en maak dat ik uit dit huis ng kome,

ra- 15 want ik ben dieflijk ontstolen \'er uit der Hebreen land; en ook heb is. ik hier niets gedaan, dat zij mij en in dezen kuil gezet hebben, ze 16 Toen de overste der bakkers in zag dat hij eene goede uitlegging gedaan had, zoo zeide hij tot Join zef: Ik was óók in mijnen droom, n en zie, drie getraliede korven wa-is ren op mijn noofd;

17 en in den oppersten korf was e van alle spijze van Farao, die bak-t kerswerk is; en het gevogelte at dezelve uit den korf van boven J mijn hoofd.

is Toen antwoordde Jozef en zeide: Dit is zijne uitlegging: de drie korven zijn drie dagen;

19 binnen nog drie dagen zal Farao uw hoofd verheffen van boven u, en hij zal ii aan een hout hangen, en liet gevogelte zal uw vleesch van boven u eten.

20 En het geschiedde op den derden dag, den dag van Farao\'s geboorte, dat hij voor alle zijne knechten eenen maaltijd maakte; en hij verhief het hooid van den overste der schenkers en het hoofd van den overste der bakkers in het midden zijner knechten:

21 en hij deed den overste der schenkers wederkeeren tot zijn schenk-ambt, zoodat hij den beker op Farao\'s hand gaf,

22 maar den overste der bakkers hing hij op, gelijk Jozef hun uitgelegd had.

23 Doch de overste der schenkers gedacht aan Jozef niet, maar vergat hem.

HOOFDSTUK H.

En het geschiedde ten einde van twee volle jaren dat Farao droomde, en zie, hij stond aan de rivier;

2 en zie, uit de rivier kwamen óp zeven koeien, schoon van aanzien en vet van vleesch, en zij weidden in het gras;

3 en zie, zeven andere koeien kwamen na deze op uit de rivier, leelijk van aanzien en dun van vleesch, en zij stonden bij de an-clere koeien \'aan den oever der rivier:

4 en de koeien, leelijk van aanzien en dun van vleesch, aten óp de zeven koeien, schoon van aanzien en vet. Toen ontwaakte Farao.

5 Daarna sliep hij en droomde andermaal, en zie, zeven aren rezen op in éónen halm, vet en goed;

6 en zie, zeven dunne en van den oostenwind verzengde aren schoten na dezelve uit:

7 en de dunne aren verslonden dezeven vette en volle aren. Toen ontwaakte Farao, en zie, het was een droom.

8 En het geschiedde in den morgenstond dat zijn geest verslagen was, en hij zond henenen riep alle de toovenaars van Egypte en allo do wijzen die daar waren, en Farao vertelde hun zijnen droom; maar or was niemand die ze Farao uitleide.

(.) Toen sprak de overste dei-schenkers tot Farao, zeggende: Ik gedenk heden aan mijne zonden.

10 Farao was zeer vertoornd op zijne dienaars, en leverde mij in bewaring ten huize van den overste dor trawanten, mij en den overste der bakkers.

11 En in éénen nacht droomden wij eenen droom, ik en hij; wij droomden, elk naar de uitlegging zijns drooms.

12 En aldaar was bij ons een Hebreeuwsch jcngeling, een knecht van don overste der trawanten; en wij vertelden ze hem, en hij lelde ons onze droomen uil, aan ieder lelde hij ze uit naar zijnen droom;

13 en gelijk hij ons uitleide , alzóó is bet\' geschied: mij heeft hij hersteld in mijnen staat, en hem gehangen.

14 Toen zond Farao en riep Jozef, en zii deden hem haastelijk uit den kuil\'komen; en men schoor


-ocr page 64-

SIS 41.

50

GENE

hem cn men veranderde zijne kleedcren, cn hij kwam tol Farao.

15 Kn Farao sprak tol Jozef: Ik heb oenen droom gedroomd, en er is niemand die hem uitlegge; maar ik heb van u hoeren zeggen, als gij eenen droom hoort, dat gij hem uitlegt.

1G En Jozef antwoordde Farao zeggende: Het is buiten mij: God zal Farao\'s welstand aanzeggen.

17 Toen sprak Farao tol Jozef: Zie, in mijnen droom stond ik aan den oever der rivier;

18 en zie, uit de rivier kwamen öp zeven koeien, vet van vleesch cn schoon van gedaante, cn zij weidden in hel gras;

19 en zie, zeven andere koeien kwamen öp na deze, mager cn zeer leelijk van gedaante en rank van vleesch, ik heb haarsgelijke van leelijkhcid niet gezien in hel gansche Egyptcland:

20 en die ranke cn leclijke koeien aten die eerste zeven vette koeien op;

21 dewelke in haren buik inkwamen, maar men merkte niet dat ze in haren huik ingekomen waren, want haar aanzien was leelijk gelijk in den beginne. Toen ontwaakte ik.

22 Daarna zag ik in mijnen droom, en zie zeven aren rezen op in éénen halm, vol en goed;

23 en zie, zeven dorre, dunne cn van den oostenwind verzengde aren schoten na dezelve uil:

24 en de zeven dunne aren verslonden die zeven goede aren. En ik heb liet den loovenaars gezegd, maar er was niemand die het mij verklaarde.

25 Toen zcide Jozef tot Farao: Farao\'s droom die is één: hetgeen God is doende heeft hij Farao te kennen gegeven.

20 Die zeven schoone koeien zijn zeven jaren, die zeven schoone aren zijn óók zeven jaren: de droom die is een.

27 Kn die zeven ranke cn leclijke koeien, die na gene opkwamen, zijn zeven \'jaren; eii de zeven ranke van den oostenwind verzengde aren zullen zeven jaren des liongers wezen.

28 Dit is het woord hetwelk ik tot Farao gesproken heb: hetgeen dat God is doende heeft hij Farao vertoond.

29 Zie, de zeven aankomende jaren zal er groote overvloed in het gansche land van Egypte zijn,

30 Maar na dezelve zullen opkomen zeven jaren des hongers, dan zal in het land van Egypte al die overvloed vergeten worden; cn de honger zal het land verteren.

31 Ook zal de overvloed in het land niet gemerkt worden, vanwege dien honger, die daarna wezen zal ; want hij zal zeer zwaar zijn.

32 En aangaande dat die droom aan Farao ten tweeden male is herhaald, dit is omdat de zake van God vast besloten is, en dat God zich haast om dezelve te doen.

33 Zoo zie nu Farao naar eenen verstandigen en wijzen man, cn zette hein over het land van Egypte.

34 Farao doe zóó, cn bestclle opzieners over hel land, en neme het vijfde deel des lands van Egypte in de zeven jaren des overvloeds;

35 en dat zij alle spijze van deze aankomende goede jaren verzamelen, en koren opleggen onder de hand van Farao tot spijze in de steden, en het bewaren:

30 zoo zal de spijze zijn tot voorraad voor hel land, voor zeven jaren des hongers, die in Egyptcland wezen zullen, opdat heiland van honger niet verga.

37 En dit woord was goed in de oogen van Farao en in de oogen aller zijner knechten.

38 Zoo zcide Farao tot zijne knechten: Zouden wij wel eenen man vinden als dezen, in welken Gods Geest is?

39 Daarna zeide Farao tot Jozef: Naardien God u dit alles heeft bekend gemaakt, zoo is er niemand zoo verstandig cn wijs als gij:

40 gij zult over mijn huis zijn, en op uw bevel zal al mijn volk de hand kussen; alleen dezen troon zal ik groeier zijn dan gij.

41 Voorts sprak Farao tol Jozef: Zie ik heb u over gansch Egyptcland gesteld.


-ocr page 65-

SIS 42

51

GENE

42 En Farao nam zijnen ring van zijne hand af, en deed hem aan Jozefs hand, en liet hem fijne linnen kleedcren aantrekken, en leide een gouden keten aan zijnen hals;

43 en hij deed hem rijden op den tweeden wagen dien hij had, en zij riepen voor zijn aangezicht: Knielt! Alzoo stelde hij hem over gansch Egypteland.

44 En Farao zeide lot Jozef: Ik ben Farao; doch zonder u zal niemand zijne hand of zijnen voet opheffen in gansch Egypteland.

45 En Farao noemde Jozefs naam Zafnath-Paiinéah, en gaf hem As-nath, de dochter van Potiféra, Overste van On tot eene vrouw; en Jozef toog uit door het land van Egypte.

46 Jozef nu was dertig jaar oud als hij stond voor het aangezicht van Farao den Koning van Egypte; en Jozef ging uit van Farao\'s aangezicht en hij loog door gansch Egypteland.

47 En het land bracht voort, in de zeven jaren des overvloeds, bij handvollen.

quot;48 En hij vergaderde alle spijze der. zeven jaren die in Egypteland was, en deed de spijze in de steden: de spijze van het veld van elke stad, hetwelk rondom haar was, bracht hij daarbinnen.

49 Alzdo bracht Jozef bijeen zeer veel koren, als het zand dei-zee , totdat men ophield te lellen, want daarvan was geen getal.

50 En Jozef werden t wee zonen geboren, eer een jaar des hongers aankwam, die Asnath, de dochter van Potiféra, Overste van On, hem baarde.

51 En Jozef noemde den naam des eerstgeborenen Manasse: Want, zeide hij, God heeft mij doen vergeten al mijne moeite, en het gansche huis mijns vaders.

52 En den naam des tweeden noemde hij Efraïm: Want, zeide hij. God heeft mij doen wassen in het land mijner verdrukking.

53 Toen eindigden de zeven jaren des overvloeds, die in Egypte geweest was,

54 en de zeven jaren des hongers begonnen aan to komen, gelijk als Jozef gezegd had; en daar was honger in alle de landen, maar in gansch Egypteland was brood.

55 Als nu gansch Egypteland hongerde, riep het volk lot Farao om brood; en Farao zeide lot alle Egyplenaren: Gaat tot Jozef, doet wat hij u zegt.

56 Als dan de honger over het gansche land was, zoo opende Jozef alles waarin iets was, en verkocht aan de Egyplenaren, want de honger werd sterk in Egypteland;

57 en alle landen kwamen in Egypte tot Jozef om te koopen, want de honger was sterk in alle landen.

HOOFDSTUK 42.

Toen nu Jakob zag dat er koren in Egypte was, zoo zeide Jakob tot zijne zonen: Waarom ziet gij op elkander?

2 Voorts zeide bij: Zie, ik heb gehoord dat er koren in Egypte is: trekt daarhenen af, en koopt ons kuren van daar, opdat wij leven en niet sterven.

3 Toen togen Jozefs tien broederen af oin koren uit Egypte te koopen;

4 doch Benjamin, Jozefs broeder, zond Jakob niet met zijne broederen; want hij zeide: Opdat hem niet misschien het verderf ontmoete.

5 Alzoo kwamen Israels zonen om te koopen onder degenen die daar kwamen; want de honger was in het land Kanaan.

6 Jozef nu was Regent over dat land: hij verkocht aan al het volk des lands; en Jozefs broederen kwamen en bogen zich voor hem met het aangezicht ter aarde.

7 Als nu Jozef zijne broederen zag, zoo kende hij ze; maar hij hield zich vreemd jegens hen en sprak hard met hen, en zeide tot hen: Van waar komt gij? En zij zeiden: Uit het land Kanaan, om spijze te koopen.

8 Jozef dan kende zijnebroederen, maar zij kenden hern niet.

9 Toen gedacht Jozef aan de droomen, die hij van hen gedroomd


-ocr page 66-

SIS 42.

52

G1\'] N U

had, en hij zeitle lot hen: Gij zijt verspieders, gij zijt gekomen om te bezichtigen waar het land bloot is.

1U En zij zeidenquot;tot hem: Neen mijn lieer, maar uwe knechten zijn gekomen om spijze te koopen;

11 wij allen zijn ééns mans zonen; wij zijn vroom: uwe knechten zij-n geen verspieders.

12 Én hij zeide tot hen: Neen maar gij zijt gekomen om te bezichtigen waar het land bloot is.

13 En zij zeiden: Wij uwe knechten waren twaalf gebroeders, ééns mans zonen in het land Kanaan; en zie, de kleinste is heden bij onzen vader; doch de een die is niet meer.

14 Toen zeide Jozef tot hen: Dat is het wat ik tot n gesproken heb, zeggende: Gij zijt verspieders.

15 Hierin zult gij quot;beproefd worden: zoo waarlijk als Farao leeft, indien gij van hier zult uitgaan, tenzij dan wanneer uw kleinste broeder herwaarts zal gekomen zijn.

10 Zendt éénen uit u, die uwen broeder hale, maarweestgijlieden gevangen: en uwe woorden zullen beproefd worden of de waarheid bij u is; en indien n\\cA, zoo waar-lijlc als Farao leeft, zoo zijt gij verspieders.

17 En hij zetle ze te zamen drie dagen in bewaring.

18 En ten derden dage zeide Jozef tot hen: Doet dit, zoo zult gij leven: ik vreeze God.

ii) Zoo gij vroom zijt, zoo zij één uwer broederen gebonden in het huis uwer bewaring; en gaat gij henen, brengt het koren voor den honger uwer huizen;

20 en brengt uwen kleinsten broeder tot mij : zoo zullen uwe woorden waar gemaakt worden, en gij zult niet sterven. En xij deden alzoo.

21 Toon zeiden zij de één Lot den ander: Voorwaar, wij zijn schuldig aan onzen broeder, wiens benauwdheid der ziele wij zagen. toen hij ons om genade bad, maar wij hoorden niet; daarom komt deze benauwdheid over ons.

22 En Ruben antwoordde hun, zeggende: Heb ik het tot u niet gezegd, toen ik zeide: Zondigt niet aan dezen jongeling; maar gij hoor-det niet; en ook zijn bloed, zie, het wordt gezocht.

23 En zij wisten niet dat Jozef het hoorde; want daar was een taalman lusschen hen.

24 Toen wendde hij zich om van hen af, en weende; daarna keerde hij weder lot hen, en sprak lot hen, en nam Simeon van hen, en bond hem voor hunne oogen.

25 En Jozef gebood dat men hunne zakken met koren vullen zoude, en dat hun geld wederkeerde een\' iegelijk in zijnen zak, en dat men hun teerkost gaf voor den weg; en men deed hun alzoo.

20 En zij laadden hun koren op hunne ezels en logen van daar.

27 Toen één zijnen zak opendeed om zijnen ezel voeder te geven in de herberg, zoo zag hij zijn geld; want zie, het was in den mond van zijnen zak;

2S en hij zeide tot zijne broederen: Mijn geld is terug, en ook zie, het is in mijnen zak. Toen ontging hun hel harte en zij verschrikten, de één lol den ander zeggende: Wal is dit dat God ons gedaan hoeft?

21) En zij kwamen in heiland Kanaan lot .lakob hunnen vader, en zij gaven hem te kennen aMum wedervaren, zeggende:

30 Die man, d( i heer van dat land, heelt hard met ons gesproken, en hij heelt ons gehouden voor verspieders des lands;

81 maar wij zcitlon lot hem; Wij zijn vroom, wij zijn geen verspieders :

32 onzer waren twaalf gebroe-ders, onzes vaders zonen; de één die is niet meer, en de kleinste is heden bij onzen vilder in het land Kanaan.

33 En die man, de heer van dat land, zeide tot ons: Hieraan zal ik erkennen dal gijlieden vroom zijl: laat een uwer broederen bij mij, en neemt voor den honger uwer huizen en trekt henen;

, 34 en brengt uwen kleinsten broeder tot mij: zoo zal ik weten dat gj.j geen verspieders zijl, maar dat gij vroom zijl; uwen broeder zal


-ocr page 67-

GENESIS 43.

ik ii wedergeven, en gij zult in dit land handelen,

35 En het geschiedde als zij hunne zakken ledigden, zie, zoo had een iegelijk den bundel zijns gelds in zijnen zak, en zij zagen de bundels huns gelds, zij en hun vader, en zij waren bevreesd.

36 Toen zeide Jakob hun vader tot hen: Gij berooft mij van kinderen: Jozef die is er niet, en Simeon die is er niet, nu zult gij Benjamin wegnemen: alle deze dingen zijn tegen mij.

37 Toen sprak l\'uiben tot zijnen vader, zeggende: Dood twee mijner zonen, zoo ik hem tot u niet we-derbreng; geef hem in mijne hand, en ik zal hem weder tot u brengen.

38 Maar hij zeide : Mijn zoon zal met ulieden niet aftrekken; want zijn broeder is dood, en hij is alléén overgebleven: zoo hem een verderf ontmoette op den weg dien gij zult gaan, zoo zoudt gij mijne grauwe haren met droefenis ten grave doen nederdalen.

HOOFDSTUK 43. De honger nu werd zwaar in dat land.

2 Zoo geschiedde het als zij den leeftocht, dien zij uit Egypte gebracht hadden, opgegeten hadden, dat hun vader tot hen zeide: Keert weder, koopt ons een weinig spijze.

3 Toen sprak Juda tot hem, zeggende: Üie man heeft ons op het hoogste betuigd, zeggende: Gij zult mijn aangezicht niet zien tenzij dat uw broeder met u is.

4 Indien gij onzen broeder met ons zendt, wij zullen aftrekkenen ii spijze koopen;

5 Maar indien gij hern niet zendt, wij zullen niet aftrekken; want die man heeft Lot ons gezegd: Gij zult mijn aangezicht niet zien tenzij dat uw broeder met u is.

G En Israël zeide: Waarom hebt gij zoo kwalijk aan mij gedaan, dat gij dien man te kennen gaaft of gij nog cenen broeder hadt?

7 Én zij zeiden: Die man vraagde zeer nau wkeurig naar ons en naar onze maagschap, zeggende: Leeft uw vader nog? Hebt gij nog cenen broeder? Zoo gaven wij het hem te kennen volgens diezelfde woorden: hebben wij juist geweten dat hij zeggen zoude: Brengt uwen broeder af?

8 Toen zeide Juda tot Israël zijnen vader: Zend den jongeling \'met mij, zoo zullen wij ons opmaken en reizen, opdat wij leven en niet sterven, noch wij, noch gij, noch onze kinderkens.

9 Ik zal borg voor hem zijn, van mijne hand zultgij hemeischen: indien ik hem niet tot u breng en hem voor uw aangezicht stel, zoo zal ik alle dagen tegen u gezondigd hebben;

10 want hadden wij nietgezuimd, voorwaar, wij waren aireede tweemaal wedergekomen.

11 Toen zeide Israël hun vader tot hen: Is het nu alzóó, zoo doet dit: neemt van het kostelijkste dezes lands in uwe vaten, en brengt dien man een geschenk henen af: een weinig balsem en een weinig honig, specerijen en mirre, ter-pentijnnoten en amandelen.

12 En neemt dubbel geld in uwe hand; en brengt het geld, hetwelk in den mond uwer zakken terug-gebr.icht is, weder in uwe hand; misschien is het een feil,

13 Neemt ook uwen broeder mede, en maakt u op, keert wederom tot dien man.

14 En God de Almachtige geve u bannhartigheid voor het aangezicht diens mans, dat hij uwen anderen broeder en Benjamin met u late gaan. En mij aangaande, .als ik van kinderen beroofd ben, zoo ben ik beroofd.

-15 En die mannen namen dat geschenk, en namen dubbel geld in hunne hand, en Benjamin; en zij maakten zich op en togen af naar Egypte, en zij stonden voor Jozefs aangezicht.

10 Als nu Jozef Benjamin met Tien zag, zoo zeide hij totdengene die over zijn huis was: Breng deze mannen naar het huis toe, en slacht slachtvee, en maak het gereed; want deze mannen zullen te middage met mij eten.

17 De man nu deed gelijk Jozef gezegd had; en de man bracht deze mannen ten huize Jozefs.


-ocr page 68-

SIS 44.

54

GENK

IS Toen.vreesden deze mannen, omdat zij ten huize Jozefs gebracht werden, en zij zeiden: Ter oorzake van dat geld, dat in het begin in onze zakken wedergekeerd is, worden wij hier ingebracht, opdat hij ons overrompele en ons overvalle, en ons lot slaven neme, met onze ezelen.

19 Daarom naderden zij tot dien man die over Jozefs huis was, en zij spraken tot hem aan de deur van het huis ,

20 en zij zeiden: Och mijnheere, wij waren in het begin gewisselijk afgekomen om spijze te koopen;

21 het is nu geschied als wij in de herberg gekomen waren, en wij onze zakken open deden, zie, zoo was ieders geld in den mond van zijnen zak, ons geld in zijn gewicht, en wij hebben hetzelve wedergebracht in onze band;

22 wij hebben ook ander geld in onze hand afgebracht, om spijze te koopen: wij weten niet wie ons geld in onze zakken gelegd heeft.

23 En hij zeide: Vrede zij ulie-den, vreest niet: uw God eh uws vaders God heeft u eenen schat in uwe zakken gegeven; uw geld is tot mij gekomen. En hij bracht Simeon tot hen uit.

24 Daarna bracht de man deze mannen in Jozefs huis, en hij gaf water, en zij wieschen hunne voeten; hij gaf ook aan hunne ezelen voeder.

25 En zij bereidden het geschenk, totdat Jozef kwam op den middag; want zij hadden gehoord dat zij aldaar brood zouden eten.

26 Als nu Jozef te huis gekomen was, zoo brachten zij hem het geschenk, hetwelk in hunne hand was, in het huis; en zij bogen zich voor hem ter aarde.

27 En hij vraagde ze naar hunnen welstand, en zeide: Is het wel met uwen vader, den grijsaard, daar gij van zeidet? Leeft hij nog?

28 En zij zeiden: Het is wel met uwen knecht onzen vader, hij leeft nog; en zij nijgden het hoofd cn bogen zich neder.

29 En hij hief zijne oogen op en zag Benjamin zijnen broeder, zijner moeders zoon en zeide: Is dit uw kleinste broeder, daar gij lot mij van zeidet? Daarna zeide hij: Mijn zoon. God zij u genadig.

30 En Jozel haastte zich, want zijn ingewand ontstak jegens zijnen broeder, en hij zocht te wee-nen; en hij ging quot;in eene kamer en weende aldaar.

31 Daarna wiesch hij zijn aangezicht en kwam uit, en hij bedwong zichzelven, en zeide: Zet brood op.

32 En zij richtten voor hem aan in \'t bijzonder, en voor hen in \'tbijzonder, en voor de Egypte-naren, die met hem aten in \'t bijzonder; want de Egyptenaren mogen geen brood eten met de llebreën, dewijl zulks den Egyptenaren een gruwel is.

33 En zij zaten voor zijn aangezicht. de eerstgeborene naar zijne eerstgeboorte, en de jongere naar zijne jonkheid; dies verwonderden zich de mannen onder elkander.

34 En hij langde hun van de gerechten, die vóór hem waren; maar Benjamins gerecht was vijfmaal grooter dan de gerechten van hen allen. En zij dronken, en zij werden dronken met hem.

HOOFDSTUK 44.

En hij gebood dengene die over zijn huis was, zeggende: Vul de zakken dezer mannen met spijze, naardat zij zullen kunnen dragen, en leg ieder mans geld in den mond van zijnen zak;

2 en mijnen beker, den zilveren beker, zult gij leggen in den mond van des kleinsten zak, met het geld van zijn koren. En hij deed naar Jozefs woord, hetwelk hij gesproken had.

3 Des morgens als het licht werd, zoo liet men deze mannen trekken, hen en hunne ezelen.

4 Zij waren ter stad uitgegaan, zij waren nor/ niet ver gekomen, als Jozef tot dengene die over zijn huis was zeide: Maak u op en jaag die mannen achterna, en als gij ze zult achterhaald hebben, zoo zult gij tot hen zeggen: Waarom hebt gij kwaad voor goed vergolden?


-ocr page 69-

GENESIS 44

5 Is \'l deze niet daar mijn heer uit drinkt en daarbij hij iets zekerlijk waarnemen zal? Gij hebt kwalijk gedaan dat gij gedaan hebt.

O En liij achterhaalde ze en sprak tot hen die zelfde woorden.

7 En zij zeiden tot hem: Waarom spreekt mijn heere zulke woorden? Het zij verre van uwe knechten dat zij zoodanig een ding doen zouden.

8 Zie, het geld, dat wij in den mond onzer zakken vonden, hebben wij tot u uit het land Kanaan wedergebracht: hoe zouden wij dan uit uws heeren huis zilver olquot; goud stelen?

ü Bij wien van uwe knechten hij gevonden zal worden, dat hij sterve; en ook zullen wij mijnen heere tot slaven zijn.

10 En hij zeide: Dit zij nu ook alzóó naar uwe woorden: bij wien hij gevonden wordt, die zij mijn slaaf; maar gijlieden zult onschuldig zijn.

11 Ën zij haastten zich en een iegelijk zette zijnen zak neder op de aarde, en een iegelijk opende zijnen zak.

12 En hij doorzocht, beginnende met den grootste en voleindigende met den kleinste; en de beker werd gevonden in Benjamins zak.

13 Toen scheurden zij hunne kleederen; en ieder belaadde zijnen ezel, en zij keerden weder naar de stad.

14 En Juda kwam met zijne broeders in Jozefs huis, want hij was nog zelf aldaar; en zij vielen voor zijn aangezicht neder ter aarde.

15 En Jozef zeide tot hen: Wat daad is dit die gij gedaan hebt? Weet gij niet dat zulk een man als ik dat zekerlijk waarnemen zoude?

16 Toen zeide Juda: Wat zullen wij tot mijnen heere zeggen? Wat zullen wij spreken en wat zullen wij ons rechtvaardigen? God heeft de ongerechtigheid uwer knechten gevonden; zie, wij zijn mijns heeren slaven, zoo wij als hij in wiens hand de beker gevonden is.

17 Maar hij zeide: Het zij verre van mij zulks te doen: de man in wiens hand de beker gevonden is, die zal mijn slaaf zijn; doch trekt gijlieden op in vrede tot uwen vader.

18 Toen naderde Juda tot hem en zeide: Och mijn heere, laat toch uw knecht een woord spreken voor mijns heeren ooren, en laat uw toorn tegen uwen knecht niet ontsteken; want gij zijt even-gelijk Farao.

1!) Mijn heere vraagde zijne knechten, zeggende: Hebt gijlieden eenen vader of broeder?

20 Zoo zeiden wij tot mijnen heere: Wij hebben eenen ouden vader, en eenen jongeling des ouderdoms, den kleinste, wiens broeder dood is, en hij is alléén van zijne moeder overgebleven, en zijn vader heeft hem lief.

21 Toen zeidet gij tot uwe knechten: Brengt hem \'af tot mij, dat ik mijn oog op hem sla.

22 En wij zeiden tot mijnen heere: Die \'jongeling zal zijnen vader niet kunnen verlaten; indien hij zijnen vader verlaat, zoo zal hij sterven.

23 Toen zeidet gij tot uwe knechten: Indien uw kleinste broeder met u niet afkomt, zoo zult gij mijn aangezicht niet meer zien.

24 En liet is geschied als wij lot uwen knecht mijnen vader opgetrokken zijn, en wij hem mijns heeren woorden verhaald hebben,

25 en onze vader gezegd heeft: Keert weder, koopt ons een weinig spijze:

20 zoo hebben wij gezegd: Wij zullen niet mogen aftrekken: indien onze kleinste broeder bij ons is, zoo zullen wij aftrekken; want wij zullen het aangezicht van dien man niet mogen zien, zoo deze onze kleinste broeder niet bij ons is.

27 Toen zeide uw knecht mijn vader tot ons: Gijlieden weet dat mijne huisvrouw mij twee zonen gebaard heeft;

28 en de één is van mij uitgegaan, en ik heb gezegd: Voorwaar, hij is gewis verscheurd geworden ; en ik heb hem niet gezien tot nu toe:

20 indien gij nu dezen óók van mijn aangezicht wegneemt, en hem


-ocr page 70-

5(5

een verderf onlmoette, zoo zoudt gij mijne grauwe haren niet jammer ten grave doen nederdalen.

30 Nu dan, als ik tot uwen knecht mijnen vader kome, en de jongeling niet bij ons is. (alzoo zijne ziele aan dezes ziele gebonden is),

31 zoo zal het geschieden als hij ziet dat de jongeling er niet is, dat hij sterven zal; en uwe knechten zullen de grauwe haren van uwen knecht onzen vader met droefenis ten grave doen nederdalen.

32 Want uw knecht is voor dezen jongeling borg bij mijnen vader, zeggende: Zoo ik hem tot u niet wederbreng, zoo zal ik tegen mijnen vader alle dagen gezondigd hebben.

33 Nu dan, laat toch uw knecht voor dezen jongeling mijns heeren slaaf blijven, en laat de jongeling met zijne broederen optrekken;

34 want hoe zoude ik optrekken tot mijnen vader, indien do jongeling niet mei mij was? Opdat ik den jammer niet zie welke mijnen vader overkomen zoude.

HOOFDSTUK 45.

Toen konde zich Jozef niet bedwingen voor allen die bij hem stonden, en hij riep: Doet alle man van mij uitgaan. En er stond niemand bij hem, als Jozef zich aan zijne broederen bekend maakte.

2 En hij verhief zi jne stemme met weenen, zoodat het de Egyptenaren hoorden en dat het Farao\'s huis hoorde.

3 En Jozef zeide tot zijne broederen: Jk ben Jozef: leeft mijn vader nog? En zijne broeders konden hem niet antwoorden, want zij waren verschrikt voor zijn aangezicht.

4 En Jozef zeide tot zijne broederen: Nadert toch tot liiij; en zij naderden. Toen zeide hij:quot; Ik ben Jozef, uw broeder, dien gij naar Egypte verkocht hebt.

5 Maar nu, weest niet bekommerd, en de toorn ontsteke niet in uwe oogen, omdat gij mij hier-henen verkocht hebt; want God heeft mij Voor uw aangezicht gezonden tot behoudenis des levens.

G Want liet zijn nu twee Jaren iles hongers in liet midden des lands, eh er zijn nog vijf jaren, in dewelke geen ploöging noch oogst zijn zal;

7 doch God beeft mij voor ulie-der aangezicht henengezonden, om u een overblijfsel te stellen op de aarde, en om u bij het leven te behouden door cene groote verlossing,

8 Nu dan, gij hebt mij herwaarts niet gezonden, maar Gód zelf, die mij tot Farao\'s vader gesteld heeft, en tot eenen heere over zijn gan-sche huis en Regeerder in het gan-sche land van Egypte.

Ü Haast u en trekt op tot mijnen vader, en zegt tot hem: Al-zóó zegt uw zoon Jozef: God heeft mij tot eenen heer over gansch Egypteland gesteld: kom af tot mij en vertoef niet;

10 en gij zult in den lande Go-sen wonen, en nabij mij wezen, gij en uwe zonen en ile zonen uwer zonen, en uwe schapen en uwe runderen en al wat gij hebt,

11 en ik zal u aldaar onderhouden; want er zullen nog vijfjaren des hongers zijn: opdat gij\' niet verarmt, gij en uw huis en alles wat gij hebt.

12 En zie, uwe oogen zien het, en de oogen mijns broeders Benjamins, dat mijn mond tot u spreekt.

13 En boodschapt mijnen vader al mijne heerlijkheid in Egypte, en alles wat gij gezien hebt; en haast u en brengt mijnen vader herwaarts af.

14 En hij viel om Benjamins zijns broeders hals, en weende; en Benjamin weende aan zijnen hals.

15 En hij kuste alle zijne broederen en weende over hen; en daarna spraken zijne broeders met hem.

10 Als nu dit gerucht in het huis Farao\'s gehoon! werd, dat men zeide: Jozefs broeders zijn gekomen , was het goed in de oogen Farao\'s en in de oogen zijner knechten;

17 en Farao zeide lot Jozef: Zeg

GENESIS 45


-ocr page 71-

GENESIS 4G.

57

lol uwe broederen: Doet dil, laadt uwe beestenen trekt henen, gaat naar het land Kanaan;

■18 en neemt uwen vader en uwe huisgezinnen en komt tot mij, en ik zal u het beste van Egypte land geven, en gij zult het vette dezes lands eten:

19 gij zijl toch gelast; doet dit, neemt u \'uit Egypteland wagenen voor uwe kinderkens en voor uwe vrouwen, en voert uwen vader en komt.

20 En uw oog verschoone uw huisraad niet; want het beste van gansch Egypteland, dat zal uwe zijn.

21 En de zonen Israels deden al-zoo. Zoo gatquot; Jozel\' hun wagenen, naar Enrao\'s bevel; ook gaf hij hun teerkost op den weg.

22 Hij galquot; huu allen, één voor één, wisselkleederen; maar Benjamin gaf hij driehonderd zilverlingen en vijf wisselkleederen.

23 En zijnen vader desgelijks zond hij tien ezelen, dragende van het beste van Egypte, en tien ezelinnen dragende koren en brood, en spijze voor zijnen vader op den weg.

24 En hij zond zijne broeders henen, en zij vertrokken; en hij zeide tot hen: Verstoort u niet op den weg.

25 En zij trokken op uit Egypte, en zij kwamen in het land Kanafin tot hunnen vader Jakob.

2() Toen boodschapten zij hem, zeggende: Jozef leeft nog, ja ook is hij Regeerder in gansch Egypteland: toen bezweek zijn harte, want hij geloofde ze niet.

27 Maar als zij lot hem gesproken hadden alle de woorden .Jozefs, die hij lot hen gesproken had, en hij de wagens zag die Jozefs gezonden had om hem te voeren , zoo werd Jakobs huns vaders geest levendig,

28 en Israël zeide: Het is genoeg, mijn zoon Jozef leeft nog: ik zal gaan, en hem zien eer ik sterve.

HOOFDSTUK 4G.

En Israël verreisde met al wat hij had, en hij kwam te Ber-Séba, en hij offerde offeranden den God zijns vaders Isaaks.

2 En God sprak tot Israël in gezichten des nachts, en zeide: Jakob, Jakob! En hij zeide: Zie hier ben ik.

3 En hij zeide: Ik ben die God, uws vaders God; vrees niet af te trekken naar Egypte, want ik zal u- aldaar tot een groot volk zetten.

4 Ik zal met u aftrekken naar Egypte, en ik zal u doen weder optrekken, mede optrekkende; en Jozef zal zijne hand op uwe oogen leggen.

5 Toen maakte zich Jakob op van Ber-Séba; en de zonen Israels vervoerden Jakob hunnen vader, en hunne kinderkens, en hunne vrouwen, op de wagens, die Farao gezonden had om hem Ie voeren.

(5 En zij namen Ihin vee en hunne have die zij in het land Kanaan verworven hadden, en zij kwamen in Egypte, Jakob en al zijn zaad met hein;

7 zijne zonen en de zonen zijner zonen met hem, zijne dochteren en zijner zoneu dochteren, en al zijn zaad bracht hij met zich in Egypte.

8 En dit zijn de namen der zonen Israels die in Egypte kwamen, Jakob en zijne zonen. De eerstgeborene Jakobs, Ruben.

I) En llubens zonen: Henoch, en Pallu , en Hezron, en Karmi.

10 En Simeons zonen: Jemuël, en Jamin, en Chad, en Jachin, en Zohar, en Saul, de zoon eener Kanaanitische vrouw.

11 Kn de zonen van Levi: Ger-son, Kohath, en Merari.

li En de zonen van Juda: Er en Onan, en Sela, en Perez, en Zerah; doch Er en Onan waren gestorven in het land Kanaan. En de zonen van Perez waren Hezron en Ha mul.

13 En Issaschars zonen: Tola, en Pua, en Job, en Simron.

14 En Zebulons zonen: Sered, en Elon, en Jahlêël.

15 Dit zijn Lea\'s zonen, die zij Jakob gebaard heeft in Paddan-Aram, met Dina zijne dochter: alle de zielen zijner zonen en


-ocr page 72-

GËNËSIS 47.

zijner dochtcren waren drieëndertig.

16 En Gads zonen: Zifjon, en Haggi, Suni, en Ezbon, Eri, en Arodi, en Areli.

17 En Asers zonen: Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Berfa, en Serah hunne zuster; en de zonen van Berfa: Heber en Malkiel.

18 Dit zijn de zonen van Zilpa, die Laban aan zijne dochter Lea gegeven had; en zij baarde Jakob deze zestien zielen.

19 De zonen van Rachel, Jakobs huisvrouw: Jozef en Benjamin.

20 En aan Jozef werden geboren in Egypteland Manasse en Efraïm die Asnath, de dochter van Po tiféra, den Overste te On, hern baarde.

21 En Benjamins zonen: Bela, Becher, en Asbel, Gera, en Naii-man, Ehi, en lios, Muppim, en liuppim, en Ard.

22 Dit zijn Rachels zonen, die aan Jakob geboren zijn, al te zanien veertien zielen.

23 En Dans zonen: Husim.

24 En Naftali\'s zonen: Jahzeël, en Guni, en Jezer, en Sillein.

25 Dit zijn de zonen van Bilha, die Laban aan zijne dochter Rachel gegeven had; en zij baarde dezelve aan Jakob, zij waren allen zeven zielen.

26 Al de zielen die niet Jakob in Egypte kwamen, uit zijne heupe gesproten, uitgenomen de vrouwen der zonen Jakobs, waren allen zes en zestig zielen.

27 En Jozefs zonen, die hem in Egypte geboren zijn, waren twee zielen. Al de zielen van iiot huis Jakobs, die in Egypte kwamen, waren zeventig.

28 En hij zond Juda voor zijn aangezicht henen tot Jozef, om j voor zijn aangezicht aanwijzing te doen naar Gosen; en zij kwamen in het land Gosen.

20 Toen spande Jozef zijnen wagen aan, en toog op, zijnen vader Israël tegemoet naar Gosen; en als hij zich aan hem vertoonde, zoo viel hij hem aan zijnen hals, en weende lang aan zijnen hals.

30 En Israël zeide tot Jozef: Dat ik nu stervo, nadat ik uw aangezicht gezien heb, dat gij nog leeft.

31 Daarna zeide Jozef tot zijne broederen en tot zijns vaders huis: Ik zal optrekken en Farao boodschappen, en tot hem zeggen: Mijne broeders en mijns vaders huis, die in het land Kanaan waren, zijn tot mij gekomen;

32 en die mannen zijn schaapherders, want het zijn mannen die met vee omgaan; en zij hebben hunne schapen en hunne runderen, en al wat zij hebben, medegebracht.

33 Wanneer het nu geschieden zal dat Farao ulieden zal roepen, en zeggen: Wat is uwe hanteering?

34 zoo zult gij zeggen: Uwe knechten zijn mannen die van onze jeugd af tot nu toe met vee omgegaan hebben, zoo wij als onze vaders; opdat gij in het land Gosen moogt wonen; want alle schaapherder is den Egyptenaren een gruwel.

HOOFDSTUK 47.

Tuen kwam Jozef en boodschapte Farao, en zeide: Mijn vader en mijne broeders, en hunne schapen en hunne runderen, met alles wat zij hebben, zijn gekomen uit het land Kanaan; en zie, zij zijn in het land Gosen.

2 En hij nam een deel zijner broederen, te weten vijf mannen, en hij stelde ze voor Farao\'s aangezicht.

3 Toen zeide Farao tol zijne broederen : Wat is uwe hanteering? En zij zeiden tot Farao: Uwe knechten zijn schaapherders, zoo wij als onze vaders.

4 Voorts zeiden zij tot Farao: Wij zijn gekomen om als vreemdelingen in dit land te wonen; want daar is geen weide voor de schapen, die uwe knechten hebben, dewijl de honger zwaar is in het land Kanaan; en nu, laat toch uwe knechten in het land Gosen wonen.

5 Toen sprak Farao tot Jozef, zeggende: Uw vader en uwe broeders zijn tot u gekomen;

6 Egypteland is voor uw aangezicht , doe uwen vader en uwe broeders in het beste van het land wonen; laat ze in het land Gosen wonen, en zoo gij weet dat er onder hen kloeke mannen zijn, zoo


-ocr page 73-

GENESIS 47.

50

stel ze tot veemeesters over het-gene dat ik heb.

7 En Jozef bracht zijnen vader Jakob mede, en stelde hem voor Farao\'s aangezicht; en Jakob zegende Farao.

8 En Farao zeide tot Jakob: Koevele zijn de dagen der jaren uws levens?

9 En Jakob zeide tot Farao: De dagen der jaren mijner vreemdelingschappen zijn honderd en dertig jaren; weinig en kwaad zijn de dagen der jaren mijns levens geweest, en hebben niet bereikt de dagen van de jaren des levens mijner vaderen, in de dagen hunner vreemdelingschappen.

10 En Jakob zegende Farao, en ging uit van Farao\'s aangezicht.

11 En Jozef bestelde voor Jakob en zijne broederen woningen, en hij gaf hun eene bezitting in Egyp-teland, in het beste van het land, in het land Rameses, gelijk als Farao geboden had.

12 En Jozef onderhield zijnen vader en zijne broeders en het gansche huis zijns vaders metbrood, tot den mond der kinderkens toe.

13 En er was geen brood in het gansche land, want de honger was zeer zwaar; zoodat het land van Egypte en het land Kanaan raasden vanwege dien honger.

14 Toen verzamelde Jozef al het geld dat in Egypteland en in het land Kanaan gevonden werd, voor het koren dat zij kochten; en Jozef bracht dat geld in Farao\'s huis.

15 Als nu het geld uit Egypteland en uit het land Kanaan verteerd was, kwamen al de Egyptenaars tot Jozef, zeggende: Geef ons brood, want waarom zouden wij in uwe tegenwoordigheid sterven? want het geld ontbreekt.

16 En Jozef zeide: Geeft uw vee, zoo zal ik het u geven voor uw vee, indien het geld ontbreekt.

17 Toen brachten zij hun vee tot Jozef, en Jozef gaf hun brood, voor paarden en voor het vee van schapen en voor het vee van runderen en voor ezels; en hij voedde ze met brood dat jaar, voor al hun vee.

18 T®en dat jaar voleindigd was, zoo kwamen zij tot hem in het tweede jaar, en zeiden tot hem: Wij zullen het voor mijnen heere niet verbergen, alzoo het geld verteerd is en de bezitting der beesten gekomen aan mijnen heere, zoo is er niet anders overgebleven voor het aangezicht mijns heeren, dan ons lichaam en oiis land.

19 Waarom zullen wij voor uwe oogen sterven, zoo wij als ons land? Koop ons en «ns land voor brood, zoo zullen wij en ons land Farao dienstbaar zijn; en geef zaad, opdat wij leven en niet sterven, en het land niet woest worde.

20 Alzoo kocht Jozef het geheele land van Egypte voor Farao; want de Egyptenaars verkochten ieder zijnen akker, dewijl de honger sterk over hen geworden was; zoo werd het land Farao\'s eigendom.

21 En aangaande het volk, dat zette hij over in de steden, van het ééne tot het andere uiterste der land pale van Egypte.

22 Alleen het land der Priesteren kocht hij niet; want de Priesters hadden een bescheiden deel van Farao, en zij aten hun bescheiden deel, hetwelk Farao hun gegeven had; daarom verkochten zij hun land niet.

23 Toen zeide Jozef tot het volk: Zie, ik heb heden u en uw land gekocht voor Farao: zie daar is zaad voor u, opdat gij het land bezaait.

24 Doch met do opbrengsten zal het geschieden, dat gij Farao het vijfde deel zult geven, en de vier dèelen zullen voor u zijn, tot zaad des velds, en tot uwe spijze en dergenen die in uwe huizen zijn, en om te eten voor uwe kinderkens.

25 En zij zeiden: Gij hebt ons leven behouden; laat óns genade vinden in mijns hoeren oogen , en wij zullen Farao \'s knechten zijn.

26 Jozef dan stelde dit in tot eene wet, tot op dezen dag, over het land van Egypte, dat Farao het vijfde deel zoude hebben; behalve dat alleen het land der Priesteren Farao\'s niet werd.

27 Zoo woonde Israël in het land


-ocr page 74-

GENESIS 48.

»K)

van Egyplc, in liet land Gosen, en zij stelden zich als bezitters daarin. en zij werden vruchtbaar en vermeerderden zeer.

28 En Jakob leefde in het land van Egypte zeventien jaar; zoodat de dagen Jakobs, de jaren zijns levens, geweest zijn honderd zeven en veertig jaar.

20 Als nu de dagen Israels naderden, dat hij sterven zoude, zoo riep liij zijnen zoon Jozef en zeide tot hem: Indien ik nu genade gevonden heb in uwe oogen, zoo leg toch uwe hand onder mijne heupe, en doe weldadigheid en trouw aan mij, en begraaf mij toch niet in Egypte;

30 maar dat ik bij mijne vaderen ligge; hierom zult gij mij uit Egypte voeren, en mij in hunquot;graf begraven. En hij zeide: Ik zal doen naar uw woord.

31 lui hij zeide: Zweer mij; en hij zwoer hem. En Israël boog zich ten hoofde van het bed.

HOOFDSTUK 48.

Het geschiedde nu na deze dingen dat men Jozef zeide: Zie, uw vader is krank. Toen nam hij zijne twee zonen met zich, Manasseen Efraïm.

2 En men boodschapte Jakob en men zeide: Zie, uw zoon Jozef komt tot u. Zoo versterkte zich Israël, en zat op het bed.

3 Daarna zeide Jakob tot Jozef: God de Almachtige is mij verschenen te Luz in het land Kanaiin, en hij heeft mij gezegend:

^ 4 en hij heeft tot mij gezegd: Zie, ik zal u vruchtbaar maken en u vermenigvuldigen, en u tot eenen hoop van volkeren stellen; en ik zal uwen zade na u dat land tot eene eeuwige bezitting geven.

5 Nu dan, uwe twee zonen, die ii m Egypteland geboren waren eer ik in Egypte tot u gekomen ben, zijn mijne: Efraïm en Ma-nasse zullen mijne zijn, als Ruben en Simeon.

0 Maar uw geslacht, dat gij na hen zult gewinnen, zullen uwe zijn: zij zullen naar hunner broederen naam genoemd worden in hun erfdeel.

7 Toen ik nu van Paddan kwam, zoo is Rachel bij mij gestorven in het land Kanaiin op\' den weg, als het nog eene kleine streek lands was om tot Efrath Ie komen; en ik begroef haar aldaar aan den weg van Efrath, dewelke is Bethlehem.

8 En Israël zag de zonen Jozefs, en zeide: Wiens zijn deze?

0 En Jozef zeide tot zijnen vnder: Zij zijn mijne zonen, die Godmij hier gegeven heeft. En hij zeide: Breng ze toch tot mij, dat ik ze zegene.

10 Doch Israëls oogen waren zwaar van ouderdom, hij konde niet zien. En hij deed ze tot hem naderen; toen kuste hij ze en omhelsde ze.

11 En Israël zeide tot Jozef: Ik had niet gemeend uw aangezicht te zien, maar zie. God heeft mij ook uw zaad doen zien.

12 Toen deed hen Jozef uitgaan van zijne knieën, en hij boog zich voor zijn aangezicht neder ter aarde;

13 en Jozef nam die beiden, Efraïm met zijne rechterhand, tegenover Israëls linkerhand, en Manasse met zijne linkerhand, tegenover Israëls rechterhand, en hij deed ze tot hem naderen.

14 Maar Israël strekte zijne rechterhand uit en leide ze op Efraïms hoofd, hoewel hij de minste was, en zijne linkerhand op Manasse\'s hoofd; hij bestuurde zijne handen verstandiglijk, want Manasse was de eerstgeborene.

15 En hij zegende Jozef en zeide: De God, voor wiens aangezicht mijne vaderen Abraham en Isank gewandeld hebben, die God die mij gevoed heeft van dat ik was tot op dezen dag,

lü die Engel die mij verlost heeft van alle kwaad, zegene deze jongelingen, en dat in hen mijn naam genoemd worde, en de naam mijner vaderen Abraham en Isaiik, en dat zij vermenigvuldigen als vis-schen in menigte, in het midden des lands.

17 Toen Jozef zag dat zijn vader zijne rechterhand op Efraïms hoofd leide, zoo was het kwaad in zijne oogen, en hij vatte zijns vaders


-ocr page 75-

G J-: N E

hand, om die van Efraïms hoofd oj) Manasse\'s lino ld af Ie brengen;

IS en Jozef zoide tot zijnen vader: Niet alzóó, mijn vader ; want deze is de eersIgeborene: leg uwe rechterhand op zijn hoofd.

19 Maar zijn vader ■weigerde het en zeide: Ikquot; weet het, mijn zone, ik weet liet; hij zal óók tot een volk worden, en hij zal óók groot worden; maar nogtans zal zijn kleinste broedergrooter worden dan hij, en zijn zaad zal eene volle menigte van volkeren worden.

20 Alzoo zegende hij ze te dien dage, zeggende: In 11 zal Israël zegenen, zeggende: God stelle u als Efraïm en als Manasse. En hij stelde Efraïm vóór Manasse.

21 Daarna zeide Israël tot Jozef: Zie, ik sterve; maar God zal met ii lieden wezen, en hij zal u weder-brengen in het land uwer vaderen.

22 En ik heb u een stuk lands gegeven boven uwe broederen, hetwelk ik met mijn zwaard en met mijnen boog uit der Amori-ten hand genomen heb.

HOOFDSTUK 40.

Daarna riep Jakob zijne zonen, en hij zeide: Verzamelt u, en ik zal ü verkondigen hetgeen u in de navolgende dagen wedervaren zal.

2 Komt te zamen en hoort gij zonen Jakobs, en hoort naar Israël, uwen vader.

3 Ruben, gij zijt mijn eerstgeborene, mijne kracht en het begin mijner macht, de voortreffelijkste in hoogheid en de voor-treffelijkste in sterkte.

4 Snelle alloop als der wateren, gij zult de voortreffelijkste niet zijn; want gij hebt uws vaders leger beklommen; toen hebt gij het geschonden; hij heeft mijn bedde beklommen.

5 Simeon en Levi zijn gebroeders: hunne handelingen zijn werktuigen van geweld.

Ü Mijne ziele kome niet in hunnen verborgen raad, mijne eere worde niet vereenigd met hunne vergadering; want in hunnen toorn hebben zij de mannen dood-

S1S 49. 01

geslagen, en in hunnen moedwil hebben zij de ossen weggerukt.

7 Vervloekt zij hun toorn, want. hij is liéftig, en hunne verbolgenheid, want zij is hard: ik zal zo verdoelen onder Jakob en zal ze verstrooien onder Israël.

8 Juda. gij zijt het, u zullen uwe broeders loven; uwe hand zal zijn op den nok uwer vijanden; voor n zullen zich uws vaders zonen nederbuigen.

9 Juda is een leeuwenwelp, gij zijt van den roof opgeklommen, mijn zoon; hij kromt zich, hij legt zich neder ais een leeuw, en als een oude leeuw: wie zal hem doen opstaan?

10 De Scepter zal van Juda niet wijken, noch de Wetgever van tusschen zijne voeten, totdat Silo komt, en denzelven zullen de volkeren gehoorzaam zijn.

11 Hij bindt zijnen jongen ezel aan den wijnstok, en het veulen

ner ezelinne aan den edelsten Jnstok; hij wascht zijn kleed in den wijn, en zijnen mantel in wijndruivcnbloed;

12 hij is roodachtig van oogen door dén wijn, en wit van tanden dcor de melk.

13 Zebulon zal aan de haven der zeeën wonen, en hij zal aan de haven der schepen wezen; en zijne zijde zal zijn naar Sidon.

14 Issaschar is een sterk gebeende ezel, nederliggende tusschen twee pakken.

15 Toen hij de ruste zag dat zij goed was, en het land dat het lustig was, zoo boog hij zijnen schouder om te dragen, en was dienende onder schatting.

10 Dan zal zijn volk richten, als een der stammen Israëls.

17 Dan zal een slange zijn aan den weg, een adderslang nevens het pad, bijtende de verzenen des paards, dat zijn rijder achterover valle.

18 Op uwe zaligheid wacht ik, Hkere.

19 Aangaande Gad, eene bende zal hem aanvallen; maar hij zal

| zc aanvallen in het einde. I 20 Van Aser, .zijn brood zal ] vet zijn, en hij zal koninklijke ! lekkernijen leveren.


-ocr page 76-

GENESIS 50.

62

21 Naftali is eene losgelaten hinde; hij geeft schoone woorden.

22 Jozef is een vruchtbare tak, een vruchtbare tak «aan eene fontein; elk der takken loopt over den muur.

23 De schutters hebben hein wel bitterheid aangedaan, en hem beschoten en gehaat;

24 maar zijn boog is in stevigheid gebleven, en de finnen zijner handen zijn gesterkt geworden door de handen van den Machtige Jakobs; vandaar is hij een herder, een steen Israels:

25 van uws vaders God die u zal helpen, en van den Almachtige die u zal zegenen met zegeningen des hemels van boven, met zegeningen des afgronds die daaronder ligt, met zegeningen der borsten en der baarmoeder.

26 De zegeningen uws vaders gaan te boven de zegeningen mijner voorvaderen, tot aan hot einde van de eeuwige heuvelen; die zullen zijn op het hoofd Jozefs, en op den hoofdschedel des afgezonderden zijner broederen.

21 Benjamin zal als een wolf verscheuren; des morgens zal hij roof eten en des avonds zal hij buit uitdeden.

28 Alle deze stammen Israëls zijn twaalf; en dit is hetgeen hun vader tot hen sprak, als hij ze zegende: hij zegende ze ieder naar zijnen -hijzonderen zegen.

29 Daarna gebood liij hun en zeide tot hen: Ik worde verzameld tot mijnen volke, begraaft mij bij mijne vaderen, in de spelonk, die daar is in den akker Efrons des Hethiets,

30 in de spelonk, welke is in den akker van Machpela, die tegenover Mamré is in het land Kanaan, die Abraham met dien akker gekocht heeft van Efron den Hethiet, tot eene erfbegra-fenis.

31 Aldaar hebben zij Abraham begraven en Sara zijne huisvrouw , daar hebben zij Isaak begraven en Rebekka zijne huisvrouw, en daar heb ik Lea begraven.

32 De akker, en de spelonk die daarin is, is gekocht van de zonen Heths.

33 Als Jakob voleindigd had zijnen zonen bevelen te geven, zoo leide hij zijne voeten tezamen op het bedde, en hij gaf den geest, en hij werd verzameld tot zijne volkeren.

HOOFDSTUK 50.

Toen viel Jozef op zijns vaders aangezicht, en hij weende over hem, en kuste hem.

2 En Jozef gebood zijnen knechten den medicijnmeesters dat zij zijnen vader balsemen zouden, en de medicijnmeesters balsemden Israël.

3 En veertig dagen werden aan hem vervuld; want alzoo werden vervuld de dagen dergenen di-e gebalsemd werden; en de Egyp-tenaars beweenden hem zeventig dagen.

4 Als nu de dagen zijns be-weenens over waren, zoo sprak Jozef tot den huize Farao\'s, zeggende: Indien ik nu genade gevonden heb in uwe oogen, spreekt toch voor de ooren Farao\'s zeggende :

5 Mijn vader hoeft mij doen zweren, zeggende: Zie, ik sterf: in mijn graf dat ik mij in het land Kanaan gegraven heb, daar zult gij mij begraven. Nu dan, laat mij toch optrekken dat ik mijnen vader begrave, dan zal ik wederkomen.

G En Farao zeide: Trek op en begraaf uwen vader, gelijk hij u heeft doen zweren.

7 En Jozef toog öp om zijnen vader te begraven; en met hem togen öp alle Farao\'s knechten, de oudsten van zijn huis, en alle de oudsten van het land van Egypte;

8 daartoe het gansche huis Jozefs, en zijne broeders, en het huis zijns vaders; alleen hunne kleine kinderen en hunne schapen en hunne runderen lieten zij in het land Gosen.

9 En met hem togen óp zoo wagenen als ruiteren; en het was een zeer zwaar heir.

10 Toen zij nu aan de vlakte


-ocr page 77-

ËXODÜS i.

van liet doornbosch kwamen, dat aan gene zijde van den Jordaan is, hielden zij daar eene groote en zeer zware rouwklage, en hij maakte zijnen vader eenen rouw van zeven dagen.

l i Als nu de inwoners des lands, de Kanaaniten, dien rouw zagen in do vlakte van liet doornbosch, zoo zeiden zij: Dit is een zware rouw der Egyptenaren; daarom noemde men haren naam Abel-Mizraïm, die aan het veer van den Jordaan is.

12 En zijne zonen deden hem gelijk als liij hun geboden had;

13 want zijne zonen vervoerden hem in het land Kanaan, en begroeven hem in de spelonk des akkers van Machpela, dewelke Abraham met den akker gekocht had toteene erfbegralenisvan Efron, den Hethiet, tegenover Mamró.

14 Daarna keerde Jozef weder in Egypte, hij en zijne broeders, en allen die met hem opgetogen waren om zijnen vader te begraven, nadat hij zijnen vader begraven had.

15 Toen Jozefs broeders zagen dat hun vader dood was, zoo zeiden zij: Misschien zal Jozef ons haten, en hij zal ons gewis vergelden al het kwaad dat wij hem aangedaan hebben.

16 Daarom lieten zij aan Jozef zeggen: Uw vader heeft bevolen vóór zijnen dood, zeggende:

17 Zoó zult gij tot Jozef zeggen: Ei, vergeef toch de overtreding uwer broederen en hunne zonde; want zij hebben u kwaad aangedaan, maar nu, vergeef toch de overtreding der dienaren des Gods uws vaders. En Jozef weende als zij tot hem spraken.

18 Daarna kwamen ook zijne broeders en vielen voor hem neder, en zeiden: Zie, wij zijn u tot knechten.

19 En Jozef zeide tot hen : Vreest niet, want ben ik in de plaats van God?

20 Gijlieden wel, gij hebt kwaad togen mij gedacht, doch God heeft dat ten goede gedacht, opdat hij deed gelijk het te dezen dage is, om een groot volk in het leven te behouden.

21 Nu dan, vreest niet: ik zal u en uwe kleine kinderen onderhouden. Zoo troostte hij hen en sprak naar hun harte.

22 Jozef dan woonde in Egypte, hij en zijns vaders huis; en Jozef leefde honderd en tien Jaren;

23 en Jozef zag van Kfraïrn kinderen des derden gelids, en de zonen Machirs, des zoons van Ma-nasse werden op Jozefs knieën geboren.

24 En Jozef zeide tot zijne broederen: Ik sterve; maar God zal u gewisselijk bezoeken, en hij zal u deen optrekken uit dit land, in het land, hetwelk hij Abraham, Isaak en Jakob gezworen heeft.

25 En Jozef deed de zonen Israels zweren, zeggende: God zal u gewis bezoeken, zoo zult gij mijne beenderen van hier opvoeren.

26 En Jozef stierf, honderd en tien Jaren oud zijnde; \'en zij balsemden hem, en men leide hem in eene kist in Egypte.


HET TWEEDE BOEK VAN MOZES

GENAAMD

EXODUS.

hoofdstuk i.

t)it nu zijn de namen der zonen Israëls, die in Egypte gekomen zijn met Jakob; zij kwamen erin, elk met zijn huis.

2 Ruben, Simeon, Levi, en Juda;

3 Issasehar, Zebulon, en Benjamin ;

4 Dan, en Naftali, Gad, en Aser.

5 Alle de zielen nu die uit Jakobs heupe voortgekomen zijn, waren


-ocr page 78-

EXODUS 2.

zeventig zielen; doch Jozef was in Egypte.

0 Toen nu Jozef gestorven was, en alle zijne broeders, en al dat geslacht,

7 zoo werden de kinderen Israels vruchtbaar en wiessen overvloe-diglijk en zij vermeerderden en werden gansch zeer machtig, zoodat het land met hen vervuld werd.

8 Daarna stond een nieuwe Koning op over Egypte, die Jozef niet gekend had;

9 die zeide tot zijn volk: Zie, het volk der kinderen Israels is veel, ja machtiger dan wij:

10 kom aan, laat ons wijselijk jegens hetzelve handelen, opdat het niet vermenigvuldige, en hel geschiede als er eenige krijg voorvalt , dat het zich óók voege bij onze vijanden, en tegen ons strijde, en uit het land optrekke.

11 En zij stelden Oversten der schattingen over hetzelve, om het te verdrukken met hunne lasten; want men bouwde Farao schat-steden. Pithom en Raamses.

12 Maar hoe meer zij het verdrukten, hoe meer het vermeerderde en hoe meer het wies; zoodat zij verdrietig waren vanwege de kinderen Israels.

13 En de Egyptenaars deden de kinderen Israëls dienen met hardheid ,

14 zoodat zij hun het leven bitter maakten met harden dienst, in leem on in tichelsteenen, en met allen dienst op het veld, met al hunnen dienst, dien zij hen deden dienen met hardheid.

15 Daarenboven sprak de Koning van Egypte tot de vroedvrouwen der Hebreïnnen, welker ééner naam Sifra, en der andere Pua was,

16 en zeide: Wanneer gij de Hebreïnnen in het baren helpt, en ziet ze op de stoelen, is net een zoon zoo doodt hem, maar is het eene dochter, zoo laat ze leven,

17 Doch de vroedvrouwen vreesden God, en deden niet gelijk als de Koning van Egypte tot haar gesproken had, manr /.ij behielden de jongskens in \'t leven.

18 Toen riep de Koning van Egypte de vroedvrouwen, en zeide tot haar: Waarom hebt gijlieden deze zake gedaan, dat gij de jongskens in quot;t leven behouden hebt?

19 En de vroedvrouwen zeiden tot Farao: Omdat de Hebreïnnen niet zijn gelijk de Egyptische vrouwen. want zij zijn sterk: eer de vroedvrouw tot haar komt, zoo hebben zij gebaard.

20 Daarom deed God de vroedvrouwen goed; en het volk vermeerderde en het werd zeer machtig.

21 En het geschiedde dewijl de vroedvrouwen God vreesden, zoo bouwde hij haar huizen.

22 Toen gebood Farao aan al zijn volk, zeggende: Alle zonen die geboren worden zult gij in de rivier wei\'pen, maar alle dochteren in \'t leven behouden.

HOOFDSTUK 2.

En een man van den huize Levi ging en nam eene dochter van Levi;

2 en de vrouw werd zwanger, en baarde eenen zoon. Toen zij hem nu zag dat hij schoon was, zoo verborg zij hem drie maanden;

3 doch als zij hem niet langer verbergen konde, zoo nam zij voor hem eene kiste van biezen, en belijmde ze met lijm en met pek; en zij leide het jongsken daarin, en leide ze in de biezen aan den oever der rivier.

4 En zijne zuster stelde zich van verre, om te welen wat hem gedaan zoude worden.

5 En Farao\'s dochter ging af om zich te wasschen in de rivier , en hare jonkvrouwen wandelden aan den kant der rivier. Toen zij de kiste in het midden van de bi 3-zen zag, zoo zond zij hare dienstmaagd henen en liet ze halen.

6 Toen zij ze open deed zoo zag zij dal jongsken, en zie, het knaapje weende; en zij werd met barmhartigheid bewogen over hetzelve, en zij zeide: Dit is een van de Jongskens der Ilebreën.

7 Toen zeide zijne zuster tot Farao\'s dochter; Zal ik henengaan en u eene voedstervrouw uit de Hebreïnnen roepen, die u dat jongsken zoge?


-ocr page 79-

E X 01

B En clc doch tel\' Farao\'s zeide tot haar; Ga henen. En de jonge maagd ging en riep des jongskens moeder.

9 Toen zeide Farao\'s dochter tot haar: Neem dit jongsken henen en zoog het mij, ik zal 11 uw loon geven. En de vrouw nam het jongsken en zoogde het.

10 En toen het jongsken groot geworden was, zoo bracht zij het tot Farao\'s dochter, en het werd haar ten zoon; en zij noemde zijnon naam Mozes, en zeide: Want ik heb hem uit hot water getogen.

11 En het geschiedde in die dagen, toen Mozes groot geworden was, dat hij uitging tot zijne broederen en hunne lasten bezag; en hij zag dat een Egyptisch man eenen Hebreeuwschen hum uit zijne broederen sloejj;

12 en hij zag herwaarts en derwaarts , en toen hij zag dat er niemand was, zoo versloeg hij don Egyptenaar, en verborg hem in het zand.

13 Des anderequot; daags ging hij wederom uit, ea zie, twee He-breeuwsche mannen twistten; en hij zeide tot dengeen die onrecht had: Waarom slaat gij uwen naaste?

14 Hij dan zeide: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gezet? Zegt gij dit om mij te dooden, gelijk gij den Egyptenaar gedood hebt\'? Toen vreesde Mozes en zeide: Voorwaar deze zake is bekend geworden.

15 Als nu Farao deze zake hoorde, zoo zocht hij Mozes te dooden; doch Mozes vlood voor Farao\'s aangezicht en woonde in het land Midian, en hij zat bj eenen waterput.

10 En de priester in Midian had zeven dochteren die kwamen om te putten, en vulden de drinkbakken, om de kudde baars vaders te drenken.

17 Toen kwamen de herders en zij dreven ze van daar; doch Mozes stond op en verloste ze, en drenkte hare kudden.

18 En toen zij tot haren vader Rehuël kwamen, zoo sprak hij: Waarom zijt gij heden zoo haastig wedergekomen?

U S 3. 60

19 Toert zeiden zij: Een Egyptisch man heeft ons verlost uit de hand der herderen, en hij heeft ook overvloedig voor ons geput, en de kudde gedrenkt.

20 Fn hij zeide tot zijne dochteren: Waar is hij tochquot;? Waarom liet gij den man nu gaan? lloept hem dat hij brood ete.

21 En Mozes bewilligde bij den man te wonen, en hij gaf Mozes zijne dochter Zippora.

22 Die baarde eenen zoon, en hij noemde zijnen naam Gersom; want hij zeide:quot; Ik ben een vreemdeling geworden in een vreemd land.

23 En het geschiedde na vele dezer dagen, als de Koning van Egypte gestorven was, dat de kinderen Tsraëls zuchtten en schreeuwden over den dienst, en hun ge-krijt over hunnen dienst kwam op tot God;

24 en God hoorde hun gekerm, en God gedacht aan zijn verbond met Abraham, met Isaak, en met Jakob;

25 en God zag de kinderen Israels aan, en God kende hen.

HOOFDSTUK 3.

En Mozes hoedde de kudde zijns schoonvaders Jethro\'s, des Priesters in Midian; en hij leidde de kudde achter de woestijn, en hij kwam aan den berg Gods, aan Horeb;

2 en de Engel des Heeren verscheen hem in eene vlamme des vuurs uit het midden van een braambosch; en hij zag, en zie, het braambosch brandde in het vuur en het braambosch werd niet verteerd.

3 En Mozes zeide; Ik zal mij nu daarhenen wenden, en zien dat groot gezicht, waarom het braambosch niet verbrandt.

4 Toen nu de Heere zag dat hij zich daarhenen wendde om te zien, zoo riep God tot hem uit het midden van het braambosch en zeide: Mozes, Mozes! En hij zeide: Zie hier ben ik.

5 En hij zeide: Nader hier niet toe; trek uwe schoenen uit van uwe voeten, want de plaats waar gij op staat is heilig land.

6 Hij zeide voorts: Ik ben de


3

-ocr page 80-

66

God uws vaders, do flod Abrahams, do God Isaiiks, on do God Jakobs. En Mozes verborg zijn aangezicht, ■want hij vreesde God aan te zien.

7 En de Heere zeide: Ik heb zeer wel gezien de verdrukking mijns volks, hetwelk in Egypte is, en heb hun geschrei gehooid vanwege hunne drijvers; want ik heb hunne smarten bekend.

8 Daarom ben ik nedergekomen, dat ik het verlosse uit de hand der Egyptenaren, en het opvoere uit dit land naar een goed en ruim land, naar een land, vloeiende van melk en honig, tot de plaatse der Kanaaniten en der Hethiten en der Amoriten en der Fereziten cn der Keviten en dor Jebusiten.

9 En nu, zie, het geschrei der kinderen IsraëLs is tot mij gekomen, en ook heb ik gezien de verdrukking, waarmede de Egyp-tenaars hen verdrukken:

10 zoo kom nu, en ik zal u tot Farao zenden, opdat gij mijn. volk, de kinderen Israëls, uit Egypte voert.

11 Toen zeide Mozes tot God: Wie ben ik, dat ik tot Farao zoude gaan, en dat ik de kinderen Israëls uit Egypte zoude voeren?

12 Hij dan zeide: Ik zal voorzeker met u zijn, en dit zal u een teeken zijn dat ik u gezonden heb: wanneer gij dit volk uit Egypte geleid hebt, zult gijlieden God dienen op dezen berg.

13 Toen zeide Mozes tot God: Zie, wanneer ik tot de kinderen Israëls kom en tot hen zeg: De God uwer vaderen heelt mij tot ulieden gezonden, en zij mij zeggen: Moe is zijn naam? wat zal ik tot hen zeggen?

14 En God zeide tot Mozes: Ik zal zijn die ik zijn zal. Ook zeide hij: Alzóó zult gij tot de kinderen Israëls zeggen: Ik zal zijn heeft mij tot ulieden gezonden.

15 Toen zeide God verder tot Mozes: Aldus zult gij tot do kinderen Israëls zeggen: De Heeue , uwer vaderen God, de God Abrahams, de God Isaiiks, cn de God Jakobs, heeft mij tot ulieden gezonden; dat is mijn naam eeuwiglijk, en dat is mijne gedachtenis van geslachte tot geslachte.

16 Ga henen en verzamel de oudsten van Israël, en zeg tot hen: De Heeue, uwer vaderen God, is mij verschenen, de God Abrahams, Isaiiks en Jakobs, zeggende: Ik heb ulieden getrouwelijk bezocht en hetgeen dat ulieden in Egypte is aangedaan:

Ï7 daarom heb ik gezegd: Ik zal ulieden uit de verdrukking van Egypte opvoeren tot het land der Kanaaniten en der Hethiten en der Amoriten en der Fereziten en der Heviten en der Jebusiten, tot het land, vloeiende van melk en honig.

18 En zij zullen uwe stemme hooien; cn gij zult gaan, gij en de oudsten van Israël, tot den Koning van Egypte, en gijlieden zult tot hem zeggen: De Heeue de God der Hebreën, is ons ontmoet; zoo laat ons nu toch gaan den weg van drie dagen in de woestijn, opdat wij den Heeue onzen God otferen. *

19 Doch ik weet dat de Koning van Egypte ulieden niet zal laten gaan, ook niet door eene sterke hand.

20 Want ik zal mijne hand uitstrekken en Egypte slaan met alle mijne wonderen, die ik in het midden deszelvcn doen zal; daarna zal hij ulieden laten vertrekken.

21 En ik zal dezen volke genade geven in de oogen der Egyptenaren, en het zal geschieden wanneer gijlieden uitgaan zult, zoo zult gij niet ledig uitgaan;

22 maar elke vrouw zal van hare geburin en van de waardin haars huizes eischen zilveren vaten en gouden vaten en kleederen: die zult gijlieden op uwe zonen en op uwe dochteren leggen, en zult Egypte berooven.

HOOFDSTUK 4.

Toen antwoordde Mozes en zeide: Maar zie, zij zullen mij niet ge-looven, noch mijne stemme hooren; want zij zullen zoggen: De Heere is u niet verschenen.

2 En do Heere zeide tot hem:

EXODUS 4.


-ocr page 81-

EXODUS 4.

67

Wat is er in uwe hand? En hij zeide: Een staf.

3 En hij zeide: Werp hem ter aarde. En hij wierp hem ter aarde: toen werd hij tot eene slang; en Mozes vlood van haar.

4 Toen zeide de Heere tot Mozes: strek uwe hand uit en grijp ze bij haren staart. Toen strekte hij zijne hand uit en vatte ze, en zij werd tot eenen staf in zijne hand.

5 Opdat zij gelooven dat u verschenen is de Heere, de God hunner vaderen, de God Abrahams, de God Isaaks, en de God Jakobs.

6 En de Heere zeide verder tot hem: Steek nu uwe hand in uwen boezem. En hij stak zijne hand in zijnen boezem\'; daarna trok hij ze uit, en zie, zijne hand was\'me-laatsch, wit als sneeuw.

7 En hij zeide: Steek uwe hand wederom in uwen boezem. En hij stak zijne hand wederom in zijnen boezem; daarna trok hij ze uit zijnen boezem, en zie, zij was weder als zijn ander vleesch.

8 En het zal geschieden, zoo zij u niet gelooven noch naar de stem des eersten teekens hooren, zoo zullen zij de stem des laatsten teekens gelooven;

9 en het zal geschieden, zoo zij ook deze twee teekenen niet gelooven, noch naar uwe stemme hooren, zoo neem van de wateren der rivier en giet ze op het droge, zoo zullen de wateren, die gij uit de rivier zult nemen, tot bloed worden op het droge.

10 Toen zeide Mozes tot den Heere: Och Heere! ik ben geen man wèl ter tale, noch van gisteren noch van eergisteren, noch van toen af toen gij tot uwen knecht gesproken hebt; want ik ben zwaar van mond en zwaar van tong.

11 En de Heere zeide tot hem: Wie heeft den mensch den mond gemaakt, of wie heeft den stomme of doove of ziende of blinde gemaakt? Ben ik het niet, de Heere?

12 En nu ga henen, en ik zal met uwen mond zijn, en zal u leeren wat gij spreken zult.

13 Doch hij zeide: Och Heere, zend toch door de hand desgenen, dien gij zoudt zenden.

14 Tóen ontstak de toorn des Heer en over Mozes, en hij zeide: Is niet Aaron de Leviet uw broeder? Ik weet dat hij zeer wèl spreken zal, en ook, zie, hij zal uitgaan u tegemoet; wanneer hij u ziet zoo zal hij in zijn harte verblijd zijn.

15 Gij dan zult tot hem spreken, en de woorden in zijnen mond leggen; en ik zal met uwen mond en met zijnen mond zijn, en ik zal ulicden leeren wat gij doen zult.

16 En hij zal voor u tot het volk spreken; en het zal geschieden dat hij u tot eenen mond zal zijn, en gij zult hem tot eenen God zijn.

17 Neem dan dezen staf in uwe hand, waarmede gij die teekenen doen zult.

18 Toen ging Mozes henen, en keerde weder tot Jethro, zijnen schoonvader, en zeide tot hem: Laat mij toch gaan dat ik wederom tot mijne broederen keere, die in Egypte zijn, en zie of zij nog leven: Jethro dan zeide tot Mozes: Ga in vrede.

10 Ook zeide de Heere tot Mozes in Midian: Ga henen , keer weder in Egypte, want alle mannen zijn dood die uwe ziele zochten.

20 Mozes dan nam zijne vrouw en zijne zonen, en voerde ze op eenen ezel, en keerde weder in Egypteland; en Mozes nam den staf Gods in zijne hand.

21 En de Heere zeide tot Mozes: Terwijl gij henen trekt om in Egypte weder te keeren, zie toe dat gij alle de wonderen doet voor Farao, die ik in uwe hand gesteld heb; doch ik zal zijn hart verstokken, dat hij het volk niet zallaten gaan.

22 Dan zult gij tot Farao zeggen: Alzóó zegt de Heere : Mijn zoon, mijn eerstgeborene, is Israël;

23 en ik heb tot u gezegd: Laat mijnen zoon trekken, dat hij mij diene; maar gij hebt geweigerd hem te laten trekken: zie ik zal uwen zoon, uwen eerstgeborene, dooden.


-ocr page 82-

68

24 En het geschiedde op den weg in de herberg, dat de Ueere hem tegenkwam en hem zocht te dooden.

25 Toen nam Zinporaeen steenen mes en besneed de voorhuid haars zoons, en wierp die voor zijne voeten, en zeide: Voorwaar, gij zijt mij een hloedbruidegom.

•26 En hij liet van hem af. Toen zeide zij: Bloedbruidegom, vanwege de besnijdenis.

27 De Heere zeide ook lot Aaron: Ga Mozes tegemoet in de woestijn. En hij ging en ontmoette hem aan den berg Ciods en hij kuste hem.

28 En Mozes gaf Aaron te kennen alle de woorden des Heeren , die hem gezonden had, en alle de teekenen die hij hem bevolen had.

29 Toen ging Mozes en Aaron, en zij verzamelden alle do oudsten der kinderen Israels;

30 en Aaron sprak alle de woorden, die de Heere tot Mozes gesproken had, en hij deed de tce-kenen voor de oogen des volks;

31 en het volk geloofde, en zij hoorden dat de Heere de kinderen Israels bezocht en dat hij hunne verdrukking zag, en zij nijgden hunne hoofden en aanbaden.

HOOFDSTUK 5.

En daarna gingen Mozes en Aaron henen en zeiden tot Farao: Alzóó zogt de Heere de God Israels: Laat mijn volk trekken, dat het mij een feest viere in de woestijn.

2 Maar Farao zeide: Wie is de Heere, wiens stem ik gehoorzamen zoude om Israël te laten trekken? Ik ken den Heere niet, en zal ook Israël niet laten trekken.

3 Zij dan zeiden: De God der Hebreen is ons ontmoet: zoo laat ons toch henentrekken den weg van drie dagen in de woestijn, en den Heere onzen God\'offeren, dat hij ons niet overkome met pestilentie of mot het zwaard.

4 Toen zeide de Koning van Egypte tot hen: Gij Mozes en Aaron, waarom trekt gij het volk af van hunne werken? Gaat henen tot uwe lasten.

5 Voorts zeide Farao: Zie, het volk des lands is aireede te veel, en zoudt gijlieden hen doen rusten van hunne lasten?

G Daarom beval Farao ten zelfden dage de aandrijvers onder het volk, en deszelfs ambtlieden, zeggende:

7 Gij zult voortaan aan deze lieden gèen stroo meer geven tot het maken der tichelsteenen, als gisteren en eergisteren; laat ze zeiven henengaan en stroo voor zichzel-ven verzamelen.

8 En het getal der tichelsteenen, die zij gisteren en eergisteren gemaakt hebben, zult gij hun opleggen, gij zult daarvan niet verminderenquot;; want zij gaanledig, daarom roepen zij, zeggende: Laat ons gaan, laat ons onzen God offeren.

9 Men verzware den dienst over deze mannen, dat zij daaraan te doen hebben, en zich niet vergapen aan leugenachtige woorden.

10 Toen gingen de aandrijvers des volks en hunne ambtlieden uit en spraken tot het volk, zeggende: Zóó zegt Farao: Ik zal ulie-den geen stroo geven.

11 Gaat gij zelue henen, haalt u stroo waar gij het vindt; doch van uwen dienst zal niets verminderd worden.

12 Toon verstrooide zich het volk in het gansche land van Egypte, dat het stoppelen verzamelde voor stroo.

13 En de aandrijvers drongen aan, zeggende: Voleindigt uwe werken, elk dagwerk op zijnen dag, gelijk toen er stroo was.

14 En de ambtlieden der kinderen Israëls, die Farao\'s aandrijvers over hen gesteld hadden, werden geslagen, en men zeide: Waarom hebt gijlieden uwe taak niet voleindigd in het maken der tichelsteenen , gelijk te voren alzoo ook gisteren en heden?

15 Derhalve gingen de ambtlieden der kinderen Israëls en riepen tot Farao, zeggende: Waarom doet gij uwen knechten alzóó?

16 Aan uwe knechten wordt geen stroo gegeven, en zij zeggen tot ons: Maakt de tichelsteenen; en zie, uwe knechten worden geslagen, doch de schuld is uws volks.

17 Hij dan zeide: Gijlieden gaat ledig, ledig gaat gij; daarom zegt

EXODUS 5.


-ocr page 83-

EXODUS 6»

69

gij: Laat ons gaan, laat ons den Heere offeren.

18 Zoo gaat nu henen, arbeidt; doch stroo zal u niet gegeven worden: evenwel zult gij het getal dor tichelsteenen leveren.

19 Toen zagen de ambtlieden der kinderen Israels dat het kwalijk met hen stond, dewijl men zeide: Gij zult niet minderen van uwe tichelsteenen, van het dagwerk op zijnen dag.

20 En zij ontmoetten Mozes en Aiiron, die tegen hen over stonden, toen zij van Farao uitgingen,

21 en zeiden tot hen: De Heere zie op u en richte, dewijl gij onzen reuk hebt stinkende\'gemaakt voor Farao en voor zijne knechten, gevende een zwaard in hunne handen om ons te dooden.

22 Toen wendde Mozes zich weder tot den Heere, en zeide: Heere, waarom hebt gij dit volk kwaad gedaan? Waarom hebt gij mij nu gezonden?

23 Want van toen af dat ik tot Farao ben ingegaan om in uwen naam te spreken, heeft hij dit volk kwaad gedaan, en gij hebt uw volk geenszins verlost.

24 Toen zeide de Heere tot Mozes: Nu zult gij zien wat ik aan Farao doen zal; want door eene machtige hand zal hij ze laten trekken, ja door eene machtige hand zal hij ze uit zijn land drijven.

HOOFDSTUK G.

Voorts sprak God tot Mozes en zeide tot hem: Ik ben de Heere.

2 En ik ben Abraham, Isaak en Jakob verschenen als God de Almachtige; doch met mijnen naam Heere ben ik hun niet bekend geweest.

3 En ook heb ik mijn verbond met hen opgericht, dat ik hun geven zoude het land Kanaan, het land hunner vreemdelingschappen, waarin zij vreemdelingen geweest zijn.

4 En ook heb ik gehoord het gekerm der kinderen Israëls, die de Egyptenaars in dienstbaarheid houden, en heb aan mijn verbond gedacht.

5 Derhalve zeg tot de kinderen

Israëls: Ik ben de Heere; en ik zal ulieden uitleiden van onder de lasten der Egyptenaren, en ik zal u redden uit hunne dienstbaarheid, en zal u verlossen door eenen uit-gestrekten arm en door groote ge-richten,

6 en zal ulieden tot mijn volk aannemen; en ik zal u tot eenen God zijn, en gijlieden zult erkennen dat ik de Heere uw God bon, die u uitleide van onder de lasten der Egyptenaren.

7 En ik zal ulieden brengen in dat land, waarover ik mijne hand opgeheven heb, dat ik het A braham, Isaak en Jakob geven zoude; en ik zal hot ulieden geven tot een erfdeel, ik de Heere.

8 En Mozes sprak alzóó tot de kinderen Israëls; doch zij hoorden naar Mozes niet, vanwege de be-nauwdheid des geestes en vanwege de harde dienstbaarheid.

9 Voorts sprak de HEERE tot Mozes, zeggende:

^10 Ga henen, spreek tot Farao, den Koning van Egypte, dat hij de kinderen Israëls uit zijn land late trekken.

11 Doch Mozes sprak voor den Heere, zeggende: Zie, de kinderen Israëls hebben naar mij niet gehoord, hoe zoude mij dan Farao hoeren? Daarbij ben ik onbesneden van lippen.

12 Evenwel sprak de Heere tot Mozes en tot Aaron, en gaf hun bevel aan de kinderen Israëls, en aan Farao den Koning van Egypte, om de kinderen Israëls uit Egyp-teland te leiden.

13 Dit zijn de hoofden van ieder huis hunner vaderen. De zonen Rubens des eerstgeborenen Israëls zijn Henoch en Pallu, Hezron en Karmi; dat zijn de huisgezinnen van Ruben.

14 En de zonen van Simeon: Je-muël, en Jamin, en Ohad, en Ja* chin, en Zohar, en Saul, de zoon eener Kanaanitische; dat zijn Si» meons huisgezinnen.

15 Dit nu zijn de namen der zonen van Levi, naar hunne geboorten: Gerson, en Kohath, en Merari. En de jaren des levens van Levi waren honderd zevenendertig jaar.


-ocr page 84-

EXODUS 7.

70

16 Dc zonen Gcrsons: Llbni en Simeï, naar hunne huisgezinnen.

17-En de zonen Kohaths: Am-ram , en Jizhar, en Hebron, en Uzziël; en de jaren des levens van Kohath waren honderd drieëndertig: jaar.

18 En dc zonen van Merari: Mahli en Musi; dit zijn de huisgezinnen van Levi, naar hunne geboorten.

19 En Amram nam Jochébed zijne moei zich tot huisvrouw, en zij baarde hern Aaron en Mozes; en dë jaren des levens van Amram waren honderd zevenendertig jaar.

20 En de zonen Jizhars: Korach, en Nefeg, en Zichri.

21 En de zonen Uzziëls: Misaël, en Elzafan, en Sithri.

22 En Aaron nam zich tot cene vrouw Eliscba, Amminadabs dochter, Nahessons zuster; en zij baarde hem Nadab en Abihu, Éleazar en Ithamar.

23 En de zonen van Korach waren Assir, en Eikana, enAbiasaf; dat zijn de huisgezinnen der Ko-rachiten.

24 En Eleazar, Aarons zoon, nam voor zich eene van de dochters van Putiël tot eene vrouw, en zij baarde hem Pinehas. Dat zijn de hoofden der vaderen der Leviten, naar hunne huisgezinnen.

■ 25 Dit is Aaron en Mozes, tot wie de Heere zeide; Leidt de kinderen Israëls uit Egypteland, naar hunne heiren.

26 Deze zijn het, die tot Farao, den Koning van Egypte, spraken, opdat zij de kinderen Israëls uit Egypte leidden; dit is Mozes en Aaron.

27 En het geschiedde te dien dage als de Heere tot Mozes sprak in Egypteland.

28 zoo sprak de Heere tot Mozes, zeggende: Ik ben de Heere: spreek tot Farao den Koning van Egypte alles wat ik tot u spreek.

29 Toen zeide Mozes voor het aangezicht des Heerex: Zie, ik ben onbesneden van lippen, hoe zal dan Farao naar mij hooren?

HOOFDSTUK 7.

Toen zeide de Heere tot Mozes: Zie, ik heb u tot eenen God gezet over Farao, en Aaron uw broeder zal uw profeet zijn.

2 Gij zult spreken alles wat ik u gebieden zal; en Aaron uw broeder zal tot Farao spreken , dat hij de kinderen Israëls uit zijn land trekken late.

3 Doch ik zal Farao\'s hart verharden, en ik zal mijne teekenen en wonderen in Egypteland vermenigvuldigen.

4 Farao nu zal naar uliedcn niet hooren, en ik zal mijne hand aan Egypte leggen, en voeren mijne heiren, mijn volk, de kinderen Israëls, uit Egypteland door groote gerichten.

5 Dan zullen de Egyptenaars weten dat ik de Heere ben, wanneer ik mijne hand over Egypte uitstrekke en de kinderen Israëls uit het midden van hen uitleide.

ö Toen deed Mozes en Aaron als hun de Heere geboden had, alzóó deden zij.

7 En Mozes was tachtig jaar oud en Aaron was drieëntachtig jaar oud toen zij tot Farao spraken.

8 En de Heere sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

9 Wanneer Farao tot ulieden spreken zal, zeggende: Doet een wonderteeken voor ulieden, zoo zult gij tot Aaron zeggen: Neem uwen staf en werp hem voor Farao\'s aangezicht neder: hij zal tot een draak worden.

10 Toen ging Mozes en Aaron tot Farao henen, en zij deden alzóó gelijk de Heere geboden had; en Aaron wierp zijnen staf neder voor Farao\'s aangezicht en voor het aangezicht zijner knechten, en hij werd tot een draak.

11 Farao nu riep ook de wijzen en de guichelaars, en de Egyptische toovenaars deden óók alzoo met hunne bezweringen;

12 want een iegelijk wierp zijnen staf neder, en zij werden tot draken; maar Aarons staf verslond hunne staven.

13 Doch Farao\'s hart verstokte, zoodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de Heere gesproken had.

14 Toen zeide de Heere tot


-ocr page 85-

EXODUS 8.

71

Mozes: Farao\'s hart is zwaar; hij weigert liet volk te laten trekken.

15 Ga henen tot Farao in den morgenstond; zie, hij zal uitgaan naar het water toe; zoo stel u tegen hem over aan den oever der rivier, en den staf, die in eene slang is veranderd geweest, zult gij in uwe hand nemen;

16 en gij zult tot hem zeggen: De Heere, der Hebreën God, heeft mij tot u gezonden, zeggende: Laat mijn volk trekken, dat het mij diene in de woestijn; doch zie, gij hebt tot nu toe niet gehoord.

17 Zóó zegt de Heere: Daaraan zult gij weten dat ik de Heere hen: zie, ik zal met dezen staf, die in mijne hand is, op het water dat in deze rivier is slaan, en het zal in bloed veranderd worden ;

18 en de visch in de rivier zal sterven, zoodat de rivier zal stinken; en de Egyptenaars zullen vermoeid worden, dat zij het water uit de rivier drinken mogen.

19 Voorts zeide de Heere tot Mozes: Zeg tot Aaron: Neem uwen staf en steek uwe hand uit over de wateren der Egyptenaren, over hunne stroomen, over hunne rivieren en over hunne poelen en over alle vergadering hunner wateren , dat zij bloed worden; en er zij bloed in het gansche Egyp-teland, beide in houten en \'in steenen vaten.

20 Mozes nu en Aaron deden alzóó gelijk de Heere geboden had; en hij hief den staf op en sloeg het water, dat in de rivier was, voor de oo^en Farao\'s en voor de oogen zijner knechten: en al het water in\' de rivier werd in bloed veranderd,

21 en de visch die in de rivier was stierf, en de rivier stonk, zoodat de Egyptenaars het water uit de rivier niet drinken konden; en daar was bloed in het gansche Egypteland.

22 Doch de Egyptische toovenaars deden óók alzoo met hunne bezweringen ; zoodat Farao\'s hart verstokte, en hij hoorde naar hen niet, gelijk de Heere gesproken had,

23 en Farao keerde zich om en ging naar zijn huis, en hij zette zijn hart daar óók niet op.

24 Doch alle Egyptenaars groeven rondom de rivier om water te drinken, want zij konden van het water der rivier niet drinken.

25 Alzoo werden zeven dagen vervuld nadat de Heere de rivier geslagen had.

HOOFDSTUK 8.

Daarna zeide de Heere tot Mozes: Ga ia tot Farao en zeg tot hem: Zóó zegt de Heere: Laat mijn volk trekken, dat zij mij dienen.

2 En indien gij weigert het te laten trekken, zie, zoo zal ik uwe gansche landpale met vorschen slaan,

3 dat de rivier van vorschen zal krielen, die zullen opkomen en in uw huis komen, en in uwe slaapkamer, ja op uw bed, ook in de huizen uwer knechten, en op uw volk, en in uwe bakovens en in uwe baktroggen;

4 en de vorschen zullen opkomen op u en op uw volk en op alle uwe knechten.

5 Voorts zeide de Heere tot Mozes: Zeg tot Aaron: Strek uwe hand uit met uwen staf over de stroomen en over de rivieren en over de poelen, en doe vorschen opkomen over Egypteland.

6 En Aaron strekte zijne hand uit over de wateren van Egypte, en daar kwamen vorschen op en bedekten Egypteland.

7 Toen deden de toovenaars óók alzoo met hunne bezweringen, en zij deden vorschen over Egypteland opkomen.

8 En Farao riep Mozes en Aaron, en zeide: Bidt vuriglijk tot den Heere, dat hij de vorschen van mij en van mijn volk wegneme; zoo zal ik het volk trekken laten, dat zij den Heere offeren.

9 Doch Mozes zejdo tot Farao: Heb de eere boven mij: tegen wanneer zal ik voor u en uwe knechten en voor uw volk vuriglijk bidden, om deze vorschen van u en van uwe huizen te verdelgen, dat ze alleen in de rivier overblijven?


-ocr page 86-

EXODUS 8.

72

10 Hij dan zeide: Tegen morgen. En hij zcidc: Het zij naar uw woord: opdat gij weel dat er niemand is gelijk dequot; Heere , onze God,

11 zoo zullen de vorschen van u en van uwe huizen en van uwe knechten en van uw volk wijken, zij zullen alleen in de rivier overblijven.

12 Toen ging Mozes en Aiiron uit van Farao, en Mozes riep tot clen Heere ter oorzake der vorschen , die hij Farao had opgelegd:

13 en de Heere deed naar het woord van Mozes, en de vorschen stierven, uit de huizen, uit de voorzalen, en uit de velden;

14 en zij vergaderden ze te za-men bij hoopen, en het land stonk.

15 Toen nu Farao zag dat er verademing was, verzwaarde hij zijn hart, dat hij naar hen niet hoorde, gelijk als de Heere gesproken had.

16 Voorts zeide de Heere tol Mozes: Zeg tot Aiiron: Strek uwen staf uit en sla het stof der aarde, dat het tot luizen worde in het gansche Egypteland.

17 En zij deden alzoo; want Aiiron strekte zijne hand uit met zijnen staf en sloeg het stof der aarde, en daar werden vele luizen aan de menschen en aan het vee: al het stof der aarde werd luizen in het gansche Egypteland.

18 üe toovenaars deden óók al-zoo met hunne bezweringen, opdat zij luizen voortbrachten, doch zij konden niet; zoo waren de luizen aan de menschep en aan liet vee.

19 Toen zeiden de toovenaars tot Farao: Dit ia Gods vinger. Doch Farao\'s hart verstijfde, zoodat hij naar hen niet hoorde, gelijk de Heere gesproken had.

20 Voorts zeide de Heere tot Mozes: Maak U morgen vroeg op en stel u voor Farao\'s aangezicht; zie, hij zal aan het water uitgaan; en zeg tot hem: Zóó zegt de Heere: Laat mijn volk trekken, dat ze mij dienen;

21 want zoo gij mijn volk niet laat trekken, zie, zoo zal ik eene

vermenging van ongedierte zenden op u en op uwe knechten en op uw volk en in uwe huizen, al- i, zoo dat der Egyptenaren huizen met deze vermenging zullen ver- ! vuld worden, en ook het aardrijk waarop zij zijn; ^

22 en ik zal te dien dage het i, land Gosen, waarin mijn volk woont, afzonderen , dat daar geen vermenging van ongedierte zij, opdat gij weet dat ik, de Heere,

in het midden dezes lands ben;

23 en ik zal eene verlossing ! stellen tusschen mijn volk en tusschen uw volk: tegen morgen

zal dit teeken geschieden.

24 En de Heere deed alzoo, en daar kwam eene zware vermenging van ongedierte in Farao\'s huis en in zijner knechten huizen en over het gansche Egypteland, het land werd verdorven van deze vermenging.

25 Toen riep Farao Mozes en Aaron, en zeide: Gaat henen en offert uwen God in dit land.

20 Mozes dan zeide: Het is niet recht dat men alzóó doe; want wij zouden der Egyptenaren gruwel den Heere onzen God mogen ófferen: zie, indien wij der Egyptenaren gruwel voor hunne o\'ogen offerden, zouden zij ons niet stee-nigen ?

27 Laat ons den weg van drie dagen in de woestijn gaan, dat wij den Heere onzen God offeren, gelijk hij tot ons zeggen zal.

28 Toen zeide Farao: Ik zal u trekken laten, dat gijlieden den Heere uwen God offert in de woestijn: alleen dat gijlieden in het gaan geenszins te ver trekt;

bidt vuriglijk voor mij.

29 Mozes nu zeide: Zie ik ga van u, en zal tot den Heere vuriglijk bidden, dat deze vermenging van ongedierte van Farao, van zijne knechten, en van zijn volk morgen wegwijke: alleen dat Farao niet meer bedriegelijk han-dele , dit volk niet latende gaan om den Heere te offeren.

30 Toen ging Mozes uit van Farao, en bad vuriglijk tot den Heere:

31 en de Heere deed naar het


-ocr page 87-

EXODUS 9.

73

woord van Mozes, en de vermenging van ongedierte week van Farao, van zijne knechten, en van zijn volk: er bleef niet één over.

32 Doch Farao verzwaarde zijn hart ook op datmaal, en hij liet het volk niet trekken.

HOOFDSTUK 9.

Daarna zeide de Heere tot Mozes : Ga in tot Farao en spreek tot hem: Alzóó zegt de Heere, de God der Hebreën: Laat mijn volk trekken, dat het mij diene;

2 want zoo gij weigert ze te laten trekken , en gij hen nog met geweld ophoudt,

3 zie, de hand des Heeren zal zijn over uw vee dat in het veld is, over de paarden, over de ezelen, over de kemelen , over de runderen, en over het kleine vee, door eene zeer zware pestilentie.

4 En de Heere zal eene afzondering maken tusschen het vee der Israëliten en tusschen het vee der Kgyptenaren, dat er niets sterve van alles dat der kinderen Israëls is.

5 En de Heere bestemde eenen zekeren tijd, zeggende: Morgen zal de Heere deze zake in dit land doen.

6 En de Heere deed deze zake des anderen daags; en al het vee der Egyptenaren stierf, maar van het vee der kinderen Israëls stierf niet één.

•7 En Farao zond er henen, en zie, van het vee Israëls was niet tot één toe gestorven. Doch het hart Farao\'s werd verzwaard en hij liet het volk niet trekken.

8 Toen zeide de Heere tot Mozes en tot Aaron: Neemt gijlieden uwe vuisten vol asch uit den oven, en Mozes strooie die naar den hemel voor Farao\'s oogen,

9 en zij zal tot klein stof worden over het gansche Egypteland, en zij zal aan de menschen en aan het vee worden tot zweren , uitbrekende met blaartjes, in het gansche Egypteland.

10 En zij namen asch uit den oven, en stonden voor Farao\'s aangezicht, en Mozes strooide ze naar den hemel: toen werden daar zweren, uitbrekende met blaartjes aan de menschen en aan het vee;

11 alzoo dat de toovenaars voor Mozes niet staan konden vanwege de zweren; want aan de toovenaars waren zweren, en aan alle de Egyptenaren.

12 Doch de Heere verstokte Farao\'s harte, dat hij naar hen niet hoorde, gelijk dequot; Heere tot Mozes gesproken had.

13 Toen zeide de Heere tot Mozes: Maak u morgen vroeg op en stel u voor Farao\'s aangezicht, en zeg tot hem: Zóó zegt de Heere der Hebreën God: Laat mijn volk trekken , dat ze mij dienen.

14 Want ditmaal zal ik alle mijne plagen in uw hart zenden en over uwe knechten en over uw volk, opdat gij weet, dat er niemand is gelijk ik op de gansche aarde;

15 want nu heb ik mijne hand uitgestrekt, opdat ik u en uw volk met de pestilentie zoude slaan , en dat gij van de aarde zoudt verdelgd worden.

16 Maar waarlijk, daarom heb ik u verwekt, opdat ik mijne kracht aan u betoonde, en opdat men mijnen naam vertelle op de gansche aarde.

17 Verheft gij u zei ven nog tegen mijn volk , dat gij het niet wilt laten trekken,

18 zie, ik zal morgen omtrent dezen tijd eenen.zeer zwaren hagel doen régenen, desgelijke er in Egypte niet geweest is van dien dag af dat het gegrond is, tot nu toe.

19 En nu, zend henen, vergader uw vee en alles wat gij op het veld hebt: alle mensch en gedierte , dat op het veld gevonden zal worden en niet in huis verzameld zal zijn, als deze hagel op hen vallen zal, zoo zullen zij sterven.

20 Wie onder Farao\'s knechten des Heeren woord vreesde, die deed zijne knechten en zijn vee in de huizen vlieden;

21 doch die zijn hart niet zette op des Heeren woord, die liet


-ocr page 88-

EXODUS 10.

74

zijne knechten en zijn vee op het veld.

22 Toen zeide de Heere tot Mozes: Strek uwe hand uit naar den hemel, en daar zal hagel zijn in het gansche Egypteland over de menschen en over het vee en over al het kruid des velds in Egypteland.

23 Toen strekte Mozes zijnen staf naar den hemel, en de Heere gaf donder en hagel, en het vuur schoot naar de aarde, en de Heere liet hagel regenen over Egypteland.

24 En daar was hagel, en vuur in het midden des hagels vervangen; hij was zeer zwaar; desge-lijke is in het gansche Egypteland nooit geweest sinds dat het tot een volk geworden is.

25 En de hagel sloeg in het gansche Egypteland alles wat op het veld was, van de menschen af tot de beesten toe, ook sloeg de hagel al het kruid des velds en verbrak al het geboomte des velds.

26 Alleen in het land Gosen, waar de kinderen Israëls waren , daar was geen hagel.

27 Toen schikte Farao henen en riep Mozes en Aaron, en hij zeide tot hen: Ik heb mij ditmaal bezondigd; de Heere is rechtvaardig, ik daarentegen en mijn volk zijn goddeloos.

28 Bidt vuriglijk tot den Heere, (want het is genoeg), dat er geen donder Gods noch hagel meer zij ; dan zal ik ulieden laten trekken, en gij zult niet langer blijven.

29 Toen zeide Mozes tot hem : Wanneer ik ter stad uitgegaan zal zijn,, zoo zal ik mijne handen uitbreiden voor den Heere : de donder zal ophouden en de hagel zal niet meer zijn, opdat gij weet dat de aarde des Heeren is.

30 Nogtans u en uwe knechten aangaande weet ik dat gijlieden voor het aangezicht des Heeren Gods nog niet vreezen zult.

31 Het vlas nu en de gerst werd geslagen, want de gerst was in de aar en het vlas was in den halm;

32 maar de tarwe en de spelt werden niet geslagen, want zij waren bedekt.

33 Zoo ging Mozes van Farao ter stad uit, en breidde zijne handen uit tot den Heere : en de donder en de hagel hielden op, en de regen werd niet meer uitgegoten op de aarde.

34 Toen Farao zag dat deregen en de hagel en de donder ophielden , zoo bezondigde hij zich verder en hij verzwaarde zijn harte, hij en zijne knechten;

35 alzoo werd Farao\'s harte verstokt, dat hij de kinderen Israëls niet trekken liet, gelijk als de Heere gesproken had doof Mozes.

HOOFDSTUK 10.

Daarna zeide de Heere tot Mozes: Ga in tot Farao, want ik heb zijn harte verzwaard, ook het harte zijner knechten, opdat ik deze mijne teekenen in het midden van hem zette,

2 en opdat gij voor de ooren uwer kinderen en uwer kindskinderen moogt vertellen wat ik in Egypte uitgericht heb, en mijne teekenen, die ik onder hen gesteld heb; opdat gijlieden weet dat ik de Heere ben.

3 Zoo ging Mozes en Aarpn tot Farao, en zeide tot hem: Zóó zegt de Heere, der Hebreën God: Hoelang weigert gij u voor mijn aangezicht te verootmoedigen ? Laat mijn volk trekken, dat zij mij dienen.

4 Want indien gij weigert mijn volk te laten trekken, zie, zoo zal ik morgen sprinkhanen in uwe landpale brengen;

5 en zij zullen het gezicht des lands bedekken, alzoo dat men de aarde niet zal kunnen zien; en zij zullen afeten het overige van hetgeen dat ontkomen is, hetgeen dat uiieden overgebleven was van den hagel; zij zullen ook al het geboomte afeten, dat ulieden uit het veld voortkomt;

6 en zij zullen vervullen uwe huizen, en de huizen aller uwer knechten, en aller Egyptenaren huizen, welke uwe vaders noch uwer vaderen vaders gezien heb-


-ocr page 89-

Exor

Zii Len, van dien dag af dat zij op den aardbodem geweest zijn, tot rao lgt;P dezen dag. En hij keerde zich an- om en ging uit van Farao, de 7 En de knechten Farao\'s zeiden )p tot hem: Hoelang zal ons deze tot rit! een strik zijn? Laat de mannen gtrekken, dat zij den Heure huilen Inen God dienen; weet gij nog el, niet dat Egypte verdorven is? !r. 8 Toen werden Mozes en Aaron equot; weder tot Farao gebracht, en hij \' zeide tot hen: Gaat henen, dient fe \' den Heere uwen God: wie en wie s_ zijn ze die gaan zullen? [s 9 En Mozes zeide: Wij zullen (P gaan met onze jonge en met onze oude lieden, met onze zonen en met onze dochteren, met onze schapen en met onze runderen zullen wij gaan; want wij hebben ) een feest des Heeren.

10 Toen zeide hij tot hen: De Heere zij alzóó met ulieden, gelijk ik u en uwe kleine kinderen zal laten trekken: ziet toe, want er is kwaad voor ulieder aangezicht.

11 Niet alzoo, gij mannen gaat nu henen en dient den Heere, want dat hebt gijlieden verzocht. En men dreef ze uit van Farao\'s aangezicht.

12 Toen zeide de Heere lot Mozes: Strek uwe hand uit over Egypteland, om do sprinkhanen, dat zij opkomen over Egypteland, en al het kruid des lands opeten, al hetgeen dat de hagel heeft overgelaten.

13 Toen strekte Mozes zijnen staf uit over Egypteland, en de\'Heere bracht eenenoostenwind in dat land, dien geheelen dag en dien ganschen nacht: het geschiedde des morgens dat de oostenwind de sprinkhanen opbracht,

14 en de sprinkhanen kwamen op over het gansche Egypteland, en lieten zich neder aan alle de palen der Egyptenaren, zeer zwaar; voor dezen zijn dergelijke sprinkhanen als deze nooit geweest, en na dezen zullen er zulke niet wezen;

15 want zij bedekten het gezicht des ganschen lands, alzoo dat het land verduisterd werd, en zij aten al het kruid des lands op, en alle de vruchten der boomen, die de hagel had overgelaten, en daar

U S 10. 70

bleef niets groens aan de boomen noch aan de kruiden des velds, in het gansche Egypteland.

lü Toen haastte Farao om Mozes en Aaron te roepen, en zeide: Ik heb gezondigd tegen den Heere uwen God en tegen ulieden:

17 en nu vergeeft mij toch mijne zonde alleen ditmaal, en bidt vuriglijk tot den Heere uwen God, dat hij slechts dezen dood van mij wegneme.

18 En hij ging uit van Farao, en bad vuriglijk tot den Heere:

19 toen keerde de Heere een zeer sterken westenwind, die hief de sprinkhanen op en wierp ze in de Schelfzee; er bleef niet één sprinkhaan over in alle de landpalen van Egypte.

20 Doch de Heere verstokte Farao\'s harte, dat hij de kinderen Israels niet liet trekken.

21 Toen zeide de Heere tot Mozes: Strek uwe hand uit naar den hemel, en daar zal duisternis komen over Egypteland, dat men de duisternis tasten zal.

22 Als Mozes zijne hand uitstrekte naar den hemel, werd er eene dikke duisternis in het gansche Egypteland, drie dagen:

23 zij zagen de één den ander niet; daar stond ook niemand op van zijne plaats, in drie dagen; maar bij alle de kinderen Israels was het licht in hunne woningen.

24 Toen riep Farao Mozes, en zeide: Gaat henen, dient den Heere: alleen uwe schapen en uwe runderen zullen vast blijven; ook zullen uwe kinderkens met u gaan.

25 Doch Mozes zeide: Ook zult gij slachtofferen en brandofferen in onze handen geven, die wij den Heere onzen God doen mogen;

2ü en ons vee zal óók met ons gaan, er zal geen klauw achterblijven , want van hetzelve zullen wij nemen om den Heerê onzen God te dienen; want wij weten niet waarmede wij den Heere onzen God dienen zullen totdat wij daar komen.

27 Doch de Heere verhardde Farao\'s harte, en hij wilde ze niet laten trekken,

28 maar Farao zeide tot hem:


-ocr page 90-

EXODUS 11, 12.

76

Ga vhn mij, Wacht u dat gij niet meer mijn aangezicht ziet; want ten welken dage gij mijn aangezicht zult zien, zult gij sterven.

29 Mozes nu zeide: Gij hebt recht gesproken, ik zal niet meer uw aangezicht zien.

HOOFDSTUK 11.

Want de HBere had tot Mozes gesproken: Ik zal nog ééne plage over Farao en over Egypte brengen, daarna zal hij ulieden van hier laten trekken; als hij n geheel zal laten trekken, zoo zal hij u haas-telijk van hier uitdrijven:

2 spreek nu voor de ooren des volks, dat iedere man van zijnen naaste en iedere vrouw van hare naaste zilveren vaten en gouden vaten eische.

3 En de Heere gaf het volk genade in de oogen der Egyptenaren; ook was de man Mozes\'zeer groot in Egypteland voor de oogen van Farao\'s knechten en voor ue oogen des volks.

4 Voorts zeide Mozes: Zóó heeft de Heere gezegd: Omtrent middernacht zal ik uitgaan door het midden van Egypte;

5 en alle eerstgeborenen in Egypteland zullen sterven, van Farao\'s eerstgeborene af die op zijnen troon zitten zoude, tot den eerstgeborene der dienstmaagd die achter den molen is, en alle eerstgeborene van het vee;

6 en daar zal een groot geschrei zijn in het gansche Egypteland, desgelijke nooit geweest is en des-gelijke niet meer wezen zal.

7 Maar bij alle kinderen Israels zal niet één hond zijne tong verroeren , van de menschen af tot de beesten toe; opdat gijlieden weet dat de Heere tusscnen de Egyptenaren en tusschen de Israëli-ten eene afzondering maakt.

8 Dan zullen alle deze uwe knechten tot mij afkomen en zich voor mij nijgen, zeggende: Trekt uit, gij en al het volk dat uwe voetstappen volgt; en daarna zal ik uitgaan. En hij ging uit van Farao in hitte des toorns.

9 De Heere dan had tot Mozes gesproken: Farao zal naar ulieden niet hooren, opdat mijne wonderen in Egypteland vermenigvuldigd worden.

10 En Mozes en Aaron hebben alle deze wonderen gedaan voor Farao\'s aangezicht; doch de Heere verhardde Farao\'s harte, dat hij do kinderen Israëls uit zijn land niet trekken liet.

HOOFDSTUK 12.

De Heere nu had tot Mozes en tot Aaron in Egypteland gesproken, zeggende:

2 Deze zelfde maand zal ulieden het hoofd der maanden zijn, zij zal u de eerste van de maanden des jaars zijn.

3 Spreekt tot de gansche vergadering Israëls, zeggende: Op den tiende dezer maand neme een iegelijk een lam, naar de huizen der vaderen, een lam voor een huis;

4 maar indien een huis te klein is voor een lam, zoo neme hij het en zijn nabuur, de naaste aanzijn huis, naar het getal der zielen, ieder naardat hij eten kan: gij zult rekening maken naar het lam.

5 Gij zult een volkomen lam hebben, een mannetje, een jaar oud; van de schapen of van do geitenhokken zult gij het nemen;

6 en gij zult het in bewaring hebben tot den veertienden dag dezer, maand; en de gansche gemeente der vergadering Israëls zal het slachten tusschen twee avonden.

7 En zij zullen van dat bloed nemen en strijken het aan de beide zijposten en aan den bovendorpel, aan de huizen in welke zij het eten zullen.

8 En zij zullen het vleesch eten in denzelfden nacht, aan het vuur gebraden, met ongezuurde broo-den; zij zullen het met bittere saus eten.

9 Gij zult daarvan niet rauw eten, \'ook geenszins in water gezoden, maar aan het vuur gebraden, zijn hoofd met zijne schen-kelen en met zijn ingewand.

10 Gij zult daarvan ook niet laten overblijven tot den morgen, maar hetgeen daarvan overblijft tot den


-ocr page 91-

EXODUS 12.

77

morgen zult gij met vuur verbranden.

41 Aldus nu zult gij net eten: uwe lendenen zullen opgeschort zijn, uwe schoenen aan uwe voeten, , en uw staf in uwe hand; en gij zult het met haaste eten: het is des H ee ren Pascha.

12 Want ik zal in dezen nacht door Egypteland gaan en alle eerstgeborenen in Egypteland slaan, van de menschen af tot de beesten toe, en ik zal gerichten oefenen aan al de goden der Egypte nar en, ik de Heere.

13 En dat bloed zal ulieden tot een teeken zijn aan de huizen waarin gij zijt: wanneer ik het bloed zie, zal ik ulieden voorbijgaan, endaar zal geen plage onder ulieden ten verderve zijn, wanneer ik Egypteland slaan zal.

14 En deze dag zal ulieden wezen ter gedachtenis, en gij zult hem den Heere tot een feest vieren; gij zult hem vieren onder uwe geslachten tot eene eeuwige inzetting.

15 Zeven dagen zult gijlieden ongezuurde broeden eten, maar op den eersten dag zult gij het zuurdeeg wegdoen uit uwe huizen; want wie het gedeesemde eet van den eersten dag af tot op den zevenden dag, die zelfde ziele zal uitgeroeid worden uit Israël.

10 En op den eersten dag zal er eene heilige verzameling zijn, ook zult gij eene heilige verzameling hebben op den zevenden dag: daar zal geen werk op denzelven gedaan ■worden; maar wat door iedere ziele gegeten zal worden, dat alleen mag door ulieden bereid worden.

17 Zoo onderhoudt dan de ongezuurde broeden, dewijl ik juist op dien dag ulieder heiren uit Egypteland geleid zal hebben; daarom zult gij dezen dag houden onder uwe geslachten tot eene eeuwige inzetting.

18 In de eerste maand op den veertienden dag der maand, in den avond, zult gij ongezuurde broeden eten, tot den éénentwintigsten dag der maand in den avond.

19 Dat er zeven dagen lang geen zuurdeesem in uwe huizen gevonden worde; want al wie het gedeesemde eten zal, die ziele zal uit de vergadering Israëls uitgeroeid worden, hij zij een vreemdeling of een ingeborene des lands.

20 Gij zult niets eten dat ge-deesemd is, in alle uwe woningen • zult gij ongezuurde broeden eten.

21 Mozes dan riep alle de oudsten van Israël en zcide tot hen: Leest uit en neemt u lammeren voor uwe huisgezinnen, en slacht het Pascha.

22 Neemt dan een bundeltje hysop, en doopt het in \'t bloed dat in een bekken zal wezen, en strijkt aan den bovendorpel en aan do beide zijposten van dat bloed, \'t welk in het bekken zijn zal; doch u aangaande, niemand zal uitgaan uit de deur zijns huizes tot aan den morgen;

23 want de Heere zal dóórgaan om de Egyptenaren te slaan; doch wanneer hij het bloed zien zal aan den bovendorpel en aan de twee zijposten, zoo zal de Heere de deur voorbijgaan, en den verderver niet toelaten in uwe huizen te komen om te slaan.

24 Onderhoudt dan deze zake tot eene inzetting voor u en voor uwe kinderen tot in eeuwigheid.

25 En het zal geschieden als gij in dat land komt dat u de Heere geven zal, gelijk hij gesproken heeft, zoo zult gij dezen dienst onderhouden.

2lt;i En het zal geschieden wanneer uwe kinderen tot u zullen zeggen: Wat Lhebt gij daar voor eenen dienst?

27 zoo zult gij zeggen: Dit is den Heere een Paascholfer, die voor de huizen der kinderen Israëls voorbijging in Egypte, toen hij de Egyptenaars sloeg en onze huizen bevrijdde. Toen boog zich het volk en nijgde zich.

28 En de kinderen Israëls gingen en deden het: gelijk de Heere Mozes en Aaron geboden had, al-zóó deden zij.

29 En het geschiedde te middernacht dat de Heere alle de eerstgeborenen in Egypteland sloeg, van den eerstgeborene Farao\'s af die op zijnen troon zitten zoude, tot op den eerstgeborene des gevangenen, die in het gevangenhuis


-ocr page 92-

EXODUS 13.

78

was, en alle eerstgeborene der beesten.

30 En Farao stond op bij nacht, bij en alle zijne knechten, en alle de Egyptenaars; en daar was een groot geschrei in Egypte, want daar was geen huis waarin niet een doode was.

31 Toen riep hij Mozes en Aaron in den-nacht, en zeide: Maakt u op, trekt uit het midden van mijn volk, zoo gijlieden als de kinderen van Israël; en gaat henen, dient den Hkere, gelijk gijlieden gesproken hebt.

32 Neemt ook met u uwe schapen en uwe runderen, zooals gij gesproken hebt, en gaat henen, en zegent mij ook.

33 En de Egyptenaars hielden sterk aan bij het volk, haastende om die uit het land te drijven; want zij zeiden: Wij zijn allen dood.

34- En het volk nam zijn deeg op eer het gedeesemd was, hunne deegklompen, gebonden in hunne kleederen, op hunne schouderen.

35 13e kinderen Israels nu hadden gedaan naar het woord van Mozes, en hadden van de Egypte-naren geëischt zilveren vaten en gouden vaten en kleederen.

36 Daartoe had de Hëere het volk genade gegeven in de oogen der Egyptenaren, dat zij hun hunne bogoerte deden; oh zij beroofden de Egyptenaren.

37 Alzoo reisden de kinderen Israels uit van Harneses naar Suk-koth, omtrent zeshonderdduizend te voet, mannen alleen, behalve cle kinderkens;

38 en veel vermengd volk trok ook met hen op, en schapen en runderen, zeer veel vee.

39 En zij bakten van het deeg dat zij uit Egypte gebracht hadden ongezuurde koeken, want het was niet gedeesemd; overmits zij uit Egypte uitgedreven werden, zoodat zij niet vertoeven konden noch ook teerkost voor zich bereiden.

40 De tijd nu der woning, die de kinderen Israels in Egypte gewoond hebben, is vierhonderd Jaar en der-lig jaar.

41 En het geschiedde ten einde van de vierhonderd en dertig jaren, zoo is het juist op denzelfden dag geschied dat al de heiren des Heeren uit Egypteland gegaan zijn.

42 Dezen nacht zal men den Hee-re op het vlijtigst houden, omdat hij ze uit Egypteland geleid heeft; dit is de nacht des Heeren, die op het vlijtigst moet gehouden worden van alle de kinderen Israëls, onder hunne geslachten.

43 Voorts zeide de Heere tot Mozes en Aaron: Dit is de inzetting van het Pascha: geens vreem-delings zoon zal daarvan eten;

44 doch alle knecht van iedereen, die voor geld gekocht is, nadat gij hem zult besneden hebben, dan zal hij daarvan eten:

45 geen uitlander noch huurling zal daarvan eten.

46 In één huis zal het gegeten worden; gij zult van het vleesch niet uit het huis naar buiten dragen, en zult geen been daaraan breken.

47 De gansche vergadering Israëls zal het doen.

48 Als nu een vreemdeling bij u verkeert, en den Heere het Pascha houden zal, dat alles wat mannelijk is bij hern besneden worde, en dan quot;kome hij daartoe om dat te houden, en hij zal wezen als een ingeborene dés lands; maar geen onbesnedene zal daarvan eten.

49 Éénerlei wet zij den ingeborene en den vreemdeling, die als vreemdeling in het midden van u verkeert.

50 En alle kinderen Israëls deden het; gelijk deHeehe Mozes en Aaron geboden had, alzóó deden zij.

51 En het geschiedde juist op denzelfden dag, dat de Heere de kinderen Israëls uit Egypteland leidde, naar hunne heiren.

HOOFDSTUK 13.

Toen sprak de Heere tot Mozes, zeggende:

2 Heilig mij alle eerstgeborenen, wat eenige baarmoeder opent, onder de kinderen Israëls, van men-schen en van beesten: dat is mijn.

3 Voorts zeide Mozes tot het volk; Gedenkt aan dezen zelfden


-ocr page 93-

ÉXOD

79

us 13

ia- dag, op welken gijlieden uit Egyp-fden te,quot; uit het diensthuis, gegaan zijt; des want de Heere heelt u door eetie jijn Jsterke hand van hier uitgevoerd; ee- daarom zal het gedëesemde niet dat gegeten worden.

jft. ; 4 Heden gaat gijlieden uit, in die tle maancl Abih;

|en 5 eft het zal geschieden als u de ;js Heere zal gebracht hebben in hot \' land der Kanaaniten en der He-tinten en der Amoriten en der Heviten en der Jebusiten, hetwelk n: \' hij uwen vaderen gezworen heelt u te geven, een land vloeiende van r, melk en honig, zoo zult gij dezen j. dienst houden in deze maand, j\' G Zeven dagen zult gij onge-

\' zuurde brooden eten, en op den n- 5 zevenden dag zal den Heere een 3 feest zijn.

l 7 Zeven dagen zullen ongezuur-

, de brooden gegeten worden, en het gedeesemde zal bij u niet gezien worden, ja daar zal geen zuurdeeg bij u gezien worden, in alle uwe palen.

8 En gij zult uwen zoon te kennen geven te dien dage, zeggende: Vit is om hetgeen de Heere mij gedaan heeft toen ik uit Egypte uittoog.

9 En het zal u zijn tot een tee-ken op uwe hand en tot eene gedachtenis tusschcn uwe oogen, opdat de wet des Heeren in uwen mond zij, omdat u de Heere door eene sterke hand uit Egypte uitgevoerd heeft.

10 Daarom onderhoudt deze inzetting ter bestemder tijd, van jaar tot jaar.

11 Het zal ook geschieden wanneer u de Heere in het land der Kanaaniten zal gebracht hebben, gelijk hij u en uwen vaderen gezworen iieeft, en hij het u zal gegeven hebben:

12 zoo zult gij tot den Heere doen overgaan alles wat de baarmoeder opent, ook alles wat de baarmoeder opent van de vrucht der beesten, die gij hebben zult: de mannetjes zullen des Heeren zijn.

\'13 Doch al wat de baarmoeder der ezelin opent zult gij lossen met een lam; wanneer gij het nu niet

lost, zoo zult gij het den nek breken, maar alle eerstgeborenen des menschen onder uwe zonen zult gij lossen.

14 Wanneer het geschieden zal dat uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat is dat? zoo zult gij tot hem zeggen: De Heere heeft ons door eene sterke hand uit Egypte, uit den diensthuize, uitgevoerd ;

15 want het geschiedde toen Farao zich verhardde ons te laten trekken, zoo doodde de Heere alle eerstgeborenen in Egypteland, van des menschen eerstgeborene af tot den eerstgeborene der beesten: daarom oiier ik den Heere de mannetjes van alles wat de baarmoeder opent; doch alle eerstgeborenen mijner zonen los ik.

1(5 En het zal tot een teeken zijn op uwe hand, en tot voorhoofd-spanselen tusschcn uwe oogen; want de Heere heeft door eene sterke hand ons uit Egypte uitgevoerd.

17 En het is geschied toen Farao het volk had laten trekken, zoo leidde ze God niet op den weg van der Filistijnen land, hoewel die nader was; want God zeidc: Dat het den volke niet rouwe als zij den strijd zien zouden, en het niet wederkcere naar Egypte;

18 maar God leidde het volk öm door don weg van de woestijn der Schelfzee. Dq kinderen Israels nu togen bij vijven uit Egypte-land.

19 En Mozes nam Jozefs beende-deren met zich; want hij had met een zwaren eed den kinderen Israels bezworen , zeggende: God zal ulieden voorzeker bezoeken; voert dan mijno beenderen met ulieden op van hier.

20 Alzoo reisden zij uit Suk-koth, en zij legerden zich in Et-ham aan het einde der woestijn.

21 En de Heere toog voor hun aangezicht, des daags in eene wolkkolom dat hij ze op den weg leidde, en des nachts in eene vuurkolom dat hij ze lichtte, om voort te gaan dag en nacht:

22 hij nam de wolkkolom des daags en de vuurkolom des nachts


-ocr page 94-

EXOD

80

US 14.

niet weg van liet aangezicht des volks.

HOOFDSTUK 14.

Toen sprak de Heere tot Mo-zes, zeggende:

2 Spreek tot de kinderen Israels, dat zij wederkeeren en zich legeren vóór Pi-Hahiroth, Uis-schen Migdol en tusschen de zee: vóór Baal-Zefon, daartegenover zult gij u legeren aan de zee.

6 Farao dan zal zeggen van de kinderen Israels: Zij zijn verward in het land, de woestijn heeft ze besloten.

4 En ik zal Farao\'s harte verstokken, dat hij hen najage; en ik zal aan Farao en aan al zijn heir verheerlijkt worden, alzoo dat de Egypténaars zullen weten dat ik de Heere ben. En zij deden alzoo.

5 Toen nu den Koning van Egypte werd geboodschapt dat het volk vluchtte, zoo is het hart Farao\'s en zijner knechten veranderd jegens het volk, en zij zeiden: Waarom hebben wij dat gedaan, dat wij Israël hebben laten trekken dat zij ons niet dienden?

6 En hij spande zijnen wagen aan, en nam zijn volk met zich,

7 en nam zeshonderd uitgelezene wagens, ja alle de wagens van Egypte, en de hoofdlieden over die allen.

8 Want de Hkere verstokte het hart van Farao, den Koning van Egypte, dat hij de kinderen Israels najoeg; doch de kinderen Israels waren door eene hooge hand uitgegaan.

9 En do Egypténaars jaagden ze na. en achterhaalden ze daar zij zich .gelegerd hadden aan de zee; alle Farao\'s paarden, wagens, en zijne ruiters en zijn heir; nevens Pi-Hahiroth, vóór Baal-Zefon.

10 Als nu Farao nabij gekomen was, zoo hieven de kinderen Israels hunne oogen op, en zie, de Egypténaars togen achter hen; en zij vreesden zeer; toen riepen de kinderen Israels tot den Heere,

11 en zij zeiden tot Mozes: Hebt gij ons daarom, omdat er in Egypte gansch geene graven waren, weggenomen, opdat wij in deze woestijn sterven zouden? Waarom hebt gij ons dat gedaan, dat gij ons uit Egypte uitgevoerd hebt?

12 Is dit niet het woord dat wij in Egypte tot u spraken, zeggende: lïoud af van ons, en laat ons de Egyptenaren dienen? Want het ware ons beter geweest de Egyptenaren te dienen dan in deze woestijn te sterven.

13 Doch Mozes zeide tot het volk : Vreest niet, staat vast, en ziet het heil de-j Heeren, dat hij heden aan ulieden doen zal; want de Egypténaars, die gij heden gezien hebt, zult gij niet weder zien in der eeuwigheid.

14 De Heere zal voor ulieden strijden, en gij zult stille zijn.

15 Toen zeide do Heere tot Mozes: Wat roept gij tot mij? Zeg den kinderen Israels dat zij voorttrekken.

16 En gij, hef uwen staf op, en strek uwe hand uit over de zee en klief zo, dat de kinderen Israels door het midden der zee gaan op het droge.

17 En ik, zie, ik zal het harte der Egyptenaren verstokken, dat zij na hen daar ingaan; en ik zal verheerlijkt worden aan Farao en aan al zijn heir, aan zijne wage-nen en aan zijne ruiteren.

18 En de Egypténaars zullen weten dat ik de Heere ben, wanneer ik verheerlijkt zal worden aan Farao, aan zijne wagenen en aan zijne ruiteren.

19 En de Engel Gods, die vóór het heir Israels ging, vertrok en ging achter hen; de wolkkolom vertrok óók van hun aangezicht en stond achter hen,

20 en zij kwam tusschen het legorder Egyptenaren en tusschen het leger Israels, en de wolk was tegelijk duisternis en verlichtte den nacht; zoodat de één tot den ander niet naderde den ganschen nacht.

21 Toen nu Mozes zijne hand uitstrekte over de zee, zoo deed de Heere de zee weggaan door eenen sterken oostenwind, dien ganschen nacht, en maakte de zee droog, en de wateren werden gekliefd.


-ocr page 95-

E X O D U S 14.

81

22 En de kinderen Israëls zijn ingegaan in \'t midden van de zee, op liet di-oge, en de wateren waren liun een muur aan hunne rechter- en aan hunne linkerhand.

23 En de Egyplenaars vervolgden ze en gingen er in achter hen, alle Farao\'s paarden, zijne wagenen en zijne ruiteren, in \'t midden van de zee.

24 En het geschiedde in de morgenwake dat de Heere in de kolom des vuurs en der wolk zag op het leger der Egyptenaren, en hij verschrikte het leger der Egyp* tenaren.

25 En hij stiet de raderen hunner wagenen weg, en deed zo zwaarlijk voortvaren. Toen zeiden de Egyptenaars: Laat ons vlieden van het aangezicht Israëls, want de Heere strijdt voor hen tegen de Egyptenaars.

En de Heere zeide tot Mo-zes: Strek uwe hand uit over de zee, dat de wateren wederkeeren over de Egyptenaars, over hunne wagenen en over hunne ruiters.

27 Toen strekte Mozes zijne hand uit over de zee, en de zee kwam weder tegen het naken van den morgenstond tot hare kracht, en de Egyptenaars vluchtten die tegemoet, en de Heere stortte de Egyptenaars in \'t midden der zee;

28 want als de wateren wederkeerden, zoo bedekten zij de wagenen en de ruiters des ganschen heirs van Farafc, dat hen nagevolgd was in de zee: er bleef niet één van hen overig.

29 Maar de kinderen Israëls gingen op het droge, in \'t midden der zee, en de wateren waren hun een muur aan hunne rechter- en aan hunne linkerhand.

30 Alzoo verloste de Heere Israël op dien dag uit de hand der Egyptenaren; en Israël zag de Egyptenaren dood aan den oever der zee.

31 Ook zag Israël de groote hand die de Heere aan de Egyptenaren bewezen had; en het volk vreesde den Heere, en geloofde in den Heere, en aan Mozes zijnen knecht.

HOOFDSTUK 15.

Toen zong Mozes en do kinderen Israëls den Heere dit lied en spraken, zeggende: Ik zal den Heere zingen, want hij is hoog verheven: het paard èn zijnen ruiter heeft hij in de zee geworpen.

2 De Heere is mijn kracht en lied, en hij is mij tot een heil geweest; deze is mijn God, daarom zal ik hem eene iiefelijke woning maken; hij is mijns vaders God, dies zal ik hem verheffen.

3 Do Heere is een krijgsman; Heere is zijn naam.

4 Hij heeft Farao\'s wagens en zijn heir in de zee geworpen, en de keure zijner hoofdlieden zijn verdronken iu de Schelfzee:

5 de afgronden hebben ze bedekt, zij zijn in de diepten gezonken als een steen.

G O Heere, uwe rechterhand is verheerlijkt geworden in macht, uwe rechterhand, o Heere, heeft den vijand verbroken;

7 en door uwe groote hoogheid hebt gij die tegen u opstonden omgeworpen; gij hebt uwen brandenden toorn uitgezonden, die ze verteerd heeft als een stoppel;

8 en door het geblaas van uwen neus zijn de wateren opgehoopt geworden, de stroomen hebben overeind gestaan als een hoop, de afgronden zijn stijf geworden in het harte der zee.

9 De vijand zeide: Ik zal vervolgen, ik zal achterhalen, ik zal den buit doelen, mijne ziele zal van hen vervuld worden, ik zal mijn zwaard uittrekken, mijne hand zal ze uitroeien:

10 gij hebt met uwen wind geblazen, de zee heeft ze bedekt, zij zonken onder als lood, in geweldige wateren.

11 O Heere, wie is als gij onder de goden? Wie is als gij, verheerlijkt in heiligheid, vreese-lijk in lofzangen, doende wonder?

12 Gij hebt uwe rechterhand uitgestrekt, de aarde heeft ze verslonden.

13 Gij leiddet door uwe weldadigheid dit volk dat gij verlost


-ocr page 96-

EX O D

82

US 45.

hebt, gij voert ze zacïitkens door uwe sterkte tot de liefelijke woning uwer heiligheid.

14 De volken hebben het gehoord, zij zullen sidderen; weedom heeft de ingezetenen van Palestina bevangen.

■ \'15 Dan zullen de vorsten Edoms verbaasd wezen,, beving zal de machtigen der Moabiten bevangen, alle de ingezetenen van Kanaan zullen versmelten.

16 Verschrikking en vreeze zal op hen vallen, door de grootheid van uwen arm zullen zij verstommen als een steen, totdat uw volk, Heere, henen doorkome, totdat dit volk henen doorkome, dat gij verworven hebt.

17 Die zult gij inbrengen, en planten ze op den berg uwer erfenis, ter plaatse, welke gij o Heere gemaakt hebt lot uwe woning, het heiligdom hetwelk uwe handen gesticht hebben, o Heehe.

18 De Heere znl in eeuwigheid en geduriglijk regeeren;

19 want Farao\'s paard, met zijnen wagen, met zijne ruiters, zijn in de zee gekomen, en de Heehe heeft de wateren der zee over hen doen wederkeeren, maar de kinderen Israels zijn op het droge in het midden van de zee gegaan.

20 En Mirjam de profetes, Aiiróns zuster, nam ecne trommel inbare hand; en alle de vrouwen gingen uit, haar na, met trommelen en met reien.

21 Toen antwoordde Mirjam hunlieden : Zingt den Heere, want hij is hoog verheven: hij heeft het paard met zijnen ruiter in de zee gestort.

22 Hierna deed Mozes de Isra-eliten voortreizen van de Schelfzee af, en zij trokken uit tot in de woestijn Sur, en zij gingen drie dagen in de woestijn, en vonden tjeen water.

23 Toen kwamen zij te Mara; doch zij konden het water van Mara niet drinken, want bet was bitter: daarom werd deszelfs naam genoemd Mara.

2/i: Toen murmureerde het volk tegen Mozes, zeggende: Wat zullen wij drinken?

25 Hij dan riep tot den Heere en de Heere wees hem een hout, dat wierp hij in dat water: toen werd het water zoet. Aldaar stelde hij het vo^/ceene inzetting en recht, en aldaar beproefde hij hetzelve,

20 en zeide: Is het dat gij met ernst naar de stemme des HÊeren uws Gods hooren zult, en doen wat recht is in zijne oogen, en uwe ooren nijgt tot zijne geboden, en houdt alle zijne inzettingen: zoo zal ik geene der krankheden op u leggen die ik op Egypfeland gelegd heb; want ik l3en de Heere, uw heelmeester.

27 Toen kwamen zij te Elim, en daar waren twaalf waterfonteinen en zeventig palmboomen; en zij legerden zich aldaar aan de wateren.

HOOFDSTUK 1G.

Toen zij van Elim gereisd waren, zoo kwam de gansche vergadering der kinderen Israels in de woestijn Sin, welke is tusschen Elim en tusschen Sinaï, op den vijftienden dag der tweede maand nadat zij uit Egypteland uitgegaan waren.

2 En de gansche vergadering der kinderen Israels murmureerde tegen Mozes en tegen Aaron inde woestijn,

3 cn de kinderen Israels zeiden tot hen: Och, dat wij in Egypteland gestorven waren door de hand des Heeren, toen wij bij de vleesch-potten zaten , toen wij tot verzadiging brood aten! Want gijlieden hebt ons uitgelekfln deze woestijn, om deze gansche gemeente door den honger te dooden.

4 Toen zeide do Heere tot Mozes: Zie, ik zal voor ulieden brood uit den hemel regenen; en het volk zal uitgaan en verzamelen elke dagmaat op haren dag, opdat ik het beproeve of het in mijne wet ga, of niet.

5 En het zal geschieden op den zesden dag, dat zij bereiden zullen hetgeen zij ingebracht zullen hebben: dat zal dubbel zijn boven hetgeen dat zij dagelijks zullen verzamelen.

6 Toen zeide Mozes en Aiiron tot alle de kinderen Israels: Aan den avond, dan zult gij weten dat


-ocr page 97-

EX O D

US 16.

83

ii de Heere uit Egypteland uitgeleid heeft:

7 en morgen, dan zult gij des Heeren heerlijkheid zien, dewijl hij uwe murmureeringen tegen den Heere gehoord heeft; want wat zijn wij, dat gij togen ons murmureert?

8 Voorts zeide Mozes: Als de Heere ulieden aan den avond vleesch te eten zal geven, en aan den morgen brood tot verzadiging, het zal zijn omdat de Heere uwe murmureeringen gehoord heeft, die gij tegen.hem murmureert; want wat zijn wij? Uwe murmu-reeringen zijn niet tegen ons, maar tegen den Heere.

9 Daarna zeide Mozes tot Asiron: Zeg tot de gansche vergadering der kinderen Israëls: Nadert voor het aangezicht des Heeren, want hij heeft uwe murmureeringen gehoord.

10 En het geschiedde als Aaron tot de gansche vergadering der kinderen Israëls sprak, en zij zich naar de woestijn keerden, zoo zie, de heerlijkheid des Heeren verscheen in de wolk.

11 Ook heeft de Heere tot Mozes gesproken, zeggende:

12 Ik heb de murmureeringen der kinderen Israëls gehoord: spreek tot hen, zeggende: Tusschen de twee avonden zult gij vleesch eten, en aan den morgen zult gij met brood verzadigd worden; en gij zult weten dat ik de Heere uw Ood ben.

13 En het geschiedde aan den avond, dat er kwakkelen opkwamen en het leger bedekten; en aan den morgen lag de dauw rondom het leger:

14 als nu de liggende dauw opgevaren was, zoo zie, over de woestijn was een klein rond ding, klein als de rijm, op de aarde.

15 Toen nu de kinderen Israëls het zagen, zoo zeiden zij de één tot den ander: Het is Man; want zij wisten niet wat het was. Mozes dan zeide tot hen: Dit is het brood, \'t welk de Heere ulieden te eten gegeven heeft.

16 Dit is het woord dat de Heere geboden heeft: Verzamelt daarvan een ieder naardat hij eten mag, een gomer voor een hoofd, naar het getal van uwe zielen: ieder zal nemen voor degenen, die in zijne tent zijn.

17 En de kinderen Israëls deden alzoo, en verzamelden, de één veel en de ander weinig.

18 Doch als zij het met den gomer maten, zoo had degeen die veel verzameld had niets over, en dengcen die weinig verzameld had ontbrak niet; een iegelijk verzamelde zooveel als hij eten mocht.

19 En Mozes zeide tot hen : Niemand late daarvan over tot den morgen.

20 Doch zij hoorden niet naar Mozes, maar sommige mannen lieten daarvan over tot den morgen: toen wiessen daar wormen in en het werd stinkende, dies werd Mozes zeer toornig op hen.

21 Zij nu verzamelden dat allen morgen, een iegelijk naar dat {hij eten mocht, want als de zon heet werd, zoo versmolt het.

22 En het geschiedde op den zesden dag dat zij dubbel brood verzamelden, twee gomers voor één; en al de oversten der vergadering kwamen en verkondigden het Mozes.

23 Hij dan zeide lot hen: Dit is het dat de Heere gesproken heeft: morgen is de ruste, de heilige sabbat des Heeren: wat gij bakken zoudt, bakt dat, en ziedt wat gij zieden zoudt; en al wat overblijft, legt het op voor u in bewaring tot den morgen.

24 En zij leiden dat op tot den morgen, gelijk Mozes geboden had; en het stonk niet en er was geen worm in.

25 Toen zeide Mozes: Eet dat heden, want het is heden de sabbat des Heeren; gij zult het heden op het veld niet vinden.

26 Zes dagen zult gij het verzamelen; doch op den zevenden dag is het sabbat, op denzelven zal het niet zijn.

27 En het geschiedde op den zevenden dag dat sommigen van het volk uitgingen om te verzamelen, doch zij vonden niet.

28 Toen zeide de Heere tot


-ocr page 98-

EXODUS 17.

84

Mozes: Hoelang weigert gijlieden le houden mijne geboden en mijne wetten ?

29 Ziet, omdat de Heere ulieden den sabbat gegeven heeft, daarom geeft hij u op den zesden dag voor twee dagen brood; een ieder blijve in zijne plaats: dat niemand uit zijne plaats ga op den zevenden dag.

30 Alzoo rustte het volk op den zevenden dag.

31 En het huis Israels noemde zijnen naam Man; en het was als korianderzaad, wit, en de smaak daarvan was als honigkoeken.

32 Voorts zeide Mozes: Dit is het woord, hetwelk de Heere bevolen heeft: Vul een gomer daarvan tot bewaring voor uwe geslachten, opdat zij zien het brood, dat ik ulieden heb te eten gegeven in deze woestijn, toen ik u uit Egypteland uitleidde.

33 Ook zeide Mozes tot Ailron: Neem eene kruik en doe een gomer vol Man daarin, en zet ze voor het aangezicht des Heeren, tot bewaring voor uwe geslachten.

34 Gelijk als de Heere aan Mozes geboden had, alzoo zette ze Aaron vóór de getuigenis tot bewaring.

35 En de kinderen Israels aten Man veertig jaar, totdat zij ineen bewoond land kwamen; zij aten Man totdat zij kwamen aan de pale des lands Kanaan.

36 Een gomer nu is het tiende-deel van eene efa.

HOOFDSTUK 17.

Daarna toog de gansche vergadering der kinderen Israels, naar hunne dagreizen, uit de woestijn Sin, op het bevel des Heeren, ön zij legerden zich te Rafidim. Di\'ulr nu was geen water voor het volk om te drinken.

2 Toen twistte het volk met Mozes, en zeiden: Geeft gijlieden ons water dat wij drinken. Mozes dan zeide tot hen: Wat twist gij met mij? Waarom verzoekt gij den Heere?

3 Toen nu het volk aldaar dorstte naar water, zoo murmureerde het volk tegen Mozes, en het zeide: Waartoe hebt gij ons nu uit Egypte doen optrekken, opdat gij mij en mijne kinderen en mijn vee van dorst deedt sterven?

4 Zoo riep Mozes tot den Heere , zeggende: Wat zal ik dezen volke doen? Daar feilt niet veel aan of zij zullen mij steenigen.

5 Toen zeide de Heere tot Mozes : Ga henen voor het aangezicht des volks, en neem met u uit de oudsten van Israël, en neem uwen staf in uwe hand, waarmede gij do rivier sloegt, en ga henen:

6 zie, ik zal aldaar voor uw aangezicht op den rotssteen in iioreb staan; en gij zult op den rotssteen slaan, zoo zal daar water uitgaan, dat het volk drinke. Mozes nu deed alzoo voor de oogen der oudsten van Israël;

7 en hij noemde den naam dier plaats Massa en Meriba, om den twist der kinderen Israels, en omdat zij den Heere verzocht hadden, zeggende: Is de Heere in het midden van ons of niet?

8 Toen kwam Amalek en streed tegen Israël in Rafidim.

9 Mozes dan zeide tot Jozua: Kies ons mannen, en trekt uit, strijdt togen Amalek; morgen zal ik op des heuvels hoogte staan, en de staf Godes zal in mijne hand zijn.

10 Jozua nu deed als Mozes hem gezegd had, strijdende tegen Amalek; doch Mozes, Aaron en Hur klommen op de hoogte des heuvels.

11 En het geschiedde terwijl Mozes zijne hand ophief, zoo was .Israël de sterkste; maar terwijl hij zijne hand nederliet, zoo was Amalek de sterkste.

12 Doch Mozes handen werden* zwaar; daarom namen zij eenen steen on leiden dien onder hem, dat hij daarop zat, en Aaron en Hur onderstutteden zijne handen , de één op deze, de ander op de andere zijde: alzoo waren zijne handen gewis, totdat de zon onderging ,

13 alzoo dat Jozua Amalek en zijn volk krenkte door de scherpte des zwaards.


-ocr page 99-

EXODUS 18.

85

14 Toen zcidc do Heeue tot Mozes: Schrijf dit ter gedachte-nisse in een boek, en leg het in de ooren van Jozua, datik de gedachtenis van Amalek geheel uitdelgen zal van onder den hemel.

15 En Mozes bouwde een altaar, en hij noemde deszelfs naam: De Heere is mijn banier.

16 En hij zeide: Dewijl de hand op den troon des Heeren is, zoo zal de oorlog des Heeren tegen Amalek zijn, van geslachte tot geslachte.

HOOFDSTUK. 18.

Toon Jethro, Priester van Mi-dian, Mozes schoonvader, hoorde al wat God aan Mozes en aan Israël, zijn volk, gedaan had, dat de Heere Israël uit Egypte uitgevoerd had,

2 zoo nam Jethro, Mozes schoonvader , Zippora, Mozes huisvrouw (nadat hij zo wedergezonden had),

3 met hare twee zonen, waarvan de één genaamd was Gersom (wanthij zeide: Ik ben een vreemdeling geweest in een vreemd land),

4 en de naam des anderen was Eliëzer: Want, zeide hij, de God mijns vaders is tot mijne hulp ge- | weest, en heeft mij verlost van Farao\'s zwaard.

5 Toen nu Jethro , Mozes schoonvader, met zijne zonen en zijne huisvrouw tot Mozes kwam in de woestijn aan den berg Godes, waar hij zich gelegerd had,

6 zoo zeide hij tot Mozes: Ik, uw schoonvader Jethro kom tot u met uwe huisvrouw, en hare beide zonen met haar.

7 Toen ging Mozes uit, zijnen schoonvader tegemoet, en hij boog zich en kuste hem. en zij vraagden de één den ander naar zijnen welstand, en zij gingen naar de tent.

8 En Mozes vertelde zijnen schoonvader alles wat de Heere aan Farao en aan de Egyptenaren gedaan had om Israëls wille, al de moeite die hun op dien weg ontmoet was, en dat de Heere hen verlost had.

9 Jethro nu verheugde zich over al het goede \'t welk de Heere Israël gedaan had. dat hij \'t verlost had uit der Egyptenaren hand;

10 en Jethro zeide: Gezegend zij de Heere, die ulieden verlost heeft uit de hand der Egyptenaren en uit Farao\'s hand, die dit volk van onder de hand der Egyptenaren verlost heeft:

11 nu weet ik dat de Heere grooter is dan alle ^oden, want in de zaak waarin zij trotschelijk gehandeld hebben was hij boven hen.

12 Toen nam Jethro, Mozes schoonvader, Gode brandoffer en slachtolferen, en Aaron kwam, en alle de oversten van Israël, om brood te eten met Mozes schoonvader voor het aangezicht Gods.

13 Doch het geschiedde des anderen daags, zoo zat Mozes om het volk te richten, en het volk stond vóór Mozes van den morgen tot den avond.

14 Als Mozes schoonvader zag alles wat hij den volke deed, zoo zeide hij: Wat ding is dit dat gij den volke doet? Waarom zit gij zelf alleen, en al het volk staat vóór u van den morgen tot den avond ?

15 Toen zeide Mozes tot zijnen schoonvader: Omdat dit volk tot mij komt om God raad te vragen:

i(J wanneer zij eene zaak hebben, zoo komt het tot mij, dat ik richte tusschen den man en tus-schen zijnen naaste, en dat ik/mn bekend make Godes instellingen en zijne wetten.

17 Doch Mozes schoonvader zeide tot hem: De zaak is niet goed die gij doet:

18 gij zult geheel vervallen, zoo gij als dit volk \'t welk bij u is; want deze zaak is te zwaar voor u, gij alléén kimt ze niet doen.

19 Hoor nu mijne stem, ik zal u raden, en God zal met u zijn: wees gij voor het volk bij God, en breng gij de zaken voor God;

20 en verklaar hun de instellingen en de wetten, en maak hun bekend den weg, waarin zij wandelen zullen en het werk, dat zij doen zullen.


-ocr page 100-

EXODUS 19.

86

21 Doch zio gij om onder al het volk naar kloeke mannen, god-vreezende, waarachtige mannen, de gierigheid hatende; stel ze over hen, oversten der duizenden , oversten der honderden, oversten der vijftigen, oversten der tienen,

22 dat zij dit volk te allen tijde richten; doch het geschiede dat zij alle groote zaken aan u brengen, maar dat zij alle kleine zaken richten; verlicht alzoo uzelven, en laat ze met u dragon.

23 Indien gij deze zake doet, en God het u gebiedt, zoo zult gij kunnen bestaan; zoo zal ook al dit volk in vrede aan zijne plaats komen.

24 Mozes nu hoorde naar zijns schoonvaders stem, en hij deed alles Avat hij gezegd had;

25 en Mozes verkoos kloeke mannen uit gansch Israël, en maakte ze tot hoofden over het volk: oversten der duizenden, oversten der honderden, oversten der vijftigen, en oversten der tienen ,

26 dat zij het volk te allen tijde richtten, de harde zake tot Mozes brachten, maar zij alle kleine zaak richtten.

27 Toen liet Mozes zijnen schoonvader trekken; en hij ging naar zijn land.

HOOFDSTUK 19.

In de derde maand na het uittrekken der kinderen Israels uit Egypteland, tenzelfden dage, kwamen zij in de woestijn Sinaï.

2 Want zij togen uit lUifidim, en kwamen in de woestijn Sinaï, en zij legerden zich in de woestijn; Israël nu legerde zich aldaar tegenover dien berg.

3 En Mozes klom op tot God, en de Heehe riep tot hem van den berg, zeggende: Aldus zult gij tot den huize Jakobs spreken en den kinderen Israëls verkondigen :

4 gijlieden hebt gezien wat ik den Egyptenaren gedaan heb, hoe ik u op vleugelen der arenden gedragen en u tot mij gebracht heb:

5 nu dan, indien gij naarstiglijk mijne slem gehoorzamen en mijn verbond houden zult, zoo zult gij mijn eigendom zijn uit alle volken, want de gansche aarde is mijn;

6 en gij zult mij een priesterlijk Koninkrijk en een heilig volk zijn. Dit zijn de woorden, die gij tot de kinderen Israëls spreken zult.

7 En Mozes kwam en riep de oudsten des volks, en stelde voor hunne aangezichten alle deze woorden , die de Heehe hem geboden had.

8 Toen antwoordde al het volk gelijkelijk en zeide: Al wat de Heehe gesproken heeft zullen wij doen. En Mozes bracht de woorden des volks wederom tot den Heehe.

9 En de Heehe zeide tot Mozes: Zie, ik zal tot u komen in eene dikke wolk, opdat het volk hoore als ik met u spreek, en dat zij ook eeuwig aan u gelooven. Want Mozes had den Heehe de woorden des volks verkondigd.

10 Ook zeide de Heehe tot Mozes: Ga tot den volke, en heilig ze heden en morgen, en dat zij hunne kleederen wasschen,

11 en bereid zijn tegen den derden dag; want op denderden dag zal de Heehe voor de oogen van al het volk afkomen op den berg Sinaï.

12 En bepaal het volk rondom zeggende: Wacht u op den berg te klimmen, en zijn einde aan te roeren: al wie den berg aanroert zal zekerlijk gedood worden;

13 geen hand zal hem aanroeren, maar hij zal zekerlijk gestee-nigd of zekerlijk doorschoten worden; hetzij een beest, hetzij een man, hij zal niet leven. Als de ramshoorn langzaam gaat, zullen zij op den berg klimmen.

14 Toen ging Mozes van den berg af tot het volk, en hij heiligde het volk; en zij wieschen hunne kleederen.

15 En hij zeide tot het volk: Weest gereed tegen den derden dag, en nadert niet tot de vrouw.

10 En het geschiedde ten derden dage, toen het morgen was, dat er op den berg donderen en bliksemen waren, en eene zware wolk,


-ocr page 101-

EXOD

US 20.

87

en het geluid eener zeer sterke bazuin, zoodat al het volk verschrikte dat in het leger was.

*17 En Aiozes leidde het volk uit het leger, Gode tegemoet; en zij stonden aan het onderste des bergs.

18 En de gansche berg Sinaï rookte, omdat de Heere op den-zelven nederkwam in vuur; en zijn rook ging op als de rook van eenen oven, en de gansche berg beefde zeer.

19 Toen het geluid der bazuin gaande was en zeer sterk werd , sprak Mozes, en God antwoordde hem met eene stem.

20 Als de IIeere nedergekomen was op den berg Sinaï, op de spitse des bergs, zoo riep de Heere Mozes op de spitse des bergs; en Mozes klom op.

21 En de Heere zeide tot Mozes : Ga af, betuig dezen volke, dat zij niet doorbreken tot den Heere om te zien, en velen van hen vallen.

22 Daartoe zullen ook de Priesters, die tot den Heere naderen, zich heiligen, dat de Heere niet tegen hen uitbreke.

23 Toen zeide Mozes tot den Heere: Het volk zal op den berg Sinaï niet kunnen klimmen; want gij hebt ons betuigd , zeggende: Paal den berg af, en heilig hem.

24 De Heere dan zeide tot hem: Ga henen, klim af; daarna zult gij, en Aaron met u, opklimmen; doch dat de Priesters en het volk niet doorbreken om op te klimmen tot den Heere , dat hij tegen hen niet uitbreke.

25 Toen klom Mozes af tot het volk, en zeide het hun aan.

HOOFDSTUK 20.

Toen sprak God alle deze woorden, zeggende:

2 Ik ben de Heere, uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis, uitgeleid heb.

3 Gij zult geene andere goden •voor mijn aangezicht hebben.

4 Gij zult u geen gesneden beeld noch eenige gelijkenis maken vo.n hetgeen dat boven in den hemel is, noch van hetgeen dat onder op de aarde is, noch van hetgeen dat in de wateren onder de aarde is.

5 Gij zult u voor die niet buigen noch hen dienen; want ik de Heere, uw God, ben een ijverig God , die de misdaad der vaderen bezoeke aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde//d dergenen die mij haten;

6 en doe barmhartigheid aan duizenden dergenen, die mij liefhebben en mijnegeboden onderhouden.

7 Gij zult den name des Heeren uws Gods niet ijdellijk gebruiken , want de Heere zal niet onschuldig houden die zijnen naam ijdellijk gebruikt.

8 Gedenkt den sabbatdag, dat gij dien heiligt.

9 Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen;

10 maar de zevende dag is de sabbat des Heeren uws Gods: dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uwe dochter, noch uw dienstknecht, noch uwe dienstmaagd, noch uw vee, noch uw vreemdeling, die in uwe poorten is;

11 want in zes dagen heeft de Heere den hemel en de aarde gemaakt, de zee en alles wat daarin is, en hij rustte ten zevenden dage: daarom zegende de Heere den sabbatdag, en heiligde den-zelven.

12 Eert uwen vader en uwe moeder , opdat uwe dagen verlengd worden in den lande, dat u de Heere uw God geeft.

13 Gij zult niet doodslaan.

14 Gij zult niet echtbreken.

15 Gij zult niet stelen.

16 Gij zult geen valsche getuigenis spreken tegen uwen naaste.

17 Gij zult niet begeeren uws naasten huis, gij zult niet begeeren uws naasten vrouw, noch zijnen dienstknecht, noch zijne dienstmaagd, noch zijnen os, noch zijnen ezel, noch iets dat uws naasten is.

18 En al het volk zag de donderen en de bliksemen, en het geluid der bazuin, en den rookenden berg; toen het volk zulks zag, weken zij af en stonden van verre,

19 en zij zeiden tot Mozes: Spreek


-ocr page 102-

EXOD

US 21.

88

gij met ons, en wij zullen hooren; en dat God met ons niet spreke , opdat wij niet sterven.

20 En Mozes zeide tot het volk: Vreest niet, want God is gekomen opdat hij u beproefde, en opdat zijne vreeze \\ oor uw aangezicht zoude zijn, dat gij niet zon-digdet.

21 En het volk stond van verre; maar Mozes naderde tot de donkerheid alwaar God was.

22 Toen zeide de Heere tot Mozes: Aldus zult gij tot de kinderen Israëls zeggen : Gij hebt gezien dat ik met ulieden van den hemel gesproken heb.

23 Gij zult nevens mij niet maken zilveren goden, en gouden goden zult gij u niet maken.

24 Maak mij een altaar van aarde, en offer daarop uwe brand-offeren en uwe daukolferen, uwe schapen en uwe runderen; aan alle plaatse, daar ik mijns naams gedachtenis stichten zal, zal ik tot u komen en zal u zegenen.

25 Maar indien gij mij een stee-nen altaar zult maken , zoo zult gij dat niet bouwen van gehouwen steen; zoo gij uw houwijzer daarover verheft, zoo zult gij het ontheiligen.

26 Gij zult ook niet met trappen tot mijn altaar opklimmen, opdat uwe schaamte daarvoor niet ontdekt worde.

HOOFDSTUK 21.

Dit nu zijn de rechten; die gij hun zult voorstellen.

2 Als gij eenen Hebreeuwschen knecht kóopen zult, die zal zes jaren dienen, maar in het zevende zal hij voor vrij uitgaan, om niet.

3 Indien hij met zijn lijf ingekomen zal zijn, zoo zal hij met zijn lijf uitgaan; indien hij een getrouwd man was, zoo zal zijne vrouw niet hem uitgaan.

4 Indien hem zijn heer eene vrouw gegeven, en zij hem zonen of doch-teren gebaard zal hebben, zoo zal de vrouw en hare kinderen haars heeren zijn, en hij zaï met zijn lijf uitgaan.

5 Maai* indien de knecht ronduit zeggen zal: Ik heb mijnen heer, mijne vrouw en mijne kinderen lief, ik wil niet vrij uitgaan;

6 zoo zal hem zijn heer tot de goden brengen , daarna zal hij hem aan de deur of aan den post brengen , en zijn heer zal hem met eenen priem zijn oor doorboren, en hij zal hem eeuwig dienen.

7 Wanneer nu iemand zijne dochter zal verkocht hebben tot eene dienstmaagd , zoo zal zij niet uitgaan gelijk de knechten uitgaan.

8 Indien zij kwalijk bevalt in de oogen baars quot;heeren, dat hij ze niet ondertrouwd heeft, zoo zal hij ze doen lossen ; aan een vreemd volk haar te verkoopen zal hij niet vermogen , dewijl hij trouweloos met haar gehandeld heelt.

9 Maar indien hij ze aan zijnen zoon ondertrouwt, zoo zal hij met haar doen naar het recht der dochteren.

10 Indien hij voor zich eene andere neemt, zoo zal hij deze hare spijze, haar deksel, en haren huwelijksplicht niet onttrekken ;

11 en indien hij haar deze drie dingen niet doet, zoo zal zij om niet uitgaan, zonder geld.

12 Wie iemand slaat dat hij sterft, die zal zekerlijk gedood worden.

13 Doch indien hij hem niet belaagd heeft, maar God hem zijne hand heeft doen ontmoeten , zoo zal ik u eene plaats bestellen waar hij henenvliede.

14 Maar indien iemand tegen zijnen naaste moedwilliglijk gehandeld heeft, om hem met list te dooden, zoo zult gij denzelven van voor mijn altaar nemen, dat hij sterve.

15 Zoo wie zijnen vader of zijne moeder slaat, die zal zekerlijk gedood worden.

113 Voorts zoo wie een mensch steelt, hetzij dat hij dien verkocht heeft of dat hij in zijne hand gevonden wordt, die zal zekerlijk gedood worden.

17 Wie ook zijnen vader of zijne moeder vloekt, die zal zekerlijk gedood worden.

18 En wanneer mannen twisten, en de één slaat den ander met


-ocr page 103-

EXOD

80

ÜS 22.

eencn steen of met eenc vuist, en hij sterft niet maar valt te bedde:

19 indien hij weder opstaat, en op straat gaat bij zijnen stok, zoo zal hij die hem sloeg onschuldig zijn: alleen zal hij geven hetgeen hij verzuimd heeft, en bij zal hem volkomenlijk laten heelen.

20 Wanneer ook iemand zijnen dienstknecht of zijne dienstmaagd met eenen stok slaat, dat hij onder zijne hand sterft, die zal zekerlijk gewroken worden.

21 Zoo hij nogtans eenen dag of twee dagen overeind blijft, zoo zal hij niet gestraft worden; want hij is zijn geld.

22 quot;Wanneer nu mannen kijven, en slaan eene zwangere vrouw, dat haar de vrucht afgaat, doch het geen doodelijk verderf is, zoo zal hij zekerlijk gestraft worden, gelijk de man der vrouw hem oplegt , en hij zal het geven door de rechters;

23 maar indien het een doodelijk verderf zal zijn, zoo zult gij geven ziel voor ziel,

24 oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet,

25 brand voor brand, wond voor wond, buil voor buil.

26 Wanneer ook iemand het oog zijns dienstknechts of het oog zijner dienstmaagd slaat en het verderft, hij zal hem vrij laten gaan voor zijn oog.

27 En indien hij zijns dienstknechts tandof zijner dienstmaagd tand uitslaat, zoo zal hij hem vrijlaten voor zijnen tand.

28 En wanneer een os een man of vrouw stoot dat hij sterft, zoo zal de os zekerlijk gesteenigd worden, en zijn vleesch zal niet gegeten worden; maar de heer van den os zal onschuldig zijn.

29 Maar indien de os te voren stootig geweest is, en zijn heer daarvan overtuigd is geweest, en hij hem niet bewaard heeft, en hij doodt een man of vrouw, zoo zal die os gesteenigd worden, en zijn heer zal óók gedood worden.

30 Indien hem losgeld opgelegd wordt, zoo zal hij tot lossing zijner ziele geven naar alles wat hem zal opgelegd worden;

31 hetzij hij eenen zoon gestoo-ten heeft, of eene dochter gestoo-ten heeft, naar dat recht zal hem gedaan worden.

32 Indien de os een knecht of dienstmaagd stoot, hij zal zijnen heer dertig zilverlingen geven, en de os zal gesteenigd worden.

33 En wanneer iemand een kuil opent, of wanneer iemand een kuil graaft, en hij dekt hem niet toe, en een os of ezel valt daarin,

34 de heer des kuils zal het vergoeden, hij zal den heer des-zelven het geld uitkeeren, doch dat doode zal voor hem wezen.

35 Wanneer nu iemands os zijns naasten os kwetst dat hij sterft, zoo zal men den levenden os ver-koopen, en het geld daarvan half en half deelen, en den dooden zal men óók half en half deelen.

3(3 Of is het bekend geweest dat die os van te voren stootig was, en heeft zijn heer hem niet bewaard, zoo zal hij in alle manier os voor os vergelden; doch de doode zal voor hem wezen.

HOOFDSTUK 22.

Wanneer iemand een os of klein vee steelt, en slacht het of verkoopt het, die zal vijf runderen voor eenen os wedergeven, en vier schapen voor een stak klein vee.

2 Indien een dief gevonden wordt in het doorgraven, en hij wordt, geslagen dat hij sterft, het zal hem geen bloedschuld zijn.

3 Indien de zon over hem opgegaan is, zoo zal het hem eene bloedschuld zijn; hij zal het volkomen wedergeven: heeft hij niet, zoo zal hij verkocht worden voor zijne dieverij,

4 Indien \'de diefstal levend in zijne hand voorzeker gevonden werdt, hetzij os of ezel of klein vee, hij zal het dubbel wedergeven.

5 Wanneer iemand een veld of wijngaard laat afweiden, en hij zijn beest daarin drijft, dat het in eens anders veld weide, die zal het van het beste zijns velds en van het beste zijns wijngaards wedergeven.


-ocr page 104-

90

C Wanneer een vuur uitgaat en vat de doornen, zoodat de koren-hoop verteerd wordt, of het staande koren, of het veld, hij die den brand heeft aangestoken zal het volkomen wedergeven.

7 Wanneer iemand zijnen naaste geld pf vaten te bewaren geeft, en het wordt uit diens mans huis gestolen: indien de dief gevonden wordt, hij zal het dubbel wedergeven ;

8 indien de dief niet gevonden wordt, zoo zal de heer des huizes tot de goden gebracht worden, of hij niet zijne hand aan zijns naasten have gelegd heeft.

9 Over alle zaak van onrecht over een os, over een ezel, over klein vee, over kleeding, over al het verlorene, hetwelk iemand zegt dat het zijne is , beider zaak zal voor de goden komen: welken de goden verwijzen, die zal hetzijnen naaste dubbel wedergeven.

10 Wanneer iemand aan zijnen naaste een ezel of os of klein vee of eenig beest te bewaren geeft, en het sterft, of het wordt bezeerd, of weggedreven dat het niemand ziet,

11 zoo zal des Heeren eed tus-sehen hen beiden zijn, of hij niet zijne hand aan zijns naasten have geslagen heeft; en de heer derzelve zal dien aannemen, en hij zal het niet wedergeven.

12 Maar indien liet door hem zekerlijk gestolen is, hij zal het zijnen heer wedergeven.

13 Is het gewisselijk verscheurd, dat hij het brenge tot getuige: zoo zal hij het verscheurde niet wedergeven.

14 En wanneer iemand van zijnen naaste wat begeert, en het wordt beschadigd of het sterft, zijn heer daar niet bij zijnde, zal hij het volkomen wedergeven;

15 indien zijn heer daar bij geweest is, zal hij het niet wedergeven; indien het gehuurd is, zoo is het voor zijne huur gekomen.

1G Wanneer nu iemand eene maagd verlokt die niet ondertrouwd is, en hij ligt bij haar, die zal haar zonder uitstel eencn bruidschat geven, dat zij hem ter vrouwe zij.

17 Indien haar vader ganschelijk weigert haar aan hem te geven, zoo zal hij geld geven, naar den bruidschat der maagden.

18 De tooveres zult gij niet laten leven.

19 Al wie bij een beest ligt, die zal zekerlijk gedood worden.

20 Wie den goden offert, behalve den Heeue alleen, die zal verbannen worden.

21 Gij zult ook den vreemdeling geen overlast doen noch hem onderdrukken , want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland.

22 Gij zult geene weduwe noch wees beleedigen.

23 Indien gij ze eenigszins belee-digt, en indien zij eenigszins tot mij roepen, ik zal hun geroep zekerlijk verhoeren;

24 en mijn toorn zal ontsteken, en ik zal ulieden met den zwaarcle dooden, en uwe vrouwen zullen weduwen en uwe kinderen weezen worden.

25 Indien gij mijn volk , dat bij u arm is, geld leent, zoo zult gij tegen hetzelve niet zijn als een woekeraar: gij zult op hetzelve geen woeker leggen.

26 Indien gij eenigszins uws naasten kleed te pand neemt, zoo zult gij het hem wedergeven eer de zon ondergaat;

27 want dat alleen is zijn deksel, het is zijn kleed over zijne huid: waarin zoude hij liggen? Het zal dan geschieden wanneer hij tot mij roept, dat ik het zalhooren; want ik ben genadig.

28 De goden zult gij niet vloeken, en den overste in uw volk zult gij niet lasteren.

29 Uwe volheid en uwe tranen zult gij niet uitstellen: den eerstgeborene uwer zonen zult gij mij geven.

30 Desgelijks zult gij doen met uwe ossen en met uwe schapen; zeven dagen zullen zij bij hunne moeder zijn, ten achtsten dage zult gij ze mij geven.

31 Gij nu zult mij heilige lieden zijn: daarom zult gij geer. vleesch eten dat op het veld gescheurd is; gij zult het den hond voorwerpen.

EXODUS 22.


-ocr page 105-

EXODUS 23.

HOOFDSTUK 23.

Gij zult geen valsch geruchte opnemen; en stel uwe hand niet bij den goddelooze, om een getuige tot geweld te zijn.

2 Gij zult de menigte tot booze zaken niet volgen; en gij zult niet spreken in eene twistigezaak, dat -gij u nijgt naar de menigte , om het recht te buigen.

3 Ook zult gij den geringe niet voortrekken in zijne twistige zaak.

4 .Wanneer gij uws vijands os of zijnen ezel dwalende ontmoet, gij zult hem denzelven zekerlijk wederbrengen.

5 Wanneer gij uws haters ezel onder zijnen last ziet liggen, zult gij dan nalatig zijn om het uwe te verlaten voor hem? Gij zult het in alle manieren met hem verlaten.

6 Gij zult het recht uws armen niet huigen in zijne twistige zaak.

7 Wees verre van valsche zaken; en den onschuldige en gerechtigc zult gij niet dooden; want ik zal den goddelooze niet rechtvaardigen.

8 Ook zult gij geen geschenk nemen; want liet geschenk verblindt de zienden, en het verkeert de zaak der rechtvaardigen.

Ö Gij zult ook den vreemdeling niet onderdrukken; want gijlieden Jlt;ent hot gemoed des vreemdelings, dewijl gij vreemdelingen geweest .zijt in Egypteland.

10 Gij zult ook zes jaar uw land bezaaien, en zijne inkomst verzamelen ;

11 maar in het zevende zult gij het laten rusten en stil liggen, dat de armen uws volks mogen eten, en het overige daarvan de beesten des veldseten mogen. Al-zóó zult gij ook doen met uwen wijngaard en met uwe olijf hoornen.

12 Zes dagen zult gij uwe werken doen, maar op den zevenden dag zult gij rusten; opdat uw os en uw ezel ruste, en dat uwer dienstmaagd zoon en de vreemdeling adem scheppe.

13 In alles dat ik tot ulieden gezegd heb zult gij op uwe hoede zijn; en den naam van andere goden zult gij niet gedenken, uit uwen mond zal hij niet gehoord worden.

14 Drie reizen in het jaar zult gij mij feest houden.

lö Het feest van de ongezuurde hrooden zult gij houden: zeven dagen zult gij ongezuurde broaden eten, (gelijk ik u geboden heb) ter bestemder tijd in de maand Abib, want in dezelve zijt gij uit Egypte getogen; doch men zal niet ledig voor mijn aangezicht verschijnen.

l(i En het feest des oogstes der eerste vruchten van uwen arbeid, die gij op het veld gezaaid zult hebben. En het feest der inzameling, op den uitgang des jaars, wanneer gij uwen arbeid uit het veld zult ingezameld hebben.

17 Driemaal \'sjaars zullen alle uwe mannen voor het aangezicht des Heeren Herren verschijnen.

18 Gij zult het bloed mijns offers met geen gedeesemde hrooden olfcren; ook zal het vette mijns feestes tot op den morgen niet vernachten.

1(J De eerstelingen der eerste vruchten uws lands zult gij in het huis des Heeren uws Gods brengen. Gij zult het bokje niet koken in de melk zijner moeder.

20 Zie, ikzendeenen Engel voor uw aangezicht, om u te behoeden op dezen weg, en om u te brengen tot de plaatse, die ik bereid heb:

21 hoed u voor zijn aangezicht, en wees zijne stem gehoorzaam, en verbitter hem niet; want hij zal ulieder overtredingen niet vergeven, want mijn Naam is in het binnenste van hem.

22 Maar zoo gij zijne stem quot;naar-stiglijk gehoorzaamt en doet al wat ik spreken zal, zoo zal ik uwer vijanden vijand en uwer weder-partijders wederpartij zijn;

23 want mijn Engel zal voor uw aangezicht giian, en hij zal u inbrengen tot de Amoriten en He-thiten en Fereziten en Kanaaniten, Heviten en Jebusiten, en ik zal ze verdelgen.

24 Gij zult u voor hunne goden


-ocr page 106-

EX O D

92

US 24.

niet buigen noch hen dienen, ook zult gij naar hunne werken niet doen; maar gij zult ze geheel afbreken, en hunne opgerichte beelden ganschelijk vermorzelen,

25 en gij zult den Heere uwen God dienen: zoo zal hij uw brood en uw water zegenen, en ik zal de krankheden uit het midden van u weren;

26 daar zal geen misdrachtige noch onvruchtbare in uw land zijn; ik zal het getal uwer dagen vervullen;

27 ik zal mijnen schrik voor uw aangezicht zenden, en al het volk tot hetwelk gij komt versaagd maken, en ik zal maken dat alle uwe vijanden u den nek toekee-ren.

28 Ik zal ook horzelen voor uw aangezicht zenden ; die zullen van voor uw aangezicht uitstooten de Heviten, de Kanaaniten en de Hethiten.

29 Ik zal ze in één jaar van uw aangezicht niet uitstooten, opdat het land niet woest worde, en hot wild gedierte boven u niet vermenigvuldigd worde;

30 ik zal ze allengskens van uw aangezicht uitstooten, totdat gij gewassen zijt en het land erft.

31 En ik zal uwe landpalen zetten van de zee Suf tot aan de zee der Filistijnen, en van de woestijn tot aan de rivier; want ik zal de inwoners diens lands in ulieder hand geven, dat gij ze voor uw aangezicht uitstoot.

32 Gij zult met hen en met hunne goden geen verbond maken.

33 Zij zullen in uwen lande niet wonen, opdat zij u tegen mij niet doen zondigen; indien gij hunne goden dient, het zal u voorzeker tot een valstrik zijn.

HOOFDSTUK 24.

Daarna zeide hij tot Mozes: Klim op tot den Heere, gij en Aaron, Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten Israels; en buigt u neder van verre.

• 2 En dat Mozes alleen nadere tot den Heere, maar dat zij niet naderen; en het volk klimme óók niet op met hem.

3 Ais Mozes kwam en verhaalde den volke allo de woorden des Hee-ren en allo de rechten, toen antwoordde al het volk met ééne stem en zij zeiden: Alle deze woorden , die de Heere gesproken heeft zullen wij doen.

4 Mozes nu beschreef alle de woorden des Herren, en hij maakte zich des morgens vroeg óp, en hij bouwde een altaar onder aan den berg, en twaalf kolommen, naar de twaalf stammen Israels.

5 En hij zond de jongelingen der kinderen Israels, die brandofferen offerden en den Heere dankofferen offerden van jonge ossen.

6 En Mozes nam de helft des bleeds en zette het in bekkens, en de helft des bleeds sprengde hij op het altaar.

7 En hij nam het bock des ver-bonds, en hij las het voor de ooren des volks; en zij zeiden: Al wat do Heere gesproken heeft zullen wij doen, en gehoorzamen.

8 Toen nam Mozes dat bloed en sprengde het op \'t volk, en hij zeide: Zie, dit is het bloed van het verbond, \'t welk de Heerk met ulieden gemaakt heeft over alle die woorden.

9 Mozes nu en Aaron klommen opwaarts, ook Nadab en Abihu, en zeventig van de oudsten Israels.

10 En zij zagen den God Israels, en onder zijne voeten als een werk van saffiersteenen, en als de gestaltenis des hemels in zijne klaar-» beid.

11 Doch hij strekte zijne hand niet tot de afgezonderden der kinderen Israels, maarzij aten en dronken nadat zij God gezien haddon.

12 Toen zeide do Heere cot Mozes: Kom tot mij op der berg, en wees aldaar; en ik zal u stee-nen tafelen geven, en de wet en de geboden, die ik geschreven heb om hen te onderwijzen.

13 Toen maakte zich Mozes op met Jozua zijnen dienaar, en Mozes klom op den berg Godes,

14 en hij zeide tot do oudsten: Blijft gij ons hier totdat wij weder tot u komen; en zie, Aaron


-ocr page 107-

EXOD

93

US 25.

en Hur zijn bij u: wie eenige zaken heeft zal tot hen komen.

15 Toen Mozes op den berg geklommen was, zoo hoeft eene wolk den berg bedekt,

40 en de heerlijkheid des IIee-ren woonde op den berg Sinaï, en de wolk bedekte hem zes dagen; en ten zevenden dage riep hij Mozes uit het midden der wolk.

17 En het aanzien der heerlijkheid des Heeren was als een verterend vuur, op het opperste diens bergs, in de oogen der kinderen Israels.

18 En Mozes ging in het midden der wolk, nadat hij op den berg geklommen was; èn Mozes was op dien borg veertig dagen en veertig nachten.

HOOFDSTUK 25.

Toon sprak do Heere tot Mozes, zeggende:

2 Spreek tot de kinderen Israels, dat zij voor mij een hefoffer nemen: van alle man, wiens harte zich vrijwillig bewegen zal, zult gijlieden mijn hefoffer nemen.

3 Dit nu is het hefoffer hetwelk gij van hen nemen zult: goud en zilver en koper;

4 alsook hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geitenhaar;

5 en roodgeverwde ramsvellen, en dassenvellen, en sittimhout;

6 olie tot den luchter; specerijen ter zalfolie, en tot rooking welriekende specerijen;

7 sardonyxsteenen en vervullende steenen\'tot denefod en tot den borstlap.

8 En zij zullen mij een heiligdom maken, dat ik in het midden van hen wone.

9 Naar al wat ik u tot een voorbeeld dezes Tabernakels en een voorbeeld van al doszolfs gereedschap wijzen zal, even alzoo zult gijlieden die maken.

10 Zoo zullen zij eene Arke van sittimhout maken: twee ellen en eene halve zal hare lengte zijn, en anderhalve el hare breedte, en anderhalve el hare hoogte.

11 En gij zult ze met louter goud overtrekken, van binnen en van buiten zult gij ze overtrekken; en gij zult rondom op dezelve eenen gouden krans maken.

12 En giet voor haar vier gouden ringen, en zet die aan hare vier hoeken, alzoo dat twee ringen aan hare ééne zijde, en twee ringen aan hare andere zijde zijn.

13 En maak handboomen van sittimhout, en overtrek zo met goud;

14 en steek de handboomen in de ringen, die aan de zijden der Arke zijn, dat men de Arke daarmede drage:

15 de draagboomen zullen in de ringen der Arke zijn, zij zullen er niet uitgetrokken worden.

16 Daarna zult gij in de Arke leggen de getuigenis, die ik u geven zal.

17 Gij zult ook een verzoendeksel maken van louter goud: twee en eene halve el zal zijne lengte zijn, en anderhalve el zijne breedte.

18 Gij zult ook twee cherubs van goud maken, van dicht goud zult gij zo maken, uit de beide einden des verzoendeksels.

19 En maak u éénen cherub uit het ééne einde aan deze zijde, en den andoren cherub uit het andere einde aan gene zijde; uit het verzoendeksel zult gijlieden do cherubs maken, uit de beide einden van hetzelve.

20 En de cherubs zullen hunne beide vleugelen omhoog uitbreiden, bedekkende met hunne vleugelen het verzoendeksel; en hunne aangezichten zullen tegenover elkander zijn, de aangezichten der cherubim zullen naar het verzoendeksel zijn.

21 En gij zidt het verzoendeksel boven op do Arke zetten, nadat gij in de Arke de getuigenis, die ik u geven zal, zult gelegd hebben.

22 En aldaar zal ik bij u komen, en ik zal met u spreken van boven het verzoendeksel af, van tusschen de twee cherubs die op de Arke der getuigenisse zijn zullen, alles wat ik u gebieden zal aan de kinderen Israels.

23 Gij zult ook eene tafel maken van sittimhout: twee ellen zal ha-


-ocr page 108-

EXODUS 26

re lengte zijn, en eene cl hare breedte, en eene el en eene halve zal hare hoogte zijn.

24 En gij zult ze met louter goud overtrekken; gij zult ook een gouden krans rondom daaraan maken.

25 Gij zult daar ook eene lijst rondom aan maken, eene hand breed; en gij zult eene gouden krans rondom de lijst derzelve maken.

20 Ook zult gij vier gouden ringen daaraan makea, en gij zult de ringen zetten aan do vier hoeken, die aan de vier voeten der-zelve zijn zullen.

27 Tegenover de lijst zullen de ringen zijn, tot plaatsen voor de handboomen om de tafel te dragen.

28 Deze handboomen nu zult gij van sittimhout maken, en gij zult ze met goud overtrekken; en de tafel zal daaraan gedragen worden.

29 Gij zult ook maken hare schotelen en hare rookschalen, en hare plateelen, en hare kroezen, (met dewelke zij bedekt zal worden); van louter goud zult gij ze maken.

30 En gij zult op deze tafel altijd het toonbrood voor mijn aangezicht leggen.

31 Gij zult ook een kandelaar van louter goud maken: van dicht werk zal deze kandelaar gemaakt worden, zijne schacht en zijne rieten; zijne schaaltjes, zijne knoopen en zijne bloemen zullen uit hem zijn.

32 En zes rieten zullen uit zijne zijden uitgaan: drie rieten des kandelaars uit zijne ééne zijde, en drie rieten des kandelaars uit zijne andere zijde.

33 In het ééne riet zullen drie schaaltjes zijn gelijk amandelnoten, een knoop en eene bloem; en drie schaaltjes gelijk amandelnoten in een ander riet, een knoop en een bloem: alzóó zullen die zes rieten zijn, die uit den kandelaar gaan.

34 Maar aan den kandelaar zeiven zullen vier schaaltjes zijn gelijk amandelnoten, met zijne knoopen èn met zijne bloemen.

35 En er zal een knoop zijn on-dei\' twee rieten, uit denzelven uitgaande; ook een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; nog een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; alzóó zal het zijn met de zes rieten, die uit den kandelaar uitgaan.

30 Hunne knoopen en hunne rieten zullen uit hem zijn: het zal altemaal een éénig dicht werk van louter goud zijn.

37 Gij zult \'hem ook zeven lampen maken, en men zal zijne lampen aansteken en doen lichten aan zijne zijden.

38 Zijne snuiters en zijne blusch-vaten zullen louter goud zijn.

30 Uit een talent louter gouds zal men dat maken, met al dit gereedschap.

40 Zie dan toe dat gij het maakt naar hun voorbeeld, hetwelk u op den berg getoond is.

HOOFDSTUK 20.

Den Tabernakel nu zult gij maken van tien gordijnen, van fijn getweernd linnen, en hemelsblauw, en purper, en scharlaken, met cherubim van het allerkunstigste werk zult gij ze maken.

2 De lengte van ééne gordijn zal van achtentwintig ellen zijn, en de breedte ééner gordijn van vier ellen; alle deze gordijnen zullen ééne maat hebben.

3 Er zullen vijf gordijnen samengevoegd zijn de ééne aan de andere, wederom zullen er vijf gordijnen samengevoegd zijn de éérie aan de andere.

4 En gij zult hemelsblauwe strik-lisjes maken aan den kant der ééne gordijn, aan het uiterste in de samenvoeging ; alzóó zult gij ook doen aan den uitersten kant der gordijn, aan de tweede samenvoegende.

5 Vijftig striklisjes zult gij aan de ééne gordijn maken, en vijftig striklisjes zult gij maken aan het uiterste der gordijn, dat aan de tweede samenvoegende is: deze striklisjes zullen het ééne aan het andere samenvatten.

6 Gij zult ook vijftig gouden haakjes maken, en zult de gordijnen samenvoegen, de ééne aan de andere, met deze haakjes, opdat het één tabernakel zij.


-ocr page 109-

US 26.

EXOD

95

7 Ook zult gij gordijnen uit gei-Xcnhaar maken tot ecne tent over den Tabernakel: van elf gordijnen zult gij die maken.

8 De lengte éénér gordijn zal dertig ellen zijn, en de breedte ééner gordijn vier ellen; deze elf gordijnen zullen ééne maat hebben.

9 En gij zult vijf dezer gordijnen bijzonder aan elkander voegen, en zes dezer gordijnen bijzonder; en de zesde dezer gordijnen zult gij dubbel maken, reclit vóór op de tent.

10 En gij zult vijftig striklisjes maken aan den kant van de ééne gordijn, het uiterste in de samenvoeging, en vijftig striklisjes aan den kant van de gordijn, die de tweede samenvoegende is.

11 Gij zult ook vijftig koperen haakjes maken, en gij zult de haakjes in de striklisjes doen, en gij zult de tent samenvoegen dat ze één zij.

12 Üet overige nu dat overschiet aan de gordijnen der tent, de helft der gordijn die overschiet, zal overhangen aan de achterste deelen des Tabernakels;

13 en ééne el van deze, en ééne el van gene zijde van hetgeen dat overig zijn zal aan de lengte van de gordijnen der tent, zal overhangen aan de zijden des Tabernakels , aan deze en aan gene zijde, om dien te bedekken.

14 Gij zult ook voor de tent een deksel maken van roodgeverwde ramsvellen, en daarover een deksel van dassenvellen.

15 Gij zult ook tot den Tabernakel staande stijlen maken van sit-timhout:

16 de lengte van een stijl zal tien ellen zijn, en eene el en een halve el zal de breedte van eiken stijl zijn.

17 Twee houvasten zal één stijl hebben, als sporten in eene ladder gezet, de ééne nevens de andere; alzóó zult gij het met alle de stijlen des Tabernakels maken.

18 En de stijlen tot den Tabernakel zult gij aldus maken: twintig stijlen naar de zuidzijde zuidwaarts.

19 Gij zult ook veertig zilveren voeten maken onder de twintig stijlen: twee voeten onder éénen stijl, aan zijne twee houvasten, en twee voeten onder een anderen stijl, aan zijne twee houvasten.

20 Er zullen ook twintig stijlen zijn aan de andere zijde des Tabernakels , aan den noorderhoek,

21 met hunne veertig zilveren voeten: twee voeten onder éénen stijl, en twee voeten onder eenen anderen stijl.

22 Doch aan de zijde des Tabernakels tegen het Westen zult gij zes stijlen maken.

23 Óok zult gij Uyee stijlen maken tot de hoekstijlen des Tabernakels aan de beide zijden;

24 en zij zullen van beneden als tweelingen samengevoegd zijn, zij zullen ook als tweelingen aan des-zelfs oppereinde samengevoegd zijn, met éénen ring: alzóó zal het met de twee stijlen zijn, tot twee hoekstijlen zullen zij zijn.

25 Alzoo zullen de acht stijlen zijn met hunne zilveren voeten, zijnde zestien voeten: twee voeten onder éénen stijl, wederom twee voeten onder éénen stijl.

26 Gij zult ook richelen maken van sittimhout: vijf aan de stijlen van de ééne zijde des Tabernakels,

27 en vijf richelen aan de stijlen van de andere zijde des Tabernakels; alsook vijf richelen aan de stijlen van de zijde des Tabernakels, aan de beide zijden westwaarts.

28 En de middelste richel zal midden aan de stijlen zijn, doorschietende van het ééne einde tot het andere einde.

29 En gij zult de stijlen met goud overtrekken, en hunne ringen (de plaatsen voor de richelen) zult gij van goud maken; de richelen zult gij óók met goud overtrekken.

30 Dan zult gij den Tabernakel oprichten naar zijne wijze, die u op den berg getoond is.

31 Daarna zult gij eenen voorhang maken van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het aller-kunstigste werk zal men dien maken, met cherubs.

32 En zult hem hangen aan vier


-ocr page 110-

96 E X O D

pilaren van siilümhout, met goud overtogen; hunne haken zullen van goud zijn, staande op vier zilveren voeten.

33 En gij zult den voorhang onder de haakjes hangen, en gij zult de Arke der getuigenisse aldaar binnen den voorhang brengen ; en deze voorhang zal ulieden eene scheiding maken tussehen het heilige en tussehen het heilige der heiligen.

34 En gij zult het verzoendeksel zetten op de Arke der getuigenis-se, in het heilige der heiligen.

35 De tafel nu zult gij zetten buiten den voorhang, enden kandelaar tegen de tafel over aan de ééne zijde des tabernakels, zuidwaarts; maar de tafel zult gij zetten aan de noordzijde.

30 Gij zult ook aan de deur der tent een deksel maken, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk.

37 En gij zult tot dit deksel vijf pilaren van sittimfawf maken, en die met goud overtrekken, hunne haken zullen van goud zijn, en gij zult hun vijf koperen voeten gieten.

HOOFDSTUK 27.

Gij zult ook een altaar maken van sittimhout: vijf ellen zal de lengte zijn en vijf ellen de breedte, (vierkant zal dit altaar zijn), en drie ellen zijne hoogte.

2 En gij zult zijne hoornen maken óp zijne vier hoeken\', uit hetzelve zullen zijne hoornen zijn, en gij zult het met koper overtrekken.

3 Gij zult voor hetzelve ook potten maken om ziine asch te ontvangen, ook zijne scnoffelen, en zijne be-sprengbekkens, en zijne krauwels, en zijne koolpannen: al zijn gereedschap zult gij van koperquot; maken.

4 Gij zult daarvoor eenenrooster maken van koperen netwerk, en gij zult aan dat net vier koperen ringen maken aan zijne vier einden;

5 en gij zult het onder den omloop des altaars van beneden opleggen, alzoo dat het net tot bet midden des altaars zij.

6 Gij zult ookhandboomen maken

US 21.

tot het altaar, handboorrien Van sittimhout, en gij zult ze met koper overtrekken.

7 En de handboomen zullen in de ringen gedaan worden, alzoo dat de handboomen zijn aan beide zijden des altaars als men het draagt.

8 Gij zult het hol, van planken, maken; gelijk als hij u op den berg gewezen heeft, quot;alzóó zullen zij doen.

0 Gij zult ook den voorhof deö Tabernakels maken: aan den zuidhoek zuidwaarts zullen aan den voorhof behangselen zijn van fijn getweernd linnen; do lengteééner zijde zal honderd ellen zijn.

10 Ook zullen zijne twintig pilaren en derzelver twintig voeten van koper zijn; de haken dezer pilaren en hunne banden zullen zilver zijn.

11 Alzóó zullen ook aan den noor-derhock, in de lengte, de behangsels honderd ellen lang zijn; en zijne twintig pilaren en derzelver twintig voeten van koper; de haken der pilaren en derzelver banden zullen zilver zijn.

12 En in de breedte des voorhofs, aan den westerhoek, zullen behangselen zijn van vijftig 3llen; hunne pilaren tien, en derzelver voeten tien.

13 Van gelijken zal de breedte des voorhofs aan den oosterhoek oostwaarts van vijftig ellen zijn:

14 alzoo dat er vijftien ellen der behangselen op de ééne zijde zijn, hunne pilaren drie en hunne voeten drie;

15 en vijftien ellen der behangselen aan de andere zijde, hunne pilaren drie en hunne Voeten drie;

10 In de poort nu des voorhofs zal een deksel zijn van twintig ellen, hemelsblauw, en purper, en scharlaken , en fijn getweernd linnen,-geborduurd werk: hunne pilaren vier, en hunne voeten vier.

17 Alle de pilaren des voorhofs zullen rondom met zilveren banden bezet zijn; hunne haken zullen van zilver zijn, maar hunne voeten zullen van koper zijn.

18 De lengte des voorhofs zal honderd ellen zijn, en de breedte


-ocr page 111-

EXODUS 28

97

telkens vijftig, en de hoogte vijf ellen , van fijn getweernd linnen\'; maar hunne voeten zullen van koper zijn.

19 Aangaande al het gereedschap des Tabernakels, in al deszelfs dienst, ja alle zijne pennen en alle de pennen des voorhofs zullen van koper zijn.

20 Gij nu zult den kinderen Israels gebieden dat zij tot u brengen reine olie van olijven, gestooten voor den luchter, dat men gedurig-lijk de lampen aansteke.

21 In de Tente der samenkomst, van buiten den voorhang die vóór de getuigenis is, zal Aaron en zijne zonen ze toerichten, van den avond tot den morgen, voor het aangezicht des Heeren; dit zal eene eeuwige inzetting zijn voor hunne geslachten, vanwege de kinderen Israels.

HOOFDSTUK 28.

Daarna zult gij uwen broeder Aaron, en zijne zonen met hem, tot u doen naderen uit het midden der kinderen Israels, om mij het Priesterambt te bedienen: namelijk Aaron, Nadab en Abihu, Ele-azer en Ithamar, de zonen Aarons.

2 En gij zult uwen broeder Aaron heilige kleederen maken, tot heerlijkheid en tot sieraad.

3 Gij zult ook spreken tot allen, die wijs van harte zijn, die ik met den geest der wijsheid vervuld heb, dat zij Aiiron kleederen maken om hem te heiligen , dat hij mij het Priesterambt bediene.

4 Dit nu zijn de kleederen die zij maken zullen: een borstlap, en een efod, en een mantel, en een rok vol oogjes, een hoed en gordel; zij zullen dan uwen broeder Aaron heilige kleederen maken, en zijnen zonen, om mij het Priesterambt te bedienen.

5 Zij zullen ook het goud en hemelsblauw \' en purper en scharlaken en fijn linnen nemen,

0 en zullen den efod maken van goud, hemelsblauw en purper, scharlaken en fijn getweernd linnen, van het allerkunstigste werk.

7 Hij zal twee samenvoegende schouderbanden hebben aan zijne beide einden, waarmede hij samengevoegd zal worden.

8 En de kunstige riem zijns efods, die op hem is , zal zijn gelijk zijn werk , van hetzelfde, van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.

9 En gij zult twee sardonyxstee-nen nemen, en de namen der zonen Israëls daarop graveeren:

10 zes van hunne namen op éénen steen, en de zes overige namen op den anderen steen, naar hunne geboorten;

11 naar steensnijders werk, gelijk men de zegelen graveert, zult gij deze twee steenen graveeren met de namen der zonen Israëls; gij zult ze maken dat zij omvat zijn in gouden kastjes.

12 En gij zult de twee steenen aan de schouderbanden des efods zetten, zijnde steenen ter gedachtenis voor de kinderen Israëls; en Aaron zal hunne namen op zijne beide schouderen dragen, ter gedachtenis voor het aangezicht des Heeren.

13 Gij zult ook gouden kastjes maken,

14 en twee ketentjes van louteren goude: gelijk-eindigende zult gij die maken, gedraaid werk; en de gedraaide ketentjes zult gij aan de kastjes hechten.

15 Gij zult ook een borstlap des gerichts maken, van het allerkunstigste werk, gelijk het werk des efods, zult gij hem maken: van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en van fijn getweernd linnen zult gij hem maken.

16 Vierkant zal hij zijn, en verdubbeld: een span zal zijne lengte zijn, en een span zijne breedte»

17 En gij zult vervullende steenen daarin vullen, vier rijen steenen : eene rij van een sardis, een topaas en een karbonkel: dit is de eerste rij;

18 en de tweede rij van een smaragd, een saffier en een diamant;

19 en de derde rij, een hyacinth, agaat en amethyst;

20 en de vierde rij van een turkoois, en een sardonyx, en een


-ocr page 112-

EXOD

US 28.

98

jaspis; zij zullen met goud ingeval zijn in hunne vullingen.

21 Ën deze steenen zullen zijn met de twaalf namen der zonen Israels, met hunne namen; zij zullen als zegelen gegraveerd worden , elk met zijnen naam: voor de twaalf stammen zullen zij zijn.

22 Gij zult ook aan den borstlap gelijk-eindigende ketentjes van gedraaid werk uit louteren goude maken.

23 Gij zult ook aan den borstlap twee gouden ringen maken, en gij zult de twee ringen aan de twee einden des borstlaps zetten.

24 Dan zult gij de twee gedraaide gouden ketentjes in de twee ringen doen, aan de einden des borstlaps ;

25 maar de twee andere einden der twee gedraaide ketentjes zult gij aan die twee kastjes doen, en gij zult ze zetten aan de schouderbanden des efods, recht op diens voorste zijde.

26 Gij zult nog twee gouden ringen maken, en zult ze aan de twee einden des borstlaps zetten, inwendig aan zijnen rand, die aan de zijde des efods zijn zal.

27 Nog zult gij twee gouden ringen maken, die gij zetten zult aan de twee schouderbanden des efods, beneden aan de voorste zijde, tegenover zijne voege, boven den kunstigen riem des efods.

28 En zij zullen den borstlap met zijne ringen aan de ringen dos efods opwaarts binden met een hemelsblauw snoer, dat hij op den kunstigen riem des efods zij; en de borstlap zal van den efod niet afgescheiden worden.

29 Alzoo zal Aaron de namen der zonen Israels dragen aan den borstlap des gerichts, op zijn hart, als hij in het heilige zal gaan, ter gedachtenis voor het aangezicht des Heeren geduriglijk.

30 Gij zult ook in den borstlap des gerichts de Urim en de Tum-mim zetten, dat zij op het harte Aarons zijn, als hij voor het aangezicht des Heeren ingaan zal; alzoo zal Aiiron het gericht der kinderen Israels geduriglijk op zijn hart dragen, voor het aangezicht des Heeren.

31 Gij zult ook den mantel des efods geheel van hemelsblauw maken.

32 En deszelfs hoofdgat zal in het midden daarvan zijn; dit gat zal een boord rondom hebben van geweven werk: als het gat eens pantsers zal het daaraan zijn, dat het niet gescheurd worde.

33 En aan zijne zoomen zult gij granaatappelen maken van hemelsblauw en van purper en van scharlaken, aan zijne zoomen rondom, en gouden schelletjes rondom tus-schen dezelve;

34 dat er een gouden schelletje, daarna een granaatappel zij, wederom een gouden schelletje en een granaatappel, aan de zoomen des mantels rondom.

35 En Aiiron zal denzelven aanhebben om te dienen, opdat zijn geluid gehoord worde als hij in het heilige voor het aangezicht des Heeren ingaat en als hij uitgaat, opdat hij niet sterve.

30 Voorts zult gij eene plaat maken van louteren goude, en gij zult daarin graveeren, gelijk men de zegelen graveert: de Heiligheid des Heeren.

37 En gij zult dezelve aaahech-ten met een hemelsblauw snoer, alzoo dat zij aan den hoed zij: aan de voorste zijde des hoeds ?al zij zijn.

38 En zij zal op het voorhoofd Aarons zijn, opdat Aiiron drage de ongerechtigheid der heilige dingen, welke de kinderen Israels zullen geheiligd hebben, in alle gaven hunner geheiligde dingen; en zij zal geduriglijk aan zijn voorhoofd zijn, om henlieden voorliet aangezicht des Heeren aangenaam te maken.

39 Gij zult ook eenen rok vol oogjes maken, van fijn linnen; gij zult ook den hoed van fijn linnen

1 maken; maar den gordel zult gij van geborduurd werk maken.

40 Den zonen Aarons zult gij ook rokken maken, en gij zult hun gordden maken; ook zult gij hun mutsen maken, tot heerlijkheid en sieraad.

41 En gij zult dezelve uwen broeder Aiiron en ook zijnen zonen aan-


-ocr page 113-

EXOD

US 29.

99

trekken; en gij zult hen zalven en hunne hand vullen en hen heiligen, dat zij mij het Priesterambt bedienen.

42 Maak hun ook linnen onderbroeken, om het vleesch der schaamte te bedekken; zij zullen zijn van de lendenen tot de dijen.

43 Aaron nu en zijne zonen zullen die aanhebben als zij in de Tente der samenkomst gaan, of als zij tot het altaar treden zullen, om in het heilige te dienen; opdat zij geen ongerechtigheid dragen en sterven. Dit zal eene eeuwige inzetting zijn, hem en zijnen zade na hem.

HOOFDSTUK 29.

Dit nu is de zaak die gij hun doen zult om hen te heiligen, dat zij mij het Priesterambt bedienen. Neem éénen var, het jong eens runds, en twee volkomen rammen;

2 en ongezuurd brood, en ongezuurde koeken met olie gemengd, en ongezuurde vladen met olie bestreken : van tarwemeelbloem zult gij dezelve maken.

3 En gij zult ze in éénen korf leggen, eh zult ze in den korf toebrengen , met den var en de twee rammen.

4 Alsdan zult gij Aaron en zijne zonen doen naderen aan de deur van de Tente der samenkomst; en gij zult hen met water wasschen.

ö Daarna zult gij de kleederen nemen, en Aaron den rok en den mantel des efods en den efod en den borstlap aandoen, en gij zult hem omgorden met den kunstigen riem des efods,

ti en gij zult den hoed op zijn hoofd zetten: de kroon der heiligheid zult gij a.an den hoed zetten.

7 En gij zult de zalfolie nemen en op zijn hoofd gieten: alzoo zult gij hem zalven.

8 Daarna zult gij zijne zonen doen naderen, en zult hen de rokken doen aantrekken.

9 En gij zult hen met den gordel omgorden, namelijk, Afiron en zijne zonen; en gij zult\'hun de mutsen opbinden, opdat zij het Priesterambt hebben tot eene eeuwige inzetting. Voorts zult gij Aarons hand vullen en de liane zijner zonen.

40 En gij zult den var nabij brengen vóór de Tente der samenkomst; en Aaron en zijne zonen zullen hunne handen op het hoofd van den var leggen.

11 En gij zult den var slachten voor het aangezicht des Heer en , voor de deur van de Tente der samenkomst.

12 Daarna zult gij van het bloed des varren nemen en met uwen vinger op de hoornen des altaars doen; en al het bloed zult gij uitgieten aan den bodem des altaars.

13 Gij zult ook al het vet nemen hetwelk het ingewand bedekt, en het net over de lever, en beide nieren en het vet dat aan dezelve is, en gij zult ze aansteken op het altaar.

14 Maar het vleesch des varren en zijn vel en zijn drek zult gij met vuur verbranden buiten het leger: het is een zondoffer.

15 Daarna zult gij den éénen ram nemen en Aaron en zijne zonen zullen hunne handen op het hoofd des rams loggen;

10 en gij zult den ram slachten, en gij zult zijn bloed nemen en rondom op het altaar sprengen.

17 En den ram zult gij in zijne deelen deelen; en gij zult zijn ingewand en zijne schenkelen wasschen en op zijne deelen en op zijn hoofd leggen.

18 Alzoo zult gij den geheelen ram aansteken op het altaar: het is een brandoffer, den heere tot eenen liefelijken reuk, het is een vuurofler den Heere.

19 Daarna zult gij den anderen ram nemen, en Aaron en zijne zonen zullen hunne handen op. het hoofd des rams leggen;

20 en gij zult den ram slachten, en van zijn bloed nemen , en doen het op het rec/iferoorlapje Aiirons en op het rechteroorlapje zijner zonenquot;, desgelijks op den duim hunner rechterhand en op den groo-ten teen huns rechtervoets; en dat bloed zult gij rondom op het altaar sprengen.

21 Dan zult gij nemen van het bloed dat op het altaar is, en van


-ocr page 114-

EXODUS 20.

100

do zalfolio, on gij zult op Aaron en op zij no klocdoron sprengen, en op zijne zonen, en op do klee-deren zijner zonen met hem; opdat hij geheiligd zij, en zijne kleederen, ook zijne zonen, en zijner zonen kleederen mot hem.

22 Daarna zult gij van den ram nemen het vet mitsgaders den staart, ook het vet dat het ingewand bedekt, en het net der lever, en de heide nieren met liet vet dat aan dezelve is, en den rechterschouder; want het is een ram der vulofleren;

23 en één holle broods, en één koek geolied brood, en ééne vlade , uit den korf der ongezuurde hroodm, die voor het aangezicht des Heeren zijn zal;

24 en leg ze allen op de handen Aarons en op de handen zijner zonen, en beweeg ze ten beweeg-offer voor het aangezicht des Heeren.

25 Neem ze daarna van hunne hand, en steek ze aan op het altaar, op het brandofler, toteenen liefelijken reuk voor het aangezicht des Heeren: hot is een vuurofler den Heere.

26 En neem de borst van den ram der vulofleren, die van Aaron is, en beweeg hem ten beweeg-offer voor het aangezicht des Heeren; en het zal u ten deele zijn.

27 En gij zult de borst dos be-weegoffers heiligen, en den schouder des hefoffers, die bewogen en die opgeheven zal zijn, van don ram des vuloffers, van hetgeen dat Aarons en van hetgeen dat zijner zonen is.

28 En het zal Aarons en zijner zonen zijn, tot eene eeuwige inzetting vanwege de kinderen Israels, want het is een hefoffer; en hot hefoffer vanwege de kinderen Israels zal zijn van hunne dankof-feren; hun hefoffer zal voor den Heere zijn.

29 De quot;heilige kleederen nu die van Aaron zullen geweest zijn, zullen van zijne zonen na hem zijn, opdat men hen in dezelve zalve, en dat men hunne hand in dezelve vuile.

30 Zeven dagen zal hij zo aantrokken dio uit zijne zonen in zijne plaats Priester zal worden, die in de Tento der samenkomst gaan zal om in het heilige te dienen.

31 Gij zult den ram der vullingen nemen, en gij zult zijn vleesch in de heilige plaatse zieden.

32 Aaron nu en zijne zonen zullen het vleesch van dezen ram eten, en het brood dat in den korf zal zijn, bij do deur van de Tente der samenkomst.

33 En die zullen die dingen eten met welke de verzoening zal gedaan zijn, om hunne hand te vullen, en om hen te heiligen; maar een vreemde zal zo niet eten, want zij zijn heilig.

34 En indien daar ivat overblijven zal van het vleesch dor vuloffers, of van dit brood, tot aan den morgen, zoo zult gij het overgeblevene met vuur verbranden: het zal niet gegeten worden, want het is heilig.

35 Gij zult dan Asiron en zijnen zonen alzóó doen, naar alles wat ik u geboden heb; zeven dagen zult gij hunne hand vullen.

36 Gij zult ook des daags eenon var des zondoffers bereiden tot de verzoeningen, en gij zult het altaar ontzondigen, do verzoening over hem doende; en gij zult hem zalven, om hem te heiligen.

37 Zeven dagen zult gij verzoening doen voor het altaar en zult hem heiligen: alsdan zal dat altaar eene heiligheid der heiligheden zijn; ai wat het altaar aanroert zal heilig zijn.

38\'Dit nu is het wat gij op het altaar bereiden zult: twee lammeren die Jarig zijn \'s daags, gedurig-lijk.

39 Het ééne lam zult gij des morgens bereiden, maar het andere lam zult gij bereiden tusschen de twee avonden;

40 met een tienaedeel meelbloem , gemengd met een vierendeel van een bin gestooten olie; en tot drankoffer een vierdedeel van een hin wnn, tot het ééne lam.

41 Het andere lam nu zult gij bereiden tusschen twee avonden; gij


-ocr page 115-

EXOD

US 30.

101

zult daarmede doen gelijk met het morgen-spi j so Hei\' en gelijk mot deszelfs urankolTer, tot eenen lie-felijken reuk: het is een vuuroffer den Heere.

42 Het zal een gedurig brand-ofTer zijn bij uwe geslachten, aan de deur van de Tente der samenkomst, voor het aangezicht des Heerex: aldaar zal ik met ulie-den komen, dat ik aldaar met u spreke;

43 en dadr zal ik komen tot de kinderen Israels, opdat zij geheiligd worden door mijne \'heerlijkheid.

44 En ik zal de Tente der samenkomst heiligen, mitsgaders het altaar; ik zal ook Aaron en zijne zonen heiligen, opdat zij mij het Priesterambt bedienen.

45 En ik zal in het midden der kinderen Israels wonen, en ik zal hun tot eenen God zijn.

46 En zij zullen weten dat ik de Heere hun God ben, die hen uit Egypteland uitgevoerd heb, opdat ik in het midden van hen wonen zoude; ik ben de Heere, hun God.

HOOFDSTUK 30.

Gij zult ook een reukaltaar des reukwerks maken: van sittimhout zult gij hem maken.

2 Eene el zal zijne lengte zijn, en eene el zijne breedte, vierkant zal hij zijn, maar twee ellen zijne hoogte; uit hem zullen zijne hoornen zijn.

3 En gij zult hem met louteren goude overtrekken, zijn dak en zijne wanden rondom, alsook zijne hoornen; en gij zult hem een gouden krans rondom maken.

4 Gij zult ook twee gouden ringen daaraan maken onder zijnen krans, aan zijne twee zijden zult gij dezelve maken, aan zijne beide zijden; en zij zullen zijn tot plaatsen voor de handboomen, dat men hem daarmede drage.

5 De draagboomen nu zult gij van sittimhout maken, en gij zult die met goud overtrekken.

6 En gij zult hem zetten vóór den voorhang die vóór de Arke der getuigenis zijn zal, vóór het verzoendeksel, hetwelk zijn zal boven de getuigenis, waarheen ik met u samenkomen zal.

7 En Aiiron zal daarop aansteken welriekende specerijen; eiken morgen, ais hij de lampen wel zal toegericht hebben, zal hij dezelve aansteken;

8 en als Aiiron de lampen aansteken zal, tusschen de twee avonden , zal hij dat aansteken: het zal een gedurig reukwerk zijn voor het aangezicht des Heeren , bij uwe geslachten.

9 Gij zult geen vreemd reukwerk op denzelven aansteken, noch brandoffer, noch spijsoffer; gij zult ook geen drankoffer daarop gieten.

1U En Aiiron zal ééns in het jaar over deszelfs hoornen verzoening doen met het bloed des zondoffers der verzoeningen, ééns in het jaar zal hij verzoening daarop doen bij uwe geslachten: het is heiligheid der heiligheden den Heere.

11 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende:

12 Als gij de som der kinderen Israels opnemen zult, naar de ge-telden onder hen, zoo zullen zij een iegelijk de verzoening zijner ziele den Heere geven, als gij ze tellen zult; opdat onder hen geene plage zij als gij ze tellen zult.

13 Dit zullen zij geven, al wie tot de getelden overgaat de helft eens sikkels, naar den sikkel des heiligdoms, (deze sikkel is twintig gera), de helft eens sikkels is een hefoffer den Heere.

14 Al wie overgaat tot de getelden, van twintig jaar oud en daarboven, zal het hefoffer des Heeren geven.

15 De rijke zal het niet vermeerderen, en de arme zal het niet. verminderen van de helft des sikkels, als gij het hefoffer des Heeren geeft om voor uwe zielen verzoening te doen.

16 Gij dan zult het geld der verzoeningen van de kinderen Israels nemen, en zult het leggen tot den dienst van de Tente der samenkomst; en het zal den kinderen


-ocr page 116-

EXODUS 31.

102

Israels ter gedachtenis zijn voor het aangezicht des heeren, om voor uwe zielen verzoening te doen.

17 En do Heeiie sprak tot Mozes , zeggende:

18 Gij zult ook een koperen waèchvat maken, met zijnen koperen voet, om te wasschen; en gij zult het zetten tusschen de Teute der samenkomst cn tusschen het altaar, en gij zult water daarin doen,

19 dat Aaron en zijne zonen zich daaruit wasschen, hunne handen en hunne voeten.

20 Wanneer zij in de Tente der samenkomst zulleu gaan, zoo zullen zij zich met water wasschen, opdat zij niet sterven; of wanneer zij tot het altaar naderen om te dienen, dat zij het vuuroffer den Heere aansteken,

21 zij zullen dan hunne handen en hunne voeten wasschen, opdat zij niet sterven; en dit zal hun eene eeuwige inzetting zijn, hem en zijnen zade, bij hunne geslachten.

22 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende:

23 Gij nu, neem u de voornaamste specerijen, de zuiverste mirre vijfhonderd sikkels, en specerij-kaneel half zooveel, namelijk tweehonderd en vijftig sikkels, ook specerij-kalmus tweehonderd en vijftig sikkels;

24 ook kassie vijfhonderd, naar den sikkel des heiligdoms, en olie van olijfhoomen een hin;

25 en maak daarvan eene olie der heilige zalving, eene zalf heel kunstig gemaakt, naar apothekers-werk : het zal eene olie der heilige zalving zijn.

20 En met dezelve zult gij zalven de Tente der samenkomst, en de Arke der getuigenis,

27 en de tafel met al haar gereedschap, en den kandelaar met zijn gereedschap, en het reukaltaar.

28 en het altaar des brandoffers met al zijn gereedschap, en het waschyat met zijnen voet:

,.29 gij zult ze alzoo heiligen, dat zij heiligheid der heiligheden zijn; al wat ze aanroert zal heilig zijn.

30 Gij zult ook Aiiron en zijne zonen zalven , en gij zult hen heiligen, om mij het Priesterambt te bedienen.

31 En gij zult tot de kinderen Israels spreken, zeggende: Dit zal mij eene olie der heilige zalving zijn bij uwe geslachten.

32 Op geens menschen vleesch zal men ze gieten, gij zult ook naar haar maaksel geen dergelijke maken; het is heiligheid, zij zal uliedén heiligheid zijn.

33 De man die zulk eene zalf maken zal als deze, of die daarvan op wat vreemds doet, die zal uitgeroeid worden uit zijne volkeren.

34 Voorts zeide de Heere tot Mozes: Neem u welriekende specerijen, mirre-sap, en onyché, en galban, deze welriekende specerijen en zuiveren wierook: dat elk bijzonder zij:

*35 en gij zult een reukwerk eener zalf daaruit maken, naar het werk des apothekers gemengd, rein, heilig.

36 En gij zult van hetzelve heel klein pulver stooten, en gij zult daarvan leggen vóór de getuigenis in de Tente der samenkomst, waarhenen ik tot u komen zal; het zal ulieden heiligheid der heiligheden zijn.

37 Doch naar het maaksel dezes reukwerks hetwelk gij gemaakt zult hebben, zult gijlieden voor uzelven geen maken; het zal u heiligheid zijn voor den Heere.

38 De man die dergelijke maken zal om daaraan te ruiken, die zal uitgeroeid worden uit zijne volkeren.

HOOFDSTUK 31.

Daarna sprak de Heere tot Mozes, zeggende:

2 Zie, ik heb met name geroepen Bezaleël, den zoon van Uri, des zoons van Hur, van den stam van Juda;

3 en ik heb hem vervuld met den Geest Godes, met wijsheid en met verstand en met watenschap, namelijk in alle handwerk;

4 om te bedenken vernuftigen arbeid, te werken in goud en in zilver en in koper,


-ocr page 117-

EXODUS 32.

103

5 cn in kunstige steensnijding om in te zetten, en in kunstige houtsnijding om te werken in alle handwerk;

6 en ik, zie, ik heb hem bijgevoegd Aholiab, den zoon van Ahi-samach, van den stam van Dan; en in het hart van een iegelijk, die wijs van harte is, heb ik wijsheid gegeven; en zij zullen maken al wat ik u geboden heb:

7 namelijk de Tente der samenkomst , cn de Arke der getuigenis, en het verzoendeksel dat daarop zal zijn, en al het gereedschap der Tente;

8 en de tafel met haar gereedschap; en den louteren kandelaar met al zijn gereedschap, en het reukaltaar;

9 ook des brandoffers altaar met al zijn gereedschap; en het wasch-vat met zijnen voet;

10 en de ambtskleederen, en de heilige kleederen des Priesters Aarons, en de kleederen zijner zonen, om het Priesterambt te bedienen;

11 ook de zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen voor het heiligdom: naar alles wat ik u geboden heb zullen zij het maken.

12 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende:

13 Gij nu, spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Gij zult evenwel mijne sabbaten onderhouden ; want dit is een teeken tus-schen mij en tusschen ulieden, bij uwe geslachten; opdat men wete dat ik de Heere ben, die u heilig.

14 Onderhoudt dan den sabbat, dewijl hij ulieden heilig is; wie-hem ontheiligt zal zekerlijk gedood worden; want een ieder, die op denzelven eenig werk doet, die ziele zal uitgeroeid worden uit het midden barer volkeren.

15 Zes dagen zal men het werk doen, doch op den zevenden dag is de sabbat der rust, eene heiligheid des Heeren: wie op den sabbatdag arbeid doet zal zekerlijk gedood worden.

lü Dat dan de kinderen Israëls den sabbat houden, den sabbat onderhoudende in hunne geslachten, tot een eeuwig verbond:

17 hij zal tusschen mij en tusschen de kinderen Israëls een teeken in eeuwigheid zijn, dewijl de Heere in zes dagen den hemel en de aarde gemaakt, en op den zevenden dag gerust en zich verkwikt heeft.

18 En hij gaf aan Mozes, als hij geëindigd had met hem op den berg Sinaï te spreken, de twee tafelen der [getuigenis, tafelen van steen, beschreven met den vinger Godes.

HOOFDSTUK 32.

Toen het volk zag dat Mozes vertoefde van den berg af te komen, zoo verzamelde zich het volk tot Aaron, en zij zeiden tot hem: Sta op, maak ons goden die voor ons aangezicht gaan; want deze Mozes, die man die ons uit Egypteland uitgevoerd heeft, wij weten niet wat hem geschied zij.

2 Aaron nu zeide tot hen: Rukt de gouden oorsierselen af, die in de ooren uwer vrouwen, uwer zonen en uwer dochteren zijn, en brengt ze tot mij.

3 Toen rukte het gansche volk de gouden oorsierselen af, die in hunne ooren waren, en zij brachten ze tot Aaron;

4 en hij nam ze uit hunne hand, cn hij ontwierp het met een griffel , cn hij maakte een gegoten kalf daaruit. Toen zeiden zij: Dit zijn uwe goden, Israël, die ü uit Egypteland opgevoerd hebben.

5 Als Aaron dat zag, zoo bouwde hij een altaar voor hetzelve, cn Aaron riep uit en zeide: Morgen zal den Heere een feest zijn.

Ü En zij stonden des anderen daags vroeg op en offerden brandoffer. en brachten dankoffer daarbij ; cn het volk zat neder om te eten cn tc drinken, daarna stonden zij op om te spelen.

7 Toen sprak de Heere tot Mozes: Ga henen, klim af; want uw volk, dat gij uit Egypteland opgevoerd hebt, heeft het verdorven,

8 en zij zijn haast afgeweken van den weg, dien ik hun geboden had; zij hebben zich een gegoten kalf gemaakt, en zij hebben zich voor hetzelve gebogen, en hebben het


-ocr page 118-

EXODUS 32.

104

offerande gedaan, en gezegd: Dit zijn uwe goden, Israël, die u uit Egypteland opgevoerd hebben.

9\' Voorts zeide de Heere tot Mozes: Ik heb dit volk gezien, en zie, het is een hardnekkig volk:

10 en nu, laat mij toe dat mijn toorn tegen hen ontsteke en hou vertere; zoo zal ik u tot een groot volk maken.

11 Doch Mozes aanbad het aangezicht des Hkeuen zijnes Gods en hij zeide: O Heere, waarom zoude uw toorn ontsteken tegen uw volk, hetwelk gij met groote kracht en met eene sterke hand uit Egypteland uitgevoerd hebt?

12 Waarom zouden de Egypte-naars spreken, zeggende: In kwaadheid heeft hij ze uitgevoerd, dat hij ze doodde op de bergen en opdat hij ze vernielde van den aardbodem? Keer af van de hittigheid uws toorns, en laat u over het kwaad uws volks berouwen.

13 Gedenk aan Abraham, aan Isaak en aan Israël, uwe knechten, denwelken gij bij uzelven gezworen hebt, en hebt tot hen gesproken : Ik zal ulieder zaad vermenigvuldigen als do sterren des hemels; en dit geheele land, waarvan ik gezegd heb, zal ik ulieder zaad geven, daUzij het erfelijk bezitten in eeuwigheid.

14 Toen berouwde het den Heere over het kwaad, hetwelk hij gesproken had zijn volk te zullen doen.

15 En Mozes wendde zich ibm en klom van den berg af, met de twee tafelen der getuigenis in zijne hand; deze tafelen waren op hare beide zijden beschreven, zij waren op dè ééne en op de andere zijde beschreven;

16 en diezelve tafelen waren Codes werk, het geschrift was ook Godes geschrift zelf, in de tafelen gegraveerd.

17 Toen nu Jozua des volks stem hoorde als het juichte, zoo zeide hij tot Mozes: Daar is een krijgsgeschrei in het leger.

18 Maar hij zeide: Het is geen stemme des roepens van overwinning, het is ook geen stemme des roepens van nederlaag: ik hoor een stemme des zingens bij beurte.

19 En het geschiedde als hij aan het leger naderde en het kalf en de reien zag, dat de toorn van Mozes ontstak, en dat hij de tafelen uit zijne handen wierp en dezelve beneden aan den berg verbrak.

20 En hij nam dat kalf, dat zij gemaakt hadden, en verbrandde het in ?t vuur, en vermaalde \'t totdat het klein werd, en strooide het op \'t water, en deed het de kinderen Israëls drinken.

21 En Mozes zeide tot Aaron: Wat heeft u dit volk gedaan, dat gij zulk eene groote zonde over hetzelve gebracht hebt?

22 Toen zeide Aaron: Mijns hee-ren toorn ontsteke niet: gij kent dit volk dat het in het booze ligt.

23 Zij dan zeiden tot mij: Maak ons goden, die voor ons aangezicht gaan; want deze Mozes, die man die ons uit Egypteland opgevoerd heeft, wij weten niet wat hem geschied zij.

24 Toen zeide ik tot hen: Wie goud heeft, die rukke het af en geve het mij; en ik wierp het in ?t vuur, en dit kalf is er uitgekomen.

25 Als Mozes zag dat het volk ontbloot was, (want Aaron had het ontbloot, tot verkleining onder degenen die tegen hen hadden mogen opstaan),

26 zoo bleef Mozes staan in de poort des legers, en zeide: Wie den Heere toebehoort kome tot mij. Toen verzamelden zich tot hem alle de zonen van Levi;

27 en hij zeide tot hen: Alzóó zegt de Heere de God Israëls: Een ieder doe zijn zwaard aan zijne heup; gaat dóór en keert weder van poort tot poort in het leger, en een iegelijk doode zijnen broeder, en elk zijnen vriend, en elk zijnen naaste.

28 En de zonen van Levi daden naar het woord van Mozes. en daar vielen van het volk op dien dag omtrent drieduizend man.

29 Want Mozes had gezegd: Vult heden uwe handen den Heere, want elk zal zijn tegen zijner, zoon en tegen zijnen broeder; en dit,


-ocr page 119-

EXODUS 33.

105

opdat hij heden een zegen over ulieden geve.

30 En liet geschiedde des anderen daags dat Mozes tot den volkc zeide: Gijlieden hebt eene groote zonde gezondigd; doch nu, ik zal tot den Heehe opklimmen, misschien zal ik verzoening doen voor uwe zonde.

31 Zoo keerde Mozes weder tot den Heere en zeide: Och dit volk heeft eene groote zonde gezondigd, dat zij zich gouden goden gemaakt hebben:

32 nu dan, indien gij hunne zonde vergeven zult! doch zoo niet, zoo delg mij nu uit uw boek; hetwelk gij geschreven hebt.

33 Toen zeide de IIkkre tot Mozes: Dien zoude ik uit mijn boek delgen, die aan mij zondigt.

34 Doch ga nu henen, leid dit volk waarhenen ik u gezegd heb: zie, mijn Engel zal voor uw aangezicht gaan; doch ten dage mijns bezoekens, zoo zal ik hunne zonde over hen bezoeken.

35 Aldus plaagde de Heere dit volk , omdat zij dat kalf gemaakt hadden , hetwelk Aaron gemaakt had.

HOOFDSTUK 33.

Voorts sprak de Heere tot Mozes: Ga henen, trek op van hier, gij en het volk, dat gij uit Egyp-teland opgevoerd hebt , naar het land dat ik Abraham, Isaiik en Jakob gezworen heb, zeggende: Uwen zade zal ik het geven;

2 en ik zal eenen Engel voor uw aangezicht zenden, (en ik zal uitdrijven de Kanaiiniten, deAmo-riten en de Hethiten en de Fere-ziten, de Heviten en de Jebusi-ten),

3 naar het land dat van melk en honig is vloeiende; want ik zal in het midden van u niet optrekken, want gij zijt een hardnekkig volk: dat ik u op dezen weg niet ver tere.

4 Toen het volk dit kwade woord hoorde, zoo droegen zij leed, en niemand van hen deed zijne versierselen aan.

5 En de heere had tot Mozes gezegd: Zeg tot de kinderen Israels: Gij zijt een hardnekkig volk, in één oogenblik zoude ik in het midden van ulieden optrekken, en zoude u vernielen; doch nu, leg uw sieraad van u af, en ik zal weten wat ik u doen zal.

0 De kinderen Israels dan beroofden zichzelven van hunne versierselen, ver van den berg Ho-reb.

7 En Mozes nam de teute en spande ze zich buiten het leger, ver van het leger afwijkende; en hij noemde ze de Tente der samenkomst. En het gescheidde dat al wie den Heere zocht, uitging lot de Tente der samenkomst, dio buiten het leger was.

8 En het geschiedde wanneer Mozes uitging naar de Tente, stond al het volk op, en een ieder stelde zich in de deur zijner tent; en zij zagen Mozes na, totdat hij ter Tente ingegaan was.

9 En liet geschiedde als Mozes Ier Tente ingegaan was, zoo kwam de wolkkolom nederwaarts en stond in de deur der Tente; en hij sprak met Mozes.

10 Als al het volk do wolkkolom zag staan in de deur der Tente, zoo stond al het volk op en bogen zich, een ieder in de deur zijner tent.

11 En do Heere sprak tot Mozes aangezicht aan aangezicht, gelijk een man met zijnen vriend spreekt; daarna keerde hij weder tot het leger, doch zijn dienaar Jozua, de zoon van Nun, de jongeling, week niet uit het midden der Teute.

12 En Mozes zeide tot den Heere : Zie, gij zegt tot mij: Voer dit volk op; maar gij laat mij niet weten wien gij met mij zult zenden; daar gij gezegd hebt: Ik ken u bij name, en ook: Gij hebt genadé gevonden in mijne oogen.

13 Nu dan, ik bidde, indien ik genade gevonden heb in uwe oogen, zoo laat mij nu uwen weg weten, en ik zal u kennen, opdat ik genade vinde in uwe oogen; en zie aan, dat deze natie uw volk is.

14 Hij dan zeide: Zoude mijn aangezicht moeten medegaan om u gerust te stellen?


-ocr page 120-

EXODUS 34.

IOC

i5 Toen zeidc hij tot hem: Indien uw aangezicht niet medegaan zal, doe ons van hier niet optrekken;

1(5 want waarbij zoude nu bekend worden dat ik genade gevonden heb in uwe oogen, ik en uw volk? Is het niet daarbij dat gij met ons gaat? Alzoo zullen wij afgezonderd worden, ik en uw volk, van allen volke dat op den aardbodem is.

17 Toen zeide de PIeere tot Mozes: Ook deze zelve zaak die gij gesproken hebt zal ik doen, dewijl gij genade gevonden hebt in niijne oogen en ik u bij name ken.

18 Toen zeide hij: Toon mij nu uwe heerlijkheid.

19 Doch hij zeide: Ik zal al mijne goedheid voorbij uw aangezicht laten gaan, en zal den naam des Heehen uitroepen voor uw aangezicht; maar ik zal genadig zijn dien ik zal genadig zijn, en ik zal mij ontfermen diens ik mij ontfermen zal.

20 Hij zeide voorts: Gij zoudt mijn aangezicht niet kunnen zien, want mij zal geen rnensch zien en leven.

21 De ITeere zeide voorts: Zie, er is eene plaats bij mij: daar zult gij u op de steenrotse stellen ;

22 en het zal geschieden wanneer mijne heerlijkheid voorbij zal gaan, zoo zal ik u in eene klove der steenrots zetten, en ik zal u met mijne hand overdekken, totdat ik zal voorbijgegaan zijn;

23 en wanneer ik mijne hand zal weggenomen hebben, zoo zult gij mijne achterste deelen zien; maar mijn aangezicht zal niet gezien worden.

HOOFDSTUK 34.

Toen zeide de Heere tot Mozes: Houw u twee steenen tafelen gelijk de eerste waren, zoo zal ik op de tafelen schrijven dezelfde woorden die op de eerste tafelen geweest zijn, die gij gebroken hebt.

2 En wees bereid tegen den morgenstond, dat gij in den morgenstond op den berg Sinaï klimt, en stel u aldaar vóór mij op den top des bergs.

3 En niemand zal met u opklimmen; dat er ook niemand gezien worde op den ganschen berg; ook het kleine vee noch runderen zullen tegenover dezen berg niet weiden.

4 Toen hieuw hij twee steenen tafelen gelijk de eerste; en Mozes stond des \'morgens vroeg op en klom op den berg Sinaï, gelijk de Heere hem geboden had; en hij nam de twee steenen tafelen in zijne hand.

5 De Heere nu kwam nederwaarts in eene wolk, en stelde zich aldaar bij hem; en hij riep den naam des Heeren uit.

6 Als nu de Heere voor zijn aangezicht voorbijging, zoo riep hij: Heere, Heere God, barmhartig en genadig, lankmoedig en groot van weldadigheid en waarheid,

7 die de weldadigheid bewaart aan vele duizenden, die de ongerechtigheid en overtredingen zonde vergeeft; die denschuldirje geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid der vaderen aan de kinderen en aan de kindskinderen, in het derde en in het vierde lid.

8 Mozes nu haastte en nijgde het hoofd ter aarde, en hij boog zich,

9 en hij zeide: Heere, indien ik nu genade gevonden heb in uwe oogen, zoo ga nu de Heere in het midden van ons; want dit is een hardnekkig volk; doch vergeef onze ongerechtigheid en onze zonde, en neem ons aan tot een erfdeel.

10 Toen zeide hij: Zie, ik maak een verbond: voor uw gansche volk zal ik wonderen doen, die niet geschapen zijn op de gansche aarde, noch onder eenige volkeren, a\'zoo dat dit gansche volk, in welks midden gij zijt, des Heeren werk zien zal, dat het schrikkelijk is hetwelk ik met u doe.

11 Onderhoud gij hetgeen dat ik u heden gebiede: zie, ik zal voor uw aangezicht uitdrijven de Amo-riten en de Kanaaniten en de He-thiten en de Fereziten en de He-viten en de Jebusiten.

12 Wacht u dat gij toch geen verbond maakt met den inwoner


-ocr page 121-

EXODUS 34.

407

des lands, waal-in gij komen zult, dat hij misschien niet tot een strik worde in het midden van u.

13 Maar hunne altaren zult gijlieden omwerpen, en hunne opgerichte beelden zult gij verbreken, en hunne bosschen zult gij afhouwen ;

14 (want gij zult u niet buigen voor eenen anderen god; want des Heeren naam is ijveraar, een ijverig God is hij);

15 opdat gij misschien geen verbond maakt met den inwoner des-zelven lands, en zij hunne goden niet nahoereerennoch hunnen goden offerande doen, en hij u noodigen-de, gij van hunne offerande eet,

1G en gij uwen zonen vromucn neemt van hunne dochteren, en hunne dochteren, hare goden na-hoereerende, maken dat ook uwe zonen hare goden nahoereeren.

17 Gij zult u geen gegoten goden maken.

18 Het feest der ongezuurde brooden zult gij houden; zeven dagen zult gij ongezuurde brooden eten, gelijk ik u geboden heb, ter gezetter tijd der maand Abib; want in de maand Abib zijt gij uit Egypte uitgegaan.

19 Al wat de baarmoeder opent is mijn, ja al uw vee dat mannelijk zal geboren worden, openende de baarmoeder van het groote en kleine vee.

20 Doch den ezel, die de baarmoeder opent, zult gij met een klein vee lossen; maar indien gij hem niet zult lossen, zoo zult gij hem den nek breken. Alle de eerstgeborenen uwer zonen zult gij lossen, en men zal voor mijn aangezicht niet ledig verschijnen.

21 Zes dagen zult gij arbeiden, maar op den zevenden dag zult gij rusten: in den ploegtijd en in den oogst zult gij rusten.

22 Tiet feest der weken zult gij óók houden, zijnde het feest der eerstelingen des tarwenoogstes, en het feest der inzameling, als het jaar om is.

23 Al wat mannelijk is onder u zal drie maal in het jaar voor het aangezicht des Heeren Heeuen des Gods Israels verschijnen.

24 Wanneer ik de volken voor uw aangezicht uit de bezitting zal verdrijven en uwe landpale verwijden, dan zal niemand uw land begeeren, terwijl gij henen opgaan zult om te verschijnen voor het aangezicht des Heeuen uws Gods, driemaal in het jaar.

25 Gij zult het bloed van mijn slachtoffer niet offeren met gedee-semd brood; het slachtoffer des Paaschfeestes zal ook niet vernachten tot den morgen.

2G De eerstelingen der eerste vruchten uws lands zult gij in het huis des Heehex uws Gods brengen. Gij zult het bokje in de melk zijner moeder niet koken.

27 Voorts zeide de Heere tot Mozes: Schrijf u deze woorden; want naar luid dezer woorden heb ik een verbond met u en met Israël gemaakt.

28 En hij was aldaar met den Heere veertig dagen en veertig nachten, hij at geen brood en hij dronk geen water, en hij schreef op de tafelen de woorden des ver-bonds, de tien woorden.

29 En het geschiedde toen Mozes van den berg Sinaï afging, (die twee tafelen der getuigenis nu waren in de hand van Mozes als hij van den berg afging), zoo wist Mozes niet dat het vel zijns aange-zichts glinsterde toen hij met hem sprak.

30 Als nu Aaron en alle de kinderen Israels Mozes aanzagen, zie, zoo glinsterde het vel zijns aange-zichts: daarom vreesden zij tot hem toe te treden.

31 Toen riep hen Mozes; en Aaron en alle de oversten in de vergadering keerden weder tot hem, en Mozes sprak tot hen;

32 211 daarna traden alle de kinderen Israels toe, en hij gebood hun al wat de Heere met hem gesproken had op den berg Sinaï.

33 Alzoo eindigde Mozes met hen te spreken, en hij had een deksel op zijn aangezicht gelegd.

34 Doch als Mozes voor het aangezicht des Heeren kwam om met hem te spreken, zoo nam hij dat deksel af totdat hij uitging; en nadat hij uitgegaan was, zoo


-ocr page 122-

EXODUS 35.

408

sprak hij tot de kinderen Israels wat hem geboden was.

35 Zoo zagen dan de kinderen Israels het aangezicht van Mózes, dat het vel van Mozes aangezicht glinsterde; derhalve deed Mozes het deksel weder op zijn aangezicht, totdat hij inging om met hem te spreken.

HOOFDSTUK 35.

Toen deed Mozes de gansche vergadering der kinderen Israëls verzamelen, en zeide tot hen: Dit zijn de woorden, die de Heere geboden heeft dat men ze doe.

2 Zes dagen zal men het werk doen; maar op den zevenden dag zal ulieden heiligheid zijn, een sabbat der ruste den Heere; al wie daarop werk doet zal gedood worden.

3 Gij zult geen vuur aansteken in eemge uwer woningen op den sabbatdag.

4 Voorts sprak Mozes lol de gansche vergadering der kinderen Israëls , zeggende: Dit is het woord dat de Heere geboden heeft, zeggende :

5 Neemt van hetgeen gijlieden hebt een hefoffer den Heere, een ieder wiens harte vrijwillig is zal het brengen ten hefoner des Hkeren: goud, en zilver, en koper;

6 alsook hemelsblauw , en purper, en scharlaken, en fijn linnen, en geiten/iaar;

7 en roodgeverwde ramsvellen, en dassenvellen, en sillimhout;

8 en olie voor den luchter, en specerijen voor zalfolie, en tot reukwerk welriekende specerijen;

9 en sardonyxsteenen en vervullende sleenen tot den efod en tot den borstlap.

10 En allen, die wijs van harte zijn onder ulieden, zullen komen en maken alles wat de Heere geboden heeft:

11 den Tabernakel, zijne tent on zijn bedeksel, zijne haakjes en zijne stijlen, zijne richelen, zijne pilaren quot;en zijne voeten;

12 de Arke en hare handboomen; het verzoendeksel en den voorhang des deksels;

13 de tafel en hare handboomen;

en al haar gereedschap, en de toonbrooden;

14 en den kandelaar tol hel licht, en zijn gereedschap, en zijne lampen, en de olie tot het licht;

15 en het reukaltaar en zijne handboomen, en de zalfolie, \'en het reukwerk van welriekende specerijen; en het deksel der deur aan de deur des Tabernakels;

1(3 het altaar des brandoffers, en den koperen rooster dien het hebben zal, zijne handboomen, en al zijne gereedschappen; het wasch-vat en zijnen voet;

17 de behangselen des voorhofs, zijne pilaren en zijne voeten, en het deksel van de poort des voorhofs ;

18 de nagelen des Tabernakels, en de pennen des voorhofs, met hunne zelen;

11) de ambtskleederen om in het heilige te dienen, de heilige kleederen des Priesters Aiirons, en de kleederen zijner zonen, om het Priesterambt te bedienen.

20 Toen ging de gansche vergadering der kinderen Israëls uit van voor het aangezicht van Mozes;

21 en zij kwamen, alle man, wiens harte hem bewoog, en een ieder wiens geest hem vrijwillig maakte, die brachten des Heer en hefoffer tot het werk van de Teute der samenkomst, en tot al haren dienst, en lol de heilige kleedercn.

22 Zoo kwamen dan de mannen met de vrouwen, alle vrijwilligen van harte: zij brachten haken en oorsierselen en ringen en spanse-len, alle gouden vaten; en alle man die een gouden be weegoffer den Heere offerde.

23 En alle man bij wien gevonden werd hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn\'linnen, en geiten/iaar, en roodgeverwde ramsvellen, en dassenvellen, die brachten ze.

24 Allen, die een hefoffer van zilver of koper offerden, die brachten het ten hefoffer des Heeren; en allen bij wie sillimhout gevonden werd brachten het lot alle werk des dienstes.

25 En alle vrouwen, die wijs van hart waren, sponnen met hare han-


-ocr page 123-

EXODUS 36.

den, en zij brachlcn het gespon-nene, de hemelsblauwe zijde, en liet purper, het scharlaken, en het lijn linnen.

26 En alle wouwen welker hart haar bewoog in wijsheid, die sponnen het geitenhaar.

27 De oversten nu brachten sar-donyxsteenen en vuisteenen tot den efod en tot den borstlap,

28 en specerij en olie tot den luchter, en tot\'de zalfolie, en tot rooking welriekende specerijen.

29 Alle man en vrouw, welker hart hen vrijwillig bewoog te brengen tot al het werk hetwelk de H12li re geboden had te maken door de hand van Mozes, dat brachten de kinderen Israels tot een vrijwillig offer den Heere.

30 Daarna zoide Mozes tot de kinderen Israels: Ziet, de Heere heeft met name geroepen Bezale-öl, den zoon van Uri, des zoons van Uur, van den stam vanJuda;

31 en de Geest Gods heeft hem vervuld met wijsheid, met verstand en mot wetenschap, namelijk in alle handwerk,

32 en om te bedenken vernufti-gen arbeid, te werken in goud en in zilver en in koper,

33 en in kunstige steensnijding om in te zetten,en in kunstige hont-snijding om te werken in alle vernuftig handwerk;

34 hij heeft hem ook in zijn harte gegeven anderen te onderwijzen, hem en Aholiab den zoon van Ahisamach, van den stam van Dan;

35 hij heeft hen vervuld met wijsheid des harten, om te maken alle werk eens werkmeesters, en des allervernuftigsten handwerkers, en des l orduurders in hemelsblauw en in purper, in scharlaken en in lijn linnen, en des wevers, makende alle werk en bedenkende vernuf-tigen arbeid.

HOOFDSTUK 36.

Toen maakte Bezaleël en Aholiab, en alle man die wijs van harte was, in welke de Heere wijsheid en verstand gegeven had om te welen hoe zij maken zouden alle werk ten dienste des heiligdoms, naar alles wat de Heere geboden had.

2 Want Mozes had geroepen Bezaleël en Aholiab, en alle mandie wijs van harte was, in wiens harte God wijsheid gegeven had, al wiens hart hem bewogen had dat hij t.oe-trade tot het werk om dat te maken.

3 Zij dan namen van voor liet aangezicht van Mozes het gansche hefoffer, hetwelk de kinderen Israels gebracht hadden tot het werk van den dienst des heiligdoms, om dat te maken; doch zij brachten tot hem nog alle morgen vrijwillig offer.

4 Derhalve kwamen alle wijzen, die al het werk des heiligdoms maakten, ieder man van zijn werk, hetwelk zij maakten,

5 en zij spraken tot Mozes, zeggende: Het volk brengt te veel, meer dan genoeg is ten dienste des werks, hetwelk de Heere geboden heeft te maken.

G Toen gebood Mozes dat men eene stem zoude laten gaan door het leger, zeggende: Man noch vrouw make eenig werk meer ten hefoffer des heiligdoms: alzoo werd het volk teruggehouden van meer te brengen.

7 Want der stof was hun genoeg voor het geheele werk dat te maken was, ja er was over.

8 Alzoo maakte een ieder wijze van harte onder degenen die het werk maakten den Tabernakel van tien gordijnen, van getweernd fijn linnen , en hemelsblauw, en purper, en scharlaken, mei cherubim van het allerkunstigste werk maakte hij ze.

9 13c lengte ééner gordijn was van achtentwintig ellen, en de breedte ééner gordijn van vier ellen, alle deze gordijnen hadden ééne maat.

10 En hij voegde vijf gordijnen de ééne aan de andere, en hij voegde andere vijf gordijnen de ééne aan de andere.

11 Daarna maakte hij striklisjes van hemelsblauw aan den kant ééner gordijn, aan het uiterste in de samenvoeging; hij deed het ook


-ocr page 124-

EXODUS 36.

110

aan den uitersten kant der tweede samenvoegende gordijn.

12 Vijftig strikiisjes maakte hij aan de ééne gordijn, en vijftig strikiisjes maakte hij aan liet uiterste der gordijn dat aan de tweede samenvoeging was: deze strikiisjes vatteden de ééne aan de andere.

13 Hij maakte ook vijftig gouden haakjes, en voegde de gordijnen samen, de ééne aan de andere, met deze haakjes, dat het één Tabernakel werd.

14 Voorts maakte hij gordijnen van geiten/war tot eene tent over den Tabernakel: van elf gordijnen maakte hij ze.

15 De lengte ééner gordijn was dertig ellen en vier ellen de breedte ééner gordijn: deze elf gordijnen hadden ééne maat.

10 En hij voegde vijf gordijnen te zamen bijzonder, wederom zes dezer gordijnen bijzonder.

17 En hij maakte vijftig strikiisjes aan den kant van de gordijn, de uiterste in de samenvoeging; hij maakte ook vijftig strikiisjes aan den kant van de gordijn der andere samenvoeging.

18 Hij maakte ook vijftig koperen haakjes, om de Tente samen te voegen dat ze één ware.

19 Ook maakte hij voor de Tente een deksel van roodgeverwde rams-vellen, en daarover een deksel van dassenvellen.

20 Hij maakte ook aan den Tabernakel stijlen van staand sittim-hout:

21 de lengte van eenen stijl was tien ellen, en eene el en eene halve el Avas de breedte van eiken stijl.

22 Twee houvasten had één stijl, als sporten in eene ladder gezet, het ééne nevens het andere; alzóó maakte hij het met alle de stijlen des Tabernakels.

2)3 Hij maakte ook de stijlen tot den Tabernakel: twintig stijlen naaide zuidzijde zuidwaarts.

24 En hij maakte veertig zilveren voeten onder de twintig stijlen: twee voeten onder éénen stijl, aan zijne twee houvasten, en twee voeten onder een anderen stijl, aan zijne twee houvasten.

25 Hij maakte ook twintig stijlen aan de andere zijde des Tabernakels, aan den noorderhoek,

26 met hunne veertig zilveren voeten: twee voeten onder éénen stijl, en twee voeten onder eenen anderen stijl.

27 Doch aan de zijde des Tabernakels tegen het Westen maakte hij zes stijlen.

28 Ook maakte hij twee stijlen tot hoekstijlen des Tabernakels aan de beide zijden;

20 en zij waren van beneden als tweelingen samengevoegd, zij waren ook als tweelingen aan des-zelfs oppereinde samengevoegd, met éénen ring: alzóó deed hij met die beide, aan de twee hoeken.

30 Alzoo waren er acht stijlen met hunne zilveren voeten, zijnde zestien voeten: twee voeten onder eiken stijl.

31 Hij maakte ook richeler van sittimhout: vijf aan de stijlen der ééne zijde des tabernakels,

32 en vijf richelen aan descijlen van de andere zijde des Tabernakels , alsook vijf richelen aan de stijlen des Tabernakels aan de beide zijden westwaarts.

33 En hij maakte de middelste richel doorschietende in het midden der stijlen, van het ééne einde tot het andere einde.

34 En hij overtrok de stijlen met goud, en hunne ringen (do plant-sen voor de richelen) maakte hij van goud; de richelen overtrok hij óók met goud.

35 Daarna maakte hij een voorhang van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; van het allerkunstigste werk maakte hij denzelven, met cherubim.

36 En hij maakte daarvoor vier pilaren van sittimfcemf, die hij overtrok met goud; hunne haken waren goud, en hij goot hun vier zilveren voeten.

37 Hij maakte ook aan de deur der Tente een deksel van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, geborduurd werk;

38 en de vijf pilaren daarvan, en hunne haken; en hij overtrok hunne hoofden en derzelver banden


-ocr page 125-

EXODUS 37.

Ill

met goud, en hunne vijf voeten waren van koper.

HOOFDSTUK 37.

Alzoo maakte Bezaleël de Arke van siltimhout: twee ellen en eene halve was hare lengte, en anderhalve el hare breedte, en anderhalve cl hare hoogte.

2 En hij overtrok ze met louter goud, van binnen en van buiten; en hij maakte haar een gouden krans rondom.

3 En hij goot voor dezelve vier gouden ringen, aan hare vier hoeken , alzoo dat twee ringen op de ééne zijde derzeive waren, en twee ringen op hare andere zijde.

/j En hij maakte handboomen van sittimhout, en hij overtrok ze met goud;

5 en hij stak de handboomen in de ringen aan de zijden der Arke, om de Arke te dragen.

(5 Hij maakte ook een verzoendeksel van louter goud: twee ellen en een halve was deszelfs lengte, en anderhalve el deszelfs breedte.

7 Ook maakte hij twee cherubim van goud, van dicht werk maakte hij ze, uit de beide einden des verzoendeksels ;

8 éénen cherub uit het ééne einde aan deze zijde, en den anderen cherub uit \'het andere einde aan gene zijde; uit het verzoendeksel maakte\' hij de cherubim, uit deszelfs beide einden.

9 En de cherubim waren de beide vleugelen omhoog uitbreidende, bedekkende met hunne vleugelen het verzoendeksel; en hunne aangezichten waren tegenover elkander, de aangezichten der cherubim waren naar het verzoendeksel.

40 U:j maakte ook eene tafel van sittimhout: twee ellen was hare lengte, en eene el hare breedte, en eene el en eene halve hare hoogte.

11 En hij overtrok ze met louter goud; en hij maakte een gouden krans daaraan rondom.

12 Hij maakte daaraan ook eene lijst rondom, een hand breed; en hij maakte een gouden krans rondom derzelver lijst.

13 Hij goot ook vier gouden ringen daaraan, en hij zette de ringen aan de vier hoeken, die aan de vier voeten derzelve waren.

14 Tegenover de lijst waren de ringen, tot plaatsen voor de hand-

: boome i om de tafel te dragen.

15 Hij maakte ook de handboomen van sittimhout, en hij overtrok ze met goud, om de tafel te dragen.

lü En hij maakte het gereedschap dat\'op de tafel zijn zoude, hare schotelen en hare reukschalen en hare kroezen en hare pla-teelen, (met welke zij bedekt zoude worden), van louter goud.

17 Hij maakte ook een kandelaar van louter goud: van dicht werk maakte hij dezen kandelaar, zijne schacht en zijne rieten; zijne schaaltjes, zijne\'knoopen en zijne bloemen waren uit hem.

18 Zes rieten nu gingen uit zijne zijden: drie rieten des kandelaars uit zijne ééne zijde, en drie rieten des kandelaars uit zijne andere zijde.

19 In het ééne riet waren drie

schaalt jes gelijk amandelnoten, een knoop en een bloem; en drie schaaltjes gelijk amandelnoten in een ander riet, een knoop en eene bloem: alzóó waren die zes rieten, die uit den kandelaar gingen.

20 Maar aan den kandelaar zeiven waren vier schaaltjes gelijk amandelnoten, met zijne knoopen en met zijne bloemen.

21 En er was een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande\', ook een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande; nog een knoop onder twee rieten, uit denzelven uitgaande: alzóó was het met de zes rieten, die uit denzelven uitgingen.

22 Hunne knoopen en rieten quot;waren uit hem: het wasaltemaaleen éénig dicht werk van louter goud.

23 En hij maakte hem zeven lampen; zijne snuiters en zijne blusch-vaten waren van louter goud.

24 Hij maakte denzelven uit een talent louter gouds, met alle zijne vaten.

25 En hij maakte den reukaltaar van sittimhout: eene el was zijne lengte en eene el zijne breedte,


-ocr page 126-

EXODUS 38.

112

vierkant, maar twee ellen zijne hoogte; uit hem waren zijne hoornen.

20 En hij overtrok hem mctlon-ter goud, zijn dak en zijne wanden rondom, alsook zijne hoornen; en hij maakte hem eenen gouden krans j\'ondom.

27 Hij maakte ook twee gouden ringen daaraan onder zijnen krans, aan zijne twee hoeken, aan zijne beide zijden, tot plaatsen voor de handboomen, dat men hem daarmede droeg.

28 En hij maakte de handboomen van sittimhout, en hij overtrok ze met goud.

29 Hij maakte ook de heilige zalfolie, en het reukwerk der zuiverste welriekende specerijen, apo-thekerswerk.

HOOFDSTUK 38.

Hij maakte ook het brandofferaltaar van sittimhout: vijf ellen was zijne lengte en vijf ellen zijne breedte , vierkant, en drie éllen zijne hoogte.

2 En hij maakte deszelfs hoornen op zijne vier hoeken, uit hem waren zijne hoornen; en hij overtrok hem met koper.

3 Hij maakte ook al het gereedschap des altaars , de potten , en de schoirelen en de besprengbek-kens, en de krauwden, en do kool-pannen: alle zijne vaten maakte hij van koper.

4 Ook maakte hij aan het altaar een rooster van koperen netwerk, onder zijnen omloop, van beneden tot zijn midden toe.

5 En goot vier ringen aan de vier einden des koperen roosters, tot plaatsen voor de handboomen.

6 En hij maakte de handboomen van sittimhout, en overtrok ze met koper.

7 En hij deed de handboomen in dj ringen aan de zijden dos altaars, dat men hem met dezelve droeg; hij maakte hem hol van planken.

8 Hij maakte ook het koperen waschvat, met zijnen koperen voet, van de spiegels der te hoop ko-menda vrouwen, die te hoop kwamen voorde deur van de Ten te dor samenkomst.

9 Hij maakte ook den voorhof aan den zuidhoek zuidwaarts; de behangselen tot den voorhof waren van fijn getweernd linnen, van honderd ellen.

10 Hunne twintig pilaren en der-zelver twintig voeten waren van koper: de haken dezer pilaren en hunne banden waren van zilver.

11 En aan den noorderhoek honderd ellen; hunne twintig pilaren en derzelver twintig voelen waren van koper; do haken dor pilaren en derzelver banden waren van zilver.

12 En aan den westerhoek waren behangselen van vijftig ellen; hunne pilaren tien en derzelver voeten tien; do haken der pilaren en hunne banden waren van zilver.

13 En aan den oosterhoek tegen den opgang waren vijftig ellen;

14 cle behangselen aan déze zijde waren vijftien ellen, derzelver pilaren drie en hunne voeten drie;

15 en aan do andere zijde van de deur des voorhofs, van weerszijde, waren behangselen van vijftien ellen, hunne pilaren drie en derzelver voeten drie.

16 Alle do behangselen des voorhofs rondom waren van fijn getweernd linnen.

17 De voeten nu der pilaren waren van koper, do haken der pilaren en hunne banden waren van zilver, en het overdeksel hunner hoofden was van zilver, en alle de pilaren des voorhofs waren met zilver omtogen.

18 En het deksel der poort des voorhofs was van geborduurd werk, van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen; en twintig ellen was de lengte, en de hoogte in de breedte was vijf ellen, tegenover de behangselen des voorhofs.

19 En hunne vier pilaren en derzelver vier voeten waren van koper; hunne haken waren van zilver, ook was het overdeksel hunner hoofden en hunne bandon van zilver.

20 En alle de pennen des tabernakels en des voorhofs rondom waren van koper.


-ocr page 127-

PXOD

US 30.

413

21 Dit zijnde geteldo dingen des Tabernakels, des Tabernakels der getuigenis, die geteld zijn naar den mond van Mozes, ten dienste dei* Leviten, door de hand van Ithamar den zoon des Priesters Aarons.

22 Bezaleëi nu, de zoon van Uri den zoon van Uur, van den stam van Juda, maakte al wat de Heere Mozes geboden had;

23 en met hem Aholiab de zoon van Ahisamach, van den stam van Dan , een werkmeester en vernuftig kunstenaar, en een borduurder in hemelsblauw en in purper en in scharlaken en in fijn linnen.

24 Al het goud dat tot het werk verarbeid is, in het gansche werk des heiligdoms, te weten het goud -des beweegolfers, was negenentwintig talenten en zevenhonderd dertig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms.

25 Het zilver nu van de geleiden der vergadering was honderd talenten en een duizend zevenhonderd en vijf en zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms.

2G Een beka voor elk hoofd, dat is een halve sikkel, naar den sikkel des heiligdoms, van een ieder, die overging tot de getelden, van twintig jaar oud en daarboven, namelijk zeshonderdduizend en drieduizend en vijfhonderd en vijftig.

27 En daar waren honderd talenten zilvers om te gieten de voeten des heiligdoms en do voeten des voorhangs: tot honderd voeten waren honderd talenten, een talent tot eenen voet.

28 Maar uit de duizend en zevenhonderd en vijfenzeventig sikkelen maakte hij de haken aan de pilaren, en hij overtrok hunne hoofden, en omtoog ze met banden.

29 Het koper nu des beweegof-fers was zeventig talenten en tweeduizend en vierhonderd sikkels.

30 En hij maakte daarvan de voelen van de deur der Tente dei-samenkomst, en het koperen altaar, en den koperen rooster dien dit liad, en al het gereedschap des altaars,

31 en de voeten des voorhofs rondom, en de voeten der poort des voorhofs, ook alle de pennen des

Tabernakels, en alle de pennen des voorhofs rondom.

HOOFDSTUK 39.

Zij m lakten ook ambtskleederen om in het heilige te dienen, van hemelsblauw en purper en scharlaken; ook maakten zij de heilige kleederen, die voor Aaron waren, gelijk de Heeue Mozes geboden had.

2 Aldus maakte hij den efod; van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen.

3 En zij rekten uit de dunne platen van goud en sneden het tot draden, oin te doen in het midden van het hemelsblauw, en in het midden van het purper, en in het midden van het scharlaken, en in het midden van het fijn linnen, van het allerkunstigste werk.

4 Zij maakten samenvoegende schouderbanden daaraan; aan des-zelfs beide einden werd hij samengevoegd.

5 En do kunstige riem zijns efods die daarop was, die was van éénerlei werk, van hetzelfde, van goud, hemelsblauw, en purper, en scharlaken, en fijn getweernd linnen, gelijk de Heeue Mozes bevolen had.

li Zij bereidden ook de sardo-nyxsleenen, omvat in gouden kastjes, als zegelgraveering gegraveerd met de namen der zonen Israels.

7 En hij zette ze op de schouderbanden des efods, tot steenen der gedachtenis voor de kinderen Israels, gelijk de Heere Mozes geboden had.

8 Hij maakte ook den borstlap van het allerkunstigste werk, gelijk het werk des efods: van goud; hemelsblauw, en purper, en scharlaken . cm fijn getweernd linnen.

9 Hij was vierkant, zij maakten den borstlap dubbel: een span was zijne lengte en een span was zijne breedte, dubbel zijnde.

10 En zij vulden daarin vier rijen steenen: eene rij van een sardis, een topaas en een karbonkel: dit is de eerste rij;

11 en de tweede rij van een smaragd, een saffier en een diamant;


-ocr page 128-

EXOD

US 39.

114

12 en de derde rij van een hyacinth, agaat en amethyst;

13 en de vierde rij van een turkoois, en een sardonyx, en een jaspis; omvat in gouden kastjes in hunne vullingen.

14 Deze steenen nu met de namen der zonen Israëls waren twaalf, met hunne namen, met zegelgra-veering, ieder met zijnen naam, naaide twaalf stammen.

15 Zij maakten ook aan den horstlap gehjk-eindigende ketentjes van gedraaid werk uit louter goud.

1(5 En zij maakten twee gouden kastjes en twee gouden ringen, en zij zetteden die twee ringen aan de beide einden des borstlaps.

17 Eu zij zetteden de twee gedraaide gouden ketentjes aan de twee ringen aan de einden van den horstlap;

18 doch de twee andere einden der twee gedraaide ketenen zetteden zij aan de twee kastjes, en zij zetteden ze aan de schouderbanden des efods, recht op diens voorste zijde.

19 Zij maakten ook twee gouden ringen, die zij aan de twee andere einden des borstlaps zetteden, inwendig aan zijnen boord die aan de zijde des efods is.

20 Nog maakten zij twee gouden ringen, die zij zetteden aan de twee schouderbanden des efods, beneden aan deszelfs voorste zijde, tegenover zijne andere voege, boven den kunstigen riem des efods.

21 En zij bonden den borstlap met zijne ringen aan de ringen des efods met een hemelsblauw snoer, dat hij op den kunstigen riem des efods was; opdat de borstlap van denefod niet afgescheiden wierd, gelijk de Heere Mozes geboden had.

22 En hij maakte den mantel des efods van geweven werk, geheel van hemelsblauw.

23 En het gat des mantels was in deszelfs midden, als het gat eens pantsers: dit gat had een boord rondom, dat liet niet gescheurd wierd.

24 En aan de zoomen des mantels maakten zij granaatappelen van hemelsblauw en purper en scharlaken, getweernd;

25 zij maakten ook schelletjes van louter goud, en zij stelden de schelletjes tusschen de granaatappelen aan de zoomen des mantels rondom, tusschen de granaatappelen :

26 dat een schelletje, daarna een granaatappel was, wederom een schelletje en een granaatappel, aan de zoomen des mantels rondom, om te dienen, gelijk als de Heere Mozes geboden had.

27 Zij maakten ook de rokken van fijii linnen, van geweven werk voor Aaron en voor zijne zonen;

28 en den hoed van fijn linnen, en de sierlijke mutsen van fijn linnen , en de linnen onderbroeken van fijn getweernd linnen;

29 en den gordel van fijn getweernd linnen, en van hemelsblauw, en purper, en scharlaken, van geborduurd werk, gelijk als de Hkëre Mozes geboden had.

30 Zij maakten ook de plaat van de kroon der heiligheid van louter goud, en zij schreven daarop een schrift, met zegelgraveering: de Heiligheid des Heeren.

31 En zij hechtten een snoer van hemelsblauw daaraan, om aan den hoed van boven te hechten, gelijk als de Heere Mozes geboden had.

32 Aldus werd al het werk des Tabernakels, van de Tente der samenkomst, voleindigd: en de kinderen Israëls hadden het gemaakt naar alles wat de Heere Mozes geboden had, alzuó hadden zij het gemaakt.

33 Daarna brachten zij den Tabernakel tot Mozes, de Tente en al haar gereedschap, hare haakjes, hare stijlen , hare richelen, en hare pilaren en hare voeten;

34 en het deksel van rDodge-verwde ramsvellen, en het deksel van dassenvellen, en den voorhang des deksels;

35 de Arke der getuigenis en hare handboomen, en het verzoendeksel ;

30 de tafel met al haar gereedschap , en de toonbrooden;

37 den louteren kandelaar, met zijne lampen, de lampen die men toerichten moest, en al deszelfs


-ocr page 129-

EXODU

\\ gereedschap, en de olie ten lichte; ^ 38 voorts het gouden altaar, en | do zalfolie, en het reukwerk van welriekende specerijen, en het deksel van de deur iter Teute: | 39 het koperen altaar, en den koperen rooster dien dit heeft, deszelfs handboomen en al zijn gereedschap ; het waschvat en zijnen voet;

40 de behangselen des voorhofs, zijne pilaren en zijne voeten, en het deksel van de poort des voorhofs, zijne zelen, en zijne pennen, en al het gereedschap van den dienst des Tabernakels, tot de Teute der samenkomst;

41 de ambtskleederen om in het heiligdom te dienen, de heilige kleederen des Priesters Aarons, en de kleederen zijner zonen, om het Priesterambt te bedienen :

42 naar alles dat de Hkere Mo-zes geboden had, alzóó hadden de kinderen Israels het gansche werk ■ gemaakt.

43 Mozes nu bezag het gansche % werk, en zie, zij hadden het gemaakt; gelijk ais de heere geboden had, alzóó hadden zij liet gemaakt. Toen zegende Mozes hen.

HOOFDSTUK 40.

Voorts sprak de Heeke lot Mozes, zeggende:

2 Op den dag der eerste maand, te lueten op den eerste der maand, zult gij den Tabernakel, de Tente der samenkomst, oprichten;

3 en gij zult aldaar zetten de Arke der getuigenis, en gij zult de Arke met den voorhang bedekken;

4 daarna zult gij de tafel daarin brengen, en gij zult schikken dat daarop te schikken is; gij zult ook den kandelaar daarin brengen, en zijne lampen aansteken;

5 en gij zult het gouden altaar ten reukwerke vóór de Arke der getuigenisse zetten. Dan zult gij het deksel van de deur des Tabernakels ophangen.

* G Gij zult ook het altaar des brandoffers zetten vóór de deur des Tabernakels van de Tente der samenkomst.

\'K 7 En gij zult het waschvat zet-

S 40. 115

ten tusschen de Tente der samenkomst en Tusschen het altaar, en gij zult water daarm doen.

8 Daarna zult gij den voorhof rondom zetten, en gij zult het deksel ophangen aan de poorte des voorhofs.

ü Dan zult gij de zalfolie nemen en zalven den Tabernakel en al wat daarin is, en gij zult denzelven heiligen met al zijn gereedschap, en het zal eene heiligheid zijn;

\'10 gij zult ook het altaar des brandoffers zalven en al zijn gereedschap, en gij zult het altaar heiligen en het altaar zal heiligheid der heiligheden zijn;

11 dan zult gij het waschvat zalven en deszelfs voet, en gij zult het heiligen.

12 Gij zult ook Aaron en zijne zonen doen naderen tot de deur van de Tente der samenkomst, en gij zult ze met water wasschen.

13 En gij zult Aiiron de heilige kleederen aantrekken, en gij zult hem zalven en hem heiligen, dat hij mij het Priesterambt bediene.

14 Gij zult ook zijne zonen doen naderen, en zult hun de rokken aantrekken,

15 en gij zult hen zalven gelijk gij hunnen vader gezalfd zult hebben, dat zij mij het Priesterambt bedienen; en het zal geschieden dat hun hunne zalving zal zijn tot een eeuwig Priesterdom bij hunne geslachten.

10 Mozes nu deed het; naar alles wat hem de Heeue geboden had, alzóó deed hij.

17 En het geschiedde in de eerste maand in het tweede Jaar op den eerste der maand, dat de Tabernakel opgericht werd.

18 Want Mozes richtte den Tabernakel op, en zette zijne voeten, en stelde zijne stijlen, en zette zijne richelen daaraan, en hij richtte de pilaren deszelven op;

19 en hij spreidde de tent uit over den Tabernakel, en hij zette het deksel der tent daar boven op, gelijk de Heeue Mozes geboden had.

20 Voorts nam hij en leide de getuigenis in de Arke en deed de


-ocr page 130-

LEVITICUS 1.

üö

handboomen aan de Arke en hij zelle het verzoendeksel boven op de Arke,

21 en bij bracht de Arke in den Tabernakel, en hij hing den voorhang des bedeksels op, en bedekte de Arke der getuigenis, gelijk als de iieere Mozes geboden had.

22 Hij zette ook de tafel in de Tente der samenkomst, aan de zijde des Tabernakels tegen het Noorden, buiten den voorhang;

23 en hij schikte daarop het brood in orde voor het aangezicht des Heeuen , gelijk ais de Heere Mozes geboden had.

24 Hij zotte ook don kandelaar in de Tenle der samenkomst recht over de tafel, aan de zijde des Tabernakels zuidwaarts;

25 en hij stak de lampen aan voor het aangezicht des Heeren, gelijk als de Heere Mozes geboden had.

20 En hij zette het gouden altaar in de Tente der samenkomst, vóór den voorhang;

27 en hij stak daarop aan reukwerk van welriekende specerijen, gelijk als de Heere Mozes geboden had.

28 Hij hing ook hot deksel van de deur des Tabernakels.

29 En hij zette het altaar des brandoffers aan do deur des Tabernakels, dor Tente der samenkomst; en hij offerde daarop brandoffer en spijsoffer, gelijk als de Heere Mozes geboden had.

30 Hij zette ook het waschvat tusschen do Tenle der samenkomst en tusschen het altaar, en hij deed water daarin om te was-schen;

31 en Mozes en Aaron en zijne zonen wieschen daaruit hunne handen en hunne voeten:

32 als zij ingingen tot do Tente der samenkomst en als zij tot het altaar naderden, zoo wieschen zij zich, gelijk de Heere Mozes geboden had.

33 Hij richtte ook den voorhof op, rondom den Tabernakel on het altaar, en hij hing het deksel der poort des voorhofs op. Alzoo voleindigde Mozes het werk.

34 Toen bedek Ie do wolk de Tente der samenkomst, en de heerlijkheid des Heeren vervulde den Tabernakel,

35 zoodat Mozes niet kon ingaan in do Tente der samenkomst, dewijl do wolk daarop bleef, en de heerlijkheid des Heeren den Tabernakel vervulde.

36 Als nu de wolk opgeheven werd van boven den Tabernakel, zoo reisden de kinderen Israels voort in al hunne reizen;

37 maar als de wolk niet opgeheven word, zoo reisden zij niet, tot op den dag dat zij opgeheven werd.

38 Want do wolk des Heeren was op den Tabernakel bi\'t dag, en het vuur was er bij nacht op, voor de oogen des ganschen huizes Israëls, in al hunne reizen.


HET DERDE BOEK VAN MOZES

GENAAMD

LEVITICUS.

HOOFDSTUK 1.

En de Heere riep Mozes en sprak tot hem uit de Tente der samenkomst, zeggende:

2 Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Als een monsch uit u den Heere ecne offerande zal offeren, gij zult uwe olforan-den offeren van het vee, van runderen en van schapen.

3 Indien zijne offeraodo een


-ocr page 131-

LEVITI

t brandoffer van rundoren is, zoo 1 zal hij een volkomen mannetje offeren: aan de deur van de Tenle der samenkomst zal hij dat offeren, ï naar zijn welgevallen, voor het

* ^ aangezicht des Heeren.

4 En hij zal zijne hand op des ! brandoffers hoofd leggen, opdat t het voor hem aangenaam zij om i hem te verzoenen.

5 Daarna zal hij het jonge rund slachten voor het aangezicht des

f Heeren; en de zonen Aarons, de Priesters, zullen het bloed offeren, en dat bloed sprengen rondom dat

• altaar, hetwelk voor de deur van de Tente der samenkomst is.

6 Dan zal hij het brandoffer de huid aftrekken, en dat in zijne stukken deelen.

7 En de zonen van Aaron den Priester zullen vuur maken op het altaar, en zullen het hout op het vuur schikken.

8 Ook zullen de zonen Aarons, de Priesters, de stukken, het hoofd en het smeer schikken op het hout,

, dat op het vuur is hetwelk op het altaar is.

9 Doch zijn ingewand en zijne schenkels zal men met water was-schen; en de Priester zal dat alles aansteken op het altaar: het is een brandoffer, een vuuroffer ten liefelijken reuke den Heere.

10 En indien zijne offerande is van kleinvee, van schapen of van geiten, ten brandoffer, zal hij een volkomen mannetje offeren.

11 En hij zal dat slachten aan de zijde van het altaar noordwaarts, voor het aangezicht des Heeren; en de zonen Aarons, de Priesters, zullen zijn bloed rondom op het altaar sprengen.

12 Daarna zal hij het in zijne stukken deelen, mitsgaders zijn hoofd en zijn smeer; en de Priester zal die schikken op het hout, dat op het vuur is hetwelk op het altaar is.

13 Doch het ingewand en de schenkelen zal men met water wasschen; en de Priester zal dat ailes offeren en aansteken op het altaar: het is ecu brandoffer, een vuuroffer ten liefelijken reuke den

^ Heere.

GÜS 2. 117

14 En indien zijne offerande voor den Heere een brandoffer van gevogelte is, zoo zal hij zijne offerande van tortelduiven of van Jonge duiven offeren.

15 En de Priester zal die tot het altaar brengen , en derzelver hoofd met zijnen nagel splijten, en op het altaar aansteken; en haar bloed zal aan den wand des altaars uitgeduwd worden.

10 En haren krop met zijne vederen zal hij wegdoen, en zal dat werpen bij liet altaar oostwaarts, aan de plaats van de asch.

17 Voorts zal hij die met zijne vleugelen klieven, niet afscheiden; en do Priester zal die aansteken op het altaar, op het hout dat op het vuur is: het is een brandoffer, een vuuroffer ten liefelijken reuke den Heere.

HOOFDSTUK 2.

Als nu eene ziele eene offerande van spijsoffer den Heere zal offeren, zijne offerande zal meelbloem zijn; en hij zal olie daarop gieten en wierook daarop leggen;

2 en hij zal dat brengen tot do zonen Aiirons, de Priesteren, welker een daarvan zijne hand vol grijpen zal uit deszelfs meelbloem, en uit deszelfs olie, met al deszelfs wierook; en de Priester zal deszelfs gedenkoffer aansteken op het altaar: het is een vuuroffer ten lie-felijken reuke den Heere.

3 Wat nu overblijft van het spijsoffer zal Aarons en zijner zonen zijn: het is eene heiligheid der heiligheden van de vuuroffcren des Heeren.

4 En als gij offeren zult eene offerande van spijsoffer, een gebak des ovens, het zullen zijn ongezuurde koeken van meelbloem met olie gemengd, en ongezuurde

1 vladen, met olie bestreken.

5 En indien uwe offerande spijsoffer is, in de pan yekookt, zij zal zijn van ongezuurde meelbloem met olie gemengd.

0 Breekt ze in stukken en giet olie daarop: het is een spijsoffer.

7 En zoo uwe offerande een spijsoffer des ketels is, het zal


-ocr page 132-

LEVITICUS 3.

MS

van meelbloem met olie gemaakt worden.

8 Dan zult gij dat spijsoffer bet-welk daarvan zal gemaakt worden den Heere toebrengen, en men zal bet tot den Priester doen naderen , die dat tot het altaar dragen zal;

9 en de Priester zal van dat spijsoffer deszelfs gedenkoffer opnemen en op bet altaar aansteken: bet is een vuuroffer ten liefelijken reuke den Heere.

10 En wat overblijft van bet spijsoffer zal Aiirons en zijner zonen zijn: bet is een beiligbeid derbei-ligbeden van de vuurofferen des Heeren.

11 Geen spijsoffer, dat gij den Heere zult offeren, zal met dee-sem gemaakt worden, want van geen zuurdeesem en van geen bo-nig zult gijlieden den Heere vuuroffer aansteken.

12 De offeranden der eerstelingen die zult gij den Heere offeren; maar op bet altaar zullen zij niet komen ten liefelijken reuke.

13 En alle offerande uws spijsoffers zult gij met zout zouten, en bet zout des verbonds uwes Gods van uw spijsoffer niet laten afblijven: met al uwe offerande zult gij zout offeren.

14 En zoo gij den Heere een spijsoffer der eerste vruebten offert, zult gij het spijsoffer uwer eerste vruebten van groene aren bij bet vuur gedord, dat. is, bet klein gebroken graan van volle groene aren, offeren;

15 en gij zult olie daarop doen, en wierook daarop leggen: bet is een spijsoffer.

1G Zoo zal de Priester deszelfs gedenkoffer aansteken, van zijn kleingebroken graan en van zijne olie , met al den wierook: het is een vuuroffer den Heere.

HOOFDSTUK 3.

En indien zijne offerande een dankoffer is: zoo hij ze van de runderen offert, het zij mannetje of wijfje, volkomen zal bij die offeren voor bet aangezicht des Heeren.

2 En bij zal zijne hand op bet hoofd zijner offerande leggen, en zal ze slachten voor de deur van de Tente der samenkomst; en de zonen Aiirons, de Priesteren, zullen het bloed rondom op bet altaar sprengen.

3 Daarna zal hij van dat dankoffer een vuuroffer den Heere offeren: het vet, dat het ingewand bedekt, en al het vet, dat aan het ingewand is.

4 Dan zal bij beide de nieren, en het vet dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is, en bet net over de lever, met de nieren, dat zal bij afnemen;

5 en de zonen Aiirons zullen dat aansteken op het altaar, op bet brandoffer hetwelk op het bout zal zijn dat op bet vuur is: het is een vuuroffer ten liefelijken reuke den Heere.

G En indien zijne offerande van klein vee is, den Heere tot een dankoffer, hetzij mannetje of wijfje, volkomen zal hij die offeren.

7 Indien hij een lam tot zijne offerande offert, zoo zal hij bet offeren voor het aangezicht des Heeren.

8 En hij zal zijne hand op het hoofd zijner offerande leggen, en bij zal die slachten vóór de Tente der samenkomst; en de zonen Aiirons zullen bet bloed daarvan rondom op het altaar sprengen.

9 Daarna zal bij van dat dankoffer een vuuroffer den Heere offeren: zijn vet, den geheelen staart, dien hij dicht aan de rug-gegraat zal afnemen, en het vet bedekkende het ingewand, en al bet vet dat av.n het ingewand is;

10 ook beide de nieren, en bet vet dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is, en het r.et over de lever, met de nieren, dat zal hij afnemen;

11 en de Priester zal dat aansteken op het altaar: he. is eene spijze des vuuroffers den Heere.

12 Indien nu zijne offerande eene geit is, zoo zal hij die offeren voor bet aangezicht des Heef.en.

13 En bij zal zijne band op haar hoofd leggen, en hij zal ze slachten vóór de Tente der samenkomst;


-ocr page 133-

IC US 4.

L E VIT

119

cn de zonen Aarons zullen haar bloed sprengen rondom op het altaar.

I\'i Dan zal hij daarvan zijne offerande offeren, een vuuroiïcr den Heere: het vet bedekkende het ingewand, en al het vet dat aan het ingewand is;

15 mitsgaders belde de nieren, en het vet dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is, en het net over de lever, met de nieren, dat zal hij afnemen;

1(J èn de Priester zal die aansteken op het altaar: het is eene spijze des vuuroffers ten liefelijken reuke. Alle vet zal des Heehex zijn;

17 dit zij eene eeuwige inzetting voor uwe geslachten, in alle uwe woningen: geen vet noch bloed zult gij eten.

HOOFDSTUK 4.

Voorts sprak de Heeiie tot Mo-zes, zeggende:

2 Spreekt tot de kinderen Israels, zeggende: Als eene ziele zal gezondigd hebben door afdwaling van eenige geboden des Mekken, dat niet zoude gedaan worden, en tenen een van die zal gedaan hebben;

3 indien de Priester, die gezalfd is, zal gezondigd hebben tot schuld des volks, zoo zal hij voor zijne zonde die hij gezondigd heeft olie-ren een var, een volkomen jong rund, den Heehe ten zondoffer;

4 en hij zal dien var brengen tot de deur van de Teute der samenkomst, voor het aangezicht des Heehex; en hij zal zijne hand op het hoofd van dien var leggen, en hij zal dien var slachten voor het aangezicht des Heeuex.

5 Daarna zal de gezalfde Priester van het bloed des varren nemen, en hij zal dat tot de Teute der samenkomst brengen;

0 en de Priester zal zijnen vin-gei- in dat bloed doopenquot;, en van dat bloed zal hij zevenmaal sprengen voor het aangezicht des Hee-iïen, vóór den voorhang van het heilige.

7 Ook zal de Priester van dat bloed doen op dc hoornen van het reukaltaar der welriekende specerijen, voor het aangezicht des Hee-ren, die in de Tente der samenkomst is; dan zal liij al het bloed des varren uitgieten aan den bodem van het altaar des brandoffers, welke is aan de deur van de Tente der samenkomst.

8 Voorts al het vet van den var des zondoffers zal hij daarvan opnemen: het vet bedekkende het ingewand, en al het vet dat aan het ingewand is;

9 daartoe de twee nieren, en het vet dat daaraan is, dat aan de weekdarmen is, en het net over de lever, met de nieren, dat zal hij afnemen,

10 gelijk, als het van den os des dankoffers opgenomen wordt: en de Priester zal die aansteken op het altaar des brandoffers.

11 Maar de huid van dien var, en al zijn vleesch, met zijn hoofd en met zijne schenkelen, en zijn ingewand, en zijn mest,

12 en dien geheelen var zal hij tot builen het leger uitvoeren, aan eene reine plaats, waar men de asch uitstort, en zal hem met vuur op het hout verbranden; bij de uitgegoten asch zal hij verbrand worden.

13 Indien nu de geheele vergadering Israels afgedwaald zal zijn, en de zaak voor de oogen der gemeente verborgen is, en zij iets gedaan zullen hebben tegen eenige van alle geboden des H eer ex dat niet zoude gedaan worden, en zijn schuldig geworden,

14 en die zonde, die zij daartegen gezondigd zullen hebben, bekend is geworden: zoo zal de gemeente een var, een jong rund, ten zondoffer offeren, en dien vóórquot; de Tente der samenkomst brengen;

15 en de oudsten der vergadering zullen hunne handen op het hoofd des varren voor het aangezicht des Heeuex leggen, en l\'ü zal den var slachten voor het aangezicht des Heeuex.

10 Daarna zal de gezalfde Priester van het bloed des varren tot de Tente der samenkomst brengen;

17 en de Priester zal zijnen vinger indoopen, nemende van dat


-ocr page 134-

LEVITICUS 4.

420

bloed; cn hij zal zevenmaal sprengen voor het aangezicht des Huic-itE.M, vóór den voorhang.

48 En van dat bloed zal hij doen op de hoornen des altaars dat voor het aangezicht des Heeren is, dat in de Tente der samenkomst is; dan zal hij al het bloed uitgieten aan den bodem van het altaar des brandoffers, welke is vóór de deur van de Tente der samenkomst.

1(.) Daartoe zal hij al zijn vet van hem opnemen en op het altaar aansteken.

20 En hij zal dezen var doen gelijk hij den var des zondoffers gedaan heeft, alzóó zal hij hem doen; en de Priester zal voor hen verzoening doen, en het zal hun vergeven worden.

21 Daarna zal hij dien var lot builen het leger uitvoeren, en zal hem verbranden, gelijk als hij den eersten var verbrand heeft: het is een zondoffer der gemeente.

22 Als een Overste zal gezondigd hebben, en tegen een van dp geboden des Heeuen zijnes Gods door afdwaling gedaan zal hebben heigeen niet zoude gedaan worden, zoodat. hij schuldig is;

23 of men zijne zonde die hij daartegen gezondigd heeft aan hem zal bekendgemaakt hebben: zoo zal hij tot zijn olfer brengen een geitenhok, een volkomen mannetje;

24 en hij zal zijne hand op het hoofd des boks leggen, en zal hem slachten in de plaatse waar men het brandoffer slacht voor het aangezicht des Heeren: het is een zondoffer.

25 Daarna zal de Priester van het bloed des zondoffers met zijnen vinger nemen, en dat op de hoornen van het altaar dos brandoffers doen; dan zal hij zijn bloed aan den bodem van het altaar des brandoffers uitgieten;

2ü hij zal ook al zijn vet op het altaar aansteken, gelijk het vet des dankoffers: zoo zal de Priester voor hem verzoening doen van zijne zonde, en het zal hem vergeven worden.

27 En zoo eenig mensch van het volk des lands door afdwaling zal gezondigd hebben, dewijl hij iets doet tegen eon van de geboden des Heeren, dat niet gedaan zoude worden, zoodat hij schuldig is;

28 of men zijne zonde die hij gezondigd heeft aan hem zal bekend gemaakt hebben: zoo zal hij tot zijne offerande brengen eene jonge geit, een volkomen wijfje, voor zijne zonde die hij gezondigd heeft;

29 en hij zal zijne hand op het hoofd des zondoffers leggen; en men zal dat zondoffer slachten in de plaatse des brandoffers.

30 Daarna zal de Priester van haar bloed met zijnen vinger nemen , en doen het op de hoornen van het altaar des brandoffers; dan zal hij al het bloed daarvan aan den bodem van dat altaar uitgieten.

31 En al haar vet zal hij afnemen, gelijk als het vet van het dankoffer quot;afgenomen wordt, en de Priester zal het aansteken op het altaar, tot een liefelijken reuk den Heere; en de Priester zal voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.

32 Maar zoo hij een lam voor zijne offerande teii zondoffer brengt, het zal een volkomen wijfje zijn dat hij brengt.

33 En hij zal zijne hand op het hoofd des zondoffers leggen, en hij zal dat slachten tot een zondoffer , in de plaatse waar men het brandoffer slacht.

3\'! Daarna zal de Priester van het bloed des zondoffers met zijnen vinger nemen, en zal het doen op de hoornen van het altaar des brandoffers; dan zal hij al het bloed daarvan aan den bodem van dat altaar uitgieten.

35 En al het vet daarvan zal hij afnemen, golijl c het vet van het lam des dankoffers afgenomen wordt; en de Priester zal die aansteken op het altaar, op de vuur-offeren des Heeren; en de Priester zal voor hem verzoening doen over zijne zonde die hij gezondigd heeft, en hot zal hem vergeven worden.

HOOFDSTUK 5.

Als nu een mensch zal gezon-


-ocr page 135-

LEVITICUS 5.

421

digd hebben, dat hij gehoord heeft eene stemme desvloeks, waarvan hij getuige is, hetzij hij het gezien of geweten heeft: indien hij het niet te kennen geeft, zoo zal hij zijne ongerechtigheid dragen.

2 Of wanneer een mensch eenig onrein ding zal aangeroerd hebben , hetzij het doodo aas van een wild onrein gedierte of het doode aas van een onrein vee of het doode aas van een onrein kruipend gedierte : al is het voor hem verborgen geweest, nogtans is hij onrein en schuldig.

3 Of als hij zal aangeroerd hebben de onreinheid eens menschen, naar al zijne onreinheid, waarmede hij onrein wordt, en het is voor hem verborgen geweest, en hij is het gewaar geworden, zoo is hij schuldig.

4 Of als een mensch zal gezworen hebben, onbedacbtelijk met zijne lippen uitsprekende, om kwaad te doen of om goed te doen, naar al wat de mensch in den eed onbedacbtelijk uitspreekt, en het is voor hem verborgen geweest, en hij is het gewaar geworden, zoo is hij aan een van die schuldig.

5 Het zal dan geschieden als hij aan een van die schuldig is, dat hij belijden zal waarin hij gezondigd heeft,

ü en tot zijn schuldoffer den Hee-re voor zijne zonde die hij gezondigd heeft brengen zal een wijfje van klein vee, een lam of eene jonge geit, voor de zonde: zoo zal de Priester voor hem vanwege zijne zonde verzoening doen.

7 Maar indien zijne hand zooveel niet bereiken kan als genoeg is tot een klein vee, zoo zal hij tot zijn offer voor de schuld, die hij gezondigd heeft, den Heere twee tortelduiven of twee jonge duiven brengen, ééne ten zondoffer en ééne ten brandoffer.

8 En hij zal die tot den Priester brengen, welke eerst die zal offeren, die tot het zondoffer is, en zal haar hoolU met zijnen nagel nevens haren nek splijten, maarniet afscheiden.

9 En van het bloed des zondoffers zal hij aan den wand des altaars sprengen; maar het overgeblevene van dat bloed zal uitgeduwd worden aan den bodem cies altaars: het is een zondoffer.

10 En dc andere zal hij ten brandoffer maken, naar dc wijze; zoo zal dc Priester voor hem , vanwege zijne zonde die hij gezondigd heeft, verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.

11 Maar indien zijne hand niet reiken kan aan twee tortelduiven of twee jonge duiven, zoo zal hij die gezondigd heeft tot zijne offerande brengen het tiendedeel van eene efa meelbloem ten zondoffer; hij zal geen olie daarover doen, nóch wierook daarop leggen, want het is een zondoffer.

12 En hij zal dat tot den Priester brengen, en de Priester zal daarvan zijne hand vol, ter gedachtenis deszelven, grijpen, en dat aansteken op het altaar, op de vuuroffcren des Heeren: het is een zondoffer.

13 Zoo zal de Priester voor hom verzoening doen over zijne zonde, die hij gezondigd heeft in eenige van die stukken, en het zal hem vergeven worden; en het zal des Priesters zijn, gelijk het spijsoffer.

14 Wijders sprak de Heere tot Mozes, zeggende:

15 Als een mensch door overtreding overtreden en door afdwaling gezondigd zal hebben, wat ontvreemdende van de heilige dingen des Heeren, zoo zal hij tot zijn schuldoffer den Heere brengen een volkomen ram uit de kudde, mot uwe schatting aan zilveren sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms, ten schuldoffer.

16 Zoo zal hij, wat hij zondigende heeft ontvreemd van de heilige dingen, wedergeven, en zal des-zelfs vijfdedeel daarenboven toedoen, dat hij den Priester geven zal; alzoo zal de Priester met den ram des schuldoffers voor hem verzoening doen, en het zal hem vergeven worden.

17 En indien een mensch zal gezondigd hebben, en gedaan te~ gen één van alle geboden des Heeren, hetwelk niet moest ge-


-ocr page 136-

LEVITICUS 6.

van al wat hij doet, waaraan hij schuld heeft.

8 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende:

9 Gebied Aaron en zijnen zonen, zeergende: Dit is de wel des brandoffers: het is hetgeen door het branden op het altaar den gan-schen nacht tot aan den morgen opvaart; alwaar het vuur des altaars zal brandende gehouden worden. ..

10 En dePriester zal zijn linnen kleed aantrekken, en de linnen onderbroek over zijn vleesch aantrekken, en zal de asch opnemen, als het vuur het brandoffer op het altaar zal verleerd hebben, en zal die bij het altaar leggen.

11 Daarna zal hi j zijne kleederen uittrekken, en zal andere kleede-ren aandoen, en zal de asch tot buiten hel leger uitdragen aan eene reine plaats. , . i

12 Het vuur nu op het altaar zal daarop brandende gehouden worden, het zal niet uitgebluscht worden, maar de Priester zal daar el-ken morgen hout aansteken , en zal daarop het brandoffer schikken , en het vet der dankofferen daarop aansteken:

13 hel vuur zal gedunghjk op het altaar brandende gehouden worden, het zal niet uitgebluscht worden.

14 Dit is nu de wet des spijsoffers: een der zonen Aarons zal dat voor het aangezicht des Heeren offeren vóóraan het altaar.

15 En hij zal daarvan opnemen zijne hand vol, uit de meelbloem des spijsoffers, en van deszelfs olie en al den wierook, die op het spijsoffer is; dan zal hij het aansteken op het altaar: het is eene liefelijke reuke ter gedachtenis desselven voor den Heere.

16 En hel overblijvende daarvan zullen Aaron en zijne zonen eten, ongezuurd zal het gegeten worden in de heilige plaatse in den voorhof van de Tente der samenkomst zullen zij dat eten;

17 het zal met gedeesDmd gebakken worden, het is hun deel dat ik gegeven heb van mijne vuurofferen: het is eene heiligheid

122

daan worden, al is t dat hij liet niet geweten heeft, nogtans is hij schuldig en zal zijne ongerechtigheid dragen.

48 En hij zal een volkomen ram uit de kudde tot den Priester brengen , met uwe schatting, ten schuldolTer; en de Priester zal voor hem verzoening doen over zijne afdwaling, door welke hij afgedwaald is, die hij niet geweien had: zoo zal het hem vergeven worden.

49 Het is een schuldolTer; hij heeft zich voorzeker schuldig gemaakt aan den HEERE.

HOOFDSTUK 6.

Voorts sprak de Heeue tot Mo zes, zeggende:

2 Als een mensch gezondigd en tegen den Heere door overtreding overtreden zal hebben, dat hij aan zijnen naaste zal gelogen hebben van hetgeen hem in bewaring gegeven of ter hand gesteld was, ol van roof, of dat hij met geweld zijnen naaste onthoudt;

\'3 of dat hij het verlorene gevonden, en daarover gelogen en met valschheid gezworen zal hebben, over iets van alles wat de mensch doet, daarin zondigende:

4 het zal dan geschieden, dewijl li ij gezondigd heeft en schuldig geworden is, dat hij weder uit-keeren zal den roof dien hij heeft geroofd, of het onthoudene dat hij met geweld onthoudt, of het bewaarde dat bij hem te bewaren gegeven was, of het verlorene dat hij gevonden heeft;

\'5 of van alles waarover hij val-schelijk gezworen heeft, dat hij hetzelve in zijne hoofdsom wedergeven en nog het vijfdedeel daarenboven toedoen zal: wiens dat is, dien zal hij dat geven op den dag zijner schuld.

è En hij zal den Heere zijn schuldoffer brengen tot den Priester, een volkomen ram uit de kudde, met uwe schatting, ten schuldoffer.

7 Dan zal de Priester voor hem verzoening doen voor het aangezicht des Heeren, en het zal hem vergeven worden; over iets

-ocr page 137-

LEVITICUS 7.

123

der heiligheden, gelijk liet zond-ofler en gelijk het schuldolTer.

18 Al wat mannelijk is onder de zonen Aarons zal dat eten, het zij eene eeuwige inzetting voor uwe geslachten van de vuurofïeren des hkeren: al wat die zal aanroeren zal heilig zijn.

19 Wijders sprak de Heere tot Mozes zeggende:

20 Dit is de offerande Aarons en zijner zonen, die zij den Heere offeren zullen ten dage als hij zal gezalfd worden: liet tiendedeel eener efa meelbloem, een gedurig spijsoffer; de helft daarvan op den morgen, en de helft daarvan op den avond.

21 Het zal in eene pan met olie gemaakt worden, geroosterd zult gij het brengen, en de gebakken stukken des spijsoffers zult gij offeren ten liefelijken reuke den Heere.

22 Ook zal de Priester, die uit zijne zonen in zijne plaats de gezalfde zal worden , hetzelfde doen: het zij eene eeuwige inzetting, het zal voor den Heere geheel aan-

I gestoken worden.

23 Alzoo zal alle spijsoffer des Priesters ganschelijk zijn , het zal niet gegeten worden.

24 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende:

25 Spreek tot Aaron en tot zijne zonen, zeggende: Dit is de wet des zondoffers: in de plaatse waar het brandoffer geslacht wordt zal het zondoffer voor het aangezicht des Heeren geslacht worden: het is een heiligheid der heiligheden.

26 De Priester, die het voor de zonde offert, zal dat eten; in de heilige plaatse zal het gegeten worden , in het voorhof van de Tente der samenkomst.

27 Al wat deszelfs vleesch zal aanroeren zal heilig zijn; zoo wie van zijn bloed op een kleed zal gesprengd hebben, dat waarop hij gesprengd zal hebben zult gij in de heilige plaats wasschen.

28 En het aarden vat waarin het gezoden is zal gebroken worden; maar zoo het in een koperen vat gezoden is , zoo zal het geschuurd en in water gespoeld worden.

29 Al wat mannelijk is onder de Priesters zal dat eten: het is een heiligheid der heiligheden.

30 Maar geen zondoffer, van welks bloed in de Tente der samenkomst zal gebracht worden om in het heiligdom te verzoenen, zal gegeten worden: het zal in het vuur verbrand worden.

HOOFDSTUK 7.

Dit nu is de wet des schuldoffers; het is eene heiligheid der heiligheden.

2 In de plaatse waar zij het brandoffer slachten, zullen zij het schuldoffer slachten , en men zal deszelfs bloed rondom op het altaar sprengen.

3 En daarvan zal men al zijn vet offeren: den staart, en het vet dat het ingewand bedekt;

4 ook beide de nieren en het vet dat daaraan is, dat op de week-darmen is, en het net over do lever, met de nieren, dat zal men afnemen.

5 En de Priester zal die aansteken op het altaar, ten vuuroffer den Heere: het is een schuldoffer.

G Al wat mannelijk is onder de Priesteren zal dat eien; in de heilige plaatse zal het gegeten worden: het is eene heiligheid der heiligheden.

7 Gelijk het zondoffer alzoo zal ook het schuldoffer zijn, éénerlei wet zal voor dezelve zijn: het zal des Priesters zijn, diè daarmede verzoening gedaan zal hebben.

8 Ook de Priester, die iemands brandoffer offert, die Priester zal de huid des brandoffers hebben dat hij geofferd heeft;

9 daartoe al het spijsoffer, dat in den oven gebakken wordt, met al wat in den ketel en in de pan bereid wordt, zal des Priesters zijn die dat offert.

10 Ook alle spijsoffer, met olie gemengd of droog, zal aller zonen Aarons zijn, des éénen als des anderen.

11 Dit is nu de wet des dankoffers, dat men den Heere offeren zal.

12 Indien hij dat tot een lofoffer


-ocr page 138-

124

olTcrt, zoo zal hij, nevens het lof-olTer, ongezuurde koeken met olie gemengd en ongezuurde vladen met olie bestreken oHeren, en /.uilen die koeken met olie gemengd en van gerooste meelbloem zijn.

13 Benevens de koeken zal hn tot zijne offerande gedeesemd brood offeren, met het lofoffer zijns dankoffers.

14 En één daarvan uit de gan-sclie offerande zal hij den Heere ten hefoffer offeren; het zal des Priesters zijn, die het bloed des dankoffers sprengt. , ,, .

15 Maar het vleesch van het lol-offer zijns dankoffers zal op den dag van deszelfs offerande gegeten worden, daarvan zal men niet tot den morgen overlaten.

10 En zoo het slachtoffer zijner offerande eene gelofte of vrijwillig offer is, dat zal ten dage als hij zijn offer offeren zal gegeten worden, en hot overgeblevene daarvan zal ook dos anderen daags gegeten worden.

17 Wat nog van het vleesch des slachtoffers overgebleven is, zal op den derden dag met vuur verbrand worden.

18 want zoo eenigszins van dat vleesch zijns dankoffers op den derden dag gegeten wordt, wie dat geofferd heeft zal niet aange-

Uilt ----- ------.j

naam zijn, het zal hem niet toegerekend worden, het zal een afgrijselijk ding zijn, en de ziele, die daarvan eet, zal hare ongerechtigheid dragen. , . ,

19 En het vleesch dat iets onreins aangeroerd zal hebben, zal niet gegeten worden: met vuur zal het verbrand worden; maar aangaande het andere vleescli, dat vleesch zal een ieder die rein is mogen eten.

20 Doch als eene ziele het vleesch van het dankoffer, hetwelk des Hee-ren is, gegeten zal hebben, en hare onreinheid aan haar is, zoo zal die ziele uit hare volkeren uitgeroeid worden.

21 En wanneer eene ziele iets onreins zal aangeroerd hebben, als de onreinheid des menschen, of het onreine vee, of eenig onrein verfoeisel, en zal van het vleesch

des dankoffers, hetwelk des ITee-ren is, gegeten hebben, zoo zal die ziele uit hare volkoren ullgo-rooid wordon.

22 Daarna sprak de Heere tot

^afsprcelc tot de kinderen Israels, zeggende: Geen vet van een os of schaap of geit zult gij eten ;

24 maar hot vet van een dood j aas en hot vet van hot verscheur- I de mag tot alle werk gebezigd worden ; doch gij zult dat ganschehjk niet eten;

25 want al wio het vet van een stuk vee eten zal, van hetwelk men den Heere een vuuroffev zal geot-ford hebben, die ziele, die hot gegeten zal hebben, zal uit hare volkeren uitgerooid worden.

26 Ook zult gij in alle uwe woningen geen bloed eten, hetzij van het\' gevogelte of van het vee:

27\' alle ziele, die eenig bloed eten zal, die ziele zal uit hare volkeren uitgeroeid worden.

28 Voorts sprak de 1ieere tot Mozes, zeggende:

29 Spreek tot de kinderen Israels zeggende: Wio zijn dankoffer den 11keiu: offert, zal zijne offerande van zijn dankoffer den Heere toebrengen.

30 Zijne, banden zullen de vuur-offoren des Heeren brengen; het vet aan de borst zal hij met dio borst brengen, om die tot een be-weegolfer voor het aangezicht des Heeren te bewegen;

31 en de Priester zal dat vet op bet altaar aansteken; doch de borst zal Aiirons en zijner zonen zijn.

32 Gij zult ook den rechterschouder tot een hefoffer den Priester geven, uit uwe dankofïeren.

33 Wie uit de zonen Aarons het bloed des dankoffers en het vet offert, dien zal de rechterscnouder , ten deele zijn;

34 want de beweegborst en den hefschouder heb ik van de kinderen Israels uit hunne dankofferen genomen, en heb dezelve aan Aaron, den Priester, en aan zijne zonen tot eene eeuwige inzetting gegeven van de kinderen Israels.

35 Dit is do zalving Aiirons en de zalving zijner zonen, van de

LEVITICUS 7.


-ocr page 139-

LEVIT

vunroffcrcn des Heeren, ten dage als hij ze deed naderen om het Priesterdom den Heere te bedienen ,

3() hetwelk de Heere hun van de kinderen Israels te geven geboden heeft ten dage als hij ze zalfde: liet zij eene eeuwige inzetting voor hunne geslachten.

37 DU is de wet des brandoffers, des spijsoffers, en des zondoffers, en des schuldolfers, en des vulol-fers, en des dankoffers,

38 die de Heere Mozes op den berg Sinaï geboden heeft, ten dage als hij den kinderen Israels gebood dat zij hunne offeranden den Hei:re in de woestijn Sinaï zouden offeren.

HOOFDSTUK 8.

Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende:

2 Neem Aaron en zijne zonen met hem, en de kleederen, en de zalfolie; daartoe den var des zondoffers, en de twee rammen, en den korf van do ongezuurde brooden,

3 en verzamel de gansehe vergadering aan de deur van de Teute der samenkomst.

h Mozes nu deed gelijk de Heere hem geboden had, en de vergadering werd verzameld aan de deur van de Tente der samenkomst,

5 Toen zeide Mozes tot de vergadering: Dit is de zake die de Heere geboden beeft te doen.

ü En Mozes deed Aaron en zijne zonen naderen, en wiesch ze met dat water.

7 Daar deed hij hem den rok aan, en gordde hem met den gordel, en trok hem den mantel aan; ook deed hij hem denefod .aan, en gordde dien met den kunstigen riem des efods, en ombond hem daarmede;

8 voorts deed hij hem den borstlap aan, en voegde aan den borstlap do Urim en de Tummim;

9 en hij zette den hoed op zijn hoofd, en aan don hoed boven zijn aangezicht zette hij de gouden plaat, de kroon der heiligheid, gelijk als de Heere Mozes geboden had.

10 Toen nam Mozes de zalfolie,

[ G U S 8. 125

en zalfde den tabernakel en al wat daarin was, en heiligde ze;

11 en hij sprengde daarvan op het altaar zevenmaal, en hij zalfde het altaar en al zijn gereedschap, mitsgaders het wascbvat en zijnen voet, om die te heiligen.

12 Daarna goot hij van de zalfolie op Aarons hoofd, en hij zalfde hem oni hem te heiligen.

13 Ook deed Mozes de zonen Aarons naderen, en trok hun rokken aan, en gordde hen met een gordel, en bond hun mutsen op,\'gelijk de Heere Mozes geboden had.

14 Toen deed hij den var des zondoffers bijkomen, en Aaron en zijne zonen leiden hunne handen op het hoofd van den var des zondoffers.

15 en men slachtte /jcwï, en Mozes nam het bloeden deed het met zijnen vinger rondom op de hoornen des altaars, en ontzondigde het altaar; daarna goot bij het bloed uit aan den bodem des altaars, en heiligde hem om voor hem verzoening te doen.

16 Voorts nam hij al het vet, dat aan het ingewand is, en het net der lever, en de twee nieren en haar vet, en Mozes stak het aan op het altaar;

17 maar den var met zijne huid en zijn vleesch en zijn mest heeft hij buiten het leger met vuur verbrand, gelijk als de Heere Mozes geboden had.

18 Daarna deed hij den ram des brandoffers bijbrengen, en Aaron en zijne zonen leiden hunne handen óp het hoofd des rams,

19 en men slachtte /tem, en Mozes sprengde het blood op het altaar rondom.

20 Hij deelde ook den ram in zijne doelen ; en Mozes stak het hoofd aan, en die doelen, en het smeer,

21 doch het ingewand en de schen-kelen wiesch hij met water; en Mozes stak dien geheelen ram aan op het altaar: het was een brandoffer der liefelijke reuke, een vuur-offer was het den Heere, gelijk als de Heere Mozes geboden had.

22 Daarna deed hij den anderen ram, den ram des vuloffers, bijbrengen; en Aaron met zijne zonen


-ocr page 140-

LEVITICUS 9.

mitsgaders het brood dat in den kort des vuloffers is ; ik fee

boden heb, zeggende. Aal on cn zijne zonen zullen dat eten.

32 Maar het overige \\ au net vleesch en van bet brood zult gij met vuur verbranden.

33 Ook zult gij uit de deur van de Tente der samenkomst zo\\en dagen riet uitgaan, tot aan den dio- dat vervuld worden de dagen rnvs vuVffers; want zeven dagen zal men uwe handen vullen.

or, Gcliik als men gedaan heeft on dezen dag, heeft de Hekre te doen geboden om voor u vei-

Z0351 Gij \'zuft dan aan de deur van de Tente der samenkomst dag en nacht zeven dagen blijven, en zult Se wacht des HEEWp opdat gij niet sterft; want alzoo i^; hot mü geboden.

\' 30 Ajiron nu en zijne zonen deden allo de dingen. die de HMRC door den dienst van Mozes f,ebo don had.

HOOFDSTUK 9.

Fn bet geschiedde ten achtsten dao-o dat Mozes Aiiron en zijne zonen on de oudsten Israels riep,

2 en hij zeide tot Aaron. Neem u een kalf, een jong ran\'J\' zondoffer, en een ram ten bi..nd-offer, die volkomen zijn, en bivng ze voor het aangezicht des HtE-

lll;M )aarna spreek tot de kinderen Israels, zeggende; Neemt een geitenbok tin zondoffer, en een kalt, en een lam, éénjarige, \\ol-komeno, ten brandoffer;

4 ook eenen os en een i am ton dankoffer, om voor het aangezicht des Heeren te offeren, en spijsoffer met olie gemengd; want heden zal de Heere u verschijnen

5 Toen namen zij dat Mozes geboden had, brengende dxt tot vóóraan de Tente der samenkomst, en de geheele vergadering r aderde en stond voor het aangezicht de» heeren. ^

0 En Mozes zeide; Deze zaak die de Heere geboden heeft zult gij doen, en de heerlijkheid aes Heeren zal u verschijnen.

126

leiden hunne handen op het hoofd dos rams,

23 en men slachltc hem, en Mo-zes nam van zijn bloed en deed het op het lapje van Aiirons recli-teroor, en op don duim zijnei\' recn-terhand, en op den grooten teen zijns reehtervoets;

24 hij deed ook de zonen Aarons naderen, en Mozes deed van dat hloed op hot lapje van hun rechteroor, en op den duim van hunne rechterhand, en op den grooten teen van hun rechtervoet; daarna sprengde Mozes dat bloed op het altaar rondom.

25 En hij nam het vet, en den staart, en al het vet dat aan het ingewand is, en het net der lever, en beide de nieren en haar vet, daartoe den rechterschouder;

20 ook nam hij uit den kort van de ongezuurde brooden, die voor het aangezicht des Heeren was, eenen ongezuurden koek, en cenen geolieden broodkoek, en eene vlade, en hij leide ze op dat vet en op den rechterschouder:

27 en hij gaf dat alles in de handen Aiirons en in de handen zijner zonen, en bewoog die ten beweeg-olfer voor het aangezicht des Hee-hen. ..

28 Daarna nam ze Mozes uit hunne handen, en stak ze aan op het altaar, op het brandolTer; dat waren vuloiferen der liefelijke reu-ke, het was een vuuroffer den Heere. , ,

29 Voorts nam Mozes de borst en bewoog ze ten beweegoffer voor het aangezicht des Heeren; zii werd Mozes ten deel van den ram des vuloffers, gelijk als de Heere Mozes geboden had.

30 Mozes nam ook van de zalfolie, en van het bloed hetwelk op het altaar was; en sprengde het op Aaron, op zijne kleederen, en op zijne zonen en op de klecde-ren zijner zonen met hem; en hij heiligde Aaron, zijne kleederen, en zijne zonen en de kleederen zijner zonen met hem.

31 En Mozes zeide tot Aaron en tot zijne zonen: Ziedt dat vleesch vóór\' de deur van de Tente der samenkomst, en eet het daar,

-ocr page 141-

7 En Mozes zeide tot Aaron: Nader tot het altaar, en maak uw zondoffer en uw brandoffer toe, en doe verzoening voor u en voor het volk: daarna maak de offerande des volks toe, en doe de verzoening voor hen, gelijk als de Heere geboden heeft.

8 Toen naderde Aaron tot het altaar, en slachtte het kalf des zondoffers dat voor hem was;

9 en de zonen Aarons brachten het bloed tot hem, en hij doopte zijnen vinger in dat bloed, en deed het op de hoornen des altaars; daarna goot hij het bloed uit aan den bodem des altaars;

10 maar het vet, en de nieren, en het net van de lever van het zondoffer heeft hij op het altaaraangestoken, gelijk de Heere Mozes geboden had ;

11 doch het vleesch en de huid verbrandde hij met vuur buiten het leger.

12 Daarna slachtte hij het brandoffer, en de zonen Aarons leverden aan hem het bloed, en hij sprengde dat rondom op het altaar ;

13 ook leverden zij aan hem het brandoffer in zijne stukken, met het hoofd, en hij stak het aan op het altaar ;

14 en hij wiesch het ingewand en de schenkels, en hij stak ze aan op het brandoffer op het altaar.

15 Daarna deed hij de offerande des volks toebrengen, en nam den bok des zondoffers die voor het volk was, en slachtte hem, en bereidde hem ten zondoffer, gelijk het, eerste.

1G Voorts deed hij het brandoffer toebrengen, en maakte dat toe naar het recht.

17 En hij deed het spijsoffer toebrengen, en vulde daarvan zijne hand, en stak het aan op het altaar, behalve het morgen-brandoffer.

18 Daarna slachtte hij den os en den ram ten dankoffer, dat voor het volk was; en de zonen Aarons leverden het bloed aan hem, hetwelk hij rondom op het altaar sprengde;

127

19 en het vet van den os en van den ram, den staart, en wat het inriewand bedekt, en de nieren, en het net der lever;

20 en zij leiden het vet op de borsten, en hij stak dat vet aan op het altaar;

21 maar tie borsten en den rechterschouder bewoog Aaron ten be-weegoffer voor het aangezicht des Heeren, gelijk Mozes geboden had.

22 Daarna hief Aaron zijne handen op tot het volk en zegende hen, en hij kwam af nadat hij het zondoffer en brandoffer en dankoffer gedaan had.

23 Toen ging Mozes met Aaron in de Tente der samenkomst; daarna kwamen zij uit en zegenden liet volk; en de heerlijkheid des Heeren verscheen allen den vol-ke,

24 want een vuur ging uit van het aangezicht des Heeren, en verteerde op het altaar het brandoffer en het vet. Als nu het gan-sche volk dit zag, zoo juichten zij en vielen op hunne aangezichten.

HOOFDSTUK 10.

En de zonen Aarons, Nadab en Abihu, namen ieder zijn wierookvat en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarop, en brachten vreemd vuur voor het aangezicht des Heeren, hetwelk hij hun niet geboden had.

2 Toen ging een vuur uit van het aangezicht des Heeren en verteerde hen, en zij stierven voor het aangezicht des Heeren.

3 En Mozes zeide tot Aiiron: Dat is het wat de Heere gesproken heeft, zeggende: In degenen die tot mij naderen zal ik geheiligd worden, en voor het aangezicht van al het volk zal ik verheerlijkt worden. Doch Aaron zweeg stil.

4 En Mozes riep Misacl en Elza-fan, de zonen van Uzziël, Aarons oom, en zeide tot hen: Treedt toe, draagt uwe broederen weg van voor het heiligdom tot buiten het leger.

5 Toen traden zij toe en droegen ze in hunne rokken tot buiten het

LEVITICUS 10.


-ocr page 142-

128 LEVITI

leger, gelijk als Mozes gesproken had.

6 En Mozes zeide tot Aaron, en tot Eieazar, en tot Ithamar zijne zonen: Gij zult uwe hoofden niet ontbloolen noch uwe kleederen verscheuren, opdat gij niet sterft en groole toorn over de gansche vergadering kome ; maar uwe broeders, hef gansche huis Israels, zullen dezen brand dien de Heere aangestoken heeft beweenen;

7 gij zult ook uit de deur van de Tente der samenkomst niet uitgaan. opdat gij niet sterft; want de zalfolie des PIeeren is op u. En zij deden naar het woord van Mozes.

8 En de Heere sprak tot Aiiron, zeggende:

9 Wijn en sterken drank zult gij niet drinken, gij noch uwe zonen met u, als gij gaan zult in de Tente der samenkomst, opdat gij niet sterft: het zij eene eeuwige inzetting onder uwe geslachten;

10 en om onderscheid te maken tusschen het heilige en tusschen het onheilige, en tusschen het onreine en tusschen het reine;

11 en om den kinderen Israels te leeren alle de inzettingen, die de Heere door den dienst van Mozes tot hen gesproken heeft.

12 En Mozes sprak lot Aaron, en tot Eieazar, en tot Ithamar, zijne overgeblevene zonen: Neemt het spijsoffer, dat van de vuur-offeren des Heeren overgebleven is, en eet het ongezuurd bij het altaar; want het is eene heiligheid der heiligheden.

13 Daarom zult gij dat eten in de heilige plaatse, dewijl het uw bescheiden deel en het bescheiden deel uwer zonen uit des Heeren vuurofferen is; want alzóó is mij geboden.

14 Ook de beweegborst en den hefschouder zult gij in eene reine plaats eten, gij en uwe zonen en uwe dochteren met u; want tot uw bescheiden deel en uwer zonen bescheiden deel zijn ze uil de dankolle-ren der kinderen Israëls gegeven.

15 Den hefschouder en de beweegborst zullen zij nevens de vuurofferen des vets toebrengen,

GUS 11.

om ten beweegoffer voor het aangezicht des Heeren te bewegen, hetwelk u en uwen zonen met u tot eene eeuwige inzetting zijn zal, gelijk als de Heere geboden heeft.

10 En Mozes zocht zeer naarstig den bok des zondoffers, en zie, hij was verbrand. Dies was hij op Eieazar en op Ithamar, de overgebleven zonen Aarons, zeer toornig , zeggende:

17 Waarom hebt gij dat zondoffer niet gegeten in de heilige plaats? Want het is een heiligheid der heiligheden, en hij heeft u dat gegeven opdat gij de ongerechtigheid der vergadering zoudt dragen, om over hen verzoening te doen voor het aangezicht des Heeren.

18 Zie, deszelfs bloed is niet binnen in het heiligdom gedragen; gij moest dat ganschelijk gegeten hébben in het heiligdom, gelijk als ik geboden heb.

lü Toon sprak Aaron lot Mozes: Zie, heden hebben zij hun zondoffer en hun brandoffer voor hel aangezicht des Heeren geofferd, en zulke dingen zijn mij wedervaren: en had ik heden het zondoffer ge-gelen, zoude dat goed geweest zijn in de oogen des Heeren?

20 Als Mozes dit hoorde, zoo was het goed in zijne oogen.

HOOFDSTUK 11.

En de Heere sprak tot Mozes en tot Aaron, zeggende tot hen: 2 Snreekt tot de kinderen Isra-

ëls, zeggende: Dit is het gedierte dat gij eten zult uit alle beesten die op aarde zijn:

3 al wat onder de beesten den klauw verdeelt, en de klove der klauwen in tweeën klieft, en herkauwt, dat zult gij eten.

4 Deze nogtans zult gij niet eten, van degenen die alléén herkauwen of de klauwen alléén verdoelen: den kemel, want hij herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; die zal u onrein zijn;

5 en het konijntje, want het herkauwt wel, maar verdeelt den klauw niet; dat zal u onrein zijn;

G en den haas, want hij her-


-ocr page 143-

kauwt wel, maar verdeelt denklauw niet; die zal u onrein zijn;

7 ook het zwijn, want dat verdeelt wel den klauw, en klieft de klove der klauwen in tweeën, maar herkauwt het gekauwde niet; dat zal u onrein zijn.

8 Van hun vleesch zult gij niet eten , en hun dood aas niet aanroeren ; zij zullen u onrein zijn.

9 Dit znlt gij eten van al wat in de wateren is: al wat in de wateren, in de zeeën en in de rivieren vinnen en schubben heeft, dat zult gij eten;

10 maar al wat in de zeeën en in de rivieren, van alle gewemel der wateren en van alle levende ziele, die in de wateren is, geen vinnen noch schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn;

11 ja een verfoeisel zullen zij u zijn; van hun vleesch zult gij niet eten, en hun dood aas zult gij ver-loeien :

12 al wat in de wateren geen vinnen noch schubben heeft, dat zal u een verfoeisel zijn.

13 En van het gevogelte zult gij deze verfoeien, zij zullen niet gegeten worden, zij zullen een verfoeisel zijn: de arend, en de havik, en de zeearend;

44 en de gier, en de kraai naar haren aard;

15 alle raaf naar haren aard; lü en de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijnen aard,

17 en de steenuil, en het duikertje, en de schuifuit;

18 en de kauw, en de roerdomp , en de pelikaan;

19 en de ooievaar, de reiger naar zijnen aard, en de hop, en de vle-dermuis.

20 Alle kruipend gevogelte, dat op vier voeten gaat, zal u een verfoeisel zijn.

21 Dit nogtans zult gij eten van al het kruipend gevogelte dat op vier voeten gaat, hetwelk bovenaan zijne voeten schenkelen heeft om daarmede op de aarde te springen;

22 van die zult gij deze eten: den sprinkhaan naar zijnen aard, en den solham naar zijnen aard,

129

en den hargol naar zijnen aard, en den hagab naar zijnen aard.

23 En alle kruipend gevogelte dat vier voeten heeft zal u een verfoeisel, zijn;

24 en aan deze zult gij verontreinigd worden; zoo wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn lot aan den avond;

25 zoo wie van hun dood aas gedragen zal hebben, zal zijne kleederen wasschen en onrein zijn tot aan den avond.,

2(i Alle beeslóji die den klauw verdoelen, doch\' Se klove niet in tweeën klieven eh niet herkauwen, zullen u onrein zijn; zoo wie dezelve aangeroerd\' zal hebben zal onrein zijn. r

27 En al wat op zijne poolen gaat ^ onder alle gedierte, op vier voeten gaande, die zullen u onreingt;zijn; al wie hun dood aas aangeroerd zal hebben zal onrein zijn tot aan den avond;

28 ook die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijne kleederen wasschen en onrein zijn tot aan den avond; zij zullen u onrein zijn.

29 Voorts zal u dit onder liet kruipend gedierte dat op de aarde kruipt onrein zijn: het wezeltje, en de muis, en de schildpad naar haren aard,

30 en de zwijnegel, en de krokodil, en de hagedis, en de slak, en de mol;

31 die zullen u onrein zijn onder alle kruipend gedierte; zoo wie die zal aangeroerd hebben als zij dood zijn, zal onrein zijn tot aan den avond.

32 Daartoe al hetgeen waarop iets van dezelve vallen zal als zij dood zijn, zal onrein zijn, hetzij. van alle houten vat, of kleed, of vel, of zak, of alle vat, waarmede eenig werk gedaan wordt; het zal in het water gestoken worden en onrein zijn lot aan den avond; daarna zal het rein zijn.

33 En alle aarden vat waarin iets van dezelve zal gevallen zijn, al wat daarin is zal onrein zijn en gij zult dat breken.

34 Van alle spijze die men eet, waarop het water zal gekomen zijn die zal onrein zijn, en alle drank

LEVITICUS Ü.


5

-ocr page 144-

L E VITI

GUS 12.

130

dien men drinkt zal in alle vat onrein zijn.

35 En waarop iets van hun dood aas zal vallen, zal onrein zijn; de oven en de aarden pan zal verbroken worden; zij zijn onrein, daarom zullen zij u onrein zijn.

36 Doch een fontein olquot; put van vergadering der wateren zal rein zijn; maar wie hun dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn.

37 En wanneer van hun dood aas zal gevallen zijn op eenig zaaibaar zaad dat gezaaid wordt, dat zal rein zijn;

38 maar als water op liet zaad gedaan zal worden, en van hun dood aas daarop zal gevallen zijn, dat zal u onrein zijn.

30 En wanneer van de dieren die u tot spijze zijn iets zal gestorven zijn, wie deszelfs dood aas zal aangeroerd hebben, zal onrein zijn tot aan den avond.

40 Ook die van hun dood aas gegeten zal hebben, zal zijne kleederen wasschen en onrein zijn tot aan den avond; en die hun dood aas zal gedragen hebben, zal zijne kleederen wasschen en onrein zijn tot aan den avond.

41 Voorts alle kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt, dat zal een verfoeisel zijn, het zal niet gegeten worden.

42 Al wat op zijn buik gaat, en al wat gaat op zijne vier voeten, of al wat vele voeten heeft, onder alle kruipend gedierte dat op de aarde kruipt, die zult gij niet eten, want zij zijn een verfoeisel.

43 Maakt uwe zielen niet ver-foeielijk aan eenig kruipend gedierte dat kruipt; en verontreinigt u niet daaraan, dat gij daaraan verontreinigd zoudt worden;

44 want ik ben do Hkere uw God; daarom zult gij u heiligen en heilig zijn, dewijl ik heilig ben, en gij zult uwe ziele niet verontreinigen aan eenig kruipend gedierte , dat zich op aarde roert;

45 want ik ben de JIeiohe, die u uit Egypteland doe optrekken, opdat ik ii tot een (Jod zij, en opdat gij heilig zijt, dewijl ik heilig Den.

46 Dit is do wet van de beesten, en van het gevogelte, en van alle levende ziele die zich roert in de wateren, en van alle ziele die kruipt op de aarde;

47 om te onderscheiden tusschen het onreine en tusschen het reine, en tusschen het gedierte dat men eten en tusschen het gedierte dat men niet eten zal.

HOOFDSTUK 12.

Voorts sprak de Heere tot Mo-zes, zeggende:

2 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Wanneer eenc vrouw zaad gegeven en een jongsken gebaard zal hebben, zoo zal zij zeven dagen onrein zijn; volgens de dagen der afzondering harer krankheid zal zij onrein zijn.

3 En op den achtsten dag zal het vleesch zijner voorhuid besneden worden.

4 Daarna zal zij drieëndertig dagen blijven in het bloed ha -er reiniging; niets heiligs zal zij aanroeren , en tot het heiligdom zal zij niet komen, lotdat de dagen harer reiniging vervuld zijn.

5 Maar indien zij een meisje gebaard zal hebben, zoo zal zij twee weken onrein zijn, volgens hare afzondering; daarna zal zij zesenzestig dagen blijven in het Hoed harer reiniging.

(5 En als de dagen harer reiniging voor den zoon of voor de dochter vervuld zullen zijn, zoo zal zij een éénjarig lam ten brandoffer en eene jonge duif of tortelduif ten zondoffer brengen, voor de deur van de Tente der samenkomst, tot den Priester:

7 die zal dat offeren voor het aangezicht des Heeren, en zal voor haar verzoening doen; zoo zal zij rein zijn van den vloed haars bloods. Dit is de wet der-gene , die een jongsken of meisje gebaard heeft.

8 Maar indien hare hand niet genoeg voor een lam vindt, zoo zal zij twee. tortelduiven of twee jonge duiven nemen, ééne ten brandoifer en ééne ten zondoffer, en de Priester zal voor haar verzoening doen; zoo zal zij rein zijn.


-ocr page 145-

LEVITICUS 13.

131

HOOFDSTUK 13.

Voorts sprak de Heere lot Mo-zes cn tot Aaron, zeggende:

2 Een mensch, als in liet vel zijns vleesches een gezwel of zweer ol1 witte blaar zal zijn, welke in het vel zijns vleesches tot eene plage der melaatschheid zoude worden, hij zal dan tot den Priester Aaron of tot een uit zijne zonen de Priesteren gebracht worden.

3 En de Priester zal de plage in het vel des vleesches bezien; zoo het haar in die phage in wit veranderd is, en het aanzien der plage dieper is dan het vel zijns vleesches , zoo is het de plage der melaatschheid: als de Priester hem bezien zal hebben, dan zal hij hem onrein verklaren.

4 Maar zoo de blaar in het vel zijns vleesches wit is, en haar aanzien niet dieper is dan het vel, en het haar niet in wit veranderd is, zoo zal de Priester hem die de plage heeft, zeven dagen opsluiten.

5 Daarna zal de Priester op den zevenden dag hem bezien; indien, zie, de plage, naardat hij zien kan, is staande gebleven, en de plage in het vel niet uitgespreid is, zoo zal de Priester hem zeven andere dagen opsluiten.

6 En de Priester zal hem andermaal op den zevenden dag bezien; indien, zie, de plage ingetrokken cn de plage in het vel niet uitgespreid is, zoo zal de Priester hem rein verklaren: het was eene verzwering; en hij zal zijne kleederen wasschen; zoo is hij rein.

7 Maar zoo de verzwering in het vel ganschelijk uitgespreid is, nadat hij aan den Priester tot zijne reiniging zal vertoond zijn, zoo zal hij andermaal aan den Priester vertoond worden.

8 Indien de Priester merken zal, dat, zie, de verzwering in het vel uitgespreid is, zoo zal de Priester hem onrein verklaren: het is melaatschheid.

9 Wanneer de plage der melaatschheid in een mensch zal zijn, zoo zal hij tot den Priester gebracht worden.

10 Indien de Priester merken zal, tiat, zie, een wit gezwel in het vel is, hetwelk het haar in wit veranderd heeft, en gezondheid des levenden vleesches in dat gezwel is:

11 dat is eene verouderde melaatschheid in het vel zijns vleesches; daarom zal hem de Priester onrein verklaren, hij zal hem niet doen opsluiten, want hij is onrein.

12 En zoo de melaatschheid in het rel ganschelijk uitbot, en do melaatschheid hetgeheele vel desgenen , die de plage heeft, van zijn hoofd tot zijne voeten bedekt heeft, naar al het gezicht van de oogen des Priesters;

13 en de Priester merken zal, dat, zie, de melaatschheid zijnge-heele vleeschbedekt heeft: zoo zal hij hem, die de plage heeft, rein verklaren; zij is geheel in wit veranderd: liij is rein.

14 Maar ten welken dage levend vleesch daarin gezien zal worden, zal hij onrein zijn.

15 Als dan de Priester dat levende vleesch gezien zal hebben, zal hij hem onrein verklaren; dat levende vleesch is onrein: het is melaatschheid.

10 Of als dat levende vleesch verkeert en in wit veranderd zal worden, zoo zal hij tot den Pries-ster komen.

17 Als de Priester hem bezien zal hebben, dat, zie, de plage in wit veranderd is, zoo zal de Priester hem, die de plage heeft, rein verklaren: hij is rein.

18 Het vleesch ook, als in des-zelfs vel een zweer zal geweest zijn, zoo het genezen is,

19 en inde plaats van die zweer een witgezwel of roodachtig witte blaar worden zal, zoo zal het aan den Priester vertoond worden.

20 Indien de Priester merken zal, dat, zie, haar aanzien lager is dan het vel, en derzelver haar in wit veranderd is, zoo zal de Priester hem onrein verklaren: het is de plage der melaatschheid, zij is door de zweer uitgebot.


-ocr page 146-

LEVI TI

132

GUS 13.

21 Wanneer nu tie Priester die bezien zal hebben, dat, zie, geen wit haar daaraan is, en die niet lager dan het vel, maar ingetrokken is, zoo zal de Priester hem zeven dagen opsluiten.

22 Zoo zij daarna gansch in het vel uitgespreid zal zijn, zoo zal de Priester hem onrein verklaren: het is de plage.

23 Maar indien de blaar op hare plaats zal staande blijven, niet uitgespreid zijnde, hot is de rooiquot; van die zweer: zoo zal de Priester hem rein verklaren.

24 Of wanneer in het vel des vleesches een vurige brand zal geweest zijn, en het gezonde van dien brand eene witte roodachtige of witte blaar is;

25 en de Priester die gezien zal hebben, dat, zie, het haar op de blaar in wit veranderd is en haar aanzien dieper is dan het vel: hef is melaatschheid, door den brand is zij uitgebot; daarom zal hein de Priester onrein verklaren: het is de plage der melaatschheid.

20 Maar indien tie Priester die merken zal, dat, zie, op de blaar geen wit haar is, en zij niet lager dan het vel, maar ingetrokken is, zoo zal de Priester hem zeven dagen opsluiten.

27 Daarna zal do Priester hem op den zevenden dag bezien; indien zij gansch uitgespreid is in het vel, zoo zal de Priester hem onrein verklaren: het is de plage der melaatschheid.

28 Maar indien de blaar in hare plaats staande zal blijven, en niet m het vel uitgespreid, maar ingetrokken zal zijn: het is een gezwel des brands; daarom zal de Priester hem rein verklaren, want het is de roof van den brand.

29 Voorts als in een man of vrouw eene plage zal zijn in het hoofd of in den baard,

30 en de Priester de plage zal bezien hebben, dat, zie, haar aanzien\' dieper is dan het vel, en geelachtig dun haar daarop is, zoo zal de Priester hem onrein verklaren: het is schurftheid, het is melaatschheid des hoofds of des baards.

31 Maar als de Priester de plage der schurftheid zal bezien hebben, dat, zie, haar aanzien niet dieper is dan het vel, en geen zwart haar daarop is, zoo zal de Priester hem die de plage der schurftheid heeft zeven dagen doen opsluiten.

32 Daarna zal do Priester die plage op tien zevenden dag bezien; indien, zie, de schurftheid niet uitgespreid, en daarop geen geelachtig haar is, noch het aanzien der schurftheid dieper dan het vel is,

33 zoo zal hij zich scheren laten, maar de schurftheid zal hij niet scheren; en de Priester zal hem, die de schurftheid heeft, andermaal zeven dagen doen opsluiten.

34 Daarna zal de Priester die schurftheid op den zevenden dag bezien; indien, zie, de schurftheid in het vel niet uitgespreid is, en haar aanzien niet dieper .s dan het vel, zoo zal de Priester hem rein verklaren; en hij zal zijne kleederen wasschen, eii rein zijn.

35 Maar indien die schurftheid in het vel gansch uitgespreid is, na zijne reiniging,

30 en de Priester hem zal bezien hebben, dat, zie, de schurftheid in het vel uitgespreid is: de Priester zal naar het geelachtig haar niet zoeken, hij is onrein.

37 Maar indien die schurftheid, naardat hij zien kan, is staande gebleven, en zwart haar daarop gewasschen is: die schurftheid is genezen, hij is rein; daarom zal de Priester hein rein verklaren.

38 Voorts als een man of vrouw aan het vel huns vleesches blaren zullen hebben, witte blaren,

39 en de Priester zal gemerkt hebben, dat, zie, ingetrokken witte blaren in het vel huns vleesches zijn: het is een witte puist in het vel uitgebot, hij is rein.

40 En als eenen man zijns hcofds haar zal uitgevallen zijn, hij is kaal, hij is rein.

41 En zoo van de zijde zijns aan-gezichts het haar zijns hoofds zal uitgevallen zijn, hij is bles, hij is rein.

42 Maar zoo in de kaalheid of in de bles eene witte roodachtige


-ocr page 147-

LEVITICUS 14.

133

plaag is, dat is melaatschheid, uitbottende in zijne kaalheid of in zijne bles.

43 Als de Priester hem zal bezien hebben, dat, zie, het gezwel van die plage in zijne kaalheid ol\' bles wit roodachtig is, gelijk het aanzien der melaatschheid van het vel des vleesches:

44 die man is melaatsch, hij is onrein; de Priester zal hem gan-Bchelijk onrein verklaren, zijne plage is op zijn hoofd.

45 Voorts zullen de kleederen des melaatschen, in welken die plaag is, gescheurd zijn, en zijn hoofd zal ontbloot zijn, en hij zal de bovenste lip bewinden; daarbij zal hij roepen: Onrein, onrein!

4G Alle de dagen in dewelke deze plage aan hem zal zijn zal hij onrein zijn; onrein is hij, hij zal alléén wonen, buiten het leger zal zijne woning wezen.

47 Voorts als aan een kleed de plage der melaatschheid zal zijn, aan eene wollen kleed of aan een linnen kleed,

48 of aan den scheerdraad of aan den inslag van linnen of van wol, of aan vel, of aan eenig vellenwerk;

49 en die plage aan het kleed, of aan het vel, of aan den scheerdraad , of aan den inslag, of aan eenig vellentuig, groenachtig of roodachtig is; hot is de plage der melaatschheid; daarom zal zij den Priester vertoond worden.

50 en de Priester zal de plage bezien, en hij zal hetgeen de plage heeft zeven dagen doen opsluiten.

51 Daarna zal hij op den zevenden dag de plage bezien; zoo de plage uitgespreid is aan het kleed, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan het vel, tot wat werk dat vel zoude mogen gemaakt zijn, die plage is eene knagende melaatschheid, het is onrein.

52 Daarom zal hij dat kleed, of die schering of dien inslag van wol of van linnen, of alle vellentuig waarin die plage zal zijn, verbranden; want het is eene knagende melaatschheid, het zal met vuur verbrand worden.

53 Doch indien de Priester zal zien, dat, zie, de plage aan het kleed, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan eenig vellentuig niet uitgespreid is,

54 zoo zal de Priester gebieden dat men hetgeen waaraan die plage is wassche, en hij zal dat andermaal zeven dagen doen opsluiten.

55 Als de Priester, nadat het ge-wasschen is, de plage zal bezien hebben, dat, zie, de plage hare gedaante niet veranderd heeft en de plage niet uitgespreid is: het is onrein, gij zult het met vuur verbranden; het is eene ingraying aan zijne achterste of aan zijne voorste zijde.

56 Indien nu de Priester merken zal, dat, zie, die plage, nadat zij zal gewasschen zijn, ingetrokken is, dan zal hij ze van het kleed, of van het vel, of van den scheerdraad, of van den inslag afscheuren.

57 Maar zoo zij nog aan het kleed, of aan den scheerdraad, of aan den inslag, of aan eenig vellentuig gezien wordt: het is uitbottende melaatschheid, gij zult hetgeen waaraan de plage is met vuur verbranden.

58 Maar het kleed, of de schering , of de inslag, of alle vellentuig , dat gij gewasschen zult hebben , als de plage daarvan geweken zal zijn, dat zal andermaal gewasschen worden, en het zal rein zijn.

59 Dit is de wet van de plage der melaatschheid van een wollen of linnen kleed, of een schering, of een inslag, of alle vellentuig, om dat rein te verklaren of onrein te verklaren.

HOOFDSTUK 14.

Daarna sprak de Heere tot Mo-zes, zeggende:

2 Dit zal de wet des melaatschen zijn, ten dage zijner reiniging: dat hij tot don Priester zal gebracht worden.

3 En de Priester zal buiten het leger gaan; als de Priester merken zal, dat, zie, die plage der melaatschheid van den melaatsche genezen is,

4 zoo zal de Priester gebieden,


-ocr page 148-

134 JLE VI TI

dat men voor hem, die le reinigen znl zijn, twee levende reine vogels neme, mitsgaders cederhout, (Mi scharlaken, en hysop.

5 De Priester zal ook gebieden dat men den éénen vogel siachte, in een aarden vat, over levend water.

6 Dien levenden vogel zal hij nemen, en het cederenhout, en het scharlaken, en den hysop, en zal die en den levenden vogel doo-pen in het bloed des vogels, die over het levende water geslacht is;

7 en hij zal over hem, die van de melaatschheid te reinigen is, zevenmaal sprengen; daarna zal hij hem rein verklaren, en den levenden vogel in het open veld vliegen laten.

S Die nu te reinigen is zal zijne kleederen wasschen en al zijn haar afscheren, en zich in het water af-wasschen, zoo zal hij rein zijn; daarna zal hij in het leger komen , maar zal buiten zijne tent zeven dagen blijven.

9 En ten zevenden dage zal het geschieden dat l ij al zijn haar zal afscheren, zijn hoofd, en zijnen baard, en de wenkbrauwen zijner oogen; ja al zijn haar zal hij afscheren, en zal zijne kleederen wasschen en zijn vleesch met water baden: zoo zal hij rein zijn.

\'10 En op den achtsten dag zal hij twee volkomen lammeren en één volkomen schaap van een jaar oud nemen, mitsgaders drie tienden meelbloem ten spijsoffer, met olie gemengd, en een log olie.

11 De Priester nu die de reiniging doet zal den man die te reinigen is en die dingen stellen voor het aangezicht des Heeren, aan de deur van de Tente der samenkomst.

12 En de Priester zal dat ééne lam nemen, en het offeren tot een schuldoffer met den log olie, en zal die ten beweegoffer voor het aangezicht des Heeren bewegen.

13 Daarna zal hij dat lam slachten ter plaatse waar men het zondoffer en het brandoffer slacht, in de heilige plaats; want het schuldoffer, gelijk het zondoffer, is voor den Priester; het is eene heiligheid der heiligheden.

GUS 14.

14 En de Priester zal van het bloed des schuldoffers nemen, hetwelk de Priester doen zal op het lapje van het rechteroor desgenen, die te reinigen is, en op den duim zijner rechterhand, en op den groo-ten teen zijns rechtervoets.

15 De Priester zal ook uit den log der olie nemen, en zal zo op des Priesters linkerhand gieten.

16 Dan zal de Priester zijnen rech-tervinger indoopen, nemende van die olie, die in zijne linkerhand is, en zal met zijnen vinger van die olie zevenmaal sprengen voor het aangezicht des Heeren.

17 En van het overige derzelver olie die in zijne hand zal zijn, zal de Priester doen op het lapje van het rechteroor desgenen, die te reinigen is, en op den duim zijner rechterhand, en op den grooten teen zijns rechtervoets, bovenop het bloed des schuldoffers.

18 Wat nóg overgebleven zal zijn van die olie, die in de hand des Priesters geweest is, zal hij doen op het hoofd desgenen, die te reinigen is: zoo zal de Priester over hem verzoening doen voor het aangezicht des Heeren.

19 Do Priester zal ook he., zondoffer bereiden, en voor hem, die van zijne onreinigheid te reinigen is, verzoening doen; en daarna zal hij het brandoffer slachten.

20 En de Priester zal dat brandoffer en dat spijsoffer op het altaar offeren: zoo zal de Priester de verzoening voor hem doen, en hij zal rein zijn.

21 Maar indien hij arm is en zijne hand dat niet bereikt, zoo zal hij een lam ten schuldoffer ter beweging nemen, om voor hem eene verzoening te doen; daarbij een tiende meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer, en een log olie;

22 mitsgaders twee tortelduiven of twee jonge duiven, di3 zijne hand bereiken zal, van welke één ten zondoffer en één ten brandoffer zijn zal.

23 En hij zal die ten achtsten dage zijner reiniging tot den Priester brengen, aan de deur van de


-ocr page 149-

L E VI TI

GUS 14.

135

Tente der samenkomst, voor het aangezicht des Heeren.

24 En de Priester zal het lam des schuldoffers en den log der olie nemen, en de Priester zal die ten heweegoffer voor het aangezicht des Heeren bewegen.

25 Daarna zal hij het lam des schuldoffers slachten, en de Priester zal van het bloed des schuldoffers nemen en doen op bet rechteroorlapje desgenen, die te reinigen is, en op den duim zijner rechterhand, en op den grooten teen zijns rechtervoets.

26 Ook zal de Priester van die olie op des Priesters linkerhand gieten.

27 Daarna zal de Priester met zijnen rechtervinger van die olie, die op zijne linkerhand is, sprengen, zevenmaal, voor het aangezicht des Heeren.

28 En de Priester zal van de olie, die op zijne hand is, doen aan het lapje van het rechteroor desgenen die te reinigen is, en aan den duim zijner rechterhand, en aan den grooten teen zijns rechtervoets, op de plaats van het bloed des schuldoffers.

29 En het overgeblevene van de olie, die in de hand des Priesters is, zal hij doen op het hoofd desgenen die tè reinigen is, om de verzoening voor hem te doen voor het aangezicht des Heeren.

30 Daarna zal hij de ééne van de tortelduiven of van de jonge duiven bereiden, van hetgeen zijne hand bereikt zal hebben;

31 van hetgeen zijne hand bereikt zal hebben zal het ééne ten zondoffer en het ééne ten brandoffer zijn, boven het spijsoffer; zoo zal de Priester voor hern, die te reinigen is, verzoening doen voor het aangezicht des Heeren.

32 Dit is de wet desgenen in denwelken de plage der melaatsch-heid zal zijn, wiens hand in zijne reiniging dat niet zal bereikt hebben.

33 Voorts sprak de Heere tol Mozes en tot Aaron, zeggende;

34 Als gij zult gekomen zijn in \'t land van Kanaan hetwelk ik u tot bezitting geven zal, en ik de plage der melaatschheid aan een huis van het land uwer bezitting zal gegeven hebben,

35 zoo zal hij, van wien dat huis is, komen en den Priester te kennen geven, zeggende: Het schijnt mij alsof er eene plage in het huis ware.

36 En de Priester zal gebieden, dat zij dat huis ruimen, aleer de Priester komt om die plage te bezien , opdat niet al wat in dat huis is onrein worde; en daarna zal de Priester komen om dat huis te bezien.

37 Als hij die plage bezien zal, dat, zie. die plage is aan de wanden van dat huis, er zijn groenachtige of roodachtige kuiltjes, en hun aanzien is lager dan de wand,

38 de Priester zal uit dat huis uitgaan aan de deur van hetzelve huis, en hij zal dat huis zeven dagen doen toesluiten.

39 Daarna zal de Priester op den zevenden dag wederkeeren: indien hij merken zal, dat, zie, die plage aan de wanden van dat huis uitgespreid is,

40 zoo zal de Priester gebieden, dat zij de steenen, in welke die plage is, uitbreken, en dezelve tot buiten de stad werpen aan eene onreine plaats;

41 en dat huis zal hij rondom van binnen doen schrabben, en zij zullen het stof dat zij afge-schrabd hebben tot buiten de stad aan eene onreine plaats uitstorten.

42 Daarna zullen zij andere steenen nemen en in de plaats van gene steenen brengen; en men zal ander leem nemen en dat huis bestrijken.

43 Maar indien die plage wederkeert en in dat huis uitbot, nadat men de steenen uitgebroken heeft, en na het afschrabben van het huis, en nadat het zal bestreken zijn,

44 zoo zal de Priester komen r als hij nu zal merken, dat, zie, die plage aan dat huis uitgespreid is, het is eene knagende me-laatschheid in dat huis, het is onrein.

45 Daarom zal men dat huis ,


-ocr page 150-

136 LE VIT!

zijne steenen en zijn hout ten gronde toe afbreken, mitsgaders al het leem van het huis, en men zal het tot buiten de stad uitvoeren aan eene onreine plaats.

46 En die in dat huis gaat te eenigen dage, als men hetzelve zal toegesloten hebben, zal onrein zijn tot aan den avond;

47 die ook in dat huis te slapen ligt zal zijne kleederen wasschen, insgelijks die in dat huis eet zal zijne kleederen wasschen.

48 Maar als de Priester zal weder ingegaan zijn, en zal merken, dat, zie, die plage aan dat huis niet uitgespreid is nadat het huis zal bestreken zijn, zoo zal de Priester dat huis rein verklaren, dewijl die plage genezen is.

49 Daarna zal hij om dat huis te ontzondigen twee vogeltjes nemen. mitsgaders cederenhout en scharlaken en hysop;

5U en hij zal den éénen vogel slachten in een aarden vat, over levend water.

51 Dan zal hij dat cederenhout en dien hysop en het scharlaken en den levenden vogel nemen, en zal die in het bloed des geslachten vogels en in het levende water doopen, en hij zal dat huis zevenmaal besprengen.

52 Zoo zal hij dat huis ontzondigen met het bloed des vogels, en met het levende water, en met den levenden vogel, en met dat cederhout, en met den hysop, en met het scharlaken.

53 Den levenden vogel nu zal hij tot buiten de stad in het open veld laten vliegen; zoo zal hij over het huis verzoening doen, en het zal rein zijn.

54 Dit is de wet voor alle plaag der melaatschheid en voor schurftheid;

55 en voor melaatschheid der kleederen en der huizen;

56 mitsgaders voor gezwel, en voor gezweer, en voor blaren;

57 om te leeren op welken dag iets onrein en op welken dag iets rein is. Dit is de wet der melaatschheid.

HOOFDSTUK 15.

Voorts sprak de Heere tot

GUS 15.

Mozes en tot Aaron, zeggende1-y

2 Spreekt tot de kinderen Israels ] en zegt tot hen: Een ieder man als hij vloeiende zal zijn uit zijn m vleesch, zal om zijnen vloed, on- • rein zijn. i

3 Dit nu zal zijne onreinigheid lt; om zijnen vloed zijn: zoo zijn ] vleesch zijnen vloed uitzeevert,

of zijn vleesch van zijnen vloed zich verstopt, dat is zijne onreinigheid.

4 Alle leger waarop die den vloed heeft zal liggen, zal onrein zijn, en alle tuig waarop hij zal zitten, zal onrein zijn.

5 Een ieder ook, die zijn leger zal aanroeren, zal zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en zal onrein zijn tot aan den avond.

G En die op dat tuig zit, waarop hij die den vloed heelt gezeten zal hebben, zal zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en zal onrein zijn tot aan den avond.

7 En wie het vleesch desgenen die den vloed heeft aanroert, zal zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en zal onrein zijn tot aan den avond.

8 Als ook hij die den vloed heeft op eenen reine zal gespuwd hebben, dan zal hij zijne kleederen wasschen en zal zich me . water baden, en onrein zijn tot aan den avond.

9 Insgelijks alle zadel, waarop hij die den vloed heeft zal gereden hebben, zal onrein zijn.

lü En al wie iets aanroert dat onder hem zal geweest zijn, zal onrein zijn tot aan den avond; en die hetzelve draagt zal zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.

11 Daartoe een ieder, dien hij die den vloed heeft zal aangeroerd hebben, zonder zijne handen met water gespoeld te hebben, die zal zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.

12 Ook het aarden vat. hetwelk hij die den vloed heeft zal aangeroerd hebben, zal gebroken


-ocr page 151-

LEVITICUS 15.

137

(worden, maar alle houten vat zal Imct water gespoeld worden, i 13 Als nu hij die den vloed heeft van zijnen vloed gereinigd zal zijn, zoo zal hij tot zijne rei-f niging zeven dagen voor zich tellen en zijne kleedoren wasschen, en hij zal zijn vleesch met levend water baden: zoo zal hij rein zijn.

14 En ten achtsten dage zal hij voor zich twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen, en zal voor het aangezicht des Heeren aan de deur van de Tente der samenkomst komen, en zal ze den Priester geven;

15 en de Priester zal die bereiden, ééne ten zondoffer en ééne ten brandoffer: zoo zal de Priester over hem voor het aangezicht des Heeren vanwege zijnen vloed verzoening doen.

1(3 Voorts een man als van hem het zaad des bijliggens zal uitgegaan zijn, die zal zijn gansche vleesch met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.

17 Ook alle kleed en alle vel waaraan het zaad des bijliggens wezen zal, dat zal met water ge-wasschen worden, en onrein zijn tot aan den avond.

18 Mitsgaders de vrouw, als een man met het zaad des bijliggens bij haar gelegen zal hebben, daarom zullen zij zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.

19 .Maar als eene vrouw vloeiende zijn zal, zijnde haar vloed van bloed in haar vleesch, zoo zal zij zeven dagen in hare afzondering zijn; en al wie haar aanroert zal onrein zijn tot aan den avond.

20 En al hetgeen waarop zij in hare afzondering zal gelegen hebben zal onrein zijn, mitsgaders alles waarop zij zal gezeten hebben zal onrein zijn.

21 En al wie haar leger aanroert zal zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.

22 Ook al wie eenig tuig waarop zij gezeten zal hebben aanroert, zal zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.

23 Zelfs indien het op het leger geweest zal zijn, of op het tuig waarop zij zat, als hij dat aanroerde . hij zal onrein zijn tot aan den avond.

24 Ingelijks zoo iemand zekerlijk bij haar gelegen heeft, dat hare afzondering op hem zij, zoo zal hij zeven dagen onrein zijn; daarbij alle leger waarop hij zal gelegen hebben zal onrein zijn.

25 Wanneer ook eene vrouw vele dagen, huiten den tijd harer at-zondering, van den vloed baars bloods vloeien zal, of wanneer zij vloeien zal boven hare afzondering, zij zal alle de dagen van den vloed harer onreinigheid, als in de dagen harer afzondering, onrein zijn.

26 Alle leger waarop zij alle de dagen baars vloeds gelegen zal hebben, zal haar zijn als het leger harer afzondering; en alle tuig, waarop zij zal gezeten hebben, zal onrein zijn, naar de onreinigheid barer afzondering.

27 En zoo wie die dingen aanroert zal onrein zijn; daarom zal hij zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.

28 Maar als zij van haren vloed rein wordt, dan zal zij voor zich zeven dagen tellen, en daarna zal zij rein zijn.

29 En op den achtsten dag zal zij voor zich twee tortelduiven of twee jonge duiven nemen, en zij zal die lot den Priester brengen, aan de deur van de Tente der samenkomst.

30 Dan zal de Priester ééne ten zondoffer en ééne ten brandoffer bereiden; en de Priester zal voor haar van den vloed harer onreinigheid verzoening doen voor het aangezicht des Heeren.

31 Alzoo zult gij de kinderen Israels afzonderen van hunne onreinigheid ; opdat zij in hunne onreinigheid niet sterven, als zij mijnen Tabernakel, die in het midden van bonis, verontreinigen zouden.

32 Dit is de wet desgenen die den vloed heeft, en van wien het zaad der bijligging uitgaat, zoodat hij daardoor onrein wordt;

33 mitsgaders eener zwakke


-ocr page 152-

L E VI TI

138

gus 1g.

vrouw in hare afzondering, en desgenen die van zijnen vloed is vloeiende, voor een man en voor eene vrouw; en voor een man die bij eene onreine zal gelegen hebben.

HOOFDSTUK 1G.

En de heere sprak lot Mozes, nadat de twee zonen Aarons gestorven waren, als zij genaderd ■waren voor het aangezicht des hee-ren en gestorven waren;

2 de heere dan zeide tot Mozes: Spreek tot uwen broeder Aüron, dat hij niet te allen tijde ga in het heilige binnen den voorhang vóór het verzoendeksel, dat op de Arke is, opdat hij niet sterve; want ik verschijn in eene wolk op het verzoendeksel.

3 Hiermede zal Aüron in het heilige gaan: met oen var, oen jong rund, ten zondoffer, en een ram ten brandoffer.

4 Hij zal den heiligen linnen rok •aandoen, en eene linnen onderbroek zal aan zijn vleesch zijn , en met een linnen gordel zal hij zich \'gorden, en met den linnen hoed bedekken: dit zijn heilige kleederen, daarom zal hij zijn vleesch met water baden als hij ze zal aandoen.

5 En van de vergadering der kinderen Israels zal hij nemen twee geitenhokken ten zondoffer, en eenen ram ten brandoffer.

6 Daarna zal Aüron den var des zondoffers, die voor hem zal zijn, offeren, en zal voor zich en voor zijn huis verzoening doen.

7 Hij zal ook beide de bokken nemen, en hij zal die stellen voor het aangezicht des heeren, aan de deur der Tente der samenkomst.

8 En Aüron zal de loten over die twee bokken werpen: één lot voor den heere en één lot voor den weggaanden bok.

9 Dan zal Aüron den bok, op welken het lot voor den heere zal gekomen zijn, toebrengen en zal hem ten zondoffer maken.

10 Maar de bok, op welken het lot zal gekomen zijn om een weggaande bok te zijn , zal levend voor het aangezicht des heeren gesteld worden, om door hem verzoening te doen; opdat men hem als een weggaanden bok naar de woestijn uitlate.

11 Aüron dan zal den var des zondoffers, die voor hem zeiven zal zijn, toebrengen, en voor zichzel-ven en voor zijn huis verzoening doen, en zal den var des zondoffers , die voor hem zeiven zal zijn, slachten.

12 Hij zal ook een wierookvat vol vurige kolen nemen van het altaar, van voor het aangezicht des heeren, en zijne handen vol reukwerk van welriekende specerijen, klein gestooten; en hij zal het binnen den voorhang dragen.

13 En hij zal dat reukwerk op het vuur leggen voor het aangezicht des heeren; opdat de nevel des reukwerks het verzoendeksel, hetwelk op de getuigenis is, bedekke, en dat hij niet sterve.

14 En hij zal van het bloed des varren nemen, en zal met zijnen vinger op het verzoendeksel oostwaarts sprengen: en vóór het verzoendeksel zal hij zevenmaal met zijnen vinger van dat bloei sprengen.

15 Daarna zal hij den bok des zondoffers, die voor het volk zal

n, slachten, en zal zijn bloed tot

nnen in den voorhang draden, en zal met zijn bloed doen gelijk als hij met hot bloed des varren gedaan heelt, en zal dat sprengen op het verzoendeksel en vóór het verzoendeksel.

16 Zoo zal hij voor het heilige, vanwege de onreinigheden der kinderen Israëls, en vanwege hunne overtredingen, naar alle hunne zonden, verzoening doen ; en alzóó zal hij doen aan de Tente der samenkomst, welke met hen woont in het midden hunner onreinigheden.

17 En geen mensch zal in de Tente der samenkomst zijn, als hij zal ingaan om in het heilige verzoening te doen, totdat hij zal uitkomen: alzoo zal hij verzoening doen voor zichzelven en voor zijn huis en voor de geheele gemeente Israels.

18 Daarna zal hij tot het altaar dat voor het aangezicht des heeren is uitkomen, en verzoening voor hetzelve doen; en hij zal van


-ocr page 153-

LEVITICUS 47:

139

het bloed des varren en van liet hloed des boks nemen, en doen het rondom op de hoornen de« altaars;

19 en hij zal daarop van dat bloed met zijnen vinger zevenmaal sprengen, en bij zal dat reinigen en heiligen van de onreinigheden der kinderen Israels.

20 Als hij nu geëindigd zal hebben van het heilige en de Tente der samenkomst en het altaar te verzoenen, zoo zal hij dien levenden bok toebrengen:

21 en Aiiron zal beide zijne handen op het hoofd des levenden boks leggen, en zal daarop alle de ongerechtigheden der kinderen Israels, en alle hunne overtredingen, naar alle hunne zonden, belijden, en hij zal die op het hoofd des boks leggen, en zal hem door de hand eens mans, die voorhanden is, naar de woestijn uitlaten.

22 Alzoo zal die bok op zich alle hunne ongerechtigheden in een afgezonderd land wegdragen; en hij zal dien bok in tie woestijn uitlaten.

23 Daarna zal Aiiron komen in de Tente der samenkomst, en zal do linnen kleederen uitdoen, die hij aangedaan had als hij in het heilige ging, en hij zal ze daai\' laten.

24 En hij zal zijn vleesch in de heilige plaats met water baden, en zijne kleederen aandoen: dan zal hij uitgaan, en zijn brandoffer en het brandoffer des volks bereiden, en voor zich en voor het volk verzoening doen.

25 Ook zal hij het vet des zond-ollers op het altaar aansteken.

2(5 En die den bok, welke een weggaande bok was, zal uitgelaten hebben, zal zijne kleederen wasschen en zijn vleesch met water baden, en daarna zal hij in het leger komen.

27 Maar den var des zondoffers en den bok des zondoffers, welker bloed ingebracht is om verzoening te doen in het heil ige, ziü men tot builen het leger uitvoeren; doch hunne vellen, hun vleesch, en hunnen mest zullen zij met vuur verbranden.

28 Wie nu dezelve verbrandt, zal zijne kleederen wasschen en zijn vleesch met water baden, en daarna zal hij in het leger komen.

29 En dit zal voor u tot eene eeuwige inzetting zijn: gij zult in de zevende maand op den tienden der maand uwe zielen verootmoedigen en geen werk doen, inboorling noch vreemdeling, die in het midden van u als vreemdeling verkeert.

30 Want op dien dag zal hij voor u verzoening doen om u te reinigen: van alle uwe zonden zult gij voor het aangezicht des Heeuen gereinigd worden.

31 Dat zal u een sabbat der ruste zijn, opdat gij uwe zielen verootmoedigt: het is eene eeuwige inzetting.

32 En de Priester, dien men gezalfd en wiens hand men gevuld zal hebben, om voor zijnen vader het Priesterambt te bedienen, zal de verzoening doen: als hij de linnen kleederen , de heilige kleederen, zal aangetrokken hebben,

33 zoo zal hij het heilige heiligdom verzoenen, en de Tente der samenkomst, en het altaar zal hij verzoenen; desgelijks voor de Priesters en voor al het volk der ge-meente zal hij verzoening doen.

34 En dit zal u tot eene eeuwige inzetting zijn, om voor de kinderen Israels van alle hunne zonden éénmaal des jaars verzoening te doen.

En men deed gelijk als de Hee-re Mozes geboden had.

HOOFDSTUK 17.

Voorts sprak de Heeue tot Mozes, zeggende:

2 Spreek tot Aaron en tot zijne zonen en tot alle de kinderen Israels, en zeg tot hen: Dit is het woord, hetwelk de Heeue geboden heeft, zeggende:

3 Een ieder van het huis Israels, die een os of lam of geit in het leger slachten zal, of die ze slachten zal buiten het leger,

4 en dezelve aan de deur van de Tente der samenkomst niet brengen zal om eene offerande den Heere vóór den Tabernakel des


-ocr page 154-

LEVITICUS 18.

140

Heeren te offeren, het bloed zal dienzelven man toegerekend worden, hij heeft bloed vergoten: daarom zal diezelve man uit het midden zijns volks uitgeroeid worden;

5 opdat wanneer de kinderen Is-raëls hunne slachtofferen brengen, welke zij op het veld slachten, dat zij die den Heere toebrengen aan de deur van de Tente der samenkomst, lot den Priester, en dezelve tot dankofferen den Heere slachten;

G en de Priester zal het bloed op het altaar des Heeren aan de deur van de Tente der samenkomst sprengen, en hij zal het vet aansteken tot een liefelijken reuk den Heere.

7 En zij zullen ook niet meer hunne slachtofferen den duivelen, welke zij nahoereeren, offeren: dat zal hun eene eeuwige inzetting zijn voor hunne geslachten.

8 Zeg dan tot hen: Een ieder van den huize Israëls en van de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeeren , die een brandoffer of slachtoffer zal offeren,

9 en dat tot de deur van de Tente der samenkomst niet zal brengen om hetzelve den Heere te bereiden, diezelve man zal uit zijne volken uitgeroeid worden.

10 En een ieder uit den huize Israëls, en uit de vreemdelingen, die in het midden van hen als vreemdelingen verkeeren, die eenig bloed zal gegeten hebben, tegen diens ziele, die dat bloed zal gegeten hebben, zal ik mijn aangezicht zetten, en zal die uit het midden haars volks uitroeien;

11 want de ziele des vleesches is in het bloed; daarom heb ik het u op het altaar gegeven, om voor uwe zielen verzoening te doen; want het is het bloed, dat voor de ziele verzoening zal doen.

12 Daarom heb ik den kinderen Israëls gezegd: Geene ziele van u zal bloed eten, noch de vreemdeling die als vreemdeling in het midden van u verkeert, zal bloed eten.

13 Een ieder ook van do kinderen Israëls en van de vreemdelingen, die als vreemdelingen in het midden van\'hen verkeeren, die een 1..., wild gedierte of gevogelte dat ge- a c geten wordt op de jacht gevangen : ( zal hebben, die zal deszeifs bloed i0 vergieten, en zal dat met stof be-dekken. V,

14 Want het is de ziele van alle zl vleesch, zijn bloed is voor zijne ziele, daarom heb ik tot de kinde-ren Israels gezegd: Gij zult geens vleesches bloed eten; want de c ziele van alle vleesch, dat is zijn c bloed: zoo wie dat eet zal uitgerooid worden. : (

15 En allo ziele onder de inboorlingen of onder do vreemdelingen, die een dood aas of het verscheurde zal gegeten hebben, die zal zijne kleederen wasschen en zich met water baden, en onrein zijn tot aan den avond; daarna zal liij rein zijn.

10 Maar indien hij dia niet wascht en zijn vleesch niet baadt, zoo zal hij zijne ongerechtigheid dragen.

HOOFDSTUK 18.

Voorts sprak de Heere tot Mo-zes, zeggende:

2 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: Ik ben de Heere uw God.

3 Gij zult niet doen naar de werken des Egyptischeu lands, waarin gij gewoond hebt, en naar de werken van het land Kanaan,

waarhenen ik u breng, zult gij niet doen, en zuil. in hunne inzettingen niet wandelen.

4 Mijne rechten zult gij doen, en mijne inzettingen zult gij houden, om daarin te wandelen: ik ben de Heere uw God.

5 Ja , mijne inzettingen en mijne rechten zult gij houden; welk mensch dezelve zal doen, die zal door dezelve leven: ik ben de Heere.

G Niemand zal tot eenige nabestaande zijns vleesches naderen om de schaamte te ontdekken: ik ben de Heere.

7 Gij zult de schaamte uws vaders en de schaamte uwer moeder niet ontdekken: zij is uwe moeder, gij zult hare schaamte niet ontdekken.

8 Gij zult de schaamte der huis-


-ocr page 155-

LEVITICUS 19.

I\'ll

;vrouw uws vaders niet ontdekken: Ihet is de schaamte uws vaders.

1) De schaamte uwer zuster, der ■dochter uws vaders of der dochter uwer moeder, te huis geboren of |buiten geboren, hare schaamte zult gij niet ontdekken.

\'10 De schaamte der-dochter uws : zoons of der dochter uwer dochter, hare schaamte zult gij niet ontdekken; want zij zijn uwe schaamte.

11 De schaamte van do dochter der huisvrouw uws vaders, die uwen vader geboren is, (zij is uwe zuster), hare schaamte zult gij niet ontdekken.

12 Gij zult de schaamte van de zuster uws vaders niet ontdekken: zij is uws vaders nabestaande.

13 Gij zult de schaamte van de zuster uwer moeder niet ontdokken; want zij is uwer moeder nabestaande.

14 Gij zult de schaamte van den broeder uws vaders niet ontdekken, tot zijne huisvrouw zult gij niet naderen: zij is uwe moei.

15 Gij zult de schaamte uwer schoondochter niet ontdekken: zij is uws zoons huisvrouw, gij zult hare schaamte niet ontdekken.

16 Gij zult de schaamte der huisvrouw uws broeders niet ontdekken: het is do schaamte uws broeders.

17 Gij zult de schaamte eener vrouw en harer dochter niet ont-ontdekken; de dochter haars zoons en de dochter van hare dochter zult gij niet nemen om hare schaamte te ontdekken: zij zijn nabestaanden, het is eene schandelijke daad.

18 Gij zult ook geene vrouw tot hare zuster nemen, om haar te benauwen, door hare schaamte nevens haar in haar leven te ontdekken.

19 Ook zult gij tot de vrouw in de afzondering van hare onreinig-heid niet naderen om hare schaamte te ontdokken.

20 En gij zult niet liggen bij uws naasten huisvrouw ter bezading, om met haar onrein te worden.

21 En van uw zaad zult gij niet geven om voor den Molech door het vuur te doen gaan; en den naam uws Gods zult gij niet ontheiligen: ik ben de Hekhe.

22 Bij een manspersoon zult gij niet liggen met vrouwelijke bijligging: dat is een gruwel.

23 Insgelijks zult gij bij geen beest liggen, om daarmede onrein te worden; eene vrouw zal ook niet staan voor een beest, om daarmede te doen te hebben: het is eene gruwelijke vermenging.

21 Verontreinigt u niet met eeni-ge van deze; want de heidenen die ik van uw aangezicht uitwerp zijn met alle deze verontreinigd;

25 zoodat het land onrein is, en ik over hetzelve zijne ongerechtigheid bezoeke, en het land zijne inwoners uitspuwt.

2G Maar gij zult mijne inzettingen en mijne rechten onderhouden, en van alle die gruwelen niets doen, inboorling noch vreemdeling die in het midden van u als vreemdeling verkeert;

27 want de lieden dezes lands, die vóór u geweest zijn, hebben alle deze gruwelen gedaan , en het land is onrein geworden.

28 Dat u dat land niet uitspuwe, als gij hetzelve zult verontreinigd hebben, gelijk \'t het volk dat vóór u was uitgespuwd heeft.

29 Want al wie eenige van deze gruwelen doen zal, die zielen die ze doen, zullen uit het midden van haar volk uitgeroeid worden.

30 Daarom zult gij mijn bevel onderhouden, dat gij niets doet van die gruwelijke inzettingen, die vóór u zijn gedaan geweest, en u daarmede niet verontreinigt: ik ben de Heeue uw God.

HOOFDSTUK 19.

Voorts sprak de Heere lot Mo-zes, zeggende:

2 Spreek tot de gansche vergadering der kinderen Israels en zeg tot \'.ion: Gij zult heilig zijn, want ik de Heeue uw God ben heilig.

3 Een ieder zal zijne moeder en zijnen vader vreezen, en mijne sabbaten houden: ik ben de Heeue uw God.

4 Gij zult u tot de afgoden niet koeren, en u geene gegoten goden


-ocr page 156-

142

maken: ik ben de Heere uw God.

5 En wanneer gij een dankoHer den Heere oüeren zult, naar uw welgevallen zult gij dat offeren.

6 Ten dage uws offerens en des anderen daags zal het gegeten worden; maar wat tot op den derden dag overblijft zal met vuur verbrand worden;

7 en zoo het op den derden dag eenigszins gegeten wordt, het is een afgrijselijk ding, het zal niet aangenaam zijn;

8 en zoo wie dat eet zal zijne ongerechtigheid dragen, omdat hij het heilige des Heeren ontheiligd heeft: daarom zal dezelve ziele uit hare volken uitgeroeid worden.

9 Als gij ook den oogst uws lands inoogsteu zult, zult gij den hoek uws velds niet ganschelijk afoog-sten, en wat van uwen oogst op te zamelen is, niet opzamelen ;

10 insgelijks zult gij uwen wijngaard niet nalezen, en de afgevallene beziën van uwen wijngaard niet opzamelen; den arme en den vreemdeling zult gij die overlaten: ik ben de Heere uw God.

11 Gij zult niet stelen, en gij zult niet liegen, noch valschelijk handelen een iegelijk tegen zijnen naaste.

12 En gij zult niet valschelijk bij mijnen naam zweren; want gij zoudt den naam uws Gods ontheiligen: ik ben de Heere.

13 Gij zult uwen naaste niet be-driegelijk verdrukken, noch beroo-ven; des daglooners arbeidsloon zal bij u niet vernachten tot aan den morgen.

14 Gij zult den doove niet vloeken , en voor het aangezicht des blinden geenen aanstoot zetten; maar gij zult voor uwen Godvreezen: ik ben de Heere.

15 Gij zult geen onrecht doen in het gerichte; gij zult het aangezicht des geringen niet aannemen, noch des grooten aangezicht voortrekken: in gerechtigheid zult gij uwen naaste richten.

16 Gij zult niet wandelen «te een achterklapper onder uwe volken; gij zult niet staan tegen het bloed van uwen naaste: ik ben de Heere.

de zonde in hem niet verdragen,

18 Gij zult niet wreken, noch toorn behouden tegen de kinderen quot; V: uws volks; maar gij zult uwen |jei\' naaste liefhebben als uzelven: ik :f^c\' ben de Heere. .cn

19 Gij zult mijne inzettingen P3.1 houden : gij zult geen tweeërlei 2,\' aard uwer beesten laten tezamen _ te doen hebben, uwen akker zult |V1 gij niet met tweeërlei zaad bezaaien en een kleed van tweeërlei stof y* dooréénvermengd zal aan u niet . . komen. ;v\'

20 En wanneer een man door u bij ligging de s zaads bij eene vrouw

zal gelegen hebben, die eene dienst- ^ maagd is, bij den man versmaad, \' en geenszins gelost is, enhaargeene vrijheid is gegeven, die zullen ge- \' geeseld worden: zij zullen niet gedood worden, want zij was niet

n hij zal zijn schuldoffer den Heere aan de deur der Tente der samenkomst brengen, eenen ram ten schuldoffer.

22 En de Priester za\' met den ram des schuldoffers voor hem over zijne zonde, die hij gezondigd heeft, voor het aangezicht des Heeren verzoening doen; en hem zal vergeving geschieden v.mi zijne zonde, die hij gezondigd heeft.

23 Als gij ook in dat land gekomen zult zijn, en allo geboomte ter spijze geplant zult hebben, zoo zult gij de voorhuid daarvan, des-zelfs vrucht, besnijden; drie jaren zal het u onbesneden zijn, daarvan zal niet gegeten worden;

24 maar in het vierde jaar zal al zijne vrucht een heilig ding zijn, ter lofzegging voor den Heere:

25 en in het vijfde jaar zult gij deszelfs vrucht eten, om het inkomen van die voor u te vermeerderen: ik ben de Heere uw God.

26 Gij zult niets met het bloed eten. Gij zult op geen vogeigeschrei acht geven nodi guichelarij plegen.

27 Gij zult de hoeken uws hoofds niet rond afscheren, ook zult gü dc hoeken uws baards niet verderven.

LEVITICUS 19.

17 Gij zult uwen broeder in uwl harte niet haten; gij zult uwen«0\'cr naaste naarstiglijk berispen en z


-ocr page 157-

LEVITICUS 20.

443

•j 28 Gij zult om een dood lichaam geen snijding in mv vleesch maken, noch schrift eens ingedi\'ukten feekens in u maken: ik ben de

ileehe.

| 20 Gij zult uwe dochter niet ont-jheiligen, haar ter hoererij houdende; opdat het land niet hoereere en het land met schandelijke daden vervuld worde.

30 Gij zult mijne sahbaten hou-iden, en mijn heiligdom zult gij Ivreezen: ik ben de Heehe.

31 Gij zult u niet kceren tot de I waarzeggers en tot de duivelskunstenaars; zoekt zeniet, u met hen

i verontreinigende: ik ben de I Ike he \' uw God.

32 Voor het grauwe haar zult gij opstaan, en zult hot aangezicht (les ouden vereeren; en gij zult vreezen voor uwen God: ik ben de Heere.

33 En wanneer een vreemdeling bij u in uwen lande als vreemdeling verkeeren zal, gij zult hem niet verdrukken.

34 De vreemdeling, die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulie-den, gij zult hem liefhebben als uzelven; want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland: ik ben de Heere uw God.

35 Gij zult geen onrecht doen in het gerichte, met de el, met het gewicht, of met de maat.

36 Gij zult eene rechte wage hebben, reel,te weegsteenen, een rechte efa, en een rechte hin: ik ben de Heere uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb.

37 Daarom zult gij alle mijne inzettingen en alle mijne rechten onderhouden en zult ze doen: ik ben de Heere.

HOOFDSTUK 20.

Voorts sprak de Heere tot Mo-zes, zeggende:

2 Gij zult ook tot de kinderen Israels zeggen: Een ieder uit de kinderen Israels, of uit de vreemdelingen , die in Israël als vreemdelingen verkeeren, die van zijn zaad den Molech gegeven zal hebben, zal zekerlijk gedood worden;

in uw uwen n zult ren. noch laren nven ; ik

het volk des lands zal hem met steenen steenigen.

3 En ik zal mijn aangezicht tegen dien man zetten, en zal hem uit het midden zijns volks uitroeien ; want hij heeft van zijn zaad den Molech gegeven, opdat hij mijn heiligdom ontreinigen en mijnen heiligen naam ontheiligen zoude.

4 En indien het volk des lands zijne oogen eenigszins verbergen zal van dien man als hij van zijn zaad den Moloch zal gegeven hebben , dat het hem niet doode,

5 zoo zal ik mijn aangezicht tegen dien man en tegen zijn huisgezin zetten, en ik zal hein en al degenen die hem nahoereeren, om den Molech na te hoereeren, uit het midden huns volks uitroeien.

i) Wanneer er eene ziele is die zich tot de waarzeggers en tot de duivelskunstenaars zal gekeerd hebben, om die na te hoereeren, zoo zal ik mijn aangezicht tegen die ziele zetten en zal ze uit het midden baars volks uitroeien.

7 Daarom heiligt u en weest heilig, want ik ben de Heere uw God;

8 en onderhoudt mijne inzettingen en doet dezelve: ik ben do Heere, die u heilig.

9 Als er iemand is die zijnen vader of zijne moeder zal gevloekt hebben, die zal zekerlijk gedood worden: hij heeft zijnen vader of zijne moeder gevloekt: zijn bloed is op hem.

lü Een man ook die met iemands huisvrouw zal overspel gedaan hebben, dewijl hij met zijns naasten vrouw overspel gedaan heeft, zal zekerlijk gedood worden, de overspeler en de overspeelster.

11 En een man die bij zijns Vaders huisvrouw zal gelegen hebben, heeft zijns vaders schaamte ontdekt; zij beiden zullen zekerlijk gedood worden: hun bloed is op hen.

12 Insgelijks als een man bij zijns zoons vrouw zal gelegen hebben, zij zullen beiden zekerlijk gedood worden; zij hebben eene gruwelijke vermenging gedaan: hun bloed is op hen.

13 Wanneer ook een man bij een


-ocr page 158-

L E VITI

GUS 21.

144

manspersoon zal gelegen hebben niet vrouwelijke bijligging, zij beiden hebben een gruwel gedaan; zij zullen zekerlijk gedood worden: hun bloed is op hen.

14 En wanneer een man oene vrouw en hare moeder zal genomen hebben, het is een schandelijke daad; men zal hem en haar met vuur verbranden, opdat geen schandelijke daad in hot midden van u zij.

15 Daartoe als een man bij eenig vee zal gelegen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden; ook zult gijlieden het beest dooden.

16 Alzoo wanneer eene vrouw tot eenig beest genaderd zal zijn om daarmede te doen te hebben, zoo zult gij die vrouw en dat beest dooden; zij zullen zekerlijk gedood worden: hun bloed is op beu.

17 En als oen man zijne zusier, de dochter zijns vaders of de dochter zijner moeder, zal genomen hebben, en hij hare schaamte gezien en /.ij zijne schaamte zal gezien hebben, het is een schandvlek; daarom zullen zij voor de oogen der kinderen huns volks uitgeroeid worden: hij heeft de schaamte zijner zuster ontdekt, hij zal zijne ongerechtigheid dragen.

18 En als een man bij eene vrouw die hare krankheid heeft zal gelegen, en hare schaamte ontdekt, nare fontein ontbloot, en zij zelve de fontein baars bloeds ontdekt zal hebben, zoo zullen zij beiden uit het midden huns volks uitgeroeid worden.

19 Daartoe zult gij de schaamte van de zuster uwer inoeder en van de zuster uws vaders niet ontdekken ; dewijl hij zijne nabestaande ontbloot heeft, zullen zij hunne ongerechtigheid dragen.

20 Als ook een man bij zijne moei zal gelegen hebben, hij heeft de schaamte zijns ooms ontdekt; zij zullen hunne zonde dragen; zonder kinderen zullen zij sterven.

21 En wanneer een man zijns broeders huisvrouw zal genomen hebben, hetisonreinigheid, hij heeft de schaamte zijns broeders ontdekt ; zij zullen zonder kinderen zijn.

22 Onderhoudt dan allo mijne inzettingen en alle mijne rechten en doet dezelve, opdat u dat land, waarhenen ik u breng om daarin te wonen, niel uitspuwe;

23 en wandelt niet in de inzettingen van het volk, hetwelk ik voor uw aangezicht uitwerp; want alle deze dingen hebben zij gedaan; daarom ben ik hunner verdrietig geworden,

24 en ik heb u gezegd: Gij zult hun land erfelijk bezitten, en ik zal u dat geven opdat gij hetzelve erfelijk bezit, een land vloeiende van melk en honig: ik ben de Heeke uw God, die u van de volken afgezonderd heb.

25 Daarom zult gij onderscheid maken tusschen reine en onreine beesten, en tusschen het onrein en het rein gevogelte, en gij zult uwe zielen niet verfoeielijk maken aan de beesten en aan het gevogelte en aan al wat op uen aardbodem kruipt, hetwelk ik voor u afgezonderd heb opdat gij het onrein houdt;

2(3 en gij zult mij heilig zijn, want ik de Heehe ben he.Iig, en ik heb u van de volkeren afgezon-derd, opdat gij mijn zoudt zijn.

27 Als nu een man of vrouw in zich oenen waarzeggenden geest zal hebben, of een duivelskunstenaar zal zijn, zij zullen zexerlijk gedood worden; men zal hen met steenen steenigen: hun bloed is op hen.

HOOFDSTUK 21.

Daarna zeide de Heehe tot Mo-zes: Spreek tot de Priesteren, de zonen Aaronsquot;, en zeg tot hen: Over eenen doode zal een Priester zich niet verontreinigen onder zijne volken;

2 behalve over zijnen bloedvriend, die hem ten naaste bestaat, over zijne moeder, en over zijnen vader, en over zijnen zoon, en over zijne dochter, en over zijnen broeder,

3 en over zijne zuster, die maagd is, hem nabestaande, die noggee-nen man toebehoord hee.t: over die zal hij zich verontreinigen.

4 Hij zal zich niet verontreinigen


-ocr page 159-

L E VITI

CUS 22.

145

over eencn overste onder zijne volken, om zich te ontheiligen.

5 Zij zullen op hun hoofd geene kaalheid maken, en zullen den hoek huns baards niet afscheren, en in hun vleesch zullen zij geene sneden snijden.

0 Zij zuilen hunnen God heilig zijn, en den naam huns Gods zullen zij niet ontheiligen; want zij offeren de vuurofferen des Hee-uen, de spijze huns Gods; daarom zullen zij heilig zijn.

7 Zij zullen geene vrouw nemen die eene hoer of ontheiligde is, noch eene vrouw nemen die van haren man verstoeten is; want hij is heilig zijnen God.

8 Daarom zult gij hem heiligen, omdat hij de spijze uws Gods offert; Jiij zal u heilig zijn, want ik ben heilig: ik ben de Heehk, die u heilig.

9 Als nude dochter vaneenigen Priester zal beginnen Ie hoereeren, zij ontheiligt haren vader: met vuur zal zij verbrand worden.

10 En hij die de Hoogepriester onder zijne broederenis, op wiens hoofd de zalfolie gegoten is, en wiens hand men gevuld heeft om die kleederen aan te trekken, zal zijn hoofd niet ontbloeien noch zijne kleederen scheuren.

11 Hij zal ook bij geen dOode lichamen komen; zelfs over zijnen vader en over zijne moeder zal hij zich niet verontreinigen.

12 En uit het heiligdom zal hij niet uitgaan, dat hij het heiligdom zijns Gods niet ontheilige; want de kroon der zalfolie zijns Gods is op hem: ik ben de Heeue.

13 Hij zal ook eene vrouw in haren maagdom nemen.

14 Eene weduwe, of verstoote-ne, of ontheiligde hoer, dezulke zal hij niet nemen; maar eene maagd uit zijne volken zal hij tot eene vrouw nemen;

15 en hij zal zijn zaad onder zijne volken niet ontheiligen, want ik ben do Heere, die hem heilig.

16 Wijders sprak de Heere tol Mozes, zeggende:

17 Spreek lot Aaron, zeggende: Niemand uit uwen zade naar hunne geslachten, in denwelken een gebrek zal zijn, zal naderen om de spijze zijns Gods te offeren.

IS Want geen man in denwelken een gebrek zal zijn, zal naderen; hij zij een blind man, of kreupel, of te kort of te lang in leden;

19 of een man in denwelken eene breuke des voets of eene breuk© der hand zal zijn;

20 of die bullachtig, of dwergachtig zal zijn, of een vel op zijn oog zal hebben, of droge schurftheid , of etterige schurftheid, of die gebroken zal zijn aan zijn ge-macht.

21 Geen man uit den zade Aarons des Priesters, in denwelken een gebrek is, zal toetreden om do vuurolfcren des Heehen te olfe-ren; een gebrek is in hem, hij zal niet toetreden om de spijze zijns Gods te offeren.

22 De spijze zijns Gods, van de allerheiligste dingen en van de heilige dingen, zal hij mogen eten;

28 doch lol den voorhang zal hij niet komen en lot het altaar niet toetreden, omdat een gebrek in hem is; opdat hij mijne heiligdommen niet ontheilige, want ik ben de Heere , die hen heilig.

24 En Mozes sprak zulks tot Aiiron en tot zijne zonen en tol allo tie kinderen Israels.

HOOFDSTUK 22.

Daarna sprak de Heere tot Mozes, zeggende:

2 Spreek lot Aiiron en lot zijne zonen, dat zij zich van de heilige dingen der kinderen Israels, die zij mij heiligen, afzonderen, opdat zij den naam mijner heiligheid niet ontheiligen: ik ben de Heere,

3 Zeg tol hen: Alle man onder uwe geslachten, die uit uwen gan-schen zade tot de heilige dingen, diode kinderen Israels den Heere heiligen, naderen zal als zijne onrei-nigheid op hem is, diezelve mensch zjiI van voor mijn aangezicht uil-geroeid worden: ik ben de Heere.

4 Niemand van den zade Aarons, die melaatsch is of een vloed heeft, zal van die heilige dingen eten, totdat hij rein is; milgaders die


-ocr page 160-

LEVITICUS 22.

146

iets aanroert dat onrein is van een dood lichaam, of iemand Avien het zaad der bij ligging ontgaat;

5 of zoo wie aangeroerd zal hebben eenig kruipend gedierte. waarvan hij onrein is, ofeenen mensch waarvan hij onrein is, naar al zijne onreinigheid;

ü de mensch dewelke dat aangeroerd zal hebben, die zal onrein zijn tot aan den avond, en hij zal van die heilige dingen niet eten, maar zal zijn vleesch met water baden.

7 Als de zon zal ondergegaan zijn, dan zal hij rein zijn; en daarna zal hij van die heilige dingen eten, want dat is zijne spijze.

8 Het doode aas en hot verscheurde zal hij niet eten, om daarmede onrein te worden: ik ben de He ere.

9 Zij zullen dan mijn bevel onderhouden , opdat zij geene zonde daarover dragen en daarin si erven, als zij die ontheiligd zouden hebben: ik ben deHeere, die hen heilig.

1Ü Ook zal geen vreemde het heilige eten; een bijwoner des Priesters en een daglooncr zullen het heilige niet eten.

11 Wanneer dan nog de Priester eene ziele met zijn geld zal gekocht hebben, die zal daarvan eten, en de ingeborene van zijn huis: die zullen van zijne spijze eten.

12 Maar als des Priesters dochter oenen vreemden man zal toebe-hooren. zij zal van het hefoffer dei- heilige dingen niet eten.

13 Doch als des Priesters dochter eene weduwe of verstootene zal zijn, en geen zaad hebben, en tot baars vaders huis, als in hare jonkheid, zal wedergekeerd zijn, zoo zal zij van de spijze baars vaders eten; maar geen vreemde zal daarvan eten.

14 En wanneer iemand het heilige door dwaling zal gegeten hebben, zoo zal hij deszclfs vijfdedeel daaraan toevoegen, en zal het den Priester met hel heilige wedergeven:

15 zoo zullen zij niet ontheiligen de heilige dingen der kinderen Israëls, die zij den Heere zullen geheven hebben,

10 en hen doen dragen de ongerechtigheid der schuld, als zij hunne heilige dingen zouden eten; want ik ben de Heere,die hen heilig.

17 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende:

18 Spreek tot Aaron en tot zijne zonen en tot alle de kinderen Israëls, en zeg tot hen: Zoo wie uit den huize Israëls en uit de vreemdelingen in Israël is, die zijne offerande zal offeren naar alle hunne geloften, en naar alle hunne vrijwillige offeren, die zij den Heere ten brandoffer zullen offeren:

19 het zal naar uw welgevallen zijn, een volkomen mannetje, van de runderen, van de lammeren, of van de geiten.

20 (lij zult niet offeren iots waarin een gebrek is, want het zoude niet aangenaam zijn voor u.

21 Kn als iemand een dankoffer den Heere zal offeren, uilzonde-rende van de runderen of van de schapen eene gelofte of vrijwillig offer, het zal volkomen zijn , opdat het aangenaam zij: geen gebrek zal daarin zijn.

22 Het blinde, of gebrokene, of verlamde, of wrattige, of droge schurftheid of etterige schurftheid hebbende, deze zult gij den Hkere niet offeren, en daarvan zult gij den Heere geen vuuroffer op het altaar geven.

23 Doch een os of klein vee, te lang of te verkrompen in leden, die zult gy tot een vrijwillig offer bereiden; doch tot eene gelofte zoude het niet aangenaam zijn.

24 Het gedrukte, of gestoótene, of gescheurde, of gesnedene, zult gij den Heere niet offeren: dat zult gij in uwen lande niet doen.

25 Gij zult ook uit de hand des vreemden van alle deze dingen uwen God geen spijze offeren; want hunne verdorvenheid is in hen, in dezelve is gebrek, zij zouden niet aangenaam zijn voor u.

2o Wijders sprak de Heere tot Mozes, zeggende:

27 Wanneer een os of lam of geit zal geboren zijn, zoo zal die zeven dagen onder zijne moeder zijn; daarna, van den ach:sten dag en daarover, zal hij aangenaam


-ocr page 161-

L E VITI

147

GUS 23.

zijn lot offerande des vuuroffers dén He ere.

28 Gij zult ook een os of klein vee, hem en zijn jong, op éénen dag niet slachten.

29 En als gij een lofoffer den Heere zult slachten, naar uwen wil zult gij het slachten.

80 Het zul op denzelfden dag gegeten worden: gij zult daarvan niet overlaten tot op den morgen: ik ben de Heere.

31 Daarom zult gij mijne geboden houden en dezelve doen: ik ben de Heere;

32 en gij zult mijnen heiligen naam niet ontheiligen, opdat ik in liet midden der kinderen Israels geheiligd worde: ik ben de Heere , die u heilig,

33 die u uit Egypteland uitgevoerd hob , opdat ik u tot een God zij: ik ben de Heere.

HOOFDSTUK 23.

Daarna sprak de Heere tot Mo-zes, zeggende:

2 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: De gezette hoogtijden des Heerex, dewelke gijlieden uitroepen zult, zullen heilige samenroepingen zijn; deze zijn mijne gezette hoogtijden.

3 Zes dagen zal men het werk doen, maar op den zevenden dag is de sabbat der ruste, eeneheilige samenroeping: geen werk zult gij doen. het is des Heeren sabbat, in alle uwe woningen.

4 Deze zijn de gezette hoogtijden \'des Heeren, de heilige samenroepingen, dewelke gij uitroepen zult op hunnen gezetten tijd.

5 In de eerste maand op den veertiende der maand, tusschen twee avonden, is des Heeren Pascha.

0 En op den vijftienden dag dezer maand is het feest van de ongezuurde brooden des Heeren: zeven dagen zult gij ongezuurde hrooden eten.

7 Op den eersten dug zult gij eene heilige samenroeping hebben: geen dienstwerk zult gij doen.

8 Maar gij zult zeven dagen vuur-offer den Heere olleren; op den zevenden dag zal eene heilige sa-menroeping wezen: geen dienstwerk zult gij doen.

9 En de Heere sprak tot Mo-zes, zeggende:

10 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot, hen: Als gij in het lund zult gekomen zijn. hetwelk ik u geven zal, en gij zijnen oogst zult inoogsten, dan zult gij eene garve van de eerstelingen uwes oogstes tot den Priester brengen ;

11 en hij zul die gurve voor het aangezicht des Heeren bewegen, opdat het voor u aangenaam zij; des anderen daags nu den sabbut zul de Priester die bewegen.

12 Cïij zult ook op den dug als gij die gurve bewegen zult, bereiden een volkomen lum dut éénju-rig is, ten brundoffer den Heere;

13 en zijn spijsoffer twee tienden meelbloem met olie gemengd, ten vuuroller, den Heere ten liefelijken reuke; en zijn drunkoffer van wijn, bet vierdedeel van een hin.

14 En gij zult geen brood, noch geroost koren, noch groene aren eten, tot op dien dag dat gij de ollerunde uws Gods zult gebrucht hebben: het is eene eeuwige inzetting voor uwe geslachten, in ulle uwe woningen.

15 Duurna zult gij u tellen van des anderen daugs nu den sabbat, van den dag dat gij de garve des beweegofferszult gebracht hebben: het zullen zeven volkomen sabba-tèn zijn;

10 tot des anderen daags na den zevenden sabbat zult gij vijftig du-gen tellen: dun zult gij een nieuw sp ij so der den Heere offeren.

17 Gijlieden zult uit uwe woningen twee beweegbrooden brengen, zij zullen vun twee tienden meel-bloeme zijn, gedeesemd zullen zij gebukken worden; het zijn de eerstelingen den Heere.

18 (jij zult ook met het brood zeven volkomen éénjurige lammeren , en cenen vur, het jong eens runds, en twee rummen otferen: zij zullen den Heere een brand-oiler zijn, met hun spijsoffer en hunne drunkofferen, een vuuroffer ten liefelijken reuke dyii Heere.

19 Ook zult gij éénen geitenhok


-ocr page 162-

LE VI TI

CÜS 23.

148

ten zondoffer en twee éénjarige lammeren ten dankoffer bereiden.

20 Dan zal de Priester dezelve met het brood der eerstelingen, ten beweegoffer voor het aangezicht des Heeren, met de twee lammeren bewegen; zij zullen den Heeue een heilig ding zijn, voor den Priester.

21 En gij zult op dienzelfden dag uitroepen, dat gij eene heilige samenroeping zult hebben; geen dienstwerk zult gij doen: het is eene eeuwige inzetting in alle uwe woningen voor uwe geslachten.

22 Als gij nu den oogst uws lands zult inoogsten., zult gij, in uw in-oogsten, den hoek des velds niet ganschelijk afmaaien, en de op zameling van uwen oogst niet opzamelen ; voor den arme en voor den vreemdeling zult gij ze laten: ik ben de Heere uw God.

23 En de Heere sprak tot Mo-zes, zeggende:

24 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: In de zevende maand op den eerste der maand zult gij eene ruste hebben, eene gedachtenis des geklanks, eene heilige samenroeping:

25 geen dienstwerk zult gij doen, maar gij zult den Heere vuur-offer offeren.

26 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende:

27 Doch op den tiende dezer zevende maand zal de verzoendag zijn, eene heilige samenroeping zult gij hebben; dan zult gij uwe zielen verootmoedigen, en zult den Heere een vuuroffer offeren.

28 En op dienzelven dag zult gij geen werk doen; want het is de verzoendag, om over u verzoening te doen voor het aangezicht des Heeren uwes Gods.

29 Want alle ziele, dewelke op dien dag niet zal verootmoedigd zijn geweest, die zal uitgeroeid worden uit hare volken. \'

30 Ook alle ziele, die eenig werk op dien dag gedaan zal hebben, die ziele zal ik uit het midden baars volks verderven.

31 Gij zult geen werk doen: het is eene eeuwige inzetting voor uwe geslachten, in alle uwe woningen.

32 Het zal u een sabbat der ruste zijn, dan zult gij uwe zielen verootmoedigen: op den negende der maand in den avond, van den avond tot den avond, zult gij uwen sabbat rusten.

33 En de Heere sprak tot Mozes, zeggende:

34 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Op den vijftienden dag dezer zevende maand zal het feest der loofhutten zeven dagen den Heere zijn.

35 Op den eersten dag zal eene heilige samenroeping zijn; geen dienstwerk zult gij doen.

3(J Zeven dagen quot;zult gij den Heere vuuroffer offeren; oj) den achtsten dag zult gij eene heilige samenroeping hebben, en zult den Heere vuuroffer offeren: het is een verbodsdag, gij zult geen dienstwerk doen.

37 Dit zijn de gezette hoogtijden des Heeren, dewelke gij zult uitroepen tot heilige samenroepingen, om den Heere vuuroffer, brandoffer en spijsoffer, slachtoffer en drankoffers, elk dagelijks op zijnen dag, te offeren;

38 behalve de sabbaten des Heeren, en behalve uwe gaven en behalve alle uwe geloften en behalve alle uwe vrijwillige offeren, dewelke gij den Heere geven zult.

39 Doch op den vijftienden dag der zevende maand, als gij het inkomen des lands zult ingegaderd hebben, zult gij des Heeren feest zeven dagen vieren; op den eersten dag zal er ruste zijn, en op den achtsten dag zal er ruste zijn.

40 En op den eersten dag zult gij u nemen takken van schoon geboomte, palmtakken, en meien van dichte boomen, met beckwil-gen, en zult voor het aangezicht des Heeren uwes Gods zeven dagen vroolijk zijn.

41 En gij zult dat feest Jen Heere zeven dagen in het jaar vieren; het is eene eeuwige inzetting voor uwe geslachten; in de zevende maand zult gij dat vieren.

42 Zeven dagen zult gij in de loofhutten wonen; alle inboorlingen in Israël zullen in loofhutten wonen;


-ocr page 163-

LEVITI

GUS 24.

149

43 opdat uwe geslachten weten clat ik tie kinderen Israels in loofhutten heb doen wonen, als ik hen uit Egypteland uitgevoerd heb: ik hen de Heere uw God.

/j4 Alzoo heeft Mozes de gezette hoogtijden des Hkeren tot de kinderen Israels uitgesproken.

HOOFDSTUK 24.

En de Heere sprak tot Mozes, zeggende:

2 Gebied den kindeven Israels, dat zij tot u brengen zuivere ge-stooten olijfolie voor den luchter, om de lampen geduriglijk aan te steken.

3 Aaron zal die voor het aangezicht des Heeren geduriglijk toe-richten , van den avond tot den morgen, buiten den voorhang van de getuigenis, in de Tente der samenkomst; het is eene eeuwige inzetting voor uwe geslachten.

4 Hij zal op den louteren kandelaar die lampen voor het aangezicht des Heeren geduriglijk toelichten.

5 Gij zult ook meelbloem nomen, en twaalf koeken daarvan bakken; van twee tienden zal één koek zijn.

G En gij zult ze in twee rijen leggen, zes in een rij, op de reine tafel, voor het aangezicht des Heeren.

7 En op elke rij zult gij zuiveren wierook leggen, welke het brood ten gedenkouer zal zijn: het is een vuuroffer den Heere.

8 Op eiken sabbatdag geduriglijk zal men dat voor het aangezicht des Heeren toerichten, vanwege de kinderen Israëls, ten eeuwigen verbonde.

9 En het zal voor Aaron en zijne zonen zijn, die dat in de heilige plaats zullen eten; want het is hem een heiligheid der heiligheden uit de vuurolleren des Heeren, eene eeuwige inzetting.

40 En de zoon eener Israëlitische vrouw ging uit, die in het midden der kinderen Israëls de zoon eens Egyptischen mans was; en de zoon dezer Israëlitische en een Israëlitisch man twistten in het leger.

11 Toen lasterde de zoon der

Israëlitische vrouw uitdrukkelijk den Naam en vloekte; daarom brachten zij hem tot Mozes: de naam nu zijner moeder was Se-lomith de dochter van Dibri, van den stam Dan.

12 En zij legden hem in de gevangenis, opdat hun naar den mond des Heeren verklaring geschieden zoude.

13 En de Heere sprak tot Mozes, zeggende:

14 Breng don vloeker uit tot buiten het leger; en allen die het gehoord hebben zullen hunne handen op zijn hoofd leggen; daarna zal hem de geheele vergadering s\'.e enigen.

15 En tot de kinderen Israëls zult gij spreken, zeggende: Een ieder als hij zijnen God gevloekt zal hebben, zoo zal hij zijne zonde dragen;

li» en die den naam des Heeren gelasterd zal hebben, zal zekerlijk gedood worden, de gansche vergadering zal hein zekerlijk steeni-gen ; alzóó zal de vreemdeling zijn gelijk de inboorling: als hij den Naam zal gelasterd hebben, hij zal gedood worden.

1quot;? ICn als iemand eenige ziele des menschen zal verslagen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden.

18 Maar die de ziele van een vee zal verslagen hebben, hij zal \'t wedergeven, ziel voor zjcl.

19 Als ook iemand aan zijnen naaste een gebrek zal aangebracht hebben, gelijk hij gedaan heeft zóó zal ook aan hem gedaan worden :

20 breuk voor breuk, oog voor oog, tand voortand; gelijk als hij een gebrek eenenmensch zal aangebracht hebben, zóó zal ook hem aangebracht worden.

21 Die dan een vee verslaat, die zal het wedergeven; maar die een mensch verslaat, die zal gedood worden.

22 Eénerlei recht zult gij hebben, zóó zal de vreemdeling zijn als de inboorling; want ik ben de Heere uw God.

23 En Mozes zeide tot de kinderen Israëls, dat zij den vloeker


-ocr page 164-

LEVITI

G US 25.

150

tot buiten het leger uitbrengen en hem met steenen steenigen zouden; en de kinderen Israels deden gelijk als de Heere Mozes geboden had.

HOOFDSTUK 25.

VoorLs sprak de Heere tot Mozes aan den berg Sinaï, zeggende:

2 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: Wanneer gij zult gekomen zijn in het land dat ik u geve, dan zal dat land rusten, een sabbat den Heere.

3 Zes jaren zult gij uwen akker bezaaien, en zes jaren uwen wijngaard besnoeien, en de inkomst daarvan inzamelen;

4 doch in het zevende jaar zal voor het land een sabbat der rust zijn , een sabbat den Heere ; uwen akker zult gij niet bezaaien en uwen wijngaard niet besnoeien.

5 Wat vanzelf van uwen oogst zal gewassen zijn, zult gij niet in-oogsten, en de druiven uwer afzondering zult gij niet afsnijden; het zal een jaar der ruste voor het land zijn.

(i En de inkomst van den sabbat des lands zal voor u tot spijze zijn, vooru, en voor uwen knecht, en voor uwe dienstmaagd, en voor uwen daglooner, en voor uwen bijwoner, die bij u als vreemdelingen verkeeren;

7 mitsgaders voor uw vee, en voor het gedierte dat in uw land is, zal al de inkomst daarvan tot spijze zijn.

8 Gij zult u ook tellen zeven jaarweken, zevenmaal zeven jaren, zoodat de dagen der zeven jaar-weken u negenenveertig jaar zullen zijn.

9 Daarna zult ^ij in de zevende maand op den tiende der maand de bazuin des geklanks doen doorgaan; op den verzoendag zult gij de bazuin doen doorgaan in uw gansche land;

40 en gij zult dat vijftigste jaar heiligen, en vrijheid uitroepen in den lande voor alle zijne inwoners; het zal u een jubeljaar zijn, en gij zult wederkeeren een ieder tot zijne bezittingen zult wederkeeren een ieder tot zijn geslacht.

11 Dit jubeljaar zal u het vijftigste jaar zijn ; gij zult niet zaaien, noch inoogsten wat vanzelf daarin zal gewassen zijn, noch ook de druiven der afzonderingen in hetzelve afsnijden;

12 want dat is het jubeljaar, liet zal u heilig zijn; gij zult uit het veld de inkomst daarvan Uen.

13 Op dat jubeljaar zult gij wederkeeren ieder tot zijne bezitting.

14 Daarom wanneer gij aan uwen naaste wat veilbaars verkoopen, of uit de hand uws naasten koo-pen zult, dat niemand de één den ander verdrukke.

15 Naar het getal der jaren van het jubeljaar af zult gij van uwen naaste koopen, en naar het getal van de jaren der inkomsten zal hij het aan u verkoopen.

115 Naar de veelheid der jaren zult gij zijnen koop vermeerderen, en naar de weinigheid der jaren zult gij zijnen koop verminderen; want hij verkoopt aan u het getal der inkomsten.

17 Dat dan niemand zijnen naaste verdrukke, maar vreest voor uwen God; want ik ben de Heere uw God.

18 En doet mijne inzettingen, en houdt mijne rechten en doet dezelve: zoo zult gij zéker wonen in het land;

19 en het land zal zijne vrucht geven, en gij zult eten tot verzadiging toe; en gij zult zéker daarin wonen.

20 En als gij zoudt zeggen: Wat zullen wij eten in den zevenden jare? Zie, wij zullen niet zaaien en onze inkomst niet inzamelen:

21 zoo zal ik mijnen zegen gebieden over u in het zesde jaar, dat het de inkomst voor driejaren zal voortbrengen.

22 Het achtste jaar nu zult gij zaaien, en zult van de oude inkomst eten tot het negende jaar toe; totdat zijne inkomst ingekomen is zult gij het oude eten.

23 Het land ook zal niet voor altoos verkocht worden; want het land is mijn, dewijl gij vreemdelingen en bijwoners bij mij zijt.


-ocr page 165-

: 24 Daarom zult gij in hot gan-- schc land uwer bezitting lossing jvoor het land toelaten.

25 Wanneer uw broeder zal ver-iarmdzijn, en iets van zijne bezitting verkocht zal hebben, zoo zal zijn losser, die hem nabestaande ;• is, komen, en zal het verkochte ; zijns broeders lossen.

2G En wanneer iemand geen : losser zal hebben, maar zijne hand bekomen en hij gevonden zal hebben zooveel genoeg is tot zijne ^ lossing,

27 dan zal hij de jaren zijner verkooping rekenen, en het overschot zal hij den man, wien hij het verkocht had weder uitkeeren, en zal weder tot zijne bezitting komen.

28 Maar indien zijne hand niet gevonden heeft wat genoeg is om aan hem weder uit te koeren, zoo zal zijn verkochte goed in de hand van deszelfs kooper zijn tot het jubeljaar toe; maar in het jubeljaar zal het uitgaan, en hij zal tot zijne bezitting wederkeeren.

29 Insgelijks wanneer iemand een woonhuis in een bemuurde stad zal verkocht hebben, zoo zal zijne lossing zijn totdat het jaar zijner verkooping volkomen zal zijn, in een vol jaar zal zijne lossing wezen.

30 Maar is het dat het niet gelost wordt, tegen dat hem het geheele jaar zal vervuld zijn,.zoo zal dat huis, hetwelk in die stad is die een muur heeft, voor altoos blijven aan hem die dat gekocht heeft, onder zijne geslachten; het zal in het jubeljaar niet uitgaan.

31 Doch de huizen der dorpen die rondom geen muur hebben, zullen als het veld des lands gerekend worden; daarvoor zal lossing zijn, en zij zullen in het jubeljaar uitgaan.

32 Aangaande de steden der Leviten, en de huizen der steden hunner bezitting, de Leviten zullen eene eeuwige lossing hebben.

33 En als men onder de Leviten lossing zal gedaan hebben, zoo zal de koop des huizes en der stad zijner bezitting in het jubeljaar uitgaan; want de huizen van de

451

steilen der Leviten zijn hunne bezitting in het midden der kinderen Israels.

34 Doch het veld van de voorstad hunner steden zal niet verkocht worden, want het is eene eeuwige bezitting voor hen.

35 En als uw broeder zal verarmd zijn, en zijne hand bij u wankelen zal, zoo zult gij hem vasthouden, zelfs eenen vreemdeling en bijwoner, opdat hij bij u leve.

30 Gij zult geen woeker noch overwinst van hem nemen; maar gij zult vreezen voor uwen God, opdat uw broeder bij u leve.

37 Uw geld zult gij hem niet op woeker geven, en gij zult uwe spijze niet op overwinst geven:

38 ik ben de IIickhk uw God, die u uit Egypteland gevoerd heb om u het land Kanaiin te geven, opdat ik u tot een God zij.

39 Desgelijks wanneer uw broederbij u zal verarmd zijn, en zich aan u verkocht zal hebben, RÜ zult hem niet doen dienen den dienst van een slaaf;

40 als een daglooner, als een bijwoner zal hij bij u zijn, tot het jubeljaar zal hij bij u dienen.

41 Dan zal hij van u uitgaan, hij en zijne kinderen met hem, en hij zal tot zijn geslachte wederkeeren en tot de bezitting zijner vaderen wederkeeren.

42 Want zij zijn mijne dienstknechten, die ik uit Egypteland uitgevoerd heb: zij zullen inet verkocht worden gelijk men een slaaf verkoopt.

43 Gij zult geen heerschappij over hem hebben met wreedheid, maar gij zult vreezen voor uwen God.

44 Aangaande uwen slaaf of uwe slavin, die gij zult hebben, die zullen van de volkeren zijn, die rondom u zijn; van die zult gij een slaaf of slavin koopen.

45 Gij zult ze ook koopen van de kinderen der bijwoners, die bij u als vreemdelingen verkeeren, uit hen en uit hunne geslachten, die bij u zullen zijn, die zij in uw land zullen gewonnen hebben; en zij zuilen u \'tot eene bezitting zijn.

40 En gij zult u tot bezitters over

LEVITICUS 25.


-ocr page 166-

LEVITICUS 26.

152

hen stellen voor uwe kinderen na u, opdat zij de bezitting erven: gij zult ze in eeuwigheid doen dienen ; maar over uwe broeders, de kinderen Israels, een iegelijk over zijnen broeder, gij zult over hem geen heerschappij hebben met wreedheid.

47 En wanneer de hand eens vreemdelings en bijwoners, die bij u is, wat bekomen zal hebben, en uw broeder die bij hem is verarmd zal zijn, dat hij zich aan den vreemdeling, den bijwoner die bij u is, of aan den stam van het geslacht des vreemdelings zal verkocht hebben:

48 nadat hij zich zal verkocht hebben, zal er lossing voor hem zijn: een van zijne broeders zal hem lossen;

49 of zijn oom, of de zoon zijns ooms zal hem lossen , of die uit de naasten zijns vleesches van zijn geslacht is zal hem lossen; of heeft zijne hand wat bekomen, dat hij zich zeiven losse.

50 En hij zal met zijnen kooper rekenen van dat jaar af dat hij zich aan hem verkocht heeft, tot het jubeljaar toe; alzoo dat het geld zijner verkooping zal zijn naar het getal der jaren, naar de dagen eens daglooners zal het met hem zijn.

51 Indien er nog vele van die jaren zijn, naar die zal hij tot zijne lossing van het geld, waarvoor hij gekocht is, wedergeven.

52 En indien er nog weinige van die jaren overgebleven zijn lot aan hot jubeijnar, zoo zal hij met hem rekenen: naar zijne jaren zal hij zijne lossing wedergeven.

53 Als een daglooner zal hij van jaar tot jaar bij hem zijn; men zal over hem geene heerschappij hebben met wreedheid voor uwe oogen.

54 En is \'t dat hij hierdoor niet gelost wordt, zoo zal hij in het jubeljaar uitgaan, hij en zijne kin-tieren mot hem.

55 Want de kinderen Israëls zijn mij tot dienstknechten, mijne dienstknechten zijn ze, die ik uit Egypteland uitgevoerd heb: ik ben de Heere uw God.

HOOFDSTUK 26. do

Gij zult ulieden geene afgoden ^0| maken, noch gesneden beeld noch ■ 1 opgericht beeld zult gij u stellen, f10! noch gebeelden steen in uw land zetten . om u daarvoor te buigen; l \' want ik ben de Ueehe uw God. ^11

2 Mijne sabbaten zult gij houden pv en mijn heiligdom zult gij vree-zen: ik ben de Heere. P?

3 Indien gij in mijne inzettingen ï11( wandelen en mijne geboden houden en die doen zult, Pv

4 zoo zal ik uwe regens geven

op hunnen tijd; en het land zal *e zijne inkomst geven, en het ge- oc boomte des velds zal zijne vrucht 111 geven;

5 en de dorschtijd zal u reiken Zl tot tien wijnoogst, en de wijnoogst zal reiken tot den zaaitijd; en gij zult uw brood eten tot verzadiging |( toe, en zult zéker in uwen lande quot; wonen. n

Ü Ook zal ik vrede geven in den lande, dat gij zult te slapen liggen ^ en er niemand zij die verschrikke; z en ik zal het boos gedierte uit het land doen ophouden, en het zwaard zal door uw land niet doorgaan. ,

7 En gij zult uwe vijanden ver- 1 volgen, en zij zullen voor uw aan- z gezicht door het zwaard vallen. c

8 Vijf uit u zullen honderd vervolgen, en honderd uit u zullen f tienduizend vervolgen; en uwe vij- ^ anden zullen voor uw aangezicht J door het zwaard vallen.

9 En ik zal mij tot u wenden, , en zal u vruchtbaar maken en u vermenigvuldigen; en mijn verbond zal ik met u bevestigen.

10 En gij zult het oude dat verouderd is eten, en het Dude zult gij vanwege het nieuwe uitbrengen.

11 En ik zal mijnen Tabernakel in het midden van u zetten, en mijne ziele zal van u niet walgen,

12 en ik zal in het midden van u wandelen, en zal u tcteen God zijn en gij zult mij tot een volk zijn:

13 ik ben de Heere uw God, die u uit der Egypter.aren land uitgevoerd heb opdat gij hunne slaven niet zoudt zijn, en ik heb


-ocr page 167-

LEVITT

do disselboom en uws juks verbroeien kon en heb u doen rechtop gaan. och i \'14 Maar indien gij mij niet zult en liooren, en alle deze geboden niet ind fult doen;

3n* en zoo gij mijne inzettingen I. \' Èmadelijk zult verwerpen, en zoo Ion We ziele van mijne rechten zal ec, jvvalgen, dat gij niet doet alle mijne \'gebeden, om mijn verbond te verben ïiietigen,

quot; 16 dit zal ik u ook doen. dat ik over u stellen zal verschrikking, en tering en koorts, die de oogen ver-ial teren en de ziele pijnigen; gij zult .■e, ook uw zaad te vergeefs zaaien, en \'ht uwe vijanden zullen dat opeten.

17 Daartoe zal ik mijn aange-0n zicht tegen ulieden zetten, dat gij st geslagen zult worden voor het aan-rij gezicht uwer vijanden; cn uwe ha-\'O- tors zullen over u heerschappij heb-Jq ben, en gij zult vlieden als u niemand vervolgt.

m 18 En zoo gij mij tot deze din-jri gen toe nog niet hooren zult, ik 3. zal nog daartoe doen, om u zeven-voudig over uwe zonden te tuch-^ t\'^en.

19 Want ik zal do hoovaardig-lieid uwer kracht verbreken, en

w zal uwen hernel als ijzer maken en uwe aarde als koper;

20 en uwe macht zal ijdellijk ver-n daan worden; en uw land zal zijne j, inkomst niet geven, en het ge-^ boomte des lands zal zijne vrucht

niet geven.

21 En zoo gij met mij in legen-[ heid wandelen zult, en mij niet 2 zult willen hooren, zoo zal ik over

u, naar uwe zonden, zevenvoudig slagen toevoegen;

22 want ik zal onder u zenden het gediene des voids, hetwelk u berooven en uw vee uitroeien en

[ u verminderen zal, en uwe wegen zullen woest worden.

23 Indien gij door deze dingen mij nog niet getuchtigd zult zijn, maar met mij in tegenheid zult wandelen,

24 zoo zal ik ook met u in tegenheid wandelen, en ik zal u ook zevenvoudig over uwe zonden slaan.

25 Want ik zal een zwaard over u brengen, dat de wrake des ver-bonds wreken zal, zoodat gij in

G U S 26. 153

uwe steden vergaderd zult worden; dan zal ik de pest in het midden van u zenden, en gij zult in de hand des vijands overgegeven worden.

20 Als ik u den staf des broods zal gebroken hebben, dan zullen tien vrouwen uw brood in écnen oven bakken, en zullen uw brood bij het gewicht wedergeven; en gij zult eten maar niet verzadigd worden.

27 Als gij ook hierom mij niet hooren zult, maar met mij wandelen zult in tegenheid,

28 zoo zal ik ook met u in heet-grimmige tegenheid wandelen, en ik zal u ook zevenvoudig over uwe zonden tuchtigen.

29 Want gij zult het vleeschuwer zonen eten, en het vleesch uwer doch teren zult gij eten,

30 En ik zal uwe hoogten verderven en uwe zonnebeelden uitroeien, en zal uwe doode lichamen op de doode lichamen uwer drekgoden werpen; en mijne ziele zal van u walgen.

31 En ik zal uwe steden eene woestijn maken en uwe heiligdommen verwoesten; en ik zal uwen liefelijken reuk niet ruiken.

32 Ja, ik zal dat land verwoesten, dat uwe vijanden, die daarin zullen wonen, zich daarover ontzetten zullen.

33 Daartoe zal ik n onder de heidenen verstrooien en een zwaard achter u uittrekken, en uw land zal woest en uwe steden zullen eene woestijn zijn.

34 Dan zal het land aan zijne sabbaten een welgevallen hebben alle de dagen der verwoesting, ea gij zult in het land uwer vijanden zijn; dan zal het land rusten en aan zijne sabbaten een welgevallen hebben:

35 allo de dagen der verwoesting zal het rusten, overmits het niet iustte in uwe sabbaten, als gij daarin woondet.

30 En aangaande de overgeblevenen onder u, ik zal in hun hart eene weekheid in de landen hunner vijanden laten komen, zoodat het geruisch van een gedreven blad hen jagen zal, en zij zullen vlieden gelijk men vliedt voor een zwaard,


-ocr page 168-

154 L E VI T

en zullen vallen daar niemand is die jaagt;

37 en zij zullen de één op den ander als voor het zwaard vallen, daar niemand is die jaagt; en gij zult voor het aangezicht uwer vijanden niet kunnen bestaan;

38 maar gij zult omkomen onder de heidenen, en het land uwer vijanden zal u verteren.

39 En de overgeblevenen onder u zullen om hunne ongerechtigheid in de landen uwer vijanden uitteren; ja ook om de ongerechtigheden hunner vaderen zullen zij met hen uitteren.

40 Dan zullen zij hunne ongerechtigheid belijden en tie ongerechtigheid hunner vaderen met hunne overtredingen. waarmede zij tegen mij overtreden hebben, en ook dat zij met mij in tegenheid gewandeld hebben,

41 dat ik ook met hen in tegenheid gewandeld en hen in het land hunner vijanden gebracht zal hebben. Zoo dan hun onbesneden harte gebogen wordt, en zij dan aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen hebben,

42 dan zal ik gedenken aan mijn verbond met Jakob, en ook aan mijn verbond met Isaak, en ook aan mijn verbond mei Abraham zal ik gedenken, en aan het land zal ik gedenken;

43 als het land om hunnentwil zal verlaten zijn geweest en aan zijne sabbaten een welgevallen gehad hebben, wanneer liet om hunnentwil verwoest was, en zij aan de straf hunner ongerechtigheid een welgevallen zullen gehad hebben ; daarom, en omdat zij mijne rechten hadden verworpen, en hunne ziele van mijne inzettingen gewalgd had.

44 En hierenboven is dit ook: als zij in het land hunner vijanden zullen zijn, zal ik hen niét verwerpen , noch van hen walgen, om een einde van hen te maken, vernietigende mijn verbond niet hen; want ik ben de Heere hun God.

45 Maar ik zal, hun ten beste, gedenken des verbonds der voorouderen, die ik uit Egypteland

IC US 27.

voor de oogen der heidenen uitgevoerd lieb, opdat ik hun tot eeneu A God ware: ik ben de Heere. {

4(i Dit zijn die inzettingen en die f

rechten en die wetten, welke do 1

Heere gegeven heeft tusschen zich \\

en tusschen de kinderen Israels, ;

op den berg Sinaï, door de hand g

van Mozes. Ij

HOOFDSTUK 27. gt;

Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende: \\

2 Spreek tot de kinderen Israels j en zeg tot hen: Wanneer iemand . eene gelofte zal afgezonderd hebben, naar uwe schatting zullen de zielen des Heeren zijn. 1 i

Als uwe schatting eens mans zal zijn van twintig jaren oud tot eenen die zestig jaren oud is, dan zal uwe schatting zijn van vijftig ■ sikkelen zilvers, naar den sikkel des heiligdoms.

4 Maar is het eene vrouw, dan zal uwe schatting zi n dertig sikkelen.

5 En is het van een die vijf jaren oud is tot een die twintig jaar oud is, zoo zal uwe schatting eens mans twin tig sil vkelen zijn, en voor eene vrouw tien sikkelen.

0 Maar is het van eenen die een maand oud is, tot eenen die vijf Jaren oud is, zoo zal uwe schatting eens mans zijn vijf sikkelen zilvers, en uwe schatting over eene vrouw zal zijn drie sikkelen zilvers.

7 En is het van eenen die zestig jaar oud is en daarboven, is het een man, zoo zal uwe schatting zijn vijftien sikkelen, en voor eene vrouw tien sikkelen.

8 Maar zoo hij irmer is dan uwe sch atting zoo zal hij zich voor het aangezicht des Priesters zetten, opdat de Priester hem schatte; naar dat de hand cesgenen, die de gelofte gedaan heeft, zal kunnen bekomen, zal de Priester hem schatten.

9 En indien het een beest is, waarvan men den Heere offerande offert. al wat hij daarvan den Heere zal gegeven heb oen, zal heilig zijn.

10 Hij zal niet vermangelen, noch


-ocr page 169-

Ij E VITI

GUS 27.

155

gt;e\' lioIzelve verwisselen, een goed 6,1 yoor een kwaad of een kwaad voor feu goed; indien hij nogtans een i fieosi voor een beest eenigszins ^.0 Verwisselt, zoo zal dit en wat cquot; ilaarvoor verwisseld is heilig zijn. s\' i li En indien het eenig onrein Iheest is, van hetwelk men den piEERE geen offerande olfert, zoo Izal hij dat beest voor het aangè-izicht des Priesters zetten; 0quot; 12 en de Priester zal dat schat-jten, naar dat het goed of kwaad fis; naar uwe scha tting, Priester, |zuó zal het zijn.

I\' 13 Maar indien hij het immers \'c A lossen zal, zoo zal hij deszelfs vijfde-

|deel boven uwe schatting toedoen. 15 14 En wanneer iemand zijn huis ^ zal geheiligd hebben, dat liet den 11 Heeue heilig zij, zoo zal de Pries-£ ter dat schatten, naar dat het goed of kwaad is; gelijk als de Priester dat geschat zal hebben, zóó zal 11 . het stand hebben.

15 En indien hij die ?t geheiligd heeft zijn huis zal lossen, zoo zal quot; hij een vijfdedeel des gelds uwer schatting daarboven toedoen, zoo * zal \'t het zijne zijn.

r 10 Indien ook iemand van den akker zijner bezitting den Heeue i I wat geheiligd zal hebber., zoo zal \' uwe schatting zijn naar zijn zaad: een homer gerstezaad zal zijn op vijftig sikkelen zilvers.

17 Indien hij zijnen akker van het jubeljaar aan geheiligd zal hebben, zoo zal het naar uwe schatting stand hebben.

18 Maar zoo hij zijnen akker na het jubeljaar geheiligd zal hebben, dan zal hem de Priester het geld rekenen naar de jaren, die nog overig zijn tot het jubeljaar, en het zal van uwe schatting afgetrokken worden.

19 En indien hij die den akker geheiligd heeft dehzelven gansche-lijk lossen zal, zoo zal hij een vijfdedeel des gelds uwer schatting daarboven toedoen, en dezelve zal hem gevestigd zijn.

20 P^n indien hij dien akker niet zal lossen, of indien hij dien akker aan een ander man verkocht heeft, zoo zal hij niet meer gelost worden;

21 maar die akker nadat hij in

het jubeljaar zal uitgegaan zijn, •zal den IIeere heilig zijn, als een verbannen akker; do bezitting daarvan zal des Priesters zijn.

22 Eu indien hij den IIeere eenen akker heeft geheiligd dien hij gekocht heeft, en die niet is van den akker zijner bezitting,

23 zoo zal de Priester hem rekenen de som uwer schatting tot het jubeljaar; en hij zal op denzelven dag uwe schatting geven, eene heiligheid den IIeere.

24 In het jubeljaar zal die akker wederkomen tot dien van welken hij hem gekocht had, tot hem, wiens de bezitting van dat land was.

25 Al uwe schatting nu zal naar den sikkel des heiligdoms geschieden; de sikkel zal zijn van twin-liK gera.

2ü Maar het eerstgeborene, dat den IIeere van een beest eerst geboren wordt, dat zal niemand heiligen; hetzij een os of klein vee, het is des Heeren.

27 Doch is \'t van een onrein beest, hij zal dat lossen naar uwe schatting, en zal zijn vijfdedeel daarboven toedoen; en indien het niet gelost wordt, zoo zal het verkocht worden naar uwe schatting.

28 Evenwel niets dat verbannen is, dat iemand den IIeere zal verbannen hebben, van al hetgeen dat hij heeft, van een mensch of een beest, of van den akker zijner bezitting, zal verkocht noch gelost worden; al wat verbannen is zal den IIeere eene heiligheid der heiligheden zijn.

29 Al wat verbannen is, dat van de menschen zal verbannen zijn, zal niet gelost worden, het zal zekerlijk gedood worden.

30 Ook alle tienden des lands, van den zade des lands, van de vrucht van het geboomte, zijn des Heeren, zij zijn den IIeere quot;heilig.

31 Maar zoo iemand van zijne tienden immers iets lossen zal, hü zal zijn vijfdedeel daarboven toedoen.

32 Aangaande alle de tienden van runderen en klein vee, alles wat onder de roede zal doorgaan, het tiende zal den Heere heilig zijn.


-ocr page 170-

NU MER I 1.

156

33 Hij zal tusschen het goede en het kwade niet onderzoeken, hij zal het ook niet verwisselen; maar indien hij dal immers verwisselen zal, zoo zal dit en wat daarvoor verwisseld is, heilig zijn, het zal niet gelost worden.

34 Dit zijn de geboden, die de Heere Mozes geboden heeft aan de kinderen Israels, op den berg Sinaï.


HET VIERDE BOEK VAN MOZES

GENAAMD

NUMERL

HOOFDSTUK 1.

Voorts sprak de Heere tot Mozes in de woestijn Sinaï, in de Tente der samenkomst, op den eerste der tweede maand in het tweede jaar nadat zij uit Egypteland uitgetogen waren, zeggende:

2 Neem op de som van de ge-heele vergadering der kinderen Israels, naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van alles wat mannelijk is, hoofd voor hoofd:

3 van twintig jaar oud en daarboven , allen die ten heire in Israël uittrekken; die zult gij lellen naar hunne heiren, gij en Aaron.

4 En met ulieden zullen zijn van eiken stam één man, die een hoofdman is over zijner vaderen huis.

5 Deze zijn nu de namen dur mannen die bij u slaan zullen: van Ruben, Elizur de zoon van Se-dettr.

6 Van Simeon, Selumiël, de zoon van Zurisaddai.

7 Van Juda, Nahesson, de zoon van Am mi nadab.

8 Van Issaschar, Nethaneël, de zoon van Zuar.

9 Van Zebulon, Eliab, de zoon van Helon.

10 Van de kinderen Jozefs: van Efraïm, Elisama, de zoon van Am-mihud; van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur.

11 Van Benjamin, Abidan, de zoon van Gideoni.

12 Van Dan, Ahiëzer, de zoon an Ammisaddai.

13 Van Aser, Pagiël, de zoon van Ochran.

14 Van Gad, Eljasaf, de zoo i van Dehuël.

15 Van Naflali, Ahira, de zoon van Enan.

16 Deze waren de geroepenen der vergadering, de overster. der stammen hunner vaderen; zij waren de hoofden der duizenden Israels.

17 Toen namen Mozes en Aaron die mannen, welke met namen uitgedrukt zijn,

18 en zij verzamelden de geheele vergadering op den eersten dag der tweede maand; en die verklaarden hunne afkomst naar hunne geslachten , naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van wie twintig jaar oud was en daarboven, hoofd voor hoofd.

19 Gelijk de Heere Mozes geboden had, zoo heeft hij ze geteld in de woestijn Sinaï.

20 Zoo waren de zonen van Ruben , den eerstgeborene Israels, hunne geboorten naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen hoofd voor hoofd, al wat mannelijk was van twintig jaar oud en daarboven, allen die ten heire uittrokken:

21 hunne getelden van den stam Rubens waren zesenveertigduizend en vijfhonderd.

22 Van de zonen Simeons, hunne geboorten naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, zijne getelden, in het getal der namen hoofd voor hoofd, al wat man-


-ocr page 171-

NUMERI 1.

157

nelijk was van twintig jaar oud en daarboven, allen die ten heire uittrokken:

23 hunne geleiden van den stam Simeons waren negenenvijftigduizend en driehonderd.

24 Van de zonen Gads, hunne geboorten naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaar oud en daarboven, allen die ten heire uittrokken,

25 waren hunne getelden van den stam Gads vijfenveertigduizend zeshonderd en vijftig.

20 Van de zonen van Juda, hunne geboorten naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaar ouden daarboven, allen die ten heire uittrokken,

27 waren hunne getelden van den stam van Juda vierenzeventigduizend en zeshonderd.

28 Van de zonen Issaschars, hunne geboorten naar hunne geslachten , naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaar oud en daarboven, allen die ten heire uittrokken,

29 waren hunne getelden van den stam Issaschars vierenvijftigduizend en vierhonderd.

30 Van de zonen Zebulons, hunne geboorten naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaar oud en daarboven, allen die ten heire uittrokken,

31 waren hunne getelden van den stam Zebulons zevenenvijftigduizend en vierhonderd.

32 Van de zonen Jozefs: van de zonen Efraïms, hunne geboorten naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaar oud en daarboven, allen die ten heire Uittrokken,

33 waren hunne getelden van den stam Efraïms veertigduizend en vijfhonderd;

34 van de zonen van Manasse, hunne geboorten naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal dor namen van twintig jaar oud en daarboven, allen die ten heire uittrokken,

35 waren hunne getelden van den sr.ara van Manasse tweeendertigduizend en tweehonderd.

36 Van de zonen Benjamins, hunne geboorten naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaar oud en daarboven, allen die ten heire uittrokken,

37 waren hunne getelden van den stam Benjamins vijfendertigduizend en vierhonderd.

38 Van de zonen Dans, hunne geboorten naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaar oud en daarboven, allen die ton heire uittrokken,

39 waren hunne getelden van den stam Dans tweeënzestigduizend en zevenhonderd.

40 Van de zonen Asers, hunne geboorten naar hunne geslachten, naar het huis hunner vado en, in het geta\' der namen van twintig jaar oud en daarboven, allen die ten heire uittrokken,

41 waren hunne getelden van den stam Asers éénenveertigduizend en vijfhonderd.

42 Van de zonen Naftali\'s hunne geboorten naar hunne geslachten , naar het huis hunner vaderen, in het getal der namen van twintig jaar ouden daarboven, allen die ten heire uittrokken,

43 waren hunne getelden van den stam Naftali\'s drieënvijftigduizend en vierhonderd.

44 Deze zijn de getelden, welke Mozes geteld heeft, en Aiiron, en de oversten Israels; twaalf mannen waren zij, elk één over het-huis zijner vaderen.

45 Alzoo waren alle de getelden der zonen Israels, naar het huis hunner vaderen, van twintig jaar oud en daarboven, allen die in Israël ten heire uittrokken,

40 alle de getelden dan waren zeshonderdduizend en drieduizend en vijfhonderd en vijftig.

47 Maar de Leviten, naar den stam hunner vaderen, werden onder hen niet geteld;

-tó want de Heere had tot Mozes gesproken, zeggende:

49 Alleen den slam Levi zult


-ocr page 172-

NÜMERI 2.

158

gij niet tellen, noch hunne som opnemen onder de zonen Israels.

50 Muar gij, stel de Levilen over den Tabernakel der getuigenis en over al zijn gereedschap en over alles wat quot;daartoe behoort; zij zullen den Tabernakel diagen en al zijn gereedschap, en zij zullen dien bedienen, en zij zullen zich rondom den Tabernakel legeren.

51 En als de Tabernakel zal optrekken , de Levi ten zullen denzel-ven afnemen; en wanneer de Tabernakel zich legeren zal, zullen de Leviten denzelven oprichten; en de vreemde die daarbij komt zal gedood worden.

52 En de kinderen Israels zullen zich legeren een iegelijk bij zijn leger en een iegelijk bij zijne banier, naar hunne heiren;

53 maar de Leviten zullen zich legeren rondom den Tabernakel dei-getuigenis , opdat geen verbolgenheid over de vergadering der kinderen Israels zij; daarom zullen de Leviten de wacht van den Tabernakel der getuigenis waarnemen.

54 Zoo deden de kinderen Isra-ëls; naar alles wat de Heere Mo-zes geboden had, zóó deden zij.

HOOFDSTUK 2.

En de Heere sprak tot Mozes en tot Aiiron, zeggende:

2 De kinderen Israels zullen zich legeren een ieder onder zijne banier, naar de teekenen van het huis hunner vaderen; rondom tegenover de Tente der samenkomst zullen zij zich legeren.

3 Die zich nu legeren zullen oostwaarts tegen den opgang, zal zijn de banier van het leger van Juda, naar hunne heiren; en Nahesson, de zoon Amminadabs zal de overste der zonen van Juda zijn.

4 Zijn heir nu en hunne geleiden waren vierenzeventigduizend en zeshonderd.

5 En nevens hem zal zich legeren de stam Issaschars; en Ne-thaneöl, de zoon Zuars zal de overste der zonen Issaschars zijn.

6 Zijn heir nu en zijne geleiden waren vierenvijftigduizend en vierhonderd;

7 DaarLoe de stam Zebulons; en Eliab de zoon van Helen zal de overste der zonen Zebulons zijn.

8 Zijn heir nu en zijne geleiden waren zevenenvijftigduizend en vierhonderd.

9 Alle de geleiden des legers van Juda waren honderdduizend en zesentachtigduizend en vierhonderd, naar hunne heiren. Zij zullen vooraan optrekken.

10 De banier van het leger Rubens, naar hunne heiren, zal tegen liet Zuiden zijn; en Elizur, de zoon van Sedeür, zal de overste der zonen Rubens zijn.

11 Zijn heir nu en zijne geleiden waren zesenveertigduizend en vijfhonderd.

12 En nevens hein zal ziel legeren de stam Simeons; en Selumiël, de zoon van Zurisaddai, zal de overste der zonen Simeons zijn.

13 Zijn heir nu en hunne geleiden waren negenenvijftigduizend en driehonderd.

14 Daartoe de stam Gads; en Eljasaf, de zoon Rehuëls, z il de overste der zonen Gads zijn.

15 Zijn heir nu en hunne geleiden waren vijfenveertigduizend en zeshonderd en vijftig.

16 Alle de geleiden in het leger van Ruben waren honderdduizend en eenenvijftigduizend en vierhonderd en vijftig, naar hunne heiren. En zij zullen de tweede optrekken.

17 Daarna zal de Tente der samenkomst optrekken, met het leger der Leviten, in het midden der legers; gelijk zij zich legeren zullen, alzóó zullen zij optrekken, een iegelijk aan zijne plaatse, naar hunne banieren.

18 De banier van het leger Efraïms, naar hunne heiren, zal tegen het Westen zijn; en Elisama, de zoon van Ammihud, zal de overste der zonen Efraïms zijn.

19 Zijn heir nu en hunne ge telden waren veertigduizend en vijfhonderd.

20 En nevens hem de stan:. van Manasse; en Gamaliël, de zoon van Pedazur, zal de overste der zonen van Manasse zijn.

21 Zijn heir nu en hunne getel-


-ocr page 173-

NU ME HI 3.

159

den waren tweeëndertigduizend en tweehonderd.

22 Daartoe de stam Benjamins; en Abidan, de zoon van Gideoni, zal de overste der zonen Benjamins zijn.

23 Zijn heir nu en hunne geleiden waren vijfendertigduizend en vierhonderd.

24 Alle de geleiden in het leger Efraïms waren honderdenachtdui-zend en éénhonderd, naar hunne heiren. En 2Ü zullen de derde optrekken.

25 De banier van het leger van Dan zal tegen het Noorden zijn, naar hunne heiren; en Ahiëzer, de zoon van Ammisaddai, zal de overste der zonen van Dan zijn.

26 Zijn heir nu en hunne geleiden waren tweeënzestigduizend en zevenhonderd.

27 En nevens hem zal zich legeren de stam Asers; en Pagiël, de zoon van Ochran , zal de overste der zonen Asers zijn.

28 Zijn heir nu en hunne geleiden waren éénenveertigduizend en vijfhonderd.

29 Daartoe de stam Naflali\'s; en Ahira, de zoon van Enan, zal de overste der zonen van Naflali zijn.

80 Zijn heir nu en hunne geleiden waren drieënvijftigduizend en vierhonderd.

31 Alle de geleiden in hot leger van Dan waren honderdduizend en zevenenvijftigduizend en zeshonderd. In\' het achterste zullen ZÜ optrekken, naar hunne banieren.

32 Deze zijn de geleiden der kinderen Israels, naar het huis hunner vaderen; alle de geleiden der legers, naar hunne heiren, waren zeshonderdduizend en drieduizenden vijfhonderden vijftig.

33 Maar de Leviten werden niet geteld onder de zonen Israels gelijk als de Heehe Mozes geboden had.

34 En de kinderen Israels deden naar alles wat de Heehe Mozes geboden had, zóó legerden zij zich naar hunne banieren, en zóó trokken zij op, een iegelijk naar zijne geslachten, naar het huis zijner vaderen.

HOOFDSTUK 3.

Dit nu zijn de geboorten van Aiiron en Mozes, ten dage als de Heerr met Mozes gesproken heeft op den berg Sinaï.

2 En dit zijn de namen der zonen Aiirons: de eerstgeborene Nadab, daarna Abihu, Eleazar en llha-mar.

3 Dit zijn de namen der zonen Aiirons, der Priesterendie gezalfd waren, welker hand men gevuld had om het Priesterambt te bedienen.

4 Maar Nadab en Abihu stierven voor het aangezicht des Heeren, als zij vreemd vuur voor het aangezicht des Heeren in de woestijn Sinaï brachten, en hadden geen kinderen; doch Eleazar en Ithamar bedienden het Priesterambt voor het aangezicht hunnes vaders Aiirons.

5 En de Heere sprak tot Mozes, zeggende:

(J Doe den slam Levi naderen, en stel hem voor het aangezicht des Priesters Aiirons, opdat zij hem dienen,

7 en dat zij waarnemen zijne wacht, en de wacht der geheele vergadering, vóór de Teute der samenkomst, om den dienst des Tabernakels Ie bedienen;

8 en dat zij al het gereedschap van de Tente der samenkomst en de wacht der kinderen Israels waarnemen, om den dienst des Tabernakels te bedienen.

9 Gij zult dan aan Aiiron en zijne zonen de Leviten geven; zij zijn gegeven, zij zijn hem gegeven, uil de kinderen Israels..

10 Maar Aiiron en zijne zonen zult gij stellen, dat zij hun Priesterambt waarnemen; en de vreemde die nadert zal gedood worden.

11 En de Heere sprak tot Mozes, zeggende:

12 En ik, zie, ik heb de Leviten uit het midden der kinderen Israels genomen, in plaats van allen eerstgeborene, die de baarmoeder opent, uit de kinderen Israels; en de Leviten zullen mijne zijn.

13 Want alle- eerstgeborene is mijn; van den dag dat ik alle


-ocr page 174-

160

eerstgeborenen in Egyplelandsloeg, heb ik mij geheiligd allo eerstgeborenen in Israël, van de men-sehen tot do beesten; zij zullen mijne zijn: ik ben de Heeue.

14 En de Heeue sprak totMozes in de woestijn Sinaï, zeggende:

15 Tel de zonen van Levi naar het huis hunner vaderen, naar hunne geslachten; al wat mannelijk is, van eene maand oud en daarboven, die zult gij tellen.

1(3 En Mozes telde ze naar het bevel des Heeren, gelijk hem geboden was.

17 Dit nu waren de zonen van Levi met hunne namen: Gerson, en Kohath, en Merari.

18 En dit zijn de namen der zonen Gersons. naar hunne geslachten: Libni en Simei.

19 En de zonen Kohaths, naar hunne geslachten: Amram en Jiz-har, Hebron en Uzziël.

20 En de zonen van Merari, naar hunne geslachten: Mahli en Musi; dit zijn de geslachten der Leviten, naar het huis hunner vaderen.

21 Van Gerson was het geslacht der Libniten en het geslacht der Simeïten, dit zijn de geslachten der Gersoniten.

22 Hunne getelden in getale waren van alles wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, hunne getelden waren zevenduizend en vijfhonderd.

23 De geslachten der Gersoniten zullen zich legeren achter den Tabernakel westwaarts.

24 De overste nu van het vaderlijke huis der Gersoniten zal zijn Éljasaf de zoon van Laël.

25 En de wacht der zonen Gersons in de Tente der samenkomst zal zijn de Tabernakel en de Tente, haar deksel, en het deksel aan de deure der Tente der samenkomst;

20 en de behangselen des voogt;\'-hofs, en het deksel der deure des voorhofs, welke bij den Tabernakel en bij het altaar rondom zijn; mitsgaders zijne zelen, tot zijnen ganschen dienst.

27 En van Kohath is het geslacht der Amramiten, en het geslacht der Jizhariten, en het geslacht der Hebroniten, en het geslacht der Uzzicliten; dit zijn de geslachten der Kohathiten.

28 In getale van al wat mannelijk was, van een maand oud en daarboven, waren achtduizend en zeshonderd, waarnemende de wacht des heiligdoms.

29 De geslachten der zonen Kohaths zullen zich legeren aan de zijde des Tabernakels zuidwaarts.

30 Do overste nu van het vaderlijke huis der geslachten dor Kohathiten zal zijn Elizafan, de noon Uzziëls.

31 Hunne wacht nu zal zijn de Arke, en do tafel, en de kandelaar, en de altaren, en het gereedschap des heiligdoms met hetwelk zij dienst doen, en het deksel, en al tuat tot zijnen dienst behoort.

32 De overste nu der oversten van Levi zal zijn Eleazar, de zoon van Aaron den Priester: zijn opzicht zal zijn over degenen die de wacht des heiligdoms waarnemen.

33 Van Merari is het geslacht der Maheliten en het geslacht der Musiten: dit zijn de geslachten van Merari.

34 En hunne getelden in getale van al wat mannelijk was, van eene maand oud eh daarboven, waren zesduizend en tweehonde-\'d.

35 De overste nu van het vaderlijke huis der geslachten van Merari zal zijn Zuriël, de zoon Abi-haïls; zij zullen zich legeren aan de zijde des Tabernakels noordwaarts.

30 En het opzicht der wachten van de zonen van Merari zal zijn over de stijlen des Tabernakels, en zijne richelen en zijne pilaren, en zijne voeten, en al zijn gereedschap , en al wat tot zijnen dienst behoort;

37 en de pilaren des voorhofs rondom, en hunne voeten, en hunne pennen, en hunne zelen.

38 Die nu zich legeren zullen vóór den Tabernakel oostwaarts, vóór de Tente der samenkomst legen den opgang, zullen zijn Mozes en Aaron met zijne zonen, waarnemende de wacht des heiligdoms , voor de wacht der kinderen

NUMERI 3.


-ocr page 175-

NUMERI 4.

161

Israels; en de vreemde die nadert zal gedood worden.

39 Alle geleiden der Leviten, welke Mozes en Aaron op het bevel des Heeren naar hunne geslachten geteld hebben, al wat mannelijk was van een maand oud en daarboven, waren tweeëntwintig-duizend.

40 En de Heere zeidc tot Mozes: Tel alle eerstgeborenen die mannelijk zijn onder de kinderen Israels, van een maand oud en daarboven , en neem het getal hunner namen op.

41 En gij zult voor mij de Leviten nemen, (ik ben de Heere), in plaats van alle eerstgeborenen onder de kinderen Israels, en de beesten der Leviten in plaats van alle eerstgeborenen onder de beesten der kinderen Israëls.

42 Mozes dan telde, gelijk als de Heere hem geboden had, alle eerstgeborenen onder de kinderen Israëls.

43 En alle eerstgeborenen, die mannelijk waren, in het getal der namen van een maand oud en daarboven , naar hunne getelden, waren tweeëntwintigduizend tweehonderd en drieënzeventig.

44 En de Heer 12 sprak tot Mozes, zeggende:

45 Neem de Leviten in plaats van alle eerstgeboorte onder de kinderen Israëls,,en de beesten der Leviten in plaats van hunne beesten ; want de Leviten zullen mijne zijn: ik ben de Heere.

46 Aangaande de tweehonderd en drieënzeventig, die gelost zullen worden, die overschieten boven de Leviten van de eerstgeborenen der kinderen Israëls:

47 gij zult voor elk hoofd vijf sikkels nemen; naar den sikkel des heiligdoms zult gij ze nemen: die sikkel is twintig gera.

48 En gij zult dat geld Aaron en zijnen zonen geven, het geld der gelosten die onder hen overschieten.

49 Toen nam Mozes dat losgeld van degenen die overschoten boven de gelosten door de Leviten;

50 van de eerstgeborenen der kinderen Israëls nam hij dat geld, duizend en driehonderd en vijfenzestig sikkelen, naar den sikkel des hc iligdoms;

51 ea Mozes gaf dat geld der gelosten Aaron en zijnen zonen, naar het bevel des Heeren, gelijk als de Heere Mozes geboden had. HOOFDSTUK 4.

En de Heere sprak tot Mozes en tot Aiiron, zeggende:

2 Neemt op de som der zonen Kohaths, uit het midden der zonen van Levi, naar hunne geslachten, naar liet huis hunner vaderen,

3 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud; al wie tot dezen strijd inkomt, om het werk in de Tente der samenkomst te doen.

4 Dit zal de dienst zijn der zonen Kohaths in de Teute der samenkomst , te weten de heiligheid der heiligheden.

5 In het optrekken des legers zoo zullen Aiiron en zijne zonen komen en den voorhang des deksels afnemen, en zullen daarmede de Arke der getuigenis bedekken;

ü en zij zullen een bedeksel van dassenvellen daarop leggen, en een geheel kleed van hemelsblauw daar bovenop uitspreiden; en zij zullen derzei ver handboomen aanleggen.

7 Zij zullen ook op de toontafel een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen daarop zetten de schotelen en de reukschalen en de kroezen en de dekschotelen, ook zal het gedurig brood daarop zijn;

8 daarna zullen zij een scharla-. ken kleed daarover uitspreiden, en zullen dat met een bedeksel van dassenvellen bedekken; en zij zullen derzelver handboomen aanleggen.

Ü Dan zullen zij een kleed van hemelsblauw nemen, en bedekken den kandelaar des luchters, en zijne lampen en zijne snuiters en zijne bluschvaten\'en alle zijne olievaten, met welke zij aan denzel-ven dienen;

10 zij zullen ook denzelven en al zijn gereedschap in een bedeksel van dassenvellen doen, en 6


-ocr page 176-

NUMERI 4.

1G2

zullen hem op den draagboom leggen.

11 En over liet gouden altaar zullen zij een kleed van hemelsblauw uitspreiden, en zullen dat met een bedeksel van dassenvellcn bedekken; en zij zullen deszelfs handboomen aanleggen.

12 Zij zullen ook nemen alle gereedschap des dienstes, met hetwelk zij in het heiligdom dienen, en zullen het leggen in een kleed van hemelsblauw, en zullen hetzelve met een bedeksel van dassen-vellen bedekken, en zullen het op den draagboom leggen.

13 En zij zullen de asch van het altaar vegen, en zij zullen daarover een kleed van purper uitspreiden ;

14 en zij zullen daarop leggen al zijn gereedschap waarmede zij aan denzelven dienen, dekoolpan-nen, de krauwden en de schoffelen en de sprengbekkens, al het gereedschap des altaars; en zij zullen daarover een bedeksel van dassenvellen uitspreiden, en zullen deszelfs handboomen aanleggen.

15 Als nu Aaron en zijne zonen het dekken van het heiligdom en van alle gereedschap des heilig-doms in het optrekken des legers zullen voleindigd hebben, zoo zullen daarna de zonen Kohaths komen om te dragen; maar zij zullen het heilige niet aanroeren, dat zij niet sterven. Dit is de last der zonen Kohaths in de Tente der samenkomst.

1G Het opzicht nu van Eleazar, den zoon Aarons des Priesters, zal zijn over de olie des luchters, en het reukwerk der welriekende specerijen, en het gedurig spijsoffer, en de zalfolie: het opzicht des ganschen Tabernakels, en alles wat daarin is, aan het heiligdom en aan zijn gereedschap.

17 En de Heere sprak lot Mo-zes en tot Aaron, zeggende:

18 Gij zult den stam van de geslachten der Kohathiten niet laten uitgeroeid worden uit het midden der Leviten;

19 maar dit zult gij hun doen, opdat zij leven en niet sterven, als zij tot de heiligheid der heiligheden toetreden zullen: Aaron en zijne zonen zullen komen, en stellen hen een ieder over zijnen dienst en aan zijnen last;

20 doch zij zullen niet inkomen om te zien als men het heiligdom inwindt, dat zij niet sterven.

21 En de HEERE sprak tot Mo-zes, zeggende:

22 Neem ook op de som der zonen Gersons, naar het huis hunner vaderen, naar hunne geslachten:

23 gij zult ze tellen van dertig jaar oiid en daarboven tot vijftig jaar oud, al wie inkomt om den strijd te strijden, opdat hij den dienst bediene in de Tente der samenkomst.

24 Dit zal zijn de dienst der geslachten der Gersoniten, in het dienen en in den last:

25 zij zullen dan dragen de gordijnen des Tabernakels, en dc Tente dér samenkomst, tc weten haar bedeksel, en het dassendeksel dat er bovenop is, en het bedeksel der deur van de Tente der samenkomst;

26 en de hehangselen des voor-hofs, en het bedeksel der deur van de poort des voorhofs hetwelk is bij den Tabernakel en bij het altaar rondom, en hunne zelen en al het gereedschap van hunnen dienst, mitsgaders al wat daarvoor bereid wordt opdat zij dienen.

27 De gehecle dienst van de zonen der Gersoniten, in al hunnen last en in al hunnen dienst, zal zijn naar het bevel Aarons en zijner zonen; en gijlieden zult hun ter bewaring al hunnen last bevelen.

28 Dit is de dienst der geslachten van de zonen der Gersoniten in de Tente der samenkomst; en hunne wacht zal zijn onder de hand van Ithamar, den zoon Aarons des Priesters.

29 Aangaande de zonen vanMe-rari, die zult gij naar hunne geslachten en naar het huis hunner vaderen tellen:

30 gij zult ze tellen van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, al wie inkomt tot dezen strijd, om te bedienen den dienst van de Tente der samenkomst.


-ocr page 177-

ERI 5.

N U M

1G3

31 Dit zal nu zijn de onderhouding van hunnen last, naar ai hunnen dienst, in de Tente der samenkomst : de stijlen des Tabernakels, en zijne richêlen, en zijne pilaren, en zijne voeten;

32 mitsgaders de pilaren des voorhofs rondom, en hunne voeten , en hunne pennen , en hunne zelen, met al hun gereedschap, en met al hunnen dienst; en het gereedschap van de waarneming van hunnen last zult gij bij namen tellen.

33 Dat is de dienst van de geslachten der zonen van Merari, naar hunnen ganschen dienst in de Tente der samenkomst, onder de hand van Ithamar, den zoon Aiirons des Priesters.

34 Mozes dan en Aaron en de oversten der vergadering telden de zonen der Kohathiten, naar hunne geslachten en naar het huis hunner vaderen.

35 van dertig jaar oud en daarboven tot v ijftig jaai • oud, al wie inkwam tot dezen strijd, tot den dienst in de Tente der samenkomst;

36 hunne getelden nu waren, naar hunne geslachten, tweeduizend zevenhonderd en vijftig.

37 Deze zijn de getelden van de geslachten der Kohathiten, van al wie in de Tente der samenkomst diende, dewelke Mozes en Aaron geteld hebben, naar het bevel des Heehkn door de hand van Mozes.

38 Insgelijks de getelden der zonen Gersons, naar hunne geslachten en naar het huis hunner vaderen,

39 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, al wie inkwam tot dezen strijd, tot den dienst in de Tente der samenkomst :

40 hunne getelden waren, naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen, tweeduizend en zeshonderd en dertig.

41 Deze zijn de getelden van de geslachten der zonen Gersons, van al wie in do Tente der samenkomst diende, welke Mozes en Aaron telden, naar het bevel des Heeren.

42 En de geleiden van de geslachten der zonen van Merari, naar hunne geslachten, naar het huis hunner vaderen,

43 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, al wie inkwam tot dezen strijd, tot den dienst in de Tente der samenkomst ;

44 hunne getelden nu waren, naar hunne geslachten, drieduizend en tweehonderd.

45 Deze zijn de getelden van de geslachten der zonen van Merari, dewelke Mozes en Aaron geteld hebben, naar het bevel des Heeren door de hand van Mozes.

46 Alle de getelden welke Mozes en Aaron en de oversten Israels geteld hebben van de Leviten, naar hunne geslachten en naar het huis hunner vaderen,

47 van dertig jaar oud en daarboven tot vijftig jaar oud, al wie inkwam om den dienst der bediening en den dienst van den last in de Tente der samenkomst te bedienen,

48 hunne getelden waren achtduizend en vijfhonderd en tachtig.

49 Men telde ze, naar het bevel des Heeren door de hand van Mozes, een ieder naar zijnen dienst en naar zijnen last; en zijne getelden waren die de Heere Mozes geboden had.

HOOFDSTUK 5.

En de Heere sprak tot Mozes, zeggende:

2 Gebied den kinderen Israels dat zij uit het leger wegzenden alle melaatschen, en alle vloeien-den, en allen die onrein zijn van eenen doode;

3 van den man tot de vrouw toe zult gij ze wegzenden; tot buiten het leger zult gij ze wegzenden, opdat zij niet verontreinigen hunne legers, in welker midden ik woon.

4 En de kinderen Israels deden alzoo, en zonden ze tot buiten het leger; gelijk de Heere tot Mozes gesproken \'had, alzóó deden de kinderen Israels.


-ocr page 178-

NU MER I 5.

164

5 Voorts sprak dc Heere tot Mozes, zeggende:

6 Spreek tol, de kinderen Israels: Wanneer een man of vrouw iets van eenige menschelijke zonden gedaan zullen hebben, overtreden hebbende door overtreding tegen den Heere, zoo is diezelve ziele schuldig;

7 en zij zullenquot; hunne zonde, welke zij gedaan hebben , belijden; daarna zal hij zijne schuld weder uitkeeren, naar de hoofdsom daarvan , en derzei ver vijfde deel zal hij daarboven toedoen, en zal het dien geven aan denwelken hij zich verschuldigd heeft.

8 Maar zoo die man geenen losser zal hebben, om de schuld aan hem weder uit te keeren, zal die schuld welke den Heehe weder uitgekeerd wordt des Priesters zijn, behalve de ram der verzoening, met welken hij voor hem verzoening doen zal.

9 Desgelijks zal alle heffing van alle geheiligde dingen der kinderen Israels, welke zij tot den Priester brengen, het zijne zijn;

10 en eens ieclers geheiligde dingen zullen zijne zijn, wat iemand den Priester zal gegeven hebben zal het zijne zijn.

11 Wijders sprak de Heere tot Mozes, zeggende:

12 Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen: Wanneer van iemand zijne huisvrouw zal afgeweken zijn, en door overtreding tegen hem overtreden zal hebben,

13 dat een man bij haar door bijligging des zaads zal gelogen hebben, en het voor de oogen haars mans zal verborgen zijn, en zij zich verheeld zal hebben, zijnde nogtans onrein geworden, en er geen getuige tegen haar is, en zij niet betrapt is,

14 en de ijvergeest over hem gekomen is, dat hij ijvert over zijne huisvrouw, dewijl zij onrein geworden is, of dat over\'hem de ijvergeest gekomen is, dat hij over zijne huisvrouw ijvert, hoewel zij niet onrein geworden is:

15 dan zal die man zijne huisvrouw tot den Priester brengen, en zal hare offerande voor haar medebrengen, een tiende deel van eene efa gerstemeel; hij zal geen olie daarop gieten noch wierook daarop leggen, dewijl het een spijsolTer der ijveringen is, een spijsofTer der gedachtenis dat de ongerechtigheid in gedachtenis brengt.

16 En de Priester zal haar doen naderen, hij zal haar stellen voor het aangezicht dés Heeren.

17 En de Priester zal heilig water in een aarden vat nemen; en van het stof hetwelk op den vloer des Tabernakels is zal de Priester nemen en in het water doen.

18 Daarna zal dc Priester de vrouw voor het aangezicht des Heeren stellen, en zal het hoofd van de vrouw ontblooten, en zal het spijsoffer der gedachtenis op hare handen leggen, hetwelk het spijsoffer der ijveringen is; en in de hand des Priesters zal dat bitter water zijn, hetwelk den vloek medebrengt.

19 En de Priester zal haar be-ëedigen en zal tot die vrouw zeggen: Indien niemand bij u gelegen heeft, en indien gij onder uwen man zijnde niet afgeweken zijt tot onreinigheid, wees vrij van dit bitter water, hetwelk den vloek medebrengt;

20 maar zoo gij onder uwen man zijnde afgeweken zijt, en zoo gij onrein geworden zijt, dat een man bij u gelegen heeft behalve uw man: —

21 dan zal de Priester die vrouw met den eed der vervloeking be-ëedigen, en de Priester zal tot do vrouw zeggen: De Heere stelle u tot oenen vloek en tot oenen eed in \'t midden uws volks, zoodat de Heere uwe heup vervallende en uwen buik zwellende make:

22 dat dit water, hetwelk do vervloeking medebrengt, in uw ingewand inga, om den buik te doen zwellen en de heup te doen vervallen. Dan zal die vrouw zeggen: Amen, amen.

23 Daarna zal de Priester deze vloeken in een cedeltje schrijven, en hij zal het met het bitter water uitdoen;

24 en hij zal die vrouw dat bit-


-ocr page 179-

NU MER I 6.

165

ter water hetwelk de vervloeking medebrengt te drinken geven, dat het water hetwelk de vervloeking medebrengt in haar tot bitterheden inga.

25 En do Priester zal uit de hand van die vrouw het spijsoffer der ijveringen nemen, en hij zal dat spijsoffer voor het aangezicht des Heeren bewegen, en zal dat op het altaar offeren.

26 De Priester zal ook van dat spijsoffer, deszelven gedenkoffer, een handvol grijpen, en zal het op hot altaar aansteken; en daarna zal hij dat water die vrouw te drinken geven.

27 Als hij haar nu dat water zal té drinken gegeven hebben, zoo zal het geschieden indien zij onrein geworden is, en tegen haren man door overtreding zal overtreden hebben, dat het water hetwelk vervloeking medebrengt tot bitterheid in haar ingaan zal, en haar buik zwellen en hare heup vervallen zal; en die vrouw zal in het midden haars volks tot een vloek zijn.

28 Doch indien de vrouw niet onrein geworden is , maar rein is, zoo zal zij vrij zijn en zal met zaad bezadigd worden.

29 Dit is de wet der ijveringen, als eene vrouw onder haren man zijnde zal afgeweken en onrein geworden zijn,

30 of als over eenen man de ijvergeest zal gekomen zijn, en hij over zijne huisvrouw zal geijverd hebben: dat hij de vrouw voor het aangezicht des Heeren stelle, en de Priester aan haar deze gansche wet volbrenge.

31 En de man zal van de ongerechtigheid onschuldig zijn; maar die vrouw zal hare ongerechtigheid dragen.

HOOFDSTUK 6.

En de Heere sprak tot Mozes, zeggende;

2 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: Wanneer een man of eene vrouw zich afgescheiden zal hebben, belovende de gelofte eens Nazireërs om zich den Heere af te zonderen:

3 van wijn en sterken drank zal hij zich afzonderen, wijn-edik en edik van sterken drank zal hij niet drinken, noch eenige vochtigheid van druiven zal hij drinken , noch versche of gedroogde druiven eten;

4 alle de dagen zijns Nazireërschaps zal hij niet eten van iets dat van den wijnstok des wijns gemaakt is, van de\' kernen af tot de bas ten toe.

5 Alle de dagen der gelofte zijns nazireërschaps zal het scheermes over zijn hoofd niet gaan; totdat die dagen vervuld zullen zijn, die hij zich den Heere zal afgezonderd hebben, zal hij heilig zijn, latende de lokken van het haar zijns hoofds wassen.

6 Alle de dagen die hij zich den Heere zal afgezonderd hebben, zal hij tot het lichaam eens dooden niet gaan;

7 om zijnen vader of om zijne moeder, om zijnen broeder of om zijne zuster, óm hen zal hij zich niet verontreinigen als zij dood zijn, want het Nazireërschap zijns Góds is op zijn hoofd:

8 all e de dagen zijns nazireërschaps is hij den Heere heilig.

9 En zoo de gestorvene bij hem onvoorziens haastelijk gestorven ware, dat hij het hoofd zijns Nazireërschaps zoude verontreinigd hebben , zoo zal hij op den dag zijner reiniging zijn hoofd beschoren; op den zevenden dag zal hij het beschoren.

10 En op den achtsten dag zal hij twee tortelduiven of twee jonge duiven brengen tot den Priester, tot de deur van de Tente der samenkomst.

11 De Priester nu zal ééne bereiden ten zondoffer en ééne ten brandoffer, en zal voor hem verzoening doen van dat hij aan het doode lichaam gezondigd heeft; al-zoo zal hij zijn hoofd op dienzelven dag heiligen.

12 Daarna zal hij de dagen zijns Nazireërschaps den Heere afzonderen , en zal een lam dat éénjarig is brengen ten schuldoffer; en de vorige dagen zullen vervallen, omdat zijn Nazireërschap verontreinigd was.


-ocr page 180-

NUMERI 7.

lüö

13 Eu dit is de wet des nazirc-ërs: ten dage als de dagen zijns nazireërseliaps zullen vervuld zijn, zal hij dit brengen tot de deur van de Teute der samenkomst:

14 hij zal dan tot zijne otrerande den iièeuk o(Teren een volkomen éénjarig lam ten brandoffer, en een volkomen éénjarig ooilam ten zond-olfer, en een volkomen ram ten dankoffer.

15 en een korf ongezuurde koeken, koeken van meelbloem met olie gemengd, en ongezuurde vladen met olie bestreken, mitsgaders hun spijsoffer en hunne drankofferen.

10 En de Priester zal het voor het aangezicht des Heeuen brengen , en zal zijn zondolfer en zijn brandoffer bereiden;

17 hij zal ook den ram ten dankoffer den Heeue bereiden, met den korf der ongezuurde koeken; en de Priester zal zijn spijsoffer en zijn drankoffer bereiden.

18 Alsdan zal de Nazireër aan de deur der Teute der samenkomst het hoofd zijns Nazireërschaps be-scheren; en hij zal het hoofdhaar zijns nazireërschaps nemen, en hij zal het leggen op het vuur, dat onder het dankoffer is.

19 Daarna zal de Priester een gezoden schouder nemen van den ram , en een ongezuurden koek uit den korf, en eeneongezuurde vlade, en hij zal ze op de handen des Nazireërs leggen, nadat hij zijn Nazireërschapafgeschoren heeft;

20 en de Priester zal tl ie bewegen ten beweegoffer voor het aangezicht des Heeuen: het is een heilig ding voor den Priester, met de borst des beweegoffers en met den schouder des hefoffers; en daarna zal die Nazireër wijn drinken.

. 21 Dat is de wet des Nazireërs, die zijne offerande den Heere voor zijn Nazireërschap zal beloofd hebben, behalve wat zijne hand bekomen zal; naar zijne gelofte dewelke hij beloofd zal hebben, alzóó zal hij doen, naar de wet zijns Nazireërschaps.

22 En de Heere sprak tot Mo-zes, zeggende:

23 Spreek tot Aiiron en zijne zonen, zeggende: Alzóó zult gijlieden de kinderen Israels zegenen, zeggende tot hen:

24 De Heere zegene u en behoede u;

25 de Heere doe zijn aangezicht over u lichten en zij u genadig;

20 de Heere vèrheffe zijn aangezicht over u en geve u vrede.

27 Alzoo zullen zij mijnen Naam op de kinderen Israels \'leggen, en ik zal ze zegenen.

HOOFDSTUK 7.

En het geschiedde ten dage als Mozes geëindigd had den Tabernakel op te richten , en dat hij dien gezalfd en dien geheiligd hall, en al zijn gereedschap, mitsgaders het altaar en al zijn gereedschap, en hij ze gezalfd en dezelve geheiligd had:

2 dat de oversten Israels, de hoofden van het huis hunner vaderen, offerden; (deze waren do oversten der stammen die over de geleiden stonden);

3 en zij brachten hunne offerande voor het aangezicht des quot;Heeuen, zes overdekte wager.en en twaalf runderen, éénen wagen voor twee oversten en éénen os voor elk eenen, en brachten ze vóór den Tabernakel.

4 En de Heere sprak tot Mozes, zeggende:

5 Neem ze van hen, opdat zij zijn mogen om te bedienen den dienst van de Teute der samenkomst; en gij zult ze aan de Le-viten geven, aan een ieder naar zijnen dienst.

0 Alzoo nam Mozes die wagenen en die runderen en gaf ze aan do Leviten.

7 Twee wagenen en vier runderen gaf hij den zonen Gersons, naar hunnen dienst;

8 en vier wagenen en acht runderen gaf hij den zonen van Merari, naar hunnen dienst, onder de hand van Ithamar, den zoon Aarons des Priesters.

9 Maar den zonen Kohaths gaf hij niets; want de dienst dor heilige dingen was op hen, die zij op de schouderen droegen.


-ocr page 181-

N u M :

10 En de oversten offerden ter inwijding des altaars, ten dage als hetzelve gezalfd werd: de oversten dan offerden hunne offerande voor het altaar.

11 En de Heere zeide tot Mozes: Elke overste zal (een iegelijk op zijnen dag) zijne offerande offeren ter inwijding des altaars.

12 Die nu op den eersten dag zijne offerande offerde was Nahes-son, de zoon van Amminadab, voor den stam van Juda.

13 En zijne offerande was een zilveren schotel, welks gewicht was honderd dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

14 eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerk;

15 een var, een jong rund, een ram, een lam dat éénjarig was, ten brandoffer;

16 een geitenbek ten zondoffer;

,17 en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was de offerande van Nahesson, den zoon van Amminadab.

18 Op don tweeden dag offerde Nethaneël, de zoon van Zuar, de overste van Issaschar.

19 Hij offerde zijne offerande: een zilveren schotel welks gewicht was honderd en dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

20 eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerk;

21 een var, een jong rund, een ram, een lam dat éénjarig was, ten brandoffer;

22 een geitenbek ten zondoffer;

23 en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was de offerande van Nethaneël, den zoon van Zuar.

24 Op den derden dag offerde de overste der zonen Zebulons, Eliab, de zoon van Helen.

. 25 Zijne offerande was een zil-

CRI 7. 167

veren schotel welks gewicht, was honderd dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des hei-ligduns; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijs-offer;

20 eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerk;

27 een var, een jong rund, een ram, een lam dat éénjarig was, ten brandoffer;

28 een geitenhok ten zondoffer;

29 en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was de offerande van Eliab, den zoon van Helen.

30 Op den vierden dag offerde de overste der kinderen Rubens, Elizur, de zoon van Sedeür.

31 Zijne offerande was een zilveren schotel welks gewicht was honderd dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

32 eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerk;

33 een var, een jong rund, een ram , een lam dat éénjarig was , ten brandoffer;

34 een geitenhok ten zondoffer;

35 en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was de offerande van Elizur, den zoon van Sedeür.

30 Op den vijfden dag offerde de overste tier kinderen Simeons, Selumiël, de zoon van Zurisaddai.

37 Zijne offerande was een zilveren schotel welks gewicht was honderd dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

08 eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerk;

39 een var, een jong rund, een ram, een lam dat éénjarig was, ten brandoffer;

AO een geitenbek ten zondoffer;

41 en ten dankoffer twee runde-


-ocr page 182-

168

ren, vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lamineren. Dat was de offerande van Selumiëi, den zoon van Zurisaddai.

42 Op den zesden dag offerde de overste der kinderen Gads, Eljasaf, de zoon van Dehuël.

43 Zijne offerande was een zilveren schotel welks gewicht was honderd dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des hei-ligdoms, beide vol meelbloem gemengd met olie, ten spijsoffer;

44 eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerk;

45 een var, een jong rund, een ram, een lam dat éénjarig was, ten brandoffer;

40 een geitenhok ten zondoffer;

47 en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was de offerande van Eljasaf, den zoon van Dehuël.

48 Op den zevenden dag offerde de overste der kinderen Efraïms, Ellsama, de zoon van Ammihud.

49 Zijne offerande was een zilveren schotel welks gewicht was honderd dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des hei-ligdoms, beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

50 eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerk;

51 een var, een jong rund, een ram, een lam dat éénjarig was, ten brandoffer;

52 een geitenhok ten zondoffer;

53 en ten dankoffer twee runderen , vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was de offerande van Elisama, den zoon van Ammihud.

54 Op den achtsten dag offerde de overste der kinderen van Manasse, Gamaliel, de zoon van Pedazur.

55 Zijne offerande was een zilveren schotel welks gewicht was honderd* dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des hei-ligdoms, beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

56 eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerk;

57 een var, een jong rund, een ram, een lam dat éénjarig was, ten brandoffer;

58 een geitenhok ten zondoffer;

59 en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was dè offerande van Gamaliël, de zoon van Pedazur.

60 Op den negenden dag offerde de overste der kinderen Benjamins, Abidan, de zoon van Gideoni.

61 Zijne offerande was een zilveren schotel welks gewicht was honderd dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

62 eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerk;

63 een var, een jong rund, een ram, een lam dat éénjarig was, ten brandoffer;

64 een geitenhok ten zondoffer;

65 en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was dé offerande van Abidan, des zoons van Gideoni.

66 Op den tienden dag offerde de overste der kinderen Dans, Ahiëzer, de zoon van Ammis iddai.

67 Zijne offerande was een zilveren schotel welks gewicht was honderd dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms; zij waren beide vol meelbloem met oiie gemengd, ten spijsoffer ;

68 eene reukschaal van tien gouden sikkelen, vol reukwerk;

69 een var, een jong rund, een ram, een lam dat éénjarig was, ten brandoffer;

70 een geitenhok ten zondoffer;

71 en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was de offerande van Ahiëzer, den zoon van Ammisaddai.

72 Op den elfden dag offerde de overste der kinderen Asers, Pa-giël, de zoon van Ochran.

73 Zijne offerande was een zilveren schotel welks gewicht was honderd dertig sikkelen, een zil-

NUMERI 7.


-ocr page 183-

NUMERI 8.

169

veren sprcngbekkcn van zeventig sikkelen, naar don sikkel des hei-ligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

74 eene reukschaal van lien gouden sikkelen, vol reukwerk;

75 een var, een jong rund, een ram, een lam dat éénjarig was, ten brandoffer;

7(3 een geitenbek ten zondoffer;

77 en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was de offerande van Pagiël, den zoon van Ochran.

78 Op den twaalfden dag offerde de overste der kinderen van Naf-tali, Ahira, de zoon van En\'an.

79 Zijne offerande was een zilveren schotel welks gewicht was honderd dertig sikkelen, een zilveren sprengbekken van zeventig sikkelen, naar den sikkel deshei-ligdoms; zij waren beide vol meelbloem met olie gemengd, ten spijsoffer;

80 eene reukschaal van tien gouden sikkelen , vol reukwerk;

81 een var, een jong rund, een ram , een lam dat éénjarig was, ten brandoffer;

82 een geitenbek ten zondoffer;

83 en ten dankoffer twee runderen, vijf rammen, vijf bokken, vijf éénjarige lammeren. Dat was de offerande van Ahira, den zoon van Enan.

84 Dat is de inwijding des altaars van de oversten ïsraëls ten dage nis hetzelve gezalfd werd: twaalf zilveren schotels, twaalf zilveren sprengbekkens, twaalf gouden reukschalen.

85 Een zilveren schotel was van honderd dertig sikkelen, en een sprengbekken van zeventig: al het zilver van de vaten was tweeduizend en vierhonderd sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms.

. 80 Twaalf gouden reukschalen vol reukwerk, elke reukschaal was van tien sikkelen, naar den sikkel des heiligdoms: al het goud der reukschalen was honderd en twintig sikkelen.

87 Alle de runderen ten brandoffer waren twaalf varren, twaalf rammen, twaalf éénjarige lammeren, met hun spijsoffer; en twaalf geitenbekken ten zondoffer.

88 En alle de runderen ten dankoffer waren vierentwintig varren, de rammen zestig, de bukken zestig , de éénjarige lammeren zestig. Dat is de inwijding des altaars, nadat hetzelve gezalfd was.

89 En als Mozes in de Tente der samenkomst ging om met hem te spreken, zoo hoorde hij eene stem, tot hem sprekende van boven het, verzoendeksel, hetwelk is op de Arke der getuigenis, van tusschen de twee cherubs: alzoo sprak hij tot hem.

HOOFDSTUK 8.

En de Heere sprak tot Mozes,, zeggende:

2 Spreek tot Aaron en zeg tot hem: Als\'gij de lampen aansteken zult, recht tegenover den kandelaar zullen de zeven lampen lichten.

3 En Ailrondeed alzoo: tegenover voor aan den kandelaar stak hij deszelfs lampen aan, gelijk do Heeue Mozes geboden had.

4 Dit werk nudes kandelaars was van dicht goud, tot zijne schacht, tot zijne bloemen was het dicht; naar de gedaante, die de Heeue Mozes vertoond had, alzóó had hij den kandelaar gemaakt.

5 En de Heeue sprak tot Mozes, zeggende:

0 Neem de Leviten uit het midden der kinderen ïsraëls en reinig ze.

7 En aldus zult gij hun doen om hen te reinigen: spreng op hen water der ontzondiging; en zij zullen het scheermes over hun gan-sche vleesch doen gaan, en zullen hunne kleederen wasschen en Zich reinigen.

8 Daarna zullen zij nemen een var, een jong rund, met zijn spijsoffer van meelbloem met olie gemengd; en een anderen var, een jong rund, zult gij nemen ten zondoffer.

9 En gij zult de Leviten voor de Tente der samenkomst doen naderen; en gij zult de geheele vergadering der kinderen ïsraëls doen verzamelen.


-ocr page 184-

NUMERI 9.

170

10 Ja £?ijziiltde Levilcn voor het aangezicht des Heehen doen naderen; en de kinderen Israels zullen hunne handen op de Levi ten leggen.

11 Enquot;Aaron zal de Leviten bewegen ten beweegoffer voor het aangezicht des ii keren , vanwege de kinderen Israels, opdat zij zijn om den dienst des Heehen te bedienen.

12 En de Leviten zullen hunne handen op het hoofd der varren leggen ; daarna bereid gij één ten zond-olïer en één ten brandoffer den Heeue , om over de Leviten verzoening te doen.

13 En gij zult de Leviten stellen voor het aangezicht Aarons en voor het aangezicht zijner zonen, en gij zult hen bewegen ten beweegoffer den Heeue.

14 Eu gij zult de Leviten uit hot midden der kinderen Israels uitscheiden, opdat de Leviten mijne zijn.

15 En daarna zullen de Leviten inkomen om de Tente der samenkomst te bedienen; en gij zult ze reinigen, en zult ze ten beweegoffer bewegen.

10 Want zij zijn gegeven, zij zijn mij gegeven uit het midden der kinderen Israels; voor de opening van alle baarmoeder, voor de eerstgeborenen van een ieder uit de kinderen Israels heb ik ze mij genomen.

17 Want alle eerstgeborene onder de kinderen Israels is mijn, onder de menschen en onderquot; de beesten: ten dage dat ik alle eerstgeboorte in Egypteland sloeg, heb ik dezelve mij geheiligd;

18 en ik heb de Leviten genomen voor alle eerstgeborenen onder de kinderen Israels;

19 en ik heb de Leviten Aliron en zijnen zonen tot eene gift gegeven, uit het midden der kinderen Israels, om den dienst der kinderen Israels in de Tente der samenkomst te bedienen, en om voor tie kinderen Israels verzoening te doen, dat er geene plage zij onder de kinderen Israels, als de kinderen Israels tot het heiligdom naderen zouden.

20 En Mozes en Aaron en de gansche vergadering der kinderen

Israels deden aan de Leviten naar alles wat de Heeue Mozes geboden had van de Leviten, zóó deden de kinderen Israels aan hen.

21 En de Leviten ontzondigden zich, en wieschen hunne kleederen, en Aaron bewoog hen ten beweegoffer voor het aangezicht des Heehen; en Aaron deed verzoening over hen om hen te reinigen.

22 En daarna kwamen de Leviten om hunnen dienst te bedienen in de Tente derf samenkomst, voor het aangezicht Aiirons en voorliet aangezicht zijner zonen; gelijk de He ere Mozes van de Leviten geboden had, alzóu deden zij aan hen.

23 En de Heetie sprak tot Mozes, zeggende:

24 Dit is het dat de Leviten aangaat: van vijfentwintig jaar oud en daarboven zullen zii inkomen, om den strijd te strijden in den dienst van de Tente der samenkomst.

25 Maar van dut hij vijftig jaar oud is zal hij van den strijd dezes dienstes afgaan, en hij zal niet meer dienen;

20 doch zal hij met zijne broederen dienen in do Tente der samenkomst , om de wacht waar te nemen; maar den dienst zal hij niet bedienen. Alzóó zult gij aan de Leviten doen in hunne wachten.

HOOFDSTUK 9.

En de Heere sprak tot Mozes in de woestijn Sinaï, in het tweede jaar nadat zij uit Egypteland uif-getogen waren, in de eerste maand, zeggende:

2 Dat de kinderen Israels het Pascha houden zouden op zijn ge-zetten tijd;

3 op den veertienden dag in deze maand, in den schemeravond, zult gij dat houden op zijn gezeUen tijd; naar alle zijne inzettingen en naar alle zijne rechten zult gij dathouden.

4 Mozes dan sprak tot de kinderen Israels, dat zij het Pascha zouden houden.

5 En zij hielden het Pascha op den veertienden dag der eerste maand,tusschen de twee avonden, in de woestijn Sinaï; naar alles


-ocr page 185-

NU MER I 10.

171

dat do Heere Mozes geboden had, alzóó deden de kinderen Israels.

6 Toen waren er lieden geweest die over het doode lichaam eens menschen onrein waren, on op denzei ven dag het Pascha niet hadden kunnen houden; daarom naderden zij voor het aangezicht van Mozes en voor hel aangeziclit van Aiiron op donzelven dag,

7 en diezeive lieden zeiden tot hem: Wij zijn onrein over hot doode lichaam eens menschen: Waarom zouden wij verkort worden, dat wi j de offerande des Hee-ren op zijri gozetten tijd niet zouden oHeren in het midden der kinderen Israels? ■

8 En Mozes zoide tot hen: Blijft staande, dat ik hoore wal de Heere u gebieden zal.

9 Toen sprak de Heeue tot Mozes , zeggende:

\'10 Spreek lot do kinderen Israels, zeggende : Wanneer iemand onder u of onder uwe geslachten over een dood lichaam onrein of op een verren weg zal zijn, hij zal oven-wel den Heere liet Pascha houden.

11 In de tweede maand op den veertienden dag, tnsschon de twee avonden zullen zij dat houden; met ongezuurde brooilen en bittere saus zullen zij dat eten.

12 Zij quot;zullen daar niet van overlaten tot den morgen, en zullen daaraan geen been broken; naar alle inzettingen des Paschen zullen zij dat houden.

13 Als een man die rein is, en op den weg niet is, nalaten zal het Pascha te houden, zoo zal die-zelve ziele uit hare volkoren uitgeroeid worden; want hij hooft de offerande des Heeren óp zijn go-zetten tijd niet geofferd, diezelve man zal zijne zonde dragen.

14 En wanneer een vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert, en hij het Pascha den Heere ook houden zal, naar de inzetting van het Pascha en naar zijne wijze, alzóó zal hij het houden; hot zal éénerlei inzetting voor uliedenzijn, bei-dp don vreemdeling en den inboorling dos lands.

15 En op den dag van het oprichten des Tabernakels bedekte de wolk den Tabernakel, opdeTente dor getuigenis; on in don avond was over den Tabernakel als oen gedaante des vuurs, tot aan don morgen.

lo Alzóó geschiedde hot gedu-riglijk; do wolk bedekte denzelvon, en des nachts was er een gedaante des vuurs.

17 Maar naardat de wolk opgeheven werd van hoven do Tent, alzóó verreisden ook daarna de kinderen Israels; en in de plaats waar de wolk bleef, daar legerden zich de kinderen Israels:

18 naar don mond dos Heeren verreisdon de kinderen Israels, en naar dos Heeren mond legerdon zij zich. Alle de dagen in welke de wolk over don Tabernakel bleef, legerden zij zich;

19 en als de wolk vele dagen over don Tabernakel verbleef, zoo namen de kinderen Israëls de wacht dos Heeuen waar, en verreisden niet.

20 Als hol nu was dat de wolk weinige dagen op don Tabernakel was, naar den mond des Heeren legerdon zij zich, on naar den mond dos Heeren verreisden zij.

21 Maar was het dat de wolk van don avond tot don morgen daar was, ou de wolk in den morgen opgeheven word, zoo verreisden zij: of des daags of des nachts, als do wolk opgeheven werd zoo verreisden zij.

22 Of als de wolk twee dagen of oen maand of vele dagen vertoefde op den Tabernakel, blijvende daarop, zoo legerden zich de kin-doren Israëls en verreisden niet; en als zij verheven werd, verreisden zij.

23 Naar don mond des Heeren legerden zij zich, en naar den mond des Heeren verreisden zij; zij namen do wacht dos Heeren waar, naar don mond des Heeren door de hand van Mozes.

HOOFDSTUK 10.

Voorts sprak de Heere tot Mozes, zoggendo:

2 Maak u twee zilveren trompetten ; van dicht werk zult gij ze.


-ocr page 186-

NUMERI 10.

172

maken; on zij zullen u zijn tot de samenroeping der vergadering en tot den optocht der legers.

3 Als zij met dezelve blazen zullen , dan zal de gehcele vergade-i\'ing tot u vergaderd worden aan de deur van de Tente der samenkomst.

4 Maar als zij met de tüéne zullen blazen, dan zullen tot u vergaderd worden de oversten, de hoofden der duizenden Israels.

5 Als gij met een gebroken ge-klank blazen zult, dan zullen de legers, die tegen het Oosten gelegerd zijn, optrekken.

6 Maar als gij ten tweeden male met een gebroken geklank blazen zult, zullen de legers , die legen het Zuiden legeren, optrekken; met een gebroken geklank zullen zij blazen tot hunne optochten.

7 Maar in het verzamelen van de gemeente zult gij blazen, doch geen gebroken geklank maken.

8 En de zonen Aarons, de Priesters , zullen met die trompetten blazen; en zij zullen ulieden zijn tot eene eeuwige inzetting bij uwe geslachten.

9 En wanneer gijlieden in uw land ten strijde zult trekken tegen den vijand, die u benauwt, zult gij ook met die trompetten een gebroken geklank maken; zoo zal uwer gedacht worden voor het aangezicht des Heeuen uwes Gods, en gij zult van uwe vijanden verlost worden.

10 Desgelijks ten dage uwer vroo-lijkheid, en in uwe gezette hoogtijden, en in het begin uwer maanden, zult gij ook met de trompetten blazen over uwe brandolleren en over uwe dankoiferen, en zij zullen u ter gedachtenis zijn voor het aangezicht uws Gods: ik ben de Heere uw God.

11 En het geschiedde in het tweede jaar in de tweede maand op den twintigste van do maand, dat de wolke verheven werd van boven den Tabernakel der getuigenis ;

12 en de kinderen Israels togen op, naar hunne tochten, uit de\' woestijn Sinaï; en do wolk bleef in de woestijn Paran.

13 Alzoo togen zij vooreerst op, naar den mond des Heeren door de hand van Mozes.

14 Want vooreerst toog op de banier van het leger der kinderen van Juda, naar hunne heiren; en over zijn heir was Nahesson, de zoon Amminadabs.

15 En over het heir van den stam der kinderen Issaschars was Ne-thaneël, de zoon Zuars.

1(3 En over het heir van den stam der kinderen Zebulons was Eliab, de zoon Heions.

17 Toen werd de Tabernakel afgenomen, en de zonen Gersons en de zonen van Merari togen op, dragende den Tabernakel.

18 Daarna toog op do banier van het leger Rubens, naar hunne hei-ren ; en over zijn heir was Elizur, de zoon Sedeürs.

19 En over hot heir van den stam der kinderen Simeons was Selu-miël, de zoon van Zurisaddai.

20 En over het heir van den stam der kinderen Gads was Eljasaf, de zoon Dehuëls.

21 Toen togende Kohathiten op , dragende het heiligdom; en de anderen richtten den Tabernakel op tegen dat deze kwamen.

22 Daarna toog op de banier des legers der kinderen Efraïms, naar hunne heiren; en ovei zijn heir was Elisama, de zoon Am-mihuds.

23 En over het heir van den stam der kinderen van Manasse, was Gamaliel, de zoon Pedazurs.

24 En overliet heir van den stam der kinderen Benjamins was Abidan de zoon van Gideoni.

25 Toen toog op de banier van het leger der kinderen van Dan, samensluitende alle de legers, naar hunne heiren; en over zijn heir was Ahiëzer, de zoon van Ammi-saddai.

2(3 En over het heir van den stam der kinderen Asers was Pagiël, de zoon Ochrans.

27 En over het heir van don stam der kinderen Naftali\'s was Ahira, de zoon Enans.

28 Dit warende tochten der kinderen Israels, naar hunne heiren, als zij reisden.


-ocr page 187-

NUMERI 11.

173

29 Mozes nu zeide tot Hobab, den zoon van Rehuël den Midia-niet, den schoonvader van Mozes: Wij reizen naar do plaats van welke de\'lieishe gezegd heelt: Ik zal u die geven: ga met ons, en wij zullen ii weldoen; want de Hebre heeft over Israël het goede gesproken.

30 Doch hij zeide tot hem: Ik zal niet gaan, maar ik zal naar mijn land en naar mijne maagschap gaan.

31 En hij zeide; Verlaat ons toch niet; want dewijl gij weet dat wij ons legeren in de woestijn, zoo zult gij ons tot oogen zijn;

32 en het zal geschieden als gij met ons zult gaan, en het goede geschieden zal waarmede de Heehe J3ij ons weldoen zal, dat wij u ook weldoen zullen.

33 Zoo togen zij drie dagreizen van den berg des Heeuen; en de Arke des verbonds des Heehen reisde voor hun aangezicht drie dagreizen, om voor hen eene rustplaats uit te zoeken.

34 En de wolke des Heehen was des daags over hen, als zij uit het leger verreisden.

35 Het geschiedde nu in het optrekken van de Arke, dat Mozes zeide: Sta öp Heere, en laat uwe vijanden verstrooid worden en uwe haters van uw aangezicht vlieden.

36 En als zij rustte zeide hij: Kom weder Heere, tot de tienduizenden der duizenden Israels.

HOOFDSTUK 11.

En het geschiedde als het volk zich was beklagende, dat het kwaad was in de ooren des Heerex ; want de Heere hoorde het, zoodat zijn toorn ontstak, en het vuur des Heeuen onder hen ontbrandde en verteerde in het uiterste des legers.

2 Toen riep het volk tot Mozes, en Mozes bad tot den Heere, en het vuur werd gedempt.

3 Daarom noemde hij den naam dier plaats Tabeëra, omdat het vuur des Heehen onder hen gebrand had.

4 En het gemeene volksken, dat in het midden van hen was, werd met lust bevangen; daarom weenden ook de kinderen Israels wederom, en zeiden: Wie zal ons vleesch te eten geven?

5 Wij gedenken aan de visschen, die wij in Egypte om niet aten, aan de komkommers en aan de pompoenen en aan het look en aan de ajuinen en aan het knolïook;

ü maar nu is onze ziel dor, daar is nietmetal behalve dit Man voor onze oogen.

7 Het Man nu was als korianderzaad, en zijne kleur was als do kleur van den bedólah.

8 Het volk liep hier en daar en verzamelde het, en maalde het met molens ot\' stiet het in mortieren, en zood het in potten, en maakte daarvan koeken; en zijn smaak was als de smaak van de beste vochtigheid der olie.

9 En wanneer de dauw des nachts op het leger nederviel, viel het Man op hetzelve neder.

10 Toen hoorde Mozes het volk weenen door hunne huisgezinnen, een ieder aan de deur zijner hut; en de toorn des Heehen ontstak zeer; ook was het kwaad in de oogen van Mozes.

11 En Mozes zeide tot den Heehe: Waarom hebt gij aan uwen knecht kwalijk gedaan, en waarom heb ik geen genade in uwe oogen gevonden, dat gij den last dezes ganschen volks op mij legt?

12 Heb ik dan al dit volk ontvangen, heb ik het gebaard, dat gij tot mij zoudt zeggen: Draag het in uwen schoot, gelijk een voedstervader den zuigeling draagt, tot dat land hetwelk gij hunnen vaderen gezworen hebt?

13 Vanwaar zoude ik het vleesch hebben om aan al dit volk te geven? Want zij weenen tegen mij, zeggende: Geef ons vleesch, dat wij eten.

14 Ik alléén kan al dit volk niet dragen, want het is mij te zwaar;

15 en indien gij alzóó aan mij doet, dood mij toch slechts, indien ik genade in uwe oogen gevonden heb, en laat mij mijn ongeluk niet aanzien.

16 En de Heehe zeide tot Mozes: Verzamel mij zeventig mannen uit de oudsten Israels, van welke gij


-ocr page 188-

Kume

174

RI 11.

weet dal zij de oudsten des volks en deszelfs ambtlieden zijn; en gij zult ze brengen vóór de Tente der samenkomst, en zij zullen zich daar bij u stellen.

17 Zoo zal ik afkomen en met u aldaar spreken; en van den Geest, die op u is, zal ik afzonderen en op ben leggen; en zij zullen met li den last dezes volks dragen, opdat gij dien niet alléén draagt.

18 Én tot het volk zult gij zeggen : Heiligt u tegen morgen, en gij zult vleesch eten; want gij hebt voor de ooren des Heehen geweend, zeggende: Wie zal ons vleesch te eten geven ? Want het ging ons wel in Egypte. Daarom zal de Hek-re u vleesch geven en gij zult eten.

19 Gij zult niet één dag noch twee dagen eten, noch vijf dagen, noch tien dagen, noch twintig dagen:

20 tot eene geheele maand toe, totdat het uit uwen neus uitga en u tot walging zij; overmits gij den Heere die in quot;het midden van u is, verworpen hebt en hebt voor zijn aangezicht geweend, zeggende: Waarom nu zijn wij uit Egypte getogen ?

21 En Mozes zeide: Zeshonderdduizend te voet is dit volk, in welks midden ik ben, en gij hebt gezegd: Ik zal hun vleesch geven , en zij zullen eene geheele maand eten.

22 Zullen dan voor hen schapen cn runderen geslacht worden, dat er voor hen genoeg zij? Zullen alle de visschen der zee voor hen verzameld worden, dat er voor hen genoeg zij?

23 Doch de Heere zeide tot Mozes : Zoude dan des heeren hand verkort zijn? Gij zult nu zien of mijn woord u wedervaren zal of niet.

24 En Mozes ging uit en sprak de woorden des Heeren tot den volke en verzamelde zeventig mannen uit de oudsten des volks en stelde ze rondom de Tente.

25 Toen kwam de Heere af in de wolk, en sprak tot hem, en afzonderende van den Geest, die op hem was, leide /tem op de zeven-lig mannen, die oudsten; en het geschiedde als de Geest op hen rustle, dat zij profeleerden, maar daarna niet meer.

2ü Maar twee mannen waren in het leger overgebleven: des éénen naam was Eldad en des anderen naam Medad; en die Geest rustte op hen, (want zij waren onder de aangeschrevenen, hoewel zij tot de Tente niet uitgegaan waren), en zij profeteerden in het leger.

27 Toen liep een jongen henen en boodschapte Mozes en zeide: Eldad en Medad profeteeren in het leger.

28 En Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, een van zijne uitgelezen jongelingen, antwoordde en zeide: Mijn heer Mozes, verbied ze.

29 Doch Mozes zeide tot hem : t gij voor mij ijverende ? Och al het volk dés Heeren profeten waren, dat de Heere zijnen Geest over hen gave!

30 Daarna verzamelde zich Mozes tot het leger, hij en de oudsten Israels.

31 Toen voer een wind uil van den Heere en raapte kwakkelen van de zee en strooide ze bij het leger, omtrent eene dagreize herwaarts en omtrent eene dagreize derwaarts, rondom het leger; en zij waren omtrent twee ellen boven de aarde.

32 Toen maakte zich het volk op, dien zeiven geheelen dag en dien ganschen nacht, en den gan-schen anderen dag, en zij verzamelden de kwakkelen: die het minst h?,d, had tien bomers verzameld; en zij spreidden ze voor zich van elkander rondom het leger.

33 Dat vleesch was nog tusschen hunne tanden eer het gekauwd was, zoo ontstak de toorn des Heeren tegen het volk, en de Heere sloeg het volk met eene zeer groote plage.

34 Daarom heette men den naam dier plaats Kibroth-Taava; want daar begroeven zij het volk dat belust was geweest.

35 Van Kibroth-Taava verreisde het volk naar Hazeroth; en zij bleven in Hazeroth.


-ocr page 189-

N.UMERI 12, 13.

175

HOOFDSTUK 12.

Mirjam mi sprak en Aaron legen Mozes ter oorzake der vrouw, der Kuschitische, die hij genomen had; want hij had eene Kuschitische tot vrouw genomen;

2 en zij zeiden: Heeft dan de •Heere maar alleen door Mozes gesproken? Heeft hij ook niet door ons gesproken? En de Heere hoorde het.

3 Doch de man Mozes was zeer zachtmoedig, meer dan alle men-schen, die op den aardbodem waren.

4 Toen sprak de Heere haastelijk tot Mozes en tot Aaron en tot Mirjam: Gij drie, komt uit tot de Tente der samenkomst. En zij drie kwamen uit.

5 Toen kwam de Heere af in de wolk kolom, en stond aan de deur der Tente; daarna riep hij Aaron en Mirjam, en zij heiden kwamen uit.

G En hij zeide: Hoort nu mijne woorden: zoo daar een profeet onder u is, ik de Heere zal door een gezicht mij aan hem bekend maken, door een droom zal ik met hein spreken.

7 Alzóo is mijn knecht Mozes niet, die in mijn gansche huis getrouw is:

8 van mond tot mond spreek ik met hem en door aanzien, en niet door duistere woorden, en de gelijkenis des Heeren aanschouwt hij: waarom dan hebt gijlieden niet gevreesd tegen mijnen knecht, tegen Mozes, te spreken?

9 Zoo ontstak des Heeren toorn tegen hen, en hij ging weg.

10 en de wolk week van boven de Tente; en zie, Mirjam wasme-laatsch, wit als de sneeuw. En Aaron zag Mirjam aan, en zie, zij was melaatsch.

11 Daarom zeide Aaron tot Mozes: Och, mijn heer leg toch niet op ons de zonde, waarmede wij zottelijk gedaan en waarmede wij gezondigd hebben.

12 Laat zij toch niet zijn als een doode, van wiens vleesch, als hij uit zijn moeders lijf uitgaat, dé helft wel verteerd is.

13 Mozes dan riep tot den Heere zeggende: o God, heel ze toch.

1 \'i En de Heere zeide tot Mozes, Zoo haar vader smadelijk in haar aangezicht gespuwd had , zoude zij niet zeven dagen beschaamd zijn? Laat ze zeven dagen buiten het leger gesloten en daarna aangenomen worden.

15 Zoo werd Mirjam buiten het leger zeven dagen gesloten; en het volk verreisde niet totdat Mirjam aangenomen werd;

16 maar daarna verreisde het volk van Hazeroth, en zij legerden zich in de woestijn Paran.

HOOFDSTUK 13.

En de Heere sprak tot Mozes, zeggende:

2 Zend u mannen uit die het land Kanaan verspieden, hetwelk ik den kinderen Israels geven zal: van eiken stam zijner vaderen zult gijlieden éénen man zenden, zijnde ieder een overste onder hen.

3 Mozes dan zond hen uit de woestijn Paran, naar den mond des Heeren: alle die mannen waren hoofden der kinderen Israels.

4 En dit zijn hunne namen: van den stam Rubens Sammua, de zoon van Zakkur;

5 van den stam Simeons Safat, de zoon van Hori;

6 van den stam Juda\'s Kaleb, de zoon van Jefunne;

7 van den stam Issaschars Jigeal, de zoon van Jozef;

8 van den stam Efraïms Hoséa, de zoon van Nun;

9 van den stam Benjamins Palti, de zoon van Rafu;

10 van den stam Zebulons Gad-diël, de zoon van Sodi;

11 van tien stam Jozefs, voor den stam van Manasse, Gaddi, de zoon van Susi;

12 van den stam van Dan Am-miel, de zoon van Gemalli;

13 van den stam Asers Sethur, de zoon van Michaël;

14 van den stam Naftali\'s Nahbi, de zoon van Wofsi;

15 van den stam Gads Guel, do zoon van Machi.

10 Dit zijn de namen der mannen, die Mozes zond om dat land


-ocr page 190-

NUMERI 14.

476

tc verspieden; en Mozos noemde Hoséa, den zoon van Nun, Jozua.

17 Mozes dan zond hen om hel land Kanaante verspieden, en hij zeide tot hen: Trekt dit henen op tegen het Zuiden, en klimt op het gebergte,

18 en beziet het land hoedanig het zij, en het volk dat daarin woont, of het sterk zij of zwak, of het weinig zij of veel;

19 en hoedanig het land zij waarin hetzelve woont, of het goed zij of kwaad; en hoedanig de steden zijn in welke hetzelve woont, of in legers, of in sterkten;

20 ook hoedanig het land zij, of het vet zij of mager, of er hoornen in zijn of niet; en versterkt u, en neemt van de vrucht des lands. Die dagen nu waren de dagen van de eerste vruchten der wijndruiven.

21 Alzoo trokken zij op, en verspiedden het land, van de woestijn Zin af tot liehob toe, waar men gaat naar. Hamath.

22 En zij trokken op in het Zuiden , en kwamen tot Hebron toe, en daar waren Ahiman, Sesai en Talmai, Enakskinderen. Hebron nu was zeven jaren gebouwd vóór Zoan in Egypte,

23 Daarna kwamen zij tot het dal Eskol, en sneden van daar eene rank af met eenen tros wijndruiven , dien zij droegen met hun tweeën op een draagstok; ook van de granaatappelen en van de vijgen.

24 Diezelve plaats noemde men het dal Eskol, ter oorzake van den tros, dien de kinderen Israels vandaar afgesneden hadden.

25 Daarna keerden zij weder van het verspieden des lands, ten einde van veertig dagen;

26 en zij gingen henen en kwa-.men tot Mozes en tot Aaron en tot de geheele vergadering .der kinderen Israëls, in de woestijn Paran , naar Kades , en brachten bescheid weder aan hen en aan de geheele vergadering, en lieten hun de vrucht des lands zien;

27 en zij vertelden hem en zeiden : Wij zijn gekomen tot het land, waarhenen gij ons gezonden hebt, en voorwaar het is van melk en honig vloeiende, en dit is zijne vrucht.

28 Behalve dat het oen sterk volk is hetwelk in dat land woont, en de steden zijn vast en zeer groot; en ook hebben wij daar des Enaks kinderen gezien.

29 De Amalekiten wonen in het land van het Zuiden, maar de He-thiten en de Jebusiten en de Amo-riten wonen op liet gebergte, en de Kanaaniten wonen aan de zee en aan den oever van de Jordaan.

30 Toen stilde Kaleb het volk voor Mozes, en zeide: Laat ons vrijmoediglijk optrekken, en dat erfelijk bezitten; want wij zullen dat voorzeker overweldigen.

31 Maar de mannen, die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen tot dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij.

32 Alzoo brachten zij een kwaad gerucht voort van het land , dat zij verspied hadden, aan dekinde-ren Israëls , zeggende : Het land door hetwelk wij doorgegaan zijn om dat te verspieden, is een land dat zijne inwoners verteert; en al het volk, hetwelk wij in het mid-» den van hetzelve gezien hebben, zijn mannen van groote lengte.

33 Wij hebben ook daar de \'eu-zen gezien, de kinderen Enaks, van de reuzen; en wij waren als sprinkhanen in onze oogen, alzóó waren wij ook in hunne oogen.

HOOFDSTUK 14.

Toen verhief zich do geheele vergadering, en zij hieven hunne stemme op, en het volk weende in dien nacht;

2 en alle de kinderen Israëls murmureerden tegen Mozes en tegen Aaron, en de geheele vergadering zeide tot hen: Och, of wij in Egypteland gestorven waren, of dat wij in deze woestijn gestorven waren!

3 En waarom brengt ons de Heere naar dat land, dat wij door het zwaard vallen , en onze vrouwen en onze kinderkens ten roof worden? Zoude het ons niet goed zijn naar Egypte weder tc keeren ?

4 En zij zeiden de één tot den


-ocr page 191-

NUMERI 14.

177

ander: Laat ons oen hoofd opwerpen, en wederkeeren naar Egypte.

5 Toen vielen Mozes en Aaron op hunne aangezichten , voor het aangezicht van do ganse he gemeente der vergadering van de kinderen Israels.

6 En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, zijnde van degenen, die dat land quot;verspied hadden, scheurden hunne kleederen;

7 en zij spraken tot de gansche vergadering der kinderen Israëls , zeggende: Het land, door hetwelk wij getrokken zijn om het te verspieden, is een uitermate goed land.

.s Indien de Heere een welgevallen aan ons heeft, zoo zal hij ons in dat land brengen en zal ons dat geven, een land hetwelk van melk en honig is vloeiende.

Alleen zijt togen den Heere niet wederspannig, en vreest gij niet het volk dezes hands, want zij zijn ons brood. Hunne schaduw is van hen geweken, en de Heere is met ons: vreest hen niet.

10 Toen zeide do gansche vergadering, dat men ze met steenen steenigen zoude. Maar de heerlijkheid des Heeren verscheen in de Tente der samenkomst voor alle de kinderen Israëls.

11 en de Heere zeide tot Mozes : Hoe lang zal mij dat volk tergen , en hoe lang zullen zij aan mij niet gelooven, door alle \'teekenen die ik in het midden van hen gedaan heb?

12 Ik zal hot met pestilentie slaan en ik zal het verstoeten, en ik zal u tot een grooter en sterker volk maken dan dit is.

13 En Mozes zeide tot den Heere : Zoo zullen hot de Egyptenaars hoeren; want gij hebt door uwe kracht dit volk \'liit het midden van hen doen optrekken;

14 en zij zullen zeggen tot de inwoners van dit land, die gehoord hebben dat gij . Heere , in liet midden van dit volk zijt, dat gij, Heere, oog aan oog gezien wordt, dat uwe wolk over hen staat, en gij in eene wolkkolom voor hun aangezicht gaat des daags en in eene vuurkolom des nachts.

15 En zoudt gij dit volk als een éénig man dooden, zoo zouden do heidenen, die uw gerucht gehoord hebben. spreken, zeggende:

16 Omdat de Heere dit volk niet kondo brengen in dat land, hetwelk hij hun gezworen had, zoo heeft hij ze geslacht in de woestijn.

17 Nu dan, laat toch de kracht des Heeren groot worden, gelijk als gij gesproken hebt, zeggende:

18 De Heere is lankmoedig en groot van weldadigheid, vergevende de ongerechtigheid en overtro-ding, die den schuldige geenszins onschuldig houdt, bezoekende de ongerechtigheid dor vaderen aan de kinderen, in het derde en in het vierde lid.

19 Vergeef toch de ongerechtig-heid dezes volks, naar de grootte uwer goedertierenheid, en gelijk als gij zo dezen volke van Egypte-land af tot hiertoe vergeven hebt.

20 En de Heere zeide: Ik heb hun vergeven naar uw woord.

21 Doch zekerlijk, zoo tuaai\'ach-tifj als ik leef, zoo zal de gansche aarde met de heerlijkheid des Heeren vervuld worden.

22 Want alle do mannen die gezien hebben mijne heerlijkheid en mijne teekenen, die ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en mij nu tienmaal verzocht hebben, en mijne stem niet zijn gehoorzaam geweest, —

23 zoo zij het land, hetwelk ik hunnen vaderen gezworen heb, zien zullen! Ja geene van die mij getergd hebben zullen dat zien.

24 Doch mijn knecht Kaleb, omdat een andere geest met hem geweest is en hij volhard heeft mij na te volgen, zoo zal ik hem brengen tot het land in hetwelk hij gekomen was, en zijn zaad zal liet erfelijk bezitten.

25 De Amalekiten nu en de Ka-naamten wonen in dat dal; wendt u morgen, en maakt uwe reis naar de woestijn, op den weg naar de

! Schelfzee.

26 Daarna sprak de Heere tot Mozes en tot Aaron, zeggende:

27 Hoe lang zal ik bij deze booze vergadering zijn, die tegen mij zijn murmureerende? Ik heb gehoord do


-ocr page 192-

NU ME

178

RI 15.

murmurecringén der kinderen Israels, waarmede zij tegen mij zijn murmureerende;

28 zeg tot hen: Zoo waarachtig ik leve, spreekt de Heeri-:, indien ik ulieden zóó niet doe, gelijk als gij in mijne ooren gesproken hebt!

29 Uwe doode lichamen zullen in deze woestijn vallen; en alle uwe getelden, naar uw geheele getal, van twintig jaar oud en daarboven, gii die tegen mij gemurmureerd hebt,

30 zoo gij in dat land komt over hetwelk ik mijne hand opgeheven heb dat ik u daarin zoude doen wonen! behalve Kaleb, de zoon van Jelunne, en Jozua, de zoon van Nun.

31 En uwe kinderkens, waarvan gij zeidet: Zij zullen ten roove worden , die zal ik daarin brengen, en die zullen het land kennen, hetwelk gij smadelijk verworpen hebt.

32 Maar u aangaande, uwe doode lichamen zullen in deze woestijn vallen.

33 En uwe kinderen zullen gaan weiden in deze woestijn veertig jaar, en zullen uwe hoererijen dragen , totdat uwe doode lichamen verteerd zijn in deze woestijn.

34 Naar het getal der dagen in dewelke gij dat land verspied hebt, veertig dagen, elke dag voor elk jaar, zult gij uwe ongerechtigheden dragen veertig jaar, en zult gewaarworden mijne afbreking.

35 Ik de Heehe heb gesproken: zoo ik dit deze gansche booze vergadering dergenen, die zich tegen mij verzameld hebben, niet doe! zij zullen in deze woestijn te niet worden en zullen daar sterven.

3ü En die mannen, die Mozes gezonden had om het land te verspieden, en wedergekomen zijnde de gansche vergadering tegen hein hadden doen murmureeren, een kwaad gerucht over dat land voortbrengende ,

37 diezelve mannen, die een kwaad gerucht van dat land voortgebracht hadden, stierven door eene plage voor het aangezicht des Heeuen.

38 Maar Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, bleven levend van de mannen, die henengegaan wai en om het land te verspieden.

39 En Mozes sprak deze woorden tot alle de kinderen Israels. Toen treurde het volk zeer,

40 en zij stonden des morgens vroeg op en klommen op de hoogte des bergs, zeggende; Zie hier zijn wij, en wij zullen optrekken tot de plaats, die de Heere gezegd heeft, want wij hebben gezondigd.

41 Maar Mozes zei de: Waarom overtreedt gij alzóó het bevel des Heeren? want dat zal geen voorspoed hebben.

42 Trekt niet op, want de Heere zal in het midden van u niet zijn; opdat gij niet geslagen wordt voor het aangezicht uwer vijanden.

43 Want de Amalekiten en do Kanaaniten zijn daar voor uw aangezicht, en gij zult door het zwaard vallen; want omdat gij u afgekeerd hebt van den Heere, zoo zal de Heere met u niet zijn-..

44 Nogtans poogden zij vermetel op de hoogte des bergs te klimmen; maar de Arke des verbonds des Heeren en Mozes scheidden niet uit het midden des legers.

45 Toen kwamen de Amalekiten en de Kanaaniten, die in dat gebergte woonden, af en sloegen ze, en versmeten ze tot Horma toe.

HOOFDSTUK 15.

Daarna sprak de Heere tot Mozes , zeggende:

2 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot hen: Wanneer gij gekomen zult zijn in het land uwer woningen dat ik u geven zal,

3 en gij een vuuroffer den Heere zult doen, een brandoffer of slachtoffer, om af te zonderen eene gelofte, öf in een vrijwillig offer, óf in uwe gezette hoogtijden, om den Heere een liefelijken reuk te maken van runderen of van klein vee,

4 zoo zal hij die zijne offerande den Heere offert, een spijsoffer offeren van een tiende meelbloem, gemengd met een vierendeel van een bin olie.

5 En wijn ten drankoffer, een vierendeel van een bin, zult gij


-ocr page 193-

N U M E

RT 15.

179

bereiden bij een brandoffer of bij een slachtoHcr, voor één lam.

6 Of voor een ram zult gij een spijsolfer bereiden van twee tienden meelbloem, gemengd met olie, een derdedeel van een hin.

7 En wijn ten drankoffer, een derdedeel van een bin, zult gij olferen ten liefelijken reuke den Heehe.

8 En wanneer gij een jong rund zult bereiden tot een brandoffer of een slachtoffer, om eene gelofte af te zonderen, of ten dankoffer den Heehe,

9 zoo zal hij bij een jong rund offeren een spijsouer van drie tienden meelbloem, gemengd met olie, de helft van een hin.

10 En wijn zult gij olferen ten drankoffer, de helft van een hin, tot een vuuroffer van liefelijken reuk den Heehe.

11 Alzóó zal gedaan worden met den eenen os, of met den eenen ram, of met het klein vee, van de lammeren of van de geiten:

12 naar bet getal dat gij bereiden zult, zult gij alzóó doen met elk een, naar hun getal.

13 Alle inboorling zal deze dingen alzóó doen, offerende\'een vnnroller ten liefelijken reuke den Heehe.

14 Wanneer ook een vreemdeling bij u als vreemdeling verkeert, of die in bet midden van u is in uwe geslachten, en hij een vuuroffer zal bereiden ten liefelijken reuke don Heere, gelijk gij zult doen alzóó zal hij doen.

15 Gij gemeente, het zij ulieden en den vreemdeling die als vreemdeling bij n verkeert éénerlei inzetting, ter eeuwige inzetting bij uwe geslachten; gelijk gijlieden, alzóó zal de vreemdeling voor des Heehex aangezicht zijn:

1(3 éénerlei wet en éénerlei recht zal ulieden zijn en den vreemdeling, die bij ulieden als vreemdeling verkeert.

17 Voorts sprak de Heehe tot Mozes, zeggende:

18 Spreek tot de kinderen Israels en zeg tot ben: Als gij zult gekomen zijn in bet land waarhenen ik u inbrengen zal,

19 zoo zal het geschieden als gij van het brood des lands zult eten, dan zult gij den Heehe een hefoffer olferen.

20 De eerstelingen uws deegs, een koek, zult gij tot een hefolfer offeren; gelijk het hefolfer des dorschvloers zult gij dat offeren:

21 van de eerstelingen uws deegs zult gij den Heehe een hefolfer geven, bij uwe geslachten.

22 Voorts wanneer gijlieden afgedwaald zult zijn, en niet gedaan hebben alle deze geboden, die de Heehe tot Mozes gesproken heeft,

23 alles wat u de Heehe dooide hand van Mozes geboden heeft, van dien dag af dat het de Heehe geboden heeft, en voortaan bij uwe geslachten:

24 zoo zal het geschieden, indien iets bij dwaling gedaan en voor de oogen der vergadering verborgen is, dat de gansche vergadering een var, een jong rund, zal bereiden ten brandoffer ten liefelijken reuke den Heehe, met zijn spijs-olfer en zijn drankoffer naar de wijze, en een geitenbok ten zond-offer.

25 En de Priester zal de verzoening doen voor de gansche vergadering der kinderen Israels, en het zal hun vergeven worden; want het was eene afdwaling, en zij hebben hunne ollerande gebracht een vuuroffer den Heere, en hun zondoffer, voor het aangezicht des Heehen, over hunne afdwaling.

20 Het zal dan aan de gansche vergadering der kinderen Israels vergeven worden , ook den vreemdeling, die inliet midden van hen als vreemdeling verkeert; want het is den ganschen volke door dwaling overkomen.

27 En indien ééne ziele door afdwaling gezondigd zal hebben, die zal een éénjarige geit ten zond-offer offeren;

28 en de Priester zal de verzoening doen over de dwalende ziele, als zij gezondigd heeft door afdwaling voor het aangezicht des Heehen, doende de verzoening over haar; en het zal haar vergeven worden.

29 Den inboorling der kinderen Israels, en den vreemdeling die


-ocr page 194-

NU MER I 16.

180

in hun midden als vreemdeling verkeert, éénerlei wet zal uiieden zijn, dengenen die het door afdwaling doet.

30 Maar de ziele die iets zal gedaan hebben met opgeheven hand, hetzij van inboorlingen of van vreemdelingen, die smaadt den Heeue, en die ziele zal uitgeroeid worden uit het midden van haar volk,

31 want zij heeft het woord des Heeren veracht en zijn gebod vernietigd: die ziele zal zekerlijk uitgeroeid worden, hare ongerechtigheid is op haar.

32 Als nu de kinderen Israëls in de woestijn waren, zoo vonden zij eénen man hout lezende op den sabbatdag.

33 En die hem vonden hout lezende, brachten hem tot Mozes en tot Aiiron en tot de gansche vergadering.

34 En zij stelden hein in bewaring; want het was niet verklaard wat hem gedaan zoude worden.

35 Zoo zeide de Heere tot Mozes: Die man zal zekerlijk gedood worden; de gansche vergadering zal hem met steenen steenigen buiten het leger.

30 Toen bracht hem de gansche vergadering uit tot buiten het leger, en zij steenigden hem met steenen dat hij stierf, gelijk de Heere Mozes geboden had.

37 En de Heere sprak tot Mozes , zeggende:

38 Spreek tot de kinderen Israëls en zeg tot hen, dat zij zich snoertjes maken aan de hoeken hunner kleederen, bij hunne geslachten , en op de snoertjes des hoeks zullen zij een bemelsblauwen draad zetten;

39 en hij zal uiieden aan de snoertjes zijn, opdat gij het aanziet en aan alle de geboden des Heeren gedenkt, en die doet; en gij zult naar uw hart en naar uwe oogen niet speuren, die gij iijt nahoereerende;

40 opdat gij gedenkt en doet alle mijne geboden, en uwen God heilig zijt.

41 Ik ben de Heere uw God, die u uit Egypteland uitgevoerd heb om u tot een God le zijn: ik ben de Heere uw God.

HOOFDSTUK 1G.

Korach nu, de zoon van Jizhar, den zoon van Kohath, den zoon van Levi, nam tot zich zoo Dat-han als Abiram, zonen van Eliab, en On, den zoon van Peleth, zonen van Ruben;

2 en zij stonden op voor het aangezicht van Mozes, mitsgaders tweehonderd en vijftig mannen uit de kinderen Israëls, oversten der vergadering, de geroepenen der samenkomst, mannen van naam;

3 en zij vergaderden zich tegen Mozes en tegen Aaron, en zeiden tot hen: Het is te veel voor u; want deze gansche vergadering, zij allen zijn heilig, en de Heere is in het midden van hen; waarom dan verheft gijlieden u over de gemeente des Heeren?

4 Als Mozes dit hoorde, zoo viel hij op zijn aangezicht,

5 en hij sprak tot Korach en tot zijne gansche vergadering, zeggende: Morgen vroeg, dan zal de Heere bekend maken, wie de zijne en de heilige zij, dien hij tot zich zal doen naderen; en wicn hij verkoren zal hebben, dien zal hij tot zich doen naderen.

G Doet dit: neemt u wierookvaten , Korach en zijne gansche vergadering ,

7 en doet morgen vuur daarin, legt reukwerk daarop voor hot aangezicht des Heeren; en het zal geschieden dat de man, dien de Heere verkiezen zal, die zal heilig zijn. Het is te veel voor u, gij kinderen van Levi.

8 Voorts zeide Mozes tot Korach: Hoort toch, gij kinderen van Levi:

9 is het u te weinig, dat de God Israëls u van de vergadering Israëls heeft afgescheiden, om uiieden tot zich le doen naderen om den dienst van des Heeren Tabernakel le bedienen, en te staan voor het aangezicht der vergadering, om hen te .dienen ?

10 Daar hij u en alle uwe broederen , de kinderen van Levi, met u heeft doen naderen, zoekt gij nu ook het Priesterambt?


-ocr page 195-

NUME

RI 16.

181

11 Daarom gij en uwe gansche vergadering, gij zijt vergaderd tegen den Heere; want Aaron, wat is hij, dut gij tegen hem murmureert ?

12 En Mozes zond henen om Da-than en Abiram, de zonen Eliabs, te roepen; maar zij zeiden: Wij zullen niet opkomen.

13 Is het te weinig, dat gij ons uit een land van melk en honig vloeiende hebt opgevoerd, om ons te dooden in de woestijn, dut gij ook uzelven ten eenenmule over ons tot een overheer maakt?

14 Ook hebt gij ons niet gebracht in een lund, dat van melk en honig vloeit, noch ons akkers en wijngaarden ten erfdeel gegeven. Zult gij de oogen dezer munnen uitgraven? Wij zullen niet opkomen.

15 Toen ontstak Mozes zeer, en hij zeide tot den Heere: Zie hun oifer niet aan; ik heb niet éénen ezel van hen genomen, en niet éénen van hen kwaad gedaan.

lü Voorts zeide Mozes tot Ko-rach: Gij en uwe gansche vergadering, weest voor het aangezicht des He er ex, gij enzij, ook Aiiron, op morgen;

17 en neemt een ieder zijn wierookvat, en legt reukwerk daarin, en brengt voor het aangezicht des Heeren een ieder zijn wierookvat, tweehonderd en vijftig wierookvaten ; ook gij en Aaron, een ieder zijn wierookvat.

18 Zoo namen zij een ieder zijn wierookvat, en deden vuur daarin, en leiden reukwerk daarin; en /.ij stonden voor de deur van de Tente der samenkomst, ook Mozes en Aaron;

19 en Korach deed de gansche vergadering tegen hen verzamelen aan de deur van de Tente der samenkomst. Toen verscheen de heerlijkheid des Heeren aan deze gansche vergadering,

20 en de Heere sprak tot Mozes en tot Aiiron, zeggende:

21 Scheidt u af uit het midden van deze vergadering, en ik zal ze als in een oogenblik verteren.

22 Maar zij vielen op hunne aangezichten en zeiden: o God,

God der geesten alles vleesches een éénig man zal gezondigd hebben, en zult gij u over deze gansche vergadering grootelijks vertoornen ?

23 En de Heere sprak tot Mozes, zeggende:

24 Spreek tot deze vergadering, zeggende: Gaat op van rondom de woning van Korach, Uathan en Abiram.

25 Toen stond Mozes op en ging tot Dathan en Abiram, en achter hem gingen de oudsten van Israël.

2(i En hij sprak tot de vergadering, zeggende: Wijkt toch af van de tenten dezer goddelooze mannen , en roert niets aan van hetgeen dat liet hunne is, opdat gij niet misschien verdelgd wordt in alle hunne zonden.

27 Zoo gingen zij op van de woning van Korach, Dathan en Abiram , van rondom; maar Dathan en Abiram gingen uit, staande in de deur hunner tenten, met hunne vrouwen en hunne zonen en hunne kinderkens.

28 Toen zeide Mozes: Hieraan zult gij bekennen, dat de Heere mij gezonden heeft om alle deze daden te doen, dat zij niet uit mijn eigen harte zijn:

29 indien déze zullen sterven gelijk alle menschen sterven, en over hen eene bezoeking zal gedaan worden naar aller menschen bezoeking, zoo heeft mij de Heere niet gezonden;

30 maar indien de Heere wat nieuws zal scheppen, en het aardrijk zijnen mond zal opdoen, en verslinden ze met alles wat het hunne is , en zij levend ter helle zullen nedervaren, alsdan zult gij bekennen dat deze mannen den Heere getergd hebben.

31 En het geschiedde als hij geëindigd had alle deze woorden te spreken, zoo werd het aardrijk dat onder hen was, gekloofd,

32 en de aarde» opende haren mond, en verslond ze met hunne huizon, en alle menschen, die Korach toebehoorden, en al de have;

33 en zij voeren neder, zij en alles wat liet hunne was, levend ter helle, en de aarde overdekte


-ocr page 196-

N U M E

182

RI 17.

ze, en zij kwamen om uit liet midden der gemeente.

34 En het gansche Israël, dat rondom hen was, vlood voor luin geschrei: want zij zeiden: Dal ons de aarde misschien niet verslinde.

35 Daartoe ging een vuur uit van den Heehb, en verteerde die tweehonderd en vijftig mannen, die reukwerk olFerden.

30 En de Heeue sprak tot Mo-zes, zeggende:

37 Zeg tot Eleazar, den zoon Aarons des Priesters, dat hij de wierookvaten uit den brand opne-me, en strooi het vuur ver weg, want zij zijn heilig:

38 tc weten de wierookvaten van deze, die tegen hunne zielen gezondigd hebben; dat men uitgerekte platen daarvan make, tot een overtreksel voor het altaar; want zij hebben ze gebracht voor het aangezicht des Heeren, daarom zijn ze heilig; en zij zullen den kinderen Israels tot een teeken zijn.

39 En Eleazar de Priester nam de koperen wierookvaten, die de verbranden gebracht hadden, en zij rekten ze uit tot een overtreksel voor het altaar,

W ter gedachtenis voor de kinderen Israels, opdat niemand vreemds, die niet uit den zade Aarons is, nadere om reukwerk aan te steken voor het aangezicht des Heeren, opdat hij niet worde als Korach en zijne vergadering; gelijk als de Heehe tot hem door den dienst van Mozes gesproken had.

41 Maar des anderen daags murmureerde de gansche vergadering der kinderen Israels tegen Mozes en tegen Aiiron, zeggende: Gijlieden hebt des Heerex volk gedood.

42 En het geschiedde als de vergadering zich verzamelde tegen Mozes en Aiiron, en zich wendde naar de Ten te der samenkomst, zie, zoo bedekte ze die wolk, en de heerlijkheid des Heeren verscheen.

43 Mozes nu en Aaron kwamen tol voor tie Teute der samenkomst;

44 toen sprak de Heere tot Mozes zeggende:

45 Maakt u op uit het midden van deze vergadering, en ik zal ze verteren als in een oogenblik. Toen vielen zij op hunne aangezichten,

40 en Mozes zeide tot Aaron: Neem het wierookvat, en doe vuur daarin van het altaar, en leg reukwerk daarop; haastelijk gaande tot de vergadering, doe óver hen verzoening; want een groote toorn is van voor het aangezicht des Heeren uitgegaan, de plage heeft aangevangen.

47 En Aaron nam het, gelijk als Mozes gesproken had, en liep in het midden der gemeente, en zie de plage had aangevangen onder den yolke: en hij leide reukwerk daarin, en deed verzoening over het volk,

48 en hij stond tusschen de doo-den en tusschen de levenden: al-zoo werd de plage opgehouden.

49 Die nu aan die plage gestorven zijn, waren veertienduizend en zevenhonderd, behalve die gestorven waren om de zaak van Korach.

50 En Aiiron keerde weder tot Mozes aan de deur van de Tenle der samenkomst; en de plage was opgehouden.

HOOFDSTUK 17.

Toen sprak de Heere tot Mozes, zeggende:

2 Spreek tot de kinderen Israels, en neem van hen voor elk rader-lijk huis eenen staf, van alle hunne oversten, naar het huis hunner vaderen, twaalf staven: eens iegelijks naam zult gij schrijven op zijnen staf.

3 Doch Aarons naam zult gij schrijven op den staf van Levi; want één staf zal er zijn voor het hoofd des huizes hunner vaderen.

4 en gij zult ze wegleggen in de Tente der samenkomst vóór de getuigenis, waarhenen ik met ulie-den samenkomen zal.

5 En het zal geschieden dat de staf des mans, dien ik zal verkoren hebben, zal bloeien, en k zal stillen de murmureeringen der kinderen Israels tegen mij, welke zij tegen ulieden murmureeren.

(i Mozes dan sprak lot dc kinderen Israels; en alle hunne oversten gaven aan hem eenen staf.


-ocr page 197-

NUMERI 48.

183

voor eiken overste éénen staf, naar het huis hunner vaderen, twaalf staven; Aarons staf was óók onder hunne staven.

7 En Mozes leide deze staven weg voor het aangezicht des Hee-ren, in de Teute der getuigenis.

8 Het geschiedde nu des anderen daags dat Mozes in de Ten te der getuigenis inging; en zie, Aii-rons staf, voor den huize van Levi, bloeide; want bij bracht bloeisel voort, en bloesemde bloesem en droeg arnandelen.

9 Toen bracht Mozes alle deze staven uit van voor het aangezicht des Heehen tot alle de kinderen Is-raëls; en zij zagen het en namen elk zijnen staf.

10 Toen zeide de Heeue tot Mozes : Breng den staf van Aaron weder vóór de getuigenis in bewaring, tot een teeken voor de weder-spannige kinderen; alzoo zult gij een einde maken van huune murmureeringen tegen mij, dat zijniet sterven.

11 En Mozes deed het; gelijk als de Heeue hem geboden had, al-zóó deed hij.

12 Toen spraken de kinderen Israels tot Mozes, zeggende: Zie, wij geven den geest, wij vergaan, wij allen vergaan;

\'13 al wie eenigszins nadert tot den Tabernakel des Heehex zal sterven : zullen wij dan den geest gevende verdaan worden ?

HOOFDSTUK 18.

Zoo zeide de Heere tot Aaron: Gij , en uwe zonen, en het huis uws vaders met u, zult dragende ongerechtigheid des heiligdoms; en gij, en uwe zonen met u, zult dragen de ongerechtigheid uws Priesterambts.

2 En ook zult gij uwe broederen, den stam van Levi, den stam uws vaders, met u doen naderen, dat zij u bijgevoegd worden en u dienen ; maar gij, en uwe zonen met u, zult zijn vóór de Tente der getuigenis.

3 En zij zullen uwe wacht waarnemen , en de wacht der gansche Tente; doch tot het gereedschap des heiligdoms en het altaar zullen zij niet naderen, opdat zij niet sterven, lt;00 zij als gijlieden.

4 Maar zij zullen u bijgevoegd worden en de wacht van de Tente der samenkomst waarnemen, in allen dienst derTente; en een vreemde zal tot ii niet naderen.

5 Gijlieden nu zult waarnemen de wacht des heiligdoms en de wacht des altaars, opdat er geen verbolgenheid meer zij over de kinderen Israels.

ü Want ik, zie, ik heb uwe broederen de Leviten uit bet midden der kinderen Israels genomen; zij zijn ulieden eene gave, gegeven den Heere , om den dienst van de Tente der samenkomst te bedienen.

7 Maar gij, en uwe zonen met u, zult ulieder Priesterambt waarnemen in alle zake des altaars, en in hetgeen vanbinnen den voorhang is , dat zult gijlieden bedienen : uw Priesterambt geef ik u tot eenen dienst eens geschenks; en de vreemde die nadert zal gedood v/orden.

8 Voorts sprak de Heere tot Aaron : En ik, zie , ik heb u gegeven de wacht mijner hefofferen, met allo heilige dingen der kinderen Israels heb ik ze u gegeven om der zalving wille, en aan uwe zonen tot eene eeuwige inzetting.

9 Dit zult gij hebben van de heiligheid der heiligheden, uit het vuur: alle hunne offeranden , met al hun spijsoffer, en met al hun zondoffer, en met al hun schuldoffer, dat zij mij zullen wedergeven, het zal u en uwen zonen eene heiligheid der heiligheden zijn.

10 Aan het allerheiligste zult gij dat eten: al wat mannelijk is-zal dat eten, het zal u een heiligheid zijn.

11 Ook zal dit het uwe zijn: het hefoffer hunner gave , met alle be-weegofferen der kinderen Israels; ik heb ze u gegeven, en uwen zonen en uwe dochteren met u, tot eene eeuwige inzetting; al wie in uwen huize rein is zal dat eten.

12 Al het beste van de olie, en al hot beste van most en van ko-


-ocr page 198-

NU MER I 18.

im

ren, hunne eerstelingen, die zij den Heere zullen geven, u heb ik ze gegeven.

13 De eerste vruchten van alles dat in hun land is, die zij den Heere zullen brengen, zullen uwe zijn; al wie in uw huis rein is zal dat eten.

14 Al het verbannene in Israël zal uwe zijn.

15 Al wat de baarmoeder opent, van alle vleesch dat zij den Heere zullen brengen, onder de men-schen en onder do beesten, zal uwe zijn; doch de eerstgeborenen der menschen zult gij ganschelijk lossen; ook zult gij lossen de eerstgeborenen der onreine beesten.

16 Die nu onder dezelve gelost zullen worden, zult gij van eene maand oud lossen, naar uwe schatting , voor het geld van vijf sikkelen , naar den sikkel des heilig-doms, die is twintig gera.

17 Maar het eerstgeborene van eene koe, of het eerstgeborene van een schaap, of het eerstgeborene van eene geit, zult gijniet lossen: zij zijn heilig; hun bloed zult gij sprengen op het altaar, en him vet zult gij aansteken tot een vuurofler van liefelijken reuk den Heere,

18 en hun vleesch zal uwe zijn; gelijk de beweegborst en gelijk tie rechterschouder, zal \'t uwe zijn.

19 Alle hefoiteren der heilige dingen, die de kinderen Israels den Heere zullen offeren, heb ik u gegeven, en uwen zonen en uwer dochteren met u, tot eene eeuwige inzetting; het zal een eeuwig zoutverbond zijn voor het aangezicht des Heeren , voor u en voor uwen zade met u.

20 Ook zeide de Heere tot Aaron: Gij zult in hun land niet erven , en gij zult geen deel in het midden van henlieden hebben: ik ben uw deel en uwe erfenis in het midden der kinderen Israëls.

21 En zie, aan de kinderen van Levi heb ik alle tienden in Israël ter erfenis gegeven , voor hunnen dienst dien zij bedienen, den dienst van de Tente der samenkomst.

22 En de kinderen Israëls zullen nie meer naderen tot de Tente der samenkomst, om zonde te dragen en te sterven ;

23 maar de Leviten, die znllen bedienen den dienst van de Tente der samenkomst, en die zullen hunne ongerechtigheid dragen; het zal eene eeuwige inzetting zijn voor uwe geslachten; en in het midden der kinderen Israëls zullen zij geeno erfenis erven.

24 Want de tienden der kinderen Israëls, die zij den Heere tot een hefoffer zullen offeren , heb ik den Leviten tot eene erfenis gegeven; daarom heb ik lot hen gezegd: Zij zullen in het midden der kinderen Israëls geene erfenis erven.

25 En de Heere sprak tot Mo-zes, zeggende:

21) Gij zult ook tot de Leviten spreken en tot hen zeggen: Wanneer gij van de kinderen Israëls de tienden zult ontvangen hebben, die ik u voor uwe erfenis v. n hen gegeven heb, zoo zult gij daarvan een hefoffer des Heeren offeren, de tienden van die tienden;

27 en liet zal u gerekend worden tot uw hefolfer, als koren van den dorschvloer en als de volhcic\' van de perskuip.

28 Alzóó zult gij óók een hefoffer des Heeren offeren van alle uwe tienden, die gij van de kinderen Israëls zult hebben ontvangen, en gij zult daarvan des Heeren hefolfer geven aan den Priester Aii ron;

29 van alle uwe gaven zult gij alle hefolfer des Heeren offeren: van al het beste van die, zijne heiliging daarvan.

3lMJij zult dan tot hen zeggen: Als gij deszelfs beste daarvan offert, zoo zal het den Leviten eoe-gerekend worden als een inkomen des dorschvloers en als een inkomen der perskuip.

31 En gij zult dat eten in alle plaatsen, gij en uw huis; want het is ulieden een loon voor uwen dienst in de Tente der samen* komst.

32 Zoo zult gij daarover geene zonde dragen , als gij deszelfs beste daarvan offert; en gij zult de heilige dingen der kinderen


-ocr page 199-

N U M E

RI 19.

185

Israels niet ontheiligen, dat mi niet sterft.

HOOFDSTUK 10.

Wijders sprak de Heere tot Mozes en tot Aaron , zeggende:

2 Dit is de inzetting van de wet die de Heere geboden heeft, zeggende: Spreek tot de kinderen Israels, dat zij tot u brengen eene roode volkomene vaars, in dewelke geen gebrek is, op dewelke geen juk gekomen is.

3 Én gij zult die geven aan Ele-azar den Priester; en hij zat ze uitbrengen tot buiten het leger, en men zal ze voor zijn aangezicht slachten.

4 En Eleazar de Priester zal van haar bloed met zijnen vinger nemen , en hij zal van haar bloed recht tegenover de Tente der samenkomst zevenmaal sprengen.

5 Voorts zal men deze vaars voor zijneoogen verbranden; haar vel, en haar vleesch, en haar bloed met haren mestjzal men verbranden.

6 En de Priester zal nemen cederhout , en hysop, en scharlaken, en werpen ze in het midden van den brand dezer vaars.

7 Dan zal de Priester zijne klee-deren wasschen en zijn vleesch met water baden, en daarna in het leger gaan; en de Priester zal onrein zijn tot aan den avond.

8 Ook die haar verbrand heeft zal zijne kleederen met water wasschen en zijn vleesch met water baden, en onrein zijn tot aan den avond.

9 En een rein man zal de asch dezer vaars verzamelen, en buiten het leger in eene reine plaats wegleggen; en het zal zijn ter bewaring voor de vergadering der kinderen Israels, tot het water der afzondering: het is ontzondi-ging.

10 En die de asch dezer vaars verzameld heeft zal zijne kleederen wasschen, en onrein zijn tot aan den avond. Dit zal den kinderen Israëls, en den vreemdeling, die in het midden van hen als vreemdeling verkeert, tot een eeuwige inzetting zijn.

11 Wie een doode, eenig dood lichaam van een mensch, aanroert, die zal zeven dagen onrein zijn.

12 Op den derden dag zal hij zich daarmede ontzondigen, zoo zal hij op den zevenden dag rein zijn; maar indien hij zich op den derden dag niet ontzondigt, zoo zal hij op den zevenden dag niet rein zijn.

13 Al wie een doode, het doode lichaam eens menschen die gestorven zal zijn, aanroert, en zich niet ontzondigd zal hebben, die verontreinigt den Tabernakel des Heeren; daarom zal die ziele uitgeroeid worden uit Israël; omdat het water der afzondering op hem niet gesprengd is, zal hij onrein zijn: zijne onreinigheid is nog in hem.

14 Dit is de wet wanneer een mensch zal gestorven zijn in eene tent, al wie in die tent ingaat, en al wie in die tent is, zal zeven dagen onrein zijn.

15 Ook alle open gereedschap, waarop geen deksel gebonden is, dat is onrein.

10 En al wie in het open veld eenen die met het zwaard verslagen is, of eenen doode, of het gebeente eens menschen, of een graf zal aangeroerd hebben, zal zeven dagen onrein zijn.

17 Voor een onreine nu zullen zij nemen van het stof des brands der ontzondiging, en daarop levend water doen in een vat.

18 En een rein man zal hysop nemen en in dat water doopen, en sprengen het aan die tent, en op al het gereedschap, en aan de zielen die daar geweest zijn; insgelijks aan dengenen, die een gebeente of een verslagene of éen doode of een graf aangeroerd heeft.

19 En de reine zal den onreine op den derden dag en op den zevenden dag besprengen, en op den zevenden dag zal hij hem ontzondigen; en hij zal zijne kleederen wasschen en zich met water baden , en op den avond rein zijn.

20 Wie daarentegen onrein zal zijn en zich niet zal ontzondigen, die ziele zal uit het midden der


-ocr page 200-

NUMERI 20.

•186

gemeente uitgeroeid worden ; want hij heeft liet heiligdom des Hise-uen verontreinigd, het water der afzondering is op hem niet gesprengd, hij is onrein.

21 Dit zal hun zijn tot eene eeuwige inzetting. En die het water der afzondering sprengt, zal zijne kleederen wasschen; ook wie hét water der afzondering aanroert, die zal onrein zijn tot aan den avond.

22 Ja al wat die onreine aangeroerd zal hebben zal onrein zijn, en de ziele die dat aangeroerd zal hebben zal onrein zijn tot aan den avond.

HOOFDSTUK 20.

Als de kinderen Israels, de gansche vergadering, in de woestijn Zin gekomen waren, in de eerste maand, zoo bleef liet volk te Kades. En Mirjam stierf aldaar, en zij werd aldaar begraven.

2 En daar was geen water voor de vergadering; toen vergaderden zij zich tegen Mozes en tegen Aaron ,

3 en het volk twistte met Mozes, en zij spraken, zeggende: Och of wij den geest gegeven hadden toen onze broeders voor het aangezicht des Heerex den geest gaven!

4 Waarom toch hebt gijlieden de gemeente des Heeren in deze woestijn gebracht, dat wij daar sterven zouden, wij en onze beesten?

5 En waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, om ons te brengen in deze kwade plaats? Het is geen plaats van zaad, noch van vijgen, noch van wijnstokken, noch van granaatappelen ; ook is er geen water om te drinken.

6 Toen ging Mozes en Aaron van het aangezicht der gemeente tot de deur van de Tente der samenkomst, en zij vielen op hunne aangezichten, en de heerlijkheid des Heehen verscheen hun,

7 en de Heeue sprak tot Mozes, zeggende:

8 Neem dien staf en verzamel de vergadering, gij en Aaron uw broeder, en spreekt gijlieden tot do steenrots voor hunne oogen, zoo zal zij haar water geven; alzoo zult gij hun water voortbrengen uit de steenrots, en gij zult de vergadering en hunne beesten drenken.

9 Toen nam Mozes den staf van voor het aangezicht des Heeren, gelijk als hij hem geboden had,

10 en Mozes en Aaron vergaderden de gemeente vóór de steenrots, en hij zeide tot hen: Hoort toch, gij wederspannigen, zullen wij water voor ulieden uit deze steenrots hervoorbrengen?

11 Toon hief Mozes zijne hand op en hij sloeg de steenrots tweemaal met zijnen staf, en daar kwam veel water uit, zoodat de vergadering dronk, en hunne beesten.

12 Derhalve zeide de Heere tot Mozes en tot Aaron: Omdal. gijlieden mij niet geloofd hebt, dat gij mij heiligdet voor de oogen der kinderen Israels, daarom zult gijlieden deze gemeente niet inbrengen in dat land, hetwelk ik hun gegeven heb.

13 Dit zijn de wateren van Me-riba, daar de kinderen Israëli met den Heere om getwist hebben; en hij werd aan hen geheiligd.

14 Daarna zond Mozes boden uit Kades tot den Koning van Edom, luelkc zeiden: Alzóu zegt uw broeder Israël: Gij weet al de moeite die ons ontmoet is;

15 dat onze vaders naar Egypte afgetogen zijn, en wij in Egypte vele dagen gewoond hebben, en dat de Egyptenaars ons en onzen vaderen kwaad gedaan hebben;

10 toen riepen wij tot den Heere, en hij hoorde onze stem, en hij zond eenen Engel, en hij leidde ons uit Egypte, en zie, wij z\\jn te Kades, eene stad aan het uiterste uwer landpale.

17 Laat ons toch door uw land trekken; wij zullen niet trekken door den akker noch door de wijngaarden , en zullen het water der pulten niet drinken: wij zullen den koninklijken weg gaan, wij zullen niet afwijken ter rechter-noch ter linkerhand, totdat wij


-ocr page 201-

NUME

HI 21.

187

door uwe landpalen zullen getrokken zijn.

18 Doch Edom zeide tot hem: Gij zult door mij niet trekken, opdat ik niet misseliien met den zwaar-de uitga u tegemoet.

19 Toen zeiden de kinderen Israels tot hem: Wij zullen door den gebaanden weg optrekken, en indien wij van uw water drinken, ik en mijn vee, zoo zal ik deszelfs prijs daarvoor geven; ik zal alleenlijk, zonder iets anders, te voet doortrekken.

20 Doch hij zeide: Gij zult niet doortrekken; en Edom is hein tegemoet uitgetrokken, mei een zwaar volk en met een sterke hand.

21 Alzoo weigerde Edom Israël toe te laten door zijne landpale te trekken; daarom week Israël van hem al\'.

22 ïoen reisden zij van Kades; en de kinderen Israels kwamen, de gansche vergadering, aan den berg Hor.

23 De Heere nu sprak tot Mo-zes en tot Aaron aan den berg Hor, aan de pale van het land Edoms, zeggende:

24 Aaron zal tot zijne volkeren verzameld worden, want hij zal niet komen in het land, hetwelk ik den kinderen Israels gegeven heb, omdat gijlieden mijnen mond weder-spannig geweest zijt bij de wate-ren van Meriba.

25 Neem Aaron en Eleazar zijnen zoon, en doe ze den berg Hor beklimmen;

26 en trek Aaron zijne kleederen uit, en trek ze Eleazar zijnen zoon aan; want Aaron zal verzameld worden en daar sterven.

27 Mozes nu deed gelijk de Heere geboden had; want zij beklommen den berg Hor voor de oogen der gansche vergadering,

28 en Mozes trok Aaron zijne kleederen uit, en hij trok ze zijnen zoon Eleazar aan; en Aaron stierf aldaar, op de hoogte van dien berg. Toen kwam Mozes en Eleazar van dien berg af.

29 Toen nu de gansche vergadering zng dat Aaron overleden was, zoo beweenden zij Aaron dertig dagen, het gansche huis Israels.

HOOFDSTUK 21.

Als de Kanaaniet, do Koning van Arad, wonende tegen het Zuiden , hoorde dat Israël langs den weg der verspieders kwam , zoo streed hij tegen Israël, en hij voerde een.ge gevangenen uit hen gevankelijk weg.

2 Toen beloofde Israël den Heere eene gelofte, en zeide: Indien gij dit volk geheel in mijne hand geeft, zoo zal ik hunne steden verbannen.

3 Do Heere dan verhoorde do stemme Israëls, en gaf de Kanaa-niten over, en hij verbande hen en hunne steden; en hij noemde den naam dier plaats Horma.

4 Toen reisden zij van den berg Hor, op den weg der Schelfzee, dat zij om het land der Edomiten henentogen; doch des volks ziele werd verdrietig op dozen weg,

5 en het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gijlieden ons doen optrekken uit Egypte, opdat wij sterven zouden iu deze woestijn? Want hier is geen brood , ook geen water, en onze ziele walgt over dit zeer lichte brood.

G Toen zond de Heere vurige slangen onder het volk, die beten het volk ; en er stierf veel volks van Israël.

7 Daarom kwam het volk tot Mozes, en zij zeiden: Wij hebben gezondigd, omdat wij tegen den Heere en tegen u gesproken hebben ; bid den Heere dat hij deze slangen van ons wegneme. Toen bad Mozes voor het volk.

8 En de Heere zeide tol Mozes: Maak u eene vurige slang, en stel ze op eene stang; en het zal ge-schiedon dat al wie gebeten is, als hij ze aanziet zoo zal hij leven.

9 En Mozes maakte eene koperen slang, en stelde ze op eene stang; en het geschiedde als eene slang iemand beet, zoo zag hij de koperen slang aan en hij bleef levend.

10 Toen verreisden de kinderen Israëls, eii zij legerden zich to Oboth.

11 Daarna reisden zij van Oboth,


-ocr page 202-

NUMERI 21.

188

en legerden zich aan de heuvelen van Abarim in de woestijn, die tegenover Moab is, legen den opgang der zon.

12 Van daar reisden zij en legerden zich bij de beek Zered.

13 Van daar reisden zij en legerden zich aan deze zijde van de Anion , welke in de woestijn is , uitgaande uit de landpalen der Amoriten; want de Arnon is de landpale van Moab, tusschen Moab en tusschen de Amoriten,

14 (daarom wordt gezegd in het boek der oorlogen des Heerex : Tegen Waheb , in eenen wervelwind , en tegen de beken Arnon),

15 en den afloop der beken, die zich naar de ligging van Ar wendt, en leunt aan de landpale Moabs.

16 En van daar reisden zij naar Beër. Dit is de put, van welken de Heere tot Mozes zeide: Verzamel het volk, zoo zal ik hun water geven.

17 (Toen zong Israël dit lied : Spring op gij put; zingt daarvan bij beur te;

18 gij put, dien de vorsten gegraven hebben, dien de edelen des volks gedolven hebben, door den wetgever, met hunne staven.) En van de woestijn reisden zij naar Mattana;

19 en van Mattana tot Nahaliël; en van Nahaliël tot Bamoth;

20 en van Bamoth tot het dal, dat in het veld Moabs is, aan do hoogte van Pisga, en dat tegen de wildernis ziet.

21 Toen zond Israël boden tot Sihon, den Koning der Amoriten, zeggende:

22 Laat mij door uw land trekken ; wij zullen niet afwijken in de akkers noch in de wijngaarden, wij zullen het water der putten niet drinken: wij zullen op den koninklijken weg gaan, totdat wij uwe landpale doorgetogen zijn.

23 Doch Sihon liet Israël plt;et toe door zijne landpalen door te trekken, maar Sihon vergaderde al zijn volk, en hij ging uit, Israël tegemoet naar de woestijn, en hij kwam te Jahaz en streed tegen Israël.

24 Maar Israël sloeg hem met de scherpte des zwaards, en nam zijn land in erfelijke bezitting, van de Arnon af tot de Jabbok toe, tot aan de kinderen Ammons; want de landpale der kinderen Ammons was vast.

25 Alzoo nam Israël alle deze steden in, en Israël woonde in alle de steden der Amoriten, te Hesbon en in alle hare onderhoorige plaatsen.

26 Want Hesbon was de stad Sihons des Konings der Amoriten; en hij had gestreden tegen den vorigen Koning der Moabiten , en hij had al zijn land uit zijne hand genomen, tót aan de Arnon.

27 Daarom zeggen zij die spreekwoorden gebruiken: Komt te Hesbon; men bouwe en bevestige de stad Sihons.

28 Want er is een vuur uitgegaan uit Hesbon, eene vlam uit de stad Sihons, zij heeft verteerd Ar der Moabiten, en de heeren der hoogten van de Arnon.

29 Wee u Moab, gij volk van Kamos zijt verloren: hij heeft zijne zonen dië ontliepen en zijne dochters in de gevangenis geleverd aan Sihon, den Koning der Amoriten ;

30 en wij hebben ze nedergeveld; Hesbon is verlorsn tot Dibon toe; en wij hebben ze verwoest tot Nofah toe, hetwelk tot Medeba toe reikt.

31 Alzoo woonde Israël in het land des Amoriets.

32 Daarna zond Mozes omJaëzer te verspieden; en zij namen hare onderhoorige plaatsen in, en hij dreef de Amoriten die daar waren uit de bezitting.

33 Toen wendden zij zich en trokken op den weg van Basan; en Og, de Koning van Basan ging uit hun tegemoet, hij en al zijn volk, tot den strijd, in Edréi.

34 De Heere nu zeide tot Mozes : Vrees hem niet, want ik heb hem in uwe hand gegeven, en al zijn volk, ook zijn land, en gij zult hem doen gelijk als gij Sihon, den Koning der Amoriten, die te Hesbon woonde, gedaan hebt.

35 En zij sloegen hem er zijne zonen en quot;al zijn volk, alzoo dat hem niemand overbleef; en zij


-ocr page 203-

ERI 22.

NUME

189

namen zijn land in erfelijke bezitting.

HOOFDSTUK 22.

Daarna reisden do kinderen Israels , en legerden zich in de vlakke velden Moabs, aan deze zijde van de Jordaan van Jericho.

2 Toen nu Balak, de zoon Zippers, zag al wat Israël aan de Amoriten gedaan had,

3 zoo vreesde Moab zeer voor het aangezicht dezes volks, want het was veel; en Moab was beangst voor het aangezicht der kinderen Israels.

4 Derhalve zeide Moab tot de oudsten der Midianiten: Nu zal deze gemeente oplikken al wat rondom ons is, gelijk de os het groen des velds oplikt. Te dier tijd nu was Balak, de zoon Zippors, Koning der Moabiten.

5 Die zond boden lot Bileam, den zoon Beorste Pethor, hetwelk aan de rivier is, in het land der kinderen zijns volks, om hem te roepen, zeggende: Zie, daar is een volk uit Egypte getogen; zie, het heeft het gezicht des lands bedekt, en het blijft liggen recht tegenover mij:

Ó en nu, kom toch, vervloek mij dit volk, want het is machtiger dan ik: misschien zal ik het kunnen slaan of zal het uit het land verdrijven ; wantik weet, dat wien gij zegent, die zal gezegend zijn, en wien gij vervloekt, die zal vervloekt zijn.

7 Toen gingen de oudsten der Moabiten en de oudsten der Midianiten, en hadden het loon der waarzeggingen in hunne hand; alzoo kwamen zij tot Bileam, en spraken tot hem de woorden Balaks.

8 Hij dan zeide tot hen: Vernacht hier dezen nacht, zoo zal ik ulieden een antwoord weder-brengen , gelijk als de Heere tot mij zal gesproken hebben. Toen bleven de Vorsten der Moabiten bij Bileam.

9 En God kwam tot Bileam en zeide: Wie zijn die mannen die bij u zijn?

10 Toen zeide Bileam tot God:

Balak de zoon Zippors, de Koning der Moabiten, heeft ze tot mi] gezonden, zeggende:

11 Zie, daar is een volk uit Egypte getogen, en het heeft het gezicht des lands bedekt; kom nu, vervloek het mij: misschien zal ik tegen hetzelve kunnen strijden of het uitdrijven.

12 Toen zeide God tot Bileam: Gij zult met hen niet trekken; gij zult dat volk niet vloeken, want het is gezegend.

13 Toen stond Bileam des morgens op en zeide tot de Vorsten Balaks: (laat naar uw land, want de Heere weigert mij toe te laten met ulieden te gaan.

14 Zoo stonden dan de Vorsten der Moabiten op, en kwamen tot Balak, en zij zeiden: Bileam heeft geweigerd met ons te gaan.

15 Doch Balak voer nog voort Vorsten te zenden, meer en eerlijker dan die waren,

KJ die tot Bileam kwamen en hem zeiden: Alzoo zegt Balak, de zoon Zippors: Laat u toch niet beletten tot mij te komen;

17 want ik zal u zeer hoog vereeren , en al wat gij tot mij zeggen zult, dat /.al ik doen: zoo kom toch, vervloek mij dit volk.

18 Toen antwoordde Bileam en zeide tot. de dienaren Balaks: Wanneer Balak mij zijn huis vol zilver en goud gave, zoo vermocht ik niet het bevel des Heeren mijns Gods te overtreden, om te doen klein of groot.

19 En nu, blijft gijlieden toch ook hier dezen nacht, dat ik wete wat de Heere tot mij verder spreken zal.

20 God nu kwam tot Bileam des nachts en zeide tot hem: Dewijl die mannen gekomen zijn om u te roepen, sta op , ga met hen ; en nogtans zult gij datgene doen wat ik tot u spreken zal.

21 Teen stond Bileam des morgens op en zadelde zijne ezelin, en hij trok henen met de vorsten Moabs.

22 Doch Gods toorn werd ontstoken omdat hij henentoog, en de Engel des Heeren stelde zich in den weg, hem tot eene tegen


-ocr page 204-

NUMERI 23.

100

partij ; hij nu reed op zijne ezelin, en twee zijner jongeren waren bij hein.

23 De ezelin nu zag den Engel des Heeren staande in den weg, niet zijn uitgetrokken zwaard in zijne band; daarom week de ezelin uit den weg en ging in bet veld; toen sloeg Bileain de ezelin, om ■dezelve naar den weg te doen wenden.

24 Maar de Engel des Heeren stond in een pad der wijngaarden, zijnde een muur aan deze en een muur aan gene zijde.

25 Toen de ezelin den Engel des Heeren zag, zoo klemde zij zieb zelve aan den wand, en klemde Bileams voet aan den wand; daarom voer bij voort baar te slaan.

20 Toen ging de Engel des Heeren nog verder, en bij stond in eene enge plaats, waar geen weg was om te wijken ter rechter- noch ter linkerband;

27 en als de ezelin den Engel des Heeren zag, zoo leide zij zich neder onder Bileam; en de toorn van Bileam ontstak, en bij sloeg de ezelin met eenen stok.

28 De Heere nu opende den mond der ezelin, die tot Bileam zeide: Wat heb ik u gedaan, dat gij mij nu driemaal geslagen hebt?

29 Toen zeide Bileam tot de ezelin: Omdat gij mij bespot hebt; och, of ik een zwaard in mijne hand Jiadde! want ik zoude u nu doo-den.

30 De ezelin nu zeide tot Bileam: Ben ik niet uwe ezelin, op dewelke gij gereden hebt van toen af dat gij mijn heer geweest zijt, tot op dezen dag? Ben ik ooit gewoon geweest u alzóó te doen? Hij dan zeide: Neen.

31 Toen ontdekte de Heere de oogen Bileams, zoodat bij den Engel des Heeren zag staande in den weg, en zijn uitgetrokken zwaard in zijne band; daarom nijgde bij bet hoofd en boog zich op zijn aangezicht.

32 Toen zeide de Engel des Heeren tot hem: Waarom hebt gij uwe ezelin nu driemaal geslagen? Zie, ik ben uitgegaan u tot eene tegenpartij, dewijl deze weg van mij afwijkt;

33 maar de ezelin beeft mij gezien , en zij is nu driemaal voor mijn aangezicht geweken: indien zij voor mijn aangezicht niet geweken ware, zekerlijk ik zoude u nu ook gedood en haar bij het leven behouden hebben.

34 Toen zeide Bileam tot den Engel des Heeren : Ik heb gezondigd, want ik heb niet geweten dat gij mij tegemoet op dezen weg stondt; en nu, is bet kwaad in uwe oogen, ik zal wederkeeren.

35 De Engel des Heeren nu zeide tot Bileam: Ga henen met deze mannen; maar alleen dat woord, dat ik tot u spreken zal, dat zult gij spreken. Alzoo toog Bileam met de Vorsten Balaks.

30 Als nu Balak boorde dat Bileam kwam, zoo ging hij uit hem tegemoet, tot de stad der Moabi-ten, welke aan de landpale van de Arnon ligt, die aan het uiterste der landpale is;

37 en Balak zeide tot Bileam: Heb ik niet ernstiglijk tot u gezonden om u te roepen? Waarom zijt gij niet tot mij gekomen? Kan ik ii niet naar recht vereeren?

38 Toen zeide Bileam tot Balak: Zie, ik ben tot u gekomen: zal ik nu eenigszins iels kunnen spreken? Het woord, hetwelk God in mijnen mond leggen zal, dat zal ik spreken.

39 En Bileam ging met Balak, en zij kwamen te Kirjath-Huzoth.

40 Toen slachtte Balak runderen en schapen, en hij zond aan Bileam en aan de Vorsten, die bij hem waren.

41 En het geschiedde des morgens dat Balak Bileam nam en voerde hem op de hoogte Baiils, dat hij vandaar zage het uiterste des volks.

HOOFDSTUK 23.

Toen zeide Bileam tot Balak: Bouw mij bier zeven altaren, en bereid mij bier zeven varren en zeven rammen.

2 Balak nu deed gelijk als Bileam gesproken had; en Balak en


-ocr page 205-

N U M E

RI 23;

m

uin Bileam offerden eenen var en eenen

ram op elk altaar, ge- 3 Toen zeide Bileam tot Balak: por . Blijf staan bij uw brandoffer, en ien ■ ik zal henengaan: misschien zal Eje- de Heehe mij tegemoetkomen; en i u hetgeen dat hij wijzen zal, dat zal Ie- ik ii bekend maken. Toen ging hij

op de hoogte.

en 4 Als God Bileam ontmoet was, n- zoo zeide hij tot hem: Zeven al-?n taren heb ik toegericht, en heb ?n eenen var en eenen ram op elk id altaar geofferd.

n. 5 Toen leide de Heeue het woord

le in Bileams mond, en zeide: Keer ;e weder tot Balak en spreek aldus. I, G Als hij nu tot hem wederkeer-

It de, zie, zoo stond hij bij zijn brand-n offer, hij en alle de Vorsten der Moabiten.

7 Toen hief hij zijne spreuke op i en zeide: Uit Syrië heeft mij Balak, de Koning der Moabiten, laten

ï halen, van het gebergte tegen het 5 Oosten, zeggende: Kom, vervloek mij Jakob, en kom, scheld Israël.

8 Wat zal ik vloeken dien God niet vloekt, en wat zal ik schelden daar de Heehe niet scheldt?

9 Want van de hoogte der steenrotsen zie ik hem, en van de heuvelen aanschouw ik hem. Zie, dat volk zal alléén wonen, en het zal onder de heidenen niet gerekend worden.

10 Wie zal het stof Jakobs tellen , en het getal, ja het vierdedeel van Israël? Mijne ziele sterve den dood der oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne.

11 Toen zeide Balak tot Bileam: Wat hebt gij mij gedaan ? Ik heb u genomen om mijne vijanden te vloeken, maar zie, gij hebt ze doorgaans gezegend.

12 Hij nu antwoordde en zeide: Zal ik dat niet waarnemen te spreken dat de Heehe in mijnen mond gelegd heeft ?

13 Toen zeide Balak tot hem: Kom toch met mij aan eene andere plaats, van waar gij hem zult zien; gij zult niet dan zijn einde zien, maar hem niet ganschelijk zien; en vervloek hem mij van daar.

14 Alzoo nam hij hem mede naar het veld Zofim op de hgogte van

Pisga; eiï hij bouwde zeven altaren , en hij offerde eenen var en eenen ram op elk altaar.

15 Toon zeide hij tot Balak: Blijf hier staan bij uw brandoffer, en ik zal hem aldaar ontmoeten.

1G Als de Heere Bileam ontmoet was, zo3 leide hij het woord in zijnen mond, en zeide: Keer weder tot Balak en spreek alzoó.

17 Toen hij tot hem kwam, zie, zoo stond hij bij zijn brandoffer, en de Vorsten der Moabiten bij hem. Balak nu zeide tot hem; Wat heeft de Heere gesproken?

18 Toen hief hij zijne spreuke op en zeide: Sta öp, Balak en hoor, nijg uwe ooren tot mij, gij zone Zippors.

19 God is geen man dat hij liegen zoude, noch eens menschen kind dat het hem berouwen zoude; zoude hij het zeggen en niet doen, of spreken en niet bestendig maken?

20 Zie, ik heb ontvangen te zegenen; dewijl hij zegent, zoo zal ik het niet keeren.

21 Hij schouwt niet aan de ongerechtigheid in Jakob, ook ziet hij niet aan de boosheid in Israël. De Heere zijn God is met hem, en het geklarik des Konings is bij hem.

22 God heeft ze uit Egypte uitgevoerd; zijne krachten\'zijn als eens eenhoorns.

23 Want daar is geen tooverij tegen Jakob, noch waarzeggerij tegen Israël. Te dezer tijd zal van Jakob gezegd worden, en van Israël, wat God gewrocht heeft.

24 Zie, het volk zal opslaan als een oude leeuw, en het zal zich verheffen als een leeuw; het zal zich niet nederleggen , totdat het den roof gegeten en het bloed der verslagenen gedronken zal hebben.

25 Toen zeide Balak tot Bileam: Gij zult het ganschelijk noch vloeken noch zegenen.

2G Doch Bileam antwoordde en zeide tot Balak: Heb ik niet tot u gesproken, zeggende: Al wat de Heere spreken zal, dat zal ik doen.

27 Voorts zeide Balak tot Bileam: Kom toch, ik zal u aan eene andere plaats medenemen; mis-


-ocr page 206-

NUMERI 24.

192

schien zal lief recht zijn in de oogen van dien God. dat gij het mij van daar vervloekt.

28 Toen nam Balak Bileam mede tot de hoogte van Peor, die tegen de woestijn ziet.

29 En Bileam zeide tot Balak: Bouw mij hier zeven altaren, en bereid mij hier zeven varren en zeven rammen.

30 Balak nu deed gelijk als Bileam gezegd had, en hij oiïerde een var en een ram op eik altaar.

HOOFDSTUK 24.

Toen Bileam zag dat het goed was in de oogen des Heeren dat hij Israël zegende, zoo ging hij ditmaal niet henen gelijk meermalen tot de tooverijen, maar hij stelde zijn aangezicht naar de woestijn.

2 Als Bileam zijne oogen ophief en Israël zag, wonende naar zijne stammen, zoo was de Geest Godes op hem,

3 en hij hief zijne spreuke op en zeide: Bileam , de zone Beors spreekt, en de man wicn de oogen geopend zijn spreekt;

4 de hoorder dei- redenen Godes spreekt, die des Almachtigen gezichte ziet, die verrukt wordt en wien de oogen ontdekt worden.

5 Hoe goed zijn uwe tenten, Jakob, uwe woningen, Israël!

O Gelijk de beken breiden zij zich uit, als de hoven aan de rivieren; de Heere heeft ze geplant als de sandelboomen, als de ce-derboomen aan het water.

7 Daar zal water uit zijne em-quot; mers vloeien, en zijn zaad zal in

vele wateren zijn; en zijn Koning zal boven Agag verheven worden, en zijn koninkrijk zal verhoogd worden.

8 God heeft hem uit Egypte uitgevoerd , zijne krachten \'zijn als eens eenhoorns; hij zal de heidenen , zijne vijanden , verteren , en hun gebeente breken en met zijne pijlen doorschieten.

quot;9 Hij heeft zich gekromd, hij heeft zich nedergelegd gelijk een leeuw en als een oude leeuw: wie zal hem doen opstaan? Zoo wie u zegent, die zij gezegend, cn vervloekt zij wie ii vervloekt.

1Ü Toen ontstak de toorn Balaks tegen Bileam, en hij sloeg zijne handen te zamen, en Balak zeide tot Bileam: Ik heb u geroepen om mijne vijanden te vloeken; maar zie, gij hebt ze nu driemaal gedu-riglijk gezegend.

11 En nu, pak u weg naar uwe plaats: ik had gezegd dat ik u hoog vereeren zoude, maar zie, de Heere heeft die cere van u geweerd.

12 Toen zeide Bileam tot Balak: Heb ik ook niet tot uwe boden, die gij tot mij gezonden hebt, gesproken , zeggende:

13 Wanneer mij Balak zijn huis vol zilver en goud gave, zoo kan ik het bevel des Heeren niet overtreden, doende goed of kwaad uit mijn eigen harte; wat de Heere spreken zal, dat zal ik spreken.

14 En nu, zie ik ga tot mijn volk: kom, ik zal u raad geven, en zeggen wat dit volk uwen vol-ke doen zal in de laatste dagen.

15 Toen hief hij zijne spreuke op en zeide: Bileam, de zoon Beors spreekt, en die man, wien de oogen geopend zijn, spreekt;

lö de hoorder quot;der redenen Gods spreekt, en die de wetenschap des Allerhoogsten weet; die des Al-machtigen gezichte ziet, die verrukt wordt en wien de oogen ontdekt worden.

17 Ik zal hem zien, maar nu niet; ik zal hem aanschouwen, maar niet nabij. Daar zal een sterre voortgaan uit Jakob, en daar zal een scepter uit Israël opkomen; die zal de landpalen der Moabiten verslaan, en zal alle de kinderen Seths verstoren;

18 en Edom zal eene erfelijke bezitting zijn, en Seïr zal zijnen vijanden éene erfelijke bezitting zijn; doch Israël zal kracht de en;

19 cn daar zal één uit Jakob heer-schen, en hij zal de overigen uit de. steden ombrengen.

20 Toen hij de Amalekiten zag, zoo hief hij zijne spreuke op en zeide: Amalek is de eersteling der heidenen, maar zijn uiterste is ten verderve.


-ocr page 207-

N U M E RI 23, 2G.

193

21 Toen liij de Keniten zag, zoo hief liij zijne spreuke o^) en zeide: Uwe woning is vast, on gij hebt uw nest in eene steenrots gelegd:

22 evenwel zal Kain verteerd worden , totdat u Assur gevankelijk wegvoeren zal.

28 Voorts hief hij zijne spreuke op en zeide: Och, wie zal leven als God dit doen zal!

24 En de schepen van den oever der Chittiten, die zullen Assur plagen; zij zullen ook Heber plagen, en hij zal óók ten verderve zijn.

25 Toen stond Bileain op en ging henen, en keerde weder tot zijne plaats. Balak ging óók zijnen weg.

HOOFDSTUK 25.

En Israël verbleef te SiUim, en het volk begon te hoereereh met de dochteren der Moabiten;

2 en zij noodigden het volk tot de slachtoffers harer goden, en het volk at, en boog zich voor hare goden.

3 Als nu Israël zich koppelde aan Baal-Peor, ontstak de toorn des He eren tegen Israël,

4 en de Heeue zeide tot Mozes: Neem alle de hoofden des volks, en hang ze den Heeue tegen de zon, zoo zal de hittigheid van des Heeren toorn gekeerd worden van Israël.

5 Toen zeide Mozes tot de rechters van Israël: Een ieder doode zijne mannen, die zich aan Baal-Peor gekoppeld hebben.

6 En zie, een man uit de kinderen Israëls kwam en bracht eene Midianitische tot zijne broeders, voor de oogen van Mozes en voor de oogen van de gansche vergadering der kinderen Israëls, toen zij weenden voor de deur der Teute der samenkomst.

7 Toen Pinehas de zoon Eleazars, des zoons Aarons des Priesters , dat zag, zoo stond hij op uit het midden der vergadering en nam eene spies in zijne hand,

8 en hij ging den Israëlitischen man na in den hoerenwinkel en doorstak ze beiden, den Israëlitischen man en de vrouw, door hunnen buik. Toen werd de plage van over de kinderen Israëls opgehouden.

0 Hegenen nu die aan de plage stierven waren vierentwintigduizend.

10 Toen sprak de Heere tot Mozes. zeggende:

11 Pinehas , de zoon Eleazars, des zoons Aarons des Priesters, heeft mijne grimmigheid van over de kinderen Israëls afgewend, dewijl hij mijnen ijver geijverd heelt in het midden derzei ven , zoodat ik de kinderen Israëls in mijnen ijver niet vernield heb.

12 Daarom spreek : Zie, ik geef hem mijn verbond des vredes;

13 en hij zal hebben, en zijn zaad na hem , het verbond des eeuwigen Priesterdoms, daarom dat hij voor zijnen God geijverd en verzoening gedaan heeft voor de kinderen Israëls.

14 De naam nu des verslagen Israëlitischen mans, die verslagen was met de Midianitische, was Zimri, de zoon vanSalu, een overste van een vaderlijk huis der Simeoniten ;

15 en do naam der verslagene Midianitische vrouw was Kozbi, eene dochter van Zur, die een hoofd was der volkeren van een vaderlijk huis onder de Midianiten.

16 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende:

17 Handelt vijandiglijk met de Midianiten en verslaat ze;

18 want zij hebben vijandiglijk tegen ulieden gehandeld door hunne listen . die zij listiglijk tegen u bedacht hebben in de zaak van Peor, en in de zaak van Kozbi, de dochter des oversten der Midianiten, hunne zuster, die verslagen is ten dage der plage om de zaak van Peor

HOOFDSTUK 26.

Het geschiedde nu na die plage, dat de Heere sprak tot Mozes en tot Eleazar, den zoon Aarons, des Priesters, zeggende:

2 neemt de som van de geheele vergadering der kinderen Israels op, van twintig jaar oud .en daarboven , naar het huis hunner va-


7

-ocr page 208-

194 N U M E

deren, al wie ten heire in Israël uittrekt.

3 Mozes dan en Eleazar de Priester spraken ze aan in de vlakke velden Moabs, aan den Jordaan van Jericho, zeggende :

4 Dut men upneme van twintig jaren oud en daarboven; gelijk als de Heere Mozes geboden had, en den kinderen Israels, die uit Egyp-teland uitgetogen waren.

5 Ruben was de eerstgeborene Israëls. De zonen Rubens waren Henoch, van welken was het geslacht der Henochiten; van Pallu het geslacht der Palluïten ,

G van Hezron het geslacht der Hezroniten; van Karrai het geslacht der Karmiten.

7 Dit zijn de geslachten derRu-beniten, en hunne geleiden waren drieën veertigduizend en zevenhonderd en dertig.

8 En de zonen van Pallu waren Eliab;

9 en de zonen Eliabs waren No-muël, en Dathan , en Abirain : deze Dathan en Abiram waren de geroepenen der vergadering , die gekijf maakten tegen Mozes entegen Aaron in de vergadering van Korach , als zij gekijf tegen den Heere maakten,

10 en de aarde haren mond opdeed en ze verslond met Korach, als die vergadering stierf, toen het vuur tweehonderd en vijftig mannen verteerde, en zij werden tot een teeken.

11 Maar de kinderen Korachs stierven niet.

12 De zonen Simeons, naar hunne geslachten: van Nemuël het geslacht der Nemuëliten, van Ja-min het geslacht der Jaminiten, van Jachin het geslacht der Ja-chiniten,

13 van Zerah het geslacht der Zerahiten , van Saul het geslacht der Sauliten.

14 Dat zijn de geslachten der Simeoniten: tweeëntwintigduizend en tweehonderd.

15 De zonen Gads, naar hunne geslachten: van Zeibn het geslacht der Zefoniten, van Haggi het geslacht der Haggiten, van Suni het geslacht der Suniten,

:ri 26.

16 van Ozni het geslacht der Ozniten, van Eri het geslacht der Eriten ,

17 van Arod liet geslacht der Aroditen, van Areli het geslacht der Areliten.

18 Dat zijn de geslachten dei-zonen Gads, naar hunne getelden: veertigduizend en vijfhonderd.

19 De zonen van Juda waren Er en On an; maar Er en Onan stierven in het land Kanaan.

20 Alzoo waren de zonen van Juda naar hunne geslachten: van Sela het geslacht der Selaniten, van Perez het geslacht der Pcre-ziten, van Zerah het geslacht der Zerahiten.

21 En de zonen van Perez waren : van Hezron het geslacht der Hezroniten, van Hamul het geslacht der Hamuliten.

22 Dat zijn de geslachten van Juda, naar\'hunne getelden: zesenzeventigduizend en vijfhonderd.

23 De zonen Issaschars, naar hunne geslachten, waren: van Tola het geslacht der To.\'aïten, van Puva het geslacht der Pu uiten ,

24 van Jasub het geslacht der Jasubiten, van Simron het geslacht der Simroniten.

25 Dat zijn de geslachten Issaschars, naar hunne getelden: vierenzestigduizend en driehonderd.

26 De zonen Zebulons, naar hunne geslachten. waren: van Sered het geslacht der Serediten, van Elon het geslacht der Eloniten, van Jahleël het geslacht der Jah-leëliten.

27 Dat zijn de geslachten der Zebuloniten, naar hunne getelden: zestigduizend en vijfhonderd.

28 De zonen Jozefs, naar hunne geslachten, waren Manassa en Efraïm.

29 De zonen van Manasse waren: van M-chir het geslacht der Ma-chiriten; Machir nu gewon G ilead; van Gilead was het geslacht der Gileaditen.

30 Dit zijn de zonen Gileads: van lëzer het geslacht der lëze-riten, van Helek het geslacht der Helekiten,

31 en van Asriël het geslacht

-ocr page 209-

NUMERI 20.

195

dor Asriëliten, en van Sechemhet geslacht der Sechemiten,

32 en van Semida het geslacht der Semidaïten, en van Heler het geslacht der Helerilen.

33 Doch Zelafead de zoon Hefers had geene zonen, maar dochters; en de namen der dochters Zela-leads waren Mahla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.

34 Dat zijn de geslachten van Manasse, en limine geleiden waren tweeënvijftigduizend en zevenhonderd.

35 Dit zijn de zonen Efraïms naar hunne geslachten: van Su-télah het geslacht der Sutelahiten, van Becher het geslacht der Be-cheriten, van Tahan het geslacht der Tahaniten;

30 en dit zijn de zonen van Su-télah: van Eran het geslacht der Eraniten.

37 Dat zijn de geslachten der zonen Efraïms, naar hunne getel-den: tweeëndertigduizend en vijfhonderd. Dat zijn de zonen Jozefs naar hunne geslachten.

38 De zonen Benjamins, naar hunne geslachten : van Bela het geslacht der Belaïten , van Asbel het geslacht der Asbeliten, van Ahiram het geslacht der Ahira-miten,

39 van Sefufam het geslacht der Sufamiten, van Hufam het geslacht der Hufamiten.

40 En de zonen van Bela waren Ard en Naaman: van Ard het geslacht der Arditen, van Naaman het geslacht der Naamiten.

41 Dat zijn de zonen Benjamins naar hunne geslachten, en hunne getelden waren vijfenveertigduizend en zeshonderd.

42 Dit zijn de zonen van Dan naar hunne geslachten: vanSuham het geslacht der Suhamiten; dat zijn de geslachten van Dan, naar hunne geslachten.

43 Alle de geslachten der Suhamiten. naar hunne getelden, waren vierenzestigduizend en vierhonderd.

44 De zonen Asers, naar hunne geslachten, waren: van Jimna het geslacht dei\' Jimnaïten, van Jisvi het geslacht der Jisviten, van Ben\'a het geslacht der Be-riiten.

r{ö Van de zonen van Ben\'a waren : van Heber hei geslacht der Meberilen, van Malkiel het ge-slachl der Malkiëliten.

40 En de naam der dochter Asers was Serah.

47 Dat zijn de geslachten der zonen Asers. naar hunne getelden: drieënvijftigduizend en vierhonderd.

48 De zonen van Naftali, naar hunne geslachten: van Jahzeëlhet geslacht. derJahzeëliten, van Gimi het geslacht der Guniten,

40 van Jezer het geslacht der Jezeriten, van Sillem het geslacht der Sillemiten.

50 Dat zijn da geslachten van Naftali, naar hunne geslachten, en hunne geleiden waren vijfenveertigduizend en vierhonderd.

51 Dat zijn de getelden der zonen Israels: zeshonderdduizend.cén-duizend zevenhonderd en dertig.

52 En de Heere sprak tot Mo-zes. zeggende:

53 Aan deze zal het land uitgedeeld worden Ier erfenis, naar het getal der namen.

54 Dengenen die velen zijn zult gij hunne erfenis meerder maken , en aan hen die weinig zijn zult gij hunne erfenis minder maken; eenen iegelijken zal naar zijne getelden zijne erfenis gegeven worden.

55 Het land nogtans zal doorliet lot gedeeld worden; naar de namen der stammen hunner vaderen zullen zij erven.

50 Naar het lot zal elks erfenis gedeeld worden tusschen de velen en de weinigen.

57 Dit nu zijn de getelden van Levi, naar hunne geslachten: van\' Gerson het. geslacht der Gersoni-ten, van Kohath het geslacht der Kohalhilen. van Merari het geslacht der Merariten.

58 Dit zijn de geslachten van Levi: het geslacht der Libniten, het geslacht der Hebroniten, het geslacht der Mahlilen, hel geslacht der Musiten. hot geslacht der Ko-rachiten. En Kohath gewon Am-ram ;

59 en de naam der huisvrouw


-ocr page 210-

196 N U M E

van Amram was Jochébed, de dochter van Levi, welke de huisvrouw van Levi baarde in Egypte; en deze baarde aan Amram Aaron en Mozes, en Mirjam hunne zuster.

60 En aan Aaron werden geboren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.

61 Nadab nu en Abihu waren gestorven toen zij vreemd vuur brachten voor het aangezicht des Heeren.

62 En hunne getelden waren drieëntwintigduizend, al wat mannelijk is, van een maand oud en daarboven ; want deze werden niet geteld onder de kinderen Israels, omdat hun geen erfenis gegeven werd onder de kinderen Israels.

63 Dat zijn de getelden van Mozes en Eleazar den Priester, die de kinderen Israels telden in de vlakke velden Moabs, aan den Jor-daan van Jericho.

64 En onder deze was niemand uit de getelden door Mozes en Aii-ron den Priester, als zij de kinderen Israëls telden in de woestijn van Sinaï;

65 want de Heere had van die gezegd, dat zij in do woestijn ge-wisselijk zouden sterven; en daar was niemand van hen overgebleven dan Kaleb, de zoon van Jefuline en Jozua, de zoon van Nun.

HOOFDSTUK 27.

Toen naderden de doch leren Ze-lafeads des zoons van Hefer, den zoon van Gilead, den zoon van Machir, des zoons van Manasse, onder de geslachten van Manasse, den zoon van Jozef; (en dit zijn do namen zijner dochteren: Mahla , Noa , en Hogla, en Milka, en Tirza.)

2 En zij stonden voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht van Eleazar den Priester, en voor het aangezicht der oversten en der gansche vergadering, aan de deur van de Tente der samenkomst, zeggende:

3 Onze vader is gestorven in de woestijn, en hij is niet geweest in het midden van de vergadering dergenen, die zich tegen den Heere vergaderd hebben in de vergade-

RI 27.

ring van Korach; maar hij is in zijne zonde gestorven, en had geene zonen.

4 Waarom zoude onzes vaders naam uit het midden zijns geslachts weggenomen worden, omdat hij geen zoon heeft? Geef ons eene bezitting in het midden der broederen onzes vaders.

5 En Mozes bracht hare rechtzaak voor het aangezicht des Heeren ;

(5 en de Heere sprak tot Mozes, zeggende;

7 De dochteren Zelafeads spreken recht; gij zult haar zekerlijk geven de bezitting eener erfenis in het midden der broederen haars vaders, en gij zult de erfenis haars vaders op haar doen komen.

8 En tot de kinderen Israels zult gij spreken, zeggende: Wanneer iemand sterft en geenen zoon heeft, zoo zult gij zijne erfenis op zijne dochter doen komen.

9 En indien hij geene dochter heeft, zoo zult gij zijne erfenis zijnen broederen geven.

10 Indien hij nu geen broeders heeft, zoo zult gij zijne erfenis den broederen zijns vaders geven.

11 Indien ook zijn vader geen broeders heeft, zoo zult gij zijne erfenis geven aan zijnen naastbe-staande, die hem de naaste van zijn geslacht is, dat hij het erfelijk be-zitte. Dit zal den kinderen Israëls tot eene inzetting des rechts zijn, gelijk als de Heere Mozes geboden heeft.

12 Daarna zeide de Heere tot Mozes: Klim op dezen berg Aba-rim, en zie dat land, hetwelk ik den kinderen Israëls gegeven heb:

13 wanneer gij dat gezien zult hebben, dan zult gij tot uwe volkeren verzameld worden, gij ook, gelijk als uw broeder Aaror. verzameld geworden is;

14 naardien gijlieden mijner monde wederspannig zijt geweest in de woestijn Zin in de twisting der vergadering, om mij aan de wateren voor hunne oogen te heiligen: dat zijn de wateren van Meriba, van Kades in de woestijn Zin.

15 Toen sprak Mozes tot den Heere, zeggende:


-ocr page 211-

NUMERI 28.

197

1G Dat do Heere, de God dor

geesten van alle vleesch, eenen man stelle over deze vergadering,

17 die voor hun aangezicht uitga en die voor hun aangezicht inga, en die hen uitleide en die hen in-leide; opdat de vergadering des Heeren niet zij als schapen die geenen herder hebben.

18 Toen zeide de Heere tot Mo-zes: Neem tot u Jozua, den zoon van Nun, een man in welken de Geest is, en leg uwe hand op hem,

19 en stel hem voor het aangezicht Eleazars des Priesters en voor het aangezicht der gansche vergadering, en geef hem bevel voor hunne oogen;

20 en leg op hem van uwe heerlijkheid, opdat zij hooren, te weten de gansche vergadering dei-kinderen Israels.

21 En hij zal voor het aangezicht Eleazars des Priesters staan, die voor hem raad vragen zal, naar de wijze van Urim, voor het aangezicht des Heeren: naar zijnen mond zullen zij uitgaan en naar zijnen mond zullen zij ingaan, hij, en alle de kinderen Israels met hem, en de gansche vergadering,

22 En Mozes deed gelijk als de Heere hem geboden had; want hij nam Jozua en stelde h3m voor het aangezicht Eleazars des Priesters, en voor het aangezicht der gansche vergadering;

23 en hij ieide zijne handen op hem, en gaf hem bevel, gelijk als de Heere door den dienst van Mozes gesproken had.

HOOFDSTUK 28.

Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende:

2 Gebied den kinderen Israels en zeg tot hen: Mijne offerande, mijne spijze voor mijne vuurolfe-ren, mijnen liefelijken reuk zult gij waarnemen om mij te offeren op zijn gezetten tijd.

3 Èn gij zult tot hen zeggen: Dit is het vuuroffer, hetwelk gij den Heere offeren zult: twee vol-komene éénjarige lammeren des daags, ten gedurigen brandoffer;

4 het ééne lam zult gij bereiden des morgens, en het andere lam zult gij bereiden tusschen de twee avonden,

5 en een tiende deel eener efa meelbloem ten spijsoffer, gemengd met het vierendeel eens bins van gestooten olie.

ü Het is het gedurig brandoffer, hetwelk op den berg Sinaï ingesteld was ten liefelijken reuke een vuuroffer den Heere.

7 En zijn drankoffer zal zijn het vierendeel eens hins voor het éóne lam; in het heiligdom zult gij het drankoffer des sterken dranks den Heere offeren.

8 En dat andere lam zult gij bereiden tusschen de twee avonden, gelijk het spijsoffer des morgens, en gelijk zijn clrankoffer zult gij het bereiden, ten vuuroffer des liefelijken reuks den Heere.

9 Maar op den sabbatdag twee volkomene éénjarige lammeren, en twee tienden meelbloem ten spijsoffer met olie gemengd, mitsgaders zijn drankoffer:

10 het is het brandoffer des sab-bats op eiken sabbat, boven het gedurig brandoffer en zijn drankoffer.

11 En in het begin uwer maanden zult gij een brandoffer den Heere offeren: twee jonge varren, en éénen ram, zeven volkomene éénjarige lammeren;

12 en drie tienden meelbloem ten spijsoffer met olie gemengd tot den éénen var; en twee tienden meelbloem ten spijsoffer met olie gemengd tot den éénen ram;

13 en telkens een tiende deel meelbloem ten spijsoffer met olie gemengd tot het ééne lam : het is een brandoffer ten liefelijken reuke, een vuuroffer den Heere.

14 En hunne drankoffers zullen zijn de helft eens bins tot eenen var, en een derde deel e-ens bins tot eenen ram, en een vierendeel eens hins van wijn tot een lam: dat is het brandoffer der nieuwe maan in elke maand, naar de maanden des jaars.

15 Daartoe zal een geitenhok ten zondoffer den Heere boven het gedurig brandoffer bereid worden met zijn drankoffer.

16 En in de eerste maand op


-ocr page 212-

NUMERI 29.

198

den veertienden dag der maand is liet Pascha den H he re.

17 En op den vijftienden dag derzelver maand is liet leest; zeven da.\'en zullen ongezuurde brooden gegeten worden.

18 Op den eersten dag zal eene heilige samenroeping zijn; geen dienstwerk zult gijlieden do-sn;

19 maar gij zuli een vuuroffer ten brandoffer den Heere offeren: twee jonge varren, enéénen ram, daarbij zeven éénjarige lammeren: volkomen zullen zij u zijn.

20 En hun spijsoffer zal zijn meelbloem met olie gemengd: drie tienden tot eenen var en twee i tienden tot eenen ram zult gij bereiden.

21 Telkens zult gij een tiende deel bereiden tot éèn lam, tot die zeven lammeren toe.

22 Daarna éénen bok ten zondoffer, om over ulieden verzoening-te doen.

23 Behalve het morgen-brandoffer, hetwelk tot een gedurig brandoffer is, zult gij deze dingen bereiden.

24 Achtereenvolgende deze dingen zult gij des daags, zeven dagen lang. de spijze des vuuroffers bereiden ten liefelijken reuke den Heers; boven het\'gedurig brandoffer zal het bereid worden met zijn drankoffer.

25 En op den zevenden dag zult gij eene heilige samenroeping hebben ; geen dienstwerk zult gij doen.

2ü Insgelijks op den dag der eerstelingen, als gij een nieuw spijsoffer den Heere zult offeren naar uwe weken, zult gij eene heilige samenroeping hebben; geen dienstwerk zult gij doen.

27 Dan zult gij den Heere een brandoffer ten liefelijken reuke offeren: twee jonge varren, éénen ram , zeven éénjarige lammeren;

28 en hun spijsoffer van meelbloem met olie gemengd: drie tienden tot éénen var, twee tienden tot éénen ram;

29 telkens een tiende bij één lam, tot die zeven lammeren toe;

30 éénen geitenhok om voor u verzoening te doen.

31 Behalve het gedurig brand

offer en zijn spijsoffer zult gij ze bereiden: zij zullen u volkomen zijn met hunne drankofferen.

HOOFDSTUK 29.

Desgelijks in de zevende maand op den eerste der maand zult gij eene heilige samenroeping hebben ; geen dienstwerk zult gij doen: het zal u een dag des geklanks zijn.

2 Dan zult gij een brandoffer ten liefelijken reuke den Heere bereiden: éénen jongen var, éénen ram, zeven volkomene éénjarige lammeren;

, 3 en hun spijsoffer van meelbloem met olie gemengd: drie tienden tot den var, twee tienden tot den ram,

4 en één tiende tot één lam, lot die zeven lammeren toe.;

5 en éénen geitenhok ten zondoffer, om over ulieden verzoening te doen;

G behalve het brandoffer der maand en zijn spijsoffer, en het gedurig brandoffer en zijn spijsoffer, met hunne drankofferen naar hunne wijze ten liefelijken reuke, ten vuuroffer den Heere.

7 En op den tiende dezer zevende maand zult gij eene heilige samenroeping hebben, en gij zult uwe zielen verootmoedigen: geen werk zult gij doen ;

8 maar gij zult brandoffer ten liefelijken rèuke den Heere offeren: éénen jongen var, éénen ram, zeven éénjarige lammeren: volkomen zullen zij u zijn;

9 en hun spijsoffer van meelbloem met olie gemengd: drie tienden tot den var, twee tienden tot den éénen ram,

10 telkens een tiende tot één lam, tot die zeven lammeren toe;

11 éénen geitenhok ten zondoffer; behalve het zondoffer der verzoeningen , en het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, met hunne drankofferen.

12 Insgelijks op den vijftienden dag dezer zevende maand zult gij eene heilige samenroeping hebben ; geen dienstwerk zult gij doen, maar zeven dagen zult gij den Heere een feest vieren;

-ocr page 213-

NUMERI 30.

199

13 en gij zult een brandoffer ten vuurolier offeren, ten liefelijken reuke den Heere: dertien jonge varren, twee rammen, veertien éénjarige lammeren: zij zullen volkomen zijn;

14 en hun spijsoffer van meelbloem met olie gemengd: drie tienden tot éénen var, tot die dertien varren toe; twee tienden tot éénen ram, onder die twee rammen ,

15 en telkens een tiende tot één lam, tot die veertien lammeren toe;

16 en éénen geitenhok ten zond-offer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.

17 Daarna op den tweeden dag twaalf jonge varren , twee rammen , veertien volkomene éénjarige lammeren;

18 en hun spijsoffer en hunne drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;

19 en éénen geitenhok ten zond-offer; behalve het gedurig brandoffer en zijn spijsoffer, met hunne drankoffers.

20 En op den derden dag elf varren, twee rammen, veertien volkomene éénjarige lammeren;

21 en hunne spijsofferen en hunne drankofferen, tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;

22 en éénen bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.

23 Voorts op den vierden dag tien varren, twee rammen, veertien volkomene éénjarige lammeren;

24 hun spijsoffer en hunne drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal naar de wijze;

25 en éénen geitenhok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsofferen zijn drankoffer.

20 En op den vijfden dag negen varren, twee rammen, en veertien volkomene éénjarige lammeren ;

27 en hun spijsoffer en hunne drankofferen, tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar do wijze;

28 en iénen bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.

29 Daarna op den zesden dag acht varren, twee rammen, veertien volkomene éénjarige lammeren ;

30 en hun spijsoffer en hunne drankofferen tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in quot;hun getal, naar do wijze;

31 en één bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijne drankofferen.

32 En op den zevenden dag zeven varren, twee rammen, veertien volkomene éénjarige lammeren;

33 en hun spijsoffer en hunne drankofferen, tot de varren, tot de rammen, en tot de lammeren, in hun getal, naar hunne wijze;

34 en éénen bok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.

3D Op den achtsten dag zult gij een verbodsdag hebben: geen dienstwerk zult gij doen.

30 En gij zult een brandoffer ten vuuroller offeren, ten liefelijken reuke den Heere: éénen var, éénen ram, zeven volkomene éénjarige lammeren;

37 hun spijsoffer en hunne drankofferen, tot den var, tot den ram, en tot de lammeren, in hun getal, naar de wijze;

38 en éénen hok ten zondoffer; behalve het gedurig brandoffer, en zijn spijsoffer, en zijn drankoffer.

39 Deze dingen zult gij den Heere doen op uwe gezette hoogtijden; behalve uwe geloften en uwe vrijwillige offeren, met uwe brandofferen en met uwe spijs-offeren en met uwe drankofferen en met uwe dankofferen.

40 En Mozes sprak tot de kinderen Israels naar al wat de Heere Mozes geboden had.

HOOFDSTUK 30.

En Mozes sprak tot de hoofden


-ocr page 214-

200

der stammen der kinderen Israels, zeggende: Dit is de zake, die de Heere geboden heeft:

2 Wanneer een man den Heere eene gelofte zal beloofd of eenen eed zal gezworen hebben, zijne ziele met eene verbintenis verbindende: zijn woord zal hij niet ontheiligen: naar alles wat uit zijnen mond gegaan is zal hij doen.

3 Maar als eene vrouw den Heere eene gelofte zal beloofd hebben, en zich met eene verbintenis in het huis haars vaders in hare Jonkheid zal verbonden hebben;

4 en haar vader hare gelofte en hare verbintenis, waarmede zij hare ziele verbonden heeft, zal hooren, en haar vader tegen haar zal stilzwijgen: zoo zullen alle hare geloften bestaan, en alle verbintenis, waarmede zij hare zie! verbonden heeft, zal bestaan.

5 Maar indien haar vader dat zal breken ten dage als hij het hoort, alle hare geloften en hare verbintenissen, waarmede zij hare ziele verbonden heeft, zullen niet bestaan; maar de Heeue zal hot haar vergeven, want haar vader heeft ze haar doen breken.

Ü Doch indien zij immers eenen man heeft, en hare geloften op haar zijn, of de uitspraak harer lippen, waarmede zij hare ziele verbonden heeft,

7 en haar man dat zal hooren, en ten dage als hij het hoort tegen haar zal stilzwijgen: zoo zullen hare geloften bestaan, en hare verbintenissen, waarmede zij hare ziele verbonden heeft zullen bestaan.

8 Maar indien haar man ten dage als hij het hoorde dat zal breken, en hare gelofte die op haar was zal te niet maken, mitsgaders de uitspraak harer lippen, waarmede zij hare ziel verbonden heeft, zoo zal de Heere het haar vergeven.

9 Aangaande de gelofte eener weduwe of eener verstootene , alles, waarmede zij hare ziele verbonden heeft, zai over haar bestaan.

10 Maar indien zij nocj ten huize haars mans gelofte gedaan heeft,

of met eenen eed door verbintenis hare ziele verbonden heeft; ]lt;e

11 en haar man dat gehoord, r, en tegen haar zal hebben stilge-

zwegen, dat, niet brekende: zoo (\\i zullen ;ille hare geloften bestaan, p mitsgaders alle verbintenis waar- p mede zij hare ziel verbonden heeft, ü zal bestaan. ^

12 Maar indien haar man die dingen ganschelijk te niet maakt ten a dage als hij het hoort, niets van £ al wat uit hare lippen gegaan is, i van hare gelofte en van de verbintenis harer ziele zal bestaan; ] haar man heelt ze te niet gemaakt, ( en de Heere zal het haar vergeven;

13 alle gelofte en alle eed der verbintenis om de ziele te verootmoedigen, die zal haar man bevestigen of die zal haar man te niet maken.

14 Maar zoo haar man tegen haar van dag tot dag gansche\'ijk stilzwijgt, zoo bevestigt hij alle hare geloften of alle hare verbintenissen, welke op haar zijn; hij heeft ze bevestigd, omdat hij tegen haar stilgezwegen heeft ten dage als hij het hoorde.

15 Doch zoo hij zc ganschelijk te niet maken zal nadat hij het gehoord zal hebben, zoo zal hij hare ongerechtigheid dragen.

1(5 Dat zijn de inzettingen die de Heere Mozes geboden heeft, tusschen een man en zijne huisvrouw, tusschen een vader en zijne dochter, zijnde in hare jonkheid ten huize haars vaders.

HOOFDSTUK 31.

En de Heere sprak tot Mozes, zeggende:

2 Neem de wrake der kinderen Israëls van de Midianiten; daarna zult gij verzameld worden tot uwe volkeren.

3 Mozes dan sprak tot het volk, zeggende: Dat zich mannen uit u ten strijde toerusten, en dat zij tegen dé Midianiten zijn, cm de wrake des Heeren te doen aan de Midianiten;

4 van eiken stam onder alle stammen Israëls zult gij er duizend ten strijde zenden.

NU MER I 31.


-ocr page 215-

NUMERI 31.

201

5 Alzoo werden geleverd uit de duizenden Israels duizend van eiken stam, twaalfduizend toege-rusten ten strijde;

(J en Mozes zond ze ten strijde, duizend van eiken stam, hen en Pinehas, den zoon Eleazars des Priesters, ten strijde, met de heilige vaten, en de trompetten des geklanks in zijne hand.

7 En zij streden tegen de Midi-aniten, gelijk de Heere Mozes geboden had, en zij doodden al wat mannelijk was.

8 Daarbij doodden zij, boven hunne verslagenen, de Koningen der Midianiten, Evi en Rekem en Zur en Uur en Reba, vijf Koningen der Midianiten; ook doodden zij met den zwaarde Bileam, den zóne Beors.

9 Maar de kinderen Israëls namen de vrouwen der Midianiten en hunne kinderkens gevangen, zij rooiden ook alle hunne beesten en al hun vee en al hun vermogen;

10 voorts alle hunne steden met hunne woonplaatsen, en alle hunne burchten verbrandden zij met vuur;

11 en zij namen al den roof en al den buit, van menschen en van beesten.

12 Daarna brachten zij de gevangenen en den buit en den roof tot Mozes en tot Eleazar den Priester , en tot de vergadering der kinderen Israëls in het leger, in de vlakke velden Moabs, welke zijn aan den Jordaan van Jericho.

13 Maar Mozes en Eleazar de Priester, en alle oversten der vergadering , gingen uit hun tegemoet, tol buiten voor het leger.

14 En Mozes werd grootelijks vertoornd tegen dc bevelhebbers des heirs, de hoofdlieden der duizenden en de hoofdlieden der honderden , die uit den strijd van j dien oorlog kwamen,

15 en Mozes zeidetothen: Hebt gij dan alle vrouwen laten leven?

16 Zie, deze waren door Bileams raad den kinderen Israëls om oorzaak der overtreding tegen den Heere te geven , in de zake van Peor; waardoor die plaag ontstond onder de vergadering des Hee-ren.

17 Nu dan, doodt al wat mannelijk is onder de kinderkens, en doodt al\'e vrouw die door bijligging des mans ecnen man bekend heeft;

IS doch alle de kinderen van vrouwelijk geslacht, die de bijligging des mans niet bekend hebben , laat voor ulieden leven.

19 En gijlieden, legert u buiten het leger zeven dagen: een ieder die eenen mensch gedood en al wie eenen verslagene zult aangeroerd hebben, zult u op den derden dag en op den zevenden dag ontzondigen, gij en uwe gevangenen.

20 Ook zult gij alle kleeding, en allo gereedschap van vellen , en alle geiten/iaren werk, en alle gereedschap van hout, ontzondigen.

21 En Eleazar de Priester zeide tot de krijgslieden, die tot dien strijd getogen waren: Dit is de inzetting der wet, die de Heere Mozes geboden heeft.

22 Alleen het goud en het zilver, het koper, het ijzer, het tin en het lood,

23 alle ding, dat het vuur lijdt, zult gij door het vuur laten doorgaan, dat het rein worde: evenwel zal het door het water der afzondering ontzondigd worden; maar al wat het vuur niet lijdt zult gij door het water laten doorgaan.

24 Gij zult ook uwe kleederen op den zevenden dag wasschen , dat gij rein wordt; en daarna zult gij in het leger komen.

25 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende:

26 Neem op de somme des buits der gevangenen, van menschen en van beesten, gij en Eleazar dc Priester, en de hoofden van dc vaderen der vergadering;

27 en deel den buit in twee helften tusschen degenen die den strijd aangegrepen hebben , die tot den krijg uitgegaan zijn, en tusschen de gansche vergadering.

28 Daarna zult gij eene schatting voor den Heere heften van de oorlogsmannen die tot dezen krijg uitgetogen zijn, van vijfhon-


-ocr page 216-

202 N U M E

derd ééne ziele, uit de mcnschen en uit de runderen en uit de ezels en uit de schapen:

29 van hunne helft zult sü het nemen, en den Priester Eleazav geven ter heffmge des Hekhen.

30 Maar van de helft der kinderen Israels zult gij éénen gevangene van vijftig nemen , uit de men-schen, uit de runderen, uit de ezels, en uit de schapen, uit alle de iDeesten, en gij zult ze den Le-viten geven, die de wacht des Tabernakels des Heeren waarnemen.

31 En Mozes en Eleazar de Priester deden gelijk als de Heehe Mozes geboden had.

32 De buit nu, het overschot des roofs dat het krijgsvolk geroofd had, was zeshonderdduizend en zeventigduizend en vijfduizend schapen,

33 en tweeënzeventigduizend runderen ,

34 en éénenzestigduizend ezels.

35 en der menschenzielen , uit de vrouwen die geene bijligging des mans bekend hadden. alle zielen waren tweeendertigduizend.

36 En de helft, te weten het deel dergenen, die tot dezen krijg uitgetogen waren, was in getale driehonderdduizend en dertigduizend en zevenduizend en vijfhonderd schapen,

37 en de schatting voor den Heere van schapen was zeshonderd vijfenzeventig;

38 en de runderen waren zesendertigduizend, en hunne schatting voor den Heere tweeënzeventig;

39 en do ezels waren dertigduizend en vijfhonderd, en hunne schatting voor den Heere was éénenzestig;

40 en der menschenzielen waren zestienduizend, en hunne schatting voor den Heere tweeëndertig zielen.

41 En Mozes gaf Eleazar den Priester de schatting der heffing des Heeren, gelijk als de Heere Mozes geboden had.

42 En van de hol ft der kinderen Israels, welke Mozes afgedeeld had van de mannen die gestreden hadden,

RI 32.

43 (het halvedeel nu der vergadering was uit de schapen driehonderdduizend en dertigduizend en zevenduizend en vijfhonderd,

44 en de runderen waren zesendertigduizend ,

45 en de ezels dertigduizend en vijfhonderd,

46 en der menschenzielen zestienduizend :)

47 van die helft der kinderen Israels nam Mozes éénen gevangene uit vijftig, van mcnschen en van beesten, en hij gaf ze den Leviten, die de wacht van den Tabernakel des Heeren waarnamen . gelijk als de Heere Mozes geboden had.

48 Toen traden tot Mozes de bevelhebbers, die over de duizenden des heirs waren, de hoofdlieden der duizenden en de hoofdlieden der honderden,

49 en zij zeiden tot Mozes: Uwe knechten quot; hebben opgenomen do som der krijgslieden, die onder onze hand geweest zijn, en uit ons ontbreekt niet één man;

50\'daarom hebben wij eene offerande des Heeren gebracht, een ieder dat hij gekregen heeft, een gouden vat, een keten, of een armring, een vingerring, een oorring, of een afhangenden gordel, om voor onze zielen verzoening te doen voor het aangezicht des Heeren.

51 Zoo nam Mozes en Eleazar de Priester van hen het goud, alle wel gewrochte vaten.

52 En al het goud der heffing, dat zij den Heere offerden, was zestienduizend zevenhonderd en vijftig sikkelen, van de hoofdlieden der quot;duizenden en van de hoofdlieden der honderden.

53 Aangaande de krijgslieden, een iegelijk had geroofd voor zichzelven.

54 Zoo nam Mozes en Eleazar de Priester dat goud van de hoofdlieden der duizenden en der honderden. en zij brachten het in de Tente der samenkomst ter gedachtenis voor de kinderen Israels, voor het aangezicht des Heeren.

HOOFDSTUK 32.

De kinderen Rubens nu hadden veel vee, en de kinderen Gads had-


-ocr page 217-

NUMERI 32.

203

den machtig veel; en zij bezagen het land van Jaëzer en het land van Gilead, en zie, deze plaats was eene plaats voor vee.

2 Zoo kwamen de kinderen Gads en de kinderen Rubens en spraken tot Mozes en tot Eleazar den Priester en tot de oversten der vergadering, zeggende:

3 Ataroth, en üibon, en Jaëzer, en Nimra, en Hesbon, en Eiealé, en Schebam, en Nebo, en Rehon,

4 dit land, hetwelk de Heere voor het aangezicht der vergadering van Israël geslagen heeft, dat is een land voor vee, en uwe knechten hebben vee.

5 Voorts zeiden zij: Indien wij genade in uwe oogen gevonden hebben, dat dit land aan uwe knechten gegeven worde tot eene bezitting; doe ons niet trekken over den Jordaan.

6 Maar Mozes zeide tot de kinderen Gads en tot de kinderen Rubens : Zullen uwe broeders ten strijde gaan en gijlieden zult hier blijven?

7 Waarom toch zult gij het harte der kinderen Israëls breken, dat zij niet overtrekken naar het land, dat de Heehe hun gegeven heeft?

8 Zóó deden uwe vaders, als ik ze van Kades-Rarnca zond om dit land te bezien;

9 als zij opgekomen waren tot aan het dal i^skol en dit land bezagen, zoo braken zij het harte der kinderen Israëls, dat zij niet gingen naar het land dat dc Heere hun gegeven had.

40 Toen ontstak de toorn des HEERENte dien dage, en hij zwoer, zeggende:

11 Indien deze mannen, die uit Egypte opgetogen zijn, van twintig\'jaar oud en daarboven, het land zullen zien, dat ik Abraham, Isaak en Jakob gezworen heb! want zij hebben niet volhard mij na te volgen;

12 behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, de Keniziet, en Jozua, de zoon van Nun; want zij hebben volhard den Heere na te volgen.

13 Alzoo ontstak des Heeren toorn tegen Israël, en hij deed ze omzwerven in de woestijn veertig jaar, totd.it verteerd was het gan-sche geslacht, hetwelk gedaan had dat kwaad was in de oogen des Heeren.

14 En zie, gijlieden zijt opgestaan in stede van uwe vaderen, eene menigte van zondige menschen, om de hittigheid van des Heeren toorn tegen Israël te vermeerderen :

15 wanneer gij van achter hem u zult afkeeren, zoo zal hij wijders voortvaren het te laten in de woestijn, en gij zult al dit volk verderven.

16 Toen traden zij toe tot hem en zeiden: Wij zullen hier schaapskooien bouwen voor ons vee en steden voor onze kinderkens,

17 maar wij zeiven zullen ons toerusten, ons haastende voor het aangezicht der kinderen Israëls, totdat wij ze aan hunne plaatse zullen gebracht hebben; cn onze kinderen zullen blijven in de vaste steden, vanwege de inwoners des lands.

18 Wij zullen niet wederkeeren tot onze huizen, totdat zich de kinderen Israëls tot erfelijke bezitters zullen gesteld hebben een ieder van zijne erfenis;

19 want wij zullen met hen niet erven aan gene zijde vv.n den Jordaan en verder henen, als onze erfenis ons toegekomen zal zijn aan deze zijde van den Jordaan, tegen den opgang.

20 Toen zeide Mozes tot hen: Indien gij deze zake doen zult, in-dien gij ii voor het aangezicht des Heeren zult toerusten ten strijde,

21 en een ieder van u die toegerust is over den Jordaan zal trekken voor het aangezicht des Heeren , totdat hij zijne vijanden voor zijn aangezicht iiit de bezitting zal verdreven hebben.

22 en het land voor het aangezicht des Heeren ten ondergebracht zij : zoo zult gij daarna wederkeeren en onschuldig zijn voor den Heere en voor Israël, en dit land zal u ter bezitting zijn voor het aangezicht des Heeren.

23 Indien gij daarentegen alzóó niet zult doen, zie, zoo hebt gij aan den Heere gezondigd; doch


-ocr page 218-

204 NUME

gij zult uwe zonde gewaarworden als zij u vinden zal.

24 Bouwt u steden voor uwe kinderkens en kooien voor uwe schapen, en doet wat uit uwen mond uitgegaan is.

25 Toen spraken de kinderen Gads en de kinderen Rubens tot Mozes, zeggende: Uwe knechten zullen doen gelijk als mijn heer gebiedt;

26 onze kinderkens, onze vrouwen, onze have en alle onze beesten zullen aldaar zijn in de steden van Gilead,

27 maar uwe knechten zullen overtrekken, al wie ten heire toegerust is, voor het aangezicht des Heehen, tot den strijd, gelijk als mijn heer gesproken heelt.

28 Toen gebood Mozes hunnent-halve den Priester Eleazar, en Jo-zua, den zoon van Nun, en de hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israels,

29 en Mozes zeide tot hen: Indien de kinderen Gads en de kinderen Rubens met uli3den ovelden Jordaan zullen trekken, een ieder die toegerust is ten oorloge voor het aangezicht des Heeren: als het land voor uw aangezicht zal tenondergebracht zijn, zoo zult gij hun het land Gilead ter bezitting geven;

30 maar indien zij niet toegerust met u zullen overtrekken, zoo zullen zij tot bezitters gesteld worden in het midden van ulieden in den lande Kanaiin.

31 En de kinderen Gads en de kinderen Rubens antwoordden, zeggende: Wat de Heere tot uwe knechten gesproken heeft zullen wij alzóó doen:

32 wij zullen toegerust overtrekken voor het aangezicht des Heeren naar het land Kanaan, en de bezitting onzer erfenis zullen wij hebben aan deze zijde van den Jordaan.

33 Alzoo gaf Mozes hunlieden, den kinderen Gads en den kinderen Rubens en den halven stam van Manasse, Jozefs zoon, het koninklijk van Sihon, Koning der Amoriten en het koninkrijk van Og, Koning van Basan, het land

RI 33.

met de steden van dien in de landpalen, de steden des lands rondom.

34 En de kinderen Gads bouwden Dibon, en Ataroth, en Aroër,

35 en Atroth-Sofan, en Jaëzer, en Jogbeha,

36 En Beth-Nimra, en Beth-Haran, vaste steden en schaapskooien.

37 En de kinderen Rubens bouwden Hesbon, en Elealé, en Kirja-thaïm,

38 en Nebo, en Baal-Meon, veranderd zijnde van naam, en Sib-ma; en zij noemden de namen der steden die zij bouwden met an-dere namen.

39 En de kinderen Machirs des zoons van Manasse gingen naar Gilead en namen dat in, en zij verdreven de Amoriten, die daarin waren, uit de bezitting.

40 Zoo gaf Mozes Gilead aar. Machir den zoon van Manasse, er. hij woonde daarin.

41 Jaïr nu de zoon van Manasse ging henen en nam hunlieder dorpen in, en hij noemde die Hav-voth-Jaïr.

42 En Nobah ging henen en nam Kenath in met hare onderhoorige plaatsen, en noemde ze Nobah naar zijnen naam.

HOOFDSTUK 33.

Dit zijn de reizen der kinderen Israels , die uit Egypteland uitgetogen zijn, naar hunne heiren, door de hand van Mozes en Aaron.

2 En Mozes schreef hunne uittochten naar hunne reizen, naaiden mond des Heeren ; en dit zijn hunne reizen naar hunne uittochten.

3 Zij reisden dan van Rameses in de eerste maand op den vijftienden dag der eerste maand; des anderen daags van het Pascha togen de kinderen Israels uit door eene hooge hand, voor de oogan aller Egyptenaren;

4 als quot;de Egytenaars begroeven degenen, welke de Heere onder hen geslagen had , alle eerstgeborenen , ook had de Heere gencli-ten geoefend aan hunne goden.


-ocr page 219-

NUMERI 33.

205

5 Als dc kinderen Israëls van Rameses verreisd waren, zoo legerden zij zich te Sukkoth.

ü Ea zij verreisden van Sukkoth. en legerden zich in Etham, hetwelk aan \'t einde der woestijn is.

7 En zij verreisden van Etham en keerden weder naar Pi-Hahi-roth tegenover Baal-Zefon, en zij

\'f legerden zich voor Migdol.

8 En zij verreisden van Hahi-rotli, en gingen over, door \'t midden van de zee, naar de woestijn; en zij gingen drie dagreizen in de woestijn Etham en legerden zich in Mara.

9 En zij verreisden van Mara, en kwamen te Elim: in Elim nu waren twaalf waterfonteinen en zeventig palmboomen, en zij legerden zich aldaar.

10 En zij verreisden van Elim, en legerden zich aan de Schelf-zee.

11 En zij verreisden van de Schelfzee, en legerden zich in de woestijn Sin.

12 En zij verreisden uit dc woestijn Sin, en zij legerden zich in Dof ka.

13 En zij verreisden van Dofka, en legerden zich in Alus.

14 En zij verreisden van Alus, en legerden zich in Rafldim; doch daar was geen water voor het volk om te drinken.

15 Zoo verreisden zij van Rafi-dim, en legerden zich in de woestijn Sinaï.

16 En zij verreisden uit de woestijn Sinaï, en legerden zich in Kibroth-Taava.

17 En zij verreisden van Kibroth-Tailva, en legerden zich in Haze-roth.

18 En zij verreisdon van Haze-roth, en legerden zich in Rithma.

19 En zij verreisden van Rithma, en legerden zich in Rimmon-Pérez.

20 En zij verreisden van Rim-mon-Pérez, en legerden zich in Lib na.

21 En zij verreisden van Libna, en legerden zich in Rissa.

22 En zij verreisden van Rissa, en legerden zich in Kehelatha.

23 En zij verreisden van Kehelatha , en legerden zich in het gebergte Safer.

24 En zij verreisden van het gebergte Safer, en legerden zich in llarada.

25 En zij verreisden van llarada, en legerden zich in Makheloth.

26 En zij verreisden van Makheloth, en legerden zich inTahath.

27 En zij verreisden van Tahath, en legerden zich in Tarah.

28 En zij verreisden van Tarah, en legerden zich in Mithka.

29 En zij verreisden van Mithka, en legerden zich in Hasmona.

30 En zij verreisden van Hasmona, en legerden zich in Mose-roth.

31 En zij verreisden van Mose-roth, en legerden zich in Bené-Jaakan.

32 En zij verreisden van Bené-Jaakan, en legerden zich in Hor-Gidgad.

33 En zij verreisden van Hor-Gidgad, en legerden zich in Jot-batha.

34 En zij verreisden van Jot-batha, en lege; •den zich in Abro-na.

35 En zij verreisden van Abro-na, en legerden zich in Ezeon-Géber.

3ü En zij verreisden van Ezeon-Géber, en legerden zich in de woestijn Zin, dat is Kades.

37 Én zij verreisden van Kades, en legerden zich aan den berg Hor, aan het einde des lands van Edom.

38 Toen ging de Priester Aaron op den berg Hor, naar den mond des Heekex . en stierf aldaar, in het veertigste jaarna den uittocht der kinderen Israëls uit Egypte-land, in de vijfde maand op\' den eerste dei\' maand;

39 Aaron nu was honderd en drieëntwintig jaren oud als hij stierf op den berg Hor.

40 En de Kanaaniet, de Koning van Harad, die in het Zuiden woonde in den lande Kanaan, hoorde dat de kinderen Israëls aankwamen.

41 En zij verreisden van den berg Hor, en legerden zich in Zal-mona.


-ocr page 220-

206 NU ME

42 En zij verreisden van Zal-mona, en legerden zich in Funon.

43 En zij verreisden van Funon, en legerden zich in Oboth.

44 En zij verreisden van Oboth, en legerden zich aan de heuvelen Abarim, in de landpale Moabs.

45 En zij verreisden van de heuvelen Abarim, en legerden zich in Dibon-Gad.

46 En zij verreisden van Dibon-Gad, en legerden zich in Almon-Diblathaïm.

47 En zij verreisden van Almon-Diblathaïm, en legerden zich in de bergen Abarim, tegen Nebo.

48 En zij verreisden van de bergen Abarim, en legerden zich in de vlakke velden der Moabiten, aan den Jordaan van Jericho.

49 En zij legerden zich aan den Jordaan, van Beth-Jesimoth tot aan Abel-Sittim, in de vlakke velden der Moabiten.

50 En de Heicue sprak tot Mo-zes in de vlakke velden der Moabiten , aan den Jordaan van Jericho , zeggende:

51 Spreek tot do kinderen Israels en zeg tot. hen: Wanneer gijlieden over den Jordaan zult gegaan zijn in \'t land Kanaün,

52 zoo zult gij alle inwoners des lands voor uwquot; aangezicht uit de bezitting verdrijven, en alle hunne beeltenissen verderven ; ook zult gij alle hunne gegoten beelden verderven en alle hunne hoogten verdelgen.

53 En gij zult het land in erfelijke bezitting nemen en daarin wonen; want ik heb u dat land gegeven om hetzelve erfelijk te bezitten.

54 En gij zult het land in erfelijke bezitting nemen door het lot, naar uwe geslachten: dengenen, die velen zijn, zult gij hunne erfenis meerder maken, en dien, die weinig zijn, zult gij hunne erfenis minder maken; waarhenen voor iemand het lot zal uitgaan, dat zal hij hebben; naar de stammen uwer vaderen zult gij de erfenis nemen.

55 Maar indien gij de inwoners des lands niet zult voor uw aangezicht uit dc bezitting verdrijven.

R I 34.

zoo zal het geschieden dat die gij van hen zult laten overblijven, tot doornen zullen zijn in uwe oogen en tot prikkelen in uwe zijden, en zullen u benauwen op het land waarin gij woont,

58 en het zal geschieden dat ik u zal doen gelijk als ik hun dacht te doen.

HOOFDSTUK 34.

Voorts sprak de Heere tot Mo-zes, zeggende:

2 Gebied den kinderen Israëls en zeg tot hen: Wanneer gij in het land Kanaan ingaat, zoo zal dit het land zijn dat u ter erfenis vervallen zal, het land Kanaan naar zijne landpalen.

3 De\' zuiderhoek nu zal u zijn van de woestijn Zin aan de zijden van Edom; en de zuiderlandpale zal u zijn van het einde der Zout-zee tegen \'t Oosten.

4 en deze landpale zal u omgaan van \'t Zuiden naar den opgang van Akrabbim, en doorgaan naar Zin, en hare uitgangen zullen zijr. van \'t Zuiden naar Kades-Barnéa, en zij zal uitgaan naar Hazar-Ad-dar, en doorgaan naar Azmon,

5 voorts zal deze landpale omgaan van Azmon naar de rivier van Egypte, en hare uitgangen zullen zijn naar de zee.

6 Aangaande dc landpale van \'t Westen, daar zal u de groote zee de landpale zijn; dit zal uwe landpale van \'t Westen zijn.

7 Voorts zal u de landpale van \'t Noorden deze zijn: van de groote zee af zult gij u den berg Hor afteekenen,

8 van den berg Hor zult gij afteekenen tot waar men komt te Haniath, en de uitgangen dezer landpale zullen zijn naar Zedad,

9 en deze landpale zal uitgaan naar Zifron, en hare uitgangen zullen zijn te Hazar-Enan; dit zal u de noorderlandpale zijn.

10 Voorts zult gij u tot eene landpale tegen quot;t Oosten afteekenen van Hazar-Enan naar Sefam .

11 en deze landpale zal afgaan van Sefam naar Ribla, teger. \'t oosten van Ain, daarna zal deze landpale afgaan en strekken langs


-ocr page 221-

NUMERI 35.

207

den oever van de zee Kinnéreth oostwaarts,

\'12 voorts zal deze Inndpale afgaan langs den Jordaan, en hnre uitgangen zniicn zijn aan do Zoul-zec. Dit zal u zijn liet Jand naar zijne landpalen rondom.

13 En Mozes gebood den kinderen Israels, zeggende: Dit is het land, dat gij door het lot ten erve innemen zmt, hetwelk de Hee-re den regen stammen en den hal ven stam te geven geboden heeft.

14 Want de stam van de kinderen der Rubeniten, naar het huis hunner vaderen, en de stam van de kinderen derGaditen, naar het huis hunner vaderen, hebben ontvangen, mitsgaders de halve stam van Manasse heeft zijne erfenis ontvangen:

15 twee stammen en een halve stam hebben hunne erfenis ontvangen aan deze zijde van den Jordaan, van Jericho oostwaarts tegen den opgang.

16 Voorts sprak de Heere tot Mozes zeggende:

17 Dit zijn ile namen der mannen . die uiieden dat land ten erve zullen uitdeelen: Eleazar de Priester en Jozua, de zoon van Nun.

18 Daartoe zult gij uit eiken stam éénen overste nemen orn het land ten erve uit te deelen;

10 en dit zijn de namen dezer mannen: van den stam Juda\'s Kaleb, zoon van Jefunne;

•20 en van den stam der kinderen Simeons Semuël, zoon van Ammihud;

21 van den stam Benjamins Eli-dad, zoon van Kislon;

22 en van den stam der kinderen van Dan de overste Bukki, zoon van Jogli;

23 van de kinderen Jozefs: van den stam der kinderen Manasses de overste Hanniël, zoon van Efod,

24 en van den stam der kinderen Efraims de overste Kemuël, zoon van Siftan;

25 en van den stam der kinderen Zebulons de overste Elizafan, zoon van Parnach;

2ö en van den stam der kinderen Issaschars de overste Paltiël, zoon van Azzan;

27 en van den stam der kinderen Asers de overste Achihud, zoon van Selomi;

28 en van den stam der kinderen van Naiïali de overste Pedaël, zoon van Ammihud.

29 Dit zijn ze, dien de Heere geboden heeft den kinderen Israels de erfenissen uit te deelen in den lande Kanaan.

HOOFDSTUK 35.

En de Heere sprak tot Mozes in de vlakke velden der Moabiten, aan den Jordaan van Jericho, zeggende:

2 Gebied den kinderen Israels, dat zij van de erfenis hunner bezitting aan de Leviten steden zullen geven om te bewonen; daartoe zult gijlieden aan de Leviten voorsteden geven aan de steden, rondom dezelve;

3 en die steden zullen zij hebben om te bewonen, maar hare voorsteden zullen zijn voor hunne beesten en voor hunne have en voor al hun gedierte.

4 En de voorsteden der steden , die gij den Leviten geven zult, zullen van den stadsmuur af, en naar buiten, van duizend ellen zijn rondom.

5 En gij zult meten van buiten de stad, aan den hoek tegen \'t Oosten tweeduizend ellen, en aan den hoek van \'t Zuiden tweeduizend ellen, en aan den hoek van \'t Westen tweeduizend ellen, en aan den hoek van \'t Noorden tweeduizend ellen . dat. de stad in het midden zij. Dit zullen zij hebben tot voorsteden van de steden.

ü De steden nu, die gij den Leviten zult geven, zullen zijn zes vrijsteden, die gij geven zult opdat de doodslager daarhenen vliede, en boven dezelve zult gij hun tweeënveertig steden geven:

7 alle de steden , die gij den Leviten geven zult, zullen zijn achtenveertig steden, deze met hare voorsteden.

H Van de steden, die gij van de bezitting der kinderen Israëls geven zult, zult gij van dien die vele


-ocr page 222-

N U M E

208

RI 35.

heeft vele nemen , en van dien die weinige heeft weinige nemen: een ieder zal naar zijne erfenis die zij zullen erven, van zijne steden .aan de Levi ten geven.

9 Voorts sprak de Heere tot Mozes, zeggende:

10 Spreek tut de kinderen Israels en zeg tot hen: Wanneer gij over den Jordaan gaat naar het land Kanaan,

41 zoo zult gij maken dat u steden tegemoetliggen, die u lot vrijsteden zullen zijn, opdat de doodslager daarhenen vliede die eene ziele onwetend verslagen heeft.

12 En deze steden zullen u tot eene toevlucht zijn voor den Woed-wreker. opdat de doodslager niet sterve totdat hij voor de vergadering aan het gericht gestaan hebbe.

13 En deze steden die gij geven zult zullen zes vriisteden voor u zij n.

14 Drie dezer steden zult gij geven op deze zijde van den Jordaan, en drie dezer\'steden zult gij geven in den lande Kanaan, vrijsteden zullen het zijn.

15 Diezelve zes steden zullen den kinderen Israels. en den vreemdeling en den bijwoner in hel midden van hen , tot eene toevlucht zijn , opdat daarhenen vliede wie eene ziele onvoorziens verslaat.

16 Maar indien hij hem meteen ijzeren instrument geslagen heeft zoodat hij gestorven is, een doodslager is hij: deze doodslager za! zekerlijk gedood worden.

17 Öf indien hij hern met een handsteen, waarvan men zoude kunnen sterven, geslagen heeft dat hij gestorven is, een doodslager is hij: deze doodslager zal zekerlijk gedood worden.

18 Öf indien hij hem met een houten handinstruinent, waarvan men zoude kunnen sterven, geslagen heeft dat hij gestorven is, een doodslager is hij: deze doodslager zal zekerlijk gedood worden,

19 de wreker des bloeds, die zal den doodslager dooden; als hij hem ontmoet zal hij hem dooden.

20 Indien hij hem ook door haat zal gestooten hebben, of met opzet op hem geworpen heeft dat hij

gestorven is,

21 of hem door vijandschap met zijne hand geslagen heeft dat hij gestorven is: do slager zal zekerlijk gedood worden, een doodslager is hij, de bloedwreker zal dezen doodslager dooden als hij hem ontmoet.

22 Maar indien hij hem metterhaast zonder vijandschap gestooten heeft, of eenig instrument zonder opzet op hem geworpen heeft,

23 of onvoorziens met eenigen steen, waarvan men zoude kunnen sterven, on hij dien op hem heeft doen vollen dat hij gestorven is; zoo hij hom toch geen vijand was, noch zijn kwaad zoekende:

2\\ zoo zal de vergadering richten tusschen den slager en tusschen den bloedwreker, naar deze rechten ,

25 en de vergadering zal den doodslager redden uit de hand des bloedwrekers , en do vergadering zal hem doen wederkeeren tot zijne vrijstad, waarhenen hij gevloden was; en hij zal daarin blijven tot den dood des Hoogepriesters, dien men met de heilige olie gezalfd heeft.

2(5 Doch indien de doodslager eenigszins zal gaan uit de palen zijner vrijstad waarhenen hij ge-vloden was,

27 en de bloedwreker hem zal vinden buiten do palen zijner vrijstad: zoo de bloedwreker den doodslager zal dooden. het zal hem geene bloedschuld zijn ;

28 want hij zoude in zijne vrijstad gebleven zijn tot den dood des Hoogepriesters. Maar na den dood des Hoogepriesters zal de doodslager wederkeeren tot het land zijner bezitting.

29 En deze dingen zullen ulie-den zijn tot eene inzetting van recht, bij uwe geslachten, in alle uwe woningen.

30 Al wie eene ziele slaat, naar den mond der getuigen zal men den doodslager dooden; maar eea éénig getuige zal niet getuigen tegen een ziele, dat zij sterve.

31 En gij zult geen verzoening nemen voor de ziel des doodsla-


-ocr page 223-

N U M E

RI 36.

209

welken zij zouden geworden zijn: alzoo zoude hare erfenis van de erfenis van den stam onzer vaderen afgetr okken worden.

5 Toen gebood Mozes den kinderen Israëls , naar des Heehen mond, zeggende: De stam der kinderen Jozefs spreekt recht.

0 Dit is het woord dat de Heere van de dochteren Zelafeads geboden heeft, zeggende : Laat ze dien tot vrouwen worden, die in hare oogen goed zal zijn; alleenlijk dat zij aan \'t geslacht van haars vaders stam tot vrouwen worden.

7 Zoo zal de erfenis der kinderen Israëls niet omgewend worden van stam tot stam; want de kinderen Israëls zullen aanhangen een ieder aan de erfenis van den stam zijner vaderen.

quot; 8 Voorts zal elke dochter, die eene erfenis erft, van de stammen der kinderen Israëls, ter vrouwe worden aan eenen van het geslacht van den stam haars vaders; opdat de kinderen Israëls erfelijk bezitten een ieder de erfenis zijner vaderen.

9 Zoo zal de erfenis niet omgewend worden van den éénen stam tot den anderen; want de stammen der kinderen Israëls zullen aanhangen een ieder aan zijne erfenis.

10 Gelijk als de Heere Mozes geboden had, alzóó deden de dochteren Zelafeads.

11 Want Mahla, Tirza, en Hogla, en Milka, en Noa, Zelafeads dochteren, zijn den zonen van hare ooms tot quot;vrouwen geworden:

12 onder de geslachten der kinderen van Manasse, Jozefs zoon, zijn zij tot vrouwen geworden; al-zoo bleef hare erfenis aan den stam van het geslacht haars vaders.

13 Dat zijn de geboden en de rechten, die de Heere door den dienst van Mozes aan de kinderen

i Israëls geboden heeft in de vlakke 1 velden der Moabiten, aan den Jor-j daan van Jericho.

gers , rtic schuldij? is tc sterven; want li ij zal zekerlijk gedood worden.

32 Ook zult gij geene verzoening nemen voor dien die gevlucht is naar zijne vrijstad, dat hij zoude quot;wederkeeren om te wonen in het land, lot den dood des Hooge-priesters.

33 Zoo zult gij niet ontheiligen het land waarin gij zijt; want het hloed ontheiligt het land, en voor het land zal geen verzoening gedaan worden over het bloed dat daarin vergoten is , dan door het bloed desgenen die dat vergoten heeft.

34 Verontreinigt dan het land niet waarin gij gaat wonen, in welks midden ik wonen zal; want ik ben de Heere, wonende inliet midden der kinderen Israëls.

HOOFDSTUK 30.

En de hoofden der vaderen van het geslacht der kinderen Gileads, des zoons Machirs, des zoons van Manasse, uit de geslachten dor kinderen Jozefs, traden toe en spraken voor het aangezicht van Mozes, en voor het aangezicht der oversten, hoofden van de vaderen der kinderen Israëls,

2 en zeiden: De Heere heeft mijnen heer geboden. dat land door het lot den kinderen Israëls in erfenis te geven; en mijnen heer is door den Heere geboden, de erfenis onzes broeders Zelafeads te geven aan zijne dochteren.

3 Wanneer zij nu ecnen van de zonen der andere stammen der kinderen Israëls tot vrouwen zouden worden , zoo zoude hare erfenis van de erfenis onzer vaderen afgetrokken worden , en toegedaan tot de erfenis van dien stam, aan welken zij geworden zouden: al zoo zoude \' van het lot onzer erfenis worden afgetrokken.

4 Als ook de kinderen Israëls 1 een jubeljaar zullen hebben, zoo i zoude hare erfenis toegedaan zijn j tot de erfenis van dien stam, aan ;

-ocr page 224-

DEUTERON OM HUM 1.

HET VIJFDE BOEK VAN MOZES

GENAAMD

DEUTEEONOMIUM.

210

HOOFDSTUK 1.

Dit zijn de woorden die Mozes tot gansch Israël gesproken heell aan deze zijde van den Jordaan, in de woestijn, op het vlakke veld tegenover Sulquot;, tusschen Paran en tusschen Toi\'el en Laban en Haze-roth en Di-Zahab:

2 elf dagrmen zijn het van lio-reb, door den weg van het gebergte Seïr, tot aan Kades-Barnéa.

3 En het is geschied in liet veertigste jaar in de elfde maand op den eerste der maand, dat Mozes sprak tot de kinderen Israels, naar alles wat hem de Heeue aan hen bevolen had;

4 nadat hij geslagen had Sihon, den Koning der Amoriten, die te Hesbon woonde, en Og, den Koning van Basan, welke woonde te Astaroth in Edrcï;

5 aan deze zijde van den Jordaan , inden lande Moabs, hief Mozes aan deze wet uitteleggen, zeggende:

(j De Heere onze God sprak tot ons bij Horeh. zeggende: Gij zijl lang genoeg bij dezen berg gebleven :

7 keert n en vertrekt, en gaat in het gebergte der Amoriten, en tot alle hunne gebnren in het vlakke veld op het gebergte, en in de laagte, en in het Zuiden, en aan de havens der zee; het land der Kanaaniten en den Libanon, tot aan de groote rivier, de rivier Frath.

8 Zie ik heb dat land gegeven voor uw aangezicht: gaat daarin, en bezit erfelijk het land, dat de Heere uwen vaderen, Abraham,

Isaak en Jakob, gezworen heeft dat hij het hun en hunnen zade na hen geven zonde.

9 En ik sprak ter zeiver tijd tot u, zeggende: Ik alléén zal u niet kunnen dragen.

10 De Hei:iie uw God heeft u vermenigvuldigd, en zie, gij zijt heden als do sterren des hemels in menigte.

11 De Heere uwer vaderen God doe tot u, zooals gij nu zijt, di i-zendmaal meer, en hij zegene u gelijk als hij tot u gesproken heeft.

12 Hoe zoude ik alléén uwe moei e en uwen last en uwe twistzakc n dragen ?

13 Neemt u wijze mannen en verstandige en ervarene van uwe stammen, dat ik ze tot uwe hooiden stelle.

14 Toen antwoorddet gij mij en zeidet; Dit woord is goed dat gij gesproken hebt. om te doen.

15 Zoo nam ik de hoofden uwer stammen, wijze en ervaren mannen, en stelde ze tot hoofden over u, oversten van duizend, en oversten van honderd, en oversten van vijftig, en oversten van tien, en ambtlieden voor uwe stammen.

10 En ik gebood uwen rechteren ter zeiver tijd, zeggende: Hoort de verschillen tusschen uwe broederen en richt rechtvaardig tusschen denman en tusschen zjnen broeder, en tusschen deszelfs vreemdeling;

17 gij zult het aangezicht in het gericht niet kennen, gij zult den kleine zoowel als den groote hoo-ren, gij zult niet vreezen voor iemands aangezicht, want het gericht is Godes; doch de zake, die


-ocr page 225-

NOMIUM 1.

211

D E U T E R O

voor ii te zwaar zal zijn, zult gij tot mij doen komen, en ik zal ze hooren.

18 Alzoo gebood ik u te dier tijd alle zaken die gij zoudt doen.

19 Toen vertrokken wij van Ho-reb, en doorwandelden die gansche groote en vreeselijke woestijn die gij gezien hebt, op den weg van het gebergte der Amoriten, gelijk de Heere onze 6od ons geboden had; en wij kwamen tot Kades-Barnéa.

20 Toen zeide ik tot ulieden: Gij zijt gekomen tot het gebergte der Amoriten, dat de Heere onze God ons geven zal:

21 zie, de Heere uw God heeft dat land gegeven voor uw aangezicht,; trekt op, bezit het erfelijk, gelijk als de Heere uwer vaderen God tot u gesproken heeft; vreest niet en ontzet u niet.

22 Toen naderdet gij allen tot mij, en zeidet: Laat ons mannen voor ons aangezicht henenzenden, die ons het land uitspeuren, en ons bescheid wederbrengen, wat weg wij daarin optrekken zuilen , en tot wat steden wij komen zullen.

23 Deze zake nu was goed in mijne oogen; zoo nam ik uit u twaalf mannen, van eiken stam éénen man;

24 die keerden zich en togen op naar het gebergte, en kwamen tot het dal Eskol en verspiedden het;

25 en zij namen van de vrucht des lands in hunne hand, en brachten ze tot ons af, en zeiden ons bescheid weder, en zeiden: Het land, dat do Heere onze God ons geven zal, is goed.

20 Doch gij wildot niet optrekken, maar gij waart den mond des Heeren uws Gods wederspan-nig;

27 en gij murmureordet in uwe tenten, erl zeidet: Omdat de Heere ons haat, heeft hij ons uit Egyp-teland uitgevoerd, opdat hij ons levere in de hand der Amoriten om ons te verdelgen.

28 Waarhenen zouden wij optrekken? Onze broeders hebben ons harte doen smelten, zeggende: liet is een volk, grooter en langer dan wij; de steden zijn groot en gesterkt tot in den hemel toe; ook hebben wij daar kinderen der Ena-kiten gezien.

29 Toen zeide ik tot u: Verschrikt niet. en vreest niet voor hen:

30 de Heere uw God, die voor uw aangezicht wandelt, die zal voor u strijden, naar alles wat hij bij u voor uwe oogen gedaan heeft in Egypte,

31 en in de woestijn, waar gij gezien hebt dat de Heere uw God u daarin gedragen heeft als een man zijnen zoon draagt, op al den weg dien gij gewandeld hebt, totdat gij kwaamt aan deze plaats.

32 Maar door dit woord geloof-det gij niet aan den Heere uwen God,

33 die voor uw aangezicht op den weg wandelde, om u de plaats uit te zien waar gij zoudt legeren , des nachts in het vuur, opdat hij u den weg wees waarin gij zoudt gaan, en des daags in de wolk.

34 Als nu de Heere de stem uwer woorden hoorde, zoo werd hij zeer toornig, en zwoer, zeggende :

35 Zoo iemand van deze mannen, van dit kwade geslacht, zal zien het goede land, hetwelk ik gezworen heb uwen vaderen te zullen geven!

36 behalve Kaleb, de zoon van Jefunne, die zal het zien, en hein zal ik het land geven, waarop hij getreden heeft, en aan zijne kinderen, omdat hij volhard heeft den Heere te volgen.

37 Ook vertoornde zich de Heere op mij om uwentwil, zeggende: Gij zult daar óók niet inkomen.

38 Jozua, de zoon van Nun, die voor uw aangezicht staat, die zal daarin komen: sterk denzelven, want hij zal het Israël doen erven.

39 En uwe kinderkens, waarvan gij zeidet: Zij zullen tot een roof zijn, en uwe kinderen die heden noch goed noch kwaad weten, die zullen daarin komen en dien zal ik het geven en die zullen het erfelijk bezitten.

40 Gij daarentegen, keert u en


-ocr page 226-

deüteronomium 2.

;ist naar do, woestijn, dea weg voet^-nt;^

Vtl Toffantwoorddet gij on .ei- ^ ft ook

clet tot mij; yiquot;quot; ÏS tï (3 K» quot;amp;\'•« — »quot;

rip Heere onze God ons gepoa „„„„„«nfi al liet werk uwei

Daarna keerden wij ons en reis- j den naar de woestijn, den ^crgt; van de Seholfzee geliJ1; Je tot mij gesproken had, equot; v J togen om het gebergte Sen , ^eie

da2eTÓen sprak de Heere tot mij,

\'Topeden hebt dit gebergte genoeg omgetrokken; keertu naai

^4 En0gebiéd don volke zoggen-

de; Gij zult doortrekken aan de landpalen uwer broederen dei kin deren Esaus, die in Sen-wonen; zii zullen wel voor u vreezen, maai gij zult u zeer wachten.

5 Mengt u niet met hen, want ik zal u van hun land niet -.even, ook niet tot de betreding van eene

u gezegend in al het werk uwer hand; hij kent uw wandelen door deze zoo groote woestijn; deze veertig jaren is de Heere uw God met u geweest; geen ding heeft u ontbroken. . 11

8 Als wij nu doorgetrokken waren van onze broederen, de kin-doren Esaus, die in Seir woonden,

Ivan den weg des vlakken velds, I vnn Elath en van Ezeon-Uenei, | zoo keerden wij ons en doortogen 1 den weff der woestijn jNloaus.

9 Toen sprak de Heere tot mij: Beangstig Jloab niet, en meng u niet met hen in den s.tuJ^gt;

ik zal u geene erfenis van nun land geven, dewijl ik Lots kinderen Ar ter erfenis gegeven heb.

10 De Emiten woonden te voren daarin, een groot en talrijk en lang volk, gelijk de Euakiten;

11 deze werden ook voor leiuen gehouden als de Enakiten; en de Moabiten noemden hen Emiten.

12 Ook woonden de Horiten te-voren in Seïr; maar de kinderen Esaus verdreven ze uit de bezit-ting en verdelgden ze van hun aangezicht, en hebben in hnn.io-der plaats gewoond; gelijk als Israel gedaan heeft aan het land

1 zijner erfenis, hetwelk de Heere

^Kkttop en trekt over i de heek Zered. Alzoo trokken wij over do boek Zered.

14 Do dagen nu die wij gewandeld bobben van Kades-Barnoa, totdat wij over de beek Zeied getogen zijn, waren achtendeitig iaar; totdat het gansche geslacht der kriigslieden uit hot mdden de» helrlegers verteerd was, gelijk ilo Hebre hun gezworen liau.

15 Zoo was ook de hand des Heuren tegen hen, om hen uit bet midden des helrlegers te vei-

uan. totdat zij verteerd waien.

16 En het geschiedde als .ulo de krijgslieden verteerd waren,

trekken en sinjucii,.

de Heere onze God ons g?.l?0^n

heeft. Als gij nu een iegelijk zijn

krijgsgereedschap aangorddet, eji

willens waart om naar het gcbei0-to henen op te trekken, .. _

ZeghTK^e^ieforo^t^t

dvr.V^^l^ot

aangezicht uwer vijanden feesla g% D0och als ik tot u sprak zoo

mond^es^ HE^RKN^vederepatniig en handeldet trotschehjk en toogt on naar het gebergte.

44 toea togen de Araoriten uit , die on dat gebergte woonden, u tegemoet, en vervolgden u ge ijk als de bijen doen, en zij verpletterden u in Seïr tct I™ ^

45 Als gij nu wedeikwaamt en weendet voor het aangezictdcs HeeREN, zoo verhoorde de heeri-

uwe stem niet en mjgde zijne

ooren niet tot u. . . ,.pi„

46 Alzoo bleett gij m K^e^e!,® dagen, naar de dagen, die gij er bleeft.

hoofdstuk 2.

-ocr page 227-

DEUTERONOMIUM 3.

213

uit het midden des heirlegers wegstervende,

17 dat de Heere tot mij sprak, zeggende:

18 Gij zult heden doortrekken langs Ar, de landpale van Moab,

19 en gij zult naderen tegenover de kinderen Ammons; beangstig die niet, en mengu met hen niet; want ik zal u van het land der kinderen Ammons geene erfenis geven, dewijl ik het Lots kinderen ter erfenis gegeven heb.

20 Dit werd óók voor een land der reuzen gehouden; de reuzen woonden te voren daarin, en de Ammoniten noemden ze Zamzum-milen:

21 een groot en menigvuldig en lang volk, als de Enakiten; en de Heere verdelgde ze voor hun aangezicht, zoodat zij ze uit de bezitting verdreven én aan hun-lieder plaats woonden;

22 gelijk hij aan Esaus kinderen, die in Seïr wonen, gedaan heeft, voor welker aangezicht hij de Horiten verdelgde; en zij verdreven ze uit de bezitting, en hebben aan hunlieder plaatse gewoond tot op dezen dag.

23 Ook hebben de Kaftoriten, die uit Kaftor uittogen, de Avvi-ten die in Hazerim tot Gaza toe woonden, verdelgd en aan hunlieder plaats gewoond.

24 Maakt u op, reist henen en gaat over de beek Anion; zie, ik neb Sihon den Koning van Hesbon, denAmoriet, en zijn land in uwe hand gegeven: begint te erven, en mengt u met hen in den strijd.

25 Te dezen dage zal ik beginnen uwen schrik en vreeze te geven over het aangezicht der volken onder den ganschen hemel; die uw gerucht zullen hooren, die zullen sidderen en bang zijn van uw aangezicht.

26 Toen zond ik boden uit de woestijn Kedemoth tot Sihon, den Koning van Hesbon , met woorden van vrede, zeggende:

27 Laat mij door uw land doortrekken : ik zal alleenlijk langs den weg voorttrekken, ik zal noch ter rechter- noch ter linkerhand uitwijken.

28 Verkoop mij spijze voor geld dat ik ete, en geef mij water voor geld dat ik drinke; alleenlijk laat mij op mijne voeten doortrekken,

29 gelijk ie kinderen Esaus, die in Seir wonen en de Moabiten, die in Ar wonen mij gedaan hebben; totdat ik over den Jordaan kome in het land, dat de Heere onze God ons geven zal.

30 Maar Sihon, de Koning van Hesbon, wilde ons door hem niet laten doortrekken; want de Heere uw God verhardde zijnen geest en verstokte zijn harte, opdat hij hem in uwe hand gave, gelijk het is te dezen dage.

31 En de Huere zeide tot mij: Zie, ik heb begonnen Sihon en zijn land voor uw aangezicht te geven; begin dan te erven, om zijn land erfelijk te bezitten.

32 En Sihon toog uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten stiijde, naar Jahaz;

33 en de Heere onze God gaf hem voor ons aangezicht, en wij sloegen hem en zijne zonen en al zijn volk.

34 En wij namen te dier tijd alle zijne steden in, en wij verbanden aile sleden, mannen en vrouwen en kinderkens: wij lieten niemand overblijven.

35 Het vee alleen roofden wij voor ons, en den roof der steden die wij innamen.

36 Van Aroër af, dat aan den oever der beek Anion is, en de stad, die aan de beek is, ook tot Gilead toe, was er geene stad die voor ons te hoog was; de Heere onze God gaf dat alles voor ons aangezicht.

37 Alleen tot het land der kinderen Amnions naderdet gij niet, noch tot de gansche streek der beek Jabook, noch tot de steden van dat gebergte, noch tot iets dat de Heere onze God ons verboden had.

HOOFDSTUK 3.

Daarna keerden wij ons en togen op den weg van Basan; en (Jg, de Koning van Basan, trok uit ons tegemoet, hij en al zijn volk, ten strijde, bij Edréï.


-ocr page 228-

214 D E U T E R O:

2 Toen zeide dc Heere tot mij: Vrees hem niet, wantik heb hem en al zijn volk en zijn land in uwe hand gegeven; en gij zult hem doen gelijk gij Sihon, den Koning der Amoriten die te Hesbon woonde, gedaan hebt.

3 En de Heere onze God gaf ook Üg den Koning van Basan en al zijn volk in onze hand, zoodat wij hem sloegen, totdat wij hem niemand lieten overblijven.

4 En wij namen te dier tijd alle zijne steden; daar was geene stad, die wij van hen niet namen; zestig steden, de gansche landstreek van Argob, het koninkrijk van Og in Basan.

5 Alle die steden waren met hooge muren, poorten cn grendelen versterkt; behalve zeer vele onbemuurde steden.

6 En wij verbanden dezelve gelijk wij Sihon, den Koning van Hesbon, gedaan hadden, verbannende alle steden, mannen, vrouwen en kinderkens.

7 Doch al het vee en den roof van die steden roofden wij voor ons. . ..

8 Zoo namen wij te dier tijd het land uit de hand van de twee Koningen der Amoriten, die aan deze zijde van den Jordaan waren , van de beek Arnon tot den berg Hermon toe;

9 (de Sidoniërs noemen Hermon Sirion, maar de Amoriten noemen hem Senir);

10 alle de steden des platten lands, en het gansche Gilead, en het gansche Basan, tot Salka en Edréï toe, steden des koninkrijks van Og in Basan.

11 Want Og, de Koning van Basan, was alléén van de overigen der reuzen overgebleven; zie, zijne bedstede, zijnde een bedstede van ijzer, is zij niet te Rabba der kinderen Ammons? Negen ellen is hare lengte en vier ellen hare breedte, naar eens mans elleboog.

12 Dit zelve land nu namen wij te dier tijd in bezit; van Aroër af, dat aan de beek Arnon is, en de helft van het gebergte Gileads, met dc sleden van dien. gaf ik aan do Rubeniten en Gaditcn.

TOMIUM 3.

13 En het overige van Gilead, mitsgaders het gansche Basan, het koninkrijk van Og, gaf ik aan den halven stam van Manasse, de gansche landstreek van Argob, door het gansche Basan; datzel-ve werd genoemd het land der reuzen.

14 Jaïr, de zoon van Manasse, kreeg de gansche landstreek van Argob, tot aan de landpale der Gesuriten en Maachathiten; en hij noemde ze naar zijnen naam, Basan Havvoth-Jaïr tot op dezen dag.

15 En Machir gaf ik Gilead.

10 Maar den Rubeniten en Ga-diten gaf ik van Gilead af tot aan de beek Arnon, het midden van de beek en dc landpale, er. tot aan de beek Jabbok, de landpale der kinderen Ammons;

17 daartoe het vlakke veld, en den Jordaan, mitsgaders de landpale; van Kinnéreth af tot aan de zee des vlakken velds, de Zout-zee, onder Asdoth-Pisga tegen het Oosten.

18 Voorts gebood ik ulieden ter zeiver tijd, zeggende: De Heere uw God heeft u dit land gegeven om het te erven; allen dar. die strijdbare mannen zijt, trek: gewapend door, voor het aangezicht uwer broederen de kinderen Israels ;

19 behalve uwe vrouwen, en uwe kinderkens, en uw vee (ik weet dat gij veel vee hebt), zij zullen blijven in uwe steden, die ik u gegeven heb;

20 totdat de Heere uwen broederen ruste geve gelijk ulieden, dat zij óók erven het land dat de Heere uw God hun geven zal aan gene zijde van den Jordaan; dan zult gij wederkeeren elk tot zijne erfenis, die ik u gegeven heb.

21 Ook gebood ik Jozua ter zei-ver tijd, zeggende: Uwe oogen zien alles wat de Heere ulieder God aan deze twee Koningen gedaan heeft: alzóó zal de Heere aan alle koninkrijken doen, naar dewelke gij henen doortrekt.

22 Vreest ze niet, want de Heere uw God strijdt voor ulieden.


-ocr page 229-

D E U T E R O N O M IU M 4.

215

23 Ook bad ik den Heere om genade, zeggende te dier tijd:

24 Heere Heere, gi.j liebt begonnen uwen knecht te toonen uwe grootheid en uwe sterke hand; want wat God is er in den hemel en op de aarde, die doen kan naar uwe werken en naar uwe mogendheden !

25 Laat mij toch overtrekken, en dat goede Jand bezien dat aan gene zijde van den Jordaan is, dat goede gebergte en den Libanon.

2(5 Doch de Heere verstoorde zich zeer om uwentwil over mij, en hoorde niet naar mij; maar de Heere zeide tot mijHet zij u genoeg, spreek niet\'meer tot mij van deze zake:

27 klim op de hoogte vanPisga, en hef uwe oogen op naar \'t Westen en naar \'t Noorden en naar ?t Zuiden en naar ?t Oosten, en zie toe met uwe oogen; want gij zult over dezen Jordaan niet gaan.

28 Gebied dan Jozua en versterk hem, en bekrachtig hem; want hij zal voor het aangezicht van dit volk overgaan. en zal ze dat land dat gij zien zult doen erven.

29 Al zoo bleven wij in dit dal tegenover Beth-Peor.

HOOFDSTUK 4.

Nu dan Israël, hoor naar de inzettingen en naar de rechten, die ik ulieden leer te doen; opdat gij leeft, en inkomt, en het land erft dat, u do Heere uwer vaderen God geeft.

2 Gij zult lot dit woord, dat ik u gebiede niet toedoen, ook daarvan niet afdoen; opdat gij bewaart de geboden des Heerenuwcs Gods, die ik u gebied.

3 Uwe oogen hebben gezien wat de Heere om Baal-Peor gedaan heeft; want alle man, die Baal-

• Peor navolgde, dien heeft de Hek-re uw God uit het midden van u verdaan ;

4 gij daarentegen, die den Heere uwen God aanhingt, gij zijt lieden allen levend.

5 Zie, ik heb u geleerd de inzettingen en rechten, gelijk als de Heere mijn God mij geboden heeft; opdat gij alzóó doet in het midden des lands, v/aar gij naar-toe gaat om het te erven.

G Behoudt ze dan en doet ze; want dat zal uwe wijsheid en uw verstand zijn voor de oogen der volkeren , die alle deze inzettingen hooren zullen, en zeggen: Dit groo-te volk alleen is een wijs en verstandig volk.

7 Want wat groot volk is er hetwelk de goden zóó nabij zijn, als de Heere onze God zoo dikwijls wij hem aanroepen?

8 En wat groot volk is er dat zöó rechtvaardige inzettingen en rechten heeft, als deze gansche wet is, die ik heden voor uw aangezicht geef?

9 Alleenlijk wacht u en bewaart uwe ziel wel, dat gij niet vergeet de dingen die uwe oogen gezien hebben , en dat zij niet van uw harte wijken alle dé dagen uws levens ; en gij zult ze aan uwe kinderen en kindskinderen bekendmaken.

10 Ten dage als gij voor het aangezicht des Heeren uws Gods bij Horeb stondt, toen de Heere tot mij zeide: Vergader mij dit volk, en ik zal ze mijne woorden doen hooren , die zij zullen leeren , om mij te vreezen alle de dagen die zij op den aardbodem zullen leven, en zij zullen ze hunnen kinderen leeren;

41 en gijlieden naderdet en stondt beneden dien berg (die berg nu brandde van vuur tot aan hel midden des hemels, daar was duisternis, wolken en donkerheid):

42 zoo sprak de Heere tot u uit het midden des vuurs; gij hoordet de stem der woorden, maar gij zaagt geene gelijkenis , behalve de stem.

43 Toen verkondigde hij u zijn verbond dat hij u gebood te doen, de tien woorden, en schreef ze op twee steenen tafelen.

44 Ook gebood mij de Heere ter zeiver tijd, dat ik u inzettingen en rechten leeren zoude, opdat gij die deedt in dat land , naar hetwelk gij doortrekt om het ie erven,

45 Wacht u dan wel voor uwe zielen; want gij hebt geene gelijkenis gezien ten dage als de


-ocr page 230-

DEUTERONOMIUM 4.

2G zoo roep ik heden den hemel en de aarde tot getuigen tegen ulieden, dat gij voorzeker haast zult omkomen van dat land, waar gij over den Jordaan naar toe trekt \' quot; het te erven; gij zult uwe dagen daarin niet Verlengen, maar ganschelijk verdelgd worden.

27 En ile Heere zal u verstrooien onder de volken; en gij zult een klein volksken in getale overblijven onder do heidenen waar do

[eere u henen leiden zal.

28 En aldaar zult gij goden dienen , die \'s menschen handen werk zijn . bont en steen, die niet zien noch hooren, noch eten noch ruiken. , ,

29 Dan zult gij van daar den Heere uwen God zoeken, en vinden. als gij hem zoeken zult met uw gansche harte en met uwe gansche ziele. .

30 Wanneer gij m angst zult zijn, en u alle deze dingen zullen treilen, in bet laatste der dagen, dan zult gij wederkeeren tol. den Heere uwen God, en zijner stemme gehoorzaam zijn;

31 want de Heere, uw God, is een barmhartig God: hi.) zal u niet verlaten noch u verderven, en hij zal bet verbond uwer vaderen, dat bij hun gezworen heelt, niet vergeten.

32 Want vraagt toch naar c:e vorige dagen, die vóór u geweest zijn, van dien dag af dat God den inensch op de aarde geschapen beeft, van het ééne einde des hemels tot aan het andere einde des hemels, of zulk een groot ding geschied of.gehoord is als dit:

33 of een volk gehoord heelt de stemme Gods, sprekende uit het midden des vuurs, gelijk als gij gehoord hebt, en levend gebleven

34 of ook, of God verzocht heeft te gaan om zich een volk uit het midden eens volks aan te nemen, (Lor verzoekingen, door tecttenen en door wonderen, en door strijd, en door eene sterke band en dooreenen uitgestrekten arm, en met grootc verschrikkingen; naar al hetgeen dat de Heere uw God ulieden voor uwe oogen in Egypte gedaan heeft.

21G

Heere op Horeb uit het midden des vuurs tot u sprak;

16 opdat gij n niet verderft en maakt u iets gesnedens, de gelijkenis van eenig beeld, de gedaante van man olquot; vrouw;

17 de gedaante van eenig beest, dat op de aarde is, de gedaante van eenigen gevleugelden vogel, die door den bemel vliegt;

18 de gedaante van iets, dat op den aardbodem kruipt, de gedaante van eenigen visch . die m bet water is onder de aarde;

19 dat gij ook uwe oogen niet opheft naar den hemel, en aanziet de zon en de maan on de sterren des hemels ganscheheir, en word aangedreven dat gij u voor die buigt en baar dient; welke de Heere uw God aan alle volken onder den ganschen bemel heelt uitgedeeld; p , tt t-

20 maar ulieden beeft de heere aangenomen en uit den ijzeroven uit Egypte, uitgevoerd, opdat gi hem tot een erfvolk zoudt zijn, gelijk het te dezen dage is.

21 Ook vertoornde zich de Hee re over mij om ulieder woorden en bij zwoer dat ik over den .Tor daan niet zoude gaan, en dat ik niet zoude komen in bet goede land dat de Heere uw God u ter erfenis geven zal. , , , t

22 Want ik zal in dit land ster ven, ik zal over den Jordaan met gaan; maar gij zult er overgaan en datzelve goede land erven.

23 Wacht ii dat gij bet verbond des Heeren uws Gods, hetwelk bi) met u gemaakt beeft, niet ver-gêet, dat gij u een gesneden beeld zoudt maken, de gelijkenis van iets, dat de Heere uw God u verboden heeft; .

24 Want de Heere , uw God, is een verterend vuur, een ijverig God. .

25 Wanneer gij nu kinderen en kindskinderen gewonnen zult hebben , en in den lande oud geworden zult zijn, en u zult verderven dat gij gesneden beelden maakt, de gelijkenis van eenig ding, en doet dat kwaad is in de oogen des Heeren uws Gods, om hem tot toorn te verwekken:

-ocr page 231-

DEUTERONOMIÜM 5.

2.17

35 U is het getoond, opdat gij weet dat de Heere die God is; daai\' is niemand meer dan hij alleen.

3(3 Van den hemel heeft hij u zijne stem laten hooren, om n Ie onderwijzen; en op de aarde heeft hij u zijn groot vuur laten zien; en gij hebt zijne woorden uit het midden des vuurs gehoord.

37 En omdat hij uwe vaderen liefhad en hun zaad na hen verkoren had, zoo heeft hij u voor zijn aangezicht door zijne groote kracht uit Egypte uitgevoerd,

38 om volken, die grooter en machtiger waren dan gij, voor uw aangezicht uit de bezitting te verdrijven, om u in te brengen, dat hij u hnnlieder land ter erfenis gave, gelijk het te dezen dage is.

39 Zoo zult gij heden weten en in uw harte nemen, dat de Heehe die God is, boven in den hemel en onder op de aarde, niemand meer;

40 en gij zult houden zijne inzettingen en zijné geboden, die ik u heden gebiede, opdat het u en uwen kinderen na u wel ga, en opdat gij de dagen verlengt in het land dat de Heere uw (Jod u geeft voor altoos.

41 Toen scheidde Mozes drie steden uit aan deze zijde van den Jordaan, tegen den opgang der zon,

42 opdat daarhenen vlood de doodslager, die zijnen naaste onwetende doodslaat, dien hij van gisteren en eergisteren niet haatte, dat hij in eene van deze steden vlood en levend bleef:

43 Bezer in de woestijn, in het ellen land, voor de Kubeniten; en Ramoth in Gilead, voor de Gadi-ten; en Golan in Basan, voor de Manassiten.

44 Dit is nu de wet, die Mozes den kinderen Israels voorstelde;

45 dit zijn de getuigenissen en de inzettingen en de rechten, die Mozes sprak tot de kinderen Israels, als zij uit Egypte waren uitgetogen;

46 aan deze zijde van den Jordaan, in het dal tegenover Beth-Peor, in het land van Sihon, den

Koning der Amoriten, die te Hesbon woonde; welken Mozes sloeg, en de kinderen Israels, als zij uit Egypte waren uitgetogen.

47 en zijl. land in be zitting genomen hadden; daartoe het land van Og, Koning van Basan: tweequot; Koningen der Amoriten, die aan deze zijde van den Jordaan waren tegen den opgang der zon:

48 van Aroër af, dat aan den oever der beek Anion is, tot aan den berg Si on, welke is Hermen;

49 en al het vlakke veld aan deze zijde van den Jordaan, naar \'t Oosten, tot aan de zee des vlakken velds onder Asdoth-Pisga.

HOOFDSTUK 5.

En Mozes riep het gansche Israël, en zeide tot hen: Hoor, Israël, de inzettingen en rechten, die ik heden voor uwe ooren spreek, dat gij ze leert en waarneemt om dezelve te doen.

2 De Heere onze God heeft een verbond met ons gemaakt aan Horeb.

3 Met onze vaderen heeft de Heere dit verbond niet gemaakt, maar met ons. wij die hier heden allen levend zijn.

4 Van aangezicht tot aangezicht heeft de Heere met u op den berg gesproken uit het midden des vuurs,

5 (ik stond te dier tijd tusschen den Heere en tusschen u, om u des Heeiven woord aan te zeggen; want gij vreesdet voor het vuur en klemt niet op den berg), zeggende:

g Ik bende Heere uw God, die u uit Egypteland, uit het diensthuis , uitgeleid heb.

7 Gij zult geene andere goden . voor mijn aangezicht hebben.

8 Gij zult u geen gesneden beeld maken, noch eenige gelijkénis van wat boven in den hemel of wat onder op de aarde is, of wat in het water onder de aarde is.

9 Gij zult u voor die niet buigen noch hen dienen; want ik de Heere uw God ben een ijverig God, di de misdaad der vaderen bezoek aan de kinderen, en aan het derde en aan het vierde lid dergenen die mij haten;


-ocr page 232-

deuteronomium 5-

-10 en doe barmhartigheid aan | duizenden dergenen die mij liet-hebben en mijne geboden onder-1 houden. ,

11 Gij zult den naam des HELRen uws Gods niet ijdellijk gebruiken, want de Heere zal niet onschuldig houden dengene die zijnen naam ijdellijk gebruikt. ,, ., , .

12 Ünderhoudtden sabbatdag,dat

gij dien heiligt, gelijk als de Heere uw God u geboden heeft.

13 Zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; .

14 maar de zevende dag is de sabbat des Heeren uws Gods: dan zult gij geen werk doen , gij noch uw zoon noch uwe clocnter, noch uw dienstknecht noch uwe dienstmaagd, noch uw os noch uw ezel noch eenig van uw vee, noen de vreemdeling die in uwe poorten is; opdat uw dienstknecht en uwe dienstmaagd ruste, gelijk gij,

15 want gij zult gedenken dat «•ii oen dienstknecht in Egypteland geweest zijt, en dat de Heere uw God u van daar heelt uitgeleid door eene sterke hand en eenen uitge-strekten arm; daarom heelt u cle Heere uw God geboden dat gij den sabbatdag houden zult.

lü Eert uwe vader en uwe moeder, gelijk de Heere uw God u geboden \'beeft. opdat uwe dagen verlengd worden en opdat het u wèl ga in bet land dat u de Hee-re uw God geven zal.

17 Gij zult niet doodslaan.

18 Eli gij zu!t geen overspel doen.

19 En gij zult niet stolen.

21) En gi\'i zult geenevalscbe ge-tuigenis sp\'rekentegen uwen naaste.

21 En gij zult niet begeeren uws naasten vrouw, en zult u niet laten gelusten uws naasten huis, zijnen akker, noch zijnen dienstknecht noch zijne dienstmaagd, zijnen os noch zijnen ezel, noch iets dat uws naasten is. , ,,

22 Deze woorden sprak de heere tot uwe gansche gemeente op den berg. uit het midden desvuurs, der wolke en der donkerheid, met eene groote stemme, en deed daar niets aan toe; en hij schreef ze op tweesteenen tafelen en gaf ze mij.

23 En het geschiedde als gij die

218

stemme uit het midden der duisternis hoordet, en de berg van vuur brandde, zoo naderdet gij tot mij, alle hoofden uwer stammen en uwe

oudsten, , tt «

en zeidet: Zie, de Heere onze God heeft ons zijne heerlijkheid en zijne grootheid laten zien, en wij hebben zijne stemme gehoord uit het midden des vuurs; dezen dag hebben wij gezien dat God met den mensch spreekt, en dat iuj levend blijft;

o-j maar nu, waarom zouden wij sterven? Want dit groote vuur zoude ons verteren; indien wij voortvoeren de stemme des Heeren onzes Gods langer te hooren, zoo zouden wij sterven.

26 Want wie is er van alle vleesch, die de stemme des levenden uocls, sprekende uit het midden des yuurs, gehoord heeft gelijk wij, en levend is gebleven? ,, .

27 Nader gij , en hoor alles wat de Heere onze God zeggen zal; en spreek gij tot ons al wat de Heere onze God tot u spreken zal, en wij zullen het hooren en doen.

28 Als nu de Heere de stem uwer woorden hoorde, toen ijij tot mij spraakt, zoo zeide de Heere tot mij; Ik heb gehoord de stem der woorden dezes volks , die zij tot u gesproken hebben; het is al-temaal goed wat zij gesproken heb-

b(2\'i Och, dat zij zulk een harte hadden om mij te vreezen en alle mijne geboden te allen dage te onderhouden, opdat het hun en hunnen kinderen wèl ging in eeu-igheid! ,

30 Ga, zeg hun; Keert weder naar uwe tenten. ..

31 Maar gij, sta hier bij mij, dat ik tot u spreke alle de geboden en inzettingen en rechten die gi.j hun leeren zult, dat zi ze doen in het land hetwelk ik hun geven zal om dat te erven. .. . .

32 Neemt dan waar, dat gij doet geliik als de Heere aw God u geboden heeft, en w.jkt met af ter rechter- noch ter linkerhand.

33 In al den weg dien de Heere

uw God u gebiedt zult gij gaan , I opdat gij leeft en dat het u wel

-ocr page 233-

DEUTERONOMIUM 6.

219

ga, cn gij de dagen verlengt in het land dat gij erven zult.

HOOFDSTUK 0.

Dit zijn dan de geboden, de inzettingen en do rechten, die de Heere uw God geboden heeft om u te loeren, opdat gij ze doet in het land naar hetwelk gij henen-trekt om dat erfelijk te bezitten;

2 opdat gij den Heere uwen God vreest, om te houden alle zijne inzettingen en zijne geboden die ik u gebied, gij en uw kind en kindskind, alle de dagen uws levens, en opdat uwe dagen verlengd worden.

3 Hoor dan Israël, en neem waar dat gij ze doet, opdat het u wèl ga, en opdat gij zeer vermenigvuldigt (gelijk als tot u do Heere , uwer vaderen God, gesproken heeft) in het land dat van melk en honig is vloeiende.

4 Hoor Israël, de Heere onze God is een éénig Heer:

5 zoo zult gij den Heere uwen God liefhebben met uw gansche harte en met uwe gansche ziele en met al uw vermogen.

6 En deze woorden , die ik u heden gebiede, zullen in uw harte

■ zijn;

7 en gij zult ze uwen kinderen inscherpen, en daarvan spreken als gij in uw huis zit en als gij

o op den weg gaat, en als gij ne-e derligt en als gij opstaat. ,e 8 Ook zult gij ze tot een toeken n binden op uwe hand, en zij zul-i- len u tot voorhoofdspanselen zijn

tusschen uwe «ogen; 3r 9 en gij zult ze op de posten uws huizes en aan uwe poorten at schrijven.

jn \'10 Als het dan zal geschied zijn rij dat de Heere uw God u zal heb-3ri ben ingebracht in het land dat hij en uwen vaderen, Abraham. Isaak en Jakob, gezworen heeft u te )Ct zullen geven; groote en goede u steden, die gij niet gebouwd hebt. af 11 en huizen, vol van alles goeds, ^d. die gij niet gevuld hebt. en uitge-re houwen bornputten, die gij niet n j uitgehouwen hebt, wijngaarden en vel olijfgaarden, die gij niet geplant hebt, en gij gegeten hebt en verzadigd zijt:

12 zoo wacht u dat gij den Hee-rr niet vergeet, die u uit Egyp-teland, uit den diensthuize, heeft uitgevoerd.

13 Gij zult den Heere uwen God vreezen en hem dienen, en gij zult bij zijnen naam zweren.

14 Gij zult andere goden niet navolgen , van de goden der volken, die rondom u zijn,

15 want de Heere, uw God, is een ijverig God inliet midden van u: dat de toorn des Heeren uws Gods tegen u niet ontsteke en hij u van den aardbodem verdelge.

16 Gij zult den Heere uwen God niet verzoeken, gelijk als gij hem verzocht hebt te Massa.

17 Gij zult de geboden des Heeren uwes Gods vlijtiglijk houden, mitsgaders zijne getuigenissen en zijne inzettingen, die hij u geboden heeft.

18 En gij zult doen wat recht en goed is in de oogen des Heeren, opdat het u wel ga, en dat gij inkomt en erft hot goede land, dat de Heere uwen vaderen ge-zworen heeft:

19 om alle uwe vijanden voor uw aangezicht te verdrijven, gelijk als de Heere gesproken heeft.

20 \'Wanneer uw zoon u morgen zal vragen, zeggende: Wat zijn dat voor getuigenissen en inzettingen en rechten, die de Heere, onze God, ulieden geboden heeft?

21 zoo zult gij tot uwen zoon zeggen: Wij warén Farao\'s dienstknechten in Egypte, maar de Heere heeft ons\'door eene sterke hand uit Egypte uitgevoerd;

22 en de Heere gaf teekenen en groote en kwade wonderen in Egypte aan Farao en aan zijn gansche huis voor onze oogen;

23 en hij voerde ons van daar uit, opdat hij ons inbracht om ons het land te geven, dat hij onzen vaderen gezworen had.

24 En de Heere gebood ons te doen alle deze inzettingen, om te vreezen den Heere, onzen God, voor altoos ten goede, om ons in het leven te behouden, gelijk het te dezen dage is.


-ocr page 234-

DEUTERONOMIUM 7.

220

25 En het zal ons gerechtigheid zijn, als wij zullen waarnemen te doen alle deze geboden voor het aangezicht des Heeren onzes Gods, gelijk als hij ons geboden heeft.

HOOFDSTUK 7.

Wanneer u de Heere uw God zal gebracht hebben in het land waar gij naartoe gaat om dat te erven, en hij vele volkeren voor uw aangezicht zal hebben uitgeworpen, de Hethitenen de Girga-siten en de Amoriten en de Ka-naaniten en de Fereziten en de Heviten en de Jebusiten, zeven volken, die meerder en machtiger zijn dan gij;

2 en de Heere uw God hen zal gegeven hebben voor uw aangezicht dat gij ze slaat, zoo zult gij ze ganschelijk verbannen : gij zult geen verbond met hen maken noch hun genadig zijn.

3 Gij zult u ook met hen niet vermaagschappen; gij zult uwe dochters niet geven aan hunne zonen, en hunne dochters niet nemen voor uwe zonen;

4 want zij zouden uwe zonen van mij doen afwijken, dat zij andere goden zouden dienen; en de toorn des Heeren zoude tegen ulieden ontsteken en u haast verdelgen.

5 Maar alzóó zult gij hun doen: hunne altaren zult gij afwerpen, en hunnne opgerichte beelden verbreken , en hunne bosschen zult gij afhouwen, en hunne gesneden beelden met vuur verbranden.

ü Want gij zijt een heilig volk den Heere uwen God: u heelt de Heere uw God verkoren, dat gij hem ten volke des eigencloms zoudt zijn uit alle volken die op den aardbodem zijn.

7 De Heere heeft geen lust tot u gehad noch u verkoren om uwe veelheid boven alle andere volken, want gij waart het minste van alle volken;

8 maar omdat de Heere ulieden liefhad, en opdat hij hield den eed dien hij uwen vaderen gezworen had, beeft de Heere u met eene sterke hand uitgevoerd, en heeft u verlost uit den diensthui-ze , uit de hand van Farao, Koning van Egypte.

9 Gij zult dan weten dat de Heere uw God die God is, die getrouwe God, dewelke het verbond en do weldadigheid houdt dengenen die hem liefhebben en zijne geboden nouden, tot in duizend geslachten;

40 en hij vergeldt een ieder van hen die hem haten in zijn aangezicht, om hem te verderven; hij zal het zijnen hater niet vertragen, in zijn aangezicht zal hij het hem vergelden.

11 Houd dan de geboden en de inzettingen en de rechten, die ik u heden gebiedeom die te doen;

12 zoo zal het geschieden omdat gij deze rechten zult hooren en houden en dezelve doen, dat de Heere uw God u het verbond en de weldadigheid zal houden, die hij uwen vaderen gezworen heeft,

43 en hij zal u liefhebben en zal u zegenen en u doen vermenigvuldigen, en hij zal zegenen do vrucht uws buiks en de vrucht uws lands, uw koren en uwen most en uwe olie, de dracht uwer koeien en de kudden van uw klein vee, in het land dat hij uwen vaderen gezworen heeft u te geven.

44 Gezegend zult gij zijn boven alle volken, daar zal onder unoch man noch vrouw onvruchtbaar zijn, ook niet onder uwe beesten.

\'45 En de Heere zal alle krankheid van u afweren, en hij zal u geene van der Egyptenaren kwade ziekten die gij kent opleggen, maar zal ze leggen op allen die u haten.

4(5 Gij ziilt dan alle die volken verteren die de Heere uw God u geven zal; uw oog zal ze niet ver-schoonen, en gij zult hunne goden niet dienen; want dat zoude u een strik zijn.

47 Zoo gij in uw harte zeidet: Deze volken zijn meerder dan ik, hoe zoude ik quot;ze uit de bezitting kunnen verdrijven?

48 vreest niet voor hen: gedenkt steeds wat de Heere uw God aan Farao en aan alle Egyptenaren gedaan heeft;

49 de groote verzoekingen die uwe oogen gezien hebben, en de


-ocr page 235-

DEUTERONOMIUM 8.

221

teekencn en de wonderen, en de sterke hand en den uitgestrekter! arm, door welke n de Heere uw God heeft uitgevoerd: alzóó zal de Heere uw God doen aan alle volken, voor welker aangezicht gij vreest.

20 Daartoe zal de Heere uw God ook horzelen onder hen zenden, totdat, zij omkomen die overgebleven en voor uw aangezicht verborgen zijn.

21 Ontzet u niet voor hunlieder aangezicht; want de Heere, uw God is in het midden van u, een groot en vreeselijk God;

22 en de Heere uw God zal deze volken voor uw aangezicht aliengsl eens uitwerpen; haastelijk zult gij ze niet mogen te niet doen, opdat quot;het wild des velds niet tegen u vermenigvi ildige.

23 En de Heere zal ze geven voor uw aangezicht, en hij zal ze verschrikken met groote verschrikking, totdat zij verdelgd worden.

24 Ook zal hij hunne Koningen in uwe hand geven , dat gij hunnen naam van onder den hemel te niet doet: geen man zal voor uw aangezicht bestaan totdat gij ze zult hebben verdelgd.

25 De gesneden beelden van hunne goden zult gij met vuur verbranden ; het zilver en goud, dat daaraan is, zult gij niet begeeren noch voor u nemen, opdat gij daardoor niet verstrikt wordt; want dat is den Heere uwen God een gruwel.

26 Gij zult dan den gruwel in uw huis niet brengen, dat gij een ban zoudt worden, gelijk datzelve is; gij zult het ganscheiijk verfoeien en ten eenenrnale een gruwel daarvan hebben, want het is een ban.

HOOFDSTUK 8.

Alle geboden, die ik u heden gebiede, zult gij waarnemen om te doen , opdat gij leeft en vermenigvuldigt, en inkomt en het land erft dat de Heere uwen vaderen gezworen heeft.

2 En gij zult gedenken aan al den weg \'dien de Heere uw God u deze veertig jaar in de woestijn geleid heeft, opdat hij u verootmoedigde, om u te verzoeken, om te weten wat in uw harte was, of gij zijne geboden zoudt houden of niet.

3 En hij verootmoedigde u, en liet u hongeren, en spijsde u met het Man, dat gij niet kendet noch uwe vaderen gekend hadden; opdat hij u bekend maakte, dat de mensch niet alleen van het brood leeft, maar dat de mensch leeft van alles dat uit des Heeren mond uitgaat.

4 Uwe kieeding is aan u niet verouderd, en uw voet is niet gezwollen, deze veertig jaar.

ij Bekent dan in uw harte, dat de Heere uw God u kastijdt gelijk als een man zijnen zoon kastijdt,

6 en houdt de geboden des Heeren uws Gods, om in zijne wegen te wandelen en om hem te vreezen.

7 Want do Heere uw God brengt u in een goed land, een land van waterbeken, fonteinen en diepten, die in dalen en in bergen uit-vlieten;

8 een land van tarwe en gerst, en wijnstokken en vijgeboomen en granaatappelen, een land van olierijke olijtboomen en van honig;

9 een land waarin gij brood zonder schaarschheid eten zult, waarin u niets ontbreken zal, een land welks steenen ijzer zijn , en uit welks bergen gij koper uithouwen zult.

10 Als gij dan zult gegeten hebben en verzadigd zijn, zoo zult gij den Heere uwen God loven over dat goede land, dat hij u zal hebben gegeven.

11 Wacht u dat gij den Heere, uwen God. niet vergeet, dat gij niet zoudt houden zijne geboden en zijne rechten en zijne inzettingen, die ik u heden gebied;

12 opdat niet misschien, als gij zult gegeten hebben en verzadigd zijn, en goede huizen gebouwd hebben en die bewonen,

13 en uwe runderen en uwe schapen zullen vermeerderd zijn, ook zilver en goud u zal vermeerderd zijn, ja al wat gij hebt vermeerderd zal zijn,

14 uw harte zich alsdan verheue,


-ocr page 236-

222 D E U T E R O

dat gij vergeet den Heere uwen God, die u uit Egypteland, uit den diensthuize, uitgevoerd heeft;

15 die u geleid heeft in die groo-te en vreeselijke woestijn, waar vurige slangen en schorpioenen war\'en, waar dorheid en geen water was; die u water uit de keiachtige rots voortbracht;

16 die u in de woestijn spijsde met Man, dat uwe vaderen niet gekend hadden; om u te verootmoedigen en om u te verzoeken, opdat hij u ten laatste weldeed;

17 en gij in uw hart zegt: Mijne kracht en de sterkte mijner hand heeft mij dit vermogen verkregen.

18 Maar gij zult gedenken den Heere, uwen God , dat hij het is die u kracht geeft om vermogen te verkrijgen; opdat hij zijn verhond hevestige dat hij uwen vaderen gezworen heeft, gelijk het te dezen dage is.

19 Maar indien het geschiedt dat gij den Heere uwen God gansche-lijk vergeet, en andere goden navolgt en ze dient en u voor dezelve buigt, zoo betuig ik heden tegen u dat gij voorzeker zult vergaan :

20 gelijk de heidenen, die de Heere voor uw aangezicht verdaan heeft, alzóó zult gij vergaan, omdat gij der stemme des IIeerex uws Gods niet gehoorzaam zult geweest zijn.

HOOFDSTUK 9.

Hoor Israël, gij zult heden over den Jordaan gaan, dat gij inkomt om volken te erven die grooter en sterker zijn dan gij ; sleden die groot en tot in den hemel gesterkt zijn;

2 een groot en lang volk, kinderen der Enakiten, die gij kent en van ivelke gij gehoord hebt: Wie zoude bestaan voor het aangezicht der kinderen Enaks?

3 Zoo zult gij heden weten, dat de Heere uw God degeen is die voor uw aangezicht doorgaat, een verterend vuur: die zal ze verdelgen en die zal ze voor uw aangezicht nederwerpen , en gij zult ze uit de bezitting verdrijven en zult ze haastelijk te niet dóen , ge-

NOMIUM 9.

lijk als de Heere tot u gesproken heeft.

4 Wanneer hen nu de Heere , uw God voor uw aangezicht zal hebben uitgestooten, zoo spreek niet in uw harte zeggende: De Heehe heeft mij om mijne gerechtigheid ingebracht om dit land te erven ; want om de goddeloosheid dezer volken verdrijft ze de Heere voor uw aangezicht uit de bezitting.

5 Niet om uwe gerechtigheid noch om de oprechtheid uws harten komt gij er in, om hun land te erven, maar om de goddeloosheid dezer volken verdrijft ze de Heere uw God voor uw aangezicht uit de bezitting , en om het woord te bevestigen dat de Heere uw God uwen vaderen, Abraham, Isaak en Jakob, gezworen heeft.

ü Weet dan dat u de Heere uw God niet om uwe gerechtigheid ditzelve goede land geeft om dat te erven; want gij zijt een hardnekkig volk.

7 Gedenkt, vergeet niet, dat gij den Heere uwen God in de woestijn zeer vertoornd hebt; van dien dag af dat gij uit Egypteland uitgegaan zijt, totdat gij kwaamt aan deze plaats, zijt gijlieden we-derspanning geweest quot;tegen den Heere. ,

8 Want aan I-Ioreb vertoorndet gij den Heere zeer, dat hij zich tegen u vertoornde om u te verdelgen.

9 Als ik op den berg geklommen was, om te ontvangen de steenen tafelen, de tafelen des verbonds dat de Heere met ulie-den gemaakt had, toen bleef ik veertig dagen en veertig nachten op den berg , at. geen brood en dronk geen water;

10 en de Heere gaf mij de twee steenen tafelen, met Gode.s vinger beschreven, en op dezelve naar alle de woorden . die de Heere op den berg uit het midden des vuurs ten dage der verzameling met ulie-den gesproken had.

11 Zoo geschiedde het, teneinde van veertig dagen en veertig nachten , als mij de Heere de twee


-ocr page 237-

N O MIU M 10.

D E U T E R O

223

steenen tafelen, de tafelen des verbonds, gaf,

12 dat de Heere tot mij zeide: Sta op , ga schielijk af van hier, want uw volk, dat gij uit Egypte hebt uitgevoerd, heeft het verdorven; zij zijn schielijk afgeweken van den weg dien ik hun geboden had, zij hebben zich een gegoten beeld gemaakt.

13 Voorts sprak de Heere tot mij, zeggende: Ik heb dit volk aangemerkt en zie, het is een hardnekkig volk:

14 laat van mij af, dat ik ze verdeige en hunnen naam van onder den hemel uitdoe, en ik zal u tot een machtiger en meerder volk maken dan dit is.

15 Toen keerde ik mij en ging van den bergaf, de berg\'nu brandde van vuur, en de twee tafelen des verbonds waren op beide mijne handen;

16 en ik zag toe, en zie, gij hadt tegen den IIeere uwen God gezondigd , gij hadt u een gegoten kalf gemaakt, gij waart haastelijk afgeweken van den weg, dien u de Heere geboden had:

17 toen vatte ik de twee tafelen , en wierp ze henen uit beide mijne handen, en brak ze voor uwe oogen.

18 En ik wierp mij neder voor het aangezicht des Heeren, als in het eerste , veertig dagen en veertig nachten, ik at geen brood en dronk geen water, om al uwe zonde die gij hadt gezondigd, doende dat kwaad is in des Heeren oogen, om hem tot toorn te verwekken;

19 want ik vreesde vanwege den toorn en de grimmigheid, waarmede de Heere zeer op ulieden vertoornd was om u te verdelgen; doch de Heere verhoorde mij ook op dit maal.

20 Ook vertoornde zich de Heere zeer tegen Aaron om hem te verdelgen, doch ik bad ook terzelver tijd voor Aaron.

21 Maar uwe zonde, het kalf dat gij hadt gemaakt, nam ik en verbrandde het met vuur, en stampte het, malende het wèl, totdat het verdund werd tot stof.

| en zijn stof wierp ik in de beek , | die van den berg afvliet.

22 Ook vertoornde t gij den Heere zeer tc Tabeëra, en te Massa, en te Kibroth-Taava.

23 Voorts als de Heere ulieden zond uit Kades-Barnéa, zeggende: Gaat op en erft het land, dat ik u gegeven heb, zoo waart gij den mond des Heeren uws Gods we-derspannig, en geloofdet hem niet en waart zijner stemme niet gehoorzaam.

24 Wederspannig zijt gij geweest tegen den Heere van den dag af dat ik u gekend heb.

25 En ik wierp mij neder voor des Heeren aangezicht, die veertig dagen en veertig nachten in welke ik mij nederwierp, dewijl de Heere gezegd had dat hij u verdelgen zoude;

2(5 en ik bad tot den Heere en zeide: Heere Heere, verderf uw volk en uw erfdeel niet, dat gij door uwe grootheid verlost hebt, dat gij uit Egypte door eene sterke hand hebt uitgevoerd.

27 Gedenk aan uwe knechten, Abraham, Isaiik en Jakob; zie niet op de hardigheid dezes volks, noch op zijne goddeloosheid, noch op zijne zónde;

28 opdat het land, van waar gij ons hebt uitgevoerd, niet zegge: Omdat ze de Heere niet konde brengen in het land waarvan hij hun gesproken had, en omdat hi\'i ze haatte, heeft hij ze uitgevoerd om hen te doodenin de woestijn.

29 Zij zijn toch uw volk en uw erfdeel, dat gij door uwe groote kracht en door uwen uitgestrekten arm hebt uitgevoerd.

HOOFDSTUK 10.

Ter zei ver tijd zeide de Heere tot mij: Houw u twee steenen tafelen als de eerste, en klim tot mij op dezen berg, daarna zult gij u eene kist van hout maken;

2 en ik zal op die tafelen schrijven de woorden, die geweest zijn op de eerste tafelen, die gij gebroken hebt, en gij zult ze leggen iu die kist.

3 Alzoo maakte ik eene kist van sittimhout, en hieuw twee


-ocr page 238-

DEUTERONOMIUM 11.

224

steenen tafelen als de eerste; en ik klom op den berg, en de twee tafelen waren in mijne hand.

4 Toen schreef hij op de tafelen, naar het eerste schrift, de tien woorden, die de Heere ten dage der verzameling op den berg uit het midden des vuurs tot ulieden gesproken had, en de Heere gaf ze mij.

5 En ik keerde mij en ging af van den berg, en leide de tafelen in de kist, die ik gemaakt had; en aldaar zijn ze, gelijk als de Heere mij geboden heeft.

6 (En de kinderen Israels reisden van Beëroth Bené-Jakaan en Mosera. Aldaar stierf Aaron en werd aldaar begraven; en zijn zoon Eleazar bediende het Priesterambt in zijne plaats.

7 Van daar reisden zij naar Gud-god, en van Gudgod naar Jotbatha, een land van waterbeken.)

8 Ter zeiver tijd scheidde de Heere den stam Levi af om de Arke des verbonds des Heehen te dragen, om voorliet aangezicht des Heeren te staan, om hem te dienen, en om in zijnen naam te zegenen, tot op dezen dag.

9 Daarom heeft Levi geen deel noch erve met zijne broederen: de Heere die is zijn erfdeel, gelijk de Heere uw God tot hem gesproken heeft.

10 En ik stond op den berg, als de vorige dagen: veertig dagen en veertig nachten; en de Heere verhoorde mij ook op datzelve maal: de Heere heeft u niet willen verderven,

11 maar de Heere zeide tot mij: Sta op, ga op de reize voor het aangezicht des volks, dat zij inkomen en het land erven, dat ik hunnen vaderen gezworen heb hun te geven.

12 Nu dan Israël, wateischt de Heere uw God van u, dan den Heere uwen God te vreezen, in alle zijne wegen te wandelen en hem lief te hebben, en den Heere uwen God te dienen met uw gan-sche harte en met uwe gansche ziele,

13 om te houden de geboden des Heeren en zijne inzettingen, die ik u heden gebied, u ten goede.

14 Zie, des Heeren uws Gods is de hemel en de hemel der hemelen , de aarde en al wat daarin is.

15 Alleenlijk heeft de Heere lust gehad aan uwe vaderen, om die lief te hebben, en heeft hun zaad na hen, ulieden, uit alle de volken verkoren, gelijk het te dezen dage is.

16 Besnijdt dan de voorhuid uws harten, en verhardt uwen nek niet meer;

17 want de Heere uw God die is een God der goden en Heere der heeren; diegroote, die machtige en die vreeselijke God, die geen aangezicht aanneemt noch geschenk ontvangt;

18 die het recht des weezen en der weduwe doet, en den vreemdeling liefheeft, dat hij hem brood en kieeding geeft:

19 Daarom zult gijlieden den vreemdeling liefhebben, want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland.

2(3 Den Heeue uwen God zult SÜ vreezen, hem zult gij dienen, en hem zult gij aanhangen en bij zijnen naam zweren.

21 Hij is uw lof, en hij is uw God, die bij u gedaan heeft deze groote en vreeselijke dingen, die uwe oogen gezien hebben.

22 Uwe vaderen togen af naar Egypte met zeventig zielen, en nu heeft u de Heere uw God gesteld als de sterren des hemels in menigte.

HOOFDSTUK 11.

Daarom zult gij den Heere uwen God liefhebben, en gij zult te allen dage onderhouden zijn bevel en zijne inzettingen en zijne rechten en zijne geboden.

2 En gijlieden zult heden weten dat ik niet spreek met uwe kinderen, die het niet weten en de onderwijzing van den Heere uwen God niet gezien hebben, zijne grootheid, zijne sterke hand en zijnen uitgestrekten arm;

3 daartoe zijne teekenen en zijne daden, die hij in het midden van Egypte gedaan heeft, aan Farao,


-ocr page 239-

DEUTERONOMIUM 11.

225

don Koning van Egypte en aan zijn gansche land;

4 en wat hij gedaan heeft aan het heir der Egyptenaren, aan deszelfs paarden en aan deszelfs wagenen, dat liij de wateren van de Schelfzee boven hun aangezicht deed overstroomen, als zij ulieden van achteren vervolgden, en de Heere verdeed ze, tot op dezen dag;

5 en wat hij ulieden gedaan heeft inde woestijn, totdat gij gekomen zijt aan deze plaats;

ü daarenboven wat hij gedaan heeft aan Da than en aan Abiram, zonen vanEliab den zoon Rubens, hoe de aarde haren mond opdeed en hen verslond met hunne huisgezinnen en hunne tenten, ja al wat bestond dat hen aanging, in het midden van gansch Israël.

7 Want het zijn uwe oogen, die gezien hebben al dit groote werk des IIeekex dat hij gedaan heeft.

8 Houdt dan alle geboden die ik u heden gebiede, opdat gij gesterkt wordt, en inkomt en het land erft waarhenen gij overtrekt om dat te erven;

9 en opdat gij de dagen verlengt in het land dat de Heere uwen vaderen gezworen heeft hun en hunnen zade te geven, een land vloeiende van melk en honig.

10 Want het land, waar gij naartoe gaat om dat te erven, dat is niet als Egypteland van waar gij uitgegaan zijt, hetwelk gij bezaaide! met uw zaad en bewatórdet met uwen gang als een kruidhof;

11 maar het land, waarhenen gij overtrekt om dat te erven , is een land van bergen en van dalen; het drinkt water bij den regen des hemels;

12 een land, dat de Heere uw God bezorgt: de oogen dos Heeren uws Gods zijn gedurig daarop, van het begin des jaars tot het einde des jaars.

13 En liet zal geschieden zoo gij naarstiglijk zult hooren naar mijne geboden, die ik u heden gebiede, om den Heere uwen God lief te hebben en hem te dienen met uw gansche harte en met uwe gansche ziele,

14 zoo zal ik den regen uws lands geven te zijner tijd, vroegen regen en spaden regen, opdat gij uw koren en uw most en uwé olie inzamelt;

15 en ik zal kruid geven op uw veld voor uwe beesten; en gij zult eten en verzadigd worden.

1G Wacht uzelven dat ulieder harte niet verleid worde, dat gij afwijkt en andere goden dient en u voor die buigt:

17 dat de toorn des Heeren tegen ulieden ontsteke, en hij den hemel toesluite dat er geen regen zij, en het aardrijk zijn gewas niet geve, en gij haastelijk omkomt van het goede land dat u de Heere geeft.

18 Legt dan deze mijne woorden in uw harte en in uwe ziele en bindt ze tot een toeken op uwe hand, en dat zij tot voorhoofd-spanselen zijn tusschen uwe oogen;

19 en leert die uwen kinderen, sprekende daarvan als gij in uw huis zit en als gij op den weg gaat, en als gij nederligt en als gij opstaat;

20 en schrijft ze op de posten uwes huizes quot;en aan uwe poorten;

21 opdat uwe dagen en uwer kinderen dagen, in het land, dat de Heere uwen vaderen gezworen heeft hun Ie geven, vermenigvuldigen gelijk do dagen des hemels op de aarde.

22 Want zoo gij naarstiglijk houdt alle deze geboden, die ik u gebiede. om die te doen, den Heeue uwen God liefhebbende, wandelende in alle zijne wegen en hem aanhangende,

23 zoo zal de Heere alle deze volken voor uw aangezicht uit de bezitting verdrijven, en gij zult erfelijk bezit:en grooter en machtiger volken dan gij zijt;

24 alle plaatse, waar uwe voetzool op treedt, zal uwe zijn, van de woestijn en den Libanon, van do rivier, de rivier Frath, tot aan de achterste zee zal uwe landpale zijn;

25 niemand zal voor uw aangezicht bestaan, de Heere uw God zal uwen schrik en uwe vreeze geven over al het land waarop gij


8

-ocr page 240-

226

treden zult, gelijk als hij tot u gesproken heeft.

2t) Zie, ik stel ulieden heden voor zegen en vloek:

27 den zegen , wanneer gij lioo-ren zult naar de geboden des Hoeren uws Gods, die ik u heden gebiede;

28 maar den vloek, zoo gij niet hooien zult naar de geboden des Heeren uws Gods, en afwijkt van den weg dien ik u heden gebiede om andere goden na te wandelen, die gij niet gekend hebt.

29 En het zal geschieden als de Heere uw God u zal hebben ingebracht in het land waar gij naartoe gaat om dat te erven, dan zult gij den zegen uitspreken op den berg Gerizim eti den vloek op den berg Ebal.

HO Zijn zij niet aan gene zijde van den Jordaan, achter den weg van den ondergang der zon, in het land der Kanaanitcn, die in liet vlakke veld wonen tegenover Gilgal, bij de eikenbosschen van Moré?

31 Want gijlieden zult over den Jordaan gaan, dat gij inkomt om te erven het land, dat de Heere uw God u geven zal, en gij zult dat erfelijk bezitten en daarin wonen:

32 neemt dan waar te doen alle de inzettingen en de rechten, die ik u heden voorstel.

HOOFDSTUK 12.

Dit zijn de inzettingen en de rechten, die gijlieden zult waarnemen om te doen in het land hetwelk u de Heere uwer vaderen God gegeven heeft om dat te erven, alle de dagen die gijlieden op den aardbodem leeft.

2 Gij zult ganschelijk vernielen alle dê plaatsen, alwaar de volken die gij zult erven hunne goden gediend hebben, op de hooge bergen en op de heuvelen en onder allen groenen boom.

3 En gij zult hunne altaren afwerpen, en hunne opgerichte heelden verbreken, en hunne bosschen met vuur verbranden, en de gesneden beelden hunner goden ne-derhouwen, en gij zult hunnen naam te niet doen uit die zelve plaatse.

4 Gij zult den Heere uwen God alzóó niet doen;

5 maar naar de plaats, die de Heere uw God uit alle uwe stammen verkiezen zal om zijnen naam aldaar te zetten, naar zijne woning zult gijlieden vragen, en daarhenen zult gij komen;

6 en daarhenen zult gijlieden brengen uwe brandofferen en uwe slachtofferen, en uwe tienden en het hefoffer uwer hand, en uwe geloften en uwe vrijwillige offeren, en de eerstgeboorten uwer runderen en uwer schapen;

7 en aldaar zult gijlieden voor het aangezicht des Heeren uws Gods eten en vroolijkzijn, gijlieden en uwe huizen, over alles waaraan gij uwe hand geslagen hebt, waarin u de Heere uw God gezegend heeft.

8 Gij zult niet doen naar alles wat wij hier heden doen, een ieder al wat in zijne oogen recht is;

9 want gij zijt tot nu toe niet gekomen in de ruste en in de erfenis , die de Heere uw God u geven zal;

10 maar gij zult over den Jordaan gaan, en wonen in het land dat de Heere uw God u zal doen erven, en hij zal u ruste geven van alle uwe vijanden rondom, en gij zult zéker wonen.

11 Dan zal er eenc plaats zijn die de Heere uw God verkiezen zal om zijnen naam aldaar te doen wonen: daarhenen zult gij brengen alles wat ik u gebied, uwe brandofferen en uwe slachtofferen, uwe tienden en het hefoffer uwer hand, en alle keure uwer geloften, die gij den Heere beloven zult;

12 en gij zult vroolijk zijn voor het aangezicht des Heeren uws Gods, gijlieden en uwe zonen en uwe dochteren, en uwe dienstknechten en uwe dienstmaagden, en de Leviet die in uwe poorten is; want hij heeft geen deel noch erve met ulieden.

13 Wacht u dat gij uwe brandofferen niet offert in alle plaatse die gij zien zult;

14 maar in de plaatse, die Ov Heere in één uwer stammen zal verkiezen, daar zult gij uwe brand-

DEUTERONOMIUM 12.


-ocr page 241-

N O M I U M 13.

DEUTERO

227

offeren offeren, en daar zult gij doen al wat ik u gebiede.

15 Poeh naar allen lust uwer ziele zult gij slachten en vleesch eten, naar den zegen des Hekhkn uws Gods, dien hij u geeft in alle uwe poorten; de onreine en de reine zal daarvan eten, als van een ree en als van een hert:

16 alleenlijk het bloed zult gijlieden niet éten, gij zult het op de aarde uitgieten als water.

17 Gij zult in uwe poorten niet mogen eten de tiende van uw koren en van uw most en van uwe olie, noch de eerstgeboorten uwer runderen en uwer schapen, noch eenige uwer geloften, die gij zult hebben beloofd, noch uwe vrijwillige offeren, noch het hefoffer uwer hand;

18 maar gij zult dat eten voor het aangezicht des Heeren uws Gods, in de plaatse die de Heere uw God verkiezen zal, gij en uw zoon en uwe dochter, en uw dienstknecht en uwe dienstmaagd, en de Leviet die in uwe poorten is, en gij zult vroolijk zijn voor het aangezicht des heêren uwesGods, over alles waaraan gij uwe handen geslagen hebt.

19 Wacht u dat gij den Leviet niet verlaat, alle uwe dagen in uw land.

20 Wanneer de Heere uw God uwe landpale zai verwijd hebben, gelijk als hij tot u gesproken heeft, en gij zeggen zult: Ik zal vleesch eten, dewijl uwe ziele lust heeft vleesch te eten, zoo zult gij vleesch eten naar allen lust uwer ziele.

21 Zoo de plaatse, die de Heere uw God verkiezen zal om zijnen naam aldaar te stellen, ver van u zal zijn, zoo zult gij slachten van uwe runderen en van uwe schapen die de Heere u gegeven heeft, gelijk ik u geboden heb, en gij zult eten in uwe poorten naar allen lust uwer ziele.

22 Doch gelijk als een ree en Ven hei\'t gegeten wordt, alzóó zult gij dat eten, de onreine en de reine zullen het te zamen eten:

23 alleen houdt vast, dat gij het bloed niet eet; want het bloed is de ziel, daarom zult gij de ziel met het vleesch niet eten;

24 gij zult dat niet eten, op de aarde zult gij hot uitgieten als wafer.

25 Gij zult da! niet eten, opdat het u, en uwen kinderen na u wol ga, als gij zult gedaan hebben dat recht is in de oogen des Heeren.

26 Doch uwe heilige dingen die gij hebben zult en uwe geloften zult gij opnemen, en komen tol de plaatse, die de Heere verkiezen zal;

27 en gij zult uwe brandofferen, het vleesch en het bloed, bereiden op het altaar des Heeren uws Gods, en het bloed uwer slachtofferen zal op het altaar des Heeren uws Gods worden uitgegoten, maar het vleesch zult gij eten.

28 Neemt waar en hoort alle deze woorden die ik u gebiede, opdat het u en uwen kinderen na u wel ga tot in eeuwigheid, als gij zult gedaan hebben wat goed en recht is in de oogen des Heeren uws Gods.

29 Wanneer de Heere uw God voor uw aangezicht zal hebben uitgeroeid de volken, naar dewelke gij henengaat om die erfelijk to bezitten, en gij die erfelijk zult bezitten en in hun land zult wonen,

30 wacht u dat gij niet verstrikt wordt achter hen, nadat zij voor uw aangezicht zullen verdelgd zijn, en dat gij niet vraagt naar hunne goden, zeggende: Gelijk als deze volken hunne goden gediend hebben, al zoo zal ik óók doen.

31 Gij zult alzóó niet doen don Heere uwen God: want al wat den Heere een gruwel is, wat hij haat, hebben zij hunnen goden gedaan; want zij hebben ook hunne zonen en hunne dochteren met vuur verbrand voor hunne goden.

32 Al dit woord, hetwelk ik ulie-den gebiede, dat zult gij waarnemen om te doen; gij zult daar niet toe doen en daarvan niet afdoen.

HOOFDSTUK 13.

Wanneer een profeet of droom-droomer in het midden van u zal opstaan en u geven een teeken of wonder.


-ocr page 242-

228

2 en dat teeken of dat wonder komt, dat hij tot u gesproken had, zeggende: Laat ons andere goden, die gij niet gekend hebt, navolgen en hen dienen: —

3 gij zult naar de woorden van dien profeet of naar dien droom-droomer niet hooren; want de Hee-itE uw God verzoekt ulieden, om te weten ot\' gij den ITeerr uwen God liefhebt met uw gansche harte en met uwe gansche ziele.

4 Den Heehe uwen God zult gij navolgen en hem vreezen, en zijne geboden zult gij houden en zijner stemme gehoorzaam zijn, en hem diein-ii en hem aanhangen.

5 En die profeet of droomdroo-mer zal gedood worden: want hij heeft tot afval gesproken tegen den Heere uwen God, die ulieden uit Egypteiand heeft uitgevoerd en u uit den diensthuize verlost, om u af te drijven van den weg. dien u de Heere uw God geboden heeft om daarin te wandelen. Zoo zult gij het booze uit het midden van li wegdoen.

6 Wanneer uw broeder, de zoon uwer moeder, of uw zoon, of uwe dochter, of de vrouw van uwen schoot, of uw vriend die als uwe ziel is, u zal aanporren heimelijk zeggende: Laat ons gaan en dienen andere goden /lie gij niet gekend hebt, gij noch uwe vaderen ,

7 van de goden der volken die rondom u zijn. nabij u of verre van u, van hét ééne einde der aarde tot aan het andere einde der aarde:

8 zoo zult gij hem niet ter wille zijn en naar hem niet hooren, ook zal uw oog hem niet verschoonen, en gij zult u niet ontfermen noch hem verbergen;

9 maar gij zult hem zekerlijk doodslaan : uwe hand zal het eerst tegen hem zijn om hem te dooden, en daarna de hand des ganschen volks;

10 en gij zult hem met steenen steenigen dat hij sterft, want hij heeft u gezocht af te drijven van den Heere uwen God, dié unit Egypteiand, uit den diensthuize, uitgevoerd heeft:

11 opdat het gansche Israël hoo-re en.vreeze, en niet voortvare te doen naar dit booze stuk in het midden van u.

12 Wanneer gij van ééne uwer steden, die de Heere uw God u geeft om aldaar te wonen zult hooren zeggen:

13 Daar zijn mannen, Belials-kinderen, uit het midden van u uitgegaan, en hebben de inwoners hunner stad aangedreven, zeggende : Laat ons gaan en dienen andere goden, die gij niet gekend hebt,

14 zoo zult gij onderzoeken en nasporen en wel navragen; en zie, het is de waarheid, de zake is zeker, zulk een gruwel is in \'t midden van u gedaan:

15 zoo zult gij de inwoners dier stad ganschelijk slaan met de scherpte des zwaards, verbannende haar en alles wat daarin is. ook hare beesten, met de scherpte des zwaards;

10 en al haren roof zult gij verzamelen in \'t midden van hare straat, en den Heere uwen God die stad en al haren roof ganschelijk met vuur verbranden; en zij zal een hoop zijn eeuwiglijk, zij zal niet weder gebouwd worden.

17 Ook zal er niets van het ver-bannene aan uwe hand kleven; opdat de Heere zich wende van de hitte zijns toorns, en u geve barmhartigheid en zich uwer er-barme en u vermenigvuldige, gelijk hij uwen vaderen gezworen heeft :

IS wanneer gij der stemme des Heeren uws Gods zult gehoorzaam zijn, om te houden alle zijne geboden , die ik u heden gebiede , om te doen wat recht is in de oogen des Heeren uws Gods.

HOOFDSTUK 14.

Gijlieden zijt kinderen des Heeren uws Góds: gij zult uzelven niet snijden noch kaalheid maken tusschen uwe oogen over eenen doode;

2 want gij zijt een heilig volk den Heere uwen God, en u heeft de Heere verkoren om hem tot een volk des eigendoms te zijn,

D E U T E R O N O MIU M 14.


-ocr page 243-

D E U TERONO MIUM l/i.

229

uil alle de volken, die op den aardbodem zijn.

Ji Gij zult geen gruwel eten.

4 Dit zijn de beesten, die gijlieden eten zult: een os, klein vee der schapen, en klein vee dei-geiten ;

5 een hert, en eene ree, en een buffel, en een steenbok , en een das, en een wilde os , en eene gems.

(5 Alle beesten , die de klauwen verdoelen, en de kloof in twee klauwen klieven, en herkauwen onder de beesten, die zult gij eten.

7 Maar deze zult gij niet eten, van degenen die alléén herkauwen , of van degenen die alleen den gekloofden klauw verdoelen: den kemel, en den haas , en het konijn; want deze herkauwen wel, maar zij verdoelen den klauw niet; onrein zullen zij ulieden zijn.

8 Ook het varken, want dat verdeelt zijnen klauw wel, maar het herkauwt niet; onrein zal het ulieden zijn: van hun vleesch zult gij niet éten: en hun dood aas zult gij niet aanroeren.

9 Dit zult gij eten van alles dat in de wateren is: al wat vinnen en schubben heeft zult gij eten;

\'10 Maar al wat geene vinnen en schubben heeft zult gij niet eten, liet zal ulieden onrein zijn.

11 Allen reinen vogel zult gij eten.

12 Maar deze zijn het van dewelke gij niet zult eten: de arend, en de havik, en de zeearend;

13 en de wouw, en de kraai, en do gier naar zijnen aard;

14 en alle raaf naar haren aard;

15 en de struis, en de nachtuil, en de koekoek, en de sperwer naar zijnen aard;

16 en de steenuil, en de schuif-uit, en de kauw ;

17 en de roerdomp, en de pelikaan, en het duikertje;

18 en de ooievaar, en de reiger naar zijnen aard , en de hop , en de vledermuis;

19 ook al het kruipende gevogelte zal ulieden onrein zijn , zij zullen niet gegeten worden.

20 Al het rein gevogelte zult gij eten.

21 Gij zult, geen dood aas eten; den vreemdeling, die in uwe poorten is, zult gij het geven dat hij hot ete, of verkoopt het den vreemde ; want gj zijt een heilig volk den Ukeke uwen God. Gij zult het bokje niet koken in de melk zijner moeder.

22 Gij zult getrouwelijk vertienen al\' het ink omen uws zaads , dat elk jaar van het veld voortkomt ;

23 en voor het aangezicht des TIkkren uws Gods, ter plaatse die hij verkiezen zal om zijnen naam aldaar te doen wonen , zult gij eten de tienden van uw koren, van uwen most en van uwe olie, en de eerstgeboorten uwer runderen en uwer schapen opdat gij den Heehe, uwen God, leert vreezen alle dagen.

24 Wanneer dan nog de weg voor u teveel zal zijn, dat gij zulks niet zoudt kunnen henendragen , omdat de plaatse te ver van uzal zijn, die de Heere uw God verkiezen zal om zijnen naam aldaar te stellen, wanneer n de Heere uw God zal gezegend hebben:

25 zoo maakt het te gelde, en bindt het geld in uwe hand, en gaat naar de plaatse, die de Heere uw God verkiezen zal,

26 en geeft dat geld voor alles wat uwer ziele gelust, voor runderen en voor schapen, en voorwijn en voor sterken drank, en voor alles wat uwe ziele van u begee-ren zal, en eet aldaar voor het aangezicht des Heeren uwes Gods, en woest vroolijk, gij en uw huis.

27 Maar den Leviet die in uwe poorten is zult gij niet verlaten ; want hij heeft geen deel noch erve met u.

28 Ten einde van drie jaren zult gij voortbrengen alle tienden van uw inkomen in hetzelve jaar , en gij zult ze wegleggen in uwe poorten:

29 zoo zal komen de Leviet, de-wijl hij geen deel noch erve met u \'heeft, en de vreemdeling en de wees en de weduw die in uwe poorten zijn, en zullen eten en verzadigd worden; opdat u de Heere uw God zegene in allen wer-ke uwer hand dat gij doen zult.


-ocr page 244-

D E U T E R O N O MIU M 15.

230

HOOFDSTUK 15..

Ten einde van zeven jaren zult gij eene vrijlating maken.

2 Dit nu is de zake der vrijlating, dal ieder .schuldheer, die zijnen naaste zal geleend hebben , vrij late ; hij zal zijnen naaste of zijnen broeder niet manen, dewijl men den Heere eene vrijlating heeft uitgeroepen.

3 Den vreemde zult gij manen , maar wal gij bij uwen broeder hebt, zal uwe hand vrijlaten ;

4 alleenlijk omdat er geen bedelaar onder u zal zijn; want de Heere zal u overvloediglijk zegenen in het land, dat u de Heere uw God ten erve zal geven om hetzelve erfelijk te bezitten:

5 indien gij slechts der stemme des Heeren uws Gods vlijliglijk zult gehoorzamen , dat gij waarneemt te doen alle deze geboden die ik u heden gebiede.

6 Want de Heere uw God zal u zegenen, gelijk hij tot u heeft gesproken; zoo zult gij aan vele volken leenen, maar gij zult niet ontleenen; en gij zuil over vele volken heerschen, maar over u zullen zij niet heerschen.

7 Wanneer er onder u een arme zal zijn, een uit uwe broederen, in eene uwer poorten in uw land, dat de Heere uw God u geven zal, zoo zult gij uw hart niet verstijven noch uwe hand toesluiten voor uwen broeder die arm is;

8 maar gij zult hem uwe hand mildelijk opdoen, en zult hem rijkelijk leenen, genoeg voor zijn gebrek dat hem ontbreekt.

1) Wacht u dal in uw harte geen belialswoord zij om te zeggen: Hel zevende jaar, het jaar der vrijlating naakt; dat uw oog boos zij tegen uwen broeder die arm is , en dat gij hem niet geeft, en hij over u roepe tot den Heere , en zonde in u zij.

10 Gij zult hem mildelijk geven en uw harte zal niet boos zijn als gij hem geeft; want om dezer zake wille zal u de Heere uw God zegenen in al uw werk, en in alles waaraan gij uwe hand slaat.

11 Want de arme zal niet ophouden uil het midden des lands; daarom gebied ik u, zeggende: Gij zult uwe hand mildelijk opdoen aan uwen broeder, aan uwen bedrukte en aan uwen arme in uw land.

12 Wanneer uw broeder, een Hebreër, of eene Hebreïn , aan u verkocht zal zijn, zoo zal hij uzes jaren dienen ; maar in het zevende jaar zult gij hem vrij van u laten gaan.

13 En als gij hem vrij van u gaan laat, zoo zult gij hem niet ledig laten gaan:

14 gij zult hem rijkelijk opleggen van uwe kudde en van uwen dorsch-vloer en van uwe wijnpers, waarin u de Heere uw God gezegend heeft, daarvan zult gij hem geven.

15 En gij zult gedenken dat gij een dienstknecht in Egypteland geweest zijl, en dat u de Heere uw God verlost heeft; daarom gebiede ik u heden deze zaak.

1(5 Maar het zal geschieden als hij tol u zeggen zal: ik zal niet van u uitgaan, omdat hij u en uw huis liefheeft, dewijl hel hem wè. bij u is,

17 zoo zult gij eenen priem nemen, en steken in zijn oor en in de deur, en hij zal ebuwiglijk uw dienstknecht zijn; en aan uwe dienstmaagd zult gij óók alzoo doen.

18 Het zal niet hard zijn in uwe oogen, als gij hem vrij van u gaan laat; want afs een dubbelloons daglooner heeft hij u zes jaren gediend; zoo zal u de Heere uw God zegenen in alles wat gij doen zult.

19 Al het eerstgeborene, dat onder uwe runderen en onder uwe schapen zal geboren worden zijnde een manneken, zuil gij den Heere uwen Godheiligen; gij zult niet arbeiden met den eerstgeborene van uwen os, noch de eerstgeborenen uwer schapen scherer.

20 Voor het aangezicht des Heeren uwes Gods zult gij ze jaar op jaar eten in de plaatse, dié de Heere zal verkiezen, gij en uw huis.

21 Doch als eenig gebrek daaraan zal zijn, hetzij mank of blind, of eenig kwaad gebrek, zoo zult


-ocr page 245-

N O MIU M 16.

D E U T E R O

231

gij liet den Heere uwen God niet olie ren;

22 in uwe poorten zult gij het eten, de onreine en de reine te zamen, als een ree en als een hert.

23 Zijn bloed alleen zult gij niet eten, gij zult het op de aarde uitgieten als water.

HOOFDSTUK 1G.

Neemt waar de manlid Abib, dat gij den Heere uwen God Pascha houdt; want in de maand Abib heeft u de Heere uw God uitEgyptelanduitgevoerd bij nacht.

2 Dan zult gij den Heere uwen God het Pascha slachten, schapen en runderen, in de plaatse, die de Heere verkiezen zal om zijnen naam aldaar te doen wonen.

3 Gij zult niels gedeesemds op hetzelve eten; zeven dagen zult gij ongezuurde broaden op hetzelve eten, een brood der ellende, (want in der haast zijt gij uit Egypteland uitgetogen), opdat gij gedenkt aan den dag van uw uittrekken uit Egypteland alle do dagen uws levens.

4 Daar zal bij u in zeven dagen geen zuurdeeg gezien worden in eenige uwer landpalen; ook zal van het vleesch, dat gij aan den avond aan den eersten dag geslacht zult hebben, niets tot den morgen overnachten.

5 Gij zult het Pascha niet mogen slachten in eene uwer poorten, die de Heere uw God u geeft;

6 maar aan de plaatse, die de Heere uw God verkiezen zal om daar zijnen naam te doen wonen, aldaar zult gij het Pascha slachten aan den avond, als de zon ondergaat, ter bestemder tijd van uw uittrekken uit Egypte.

7 Dan zult gij het koken en eten in de plaatse, die de Heere uw God verkiezen zal; daarna zult gij u des morgens keeren en henengaan naar uwe tenten.

8 Zes dagen zult gij ongezuurde hrooden eten, en aan den zevenden dag is een verbodsdr/r/ den Heere uwen God; dan zult gij geen werk doen.

9 Zeven weken zult gij u tellen; van dat men met de sikkel begint in het staande koren, zult gij de zeven weken beginnen Ie tellen:

10 daarna zult gij den Heere uwen God het feest der weken houden; het zal eene vrijwillige schatting uwer hand zijn dat gij geven zult, naardat u de Heere uw God zal gezegend hebben.

11 En gij zult vroolijk zijn voor het aangezicht des Heeren uws Gods, gij en uw zoon en uwe dochter, en uw dienstknecht en uwe dienstmaagd, on de Leviet, die in uwe poorten is, en de vreemdeling en do wees en de weduw die in \'t midden van u zijn, in de plaatse die de Heere uw God zal verkiezen om zijnen naam aldaar te doen wonen;

12 en gij zult gedenken dat gij een dienstknecht geweest zijt in Egypte; en gij zult deze inzêlliu-geri houden en doen.

13 Het feest der loofhutten zult gij u zeven dagen houden, als gij zult hebben ingezameld van uwen dorschvloer en van uwe wijnpers.

14 En gij zult vroolijk zijn op uw feest, gij en uw zoon en uwe dochter, en uw dienstknecht en uwe dienstmaagd, en de Leviet en de vreemdeling en de wees en de weduw, die in uwe poorten zijn.

15 Zeven dagen zult gij den Heere uwen God feesthouden in de plaatse, die de Heere verkiezen zal; want de Heere uw God zal u zegenen in al uw inkomen en in al het werk uwer handen; daarom zult gij immers vroolijk zijn.

16 Driemaal in het jaar zal alles wat mannelijk onder u is voor het aangezicht des Heerex uws Gods verschijnen, in de plaatse, die hij verkiezen zal: op het feest der ongezuurde hrooden, en op het feest der weken, en op het feest der loofhutten; maar het zal niet ledig voor het aangezicht des Heeren verschijnen:

17 een ieder naar de gave zijner hand, naar den zegen des Heeren uws Gods, dien hij u gegeven heeft.

18 Rechters en ambtlieden zult gij u stellen in alle uwe poorten, die de Heere uw God u geven zal onder uwe stammen, dat zij


-ocr page 246-

D E U T E R O N O MIU M 17.

232

het volk richten met een gericht der gerechtigheid.

19 Gij zult het gericht niet buigen , gij zult het aangezicht niet kennen, ook zult gij geen geschenk nemen, want het geschenk verblindt de oogen der wijzen en verkeert de woorden der rechtvaardigen.

20 Gerechtigheid, gerechligheid zult gij najagen, opdat gij leelt en erfelijk bezit het Innd dat u üe Heerk uw God geven zal.

21 Gij zult u geen bosch planten van eenig geboomte bij het altaar des Heeren uws Gods, dat gij li maken zult.

22 Ook zult gij u geen opgericht beeld stellen, hetwelk de Heere uw God haat.

HOOFDSTUK 17.

Gij zult den Heere uwen God geen os of klein vee olieren waaraan een gebrek is o/quot; eenig kwaad; want dat is den Heere uwen God een gruwel.

2 Wanneer in het midden van u in eene uwer poorten, die de Heere uw God u geelt, een man of vrouw gevonden zal worden, die doen zal dat kwaad is in de oogen des Heeren uws Gods, overtredende zijn verbond,

3 dat hij henengaat en dient andere goden en buigt zich voor die, of voor de zon, of voor de maan, of voor het gansche heir des hemels, hetwelk ik niet geboden heb,

4 en het wordt u aangezegd, en hij hoort het, zoo zult gij het wel onderzoeken; en zie, het is de waarheid, de zaak is zeker, zulk een gruwel is in Israël gedaan:

5 zoo zult gij dien man of die vrouw, die dit zelve booze stuk gedaan hebben, tot uwe poorten uitbrengen, dien man zeg ik of die vrouw, en gij zult ze met steenen steenigen dat zij sterven.

6 Op den mond van twee getuigen of drie getuigen zal hij gedood worden die sterven zal; op den mond van een éénig getuige zal hij niet gedood worden.

7 De hand der getuigen zal het eerst tegen hem zijn om hem te dooden, en daarna do hand des ganschen volks: zoo zult gij het booze uit het midden van u wegdoen.

8 Wanneer eene zake aan het gericht voor u te zwaar zal zijn. tusschen bloed en bloed, tusschen reelitshandel en rechtshandel, tusschen plage en plage, zijnde twistzaken in uwe poorten, zoo zult gij u opmaken en opgaan nnnr do l)laat«o, die de jieere uw God verkiezen zal;

9 en gij zult komen tot de Levi-tische Priesteren, en tot den rechter, die in die dagen zijn zal; en gij zult ondervragen, en zij zullen u de zake des rechts aanzeggen.

10 En gij zult doen naar het bevel des woords dat zij u zullen aanzeggen , van die zelve plaatse, die de Heere verkiezen zal, en gij zult waarnemen te doen naar alles wat zij u zullen leeren.

11 Naar het bevel der wet die zij u zullen leeren, en naar het oordeel dat zij u zullen zegge i, zult gij doen; gij zult niet afwijken van het woord dat zij u zullen aanzeggen, ter rechter- of ter linkerhand.

12 De man nu die trotschelijk handelen zal, dat hij niet hoorn naar den Priester, dewelke staat om aldaar den Heere uwen God te dienen, of naar den rechter, dezelve man zal sterven; en gij zult het booze uit Israël wegdoen:

13 dat al het volk het hoore en vreeze, en niet meer trotschelijk handele.

14 Wanneer gij zult gekomen zijn in het land dat u de Heere uw God geeft, en gij dat erfelijk zult bezitten en daarin wonen, en gij zeggen zult: Ik zal eenen Koning over mij stellen, als alle de volken die rondom mij zijn,

15 zoo zult gij tot Koning over u stellen dien de Heere uw God verkiezen zal; uit het midden uwer broederen zult gij eenen Koning over u stellen: gij zult-niet vermogen over u te zetten eenen vreemden man die uw broeder niet is.

16 Maar hij zal voor zich de paarden niet vermenigvuldigen, en het volk niet doen wederkeeren raar Egypte om paarden te vermenig-


-ocr page 247-

NOMIUM 18.

233

DEUTERO

vuldigcn, dewijl do Heere ulie-dcn gezegd heeft: Gij zult voortaan niet wederkeeren door dezen weg.

17 Ook zal liij voor zich de vrouwen niet vermenigvuldigen, opdat zijn harte nietafwijke; hij zal ook voor zich geen zilver en goud zeer vermenigvuldigen.

18 Voorts zal het geschieden als hij op den stoel zijns koninkrijks zal zitten, zoo zal hij zich een dubbel van deze wet. afschrijven in een boek, uit hctgene dat voor het aangezicht derLevitischePries-teren is;

19 en het zal bij hem zijn en hij zal daarin lezen alle di; dagen zijns levens, opdat hij den Heeue zijnen God leere vreezen, om te bewaren alle de woorden dezer wet en deze inzettingen, om die te doen;

20 dat zijn harte zich niet ver-heffe bovon zijne broederen en dat hij niet afwijke van het gebod ter rechter- of linkerhand; opdat hij de dagen verlenge in zijn koninkrijk, iiij en zijne zonen, in ft midden van Israël.

HOOFDSTUK 18.

De Levitische Priesteren, de gansche stam Levi, zullen geen deel noch erve hebben met Israël: de vuurofferen des IIeeuen en zijn erfdeel zullen zij eten.

2 Daarom zal hij geen erfdeel hebben in het midden zijner broederen: de Heepe is zijn erfdeel, gelijk als hij tot hem gesproken heeft.

3 Dit nu zal der Priesteren recht zijn van het volk, van hen die eene offerande offeren, hetzij een os of klein vee; dat hij den Priester zal geven den schouder, en de beide kinnebakken, en de pens.

4 De eerstelingen van uw koren, van uwen most en van uwe olie, en de eerstelingen van de besche-ring uwer schapen zult gij hem geven;

5 want de Heere uw God heeft hem uit alle uwe stammen verkoren, dat hij sla om te dienen in den naam des Heehen, hij en zijne zonen, te allen dage.

G Voorts wanneer een Leviet zal komen uit eene uwer poorten, uit gansch Israël, alwaar hij woont, en hij komt naar alle begeerte zijner ziele tot de plaats die de Heeue zal hebben verkoren,

7 en hij dienen zal in den naam dos Heer en1 zijns Gods, als alle. zijne broederen de Leviten, die aldaar voor het aangezicht des Heeren staan:

8 zoo zullen zij een gelijk deel eten, boven zijne verkooping bij de vaderen.

9 Wanneer gij komt in het land dat de Heeri: uw God u geven zal, zoo zult gij niet loeren te doen naar de gruwelen derzelver volken.

10 Onder u zal niet gevonden wórden die zijnen zoon of zijne dochter door het vuur doet doorgaan , die met waarzeggerijen omgaat, een guichelaar, of die op vogelgeschrei acht geeft, of toove-naar,

11 of een bezweerder die met bezwering omgaat, of die een waarzeggenden geest vraagt, of een duivelskunstenaar, of die de dooden vraagt;

12 want al wie zulks doet is den Heere een gruwel, en om dezer gruwelen wille verdrijft hen de Heere uw God voor uw aangezicht uit de bezitting.

13 Oprecht zult gij zijn met den Heere uwen God.

14 Want deze volken, die gij zult erven, hoeren naar guiche-laars en waarzeggers; maar u aangaande, de Heere uw God heeft li zulks niet toegelaten.

15 Kenen Profeet uit het midden van u, uit uwe broederen, als mij, zal u de Heere uw God verwekken: naar hem zult gij hoeren;

16 naar alles wat gij van den Heere uwen God aan Horeb ten dage der verzameling geëischt hebt, zeggende: Ik zal niet voortvaren te hooren de stemme des Heeren mijns Gods, en dit zelve groote vuur zal ik niet meer zien, dat ik niet sterve.

17 Toen zeide de Heere tot mij: Het is goed wat zij gesproken hebben.

18 Eenen Profeet zal ik hun ver-


-ocr page 248-

234 D E U T E R O I

wekken uit liet midden hunner broederen, als u; en ik zal mijne woorden in zijnen mond geven, en hij zal lotquot; hen spreken alles wat ik liein gebieden zal;

19 en hel zal geschieden, de mandie niet zal hooren naar mijne woorden, die hij in mijnen naam zal spreken, van dien \'zal ik het zoeken.

20 Maar do profeet, die hoog-moediglijk zal handelen, sprekendeeen woord in mijnen naam het-

I welk ik hem niet geboden heb te spreken, of die spreken zal in den naam van andere goden, dezelve profeet zal sterven.

21 Zoo gij dan in uw harte zoudt mogen zeggen: iloezullen wij het woord kennen, dat de Heere niet gesproken heeft? —

22 wanneer die profeet in den naam des Heeren zal hebben gesproken , en dat woord geschiedt niet en komt niet, dat is het woord dat de Heere niet gesproken heeft: door trotschheid heeft die profeet dat gesproken, gij zult voor hem niet vreezen.

HOOFDSTUK 19.

Wanneer do Heere uw God de volken zal hebben uitgeroeid, welker land de Heere uw God u geven zal, en gij die erfelijk zirt bezitten en in hunne steden en in hunne huizen wonen,

2 zoo zult gij u drie steden afzonderen in hel midden van uw land, hetwelk de Heere uw God u geven zal om dat erfelijk te bezitten.

3 Gij zult u den weg bereiden, en de pale uws lands, dat u de Heere uw God zal doen erven, in drieën deelen: dit nu zal zijn opdat ieder doodslager daarhenen vliede.

4 En dit zij de zake des doodslagers, die daarhenen vlieden zal dat hij leve: die zijnen naaste zal verslagen hebben door onwetendheid, dien hij toch van gisteren cn eergisteren niet haatte :

5 als, dewelke met zijnen naaste in het bosch zal zijn gegaan om hout te houwen, en zijne hand met de bijl wordt aangedreven om

J O MIU M 19.

igen

hout af te houwen, en het ijzer ^w( schiet af van den steel, en treft ^ zijnen naaste dat hij sterft, die \\ zal in eene dezer steden vluchten, tui en leven; 01y

6 opdat de bloedwreker den dood-slager niet najage als zijn harte verhit is, en hern achterhale om- de dat de weg te ver zoude zijn, en vo hem s!a aan het leven: daar toch yc geen oordeel des doods aan hern ei is, want hij haatte hem niet van d; gisteren cn eergisteren.

7 Daarom gebied ik u zeggende: o Gij zult u drie steden afzonderen.

8 En indien de Heere uw God v uwe landpale zal verwijden, ge- 1: lijk als hij uwen vaderen gezworen heeft, en u al dat land geven £ zal, hetwelk hij uwen vaderen te ( geven gesproken heeft,

9 (wanneer gij al dit gebod zult waarnemen om dat te doen, hetgeen ik u heden gebiede, den Heere uwen God liefhebbende, en alle dagen in zijne wegen wandelende): zoo zult gij u nog drie steden toedoen tot deze drie;

lü opdat het bloed des onschul-digen niet vergoten worde in het midden van uw land, dat u do Heiüreuw God ten erve geeft, en bloedschulden op u zouden zijn.

11 Maar wanneer er iemand zijn zal die zijnen naaste haat, en hem lagen legt, en tegen hem opstaat en hem aan het leven slaat dat hij sterft, en vliedt lot eene van die steden,

12 zoo zullen de oudsten zijner stad zenden en nemen hem van daar, en zij zullen hem in de hand des bloedwrekers geven, dat hij sterve:

13 uw oog zal hem niet ver-schoonen, maar gij zult het bloed, des onschuldigen quot;uit Israël wegdoen, dat het u wel ga.

14 Gij zult uws naasten landpale niet verrukken, die de voorvaderen afgepaald hebben, in uw erfdeel

dat gij erven zult in het land he - i welk u de Heere uw God gee.t om dat erfelijk te bezitten.

15 Een éénig getuige zal tegen j niemand opstaan over eenige ou-gerechtigheid of over eenige zonde, van allo zonde die hij zoude mgt;


-ocr page 249-

gen zondigen: op den mond van twee getuigen of op den mond van ireit getuigen zal de aaak bestaan. clic 16 Wanneer een wrevelig ge-tuige tegen iemand zal opstaan, om eene afwijking tegen hem te °0,d- beluigen,

■nie |7 700 zu]ien die twee mannen, omquot; dewelke den twist hebben , staan en voor het aangezicht des Heeren, OGlx voor het aangezicht der Priesters pm en der rechters, die in die zelve aa dagen zullen zijn. , 18 En de rechters zullen wel

e: onderzooken; en zie, de getuige is een valsche getuige, hij heeft 0cI valschheid betuigd tegen zijnen 1\'°quot; broeder:

ro- 19 zoo zult gijlieden hem doen :!,1 gelijk hij zijnen broeder dacht te te doen. Alzoo zult gij het booze uit

het midden van u wegdoen: \'t 20 dat de overgeblevenen het hooren en vreezen, en niet voort-varen meer te doen naar dit booze 11 stuk in het midden van u.

21 En uw oog zal niet verschoo-0 nen : ziel om ziel, oog om oog , tand om tand, hand om hand, voet om voet.

HOOFDSTUK 20.

Wanneer gij zult uittrekken tot den strijd tegen uwe vijanden, en zult zien paarden en wage nen, een volk sterker dan gij , zoo zult gij voor hen niet vreezen; want de Heere uw God is met u, die u uit Egypteland heeft opgevoerd.

2 En het zal geschieden als gijlieden tot den strijd nadert, zoo zal de Priester toetreden en tot het volk spreken.

3 en tot hen zeggen: Hoor Israël, gijlieden zijt heden na aan don strijd tegen uwe vijanden; uw harte worde niet week, vreest niet en beeft niet, en verschrikt niet voor hun aangezicht;

4 want het is de Heere uw God die met ugaat, om voor u te strijden tegen uwe vijanden, om u te verlossen.

5 Dan zullen de ambtlieden tot den volke spreken, zeggende: Wie is de man die een nieuw huis gebouwd , en heeft het niet ingewijd? Die ga henen en keere weder naar

235

zijn huis, opdat hij niet misschien slerve in den strijd, cn iemand anders dat inwijde.

6 En wie is de man die cenen wijngaard geplant heeft, en heeft deszelfs vrucht niet genoten? Die ga henen enkeere weder naar zijn huis, opdat hij niet misschien in den strijd sterve, en iemand anders dien geniete.

7 En wie is de man die eene vrouw ondertrouwd heeft, en heeft haar niet tot zich genomen? Die ga henen en keere weder naar zijn huis, opdat hij niet misschien in den strijd sterve, en een ander man haar neme.

8 Daarna zullen de ambtlieden voortvaren te spreken tot den volke en zeggen; Wie is de man die vreesachtig en week van hart is? Die ga henen en keere weder naar zijn huis, opdat het harte zijner broederen niet smelte gelijk zijn hart.

9 En het zal geschieden als die ambtlieden geëindigd zullen hebben te spreken tot het volk, zoo zullen zij oversten der heiren aan de spitse des volks bestellen.

10 Wanneer gij nadert tot eene stad om tegen \'haar te strijden, zoo zult gij haar den vrede toeroepen ;

11 en het zal geschieden indien zij u vrede zal antwoorden, en u opdoen, zoo zal al het volk dat daarin gevonden wordt u cijnsbaar zijn en u dienen.

12 Doch zoo zij gcenen vrede met u zal maken maar krijg tsgen u voeren, zoo zult gij haar belegeren ;

13 en de Heere uw God zal haar in uwe hand geven, en gij zult alles wat mannelijk daarin is slaan met de scherpte des zwaards;

14 behalve de vrouwen, en de kinderkens, en de beesten, en al wat in de stad zijn zal, al haren buit zult gij voor u rooven; en gij zult eten den buit uwer vijanden, dien u de Heere uw God gegeven heeft.

15 Alzuó zult gij aan alle steden doen die zeer ver van u zijn, dio niet zijn van de steden dezer volken.

D E U T E R O N O MI U M 20.


-ocr page 250-

N O MIU M 21.

DEUTERO

236

16 Maar van dc steden dezer volken, die u de Heere uw God ten erve geeft zult gij niets laten leven dat adem heelt,

17 maar gij zult ze ganschelijk verbannen: de Hethiten en de Amo-riten en de Kanaiiniten en de Fe-reziten, de Heviten en de Jebusi-ten, gelijk als u de Heere uw God geboden heeft;

18 opdat zij olieden niet loeren te doen naar alle hunne gruwelen, die zij hunnen goden gedaan hebben, en gij zondigt tegen den Heere uwen God.

19 Wanneer gij eene stad vele dagen zult belegeren, strijdende tegen haar om die in te nemen, zoo zult gij haar geboomte niet verderven, de bijl daaraan drijvende; want gij zult daarvan eten, daarom zult gij dat niet afhouwen, (want het geboomte van het veld is des menschen spijze), opdat het voor uw aangezicht worde tot een bolwerk.

20 Maar het geboomte, hetwelk gij kennen zult dat het geen geboomte ter spijze is, dat zult gij verderven en afhouwen; en gij zult een bolwerk bouwen tegen deze stad dewelke tegen u krijg voert, totdat zij onderga.

HOOFDSTUK 21.

Wanneer in het land, hetwelk de Heere uw God u geven zal om dat te erven, een verslagene zal gevonden worden, liggende in het veld, niet bekend zijnde wie hem geslagen heeft,

2 zoo zullen uwe oudsten en uwe rechters uitgaan, en zij zullen meten tot de steden die rondom den verslagene zijn.

3 De stad nu die de naaste zal zijn bij den verslagene, dAar zullen de oudsten derzelver stad eene jonge koe van de runderen nemen, met dewelke niet gearbeid is, die aan het juk niet getrokken heeft;

4 en de oudsten dezer slad zullen de jonge koe afbrengen in een ruw dal, dat niet bearbeid noch bezaaid zal zijn; en zij zullen déze jonge koe aldaar in het dal den nek doorhouwen.

ö Dan zullen de Priesters, de kinderen van Levi, toetreden; want de Heere uw God heeft ze verkoren om hem te dienen, en om in des Heeren naam te zegenen, en naar hunnen mond zal alle twist en alle plage afgedaan worden.

G En alle oudsten derzelver stad, die naast aan den verslagene zijn, zullen hunne handen wasschen over deze Jonge koe, die in dat dal de nek doorgehouwen is;

7 en zij zullen betuigen en zeggen : Onze handen hebben dit bloed niet vergoten, en onze oogen hebben het niet gezien;

8 wees genadig uwen volke Israël. dat gij o Heere verlost hebt, en leg geen onschuldig bloed in het midden van uw volk Israël. En dat bloed zal voor hen verzoend zijn.

9 Alzoo zult gij het onschuldig bloed uit het midden van u wegdoen ; want gij zult doen wat recht is in de oogen des Heeren.

10 Wanneer gij zult uitgetogen zijn tot den strijd tegen uwe vijanden, en de JÏeere uw God ze gegeven zal hebben in uwe hand, dat gij hunne gevangenen gevankelijk wegvoert;

11 en gij onder de gevangenen zult zien eene vrouw, schoon van gedaante, en gij lust tot haar gekregen zult hebben, dat gij ze u ter vrouwe neemt:

12 zoo zult gij haar binnen in uw huis brengen; en zij zal haar hoofd scheren, en hare nagels besnijden ,

13 en zij zal het kleed harer gevangenis van zich afleggen, en in uw huis zitten, en haren vader en hare moeder eene maand lang be-weenen; en daarna zult gij tot haar ingaan en haar man zijn, en zij zal u ter vrouwe zijn.

14 En het zal geschieden indien gij geen behagen in haar hebt, dat gij ze zult laten gaan naar hare begeerte; doch gij zult haar geenszins voor geld verkoopen, gij zul: met haar geen gewin drijven, daarom dat gij ze vernederd hebt.

15 Wanneer een man twee vrouwen heeft, eene beminde en eene gehate, en de beminde en de gehate hem zonen zullen gebaard


-ocr page 251-

D E U T E R O N 0 MIU M 22.

237

hebben , en de eerstgeboren zoon van de gehate zal zijn:

16 zoo zal het geschieden ten dan-e als hij zijne zonen zal doen erven wat hij heeft, dat hij .niet zal vermogen de eerstgeboorte te geven aan den zoon der beminde, voor het aangezicht van den zoon der gehate, die de eerstgeborene is;

17 maar den eerstgeborene, den zoon der gehate, zal hij kennen, gevende hem dubbele portie van alles wat bij hem zal worden gevonden , want hij is het beginsel zijner kracht, het recht der eerstgeboorte is zijn.

18 Wanneer iemand eenen moed-willigen en wederspannigen zoon heeft, die der stemme zijns vaders en der stemme zijner moeder niet gehoorzaam is, en zij hem gekastijd 1 zullen hebben en hij naar hen niet hooren zal,

19 zoo zullen zijn vader en zijne moeder hem grijpen, en zij zullen hem uitbrengen tot de oudsten zijner stad en tot de poortc zijner plaats;

20 en zij zullen zeggen tot de oudsten zijner stad; Deze onze zoon is afwijkende en wederspan-nig, hij is onzer stemme niet gehoorzaam, hij is een brasser en zuiper.

21 Dan zullen alle lieden zijner stad hem met steenenoverwerpen dat hij sterve; en gij zult het booze uit het midden van u wegdoen, dat gansch Israël het hoore en vreeze.

22 Voorts wanneer in iemand eenc zonde zal zijn , die het oordeel des doods luaardiy is, dat hij gedood zal worden, en gij hem aan het hout zult opgehangen hebben ,

23 zoo zal zijn dood lichaam aan hel hout niet overnachten, maar gij zult het zekerlijk tenzelfden dage begraven; want een opgehan-gene is Gode een vloek. Alzoo zult gij uw land niet verontreinigen, dat de Heere uw God ten erve geeft.

HOOFDSTUK 22.

Gij zult uws broeders os of klein vee niet zien afgedreven en u van die verbergen; gij zult ze uwen broeder voorzeker weder toesturen.

2 En indien uw broeder niet nabij u is of gij hem niet kent, zoo zult gij ze binnen in uw huis vergaderen, dat ze bij u zijn, totdat uw broeder die zoeke en gij ze hem wedergeeft.

8 Alzoo zult gij ook doen aan zijnen ezel. en alzoo zult gij doen aan zijne kleeding, ja alzóo zult gij doen aan al het verlorene uws broeders, dat van hem verloren zal zijn en dat gij zult hebben gevonden; gij zult u niet mogen verbergen.

4 Gij zult uws broeders ezel of zijnen os niet zien vallende op den weg en u van die verbergen; gij zult ze voorzeker oprichten met hem.

5 Het kleed eens mans zal niet zijn aan eene vrouw, en een man zal geen vrouwenkleed aantrekken; want al wie zulks doet is den Heere uwen God een gruwel.

0 Wanneer voor uw aangezicht een vogelnest op den weg voorkomt , in eenigen boom of op de aarde , met jongen of eieren , en de moeder zittende op de jongen of op de eieren, zoo zult gij de moeder met de jongen niet nemen :

7 gij zult de moeder voorzeker vrijlaten, maar de jongen zult gij voor u nemen; opdat het u wèl ga en gij de dagen verlengt.

8 Wanneer gij een nieuw huis zult bouwen, zoo zult gij op uw dak eene leuning maken, opdat gij geen bloedschuld op uw huis icgt, wanneer iemand vallende daarvan afviel.

9 Gij zult uwen wijngaard niet met tweeërlei bezaaien, opdat de volheid des zaads dat gij zult gezaaid hebben en de inkomst des wijngaards niet ontheiligd worde.

10 Gij zult nietploegenmet eenen os en met eenen ezel tegelijk.

11 Gij zult geen kleed van ge-mengdè stof aantrekken, wollen en linnen tegelijk.

12 Snoeren zult gij u maken aan de vier hoeken uws opperkleeds, waarmede gij u bedekt.


-ocr page 252-

NOMIUM 23.

238

D E U T E R O

13 Wanneer een man ccnc vrouw zal genomen hebben, en tot haar ingegaan zijnde, alsdan haar zal haten,

14 en haar oorzaken van naspraak opleggen en oenen kwaden naam over haar uitbrengen, en zeggen: Deze vrouw heb ik genomen en ben tot haar genaderd, maar heb den maagdom aan haar niet gevonden;

15 dan zullen de vader van deze jonge dochter en hare moeder nemen , en tot de oudsten der stad aan de poorte uitbrengen den maagdom dezer jonge dochter;

1G en de var er yan de jonge dochter zal tot de oudsten zeggen : Ik heb mijne dochter aan dezen man tot vrouw gegeven, maar hij heeft ze gehaat;

17 en zie, hij heeft oorzaken van opspraak gegeven, zeggende: Ik heb den maagdom .aan uwe dochter niet gevonden: — dit nu is de maagdom mijner dochter. En zij zullen het kleed voor het aangezicht van de oudsten der stad uitbreiden.

18 Dan zullen de oudsten der zeiver stad dien man nemen en kastijden hem;

19 en zij zullen hem eene boete opleggen van honderd zilverlingen, en geven ze aan den vader van de jonge dochter, omdat hij eenen kwaden naam heeft uitgebracht over eene jonge dóchter van Israël; voorts zal zij hem ter vrouwe zijn, hij zal ze niet mogen laten gaan alle zijne dagen.

20 Maar indien ditzelve woord waarachtig is, dat de maagdom aan de Jonge dochter niet gevonden is,

21 zoo zullen zi j deze jonge doch- i ter uitbrengen tot de deur van baars vaders huis, en de lieden harer stad zullen ze met stecnen steenigen dat zij sterft, omdat, zij eene dwaasheid in Israël gedaan heeft, hoereerende in baars vaders huis: zoo zult gij hot booze uit het midden van li wegdoen.

22 Wanneer een man gevonden zal worden liggende bij eens mans getrouwde vrouw, zoo zullen zij ook beiden sterven, de man die bij de vrouw gelegen heeft, en de vrouw: zoo zult gij het booze uit Israël wegdoen.

23 Wanneer er eene jonge dochter #zal zijn die eene maagd is, ondertrouwd aan eenen man , en een man haar in de stad zal gevonden en bij haar gelegen hebben,

24 zoo zult gij ze beiden uitbrengen tot de poorte derzei ver stad, en zult ze met steenen steenigen dat zij sterven : de jonge dochter ter oorzake dat zij niet geroepen heeft in de stad, en den man ter oorzake dat hij zijns naasten vrouw vernederd heeft: zoo zult gij het booze uit het midden van u wegdoen.

25 En indien een man eene ondertrouwde jonge dochter in het veld gevonden , en de man haar verkracht en bij haar gelegen zal hebben, zoo zal de man die bij haar gelegen heeft alléén sterven;

20 maar de jonge dochter zult. gij niets doen , de jonge dochter heeft geen zonde des doods; want gelijk of een man tegen zijnen naaste opstond en sloeg hem dood aan het leven, alzóó is deze zaak;

27 want hij heeft ze in het veld gevonden : de ondertrouwde Jonge dochter riep, en er was niemand die haar verloste.

28 Wanneer een\' man eonejonge dochter zal gevonden hebben die eene maagd is, dewelke niet ondertrouwd is, en zal ze gegrepen en bij haar gelegen hebben, en zij gevonden zullen zijn,

29 zoo zal de man die bij haar gelegen heeft den vader van de Jonge dochter vijftig zilverlingen geven, en zij zal hem ter vrouwe zijn, omdat hij haar vernederd heeft; hij zal ze niet mogen laten gaan alle zijne dagen.

30 Een man zal zijns vaders vrouw niet nemen, en hij zal zijns vaders slippe niet ontdekken.

HOOFDSTUK 23.

Die door plettering verwond of uitgesneden is aan de mannelijkheid . zal in de vergadering des Hekken niet komen.

2 Geen bastaard zal in de vergadering des Heeken komen, zelfy


-ocr page 253-

DEUTERONOMIUM 2;!.

230

zijn tiende geslacht zal in de vergadering des Heehen niet komen.

3 Geen Ammoniet noch Moabiel zal in de vergadering des IIeeri\'.x komen, zelfs hun tiende geslacht zal in de vergadering des Hekken niet komen tot in eeuwigheid;

4 ter oorzake dat zij uiieden op den weg niet tegengekomen zijn met brood en met water, als gij uit Egypte uittoogt; en omdat hij tegen u gehuurd heeft Bileam, dén zone Beors van Pethor uit Mesopotamië, om u te vloeken.

5 Doch de Heere uw God heeft naar Bileam niet willen hooren, maar de Heere uw God heeft u den vloek in eenen zegen veranderd. omdat de Heere uw God u liefhad.

G Gij zult hunnen vrede en hun best niet zoeken, alle uwe dagen in eeuwigheid.

7 Den Edomiet zult gij voor geen gruwel houden, want hij is uw broeder ; den Egyptenaar zult gij voor geen gruwel houden , want gij zijt een vreemdeling geweest in zijn land.

8 Aangaande de kinderen, die bun zullen geboren worden in het derde geslacht, elk van die zal in de vergadering des Heeren komen.

i) Wanneer het leger uittrekt tegen uwe vijanden, zoo zult gij u wachten voor alle kwade zaak.

10 Wanneer iemand onder u is, die niet rein is door eenig toeval dos nachts, die zal tot buiten het leger uitgaan, hij zal tot binnen liet leger niet komen;

11 maar het zal geschieden dat hij zich tegen het naken van den avond met water zal baden, en als de zon ondergegaan is zal hij tot binnen het leger komen.

12 Gij zult ook eene plaats hebben buiten het leger, en daarhenen zult gij uitgaan naarbuiten;

13 en gij zult een schopje hebben nevens uw gereedschap, en het zal geschieden als gij buiten gezeten hebt, dan zult gij daarmede graven en u omkeeren , en bedekken wat van u uitgegaan is.

14 Want de Heere uw God wandelt in het midden van uw leger, om u te verlossen en om uwe vijanden voor uw aangezicht te geven; daarom zal uw leger heilig zijn, opdat hij niets schandelijks ónder u zie eii achterwaarts van u afkeert;.

15 Gij zult eenen knecht aan zü-nen heer niet overleveren, die van zijnen heer tot u ontkomen zal zijn;

16 hij zal bij u blijven in quot;het midden van u, in de plaats die hij zal verkiezen, in eene van uwe

)rten, waar het goed voor hem gij zult hem niet verdrukken.

17 Daar zal geen hoer zijn onder de dochteren Israels, en daar zal geen schandjongen zijn onder de zonen Israels.

18 Gij zult geen hoerenloon noch hondenprijs in het huis des Heeren uwes Gods brengen tot eenige gelofte, want ook die beide zijn den Heere uwen God een gruwel.

1(J Gij zult aan uwen broeder niet woekeren, met woeker van geld , met woeker van spijze, met woeker van eenig ding waarmede men woekert:

20 aan den vreemde zult gij woekeren , maar aan uwen broeder zult gij niet woekeren; opdat u de Hkkre uw God zegene in alles waaraan gij uwe hand slaat, in het land waar gij naartoe gaat om dat te erven.

21 Wanneer gij den Heehe uwen God eene gelofte zult beloofd hebben, gij zult niet vertragen die te betalen; want de Heere uw God zal ze zekerlijk van u eischen, en zonde zoude in u zijn.

22 Maar als gij nalaat te beloven , zoo zal het geen zonde in u zijn.

23 Wat uit uwe lippen gaat zult gij houden en doen ; gelijk als gij dén Heehi-: uwen God een vrijwillig offer beloofd hebt, dat gij met uwen mond gesproken hebt.

24 Wanneer gij gaan zult in uws naasten wijngaard, zoo zult gij druiven eten naar uwen lust, tot uwe verzadiging; maar in uw vat zult gij niets doen.

25 Wanneer gij zult gaan in uws naasten staande koren, zoo zult gij de aren met uwe hand afplukken ; maar de sikkel zult gij aan


-ocr page 254-

240

uws naasten staande koren niet bewegen.

HOOFDSTUK 24.

Wanneer een man eene vrouw genomen en die getrouwd zal hebben, zoo zal Jiel gescliieden indien zij geen genade zal vinden in zijne oogen, omdat hij iets schandelijks aan haar gevonden heeft, dat hij haar eenen scheidbrief zal schrijven en in hare hand geven, en laten ze gaan uit zijn huis.

2 Zoo zij dan uit zijn huis uitgegaan zijnde zal henengaan en eenen andoren man tot vrouwe worden,

3 en deze laatste man haar gehaat en haar eenen scheidbrief geschreven en in hare hand gegeven, en haar uitzijn huis zal hebben laten gaan; of als deze laatste man, die ze voor zich tot vrouw genomen heeft, zal gestorven zijn;

4 zoo zal haar eerste man die haar heeft laten gaan haar niet mogen wedernemen, dat zij hem ter vrouwe zij, nadat zij is verontreinigd geworden; want dat is een gruwel voor het aangezicht des Heeren; alzoo zult gij het land niet doen zondigen, dat u de Heere uw God ten erve geeft.

5 Wanneer een man eene nieuwe vrouw zal genomen hebben, die zal in het heir niet uittrekken, en men zal hem geenen last opleggen; een jaar lang zal hij vrij zijn in zijn huis, en zijne vrouw die hij genomen heeft verheugen.

G Men zal beide molensteenen, immers den bovensten molensteen, niet te pand nemen; want hij neemt de ziele te pand.

7 Wanneer iemand zal gevonden worden die eene ziele steelt uit zijne broederen, uit de kinderen Israels, en gewin met hem drijft en verkoopt hem, zoo zal deze dief sterven en gij zult het booze uit het midden van u wegdoen.

S Wacht u in de plage der me-laatschheid, dat gij naarstiglijk waarneemt en doet naar alles wat de Levitische Priesters . ulieden zullen leeren; gelijk ik hun geboden heb, zult gij waarnemen te doen.

9 Gedenk wat de tti:ere uw God gedaan heeft aan Mirjam, op den weg als gij uit Egypte waart uitgetogen.

ló Wanneer gij aan uwen naaste iels zult geleend hebben, zoo zult gij tot zijn huis niet ingaan om zijn pand te pand te nemen:

11 buiten zult gij staan, en de man wien gij geleend hebt zal het pand naar buiten tot u uitbrengen.

12 Doch indien hij eon arm man is, zoo zult gij met zijn pand niet nederliggen:

13 gij zuil hom dat pand zekerlijk wedergeven als de zon ondergaal, dat liij in zijn kleed nedèr-ligge en u zegene; en het zal u gerechtigheid zijn voor het aangezicht des Heeren uwes Gods.

14 Gij zult den armen en nood-druftigen daglooner niet verdrukken, die uit uwe broederen is, of uil uwe vreemdelingen die in uw land en in uwe poorten zijn.

15 Op zijnen dag zult gij zijn loon geven, en de zon zal daarover niet ondergaan; want hij is arm en zijne ziele verlangt daarnaar; dat hij tegen u niet roepe tot den Heere, en zonde in u zij.

1(5 De vaders zullen niet gedood worden voor de kinderen, en de kinderen zullen niet gedood worden voor de vaders: een ieder zal om zijne zonde gedood worden.

17 Gij zult het recht van den vreemdeling ea van den wees niet buigen , en gij zult het kleed der weduwe niet te pand nemen;

18 maar gij zult gedenken dat gij een knecht in Egypte geweest zijl, en de Heere uw God heeft u van daar verlost; daarom gebied ik u deze zake te doen.

19 Wanneer gij uwen oogst op uwen akker afgeoogst, en eene garve op den akker vergeten zult hebben, zoo zult gij niet weder-koeren om die op te nemen: voor den vreemdeling, voor den wees en voor de weduwe zal zij zijn, opdat ude Heere uw God zegene in al het werk uwer handen.

20 Wanneer gij uwen olijfboom zult geschud hebben, zoo zult gij de

D E U T E R O N O MIU i\\I 24.


-ocr page 255-

D E U T E R O N 0 M IU M 25.

241

takken achter u niet nauw doorzoeken; voor den vreemdeling, voor den wees en voor de weduwe zal hot zijn.

21 Wanneer .nïj uwen wijngaard zult afgelezen hebben, zoo zult gij de druiven achter u niet nalezen: voorden vreemdeling, voor den wees en voor de weduwe zal het zijn.

22 En gij zult gedenken dat gij een knecht in Egypteland geweest zijt; daarom gebied ik u deze zake tè doen.

HOOFDSTUK 25.

Wanneer er tusschen lieden twist zal zijn, en zij lot het gericht zullen toetreden dat zij ze richten, zoo zullen zij den rechtvaardige rechtvaardig spreken en den onrechtvaardige verdoemen.

2 En hot zal geschieden indien do onrechtvaardige slagen verdiend heefl, dat de rechter hem zal doen nedervallen, en hem doen slaan in zijne tegenwoordigheid, naar-dat het voor zijne onrechtvaardigheid genoeg zal zijn in getale.

3 Met veertig slag en zal hij hem doen slaan , hij zal er niet toedoen, opdat r liet misschien zoo hij voortvoer hem daarboven met meer slagen te doen slaan, uw broeder dan voor uwe oogen verachtelijk gehouden worde.

4 Eenen os zult gij niet muilbanden als hij dpirscht.

5 Wanneer broeders te zamen wonen en een van hen sterft en geenen zoon heeft, zoo zal de vrouw des gestorvenen aan geenen vreemden man daarbuiten geworden: haar mans-broeder zal tot haar ingaan en nemen ze zich ter vrouwe en doen haar den plicht van een mans-broeder.

6 En het zal geschieden dat de eerstgeborene dien zij zal baren zal staan in den naam zijns broeders, des verstorvenen, opdat zijn naam niet uitgedelgd worde uit Israël.

7 Maar indien het dezen man niet bevallen zal zijns broeders vrouw te nemen, zoo zal zijns broeders vrouw opgaan naar de poorte tot de oudsten, en zeggen: Mijns mansbroeder weigert zijnen broeder eenen naam te verwekken in Israël, hij wil mij den plicht van eens mans broeder niet doen.

8 Dan zullen hem de ondstcn zijner stad roepen, en tot hem spreken; b ijft hij dan daarbij staan en zegt : Het bevalt mij niet haar te nemen ,

9 zoo zal zij ns broeders vrouw voor de oogen der oudsten tot hem toetreden, en zijnen schoen van zijnen voet uittrekken, en spuwen in zijn aangezicht, en zal betuigen en zeggen: Alzóózal dien man gedaan worden die zijns broeders huis niet zal bouwen.

10 En zijn naam zal in Israël genoemd worden: Het huis dostenen wien de schoen uitgetogen

11 Wanneer mannen de één met den ander twisten, en de vrouw des éénen toetreedt om haren man uit do hand desgenen die hem slaat te redden, en hare hand uitstrekt en zijne schamelheid

a,l12 zoo zult gij hare hand afhouwen, uw oog quot;zal niet verschoo-nen.

13 Gij zult geen tweeërlei weeg-steenen in uwen zak hebben, oenen grooten en eenen kleinen;

14 gij zult in uw huis geen tweeërlei ofa hebben, eene groote en eene kleine:

15 gij zult eenen volkomen en gerechten woegsteen hebben, gij zult eene volkomen en gerechte ofa hebben; opdat uwe dagen verlengd worden in het land dat u de Heere uw God geven zal.

16 Want al wie zulks doet is den Heere uwen God oen gruwel, ja al wie onrecht doet.

quot; 17 Gedenkt wat u Amalek gedaan heeft op den weg als gij uit Egypte uitloogt:

18 hoe hij u op den weg ontmoette, en sloeg onder u in den staart alle de zwakken achter u, als gij moede en mat waart, en hij vreesde God niet.

19 Het zal dan geschieden als u do Heere uw God rust zal gegeven hebben van alle uwe vijanden rondom, in het land dat de Heere uw God u ten erve geven


-ocr page 256-

242 D E U T E R O 1

zal, om hetzelve erfelijk te bezitten, dat gij de gedachtenis van Amalek van onder den hemel znlt uitdelgen: vergeet het niet.

HOOFDSTUK 2G.

Voorts zal het geschieden wanneer gij zult gekomen zijn in het land dat u de Heere uw God ten erve geven zal, en gij dat erfelijk bezitten en daarin wonen zult,

2 zoo zult gij nemen van de eerstelingen van alle vrucht des lands, die gij opbrengen zult van uw land dat u de Heere uw God geeft, en zult ze in eenen korf leggen; en gij zult henengaan tot de plaatse, die de Heere uw God verkoren zal hebben om zijnen naam aldaar to doen wonen;

3 en gij zult komen tot den Priester welke in die dagen zijn zal, en tot hem zeggen: Ik verklaarheden voor den Heere uwen God, dat ik gekomen ben in het land, hetwelk de Heere onzen vaderen gezworen heeft ons te zullen geven.

4 En de Priester zal Jen korf van uwe hand nemen, en hij zal dien voor het altaar des Heer en uwes Gods nederzetten.

5 Dan zult gij voor het aangezicht des Heeren uwes Gods betuigen en zeggen: Mijn vader was een bedorven Syriër, en hij toog af naar Egypte,\' en verkeerde aldaar als vreemdeling met weinig volks; maar hij werd aldaar tot een groot, machtig en menigvuldig volk.

(J Doch de Egyptenaars deden ons kwaad en verdrukten ons en leiden ons eenen harden dienst op.

7 Toen riepen wij tot den Heere , den God onzer vaderen; en de Heere verhoorde onze stem, en zag onze ellende aan en onzen arbeid en onze onderdrukking;

8 en de Heere voerde ons uit Egypte door eene sterke hand en door eenen uitgestrekten arm , en door grooten schrik, en door teekenen en door wonderen:

9 en hij heeft ons gebracht tot deze plaatse, en hij heeft ons dit land gegeven, een land vloeiende van melk en honig.

rüMIUM 26.

10 En nu, zie, ik heb gebracht de eerstelingen van de vrucht dezes lands, dat gij. Heer f., mij gegeven hebt. Dan zult gij ze nederzetten voor het aangezicht des Heeren uwes Gods, en zult u buigen voor hot aangezicht des Heeren uwes Gods;

11 en gij zult vroolijk zijn over al het goed dat de Heere uw God u en uwen huize gegeven heeft, gij, en de Leviet, en de vreemdeling die in het midden van u is.

12 Wanneer gij zult geëindigd hebben alle tienden uws inkomens te vertienen in het derde jaar, zijnde een jaar der tienden, dan zult gij den Leviet, den vreemdeling, den wees en der weduwe geven, dat zij in uwe poorten eten en verzadigd worden.

13 En gij zult voor het aangezicht des Heeren uwes Gods zeggen: Ik heb het heilige uit den huize weggenomen, en heb betook den Leviet en den vreemdeling, den wees en der weduwe gegeven, naar alle uwe geboden die gij mij geboden hebt; ik heb niets van uwe geboden overtreden en niets vergeten.

14 Ik heb daarvan niet gegeten in mijn leed, en heb daarvan niets weggenomen tot iets onreins, noch daarvan gegeven tot eenen doode; ik ben der stemme desHEERENmijnes Gods gehoorzaam geweest, ik heb gedaan naar alles wat gij mij geboden hebt.

15 Zie nederwaarts van uwe heilige woning, van den hemel, en zegen uw volk Israël, en het land dat gij ons gegeven hebt, gelijk als gij onzen vaderen gezworen hebt, een land van melk en honig vloeiende.

16 Te dezen dage gebiedt u de Heere uw God deze inzettingen en rechten te doen: houdt en doet dezelve dan met uw gansche harte en met uwe gansche ziele.

17 Heden hebt gij den Heere doen zeggen dat hij u tot eenen God zal zijn, en dat gij zult wandelen in zijne wegen, en houder, zijne inzettingen en zijne geboden en zijne rechten, en dat gij zijnCi\' stemme zult gehoorzaam zijn;


-ocr page 257-

18 en de Heere heeft u heden doen zeggen dat gij hem tot een volk des eigendoms zult zijn, gelijk als hij tot ii gesproken heeft, en dat gij alle zijne geboden zult houden;

19 opdat hij u alzoo hoven alle de volleen die hij gemaakt heeft hoog zette, tot lof en tot eenen naam en tot heerlijkheid, en opdat gij een heilig volk zijt den Heere uwen God, gelijk als hij gesproken heeft.

HOOFDSTUK 27.

En Mozes, te zamen met de oudsten Israels, gebood den volke, zeggende: Behoudt alle deze geboden die ik ulieden heden gebiede.

2 Het zal dan geschieden ten dage als gij over den Jordaan zult gegaan zijn in het land dat u de Heere uw God geven zal, zoo zult gij u groote steenen oprichten en bestrijken ze met kalk;

3 en gij zult daarop schrijven allo woorden dezer wet, als gij overgegaan zult zijn; opdatgij komt in het land dat de Heere uw God u geven zal, een land vloeiende van melk en honig, gelijk als de Heere uwer vaderen Gód tot u gesproken heeft.

4 Het zal dan geschieden als gij over den Jordaan gegaan zultz-jn, dat gij dezelve steenen, van welke ik u heden gebiede, zult oprichten op den berg Ebal, en gij zult ze met kalk bestrijken.

5 En gij zult aldaar den Heere uwen God een altaar bouwen, een altaar van steenen; gij zult geen ijzer over dezelve bewegen:

(5 van geheele steenen zult gij het altaar des 11 eer en uw es Gods bouwen. En gij zult den Heere uwen God brandofferen daarop offeren,

7 ook zult gij dankofferen offeren, en zult aldaar eten en vroolijk zijn voor het aangezicht des Hee-rex uwes Gods.

8 En gij zult op deze steenen schrijven alle woorden dezer wet, die wel uil drukkende.

0 Voorts sprak Mozes, te zamen met de Levitische Priesteren, tot

243

gansch Israël, zeggende: Luister en hoor toe, o Israël; op dezen dag zijt gij den Heeke uwen God tot een volk geworden.

10 Daarom zult gij der stemme des Heeren uwes Gods gehoorzaam zijn, en gij zult doen zijne geboden en zijne inzettingen, die ik u heden gebiede.

11 En Mozes gebood den volke te dien dage, zeggende:

12 Deze zullen staan om het volk te zegenen op den berg Gerizim, als gij over den Jordaan gegaan zult zijn: Simeon en Levi en Juda en Issaschar en Jozef en Benjamin;

13 en deze zullen staan over den vloek op den berg Ebal: Ruben, Gad en Aser, en Zebulon, Dan en Naftali.

14 En de Leviten zullen betuigen en zeggen tot alle man van Israël, met verheven stem :

15 Vervloekt zij dc man, die een gesneden of gegoten beeld, eenen gruwel des Heeren, een werk van \'s werkmeesters handen, zalmaken en zetten in het verborgen: en al het volk zal antwoorden en zeggen: Amen.

1(3 Vervloekt zij die zijnen vader of zijne moeder veracht; en al het volk zal zeggen: Amen.

17 Vervloekt zij die zijns naasten landpale verrukt; en al het volk zal zeggen: Amen.

18 Vervloekt zij die eenen blinde op den weg doet dolen; en al het volk zal zeggen: Amen.

19 Vervloekt zij die het recht van den vreemdeling, van den wees en van de weduwe buigt; en al het volk zal zeggen: Amen.

20 Vervloekt zij die bij de vrouw zijns vaders ligt, omdat hij zijns vaders slippe ontdekt heeft: en al het volk zal zeggen: Amen.

21 Vervloekt zij die bij eenig beest ligt; en al het volk zal zeggen: Amen

22 Vervloekt zij die bij zijne zuster ligt, de dochter zijns vaders of de dochter zijner moeder; en al het volk zal zeggen: Amen.

23 Vervloekt zij die bij zijne schoonmoeder ligt; en al het volk zal zeggen: Amen.

24 Vervloekt zij die zijnen naaste

D E U T E R O N O MI U M 27.


-ocr page 258-

D E U T E R O N 0 MIU M 28.

244

in het verborgen verslaat; en al het volk zal zeggen: Amen.

25 Vervloekt zij die geschenk neemt, om eene ziele, het Ijloed eens onschuldigen, te verslaan; en al het volk zal zeggen: Amen.

26 Vervloekt zij die de woorden dezer wet niet zal hevestigen, doende dezelve; en al het volk zal zeggen: Amen.

HOOFDSTUK 28.

En het zal geschieden indien gij der stemme des Heeren uwes Gods vlijtiglijk zult gehoorzamen, waarnemende te doen alle zijne geboden, die ik u heden gebiede, zoo zal de Heere uw God u hoog zetten boven alle volken der aarde.

2 En alle deze zegeningen zullen over u komen en u aantreffen, wanneer gij der stemme des Heeren uwes Gods zult gehoorzaam zijn.

3 Gezegend zult gij zijn in de stad, en gezegend zult gij zijn in het veld.

4 Gezegend zal zijn de vrucht uws schools, en de vrucht uws lands en de vrucht uwer beesten, de dracht uwer koeien en de kudden van uw klein vee.

5 Gezegend zal zijn uw korf en uw baktrog.

G Gezegend zult gij zijn in uw ingaan, gezegend zult gij zijn in uw uitgaan.

7 De Heere zal geven uwe vijanden, die tegen u opstaan, geslagen voor uw aangezicht: door éénen weg zullen zij totu uittrekken, maar door zeven wegen zullen zij voor uw aangezicht vlieden.

8 lie Heere zal den zegen gebieden , dat hij met u zij in uwe schuren en in alles waaraan gij uwe hand slaat, en hij zal u zegenen in het land dat de Heere uw God u geven zal.

9 De Heere zal u zichzelven tot een heilig volk bevestigen, gelijk als hij u gezworen heeft, wanneer gij de geboden des Heeren uwes Gods zult houden en in zijne wegen wandelen.

10 En alle volken der aarde zullen zien dat de naam des Heeren over u genoemd is, en zij zullen voor u vreezen.

11 En de Heere zal u doen overvloeien aan goed, in de vrucht uws schoots en in de vrucht uwer beesten en in de vrucht uws lands, op het land dat de Heere uwen vaderen gezworen heeft u te zullen geven.

12 Do Heere zal u opdoen zijnen goeden schat, den hemel, om aan uw land regen te geven te zijner tijd, en om te zegenen al het werk uwer hand; en gij zult aan vele volken leenen, maar gij zult niet ontleenen.

13 En de Heere zal u tot een hoofd maken en niet tot een staart, en gij zult alleenlijk boven zijn en niet onder zijn, wanneer gij hoeren zult naar de geboden des Heeren uwes Gods, die ik u heden gebiede te houden en te doen,

14 en gij niet afwijken zult van alle de woorden die ik ulieden heden gebiede, ter rechter- of ter linkerhand, dat gij andere goden nawandelt om die te dienen.

15 Daarentegen zal het ge-schiedeu indien gij der stemme des Heeren uwes Gods niet zult gehoorzaam zijn, om waar te nemen dat gij doet alle zijne geboden en zijne inzettingen die ik u heden gebiede, zoo zullen alle deze vloeken over u komen en u treffen.

1(5 Vervloekt zult gij zijn in de stad, en vervloekt zult gij zijn in het veld.

17 Vervloekt zal zijn uw korf en uw baktrog.

18 Vervloekt zal zijn de vrucht uws schoots en de vrucht uws lands, de dracht uwer koeien en de kudden van uw klein vee.

19 Vervloekt zult gij zijn in uw ingaan, en vervloekt zult gij zijn in uw uitgaan.

20 De Heere zal onder u zenden den vloek, de verstoring en het verderf, in alles waaraan gij uwe hand slaat dat gij doen zult: totdat gij verdelgd wordt en totdat gij haaslelijk omkomt, vanwege do boosheid uwer werken waarmede gij mij verlaten hebt.

21 De Heere zal u de pestilen-


-ocr page 259-

DEUTERONOMIUM 28.

245

tic doen aankleven, totdat hij u verdoe van het land waar gij naar toe gaat om dat te erven.

22 De Heere zal u slaan met tering, en met koorts, en met vurigheid, en met hitte, en met droogte, en met brandkoren, en met honigdauw, die u vervolgen zullen totdat gij omkomt.

23 En uw hemel die boven uw hoofd is zal koper zijn, en de aarde die onder u is zal ijzer zijn.

24 De Heere uw God zal pulver en stof tot regen uws lands geven: van den hemel zal het op u nederdalen, totdat gij verdelgd wordt.

25 De Heere zal u geven geslagen voor het aangezicht uwer vijanden: door éénen weg zult gij tot hem uittrekken, en door zeven wegen zult gij voor zijn aangezicht vlieden; en gij zult van alle koninkrijken der aarde beroerd worden.

26 En uw dood lichaam zal allen gevogelte des hemels en den beesten der aarde tot spijze zijn, en niemand zal ze afschrikken.

27 De Heere zal u slaan met zweren van Egypte, en met spenen , en met droge schurft, en met jeukte, waarvan gij niet zult kunnen genezen worden.

28 De Heere zal u slaan met onzinnigheid, en met blindheid, en met verbaasdheid des harten;

29 dat gij op den middag zult omtasten, gelijk als een blinde omtast in het donker, en uwe wegen niet voorspoedig zult maken , maar gij zult alleenlijk verdrukt en beroofd zijn alle dagen, en daar zal geen verlosser zijn.

30 Gij zult eene vrouw ondertrouwen, maar een ander man zal ze beslapen; een huis zult gij bouwen, maar daarin niet wonen; eenen wijngaard zult gij planten , maar dien niet gemeen maken.

31 Uw os zal voor uwe oogen geslacht worden, maar gij zult daarvan niet eten ; uw ezel zal van voor uw aangezicht geroofd worden , en tot u niet wederkeeren; uw klein vee zal uwen vijanden gegeven worden, en voor u zal geen verlosser zijn.

32 Uwe zonen en uwe dochteren zullen eenen anderen volke gegeven worden, dat het uwe oogen aanzien en naar hen bezwijken den ganschen dag , maar het zal in \'t vermogen uwer hand niet zijn.

33 De vrucht uws lands en al uwen arbeid zal een volk eten dat gij niet gekend hebt, en gij zult alle dagen alleenlijk verdrukt en gepletterd zijn.

34 En gij zult onzinnig zijn vanwege het gezicht uwer oogen dat gij zien zult.

35 De Heere zal u slaan met booze zweren aan de knieën en aan de beenen, waarvan gij niet zult kunnen genezen worden, van uwe voetzool af tot aan uwen schedel.

36 De Heere zal u, mitsgaders uwen Koning, dien gij over uzult gesteld hebben, doen gaan tot een volk, dat gij niet gekend hebt noch uwe vaderen ; en aldaar zult gij dienen andere goden, hout en steen.

37 En gij zult zijn tot eenen schrik, tot een spreekwoord en tot eene spotrede onder alle de volken, waarhenen u de Heere leiden zal.

38 Gij zult veel zaads op den akker uitbrengen, maar gij zult weinig inzamelen; want de sprinkhaan zal het verteren.

39 Wijngaarden zult gij planten en bouwen, maar gij zult geenen wijn drinken noch iets vergaderen; want de worm zal het afeten.

40 Olijfboomen zult gij hebben in alle uwe landpalen , maar gij zult u met olie niet zalven; want uw olijfboom zal zijne vracht afwerpen.

41 Zonen en dochteren zult gij gewinnen, maar zij zullen voor u niet zijn; want zij zullen in gevangenis gaan.

42 Al uw geboomte en de vrucht uws lands zal het boos gewormte erfelijk bezitten.

43 De vreemdeling, die in het midden van u is zal hoog, hoog boven u opklimmen, en gij zult laag, laag nederdalen.

44 Hij zal u leenen, maar gij zult hem niet leenen; hij zal tot


-ocr page 260-

D E U T E R O N 0 MIU M 28.

246

een hoofd zijn, en cij zult tot een staart zijn.

45 En alle deze vloeken zullen over u komen en u vervolgen en ii treffen totdat gij verdelgd wordt, omdat gij der stemme des Heeren uwes Gods niet gehoorzaam zult geweest zijn , om te hoüden zijne geboden en zijne Inzettingen , die hij u geboden heeft.

40 En zij zullen onder u tot een teeken en\'tot een wonder zijn, ja onder uwen zade tot in eeuwigheid.

47 Omdat gij den ITeere uwen God niet gediend zult hebben met vroolijkheid en goedheid des harten , vanwege de veelheid van alles,

48 zoo zult gij uwe vijanden, die de Heere onder u zenden zal, dienen, in honger en in dorst en in naaktheid en in gebrek van alles; en hij zal een ijzeren juk op uwen hals leggen, totdat hij u verdelge.

49 De Heere zal togen u een volk verheffen van verre, van het einde der aarde, gelijk als een arend vliegt; een volk welks spraak gij niet zult verstaan;

quot;50 een volk stijf van aangezicht, dat het aangezicht des ouden niet zal aannemen noch den jonge genadig zijn ;

51 en het zal de vrucht uwer beesten en de vrucht uws lands opeten, totdat gij verdelgd zult zijn; hetwelk u geen koren, most noch olie, dracht uwer koeien noch kudden van uw klein vee zal overig laten, totdat hij u verdoe.

52 En het zal u beangstigen in .alle uwe poorten, totdat uwe hooge en vaste muren nedervallen, op welke gij vertrouwdet, in uwgan-sche land; ja het zal u beangstigen in alle uwe poorten, in uw gansche land dat u de Heere uw God gegeven heeft.

53 En gij zult eten de vrucht uws schools, hot vleesch uwer zonen en uwer dochteren die u de Heere uw God gegeven zal hebben , in do belegering en in de benauwing, waarmede uwe vijanden u zullen benauwen.

b\'k Aangaande den man, die toeder onder u en die zeer wellustig geweest is, zijn oog zal kwaad zijn tegen zijnen broeder, entegen de huisvrouw zijns schools, en tegen zijne overige zonen, die hij overgehouden zal hebben;

55 dat hij niet aan een van hen zal geven van het vleesch zijner zonen , die hij eten zal omdat hij voor zich niets heeft overgehouden , in de belegering en in do benauwing, waarmede u uw vijand in alle uwe poorten u zal benauwen.

53 Aangaande de teedere en wellustige vrouw onder u , die niet beproefd heeft hare voetzool op de aarde te zetten, omdat zij zich wellustig en teeder hield, haar oog zal kwaad zijn legen den man haars schools, én tegen haren zoon, en tegen hare dochter;

57 en dat om hare nageboorte, die van tusschen hare voelen uitgegaan zal zijn, en om hare zonen die zij gebaard zal hebben; want zij zal ze eten in het verborgen wegens gebrek van alles, in de belegering en in de benauwing waarmede uw vijand u zal benauwen in uwe poorten.

58 Indien gij niet zult waarnemen te doen alle de woorden dezer wet, die in dit boek geschreven zijn, om te vreezon dezen heerlijken en vreeselijken Naam , den Hedre uwen God,

59 zoo zal de Heere uwe plagen wonderlijk maken , mitsgaders de plagen uws zaads; het zullen groo-te en gewisse plagen en booze en gewisse kranklen zijn.

00 En hij zal op u doen keeren alle kwalen van Egypte, voor dewelke gij gevreesd hebt, en zij zullen u aanhangen.

61 Ook alle krankte en alle plage, die in het bock dezer wet niet geschreven is, zal de Heere over u doen komen, totdat gij verdelgd wordt.

02 En gij zult met weinige men-schen overgelaten worden, in plaa.s dat gij geweest zijl als de sterren dos hemels in menigte ; omdat gij der stemme dos Heerex uwes Gods niet gehoorzaam geweest zijl.


-ocr page 261-

D E U T E R O N O MIU M 29.

247

03 En het zal gcschiedcn, gelijk als de Heerk zich over ulieden verblijdde, u goeddoende en u vermenigvuldigende , alzóó zal zich de lleehe over u verblijden, u verdoende en u verdelgende, en gij zult uitgerukt worden uit het land, waar gij naartoe gaat om dat te erven.

64 En de Heere zal u verstrooien onder alle volken, vanhetééne einde der aarde tot aan het andere einde der aarde; en aldaar zult gij andere goden dienen, die gij niet gekend hebt noch uwe vaders, hout en steen.

65 Daartoe zult gij onder dezelve volken niet stil zijii, en uwe voetzool zal geen rust hebben; want de Heere zal u aldaar een bevend harte geven, en bezwijking der oogen, en matheid der ziele.

06 En uw leven zal tegenover u hangen; en gij zult nacht en dag schrikken, en gij zult uw leven niet zeker zijn.

67 Des morgens zult gij zeggen: Och dat het avond ware, en des avonds zult gij zeggen: Och dat het morgen ware, vanwege den schrik uws harten, waarmede gij zult verschrikt zijn, en vanwege het gezicht uwer óogen dat gij zien zult.

68 En de Heere zal u naar Egypte doen wederkeeren in schepen , door een weg waarvan ik u gezegd heb: Gij zult dien niet meer zien; en aldaar zult gij u aan uwe vijanden willen verkoopen tot dienstknechten en tot dienstmaagden , maar daar zal geen kooper zijn.

HOOFDSTUK 29.

Dit zijn de woorden des verbonds, dat de ÏIeere Mozes geboden heeft te maken met de kinderen Israels n den lande Moabs, boven het verbond dat hij metquot; hen gemaakt had aan Horeb.

2 En Mozes riep gansch Israël, en zeide tot hen: Gij hebt gezien al wat de Heere in Egypteland voor uwe oogen gedaan heeft, aan Farao en aan alle zijne knechten en aan zijn land:

3 de groote verzoekingen die uwe oogen gezien hebben, diezelve teekenen en groote wonderen.

4 Maar de Heere heeft ulieden niet gegever. een harte om te verstaan, noch oogen om te zien, noch ooren om te hooren, tot op dezen dag.

5 En ik heb ulieden veertig jaar doen wandelen in de woestijn: uwe kleederen zijn aan u niet verouderd, en uw schoen is niet verouderd aan uwen voet.

6 Brood hebt gij niet gegeten, en wijn en sterken drank hebt gij niet gedronken, opdat gij wist dat ik de Heere uw God ben.

7 Toen gij nu kwaamt aan deze plaats toog Sihon de Koning van Hesbon uit, en Og de Koning van Basan, ons tegemoet ten strijde, en wij sloegen ze;

8 eii wij \'hebben hun land ingenomen, en dat ten erve gegeven aan de Rubeniten en Gaditen mitsgaders aan den halven stam der Manassiten.

9 Houdt dan de woorden dezes verbonds en doet ze, opdat gij verstandiglijk handelt in alles wat gij doen zult.

\'10 Gij slaat heden allen voor het aangezicht des H eeren uwes Gods: uwe hoofden uwer stammen, uwe oudsten, en uwe ambtlieden, allo man van Israël;

11 uwe kinderkens, uwe vrouwen. en uw vreemdeling die in het midden van uw leger is, van uwen houthouwer tot uwen waterputter toe;

12 om over te gaan in het verbond des Heer ex uwes Gods, en in zijnen vloek, hetwelk de Heere uw God heden met u maakt;

13 opdat hij u heden zichzelven tot een volk bevestige, en hij u tot oenen God zij , gelijk hij tot u gesproken heeft, en gelijk hij uwen vaderen Abraham, Isaak en Jakob gezworen heeft.

14 En niet met ulieden alleen maak ik dit verbond en dezen vloek,

15 maar met dengeen, die heden hier met ons voor het aangezicht des H ee ren onzes Gods staat en met dengeen, die hier heden bij ons niet is.


-ocr page 262-

DEUTERONOMIUM 30.

248

1G Want gij weet hoe wij in Egypteland gewoond hebben, en hoé wij tlooi-gelogen zijn door het midden der volken, die gij doorgetogen zijt;

17 en gij hebt gezien liunne verfoeiselen en hunne drekgoden, bont en steen, zilver en goud, die bij hen waren:

18 dat onder ulieden niet zij een man of vrouw, of huisgezin of stam, die zijn harte heden wende van den HEERE onzen God, om te gaan dienen de goden dezer volken; dat onder ulieden niet zij een wortel, die gal en alsem drage,

19 en het geschiede als hij de woorden dezes vloeks hoort, dat hij zichzelven zegenein zijn harte, zeggende: Ik zal vredehebben , ofschoon ik naar mijns harten goeddunken zal wandelen, om de dron-kene te doen tol do dorstige.

20 De Heere zal hem niet willen vergeven, maar alsdan zal des Heeren toorn en ijver rooken over denzelven man, en al de vloek die in dit boek geschreven is zal op hem liggen; en de IIeeui-: zal zijnen naam van onder den hemel uitdelgen.

21 En de Heere zal hem ten kwade afscheiden van alle de stammen Israels, naar alle vloeken des verbonds dat in het boek dezer wet geschreven is.

22 Dan zal zeggen het navolgend geslacht, uwe kinderen die na ulieden opstaan zullen , en de vreemde die uit verren lande komen zal, als zij zullen zien de plagen dezes lands en deszelfskrankheden, waarmede de Heere het gekrenkt heeft,

23 dat zijne gansche aarde is zwavel en zout der verbranding, die niet bezaaid zal zijn en geen spruit zal voortgebracht hebben, noch eenig kruid daarin zal opgekomen zijn: gelijk de omkeering van Sodom en Gomorra, Adama en Zeboïm, die de Heere heeft omgekeerd in zijnen toorn en in zijne grimmigheid;

24 en alle volken zullen zeggen: Waarom beeft de Heere dezen lande alzuó gedaan? Wat is de ontsteking dezes groeten toorns?

25 Dan zal men zeggen: Omdat zij het verbond des Heeren des Gods hunnor vaderen hebben verlaten. dat hij met hen gemaakt had als hij ze uit Egypteland uitvoerde,

20 en zij henengegaan zijn en andere goden gediend en zich voor die gebogen hebben, goden die hen niet gekend hadden, en geen van welke hun iels medegedeeld had:

27 daarom is de toorn des Heeren ontstoken tegen dit land, om daarover te brengen al dezen vloek die in dit boek geschreven is,

28 en de Heere heeft ze uit hun land uitgetrokken, in toorn en in grimmigheid en in groote verbolgenheid, en hij heeft zeverworpen in een ander land, gelijk hij is te dezen dage,

29 De verborgene dingen zijn voor den Hkere onzen God, maar de geopenbaarde zijn voor onsen voor onzo kinderen tot in eeuwigheid, om te doen alle de woorden dezer wet.

HOOFDSTUK 30.

Voorts zal het geschieden, wanneer alle deze dingen over u zullen gekomen zijn , deze zegen of deze vloek, die\' ik u voorgesteld heb, zoo zult gij het weder ter harte riemen, onder alle volken waarhenen de Heere uw God u gedreven heeft;

2 en gij zult u bekeeren tot den Heere uwen God, en zijner stemme gehoorzaam zijn, naar alles dat ik u heden gebiede, gij en uwe kinderen, met uw gansche harte en met uwe gansche ziele.

3 En de Heere uw God zal uwe gevangenis wenden en zich uwer ontfermen, en hij zal u weder vergaderen uit alle de volken, waarhenen u de Heere uw God verstrooid had;

4 al waren uwe verdrevenen aan hot einde des hemels, van daar zal u de Heere uw God vergaderen en van daar zal hij u nemen.

5 En de Heere uw God zal u brengen in het land dat uwe vaderen erfelijk bezeten hebben, en gij zult dat erfelijk bezitten; en hij zal u weldoen, en zal u vermenigvuldigen boven uwe vaderen.

6 En de Heere uw God zal uw


-ocr page 263-

D E U T E R O N 0 MIU M 31.

249

harlc besnijden en het harte uws zaads, om den Heere uwen God lief te hebben met uw gansche harte en met uwe gansche ziele, opdat gij leeft.

7 En de Heehe uw God zal alle die vloeken leggen op uwe vijanden en op uwe haters, die u vervolgd hebben.

» Gij dan zult u bekeeren en der stemme des Hek hen gehoorzaam zijn, en gij zult doen alle zijne geboden die ik u heden gebiede.

9 En de Heeue uw God zal u doen overvloeien in al het werk uwer hand, inde vrucht uws schoots en in de vrucht uwer beesten en in de vrucht uws lands ten goede; want de Heeue zal wederkee-ren om zich over u te verblijden ten goede, gelijk als hij zich over uwe vaderen verblijd heeft:

10 wanneer gij der stemme des Heeuex uwes Gods zult gehoorzaam zijn, houdende zijne geboden en zijne inzettingen die in dit wetboek geschreven zijn; wanneer gij u zult bekeeren tot den Heeue uwen God met uw gansche harte en met uwe gansche ziele.

11 Want dit zelve gebod, hetwelk ik u heden gcbicde, dat is voor u niet verborgen en dat is niet verre:

12 het is niet in den hemel, om te zeggen: Wie zal voor ons ten hemel varen, dat hij het voor ons hale en ons hetzelve hooren late, dat wij het doen?

13 Hot is ook niet op gene zijde der zee, om te zeggen: Wie zal voor ons overvaren naar gene zijde der zee, dat hij het voor ons hale en ons hetzelve hooren late, dat wij het doen?

14 Want dit woord is zeer nabij u, in uwen mond en in uw hart, om dat te doen.

15 Zie, ik heb u heden voorgesteld het leven en het goede, en den dood en het kwade.

16 Want ik gebied u heden den Heere uwen God lief te hebben, in zijne wegen te wandelenden te houden zijne geboden en zijne inzettingen en zijne rechten, opdat gij leeft en vermenigvuldigt, en de Heeue uw God u zegene in het land waar gij naar toe gaat om dat te erven.

17 Maar indien uw harte zich zal afwenden en gij niet hooren zult, en gij gedreven zult worden dat gij u voor andere goden buigt en dezelve dient,

18 zoo verkondig ik ulieden heden , dat gij voorzeker zult omkomen ; t\'Ü zu It de dagen niet verlengen op liet land naar hetwelk gij henengaat over den Jordaan, om daarin te komen dat gij het erfelijk bezit.

19 Ik neem heden tegen ulieden tot getuigen den hemel en de aarde: het loven en den dood heb ik u voorgesteld, den zegen en den vloek. Kiest dan het leven, opdat gij leeft, gij en uw zaad;

20 lief hebbende den Heeue uwen God, zijner stemme gehoorzaam zijnde en hem aanhangende, want hij is uw leven en de lengte uwer dagen; opdat gij blijft in het land dat de Heeue uwen vaderen. Abraham, Isaak en Jakob, gezworen heeft hun te zullen geven.

HOOFDSTUK 31.

Daarna ging Mozes henen en sprak deze woorden tot gansch Israël,

2 en zeide tot hen: Ik ben heden honderd en twintig jaar oud, ik zal niet meer kunnen uitgaan en ingaan; daartoe heeft de Heeue tót mij gezegd: Gij zult over dezen Jordaan niet gaan.

3 De Heeue uw God, die zal voor uw aangezicht overgaan; die zal deze volken van voor uw aangezicht verdelgen, dat gij ze erfelijk bezit; Jozua, die zal voor uw aangezicht overgaan, gelijk als de Heeue gesproken heeft.

4 En de Heeue zal hun doen gelijk hij Sihon en Og, Koningen der Amoriten en hun land gedaan heeft, die hij verdelgd heeft.

5 Wanneer ze nu de Heere voor uw aangezicht zal gegeven hebben, dan zult gij hun doen naar alle gebod, dat ik ulieden geboden heb.

ü Weest sterk en hebt goeden moed, en vreest niet en verschrikt niet voor hun aangezicht; want


-ocr page 264-

D E U T E R O N O MIU M 31.

250

het is de Heere uw God die met ii gaat, hij zal u niet begeven noch u verlaten.

7 En Mozes riep Jozua, en zeide tot hem voor de oogen des gnn-schen Israels: Wees sterk en heb goeden moed; want gij zult met dit volk ingaan in hel land, dat de Heere hunnen vaderen gezworen heeft hun te zullen geven, en gij zult het hen doen erven.

8 De Heere nu is degene, die voor uw aangezicht gaat; die zal met u zijn, hij zal u niet begeven noch u verlaten: vreest niet en ontzet u niet.

9 En Mozes schreef deze wet, en gaf ze aan de Priesteren, de zonen van Levi, die de Arke des verbonds des He eren droegen, en aan alle oudsten van Israël.

10 En Mozes gebood hun, zeggende: Ten einde van zeven jaren , op den gezctten tijd van het jaar der vrijlating, op het feest der loofhutten,

11 als gansch Israël zal komen om te verschijnen voor het aangezicht des Heeren mves Gods, in de plaats die hij zal verkoren hebben, zult gij deze wet voor gansch Israël uitroepen, voor hunne ooren:

12 Vergadert het volk, de mannen en de vrouwen en de kinderen, en uwe vreemdelingen die in uwe poorten zijn, opdat zij hooren en opdat zij leeren, en vreezen den Heere uwen God, en waarnemen te doen alle woorden dezer wet;

13 en dat hunne kinderen, die het niet geweten hebben, hooren en leeren om te vreezen den Heere uwen God, alle de dagen die gij leeft op het land, naar hetwelk gij henengaat over den Jor-daan om dat te erven.

14 En de Heere zeide tot Mozes: Zie, uwe dagen zijn genaderd om te sterren: roep Jozua, en stelt u in de Tente der samenkomst, dat ik hem bevel geve. Zoo ging Mozes en Jozua, en zij stelden zich in de Tente der samenkomst.

15 Toen verscheen de Heere in de Tente in de wolkkolom; en de wolkkolom stond boven de deur der Tente.

16 En de Heere zeide tot Mozes: Zie, gij zult slapen met uwe vaderen, en dit volk zal opstaan en nahoereeren de goden der vreemden van dat land waar het naartoe gaat, in het midden van hetzelve; en het zal mij verlaten en vernietigen mijn verbond, dat ik met hetzelve gemaakt heb.

17 Zoo zal mijn toorn tp, dien dage tegen hetzelve ontsteken, en ik zal ze verlaten en mijn aangezicht van hen verbergen, dat zij ter spijze zijn, en vele kwaden en benauwdheden zullen het treffen; dat het te dien dage zal zeggen: Hebben mij deze kwaden niet getroffen omdat mijn God in het midden van mij niet is?

18 Ik zal mijn aangezicht te dien dage ganschèlijk verbergen, om al het kwaad dat het gedaan heeft; want het heeft zich gewend tot andere goden.

19 En nu, schrijft ulieden dit lied, en leert het den kinderen Israëls, legt het in hunnen mond, opdat dit lied mij ten getuige zij tegen de kinderen Israëls.

20 Want ik zal dit volk inbrengen in het land, dat ik zijnen vaderen gezworen heb, vloeiende van melk en honig, en het zal eten en verzadigd en vet worden: dan zal het zich wenden tot andere goden en hen dienen, en zij zullen mij tergen en mijn verbond vernietigen.

21 En het zal geschieden wanneer vele kwaden en benauwdheden hetzelve zullen treffen, dan zal dit lied voor zijn aangezicht antwoorden tot getuige; want het zal uit den mond zijns zaads niét vergeten worden; dewijl ik weet zijn gedichtsel dat het heden maakt, aleer ik het inbreng in het land dat ik gezworen heb.

22 Zoo schreef Mozes dit lied te dien dage, en hij leerde hef, den kinderen Israëls.

23 En hij gebood Jozua, den zoon van Nun, en zeide: Wees sterk en heb goeden moed; want gij zult de kinderen Israëls inbrengen in het land dat ik hun gezworen heb, en ik zal met uzijn.

24 En het geschiedde als Mozes


-ocr page 265-

D E U T E R O N O MIU M 32.

251

voleindigd had de woorden dezer wet le schrijven in een boek lot dat zij voltrokken waren,

25 zoo gebood Mozes den Levi-tcn, die de Arke des verbonds des UiiKHKN droegen, zeggende:

2(3 Neemt dit wetboek en legt het aan de zijde der Arke des verbonds des Heeren uwes Gods, dat liet aldaar zij ten getuige tegen u.

27 Want ik ken uwe wedcrspan-nigheid en uwen harden nek: zie, terwijl ik nog heden met ulieden leef, zijt gij wederspannig geweest tegen clen Heeue: hoeveel te meer na mijnen dood!

28 Vergadert tot mij alle de oudsten uwer stammen en uwe ambtlieden, dat ik voor hunne ooren deze woorden spreke, en tegen hen den hemel en de aarde lot getuigen neme;

29 want ik weet dat gij het na mijnen dood zekerlijk zult verderven, en afwijken van den weg, dien ik u geboden heb: dan zal u dit kwaad in het laatste der dagen ontmoeten, wanneer gij zult gedaan hebben dat kwaad is in de oogen des Heeuex , om hem door het werk uwer handen tot toorn le verwekken.

30 Toen sprak Mozes voor de ooren der gansche gemeente van Israël de woorden dezes lieds, tot dat zij voltrokken waren.

HOOFDSTUK 32.

Nijg de ooren gij hemel, en ik zal quot;spreken; en de aarde hoore de redenen mijns monds.

2 Mijne leer druipe als een regen, mijne rede vloeie als een dauw ; als een stofregen op de grasscheutjes, en als druppelen op het kruid.

3 Want ik zal den naam des Heeuen uitroepen; geeft onzen God grootheid.

4 Hij is de rotssteen, wiens werk volkomen is, want alle zijne wegen zijn gerichlen; God is waarheid en is geen onrecht, rechtvaardig en recht is hij.

5 Hij heeft het legen hem verdorven, het zijn zijne kinderen niet, de schandvlek is hunne; hel is een verkeerd en verdraaid geslacht.

G Zult gij dit den ITeere vergelden, gij dwaas en onwijs volk? Is hij niet uw Vader, die u verkregen, die u gemaakt en u bevestigd heeft?

7 Gedenkt aan de dagen van ouds, merkt op de jaren van eik geslachte; vraagt uwen vader, die zal het u bekend maken, uwen ouden, en zij zullen het u zeggen.

8 Toen de Allerhoogste den volken de erfenisse uitdeelde , toen hij Adams kinderen vanéénscheid-de, heeft hij de landpalen der volken gesteld naar het getal der kinderen Israels;

9 want des Heeren deel is zijn volk, Jakob is het snoer zijner erve.

10 Hij vond hem in een land der woestijn, en in eene woeste huilende wildernis: hij voerde hem rondom, hij onderwees hem, hij bewaarde hém als zijn oogappel.

11 Gelijk een arend zijn nest opwekt, over zijne jongen zweeft, zijne vleugelen uitbreidt, ze neemt en ze draagt op zijne vlerken :

12 zóó leidde hem de Meere alleen, en er was geen vreemd god met hem.

13 Hij deed hem rijden op de hoogten der aarde, dat hij at de opbrengsten des velds ; en hij deed hem honig zuigen uit de steenrots en olie uit den kei der rotse;

14 boter van koeien en melk van klein vee, met het vet der lammeren en der rammen die in Basan weiden, en der bokken, met het vette der nieren van tarwe; en het druivenbloed, reinen wijn, hebt gij gedronken.

15 Als nu Jeschurun vet werd, zoo sloeg hij achteruit; (gij zijt vet, gij zijt dik, ja met vet overdekt geworden;) en hij liet God varen die hem gemaakt heeft, en versmaadde den rotssteen zijns heils.

16 Zij hebben hem tot ijver verwekt door vreemde goden, door gruwelen hebben zij hem tot toorn verwekt.

17 Zij hebben den duivelen geofferd, niet Gode, den goden die zij niet kenden, nieuwe die van


-ocr page 266-

N O MIU M 32.

DEUTERO

252

nabij gekomen waren, voor de welke uwe vaders niet geschrikt hebben.

18 Den rotssteen die u gegenereerd heeft hebt gij vergeten, en gij hebt in vergetelheid gesteld den God die u gebaard heeft.

19 Als het de Heere zag, zoo versmaadde hij ze, uit toorn tegen zijne zonen en zijne dochteren;

20 en hij zeide: Ik zal mijn aangezicht van hen verbergen, ik zal zien welk hunlieder einde zal wezen ; want zij zijn een gansch verkeerd geslacht, kinderen in welke geen trouw is.

21 Zij hebben mij tot ijver verwekt door het gene dat geen God is, zij hebben mij tot toorn verwekt\'door hunne ijdelheden: ik dan zal hen tot ijver Verwekken door diegenen die geen volk zijn, door een dwaas volk zal ik ze tot toorn verwekken.

22 Want een vuur is aangestoken in mijnen toorn, en zal branden tot in de onderste hel, en zal het land met zijne inkomst verleren , en de gronden der bergen in vlam zetten.

23 Ik zal kwaden over hen hoepen; mijne pijlen zal ik op hen verschieten.

24 Uitgeteerd zullen zij zijn van honger, opgegeten van den karbonkel en bitter verderf; en ik zal de tanden der beesten onder hen zenden, met vurig venijn van slangen des slofs.

25 Van buiten zal het zwaard berooven, en uit de binnenkame-ren de verschrikking; ook den jongeling, ook de jonge dochter, het zuigende kind met den grijzen man.

20 Ik zeide: In alle hoeken zoude ik ze verstrooien, ik zoude hunne gedachtenis van onder de men-schen doen ophouden,

27 zoo ik den toorn des vijands niet schroomde, dat niet liunne tegenpartijen zich vreemd mochten houden, dat zij niet mochten zeggen: Onze hand is hoog geweest, de Heere heeft dit alles niet gewrocht.

28 Want zij zijn een volk dat door raadslagen verloren gaat, en er is geen versland in hen.

29 O dat zij wijs waren: zij zouden dit vernemen, zij zouden op hun einde merken.

30 Hoe zoude een éénige duizend jagen, en twee tienduizend doen vluchten, ten ware dal hunlieder rotssteen hen verkocht en de Heere hen overgeleverd had.

31 Want hun rotssteen is niet gelijk onze rotssteen, zelfs onze vijanden rechters zijnde.

\'32 Want hun wijnstok is uit den wijnslok van Sodom en uit de velden van Gomorra, hunne wijndruiven zijn vergiftige wijndruiven, zij hebben biltere beziën:

33 hun wijn is vurig draken venijn en een wreed adderenvergif.

34 Is dat niet bij mij opgesloten, verzegeld in mijne schatten?

35 Mijne is de wrake en de vergelding, ten tijde als hunlieder voet zal wankelen; want de dag huns ondergangs is nabij, en de dingen die han zullen gebeuren haasten.

36 Want de Heere zal zijnen volke recht doen, en het zal hem o ver zijne knechten berouwen; wart hij zal zien dat de hand is weggegaan en de beslotene en verlatene niets is.

37 Dan zal hij zeggen: Waar zijr_ hunne goden, de rotssteen op wélken zij betrouwden,

38 welker slachtofferen vet zij aten, welker drankoiTeren wijn zij dronken? Dat zij opstaan en u helpen, dat er verberging voor u zij.

39 Ziet nu dat ik, ik die ben, en geen God met mij: Ik dood en maak levend, ik versla en ik heel; en daar is niemand die uit mijne hand redt.

40 Want ik zal mijne hand naar den hemel ophelfen en ik zal zeggen : Ik leef in eeuwigheid.

41 Indien ik mijn glinsterend zwaard wet, nu mijne hand ton gerichte grijpt, zoo zal ik de wrake op mijne tegenpartijen doen wederkeeren en mijnen hateren vergelden.

42 Ik zal mijne pijlen dronken maken van bloéd, en mijn zwaard zal vleesch eten; van het bloed des verslagenen en des gevange-


-ocr page 267-

N O MIU M 33.

253

DEUTERO

nen, van het hoofd af zullen er wraken des vijands zijn.

43 Juicht gij heidenen, met zijn volk; want hij zal het bloed zijner knechten wreken, en hij zal de wraak op zijne tegenpartijen doen wederkeeren, en verzoenen zijn land en zijn volk.

44 En Mozes kwam en sprak alle de woorden van dit lied voor de ooren des volks, hij en Hoséa, de zoon van Nun.

45 Als nu Mozes geëindigd had alle die woorden tot gansch Israël te spreken,

46 zoo zeide hij tot hen: Zet uw harte op alle de woorden, die ik heden onder ulieden hetuige, dat gij ze uwen kinderen gebieden zult, dat zij waarnemen te doen alle de woorden dezer wet.

47 Want dat is geen vergeefsch woord voor ulieden, maar het is uw leven; en door dit zelve woord zult gij de dagen verlengen op het land, waar gij over den Jordaan naar toe gaat om dat te erven.

48 Daarna sprak do Heere tot Mozes op dienzelfden dag, zeggende :

49 Klim op den berg Abarim, (deze is de berg Nebo, die den lande Moabs is, die tegenover Jericho is), en zie het land Kanaan, dat ik den kinderen Israëls tot eene bezitting geven zal;

50 en sterf op dien berg , waarhenen gij opklimmen zult, en word vergaderd tot uwe volken; gelijk als uw broeder Aaron stierf op den berg Hor, en tot zijne volken vergaderd werd:

51 omdat gijlieden u tegen mij vergrepen hebt in het midden dei-kinderen Israëls, aan het twistwa-ter te Kades in de woestijn Zin; omdat gij mij niet geheiligd hebt in het midden der kinderen Israëls.

52 Want van tegenover zult gij dat land zien, maar daarhenen niet inkomen, in het land dat ik den kinderen Israëls geven zal.

HOOFDSTUK 33.

Dit nu is de zegen, met welken Mozes, de man Gods, de kinderen

Israëls gezegend heeft vóór zijnen dood.

2 Hij zeide dan: De Heere is van Sinaï gekomen, en is hunlieden opgegaan vanSeïr; hij is blinkende verschijnen van het gebergte Paran, en is aangekomen met tienduizenden dei* heiligen, aan zijne rechterhand was eene vurige wet aan hen.

3 Immers bemint hij de volken; alle zijne heiligen zijn in uwe hand; zij zullen in het midden tusschen uwe voeten gezet worden ; een ieder zal ontvangen van uwe woorden.

4 Mozes heeft ons de wet geboden, eene erfenis van Jakobs gemeente ;

5 en hij was Koning in Jeschu-run, als de hoofden des volks zich vergaderden, te zamen met de stammen Israëls.

G Dat Ruben leve en nietsterve, en dat zijne lieden van getale zijn.

7 En dit is van Juda, dat hij zeide: Hoor, Heere, de stemme van Juda, en breng hem weder tot zijn volk; zijne handen moeten hem genoegzaam zijn, en wees gij hem eene hulpe tegen de vijanden.

8 En van Levi zeide hij : Uwe Tummim en uwe Urim zijn aan den man, uwen gunstgenoot; dien gij verzocht hebt in Massa, met welken gu getwist hebt aan de wateren van Meriba;

9 die tot zijnen vader en tot zijne moeder zeide: Ik zie hem niet, en die zijne broederen niet kende en zijne zonen niet achtte; want zij onderhielden uw woord en bewaarden uw verbond.

10 Zij zullen Jakob uwe rechten leeren en Israël uwe wet; zij zullen reukwerk voor uwen neus leggen , en dat gansch verteerd zal worden op uwen altaar.

11 Zegen, Heere, zijn vermogen, en laat u het werk zijner handen wel bevallen; versla de lendenen dergenen die tegen hem opstaan en hem haten , dat zij niet weder opstaan.

12 En van Benjamin zeide hij: De beminde des Heeren , hij zal zéker bij hem wonen; hij zal hem den ganschen dag overdekken, en


-ocr page 268-

D E U T E R O N O MIU M 34.

254

tusschen zijne schouderen zal hij \' wonen.

13 En van Jozef zeide hij : Zijn land zij gezegend van don IIeeije, van liet nilnemendste des hemels, van den dauw, en van de diepte, die beneden is liggende;

14 en van de uitnemendste inkomsten der zon, en van de uitnemendste vrucht der maanden;

15 en van het voornaamste der oude bergen, en van het uitnemendste der eeuwige heuvelen;

lö en van het uitnemendste der aarde en harer volheid, en van de goedgunstigheid desgenen, die in het braambosch woonde, kome de zegening op het hoofd Jozefs, en op den schedel des afgezonderden van zijne broederen.

17 Hij heeft de heerlijkheid des eerstgeborenen zijns osses, en zijne hoornen zijn hoornen des eenhoorns; met dezelve zal hij de volken te za-men stooten tot aan de einden des lands. Deze nu zijn de tienduizenden van Efraïm , en deze zijn de duizenden van Manasse.

18 En van Zebulon zeide hij: Verheug u, Zebulon, over uwen uittocht, en Issaschar over uwe hutten.

19 Zij zullen de volken tot den berg roepen , daar zullen zij offeranden der gerechtigheid olferen; want zij zullen den overvloed dei-zeeën zuigen, en de bedekte verborgene dingen des zands.

20 En van Gad zeide hij : Gezegend zij die Gad ruimte maakt; hij woont als een oude leeuw, en verscheurt den arm, ja ook den schedel.

21 En hij heeft zich van het eerste voorzien, omdat hij aldaar in het deel des wetgevers bedekt was; daarom kwam hij met de hoofden des volks, hij verrichtte de gerechtigheid des Heeren en zijne ge-richten met Israël.

22 En van Dan zeide hij : Dan is een jonge leeuw, hij zal als uit Basan voortspringen.

23 En van Naftali zeide hij : O Naftali, wees verzadigd van de goedgunstigheid, en vol van den zegen des Heeren; bezit erfelijk het Westen en het Zuiden.

24 En van Aser zeide hij: Aser zij gezegend met zonen, hij zij zijnen broederen aangenaam, en doope zijnen voet in olie.

25 J Jzer en koper zal onder uwen schoen zijn, en uwe sterkte gelijk uwe dagen.

20 Niemand is er gelijk God, o Jeschurun, die op den hemel vaart tot uwe hulpe, en met zijne hoogheid op de bovenste wolken.

27 De eeuwige God zij u eene woning, en van onderen eeuwige armen; en hij verdrijve den vijand voor uw aangezicht, en zegge: Verdelg.

28 Israël dan zal zeker alleen wonen , en Jakobs oog zal zijn op een land van koren en most; ja zijn hemel zal van dauw druipen.

29 Welgelukzalig, zijt gij, o Israël, wie is u gelijk? Gij zijt een volk verlost door den Heere, het schild uwer hulpe, en die een zwaard is uwer hoogheid; daarom zullen zich uwe vijanden geveinsdelijk aan u onderwerpen, en gij zult op hunne hoogten treden.

HOOFDSTUK 34.

Toen ging Mozes op uit de vlakke velden Mbabs, naar den berg Nebo op de hoogte van Pisga, welke recht tegenover Jericho is, en de-Heere wees hem dat gansche land, Gilead tot Dan toe;

2 en het gansche Naftali, en liet land van Efraïm en Manasse, en het gansche land van Juda, tot aan de achterste zee;

3 en het Zuiden, en het effen veld der vallei van Jericho, de palmstad , tot Zoar toe.

4 En de Heere zeide tot hem: Dit is het land dat ik Abraham, Isaak en Jakob gezworen heb, zeggende: Uwen zade zal ik het geven: ik heb het u met uwe oogen doen zien, maar gij zult daarhenen niet overgaan.

5 Alzoo stierf Mozes, de knecht des Heeren, aldaar in het la.id Moabs, naar des Heeren mond

0 En hij begroef hem in een dal in het land Moabs, tegenover Bc.th-Peor; en niemand heeft zijn graf geweten tot op dezen dag.

7 Mozes nu was honderd en twintig jaar oud als hij stierf: zijn oog


-ocr page 269-

JOZUA 1.

255

was niet donker geworden en zijne kracht was niet vergaan.

8 En de kinderen Israels beweenden Mozes in de vlakke velden Moabs dertig dagen: en de dagen des weenens, van den rouw over Mozes, werden voleindigd.

9 Jozua nu, de zoon van Nun, was vol van den Geest der wijsheid, want Mozes had zijne handen op hem gelegd: zoo hoorden de kinderen Israëls naar hem, en deden gelijk als de Heere Mozes gebodenquot; had.

10 En daar stond geen profeet meer op in Israël gelijk Mozes, dien de Heere gekend had van aangezicht tot aangezicht;

11 in alle de teekenen en de wonderen, waartoe hem de Heere gezonden heeft, om die in Egyp-teland te doen aan Farao en aan alle zijne knechten en aan al zijn land;

12 en in al die sterke hand en in al die groote verschrikking, die Mozes gedaan heeft voor de oogen des ganschen Israëls.


HET BOEK JOZUA.

HOOFDSTUK 1.

Het geschiedde nu na don dood van Mozes den knecht des Heeren, dat de Heerb tot Jozua, den zoon van Nun, Mozes dienaar, sprak, zeggende:

2 Mijn knecht Mozes is gestorven; zoo maak u nu op, trek over dezen Jordaan, gij en al dit volk, tot het land dat ik hun, den kinderen Israëls, geef.

3 Alle plaatse , waarop ulieder voetzool treden zal, heb ik u gegeven, gelijk ik tot Mozes gesproken heb.

4 Van de woestijn en dezen Libanon af, tot aan de groote rivier, de rivier Frath , het gansche land der Hethiten, en tot aan de groote zee , tegen den ondergang der zon, zal ulieder landpale zijn.

5 Niemand zal voor uw aangezicht bestaan alle de dagen uws levens: gelijk als ik met Mozes geweest ben zal ik met u zijn, ik zal u niet begeven en zal u niet verlaten.

6 Wees sterk en heb goeden moed; want gij zult dit volk het land erfelijk doen bezitten, dat ik hunnen vaderen heb gezworen hun te geven.

7 Alleenlijk wees sterk en heb zeer goeden moed , dat gij waarneemt te doen naar de gansche wet, welke Mozes mijn knecht u geboden heeft; wijk daarvan niet ter rechter- noch ter linkerhand, opd.at gij verstandig handelt alom waar gij zult gaan.

8 Dat het boek dezer wet niet wijke van uwen mond, maar overleg het dag en nacht, opdat gij waarneemt te doen naar alles dat daarin geschreven is; want alsdan zult gij uwe wegen voorspoedig maken, en alsdan zult gij verstan-diglijk handelen.

9 Heb ik het u niet bevolen? Wees sterk en heb goeden moed, en verschrik niet en ontzet u niet; want de Heere uw God is met u alom waar gij henengaat.

10 Toen gebood Jozua don ambt-lieden des volks, zeggende:

11 Gaat door het midden des legers, en beveelt het volk, zeggende: Bereidt teerkost voor ulie-den; want binnen nog drie dagen zult gijlieden over dezen Jordaan gaan, dat gij ingaat om te erven het land, hetwelk de Heere uw God ulieden geeft om te beërven.

12 En Jozua sprak tot de Rube-


-ocr page 270-

256 J O Z 1

niton en Gaditen cn den lialven stam van Manasse, zeggende:

13 Gedenkt aan het woord, hetwelk Mozes de knecht des Hee-ren ulieden geboden heeft, zeggende: De Heeue uw God geelt ulieden rust, en hij geeft u dit land:

14 laat uwe vrouwen, uwe kleine kinderen, en uw vee in het land blijven dat Mozes ulieden aan deze zijde van den Jordaan gegeven heeft; maar gijlieden zult gewapend trekken voor het aangezicht uwer broederen, alle strijdbare holden, en zult ze helpen;

15 totdat de Heeue uwen broederen rust geve als ulieden, en dat zij óók erfelijk het land bezitten dat de Heeue uw God hun geeft: alsdan zult gijlieden weder-keeren tot het land uwer erfenis en zult het erfelijk bezitten, dat Mozes de knecht des Heehen ulieden gegeven hoéft aan deze zijde van den Jordaan, tegen den opgang der zon.

16 Toen antwoordden zij Jozua, zeggende: Al wat gij ons geboden hebt zullen wij doen, en alom waar gij ons zenden zult zullen wij gaan.

17 Gelijk wij in alles naar Mozes hebben gehoord, alzoó zullen wij naar u hooren: alleenlijk als dat de Heeue uw God met u zij gelijk als hij met Mozes geweest is.

18 Alle man die uwen mond wederspannig wezen zal en uwe woorden niet hooren zal, in alles wat gij hem gebieden zult, die zal gedood worden: alleenlijk wees sterk en heb goeden moed.

HOOFDSTUK 2.

Jozua nu de zoon van Nun had twee mannen, die heimelijk verspieden zouden, gezonden van Sit-tim zeggende: Gaat henen, bezichtigt het land en Jericho. Zij dan gingen, en kwamen ten huize van eene vrouw, eene hoer, wier naam was Rachab ; en zij sliepen daar.

2 Toen werd den Koning te Jericho geboodschapt, zeggende: Zie, in dezen nacht zijn hier mannen gekomen van de kinderen Israels om dit land te doorzoeken.

IA 2.

3 Daarom zond de Koning van Jericho tot Rachab, zeggende: Breng de mannen uit die tot u gekomen zijn, die te uwen huize gekomen zijn; want zij zijn gekomen om het gansche land te doorzoeken.

4 Maar de vrouw had de beide mannen genomen en zij had ze verborgen, en zeide aldus: Daar zijn mannen tot mij gekomen, maar ik wist niet van waar zij waren;

5 en het geschiedde als men de poort zoude sluiten, als het duister was, dat die mannen uitgingen: ik weet niet waarhenen die mannen gegaan zijn ; jaagt ze haas-telijk na, want gij zult ze achterhalen.

G Maar zij had ze op het dak doen klimmen, en zij had ze verstoken onder de vlasstoppelen, die door haar op hot dak beschikt waren.

7 Die mannen nu joegen hen na op den weg van den Jordaan, tot aan de veren; en men sloot de poort toe, nadat zij uitgegaan waren die hen najoegen.

8 Eer zij nu sliepen, zoo klóm zij tot hen op op het dak,

9 en zij sprak tot die manner.: Ik weet dat de Heeue u dit land gegeven heeft, en dat ulieder verschrikking op ons gevallen is, en dat alle de inwoners dezes lands voor ulieder aangezicht gesmolten zijn.

10 Want wij hebben gehoord dat. de Heeue de wateren der Schelfzee uitgedroogd heeft voor ulieder aangezicht, toen gij uit Egypte gingt; en wat gijlieden den twee Koningen der Amoriten, Sion en Og, gedaan hebt, die aan gene zijde van den Jordaan waren, welke gijlieden verbannen hebt.

11 En als wij het hoorden, zoo versmolt ons hart, en er bestaat geen moed meer in iemand vanwege ulieder tegenwoordigheid; want de Heeue ulieder God is een God boven in den hemel en beneden op de aarde.

12 Nu dan, zweert mij toch bij den Heeue dewijl ik weldadigheid aan ulieden gedaan heb, dat gij ook weldadigheid doen zult aan mijns vaders huis, en geeft mij een waarteeken,


-ocr page 271-

JOZUA 3.

257

13 dat gij mijnen vader en mijne moeder in het leven zult behou-den, alsook mijne broeders en mijne

! zusters, met alles wat zij hebben, . en dat gij onze zielen van den dood redden zult.

14 Toen spraken die mannen tot haar: Onze ziele zij voor ulieden

. om testerven, indien gijlieden deze onze zake niet te kennen geeft; het zal dan geschieden wanneer , de Hiïeue ons dit land geeft, zoo zullen wij aan u weldadigheid en trouw bewijzen.

15 Zij liét hen dan neder met een zeel door het venster; want haar huis «was op den stadsmuur en zij woonde op den muur.

16 En zij zeide tot hen: Gaat op het gebergte, opdat niet misschien de vervolgers u ontmoeten; en

: verbergt u aldaar drie dagen, totdat de vervolgers wedergekeerd zullen zijn, en gaat daarna uwen weg.

Ook zeiden die mannen tot , haar: Wij zullen onschuldig zijn van dezen uwen eed, dien gij ons hebt doen zweren.

18 Zie, wanneer wij in het land komen, zoo zult, gij dit snoer van scharlakcndraad aan het venster binden, door hetwelk gü ons zult nedergelatcn hebben; en gij zult tot u in het huis vergaderen uwen vader en uwe moeder en uwe broeders en bet gansche huisgezin uws

; vaders:

19 zoo zal het geschieden, al wie uit de deuren uws huizes naar-buiten gaan zal, zijn bloed zij op zijn hoofd en wij zullen onschuldig zijn; maar al wie bij u in het huis \'zijn zal, diens bloed zij op ons hoofd indien eene hand tegen hem zijn zal.

20 Maar indien gij deze onze zake te kennen zult geven, zoo zullen wij onschuldig zijn van uwen eed, dién gij ons hebt doen zweren.

21 Zij nu zeide: Het zij alzóó naar uwe woorden. Toen liet zij hen gaan: en zij gingen henen: en zij bond het scharlaken snoer aan het venster.

22 Zij dan gingen henen en kwamen op het gebergte, en bleven aldaar drie dogen, totdat de vervolgers wedergekeerd waren; want de vervolgers hadden hen op al den weg gezocht, maar niet gevonden.

23 Alzoo keerden die twee mannen weder, en gingen af van het gebergte, en voeren over, en kwamen tot Jozua denzoon van Nun; en zij vertelden hem al wat hun wedervaren was,

2\'i en zij zeiden tot Jozua: Zekerlijk, de Heeue heeft dat gansche land in onze handen gegeven, want ook alle de inwoners des lands zijn voor ons aangezicht gesmolten.

HOOFDSTUK 3.

Jozua dan maakte zich des morgens vroeg op, en zij reisden van Sittim, en kwamen tot aan den Jordaan, hij en alle de kinderen Israëls; en zij vernachtten aldaar eer zij overtrokken.

2 En het geschiedde dat de ambt-lieden op het einde van drie dagen door het midden des legers gingen,

3 en het volk geboden , zeggende: Wanneer gij de Arke des ver-bonds des Hekisex uws God ziet, en de Levitische Priesters dezelve dragende, verreist gijlieden óók van uwe plaats en volgt haar na:

4 dat er nogtans ruimte zij tus-schen ulieden en tusschen dezelve, bij de tweeduizend ellen in de maat, en nadert tot dezelve niet; opdat gij dien weg weet dien gij gaan ziilt, want gijlieden zijt door dien weg niet gegaan gisteren en eergisteren.

5 Jozua zeide ook tot het volk: Heiligt u, want morgen zal de Heeue wonderheden in het midden van ulieden doen.

G Desgelijks sprak Jozua tot de Priesters, zéggende: Neemt de Arke des verbonds op, en gaat dóór voor het aangezicht dezes volks. Zij dan namen de Arke des verbonds op, en zij gingen voor het aangezicht des volks.

7 Want de Heere had tot Jozua gezegd: Dezen dag zal ik beginnen u groot te maken voor de oogen des ganschen Israëls, opdat zij weten dat ik met u zijn zal gelijk als ik met Mozes geweest ben.


-ocr page 272-

$58

8 Gij dan zult den Priesteren die de Arke des verbonds dragen gebieden, zeggende: Wanneer gijlieden komt tot aan het uiterste des waters van den Jordaan, staat stil in den Jordaan.

9 Toen zeide Jozua tot de kinderen Israels: Nadert herwaarts en hoort de woorden des Heehen uws Gods.

10 Voorts zeide Jozua: Hieraan zult gijlieden bekennen dat de levende God in het midden van u is, en dat hij ganschelijk voor uw aangezicht uitdrijven zal de Kanaiini-ten en de Ilelhitcn en de Heviten en do Fereziten en de Girgasiten en de Amoriten en de Jebusiten:

11 zie, de Arke des verbonds des Heehen der gansche aarde gaat dóór voor ulieder aangezicht in den Jordaan.

12 Nu dan, neemt gijlieden u twaalf mannen uit de stammen Israels, uit lederen stam éénen man;

13 Want liet zal geschieden met dat de voetzolen der Priesteren, die de Arke des Heerex des Hoeren der gansche aarde, dragen,in het water van den Jordaan zullen rusten, zoo zullen de wateren van den Jordaan afgesneden worden, te weten de wateren die van boven afvlieten, en zij zullen op éénen hoop blijven staan.

14 En het geschiedde toen het volk vertrok uit zijne tenten om over den Jordaan te gaan, zoo droegen de Priesters de Arke des verbonds voor het aangezicht des volks.

15 En als zij die de Arke droegen tot aan den Jordaan gekomen waren , en de voeten der Priesteren, dragende de Arke, ingedoopt waren in het uiterste des waters, (do Jordaan nu was vol alle de dagen des oogstos aan alle zijne oevers):

1G zoo stonden de wateren, die van boven afkwamen, zij rezen op óéiien hoop , zeer ver van de stad Adam af, die terzijdequot; van Zarethan Ugt\\ en die naar d\'e zee des vlakken voids, fe weten de Zoutzee, afliepen, die vergingen, zij werden afgesneden. Toen trok liet volk over, tegenover Jericho.

17 Maar de Priesters, die de Arke

1

des verbonds des Heeuen droegen, stonden steevast op het droge in het midden van den Jordaan; en gansch Israël ging over op het droge, totdat al het volk geëindigd had door den Jordaan te trekken.

HOOFDSTUK 4.

Het geschiedde nu toen al het volk geëindigd had over den Jordaan te trekken, dat de Heeue tot Jozua sprak, zeggende:

2 Neemt gijlieden u twaalf mannen uit den volke, uit eiken stam éénen man ,

3 en gebiedt hun, zeggende: Neemt, voor ulieden op van hier uit hot midden van don Jordaan , uit . de standplaats van de voeten der Priesteren, en bereidt twaalfstee-nen en brengt ze met ulieden over, en stelt ze in het nachtleger waar gij dezen nacht zult vernachten.

4 Jozua dan riep die twaalf mannen, die hij had doen bestellen van de kinderen Israels, uit eiken stam éénen man,

5 en Jozua zeide tot hen: Gaat over vóór de Arke des Heehen uws Gods middenin den Jordaan; en heft u ieder eenen steen op zijnen schouder, naar het getal van de stammen der kinderen Is-raëls;

6 opdat dit een toeken zij onder ulieden: wanneer uwe kinderen morgen vragen zullen, zeggende: Wat zijn u deze steenen?

7 zoo zult gij tot hen zeggen: Omdat de wateren van den Jordaan zijn afgesneden geweest vóór de Arke des verbonds des Heehen ; als zij toog door den Jordaan werden de wateren van den Jordaan afgesneden: zoo zullen deze steenen den kinderen Israels ter gedachtenisse zijn tot in eeuwigheid.

8 De kinderen Israels nu deden alzóó gelijk als Jozua geboden had, en zij namen twaalf steenen öp midden uit den Jordaan gelijk als de Heehe tot Jozua gesproken had. naar het getal der stammen der kinderen Israëls; en zij brachten ze met zich over naar het nachtleger, en stelden ze aldaar.

9 Jozua richtte ook twaalf stee-

J 0 ZD A 4.


-ocr page 273-

JOZUA 5.

259

\' nen öp midden in den Jordaan, : ter standplaatse van de voeten

• der Priesters die de Arke des ver-bonds droegen; en zij zijn daar

• tot op dezen dag.

iü De Priesters nu , die de Arke droegen, stonden midden in den Jordaan, totdat alles volbracht was wat de Heere Jozua geboden had het volk aan te zeggen, naar al wat Mozes Jozua geboden had. En het volk haastte zich en het trok over.

11 En hel geschiedde als al het volk geëindigd had over tc gaan, toen ging de Arke des Heerex over en de Priesters voor het aangezicht des volks.

12 En de kinderen van Ruben en de kinderen van Gad, mitsgaders de halve stam van Manasse, trokken gewapend voor het aangezicht der kinderen Israels, gelijk als Mozes tot hen gesproken had:

13 omtrent veertigduizend toegeruste krijgslieden trokken er voor het aangezicht des Heeren ten strijde, naar de vlakke velden van Jericho.

14 Te dienzelven dage maakte de Heere Jozua groot voor de oogen van het gansche Israël, en zij vreesden hem gelijk als zij Mozes gevreesd hadden, alle dc dagen zijns levens.

15 De Heere dan sprak tot Jozua , zeggende:

16 Gebied den Priesteren, die do Arke der getuigenis dragen, dat zij uit den Jordaan opklimmen.

17 Toen gebood Jozua den Priesteren, zeggende: Klimt op uit den Jordaan.

18 En het geschiedde toen de Priesters, die de Arke des verbonds des Heeren droegen, uitliet midden van den Jordaan opgeklommen waren, en de voetzolen der Priesteren afgetrokken waren lot op het droge, zoo keerden de wateren van den Jordaan weder in hunne plaats, en gingen als gisteren cn eergisteren aan alle zijne oevers.

19 Het volk nu was den tiende der eerste maand uit den Jordaan opgeklommen; en zij legerden zich tc Gilgal, aan het\'oosteinde van Jericho.

20 En Jozua richtte die twaalf steenen te Gilgal op, die zij uit den Jordaan genomen hadden;

21 en hij sprak tot de kinderen Israels, zeggende: Wanneer uwe kinderen morgen hunnen vaderen vragen zullen, zeggende: Wat zijn deze steenen?

22 zoo zult gij het uwen kinderen te kennen geven, zeggende: Op het droge is Israël door dezen Jordaan gegaan;

23 want de Heere uw God heeft de wateren van den Jordaan voor uw aangezicht doen uitdrogen, totdat gijlieden er waart doorgegaan: gelijk als de Heere uw God aan de Schelfzee gedaan heeft, die hij voor ons aangezicht heeft, doen uitdrogen, totdat wij daar doorgegaan waren:

24 opdat alle volken der aarde de hand des Heeren kennen zouden, dat zij sterk is; opdat gijlieden den Heere uwen God vreest te allen dage.

HOOFDSTUK 5.

En het geschiedde toen alle de Koningen der Amoriten,dieaandeze zijde van den Jordaan westwaarts, en alle de Koningen dor Kanaaniten die aan de zee waren, hoorden dat de Heere de wateren van den Jordaan had uitgedroogd voor het aangezicht der kinderen Israels, totdat wij daar doorgegaan waren: zoo versmolt hun hart, en er was geen moed meer in hen voor het aangezicht der kinderen Israëls.

2 Te dier tijde sprak de Heere tot Jozua: Maak u steenen messen, cn besnijd wederom de kinderen Israëls ten tweeden male.

3 Toen maakte zich Jozua steenen messen, en besneed de kinderen Israëls op den heuvel der voorhuiden.

4 Dit nu was de oorzaak waarom Jozua hen besneed: al het volk dat uit Egypte ^ de manspersonen, alle den, waren gestorven in de woestijn, op den weg, nadat zij uit Egypte getogen waren;


-ocr page 274-

2G0 J O Z 1

5 want al het volk dal er uittoog was besneden, maar al liet volk dat geboren was in de woestijn, op den weg, nadat zij uit Egypte getrokken waren, hadden zij niet besneden.

6 Want de kinderen Israels wandelden veertig jaar in de woestijn, totdat vergaan was het gansche volk der krijgslieden, die uit Egypte gegaan waren, die der stemme des Hf.ehen niet gehoorzaam geweest waren, welken de Hef.re gezworen had dal liij hun niet zoude laten zinn liet land, hetwelk de Hekmk hunnen vaderen gezworen had ons te zullen geven, een land vloeiende van melk en honig.

7 Maar hunne zonen hoeft hij aan hunne plaats gesteld: die heeft Jozua besneden, omdat zij de voorhuid hadden , want zij hadden hen op den weg niet besneden.

8 En het geschiedde als men een einde gemaakt had van al het volk te besnijden, zoo bleven zij in hunne plaats in het leger, totdat zij genezen waren.

9 Voorts sprak de Heere tot Jozua: Heden heb ik den smaad van Egypte van ulieden afgewenteld: daarom noemde men den naam dier plaats Gilgal, tot op dezen dag.

10 Terwijl de kinderen Israels te Gilgal gelegerd lagen, zoo hielden zij het Pascha op den veertienden dag derzelfder maand, in den avond, op de vlakke velden van Jericho.

11 En zij aten van het overjarige koren des lands, des anderen daags van het Pascha, ongezuurde broeden en verzengde aren, juist op dienzelfden dag.

12 En het Man hield 6p des anderen daags nadat zij van des lands overjarig koren gegeten hadden; en de kinderen Israëls hadden geen Man meer, maar zij aten in hetzelfde jaar van de inkomst des lands Kanaan.

13 Voorts geschiedde het als Jozua bij Jericho was, dat hij zijne oogen ophief en toezag, en zie, daar stond een man tegenover hem, die een uitgetogen zwaard

JA G.

in zijne hand had. En Jozua ging tot hem, en zeide tot hem: Zijt gij van ons of van onze vijanden?

\'14 En hij zeide: Neen, maar ik ben de Vorst van het heir des f Iee-ren, ik bon nu gekomen. Toen viel Jozua op zijn aangezicht ter aarde en aanbad, en zeide tot hem: Wat spreekt mijn Heere tot zijnen knecht?

quot;15 Toen zeide de Vorst van het heir des HebREN tot Jozua: Trek uwe schoenen af van uwe voeten, want de plaats waarop gij staat is heilig. En Jozua deed alzoo.

HOOFDSTUK 0.

(Jericho nu sloot de poorten toe en was gesloten voor het aangezicht der kinderen Israëls, daar ging niemand uit en daar ging niemand in.)

2 Toen zeide de Heere tot Jozua: Zie, ik heb Jeric io met haren Koning en strijdbare helden in uwe hand gegeven.

3 Gij dan allen die krijgslieden zijt, zult rondom de stad gaan, de stad omringende éénmaal; al-zoo zult gij doen zes dagen lang.

4 En zeven Priesters zullen zeven ramsbazuinen dragen vóór de Arke en gijlieden zult op den zevenden dag de stad zevenmaal omgaan, en de Priesters zullen met de bazuinen blazen.

5 En het zal geschieden als men langzaam met den ramshoorn blaast, als gijlieden het geluid der bazuin hoort, zoo zal al het volk juichen met. een groot gejuich: dan zal de stadsmuur onder zich vallen , en het volk zal er inklimmen, een iegelijk tegenover zich.

6 Toen riep Jozua, dc zoon van Nun, de Priesters, en zeide tot hen: Draagt de Arke des verbonds, en dat zeven Priesters zeven ramsbazuinen dragen vóór de Arke des He eren.

7 En tot het volk zeide hij: Trekt dóór en gaat rondom deze stad; en wie toegerust is, die ga door vóór de Arke des II beren.

8 En het geschiedde als Jozua tot het volk gesproken had, zoo gingen de zeven Priesters, dragende zeven ramsbazuinen voor het


-ocr page 275-

J O z

aangezicht des Heeren : zij trokken dóór en bliezen met de bazuinen , en de Arke des verbonds des Hei:hex volgde ze na.

1» En wie toegerust was ging voor het aangezic.ht der Priesteren, die de bazuinen bliezen. en de achtertocht volgde de Arke na; terwijl men ging en blies met de bazuinen.

10 Jozua nu had het volk geboden, zeggende: Gij zult niet juichen, Ja gij zult uwe stem niet laten hooren en geen woord zal er uit uwen mond uitgaan, tot op den dag wanneer ik tot ulieden zeggen zal: Juieht! dan zult gij juichen.

11 En hij deed de Arke des Heeren rondom do stad gaan, omringende dezelve éénmaal; toen kwamen zij weder in het leger, en vernachtten in het leger.

12 Daarna stond Jozua des morgens vroeg op, en de Priesters droegen de Arke des Heeren;

13 en de zeven Priesters, dragende de zeven ramsbazuinen vóór de Arke des Heeren, gingen voort en bliezen met de bazuinen, en de toegerusten gingen voor hunne aangezichten, en de achtertocht volgde de Arke des Heeren na, terwijl men ging en blies met de bazuinen.

14 Alzoo gingen zij éénmaal rondom de stad op den tweeden dng, en zij keerden weder in het leger. Alzóó deden zij zes dagen lang.

15 En het geschiedde op den zevenden dag, dat zij zich vroeg opmaakten met het \'opgaan des da-geraads, en zij gingen rondom de stad naar dezeltde wijze zevenmaal; alleenlijk op dien dag gingen zij zevenmaal rondom de stad.

16 Èn het geschiedde ten zevenden male, als de Priesters met de bazuinen bliezen, dat Jozua tot het volk sprak: Juicht! want de Heere heeft ulieden de stad gegeven.

17 Doch deze stad zal den Heere verbannen zijn, zij en al wat daarin is; alleenlijk zal de hoer Rachab levend blijven, zij en allen die met haar in het huis zijn, omdat zij de boden die wij uitgezonden hadden verborgen heeft.

J A G. 201

18 Alleenlijk dat gijlieden u wacht van het verbannen\'e, opdat gij u misschien niet verbant, nemende van liet verbannene, en het leger Israels uiet stelt tot een ban noch hetzelve beroert.

19 Maar al het zilver en goud, en de koperen en ijzeren vaten, zullen den 11 eühe heilig zijn; tot den schat des Heeren zullen zij komen.

20 Het volk dan juichte als zij met de bazuinen bliezen; en het geschiedde als het volk het geluid der bazuin hoorde, zoo juichte het volk met een groot gejuich: en de muur viel onder zich, en het volk klom in de stad, een ieder tegenover zich, en zij namen de stad in.

21 En zij verbanden alles wat in de stad was, van den man tot de vrouw toe, van het kind tot den oude, en tot den os en het kleine vee en den ezel, door de scherpte des z waards.

22 Jozua nu zeide tot de twee mannen, de verspieders des lands: Gaat in het huis der vrouw, der hoer, en brengt die vrouw van daar uit, met al wat zij heeft, gelijk als gij haar gezworen hebt.

23 Toen gingen de jongelingen, de verspieders, daarin en brachten er Rachab uit, en haren vader en hare moeder, en hare broederen en ai wat zij had; ook brachten zij uit alle hare huisgezinnen, en zij stelden ze buiten het leger Israels.

24 De stad nu verbrandden zij met vuur, en alles wat daarin was: alleen het zilver en goud, mitsgaders de koperen en ijzeren vaten, gaven zij lot den schaf van het huis des Heeren.

20 Dus liet Jozua de hoer Rachab leven, en het huisgezin baars vaders, en al wat zij had, en zij heeft gewoond in het midden van Israël tot op dezen dag, omdat zij de boden verborgen had, die Jozua gezonden had om Jericho te verspieden.

26 En ter zelfder tijd bezwoer hen Jozua, zeggende: Vervloekt zij die man voor het aangezicht des Heeren, die zich opmaken en deze


-ocr page 276-

JOZUA 7.

2G2

stad Jericho bouwen zal; dat hij ze grondveste op zijnen eerstgeboren zoon, en hare poorten stelle op zijnen jongsten zoon.

27 AIzoo was de Huijke met .To-zua, en zijn gerucht liep door het gansche land.

HOOFDSTUK 7.

Maar de kinderen Israels overtraden door overtreding met het verbannene; want Achan, de zoon van Karmi, den zoon van Zabdi, den zoon van Zerah, uit den stam van Juda. nam van liet verbannene. Toen ontstak de toorn des Heeren tegen de kinderen Israels.

2 Als nu Jozua mannen zond van Jericho naar Ai, dat bij Beth-Aven ligt, aan het oosten van Beth-El, zoo sprak hij tot hen, zeggende : Trekt, opwaarts en bespiedt het land. Die mannen nu trokken op en bespiedden Ai.

3 Daarna keerden zij weder naar Jozua en zeiden tot hem : Dat het gansche volk niet optrekke, dat er omtrent tweeduizend mannen of omtrent drieduizend mannen optrekken om Ai te slaan; vermoei daarhenen al het volk niet, want zij zijn weinige.

4 Alzoo trokken derwaarts van den volke omtrent drieduizend man op: welke vloden voor het aangezicht der mannen van Ai,

5 en de mannen van Ai sloegen van dezelve omtrent zesendertig man, en vervolgden ze van vóór de poort tot Sebarim toe, en sloegen ze in eenen afgang. Toen versmolt het harte des volks en het werd tot water.

6 Toen verscheurde Jozua zijne klcederen, en viel op zijn aangezicht ter aarde vóór de Arke des Heeren, tot den avond toe, hij en de oudsten Israels, en zij wierpen stof op hun hoofd.

7 En Jozua zeide ; Ach, Heere Heere, waarom hebt gij dit volk door den Jordaan ooit doen gaan, om ons te geven in de hand der Amoriten, om ons te verderven? Och, dat wij toch tevreden geweest en gebleven waren aan gene zijde van den Jordaan I

8 Och Heere, wat zal ik zeggen, nademaal Israël voor het aangezicht zijner vijanden den nek gekeerd heeft?

9 Als het de Kanaaniten en alle inwoners des lands hooren zullen, zoo zullen zij ons omsingelen, en onzen naam uitroeien van de aarde: wat zult gij dan uwen grooten naam doen?

10 Toen zeide de Heere tot Jozua : Sta op; waarom ligt gij dus neder op uw aangezicht?

11 Israël heeft gezondigd, en zij hebben ook mijn verbond, hetwelk ik hun geboden had , overtreden ; en ook hebben zij van het verbannene genomen, en ook gestolen, en ook gelogen, en hebben het ook onder hun gereedschap gelegd.

12 Daarom zullen de kinderen Israels niet kunnen bestaan voor het aangezicht hunner vijanden; zij zuilen den nek voor het aangezicht hunner vijanden keeren, want zij zijn in den ban. Ik zal voortaan niet meer met ulieden zijn, tenzij gij den ban uit het midden van ulieden verdelgt.

13 Sta op , heilig het volk , en zeg: Heiligt u tegen morgen, want alzóó zegt de Heere de God Is-raëls: Daar is een ban in het midden van u, Israël; gij zult niet kunnen besthan voor het aangezicht uwer vijanden, totdat gij den ban wegdoet uit het midden van u.

14 Gij zult dan in den morgenstond aankomen naar uwe stammen ; en het zal geschieden , de st:im welken de Heere geraakt zal hebben, die zal aankomen naar de geslachten; en welk geslacht de Heere geraakt zal hebben, dat zal aankomen bij huisgezinnen; en welk huisgezin de Heere geraakt zal hebben, dat zal aankomen man voor man.

15 En het zal geschieden die geraakt zal worden met den ban, die zal met vuur verbrand worden, hij en al wat hij he3ft, omdat hij het verbond des Heeren overtreden heeft, en omdat bi; dwaasheid in Israël gedaan heeft.

1G Toen maakte zich Jozua des morgens vroeg op, en deed Israël aankomen naar zijne stammen,


-ocr page 277-

JOZUA 8.

2G3

en de stam van Juda werd geraakt.

17 Als hij het geslacht van Juda deed aankomen, zoo raakte hij het geslacht van Zarhi. Toen hij het geslacht van Zarhi deed aankomen man voor man, zoo werd Zabdi geraakt.

48 Als hij diens huisgezin deed aankomen man voor man, zoo werd Achan geraakt, de zoon van Karmi, den zoon van Zabdi, den zoon van Zerah, uit den stam van Juda.

19 Toen zeide Jozua tot Achan; Mijn zoon , geef toch den Heehe den God Israels de eer, en doe voor hem belijdenis, en geef mij toch te kennen wat gij gedaan hebt; verberg het voor mij niet.

20 Achan nu antwoordde Jozua en zeide: Voorwaar ik heb tegen den Heere den God Israels gezondigd , en heb alzoo en alzoo gedaan ;

21 want ik zag onder den roof een schoon sierlijk Babylonisch overkleed , en tweehonderd sikkelen zilvers , en eene gouden tong, welker gewicht was vijftig sikkelen, en ik kreeg lust daartoe en ik nam ze; en zie, zij zijn verborgen in de aarde in het midden mijner tent, en het zilver daaronder.

22 Toen zond Jozua boden henen, die tot de tent liepen, en zie, het lag verborgen in zijne tent, en het zilver daaronder.

23 Zij dan namen die dingen uit het midden der tent, en zij brachten ze tot Jozua en tot alle de kinderen Israels ; en zij stortten ze uit voor het aangezicht des Heeren.

24 Toen nam Jozua, en gansch Israël met hem, Achan den zoon van Zerah, en het zilver en hot sierlijk overkleed en de gouden tong, en zijne zonen en zijne doch-teren, en zijne ossen en zijne ezelen en zijn vee, en zijne tent en alles wat hij had, en zij voerden ze naar het dal Achor.

25 En Jozua zeide: Hoe hebt gij ons beroerd? De Heere zal u beroeren te dezen dage. En gansch Israël steenigde hem met steenen, en zij verbrandden ze met vuur, en zij overwierpen ze met steenen ,

26 en zij richtten over hemeenen greoten steenhoop op, zijnde tot op dezen dag. Alzoo keerde zich de Heere van de hittigheid zijns toorns. Daarom noemde men den naam dier plaats het dal van Achor, tot dezen dag toe.

HOOFDSTUK 8.

Toen zeide de Heere tot Jozua: Vrees niet en ontzet u niet; neem met u al het krijgsvolk, en maak u op, trek op naar Ai: zie, ik heb den Koning van Ai en zijn volk en zijne stad en zijn land in uwe hand gegeven.

2 Gij nu zult Ai en haren Koning doen gelijk gij Jericho en haren Koning gedaan hebt, behalve dat gij haren roof en haar vee voor uliedeh rooven zult: stel u eene. achterlage tegen de stad, van achter dezelve.

3 Toen maakte zich Jozua op, en al het krijgsvolk, om op te trekken naar Ai. En Jozua verkoos dertigduizend mannen, strijdbare helden, en hij zond ze bij nacht uit,

4 en gebood hun, zeggende: Ziet toe, gijlieden zult der stad lagen leggen van achter de stad; houdt u niet zeer ver van de stad, en weest gij allen bereid.

5 Ik nu en al het volk dat bij mij is zullen tot de stad naderen , en het zal geschieden wanneer zij ons tegemoet zullen uitgaan, gelijk als in het eerste, zoo zullen wij voor hun aangezicht vlieden.

ü Laat ze dan uitkomen achter ons, totdat wij ze van de. stad aftrekken, want zij zullen zeggen: Zij vlieden voor óns aangezicht, gelijk als inliet eerste; zoo zullen wij vlieden voor hunne aangezichten.

Z Dan zult gijlieden opstaan uit de achterlage en gij zult de stad innemen; want de Heere uw God zal haar in uwe hand geven.

8 En het zal geschieden wanneer gij de stad ingenomen hebt, zoo zult gij de stad met vuur aansteken; naar het woord des Hee-


-ocr page 278-

264

ren zult gijlieden doen: zie, ik heb het ulieden geboden.

1) AIzoo zond hen Jozua henen, en zij gingen naar de achterlage, en zij bleven tusschen Beth-El en tusschen Ai, tegen het westen van Ai; maar Jozua overnachtte dien nacht in het midden des volks.

10 En Jozua maakte zich des morgens vroeg op en hij monsterde het volk; en hij trok op, hij en de oudsten van Israël, voor het aangezicht des volks, naar Ai.

11 Ook trok al het krijgsvolk op dat bij hem was; en zij naderden en kwamen tegenover de stad, en zij legerden zich tegen hel noorden van Ai, en er was een dal tusschen hem en tusschen Ai.

12 l-Jij nam ook omtrent vijfduizend man, en hij stelde ze tot eene achterlage tusschen Beth-El en tusschen Ai, \'aan het westen der stad.

13 En zij stelden het volk, hot gansche leger dat aan het noorden der stad was, eu zijne lage was aan het westen der stad. En Ju-zua ging in denzelfden nacht in het midden des dals.

14 En het geschiedde toen de Koning van Ai dat zag, zoo haastten zij en maakten zich vroeg op, en de mannen der stad kwamen uit, Israël tegemoet, ten strijde, hij en al zijn volk, ter beslemder tijd, vóór het vlakke veld; want hij wist niet dat iemand hem eene achterlage leide van achter de stad.

15 Jozua dan en gansch Israël werd geslagen voor hunne aangezichten , en zij vloden door den weg der woestijn.

lü Daarom werd samengeroepen al het volk dat in de stad was, om hen na te jagen; en zij joegen Jozua na en werden van de stad afgetrokken,

17 en daar werd niet écn man overgelaten in Ai noch Beth-El, die niet uittrok Israël na; en zij lieten de stad openstaan, en joegen Israël achterna.

18 Toen sprak de Heere tot Jozua: Strek de spies uit die in uwe hand is naar Ai, want ik zal haar in uwe hand geven. Toen

strekte Jozua de spies die in zijne hand was naar de stad aan. h

19 Toen rees de achterlage haas- h tig op van hare plaats, en zij lie- z pen toe, met dat hij zijne hand uitgestrekt had, en kwamen aan 1: de stad, en zij namen ze in, en s zij haastten zich en staken de d stad aan met vuur. z

20 Als de mannen van Ai zich «i achterom keerden, zoo zagen zij, \'.( en zie, de rook der stad ging op |f: naar den hemel; en zij hadden c geene ruimte om herwaarts of derwaarts te vlieden, want het volk, 1 dat naar de woestijn vluchtte, c keerde zich tegen degenen, die hen najoegen. (

21 En Jozua en gansch Israël, £ ziende dat de hinderlaag de stad in- } genomen had, en dat de rook der 1 stad opging, zoo keerden zij zich om j en sloegen de mannen van Ai. i

22 Ook kwamen, die uit de stad ( hen tegemoet, zoodat zij in het 1 midden der Israëlieten waren, deze van hier en gene van daar, en zij sloegen z3, totdat geen overige onder hen overbleef, noch die ontkwam.

23 Doch den Koning van Ai grepen zij levend, en zij brachten hem tot Jozua.

24 En het gesch\'edde toen do Israëliten een einde gemaakt hadden van alle de inwoners van Ai te dooden op het veld, in do woestijn in welke zij hen nagejaagd hadden, en dat zij allen door de scherpte des zwaards gevallen waren, totdat zij allen vernield waren, zoo keerde zich gansch Israël naar Ai, en zij sloegen haar met de scherpte des zwaards.

25 En het geschiedde dat allen die te dien dage vielen, zoo mannen als vrouwen, waren twaalfduizend, alle tezamen lieden van Ai.

26 Jozua trok ook zijne hand niet terug, die hij met de spies had uitgestrekt, totdat hij alle de inwoners van Ai verbannen had.

27 Alleenlijk roofden de Israëli-ten voor zichzelve het vee en don buit derzelver stad, naar den

j woorde des HEEU3N, dat hij Jozua \' geboden had.

T

JOZÜA 8.


-ocr page 279-

JOZUA 9.

265

jne i 28 Jozua nu verbrandde Ai en hij stelde haar tot een eeuwigen as- hoop, ter verwoesting, tot op de-lie- zen dag.

ind 20 Eq den Koning van Ai hing lan hij aan een hout tot aan den avonden stond, en omtrent den ondergang de der zon gebood Jozua dat men zijn dood lichaam van het hout ;ch afnam, en zij wierpen het aan de ;ii, deur der stadspoort, en richtten óp op hetzelve een grooten steenhoop en op, zijnde tot op dezen dag. ïr- 30 Toen bouwde Jozua een alle, taar den Heeue den God Israels e, op den berg Kbal,

ie 31 gelijk als Mozes de knecht des IIeeken den kinderen Israels ;.1, geboden had, achtervolgens het-n- \\ geen dat geschreven is in \'t weter boek van Mozes; een altaar van m ^ geheele steenen, over dewelke men geen ijzer bewogen had: en id daarop offerden zij den Heere et brandofferen, ook ollerden zij dank-2e o (Teren.

lquot;, 32 Aldaar schreef hij ook op ni steenen een dubbel van de wet :Ii van Mozes, hetwelk hij geschreven heeft voor het aangezicht der U kinderen Israels.

ui 33 En ganscii Israël, met zijne oudsten en ambtlieden en zijne rechters , stonden aan deze en aan 1- gene zijde der Arke, vóór de Le-ki vitische Priesteren, die do Arke o des verbonds des Heeren droe-gen, zoo vreemdelingen als inboor-ii lingen, ééne helft daarvan tegen-over den berg Gerizim en ééne helft daarvan tegenover den berg Ebal, gelijk als Mozes de knecht des Heeren bevolen had, om het volk van Israël in het eerste te zegenen.

34 En daarna las hij overluid alle de woorden der wet, de zegening en den vloek, naar alles dat in het wetboek geschreven staat.

35 Daar was niet één woord van al hetgeen Mozes geboden had, dat Jozua niet overluid las voor de geheele gemeente Israëls, en de vrouwen, en de kleine kinderen, en de vreemdelingen die

; in het midden van hen wandelden.

HOOFDSTUK 9.

En het geschiedde toen dit hoorden alle de Koningen, die aan deze zijde van den Jordaan waren, op het gebergte en in de laagte en aan alle havens der groote zee tegenover Libanon, de JHethiten en de Amoriten, de Kanaaniten, do Fereziten, de Heviten en de Je-busiten:

2 zoo vergaderden zij zich te zamen, om tegen Jozua entegen Israël te krijgen, eendrachtiglijk.

3 Als nu de inwoners van Gi-beon hoorden wat Jozua met Jericho en met Ai gedaan had,

4 zoo handelden zij óók arglis-tiglijk, en gingen henen en veinsdenquot; zich gezanten te zijn; en zij namen oude zakken óp hunne ezels, en oude en gescheurde en samengebonden lederen wijnzakken ,

5 ook oude en bevlekte schoenen aan hunne voeten, en zij hadden oude kleederen aan en al het brood dat zij op hunne reize hadden was droog en beschimmeld;

(3 en zij gingen tot Jozua in het leger te Gilgal, en zij zeiden tot hem en tot de mannen Israëls; Wij zijn gekomen uit verren lande, zoo maakt nu een verbond met ons.

7 Toen zeiden de mannen Israëls tot de Heviten: Misschien woont gijlieden in het midden van ons, hóe zullen wij dan een verbond met u maken?

8 Zij dan zeiden tot Jozua: Wij zijn uwe knechten. Toen zeide Jozua tot hen : Wie zijt gijlieden en van waar komt gij ?

9 Zij nu zeiden tot hem: Uwe knechten zijn uit zeer verrenlande gekomen, óm den naam des Heeren1 uws Gods ; want wij hebben zijn gerucht gehoord, en alles wat hij in Egypte gedaan heeft;

10 en alles wat hij gedaan heeft aan de twee Koningen der Amoriten die aan gene zijde van den Jordaan waren, Sihon den Koning van Hesbon , en Og den Koning van Basan, die te Astaroth tuoonde.

11 Daarom spraken tot ons onze oudsten en alle de inwoners onzes


-ocr page 280-

26C

lands, zeggende: Neemt reiskost met ii in uwe handen op dc reis en gaat hen tegemoet, en zegt tot hen; Wij zijn ulieder knechten, zoo maakt nu een verbond met ons.

12 Dit ons brood hebben wij warm tot onzen teerkost uit onze huizen genomen ten dage toen wij uittogen om tot ulieden te reizen, maar zie, nu is het droog en het is beschimmeld;

13 en deze lederen wijnzakken die wij gevuld hebben warén nieuw, maar zie , zij zijn gescheurd; en deze onze kleederen en deze onze schoenen zijn oud geworden vanwege deze zeer lange reize.

14 Toen namen de mannen van hunnen reiskost, en zij vraagden het den mond des Heeren niet.

15 En Jozua maakte vrede met hen en hij mankte een verbond met hen, dat hij hen bij het leven behouden zoude; en de oversten der vergadering zwoeren hun.

10 En het geschiedde ten einde van drie dagen nadat zij het verbond met hen gemaakt hadden, zoo hoorden zij dat zij hunne naburen waren, en dat zij in het midden van hen waren wonende.

17 Want toen de kinderen Israels voort togen , zoo kwamen zij ten derden dage aan hunne steden: hunne steden nu waren Gibeon en Kefira en Beëroth en Kirjath-Je-arim.

18 En de kinderen Israels sloegen ze niet, omdat de oversten der vergadering hun gezworen hadden bij den Heeue den God Israels: daarom murmureerde de gansche vergadering tegen de oversten.

19 Toen zeiden alle de oversten tot de gansche vergadering: Wij hebben hun gezworen bij den Heeue den God Israels, daarom kunnen wij hen niet aantasten;

20 dit zullen wij hun doen, dat wij ze bij het leven behouden, opdat geen groote toorn over ons zij om des eeds wille, dien wij hun gezworen hebben.

21 Voorts zeiden de oversten tot hen: Laat ze leven , en laat ze houthouwers en waterputters zijn der gansche vergadering, gelijk

dc oversten tot hen gezegd hebben.

22 En Jozua riep ze en sprak tot hen , zeggende : Waarom hebt gijlieden ons bedrogen, zeggende: Wij zijn zeer verre van ulieden gezeten , daar gij in het miden van ons zijt wonende?

23 Nu dan, vervloekt zijt gijlieden ; onder ulieden zullen niét afgesneden worden knechten of houthouwers of waterputters ten huize mijns Gods.

24 Zij dan antwoordden Jozua en zeiden: Dewijl het uwen knechten zekerlijk was te kennen gegeven, dat do Heere uw God zijnen knecht Mozes geboden heeft, dat hij ulieden al dit land geven en alle de inwoners des lands voor ulieder aangezicht verdelgen zoude, zoo vreesden wij voor ons leven zeer voor ulieder aangezicht; daarom hebben wij deze zake gedaan.

25 En nu, zie, wij zijn in uwe hand: doe gelijk het goed en gelijk het recht is in uwe oogen ons te doen.

26 Zoo deed hij hun alzoo , en hij verloste ze van de hand der kinderen Israels, dat zij ze niet doodsloegen.

27 Alzoo gaf ze Jozua over ten zeiven dage tot houthouwers en waterputters der vergadering, en dat tot het altaar des Heeren, tot dezen dag toe, aan de plaatse die hij verkiezen zoude.

HOOFDSTUK 10.

Het geschiedde nu toen Adoni-Zédek, de Koning van Jeruzalem, gehoord had, dat Jozua Ai ingenomen en haar verbannen had, en Ai en haren Koning a\'zóó gedaan had gelijk als hij Jericho en haren Koning gedaan had, en dat de inwoners van Gibeon vrede met Israël gemaakt hadden en in hun midden waren,

2 zoo vreesden zij zeer: want Gibeon was eene groote stad, als eene der koninklijke steden, ja zij was grooter dan Ai, en alle hare mannen waren sterk.

3 Daarom zond Adoni-Zédek, Koning van Jeruzalem, tot Hoham den Koning van Hebron, en tot Piream den Koning van Jarmuth,

JOZUA 10.


-ocr page 281-

JOZUA 10.

267

en tot Jaffa den Koning van La-chis, en tot Debir den Koning van Êglon, zeggende:

4 Komt op tot mij en helpt mij, dat wij Gibeon slaan, omdat zij vrede gemaakt heeft met Jozua en met de kinderen Israels.

5 Toen werden verzameld en kwamen op vijf Koningen der Amo-riten, de Koning van Jeruzalem , de Koning van Hebron, de Koning van Jarmuth, de Koning van La-chis, do Koning van Eglon, zij en alle hunne legers; en zij belegerden Gibeon en krijgden tegen haar.

ü De mannen nu van Gibeon zonden tot Jozua in het leger te Gilgal, zeggende ; Trek uwe handen niet af van uwe knechten, kom haastig tot ons op, en verlos ons en help ons; want alle de Koningen der Amoriten die op het gebergte wonen hebben zich tegen ons vergaderd.

7 Toen toog Jozua op van Gilgal, hij en al het krijgsvolk met hem, en alle strijdbare helden.

8 Want de Heere had tot Jozua gezegd: Vrees niet voor hen, want ik heb ze in uwe hand gegeven: niemand van hen zal voor uw aangezicht bestaan.

9 Alzoo kwam Jozua schielijk tot hen: den ganse hen nacht over was hij van Gilgal opgetrokken.

10 En de Heeue verschrikte ze voor het aangezicht Israels; en bij sloeg ze met eenen grooten slag te Gibeon, en vervolgde ze op den weg waar men naar Beth-Horon opgaat en sloeg ze tot Azeka en tot Makkeda toe.

11 Het geschiedde nu toen zij voor het aangezicht van Israël vluchtten, zijnde in den afgang van Beth-Horon, zoo wierp de Heeue groote steenen op hen van den hemel, tot Azeka toe, dat zij stierven : daar waren er meer die van de hagelsteenen stierven dan die de kinderen Israels met den zwaaide doodden.

12 Toen sprak Jozua tot den Heere, len dage als de Heeue de Amoriten voor het aangezicht deiquot; kinderen Israels overgaf, en zeide voor de oogen der Israëliten:

Zon, sta stil te Gibeon, en gij maan, in het dal Ajjalons.

13 En de zon stond stil en de maan bleef staan, totdat zich het volk aan zijne vijanden gewroken had. Is dit niet geschreven in het boek des Oprechten: De zon nu stond stil in het midden des hemels , en haastte zich niet onder te gaan omtrent een volkomen dag.

14 En daar was geen dag aan dezen gelijk , vóór hem noch na hem, dal de Heeue de stemme eens mans alzóó verhoorde; want de Heere streed voor Israël.

15 Toen keerde Jozua weder, en gansch Israël met hem, naar het leger te Gilgal.

10 Maar die vijf Koningen waren gevloden , en hadden zich verborgen in de spelonk bij Makkeda.

17 En Jozua werd geboodschapt, door te zeggen: Die vijf Koningen zijn gevonden verborgen in de spelonk bij Makkeda.

18 Zoo zeide Jozua: Wentelt groote steenen vóór den mond der spelonk, en stelt mannen daarvoor om hen te bewaren;

19 maar staat gijlieden niet stil, jaagt uwe vijanden achterna, en slaat ze in den staart: laat ze in hunne steden niet komen, want de Heeue uw God heeft ze in uwe hand gegeven.

20 En het geschiedde toen Jozua en de kinderen Israëls geëindigd hadden hen met eenen zeer grooten slag te slaan, totdat zij vernield waren, en dat de overgeblevenen , die van hen overgebleven waren, in de vaste steden gekomen waren,

21 zoo keerde al het volk lot Jozua in het leger bij Makkeda in vrede: niemand had zijne\'tong tegen de kinderen Israëls geroerd.

22 Daarna zeide Jozua: Opent den mond der spelonk, en brengt tot mij uit die vijf Koningen uit die spelonk.

23 Zij nu deden alzoo en brachten lol hem uit die vijf Koningen uit de spelonk : den Koning van Jeruzalem , den Koning van He-bron , den Koning van Jarmuth , den Koning van Lachis, den Koning van Eglon.


-ocr page 282-

JOZUA 10.

268

24 En het geschiedde als zij die Koningen uitgebracht hadden tot Jozua, zoo riep Jozua alle de mannen Israëls, en hij zeide tot de oversten des krijgsvolks, die met hem getogen waren: Treedt toe, zet uwe voeten op de halzen dezer Koningen. En zij traden toe en zet-teden hunne voeten op hunne halzen.

25 Toen zeide Jozua tot hen: Vreest niet en ontzet u niet, zijt sterk en hebt goeden moed; want alzoó zal de Heeke allen uwen vijanden doen tegen dewelke gijlieden strijdt.

26 En Jozua sloeg hen daarna en doodde ze, en hing ze aan vijf houten, en zij hingen aan de houten tot den avond;

27 en het geschiedde ten tijde als de zon onderging, zoo heval Jozua dat men ze van de houten afname, en zij wierpen ze in de spelonk alwaar zij verborgen geweest waren, en zij leiden groote steenen vóór den mond der spelonk, die daar zijn tot op dezen zelfden dag.

28 Op denzelfden dag nam Jozua ook Makkeda in, en sloeg haar met de scherpte des zwaards: daartoe verbande hij haren Koning, henlieden en alle ziele die daarin was : hij liet geen overigen overblijven; en hij deed den Koning van Makkeda gelijk als hij den Koning van Jericho gedaan had.

29 Toen toog Jozua dóór, en gansch Israël met hem, van Makkeda naar Libna, en hij krijgde tegen Libna;

cJO En de Heeke gaf dezelve óók in de hand Israëls, met haren Koning; en hij sloeg ze met de scherpte des zwaards, en alle ziele die daarin was : hij liet daarin geen overigen overblijven; en hij deed haren Koning gelijk hij den Koning van Jericho gedaan had.

31 Toen toog Jozua voort, en gansch Israël met hem, van Libna naar Lachis, en hij belegerde ze en krijgde tegen haar;

32 en de Heere gaf Lachis in de hand Israëls; en hij nam haar in op den tweeden dag, en hij sloeg haar met de scherpte des zwaards, en alle ziele die daarin was, naar alles wat hij Libna gedaan had.

33 Toen trok Horam de Koning van Gezer op om Lachis te helpen: maar Jozua sloeg hem en zijn volk, totdat hij hem geen overigen overliet.

34 En Jozua trok voort van Lachis naar Eglon, en gansch Israël met hem, en zij belegerden haar en krijgden tegen haar;

35 en zij namen haar in ten zel-ven dage, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, en alle ziele die daarin was verbande hij op dien dag. naar alles dat hij Lachis gedaan had.

36 Daarna toog Jozua op, en gansch Israël met hem, van Eglon naar Hebron, en zij krijgden tegen haar;

37 en zij namen haar in, en sloegen haar met de scherpte des zwaards, zoo haren Koning als alle hare steden , en alle ziele die daarin was: hij liet niemand in het leven overblijven, naar alles wat hij Eglon gedaan hal; en hij verbande haar, en alle ziele die daarin was.

38 Toen keerde Jozua, en gansch Israël met hem, naar Debir, en

; hij krijgde tegen haar;

39 en hij nam haar in, met haren Koning, en alle hare steden, en zij sloegen haar met de scherpte des zwaards, en verbanden allo ziele die daarin was: hij liet geen overigen overblijven; gelijk als hij Hebron gedaan had, alzóó deed hij Debir en haren Koning, en gelijk hij Libna en haren Koning gedaan had.

40 AIzoo sloeg Jozua het gan-sche land, het gebergte, en het Zuiden, en de laagte, en de alloo-pingen der wateren, en alle hunne Koningen: hij liet geen overigen overblijven, ja hij verbande alles wat adem had, gelijk als de Heere de God Israels geboden had.

41 En Jozua sloeg ze van Kades-Barnéa en tot Gaza toe ; ook liet gansche land Gosen, en tot Gi-beon toe.

42 En Jozua nam allo deze Koningen en hun land op eenmaal;


-ocr page 283-

JO ZIJ A 14.

209

want de HeeUë de God Israels streed voor Israël.

43 Toen keerde Jozua weder, en gansch Israël met hem, naar het leger te Gilgal.

HOOFDSTUK 11.

Het geschiedde daarna, als Ja-bin de Koning van Hazor dit hoorde, zoo zond hij tot Jobab den Koning van Madon, en tot den Koning van Simron, en tot den Koning van Achsaf,

2 en tot de Koningen, die tegen het Noorden op het gebergte, en op het vlakke tegen het zuiden van Kinneroth, en in de laagte, en in Nafoth-Dor aan de zee waren :

3 tot de Kanaaniten tegen het Oosten en tegen het Westen, en do Amoriten, en de Hethiten, en de Fereziten, en de Jebusiten op het gebergte, en de Heviten onderaan Hermen in het land Mizpa.

4 Deze nu togen uit, en alle hunne heirlegers met hen ; veel volks, als hot zand dat aan den oever der zee is in veelheid, en zeer vele paarden en wagens.

5 Alle deze Koningen werden vergaderd, en kwamen en legerden zich te zamen aan de wateren van Merom, om tegen Israël te krijgen.

G En de Heere zeide tot Jozua: Vrees niet voor hunne aangezichten, want morgen omtrent dezen tijd zal ik ze altegader verslagen geven voorliet aangezicht Israels: hunne paarden zult gij verlammen en hunne wagenen met vuur verbranden.

7 En Jozua en al het krijgsvolk met hem, kwam schielijk over hen aan de wateren van Merom, en overvielen ze;

8 en de Hekre gaf ze in de hand Israels, en zij sloegen ze, en zij joegen ze na tot groot Sidon toe, en tot Misrefoth-Maïm, en tot het dal Mispa tegen het Oosten; en zij sloegen ze, totdat zij geen overigen onder hen overlieten.

9 Jozua nu deed hun gelijk als hem de Heere gezegd had: hunne paarden verlamde hij en hunne wagenen verbrandde hij met vuur.

10 En Jozua keerde weder ter-zelver tijd en hij nam Hazor in, en haren Koning sloeg hij met den zwaarde; want Hazor was te voren het hoofd aller dezer koninkrijken.

11 En zij sloegen alie ziele die daarin was met de scherpte des zwanrds, die verbannende: daar bleet niets over dat adem had; en Hazor verbrandde hij met vuur.

12 En Jozua nam alle de steden dezer Koningen in, en allo hare Koningen, en hij sloeg ze met de scherpte des zwaards, hen verbannende, gelijk als Mozes de knecht des Heeuen geboden had.

13 Alleenlijk verbrandden de Israëliten geen steden die op hare heuvelen stonden, behalve Hazor alleen, dat verbrandde Jozua.

14 En al den roof dezer steden, en het vee, roofden de kinderen Israels voor zich: alleenlijk sloegen zij alle de menschen met de scherpte des zwaards, totdat zij ze verdelgden, zij lieten niets overblijven dat adem had.

15 Gelijk als de Heere Mozes zijnen knecht geboden had, alzoó gebood Mozes aan Jozua, en alzóó deed Jozua: hij deed er niet een woord af van alles dat de Heere Mozes geboden had.

16 Alzoo nam Jozua al dat land in. het gebergte, en al het Zuiden, en al het land Gosen, en de laagte, en het vlakke veld, en het gebergte Israëls en zijne laagte;

17 van den kalen berg die opwaarts naar Seïr gaat, tot Baiil-Gad toe in het dal van Libanon, onderaan den berg Hormon: alle hunne Koningen nam hij ook en sloeg ze en doodde ze.

18 Vele dagen voerde Jozua krijg tegen alle deze Koningen.

19 Daar was geene stad die vrede maakte met do kinderen Israëls, behalve do Heviten, inwoners van Gibeon; zij namen ze allo in door krijg.

2U Want het was van den Heere hunne harten te verstokken, dat zij Israël met oorlog tegemoetgin-gin, opdat hij ze verbannen zoude, dat hun geen genade geschiedde, maar opdat hij ze verdelgen zou-


-ocr page 284-

JOZUA 12.

270

de, gelijk als de Heere Mozes geboden had.

21 Tc dier lijd nu kwam Jozua en roeide de Enakiten uit van het gebergte, van Hebron, van Debir, van Anal), en van het gansche gebergte van Juda, en van het gansche gebergte Israels: Jozua verbande ze inct hunne steden.

22 Er bleef niemand van de Enakiten over in het land der kinderen Israels: alleenlijk bleven zij over te Gaza, te Gath en te As-dod.

23 Alzoo nam Jozua al dat land in , naar alles dat de Heere tot Mozes gesproken had; en Jozua gaf het Israël ten erve, naar hunne afdeelingen, naar hunne stammen. En het land rustte van den ki-ijg-

HOOFDSTUK 12.

Dit nu zijn de Koningen des lands, die de kinderen Israels geslagen hebben, en wier land zij erfelijk bezaten, aan gene zijde van den Jordaan, tegen den opgang der zon; van de beek Arnon af tot den berg Hermon, en het gansche vlakke veld tegen het Oosten:

2 Sihon, de Koning der Amori-ten, die te Hesbon woonde, die van Aroër af heerschte \'t welk aan den oever der beek Arnon is, en over het midden der boek, en de helft van Gilead, en tot aan de beek Jabbok, do landpale der kinderen Amnions;

3 en over het vlakke veld tot aan de zee Kinneroth tegen het Oosten, en tot aan de zee des vlakken velds, de Zoutzee, tegen het Oosten, op den weg naar Beth-Jcsimoth; en van het Zuiden beneden Asdoth-Pisga.

4 Daartoe de landpale van Og, den Koning van Basan, die van het overblijfsel der reuzen was, •wonende te Astaroth en te Edréï,

5 en heerschte over den berg Hermon, en over Salka, en over geheel Basan, tot aan de landpale der Gcsuriten en der Maachathi-ten; en de helft van Gilead, de landpale Sihons des Konings van Hesbon.

g Mozes de knecht des Heer en en de kinderen Israëls sloegen ze, en Mozes de knecht des Heeren gaf den Rubeniten en den Gaditen en den halven stam van Ma-nasse dat land tot eene erfelijke bezitting.

7 Dit nu zijn de Koningen des lands die Jozua versloeg, en de kinderen Israëls, aan deze zijde van den Jordaan tegen het Westen , van Baal-Gad af in het dal van Libanon, en tot aan den kalen berg die naar Seïr opgaat; en Jozua gaf het den stammen Israëls tot eene erfelijke bezitting, naar hunne afdeelingen.

8 Wat op het gebergte, en in de laagte, en in het vlakke veld, en in de afloopingen der wateren, en in de woestijn, en tegen het Zuiden was: de Hethiten, de Amo-riten en de Kanaaniten, de Fere-ziten, de Heviten en de Jebusi-ten.

9 De Koning van Jericho; de Koning van Ai, terzijde van Beth-

10 De Koning van Jeruzalem; de Koning van Hebron;

11 de Koning van Jarmuth; de Koning van Lachis;

12 de Koning van Eglon; de Koning van Gezer;

13 de Koning van Debir; de Koning van Geiler;

14 de Koning van Horma; de Koning van Arad;

15 de Koning van Libna; de Koning van Adullam;

16 de Koning van Makkeda; de Koning van Beth-El;

17 de Koning van Tappüah; de Koning van Hefer;

18 de Koning van Afek; de Koning van Lassaron;

19 de Koning van Madon; de Koning van Hazor;

20 de Koning van Simron-Meron; de Koning van Achsaf;

21 de Koning van Taanach; de Koning van Megiddo;

22 de Koning van Kedes; de Koning van Jokneam aan den Karmel;

23 de Koning van Doi , te Na-fath-Dor; de Koning der heidenen te Gilgal;


-ocr page 285-

JOZUA 13.

271

24 de Koning van Tirza. Alle deze Koningen zijn eenendertig.

HOOFDSTUK 13.

Jozua nu was oud, weibedaagd; en de Hei:re zeidc lot hem: Gij zijt oud geworden, weibedaagd, eh er is zeer veel land overgebleven om dat erfelijk te bezitten.

2 Dit is het land dat overgebleven is: alle de grenzen der Filistijnen , en het gansche Gesuri.

3 Van de Si hor, die vóóraan Egypte is, tot aan de landpale van Ekron tegen het Noorden. dat den Kanaaniten toegerekend wordt: vijf Vorsten der Filistijnen, do Gazathiet en Asdodiet, de Aske-loniet, de Gethiet en Ekroniet, en de Avviten;

4 van het Zuiden, het gansche land der Kanaaniten, en Meara dat van de Sidoniërs is, tot Afek toe, tot aan de landpale der Amo-riten:

5 daartoe het land der Gibliten, en de gansche Libanon legen den opgang der zon, van Baal-Gad onderaan den berg Hormon, lot aan den ingang van Hamath;

ü allen die op het gebergte wonen , van Libanon af tot Misre-Iblh-Maïm toe, alle de Sidoniërs; ik zal ze verdrijven van hot aangezicht der kinderen Israels: alleenlijk maak dat het Israël ten erfdeel valle, gelijk als ik u geboden heb.

7 En nu, deel dit land lot een erfdeel aan de negen stammen en den halven stam van Manasse;

8 met dewelken de Uubcniten en Gadilen hunne erfenis ontvangen hebben, dewelke Mozes hunlieden gaf aan gene zijde van den Jordaan legen het Oosten, gelijk als Mozes de knecht des Heeiii:n hun gegeven had:

9 van Aroër af die aan den oever der beek Arnon is, en de stad die in het midden der beek is, en al het vlakke land van Medeba lot Dibon toe;

10 en alle de steden Sihons, des Konings der Amoriten, die te Hesbon geregeerd heeft, tot aan de landpale der kinderen Ammons;

11 en Gilead, en de landpale der Gesuriten en der Maachathi-ten, en den ganschen berg Hormon, en gansch Basan tot Salka toe;

12 het gansche koninkrijk van Og in Basan , die geregeerd heeft te Aslaroth en te Edréi: deze is overig gebleven uit het overblijfsel der reuzen, welke Mozes heeft verslagen en verdreven;

13 doch de kinderen Israels verdreven de Gesuriten en M;.ach.a-thiten niet, maar Gesuren Maachalh woonden in het midden van Israël tot op dezen dag.

14 Alleenlijk gaf hij den stam Levi geen erfenis: de vuurofferen Godes des 11 ei-:ren Israels, die zijn zijne erfenis, gelijk hij tot hem gesproken had.

15 Alzoo gaf Mozes aan den stam dei- kinderen Rubens naar hunne huisgezinnen,

-1(3 dat hunne landpale was van Aroër af, dat aan den oever dei-beek Arnon is, en de stad die in het midden der beek is, en al het vlakke land tot Medeba toe;

17 Hesbon en alle hare steden die in het. vlakke land zijn, Dibon, en Bamolh-Baal, en Beth-Baal-Meon,

18 en Jahza, en Kedemoth, en Mefarith,

19 en Kirjathaïm, en Sibrna, en Zereth-Hassahar op den berg des dals,

20 en Beth-Peor en Asdolh-Pisga, en Beth-Jesimoth;

2! en alle sleden des vlakken lands, en het gansche koninkrijk Sihons des Konings der Amoriten, die te Hesbon regeerde, denwel-ken Mozes geslagen heeft, mitsgaders de vorsten van Midian, Evi en Bekcm en Zur en Hur en Beha, geweldigen Sihons, inwoners des lands.

22 Daartoe hebben de kinderen Israels met den zwaarde gedood Bileam, den zoon Beors, den voorzegger, nevens degenen die van hen verslagen zijn.

23 De landpale na der kinderen Rubens was de Jordaan en des-zelfs landpale: dat is het erfdeel der kinderen Rubens naar hunne


-ocr page 286-

JOZUA 14.

272

huisgezinnen, de steden en hare dorpen.

24 Kn aan den stam Gads, aan de kinderen Gads naar hunne huisgezinnen, gaf Mozes,

25 dat hunne landpale was Jaëzer, en alle de steden Gileads, en het halve land der kinderen Amnions, tot Aroër toe die vóóraan Rabba i.s:

20 en van Hesbon af tot Ramath-Mizpa en Helonim; en van Maha-naïm tot aan de landpale van Debir;

27 en in het dal, Beth-Haram, en Beth-Nimra, en Sukkoth, en Zafon, dat overig was van het koninkrijk Sibons des Konings te Hesbon; de Jordaanen zijne landpale ; tot aan het einde der zee Kinnéreth, over den Jordaan, tegen bet Oosten.

28 Dit is het erfdeel der kinderen Gads naar hunne huisgezinnen, de steden en hare dorpen.

29 Voorts had Mozes den halven stam van Manasse cenc erfenis gegeven, die aan den halvenstam der kinderen van Manasse bleef, naar hunne huisgezinnen;

30 zoodat hunne landpale was van Mahanaïm af, het ganscbe Basan, bet ganscbe koninkrijk van Og, den Koning van Basan, en alle de vlekken van Jaïr die in Basan zijn, zestig steden.

31 En bet halve Gilead, en Astarotb, en Edréï, steden des koninkrijks van Og in Basan, waren van de kinderen Machirs des zoons van Manasse, namelijk de helft der kinderen Machirs, naar hunne huisgezinnen.

32 Dat is bet wat Mozes ten erve uitgedeeld had in de velden Moabs O]) gene zijde van den Jordaan van Jericho, tegen het Oosten.

33 Maar aan den stam van Levi gaf Mozes geen erfdeel: de Heere de God Israels is zelf buiilieder erfdeel, gelijk als bij tot hen gesproken beeft.

HOOFDSTUK 14.

Dit is nu betgeen de kinderen Israels geërfd hebben in bet bind Kanaan: hetwelk de Priester Ele-azar, en Jozua de zoon van Nun, en de hoofden der vaderen van de stammen der kinderen Israels, ben hebben doen erven;

2 door bet lot hunner erfenis, gelijk de hejehe door den dienst van Mozes geboden bad aangaande de negen stammen en den halven stam.

3 Want den twee stammen en den balven stam bad Mozes een erfdeel gegeven aan gene zijde van den Jordaan; maar den Levi-ten bad bij geen erfdeel onder ben gegeven.

4 Want de kinderen Jozefs waren twee stammen, Manasse en Efraïm; en den Levi ten gaven zij geen deel in het land, maar steden om te bewonen, en derzelver voorsteden voor bun vee en voor hunne bezitting.

5 Gelijk als de Heere Mozes geboden bad, alzóó deden de kinderen Israëjs, en zij deelden het land.

0 Toen naderden de kinderen van Juda tot Jozua te Gilgal, en Kaleb de zoon van Jefunne, de Keniziet, zeide tot hem: Gij weet liet woord dat de Heere tot Mozes den man Gods gesproken beeft te Kades-Barnéa, ter oorzake van mij en ter oorzake van u.

7 Ik was veertig jaar oud toen Mozes, de knecht des Heerex, mij uitgezonden heeft van Kades-Barnéa om bet land te verspieden, en ik hem antwoord bracht gelijk als \'t in mijn harte was.

8 Maar mijne broeders die met mij opgegaan waren deden het harte des volks smelten; doch ik volhardde den Heere mijnen God na te volgen.

0 Toen zwoer Mozes te dien zeiven dage, zeggende: Indien niet bet land, waarop uw voet getreden beeft, u en uwen kinderen ten erfdeel zal zijn in eeuwigheid! dewijl gij volhard hebt den Heere mijnen God na te volgen.

10 En nu, zie, de Heere heeft mij in bet leven behouden, gelijk als hij gesproken heeft: bet zijn nu vijfenveertig jaren sedert de Heere dit woord tot Mozes gesproken heeft, toen Israël in de


-ocr page 287-

JOZUA 15.

273

woestijn wandelde, en nu, zie, ik ben lieden vijlen lach lig jnar end:

11 ik ben nog heden /oo sterk gelijk als ik was ten dage toen Mozes mij uitzond, gelijk mijne kracht toen was alzóó is nu mijne kracht tot den oorlog, en om uit te gaan en om in te gaan.

12 En nu geef mij dit gebergte, waarvan de Urere te dien dage gesproken heelt: want gij hebt liet te dienzelfden dage gehoord, dat de Enakiten aldaar waren, en dat er groote vaste steden waren; of de Heere niet mij ware, dat ik ze verdreef, gelijk als de Heere gesproken heeft.

13 Toen zegende hem Jozua, en hij gaf Kaleb, den zoon van Jefunne, Hebron ten erfdeel.

14 Daarom werd Hebron aan Kaleb den zoon van Jefnnne, den Keneziet, ten erfdeel tot op dezen dag, omdat hij vol haul had den Heere den God Israels na te volgen.

15 De naam nu van Hebron was eertijds Kirjath-Arba, die een groot mensch geweest is onder de knakken. En het land rustte van den kiijg.

HOOFDSTUK 15.

En het lot voor den stam der kinderen van Juda, naar hunne huisgezinnen, was aan de landpale Edoms; de woestijn Zin zuidwaarts was het uiterste tegen het Zuiden;

2 zoodat hunne landpale tegen het Zuiden het uiterste van de Zoutzee was, van de tong af die tegen het Zuiden ziet;

3 en zij gaat uitnaai\'het Zuiden tot den opgang van Akrabbim, en gaat dóór naar Zin, en gaat op van het Zuiden naar Kades-Barnéa, en gaat door Hezron, en gaat op naar Addar, en gaat om Karkaii,

4 en gaat dóór naar Azmon, en komt uit aan de beek van Egypte; en de uitgangen dezer landpale zullen naar de zee zijn. Dit zal uwe landpale tegen het Zuiden zijn.

5 De landpale nu tegen het Oosten zal de Zoutzee zijn, tot aan het uiterste van den Jordaan. En do landpale aan de zijde tegen het Noorden zal zijn van de tong der zee, van het uiterste van den Jordaan;

0 en deze landpale zal opgaan tot Both-Hogla, en zal doorgaan van het Noorden naar Beth-Araba; en deze landpale zal opgaan tot den steen Bohans, des zoons van Ruben.

7 Voorts zal deze landpale opgaan naar Debir van het dal Achor, en zal noordwaarts zien naar Gilgal, hetwelk tegen den opgang van Aduminim is , die aan het zuiden der beek is. Daarna zal deze landpale doorgaan tot het water van En-Sémes, en hare uitgangen zullen wezen te En-Kogel.

8 En deze landpale zal opgaan door het dal des zoons Hinrioms, aan de zijde van den Jebusietvan hel Zuiden, dezelve is Jeruzalem ; en deze landpale zal opwaarts gaan tot de spils van den berg die vóóraan het dal van Hinnom is westwaarts , hetwelk in het uiterste van het dal der Refaïten is tegen het Noorden.

9 Daarna zal deze landpale strekken van de hoogte des bergs tot aan do waterfontein Neftóah, en uitgaan tot de steden van het gebergte Efron. Vorder zal deze landpale strekken naar Baüla, deze is Kirjath-Jearim.

10 Daarna zal deze landpale zich omkeeren van Bafila tegen het Weslen, naar het gebergte Seïr, en zal doorgaan aan de zijde van den berg Jeariin van het Noorden, dat is Kesalon; en zij zal afkomen naar Beth-Sémes, en door Timna gaan.

11 Voorts zal deze landpale uitgaan aan de zijde van Ekron noordwaarts, en deze landpale zal strekken naar Sichron aan, en over den berg Baala gaan, en uitgaan te Jabneël; en de uitgangen dezer landpale zullen zijn naar de zee.

12 De landpale nu tegen het Westen zal zijn tot de groote zee en der zeiver quot;landpale. Dit is de landpale der kinderen van Juda rondomhenen naar hunne huisgezinnen.

13 Doch Kaleb, den zoon van Jefunne, had hij een deel gegeven in het midden der kinderen van Juda, naar den mond des He eren


-ocr page 288-

274

tot Jozua; do stad van Arba (va-dor van Enak), dat is Hobron.

14 En Ka leb verdreef van daar de drie zonen Enaks, Sosai en Ahiman en Talmai, geboren van Enak.

15 En van daar toog hij opwaarts tot de inwoners van Debir, (de naam van Debir nu was te voren Kirjath-Séfer);

16 en Kaleb zeidc: Wie Kirjath-Séfer zal slaan en nemen ze in, dien zal ik ook mijne dochter Achsa tot eene vrouw geven.

17 Othniöl nu , de zoon van Ke-naz , Kalebs broeder. nam ze in ; en hij gaf hem Achsa zijne dochter tot eene vrouw.

18 En het geschiedde als zij tot hem kwam. zoo porde zij hem aan om een veld van haren vader te begeeren ; en zij sprong van den ezel af; toen sprak Kaleb tot haar: Wat is u?

19 En zij zeide: Geef mij eenen zegen ; dewijl gij mij een dor land gegeven hebt. geef mij ook waterwellingen. Toen gaf hij haar hooge waterwellingen en lage waterwellingen.

20 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Juda naar h\'unne huisgezinnen.

21 De steden nu van het uiterste van den stam der kinderen van Juda tot de landpale van Edom tegen het Zuiden zijn Kabzeël,en Eder, en Jagur,

22 en Kina, en Dimona, en Adada,

23 en Kedes, en llazor, en Jithnan,

2\'! Zif, en Telem, en Bealoth,

25 en Hazor, Hadatta, en Ke-rioth-Hezron (dat is Hazor),

213 Amam, en Serna, en Molada,

27 en Hazar-Gadda, en Hesmon, en Beth-Pelet,

28 en Hazar-Sual, en Beër-Séba, en Bizjotheja,

29 Baiila, en Ijim, en Azcm,

30 en Eltolad, en Kesil, en ï-lorma,

31 en Ziklag, en Madmanna, en Sansanna,

32 en Lebaoth , en Silhim , en Ain, en Rimmon: allo deze steden zijn negenentwintig en hare dorpen.

| 33 In de laagte zijn Estaol, en Zora, en Asna ,

I 34 en Zanóah , en En-Gannim , Tappuah, en Enam,

35 Jarmuth, cnAduIlam, Socho, en Azeka,

36 en Saaraïm , en Adithaïm , en Gedera, en Gederothaïm: veertien steden en hare dorpen;

37 Zenan, en Hadasa, en Migdal-Gad,

38 en Dilan , en Mizpa, en Jok-teël,

39 Lach is, en Bozkath. en Eglon,

40 en Kabbon, en Lahmas, en Kithlis,

41 en Gederoth, Beth-Dagon, en Naama. en Makkeda: zestien steden en hare dorpen;

42 Libna, en Ether,, en Asan,

43 en Jiftah, en Asna, enNezib,

44 en Kehila, en Achzib, en Maresa: negen steden en hare dorpen;

45 Ekron, en hare onderhoorige plaatsen en hare dorpen;

46 van Ekron en naar de zee toe alle die aan de zijde van Asdod zijn, en hare dorpen ;

47 Asdod, hare onderhoorige plaatsen en hare dorpen; Gaza, hare onderhoorige plaatsenen hare dorpen, tot aan de rivier van Egypte ; en de groote zee en hare landpale.

48 Op het gebergte nu: Samir, en Jattir, en Socho,

49 en Danna, en Kirjath-Sanna, dat is Debir,

50 en Anab, en Estomo. en Anim,

51 en Gosen, en Holon, en Gilo: elf steden en hare dorpen ;

\' 52 Arab, en Duma, en Esan,

53 en Janum, en Beth-Tappüah, en Afeka,

54 en Humta, en Kirjath-Arba, dat is Hebron, en Zior: negen steden en hare dorpen;

55 Maori, Karinel, en Zif, en Jnta,

56 En Jizreël, en Jokdeam, en Zanóah,

57 Kain, Gibea, en Timna: tien steden en hare dorpen;

58 Halhul, Beth-Zur, en Gedor,

59 en Maarath, en Beth-Anoth, en EItekon: zes steden en hare dorpen;

JOZUA 15.


-ocr page 289-

J 0 Z U A 16, 17.

275

60 Kirjatli-Baal, dat is Kirjath-Jearim, en Babba: twee sleden en hare dorpen.

61 In de woes lijn: Belh-Araba, Middin, en Sechacha,

62 en Nibsan, en de Zoutstad, en Engédi: zes sleden en hare dorpen.

63 Maar de kinderen van Juda konden de Jebusiten, inwoners van Jeruzalem, niet verdrijven: alzoo woonden de Jebusiten bij de kinderen van Juda te Jeruzalem tot dezen dag toe.

HOOFDSTUK 16.

Daarna kwam het lol der kinderen Jozefs uit: van den Jordaan bij Jericho, aan hel water van Jericho, oostwaarts, de woestijn opgaande van Jericho, door het ge-bergte Belh-El;

2 en het komt van Belh-El uit naar Luz, en het gaat dóór lot de landpale des Arkiets, tot Atarolh toe,

3 en het gaat af tegen hel Westen naar do landpale van Jatleti, tot aan de landpale van het benedenste Belh-Horon, en tot Gezer; en hare uilgangen zijn aan de zee.

4 Alzoo hebben hun erfdeel bekomen de kinderen Jozefs, Ma-nasse en Efraïm.

5 De landpale nu der kinderen Efraïms naar hunne huisgezinnen is deze: le welen, de landpale huns èrfdeels was oostwaarts Alroth-Addar tot aan opper-Belh-Iloron;

6 en deze landpale gaal uit tegen hel Westen bij Michmelhath, van het Noorden, én deze landpale keert zich óm tegen hel Oosten naar Taanalh-Silo, en gaat door dezelve van het Oosten naar Ja-nóah,

7 en komt af van Janóah naar Atarolh en Naharath, en sloot aan Jericho, en gaat uit aan den Jordaan ;

8 van Tappuah gaat deze landpale westwaarts naar de beek Kana, en hare uilgangen zijn aan de zee. Dit is hel erfdeel van den stam der kinderen Efraïms naar hunne huisgezinnen.

9 En de steden die afgezonderd waren voor de kinderen Efraïms, waren in het midden van het erfdeel der kinderen van Manasse, alle die steden en hare dorpen.

10 En zij verdreven de Kanaiini-ten niet die te Gezer woonden; alzoo woonden die Kanaaniten in het midden der Efraïmiten tot op dezen dag; maar zij waren onder schatting dienende.

HOOFDSTUK 17.

De stam van Manasse had ook een lot, omdat hij Jozefs eerstgeborene was: te weten Machir, de eerstgeborene van Manasse, de vader Gileads, omdat hij een krijgsman was, zoo had hij Gilcad en Basan.

2 Ook hadden de overgebleven kinderen van Manasse een lot, naar hunne huisgezinnen: te weten de kinderen van Abiëzer, en de kinderen van Helek, en de kinderen van Asriël, en de kinderen van Sechem, en de kinderen van Refer, en de kinderen van Semida. Dit zijn de mannelijke kinderen van Manasse, den zoon Jozefs, naar hunne huisgezinnen.

3 Zelafead nu , de zoon van Heler, den zoon van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse, had geen zonen maar dochters, en dit zijn de namen zijner doch-leren: Mahla en Noa, Hogla, Milka en Tirza.

4 Deze dan traden toe voor het aangezicht van Eleazar, den Priester, en voor het aangezicht van Jozua, den zoon van Nun, en voor hel aangezicht der oversten, zeggende : De Heeue heeft Mozes geboden dat men ons een erfdeel geven zoude in hot midden onzer broederen. Daarom gaf hij haar, naar den mond des HeerÈn, een erfdeel in het midden der broederen haars vaders.

5 En aan Manasse vielen tien snoeren toe, behalve het land Gilead en Basan, dat op gene zijde van den Jordaan is.

6 Want de dochleren van Manasse erfden een erfdeel in het midden zijner zonen; en het land


-ocr page 290-

JOZUA 18.

276

Gilcad hadden dc overgebleven kinderen van Manasse ;

7 zoodat de landpale van Manasse was van Aser af tot Mich-methath, die vóóraan Sicliem is; en deze landpale gaat Ier rechterhand tot aan de inwoners van En-Tappiiah.

8 Manasse had wel hot land van Tappiiah, maar Tappüah zelf, aan dc landpale van Manasse, hadden de kinderen Efraïms.

9 Daarna komt de landpale af naar de beek Kana tegen het zuiden der beek. Deze steden zijn van Efraïm in het midden der steden van Manasse; en de landpale van Manasse is aan het noorden der beek, en hare uitgangen zijn aan de zee.

10 Het was van Efraïm tegen het Zuiden, en tegen het Noorden was het van Manasse, en de zee was zijne landpale; en aan het Noorden stieten zij aan Aser, en aan het Oosten aan Issagehar.

11 Want Manasse had in Issa-schar en in Aser Beth-Sean en hare onderhoorige plaatsen, en Jibleam en hare onderhoorige plaatsen, en de inwoners te Dor en hare onderhoorige plaatsen, en de inwoners te Endor en hare onderhoorige plaatsen, en de inwoners te Taiinach en hare onderhoorige plaatsen, en dc inwoners te Megiddo en hare onderhoorige plaatsen: drie landstreken.

12 En dc kinderen van Manasse konden dc inwoners van die steden niet verdrijven, want de Ka-naiiniten wilden in hetzelfde land wonen;

13 en het geschiedde als dc kinderen Israels sterk werden, zoo maakten zij de Kanaaniten cijnsbaar, maar zij verdreven ze niet ganschelijk.

14 Toch spraken dc kinderen Jozefs tot Jozua, zeggende: Waarom hebt gij mij ten erfdeel maar één lot en één snoer gegeven, daar ik toch een groot volk ben, voorzoo-veel dc Heere mij dusver gezegend heeft?

15 Jozua nu zeide tot henlieden: Dewijl gij een groot volk zijt, zoo ga op naar het woud, en houw daar voor u af in heUand der Fe-reziten en der Refaïfen, dewijl u het gebergte Efraïms te eng is.

16 Toen zeiden dc kinderen Jozefs: Dat gebergte zoude ons niet genoegzaam zijn; daar zijn ook ijzeren wagens bij alle Kanaaniten die in het land des dals wonen, bij die te Beth-Sean en hare onderhoorige plaatsen, en die in het dal Jizreël zijn.

17 Verder sprak Jozua tot het huis Jozefs, tot Efraïm en tot Manasse, zeggende: Gij zijt een groot volk en gij hebt grootc kracht, gij zult niet één lot hebben,

18 maar het gebergte zal het uwe zijn; en dewijl het een woud is, zoo houw het af, zoo zullen zijne uitgangen uwe zijn; want gij zult dc Kanaaniten verdrijven, ai hebben zij ijzeren wagens , ai zijn zij sterk.

HOOFDSTUK 18.

En dc gansche vergadering der kinderen Israels verzamelde zich te Silo, en zij richtten aldaar op dc Tente der samenkomst, nadat het land voor hen onderworpen was.

2 En daar bleven overig onder dc kinderen Israels, denwelken zij hun erfdeel niet uitgedeeld hadden, zeven stammen.

3 En Jozua zcide tot de kinderen Israëls: Hoelang houdt gij u zoo slap om voort te gaan om het land te beërven, hetwelk de Heere do God uwer vaderen u gegeven heeft ?

4 Geeft voor ulieden drie mannen van eiken stam, dat ik ze he-nenzende, en zij zich opmaken en het land doorwandelen, en beschrijven hetzelve naar hunne erven, en lueder tot mij komen.

5 Zij nu zullen het deelen in zeven dcclen: Juda zal b\'ijvcn op zijne landpale van het Zuiden, en het huis Jozefs zal blijvea op zijne landpale van het Noorden.

0 En gijlieden zult hel. land beschrijven in zeven deelen, en tot mij herwaarts brengen, dat ik voor ulieden het lot hier werpe voor het aangezicht des Heeren on-zes Gods.

7 Want de Lcviten hebben geen


-ocr page 291-

JOZUA 18.

277

tied in liet midden van ulieden, maar liet Priesterdom des Hee-ren is hun erfdeel. Gad nu en Ruben en de halve stam van Ma-nasse hebben hun erfdeel genomen op gene zijde van den Jor-daan oostwaarts, hetwelk him Mo-zes, de knecht des Heeren, gegeven heeft.

8 Toen maakten zich die mannen op en gingen henen. En Jozua gebood hun die henengingen om het land te beschrijven, zeggende: Gaat en doorwandelt het land. en beschrijft het; komt dan weder tot mij, zoo zal ik ulieden hier het lot werpen voor het aangezicht des Heeiien te Silo.

ü De mannen dan gingen henen en doortogen het land, en beschreven het, naar de steden, in zeven deelen, in een boek, en kwamen weder tot Jozua in het leger te Silo.

10 Toen wierp Jozua het lot voor hen te Silo voor het aangezicht des Heehex, en Jozua deelde aldaar den kinderen Israëls het land naar hunne afdeelingen.

11 En het lut van den stam der kinderen Benjamins kwam op naar hunne huisgezinnen, en de land-pale van hun lot ging uit tusschen de kinderen vanJuda en tusschen de kinderen van Jozef.

12 En hunne landpale was naaiden hoek noordwaarts van den Jordaan; en deze landpale gaat opwaarts aan de zijde van Jericho van het Noorden, en gaat op door het gebergte westwaarts, en hare uitgangen zijn aan de woestijn van Beth-A ven;

13 en van daar gaat de landpale dóór naar Luz, aan de zijde van Luz (welke is Belh-El) zuidwaarts; en deze landpale gaat af naar Atroth-Addar, aan den berg die aan de zuidzijde van het benedenste Beth-Horon is;

14 cn die landpale strekt en keert zich om naar den westhoek, zuidwaarts van den berg die tegenover Beth-lloron zuidwaarts is; en hare uitgangen zijn aan Kirjath-Baal (welke is Kirjat li-Jearim), eene stad der kinderen van Juda. Dit is de hoek ten westen.

15 De hoek nu ten zuiden is aan het uiterste van Kirjath-Jearim; en deze landpale gaat uit ten westen, en zij komt uit aan de fontein der wateren van Neftóah;

lü en deze landpale gaat af tot aan het uiterste des bergs, die tegenover het dal des zoons Hin-noms is, die in het dal dér Re-faïten is tegen het Noorden; en gaat af door het dal Hinnoms, aan de zijde dei\' Jebusiten zuidwaarts, en gaat af aan de fontein Rogels;

17 cn strekt zich van het Noorden, en gaat uit te En-Sémes; van daar gaat zij uit naar Geliloth, welke is tegenover den opgang-naar Adummim, en zi j gaat af aan den steen van Rohan, den zoon van Ruben;

\'J8 en gaat dóór terzijde tegenover Araba naar het Noorden, en gaat af te Araba;

19 voorts gaat deze landpale dóór aan de zijde van Beth-Hogla noordwaarts, en de uitgangen dezer landpale zijn aan de long der Zoutzee noordwaarts, aan het uiterste van den Jordaan zuidwaarts. Dit is de zuiderlandpale.

20 De Jordaan nu bepaalt haar aan den hoek naar het Oosten. Dit is het erfdeel der kinderen Benjamins, in hunne landpalen rondom, naar hunne huisgezinnen.

21 De steden nu van den stam der kinderen Benjamins naar hunne huisgezinnen zijn Jericho, en Beth-Hogla, en Êmek-Keziz,

22 en Beth-Araba, en Zema-raïm, cn Beth-EI,

23 en Avvim, cn Para, enOfra,

24 en Kefar-Haammoni, . en Ofni, en Gibea: twaalf steden en hare dorpen;

25 Gibeon, en Rama, en Beë-roth,

26 en Mizpa, en Kefira, en Moza,

27 en Rekem, en Jirpeël, en Tarala,

2s en Zela, Elc\'quot;, en Jebusi (deze is Jeruzalem), Gibath, Kir-ath: veertien steden mitsgaders tare dorpen. Dit is het erfdeel der kinderen Renjamins, naar hunne huisgezinnen.


-ocr page 292-

JOZUA 49.

278

HOOFDSTUK 19.

Daarna ging het tweede lot uit voor Simeon, voor den stam der kinderen Simeons naar hunne huisgezinnen ; en hun erfdeel was in het midden des erfdeels der kinderen van Juda.

2 En zij hadden in hun erfdeel: Beër-Scba, en Seba, en Molada,

3 en Huzar-Sual, en Bala, en Azem,

4 en Eltolad, en Bethui, en Horma,

5 en Ziklag, en Beth-Hammar-kaboth, en Hazar-Susa,

(3 en Beth-Lebaoth , en Saruhen: dertien steden en hare dorpen;

7 Ain, Rimmon, en Ether, en Asan: vier steden en hare dor-pen;

8 en alle de dorpen, die rondom deze steden waren, tot Baalath-Beër dat is Ramafh legen het Zuiden. Dit is het erfdeel van den stam der kinderen Simeons , naar hunne huisgezinnen.

1) Dor kinderen Simeons erfdeel is onder het snoer der kinderen van .Juda; want het erfdeel der kinderen van Juda was te groot voor hen, daarom erfden de kinderen Simeons in het midden huns erfdeels.

10 Daarna kwam het derde lot op voor de kinderen Zebulons naar hunne huisgezinnen; en do land-pa Ie huns erfdeels was tot aan Sa rid;

11 en hunne landpale gaat opwaarts naar het. Westen en Ma-rala, en reikt tot Dabbéseth, en reikt tot aan de beek die vóóraan Jokneam is;

12 en zij wendt zich van Sarid oostwaarts tegen den opgang der zon, tot de landpale van Klsloth-Tabor, en zij komt uit te Dobrath en gaat opwaarts naar Jaffa;

13 en van daar gaat zij oostwaarts dóór naar den opgang, naar Gath-Héfer, te Eth-Kazin, en Jj komt uit te Uimmon-Methoar, \'t welk is Nea;

14 en deze landpale keert zich om tegen het Noorden naar Ilan-nathon, en hare uitgangen zijn het dal van Jiftah-El,

15 en Kattath, en Nahalal, en; 32 Simron, en Jidala, en Bethlehem:^ V twaalf steden en hare dorpen. ^jntl

lü Dit is het erfdeel der kinde-jmi-j ren Zebulons naar hunne huisge-s 3^ zinnen, deze steden en hare dor- jjel pen. |n

17 Het vierde lot ging uit voor Lal Issaschar, voor de kinderen Is- har saschars, naar hunne huisgezin- 3 nen. Ave

18 En hunne landpale was Jiz- -en reëla, en Kesulloth, en Sunem, jhju

19 en Hafaraïm: en Sion, en :te£ Anacharath, jyc

20 en Rabbith, en Kisjon, en |;ju Ebez, or

21 en Remeth, en En-Gannim,

en En-Hadda, en Beth-Pazzez; di

22 en deze landpale reikt aan ei Tabor, en Sahazima, en Beth-Sémes; en de uitgangen van hunne B landpale zijn aan den Jordaan: zestien steden en hare dorpen. ï

23 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen Issaschars, naar ( hunne huisgezinnen, de steden en 1 hare dorpen.

24 Toen ging het vijfde lot voor 1 den stam der kinderen Asers uit,

naar hunne huisgezinnen.

25 En hunne landpale was Hel-kath, en Hali, en Beten, en Achsaf,

26 en Allammélech, en Amad, en Misal; en reikt aan Karmel westwaarts, en aan Sihor-Libnath,

27 en wendt zich tegen den opgang der zon naar Beth-Dagon, en reikt aan Zebulon , en aan het dal Jiftah-El noordwaarts naar Beth-Emek en Neïël, en komt uit tot Kabul ter linkerhand,

28 en Ebron, en Rehob, en Hammen, en Kana, tot aan groot Sidon;

29 en deze landpale wendt zich naar Rama, en lot aan de vaste stad Tyrus; dan keert deze landpale naarliosa, en hare uitgangen zijn aan de zee, van iiet landsnoer strekkende naar Achzib;

30 en Umma, en Afek, en Rehob: tweeëntwintig steden en hare dorpen.

31 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen Apiers, naar hunne huisgezinnen, deze sleden en hare dorpen.


-ocr page 293-

JOZl

I\' en- 32 Het zesde lot ginj* uit voor lern;de kinderen van Naftali: voor de kinderen van Naftali, naar hunne inde-jj,, jsgezinnen.

\'sge- 33 eq hunne landpale is van orquot;iHolef, van Elon tot Zaanannim, en Adami-Nékeb, en Jabneël, lot vooi\'Lakkiim, en hare uitgangen zijn

.s\' aan den Jordaan;

gt;zia\' 34 en deze landpale wendt zich Westwaarts naar Aznoth-Tabor, J,zquot;* jen van daar gaat zij voort naar \'\' Jinkkok, en zij reikt aan Zebulon on tegen het Zuiden, en aan Aser reikt zij tegen het Westen , en aan cn Juda aan den Jordaan tegen den

opgang der zon.

12y 35 De vaste steden nu zijn Zid-dim, Zer en Hammath, Rakkath en Kinnéreth,

30 en Ada ma, en Rama, en Hazor,

\'• 37 en Kedes, en Edréï, en En-Hazor,

n 38 en Jiron, en Migdal-El, Horem, r en Beth-Anath en Beth-Sémes: 1 negentien steden en hare dorpen.

39 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Naftali

• naar hunne huisgezinnen, de steden en hare dorpen.

40 Hot zevende lot ging uit voor den stam dor kinderen van Dan naar hunne huisgezinnen.

41 En de landpale huns erfdeels was Zora, en Kstaol, en Tr-Sémes,

42 en Saalabbin, en Ajjalon, en Jithla,

43 en Elon, en Timnatha, en Ekron ,

44 en Elteké, en Gibbethon, en Baalath,

45 en Jehud, en Bené-Berak, en Gath-Rimmon,

40 en Mé-Jarkon, en Rakkon, met de landpale tegenover Jafo.

47 Doch de landpale der kinderen van Dan was hun te klein uitgekomen: daarom togen de kinderen van Dan op en krijgden tegen Lesem, en namen ze in, en sloegen ze met de scherpte des zwaards, en erfden ze en woonden daarin, en zij noemden Lesem Dan, naar den naam huns vaders Dan.

48 Dit is het erfdeel van den stam der kinderen van Dan naar

f A 20. 279

hunne huisgezinnen, deze sleden en hare dorpen.

49 Toen zij nu geëindigd hadden het land erfelijk le deelen naar zijne landpalen, zoo gaven de kinduren Israels aan Jozua, denzoon van Nun, een erfdeel in het midden van hen;

50 naar den mond des Heeren gaven zij hem die stad welke hij begeerde, Timnath-Sérah op het gebergte Efraïm; en hij bouwde die stad en woonde in dezelve.

51 Dit zijn de erfdeelen, welke Eleazar de Priester, en Jozua, de zoon van Nun, en de hoofden van de vaderen der stammen door het lot aan de kinderen Israels erfelijk uitdeelden te Silo voor het aangezicht des Heeren, aan de deur der Tente der samenkomst. Aldus maakten zij een einde van het uitdeelen des lands.

HOOFDSTUK 20.

Voorts sprak de Heere tot Jozua , Z3ggende:

2 Spreek tot de kinderen Israels, zeggende: Geeft voor ulieden de vrijsteden, waarvan ik met ulieden gesproken heb door den dienst van Mozes,

3 dat daarhenen vliede de doodslager , die een ziele door dwaling, niet met wetenschap, verslaat; opdat zij ulieden zijn tot eene toevlucht voor den bloedwreker.

4 Als hij vlucht tot eene van die steden, zoo zal hij staan aan de deur der stadspoort, en hij zal zijne woorden spreken voor de ooren der oudsten dier stad; dan zullen zij hem tot zich in de stad nemen, en hem plaatse geven dat hij bij hen wone.

quot;5 Ên als de bloedwreker hem najaagt, zoo zullen zij den doodslager in zijne hand niet overgeven, dewijl hij zijnen naaste niet met wetenschap verslagen heeft, en hem gisteren en eergisteren niet heeft gehaat;

0 en hij zal in die stad wonen, totdat hij sta voor hot aangezicht der vergadering voor het gericht, totdat do Hoogepriester sterft die in die dagen zijn zal: dan zal de doodslager wedêrkeeren en komen


-ocr page 294-

JOZUA 21.

280

lot zijno stad en tot zijn huis, tot do stad van waar hij gevloden is.

7 Toen heiligden zij Kedes in Galiléa op hot gebergte van Naf-tali, en Sichem op het gebergte van Efraïm, en Kirjath-Arha, deze is Hebron, op het gebergte van Ju da;

8 en aan gene zijde van den Jordaan van Jericho oostwaarts gaven zij Bezer in de woestijn, in het platte land, van den stam van Ruben, en Ramoth in Gilead van den stam van Gad, en Golan in Basan van den stam van Ma-nasse.

9 Dit nu zijn de steden, die be-bestemd waren voor allo de kinderen Israels, en voor den vreemdeling, die in het midden van henlieden verkeert, opdat derwaarts vluchte al wie oen ziele slaat door dwaling, opdat hij niet sterve dooide hand des bloedwrekers totdat hij voor het aangezicht dor vergadering gestaan zal hebben.

HOOFDSTUK 21.

Toen naderden de hoofden der vaderen der Leviten tot Eleazar den Priester, en tot Jozua den zoon van Nun, en tot de hooiden der vaderen van de stammen der kinderen Israels,

2 en zij spraken tot hen Ie Silo in het land Kanaan, zeggende: De Heure heeft geboden door den dienst van Mozes, dat men ons steden te bewonen geven zoude, en hare voorsteden voor onze beesten.

3 Daarom gaven de kinderen Israels den Leviten van hun erfdeel, naar den mond des Heeren, deze steden en de voorsteden der-zelve.

4 Toen ging het lot uit voor de huisgezinnen der Kohathiten; en voor de kinderen Aarons, des Priesters uit de Leviten , waren van den stam van Juda en van den stam van Simeon en van den stam van Benjamin , door het lot, dertien steden;

5 en den overgebleven kinderen van Kohath vielen, bij het lot, van de huisgezinnen van den stam van

Efraïm en van den stam van Dan en van den halven stam van Ma» nasse tien sleden.

0 En den kinderen van Gerson, van de huisgezinnen van den stam van Issaschar en van den stam van Aser en van den stam van Naftali en van den halven stam van Manasse, in Basan, bij het lot, dertien steden.

7 Den kinderen van Merari, naar hunne huisgezinnen, van den stam van Ruben en van den stam van Gad en van den stam van Zebulon twaalf sleden.

8 Alzoo gaven de kinderen Israels den Leviten deze sleden en hare voorsteden bij het lot, gelijk de Heere geboden had door den dienst van Mozes.

ü Voorts gaven zij van den stam der kinderen van Juda en van den stam der kinderen van Simeon deze steden, die men bij name noemde,

10 dat zij waren van de kinderen van Aaron . van de huisgezinnen der Kohathiten uit de kinderen van Levi; want het eerste lot was het hunne.

\'11 Zoo gaven zij hun de stad van Arba, den vader van AnoiC (zij is Hebron), op den berg van Juda, en hare voorsteden rondom haar;

12 maar het veld der stad en hare dorpen gaven zij Kaleb, den zoon van Jefunne, tot zijne bezitting.

13 Alzoo gaven zij den kinderen des Priesters Aarons dc vrijstad des doodslagers, Hebron en hare voorsteden, en Libna en hare voorsteden,

14 en Jattir en hare voorsteden, en Estemóa en hare voorsteden,

15 en Holon en hare voorsteden, en Debir en hare voorsleden,

16 en Ain en hare voorsleden, en Jutta en hare voorsleden, en Beth-Sémes en hare voorsteden: negen steden van deze twee stammen.

17 En van den stam van Benjamin, Gibeon en hare voorsteden, Gibea en hare voorsteden ,

18 Anathoth en hare voorsteden, en Almon en hare voorsleden: vier sleden.


-ocr page 295-

\'10 Alle de sleden der kinderen Aarons , der Priesteren, waren dertien sleden en hare voorsteden.

20 Den huisgezinnen nu der kinderen Kohaths, de Leviten die overgebleven waren van dc kinderen Kohaths, die hadden de steden huns lots van den stam Efraïms.

21 En zij gaven hun Sichem , eene vrijstad des doodslagers , en hare voorsteden, op den berg Efraïm, en Gezer en hare voorsteden ,

22 en Kibzaïm en hare voorsteden, en Beth-Horon en hare voorsteden: vier steden.

23 En van den stam van Dan , Elteké en hare voorsteden, Gibbet hon en hare voorsteden,

24 Ajjalon en hare voorsteden , Gath-Rimmon en hare voorsteden: vier steden.

25 En van den hal ven stam van Manasse , Taanach en hare voorsteden , en Gath-Rimmon en hare voorsteden: twee steden.

26 Alle de steden voor de huisgezinnen der overige kinderen Kohaths zijn tien, met hare voorsteden.

27 En den kinderen Gersons van dc huisgezinnen der Leviten, van den halven stam van Manasse, de vrijstad des doodslagers, Golan in Basan en hare voorsteden, en Beëstera en hare voorsteden : twee steden.

28 En van den stam van Tssa-schar, Kisjon en hare voorsteden , en Dobrath en hare voorsteden,

29 Jarmuth en hare voorsteden, En-Gannim en hare voorsteden : vier steden.

30 En van den stam van Aser, Misal en hare voorsteden, Abdon en hare voorsteden,

31 En Helkath en hare voorsteden, en Rehob en hare voorsteden: vier steden.

32 En van den stam vanNaftali, de vrijstad des doodslagers, Kedes in Galiléa en hare voorsleden, en Hammoth-Dor en hare voorsteden, en Kartan en hare voorsteden, drie steden.

33 Alle dc sleden der Gersoni-tcn naar hunne huisgezinnen zijn dertien steden en hare voorsteden.

281

34 Den huisgezinnen nu der kinderen van Merari, der overige Leviten. werd fieyeven van den stam van Zebulon Jokneam en hare voorstede i , Kar la en hare voorsteden,

3ö Dimna en hare voorsteden , Nahalal en hare voorsteden: vier steden.

3ü En van den stam van Ruben, Bezer en hare vooorstcden, en Jahza en hare voorsteden ,

37 Kcdernotli en hare voorsteden , en Melaath en hare voorsteden : vier steden.

38 Van den stam van Gad nu, de vrijstad des doodslagers, Ra-moth in Gilead en hare voorsteden , en Mahanaïm en hare voorsteden ,

39 Hesbon en hare voorsteden , Jaëzer en hare voorsteden: alle die steden zijn vier.

40 Alle die steden waren van do kinderen van Merari, naar hunne huisgezinnen , die nog overig waren van dc huisgezinnen der Le-vilen; en hun lot was twaalf steden.

41 Alle dc steden der Leviten, in het midden van de erfenis der kinderen Israels, waren achtenveertig steden en hare voorsteden.

42 Deze steden waren elk met hare voorsteden rondom haar; al-zóó was het met alle die steden.

43 Alzoo gaf dc lii:i:ui-: aan Israël het gansche land dat hij gezworen had hunnen vaderen te geven, en zij beërfden het en woonden daarin.

44 En de Heere gaf hun ruste rondom, naar alles dal hij hunnen vaderen gezworen had; en daar bestond niemand van alle hunne vijanden voor hun aangezicht: .alle hunne vijanden gaf de Heere in hunne hand.

45 Daar viel niet een woord van alle dc goede woorden, die de Heere gesproken had tot den huize Israels: het kwam allemaal.

HOOFDSTUK 22.

Toen riep Jozua de Rubeniten en dc Gadilen en den halven stam van Manasse,

2 en hij zeide tot hen: Gijlieden hebt onderhouden alles wat u Mo-

JOZUA 22.


-ocr page 296-

JOZUA 22.

282

zes, de knecht des Heeren, geboden heeft, en gij zijt mijner stemme gehoorzaam geweest in alles dat ik u geboden heb:

3 gij hebt uwe broederen niet verlaten nu langen tijd, tot op dezen dag toe, maar gij hebt waargenomen de onderhouding der geboden des Heer ex uwes Gods.

4 En nu, de Heere uw God heelt uwen broederen rust gegeven, gelijk hij hun toegezegd had: keert dan nu wederom, en gaat gij naar uwe tenten, naar het land uwer bezitting, hetwelk u Mozes de knecht des Heeren gegeven heeft op gene zijde van den Jordaan.

5 Alleenlijk neemt naarstelijk ■waar te doen het gebod en de wet die u Mozes, de knecht des Heeren , geboden heeft, dat gij den Heere uwen God liefhebt, en dat gij wandelt in alle zijne wegen, en zijne geboden houdt, en hem aanhangt, en dat gij hem dient met uw gansche harte en met uwe gansche ziele.

0 Alzoo zegende hen Jozua, en hij liet ze gaan; en zij gingen naar hunne tenten.

7 Want aan de helft van den stam van Manasse had Mozes cm erfdeel gegeven in Basan, maar aan de andere helft van denzelven gaf Jozua een erfdeel hij hunne broederen aan deze zijde van den Jordaan westwaarts. Voorts ook als Jozua hen liet trekken naar hunne tenten, zoo zegende hij hen,

8 en hij sprak tot hen, zeggende: Keert weder tot uwe tenten met veel rijkdom en met zeer veel vee, met zilver en met goud en met koper en met ijzer, en met zeer veel kleederen: deelt den roof uwer vijanden met uwe broederen.

9 Alzoo keerden de kinderen Rubens en de kinderen Gads en de halve stam van Manasse wederom, en togen van de kinderen Israels, van Silo in het land Kanaiin, om te gaan naar het land van Gilead, naar het land hunner bezitting, in hetwelk zij bezitters gemaakt waren naar den mond des Heeren door den dienst van Mozes.

10 Toen zij kwamen aan de grenzen van den Jordaan, die in het land Kanaan zijn, zoo bouwden de kinderen Rubens en de kinderen Gads en de halve stam van Manasse aldaar een altaar aan den Jordaan, een altaar groot in het aanzien.

11 P^n de kinderen Israels hoorden zeggen: Zie, de kinderen Rubens en de kinderen Gads en de halve stam van Manasse hebben een altaar gebouwd tegenover het land Kanaan, aan de grenzen van den Jordaan aan de zijde der kinderen Israels.

12 Als de kinderen Israels dit hoorden, zoo verzamelde zich de gansche vergadering der kinderen Israels Ie Silo, dat zij tegen hen optogen met een heir.

13 En de kinderen Israëls zonden aan de kinderen Rubens en aan de kinderen Gads en aan den halven stam van Manasse, in het land Gilead, Pinehas Jen zoon Ele-azars, des Priesters.

14 en tien vorsten met hem. van ieder vaderlijk huis oenen vorst , uit alle de stammen Israëls, en zij waren ieder een hoofd des huizes hunner vaderen over de duizenden Israëls.

15 ïoen zij tot de kinderen Rubens en tot de kinderen Gads en tot den halven stam van Manasse kwamen in het land Gilead, zoo spraken zij met hen , zsggende:

16 Aldus spreekt de gansche gemeente des Heeren : Wat overtreding is dit, waarmede gijlieden overtreden hebt tegen den God Israëls, u heden afkeerende van achter den Heere, door dat gij een altaar voor u gebouwd hebt, om heden tegen den Heere weder-spannig te zijn?

17 Is ons de ongerechtigheid Poors te weinig, van dewelke wij niet gereinigd zijn tot op dezen dag, hoewel de plage in de vergadering des Heeren geweest is?

18 Dewijl gij u heden van achter don Heere afkeert, het zal dan geschieden als gij heden we-derspannig zijt tegen den Heere zoo zal hij zich morgen grootelijks vertoornen tegen de gansche gemeente Israëls.

19 Maar toch, indien het land


-ocr page 297-

JOZUA 22.

283

uwer bezitting onrein is, komt over in het land der bezitting des IHoeren , waar de Tabernakel des Heeren woont, en neemt bezitting in het midden van ons; maar zijt niet wederspannig tegen den Heere en zijt ook niet wederspannig tegen oiis, een altaar voor u bouwende behalve het altaar des Heeren onzes Gods.

20 Heeft niet Achan, de zoon van Zerah, overtreding begaan met het

r verbannene, en kwam er niet eene ; verbolgenheid over de gansche vergadering Israels? en die man stierf niet alléén in zijne ongerech-| tigheid.

21 Toen antwoordden de kinderen Rubens en de kinderen Gads en de halve stam van Manasse, en zij spraken met de hoofden der duizenden Israels:

22 De God der goden, de Heere , de God der goden, de Heere, die weet het, Israël zelf zal het ook weten. Is het door wederspannig-heid of is het door overtreding tegen den Heere, zoo behoud ous heden niet.

23 Dat wij ons een altaar zouden gebouwd hebben om ons van achter den Heere af te keeren, of om brandoffer en spijsoffer daarop te offeren, of om dankoffer daarop te doen, zoo eische het de Heere.

24 En zoo wij dit niet uit zorg van wege deze zaak gedaan hebben, zeggende: Morgen mochten uwe kinderen tot onze kinderen spreken, zeggende: Wat hebt gij met den Heere den God Israels te doen?

25 De Heere heeft immers den Jordaan ter landpale gesteld tus-schen ons en tusschen ulieden, gij kinderen Rubens en gij kinderen Gads, gij hebt geen deel aan den Heere. Zoo mochten uwe kinderen onze kinderen doen ophouden, dat zij den Heere niet vreesden.

26 Daarom zeiden wij: Laat ons toch voor ons maken, bouwende een altaar, niet ten brandoffer noch ten oiler,

27 maar dat hij een getuige zij tusschen ons en tusschen ulieden, en tusschen onze geslachten na ons, opdat wij den dienst des Heeren voor zijn aangezicht dienen mochten met onze brandofferen en met onze slachtofferen en met onze dankofferen, en dat uwe kinderen tot onze kinderen morgen niet zeggen: Gijlieden hebt geen deel aan den Heere.

28 Daarom zeiden wij : Wanneer het geschiedt dat zij morgen alzöö tot ons en tot onze geslachten zeggen zullen, zoo zullen wij zeggen: Ziet de gedaante des altaars des Heeren, hetwelk onze vaderen gemaakt hebben, niet ten brandoffer noch ten offer, maar het is een getuige tusschen ons en tusschen ulieden.

29 Het zij verre van ons, van ons, dat wij zouden wederspannig zijn tegen den Heere, of dat wij te dezen dage ons van achter den Heere afkoeren zouden, bouwende een altaar ten brandoffer, ten spijsoffer of ten slachtoffer, behalve het altaar des Heeren onzes Gods, dat vóór zijnen Tabernakel is.

30 Toen nu de Priester Pinehas, en de oversten der vergadering en de hoofden der duizenden Israels die bij hem waren, de woorden hoorden die de kinderen Rubens en de kinderen Gads en de kinderen van Manasse gesproken hadden, zoo was het goed in hunne oogen,

31 en Pinehas, de zoon des Priesters Eleazars zeido tot de kinderen Rubens en lot de kinderen Gads en tot de kinderen van Manasse: Heden weten wij dat de Heere in het midden van ons is; dewijl gij deze overtreding tegen den Heere niet begaan hebt: toen hebt gijlieden de kinderen Israels verlost uit de hand des Heeren.

32 En Pinehas de zoon des Priesters Eleazars keerde wederom met de oversten van de kinderen Rubens en van de kinderen Gads uit het land Gilead naar het land Ka-naan, tot de kinderen Israëls, en zij brachten hun antwoord weder.

33 Het antwoord nu was goed in de oogen der kinderen Israëls, en de kinderen Israëls loofden God, en zeiden niet meer van tegen hen op te trekken met een heir om


1

-ocr page 298-

J O Z TT A 23, 24.

28\'!

het land te verderven, daar do kinderen Rubens en de kinderen Gads in woonden.

34 En de kinderen Rubens en de kinderen Gads noemden dat altaar: Dat hij oen getuige zij tusschen ons, dal de Heere (jodis.

HOOFDSTUK 23.

En het geschiedde na vele dagen, nadat de Heere Israël rust gegeven had van alle zijne vijanden rondom henen, en Jozua oud geworden en weibedaagd was,

2 zoo riep Jozua gansch Israël, hunne oudsten en hunne hoofden en hunne rechters en hunne ambt-lieden, en liij zeide tot hen: Ik ben oud geworden en weibedaagd:

3 en gijlieden hebt gezien alles wat de Heere uw God gedaan heeft aan allo deze volkeren voor uw aangezicht; want de Heere uw God zelf is het die voor u gestreden heeft.

4 Ziet, ik heb u deze overige volkeren door bet lot doen toevallen ten erfdeel voor uwe stammen, van den Jordaan af, met alle de volken die ik uitgerooid heb, en tot de groote zee tegen den ondergang der zon.

5 En de Heere uw God zelf zal ze uitstooten voor ulieder aangezicht, en hij zal ze van voor ulieder aangezicht verdrijven; en gij zult hun land erfelijk bezitten, gelijk als de Hequot;ere uw God tot u gesproken heeft.

6 Zoo woest zeer sterk, om te bewaren en om te doen alles dat geschreven is in het wetboek van Mozes, opdat gij daar niet van afwijkt ter rechter- noch ter linkerhand :

7 dat gij niet ingaat tot deze volkeren, deze die overgebleven zijn bij ulieden; gedenkt ook niet aan den naam hunner goden, en doet er niet bij zweren, en dient ze niet en buigt u voor die niet;

8 maar den Heere uwen God zult gij aanhangen, gelijk als gij tot op dezen dag gedaan\'hebt.

9 Want de Heere heeft van uw aangezicht verdreven groote en machtige volkeren; en u aangaande, niemand heeft voor uw aangezicht bestaan tot op dezen dag toe.

10 Een éénig man onder u zal er duizend jagen; want het is de Heere uw God zelf die voor u strijdt, gelijk als hij tot u gespro-kon heeft.

41 Daarom bewaart uwe zielen naarstelijk dat gij don Heere uwen God lief hebt.

12 Want zoo gij u eenigszins afkeert en het overige van deze volken aanhangt, van deze die bij u overgebleven zijn, en u met hen verzwagert, en gij tot hen zult ingaan en zij tot u:

13 weet voorzeker dat de Heere uw God niet voortvaren zal deze volken van voor uw aangezicht te verdrijven, maarzij zullen ulieden zijn tot een strik en tot een net, en lot een geesel aan uwe zijden en lot doornen in uwe oogen, totdat gij omkomt van dil; goede land, hetwelk u de Heere uw God gegeven heeft.

14 En zie, ik ga heden in den weg der gansche aarde; en gij weet in uw gansche harte en in uwe gansche ziele, dat er niet oen éénig woord gevallen ;s van alle die goede woorden, welke de Heere uw God over u gesproken heeft; zij zijn u alle overkomen, daar is van dezelve niet een éénig woord gevallen.

15 En het zal geschieden gelijk als alle die goede dingen over u gekomen zijn, die de Heere uw God tot u gesproken heeft, alzuó zal de Heere over u komen laten alle .die kwade dingen, totdat hij u verdelge van dit goede land, hetwelk u de Heere uw God gegeven heeft.

10 Wanneer gij het verbond des Heeren uws Gods overtreedt dat hij u geboden heeft, en gij henen-gaat en dient andere goden en u voor dezelve nederbuigt, zoo zal de toorn des Heeren over u ontsteken, en gij zult haastelijk omkomen van het goede land, hetwelk hij u gegeven heeft.

HOOFDSTUK 24.

Daarna verzamelde Jozua alle de stammen Israëls te Sichem,


-ocr page 299-

JOZUA 24.

285

en hij riep de oudsten van Israël en deszelfs hoofden en deszelfs rechters en deszelfs ambtlleden; en /.ij stelden zich voor het aangc-zichte Gods.

2 Toen zeide Jozua tot hot gan-sche volk: Alzóó zegt do IIi:r:nE do God Israels: Over gene zijde der rivier hebben uwe vaders van ouds gewoond, namelijk Terach, de vader Abrahams en de vader Nahors, en zij hebben andere goden gediend.

\'ó Toen nam ik uwen vader Abraham van gene zijde der rivier, en deed hem wandelen door het gansche land Kanaiin; ik vermeerderde ook zijn zaad en gaf hem Isaak.

4 En Isaak gaf ik Jakob en Esau; en ik gafEsau het gebergte Seïr om dat erfelijk te bezitten, maar Jakob en zijne kinderen togen af in Egypte.

o Toen zond ik Mozes en Aaron, en ik plaagde Egypte, gelijk als ik in deszelfs midden gedaan heb; en daarna leidde ik u daaruit.

6 Als ik uwe vaders uit Egypte gevoerd had, zoo kwaamt gij \'aan de zee, en de Egyptenaars jaagden uwe vaderen \'na met wagens en met ruiters tnt de Schelfzee.

7 Zij nu riepen tot den Heere, en hij stelde eene duisternis tus-schen u en tusschen de Egyptenaars , cn hij bracht de zee over hen en bedekte ze; en uwe oogen hebben gezien wat ik in Egypte gedaan heb. Daarna hebt gij vele dagen in de woestijn gewoond.

8 Toen bracht ik u in het land der Amoriten. die over gene zijde van den Jordaan woonden: die streden tegen u, maar ik gaf ze in uwe hand, en gij bezat hun land erfelijk, cn ik verdelgde ze voor uüeder aangezicht.

9 Ook maakte zich Balak op, de zoon Zippors, de koning der Moabiten, en hij streed tegen Israël; en hij zond henen en deed Bileam den zoon Beors roepen, opdat hij u vervloeken zoude.

10 Maar ik wilde Bileam niet hooren: dies zegende hij u gesta-diglijk en ik verloste u uit zijne hand.

11 Toen gij over den Jordaan getrokken waart en te Jericho kwaamt, zoo krijgden de burgers van Jericho tegen u, de Amoriten en de Fereziten en de Kanaiiniten en de Hethiten en de Girgasiten: do IJevitcn en de Jebusiten ; doch ik gaf ze in uüeder hand.

12 En ik zond horzelen voor u henen: die dreven ze weg van ulieder aangezicht, gelijk de beide koningen der Amoriten; niet door uw zwaard noch door uwen boog.

13 1 »us heb ik u een land gegeven, waaraan gij niet gearbeid hebt, en steden die gij niet gebouwd hebt, en gij woont in dc-zelve; gij eet van tic wijngaarden en olijf boomen, die gij niet geplant hebt:

14 en nu vreest den Heere, en dient hem in oprechtheid en in waarheid, en doet weg de goden die uwe vaders gediend hebben aan gene zijde der rivier en in Egypte, en dient den Heere.

15 Doch zoo het kwaad is in uwe oogen den Heere te dienen, kiest u heden wien gij dienen zult: liet zij de goden welke uwe vaders , die aan de andere zijde der rivier waren, gediend hebben, of de goden der Amoriten, in welker land gij woont; maar aangaande mij en mijn huis, wij zullen den Heere dienen.

1G Toen antwoordde het volk en zeide: Het zij verre van ons dat wij den Heere verlaten zouden om andere goden te dienen,

17 want de Heere is onze God; hij is het, die ons en onze vaderen uit den lande van Egypte, uit den diensthuizc, heeft opgebracht, en die deze groote teekenen voor onze oogen gedaan heeft, en ons bewaard heeft op al den weg door welken wij getogen zijn, en onder alle volken door welker midden wij getrokken zijn ;

18 en de Heere heeft voor ons aangezicht uitgestooten alle die volken, zelfs den Amoriet, inwoner des lands. Wij zullen óók den Heere dienen, want hij is onze God.

19 Toen zeide Jozua tot den volke: Gij zult den Heere niet


-ocr page 300-

RICH TE REN 1.

28(gt;

kimnen dienen, want hij is een heilig God, hij is een ijverig God, liij zal uwe overtreding en uwe zonden niet vergeven:

20 indien gij den Hkere verlaten en vreemde goden dienen zult, zoo zal hij zich ornkeeren en hij zal u kwaad doen, en hij zal u verdoen naardat hij u goed gedaan zal hebben.

21 Toen zeide het volk tot .To-zua: Neen maar wij zullen den Heere dienen.

22 Jozua nu zeide tot denvolke: Gij zijt getuigen over uzelven, dat gij u den Heere verkoren hebt om hem te dienen. En zij zeiden: Wij zijn getuigen.

23 En nu, doet de vreemde goden weg die in het midden van u zijn, en neigt uwe harten tot den Heere den God Israels.

24 En het volk zeide tot Jozua: Wij zullen den Heere onzen God dienen, en wij zullen zijner stemme gehoorzamen.

25 Alzoo maakte Jozua op dien-zelven dag een verbond met den volke, en hij stelde het hun tot j een inzetting en recht te Sichem.

2(5 En Jozua schreef deze woorden in het wetboek Godes; en hij nam eenen grooten steen, en hij richtte dien daarop onder den eik, die bij het heiligdom des Heeren was.

27 En Jozua zeide tot het gan-sche volk: Zie, deze steen zal ons tot een getuigenis zijn, want hij heeft gehoord alle do redenen des Heeren, die hij tot ons gesproken heeft; ja hij zal tot een getuigenis tegen uliedenzijn, opdat gij uwen God niet liegt.

28 Toen zond Jozua het volk weg, eenieder naar zijn erfdeel.

29 En het geschiedde na deze dingen, dat Jozua, de zoon van Nun, de knecht des Heeren, stierf, oud zijnde honderd en tien jaren.

30 En zij begroeven hem in de land pale zijns erfdeels, te Timnath-Sérah, welke is op eenen berg Efraïms aan het noorden van den berg Gaas.

31 Israël nu diende den Heere alle de dagen van Jozua, en alle de dagen van de oudsten die lang na Jozua leefden, en die al het werk des Heeren wisten, hetwelk hij aan Israël gedaan had.

32 Zij begroeven ook de beenderen jozefs , die de kinderen Israels uit Egypte opgebracht hadden, te Sichem, in dat s uk velds, hetwelk Jakob gekocht had van de kinderen Hemors, des vaders van Sichem, voor honderd stukken gelds ; want zij waren den kinderen Jozefs ter erfenisse geworden.

33 Ook stierf Eleazar, de zoon Aarons; en zij begroeven hem op den heuvel van Pinehas, zijnen zoon, die hem gegeven was geweest op het gebergte Efraïms.


HET BOEK

DER

RICHTRREN.

HOOFDSTUK i.

En het geschiedde na den dood van Jozua, dat de kinderen Israels den Heere vraagden, zeggende: AVie zal onder ons het eerst optrekken naar de Kanaamten, om tegen hen te krijgen?

2 En de Heere zeide: Juda zal optrekken; zie, ik heb dat land in zijne hand gegeven.

3 Toen zeide Juda tot zijnen


-ocr page 301-

EREN 1.

287

RI C H T E

broeder Simeon: Trek met mij op iti mijn lot, en laat ons tegen Ue Kanaiiniten krijgen, zoo zal ik ook met u optrekken in uw lot. Alzoo toog Simeon met hem.

4 En Juda toog op, endeHEERE gaf de Kanaiiniten en de Fereziten in hunne hand, en zij sloegen ze Jjij Bezek , tienduizend man.

5 En zij vonden Adoni-Bezek te Bezek, en streden tegen hem, en zij sloegen de Kanaiiniten en de Fereziten.

0 Doch Adoni-Bezek vluchtte; en zij jaagden hem na, en zij grepen hem, en hieuwen de duimen zijner handen en zijner voeten af.

7 Toen zeide Adoni-Bezek: Zeventig Koningen met afgehouwen duimen hunner handen en hunner voeten , waren onder mijne tafel de kruimels oplezende; gelijk als ik gedaan heb , alzóó heeft God mij vergolden. En zij brachten hem te Jeruzalem. en liij stierf aldaar.

8 Want de kinderen van Juda hadden legen Jeruzalem gestreden, en hadden haar ingenomen en met de scherpte des zwaards geslagen, en zij hadden do stad in het vuur gezet.

9 En daarna waren de kinderen van Juda afgetogen om te krijgen tegen de Kanaiiniten, wonende in het gebergte en in het Zuiden en in de laagte.

10 En Juda was heengetogen tegen de Kanaiiniten die teilebron woonden, (de naam nu van He-bron was te voren Kirjath-Arba); en zij sloegen Sesai en Ahiman en Talmai.

11 En van daar was hij heengetogen tegen de inwoners van Debir; denaam nu vanDebir was te voren Kirjath-Séfer.

12 En Kaleb zeide: Wie Kirjath-Séfer zal slaan en haar innemen, dien zal ik ook mijne dochter Achsa tot vrouw geven.

13 Toen nam Othniël haar in, de zoon van Kenaz, broeder van Kaleb, die jonger was dan hij ; en Kaleb gaf hem Achsa zijne dochter tot eene vrouw.

14 En het geschiedde als zij tot hem kwam, dat zij hem aanporde om van haren vader een veld te begeeren; en zij sprong van den ezel af. Toen zeide Kaleb tot haar: Wat is u?

15 En zij zeide tot hem: Geef mij een zegen; dewijl gij mij een dor land gegeven hebt, geef mij ook waterwellingen. Toen gaf Kaleb haar hooge wellingen en lage wellingen.

16 De kinderen van den Keniet, den schoonvader van Mozes, togen ook uit de Palmstad op met de kinderen van Juda, naar de woestijn van Juda, die tegen het zuiden van Avad is; en zij gingen henen en woonden met het volk.

17 Juda dan toog met zijnen broeder Simeon, en zij sloegen de Kanaiiniten, wonende te Zefath, er» zij verbanden ze, en men noemde den naam dezer stad Horma.

18 Daartoe nam Juda Gaza in met hare landpale, enAskelonmet hare landpale, en Ekron met hare landpale.

i\'J En de Hekue was met Juda, dat hij de inwoners van het gebergte verdreef; maar hij ging met voort om de inwoners des da Is te verdrijven, omdat zij ijzeren wa-genen hadden.

2U En zij gaven Hebron aan Kaleb , gelijk als .Mozes gesproken had ; en hij verdreef van daar de drie zonen Enaks.

21 Doch de kinderen Benjamins hebben de Jebusiten te Jeruzalem wonende niet verdreven, maar de Jebusiten woonden met de kinderen Benjamins te Jeruzalem tot op dezen dag.

22 En het huis Jozefs toog ook op naar Beth-El, en de Heeue was met hen.

23 En het huis Jozefs bestelde verspieders bij Beth-El: de naam nu dezer stad was te voren Luz.

24 En de wachters zagen eenen man uitgaande uit de stad, en zij zeiden tot hem: Wijs ons toch den ingang der stad, en wij zullen weldadigheid bij u doen.

25 En als hij hun den ingang der stad gewezen had, zoo sloegen zij de stad met de scherpte des zwaards; maar dien man en zijn gansche huisgezin lieten zij gaan.

26 Toen toog deze man in het


-ocr page 302-

RIGHT EREN 2.

288

land der Helhitèn, on hij bouwde cone stad en noemde haren naam LiUZ; dit is haar naam tot op dezen dag.

27 En Manasse verdreef Beth-Sean niet, noch hare onderhoor ige plaatsen, noch Taanach met hare onderhoorige plaatsen, noch de inwoners van Dor met hare onderhoorige plaatsen, noch de inwoners van Jibleam met hare onderhoorige plaatsen, noch de inwoners van Megiddo met hare onderhoorige plaatsen; en de Kanaaniten wilden wonen in dat land;

28 en het geschiedde als Israël sterk werd, dat hij de Kanaaniten op cijns stelde, maar hij verdreef ze niet ganschelijk.

29 Ook verdreef Efraïm de Ka-naiiniten niet die te Gezer woonden, maar de Kanaïniten woonden in het midden van hem te Gezer.

30 Zebulon verdreef de inwoners van Kitron niet, noch de inwoners van Nahalol; maar de Kanaaniten woonden in het midden van hem, en waren cijnsbaar.

31 Aser verdreef de inwoners van Akko niet, noch de inwoners van Sidon , noch Ahlab, noch Ach-zib, noch Helba, noch Alik,noch Rehob;

32 maar de Aseriten woonden in het midden der Kanaaniten die in het land woonden, want zij verdreven ze niet.

33 Naftali verdreef de inwoners van Beth-Sémes niet, noch de inwoners van Beth-Anath, maar woonde in het midden der Kanaaniten die in het land woonden; doch de inwoners van Beth-Sémes en Beth-Anath werden hun cijnsbaar.

34 En de Amoriten drongen de kinderen van Dan in het gebergte, want zij lieten hun niet toe af te komen \'in het dal;

35 ook wilden de Amoriten wonen op het gebergte van Heres, te Ajjalon en te Saiilbim ; maar de hand van het huis Jozefs werd zwaar, zoodat zij cijnsbaar werden.

36 En de landpaleder Amoriten was van den opgang van Akrab-bim, van den rotssteen en opwaarts henen.

HOOFDSTUK 2.

En een Engel des Herren kwam opwaarts van Gilgal tot Bochim,

en hij zeide: Ik heb ulieden uit Egypte opgevoerd, en u gebracht in het land dat ik uwen vaderen gezworen heb, en gezegd: Ik zal mijn verbond met ulieden niet verbreken in eeuwigheid; \'\'

2 en ulieden aangaande, gij zult geen verbond maken met de inwoners dezes lands, hunne altaren zult gij afbreken. Maar gij zijt mijner stemme niet gehoorzaam geweest: waarom hebt gij dit gedaan?

3 Daarom heb ik ook gezegd:

Ik zal ze voor uw aangezicht niet uitdrijven, maar zij zullen u aan de zijden zijn, en hunne goden zullen u tot een strik zijn.

4 En het geschiedde als de Engel des Heeren deze woorden tot \' alle- kinderen Israels gesproken had, zoo hief het volk zijne stem

op en weende:

5 daarom noemden zij den naam

dier plaats Bochim; en zij offer- a den aldaar den Heere.

ö Als Jozua het volk had laten gaan, zoo waren de kinderen Israels heengegaan een ieder tot zijn erfdeel, om het land erfelijk te bezitten;

7 en het volk diende den Heere alle de dagen van Jozua, en alle de dagen der oudsten, die lang geleefd hadden na Jozua, die gezien hadden al dat groote werk des Heeren ,

dat hij aan Israël gedaan had.

8 Maar als Jozua, de zoon van Nun, de knecht des Heeren, gestorven was, honderd en tien jaren oud zijnde,

9 en zij hem begraven hadden in de landpale zijns erfdeels te Timnath-Héres, óp eenen berg Efraïms tegen het noorden van \' 1 den berg Gaas, \'

10 en al dat geslacht óók tot zijne vaderen vergaderd was: zoo stond er een ander geslacht na

hen op, dat den Heere niet kende, ; noch ook het werk dat hij aan Israël gedaan had.

11 Toen deden de kinderen Israels dat kwaad was in de oogen


-ocr page 303-

niGHTEUEN 3.

289

des HEEREN, en zij dienden de Baals;

12 en zij verlieten den Heere hunner vaderen God, die ze uit Egypteland had uitgevoerd, en volgden andere goden na, van de goden der volken, die rondom hen waren , en bogen zich daarvoor; en zij verwekten den Heere tot toorn,

13 want zij verlieten den Heere en dienden Baiil en de Astaroth.

14 Zoo ontstak des Heeren toorn tegen Israël, en hij gaf ze in de hand der roovers die ze beroofden, en hij verkocht ze in de hand hunner vijanden rondom, en zij konden riiet meer bestaan voor het aangezicht hunner vijanden:

15 overal waarhenen zij uittogen was de hand des Heeren tegen hen ten kwade, gelijk als de Heere gesproken en gelijk als de Heere hun gezworen had, en hun was zeer bang.

16 En de Heere verwekte rich-teren, die ze verlosten uit de hand dergenen die ze beroofden;

17 doch zij hoorden ook niet naar hunne richteren, maar hoereerden andere goden na en hogen zicli daarvoor: welhaast weken zij ai van den weg, dien hunne vaders gewandeld hadden, hoorende de geboden des Heeren ; alzóó deden zij niet.

*18 En wanneer de Heere hun richteren verwekte, zoo was de Heere met den richter, en verloste ze uit de hand hunner vijanden alle de dagen des richters: want het berouwde den Heere, huns zuchtens halve vanwege degenen die ze drongen en die ze drukten.

19 Maar het geschiedde met het sterven des richters, dat zij omkeerden en het meer verdierven dan hunne vaderen, navolgende andere goden, dezelve dienende en zich daarvoor buigende: zij lieten niets vallen van hunne werken noch van dezen hunnen harden weg.

20 Daarom ontstak de toorn des Heeren tegen Israël, dat hij zei-de: Omdat dit volk mijn verbond heeft overtreden, dat\'ik hunnen vaderen geboden hel), en zij naar mijne stemme niet gehoord hébben:

21 zoo zal ik ook niet voortvaren voor hun aangezicht iemand uit do bezitting te verdrijven van de heidenen, die Jozua heeft achtergelaten als hij stierf,

22 opdat ik Israël door hen verzoeke of zij den weg des Heeren zullen honden, om daarin te wandelen gelijk als hunne vaderen dien gehouden hebben, of niet.

23 Alzoo liet de Heere deze heidenen blijven, dat hij zo niet haas-telijk uit de bezitting verdreef, die hij in de hand van Jozua niet had overgegeven.

HOOFDSTUK 3.

Dit nu zijn de heidenen , die de Heere liet blijven om door hen Israël te beproeven, allen dieniet wisten van alle de krijgen Ka-naiins :

2 alleenlijk opdat de geslachten der kinderen Israels die wisten, opdat hij ze den krijg leerde, tenminste degenen die daar te voren niet van wisten.

3 Vijf Vorsten der Filistijnen, en alle de Kanaiiniten, en de Sido-niërs, en de Heviten, wonende in het gebergte des Libanons, van den berg Baiil-Hermon tot waar men komt te Hamath.

4 Deze dan waren om Israël door hen te verzoeken, opdat men wist of zij de geboden des Heeren zouden hooren, die hij hunnen vaderen door de hand van Mozes geboden had.

5 Als nu de kinderen Israels woonden in het midden der Kanaiiniten, derHethiten en der Amo-riten en der Fereziten en der Heviten en der Jebusiten,

0 zoo namen zij zich derzei ver dochteren tot vrouwen, en gavep. hunne dochteren aan derzelver zonen, en zij dien den hunne goden.

7 En de kinderen Israëls deden dat kwaad was in de oogen des Heeren, en vergaten den Heere hunnen God, en zij dienden de Baiils en de bosschen,

8 Toen ontstak de toorn des Heeren tegen Israël, en hij verkocht hen in do hand van Kuschan Rischataïm, Koning van Mesopo-


10

-ocr page 304-

RICHTER EN 3.

200

tiimic; en de kinderen Israëls dienden KuschanRischataïin acht jaren.

0 Zoo riepen de kinderen Israëls tot den Heere, en de Heere verwekte den kinderen Israëls eenen verlosser die ze verloste, Othniël, zoon van Kenaz, broeder van Kaleb, die jonger was dan hij.

10 En de Geest des Heeren was over hem, en hij richtte Israël, en toog uit ten strijde; en de Hek-re gaf Kuschan Rischataïm, den Koning van Syrië, in zijne hand, dat zijne hand sterk werd over Kuschan Rischataïm.

11 Toen was het land veertig jaar slil, en Othniël, de zoon van Kenaz, stierf.

12 Maar de kinderen Israëls voeren voort te doen dat kwaad was in de oogen des Heeren; toen sterkte de Heere Eglon den Koning der Moabiten tegen Israël, omdat zij deden dat kwaad was in de oogen des Heeren.

13 En hij vergaderde tot zich de kinderen Amnions en de Ama-lekiten, en hij toog henen en sloeg Israël, en zij namen de Palmstacl in bezit.

14 en de kinderen Israëls dienden Eglon, Koning der Moabiten, achttien jaar.

15 Toen riepen de kinderen Israëls tot den Heere, en de Hkere verwekte hun eenen verlosser, Ehud, den zoon van Gera, een Benjaminiet, een man die linksch was. En de kinderen Israëls zonden door zijne hand een geschenk aan Eglon, den Koning der Moabiten.

10 En Ehud maakte zich een zwaard dat twee scherpten had, welks lengte eene el was; en hij gordde dat onder zijne kleederen aan zijne rechterheup.

17 En hij bracht aan Eglon, der Moabiten Koning , dat geschenk : Eglon nu was een zeer vet man.

18 En het geschiedde als hij geëindigd had het geschenk te leveren, zoo geleidde hij het volk, dat het geschenk gedragen had;

19 maar hij zelf keerde terug van de gesneden beelden die bij Gilgal waren, en zeide: Ik heb eene heimelijke zaak aan u, o Koning: welke zeide: Zwijg. En allen die om hem stonden gingen van hem uit.

20 En Ehud kwam tot hem in, daar hij was zittende in eene koele opperzaal, die hij voor zich alléén had; zoo zeide Ehud: Ik heb Gods woord aan u. Toen stond hij öp van den stoel.

21 Ehud dan strekte zijne linkerhand uit, en nam het zwaard van zijne rechterheup, en stak het in zijnen buik,

22 dat ook het hecht achter het lemmer inging en het vet om het lemmer toesloot, (want hij trok het zwaard niet uit zijnen buik), en do drek uitging.

23 Toen ging Ehud uit naar de voorzaal, en sloot de deuren der opperzaal voor zich toe, en deed zequot; in het slot.

24 Als hij uitgegaan was, zoo kwamen zijne knechten en zagen toe, en zie, de deuren der opperzaal waren in het slot gedaan; zoo zeiden zij: Zeker, hij bedekt zijne voeten in de verkoelkamer.

25 Als zij nu tot schamcns toe gebeid hadden, zie, zoo opende hij de deuren der opperzaal niet. Toen namen zij den sleutel en deden open : en zie , hunlieder heer lag dood ter aarde.

26 En Ehud ontkwam terwijl zij vertoefden; want hij ging voor jij de gesnedene beelden, en ontkwam naar Seïrath.

27 En het geschiedde als hij aankwam, zoo blies hij met de bazuin op het gebergte Efraïms ; en de kinderen Israëls togen met hem af van het gebergte, en hij zelf voor hun aangezicht henen.

28 En hij zeide tot hen: Volgt mij na, want de Heere heeft uwe vijanden de Moabiten in ulieder hand gegeven. En zij togen af hem na, en namen de veren van den Jordaan in naar Moab, en lieten niemand overgaan;

29 en zij sloegen de Moabitea te dier tijd, omtrent tienduizend man, allen vette en allen strijdbare mannen , dat er niet een man ontkwam.

30 Alzoo werd Moab te dien dage onder Israëls hand te onder


-ocr page 305-

RIGHTEREN 4.

291

gebracht; en het land was stil tachtig jaar.

31 Na hem nu was Samgar, een zoon van Anath; die sloeg de Filistijnen, zeshonderd man, met een ossenstok: aizoo verloste hij ook Israël.

HOOFDSTUK 4.

Maar de kinderen Israëls voeren voort te doen dat kwaad was in de oogen des Heeren, als Ehud gestorven was.

2 Zoo verkocht ze de Heere in de hand van Jahin, den Koning der Kanaaniten, die te Hazor regeerde; en zijn krijgsoverste was Sisera: dezelve nu woonde te Ha-róseth der heidenen.

3 Toen riepen de kinderen Israëls lot den Heere; want hij had negenhonderd ijzeren wagens, en hij had de kinderen Israëls met geweld onderdrukt twintig jaar.

4 Debora nu, eene vrouw die een profetes was, de huisvrouw van Lappidolh, deze richtte te dier tijd Israël;

5 en zij woonde onder den palmboom van Debora, tusschen Rama en tusschen Belh-Ei, op het gebergte Efraïms; en de kinderen Israëls gingen tot haar op ten gerichte.

6 En zij zond henen en riep Barak, den zoon Abinóams van Kedes-Naflali, en zij zeide tot hem: Heeft de Heere de God Israëls niet geboden: Ga henen en trek op den berg Tabor, en neem met u tienduizend man van de kinderen van Naftali en van de kinderen van Zebulon;

7 en ik zal aan de beek Kison tot u trekken Sisera, Jabins krijgsoverste, met zijne wapenen en zijne menigte, èn ik zal hem in uwe hand geven.

8 Toen zeide Barak tot haar: Indien gij met mij trekken zult, zoo zal ik henentrekken; maar indien gij niet met- mij zult trekken, zoo zal ik niet trekken.

9 En zij zeide: Ik zal zekerlijk met u trekken, behalve dar de eere uwe niet zal zijn op dezen weg dien gij wandelt; want dc Heere zal Sisera verkoopen in de hand eener vrouw. Alzoo maakte Debora zich op en toog met Barak naar Kedes.

10 Toen riep Barak Zebulon en Naftali bijéén te Kedes, en hij toog öp op zijne voeten, met tienduizend man; ook toog Debora met hem op.

11 Heber nu de Keniet had zich afgezonderd van Kain, uit de kinderen van Hobab, Mozes schoonvader. en hij had zijne tenten opgeslagen tot aan den eik in Zaannaïrn, die bij Kedes is.

12 Toen boodschapten zij Sisera, dat Barak, Abinóams zoon, op den berg Tabor getogen was.

13 Zoo riep sisera alle zijne wagenen bijéén, negenhonderd ijzeren wagenen en al het volk dat met hem was, van Haróseth der heidenen tot de beek Kison.

14 Debora dan zeide tot Barak: Maak u óp, want dit is de dag in welken de Heere Sisera in uwe hand gegeven heeft: is de Heere niet voor uw aangezicht henen uitgetogen? Zoo trok Barak van den berg Tabor af, en tienduizend man achter hem;

15 en de Heere versloeg Sisera, met alle zijne wagenen en het gansche heirleger, door de scherpte des zwaards, voor Baraks aangezicht; dat Sisera van den wagen afklom en vluchtte op zijne voeten.

16 En Barak jaagde ze na, achter de wagenen en achter het heirleger, tot aan Haróseth der heidenen; en het gansche heirleger van Sisera viel door de scherpte des zwaards, dat er niet overbleef tot één toe.

17 Maar Sisera vluchtte op zijne voeten naar de tent van Jaël, de huisvrouw van Heber den Keniet; want daar was vrede tusscheu Jabin, den Koning van Hazor, en tusschen het huis van Heber den Keniet.

18 Jaël nu ging uit Sisera lege-moet, en zeide tot hem: Wijk in, mijn heer, wijk in tot mij, vrees niet. En hij week tot haar in do tent, en zij bedekte hem met eenen deken.

19 Daarna zeide hü tot baar;


-ocr page 306-

292 RIGHTS

Geef mij toch een weinig water te drinken, want mij dorst. Toen opende zij eene melkilesch en gaf hem te drinken, en dekte hem toe.

20 Ook zeide hij tot haar: Sta in de deur der tent; en het zij , zoo iemand zal komen en u vragen, en zeggen: Is hier iemand? dat gij zegt: Niemand.

21 Daarna nam Jaël, Hebers huisvrouw, eenen nagel der teut, en greep eenen hamer in bare hand, en ging stillekens tot hem in, en dreef den nagel in den slaap zijns hoofds, dat hij in de aarde vast werd; hij nu was met eenen diepen slaap bevangen en vermoeid, en stierf.

22 En zie, Barak vervolgde Sisera, en Jaël ging uit hem tegemoet, en zeide tot hem: Kom, en ik zal u den man wijzen dien gij zoekt. Zoo kwam hij tot haar in, en zie, Sisera lag dood, en de nagel was in den slaap zijns hoofds.

23 Alzoo heeft God te dien dage Jabin. den Koning van Kanaan, te onder gebracht voor het aangezicht der kinderen Israëls.

24 En de hand der kinderen Is-raëls ging steeds voort en werd bard over Jabin, den Koning van Kanaan, totdat zij Jabin, den Koning van Kanaan, hadden uitgeroeid.

HOOFDSTUK 5.

Voorts zong Debora, en Barak de zoon Abinóams, ten zeiven dage, zeggende:

2 Looft den Heere van wepe het wreken der wraken in Israël, van wege dat het volk zich gewillig heeft aangeboden.

3 Hoort gij Koningen, neemt ter oore gij Vorsten. Ik, den Heere zal ik zingen, ik zal den Heere den God Israëls psalmzingen.

4 Hekre, toen gij voorttoogt van Seïr, toen gij daarhenen traadt van den velde Edoms, beefde de aarde, ook droop de-hemel, ook dropen de wolken van water.

I) Do bergen vervloten van het

REN 5.

aangezicht des Heeren, zelfs Sinai van bet aangezicht des Heeren des Gods Israëls.

(5 In de dagen Samgars de^ zoons van Anath, in de dagen J;iëls, hielden de wegen op, en die op paden wandelden gingen kromme wegen.

7 De dorpen hielden op in Israël , zij hielden op; totdat ik, Debora, opstond , dat ik opstond , eene moeder in Israël.

8 Verkoos hij nieuwe goden, dan was er krijg in de poorten; werd er ook een schild gezien, of eene spies, onder veertigduizend in Israël?

9 Mijn hart is tot de wetgevers van Israël, die zich gewillig aangeboden hebben onderden volke: looft den Heere.

lu Gij die op witte ezelinnen rijdt, gij die aan het gerichte zit, en gij diè overweg wandelt, spreekt er van.

11 Van het gedruisch der schutteren, tusschen de plaatsen waar men water schept, spreekt aldaar te zamen van de gerechtigheden des Heeren, van de gerechtigheden bewezen aan zijne dorpen in Israël: toen ging des Heeren volk af tot de poorten.

12 Waak öp. waak öp Debora, waak óp, waak óp, spreek een lied; maak u óp Barak, en leid uwe gevangenen gevangen, gij zoon Abinóams.

13 Toen deed hij den overgeblevene heerschen over de heerlijken onder den volke; de Heere doet mij heerschen over de geweldigen.

14 Uit Efraïm was hun wortel tegen Amalek. Achter u was Benjamin onder uwe volken. Uit Ma-chir zijn de wetgevers afgetogen, en uit Zebulon, trekkende door den staf des schrijvers.

15 Ook waren de Vorsten in ïs-saschar met Debora; en gelijk Issaschar alzóó was Barak; op zijne voeten werd hij gezonden in het dal. In Rubens gedeelten waren de inbeeldingen des harten groot.

16 Waarom bleeft gij zitten tusschen de stallingen, om te hooren het geblaat der kudden? De ge-


-ocr page 307-

RICH TEREN 6.

293

deelten van Ruben hadden groote onderzoekingen des harten.

47 Gilead bleef aan gene zijde van den Jordaan; en Dan, waarom onthield hij zich in schepen? Aser zat aan de zeehaven, en bleef in zijne gescheurde plaatsen.

48 Zebulon, het is een volk dat zijne ziel versmaad heeft ten doo-de , insgelijks Naftali, op de hoogten des velds.

. 49 De Koningen kwamen, zij streden ; toen streden de Koningen van Kanaan, te Thaanach aan de wateren van Megiddo: zij brachten geen gewin des zilvers daarvan.

20 Van den hemel streden zij , de sterren uit hare loopplaatsen streden tegen Sisera.

21 De beek Kison wentelde ze weg, de beek Kedumim, de beek Kison; vertreed, o mijne ziele, de sterken.

22 Tóen werden de paardenhoeven verpletterd van het rennen, het rennen zijner machtigen.

23 Vloekt Meroz, zegt de Engel des Heeren, vloekt hare inwoners geduriglijk; omdat zij niet gekomen zijn tot de hulpe des Heeren, mot de helden.

24 Gezegend zij boven de vrouwen Jaël, Hebers des Keniters huisvrouw; gezegend zij ze boven de vrouwen in de tent.

25 Water eischte hij , melk gaf zij; in eene heerenschaal bracht zij boter.

26 Hare hand sloeg zij aan den nagel, en hare rechterhand aan den hamer der arbeidslieden ; en zij klopte Sisera, zij streek zijn hoofd af, als zij zijnen slaap had doornageld en doorboord.

27 Tusschen hare voeten kromde hij zich, viel henen , lag daar neder; tusschen hare voeten kromde hij zich, hij viel; alwaar hij zich kromde, daar lag hij geheel geschonden.

28 De moeder van Sisera keek uit door het venster, en schreeuwde door de traliën : Waarom vertoeft zijn wagen te komen, waarom blijven de gangen zijner wagenen achter?

29 De wijsten barer staatsievrouwen antwoordden; ook beantwoordde zij hare redenen aan zich-zelve:

30 Zouden zij dan den buit niet vinden en deelen, één liefje of twee liefjes voor iederen man? Voor Sisera een buit van verscheidene verwen , een buit van verscheidene verwen gestikt; van verscheiden verw aan beide zijden geslikt, voor de buithalzen.

31 Alzóó moeten omkomen alle uwe vijanden o Heere: wie hem daarentegen liefhebben moeten zijn als wanneer de zon opgaat in hare kracht. En het land was stil veertig jaar.

HOOFDSTUK 6.

Maar de kinderen Israels deden dat kwaad was in de oogen des Heeren; zoo gaf ze de Heere in de hand der Midianiten, zeven jaren.

2 Als nu der Midianiten hand sterk werd over Israël, maakten zich de kinderen Israëls vanwege de Midianiten de holen die in de bergen zijn, en de spelonken, en de vestingen.

3 Want het geschiedde als Israël gezaaid had, zoo kwamen de Midianiten op, en de Amalekiten, en die van het Oosten kwamen óók 6p tegen hem;

4 en zij legerden zich tegen hen, en verdierven de opkomst des lands tot waar gij komt te Gaza, en zij lieten geenen leeftocht overig in Israël, noch klein vee, noch os noch ezel.

5 Want zij kwamen op met hun vee en hunne tenten; zij kwamen gelijk de sprinkhanen in menigte, dat men hen en hunne kemelen niet tellen konde; en zij kwamen in het land om dat te verderven.

G Alzoo werd Israël zeer verarmd vanwege de Midianiten. Toen riepen de kinderen Israëls tot den Heere.

7 En het geschiedde als de kinderen Israëls tot den Heere riepen ter oorzake van de Midianiten,

8 zoo zond de Heere een man, die een Profeet was, tot de kinderen Israëls; die zeide tot hen: Alzóó zegt de Heere de God Israëls: Ik heb u uit Egypte doen


-ocr page 308-

RICH TEREN G.

294

opkomen en n uit den diensthuize uitgevoerd,

1) en ik hel) u verlost van de hand der Egyptenaren, en van de hand aller die u drukten; en ik heb ze voor uw aangezicht uitgedreven en u hun land gegeven;

\'10 en ik zeide tot ulieden: Ik ben de Heere uw God, vreest de goden der Amoriten niet in welker land gij woont; maar gij zijt mijner stemme niet gehoorzaam geweest.

11 Toen kwam een Engel des Heerex en zette zich onder den eik, die te Ofra is, welke Joas den Abiëzriter toekwam; en zijn zoon Gideon dorschte tarwe bij de pers , om die te bergen voor het aangezicht der Midianiten.

12 Toen verscheen hem do Engel des Heehen en zeide tot hem: De Heeue is met u, gij strijdbare held.

13 Maar Gideon zeide tot hem: Och mijn heer, zoo de Heere met ons is, waarom is ons dan dit alles wedervaren? En waar zijn alle zijne wonderen, die onze vaders ons verteld hebben, zeggende: Heelt ons de Heeue niet uit Egypte opgevoerd? Doch nu heeft de Heeue ons verlaten en heeft ons in der Midianiten hand gegeven.

14 Toen keerde zich de Heeue tot hem, en zeide: Ga henen in deze uwe kracht, en gij zult Israël uit der Midianiten hand verlossen: heb ik u niet gezonden?

15 En hij zeide tot hem: Och mijn heer, waarmede zal ik Israël verlossen? Zie mijn duizend is het armste in Manasse, en ik ben de kleinste in mijns vaders huis.

16 En de Heeue zeide tot hem: Omdat ik met u zal zijn, zoo zult gij de Midianiten slaan als éénen éénigen man.

17 En hij zeide tot hem: Indien ik nu genade gevonden heb in uwe oogen, zoo doe mij een toeken dat gij het zijt die met mij spreekt.

18 Wijk toch niet van hier, tol-dat ik tot u korne en mijn geschenk uitbrenge en u voorzette. En hij zeide: Ik zal blijven totdat gij wederkomt.

19 En Gideon ging in en bereidde een gei lenbokje, en ongezuurde koeken van eene efa meel; het vleesch leide hij in oenen korf, en het nat deed hij in oenen pot; en hij bracht het tot hem uit tot onder den eik, en zette het nader.

20 Doch de Engel Gods zeide lot hem: Neem het vleesch en de ongezuurde koeken en leg ze op dien rotssteen, en giet het sop uit; en hij deed alzoo.

21 En de Engel des Heeren stak het uiterste van den staf uit, die in zijne hand was, en roerde het vleesch en de ongezuurde koeken aan: toen ging er vuur op uit do rots en verteerde het vleesch en de ongezuurde koeken. En de Engel des Heeren kwam weg uit zijne oogen.

22 Toen zag Gideon dat het een Engel des Heeren was, en Gideon zeide: Ach Heere Heeue, daarom omdat ik een Engel des Heeren gezien heb van aangezicht tot aangezicht.

23 Doch de Heere zeide tot 1 em: Vrede zij u, vrees niet, gij zult niet sterven.

24 Toen bouwde Gideon aldaar den Heeue een altaar, en noemde hem: De Heeue is vrede. Hij is nog tot op dezen dag in Ofra der Abiëzriten.

25 En het geschiedde in dion-zelven nacht dat de Heere ot hem zeide: Neem oenen var vm de ossen die uwes vaders zijn , te weten den tweeden var van zeven jaren; en breek af het altaar des Baiils, die uwes vaders is, en houw af het bosch dat daarbij is;

26 en bouw den Heere uwen God oen altaar op de hoogte dezer sterkte, in eene bekwame plaatse; en neem den tweeden var, en ofïer een brandoffer met het hout der hage, die gij zult hebben afgehouwen.

27 Toen nam Gideon tien mannen uit zijne knechten, en dsed gelijk als de Heere tot hem gesproken had. Doch het geschiedde dewijl hij zijns vaders huis en de mannen van die stad vreesde om het te doen bij dag, dat hij het deed bij nacht.

28 Als nu de mannen van die


-ocr page 309-

RICH TER EN 7.

295

stad des morgens vroeg opstonden, zie, zoo was des Baiils altaar omgeworpen, en de hage die daarbij was algeliouwen, en die tweede var was op het gebouwde altaar geofferd.

29 Zoo zeiden zij de een tot den ander: Wie heeft dit stuk gedaan? en als zij onderzochten en navraagden, zoo zeide men: Gideon, de zoon van Joas, heeft dit stuk gedaan.

30 Toen zeiden de mannen van die stad tot Joas: Breng uwen zoon uit dat hij sterve. omdat hij het altaar des Baiils heeft omgeworpen , en omdat hij de hage die daarbij was afgehouwen heeft.

quot;31 Joas daarentegen zeide tot allen die bij hem stonden: Zult gij voor den Baal twisten, zult gij hem verlossen? Die voor hem zal twisten, zal nog dezen morgen gedood worden. Indien hij een God is, hij twiste voor zichzelven, omdat men zijn altaar heeft omgeworpen.

32 Daarom noemde hij hem te dien dage Jerubbaiil, zeggende: Baiil twiste tegen hem, omdat hij zijn altaar hoeft omgeworpen.

33 Alle Midianiten nu en Ama-lekiten en de kinderen van het Oosten waren samen vergaderd, en zij trokken over en legerden zich in het dal Jizreëls.

34 Toen toog de Geest des Hee-uen Gideon aan, en hij blies met do bazuine, en de Abiëzriten werden achter hem bijééngeroepen:

35 ook zond hij boden in ganscli Manasse, en die werden óók achter hem bijeengeroepen; desgelijks zond hij boden in Aser en in Ze-bulon en in Naftali, en zij kwamen op hun tegemoet.

36 En Gideon zeide tot God: Indien gij Israël door mijne hand zult verlossen gelijk als gij gesproken hebt,

37 zie, ik zal een wollen vlies op den vloer leggen: indien dauw op het vlies alleen zal zijn, en droogte op de gansche aarde, zoo zal ik weten dat gij Israël door mijne hand zult verlossen gelijk als gij gesproken hebt.

38 En het geschiedde alzoo: want hij stond des anderen daags vroeg op en drukte het vlies uit, en hij wrong den dauw uit het vlies, eene schaal vol water.

39 En Gideon zeide tot God: Uw toorn ontsteke niet tegen mij dat ik alleeniijk ditmaal spreek; laat mij toch alleenlijk ditmaal met het vlies verzoeken: daar zij toch droogte op hel vlies alleen, en op de gansche aarde zij dauw.

40 En God deed alzoo in denzel-ven nacht; want de droogte was op het vlies alleen, en op de gansche aarde was dauw.

HOOFDSTUK 7.

Toen stond Jerubbaal (dewelke is Gideon) vroeg op, en al het volk dat met hem was; en zij legerden zich aan de fontein van Harod, dat hij het heirleger der Midianiten had tegen het Noorden, achter den lieuvej Moré in het dal.

2 En de Heeue zeide tot Gideon: Des volks is te veel hetwelk met ii is, dat ik de Midianiten in hunne hand zoude geven; opdat zich Israël niet tegen mij beroe-me, zeggende: Mijne hand heeft mij verlost.

3 Nu dan, roep nu uit voor de ooren des volks, zeggende: Wie bloode en versaagd is, die keere weder en spoede zich naar het gebergte Gileads. Toen keerden uit den volke weder tweeëntwintigduizend dat er tienduizend overbleven.

4 En de Heere zeide tot Gideon: Nog is des volks te veel: doe ze afgaan naar het water, en ik zal ze u aldaar beproeven: en het zal geschieden van welken ik tot u zeggen zal: Deze zal met u trekken , die zal met u trekken; maar al degene van welken ik zeggen zal: Deze zal niet met u trekken, die zal niet trekken.

5 En hij deed het volk afgaan naar he\': water. Toen zeide do Heere tot Gideon: Al wie met zijne tong uit het water zal lekken , gelijk als een hond zoude lekken, dien zult gij alleen stellen; desgelijks al wie op zijne knieën zal bukken om te drinken.

6 Toen was het getal dergenen,


-ocr page 310-

296 RIG H T ]

die met hunne hand tot hunnen mond gelekt hadden driehonderd man, maar alle overigen des volks hadden op hunne knieën gebukt om water te drinken.

7 En de Hekre zeide tot Gideon: Door deze driehonderd mannen die gelekt hebben zal ik ulieden verlossen , en de Midianiten in uwe hand geven; daarom laat al dat volk weggaan een ieder naar zijne plaats.

8 En het volk nam den teerkost in hunne hand, en hunne bazuinen , en hij liet alle die mannen van Israël gaan een iegelijk naar zijne tent, maar die driehonderd man behield hij. En hij had het heirleger der Midianiten beneden in het dal.

9 En het geschiedde in denzelfden nacht dat de Heere tot hem zeide: Sta op, ga henen af in het leger, want ik heb het in uwe hand gegeven.

10 Vreest gij dan nog af te gaan, zoo ga af, gij enPura uw Jongen, naar het leger;

11 en gij zult hooren wat zij zullen spreken, en daarna zullen uwe handen gesterkt worden , dat gij aftrekken zult in het leger. Toen ging hij af met Pura zijnen jongen tot het uiterste der schildwachten, die in het leger waren.

12 En de Midianiten en Amale- 1 kiten en alle de kinderen van het Oosten lagen in het dal, gelijk sprinkhanen in menigte , en hunne kemelen waren ontallijk, gelijk het zand dat aan den oever der zee is in menigte.

13 Toen nu Gideon aankwam, zie, zoo was er een man die zijnen metgezel eenen droom vertelde, en zeide: Zie, ik heb oenen droom gedroomd, en zie, een geroost gerstebrood wentelde zich in het leger der Midianiten, en het kwam tot aan de tent, en sloeg ze dat ze viel, en keerde ze om het onderste boven, dat de tent daar lag.

14 En zijn metgezel antwoordde en zeide: Dit is niet anders dan het zwaard Gideons des zoons van Joas, des Israelitischen mans: God heeft de Midianiten en dit gan-sche leger in zijne hand gegeven.

in en 7.

15 En het geschiedde als Gideon de vertelling dezes drooms en zijne uitlegging hoorde , zoo aanbad hij; en hij keerde weder tot het leger Israels, en zeide: Maakt u op, want de Heere heeft het leger der Midianiten in ulieder hand gegeven.

10 En hij deelde de driehonderd man in drie hoopen; en hij gaf eenen iegelijken eene bazuin in zijne hand, en ledige kruiken, en fakkelen in liet midden der kruiken;

17 en hij zeide tot hen: Ziet naar mij en doet alzóó; en zie, als ik zal komen aan het uiterste des legers, zoo zal het geschieden, gelijk als ik zal doen alzóó zult gij doen;

18 als ik met de bazuin zal blazen , ik en allen die met mij zijn, dan zult gijlieden óók met de bazuin blazen, rondom het gansche leger, en gij zult zeggen: Voor den Heere en voor Gideon.

19 Alzoo kwam Gideon en honderd mannen die met hem waren in het uiterste des legers, in het begin van de middelste nachtwake, als zij maar even de wachters gesteld\'hadden; en zij bliezen met de bazuinen, ook sloegen zij de kruiken die in hunne hand waren in stukken.

20 Alzoo bliezen de drie hoopen met de bazuinen, en braken de kruiken; en zij hielden met hunne linkerhand de fakkelen, en met hunne rechterhand de bazuinen om te blazen, en zij riepen: Het zwaard des Heeren en Gideons.

21 En zij stonden een iegelijk in zijne plaatse rondom het leger. Toen verliep het gansche leger, en zij schreeuwden en vloden.

22 Als de driehonderd met de bazuinen bliezen, zoo zette de Heere hel zwaard des éénen tegen den anderen, en dat in het gansche leger; en het leger vluchtte tot Beth-Sitta toe naar Zcredath, tot aan de grens van Abel-Mehola boven Tabbat h.

23 Toen werden de mannon van Israël bijeengeroepen uit Naftali en uit Aser en uit gansch Manasse en zij jaagden de Midianiten achterna.


-ocr page 311-

RIGHTEREN 8.

207

24 Ook zond Gideon boden in het gansche gebergte van Efraïm, zeggende: Komt af den Midianiten tegemoet, en beneemt hunlieden de wateren lot aan Beth-Bara, te weten den Jordaan; alzoo werd alle man van Efraïm bijééngeroe-pen, en zij benamen hun de wateren tot aan Beth-Bara en den Jordaan.

25 En zij vingen twee Vorsten der Midianiten, üreb en Zeüb, en doodden Oreb op den rotssteen Orel), en Zeëb doodden zij in de perskuip Zeëb, en vervolgden de Midianiten; en zij brachten do hoofden van Oreb en Zeëb tot Gideon over den Jordaan.

HOOFDSTUK 8.

Toen zeiden de mannen van Efi a-ïm tot hem: Wat stuk is dit dat gij ons gedaan hebt, dat gij ons niet riept toen gij henentoogt om te strijden tegen de Midianiten? En zij twistten sterk met hem.

2 Hij daarentegen zeide fot hen: Wat heb ik nu gedaan gelijk gijlieden, zijn niet Efraïms nalezingen beter dan de wijnoogst van Abiëzer ?

3 God heeft de vorsten der Midianiten, Oreb en Zeëb, in uwe hand gegeven: wat heb ik dan kunnen doen gelijk gijlieden? Toen liet hun toorn van hem af, als hij dit woord sprak.

4 Als nu Gideon gekomen was aan den Jordaan, ging hij over met de driehonderd mannen die bij hem waren, zijnde moede, nog-tans vervolgende;

5 en hij zeide tot de lieden van Sukkoth: Geeft toch eenige bollen brood aan het volk dat mijne voetstappen volgt, want zij zijn moede, en ik jaag Zebah en Zalmuna, de Koningen der Midianiten, achterna.

6 Maar de oversten van Sukkoth zeiden: Is dan de handpalm van Zebah en Zalmuna aireede in uwe hand, dat wij uwen heire brood zouden geven ?

7 Toen zeide Gideon : Daarom , als de Hkere Zebah en Zalmuna in mijne hand geeft, zoo zul ik uw vleesch dorschen met doornen der woestijn en met distelen.

8 Eii hij toog van daar op naar Pnuël, en sprak tot hen desgelijks, en de lieden van Pnuël antwoordden hem gelijk als de lieden van Sukkoth geantwoord hadden.

9 Daarom sprak hij ook tot de lieden van Pnuël, zeggende : Als ik met vrede wederkome, zal ik dezen toren afwerpen.

10 Zebah nu en Zalmuna waren te Karkor, en hunne legers met hen , omtrent vijftienduizend , alle de overgeblevenen van het gansche leger der kinderen van het Oosten, en dc gevallenen waren honderd en twintigduizend mannen die het zwaard uittrokken.

11 En Gideon toog opwaarts, den weg dergenen die in tenten wonen, tegen het oosten van Nobah en Jogbeha; en hij sloeg dat leger, want het leger was zorgeloos.

12 En Zebah en Zalmuna vloden; doch hij jaagde ze na, en hij ving de beide Koningen der Midianiten Zebah en Zalmuna, en verschrikte liet gansche leger.

13 Toen nu Gideon, de zoon van Joas, van den strijd wederkwam, vuur den opgang der zon,

14 zoo ving hij cenen jongen van de lieden te Sukkoth, en ondervraagde hem : die schreef hem op dc oversten van Sukkoth en hunne oudsten, zevenenzeventig mannen.

15 Toen kwam hij tot de lieden van Sukkoth , en zèide : Zietdaar Zebah en Zalmuna, van dewelke gij mij smadelijk verweten hebt, zeggende: Is de handpalm van Zebah en Zalmuna aireede in uwe hand, dat wij uwen mannen die moede zijn brood zouden geven ?

lli En hij nam de oudsten dier stad, en doornen der woestijn en-distelen, en deed hot den lieden van Sukkoth door dezelve verstaan.

17 En den toren van Pnuël wierp hij af, en doodde de lieden der stad.

18 Daarna zeide hij tot Zebah en Zalmuna: Wat waren het voor mannen, die gij te Tabor doqd-sloegt? En zij zeiden: Gelijk gij , alzóó waren zij, eenerlei, van gedaante als koningszonen.


-ocr page 312-

RICHTER EN 0.

208\'

40 Toon zoido hij: Hot waron mijno brooders, mijnor moodor zonen; zoo waarlijk als do Heüre looft, zoo gij zo hadt laton lovon, ik zoude njiedon niet doodon.

20 En hij zoido tot Jethor zijnon eerstgeborene : Sta op , dood zo , rnaar de jongeling trok zijn zwaard niet uit, want hij vroesdo, dewijl hij nog oen jongeling was.

21 Toon zeiden Zebah en Zal-muna: Sta gij op en val op ons aan, want naardat de man is, zoo is zijne machl. Zoo stond Gideon op en doodde Zebah en Zalmuna, en nam do maantjes die aan hunner kemelon halzen waren.

22 Toon zeiden do mannon van Israël tot Gideon: Hoorsch over ons, zoo gij als uw zoon en uwes zoons zoon, dewijl gij ons van der Midianiten hand verlost hebt.

23 Maar Gideon zoido tot hen: ]k zal over u niet heerschon , ook zal mijn zoon over u niet heerschon; de Heere zal over u heerschon.

, 24 Voorts zoido Gideon tot hen: Eéne begeerte zal ik van u be-geeren: geeft mij maar een iegelijk een voorhoofdsiersol van zijnen roof; want zij haddon gouden voor-hoofdsierselen gehad, dewijl zij Ismaëliten waren.

25 En zij zeiden: quot;NA\'ij zullen zo gaarne geven; en zij spreidden een kleed uit, en wierpen daarop een iegelijk een voorhoofdsiersel van zijnen roof.

26 En het gewicht der gouden voorhoofdsierselon, die hij begeerd had, was duizend en zevenhonderd sikkelen gouds, zonderde maantjes en ketenen en purperen kloe-deren , die de Koningen der Midianiten aangehad hadden, en zonder do halsbanden, die aan de halzen hunner kemelen geweest waren.

27 En Gideon maakte daarvan oenen etod, en stelde dien in zijne stad te Of ra: en gansch Israël hoereerde aldaar donzelven na, en het werd Gideon en zijnen huize tot een valstrik.

28 AIzoo werden de Midianiten te onder gebracht voor het aangezicht dei* kinderen Israëls, en hieven hun hoofd niet meer op.

En het land was stil veertig jaar in do dagen Gideons.

29 En Jorubbaal, do zoon van Joas, ging henen en woonde in zijn huis.

30 Gideon nu had zeventig zonen, die uit zijne heup voortgekomen waren, want hij had vele vrouwen;

31 en zijn bijwijf hetwelk te Sichem was, dat baarde hem óók oenen zoon, en hij noemde zijnen naam Abiinélech.

32 En Gideon, de zoon van Joas, stierf in goeden ouderdom; en hij werd begraven in het graf zijns vaders Joas, te Ofra des Abiëz-riters.

33 En het geschiedde als Gideon gestorven was, dat de kinderen Israëls zich omkeerden en de Bafils nahoereerden; en zij stelden zich Baal-Berith tot oenen god.

34 En de kinderen Israëls dachten niet aan den Heere hunnen God, die ze gered had van de hand aller hunner vijanden van rondom.

35 En zij deden geene weldadigheid bij den huize Jerubbaills , dat is Gideons, naar al het goede dat hij bij Israël gedaan had.

HOOFDSTUK 9.

Abiinélech nu, de zoon van Jorubbaal , ging henen naar Sichem tot de broeders zijner moeder, en hij sprak tot hen en tot het gansche geslacht van den huize des vaders zijner moeder, zeggende :

2 Spreekt toch voor de ooron aller burgeren van Sichem: Wat is u beter, dat zeventig mannen, alle zonen Jerubbaals, over u heerschon, of dat één man over u heersche? Gedenkt ook dat ik uw been en uw vleesch ben.

3 Toen spraken de broeders zijner moeder van hem voo? de ooron van alle burgeren van Sichem allo dezelfde woorden ; en hun harte neigde zich naar Abiinélech, want zij zeiden: Hij is onze broeder.

4 En zij gaven hem zeventig zilverlingen uit het huis van Baal-Berith , en Abimélech huurde daar-


-ocr page 313-

R1C H T ]

mede ijdele en lichtvaardige mannen die hem navolgden.

5 En hij kwam in zijns vaders huis te Ofra. en doodde zijne broederen de zonen Jerubbaals, zeventig mannen, op éénen steen; doch Jotham, Jerubbaals jongste zoon, werd overgelaten, want hij had zich verstoken.

G Toen vergaderden zich alle burgeren vanSichem, en het gan-sche huis van Millo, en gingen henen en maakten Abimélech ten Koning bij den hoogen eik, die bij Sichein is.

7 Als zij dit Jotham aanzeiden , zoo ging hij henen en stond op de hoogte des bergs Gerizim, en verhief zijne stem en riep, en hij zeide tot hen: Hoort naar mij , gij burgeren van Sichem, en God zal naar ulieden hooren.

8 De hoornen gingen eens henen om eenen Koning over zich te zalven, en zij zeiden tot den olijfboom : Wees gij Koning over ons.

9 Maar de olijfboom zeide tot hen: Zoude ik mijne vettigheid verlaten, die Goden demenschen in mij prijzen, en zoude ik henengaan om te zweven over de boo-men ?

10 Toen zeiden de boomen tot den vijgeboom: Kom gij, wees Koning over ons.

11 Maar de vijgeboom zeide tot hen: Zoude ik mijne zoetigheid en mijne goede vrucht verlaten, en zoude ik henengaan om te zweven over de boomen?

12 Toen zeiden de boomen tot den wijnstok: Kom gij, wees Koning over ons.

lu Maar de wijnstok zeide tot hen: Zoude ik mijnen most verlaten, die God en menschen vroo-lijk maakt, en zoude ik henengaan om te zweven over de boomen?

14 Toen zeiden alle de boomen tot den doornenbosch: Kom gij, wees Koning over ons.

15 En de doornenbosch zeide tot de boomen : Indien gij mij in der waarheid tot eenen Koning over u zalft, zoo komt, vertrouwt ii onder mijne schaduw, maar indien niet, zoo ga vuur uit den i K E N 0. 2U9

doornenbosch en vertere de cederen des Libanons.

1() Alzco nu, indien gij het in waarheid en oprechtheid gedaan hebt, dat gij Abimélech Koning gemaakt hebt, en indien gij welgedaan hebt bij Jerubbaal en bij zijnen huize , en indien gij hem naar de verdienste zijner handen gedaan hebt;

17 (want mijn vader heeft voor ulieden gestreden, en hij heeft zijne ziele ver weggeworpen, en u uit der Midianiten hand gered;

18 maar gij zijt heden opgestaar: tegen het huis mijns vaders, en hebt zijne zonen, zeventig mannen , op éénen steen gedood; en gij hebt Abimélech, eenen zoon zijner dienstmaagd, Koning gemaakt over de burgeren van Sichem, omdat hij uw broeder is);

19 indien gij dan in waarheid en in oprechtheid bij Jerubbaal en bij zijnen huize te dezen dage gehari-dêld hebt, zoo weest vroolijk over Abimélech, en hij zij óók vroolijk over ulieden;

20 maar indien niet, zoo ga vuur uit van Abimélech, en vertere de burgeren van Sichem en het huis van Millo; en vuur ga uit van do burgeren van Sichem en van den huize van Millo, en vertere Abimélech.

21 Toen vlood Jotham, en vluchtte en ging naar Beër, en hij woonde aldaar vanwege zijnen broeder Abimélech.

22 Als nu Abimélech drie jaren over Israël geheerscht had,

2 5 zoo zond God eenen boozen geest tusschen Abimélech en tus-schen de burgeren van Sichem, en de burgeren vanSichem handelden trouwelooslijk legen Abimélech;

2rt opdat liet geweld, gedaan aan de zevenüg zonen Jerubbaals, kwa-me en opdat hun bloed gelegd wierd op Abimélech hunnen broeder , die ze gedood had, en op de burgeren van Sichem, die zijne handen geslerkt hadden om zijne broederen te dooden.

25 En de burgeren van Sichem bestelden tegen hem die op tie hoogten der bergen lagen leiden, en al wie voorbij\' hen op den weg


-ocr page 314-

RICHTEREN 9.

300

doorging beroofden zij; en het werd Abimélech aangezegd. ■

20 Gaal, de zone Ebeds kwam ook met zijne broederen, en zij gingen over in Sichem, en de burgeren van Sichem verlieten zich op hem;

27 en zij togen uit in het veld, en lazen hunne wijnbergen af, en traden de druiven, en maakten lofliedekens; en zij gingen in het huis huns gods, en aten en dronken, en vloekten Abimélech.

28 En Gaiil, de zoon van Ebed, zeide: Wie is Abimélech, en wat is Sichem, dat wij hem dienen zouden? Is hij niet Jerubbaals zoon, en Zebul zijn bevelhebber? Dient liever de mannen Heinors, des vaders van Sichem; want waarom zouden wij hem dienen?

29 Och, dat dit volk in mijne hand ware: ik zoude Abimélech wel verdrijven. En tot Abimélech zeide hij: Vermeerder uw heir en trek uit.

30 Ais Zebul, de overste der stad, de woorden Gaiils des zoons Ebeds hoorde, zoo ontstak zijn toorn;

31 en hij zond listiglijk boden tot Abimélech , zeggende: Zie, Gaal de zoon Ebeds en zijne broeders zijn te Sichem gekomen, en zie, zij met deze stad handelen vijandiglijk tegen u:

32 zoo maak u nu op bij nacht, gij en het volk dat met u is, en leg lagen in het veld;

33 en het geschiede in den morgen, als de zon opgaat, zoo maak u vroeg op en overval deze stad; en zie, zoo hij en het volk dat met i hem is tot u uittrekken, zoo doe hem gelijk als uwe hand vinden \' zal.

34 Abimélech dan maakte zich | 5p en al het volk dat met hem was, bij nacht, en zij leiden lagen tegen Sichem, met vier hoopen. i

35 En Gaal, de zoon Ebeds ging uit, en stond aan do deur van de stadspoort; en Abimélech rees op, en al het volk dat met hem was, ; uit de achterlage.

36 Als Gaiil dat volk zag, zoo zeide hij tot Zebul: Ziedaar komt : volk af van de hoogten der ber- j gen. Zebul daarentegen zeide lot hem; Gij ziet de schaduw der bergen voor menschen aan.

37 Maar Gaal voer wijders voort te spreken, en zeide: Zie daar volk afkomende uit het midden des lands, en een hoop komt van den weg van den eik Meonenim.

38 Toen zeide Zebul tot hem: Waar is nu uw mond waarmede gij zeidet: Wie is Abimélech dat wij hem zouden dienen? Is niet dit het volk dat gij veracht hebt? Trek toch nu uit en strijd tegen hem.

39 En Gaiil trok uit voor het aangezicht der burgeren van Sichem , en hij streed tegen Abimélech.

40 En Abimélech jaagde hem na, want hij vlood voor zijn aangezicht; en daar vielen vele verslagenen tot aan de deur dor sf«t/spoort.

41 Abimélech nu bleef te Aruma: en Zebul verdreef Gaiil en zijne broederen, dat zij te Sichem niet mochten wonen.

42 hln het geschiedde des anderen daags dat het volk uittrok in het veld: en zij zeiden het Abimélech aan.

43 Toen nam hij het volk en deelde ze in drie hoopen, en hij leide lagen in het veld; en hij zag toe, en zie, het volk trok uit de stad: zoo maakte hij zich tegen hen op en sloeg ze.

44 Want Abimélech en de hoopen die bij hem waren overvielen ze en bleven staan aan de deur der stadspoort, en de twee andere hoopen overvielen allen die in het veld waren en sloegen ze.

45 Voorts streed Abimélech tegen de stad, dien ganschen dag, en nam de stad in, en doodde het volk dat daarin was: en hij brak de stad af, en bezaaide ze met zout.

46 Als alle burgeren van den toren van Sichem dat hoorder, zoo gingen zij in de sterkte, in het huis des gods Berith.

47 En het werd Abimélech aangezegd, dat alle burgeren des torens van Sichem zich verzameld hadden.

48 Zoo ging Abimélech op den berg Zalmon, hij en al het volk


-ocr page 315-

lUGHTEUEN 10.

301

dat met hem was, en Abimélech nam eene bijl in zijne hand en hieuw eenen tak van de boomen, en nam hem op en legde hem op zijnen schouder; en hij zeide tot het volk dat bij hem was: Wat gij mij hebt zien doen, haast u; doet als ik.

49 Zoo hieuw ook al het volk een iegelijk zijnen tak af, en volgde Abimélech na, en leide ze aan de sterkte, ea verbrandde daardoor de sterkte met vuur; dat ook alle lieden des torens van Sichem stierven, omtrent duizend mannen en vrouwen.

50 Voorts toog Abimélech naar Tebez, en hij legerde zich tegen Tebez eu nam ze in.

51 Doch daar was een sterke toren in het midden der stad; zoo vloden daarhenen alle de mannen en de vrouwen, en alle burgeren van de stad, en sloten voor zich toe; en zij klommen op het dak des torens.

52 Toen kwam Abimélech tot aan den toren, en bestormde dien; en hij genaakte tot aan de deur des torens om dien met vuur te verbranden.

53 Maar eene vrouw wierp een stuk van eenen molensteen op Abimélechs hoofd, en zij verpletterde zijne hersenpan.

54 Toen riep hij haastelijk den jongen die zijne wapenen droeg, en zeide tot hem: Trek uw zwaard uit en dood mij, opdat ze niet van mij zeggen: Eene vrouw heeft hem gedood. En zijn jongen doorstak hem dat hij stierf.

55 Als nu de mannen van Israël zagen dat Abimélech dood was, zoo gingen zij een iegelijk naar zijne plaats.

5G Alzoo deed God wederkeeren Abimélechs kwaad, dat hij aan zi jnen vader gedaan had, doodende zijne zeventig broederen;

57 desgelijks al het kwaad der lieden van Sichem deed God wederkeeren op hun hoofd: en de vloek Jothams, des zoons Jerub-baals, kwam over hen.

HOOFDSTUK 10.

Na Abimélech nu stond op, om

Israël te behouden, Tola, een zoon van Pua, zoon van Dodo, een man van Issaschar, en hij woonde teSamir, op het gebergte Efraïms.

2 En hij richtte Israël drieëntwintig jaar; en hij stierf, en werd begraven te Samir.

\'A En na hem stond up Jaïr de Gileadiet, en quot;hij richtte Israël tweeëntwintig jaar.

4 En hij had dertig zonen, rijdende oo dertig ezelveulens, en die hadden dertig steden, die zij noemden Havvoth-Jaïr, tot op dezen dag, dewelke in den lande Gileads zijn-

5 En Jaïr stierf en werd begraven te Kamon.

0 Toen voeren de kinderen Israels voort te doen dat kwaad was in de oogen des Hekren, en dienden de Baals en Astaroth, en do goden van Syrië, en de goden van Sidon, en de goden van Moab, en de goden der kinderen Ammons , mitsgaders de goden der Filistijnen ; en zij verlieten den Heere en dienden licm niet.

7 Zoo ontstak de toorn des Hee-ren tegen Israël, en hij verkocht ze in de hand der Filistijnen en in de hand der kinderen Ammons:

8 en zij onderdrukten en vertraden de kinderen Israels in dat-zelve jaar; achttien jaar onderdrukten zij alle de kinderen Israels die aan gene zijde van den Jordaan waren, in het land der Amoriten dat in Gilead is.

9 Daartoe togen de kinderen Ammons over den Jordaan om lo krijgen, zelfs tegen Juda en tegen Benjamin en tegen het huis Efra-ïms, zoodat Israël zeer bang werd.

10 Toen riepen de kinderen Israels tot den Heere , zeggende: Wij hebben tegen u gezondigd, zoo omidat wij onzen God hebben verlaten als quot;dat wij de Baals gediend hebben.

11 Maar de Heere zeide tot de kinderen Israels: Heb ik u niet van de Egyptenaren, en van do Amoriten, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen,

12 en de Sidoniërs, en Amale* kiten, en Maoniten, die u onder-»


-ocr page 316-

HIGHTKUEN 11.

302

Gen zij zeiden tot Jefta: Kom en wees ons tot een overste, opdat wij strijden tegen de kinderen Ammons.

7 Maar Jefta zeide tot de oud-sten van Gilead: Hebt gijlieden mij niet gehaat en mij uit mijns vaders huis gestooten? Waarom z\'.it SÜ• dan nu tot mij gekomen terwijl gij in benauwdheid zijt?

8 En de oudsten van Gilead zeiden tot Jefta: Daarom zijn wij nu lot u wedergekomen, dat gij met ons trekt en tegen de kinderen Ammons strijdt; en gij zult ons lot een hoofd zijn over alle inwoners van Gilead.

J) Toen zeide Jefta tot de oudsten van Gilead: Zoo gijlieden mij we-derhaalt om te strijden tegen de kinderen Ammons, en de Heehe hen voor mijn aangezicht geven zal, zal ik u dan tot een hoofd zijn?

10 En de oudsten van Gilead zeiden lot Jefta: De Heere zij toehoorder lusschen ons, indien wij niet alzóó naar uwen woorde doen.

11 Alzoo ging Jefta met de oudsten van Gilead, en het volk stelde hem lot een hoofd en overste over zich; en Jefta sprak alle ziine woorden voor het aangezicht des He er en te Mizpa.

12 Voorts zond Jefta boden lot den Koning der kinderen Ammons, zeggende: Wat hebben ik en gij met elkander te doen, dat gij tot mij gekomen zijt om tegen mijn land te krijgen?

13 En de Koning der kinderen Ammons zeide lot de boden van Jefta: Omdat Israël, als hij uit Egypte optoog, mijn land genomen heelt, van de Anion af tot aan de Jabbok en tot aan den Jordaan, zoo geef mij dat nu weder met vrede.

14 Maar Jefta voer wijders voort en zond boden tot den Koning der kinderen Ammons,

15 en hij zeide lol hem: Zóó zegt Jefta: Israël heeft het land. der Moabiten en het land der kinderen Ammons niet genomen.

10 Want als zij uit Egypte optogen, zoo wandelde Israël dooide woestijn tot aan de Schel .zee, en kwam te Kades;

drukten, toen gij tot mij riept, alsdan uit hunne hand verlost?

13 Nogtans hebt gij mij verlaten en andere goden gediend: daarom zal ik u niet meer verlossen.

14 Gaat henen en roept tot de goden, die gij verkoren hebt: laat ii die verlossen ten tijde uwer benauwdheid.

15 Maar de kinderen Israels zeiden tot den Heere: Wij hebben gezondigd; doe gij ons naar alles dat goed is in uwe oogen , alleenlijk verlos ons toch te dezen dage.

1(3 En zij deden de vreemde goden uit hun midden weg, en dienden den Heeue. Toen werd zijne ziele verdrietig over den arbeid van Israël.

17 En de kinderen Amnions werden bijeengeroepen en legerden zich in Gilead, daarentegen werden de kinderen Israëls vergaderd en legerden zich te Mizpa.

18 Toen zoide het volk, de oversten van Gilead, de één tot den ander: Wie is de man die beginnen zal te strijden legen de kinderen Ammons? Die zal tot een hoofd zijn allen inwoneren van Gilead.

HOOFDSTUK 11.

Jefta nu de Gileadiet was een strijdbaar held, maar hij was een hoerekind; doch Gilead quot;had Jefta gegenereerd.

2 Gileads huisvrouw baarde hem óók zonen; en de zonen dezer vrouw groot geworden zijnde, stieten Jefta uit en zeiden tot hem : Gij zult in het huis onzes vaders niet erven, want gij zijt een zoon van eene andere vrouw.

3 Toen vlood Jefta voor het aangezicht zijner broederen en woonde in het land Tob; en ijdele mannen vergaderden zich tot Jefta en togen met hem uit.

4 En het geschiedde na eenige dagen dat de kinderen Ammons tegen Israël krijgden.

5 Zoo geschiedde het als de kinderen Ammons tegen Israël krijgden , dat de oudsten van Gilead henengingen om Jefta te halen uit het land Tob;

-ocr page 317-

RICHTEREN

17 on Israël zond boden tot den Koning der Edomiten, zeggende:

Laat mij tooli door uw land doortrokken; maar de Koning der Edomilen gaf geen gehoor. En hij zond ook tot den Koning der Mo-abiten, die óók niet wilde. Alzoo Jjleef Israël in Kades.

-IS Daarna wandelde hij in de woestijn, en toog om het land der Edomiten en het land der Moabilen, en kwam van den opgang der zon aan het land dei* Momten, en zij legerden zich op gene zijde van de Arnon; maar zij kwamen niet binnen de land-p\'ale der Moabilen, want de Arnon is de landpale der Moabiten.

19 Maar Israël zond boden tot Sihon den Koning der Arnoriten , Koning van Hesbon, en Israël zeide tot hem: Laat ons toch door uw land doortrekken tot aan mijne plaats.

20 Doch Sihon betrouwde Israël niet door zijne landpale door te trekken, maar Sihon verzamelde al zijn volk, en zij legerden zich te Jahza; en hij streed tegen Israël.

21 En de Hkere de God Israëls gaf Sihon met al zijn volk in Israëls hand, dat zij /.c sloegen;

alzoo nam Israël eilelijk in het gansche land der Arnoriten, dio in datzelve land woonden,

22 en zij namen erfelijk in de gansche landpale der Arnoriten, van de Arnon af tot aan de Jab-bok, en van de woestijn tot aan den Jordaan.

23 Zoo heeft nu de Heere de God Israëls de Arnoriten voor het aangezicht zijns volks Israëls uit de bezitting verdreven: en zoudt gij hunlieder erfgenaam zijn?

\'24 Zoudt gij nietdengeneerven,

dien uw god Kamos voor u uit de bezitting verdreef? Alzoo zullen wij al dengene erven dien de Heere onze God voor ons aangezicht uit de bezitting verdrijft.

25 Nu voorts, zijt gij veel beter dan Balak, do zoon Zippors, der Moabiten Koning? Heeft hij ooit met Israël getwist? Heeft hij ook ooit tegen hen gekrijgd?

26 Terwijl Israël driehonderd

ü. 303

jaar gewoond heeft in Hesbon en quot;in hare stedekens, en in Aroër en in hare stedekens, en in alle de steden, die aan de zijde van de Arnon zijn: waarom hebt gij het dan in dien tijd niet gered?

27 Ook heb ik tegen u niet gezondigd, maar gij doet kwalijk met mij, dat gij tegen mij krijgt: do Heere die Rechter is richte heden tusschen de kinderen Israëls en tusschen de kinderen Ammons.

28 Maar de Koning der kinderen Ammons hoorde niet naar de woorden van Jefta, die hij tot hem gezonden had.

\' 20 Toen kwam de Geest des Heeren op Jefta, dat hij Gilead cn Manasse doortrok; want hij trok dóór tot Mizpa in Gilead, en van Mizpa in Gilead trok hij door tot de kinderen Ammons.

30 En Jefta beloofde den Heere eene gelofte, en zeide: Indien gij de kinderen Ammons ganschelijk in mijne hand zult geven,

31 zoo zal het uitgaande, dj-.t uit do deure mijnes huizes n.ij tegemoet zal uitgaan als ik met vrede van de kinderen Ammons wederkome, dat zal des Heeren zijn, en ik zal het offeren ton brandoffer.

32 Alzoo trok Jefta dóór naar de kinderen Ammons, om tegen hen te strijden; en de Heere gaf ze in zijne hand;

33 en hij sloeg ze von Aroer at tot waar gij komt te Minnith, twintig sleden, en lot aan Abel-Keramim , met eenen zeer grooten slag. Alzoo werden de kinderen Ammons tenondergebracht voor het aangezicht der kinderen Israels.

34 Toen nu Jefta te Mizpa bij zijn huis kwam, zie, zoo ging zijne dochter uit, hem tegemoet, met trommelen en reien. Zij nu was alleen. een uénig kind, hij liad uit zich anders geen zoon ol dochter.

3ü En het geschiedde als hij naar zag , zoo verscheurde hij zijne kleedoren , en zeide: Ach mijne dochter , gij hebt mij ganschelijk neder-gebogen, en gij zijt onder degenen die mij beroeren; want ik heb mijnen mond opengedaan tot den

-ocr page 318-

304 RIC H T E

Heere, en ik zal niot kunnen teruggaan.

3G Kn zij zeicle tot hem: Mijn vader, hebt gij uwen mond opengedaan tot den Heeue, doe mij gelijk uit uwen mónd gegaan is; naardien u dc Heere vólkomen wraak gegeven heeft van uwe vijanden . van do kinderen Ammons.

37 Voorts zeide zij tot haren vader: Laat deze zake aan mij geschieden ; laat twee maanden van mij af, dat ik henenga en afga tot dc hergen, en beweene mijnen maagdom. ik en mijne gezellinnen.

38 Kn hij zeide: Ga henen; en hij liet ze twee maanden gaan. Toen ging zij henen met hare gezellinnen, en beweende haren maagdom op de bergen.

39 En liet geschiedde ten einde van twee maanden, dat zij tot haren vader wederkwam, die aan haar volbracht zijne gelofte die hij beloofd had; en zij heeft geenen man bekend. Voorts werd het eene gewoonheid in Israël,

40 dat de doch l eren Israels van jaar tot jaar henengingen om de dochter van Jefta den Gileadiet aan te spreken, vier dagen in het jaar.

HOOFDSTUK 12.

Toen werden de mannen Efraïms bijééngeroepen, en trokken over naar het Noorden; en zij zeiden tot Jefta: Waarom zijt gij doorgetogen om te strijden tegen de kinderen Ammons, en hebt ons niet geroepen om met u te gaan? Wij zullen uw huis met u, met vuur verbranden.

2 En Jefta zeide tot hen: Ik en mijn volk waren zeer twistig met de kinderen Ammons; en ik heb ulieden geroepen, maar gij hebt mij uit hunne hand niet verlost.

3 Als ik nu zag dat gij niet ver-lostet, zoo stelde ik mijne ziele in mijne hand, en toog dóór tot de kinderen Ammons, en deHeer^ gaf ze in mijne hand: waarom zijt gij dan te dézen dage tot mij opgekomen om tegen mij te strijden?

4 En Jefta vergaderde alle mannen van Gilead en streed met Efraïm; en dc mannen van Gilead ^EN 12, 13.

sloegen Efraïm, want de Gilea-diten, zijnde tusschen Efraïm en jtusschen Manasse, zeiden: Gijlieden zijt vluchtelingen van Efraïm.

5 Want de Gileaditcn namen den Efraïmiten de veren van den Jordaan af; en het geschiedde als dc vluchtelingen van Efraïm zeiden: Laat mij overgaan, zoo zeiden de mannen van Gilead tot hem: Zijt gij een Efraïmiet? Wanneer hij zeide: Neen,

G zoo zeiden zij tot hem: Zeg nu: Schibbóleth; maar hij zeide: Sibbóleth, en kon het alzoo niet recht spreken: zoo grepen zij hem en versloegen hem aan dc veren van den Jordaan; dat te dier tijd van Efraïm vielen tweeënveertig-duizend.

7 Jefta nu richtte Israël zes jaren, en Jefta de Gileadiet stierf, en werd begraven in de steden Gi leads.

8 En na hem richtte Israël Ebzan van Bethlehem.

ü En hij had dertig zonen; en hij zond dertig dochteren naar buiten, en bracht dertig dochteren van builen in voor zijne zonen, en hij richtte Israël zeven jaren;

10 toen stierf Ebzan en word begraven te Bethlehem.

11 En na hem richtte Israël Elon de Zebuloniet, en hij richtte (s-raël tien jaren;

12 en Élon de Zebuloniet stierf, en werd begraven te Ajjalon in het land van Zebulon.

13 En na hem richtte Israël Abdon, een zoon van Hillel, do Pirathoniet.

14 En hij had veertig zonen en dertig zoonszonen, rijdende op zeventig ezelsveulens, en hij richtte Israël acht jaren;

15 toen stierf Abdon, een zoon van Hillel, de Pirathoniet, en hij werd begraven te Pirathon in het land Efraïms, op den berg des Amalekiets.

HOOFDSTUK 13.!

En de kinderen Israels vo3ren voort te doen dat kwaad was in de oogen des Heeren: zoo gaf ze


-ocr page 319-

RIG H T E

305

REN 13.

dc Heere in de hand der Filistijnen veertig jaar.

2 En daar was een man van Zora, uit het geslacht eens Daniets, wiens naam was Manóah; en zijne huisvrouw was onvruchtbaar en baarde niet.

3 En een Engel des Heeken verscheen aan deze vrouwe en hij zeide tot haar: Zie nu, gij zijt onvruchtbaar en hebt niet gebaard, maar gij zult zwanger worden en eenen zoon baren.

4 Zoo wacht u toch nu, en drink geen wijn noch sterken drank, en eet niets onreins.

5 Want zie, gij zult zwanger worden, en eenen zoon baren op wiens hoofd geen scheermes zal komen; want dat jongsleen zal een Nazireër Gods zijn van den moederschoot af; en hij zal beginnen Israël te verlossen uit der Filistijnen hand.

ü Toen kwam deze vrouw in, en sprak tot haren man, zeggende: Daar kwam een man Gods tot mij, wiens aanzicht was als het aanzicht van een Engel Gods, zeer vreeselijk; en ik vraagde hem niet van waar hij was, en zijnen naam galquot; hij mij niet te kennen;

7 maar hij zeide tot mij: Zie, gij zult zwanger worden eii eenen zoon baren: zoo drink nu geen wijn noch sterken drank, en eet niets onreins; want dat jongsken zal een Nazireër Gods zijn van den moederschoot af tot op den dag zijns doods.

s Toen aanbad Manóah den heere vuriglijk en zeide: Och Heere, dat toch de man Gods dien gij gezonden hebt weder tot ons kome, en ons leere wat wij dat jongsken doen zullen dat geboren zal worden.

9 En God verhoorde de stemme van Manóah, en de Engel Gods kwam wederom tot de vrouw. Zij nu zat in het veld, doch haar man Manóah was niet bij haar.

40 Zoo haastte de vrouw en liep, en gaf het haren man te kennen, en zij zeide tot hem: Zie, die man is mij verschenen, dewelke op dien dag tot mij kwam.

11 Toen stond Manóah op en ging zijne huisvrouw na, en hij kwam tot dien man en zeide tot hem: Zijt gij die man dewelke tot deze vrouw gesproken heeft? En hij zeide: Ik ben \'t.

12 Toen zeide Manóah: Nu, dat uwe woorden komen ; maar wat zal des jongskens wijze en zijn werk zijn?

13 En de Engel des Heeren zeide tot Manóah: Van alles dat ik tot de vrouwe gezegd heb zal zij zich wachten:

14 zij zal niet eten van iets dat van den wijnstok des wijns voortkomt, en wijn en sterken drank zal zij niet drinken, noch iets onreins eten: al wat ik haar geboden heb zal zij onderhouden.

15 Toen zeide Manóah tot den Engel des Heeren: Laat ons u toch ophouden, en een geitenbokje voor uw aangezicht bereiden.

KJ Maar de Engel des Heeren zekle tot Manóah: Indien gij mij zult ophouden, ik zal van uw brood niet eten; en indien gij een brandoffer zult doen, dat zult gij den Heere offeren. Want Manóah wist niet dat hot een Engel des Heeren was.

17 En Manóah zeide tot den Engel des Heeken: Wat is uw naam? opdat wij u vereeren wanneer uw woord zal komen.

18 En de Engel des Heeren zeide tot hem: Waarom vraagt gij dus naar mijnen naam? Die is toch wonderlijk.

19 Toen nam Manóah een geiten-bokje en het spijsoffer, en offerde het op den rotssteen den Heere. En hij handelde wonderlijk in zijn doen; en Manóah en zijne huisvrouw zagen toe:

20 en het geschiedde als de vlam van het altaar opvoer naar den hemel, zoo voer de Engel desquot; Heeren op in de vlam des altaars. Als Manóah en zijne huisvrouw dat zagen, zoo vielen zij op hunne aangezichten ter aarde.

21 En de Engel des Heeren verscheen niet meer aan Manóah en aan zijne huisvrouw. Toen bekende Manóah dat het een Engel des Heeren was,

22 en Manóah zeide tot zijne huisvrouw: Wij zullen zekerlijk


-ocr page 320-

RICH TER EN 44.

306

sterven, omdat wij God gezien hebben.

23 Maar zijne buis vrouw zeide tot hem: Zoo do Heere lust had ons te dooden, hij had het brandoffer en spijsoffer van onze hand niet aangenomen, nocli ons dit alles getoond, noch ons om dezen tijd laten hooren zulks als dit is.

24 Daarna baarde deze vrouw oenen zoon, en zij noemde zijnen naam Simson; en dat jongsken werd groot, en de Heere zegende het.

25 En de Geest des IIkeren begon hem bijwijlen te drijven in het leger van Dan, tusschen Zora en tusschen Estaol.

HOOFDSTUK 14.

En Simson ging af naar Tim-nath, en gezien hebbende eene vrouw te Timnath , van de doch-teron der Filistijnen,

2 zoo ging hij opwaarts en gaf het zijnen vader en zijner moeder te kennen, en zeide: Ik heb eene vrouw gezien te Timnath, van de dochteren der Filistijnen: nu dan neemt mij die tot eene vrouw.

3 Maar zijn vader zeide tot hem, mitsgaders zijne moeder: Is er geen vrouw onder de dochteren uwer broederen en onder al mijn volk, dat gij henengaat om eene vrouw te nemen van de Filistijnen, die onbesnedenen? En Simson zeide tot zijnen vader: neem mij die, want zij is bevallig iu mijne óogen.

4 Zijn vader nu en zijiie moeder wisten niet, dat dit van den Heere was, dat hij gelegenheid zocht van de Filistijnen; want de Filistijnen heerschten te dier tijd over Israël.

5 Alzoo ging Simson met zijnen vader en zijne moeder henen af naar Timnath. Als zi j nu kwamen tot aan de wijngaarden van Timnath , ziedaar een jonge leeuw brullende hem tegemoet.

(5 Toen werd de Geest des Hee-ren vaardig over hem, dat hij hem vanéénscheurde gelijk men een bokje vanéénscheurt, endaar was niets in zijne hand; doch hij gaf zijnen vader en zijner moeder niet te kennen wat hij gedaan had.

7 En hij kwam af en sprak tot de vrouw; en zij beviel in Sim-sons oogen.

8 En na sommige dagen kwam hij weder om haar te nemen; toen week hij af om het aas van den leeuw te bezien; en zie, een bijenzwerm was in het lichaam van den leeuw, met honig;

9 en hij nam dien in zijne handen en ging voort, al gaande en etende; en hij ging tot zijnen vader en tot zijne moeder, en gaf hun daarvan en zij aten; doch hij gaf hun niet te kennen dat hij den honig uit het lichaam van den leeuw genomen had.

40 Als nu zijn vader afgekomen was tot die vrouw, zoo maakte Simson aldaar eene bruiloft, want alzóó plachten de jongelingen te doen.

11 En het geschiedde als zij hem zagen, zoo namen zij dertig metgezellen die bij heni zouden zijn.

12 Simson dan zeide tot hen: Ik zal nu uliedon een raadsel te raden geven; indien gij mij dat in de zeven dagen dezer bruiloft wel zult verklaren en uitvinden, zoo zal ik ulieden geven dertig fijne lijnwaadskleederen en dertig wisselkleederen:

13 en indien gij het mij niet zult kunnen verklaren, zoo zult gijlieden mij geven dertig fijne lijnwaadskleederen en dertig wissel-kleederen. En zij zeiden tot hom: Geef uw raadsel te raden en laat het ons hooren.

14 En hij zeide tot hen: Spijze ging uit van den eter, en zoetigheid ging uit van den sterke. En zijquot; konden dat raadsel in drie dageii niet verklaren ;

15 daarna geschiedde het op den zevenden dag. dat zij tot Simsons huisvrouw zeiden: Overreed uwen man dat hij ons dat raadsel ver-klare , opdat wij niet misschien u en uws vaders huis met vuur verbranden. Hebt gijlieden ons genoodigd om het onze te bezitten? Is het zoo niet?

Ui En Simsons huisvrouw wsende voor hem en zeide: Gij haat mij


-ocr page 321-

111 C H T E

KEN 15.

maar cnhebt mij niet lief; gij hebt den kinderen mijns volks een raadsel te raden gegeven, en hebt het I mij niet verklaard. En hij zeide tot haar: Zie, ik heb het mijnen vader en mijner moeder niet verklaard, zoude ik het u dan ver-| klaren?

17 En zij weende voor hem op den zevenden der dagen in de-

I welke zij deze bruiloft hadden; zoo geschiedde het op den zevenden dag, dat hij het haar verklaarde, want zij perste hem , en zij verklaarde dat raadsel den kinderen haars volks. welke zij deze bruiloft hadden; zoo geschiedde het op den zevenden dag, dat hij het haar verklaarde, want zij perste hem , en zij verklaarde dat raadsel den kinderen haars volks.

18 Toen zeiden de mannen dei-stad lot hem op den zevenden dag, eer de zon onderging: quot;Wat is zoeter dan honig, en wat is sterker dan een leeuw? En hij zeide tot hen: Zoo gij met mijn kalf niet hadt geploegd, gij zoudt mijn raadsel niet hebben uitgevonden.

19 Toen werd de Geest des Hee-ren vaardig over hem, en hij ging

S af naar de Askelonieten en sloeg van hen dertig man; en hij nam hun gewaad, en gaf de wissel-kleederen dengenen die dat raadsel verklaard hadden. Doch zijn toorn ontstak . en hij ging op naar zijns vaders huis.

*20 En Simsons huisvrouw werd zijns metgezels, die hem vergc-zelschapt had.

HOOFDSTUK 15.

En het geschiedde na so?n»j ige dagen, in de dagen des tarwenoogstes, dat Shnson zijne huisvrouw bezocht net een- geitenbokje, en hij zeide: ,aat mij tot mijne huisvrouw in-aan in de kamer; maar haar ader liet hem niet toe in te gaan;

2 want haar vader zeide: Ik sprak zeker dat gij haar gansche-lijk haattet, zoo heb ik ze uwen metgezel gegeven. Is niet hare kleinste zuster schooner dan zij? Laat zo u toch zijn in plaats van haar.

3 Toen zeide Simson van henlieden: Ik ben ditmaal onschuldig van de Filistijnen, wanneer ik aan hen kwaad doe.

4 En Simson ging henen en ving driehonderd vossen; en hij nam fakkelen, en keerde staart aan staart, en deed eene fakkel tus-schen twee staarten in het midden;

5 en hij stak de fakkelen aan met vuur, en liet ze loopen in het staande koren der Filistijnen; en hij stak in brand zoowel de koren-hoopen als het staande koren, zelfs tot de wijngaarden en olijfboo-men toe.

ü Toen zeiden do Filistijnen: Wie heeft dit gedaan? En mem zeide: Simson, de schoonzoon van den Timniet, omdat hij zijne huisvrouw heeft genomen en heeft ze zijnen metgezel gegeven. Toen kwamen de Filistijnen op en verbrandden haar en haren vader met vuur.

7 Toen zeide Simson tot hen: Zoudt gij alzóó doen? Zeker, als ik mij aan u gewroken heb, zoo zal ik daarna ophouden.

8 En hij sloeg ze, den schenkel en de heup, met eenen grooten slag; en hij ging af, en woonde op de hoogte van do rots Etam.

9 Toen togen de Filistijnen op en legerden zich tegen Juda, en breidden zich uit in Lechi.

10 En de mannen van Juda zeiden: Waarom zijt gijlieden tegen ons opgetogen? Én zij zeiden: Wij zijn opgetogen om Simson te binden, om hem te doen gelijk als hij ons gedaan heeft.

11 Toen kwamen drieduizend mannen af uit Juda tot het hol der rots Etam, en zeiden tot Simson : Wist gij niet dat de Filistijnen over ons\'heerschen? Waarom hebt gij ons dan dit gedaan? En hij zèide tot hen: Gelijk zij mij gedaan hebben, alzóó heb ik hunlieden gedaan.

12 En zij zeiden lot hem: Wij zijn afgekomen om u te binden, om u over te geven in de hand der Filistijnen. Toen zeide Simson tot hen: quot;Zweert mij dat gijlieden op mij niet zult aanvallen.

13 En zij spraken lot hom, zeggende: Neen, maar wij zullen li wel binden, en u in hunlieder hand overgeven; doch wij zullen u geenszins dooden. En zij bonden hem


-ocr page 322-

RICH TEREN 1G.

308

met twee nieuwe louwen, en voerden hem op van de rots.

14 Als bij kwam te Lechi, zoo juichten de Filistijnen hem tegemoet; maar do Geest des Heerkn werd vaardig over hem; en de touwen, die aan zijne armen waren, werden als linnen draden die van het vuur gebrand zijn, en zijne banden versmolten van zijne handen;

15 en hij vond een vochtig ezels-kinnebakken en hij strekte zijne hand uit en nam quot;het, en sloeg daarmede duizend man.

1G Toen zeide Simson: Met een ezelskinnebakken eenen hoop, twee hoepen, met een ezelskinnebakken heb ik duizend man geslagen.

17 En het geschiedde als hij geëindigd had Ie spreken, zoo wierp hij het kinnebakken uit zijne hand, en hij noemde die plaats Ramath-Lechi.

18 Als hem nu zeer dorstte, zoo riep hij tot den Heere en zeide: Gij hebt door de hand uws knechts dit groote heil gegeven: zoude ik dan nu van dorst sterven, en vallen in de hand dezer onbe-snedenen?

19 Toen kloofde God do holle plaatse die in Lechi is, en er ging water uit van dezelve, en hij dronk. Toen kwam zijn geest weder en hij werd levendig. Daarom noemde hij haren naam de fontein des aan-roepers, die in Lechi Is tot op dezen dag.

20 En hij richtte Israël in de dagen der Filistijnen twintig jaar.

HOOFDSTUK 1G.

Simson nu ging henen naar Gaza, en hij zag aldaar eene vrouw, die eene hoer was, en hij ging tot haar in.

2 Toen werd den Gaziten gezegd: Simson is hier ingekomen; zoo gingen zij rondom, en leiden hem den ganschen nacht lagen in de stadspoort, doch zij hielden zich den ganschen nacht stil, zeggende: Tot aan het morgenlicht, dan zullen wij hem dooden.

3 Maar Simson lag tot middernacht toe: toen stond hij op te middernacht, en hij greep de deuren der stadspoort met de beide posten, en nam ze weg met den grendelboom, en leide ze op zijne schouderen , en droeg ze opwaarts op de hoogte des bergs, die in het gezigt van Hebron is.

4 En liet geschiedde daarna dat hij eene vrouw lief kreeg aan de beek Sorek, welker naam was Del i la.

5 Toen kwamen de vorsten der Filistijnen tot haar op, en zeiden tot haar: Overreed hem, en zie waarin zijne groote kracht zij, en waarmede wij hem zouden machtig worden en hem binden om hem te plagen; zoo zullen wij u geven een iegelijk duizend en honderd zilverlingen.

(J Delila dan zeide tot Simson: Verklaar mij toch waarin uwe groote kracht zij, en waarmede gij zoudt kunnen gebonden worden dat men u plage.

7 En Simson zeide tot haar: Indien zij mij bonden met zeven versche zelen die niet verdroogd zijn, zoo zoude ik zwak worden en wezen als een ander mensch.

8 Toen brachten de Vorsten der Filistijnen tot haar öp zeven versche zelen die niet verdroogd waren, en zij bond hem daarmede.

9 De achterlage nu zat bij haar in eene kamer. Zoo zeide zij tot hem: De Filistijnen overu, Simson! Toen verbrak hij de zelen, gelijk als een snoertje van grof vlas verbroken wordt als het vuur ruikt. Alzoo werd zijne kracht niet bekend.

10 Toen zeide Delila tot Simson: Zie, gij hebt met mij gespot en leugenen tot mij gesproken: verklaar mij toch nu waarmede gij zoudt kunnen gebonden worden.

11 En hij zeide tot haar: Indien zij mij vastbonden met nieuwe touwen, met welke geen werk gedaan is, zoo zoude ik zwak worden en wezen als een ander mensch.

12 Toen nam Delila nieuwe touwen en bond hem daarmede, en zeide tot hem: De Filistijnen over u, Simson! De achterlage nu was zittende in eene kamer. Toen verbrak hij ze van zijne armen als eenen draad.

13 En Delila zeide tot Simson:


-ocr page 323-

RIGHTE

309

REN 10.

Tot hiertoe hebt gij met mij gespot en leugenen tot mij gesproken : verklaar mij toch nu waarmede gij zoudt kunnen gebonden worden. En hij zeide tot haar: Indien gij de zeven haarlokken mijns hoofds vlocht aan eenen weversboom.

14 En zij maakte ze vast met eene pin, en zeide tot hem: De Filistijnen over u, Simson! Toen waakte hij op uit zijnen slaap, en nam weg de pin der gevlochten haarlokken en den weversboom.

45 Toen zeide zij tot hem: Hoe zult gij zeggen: Ik heb u lief, daar uw hart niet met mij is? Gij hebt nu driemaal met mij gespot, en mij niet verklaard waarin uwe groote kracht zij.

1G En het geschiedde als zij hem alle dagen met hare woorden perste en hem moeielijk viel, dat zijne ziel verdrietig werd tot stervens toe,

17 zoo verklaarde hij haar zijn gansche hart, en zeide tot haar: Daar is nooit een scheermes op mijn hoofd gekomen, want ik ben een Nazireër Gods van mijner moeder schoot af: indien ik geschoren werd, zoo zoude mijne kracht van mij wijken, en ik zoude zwak worden en wezen als alle de menschen.

18 Als nu Delila zag dat hij haar zijn gansche hart verklaard had, zoo zond zij henen en riep de Vorsten der \'Filistijnen, zeggende: Komt ditmaal op , want hij heeft mij zijn gansche hart verklaard. En de Vorsten der Filistijnen kwamen tot haar op, en brachten het geld in hunne hand.

1(.) Toen deed zij hem slapen op hare knieën, en riep eenen man en liet hem de zeven haarlokken zijns hoofds afscheren, en zij begon hem te plagen; en zijne kracht week van hem;

20 en zij zeide: De Filistijnen over u , Simson! En hij ontwaakte uit zijnen slaap, en zeide: Ik zal ditmaal uitgaan als op andere malen, en mij uitschudden; want hij wist niet dat de Heere van hem geweken was.

21 Toen grepen hem de Filistijnen en groeven zijne oogen uit; en zij voerden hem af naar Gaza, en bonden hem met twee koperen ketenen, en hij was malende in het gevangenhuis.

22 En het haar zijns hoofds begon weder te wassen gelijk toen hij geschoren werd.

23 Toen verzamelden zich de Vorsten der Filistijnen om hunnen god Dagon een groot offer te oifc-ren, en tot vroolijkheid; en zij zeiden: Onze god heeft onzen vijand Simson in onze hand gegeven.

24 Desgelijks als hem het volk zag, loofden zij hunnen god, want zij zeiden: Onze god heeft in onze hand gegeven onzen vijand, en die ons land verwoestte en die onzer verslagenen velen maakte.

25 En het geschiedde als hun hart vroolijk was dat zij zeiden: Roept Simson, dat hij voor ons spele. En zij riepen Sirnson uit liet gevangenhuis, en hij speelde voor hunne aangezichten, en zij deden hem staan tusschen de pilaren.

2G Toen zeide Simson tot den jongen, die hem bij de hand hield: Laat mij gaan, dat ik de pilaren betaste op dewelke het huis gevestigd is, dat ik daaraan leune.

27 liet huis nu was vol mannen en vrouwen, ook waren daar alle Vorsten der Filistijnen; en op het dak waren omtrent drieduizend mannen en vrouwen, die toezagen als Simson speelde.

28 Toen riep Simson tot den Heere en zeide: Heere Heere, gedenk toch mijner, en sterk mij toch alleenlijk ditmaal, o God, dat ik mij inet ééne wraak voor mijne twee oogen aan de Filistijnen wreke.

29 En Simson vatte de twee middelste pilaren op welke het huis was gevestigd en waarop het steunde, den éénen met zijne rechterhand en den anderen met zijne linkerhand;

30 en Simson zeide: Mijne ziele sterve met de Filistijnen; en hij boog zich met kracht, en het huis vier op de Vorsten en op al het volk dat daarin was: en der dooden, die hij in zijn sterven gedood heeft, waren meer dan die hij in zijn leven gedood had.


-ocr page 324-

310 RICH TE 1

31 Toen kwamen zijne broeders af, en zijns vaders g.insche huis, en namen hem op, en brachten hem opwaarts, en begroeven hem tusschen Zora en tussehen Estaol, i»i het graf zijns vaders Manóaii. Hij nu had Israël gericht twintig-jaar.

HOOFDSTUK 17.

En daar was een man van liet j gebergte Efraïms, wiens naam was Micha:

2 die zeide lot zijne moeder: l)c duizend en honderd zilverlingen die u ontnomen zijn, om de welke gij gevloekt hebt en ook voor mijne ooren gesproken hebt, zie, dat geld is bij mij: ik heb dat genomen. Toen zeide zijne moeder: Gezegend zij mijn zoon den Heeue.

3 Alzoo gaf hij zijner moederde duizend en honderd zilverlingen weder. Doch zijne moeder zeide: Ik heb dat geld den Heehe gan-schelijk geheiligd van mijne hand, voor mijnen zoon, om een gesneden beeld en een gegoten beeld te maken; zoo zal ik liet u nu wedergeven.

4 Maar hij gaf dat geld aan zijne moeder weder. En zijne moeder nam tweehonderd zilverlingen en gaf ze den goudsmid, die maakte daarvan een gesneden beeld en een gegoten beeld; dat was in het huis van Mieha.

5 En de man Micha had een godshuis, en hij maakte eenen efod en terafim, en vulde de hand van éénen uit zijne zonen, dat hij hem tot een Priester ware.

6 In diezelve dagen was er geen Koning in Israël: een iegelijk deed wat recht was in zijne oogen.

7 Nu was er een jongeling van Bethlehem-Juda, van het geslacht van Juda; deze was een Leviet, en verkeerde aldaar als vreemdeling.

8 En deze man was uit die stad, uit Bethlehem-Juda, gelogen, om te verkeeren waar hij (jelagenheid zoude vinden. Als hij nu kwam aan het gebergte Efraïms, tot aan het huis van Micha, om zijnen weg te gaan,

EN 17, 18.

9 zoo zeide Micha tot hem: Van waar komt gij? En hij zeide tot hem: Ik ben een Leviet van Bethlehem-Juda, en ik wandel om te verkeeren waar ik gelegenheid zal vinden.

10 Toen zeide Micha tot hem: Blijf bij mij, en wees mij tot eenen vader en tot eenen Priester; en ik zal u jaarlijks geven tien zilverlingen en een stel kleederen en uwen leeftocht. Alzoo ging de Leviet met hem,

11 en de Leviet bewilligde bij dien man te blijven; en de jongeling was hem als een van zijne zonen.

12 En Micha vulde de hand des Leviets, dat hij hem tot eenen Priester werd; iilzoo was hij in het huis van Micha.

13 Toen zeide Micha: Nu weet ik dat de Heere mij weldoen zal, omdat ik dezen Leviet tot een Priester heb.

HOOFDSTUK 18.

In die dagen was er geen Koning in Israël; en in dezelve dagen zocht de stam der Daniten voor zich eene erfenis om te wonen, want hun was lot op dien dag onder de stammen Israels niet genoegzaam ter erfenis toegevallen.

2 Zoo zonden de kinderen van Dan uit hun geslacht vijf mannen uit hunne einden, mannen die strijdbaar waren, van Zora en van Estaol, om het land te verspieden en dat te doorzoeken; en zij zeiden tot hen: Gaat, doorzoekt het land. En zij kwamen aan het gebergte Efraïms tot aan het huis van Micha, en vernachtten aldaar.

3 Zijnde bij het huis van Micha, zoo kenden zij de stem des jonge-lings des Leviets, en zij weken daarhenen en zeiden tót hem: Wie heeft u hier gebracht; en w.U doet gij alhier en wat hebt gij hief? •

4 En hij zeide tot hen: Zóó en zóó heeft Micha mij gedaan, en hij heeft mij gehuurd, en ik ben hem tol oenen Priester.

5 Toen zeiden zij tot hem: Vraag toch God, dat wij mogen welen


-ocr page 325-

RICH TER EN IS.

311

of onze weg op welken wij wandelen voorspoedig zal zijn.

0 En de Priester zeide tot hen: Gaat in vrede; uw weg, welken gij zult henentrekken, is vóór den Heere.

7 Toen gingen die vijf mannen henen en kwamen te Laïs: en zij zagen het volk hetwelk in derzel-ver midden was, zijnde gelegen in zekerheid, naar de wijze der Sidoniërs, stil en zeker zijnde , en daar was geen erfheer die iemand om eenige zaak schande aandeed in dat land; ook waren zij verre van de Sidoniërs, en hadden niets te doen met eenig mensch.

8 En zij kwamen tot hunne broederen te Zora en te Estaol, en hunne broederen zeiden tot hen? Wat zegt gijlieden?

9 En zij zeiden: Maakt u op en laat ons tot hen optrekken, want wij hebben dat land bezien, en zie, hot is zeer goed; zoudt gij dan stille zijn? Weest niet lui om te trekken, dat g\'i henen inkomt om dat land in erfelijke bezitting te nemen;

10 (als gij daarhenen komt, zoo zult gij komen tot een zorgeloos volk, en dat land is wijd van ruimte); want God heelt het in uwe hand gegeven, eene plaats. alwaar geen gebrek is van eenig ding dat op de aarde is.

1 1 Toen reisden van daar uit het geslacht der Daniten, van Zora en van Estaol, zeshonderd man, aangegord met krijgswapenen.

12 En zij togen op en legerden zich bij Kirjalli-Jearim in Juda: daarom noemden zij deze plaats Machané-Dan, lot op dezen dag; zie, het is achter Kirjath-Jearim.

13 En van daar togen zij dóór naar het gebergte Éfraïms, en zij kwamen tol aan het huis van Micha.

14 Toen antwoordden de vijf mannen, die gegaan waren om het land van Laïs te verspieden , en zeiden lot hunne broederen: Weel gijlieden ook, «lat in die huizen een efod is en terafim en een gesneden en een gegolen beeld? Zoo weet nu wat u te doen zij.

15 Toen weken zij daarhenen, en kwamen aan hel huis des jon-gelings, des Leviets, ten huize van Micha, en zij vraagden hem naar vrede.

1() En de zeshonderd mannen die van de kinderen van Dan waren, met hunne krijgswapenen aangegord , bleven slaan aan de deur van de poort;

17 maar de vijf mannen, die gegaan waren om het land le verspieden, gingen op, kwamen daarhenen in , en namen weg het gesneden beeld en den efod en de terafim en het gegoten beeld : do Priester nu bleef staan aan de deur van de poort met de zeshonderd mannen, die met krijgswapenen aangegord waren.

18 Als die nu ten huize van Micha waren ingegaan, en hel gesneden beeld, den efod en de terafim en hel gegolen beeld weggenomen hadden, zoo zeide de Priester tot hen: Wat doet gijlieden ?

19 En zij zeiden tot hem: Zwijg en leg uwe hand op uwen mond , en ga met ons, en wees ons tot een vader en tol een Priester: is het beter dat gij een Priester zijt voor ééns mans huis, of dal gij Priester zijl voor eenen stam en een geslacht in Israël?

20 Toen werd het hart des Priesters vroolijk, en hij nam den efod en de terafim en het gesneden beeld, en hij kwam in het midden des volks.

21 Alzoo keerden zij zich en togen voort; en zij stelden de kin-derkens en het vee en de bagage vóór zich.

22 Als zij nu verre van Micha\'s huis gekomen waren, zoo werden de mannen, zijnde in de huizen die bij het huis van Micha waren, bij-ééngeroepen, en zij achterhaalden de kinderen van Dan ;

23 en zij riepen de kinderen van Dan na, quot;dewelke hun aangezicht omkeerden en zeiden tot Micha: Wat is u, dat gij bijééngeroepen zijt ?

\'24 Toen zeide hij: Gijlieden hebt mijne goden die ik gemaakt had weggenomen, mitsgaders den Prie-


-ocr page 326-

RICHT EREN 49.

312

ster, en zijt weggegaan; wat heb ik nu meer? Wat is het dan, dat gij tot mij zegt: Wat is u?

25 Maar de kinderen van Dan zeiden tot hem: Laat uwe stem hij ons niet hooren, opdat niet misschien mannen van bitteren ge-moede op u aanvallen, en gij uw leven verliest en het leven uws huizes.

20 Alzoo gingen de kinderen van Dan hunsweegs; en Micha ziende dat zij sterker waren dan hij, zoo keerde hij om en kwam weder tot zijn huis.

27 Zij dan namen wat Micha gemaakt had, en den Priester dien hij gehad had, en kwamen te Laïs, tot een stil en zeker volk, en sloegen ze met de scherpte des zwaai\'ds, en de stad verbrandden zij met vuur;

28 en daar was niemand die ze verloste, want zij was verre van Sidon, en zij hadden niets met eenigen mensch te doen; en zij lacf in het dal, dat bij Beth-Rehob is. Daarna herbouwden zij de stad en woonden daarin,

20 en zij noemden den naam dei-stad Dan, naar den naam van hunnen vader Dan, die aan Israël geboren was, hoewel de naam dezer stad te voren Laïs was,

30 En de kinderen van Dan richtten voor zich dat gesneden beeld op; en Jonathan, de zoon Ger-soms, des zoons van Manasse, hij en zijne zonen waren Priesters voor den stam der Daniten, tot den dag toe dat het land gevankelijk is weggevoerd.

31 Alzoo stelden zij onder zich het gesneden beeld van Micha, dat hij gemaakt had, alle de dagen dat het huis Gods te Silo was.

HOOFDSTUK 19.

Het geschiedde ook in die dagen als er geen Koning was in Israël, dat er een Levitisch man was gt; verkeerende als vreemdeling aan de zijden van het gebergte Efraïms, die zich eene vrouw, een bijwijf, nam van Bethlehem-Juda.

2 Maar zijn bijwijf hoereerde, bij hem zijnde, en toog van hem weg naar haars vaders huis te Bethlehem-Juda; en zij was aldaar eenige dagen, te weten vier maanden.

3 En haar man maakte zich op en toog haar na, om naar haar hart te spreken, om haar weder te halen; en zijn jongen was bij hem, en een paar ezels. En zij bracht hom in hot huis haars vaders; en als de vader van de jonge vrouw hem zag, werd hij vroolijk over zijne ontmoeting.

4 En zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, behield hem , dat hij drie dagen bij hem bleef; en zij aten en dronken en vernachtten aldaar.

5 Op den vierden dag nu geschiedde het dat zij des morgens vroeg op waren, en hij opstond om weg te trekken; toen zeide de vader van de jonge vrouw tot zijnen schoonzoon: Sterk uw hart niet eene bete broods, en daarna zult gijlieden wegtrekken.

6 Zoo zaten zij neder, en zij beiden aten te zamen en dronken. Toen zeide de vader van de jonge vrouw tot denman: Bewillig to di en vernacht, en laat uw hart vroolijk zijn.

7 Maar de man stond op om weg te trekken. Toen drong hem zijn schoonvader, dat hij aldaa.? wederom vernachtte.

8 Als hij op den vijfden dag des morgens vroeg op was om weg te trekken, zoo zeide de vader van de jonge vrouw: Sterk toch uw hart. En zij vertoefden totdat de dag zich neigde, en zij beiden aten te zamen.

9 Toen maakte zich de man op om weg te trekken, hij en zijn bijwijf en zijn jongen; en zijn schoonvader, de vader van de jonge vrouw, zeide: Zie toch, de dag-heeft afgenomen, dat het avond zal worden, vernacht toch; zie, de dag legt zich, vernacht hier, en laat uw hart vroolijk zijn, e i maakt u morgen vroeg op uws weegs, en ga naar uwe tent.

10 Doch de man wilde niet vernachten, maar stond op en trok weg, en kwam tot tegenover Jebus, (dewelke is Jeruzalem), en mot


-ocr page 327-

RIGHTEREN 19.

313

hem het paar gezadelde ezels; ook was zijti bijwijlquot; met hem.

11 Als zij nu bij Jebus waren, zoo was de dag zeer gedaald; en de jongen zeide tot zijnen heer: Trek toch voort, en laat ons in deze stad der Jebusiten wijken en daarin vernachten.

42 Maar zijn heer zeide tot hem: Wij zullen herwaarts niet wijkeu tot eene vreemde stad, die niet is van de kinderen Israels, maar wij zullen voorttrekken tot (Jibea toe.

13 Voorts zeide hij tot zijnen jongen: Ga voort, dat wij tot bene van die plaatsen naderen, en te Gibea of te Ra ma vernachten.

14 Alzoo togen zij voort en wandelden; en de zon ging hun onder bij Gibea. dewelke Benjamins is.

15 En zij weken daarhenen, dat zij inkwamen om in Gibea te vernachten. Toen hij nu inkwam, zat hij neder in eene straat dei-stad, want er was niemand die ze in huis nam om te vernachten.

16 En zie, een oud man kwam van zijn werk van het veld in den avond; welke man óók was van het gebergte Efraïms, doch als vreemdeling verkeerende te Gibea; maar de lieden dezer plaats waren Benjam initen.

17 Als hij nu zijne oogen ophief, zoo zag hij dien reizenden man op de straat der stad, en de oude man zeide: Waar trekt gij henen en van waar komt gij?

18 En hij zeide tot hem: Wij trekken dóór van Bethlehem-Juda tot aan de zijden van het gebergte Efraïms, van waar ik ben; en ik was naar Bethlehem-Juda getogen, maar ik trek nu naar het huis des Heeren; en daar is niemand die mij in huis neemt;

19 daar toch onze ezels zoowel stroo als voeder hebben, en er ook brood en wijn is voor mij, en voor uwe dienstmaagd, en voor den jongen die bij uwe knechten is: daar is geens dings gebrek.

20 Toen zeide de oude man: Vrede zij u: al wat u ontbreekt is toch bij mij; alleenlijk vernacht niet op de straat.

21 En hij bracht hem in zijn huis, en gaf den ezels voeder. En hunne voeten gewasschen hebbende zoo aten en dronken zij.

22 Toen zij nu hun hartvroolijk maakten, zie, zoo omringden de mannen van die stad (mannen die Belialrikirderen waren) het huis, kloppende op de deur; en zij spraken tot den ouden man, den heer des huizes, zeggende: Breng den man die in uw huis gekomen is uit, opdat wij hem bekennen.

23 En de man, de heer des huizes, ging tot hen uit en zeide tot hen: Niet, mijne broeders, doet toch zoo kwalijk niet, naardien deze man in mijn huis gekomen is, zoo doet zulke dwaasheid niet.

24 Zie, mijne dochter die maagd is, en zijn bijwijf, die zal ik nu uitbrengen, dat gij die schendt en haar doet wat goed is in uwe oogen; maar doet aan dezen man zulk een dwaas ding niet.

25 Maar de mannen wilden naar hem niet hooren. Toen greep de man zijn bijwijf en bracht ze uit tot hen daarbuiten; en zij bekenden haar en waren met haar bezig den ganschen nacht tot aan den morgen, en lieten ze gaan als de dageraad oprees.

\'zü En deze vrouw kwam tegen het aanbreken des morgenstonds, en viel neder voor de deur van het huis des mans waarin haar hoer was, totdat het licht werd.

27 Als nu haar heer des morgens opstond en de deuren van het huis opendeed, en uitging om

| zijnsweegs te gaan, zie, zoo lag de vrouw, zijn bijwijf, aan de deur van het huis, en hare handen op den dorpel.

28 En hij zeide tot haar: Sta op en laat ons trekken; maar niemand antwoordde. Toen nam hij haar op den ezel, en de man maakte zich op en toog naar zijne plaats.

29 Als hij nu in zijn huis kwam, zoo nam hij een mes, en greep zijn bijwijf, en deelde ze met hare beenderen in twaalf stukken, en hij zond ze in alle landpalen Israëls.

30 En het geschiedde dat al wie het zag zeide: Zulks is niet geschied noch gezien van dien dag


-ocr page 328-

314 H 1 C H T 1

af dat de kinderen Israels uit Kgypteland zijn opgetogen tot op dezen dag: stelt uw hart daarop, geeft raad en spreekt.

HOOFDSTUK 20.

Toen togen alle kinderen Israels uit, en de vergadering verzamelde zich als een éénig man van Dan af tot aan Ber-Séba toe, ook liet land Gileads, lot den Heere te Mizpa.

2 En uit de hoeken des ganschen volks stelden zich alle de stammen Israels in de vergadering van Gods volk , vierhonderdduizend man te voet die het zwaard uittrokken,

3 (de kinderen Benjamins nu hoorden dat de kinderen Israels opgetogen waren naar Mizpa) en de kinderen Israëlszeiden: Spreekt, hoe is dit kwaad geschied?

4 Toen antwoordde de Levitische man , de man van de vrouw die gedood was, en zeide: Ik kwam met mijn bijwijf te Gibea, dewelke Benjamins is, om te vernachten;

5 en de burgers van Gibea maakten zich tegen mij op, en omringden tegen mij het huis bij nacht: zij dachten mij te dooden, en mijn bijwijf hebben zij geschonden dat zij gestorven is.

ü Toen greep ik mijn bijwijf, en deelde ze, en zond ze in het gansche land der erfenis Israëls, omdat zij eene schandelijke daad en dwaasheid in Israël gedaan hadden.

7 Zie, gij allen zijt kinderen Israëls , geeft hier voor ulieden woord en raad.

8 Toen maakte zich al het volk op als een éénig man, zeggende: Wij zullen niet gaan een ieder naar zijne tent noch wijken een ieder naar zijn huis,

9 maar nu, dit is de zaak die wij aan Gibea zullen doen, tegen haar bij het lot:

10 en wij zullen tien mannen nemen van honderd, van alle stammen Israëls, en honderd van duizend, en duizend van tienduizend, om teerkost te nemen voor het volk, opdat zij komende te Gibea Benjamins, baardoen naar

KEN 20.

,■ ev

al de dwaasheid, die zij in Israël oi gedaan heeft. v

11 Alzoo werden alle mannen Israëls verzameld tot deze stad, ^ o verbonden als een éénig man. d

12 En de stammen Israëls zon- \\ c den mannen door den ganschen y stam van Benjamin, zeggende: t Wat voor een kwaad is dit, dat 1 onder ulieden geschied is?

13 Zoo geeft nu die mannen, die kinderen Belials die te Gibea zijn, dat wij ze dooden en het kwaad uit Israël wegdoen. Doch de kinderen Benjamins wilden niet hooren naar de stemme hunner broederen de kinderen Israëls,

14 maar de kinderen Benjamins verzamelden zich uit de steden naar Gibea, om uit te trekken ten strijde tegen de kinderen Israels.

15 En ilo kinderen Benjamins werden te dien dage geteld uit desleden zesentwintigduizend mannen, die het zwaard uittrokken, behalve dat de inwoners van Gibea geteld werden, zevenhonderd uitgelezen mannen.

1() Onder al dit volk waren zevenhonderd uitgelezen mannen welke linksch waren: deze allen slingerden met eencn steen op een haar, dal het hun niet miste.

17 En de mannen Israëls werden geteld, behalve Benjamin, vierhonderdduizend mannen, die het zwaard uittrokken: deze allen waren mannen van oorloge.

18 En de kinderen Israëls maakten zich op en logen opwaarts lot het huis Gods, en vraagden God, en zeiden: Wie zal onder ons het eerst optrekken ten strijde tegen de kinderen Benjamins? En de Heere zeide: Juda het eerst.

19 Alzoo maakten zich de kinderen Israëls in den morgenstond op, en legerden zich tegen Gibea.

20 En de mannen Israëls togen uit ten strijde tegen Benjamin;

voorts schikten de mannen Israëls den strijd tegen hen bij Gibea.

21 Toen togen de kinderen Ben- .1 jamius uit van Gibea, en zij vernielden ter aarde op dien dag van Israël Iweeëntwintigduizend man.

22 Doch het volk versterkte zich, te weten de mannen Israëls,


-ocr page 329-

RICHTER EN 20.

345

en zij beschikten den strijd wederom ter plaatse waar zij dien den vorigen dag beschikt hadden.

23 En de kinderen Israels togen op en weenden voor het aangezicht des Heeren tot op den avond, en vraagden denHEEUE, zeggende: Zal ik weder genaken ten strijde tegen de kinderen Benjamins mijns broeders? En de Heere zeide: Trekt tegen hem op.

24 Zoo naderden de kinderen Israëls tot de kinderen Benjamins des anderen daags;

25 en die van Benjamin trokken uit hun tegemoet uit Gibea op den tweeden dag, en velden van de kinderen Israëls nog achttienduizend man neder ter aarde, die allen trokken het zwaard uit.

26 Toen togen alle kinderen Israëls en al het volk op, en kwamen ten huize Gods en weenden, en bleven aldaar voor het aangezicht des Heeren, en vastten dien dag tot aan den avond; en zij offerden brandofferen en dankofferen voor het aangezicht des Heeren.

27 En de kinderen Israëls vraagden den Heere, want aldaar was de Arke des verbonds Gods in die dagen.

28 EnPinehas, de zoon Eleazars des zoons Aarons, stond voor zijn aangezicht in die dagen, zeggende: Zal ik nog meer uittrekken, ten strijde tegen de kinderen Benjamins mijns broeders, of zal ik ophouden? En de Heere zeide: Trekt op, want morgen zal ik hem in uwe hand geven.

29 Toen bestelde Israël achterlagen op Gibea rondom.

30 En de kinderen Israels togen op aan den derden dag tegen de kinderen Benjamins, en zij schikten den strijd op Gibea, als de andere malen.

31 Toen togen de kinderen Benjamins uit, den volke tegemoet, en werden van de stad afgetrokken: en zij begonnen te slaan van het volk en te doorsteken, gelijk de andere malen, op de straten waarvan de ééne opgaat naar het huis Gods, en de andere naar Gibea in het veld, omtrent dertig man van Israël.

32 Toen zeiden de kinderen Benjamins: Zij zijn voor ons aangezicht geslagen als te voren: maar de kinderen Israëls zeiden: Laat ons vlieden, en hem van de stad aftrekken naar de straten.

33 Toen maakten zich alle mannen Israëls op uit hunne plaatsen, en schikten den strijd te Baal-Tamar; ook brak Israëls achter-lage op uit hare plaats, na do ontblooting van Gibea.

34 En tienduizend uitgelezen mannen van gansch Israël kwamen van tegenover Gibea, en de strijd werd zwaar; doch zij wisten niet dat het kwaad hen treffen zoude.

35 Toen sloeg de Heere Benjamin voor Israëls aangezicht, dat de kinderen Israëls op dien dag van Benjamin vernielden vijfentwintigduizend en honderd mannen, alle die trokken het zwaard uit.

30 En de kinderen Benjamins zagen dat zij geslagen waren; want de mannen Israëls gaven den Ben-jaminiten plaats, omdat zij vertrouwden op de achterlage, die zij tegen Gibea gesteld hadden.

37 En de achterlage haastte en brak voorwaarts, naar Gibea toe; ja de achterlage trok recht door, en sloeg de gansche stad met de scherpte des zwaards.

38 En de mannen Israëls hadden cenen bestemden tijd met de achterlage , wanneer zij eene groote verheffing van rook van de stad zouden doen opgaan.

39 Zoo keerden zich de mannen Israëls óm in den strijd, en Benjamin had begonnen te slaan en te doorsteken van de mannen Israëls omtrent dertig man , (want zij zeiden: Immers is hij zekerlijk voor ons aangezicht geslagen, als in den vorigen strijd),

40 toen begon de verheffing op te gaan van de stad, a/s een pilaar van rook; als nu Benjamin achter zich omzag, zie, zoo ging de brand der stad op naar den hemel.

41 En de mannen Israëls keerden zich om; en de mannen Benjamins werden verbaasd, want zij zagen dat het kwaad hen treffen zoude.


-ocr page 330-

RIGHTEREN 21.

316

42 Zoo wendden zij zich voorliet aangezicht der mannen van Israël naar den weg der woestijn; maar de strijd kleefde ze aan, en die uit de steden vernielden ze in \'t mid-van hen.

43 Zij omringden Benjamin , zij vervolgden hem, zij vertraden hem gemakkelijk tot vóór Gibea, tegen den opgang der zon;

44 en er vielen van Benjamin achttienduizend mannen, deze allen waren strijdbare mannen.

45 Toen keerden zij zich en vloden naar de woestijn tot den rotssteen van Rimmon; maar zij deden eene nalezing onder hen op de straten van vijfduizend man, voorts kleefden zij ze achteraan tot aan Gideom , en sloegen van hen tweeduizend man.

46 Alzoo waren allen, die op dien dag van Benjamin vielen vijfentwintigduizend mannen die\' het zwaard uittrokken, alle die waren strijdbare mannen.

47 Doch zeshonderd mannen keerden zich en vloden naar de woestijn tot den rotssteen van Rimmon, en bleven in den rotssteen van Rimmon vier maanden.

48 En de mannen Israels keerden weder tot de kinderen Benjamins , en sloegen ze met de scherpte des zwaards, die van de geheels stad, tot de beesten toe , ja al wat gevonden werd; ook zet-teden zij alle steden, die gevonden werden, in het vuur.

HOOFDSTUK 21.

De mannen Israëls nu hadden te Mizpa gezworen , zeggende : Niemand van ons zal zijne dochter den Benjaminiten ter vrouwe geven.

2 Zoo kwam het volk tot het huis Gods, en zij bleven daar tot op den avond voor Gods aangezicht; en zij hieven hunne stemme op en weenden met groot geween,

3 en zeiden : O Heere , God van Israël, waarom is dit geschied in Israël, dat er heden een stam van Israël gemist wordt?

4 En het geschiedde des anderen daags, dat zich het volk vroeg opmaakte en aldaar een altaar bouwde , en zij offerden brandofferen en dankofieren.

5 En de kinderen Israëls zeiden: Wie is er die niet is opgekomen in de vergadering uit alle de stammen Israëls tol den Heere? Want daar was een groote eed geschied aangaande dengenen , die niet opkwam tot den Heere te Mizpa, zeggende: Hij zal zekerlijk gedood worden.

6 En het berouwde den kinderen Israëls over Benjamin hunnen broeder, en zij zeiden: Heden is een stam van Israël afgesneden.

7 Wat zullen wij belangende do vrouwen doen aan degenen die overgebleven zijn? Want wij hebben bij den Heere gezworen, dat wij hun van onze dochteren geene tot vrouwen zullen geven.

8 En zij zeiden: Is er iemand van de stammen Israëls, die niet opgekomen is tot den Heere te Mizpa? En zie, van .Tabes in Gilead was niemand opgekomen in het leger tot de gemeente;

9 want het volk werd geleld, en zie, daar was niemand van de inwoners van Jabes in Gilead.

10 Toen zond de vergadering daarhenen twaalfduizend mannen, van de strijdbaarste, en zij geboden hun, zeggende: Trekt henen en slaat met de scherpte d\'3s zwaards de inwoners van Jabes in Gilead, met de vrouwen en de kinderkens.

11 Doch dit is de zaak die gij doen zult: al wat mannelijk is, en alle vrouwen die de bijligging eens mans bekend hebben, zult gij verbannen.

12 En zij vonden onder de inwoners van Jabes in Gilead vierhonderd jonge dochteren die maagden waren, die geenen man bekend hadden in bijligging des mans: en zij brachten die in het leger te Silo, dewelke is in het land Kanaan.

13 Toen zond de gansche vergadering henen en sprak tot de kinderen Benjamins, die in den rotssteen van Rimmon waren, en zij riepen hun vrede toe.

14 Alzoo kwamen de Benjaminiten terzelfder tijd weder; en zij gaven


-ocr page 331-

. hun de vrouwen, die zij in het en: leven behouden hadden van de icn vrouwen van Jabes in Gileud; m- maar alzóó waren er nog niet int genoeg voor hen.

ed 15 Toen berouwde het den volke )p- over Benjamin omdat de Heere a , eene scheur gemaakt had in de □tl stammen Israels;

16 en de oudslen der vergadering mi zeiden: Wat zullen wij belangende m de vrouwen doen aan degenen die is overgebleven zijn? want de vrou-n. wen zijn uit Benjamin verdelgd, e 17 Wijders zeiden zij : De erfenis

e dergenen die ontkomen zijn is i- Benjamins, en daar moei geen t stam uitgedel^d worden uit Israël. 2 18 Maar wij zullen hun geene

vrouwen van onze doch teren kun-I nen geven; want de kinderen t Israels hebben gezwoi-en. zeggende: Vervloekt zij die den Benja-miniten eene vrouw geelt.

19 Toen zeiden zij Zie , er is een feest des Heeren te Silo, van jaar tot jaar, dat gehouden wordt tegen het noorden van het huis

; Gods, tegen den opgang der zon,

Iaan den hoogen weg, die opgaat van het huis Gods naar Sichem, en tegen het zuiden van Lebona.aan den hoogen weg, die opgaat van het huis Gods naar Sichem, en tegen het zuiden van Lebona.

20 Èn zij geboden den kinderen Benjamins, zeggende: Gaat henen en loert in de wijngaarden,

H 1. 317

21 en let er op, en zie, als de dochters van Silo zullen uitgegaan zijn om met reien te dansen, zoo komt gij voort uit de wijngaarden, en schaakt u een ieder zijne huisvrouw uit de dochteren van Silo; en gaat henen in het land Benjamins.

22 En het zal geschieden wanneer hare vaders of hare broeders zullen komen om voor ons te rechten , dat wij tot hen zullen zeggen: Zijt hun om onzentwil genadig, omdat wij geene huisvrouw voor een ieder van hen in de^en krijg genomen hebben; want gijlieden hebt ze hun niet gegeven, dat gij te dezer tijd schuldig zoudt zijn.

23 En de kinderen Benjamins deden alzoo, en voerden naar hurv getal vrouwen weg van de reiende dochters , die zij roofden; en zij togen henen en keerden weder tot hunne erfenis, en herbouwden de steden en woonden daarin.

24 Ook togen de kinderen Israels te dier tijd van daar, een iegelijk naar zijnen stam en naar zijn geslacht; alzoo togen zij uit van daar, een iegelijk naar zijne erfenis.

25 In die dagen was er geen Koning in Israël: een iegelijk deed wat recht was in zijne oogen.


HET E U

BOEK T H.

HOOFDSTUK 1.

In de dagen als de richters richtten, zoo geschiedde het dat er honger in het land was; daarom toog een man uit Bethlehem-Juda om als vreemdeling te ver-keeren in de velden Moabs, hij en zijne huisvrouw en zijne twee zonen.

2 De naam nu dezes mans was Elimélech, en de naam zijner huisvrouw Naomi, en de naam zijner twee zonen Machlon en Ghil-jon, Efrathiten, van Bethlehem-Juda; en zij kwamen in de velden Moabs en bleven aldaar.

3 En Elimélech de man van Naomi stierf ; maar zij werd overgelaten met hare twee zonen.

4 Die namen zich Moabitische vrouwen: de naam der ééne was Orpa en de naam der andere Ruth, en zij bleven aldaar omtrent tien jaren.

5 En die twee, Machlon en Ghil-


-ocr page 332-

RUTH 2.

318

jon, stierven óók; alzoo werd deze vrouw overgelaten na hare twee zonen en na haren man.

6 Toen maakte zij zich op met hare schoondochteren en keerde weder uit de velden Moabs: want zij had gehoord in het land Moabs dat de Heere zijn volk bezocht had, gevende hun brood.

7 Daarom ging zij uit van de plaats waar zij geweest was, en hare twee schoondochters met haar. Als zij nu gingen op den weg om weder te keeren naar het land Juda,

8 zoo zeide Naomi tot hare twee schoondochteren: Gaat henen, keert weder, een iegelijk tot het huis harer moeder; de Heere doe bij u weldadigheid, gelijk als gij gedaan hebt bij de dooden en bij mij;

9 de Heere geve u dat gij ruste vindt een iegelijk in baars mans huis. En als zij ze kuste, hieven zij hare stemme op en weenden;

10 en zij zeiden tot haar: Wij zullen zekerlijk met u wederkeeren tot uw volk.

11 Maar Naomi zeide: Keert weder, mijne dochters; waarom zoudt gij met mij gaan? Heb ik nog zonen in mijnen lijve, dat zij u lot mannen zouden zijn?

12 Keert weder, mijne dochters, gaat henen; want ik ben te oud om een man te hebben. Wanneer ik al zeide: Ik heb hoop, of ik ook in dezen nacht eetien man hadde, ja ook zonen baarde:

13 zoudt gij daarnaar wachten totdat zij groot geworden zijn, zoudt gij daarnaar opgehouden worden om geenen man te nemen? Niet, mijne dochters; want het is mij veel bitterder dan u, maar de hand des Heeren is tegen mij uitgegaan.

14 Toen hieven zij hare stemme op en weenden wederom, en Orpa kuste hare schoonmoeder, maar Ruth kleefde haar aan.

15 Daarom zeide zij: Zie, uwe zwagerin is wedergekeerd tot haar volk en tot hare goden: keer gij ook weder, uwe zwagerin na.

16 Maar Ruth zeide: Val mij niet -iegen dat ik u zoude verlaten, om van achter u weder te keeren; want waar gij zult henengaan zal ik ook henengaan, en waar gij zult vernachten zal ik vernachten; uw volk is mijn volk en uw God mijn God;

17 waar gij zult sterven zal ik sterven, en aldaar zal ik begraven worden: alzóó doe mij de Heere en alzóó doe hij daartoe, zoo niet de dood alleen zal scheiding maken tusschen mij en tusschen u.

18 Als zij nu zag dat zij vaste-lijk voorgenomen had met haar te gaan, zoo hield zij op tot haar te spreken.

19 Alzoo gingen die beiden totdat zij te Bethlehem kwamen. En het geschiedde als zij te Bethlehem inkwamen, dat dè gansche stad over haar beroerd werd en zij zeiden: Is dit Naomi?

20 Maar zij zeide tot hen: Noemt mij niet Naomi: noemt mij Mara^ want de Almachtige heeft mij groote bitterheid aangedaan.

21 Vol toog ik weg, maar ledig heeft mij de Heere doen wederkeeren: waarom zoudt gij mij Naomi noemen, daar de Heere tegen mij getuigt en de Almachtige mij kwaad aangedaan heeft?

22 Alzoo kwam Naomi weder en Ruth de Moabitische, hare schoondochter, met haar, die uit de velden Moabs wederkwam; en zij kwamen te Bethlehem in het begin van den gerstenoogst.

HOOFDSTUK 2.

Naomi nu had een bloedvriend baars mans, een man geweldig van vermogen, van Elimélechs geslacht, en zijn naam was Boaz.

2 En Rnth de Moabitische zeide tot Naomi: Laat mij toch in het veld gaan, en van de aren oo-lezen, achter dien in wiens oogën ik genade zal vinden. En zij zeide tot haar: Ga henen, mijne dochter.

3 Zoo ging zij henen, en kwam en las op in quot;het veld achter de maaiers; en haar viel bij ge^al vóór een deel des velds van Boaz, die van het geslacht Elimélechs was.

4 En zie, Boaz kwam van Bethlehem, en zeide tot de maaiers;

po zcit

6err 5 jon ■sva (


-ocr page 333-

n u t

want bti Hkere zij met ulieden. En zij ^ ook zeiden tot hem: De Heere zever- gene u.

uw 5 Daarna zeide Boaz tot zijnen mijn jongen, die over de maaiers gezet ■was: Wiens is deze Jonge vrouw? il ik (3 En de jongen, die over de iven .maaiers gezet was, antwoordde en ere zeide: Deze is de Moabitisehe jonge niet vrouw, die met Naomi wederge-ken -komen is uit de velden Moabs;

7 en zij heeft gezegd: Laat mij ïte- | toch oplezen en aren bij de garven aar verzamelen achter de maaiers; zoo aar ^ is zij gekomen en heeft gestaan van \'s morgens af tot nu toe; nu ot- is haar tehuisblijven weinig, ïn. - 8 Toen zeide Boaz tot Ruth: h- Hoort gij niet, mijne dochter? Ga he niet om in een ander veld op te ïn lezen; ook zult gij van hier niet weg gaan, maar hier zult gij u it houden bij mijne maagden. , 9 Uwe oogen zullen zijn op dit

ij veld, dat zij maaien zullen, en gij zult achter haarlieden gaan; heb ? ik den jongens niet geboden dat men u niet aanroere? Als u dorst, zoo ga tot de vaten en drink van 1 hetgeen de jongens zullen geschept hebben.

10 Toen viel zij op haar aangezicht en boog zich ter aarde, en zij zeide tot hem: Waarom heb ik genade gevonden in uwe oogen, dat gij mij kent, daar ik eene vreemde ben?

11 En Boaz antwoordde en zeide tot haar: Met is mij wel aangezegd alles wat gij bij uwe schoonmoeder gedaan hebt na den dood uws mans, en hebt uwen vader en uwe moeder en het land uwer geboorte verlaten, en zijt heengegaan tot een volk, dat gij van te voren niet kendet.

12 De Heere vergelde u uwe daad, en uw loon zij volkomen van den Heere den God Israels, onder wiens vleugelen gij gekomen zijt toevlucht te nemen.

13 En zij zeide: Laat mij genade vinden in quot;uwe oogen, mijn heere, dewijl gij mij getroost hebt en dewijl gij naar het harte van uwe dienstmaagd gesproken hebt, hoewel ik niet ben gelijk eene uwer dienstmaagden.

H 2. 319

14 Als het nu etenstijd was, zeide Boaz tot haar: Kom hier bij, en eet van het brood, en doop uwe bete .n den azijn. Zoo zat zij neder aan de zijde van de maaiers , en hij langde haar geroost koren, en ^ij at, en werd verzadigd, en hield over.

15 Als zij nu opstond om op te lezen, zoo gebood Boaz zijne jongens , zeggende: Laat ze ook tus-schen de garven oplezen, en beschaamt ze niet;

1() ja laat ook allengskens van de handvollen voor haar wat vallen , en laat het liggen dat zij het opleze, en bestraft ze niet.

17 Alzoo las\' zij op in dat veld tot aan den avond; en zij sloeg uit wat zij opgelezen had, en het was omtrent een efa gerst.

\'J8 En zij nam het op, en kwam in de stad; en hare schoonmoeder zag wat zij opgelezen had; ook bracht zij voort en gaf haar wat zij van hare verzadiging overgehouden had.

19 Toen zeide hare schoonmoeder tot haar: Waar hebt gij heden opgelezen en waar hebt gij gewrocht? Gezegend zij wie u gekend heeft. En zij verhaalde hare schoonmoeder bij wien zij gewrocht had, en zeide: I )e naam des mans, bij wien ik heden gewrocht heb, is Boaz.

20 Toen zeide Naomi tot hare schoondochter: Gezegend zij hij den Heere, die zijne weldadigheid niet heeft nagelaten aan de levenden en aan de dooden. Voorts zeide Naomi tot haar: Die man is ons nabestaande, hij is een van onze lossers.

21 En Ruth de Moabitisehe zeide : Ook omdat hij tot mij gezegd heeft: Gij zult u houden bij de jongens die ik heb, totdat zij den ganschen oogst dien ik heb zullen hebben voleindigd.

22 En Naomi zeide tot hare schoondochter Ruth: Het is goed mijne dochter, dat gij met zijne maagden uitgaat, opdat zij u niet tegenvallen in een ander veld.

23 Alzoo hield zij zich bij de maagden van Boaz om op te lezen, totdat de gerstenoogst en tarwen-


-ocr page 334-

\'

320

oogst voleindigd waren; en zij bleef bij hare schoonmoeder.

HOOFDSTUK 3.

En Naomi hare schoonmoeder zeide lot haar: Mijne dochter, zoude ik u geene ruste zoeken , dat het u wel ga?

2 Nu dan, is niet Boaz, met wiens maagden gij geweest zijt, van onze bloedvriendschap? Zie, hij zal dezen nacht gerst op den dórschvloer wannen.

3 Zoo baad u en zalf u en doe uwe kleederen aan, en ga af naar den dorschvloer; maar maak u den man niet bekend, totdat hij geëindigd zal hebben te eten en te drinken.

4 En het zal geschieden als hij nederligt, dat gij de plaats zult merken waar hij \'zal nedergelegen zijn; ga dan in, en sla zijn voetdeksel op, en leg u: zoo zal hij u te kennen geven wat gij doen zult.

5 En zij zeide tot haar: Al wat gij tot mij zegt zal ik doen.

6 AIzoo ging zij af naar den dorschvloer, en deed naar alles dat hare schoonmoeder haar geboden had.

7 Als nu Boaz gegeten en gedronken had en zijn harte vroolijk was, zoo kwam hij om neder te liggen aan het uiterste eens koren-hoops. Daarna kwam zij stillekens in, en sloeg zijn voetdeksel op, en legde zich.

8 En het geschiedde te middernacht dat die man verschrikte en om zich greep, en zie, eene vrouw lag aan zijn voetdeksel.

9 En hij zeide: Wie zijt gij ? En zij zeide: Ik ben Uuth uwe dienstmaagd: breid dan uwen vleugel uit over uwe dienstmaagd, want gij zijt de losser.

10 En hij zeide: Gezegend zijt gij den Heere, mijne dochter; gij hebt deze uwe laatste weldadigheid beter gemaakt dan de eerste, dewijl gij geene jonge gezellen zijt nagegaan, het zij arm of rijk.

11 En nu mijne dochter, vrees niet: al wat gij gezegd hebt zal ik u doen; want de gansche stad mijns volks weet dat gij eene deug- voo delijke vrouw zijt. Aai

12 Nu dan, wel-is-waar dat ik der een losser ben, maar daar is nog hei\' een losser nader dan ik. SÜ

13 Blijf dezen nacht over; voortsaz00 in den morgen zal het geschieden,iser indien hij u lost, goed, laat hij hve lossen; maar indien het hein niet \'Ul lust u te lossen, zoo zal ik u los- u-sen, zoo ivaaraditig als de Heere jse leeft; leg u neder tot den mor- lt;. gen toe.

14 Alzoo lag zij neder aan zijn 111 voetdeksel tot den morgen toe, , ot, en stond op eer dat de één den , ander kennen konde, want hij zei- 8 de: Het worde niet bekend dat ® eene vrouw op den dorschvloer c gekomen is. ,

15 Voorts zeide hij: Lang den sluier die op u is, en houd dien. ( En zij hield hem; en hij mat zes -maten gerst, en leide ze op haar; daarna ging hij in de stad.

16 Zij nu kwam tot hare schoonmoeder, welke zeide: Wie zijt gij , mijne dochter? En zij verhaalde haar alles wat die man haar ge- | daan had;

17 ook zeide zij : Deze zes maten gerst heeft hij niij gegeven, want hij zeide tot mij: Kom niet ledig tot uwe schoonmoeder.

18 Toen zeide zij: Zit stille, mijne dochter, totdat gij weet hoe de zake zal vallen; want die man zal niet rusten tenzij dat hij heden deze zake voleindigd hebbe.

HOOFDSTUK 4.

En Boaz ging op in de poort en zette zich aldaar; en zie, de losser, van welken Boaz gesproken had, ging voorbij ; zoo zeide hij : Wijk herwaarts, zet u hier, gij zulk een. En hij week derwaarts en zette zich.

2 En hij nam tien mannen van de oudsten der stad, en zeide: Zet u hier; en zij zetleden zie3.

3 Toen zeide hij tot dien losser: Het stuk lands, dat onzes broeders Elimélechs was, heeft Naomi, die uit der Moabiten land wedergekomen is, verkocht;

4 en ik heb gezegd: Ik zal het

RUTH 3, 4.


-ocr page 335-

RUTH 4.

321

deug.Sooruw oor openbaren, zeggende: Aanvaard het in tegenwoordigheid at ik iler inwoners en in legenwoordig-i no-\' licid der oudsten mijns volks; zou ö .gij het zult lossen, los het; en lortsmzoo men het ook niet zoude los-den isen, verklaar het mij dat ik het t hij fwete; want daar is niemand beniet fhalve gij die het losse, en ik na los- n. Toen quot;zeide hij: Ik zal het los-ere Jsen.

lor- 1 5 Maar Boaz zeide: Ten dage • als gij het land aanvaardt van de tijn | hand Naomi\'s, zoo zult gij het 30 ; ook aanvaarden van Ruth de Molen abitische, de huisvrouw des ver-oi- storvenen, om den naam des ver-IjiI; storvenen te verwekken over zijn ei- erfdeel.

(i Toen zeide die losser: Ik zal 3n liet voor mij niet kunnen lossen, ^ opdat ik niijn erfdeel niet mis-;s\' schien verderve; los gij mijne r. lossing voor u, want ik zal niet \' kunnen lossen.

,, 7 Nu was dit van ouds eene gewoonte in Israël bij de lossing en q bij de verwisseling, om de gan-, i sche zaak te bevestigen, zoo trok de man zijnen schoen uit en gaf , dien zijnen naaste; en dit was tot een getuigenis in Israël.

8 Zoo zeide deze losser tot Boaz: Aanvaard gij het voor u; en hij trok zijnen schoen uit.

1) Toen zeide Boaz tot de oudsten en al het volk: Gijlieden zijt heden getuigen, dat ik aanvaard heb alles wat Elimélechs geweest is, en alles wat Ghiljons en Mach-lons geweest is, van de hand Naomi\'s;

10 daartoe aanvaarde ik ook Ruth de Moabitische, Machlons huisvrouw, tot eene vrouw, om den naam des verstorvenen over zijn erfdeel te verwekken, opdat de naam des verstorvenen niet worde uitgeroeid van onder zijne broe-\' deren en van de poorte zijner

plaatse: gijlieden zijt heden getuigen.

11 En al\' het volk dat in de poort was, mitsgaders de oudsten, zeiden: Wij zijn getuigen: de Heeue make deze vrouwe, die in uw huis komt, als Rachel en als Lea, die beiden het huis Israels gebouwd hebben; en handel kloeke-lijk in Kfratha, en maak uwen naam vermaard in Bethlehem;

12 en uw huis zij als het huis van Perez (dien Tamar aan Juda baarde), van het zaad, dat de Heere u geven zal uit deze jonge vrouw.

13 Alzoo nam Boaz Ruth, en zij werd hem ter vrouwe, en hij ging tot haar in; en de Heere gaf haar dat zij zwanger werd en eenen zoon baarde.

14 Toen zeiden de vrouwen tot Naomi: Geloofd zij de Heere, die niet heeft nagelaten u heden eenen losser te geven; en zijn naam worde vermaard in Israël.

15 Die zal u zijn tot eenen ver-kwikker der ziele, en om uwen ouderdom te onderhouden; want uwe schoondochter die u liefheeft heeft hem gebaard, die u beter is dan zeven zonen.

1(5 En Naomi nam dat kind en zette het op haren schoot, en werd zijne voedster.

17 En de naburinnen gaven hem eenen naam, zeggende: Naomi is een zoon geboren; en zij noemden zijnen naam Obed; deze is de vader van Isaï, Davids vader.

18 Dit nu zijn de geboorten van Perez: Perez \'gewon Hezron ,

19 en Hezron gewon Ram, en Ram gewon Amminadab,

20 en Amminadab gewon Nahes-son, en Nahesson gewon Salma,

21 en Salmon gewon Boaz, en Boaz gewon Obed,

22 en Obed gewon Isaï, en Isaï gewon David.


-ocr page 336-

1 SAMUËL 1.

322

HET EERSTE BOEK S A M U Ë L.

HOOFDSTUK 1.

Daar was ccn man van Ra-mathaïm-Zofim , van het gebergte Ëfraïms. wiens naam was Elkana, een zoon Jerobams, des zoons van Elihu, des zoons van Tohu, des zoons van Zuf, een Efraïmiet.

2 En hij had twee vrouwen: de naam van de ééne was Hanna, en de naam van de andere was Peninna. Peninna nu iiad kinderen, maar Hanna had geene kinderen.

3 Deze man nu ging opwaarts uit zijne stad van jaar tot jaar, om te aanbidden en om te oiferen den Heere der heirscharen te Silo; en aldaar waren Priesters des Heeren Hofni en Pinehas, de twee zonen van Eli.

4 En het geschiedde op dien dag als Elkana offerde, zoo gaf hij aan Peninna zijne huisvrouw en aan alle hare zonen en hare doch-teren deelen.

5 Maar Hanna gaf hij een aanzienlijk deel, want hij quot;had Hanna lief; doch de Heere had hare baarmoeder toegesloten.

6 En hare tegenpartij dige tergde ze ook met terging óm haar te vergrimmen, omdat de Heere hare baarmoeder toegesloten had.

7 En alzóó deed hij jaar op jaar; van dat zij opging tot het huis des Heeren, zoo tergde zij haar alzóó; daarom weende zij en at niet.

8 Toen zeide Elkana haar man : Hanna, waarom weent gij, en waarom eet gij niet, en waarom is uw harte kwalijk gesteld? Ben ik u niet beter dan tien zónen?

0 Toen stond Hanna op, nadat hij gegeten en nadat hij gedronken had te Silo. En Eli de Priester zat op eenen stoel bij eenen post des Tempels des Heeren.

10 Zij dan van ziele bitterlijk bedroefd zijnde, zoo bad zij tot den Heere en zij weende zeer;

11 en zij beloofde eene gelofte en zeide: Heere der heirscharen, zoo gij eenmaal de ellende uwer dienstmaagd aanziet en mijner gedenkt, en uwe dienstmaagd niet vergeet, maar geeft aan uwe dienstmaagd een mannelijk zaad, zoo zal ik dat den Heere geven alle de dagen zijns levens, en daar zal geen scheermes op zijn hoofd komen.

12 Het geschiedde nu als zij evenzeer bleef biddende voor het aangezicht des Heehen, zoo gaf Eli acht op haren mond;

13 want Hanna sprak in haar harte, alleenlijk roerden zich hare lippen, maar hare stem werd niet gehoord; daarom hield Eli haar voor dronken.

14 En Eli zeide tot haar: Hoe lang zult gij u dronken aanstellen? Doe uwen wijn van u.

15 Doch Hanna antwoordde en zeide: Neen mijn heere, ik ben eene vrouw bezwaard van geest; ik heb noch wijn noch sterken drank gedronken, maar ik heb mijn ziele uitgegoten voor het aangezicht des Heeren:

16 acht toch uwe dienstmaagd niet voor eene dochter Belials, want ik heb tot nu toe gesproken uit de veelheid mijner gedachten en mijns verdriets.

17 Toen antwoordde Eli en zo id o: Ga honen in vrede, en de God Israels zal uwe bede geven, die gij van hem gebeden hebt.

18 En zij zeide: Laat uwe dienstmaagd genade vinden in uwe oogen. Alzoo ging die vrouw haars-weegs; en zij at, en haar aangezicht was haar zoodanig niet meer.

19 En zij stonden des morgans


-ocr page 337-

1 SAMUËL 2.

323

vroeg op, en zij baden aan voor liet aangezicht des Heeren , en \'zij keerden weder en kwamen tot hun huis te Raina. En Eikana, bekende zijne huisvrouw Hanna en de Heere gedacht, aan haar.

20 En het geschiedde na verloop van dagen, dat Hanna bevrucht werd, en baarde eenen zoon , en zij noemde zijnen naam Samuël; want, zei de zij , ik heb hem van den Heere gebeden.

21 En die man Eikana loog op met zijn gansche huis, om den Heere te offeren het jaarlijksche offer en zijne gelofte.

22 Doch Hanna toog niet op, maar zij zeide tot haren man; Als de jongen gespeend is, dan zal ik hem brengen, dat hij voor het aangezicht des Heeren verschijne en blijve daar tot in eeuwigheid.

23 Èn Eikana haar man zeide tot haar: Doe wat goed is in uwe oogen, blijf totdat gij hem zult gespeend nebben; dequot; Heere be-vestige maar zijn woord. Alzoo bleef de vrouw en zoogde haren zoon , totdat zij hem speende.

24 Daarna als zij hem gespeend had, bracht zij hém met zich opwaarts , met drie varren, en een efa meel, en eene flesch met wijn; en zij bracht hem in het huis des Heeren te Silo ; en het jongsken was zeer jong.

25 En zij slachtten een var; al-zoo brachten zij het kind tot Eli.

26 En zij zeide: Och mijn heere, zoo iu aar ach tiff als uwe ziele leeft, mijn heere, ik ben die vrouw, die hier bij u stond om den Heere te bidden\';

27 ik bad om dit kind, en de Heere heeft mij mijne bede gegeven , die ik van hem gebeden heb:

28 daarom heb ik hem ook den Heere overgegeven alle de dagen die hij wezen zal; hij is van den Heere gebeden. En hij bad aldaar den Heere aan.

HOOFDSTUK 2.

Toen bad Hanna en zeide: Mijn harte springt op van vreugd in den Heere , mijn hoorn is verhoogd in den Heere, mijn mond is wijd opgedaan over mijne vijanden; want ik verheug mij in uw heil.

2 Daar is niemand heilig gelijk de Heere, want daar is niemand dan gij , en daar is geen rotssteen gelijk onze God.

3 Maakt het niet te veel, dat gij hoog, hoog zoudt spreken, dat .iets hards uit uwen mond zoude gaan; want de Heere is een God der wetenschappen, en zijne daden zijn recht gedaan.

4 De boog der sterken is gebroken, en die struikelden zijn met sterkte omgord.

5 Die verzadigd waren hebben zich verhuurd om brood, en die hongerig waren zijn het niet meer; totdat de onvruchtbare zeven heeft gebaard, en die vele kinderen had krachteloos is geworden.

6 De Heere doodt en maakt levend, hij doet ter helle nederdalen en hij doet loeder opkomen.

7 De Heere maakt arm en maakt rijk; hij vernedert, ook verhoogt hij.

\'8 Hij verheft den geringe uit het stóf, en den nooddruftige verhoogt. hij uit den drek, om te doen zitten bij de Vorsten, dat hij ze den stoel der eere doe beërven; want de grondvesten des aardrijks zijn des Heerex , en hij heeft de wereld daarop gezet.

9 Hij zal de voeten zijner gunst-genooten bewaren , maar de god-deloozen zullen zwijgen in duisternis; want een man vermag niet door kracht.

10 Die met den Heere twisten zullen verpletterd worden, hij zal in den hemel over hen donderen; de Heere zal de einden der aarde richten, en zal zijnen Koning sterkte geven en den hoorn zijns Gezalfden verhoogen.

11 Daarna ging Eikana naar Rama in zijn huis; maar de jongeling was den Heere dienende voor het aanschijn van den Priester Eli.

12 Doch de zonen van Eli waren kinderen Belials, zij kenden den Heere niet.

13 Want de wijze dier Priesteren met het volk was, dat wanneer iemand eene offerande offerde des Priesters jongen kwam, terwijl


-ocr page 338-

1 SAMUËL 2.

324

het vleesch kookte, met eenen drietandigen krauwel in zijne hand,

14 en sloeg in de teil of in den ketel of in de pan of in den pot: al wat de krauwel optrok, dat nam de Priester voor zich. Aïzóó deden zij allen den Israëliten, die daar te Silo kwamen.

15 Ook eer zij het vet aanstaken, kwam dos Priesters jongen en zeide tot den man die offerde: Geef dat vleesch om Ie braden voorden Priester, want hij zal geen gekookt vleesch van n nemen, maar rauw.

16 Wanneer nu die man tot hem zeide: Zij zullen dat vet heden ganschelijk aansteken, zoo neem dan voor u gelijk als het uwe ziel lusten zal, zoo zeide hij tot hem: Nu zult gij het immers geven, en zoo niet, \'ik zal het met geweld nemen.

17 Alzoo was de zonde dezer jongelingen zeer groot voor het aangezicht des Heere.v ; want de lieden verachtten het spijsoffer des Heeren.

18 Doch Samuël diende voor het aangezicht des Heeren , zijnde een jongeling, omgord met dén linnen lijfrok.

19 En zijne moeder maakte hem eenen kleinen rok, en bracht hem dien van jaar tot jaar, als zij opkwam met haren man oni het jaarlijksche offer te offeren.

20 En Eli zegende Elkana en zijne huisvrouw, en zeide: De Heere geve u zaad uit deze vrouw voor de bede, die zij den Heere afgebeden heeft. En zij gingen naar zijne plaats.

21 Want de Heere bezocht Hanna, en zij werd bevrucht, en baarde drie zonen en twee doch-teren, en de jongeling Samuël werd groot bij den Heerê.

22 Doch Eli was zeer oud, en hoorde al wat zijne zonen aan gansch Israël deden , en dat zij sliepen bij de vrouwen, die met hoopen samenkwamen aan de deur der Tente der samenkomst;

23 en hij zeide tot hen: Waarom doet gij alzulke dingen, dat ik i deze uwe booze stukken hoore van dit gansche volk?

24 Niet, mijne zonen; want dit is geen goed gerucht dat ik hoor; gij maakt dat het volk des Hee-rkn overtreedt.

25 Wanneer een mensch tegen eenen mensch zondigt, zoo zullen de goden hem oordeelen; maar wanneer een mensch tegen den Heere zondigt, wie zal voor hem bidden? Doch zij boordende stemme huns vaders niet, want do Heere wilde ze dooden.

26 En de jongeling Samuël nam loe en werd groot en aangenaam beide bij den Heere en ook bij de menschen.

27 En daar kwam een man Gods tot Eli, en zeide tot hem: Zóó zegt de Heere : Heb ik mij niet klaarlijk geopenbaard den huize uws vaders, toen zij in Egypte waren, in het huis van Farao?

28 En ik heb hem uit alle stammen Israëls mij ten Priester verkoren, om te offeren op mijn altaar, om het reukwerk aan te steken, om den efod voor mijn aangezicht te dragen, en hel) den huize uws vaders gegeven alle de vuurofferen der kinderen Israëls:

29 waarom slaat gijlieden achteruit tegen mijn slachtoffer en tegen mijn spijsoffer, hetwelk ik geboden heb in de woning, en eert uwe zonen meer dan mij, dat gijlieden u mest van het voornaamste aller spijsofferen van mijn volk Israël?

30 Daarom spreekt de Heere, de God Israëls: Ik had wel klaarlijk gezegd: Uw huis en uws vaders huis zouden voor mijn aangezicht wandelen tol in eeuwigheid; maar nu spreekt de Heere : Dat zij verre van mij; want die mij eeren zal ik eeren, maar die mij versmaden zullen licht geacht worden.

31 Zie, de dagen komen dat ik uwen arm zal afhouwen en den arm van uws vaders huis, dat or geen oud man in uwen huize wezen zal;

32 en gij zult aanschouwen de benauwdheid der woning Goils, in plaats van al het goede dat hij Israël zoude gedaan hebben; en daar zal te geenen dage een oud man in uwen huize zijn.


-ocr page 339-

UËL 3.

325

1 SAM

33 Doch de man, dien ik u niet zal uitroeien van mijn altaar, zoude zijn om uwe oogen te verteren en om uwe ziele te bedroeven; en al de menigte uws huizes zal sterven, mannen geworden zijnde.

34 Dit nu zal u een teeken zijn hetwelk over uwe beide zonen, over Hofni en Pinehas, komen zal: op éénen dag zullen zij beide sterven.

35 En ik zal mij eenen getrouwen Priester verwekken; die zal doen gelijk als in mijn harte en in mijne ziele zijn zal; dien zal ik een bestendig huis bouwen, en hij zal altijd voor het aangezicht mijns Gezalfden wandelen.

36 En het zal geschieden dat al wie van uwen huize zal overig zijn, zal komen om zich voor hem neder te buigen voor een stuksken geld en eene holle brood, en zal zeggen: Noem mij toch aan tot eenige Priesterlijke bediening, dat ik eene bete broods moge eten.

HOOFDSTUK 3.

En de jongeling Samuël diende den Heere voor het aangezicht van Eli; en het Woord des Heeren was schaarsch in die dagen, er was geen openbaar gezicht.

2 En het geschiedde te dien dage, als Eli op zijne plaats ne-derlag, (en zijne oogen flonker begonnen te worden dat hij niet zien konde,)

3 en Samuël zich óók nederge-legd had, eer de lamp Gods uitgedaan werd in den Tempel des Heeren, waar de Arke Gods was:

4 dat de Heere Samuël riep; en hij zeide: Zie hier ben ik,

5 en hij lien tot Eli en zeide : Zie hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. Doch hij zeidè: Ik heb niet geroepen, keer weder, leg u neder. En hij ging henen enleide zich neder.

6 Toen riep de Heere Samuël wederom ; en S .muël stond op en ging tot Eli, en zeide: Zie hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. Hij dan zeide: Ik heb niet geroepen, mijn zoon; keer weder, leg u neder.

7 Doch Samuël kende den Heere nog niet, en het Woord des Heeren was aan hem nog niet geopenbaard.

8 Toen riep de Heere Samuël wederom ten derden male; en hij stond op en ging tot Eli, en zeide: Zie hier ben ik, want gij hebt mij geroepen. Toon verstond Eli dat de Heere den jongeling riep;

9 daarom zeide Eli tot Samuël: Ga honen, leg u neder, en het zal geschieden zoo hij u roept, zoo zult gij zeggen : Spreek Heere , want uw knecht hoort. Toen ging Samuël henen en leide zich op zijne plaats.

-10 Toen kwam de Heere en stelde zich daar, en riep gelijk de andere malen : Samuël, Samuël! En Samuël zeide: Spreek, want uw knecht hoort.

11 En de Heere zeide tot Samuël: Zie, ik doe een ding in Israël, dat al wie het hoeren zal, dien zullen zijne beide ooren klinken.

12 Te\' dienzelven dage zal ik verwekken over Eli alles wat ik tegen zijn huis gesproken heb; ik zal het beginnen en voleinden.

13 Want ik heb hem te kennen gegeven dat ik zijn huis richten zal tot in eeuwigheid, om der ongerechtigheids wille die hij geweten heeft; want als zijne zonen zich hebben vervloekt gemaakt, zoo heeft hij ze niet eens zuur aangezien.

14 Daarom dan heb ik den huize van Eli gezworen: Zoo de ongerechtigheid des huizes van Eli tot in der eeuwigheid zal verzoend worden door slachtoffer of door spijsoffer!

15 Samuël nu lag tot aan den morgen, toen deed hij de deuren van het huis des Heeren open; doch Samuël vreesde dit gezicht aan Eli te kennen te geven.

16 Toen riep Eli Samuël, en zeide: Mijn zoon Samuël! Hij dan zeide: Zie hier ben ik.

17 En hij zeide: Wat is het Woord dat hij tot u gesproken heeft? Verberg het toch niet voor mij; God doe u zóó en zóó doe hij daartoe, indien gij een woord voor mij verbergt van alle de


-ocr page 340-

UËL 4.

326

ISAM

woorden die hij tot u gesproken heeft.

18 Toen gaf hern Samuel te kennen alle die woorden, en verborg ze voor hem niet. Kn hij zeide: Hij is de Hisere, hij doe wat goed is in zijne oogen.

19 Samuël nu werd groot, en de Heere was met hem, en liet niet een van alle zijne woorden op de aarde vallen.

20 En gansch Israël, van Dan tot Ber-Séba toe, erkende dat Samuël bevestigd was tot een Profeet des Heeren.

21 En de Heerk voer voort te verschijnen te Silo, want de Heere openbaarde zich aan Samuël te Silo door het Woord des Heeren.

HOOFDSTUK 4.

En het woord Samuëls geschiedde aan gansch Israël.

En Israël toog uit den Filistijnen tegemoet ten .strijde, en zij legerden zich bij Eben-Haëzer, maar de Filistijnen legerden zich bij Afek.

2 Kn de Filistijnen stelden zicli in slagorde, om Israël te ontmoeten: en als zich de strijd uitspreidde, zoo werd Israël voor der Filistijnen aangezicht geslagen; want zij sloegen in de slagorde in het veld omtrent vierduizend man.

3 Als het volk tvederom in het leger gekomen was, zoo zeiden de oudsten van . Israël: Waarom heeft ons de Heere heden geslagen voor het aangezicht der Filistijnen? Laat ons van Silo tot ons nemen de Arke des verhonds des Heeren , en laat die in het midden van ons komen, opdat zij ons verlosse van de hand onzer vijanden.

4 Het volk dan zond naar Silo, en men bracht van daar de Arke des verbonds van den Heere der heir-scharen, die tusschen de cherubs woont; en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, waren daar met de Arke des verbonds Gods.

5 En het geschiedde als de Arke des verbonds des Heeren in het leger kwam, zoo juichte gansch Israël met een groot gejuich, alzoo dat de aarde dreunde.

6 Als nu de Filistijnen de stem des juichens hoorden, zoo zeiden zij: Wat is de stem vanditgroote juichen in het leger der Hebreen? Toen vernamen zij dat de Arke des Heeren in het leger gekomen was.

7 Daarom vreesden de Filistijnen, want zij zeiden: God is in het leger gekomen. En zij zeiden: Wee ons, want dergelijke is gisteren en eergisteren niet geschied.

8 Wee ons, wie zal ons redden uit de hand dezer heerlijke goden? Dit zijn dezelfde goden, die de Egyptenaars met alle plagen geplaagd hebben bij de woestijn.

9 Zijt sterk en weest mannen, gij Fiiistijnen, opdat gij de He-breën niet misschien dient, gelijk zij ulieden gediend hebben; zoo zijt mannen en strijdt.

10 Toen streden de Filistijnen , en Israël werd geslagen, en zij vloden een iegelijk naar zijne tenten; en daar geschiedde een zeer groote nederlage, zooda.; er van Israël vielen dertigduizend voetvolk;

11 en de Arke Gods werd genomen, en de twee zonen van Eli, Hofni en Pinehas, stierven.

12 Toen liep daar een Benjarni-niet uit de slagorde, en kwam te Silo denzelfden dag; en zijne kleederen waren gescheurd, en daar was aarde op zijn hoofd.

13 En als hij kwam, zie, zoo zat Eli op eenen stoel aan de zijde des wegs uitziende; want zijn hart was sidderende vanwege de Arke Gods. Als nu die man kwam om zulks te verkondigen in de stad, toen schreeuwde de gansche stad;

14 en als Eli de stemme des geroeps hoorde, zoo zeide hij : Wat is de stemme dezer beroerte? Toen haastte zich die man, en h:j kwam en boodschapte het Eli;

15 (Eli nu was een man van achtennegentig jaren, en zijne oogen stonden stijf dat hij niet zien konde);

16 en die man zeide tot Eli: Ik ben degene die uit de slagorde komt, en ik ben heden uit de slagorde gevloden. Hij dan zeide: Wat is er geschied, mijn zoon?


-ocr page 341-

17 Toen antwoordde hij die de boodschap bracht en zelde: Israël is gevloden voor het aangezicht der Filistijnen, en daar is ook eene

, groote nederlage onder het volk , geschied; daarenboven zijn uwe twee zonen Hofni en Pinehas gestorven , en de Arke Gods is genomen.

18 En het geschiedde als hij van de Arke Gods meldde, zoo viel hij achterwaarts van den stoel af aan de zijde der poort, en brak den nek en stierf, want de man was oud en zwaar: en hij richtte Israël veertig jaar.

10 En zijne schoondochter,Pinc-. has huisvrouw, was bevrucht, zij zoude baren; als deze de tijding hoorde dat de Arke Gods genomen was, en haar schoonvader gestorven was en haar man, zoo kromde zij zich en baarde, want hare weeën overvielen haar.

20 En omtrent den tijd van haar sterven, zoo spraken de vrouwen die bij haar stonden: Vrees niet, want gij hebt eenen zoon gebaard. Doch zij antwoordde niet en nam het niet ter harte.

21 En zij noemde het jongsken Ikabod, zeggende: De eere is weggevoerd uit Israël; omdat de Arke Gods gevankelijk weggevoerd was, en om haars schoonvaders en baars mans wille.

22 En zij zeide: De eere is gevankelijk weggevoerd uit Israël, want de Arke Gods is genomen.

HOOFDSTUK 5.

De Filistijnen nu namen de Arke Godes, en zij brachten ze van Eben-Haëzer tot Asdod;

2 en de Filistijnen namen de Arke Godes, en zij brachten ze in het huis Dagons, en stelden ze bij Dagon.

3 Maar als die van Asdod des anderen daags vroeg opstonden, zie, zoo was Dagon op zijn aangezicht ter aarde gevallen vóór de Arke des Heeren. En zij namen Dagon en zetteden hein weder op zijne plaats.

4 Toen zij nu des anderen daags \'s morgens vroeg opstonden, zie,

327

Dagon lag op zijn aangezicht ter aarde gevallen vóór de Arke des Heehen, maar het hoofd Dagons en de beide palmen zijner handen afgehouwen aan den dorpel: alleenlijk was Dagon daarop overgebleven.

5 Daarom treden de Priesters Dagons en allen die in het huis Dagons komen, op den dorpel Dagons te Asdod niet, lot op dezen dag.

G Doch de hand des Heeren was zwaar over die van Asdod, en verwoestte ze: en hij sloeg ze met spenen, Asdod en hare landpalen.

7 Toen nu de mannen te Asdod zagen dat het alzóó toeging, zoo zeiden zij : Dat de Arke des Gods Israels bij ons niet blijve, want zijne hand is hard over ons en over Dagon onzen God.

8 Daarom zonden zij henen en verzamelden tot zich alle de Vorsten der Filistijnen, en zij zeiden: Wat zullen wij met de Arke des Gods van Israël doen ? En die zeiden: Dat de Arke des Gods Israels rondom Gath ga. Alzoo droegen zij de Arke des Gods Israels rondom.

9 En het geschiedde nadat zij die hadden rondom gedragen , zoo was de hand des Heeren tegen die stad met eene zeer groote kwelling, want hij sloeg de lieden dier stad van den kleine tot den groote, en zij hadden spenen in de verborgen plaatsen.

10 Toen zonden zij de Arke Godes naar Ekron; maar het geschiedde als de Arke Godes te Ekron kwam, zoo riepen die van Ekron, zeggende : Zij hebben de Arke des Gods Israels tot mij rondom gebracht om mij en mijn volk te dooden.

11 En zij zonden henen en vergaderden alle de Vorsten der Filistijnen en zeiden: Zendt de Arke des Gods Israels henen, dat zij wederkeere tot hare plaatse, opdat zij mij en mijn volk niet doode. Want daar was eene doodelijke kwelling in de gansche stad, en de hand Gods was daar zeer zwaar,

12 en de menschen die niet stierven werden geslagen met spenen , zoodat het geschrei der stad opklom naar den hemel.

1 SAMÜËL 5.


-ocr page 342-

UËL C.

328

1 SAM

HOOFDSTUK 6.

Als nu de Arkc des HEEREN zeven maanden in het land der Filistijnen geweest was,

2 zoo riepen de Filistijnen de Priesters en de waarzeggers, zeggende: Wat zullen wij niet de Arke des Heehen doen? Laat ons weten waarmede wij ze naar hare plaats zenden zullen.

3 Zij dan zeiden: Indien gij de Arkc des Gods Israels wegzendt, zendt ze niet ledig weg, maar vergeldt hem ganschelijk een schuldoiler; dan zult gij genezen worden, en ulieden zal bekend worden waarom zijne hand van u niet afwijkt.

4 Toen zeiden zij: Welk is dat schuldoffer dat wij hem vergelden zullen? En zij zeiden: Vijf gouden spenen en vijf gouden muizen, naar het getal van de Vorsten der Filistijnen; want het is éénerlei plage over u allen en over uwe Vorsten.

5 Zoo maakt dan beelden uwer spenen, en beelden uwer muizen die het land verderven, en geeft den God Israels de eer: misschien zal hij zijne hand verlichten van over iilicdcn en van over uwen god en van over uw land.

ü Waarom toch zoudt gijlieden uw harte verzwaren, gelijk dè Kgyp-tenaars en Farao hun harte verzwaard hebben? Hebben zij niet, toen hij wonderlijk met hen gehandeld had, hen laten trekken dat zij heengingen?

7 Nu dan, neemt en maakt eenen nieuwen wagen, en twee zogende koeien op dewelke geen juk gekomen is: spant de koeien aan den wagen, en brengt hare kalveren van achter haar weder naar huis;

8 neemt dan de Arke des Hee-ren en zet ze op den wagen, en legt de gouden kleinoodiën, die gij hem ten schuldoiler vergelden zult, in een koffertje aan hare zijde; én zendt ze weg dat zij henenga.

9 Ziet dan toe, indien zij den weg harer landpale opgaat naar Beth-Sémes, zoo heeft Hij ons dit

groot kwaad gedaan; maar zoo \'oy niet, zoo zullen wij welen dat ei zijne hand ons niet geraakt heeft: het is ons een toeval geweest. di

10 En die lieden deden alzoo, zi, en namen twee zogende koeien en In spanden ze aan den wagen, en zlt; hare kalveren sloten zij in huis; n

11 en zij zetleden de Arke des r( Heeren op den wagen, en hel |g koffertje met de gouden muizen s en de beelden hunner spenen.

12 De koeien nu gingen recht \'ï in dien weg, op den weg naar V. Beth-Sémes, op ééne straat; zij l gingen steeds voort al loeiende, t en weken noch ter rechter- noch 1 ter linkerhand; en de Vorsten der Filistijnen gingen achter dezelve tot aan de landpale van Beth-Sémes.

13 En die van Beth-Sémes maaiden den tarwenoogst in het dal, en als zij hunne oogen ophieven , zagen zij de Arke, en verblijdden zich als zij die zagen.

14 En de wagen kwam cp den akker van Jozua, den Bethsemiet, J en bleef daar staande; en daar was een grootesteen; en zij kloofden hel hout des wagens, en offerden de koeien den Heere ten brandoffer.

15 En de Leviten namen de Arkc des Heeren af, en het koffertje dat daarbij was, daar de go iden kleinoodiën in waren, en zetleden ze op dien grooten steen; en die lieden van Beth-Sémes offerden brandoffcren en slachtten slachtofferen den Heere op dien dag.

IG En als do vijf Vorsten der Filistijnen zulks gezien hadden, j zoo keerden zij wederom op dien zelfden dag naar Ekrqn.

17 Dit nu zijn de gouden spenen die de Filistijnen aan den Heere ten schuldoffer vergolden hebben: voor Asdod ééne, voorGaza ééne, voor Askelon ééne, voor Gath ééne, voor Ekron ééne;

18 ook gouden muizen, naar den getale aller steden der Filistijnen, onder de vijf Vorsten, van de vaste steden af tot aan de land-vlekken; en tot aan Abel, den grooten steen, op denwelken zij cle Arke des Heeretv nedergesteld hadden, die tot op dezen dag is


-ocr page 343-

U Ë L 7.

-1 SAM

329

zoo op den akker van Jozua clcnBclli-dat -feinisiet.

ïel\'t: 49 En cle HEERE sloeg onder die liedon van Beth-Sémes, omdat \'oo, zij in de Arke des Heehen gezien i en hadden, ja hij sloeg van den yolke en zeventig mannen en vijftigduizend 5; mannen. Toen bedreef het volk des rouw, omdat de Heehe eenen hel grooten slag onder den volke ge-zen slagen had.

20 Toen zeiden de lieden van cht \'Beth-Sémes: Wie zoude kunnen lar bestaan voor het aangezicht des zij Heeren dezes heiligen Gods, en le, tot wien van ons zal hij optrek-ch ken ?

Ier 21 Zoo zonden zij boden tot de ve inwoners van Kirjath-Jearim, zeg-3s. gende: De Filistijnen hebben de ai- Arke dos Heeren wedergebracht; J, komt af, haalt ze opwaarts tot u.

311 HOOFDSTUK 7.

sn Toen kwamen de mannen van t, Kirjath-Jearim en haalden de Ai\'ke ir des Heeren op, en zij brachten 1- ze in het huis Abinadabs, op den I- heuvel; en zij heiligden zijnen zoon n Kleazar, dat hij de Arke des Heeren\' bewaarde.

0 2 En het geschiedde van dien dag af, dat de Arke des HEEREN te Kirjath-Jearim bleef, èn de dagen werden vermenigvuldigd, en het werden twintig jaren; en het gansche huis Israels klaagde den Heere achterna.

3 Toen sprak Samuël tot den ganschen huize Israels, zeggende: indien gijlieden u met uw gansche harte tot den Heere bekeert, zoo doet de vreemde goden uit het midden van u weg, ook de Asta-roth; en richt uw harle lot den Heere, en dient hem alleen, zoo zal hij u uit de hand der Filistijnen rukken.

4 De kinderen Israels nu deden de Baals en de Astaroth weg, en zij dienden den Heere alleen.

*5 Voorts zeide Samuël: Vergadert het gansche Israël naar Mizpa, en ik zal den Heere voor u bidden.

6 En zij werden vergaderd te Mizpa, en zij schepten water

en goten het uit voor het aangezicht des Heeren, en zij vastten te dien dage, en zeiden aldaar: Wij hebben tegen den Heere gezondigd. Alzoo richtte Samuel do kinderen Israels te Mizpa.

7 Toen oe Filistijnen hoorden dat de kinderen Israels zich vergaderd hadden te Mizpa, zoo kwamen de oversten der Filistijnen op tegen Israël; als de kinderen Israels dat hoorden, zoo vreesden zij voor het aangezicht der Filistijnen,

8 en de kindoren Israels zeiden tot Samuël: Zwijg niet van onzent-wege, dat gij niet zoudt roepen tot den Heere onzen God, opdat hij ons verlosse uit de hand der Filistijnen.

9 Toen nam Samuël een melklam, en hij ollerde het geheel den Heere ten brandoffer, en Samuël riep tol den Heere voor Israël; en de Heere verhoorde hem:

10 en het geschiedde toen Samuël dat brandoffer offerde, zoo kwamen de Filistijnen aan ten strijde tegen Israël; en de Heere donderde te dien dage met eenen grooten donder over de Filistijnen, en hij verschrikte ze, zoodat zij verslagen werden voor het aangezicht Israëls.

11 En de mannen Israëls togen uit van Mizpa en vervolgden de Filistijnen, en zij sloegen ze tot onder Beth-Kar.

12 Samuël nu nam eenen steen en stelde dien tusschen Mizpa en tusschenSen, en hij noemde diens naam Eben-Haëzer; en hij zeide: Tot hiertoe heeft ons de Heere geholpen.

13 Alzoo werden de Filistijnen vernederd, en kwamen niet meer in de landpalen Israëls; want do hand des Heeren was tegen de Filistijnen alle de dagen van Samuël.

14 En de steden, welke de Filistijnen van Israël genomen hadden , kwamen weder aan Israël, van Ekron tot Gath toe; ook rukte Israël derzelver landpale uit do hand der Filistijnen; en daar was vrede tusschen\'Israël en tusschen de Amoriten.


-ocr page 344-

1 SAMUËL 8.

330

15 Samuël nu richtte Israël alle de dagen zijns levens.

16 En hij toog van jaar tot jaar en ging rondom naar Beth-El en Gilgal en Mizpa, en hij richtte Israël in alle die plaatsen.

17 Doch hij keerde weder naar Rama , want daar was zijn huis , en dadr richtte hij Israël; en hij bouwde aldaar den Heere een altaar.

HOOFDSTUK 8.

Het geschiedde nu toen Samuöl oud geworden was, zoo stelde hij zijne zonen tot richters over Israël;

2 de naam van zijnen eerstgeboren zoon nu was Joël, en de naam van zijnen tweeden was Abia, zij waren richters te Ber-Séba.

3 Doch zijne zonen wandelden niet in zijne wegen, maar zij neigden zich tot de gierigheid, en namen geschenken en bogen het recht.

4 Toen vergaderden zich alle oudsten van Israël en zij kwamen tot Samuël te Rama,

5 en zij zeiden tot hem: Zie, gij zijt oud geworden, en uwe zonen wandelen niet i.n uwe wegen: zoo zet nu eenen Koning over ons om ons te dichten, gelijk allo de volkeren hebben.

0 Maar dit woord was kwaad in do oogen Samuëls, als zij zeiden: Geef ons eenen Koning om ons to richten; en Samuël bad den Heeiie aan.

7 Doch de Hekre zeide tot Samuël: Hoor naar de stem des volks m alles wat zij tot u zeggen zullen ; want zij hebben u niet verworpen, maar zij hebben mij verworpen , dat ik geen Koning over hen zal zijn.

8 Naar alle de werken die zij gedaan hebben, van dien dag al toen ik ze uit Egypte geleid heb tot op dezen dag toe, en hebben mij verlaten en andore goden gediend, al zóó doen zij u ook.

0 Hoor dan nu naar hunne stem; doch als gij hen op het hoogste zult betuigd hebben, zoo zult gij hun te kennen geven de wijze des Konings, die over hen regooren zal.

10 Samuël nu zeide alle de woorden des Heeren den volke aan, hetwelk eenen Koning van hem begeerde,

11 en zeide: Dit zal des Konings wijze zijn die over u regeeren zal: hij zal uwe zonen nemen dat hij ze zich stelle tot zijnen wagen en tot zijne ruiteren, dat zij vóór zijnen wagen henen loopen,

12 en dat hij ze zich stelle tot oversten der duizenden en tot oversten der vijftigen, en dat zij zijnen akker ploegen en dat zij zijnen oogst oogsten, en dat zij zijne krijgswapenen maken mitsgaders zijn wapentuig;

13 en uwe dochteren zal hij nemen tot apothekeressen en tot keukenmaagden en tot baksters ;

14 en uwe akkers en uwe wijngaarden en uwe olijfgaarden, die de beste zijn, zal hij nemen en zal ze zijnen knechten geven;

15 en uw zaad en uwe wijngaarden zal hij vertienen, en hij zal ze zijnen hovelingen en zijnen knechten geven;

iü en hij zal uwe knechten en uwe dienstmaagden en uwe beste jongelingen en uwe ezels nemen, en hij zal zijn werk daarmede doen:

17 hij zal uwe kudde vertienen, en gij \'zult hern tot knechten zijn.

18 Gij zult wel te dien dage roepen vanwege uwen Koning, dien gij u zult verkoren hebben, maar de Heere zal u te dien dage niet verhoeren.

10 Doch het volk weigerde Samuëls stemme te hooren, en zij zeiden : Neen, maar daar zal een Koning over ons zijn;

20 en wij zullen óók zijn gelijk alle de volkeren en onze Koning zal ons richten, en hij zal voor onze aangezichten uitgaan, en hij zal onze krijgen voeren.

21 Als Samuël alle de woorden des volks gehoord had, zoo sprak hij dezelve voor de ooren des Heeren.

22 De Heere nu zeide tot Samuël: Hoor naar hunne stem en stel hun een Koning. Toen zeide S£.mu-ël tot de mannen van Israël: Gaat henon een iegelijk naar zijne stad.


-ocr page 345-

1 SAMUËL 9.

331

HOOFDSTUK 9.

Daar was nu een man van Benjamin, wiens naam was Kis, een zoon van Abiëi, den zoon van Zeror, den zoon van Bechorath , den zoon van Alïah, den zoon eens Benjaminiets, een dapper held.

2 Die bad een zoon , wiens naam was Saul, een jongeling, en schoon, ja daar was geen schooner man dan hij onder de kinderen Israëls; van zijne schouderen en opwaarts was hij hooger dan al het volk.

3 De ezelinnen nu van Kis, Sauls vader, waren verloren; daarom zeide Kis tot zijnen zoon Saul: Neem nu een van de jongens met u, en maak u op, ga henen, zoek de ezelinnen.

4 Hij dan ging door het gebergte Efraims, en hij ging door het land Salisa, maar zij vonden ze niet; daarna gingen zij door het land Sahalim, maar zij waren daar niet; voorts ging hij door het land Benjamin, doch zij vonden ze niet.

5 Toen zij in het land Zuf kwamen, zeide Saul tot zijnen jongen die bij hem was: Kom en Iaat ons wederkeeren, dat niet misschien mijn vader van de ezelinnen aflate en voor ons bekommerd zij.

G Hij daarentegen zeide tot hem : Zie toch, daar is een man Gods in deze slad, 3n hij is een geëerd man; al wat hij spreekt, dat komt zekerlijk: laat ons nu derwaarts gaan, misschien zal hij ons onzen weg aanwijzen op welken wij gaan zullen.

7 Toen zeide Saul tot zijnen jongen: Maar zie, zoo wij gaan, wat zullen wij toch dien man brengen ? Want het brood is weg uit onze vaten, en wij hebben geene gave om den man Gods te brengen: wat hebben wij?

8 En de jongen antwoordde Saul verder en zeide: Zie, daar vindt zich in mijne hand het vierendeel eens zilveren sikkels: dien zal ik den man Gods geven, opdat hij ons onzen weg wijze.

9 (Eertijds zeide een ieder aldus in Israël,quot;als hij ging om God te vragen: Komt en laat ons gaan tot den ziener; want die heden een Profeet genoemd wordt, die werd eertijds een ziener genoemd.)

10 Toen zeide Saul tot zijnen jongen: Uw woord is goed, kom, laat ons gaan. En zij gingen naar de stad waar de man Gods was.

11 Als zij opklommen door den opgang der stad, zoo vonden zij maagden , die uitgingen om water te putten; en zij zeiden tot haar: Is de ziener hier?

12 Toen antwoordden zij hun en zeiden: Zie. hij is voor uw aangezicht; haast u nu, want hij is heden in de stad gekomen, dewijl het volk heden eene offerande heeft op de hoogte.

13 Wanneer gijlieden in de stad komt, alzoo zult gij hem vinden, eer hij opgaat op de hoogte om te eten; want het volk zal niet eten totdat hij komt, want hij zegent het offer, daarna eten de genoo-digden; daarom gaat nu op, want hem zult gij heden vinden.

14 Alzoo gingen zij op in de stad. Toen zij in het midden dei-stad kwamen, zie, zoo ging Samu-ël uit hun tegemoet, om op te gaan naar de hoogte.

15 Want de Heere had het voor Samuels oor geopenbaard, eenen dag eer Saul kwam, zeggende:

10 Morgen omtrent dezen tijd zal ik tot u zenden een man uit den lande Benjamins: dien zult gij ten voorganger zalven over mijn volk Israël, en hij 2al mijn volk verlossen uit der Filisiijnen hand ; want ik heb mijn volk aangezien , dewijl deszelfs geroep tot mij gekomen is.

17 Toen Samuël Saul aanzag, zoo antwoordde hem de Heeue: Zie, dit is de man, van welken ik u gezegd heb; deze zal over mijn volk Tieerschen.

18 En Saul naderde tot Samuël in het midden der poorte, en zeide: Wijs mij toch, waar is hier des zieners huis?

19 En Samuël antwoordde Saul en zeide: Ik ben de ziener; ga op voor mijn aangezicht op de hoogte, dat gijlieden heden met mij eet; zoo zal ik u morgen vroeg laten


-ocr page 346-

332 1 SAM

gaan, en alles wat in uw harte is zal ik u te kennen geven.

20 Want de ezelinnen aangaande, die gij heden den derden dag verloren\'hebt, zet uw harte daar niet op, want zij zijn gevonden; en wiens zal zijn al het gewenschte dat in Israël is? Is het niet uwe en des ganschen huizes uws vaders?

21 Toen antwoordde Saul en zeide: Ben ik niet een zoon van Benjamin, van den kleinste der stammen Israels? En mijn geslacht, is het niet het kleinste van alle de geslachten van de stammen Benjamins? Waarom spreekt gij mij dan aan met zulke woorden?

22 Samuel dan nam Saul en zijnen jongen, en hij bracht ze in de kamer; en hij gaf hun plaats aan het opperste der genoodigden: die nu waren omtrent dertig man.

23 Toen zeide Samuël tot den kok: Lang dat stuk, hetwelk ik u gegeven heb, waarvan ik tot u zeide: Zet het bij u weg.

24 De kok nu bracht een schouder öp met wat daaraan was, en zette het vóór Saul: en hij zeide: Zie, dit is het overgeblevene, zet het vóór u, eet, want het is ter bestemder tijd voor u bewaard, als ik zeide: Ik heb het volk ge-noodigd. Alzoo at Saul met Samuël op dien dag.

25 Daarna gingen zij af van de hoogte in de stad; en hij sprak met Saul op het dak.

2(5 En zij stonden vroeg op, en het geschiedde omtrent den opgang des dageraads, zoo riep Samuël Saul op het dak, zeggende: Sta op , dat ik u gaan late. Toen stond Saul op, en zij beiden gingen uit, hij en Samuël, naar buiten.

27 Toen zij afgegaan waren aan het einde der stad, zoo zeide Samuël tot Saul: Zeg den jongen dat hij voor onze aangezichten henenga, (toen ging hij henen), maar sta gij alsnu stil, en ik zal u Gods Woord doen hooren.

HOOFDSTUK 10.

Toen nam Samuël eene oliekruik en goot ze uit op zijn hoofd, en kuste hem, en zeide: Is het niet alzóó, dat de Heere u tot eenen

JËL 10.

voorganger over zijn erfdeel ge- hc zalfd heeft? ©n

2 Als gij heden van mij gaat, va zoo zult gij twee mannen vinden .tc bij het graf Kachels, aan de land-pale Benjamins te Zelzah; die iei zullen tot u zeggen: De ezelinnen hi zijn gevonden die gij zijt gaan m zoeken, en zie, uw vader heeft v( de zaken der ezelinnen verlaten zc en hij is bekommerd voor ulieden, K zeggende: Wat zal ik om mijnen d\' zoon doen?

3 Als gij u van daar en verderop v begeeft, en zult komen tot aan h Elon-Thabor, daar zullen u drie s mannen vinden, opgaande tot God o naar Beth-El: één dragende drie bokjes, en één dragende drie bol- t len brood, en één dragende eene 1 flesch wijn;

4 en zij zullen u naar uwen t welstand vragen, en zij zullen u £ twee broeden geven: die zult gij 5 van hunne hand nemen.

5 Daarna zult gij komen op den heuvel Gods, waar der Filistijnen bezettingen zijn; en het zal geschieden als gij aldaar in de stad komt, zoo zult gij ontmoeten eenen hoop Profeten, van de hoogte afkomende, en voor hunne aangezich\'.en luiten en trommelen en pijpen en harpen, en zij zullen profeteeren:

ü en de Geest des Heeren zal vaardig worden over u, en gij zult met hen profeteeren en gij zult in eenen anderen man veranderd worden.

7 En het zal geschieden als u deze teekenen zullen komen, doe gij wat uwe hand vinden zal, want God zal met u zijn.

8 Gij nu zult voor mijn aangezicht afgaan naar Gilgal, en zie, ik zal tot u afkomen om brand-offeren te offeren, om te offeren offeranden der dankzegging; zeven ^ dagen zult gij daar beiden, totdat

ik tot u kome en u bekend make wat gij doen zult.

9 Het geschiedde nu toen hij zijnen schouder keerde om van Samuel te gaan, veranderde hem God het harte in een ander; en alle die teekenen kwamen ten zelfden d age.

10 Toen zij nu daar aan den heuvel kwamen, zie, zoo kwam


-ocr page 347-

1

1 S AMI

ore- hem een hoop Profeten te geraoet en de Geest des Heer en werd nt, vaardig over hem, en hij prole-Jen jteerde in het midden van hen. nd- f 11 En het geschiedde als een die iegelijk die hem te voren gekend Iequot; had zag, dat hij, zie, profeteerde an met de Profeten, zoo zeide het ölt volk, een ieder tot zijnen inetge-en Zel: Wat is dit dat den zoon van 11 gt; Kis geschied is? Is Saul óók onder 3n - cle Profeten?

12 Toen antwoordde een man \'P van daar en zeide: Wie is toch in hun vader? Daarom is het tot een ie spreekwoord geworden: Is Saul d ook onder de Profeten? e 13 Toen hij nu voleindigd had I- te profeteeren, zoo kwam hij op de

0 hoogte;

14 en Sauls oom zeide tot hem

1 en tot zijnen jongen: Waar zijt i gijlieden henengegaan? Hij nu j zeide: Om de ezelinnen te zoeken;

toen wij zagen dat zij er niet waren, i zoo kwamen wij tot Samuël.

15 Toen zeide Sauls oom: Geef mij toch te kennen, wat heeft Samuël ulieden gezegd?

16 Saul nu zeide tot zijnen oom: Hij heeft ons voorzeker te kennen gegeven dat de ezelinnen gevonden waren; maar de zake des Koninkrijks, waarvan Samuël gezegd had, gaf hij hem niet te kennen.

17 Doch Samuël riep het volk samen tot den Heeue te Mizpa,

18 en hij zeide tot de kinderen Israels: Alzóó heeft de Heeue de God Israëls gesproken: Ik heb Israël uit Egypte opgebracht, en ik heb ulieden van de hand der Egyptenaren gered, en van de hand aller koninkrijken die u onderdrukten ;

19 maar gijlieden hebt heden uwen God verworpen, die u uit alle uwe ellenden en uwe nooden verlost heeft, en hebt tot hem gezegd: Zet eenen Koning over ons. Nu dan, stelt u voor het aangezicht des Heeren naar uwe stammen en naar uwe duizenden.

20 Toen nu Samuël alle de stammen Israëls had doen naderen, zoo is de stam Benjamins geraakt;

J Ë L 11. 333

21 toen hij den stam Benjamins deed aankomen naar zijne geslachten, zoo werd het geslacht van Matri geraakt; en Saul de zoon van Kis werd geraakt. En zij zochten hem, maar hij werd niet gevonden.

22 Toen vraagden zij verderden Heeue of die man nog derwaarts komen zoude? De Heeue dan zeide: Zie, hij heeft zich tusschen do vaten verstoken.

23 Zij nu liepen en namen hem van daar, en hij stelde zich in het midden des vólks; en hij was hooger dan al het volk, van zijnen schouder en opwaarts.

24 Toen zeide Samuël tot het gansche volk: Ziet gij wien de Heere verkoren heeft? Want gelijk hij is er niemand onder het gansche volk. Toen juichte het gansche volk, en zij zeiden: De Koning leve!

25 Samuël nu sprak tot het volk het recht des Koninkrijks, en schreef het in een boek, en leide het voor het aangezicht des Hee-ren. Toen liet. Samuël het gansche volk gaan elk naar zijn huis.

26 En Saul ging ook naar zijn huis te Gibea, en van het heir gingen met hem, welker harte God geroerd had.

27 Doch de kinderen Belials zeiden: Wat zoude ons deze verlossen? En zij verachtten hem en brachten hem geen geschenk; doch hij was als doof.

HOOFDSTUK 11.

Toen toog Nahas de Ammoniet op, en belegerde Jabes in Gilead. En alle de mannen van Jabes zeiden tot Nahas: Maak een verbond met ons, zoo zullen wij u dienen.

2 Doch Nahas de Ammoniet zeide tot hen: Mits dezen zal ik een verbond met ulieden maken, dat ik u allen het rechteroog uit-steke, en dat ik deze schande op gansch Israël legge.

3 Toen zeiden tot hem de oudsten van Jabes: Laat zeven dagen van ons af, dat wij boden zenden in alle de landpalen van Israël: is er dan niemand die ons verlost, zoo zullen wij tot u uitgaan.


-ocr page 348-

334

4 Als de boden te Gibea Sauls kwamen, zoo spraken zij deze woorden voor de ooren des volks; toen hief al dat volk zijne stemme op en weende.

5 En zie, Saul kwam achter de runderen uit het veld, en Saul zeide: Wat is den volke dat zij weenen? Toen vertelden zij hem de woorden der mannen van Jabes.

6 Toen werd de Geest Gods vaardig over Saul als hij deze woorden hoorde, en zijn toorn ontstak zeer;

7 en hij nam een paar runderen en hieuw ze in stukken, en hij zond ze in alle landpalen Israels dooide hand der boden, zeggende: Die niet zelf uittrekt achter Saul en achter Samuel, alzoó zal men zijnen runderen doen. Toen viel de vreeze des Heeren op het volk, en zij gingen uit als een éénig man;

8 en hij telde ze te Bezek, en der kinderen Israels waren driehonderdduizend , en der mannen van Juda dertigduizend.

9 Toen zeiden zij tot de boden die gekomen waren: Aldus zult gijlieden den mannen te Jabes in Gilead zeggen : Morgen zal u verlossing geschieden, als de zon heet worden zal. Als de boden kwamen en dat verkondigden aan de mannen te Jabes, zoo werden zij verblijd ,

10 en de mannen van Jabes zeiden: Morgen zullen wij tot ulieden uitgaan, en gij zult ons doen naar alles dat goed is in uwe oogen.

11 Het geschiedde nu des anderen daags dat Saul het volk stelde in drie hoopen, en zij kwamen in liet midden des legers in de mor-geuwake, en zij sloegen Ammon totdat de dag heet werd; en het geschiedde dat de overigen alzóó verstrooid werden, dat er onder hen geen twee te zamen bleven.

12 Toen zeide hot volk tot Samuel: Wie is hij die zeide: Zoude Saul over ons regeeren? Geeft hier die mannen dat wij ze dooden.

13 Maar Saul zeide: Daar zal te dezen dage geen man gedood 1 worden, want de Heere heeft, heden eene verlossing in Israël gedaan.

14 Voorts zeide Samuël tof het * volk: Komt en laat ons naar Gil- 11\' gal gaan, en het koninkrijk aldaar ^ vernieuwen. . - A

15 Toen ging al het volk naar Gilgal, en maakte Saul aldaar j \'L Koning voor het aangezicht des Heeren te Gilgal; en zij offerden ! aldaar dankofferen voor het aange- 1 zicht des Heeren, en Saul ver- c heugde zich aldaar gansch zeer ^ met alle de mannen van Israël. ;

HOOFDSTUK 12.

Toen zeide Samuël tot gansch Israël: Zie ik heb naar ulieder stem gehoord in alles dat gij mij gezegd hebt, en ik heb eenen Koning over u gesteld.

2 En nu, zie, daar trekt de Koning voor uw aangezicht henen, en ik ben oud en grijs geworden, en zie, mijne zonen zijn bij ulieden ; en ik quot;heb voor uw aangezicht gewandeld van mijne jeugd af tot dezen dag toe,

3 Zie hier ben ik: betuigt regen mij voor den Heere en voor zijnen gezalfde, wiens os ik genomen heb en wiens ezel ik genomen heb, en wien ik verongelijkt heb, wien ik onderdrukt heb, en van wiens hand ik een geschenk genomen heb, dat ik mijne oogen van hem zoude verborgen hebben, \' zoo zal ik het ulieden wedergeven.

4 Toen zeiden zij: Gij hebt ons niet verongelijkt, en gij hebt ons niet onderdrukt, en gij hebt van niemands hand iets genomen.

5 Toen zeide hij tot hen: De Heere zij een getuige tegen ulieden, en zijn gezalfde zij te dezen dage getuige, dat gij in mijne hand niets gevonden hebt. En het volk zeide: Hij zij getuige.

G Voorts zeide Samuël tot liet k volk; Het is de Heere, dieMozes \'\' en Aaron gemaakt heeft, en die uwe vaders uit Egypteland opgebracht heeft.

7 En nu, stelt u hier, dat ik met ulieden richte voor het aangezicht des Heerkn, over alle de gerechtigheden des Heeren die hij aan u en aan uwe vaderen, gedaan heeft.

1 SAMUËL 12.


-ocr page 349-

1 SAMUEL 13. 335

de oogen des Heehen gedaan hebt, dat gij eenen Koning voor u begeerd hebt.

18 Toen Samuöl den Heerü aanriep, zoo gaf de Heere donder en regen tt dien dage; daarom vreesde al het volk den Heere en Samuël zeer,

19 en al het volk zeide tot Samuël: Bid voor uwe knechten den Heere uwen God, dat wij niet sterven; want boven alle onze zonden hebben wij dit kwaad daartoe gedaan, dat wij voor ons eenen Koning begeerd\'hebben.

20 Toen zeide Samuël tot het volk: Vreest niet, gij hebt al dit kwaad gedaan; doch wijkt niet van achter den Heere af, maar dient den Heere met uw gansche harte.

21 En wijkt niet af; want gij zoudt de ijdelheden nnuolgen, die niet bevorderlijk zijn noch verlossen, want zij zijn ijdelheden.

22 Want de Heere zal zijn volk niet verlaten om zijns grooten naams wille, dewijl het den Heere beliefd heeft ulieden zich tot een volk te maken.

23 Wat ook mij aangaat, het zij verre van mij dat ik tegen den Heere zoude zondigen, dat ik zoude aflaten voor ulieden te bidden; maar ik zal u den goeden en rechten weg loeren.

24 Vreest slechts den Heere en dient hem trouwelijk met uw gansche harte; want ziet hoe groote dingen hij aan ulieden gedaan heeft.

25 Maar indien gij voortaan kwaad doet, zoo zult gijlieden alsook uw Koning omkomen.

HOOFDSTUK 13.

Saul was één jaar in zijne regeering geweest, en het tweede jaar regeerde hij over Israël.

2 Toen verkoos Saul zich drieduizend mannen uit Israël; en daar waren er bij Saul tweeduizend te Michmas en op het gebergte van Beth-El, en duizend waren er bij Jonathan te Gibea Benjamins; en het overige des

B Nadat Jakob in Egypte geko-mai was, zoo riepen uwe vaders tot den Heehe, en de Heeke zond | Mozes en.Aiiron, en zij leidden uwe vaderen uit Egypte, endeden | ze aan deze plaatse wonen.

9 Maar zij vergaten den Heeke hunnen God; zoo verkocht hij ze in de hand van Sisera den krijgs-

; overste te Hazor, en in de hand der Filistijnen, en in de hand des Konings der Moabiten, die tegen hen streden.

10 Kn zij riepen tot den Heere en zeiden : Wij hebben gezondigd, dewijl wij den Heeke verlaten en de Baalsen Astaroth gediend hebben ; en nu, ruk ons uit de hand onzer vijanden, en wij zullen u dienen.

11 En de HEEHEzond Jerubbaal en Bedan en Jefta en Saniuël, en hij rukte u uit de hand uwer vijanden rondom, alzoo dat gij zéker woondet.

12 Als gij nu zaagt dat Nahas de Koning der kinderen Amnions tegen u kwam, zoo zeidet gij tot mij : Neen, maar een Koning zal over ons regeeren; daar toch de Heere uw God uw Koning was.

13 En nu, ziedaar de Koning dien gij verkoren hebt, dien gij begeerd hebt. en zie, de Heeiie heeft eenen Koning over ulieden gesteld.

14 Zoo gij den Heere zult vree-zen en hom dienen en naar zijne stem hooren, en don monde des Heeren niet wederspannig zijn, zoo zult gijlieden, zoowel gij als de Koning, die over u regeeren zal, achter den Heere uwen God zijn;

15 doch zoo gij naar de stemme des Heeren niet zult hooren. maar den monde des Heeren wederspannig zijn, zoo zal de hand des Heeren tegen u zijn als tegen uwe vaders.

16 Ook stelt u nu hier, en ziet die groote zake, die de Heere voor uwe oogen doen zal.

17 Is het niet vandaag de tar-wenoogst? Ik zal tot den Heere roepen, en hij zal donder en regen geven; zoo weet dan en ziet dat uw kwaad groot is dat gij voor

-ocr page 350-

336

=r I

volks liet hij gaan ccn iegelijk naar zijne tent.

o Doch Jonathan sloeg de bezetting der Filistijnen dieteGibea was, hetwelk de Filistijnen hoorden. Daarom blies Saul met de bazuin in het gansche land, zeggende : Laat het de Hebreen hooren.

4 Toen hoorde het gansche raël zeggen: Saul heelt de bezetting der Filistijnen geslagen, en ook is Israël stinkende geworden bij de Filistijnen. Toen werd het vólk te zamen geroepen achter Saul naar Gilgal.

5 En de Filistijnen werden verzameld om te strijden tegen Israël, dertigduizend wagens, en zesduizend ruiteren, en volk in menigte als het zand dat aan den oever der zee is; en zij togen op, en legerden zich te Michmas tegen het oosten van Beth-Aven.

6 Toen de mannen van Israël zagen dat zij in nood waren, (want het volk was benauwd), zoo verborg zich het volk in de spelonken en in de doornenbosschen en in de steenklippen en in de vestingen en in de pul ten.

7 De Hebreen nu gingen over den Jordaan in liet land Gad en Gilead: toen Saul nog zelf te Gilgal was, zoo kwam al het volk bevende achter hem.

8 En hij vertoefde zeven dagen, lot den tijd dien Samuël bestemd had. Als Samuël te Gilgal niet opkwam, zoo verstrooide zich het volk van hem.

0 Toen zeide Saul: Brengt tot rnij herwaarts een brandoffer en da\'nkofferen; en hij offerde brandoffer.

10 En het geschiedde toen hij geëindigd had hel brandoffer té offeren, zie , zoo kwam Samuël; en Saul ging uit hem tegemoet! om hem te zegenen.

14 Toen zeide Samuël: Wat hebt gij gedaan? Saul nu zeide: Omdat ik zug dat zich het volk van mij verstrooide, en gij op den bestemden tijd der dagen niet kwaamtv en de Filistijnen te Michmas vergaderd waren,

12 zoo zeide ik: Nu zullen de Filistijnen tot mij afkomen te Gil-

Heer en niet ernstig aangebeden: zoo dwong ik mij zeiven en heb brandoffer geofferd.

13 Toon zeide Samuël tot Saul: Gij hebt zottelijk gedaan, gij hebt hét. gebod des Heeren uwes Gods J niet gehouden dat hij u geboden heeft; want de Heere zoude nu uw rijk over Israël bevestigd hebben lot in eeuwigheid,

14 maar nu zal uw rijk niet bestaan: de Heere heeft zich eenen man gezocht naar zijn hart en de Heere heeft hem geboden een voorganger te zijn over zijn volk, omdat gij niet gehouden hebt wat u de Heere geboden had.

15 Toen maakte zich Samuël op, en hij ging op van Gilgal naar Gibea Benjamins. En Saul telde het volk dat bij hem gevonden werd, omtrent zeshonderd man;

II) on Saul en zijn zoon Jonathan, en het volk dal bij hen gevonden was, bleven te Gibea Benjamins, maar de Filistijnen waren te Michmas gelegerd.

17 En de verdervers gingen uit het. leger der Filistijnen in drie hoopen: de ééne hoop keerde zich op den weg naar Ofra, naar het land Sual,

48 en één hoop keerde zich naar den weg van Beth-Horon, en één hoop keerde zich naar den weg der land pale die naar het dal Ze-boïm naar de woestijn uitziet.

19 En daar werd geen smid gevonden in bet gansche land Israels, want de Filistijnen hadden gezegd: Opdat de Hebreen geen zwaard noch spies maken.

20 Daarom moest gansch Israël tot de Filistijnen aftrekken, opdat een iegelijk zijn ploegijzer of zijne spade of zijne bijl of zijn houweel scherpen liet.

21 Maar zij hadden tandige vijlen tot hunne houweelen, en tot hunne spaden, en tot de drietan-dige vorken, en tot de bijlen, en tot het stellen der prikkelen.

22 En het geschiedde ten dage des strijds, dat er geen zwaard noch spies gevonden werd in de hand des ganschen volks, dat bij Saul en bij Jonathan was; doch

1 S A M U E L 13.

gal, en ik heb het aangezicht des


-ocr page 351-

1 SAMUEL 14.

337

bij Saul cn bij Jonathan zijnen zoon werden zij gevonden.

23 Kn der Filistijnen leger toog naar den doortocht quot;van Michmas.

HOOFDSTUK 14.

Het geschiedde nu op eenen dag, dat Jonathan, de zoon Sauls, tot den jongen die zijne wapenen droeg zeide: Kom eri laat ons tot de bezetting der Filistijnen overgaan. welke aan gene zijde is; doch hij gaf het zijnen vader niet te kennen.

2 Saul nu zat aan het uiterste van Gibea onder den granaatboom te Migron; en het volk dat bij hem was, was omtrent zeshonderd man.

3 En Ahi\'a, de zoon van Ahitub , den broeder vanlkabod, den zoon van Pinehas, den zoon van Eli, was Priester des Hkeuen te Silo, dragende den elbd. Doch het volk wist niet dat Jonathan heengegaan was.

4 Daar was nu lusschen de door-tochten, waar Jonathan zocht door te gaan tot der Filistijnen bezetting, eene scherpte van eene steenklip aan deze zijde en eene scherpte van eene steenklip aan gene zijde, en de naam der ééne was Bozez en de naam der andere Séne;

5 do ééne tand was gelegen tegen het Noorden, tegenover 3lich-mas, en de andere tegen hel Zuiden, tegenover Gibea.

6 Jonathan nu zeide tot den jongen, die zijne wapenen droeg: Kom en laat ons tot de bezetting dezer onbesnedenen overgaan: misschien zal de IliiERE voor ons werken, want bij den Heere is geen verhindering om te verlossen door velen olquot; door weinigen.

7 Toen zeide zijn wapendrager tot hem: Doe al wat in uw harte is; wend u, zie, ik ben met u naar uw harte.

8 Jonathan nu zeide : Zie, wij zullen overgaan tot die mannen , en wij zullen ons aan hen ontdekken :

9 indien zij aldus tot ons zeggen: Staat stil tótdat wij aan ulieden komen, zoo zullen wij blijven staan aan onze plaats en tot hen niet opklimmen ;

10 maar zeggen zij aldus: Klimt tot ons op, zoo zullen wij opklimmen , want de Heeue heeft ze in onze hand gegeven; en dit zal ons een teeken zijn.

11 Toen zij beiden zich aan der Filistijnen bezetting ontdekten, zoo zelden de Filistijnen : Zie, de He-breën zijn uit dé holen uitgegaan, waarin zij zich verstoken hadden.

12 Voorts antwoordden de mannen der bezetting aan Jonathan en zijnen wapendrager, en zeiden: Klimt op tot ons, en wij zullen het u wijs maken. En Jonathan zeide tot zijnen wapendrager: Klim achter mij op, want de Heere heeft ze gegeven in de hand Israels.

13 Toen klom Jonathan op zijne handen en op zijne voeten, en zijn wapendrager hem na; en zij vielen voor Jonathans aangezicht, en zijn wapendrager doodde ze achter hem.

14 Deze eerste slag nu, waarmede Jonathan en zijn wapendrager omtrent twintig mannen versloegen, geschiedde omtrent in de helft eens bunders, zijnde een juk ossen lands.

15 En daar was eene beving in het leger op het veld, en onder liet gansche volk; de bezetting en de verdervers beefden ook zelve ; ja het land werd beroerd, want het was eene beving Gods.

16 Als nu de wachters Sauls te Gibea Benjamins zagen, dat, zie, de menigte versmolt en doorging en geklopt werd,

17 toen zeide Saul tot het volk dal bij hem was: Telt toch , en beziet quot;wie van ons weggegaan zij. En zij telden, en zie Jonathan en zijn wapendrager waren daar niet.

18 Toen zeide Saul tot Aln\'a: Breng de Arke Gods herwaarts. Want de Arke Gods was te dien dage bij do kinderen Israels.

19 En het geschiedde toen Saul nog tot den Priester sprak, dat het rumoer, hetwelk in der Filistijnen leger was, zeer toenam en vermenigvuldigde: zoo zeide Saul tot den Priester: Haal uwe hand in.

20 Saul nu en al het volk dat bij hem was werd te zamen ge-


-ocr page 352-

338

roepen, en zij kwamen ten strijde: en zie, het zwaard des éénen was tegen den anderen; daar was een zeer groot gedruisch.

21 Daar waren ook Hebreen bij de Filistijnen als eertijds, die met hen in \'t leger opgetogen waren rondom; deze nu vervoegden zich óók bij de Israëliten, die bij Saul en Jonathan waren.

22 Als alle mannen van Israël, die zich verstoken hadden in het gebergte Efraïms, hoorden dat de Filistijnen vluchtten, zoo kleefden zij ook hen achteraan in den strijd.

23 Alzoo verloste de Heere Israël te dien dage; en het leger trok over naar Beth-Aven.

24 En de mannen Israëls werden mat te dien dage, want Saul, had het volk bezworen, zeggende: Vervloekt zij de man, die spijze eet tot aan den avond, opdat ik mij aan mijne vijanden wreke. Daarom proefde het gansche volk geen spijze.

25 En het gansche land kwam in een wond, en daar was honig op het veld:

26 toen het volk in het woud kwam, zie, zoo was ereenhonig-vloed; maar niemand raakte met zijne hand aan zijnen mond, want hot volk vreesde de bezwering.

27 Maar Jonathan had het niet gehoord toon zijn vader het volk bezworen had, en hij reikte het einde des stafs uit die in zijne hand was en hij doopte denzelven in eene honigraat; als hij nu zijne hand tot zijnen mond wondde, zoo werden \'zijne oogen verlicht.

28 Toen antwoordde een man uit het volk en zeide: Uw vader heeft het volk zwaarlijk bezworen, zeggende: Vervloekt zij de man die heden brood eet: daarom bezwijkt het volk.

2?) Toen zeide Jonathan: Mijn vader heeft het land beroerd; ziet toch hoe mijne oogen verlicht zijn, omdat ik een weinig van dezen honig gesmaakt heb:

30 hoeveel meer, indien het volk heden had mogen vrijelijk eten van den buit zijner vijanden, dien het gevonden \'heeft! Maar nu is die slag niet groot geweest over de Filistijnen.

31 Doch zij sloegen te dien dage do Filistijnen van Michmas tot Aj jalon; en het volk was zeer moede.

32 Toen maakte zich het volk aan den buit, en zij namen schapen en runderen eii kalveren, en zij slachtten ze tegen de aarde; en het volk at ze met. het bloed.

33 En men boodschapte het Saul, zeggende: Zie, het volk bezondigt zich togen den Heere , etende met het bloed. En hij zeide: Gij hebt trouwelooslijk gehandeld, wentelt heden oenen grootcn steen tot mij.

3i Voorts sprak Saul: Verstrooit u onder het volk en zegt tot hen: Brengt tot mij een iegelijk zijnen os en een iegelijk zijn schaap, en slacht hier en eet, en bezondigt u niet aan den Heere, die etende met het bloed. Toen bracht al het volk een iegelijk zijnen os met. zijne hand, des nachts en slachtten ze aldaar.

35 Toen bouwde Saul den Heere een altaar; dat was het eerste altaar, hetwelk hij den Heere bouwde.

36 Daarna ziede Saul: Laat ons aftrekken de Filistijnen na bij nacht, en laat ons hen berooven totdat het morgenlicht wordt, en laat ons niet éénen man onder hen overig laten. Zij nu zeiden: Doe al wat goed is iii uwe oogen; maar de Priester zeide: Laat ons herwaarts tot God naderen.

37 Toen vraagde Saul God: Zal ik aftrekken, de Filistijnen na? Zult gij ze in de hand Israëls overgeven? Doch hij antwoordde hem niet te dien dage.

38 Toen zeide Saul: Komt herwaarts uit alle hoeken des volks, en verneemt en ziet waarin deze zonde heden geschied zij;

39 want zoo waarachtiy als de Heere leeft die Israël verlost , al ware het in mijnen zoon Jonathan . zoo zal hij den dood sterven. Eu niemand uit het gansche volk antwoordde hem.

40 Voorts zeide hij tot het gansche Israël: Gijlieden zult aan de ééne zijde zijn, en ik en mijn zoon

1 SAMUËL 14.


-ocr page 353-

1 SAM U ËL 15.

339

Jonathan zullen aan de andere zijde zijn. Toen zeide het volk tot Saul: Doe wat goed is in uwe oogen.

41 Saul nu sprak tot den Heere den God Israels: Toon den onschuldige. Toen werd Jonathan en Saul geraakt, en het volk ging vrij uit.

42 Toen zeide Saul: Werpt het lot tusschen mij en tusschen mijnen zoon Jonathan. Toen werd Jonathan geraakt.

43 Saul dan zeide tot Jonathan: Geef mij te kennen wat gij gedaan hebt. Toen gaf Jonathan het hem te kennen, en zeide: Ik heb maar een weinig honig geproefd met het uiterste des stafs, dien ik in mijne hand had: zie hier ben ik, moet ik sterven?

44 Toen zeide Saul: Zóó doe mij God en zóó doe hij daartoe, Jonathan , gij moet den dood sterven.

45 Maar het volk zeide tot Saul: Zoude Jonathan sterven, die deze groote verlossing in Israël gedaan \'heeft? Dat zij verre! Zoo waarachtig de Heere leeft, zoo daar een haar van zijn hoofd op de aarde vallen zal! want hij heeft dit heden met God gedaan. AIzoo verloste het volk Jonathan , dat hij niet stierf.

46 Saul nu toog op van achter de Filistijnen, en de Filistijnen trokken aan hunne plaats.

47 Toen nam Saul het koninkrijk over Israël in en hij streed rondom tegen allezijnevijanden,tegen Moab en tegen de kinderen Amnions en tegen Edom en tegen de Koningen van Zoba en tegen de Filistijnen, en overal waar hij zich wendde oefende hij straf;

48 en hij handelde dapperlijk en hij sloeg de Amalekiten, en hij redde Israël uit de hand desgenen die hem beroofde.

49 De zonen Sauls nu waren

Jonathan en Jisvi en Malkisüa; en de namen zijner twee dochteren waren deze: de naam der eerstgeborene was Merab, en de naam der kleinste Michal.

50 En de naam van Sauls huisvrouw wasAhinóam, eene dochter van Ahimaaz; en de naam zijns krijgsoversten was Abner, een zoon van Ner, Sauls oom.

51 En Kis was Sauls vader, en Ner, Abners vader, was een zoon Abiëls.

52 En daar was een sterke krijg tegen de Filistijnen alle de dagen van Saul; daarom alle helden en alle kloeke mannen die Saul zag, die vergaderde hij tot zich.

HOOFDSTUK 15.

Toen zeide Samuël tot Saul: De Heere heeft mij gezonden dat ik u ten Koning zalfde over zijn volk, over Israël; hoor dan nu de stemme der woorden des Heeren.

2 Alzóó zegt de Heere der heir-scharen: Ik heb bezocht hetgeen dat Amalek Israël gedaan heeft, hoe hij zich tegen hem gesteld heeft op den weg toen hij uit Egypte opkwam:

3 ga nu henen en sla Amalek, en verban alles wat hij heeft, en verschoon hem niet, maar dood van den man af tot de vrouw toe, van de kinderen tot de zuigelingen, van de ossen tot de schapen, van de kemelen tot de ezelen toe.

4 Dit verkondigde Saul het volk, en hij telde ze te Telaïm, tweehonderdduizend voetvolks, en tienduizend mannen van Juda.

5 Als Saul tot bij de stad Amalek kwam, zoo leidc hij eene achter-lage in het dal;

G en Saul liet den Keniten zeggen : Gaat weg, wijkt, trekt af uit het midden der Amelekiten, opdat ik u met hen niet wegruime; want gij hebt barmhartigheid gedaan aan alle de kinderen Israels, toen zij uit Egypte opkwamen. Alzoo weken de Keniten uit het midden der Amalekiten.

7 Toen sloeg Saul de Amalekiten van Havila at, tot waar gij komt te Sur, dat vooraan Egypte is.

8 En hij ving Agag, den Koning der Amalekiten levend, maar al het volk verbande hij door de scherpte des zwaards.

ü Doch Saul en het gansche volk verschoonde Agag, en de beste schapen en runderen , en de naastbwtff , en de lammeren, en al wat best was, en zij wilden ze niet verbannen; maar alle ding


-ocr page 354-

4 SAMUËL 45.

340

dat verachtelijk e ii dat verdwijnende was, dat verbanden zij.

10 Toen geschiedde het woord des Heeren tot Samuël, zeggende:

41 Het berouwt mij dat ik Saul tot Koning gemaakt heb, dewijl hij zich van achter mij afgekeerd heeft en mijne woorden niet bevestigd heeft. Toen ontstak Samuël en hij riep tot den Heere den ganschen nacht.

42 Daarna maakte zich Samuël des morgens vroeg op, Saul tegemoet ; en het werd Samuël geboodschapt, zeggende: Saul is te Kar-mel gekomen, en zie. hij heeft zich eenen pilaar gesteld; daarna is hij omgetogen en doorgetrokken, en naar Gilgal afgekomen.

43 Samuël nu kwam tot Snul, en Saul zeide tot hem: Gezegend zijt gij den Heere; ik heb des Heerem woord bevestigd.

44 Toen zeide Samuël: Wat is dit dan voor eene stem der schapen in mijne ooren en eene stem der runderen die ik hoor?

45 Saul nu zeide: Zij hebben ze van de Amalekiten gebracht, want het volk heeft de beste schapen en runderen verschoond om den Heere uwen God te offeren; maar het overige hebben wij verbannen.

46 Toen zeide Samuël tot Saul: Houd op, zoo zal ik u te kennen geven wat de Heere te nacht tot mij gesproken heeft. Hij dan zeide tot hem: Spreek.

47 En Samuël zeide: Is het niet alzóó, toen gij klein waart in uwe oogen, dat gij het hoofd der stammen Israëls geworden zijt, en dat u de Heere tot Koning over Israël gezalfd heeft?

48 En de Heere heeft u op den weg gezonden, en gezegd: Ga henen en verban de zondaars, de Amalekiten , en strijd tegen hen totdat gij dezelve te riiet doet:

49 waarom toch hebt gij naar de stemme des Heeren niet gehoord, maar zijt tot den roof gevlogen , en hebt gedaan dat kwaad was in de oogen des Heeren?

20 Toen zeide Saul tot Samuël: Ik heb immers naar de stemme des Heeren gehoord, en heb gewandeld op den weg, op denwelken mij de Heere gezonden heeft; en ik heb Agag den Koning der Amalekiten, medegebracht, maar de Amalekiten heb ik verbannen.

24 Het volk nu heeft genomen van den roof, schapen en runderen , het voornaamste van het ver-bannene, om den Heere uwen God op te oHeren te Gilgal.

22 Doch Samuël zeide: Heeft de Heere lust aan brandofferen en slachtofferen als aan het gehoorzamen van de stemme des Heeren? Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffer, opmerken dan het vette der rammen;

23 want wederspannigheid is eene zonde der tooverij , en wederstreven is afgoderij en beeldendienst: omdat gij des Heeren woord verworpen hebt, zoo heeft hij u verworpen dat gij geen Koning zult zijn.

24 Toen zeide Saul tot Samuël: Ik heb gezondigd, omdat ik des Heeren bevel en uwe woorden overtreden heb, want ik heb het volk gevreesd en naar hunne stemme gehoord :

25 nu dan, vergeef mij toch mijne zonde, en keer met mij weder, dat ik den Heere aanbidce.

2Ü Doch Samuël zeide tot Saul: Ik zal met u niet wederkeeren: omdat gij het woord des Heeren verworpen hebt, zoo heeft u do Heere verworpen dat gij geen Koning over Israël zult zijn.

27 Als zich Samuël omkeerde om weg te gaan, zoo greep hij eene slip zijns mantels en zij scheurde.

28 Toen zeide Samuël tot hem: De Heere heeft heden het Koninkrijk Israëls van u afgescheurd, en heeft het uwen naaste gegeven, die beter is dan gij.

29 En ook liegt hij, die de overwinning Israëls is, niet, en het berouwt hem niet; want hij js geen mensch dat hem iets berouwen zoude.

30 Hij dan zeide: ik heb gezondigd; eer mij toch nu voor de oudsten mijns volks en voor Israël, en keer weder met mij, dat ik den Heere uwen God a£.n-bidde.


-ocr page 355-

1 SAMUEL 16.

341

31 Toen keerde Samuël weder, Saul na, en Saul aanbad den

he ere.

32 Toen zeide Samuël: Breng Agag den Koning der Amalekiten, hier lot mij. Agag nu ging tot hem weeldeiijk, en Agag zeide: Voorwaar, de bitterheid des doods is geweken.

33 Maar Samuël zeide: Gelijk als uw zwaard de vrouwen van hare kinderen beroofd heelt, alzoo zal uwe moeder van hare kinderen berooid worden onder de vrouwen. Toen hieuw Samuël Agag in stukken voor het aangezicht des Hee-hen te Gilgal.

34 Daarna ging Samuël naar Rama, en Saul ging op naar zijn huis te Gibea Sauls.

35 En Samuël zag Saul niet meer tot den dag zijns doods toe; evenwel droeg Samuël leed om Saul; en het berouwde den Heehe •dat hij Saul tot Koning over Israël gemaakt had.

HOOFDSTUK 16.

Toen zeide de Heere tot Samuël: 1 loc lang draagt gij leed om Saul, dien ik toch verworpen heb dat hij geen Koning zij over Israël? Vul uwen hoorn met olie en ga henen: ik zal u zenden tot Isaï, den Bethlehemiet, want ik heb mij eenen Koning onder zijne zonen uitgezien.

2 Maar Samuël zeide: Hoe zoude ik henengaan? Saul zal het toch liooren en mij dooden. Toen zeide de Heere: Neem een kalf van de runderen met u, en zeg: Ik ben gekomen om den Heere offerande te doen.

3 En gij zult Isaï ten offer noo-digen, en ik zal u te kennen geven wat gij doen zult, en gij zult mij zalven dien ik u zeggen zal.

4 Samuël nu deed hetgeen de Heere gesproken had, en hij kwam te Bethlehem. Toen kwamen de oudsten der stad bevende hem tegemoet en zeiden: Is uwe komst mc.t vrede?

5 Hij dan zeide: Met vrede; ik ben gekomen om den Heere oller-ande te doen: heiligt u, en komt met mij ten offer. En hij heiligde

Isaï en zijne zonen, en hij noodigde ze ten oiler.

6 En het geschiedde toen zij inkwamen, zoo zag hij Eliab aan\'j en dacht: Zekerlijk is deze voor den Heere, zijn gezalfde.

7 Doch do Heere zeide tot Samuël: Zie zijne gestalte niet aan noch de hoogte zijner slature, want ik heb hem verworpen. Want het is niet gelijk de mensch ziet; want de mensch ziet aan wat voor oogen is, maar de Heere ziet het harte aan.

8 Toen riep Isaï Abinadab , en hij deed hem voorbij hel aangezicht Samuëls gaan; doch hij zeide: Dezen heeft de Heere óók niet verkoren.

9 Daarna liet Isaï Samma voorbijgaan ; doch hij zeide: Dezen heeft de Heere óbk niet verkoren.

10 Alzoo liet Isaï zijne zeven zonen voorbij het aangézicht van Samuël gaan; doch Samuël zeide tot Isaï: De Heere heeft deze niet verkoren.

11 Voorls zeide Samuël tot Isaï: Zijn dit alle do jongelingen? En hij zeide : De kleinste is nog overig, en zie, hij weidt de schapen. Samuël nu zeide tot Isaï: Zend henen en laat hem halen , want wij zullen niet rondom aanzitten totdat hij hier zal gekomen zijn.

12 Toen zond hij henen en bracht hem in: (hij nu was roodachtig, mitsgaders \'schoon van oogen en schoon van aanzien): en de Heere zeide: Sla op, zalf hem, want deze is het.

13 Toen nam Samuël den oliehoorn , en hij zalfde hem in het midden zijner broederen: en de Geest des Heeren werd vaardig over David van dien dag af en voor laan. Daarna stond Samuël op, en hij ging naar llama.

14 En de Geest des Heeren week van Saul, en een booze geest van den Heere verschrikte hem.

15 Toen zeiden Sauls knechten tot hem: Zie toch, een booze geest Gods verschrikt u:

16 onze heer zegge toch uwen knechten, die voor uw aangezicht staan, dat zij eenen man zoeken die op de harp spelen kan; en het


-ocr page 356-

1 S A M U Ë L 17.

342

zal geschieden als de booze geest Gods op u is, dat hij dan met zijne hand spele, dat het beter met u worde.

17 Toen zeide Saul tot zijne knechten : Ziet mij toch naar eenen man uit, die wèl spelen kan, en brengt hem tot mij.

18 Toen antwoordde een van de jongelingen en zeide: Zie, ik heb gezien eenen zoon van Isaï den Bethlehemiet, die spelen kan, en hij is een dapper held en een krijgsman en verstandig in zaken, en een schoon man, en de Heerk is met hem.

19 Saul nu zond boden tot Isaï, en zeide: Zend uwen zoon David tot mij, die bij de schapen is.

20 Toen nam Isaï eenen ezel met brood, en een lederen zak met wijn, en een geitenbokje, en zond ze door de hand zijns zoons Davids aan Saul.

21 Alzoo kwam David tot Saul; en hij stond voor zijn aangezicht, en hij beminde hem zeer, en hij werd zijn wapendrager.

22 Daarna zond Saul tot Isaï, om te zeggen: Laat toch David voor mijn aangezicht staan, want hij heeft genade in mijne oogen gevonden.

23 En het geschiedde als de geest Gods over Saul was, zoo nam David de harp en hij speelde met zijne hand: dat was Saul eene verademing, en het werd beter met hem, en de booze geest week van hem.

HOOFDSTUK 17.

En de Filistijnen verzamelden hun heir ten strijde, en verzamelden zich te Socho,\'dat in Juda is; en zij legerden zich tusschen Socho en tusschen Azeka, aan het einde van Dammim.

2 Doch Saul en de mannen Israels verzamelden zich en legerden zich in liet Eikendal, en stelden de slagorde tegen de Filistijnen aan.

3 De Filistijnen nu stonden aan eenen berg aan gene, en de Israëliten stonden aan eenen borg aan deze zijde, en de vallei was tusschen hen.

4 Toen ging daar een kampvechter uit, uit het leger der Filistijnen ; zijn naam was Goliath van Gath; zijne hoogte was zes ellen en een span;

5 en hij hadeenen koperen helm op zijn hoofd, en hij had een schubachtig pantser aan , en het gewicht des pantsers was vijfduizend sikkelen koper;

6 en een koperen scheenharnas boven zijne voeten, en een koperen schild tusschen zijne schouderen;

7 en de schacht zijner spies was als een weversboom, en het lemmer zijner spies was van zeshonderd sikkelen ijzer; en de schilddrager ging voor zijn aangezicht.

8 Deze nu stond en riep tot de slagorden Israëls, en zeide tot hen: Waarom zoudt gijlieden uittrekken om de slagorde te stellen ? Ben ik niet een Fllistijn, en gijlieden knechten van Saul? Kiest eenen man onder u die tot mij afkome:

9 indien hij tegen mij strijden en mij verslaan kan, zoo zullen wij ulieden tot knechten zijn; mac.r indien ik hem overwin en hem sic., zoo zult gij ons tot knechten zijn en ons dienen.

10 Voorts zeide de Filistijn: Ik heb heden de slagorden Israëls gehoond, zeggende: Geeftmij eenen man, dat wij te zamen strijden.

11 Toen nu Saul en het gansche Israël deze woorden des Filistijns hoorden, zoo ontzetteden zij zich en vreesden zeer.

12 David nu was de zoon d?s Efrathischen mans van Bethlehem-Juda, wiens naam was Isaï, en die acht zonen had; en in de dagen Sauls was hij een oud man, afgaande onder de mannen.

13 En de drie grootste zonen van Isaï gingen henen, zij volgden Saul na in den krijg. De namen nu zijner drie zonen, die in den krijg gingen, waren: Eliab de eeist-geborene, en zijn tweede Abinadab, en de derde Samma.

14 En David was de kleinste; en de drie grootsten waren Saul nagevolgd.

15 Doch David ging henen en kwam weder van Saul, om zijns


-ocr page 357-

1 SAMUEL 17.

vaders schapen te weiden te Bethlehem.

iü De Filistijn nu trad toe des morgens vroeg en des avonds; alzoo stelde hij zich daar veertig dagen lang.

17 Eu Isaï zeide tot zijnen zoon David: Neem toch voor uwe broeders eene efa van dit geroost koren, en deze tien hrooden, en breng ze met haaste in het leger tot uwe broederen,

18 maar breng deze tien melkkazen aan den overste over duizend; en gij zult uwe broederen bezoeken, of het hun wèl gaat, en gij zult van hen pand mede-nemeh.

19 Saul nu, en zij, en alle mannen Israels waren bij het Eikendal met de Filistijnen strijdende.

20 Toen maakte zich David des morgens vroeg op, en hij liet de schapen bij den hoeder, en hij nam het op en ging henen, gelijk als Isaï hem bevolen had; en hij kwam aan den wagenburg, als liet heir in slagorde uittoog, on men ten strijde riep.

21 En de Israëli ten en Filistijnen stelden slagorde tegen slagorde.

22 David nu liet de vaten van zich onder de hand des bewaarders der vaten, en hij liep ter slagorde; en hij kwam en vraagde zijne broederen naar hunnen welstand.

23 Toen hij met hen sprak, zie, zoo kwam de kampvechter op; zijn naam was Goliath, de Filistijn van (lath uit der Filistijnen hoir, en hij sprak achtervolgens die woorden, en David hoorde ze.

24 Doch alle mannen in Israël, als zij dien man zagen, zoo vluchtten zij voor zijn aangezicht en zij vreesden zeer;

25 en de mannen Israels zeiden: Hebt gijlieden dien man wel gezien, die opgekomen is? Want hij is opgekomen om Israël te honen; en het zal geschieden dat de Koning dien man, die hem slaat, met grooten rijkdom verrijken zal, en hij zal hem zijne dochter geven , en hij zal zijns vaders huis vrijmaken in Israël.

2f5 Toen zeide David tot de mannen, die bij hem stonden, zeggende: Wat zal men dien man doen die dezen Filistijn verslaat, en den smaad van Israël wendt? Want wie is deze onbesneden Filistijn , dat hij de slagorden des levenden Gods zoude honen?

27 Wederom zeido hem het volk achtervolgens dat woord, zeggende: Alzóó zal men den man doen die hem slaat.

28 Als Eliab, zijn oudste broeder, hem tot die mannen hoorde spreken, zoo ontstak de toorn Eliabs tegen David, en hij zeide: Waarom zijt gij nu afgekomen, en onder wien hebt gij de weinige schapen in de woestijn gelaten? Ik ken uwe vermetelheid en de boosheid uws harten wel, want gij zijt afgekomen opdat gij den strijd zaagt.

29 Toen zeide David: Wat heb ik nu gedaan? Is er geen oorzaak?

30 En hij wendde zich af van dien naar een ander toe, en hij zeide achtervolgens dat woord, en het volk gaf hem weder antwoord achter volgens de eerste woorden.

31 Toen nu die woorden gehoord werden die David gesproken had, en in de tegenwoordigheid Sauls verkondigd werden, zoo liet hij hem halen.

32 En David zeide tot Saul: Aan geen mensch ontvalle het harte om zijnentwil: uw knecht zal henengaan en hij zal met dezen Filistijn strijden.

33 Maar Saul zeide tot David: Gij zult niet kunnen henengaan tot dezen Filistijn om met hein te strijden, want gij zijt een jongeling, en hij is een krijgsman van zijne

^\' 34 Toen zeide David tot Saul: Uw knecht weidde de schapen zijns vaders, en daar kwam een leeuw en een beer, en nam een schaap van de kudde weg;

35 en ik ging uit hem na, en ik sloeg hem, en redde het uit zijnen mond: en toen hij tegen mij opstond, zoo vatte ik hem bij zijnen baard, en sloeg hem en doodde hem:

36 uw knecht heeft zoo den leeuw als den beer geslagen; alzóó


-ocr page 358-

344 1 SAM

zal deze onbesneden Filistijn zijn gelijk een van die, omdat hij de slagorden des levenden Gods gehoond heeft.

37 Voorts zeide David: DeHEERE, die mij van de macht des leeuws gered heeft en uit de macht des beers, die zal mij redden uit de hand dezes Filistijns. Toen zeide Saul tot David: Ga henen, en de Heere zij met u.

38 En Saul kleedde David met zijne kleederen, en zette een koperen helm op zijn hoofd, en hij kleedde hem met een pantser.

39 En David gordde zijn zwaard aan over zijne kleederen, en wilde gaan; want hij had het nooit beproefd. Toen zèide David tot Saul: Ik kan in deze niet gaan, want ik heb het nooit beproefd; en David leidfi ze van zich.

40 En hij nam zijnen staf in zijne hand, en hij koos zich vijf gladde steenen uit do beek, en leide ze in de herderstasch die hij had, te weten in den zak, en zijn slinger was in zijne hand: alz\'oo naderde hij tot den Filistijn.

41 De Filistijn ging ook henen, gaande en naderende tot David; en zijn schilddrager ginrj voor zijn aangezicht.

42 Toen de Filistijn opzag en David zag, zoo verachtte hij hem ; want hij was een jongeling, roodachtig , mitsgaders schoon van aanzien.

43 Do Filistijn nu zeide tot David: Ben ik een hond, dat gij tot mij komt met stokken? En de Filistijn vloekte David bij zijne goden.

44 Daarna zeide de Filistijn tot David: Kom tot mij, zoo zal ik uw vleesch den vogelen des hemels geven en den dieren des velds.

45 David daarentegen zeide tot den Filistijn: Gij komt tot mij met een zwaard en met eene spies en met een schild, maar ik kom tot u in den naam dps Heeren der heirscharen, des Gods der slagorden Israëls, di^n gij gehoond hebt.

46 Te dezen dage zal de Heere u besluiten in mijne hand, en ik zal u slaan, en ik zal uw hoofd van u wegnemen, en ik zal de

JËL 17.

doode lichamen van der Filistijnen i leger dezen dag den vogelen des . u hemels en den iDeesten des velds ^ geven: en de gansche aarde zul weten dat Israël eenen God heeft,

47 en deze gansche vergadering | \\ zal weten dat de Heere niet door

het zwaard, noch door de spies ] verlost; want de krijg is des Heeren , die zal uliedcn in onze hand geven.

48 En het geschiedde toen de Filistijn zich opmaakte en henen-ging én David tegemoet naderde, zoo haastte zich David en liep naar de slagorde toe, den Filistijn tegemoet;

49 en David stak zijne hand in de tasch en hij nam èenen steen daaruit, en hij slingerde, en trof den Filistijn in zijn voorhoofd, zoodat do steen zonk in zijn voorhoofd, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde:

50 alzoo overweldigde David den Filistijn met eenen slinger en met oenen steen, en hij versloeg den Filistijn en doodde hem. Doch David had geen zwaard in de hand;

51 daarom liep David, en stond op den Filistijn, en nam zijn zwaard, en hij trok het uit zijhe scheede, en hij doodde hem en hij hieuw hem het hoofd daarmede af. Toen de Filistijnen zagen dat hun geweldigste dood was, zoo vluchtten zij.

52 Toen maakten zich de mannen van Israël en Juda op en juichten, en vervolgden de Filistijnen tot waar men komt aan de vallei, en tot aan de poorten van Ekron; en der Filistijnen verwonden vielen op den weg van Saaraïm en tot aan Gath en tot aan Ekron.

53 Daarna keerden de kinderen Israëls om van hot hittig najagen der Filistijnen, en zij beroofden hunne legers.

54 Daarna nam David het hoe fd des Filistijns en bracht het nr.ar Jeruzalem, maar zijne wapenen leide hij in zijne tent.

55 Toen Saul David zag uitgaan den Filistijn tegemoet, zeide hij tot Abner den krijgsoverste: Wiens zoon is deze jongeling, Abner?


-ocr page 359-

1 SAMUËL 18.

345

En Abner zeide: Zoo waarlijk als uwe ziele leel\'t, o Koning, ik weet het niet.

5ü De Koning nu zeide: Vraag gij liet, wiens zoon deze jongeling is.

57 Als David wederkeerde van het slaan des Filistijns, zoo nam hem Abner en hij bracht hem voor het aangezicht Sauls, en het hoofd des Filistijns was in zijne hand.

58 En Saul zeide tot hem: Wiens zoon zijt gij, jongeling? En David zeide: Jk ben een zoon van uwen knecht Isaï den Bethlehemiet.

HOOFDSTUK 18.

Het geschiedde nu als hij geëindigd had tot Saul te spreken, dat de ziel van Jonathan verbonden werd aan de ziel van David, en Jonathan beminde hem als zijne ziel.

*2 En Saul nam hem te dien dage, en liet hem niet wederkee-ren tot zijns vaders huis.

3 Jonathan nu en David maakten een verbond, dewijl hij hem liefhad als zijne ziel;

4 en Jonathan deed zijnen mantel af dien hij aanhad, en gaf hem David, ook zijne kleederen, ja tot zijn zwaard tóe en tot zijnen boog toe en tot zijnen gordel toe.

5 En David toog uit overal waar Saul hem zond; hij gedroeg zich voorzichtiglijk , en Saul stelde hem over de krijgslieden; en hij was aangenaam in de oogen des gan-schen volks, en ook in de oogen der knechten Sauls.

G Het geschiedde nu toen zij kwamen, en David wederkeerde van het slaan der Filistijnen, dat de vrouwen uitgingen uit alle de steden van Israël met gezang en reien, den Koning Saul tegemoet, met trommels, met vreugde, en met muziek-instrumenten.

7 En de vrouwen spelende antwoorden elkander en zeiden: Saul heeft zijne duizenden verslagen, maar David zijne tienduizenden.

8 Toen ontstak Saul zeer, en dat woord was kwaad in zijne oogen, en hij zeide: Zij hebben

David tienduizend gegeven, doch mij hebben zij maar duizend gegeven en voorzeker zal het koninkrijk no..? voor hem zijn.

9 En Saul had het oog op David, van d;.en dag aan en voortaan.

10 En hel geschiedde des anderen daags dat de booze geest Godes over Saul vaardig werd, en hij profeteerde midden in het huis; en David speelde het snarenspel met zijne hand, als van dag tot dag. Saul nu had eene spies in de hand,

11 en Saul schoot de spies, en zeide: Ik zal David aan den wand spitten; maar David wendde zich tweemaal van zijn aangezicht af.

12 En Saul vreesde voor David, want de Hileiie was met hem, en hij was van Saul geweken.

13 Daarom deed hem Saul van zich weg, en hij stelde hem zich tot een overste van duizend; en hij ging uit en hij ging in voor het aangezicht des volks.

14 En David gedroeg zich voorzichtiglijk op alle zijne wegen, en de Heeue was met hem.

15 Toen nu Saul zag dat hij zich zeer voorzichtiglijk gedroeg, vreesde hij voor zijn aangezicht.

16 Doch gansch Israël en Juda had David lief, want hij ging uit en hij ging in voor hun aangezicht.

17 Derhalve zeide Saul tot David : Zie, mijne grootste dochter Merab zal ik u tot vrouw geven: alleenlijk wees mij een dapper zoon , en voer den krijg des Hee-ren. (Want Saul zeidê: Dat mijne hand niet tegen hem zij, maar dat do hand der Filistijnen tegen hem zij.)

18 Doch David zeide tot Saul: • Wie ben ik, en wat is mijn leven, en mijns vaders huisgezin in Israël, dat ik des Konings schoonzoon zoude worden?

19 Het geschiedde nu ten tijde als men Merab, de dochter Sauls, aan David geven zoude, zoo is zij aan Adriël den Meholathiet tot vrouw gegeven.

20 Doch Michal de dochter Sauls had David lief. Toen dat Saul


-ocr page 360-

1 SAMUEL 19.

346

te kennen -werd gegeven, zoo was die zake recht in zijne oogen,

21 en Saul zeide: Ik zal ze hem geven, dat zij hem ten valstrik zij, en dat de hand der Filistijnen tegen hem zij. Daarom zeide Saul tot David: Met de andere zult gij heden mijn schoonzoon worden.

22 En Saul gebood zijnen knechten: Spreekt met David heimelijk, zeggende: Zie, de Koning heeft lust aan u, en alle zijne knechten hebben u lief: word dan nu des Konings schoonzoon.

23 En de knechten Sauls spraken deze woorden voor de ooren Davids. Toen zeide David: Is dat licht in ulieder oogen, des Konings schoonzoon te worden, daar ik een arm en verachtzaam man ben?

24 En de knechten Sauls boodschapten het hem , zeggende: Zulke woorden heelt David gesproken.

25 Toen zeide Saul: Aldus zult gijlieden tot David zeggen: De Koning heeft geen lust aan den bruidschat, maar aan honderd voorhuiden der Filistijnen, opdat men zich wreke aan des Konings vijanden. Want Saul dacht David te vellen door de hand der Filistijnen.

26 Zijne knechten nu boodschapten David deze woorden; en die zake was recht in de oogen Davids, dat hij des Konings schoonzoon zoude worden. Maar de dagen waren nog niet vervuld.

27 Toen maakte zich David op, en hij en zijne mannen gingen henen en zij sloegen onder de Filistijnen tweehonderd mannen, en David bracht hunne voorhuiden, en men leverde ze den Koning volkomen, opdat hij des Konings schoonzoon worden zoude. Toen gaf Saul hem zijne dochter 1 Michal ter vrouwe.

28 En Saul zag en merkte dat de Heere met David was; en Michal, de dochter Sauls, had hem lief.

29 Toen vreesde Saul nog meer voor David, en Saul was David vijand alle zijne dagen.

30 Als de vorsten der Filistijnen uittogen, zoo geschiedde het als zij uitttfgen dat David kloekeV was dan alle de knechten Sauls , zoodat zijn naam zeer geacht was.

HOOFDSTUK 19.

Derhalve sprak Saul tot zijnen zoon Jonathan en tot alle zijne knechten om David te dooden. Doch Jonathan, Sauls zoon, had groot welgevallen aan David;

2 en Jonathan verkondigde het David, zeggende: Mijn vader Saul zoekt u te dooden; nu dan, wacht u toch \'s morgens, en blijf in het verborgen en versteek u.

3 Doch ik zal uitgaan, en aan de hand mijns vaders staan op het veld waar gij zult zijn, en ik zal mijnen vader over u spreken, en zal zien, wat het zij: dat zal ik u verkondigen.

4 Zoo sprak dan Jonathan goed van David tot zijnen vader Saul, en hij zeide tot hem: De Koning zondige niet tegen zijnen knecht David, omdat hij legen u niet gezondigd heeft, en omdat zijne daden voor u zeer goed zijn.

5 Want hij heeft zijne ziele in zijne hand gezet, en hij heeft den Filistijn verslagen, en\'de Hlere heeft een groot heil aan gansch Israël gedaan; gij hebt het gezien, en gij zijt verblijd geweest: wc-ar-om zoudt gij dan tegen onschuldig bloed zondigen, David zonder oorzaak doodende?

ü Saul nu hoorde naar de stemme Jonathans, en Saul zwoer: Zoo waarachtig als de Heere leeft, hij zal niet gedood worden.

7 En Jonathan riep David, en Jonathan gaf hem alle deze woorden te kennen; en Jonathan bracht David tot Saul, en hij was voor zijn aangezicht als gisteren en eergisteren.

8 En daar werd wederom krijg, en David toog uit en streed tegen de Filistijnen en hij sloeg ze met eenen grooten slag, en zij vloden voor zijn aangezicht.

9 Doch de booze geest des Hee-ren was over Saul, en hij zat in zijn huis, en zijne spies was in zijne hand; en David speelde op snarenspel met de hand.

10 Saul nu zocht met de spies David aan den wand te spitten,


-ocr page 361-

1 S AM 1

loch hij ontweek van het aange-Jicht Sauls, die met de spies in quot;pen wand sloeg. Toen vlood Da-ykl en ontkwam in dien zelfden nacht.

Ien 11 Maar Saul zond boden henen ^ne iot Davids huis dat zij hem be-3n* waarden en dat zij hem des mor-Kens doodden. Dit gaf Michal zijne inuisvrouvv David te kennen, zeg-igende: Indien gij uwe ziele dezen macht niet behoedt, zoo zult gij ^ imorgen gedood worden. Bt 12 En Michal liet David door leen venster neder, en hij ging n henen en vluchtte, en ontkwam. P 13 En Michal nam een beeld en ^ zij leide het in het bed: en zij j leide een geitenvel aan zijne hoofd-^ peuluw, en dekte het met een kleed toe.

1 14 Saul mi zond boden om David ; te halen. Zij dan zeide: Hij is ziek.

15 Toen zond Saul boden om David te bezien, zeggende: Brengt hem in het bed tot mij op, dat men hem doode.

16 Als de boden kwamen, zoo zie, er was een beeld in het bed, en daar was een geitenvel aan zijne hoofdpeuluw.

17 Toen zeide Saul tot Michal: Waarom hebt gij mij alzóó bedrogen , en hebt mijnen vijand laten gaan dat hij ontkomen is? Michal nu zeide tót Saul: Hij zeide tot mij : Laat mij gaan; waarom zoude ik u dooden?

18 Alzoo vluchtte David en ontkwam , en hij kwam tot Samuël te Rama, en hij gaf hem te kennen al wat Saul hem gedaan had, en hij en Samuël gingen henen en zij bleven te Najoth.

19 En men boodschapte Saul, zeggende: Zie David is te Najoth bij Rama.

20 Toen zond Saul boden henen om David te halen; die zagen eene vergadering van Profeten profeteerende, en Samuël staande over hen gesteld: en de Geest Gods was over Sauls boden, en die profeteerden óók.

21 Toen men het Saul boodschapte, zoo zond hij andere boden, en die profeteerden óók; toen voer

!KL 20. 347

Saul voort en zond de derde boden, en die profeteerden óók.

22 Daarna ging hij ook zelf naar Rama, en hij kwam tot den groeten waterput die te Sechu was , en hij vraagde en zeide: Waar is Samuël en David? Toen werd hem gezegd: Zie zij zijn te Najoth bij Rama.

23 Toen ging hij derwaarts naar Najoth bij Rama éndezelfde Geest. Gods was ook op hem, en hij, al voortgaande, profeteerde, totdat hij te Najoth in Rama kwam;

24 en liij toog zelf óók zijne kleederen uit, en hij profeteerde zelf óók voor het aangezicht Samuëls, en hij viel bloot neder dien gan-schen dag en den ganschen nacht. Daarom zegt men: Is Saul óók onder de Profeten?

HOOFDSTUK 20.

Toen vluchtte David van Najoth bij Rama, en hij kwam en zeide voor het aangezicht Jonathans: Wat heb ik gedaan, wat is mijne misdaad en wat is mijne zonde voor het aangezicht uvvs vaders, dat hij mijne ziele zoekt?

2 Hij daarentegen zeide tot hem: Dat zij verre, gij zult niet sterven. Zie, mijn vader doet geen groote zaak noch kleine zaak die hij voor mijn oor niet openbaart: waarom zoude dan mijn vader deze zaak voor mij verbergen? Dat is zoo niet.

3 Toén zwoer David verder en zeide: Uw vader weet zeer wel dat ik genade in uwe oogen gevonden heb; daarom heelt hij gezegd: Dat Jonathan dit niet wete, opdat hij zich niet bekommere; en zekerlijk, zoo waarachtig als do Heere leeft en uwe ziele leeft, daar is maar ééne schrede tus-schen mij en tusschen den dood.

4 Jonathan nu zeide tot David: Wat uwe ziele zegt, dat zal ik u doen.

5 En David zeide tot Jonathan: Zie, morgen is de nieuwe maan, dat ik zekerlijk met den Koning zoude aanzitten om te eten; zoo laat mij gaan, dat ik mij op het veld verberge tot aan den derden avond.

6 Indien uw vader mij gewisse-lijk mist, zoo zult gij zeggen:


-ocr page 362-

1 SAMUËL 20.

David heeft van mij zeer begeerd dat hij tot zijne stad Bethlehem mocht loopen, want aldaar is een jaarlijksch offer voor het gansche geslacht.

7 Indien hij aldus zegt: Het is goed, zoo heeft uw knecht vrede; maar indien hij gansch ontstoken is, zoo weet quot;dat het kwaad bij hem ten volle is besloten.

8 Doe dan barmhartigheid aan uwen knecht, want gij hebt uwen knecht in een verbond des Hee-ren met u gebracht; maar is er cene misdaad in mij, zoo dood gij mij, waarom zoudt gij mij toch tot uwen vader brengen?

9 Toen zeide Jonathan: Dat zij verre van u; maar indien ik zekerlijk merkte dat dit kwaad bij mijnen vader ten volle besloten was, dat het u zoude overkomen, zoude ik dat u dan niet te kennen geven?

10 David nu zeide tot Jonathan: Wie zal het mij te kennen geven, indien uw vader u wat hards antwoordt?

11 Toen zeide Jonathan tot David: Kom, laat ons toch uitgaan in het veld; en die beiden gingen uit in het veld.

12 En Jonathan zeide tot David: De Heere de God Israels, — indien ik mijnen vader onderzocht zal hebben omtrent dezen tijd morgen of overmorgen, en zie, het is goed voor David, en ik dan tot u niet zende en hét voor uw oor openbare;

13 alzóó doe de Heere aan Jonathan en alzóó doe hij daartoe. Als mijnen vader het kwaad over li behaagt! zoo zal ik het voor uw oor ontdekken, en ik zal u laten trekken dat gij in vrede henengaat; en de Heere zij met u, gelijk hij met mijnen vader geweest is.

14 En zult gij niet, indien ik dan nog leve, ja zult gij niet de ■weldadigheid des He eren aan mij doen, dat ik niet sterve?

15 Ook zult gij uwe weldadigheid niet afsnijden van mijn huis tot in eeuwigheid, ook niet wanneer de Heere eenen iegelijken der vijanden Davids van den aardbodem zal afgesneden hebben.

16 Alzoo maakte Jonathan een verbond met den huize Davids, zeggende: Dat het de Heer-e eische van de hand der vijanden Davids.

17 En Jonathan voer voort met David te doen zweren, omdat hij hem liefhad; want hij had hem lief met de liefde zijner ziele.

18 Daarna zeide Jonathan tot hem: Morgen is de nieuwe maan; dan zal men u missen, want uwe zitplaats zal ledig gevonden worden.

10 En als gij de drie dagen zult uitgebleven zijn, kom haastig af, en ga tot de\' plaats waar gij u verborgen hadt ten dage dezer handeling, en blijf bij den steen Haazel:

20 zoo zal ik drie pijlen terzijde schieten, alsof ik naar een teeken schoot;

21 en zie, ik zal den jongen zenden, zeggende: Ga heen, zoek de pijlen; indien ik uitdrukkelijk tot den jongen zeg: Zie de pijlen zijn van u af en herwaarts, neem hem, en kom gij , want er is vrede voor u, en er is geen ding, zoo luaarlijk de Heere leeft.

22 Maar indien ik tot den jongen alzóó zeg: Zie de pijlen zijn van u af en verder: ga heen, want de Heere heeft u laten gaan.

23 En aangaande de zaak, waarvan ik en gij gesproken hebben: zie, do Heere zij tusschen mij en tusschen u tot in eeuwigheid.

24 David nu verborg zich in het veld; en als het nieuwe maan was, zat de koning bij de spijze om te eten.

25 Toen de Koning zich gezet had op zijne zitplaats, op ditmaal gelijk de andere maal, aan de stede bij den wand, zoo stond Jonathan op, en Abner zat aan Sauls zijde, en Davids plaats werd ledig gevonden.

26 En Saul sprak te dien dage niets, want hij zeide: Hem ;s wat voorgevallen dat hij niet rein is, voorzeker hij is niet rein.

27 Het geschiedde nu des anderen daags, den tweede der nieuwe maan, als Davids plaats ledig


-ocr page 363-

1 SAMUËL 21.

m

gevonden werd, zoo zeide Saul tot zijnen zoon Jonathan: Waarom is de zoon van Isaï noch gisteren noch heden tot de spijze gekomen?

28 En Jonathan antwoordde Saul: David begeerde van mij ernstig naar Bethlehem te mogen gaan,

29 en hij zeide: Laat mij toch gaan, want ons geslacht heeft een offer in de stad, en mijn broeder heeft het mij zelf geboden: heb ik nu genade in uwe oogen gevonden, laat mij toch ontslagen zijn, dat ik mijne broeders zie. Hierom is hij aan des Konings tafel niet gekomen.

130 Toen ontstak de toorn Sauls tegen Jonathan, en hij zeide tot hem: Gij zoon der verkeerde in wederspannigheid, weet ik het niet, dat gij den zoon van Isaï verkoren hebt tot uwe schande, en tot schande van de naaktheid uwer moeder?

31 Want alle de dagen die de zoon van Isaï op den aardbodem leven zal, zult gij noch uw koninkrijk bevestigd worden: nu dan, zend henen en haal hem tot mij, want hij is een kind des doods.

32 Toen antwoordde Jonathan Saul zijnen vader, en zeide tot hem: Waarom zal hij gedood worden? Wat heeft hij gedaan?

33 Toen schoot Saul de spies op hem, om hem te slaan. Alzoo merkte Jonathan dat dit ten volle bij zijnen vader besloten was, David te dooden;

34 daarom stond Jonathan van de tafel op in hittighcid des toorns, en hij at op den tweeden dag der nieuwe maan geen brood, want hij was bekommerd om David, omdat zijn vader hem gesmaad had.

35 En het geschiedde des morgens dat Jonathan in het veld ging, op den tijd die David bestemd was, en daar was een kleine jongen bij hem;

36 en hij zeide tot zijnen jongen: Loop, zoek nu de pijlen die ik schieten zal. De jongen liep heen, en hij schoot eenen pijl, dien hij over hem deed vliegen.

37 Toen de jongen tot aan de plaats van den pijl, dien Jonathan geschoten had, gekomen was, zoo riep Jonathan den jongen na en zeide: Is niet de pijl van u af en verder?

38 Wederom riep Jonathan den jongen na: Haast u, spoed u, sta niet stil. De jongen van Jonathan nu raapte den pijl op, en hij kwam tot zijnen heer.

39 Doch de jongen wist daar niets van: Jonathan en David alleen wisten van de zake.

40 Toen gaf Jonathan zijn gereedschap aan den jongen dien hij had, en hij zeide tot hem: Ga heen, breng het in de stad.

41 Als de jongen heenging, zoo stond David op van de zuidzijde, en hij viel op zijn aangezicht ter aarde, en hij boog zich driemaal; en zij kusten elkander, en weenden met elkander, totdat David het gansch veel maakte.

42 Toen zeide Jonathan tot David : Ga in vrede: hetgeen wij beiden in den naam des Heeren gezworen hebben, zeggende: De Heere zij tusschen mij entusschen u rf, en tusschen mijn zaad en tus-scfien uw zaad, zij tót in eeuwigheid.

43 Daarna stond hij op en ging henen, en Jonathan kwam in do stad.

HOOFDSTUK 21.

Toen kwam David te Nob tot den Priester Achimélech; en Achi-mélech kwam David bevende tegemoet , en hij zeide tot hem: Waarom zijt gij alléén, en geen man met u?

2 En David zeide tot den Priester Achimélech: De Koning heeft mij eene zaak bevolen, en zeide tot mij: Laat niemand iets van de zaak weten om welke ik u gezonden en die ik u geboden heb; de jongelingen nu heb ik de plaats van zulk eenen te kennen gegeven.

3 En nu wat is er onder uwe hand? Geef mij vijf brooden in mijne hand, of wat er gevonden wordt.

4 En de Priester antwoordde David en zeide: Daar is geen gemeen brood onder mijne hand, maar er is heilig brood, wanneer


-ocr page 364-

1 SAMUËL 22.

350

de jongelingen zich slechts van de vrouwen onthouden hebben.

5 David nu antwoordde den Priester en zeide lot hem: Ja voorzeker, de vrouwen zijn ons onthouden geweest gisteren en eergisteren toen ik uitging, en de vaten der jongelingen zijn heilig; en het is eenigerwijze gemeen brood, te meer dewijl heden ander in de vaten zal geheiligd worden.

6 Toen gaf de Priester hem dat heilige brood dewijl daar geen brood was dan de\' toonbrooden, die van voor het aangezicht des Heeren weggenomen waren, dat men warm brood daar leide ten dage als dat weggenomen werd.

7 Daar was nu een man van de knechten Sauls te dienzelven dage opgehouden voor het aangezicht des Heeren, en zijn naam was Doëg, een Edomiet, de machtigste onder de herderen die Saul had.

8 En David zeide tot Achimélech: Is hier onder uwe hand geen spies olquot; zwaard? Want ik heb noch mijn zwaard noch ook mijne wapenen in mijne hand genomen, dewijl de zaak des Konings haast had.

0 Toen zeide de Priester: Hol zwaard van Goliath den Filistijn, welken gij sloegt in het Eikendal, zie, dat is hier, gewonden ineen kleed, achter den efod: indien gij u dat nemen wilt, zoo neem het, want hier is geen ander dan dat. David nu zeide: Daar is zijnsgelijke niet, geelquot; het mij.

lü En David maakte zich op en vluchtte Ie dien dage van het aangezicht Sauls, en hij kwam tot Achis, den Koning van Gath.

11 Doch de knechten van Achis zeiden tot hem: Is deze niet David, de Koning des lands? Zong men niet van dezen in de reien, zeggende: Saul heeft zijne duizenden verslagen, maar David zijne tienduizenden ?

12 En David leide deze woorden in zijn hart, en hij was zeer bevreesd voor het aangezicht van Achis, den Koning van Gath.

13 Daarom veranderde hij zijn gelaat voor hunne oogen, en hij maakte zich zeiven gek onder hunne handen, en hij bek rabbelde de deuren der poort, en hij liet zijn zever in zijnen baard afloopen.

14 Toen zeide Achis tot zijne knechten: Zie, gij ziet dat de man razend is: waarom hebt gij hem tot mij gebracht?

15 Heb ik razenden gebrek, dat gij dezen gebracht hebt om voor mij te razen? Zal deze in mijn huis komen?

HOOFDSTUK 22.

Toen ging David van daar, en ontkwam in de spelonk Adullams. En zijne broeders hoorden het, en het gansche huis zijns vaders, en kwamen derwaarts tot hem af;

2 en tot hem vergaderden alle man die benauwd was, en alle man die eenen schuldeischer had, en alle man wiens ziel bitterlijk bedroefd was, en hij werd tot overste over hen; zoodat bij hem waren omtrent vierhonderd \'mannen.

3 En David ging van daar naar Mizpa der Moabiten; en hij zeide tot den Koning der Moabiten: Laat toch mijn vader en mijne moeder bij ulieden uilgaan, totdat ik weet wat God mij doen zal.

4 En hij bracht ze voor het aangezicht des Konings der Moabiten , en zij bleven bij hem alle de dagen die David in de vesting was.

5 Doch de Proleet Gad zeide tot David: Blijf in de vesting niet. ga henen, en ga in het land van Juda. Toen ging David henen en hij kwam in liet woud Hereth.

G En Saul hoorde dat David bekend geworden was, en de mannen die bij hem waren. Saul nu zat op eenen heuvel onder het geboomte to Rama, en hij had zijne spies in zijne hand, en alle zijne knechten stonden bij hem.

7 Toen zeide Saul tot zijne knechten, die bij hem stonden: Hoort toch, gij zonen Benjamins: zal ook de zoon van Isaï u altegader akkers en wijnbergen geven? Zal hij u allen tot oversten van duizenden en oversten van honderden stellen?

8 dat gij u allen tegen mij verbonden hebt, en niemand voor mijn oor openbaart dat mijn zoon een verbond gemaakt heeft met


-ocr page 365-

den zoon van Isai, en niemand is onder uiieden dien het wee doet van mijnentwege, en die het voor mijn oor openbaart; want mijn zoon heelt mijnen knecht tegen mij opgewekt tot een lagenlegger, gelijk het te dezen dage is.

9 Toen antwoordde Doëg de Edomiet, die bij de knechten Sauls stond, en zeide: ik zag den zoon van Isaï komende te Nob tot Achi-mélech den zoon van Ahitub,

10 die den Heere voor hem vraagde, en gaf hem teerkost; hij gaf hem ook het zwaard van Goliath den Filistijn.

11 Toen zond de Koning henen om den Priester Achimélech den zoon van Ahitub te roepen, en zijns vaders gansche huis, de Priesters die te Nob waren; en zij kwamen allen tot den Koning.

12 En Saul zeide: Hoor nu, gij zoon van Ahitub. En hij zeide: Zie hier ben ik, mijn heer.

13 Toen zeide Saul tot hem: Waarom hebt gijlieden te zamen u tegen mij verbonden, gij en de zoon van Isaï, daar gij hem gegeven hebt brood en het zwaard, en God voor hem gevraagd, dat hij zoude opstaan tegen mij tot een lagenlegger gelijk het quot;te dezen dage is?

14 En Achimélech antwoordde den Koning en zeide: Wie is toch onder alle uwe knechten getrouw als David, en des Konings schoonzoon, en voortgaande in uwe gehoorzaamheid , en is eerlijk in uw huis?

15 Heb ik heden begonnen God voor hem te vragen? Dat zij verre van mij: de Koning legge op zijnen knecht geen ding, noch op het gansche huis mijns vaders; want uw knecht heeft van alle deze dingen niets geweten, klein noch groot.

16 DochdeKoningzeide: Achimélech, gij moet den dood sterven, gij en het gansche huis uws vaders.

17 En de Koning zeide tot de trawanten, die bij hem stonden: Wendt u en dooilt de Priesters des Heeren, omdat hunne hand óók met David is, en omdat zij geweten hebben dat hij vluchtte,

351

en hebben het voor mijne ooren niet geopenbaard. Doch de knechten des Konings wilden hunne hand niet uitsteken om op de Priesters des Hekren aan te vallen.

18 Toon zeide de Koning tot Doëg: Wend gij u en val aan op de Priesters. Toen wendde zich Doeg de Edomiet en hij viel aan op de Priesters, en doodde te dien dage vijfentachtig mannen, die den linnen lijfrok droegen;

19 hij sloeg ook Nob, de stad dezer Priesters, met de scherpte des zwaards, van den man tot de vrouw, van de kinderen tot de zuigelingen, zelfs de ossen en ezels en de schapen sloeg hij met de scherpte des zwaards.

20 Doch één der zonen van Achimélech den zoon van Ahitub ontkwam, wiens naam was Ab-jathar; die vluchtte David na.

21 En Abjathar boodschapte het David, dat Saul de Pries teren des Heeren gedood had.

22 Toen zeide David tot Abjathar: Ik wist wel te dien dage, toen Doëg de Edomiet daar was, dat hij het voorzeker Saul zoude te kennen geven. Ik heb oorzaak gegeven togen alle de zielen van uws vaders huis:

23 blijf bij mij, vrees niet; want wie mijne ziele zoeken zal, die zal uwe ziele zoeken, maar gij zult met mij in bewaring zijn.

HOOFDSTUK 23.

En men boodschapte David, zeggende: Zie, de Filistijnen strijden tegen Kehila, en zij berooveh de schuren.

2 En David vraagde den Heere, zeggende: Zal ik henengaan en deze Filistijnen slaan? En de Heere zeide tot David: Ga henen, en gij zult de Filistijnen slaan en Kehila verlossen.

3 Doch de mannen Davids zeiden tot hem: Zio, wij vreezen hier in Juda: Hoeveel te meer, als wij naar Kehila tegen der Filistijnen slagorden gaan zullen.

4 Toen vraagde David den Heere nog verder, ei\\ de Heere antwoordde hem en zeide: Maak

1 SAMUEL 23.


-ocr page 366-

1 SAMUEL 23.

352

\\\\ op), Irek af naar Kehila, want ik geef de Filistijnen in uwe hand.

5 AJzoo toog David en zijne mannen naar Kehila, en hij streed tegen de Filistijnen, en dreef hun vee weg, en hij sloeg onder hen eenen grooten slag: alzoo verloste David de inwoners van Kehila.

(5 En het geschiedde toen Ab-jathar de zoon Achimélechs tot David vluchtte naar Kehila, dat hij afkwam met den efod in zijne hand.

7 Als Saul te kennen gegeven werd dat David te Kehila gekomen was, zoo zeide Saul: God heeft hem in mijne hand overgegeven, want hij is besloten, komende in eene stad met poorten en grendelen.

8 Toen liet Saul al het volk ten strijde roepen, dat zij aftogen naar Kehila om David en zijne mannen te belegeren.

9 Als nu David verstond dat Saul dit kwaad tegen hem heimelijk vóórhad, zeide hij tot den Priester Abjathar: Breng den efod herwaarts.

10 En David zeide: Heere God Israels, uw knecht heeft zekerlijk gehoord dat Saul zoekt naar Kehila te komen, en de stad te verderven om mijnentwil:

11 zullen de burgers van Kehila mij ook in zijne hand overgeven? Zal Saul afkomen, gelijk als uw knecht gehoord heeft, o Heere God Israels? Geef het toch uwen knecht te kennen. De Heere nu zeide: Hij zal afkomen.

12 Daarna zeide David: Zouden de burgers van Kehila mij en mijne mannen overgeven in de hand Sauls? En de Heere zeide: Zij zouden u overgeven.

13 Toen maakte zich David en zijne mannen op, omtrent zeshonderd man, en zij gingen uit Kehila, en zij gingen henen waar zij konden gaan. Toen Saul geboodschapt werd dat David uit Kehila ontkomen was, zoo hield hij op uit te trekken.

14 David nu bleef in de woestijn in dc vestingen, en bij bleef op den berg in de woestijn Zif, en Saul zocht hem alle dagen, doch

God gaf hem niet over in zijne hand.

15 Als David zag dat Saul uitgetogen was om zijne ziele te zoeken , zoo was David in de woestijn Zif in een woud.

10 Toen maakte zich Jonathan de zoon Sauls op en hij ging tot David in het woud, en hij versterkte zijne hand in God;

17 en hij zeide tot hem: Vrees niet, want de hand Sauls mijns vaders zal u niet vinden, maar gij zult Koning worden over Israël, en ik zal de tweede hij uzijn; ook weet mijn vader Saul zulks wel.

18 En die beiden maakten een verbond voor het aangezicht des Heeren; en David bleef in het woud, maar Jonathan ging naar zijn huis.

19 Toen togen de Ziflten op tot Saul naar Gibea, zeggende: Heeft David zich niet bij ons verborgen in de vestingen in het woud, op den heuvel van Hachila, die aan de rechterhand der wildernis is?

20 Nu dan o Koning, kom spoedig af naar al de begeerte uwer ziele en liet komt ons toe hem over te geven in de hand des Konings.

21 Toen zeide Saul: Gezegend zijt gijlieden den Heere, dat gij u over mij ontfermd hebt:

22 gaat toch henen en bereidt de zaak no^ meer, dat gij weet en beziet zijne plaats, waar zijn gang is, wie hem daar gezien heeft, want hij heeft tot mij gezegd dat hij zeer listiglijk pleegt te handelen.

23 Daarom ziet toe en verneemt naar alle schuilplaatsen in welke hij schuilt, kom dan weder tot mij met vast bescheid, zoo zal ik met ulieden gaan; en het zal geschieden zoo hij in het land is, zoo zal ik hem nasporen onder alle duizenden van Juda.

24 Toen maakten zij zich op en zij gingen naar Zif voor het aangezicht Sauls. David nu en zijne mannen waren in de woestijnMaön, in het vlakke veld aan de rech-terhand der wildernis.

25 Saul en zijne mannen gingen


-ocr page 367-

•1 SAMUËL 24.

353

ook om te zoeken. Dat werd David geboodschapt, die van dien rotssteen afgegaan was, en bleef in de woestijn van Maön. Toen Saul dat hoorde, jaagde hij David na in de woestijn van Maön,

2G en Saul ging aan deze zijde des bergs, en David en zijne mannen aan gene zijde des bergs. Het geschiedde nu dat David zich haastte om te ontgaan van het aangezicht Sauls; en Saul en zijne mannen omsingelden David en zijne mannen om die te grijpen.

\'27 Doch daar kwam een bode tot Saul, zeggende: Haast u en kom, want de Filistijnen zijn in het land gevallen.

28 Toen keerde zich Saul van David na te jagen, en hij toog den Filistijnen tegemoet: daarom noemde men die plaats Séla-Mah-lekoth.

HOOFDSTUK 24.

En David toog van daar op, en hij bleef in de vestingen van En-gédi.

2 En het geschiedde nadat Said wedergekeerd was van achter de Filistijnen, zoo gaf men hem te kennen , zeggende : Zie , David is in de woestijn van Engédi.

3 Toen nam Saul drieduizend uitgelezene mannen uit gansch Israël, en hij toog henen om David en zijne mannen te zoeken boven op de rotssteenen der steenbokken.

4 En hij kwam tot de schaapskooien aan den weg, waar eene spelonk was; en Saul ging daarin om zijne voeten te dekken. David nu en zijne mannen zaten aan de zijde der spelonk.

5 Toen zeiden de mannen Davids tot hem : Zie den dag, in welken de Heere tot u zegt: Zie, ik geef uwen vijand in uwe hand, en gij zult hem doen gelijk als het goed zal zijn in uwe oogen. En David stond op, en sneed stillekens eene slip van Sauls mantel.

(5 Doch het geschiedde daarna dat Davids harte hem sloeg, omdat hij de slip Sauls afgesneden had ;

7 en hij zeide tot zijne mannen: Dat late de Heere verre van mij zijn, dat ik die zake doen zoude aan mijnen heere, den gezalfde des Heeren , dat ik mijne hand tegen hem ui\'.steken zoude; want hij is de gezalfde des heeren.

8 En David scheidde zijne mannen met woorden, en liet hun niet toe dat zij opstonden tegen Saul. En Saul maakte zich op uit de spelonk, en ging op den weg;

9 daarna maakte zich David óók op en ging uit de spelonk, en hij riep Saul achterna, zeggende: Mijn heere Koning! Toen zag Saul achter zich om , en David boog zich met het aangezicht ter aarde en neigde zich;

10 en David zeide tot Saul: Waarom hoort gij de woorden der menschen, zeggende: Zie, David zoekt uw kwaad?

11 Zie, te dezen dage hebben uwe oogen gezien dat de Heere u heden in mijne hand gegeven heeft in deze spelonk, en men zeide dat ik u dooden zoude; doch mijne hand verschoonde u, want ik zeide: Ik zal mijne hand niet uitsteken tegen mijnen heere, want hij is de gezalfde des Heeren.

12 Zie toch mijn vader, ja zie de slip uws mantels in mijne hand; want als ik de slip uws mantels afgesneden heb, zoo heb ik u niet gedood: beken en zie dat er in mijne hand geen kwaad noch overtreding is, en ik tegen u niet gezondigd heb; nogtahs gij jaagt mijne ziele dat gij ze wegneemt.

13 De Heere zal richten tus-schen mij en tusschen u, en de Heere zal mij wreken aan u; maar mijne hand zal niet tegen u zijn.

14 Gelijk het spreekwoord der ouden zegt: Van de goddeloozen komt goddeloosheid voort; maar mijne hand zal niet tegen u zijn.

15 Naar wien is de Koning van Israël uitgegaan? Wien jaagt gij na? Naar eenen dooden hond, naar eene eenige vloo?

16 Doch de Heere zal zijn tot rechter, en richten tusschen mij en tusschen u, en zien daarin, en twisten mijnen twist, en richten mij van uwe hand.

17 En het geschiedde toen David


12

-ocr page 368-

1 SAMUËL 25.

354

geëindigd had alle deze woorden tot Saul te spreken, zoo zeide Saul: Is dit uwe stem , mijn zoon David? Toen hief Saul zijne stem op en weende,

18 en hij zeide tot David: Gij zijt rechtvaardiger dan ik; want gij hebt mij goed vergolden, en ik heb u kwaad vergolden.

19 En gij hebt mij heden aangewezen dat gij mij goed gedaan hebt; want de Heere had mij in uwe hand besloten, en gij hebt mij niet gedood.

20 Zoo wanneer iemand zijnen vijand gevonden heeft, zal hij hem op eenen goeden weg laten gaan? De Heere nu vergelde u het goede voor dezen dag, dien gij mij heden gemaakt hebt.

21 En nu, zieik weet dat gij voorzeker Koning worden zult, en dat het koninkrijk Israëls in uwe hand bestaan zal:

22 zoo zweer mij dan nu bij den Heere, zoo gij mijn zaad na mij zult uitroeien, en mijnen naam zult uitdelgen van mijns vaders huis!

23 Toen zwoer David aan Saul; en Saul ging naar zijn huis, maar David en zijne mannen gingen op in de vestingen.

HOOFDSTUK 25.

En Samuël stierf; en gansch Israël vergaderde zich, en zij bedreven rouw over hem, en begroeven hem in zijn huis teRama. En David maakte zich op , en toog af naar de woestijn Paran.

2 En daar was een man te Maön, en zijn bedrijf was te Karmel; en die man was zeer groot, en hij had drieduizend schapen en duizend geiten; en hij was in het scheren zijner schapen te Karmel.

3 En de naam des mans was Nabal, en de naam zijner huisvrouw Abigail; en de vrouw was goed van verstand en schoon van gedaante, maar de man was hard en boos van daden, en hij was een Kalebiet.

4 Als David hoorde in de woestijn dat Nabal zijne schapen schoor,

5 zoo zond David tien jongelingen , en David zeide tot de jongelingen : Gaat op naar Karmel, en als gij tot Nabal komt, zoo zult gij hem in mijnen naam naar den welstand vragen,

6 en zult alzóó zeggen tot dien welvarende: Vrede zij u, en uwen huize zij vrede, en alles wat gij hebt zij vrede.

7 En nu, ik heb gehoord dat gij scheerders hebt; nu, de herders die gij hebt zijn bij ons geweest: wij hebben hun geen smaadheid aangedaan, en zij hebben ook niets gemist alle de \'dagen die zij te Karmel geweest zijn;

8 vraag het uwen jongelingen, en zij zullen het u te kennen geven. Laat dan deze jongelingen genade vinden in uwe oogen, want wij zijn op een goeden dag gekomen : geef toch uwen knechten en uwen zoon David hetgeen dat uwe Land vinden zal.

9 Toen de jongelingen Davids gekomen waren, en in Davids naam naar alle die woorden tot Nabal gesproken hadden, zoo hielden zij stil;

10 en Nabal antwoordde den knechten Davids en zeide: Wie is David en wie is de zoon van Isaï? Daar zijn heden vele knechten die zich afscheuren elk van zijnen heer.

11 Zoude ik dan mijn brood, en mijn water, en mijn geslacht vleesch nemen dat ik voor mijne scheerders geslacht heb, en zoude ik het den mannen geven die ik niet weet van waar zij zijn?

12 Toen koerden zich de jongelingen Davids naar hunnen weg, en zij keerden weder, en kwamen en boodschapten hem achtervolgens alle deze woorden.

13 David dan zeide tot zijne mannen: Een iegelijk gorde zijn zwaard aan. Toen gordde een iegelijk zijn zwaard aan, en David gordde óók zijn zwaard aan , en zij togen op achter David omtrent vierhonderd man, en daar bleven er tweehonderd bij het gereedschap.

14 Doch een jongeling uit de jongelingen boodschapte het Abigail, Nabals huisvrouw, zeggende: Zie , David heeft boden gazonden uit de woestijn om onzen heer te


-ocr page 369-

1 S A M U Ë L 25.

355

zegenen, maar hij is tegen hen uitgevaren.

15 Nogtans zijn zij ons zeer goede mannen geweest, en wij hebben geen smaadheid geleden en wij hebben niets gemist alle de dagen die wij met hen verkeerd hebben, toen wij op het veld waren:

16 zij zijn een muur om ons geweest , zoo bij nacht als bij dag, alle de dagen die wij bij hen geweest zijn weidende de schapen.

17 Weet dan nu en zie wat gij doen zult, want het kwaad is ton volle over onzen heer besloten, en over zijn gansche huis; cn hij is een zoon Belials, dat men hem niet mag aanspreken.

18 Toen haastte zich Abigail en nam tweehonderd brooden, en twee lederen zakken wijn, en vijf toebereide schapen, en vijf maten geroost koren , en honderd stukken rozijnen, en tweehonderd klompen vijgen, en leide die op ezels;

1Ü en zij zeide tot hare jongelingen: Trekt henen voor mijn aangezicht , zie, ik kome achter ulie-den ; doch haren man Nabal gaf zij het niet te kennen.

20 Het geschiedde nu toen zij op den ezel reed, dat zij afkwam in het holle des bergs, en zie , David en zijne mannen kwamen af haar tegemoet, en zij ontmoette hen.

21 David nu had gezegd: Trouwens ik heb te vergeefs bewaard al wat deze in de woestijn heeft, alzoo dat er niets van alles wat hij heeft gemist is, en hij heeft mij kwaad voor goed vergolden:

22 zóó doe God den vijanden Davids en zóó doe hij daartoe, indien ik van allen, die hij heeft iets lot morgen overlaat dat mannelijk is.

23 Toen nu Abigail David zag , zoo haastte zij zich en kwam van den ezel af; en zij viel voor het aangezicht Davids op haar aangezicht, en zij boog zich ter aarde ;

24 en zij viel aan zijne voeten en zeide: Och mijn heere, mijne zij de misdaad, en laat toch uwe dienstmaagd voor uwe ooren spreken , en hoor de woorden uwer dienstmaagd.

25 Mijn heere store zich toch niet aan dezen belialsman, aan Nabal; want gelijk zijn naam is, alzóó is hij : zijn naam is Nabal, en dwaasheid is bij hem; en ik, uwe dienstmaagd, heb de jongelingen mijns heeren niet gezien die gij gezonden hebt.

2G En nu mijn heere, zoo tuaar-achtig de Heere leeft en uwe ziele leeft, hot is de Heere die u verhinderd heeft van te komen met bloedstorting, dat uwe hand u zoude verlossen; en nu, dat als Nabal worden uwe vijanden en die tegen mijnen heere kwaad zoeken.

27 En nu, dit is de zegen dien uwe dienstmaagd mijnen heere toegebracht heeft: dat hij gegeven worde den jongelingen die mijns heeren voetstappen nawandelen.

28 Vergeef toch uwer dienstmaagd de overtreding, want de Heere zal zekerlijk mijnen heere een bestendig huis maken, dewijl mijn heere quot; de oorlogen des Heeren oorloogt, en geen kwaad bij u gevonden is van uwe dagen af.

29 Wanneer een mensch opstaan zal om u te vervolgen en om uwe ziele te zoeken , zoo zal de ziele mijns heeren ingebonden zijn in het bundelken der levenden bij den Heere uwen God, maar de ziele uwer vijanden zal hij slingeren uit het midden van de hol te des slingers.

30 En het zal geschieden als de Heere mijnen heere naar al het goede doen zal dat hij over u gesproken heeft, en hij u gebieden zal een voorganger te zijn over Israël,

31 zoo zal dit u, mijnen heere, niet zijn tot wankeling noch aanstoot des harten, te weten dat gij bloed zonder oorzaak zoudt vergoten hebben, en dat mijn heere zichzelven zoude verlost hebben; en als de H^ere mijnen heere weldoen zal, zoo zult gij uwer dienstmaagd gedenken.

32 Toen zeide David tot Abigail: Gezegend zij de Heere de God Israels, die u te dezen dage mij tegemoet gezonden heeft;

33 en gezegend zij uw raad, en gezegend zijt gij, dat gij mij te dezen dage geweerd hebt van te komen met bloedstorting, dat


-ocr page 370-

356 1 SA Ml

mijne hand mij verlost zoude nebben.

34 Want voorzeker het is zoo wuarackHg als de Ueere de God Israels leeft, die mij verhinderd boeit van u kwaad te doen, dut ten ware dat gij u gebaast badt en mij tegemoet gekomen wa.\'irt, zoo ware Nabal niemand die mannelijk is overgebleven lot bet morsen-liebt. 0

35 Toen nam David uit bare band wat zij bem gebraebt bad; en bij zoide tot haar: Trek met vrede op naar uw buis; zie, ik heb naar uwe stem geboord en neb uw aangezicht aangenomen.

db Toen nu Abigail tot Nabal kwam, zie, zoo had hij een maaltijd in zijn huis als eens Konings maaltijd, en Let harte Nabals was vroolijk op denzei ven, en hij was zeer dronken; daarom gaf zij hem niet één woord, klein noch groot te kennen tot aan het morgenlicht,

37 Het geschiedde nu\' in den morgen, toen de wijn van Nabal gegaan was, zoo gaf hem zijne buisvrouw die woorden te kennen-toen bestierf zijn harte in bet binnenste van hem en hij werd als een steen;

38 en het geschiedde omtrent na tien dagen, zoo sloeg do Hee-re Nabal dat liij stierf.

39 Toen David hoorde dat Nabal dood was, zoo zeide hij: Gezegend zij de Heere, die den twist mijner smaadheid getwist heeft van de hand Nabals, en heeft zijnen knecht onthouden van het kwade en dat de Heere liet kwaad Nabals op zijn hoofd heeft doen we-derkeeren. En David zond henen en liet met Abigail spreken, dat hij ze zich ter vrouwe nam.

40 Als nu de knechten Davids tot Abigail gekomen waren te Karmel, zoo spraken zij tot haar, zeggende: David heeft ons tot u gezonden, dat hij zich u ter vrouwe neme.

41 Toen stond zij op en neigde zich niet het aangezicht ter aarde, en zij zeide: Zie, uwe dienstmangd zij tot eene dienaresse om de voeten der knechten mijns heeren te wasschen.

FËL 26.

42 Abigail nu haastte en maakte zich op, en zij reed op oenen ezel, met hare vijf jonge maagden die hare voetstappen nawandelden; zij dan volgde de boden Davids na, en zij werd hem ter huis-vrouwe.

43 Ook nam David Ahinóam van Jizreël; alzoo waren ook die beide hem tot vrouwen.

44 Want Saul had zijne dochter Michal, de huisvrouw Davids, gegeven aan Palti, den zoon van Laïs, die van Gallim was.

HOOFDSTUK 26.

De Zifiten nu kwamen tot Saul te Gibea, zeggende: Houdt zich David niet verborgen op den heuvel van Hachila, vóóraan de wildernis?

2 Toen maakte Saul zich op en toog af naar de woestijn Zif, en met hem drieduizend man, uit-gelezenen van Israël, om David te zoeken in de woestijn Zif.

3 En Saul legerde zich op den heuvel van Hachila, die vooraan de wildernis is aan den weg; maar David bleef in de woestijn, en zag dat Saul achter hem kwam naar de woestijn.

4 Want David had verspieders gezonden , en hij vernam dat Saul voorzeker kwam.

5 En David maakte zich op en kwam aan de plaats waar Saul zich gelegerd had, en David be:iag de plaats waar Saul lag met Abner den zoon van Ner, zijnen krijgsoverste; en Saul lag in den wagenburg, en het volk was rondom hem gelegerd.

G Toen antwoordde David en sprak lot Achimélech den Hethiet, en tot Abisai, den zoon van Zeruja, den broeder Joabs, zeggende: Wie zal met mij tot Saul \'in het leger afgaan? Toen zeide Abisai: Ik zal met u afgaan.

7 Alzoo kwam David en Abisai tot het volk des nachts; en zie, Saul lag te slapen in den vagen-burg, en zijne spies stak inde aarde aan zijn hoofdeinde, en Abner en het volk lag rondom hem.

8 Toen zeide Abisai tot David: God heeft heden uwen vijand1, in uwe hand besloten: laat mij toch hem


-ocr page 371-

1 SAMUËL 2G.

357

nu met de spies eenmaal ter aarde slaan, en ik zal het hem niet ten tweeden male doen.

9 David daarentegen zeide tot Abisai: Verderf hem niet; want wie heeft zijne hand aan den gezalfde des Heeren gelegd en is onschuldig gebleven?

\'10 Voorts zeide David: Zoo luaarachtig als de He ere leeft: maar de Heere zal hem slaan, of zijn dag zal komen dat hij zal sterven, of hij zal in eenen strijd trekken dat hij omkome.

11 De Heere late het verre van mij zijn, dat ik mijne hand legge aan den gezalfde des Heeren; zoo neem toch nu de spies die aan zijn hoofdeinde is, en de wa-terflesch, en laat ons gaan.

12 Zoo nam David de spies en de waterflesch van Sauls hoofdeinde , en zij gingen henen; en daar was niemand die het zag en niemand die het merkte, ook niemand die ontwaakte, want zij sliepen allen; want daar was een diepe slaap des Heeren op hen gevallen.

13 Toen David aan de overzijde gekomen was , zoo stond hij op de hoogte des bergs van verre, zoodat er eene groote plaats tus-schen hen was;

14 en David riep tot het volk en tot Abner den zoon van Ner, zeggende: Zult gij niet antwoorden, Abner? Toen antwoordde Abner en ^eide: Wie zijt gij die tot den Koning roept?

15 Toen zeide David tot Abner: Zijt gij niet een man, en wie is u gelijk in Israël? Waarom dan hebt gij over uwen h -ere den Koning geen wacht gehouden? Want daar is een van het volk gekomen om den Koning uwen heere te verderven.

lü Deze zake die gij gedaan hebt is niet goed: zoo waarachtig als de Heere leeft, gijlieden zijt kinderen des doods, die over uwen heere, den gezalfde des Heeren, geene wacht gehouden hebt. En nu, zie waar de spies des Konings is, en de waterflesch die aan zijn hoofdeinde was.

17 Saul nu kende de stem van

David, en zeide: Is dit uwe stem, mijn zoon David? David zeide: Het is mijne stem, mijn heere Koning.

18 Hij zeide verder: Waarom vervolgt mijn heere zijnen knecht alzóó achterna? Want wat heb ik gedaan, en wat kwaad is er in mijne hand?

19 En nu, mijn heere de Koning hoore toch naar de woorden zijns knechts. Indien de Heere u tegen mij aanport, laat hem het spijsoffer rieken; maar indien het men-schenkinderen zijn, zoo zijn zij vervloekt voor het aangezicht des Heeren , dewijl zij mij heden verstoeten, dat ik niet mag vastgehecht blijven in het erfdeel des Heeren, zeggende: Ga henen, dien andere goden.

20 En nu, mijn bloed valle niet op de aarde van voor het aangezicht des Heeren; want de Koning van Israël is uitgegaan om eene eenige vloo te zoeken, gelijk als men een veldhoen op de bergen najaagt.

21 Tóen zeide Saul: Ik heb gezondigd: keer weder mijn zoon David, want ik zal u geen kwaad meer doen , daarvoor dat mijne ziel dezen dag dierbaar in uwe oogen geweest is; zie , ik heb dwaselijk gedaan en ik heb zeer grootelijks gedwaald.

22 Toen antwoordde David en zeide : Zie, de spies des Konings; zoo laat een van de jongelingen overkomen en halen ze.

23 De Heere dan vergelde een iegelijk zijne gerechtigheid en zijne getrouwheid; want de Heere had u heden in mijne hand gegeven, maar ik heb mijne hand niet willen uitsteken aan den gezalfde des Heeren.

24 En zie, gelijk als te dezen dage uwe ziele in mijne oogen is groot geacht geweest, alzóó zij mijne ziele in de oogen des Heeren groot geacht, en hij verlosse mij uit allen nood.

25 Toen zeide Saul tot David : Gezegend zijt gij, mijn zoon David; gij zult het ja gewissehjk doen , en gij zult ook gewissehjk de over-

i hand\' hebben. Toen ging David op


-ocr page 372-

358

zijnen weg, en Saul keerde weder naar zijne plaats.

HOOFDSTUK 27.

David nu zeide in zijn harte: Nu zal ik der dagen een door Sauls hand omkomen: mij is niet beter dan dat ik haastelijk ontkome in liet land der Filistijnen, opdatSaul van mij de hoop verlieze om mij meer te zoeken in de gansche land-pale Israels; zoo zal ik ontkomen uit zijne hand.

2 Toen maakte zich David op en hij ging door, hij en de zeshonderd mannen die iDij hem waren , tot Achis den zoon van Ma-och , den Koning van Gath ;

3 en David bleef bij Achis te Gath , hij en zijne mannen , een iegelijk met zijn huis: David met zijne beide vrouwen, Ahinóam de Jizreëlitische, en Abigail de huisvrouw Na bals de Karmelitische.

4 Toen Saul geboodschapt werd dat David gevlucht was naar Gath. zoo voer hij niet meer voort hem te zoeken.

5 En David zeide tot Achis: Indien ik nu genade in uwe oogen gevonden heb, men geve mij e\'ene plaats in eene van de steden des lands, dat ik daar wone, want waarom zoude uw knecht in de koninklijke stad bij u wonen?

6 Toen gaf hem Achis te dien dage Ziklag: daarom is Ziklag dei-Koningen van Juda geweest tot op dezen dag.

7 Het getal nu der dagen, die David in het land der Filistijnen woonde, was een jaar en vier maanden.

8 David nu toog op met zijne mannen, en zij overvielen de Gesuriten en de Gizriten en do Amalekiten, (want dezen die zijn van ouds geweest de inwoners des lands), waar gij gaat naar Sur en tot aan Egypteland;

9 en David sloeg dat land, en liet noch man noch vrouw leven; ook nam hij de schapen en runderen en de ezels en kemels en kleederen, en keerde weder en kwam tot Achis.

10 Als nu Achis zeide: Waar zijt gijlieden heden ingevallen?

zoo zeide David: Tegen het zuiden van Juda en tegen het zuiden der Jerahmeëliten en legen het zuiden der Keniten.

11 En David liet noch man noch vrouw leven om te Gath te brengen , zeggende: Dat ze misschien van ons niet boodschappen, zeggende: Alzóó heeft David gedaan. En alzóó was zijne wijze alle de dagen die hij in der Filistijnen land gewoond heeft.

12 En Achis geloofde David, zeggende: Hij heeft zich ten eenen-male stinkende gemaakt bij zijn volk in Israël, daarom zal hij eeuwiglijk mij tot eenen knecht zijn.

HOOFDSTUK 28.

En het geschiedde in die dagen , als de Filistijnen hunne legers vergaderden tot den strijd om tegen Israël te strijden, zoo zeide Achis tot David: Gij zult zekerlijk weten dat gij met mij in het leger zult uittrekken, gij en \'uwe mannen.

2 Toen zeide David tot Achis: Aldus zult gij weten wat uw knecht doen zal. En Achis zeide tot David : Daarom zal ik u ten bewaarder mijns hoofds zetten te allen dage.

j Samuël nu was gestorven, en gansch Israël had rouw over hem bedreven, en hadden hem begraven te Karna, te weten in zijne stad. En Saul had uit den lande weggedaan de waarzeggers en de duivelskunstenaars.

4 En de Filistijnen kwamen en vergaderden zich, en zij legerden zich te Sunem; en Saul vergaderde gansch Israël, en zij legerden zich op Gilboa.

5 Toen Saul het leger der Filistijnen zag, zoo vreesde hij , en zijn harte beefde zeer;

G En Saul vraagde den Heere , maar de Heere antwoordde hem niet, noch door droomen, noch door de Urim, noch door de Profeten.

7 Toen zeide Saul tot zijne knechten: Zoekt mij eene vrouw, aio eenen waarzeggenden geest heeft, dat ik tot haar ga en door haar onderzoeke. Zijne knechten nu zeiden tot hem: Zie, te Endor is eene vrouw die eenen waarzeggenden geest heeft.

1 SAMUËL 27, 28.


-ocr page 373-

1 SAMUËL 29.

359

8 En Saul vermomde zich en trok andere kleederen aan, en ging henen, en twee mannen met hem; en zij kwamen des nachts tot de vrouw, en hij zeide: Voorzeg mij toch door den waarzeggenden geest, en doe mij opkomen dien ik tot u zeggen zal.

9 Toen zeide de vrouw tot hem: Zie, gij weet wat Saul gedaan heeft, hoe hij de waarzegsters en de duivelskunstenaars uit dit land heeft uitgeroeid: waarom stelt gij dan mijner ziele eenen strik om mij te dooden?

10 Saul nu zwoer haar bij den Heere , zeggende: Zoo waarachtiy als de Heeke leeft, indien u eene straf om deze zaak zal overkomen!

11 Toen zeide de vrouw: Wien zal ik u doen opkomen? En hij zeide: Doe mij Samuël opkomen.

12 Toen nu de vrouw Samuël zag, zoo riep zij met luider stem, en de vrouw sprak tot Saul zeggende: Waarom hebt gij mij be-drogen? Want gij zijt Saul.

13 En de Koning zeide tot haar; Vrees niet, maar wat ziet gij? Toen zeide de vrouw tot Saul: Ik zie goden uit de aarde opkomende. . ^.HiJ dan zeide tot haar: Hoe is zijne gedaante? En zij zeide: Er komt een oud man op, en hij is met een mantel bekleed. Toen Saul vernam dat het Samuël was, zoo neigde hij zich met het aangezicht ter aarde en hij boog zich.

15 En Samuël zeide tot Saul: waarom hebt gij mij onrustig gemaakt, mij doende opkomen? Toen zeide Saul: Ik ben zeer beangstigd, want de Filistijnen krijgen tegen mij, en God is van nlij geweken en antwoordt mij niet meer, noch door den dienst der Profeten, noch door droomen: daarom heb ik u geroepen, dat gij mij te kennen geeft wat ik dóen zal.

16 Toen zeide Samuël: Waarom vraagt gij mij toch, dewijl de Heehe van u geweken en uw vijand geworden is?

17 Want de Heere heeft voor zich gedaan gelijk als hij doormijnen dienst gesproken heeft, en heeft het koninkrijk van uwe hand gescheurd, en hij heeft dat gegeven aan uwen naaste, aan David.

18 Gelijk als gij naar de stemme des Heeken niet gehoord hebt, en de hittigheid zijns toorns niet uitgericht hebt tegen Amalek: daarom heeft de Heere u deze zake gedaan te dezen dage,

19 en de Heere zal ook Israël met u in de hand der Filistijnen geven: en morgen zult gij en uwe zonen bij mij zijn, ook zal de Heere het leger Israels in de hand der Filistijnen geven.

20 Toen viel Saul haastelijk ter aarde, zoo lang als hij was, en hij vreesde zeer vanwege de woorden Samuëls; ook was er geene kracht in hem, want hij had den geheelen dag en den geheelen nacht geen brood gegeten.

21 De vrouw nu kwam tot Saul en zag dat hij zeer verbaasd was, en zij zeide tot hem: Zie, uwe dienstmaagd heeft naar uwe stem gehoord, en ik heb mijne ziele in mijne hand gesteld, en\'ik heb uwe woorden gehoord die gij tot mij gesproken hebt:

22 zoo hoor gij nu toch ook naaide stem uwer dienstmaagd, en laat mij eene bete broods vóór u zetten, en eet; zoo zal er kracht in u zijn, dat gij overweg gaat.

23 Doch hij weigerde het en zeide: Ik zal niet eten. Maar zijne knechten en ook de vrouw hielden aan bij hem. Toen hoorde hij naar hunne stem, en hij stond op van de aarde en zette zich op het bed.

24 En de vrouw had een gemest kalf in huis en zij haastte zich en slachtte het, en zij nam meel en kneedde het, en bakte daar ongezuurde koeken van;

25 en zij bracht ze voor Saul en voor zijne knechten, en zij aten, daarna stonden zij op en gingen weg in dienzelven nacht.

HOOFDSTUK 29.

De Filistijnen nu hadden alle hunne legers vergaderd te Afek, en de Israëlieten legerden zich bij de fontein die bij Jizreël is.

2 En de Vorsten der Filistijnen togen daarhenen met honderden


-ocr page 374-

1 SAMUËL 30.

360

en met duizenden, doch David en zijne mannen togen met Achis in den achtertocht.

3 Toen zeiden de oversten der Filistijnen: Wat zullen deze He-breën? Zoo zeide Achis tot de oversten der Filistijnen: Is de^e niet David, de knecht Sauls des Konings van Israël, die deze dagen of deze jaren bij mij geweest is? en ik heb in hem niets gevonden van dien dag al\' dat hij afgevallen is, tot dezen dag toe.

4 Doch de oversten der Filistijnen werden zeer toornig op hem, en de oversten der Filistijnen | zeiden tot hem: Doe denman, wederkeeren, dat hij tot zijne plaats wederkeere waar gij hem besteld hebt, en dat hij niet met ons aftrekke in den strijd, opdat hij ons niet tot een tegenpartijder worde in den strijd; want waarmede zoude deze zich bij zijnen heer aangenaam maken? Is het niet met de hoofden dezer mannen?

5 Is dit niet die David, van welken zij in den rei elkander antwoordden, zeggende: Saul heeft zijne duizenden verslagen, maar David zijne tienduizenden?

6 Toen riep Achis David en zeide tot hem: Het is zoo waarachtig als de Heeke leeft, dat gij oprecht zijt, en uw uitgang en uw ingang-met mij in hut leger is goed in mijne oogen; want ik heb geen kwaad bij u gevonden van dien dag af dat gij tot mij zijt gekomen, tot dezen dag toe; maar gij zijt niet aangenaam in de oogen der Vorsten:

7 zoo keer nu om en ga in vrede, opdat gij geen kwaad doet in de oogen v.m de Vorsten der Filistijnen.

8 Toen zeide David tot Achis: Maar wat heb ik gedaan of wat hebt gij in uwen knecht gevonden, van dien dag af dat ik voor uw aangezicht geweest ben tot dezen dag toe, dat ik niet zal gaan en strijden tegen de vijanden mijns heeren des Konings?

9 Achis nu antwoordde en zeide tot David: Ik weet het, voorwaar gij zijt aangenaam in mijne oogen als een engel Gods; maar de Oversten der Filistijnen hebben gezegd: Laat hij met ons in dezen strijd niet optrekken.

1U Nu dan, maak u morgen vroeg op met de knechten uws heeren-, die met u gekomen zijn; en als gijlieden u morgen vroeg zult opgemaakt hebben, en het ulieden licht geworden is, zoo gaat henen.

11 Toen maakte zich David vroeg op, hij en zijne mannen, dat zij des morgens weggingen , om weder te keeren in het land der Filistijnen; de Filistijnen daarentegen togen op naar Jizreël.

HOOFDSTUK 30.

Het geschiedde nu als David en zijne mannen des derden daags te Ziklag kwamen, datdeAmale-kiten in het Zuiden en te Ziklag ingevallen waren, en Ziklag geslagen en dezelve met vuur verbrand hadden,

2 en dat zij de vrouwen die daarin waren gevankelijk weggevoerd hadden; doch zij hadden niemand doodgeslagen, van den kleinste tot den grootste, maar hadden ze weggevoerd en waren huns weegs gegaan.

3 En David en zijne mannen kwamen aan de stad, en zie, zij was met vuur verbrand, en hunne vrouwen en hunne zonen en hunne dochteren waren gevankelijk weggevoerd.

4 Toen hieven David en het volk dat bij hem was hunne stemme op en weenden, totdat er geen kracht meer in hen was om te weenen.

5 Davids beide vrouwen waren óók gevankelijk weggevoerd, Ahi-nóani de Jureëlitische, en Abigail de huisvrouw Nabals des Kar-ïneiiets.

Ü En het werd David zeer bang, want het volk sprak van hem te steenigen, want de zielen van het gansche volk waren verbitterd, een iegelijk over zijne zonen en over zijne dochteren; doch David sterkte zich in den Heerë zijnen God,

7 en David zeide tot den Priester Abjathar den zoon Achimé-ieclis: Breng mij toch den efod


-ocr page 375-

1 SAMUEL 30.

301

hier. En Abjathar bracht den efod tot David.

8 Toen vraagde David den Hee-ue, zeggende: Zul ik deze bende achterna jagen, zal ik ze achterhalen? En hij zeide hem : Jaag na, want gij zult gewisselijk achterhalen eni gij zult gewisselijk verlossen.

9 David dan ging henen, hij en de zeshonderd mannen, die bij hem waren; en als zij kwamen aan de beek Besor, zoo bleven de overigen staan,

10 en David vervolgde ze, hij en die vierhonderd mannen; en tweehonderd mannen bleven staan, die zoo moede waren dat zij over de beek Besor niet konden gaan.

11 En zij vonden een Egyptischen man op liet veld, en zij brachten hem tot David; en zij gaven hem brood en hij at, en zij gaven hem water te drinken,

12 zij gaven hem ook een stuk van eenen klomp vijgen , en twee stukken rozijnen, en hij at, en zijn geest kwam weder in hem; want hij had in drie dagen en drie nachten geen brood gegeten noch water gedronken.

13 Daarna zeide David tot hem : Wiens zijt gij en van waar zijt gij ? Toen zeide de Egyptische jongen: Ik ben eens Amalekitischen mans knecht, en mijn heer heeft mij verlaten, omdat ik voor drie dagen krank geworden ben.

14 Wij waren ingevallen tegen het zuiden van de Keréthiten, en op heigeen van Juda is, • n tegen het zuiden van Kaleb; en wij hebben Ziklag met vuur verbrand.

15 Toen zeide David tot hem: Zoudt gij mij wel henen afleiden tot deze betide? Hij dan zeide: Zweer mij bij God dat gij mij ni»jt zult dooden,quot; en dat gij mij niet zult overleveren in de hand mijns heeren: zoo zal ik u tot deze bende afleiden.

10 En hij leidde hem af, en zie, zij lagen verstrooid over de gansche aarde, etende en drinkende en dansende, om al den grooten buit dien zij genomen hadden uit ht*l land der Filistijnen en uit het land van Juda.

17 En David sloeg ze van de schemering tot aan den avond van hunlieder anderen dag, en daar ontkwam niet één man van hen, behalve vierhonderd jonge mannen, die op kcmelcn reden en vloden.

18 Alzoo redde David al wat de Amalekiten genomen hadden, ook redde David zijne twee vrouwen.

19 En onder \'hen werd niet gemist van den kleinste tot aan den grootste, en tot aan de zonen en dochteren, en van den buit ook tot alles wat zij hun gpnomen hadden : David bracht het altemaal weder.

20 David nam ook alle de schapen en de runderen; zij dreven ze voor dat vee henen, en zeiden: Dit is Davids buit.

21 Als David tot de tweehonderd mannen kwam, die zoo moede waren geweest dat zij David niet hadden kunnen navolgen. en die zij aan de beek Besor hadden latpn blijven, die gingen David en het volk dat bij hem was tegemoet: en David trad tot het volk, en hij vraagde ze naar den welstand.

22 Toen antwoordde een ieder boos on belialsman onder de mannen die met David getogen waren, en zij zeiden: Omdat zij met ons niet getogen zijn, zullen wij hun van den buit dien wij gered hebben niet geven, maar eenen iege-lijken zijne vrouw en zijne kinderen , laat ze die henenleiden en weggaan.

23 Maar David zeide: Alzoo zult gij niet doen, mijne broeders, met hêtgene dat ons de Heerr gegeven heeft, en hreft ons bewaard, en heeft de bende die tegen ons kwam in onze hand gegev n.

24 Wie zonde toch ulieden in deze zake hooren? Want gelijk bet-deel dergen^n is die in den strijd mede afgetogen zijn, alzoo zal ook liet deel. dergeneri zijn die bij het gereedschap gebleven zijn , zij zullen gelijkelijk deelen.

25 En dit is van dien dag af en voortaan nlzno geweest; want hij heeft Int lot eene inzettingen tot t-en recht gesteld in Israël, tot op dezen dag.

26 Als nu David te Ziklag kwam.


-ocr page 376-

362

zoo zond hij tot dc oudsten van Juda, zijne vrienden. van don buit, zeggende: Ziel, daar is oen zc^un voor ulieden van den buit der vijanden des Heehen;

27 namelijk tot die te Beth-El, en tot die te Ramoth tegen het Zuiden, en tot die te Jattir,

28 en tot die te Aroër, en tot die te Sifmoth, en tot die te Estemóa,

29 en tot die te R ach al, en tot die welke in de sleden der Jerah-nieëliten waren, en tot die welke in de steden der Keniten waren,

30 en tot die te Horma, en tot die te Kor-Asan, en tot die te Athach,

31 en tot die te Hebron, en tot alle de plaatsen waar David gewandeld had, hij en zijne mannen.

HOOFDSTUK 31.

De Filistijnen dan streden tegen Israël; en dé mannen Israels vloden voor het aangezicht der Filistijnen, en vielen verslagen op hei. gebergte Gilboa.

2 En de Filistijnen hielden dicht op Saul en zijne zonen, en de Filistijnen sloegen Jonathan en Abinadab en Malkisüa, de zonen Sauls;

3 en de strijd werd zwaar tegen Saul, en de mannen die met den boog schieten trollen hem aan , en hij vreesde zeer voor de schutters.

quot;4 Toen zeide Saul tot zijnen wapendrager: Trek uw zwaard uit en doorsteek mij daarmede, dat misschien deze onbesnedenen niet komen en mij doorsteken, en met mij den spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer: toen nam Saul het zwaard en viel daarin.

5 Toen zijn wapendrager zag dat Saul dood was, zoo viel hij óók in zijn zwaard, en stierf met hem.

G Alzoo sliertquot; Saul, en zijne drie zonen, en zijn wapendrager, ook alle zijne mannen, te dien dage te gelijk.

7 Als de mannen Israëls, die aan deze zijde van het dal waren en die aan deze zijde van den Jordaan waren, zagen dat de mannen Israëls gevloden waren, en dat Saul en zijne zonen dood waren, zoo verlieten zij de steden en zij vloden: toen kwamen dc Filistijnen en woonden daarin.

8 Het geschiedde nu des anderen daags als de Filistijnen kwamen om de verslagenen te plunderen, zoo vonden zij Saul en zijne drie zonen liggende op het gebergte Gilboa;

9 en zij hieuwen zijn hoofd af, en zij togen zijne wapenen uit, en zij zonden ze in der Filistijnen land rondom, om te boodschappen in het huis hunner afgoden ca onder den volke;

10 en zij leiden zijne wapenen in het huis van Astaroth, en zijn lichaam hechtten zij aan den muur tc Beth-San.

11 Als de inwoners van .Tabes in Gilead daarvan hoorden, wat de Filistijnen Saul gedaan hadden,

12 zoo maakten zich op alle strijdbare mannen en gingen den geheelen nacht, en zij namen het lichaam Sauls en de lichamen zijner zonen van den muur te Beth-San; en zij kwamen te Jabes en brandden ze aldaar.

13 En zij namen hunne heenderen en begroeven ze onder het geboomte te Jabes; en zij vastten zeven dagen.

ISA M U Ë L 31.


-ocr page 377-

^ SAMUEL I.

303

HEX TWEEDE BOEK SAMUËL.

HOOFDSTUK I.

Voorts geschiedde liet na Sauls dood, als David van den slag der Amalekiten was wedergekomen, en David twee dagen te Ziklag gebleven was,

2 zoo geschiedde hel op den derden dag, dat, zie, uit het heir-leger van Saul een man kwam wiens kleederen gescheurd waren, en aarde was op zijn hool\'d; en het geschiedde als hij tot David kwam, zoo viel hij ter aarde en boog zich neder.

3 En David zeidetot hem: Van waar komt gij? En hij zeide tot hem: Ik ben ontkomen uit het heirleger Israels.

4 Voorts zeide David tot hem: Wat is de zake? Verhaal het mij toch. En hij zeide dat het volk uit den strijd gevloden was, en dat ook velen van het volk gevallen en gestorven waren, dat ook Saul en zijn zoon Jonathan dood waren.

5 En David zeide tot den jongen die hem de boodschap bracht: Hoe weet gij dal Saul dood is en zijn zoon Jonathan?

(3 Toen zeide de jongen die hem do boodschap bracht: Ik kwam bij geval op het gebergte Gilboa, eii zie, Saul leunde op zijne spies; en zie, de wagens en ritmeesters hielden dicht op hem aan :

7 zoo zag hij achter zich om en zag mij, en hij riep mij, en ik zeide: Zie hier ben ik.

8 En hij zeide tot mij: Wie zijl gij? En ik zride tot hem: Ik ben een Amalekiet.

0 Toen z-ide hij tot mij: Sta toch bij mij en dood mij, want deze maliënkolder heeft mij opgehouden ; want mijn leven is nog gansch in mij.

10 Zoo stond ik bij hem en doodde hem. want ik wist dal hij na zijnen val niet leven zoude; en ik nam de kroon die op zijn hoofd was en het armgesmijde dat aan zijnen arm was, en heb ze hier tot mijnen heer gebracht.

11 Toen vatte David zijne klec-deren en scheurde ze, desgelijks ook alle de mannen die met hem waren;

12 en zij weeklaagden en weenden en vastten tot den avond over Saul en over Jonathan zijnen zoon, en over het volk des Hee-uen en over het huis Israëls, omdat zij door hel zwaard gevallen waren.

13 Voorts zeide David lot den jongen, die hem de boodschap gebracht had: Van waar zijl gij ? En hij zeide: Ik ben eens vreemden mans, eens Amalekiels zoon.

l\'i En David zeide tot hem: Hoe? Hebt gij niet gevreesd uwe hand uit te strekken om den gezalfde des Heeuen te verderven?

15 En David riep eenen van de jongens, en zeide: Treed toe, val op hem aan. En hij sloeg hem dat hij stierf.

1(5 En David zeide tot hem: Uw bloed zij op uw hoofd; want uw mond heeft tegen u getuigd, zeggende: Ik heb den gezalfde des Hëerex gedood.

17 David nu klaagde deze klage over Saul en over Jonathan zijnen zoon;

18 als hij gezegd had. dat men den kinderen van Juda den boog zoude leeren: zie, het is geschreven in hel boek des Oprechten.


-ocr page 378-

2 S A M U K L 2.

364

19 O sieraad Israels, op uwe hoogten is hij verslagen; hoe zijn de helden gevallen!

20 Verkondigt het niet te Gath , boodschapt het niet op de straten van Askelon; opdat de dochters der Filistijnen zich niet verblijden, opdat de dochters der onbesne-denen niet opspringen van vreugde.

21 Gij bergen van Gilboa, noch dauw noch regen moet op u zijn, noch velden der hefofferen; want aldaar is der helden schild smadelijk weggeworpen, het schild Sauls, alsof hij niet gezalfd ware geweest met olie.

22 Van het bloed der verslagenen, van het vette der helden werd Jonathans boog niet achterwaarts gedreven; en Sauls zwaard keerde niet ledig weder.

23 Saul en Jonathan, die beminden en die liefelijken in hun leven, zijn ook in hunnen dood niet gescheiden; zij waren lichter dan arenden, zij waren sterker dan leeuwen.

24 Gij dochteren Israels, weent over Saul, die u kleedde met scharlaken, met weelde; die u sieraad van goud deed dragen over uwe kleeding.

25 Hoe zijn de helden gevallen in het midden van den strijd! Jonathan is verslagen op uwe hoogten.

2(5 Ik ben benauwd om uwentwille, mijn broeder Jonathan; gij waart mij zeer liefelijk, uwe liefde was mij wonderlijker dan liefde der vrouwen.

27 Hoe zijn de helden gevallen, en de krijgswapenen verloren!

HOOFDSTUK 2.

En het geschiedde daarna dat David den Heere vraagde, zeggende: Zal ik optrekken in eene der steden van Juda? En de Heere zeide tot hem: Trek op. En David zeide: Waarhenen zal ik optrekken? En hij zeide: Naar Hebron.

2 Akoo toog David derwaarts op, alsook zijne twee vrouwen, Ahinóam de Jizreëlit sche, en Abigail, Nabals des Karmelieters huisvrouw.

3 Ook deed David zijne mannen optrekken die bij hem waren, een iegelijk met zijn huisgezin, en zij woonden in de steden Hebrons.

4 Daarna kwamen de mannen van Juda en zalfden aldaar David tot eenen Koning over het huis van Juda. Toen boodschapten zij David, zeggende: Het zijn dè mannen van Jabes in Gilead die Saul begraven hebben.

5 Toen zond David boden tot de mannen van Jabes in Gilead, en hij zeide tot hen: Gezegend zijt gij den Heere, dat gij deze weldadigheid gedaan hebt aan uwen heere, aan Saul, en hem begraven hebt.

G Zoo doe nu de Heere aan u weldadigheid en trouw: en ik ook, ik zal aan u dit goede doen, dewijl gij deze zake gedaan hebt.

7 En nu, Iaat uwe handen sterk zijn, en zijt dapper, dewijl uw heere Saul gestorven is: en ook hebben m i die van het huis van Juda tot Koning over zich gezalfd.

8 Abner nu, de zoon van Ner, de krijgoverste dien Saul gehad had, nam Isbóseth Sauls zoon en voerde hem over naarMahanaïm,

9 en maakte hem ten Koning over Gilead, en over de Aschuri-ten, en over Jizreël, en over Efraïm, en over Benjamin, en over gansch Israël.

10 Veertig jaar was Isbóseth Sauls zoon oud, als hij Koning werd over Israël; en hij regeerde het tweedejaar: alleenlijk die van het huis van Juda volgden David na.

11 Het getal nu der dagen die David Koning geweest is te He-bron over het huis van Juda, is zeven jaren en zes maanden.

12 Toen toog Abner de zoon van Ner uit, met de knechten Isbóseths des zoons Sauls, van Mahanaïm naar Gibeon;

13 Joab, de zoon van Zaruja, en de knechten Davids togen óók uit; en zij ontmoetten elkander bij den vijver van Gibeon, en zij bleven, deze aan deze zijde des vijvers, en die aan gene zijde des vijvers.

14 En Abner zeide tot Joab: Laat nu de jongens zich opmaken en voor ons aangezicht spelen. En


-ocr page 379-

2 SAMUËL 3.

365

zij Joab zeide: Laat ze zich opmaken. . , Jen 15 Toen maakten zich op en 1 gingen over in getal twaalf van nis Benjamin, te welen voor Isbóseth zjj Sauls zoon, en twaalf van Davids dè knechten.

lie 16 En de één greep den ander bij het hoofd en stiet zijn zwaard 0f in de zijde des anderen, en zij j vielen tezamen: daarom noemde ld\' men deze plaats Uelkath-Hazzu-rn rim, die bij Gibeon is.

fn 17 En daar was op dienzelfden dag een gansch zeer harde strijd, doch Abner en de mannen Israëls u werden voor het aangezicht dei-knechten Davids geslagen.

18 Nu waren aldaar drie zonen van Zeruja, Joab en Abisai en ^ Asaël; en Asaël was licht op zijne r voeten, als een der reeën die in : het veld zijn.

10 En Asaël jaagde Abner achterna, en hij week niet om van achter Abner ter rechter- of tor linkerhand af te gaan.

20 Toen zag Abner achter zich om en zeide: Zijt gij dit, Asaël? En hij zeide: Ik ben \'t.

21 En Abner zeide tot hem: Wijk tot uwe rechterhand of tot uwe linkerhand, en grijp u een van die jongens, en neem voor u zijn gewaad. Maar Asaël wilde niet afwijken van achter hem.

22 Toen voer Abner wijders voort, zeggende tot Asaël: Wijk af van achter mij; waarom zal ik u ter aarde slaan ? Hoe zoude ik dan mijn aangezicht opheffen voor uwen broeder Joab?

23 Maar hij weigerde af te wijken: zoo sloeg Abner hem met het achterste van de spies aan de vijfde ribbe, dat de spies van achter hein uitging, en hij viel aldaar en stierf op zijne plaats. En het geschiedde dat allen die tot de plaats kwamen alwaar Asaël gevallen en gestorven was, staan bleven.

24 Maar Joab en Abisai jaagden Abner achterna: en de zon ging onder, als zij gekomen waren tot den heuvel van Amma, dewelke is vóór Giah, op den weg der ■woestijn Gibeons.

25 En de kinderen Benjamins verzamelden zich achter Abner, en werden tot eenen hoop; en zij stonden op de spits van een heuvel.

2G Toen riep Abner tot Joab en zeide: Zal dan het zwaard eeuwiglijk verteren? Weet gij niet dat het \'in \'i laatste bitterheid zal zijn ? En hoe lang zult gij den volke niet zeggen dat zij wederkeeren van hunne broederen te vervolgen?

27 En Joab zeide: Zuo iuaar-achtiy als God leeft, zoo gij niet gesproken hadt, zekerlijk het volk zoude aireede van den morgen af weggevoerd zijn geweest een iegelijk van zijnen broeder te vervolgen.

28 Toen blies Joab met de bazuin; en al het volk stond stil, en jaagden Israël niet meer achterna, en voeren niet wijders voort te strijden.

29 Abner dan en zijne mannen gingen dienzelfden ganschen nacht over het vlakke veld, en zij gingen over den Jordaan, en wandelden het gansche Bithron door , en kwamen tot Mahanaïm.

30 Joab keerde ook weder van achter Abner, en verzamelde het gansche volk. En er werden van Davids knechten gemist negentien mannen en Asaël;

31 maar Davids knechten hadden van Benjamin en onder Abners mannen geslagen: driehonderd en zestig mannen waren er dood gebleven.

32 En zij namen Asaël op, en begroeven hem in zijns vaders graf, dat te Bethlehem was. Joab nu en zijne mannen gingen den ganschen nacht, dat hun het licht aanbrak te Hebron.

HOOFDSTUK 3.

En daar was een lange krijg tusschen het huis Sauls en tus-schen het huis Davids; doch David ging en werd sterker, maar die van het huis Sauls gingen en werden zwakker.

2 En David werden zonen geboren te Hebron. Zijn eerstgeborene nu was Amnon, van Ahinóam de Jizreëlitische;

3 en zijn tweede was Kileab,


-ocr page 380-

2 SAMUËL 3.

366

van Abigail Nabals des Karme-liters huisvrouw; en de derde Absalom, de zoon van Maacha, de dochter van Talmai, Koning van Gesur;

4 en de vierde Adom\'a, de zoon van Plaggith; en de vijfde Seta tja, de zoon van Abital;

5 en de zesde Jithream, van Egla Davids huisvrouw. Deze zijn David geboren te Hebron.

6 Terwijl die krijg was tussclien het huis Sauls en tusschen het huis Davids, zoo geschiedde hot dat Abner zich sterkte in hethuis Sauls.

7 Saul nu had een bijwijf gehad, welker naam was Rizpa, de dochter van Ajja; en Lsbnsetli zeide tot Abner: Waarom zijt gij ingegaan tot mijns vaders bijwijf?

8 Toen ontstak Abner zeer over Isbóseths woorden, en zeide: Ben ik dan een hondskop, ik, die tegen Juda, aan den huize Sauls uws vaders, aan zijne broederen en aan zijne vrienden, heden weldadigheid doe, en u niet overgeleverd heb in Davids hand, dat gij heden aan mij onderzoekt de ongerechtigheid eener vrouw?

9 God doe Abner zóó en doe hem zóó daartoe, voorzeker gelijk als de Hkere David gezworen heeft, dat ik even alzoo aan hem zal doen;

10 overbrengende het koninkrijk van den huize Sauls , en oprichtende den stoel Davids over Israël en over Juda, van Dan tot Ber-Séba loe;

11 En hij kon Abner verder niet één woord antwoorden, omdat hij hem vreesde.

12 Toen zond Abner boden voor zich tot David, zeggende: Wiens is het land? zeggende wijders: Maak uw verbond met mij, en zie mijne hand zal met u zijn, om gansch Israël tot u om te keeren.

13 En hij zeide: Wèl, ik zal een verbond met u maken; doch één ding begeer ik van u, zeggende: Gij zult mi n aangezicht niet zien , tenzij dat gij Michal Sauls dochter te voren inbrengt als gij komt om mijn aangezicht te zien.

14 Ook zond David boden tot i Isbóseth den zoon Sauls, zeg-1 gende: Geef mij mijne huisvrouw Michal, die ik mij met honderd voorhuiden der Filistijnen ondertrouwd heb.

15 Isbóseth dan zond henen en nam haar van den man, van Paltiël den zoon van Laïs.

16 En haar man ging* met haar, al gaande en weenende achter haar, tot Bahurimtoe; toen zeide Abner tot hem: Ga weg, keer weder; en hij keerde weder.

17 Abner hu had woorden met de oudsten van Israël, zeggende: Gij hebt David te voren lang tot eenen Koning over u begeerd:

18 zoo doet het nu; want de IlEiiRE heeft tot David gesproken, zeggende: Door de hand Davids mijns knechts zal ik mijn volk Israël verlossen van de hand der Filistijnen en van de hand van alle hunne vijanden.

19 En Abner sprak ook voor Je ooren Benjamins. Voorts ging Abner ook henen om te Hebron voor Davids ooren te spreken alles wat goed was in de oogen Israëls en in de oogen van het gansche huis Benjamins;

20 en Abner kwam tot David te Hebron, en twintig mannen met hem; en David maakte Abnev en den mannen die met hem waren een maaltijd.

21 Toen zeide Abner tot David; Ik zal mij opmaken en henengaan, en gansch Israël tot mijnen heere den Koning vergaderen, dat zij een verbond met u maken, en gij regeert over alles wat uwe ziel begeert. Alzoo liet David Abner gaan, en hij ging in vrede.

22 En zie, Davids knechten en Joab kwamen van eene bende, en brachten met zich eenen groo-ten roof: Abner nu was niet bij David te Hebron, want hij had hem laten gaan, en hij was gegaan in vrede.

23 Als nu Joab en het gansche heir dat met hem was aankwamen, zoo gaven zij Joab te kennen, zeggende: Abner, de zoon van Nor, is gekomen tot den Koning; en hij heeft hem laten gaan, en hij is gegaan in vrede.

24 Toen ging Joab tot den Ko-


-ocr page 381-

2 S A M U Ë L 4.

367

nine in, en zeide: Wat hebt gij gedaan? Zie, Abner is tot u gekomen: waarom nu hebt gij hem laten gaan, dat hij zoo vrij is weggegaan?

25 Gij kent Abner, den zoon van Ner. dat hij gekomen is om u te overreden, en om te weten uwen uitgang en uwen ingang, ja om te weten alles wat gij doet.

26 En Joab ging uit van David, en zond Abner boden na, die hem wederom haalden van den bornput Sira; maar David wist het niet.

27 Als nu Abner weder te He-bron kwam, zoo leidde Joab hem terzijde af in het midden der poort, om in stille met hem te spreken; en hij sloeg hem aldaar aan de vijfde ribbe dat hij stierf, om zijns broeders Asaëls bloods wille.

28 Als David dat daarna hoorde, zoo zeide hij: Ik ben onschuldig, en mijn koninkrijk , bij den Hbehe tot in eeuwigheid, van het bloed Abners, des zoons van Ner;

29 hetblijve op het hoofd Joabs, on op het gansche huis zijns vaders; en daar worde van het huis van Joab niet afgesneden die eenen vloed hebbe, en melaatsch zij, en zich aan den slok boude, en door het zwaard valle, en broods-gebrek hebbe.

30 Alzoo hebben Joab en zijn broeder Abisai Abner doodgeslagen , omdat hij hunnen broeder Asaël Ie Gibeori in den strijd gedood had.

31 David dan zeide tot Joab en tot al het volk dat bij hem was: Scheurt uwe kleederen , en gordt zakken aan, en weeklaagt voor Abner henen; en de Koning David ging achter de baar.

32 Als zij nu Abner te Hebron begroeven, zoo hief de Koning zijne stemme op en weende bij Abners graf, ook weende al het volk;

33 en de Koning maakte eene klage over Abner, en zeide : Is dan Abner gestorven als een dwaas sterft ?

31 Uwe handen waren niet gebonden , noch uwe voeten in koperen boeien gedaan; maar gij zijl. gevallen gelijk men valt voor het aangezicht van kinderen der verkeerdheid. Toen weende het gansche volk nog meer over hem.

35 Daarna kwam al het volk om David brood te doen eten, als het nog dag was; maar David zwoer, zeggende: God doe mij zóó en doe er zóó toe, indien ik vóór het ondergaan der zon brood of ietwat smake.

36 Als nu al het volk dit vernam , zoo was het goed in hunne oogen; alles zooals de Koning gedaan had was goed in de oogen des ganschen volks;

37 en al het volk en gansch Israël merkte te dien dage, dat het van den Koning niet was dat men Abner, den zoon van Ner, gedood had.

38 Voorts zeide de Koning tot zijne knechten: Weet gij niet dat te dezen dage een Vorst, ja een groote in Israël gevallen is?

39 Maar ik ben heden teeder en gezalfd ten Koning, en deze mannen, de zonen van Zeruja, zijn harder dan ik: de Heere zal den boosdoener vergelden naar zijne boosheid.

HOOFDSTUK 4.

Als nu Sauls zoon hoorde dat Abner te Hebron gestorven was, werden zijne handen slap, en gansch Israël werd verschrikt.

2 En Sauls zoon had twee mannen, oversten van benden: de naam des éénen was Baëna en de naam des anderen Rechab, zonen van Rimmon den Beërothiet, van de kinderen Benjamins, want ook Beëroth werd lot Benjamin gerekend.

3 En de Beërothiten waren gevloden naar Gittaïm, en waren aldaar vreemdelingen tot op dezen dag.

4 En Jonathan, Sauls zoon, had eenen zoon die geslagen was aan beide voeten: vijf jaren was hij oud, als het gerucht van Saul en Jonathan uit Jizreël kwam, en zijne voedster hem opnam en vluchtte; en het geschiedde als zij haastte om te vluchten, dat hij viel en kreupel werd; en zijn naam was Mefibóselh.


-ocr page 382-

2 SAMUËL 5.

3G8

5 En de zonen van Rimmon don Beëi\'othiet, Rochab en Baëna, gingen henen, en kwamen ten huize van Isbóseth als de dag heet geworden was; en hij lag op de slaapstede, in den middag.

6 En zij kwamen daarin tot het midden des huizes, als zullende tarwe halen; en zij sloegen hem aan de vijfde ribhe; en Rechab en zijn broeder Baëna ontkwamen.

7 Want zij kwamen in huis als hij op zijn bed lag in zijne slaapkamer, en sloegen hem en doodden hem, en hieuwen zijn hoofd af; en zij namen zijn hoofd, en gingen henen des weegs op het vlakke veld den ganschen nacht.

8 En zij brachten het hoofd van Isbóseth tot David te Hebron, en zeiden tot den Koning: Ziedaar is het hoofd van Isbóseth, don zoon van Saul, uwen vijand die uwe ziele zocht: alzoo heeft de Heere mijnen heere den Koning te dezen dage wrake gegeven van Saul en van zijn zaad.

9 Maar David antwoorde Rechab en zijnen broeder Baëna, den zonen van Rimmon den Beërothiet, en zeide tot hen: Zoo tuaarachtirj als de Heere leeft, die mijne ziele uit alle benauwdheid verlost heeft,

40 dewijl ik hem die mij boodschapte, zeggende: Zie, Saul is dood, daar hij in zijne oogen was als een die goede boodschap bracht, nogtans gegrepen en te Ziklag gedood heb, hoewel hij meende dat ik hem bodenloon zoude geven:

41 hoeveel te meer wanneer goddelooze mannen eenen rechtvaardigen man in zijn huis op zijne slaapstede hebben\' gedood! Nu dan, zoude ik zijn bloed van uwe handen niet eischen, en u van de aardo wegdoen?

42 En David gebood zijnen jongens, en zij doodden hen, en hieuwen hunne handen en hunne voeten af, en hingen ze op bij den vijver te Hebron; maar het hoofd van Isbóseth namen zij en begroeven het in Abners graf te Hebron.

HOOFDSTUK 5.

Toen kwamen alle stammen Israels tot David te Hebron, en zij spraken zeggende: Zie, wij, uw gebeente en uw vleesch zijn wij ;

2 daartoe ook te voren, toen Saul Koning over ons was, waart gij Israël uitvoerende en inbrengende; ook heeft de Heere tot u gezegd: Gij zult mijn volk Israël weiden, en gij zult tot eenen voorganger zijn over Israël.

3 Alzoo kwamen alle oudsten Israels tot den Koning te Hebron , en de Koning David maakte een verbond met hen te Hebron voor het aangezicht des Heeren , en zij zalfden David tot Koning over Israël.

4 Dertig jaar was David oud als hij Koning werd, veertig jaar heeft hij geregeerd:

5 te Hebron regeerde hij over Juda zeven jaren en zes maanden, en te Jeruzalem regeerde hij drieendertig jaar over gansch Israël en Juda.

fl En de Koning toog met zijne mannen naar Jeruzalem tegen de Jebusiten, die in dat land woonden. En zij spraken tot David, zeggende: Gij zult hier niet inkomen, maar de blinden en kreupelen zullen u afdrijven, dat is te zeggen: David za^ hier n et inkomen.

7 Maar David nam den burg Sion in: dezelve is do stad Davids.

8 Want David zeide te dien dage: Al wie de Jebusiten slaat en geraakt aan die watergoot, en die kreupelen en die blinden, die van Davids ziele gehaat zijn, die zal tot een hoofd en tot een overs\'e zijn; daarom zegt men: Een blinde en kreupele zal in het huis niet komen.

0 Alzoo woonde David in den burg, en noemde dien Davids stad. En David bouwde rondom van Millo af en binnenwaarts.

40 David nu ging geduriglijk voort en werd groot, want de Heere de God der heirscharcn was met hem.

41 En Hiram, de Koning van Tyrus, zond boden tot David, en cederenhout, en timmerlieden, en metselaars; en zij bouwden David een huis.

42 En David merkte dat de Heere hem tot eenen Koning over Israël bevestigd had, en dat hij


-ocr page 383-

2 S A M U Ë L 6.

3G9

zijn koninkrijk verheven had om zijns volks Israels wille.

13 En David nam meer bijwijven en vrouwen van Jeruzalem, nadat hij van Hebron gekomen was, en David werden meer zonen en doch-teren geboren;

14 en dit zijn de namen dergenen die hem te Jeruzalem geboren zijn: Sammüa, en Sobab, en Nathan, en Salomo,

15 en Jibchar, en Elisüa, en Neleg, en Jaffa,

16 en Elisama, en Eljada, en Elifélet.

17 Als nu de Filistijnen hoorden dat zij David ten Koning over Israël gezalfd hadden, zoo togen alle Filistijnen op om David te zoeken; en David dat hoerende toog af naar den burg.

18 En de Filistijnen kwamen en verspreidden zich in het dal Re-faïm.

19 Zoo vraagde David den IIeere zeggende: Zal ik optrekken tegen de Filistiinen? Zult gij ze in mijne hand geven? En de Heere zeide tot David: Trek op, want ik zal de Filistijnen zekerlijk in uwe hand geven.

20 Toen kwam David te Baiil-Perazim; en David sloeg ze aldaar, en zeide,: De Heere heeft mijne vijanden voor mijn aangezicht gescheurd als eene scheure dor wateren ; daarom noemde hij den naam dier plaats Baal-Perazim.

21 En zij lieten hunne afgoden aldaar, en David en zijne mannen namen ze op.

22 Daarna togon de Filistijnen weder op, en zij verspreidden zich in het dal Refaim.

23 En David vraagde den Heere, dewelke zeide: Gij zult niet optrekken; maar trek óm tot achter hen, dat gij aan hen komt van tegenover de moerbeziënboomen;

24 en het geschiede als gij hoort het geruisch van eenen gang in do toppen der moerbeziënboomen, dan rep u, want alsdan is de Heere voor uw aangezicht uitgegaan om het heirleger der Filistijnen te slaan.

25 En David deed alzóó gelijk als de Heere hem geboden had, en hij sloeg de Filistijnen van Gi-bea af totdat gij komt te Gezer.

HOOFDSTUK G.

Daarna verzamelde David wederom alle uitgelezenen in Israël, dertigduizend;

2 en David maakte zich op en ging henen met al het volk dat bij hem was, van Baiilim-Juda, om van daar op te brengen de Arke Gods, bij welke de Naam wordt aangeroepen, de Naam des Hee-ren der heirscharen, die daarop woont tusschen de cherubs.

3 Kn zij voerden de Arke Gods op eenen nieuwen wagen, en haalden ze uit het huis Abinadabs dat op eenen heuvel is; en UzzaenAhio, Abinadabs zonen, leidden den nieuwen wagen.

4 Toon zij hem nu uit het huis Abinadabs, dat op den heuvel is, met de Arke Gods wegvoerden, zoo ging Ahio vóór de Arke henen;

5 en David en het gansche huis Israëls speelden voor het aangezicht des Hkf.ren met allerlei snarenspel van dennenhout, als met harpen en met luiten en met trommelen , ook met schellen en met cymbalen.

quot;0 Als zij nu kwamen tot aan Nachons dorschvloer, zoo strekte Uzza zijne hand uit naar de Arke Gods en hield ze, want de runderen struikelden.

7 Toen ontstak de toorn des Heeren tegen Uzza, en God sloeg hem aldaar om deze onbedachtzaamheid , en hij stierf aldaar bij de Arke Gods.

8 En David ontstak omdat do Heere eene scheur gescheurd had aan Uzza, en hij noemde die plaats Perez-Uzza, lot op dezen dag.

ü En David vreesde den Heere ! te dien dage, en hij zeide: Hoe zal de Arke des Heeren tot mij komen ?

10 David dan wilde de Arke des Heeren niet tot zich laten ver-

1 voeren naar de stad Davids, maar David deed ze afwijken in het huis Obed-Edoms des Gethiets.

11 En d^ Arke des Heeren bleef in het huis Obed-Edoms des

1 Gethiets drie maanden; en de


-ocr page 384-

UËL 7.

2 SAM

370

Heere zegende Obed-Edom en zijn gansche huis.

12 Toen boodschapte men den Koning David, zeggende: De Hee-ke heeft het huis Übed-Edoms en al wat hij heelt gezegend om de Arke Gods wille. Zoo ging David henen en haalde de Arke Gods uit het huis Obed-Edoms opwaarts naar de stad Davids, met vreugde;

13 en het geschiedde als zij die de Arke des Heeren droegen zes treden voortgetreden waren , dat hij ossen en gemest vee offerde;

14 en David huppelde met alle macht voor het aangezicht des Heeren, en David was omgord met een linnen lijfrok:

15 alzoo brachten David en het gansche huis Israels de Arke des Heeren op, met gejuich en met geluid der bazuinen.

16 En het geschiedde als de Arke des Herren in de stad Davids kwam, dat Michal, Sauls dochter, door het venster uitzag: als zij nu den Koning David zag springende en huppelende voor het aangezicht des Heeren, verachtte zij hem in haar harte.

17 Toen zij nu de Arke des Heeren inbrachten , stelden zij die in hare plaats, in het midden der tent, die David voor haar gespannen had ; en David offerde brand-olieren voor des Heeren aangezicht en dankofferen.

18 Als David geëindigd had het brandolTer en de dankofferen te offeren, zoo zegende hij het volk in den naam des Heeren der heirscharen,

10 en hij deelde uit aan het gansche volk, aan de gansche menigte Israels, van de mannen tot de vrouwen toe, aan een iegelijk een broodkoek en een schoon stuk vleesch en een flesch tuijn. Toen ging al het volk henen, een iegelijk naar zijn huis.

20 Als nu David wederkwam om zijn huis te zegenen, ging Michal Sauls dochter uit, David tegemoet, en zeide: Hoe is heden de Koning van Israël verheerlijkt, die zich heden voor de oogen van de dienstmaagden zijner dienstknechten heeft ontbloot, gelijk een van de ijdele lieden zich onbeschaamdelijk ontbloot!

21 Maar David zeide tot Michal: voor het aangezicht des Heeren, die mij verkoren heeft voor uwen vader en voor zijn gansche huis, mij instellende tot eenen voorganger over het volk des Heeren , over Israël — ja ik zal spelen voor het aangezicht des Heeren.

22 Ook zal ik mij nog geringer houden dan alzóó, en zal nederig zijn in mijne oogen; en met de dienstmaagden, waarvan gij gezegd hebt, met dezelve zal ik verheerlijkt worden.

23 Michal nu Sauls dochter had geen kind tot den dag van haren dood toe.

HOOFDSTUK 7.

En het geschiedde als de Koning in zijn huis zat, en de Heere hem rust gegeven had van alle zijne vijanden rondom,

2 zoo zeide de Koning tot den Profeet Nathan: Zie toch, ik woon in oen cederen huis, en de Arke Gods woont in het midden eer gordijnen.

3 Én Nathan zeide tot den Koning; Ga henen: doe al wat in uw harle is, want de Heere is met u.

4 Maar het gebeurde in denzelfden nacht dat het woord des Heeren tot Nathan geschiedde, zeggende :

5 Ga en zeg tot mijnen knecht, tot David: Zóó zegt de Heere: Zoudt gij mij een huis bouwen tot mijne woning?

6 Want ik heb in geen huis gewoond van dien dag af dat ik de kinderen Israels uit Egypte opvoerde, tot op dezen dag, maar ik heb gewandeld in eene tent en in een tabernakel.

7 Overal waar ik met alle de kinderen Israëls heb gewandeld, heb ik wel één woord gesproken met eenen der stammen Israels, dien ik bevolen heb mijn volk Israël te weiden, zeggende: Waarom bouwt gij mij niet een cederen huis?

8 Nu dan, alzóó zult gij tot mijnen knecht, tot David, zeggen: Zóó zegt de Heere der heirscharen:


-ocr page 385-

2 S A M U E L 7.

371

Ik heb u genomen van de schaapskooi, van achter de schapen, dat gij een voorganger zoudt zijn over mijn volk, over Israël;

9 en ik ben met u geweest overal waar gij gegaan zijt, en heb alle uwe vijanden voor uw aangezicht uitgeroeid; en ik heb u eenen grooten naam gemaakt, als den naam der grooten die op de aarde zijn.

10 En ik heb voor mijn volk, voor Israël, eene plaatse besteld en hem geplant, dat hij aan zijne plaatse wone en niet meer heen en weder gedreven worde; en de kinderen der verkeerdheid zullen hem niet meer verdrukken, gelijk als in het eerste,

11 en van dien dag af dat ik geboden heb richters te wezen over mijn volk Israël. Doch u heb ik ruste gegeven van alle uwe vijanden. Ook geeft u de Heere te kennen dat de Heere u een huis maken zal.

12 Wanneer uwe dagen zullen vervuld zijn, en gij met uwe vaderen zult ontslapen zijn, zoo zal ik uw zaad na u doen opstaan, dat uit uwen lijve voortkomen zal, en ik zal zijn koninkrijk bevestigen.

13 Die zal mijnen name een huis bouwen, en ik zal den stoel zijns koninklijks bevestigen tot in eeuwigheid.

14 Ik zal hem zijn tot eenen vader, en hij zal mij zijn tot eenen zoon, dien ik, als hij misdoet, met eene menschenroede en met plagen der menschenkinderen zal straffen,

15 maar mijne goedertierenheid | zal van hem niet wijken gelijk ik die weggenomen heb van Saul. dien ik van voor uw aangezicht heb weggedaan.

16 Doch uw huis zal bestendig zijn en uw koninkrijk tot in ecu-wigheid voor uw aangezicht; uw stoel zal vast zijn lot in eeuwigheid.

17 Naar alle deze woorden en naar dit gansche gezicht, alzoo sprak Nathan tot David.

18 Toen ging de Koning David in, en bleef voor het aangezicht des Heeren, en hij zeide: Wie ben ik, Heere Heere , en wat is mijn huis, dat gij mij tot hiertoe gebracht hebt?

19 D;iartoe is dit in uwe oogen nog klein geweest, Heere Heere, maar gij hebt ook over het huis uws knechts gesproken tot van verre heen, en dit naay de wet der menschen, Heere Heere.

20 En wat zal David nog meer tot u spreken ? Want gij kent uwen knecht, Heere Heere.

21 Om uws Woords wil en naar uw harte hebt gij alle deze groote dingen gedaan, om aan uwen knecht bekend te maken.

22 Danrom zijt gij groot, Heere God, want er is niemand gelijk gij, en er is geen God dan alleen gij, naar alles dat wij met onze ooren gehoord hebben.

23 En wie is gelijk uw volk, gelijk Israël, een éénig volk op aarde, hetwelk God heengegaan is zich tot een volk te verlossen, en om zich eenen naam te zetten, en om voor ulieden deze groote en verschrikkelijke dingen te doen aan uw land, voor het aangezicht uws volks, dat gij u uit Egypte verlost hebt, de heidenen en hunne goden verdrijui\'ndc;

24 en gij hebt uw volk Israël u bevestigd, u tot een volk tot in eeuwigheid, en gij Heere zijt hun tot eenen God geworden.

25 Nu dan Heere God, doe dit woord, dat gij over uwen knecht en over zijn huis gesproken hebt, bestaan tot in eeuwigheid, en doe gelijk als gij gesproken hebt ;

26 en uw naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid, dat rnen zegge: De Heere derheirscharen is God over Israël: en het huis van uwen knecht David zal bestendig zijn voor uw aangezicht.

27 Want gij , Heere der heirscharen, gij God Israëls, gij hebt voor het oor uws knechts geopenbaard, zeggende: Ik zal neen huis bouwen ; daarom heeft uw knecht in zijn harte gevonden dit gebed tot u le bidden.

28 Nu diin Heere Heere, gij zijt die God, en uwe woorden zullen waarheid zijn, en gij hebt dit goede lot uwen knecht gesproken:


-ocr page 386-

ËL 8, 9.

2 SAMU

372

29 zoo believe het u nu, en zegen het huis uws knechts, dat het in eeuwigheid voor uw aangezicht zij; want gij, Heere Heeue, hebt het gesproken, en met uwen zegen zal uws knechts huis gezegend worden in eeuwigheid.

HOOFDSTUK 8.

En het geschiedde daarna dat David de Filistijnen sloeg en bracht ze onder en David nam Metheg-Amma uit der Filistijnen hand.

2 Ook sloeg hij de Moabiten, en mat ze met een snoer, doende hen ter aarde nederliggen; en hij mat met twee snoeren om te dooden, en met een vol snoer om in het leven te laten: alzoo werden de Moabiten David tot knechten, brengende geschenken.

3 David sloeg ook Hadadczer, den zoon van Rehob, den Koning van Zoba, toen hij henentoog om zijne hand te wenden naar de rivier Frath;

4 en David nam hem duizend wagens af, en zevenhonderd rui-terèn, en twintigduizend man te voet; en David ontzenuwde alle wagenpaarden, en hield daarvan honderd wagenen over.

5 En de Syriërs van Damascus kwamen om Hadadézer den Koning van Zoba, te helpen, maar David sloeg van de Syriërs tweeëntwintigduizend man;

6 en David leide bezettingen in Syrië van Damascus, en de Syriërs werden David tot knechten, brengende geschenken; en de Heere behoedde David overal waar hij henentoog.

7 En David nam de gouden schilden, die bij Hadadézers knechten geweest waren; en bracht ze te Jeruzalem.

8 Daartoe nam de Koning David zeer veel koper uit Betah en uit Berothai, Hadadézers steden.

9 Als nu Toï de Koning van Hamath hoorde dat David het gansche heir Hadadézers geslagen had,

10 zoo zond Toï zijnen zoon Joram tot den Koning David, om hem te vragen naar zijnen welstand en om hem te zegenen, vanwege dat hij tegen Hadadézer gekrijgd en hem geslagen had; (want Hadadézer voerde steeds krijg tegen Toï); en in zijne hand waren zilveren vaten en gouden vaten en koperen vaten:

11 welke de Koning David ook den Heere heiligde, met het zilver en het goud, dat hij geheiligd had van alle heidenen die hij zich onderworpen had:

12 van Syrië, en van Moab, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, en van Amalek, en van den roof van Hadadézer, den zoon van Rehob, den koning van Zoba.

13 Ook maakte zich David eenen naam, als hij wederkwam nadat hij de Syriërs geslagen had in het Zoutdal, achttienduizend;

14 en hij leide bezettingen in Edom, in gansch Edom leide hij bezettingen, en alle Edomiten werden David tot knechten; en do Heere behoedde David overal waar hij henentoog.

15 Alzoo regeerde David over gansch Israël; en David deed zijnen ganschen volke recht en gerechtigheid.

16 Joab nu, de zoon van Zeruja, was over het heir, en Josafa,, zoon van Ahilud, was kanselier,

17 en Zadok, Ahitub\'s zoon, en Ahimélech, Abjathar\'s zoon warea Priesters, en Seraja was schrijver:

18 daar was ook Renaja, zoon van Jojada, met de Krethi en de Plethi; maar Davids zonen waren prinsen.

HOOFDSTUK 9.

En David zeide: Is er nog iemand die overgebleven is van den huizo Sauls, dat ik weldadigheid aan hem cloe om Jonathans wil?

2 Het huis Sauls nu had eenen knecht wiens naam was Ziba • en zij riepen hem tot David. E-i de Koning zeide tot hem: Zijl gij Ziba? En hij zeide: Uw knecht.

3 En de Koning zeide: Is er niet nog iemand van het huis Sauls, dat ik Gods weldadigheid aan hem doe? Toen zeide Ziöa tot den Koning: Daar is nog een zoon


-ocr page 387-

2 S A M U Ë L 10.

373

van Jonathan, dio geslagen is aan beide voeten.

4 En de Koning zeide lot hem: Waar is hij? En Ziba zeide tot den Koning: Zie hij is in het huis Machirs des zoons Ammiëls te Lodebar.

5 Toen zond de Koning David henen en hij nam hem uit het huis Machirs des zoons van Am-miël van Lodebar.

G Ais nu Melibuseth, de zoon Jonathans des zoons Sauls, tot David inkwam, zoo viel hij op zijn aangezicht en boog zichquot; neder, i En David zeide: Mefibóseth! En i hij zeide: Zie hier is uw knecht.

7 En David zeide tot hem: Vrees ! niet, want ik zal zekerlijk weldadigheid bij u doen om uws vaders Jonathans wil, en ik zal u alle akkers uwes vaders Sauls wedergeven , en gij zult geduriglijk brood eten aan mijne tafel.

8 Toen boog hij -dch, en zeide: Wat is uw knecht, dat gij omgezien hebt naar een dooden hond als

j ik ben ?

9 Toen riep de Koning Ziba, Sauls jongen, en zeide tot hem: Al wat Saul gehad heeft, en zijn gansche huis, heb ik den zoon uws heeren gegeven:

10 daarom zult gij voor hem het land bearbeiden, gij en uwe zonen en uwe knechten, en zult de vruchten inbrengen, opdat uws heeren zoon brood nebbe dat hij etc; en Mefibóseth uws heeren zoon zal geduriglijk brood eten aan mijne tafel. Ziba nu had vijftien zonen en twintig knechten.

11 En Ziba zeide tot den Koning: Naar alles wat mijn heere de Koning zijnen knecht gebiedt, alzóó zal uw knecht doen; ook zoude Mefibóseth , etende aan mijne tafel, als een van des Konings zonen zijn.

12 Mefibóseth nu had eenen kleinen zoon wiens naam was Micha; en allen die in het huis van Ziba woonden waren Mefibó-seths knechten.

13 Alzoo woonde Mefibóseth te Jeruzalem, omdat hij geduriglijk at aan des Konings tafel; en hij was kreupel aan beide zijne voeten.

HOOFDSTUK 10.

En het geschiedde daarna dat de Koning der kinderen Ammons stierf, en zijn zoon Hanun werd Koning in zijne plaats.

2 Toen zeide David: Ik zal weldadigheid doen aan Hanun den zoon van Nahas, gelijk als zijn vader weldadigheid aan mij gedaan heeft. Zoo zond David henen, om hem door den dienst zijner knechten te troosten over zijnen vader. En de knechten Davids kwamen in het land der kinderen Ammons.

3 Toen zeiden de Vorsten der kinderen Ammons tot hunnen heer Hanun: Eert David uwen vader in uwe oogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Heeft David zijne knechten niet daarom tot u gezonden, dat hij deze stad doorzoeke en die verspiede, en die omkeere?

4 Toen nam Hanun Davids knechten en schoor hunnen baard half af, en sneed hunne kleederen half af, tot aan hunne billen; en hij liet ze gaan.

5 Als zij dit David lieten weten, zoo zond hij hun tegemoet, want deze mannen waren zeer beschaamd; en de Koning zeide: Blijft te Jericho totdat uw baard weder gewassen zal zijn, komt dan weder.

ü Toen nu de kinderen Ammons zagen dat zij zich bij David stinkende gemaakt hadden, zonden de kinderen Ammons henen en huurden van de Syriërs van Beth-Rehob en van de Syriërs van Zoba twintigduizend voetvolks, en van den Koning van Maacha duizend man , en van de mannen van Tob twaalfduizend man.

7 Als David dit hoorde, zond hij Joab henen en het gansche heir met de helden.

8 En de kinderen Ammons togen uit en stelden de slagorde vóór de deur der poort, maar de Syriërs van Zoba en Rehob en de\'mannen van Tob en Maacha die waren bijzonder in het veld.

quot;9 Als nu Joab zag dat de spits


-ocr page 388-

2 SAMUEL 11.

374

der slagorde legen hem was, van voren en van achteren, zoo verkoos hij uit alle uitgelezenen van Israël en stelde ze in orde tegen de Syriërs aan,

10 en het overige des volks gaf hij onder de hand zijns broeders Abisai, die het in orde stelde tegen de kinderen Ammons aan.

11 En hij zeide: Zoo de Syriërs mij te sterk zullen zijn, zoo zult gij mij komen verlossen; en zoo dè kinderen Ammons u te sterk zullen zijn, zoo zal ik komen om u te verlossen.

12 Wees sterk, en laat ons sterk zijn voor ons volk en voor de steden onzes Gods; de Heekk nu doe wat goed is in zijne oogen.

13 Toen naderde Joab, en het volk dat bij hem was tot den strijd tegen de Syriërs; en zij vloden voor zijn aangezicht.

14 Als nu de kinderen Ammons zagen dat de Syriërs vloden, vloden zij ook voor het aangezicht van Abisai en kwamen in de stad. En Joab keerde weder van de kinderen Ammons en kwam te Jeruzalem.

15 Toen nu de Syriërs zagen dat zij voorlsraëls aangezicht geslagen waren, zoo vergaderden zij zich lueder te zamen;

16 en Hadarézer zond henen en deed de Syriërs uitkomen die op gene zijde der rivier zijn, en zij kwamen te Helam; en Sobach, Hadarézers krijgsoverste, (ooy voor hun aangezicht henen.

17 Als dat David werd aangezegd, verzamelde hij gansch Israël, en toog over den Jordaan, en kwam te Helam. En de Syriërs stelden de slagorde tegen David aan en streden met hem;

18 maar de Syriërs vloden voor Israëls aangezicht, en David versloeg van de Syriërs zevenhonderd wagencn en veertigduizend rui teren; daartoe sloeg hij Sobach, hunnen krijgsoverste, dat hij aldaar stierf.

19 Toen nu alle de Koningen , die Hadarézers knechten waren, zagen dat zij voor Israëls aangezicht geslagen waren, maakten zij vrede met Israël, en dienden hen;

en de Syriërs vreesden de kinderen Ammons meer te verlossen.

HOOFDSTUK 11.

En het geschiedde met de wederkomst des jaars , ten tijde als de Koningen uittrekken, dat David Joab, en zijne knechten met hem, en gansch Israël henenzond, dat zij de kinderen Ammons verderven en Rabba belegeren zouden. Doch David bleef te Jeruzalem.

2 Zoo geschiedde het tegen den avondtijd, dat David van zijn leger opstond, en wandelde op het dak van het koningshuis, en zag van het dak eene vrouw zich was-schende: deze vrouw nu was zeer ; schoon van aanzien.

3 En David zond henen en ondervraagde naar deze vrouw; en men zeide: Is dat niet Bathséba 1 de dochter Eliams, de huisvrouw van Una den Hethiet?

4 Toen zond David boden henen en liet ze halen; en als zij tot hem ingekomen was, lag hij bij haar, (zij nu had zich van hare onreinigheid gezuiverd), daarna keerde zij weder naar huis.

5 En die vrouw werd zwanger; zoo zond zij henen en liet David weten, en zeide: Ik ben zwanger gewor.Jen.

6 Toen zond David tot Joab, zeffgende: Zend Una den Hethiet tot mij; en Joab zond Una tot David.

7 Als nu Una tot hem kwam, zoo vraagde David naar den welstand Joabs en naar den welstand des volks en naar den welstand des krijgs;

8 daarna zeide David tot Una: Ga af naar uw huis, en wasch uwe voeten. En toen Una uit des Konings huis uitging, volgde hem een gerecht des Konings achterna.

9 Maar Una leide zich neder voor de deur van des Konings huis, met alle de knechten zijns heeren, en hij ging niet af in zijn huis.

10 En zij gaven het David te kennen, zeggende: Una is niet afgegaan in zijn huis. Toer. zeide David tot Una: Komt gij niet


-ocr page 389-

2 S A M U Ë L 12.

375

van de reis? Waarom zijt gij niet afgegaan in uw huis?

11 Eu Una zeicle lot David : Do Arko en Israël en Juda blijven in de tenten, en mijn heer JoaL en de knechten mijns heeren zijn gelegerd in het open veld, en zoude ik in mijn huis gaan , om te eten en te drinken en bij mijne huisvrouw te liggen? Zoo waarachtirj als gij leeit en uwe ziele leeft, indien ik deze zake doen zal!

12 Toen zeide David tot Una: Blijf ook heden hier, zoo zal ik ii morgen afzenden. Alzoo bleef Una te Jeruzalem dien dag en den anderen dag;

13 en Davidnoodigde hem, zoodat hij voor zijn aangezicht at en dronk, en hij maakte hem dronken ; daarna ging hij in den avond uit om zich neder te leggen op zijn leger met zijns heeren knechten, maar ging niet af in zijn huis.

14 Des morgens nu geschiedde het dat David renen brief schreef aan Joab, en hij zond dien door de hand van Uri\'a;

15 en hij schreef in dien brief, zeggende:* Stelt Una vooraan tegenover den sterksten strijd, en keert van achter hem af, opdat hij geslagen worde en sterve.

16 Zoo geschiedde het als Joab op de stad gelet had, dat hij Una stelde aan de plaals, waarvan hij wist dat aldaar strijdbare mannen waren.

17 Als nu de mannen der stad uittogen en met Joab streden, vielen er van het volk , van Davids knechten, en Una de Hethiet stierf óók.

IR Toen zond Joab henen en liet David den ganschen handel dezes strijds weten;

19 en hij beval den bode, zeggende: Als gij zult geëindigd hebben den ganschen handel dezes strijds tot den Koning uit te spreken,

20 zoo zal het geschieden indien de grimmigheid des Konings opkomt, en hij lot. u zegt: Waarom zijt gij zoo ha aan de stad gekomen om fe strijden? Wist gij niet dat zij van den muur zonden schielon?

21 Wie sloeg Abimélech den zoon Jerubbéseths? Wierp nieteene vrouw een stuk van eenen molensteen op hem van den muur , dat hij te Tebez stierf? Waarom zijt gij tot den muur genaderd? — dan zult gij zeggen : Uw knecht Una de Hethiet is óók dood.

22 En de bode ging henen, en kwam in, en gaf David te kennen alles waar Joab hem om uitgezonden had;

23 en de bode zeide tot David: Die mannen zijn ons zeker te machtig geweest, en zijn tot ons uitgetogen in het veld;quot; maar wij zijn tegen hen aan geweest tot aan de deur der poort;

24 toen schoten de schutters van den muur af op uwe knechten , dat er eenigen van des Ko-nings knechten dood gebleven zijn, en uw knecht Una de Hethiet is óók dood.

25 Toen zeide David tot den bode: Zóó zult gij tot Joab zeggen : Laat deze ziike niet kwaad zijn in uwe oogen, want het zwaard verteert zoowel dezen als genen; versterk uwen strijd tegen de stad, en verstoor ze; versterk hem alzoo.

2G Als nu de huisvrouw van Una hoorde dat haar man Una dood was, zoo droeg zij leed over haren heere.

27 En als de rouw was overgegaan , zond David henen en nam ze in zijn huis, en zij werd hein ter vrouwe en baarde hem eenen zoon. Doch deze zake, die David gedaan had, was kwaad in de oogen des Heeren.

HOOFDSTUK 12.

En de Heere zond Nathan tot David: als die tot hem inkwam, zeide hij tot hem: Daar waren twee mannen in ééne stad, de één rijk en de ander arm.

2 De rijke had zeer vele schapen en runderen;

3 maar de arme had gansch niet dan een éénig klein ooilam, dat hij gekocht had, en had liet

i gevoed \' dat het groot geworden l\'was hij hem en bij zijne kinderen 1 tegelijk: het at van zijne bete,


-ocr page 390-

UËL 12.

370

2 SAM

en dronk van zijnen beker, en sliep in zijnen schoot, en het was hem als eene dochter.

4 Toen nu tot den rijken man een wandelaar kwam, verschoonde hij te nemen van zijne schapen en van zijne runderen, om voor den reizenden man, die tot hem gekomen was luat te bereiden, en hij nam des armen mans ooilam en bereidde dat voor den man die tot hem gekomen was.

5 Toen ontstak Davids toorn zeer tegen dien man en hij zeide: tot Nathan: Z»o luaarachtiq als de Heere leeft, de man die dat gedaan heelt is een kind des doods,

(5 en dat ooilam zal hij viervoudig wedergeven, daarom dat hij deze zake gedaan en omdat hij niet verschoond heeft.

7 Teen zeide Nathan tot David: Gij zij t die man. Zóó zegt de He f. re de God Israels: Ik heb u ten Koning gezalfd over Israël, en ik heb u uit Sauls hand gered;

8 en ik heb u uws heeren huis gegeven, daartoe uws heeren vrouwen in uwen schoot, ja ik heb ii het huis vhii Israël en Juda gegeven; en indien het weinig is, ik zoude u zulks en alzulks daartoe doen.

9 Waarom hebt gij dan het Woord dos Heeren veracht, doende dat kwaad is in zijne oogen? Gij hebt Uria don Hethiet met het zwaard verslagen, en zijne huisvrouw hebt gij u ter vrouwe genomen, en hein hebt gij met het zwaard der kinderen Ammons doodgeslagen.

10 Nu dan, het zwaard zal van uw huis niet afwijken tot in «-eu-wigheid, daarom dat gij mij veracht hebt, en de huisvrouw van Una den Hethiet genomen hebt, dat zij u ter vrouwe zij.

11 Zóó zegt de Heere: Zie, ik zal kwaad over u verwekken idt uw huis, en zal uwe vrouwen nemen voor uwe oogen, en zal ze uwen naaste geven, die zal bij uwe vrouwen liggen voor de oogen dezer zonne;

12 want gij hebt het in \'t verborgen gedaan, maar ik zal deze

zake doen voor gansch Israël en voor de zon.

13 Toen zeide David tot Nathan: Ik heb gezondigd tegen den Heere. En Nathai\' zeide lot David: De Heere heeft ook uwe zonde weggenomen, gij zult niet sterven;

14 nogtans dewijl gij door deze zake de vijanden des Heeren grootelijks hebt doen lasteren, zal ook de zoon, die u geboren is, den dood sterven.

15 Toen ging Nathan naar zijn huis. En de Heere sloeg het kind, dat do huisvrouw van Una David gebaard had, dat het zeer krank I werd.

1Ü En David zocht God voor dat ! jongsken, en David vastte een : vasten, en ging in en lag den 1 nacht over op de aarde.

17 Toen maakten zich de oud- j sten zijns huizes op tot hem, om hem te doen opstaan van de aarde; maar hij wilde niet, en at geen brood met hen.

18 En het geschiedde op den zevendt-n dag d t het kind stierf; en Davids knechten vreesden hem aan te zeggen dat het kind dood was, want zij zeiden: Zie, als het kind nog levend was, spraken wij tot hem, maar hij hoorde naar onze stern niet; hoe zullen wij dan rot hem zeggen: Het kind is dood? Want het mocht kwaad doen.

19 Maar David zag dat zijne knechten mompelden: zoo merkte David dat het kind dood was; dies zeide David tot zijne knechten: Is het kind dood? En zij zeiden : Het is dood.

20 Toen stond David op van de aarde, en wiesch en /.alfde zich, en veranderde zijne kleeding, en ging in het huis des Heeren, en bacï aan; daarna kwam hij in zijn huis en eischte brood, en zij zetleden hem brood voor en hij at.

21 Zoo zeiden zijne knechten tot hem: Wat is dit voor een ding dat gij gedaan hebt? Om des levenden kinds wil hebt gij gavast en geweend, maar nadat het kind gestorven is, zijt gij opgestaan en hebt brood gegeten.

22 En hij zeide: Als het kind nog leefde, heb ik gevast en ge- —


-ocr page 391-

2 SAMUEL 13.

377

weend, want ik zeido : Wie weet, de Heeue zoude mij mogen genadig zijn, dat liet kind levend bleve.

. 23 Maar nu is het dood, waarom zoude ik nu vasten? Zal ik hem nog kunnen wederhalen? Ik zal wel tot hem gaan, maar hij zal tot mij niet wederkomen.

24 Daarna troostte David zijne huisvrouw Bathséba, en ging tot haar in en lag bij haar; en zij baarde eenen zoon, wiens naam hij noemde Salomo; en de Heere had hem lief,

25 en zond henen door de hand I des Proleten Nathans, en noemde zijnen naam Jedid-Jah, om des

! Heer en wil.

26 Joab nu krijgde tegen Rabba , der kinderen Amnions , en hij nam \' de koninklijke stad in.

27 Toen zond Joab boden tot David en zeide; Ik heb gekrijgd tegen Rabba, ook heb ik de waterstad ingenomen;

28 zoo verzamel gij nu het overige des volks, en beleger de stad, en neem ze in; opdat niet, zoo ik de stad zoude innemen, mijn naam over haar uitgeroepen worde.

29 Toen verzamelde David al het volk, en toog naar Rabba, en hij krijgde tegen haar en nam ze in.

30 En hij nam de kroon haars Konings van zijn hoofd af, welker gewicht was een talent gouds met edelgesteente, en zij werd op Davids hoofd gezet; ook voerde hij uit eenen zeer grooten roof der stad.

31 Het volk nu dat daarin was voerde hij uit, en leide het onder zagen en onder ijzeren dorscli-wagens en onder ijzeren bijlen, en deed ze door den ticheloven doorgaan; en alzóó deed hij aan alle steden der kinderen Amnions. Daarna keerde David en al het volk weder naar Jeruzalem.

HOOFDSTUK 13.

En het geschiedde daarna, al-zoo Absalom, Davids zoon, eene schoone zuster had, welker naam was Tainar, dat Amnon Davids zoon haar liefkreeg.

2 En Amnon was benauwd tot

krank wordens loe om zijner zuster Tamars wille, wantquot; zij vyas eene maagd, zoodat het in Am-nons oogen zwaar was haar iets te doen.

3 Doch Amnon had een vriend, wiens naam was Jonadab, een zoon van Simea Davids broeder; en Jonadab was een zeer wijs man;

4 die zeide tot hem: Waarom zijt gij van morgen tot morgen zoo mager, gij koningszoon? Zult gij het mij niet te kennen geven? Toen zeide Amnon tot hem: Ik heb Tamar mijns broeders Ab-saloms zuster lief.

5 En Jonadab zeide tot hem: Leg u op uw leger, en maak u krank; als dan uw vader zal komen om u te zien, zoo zult gij tot hem zeggen: Dat toch mijne zuster Tamar kome, dat zij mij met brood spijzige, en de spijze voor mijne oogen toemake, opdat ik het aanzie, en van hare hand ete.

G Amnon dan leide zich en maakte zich krank; toon nu de Koning kwam om hem te zien, zeide Amnon tot den Koning: Dat toch mijne zuster Tamar kome, dat zij twee koekjes voor mijne oogen bereide, en ik van hare hand ete.

7 Toon zond David henen tot Tamar in het huis, zeggende: Ga toch henen in het huis uws broeders Amnons, en maak hem eene spijze.

8 En Tamar ging henen in het huis haars broeder Amnons, (hij nu was nederliggende; en zij nam deeg en kneedde het, en maakte koekjes voor zijne oogen, en bakte de koekjes;

9 en zij nam een pan, en goot ze uit voor zijn aangezicht; maar hij weigerde te eten. En Amnon zeide: Doet al.e man van mij uitgaan. En alle man ging van hem uit.

10 Toen zeide Amnon tot Tamar: Breng de spijs in de kamer, dat ik van uwe hand ete. Zoo nam Tamar de koekjes die zij gemaakt had, en bracht ze haren broeder Amnon in de kamer.

11 Als zij ze nu tot hem nabij bracht, dat hij ate, zoo greep hij haar, en zeide tot haar: Kom, lig bij mij, mijne zus Ier.


-ocr page 392-

2 SAMUEL 13.

378

12 Maar zij zeidc tot hem: Niet mijn broeder, verkracht mij niet, want alzóó doet men niet in Israël; doe deze dwaasheid niet.

13 Want ik, waarhenen zoude ik mijne schande brengen? En gij, gij zoudt zijn ais een der dwazen in Israël. Zoo spreek toch nu tot den Koning, want hij zal mij van u niet onthouden.

14 Doch hij wilde naar hare stemme niet hooren; maar sterker zijnde dan zij , zoo verkrachtte hij haar en lag bij haar.

15 Daarna haatte haar Amnon met eenen zeer grooten haat, want de haat, waarmede hij haar haatte, was grooter dan de liefde, waarmede hij haar had liefgehad; en Amnon zeide tot haar: Maak u op, ga weg.

16 Toen zeide zij tot hem: Daar zijn geene oorzaken om mij uit te drijven; dit kwaad zoude grooter zijn dan het andere dat gij bij mij gedaan hebt. Maar hij wilde naar haar niet hooren,

17 en hij riep zijnen jongen die hem diende, en zeide: Drijf nu deze van mij uit naar buiten, en grendel de deur achter haar toe.

18 Zij nu had eenen veelver-wigen rok aan; want alzóó werden des Konings dochteren, die maagden waren, mot mantels gekleed. En zijn dienaar bracht haar uit naar buiten, en grendelde de deur achter haar toe.

19 Toen deed Tamar asch op haar hoofd, en scheurde den veel-verwigen rok dien zij aanhad, en zij leide hare hand op haar hoofd en ging vast henen en kreet.

20 En haar broeder Absalom zeide tot haar: Is uw broeder Amnon bij u geweest? Nu dan mijne zuster, zwijg stil, hij is uw broeder; zet uw nart niet op deze zake. Alzoo bleef Tamar en was eenzaam in haars broeders Absa-loms huis.

21 Als de Koning David alle deze dingen hoorde, zou ontstak hij zeer.

22 Doch Absalom sprak niet met Amnon, noch kwaad noch goed, maar Absalom haatte Amnon, ter oorzake dat hij zijne zuster Tamar verkracht had.

23 En het geschiedde na twee volle jaren, dat Absalom schaap-scheerders had te Baal-Hazor, die bij Efraïm is; zoo noodigde Absalom alle des Konings zonen,

24 en Absalom kwam tot den Koning en zeide: Zie, nu heeft uw knecht schaapscheerders: dat toch de Koning en zijne knechten met uwen knecht gaan.

25 Maar de Koning zeide tot Absalom : Niet mijn zoon, laat ons toch niet al te zamen gaan, opdat wij u niet bezwaarlijk zijn. En hij hield bij hem aan, doch hij wilde niet gaan, maar zegende hem.

2(5 Toen zeide Absalom: Zoo niet, laat toch mijn broeder Amnon met ons gaan. Maar de Koning zeide tot hem: Waarom zoude hij met u gaan?

27 Als Absalom bij hem aanhield, zoo liet hij Amnon en alle des Konings zonen met hem gaan.

28 Absalom nu gebood zijnen jongens, zeggende: Let er nu op, als Amnons hart vroolijk is van den wijn, en ik tot ulieden zal zeggen : Slaat Amnon, dan zult gij hein dooden; vreest niet: is het ;iiet omdat ik het u geboden heb? Zijt sterk en weest dapper.

29 En Absaloms jongens deden aan Amnon gelijk als Absalom geboden had. Toen stonden alle zonen des Konings op, en reden een iegelijk op zijn muildier en vloden.

30 En het geschiedde als zij op den weg waren, dat het gerucht tot David kwam, dat men zeide: Absalom heeft alle de zonen des Konings geslagen, en daar is niet één van hen overgelaten.

31 Toen stond de Koning op , en scheurde zijne kleederen, en léide zich neder ter aarde; desgelijks stonden alle zijne knechten met gescheurde kleederen.

32 Maar Jonadab, de zoon van Simea, Davids broeder, antwoordde en zeide: Mijn heere zegge ni3t dat zij alle de jongelingen, des Konings zonen, gedood hebben, maar Amnon alleen is dood; want bij Absalom is er op toegelegd van den dag af dat hij zijne zuster Tamar verkracht heeft.


-ocr page 393-

2 S A M U Ë L 14.

379

33 Zoo neme nu mijn heere de Koning de zake niet in zijn hart, denkende: alle des Koningszonen zijn dood; want Amnon alleen is dood.

34 Absalom nu vluchtte; en de jongen die de wacht hield hief zijne oogen op en zag toe, en zie daar kwam veel volks van den weg achter hem , aan de zijde van het gebergte.

35 Toen zeide Jonadab tot den Koning: Zie, de zonen des Konings komen; naar het woord uws knechts, alzóó is het geschied.

36 En het geschiedde als hij geëindigd had te spreken, zie, zoo kwamen de zonen des Konings, en hieven hunne stemmen op en weenden, en de Koning ook, en alle zijne knechten weenden met een zeer groot geween.

37 (Absalom dan vluchtte, en toog tot Talmai, den zoon van Ammihur, Koning van Gesur.) En hij droeg rouwe over zijnen zoon, allo die dagen.

38 Alzoo vluchtte Absalom en toog naar Gesur, en hij was aldaar drie jaren.

39 Toen verlangde dc ziele des Konings Davids zeer om naar Absalom uit te trekken; want hij had zich getroost over Amnon dat hij dood was.

HOOFDSTUK 14.

Als nu Joab de zoon van Zeruja merkte dat des Konings harte over Absalom was,

2 zoo zond Joab henen naar Tekóa, en nam van daar eene wijze vrouw, en hij zeide tot haar: .Stel u toch alsof gij rouw droegt, en trek nu rouwkleederen aan, en zalf u niet met olie, en wees als eene vrouw, die r.inds vele dagen rouw gedragen heeft over eenen doode ;

3 en ga in tot den Koning, en spreek tot hem naar dit woord. En Joab legde de woorden in haren mond.

4 En de Tekoïtische vrouw zeide tot den Koning, als zij op haar aangezicht ter aarde was gevallen en zich nedergebogen had, zoo zeide zij: Behoud, o Koning.

5 En de Koning zeide tot haar: Wat is u? En zij zeide: Zekerlijk, ik ben eene weduwvrouw en mijn man is gestorven.

6 Nu had uwe dienstmaagd twee zonen, en deze beiden twisten in het veld, en daar was geen scheidsman tusschen hen; zoo versloeg de één den ander en doodde hem.

7 En zie, het gansche geslacht is opgestaan tegen uwe dienstmaagd en hebben gezegd: Geef dien hier die zijnen broeder verslagen heeft, dat wij hem voor de ziele zijns broeders, dien hij dood geslagen heeft, dooden, en ook den erfgenaam verdelgen; alzoo zullen zij mijne kole die overgebleven is uitblusschen, opdat zij mijnen man geenen naam nocli overblijfsel laten op den aardbodem.

8 Toen zeide de Koning tot deze vrouw: Ga naar uw huis, en ik zal voor u gebieden.

9 En de Tekoïtische vrouw zeide tot den Koning: Mijn heer Koning, de ongerechtigheid zij op mij en op mijns vaders huis, de Koning daarentegen en zijn stoel zij onschuldig.

10 En de Koning zeide: Spreekt iemand tegen u, zoo breng hem tot mij, en hij zal u voortaan niet meer aantasten.

11 En zij zeide: De Koning ge-denke toch aan den Heere uwen God, dat de bloedwrekers niet te veel worden om te verderven, dat zij mijnen zoon niet verdelgen. Toen zeide hij: Zoo waarachtig als de Heere leeft, indien er één van de haren uws zoons op de aarde zal vallen!

12 Toen zeide,deze vrouw: Laat toch uwe dienstmaagd een woord tot mijnen heere den Koning spreken. En hij zeide: Spreek.

13 En dè vrouw zeide: Waarom hebt gij dan al zulks tegen Gods volk gedacht? Want daaruit dat de Koning dit woord gesproken heeft, is hij als een schuldige, dewijl de Koning zijnen verstootene niet wederhaalt.

14 Want wij zullen den dood sterven, en wezen als water, dat


-ocr page 394-

2 S A M U Ë L 11

380

ter aarde uitgestort zijnde niet verzameld wordt. God dan zal de ziele niet wegnemen, maar hij zal gedachten denken, dat hij quot;den verstootene niet van zich verstoote.

15 Nu dan, dat ik gekomen ben om dit woord tot den Koning mijnen heere te spreken, is omdat het volk mij vreesachtig gemaakt heeft; zoo zeide uwe dienstmaagd: Ik zal nu tot den Koning spreken, misschien zal de Koning het woord zijner dienstmaagd doen.

16 Want de Koning zal hooren, om zijne dienstmaagd te redden van de hand des mans, die voorheeft mij en mijnen zoon te zamen van Gods erf te verdelgen.

17 Wijders zeide uwe dienstmaagd : Het woord mijns hoeren des Konings zij toch lot ruste; want gelijk een engel Gods, alzóó is mijn heere de Koning, om te hooren het goede en het kwade; en de Heere uw God zal met u zijn.

18 Toen antwoordde de Koning en zeide tot de vrouw: Verberg nu niet voor mij c.e zake die ik u vragen zal. En de vrouw zeide: Mijn heere de Koning spreke toch.

19 En de Koning zeide: Is Joabs hand met u in dit alles? En de vrouw antwoordde en zeide: Zoo ivaarnchtiy als uwe ziele leeft, mijn heere Koning, indien iemand ter rechter- of ter linkerhand zoude kunnen afwijken van alles wat mijn heere de Koning gesproken heeft; want uw knecht Joab die heeft het mij geboden, en die heeft alle deze woorden in den mond uwer dienstmaagd gelegd:

20 dat ik de gesteldheid dezer zake alzoo omwenden zoude, zulks heeft uw knecht Joab gedaan; doch mijn heer is wijs, naar de wijsheid van eenen engel Gods, om te merken alles wat op de aarde is.

21 Toen zeide de Koning tot Joab: Zie nu, ik heb deze zake gedaan; zoo ga henen, haal den jongeling Absalom weder.

22 Toen viel Joab op zijn aangezicht ter aarde en boog zich, en dankte den Koning, en Joab zeide: Heden heeft uw knecht gemerkt dat ik genade gevonden heb in uwe oogen, mijn heer Koning, omdat de Koning het woord zijns knechts gedaan heeft.

23 Alzoo maakte zich Joab op en toog naar Gesur, en hij bracht Absalom te Jeruzalem.

24 En de Koning zeide: Dat hij in zijn huis keere, en mijn aangezicht niet zie. Alzoo keerde Absalom in zijn huis, en zag des Konings aangezicht niet.

25 Nu was er in gansch Israël geen man zoo schoon als Absalom, zeer te prijzen, van zijne voetzool aan tot zijnen hoofdschedel toe was er geen gebrek aan hem;

26 en als hij zijn hoofd beschoor, (nu geschiedde quot;het ten einde van elk jaar dat hij het beschoor, omdat het hem te zwaar was zoo beschoor hij hel), zoo woog het haar zijns hoofds twee honderd sikkelen naar des Konings gewicht, j

27 Ook werden Absalom drie j zonen geboren , en ééne dochter , welker naam was Tamar; deze j was eene vrouw schoon van aan- ) zien.

28 Alzoo bleef Absalom twee volle jaren te Jeruzalem dat hij des Konings aangezicht niet /.ag.

20 Daarom zond Absalom tot Joab, dat hij hem tot den Koning zond; maar nij wilde niet tot hem komen. Zoo zond hij nog ton anderen male; evenwel wilde hij niet komen.

30 Zoo zeide hij tot zijne knechten : Ziet het stuk akkers van Joab is aan de zijde van het mijne, en hij heeft gerst daarop: gaat henen en steekt het aan met vuur. En Absaloms knechten staken dat stuk akkers aan met vuur;

31 toen maakte Joab zich op, en kwam tot Absalom in het huis, en zeide tot hem: Waarom hebben uwe knechten het stuk akkers dat mijne is met vuur aangestoken?

32 En Absalom zeide tot Joab: Zie, ik heb tot u gezonden, zeggende: Kom herwaarts, dat ik u tot den Koning zende, om te zeggen: Waarom ben ik van Gesur gekomen? Het ware mij goed dat ik nog daar ware; ru dan, laat mij het aangezicht des Konings


-ocr page 395-

2 SAMUEL 15.

381

zien; is er dan nog eene misdaad in mij, zoo doode hij mij.

33 Toen ging Joab in tot den Koning, en zeide het hem aan. Toen riep hij Absalom, en hij kwam tot den Koning in, en boog zich voor hem op zijn aangezicht ter aarde voor des Konings aangezicht, en de Koning kuste Absalom.

HOOFDSTUK 15.

En het geschiedde daarna dat Absalom zich liet bereiden wagen en paarden, en vijftig mannen loopende voor zijn aangezicht henen.

2 Ook maakte Absalom zich \'s morgens vroeg op, en stond aan de zijde van den weg der poort* en het geschiedde dat Absalom alle man die een geschil had, om lot don Koning ten gerichte te komen , tot zich riep, en zeide: Uit welke stad zijt gij? Als hij dan zeide: Uw knecht is uit een der stammen Israels,

3 zoo zeide Absalom tot hem: Zie , uwe zaken zijn goed en recht, maar gij hebt geen verhoorder van des Konings wege.

4 Voorts zeide Absalom: Och dat men mij ten rechter stelde in het land; dat alle man tot mij kwame, die een geschil of rechtzaak heeft, dat ik hem recht sprake.

5 Het geschiedde ook als iemand naderde om zich voor hem te buigen, zoo reikte hij zijne hand uit en greep hem , en ku-te hem.

(3 En naar die wijze deed Absalom aan gansch israël, die tot den Koning ten gerichte kwamen: alzoo stal Absalom het hart der mannen Israels.

7 Ten einde nu van veertig jaar geschiedde het dat Absalom tot den Koning zeide: Laat mij toch henen gaan en mijne gelofte, die ik den Heere beloofd heb te Hebron betalen;

8 want uw knecht heeft eene gelofte beloofd als ik te Gesur in Syrië woonde, zeggende: Indien de Hbere mij zekerlijk weder te Jeruzalem zal brengen, zoo zal ik den Heere dienen.

9 Toen zeide de Koning tot hem: Ga in vrede. Alzoo maakte hij zich op en ging naar Hebron.

10 Absalom nu had verspieders uitgezonden in alle stammen Israels, om te zeggen: Als gij het geluid der bazuin zult hooren, zoo zult gij zeggen: Absalom is Koning te Hebron.

11 En daar gingen met Absalom van Jeruzalem tweehonderd mannen , genoodigd zijnde, doch gaande in hunne eenvoudigheid, want zij wisten van geen zake.

12 Absalom zond ook om Achi-thófel den Giloniet, Davids raad, uit zijne stad, uit Gilo, te halen, als hij offeranden offerde. En de verbintenis werd sterk, en het volk kwam toe en vermeerderde bij Absalom.

13 Toen kwam daar een boodschapper tot David, zeggende: Het hart fens iegelijken in Israël volflt Absalom na.

14 Zoo zeide David tot alle zijne knechten die met hem te Jeruzalem waren: Maakt u op en laat ons vlieden, want er zoude voor ons geen ontkomen zijn voor Ab-saloms aangezicht; haast u om weg te gaan, opdat hij niet misschien zich haaste en óns achter-hale , en een kwaad over ons drijve, en deze stad sla met de scherpte des zwaards.

•15 Toen zeiden de knechten des Konings tot den Koning: Naar alles wat mijn heer de Koning verkiezen zal, zie hier zijn uwe knechten.

16 En de Koning ging uit met zijn gansche huis te voet; doch de Koning liet tien bijwijven achter om het huis te bewaren.

17 Als nu de Koning met al het volk te voet was uitgegaan, zoo bleven zij staan op eene verre plaats;

18 en alle zijne knechten gingen aan zijne zijde henen, ook alle de Krethi en Plethi, en alle de Gethi-ten, zeshonderd man, die van Gath te voet gekomen waren, gingen voor des Konings aangezicht henen

19 Zoo zeide do. Koning tot Ittai den Gethiet: Waarom zoudt gij


-ocr page 396-

2 SAMUËL 46.

382

óók met ons gaan? Keer weder, cn blijf bij den Koning; want gij zijt vreemd, en ook zult gij weder vertrekken naar uwe plaats:

20 gisteren zijt gij gekomen, en heden zoude ik u met ons omvoeren om te gaan? Daar ik toch gaan moet waarhenen ik gaan kan, keer weder, en breng uwe broederen weder; weldadigheid en trouw zij met u.

21 Maar Ittai antwoordde den Koning en zeide : Zoo tvaarachtifi de Heeke leeft en mijn heere de Koning leeft, op de plaats waar mijn heere de Koning zal zijn, hetzij ten doode hetzij ten levèn, daar zal uw knecht voorzeker óók zijn.

22 Toen zeide David tot Ittai: Zoo kom en ga over. Alzoo ging Ittai de Gethiet over, en alle zijne mannen, en alle de kinderen\'die met hem waren.

23 En het gansche land weende met luider stemme, als al het volk overging; ook ging de Koning over de beek Kidron. cn al het volk ging over, recht naar den weg der woestijn.

24 En zie, Zadok was óók daar, en alle de Leviten met hem, dragende de Arke des verbonds Gods, cn zij zetteden de Arke Gods neder; en Abjathar klom op, totdat al het volk uit de stad geëindigd had over te gaan.

25 Toen zeide de Koning tot Zadok: Breng de Arke Gods weder in de stad: indien ik genade zal vinden in des Heerex bogen, zoo zal hij mij wederhalen, en zal ze mij laten zien, mitsgaders zijne woning;

26 maar indien hij alzóó zal zeggen: Ik heb geen\'lust tot u, — zi(? hier ben ik, hij doe mij zooals het in zijne oogen goed is.

27 Voorts zeide de Koning tot den Priester Zadok: Zijt gij niet een ziener? Keer weder in de stad met vrede, ook ulieder beide zonen, Ahimaaz uw zoon en Jonathan Abjathars zoon, met u.

28 Ziet, ik zal vertoeven in de vlakke velden der woestijn, totdat er een woord van ulieden komt dat men mij aanzegt.

29 Alzoo bracht Zadok en Abjathar dc Arke Gods weder te Jeruzalem , en zij bleven aldaar.

30 En David ging op door den opgang der olijven, opgaande en weenende, en het hoofd was hem bewonden, en hij zelf ging barrevoets ; ook had al het volk dat met hem was een iegelijk zijn hoofd bedekt, en gingen óp, opgaande-en weenende.

31 Toen gaf men David te kennen, zeggende: Achithófel is onder degenen die zich met Absalom hebben verbonden. Dies zeide David: O Heere, maak toch Achi-thófels raad tot zotheid.

32 En het geschietlde als David tol, op de hoogte kwam, dat hij aldaar God aanbad, zie toen ontmoette hem Husai de Arkiet, hebbende zijnen rok gescheurd en aarde op zijn hoofd.

33 En David zeide tot hem: Zoo gij met mij voortgaat, zoo zult gij mij tot een last zijn;

34 maar zoo gij weder in de stad gaat, en tot Absalom zegt: Uw knecht, ik zal des Konings zijn; ik ben wel uws vaders knecht van te voren geweest, maar nu zoo zal ik uw knecht zijn, — zoo zoudt gij mij den raad Achithófels te niet maken.

35 En zijn niet Zadok en Abjathar de Priesters aldaar met u? Zoo zal het, geschieden dat gij alle ding dat gij uit des Konings huis zult hooren den Priesteren Zadok en Abjathar zult te kennen geven:

36 zie, hunne beide zonen zijn aldaar bij hen, Ahimaaz Zadoks zoon en Jonathan Abjathars zoon, zoo zult gijlieden door hunne hand tot, mij zenden alle ding dat, gij zult hooren.

37 Alzoo kwam Husai, Davids vriend, in de stad; en Absalom te Jeruzalem.

HOOFDSTUK 16.

Als nu David een weinig van de hoogte was voortgegaan, zie tosn ontmoette hem Ziba, Mefibóseths jongen, met een paar gezadelde ezels, en daarop tweehonderd brooden met honderd stukken rozijnen en honderd stukken zomer-


-ocr page 397-

2 S A M U Ë L 16.

383

vruchten en een lederen zak wijn.

2 En de Koning zeide tot Ziba: Wat zult gij daarmede? En Ziba zeide: De ezels zijn voor het huis des Konings om op te rijden, en het brood en de zomervruchten om te eten voor de jongens, en de wijn opdat de moeden in de woestijn drinken.

3 Toen zeide de Koning: Waar is dan de zoon uws heeren? En Ziba zeide tot den Koning: Zie, hij blijft te Jeruzalem, want hij zêide: Pleden zal mij het huis Israëls mijns vaders koninkrijk wedergeven.

4 Zoo zeide de Koning tot Ziba : Zie, het zal uwe zijn alles wat Mefibóseth heeft. En Ziba zeide: Ik buig mij neder, laat mij genade vinden in uwe oogen, mijn heere Koning.

5 Als nu de Koning David tot aan Bahurim kwam, zie, toen kwam van daar een man uit van het geslacht des huizes Sauls, wiens naam was Simei de zoon van Gera; hij ging steeds voort en vloekte.

ü en hij wierp David met stee-nen, mitsgaders alle knechten des Konings Davids, hoewel al het volk en alle de helden aan zijne rechter-en aan zijne linkerhand waren.

7 Aldus nu zeide Simei in zijn vloeken: Ga uit, ga uit, gij man des bloeds en gij belialsman:

8 de Heere heeft op u doen wederkomen al het bloed van Sauls huis, in wiens plaats gij geregeerd hebt; nu heeft de Heere het koninkrijk gegeven in de hand Ab-saloms uws zoons: zie nu, gij zijt in uw ongeluk, omdat gij een man des bloeds zijt.

9 Toen zeide Abisai de zoon van Zeruja tot den Koning: Waarom zoude deze doode hond mijnen heer den Koning vloeken ? Laat mij toch overgaan en zijnen kop wegnemen.

10 Maar de Koning zeide: Wat heb ik met u te doen, gij zonen van Zeruja V Ja laat hij vloeken; want de Heere toch heeft tot hem gezegd: Vloek David ; wie zoude dan zeggen: Waarom hebt gij al-zoo gedaan?

11 Voorts zeide David tot Abisai en tot alle zijne knechten: Zie, mijn zoon , die van mijnen lijve is voortgekomen, zoekt mijne ziele: hoeveel te meer dan nu deze Benjaminiet! Laat hem geworden dat hij vloeke, want de Heere heeft het hem gezegd.

12 Misschien zal de Heere mijne ellende aanzien, en de Heere zal mij goed vergelden voor zijnen vloek te dezen dage.

13 Alzoo ging David met zijne lieden op den weg; en Simeïging al voort langs de zijde des bergs tegen hem over, en vloekte , en wierp met steenen van tegenover hem, en stoof met stof.

14 En de Koning kwam in, en al het volk dat met hem was, moede zijnde; en hij verkwikte zich aldaar.

15 Absalom nu en al het volk, de mannen Israels, kwamen te Jeruzalem, en Achithófel met hem.

16 En het geschiedde als Husaï de Arkiet, Davids vriend, tot Absalom kwam, dat Husai tut Absalom zeide: De Koning leve, de Koning leve.

17 Maar Absalom zeide tot Husai : Is dit uwe weldadigheid aan uwen vriend? Waarom zijt gij niet met uwen vriend getogen?

18 En Husai zeide tot Absalom: Neen , maar welken de Heere verkiest, en al dit volk, en alle mannen van Israël, diens zal ik zijn en bij hem zal ik blijven.

19 En ten anderen, wien zoude ik dienen ? Zoude het niet zijn voor het aangezicht zijns zoons. Gelijk als ik voor het aangezicht uws vaders gediend heb, alzóó zal ik voor uw aangezicht zijn.

20 Toen zeide Absalom tot Achithófel : Geelt onder ulieden raad, wat zullen wij doen?

21 En Achithófel zeide tot Absalom: Ga ia tot de bijwijven uws vaders, die hij gelaten heeft om het huis te bewaren; zoo zal gansch Israël hooren dat gij bij uwen vader stinkende zijt geworden, en de handen van allen die met u zijn zullen gesterkt worden.

22 Zoo spanden zij Absalom eene tent op het dak, en Absalom


-ocr page 398-

2 S A M U Ë L 17.

384

ging in tot de bijwijven zijns vaders, voor de oogen des ganschen Israels.

23 En in die dagen was Achi-thófels raad dien hij ried, alsof men naar Gods Woord gevraagd had; alzóó was alle raad van Achithólel, zoo bij David als bij Absalom.

HOOFDSTUK 17.

Voorts zeide Achithófel tot Absalom: Laat mij nu twaalfduizend mannen uitlezen, dat ik mij opmake en David dezen nacht achternajage;

2 zoo zal ik over hem komen daar hij moede en slap van handen is, en zal hem verschrikken, en al het volk dat met hem is zal vluchten: dan zal ik den Koning alléén slaan.

3 En ik zal al het volk tot u doen wederkeeren: de man dien gij zoekt is gelijk het wederkeeren van allen; zoo zal al het volk m vrede zijn.

4 Dit woord nu was recht in Absaloms oogen, en in de oogen van alle oudsten Israels.

5 Doch Absalom zeide: Roep toch ook Husai den Arkiet, en laat ons ook hooren wat hij zegt.

6 En als Husai tot Absalom inkwam, zoo sprak Absalom tot hem, zeggende: Aldus heeft Achithófel gesproken: zullen wij zijn wOord doen? Zoo niet, spreek gij.

7 Toen zeide Husai tot Absalom: De raad dien Achithófel op ditmaal geraden heeft is niet goed.

8 Wijders zeide Husai: Gij kent uwen vader en zijne mannen dat zij helden zijn, dat zij bitter van gemoed zijn , als een beer die van de jongen beroofd is in het veld; daartoe is uw vader een krijgsman, en zal niet vernachten met het volk.

9 Zie, nu heeft hij zich verstoken in een der holen of in een der plaatsen; en het zal geschieden als er in het eerst sommigen onder hen vallen, dat een ieder die het zal hooren alsdan zal zeggen: Er is een slag geschied onder het volk dat Absalom navolgt.

1U Zoo zoude hij die ook een dapper man is, wiens hart is als een leeuwenhart, ten eenenmale smelten; want gansch Israël weet dat uw vader een held is, en dat het dappere mannen zijn die met hem zijn.

11 Maar ik rade, dat in alle haast tot u verzameld worde gansch Israël, van Dan tot Ber-séba toe, als zand dat aan de zee is in menigte; en dat uw persoon medega in den strijd.

12 Dan zullen wij tot hem komen in eene der plaatsen waar hij gevonden wordt, en hem gemakkelijk overvallen, gelijk als de dauw op den aardbodem valt, en er zal van hem en van alle de mannen die met hem zijn ook niet één worden overgelaten;

13 en indien hij zich in eene stad zal begeven, zoo zal gansch Israël koorden tot deze stad aandragen , en wij zullen ze tot in de beek nedertrekken, totdat ook geen steentje aldaar gevonden worde.

14 Toen zeide Absalom en alle man van Israël: De raad van Husai den Arkiet is beter dan Achithófels raad. Doch de Heere had het geboden, om den goeden raad Achithófels te vernietigen, opdat de Heere het kwaad over Absalom bracht.

15 En Husai zeide tot Zadok en tot Abjathar de Priesters: Alzóó en alzóó heeft Achithófel Absalom en den oudsten Israels geraden, maar alzóó en alzóó heb ik geraden ;

16 nu dan, zendt haastelijk henen en boodschapt David, zeggende: Vernacht dezen nacht niet in de vlakke velden der woestijn, en ook ga spoediglijk over, opdat de Koning niet verslonden worde en al het volk dat met hem is.

17 Jonathan nu en Ahimaaz stonden bij do fontein Rogel, en eene dienstmaagd ging henen en zeide het hun aan, en zij gingen henen en zeiden het den Koning David aan; want zij moei ten zich niet laten zien, dat zij in de stad kwamen.

18 Een jongen evenwel zag ze, en zeide het Absalom aan; doch die beiden gingen haastelijk, en kwamen in eens mans huis te


-ocr page 399-

Bahurim, dewelke eenen put had in zijnen voorhof, en zij daalden daarin;

19 en de vrouw nam en spreidde .een deksel over het opene van den \'put, en strooide gort daarop: alzoo\' werd de zaak niet bekend.

20 Toen nu Absaloms knechten tot de vrouw in het huis kwamen, zeiden zij: Waar zijn Ahimaiiz en Jonathan? En de vrouw zeide tot hen: Zij zijn over dat waterriviertje gegaan.\'En toen zij ze gezocht

I en niet gevonden hadden, keerden zij weder naar Jeruzalem.

21 En het geschiedde nadat zij weggegaan waren, zoo klommen

Izij uit den put, en gingen henen en boodschapten het den Koning David, en zij zeiden tot David: Maakt ulieden op en gaat haastig over het water, want alzóu heelt Achithólel tegen ulieden geraden.zij uit den put, en gingen henen en boodschapten het den Koning David, en zij zeiden tot David: Maakt ulieden op en gaat haastig over het water, want alzóu heelt Achithólel tegen ulieden geraden.

22 Toen maakte zich David op, en al het volk dat met hem was, en zij gingen over den Jordaan: bij het morgenlicht ontbrak er niet tot één toe, die niet over den Jordaan gegaan was.

23 Als nu Achithólel zag dat zijn raad niet gedaan was, zadelde hij den ezel, en maakte zich op en toog naar zijn huis in zijne stad , en gaf bevel aan zijn huis, en verhing zich: alzoo stierf hij, en werd begraven in zijns vaders graf.

24 David nu kwamte Mahanaïm; en Absalom toog over den Jordaan, hij en alle mannen Israels met hem.

25 En Absalom had Amasa in Joabs plaats gesteld over het heir: Amasa nu was eens mans zoon wiens naam was Jethra , de Israëliet, die ingegaan was tut Abigail, dochter van Nahas, zuster van Zeruja Joabs moeder.

20 Israël nu en Absalom legerde zich in het land Gilead.

27 En het geschiedde als David te Mahanaïm gekomen was, dat Sobi de zoon van Nahas van Rabba der kinderen Ammons, en Machir de zoon Ammiëls van Lodebar, en Barzillai de Güeadiet van Ho-gclim,

28 beddewerk, en schalen , en aarden vaten, en tarwe, en gerst.

885

en meel, en geroost koren, en boonen, en linzen, ook geroost,

20 en honig, en boter, en schapen , en koeienkazen brachten tot David en tot het volk dat met hem was, om te eten, want zij zeiden: Dit volk is hongerig en moede en dorstig in de wjestijn.

HOOFDSTUK 18.

En David monsterde het volk dat met hem was, en hij stelde over hen oversten van duizenden en oversten van honderden;

2 voorts zond David het volk uit, een derde deel onder de hand Joabs, en een derde deel onderdo hand van Abisai den zoon van Zeruja, Joabs broeder, en een derde deel onder de hand van Ittai don Gethiet. En de Koning zeide lot het volk: Ik zal ook zelf zekerlijk met ulieden uittrekken.

3 Maar het volk zeide: Gij zult niet uittrekken ; want of wij ten eenenmale vloden, zij zullen het hart op ons niet stellen, ja of de helft van ons sliertquot;, zij zullen het hart op ons niet stellen; maar gij zijt nu als onzer tienduizend: zoo zal het nu beter zijn dat gij ons uit de stad ter hulpe zijt.

4 Toen zeide de Koning tot hen: Ik zal doen wat goed isquot; in uwe oogen. De Koning nu stond aan de zijde van de poort, en al het volk trok uit bij honderden en bij duizenden.

5 En de Koning gebood Joab en Abisai en Ittai, zeggende: Handelt mij zachtkens met den jongeling, met Absalom. En al het volk hoorde het als de Koning allen den oversten van Absaloms zake gebood.

(5 Alzoo toog\' het volk uit in hot, veld, Israël tegemoet, en de strijd geschiedde bij Efraïms woud .

7 en het voik Israëls werd aldaar voor het aangezicht van Davids knechten geslagen. en aldaar ge-schiedde te dien dage een groote slag van twintigduizend;

8 want de strijd werd aldaar verspreid over al dat land, en het woud verleerde meer van het volk dan die het zwaard verteerde te dien dage.

2 S A M U Ë L 18.


-ocr page 400-

2 S A M U Ë L 18.

386

9 Absalom nu ontmoette het aangezicht der knechten Davids; en Absalom reed op een muildier, en als het muildier kwam onder de dichte takken van een grooten eik, zoo werd zijn hoofd vast aan den eik, dat hij hangen bleef tus-schen den hemel en tusschen de aarde , en het muildier dat onder hem was ging door.

10 Als dat een man zag, zoo gaf hij het Joab te kennen en zeide: Zie, ik heb Absalom zien hangen aan een eik.

11 Toen zeide Joab tot den man die het hem te kennen gaf: Zie toch, gij hebt het gezien, waarom dan hebt gij hem niet aldaar ter aarde geslagen, alzoo het aan mij stond om u tien zilverlingen en eenen gordel te geven ?

12 Maar die man zeide tot Joab: En of ik al duizend zilverlingen op mijne handen mocht wegen, zoo zoude ik mijne hand aan dos Konings zoon niet slaan; want de Koning heelt u en Abisai en Ittai voor onze ooren geboden, zeggende : Hoedt u, wie gij zijt, van den jongeling, van Absalom.

13 Of ik al valschelijk tegen mijne ziele handelde, zoo zoude toch geen ding voor den Koning verborgen worden: ook gij zelf zoudt er u van tegenover stellen.

14 Toen zeide Joab: Ik zal hier bij u alzóó niet vertoeven; cn hij nam drie pijlen en stak ze in Absaloms hart, daar hij nog lovend was in het midden van den eik;

15 en tienjongens, Joabs wapendragers, omringden hem, en zij sloegen Absalom en doodden hem.

16 Toen blies Joab met de bazuin , en al het volk keerde af van Israël achterna te jagen, want Joab hield het volk terug.

17 En zij namen Absalom en wierpen hém in het woud in eenen grooten kuil, en stelden op hem eenen zeer grooten steenhoop; en gansch Israël vluchtte, een iegelijk naar zijne tent.

18 Absalom nu had genomen en in zijn leven voor zich opgericht, een pilaar, die in het Koningsdal is; want hij zeide: Ik heb geen zoon om aan mijnen naam te doen gedenken; en hij had dien pilaar genoemd naar zijnen naam, daarom wordt hij tot op dezen dag genoemd Absaloms hand.

19 Toen zeide AhimaUz, Zadoks zoon: Laat mij toch henenloopen en den Koning boodschappen , dat de II ee re hem recht gedaan heeft van de hand zijner vijanden.

20 Maar Joab zeide tot hem: Gij zult dezen dag geen boodschapper zijn, maar op eenen anderen dag zult gij boodschappen; dezen dag nu zult gij niet boodschappen, daarom dat des Konings zoon dood is.

21 En Joab zeide tot Kuschi: Ga henen en zeg den Koning aan , wat gij gezien hebt; en Kuschi boog zich voor Joab en liep henen.

22 Doch Ahimaaz, Zadoks zoon, voer nog voort en zeide tot Joab: Wat het ook zij, laat mij toch ook Kuschi achterna loopen. En Joab zeide: Waarom zoudt gij nu henenloopen, mijn zoon, zoo gij toch geen bekwame boodschap hebt ?

23 Wat het ook zij, zeide hij, laat mij henenloopen. Zoo zeide hij tot hem: Loop henen. En Ahimaaz liep den weg van hel; elfen veld, en kwam Kuschi voorbij.

24 David nu zat tusschen do twee poorten; en de wachter ging op het dak der poort aan den muur, en hief zijne oogen op en zag, en zie, daar liep een man alléén.

25 Zoo riep de wachter en zeide het den Koning aan ; en de Koning zeide: Indien iiij alléén is, zoo is er eene boodschap in zijnen mond; en hij ging al voort en naderde.

26 Toen zag de wachter een anderen man loopende, en de wachter riep tot den portier en zeide: Zie, daar loopt nog een man alléén. Toen zeide de Koning : Dat is ook een boodschapper.

27 Voorts zeide de wachter: Ik zie den loop des eersten aan als den loop van Ahimaaz, Zadoks zoon. Toen zeide de Koning: Dat is een goed man, en hij zal met eene goede boodschap komen.

28 Ahimaaz dan riep en zeide tot den Koning: Vrede, en hij boog zich voor den Koning met


-ocr page 401-

2 SAMUËL 49.

387

zijn aangezicht ter aarde, en hij zeide: Geloofd zij de Heere uw God, die de mannen, dewelke hunne hand tegen mijnen heere den Koning ophieven, heeft overgegeven.

29 Toen zeide de Koning: Is het wèl met den jongeling, met Absalom? En Ahimaaz zeide: Ik zag een groot rumoer, als Joab des Konings knechten mij uwen knecht afzond, maar ik weet niet wat.

30 En de Koning zeide: Ga om, stel u hier. Zoo ging hij om, en bleef staan.

31 En zie, Kuschi kwam aan, en Kuschi zeide: Mijnen heere den Koning wordt geboodschapt, dat de Heere u heden heeft recht gedaan van de hand aller dergenen die tegen u opstonden.

32 Toen zeide de Koning tot Kuschi: Is het wèl met den jongeling, met Absalom? En Kuschi zeide: De vijanden mijns heeren des Konings, en allen die tegen u ten kwade opstaan, moeten worden als die jongeling.

33 Toen werd de Koning zeer beroerd, en ging op naar de opperzaal der poort en weende, en in zijn gaan zeide hij alzóó: Mijn zoon Absalom, mijn zoon, mijn zoon Absalom ! Och, dat ik, ik, voor u gestorven ware; Absalom mijn zoon, mijn zoon!

HOOFDSTUK 49.

En Joab werd aangezegd: Zie, de Koning weent en bedrijft rouw over Absalom.

2 Toen werd de verlossing te dienzelfden dage het gansche volk tot rouwe; want het volk had te dien dage hooren zeggen: Het smart den Koning over zijnen zoon.

3 En het volk kwam te dien dage steelswijze in de stad, gelijk het volk zich wegsteelt dat beschaamd is, wanneer zij in den strijd gevloden zijn.

4 De Koning nu had zijn aangezicht toegewonden, en de Koning riep met luider stem: Mijn zoon Absalom, Absalom mijn zoon, mijn zoon!

5 Toen kwam Joab tot den Koning in het huis, en zeide: Gij hebt heden beschaamd het aangezicht aller uwer knechten, die uwe ziel en de ziel uwer zonen en uwer dochtc-en en de ziel uwer vrouwen en de ziel uwer bijwijven heden hebben bevrijd:

6 liefhebbende die u haten en hatende die u liefhebben; want gij geeft heden te kennen dat oversten en knechten bij u niets zijn; want ik merk heden, dat zoo Absalom leefde en wij heden allen dood waren, dat het \'alsdan recht zoude zijn in uwe oogen.

7 Zoo\'sta nu op, ga uit, en spreek naar liet hart uwer knechten; want ik zweer bij den Heere als gij niet uitgaat, zoo daar een man dezen nacht bij u zal vernachten ! En dit zal u kwader zijn dan al het kwaad, dat over u gekomen is van uwe jeugd af tot nu toe.

8 Toen stond de Koning op en zette zich in de poort; en zij lieten al het volk weten, zeggende: Zie, de Koning zit in de poort; toen kwam al het volk voor des Konings aangezicht. Maar Israël was gevloden, een iegelijk naar zijne tenten.

9 En al het volk in alle stammen Israëls was onder zich twistende , zeggende: De Koning heeft ons gered van de hand onzer vijanden, en hij heeft ons bevrijd van de hand der Filistijnen, en nu is hij uit het land gevlucht voor Absalom;

10 en Absalom, dien wij over ons gezalfd hadden, is in den strijd gestorven: nu dan, waarom zwijgt gijlieden van den Koning weder te halen?

11 Toen zond de Koning David tot Zadok en tot Abjathar de Priesteren, zeggende: Spreekt tot de oudsten van Juda, zeggende: Waarom zoudt gijlieden de laatsten zijn om den Koning weder te halen tót zijndmis? (Want de rede van het gansche Israël was tot den Koning gekomen in zijn huis.)

12 Gij zijt mijne broederen, mijn been en \' mijn vleesch zijt gij: waarom zoudt gij dan de laatsten zijn om den Koning weder te halen ?

13 En tot Amasa zult gijlieden


-ocr page 402-

2 SAMUËL 19.

388

zeggen: Zijt gij niot mijn been en mijn vleescn? God doe mij zóó en doe er zóu toe, zoo gij niet krijgsoverste zult zijn voor mijn aangezicht te allen dage, in Joabs plaats.

14 Alzoo neigde hij het hart aller mannen van Juda, als eens éénigcn mans, en zij zonden henen tot den Koning, zeggende: Keer weder, gij en alle uwe knechten.

15 Toen keerde de Koning weder, en kwam tot aan den Jordaan; en Juda kwam tot Gilgal, om den Koning tegemoet te gaan, dat zij den Koning over den Jordaan voerden.

lö En Simeï de zoon van Ge ra, een Benjaminiet die van Bahnrim was, haastte zich en kwam af met de mannen van Juda den Koning David tegemoet.

17 en duizend man van Benjamin met hem; ook Ziba , de knecht van Sauls huis, en zijne vijftien zonen en zijne twintig knechten met hem ; en zij togen vaardiglijk over den Jordaan, vóór den Koning.

18 Als nu de pont overvoer, om het huis des Konings over te halen, en te doen wat goed was in zijne oogen, zoo viel Simeï de zoon van Gera neder voor het aangezicht des Konings, als hij over den Jordaan voer,

19 en hij zeide tot den Koning: Mijn heer rekene mij niet toe de misdaad, en gedenke niet wat

w knecht verkeerdelijk gedaan heeft te dien dage als mijn heer de Koning uit Jeruzalem uitging, dat het de Koning zich tor harte zoude nemen.

20 Want uw knecht weet zekerlijk, ik heb gezondigd; doch zie, ik ben heden gekomen de eerste van den ganschen huize Jozefs; om mijnen heere den Koning tegemoet te komén.

21 Toen antwoordde Abisai de zoon van Zeruja en zeide: Zoude dan Simeï hiervoor niet gedood worden, daar hij toch den gezalfde des Heeren gevloekt heeft?

22 Maar David zeide: Wat heb ik met ulieden te doen, gij zonen van Zeruja, dat gij mij heden ten satan zoudt zijn?\' Zoude heden iemand gedood worden in Israël? Want weet ik niet dat ik heden Koning geworden ben over Israël?

23 En de Koning zeide tot Simeï: Gij zult niet sterven; en de Koning zwoer hem.

24Mefibóseth, Sauls zoon, kwam óók af den Koning tegemoet; en hij had zijne voeten niet schoongemaakt ; noch zijnen knevelbaard beschoren, noch zijne kleederen gewasschen, van dien dag af dat de Koning was weggegaan, tot dien dag toe dat hij met vrede wederkwam.

25 En het geschiedde als hij te Jeruzalem den Koning tegemoet kwam, dat de Koning tot hem zeide: Waarom zijt gij niet met mij getogen, Mefibóseth?

26 En hij zeide: Mijn heer Koning, mijn knecht heeft mij bedrogen; want uw knecht zeide: Ik zal mij een ezel zadelen, en daarop rijden en tot den Koning trekken, want uw knecht is kreupel.

27 Daartoe beeft hij uwen knecht bij mijnen heere deii Koning val-schelijk aangedragen; doch mijn heer de Koning is als een engel Gods: doe dan wat goed is in uwe oogen.

28 Want al mijns vaders huis is niet geweest dan lieden des doods voor mijnen heere den Koning , nogtans hebt gij uwen knecht gezet onder degenen die aan uwe tafel eten: wat heb ik dan meer voor gerechtigheid, en meer te roepen tot den Koning?

29 Toen zeide de Koning tot hem: Waarom spreekt gij meer van uwe zaken? Ik heb gezegd: Gij en Ziba deelt het land.

30 En Mefibóseth zeide tot den Koning: Hij neme het ook gansch weg, naardien mijn heere de Koning met vrede in zijn huis is gekomen.

31 Barzillai de Gileadiet kwam ook af van Rogelim, en hij toog met den Koning over den Jordaan., om hem over den Jordaan te geleiden.

32 Barzillai nu was zeer oud, een man van tachtig jaar; en hij had den Koning onderhouden toen


-ocr page 403-

2 SAMUËL 20.

389

hij te Mahanaïin zijn verblijf had, want hij was een zeer groot man.

33 En de Koning zeide tot Bar-zillai: Trek gij met mij over, en ik zal ii bij mij te Jeruzalem onderhouden.

34 Maar Barzillai zeide tot den Koning: Koevele zullen de dagen der jaren mijns levens zijn, dat ik met den Koning zoude optrekken naar Jeruzalem?

35 Ik ben heden tachtig jaar oud: zoude ik kunnen onderscheiden tusschen goed en kwaad? Zoude uw knecht kunnen smaken wat ik eet en wat ik drink? Zoude ik meer kunnen hooren naar de stemme der zangers en zangeressen? En waarom zoude uw knecht mijnen heere den Koning verder tot eenen last zijn?

36 Uw knecht zal maar een weinig met den Koning over den Jordaan gaan; waarom toch zoude mij de Koning zulk eene vergelding doen?

37 Laat toch uw knecht weder-keeren, dat ik sterve in mijne stad, bij mijns vaders en mijner moeder graf; maar zie, daar is uw knecht Kimham, laat die met mijnen heer den Koning overtrekken, en doe hem wat goed is in uwe oogen.

38 Toen zeide de Koning: Kimham zal met mij overtrekken, en ik zal hem doen wat goed is in uwe oogen, ja alles wat gij op mij begeeren zult zal ik u doen.

39 Toen nu al het volk over den Jordaan gegaan was, en de Koning ook was overgegaan, kuste de Koning Barzillai en zegende hem: alzoo keerde hij weder naar zijne plaats.

40 En de Koning toog voort naar Gilgal, en Kimham toog met hem voort; en al het volk van Juda had den Koning overgevoerd, alsook een gedeelte des volks Israëls.

41 En zie, alle mannen Israëls kwamen tot den Koning, en zij zeiden tot den Koning: Waarom hebben u onze broeders, de mannen van Juda, gestolen en hebben den Koning en zijn huis over den Jordaan gevoerd, en alle mannen Davids met hem?

42 Toen antwoordden alle mannen van Juda tegen de mannen Israëls: Omdat de Koning ons na verwant is; en waarom zijt gij nu toornig over deze zake? Hebben wij dan eenigszins gegeten van des Konings kost, of heelt hij ons een geschenk geschonken?

43 En de mannen Israëls antwoordden den mannen van Juda en zeiden: Wij hebben tien dee-len aan den Koning, en ook aan üavid, wij, meer dan gij: waarom hebt gij ons dan gering geacht, dat ons woord niet het eerste geweest is om onzen Koning weder te halen? Maar het woord der mannen van Juda was harder dan het woord der mannen Israëls.

HOOFDSTUK 20.

Toen was daar bij geval een belialsman, wiens naam was Seba, een zoon van Bichri, een Benjaminiet, die blies met de bazuin, en zeide: Wij hebben geen deel aan David en wij hebben geene erfenis aan den zoon van Isaï: een iegelijk naar zijne tenten, o Israël 1

2 Toen toog alle man van Israël op van achter David, Seba den zoon van Bichri achterna, maar de mannen van Juda kleel-den hunnen Koning aan, van den Jordaan af tot aan Jeruzalem.

3 Toen nu David in zijn huis te Jeruzalem kwam, nam de Koning-de tien vrouwen, zijne bijwijven, die hij gelaten had om het huis te bewaren, en deed ze in een huis van bewaring, en onderhield ze, maar ging tot haar niet in; en zij waren opgesloten tot op den dag van haren dood, levende als weduwen.

4 Voorts zeide de Koning tot Amasa: Roep mij de mannen van Juda te zamen tegen den derden dag, en gij, stel u dan hier.

5 En Amasa ging henen om Juda bijeen te roepen; maar hij bleef achter boven den gestelden tijd dien hij hem gezet had.

G Toen zeide David tot Abisai: Nu zal ons Seba de zoon van


-ocr page 404-

2 SAMUËL 20.

390

Bichri meer kwaad doen dan Absalom : neem gij de knechten uws heeren en jaag hem achterna, opdat hij niet misschien vaste steden voor zich vindo, en zich onzen oogen onttrekke.

7 Toen togen uit, hem achterna, de mannen Joabs, en de Krethi en de Plethi, en alle de helden: deze togen uit van Jeruzalem om Seba, den zoon van Bichri, achterna te jagen.

8 Als zij nu waren bij den groo-ten steen die bij Gibeon is, zoo kwam Amasa voor hun aangezicht. En Joab was omgord over zijn kleed dat hij aan had, en daarop was een gordel, waar het zwaard aan vastgemaakt was op zijne lendenen in zijne scheede; en quot;als hij voortging, zoo viel het uit.

9 En Joab zeide tot Amasa: Is het wèl met u, mijn broeder? En Joab vatte met de rechterhand den baard van Amasa. om hem te kussen.

10 En Amasa hoedde zich niet voor het zwaard dat in Joabs hand was: zoo sloeg hij hem daarmede aan de vijfde rib, en hij stortte zijn ingewand ter aarde uit, en hij sloeg hem niet ten tweeden male, en hij stierf. Toen jaagden Joab, en zijn broeder Abisai, Seba den zoon van Bichri achterna.

11 Maar een man van Joabs jongens bleef bij hem staan, en hij zeide: Wie is er die lust heeft aan Joab, en wie is er die voor David is, die volge Joab na.

12 Amasa nu lag in het bloed gewenteld midden op de straat. Als nu die man zag dat al het volk staan bleef, zoo deed hij Amasa weg van de straat in het veld, en wierp een kleed op hem, dewijl hij zag dat al wie bij hem kwam bleef staan.

13 Toen hij nu van de straat weggenomen was toog alle man voort, Joab na, om Seba den zoon van Bichri achterna te jagen.

14 En hij toog henen door alle stammen Israels naar Abel, te weten Beth-Maacha, en het gan-sche Berim. En zij verzamelden zich en kwamen hem ook na;

15 en zij kwamen en belegerden hem in Abel Beth-Maacha, en zij wierpen eenen wal op tegen de stad, dat hij aan don buitenmuur stond; en al het volk dat met Joab was verdorven den muur, om dien neder te vellen.

16 Toen riep eene wijze vrouw uit de stad: Hoort, hoort, zegt toch tot Joab: Nader tot hier, dat ik tot u spreke.

17 Toen hij nu tot haar naderde , zeide de vrouw: Zijt gij Joab? En hij zeide: Ik ben \'t.\'En zij zeide tot hem: Hoor de woorden uwer dienstmaagd. En hij zeide: Ik hoor.

18 Toen sprak zij, zeggende: In vorige tijden spraken zij gemeenlijk, zeggende: Zij zullen zonder twijfel te Abel vragen; en alzóó volbrachten zij het.

19 Ik ben eene van de yreed-zamen, van de getrouwen in Israël, en gij zoekt te dooden eene stad, die eene moeder is in Israël : waarom zoudt gij het erfdeel des Heeren verslinden?

20 Toen antwoordde Joab en zeide: Het zij verre, het zij verre van mij, dat ik zoude verslinden en dat ik zoude verderven:

21 de zaak is niet alzoo; maar een man van het gebergte Efraïms, wiens naam is Seba, de zoon van Bichri, heeft zijne hand opgeheven tegen den Koning, tegen David: levert hem alleen, zoo zal ik van deze stad aftrekken. Toen zeide de vrouw tot Joab: Zie, zijn hoofd zal tot u over den muur geworpen worden.

22 En de vrouw kwam in tot al het volk met hare wijsheid; en zij hieuwen Seba den zoon van Bichri het hoofd af, en wierpen het Joab toe: toen blies hij met de bazuin, en zij verstrooiden zich van de stad, quot;een iegelijk naar zijne tenten, en Joab keerde weder naar Jeruzalem tot den Koning.

23 Joab nu was over het gan-sche heir Israëls, en Benaja ie zoon van Jojada over de Krethi en over de Plethi,

24 en Adoram was over de schatting, en Josafat de zoon Ahiluds was kanselier,


-ocr page 405-

2 SAMUEL 21.

391

25 en Seja was schrijver, en Zadok en Abjafhar waren Priesters,

26 en ook was Ira de Jaïriet Davids opperofficier.

HOOFDSTUK 21.

En daar was in Davids dagen een honger, drie jaren, jaar achter jaar; en David zocht het aangezicht des Heeren , en de IIeere zeide: Het is om Saul en om de bloedschuld zijns huizes, omdat hij de Gibeoniten gedood heeft.

2 Toen riep de Koning de Gibeoniten en zeide tot hen: (de Gibeoniten nu die waren niet van de kinderen Israels, maar van het overblijfsel der Amoriten, en de kinderen Israëls hadden hun gezworen; maar Saul zocht ze te slaan in zijnen ijver voor de kinderen van Israël en Juda):

3 David dan zeide tot de Gibeoniten: Wat zal ik ulieden doen, en waarmede zal ik verzoenen, dat gij het erfdeel des Heeren zegent ?

4 Toen zeiden de Gibeoniten tot hem: Het is ons niet te doen om zilver en goud met Saul en met zijn huis; ook is het ons niet te doen om iemand te dooden in Israël. En hij zeide: Wat zegt gij dan dat ik u doen zal?

I 5 En zij zeiden tot den Koning: De man die ons te niet gemaakt, en tegen ons gedacht heeft dat wij zouden verdelgd worden, zonder te kunnen bestaan in eenige landpale van Israël:

6 laat ons zeven mannen van zijne zonen gegeven worden, dat wij ze den Heere ophangen te Gibea Sauls, o gij verkorene des Heeren. En de Koning zeide: Ik zal ze geven.

7 Doch de Koning verschoonde Mefibóseth, den zoon Jonathans des zoons Sauls, om don eed des

\' Heeren die tusschen hen was, tusschen David en tusschen Jonathan, Sauls zoon.

8 Maar de Koning nam de twee zonen van Rizpa de dochter van Ajja, die zij Saul gebaard had, Armoni en Mefibóseth; daartoe de vijf zonen van Michals zuster, Sauls dochter, die zij Adriël den

zoon van Barzillai den Meholathiet gebaard had;

9 en hij gaf ze in de hand der Gibeoniten, die ze ophingen op den berg voor het aangezicht des Heeren, en die zeven vielen te gelijk; en zij sverden gedood in de dagen des oogstes, in de eerste dagen, in het begin des gersten-oogstes.

10 Toen nam Rizpa de dochter van Ajja eenen zaK, en spande dien vcor zich uit op eenen rotssteen , van het begin des oogstes totdat er water op hen drupte van den hemel; en zij liet het gevogelte des hemels op hen niet rusten des daags, noch het gedierte van het veld des nachts.

11 En het werd David aangezegd, wat Rizpa de dochter van Ajja, Sauls bijwijf, gedaan had.

12 Zoo ging David henen en nam de beenderen Sauls en de beenderen Jonathans, zijns zoons, van de burgeren van Jabos in Gilead, die dezelve gestolen hadden van de straat Beth-San, alwaar ze do Filistijnen hadden opgehangen ten dage als de Filistijnen Saul sloegen op Gilboa;

13 en hij bracht van daar öp de beenderen Sauls en de beenderen Jonathans zijns zoons, ook verzamelden zij de beenderen der gehangenen,

14 en zij begroeven de beenderen Sauls en zijns zoons Jonathans in het land Benjamins te Zela, in het graf zijns vaders Kis, en deden alles dat de Koning geboden had. Alzoo werd God na dezen den \'ande verbeden.

15 Voorts hadden de Filistijnen nog eenen krijg tegen Israël; en David toog af, en zijne knechten met hem, en zij streden tegen de Filistijnen , da : David moede werd.

lü En Jisbibenob , die van de kinderen van Rafa was, en het gewicht zijner spies driehonderd gewicht kopers, en hij was aangegord met een nieuw zwaard) deze dacht David te slaan;

17 maar Abisai de zoon van Zeruja hielp hem, en sloeg den Filistijn en doodde hem. Toen zwoeren hem de mannen Davids,


-ocr page 406-

2 SAMUËL 22.

392

zeggende: Gij zult niet meer met ons uittrekken ten strijde, opdat gij de lampe Israëls niet uitbluscht.

18 En het geschiedde daarna dat er wederom een krijg was te Gob tegen de Filistijnen: toen sloeg Sibbechai de Husathiet Saf die van de kinderen van Rafa was.

19 Voorts was er nog een krijg te Gob tegen de Filistijnen; en Klhanan, de zoon van Jaaré-Ore-gim, sloeg Beth-Halachmi, dewelke was met Goliath den Gethiet, wiens spiesenhout was als een weversboom.

20 Nog was er ook een krijg te Gath; en daar was een zeer lang man, die zes vingers had aan zijne handen en zes teenen aan zijne voelen, vierentwintig in getale, en deze was óók aan Rata geboren:

21 en hij hoonde Israël; maar Jonathan, de zoon van Simea, Davids broeder, sloeg hem.

22 Deze vier waren aan Rafa geboren te Gath; en zij vielen door de hand Davids en door de hand zijner knechten.

HOOFDSTUK 22.

En David sprak de woorden dezes lieds tot den Heere ten dage als de Heere hem verlost had uit de hand aller zijner vijanden en uit de hand Sauls.

2 Hij zeide dan: De Heere is mij mijne steenrotse, en mijn burg, en mijn uilhelper.

o God is mijne rotse, ik zal op hem betrouwen: mijn schild en de hoorn mijns heils, mijn hoog vertrek en mijne toevlucht, mijn verlosser; van geweld hebt gij mij verlost.

4 Ik riep den Heere aan die te prijzen is, en ik werd verlost van mijne vijanden.

5 Want baren dos doods hadden mij omvangen, beken Belials verschrikten mij.

6 Banden der helle omringden mij, strikken des doods bejegenden mij.

7 Als mij bange was, riep ik den Heere aan, eu riep tot mijnen God: en hij hoorde mijne stemme uit zijn paleis, en mijn geroep kwam in zijne ooren.

8 Toen daverde en beefde de aarde, de fundamenten des hemels beroerden zich en daverden, omdat hij ontstoken was.

9 Rook ging op van zijnen neus, en een vuur uit zijnen mond verteerde , kolen werden daarvan aangestoken.

10 En hij boog den hemel en daalde neder, en donkerheid was i onder zijne .voeten.

11 En hij voer op eenen cherub en vloog, en werd gezien op de vleugelen des winds.

12 En hij zette duisternis rondom zich tot tenten, eene samenbinding der wateren, wolken des hemels.

13 Van den glans voor hem henen werden kolen des vuurs aangestoken.

14 De Heere donderde van den hemel, en de Allerhoogste gaf zijne stem.

15 En hij zond pijlen uit en verstrooide ze, bliksem en verschrikte ze.

In En de diepe kolken der zee werden gezien, de gronden der wereld werden ontdekt, door het schelden des Heerex, van het geblaas des winds van zijnen neus.

17 Hij zond van de hoogte, hij nam mij, hij trok mij op uit groote wateren.

18 Hij verloste mij van mijnen sterken vijand, van mijne haters, omdat zij machtiger waren dan ik.

19 Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals, maar de Heere was mij een steunsel,

20 en hij voerde mij uit in de ruimte, en rukte mij uit, want hij had lust aan mij.

21 De Heere vergold mij naar mijne gerechtigheid, hij gaf mij weder naar de reinigheid mijnei handen.

22 Want ik heb des Heeren , wegen gehouden, en ben van mijnen God niet goddelooslijk afgegaan.

23 Want allo zijne rechten waren vóór mij, en zijne inzettingen, daarvan week ik niet af.

24 Maar ik was oprecht vdoi* hem, eu ik wachtte mij voor m jne ongerechtigheid.


-ocr page 407-

2 SAMUEL 23.

25 Zoo gaf mij do Heere weder naar mijne gerechtigheid, naar mijne reinigheid, voor zijne oogen.

26 Bij den goedertierene houdt gij u goedertieren, bij den opréchten held houdt gij u oprecht.

27 Bij den reine houdt gij u rein, maar bij den verkeerde noudt gij u verdraaid.

28 En gij verlost het bedrukte volk; maar uwe oogen zijn tegen de hoogen, gij zult ze vernederen.

29 Want gij zijt mijne lampe, o Heere, en quot;de IIeerê doet mijne duisternis opklaren.

30 Want met u loop ik door eene bende, met mijnen God spring ik over eenen muur.

31 Gods weg is volmaakt; de rede des Heeren is doorlouterd; hij is een schild allen die op hem betrouwen.

32 Want wie is God behalve de Heere, en wie is een rotssteen behalve onze God?

33 God is mijne sterkte - cn kracht; en hij heeft mijnen weg volkomen geopend.

34 Hij maakt mijne voeten gelijk als der hinden, en stelt mij op mijne hoogten.

35 Hij leert mijne handen ten strijde, zoodat een stalen boog met mijne armen verbroken is.

30 Ook hebt gij mij gegeven hei schild uws heils, en door uw verootmoedigen hebt gij mij groot gemaakt.

37 Gij hebt mijnen voetstap ruim gemaakt onder mij, cn mijne enkelen hebben niet gewankeld.

38 Ik vervolgde mijne vijanden en verdelgde ze, cn keerde niet weder totdat ik ze verdaan had.

39 En ik verteerde ze en doorstak ze , dat zij niet weder opstonden, maar zij vielen onder mijne voeten.

40 Want gij omgorddet mij met kracht ten strijde, gij deedt ónder mij nederbukken die tegen mij opstonden,

41 en gij gaaft mij den nek mijner vijanden, mijner bateren, en ik vernielde ze.

42 Zij zagen uit, maar er was geen verlosser, naar den Heere, maar hij antwoordde hen niet.

43 Toen vergruisde ik ze als stof der aarde; ik stampte ze, ik breidde ze uit als slijk der straten.

44 Ook hebt gij mij uitgeholpen van de twisten mijns volks; gij hebt mij bewaard tot een hoofd der heidenen; het volk dat ik niet kende heeft mij gediend.

45 Vreemden hebben zich mij gevcinsdelijk onderworpen; zoo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd.

40 Vreemden zijn vervallen, en hebben zich aangegord uit hunne sloten.

47 De Heere leeft, en geloofd zij mijn rotssteen, en verhoogd zij God, de rotssteen mijns heils:

48 De God die mij volkomene wrake geeft, en de volken onder mij nederwerpt,

49 en die mij uitvoert van mijne vijanden; cn gij verhoogt mij boven degenen die tegen mij opstaan, gij redt mij van den man alles gewelds.

50 Daarom zal ik u, o Heere , loven onder do heidenen, en uwen naam zal ik psalmzingen.

51 Hij is een toren der verlossingen zijns Konings, en hij doet goedertierenheid aan zijnen Gezalfde, aan David cn aan zijn zaad tot in eeuwigheid.

HOOFDSTUK 23.

Voorts zijn dit de laatste woorden Davids. David de zoon van Isaï zegt, en de man die hoog is opgericht, de gezalfde des Gods Jakobs, en liefelijk in psalmen

1 ^Dg\' Geest des Heeren heeft door mij gesproken, en zijne rede is op mijne tong geweest.

3 De God Israëis heeft gezegd , de rotssteen Jsraëls heeft tot mij gesproken; Daar zal zijn een Heerscher over de menschen, een Rechtvaardige, een Heerscher in de vreeze Gods;

4 en hij zal zijn gelijk het licht des morgens, tuanneer de zon opgaat; des morgens zonder wolken , wanneer van den glans na den regen de grasscheutjes uit de aarde voortkomen.


-ocr page 408-

2 S A M U Ë L 23.

904

5 Hoewel mijn huis alzóó niet is bij God, nogtans heeft hij mij een eeuwig verbond gesteld, dat in alles wèl geordineerd en bewaard is; voorzeker is daarin al mijn heil en alle lust, hoewel hij het nog niet doet uitspruiten.

6 Maar de mannen Belials die zullen altemaal zijn als doornen, die weggeworpen worden, omdat men ze met de hand niet kan vatten,

7 maar een iegelijk die ze zal aantasten voorziet zich met ijzer en het hout eener spies; en zij zullen ganschelijk met vuur verbrand worden terzelfder plaatse.

8 Dit zijn de namen der helden die David gehad heeft. Joscheb Baschébeth, de zoon van Tach-kemoni, de voornaamste der hoofdlieden. Deze was Adino de Ezniet, die zich stelde tegen achthonderd, die van hem verslagen werden op éénmaal.

9 En na hem was Eleazar, de zoon van Dodo, zoon van Ahohi: deze luas onder de drie helden met David, toen zij de Filistijnen beschimpten, die aldaar ten strijde verzameld waren, en de mannen Israels waren opgetogen.

10 Deze stond op en sloeg onder de Filistijnen, totdat zijne hand moede werd, ja zijne hand aan het zwaard kleefde; en de Heere wrocht een groot heil ten zelfden dage; en het volk keerde wederom hem na, alleenlijk om te plunderen.

11 Na hem nu was Samma, de zoon van Agé, de Harariet: toen de Filistijnen verzameld waren in een dorp, en aldaar een stuk akkers was vol linzen, en het volk voor het aangezicht der Filistijnen vluchtte,

12 zoo stelde hij zich in het midden van dat stuk, en verloste dat, en sloeg de Filistijnen, en de Heere wrocht een groot heil.

13 Ook gingen af drie van de dertig hoofden, en kwamen in den oogst tot David in de spelonk van Adullam; en der Filistijnen hoop had zich gelegerd in het dal Re-faïm.

14 En David was toen in oene

vesting; en de bezetting der Fili- | stijnen was toen te Bethlehem.

15 En David kreeg lust en zei-de: Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput die in de poorte is?

16 Toen braken die drie helden door het leger der Filistijnen, en ; putteden water uit Bethlehems . j bornput, die in de poorte is, en ( droegen het, en kwamen tot David. Doch hij wilde dat niet drinken, maar goot het uit voor den 1 Heere, , i

17 en zeide; Het zij verre van mij, o Heere, dat ik dit zoude » doen: zoude ik drinken het bloed der mannen, die henengegaan [! zijn met gevaar huns levens? En

hij wilde het niet drinken. Dit deden die drie helden.

18 Abisai, Joabs broeder, de zoon van Zeruja, die was ook een hoofd van drie; en die hief zijne spies op tegen driehonderd, die Ir van hem verslagen werden, en | hij had een naam onder die drie. f

19 Was hij niet de heerlijkste . van die drie? Daarom was hij hun ? tot een overste. Maar hij kwam niet tot aan di»gt; eerste drie.

20 Voorts Benaja, de zoon van Jojada, eens dapperen mans zoon, groot van daden, van Kabzeel: die sloeg twee sterke leeuwen van Moab, ook ging hij af en sloeg eenen leeuw in het midden van eenen kuil in den sneeuwtijd.

21 Daartoe sloeg hij eenen Egyp-tischen man. een man van aanzien;

en in de hand des Egyptenaars ; was eene spies, maar hij ging tot hem af met eenen staf; en hij rukte de spies uit de hand des Egyptenaars , en doodde hem met zijne eigene spies.

22 Die dingen deed Benaja de zoon van Jojada, dies had hij [ eenen naam onder de drie helden- 1

23 hij was de heerlijkste van de dertig , maar tot die drie eersU kwam hij niet; en David stelde hem over zijne trawanten.

24 Asaël Joabs broeder was onder de dertig; Elhanan de zoon van Dodo van Bethlehem;

25 Samma de Harodiet; Eli ka de Harodiet;


-ocr page 409-

2 SAMUEL 24.

395

26 Helez de Paltiet; Ira de zoon van Ikes de Tekoïet;

27 Abiëzer de Annethothiet; Mebunnaï de Husathiet;

28 Zalmon de Ahohiet; Maharaï de Netofathiet;

29 Heleb de zoon van Baëna de Netofathiet; Ittaï de zoon van Ribaï, van Gibea der kinderen Benjamins;

30 Benaja de Pirathoniet; Hid-daï van de beken van Gaas;

31 Abialbon de Arbathiet; Az-móveth de Barhumiet;

32 Eljachba de Saalboniet; van de zonen van Jasen Jonathan;

33 Samma de Harariet; Ahiam de zoon van Sarar de Harariet;

34 Elifélet, de zoon van Ahas-baï eens Maachathiets zoon; Eliam de zoon Achithófels de Giloniet;

35 Hezraï de Karmeliet; Paëraï de Arbiet;

36 Jigal de zoon Nathans van Zoba; Bani de Gadiet;

37 Zelek de Ammoniet; Naha-raï de Beërothiet, de wapendrager Joabs des zoons van Zeruja;

38 Ira de Jethriet; Gareb de Jethriet;

39 Una de Hethiet: zevenendertig in alles.

HOOFDSTUK 24.

En de toorn des Heeren voer, voort te ontsteken tegen Israël, en hij porde David aan tegen hen, zeggende: Ga, tel Israël en Juda.

2 De Koning dan zeide tot Joab den krijgsoverste die bij hem was: Trek nu öm door alle stammen Israëls, van Dan tot Ber-Séba toe, en tel het volk, opdat ik het getal des volks wete.

3 Toen zeide Joab tot den Koning: Nu doe de Heeiie uw God tot dezen volke zooals deze en die nu zijn, honderdmaal meer, dat de oogen mijns heeren des Konings het aanzien; maar waarom heeft mijn heere de Koning lust tot deze zulce ?

4 Doch des Konings woord nam de overhand tegen Joab en tegen de oversten des heirs. Alzoo toog Joab uit met de oversten des heirs, van des Konings aangezicht, om het volk Israël te tellen;

5 en zij gingen over den Jordaan en legerden zich bij Aroër, ter rechterhand der stad die in het midden is van de beek Gads, en aan Jaëzer.

6 Voorts kwamen zij in Gilead, en in het lage land Hodsi; ook kwamen zij te Dan-Jaan, en rondom bij Sidon ;

7 en zij kwamen tot de vesting van Tyrus, en alle steden der Heviten en der Kanaaniten; en zij kwamen uit aan het zuiden van Juda te Ber-Séba.

8 Alzoo togen zij öm door het gansche land, en ten einde van negen maanden en twintig dagen kwamen zij te Jeruzalem.

9 En Joab gaf de som des ge-telden volks aan den Koning: en in Israël waren achthonderdduizend strijdbare mannen, die het zwaard uittrokken, en de mannen van Juda waren vijfhonderdduizend man.

10 En Davids hart sloeg hem nadat hij het volk geleld had, en David zeide tot den Heere: Ik heb zeer gezondigd in hetgeen ik gedaan heb; maar nu, o Heere; neem toch de misdaad uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gedaan.

11 Als nu David des morgens opstond, zoo geschiedde het woord des Heeren tot den Profeet Gad, Davids ziener, zeggende:

12 Ga henen en spreek tot David: Alzóó zegt de Heeke: Drie dingen draag ik u voor: verkies u één uit die, dat ik u doe.

13 Zoo kwam Gad tot David, en maakte het hem bekend, en zeide tot hem: Zal u een honger van zeven jaren in uw land komen? Of tvill gij drie maanden vlieden voor het aangezicht uwer vijanden, dat die u vervolgen? Of dat er drie dagen pestilentie in uw land zij ? Merk nu en zie toe, wat antwoord ik dien zal weder-brengen die mij gezonden heeft.

14 Toen zeide David tot Gad: Mij is zeer bange: laat ons toch in de hand des Heeren vallen, want zijne barmhartigheden zijn vele, maar laat mij in de hand van menschen niet vallen.


-ocr page 410-

1 KONINGEN 1.

396

15 Toen gaf de Heere eene pestilentie in Israël, van den morgen af tot den gezetten tijd toe; en er stierven van den volke, van Dan tot Ber-Séba toe, zeventigduizend mannen.

16 Toen nu de engel zijne hand uitstrekte over Jeruzalem om haar te verderven, berouwde het den Heere over dat kwaad, en hij zeide tot den engel, die het verderf onder den volke maakte: Het is genoeg, trek uwe hand nu af. De engel des Heeren nu was bij den dorschvloer van Arauna den Jebusiet.

17 En David, als hij den engel zag die het volk sloeg, sprak tot den Heere en zeide: Zie, ik, ik heb gezondigd en ik heb onrecht gehandeld; maar wat hebben deze schapen gedaan? Uwe hand zij toch tegen mij en tegen mijns vaders huis.

18 En Gad kwam tot David op dienzelfden dag, en zeide tot hem: Ga op, richt den Heere een altaar op, op den dorschvloer van Arauna den Jebusiet.

19 AIzoo ging David op naar Gads woord, gelijk als de Heere geboden had.

20 En Arauna zag toe, en zag den Koning en zijne knechten tot zich overkomen; zoo ging Arauna uit, en boog zich voor den Koning met zijn aangezicht ter aarde;

21 Én Arauna zeide: Waarom komt mijn heere de Koning tot zijnen knecht? En David zeide: Om dezen dorschvloer van u te koopen, om den Heere een altaar te bouwen, opdat deze plage opgehouden worde van over den volke.

22 Toen zeide Arauna tot David: Mijn heere de Koning neme en oftere wat goed is in zijne oogen; ziedaar de runderen ten brandoffer, en de sleden en het runder-tuig tot hout.

23 Dit alles gaf Arauna de Koning aan den Koning; voorts zeide Arauna tot den Koning: De Heere uw God neme een welgevallen in u.

24 Doch de Koning zeide tot Arauna: Neen, maar ik zal het zekerlijk van u koopen voor den prijs, want ik zal den Heere mijnen God niet offeren brandof-feren om niet.quot; Alzoo kocht David den dorschvloer en de runderen voor vijftig zilveren sikkelen.

25 Eii David bouwde aldaar den Heere een altaar, en offerde brandofferen en dankofferen: alzoo werd de Heere den lande verbeden en werd deze plage van over Israël opgehouden.


HET EERSTE BOEK

DER

KONINGEN.

HOOFDSTUK 1.

De Koning David nu was oud, weibedaagd; en zij dekten hem met kleederen, doch hij kreeg geen warmte.

2 Toen zeiden zijne knechten lut hem: Laat ze mijnen heere den Koning eene jonge dochter, oen maagd zoeken, die voor het aangezicht des Konings sta en hem koestere, en zij slape in uwen schoot, dat mijn heere de Koning warm worde.

3 Zoo zochten zij eene schoore jonge dochter in alle landpalen Israels, en vonden Abisag, eene


-ocr page 411-

1 KONINGEN 1.

397

Sunamitische, en brachten ze tot den Koning.

4 En de jonge dochter was bovenmate schoon, en koesterde den Koning en diende hem; doch de Koning bekende ze niet.

5 Adom\'a nu de zoon Haggiths verhief zich, zeggende: Ik zal Koning zijn; en hij bereidde zich wagenen en ruiteren, en vijftig mannen loopende voor zijn aangezicht.

0 En zijn vader had hem niet bedroefd van zijne dagen, zeggende: Waarom hebt gij alzoó gedaan? En ook was hn zeer schoon van gedaante, en Haugith had hem gebaard na Absalom.

7 En zijne raadslagen waren met Joab den zoon van Zeruja, en met Abjathar den Priester; die hielpen, volgende Adom\'a.

8 Maar Zadok de Priester, en Benaja de zoon van Jojada, en Nathan de Profeet, en Simeï, en Reï, en de helden die David had, waren met Adonfa niet.

9 En Adom\'a slachtte schapen en runderen en gemest vee bij den steen Zohéleth, die bij de fontein Rogel is, en noodde alle zijne broederen, de zonen des Ko-nings, en alle mannen van Juda, des Konings knechten;

10 maar Nathan den Profeet, en Benaja, en de helden, en Salomo zijnen broeder, noodde hij niet.

11 Toen sprak Nathan tot Bath-séba de moeder van Salomo, zeggende : Hebt gij niet gehoord, dat Adom\'a de zoon Haggiths Koning is , en onze heer David weet dat niet ?

12 Nu dan , kom laat mij toch eenen raad geven, dat gij uwe ziel en uws zoons Salome\'s ziel redt.

13 Ga henen en treed in tot den Koning David, en zeg tot hem: Hebt gij niet, mijn heere Koning , uwe dienstmaagd gezworen , zeggende : Voorzeker uw zoon Salomo zal na mij Koning zijn, en hij zal op mijnen troon zitten? Waarom dan is Adom\'a Koning?

14 Zie, als gij daar nog met don Koning spreken zult, zoo zal ik na u inkomen, en zal uwe woorden vervullen.

15 En Bathséba ging in tot den Koning in de binnenkamer; doch de Koning was zeer oud, en Abi-sag de Sunamitische diende den Koning.

16 En Bathséba neigde het hoofd en boog zich neder voor den Koning, en de Koning zeide: Wat is u?

17 En zij zeide tot hem: Mijn heere, gij hebt uwe dienstmaagd bij den Heeue uwen God gezworen : Voorzeker Salomo uw zoon zal na mij Koning zijn, en hij zal op mijnen troon zitten.

18 En nu zie, Adom\'a is Koning; en nu mijn heer Koning, gij weet het niet.

19 En hij heeft ossen en gemest vee en schapen in menigte geslacht , en genood alle de zonen des Konings, en Abjathar den Priester, en Joab den krijgsoverste , maar uwen knecht Salomo heeft hij niet genood.

20 Maar gij, mijn heer Koning, de oogen des ganschen Israels zijn op u, dat gij hun zoudt te kennen geven wie op den troon mijns heeren des Konings na hem zitten zal;

21 anders zal het geschieden als mijn heer de Koning met zijne vaderen zal ontslapen zijn, dat ik en mijn zoon Salomo als zondaars zullen zijn.

22 En quot;zie, zij sprak nog met den Koning, als de Profeet Nathan in kwam ;

23 en zij gaven den Koning te kennen, zeggende : Zie, de Profeet Nathan is daar; en hij kwam voor het aangezicht des Konings, en boog zich voor den Koning op zijn aangezicht ter aarde;

24 en Nathan zeide: Mijn heer Koning, hebt gij gezegd: Adom\'a zal na mij Koning zijn, en hij zal op mijnen troon zitten?

25 Want hij is heden afgegaan, en heeft geslacht ossen en gemest vee en scha pen in menigte, en heeft genood alle de zonen des Konings, en de oversten des heirs, en Abjathar den Priester ; en zie , zij eten en drinken voor zijn aangezicht , en zeggen: De quot;Koning Adom\'a leve.


-ocr page 412-

1 KONINGEN 1.

398

26 Maar mij die uw knecht ben, en Zadok den Priester, en Benaja den zoon van Jojada, en Salomo uwen knechtquot;, heeft hij niet genood.

27 Is deze zake van mijnen heer den Koniig geschied, en hebt gij uwen knecht niet bekend gemaakt wie op den troon mijns heeren des Konings na hem zitten zoude?

28 En de Koning David antwoordde en zeide: Roept mij Bath-séba; en zij kwam voor hèt aangezicht des Konings, en stond voor het aangezicht des Konings.

29 Toen zwoer de Koningen zeide: Zoo waarachtig als de Heere leeft, die mijne quot;ziele uit allen nood verlost heeft,

30 voorzeker, gelijk als ik u gezworen heb bij den Heere den God Israels, zeggende : Voorzeker zal uw zoon Salomo na mij Koning zijn en zal op mijnen troon in mijne plaats zitten, — voorzeker alzóó zal ik te dezen zelfden dage doen.

31 Toen neigde zich Bathséba met het aangezicht ter aarde en boog zich neder voor den Koning, en zeide: Mijn heer de Koning David leve in eeuwigheid.

32 En de Koning David zeide: Roept mij Zadok den Priester, en Nathan dén Profeet, en Benaja den zoon van Jojada. En zij kwamen voor het aangezicht des konings.

33 En de Koning zeide tot hen: Neemt met u de knechten uws heeren, en doet mijnen zoon Salomo rijden op de muilezelin die voor mij te, en voert hem af naar Gihon,

34 en dat Zadok de Priester met Nathan den Proleet hem aldaar tot Koning over Israël zalve; daarna zult gij met de bazuin blazen, en zeggen: De Koning Salomo leve.

35 Dan zult gij achter hem optrekken, en hij zal komen en zal op mijnen troon zitten, en hij zal Koning zijn in mijne plaats; want ik heb geboden dat hij een voorganger zoude zijn over Israël en over Juda.

36 Toen antwoordde Benaja de zoon van Jojada den Koning en zeide: Amen, alzóó zegge de

Heere de God mijns heeren des Konings:

37 gelijk als de Heere met mijnen heere den Koning geweest is, alzóó zij hij met Salomo, en make zijnen troon grooter dan den troon mijns heeren des Konings Davids.

38 Toen ging Zadok de Priester af met Nathan den Profeet, en Benaja den zoon van Jojada. en de Krethi en de Plethi, en deden Salomo rijden op de muilezelin des Konings Davids, en geleidden hem naar Gihon;

39 en Zadok de Priester nam den oliehoorn uit de Tente, en zalfde Salomo; en zij bliezen met de bazuin, en al het volk zeide: De Koning Salomo leve.

40 En al het volk kwam op achter hem, en het volk pijpte met pijpen en verblijdde zich met groote blijdschap, zoodat de aarde van hun geluid spleet.

41 En Adom\'a hoorde het, en alle de genooden die met hem waren, die nu geëindigd hadden te eten; ook hoorde Joab het geluid der bazuinen, en zeide: Waarom is het geroep dier stad die in roer is?

42 Als hij nog sprak, zie, zoo kwam Jonathan de zoon Abjathars des Priesters; en Adom\'a zeide: Kom in, want gij zijteen kloek man, en zult het goede boodschappen.

43 En Jonathan antwoordde en zeide tot Adom\'a: Ja maar onze heere de Koning David heeft Salomo tot Koning gemaakt;

44 en de Koning heeft met hern gezonden Zadok den Priester, en Nathan den Profeet, en Benaja denzoon van Jojada, en de Krethi en de Plethi, en hebben hem doen rijden op de muilezelin des Konings ;

45 daartoe hebben hem Zadok do Priester en Nathan de Profeet in Gihon tot Koning gezalfd, en zijn van daar blijde opgetogen, zoodat de stad in roer is: dat is het geroep dat gij gehoord hebt.

46 En ook zit Salomo op den troon des koninkrijks;

47 zoo zijn ook de knechten des


-ocr page 413-

1 KONINGEN 2.

399

Konings gekomen om onzen heer den Koning David te zegenen, zeggende: Uw God make den naam van Salomo beter dan uwen naam, en make zijnen troon groo-ter dan uwen troon. En de Koning heeft aangebeden op de slaapstede,

/18 ja ook heeft de Koning aldus gezegd: Geloofd zij de Heere de God Israels, die quot;heden gegeven heeft eenen zittende op mijnen troon, dat mijne oogen het gezien hebben.

49 Toen verschrikten en stonden op alle de genooden die bij Adonia waren, en gingen een iegelijk zijns-weegs.

50 Doch Adonia vreesde voor Salomo, en hij stond op en ging henen en vatte de hoornen des altaars.

51 En men maakte Salomo bekend, zeggende: Zie, Adonia vreest den Koning Salomo, want zie, hij heeft de hoornen des altaars gevat, zeggende: Dat de Koning Salomo mij als heden zwere dat hij zijnen knecht met den zwaardè niet dooden zal.

52 En Salomo zeide: Indien hij een vroom man zal zijn, daar zal niet van zijn haar op de aarde vallen; maar indien in hem kwaad bevonden zal worden, zoo zal hij sterven.

53 En de Koning Salomo zond henen en zij deden hem afgaan van het altaar, en hij kwam en boog zich neder voor den Koning Salomo , en Salomo zeide tot hem: Ga henen naar uw huis.

HOOFDSTUK 2.

Als nu de dagen Davids nabij ■waren dat hij sterven zoude, zoo gebood hij zijnen zoon Salomo, zeggende:

2 Ik ga henen in den weg der gansche aarde; zoo zijt sterk en wees een man;

3 en neem waar de wacht des Heeren uws Gods, om te wandelen in zijne wegen, om te onderhouden zijne inzettingen en zijne geboden eh zijne rechten en zijne getuige-nisseh, gelijk geschreven is in de wet van Mozes; opdat gij verstandelijk handelt in al wat gij doen zult en al waarhenen gij u wenden zult;

4 opdat de Heere bevestige zijn woord, dat hij over\'mij gesproken heeft, zeggende: Indien uwe zonen hunnen weg bewaren, om voor mijn aangezicht trouwelijk met hun gansche harte en met hunne gansche ziele te wandelen, zoo zal geen man, zeide hij, u afgesneden worden van den troon Israels.

5 Zoo weet gij ook wat Joab de zoon van Zeruja mij gedaan heeft, en wat hij gedaan heeft den twee krijgsoversten Israels, Abner den zoon van Ner en Amasa den zoon van Jether, die hij gedood heeft, en heeft krijgsbloed vergoten in vrede, en hij heeft krijgsbloed gedaan aan zijnen gordel die aan zijne lendenen was, en aan zijne schoenen die aan zijne voeten waren:

6 doe dan naar uwe wijsheid, dat gij zijn grauwe haar niet met vrede in het graf laat dalen.

7 Maar den zonen van Barzillai den Gileadiet zult gij weldadigheid bewijzen, en zij zullen zijn onder degenen die aan uwe tafel eten; want alzóó naderden zij tot mij als ik vluchtte voor het aangezicht uws broeders Absaloms.

8 En zie, bij u is Simeï de zoon van Gera, de Benjaminiet uit Bahurim, die mij vloekte met eenen geweldigen vloek, ten dage als ik ging naar Mahanaïm; doch hij kwam af mij tegemoet aan den Jordaan, eii ik zwoer hem bij den Heere, zeggende: Zoo ik hem met den zwaarde doode!

9 Maar nu, houd hem niet onschuldig, dewijl gij een wijs man zijt; en gij zult weten wat gij hem doen zult, opdat gij zijn grauwe haar met bloed in het graf doet dalen.

10 En David ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven in de stad Davids.

11 De dagen nu die David geregeerd heeft over Israël zijn veertig jaar: zeven jaren heeft hij geregeerd in Hebron, en in Jeruzalem heeft hij drieëndertig jaren geregeerd.


-ocr page 414-

NGEN 2.

1 K O XI

12 En Salomo zat op don Iroon zijns vaders Davids, on zijn koninkrijk werd zeer bevestigd.

quot;13 Toen kwam Adonfa de zoon van Haggith tot Bathséba, de moeder van Salomo. En zij zoido : Is uwe komst vrede? En hij zeide: Vrede.

14 Dnarna zeido hij: Ik heb een woord aan u. En zij zeide: Spreek.

15 Hij zeide dan : Gij weet dat het koninkrijk mijn was, en het gansche Israel zijn aangezicht op mij gezet had dat ik Koning zijn zoude; hoewel het koninkrijk omgewend en mijns broeders geworden is, want het is van denHEERE hem geworden:

1G en nu begeer ik van u eene éénige begeerte, wijs mijn aangezicht niet af. En zij zeide tot hem: Spreek.

17 En hij zeide: Spreek toch tot den Koning Salomo, want hij zal uw aangezicht niet afwijzen, dat hij mij Abisag de Simamitische ter vrouwe geve.

18 En Bathséba zeide: Het is goed, ik zal den Koning voor u aanspreken.

19 Zoo kwam Bathséba tot don Koning Salomo om hem voor Adoma aan te spreken; en de Koning stond op, haar tegemoet, en boog zich voor haar; daarna zat hij op zijnen troon, en deed eenen stoel voor de moeder des Konings zetten; en zij zat aan zijne rechterhand.

quot;20 Toen zeide zij: Ik begeer van ii eene éénige kleine begeerte, wijs mijn aangezicht niet af. En de Koning zeide tot haar: Begeer, mijne moeder, want ik zal uw aangezicht niet afwijzen.

21 En zij zeide: Laat Abisag de Sunamitische aan Adonfa uwen broeder tot vrouw gegeven worden.

22 Toen antwoordde de Koning Salomo en zeide tot zijne moeder: En waarom begeert gij Abisag de Sunamitische voor Aclom\'a? Begeer ook voor hem het koninkrijk, (want hij is mijn broeder, die ouder is dan ik ben), ja voor hem, en voor Abjalhar den Priester, en voor Joab den zoon van Zeruja.

23 En de Koning Salomo zwoer bij den Heere, zeggende: Zóó dóe mij God en zóó doe hij daartoe, voorzeker, Adoma zal dat woord togen zijn leven gesproken hebben;

24 en nu zoo waarachtig als do Heere leeft, die mij bevestigd heeft, en mij heeft doen zitten op den troon mijns vader Davids, en die mij een huis gemaakt heeft, gelijk als hij gesproken had, voorzeker Adoma zal heden gedood worden.

25 En de Koning Salomo zond door de hand van Benaja den zoon van Jojada; die viel op hem aan dat hij stierf.

26 En tot Abjathar den Priester zeide de Koning: Ga naar Ana-thoth op uwe akkeren! want gij zijt een man des doods, maar op dezen dag zal ik u niet dooden, om-dal gij do Arke des Hoeren HeerÊN voor \'het aangezicht mijns vaders Davids gedragen hebt, en omdat gij verdrukt zijt geweest in alles waarin mijn vader verdrukt was.

27 Salomo dan verdreef Abja-thar, dat hij des Heeren Priester niet was, quot;om te vervullen het woord des Heeren, hetwelk hij over het huis van Eli te Silo gesproken had.

28 Als het gerucht tot Joab kwam, (want Joab had zich gewend achter Adonfa, hoewel hij zich niet had gewend achter Absalom), zoo vluchtte Joab tot de Tente des Heeren, en vatte de hoornen des altaars.

29 En het werd den Koning Salomo aangezegd dat Joab tot de Tente des Heeren gevloden was , en zie, hij is bij het altaar. Toen zond Salomo Benaja den zoon van Jojada, zeggende: Ga henen , val op hem aan.

I]0 En Benaja kwam tot do Tente des Heeren, en zeide tot hem: Zóó zegt de Koning: Kom uit. En hij zeide: Neen, maar hier zal ik sterven. En Benaja bracht het antwoord weder aan den Koning, zeggende: Zóó heeft Joab gesproken en zóó heeft hij mij geantwoord.

01 En de Koning zeide tot hem:


-ocr page 415-

1 KONINGEN 3.

m

Doe gelijk als hij gesproken heeft en val op hem aan, en begraaf hem , opdat gij wegdoet van mij en van mijns vaders huis dat bloed dat Joab zonder oorzaak vergoten heeft.

32 Zoo zal de Heere zijn bloed op zijn hoofd doen wederkeeren , omdat hij op tweemannen, rechtvaardiger en beter dan hij , aangevallen is, en die met den zwaaide gedood heeft, terwijl mijn vader David het niet wist: Abner den zoon van Ner, den krijgsoverste van Israël, .en Amasa den zoon van Jether, den krijgsoverste van Juda.

33 Alzoo zal hun bloed wederkeeren op het hoofd van Joab, en op hot hoofd van zijn zaad in eeuwigheid; maar David en zijn zaad en zijn huis en zijn troon zal vrede hebben van den Heere tot in eeuwigheid.

34 En Benaja de zoon van Jojada ging op , en viel op hem aan en doodde hem; en hij werd begraven in zijn huis in de woestijn.

35 En de Koning zette Benaja den zoon van Jojada in zijne plaats over het heir, en Zadok den Priester zette de Koning in de plaats van Abjathar.

30 Daarna zond de Koning en riep Simeiquot;, en zeide tot hem : Bouw u een huis te Jeruzalem , en woon aldaar, en ga van daar niet uit herwaarts of derwaarts ;

37 want het zal geschieden ten dage uws uitgaans, als gij over do beek Kidron zult gaan , weet voorzeker dat gij den dood sterven zult: uw bloed zal op uw hoofd zijn.

38 En Simeiquot; zeide tot den Koning : Dat woord is goed; gelijk als mijn heere de Koning gesproken heeft, alzóó zal uw knecht doen. En Simei\' woonde te Jeruzalem vele dagen.

30 Doch het geschiedde met het einde van drie jaren, dat twee knechten van Simeiquot; wegliepen tot Achis den zoon van Maacha, den Koning van Gath ; en men gaf het Simeiquot; te kennen, zeggende : Zie , uwe knechten zijn iri Gath.

40 Toen maakte zich Simeï op, en zadelde zijnen ezel, en toog henen naar Gath tot Achis om zijne knechten te zoeken; zoo toog Simeï henen en bracht zijne knechten van Ga tl:.

41 En het werd Salomo aangezegd dat Simeï uit Jeruzalem naar Gath getogen en wedergekomen was;

42 toen zond de Koning en riep Simeï, en zeide tot hem: Heb ik u niet beëedigd bij den Heere en tegen u betuigd, zeggende: Ten dage uws uitgaans, als gij zult herwaarts of derwaarts gaan, weet voorzeker dat gij den dood zult sterven? En gij zeidettotmij: Dat woord is goed dat ik gehoord hel).

43 Waarom dan hebt gij den eed des Heeren niet gehouden, en liet gebod dat ik over u geboden had ?

44 Voorts zeide de Koning tot Simeï: Gij weet al de boosheid, die uw harte weet, die gij aan mijnen vader David gedaan hebt: daarom heeft de Heere uwe boosheid op uw hoofd doen wederkeeren ;

45 maar de Koning Salomo is gezegend, en de troon Davids zal bevestigd zijn voor het aangezicht des Heeren lot in eeuwigheid.

40 En de Koning gebood Benaja den zoon van Jojada; die ging uit, en viel op hem aan dat hij stierf. Alzoo is het koninkrijk bevestigd in de hand van Salomo.

HOOFDSTUK 3.

En Salomo verzwagerde zich met Farao den Koning van Egypte, en nam do dochter Farao\'s en bracht ze in de stad Davids, totdat hij voleindigd zoude hebben het bouwen van zijn huis, en het Huis des Heeren , en den muur van Jeruzalem rondom.

2 Alleenlijk offerde het volk op de hoogten . want geen huis was den naam des Heeren gebouwd tot die dagen toe.

3 En Salomo had den Heere | lief, wandelende in de inzettingen ! zijns vaders Davids: alleenlijk offerde hij en rookte op de hoogten.

4 En de Koning ging naar Gi-beon om aldaar te offeren, omdat


-ocr page 416-

1 KONINGEN 3.

402

die hoogte groot was: duizend brandofieren offerde Salomo op dat altaar.

5 Te Gibeon verscheen de Heere Salomo in eenen droom des nachts, en God zeide: Begeer wat ik u geven zal.

6 En Salomo zeide: Gij hebt aan uwen knecht David mijnen vader groote weldadigheid gedaan, gelijk als hij voor uw aangezicht gewandeld heeft in waarheid en in gerechtigheid en in oprechtheid des harten met u ; en gij hebt hem deze groote weldadigheid gehouden , dat gij hem gegeven hebt eenen zoon zittende op zijnen troon, als te dezen dage.

7 Nu dan Heere mijn God, gij hebt uwen knecht Koning gemaakt in mijns vaders Davids\' plaats; en ik ben een klein jongeling, ik weet niet uit te gaan noch in te gaan;

8 en uw knecht is in het midden uws volks dat gij verkoren hebt, gen groot volk , hetwelk niet kan ■gfeteld noch gerekend worden vanwege de menigte:

9 geef dan uwen knecht een verstandig harte om uw volk te richten, verstandelijk onderscheidende tusschen goed en kwaad ; want wie zoude dit uw zwaar volk kunnen richten?

10 Die zake nu was goed in de : oogen des Heeren, dat Salomo deze zake begeerd had,

11 en God zeide tot hem: Daarom dat gij deze zake begeerd hebt, en niet voor u begeerd hebt vele dagen, noch voor u begeerd hebt rijkdom, noch begeerd hebt de ziel uwer vijanden; maar hebt begeerd verstand voor u, om ge-richtzaken te hooren:

12 zie, ik heb gedaan naar uwe woorden; zie, ik heb u een wijs en verstandig harte gegeven, dat uwsgelijke vóór u niet geweest is, en uwsgelijke na u niet opstaan zal.

13 Zelfs ook wat gij niet begeerd hebt heb ik u gegeven, beide rijkdom en eere; dat uwsgelijke quot;niemand onder de Koningen alle uwe dagen zijn zal.

14 En zoo gij in mijne wegen wandelen zult, onderhoudende mijne inzettingen en mijne geboden, gelijk als uw vader David gewandeld heeft, zoo zal ik ook uwe dagen verlengen.

15 En Salomo waakte op, en zie, het was een droom. En hij kwam te Jeruzalem, en stond voor de Arke des verbonds des Heeren, en offerde brandofferen, en bereidde dankoiferen, en maakte een maaltijd allen zijnen knechten.

16 Toen kwamen daar twee vrouwen die hoeren waren tot den Koning, en zij stonden voor zijn aangezicht;

17 en de ééne vrouw zeide: Och mijn heer, ik en deze vrouw wonen in één huis; en ik heb bij haar in dat huis gebaard.

18 Het is nu geschied op den derden dag na mijn baren, dat deze vrouw óók gebaard heeft; en wij waren te zamen, geen vreemde was met ons in het huis, behalve wij tweeën in het huis.

19 En de zoon dezer vrouw is \'snachts gestorven, omdat zij op hem gelegen had;

20 en zij stond te middernacht op, en nam mijnen zoon van bij mij, als uwe dienstmaagd sliep , en leide hem in haren schoot, en haren dooden zoon leide zij in mijnen schoot.

21 En ik stond in den morgen op om mijnen zoon te zogen, en zie, hij was dood; maar ik lette in den morgen op hem, en zie, het was mijn zoon niet dien ik gebaard had.

22 Toen zeide de andere vrouw: Neen, maar die levende is mijn zoon, en de doode is uw zoon; gene daarentegen zeide: Neen, maar de doode is uw zoon, en de levende is mijn zoon. Alzoo spraken zij voor het aangezicht des Konings.

23 Toen zeide de Koning: Deze zegt: Dit is mijn zoon die leeft, maar uw zoon is het die dood is; en die zegt: Neen, maar de doode is uw zoon, en de levende mijn zoon.

24 Voorts zeide de Koning: Haalt mij een zwaard. En zij brachten een zwaard voor het aangezicht des Konings;


-ocr page 417-

1 K O NIN G E N 4.

403

25 en de Koning zeide: Doorsnijdt dat levende kind in tweeën, en geeft de ééne een heltt en de andere een helft.

26 Maar de vrouw, welker zoon de levende was, sprak tot den Koning, (want haar ingewand ontstak over haren zoon), en zeide: Och mijn heere, geeft haar het levende kind, en doodt het geenszins; deze daarentegen zeide: Het zij noch het uwe noch het mijne , doorsnijdt het. , Tr .

27 Toen antwoordde de Koning en zeide: Geeft aan géne het levende kind, en doodt het geenszins: die is zijne moeder.

28 En geheel Israël hoorde dat oordeel dat de Koning geoordeeld had, en vreesde voor het aangezicht des Konings, want zij zagen dat de wijsheid Gods in hem was om recht te doen.

HOOFDSTUK 4.

Alzoo was de Koning Salomo Koning over gansch Israël.

2 En deze waren de vorsten die hij had: Azarja de zoon van Zadok was opperambtman;

3 Elihoref en Ahfa de zonen vanSisa waren schrijvers; Josafat de zoon van Ahilud was kanse-lier; .

4 en Benaja de zoon van Jojada was over het heir; en Zadok en Abjathar waren Priesters ;

5 en Azarja de zoon van Nathan was over de bestelmeesters; en Zabud de zoon van Nathan was overambtman, des Konings vriend;

ö en Ahisar was hofmeester; en Adoniram de zoon van Abda was over de schatting.

7 En Salomo had twaalf bestelmeesters over gansch Israël, die den Koning en zijn huis verzorgden : voor elk een was eene maand in het jaar om te verzorgen.

8 En dit zijn hunne namen: de zoon van Hur was in het gebergte Efraïms.

9 De zoon van Deker in Makaz en in Saalhim. en Beth-Sémes, en Elon Beth-Hanan.

40 De zoon van Hesed in Ai ub-bóth; hij had daartoe Socho en het gansche land Hefer.

11 De zoon van Abinadab had de gansche landstreek van Dor: deze had Tafath de dochter van Salomo tot eene vrouw.

12 Baëna de zoon van Ahilud had Taanach, en Megiddo, en het gansche Beth-Sean, hetwelk is bij Zarethana beneden Jizreëi, van \'Beth-Sean af tot Abel-Mehola, tot op gene zijde vanJokmeam.

13 De zoon van Geber was te Ramoth in Gilead: hij had de dorpen van Jaïr den zoon van Manasse, die in Gilead zijn; ook had hij de streek van Argob, welke is in Basan, zestig groote steden met muren en koperen grendelen.

14 Ahinadab de zoon van Iddo was te Mahanaïm.

15 Ahimaaz was in Naftali: deze nam ook Salomo\'s dochter Bas-math ter vrouwe.

16 Baëna de zoon van Husai was in Aser en in Aloth.

17 Josafat de zoon van Parüaji in Issaschar. ^

18 Simei de zoon van Ela in Benjamin.

19 Geber de zoon van Uri was in het land Gilead, het land van Sihon den Koning der Amoriten en van Og den Koning van Basan , en hij was de eenige bestelmeester die in dat land was.

20 Juda nu en Israël waren velen, als zand dat aan de zee is in menigte, etende en drinkende en blijde zijnde.

21 En Salomo was heerschende over alle de koninkrijken van de rivier tot het land der Filistijnen , en tot aan delandpale van Egypte; die brachten geschenken en dienden Salomo alle de dagen zijns levens.

22 De spijze nu van Salomo was voor éénen dag dertig kor meelbloem en zestig kor meel,

23 tien vette runderen, en twintig weide-runderen, en honderd schapen; uitgenomen de herten en reeën en buffelen en gemeste vogelen.

24 Want hij had heerschappij over al wat aan deze zijde der rivier was, van Tifsah tot aan Gaza, over al!e Koningen aan deze zijde


-ocr page 418-

1 KONINGEN 5.

404

der rivier; en hij had vrede van alle zijden rondom.

25 Én Juda en Israël woonden zéker, een iegelijk onder zijnen wijnstok en onder quot; zijnen vijgeboom , van Dan tot Ber-Séba, alle de dagen van Salomo.

26 Salomo had ook veertigduizend paardenstallen voor zijne wa-genen, en twaalfduizend ruiteren.

27 Die bestelmeesters nu, een ieder in zijne maand, verzorgden den Koning Salomo en alle degenen die tot des Koning Salomo\'s tafel naderden : zij lieten geen ding ontbreken.

28 De gerst nu en het stroo voor de paarden en voor de snelle ke-melen brachten zij aan de plaats waar hij was, een iegelijk naar zijnen last.

29 En God gaf Salomo wijsheid en zeer veel verstand, en een wijd begrip des harten, gelijk zand dat aan den oever der zee is:

30 en de wijsheid Salomo\'s. was grooter dan de wijsheid van alle die van het Oosten, en dan alle wijsheid der Egyptenaren;

31 ja hij was wijzer dan alle menschen, dan Ethan do Ezrahiet en Heman, en Kalkol, en Darda, de zonen van Mahol; en zijn naam was onder alle heidenen rondom.

32 En hij sprak drieduizend spreuken , daartoe waren zijne liederen duizend en vijf.

33 Hij sprak ook van de boomen, van den cederboom af die op den Libanon is, tot op den hysop die aan den wand uitwast; hij sprak ook van het vee, en vhii het gevogelte, en van de kruipende dieren, en van de visschen.

34 En van alle volken kwamen er om de wijsheid Salomo\'s te hooren, van alle Koningen der aarde, die van zijne wijsheid gehoord hadden.

HOOFDSTUK 5.

En Hiram de Koning van Tyrus zond zijne knechten tot Salomo, (want hij had gehoord dat zij Salomo tot Koning gezalfd hadden in zijns vaders plaats), dewijl Hiram David altijd bemind had.

2 Daarna zond Salomo tot Hiram, zeggende:

3 Gij weet dat mijn vader David den naam des Heeren zijns Gods niet konde een Huis bouwen, vanwege den oorlog waarmede zij hem omsingelden, totdat deHEEREhen onder zijne voetzolen gaf.

4 Maar nu heeft de HEEREmijn God mij van rondom ruste gegeven : daar is geen tegenpartij der en geene bejegening van kwaad.

5 En zie, ik denk voor den naam des Heeren mijns Gods een Huis te bouwen, gelijk als de Heere gesproken heeft tot mijnen vader David, zeggende: Uw zoon, dien ik in uwe plaats op uwen troon zetten zal, die zal mijnen naam dat Huis bouwen.

G Zoo gebied nu, dat men mij cederen uit den Libanon houwe: en mijne knechten zullen met uwe knechten zijn, en het loon uwer knechten zal ik u geven, naar al dat gij zeggen zult; want gij weet dat onder ons niemand is die weet hout te houwen gelijk de Sidoniërs.

7 En het geschiedde als Hiram de woorden van Salomo gehoord had, dat hij zich zeer verblijdde, en zeide: Gezegend zij de Heere heden, die David eenen wijzen zoon gegeven heeft over dit groote volk.

8 En Hiram zond tot Salomo, zeggende: Ik heb gehoord waarom gij tot mij gezonden hebt: ik zal al uwen wille doen met het cederenhout en met het dennenhout ,

9 mijne knechten zullen ze afbrengen van den Libanon aan de zee, en ik zal ze op vlotten over de zee doen voeren tot die plaats, die gij mij gebieden zult, en zal die aldaar losmaken, en gij zult ze wegnemen; gij zult ook mijnen wille doen, dat gij mijnen huize spijze geeft.

10 Alzoo gaf Hiram Salomo cederenhout. en dennenhout, naar al zijnen wil;

11 en Salomo gaf Hiram twintigduizend kor tarwe tot spijze van zijn huis, en twintig kor ge-stooten olie; zulks gaf Salomo Hiram jaar op jaar.


-ocr page 419-

1 KONINGEN 6.

405

12 De Heere dan gaf, Salomo wijsheid, gelijk als hij tot hem gesproken had; en daar was vrede tusschen Hiram en tusschen Salomo, en zij beiden maakten een verbond.

13 En de Koning Salomo deed een uitschot opkomen uit gansch Israël, en het uitschot was dertigduizend man;

14 en hij zond ze naar den Libanon , tienduizend elke maand bij beurten: ééne maand waren zij in den Libanon, twee maanden elk in zijn huis; en Adoniram was over dit uitschot.

15 Daartoe had Salomo zeventigduizend die last droegen, en tachtigduizend houwers op het gebergte;

16 behalve de oversten van Sa-lomo\'s bestelden die over dat werk waren , drieduizend en driehonderd , die heerschappij hadden over het volk hetwelk dat werk deed.

17 Als nu de Koning het gebood, zoo voerden zij groote steenen toe, kostelijke steenen, gehouwen steenen, om den grond van dat Huis te leggen.

18 En de bouwlieden Salomo\'s, en de bouwlieden Hirams, en de Gibliten behieuwen ze, en bereidden het hout toe en de steenen om dat Huis te bouwen.

HOOFDSTUK 6.

Het geschiedde nu in het vier-honderdentachtigste jaar na den uitgang der kinderen Israëls uit Egypte, in het vierde jaar van het koninkrijk Salomo\'s over Israël , in de maand Ziv, (doze is de tweede maand), dat hij het Huis des Heeren bouwde.

2 En dat Huis, hetwelk de Koning Salomo den Heere bouwde, was van zestig ellen in zijne lengte, en van twintig in zijne breedte, en van dertig ellen in zijne hoogte;

8 en het voorhuis, vóóraan den Tempel, van dat Huis was in zijne lengte van twintig ellen, naar de breedte van het Huis, tien ellen in zijne breedte, vóóraan het huis.

4 En hij maakte vensteren aan het Huis van gesloten uitzichten.

5 En rondom aan den wand van het Huis bouwde hij kameren, aan de wanden van het Huis rondom , beide van den Tempel en van de Aanspraakplaats: alzoomaakte hij zij kameren rondom.

6 De onderste kamer was van vijf ellen in hare breedte, en de middelste van zes ellen in hare breedte, en de derde van zeven ellen in hare breedte; want hij had aan het Huis rondom buitenwaarts inkortingen gemaakt, opdat zij zich niet hielden in de wanden van het Huis.

7 Het Huis nu als het gebouwd werd, werd met volmaakten steen, zooals die toegevoerd was, gebouwd; zoodat geene hameren noch bijlen of eenig ijzeren gereedschap gehoord werd in het Huis, als het gebouwd werd.

8 De deur der middelste zijkamer was aan de rechterzijde van het Huis; en door wenteltrappen ging men tot de middelste zijkamer, en van de middelste tot de derde.

9 Alzoo bouwde hij het Huis en voltooide het, en bedekte dat Huis met verwelfsels en rijen van cederen.

10 Hij bouwde ook de kameren aan het gansche Huis van vijf ellen in hare hoogte, en hij voegde ze vast aan dat Huis met cederenhout.

11 Toen geschiedde het woord des Heeren tot Salomo, zeggende:

12 Aangaande dit Huis dat gij bouwt, zoo gij wandelt in mijne inzettingen, en doet mijne rechten, en onderhoudt alle mijne geboden , wandelende in dezelve , zoo zal ik mijn woord met u bevestigen dat ik tot uwen vader David gesproken heb ,

13 en ik zal in het midden der kinderen Israëls wonen, en ik zal mijn volk Israël niet verlaten.

14 Alzoo bouwde Salomo dat Huis en voltooide hetzelve.

15 Ook bouwde hij de wanden van het Huis van binnen met cederen planken : van den vloer des Huizes tot aan het dak der wanden


-ocr page 420-

1 KONINGEN 6.

406

beschoot hij ze van binnen met hout, en overdekte den vloer van het Huis met dennenplanken.

16 Daarbij bouwde hij twintig ellen met cederen planken aan de zijden van het huis, van den vloer af tot de wanden : dit bouwde hij hem van binnen tot eene Aanspraakplaats, tot het Heilige der Heiligen.

17 Dat Huis nu was van veertig ellen, namelijk de Tempel die vooraan was.

18 En het ceder aan het Huis inwendig was gesneden met knoppen en opene bloemen; het was alles ceder, geen steen werd gezien.

19 En do Aanspraakplaats bereidde hij naar binnen in het Huis, om de Arke des verbonds des Heeren daar te zetten;

20 en de Aanspraakplaats vooraan was van twintig ellen in lengte, en van twintig ellen in breedte, en van twintig ellen in hare hoogte, en hij overtoog ze met gesloten goud, ook overtoog hij het cederen altaar.

21 En Salomo overtoog het Huis van binnen met gesloten goud, en hij toog voor de Aanspraakplaats eenen voorhang henen door met gouden ketenen en overtoog dien met goud:

22 alzoo overtoog hij het gansche Huis met goud, totdat het gansche Huis voltooid was, daartoe overtoog hij met goud het geheele altaar dat voor de Aanspraakplaats was.

23 In de Aanspraakplaats nu maakte hij twee cherubs van olieachtig hout, elks hoogte was tien ellen.

24 En van vijf ellen was de ééne vleugel des cherubs, en van vijf ellen de andere vleugel des cherubs; van het einde zijns éénen vleugels tot aan het einde zijns anderen vleugels waren tien ellen.

25 Alzoo was de andere cherub van tien ellen : beide cherubs hadden éénerlei maat en ééncrlei snede.

26 De hoogte des éunen cherubs was van tien ellen, en alzoo des anderen cherubs.

27 En hij zette deze cherubs in het midden van het binnenste Huis; en de cherubs spreidden de vleugelen uit, zoodat de vleugel des éénen raakte aan dezen wand, en de vleugel des anderen cherubs raakte aan den anderen wand, en hunne vleugelen naar het midden van het Huis raakten vleugel aan vleugel.

28 En hij overtoog deze cherubs met goud.

29 En alle de wanden van het Huis in het rond graveerde hij met uitgesneden graveeringen vanche-rubs en van palmboomen en open bloemen, van binnen en van buiten.

30 Daartoe overtoog hij den vloer van het Huis met goud van binnen en van buiten.

31 En aan den ingang der Aanspraakplaats maakte hij deuren van olieachtig hout; de bovendorpel met de posten was het vijfde deel des wands.

32 De twee deuren ook waren van olieachtige hoornen; en hij graveerde daarop graveeringen van cherubs en van palmboomen en van opene bloemen, dewelke hij met goud overtoog; ook trok hij goud over de cherubs en over de palmboomen.

33 En alzoo maakte hij aan de deur des Tempels posten van olieachtigeboomen, uitliet vierde deel van den tuand.

34 En de twee deuren waren van dennenhout; de twee zijden der ééne deur waren omdraaiende, alzoo waren de twee gegraveerde zijden der andere deur omdraaiende.

35 En hij graveerde ze met cherubs en palmboomen en opene bloemen, dewelke hij met goud overtoog, gericht naar het uitge-snedene.

36 Daarna bouwde hij het binnenste voorhof van drie rijen gehouwen steenen en eene rij cederen balken.

37 In het vierde jaar werd de grond van het Huis des Heeren gelegd, in de maand Ziv;

38 en in het elfde jaar, in de maand Bul, welke is de achtste


-ocr page 421-

1 KONIN GEN 7.

407

maand, was dit Huis voltooid, naar alle zijne stukken en naar al zijn behooren: alzoo heeft hij zeven jaren daaraan gebouwd.

HOOFDSTUK 7.

Maar aan zijn huis bouwde Salomo dertien jaar, en hij voltooide zijn gansche huis.

2 Hij bouwde ook het huis des wouds van den Libanon, van honderd ellen in zijne lengte, en vijftig ellen in zijne breedte, èn dertig ellen in zijne hoogte, op vier rijen van cederen pilaren, en cederen balken op de pilaren.

3 En het was bedekt met ceder van boven op de ribben, die op vijfenveertig pilaren waren, vijftien in eene rij.

4 Daar waren drie rijen van uitzichten, dat het ééne venster was over het andere venster in drie orden.

5 Ook waren alle de deuren en de posten vierkant van éénerlei uitzicht; en venster was tegenover venster, in drie orden.

6 Daarna maakte hij een voorhuis van pilaren: vijftig ellen was zijne lengte, en dertig ellen zijne breedte; en het voorhuis was tegenover die, en de pilaren met de dikke balken tegenover dezelve.

7 Ook maakte hij een voorhuis voor den troon, alwaar hij richtte, tot een voorhuis des gerichts, dat met ceder bedekt was, van vloer tot vloer.

8 En aan zijn huis, alwaar hij woonde, was een ander voorhof, meer binnenwaarts dan dat voorhuis , hetwelk aan dat werk gelijk was. Ook maakte hij voor cle dochter Farao\'s, die Salomo tot vrouw genomen had, een huis aan dat voorhuis gelijk.

9 Alle deze dingen waren van kostelijke steenen, naar de maten gehouwen, van binnen en van buiten met de zaag gezaagd; en dat van den grondslag tot aan de neutsteenen van een palm breed, en van buiten tot het groote voorhof.

10 Het was ook gegrondvest met kostelijke steenen, groote steenen, met steenen van tien ellen en steenen van acht ellen;

11 en bovenop kostelijke steenen, naar de winkelmaten gehouwen, en cederen.

12 En het groote voorhof was rondom van drie rijen gehouwen steenen, met eene rij van cederen balken. Zoo was het met het binnenste voorhof van het Huis des Heeren, en met het voorhuis van dat huis.

13 En de Koning Salomo zond henen en liet Hiram van Tyrus halen;

14 hij was de zoon eener weduwvrouw uit den stam van Naftali, en zijn vader was een man van Tyrus geweest, een koperwerker, die vervuld was met wijsheid en met verstand en met wetenschap , om alle werk in het koper te maken; deze kwam tot den Koning Salomo en maakte al zijn werk.

15 Want hij vormde twee koperen pilaren; de hoogte des éénen pilaars was achttien el, en een draad van twaalf ellen omving den anderen pilaar.

16 Hij maakte ook twee kapi-teelen van gegoten koper, om op de hoofden der pilaren te zetten; vijf ellen was de hoogte des éénen kapiteels, en vijf ellen de hoogte des anderen kapiteels.

17 De netten waren van netwerk, de banden van ketenwerk voor de kapiteelen die op het hoofd der pilaren waren: zeven waren voor het ééne kapiteel, en zeven voor het andere kapiteel.

18 Zoo maakte hij de pilaren, mitsgaders twee rijen rondom over het ééne net, om de kapiteelen die boven het hoofti der granaatappelen waren te bedekken; alzoo deed hij ook aan het andere kapiteel.

19 En de kapiteelen, dewelke waren op het hoofd der pilaren, waren van leliewerk in het voorhuis, van vier ellen.

20 De kapiteelen nu waren op de twee pilaren, ja daarboven tegenover den buik, dewelke was nevens het net; en tweehonderd granaatappelen waren in rijen rondom ook over het andere kapiteel.


-ocr page 422-

1 KONIN

GEN 7.

21 Daarna richtte hij de pilaren op in het voorhuis des Tempels; en den rechterpilaar opgericht hebbende, zoo noemde hij zijnen naam Jachin, en den linkerpilaar opgericht hebbende, zoo noemde hij zijnen naam Boaz.

22 En op het hoofd der pilaren was het leliewerk; alzoo werd het werk der pilaren voltooid.

23 Voorts maakte hij de gegoten zee; van tien ellen was zij van haren éénen rand tot haren anderen rand, rondom rond, en van vijf ellen in hare hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom.

24 En onder haren rand waren knoppen, dezelve rondom omsingelende , tien in een el, omringende de zee rondom: twee rijen dezer knoppen waren in hare gieting gegoten.

25 Zij stond op twaalf runderen, drie ziende naar het Noorden, en drie ziende naar het Westen, en drie ziende naar het Zuiden, en drie ziende naar hot Oosten, en de zee was bovenop dezelve, en alle hunne achterdeelen waren binnenwaarts.

26 Hare dikte nu was eene hand breed, en haar rand als het werk van den rand eens bekers of eener leliebloem; zij hield tweeduizend bath.

27 Hij maakte ook tien koperen stellingen: van vier ellen was de lengte ééner stelling, en van vier ellen hare breedte, en van drie ellen,hare hoogte.

28 Èn dit was het werk der stelling: zij hadden lijsten, en de lijsten waren tusschèn kransen;

29 en op de lijsten, die tusschen de kransen waren, waren leeuwen, runderen en cherubs; en op de kransen was een voet van boven, en onder de leeuwen en runderen bijvoegselen van uitgerekt werk.

30 En ééne stelling had vier koperen raderen en koperen platen, en hare vier hoeken hadden schouderen ; onder het vvaschvat waren deze gegoten schouderen terzijde van ieders bijvoegselen.

31 En de mond daarvan was van binnen aan den krans, en daarboven van eene el, en de mond hiervan was rond van voetwerk van eene el en een halve el; en op den mond daarvan waren ook graveeringen, en de lijsten daarvan waren vierkant, niet rond.

32 De vier raderen nu waren onder de lijsten, en de assen der raderen aan de stelling; en de hoogte van één rad was eene el en een halve el.

33 En het werk van die raderen was als het werk van een wagenrad ; hunne assen en hunne naven en hunne randen en hunne spaken waren alle gegoten.

34 En daar waren vier schouderen op de vier hoeken ééner stelling, hare schouderen waren uit de steUing.

35 En op het hoofd eener stelling was eene ronde hoogte van eene halve el rondom; ook waren op het hoofd der stelling hare handvatsels, en hare lijsten uit dezelve.

36 Hij sneed nu op de platen harer handvatsels, en op hare lijsten, cherubs, leeuwen en palm-bootnen, naar elks ledige plaats, en bijvoegselen rondom.

37 Dezen gelijk maakte hij de tien stellingen; éénerlei gieting, éénerlei maat, éénerlei snede hadden zij alle.

38 Hij maakte ook tien koperen waschvaten, één vaschvat hield veertig bath; één waschvat was vier ellen; op elke stelling van die tien stellingen was één waschvat.

39 En hij zette vijf dier stellingen aan de rechterzijde van het Huis, en vijf aan de linkerzijde van het Huis: maar de zee zette hij aan de rechterzijde van het Huis, oostwaarts tegen het Zuiden.

40 Daartoe maakte Hi ram de waschvaten, en de schoffelen , en de besprengbekkens; en Hiram voleindigde al het werk te maken, dat hij voor den Koning Salomo maakte voor het Huis des Hkeren :

41 te weten de twee pilaren en bollen der kapiteelen die op der twee pilaren hoofd waren, en de twee netten om de twee bollen der kapiteelen te bedekken, die op het hoofd der pilaren waren,

42 on de vierhonderd granaat-


-ocr page 423-

1K0NINGEN 8.

409

appelen voor do twee netten, namelijk twee rijen van granaatappelen voor het ééne net om de twee bollen der kapiteelen te bedekken die boven op de pilaren waren;

43 mitsgaders de tien stellingen, en de tien waschvaten op de stellingen ;

44 daartoe de cenige zee, en de twaalf runderen onder die zee;

45 ook de potten, en de schoffelen , en de besprengbekkens, en alle deze vaten die Hiram voor den Koning Salomo voor het Huis des Heeren maakte, alles van gepolijst koper.

46 In de vlakte van den Jordaan goot de Koning ze, in dichte aarde, tusschen Sukkoth .en tusschen Zarethan.

47 En Salomo liet alle deze vaten ongeiuogen vanwege de zeer groote menigte, het gewicht des kopers werd niet onderzocht.

48 Ook maakte Salomo alle de vaten die voor het Huis des Heeren waren: het gouden altaar, en de gouden tafel op welke de toon-brooden waren;

49 en de kandelaren, vijf aan de rechterhand en vijf aan de linkerhand , voor de Aanspraakplaats, van gesloten goud; en de bloemen en de lampen en de snuiters van goud;

50 mitsgaders de schalen en de gaffelen en de sprengbekkens en de rookschalen en de wierookvaten van gesloten goud; daartoe de hengsels der deuren van het binnenste huis, van het Heilige der Heiligen, en der deuren van het huis des Tempels van goud.

51 Alzoo werd al het werk volbracht dat de Koning Salomo aan het #Huis des Heeren maakte. Daarna bracht Salomo de geheiligde dingen zijns vaders Davids, het zilver en het goud, en de vaten leide hij onder de schatten van het Huis des Heeren.

HOOFDSTUK 8.

Toon vergaderde Salomo do oudsten Israels en alle de hoofden quot;der stammen, de oversten der vaderen onder de kinderen Israëls, tot den Koning Salomo te Jeruzalem, om de Arke des verbonds des Heeren op te brengen uit de stad Davids , dewelke is Sion.

2 En alle mannen Israëls verzamelden zich tot den Koning Salomo in de maand Ethanim op het feest, die is de zevende maand.

3 alle de oudsten Israëls kwamen , en de Priesters namen de Arke op,

4 en zij brachten de Arke des Heeren en dc Tente der samenkomst opwaarts mitsgaders alle de heilige vaten die in de Tente waren, en de Priesters en de Le-viten brachten dezelve opwaarts.

5 De Koning Salomo nu en de gansche vergadering Israëls, die bij hem vergaderd waren, waren met hem vóór de Arke offerende schapen en runderen, die vanwege dc menigte niet konden geteld noch gerekend worden.

Ü Alzoo brachten de Priesters de Arke des verbonds des Heeren tot hare plaats, tot de Aanspraakplaats oes Huizes, tot het Heilige der Heiligen, tot onder do vleugelen der cherubs.

7 Want de cherubs spreidden beide vleugelen over de plaats der Arke en de cherubs overdekten de Arke en hare handboomen van boven.

8 Daarna schoven zij de handboomen verder uit, dat de hoofden der handboomen gezien werden uit het heiligdom vóóraan de Aanspraakplaats, maar buiten niet gezien werden; en zij zijn aldaar tot op dezen dag.

9 Daar was niets in de Arke dan alleen de twee steenen tafelen die Mozes bij Horeb daarin gelegd had, als de Heere een verbond maakte met de kinderen Israëls, toen zij uit Egyptelaad uitgetogen waren.

10 En het geschiedde als de Priesters uit het Heilige uitgingen, dat eene wolk bet Huis des Heeren vervulde;

11 on dc Priesteren konden niet staan om te dienen vanwege de wolk; want de heerlijkheid des


-ocr page 424-

1 KONINGEN 8.

410

Heeren had het Huis des Hee-ren vervuld.

12 Toen zeide Salomo; De Heere heeft gezegd dat hij in donkerheid zoude wonen.

13 Ik heb immers een Huis gebouwd u ter woonstede, een vaste plaats tot uwe eeuwige woning.

14 Daarna wendde de Koning zijn aangezicht om, en zegende de gansche gemeente Israëls; en de gansche gemeente Israëls stond.

15 En hij zeide: Geloofd zij de Heere de God Israëls, die met zijnen mond tot mijnen vader David gesproken heelt, en heeft het met zijne hand vervuld, zeggende :

16 Van dien dag af dat ik mijn volk Israël uit Egypteland uitgevoerd heb, heb ik geene stad verkoren uit alle stammen Israëls om eeit Huis te bouwen, dat mijn naam daar zoude wezen; maar ik heb David verkoren dat hij over mijn volk Israël wezen zoude.

17 Het was ook in het harte mijns vaders Davids, een Huis den naam des Heeren des Gods Israëls te bouwen;

18 maar de Heere zeide tot David mijnen vader: Dewijl dat in uw harte geweest is, mijnen naam een Huis te bouwen, gij hebt wèl gedaan dat het in uw harte geweest is;

19 evenwel gij zult dat Huis niet bouwen; maar uw zoon die uit uwe lendenen voortkomen zal, die zal mijnen naam dat Huis bouwen.

20 Zoo heeft de Heere bevestigd zijn woord dat hij gesproken had; want ik ben opgestaan in de plaats mijns vaders Davids, en ik zit op den troon Israëls gelijk als de Heere gesproken heeft, en ik heb oen huis gebouwd don naam des Heeren des Gods Israëls ,

21 en ik heb daar eene plaats beschikt voor de Arke waarin het verbond des Heeren is, hetwelk hij met onze vaderen maakte als hij ze uit Egypteland uitvoerde.

22 En Salomo stond vóór het altaar des Heeren, tegenover de gansche gemeente Israëls, en breidde zijne handen uit naar den hemel;

23 en hij zeide: Heere, God Israëls, daar is geen God gelijk gij boven in den hemel noch beneden op de aarde, houdende het verbond en de weldadigheid uwen knechten, die voor uw aangezicht met hun gansche harte wandelen;

24 die uwen knecht mijnen vader David gehouden hebt wat gij tot hem gesproken hadt; want met uwen mond hebt gij gesproken en met uwe hand vervuld, gelijk het te dezen dage is.

25 En nu , Heere God Israëls, houd uwen knecht mijnen vader David wat gij tot hem gesproken hebt zeggende: Geen man zal u van voor mijn aangezicht afgesneden worden die op den troon Israëls zitte: alleenlijk zoo uwe zonen hunnen weg bewaren om te wandelen voor mijn aangezicht, gelijk als gij gewandeld hebt voor mijn aangezicht.

26 Nu dan, o God Israëls, laat toch uw woord waar worden, hetwelk gij gesproken hebt tot uwen knecht mijnen vader David.

27 Maar waarlijk, zoude God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja de hemel der hemelen zouden u niet omvatten, hoeveel te min dit Huis dat ik gebouwd heb!

28 Wend u dan nog tot het gebed uws knechts en tot zijne smeeking, o Heere mijn God, om te hooren naar het geroep en naar het gebed, dat uw knecht heden voor uw aangezicht bidt.

29 Dat uwe oogen open zijn nacht en dag over dat Huis, over deze plaats, van dewelke gij gezegd hebt: Mijn naam zal daar zijn om te hooren naar het gebed hetwelk uw knecht bidden zal in deze plaats.

30 Hoor dan naar de smeeking uws knechts en uws volks Israëls, die in deze plaats zullen bidden; en gij, hoor in de plaats uwer woning, in den hemel, ja hoor en vergeef.

31 Wanneer iemand tegen zijnen naaste zal gezondigd hebben, en hij hem eenen eed des vloeks op-


-ocr page 425-

gelegd zal hebben, om zichzelven te vervloeken, en de eed des vloeks voor uw altaar in dit Huis komen zal, —

32 hoor gij dan in den hemel, en doe , en richt uwe knechten , veroordeelende den ongerechtige, gevende zijnen weg op zijn hoofd, en rechtvaardigende den gerechti-gen, gevende hem naar zijne gerechtigheid.

33 Wanneer uw volk Israël zal geslagen worden voor het aangezicht des vijands, omdat zij tegen u gezondigd zullen hebben, en zij zich tot u bekeeren, en uwen naam belijden, en tot u in dit Huis bidden en smeeken zullen , —

34 hoor gij dan in den hemel, en vergeef de zonde uws volks Israels, en breng hen weder in het land, dat gij hunnen vaderen gegeven hebt.

35 Als de hemel zal gesloten zijn , dat er geen regen is, omdat zij tegen u gezondigd zullen hebben, en zij in deze pl «ats bidden en uwen naam belijden en van hunne zonden zich bekeeren zullen , als gij hen geplaagd zult hebben , —

36 hoor gij dan in den hemel, en vergeef de zonde uwer knechten en uws volks Israëls, als gij hun zult geleerd hebben den goeden weg in den welken zij wandelen zullen, en geef regen op uw land, dat gij uwen volke tot eene erfenis gegeven hebt.

37 Als er honger in het land wezen zal, als er pest wezen zal, als er korenbrand, honigdauw , sprinkhanen, kevers wezen zullen, als zijn vijand in het land zijner poorten hem belegeren zal, of eeni-ge plage of eenige krankheid wezen zal;

38 alle gebed , alle smeeking, die van eenig mensch van al uw volk Israël geschieden zal; als zij erkennen een ieder de plage zijns harten, en een ieder zijne quot;handen in dit Huis uitbreiden zal, —

39 hoor gij dan in den hemel, de vaste plaats uwer woning , en vergeef, en doe en geef een iege-lijken naar alle zijne wegen, gelijk gij zijn harte kent, want gij alleen

411

kent het harte van alle kinderen der menschen;

40 opdat zij u vreezen alle de dagen, die zij leven zullen op het land dat gij onzen vaderen gegeven hebt.

41 Zelfs ook aangaande den vreemde, die van uw volk Israël niet zal zijn, maar uit verren lande om uws naams wille komen zal,

42 (want zij zullen hooren van uwen grooten naam en van uwe sterke hand en van uwen uitge-strekten arm), als hij komen en bidden zal in dit Huis, —

43 hoor gij in den hemel, de vaste plaats \'uwer woning, en doe naar alles waarom die vreemde tot u roepen zal; opdat alle volkeren der aarde uwen naam kennen , om u te vreezen gelijk uw volk Israël, en om te weten dat uw naam genoemd wordt over dit Huis hetwelk ik gebouwd heb.

44 Wanneer uw volk in den krijg tegen zijnen vijand uittrekken zal door den weg dien gij ze henen zenden zult, en zullen tot den Heere bidden, naar den weg dezer stad die gij verkoren hebt, en naar dit Huis hetwelk ik uwen na?.m gebouwd heb, —

45 hoor dan in den hemel hun gebed en hunne smeeking, en voer hun recht uit.

46 Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen u, (want geen mensch is er die niet zondigt), en gij tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor bet aangezicht des vijands, dat degenen die hen gevangen hebben hen gevankelijk wegvoeren in des vijands land, dat verre of nabij is;

47 en zij in het land daar zij gevankelijk weggevoerd zijn weder aan hun harte brengen zullen dat zij zich bekeeren, en tot u smeeken in het land dergenen die ze gevankelijk weggevoerd hebben, zeggende: Wij hebben gezondigd en verkeerdelijk gedaan, wij hebben goddelooslijk gehandeld;

48 en zij zich tot u bekeeren met hun quot;gansche harte en met hunne gansche ziele in het land hunner vijanden, die ze gevankelijk weggevoerd zullen hebben,

1 KONINGEN 8.


-ocr page 426-

412 1KONII

en zij tot u bidden zullen naaiden weg huns lands, \'t welk gij hunnen vader gegeven hebt, naar deze stad die gij verkoren hebt, en naar dit Huis dat ik uwen naam gebouwd heb, —

49 hoor dan in den hemel, de vaste plaats uwer woning, hun gebed en hunne smeeking, en voer hun recht uit,

50 en vergeef uw volk wat zij tegen u gezondigd zullen hebben, en alle hunne overtredingen waarmede zij tegen u zullen overtreden hebben j en geef hun barmhartigheid voor het aangezicht dergenen die ze gevangen houden, opdat zij zich hunner ontfermen;

51 want zij zijn uw volk en uw erfdeel, die gij uitgevoerd hebt uit Egypteland, uit het midden des ijzeren ovens:

52 opdat uwe oogen open zijn tot de smeeking uws knechts én tot de smeeking uws volks Israëls. om naar hen te hooren in al hun roepen tot u.

53 Want gij hebt ze u tot een erfdeel afgezonderd uit alle volkeren der aarde; gelijk als gij gesproken hebt door den dienst van Mozes uwen knecht, als gij onze vaderen uit Egypte witvoerdet, Heere Heere.

54 Het geschiedde nu als Salomo voleindigd had dit gansche gebed en deze smecking tot den Heere te bidden, dat hij van voor het altaar des Heeren opstond van het knielen op zijne knieën, met zijne handen uitgebreid naar den hemel,

55 zoo stond hij en zegende de gansche gemeente Israëls, zeggende met luider stem:

56 Geloofd zij de Heere, die zijnen volke Israël ruste gegeven heeft naar alles dat hij gesproken heeft; niet een éénig woord is er gevallen van alle zijne goede woorden , die hij gesproken heeft door den dienst van Mozes zijnen knecht.

57 De Heere onze God zij met ons gelijk als hij geweest is met onze vaderen, hij verlate ons niet en begeve ons niet,

58 neigende tot zich ons hart, om in alle zijne wegen te wandelen,

FGEN 8.

en om te houden zijne geboden en zijne inzettingen en zijne rechten, welke hij onzen vaderen geboden heeft.

59 En dat deze mijne woorden, waarmede ik voor den Heere gesmeekt heb, mogen nabij voor den Heere onzen God zijn, dag en nacht; opdat hij het recht zijns knechts uitvoere en het recht zijns volks Israëls, elk een dagelijks op zijnen dag;

GO opdat alle volkeren der aarde weten dat de Heere die God is, niemand meer,

61 en ulieder hart volkomen zij met den Heere onzen God, om te wandelen in zijne inzettingen, en zijne geboden te houden, gelijk te dezen dage.

02 En de Koning en gansch Israël met hem offerden slachtofferen voor het aangezicht des Heeren;

63 en Salomo offerde ten dank-oller, dat hij den Heere offerde, tweeëntwintigduizend runderen en honderd en twintig duizend schapen: alzoo hebben zij het Huis des Heeren ingewijd, de Koning en alle de kinderen Israëls.

64 Ten zeiven dage heiligde de Koning het middelste des voor-hofs dat vóór het Huis des Heeren was, omdat hij aldaar het brandoffer en het spijsoffer bereid had, mitsgaders het vette der dankofferen; want het koperen altaar , dat voor het aangezicht des Heeren was, was te klein om de brandofferen en de spijsolferen en het vette der dankofferen te bevatten.

65 Te dier tijd ook hield Salomo het feest, en \' gansch Israël met hem, eene groote gemeente, van den ingang af van Hamath tot de rivier van Egypte, voor het aangezicht des Heeren onzes Gods, zeven dagen en zeven dagen, zijnde veertien dagen.

66 Op den achtsten dag liet hij het volk gaan, en zij zegenden den Koning; daarna gingen zij naar hunne tenten, blijde en goedsmoeds over al het goede dat de Heere David zijnen knecht en Israël zijn volk gedaan had.


-ocr page 427-

1 KONINGEN 9.

413

HOOFDSTUK 9.

Het geschiedde nu als Salomo voleindigd had te bouwen het Huis des Heeren en het huis des Ko-nings, en al de begeerte van Salomo die \'t hem gelust had te maken,

2 dat de Heere ten anderen male Salomo verscheen, gelijk als hij hem in Gibeon verschenen was;

3 en de Heere zeide tot hem: Ik heb uw gebed en uwe smeeking gehoord, die gij voor mijn aangezicht smeckende gedaan hebt:quot;ik heb dat Huis geheiligd hetwelk gij gebouwd hebt, opdat ik mijnen naam aldaar tot in eeuwigheid zette, en mijne oogen en mijn harte zullen daar zijn te allen dage.

4 En zoo gij voor mijn aangezicht wandelen zult gelijk als uw vader David gewandeld heeft, met volkomenheid des harten en met oprechtheid, om te doen naar al wat ik u geboden heb, en mijne inzettingen en mijne rechten houden zult:

5 zoo zal ik den troon uws ko-ninkrijks over Israël bevestigen in eeuwigheid, gelijk als ik gesproken heb over uwen vader David, zeggende: Geen man zal u afgesneden worden van den troon Israëls.

G Maar zoo gijlieden u ten oenen-male afkeeren zult, gij en uwe kinderen, van mij na \'te volgen, en niet houden zult mijne geboden en mijne inzettingen\'die ik voor uw aangezicht gegeven heb, maar lienengaan en andere goden dienen en u voor dezelve nederbuigen zult:

7 zoo zal ik Israël uitroeien van het land dat ik hun gegeven heb, en dit Huis hetwelk ik mijnen naam geheiligd heb zal ik\'van mijn aangezicht wegwerpen, en Israël zal tot een spreekwoord en spotrede zijn onder alle volkeren.

8 En aangaande dit Huis dat verheven zal geweest zijn, al wie hetzelve zal voorbijgaan zal zich ontzetten en fluiten\'; men zal zeggen: Waarom heeft de Heere alzóó gedaan aan dit land en aan dit huis?

9 En men zal zeggen: Omdat zij den Heere hunnen God verlaten hebben, die hunne vaderen uit Egypteland uitgevoerd had, en hebben zich aan andere goden gehouden en zich voor dezelve neder-gebogen en die gediend: daarom heeft de Heere al dit kwaad over hen gebracht.

40 En het geschiedde ten einde van twintig jaren, in dewelke Salomo die twee huizen gebouwd had, het Huis des Heeren en het huis des Konings,

11 {waartoe Hiratn de Koning van Tyrus Salomo van cederboo-men eh van denneboomen en van

\' goud naar al zijnen lust opgebracht had), dat alstoen de Koning Salomo aan Hiram twintig steden gaf in het land van Galiléa.

12 En Hiram toog uit van Tyrus, om de steden te bezien die Salomo hem gegeven had, maar zij waren niet recht in zijne oogen;

13 daarom zeide hij: Wat zijn dat voor steden, mijn broeder, die gij mij gegeven hebt? En hij noemde ze het land Kabul, tot op dezen dag.

14 En Hiram had den Koning gezonden honderd en twintig talenten gouds.

15 Dit nu is de oorzaak van den uitschot, dien de Koning Salomo deed opkomen, om het Huis des Heeren te bouwen, en zijn huis, en Millo, en den muur van Jeruzalem, mitsgaders Hazor, en Me-giddo, en Gezer.

16 Want Farao de Koning van Egypte was opgekomen en had Gezer ingenomen en met vuur verbrand, en de Kanaaniten die in de stad woonden gedood, en had haar aan zijne dochter, de huisvrouw van Salomo, tot een geschenk gegeven.

17 Alzoo bouwde Salomo Gezer, en het lage Beth-Horon,

18 en Baalath, en Tadmor in de woestijn, in dat land;

19 en alle de schatsteden die Salomo had, en de wagensteden, en de steden der ruiteren, en wat de begeerte Salomo\'s begeerde te


-ocr page 428-

1 KONINGEN 10.

414

bouwen in Jeruzalem, en in den Libanon, en in het gansche land zijner heerschappij.

20 Aangaande al het volk dat overgebleven was van de Amo-riten, Hethiten, Fereziten, He-viten en Jebusiten, die niet waren van de kinderen Israëls:

21 hunne kinderen die na hen in het land overgebleven waren, die de kinderen Israels niet hadden kunnen verbannen, die heeft Salomo gebracht op slaafschen uitschot, tot op dezen dag.

22 Doch van de kinderen Israëls maakte Salomo geenen slaaf; maar zij waren krijgslieden, en zijne knechten en Vorsten, en zijne hoofdlieden, en de oversten zijher wagenen en zijner ruiteren.

23 Deze waren de oversten der bestelden die over het werk Salome\'s waren, vijfhonderd en vijftig, die heerschappij hadden over het volk dat in het werk doende was.

. 24 Doch de dochter Farao\'s toog van de stad Davids op tot haar huis, hetwelk hij voor haar gebouwd had; toen quot;bouwde hij Millo.

25 En Salomo offerde driemaal des jaars brandofferen en dank-offeren op het altaar dat hij den Heere gebouwd had, en rookte op dat hetwelk voor het aangezicht des Heeren was, als hij het Huis voltooid had.

26 De Koning Salomo maakte ook schepen te Ezeon-Géber dat bij Eloth is aan den oever der Schelfzee, in het land van Edom;

27 en Hiram zond met die schepen zijne knechten, scheepslieden, kenners van de zee , met de knechten van Salomo;

28 en zij kwamen te Ofir, en haalden van daar aan goud vierhonderd en twintig talenten, en brachten het tot den Koning Salomo.

HOOFDSTUK 10.

En toen de Koningin van Scheba het gerucht Salomo\'s hoorde, aangaande den naam des Heeren, kwam zij om hem met raadselen te verzoeken;

2 en zij kwam te Jeruzalem met een zeer zwaar heir, met kemelen dragende specerijen en zeer veel goud en kostelijk gesteente, en zij kwam tot Salomo, en sprak tot hem al wat in haar hart was.

3 En Salomo verklaarde haar alle hare woorden: geen ding was er verborgen voor den Koning, dat hij haar niet verklaarde.

4 Als nu de Koningin van Scheba zag al de wijsheid van Salomo, en het huis hetwelk hij gebouwd had,

5 en de spijze zijner tafel, en het zitten zijner knechten, en het staan zijner dienaren, en hunne kleedingen, en zijne schenkers, en zijnen opgang waardoor hij henen opging in het Huis des Heeren. — zoo was in haar geen geest meer,

6 en zij zeide tot den Koning: Het woord is waarheid geweest, dat ik in mijn land gehoord heb van uwe zaken en van uwe wijsheid;

7 en ik heb die woorden niet geloofd, totdat ik gekomen\'ben en mijne oogen dat gezien hebben: en zie, de helft is mij niet aangezegd, gij hebt met wijsheid en goed overtroffen het gerucht dat ik gehoord heb.

8 Welgelukzalig zijn uwe mannen , welgelukzalig deze uwe knechten, die gedurig voor uw aangezicht staan, die uwe wijsheid hooren.

9 Geloofd zij de Heere uw God, die behagen in u heeft gehad, om u op den troon Israëls te zetten; omdat de Heere Israël in eeuwigheid bemint, daarom heeft hij u tot Koning gesteld, om recht en gerechtigheid te doen.

10 En zij gaf den Koning honderd en twintig talenten gouds, en zeer veel specerijen en kostelijk gesteente; als deze specerij, die de Koningin van Scheba den Koning Salomo gaf, is er nooit meer in menigte gekomen.

11 Voorts ook de schepen Hi-rams, die goud uit Ofir voerden, brachten uit Ofir zeer veel almug-gimhout en kostelijk gesteente;

12 en de Koning maakte van dit almuggimhout steunselen voor het Huis des Heeren en voor het huis des Konings, mitsgaders harpen en luiten voor de zangers: het almuggimhout was zóó niet


-ocr page 429-

1 K O NIN

GEN 11.

415

gekomen noch gezien geweest tot op dezen dag.

13 En de Koning Salomo gaf der Koningin van Scheba al haar behagen wat zij begeerde; behalve dat hij haar gat\' naar het vermogen van den Koning Salomo; zoo keerde zij en toog in haar land, zij en hare knechten.

14 Het gewicht nu van het goud dat voor Salomo in één jaar inkwam was zeshonderd zesenzestig talenten gouds;

15 behalve dat van de kramers was, en van den handel der kruideniers , en van alle Koningen van Arab ië, en van de geweldigen van dat land.

16 Ook maakte de Koning Salomo tweehonderd rondassen van geslagen goud: zeshonderd sikkelen gouds liet hij opwegen tot elke rondas;

17 insgelijks driehonderd schilden van geslagen goud: drie pond gouds liet hij opwegen tot elk schild; en de Koning leide ze in het huis des wouds van den Libanon.

18 Nog maakte de Koning cenen grooten elpenbeenen troon, en hij overtoog denzelven met dicht goud.

10 Deze troon had zes trappen, en het hoofd van den troon was van achteren rond, en aan beide zijden waren leuningen tot de zitplaats toe, en twee leeuwen stonden bij die leuningen.

20 En twaalf leeuwen stonden daar op de zes trappen aan beide zijden: desgelijks is in geene koninkrijken gemaakt geweest.

21 Ook waren alle drinkvaten van den Koning Salomo van goud , en alle vaten van het huis des wouds van den Libanon waren van gesloten goud: geen zilver was er aan, luant het werd in de dagen van Salomo niet voor eenig ding geacht.

22 Want de Koning had in zee schepen van Tarsis, met de schepen Hirams: deze schepen van Tarsis kwamen in éénmaal in drie jaren in, brengende goud en zilver, elpenbeen en apen en pauwen.

23 Alzoo werd de Koning Salomo grooter dan alle Koningen der aarde in rijkdom en in wijsheid;

24 en de gansche aarde zocht het aangezicht Salomo\'s, om zijne wijsheid te hooren die God in zijn harte gegeven had;

25 en zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren vaten èn gouden vaten, en kleederen en harnas en specerijen, paarden en muilezels : elk ding van jaar tot jaar.

26 Daartoe vergaderde Salomo wagenen en ruiteren, en hij had duizend en vierhonderd wagenen en twaalfduizend ruiteren, en leide ze in de wagensteden, en bij den Koning in Jeruzalem.

27 En de Koning maakte het zilver in Jeruzalem te zijn als steenen, en de cederen deed hij zijn als de wilde vijgeboomen, die in de laagte zijn, in menigte.

28 En het uitbrengen der paarden was hetgeen Salomo uit Egypte had; en aangaande het linnengaren , do kooplieden des Konings namen het linnengaren voor den prijs.

20 En een wagen kwam op, en ging uit van Egypte, voor zeshonderd sikkelen zilvers, en een paard voor honderd en vijftig; en alzoó voerden zij die uit door hunne hand voor alle Koningen der Hethiten en voor de Koningen van Syrië.

HOOFDSTUK 11.

En de Koning Salomo had vele vreemde vrouwen lief, en dat benevens de dochter Farao; Moabi-tische, Ammonitische, Edomiti-sche, Sidonische, Hethitische,

2 van die volken, waarvan de Heere gezegd had tot de kinderen Israëls: Gijlieden zult tot hen niet ingaan, én zij zullen tot u niet inkomen, zij zouden zekerlijk uw harte achter hunne goden neigen: aan deze hing Salomo met liefde.

3 En hij had zevenhonderd vrouwen, Vorstinnen, en driehonderd bijwijven, en zijne vrouwen neigden zijn harte.

4 Want het geschiedde in den tijd van Salomo\'s ouderdom, dat zijne vrouwen zijn harte achter


-ocr page 430-

416

andere goden neigden, dat zijn hart niet volkomen met den Heere zijnen God was, gelijk het harte zijns vaders Davids;

5 want Salomo wandelde Asló-reth den god der Sidoniërs na, en Milfcom het verfoeisel der Am-moniten:

6 alzoo deed Salomo dat kwaad quot;nvas in de oogen des Heeren, en volhardde niet den Heere te volgen gelijk zijn vader David.

7 Toen bouwde Salomo eene hoogte den Kamos het verfoeisel der Moabiten, op den berg die vóór Jeruzalem is, enden Moloch het verfoeisel der kinderen Amnions ;

8 en alzóu deed hij voor alle zijne vreemde vrouwen, die haren goden rookten en offerden.

9 Daarom vertoornde zich de Heere tegen Salomo, omdat hij zijn harte geneigd had van den Heere den God Israels, die hem tweemaal verschenen was,

10 en hem van deze zake geboden had, dat hij andere goden niet zoude nawandelen, doch hij hield niet wat de Heere geboden had.

11 Daarom zeide de Heere tot Salomo: Dewijl dit bij u geschied is , dat gij niet ,hebt gehouden mijn verbond enwijne inzettingen die ik u geboden heb, zal ik gewis dit koninkrijk van u scheuren en het uwen knecht geven.

12 In uwe dagen nogtans zal ik dat niet doen, om uws vaders Davids wille; van de hand uws zoons zal ik het scheuren.

13 Toch zal ik het geheole koninkrijk niet afscheuren: éénen stam zal ik uwen zoon geven, om mijns knechts Davids wille en om Jcruzalems wille dat ik verkoren heb.

14 Zoo verwekte de Heere Salomo eenen tegenpartij der, Hadad den Edomiet; hij was van des Konings zaad in Edom.

15 Want het was geschied als David in Edom was, toen Joab do krijgsoverste optoog om de verslagenen te begraven, dat hij al wat mannelijk was in Edom sloeg;

lö want Joab bleef aldaar zes maanden met het gansche Israël, totdat hij al wat mannelijk was in Edom uitgeroeid had.

17 Doch Hadad was ontvloden, hij en eenige Edomitische mannen uit zijns vaders knechten met hem, om in Egypte te komen; Hadad nu was een klein jongsken.

18 En zij maakten zich op van Midian, en kwamen tot Paran, en namen met zich mannen van Paran, en kwamen in Egypte tot Farao den Koning van Egypte, die hem een huis gaf, en hem voeding toezeide, en hem een land gaf.

19 En Hadad vond groote genade in de oogen Farao\'s, zoodat hij hem tot eene vrouw gaf de zuster zijner huisvrouw, de zuster van Tachpenes de Koningin.

20 En de zuster van Tachpenes baarde hem zijnen zoon Genubath, denwelken Tachpenes opvoedde in Farao\'s huis, zoodat Genubath in Farao\'s huis was onder Farao\'s zonen.

21 Toen nu Hadad in Egypte hoorde, dat David met zijne vaderen ontslapen, en dat Joab de krijgsoverste dood was, zeide Hadad tot Farao: Laat mij gaan, dat ik in mijn land trekke.

22 Doch Farao zeide tot hem: Maar wat ontbreekt u bij mij, dat zie, gij in uw land zoekt te trekken? En hij zeide: Niets, maar laat mij evenwel gaan.

23 Ook verwekte hem Godeenen wederpartij der, Rezon den zoon van Eljada, die gevloden was van zijnen heer Hadadézer den Koning van Zoba,

24 tegen welken hij ook mannen vergaderd had, en werd overste eener bende, als David die doodde; en getrokken zijnde naar Damascus, woonden zij aldaar en regeerden in Damascus;

2,0 en hij was Israels tegenpartijder alle de dagen Salomo\'s, en ,clat benevens het kwaad dat Hadad deed, want hij had eenen afkeer van Israël, en hij regeerde over Syrië.

20 Daartoe Jerobcam de zoon Nebats, een Efratbiét van Zereda-,

1 KONINGEN 11.


-ocr page 431-

1 KONINGEN 12.

417

Salomo\'s knecht (wiens moeders naam was Zerüa, eene weduwvrouw) hief ook de hand op tegen den Koning.

27 Dit is nu de zake, waarom hij de hand tegen den Koning ophief. Salomo bouwde Miilo, en sloot de breuk der stad zijns vaders Davids toe.

28 En de man Jerobeam was een dapper held: toen Salomo dezen jongeling zag dat hij arbeidzaam was, zoo stelde hij hem over al den last van het huis Jozefs.

29 Het geschiedde nu te dier tijd, als Jerobeam uit Jeruzalem uitging, dat de Profeet Ahi\'a de Siloniet hein op den weg vond, en hij zich een nieuw kleed aangedaan had, en zij beiden alléén op den velde waren;

30 zoo vatte Ahi\'a het nieuwe kleed dat aan hem was, en scheurde het in twaalf stukken,

31 en hij zeide tot Jerobeam : Neem u tien stukken, want alzóó zegt de Heere de God Israels: Zie, ik zal het koninkrijk van de hand Salomo\'s scheuren, en u tien stammen geven;

32 maar éénen stam zal hij hebben, om mijns knechts Davids wille, en om Jeruzalems wille, de stad die ik verkoren heb uit alle stammen Israels;

33 daarom dat zij mij verlaten en zich nedergebogen hebben voor Astoreth den god der Sidoniërs, Kamos den god der Moabiten, en Milkam den god der kinderen Ammons, en niet gewandeld hebben in mijne wegen, om te doen dat recht is in mijne oogen, te weten mijne inzettingen en mijne rechten, gelijk zijn vader David.

34 Doch niets van dit koninkrijk zal ik uit zijne hand nemen; maar ik stel hem tot eenen Vorst alle de dagen zijns levens, om mijns knechts Davids wille dien ik verkoren fheb, die mijne geboden en mijne inzettingen gehouden heeft.

35 Maar uit de hand zijns zoons zal ik het koninkrijk nemen, en ik zal u daarvan tien stammen geven;

36 en zijnen zoon zal ik éénen stam geven, opdat mijn knecht

David altijd eene lampe voor mijn aangezicht hebbe in Jeruzalem, de stad die ik mij verkoren heb om mijnen naam daar te stellen.

37 Zoo zal ik u nemen, en gij zult regeeren over al dat uwe ziele zal begeeren, en gij zult Koning zijn over Israël.

38 En het zal geschieden zoo gij hooren zult al wat ik u zal gebieden , en in mijne wegen zult wandelen, en doen dat recht in mijne oogen is, houdende mijne inzettingen en mijne geboden, gelijk als mijn knecht David gedaan heeft: dat ik met u zal zijn, en u een bestendig huis bouwen, gelijk als ik David gebouwd heb, en zal u Israël geven;

39 en ik zal om dies wille het zaad Davids verootmoedigen, nog-tans niet altijd.

40 Daarom zocht Salomo Jerobeam te dooden; maar Jerobeam maakte zich op en vlood in Egypte tot Sisak den Koning van Egypte, en was in Egypte tot dat Salomo stierf.

41 Het overige nu der geschiedenissen van Salomo, en al wat hij gedaan heeft, en zijne wijsheid, is dat niet geschreven in het boek der geschiedenissen van Salomo?

42 De tijd mi xlien Salomo te Jeruzalem over het gansche Israël regeerde was veertig jaar.

43 Daarna ontsliep Salomo met zijne vaderen, en werd begraven in de stad zijns vaders Davids; en Rehabeam zijn zoon werd Koning in zijne plaats.

HOOFDSTUK 12.

En Rehabeam toog naar Sichem, want het gansche Israël was te Sichem gekomen om hem Koning te maken.

2 Het geschiedde nu als Jerobeam de zoon Nebats dit hoorde, daar hij nog in Egypte was (want hij was van het aangezicht van den Koning Salomo gevloden, en Jerobeam woonde in Egypte),

3 dat zij hene n zonden eri hem lieten roepen; en Jerobeam en de gansche gemeente Israels kwamen en spraken tot Rehabeam, zeggende :


14

-ocr page 432-

1 KONINGEN 12.

418

4 Uw vader heeft ons juk hard gemaakt: gij dan nu, maak uws vaders harden dienst en zijn zwaar juk dat hij ons opgelegd heeft lichter, en wij zullen u dienen.

5 En hij zeide tot hen: Gaat henen tot aan den derden dag, komt dan weder lot mij. En het volk ging henen.

6 En de Koning Rehabeam hield raad met de oudsten, die gestaan hadden voor het aangezicht van zijnen vader Salomo als hij leefde, zeggende: Hoe raadt gijlieden dat men dit volk antwoorden zal?

7 En zij spraken tot hem, zeggende: Indien gij heden de knecht van dit volk wezen zult, en hen dienen en hen antwoorden en tot hen goede woorden spreken zult, zoo zullen zij te allen dage uwe knechten zijn.

8 Maar hij verliet den raad der oudsten dien zij hem geraden hadden , en hij hield raad met de jongelingen die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden,

9 en hij zeide tot hen: Wat raadt gijlieden dat wij dezen volke antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben, zeggende: Maak het juk dat uw vader ons opgelegdquot; heeft lichter?

10 En de jongelingen die met hem opgewassen waren spraken tot hem, zeggende: Alzóó zult gij zeggen tot dat volk, die tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzóó zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vincjer zal dikker zijn dan mijns vaders lendenen:

11 indien nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zoo zal ik boven uw juk nog daar toedoen, mijn vader heeft u met geeselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen leastijden.

12 Zoo kwam Jerobeam en het gansche volk tot Rehabeam op den derden dag, gelijk als de Koning gesproken had , zeggende : Komt weder tot mij op den derden dag.

13 En de Koning antwoordde den volke hardelijk; want hij verliet don raad der oudsten dien zij hem geraden hadden,

14 en hij sprak tot hen naar den raad der jongelingen , zeggende : Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal boven uw juk nog daar toedoen; mijn vader heeft u met geeselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden,

15 Alzoo hoorde de Koning naar het volk niet ; want deze omwending was van den JIeere . opdat, hij zijn woord bevestigde, hetwelk de Heere door den dienst van Alna den Siloniet gesproken had tot Jerobeam den zoon Nebats.

1(3 Toen gansch Israël zag dat de Koning naar hen niet hoorde, zoo gaf het volk den Koning wederantwoord, zeggende: Wat deel hebben wij aan David ? Ja geene erve hebben wij aan den zoon van Isaï; naar uwe tenten, o Israël; voorzie nu uw huis, o David. Zoo ging Israël naar zijne tenten.

17 Doch aangaande de kinderen Israels die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook.

18 Toen zond de Koning Rehabeam Adoram, die over de schatting was; en het gansche Israël steenigde hem met steenen dat hij stierf; maar de Koning Rehabeam verkloekte zich om op eenen wagen te klimmen, dat hij naar Jeruzalem vluchtte.

19 Alzoo vielen de Israëliten van den huize Davids af, tot op dezen dag.

20 En het geschiede als gansch Israël hoorde dat Jerobeam weder gekomen was, dat zij henenzonden en hem in de vergadering riepen, en hem over gansch Israël Koning maakten; niemand volgde het huis Davids dan de stam Juda alleen.

21 Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het gansche huis van Juda en den stam Benjamins, honderdtachtigduizend uitgelezenen, geoefend ten oorloge, om tegen het huis Israels te strijden, opdat hij het koninkrijk weder aan Rehabeam den zoon Salomo\'s bracht.

22 Doch het woord Gods ge-


-ocr page 433-

schiedde tot Scmaja den man Gods, zoggendc:

23 Zeg tot Rehaheam den zoon Salomo\'s den Koning van Juda, en tot het gansche huis van Juda en Benjamin, en het overige des volks, zeggende:

24 Zóó zegt de Heere: Gij zult niet optrekken noch strijden tegen uwe broederen de kinderen Israels, een ieder keere weder tot zijn huis, want deze zake is van mij geschied. En zij hoorden het woord des Heeren, en keerden weder om weg te trekken naar het Woord des Heeren.

25 Jerobeam nu bouwde Sichem op het gebergte Efraïm en woonde daarin, en toog van daar uit en bouwde Pnuöl.

2() En Jerobeam zeide in zijn harle: Nu zal het koninkrijk tot liet huis Davids wederkeeren:

27 zoo dit volk opgaan zal om offeranden te doen in het Huis des Heeren te Jeruzalem, zoo zal het harte dezes volks tot hunnen heere, tot Rehabeam den Koning van Juda, wederkeeren; ja zij zullen mij dooden, en tot Rehabeam den Koning van Juda wederkeeren.

28 Daarom hield de Koning eenen raad, en maakte twee gouden kalveren; en hij zeide tot hen: Het is ulieden te veel om op te gaan naa? Jeruzalem: zie uwe goden, o Israël, die u uit Egypteland opgebracht hebben.

*29 En hij zette het ééne te Beth-El, en het andere stelde hij te Dan.

30 En deze zake werd tót zonde; want het volk ging henen voor het eene, tot Dan toe.

31 Hij maakte ook een huis der hoogten, en maakte Priesteren van de geringsten des volks, die niet waren uit de zonen van Levi:

32 en Jerobeam maakte een feest in de achtste maand op den vijftienden dag der maand, gelijk het feest dat in Juda was, en offerde op het altaar. Desgelijks deed hij te Beth-El, offerende den kalveren die hij gemaakt had: hij stelde ook te Beth-El Priesteren der hoogten die hij gemaakt had,

419

33 en hij offerde op het altaar dat hij te Beth-El gemaakt had, op den vijftienden dag der achtste maand, der maand dewelke hij uit zijn harte bedacht had; zoo maakte

hij den kinderen Israels een feest,

en offerde op dat altaar, rookondo.

HOOFDSTUK 13.

En zie, een man Gods kwam uit Juda, door het Woord des Heeren tot Beth-El; en Jerobeam stond bij het altaar om te rooken.

2 En hij riep tegen het. altaar, door het woord des Heeren, en zeide: Altaar, altaar, zóó zegt de Heere: Zie, een zoon zal don huize Davids geboren worden, wiens naam zal zijn Josia: die zal op u offeren de Priesters der hoogten, die op u rooken, en men zal menschenbeenderen op u verbranden.

3 En hij gaf ten zeiven dage een wonderteeken, zeggende: dit is dat wonderteeken waarvan de Heere gesproken heeft: zie, het altaar zal vanéén gescheurd, en de asch, die daarop is, afgestort worden. , ,

4 Het geschiedde nu als de Koning het woord van den man Gods \' hoorde, hetwelk hij tegen het altaar te Beth-El geroepen had, dat Jerobeam zijne hand van op het altaar uitstrekte, zeggende: Grijpt hem. Maar zijne hand , die hij tegen hem uitgestrekt had, verdorde, dat hij ze niet. weder tot zich trekken konde.

5 En het altaar werd vaneen gescheurd, en de asch van het altaar afgestort, naar het wonderteeken dat de man Gods gegeven had door het woord des Heeren.

G Toen antwoordde de Koningen zeide tot den man Gods: Aanbid toch het aangezicht des Heeren uws Gods ernstiglijk , en bid voor mij dat mijne hand weder tot mij kome. Toen bad de man Gods het aangezicht des Heeren ernstiglijk, en de hand des Komngs kwam weder tot hem en werd gelijk te voren. , i .

7 En de Koning sprak tot den man Gods: Kom niet mij naar

1 KONINGEN -13.


-ocr page 434-

420

huis, en sterk ü, en ik zal u een geschenk geven.

8 Maar de man Gods zoide tot den Koning: AI gaaft gij mij de helft van uw huis, zoo zoude ik niet met u gaan, en ik zoude in deze plaats geen brood eten noch water drinken;

9 want zóó heeft mij de Heere geboden doorzijn Woord, zeggende: Gij zult geen brood eten noch water drinken; en gij zult niet \\vederkeeren door don weg dien gij gegaan zij t.

10 En hij ging door oenen andoren weg, en keerde niet weder door den weg door welken hij te Beth-El gekomen was.

11 Een oud Profeet nu woonde te Beth-El; en zijn zoon kwam, en vertelde hem al het werk dat de man Gods te dien dage in Beth-El gedaan had: met de woorden die hij tot den Koning gesproken had; deze vertelden zij ook hunnen vader;

12 en hun vader sprak tot hen: Wat weg is hij getogen? En zijne zonen hadden den weg gezien welken de man Gods was getogen , die uit Juda gekomen was.

13 Toen zeide hij tot zijne zonen: Zadelt mij dén ezel. En zij zadelden hem den ezel, en hij reed daarop;

14 en hij toog den man Gods na, en vond hem zittende onder een eik; en hij zeide tot hem: Zijt gij de man Gods die uit Juda gekomen is? En hij zeide: Ik ben \'t.

^ 15 Toen zeide hij tot hem: Kom met mij naar huis en eet brood.

16 Doch hij zeide: Ik kan niet niet u wederkeeren noch met u inkomen, ik zal ook geen brood eten noch met u water drinken in deze plaatse;

17 want een woord is tot mij geschied door het Woord des Hee-ren : Gij zult aldaar noch brood eten noen water drinken; gij zult niet wederkeeren gaande door den weg, door denwelken gij gegaan zijt.

, 18 En hij zeide tot hem: Ik ben i óók een Profeet gelijk gij, en een I

Engel heeft tot mij gesproken door het Woord des Heeren, zeggende: Breng hem weder met u in uw huis, dat hij brood ete en water drinke. Doch hij loog hem,

19 En hij keerde met hem wederom, en at brood in zijn huis en dronk water.

20 En het geschiedde als zij aan de tafel zaten, dat het Woord des Heeren geschiedde tot den Profeet die hem had doen wederkeeren,

21 en hij riep tot den man Gods die uit Juda gekomen was, zeggende: Zóó zegt de Heere: Daarom dat gij don mond des Heeren zijt wederspannig geweest, en niet gehouden hebt het gebod dat u do Heere uw God geboden had,

22 maar zijt wedergekeerd en brood gegeten en water gedronken hebt, ter plaatse waarvan hij totu gesproken had: Gij zult geen brood eten noch water drinken, — zoo zal uw dood lichaam in uwer vaderen graf niet komen.

23 En het geschiedde nadat hij brood gegeten en nadat hij gedronken had, dat hij hem den ezel zadelde, te ïfefen den Profeet dien hij had doen wederkeeren.

24 Zoo toog hij henen, en een leeuw vond hom op den weg en doodde hem; en zijn dood lichaam lag geworpen op den weg, en de ezel stond daarbij , ook stond de leeuw bij het doode lichaam.

25 Enquot; zie , daar gingen lieden voorbij, en zagen het doode lichaam geworpen op den weg, en den leeuw staande bij het doode lichaam ; en zij kwamen en zeiden het in de stad waarin de oude Profeet woonde.

26 Als de Profeet die hem van den weg had doen wederkeeren dit hoorde, zoo zeide hij : Het is de man Gods die den mond des Heeren wederspannig is geweest, daarom heeft de Heere hem den leeuw overgegeven, die hem gebroken en hem gedood heeft, naar het woord des Heeren dat hij tot hem gesproken had.

27 Voorts sprak hij tot zijne zonen , zeggende: Zadelt mij den ezel. En zij zadelden hem.

i KONINGEN 13.


-ocr page 435-

1 KONINGEN 14.

421

28 Toen toog hij henen, en vond zijn dood lichaam geworpen op den weg, en den ezel en den leeuw staande bij liet doode lichaam: de leeuw had het doode lichaam niet gegeten en den ezel niet gebroken.

29 Toen nam de Profeet het doode lichaam van den man Gods op en leide dat op den ezel, en voerde dat wederom; zoo kwam de oude Profeet in de stad, om rouw te bedrijven en hem te begraven,

30 en hij leide zijn dood lichaam in zijn graf, en zij maakten over hem eene weeklage: Ach mijn broeder!

31 Het geschiedde nu nadat hij hom begraven had, dat hij sprak tot zijne zonen, zeggende: Als ik zal gestorven zijn, zoo begraaft mij in het graf waarin de man Gods begraven is, en legt mijne beenderen bij zijne beenderen.

32 Want de zake zal gewis geschieden , die hij door het Woord des He eren uitgeroepen heeft tegen het altaar dat te Beth-El is, en tegen alle de huizen der hoogten die in de steden van Samariö zijn.

33 Na deze geschiedenis keerde zich Jerobeam niet van zijnen boozen weg, maar maakte wederom Priesters der hoogten van de ge-ringsten des volks: wie wilde, diens hand vulde hij, en werd een van de Priesters der hoogten;

34 en hij werd in deze zake het huis Jeroboams tot zoude, om hetzelve te doen afsnijden en te verdelgen van den aardbodem.

HOOFDSTUK 14.

Te dierzelfder tijd was Abi\'a de zoon Jerobeams krank;

2 en Jerobeam zeide tot zijne huisvrouw: Maak u nu op, en vermom u, dat men niet merke dat gij Jerobeams huisvrouw zijt, en ga henen naar Silo: zie, daar is de Profeet Ahi\'a, die van mij gesproken heeft dat ik Koning zoude zijn over dit volk;

3 en neem in uwe hand tien brooden, en koeken, en eene kruik honig, en ga lot hem: hij zal u te kennen geven wat dezen jongen geschieden zal.

4 En Jerobeams huisvrouw deed alzoo, en maakte zich op en ging naar Silo, ei kwam in het huis van Ahia. Ania nu kon niet zien, want zijne oogen stonden stijf vanwege zijnen ouderdom.

5 Maar de Heere zeide tot Ahia: Zie, Jerobeams huisvrouw komt om eene zake van u te vragen aangaande haren zoon, want hij is krank: zóó en zóó zult gij tot haar spreken; en het zal zijn als zij inkomt, dat zij zich vreemd aanstellen zal.

C En het geschiedde als Ahia hoorde het geruisch barer voeten toen zij ter deure inkwam, dat hij zeide: Kom in, gij huisvrouw Jerobeams, waarom stelt gij u vreemd aan? Want ik ben tot u gezonden met eene harde boodschap.

7 Ga henen, zeg Jerobeam: Zóó zegt de Heere de God Israëls: Daarom dat ik u verheven heb uit het midden des volks, en u een voorganger over mijn volk Israël gesteld heb,

8 en het koninkrijk van den huize Davids gescheurd en dat u gegeven heb ; en gij niet geweest zijt gelijk mijn knecht David, die mijne geboden hield en die mij met zijn gansche harte navolgde, om te doen alleen wat recht is in mijne oogen;

9 maar kwaad gedaan hebt, doende des meer dan allen die vóór u geweest zijn, en henenge-gaan zijt en hebt u andere goden en gegoten beelden gemaakt, om mij tot toorn te verwekken, en hebt mij achter uwen rug geworpen :

10 daarom, zie, ik zal kwaad over den huize Jerobeams brengen, en van Jerobeam uitroeien wat mannelijk is, den beslotene en verlatene in Israël, en ik zal de nakomelingen van het huis Jerobeams wegdoen gelijk de drek weggedaan wordt, totdat het ganschelijk vergaan zij.

11 Die van Jerobeam in de stad sterft zullen de honden eten, en die in het veld sterft zullen de


-ocr page 436-

422 1 K O N I gt;

vogelen des hemels eten; want de Heere heeft het gesproken.

12 Gij dan maak u op, ga naar uw huis: als uwe voeten in de stad zullen gekomen zijn, zoo zal het kind sterven.

13 En garisch Israël zal hem beklagen, en hem begraven; want. deze alleen van Jerobeam zal in het graf komen, omdat, in hem wat goeds voor den Heere den God Israëls in den huize Jeroboams gevonden is.

14 Doch de Heere zal zich eenen Koning verwekken over Israël, die het huis Jerobeams ten dien dage uitroeien zal; maar wat zal het. ook nu zijn?

15 De Heere zal ook Israël slaan. gelijk een riet in het water omgedreven wordt, en zal Israël uitrukken uit dit goede land dat hij hunnen vaderen gegeven heeftquot;, en zal ze verstrooien op gene zijde der rivier: daarom dat zij hunne bosschen gemaakt hebben, den Heere tot. toorn verwekkende;

16 en hij zal Israël overgeven, om Jerobeams zonden wille die gezondigd heeft en die Israël heeft doen zondigen.

17 Toen maakte zich Jerobeams vrouw op en ging henen, en kwam te Tirza: als zij nu op den dorpel van het huis kwarn, zoo stierf de jongeling.

18 En zij begroeven hem, en gansch Israël beklaagde hem, naar het woord des Heeren dat hij gesproken had door den dienst van zijnen knecht Ahi\'aden Profeet.

19 Het overige nu der geschiedenissen Jerobeams, hoe hij ge-krijgd en hoe hij geregeerd heeft, zie, die zijn geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israëls.

20 De dagen nu die Jerobeam heeft geregeerd zijn tweeëntwintig jaar; en hij ontsliep met zijne vaderen, en Nadab zijn zoon regeerde in zijne plaats.

21 Rehabeam nu de zoon van Salomo regeerde in Juda: éénenveertig jaar was Rehabeam oud als hij Koning werd, en regeerde zeventien jaar te Jeruzalen, in de stad die de Heere verkoren had

GEN 15.

uit alle de stammen Israëls om zijnen naam daar te zet ten; en do naam zijner moeder was Naiima de Aminonitische.

22 En Juda deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, en zij verwekten hem tot ijver, meer dan alle hunne vaderen gedaan hadden, met hunne zonden die zij zondigden;

23 want ook zij bouwden zich hoogten en opgerichte beelden en bosschen, op allen hoogen heuvel en onder allen groenen boom;

24 daar waren ook schandjongens in het land, zij deden naar alle de gruwelen der heidenen die de Heere van het aangezicht der kinderen Israëls uit de bezitting verdreven had.

25 Het geschiedde nu in het vijfde jaar des Konings Rehabeams, dat Sisak de Koning van Egypte optoog tegen Jeruzalem,

26 en hij nam de schatten van het Huis* des Heeren en de schatten van het huis des Konings weg, Ja nam alles weg, hij nam ook alle de gouden schilden weg die Salomo gemaakt had.

27 En de Koning Rehabeam maakte in plaats van die koperen schilden, en hij beval die onder de hand van de oversten der trawanten die de deur van het huis des Konings bewaarden;

28 en het geschiedde zoo wanneer de Koning in het Huis des Heeren ging, dat de trawanten dezelve droegen, en die wederbrachten in der trawanten wachtkamer.

29 Het overige nu der geschiedenissen Rehabeams, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Juda?

30 En daar was krijg tusschen Rehabeam en tusschen Jerobeam, alle hunne dagen.

31 En Rehabeam ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven bij zijne vaderen in de stad Davids; en de naam zijner moeder was Naiima de Ammonitische, en zijn zoon Abiam regeerde in zijne plaats.

HOOFDSTUK 15.

In het achttiende jaar nu des


-ocr page 437-

1 K O NIN G E N 15.

423

Konings Jerobeams, des zoons Nebats, werd Abiam Koning over Juda:

2 hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Maacha, eene dochter Abi-saloms.

3 En hij wandelde in alle de zonden zijns vaders, die hij vóór hem gedaan had, en zijn hart was niet volkomen met den Heere zijnen God, gelijk het harte zijns vaders Davids.

4 Maar om Davids wille galquot; de Heere zijn God hem eene lampe in Jeruzalem, verwekkende zijnen zoon na hem, en bevestigde Jeruzalem ;

5 omdat David gedaan had dat recht was in de oogen des Heerex, en niet geweken was van alles dat hij hem geboden had, alle de dagen zijns levens, dan alleen in de zaak van Una den Hethiet.

G En daar was krijg geweest tusschen Kehabeam en tusschen Jerobeam, alle de dagen zijns levens.

7 Het overige nu der geschiedenissen Abiams, en alles wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het bock der Kronieken der Koningen van Juda? Daar was ook krijg tusschen Abiam en tusschen Jerobeam.

8 En Abiam ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids: en Asa zijn zoon regeerde in zijne plaats.

9 In het twintigste Jaar Jerobeams des Konings Israels werd Asa Koning over Juda,

10 en hij regeerde éénenveertig jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Maacha eene dochter Abisaloins.

11 En Asa deed wat recht was in de oogen des Heeren, gelijk zijn vader David;

12 want hij nam weg de schand-jongens uit den lande en deed weg quot;alle de drekgoden die zijne vaders gemaakt hadden;

13 ja zelfs zijne moeder Maacha die zette hij ook af, dat zij geen Koningin was, omdat zij een afgrijselijken afgod in een bosch gemaakt had; ook roeide Asa uit haren afgrijselijken afgod, en verbrandde hem aan de beek Kidron.

14 De hoogten werden wel niet weggenomen, nogtans was het harte van Asa volkomen met den Heere alle zijne dagen.

15 En hij bracht in het Huis des Heeren de geheiligde dingen zijns vaders, en zijne geheiligde dingen, zilver en goud en vaten.

1Ü En daar was krijg tusschen Asa en tusschen Baësa den Koning Israëls, alle hunne dagen.

17 Want Baësa de Koning van Israël toog op tegen Juda en bouwde Rama, opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa den Koning van Juda.

18 Toen nam Asa al het zilver en goud dat overgebleven was in de schatten van het Huis des Heerex , en de schatten van het huis des Konings, en gaf ze in de hand zijner knechten, en de Koning Asa zond ze tot Benhadad, den zoon Tabrimmons, des zoons Hez-jons, den Koning van Syrië die te Damascus woonde, zeggende:

19 Daar is een verbond tusschen mij en tusschen u, tusschen mijnen vader en tusschen uwen vader; zie , ik zend u een geschenk , zilver en goud: ga henen, maak uw verbond te niet met Baësa den Koning Israëls, dat hij aftrekke van tegen mij.

20 En Benhadad hoorde naar den Koning Asa, on zond de oversten der heiren die hij had tegen de steden Israëls, en sloeg Ijon, en Dan, en Abel Beth-Maacha, en het gansche Kinneroth, met het gansche land Naftali.

21 En het geschiedde als Baësa zulks hoorde, dat hij alliet van Rama te bouwen, en hij bleef te Tirza.

22 Toen liet de Koning Asa door gansch Juda uitroepen, (niemand was vrij), dat zij de steenen van Rama en het hout daarvan zouden wegdragen, waar Baësa mede gebouwd had; en de Koning Asa bouwde daarmede Gibea Benjamins en Mizpa.

23 Het overige nu aller geschiedenissen van Asa, en al zijne macht, en al dat hij gedaan heeft,


-ocr page 438-

1 KONINGEN it).

424

en de steden die hij gebouwd lieeft, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Juda? Doch in den tijd zijns ouderdoms werd hij krank aan zijne voeten.

24 En Asa ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven met zijne vaderen in de stad zijns vaders Davids; en zijn zoon Josafat werd Koning in zijne plaats.

25 Nadab nu de zoon Jerobeams werd Koning over Israël in het tweede jaar van Asa den Koning van Juda, en hij regeerde twee jaren over Israël;

26 en hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren , en wandelde in den weg zijns vaders en in zijne zonde, waarmede hij Israël had doen zondigen.

27 En Baësa de zoon van Ahia, van den huize Issaschars, maakte eene verbintenis tegen hem, en Baësa sloeg hem te Gibbethon welke der Filistijnen is, als Nadab en gansch Israël Gibbethon belegerden ;

28 en Baësa doodde hem in het derde jaar van Asa den Koning van Juda, en werd Koning in zijne plaats.

29 Het geschiedde nu als hij regeerde, dat hij het gansche huis Jerobeams sloeg: hij liet niets over van Jerobeam wat adem had, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord des Heehen, dat hij gesproken had door den dienst van zijnen knecht Ahia den Siloniet,

30 om de zonden Jerobeams, die zondigde en die Israël zondigen deed, en om zijne terging, waarmede hij den Heere den God Israëls getergd had.

31 Het overige nu der geschiedenissen Nudabs, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israëls?

32 En daar w^s oorlog tusschen Asa en tusschen Baësa, den Koning Israëls alle hunne dagen.

■ 33 In het derde jaar van Asa, Koning van Juda, werd Baësa de zoon van Ahia Koning over gansch Israël te Tirza, en regeerde vierentwintig jaar, 34 en deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, en wandelde in den weg Jerobeams en in zijne zonde, waarmede hij Israël had doen zondigen.

HOOFDSTUK lü.

Toen geschiedde het Woord des Heeren tot Jehu den zoon van Hanani tegen Baësa, zeggende:

2 Daarom dat ik u uit het stof verheven en u tot eenen voorganger over mijn volk Israël gesteld heb , en gij gewandeld hebt in den weg Jerobeams en mijn volk Israël hebt doen zondigen, mij tot toorn verwekkende door hunne zonden:

3 zie, zoo zal ik de nakomelingen van Baësa en de nakomelingen van zijn huis wegdoen, en ik zal uw huis maken gelijk het huis Jerobeams des zoons Nebats.

4 Die van Baësa in de stad sterft zullen de honden eten, en die van hem in het veld sterft zullen de vogelen des hemels eten.

5 Het overige nu der geschiedenissen van Baësa, en wat hij gedaan heeft, en zijne macht, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israëls ?

ü En Baësa ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven te Tirza; en zijn zoon Ela regeerde in zijne plaats.

7 Alzoo geschiedde ook het woord des Heeren, door den dienst van den Profeet Jehu den zoon van Hanani, tegen Baësa en tegen zijn huis , en dat om al het kwaad dat hij gedaan had in de oogen des Heeren, hem tot toorn verwekkende door het werk zijner handen, omdat hij was gelijk het huis Jerobeams, en omdat hij hetzelve verslagen had.

8 In het zesentwintigste jaar v«n Asa den Koning van Juda werd Ela de zoon van Baësa Koning over Israël te Tirza, en re» geerde twee jaren.

9 En Zimri zijn knecht, overste van de helft der wagens, maakte eene verbintenis tegen hem, als hij te Tirza was zich dronken


-ocr page 439-

I K O NIN G E N 10.

425

drinkende in liet huis van Arza, don hofmeester te Tirza;

10 zoo kwam Zimriin. en slneg hem en doodde hem , in hef zevenentwintigste jaar van Asa den Koning van Juda; en hij werd Koning in zijne plaats.

-11 En het geschiedde als hij regeerde, als hij op zijnen troon • zat, dat hij het ganschê huis van Baësa sloeg: hij liet hem niet over wat mannelijk was, noch zijne bloedverwanten, noch zijne vrienden.

12 Alzoo verdelgde Zimri het gansche huis van Baësa, naar het woord dos Heeren dat hij over Baösa gesproken had dooi* den dienst van den Profeet Jehu,

13 om alle de zonden van Baësa en de zonden van Ela zijnen zoon, waarmede zij gezondigd hadden en waarmede zij Israël hadden doen zondigen, tot toorn verwekkende den He ere den God israëls door hunne ijdelheden.

14 Het overige nu der geschiedenissen van Ela, en al wat hij

II gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israëls?

•15 In het zevenentwintigste jaar van Asa den Koning van Juda regeerde Zimri zeven dagen te Tirza; en het volk had zich gelegerd tegen Gibbethon dat der Filistijnen is.

1(5 Het volk nu dat zich gelegerd had hoorde zeggen: Zimri heeft eene verbintenis gemaakt, ja heeft ook den Koning verslagen, daarom maakte het gansche Israël te dien dage Omri den krijgsoverste Koning over Israël in het leger.

17 En Omri toog op, en gansch Israël met hem , van Gibbethon, j en belegerden Tirza; é 18 en het geschiedde als Zimri zag dat de stad ingenomen was, dat hij ging in het paleis van het huis des Konings , en verbrandde boven zich het huis des Konings met vuur, en stierf,

lO om zijne zonden die hij gezondigd had. doende dat kwaad was in de oogen des Heeren , wandelende in den weg Jerobeams

en in zijne zonde die hij gedaan had. doende Israël zondigen.

•20 Het overige nu der geschiedenissen van Zimri, en zijne verbintenis die hij gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in hot boek dêrKronieken der Koningen Israëls?

21 Toen werd het volk Israëls verdeeld in twee helften: de helft des volks volgde Tibni den zoon Ginaths om hem Koning te maken, en de helft volgde Omri;

22 maar het volk dat Omri volgde was sterker dan het volk dat Tibni* den zoon Ginaths volgde, en Tibni stierf en Omri regeerde.

23 In het eenendertigste ja^r van Asa den Koning van Juda werd Omri Koning over Israël, en regeerde twaalf jaar; te Tirza regeerde hij zes jaren.

24\'En hij kocht den bergSama-rië van Semer voor twee talenten zilvers , en bebouwde den berg , en noemde den naam der stad die hij bouwde, naar den naam van Semer den heer des bergs, Sa-marië.

25 En Omri deed dat kwaad was in de oogen des Heeren , ja hij deed erger dan allen die vóór hem geweest waren,

2G en hij wandelde in alle wegen Jerobeams des zoons Nebats, en in zijne zonde waarmede hij Israël had doen zondigen , verwekkende den Heere den God Israëls tot toorn door hunne ijdelheden.

27 Het overige nu der geschiedenissen van Omri, wat hij gedaan heeft, en zijne macht die hij gepleegd heeft, zijn die niet geschreven \'in het boek der Kronieken dei-Koningen Israëls?

28 En Omri ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven te Samarië; en zijn zoon Achab regeerde in zijne plaats.

29 En Achab de zoon van Omri werd Koning over Israël in het achtendertigste jaar van Asa den Koning van Juda, en Achab de zoon van Omri regeerde over Israël te Samarië tweeëntwintig jaar,

30 en Achab de zoon van Omri deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, meer dan allen die vóór hem geweest waren.


-ocr page 440-

1 KONINGEN 17.

426

31 En het geschiedde (was het eene lichte zake dat hij wandelde in de zonden Jerobeams des zoons Nebats?) dat hij nog ter vrouwe nam Izébel, de dochter Ethbaals des Konings der Sidoniërs, en henenging en diende den Baal en boog zich voor hem,

32 en hij richtte den Baal een altaar op hi het huis Baals. hetwelk hij te Samarië gebouwd had;

33 ook maakte Achab een bosch; zoodat Achab nog meer deed om den Hf.ere den God Israels tot toorn te verwekken, dan alle Koningen Israels die voor hem geweest waren.

34 In zijne dagen bouwde Hiël de Betheliet Jericho: op Abiram zijnen eerstgeboren zoon heeft hij haar gegrondvest, en op Segub zijnen jongsten zoon heeft hij hare poorten gesteld, naar het woord des Heehen dat hij door den dienst van Jozua den zoon van Nun gesproken had.

HOOFDSTUK

En Eh\'a de Tisbiet van de inwo-neren Gileads zeide tot Achab: Zoo waarachtig nis de Mkere de God Israëls leeft, voor wiens aangezicht ik sta. indien deze jaren dauw of regen zijn zal, tenzij dan naar mijn woord.quot;

2 Daarna geschiedde het Woord des Heeren tot hem, zeggende:

3 Ga weg van hier en wend u naar het Oosten, en verberg u aan de beek Krith die vóóraan den Jordaan is;

4 en het zal geschieden dat gij uit de beek drinken zult, en ik heb den raven geboden dat zij u daar onderhouden zullen.

5 Hij ging dan henen en deed naar het woord des Heeren; want hij ging en woonde bij de beek Krith die vóóraan den Jordaan is,

0 en de raven brachten hem des morgens brood en vleesch, desgelijks brood en vleesch des avonds, en hij dronk uit de beek.

7 En het geschiedde ten einde van vele dagen dat de beek uitdroogde , want er was geen regen in het l.\'.nd geweest.

8 Toen geschiedde het Woord des Heeren tot hem, zeggende:

9 Maak u op, ga henen naar Zarfath die bij Sidon is, en woon aldaar; zie, ik heb daar eene weduwvrouw geboden dat zij n onderhoude.

10 Toen maakte hij zich op en ging naar Zarfath. Ais hij nu aan de poort der stad kwam, zie, zoo was daar eene weduwvrouw hout lozende; en bij riep tot haar en zeide: Haal mij toch een weinig wateivin dit vat, dat ik drinke.

11 Toen zij nu henenging om dat te balen, zoo riep hij tot haar en zeide: Haal mij toch oo/c oene bete broods in uwe hand.

12 Maar zij zeide: Zoo waar-achtirj als de Heere uw God leeft, indien ik eenen koek heb, dan alleen een handvol meel in de kruik en een weinig olie in de flesch; en zie, ik heb een paar houten gelezen, en ik ga henen en zal het voor mij en voor mijnen zoon bereidenquot;, dat wij het eten en sterven.

13 En Elia zeide tot haar: Vrees niet, ga henen, doe naar uw woord; maar maak mij vooreerst een kleinen koek daarvan, en breng mij dien hieruit, doch voor u en uwen zoon zult gij daarna wat maken.

14 Want zóó zegt de Heere de God Israëls: Het meel van de kruik zal niet verteerd worden, en de olie der llesch zal niet ontbreken, tot op den dag dat do Heere regen op den aardbodem geven zal.

15 En zij ging henen en deed naar het woord van Eh\'a: zoo at zij en hij en haar huis vele dagen,

1(5 het meel van de kruik werd niet verteerd, en de olie van de flesch ontbrak niet, naar het woord des Heeren dat hij gesproken had door den dienst van Eh\'a.

17 En het geschiedde na deze dingen, dat de zoon dezer vrouwe, der waardin van den huize, krank werd; en zijne krankheid werd zeer sterk, totdat geen adem in hem overgebleven was.

18 En zij zeide tot Eh\'a: Wat heb ik met u te doen, gij man


-ocr page 441-

1 KONINGEN ly.

427

Gods? Zijl gij Ij ij mij in gekomen om mijne ongerechtigheid in gedachtenis te brengen en om mijnen zoon te dooden?

19 En hij zeide tot haar: Geef mij uwen zoon. En hij nam hem van haren schoot, en droeg hem boven in de opperzaal waar hij zelf woonde, en hij leide hem neder op zijn bed;

20 en hij riep den Heeüe aan en zeide: Heere mijn God, hebt gij dan ook deze weduwe, bij de welke ik herberge, zoo kwalijk gedaan, dat gij haren zoon gedood hebt?

21 En hij mat zich driemaal uit over het kind, en riep den Heere aan en zeide: Heere mijn God, laat toch de ziele dezes kinds in hem wederkomen.

22 En de Heere verhoorde de stem van Eh\'a, en de ziele des kinds kwam weder in hem, dat het weder levend werd.

23 En Elfa nam het kind en bracht het af van de opperzaal in het huis, en gaf het zijner moeder, en Eh\'a zeide: Zie, uw zoon leeft.

24 Toen zeide die vrouw tot Eh\'a: Nu weet ik dat gij een man Gods zijt, en dat het Woord des Heeren in uwen mond waarheid is.

HOOFDSTUK 18.

En het gebeurde na vele dagen dat het Woord des Heeren geschiedde tot Eh\'a, in het derde jaar, zeggende: Ga henen, vertoon u aan Achab, want ik zal regen geven op den aardbodem.

2 En Eh\'a ging henen om zich aan Achab te vertoonen. En de honger was sterk in Samarië;

3 en Achab had Obadja den hofmeester geroepen; (en Obadja was den Heere zeer vreezende;

4 want het geschiedde als Izébel de Profeten des Heeren uitroeide, dat Obadja honderd Profeten nam, en verborg ze bij vijftig man in eene spelonk, en onderhield ze met brood en water;

5 en Achab had gezegd tot Obadja: trek door het land tot alle waterfonteinen en tot alle rivieren ; misschien zullen wij gras vinden, opdat wij de paarden en de muilezels in het leven behouden, en niets uitroeien van de beesten.

6 En zij deelden het land onder zich, dat zij het doortogen: Achab ging afzonderlijk op eenen weg, en Obadja ging óók afzonderlijk op eenen weg.

7 Als nu Obadja op den weg was, zie, zoo was hem Eh\'a tegemoet en hem kennende, zoo viel hij op zijn aangezicht, en zeide: Zijt gij mijn heere Eh\'a?

8 Hij zeide: Ik ben het: ga heen, zeg uwen heere: Zie, Eh\'a is/lier.

0 Maar hij zeide: Wat heb ik gezondigd, dat gij uwen knecht geeft in de hand Achabs, dat hij mij doode ?

10 Zoo waarachtig als de Heere uw God leeft, zoo er een volk of koninkrijk is waar mijnheereniet gezonden heeft om u te zoeken! en als zij zeiden: Hij is hier niet, zoo nam hij dat koninkrijk en dat volk eeneii eed af dat zij u niet hadden gevonden.

11 En nu zegt gij: Ga heen, zeg uwen heere: Zie, Eh\'a is hier.

12 En het mocht geschieden wanneer ik van u zoude weggegaan zijn, dat de Geest des Heeren u wegnam, ik weet niet waarhenen, en ik kwam om dat Achab aan te zeggen, en hij vond u niet, zoo zoude hij mij dooden: ik, uw knecht nu vreeze den Heere van mijne jonkheid op.

13 Is mijnen heere niet aangezegd wat ik gedaan heb als Izcbel de Profeten des Heeren doodde, dat ik van de Profeten des Heeren honderd man heb verborgen, elke vijftig man in eene spelonk, en die met brood en water onderhouden heb?

14 En nu zegt gij: Ga heen, zeg uwen heer: Zie, Eh\'a is hier, en hij zoude mij doodslaan.

15 En Eh\'a zeide: Zoo luaarach-tifi als de Heere der heirscharen leeft, voor wiens aangezicht ik sta, ik zal voorzeker mij heden aan hem vertoonen.

16 Toen ging Obadja Achab tegemoet , en zeide het hem aan ; en Achab ging Eh\'a tegemoet.

17 En het geschiedde als Achab Eh\'a zag, dat Achab tot hem zei-


-ocr page 442-

1 KONINGEN 18.

428

dc: Zijl gij die beroerder Israels ?

18 Toen zeide hij : Ik heb Israël niet beroerd, maar gij en uws vaders huis, daarmede dat gijlieden de geboden des Heeren verlaten hebt en de BaUls nagevolgd zij t.

19 Nu dan, zend henen, verzamel tot mij het gansche Israël op den berg Karmel, en de vierhonderd en vijftig Profeten Baals,en de vierhonderd Profeten van het bosch, die van de tafel Izebel\'s eten.

20 Zoo stond Achab onder alle kinderen Israels, en verzamelde de Profeten op den berg Karmel.

21 Toen naderde Eh\'a tot den ganschen volke en zeide: Hoe lang hinkt gij op twee gedachten? Zoo de Heere God js, volgt hem na, en zoo het Baiil is, volgt hem na. Maar het volk antwoordde hem niet één woord.

22 Toen zeide Eh\'a tot den volke: Ik ben alléén een Profeet des Heeren overgebleven, en de Profeten Baals zijn vierhonderd en vijftig mannen.

23 Dat men ons dan twee varren geve, en dat zij voor zicli den éénen var kiezen, en denzelven in stukken deelen en op het hout leggen, maar geen vuur daaraan leggen; en ik zal den anderen var bereiden en op het hout leggen, en geen vuur daaraan leggen;

24 roept gij daarna den naam uws gods aan, en ik zal den naam des Heeren aanroepen: en de God die door vuur antwoorden zal, die zal God zijn. En het gansche volk antwoordde en zeide: Dat woord is goed.

25 En Eh\'a zeide tot de Profeten Baals: Kiest gijlieden voor u den éénen var, en bereidt gij hem eerst, want gij zijt velen, en roept den naam uws gods aan, en legt geen vuur daaraan.

26 En zij namen den var dien hij hun gegeven had, en bereidden hem, en riepen den naam Baals aan van den morgen tot op den middag, zeggende: O Baal, antwoord ons. Maar daar was geene stemme en geen antwoorder. En zij sprongen tegen het altaar dat men gemaakt had.

27 En het geschiedde op den middag dat Eh\'a met hen spotte en zeide: Roept met luider stemme, want hij is een god, omdat hij in gepeins is, of omdat hij wat te doen heeft, of omdat hij eene reize heeft: misschien slaapt hij en zal wakker worden.

28 En zij riepen met luider stem- _ me, en zij sneden zich zeiven met messen en met priemen naar hunne wijze, tot dat zij bloed over zich uitstortten.

29 Het geschiedde nu als de middag voorbij was, dat zij profeteerden, tot dat men het spijs-olfer zoude offeren; maar daar was geene stemme, en geen antwoorder, en geene opmerking.

30 Toen zeide Eh\'a tot het gansche volk: Nadert tot mij; en al het volk naderde tot hem. En hij heelde het altaar des Heeren dat verbroken was;

31 en Eh\'a nam twaalf steenen,

naar het getal der stammen der kinderen Jakobs, (tot welken het Woord des Heeren geschied was, zeggende: Israël zal uw naam zijn), I

32 en hij bouwde met die steenen het altaar in den name des Heeren; daarna maakte hij eene groeve rondom het altaar, naar de wijdte van twee maten zaads.

33 En hij schikte het hout, en deelde den var in stukken, en leide hem. op het hout.

34 En hij zeide: Vult vier kruiken met water, en giet het op het brandoffer en op het hout. En hij zeide: Doet het ten tweeden male, en zij deden het ten tweeden male. Voorts zeide hij: Doet het ten derden male, en zij deden bet ten derden male,

35 dat het water rondom het altaar liep; daartoe vulde hij ook

de groeve met water. ,

3lt;» Het geschiedde nu als men het spijsoffer \'offerde, dat de Profeet Eh\'a naderde en zeide: Heere God Abrahams, Isaaks en Israëls, dat het heden bekend worde dat gij God in Israël zijt, en ik uw knecht, en dat ik alle deze dingen naar uw woord gedaan heb.

37 Antwoord mij Heere , antwoord mij, opdat dit volk erkenne,


-ocr page 443-

1 KONINGEN 19.

429

dat gij, o Heere, die God zijt, en dat gij liun hart achterwaarts omgewend hebt.

38 Toen viel het vuur des Hee-ren en verteerde dat brandoffer en dat hout en die steenen en dat stof, ja lekte dat water op hetwelk in de groeve was.

39 Als nu liet gansche volk dat zag, zoo vielen zij op hunne aangezichten en zeiden: De Heere is God, de Heere is God.

40 En Elia zeidetothen: Grijpt de Profeten Baiils, dat niemand van hen ontkome. En zij grepen ze, en Elfa voerde ze af aan de beek Kison en slachtte ze aldaar.

41 Daarna zeide Elfa tot Achab: Trek op, eet en drink, want er is een geruisch eens overvloedigen regens.

42 Alzoo toog Achab op om te eten en te drinken. Maar Eh\'a ging op naar de hoogte van Kar-mel, en breidde zich uit voorwaarts ter aarde; daarna leide hij zijn aangezicht tusschen zijne knieën,

43 en hij zeide tot zijnen jongen: Ga nu op en zie uit naar de zee. Toen ging hij op en zag uit, en zeide: Daar is niets. Toen zeide hij: Ga weder heen, zevenmaal.

44 En het geschiedde op de^ zevende maal, dat hij zeide: Zie, eene kleine wolk, als eens mans hand, gaat op van de zee. En hij zeide: Ga op, zeg tot Achab: Span aan, en kom af, dat u de regen niet ophoude.

45 En het geschiedde ondertus-schen dat de hemel van wolken en wind zwart werd, en daar kwam een groote regen; en Achab reed weg en toog naar Jizreël.

4(3 En de hand des Heeren was over Eh\'a, en hij gordde zijne lendenen , en liep voor het aangezicht Achabs henen tot waar men te Jizreël komt.

HOOFDSTUK 19.

En Achab zeide Izébel aan al wat Elfa gedaan had, en allen die hij gedood had, te weten alle de Profeten met den zwaarde.

2 Toen zond Izébel eenen bode tot Eh\'a, om te zeggen: Zuó doen mij de goden en doen zóó daartoe, voorzeker ik zal morgen omtrent dezen tijd uwe ziele stellen als de ziele van hunlieder een.

3 Toen hij dat zag, maakte hij zich op en ging henen om zijns levens wille, en kwam te Ber-Séba die in Juda is, en liet zijnen jongen aldaar;

4 maar hij zelf ging henen in de woestijn eene dagreize, en kwam en zat onder eenen jeneverboom, en bad dat zijne ziele stierve, en zeide: Het is genoeg, neem nu, Heere, mijne ziele, want ik ben niet beter dan mijne vaderen.

5 En hij leide zich neder en sliep onder eenen jeneverboom; en zie, toen roerde hem een Engel aan, en zeide tot hem: Sta op, eet.

G En hij zag om, en zie, aan zijn hoofdeinde was een koek op db kolen gebakken, en eene flesch met water; alzoo at hij en dronk, en leide zich wederom neder.

7 En de Engel des Heeren kwam ten anderen maal weder, en roerde hem aan en zeide: Sta op, eet, want de weg zoude voor u te veel zijn.

8 Zoo stond hij op, en at en dronk; en hij ging door de kracht derzelver spijze veertig dagen en veertig nachten, tot aan den berg Gods Horeb.

9 En hij kwam aldaar in eene spelonk, en vernachtte aldaar; en zie, het Woord des Heeren geschiedde tot hem , en zeide tot hem: Wat maakt gij hier, Eh\'a?

10 En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor den Heere den God der heirscharen; want de kinderen Israels hebben uw verbond verlaten, uwe altaren afgebroken en uwe Profeten met den zwaarde gedood, en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijne ziele om die weg te nemen.

11 En hij zeide: Ga uit en sta op dezen berg voor het aangezicht des Heeren. En zie, de Heere ging voorbij, en een groote en sterke wind, scheurende de bergen en brekende de steenrotsen voor den Heere henen; doch de Heere was in den wind niet ; en na dezen wind eene aardbeving:


-ocr page 444-

■1 K O N INGE N 20.

430

de Heerk was oolc in de aardbeving niet;

12 en na de aardbeving een vuur: de Heere was ook in het vuur niet; en na het vuur het suizen van eene zachte stilte:

13 en het geschiedde als Elia dat hoorde, dat hij zijn aangezicht bewond met zijnen mantel, en uitging en stond in den ingang der spelonk. En zie, eene stem kwam tot hem, die zeide: Wat maakt gij hier, Eh\'a?

14 En hij zeide: Ik heb zeer geijverd voor den Heere den God der heirscharen; want de kinderen Israels hebben uw verbond verlaten, uwe altaren afgebroken en uwe Profeten met den zwaarde gedood, en ik alleen ben overgebleven, en zij zoeken mijne ziele om die weg te nemen.

15 En de Heere zeide tot hem: Ga, keer weder op uwen weg naaide woestijn van Damascus, en ga daarin, en zalf Hazaël ten Koning over Syrië;

16 daartoe zult gij Jehu den zoon van Nimsi zalven ten Koning over Israël; en Elisa den zoon van Safat van Abel-Mehola, zult gij ten Profeet zalven in uwe plaats.

17 En het zal geschieden dat Jehu hem die van het zwaard Hazaëls ontkomt dooden zal; en die van het zwaard van Jehu ontkomt, dien zal Elisa dooden.

18 Ook heb ik in Israël doen overblijven zevenduizend, alle knieën die zich niet gebogen hebben voor Baal, en allen mond die hem niet gekust heeft.

19 Zoo ging hij van daar. en vond Elisa den zoon Safats; deze ploegde met twaalf juk runderen voor zich henen, en hij was bij liet twaalfde; en Eh\'a ging over tot hem en wierp zijnen mantel op hem.

20 En hij verliet de runderen , en liep Elia na, en zeide: Dat ik toch mijnen vader en mijne moeder kusse, daarna zal ik u navolgen. En hij zeide lot hem : Ga , keer weder , want wat heb ik u gedaan ?

21 Zoo keerde hij weder van achter hem af, en nam een Juk runderen en slachtte ze, en met het gereedschap der runderen zood hij hun vleesch, hetwelk hij den volke gaf, en zij aten. Daarna stond hij op, en volgde Elia na en diende hem.

HOOFDSTUK 20.

En Benhadad de Koning van Syrië vergaderde al zijne macht en tweeëndertig Koningen waren met hein, en paarden en wagenen, en hij toog op, en belegerde Sa-marië en krijgde tegen haar.

2 En hij zond boden tut Achab den Koning Israëls in de stad,

3 en hij zeide hem aan: Zóó zegt Benhadad: Uw zilver en uw goud, dat is mijn; daarbij uwe vrouwen en uwe beste kinderen, die zijn mijne.

4 En de Koning Israëls antwoordde en zeide: Naar uw v/oord, mijn heere de Koning, ik ben uwe, en al wat ik heb.

5 Daarna kwamen de boden weder en zeiden: Alzóo spreekt Benhadad, zeggende: Ik heb wel tot u gezonden, zeggende: Uw zilver en uw goud en uwe vrouwen en uwe kinderen zult gij mij geven;

ö maar morgen om dezen tijd zal ik mijne knechten tot u zenden, dat zij uw huis en uwer knechten huizen bezoeken, en het zal geschieden dat zij al het. begeerlijke uwer oogen iii hunne handen leggen en wegnemen zullen.

7 Toen riep de Koning Israëls alle oudsten des lands, en zeide: Merkt toch en ziet dat deze het kwade zoekt; want hij had tot mij gezonden om mijne vrouwen en om mijne kindeivh en om mijn zilver en om mijn goud, en ik heb het hem niet geweigerd,

8 Doch alle de oudsten en het ganschc volk zeiden tot hem: Hoor niet en bewillig niet.

\'J Daarom zeide hij tot de boden van Benhadad: Zegt mijnen heere den Koning: Alles waarom gij in het eerst tot uwen knecht gezonden hebt zal ik doen, maar deze zake kan ik niet doen. Zoo gingen de boden henen en brachten hem bescheid weder.


-ocr page 445-

1 K O NI gt;

10 En Benhadad zond tot hem on zoide: De goden doen mij zóó en doen zóó daartoe, indien liet stof van Samarië genoeg zal zijn tot handvollen voor al het volk dat mijne voetstappen volgt.

11 Maar de Koning Israels antwoordde en zeide: Spreekt tot hem: Die zich aangordt beroeme zich niet als die zich losmaakt.

12 En het geschiedde als hij dit woord hoorde, daar hij was drinkende , hij en de Koningen, in de tenten , dat, hij zeide tot zijne knechten: Legt aan. En zij leiden aan tegen de stad.

13 En zie een Profeet trad tot Achab den Koning Israels en zeide: Zóó zegt do Heere: Hebt gij gezien al dezegroote menigte? Zie, ik zal ze heden in uwe hand geven, opdat gij weet dat ik de Heere ben.

14 En Achab zeide: Door wien? En hij zeide: Zóó zegt de Heere: Door de jongens van de oversten der landschappon. En hij zeide: Wie zal don strijd aanbinden? En hij zeide: Gij.

15 toen teldequot; hij de jongens van de oversten der iandschappen, en zij waren tweehonderd tweeëndertig; en na hen telde hij al het volk j alle de kinderen ïsraëls, zevenduizend;

10 on zij togen uit op den middag. Benhadad nu dronk zich dronken in de tenten, hij en de Koningen, de tweeëndertig Koningen die hem hielpen.

17 En de jongens van de oversten der landschappen togen eerst uit. Doch Benhadad zond eemgen uit, en zij boodschapten hem, zeggende: Uit Samarië zijn mannen uitgetogen.

18 En hij zeide: Hetzij dat zij tot vrede uitgetogen zijn, grijpt ze levend; hetzij ook dat zij ten strijde uitgetogen zijn, grijpt ze levend.

19 Zoo togen deze jongens van de oversten der landschappen uit de stad, en het heir dat hen navolgde,

20 en een ieder sloeg zijnen man, zoodat de Syriërs vloden, en Israël jaagde ze na; doch Ben-

G E N 20. 431

hadad de Koning van Syrië ontkwam op een paard, met eenige ruiteren.

21 Eu de Koning ïsraëls toog uit, en sloeg paarden en wagenen, dat hij eenen grooten slag aan de Syriërs sloeg.

22 Toen trf.d die Profeet tot den Koning ïsraëls, en zeide tot hem: Ga henen, sterk u, en bemerk en zie wat gij doen zult; want met de wederkomst des jaars zal de Koning van Syrië tegen u optrekken.

23 Want de knechten des Ko-nmgs van Syrië hadden tot hem gezegd: Hunne goden zijn berggo-don, daarom zijn zij sterker geweest dan wij:\'maar zeker, laat ons tegen hen op het elfen veld strijden: zoo wij niet sterker zijn dan zij! , _

24 Daarom doe deze zake: Doe de Koningen weg, elkeen uit zijne plaatsen en stol landvoogden m hunne plaats. .

25 En gij, tol u een heir als dal heir dat van de uwen gevallen is, en paarden als die paarden en wagenen ais die wagenen en laat ons tegen hen op het effen veld strijden: zoo wij niet sterker zijn dan zij ! En hij hoorde naar himne stenri en deed alzoo.

2(5 Het geschiedde nu met de wederkomst des jaars , dat Benhadad de Syriërs monsterde; en hij toog op naar Afek ten krijge tegen Israël.

27 Do kinderen ïsraëls werden óók gemonsterd, en waren verzorgd van leeftocht, en trokken hun tegemoet; en de kinderen ïsraëls legerden zich tegenover hen als twee bloote geitenkudden, maar de Syriërs vervulden het land.

28 En de man Gods trad toe, en sprak tot den Koning ïsraëls en zeide: Zóó zegt de Heere: Daarom dat de Syriërs gezegd hebben: De Heere is een God der bergen en hij is niet een God der laagten, zoo zal ik al deze groote menigte in uwe hand geven opdat gijlieden weet dat ik de Heere ben.

29 En dezen waren gelegerd


-ocr page 446-

432

tegenover genen, zeven dagen; het geschiedde nu op den zevenden dag dat de strijd aanging, en de kinderen Israels sloegen van de Syriërs honderdduizend voetvolks op éénen dag;

30 en de overgeblevenen vloden naar Afek in de stad, en de muur viel op zevenentwintigduizend mannen die overgebleven waren, pok vlood Benhadad, en kwam in de stad van kamer in kamer.

31 Toon zeiden zijne knechten tot hem: Zie toch, wij hebben gehoord dat do Koningen van hot, huis Israels goedertierene Koningen zijn: laat ons toch zakken om onze lendenen leggen en koorden om onze hoofden, en uitgaan tot den Koning Israels; mogelijk zal hij uwe ziele in het loven behouden.

32 Toen gordden zij zakken om hunne lendenen en koorden om hunne^ hoofden, en kwamen tot den Koning Israels, en zeiden: Uw knecht Benhadad zegt: Laat toch mijne ziele leven. En hij zeide; Leeft hij dan nog? Hij is mijn broeder.

33 De mannen nu namen naar-stiglijk waar en vatteden het haastelijk aan, of hot van hem ware, en zeiden: Uw broeder Benhadad leeft. En hij zeide: Komt, brengt hem. Toén kwam Benhadad tot hem uit, en hij deed hem op den wagen klimmen.

34 En hij zeide tot hem: De steden die mijn vader van uwen vader genomen heeft zal ik weder geven, en maak u straten in Damascus, gelijk mijn vader in Samarië gemaakt heeft. En ik, antiuoordde Achah, zal u met dit verbond dan laten gaan. Zoo maakte hij een verbond met hem en liet hem gaan.

35 Toen zeide een man uit de zonen der Profeten tot zijnen naaste, door het Woord des Hee-ren: Sla mij toch. En de man weigerde hem te slaan.

3G En hij zeide tot hem: Daarom dat gij de stemme des ITeeren niet gehoorzaam zijt geweest: zie, als gij van mij weggegaan zijt, zoo zal u een leeuw slaan. En als hij van bij hem weggegaan was. zoo vond hem een leeuw die hem sloeg.

37 Daarna vond hij eenen anderen , en zeide: Sla mij toch. En die man sloeg hem slaande en wondende.

38 Toen ging de Profeet henen en stond voor den Koning op den weg, en hij vermomde zich met asch hoven zijne oogen.

39 En het geschiedde als de Koning voorbijging, dat hij tot den Koning riep en zeide: Uw knecht was uitgegaan in het midden des strijds, en zie, een man was afgeweken, en bracht tot mij eenen man en zeide: Bewaar dezen man; indien hij eenigszins gemist wordt; zoo zal uwe ziele in do plaats zijner ziele zijn, of gij zult een talent zilvers opwegen.

^0 Het geschiedde nu als uw knecht hier en daar doende was, dat hij er niet was. Toen zeide de Koning Israels tot hem: Zóó is uw oordeel, gij zelf hebt het geveld.

41 Toen haastte hij zich en deed de asch af van zijne oogen, en de Koning Israels kende hem dat hij een der Profeten was.

42 En hij zeide tot hem: Zóó zegt de Heere: Omdat gij den man, dien ik verbannen heb, uit de hand hebt laten gaan, zoo zal uwe ziele in de plaats zijner ziele zijn, en uw volk in de plaats zijns vólks.

43 En de Koning Israels toog henen gemelijk en toornig naar zijn huis, en kwam te Samarië.

HOOFDSTUK 21.

Het geschiedde nu na deze dingen alzoo Naboth, een Jizreëliet, eenen wijngaard had die te Jiz-reël was, bij het paleis Achabs des Konings van Samarië,

2 dat Achab sprak tot Naboth, zeggende: Geef quot;mij uwen wijngaard, opdat hij mij zij tot. een kruidhof, dewijl hij nabij mijn huis is; en ik zal u daarvoor geven eenen wijngaard die beter is dan die; of zoo het goed in uwe oogen

1 KONINGEN 21.


-ocr page 447-

1 KONINGEN 21.

433

is, ik zal u in geld deszelfs waarde geven.

3 Maar Naboth zeide tot Achab: Dat late de Heere verre van mij zijn, dat ik u de erve mijner vaderen geven zoude.

4 Toen kwam Achab in zijn huis, gemelijk en toornig over het woord dat Naboth de Jizreëliet tot hem gesproken had, en gezegd: Ik zal ii de erve mijner vaderen niet geven; en hij leide zich neder op zijn bed, en keerde zijn aangezicht om, en at geen brood.

5 Maar Izébel zijne huisvrouw kwam tot hem, en sprak tot hem: Wat is dit, dat uw geest dus gemelijk is en dat gij geen brood eet?

6 En hij sprak tot haar: Omdat ik tot Naboth den Jizreëliet gesproken en hem gezegd hob: Geef mij uwen wijngaard om geld, of zoo het u behaagt ik zal u een wijngaard in zijne plaats geven; maar hij heeft\'gezegd: Ik zal u mijnen wijngaard niet geven.

7 Toen zeide Izébel zijne huisvrouw tot hem: Zoudt gij nu het koninkrijk over Israël regeeren? Sta op, eet brood, en uw harte zij vroolijk: ik zal u den wijngaard Naboths des Jizreëliets geven.

8 Zij dan schreef brieven in den naam Achabs, en verzegelde ze met zijn signet, en zond de brieven tot de oudsten en tot de edelen die in zijne stad waren, wonende met Naboth;

0 en zij schreef in die brieven, zeggende: Roept een vasten uit, en zet Naboth in de hoogste plaats des volks,

10 en zet tegenover hem twee mannen, zonen Belials, die tegen hem getuigen, zeggende: Gij hebt God en den Koning gezegend, en voert hem uit en steenigt hem dat hij sterft.

11 En de mannen zijner stad, die oudsten en die edelen die in zijne stad woonden, deden gelijk als Izébel tot hen gezonden had, gelijk als geschreven was in de brieven die zij tot hen gezonden had:

12 zij riepen een vasten uit, en zij zetleden Naboth in de hoogste plaats des volks.

13 Toen kwamen de twee mannen, zonen Belials, en zetteden zich tegenover hem; en de mannen Belials getuigden tegen hem, tegen Naboth, voor het volk, zeggende: Nabotn heeft God en den Koning gezegend. En zij voerden hem buiten de stad en steenigden hem met steenen dat hij stierf.

14 Daarna zonden zij tot Izébel. zeggende: Naboth is gesteenigd en is dood.

15 liet geschiedde nu toen Izébel hoorde dat Naboth gesteenigd en dood was, dal Izébel tot Achab zeide: Sta op, bezit den wijngaard Naboths des Jizreëliets erfelijk, dien hij u weigerde om geld te geven; want Naboth leeft niet, maar is dood.

16 En hel geschiedde als Achab hoorde dat Naboth dood was, dat Achab opstond om naar den wijngaard Naboths des Jizreëliets af te gaan, om dien erfelijk te bezitten.

17 Doch het Woord des Heeren geschiedde tot Eh\'a den Tisbiet, zeggende:

18 Maak u op, ga henen af, Achab don Koning Israels te ge-moet die in Samarië is; zie, hij is in den wijngaard Naboths, waarhenen hij afgegaan is ora dien erfelijk te bezitten.

19 \'En gij zult tot hem spreken, zeggende: Alzóó zegt de Heere: Hebt gij doodgeslagen, en ook eene erfelijke bezitting ingenomen? Daartoe zult gij tot hem spreken, zeggende: Alzóó zegt de Heere: In plaats dat do honden het bloed Naboths gelekt hebben, zullen de honden uw bloed lekken, ja het uwe.

20 En Achab zeide tot Elia: Hebt gij mij gevonden, o mijn vijand? En hij zeide: Ik heb « gevonden, overmits gij uzelven verkocht hebt om te doen dat kwaad is in do oogen dos Heeren.

21 Zie, ik zal kwaad over u brongen, eu uwe nakomelingen wegdoen, en ik zal van Achab uitroeien wat mannelijk is, mitsgaders don beslotene en verlatene in Israël;

22 on ik zal uw huis maken ge-


-ocr page 448-

1 KONINGEN 22

434

lijk het huis Jerobeams des zoons Nebats, en gelijk het huis van Baësa den zoon van Alria, om de terging waarmede gij mij getergd hebt, en dat gij Israël hebt doen zondigen.

23 Voorts ook over Izébel sprak de Heere, zeggende: De honden zullen Izubel eten aan den voorwal Jizreëls.

24 Die van Achab sterft in de stad zullen de honden eten, en die in het veld sterft zullen de vogelen des hemels eten.

25 Doch er was niemand geweest gelijk Achab, die zich zeiven verkocht had om te doen dat kwaad is in de oogen des Heerex , dewijl Izébel zijne huisvrouw hem ophitste;

2G en hij deed zeer gruwelijk, wandelende achter de drekgoden: naar alles dat de Amori ten gedaan hadden, die Ciod voor het aangezicht der kinderen Israrls uit de bezitting verdreven had.

27 Het geschiedde nu als Achab deze woorden hoorde, dat hij zijne kleederen scheurde en eenên zak om zijn vleesch leide, en vastte; hij lag ook neder in den zak, en ging langzaam.

2s En hot Woord des Heeren geschiedde tot Elfa den Tisbiet, zeggende:

29 Hebt gij gezien dat Achab zich vernedert voor mijn aangezicht? Daarom dewijl hij zich vernedert voor mijn aangezicht, zoo zal ik dat kwaad in zijne dagen niet brengen: in de dagen zijns zoons zal ik dat kwaad nvor zijn huis brengen.

HOOFDSTUK 22.

En zij zaten drie jaren stil, dat er geen krijg was tusschen Syrië en tusschen Israël.

2 Maar het geschiedde in het derde jaar, als Josafat de Koning van Juda tot den Koning Israëls afgekomen was,

3 dat de Koning Israëls tot zijne knechten zeide: Weet gij dat Ra-moth in Gilead onze is? En wij zijn stille, zonder die te nemen uit de hand des Konings van | Syrië.

4 Daarna zeide hij tot Josafa : Zult gij met mij trekken in den strijd naar Ramoth in Gilead? En Josafat zeide tot den Koning Israëls : Zóó zal ik zijn gelijk gij zijt, zóó mijn volk als uw volk, zóó mijne paarden als uwe paarden.

5 Voorts zeide Josafat tot den Koning Israëls : Vraag toch heden naar het Woord des Heeren.

6 Toen vergaderde de Koning Israëls de Profeten, omtrent vierhonderd man, en hij zeide tot hen: Zal ik tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op, want de Heere\' zal ze in de hand des Konings geven.

7 Maar Josafat zeide: Is hier niet nog een Profeet des Heeren, dat wij het van hem vragen mochten?

8 Toen zeide de Koning Israëls tot Josafat: Er is nog één man om door hem den Heere te vragen ; maar ik haat hem , omdat hij over mij niets goeds profeteert maar kwaad: Micha de zoon van Jimla. En Josafat zeide: De Koning zegge niet alzoo.

1) Toen riep de Koning Israëls eenen kamerling, en hij zeide : Haal haastelijk Micha, den zoon van Jimla.

10 Do Koning Israëls nu en Josafat de Koning van Juda zaten elk op zijnen troon, bekleed met In nine kleederen, op het plein aan do deur dor poorte van Samarië; on alle de Profeten profeteerden in hunne tegenwoordigheid.

41 En Zedekfa de zo^n van Ke-naana had zich ijzeren horens gemaakt, en hij zeide: Zóó zegt de Heere : Met deze zult gij de Sy-riërs stooten, totdat gij ze gansch verdaan zult hebben.

12 En alle de Profeten profeteerden alzóó, zeggende: Trek op naar Ramoth in Gilead, en gij zult voorspoedig zijn , want de Heere zal ze in de hand des Konings geven.

13 De bode nu die heengegaan was om Micha te roepen sprak tot hem, zeggende: Zie toch, de woorden der Profeten zijn uit éénen mond goed tot den\'Koning: dat toch uw woord zij gelijk als het


-ocr page 449-

1 KONING E N 22.

435

M uurd \\ iiu ceneii uit hen, en spreek het goede.

14 Doch Michazeide: Zooiunar-achtig als de Heeue leeft, hetgeen de Heere tot mij zeggen zal, diit zal ik spreken.

•15 Als hij tot den Koning gekomen was, zoo zeide de Koning tot hem: Micha, zullen wij nanr Ra-moth in Gilead ten strijde trekken of zullen wij het nalaten ? En hij zeide tot hem: Trek op, en gij zult voorspoedig zijn, want de Heeue zal ze in de hand des Ko-nings geven.

16 Eu de Koning zeide tot hem: Tot hoevele reizen zal ik u bezweren , opdat gij tot mij niet spreekt dan alleen de waarheid in den naam des Heeren?

-17 En hij zeide: Ik zag het gan-sche Israël verstrooid op de bergen, gelijk schapen die geenen herder hebben; en de Heere zeide: Deze hebben geenen heere; een iegelijk keere weder naar zijn huis in vrede.

18 Toen zeide de Koning Israëls tot Josafat: Heb ik tot u niet gezegd: Hij zal over mij niets goeds maar kwaad profeteeren?

19 Voorts zeide hij: Daarom hoor het Woord des Heeren. Ik zag den Heere zittende op zijnen troon, en al het. hemelsche heir ! staande nevens hem, aan zijne rechter- en aan zijne linkerhand.

20 En de Heere zeide: Wie zal Achab overreden . dat hij optrekke en valle te Ramothin Gilead? De één nu zeide aldus en de ander zeide alzóó.

21 Toen ging een geest uit en stond voor het, aangezicht des Heeren, en zeide: ik zal hem overreden. En de Heere zeide tot hem: Waarmede?

22 En hij zeide: Ik zal uitgaan en een leugengeest zijn in den mond aller zijner Proleten. En hij zeide: Gij zult overreden en zult het ook vermogen; ga uit en doe alzoo.

23 Nu dan, zie, de Heere heeft eenen leugengeest in den mond aller dezer uwer Profeten gegeven, en de Heere heeft kwaad over u gesproken.

24 Toen trad Zedekia de zoon van Kenaiina toe en sloeg Micha op de kinnebak, en hij zeide: Door wat tueg is de Geest des Heeren van mij doorgegaan om u aan te spreken?

25 En Micha zeide: Zie, gij zult het zien op dienzelfden dag als gij zult gaan van kamer in kamer om u te versteken.

2ü De Koning Israëls nu zeide: Neem Micha en breng hem weder tot Amon den overste der stad, en tot Joas den zoon des Ko-nings;

27 en gij zult zeggen: Zóó zegt de Koning: Zet dezen in het gevangenhuis , en spijst hem met brood der bedruktheid en met water der bedruktheid, totdat ik met vrede wederkom.

28 En Micha zeide: Indien gij eenigszins met vrede wederkomt, zoo heeft de Heere door mij niet gesproken. Voorts zeide hij: Hoort gij volken altegader.

29 Alzoo toog de Koning Israëls en Josafat de Koning van Juda op naar Ramoth in Gilead.

30 En de Koniog Israëls zeide tot Josafat: Als ik mij vermomd heb, zal ik in den strijd komen, maar gij, trek uwe kleederen aan. Alzoo vermomde zich de Koning Israëls en kwam in den strijd.

31 De Koning van Syrië nu had geboden aan de oversten der wa-genen, van welke hij tweeëndertig had, zeggende: Gij zult noch kleinen noch grooten bestrijden, maar

; den Koning Israëls alleen. i 32 Het geschiedde dan als de l oversten der wagenen Josafat i zagen, dat zij zeiden: Gewis die I is de Koning Israëls, en zij keer-j den zich naar hem om te strijden. Maar Josafat riep uit; i 33 en het geschiedde als de : oversten der wagenen zagen dat ; hij de Koning Israëls niet was, dat zij zich van achter hem af-; keerden.

i 34 Toen spande een man den boog in zijne eenvoudigheid, en 1 schoot den Koning Israëls tusschen j de gespen en tusschen het pant-] ser. Toen zeide hij tot zijnen voer-i man : Keer uwe hand en voer mij


-ocr page 450-

1 K O NIN G E N 22.

436

uit het leger, want ik ben zeer verwond.

35 En de strijd nam op dien dag toe, en de Koning werd met den wagen staande gehouden tegenover de Syriërs; maar hij stierf des avonds, en het bloed dei-wonde vloeide in den bak des wagens.

36 En daar ging eene uitroeping door het heirleger als de zon onderging, zeggende: Een ieder keere naar zijne stad en een ieder naar zijn land.

37 Alzoo stierf de Koning en werd naar Samarië gebracht, en zij begroeven den Koning te Samarië.

38 Als men nu den wagen in den vijver van Samarië spoelde, lekten de honden zijn bloed , waar de hoeren wieschen, naar het woord des Heeren dat hij gesproken had.

39 Het overige nu dor geschiedenissen Achabs, en al dat hij gedaan heeft, en het elpenbeenen huis dat hij gebouwd heeft, en alle de steden die hij gebouwd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israels?

40 Alzoo ontsliep Achab met zijne vaderen; en zijn zoon Ahazia werd Koning in zijne plaats.

41 Josafat nu de zoon van Asa werd Koning over Juda in het vierde jaar Achabs des Konings Israëls.

42 Josafat was vijfendertig jaar oud als hij Koning werd, en regeerde vijfentwintig jaar te Jeruzalem ; en de naam zijner moeder was Azuba de dochter van Silhi.

43 En hij wandelde in al den weg zijns vaders Asa, hij week daarvan niet af, doende wat recht was in de oogen des Heeren.

44 Evenwel werden de hoogten niet weggenomen, het volk oflferde en rookte nog op de hoogten.

45 En Josafat maakte vrede met den Koning Israëls.

40 Het overige nu der geschiedenissen Josafats, en zijne macht die hij bewezen heeft, en hoe hij geoorloogd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Juda?

47 Ook deed hij uit den lande weg de overige schandjongens, die in de dagen zijns vaders Asa overgebleven waren.

48 Toen was er geen Koning in Edom, maar eens Konings stadhouder.

49 En Josafat maakte schepen van Tarsis, om naar Ofir te gaan om goud; maar zij gingen niet, want de schepen werden gebroken te Ezeon-Géber.

50 Toen zeide Ahazia de zoon Achabs tot Josafat: Laat mijne knechten met uwe knechten op de schepen varen; maar Josafat wilde niet.

51 En Josafat ontsliep met zijne vaderen, en werd bij zijne vaderen begraven in de stad zijns vaders Davids; en zijn zoon Joram werd Koning in zijne plaats.

52 Ahazia de zoon Achabs werd Koning over Israël te Samarië in het zeventiende jaar Josafats des Konings van Juda, en regeerde twee jaren over Israël;

53 en deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, want hij wandelde in den weg zijns vaders en in de weg zijner moeder, en in den weg Jerobeams des zoons Nebats die Israël zondigen deed;

54 en hij diende Baal en boog zich voor hem, en vertoornde den Heere den God Israëls, naar alles dat zijn vader gedaan had.


-ocr page 451-

2 KONINGEN 1.

HET TWEEDE BOEK

DEll

KONINGEN.

437

HOOFDSTUK 1.

En Moab viel van Israël af na Achabs dood.

2 En Ahazia viel door eene tralie in zijne opperzaal le Sa-marië, en werd krank; en hij zond boden, en zeide tot hen: Gaat henen, vraagt Baal-Zebub den god van Ekron, of ik van deze krankheid genezen zal.

3 Maar de Engel des Heeren sprak tot Eh\'a den Tisbiet: Maak ii öp , ga öp den boden van den koning van Samarië tegemoet, en spreek tot hen: Is het omdat er geen God in Israël is, dat gijlieden henengaat om Baal-Zebüb den god van Ekron te vragen?

4 Daarom nu zegt de Heere alzóó; Gij zult niet afkomen van dat bed waarop gij geklommen zijt, maar gij zult den dood sterven. En Eh\'a ging weg.

5 Zoo kwamen de boden weder tot hem; en hij zeide tot hen: Wat is dit dat gij wederkomt?

6 En zij zeiden tot hem: Een man kwam öp, ons tegemoet, en zeide tot ons: Gaat henen, keert weder tot den Koning die u gezonden heeft, en spreekt tot hem: Zóó zegt de Heere : Is het omdat er geen God in Israël is, dat gij zendt om Baal-Zebub den god van Ekron te vragen? Daarom zult gij van dat bed waarop gij geklommen zijt niet afkomen , maar gij zult den dood sterven.

7 En hij sprak tot hen: Hoedanig was de gestalte des mans die u tegemoet opgekomen is en deze woorden tot u gesproken heeft?

8 En zij zeiden tot hem: Hij was een man met een harig kleed, en met eenen lederen gordel gegord om zijne lendenen. Toen zeide hij: Het is Elfa de Tisbiet.

9 En hij zond tot hem eenen hoofdman quot;van vijftig met zijne vijftig; en als hij tot hen opkwam, (want zie, hij zat op de hoogte eens bergs), zoo sprak hij tot hem: Gij man Gods, de Koning zegt: Koin af.

10 Maar Eiïa antwoordde en sprak tot den hoofdman van vijftig : Indien ik dan een man Gods ben, zoo dale vuur van den hemel en vertere u en uwe vijftig. Toen daalde vuur van den hemel en verteerde hem en zijne vijftig.

11 En hij zond wederom tot hem eenen anderen hoofdman van vijftig met zijne vijftig: deze antwoordde en sprak tot hem: Gij man Gods, zóó zegt de Koning: Kom haastelijk af.

12 En Eh\'a antwoordde en sprak tot hen: Ben ik een man Gods, zoo dale vuur van den hemel en vertere u en uwe vijftig. Toen daalde het vuur Gods van den hemel en verteerde hem en zijne vijftig.

13 En wederom zond hij eenen hoofdman van de derde vijftig met zijne vijftig: zoo ging de derde hoofdman van vijftig op, en kwam en boog zich op zijne knieën voor Eh\'a, en smeekte hem en sprak tot hem: Gij man Gods, laat toch mijne ziele en de ziele uwer knechten, dezer vijftig, dierbaar zijn in uwe oogen.

14 Zie, het vuur is van den hemel gedaald en heeft die twee eerste hoofdlieden van vijftig met


-ocr page 452-

2 KONINGEN 2.

438

hunne vijftig verleerd; maar nu, laat mijne ziele dierbaar zijn in uwe oogen.

15 Toen sprak de Engel des Heeken tot Eh\'a: Ga at\' met hem, vrees niet voor zijn aangezicht. En hij stond op en ging met hem af tot den Koning,

16 en hij sprak tot hem: Zóó zegt de Heere : Daarom dat gij boden gezonden hebt om Baal-Zebub den god van Ekron te vragen, (is het omdat er geen God in Israël is om zijn Woord te vragen ?) daarom, van dat bed waarop SÜ geklommen zijt zult gij niet afkomen, maar gij zult den dood sterven.

17 Alzoo stierf hij, naar het Woord des Heeren dat Elia gesproken had; en Joram werd Koning in zijne plaats in het tweede jaar Jorams des zoons Josafats, des Konings van Juda; want hij had geenen zoon.

18 Het overige nu der zaken van Ahazia die hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israels?

HOOFDSTUK 2.

Het geschiedde nu als de Heere Eh\'a met een onweder ten hemel opnemen zoude, dat Eh\'a met Elisa ging van Gilgal.

2 En Eh\'a zeide tot Elisa: Blijf toch hier, want de Heehe heeft mij naar Beth-El gezonden. Maar Elisa zeide: Zoo ivaarachtig als de Heere leeft en uwe ziele leeft, ik zal u niet verlaten. Alzoo gingen zij af naar Beth-El.

3 Toen gingen de zonen der Profeten die te Beth-El waren tot Elisa uit, en zeiden tot hem: Weet gij dat de Heere heden uwen heere van uw hoofd wegnemen zal? En hij zeide: Ik weet het óók wel, zwijgt gij stille.

4 En Eh\'a zeide tot hem: Elisa, blijf toch hier, want de Heere heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij zeide: Zoo waarachtig als de Heere leeft en uwe ziele leeft, ik zal u niet verlaten. Alzoo kwamen zij te Jericho.

5 Toen traden de zonen der Profeten die te Jericho waren naar Elisa toe, en zeiden tot hem: Weet gij dat de Heere heden uwen Heere van uw hoofd wegnemen zal? En hij zeide: Ik weet het óók wel, zwijgt gij stille.

6 En Eh\'a zeide tot hem: Blijf toch hier, want de Heere heeft mij naar den Jordaan gezonden. Maar hij zeide: Zoo ivaarachtig als de Heere leeft en uwe ziele leeft, ik zal u niet verlaten. En zij beiden gingen henen.

7 En vijftig mannen van de zonen der Profeten gingen henen en stonden tegenover van verre; en die beiden stonden aan den Jordaan.

8 Toen nam Eh\'a zijnen mantel en wond hem samen, en sloeg het water, en het werd herwaarts en derwaarts verdeeld; en zij beiden gingen daar dóór op het droge.

0 Het geschiedde nu als zij overgekomen waren, dat Eh\'a zeide tot Elisa: Begeer wat ik u doen zal eer ik van bij u weggenomen word. En Elisa zeide: Dat toch twee deelen van uwen geest op mij zijn.

10 En hij zeide: Gij hebt eene harde zake begeerd: indien gij mij zult zien als ik van bij u weggenomen worde, het zal u alzóó geschieden; doch zoo niet, het zal niet geschieden.

11 En het gebeurde als zij voortgingen , gaande en sprekende, zie, zoo was er een vurige wagen met vurige paarden, die tusschen hen beiden scheiding maakten: alzoo voer Eh\'a met een onweder ten hemel.

12 En Elisa zag het, en hij riep: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijne ruiteren! En hij zag hem niet meer; en hij vatte zijne kleederen en scheurde ze in twee stukken.

13 Hij hief ook Eh\'a\'s mantel op die van hem afgevallen was, en keerde weder en stond aan den oever van den Jordaan.

14 En hij nam den mantel van Elia die van hem afgevallen was, en sloeg het water, en zeide: Waar is de Heere de God van Eh\'a, ja dezelve? En hij sloeg het water, en het werd herwaarts en


-ocr page 453-

2 KONINGEN 3.

/i39

derwaarts verdeeld, en Elisa ging daar dóór.

15 Als nu de kinderen der Profeten die tegenover te Jericho waren hem zagen, zoo zeiden zij; De geest van Eh\'a rust op Elisa; en zij kwamen hem tegemoet en bogen zich voor hem neder ter aarde,

16 en zij zeiden tot hem: Zie nu, daar zijn bij uwe knechten vijftig dappere mannen, laat ze toch henen gaan en uwen heere zoeken, misschien of niet de Geest des Heeren hom opgenomen en op eenen der bergen of in eender dalen hem geworpen heeft. Doch hij zeide: Zendt niet.

17 Maar zij hielden bij hem aan tot schamens toe, en hij zeide: Zendt. En zij zonden vijftig mannen, die drie dagen zochten, doch hem niet vonden.

18 Toen kwamen zij weder tot hem, daar hij te Jericho gebleven was; en hij\' zeide tot hen: Heb ik tot ulieden niet gezegd: Gaat niet?

19 En de mannen der stad zeiden tot Elisa: Zie toch de woning dezer stad is goed, gelijk als mijn heere ziet; maar het water is kwaad en het land onvruchtbaar.

20 ICn hij zeide: Brengt mij eene nieuwe schaal, en legt daar zout in. En zij brachten zo tot hem.

21 Toen ging hij uit tot de waterwel , en wierp het zout daarin, en zeide: Zóó zegt de Heere: Ik heb dit water gezond gemaakt, daar zal geen dood noch onvruchtbaarheid meer van worden.

22 Alzoo werd dat water gezond, tot op dezen dag, naar het woord van Elisa dat liij gesproken had.

23 En hij ging van daar op naar Beth-EI. Als hij nu den weg opging, zoo kwamen kleine jongens uit de stad, die bespotteden hem en zeiden tot hem: Kaalkop, ga op; kaalkop, ga op!

24 En hij keerde zich achterom, en hij zag ze, en vloekte ze in den naam des Heeuen: toen kwamen twee beren uit het woud, en verscheurden van hen tweeënveertig kinderen.

25 En hij ging van daar naar den berg Karmel, en van daar keerde hij weder naar Samarië.

HOOFDSTUK 3.

Joram nu de zoon Achabs werd Koning over Israël te Samarië in het achttiende jaar Josafats des Konings van Juda, en hij regeerde twaalf Jaar.

2 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heerex , doch niet gelijk zijn vader en gelijk zijne moeder; want hij deed het opgerichte beeld Raals weg, hetwelk zijn vader gemaakt had.

\'3 Evenwel hing hij de zonden Jerobeams des zoons Nebats aan, die Israël deed zondigen; hij week daar van niet af.

4 Mesa nu de Koning der Moa-biten was een veehandelaar, en bracht op aan den koning Israëls honderdduizend lammeren en honderdduizend rammen met de wol;

5 maar het geschiedde als Achab gestorven was, dal de Koning der Moabiten van den Koning Israëls afviel.

(gt; Zoo toog de Koning Joram terzelfder tijd uit Samarië, en monsterde gansch Israël.

7 En hij ging henen en zond tot Josafat dón Koning van Juda, zeg-

I gende: De Koning der Moabiten i is van mij afgevallen: zult gij met mij trekken in den oorlog tegen dequot;Moabiten? En hij zeide: ik zal opkomen; zóó zal ik zijn gelijk gij zijt, zóó mijn volk als uw volk, zóó mijne paarden als uwe paarden.

8 En hij zeide: Door welken weg zullen wij optrekken? Hij dan zeide: Door den weg der woestijn Edoms.

0 Alzoo toog de Koning Israëls henen, en de Koning van Juda, en de Koning van Edom; en als zij zeven dagreizen omge togen waren, zoo had het leger en het vee dat hen navolgde geen water.

10 Toen zeide de Koning Israëls: Ach dat de Heere deze drie Koningen geroepen heeft om die in der Moabiten hand te geven.

11 En Josafat zeide: Is hier geen Profeet des Heeren, dat wij door hem den Heere mochten


-ocr page 454-

2 K O NIN G E N 4.

440

vragen? Toen antwoordde een van de knechten des Konings Israels en zeide: Hier is Elisa de zoon Safats, die water op Elfa\'s handen goot.

12 En Josafat zeide; Des Hee-ren woord is bij hem. Zoo togen tot hem af de koning Israels en Josafat en de Koning van Edom.

13 Maar Elisa zeide tot den Koning Israëls: Wat heb ik met u te doen? Ga henen tot de Profeten uws vaders en tot de Profeten uwer moeder. Doch de Koning Israëls zeide tot hem: Neen, want de Heere heeft deze drie Koningen geroepen om die in der Moabiten hand te geven.

14 En Elisa zeide: Zuo waarachtig als de Heere der heir-scharen leeft, voor wiens aangezicht ik sta, zoo ik niet het aangezicht Josafats des Konings van Juda opname, ik zoude u niet aanschouwen noch u aanzien.

15 Nu dan, brengt mij eenen speelman, En het geschiedde als de speelman op de snaren speelde, dat de hand des Heeren op hem kwam,

16 en hij zeide: Zóó zegt de Heere: Maakt in dit dal vele grachten;

17 want zóó zegt de Heere: Gijlieden zult geenen wind zien en gij zult geenen regen zien, nogtans zal dit dal met water vervuld worden, zoodat gij zuil drinken, gij en uw vee en uwe beesten.

18 Daartoe is dat gering in de oogen des Heerex: hij zal ook de Moabiten in ulieder hand geven,

19 en gij zult alle vaste steden en alle uitgelezene steden slaan, en zult alle goede boomen vellen, en zult allo waterfonteinen stoppen, en alle goede stukken lands zult gij met steenen verderven.

20 En het geschiedde des morgens als men het spijsoffer offert, dat er, zie, water door den weg van Edom kwam, en het land met water vervuld werd.

21 Toen nu alle de Moabiten hoorden dat de Koningen opgetogen waren om tegen hen te strijden, zoo werden zij samengeroepen , van alle degenen af die den gordel aangordden en daarboven, en zij stonden aan de landpale.

22 En toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, en de zon over dat water oprees, zagen de Moabiten dat water tegenover, rood gelijk bloed;

23 en zij zeiden: Dit is bloed; de Koningen hebben voorzeker zich met den zwaarde verdorven, en hebben de één den ander verslagen: nu dan aan den buit, gij Moabiten!

24 Maar als zij aan het leger Israëls kwamen, maakten de Israëlieten zich op en sloegen de Moabiten; en zij vloden van hun aangezicht; ja zij kwamen in het land, slaande ook de Moabiten.

25 De steden nu braken zij af, en een iegelijk wierp zijnen steen op alle goede stukken lands, en vulden ze en stopten alle waterfonteinen, en velden alle goede boomen; totdat zij in Kir-Haréseth alleen de steenen daarvan lieten overblijven; en de slingeraars omsingelden en sloegen haar.

26 Doch als de Koning der Moabiten zag dat hem de strijd te sterk was, nam hij tot zich zevenhonderd mannen die het zwaard uittogen, om door te breken tegen den Koning van Edom; maar zij konden niet.

27 Toen nam hij zijnen eerstgeboren zoon, die in zijne plaats Koning zoude worden, en offerde hem ten brandoffer op den muur. Daaruit werd een zeer groote toorn in Israël; daarom trokken zij van hem af en keerden weder in hun land.

HOOFDSTUK 4.

Eene vrouw nu uit de vrouwen van de zonen der Profeten riep tot Elisa, zeggende: Uw knecht, mijn man, is gestorven, en gij weet dat uw knecht den Heere was vreezende; nu is de schuldheer gekomen om mijne beide kinderen voor zich tot knechten te nemen.

2 En Elisa zeide tot haar: Wat zal ik u doen? Geef mij te kennen


-ocr page 455-

wat gij in huis hebt. En zij zeide: Uwe dienstmaagd heeft nietmetal in huis dan eene kruik met olie.

3 Toen zeide hij: Ga, eisch voor u vaten van buiten, van alle uwe naburen ledige vaten, maak er niet weinig te hebben.

4 Kom dan in, en sluit de deur voor u en voor uwe zonen toe; daarna giet in alle die vaten, en dat vol is zet weg.

5 Zoo ging zij van hem, en sloot de deur voor zich en voor hare zonen toe; die brachten haar de vaten toe, en zij goot in.

O En het geschiedde als die vaten vol waren, dat zij tot haren zoon zeide: Breng mij nog een vat aan, maar hij zeide tot haar: Daar is geen vat meer. En de olie stond stille.

7 Toen kwam zij en gaf het den man Gods te kennen; en hij zeide: Ga henen, verkoop de olie, en betaal uwen schulclheer: gij dan, met uwe zonen, leef van het overige.

8 Het geschiedde ook op eenen dag als Elisa naar Sunem doortrok , dat aldaar eene aanzienlijke vrouw was, dewelke hem aanhield om brood te eten; voorts geschiedde het zoo dikwijls hij doortrok, week hij daar in om brood te eten.

9 En zij zeide tot haren man: Zie nu, ik heb gemerkt dat deze man Gods heilig is, die bij ons altijd doortrekt:

10 laat ons toch eene kleine opperkamer van eenen wand maken, en laat ons daar voor hem zetten een bed en tafel en stoel en kandelaar; zoo zal het geschieden wanneer hij tot ons komt, dat hij daar inwijkt.

11 En het geschiedde op eenen dag dat hij daar kwam; en hij week in die opperkamer, enleide zich daar neder.

12 Toen zeide hij tot zijnen jongen Gehazi: Roep deze Suna-mitische. En als hij ze geroepen had, stond zij voor zijn aangezicht.

13 (Want hij had hem gezegd: Zeg nu tot haar: Zie, gij zijt zorgvuldig voor ons geweest met al deze zorgvuldigheid: wat is

441

er voor u te doen? Is er iets om voor u te spreken tot den Koning of tot den krijgsoverste? En zij had gezegd: Ik woon in het midden mijns volks.

14 Toen had hij gezegd: Wat is er dan voor haar te doen? En Gehazi had gezegd: Zij heeft toch geenen zoon, en haar man is oud.

15 Daarom had hij gezegd: Roep haar; en als hij ze geroepen had stond zij in de deur.)

16 En hij zeide: Op dezen ge-zetten tijd, omtrent dezen tijd des levens, zult gij eenen zoon omhelzen. En zij zeide: Neen mijn heere, gij man Gods, lieg tegen uwe dienstmaagd niet.

17 En de vrouw werd zwanger en baarde eenen zoon op dien ge-zetten tijd , omtrent den tijd des levens dien Elisa tot haar gesproken had.

18 Toen nu het kind groot werd, geschiedde het op eenen dag dat het uitging tot zijnen vader tot do maaiers;

19 en het zeide tot zijnen vader: Mijn hoofd , mijn hoofd! Hij dan zeide tot eenen jongen: Draag hem tot zijne moeder.

20 En hij droeg hem en bracht hem tot zijne moeder. En hij zat op hare knieën tot aan den middag toe ; toen stierf hij.

21 En zij ging op en leide hem op het bed van den man Gods, daarna sloot zij voor hem toe en ging uit;

22 en zij riep om haren man, en zeide: Zend mij toch eenen van de jongens en eene van de ezelinnen, dat ik tot den man Gods loope en wederkome.

2:3 En hij zeide: Waarom gaat gij heden tot hem? Het is geen nieuwe maan of sabbat. En zij zeide : Het zal wel zijn.

24 Toen zadelde zij de ezelin, en zeide tot haren jongen: Drijf en ga voort; houd mij niet op voort te tijden, tenzij dan dat ik het u zegge.

25 Alzoo toog zij henen, en kwam tot den man Gods, tot den berg Karmel. En het geschiedde als de

i man Gods haar van tegenover 1 zag; dat hij tot Gehazi zijnen jon-

2 KONINGEN 4.


-ocr page 456-

2 KONINGEN o.

442

gen zeidc: Zie daar is de Suna-mitische;

2Ü nu, loop toch haar tegemoet, en zeg tot haar: Is het wèl met u, is het wèl met uwen man, is het wèl met uw kind? En zij zei-de: Het is wèl.

27 Toen zij nu tot den man Gods op den berg kwam, vatte zij zijne voeten; maar Gehazi trad toe om haar af te stooten; doch de man Gods zeide: Laat ze geworden, want hare ziele is in haar bitter-

quot; lijk bedroefd, en de Heere heeft het voor mij verborgen en mij niet kond gedaan.

28 En zij zeide: Heb ik eenen zoon van mijnen heere begeerd ? Zeide ik niet: Bedrieg mij niet?

29 En hij zeide tot Geha\'zi: Gord uwe lendenen, en neem mijnen staf in uwe hand, en ga henen; zoo gij iemand vindt, groet hem niet, en zoo u iemand groet, antwoord hem niet; en leg mijnen staf op het aangezicht van den jongen,

30 Doch de moeder van den jongen zeide : Zoo luaarachtiy als de Heere leeft en uwe ziele leeft, ik zal u niet verlaten. Hij stond dan op en volgde haar na.

31 Gehazi nu was voor hun aangezicht doorgegaan, en hij leide den staf op het aangezicht van den jongen; doch daar was geene stemme noen opmerking. Zoo keerde hij weder hem tegemoet, en bracht hem boodschap, zeggende : De jongen is niet ontwaakt.

32 En toen Elisa in het huis kwam, zie, zoo was de jongen dood, zijnde gelegd op zijn bed.

33 Zoo ging hij in, en sloot de deur voor hen beiden toe, en bad tot den Heere;

34 en hij klom op en leide zich neder op het kind, en leggende zijnen mond op deszelfs mond, en zijne oogen op deszelfs oogen, en zijne handen op deszelfs handen, breidde hij zich over hem uit: en het vleesch des kinds werd warm.

35 Daarna kwam hij weder, en wandelde in het huis ééns herwaarts en ééns derwaarts, en klom loeder op en breidde zich over hem uit: en de jongen niesde tot zevenmaal toe, daarna deed de Jongen zijne oogen op.

36 En hij riep Gehazi en zeide : Roep deze Sunamitische. En hij riep ze, en zij kwam tot hem, en hij zeide: Neem uwen zoon op.

37 Zoo kwam zij en viel voor zijne voeten en boog zich ter aarde, en zij nam haren zoon op en ging uit.

38 Als nu Elisa weder te Gilgal kwam, zoo was er honger in dat land, en de zonen der Profeten zaten voor zijn aangezicht: en hij zeide tot zijnen jongen: Zet den grooten pot aan, en zied moes voor de zonen der Profeten.

39 Toen ging een uit in het veld om moeskruiden te lezen, en hij vond eenen wilden wijnstok, en las daarvan zijn kleed vol wilde kolokwinten, \'en kwam en sneed ze in den moespot, want zij kenden ze niet.

40 Daarna schepten zij voor de mannen op om te eten; en het geschiedde als zij aten van dat moes, dat zij riepen en zeiden: Man Gods, de dood is in den pot; en zij konden het niet eten.

41 Maar hij zeide: Brengt dan meel; en hij wierp het in den pot, en hij zèide: Schep voor het volk op, dat zij eten. Toen was er niets kwaads in den pot.

42 En daar kwam een man van Baal-Salisa, en bracht den man Gods brooden der eerstelingen, twintig gerstebrooden, en groene aren in hare hulzen; en hij zeide: Geef den volke, dat zij eten.

43 Doch zijn dienaar zeide: Wat zoude ik dat honderd mannen voortzetten? En hij zeide: Geef den volke, dat zij eten; want al-zóó zegt de Heere: Men zal eten en overhouden.

44 Zoo zette hij het hun voor, en zij aten en zij hielden over, naar het woord des Heeren.

HOOFDSTUK 5.

Nail man nu, de krijgsoverste des Konings van Syrië, was een groot man voor het aangezicht zijns heeren, en van hoog aanzien ; want door hem had de Heere


-ocr page 457-

2 K O NIN O E N rgt;.

den Syriërs verlossing gegeven; zoo was deze man een strijdbaar held, doch melaatsch.

2 En daar waren benden uit Syrië getogen, en hadden eene kleine jonge dochter uit het land Israels gevankelijk gebracht, die in den dienst der huisvrouw Nail-mans was.

\'A Deze zeide tot hare urouwe: Och of mijn heere ware voor het aangezicht des Profeten die te Samarië is, dan zoude hij hem van zijne melaatschheid ontledigen.

4 Toen ging hij in en gaf het zijnen heere te kennen , zeggende: Zóó en zóó heeft de jonge dochter gesproken die uit den lande Israels is.

5 Toen zeide de Koning van Syrië: Ga henen, kom , en ik zal eenen brief aan den Koning Israels zenden. En hij ging hénen, en nam in zijne hand tien talenten zilvers en zesduizend sikkelen gouds en tien wisselkleederen.

0 En hij bracht den brief tot den Koning Israels, zeggende: Zoo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn, zie, ik heb mijnen knecht Naaman tot u gezonden, dat gij hem ontledigt van zijne melaatschheid.

7 En het geschiedde als de Koning Israels den brief gelezen had, dat hij zijne kleederen scheurde, en zeidé: Ben ik dan God, om te dooden en levend te maken, dat deze tot mij zendt om eenen man van zijne melaatschheid te ontledigen? Want voorwaar , merkt toch en ziet dat hij oorzake tegen mij zoekt.

8 Maar het geschiedde als Elisa de man Gods gehoord had dat de Koning Israëls zijne kleederen gescheurd had, dat hij tot den Koning zond om te zeggen: Waarom hebt gij uwe kleederen gescheurd? Laat hem nu tot mij komen, zoo zal hij weten dat ei* een Profeet in Israël is.

0 Alzoo kwam Naaman met zijne paarden en met zijnen wagen, en stond voor de deur van het huis van Elisa.

10 Toen zond Elisa tot hem eenen bode , zeggende : Ga henen en wasch u zevenmaal in den Jordaan, en uw vleesch zal u wederkomen en gij zult rein zijn.

11 Maar Naaman werd zéér toornig en toog weg, en zeide: Zie, ik zeide bij mijzelven: Hij zal zekerlijk uitkomen, en staan, en den naam des Heeren zijns Gods aanroepen, en zijne hand over de plaats strijken, en den melaatsche ontledigen.

12 Zijn niet Abana en Parpar, de rivieren van Damascus, beter dan alle wateren Israëls; zoude ik mij daarin niet kunnen was-schen en rein worden? Zoo wendde hij zich en toog weg met grimmigheid.

l;{ Toen traden zijne knechten toe, en spraken tot hem en zeiden: Mijn vader, zoo die Profeet tot u eene groote zake gesproken had, zoudtgij ze niet gedaan hebben? Hoeveel te meer naardien hij tot u gezegd heeft: Wasch u en gij zult rein zijn.

14 Zoo klom hij af, en doopte zich in den .Jordaan zevenmaal T naar het woord van den man Gods: en zijn vleesch kwam weder , gelijk het vleesch van eenen kleinen jongen, en hij werd rein.

15 Toen keerde hij weder tot den man Gods, hij en zijn gansche heir, en kwam en stond voor zijn aangezicht, en zeide: Zie, nu weet ik dat er geen God is op de gansche aarde dan in Israël. Nu dan, neem toch eenen zegen van uwen knecht.

1(5 Maar hij zeide: Zoo niaar~ achtig als de Heere leeft, voor wiens aangezicht ik sta, indien ik het neme. En hij hield bij hem aan opdat hij het name, doch hij weigerde het.

17 En Naaman zeide: Zoo niet, laat toch uwen knecht gegeven worden een last aarde van een juk muildieren; want uw knecht zal niet meer brandoffer of slachtoffer .anderen goden doen, maar den Heere.

18 In deze zake vergeve de Heere uwen knecht: wanneer mijn heere in het huis Rimmons gaan zal om zich daar neder te


-ocr page 458-

444

buigen, en hij op mijne hand leunen zal, en ik mij in het huis Rimmons nederbuigen zal, als ik mij alzoo nederbuigen zal in het huis Rimmons, de Heere vergeve toch uwen knecht in deze zake.

19 En hij zeide tot hem: Ga in vrede. En hij ging van hem eene kleine streek lands.

20 Gehazi nu, de jongen van Elisa den man Gods, zeide: Zie, mijn heere heeft Naiiman, dien Syriër, belet, dat men uit zijne hand niet genomen heeft wat hij gebracht had; maar zoo waarachtig als de Heere leeft, ik zal hem na-loopen en zal wat van hem nemen.

21 Zoo volgde Gehazi Nan man achterna. En toen Naiiman zag dat hij hem naliep, viel hij van den wagen af hem tegemoet, en hij zeide: Is het wel?

22 En hij zeide: Het is wM; mijn heere heeft mij gezonden om te zeggen: Zie, daar straks zijn tot mij twee jongelingen uit de zonen der Profeten van het gebergte Efraïms gekomen: geef hun toch een talent zilvers en twee wisselkleederen.

23 En Naaman zeide: Relieft het u, neem twee talenten. En hij hield aan bij hem, en bond twee talenten zilvers in twee buidels , met twee wisselkleederen, en hij leide ze op twee van zijne jongens, die ze voor zijn aangezicht droegen.

24 Als hij nu on de hoogte kwam, nam hij ze van nunne handen bestelde ze in een huis; en hij liet de mannen gaan, en zij togen honen.

25 Daarna kwam hij in, en stond voor zijnen heere. En Elisa zeide tot hem : Van waar, Gehazi ? En hij zeide: Uw knecht is noch herwaarts noch derwaarts gegaan.

2G Maar hij zeide tot hem: Ging niet mijn harte mede, als die man zich omkeerde van op zijnen wagen, u tegemoet? Was het tijd omdat zilver te nemen, en om kleederen te nemen, en olijfboomen en wijngaarden, en schapen en runderen, en knechten en dienstmaagden?

27 Daarom zal u de melaatsch-heid Naamans aankleven, en uwen i zade in eeuwigheid. Toen ging hij !

uit van voor zijn aangezicht, me-laatsch, wit als de sneeuw.

HOOFDSTUK 6.

En do kinderen der Profeten zeiden tot Elisa: Zie nu, de plaats waar wij wonen voor uw aangezicht is voor ons te eng:

2 laat ons toch tot aan den Jor-daan gaan, en elk van daar één timmerhout halen, dat wij ons daar eene plaats maken om er te wonen. En hij zeide: Gaat henen

3 En er zeide één: Het believe u toch te gaan met uwe knechten. En hij zeide: Ik zal gaan.

4 Zoo ging hij met hen. Als zij nu aan den Jordaan gekomen waren , hieuwen zij hout af.

5 En het. geschiedde als één het timmerhout velde, dat het ijzer in het water viel; en hij riep ên zeide: Ach mijn heere, want het was geleend.

6 En de man Gods zeide: Waar is het gevallen? En toen hij hem de plaats gewezen had, sneed hij een hout af, en wierp het daarhenen , en deed het ijzer boven zwemmen,

7 en hij zeide: Neem het tot u op. Toen stak hij zijne hand uit en nam het.

8 En de Koning van Syrië voerde krijg tegen Israël, en beraadslaagde met zijne knechten, zeggende: Mijne legering zal zijn in de plaats van zulk een.

0 Maar de man Gods zond henen tot den Koning Israëls, zeggende: Wacht u dat gij door die plaats niet trekt, want de Syriërs zijn daarhenen afgekomen.

10 Daarom zond de Koning Israëls henen naar die plaats waarvan hem de man Gods gezegd en hem gewaarschuwd had, en wachtte zich aldaar, niet éénmaa\' noch tweemaal.

11 Toen werd het harte des Ko-nings van Syrië onstuimig over dezen handel, quot;en hij riep zijne knechten, en zeide tot hen: Zult gij mij dan niet te kennen geven wie van de onzen voor den Koning Israëls is?

12 En een van zijne knechten zeide: Neen mijn heere Koning, maar Elisa, de Profeet die in ïs-

2 KONINGEN G.


-ocr page 459-

2 KONINGEN 6.

445

raël is, geeft den Koning Israels te kennen de woorden die gij in uwe binnenste slaapkamer spreekt.

13 En hij zeide: Gaat henen en ziet waar hij is, dat ik zende en hem halen late. En hem werd te kennen gegeven, zeggende: Zie, hij is te Dotnan.

44 Toen zond hij daarhenen paarden en wagenen en een zwaar heir, welke des nachts kwamen on omsingelden de stad.

15 En de dienaar des mans Gods stond zeer vroeg op, en ging nit; en zie, een heir omringde de stad met paarden en wagenen. Toen zeide zijn jongen tot hem: Ach mijn heere, hoe zullen wij doen?

16 En hij zeide: Vrees niet; want die bij ons zijn, zijn meer dan die bij hen zijn.

17 En Elisa bad en zeide: Heere, open toch zijne oogen dat hij zie. En de Heere opende de oogen des jongens dat hij zag: en zie: de berg was vol vurige paarden en wagenen rondom Elisa.

18 Als zij nu tot hem afkwamen, bad Elisa tot den Heere en zeide: Sla toch dit volk met verblindheden. En hij sloeg ze met verblindheden, naar het woord van Elisa.

19 Toen zeide Elisa tot hen: Dit is de weg niet , en dit is de stad niet; volgt mij na, en ik zal u leiden tot den man dien gij zoekt. En hij leidde ze naar Sa-marië.

20 En het geschiedde als zij te Samarië gekomen waren, dat Elisa zeide: Heere, open dezer oogen dat zij zien. En de Heere opende hunne oogen dat zij zagen , en zie, zij waren in het midden van Samarië.

21 En de Koning Israëls zeide tot Elisa, als hij ze zag: Zal ik ze slaan, zal ik ze slaan, mijn vader?

22 Doch hij zeide: Gij zult ze niet slaan: zoudt. gij ook slaan die gij met uw zwaard en met uwen boog gevangen hadt ? Zet hun brood en water voor, dat zij eten en drinken, en tot hunnen heer trekken.

23 En hij bereidde hun een grooten maallijd, dat zij aten en dronken; daarna liet hij ze gaan, en zij trokken tot hunnen heer. Zoo kwamen ce benden der Syri-ërs niet meer in het land Israëls.

24 En het geschiedde daarna dat Benhadadde Koning van Syrië zijn geheele leger verzamelde, en optoog en Samarië belegerde.

25 En daar werd groote honger in Samarië; want zie, zij belegerden het, totdat eens ezels kop voor tachtig zilverlingen was verkocht , en een vierendeel van een kab duivenmest voor vijf zilverlingen.

20 En het geschiedde als de Koning op den muur voorbijging, dat eene vrouw tot hem riep, zeggende : Help mij, heer Koning.

27 En hij zeide: De Heere helpt u niet, waarvan zoude ik u heipon? van den dorschvloer of van de wijnpers?

28 Voorts zeide de Koning tot haar: Wat is u? En zij zeide: Deze vrouw heeft tot mij gezegd: Geef mij uwen zoon dat wij hem heden eten, en morgen zullen wij mijnen zoon eten.

29 Zoo hebben wij mijnen zoon gezoden, en hebben hem gegeten; maar als ik des anderen daags tot haar zeide: Geef uwen zoon dat wij hem eten, zoo heeft zij haren zoon verstoken.

30 En het geschiedde als de Koning de woorden dezer vrouw gehoord had, dat hij zijne kleede-ren scheurde terwijl hij op den muur voortging; en het volk zag, dat, zie, een zak van binnen over zijn vleesch was.

31 En hij zeide: Zóó doe mij God en doe zóó daartoe, indien het hoofd van Elisa den zoon van Sefat heden op hem zal blijven staan.

32 (Elisa nu zat in zijn huis, en de oudsten zaten bij hem.) En hij zond eenen man van voor zijn aangezicht; maar eer de bode tot hem gekomen was, had hij gezegd tot de oudsten : Hebt gijlieden gezien, hoe die zoon des moordenaars gezonden heeft om mijn hoofd af te nemen? Ziet toe ,


-ocr page 460-

m

als die bode komt, sluit de deur toe, en dringt hem uit met de deur; is niet het geruisch der voeten van zijnen heer achter hem?

33 Als hij nog met hen sprak, zie, zoo kwam de bode tot hem af; en hij zeide: Zie dil kwaad is van den Heere, wat zoude ik verder op den Heere wachten?

HOOFDSTUK 7.

Toen zeide Elisa; Hoort het Woord des Heerex: zóó zegt de Heere: Morgen omtrent dezen tijd zal eene mate meelbloem verkocht worden voor eenen sikkel , en twee maten gerst voor eenen sikkel, in de poort van Samarië.

2 Maar een hoofdman, op wiens quot;hand de Koning leunde, antwoordde den man Gods en zeide: Zie, zoo de Heere vensteren in den hemel maakte, zoude die zaak kunnen geschieden? En hij zeide: Zie, gij zult het met uwe oogen .zien, doch daarvan niet eten.

3 Er waren nu vier melaatsche mannen voor de deur der poorte; die zeiden de één tot den ander: Wat blijven wij hier totdat wij sterven?

4 Indien wij zeggen:quot; laat ons in de stad komen, zoo is de honger in de stad, en wij zullen daar sterven; en indien\'wij hier blijven, wij zullen óók sterven: nu dan, komt en laat ons in het leger der Syriërs vallen: Indien zij ons laten leven, wij zullen leven, en indien zij ons dooden, wij zullen maar sterven.

5 En zij stonden op in de schemering , om in het leger der Syriërs te komen. Toen zij aan het uiterste van het leger dér Syriërs kwamen, zie, toen was daar niemand.

6 Want de Heere had het heir der Syriërs doen hooren een geluid van wagenen en een geluid van paarden, het geluid eener groote heirkracht. zoodat zij zeiden de één tegen de ander: Zie, de Koning Israëls heeft tegen ons gehuurd de Koningen der Hethiten en de Koningen der Egvptenaren, om tegen ons te komen,

7 Derhalve hadden zij zich opgemaakt en waren in de schemering gevloden, en hadden hunne tenten gelaten, en hunne paarden, en hunne ezels, het leger gelijk als het was, en waren gevloden om huns levens wille.

H Als nu deze melaa^schen aan het uiterste des legers kwamen, zoo gingen zij in eene tent, en aten en dronken, en namen van daar zilver en goud en kleederen, en gingen henen en verborgen het; daarna keerden zij weder en kwamen in eene andere tenl, namen van daar óók, en gingen henen en verborgen het.

9 Toen zeiden zij de één tot den ander: Wij doen niet recht; deze dag is een dag van goede boodschap, en wij zwijgen stil; indien wij vertoeven tot den lichten morgen, zoo zal ons de ongerechtigheid vinden. Daarom nu , komt, laat ons gaan en dit den huize des Konings Ijoodschappen.

10 Zoo kwamen zij en riepen tot den portier der stad, en boodschapten hem , zeggende : Wij zijn gekomen tot het leger der Syriërs, en zie , niemand was daar , noch eens menschen slem; maar paarden aangebonden, en ezels aangebonden, en tenten gelijk zij waren.

11 En hij riep de portiers; en zij deden de boodschap binnen in dén huize des Konings.

12 En de Koning stond op inden nacht, en zeide tot zijne knechten: Ik zal u nu te kennen geven wat de Syriërs ons gedaan hebben; zij weten dat wij hongerig zijn, daarom zijn zij uit het leger gegaan om zich in het veld te versteken, zeggende: Als zij uit de stad gegaan zullen zijn, dan zullen wij ze levend grijpen, en wij zullen iii de stad komen.

13 Toen antwoordde een van zijne knechten en zeide: Dat men toch neme vijf van de overige paarden die hierbinnen overgebleven zijn; (zie, zij zijn als de geheele menigte der ïsraëliten die hier binnen overgebleven zijn; zie, zij zijn als de geheele menigte de? Israëlieten die vergaan zijn); laat ons die zenden, en zien.

14 Zij namen dan twee wagen-

2 KONINGEN 7.


-ocr page 461-

2 K O N IN G E N 8.

447

maarden, en de Koning zond het eger der Syriërs achterna, zeggende: Gaat\'henen en ziet.

15 En zij volgden ze na tot den Jordaan toe, en zie, de gansche weg was vol van kleederen en gereedschap, die de Syriërs in hun verhaasten weggeworpen hadden. De boden nu keerden weder en boodschapten het den Koning.

Ki Toen ging het volk uit en berooide het leger der Syriërs; en eene maat meelbloem werd verkocht voor eenen sikkel, en twee maten gerst voor eenen sikkel, naar het woord des Heeren.

17 De Koning nu had den hoofdman, op wiens hand hij leunde, over die poort gesteld; en het volk vertrad hem in de poort dat hij stierf, gelijk de man Gods gesproken had, die het sprak als de Koning tot hem afgekomen was.

18 Want het was geschied gelijk de man Gods gesproken had tot den Koning, zeggende: Morgen omtrent dezen tijd zullen twee maten gerst voor eenen sikkel, en eene maat meelbloem voor eenen sikkel verkocht worden in de poorte van Samarië.

lO En die hoofdman had den man Gods geantwoord en gezegd: Zie, zoo de Heere vensteren in den hemel maakte , zoude het ook naar dit woord geschieden kunnen ? En hij had gezegd: Zie, gij zult het met uwe oogen zien, doch daarvan niet elen.

20 Even alzóó geschiedde hem, want het volk vertrad hem in de poorte dat hij stierf.

HOOFDSTUK 8.

Elisa nu had gesproken tot die vrouwe welker zoon hij levend gemaakt had, zeggende: Maak u op en ga henen, gij en uw huisgezin , en verkeer als vreemdeling waar gij verkeeren kunt; want de Heere heeft eenen honger geroepen, die ook in het land zeven jaren komen zal.

2 En de vrouw had zich opgemaakt en had gedaan naar het woord van den man Gods; want zij was gegaan met haar huisgezin, en had als vreemdeling ver

keerd in het land der Filistijnen zeven jaren.

3 En het geschiedde met het einde der zeven jaren, dat de vrouw uit het land der Filistijnen wederkeerde: en zij ging uit dat zij tot den Koning riep om haar huis en om haren akker.

4 De Koning nu sprak tot Geha-zi den jongen van den man Gods, zeggende: Vertel mij toch alle de groote dingen die Elisa gedaan heeft.

5 En het geschiedde als hij den Koning vertelde hoe hij eenen doode had levend gemaakt, zie, zoo riep de vrouw welker zoon hij levend gemaakt had tot den Koning om haar huis en om haren akker. Toen zeide Gehazi: Mijn heere Koning, dit is de vrouw, en dit is haar zoon dien Elisa heeft levend gemaakt.

C En de Koning ondervraagde de vrouw, en zij vertelde het hem. Toen gaf de Koning haar eenen kamerling, zeggende: Doe haar weder hebben alles wat het hare was, daarenboven alle inkomsten des akkers van den dag af dat zij het land verlaten heeft, tot nu toe.

7 Daarna kwam Elisa te Damascus, als Benhadad de Koning van Syrië krank was; en men boodschapte hem, zeggende: De man Gods is herwaarts gekomen.

8 Toen zeido de Koning tot Ha-zaël: Neem een geschenk in uwe hand, en ga den man Gods tegemoet, en vraag door hem den Heere zeggende: Zal ik van deze krankheid genezen?

9 Toen ging Hazaël hem tegemoet, en nam een geschenk in zijne hand, te weten alle goed van Damascus, een last van veertig kemelen; en hij kwam en stond voor zijn aangezicht, en zeide: Uw zoon Benhadad, de Koning van Syrië, heeft mij tot u gezonden om te zeggen: Zal ik van deze krankheid genezen?

10 En Elisa zeide tot hem: Ga, zeg: Gij zult ganschelijk niet genezen; want de Heere heeft mij getoond dat hij den dood sterven zal.

H En hij hield zijn gezicht


-ocr page 462-

2 KONINGEN 9.

448

staande en zette het vast tot scha-mens toe, en de man Gods weende.

12 Toen zeide Hazaël: Waarom weent mijn heere? En hij zeide: Omdat ik weet wat kwaad gij den kinderen Israëls doen zult: gij zult hunne sterkten in het vuur zetten, en hunne jonge manschap met den zwaarde dooden, en hunne jonge kinderen verpletteren, en hunne zwangere vrouwen opensnijden.

13 En Hazaël zeide: Maar wat is uw knecht die een hond is, dat hij deze groote zake doen zoude? En Elisa zeide: De Heere heeft mij getoond dat gij Koning zijn zult over Syrië.

14 Zoo ging hij weg van Elisa, en kwam tot zijnen heere, die tot hem zeide: Wat heeft Elisa tot u gezegd? En hij zeide: Hij heeft tot mij gezegd: Gij zult zekerlijk genezen.

15 En het geschiedde des anderen daags dat hij eene deken nam en in het water doopte, en die over zijn aangezicht uitspreidde dat hij stierf, en Hazaël werd Koning in zijne plaats.

lö In het vijfde jaar nu van Joram den zoon van Achub, den Koning Israels, toen Josafat Koning was van Juda, begon Joram, de zoon van Josafat den Koning van Juda, te regeeren:

17 hij was tweeëndertig jaar oud toen hij Koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem.

18 En hij wandelde op den weg der Koningen Israëls, gelijk het huis Achabs deed; want de dochter Achabs was hem ter vrouwe geworden; en hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren.

19 Doch de Heere wilde Juda niet verderven, om Davids zijns knechts wille, gelijk als hij hem gezegd had, dat hij hem te allen tijde voor zijne zonen eene lampe zoude geven.

20 In zijne dagen vielen de Edo-miten van onder het gebied van Juda af, en maakten eenen Koning over zich.

21 Daarom toog Joram over naar Zaïr, en alle de wagenen met hem; en hij maakte zich des nachts op en sloeg de Edomiteu die rondom hem waren, daartoe de oversten der wagenen; en het volk vlood in zijne hutten.

22 De Edomiten evenwel vielen van onder het gebied van Juda af, tot op dezen dag: toen viel Libna af in denzelfden tijd.

23 Het overige nu der geschiedenissen Jorams, en alles dat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Juda?

24 En Joram ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven bij zijne vaderen in de stad Davids; en Ahazia zijn zoon werd Koning in zijne plaats.

25 In het twaalfde jaar Jorams des zoons Achabs, des Konings van Israël, begon Ahazitx, de zoon Jorams des Konings van Juda, te regeeren.

26 Tweeëntwintig jaar was Ahazia oud als hij Koning werd, en hij regeerde één jaar te Jeruzalem ; en de naam zijner moeder was Athalia, de dochter vanOmriden Koning Israëls.

27 En hij wandelde in den weg van het huis Achabs, en deed dat kwaad was in de oogen des Heeren , gelijk het huis Achabs; want hij was een schoonzoon van het huis Achabs.

28 En hij toog met Joram den zoon Achabs naar den strijd te Ramoth in Gilead, tegen Uazaël den Koning van Syrië; en de Sy-riërs sloegen Joram.

29 Toen keerde Joram de Koning weder, opdat hij zich te Jizreël heelen liet van de slagen die hem de Syriërs te Rama geslagen hadden, als liij streed tegen Hazaël den Koning van Syrië; en Ahazia de zoon Jorams, quot;de Koning van Juda, kwam af om Joram den zoon Achabs te Jizreël te zien, want hij was krank.

HOOFDSTUK 9.

Toen riep de Profeet Elisa eenen van de zonen der Profeten, en hi; zeide tot hem: Gord uwe lendenen, en neem deze oliekruik in uwe hand, en ga henen naar Ramoth in Gilead.

2 Als gij daar zult gekomen zijn,


-ocr page 463-

2 KONINGEN 9.

449

zoo zie waar Jeliu, de zoon Josa-fats des zoons van Ninisi, is; en ga in, en doe hem opstaan uit hot midden zijner broederen, en breng hem in eene binnenste kamer,

3 en neem de oliekruik en giet ze uit op zijn hoofd, en zeg: Zóó zegt de Heere: Ik heb u tot Koning gezalfd over Israël. Doe daarna de deur open en vlied, en vertoef niet.

4 Zoo ging de jongeling, die jongeling des Profeten, naar Ra-moth in Gilead.

5 En toen hij inkwam, zie, daar zaten de hoofdlieden des heirs; en hij zeide; Ik heb een woord aan u, o hoofdman. En Jehu zeide : Tot wien van ons allen? En hij zeide: Tot u, o hoofdman.

6 Toen stond hij op en ging in huis; hij dan goot de olie op zijn hoofd, en hij zeide tot hem: Zou zegt de Heeüe, de God Israels: Ik heb u gezalfd tot Koning over het volk des Heeüen, over Israël.

7 En gij zult het huis Achabs uws heerên slaan; dat ik het bloed van mijne knechten de Profeten en het bloed van alle knechten des Heeren wrekc van de hand Izébels.

8 En het gansche huis Achabs zal omkomen, en ik zal van Achab uitroeien wat mannelijk is, ook den beslotene en verlatene in Israël;

9 want ik zal het huis Achabs maken als het huis Jerobeams des zoons Nebats, en als het huis van Baësa den zoon van Aln\'a.

10 Ook zuilen de honden Izébel éten op het stuk lands van Jizreël, en daar zal niemand zijn die haar begraaft. Toen deed hij de deur open en vlood.

11 En als Jehu uitging tot de knechten zijns heeren, zeide men tot hem: Is het wel? Waarom is deze onzinnige tot u gekomen? En hij zeide tot hen: Gij kent den man en zijne sprake.

12 Maarzij zeiden: Het is leugen, geef het ons nu te kennen. En hij zeide: Zóó en zóó heeft hij tot mij gesproken, zeggende: Zoo zegt do Heere : Ik heb u gezalfd tot Koning over Israël.

13 Toen haastten zij zich, en een iegelijk nam zijn kleed en leide het onder hem op den hoog-sten trap; en bliezen met de ba-zuine, en zeiden: Jehu is Koning-geworden.

14 Alzoo maakte Jehu, de zoon Josafats des zoons van Nimsi, eene verbintenis tegen Joram. (Joram nu had Ramoth in Gilead bewaard, hij en gansch Israël uit oorzake van Hazaël den Koning van Syrië;

15 maar de Koning Joram was wedergekeerd, opdat hij zich te Jizreël heelen liet van de slagen die hem de Syriërs geslagen hadden, als hij streed tegen Hazaël den Koning van Syrië.). En Jehu zeide: Zoo het ulieder wil is, laat niemand van de stad uittrekken die ont-kome om dit in Jizreël.te gaan verkondigen.

16 Toen reed Jehu en loog naar Jizreël, want Joram lag aldaar, en Ahazia de Koning van Juda was afgekomen om Joram te zien.

17 De wachter nu stond op den toren Ic Jizreël, en zag den hoop van Jehu als hij aankwam, en zeide: Ik zie eenen hoop. Toen zeide Joram: Neem eenen ruiter en zend dien hunlieden tegemoet, en dat hij zegge: Is het vrede?

18 En de ruiter te paard toog henen hem tegemoet, en zeide; Zóó zegt do Koning: Is het vrede? En Jehu zeide: Wat hebt gij met den vrede te doen? Keer om naar achter mij. En de wachter gaf het te kennen, zeggende: De bode is lot hen gekomen, maar hij komt niet weder.

li) Toen zond hij eenen anderen ruiter te paard; en als deze tot hen gekomen was, zeide hij: Zoo zegt de Koning: Is het vrede? En Jehu zeide: Wat hebt gij met den vrede te doen? Keer om naar achter mij.

\'-U En de wachter gaf dit te kennen, zeggende: Hij is tot aan hen gekomen , maar hij komt niet weder; en het drijven is als het drijven van Jehu den zoon van Nimsi, want hij drijft onzinniglijk.

21 Toen zeidè Joram: Span aan. En men spande zijnen wagen aan;

IS


-ocr page 464-

2 K O N1N G E N lü.

450

Zoo toog Joram de Koning Israels uit, en Ahazia de Koning van Juda. een ieder op zijnen wagen , en zij togen uit Jehu tegemoet en vonden hem op het stuk lands van Naboth den Jizreellet.

22 Het geschiedde nu als Joram Jehu zag, dat hij zeide: Is liet ook vrede, Jehu? Maar hij zeide: Wat vrede, zoolang als de hoererijen uwer moeder Izébels en hare tooverijen zoovele zijn?

23 Toen keerde Joram zijne hand en vlood, en zeide tot Ahazia: Het is bedrog, Ahazia.

24 Maar Jehu spande den boog met volle hand, en schoot Joram tusschen zijne armen, dat de pijl door zijn hart uitging; en hij kromde zich in zijnen wagen.

25 Toen zeide .Icha tot Bidkar zijnen hoofdman: Neem, werp hem op\'dat stuk lands van Naboth den Jizreëliet; want gedenk, als ik en gij nevens eikanderen achter zijnen vader Achab reden, dat de Heere hem dezen last opleide, zeggende:

2ü Zoo ik gister avond niet gezien heb het bloed Naboths en het bloed zijner zonen, zegt de hi:eri:, en ik u dat niet vergeld op dit stuk kinds, zegt de Hueue. Nu dan, neem, werp hem opdat stuk lands, naar het Woord des ileeren.

27 Als Ahazia de Koning van Juda dat zag, zoo vlood hij door den weg van het huis des hots, doch Jehu vervolgde hem achterna, en zeide: Slaat hem ook op den wagen, aan den opgang naarGur die bij Jibleam is , en hij vlood naar Megiddo en stierf aldaar.

28 En zijne\' knechten voerden hem naar Jeruzalem, en zij begroeven hem in zijn gral\' bij zijne vaderen in de stad Davids.

29 In het elfde jaar nu van Joram den zoon Achabs was Ahazia Koning geworden over Juda.

oO En Jehu kwam te Jizreël. Als Izébel dat hoorde, zoo blan-kette zij haar aangezicht en versierde haar hoofd, en keek ten venster uit.

31 Toen nu Jehu ter poorte inkwam, zeide zij: Is het wel, o Zimri, zijns heeren doodslager?

32 En hij hief zijn aangezicht op naar het venster en zeide: Wie is met mij, wie? Toen zagen op hem twee, drie kamerlingen.

33 En hij zeide: Stoot ze van boven neder. En zij stieten ze van boven neder,zoodat van haar bloed aan den wand en aan de paarden gesprengd werd, en hij vertrad ze.

34 Als hij nu ingekomen was en gegeten en gedronken had, zeide hij : Ziet nu naar die vervloekte, en begraaft ze, want zij is eens Konings dochter.

35 En zij gingen henen om haar te begraven, doch zij vonden niet van haar dan het bekkeneel en de voeten en de palmen harer handen.

30 Toen kwamen zij weder, en gaven het hem te kennen; en liij zeide: Dit is het woord des Mekken, dat hij gesproken heeft door den dienst van zijnen knecht El ia den Tisbiet, zeggende: Op het stuk lands van Jizreël zullen de honden het vleesch Izébels eten,

37 en het doode lichaam Izébels zal zijn gelijk mest op den velde, in het stuk lands van Jizreël, dat men niet zal kunnen zeggen: Dit is Izébel.

HOOFDSTUK 10.

Achab nu had zeventig zonen Ie Samarië: en Jehu schreef brieven, dewelke hij zond naar Samarië tot de oversten van Jizreël, de oudsten, en tot de voedsterheeren Achabs, zeggende:

2 Zoo wanneer nu deze brief tot u zal gekomen zijn dewijl uws heeren zonen bij u zijn, ook de wagenen en de paarden bij u zijn, mitsgaders eene vaste stad en wapenen:

3 zoo ziet naar den beste en gerechtigste van de zonen uws heeren, zet dien op zijns vaders troon, en strijdt voor het huis uws heeren.

4 Doch zij vreesden gansch zeer, en zeiden: Zie, twee Koningen bestonden niet voor zijn aangezicht, hoe zouden wij dan

\\ bestaan?


-ocr page 465-

2 KONING EN 10.

451

5 Die dan over het huis was, en die over de stad was, en de oudsten, en de voedsterheeren zonden tot Jehu, zeggende: Wij r.ijn uwe knechten; en al wat gij tót ons zeggen zult zullen wij doen, wij zullen niemand Koning maken: doe wat goed is in uwe oogen.

6 Toen schreef hij ten tweeden male aan hen eenén brief, zeggende: Zoo gij mijne zijt en gij naar mijne stemme hoort, neemt de hoofden van de mannen, de zonen uws heeren, en komt tol mij morgen omtrent dezen tijd naar Jizreël. (De zonen nu des Konings, zeventig mannen, waren bij de grooten der stad die ze opvoedden.)

7 Het geschiedde dan als die brief tot hen kwam, dat zij de zonen des Konings namen en zeventig mannen sloegen; en zij leiden hunne hoofden in korven, die zij tot hem zonden naar Jizreël.

8 En daar kwam een bode en boodschapte hem, zeggende: Zij hebben de hoofden dei* zonen des Konings gebracht. En hij zeide: Legt ze in twee hoopen aan de deur der poort tot morgen.

9 En het, geschiedde des morgens toen hij uitging, dat hij stilstond en tot al het volk zeide: Gij zijt rechtvaardig. Zie, ik heb eene verbintenis gemaakt tegen mijnen heere, en heb hem doodgeslagen; en wie heeft alle dezen verslagen ?

10 Weet nu dat niets van het woord des Heeren, hetwelk de Heere tegen het huis Achabs gesproken heelt, op de aarde zal vallen; want de Heere heeft gedaan wat hij door den dienst van zijnen knecht Eh\'a gesproken heeft.

11 Daartoe versloeg Jehu alle de overgeblevenen van het huis Achabs te Jizreël, en alle zijne grooten, en zijne bekenden, en zijne Priesteren, totdat hij hem geen overigen liet overblijven.

12 En hij maakte zich op en toog henen, en ging naar Samarië; en zijnde te Beth-Eked der herderen, op den weg,

13 vond Jehu de broederen von

Ahazia den Koning van Jada, en hij zeide: Wie zijt gijlieden? En zij zeiden: Wij zijn de broederen van Ahazia, en zijn afgekomen om de zonen des konings en de zonen der Koningin te groeten.

14 Toen zeide hij: Grijpt ze levend. En zij grepen ze levend, en zij sloegen ze bij den bornput van Beth-Eked, tweeënveertig mannen, en hij liet niet één van hen over.

15 En van daar gegaan zijnde, zoo vond hij Jonadab den\'zoon Rechabs hem tegemoet, die hem groette; en hij zeide tot hem: Is uw harte recht, gelijk als mijn hart met uw hart is? En Jonadab zeide: Het is, ja het is, geef uwe hand. En hij gaf zijne hand, en hij deed hem tot zich op den wagen klimmen,

16 en hij zeide: Ga met mij, en zie mijnen ijver aan voor den Heere. Zoo deden zij hem rijden op zijnen wagen.

17 En toen hij te Samarië kwam, sloeg hij allen die aan Achab te Samarië overgebleven waren, totdat hij hem verdelgd had, naar het woord des Heeren dat. hij tot Elia gesproken had.

18 En Jehu verzamelde al het volk, en zeide tot hen: Achab heeft Baal een weinig gediend, Jehu zal hem veel dienen.

19 Nu daarom, roept alle Profeten Baiils, alle zijne dienaren en alle zijne Priesteren tot mij, dat niemand gemist worde; want ik heb eene groote offerande aan Baiil: al die gemist wordt zal niet leven. Doch Jehu deed dat door

I listigheid, opdat hij de dienaren Baiils ombracht.

20 Voorts zeide Jehu: Heiligt Baiil eenen verbodscfofir. En zij riepen hem uit.

21 Ook zond Jehuf{in het gan-sche Israël, en alle Baiils dienaars kwamen, dat niet één man overbleef die niet kwam; en zij kwamen in het huis Baiils, dat het huis Baiils vervuld werd van het ééne einde tot het andere einde.

22 Toen zeide hij tot dengene die over het kleederhuis was 5 Breng voor alle dienaren BaKls


-ocr page 466-

462

de kleeding- uit. En hij bracht voor hen de kleeding uit.

23 En Jelui kwam met Jonadab den zoon Rechabs in het huis Baals, en hij zeide tot Baiils dienaren : Onderzoekt en ziet toe, dat hier misschien bij u niet iemand zij van de dienaren des Heeren, maar de dienaren Baals alleen.

24 Toen zij nu inkwamen, om slachtoireren en brandolleren te doen, bestelde zich Jehu daar buiten tachtig mannen, èn zeide: Zoo iemand van de mannen die ik in uwe handen gebracht heb ontkomt, zijne ziele zal voor des-zelfs ziele zijn.

25 En het geschiedde als hij voleindigd liad het brandoller te doen, dat Jehu zeide tot de trawanten en tot de hoofdlieden: Komt in, slaat ze, dat niemand uitkome. En zij sloegen ze met de scherpte des zwaards, en de trawanten en hoofdlieden wierpen ze weg. Daarna kwamen zij tot de stad in het huis Baiils,

26 en zij brachten de opgerichte beelden uit het huis Baiils en verbrandden ze;

27 zij braken ook het opgerichte beeld Baiils af; daartoe braken zij het huis Baiils af, en maakten dat tot heimelijke gemakken, tot op dezen dag.

28 Alzoo verdelgde Jehu Baal uit Israël.

29 Maar van de zonden Jero-beams des zoons Nebats, die Israël zondigen deed, na le volgen week Jehu niet af, te lueten van de gouden kalveren die te Beth-El en die te Dan waren.

30 De Heere dan zeide tot Jehu: Daarom dat gij wel gedaan hebt, doende dat recht is in mijne oogen, en hebt den huize Achabs gedaan naar alles dat in mijn harte was, zullen u ionen tot het vierde gelid op den troon Israels zitten.

31 Maar Jehu nam niet waar te wandelen in de wet des Heeren des Gods Israëls met zijn gansche harte., hij week niet van de zonden Jerobeams die Israël zondigen deed.

32 In die dagen begon de Heere

Israël in le korten, want Hazaël sloeg ze in alle landpalen Israëls:

33 van den Jordaan af tegen den opgang der zon, liet gansche land Uileads, der Gaditen en der Kubenitenen der Manassiten; van Aroër die aan de beek Arnon iö gt; en Gilead, en Basan.

34 Het overige nu der geschiedenissen van Jehu, en al wat hij gedaan heeft, en al zijne macht\', zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israëls?

35 En Jehu ontsliep met zijne vaderen , en zij begroeven hem to Samarië, en zijn zoon Joahazwerd Koning in zijne plaats.

3ö En de dagen die Jehu over Israël geregeerd heeft in Samarië zijn achtentwintig Jaren.

HOOFDSTUK 11.

Toen nu Athalia de moeder van Ahazia zag dal haar zoon dooc\' was, zoo maakte zij zich op en bracht al het koninklijke zaad om.

2 Maar Joséba de dochter des Konings Jorams, de zuster van Ahazia, nam Joas den zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van des Konings zonen die gedood werden, zettende hem en zijne voedster ineene slaapkamer; en zij verborgen hein voor Athalia, dat hij niet gedood werd.

3 En hij was met haar verstoken in den Huize des Heeren zes jaren; en Athalia regeerde over het land.

4 In het zevende jaar nu zond Jojada en nam de oversten van honderd met de hoofdlieden en met de trawanten, en hij bracht ze tot zich in het Huis des Heeren; en hij maakte een verbond met hen, quot;en hij beëedigde ze in het Huis des Heeren, en hij toonde hun den zoon des Konings;

5 en hij gebood hun, zeggende: Dit is de zake die gij doen zult: een derde deel van u, die op den sabbat ingaan, zullen de wacht waarnemen van het huis des Konings ,

• 6 en een derde deel zal zijn aan de poort Sur, en een derde deel aan de poort achter de trawanten:

2 KONINGEN 11.


-ocr page 467-

2 KONINGEN 12.

453

zóó zult gij waarnemen de wacht Van dit huis, tegen inbreking.

7 En de twee deelen van ulie-den, allen die op den sabbat Uitgaan, die zullen de wacht van het Huis des Heeren waarnemen bij den Koning.

8 En gij zult den Koning rondom omsingelen, een ieder met zijne wapenen in zijne hand, en hij die tusschen de ordeningen intreedt zal gedood worden; en weest gij bij den Koning als hij uitgaat en als hij inkomt.

9 De oversten dan van honderd deden naar al dat de Priester .To-jada geboden had, en namen ieder zijne mannen die op don sabbat ingingen met degenen die op den sabbat uitgingen, en zij kwamen lot den Priester Jojada;

40 en de Priester gaf den oversten van honderd de spiesen en de schilden die des Konings Davids geweest waren, die in den Huize des Heeren waren;

11 en de trawanten stonden, ieder met zijne wapenen in zijne hand, van de rechterzijde des Huizes tot de linkerzijde des Huizes, naar het altaar en naar het Huis toe, bij den Koning rondom.

12 Daarna bracht hij des Konings zoon voor, en zette hem de kroon op, en gaf hem de Getuigenis, en zij maakten hem Koning en zalfden hem; daarbij klapten zij met de handen, en zeiden: De Koning leve.

13 Toen nu Alhalia de stemme der trawanten en des volks hoorde, zoo kwam zij tot het volk in het Huis des Heeren ;

14 en zij zag toe, en zie, de Koning stond bij den pilaar, naar de wijze en de oversten en de trompetten bij den Koning, en al het volk des lands was blijde en blies met trompetten: toen verscheurde Athalia hare klecderen, en zij riep: Verraad, verraad!

15 Maar de Priester Jojada gebood den oversten van honderd die over het heir gesteld waren, en zeide tot hen; Brengt ze uit tot builen de ordeningen en wie haar volgt doodt met het zwaard, want de Priester had gezegd: Laat ze in het Huis des Heeren niet gedood worden.

16 En zij leiden do handen aan haar, en zij ging den weg van den ingang der paarden naar het huis des Konings, en zij werd daar gedood.

17 Kn Jojada maakte een verbond tusschen den Heere en tusschen den Koning, en tusschen het volk dat het den Heere tot een volk zoude zijn, mitsgaders tusschen den Koning en tusschen het volk.

18 Daarna ging al het volk des lands in het huis Baals, en braken dat af, zijne altaren en zijne beelden verbraken zij recht wel en Maltan den Priester Baals sloegen zij dood voor de altaren. Do Priester nu bestelde de ambten in den Huize des Heeren;

19 en hij nam de oversten van honderd, en de hoofdmannen, en de trawanten, en al het volk des lands; en zij brachten den Koning af uit hel Huis des Heeren, en kwamen door den weg van de poort dei; trawanten tot het huis des Konings, en hij zat op den troon der Koningen.

20 En al hel volk des lands was blijde, en de stad werd stil, nadat zij Athalia met den zwaarde gedood hadden bij des Konings huis.

21 Joas was zeven jaar oud toen hij Koning werd.

HOOFDSTUK 12.

In het zevende jaar van Jehu werd Joas Koning , en regeerde veertig jaar te Jeruzalem; en zijner moeder naam was Zibja van Ber-Séba.

2 En Joas deed dat recht was in de oogen des Heeren, alle zijne dagen in dewelke de Priester Jojada hem onderwees.

3 Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen; het volk otfer-de en rookte nog op de hoogten.

4 En Joas zeide tot de Priesteren: Al het geld der geheiligde dingen dat gebracht zal worden in het Huis des Heeren , te weten het geld desgenen die overgaat tot de getelden, het geld van een ieder der personen naar zijne schatting,


-ocr page 468-

2 KONINGEN 43.

454

cn al het geld dat in eens ieders harte komt om dat te brengen in het Huis des Heeren ,

5 zullen de Priesters tot zich nemen, een ieder van zijnen .bekende , en zij zullen de breuken van het Huis verbeteren, naar alles wat daar voor breuke gevonden zal worden.

6 Maar het geschiedde in het drieëntwintigste jaar des Konings Joas, dat de Priesters de breuken van het Huis niet gebeterd Hadden.

7 Toen riep de Koning Joas den Priester Jojada en de andere Prie-steren, en zeide tot hen: Waarom betert gijlieden do breuken van het Huis niet? Nu dan, neemt geen geld van uwe bekenden, dat gij het zoudt geven voor de breuken van het Huis.

8 En de Priesters bewilligden van den volke geen geld te nemen, noch de breuken van het huis te verbeteren.

0 Maar de Priester Jojada nam eene kist, en boorde een gat in haar deksel, en zette die bij het altaar ter rechterhand als iemand inkwam in het Huis des Heeren ; en de Priesters die den dorpel bewaarden staken daarin al het geld dat ten Huize des Heerex gebracht werd.

\'10 Het geschiedde nu als zij zagen dat er veel geld in de\'kist was, dat des Konings schrijver met den Hoogepriester opkwam , en zij bonden het te zamen, en telden het geld dat in hel Huis des Heerex gevonden werd,

11 en zij gaven het geld wel gewogen in handen der verzorgers van dat werk, die besteld waren over het Huis des Heeren; en zij besteedden het uit aan de timmerlieden en aan de bouwlieden die het huis des Heeren vermaakten ,

12 en aan de metselaars, en aan de steenhouwers, en om hout en gehouwen steenen te koopen om de breuken van het Huis des Heeren te verbeteren, en voor al dat uitgegeven werd voor het Huis om dat te beteren.

13 Evenwel werden niet gemaakt voor het Huis des Heeren zilveren schalen, gaffelen, sprengbek-kens, trompetten, noch eenig gouden vat of zilveren vat, van het geld dat ten Huize des Heerex gebracht werd,

14 maar zij gaven dat dengenen die het werk deden, en zij beterden daarmede het Huis des Heerex.

15 Daartoe eischten zij geene rekening van de mannen, dien zij dat geld in hunne handen gaven om dengenen die het werk deden te geven, want zij handelden trouwelijk.

lö Het geld van schuldoffer en het geld van zondofferen werd ten Huize des Heerex niet gebracht, het was voor de Priesters.

17 Toen trok Hazaël de Koning van Syrië op en krijgde tegen Gath, quot;en nam ze in ; daarna stelde Hazaël zijn aangezicht om tegen Jeruzalem op te trekken.

18 Maar Joas de Koning van Juda nam alle de geheiligde dingen , die Josafat en Joram ei Ahazia, zijne vaderen, de Koningen van Juda, geheiligd hadden, en zijne geheiligde dingen, en ai het goud dat gevonden werd in de schatten van het Huis des Heerex en van het huis des Konings, en zond het tot Hazaël den Koning van Syrië; toen trok hij op van Jeruzalem.

19 Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat. hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Juda?

20 En zijne knechten stonden op en maakten eene verbintenis , en sloegen Joas in het huis van Millo dat afgaat naar Silla;

21 want Jozachar de zoon van Simeath, en Jozabad de zoon van Somer, zijne knechten, - sloegen hem dat hij stierf; en zij begroeven hem met zijne vaderen in de stad Davids; en Amazia zijn zoon werd Koning in zijne plaats.

HOOFDSTUK 13.

In het drieëntwintigste jaar vm Joas den zoon van Ahazia, den Koning van Juda, werd Joahaz de zoon van Jehu Koning over Israël


-ocr page 469-

2 KONINGEN 13.

455

te Samarië, en reyeenle zeventien jaar.

2 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heere.n ; want hij wandelde de zonden Jerobeams des zoons Nebats na, die Israël zondigen deed; hij week daarvan niet af.

toorr?\'tegen ÏSM?*1 i1.?* HEEREN in de hand Hazaëls des Konings van Syrië en in de hand Benha-dads des zoons Hazaëls, alle die dagen.

4 Doch Joahaz bad des heeren aangezicht ernstiglijk aan ; en de Ueeke verhoorde hem , want hij zag de verdrukking Israels, dat de Koning van Syrië hen verdrukte.

0 (Zoo gaf de Heere Israël eenen verlosser, dat zij van onder de hand der Syriërs uitkwamen; en de kinderen Israels woonden in hunne tenten als te voren.

6 Nogtans weken zij niet af van de zonden des huizes Jerobeams die Israël zondigen deed, maar: hij wandelde daarin; en het bosch bleef ook staan te Samarië.)

7 Want hij had Joahaz geen volk laten overblijven dan vijftig rui-teren en tien wagenen en tienduizend voetvolks; want de Koning van Syrië had ze omgebracht, en had ze dorschende gemaakt als stof.

8 Het overige nu dér geschiedenissen van Joahaz, en al wat hij gedaan heeft, en zijne macht, zijn die niet geschreven in het bock der Kronieken der Koningen Israels?

9 En Joahaz ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem te Samarië; en Joas zijn zoon regeerde in zijne plaats.

10 In het zevenendertigste jaar van Joas den Koning van Juda werd Joas de zoon van Joahaz Koning over Israël te Samarië, cn reyeerdc zestien jaar.

11 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren; hij week niet af van alle de zonden Jerobeams des zoons Nebats, die Israël zondigen deed, waa/* hij wandelde daarin.

12 Het overige nu der geschiedenissen van Joas, en al wat hij gedaan heeft, en zijne macht waarmede hij gestreden heeft tegen Amaziaden Koning van Juda, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israels?

13 En Joas ontsliep met zijne vaderen, en Jerobeam zat op zij-té \'Samane quot;Bi/nmwfiöLb|£gt;:aveii raëls.

14 Elisa nu was krank geweest van zijne krankheid van dewelke hij stierf; en Joas de Koning Israels was tot hem afgekomen, en had geweend over zijn aangezicht, en gezegd: Mijn vader, mijn vader, wagen Israëls en zijne ruitere n !

15 En Elisa zeide tot hem: Neem eenen boog en pijlen; en hij nam tot zich eenen boog en pijlen.

10 En hij zeide tot den Koning Israëls: Leg uwe hand aan den boog; enhijleide zijne hand daaraan; en Elisa leidê zijne handen op des Konings handen,

17 en hij zeide: Doe het venster open tegen liet Oosten; en hij deed het open. Toen zeide Elisa : Schiet: en hij schoot. En hij zeide: Het is een pijl der verlossinge des Heeren , en een pijl der verlossinge tegen de Syriërs; want gij zult de Syriërs slaan in Afek tot verdoens toe.

18 Daarna zeide hij: Neem de pijlen; cn hij nam ze. Toen zeide hij tot den Koning Israëls: Sla tegen de aarde; en hij sloeg driemaal , daarna stond hij stil.

lü Toen werd de man Gods zeer toornig op hem, en zeide: Gij moest vijf- of zesmaal geslagen hebben, dan zoudt gij de Syriërs tot verdoens toe geslagen hebben; doch nu zult gij de Syriërs driemaal slaan.

20 Daarna stierf Elisa, en zij begroeven hem. De benden nu der Moabiten kwamen in het land met het ingaan des jaars.

21 En het geschiedde als zij eenen man begroeven, dat zij, zie, eene bende zagen; zoo wierpen zij den man in het graf van Elisa; en toen de man daarin


-ocr page 470-

456 2 KONIj

kwam en liet gebeente van Elisa aanroerde, werd hij levend en rees op zijne voeten.

22 Hazaël nu de Koning van Syrië verdrukte Israël alle de de dagen van Joahaz;

23 doch de Heere was hun genadig en ontfermde zich hunner , en wendde zich tot henoomt zijj}s Isaak en Jakob; en hij wilde ze niet verderven, en heeft ze niet verworpen van zijn aangezicht, tot nu toe.

24 En Hazaël de Koning van Syrië stierf, en zijn zoon Benhadad werd Koning in zijne plaats.

25 Joas nu de zoon van Joahaz nam de steden weder in uit de hand van Benhadad den zoon van Hazaël, die hij uit de hand van Joahaz zijnen vader met krijg genomen \' had: Joas sloeg hem driemaal, en bracht de steden Israëls weder.

HOOFDSTUK 14.

In het tweede jaar van Joas den zoon van Joahaz, den Koning Israëls, werd Amazia Koning, de zoon van Joas den Koning van Juda.

2 Vijfentwintig jaar was hij oud toen liij Koning werd, en regeerde negenentwintig jaar tc Jeruzalem; en zijner moeder naam was Joad-dan van Jeruzalem.

3 En hij deed dat recht was in de oogen des Heeren, nogtans niet als zijn vader David: hij deed naar allesquot; dat zijn vader Joas gedaan had.

4 Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen, het volk olïerde en rookte nog op de hoogten.

5 Het geschiedde nu als het koninkrijk in zijne hand versterkt was, dat hij zijne knechten sloeg, die den Koning zijnen vader geslagen hadden,

6 doch de kinderen der doodslagers doodde hij niet; gelijk geschreven is in net wetboek van Mozes, daar de Heere geboden heeft, zeggende: De vaders zullen voor de kinderen niet gedood Worden, en de kinderen zullen voor de vaders niet gedood worden,

GEN 14.

maar een ieder zal om zijne zonde ~ gedood worden.

7 Hij sloeg de Edomiten in het ël Zoutdal, tienduizend, en nam Sela ^ in met krijg, en noemde haren 111 naam Jokteël, tot op dezen dag.

8 Toen zond Amazia boden tot ^ Joas den zoon van Joahaz, den ^

26gg(Sf(fe:Ptom^laat ons elkanders aangezicht zien. d

9 Maar Joas de Koning Israëls e zond tot Amazia den Koning van l Juda, zeggende: De distel die op den Libanon is zond tot den ceder 1 die op den Libanon is, zeggende: ] Geef uwe dochter mijnen zoon

ter vrouwe; maar het gedierte des velds dat op den Libanon is ging voorbij en vertrad de distel.

lü Gij hebt de Edomiten dapper geslagen, daarom heeft uw harte li verheven: heb do eer en blijf in uw huis; want waarom zoud, gij u in het kwade mengen, dat gij vallen zoudt, gij en Juda met u?

11 Doch Amazia hoorde niet: daarom toog Joas de Koning Israëls op, zoodat hij en Amazia de Koning van Juda elkanders aangezichten zagen te Beth-Sémes die in Juda is;

12 en Juda werd geslagen voor het aangezicht Israëls, en zij vloden een iegelijk in zijne tenten.

13 En Joas de Koning Israëls greep Amazia den Koning van Juda, den zoon van Joas den zoon van Ahazia, te Beth-Sémes, en kwam te Jeruzalem; en hij brak aan den muur Jeruzalems, van de poort Efraïms tot aan do Hoek-poort vierhonderd ellen;

14 en hij nam al het goud, en het zilver, en alle de vatén die gevonden werden in het Huis des Heeren en in de schatten van des Konings huis, mitsgaders gijzelaars; en hij keerde weder naar Samarië.

15 Het overige nu der geschiedenissen van Joas, wat hij gedaan heeft, en zijne macht, en hoe hij gestreden heeft tegen Amazia den Koning van Juda, ::ijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israëls ? 1


-ocr page 471-

2 KONINGEN 15.

457

16 En Joas ontsliep met zijne vaderen, en werd te Samarië begraven bij de Koningen Israels; en zijn zoon Jerobeam werd Koning in zijne plaats.

17 Amazia nu de zoon van Joas, Koning van Juda leefde na den dood van Joas den zoon van Joahaz, den Koning Israëls, vijftien jaar.

18 Het overige nu der geschiedenissen van Amazia, is dat niet geschreven in het book der Kronieken der Koningen van Juda?

19 En zij maakten eene verbintenis tegen hem te Jeruzalem, dat hij vluchtte naar Lachis; maarzij zónden hem na tot Lachis, en doodden hem aldaar;

20 en zij brachten hem op paarden, en hij werd te Jeruzalem begraven bij zijne vaderen in de stad Davids.

21 En het gansche volk van Juda nam Azaria, (die nu zestien jaar oud was), en maakte hem Koning in plaats van zijnen vader Amazia.

22 Die bouwde Elath, en bracht ze weder aan Juda, nadat de Koning met zijne vaderen ont-slapen was.

23 In het vijftiende jaar van Amazia den zoon van Joas, den Koning van Juda . werd te Samarië Koning Jerobeam, de zoon van Joas Koning over Israël, en regeerde éénenveertig jaar,

24 en deed dat kwaad was in de oogen des Heeren: hij week niet van alle zonden Jeróbeams des zoons Nebats die Israël zondigen deed.

25 Hij bracht ook weder de landpalè Israëls van den ingang Hamaths tot, aan de zee des vlakken velds, naar het woord des Heeren des Gods Israëls, dat hij gesproken had door den dienst van zijnen knecht Jona den zoon van Amittai, den Profeet die van Gath-Héfei\' was.

26 Want de Heere zag dat de ellende Israëls zeer bitter was, en dat er geene opgesloten en noch veriatenen waren, en dat Israël geen helper had.

27 En de HeEre had niet gesproken dat hij den naam Israëls van onder den hemel verdelgen zoude; maar hij verloste ze door de hand Jeroboams des zoons van Joas.

28 Het overige nu der geschie* denissen Jeróbeams, en al wat hij gedaan heeft, en zijne macht, hoe hij gekrijgd heeft, en hoe hij Damascus eh Hamath, tot Juda hchoorende, aan Israël wederge-bracht hoeft, zijn die niet geschreven in het boeli der Kronieken der Koningen Israëls?

29 En Jerobeam ontsliep met zijne vaderen, met de Koningen Israëls; en zijn zoon Zacharia werd Koning in zijne plaats.

HOOFDSTUK 15.

In het zevenentwintigste jaar Jeróbeams des Konings Israëls werd Koning Azaria, de zoon van Amazia den Koning van Juda, Koning.

2 Hij was zestien jaar oud toen hij Koning werd, en hij regeerde tweeënvijftig jaar te Jeruzalem; en do naam zijner moeder was Jecholia van Jeruzalem.

3 En hij deed dat recht was in do oogen des Heeren, naar al dat zijn vader Amazia gedaan had.

4 Alleenlijk werden do hoogten niet weggenomen, het volk offerde en rookte nog op de hoogten.

5 En de Heere plaagde den Koning dat hij melaatsch werd tot den dag zijns doods; en hij woonde in een afgezonderd huis, doch Jotham dos Konings zoon was over het huis, richtende het volk des lands.

6 Het overige nu der geschiedenissen van Azaria, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Juda?

7 En Azaria ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem bij zijne vaderen in de stad Davids; en zijn zoen Jotham werd Koning in zijne plaats.

8 In het achtendertigste jaar van Azaria den Koning van Juda regeerde Zacharia de zoon Jeróbeams over Israël te Samarië zes maanden.

9 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, gelijk


-ocr page 472-

458

als zijne vaderen gedaan hadden: hij week niet af van do zonden Jerobeams des zoons Nebats die Israël zondigen deed.

10 En Sallum de zoon van Jabes maakte eene verbintenis tegen hem, en sloeg hem voor het volk en doodde hem; en hij werd Koning in zijne plaats.

11 Het overige nu der geschiedenissen van Zacharia, zie, dat is geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israels.

12 Dit was het woord des HKEREN dat hij gesproken had tot Jehu, zeggende: U zullen zonen van het vierde gelid op den troon Israëls zitten; en het is alzóó geschied.

13 Sallum de zoon van Jabes werd Koning in het negenendertigste jaar van Uzzia den Koning van Jiida, en hij regeerde eene volle maand te Samarië;

14 want Menahem de zoon van Gadi toog op van Tirza en kwam te Samarië, en sloeg Sallum den zoon van Jabes te Samarië en doodde hem, en werd Koning in zijne plaats.

15 Het overige nu der geschiedenissen Sallums, en zijne verbintenis die hij maakte, zie, die zijn geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israëls.

10 Toen sloeg Menahem Tifsah met allen die daarin waren, ook hare landpalen van Tirza aan, omdat men niet voor hem had opengedaan , zoo sloeg hij ze: alle hare bevruchte vrouwen hieuw hij in stukken.

17 In het negenendertigste jaar van Azaria den Koning van Juda werd Menahem de zoon van Gadi Koning over Israël, en regeerde tien jaar te Samarië.

18 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren: hij week alle zijne dagen niet af van de zonden Jerobeams des zoons Nebats die Israël zondigen deed.

19 Toen kwam Pul de Koning van Assyrië tegen het land, en Menahem gaf aan Pul duizend talenten zilvers, opdat zijne hand met hem zoude zijn om hét koninkrijk in zijne band te sterken.

20 Menahem nu bracht dit geld op van Israël, van alle geweldigen van vermogen, om den Koning w van Assyrië te geven, voor elk 1* man vijftig zilveren sikkels; alzoo sl keerde de Koning van Assyrië ^ weder, en bleef daar niet in het b land. z

21 Het overige nu der geschiedenissen Menahems, en al wat hij lt; gedaan heeft, is dat niet geschre- ^ ven in het boek der Kronieken der ; Koningen Israëls?

22 Daarna ontsliep Menahem met zijne vaderen, en zijn zoon Pekahia werd Koning in zijne plaats.

23 In het vijftigste jaar van Azaria den Koning van Juda werd Pekahia de zoon Menahems Koning over Israël, en regeerde twee jaar te Samarië.

24 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren: hij week niet af van de zonden Jerobeams des zoons Nebats die Israël zondigen deed.

25 En Pekah de zoon van Re-mal ia , zijn hoofdman, maakte eene verbintenis tegen hem, en sloeg hem te Samarië in het paleis van het huis des Konings, met Argob en met Arjé, en met hem vijftig mannen van de kinderen der Gileaditen; alzoo doodde hij hem en werd Koning in zijne plaats.

26 Het overige nu der geschiedenissen van Pekahia, en al wat hij gedaan heeft, zie, dat is geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israëls.

27 In het tweeënvijftigste jaar van Azaria den Koning van Juda werd Pekah de zoon van Remalia Koning over Israël, en regeerde twintig jaar te Samarië.

28 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren : hij week niet af van de zonden Jerobeams des zoons Nebats die Israël zondigen deed.

29 In de dagen van Pekah den Koning Israëls kwam Tiglath-Piié-ser de Koning van Assyrië, en nam Ijon in, en Abel Beth-Maacha, en Janóah, en Kedes, en Hazor, en Gilead, en Galiléa, het gan-sche land van Naftali; en hij voerde ze weg naar Assyrië.

r

2 KONINGEN 15.


-ocr page 473-

2 KONINGEN 16.

459

30 Eu Hoséa de zoon van Ela maakte eene verbintenis tegen Pekah den zoon van Remalia, en sloeg hem en doodde hem, en werd Koning in zijne plaats, in het twintigste jaar Jothams des zoons van Uzzia.

31 Het overige nu der geschiedenissen van Pekah, en al wat hij gedaan heeft, zie, dat is geschreven in het boek der Kronieken der Koningen Israels.

32 In het tweede jaar van Pekah den zoon van Remalia, den Koning Israels, werd Jotham Koning, de zoon van Uzzia Koning van Juda.

33 Vijfentwintig jaar was hij oud als hij Koning werd, en regeerde zestien jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Je-rusa de dochter van Zadok.

34 En hij deed dat recht was in de oogen des Heeren , naar alles dat zijn vader Uzzia gedaan had deed hij.

35 Alleenlijk werden de hoogten niet weggenomen, het volk offerde en rookte nog op de hoogten. Hij bouwde de Hooge poort aan het Huis des Heeren.

36 Het overige nu der geschiedenissen Jothams, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boel: der Kronieken der Koningen van Juda?

37 In die dagen begon de Heere in Juda te zenden Rezin den Koning van Syrië, en Pekah den zoon van Remalia.

38 En Jotham o?itsliep met zijne vaderen, en werd begraven bij zijne vaderen in de stad zijns vaders Davids; en zijn zoon Achaz werd Koning in zijne plaats.

HOOFDSTUK 16.

In het zeventiende jaar van Pekah den zoon van Remalia werd Achaz Koning, de zoon Jothams des Konings van Juda.

2 Twintig jaar was Achaz oud toen hij Koning werd, en hij regeerde zestien jaar te Jeruzalem. En hij deed niet dat recht was in de oogen des Heeren zijns Gods, als zijn vader David,

3 want hij wandelde in den weg der Koningen Israels; ja hij deed ook zijnen zoon door het vuur gaan, naar de gruwelen der heidenen die de Heere voor de kinderen Israels verdreven had;

4 hij offerde ook en rookte op de hoogten en op de heuvelen, ook onder alle groen geboomte.

5 Toen toog Rezin de Koning van Syrië op. met Pekah den zoon van Remalia, den Koning Israels, naar Jeruzalem ten strijde; en zij belegerden Achaz, maar zij vermochten nitt met strijden.

G Te dierzelver tijd bracht Rezin de Koning van Syrië Elath weder aan Syrië, en wierp de Joden uit Elath; en de Syriërs kwamen te Elath, en hebben daar gewoond tot op dezen dag.

7 Achaz nu zond boden tot Tig-lath-Piléser den Koning van As-syrië, zeggende: Ik ben uw knecht en uw zoon: kom op en verlos mij uit de hand des Konings van Syrië en uit de hand des Konings van Israël, die zich tegen mij opmaken.

8 En Achaz nam het zilver en het goud dat in het Huis des Heeren en in de schatten van het huis des Konings gevonden werd, en hij zond den Koning van Assyria een geschenk.

0 Zoo hoorde de Koning van Assyrië naar hem; want de Koning van Assyrië toog op togen Damascus, en nam ze in, en voerde hen gevankelijk naar Kir, en hij doodde Rezin.

10 Toen toog de Koning Achaz Tiglath-Piléser den Koning van Assyrië tegemoet naar Damascus; en gezien hebbende een altaar dat te Damascus was, zoo zond de Koning Achaz aan den Priester Una de gelijkenis des altaars en zijne afbeelding, naar zijn gansche maaksel.

11 En Una de Priester bouwde een altaar, naar alles dat de Koning Achaz van Damascus ontboden had; alzóó deed de Priester Una, tegen dat de Koning Achaz van Damascus kwam.

12 Als nu de Koning van Damascus gekomen was, zag de Koning het altaar; en de Koning na-


-ocr page 474-

460

derde tot het altaar, en offerde daarop;

13 en hij stak zijn brandoffer aan, en zijn spijsoffer, en goot zijn drankoffer, en sprengde het bioed zijner dankofferen op dat altaar.

14 Maar het koperen altaar dat voor het aangezicht des hkeren was, dat bracht hij van het voorste deel des Huizes, van tusschen zij)% altaar en van tusschen het Huis des Heeren, en hij zette het aan de zijde zijns altaars noordwaarts.

15 En de Koning Achaz gebood Una den Priester, zeggende: Steek op het groote altaar het morgenbrandoffer aan, en het avond-spijs-offer, en des Konings brandoffer, en zijn spijsoffer, en het brandoffer van al het volk des lands, en hun spijsoffer, en hunne drankofferen ; en spreng daarop al het bloed des brandoffers en al het bloed des slachtoffers ; maar het koperen altaar zal mij zijn om te onderzoeken.

16 En Una de Priester deed naar alles dat de Koning Achaz geboden had.

17 En de Koning Achaz sneed de lijsten der stellingen af, en nam van boven die het waschvat weg; en deed de zee af van de koperen runderen die daaronder waren, en zette die op eenen stee-nen vloer;

18 daartoe het deksel des sab-bats, dat zij in het Huis gebouwd hadden, en clen buitensten ingang des Konings nam hij weg van den Huize des Heeren , vanwege den Koning van Assyrië.

19 Het overige nu der geschiedenissen van Achaz , wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Juda?

20 En Achaz ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven bij zijne vaderen in de stad Davids: en Hjzkia zijn zoon werd Koning in zijne plaats.

HOOFDSTUK 17.

In het twaalfde jaar van Achaz den Koning van Juda werd Ilosua de zoon van Ela Koning over Israël te Samarië, en regeerde negen jaren.

2 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren; evenwel niet als de Koningen Israëis die vóór hem geweest waren.

3 Tegen hem toog op Salmanu-ser. Koning van Assyrie, en Hoséa werd zijn knecht, dat hij hem een geschenk gaf.

4 Maar de Koning van Assyrië bevond eene verbintenis in Hoséa, dat hij tot So den Koning van Egypte boden gezonden had, en het geschenk den Koning van Assyrië niet als te voren van jaar tot jaar opbracht; zoo besloot quot;hem de Koning van Assyrië en bond hem in het gevangenhuis.

5 Want de Koning van Assyrië toog op in het gansche land; ja hij kwam op naar Samarië, en hij belegerde ze drie jaren.

6 In het negende jaar van Hoséa nam de Koning van Assyrië Samarië in , en voerde Israël weg in Assyrië, en deed ze wonen in Halah, en in Habor, aan de rivier Gozan, en in de steden der Meden.

7 Want het was geschied dat de kinderen Israëis gezondigd hadden tegen den Heere hunnen God, die ze uit Egypteland opgebracht had, van onder de hand van Farao den Koning van Egypte, en hadden andere goden gevreesd,

8 en hadden gewandeld in de inzetting der heidenen die de Hkere voor het aangezicht der kinderen Israëis verdreven had, en der Koningen Israëis die ze gemaakt hadden.

9 En de kinderen Israëis hadder. de zaken die niet recht zijn tegen den Heere hunnen God bemanteld, en hadden zich hoogten gebouwd in alle hunne steden; van den wachttoren af tot de vaste steden toe;

10 en zij hadden zich staande beelden opgericht en bosschen, op allen hoogen heuvel en onder alle groen geboomte;

11 en zij hadden daar gerookt op alle hoogten, gelijk de heidenen die de Heere van hunne aangezichten weggevoerd had; en zij

2 KONINGEN 17.


-ocr page 475-

2 K O N IN G IC N 17.

461

hadden kwade dingen gedaan, om den Heere tot toom te verwekken ,

12 en zij hadden de drekgoden gediend, waarvan de Heere tot hen gezegd had: Gij zult deze zake niet doen.

13 Als nu de Heere tegen Israël en tegen Juda door den dienst aller Profeten en aller zieners betuigd had, zeggende: Bekeert u van uwe booze wegen en houdt mijne geboden en mijne inzettingen , naar al de wet \'die ik uwen vaderen geboden heb , en die ik tot u door de hand mijner knechten de Profeten gezonden heb, —

14 zoo hoorden zij niet, maar zij verhardden hunnen nek, gelijk de nek hunner vaderen geweest was, die aan den Heere hunnen God niet geloofd hadden.

15 Daartoe verwierpen zij zijne inzettingen, en zijn verbond dat hij met hunne vaderen gemaakt had, en zijne getuigenissen die hij tegen hen betuigd had, en wandelden de ijdelheid na, dat zij ijdel werden, en achter de heidenen die rondom hen waren, van dewelke de Heere hun geboden had dat zij niet doen zouden gelijk, die.

16 Ja zij verlieten alle geboden des Heereiv huns Gods ; en maakten zich gegotene beelden, twee kalveren, en maakten bosschen, en bogen zich voor ai het heir des hemels, en dienden Baal.

17 Ook deden zij hunne zonen en hunne dochteren door het vuur gaan, en gebruikten waarzeggerijen, en gaven op vogelgeschrei acht, en verkochten zich te doen dat kwaad was in de oogen des Heeren, om hem tot toorn te verwekken.

18 Daarom vertoornde zich de Heere zeer over Israël, dat hij ze wegdeed van zijn aangezicht: daar bleef niets over, behalve de stam van Juda alleen.

19 Zelfs hield Juda de geboden des Heeren huns Gods niet, maar zij wandelden in de inzettingen Israels die zij gemaakt hadden.

20 Zoo verwierp de Heere het gansche zaad Israels, en verdrukte ze, en gaf ze in de hand der roeveren , totdat hij ze van zijn aangezicht weggeworpen had.

21 Want hij scheurde Israël van den huize Davids af, en zij maakten Jerobeam den zoon Nebats Koning; en Jerobeam dreef Israël af van achter den Heere en hij deed ze eene groote zonde zondigen.

22 Alzoo wandelden de kindoren Israëls in alle zonden Jerobeams die hij gedaan had; zij weken daarvan niet af:

23 totdat de Heere Israël van zijn aangezicht wegdeed, gelijk ais hij gesproken had door den dienst aller zijner knechten de Profeten; alzoo werd Israël weggevoerd uit zijn land naar Assyrië, tot op dezen dag.

24 De Koning nu van Assyrië bracht volk van Babel en van Kutha en van Avva en van Ha-math en Sefarvaïm, en deed ze wonen in de steden van Samarië, in de plaatse der kinderen Israëls; en zij namen Samarië erfelijk in; en woonden in hare steden.

25 En het geschiedde in het begin hunner woning aldaar, dat zij den Heere niet vreesden; zoo zond de Heere leeuwen onder hen, die eenigen van hen doodden.

20 Daarom spraken zij tot den Koning van Assyrië, zeggende: De volkeren, die gij vervoerd hebt en hebt doen wonen in de steden van Samarië, weten de wijze van den God des lands niet; daaromquot; heeft hij leeuwen onder hen gezonden , en zie, zij dooden ze, dewijl zij niet weten de wijze van den God des lands.

27 Toen gebood de Koning van Assyrië , zeggende: Brengt eenen der Priesteren daarhenen, die gijlieden van daar weggevoerd hebt, dat zij henentrekken en aldaar wonen, en dat hij hun leere de wijze van den God van dezen lande.

28 Zoo kwam een uit de Priesteren die zij van Samarië weggevoerd hadden, en woonde te Beth-


-ocr page 476-

2 K O NIN G E N 18.

40-2

EI, en hij leerde hen hoe zij den Heehe vreezen zouden.

29 Maar eik volk maakte zijne goden; en zij stelden ze in de huizen der hoogten die de Samaritanen gemaakt hadden: elk volk in hunne steden waarin zij woonachtig waren.

30 Want de lieden van Babel maakten Sukkoth-Benotlr, en de lieden van Küth maakten Nergal. en de lieden van Hamath maakten Asima,

31 en de Avviten maakten Nihhar en Tirtak: en de Sefarviten verbrandden hunne zonen den Adram-méiech, en Anammélech, den goden van Sefarvaïm, met vuur.

32 Ook vreesden zij den Heehe, en maakten zich van hunne ge-ringsten Priesteren der hoogten, dewelke voor hen dienstdeden in de huizen der hoogten.

33 Zij vreesden den Heere en dienden ook hunne goden, naar de wijze der volkeren van dewelke zij die weggevoerd hadden.

34 Tot op dezen dag toe doen die naar de eerste wijzen; zij vreezen den Heere niet, en zij doen niet naar hunne inzettingen en naar hunne rechten en naar de wet en naar het ^ebod dat de Heere geboden heel\'t den kinderen Jakobs, wien hij den name Israël gaf.

35 Nogtans hod de Heere een verbond niet hen gemaakt, en had hun geboden, zeggende: Gij zult geene andere goden vreezen, noch u voor hen nederbuigen, noch hen dienen, noch hun offerande doen;

36 maar den Heere die u uit Egypteland met groote kracht en met eenen uitgestrekten arm opgevoerd heeft, dien zult gij vreezen en voor hem zult gij\'u buigen en hem zult gij offerande doen;

37 en de inzettingen, en de rechten, en de wet, en het gebod die hij u geschreven heeft, zult gij waarnemen te doen te allen dage; en gij zult andere goden niet vreezen.

38 En het verbond dat ik met u gemaakt heb zult gij niet vergeten, en gij zult andere goden niet vreezen ;

39 maar den Heere uwen God zult gij vreezen, en hij zal u redden uit de hand aller uwer vijanden.

40 Doch zij hoorden niet, maar zij deden naar hunne eerste wijze.

41 Maar deze volken vreesden den Heere, en dienden hunne gesnedene beelden; ook doen hunne kinderen en hunne kindskinderen gelijk als hunne vaders gedaan hebben, tot op dezen dag.

HOOFDSTUK 18.

Het geschiedde nu in het derde jaar van Hoséa den zoon van Ela, den Koning Israels, da? Hizkia Koning werd , de zoon van Achaz , Koning van Juda.

2 Vijfentwintig jaar was hij oud toen hij Koning werd , en liij regeerde negenentwintig jaar te Jeruzalem ; en zijner moeder naam was Abi, eene dochter van Za-charia.

3 En hij deed dat recht was in de oogen des Heeren, naar alles dat zijn vader David gedaan had:

4 hij nam de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden, en roeide de bosschen uit; en hij verbrijzelde de koperen slang dié Mozes gemaakt had, omdat dè kinderen Israels tot die dagen toe haar gerookt hadden; en hij noemde ze Nehustan.

5 Hij betrouwde op den Heere den God Israels, zoodat na hem zijnsgelijke niet was onder alle Koningen van Juda, noch onder de-genen die vóór hem geweest waren.

G Want hij kleefde den Heere aan; hij week niet van hem na te volgen, en hij hield zijne geboden , die de Heere Mozes geboden had.

7 Zoo was de Heere met hem; overal waarhenen hij uittrok \'nan-delde hij kloekelijk; daartoe viel hij af van den Koning van Assy-rië, dat hij hem niet diende.

8 Hij sloeg de Filistijnen tot Gaza toe, en hare landpalen van den


-ocr page 477-

2 KONINGEN 18.

463

wachttoren af tot de vaste steden toe.

9 Het geschiedde nu in het vierde jaar des Konings Hizkia, (hetwelk was het zevende jaar van Hosóa den zoon van Eia, den Koning Israels), dat Salmanéser de Koning van Assyrië opkwam tegen Samarië, en belegerde ze.

10 En zij namen ze in ten einde van drie jaren, in het zesde jaar van Hizkia; het was hot negende jaar van Hoséa den Koning Is-raëls, als Samarië ingenomen werd.

11 En de Koning van Assyrië voerde Israël weg naar Assyrië, en deed ze leiden in ITalah , en in Ilabor hij de rivier Gozan, en in de steden der Meden:

12 daarom dat zij der stemme des Hkeren huns Gods niet waren gehoorzaam geweest, maar zijn verbond overtreden hadden: en al dat Mozes de knecht des Heeren geboden had, dat hadden zij niet gehoord noch gedaan.

13 Maar in hot veertiende jaar des Konings Hizkia kwam Sanhe-rib de Koning van Assyrië op togen alle vaste steden van Juda, en nam ze in.

14 Toen zond Hizkia de Koning van Juda tot den Koning van Assyrië naar Lachis, zeggende: Ik heb gezondigd, keer af van mij; wat gij mij opleggen zult zal ik dragen. Toen leide de Koning van Assyrië Hizkia den Koning van Juda up driehonderd talenten zilvers en dertig talenten gouds.

15 Alzoogaf Hizkia al het zilver dat gevonden werd in het Huis des Heeren en in de schatten van het huis des Konings.

16 Te dier tijd sneed Hizkia het goud af van de deuren des Tempels des Heeren, en van de posten die Hizkia de Koning van Juda had laten overtrekken, en gaf dat den Koning van Assyrië.

17 Evenwel zond de Koning van Assyrië Tartan , en Rabsaris, en Rabsaké, van Lachis tot den Koning Hizkia, met een zwaar heir naar Jeruzalem; en zij togen op en kwamen naar Jeruzalem. En als zij optogen en gekomen waren, bleven zij slaan bij den watergang des oppersten vijvers, welke is bij den hoogen weg van het veld des vollers,

18 en zij riepen tot den Koning. Zoo ging tot hen uit Eljakim de zoon van Hilida de hofmeester, en Sebna de schrijver, en Joah de zoon Asafs de kanselier.

19 En Rabsaké zeide tot hen: Zegt nu tot Hizkia: Zóó zegt de groote Koning, de Koning van Assyrië: Wat vertrouwen is dit waarmede gij vertrouwt?

20 Gij zegt (doch het is een woord der lippen): Daar is raad en macht tot denuorlog; op wien vertrouwt gij nu, dat gij tegen mij rebelleert?

21 Zie, nu vertrouwt gij op dien gebroken rietstaf, op Egypte, op denwelken zoo iemand leunt, zoo zal hij in zijne hand gaan en die doorboren: alzóó is Farao de Koning van Egypte allen dengenen die op hem vertrouwen.

22 Maar zoo gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op den Heere onzen God: — is hij die niet, wiens hoogten en wiens altaren Hizkia weggenomen heeft, en tot. Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor dit altaar zult gij u buigen te Jeruzalem?

23 Nu dan, wed toch met mijnen heere den Koning van Assyrië: en ik zal u tweeduizend paarden geven, zoo gij voor u de ruiters daarop zult kunnen geven.

24 Hoe zoudt gij dan het aangezicht eens éénigen Vorsten van de geringste knechten mijns heeren afkoeren? Maar gij vertrouwt, op Egypte om de wagenen en om de ruitéren.

25 Nu, ben ik zonder den Heere opgetogen tegen deze plaatse om die te verderven? De Heere heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dat land en verderf het.

2G Toen zeide Eljakim de zoon van Hilkia, en Sebna, en Joah tot Rabsaké: Spreek toch tot uwe knechten in het Syrisch, want wij verstaan het wel; en spreek met ons niet in het Joodscb, voor de ooren van het volk dat op den muur is.


-ocr page 478-

464

27 Maar Rabsaké zeide tot hen: Heeft mijn heere mij tot uwen heere en tot u gezonden om deze woorden te spreken? Is het niet tot de mannen die op den muur zitten, dat ze met ulieden hunnen drek eten en hun water drinken zullen?

28 Alzoo stond Raböaké, en riep met luider stemme in het Joodsch, en hij sprak en zcide: Hoort het woord des grooten Ko-nings, des Konings van Assyrië.

29 Zóó zegt de Koning: Dat Hizkia u niet hedriege; want hij zal u niet kunnen redden uit zijne hand.

30 Daartoe dat Hizkia u niet doe vertrouwen op den Heere zeggende: De Heere zal ons zekerlijk redden, en deze stad zal niet in de hand des Konings van Assyrië gegeven worden.

31 Hoort naar Hizkia niet, want zóó zegt de Koning van Assyrië : Handelt met mij door een geschenk, en komt tot mij uit, \'en eet een ieder van zijnen wijnstok en een ieder van zijnen vijgehoom, en drinkt een ieder het water zijns bornputs;

32 totdat ik kome en hale u in een land als ulieder land, een land van koren en van most, een land van brood en van wijngaarden, een land van olijven, van olie en van honig; zoo zult gij leven en niet sterven. En hoort niet naar Hizkia, want hij hitst u op, zeggende: De Heere zal ons redden.

33 Hebben de goden der volkeren ieder zijn land eehigszins gered uit de hand des Konings van Assyrië ?

34 Waar zijn de goden van Ha-math en van Arpad? Waar zijn de goden van Set\'arvaïm, Hena en Ivva? Ja, hebben zij Samarië uit mijne hand gered?

35 Welke zijn ze onder alle goden der landen, die hun land uit mijne hand gered hebben, dat de Heere Jeruzalem uit mijne hand redden zoude?

36 Doch het volk zweeg stille en antwoordde hem geen woord; want het gebod des Konings was, zeggende: Gij zult hem niet antwoorden.

37 Toen kwam Eljakim de zoon van Hilkia de hofmeester, enSebna de schrij ver, en Joah de zoon Asafs de kanselier, tot Hizkia met géscheurde kleederen, en zij gaven hem de woorden van Rabsaké te kennen.

HOOFDSTUK 19.

En het geschiedde als de Koning Hizkia dit hoorde, zoo scheurde hij zijne kleederen, en bedekte zich met eenen zak, en ging in het Huis des Heer ex.

2 Daarna zond hij Eljakim den hofmeester, en Sebna den schrijver, en de oudstender Priesteren, met zakken bedekt, tot Jesaja den Profeet, den zoon van Amoz;

3 en zij zeiden tot hem: Alzóó zegt Hizkia: Deze dag is een drg der benauwdheid en der schelding en der lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte, en daar is geen kracht om te baren.

4 Misschien zal de Heere uw God hooren alle de woorden van Rabsaké, denwelken zijn heerede Koning van Assyrië gezonden heeft om den levenden God te honen , en fe schelden met woorden die de Heere uw God gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel dat gevonden wordt.

5 En de knechten des Konings Hizkia kwamen tot Jesaja;

Oen Jesaja zeide tot hén: Zóó zult gij tot uwen heere zeggen Zóó zegt de Heere: Vrees niet voor de woorden die gij gehoord hebt, waarmede de dienaars des Ironings van Assyrië mij gelasterd hebben.

7 Zie, ik zal eenen geest in hem geven, dat hij een geruchte hooren zal, en weder in zijn land keeren ; en ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen.

8 Zoo kwam Rabsaké weder, en vond den Koning van Assyrië strijdende tegen Libna; want hij had gehoord dat hij van Lachis vertrokken was»

2 KONINGEN 19.


-ocr page 479-

2 KONINGEN 19.

405

9 Als li ij nu vanTirhaka den Koning van Kusch hoorde zeggen : Zie, hij is uitgetogen om legen u te strijden, zond hij weder boden tot Hizkfa, zeggende:

10 Zóó zult gij spreken tot Hizkfa den Koning van Juda, zeggende: Laat u uw God niet bedriegen, op welken gij vertrouwt, zeggende: .Toruzalem zal in de hand des Ko-ninïjs van Assyrië niet gegeven worden.

11 Zie, gij hebt gehoord wat de Koningen van Assyrië allen landen gedaan hebben, die verbannende; en zoudt gij gered worden?

12 Hebben de goden der volkeren , die mijne vaders verdorven hebben, dezelve gered, a^sGozan, en Haran, en Rezef, en de kinderen Edens die in Telassar waren?

13 Waar is de Koning van Ha-math, en do Koning van Arpad, en de Koning der stad Sefarvaïm, liena en Ivva ?

14 Als nü Hizkfa de brieven uit der boden hand ontvangen en die gelezen had, ging hij op in het Huis desHKEHEN, en Hizkia breidde die uit voor het aangezicht des Heeren;

15 en Hizkia bad voor het aangezicht des Heeren, en zeide: O Heere , God Israels , die tus-schen de cherubs woont, gij zelf, gij alleen zijt de God aller koninkrijken der aarde , gij hebt den hemel on de aarde gemaakt.

16 o Heere , neig uw oor en hoor, doe, Heere , uwe oogen open en zie, en hoor de woorden San-heribs . die dezen gezonden heeft om den levenden God te honen.

17 Waarlijk, Heere, hebben de Koningen van Assyrië die heidenen en hun land verwoest,

18 en hebben hunne goden in liet vuur geworpen; want zij waren geene goden, maar het wérk van menschenhanden, hout en steen ; daarom hebben zij die verdorven.

19 Nu dan Heere onze God, verlos ons toch uit zijne hand; zoo zullen alle koninkrijken der aarde weten dat gij, Heere, alléén God zijt.

20 Toen zond Jesaja de zoon van Amoz tot Hizkfa, zeggende:

Zoo spreekt de Heere de God Israels: Wat gij tot mij gebeden hebt tegen Sanherib den Koning van Assyrië heb ik gehoord.

21 Dit\' is het woord dat de Heere over hem gesproken heeft: De jonkvrouwe, de dochter Sions veracht u, zij bespot u, de dochter Jeruzalems schudt het hoofd achter u.

22 Wicn hebt gij gehoond en gelasterd? en tegen wien hebt gij de stemme verheven en uwe oogen omhoog opgeheven? Tegen den Heilige Israëls.

23 Door middel uwer boden hebt gij den Heere gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagenen beklommen de hoogten der bergen, de zijden Libanons; en ik zal zijne hooge cederboomen en zijne uitgelezene denneboomen afhouwen en zal komen in zijne uiterste herberge, in het woud zijns schoonen velds.

24 Ik heb gegraven en heb gedronken vreemde wateren; en ik heb met mijne voetzolen alle rivieren der belegerde plaatsen verdroogd,

25 Hebt gij niet gehoord dat ik zulks lang te voren gedaan heb? en dat van oude dagen af geformeerd heb? Nu heb ik dat doen komen, dat gij zoudt zijn om de vaste steden te verstoren tot woeste hoopen.

26 Daarom waren hare in woneren handeloos. zij waren verslagen en beschaamd; zij waren als het gras des. velds, en de groene gras-scheutkens, het hooi der daken, en het brandkoren eer het overeind staat.

27 Maar ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en woeden tegen mij.

28 Om uw woeden tegen mij, en dat uwe woeling voor mijne oorcn opgekomen is, zoo zal ik mijnen haak in uwen neme leggen, en mijn gebit in uwe lippen, en ik zal u doen wederkeeren door den weg door denwelken gij gekomen zijt.

29 En dat zij u een teeken, dat men in dit jaar dat vart zelf gewassen is eten zal: en in het


-ocr page 480-

4G6

tweede jaar dat daarvan weder uitspruit; maar zaait in het derde jaar en maait, en plant wijngaarden en eet hunne vruchten.

30 Want het ontkomene, dat overgebleven is van den huize Juda, zal wederom nederwaarts wortelen en zal opwaarts vrucht dragen.

31 Want van Jeruzalem zal het overblijfsel uitgaan, en het ontkomene van den* berg Slon: do ijver des Heeren der heirscharen zal dit doen.

32 Daarom zóó zegt de Heehé van den Koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar eenen pijl inschieten, ook zal hij met geen schild daarvóór kómen, en zal geenen wal daartegen opwerpen:

33 door don weg dien hij gekomen is, door dien zal hij weder-keeren, maar in deze stad zal hij niet komen, zegt de Heere;

34 want ik zal deze stad beschermen , om die te verlossen, om mijnentwille en om Davids mijns knechts wille.

35 liet geschiedde dan in dienzelfden nacht dat de Engel des Heeren uitvoer en sloeg in het leger van Assyrië honderden vijfentachtigduizend; en toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, zie, die allen waren doode lichamen.

36 Zoo vertrok Sanherib de Koning van Assyrië en toog honen, en keerde weder; en hij bleef te Ninevé.

37 Het geschiedde nu als hij in het huis van Nisroch zijnen god zich nederboog, dat Adrammélech en Sarézer, zijne zonen, hem met den zwaarde versloegen; doch zij ontkwamen in het land van Ararat: en Esar-Haddon, zijn zoon, werd Koning in zijne plaats.

HOOFDSTUK 20.

In die dagen werd Hizkia krank tot stervens toe, en de Profeet Jesaja de zoon van Amoz kwam tot hem, en zeide tot hem: Zóó zegt de Heere : Geef bevel aan uwen huize, want gij zult sterven en niet leven.

2 Toen keerde hij zijn aangezicht om naar den wand, en hij bad tot den Heere zeggende:

3 Och Heere , gedenk toch dat ik voor uw aangezicht in waarheid en met een volkomen harte gewandeld, en dat goed in uwe oogeu is gedaan heb. En Hizkia weende gansch zeer.

4 Het gebeurde nu als Jesaja uit het middelvoorhof nog niet gegaan was, dat het woord\'des Heeren tot hem geschiedde, zeggende:

5 Keer weder en zeg tot Hizkia den voorganger mijns volks: Zóó zegt de Heere, de God uws vaders Davids: Ik heb uw gebed gehoord, ik heb uwe tranen gezienquot;: zie, ik zal u gezond maken; aan den derden dag zult gij opgaan in het Huis des Heeren;

6 en ik zal vijftien jaar tot uwe dagen toedoen\', en zal u uit de hand des Konings van Assyrië verlossen, mitsgaders deze stad, en ik zal deze stad beschermen om mijnentwille en om mijns knechts Davids wille.

7 Daarna zeide Jesaja: Neemt eenen klomp vijgen; en zij namen ze, en leiden ze op de zweer, en hij werd genezen.

8 Hizkia nu had gezegd tot Jesaja: Welk is het teeken, dat de Heere mij gezond maken zal, en dat ik op den derden dag in des Heeren Huis zal opgaan?

9 En Jesaja zeide: Dit zal u een teeken van den Heere zijn, dat de Heere het woord dat hij gesproken heeft doen zal: zal de schaduw tien graden voorwaarts gaan, of t ien graden achterwaarts keer en ?

10 Toen zeide Jehiskia: Het is der schaduw licht, tien graden nederwaarts te gaan; neen, maar dat de schaduw tien graden achterwaarts keere.

11 En Jesaja de Profeet riep den Heere aan, en hij deed de schaduw tien graden achterwaarts kee-ren in de graden dewelke zij nederwaarts gegaan was in de graden van Achaz\' zonnewijzer.

12 Te dier tijd zond Berodach-Baladan de zoon Baladans, de Koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had

2 K O NIN G E N 20.


-ocr page 481-

2 KONINGEN 21.

467

gehooid dut Hizkia krank geweest was.

13 En Hizkia hoorde naar hen, en hij toonde hun zijn gnnsche schathuls, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn wapenhuis, en al dat gevonden werd in zijne schatten: daar was geen ding in zijn huis noch in zijne ganschc heerschappij dat hij hun niet toonde.

14 Toen kwam de Profeet Jesaja tot den Koning Hizkia, enzeide tot hem: Wat hebben die mannen gezegd, en van waar zijn zij tot ugekomen? En Hizki\'azeide: Zij zijn uit verren lande gekomen, uit Babel.

15 En hij zeide: Wat hebben zij gezien in uw huis? En Hizkia zeide: Zij hebben alles gezien wat in mijn huis is, geen ding is er in mijne schatten dat ik hun niet getoond heb.

16 Toen zeide Jesaja tot Hizkia: Hoor des Hekhen Woord.

17 Zie, de dagen komen, dat al wat in uw huis is, en wat uwe vaderen tot dezen dag toe opgelegd hebben, naar Babel weggevoerd zal worden: daar zal niets overgelaten worden, zegt de Heehe.

18 Daartoe zullen zij van uwe zonen, die uit u zullen voortkomen, die gij gewinnen zult, nemen, dat zij hovelingen zijn in het paleis des Konings van Babel.

19 Maar Hizkia zeide tot Jesaja : Het woord des Heeren dat gij gesproken hebt is goed. Ook zeide hij: Zoude het niet, naardien vrede en waarheid in mijne dagen wezen zal?

20 Het overige nu der geschiedenissen van Hizkia, en al zijne macht, en hoe hij den vijver en den watergang gemaakt heelt, en water in de stad gebracht heeft, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Juda?

21 En Hizkia ontsliep met zijne vaderen; en zijn zoon Manasse werd Koning in zijne plaats.

HOOFDSTUK 21.

Manasse was twaalf jaar oud toen hij Koning werd, en hij regeerde vijfentwintig jaar te Jeruzalem ; en de naam zijner moeder was HelV.ibah.

2 En hij deed dat kwaad was iu de oogen des Heeren, naar do gruwelen der heidenen die de Ueeue voor het aangezicht der kinderen Israels uit de bezittingen verdreven had.

3 Want hij bouwde de hoogten weder op, die Hizkia zijn vader verdorven had, en hij richtte den Baal altaren op, en maakte een bosch gelijk als Achab de Koning Israëls gemaakt had, en boog zich neder voor al het heir des hemels, en diende ze.

4 En hij bouwde altaren in het Huis des Heehex, waarvan de Heehe gezegd had: Te Jeruzalem zal ik mijnen naam zetten.

5 Daartoe bouwde hij altaren al den heire des hemels, in beide de voorhoven van het Huis des Heeren.

6 Ja, hij deed zijnen zoon door het vuur gaan, en pleegde guiche-larij en gaf op vogelgeschrei acht, en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaars: hij deed zeer veel kwaads in de oogen des Heeren, om hem tot toorn te verwekken.

7 Hij stelde ook een gesneden beeld van het bosch, dat hij gemaakt had, in het Huis waarvan de Heehe gezegd had tot David en tot zijnen zoon Salomo: In dit Huis en in Jeruzalem, die ik uit alle stammen Israëls verkoren heb, zal ik mijnen naam zetten in eeuwigheid ,

8 en ik zal niet voortvaren den voet Israëls te bewegen uit dit land dat ik hunnen vaderen ge--geven heb : alleenlijk zoo zij waarnemen te doen naar alles dal ik hun geboden heb, en naar de gansche wet die mijn knecht Mo-zes hun geboden heeft.

9 Maar zij hoorden niet; want Manasse deed ze dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen die de Heere voor het aangezicht der kinderen Israëls verdelgd had.

10 Toen sprak de Heere door den dienst zijner knechten de Profeten, zeggende:

11 Dewijl dat Manasse de Koning van Juda deze gruwelen ge-


-ocr page 482-

468 2 K 0 N11-

daan hoeft, erger doende dan al dat de Amoriten gedaan hebben die vóór hem geweest zijn, ja, ook Juda door zijne drekgoden heeft doen zondigen,

12 daarom alzóó zegt de Heere de God Israëls: Zie, ik zal een kwaad over Jeruzalem en Juda brengen, dat een ieder die het hoort beide zijne ooren klinken zullen,

43 en ik zal over Jeruzalem het meetsnoer van Samarië trekken, mitsgaders het paslood van het huis Achabs , en ik zal Jeruzalem uitwisschen, gelijk als men eenen schotel uitwischt: men wischt dien uit, en men keert hem om op zijne holligheid.

14 En ik zal het overblijfsel mijns erfdeels verlaten en zal ze in de hand hunner vijanden geven, en zij zullen .tot eenen roof en plundering worden allen hunnen vijanden :

15 daarom dat zij gedaan hebben dat kwaad was in mijne oogen, en mij tot toorn verwekt hebben, van dien dag dat hunne vaderen van Egypte uitgegaan zijn, ook tot op dezen dag toe.

16 Daartoe vergoot Manasse ook zeer veel onschuldig bloed, totdat hij Jeruzalem van het céne einde tot het andere vervuld had; behalve zijne zonden die hij Juda zondigen deed, doende dat kwaad ■was in de oogen des Heeren.

17 Het overige nu der geschiedenissen van Manasse, en al dat hij gedaan heeft, en zijne zonde die hij gezondigd heeft, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Juda?

18 En Manasse ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven in den hof van zijn huis, in den hof van Uzza; en zijn zoon Amon werd Koning in zijne plaats.

19 Amon was tweeëntwintig jaar oud toen hij Koning werd, en hij regeerde twee jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Mesullémeth, eene dochter van Haruz van Jotba.

20 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, gelijk als zijn vader Manasse gedaan had;

GEN 22.

21 want hij wandelde in al den weg dien zijn vader gewandeld had, en hij diende de drekgoden die zijn vader gediend had, en hij boog zich voor die neder:

22 zoo verliet hij den Heere, zijner vaderen Go\'d, en hij wandelde niet inden weg des Heeren.

23 En de knechten Amons maakten eene verbintenis tegen hem, en zij doodden den Koning in zijn huis.

•24 Maar het volk des lands versloeg allen die tegen den Koning Amon eene verbintenis gemaakt hadden, en het volk des lands maakte zijnen zoon Josia Koning in zijne plaats.

25 Het overige nu der geschiedenissen Amons, die bijgedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Juda?

2(5 En men begroef hem in zijn graf, in den hof van Uzza; en zijn zoon Josia werd Koning in zijne plaats.

HOOFDSTUK 22.

Josia was acht jaar oud toen hij Koning werd, en regeerde éénen-dertig jaar te Jeruzalem; de naam zijner moeder was Jedida, eene dochter van Adaja van Bozkath.

2 En hij deed dat recht was in de oogen des Heeren, en hij wandelde in al den weg zijns vaders Davids, en week niet af ter rech-ter- noch ter linkerhand.

3 Het geschiedde nu in het achttiende jaar des Konings Josia, dat de Koning den schrijver Safan, den zoon Azalja\'s des zoons Mesul-lams, zond in het Huis des Heeren, zeggende:

4 Ga op tot Hilkfa den Hoo^e-priester, opdat hij het geld opsom-me dat in het Huis des Heeren gebracht is, hetwelk de wachters des dorpels van het volk verzameld hebben;

5 en dat zij dat geven in de hand der verzorgers van het werk die besteld zijn over het Huis des Heeren , opdat zij het geven dengenen die het werk doen in het Huis des Heeren, om de breuken van het huis te beteren:


-ocr page 483-

2 KONINGEN 23.

469

6 den timmerlieden en den bouw-i\' lieden en den metselaars, en om

hout en gehouwene steenen te koopen om het Huis te beteren.

7 Uoeh er werd met hen geene rekening gehouden van het geld dat in hunne hand geleverd was, w-int zij handelden trouwelijk.

\\ 8 Toen zelde de Hoogepriester Hilkia tot Safan den schrijver: Ik heb het wetboek in het Huis des Heeren gevonden; en Hilkia gaf dat boek aan Safan, die las het.

ü Daarna kwam Safan de schrijver tot den Koning, en bracht den Koning bescheid weder, en hij zeide; Uwe knechten hebben het geld dat in het Huis gevonden was samengebracht, en hebben het gegeven in de hand der verzorgers van het werk die besteld waren over het Huis des Heeue.n.

10 Ook gaf Safan de schrijver den Koning te kennen, zeggende: De Priester Hilkia heeft mij een boek gegeven. En Safan las dat voor het aangezicht des Konings.

11 Het geschiedde nu als de Koning de woorden des wetboeks hoorde, dat hij zijne kleederen scheurde;

12 en de Koning gebood Hilkia den Priester, en Ahikamdenzoon Safans, en Achbor den zoon van Michaja, en Safan de schrijver, en Asaja den knecht des Konings, zeggende:

13 Gaat henen, vraagt den Hee-re voor mij en voor het volk en voor het gansche Juda, over de woorden dezes boeks dat gevonden is; want de grimmigheid des Heeren is groot, dewelke tegen ons aangestoken is, omdat onze vaderen niet gehoord hebben naar de woorden dezes boeks, om te doen naar al dat ons voorgeschreven is.

14 Toen ging de Priester Hilkia, en Ahikam, en Achbor, en Safan, en Asaja henen tot de Profetesse Hulda, de huisvrouw Sallums, des zoons van Tikva, den zoon van Harhas, den kleederbewaarder, (zij nu woonde te Jeruzalem, in het tweede deel), en zij spraken tot haar.

15 En zij zeide tot hen: Zóó zegt de Heere de God Israels: Zegt

tot den man die u tot mij gezonden heeft:

16 Zóó zegt de Heehe: Zie, ik zal kwaad over deze plaatse brengen, en e ver hare inwoneren, na-melijk alle de woorden des boeks dat de Koning van Juda gelezen heeft,

17 Daarom dat zij mij verlaten en anderen goden gerookt hebben, opdat zij mij tot toorn verwekten met al het werk hunner handen, zoo zal mijne grimmigheid aangestoken worden tegen deze plaatse, en niet uitgebluscht worden.

18 Maar tot den Koning van Juda, die u gezonden heeft om den Heere te vragen , alzóó zult gij tot hem zeggen: Zóó zegt de Heere de God Israels: Aangaande de woorden die gij gehoord hebt:

19 omdat uw harte week geworden is en gij u voor het aangezicht des Heeren vernederd hebt, als gij hoordet wat ik gesproken heb tegen deze plaatse en derzelver inwoneren, dat zij tot eene verwoesting en vloek zullen worden, en gij uwe kleederen gescheurd en voor mijn aangezicht geweend hebt: zoo \'heb ik u ook verhoord, spreekt de Heere.

20 Daarom , zie, ik zal u verzamelen tot uwe vaderen, en gij zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uwe oogen zullen al het kwaad niet zien dat ik over deze plaatse brengen zal. En zij brachten den Koning het antwoord weder.

HOOFDSTUK 23.

Toen zond de Koning henen, en • tot hem verzamelden zich alle de oudsten van Juda en Jeruzalem.

2 En de Koning ging op in het Huis des Heeren , en met hem alle man van Juda en alle inwoners van Jeruzalem, en de Priesters en Profeten, en al het volk, van den minste tot den meeste; eu hij las voor hunne ooren allo de woorden van het boek des ver-Jjonds dat in het Huis des Heeren gevonden was.

3 De Koning nu stond aan den pilaar, en maakte een verbond voor des Heeren aangezicht, om


-ocr page 484-

470 2 KONIJN

den Heehe na te wandelen, en zijne geboden en zijne getuigenissen en zijne inzettingen met ganscher harte en met ganscher ziele te houden, bevestigende de woorden dezes verbonds, die in dit boek geschreven zijn; en het gansche volk stond in dit verbond.

4 En de Koning gebood den Hoo-gepriester Hilkia, en den Prieste-ren der tweede ordening, en den dorpelbewaarders, dat zij uit den Tempel des Heeren alle gereedschap , dat voor Baiil en voor het heeld van het bosch en voor al het heir des hemels gemaakt was, uitbrengen zouden; en hij verbrandde dat buiten Jeruzalem in de velden Kidrons, en liet het stolquot; daarvan naar Beth-El dragen.

5 Daartoe schafte hij de Kema-rim af, die de Koningen van Juda gesteld hadden opdat men rooken zoude op de hoogten, in de steden van Juda en rondom Jeruzalem; mitsgaders die voor Baiil, de zon en de maan en de planeten en al liet heir des hemels rookten.

ü Hij bracht ook het beeld van het bosch uit den Huize des Heeren weg buiten Jeruzalem naaide beek Kidron, en verbrandde het aan de beek Kidron, en vergruisde het tot stof, en hij wierp het stof daarvan op de graven dei-kinderen des volks.

7 Daartoe brak hij de huizen der schandjongens af, die aan het huis des Heeren waren, alwaar de vrouwen huisjes voor het beeld van het bosch weefden.

8 En hij bracht allo de Priesters uit de steden van Juda, en verontreinigde de hoogten alwaar die Priesters gerookt hadden, van Gibea aan tot Ber-Séba toe, en hij brak de hoogten der poorten af, ook die aan de deur der poort van Jozua den overste der stad was, welke aan iemands linkerhandwas, de stadspoort ingaande.

9 Doch de Priesters der hoogten offerden niet op het altaar des Heeren te Jeruzalem, maar zij aten ongezuurde brooden in het midden van hunne broederen.

10 Hij verontreinigde ook ïofeth dat in het dal der kinderen Hin-

GEN 23.

noms is, opdat niemand zijnen zoon of zijne dochter den Molech door het vuur deed gaan.

11 En hij schafte de paarden af die de Koningen van Juda voor de zon gesteld hadden, van den ingang in het Huis des Heeren , tot de kamer van Nathan-Mélech den hoveling, die in Parvarim was; en de wagenen der zon verbrandde hij met vuur.

12 Verder de altaren die op het dak der opperzaal van Achaz waren, die do Koningen van Juda gemaakt hadden, mitsgaders de altaren die Manasse in de twee voorhoven van het Huis des Hee-ren gemaakt had, brak de Koning af, en liij verbrijzelde ze van daar, en wierp het -stof daarvan in de beek Kidron.

13 De hoogten ook die vóóraan Jeruzalem waren, dewelke waren ter rechterhand van den berg Mas-hith, die Salomo de Koning Israels den Astóreth, het verfoeisel der Sidoniërs, en den Kamos, het verfoeisel der Moabiten, en den Mil-kom, den gruwel der kinderen Ammons, gebouwd had, verontreinigde de Koning.

14 Insgelijks brak hij de opgerichte beelden, en roeide de bos-schen uit, en hij vervulde hunne plaats met menschenbeenderen.

15 Daartoe ook het altaar dat te Beth-El was, en de hoogte die Jerobeam, de zoon van Nebat die Israël zondigen deed, gemaakt had, te zamen dat altaar en die hoogte brak hij af; ja hij\' verbrandde de hoogte, hij vergruisde ze tot stof, en hij verbrandde het bosch.

16 En als Josi\'a zich omkeerde zag hij de graven die daar op den berg waren, en zond henenen nam de beenderen uit de graven.. en verbrandde ze op dat altaar , en verontreinigde dat, naar het Woord des Heeren , dat de man Gods uitgeroepen had die deze woorden uitriep.

17 Voorts zeide hij: Wat is dat voor een grafteeken dat ik zie? En de lieden der stad zeiden tot hem: Het is het graf van den man Gods, die uit Juda kwam en deze dingen, die gij tegen dit altaar van


-ocr page 485-

2 KONINGEN 23.

471

Beth-El gedaan hebt, uitgeroepen heeft.

18 En hij zeide: Laat hem liggen, dat niemand zijne beenderen verroere. Zoo bevrijdden zij zijne beenderen, met de beenderen des Profeten die uit Samariëgekomer was.

19 Daartoe nam Josfa ook weg alle de huizen der hoogten, die in de steden van Samaric waren, die cle Koningen Israels gemaakt hadden om den Heerk tot toorn te verwekken; en hij deed daarmede naar alle de daden die hij te Beth-El gedaan had.

20 En hij slachtte alle de Prieste-ren der hoogten die daar waren, op de altaren, en verbrandde men-schenbeenderen op dezelve. Daarna koerde hij weder naar Jeruzalem.

21 En de Koning gebood den ganschen volke, zeggende: Houdt den Heere uwen God Pasehen, gelijk in dit boek des verbonds geschreven is.

22 Want gelijk dit Pasehen was er geen gehouden, van de dagen der Richteren af die Israël gericht hadden, noch in alle de dagen der Koningen Israëls en der Koningen van Juda.

23 Maar in het achttiende jaar des Konings Josfa werd dit Pascha den Heere te Jeruzalem gehouden.

24 En ook deed Josia weg de waarzeggers en de duivelskunstenaars, en do Terafim, en de drekgoden , en alle verfoeiselen die in den lande van Juda en in Jeruzalem gezien werden; opdat hij bevestigde de woorden der wet, die geschreven waren in het boek dat \'de Priester Hilkia in het Huis des Heeren gevonden had.

25 En vóór hem was geen Koning zijns gelijke, die zich tot den Heere met zijn gansche harte en met zijne gansche ziele en met zijne gansche kracht, naar al de wet van Mozes, bekeerd had, en na hem stond zijns gelijke niet op.

26 Nogtans keerde zich de Heere van den brand zijns grooten toorns niet af, waarmede zijn toorn brandde tegen Juda, om alle de tergingen waarmede Manasse hem getergd had;

27 en de Heere zeide : Ik zal Juda óók van mijn aangezicht wegdoen , gelijk als ik Israël weggedaan heb; en ik zal deze stad Jeruzalem verwerpen, die ik verkoren heb, en het Huis waarvan ik gezegd heb: Mijn name zal daar wezen.

28 Het overige nu der geschiedenissen van Josfa, en al wat hij gedaan heeft, zijn die niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Juda?

29 In zijne dagen toog Farao Necho de Koning van Egypte op tegen den Koning van Assyrië naar de rivier Frath; en de Koning Josfa toog hem tegemoet; en hij doodde hem te Megiddo , als hij hem gezien had.

30 En zijne knechten voerden hem dood op eenen wagen van Megiddo, en brachten hem te Jeruzalem, en begroeven hem in zijn graf; en het volk des lands nam Joahaz den zoon van Josfa, en zalfden hem en maakten hem Koning in zijns vaders plaats.

31 Drieëntwintig jaar was Joahaz oud toen hij Koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem ; en zijner moeder naam was Hamutal de dochter van Jeremia, van Libna.

32 En hij deed dat kwaad was in de oogeii des Heeren, naar alles dat zij ne vaderen gedaan hadden.

33 Doch Farao Necho liet hem binden te Ribla in hot land van Hamath, opdat hij te Jeruzalem niet regeeren zoude, en hij leide het land eene boete op van honderd talenten zilvers en één talent gouds.

3\'i Ook maakte Farao Necho El-jakim den zoon van Josia Koning in de plaats van zijnen vader Josia en veranderde zijnen naam in Jojakim; maar Joahaz nam hij mede, en hij kwam in Egyp te en stierf aldaar.

35 En Jojakim gaf dat zilver en dat goud aan Farao, doch hij schatte het land, om dat geld naar het bevel van Farao te geven; een ieder naar zijne schatting, i eischte hij het zilver en goud af


-ocr page 486-

2 KONINGEN 24.

472

van het volk des lands, om het aan Farao Necho te geven.

3G Vijfentwintig jaar was Jojakim oud toen hij Koning werd, en regeerde elf jaar te Jeruzalem ; en zijner moeder naam was Zebud-da, eene dochter van Pedaja van Ruma.

37 En hij deed dat kwaad was in do oogen dos Heeren, naar alles wat zijne vaders gedaan hadden.

HOOFDSTUK 24.

In zijne dagen toog Nebukad-nezar de Koning van Babel op en Jojakim werd zijn knecht drie jaren; daarna keerde hij zich om en rebelleerde tegen hein.

2 En de Heere zond tegen hem de benden der Ghaldecn en de benden der Syriërs en de benden der Moabiten en de benden der kinderen Ammons, en zond ze tegen Juda om dat te verderven, naar het Woord des Heeren dat hij gesproken had door den dienst zijner knechten de Profeten.

3 Zekerlijk geschiedde dit naar het bevel des Heeren tegen Juda dat hij ze van zijn aangezicht wegdeed, om de zonden van Manasse, naar alles dat hij gedaan had;

4 alsook om het onschuldig bloed dat hij vergoten had, zoodat hij Jeruzalem met onschuldig bloed vervuld had: daarom wilde de Heere niet vergeven.

5 Het overige nu der geschiedenissen Jojakims, en al wat hij gedaan heeft, is dat niet geschreven in het boek der Kronieken der Koningen van Juda?

6 En Jojakim ontsliep met zijne vaderen, en zijn zoon Jojachin werd Koning in zijne plaats.

7 De Koning nu van Egypte toog voortaan niet meer uit zijn land,_ want de Koning van Babel had, van de rivier van Egypte af tot aan de rivier Frath, ingenomen al dat des Konings van Egypte was.

8 Jojachin was achttien jaar oud toen hij Korting werd, en regeerde drie maanden te Jeruzalem; en zijner moeder naam was Ne-husta, eene dochter Elnathans van Jeruzalem.

9 En hij deed wat kwaad was in do uogen des Heeren, naar alles dat zijn vader gedaan had.

10 Te dier tijd togen de knech* ten Nebukadnezars des Konings van Babel naar Jeruzalem, en de stad werd belegerd.

11 Zelfs kwam Nebukadnezar de Koning van Babel tegen de de stad, als zijne knechten die belegerden.

12 Toen ging Jojachin de Koning van Juda uit tot den Koning van Babel, hij, en zijne moeder, en zijne knechten, en zijne Vorsten, en zijne hovelingen; en de Koning van Babel nam hem ye-vangen in het achtste jaar zijner regeering.

13 En hij bracht van daar uit alle de schatten van het Huis des Heeren, en de schatten van het huis des Konings; en hij hieuw alle gouden vaten af, die Salomo do Koning Israels in den Tempel des Heeren gemaakt had, gelijk als de Heere gesproken had.

14 En hij voerde gansch Jeruzalem weg, mitsgaders alle do Vorsten en alle strijdbare helden, tienduizend gevangenen, en alle timmerlieden en smeden; niemand werd overgelaten dan het arme volk des lands.

15 Zoo voerde hij Jojachin weg naar Babel, mitsgaders des Konings moeder, en des Konings vrouwen, en zijne hovelingen; daartoe de machtigen des lands bracht hij gevankelijk van Jeruzalem naar Babel:

16 en alle kloeke mannen tot zevenduizend en timmerlieden en smeden tot éénduizend, en alle helden die ten oorloge geoefend waren, deze bracht de Koning van Babel gevankelijk naar Babel.

17 En de Koning van Pabel maakte Mattanja, deszelfs oom, Koning in plaats van hem, en veranderde zijnen naam ic. Ze-dekia.

18 Zedeki\'a was éénentwintig jaar oud als hij Koning werd, en hij regeerde elf jaar te Jeruzalem; eii zijner moeder naam was Ha-


-ocr page 487-

2 KONIN

mutal, eene dochter van Jeremia van Libna.

19 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren , naar alles wat Jojakim gedaan had.

20 Want het geschiedde om den toorn des Hekken tegen Jeruzalem PP tpfon .Turin , totUUl fllj lieil van zijn aangezicht weggeworpen had: en Zedekfa rebelleerde tegen den Koning van Babel.

HOOFDSTUK 25.

En het geschiedde in het negende jaar zijner regeering in de tiende maand op den tiende der maand, dat Nebukadnezar de Koning van Babel kwam tegen Jeruzalem, hij en zijn gansche heir, en legerde zich tegen haar; en zij bouwden tegen haar sterkten rondom.

2 Zoo kwam de stad in belegering, tot in het elfde jaar des Konings Zedekfa.

3 Op den negende der vierde maand, als de honger in de stad sterk werd en liet volk des lands geen brood had,

4 toen werd de stad doorgebroken , en alle de krijgslieden vloden des nachts door den weg dei-poort, tusschen de twee muren die aan des Konings hof waren, (de Chaldeën nu waren tegen de stad rondom) en de Koning trok door den weg des vlakken velds.

5 Doch het heir der Chaldeën jaagde den Koning na, en zij achterhaalden hem in de vlakke velden van Jericho, en al zijn heir werd van bij hem verstrooid.

5 Zij dan\'grepen den Koning, en voerden hem opwaarts tot den Koning van Babel naar Ribla; en zij spraken een oordeel tegen hem:

7 en zij slachtten de zonen van Zedekia voor zijne oogen, en men verblindde Zedekia\'s oogen; en zij bonden hem met twee koperen ketenen en voerden hem naar Babel.

8 Daarna in de vijfde maand op den zevende der maand, (dit was het negentiende jaar Nebu-kadnezars des Konings van Babel), kwam Nebuzaradan de overste

GEN 25. 473

der trawanten, de knecht des Konings van Babel, te Jeruzalem ;

9 en hij verbrandde het Huis des Heeuen en het huis des Konings, mitsgaders alle huizen van Jeruzalem, en alle huizen der grooten verbrandde hij met vuur;

lU en het gansche heir der Chaldeën, dat met den overste der trawanten was, brak de muren van Jeruzalem rondom af.

11 Het overige nu des volks, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen die tot den Koning van Babel afgevallen waren, en het overige der menigte, voerde Nebuzaradan de overste der trawanten gevankelijk weg.

12 Maar van de armsten des lands liet do overste der trawanten eenigen overig tot wijngaardeniers en tot akkerlieden.

13 Voorts braken de Chaldeën de koperen pilaren die in het Huis des Heeren waren, en de stellingen , en de koperen zee die in het Huis des Heeren was, en zij voerden liet koper daarvan naar Babel.

14 Zij namen ook de potten en de scho Helen en de gaffelen en de rookschalen, en alle de koperen vaten waar men den dienst mede deed;

15 en de overste der trawanten nam weg de wierookvaten en de sprengbekkens; wat geheel goud en wat geheel zilver was.

16 De twee pilaren, de ééne zee, en de stellingen die Salomo voor het Huis des Heeren gemaakt had: het koper van alle deze vaten was niet te wegen.

17 De hoogte ééns pilaars was • achttien ellen, en het kapiteel daarop was koper; en de hoogte des kapiteels was drie ellen; en het net: en de granaatappelen op het kapiteel rondom waren alle van koper; en dezen gelijk had de andere pilaar,.met het net.

18 Ook nam de overste der trawanten Seraja den Hoofdpriester, en Zefanja den tweeden Priester, en de drie dorpelbewaarders:

19 en uit de stad nam hij éénen hoveling die over de krijgslieden gesteld was, en vijf mannen uit


-ocr page 488-

474 1 KRO NI

degenen die des Konings aangezicht zagen; die in de stad gevonden werden , mitsgaders den oversten schrijver des heirs, die het volk des lands ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk des lands die in de stad gevonden werden.

20 Als Nebuzaradan de overste der trawanten deze genomen had, zoo bracht hij ze tot den Koning van Babel naar Ribla,

21 en de Koning van Babel sloeg ze en doodde ze te Ribla in het land van Ha math. Alzoo werd Juda uit zijn land gevankelijk weggevoerd.

22 Maar aangaande het volk dat in het land van Juda overgebleven was, dat Nebukadnezar de Koning van Babel had laten overblijven, daarover stelde hij Gedalja, den zoon Ahikams des zoons Safans.

23 Toen nu alle de oversten der heiren, zij en hunne mannen hoorden , dat de Koning van Babel Gedalja tot overste gesteld had, kwamen zij tot Gedalja naar Mizpa: namelijk ismacl de zoon van Ne-thanja en Johanan de zoon van Karéah, en Sera ja de zoon van Tanhümeth, de Netofathiet, en Jaazanja de zoon van denMaacha-thiet, zij en hunne mannen;

24 en Gedalja zwoer hun en hunnen mannen, en zeide tot hen: Vreest niet van te zijn knechten der Chaldeën, blijft quot;in het land

E K E N l.

en dient den Koning van Babel, zoo zal het u wel gaan.

25 Maar het geschiedde in de zevende maand, dat Ismacl, de zoon van Nethanja den zoon van Elisama, van koninklijken zade, kwam, en tien mannen met hem, en oioorjAn Gedalja dat hij stierf, mitsgaders de juaon on X cu—i deën die met hem te Mizpa waren.

20 Toen maakte zich al het volk op, van den minste tot den meeste, en de oversten der heiren, en kwamen in Egypte, want zij vreesden voor de Chaldeën.

27 Het geschiedde daarna in het zevenendertigste jaar der wegvoering van Jojachin den Koning van Juda, in de twaalfde maand op den zevenentwintigste der maand, dat Evilmerodach de Koning van Babel in het jaar als hij Koning werd het hoofd van Jojachin den Koning van Juda uit het gevangenhuis verhief;

28 en hij sprak vriendelijk met hem , en stelde zijnen stoel boven den stoel der Koningen die bij hem te Babel waren;

20 en hij veranderde de kleederen zijner gevangenis, en hij at geduriglijk brood voor zijn aangezicht, alle de dagen zijns levens.

o0 En aangaande zijne tering, eene gedurige tering werd hem van den Koning gegeven, elk dagelijks bestemd deel op zijnen dag, alle de dagen zijns levens.


HET EERSTE BOEK

DER

K R O N I E K E N.

HOOFDSTUK 1.

Adam, Seth, Enos,

2 Kenan, Mahalaleël, Jered,

3 Henoch, Methusalah, Lamech,

4 Noach, Sem, Gham en Jafeth.

5 De kinderen Jafeths waren Gomer, en Ma\'gog, en Maüai. en

Javan. en Tubal, en Mesech, en Tiras.

Ü En de kinderen Gomers waren Askenaz, en Difath, en To-garma.

7 En de kinderen Javans waren Elisa en Tarsisa, de Kittiten en Dodaniten.


-ocr page 489-

1 KRONIEKEN 1.

475

. 8 De kinderen Chams waren Kusch en Mizraïm, Püth en Ka-naan.

9 En de kinderen van Kusch waren Seba, en Havila, en Sabta, en Raëtna, en Sabtecha. En de kinderen van Raëma waren Scheba en Dedan.

10 Kusch nu gewon Nimrod; die begon geweldig te zijn op

■ aarde.

11 En Mizraïm gewon de Ludi-ten, en de Anamiten, en de Le-habiten, en de Naftuhiten,

12 en de Pathrusiten, en de Kasluhiten, (van welke de Filistijnen zijn voortgekomen), en de Ka fto riten.

13 Kanafin nu gewon Sldon, zijnen eerstgeborene, en Heth,

14 enden Jebusiet, endenAmo-riet, en den Girgasiet,

15 en den Heviet, en den Arkiet, en den Siniet,

16 en den Arvadiet, eri den Zemariet en den Hamathiet.

17 De kinderen Sems waren Elam, en Assur, en Arpacasad, en Lud, en Aram, en Uz, en Hul, en Gether, en Mesech.

18 Arnachsad nu gewon Selah, en Selah gewon Heber.

19 Aan Heber nu zijn twee zonen geboren: de naam des éénen was Peleg, omdat in zijne dagen het aardrijk verdeeld is; en de naam zijns broeders was Joktan.

20 Eii Joktan gewon Almodad , en Selef, en Hazarmaveth, en Jerah,

21 en Hadoram, en Uzal, en Dikla,

22 en Ebal, en Abimaël, en Scheba,

23 en Ofir, en Havila, en Jobab: deze allen waren zonen Joktans.

24 Sem, Arpachsad, Selah,

25 Heber, Peleg, P»chu,

26 Serug, Nahor, Terach,

27 Abram, dat is Abraham.

28 De kinderen Abrahams waren Isaak en Ismaël.

29 Dit zijn hunne geboorten; de eerstgeborene Ismaëls was Neba-joth, en Kedar, en Adbeel, en Mibsam,

30 Misma, en Duma, Massa, Hadad , en Tema ,

31 Jetur, Nafis, en Kedma: dit zijn de kinderen Ismaëls.

32 De kinderen van Ketura Abrahams bijwijf: die baarde Zimran, en Joksan, en Medan, en Midian, en Jisbak, en Suah. En de kinderen van Joksan waren Scheba en Dedan.

33 De kinderen van Midian nu waren Efa, en Efer, en Henoch, en Abida, en Eldaa: die allen waren zonen van Ketura.

34 Abraham nu gewon Isaak. De zonen Isaaks waren Esau en Israël.

35 En de kinderen Esaus: Eü-faz, Rehuël, en Jehus, en Jaëlam, en Korach.

36 De kinderen van Elifaz waren Teman, en Omar, Zefi, en Gactam, Kenaz, en Timna, en Amalek.

37 De kinderen Rehuëls waren Nahath, Zerah, Sam ma en Mizza.

38 De kinderen Seïrs nu waren Lotan, en Sobal, en Zibeon, en Ana, en Dison, en Ezer, en Di-san.

39 De kinderen Lotans nu waren Hori en Homam; en de zuster Lotans was Timna.

40 De kinderen Sobals waren Aljnn, en Manahath, en Ebal, Scfi, en Onam. En do kinderen Zibeons waren Ajja en Ana.

41 En de kinderen van Ana waren Dison; en de zonen Disons waren Hamran, en Esban, en Jithran, en Keran.

42 De kinderen Ezers waren Bilhan, en Zaavan, en Akan. De kinderen van Disan waren Uz en Aran.

43 Dit nu zijn de Koningen die geregeerd hebben in het land Edom, eer er een Koning regeerde over de kinderen Israels. Hela de zoon Beors, en de naam zijner stad was Dinhaba.

44 En Bela stierf, en Jobab de zoon van Zerah, van Bozra, regeerde in zijne plaats.

45 En Jobab stierf, en Husam uit het land der Temaniten regeerde in zijne plaats.

40 En Husam stierf, en Hadad de zoon Bedads regeerde in zijne plaats, die de Midianiten jn het


-ocr page 490-

1 KRONIEKEN 2.

476

veld Moabs versloeg; en de naam zijner stad was Avith.

47 En Hadad stierf, en Samla vau Masreka regeerde in zijne plaats.

\'\'iS En Samla stierf, en Saul van Rehóboth aan de rivier regeerde in zijne plaats.

49 En Saul stierf, en Baalhanan de zoon Achbors regeerde in zijne plaats.

50 Als Baalhanan stierf, zoo regeerde Hadad in zijne plaats; en de naam zijner stad was Paï; en de naam zijner huisvrouw was Mehetabeël dè dochter van Ma-tred , dochter van Mezahab.

51 Toen Haded stierf, zoo werden Vorsten in Edom de Vorst Timna, de Vorst Alja, de Vorst Jetheth,

52 de Vorst Aholibama, de Vorst Ela, de Vorst Pinon,

53 de Vorst Kenaz, de Vorst Teman, de Vorst Mibzar,

54 de Vorst Magdiël, dc Vorst Iram: deze waren de Vorsten Edoms.

HOOFDSTUK 2.

Deze zijn de kinderen Israëls, Ruben, Simeon, Levi en Juda, Issaschar en Zebulon,

2 Dan, Jozef en Benjamin, Naf-tali. Gad en Aser.

3 De kinderen van Juda zijn Er, en Onan, en Sela: drie zijn er hem geboren van de dochter van Sua, dc Kanaanitische; en Er de eerstgeborene van Juda was kwaad in de oogen des Hee-rex, daarom doodde hij hem.

4 Maar Ta mar zijne schoondochter baarde hem Perez en Zerah. Alle de zonen van Juda waren vijf.

5 De kinderen van Perez waren Hezron en Hamul.

6 En de kinderen van Zerah waren Zimri, en Ethan, en He-man, en Kalkol, en Dara: deze allen zijn vijf.

7 En de kinderen van Karmi waren Achar, de beroerder Israëls, die zich aan het verbannene vergreep.

8 De kinderen Ethans nu waren Azarja.

9 En de kinderen Hezrons die hem geboren zijn, waren Jerah-meël, en Ram, en Kelubai.

10 Ram nu gewon Amminadab, en Amminadab gewon Nahedson, den Vorst der kinderen Van Juda;

11 en Nahesson gewon Salma, en Salma gewon Boaz,

12 en Boaz gewon Obed, en Obed gewon Isaï;

13 en Isaï gewon Eliab, zijnen eerstgeborene, en Abinadab den tweeden, en Simea den derden,

14 Nelhaneël den vierden, Rad-dai den vijfden,

15 Ozem den zesden, David den zevenden.

16 En hunne zusters waren Ze-ruja en Abigail. 13e kinderen nu vanZeruja waren Abisai, enJoab, en Asaël, drie.

17 En Abigail baarde Arnasa, en de vader van Amasa was Jether een Ismaëliet.

18 Kalcb nu de zoon Hezrons gewon kinderen uit Azuba zijne vrouw, en uit Jerioth; en de zonen van dezezijn Jeser, enSobab, en Ardon.

19 Als nu Azuba gestorven was, zoo nam zich Kaleb Efrath, die hem Hur baarde.

20 En Hur gewon Uri, en Uri gewon Bezaleël.

21 Daarna ging Hezron in tot de dochter van Machir den vader Gileads, en hij nam ze toen hij zestig jaar oud was, en zij baarde hem Segub.

22 Segub nu gewon Jaïr, en hij had drieëntwintig steden in het land Gilead.

23 En hij nam Gesur en Aram, met de vlekken Jaïrs, van dezelve, met Kenath en hare onderhoorige plaatsen, zestig steden. Deze allen zijn zonen van Machir den vader Gileads.

24 En na den dood van Heiron, in Kaleb-Efratha, heeft Abia Hezrons huisvrouw hem ook gebaard Ashur, den vader van Tekóa.

25 De kinderen nu van Jerah-meël den eerstgeborene Hezrons waren deze: de eerstgeborere was Ram , daarbij Buna, en Oren, en Ozem, en Ahfa.

26 Jerahmëel had nog eene andere vrouw, welker naam was


-ocr page 491-

1KRONI

477

EKEN 3.

Atara; zij was de moeder Onams.

27 En de kinderen van Ram den eerstgeborene Jerahmeëls waren MaaZ, en Jamin, en Ekor.

28 En de kinderen Onams waren Sammai en Jada. En de kinderen van Sammai: Nadab en Abisur.

29 De naam nu der huisvrouw van Abisur was Abihaïl; die baarde hem Achban en Molid.

30 En de kinderen van Nadab waren Seled en Appaïm; en Seled stierf zonder kinderen.

31 En de kinderen van Appaïm waren Jiseï en de kinderen van Jiseï waren Sesan; en de kinderen Van Sesan, Ahlai.

32 En de kinderen van Jada den broeder van Sammai waren Jether en Jonathan; en Jether is gestorven zonder kinderen.

33 De kinderen Jonathans nu waren Peleth en Zaza. Dit waren de kinderen Jerahmeëls.

34 En Sesan had geen zonen maar dochters, en Sesan had een Egyptischen knecht wiens naam was Jarha:

35 Sesan nu gaf zijne dochter aan zijnen knecht Jarha lot vrouw; en zij baarde hem Attai.

30 Attai nu gewon Nathan, en Nathan gewon Zabad,

37 en Zabad gewon Eflal, en Eflai gewon Obed,

38 en Obed gewon Jehu/en\'Jehu gewon Azarja,

39 en Azarja gewon Helez, en Helez gewon Elasa,

40 en Elasa gewon Sismai, en Sismai gewon Sallnm,

41 en Sallum gewon Jekamja, en Jekamja gewon Elisama.

42 De kinderen nu van Kaleb, den broeder Jerahmeëls, zijn Mesa, zijn eerstgeborene, (deze is de vader van Zif), en de kinderen van Maresa den vader Hebrons.

43 De kinderen Hebrons nu waren Korach, en Tappüah, en Rekem, en Sema.

44 Sema nu gewon Raham, den vader van Jorkeam, en Rekem gewon Sammai.

45 De kinderen van Sammai nu waren Maon; en Maon was de vader van Beth-Zur.

46 En Efa het bijwijf Kalebs baarde Haran, en Moza, en Gazez; en Haran gewon Gazez.

47 De kinderen van Jehdai nu waren Regein, en Jotham, en üesan, en Pelet, en Efa, en Saüf.

48 Uit het bijwijf Maacha gewon Kaleb Seber en tirhana.

49 En de huisvrouw van Saaf den vader van Madman na baarde Seva, den vader van Machbeha en den vader van \'Gibea; en de dochter van Kaleb was Achsa.

50 Dit waren de kinderen van Kaleb, den zoon van Hur den eerstgeborene van Efratha: Sobal de vader van Kirjath-Jearim,

51 Salma de vader der Bcthle-hemiten, Haref de vader van Beth-Gader.

52 De kinderen van Sobal, den vader van Kirjath-Jearim, waren Haroë en Hazi-Hammenuchoth.

53 En de geslachten van Kirjath-Jearim waren de Jethriten en de Puthiten, en de Sumathiten, en de Misraïten: van deze zijn uitgegaan de Zoraïten en de Estaoliten.

54 De kinderen van Salma waren de Bethlehemiten en de Netofa-thiten, Atroth, Beth-Joab, en de helft der Manahtiten, m de Zoriten.

55 En de huisgezinnen der schrijvers die te Jabez woonden, de Tiratinten, de Simeathiten, de Suchathiten: deze zijn de Keniten, die gekomen zijn van Hammath, den vader des huizes van Rechab.

HOOFDSTUK 3.

Deze nu waren de kinderen Davids die hem te Hebron geboren zijn: de eerstgeborene Amnon, van Ahinóam de Jizreëlitische; de tweede Daniël, van Abigail, de Karmelitische;

2 de derde Absalom, de zoon van Maacha, de dochter van Tal-mai den Koning te Gesur; de vierde Adonfa, de zoon van Haggith.

3 de vijfde Sefatja, van Abital, de zesdequot; Jithream, van zijne huis-* vrouw E^la.

4 Zes zijn hem te Hebron geboren ; want hij regeerde daar zéven jaren en zes quot;maanden , en drieëndertig jaar regeerde hij te Jeruzalem.

5 Deze nu zijn hem te Jeruzalem


-ocr page 492-

1KRONI

478

EKEN h.

geboren: Simea, en Sobab, en Nathan, en Salomo: deze vier zijn van Bathsüa de dochter Am-niiels;

6 daarbij Jibhar, en Elisama, en Elifélet,

7 en Nogah, en Nefeg, en Jaffa,

8 en Elisama, en Eljada, en Elifélet. negen.

9 Deze allen zijn zonen Davids, behalve de kinderen der bijwijven, en Tamar hunne zuster.

40 Salomo\'s zoon nu was Reha-beam, zijn zoon was Abfa, zijn zoon was Asa, zij n zoon was Josafat,

11 zijn zoonquot; was Joram, zijn zoon was Ahazia, zijn zoon was Joas,

12 zijn zoon was Amazia, zijn zoon was Azaria, zijn zoon was Jotham,

13 zijn zoon was Achaz, zijn zoon was Hizkia, zijn zoon was Manasse,

14 zijn zoon was Amon, zijn zoon was Josia.

15 De zonen van Josia nu waren deze: de eerstgeborene Johanan, de tweede Jojakim, de derde Zedeki\'a, de vierde Sallum.

iG De kinderen Jojnkims nu waren: Jeehonia zijn zoon, Zedeki\'a zijn zoon.

17 En de kinderen van Jeehonia waren Assir; zijn zoon was Sealtiël;

18 en de zonen van dezen waren Malkiram, en Pedaja, en Senazzar, Jekamja, Hosama, en Nedabja.

19 De kinderen van Pedaja nu waren Zerubbabel en Simeï, en de kinderen Zerubbabels waren Mesullam en Hananja; enSelomith was ■ hunl ieder zuster;

20 en Ilasuba, en Oliel, en Be-rechja, en Hasadja, Jusabhésed, vijf.

21 De kinderen van Hananja nu waren Pelatja en Jesaja. De kinderen van Refaja, de kinderen van Arnan, de kinderen van Obadja, de kinderen van Se-ehanja.

22 De kinderen van Sechanja waren Semaja, en de kinderen van Semaja waren Hattus, en Jigeal, en Ban\'ah, en Nearja, en Safat, zes.

23 En de kinderen van Nearja waren Eljoenai, en Hizkia, en Azrikam, drie.

24 En de kinderen van Eljoënai waren Hodajeva, eu Eljasib, en Pelaja, en Akkub, en Johanan, en Deloja, en Anani, zeven.

HOOFDSTUK 4.

De kinderen van Juda waren Perez, Hezron en Karmi, en Hur, en Sobal.

2 En Reaja de zoon Sobals gewon Jahath, en Jahath gewon Ahumai en Lahad: dit zijn de huisgezinnen der Zorathiten.

3 En deze zijn van den vader Etam; Jizreël eü Jisma, en Jidbas; en de naam hunner zuster was Hazzelelponi.

4 En Pnuël was de vader van Gedor, en Ezer de vader van Husa: dit zijn de kinderen van Hui; den eerstgeborene van Efratha, den vader N^in Bethlehem.

5 Ashur nu, de vader van Te-kóa, had twee vrouwen. Hela en Naara.

6 En Naara baarde hem Ahuz-zam, en Hefer, en Temeni, en Haahastari: dit zijn de kinderen van Naara.

7 En de kinderen van Hela waren Zereth, en Zohar, en Ethnan.

8 En Kos gewon Anub en Haz-zobeba, en de huisgezinnen van Aharhel den zoon van Harum.

9 Jabez nu was heerlijker dan zijne broeders; en zijne moeder had zijnen naam Jabez genoemd, zeggende: Want ik heb hem met smarte gebaard.

10 Want Jabez riep den God Israels aan, zeggende: Indien gi j mi j rijkelijk zegenen en mijne landpalè vermèerderen zult, en uwe hand met mij zijn zal, en gij het met het kwade alzóö maakt dat het mij niet smarte! En God liet komen wat hij begeerde.

11 Èn Kelub, de broeder van Suha, gewon Mehir, hij is de vader van Eston.

12 Eston nu gewon BeUirafa, en Paséah, en Tehinna den vader van Irnahas: dit zijn de nannen van Recha.

13 En de kinderen van Kenaz


-ocr page 493-

I K R O N1

EKEN 4.

470

■waren Otbuiël en Seraja; en de kinderen van Othniël, Hathath.

14 En Meonolhai gewon Ofra; en Seraja gewon Joab, den vader der mannen van het dal der werkmeesters; want zij waren werkmeesters.

15 De kinderen nu van Kaleb den zoon van Jefunne waren Iru, Ela en Naam ; en de kinderen van Ela, te weten Kenaz.

lü. En de kinderen van Jehalle-leël waren Zitquot; en Zifa, Tirea en Asareël.

17 En de kinderen van Ezra waren Jether, en Mered, en Eter, en Jalon; en zij baarde Mirjam, en Sarnmai, en Jlsbah den vader van Estemua.

18 En zijne Joodsehe huisvrouw baarde Jered den vader van Ge-dor, en Heber den vader van Soclio, en Jekuthiël den vader van Zanuah; en deze zijnde kinderen van Bithja de dochter van Farao, die Mered genomen had.

19 En de kinderen van de huisvrouw van Hodia, de zuster Na-hams, waren Abi-Kehila do Gar-mict, en Estemoa de Maachathiet.

20 De kinderen Simons nu waren Ainnon en Rinna, Benhanan en TiJon: en de kinderen van Jiseï waren Zoheth en Benzóheth.

21 De kinderen van Sela den zoon van Ju da waren Er de vader van Lccha , en Lada de vader van Maresa; en de huisgezinnen van het huis der linnenwerkers in het huis van Asbéa.

22 Daarbij Jokim, en de mannen van Kozeba, en Joas, en Saraf, (die over de Moabiten geheerscht hebben), en Jasubi-Léhem; doch deze dingen zijn oud.

23 Deze waren pottebakkers, wonende bij plantages en tuinen; zij zijn daar gebleven bij den Koning in zijn werk.

24 De kinderen Simeons waren Nemuel, en Jamin, Jarib, Zerah, Saul. ^

25 Zijn zoon was Sallum; zijn zoon was Mibsam; zijn zoon was Misma. J

213 En de kinderen van Misma waren deze: Hammuel zijn zoon, Zakkur zijn zoon, Simeïzijn zoon.

27 Simeï nu had zestien zonen en zes doelleren; maar zijne broeders hadden niet veel kinderen, en hun gansche huisgezin werd zoo zeer niet vermenig vuldigd als der kinderen van Juda.

28 En zij woonden te Ber-Séba, en te Molada, en te Hazar-Sual,

29 en te Bilha, en te Ezem, en te Tol ad,

30 en te Bethuel, en te Horma, en te Ziklag,

31 cu te Beth-Markaboth, en te Hazar-Susim, en te Beth-Biri, en te Saaraïm. Dit waren hunne steden, tot dat David Koning werd.

32 En hunne dorpen waren Etam en Ain, Uirnmon en Tochen, en Asan , vijf steden;

33 en alle hunne dorpen die in den omtrek dezer steden waren, tot Baal toe. Dit zijn hunne woningen, en hunne geslachtrekening voor hen.

34 Doch Mesobab, en Jamlech, en Josa de zoon van Amazia,

35 en Joël, en Jehu, de zoon van Josibj\'a, den zoon van Seraja, den zoon van Asiël,

3ü en Eljoënai, en Jaiikoha, en Jesohaja, en Asaja, en Adiël, en Jesimeël, en Benaja, .

37 en Ziza, de zoon van Sil\'ëi, den zoon van Allon, den zoon van Jedaja, den zoon van Simri, den zoon van Semaja:

38 deze kwamen lot namen, zijnde Vorsten in hunne huisgezinnen, en de huisgezinnen hunner vaderen braken uit in menigte.

39 En zij gingen tot aan den ingang van Gedor lot het oosten des dals, om weide te zoeken voor hunne schapen,

40 en zij vonden vette en goede weide, en een land wijd van omvang en stil en gerust; want die van Cham woonden daar te voren.

41 Deze nu, die met namen beschreven zijn, kwamen in de dagen van Hizkia den Koning van Juda, en zij sloegen dergenen tenten en woningen die daar gevonden werden, en zij verbanden hen, tot op dezen dag; en zij woonden aan hunne plaats, want daar was weide voor hunne schapen

I 42 Ook gingen uit hen, te Weten


-ocr page 494-

1 KRONIEKEN 5.

480

uit de kinderen Simeons, vijfhonderd mannen tot het gebergte van Seïr; en Pelatja en Nearja en liefaja en Uzziël, de zonen van Jiseï, waren hun tot hoofden;

43 en zij sloegen de overigen der ontkomenen onder de Amale-kiten, en zij woonden aldaar tot op dezen dag.

HOOFDSTUK 5.

De kinderen Rubens nu des eerstgeborenen Israëls, (want hij was de eerstgeborene, maar dewijl hij zijns vaders bed ontheiligd had, werd zijne eerstgeboorte gegeven den kinderen Jozefs des zoons Israëls; doch niet alzoo dat hij zich in het geslachtregister naar de eerstgeboorte rekenen mocht;

2 want Juda werd machtig onder zijne broederen, en die tot een voorganger was, was uit hem; doch de eerstgeboorte was van Jozef):

3 de kinderen Rubens des eerstgeborenen Israëls zijn tfenoch en Pallu, Hezron en Karmi.

4 De kinderen Joels: zijn zoon Semaja, zijn zoon (iog, zijn zoon Simei,

5 zijn zoon Micha, zijn zoon Reaja, zijn zoon Baal,

G zijn zoon Beëra, welken Til-gath-Pilnéser de Koning van As-syrië gevankelijk wegvoerde: hij was de Vorst der Rubeniten.

7 Aangaande zijne broederen, in hunne huisgezinnen, als zij naar hunne geboorten in de geslachtregisters gesteld werden: de hoofden zijn geweest Jehiël en Ze-charja,

8 en Bela, de zoon van Azaz, den zoon van Sema, den zoon van Joël, die woonde te Aroër, en tot aan Nebo en Baal-JMeon.

0 En hij woonde tegen het Oosten, tot den ingang der woestijn, van de rivier Frath af; want hun vee was veel geworden in het land Öilead.

10 En in de dagen Sauls voerden zij krijg tegen de Hagarenen, die vielen door hunne hand; en zij woonden in hunne tenten tegen de geheele oostzijde van Gilead.

11 De kinderen öads nu woonden tegen hen over, in het land Basan tot Salka-toe.

12 Joël was het hoofd, en Safam de tweede, maar Jaënai en Safat bleven in Basan.

13 Hunne broeders nu, naar hunne vaderlijke huizen, waren Michaël, en Mesullam, en Schc-ba, en Jorai, en Jakan, en Zia, en Heber, zeven.

14 Deze zijn de kinderen Abiha-ils, des zoons van Huri, denzoon van Jaróah, den zoon van Gilead, den zoon van Michaël, den zoon van Jesisai, den zoon van Jahdo, den zoon van Buz.

15 Ahi, de zoon van Abdiël den zoon van Guni, was het hoofd van het huis hunner vaderen.

16 En zij woonden in G lead, in Basan, en in hare onderhoorige plaatsen, en in alle de voorsteden van Saron, tot aan hare uitgangen.

17 Deze allen zijn naar I unne geslachtregisters geteld in de dagen van Jotham den Koning van Juda en in de dagen van Jerobeam den Koning Israëls.

18 Van de kinderen Rubens en van de Gaditen en van den halven stam van Manasse, van de strijdbaarsten, mannen schild en zwaard dragende, en den boog spannende, en ervaren in den krijg, waren vierenveertigduizend zevenhonderd en zestig uittrekkende in het heir;

19 en zij voerden krijg tegen de Hagarenen, en tegen Jetur, en Nafis, en Nodab.

20 Doch zij werden geholpen tegen hen, en de Hagarenen werden in hunne hand gegeven, en allen die met hen waren: omdat zij tot God riepen in den krijg, zoo liet hij zich van hen verbidden, dewijl zij op hem vertrouwden.

21 En zij voerden hun vee gevankelijk weg, van hunne femelen vijftigduizend, en tweehonderd-envijftigduizend schapen, en tweeduizend ezels, en honderdduizend zielen der menschen;

22 want er vielen vele verwonden, dewijl de strijd van God was. En zij woonden in hunne plaats, totdat zij gevankelijk weggevoerd werden. \'


-ocr page 495-

1 KRONI

481

EKEN G.

23 De kinderen nu van den halven stam van Manasse woonden in dat land: zij werden vermenigvuldigd van Basan tot aan Baal-Hermon, en Senir, en den berg Hermon.

24 Deze nu waren de hoofden hunner vaderlijke huizen, te weten Efer, en Jiseï, en Eliël, en Azriël, en Jeremia, en Hodavja, en Jahdiël; mannen sterk van kracht, mannen van naam, hoofden der huizen hunner vaderen.

25 Maar zij hebben tegen den God hunner vaderen overtreden, en de goden der volken des lands nagehoereerd, welke God voor hun aangezicht had verdelgd.

20 Zoo verwekte de God Israels den geest van Pul den Koning van Assyrië, en den geest van Tilgath-Pilnéser den Koning van Assyrië; die voerde hen gevankelijk weg, te weten de Rubeniten en de Gaditen en den halven stam Manasse, en hij bracht ze te Ha-lah, en Habor; en Hara, en aan de rivier Gozan, tot op dezen dag.

HOOFDSTUK G.

De kinderen van Levi waren Gerson, Kohath en Merari.

2 De kinderen Kohaths nu waren Amram, Jizhar, en Hebron, en Uzziël.

3 En de kinderen Amrams waren Aaron, en Mozes, en Mirjam. En de kinderen van Aaron waren Nadab en Abihu, Eleazar en Ithamar.

4 En Eleazar gewon Pinehas, Pinehas gewon Abisua,

5 en Abisua gewon Bukki, en Bukki gewon Uzzi,

6 en Uzzi gewon Zerahja, en Zerahja gewon Merajoth,

7 en Merajoth gewon Amarja, en Amarja gewon Ahitub,

8 en Ahitub gewon Zadok, en Zadok gewon Ahimaaz,

9 en Ahimaaz gewon Azarja, en Azarja gewon Johanan,

10 en Johanan gewon Azarja: hij is het die het Priesterambt bediende in het Huis dat Salomo te Jeruzalem gebouwd had.

11 En Azarja gewon Amarja, en Amarja gewon Ahitub,

12 en Ahitub gewon Zadok, en Zadok gewon Sallum,

13 en Sailum gewon Hilkia, en Hilkia gewon Azarja,

14 en Azarja gewon Seraja, en Seraja gewon Jozadak:

15 en Jozadak ging mede, als de Heeue Juda en Jeruzalem gevankelijk wegvoerde door de hand van Nebukadnezar.

16 Zoo zijn clan de kinderen van Levi: quot; Gersom, Kohath en Merari.

17 En dit zijn de namen der zonen van Gersom: Libni en Simeï.

18 En de kinderen van Kohath waren Amram, en Jizhar, en He-bron, en Uzziël.

19 De kinderen van Merari waren Mahli en Musi. En dit zijn de huisgezinnen der Leviten, naar hunne vaderen.

20 Van Gersom: zijn zoon was Libni, zijn zoon Jahath, zijn zoon Zimma,

21 zijn zoon Joah, zijn zoonlddo, zijn zoon Zerah, zijn zoon Jeathrai.

22 De kinderen Kohaths waren: zijn zoon Amminadab, zijn zoon Korach, zijn zoon Assir,

23 zijn zoon Elkana, en zijn zoon Ebjasaf, en zijn zoon Assir,

24 zijn zoon Tahath, zijn zoon Uriël, zijn zoon Uzzia, en zijn zoon Saul.

25 De kinderen van Elkana nu waren Amasai en Ahimoth.

26 Elkana: de zoon van dezen was Elkana, zijn zoon wasZofai, en zijn zoon was Nahath,

27 zijn zoon Eliab, zijn zoon Jeroham, zijn zoon Elkana.

28 De zonen van Samuël nu waren deze: zijn eerstgeborene was Vasn.1, daarna Abia.

29 De kinderen van Merari waren Mahli, zijn zoon Libni, zijn zoon Simeï, zijn zoon Uzza,

80 zijn zoon Simea, zijn zoon Haggfa, zijn zoon Asaja.

31 Deze nu zijn het die David gesteld heeft tot het ambt des gezangs in den Huize des Heeren, nadat de Arke tot rust gekomen was;

32 en zij dienden vóór den Ta-


16

-ocr page 496-

482 1 KR ON

bernakel der Tente der samenkomst met gezangen, totdat Salomo het Huis des Heeren te Jeruzalem bouwde; en zij stonden naar hunne wijze in hun ambt.

33 Deze nu zijn ze die daar stonden met hunne zonen. Van de zonen der Kohathiten: Heman de zanger, de zoon van Joël, den zoon van Samuël,

34 den zoon van Elkana, den zoon van Jeroham, den zoon van Elicl, den zoon van Toah,

35 den zoon van Zulquot;, den zoon van Elkana, den zoon van Mahath, den zoon van Amasai,

3G den zoon van Elkana, den zoon van Joël, den zoon van Azarja, den zoon van Zefanja,

37 den zoon van Tahath, den zoon van Assir, den zoon van Ebjasaf, don zoon van Korach,

38 den zoon van Jizhar, den zoon van Kohath, den zoon van Levi, den zoon van Israël.

;..9 En zijn broeder Asaf stond aan zijne rechlerzijde: Asaf was de zoon van Berachja, den zoon van Simea,

40 den zoon van Michaël, den zoon van Baëseja, den zoon van Malkia,

41 den zoon van Ethni, den zoon van Zerah, den zoon van Adaja,

42 den zoon van Ethan, den zoon van Zimma, den zoon van Simeï,

43 den zoon van Jahalh, den zoon van Gersom, den zoon van Levi.

44 Hunne broeders nu, de kinderen van Merari stonden aan de linkerzytZe, namelijk Ethan, de zoon van Kisi, den zoon van Abdi, den zoon van Malluch,

45 den zoon van Hasabja, don zoon van Amazia, den zoon van Hilkia,

4G den zoon van Amzi, denzoon van Bani, den zoon van Seiner,

47 den zoon van Mahli, den zoon van Musi, den zoon van Merari, den zoon van Levi.

48 Hunne broeders nu de Levi-tcn waren gegeven tot allerlei dienst des Tabernakels des Huizes Gobies.

49 Aartm nu cn zijne rontm

LEKEN (5.

rookten op des brandoffers altaar en op het reukaltaar, zijnde gesteld tot al het werk van het Heilige der Heiligen, en om over Israël verzoening te doen, naar alles dat Mozes de knecht Gods geboden had.

50 Dit nu zijn de kinderen Aarons: zijn zoon wasEIeazar, zijn zoon Pinehas, zijn zoon Abisüa,

51 zijn zoon Bukki, zijn zoon Uzzi, zijn zoon Zerahja,

52 zijn zoon Merajoth, zijn zoon Amarja, zijn zoon Ahitub,

53 zijn zoon Zadok, zijn zoon Ahimaaz.

54 En dit waren hunne woningen naar hunne kasteelen, in hunne landpale: namelijk der zonen Aarons , des huisgezios der Kohathiten, want dat lot was voor hen.

55 Eu zij gaven hun Hebron in het land van Juda, en hare voorsteden rondom dezelve;

56 maar het veld der stad, en hare dorpen, gaven zij aan Xaleb den zoon van Jofunne.

57 En aan de kinderen Aiirons gaven zij steden van Juda: de vrijstad Hebron, en Libna en hare voorsteden, en Jattir en Estemóa cn hare voorsteden,

58 en Hilcn en hare voorsteden, en Debir cn hare voorsteden,

59 en Asan en hare voorsteden, en Beth-Sémes cn hare voorsteden ;

00 van den stam Benjamins nu, Gibea en hare voorsteden, en Allémeth en hare voorsteden, en Anathoth en hare voorsteden: alle hunne steden, in hunne huisgezinnen , waren dertien steden.

01 Maar de kinderen Kohaths, die overgebleven waren, hadden van iiet huisgezin van den stam, uit den halven stam van Manasse, bij het lut, tien steden.

\'02 En de kinderen Gersom=, naar hunne huisgezinnen , hadden van den stam Issaschars, en van den stam Asers, en van den stam van Naftali, en van den stam van Manasse in Basan, dertien steden.

03 De kinderen van Merari, naar hunne huisgezinnen, hadden van den stam Rubtms en van cfón slam


-ocr page 497-

1 K R O NIE K K N 7.

483

Oads en van den stam Zebulons, bij het lot, twaalf steden.

\'C4 Alzoo gaven de kinderen Israels den Leviten deze steden en havo voorsteden.

05 En zij gaven ze, bij het lot, van den stam der kinderen van Juda en van den stam der kinderen Simeons en van don stam der kinderen Benjamins, deze steden, welke zij bij namen noemden.

Aan de overigen nu uit de huisgezinnen der kinderen Kohaths gewerden steden hunner landpale, van den stam Efraïms.

07 Want zij gaven hun van de vrijsteden : Sichem en hare voorsteden op het gebergte Efraïm , en Gezer en hare voorsteden,

OS en Jokmeam en hare voorsteden , en Beth-Horon en hare voorsteden,

09 en Ajjalon en hare voorsteden, en Gath-Rimmon en hare voorsteden.

70 En uit den halven stam van Manasse: Aner en hare voorsleden, en Bileam en hare voorsteden. De huisgezinnen der overige kinderen Kohaths hadden deze stede».

71 De kinderen Gersoms hadden van do huisgezinnen van den hal-ven stam van Manasse: Golan in Hasan en hare voorsteden, en Astaroth en hare voorsteden.

72 En van den stam Issaschars: Kedes en hare voorsteden, Dobrath en hare voorsteden,

73 en Ramoth en hare voorsteden , en Anem en hare voorsteden.

74 En van den stam Asers: Masai en hare voorsteden, en Abdon en hare voorsteden,

75 en Hukok en hare voorsteden, en Rehob en hare voorsteden.

70 En van den stam van Naf-tali: Kedes in Galiléa en hare voorsteden , en Hammon en hare voorsteden, en Kirjathaïm en hare voorsteden.

77 De overige kinderen van Merari hadden v«m den stam Zebulons ; Rimmono en hare voorstedon, Taloor en hare voorsteden.

78 En aan gene zijde van den Jordaan tegen Jericho, tegen het Oosten aan den Jordaan, van den stam Rubens: Bezer in de woestijn en hare voorsteden, en Jahza en hare voorsteden,

79 en Kedemoth en hare voorsteden, en Nefaath en hare voorsteden.

80 En van den stam Gads: Ramoth in Gilead en hare voorsteden, en Mahanaïm en hare voorsteden,

81 en Hesbon en hare voorsteden, en Jaëzer en hare voorsteden.

HOOFDSTUK 7.

De kinderen Issa-chars waren Tola en Pua, Jasib en Simron, vier.

2 De kinderen van Tola nu waren Uzzi, en Refaja, en Jeriël en Jahmai, en Jibsam, en Samuel, hoofden der huizen hunner vaderen, van Tola, kloeke helden in hunne geslachten: hun getal was in do dagen Davids tweeëntwintigduizend en zeshonderd.

3 En de kinderen van Uzzi waren Jizrahja; en de kinderen van Jizrahja waren Michael, en Obadja, en Joel, Jissia: deze vijf waren altezamen hoofden.

4 En met hen naar hunne geslachten, naar hunne vaderlijke huizen, waren de hoopen des krijgsheirs, zesendertigduizend; want zij hadden vele vrouwen en kinderen.

5 En hunne broeders, in allo huisgezinnen Issaschars, kloeke helden, waren zevenentachtigduizend, allo dezelve in geslachtregisters gesteld zijnde.

0 De kinderen \'Benjamins waren Bela, en Becher, en Jediaël, drie.

7 En de kinderen van Bela waren Ezbon, en Uzzi, en Uzziël, en Jorimoth, en Iri, vijf hoofden in de huizen der vaderen, kloeke helden; die in geslachtregisters gesteld zijnde, waren tweeëntwintigduizend vierendertig.

8 De kinderen Bechers nu waren Zemira; en Joas, en Eliëzer, en Eljoënai, on Omri, en Jeremoth, en Abia, en Anathot, en Alémeth: deze allen waren kinderen Bechers.

9 Deze nu in geslachtregisters gesteld zijnde, naar hunne geslachten , hoofden der huizen hunner vaderen, kloeke helden, waren twintigduizend en tweehonderd.


-ocr page 498-

1 K R 0 NI

484

EKEN 7.

10 Dc kinderen Jediaëls nu waren Bilhan; en de kinderen Bilhans waren Jehus, en Benjamin, en Ehud, en Kenaana, en Zethan, en Tarsis, en Ahisdhar:

11 Alle dezen waren kinderen Jediaëls, tot hoofden der vaderen, kloeke helden, zeventienduizend en tweehonderd, uittrekkende in het heir ten strijde.

12 Daarbij Suppim en Huppirn waren kinderen van Ir, cn Husim kinderen van Aher.

13 De kinderen van Naftali waren Jahziël, en Guni, en Jezer en Sallum, kinderen van Bilha.

14 De kinderen van Manasse waren Asriël, welken de vromu van Gilead baarde: doch zijn bijwijf de Syrische baarde Machir den vader van Gilead.

15 Machir nu nam tot vrouw de zuster van Huppirn en Suppim, en haar naam was Maacha. En de naam des tweeden was Zela-fead: Zelafead nu had dochters.

16 En Maacha de huisvrouw van Machir baarde eenen zoon, en zij noemde zijnen naam Peres, en de naam zijns broeders was Seres; en zijne zonen waren Ulam en Rekem.

17 De kinderen van Ulam nu waren Bedan: deze zijn de kinderen van Gilead, den zoon van Machir, den zoon van Manasse.

18 Wat nu zijne zuster Molé-cheth aangaat, zij baarde Ishod, en Abiëzer, en Mahla.

19 De kinderen van Semida nu waren Ahjan, en Sechem, en Likhi, en Aniam.

20 En de kinderen Efraïms waren Suthélah, en zijn zoon was Bered, en zijn zoon Tahath, en zijn zoon Elada, en zijn zoon Tahath,

21 en zijn zoon was Zabad, en zün zoon Suthélah, en Ezer, cn Elad. En de mannen van Gath, die in het land geboren waren, doodden ze, omdat zij afgekomen waren om hun vee të nemen.

22 Daarom droeg Efraïm hun vader vele dagen leed; en zijne broeders kwamen om hem te troosten.

23 Daarna ging hij in tot zijne huisvrouw, en zij werd zwanger, en baarde een zoon; en hij noemde zijnen naam Bena, omdat zij in ellende was in zijn huis.

24 Zijne dochter nu was Seëra, die bouwde neder- en opper-Beth-Horon, en Uzzen-Seëra.

25 En Refah was zijn zoon, en Resef; en zijn zoon was Telah; en zijn zoon Tahan;

26 zijn zoon was Ladan, zijn zoon Ammihud, zijn zoon Elisama,

27 zijn zoon was Nun, zijn zoon Jozua.

28 En hunne bezitting en hunne woning was Beth-El en hare onder-hoorige plaatsen; en tegen het Oosten Maaran, en tegen het Westen Gezer en hare onderhoo-rige plaatsen, en Sichem en hare onderhoorige plaatsen, tot Gaza toe, en hare onderhoorige plaatsen.

29 En aan de zijden der kinderen van Manasse was Beth-Sean en hare onderhoorige plaatsen, Taanach en hare onderhoorige plaatsen, Megiddo en hare onderhoorige plaatsen, Dor en hare onderhoorige plaatsen. In deze hebben do kinderen Jozefs des zoons Israels gewoond.

30 De kinderen Asers waren Jimna, en Jisva, en Jisvi, en Bena, en Serah hunne zuster.

31 De kinderen van Bena nu waren Heber en Malkiel: hij is dc vader van Birzavith.

32 En Heber gewon Jaflet, en Somer, en Hothan, en Sua hunne zuster.

33 De kinderen Jaflets nu waren Pasach, en Bimhal, en Asvath: dit waren de kinderen Jaflets.

34 En de kinderen Semers waren Ahi en Rohega, Jehubba en Aram.

35 En de kinderen van zijnen broeder Helem waren Sofaii, en Jimna, en Seles, en Amal.

36 De kinderen van Zofah waren Suah, en Harnéfer, en Si.al, en Beri, en Jimra,

37 Bezer, en Hod, en Samma, en Silsa, en Jithran, en Beëra.

38 De kinderen Jethers nu waren Jefunne, en Pispa en Ara.

39 En de kinderen van ülla waren Arah , en Hanniël, en Rizja.

40 Deze allen waren kinderen


-ocr page 499-

1 K R 0 NI

485

EKEN 8.

Asevs, hoofden der vaderlijke huizen, uitgelezen kloeke helden, hoofden der vorsten; en zij werden in geslachtregisters geleld ten heire in den krijg, hun gclal was zesentwintigduizend mannen.

HOOFDSTUK 8.

Benjamin nu gewon Bela zijnen eerstgeborene, Asbel den tweeden, en Ahrah den derden,

2 Noha den vierden, en Rafa den vijfden.

3 Bela nu had deze kinderen: Addar en Gera, en Abihud,

4 en Abisüa, en Naaman, en Ahóah,

5 en Gera, en Sefufan, en Huram.

6 Deze nu zijn de kinderen Ehuds; deze waren hoofden der vaderen van de inwoners van Gibea, en hij voerde ze over naar Manahath;

7 en Naaman, en Ahfa, en Gera, deze voerde hij weg; en hij gewon Uzza en Ahiud.

8 en Saharaïrn gewon kinderen in het land Moabs (nadat hij dezelve weggezonden had) uit Husim en Baara, zijne vrouwen;

9 en uit Hodes zijne huisvrouw gewon hij Jobab, en Zibja, en Mesa, en\'Mal kam,

10 en Jetiz, en Sochja, en Mirma; deze zijn zijne zonen, hoofden dei-vaderen.

11 En uit Husim gewon hij Abi-tub en Elpéal.

12 De kinderen Elpdals nu waren Heber, en Misam, en Semer: deze heeft Ono gebouwd, en Lod en hare onderhoorige plaatsen;

13 en Ben\'a, en Sema: deze waren hoofden der vaderen der inwoners te Ajjalon; deze hebben de inwoners van Gath verdreven;

14 en Ahjo, Sasak, en Jeremoth.

15 en Zebadja, en Arad, en Eder,

lü en Michaël, en Jispa, en Joha

waren kinderen van Ben\'a;

17 en Zebadja, en Mesullam, en Hizki, en Heber,

18 en Jismerai, en Jizlfa, en Jobab, de kinderen Elpiiiils;

19 en Jakim, en Zichri. en Zabdi,

20 en Eljoënai, en Zillethai, en Eliël,

21 en Adaja, en Beraja, en

Simrath waren kinderen van Simeï;

22 en Jispan, en Heber, en Eliël,

23 en Abdon,enZichri,en Hanan,

24 en Hananja, en Elam, en Annethothi\'a,

25 en Jifdeja, en Pnuël waren zonen van Sasak;

20 en Samserai, en Seharja, en A thai, ja,

27 en Jaaresja, en Elfa, en Zichri waren zonen Jerohams.

28 Deze waren de hoofden der vaderen, hoofden naar hunne geslachten; deze woonden te Jeruzalem.

29 En te Gibeon woonde de vader Gibeons, en do naam zijner huisvrouw was Maacha;

30 en zijn eerstgeboren zoon was Abdon, daarna Zur, en Kis, en Baal, en Nadab,

31 en Gedor, en Ahio, en Zc-cher.

32 En Mikloth gewon Simea; en deze woonden ook tegenover hunne broederen te Jeruzalem, met hunne broederen.

33 Ner nu gewon Kis, en Kis gewon Saul, on Saul gewon Jonathan, en Maikisüa, en Abina-dab , en Esbaal.

34 En Jonathans zoon was Merib-baal, en Meribbaal gewon Micha.

35 Do kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Taaréa, en Achaz.

36 En Achaz gewon Jehoadda, en Jehoadda gewon Alémeth , en Azmaveth, en Zimri; Zimri nu gewon Moza.

37 En Moza gewon Bina; zijn zoon was Rafa, zijn zoon was Elasa, zijn zoon was Azel.

38 Azel nu had zes zonen, en dit zijn hunne namen: Azrikam, Bochru, en Ismaël, en Searja, en Obadja, en Hanan: alle deze waren zonen van Azel.

39 En de zonen van Esek zijnen broeder waren : Ulam zijn eerstgeborene, Jehus de tweede, en Elifélet de derde.

40 En de zonen Ulams waren mannen, kloeke helden, den boog spannende, en zij hadden vele zonen en zoonszonèn, honderd en vijftig. Alle deze waren van do kinderen Benjamins.


-ocr page 500-

1 K R O NI

486

EKEN 9.

HOOFDSTUK 9.

En gansch Israël werd in geslachtregisters geteld, en zie, zij zijn geschreven in het boel: der Koningen Israels. En die van Juda waren weggevoerd naar Babel, om hunner overtreding wille.

2 De eerste inwoners nu die in hunne bezitting, in hunne steden kwamen, waren de Israëliten, de Priesters, de Leviten en de Ne-thinim.

3 Maar te Jeruzalem woonden van de kinderen van Juda, en van de kinderen Benjamins, en van de kinderen van Elraim en Manasse:

4 Uthai, de zoon vanAmmihud, den zoon van Omri, denzoon van Irnri, den zoon van Bani, van de kinderen van Perez den zoon van Juda.

5 En van de Siloniten was Asaja de eerstgeborene, en zijne kinderen.

6 En van de kinderen van Zerah was Jehuël, en van hunne broederen waren zeshonderd en negentig.

7 En van de kinderen Benjamins waren Sallu, de zoon Mesullams, des zoons van Hodavja, den zoon van Hassenua;

8 en Jibneja de zoon Jerohams; en Ela, de zoon van Uzzi, den zoon van Michri; en Mesullam, de zoon van Sefatja, den zoon van Rehuël, den zoon van Jibm\'a;

9 en hunne broederen, naar hunne geslachten, negenhonderd en zesenvijftig: alle deze mannen waren hoofden der vaderen in de huizen hunner vaderen.

10 Van de Priesteren nu, Je-daja, en Jojarib, en Jachin;

11 en Azarja, de zoon van Hil-kia, den zooii van Mesullam, den zoon van Zadok, den zoon van Merajoth, den zoon van Ahitub, overste des Huizes Gods;

12 en Adaja , de zoon Jerohams, des zoons van Pashur, den zoon van Malkia; en Masai, de zoon Adiëls, des zoons van Jahzéra, den zoon van Mesullam, den zoon van Mesillemith, den zoon van Immer;

13 daartoe hunne broeders, hoofden in de \'huizen hunner vaderen, duizend en zevenhonderd en zestig, kloeke helden aan het werk van den dienst van het huis Gods,

14 Van de Leviten nu waren Semaja, de zoon vanHassub, den zoon van Azrikam, den zoon van Hasabja, van de kinderen van Merari;

15 en Bakbakkar, Heres, en Galal; en Mattanja, de zoon van Micha, den zoon van Zichri, den zoon van Asaf;

16 en Obadja, de zoon van Se-moja, den zoon van Galal, den zoon van Jeduthun; en Berechja, de zoon van Asa, den zoon van Elkana, woonachtig in de dorpen der Netofathiten.

17 De portiers nu waren Sal-lum, en Akkub, en Talmon, en Ahiman, en hunne broeders: Sallu m was het hoofd.

18 Ook tot nog toe, aan de poort des Konings oostwaarts, waren deze de portiers onder de legers der kinderen van Levi.

19 En Sallum, de zoon van Koré, den zoon van Ebjasaf, den zoon van Korach, en zijne broeders van het huis zijns vaders, de Koraciiiten, waren overhel werk van den dienst, dorpel wachters des Tabernakels; gelijk hunne vaders in het leger des Heeren geweest waren bewaarders van den ingang,

20 als Pinehas de zoon Eleazars te voren voorganger bij hen was, met welken de Heere was.

21 Zecharja de zoon van Mese-lemja was portier aan de deiu* der Tente der samenkomst.

22 Allen die uitgelezen waren tot portiers aan de dorpelen waren tweehonderd en twaalf. Deze waren in het geslachtregister gesteld naar hunne dorpen; David en Samuël de ziener hadden ze in hun ambt bevestigd.

23 Zij dan en hunne zonen waren aan de poorten des Huizes des Heeren, in het huis der Tente aan de wachten.

2\'t Die portiers waren aan de vier winden, tegen het Oosten,


-ocr page 501-

1 K R O NI

tegen het Westen, tegen het Noorden, en tegen het Zuiden.

25 En hunne broeders waren op hunne dorpen, inkomende ten zevenden dage van tijd tot tijd, om met hen te dienen.

2G Want in dat ambt waren vier overste portiers die Leviten waren, en zij waren over de ka-meren en over de schatten des Huizes God.s.

27 En zij bleven over nacht rondom het Huis Gods; want op hen was de wacht, en zij waren over de opening, en dat allen morgen.

28 En eenigen van hen waren over de vaten van den dienst, want. bij getale droegen zij ze in, en bij getale droegen zij ze uit.

29 Want uit dezelve zijn er besteld over de vaten, en over alle de heilige vaten, en overdo meelbloem en wijn en olie en wierook en specerij.

30 En uit de zonen der Prieste-ren waren de bereiders van het reukwerk der specerijen.

31 En Mattithja uit de Leviten, welke was do eerstgeborene van Sallum den Korachiet, was in het ambt overliet werk dat in pannen gekookt wordt.

32 En uit de kinderen der Ko-hathiten, uit hunne broederen, waren eenigen over de brooden der toerichting, om die alle sab-baten te bereiden.

33 Uit. deze zijn ook de zangers, hoofden der vaderen onder de Leviten in dekameren, dienstvrij; want dag en nacht was het op hen in dat werk te zijn.

34 Dit zijn de hooiden der vaderen onder de Leviten, hoofden in hunne geslachten; deze woonden te Jeruzalem.

35 Maar te Gibeon hadden gewoond Jeïël de vader Gibeons, (zijner zuster naam nu was Ma-acha),

3(3 en Abdon was zijn eerstgeboren zoon, daarna Zur, en Kis, en Baal, en Ner, en Nadab,

37 en Gedor, en Ahio, en Ze-charja, en Mikloth.

38 Mikloth nu gewon Simeam; deze wonden obk te Jeruzalem,

E K E N 10. 487

tegenover hunne broederen met hunne brooderen.

39 En Ner gewon Kis, en Kis gewon Saul, en Saul gewon Jonathan, en Malkisüa, en Abina-dab, en Esbaiil.

40 En Jonathans zoon was Me-ribbaal, en Meribbaal gewon Micha.

41 De kinderen van Micha nu waren Pithon, en Melech, en Tah-réa.

42 En Achaz gewon Jaëra; en Jaëra gewon Alémeth, en Ama-veth , en Zimri; en Zimri gewon Moza;

43 en Moza gewon Bina , wiens zoon was He fa ja. wiens zoon was Elasa, wiens zoon was Azel.

44 Azel nu had zes zonen, en dit zijn hunne namen : Azrikam, Bo-cliru , en Ismaël, en Searja , en Obadja, en Hanan: deze zijn Azels zonen.

HOOFDSTUK 10.

En de Filistijnen streden tegen Israël, en de mannen Israels vloden voor hot aangezicht der Filistijnen, en zij vielen verslagen op het gebergte\'Gilbóa.

2 En de Filistijnen hielden dicht achter Saul en achter zijne zonen aan, en de Filistijnen slóegen Jonathan en Abinadab en Malkisüa, de zonen Sauls;

3 en de strijd werd zwaar tegen Saul, en de schutters met de bogen troffen hem aan, en hij vreesde zeer voor de schutters.

4 Toen zeide Saul tot zijnen wapendrager : Trek uw zwaard uit en doorsteek mij daarmede, dat misschien deze onbesnedenen niet komen en met mij den spot drijven. Maar zijn wapendrager wilde niet, want hij vreesde zeer: toen nam Saul liet zwaard en viel daarin.

5 Toen zijn wapendrager zag dat Saul dood was, zoo viel hij ook in het zwaard en stierf.

(3 Alzoo stierf Saul en zijne drie zonen; ook zijn gansche huis is tegelijk gestorven.

7 Als alle de mannen Israels, die in het dal waren, zagen dat zij gevloden waren, en dat Saul en zijne zemen doed waren, zoo verlie-


-ocr page 502-

1 KRONIEKEN 11.

488

ten zij hunne steden en zij vloden: toen kwamen de Filistijnen en woonden daarin.

8 Het geschiedde nu des anderen daags als de Filistijnen kwamen om de verslagenen te plunderen, zoo vonden zij Saul en zijne zonen liggende op het gebergte Gilboa;

9 en zij plunderden hem, en zij namen zijn hoofd en zijne wapenen, en zij zonden ze in der Filistijnen land rondom, om dit te boodschappen aan hunne afgoden en aan het volk;

10 en zij leiden zijne wapenen in het huis huns góds, en zijn hoofd hechtten zij in het huis Dagons.

11 Als geheel Jabes in Gilead hoorde a.les wat de Filistijnen Saul gedaan hadden,

12 zoo maakten zich alle strijdbare mannen op, en zij namen het lichaam van Saul en de lichamen zijner zone i, en zij brachten ze te Jabes; en zij begroeven hunne beenderen onder eenen eikeboom te Jabes, en zij vastten zeven dagen.

13 Alzoo stierf Saul in zijne overtreding, waarmede hij overtreden had tegen den IIeeue, tegen het Woord des Heer ex hetwelk hij niet gehouden had, en ook omdat hij de waarzegster gevraagd had, haar zoekende,

14 en den Heehe niet gezocht had: daarom doodde hij hein, en keerde het koninkrijk tot David den zoon van Isaï.

HOOFDSTUK 11.

Toen vergaderde zich gansch Israël tot David te Hebron, zeggende: Zie, wij zijn uw gebeente en uw vleesch;

2 zelfs ook te voren, toen Saul nog Koning was, hebt gij Israël uitgeleid en ingeleid; ook heeft de Heehe uw God tot u gezegd: Gij zult mijn volk Israël weiden, en gij zult voorganger zijn van mijn volk Israël.

3 Ook kwamen alle oudsten in Israël tot den Koning naar Hebron, en David maakte een verbond met hen te Hebron voor het aangezicht des Heeren , en zij zalfden David ten Koning over Israël, naar het woord des Heeren door den dienst Samuëls.

4 En David toog henen, en gansch Israël, naar Jeruzalem, welke is Jebus; want daar waren de Jebusiten, de inwoners des lands.

5 En de inwoners van Jebus zeiden tot David: Gij zult hier niet inkomen. David won nogtans den burg Sion, welke is de stad Davids.

6 Want David zeide: Al die de Jebusiten het eerst slaat, zal tot een hoofd en tot een overste worden. Toen beklom Joab de zoon van Zeruja dien het eerst; daarom werd hij tot een hoofd.

7 David nu woonde op den burg; daarom heet men dien de stad Davids.

8 En hij bouwde de stad rondom , van Millo af en rondom henen ; en Joab vernieuwde het overige der stad.

9 En David ging geduriglijk voort en werd groot, want de Heere der heirscharen was met hem.

10 Deze nu waren de hoofden der helden die David had, die zich dapper bij hem gedragen hebben in zijn koninkrijk bij geheel Israël, om hem Koning te maken naar het Woord des Heeren over Israël.

11 Deze nu zijn van het getal der helden die David had: Jaso-bam do zoon van Hachmoni was het hoofd der dertig; deze. zijne spies tegen driehonderd opheffende, versloeg ze op eenmaal.

12 En na hem was Eleazar de zoon van Dodo de Ahohiet; hij was onder die drie helden.

13 Hij was met David te Pas-Damrnim, als de Filistijnen daar ten strijde vergaderd waren, en het stuk des akkers vol gerst was, en het volk voor het aangezicht der Filistijnen vlood:

14 en zi\'j stelden zich in het midden van dat stuk en beschermden het, en zij sloegen de Filistijnen, en de Heere verloste ze door eene groote verlossing.

15 En drie uit de dertig Jloofden togen af naar \'den rotssteen tot


-ocr page 503-

-

1 K R O NI

nd David in de spelonk van Adullam; iet en het leger der Filistijnen had ist zich gelegerd in het dal Refaïm.

16 En David was toen in do ves-en ting; en de bezetting der Filistijnen n, was toen te Bethlehem, en 17 En David kreeg lust en zeide: es Wie zal mij water te drinken geven uit Bethlehems bornput die us onder de poorte is? et 18 Toen braken die drie door 2n het leger der Filistijnen, en put-[s. leden water uit Bethlehems born-le put die onder de poorte is, en zij Dt droegen het en brachten het tot r- David. Doch David wilde het niet )n drinken, maar hij goot het uit m voor den Heere,

10 en hij zeide: Dat late mijn ;; God verre van mij zijn van zulks d te doen: zoude ik liet bloed dezer mannen drinken? Met gevaar huns 1- levens, ja met gevaar huns levens ï- hebben \'zij dat gebracht. En hij it wilde het quot;niet drinken. Dit deden

de drie helden.

k 20 Ablsai nu de broeder Joabs 8 die was ook het hoofd van drie, t en hij verheffende zijne spies tegen driehonderd versloeg ze; alzoo i had hij een naam onder die drie: i 21 uit die drie was hij geëerd i boven de twee; daarom werd hij , hun tot een overste; maar hij r kwam tot aan die eerste drie niet.

22 Benaja, de zoon van Jojada, I eons dapperen mans zoon van

Kabzeël, was groot van daden; gt; hij versloeg twee sterke leeuwen ! van Moab, ook ging hij afenver-, sloeg eenen leeuw in het midden des kuils in den sneeuwtijd.

23 Hij versloeg ook eenen Egyp-tischen man, eenen man van groo-

, te lengte, van vijf ellen; en die Egyptenaar had eene spies in de hand als een weversboom, maar ■ hij ging tot hem af met oenen staf; en hij rukte de spies uit de hand des Egyptenaars, en hij doodde hem met zijne eigene spies.

24 Deze dingen deed Benaja de zoon van Jojada, dies had hij eenen naam onder die drie helden:

25 zie, hij was de heerlijkste van die dertig, nogtans kwam hij tot aan de drie niet. En David stelde hem over zijne trawanten.

E K E N 12. 489

26 De helden nu der heiren waren Asaël de broeder Joabs; Ei-hanan de zoon van Dodo van Bethlehem ;

27 Sammoth de Ilarodiet; Ilelez de Peroniet:

28 Ira de zoon van Ikkes de Tekoïet; Abiëzer de Annethothiet;

29 Sibbechai de Husathiet; Ilai de Ahohiet :

30 Maharai de Netofathiet; He-led de zoon van Baëna de Netofathiet;

31 Ithai de zoon van Ribai, van Gibea dor kinderen Benjamins; Benaja do Pirathoniet;

32 Hurai van de beken Gaas; Abiël de Arbathiet;

33 Azmdveth de Baharumiet; Eljahba de Saalb-miet.

34 Van de kinderen Hasems des Gizoniets was Jonathan de zoon van Sage de Harariet;

35 Ahiam de zoon van Sachar de Harariet; Elifal de zoon van Ur;

36 Hefer de Mecherathiet; Alna de Peloniet ;

37 Hezro do. Karmeliet; Naarai de zoon van Ezbai;

38 Joël de broeder van Nathan; Mi bh ar de zoon van Geri;

30 Zelek do Ammoniet; Nahrai de Berothiet, wapendrager Joabs des zoons van Zeruja;

AO Ira de Jethriet ; Gareb de Jethriet;

41 Una do Ilethiet; Zabad de zoon van Ahlai;

42 Adina de zoon van Siza de Rubeniet was het hoofd der Ru-beniten , nogtans waren er dertig boven hem;

43 Hanan de zoon van Maacha, • en Josafat de Mithniet;

44 Uzzia de Asterothiet; Sama, en Jeïël de zoon Hothams des Aroëriets;

45 Jediaël de zoon van Simri, en Joha zijn broeder de Tiziet;

46 Eliël Hammahavim, en Je-ribai, en Josavja,de zonen Elnaams, en Jithma de Moabiet;

47 Eliël en Obed, en Jaasiël van Mezobaja.

HOOFDSTUK 12.

Deze nu zijn het die tot David


I

-ocr page 504-

1 KRONIEKEN 42.

kwamen naar Ziklag, toen hij nog opgesloten was voor het aangezicht Sauls des zoons van Kis; zij waren ook onder de helden die tot dien krijg hielpen,

2 gewapend met bogen , rechts en links met steenen werpende, en met pijlen schietende uit den hoog; zij waren van de broederen Sauls, uit Benjamin.

3 Het hoofd was Ahiëzer en Jo-as, zonen van Semaii den (libea-thiet; daarna Jeziël en Pelet, zonen Azmdveths, en Reracha, en Jehu de Annethothiet.

4 En Jismaja de Gibeoniet was een held onder de dertig, en over dertig gesteld\', en Jirmeja, en Ja-haziël, en Johanan, en Jozabad de Gederothiet;

5 Eluzai, en Jerimoth, en Benl-ja, en Semarja, en Sefatia de Hani fiet ;

6 Elkana, en Jissia, en Azareël, en Joëzer, en Jasobam, de Kora-chiten;

7 en Joëla en Zebadja de zonen Jerohams van Gedor.

8 Ook scheidden zich van de Gaditen af tot David in die vesting, naar de woestijn, kloeke helden, krijgslieden ten oorloge toegerust met rondas en schild; en hunne aangezichten waren aangezichten der leeuwen, en zij waren als de reeën op de bergen in snelheid.

9 Ezer was het hoofd, Obadja de tweede, Eliab de derde,

10 Mismanna de vierde, Jirmeja de vijfde,

11 Attai de zesde, Eliël de zevende,

12 Johanan de achtste, Elzabad de negende,

13 Jirmeja de tiende, Machban-nai de elfde.

14 Deze waren van de kinderen Gads, hoofden des heirs: een von de kleinsten was over honderd, en de grootste over duizend.

15 Deze zelfden zijn het die over den Jordaan gingen in de eerste maand, toen dezelve vol was aan alle zijne oevers, en zij verdreven alle de inwoners der laagten tegen het Oosten en tegen het Westen.

16 Daar kwamen ook van de kinderen van Benjamin en Juda op de vesting tot David.

17 En David ging uit hun tegemoet, en antwoordde en zeide tot hen: Indien gijlieden tot vrede tot mij gekomen zijt, om mij te helpen, zoo zal mijn harte te gelijk over ulieden zijn: maar indien het is om mij aan mijne vrienden be-driegelijk over te leveren, daar toch geen wrevel in mijne handen is, de God onzer vaderen zie het en straffe het.

•18 En de Geest toog Amasai aan, den overste der hoofdlieden, en hij zeide: Wij zijn uwe, o David, en met u zijn wij , gij zoon van Isaï. Vrede, vrede 5;ij u, en vrede uwen helperen, want uw God helpt u. Toen nam ze David aan, en stelde ze tot hoofden der benden.

10 Er vielen ook van Manasse David toe, toen hij met de Filistijnen kwam om \'tegen Saul te strijden, alhoewel zij niet hielpen ; want de Vorsten der Filistijnen zonden hem weg met voordacht, zeggende: Met qevaor van onze hoofden zoude hij Saul zijnen heer toevallen.

20 Toen hij naar Ziklag toog, vielen hem toe uit Manasse Adnah, en Jozabad, en Jediacl. en Michaël, en Jozabad, en Elihu, en Zille-thai, hoofden der duizenden die in Manasse waren.

21 En deze hielpen David mede tegen die benden, want alle deze waren kloeke helden; en zij waren oversten in het heir.

22 Want daar kwamen er te dier tijd dag op dag tot David om hein te helpen, tot ee.i groot leger toe, als een leger Gods.

23 En dit zijn de gelalen der hoofden dergenen die toegerust waren ten heire, die tot David te Hebron kwamen, om het koninkrijk Sauls tot hem te wenden, naar den mond des Heeren:

24 van de kinderen van Juda , die rondassen en spieser droegen, waren zesduizend en achthonderd, toegerust ten heire;

2o van de kinderen Simeons kloeke helden ten heire, zevenduizend en honderd;


-ocr page 505-

1 K R O NIE K K N 13.

491

2ü van de kinderen van Levi, vierduizend en zeshonderd.

27 En Jehojada was overste der Aaroniten, en met hem waren er drieduizend en zevenhonderd.

28 En Zadok was oen jongeling, een kloek held; en uit zijns vaders huis waren tweeëntwintig oversten.

29 En van de kinderen Benjamins, de broederen Sauls, drieduizend; want tot nog toe waren er velen van hen die \'t met den huize Sauls hielden.

30 En van de kinderen Efraïms twintigduizend en achthonderd, kloeke helden, mannen van naam in het huis hunner vaderen.

31 En van den hal ven stam Manasse achttienduizend, die met namen uitgedrukt, zijn, dat zij kwamen om David Koning té maken.

32 En van de kinderen Issa-schars, die ervaren waren in liet verstaan van de tijden, om te weten wat Israël doen moest: hunne hoofden waren tweehonderd, en alle hunne broeders pasten op hun woord.

33 Uit Zebulon, uitgaande in hel, heir, toegerust ten strijde met alle krijgswapenen, vijftigduizend, en om eene slagorde te houden met een onwankelbaar harte.

34 En uit Naftali duizend oversten , en bij hen met rondas on spies, zeveriendertigduizend.

35 En uit de Daniten ten strijde toegerust, achtentwintigduizend en zeshonderd.

36 En uit Aser, uitgaande in het heir om krijgsorde te houden, waren veertigduizend.

37 En van gene zijde van den Jordnnn, van de Rubenlten en Gaditen en den halven stam Manasse, met allerlei krijgsgereedschap ten oorloge honderd en twintigduizend.

38 Alle deze krijgslieden, die zich in slagorde konden houden, kwamen met een volkomen harte te Hebron, om David Koning te maken over gansch Israël. En ook was al het overige van Israël één harte om David tot Koning te maken.

39 En zij waren daar bij David drie dagen lang, etende en drinkende ; want hunne broeders hadden voor hen wat toebereid.

40 En ook de naasten aan hen, tot aan Issaschar en Zebulon en Naftali, brachten brood op ezelen en op kemelen en op muildieren en op runderen, meelspijze, stukken vijgen en stukken rozijnen. en wijn en olie, en runderen en klein vee in menigte; want daar was blijdschap in Israël.

HOOFDSTUK 13.

En David hield raad met de oversten der duizenden en der honderden m met alle Vorsten.

2 En David zeide tot de gansche gemeente Israels: Indien het ulie-den goed dunkt en van den Herrk onzen God te zijn, laat ons ons uitbreiden, laat ons zenden aan onze overige broeders in alle landen Israels, en de Priesters en Leviten, die met hen zijn in de steden met hare voorsteden, opdat zij tot ons vergadei\'d worden;

3 en laat ons de Arke onzes Gods tol ons wederhalen, want wij hebben ze in de dagen .Sauls niét gezocht.

4 Toen zeide de gansche gemeente dat. men alzoo doen zoude, want die zake was recht in de oogen des ganschen volks.

5 David dan vergaderde gansch Israël, van de Egyptische Sihor af tot waar men komt te Mamath, om de Arke Gods te brengen van Kirjath-.Tenrim.

0 Toen toog David op met het i gansche Israël naar Itaala, dat is, naar Kirjath-.Tearim hetwelk in .Tuda is, dat hij van daar ophaalde de Arke Gods des Heeren die tusschen de cherubs woont, waar de Naam wordt aangeroepen.

7 En zij voerden de Arke Gods op een nieuwen wagen uit het huis Abinadabs; Uzza nu en Ahio leidden den wagen.

8 En David en gansch Israël speelden voor het aangezicht Gods met alle macht, zoo met liederen als met harpen en met luiten en met trommelen en met cymbalen en met trompetten.

9 Toen zij aan den dorschvloer


-ocr page 506-

492 1 K R O NIE

van Kidon gekomen waren, zoo .strekte Uzza zijne hand uit om de Arke te houden, want de runderen struikelden.

10 Toen ontstak de toorn des Heeren over Uzza, en hij sloep: hem omdat hij zijne hand had uitgestrekt naar de Arke en hij stierf aldaar voor het aangezicht Gods.

11 En David ontstak, dat de Hekre eene scheure gescheurd had aan Uzza: daarom noemde hij die plaats Perez-Uzza, tot op dezen dag.

12 En David vreesde den Heere te dien dage, zeggende: Hoe zal ik de Arke Gods tot mij brengen?

13 Daarom liet David de Arke niet tot zich brengen in de stad Davids, maar deed ze afwijken in het huis Obed-Edoms des Gethiets.

14 Alzoo bleef de Arke Gods bij het huisgezin Obed-Edoms in zijn huis drie maanden; en de Heere zegende het huis Obed-Edoms en alles wat hij had.

HOOFDSTUK 14.

Toen zond Hiram de Koning van Tyrus boden tot David, en cederenhout, en metselaars, en timmerlieden , dat zij hem een huis bouwden.

2 En David merkte dat hem do Heere tot Koning bevestigd had over Israël, want zijn koninkrijk werd ten hoogste verheven om zijns volks Israëls wille.

quot;3 En David nam meervrouwen te Jeruzalem, en David gewon meer zonen en dochteren.

4 Dit nu zijn de namen der kinderen die hij te Jeruzalem had: Sammua en Sobab, Nathan en Salomo,

5 en Jibhar, en Eüsua, en Elpélet,

6 en Nogah, en Nefeg. en Jaffa,

7 en Elisama, en Beëljada, en Elifélet.

8 Toen de Filistijnen hoorden dat David ten Koning gezalfd was over het gansche Israël, zoo togen alle de Filistijnen op om David te zoeken. Toen David dat hoorde, zoo toog hij uit tegen hen.

0 Toen de Filistijnen kwamen,

K E N 14, 15.

zoo spreidden zij zich uit in de ö laagte van Refaim. p

lü Toen vraagde David God, zeggende: Zal ik optrekken tegen cl de Filistijnen, en zult gij ze in mijne hand geven? En de Heere X zeide tot hem : Trek op, want ik quot;v zal ze in uwe hand geven.

11 Toen zij nu optogen naar gt; Baal-Perazim. zoo sloeg David ze c daar, en David zeide : God heeft t mijne vijanden door mijne hand gescheurd als eene scheure der wateren; daarom noemden zij den naam dezer plaats Baiil-Pe-razim.

12 En daar lieten zij hunne goden ; en David gebood, en zij werden met vuur verbrand.

13 Doch de Filistijnen voeren nog voort en zij verspreidden zich in dat dal.

14 En David vraagde God nog eens, en God zeide tot hem: Gij zult niet optrekken achter hen henen; maar omsingel ze van boven, en kom tot hen tegenover de moerbeziënboomen;

15 en het zal geschieden als gij hoort het geruisch van eenen gang in do toppen der moerbeziënboomen, kom dan uit ten strijde, want God zal voor uw aangezicht uitgegaan zijn om het leger der Filistijnen te slaan.

10 David nu deed gelijk als hem God geboden had. en zij sloegen het. heir der Filistijnen van Gi-beon af tot aan Gozer.

17 Alzoo ging Davids naam uit in alle die landen. en de Heere gaf zijne verschrikking over alle die heidenen.

HOOFDSTUK lo.

En David maakte zich huizen in zijne stad; en hij bereidde der Arke Gods eene plaats , en spande eene tent voor haar.

2 Toen zeide David: Niemand mag de Arke Gods dragen dan de Leviten; want die heeft de Heere verkoren om de Arke Gods te dragen, en om hem te dienen tot in eeuwigheid.

3 Ook vergaderde David gansch Israël te Jeruzalem, om de Arke


-ocr page 507-

1 KRONIEKEN 15.

493

des Heehen op te halen aan hare plaats die hij naar bereid had.

4 En David verzamelde de kinderen Aarons en de Leviten.

5 Van de kinderen Kohaths was Uriël overste, en zijner broederen waren honderd en twintig.

ü Van de kinderen van Merari was Asajaoverste, en zijner broederen waren tweehonderd en twintig.

7 Van de kinderen Gersoms was Joël overste , en zijner broederen waren honderd en dertig.

8 Uit de kinderen Elizafans was overste Semaja, en zijner broederen waren tweehonderd.

9 Uit de kinderen Hebrons was Eliël overste, en zijne broeders waren tachtig.

10 Uit de kinderen Uzziëls was Amminadab overste, en zijne broederen waren honderd en twaalf.

11 En David riep de Priesters Zadok en Abjathar, en de Leviten Uriël, Asaja, en Joël, Semaja, en Eliël, en Amminadab;

12 en hij zeide tot hen : Gijlieden zij t hooiden der vaderen onder de Leviten: heiligt u , gij en uwe broeders, dat gij de Arke des Heeren des Gods Israels opbrengt ter plaatse die ik voor haar bereid heb;

13 want omdat gijlieden ten eerste dit niet cleecit, heeft de Heere onze God onder ons eene scheur gemaakt, omdat wij hem niet gezocht hebben naar het recht.

14 Zoo heiligden zich dan de Priesters en Leviten, om de Arke des Heeren des Gods Israëls op te brengen.

15 En de kinderen der Leviten droegen de Arke Gods op hunne schouderen , met de draagboomen die op hen waren, gelijk als Mo-zes geboden had naar het Woord des Heeren.

16 En David zeide tot de oversten der Leviten, dat zij hunne broeders de zangers stellen zouden met muziekinstrumenten, met luiten en harpen en cymbalen, dat zij zich zouden doen hooren, verheffende de stemme met blijdschap.

17 zoo stelden dan de Leviten Heman den zoon Joëls, en uit zijne broederen Asaf den zoon van Berechja; en uit de zonen van Merari, hunne broederen Ethan den zoon van Kusaja;

18 en met hen hunne broeders van de tweede orde: Zecharja, Ben, en Jazziël, en Semiramoth, en Jehiël, en Unni, Eliab, en Benaja, enMaaseja, en Mattithja, en Elifelé, en Mikneja, en Obed-Edom , en Jeïël, de portiers.

19 De zangers nu, Héman, Asaf en Ethan, lieten zich hooren met koperen cymbalen;

\'20 en Zecharja, en Aziël, en Semiramoth, en Jehiël, en Unni, en Eliab, en Maaseja, en Benaja, met luiten op alamoth;

21 en Mattithja, en Elifelé, en Mikneja, enObcd-Edom, en Jeïël, en Azazja, met harpen op de scheminith, om den toon te versterken ;

22 en Kenanja de overste der Leviten was óver het opheffen, hij onderwees hen inliet opheffen, want hij was verstandig;

23 en Berechja enElkana waren portiers der Arke;

24 en Sebanja, en Josafat, en Nethaneël, en Amasai en Zecharja, en Benaja, en Eliëzer, de Priesters, trompetteden met trompetten vóór de Arke Godes; en Obed-Edom en Jehia waren portiers der Arke.

25 Het geschiedde nu dat David en de oudsten van Israël en de oversten der duizenden henengingen om de Arke des verbonds des Heeren op te halen uit het-huis Obed-Edoms, met vreugde;

26 zoo geschiedde het doordien dat God de Leviten hielp die de Arke des verbonds des Heeren droegen, dat zij zeven varren en zeven rammen offerden.

27 David nu was gekleed met eenen mantel van lijn linnen, ook alle de Leviten die de Arke droegen , en de zangers, en Kenanja de overste van het opheffen der zangers; ook had David eenen lijfrok aan van linnen.

28 Alzoo bracht gansch Israël de Arke des verbonds des Heeren


-ocr page 508-

1 KRONIEKEN 10.

494

op, met gejuich en met geluid der bazuineen met trompetten en met cymbalen, makende geluid met luiten en met harpen.

29 Het geschiedde nu toen de Arke des verbonds des Heeren tot aan de stad Davids gekomen was, dat Michal de dochter Sauls door een venster keek, en den Koning David zag springende en spelende; zoo verachtte zij hem in haar harte.

HOOFDSTUK 16.

Toen zij de Arke Gods inbrachten , zoo stelden zij z© in het midden der tent welke David voor haar gespannen had, en zij offerden brandotleren en dankoli\'e-ren voor het aangezicht Gods.

2 Als David geëindigd had het brandoffer en de dankofferen te offeren, zoo zegende hij het volk in den naam des Heeren ;

3 en hij deelde aan een iegelijk in Israël, van den man tot de vrouw, aan een iegelijk een bolle brood en een schoon stuk vleesch en eene llesch tuijn.

4 En hij stelde voor de Arke des Heeren sommigen uit de Levi ten tot dienaars, en dat, om den Heere den God Israels te vermelden en te loven en te prijzen.

5 Asaf was het hoofd, en Ze-charja de tweede na hem; Jeïël, en Semiramoth , en Jehiëlen Mat-tithja, en Eliab, en Benaja, en Obed-Edom, en Jeïël, met instrumenten der luiten en met harpen ; en Asaf liet zich hooren met cymbalen ,

(i maar Benaja en Jahaziël de Priesters steeds met trompetten vóór de Arke des verbonds Gods.

7 Te- dienzelfden dage toen gaf David het eerst dezen psalm, om den Heere te loven, door den dienst Asafs en zijner broederen.

8 Looft den Heere , roept zijnen nanm aan , maakt zijne daden be-kond onder de volken.

0 Zingt hem , psalmzingt hom , spreekt aandachtiglijk van alle zijne wonderwerken.

1U Roemt in den name zijner heiligheid; dat zich het hart dergenen die den Heere zoeken verblijde.

11 Vraagt naar den Hkere en zijne sterkte; zoekt zijn aangezicht geduriglijk.

12 Gedenkt zijne wonderwerken die hij gedaan heeft, zijne wonderteekenen, en de oordeelen zijns monds,

13 gij zaad Israels zijns dienaars, gij kinderen van Jakob zijnen uitverkorene.

14 Hij is de Heere onze God; zijne oordeelen zijn over de ge-heele aarde.

15 Gedenkt tot in eeuwigheid zijn verbond, het Woord dat hij ingesteld heeft tot in het duizendste geslacht;

iG het verbond dat hij met Abraham heeft gemaakt, en zijnen eed aan Isaak;

17 welken hij ook aan Jakob heeft gesteld tot eene inzetting, aan Israël tot een eeuwig verbond,

18 zeggende: Ik zal u het land Kanaan geven, een stoer van ulieder erfdeel:

19 als gij weinige menschen in getale waart, ja weinigenen vreemdelingen daarin.

20 En zij wandelden van volk tot volk, en van hot ééne koninkrijk tot een ander volk:

21 hij liet niemand toe hen te onderdrukken; ook bestrafte hij Koningen om hunnentwille, zey-rjende:

22 Tast mijne gezalfden niet aan, en doet mijnen Profeten geen kwaad.

23 Zingt don Heere, gij gansche aarde, boodschapt zijn heil van dag tot dag.

24 Vertelt zijne eere onder de heidenen, zijne wonderwerken onder alle volken.

25 Want de Heere is groot en zeer te prijzen, en hij is vreese-lijk boven alle goden.

26 Want alle de goden der volkeren zijn afgoden, maar do Hek-re heeft de hemelen ge naakt.

27 Majesteit en heerlijkheid zijn voor zijn aangezicht, sterkte èn vroolijk\'heid zijn in zijne plaats.

28 Geeft den Heere, gij geslach

ten eei


-ocr page 509-

4 K R O NI

495

EKEN 17.

ton der volkeren, geeft den Heere v èere en sterkte.

29 Geeft den Heere de eere s q.1 pjns naams; brengt offer en komt richt N10r ziJn «langeziclit; aanbidt den [Heere in de heerlijkheid des ve \'Hoiligdoms.

iji quot; | 30 Schrikt voor zijn aangezicht, ïlen S\'-i §e\'ieeIe a«irde; ook zal de wereld bevestigd worden, dat zij niet ll.-. bewogen worde.

Ul^ .\'M Dat de hemelen zich verblijden . en de aarde verheuge zich, en clat men onder de heidenen \' zegge: De Heere regeert. 3 quot; :i2 Dat de zee bruise met hare „j , volheid, dat het veld huppele van J- vreugde met nl dat dnar in is.

33 Dan zullen de boomen des wouds juichen voor het aangezicht

. des Heeren, omdat hij komt om \'de aarde te richten.

34 Looft den Heere , want hij is . goed, want zijne goedertierenheid

is tot in eeuwigheid, j\' 35 en zegt: Verlos ons, o God J onzes heils, en verzamel ons, red 11 ons van de heidenen, dat wij uwen heiligen naam loven en dat wij roemen in uwen lol\'.

36 Geloofd zij de Heere de God Israels van eeuwigheid tot eeuwigheid. En al het volk zeide

) Amen. en het loofde den Heere.

37 Alzoo liet hij daar vóór de Arke des verbonds des Heeren Asaf en zijne broederen, om ge-duriglijk té dienen vóór de Arke naar dat op eiken dag besteld was.

38 Obed-Edom nu met hunne broederen waren achtenzestig; en hij stelde Obed-Edom, den zoon van Jeduthun, en Hosa tot por-

: tiers:

39 en den Priester Zadok en zijne broederen de Priesters vóór den Tabernakel des Heeren op de hoogte, welke te Gibeon is,

40 om den Heere de brand-olïeren geduriglijk te offeren op het brandoffer-altaar, des morgens en des avonds; en zulks naar alles dat er geschreven staat in de wet des Heeren, die hij Israël geboden had.

41 En met hen Heman en Jeduthun, en de overige uitgelezenen

die met namen uitgedrukt zijn, om den Heere te loven, want zijne goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

42 Met hen dan waren Heman en Jeduthun met trompetten en cymbalen voor degenen die zich lieten hooren, en met instrumenten der muziek Gods; maar de zonen Jeduthuns waren aan de poorte.

43 Alzoo toog het ganschc volk henen, een iegelijk in zijn huis; en David keerde zich, om zijp huis te gaan zegenen.

HOOFDSTUK 17.

Het geschiedde nu als David in zijn huis woonde, dat David tot Nathan den Profeet zeide: Zie, ik woon in een cederen huis, maar do Arke des verbonds des Heeren onder gordijnen.

2 Toen zeide Nathan tot David: Doe alles wat in uw harte is, want God is met u.

3 Maar het geschiedde in denzelfden nacht dat het Woord Gods tot Nathan kwam, zeggende:

4 Ga henen en zeg tot David mijnen knecht: Alzóó zegt de Heere: Gij zult mij geen huis bouwen om in te wonen;

5 want ik heb in geen huis gewoond van dien dag af dat ik Israël heb opgevoerd, tot dezen dag toe, maar ik ben gegaan van teute tot tente en van tabernakel tot tabernakel.

6 Overal waar ik gewandeld heb met geheel Israël, heb ik wel een woord gesproken tot één van de Richters van Israël, denwelken ik gebood mijn volk Ie. weiden, zeggende: Waarom bouwt gijlieden mij geen cederen huis?

7 Nu dan alzóó zult gij zeggen tot mijnen knecht, tot David: Zóó zegt de Heere der heirscha-ren: Ik heb u van de schaapskooi genomen, van achter de schapen, opdat gij een voorganger over mijn volk Israël zoudt zijn;

8 en ik ben met u geweest overal waar gij henengegaan zijt, en ik heb alle uwe vijanden uitgeroeid van voor uw aangezicht; en ik heb u eenen naam gemaakt


-ocr page 510-

1 K R O NIE K E N 18.

406

gelijk de naam is der Grooten die op de aarde zijn.

0 En ik heb voor mijn volk Israël eene plaatse besteld en hem geplant, dat hij aan zijne plaatse wone en niet meer heen en weder gedreven worde; en de kinderen der verkeerdheid zullen hem niet meer krenken, gelijk als in het eerste,

10 en van die dogen af dat ik geboden heb dat er Richters wezen zouden over mijn volk Israël en alle uwe vijanden vernederd heb. Ook heb ik u te kennen gegeven dat u de Heere een huis bouwen zal.

11 En het zal geschieden als uwe dagen zullen vervuld zijn dat gij henen gaat tot uwe vaderen, zoo zal ik uw zaad na u doen opstaan , hetwelk uit uwe zonen zijn zal, en ik zal zijn koninkrijk bevestigen

12 Die zal mij een huis bouwen, en ik zal zijnen stoel bevestigen tot in eeuwigheid.

13 Ik zal hem tot eenen vader zijn en hij zal mij tot eenen zoon zijn; en mijne goedertierenheid zal ik van hem niet wenden, gelijk als ik die weggenomen heb van dien die voor u geweest is;

14 maar ik zal hem in mijn huis bestendig maken, en in mijn koninkrijk tot in eeuwigheid; èn zijn stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid.

15 Naar alle deze woorden en naar dit gansche gezicht, alzóó sprak Nathan tot David.

16 Toen kwam de Koning David in, en bleef voor het aangezicht des Heeren, en hij zeide: Wie ben ik, Heere God, en wat is mijn huis, dat gij mij tot hiertoe gebracht hebt?

17 En dit is klein in uwe oogen geweest, o God: daarom hebt gij van het huis uws knechts tot verre henen gesproken, en gij hebt mij naar menschelijke wijze voorzien met deze verhooging, o Heere God.

18 Wat zal David meer bij u daaraan toevoegen, vanwege\' de eere aan uwen knecht? Doch gij kent uwen knecht wel.

19 Heere , om uws knechts wille en naar uw harte hebt gij alle deze grooto dingen gedaan, om alle deze groote dingen bekend te maken.

20 Heere , daar is niemand gelijk gij , en er is geen God behaVe gij, naar alles wat wij met onze ooren gehoord hebben.

21 En wie is als uw volk Israël, een éénig volk op de aarde, hetwelk God henengegaan is zich tot een volk te verlossen, dat gij u eenen naam maaktet van groote en verschrikkelijke dingen, met de heidenen uit te stooten van hot aangezicht van uw volk helwelk gij uit Egypte verlost hebt?

22 Eii gij hebt uw volle Israël u ten volke gemaakt tot in eeuwigheid , en gij, Heere, zijt hun tot eenen God geworden.

23 Nu dan, Heere, het WDord dat gij over uwen knecht gesproken hebt en over zijn huis, dat worde waar tot in eeuwigheid, en doe gelijk als gij gesproken hebt.

24 Ja het worde waar, en uw naam worde groot gemaakt tot in eeuwigheid, dat men zegge: De Heere der heirscharen, de God Israels, is Israels God; en het huis Davids uws knechts zij bestendig voor uw aangezicht.

25 Want gij, mijn God, hebt voor het oor uws knechts geopenbaard dat gij hem een huis bouwen zoudt; daarom heeft uw knecht in zijn harte gevonden om voor uw aangezicht te bidden.

26 Nu dan, Heere, gij zijt die God, en gij hebt dit goede over uwen knecht gesproken;

27 nu dan, het heeft u beliefd te zegenen het huis uws knechts, dat het in eeuwigheid voor uw aangezicht zij ; want gij, Heere, hebt het gezégend, en het zil gezegend zijn in eeuwigheid.

HOOFDSTUK 18.

Het geschiedde nu na dezen dat David de Filistijnen sloeg en bracht ze ten onder, en hij nan Gath en hare onderhoorige plaatsen uit der Filistijnen hand.

2 Hij sloeg ook de Moabiten, alzoo dat de Moabiten Davids


-ocr page 511-

1 KRONIEKEN 10.

407

knechten werden, brengende geschenken.

3 David sloeg ook Hadarézer den Koning van Zoba naar Ha-malh toe, toen hij henen toog om zijne hand te stellen aan de rivier Frath;

4 en David nam hem duizend wagens af, en zevenduizend ruiters, en twintigduizend man te voet; en David ontzenuwde alle de wagenpaarclcn, doch hij behield honderd wagens daarvan overig.

5 En de Syriërs van Damascus kwamen om\' Hadarézer, den Koning van Zoba, te helpen, maar David sloeg van de Syriërs tweeentwintigduizend man;

G en David leide bezetting in Syrië van Damascus, alzoo dat de Syriërs Davids knechten werden, geschenken brengende; en de Hek-re behoedde David overal waar hij henenging.

quot;7 En David nam do gouden schilden die bij Hadarézers knechten waren, en hij bracht ze te Jeruzalem.

8 Ook nam David zeer veel koper uitTibhath en uit Kun, Hadarézers steden: daarvan heeft Salomo de koperen zee en de pilaren en de koperen vaten gemaakt.

9 Toen Toü de Koning van Ha-mat h hoorde dat David de gansche heirkracht Kadarézers des Konings van Zoba geslagen had,

10 zoo zond hij zijnen zoon Ha-doram tot den Koning David, om hem naar zijnen welstand te vragen en om hem te zegenen, vanwege dat hij met Hadarézer gestreden en hem verslagen had, (want Hadarézer voerde oorlog-tegen Toü), en alle gouden en zilveren en koperen vaten.

11 Deze heiligde de Koning David óók den Heere, met het zilver en het goud hetwelk hij medegebracht had van alle de heidenen , van de Edomiten, en van de Moabiten, en van de kinderen Ammons, en van de Filistijnen, en van de Amalekiten.

12 Ook sloeg Absai de zoon van Zeruja de Edomiten in het Zout-dal, achttienduizend;

13 en hij leide bezetting in Edom, zoodat alle de Edomiten Davids knechten werden; en de Heere behoedde David overal waar hij henenging.

14 Alzoo regeerde David over gansch Israël; en hij deed zijnen ganschen volke recht en gerechtigheid.

15 Joab nu de zoon van Zeruja was over het heir, en Josafat de zoon Ahiluds was kanselier,

16 en Zadok de zoon Ahitubs en Abimélech de zoon Abjathars waren Priesters, en Sausa was schrijver,

17 en Benaja de zoon van Joja-da was over de Krethi en Plethi; maar do zonen Davids waren do eersten aan de hand des Konings.

HOOFDSTUK 10.

En het geschiedde na dezen dat Nahas de Koning der kinderen Ammons stierf, en zijn zoon werd Koning in zijne plaats.

2 Toen ze\'ide David: Ik zal weldadigheid doen aan Hanun, den zoon van Nahas, want zijn vader heeft weldadigheid aan mij gedaan. Daarom zond David boden om hem te troosten over zijnen yader. Toen de knechten Davids in het land der kinderen Ammons tot Hanun kwamen om hem te troosten,

3 zoo zeiden de Vorsten der kinderen Ammons tot Hanun: Eert David uwen vader in uwe oogen, omdat hij troosters tot u gezonden heeft? Zijn niet zijne knechten tot u gekomen om te doorzoeken en om om te keeren, en om het land te verspieden?

4 Daarom nam Hanun de knech- quot; ten Davids en hij beschoor ze, en sneed hunne kleederen half af, tot aan de billen, en liet ze henengaan.

5 Zij nu gingen henen, en men boodschapte David van deze mannen, en hij zond hun tegemoet, want die mannen waren zeer beschaamd. De Koning dan zeide: Blijft te Jericho totdat ulieder baard weder

! gewassen zij, komt dan wederom. | 6 Toen nu de kinderen Ammons i zagen dat zij zich stinkende ge-1 maakt hadden bij David, zoo zond


-ocr page 512-

1 K R O NIE K E N 20.

408

ITanun en de kinderen Amnions duizend talenten zilvers om zich ■wagenen en ruiteren te huren uit Mesopotamië, en uit Syrië-Maiicha, en uit Zoba;

7 zoodat zij zich huurden twee-endertigduizènd wagenen; en de Koning van Maacha en zijn voik kwamen en legerden zich voor Medeba; ook vergaderden zich de kinderen Amnions uit hunne steden, en zij kwamen ten strijde.

8 Toen David het hoorde, \'zoo zond hij Joab en het gansche heir met de helden.

1) Als de kinderen Amnions uitgetogen waren, zoo stelden zij slagorde vóór de poort der stad; maar de Koningen die gekomen waren , die waren bijzonder in het veld.

10 Toen Joab zag dat de spits der slagorde van voren cn van achteren tegen hem was, zoo verkoos hij cenicien uit alle uitgele-zenen in Israël, en hij stelde ze in orde tegen de Syriërs;

11 en het overige des volks gaf hij in de hand zijns broeders Absai, en zij stelden ze in orde tegen de kinderen Ammons.

12 En hij zeide: Indien mij de Syriërs te sterk worden, zoo quot;zult gij mij komen verlossen; en indien de kinderen Ammons u te sterk voorden, zoo zal ik u verlossen.

13 Wees sterk, en laat ons sterk zijn voor ons volk en voor de steden onzes Gods; de Heere nu doe wat goed is in zijne oogen.

14 Toen naderde Joab en het volk dat bij hem was, ten strijde voor het. aangezicht der Syriërs; en zij vloden voor zijn aangezicht.

lij Toen de kinderen Ammons zagen dat de Syriërs vloden, zoo vloden zij ook voor het aangezicht van Absai zijns broeders, en zij kwamen in de stad; en Joab kwam te Jeruzalem.

16 Als de Syriërs zagen dat zij voor het aangezicht Israels geslagen waren, zoo zonden zij boden, en brachten de Syriërs uk die aan gene zijde der rivier woonden, en Sofach de krijgsoverste Hadarézers toog voor hun aangezicht henen.

17 Toen het David werd aangezegd , zoo vergaderde hij gansch Israël, en hij toog over quot;den Jor-daan, en hij kwam tot hen, en hij stelde do slagorde tegen hen. Als David de slagorde tegen de Syriërs gesteld had, zoo streden zij met hem ;

18 doch de Syriërs vloden voor het aangezicht Israels, en David versloeg van de Syriërs zevenduizend wagenen en\' veertigduizend mannen te voet, daartoe doodde hij Sofach den krijgsoverste.

10 Toen nu de knechten Hadarézers zagen dat zij geslagen waren voor het aangezicht Israels , zoo maakten zij vrede met David, en dienden hem; en do Syriërs wilden de kinderen Ammons niet meer verlossen.

HOOFDSTUK 20.

Het geschiedde nu ten tijde der wederkomst des jaars, ten tijde als de Koningen uittrokken, zoo voerde Joab de heirkracht, en hij verdierf der kinderen Ammons land, en hij kwam en belegerde Rabba; rnaar David bleef te Jeruzalem. En Joab sloeg Rabba cn verwoestte ze.

2 En David nam de kroon huns Konings van zijn hoofd, en hij bevond ze in gewicht een talent gouds, en daar was edelgesteente aan, en zij werd op Davids hoofd gezet; en\'hij voerde zeer veel roof uit de stad.

3 Hij voerde ook het volk uit dat daarin was, en hij zaagde ze met de zage, en met ijzeren dorsch-wagens, en mot bijlen: en alzóó deed David aan alle de steden der kinderen Ammons. Toen keerde David wederom met al het volk naar Jeruzalem.

4 En het geschiedde daarna als de krijg met de filistijnen te Gezer opstond, toen sloeg Sibbechai de Hussathiet Sippai die van de kinderen van Rafa was; en zij werden tenondergebracht.

5 Daarna was er nog een krijg tegen de Filistijnen, en Efhanan de zoon Jaïrs versloeg Lr.chmi, den broeder Goliaths des Gelhiets, wiens spiesenhout was als een weversboom.


-ocr page 513-

1 KRONIEKEN 21.

490

G Daarna was er nog een krijg te Gatb; en daar was een zeer lang man, en zijne vingers waren zes en zes , vierentwintig, en hij was óók aan Rafa geboren:

7 en hij hoonde Israël; maar Jonathan, de zoon van Simea den broeder Davids, versloeg hem.

8 Deze waren Rafa geboren te Gath; en zij vielen door de hand Davids en quot;door de hand zijner knechten.

HOOFDSTUK 21.

Toen stond de satan op tegen Israël, en hij porde David aan dat hij Israël telde.

2 En David zeide tot Joab en tot de oversten des volks: Gaat henen, telt Israël van Ber-Sébatot Dan toe, brengt het tot mij , dat ik hun getal wete.

3 Toen zeide Joab : De Heeue doe tot zijn volk, gelijk zij mt zijn, honderdmaal meer: zijn zij niet allen, o mijn heere Koning, mijnen heere tot knechten ? Waarom verzoekt mijn heere dit? Waarom zoude het Israël tot schuld worden ?

4 Doch het woord des Komngs nam de overhand tegen Joab. Derhalve toog Joab uit, en hij doorwandelde gansch Israël: daarna kwam hij weder te Jeruzalem.

5 En Joab gaf David de som des getelden volks: en gansch Israël was elfhonderdduizend man die het zwaard uittrokken, en Jnda vierhonderdduizend en zeventigduizend man die het zwaard uittrokken.

0 Doch Levi en Denjnmin telde hij onder dezelve niet; want des Konings woord was Joab een gruwel.

7 En deze zaak was kwaad m de oogen Gods: daarom sloeg hij Israël.

8 Toen zeide David tot God: Ik heb zeer gezondigd, dat ik deze zake gedaan heb; maar neem toch nu de misdaad uws knechts weg, want ik heb zeer zottelijk gehandeld.

0 De ITf.ere nu sprak tot Gad, den ziener Davids, zeggende:

10 Ga henen en spreek tot David, zeggend-3: Aldus zegt de Heere: Drie dingen leg ik u voor: kies u één uit die, dat ik u doe.

11 En Gad kwam tot David, en zeide tot hem: Zoo zegt de Heere : Neem u uit:

12 öf drie jaren honger; of drie maanden verteerd te worden voor het aangezicht uwer wederpartij, en dat het zwaard uwer vijanden u achterhale; 6f drie dagen het zwaard des Heeuex, dat is de pestilentie in het land en eenen verdervenden Engel des Heehen in alle de landpalen Israëls. Zoo zie nu toe, wat antwoord ik dien zal wederbrengen die mij gezonden heeft.

13 Toen zeide David tot Gad: Mij is zeer bange; laat mij toch in de hand des Heeren vallen, want zijne barmhartigheden zijn zeer vele, maar laat mij in de hand der menschen niet vallen.

14 De Heere dan gaf pestilentie in Israël, en er vielen van Israël zeventigduizend man.

15 En God zond eenen Engel naar Jcruzalen om haar te verderven; en als hij haar verdierf, zag de Heere t, èn het berouwde hem over dat kwaad, en hij zeide tot den verdervenden Engel: Het is genoeg, trek nu uwe hand af. De Engel des Heeren nu stond bij den dorschvloer van Ornan den Jebusiet.

1G Als David zijne oogen ophief, zoo zag hij den Engel des Heeren\' staande tusschen de aarde en tusschen den hemel, met zijn uitgetrokken zwaard in zijne hand uitgestrekt over Jeruzalem. Toen, vielen David en de oudsten, bedekt met zakken, op hnnne aangezichten ,

17 en David zeide tot God: Ben ik het niet die gezegd heb dat men het. volk tellen zoude? Ja, ik zelf ben het die gezondigd en zeer kwalijk gehandeld heb; maar deze schapen, wat hebben die gedaan? O Heere mijn God, dat toch uwe hand tegen mij en tegen het huis mijns vaders zij, maarniet tegen uw volk ter plage.

18 Toen zeide de. Engel des Heeren tot Gad, dat hij David


-ocr page 514-

EKEN 22.

1 K R O NI

500

zeggen zoude, dat David zoude opgaan om den Heere een altaar op te richten op den dorschvloer van Ornan den Jebusiet.

19 Zoo ging dan David op naar den woorde Gads, dat hij \'in den naam des Heeren gesproken had.

20 Toen zich Ornan wendde, zoo zag hij den Engel; en zijne vier zonen die bij hem waren* verstaken zich, en Ornan nu dorschte tarwe.

21 En David kwam tot Ornan; en Ornan zag toe, en zag David, zoo ging hij uit den dorschvloer, en boog zich neder voor David met het aangezicht ter aarde.

22 En David zeide tot Ornan: Geef mij de plaatse des dorsch-vloers, dat ik op dezelve den Heere een altaar bouwe; geef ze mij voor het volle geld, opdat deze plage opgehouden worde van over den volke.

23 Toen zeide Ornan tot David: Neem ze maar henen, en mijn heere de Koning doe wat goed is in zijne oogen; zie, ik geef deze runderen tot brandofferen, en deze sleden tot hout, en de tarwe tot spijsoffer, ik geve het alles.

24 En de Koning David zeide tot Ornan: Neen, maar ik zal het zekerlijk koopen voor het volle geld; want ik zal voor den Heere niet nemen wat uwe is, dat ik een brandoffer om niet offere.

25 En David gaf aan Ornan voor die plaatse zeshonderd gouden sikkelen van gewicht.

26 Toen bouwde David aldaar den Heere een altaar, en hij offerde brandofferen en dankol-feren; en als hij den Heere aanriep , zoo antwoordde hij hem door vuur uit den hemel op het brand-offer-altaar.

27 En de Heere zeide tot den Engel, dat hij zijn zwaard weder in zijne scheede steken zoude.

28 Terzelver tijd, toen David zag dat de Heere hem geantwoord had op den dorschvloer Ornans des Jebusiets, zoo offerde hij aldaar;

\'29 want de Tabernakel des TTEE-ren dien Mozes in de woestijn gemaakt had, en des brandoffers 1 altaar, was te dier tijd op de hoogte te Gibeon:

30 David nu konde niet henen-gaan voor denzelven om God te zoeken, want hij was verschrikt voor het zwaard des Engels des Heeren.

HOOFDSTUK 22.

En David zeide: Hier zal het Huis Gods des Heeren zijn, en hier zal het altaar des brandoffers voor Israël zijn.

2 En David zeide dat men vergaderen zoude de vreemdelingen die in het land Israels waren; en hij bestelde steenhouwers, om uit te houwen steenen die men behouwen zoude om het Huis Gods te bouwen.

3 En David bereidde ijzer in menig te, tot nagelen aan de deuren der poorten, en tot de samenvoegingen ; ook koper in menigte, zonder gewicht;

4 en cederenhout zonder getal; want de Sidoniërs en de Tyriërs brachten tot David cederenhout in menigte.

5 Want David zeide: Mijn zoon Salomo is een jongeling en teeder; en het Huis dat men den Heere bouwen zal, zal men ten hoogste groot maken, tot eenen naam en tot heerlijkheid in alle landen: ik zal hem nu voorraad bereiden. Alzoo bereidde David voorraad in menigte vóór zijnen dood.

6 Toen riep hij zijnen zoon Salomo , en gebood hem den Heere den God Israëls een Huis te bouwen ;

7 en David zeide tot Salomo: Mijn zoon, wat mij aangaat, het was in mijn harte den name des Heeren mijns Gods een Huis te bouwen;

8 doch het woord des Heeren geschiedde tot mij, zeggende: Gij hebt bloed in menigte vergoten, want gij hebt groote krijgen gevoerd: gij zult mijnen naam geen Huis bouwen, dewijl gij veel bloed op de aarde voor mijn aangezicht vergoten hebt.

9 Zie, de zoon die u geboren zal worden, die zal een man der ruste zijn, want ik zal hem ruste


-ocr page 515-

geven van alle zijne vijanden rondom henen; want zijn naam zal Salomo zijn, en ik zal vrede en stille over Israël geven in zijne dagen.

10 Die zal mijnen naam een Huis bouwen, en die zal mij tot eenen zoon zijn en ik hem tot eenen vader; en ik zal den troon zijns rijks over Israël bevestigen tot in eeuwigheid.

■11 Nu mijn zoon, de Heere zal met u zijn , en gij zult voorspoedig zijn, en zult het Huis des Heeren uws Gods bouwen, gelijk als hij van u gesproken heelt.

12 Alleenlijk de Heere geve u kloekheid en verstand, en geve u bevel over Israël, en dat om te onderhouden de wet des Heeren uws Gods.

13 Dan zult gij voorspoedig zijn, als gij waarnemen zult te doen de inzettingen en de rechten die de Heere Mozes geboden heeft over Israël. Wees sterk en heb goeden moed, vrees niet en wees niet verslagen.

14 Ziedaar, ik heb in mijne verdrukking voor het Huis des Heeren bereid honderdduizend talenten gouds, en duizendmaal duizend talenten zilvers; en des kopers en des ijzers is geen gewicht. want het is er in menigte; ik heb ook hout en steenen bereid, doe gij daar nog meer bij.

15 Öok zijn er bij u in menigte die het werk kunnen doen, houwers, en werkmeesters in steen en hout, en alleilei wijze lieden in allerlei werk.

1(3 Des gouds, des zilvers en des kopers en des ijzers is geen getal: maak u op en doe het, en de Heere zal met u zijn.

17 Ook gebood David allen Vorsten Israels dat zij zijnen zoon Salomo helpen zouden, zeggende:

18 Is niet de Heere uw God met ulieden. en heeft u ruste gegeven rondom henen? Want hij heeft de inwoners des lands in mijne hand gegeven, en dit land is onderworpen geworden voor het aangezicht des Heeren en voor het aangezicht zijns volks.

19 Zoo geeft dan nu uw harte

501

en uwe ziele om te zoeken den Heere uwen God, en maakt u op en bouwt het Heiligdom van God den Heere: dat men de Arke des verbonds des Heeren en de heilige vaten Gods in dit Huis brenge, dat den name des Heeren zal gebouwd worden.

HOOFDSTUK 23.

Toen nu David oud was en zat van dagen, maakte hij zijnen zoon Salomo ten Koning over Israël.

2 En hij vergaderde alle de Vorsten van Israël, ook de Priesters en de Leviten.

3 En de Leviten werden geteld, van dertig jaar af en daarboven, en hun getal was naar hunne hoofden , aan mannen achtendertigduizend.

4 Uit deze waren er vierentwintigduizend om het werk des Huizes des Heeren aan te drijven, en zesduizend ambtlieden en rechters,

5 en vierduizend portiers, en vierduizend lofzangers des Heeren met instrumenten, die ik gemaakt heb, zeicle David, om lof te zin-gen.

(gt; En David verdeelde ze in af-deelingen, naar de kinderen van Levi: Gerson, Kohath en Merari.

7 Uit de Gersoniten waren La-dan en Simeï.

8 De kinderen van Ladan waren deze: Jehiël het hoofd, en Zetham, en Joel, drie.

9 De kinderen van Simeï waren Selomith, en Haziël, en Haran, drie: deze waren de hoofden der vaderen van Ladan.

10 De kinderen van Simeï nu-waren Jahat, Zina, en Jeüs, en Be na: deze waren de kinderen van Simeï, vier:

11 En Jahath was het hoofd, en Ziza de tweede; maar Jeüs en Ben\'a hadden niet vele kinderen, daarom waren zij in het vaderlijke huis maar van ééne telling.

12 De kinderen Kohaths waren Amram, Jizhar, Hebron en Uzziël, vier.

13 De kinderen Am rams waren Aaron en Mozes. Aaron nu werd afgezonderd, dat hij heiligde de allerheiligste dingen, hij en zijne

1 KRONIEKEN 23.


-ocr page 516-

i KRONIEKEN 24.

502

zonen, tot in eeuwigheid, om te rooken voor liet aangezicht des Heehex, om hem te dienen, en om in zijnen naam tot in eeuwigheid te zegenen.

14 Aangaande nu Mozes den man Gods , zijne kinderen werden genoemd onder den stam van Levi.

15 De kinderen van Mozes waren Gersom en Eliëzer.

16 Van de kinderen Gersoms was Sebuel het hoofd.

17 De kinderen Eliëzers nu waren deze: Rehabja hot hoofd: en Eliëzer had geen andere kinderen; maar de kinderen van Hehabja vermeerderden ten hoogste.

18 Van de kinderen van Jizhar was Selomith liet hoofd.

19 Aangaande de kinderen He-brons , Jen\'a was het hoofd, Amar-ja de tweede, Jahaziël de derde, en Jekameam de vierde.

20 Aangaande de kinderen Uz-ziëls, Micha was liet hoofd, en Jissi\'a de tweede.

21 De kinderen van Merari waren Mahli en Musi; de kinderen van Mahli waren Eleazar en Kis.

22 En Eleazar stierf, en hij had geen zonen maar dochters; én de kinderen van Kis, hare broeders, namen ze.

23 De kinderen van Musi waren Mahli, en luier, en Jeremoth, drie.

24 Dit zijn de kinderen van Levi, naar hot huis hunner vaderen, de hoofden der vaderen, naar hunne gerekenden in het getal dor namen naar hunne hooiden, doende liet werk van den dienst van het Huis des Hrerf.n\', van twintig jaar oud en daarboven.

25 Want David had gezegd: De Heere de God Israels heeft zijnen volke rust gegeven, en hij zal te Jeruzalem wonen tot in eeuwigheid;

26 en ook aangaande de Leviten, dat zij den Tabernakel, nocheenig van deszelfs gereedschap tot des-zelfs dienst behoorende, niet meer zouden dragon.

27 Want naar do laatste woorden Davids werden de kinderen van Levi geteld, van twintig Jaar oud en daarboven,

28 omdat hunne standplaats was aan de hand der zonen Aarons in den dienst des Huizes des Heehen, over de voorhoven en over de kameren, en over de reiniging van alle heilige dingen, en het werk van den dienst des Huizes Gods ;

29 te weten tot het brood der toerichting, en tot de meelbloem ten spijsoffer, en tot de ongezuurde vladen, en tot de pannen, en tot het gerooste, en tot alle maat en afmeting;

30 en om iederen morgen te staan om den Heeue te loven en te prijzen, en desgelijks des avonds;

31 en tot al het oireren der brandofferen dos Heehen, op de sabbaten, op de nieuwe maan-feesten, en op de gezette hoogtijden, in getale naar de wijze onder hen, geduriglijk voor het aangezicht des Heehen;

32 en dat zij de wacht van de Tente der samenkomst zouden waarnemen, en de wacht des heiligdoms, en de wacht der zonen Aarons, hunne broederen, in den dienst des Huizes des Heeken.

HOOFDSTUK 24.

Aangaande nu de kinderen Aarons, dil waren hunne vereee-lingen. De zonen Aarons waren Nadab en Abihu, Eleazar en It ha-mar.

2 Maar Nadab sliorf on Abilm voor het aangezicht huns vaders, on zij hadden geen kinderen: en Eleazar en Ithamar bedienden het Priesterambt.

3 David nu verdeelde ze, en Zadok uit de kinderen Eleazars, en Ahimélech uit do kinderen it ha-mars , naar hun ambt in hunnen dienst.

4 En der kinderen Eleazars werden meer gevonden tot hoofden der mannen, dan der kinderen Ithamars. als zij ze afdeelden: van de kinderen Eleazars waren zestien hoofden der vaderlijke huizen, maar van de kinderen Ithamars, naar hunne vaderlijke huizen, acht.

5 En zij deelden ze door loten af, deze met gene; want de over-


-ocr page 517-

1 KRONIEKEN 25.

503

sten des heiligdoms en de oversten Gods waren uit de kinderen Eleazars en van de kinderen Itha-mars.

6 En Semaja de zoon Nethaneëls, de schrijver uit, de Leviten, schreei\' /e op voor het aangezicht des Konings, en der Vorsten, en de.s Priesters Zadoks, en van Ahimu-lech den zoon Abjathars, en van de hoofden der vaderen onder de Priesters en onder de Leviten: één vaderlijk huis werd genomen voor Eleazar, en desgelijks werd genomen voor Ithamar.

7 Het eerste lot nu ging uit voor Jojarib , het tweede voor Jedaja,

8 het derde voor Harim, het vierde voor Seorim,

0 het vijfde voor Malki\'a, het zesde voor Miamin,

-10 het zevende voor Hakkoz, het achtste voor Abia,

\'li het negende voor Jesüa, het tiende voor Scchanja,

12 het elfde voor Eljasib, het twaalfde voor Jakira ,

13 het dertiende . voor Huppa , het veertiende voor Jesebeab,

14 het vijftiende voor Bllga, het zestiende voor Immer,

15 het zeventiende voor TIezir, het achttiende voor Happizze/,

10 het negentiende voor Pethahja, het twintigste voor Jehezkel,

17 het éénentwintigste voor Ja-chin, het tweeëntwintigste voor Gamul,

18 het drieëntwintigste voor Do-la ja, het vierentwintigste voor Maazja.

19 Het ambt van deze in hunnen dienst was te gaan in het Huis des Heep.ex , naar hunne ordening door de hand Aarons huns vaders. gelijk als hem de Heeue de God Israels geboden had.

20 Van de overige kinderen van Levi nu was van de kinderen Amrams Subaël; van de kinderen Subaëls was Jehdeja.

21 Aangaande Rehabja, van de kinderen van Rehabja was Jissia het hoofd.

22 Van de Jizhariten was Selo-moth; van de kinderen van Selo-moth was Jahath.

23 En van do kinderen Hcbrons was Jeria de eerste, Amarja de tweede, Jahaziël de derde , Jeka-meam de vierde.

24 Van de kinderen Uzziëlswas Micha; van de kinderen van Micha was Samir;

25 de broeder van Micha was Jissia; van do kinderen van Jissia was Zecharja.

20 De kinderen van Merari waren Mahli en Musi. De kinderen van Jaazia waren Beno.

27 De kinderen van Merari uit Jaiizia waren Bono, en Soham, en Zakkur, en Hibri.

28 Van Mahli was Eleazar; en die had geen kinderen.

29 Aangaande Kis, de kinderen van Kis waren Jerahtneël.

30 En de kinderen van Musi waren Mahli, en Eder, en Jerimoth. Deze zijn de kinderen der Leviten naar hunne vaderlijke huizen.

31 En zij wierpen óók loten, nevens hunne broederen de zonen Arirons, voor het aangezicht des Konings Davids en Zadoks, en Ahimélechs , en der hoofden der vaderen onder de Priesteren en onder de Leviten: het hoofd der vaderen tegen zijnen kleinsten broeder.

HOOFDSTUK 25.

En David, mitsgaders de oversten des heirs, scheidde af tot den dienst, van de kinderen Asafs en Hemans en Jednthuns, die met harpen, met luiten en met cym-balen profeteeren zouden; en die onder hen geteld werden, waren mannen bekwaam tot het werk van hunnen dienst.

2 Van de kinderen Asafs waren Zakkur, en Jozef, en Nethanja, en Asaréla, kinderen Asafs, aan de hand van Asaf, die aan des Konings handen profeteerde.

3 Aangaande Jeduthun, de kinderen Jeduthuns waren Gedalja en Zeri, en Jesaja, Hosabja , en Mattithja, zes; aan de handen huns vaders Jeduthuns, op harpen profeteerende met den Heere te danken en te loven.

4 Aangaande Heman , de kinderen van Heman waren Bukkia, Mattanja, Uzziël, Sobuöl, en Je-


-ocr page 518-

504 1 K R O NI

rimoth, Hananja, Hanani, Eliatha, Giddalti, en Romamti-Ezer, .Tos-bekasa, Mollothi, Hothir, Maha-zioth.

5 Deze allen waren kinderen Hemas, des zieners des Konings in de woorden Gods, om den hoorn te verheffen; want God had Heman veertien zonen gegeven en drie dochters.

6 Deze waren altemaal aan dc handen huns vaders gesteld tot het gezang des Huizes des Hee-ben, op cymbalen, luiten en harpen; tot den dienst des Huizes Gods, aan de handen des Konings, Asafs, Jeduthuns, en Heman s.

7 En hun getal met hunne broederen die geleerd waren in het gezang des Heeren, allen meesters , v/as tweehonderd achtentachtig.

8 En zij wierpen de loten over de wacht tegen eikander, zoo de kleine als de groote, dc meester met den leerling.

9 Het eerste lot nu ging uit voor Asaf, namelijk voor Jozef. Plet tweede voor Gedalja; hij en zijne broederen, en zijne zónen waren twaalf.

10 Het derde voor Zakkur, zijne zonen en zijne broederen: twaalf.

11 Het vierde voor Jizri, zijne zonen en zijne broederen: twaalf.

12 Het vijfde voor Nethanja, zijne zonen en zijne broederen: twaalf.

13 Het zesde voor Bukkia, zijne zonen en zijne broederen: twaalf.

14 Het zevende voor Jesaréla, zijne zonen en zijne broederen: twaalf.

15 Het achtste voor Jesaja, zijne zonen en zijne broederen: twaalf.

16 Het negende voor Mattanja, zijne zonen en zijne broederen: twaalf.

17 Het tiende voor Simeï, zijne zonen en zijne broederen: twaalf.

18 Het eli\'de voor Azareël, zijne zonen en zijne broederen: twaalf.

19 Het twaalfde voor Kasabja, zijne zonen en zijne broederen: twaalf.

20 Het dertiende voor Subaël,

EKEN 26.

zijne zonen en zijne broederen: twaalf.

21 Het veertiende voor Mattithja, zijne zonen en zijne broederen: twaalf.

22 Het vijftiende voor Jeremoth, zijne zonen en zijne broederen: twaalf.

23 Het zestiende voor Hananja, zijne zonen en zijne broederen; twaalf.

24 Het zeventiende voor Josbe-kasa, zijne zonen en zijne broederen : twaalf.

25 Het achttiende voor Hanani, zijne zonen en zijne broederen: twaalf.

20 Het negentiende voor quot;Vlallo-thi, zijne zonen en zijne broederen: twaalf.

27 Het twintigste voor Eliatha, zijne zonen en zijne broederen: twaalf.

28 Het éénentwintigste voor Hothir, zijne zonen en zijne broederen : twaalf.

29 Tiet tweeëntwintigste voor Giddalti, zijne zonen en zijne broederen: twaalf.

30 Het drieëntwintigste voor Mahazioth, zijne zonen en zijne broederen: twaalf.

31 Het vierentwintigste voor Romamti-Ezer, zijne zonen en zijne broederen : twaalf.

HOOFDSTUK 26.

Aangaande de afdeelingen dor portiers: van de Korachiten was Meselemja, dc zoon van Koré, van de kinderen Asafs.

2 Meselemja nu had kinderen: Zecharja was dc eerstgeborene, Jediaël de tweede, Zebadja de derde, Jathniël de vierde,

3 Elam de vijfde, Johanan de zesde, Eljoënai dc zevende.

4 Obed-Edom had óók kindaren, Semaja was de eerstgeborene, Jozabad do tweede, Joah de derde, en Sachar dc vierde en Nethaneël de vijfde,

5 Ammiël dc zesde, Issaschar de zevende, Peüllethai de achtste; want God had hem gezegend.

6 Ook werden zijnen zoon Semaja kinderen geboren, heer-


-ocr page 519-

schende over het huis huns vaders, want zij waren kloeke helden.

7 De kinderen van Semaja waren Othni, en Refaël. en Obed, en Elzabad, zijne broeders, kloeke lieden; Elihu, en Semachja.

8 Deze allen waren uit de kinderen Obed-Edoms, zij en hunne kinderen en hunne broeders, kloeke mannen, krachtig tot den dienst; er waren er tweeënzestig van Obed-Edom.

9 Meselemja nu had kinderen en broeders, kloeke lieden, achttien.

10 En Hosa, uit de kinderen van Merari, had zonen: Simri was het hoofd, (alhoewel hij do eerstgeborene niet was, nogtans stelde zijn vader hem tot een hoofd),

11 Hilkia was de tweede, Tc-balja de derde, Zecharja de vierde; alle de kinderen en broederen van Hosa waren dertien.

12 Uit deze waren de afdeelin-gen der portiers onder de hoofden der mannen, tot wachten tegen hunne broederen, om te dienen in den Huize des Heeren.

13 En zij wierpen de loten, zoo de kleine als de groote, naar hunne vaderlijke huizen, tot elke poort.

14 Het lot nu tegen het Oosten viel op Selemja: maar voor zijnen zoon Zecharja, die een verstandig raadsman was, wierp men de loten, en zijn lot is uitgekomen tegen het Noorden;

15 Obed-Edom tegen het Zuiden, en voor zijne kinderen het huis der schatkameren;

16 Suppim en Hosa tegen het Westen, met de poort Sallécheth bij den opgaanden hoogen weg, wacht tegenover wacht.

17 Tegen het Oosten waren zes Leviten, tegen het Noorden des daags vier, tegen het Zuiden des daags vier, maar bij de schatkameren twee en twee;

18 aan Parbar tegen het Westen waren er vier bij den hoogen weg, twee bij Parbar.

19 Dit zijn de afdeelingen der portiers van de kinderen der Ko-rachiten, en van de kinderen van Merari.

505

20 Ook was, van de Leviten, Alria over de schatten des Huizes Gods en over de schatten der geheiligde dingen.

21 Van de kinderen Ladans, kinderen van den Gersoniet Ladan: van Ladan den Gersoniet waren hoofden der vaderen, Jehiëli.

22 Do kinderen van Jehiëli waren Zetham en Joël zijn broeder; deze waren over de schatten des Huizes des Heeren.

23 Voor de Amramiten, van de Jizhariten, van de Hebroniten, van de Uzziëliten,

24 en Sebuël, de zoon Gersoms des zoons van Mozes, was overste over de schatten.

25 Maar zijne broeders uitElië-zer waren deze: Rehabja was zijn zoon, en Jesaja zijn zoon, en Jo-ram zijn zoon, en Zichri zijn zoon, en Selomith zijn zoon.

26 Deze Selomith en zijne broeders waren over alle de schatten der heilige dingen, die de Koning David geheiligd had, mitsgaders de hoofden der vaderen, de oversten over duizend en honderd, en de oversten des heirs:

27 van de krijgen en van den buit hadden zij het geheiligd, om het Huis des Heeren te onderhouden.

28 Ook alles wat Samuël de ziener geheiligd had, en Saul de zoon van Kis, en Abner de zoon van Ner, en Joab de zoon van Zeruja: al wat iemand geheiligd had was onder de hand van Selo-luith en zijne broederen.

29 Van de Jizhariten waren Ke? nanja en zijne zonen tot het buitenwerk in Israël, tot ambtlieden en tot rechters.

30 Van de Hebroniten waren Ila-sabja en zijne broeders, kloeke mannen, duizend en zevenhonderd, over de ambten Israëlsop deze zijde van den Jordaan tegen het Westen , over al het werk des Heeren en ten dienste des Konings.

31 Van de Hebroniten was Jen\'a het hoofd, van de Hebroniten zijner geslachten onder de vaderen: in het veertigste jaar des

1 konihki\'ijlcs Davids zij.n er gezocht

1 KRONIEKEN 26.


-ocr page 520-

1 K U O N1E K E N 27.

50Ü

en onder hen gevonden kloeke helden te Jaëzer in Gilead. •

32 En zijne broeders waren kloeke lieden tweeduizend en zevenhonderd hoofden der vaderen; en de Koning David stelde ze over de Rubeniten en Gaditen en den halven stam der Manassiten, tot alle zaken Gods en der zaken des Konings.

HOOFDSTUK 27.

Dit nu zijn de kinderen Israels naar hun getal, de hoofden der vaderen, en de oversten der duizenden en der honderden, met hunne ambtlieden, den Koning dienende in alle zaken der verdeelingen , aangaande en afgaande van maand tot maand in alle de maanden desjaars: elke afdeeling was vierentwintigduizend.

2 Over de eerste afdeeling, in de eerste maand, was Jasobam de zoon Zabdiëls, en in zijne afdeeling waren er vierentwintigduizend;

3 hij was uit de kinderen van Perez, het hoofd van alle de oversten der heiren in de eerste maand.

4 En over de afdeeling in de tweede maand was Dorlai de Aho-hiet, en over zijne afdeeling was Mikloth óók voorganger; in zijne afdeeling waren er óók vierentwintigduizend.

5 De derde overste des heirs, in de derde maand, was Benaja , de zoon van Jojada den opper-ambtman, die was het hoofd; in zijne afdeeling waren er óók vierentwintigduizend.

6 Deze Benaja was een held van de dertig, en over de dertig; en over zijne afdeeling was Ammi-zabad, zijn zoon.

7 De vierde , der vierde maand, was Asaël de broeder Joabs, en na hem Zebadja, zijn zoon; in zijne afdeeling waren er óók vierentwintigduizend.

8 De vijfde, inde vijfde maand, was Samhuth de Jizrahiet, de overste; in zijne afdeeling waren er óók vierentwintigduizend.

9 De zesde, in de zesde maand, Was Ira de züon Van Ikktfs, de

Tekoïet; in zijne afdeeling waren er óók vierentwintigduizend.

10 De zevende, in de zevende maand, was Helez de Peloniet, uit de kinderen Efraïms; in zijne afdeeling waren er óók vierentwintigduizend.

11 De achtste, in de achtste maand, was Sibbechai de Hus-sathiet, van deZerahiten; in zijne afdeeling waren er óók vierentwintigduizend.

12 De negende, in de negende maand, was Abiczer de Annetho-thiet, van de Benjaminiten; in zijne afdeeling waren er óók vierentwintigduizend.

13 De tiende, in de tiende maand, was Maharai de Netofathiet, van de Zerahiten; in zijne afdeeling waren er óók vierentwintigduizend.

14 De elfde, in de elfde maand, was Benaja de Pirathoniet, van de kinderen Efraïms; in zrne afdeeling waren er óók vierentwintigduizend.

15 De twaalfde, in de twaalfde maand, was Heldai de Netofathiet, van Othniël; in zijne afdeeling waren er óók vierentwintigduizend.

\'JÜ Doch over de stammen Israels waren deze: over de fl ibe-niten was Eliëzer de zoon van Zichri voorganger; over de Simeo-niten was Sefatja de zoon van Maacha;

17 over de Levitenwas Hasabja de zoon van Kemuël; over de Aaroniten was Zadok;

18 overJuda was Elihu, uit de broederen Davids; over Issaschar was Omri de zoon van Michaël;

19 over Zebulonwas Jismaja de zoon van Obadja; over Naftali was Jerimoth de zoon Azriëls;

20 over de kinderen Efraïms was Hoséa de zoon van Azazja; over den halven stam Manasse was Joel de zoon van Pedaja;

21 over half Manasse in Gilead was Jiddo de zoon van Ze char ja; over Benjamin was Jaasiël de zoon Abners;

22 over Dan was Azareël de zoon van Jeroham. Deze waren de oversten der stammen Israëls.

23 Maar ETavfd nam htfl. g\'etal


-ocr page 521-

EKEN 28.

507

1 K R O NI

van die niet op, die twintig jaar oud en daar beneden waren, omdat de Heere gezegd had dat hij Israël vermenigvuldigen zoude als de sterren des hemels.

24 Joab, de zoon van Zeruja, had begonnen te tellen, maar hij voleindigde het niet, omdat er deshalve een groote toorn over Israël gekomen was; daarom is het getal niet opgebracht in de rekening der Kronieken des Konings Davids.

25 En over de schatten des Konings was Azmdveth de zoon Adiëls ; en over de schatten op het land , in de steden en in de dorpen en in de torens, was Jonathan de zoon van Uzzi\'a.

26 En over die die het .akkerwerk deden, in den landbouw, was Ezri de zoon Kelubs.

27 En over de wijngaarden was Simei de Ramathiet; maar over hetgeen dat van de wijnstokken kwam tot de schatten iles wijns was Zabdi de Sifmiet.

28 En over de olijfgaarden en de wilde vijgeboomen die in de laagte waren was Baiilhanan de Gederiet; maar Joas was over de schatten der olie.

20 En over de runderen die in Saron weidden was Sitrai de Sa-roniet; maar over de runderen in de laagten was Safat de zoon van Adlai.

30 En over de kemelen was Obil de Ismaëliet; en over de ezelinnen was Jehdejade Merono-thiet.

31 En over het kleine vee was Jaziz de Hagariet. Alle dezen waren oversten over de have die de Koning David had.

32 En Jonathan, Davids oom, was raad, een verstandig man, hij was ook schrijver; Jehiël nu de zoon van Hachmoni was bij de zonen des Konings.

^ 33 En Achithófel was raad des Konings; en Husai de Arkiet was des Konings vriend.

34 En na Achithófel was Jojada de zoon van Benaja, en Abjathar; maar Joab was des Konings krijgsoverste.

\'HOOFDSTUK 28.

Toen vergaderde David te Jeruzalem alle oversten van Israël, de oversten der stammen en do oversten der afdeelingen, den Koning dienende, en de oversten der duizenden en de oversten der honderden, en de oversten van alle have en vee des Konings en zijner zonen, met de kamerlingen en de helden, ja allen kloeken held.

2 En de Koning David stond op zijne voeten, en hij zeide: Hoort niij , mijne broeders en mijn volk. Ik had in mijn hart een Huis der ruste voor dè Arke des verbonds des Heer en te bouwen en voor de voetbank der,voelen onzes Gods, en ik heb gereedschap gemaakt om te bouwen.

3 Maar God heeft tot mij gezegd: Gij zult mijnen name geen Huis bouwen, want gij zijt een krijgsman en gij hebt veel bloed vergoten.

4 Nu heeft mij de Heere de God Israels verkoren uit mijns vaders gansche huis, dat ik lot Koning over Israël wezen zoude in eeuwigheid; want hij heeft Juda tot eeneu voorganger verkoren , en mijns vaders huis in het huis van Juda: en onder de zonen mijns vaders heeft hij een welgevallen aan mij gehad, dat hij mij ten Koning maakte over gansch Israël.

5 En uit alle mijne zonen (want de Heere heeft mij vele zonen gegeven) zoo heeft hij mijnen zone Salomo verkoren, dat hij zitten zoude op den stoel des koriinkrijks. des Heeren over Israël.

6 En hij heeft tot mij gezegd: Uw zoon Salomo, die zal mijn Huis en mijne voorhoven bouwen; want ik heb hem mij uitverkoren tot eenen zoon, en ik zal hem tot eenen vader zijn;

7 en ik zal zijn koninkrijk bevestigen tot in eeuwigheid , indien hij sterk wezen zal om mijne geboden en mijne rechten te doen, gelijk te dezen dage.

8 Nu dan, voor de oogen des ganschen Israels, de gemeente


-ocr page 522-

EKEN 20.

508

1 K R O NI

des Heeren, en voor do ooren onzes Gods, houdt en zoekt alle de geboden des Heeren uws Gods; opdat gijlieden dat goede land erfelijk bezit en uwen kinderen na u tot in eeuwigheid doet erven.

9 En gij mijn zone Salomo, ken den God uws vaders, en dien hem met een volkomen harte en met eene willige ziele; want de IIeere doorzoekt alle harten, en hij verstaat al het gedichtselder gedachten : indien gij hem zoekt, hij zal van u gevonden worden; maar indien gij hem verlaat, hij zal u tot in eeuwigheid verstoeten.

10 Zie nu toe, want de Heere heeft u verkoren dat gij een Huis ten heiligdom bouwt: wees sterk en doe het.

11 En David gaf zijnen zoon Salomo een voorbeeld van het voorhuis, met zijne behuizingen en zijne schatkaineren en zijne opperzalen en zijne binnenkameren, en van het huis des verzoendeksels ;

12 en een voorbeeld van alles dat bij hem door den Geest was , namelijk van de voorhoven des Huizes des Heeren, en van alle kamer en rondom, tot de schatten des Huizes Gods en tot de schatten der heilige dingen;

13 en van de afdeelingen der Priesteren en der Leviten, en van alle werk van den dienst van het Huis des Heeren, en van alle vaten van den dienst van het Huis des Heeren.

14 Het goud gaf hij naar het goudgewicht, tot alle vaten van eiken dienst; ook zilver tot alle zilveren vaten bij gewicht, tot alle de vaten van eiken dienst;

15 en het gewicht tot de gouden kandelaars, en hunne gouden lampen , naar het gewicht eens iege-lijken kandelaars en zijner lampen; ook tot de zilveren kandelaars, naar het gewicht eens kandelaars en zijner lampen, naar den dienst eens iegelijken kandelaars.

16 Ook gaf hij het goud naar het gewicht tot de tafelen der toerichting, tot elke tafel, en het zilver tot de zilveren tafelen;

17 en louter goud tot de krauwden, en tot de sprengbekkens, en lot gouden bekers, het gewicht tot eiken beker, desgelijks tot zilveren bekers, tot eiken beker het gewicht;

18 en tot het reukaltaar gelouterd goud in gewicht; en goud tot het voorbeeld des wagens, to lueten der cherubs, die de vleugcis zouden uitbreiden en de Arke des verbonds des Heeren overdekken.

19 Dit alles heeft men mij, zeide David, bij geschrifte te verstaan gegeven\'van de hand des Heeren, te weten alle de werken van dit voorbeeld.

En David zeide tot zijnen zoon Salomo: Wees sterk en heb goeden moed, en doe het, vrees niet en wees niet verslagen; want de Heere God, mijn God, zal met u zijn, hij zal u niet begeven en hij zal u iiiet verlaten, totdat gij al het werk ten dienste des Huizes des Heeren zult volbracht hebben.

21 En zie, daar zijn de afdeelingen der Priesteren en der Leviten, tot allen dienst des Huizes Gods; en bij u zijn tot allen werke allerlei vrij willigen, met wijsheid tot allen dienst, ook de Vorsten en het gansche volk, bereid tot alle uwe bevelen.

HOOFDSTUK 29.

Voorts zeide de Koning David tot de gansche gemeente: God heeft mijnen zone Salomo alleen verkoren, een jongeling en teeder: dit werk daarentegen is groot, want het is geen paleis voor eenen mensch maar voor God den Heere.

2 Ik nu heb uit al mijne kracht bereid tot het Huis mijns Gods, goud tot gouden, en ziive? tot zilveren, en koper tot koperen, ijzer tot ijzeren, en hout tot houten werken, sardónyxsteenen e.i vervullende sleenen, versiers\'.eenen en borduursel, en allerlei kostelijke steenen en marmersteenen iii menigte.

3 En daartoe, uit mijn welgevallen tot het Huis mijns Gods, het bijzonder goud en zilver dat ik heb, geve ik tot den Huize mijns Gods daarenboven, behalve al dat


-ocr page 523-

1 KRONIEKEN 29.

509

ik ten Huize des heiligdom s bereid heb:

4 drieduizend talenten gouds, van het goud van Ofir, en zevenduizend talenten gelouterden zil-vers, om de wanden der huizen te overtrekken;

5 goud tot de gouden, en zilver tot do zilveren vaten, en tot alle werk, door de hand der werk-meesteren te maken. En wie is er willig heden zijne hand den Heere te vullen?

6 Toen gaven vrijwillig de oversten der vaderen en de oversten der stammen Israëls, en de oversten der duizenden en der honderden , en de oversten van het werk des Konings;

7 en zij gaven, ten dienste des Huizes Gods, vijfduizend talenten gouds, en tienduizend drachmen, en tienduizend talenten zilvers, en achttienduizend talenten kopers, en honderdduizend talenten ijzers;

8 en bij wien steenen gevonden werden, die gaven zij in den schat des Huizes des Heeuen , onder de hand Jehiëls des Gersoniets.

9 En het volk was verblijd over hun vrijwillig geven, want zij gaven met een volkomen harte den Heere vrijwillig; en de Koning David verblijdde zich óók met groote blijdschap.

10 Daarom loofde David den Heere voor de oogen der gansche gemeente, en David zeide: Geloofd zijt gij, Heere God onzes vaders Israëls, van eeuwigheid tot in eeuwigheid.

11 Uwe, o Heere, is de grootheid en de macht en de heerlijkheid en de overwinning en de majesteit, want alles wat in den hemel en op de aarde is is uwe\\ uwe o Heere is het koninkrijk, en gij hebt u verhoogd tot een Hoofd boven alles.

12 En rijkdom en eere zijn voor uw aangezicht, en gij heerscht over alles; en in uwe hand is kracht en macht, ook staat het in uwe hand alles groot te maken en sterk te maken.

13 Nu dan onze God, wij danken u, en loven den name uwer heerlijkheid.

14 Want wie ben ik en wat is mijn volk, dat wij de macht zouden verkregen hebben om vrijwillig te geven, als dit is ? Want het is alles van u, en wij geven het u uit uwe hand;

15 want wij zijn vreemdelingen en bijvvoners voor uw aangezicht, gelijk alle onze vaders: onze dagen op \'aarde zijn als eene schaduwe en daar is geen verwachting.

10 Heere onze God, al deze menigte die wij bereid hebben om u een Huis te bouwen den name uwer heiligheid, dat is van uwe hand, en het is al uwe.

17 En ik weet, mijn God, dat gij het harte proeft, en dat gij een welgevallen hebt aan oprechtig-heden: ik heb in oprechtigheid mijns harten alle deze dingen vrijwillig gegeven, en ik heb nu met vreugde uw volk dat hier bevonden wordt gezien, dat het zich jegens u vrijwillig gedragen heeft.

18 O Heere, gij God onzer vaderen Abrahams, Isaaks en Israëls, bewaar dit in eeuwigheid in den zin der gedachten des harten uws volks, en richt hun harte tot u.

19 En geef mijnen zone Salomo een volkomen harte, om te houden uwe geboden, uwe getuigenissen en uwe inzettingen, en om alles te doen, en om dit paleis te bouwen hetwelk ik bereid heb.

20 Daarna zeide David tot de gansche gemeente: Looft nu den Heere uwen God. Toen loofde de gansche gemeente den Heere den God hunner vaderen, en zij neigden het hoofd en zij bogen zich neder voor den Heere en-voor den Koning:

21 en zij offerden den Heere slachtofferen, ook olferden zij den Heere brandofferen, des anderen morgens van dien dag, duizend varren, duizend rammen, duizend lammeren, met hunne drankofTe-ren, en slachtofferen in menigte voor gansch Israël.

22 En zij aten en dronken te dien dage voor het aangezicht des Heeren met groote vreugde, en zij maakten Salomo, den zoon Davids, ten anderen male Koning,


-ocr page 524-

2 K R O NIE K E N 1.

510

en zij zalfden hem den Heere tot Voorganger, en Zadok tot Priester.

23 Alzoo zat Salomo op den troon des Heeren, als Koning in zijns vaders Davids plaatse; en hij was voorspoedig, en gansch Israël hoorde naar hem:

24 en alle de Vorsten en helden, ja ook alle de zonen des Konings Davids, gaven de hand dat zij onder den Koning Salomo zijn zonden.

25 En de Heere maakte Salomo groot ten hoogste voor de oogen van gansch Israël, en hij gat\' aan hem eene koninklijke majesteit, zoodanige aan geerien Koning van Israël vóór hem geweest is.

20 Zoo heeft dan David, de zoon van Isaï, geregeerd over gansch Israël.

27 De dagen nu die hij geregeerd heeft over Israël zijn veertig jaar: te Hebron regeerde hij zeven jaren, en te Jeruzalem regeerde hij drieëndertig.

28 En hij stierf in goeden ouderdom, zat van dagen, rijkdom en eere; en zijn zoon Salomo regeerde in zijne plaats.

29 De geschiedenissen nu des Konings Davids, de eerste en do laatste, zie, die zijn geschreven in de geschiedenissen Samuels des zieners, en in de geschiedenissen des Profeten Nathans, en in de geschiedenissen Gads des zieners:

30 met al zijn koninkrijk en zijne macht, en de tijden die over hem verloopen zijn, en over Israël, en over alle de koninkrijken der landen.


HET TWEEDE BOEK

DER

KRONIEKEN.

HOOFDSTUK 1.

En Salomo de zoon Davids word versterkt in zijn koninkrijk, want de Heere zijn God was met hem en maakte hem ten hoogste groot.

2 En Salomo sprak tot het gansche Israël, tot do oversten der duizenden en der honderden, en tot de richt eren, en lot alle Vorsten in gansch Israël, de hoofden der vaderen;

3 en zij gingen henen, Salomo en de gansche gemeente met hem, naar de hoogte die te Gibeon was; want dadr was de Tenle der samenkomst Gods, die AJozes, de knecht des Heeren, in de woestijn gemaakt had.

4 (Maar de Arke Gods had David van Kirjath-Jearim opgebracht | naar do plaats die David voor haar bereid had; want hij had voor haar eene tent te Jeruzalem gespannen.)

5 Ook was het koperen altaar, dat Bezaleöl, de zoon van Uri den zoon van Hur, gemaakt had, aldaar vóór den Tabernakel des Heeren. Salomo nu en de gemeente bezocht denzelven;

0 en Salomo offerde daar voor het aangezicht des Heeren, op het koperen altaar dat lan de Tente der samenkomst v/as, en hij offerde daarop duizend brand-offeren.

7 In dienzelfden nacht verscheen God aan Salomo, en hij zeide lot hem: Begeer wat ik u geven zal.

8 En Salomo zeide tot God: Gij hebt aan mijnen vader David groote weldadigheid gedaan, en


-ocr page 525-

2 KRONIEKEN 2.

511

gij hebt mij Koning gemaakt in zijne plaats:

9 nu Heere God, laat uw woord waar worden , gedaan aan mijnen vader David; want gij hebt mij Koning gemaakt over een volk, menigvuldig als het stof der aarde:

10 geef mij nu wijsheid en wetenschap , dat ik voor het aangezicht dezes volks uitga en inga; want wie zoude dit uw groot volk kunnen richten?

11 Toen zeide God tot Salomo: Daarom dat dit in uw harte geweest is , en gij niet begeerd hebt rijkdom , goederen , noch eere , noch de ziel uwer haters, noch ook vele dagen begeerd hebt, maar wijsheid en wetenschap voor u begeerd hebt, opdat gij mijn volk mocht richten waarover ik u Koning gemaakt heb, —

12 de wijsheiden de wetenschap is u gegeven; daartoe zal ik u rijkdom en goederen en eere geven, zooals geerte Koningen die vóór u geweest zijn gehad hebben, en na u zal dergelijke niet zijn.

13 Alzoo kwam Salomo te Jeruzalem , van de hoogte die te Gibeon is, van voor de ïentc der Samenkomst ; en hij regeerde over Israël.

14 En Salomo vergaderde wngens en ruiters, zoodal hij duizend en vierhonderd wagenen en twaalfduizend rui teren had ; en hij leide ze in de wagensteden, en bij den Koning te Jeruzalem.

15 En de Koning maakte het zilver en het goud in Jeruzalem te zijn als sleenen , en de cederen maakte hij te zijn als wilde vijge-boomen, die in de laagte zijn, in menigte.

1G En liet uitbrengen der paarden was hetgeen Salomo uit Egypte had; en aangaande het linnen garen, de kooplieden des Konings namen het linnen garen voor den prijs.

17 En zij brachten op, en voerden eenen wagen uit van Egypte, voor zeshonderd sikkelen zilvers, en een paard voor een honderd en vijftig; en alzóó voerden zij die door\'hunne hand uit voor alle Koningen dor Hethiten en voor de Ko\'nlngen van Syïie.

HOOFDSTUK 2.

Salomo nu dacht voor den name des Heeren een Huis te bouwen, en een huis voor zijn koninkrijk.

2 En Salomo telde zeventigduizend lastdragende mannen, en tachtigduizend mannen die houwen zouden in het gebergte, mitsgaders drieduizend en zeshonderd opzieners over dezelve.

3 En Salomo zond tot Hiram den Koning van Tyrus, zeggende: Gelijk als gij met mijnen vader David gedaan hebt, eii hebt hem cederen gezonden om voor hem een huis te bouwen, om daarin te wonen, zoo .doe ook met mij.

4 Zie, ik zal een Huis voor den name des Heeren mijns Gods bouwen, om hem te heiligen, om reukwerk der welriekende specerijen voor zijn aangezicht aan te steken , en voor de toerichting des gedarigen broods, en voor de brand-offeren des morgens en des avonds, op de sabbaten en op de nieuwe maanden en op de gezette hoogtijden des Heeren onzes Gods, hetwelk voor eeuwig is in Israël.

5 En het Huis dat ik zal bouwen zal groot zijn; want onze God is grooter dan alle goden.

0 Doch wie zoude do kracht hebben om voor hem een Huis te bouwen , dewijl de hemelen, ja de hemel der hemelen , hem niet bevatten zouden? En wie ben ik dat ik voor hem een Huis zoude bouwen , dan alleen om reukwerk voor zijn aangezicht aan te steken?

7 Zoo zend mij nu eenen wijzen man, om te werken in goud en in zilver en in koper en in ijzer en in purper en karmozijn en hemelsblauw, en die weet gra-veerselen te graveeren , met de wijzen die bij mij zijn in Juda en in Jeruzalem, die mijn vader David beschikt heeft.

8 Zend mij ook cederen-, dennen-en algummimhout uit den Libanon , want ik weet dat uwe knechten het hout van den Libanon weten te houwen; en zie, mijne knechten zullen mot uwe knechten zijn;

9 en dat om mij huift in menigte


-ocr page 526-

2 KRONIEKEN 3.

512

te bereiden, want het Huis dat ik zal bouwen zal groot en wonderlijk zijn.

10 En zie, ik zal aan uwe knechten , de houwers die het hout houwen, twintigduizend kor uitgeslagen tarwe en twintigduizend kor gerst geven , daartoe twintigduizend bath wijn en twintigduizend bath olie.

11 Hiram nu, de Koning van Tyrus , antwoordde door schrift, en zond tot Salomo: Daarom dat de Heeue zijn volk liefheeft, heeft hij u over hen tot Koning gesteld.

12 Voorts zeidc Hiram: Geloofd zij de Heere de God Israels, die den hemel en de aarde gemaakt heeft, dat hij den Koning David eenen wijzen zoon, kloek in voorzichtigheid en verstand, gegeven heeft, die een Huis voor den Heere en een huis voor zijn koninkrijk bouwe.

13 Zoo zend ik nu eenen wijzen man, kloek van verstand, Hiram Abi,

14 den zoon eener vrouw uit de dochteren van Dan, en wiens vader een man geweest is van Tyrus, die weet te werken in goud en in zilver, in koper, in ijzer, instee-nen en in hout, in purper, in hemelsblauw en in fijn linnen en in karmozijn, en om alle graveersel te graveeren, en om te bedenken allen vernuftigen vond die hem zal voorgesteld worden, met uwe wijzen en de wijzen mijns hoeren uws vaders Davids.

15 Zoo zende nu mijn heere aan zijne knechten de tarwe en de gerst, de olie en den wijn, waarvan hij gesproken heeft;

16 en wij zullen hout houwen uit den Libanon, naar al uwe nooddruft, en zullen het tot u met vlotten -over de zee naar Jafo brengen, en gij zult het laten overhalen naar Jeruzalem.

17 En Salomo telde alle de vreemde mannen die in het land Israëls waren, achtervolgens de telling met dewelke zijn vader David die geteld had, en er werden gevonden honderd en drieënvijftigduizend en zeshonderd;

18 en hij maakte uit dezelve zeventigduizend lastdragers, en tachtigduizend houwers in het gebergte, mitsgaders drieduizend en zeshonderd opzieners om het volk te doen arbeiden.

HOOFDSTUK 3.

En Salomo begon het Huis des Heeren te bouwen te Jeruzalem, op den berg Morfa, die zijnen vader David gewezen was, in de plaats die David toebereid had, op den dorschvloer Ornans des Jebusiets.

2 Hij begon nu te bouwen in de tweede maand op den tweeden day in het vierde jaar zijns konink-rijks.

3 En deze zijn de grondleggingen van Salomo om het Huis Gods te bouwen: de lengte in ellen naar de eerste maat was zestig ellen , en de breedte twintig ellen.

4 En het voorhuis, hetwelk vooraan was, was in de lengte, naar de breedte van het huis, twintig-ellen , en de hoogte honderd en twintig; hetwelk hij van binnen overtrok met louter goud.

5 Het groote huis nu overdekte hij met dennenhout; daarna over-toog hij dat met goed goud, en hij maakte daarop palmen en keten-werk.

li Hij overtoog ook het huis met kostelijke steenen tot versiering: het goud nu was goud van Par-vaïm.

7 Daartoe overdekte hij aan het Huis de balken, de posten en de wanden daarvan, en de deuren daarvan, met goud; en hij graveerde cherubs aan de wanden.

8 Voorts maakte hij het huis van het Heilige der heiligen, welks lengte, naar de breedte van het Huis, was twintig ellen, en do breedte daarvan twintig ellen; en hij overtoog dat met goed goud, tot zeshonderd talenten,

9 en het gewicht der nagelen was tot vijftig sikkelen gouds. En hij overtoog de opperzalen met goud.

10 Ook maakte hij, in het huis van het Heilige der heiligen, twee cherubs van beeldhouwwerk, en hij overtoog die met goud.


-ocr page 527-

2 K R O NI

11 Aangaande de vleugelen der cherubs, hunne lengte was twintig ellen: des éénen vleugel was van vijf ellen. rakende aan den wand van het iïuis, en de andere vleugel van vijf ellen, rakende aan den vleugel des anderen cherubs ;

12 insgelijks was de vleugel des anderen cherubs van vijf ellen , rakende aan den wand van het Huis, en de andere vleugel van vijf ellen, klevende aan den vleugel des anderen cherubs:

13 de vleugels dezer cherubs spreidden zich uit twintig ellen; en zij stonden op hunne voeten, en hunne aangezichten waren Huiswaarts.

14 Hij maakte ook den voorhang van hemelsblauw en purper en karmozijn en Jijn linnen; en hij maakte cherubs daarop.

15 Nog maakte hij vóór het Huis twee pilaren, van vijfendertig ellen in lengte; en het kapiteel, dat op derzelver hoofd was, was van vijf ellen.

10 Ook maakte hij ketenen, als in de Aanspraakplaats, en hij zette ze op de hoofden der pilaren; daartoe maakte hij honderd granaatappelen, en zette ze tusscnen de ketenen.

17 En hij richtte de pilaren op vóóraan den Tempel, éénen ter rechterhand en éenen ter linkerhand; en hij noemde den naam van den rechter Jachin, en den naam van den linker lioaz.

HOOFDSTUK 4.

Hij maakte ook een koperen altaar, van twintig ellen in zijne lengte, en twintig ellen in zijne breedte, en tien ellen in zijne hoogte.

2 Daartoe maakte bij de gegoten zee; van tien ellen was zij van haren éénen rand tot haren anderen rand, rondom rond, en van vijf ellen in hare hoogte, en een meetsnoer van dertig ellen omving ze rondom.

8 Onder dezelve nu was de gelijkenis van runderen, rondom henen die omsingelende, tien in eene el, omringende de zee rond-

E K E N 4. 513

om: twee rijen dezer runderen waren m hare gieting gegoten.

4 Zij stond op twaalf runderen, drie ziende naar het Noorden, en drie ziende naar het Westen, en drie ziende naar het Zuiden, en drie ziende naar het Oosten, en de zee was boven op dezelve; en alle hunne achterdeelen waren binnenwaarts.

5 Hare dikte nu was eene hand breed , en haar rand als het werk van den rand eens bekers of\' eener leliebloem, bevattende vele bathen: zij hield drieduizend.

C En hij maakte tien waschva-ten, en stelde er vijf ter rechter-en vijf ter linkerhand, om daarin te wasschen: wat ten brandoffer behoort staken zij daarin; maar de zee was opdat de Priesteren zich daarin zouden wasschen.

7 Hij maakte ook tien gouden kandelaren, naar hunne wijze, en hij stelde ze in den tempel, vijf aan de rechterhand en vijf aan de linkerhand.

8 Ook maakte hij tien tafelen, en hij zette ze inden Tempel,vijf aan de rechterhand en vijf aan de linkerhand: en hij maakte honderd gouden sprengbekkens.

9 Voorts maakte hij het voorhof der Priesteren, en het groote voorhof, mitsgaders de deuren voor hel voorhof, en over toog hunne deuren met koper.

10 De zee nu zette hij aan de rechterzijde, naar het Oosten, tegenover het Zuiden.

11 Daarbij maakte Hiram d\'.ï potten, en de schoffelen, en dc sprengbekkens. Alzoo voleindigde Hiram het werk te maken, dat\' hij voor den Koning Salomo aan het Huis Gods maakte:

12 do twee pilaren, en de bollen, en de twee kapiteelen op het hootcl der pilaren, en de twee netten om de twee bollen der kapiteelen te bedekken die op het hoofd der pilaren waren,

13 en de vierhonderd granaatappelen voor de twee netten, twee rijen van granaatappelen voor elk net, om de twee bollen der kapiteelen te bedekken, die boven op de pilaren waren;


17

-ocr page 528-

2 K R 0 NIJ-: KEN 5.

514

14 hij maakte ook de stellingen, en de waschvaten maakte hij op de stellingen;

15 ééne zee, en de twaalf runderen daaronder;

1(3 insgelijks de potten, en de schoffelen, en de krauwelen, en alle hunne vaten, maakte Hiram Abi voor den Koning Salomo voor het Huis des Heeren, van gepolijst koper.

17 In de vlakte van den Jordaan goot ze de Koning, in dichte aarde , tussehen Sukkoth en tus-schen Zeredatha.

18 En Salomo maakte alle deze vaten in groote menigte; want het gewicht des kopers werd niet onderzocht.

19 Ook maakte Salomo alle vaten die voor het Huis Gods waren , en het gouden altaar, en de tafelen waarop de toonbrooden zijn;

20 en de kandelaren met hunne lampen van gesloten goud. om die naar de wijze aan te steken, vóór de Aanspraakplaats ;

21 en de bloemenen de lampen en de snuiters van goud: het was het volmaaktste goud;

22 mitsgaders de galleien en de sprengbekkens en de rookschalen en de wierookvaten van gesloten goud; aangaande den ingang van het Huis, zijne binnenste deuren, van het Heilige der Heiligen, en de deuren van het Huis des Tempels , waren van goud.

HOOFDSTUK 5.

Alzoo werd al het werk volbracht dat Salomo aan het Huis des Heeren maakte. Daarna bracht Salomo de geheiligde dingen zijns vaders Davids, en het zilver en het goud en alle de vaten leide hij onder de schatten van het Huis Gods.

2 Toen vergaderde Salomo de oudsten Israels en alle de hoofden der stammen, de oversten der vaderen onder de kinderen Israels, te Jeruzalem, om de Arke des verbonds des Heeren op te brengen uit de stad Davids, dewelke is Sion.

3 En alle mannen Israels ver-j zamelden zich tot den Koning op het feest, hetwelk was in de zevende maand.

4 En alle de oudsten Israels kwamen, en de Leviten namen de Arke op,

5 en zij brachten de Arke en de Tente der samenkomst opwaarts, mitsgaders alle de heilige vaten die in de Tente waren, deze brachten de Priesters en Leviten opwaarts.

6 De Koning Salomo nu en de gansche vergadering Israels, die bij hem vergaderd waren vóór de Arke, offerden schapen en runderen , die vanwege de menigte niet konden geteld noch gerekend worden.

7 Alzoo brachten de Priesters de Arke des verbonds des Hee-ren tot hare plaatse, tot de Aanspraakplaats van het Huis, tot het Heilige der Heiligen, tot onder de vleugelen der cherubs.

8 Want de cherubs spreidden de beide vleugelen over de plaats der Arke, en de cherubs overdekten de Arke en hare hnndboomen van boven.

(J Daarna schoven zij de hand-boomen verder uit, dat de hoofden der handboomen gezien werden uit de Arke, vóóraan de Aanspraakplaats, maar buiten niet gezien werden ; en zij was daar tot op dezen dag.

10 Daar was niets in de Arke dan alleen de twee tafelen die ]Mo-zes bij Horeb daarin gedaan had, als de Heere een verbond maakte met de kinderen Israels, toen zij uit Egypte uitgetogen waren.

11 En het geschiedde als de Priesters uit het Heilige uitgingen, (want alle de Priesters die gevonden werden hadden zich geheiligd, zonder de verdeelingen te houden,

12 en de Leviten Jie zangers waren van hen allen van Asaf, van Heman, van Jeduthun, en van hunne zonen en van hunne broederen, in fijn linnen gekleed, met cymbalen en met luiten en harpen, stonden tegen het oosten des altaars, en met hen tot honderd en twintig Priesteren toe, trompettende met trompetten):


-ocr page 529-

2 K R 0 NI

515

EKEN 6.

op 13 het geschiedde dan als zij ze- eenpariglijk trompelteden en zongen , om eene eenparige stemme ëls te laten hooren, prijzende ,en lo-en vende den Heere en als zij de stemme verhieven met trompetten de en met cymbalen en andere mu-;s ziekinstrumenten, en als zij den en Heere prezen dat hij goed is, dat zijne weldadigheid is tot in eeu-)p. wigheid: zoo werd het Huis met eene wolk vervuld, namelijk het de Huis des Heeren ;

jie 14 en de Priesters konden van-de wege die wolk niet staan om te Ie- dienen ; want de Heerlijkheid des iet Heeren had het Huis Gods ver-)r. vu ld.

HOOFDSTUK C.

Ij.-, Toen zeide Salomo ; De Heere !n. heeft gezegd dat hij in de donkerst heid zoude wonen;

je 2 en ik heb u een Huis ter woonstede gebouwd, en eene vaste plaatse tot uwe eeuwige woning, ty 3 Daarna wendde de Koning zijn k, aangezicht om, en zegende de gan-2n sche gemeente Israëls; en de gan-sche gemeente Israëls stond.

4 En hij zeide: Geloofd zij de Heere de God Israëls, die met r, zijnen mond tot mijnen vader Da-n- vid gesproken heeft, en heeft het Ljt met zijne handen vervuld, zeggende: u. 5 Van dien dag aan dat ik mijn volk uit Egypteland uitgevoerd :e heb , heb ik geene stad verkoren uit alle stammen Israëls om een •j Huis te bouwen , dat mijn naam Iq daar zoude wezen, en geenen man ij verkoren om een voorganger te

zijn over mijn volk Israël; [e 0 maar ik heb Jeruzalem ver-, koren dat mijn naam daar zoude wezen, en ik heb David verkoren ] dat hij over mijn volk Israël we-j\' zen zoude.

,g 7 Het was ook in het harte mijns vaders Davids, een Huis te bouwen den name des Heeren e des Gods Israëls;

8 maar de Heere zeide tot mij-^ nen vader David: Dewijl dat in uw harte geweest is, mijnen name een Huis te bouwen, gij hebt wël gedaan dat het in uw 1 harte geweest is:

9 evenwel gij zult dat Huis niet bouwen; maar uw zoon die uit uwe leidenen voortkomen zal, die zal mijnen name dat Huis bouwen.

10 Zoo heeft de Heere zijn woord bevestigd dat hij gesproken had; want ik ben opgestaan in de plaats mijns vaders Davids, en ik zit op den troon Israëls, gelijk als de Heere gesproken heeft, en ik heb een Huis gebouwd den name des Heeren des Gods Israëls;

11 en ik heb daar de Arke gesteld, waarin het verbond des Heeren is hetwelk hij maakte met de kinderen Israëls.

12 En hij stond vóór het altaar des Heeren, tegenover de gansche gemeente Israëls, en hij breidde zijne handen uit;

13 (want Salomo had een koperen gestoelte gemaakt, en had het gesteld in het midden des voorhofs, zijnde vijf ellen in zijne lengte, en vijf ellen in zijne breedte, en drie ellen in zijne hoogte; en hij stond daarop, en knielde op zijne knieën voor de gansche gemeente Israëls, en breidde zijne handen uit naar den hemel);

14 en hij zeide: Heere God Israëls, daar is geen God gelijk gij in den hemel noch op de aarde, houdende het verbond en de weldadigheid uwen knechten, die voor uw aangezicht met hun gansche harte wandelen;

15 die uwen knecht, mijnen vader David, gehouden hebt dat gij tot hem gesproken hadt; want met uwen mond hebt gij gesproken en met uwe hand vervuld-, gelijk het ten dezen dage is.

lü En nu, Heere God Israëls, .houd uwen knecht, mijnen vader David , wat gij tot hem gesproken hebt, zeggende: Geen man zal u van voor mijn aangezicht afgesneden worden die zitte op den troon Israëls: alleenlijk zoo uwe zonen hunnen weg bewaren, om te wandelen in mijne wet, gelijk als gij gewandeld hebt voor mijn aangezicht.

17 Nu dan, o Heere God Israëls, laat uw woord waar worden, het-


-ocr page 530-

516

welk gij gesproken hebt tot uwen knecht, tot David.

18 Maar waarlijk, zonde God bij de menschen op de aarde wonen? Zie, do hemelen, ja do hemel der hemelen, zouden u niet bevatten, hoeveel te min dit Huis dat ik gebouwd heb!

19 Wend u nogtans tot het gebed uws knechts en tot zijne smeeking, o JIeerr mijn God, om te hooi en naar het geroep en naar het gebed dat uw knecht voor uw aangezicht bidt.

20 Dat uwe oogen open zijn dag en nacht over dit Huis, over de plaats, van dewelke gij gezegd hebt uwen naam daar te zullen zetten; om te hooren naar het gebed hetwelk uw knecht bidden zal in doze plaats.

21 Hoor dan naar de smeekin-gen uws knechts en uws volks Israels, die in deze plaats zullen bidden; en hoor gij uit de plaatse uwer woning, uit den hemel, ja hoor en vergeef.

22 Wanneer iemand tegen zijnen naaste zal gezondigd hebben, en die hem oenen eed des vloeks opgelegd zal hebben, om zich zeiven te vervloeken , en de eed des vloeks voor uw altaar in dit Huis komen zal, —

23 hoor gij dan uit den hemel, en doe, en richt uwe knechten, vergeldende don goddelooze, gevende zijnen weg op zijn hoofd, en rechtvaardigende den rechtvaardige, gevende hem naar zijne gerechtigheid.

24 Wanneer ook uw volk Israël voor het aangezicht des vijands zal geslagen worden, omdat zij tegen u gezondigd zullen hebben, en zij zich bekeeren, en uwen naam belijden, en voor uw aangezicht in dit huis bidden en smeeken zullen, —

25 hoor gij dan uit den hemel, en vergeef de zonde uws volks Israels, en breng ze weder in het land dat gij hun en hunnen vaderen gegeven hebt.

26 Als de hemel zal gesloten zijn, dat er geen regen is omdat zij tegen u gezondigd zullen hebben, en zij in deze plaats bidden en uwen name belijden en van hunne zonde zich bekeeren zullen, als gij hen geplaagd zult hebben, —

27 hoor gij dan in den hemel, en vergeef de zonde uwer knechten en uws volks Israëls, als gij hun zult geleerd hebben den goeden weg in denwel ken zij wandelen zullen, en geef regen op uw land, dat gij uw volk tot eene erfenis gegeven hebt.

28 Als er honger in het land wezen zal, als er pest wezen zal, als er brandkoren of honigdauw, sprinkhanen en keveren wezen zullen, als iemand van zijne vijanden in het land zijner poorten hem belegeren zal, of er een.ge plage of eenige krankheid wezen zal;

20 alle gebed, alle smeeking, die van eenig mensch of van al uw volk Israël geschieden zal; als zij erkennen een ieder zijne plage en zijne smarte en een ieder zijne handen in dit Huis uitbreiden zal, —

30 hoor gij dan uit den hemel, de vaste plaats uwer woning, en vergeef, en geef eenen iegelij-ken naar alle zijne wegen, gelijk gij zijn harte kent, want gij c\'lleèn ként het harte van de kinderen der menschen;

31 opdat zij u vreezen, om te wandelen in uwe wegen, alle de dagen die zij leven zullen op het land dat gij onzen vaderen gegeven hebt.

32 Zelfs ook aangaande den vreemde, die van uw volk Israël niet zijn zal, maar uit verren lande om uws grooten naams en uwer sterke hand en uws uitgestrekt en arms wille, komen zal; als zij komen en bidden zullen in dit Huis, —

33 hoor gij dan uit den hemel, uit de vaste plaatse uwer woning, en doe naar alles waarom die vreemde tot u roepen zal; opdat alle volkeren der aarde uwen naam kennen, zoo om u te vreezen gelijk uw volk Israël. als om te weten dat uw naam genaamd wordt over dit Huis hetwelk ik gebouwd heb.

3i Wanneer uw volk in den

2 KRONIEKEN fi.


-ocr page 531-

2 KRONIEKEN 7.

517

krijg tegen zijne vijanden uittrekken zal door den weg dien gij ze honen zonden zult, en zij zullen tot u bidden, naar don weg dezer stad dien gij verkoren hebt en naar dit Huis hetwelk ik uwen naam gebouwd heb , —

35 hoor dan uit den hemel hun gebed en hunne smeeking, en voer hun recht uit.

30 Wanneer zij gezondigd zullen hebben tegen u, (want geen mensch is er die niet zondigt), en gij tegen hen vertoornd zult zijn, en hen leveren zult voor het aangezicht des vijands, dat degenen die hen gevangen hebben hen gevankelijk wegvoeren in een land dat ver of nabij is;

37 en zij in het land waarhenen zij gevankelijk weggevoerd zijn weder aan hun harte brengen zullen, dat zij zich bekeeren, en tot u smeeken in het land hunner gevangenschap, zeggende: Wij hebben gezondigd, verkeerdelijk gedaan en goddelooslijk gehandeld ;

38 en zij zich tot u bekeeren met hun gansche harte en met hunne gansche ziele in het land hunner gevangenschap waarheen zij hen gevankelijk weggevoerd hebben, en bidden zullen naar den weg van hun land dat gij hunnen vaderen gegeven hebt, en naar deze stad die gij verkoren hebt, en naar dit Huis dat ik uwen name gebouwd heb, —

39 hoor dan uit den hemel, uit de vaste plaatse uwer woning, hun gebed en hunne smeekingen, en voer hun recht uit, en vergeef uwen volke wat zij tegen u gezondigd zullen hebben.

40 Nu mijn God, laat toch uwe oogen open en uwe ooren opmerkende zijn tot het gebed dezer plaatse.

41 En nu Heere God, maak u op tot uwe ruste, gij en de Arke uwer kracht; Iaat uwe Priesters, Heere God, met heil bekleed worden, én laat uwe gunstgenooten over het goede blijde zijn.

42 o Heere God, wend het aangezicht uws Gezalfden niet af;

gedenk der weldadigheden Davids uws knechts.

HOOFDSTUK 7.

Als nu Salomo voleindigd had te bidden , zoo daalde het vuur van den hemel, en verteerde het brandoffer on de slachtofferen; en de Heerlijkheid des Heerex vervulde het Huis.

2 En de Priesteren konden niet ingaan in het Huis des Heeren; want de Heerlijkheid des Heeren had het Huis des Heeren vervuld.

3 En als alle de kinderen Israëls dat vuur zagen afdalen, en de Heerlijkheid des Heeren over het Huis, zoo bukten zij met hun aangezicht ter aftrde op den vloer, en aanbaden en loofden den Heere dat hij goed is, dat zijne weldadigheid is tot in eeuwigheid.

4 De Koning nu en al het volk offerden slachtofferen voorliet aangezicht des Heeren ,

5 en de Koning Salomo offerde slachtofferen van runderen tweeentwintigduizend, en van schapen honderdtwintigduizend: alzoo hebben do Koning en het gansche volk het Huis Gods ingewijd.

G Ook stonden de Priesters in hunne wachten, en de Leviten met de muziekinstrumenten des Heeren, die de Koning David gemaakt had om den Heere te loven, dat zijne weldadigheid is in eeuwigheid, als David door hunnen dienst hem prees; en de Priesters trompetteden tegenover hen, en gansch Israël stond.

7 En Salomo heiligde het middelste des voorhofs hetwelk vóór het Huis des Heeren was, dewijl hij daar de bran dofferen en het vette der dankofferen bereid had; want het koperen altaar dat Salomo gemaakt had kon het brandoffer en het spijsoffer en het vet niet bevatten.

8 Salomo hield ook terzelver tijd het feest zeven dagen, en gansch Israël met hem , eene zeer groote gemeente , van den ingang af van Hamath tot de rivier van Egypte.

9 En ten achtsten dage hielden zij eenen verbodsdag; want zij hielden de inwijding des altaars


-ocr page 532-

518

zeven dagen , en het feest zeven dagen.

10 Doch op den drieöntwintigsten dag der zevende maand liet hij het volk gaan naar hunne hutten, blijde en goedsmoeds over het goede dat \'de Heere David en Salomo en zijn volk Israël gedaan had.

11 Alzoo voltooide Salomo het Huis des Heeren en het huis des Konings; en al wat in Salomo\'s harte gekomen was, om in het Huis des Heeren en in zijn huis te maken, richtte hij voorspoe-diglijk uit.

12 En de Heere verscheen Salomo des nachts, en hij zeide tot hem: Ik heb uw gebed verhoord, en heb mij deze plaats verkoren tot een offerhuis.

13 Zoo ik den hemel toesluit dat er geen regen zij, of zoo ik de sprinkhanen gebied het land te verteren, of zoo ik pest onder mijn volk zend,

14 en mijn volk, zij over dewelke mijn naam genoemd wordt, zich verootmoedigen en bidden , en mijn aangezicht zoeken, en zich bekeeren van hunne booze wegen: zoo zal ik uit den hemel hooren, en hunne zonden vergeven, en hun land genezen.

15 Nu zullen mijne oogen open zijn en mijne ooren opmerkende op het gebed dezer plaatse.

10 Want ik heb nu dit Huis verkoren en geheiligd, opdat mijn name daar zij tot in eeuwigheid , en mijne oogen en mijn harte zullen daar te allen dage zijn.

17 En u aangaande, zoo gij voor mijn aangezicht wandelen zult gelijk als uw vader David gewandeld heeft, en doen naar alles dat ik u geboden heb, en mijne inzettingen en mijne rechten houden zult:

18 zoo zal ik den troon uws koninkrijks bevestigen, gelijk als ik een verbond met uwen \'vader David gemaakt heb , zeggende ; Geen man zal u afgesneden worden die in Israël heersche.

19 Maar zoo gijlieden u afkeeren zult, en mijne inzettingen en mijne geboden, die ik voor uw aangezicht gegeven heb , verlaten , en henengaan en andere goden die- in nen en u voor die nederbuigen ^

ZUlt: -yi

20 zoo zal ik ze uitrukken uit n mijn land dat ik hun gegeven heb, en dit Huis dat ik mijnen naam d geheiligd heb zal ik van mijn aan- n gezicht wegwerpen, en zal het k tot een spreekwoord en spotrede h onder alle volkeren maken. ^

21 En dit Huis dat verheven zal geweest zijn, daarover zal zich tl een ieder die voorbijgaat ontzetten, ji dat hij zal zeggen: Waarom heeft j de Heere dezen lande en dezen Huize alzóó gedaan?

22 En men zal zeggen: Omdat !• zij den Heere hunner vaderen \\ God verlaten hebben, die hen uit g Egypteland uitgevoerd had, en ^ hebben zich aan andere goden ge- \\ houden en zich voor dezelve neder- r gebogen en die gediend, daarom t heeft hij al dat kwaad over hen g gebracht.

HOOFDSTUK 3. 1

c

Het geschiedde nu ten einde van i twintig jaren , in dewelke Salomo het Huis des Heeren er. zijn huis i gebouwd had,

2 dat Salomo de steden welke Hiram hem gegeven had bouwde, en de kinderen Israels aldaar deed wonen.

3 Daarna toog Salomo naar Ha-math-Zoba, en hij overweldigde ze.

4 Hij bouwde ook Tadmor in de woestijn, en alle de schatsteden die hij bouwde in Hamath.

5 Óok bouwde hij het hooge Beth-Horon en neder-Beth-Horon, vaste steden met muren, deuren en grendelen;

G mitsgaders Baalath, en alle de ■ schatsteden die Salome had, en .alle wagensteden, en de steden der ruiteren, en wat de begeerte van Salomo begeerd had te bouwen in Jeruzalem, en in den Libanon, en in het gansche land zijner heerschappij.

7 Aangaande al het volk dat -overgebleven was van le Hethiten en de Amoriten en de Fereziten en de Heviten en de Jebusiten, die niet uit Israël waren:

8 uit hunne kinderen die na hen

2 KRONIEKEN 8.


-ocr page 533-

2 K R O N1

EKEN 9.

519

lie- in het land overgebleven waren , [en -welke de kinderen Israels niet verdaan hadden, die bracht Salo-mo op uitschot, tot op dezen dag. ïb, 9 Doch uit de kinderen Israëls , lrn die Salomo niet maakte tot slaven in- in zijn werk, (want zij waren «et krijgslieden, en oversten zijner de hoofdlieden, en oversten zijner

wagenen en zijner ruiteren), \'al lo uil deze dan waren oversten ch der bestelden die de Koning Salo-■n, mo had , tweehonderd en vijftig , 2ft die over het volk heerschappij en hadden.

11 Salomo nu deed de dochter at Farao\'s opkomen uit de stad Darn vids tot het huis dat hij voor haar lit gebouwd had, want hij zeide: 3n iMijne vrouw zal in het huis Da-e- vids des Konings Israëls niet wo-!r- nen , omdat de plaatsen heilig zijn m tot welke de Arke des Heeren ïn gekomen is.

12 Toen offerde Salomo den Heehe brandolferen op het altaar des Heehen dat hij vóór het voorin huis gebouwd had,

io 13 zelfs naar den eisch van eiken is dag offerende, naar het gebod van Mozes, op de sabbaten en op :c de nieuwe maanden en op de ge-3, zette hoogtijden , drie malen in het d jaar: op het feest van de onge-, zuurde brooden, en op het feest der weken, en op het feest der b. loofhutten.

e 14 Hij stelde ook , naar de wijze n zijns vaders Davids, de verdeelingen der Priesteren over hunnen e dienst, en der Leviten over hunne i gt; wachten, om God te prijzen en n vóór de Priesteren te dienen, naar den eisch van eiken dag; en de e portiers in hunne verdeelingen, aan elke poort; want alzóó was het gebod van David den man e Gods.

15 En men week niet van des Konings gebod aan de Priesteren i en de Leviten, aangaande alle

zake en aangaande de schatten, t - 16 Alzoo werd al het werk Salo-i mo\'s bereid tot den dag der grond-i • legging van het Huis des Heeren , gt; ; en tot het voltooien van hetzelve, dat het Huis des Heeren volmaakt i werd.

17 Toen toog Salomo naar Ezeon-Géber, en naar Eloth aan den oever der zee, in het land van Edom.

18 En Hiram zond hem door de hand zijner knechten schepen, mitsgaders knechten, kenners van de zee ; en zij gingen metSalomo\'s knechten naar Ofir, en zij haalden van daar vierhonderd en vijftig talenten gouds, dewelke zij brachten tot den Koning Salomo.

HOOFDSTUK 9.

En toen de Koningin van Scheba het geruchte Salomo?s hoorde , kwam zij om Salomo met raadselen te verzoeken te Jeruzalem, met een zeer zwaar heir, en ke-melen dragende specerijen, en goud in menigte, en kostelijk gesteente; en zij kwam tot Salomo, en sprak met hem al wat in haar harte was.

2 En Salomo verklaarde haar alle hare woorden , en geen ding was er verborgen voor Salomo, dat hij haar niet verklaarde.

3 Als nu de Koningin van Scheba zag de wijsheid van Salomo, en het huis dat hij gebouwd had,

4 en de spijze zijner tafel, en het zitten zijner knechten, en het staan zijner dienaren en hunne kleedingen, en zijne schenkers en hunne kleedingen, en zijnen opgang waardoor hij opging naar het Huis des Heeren, — zoo was in haar geen geest meer,

5 en zij zeide tot den Koning: Het is een waarachtig woord geweest, dat ik in mijn land gehoord heb van uwe zaken en van uwe wijsheid;

6 en ik heb hunne woorden niet geloofd, totdat ik gekomen ben en mijne oogen daf gezien hebben: en zie, de helft van de grootheid uwer wijsheid is mij niet aangezegd ; gij hebt overtroffen het gerucht dat ik gehoord heb.

7 Welgelukzalig zijn uwe mannen, cn welgelukzalig deze uwe knechten, die geduriglijk voor uw aangezicht staan en uwe wijsheid hooren.

8 Geloofd zij de Heere uw God, die behagen in u gehad heeft, om


-ocr page 534-

2 KRONIEKEN 9.

520

u op zijnen troon, den Heere uwen God tot een Koning te zetten; overmits uw God Israël bemint, om hetzelve tot in eeuwigheid op te richten, zoo heelt hij u tot Koning over hen gesteld, om recht en gerechtigheid te doen.

9 En zij gaf den Koning honderd en twintig talenten gouds, en specerijen in groote menigte, en kostelijk gesteente; en daar was gelijk deze specerij, die de Koningin van Scheba den Koning Salomo gaf, geene geweest.

10 Voorts ook Hirams knechten en Salomo\'s knechten, die goud brachten uit Ofir, brachten algum-mimhout en edelgesteente;

11 en de Koning maakte van dat algummimhout hooge gangen tot het Huis des Heeken en tot het huis des Konings, mitsgaders harpen en luiten voor de zangers: desgelijks ook was te voren in het land van Juda niet gezien geweest.

12 En de Koning Salomo gaf der Koningin van Scheba al haar behagen wat zij begeerde, behalve hetgene dat zij tot den Koning gebracht had; zoo keerde zij en toog naar haar land, zij en hare knechten.

13 Het gewicht nu van het goud dat voor Salomo op één Jaar inkwam was zeshonderd en zesenzestig talenten gouds;

14 behalve dat zij van de kramers en de kooplieden inbrachten; ook brachten alle Koningen van Arabic, en de Vorsten deszelven lands , goud en zilver aan Salomo.

15 Daartoe maakte de Koning Salomo tweehonderd rondassen van geslagen goud: zeshonderd sikkelen van geslagen goud liet hij opwegen tot elke rondas;

1G insgelijks driehonderd schilden van geslagen goud: dr^honderd sikkelen gouds liet hij opwegen tot elk schild; en de Koning leide ze in het huis des wouds Libanons.

17 Nog maakte de Koning eenen grooten elpenbeenen troon, en hij overtoog denzelven met louter goud.

18 En de troon had zes trappen en eene voetbank van goud, aan den troon vast zijnde, en leuningen aan beide zijden tot de zitplaats toe, en twee leeuwen stonden bij de leuningen.

19 En twaalf leeuwen stonden daar aan beide zijden op de zes trappen: desgelijks is in geen koninkrijk gemaakt geweest.

20 Ook waren alle drinkvaten van den Koning Salomo van goud, en alle vaten van het huis des wouds Libanons waren van gesloten goud: het zilver was in de dagen Salomo\'s voor niets geacht.

21 Want des Konings schepen voeren naar Tarsis, met de knechten Hirams: ééns in drie jaren kwamen do schepen van Tarsis in, brengende goud en zilver, elpenbeen en apen en pauwen.

22 Alzoo werd de Koning Salomo grooter dan alle Koningen der aarde in rijkdom en wijsheid;

23 en alle Koningen der aarde zochten Salomo\'s aangezicht, om zijne wijsheid te hooien die God in zijn harte gegeven had;

24 en zij brachten een ieder zijn geschenk, zilveren vaten en gouden vaten, en kleederen, wapenrusting , en specerijen, paarden en muilezels: elks van jaar tot jaar.

2o Ook had Salomo vierduizend paardenstallen, en wagenen, en twaalfduizend ruiteren, en hij leide ze in de wagensteden, en bij den Koning te Jeruzalem.

26 En hij heerschte over alle Koningen van de rivier tot aan het land der Filistijnen, en tot aan de landpale van Egypte.

27 Ook maakte de Koning het zilver in Jeruzalem te zijn als steenen, en de cederen maakte hij te zijn als de wilde vijgeboo-mien, die in de laagte zijn, in menigte.

28 En zij brachten vooi Salomo paarden uit Egypte en uit alle die landen.

29 Het overige nu der geschiedenissen Salomo\'s, de eerste en de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden Nathans des Profeten , en in de profetie van Ah/a den Siloniet, en in de gezichten


-ocr page 535-

van Jcdi den ziener aangaande Jerobeam den zoon Nebats?

30 En Salomo regeerde te Jeruzalem over gansch Israël veertig jaar.

31 En Salomo ontsliep met, zijne vaderen, en zij begroeven hem in de stad zijns vaders Davids; en zijn zoon Rehabeam werd Koning in zijne plaats.

HOOFDSTUK 40.

En Rehabeam toog naarSichem, want het gansche Israël was te Sichem gekomen om hem Koning te maken.

2 Het geschiedde nu als Jerobeam de zoon Nebats dat hoorde, (dezelve nu was in Egypte, alwaar hij van het aangezicht van den Koning Salomo gevloden was), dat Jerobeam uit Egypte wederkeerde;

3 want zij zonden henen en lieten hem roepen. Zoo kwam Jerobeam met het gansche Israël en spraken tot Rehabeam zeggende:

4 Uw vader heeft ons juk hard gemaakt: nu dan, maak gij uws vaders harden dienst en zijn zwaar juk dat hij ons opgelegd heeft lichter, en wij zullen u dienen.

5 En hij zëide tot hen: Komt over driequot; dagen weder tot mij. En het volk ging henen.

C En de Koning Rehabeam hield raad met de oudsten , die gestaan hadden voor het aangezicht van zijnen vader Salomo als hij leefde, \' zeggende: Hoe raadt gijlieden dat men dezen volke antwoorden zal?

7 En zij spraken tot hem , zeggende: Indien gij dezen volke goedertieren en jegens hen goedwillig wezen zult, en tot hen goede woorden spreken zult, zoo zullen zij te allen dage uwe knechten zijn.

*8 Maar hij verliet den raad der oudsten dien zij hem geraden hadden, en hij hield raad met de jongelingen die met hem opgewassen waren, die voor zijn aangezicht stonden,

9 en hij zeidetothen: Wat raadt gijlieden dat wij dezen volke antwoorden zullen, die tot mij gesproken hebben , zeggende: Maak

521

het juk dat uw vader ons opgelegd heeft lichter?

10 En le jongelingen die met hem opgewassen waren spraken tot hem, zeggende : Alzóó zult gij zeggen tot dat volk, die tot u gesproken hebben, zeggende: Uw vader heeft ons juk zwaar gemaakt, maar maak gij het over ons lichter; alzóó zult gij tot hen spreken: Mijn kleinste vinger zaï dikker zijn dan mijns vaders lendenen :

11 indien nu mijn vader een zwaar juk op u heeft doen laden, zoo zal ik boven uw juk nog daar toedoen; mijn vader heeft u met gecselen gekastijd, maar ik zal n met schorpioenen kastijden.

12 Zoo kwam Jerobeam en al het volk tot Rehabeam op den derden dag, gelijk als de Koning gesproken had, zeggende: Komt weder tot mij op den derden dag.

13 En de Koning antwoordde hun hardelijk; want de Koning Rehabeam verliet den raad der oudsten,

14 en hij sprak tot hen naar den raad quot;der jongelingen, zeggende: Mijn vader heeft uw juk zwaar gemaakt, maar ik zal nog daarboven toedoen; mijn vader heeft u met geeselen gekastijd, maar ik zal u met schorpioenen kastijden.

15 Alzoo hoorde de Koning naar het volk niet; want deze omwending was van God, opdat de He ere zijn woord bevestigde, hetwelk hij door den dienst van Ahfa den Siloniet gesproken had tot Jerobeam den zoon Nebats.

16 Toen het gansche Israël zag ■ dat de Koning naar hen niet hoorde, zoo antwoordde het volk den Koning, zeggende Wat deel hebben wij aan David? Jageeneerve hebben wij aan den zoon van Tsaï; een ieder naar uwe tenten, o Israël; voorzie nu uw huis, o David. Zoo ging het gansche Israël naaizij ne tenten.

17 Doch aangaande de kinderen Israëls die in de steden van Juda woonden, over die regeerde Rehabeam ook.

18 Toen zond de Koning Reha-

2 K R O NIE K E N 10.


-ocr page 536-

522 2 KRONIE

beam Hadoram, die over de schatting was ; en de kinderen Israëls steenigden hem met steenen dat hij stierf; maar de Koning Reha-beam verkloekte zich om op eenen wagen te klimmen , dat hij naar Jeruzalem vluchtte.

10 Alzoo vielen de Israëliten van den huize Davids af, tot op dezen dag.

HOOFDSTUK 11.

Toen nu Rehabeam te Jeruzalem gekomen was, vergaderde hij het huis van Juda en Renjamin, en hondcrdtachtigduizend uitgeleze-nen, geoefend ten oorloge, om tegen Israël te strijden, opdat hij het koninkrijk weder aan Rehabeam bracht.

2 Doch het Woord des Heeren geschiedde tot Semaja den man Gods, zeggende:

3 Zeg tot Rehabeam den zoon Salomo\'s, don Koning van Juda, en tot het gansche Israël in Juda en Benjamin, zeggende:

4 Zóó zegt de Heere ; Gij zult niet optrekken noch strijden tegen uwe broederen, een iéder keere weder tot zijn huis, want deze zaak is van mij geschied. En zij hoorden de woorden des Heeren\', en zij keerden weder van tegen Jerobeam te trekken.

5 Rehabeam nu woonde te\' Jeruzalem ; en hij bouwde steden tot vastigheden \'in Juda ;

6 hij bouwde namelijk Bethlehem, en Et am, en Tekóa,

7 en Beth-Zur, en Socho, en Adullam ,

8 en Gath, en Maresa, en Zif,

9 en Adoraïm , en Lachis, en Azeka,

10 en Zora , en Ajjalon , en He-bron; dewelke in Juda en in Benjamin de vaste steden waren.

11 En hij sterkte deze vastigheden, en leide oversten daarin, en schatten van spijzeen olie en wijn,

12 en in elke stad rondassen en spiesen, en sterkte zegansch zeer: zoo was Juda en Benjamin zijne.

13 Daartoe de Priesteren en de Leviten, die in het gansche Israël waren, stelden zich bij hem uit alle hunne landpalen;

KEN 11, 12.

14 want de Leviten verlieten hunne voorsteden en hunne bezitting , en kwamen in Juda en in Jeruzalem; want Jerobeam en zijne zonen hadden ze verstoeten van het Priesterdom den Heere te mogen bedienen,

15 en hij had zich Priesteren gesteld voor de hoogten en voor de duivelen en voor de kalveren die hij gemaakt had.

16 Na die kwamen ook uit alle stammen Israëls te Jeruzalem, die hun harte gaven om den Heere den God Israëls te zoeken, dat zij den Heere den God hunner vaderen offerande deden.

17 Alzoo sterkten zij het koninkrijk van Juda, en bekrachtigde Rehabeam den zoon Salomo\'s drie jaren; want driejaren wandelden zij in den weg van David en Salomo.

18 En Rehabeam nam zich, benevens Mahalath, de doc iter van Jerimoth den zoon Davids, ter vrouwe Abihaïl, de dochter Eliabs des zoons van Isaï,

19 dewelke hem zonen baarde, Jeüs en Semarja en Zaham.

20 En na haar nam hij Maacha de dochter Absaloms; deze baarde hem Abia, en Attai, en Ziza, en Selomith.

21 En Rehabeam had Maacha, Absaloms dochter, liever dan alle zijne vrouwen en zijne bijwijven; want hij had achttien vrouwen genomen en zestig bijwijven, en hij gewon achtentwintig zonen en zestig dochteren.

22 En Rehabeam stelde Abia den zoon van Maacha tot een hoofd, om een overste te zijn onder zijne broederen, want het was om hem Koning te maken.

23 En hij handelde verstandiglijk, dat hij van alle zijne zonen door alle landen van Juda en Benjamin in alle vaste steden verspreidde, denwelken hij spijze gaf in overvloed; en hij begeerde de veelheid van vrouwen.

HOOFDSTUK 12.

Het geschiedde nu als Rehabeam het koninkrijk bevestigd had en hij sterk geworden was, dat hij


-ocr page 537-

de wet des Heeren verliet, en gansch Israël met hem.

2 Daarom geschiedde het in het vijfde jaar des Konings Rehabeams, dat Sisak de Koning van Egypte tegen Jeruzalem optoog (want zij hadden overtreden tegen den He ere) ,

3 met duizend en tweehonderd wagenen en met zestigduizend ruiteren, en des volks dat met hem kwam uit Egypte, was geen getal, Libyërs, Sukkiten en Mooren;

4 en hij nam de vaste steden in die Juda had, en hij kwam tot Jeruzalem toe.

5 Toen kwam Semaja de Profeet tot Rehabeam en de oversten van Juda, die te Jeruzalem verzameld waren uit oorzake van Sisak, en hij zeide tot hen: Alzóu zegt de Heere: Gij hebt mij verlaten, daarom heb ik u óók verlaten in de hand van Sisak.

ö Toen verootmoedigden zich de oversten Israels en de Koning, en zij zeiden: De Heere is rechtvaardig.

7 Als nu de Heere zag dat zij zich verootmoedigden, geschiedde het woord des Heeren tot Semaja, zeggende: Zij hebben zich verootmoedigd : ik zal ze niet verderven, maar ik zal hun binnen kort ontkoming geven, dat mijne grimmigheid over Jeruzalem door de hand van Sisak niet zal uitgegoten worden;

8 doch zij zullen hem tot knechten zijn, opdat zij onderkennen mijnen dienst en den dienst van de koninkrijken der landen.

9 Zoo toog Sisak de Koning van Egypte op legen Jeruzalem, en liij nam de schatten van het Huis des Heeren en de schatten van het huis des konings weg, hij nam alles weg, hij nam ook alle de gouden schilden weg die Salomo gemaakt had.

10 En de Koning Rehabeam maakte in plaats van die koperen schilden, en hij beval die onder de hand van de oversten der trawanten die de deur van het huis des Konings bewaarden,

11 en het geschiedde zoo wanneer de Koniiig in het Huis des

523

Heeren ging, dat de trawanten kwamen en die droegen, en die wederbrachten in der trawanten wachtkamer.

12 En als hij zich verootmoedigde, keerde de toorn des Heeren van hem af, opdat hij hem niet ten uiterste toe verdierf; ook waren er in Juda nog goede dingen.

13 Zoo versterkten zich de Koning Rehabeam in Jeruzalem, en regeerde; want Rehabeam was éénenveertig jaar oud als hij Koning werd, en hij regeerde zeventien jaar in Jeruzalem, de stad die de Heere uit alle stammen Israels verkoren had om zijnen naam daar te zetten; en de naam zijner moeder was Naama, eene Ammonitische.

14 En hij deed dat kwaad was, dewijl hij zijn harte niet richtte om den Heere te zoeken.

15 13e geschiedenissen nu van Rehabeam, de eerste en de laatste, zijn die niet geschreven in de woorden van Semaja den Profeet en Iddo den ziener, verhalende de geslachtregisteren, daartoe de krijgen Rehabeams en Jerobeams in alle hunne dagen?

16 En Rehabeam ontsliep met zijne vaderen, en werd begraven in de stad Davids; en zijn zoon Abia werd Koning in zijne plaats.

HOOFDSTUK 13.

In het achttiende jaar des Konings Jerobeams zoo werd Abia Koning over Juda:

2 hij regeerde drie jaren te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Michaja, de dochter Uriels van Gibea. En daar was krijg tusschen Abia en tusschen Jerobeam,

3 en Abia bond den strijd aan met een heir van strijdbare helden, vierhonderdduizend uitgelezene mannen en Jerobeam stelde tegen hem de slagorde met achthonderdduizend uitgelezene mannen, kloeke helden.

4 En Abia maakte zich op van boven den berg Zemaraïm, dewelke is in het gebergte Efraïm, en hij zeide: Hoort mij aan, Jerobeam en gansch Israël.

2 KRONIEKEN 13.


-ocr page 538-

EKEN 14.

524

2 K R 0 NI

5 Staat liet u niet te weten. dat de Heere de God Israels het koninkrijk over Israël aan David gegeven heeft, tot in eeuwigheid , hem en zijnen zonen, met een zoutverbond?

6 Evenwel is Jerobeam de zoon Nebats, de knecht van Salomo den zoon Davids, opgestaan, en heeft gerebelleerd tegen zijnen heere.

7 Daartoe hebben zich ijdele mannen, kinderenBelials, tot hem vergaderd, en hebben zich sterk gemaakt tegen Rehabeam den zoon Salomo\'s als Rehabeam jong was en teeder van harte, dat hij zich tegen hen niet konde versterken.

8 En nu, gij denkt u te versterken tegen het koninkrijk des Heeuex, hetwelk in de hand is der zonen Davids: gij zijt wel eene groote menigte, maar gij hebt gouden kalveren bij u, die u Jerobeam tot goden gemaakt heeft.

9 Hebt gij niet de Priesteren des Heeren, de zonen Aarons, en de Leviten uitgedreven, en hebt u Priesteren gemaakt gelijk de volkeren der landen? Een iegelijk die komt om zijne hand te vullen met een jong rund en zeven rammen, die wordt Priester dergenen die geene goden zijn.

10 Maar ons aangaande, de Heere is onze God, en wij hebben hem niet verlaten; en de Priesters die den Heere dienen zijn de zonen Aarons, en de Leviten zijn in het werk.

11 En zij steken aan voor den Heere brandofferen op eiken morgen en op eiken avond, ook reukwerk van welriekende specerijen, nevens de toerichting des broods op de reine tafel, en den gouden kandelaar en zijne lampen, om die op eiken avond te doen branden; want wij nemen waaide wacht des Heeren onzes Gods, maar gij hebt hem verlaten.

12 Daarom zie, God is met ons aan de spitse, en zijne Priesteren met de trompetten des geklanks, om tegenualarmgeklank te maken: o kinderen Israels, strijdt niet tegen den Heere den God uwer vaderen, want gij zult geen voorspoed hebben.

13 Maar Jerobeam deed eene achterlage omwenden om van achter hen te komen: zoo waren zij vóór het aangezicht van Juda, en de achterlage achter hen.

14 Toen nu Juda omzag, zie, zoo hadden zij den strijd voor en achter; en zij riepen lot den Heere, en de Priesters trompet-teden met de trompetten,

15 en de mannen van Juda maakten een alarmgeschrei: en het geschiedde als de mannen van Juda een alarmgeschrei maakten, dat God Jerobeam en het gansche Israël sloeg vóór Abi\'a en Juda,

16 en de kinderen Israels vloden voor het aangezicht van Juda, en God gaf ze in hunne hand.

17 Abia dan en zijn volk sloeg ze met eenen grooten slag, want uit Israël vielen verslagen vijfhonderdduizend uitgelezene mannen.

18 Alzoo werden de kinderen Israëls vernederd te dier tijd; maar de kinderen van Juda werden machtig, dewijl zij op den Heere hunner vaderen God gesteund hadden.

19 En Abfa jaagde Jerobeam achterna, en nam van hem de steden Beth-El met hare onder-hoorige plaatsen , en Jesana met hare onderhoorige plaatsen, en Efron met hare onderhoorige plaatsen.

20 En Jerobeam behield geene kracht meer in de dagen van Abfa, maar de Heere sloeg hem dat hij stierf.

21 Zoo versterkte zich Abfa; en hij nam zich veertien vrouwen, en gewon tweeëntwintig zonen en zestien dochteren.

22 Het overige nu dor geschiedenissen van Abia, zoo zijne wegen als zijne woorden, zijn beschreven in de historie van den Profeet Iddo.

HOOFDSTUK 14.

Zoo ontsliep Abia met zijne vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids; en zijn zoon Asa werd Koning in zijne plaats. In


-ocr page 539-

2 KRONIEKEN 15.

525

zijne dagen was het land tien jaren stil.

2 En Asa deed dat goed en dat recht was in de oogen des Heeren zijns Gods;

3 want hij nam de altaren der vreemden en de hoogten weg, en brak de opgerichte beelden , en hieuw de bosschen af;

4 en hij zeide tot Juda dat zij den Heeke den God hunner vaderen zoeken, en dat zij de wet en het gebod doen zouden.

5 Hij nam ook weg uit alle steden van Juda de hoogten en de zonnebeelden; en het koninkrijk was voor hem stil.

6 Daartoe bouwde hij vaste sleden in Juda; want het land was stil, en daar was geen oorlog in die jaren tegen hem, dewijl de Heere hem ruste gaf.

7 Want hij zeide tot Juda: Laat ons deze sleden bouwen, en muren daarom trekken, en torens, deuren en grendelen, terwijl het land nog is voor ons aangezicht; want wij hebben den ITeere onzen God gezocht, wij hebben hem gezocht, en hij heelt ons rondom henen ruste gegeven. Zoo jouwden zij en hadden voorspoed.

8 Asa nu had een heir van driehonderdduizend uit Juda, rondas en spies dragende, en tweehonderd tachtigduizend uit Benjamin, het schild dragende en den boog spannende: alle deze waren kloeke helden.

9 En Zerah de Moor trok tegen hen uit met een heir van duizendmaal duizend, en driehonderd wagenen, en hij kwam tot Mare-sa toe.

10 Toen toog Asa tegen hem uit, en zij stelden de slagorde in het dal Zefatha bij Maresa.

11 En Asa riep tot den Heere zijnen God, en zeide: Heere, het is niets bij u te helpen hetzij den machtige hetzij den krachtelóoze: help ons, o Heere onze God, want wij steunen op u, en in uwen naam zijn wij gekomen legen deze menigte; o. Heere, gij zijl onze God, laat de sterfelijke mensch tegen u niets vermogen.

12 En de Heere plaagde de

Mooren voor Asa en voor Juda , en de Mooren vloden.

13 Asa nu en het volk dat met hem was jaagde ze na tot Gerar toe; en zóóvelen vielen er van do Mooren, dat er voor hen geen hervatting was, want zij waren verbroken voor den Heere en voor zijn leger. En zij droegen zeer veel roof weg.

14 En zij sloegen alle steden rondom Gerar, want de verschrikking dos Heeren was over hen, en zij beroofden alle de steden, omdat er veel roof in dezelve was.

15 En zij sloegen ook de tenten van het vee, en voerden weg schapen in menigte en kemelen, en kwamen weder te Jeruzalem.

HOOFDSTUK 15.

Toen kwam dc Geest Gods op Azaria don zoon van Oded,

2 en hij ging uit, Asa tegen, en hij zeide tot hem: Hoort mij, Asa en gansch Juda en Benjamin , dc Heere is met ulieden terwijl gij met hem zijt; en zoo gij hem zoekt, hij zal van u gevonden worden, maar zoo gij hem verlaat, hij zal u verlaten.

3 Israël nu is vele dagen geweest zonder den waren God en zonder een leerenden Priester en zonder de wet;

4 maar als zij zich in hunnen nood bekeerden tot den Heere den God Israels en hem zochten, zoo werd hij van hen gevonden.

5 En in die tijden was er geen vrede voor dengenen die uitging en dengenen die inkwam, maar vele beroerten waren over alle de inwoners van die landen,

G zoodat volk tegen volk en stad tegen stad in stukken gestooten werden; want God had ze met allen angst verschrikt.

7 Daarom weest gij sterk, en laat uwe handen niet verslappen, want daar is loon naar uw werk.

8 Als nu Asa deze woorden hoorde, en de profetie van den Profeet Oded, sterkte hij zich en hij deed weg dc verfoeiselen uit liet gansche land Juda en Benjamin , en uit de sleden die hij van


-ocr page 540-

2 KRONIEKEN 16.

526

het gebergteEfraïm genomen had, en vernieuwde het altaar des Heg-ken dat vóór het voorhuis des Heeren was.

9 En hij vergaderde het gansche Juda en Benjamin, en de vreemdelingen met hen uit Efraïm en Manasse en uit Simeon; want uit Israël vielen zij hem in menigte toe, als zij zagen dat de Heere zijn God met hem was.

10 En zij vergaderden zich te Jeruzalem in de derde maand in het vijftiende jaar des koninkrijks van Asa,

11 en zij offerden den Heere ten zeiven dage van den roof dien zij gebracht hadden zevenhonderd runderen en zevenduizend schapen.

12 En zij traden in een verbond, dat zij den Heere den God hunner vaderen zoeken zouden met hun gansche harte en met hunne gansche ziele.

13 En ai wie den Heere den God Israels niet zoude zoeken, zoude gedood worden, van den kleine tot den groote, en van den man tot de vrouw toe.

14 En zij zwoeren den Heere met luider stemme en met gejuich, desgelijks met trompetten en met bazuinen.

15 En gansch Juda was verblijd over dezen eed; want zij hadden met hun gansche harte gezworen, en met hunnen ganschen wil hem gezocht; en hij werd van hen gevonden, en de Heere gaf hun rust van rondom.

16 Ook aangaande Maacha, de moeder des Konings Asa, iiij zette haar af, dat zij geen Koningin ware, omdat zij een afgrijselijken afgod in een bosch gemaakt had; ook roeide Asa uit haren afgrij-selijkcn atgod, en verbrijzelde en verbrandde hem aan de beek Kidron.

17 De hoogten werden wel niet weggenomen uit Israël, het harte van Asa nogtans was volkomen alle zijne dagen.

18 En hij bracht in het Huis Gods de geheiligde dingen zijns vaders, en zijne geheiligde dingen, zilver en goud en vaten.

19 Eu daar was geen oorlog tut in het vijfendertigste jaar des koninkrijks van Asa.

HOOFDSTUK 16.

In het zesendertigste jaar des koninkrijks van Asa toog Baësa de Koning Israëls op tegen Juda en bouwde Rama, opdat hij niemand toeliet uit te gaan en in te komen tot Asa den Koning van Juda.

2 Toen bracht Asa het zilver en het goud voor uit de schatten van het Huis des Heeren en van het huis des Konings, en zond tot Benhadad den Koning van Syrië die te Damascus woonde, zeggende :

3 Daar is een verbond tusschen mij en tusschen u, en tusschen mijnen vader en tusschen. uwen vader; zie, ik zend u zilver en goud: ga henen, maak uw verbond te niet met Baësa den Koning Israëls, dat hij van tegen mij aftrekke.

4 En Benhadad hoorde naar den Koning Asa, en zond de oversten der hei ren die hij had tegen de sleden Israëls, en zij sloegen Ijon, en Dan, en Abel-Maïm, en alle schatsteden van Naftali.

5 En het geschiedde als Baësa zulks hoorde, dat hij atliet van Rama te bouwen, en zijn werk staakte.

6 Toen nam de Koning Asa gansch Juda, en zij droegen weg de steenen van Rama , en het hout daarvan, waarmede Baësa gebouwd had; en hij bouwde daarmede Gibea en Mizpa.

7 En in denzelfden tijd kwam de ziener Hanani tot Asa den Koning van Juda, en hij zeide tot hem: Omdat gij gesteund hebt op den Koning van Syrië, en niet gesteund hebt op den Heeue uwen God, daarom is het heir des Konings van Syrië uit uwe hand ontkomen.

8 Waren niet de Mooren en de Libyërs een groot heir met zeer velé wragenen en ruiteren? Toen gij nogtans op den Hee *e steun-det, heeft hij ze in uwe hand gegeven.

9 Wuüt den Heere aanyaande,


-ocr page 541-

2 K R O NI

zijne oogcn doorloopen de gansche aarde, om zich sterk te bewijzen aan degenen welker harte volkomen is tot hem : gij hebt hierin zottelijk gedaan, want van nu af zullen er oorlogen tegen u zijn.

10 Doch Asa werd toornig tegen den ziener, en zette hem in het gevangenhuis, want hij was hierover tegen hem ontsteld; daartoe onderdrukte Asa eeniyen uit het volk terzelfder tijd.

11 En zie, de geschiedenissen van Asa, de eerste met de laatste, zie, zij zijn beschreven in het boek der koningen van Juda en Israël.

12 Asa nu in liet negenendertigste jaar zijns koninkrijks werd krank aan zijne voeten; tot op het hoogste toe was zijne krankheid; daartoe ook zocht hij den Heere niet in zijne krankheid, maar de medicijnmeesters.

13 Alzoo ontsliep Asa met zijne vaderen, en hij stierf in het één-enveertigste jaar zijner regeering;

14 en zij begroeven hem in zijn graf dat hij voor zich gegraven had in de stad Davids, en leiden hem op het bed hetwelk hij gevuld had met specerijen, en dat van verscheidene soorten, naar der apothekeren kunst toebereid; en zij brandden over hem eene gansch groote branding.

HOOFDSTUK 17.

En zijn zoon Josafat werd Koning in zijne plaats; en hij sterkte zich tegen Israël,

2 en hij leide krijgsvolk in alle vaste steden van Juda, en leide bezettinge.i in het land van Juda, en in de steden van Efraïm die zijn vader Asa ingenomen had.

quot;3 En de Heere was met Josafat; want hij wandelde in de vorige wegen zijns vaders Davids, en zocht de Baals niet,

4 maar hij zocht den God zijns vaders en wandelde in zijne geboden , en niet naar het doen van Israël.

5 En do Heere bevestigde het koninkrijk in zijne hand, en gansch Juda gjif Josafat geschenken, en

EKEN 17. 527

hij had rijkdom en eere in menigte.

6 En zijn harte verhief zich in de wegen des Heeren, en hij nam verder de hoogten en de bosschen uit Juda weg.

7 In het derde jaar nu zijner regeering zond hij tot zijne vorsten, tot Benhaïl, en tot Obadja, en tot Zecharja, en tot Nethaneël, en tot Michaja, opdat men zoude leeren in de steden van Juda;

8 en met hen de Leviten, Se-maja, en Nethanja, en Zebadja, en Asaël, en Semiramoth, en Jonathan, en Adonfa, en Tohia, en Tob-Adom\'a, de Leviten; en met hen de Priesters Elisamaen Joram.

0 En zij leerden in Juda, en het wetboek des Heeren was bij hen; en zij gingen rondom in alle steden van Juda, en leerden onder het volk.

10 En eene verschrikking des Heeren kwam over alle koninkrijken der landen die rondom Juda waren dat zij niet krijgden tegen Josafat.

11 En van de Filistijnen brachten zij Josafat geschenken met het opgelegde geld; ook brachten hem de Arabieren klein vee, zevenduizend en zevenhonderd rammen en zevenduizend en zevenhonderd bokken.

12 Alzoo nam Josafat toe en werd ten hoogste groot; daartoe bouwde hij in Juda burchten en schatsteden.

13 En hij had veel werk in de steden van Juda, en krijgslieden, kloeke helden, in Jeruzalem.

14 Dit nu is hunne telling, naar de huizen hunner vaderen. Ia Juda waren oversten der duizenden: Adna de overste, en met hem waren driehonderdduizend kloeke helden;

15 naast hem nu was de overste Johanan, en met hem waren tweehonderdtachtigduizend;

1G en naast hem was Amasia de zoon van Zichri, die zich vrijwillig den Heere overgegeven had, en met hem waren tweehonderdduizend kloeke helden.

17 En uit Benjamin was Eljada


-ocr page 542-

2 KRONIEKEN 48.

528

een kloek held, en met hem tweehonderdduizend die met hoog en schild gewapend waren;

18 en naast hem was Jozabad, en met hem waren hondcrutach-tigduizend ten krijge toegerust.

19 Deze waren in den dienst des Konings, behalve degenen die de Koning in do vaste steden door gansch Jnda gezet had.

HOOFDSTUK 18.

Josafat nu had rijkdom en eere in overvloed; en hij verzwagerde zich aan Achab.

2 En ten einde van ecnige jaren loog hij af tot Achab naar Samarië; en Achab slachtte schapen en runderen voor hem in menigte en voor het volk dat met hem was, en hij porde hem aan om op ie trekken naar Ramoth in Gilead.

3 Want Achab de Koning Israels zeide tot Josafat den Koning van Juda: Zult gij met mij gaan naar Ramoth in Giièad?En hij zeide tot hem: Zóó za! ik zijn gelijk gij zijt, en gelijk uw volk is zal mijn volk zijn, en wij zullen met u zijn in dezen krijg.

4 Voorts \'zeide Josafat lot den Koning Israels: Vraag toch heden naar het Woord des Heerex.

5 Toen vergaderde de Koning Israels de Profeten, vierhonderd mannen, en hij zeide tot hen: Zullen wij tegen Ramoth in Gilead ten strijde trekken of zal ik het nalaten? En zij zeiden: Trek op: want God zal ze in de hand des Konings géven.

G Maar Josafat zeide: Is hier niet nog een Profeet des Heehen, dat wij het van hem vragen mochten?

7 Toen zeide de Koning Israels tot Josafat: Daar is nog één man om door hem den Heere te vragen, maar ik haat hem, want hij profeteert over mij niets goeds, maar altijd kwaad ; deze is Micha de zoon van Jimla. En Josafat zeide: De Koning zegge niet al-zoo.

8 Toen riep de Koning Israëls eenen kamerling, en hij zeide: Haal haastelijk Micha den zoon van Jimla.

9 De Koning Israëls nu en Josafat de Koning van Juda zaten elk op zijnen troon, bekleed met hunne kleederen, en zij zaten op hot plein aan de deur der poort van Samarië ; en alle de Profeten profeteerden in hunne tegenwoordigheid.

10 En Zedekfa de zoon van Kenaana had zich ijzeren horens gemaakt, en hij zeide: Zóó zegt de Heere: Met deze zult gij de Syriërs stooten, totdat gij ze gansch verdaan zult hebben.\'

11 En alle de Profeten profeteerden alzóó, zeggende: Trek op naar Ramoth in Gilead, en gij zult voorspoedig zijn, want de Heere zal ze in de hand dos Konings geven.

12 De bode nu die heengegaan was om Micha te roepen sprak tot hem, zeggende: Zie, dekoorden der Profeten zijn uil. éénen mond goed tot den Koning: dat nu toch uw woord zij gelijk als van oen uit hen, en spreek het goede,

13 Doch Micha zeide: Zoo %vaar~ cichlifj aid de Heere leeft, hstgeen mijn God zeggen zal, dat zal ik spreken.

14 Als hij tot den Koning gekomen was, zoo zeide de Koning tot hem: Micha, zullen wij naar Ramoth in Gilead ten strijde trekken of zal ik het nalaten? En hij zeide: Trekt op en gijlieden zult voorspoedig zijn, want zij zullen in uwe hand gegeven -worden.

15 En de Koning zeide tot hem: Tot hoevele reizen zal ik u bezweren, opdat gi j tot mij niet spreekt dan de waarheid in den naam des Heeren?

1lt;gt; En hij zeide: Ik zag het gan-sche Israël verstrooid op de bergen , gelijk schapen die geenen herder hebben; en de Heere zeide : Deze hebben geen heer; een iegelijk keere weder naar zijn huis in vrede.

17 Toen zeide de Koning Israëls tot Josafat: Heb ik tot u niet gezegd : Hij zal over mij niets goeds maar kwaad profeteeren?

18 Voorts zeide hij: Daarom hoort het Woord des Heeren. Ik


-ocr page 543-

zag den Heere zittende op zijnen troon, en al liet hemelsche heir staande tot zijne rechter- en zijne linkerhand.

10 En de Heere zeide: Wie zal Achab den Koning Israëls overreden , dat hij optrekke en valle te Ramoth in Gilead? Daarna zei-de hij : Deze zegt aldus en die zegt alzóo.

20 Toen kwam een geest voor on stond voor het aangezicht des Heeren , en zeide: Ik zal hem overreden. En de Heere zeide tot hem : Waarmede ?

21 En hij zeide : Ik zal uitgaan en een leugengeest zijn in den mond van alle zijne Profeten. En hij zoide : Gij zult overreden , en zult ook vermogen; ga uit en doe alzóó.

22 Nu dan, zie, de Heere heeft een leugengeest in den mond van deze uwe Profeten gegeven, en de Heere heeft kwaad over u gesproken.

23 Toen trad Zedeki\'a de zoon van Kenaana toe en sloeg Micha op het kinnebakken, en hij zeide: Door wat weg is de Geest des Heeren van mij doorgegaan om u aan te spreken?

24 En Micha zeide: Zie, gij zult het zien te dienzelfden dage, als gij zult gaan van kamer in kamer om u te verateken.

25 De Koning Israëls nu zeide: Neemt. Micha en brengt hem weder tot Amon den overste der stad, en tot Joas den zoon des Konings;

26 en gijlieden zult zeggen: Zóó zegt de Koning: Zet dezen in het gevangenhuis. en spijst hem met brood der bedruktheid en met water der bedruktheid, totdat ik met vrede wederkome.

27 En Micha zeide: Indien gij eenigszins met vrede wederkomt, zoo heeft de Heere door mij niet gesproken. Voorts zeide hij: iloort gij volken altegader.

28 Alzoo toog de Koning Israëls en Josafat de Koning van Juda op naar Ramoth in Gilead.

29 En de Koning Israëls zeide tot Josafat: Als ik mij vermomd heb, zal ik in den strijd komen, maar gij, trek uwe kleederen aan.

529

Alzoo verstelde zich de Koning Israëls, en zij kwamen in den strijd.

30 De Koning van Syrië nu had geboden aan de oversten der wagenen die hij had, zeggende: Gijlieden zult niet. strijden tegen kleinen noch grooten, maar tegen den Koning Israëls alleen.

Hl Het geschiedde dan als de oversten der wagenen Josafat zagen, dat zij zeiden: Die is de Koning Israëls, en zij togen rondom hem om te strijden. Maar Josafat riep, en de Heere hielp hem en God wendde ze van hem af;

32 want het geschiedde als de oversten der wagenen zagen dat het de Koning Israëls niet was, dat zij van achter hem afkeerden.

33 Toen spande een man den boog in zijne eenvoudigheid, en schoot den Koning Israëls tusschen de gespen en tusschen het pantser. Toen zeide hij tot den voerman: Keer uwe hand en voer mij uit het leger, want ik ben verwond.

3\'i En de strijd nam op dien dag toe, en de Koning Israëls deed zich met den wagen staande houden tegenover de Syriërs, tot den avond toe; en hij stierf ter tijd als de zon onderging.

HOOFDSTUK 10.

En Josafat de Koning van Juda keerde met vrede weder naar zijn huis te Jeruzalem.

2 En Jelui de zoon van Hanani, de ziener, ging uit hem tegen, en zeide tot den Koning Josafat: Zoudt gij den goddelooze helpen, en die den Heere haten liefhebben? Nu is daarom over u van-het aangezicht des Heeren groote toornigheid.

3 Evenwel goede dingen zijn bij u gevonden; want gij hebt de bosschen uit het land weggedaan, en uw harte gericht om God te zoeken.

4 Josafat nu woonde te Jeruzalem , en hij toog wederom uit door het volk, van Ber-Séba af tot het gebergte Efraïm toe, en deed ze wederkeeren tot den Heere hunner vaderen God.

5 En hij stelde richteren in het

2 KRONIEKEN 19.


-ocr page 544-

EKEN 20.

2 K R O NI

530

land, in alle vaste steden van Juda, van stad tot stad.

6 En hij zeide tot de richteren: Ziet wat gij doet, want gij houdt het gericht niet den mensche maar den He ere, en hij is bij u in de zake van het gericht.

7 Nu dan, de verschrikking des Heeren zij op ulieden: neemt waar en doet het; want bij don Heere onzen God is geen onrecht noch aanneming van personen noch ontvanging van geschenken.

8 Daartoe stelde .Tosafat ook te Jeruzalem eenigen van de Leviten, en van de Priesteren en van de hoofden der vaderen Israëls, over het gericht des Heeren en over rechtsgeschillen, als zij weder te Jeruzalem gekomen waren.

9 En hij gebood hun, zeggende: Doet alzóó in de vreeze des Hee-rex, met getrouwigheid en met een volkomen harte;

10 en in alle geschil, hetwelk van uwe broederen die in hunne steden wonen tot u zal komen, tusschen bloed en bloed, tusschen wet en gebod, en inzettingen en rechten, zoo vermaant hen, dat zij niet schuldig worden aan den Heere en een groote toornigheid over u en over uwe broederen zij: doet alzóó, en gij zult niet schuldig worden.

11 En zie, Amarja de Hoofdpriester is over u in alle zake des Heerex ; en Zebadja de zoon Ismaëls, de Vorst van het huis Juda, in alle zake des Konings; ook zijn de ambtlieden, de Leviten, voor uw aangezicht: weest sterk en doet het, en de Heere zal met den goede zijn.

HOOFDSTUK 20.

Het geschiedde nu na dezen dat de kinderen Moabs, en de kinderen Amnions en met hen anderen, benevens de Ammoniten tegen Josafat ten strijde kwamen.

2 Toen kwamen er die Josafat boodschapten, zeggende: Daar komt eene groote menigte tegen u van gene zijde der zee, uit Syrië; en zie, zij zijn te Hazezon-Tamar, welke is En\'gédi.

3 Josafat nu vreesde en stelde zijn aangezicht om den Heere te zoeken; en hij riep een vasten uit in gansch Juda.

4 En Juda werd vergaderd om van den Heere hulpe te zoeken, ook kwamen zij uit alle steden van Juda om den Heere te zoeken.

5 En Josafat stond in de gemeente van Juda en Jeruzalem, in het Huis des Heeren, voor het nieuwe voorhof;

6 en hij zeide: O Heere God onzer vaderen, zijt gij niet die God in den hemel? Ja, gij zijt de Heerscher over alle koninkrijken der heidenen; en in uwe hand is kracht en sterkte, zoodat niemand zich tegen u stellen kan.

7 Hebt gij niet, onze God, de inwoners dezes lands van voor het aangezicht uws volks Israëls verdreven , en dat den zade Abrahams uws liefhebbers tot in eeuwigheid gegeven ?

8 Zij nu hebben daarin gewoond, en zij hebben u daarin ee i heiligdom gebouwd voor uwen name, zeggende:

1) Indien over ons eenig kwaad komt, het zwaard des oordeels of pest of honger, wij zullen voor dit Huis en voor uw aangezicht staan, dewijl uw naam in dit Huis is; en wij zullen uit onze benauwdheid tot u roepen, en gij zult verhoeren en verlossen.

10 En nu, zie, de kinderen Amnions en Moab, en die van het gebergte Seïr, door dewelke gij Israël niet toeliet te trekken als zij uit Egypteland togen, maar zij weken van hen en verdelgden ze niet:

11 zie dan, zij vergelden liet ons, komende om ons uit uwe erve, die gij ons te erven gegeven hebt, te verdrijven.

12 O onze God, zult gij geen recht tegen hen oefenen? Want in ons is geene kracht tegen deze groote menigte die tegen ons komt, en wij weten niet wat wij doen zullen, maar onze oogen zijn op u.

13 En gansch Juda stond voor het aangezicht des Heeren, ook hunne kinderkens, hunne vrouwen en hunne zonen.


-ocr page 545-

2 K K O NI

14 Toen kwam de Geest des Heeren, in het midden der gemeente, op Jahaziël, den zoon van Zecharja, den zoon van Benaja, den zoon van Jeiël, den zoon van Mattanja den Leviet uit de zonen Asafs,

15 en hij zeide: Merkt op, geheel Juda, en gij inwoners van Jeruzalem, en gij Koning Josafat, alzóó zegt de Heere tot ulieden: Vreest gijlieden niet en wordt niet ontzet vanwege deze groote menigte, want de strijd is niet uwe maar Godes.

10 Trekt morgen tot hen af: zie, zij komen op bij den opgang van Z\'iz, en gij zult ze vinden in het einde des dals, vóóraan de woestijn van Jeruël.

17 Gij zult in dezen strijd niet te strijden hebben: stelt u zeiven, staat èn ziet hot heil des Heeren met u, o Juda en Jeruzalem; vreest niet en ontzet u niet, gaat morgen uit, hun tegen, want de Heere zal met u wezen.

18 Toen neigde zich Josafat met het aangezicht ter aarde, en gansch Juda en de inwoners van Jeruzalem vielen neder voor het aangezicht des Heeren, aanbiddende den Heere ,

lij en de Leviten uit de kinderen der Kohathlten en uil de kinderen der Korachiten stonden op om den Heere den God Israels met luider stemme ten hoogste te

\' \'io En zij maakten zich des morgens vroeg op en togen uit naar de woestijn van Tekóa; en als zij uittogen, stond Josafat en zeide: Hoort mij, o Juda en gij inwoners van Jeruzalem; geloolt in den Heere uwen God, zoo zult gij bevestigd worden; gelooft aan zijne Proleten, en gij zult voorspoedig zijn.

21 Hij nu beraadslaagde met het volk, en hij stelde den Heere zangers, die de heilige Majesteit prijzen zouden, vóór de toegerus-ten uitgaande, en zeggende: Looft den Heere , want zijne goedertierenheid is tot in eeuwigheid.

22 Ter tijd nu als zij aanhieven met een Yiêugdegeroep en lofzang,

EKEN 20. 531

stelde de Heere achterlagen tegen de kinderen Ammons, Moab, en die van het gebergte Seïr, die tegen Juda gekomen waren; en zij werden geslagen.

23 Want de kinderen Ammons en Moab stonden op tegen de inwoners van het gebergte Seïr, om te verbannen en te verdelgen: en als zij met de inwoners van Seïr een einde gemaakt hadden, hielpen zij de één den ander ten verderve.

24 Als nu Juda tot den wachttoren in de woestijn gekomen was, wendden zij zich naar de menigte: en zie, het waren doode lichamen, liggende op dc aarde, en niemand was ontkomen.

25 Josafat nu kwam met zijn volk om hunnen buit te rooven, en zij vonden bij hen in menigte, zoowel have en doode lichamen als kostelijk gereedschap. en namen voor zich weg, totdat zij niet meer dragen konden; en zij roofden den buit drie dagen, want die was veel.

26 En op den vierden dag vergaderden zij zich in het dal van Ueracha, want daar loofden zij den Heere: daarom noemden zij den naam dier pla lts het dal van Beracha, tot op dezen dag.

27 Daarna keerden alle mannen van Juda en Jeruzalem weder, en Josafat aan hunne voorspitse , om wederom met blijdschap tot Jeruzalem te komen; want de Heere had ze verblijd over hunne vijanden.

28 En zij kwamen te Jeruzalem met luiten en met harpen en met trompetten, tot het Huis des Heeren.

29 En daar werd eene verschrikking Gods over alle koninkrijken dier landen, als zij hoorden dat de Heere tegen de vijanden Israels gestreden had.

30 Alzoo was het koninkrijk Jo-safats stille, en zijn God gaf hem ruste van rondom.

31 Zoo regeerde Josafat over Juda : hij was vijfendertig jaar oud als hij Koning werd, en hij regeerde vijfentwintig jaar te Jeruzalem ; en de naam zijner moeder


-ocr page 546-

2 K R 0 NIE K E N 21

532

was Azuba, eene dochter van Silhi.

32 En hij wandelde in den weg van zijnen vader Asa, en hij week daarvan niet af, doende dat recht was in de oogcil des Heeren.

33 Evenwel werden de hoogten niet weggenomen, want het volk had nog zijn harte niet geschikt tot den God hunner vaderen.

34 Het overige nu der geschiedenissen Josafats, der eerste en der laatste, zie, die zijn geschreven in de geschiedenissen van Jehu den zoon van Hanani, die men hem deed opteekenen in het boek van de Koningen Israëls.

35 Docli na dezen vergezel-schapte zich Josafat, de Koning van Juda, met Ahazia, den Koning Israëls, die handelde goddeloos in zijn doen.

36 En hij vergezelschapte zich met hem, om schepen te maken om naar Tarsis te gaan; en zij maakten de schepen te Ezeon-Géber.

37 Maar Eliëzer de zoon van Dodava, van Maresa, profeteerde tegen Josafat, zeggende: Omdat gij u met Ahazia vergezelschapt hebt, heeft de Heeue uwe werken verscheurd. Alzoo werden de schepen verbroken, dat zij niet konden naar Tarsis gaan.

HOOFDSTUK 21.

Daarna ontsliep Josafat met zijne vaderen, en werd begraven bij zijne vaderen in de stad Davids ; en zijn zoon Joram werd Koning in zijne plaats.

2 En hij had broederen, Josafats zonen, Azarja, en Jehiël, en Ze-charja, en Azarjahu , en Michaël, en Sefatja: deze allen waren zonen Josafats des Konings Israëls.

3 En hun vader had hun vele gaven gegeven van zilver en van goud en van kostelijkheden, met vaste steden in Juda; maar het koninkrijk gaf hij Joram, omdat hij de eerstgeborene was.

4 Als Joram tot het koninkrijk zijns vaders opgekomen was en zich versterkt had, zoo doodde hij alle zijne broederen met den zwaarde, mitsgaders ook eenigen \'■ van de Vorsten Israëls.

5 Tweeëndertig jaar was Joram oud toen hij Koning werd, en hij regeerde acht jaren te Jeruzalem.

0 En hij wandelde in den weg der Koningen Israëls, gelijk als het huis Achabs deed; want hij had de dochter Achabs tot eene vrouw; en hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren.

7 Doch de Hëere wilde het huis Davids niet verderven, om des verbonds wille dat hij met David gemaakt had, en gelijk als hij gezegd had, hem en zijnen zonen te allen dage eene lampe te zullen geven.

8 In zijne dagen vielen de Edo-miten af van onder het gebied van Juda, en zij maakten over zich eenen Koning.

9 Daarom toog Joram voort met zijne oversten, en alle de wage-nen met hem; en hij maakte zich des nachts op en sloeg de Edomi-ten die rondom hem waren, en de oversten der wagenen.

lü Evenwel vielen de Edomiten af vanonder het gebied van Juda, tot op dezen dag. Toen terzelfder tijd viel Libna af van onder zijn gebied; want hij had den Heere den God zijner vaderen verlaten.

11 Ook maakte hij hoogten op de bergen van Juda, en hij deed de inwoners van Jeruzalem hoereeren, ja hij dreef Juda daartoe.

12 Zoo kwam een schrift tot hem van den Profeet Elia, zeggende: Alzóu zegt de Heere de God uws vaders Davids: Omdat gij in de wegen uws vaders Josafats en in de wegen van Asa, den Koning van Juda, niet gewandeld hebt,

13 maar hebt gewandeld in den weg der Koningen Israëls, en hebt Juda en de inwoners van Jeruzalem doen hoereeren, achtervolgende het hoereeren van het f huis Achabs, en ook uwe broederen van uws vaders huis gedood hebt. die beter waren dan gij, —

14 zie, de Heere za?. u plagen met eene groote plaga aan uw volk en aan uwe kinderen en aan uwe vrouwenen aan al uwe have;


-ocr page 547-

2 KRONIEKEN 22.

533

15 gij zult ook in groote krankheden zijn doordekrankheid uwer ingewanden , totdat uwe ingewanden uitgaan vanwege de krankheid, jaar op jaar.

ili Zoo verwekte de Heehe tegen Joram den geest der Filistijnen en der Arabieren die aan de zijde der Mooren zijn:

17 die togen op in Juda en braken daarin, en voerden alle have weg die in het huis des Konings gevonden werd, zelfs ook zijne kinderenen zijne vrouwen, zoodat hem geen zoon overgelaten werd dan Joahaz, de kleinste zijner zonen.

18 En na dit alles plaagde hem de Heere in zijn ingewand met eene krankheid waar geen genezen aan was;

19 dit geschiedde van Jaar tot jaar, zoodat, wanneer de tijd van het einde der twee jaren uitging, zijne ingewanden met de krankheid uitgingen, dat hij stierf van booze krankheden; en zijn volk maakte hem geen branding als de branding zijner vaderen.

20 Hij was tweeëndertig jaar oud als hij Koning werd, en regeerde acht Jaren te Jeruzalem; en hij ging henen zonder begeerd te zijn, en zij begroeven hem in de stad Davids, maar niet in de graven der Koningen.

HOOFDSTUK 22.

En de inwoners van Jeruzalem maakten Ahazia zijnen kleinsten zoon Koning in zijne plaats; want eene bende die met de Arabieren in het leger gekomen was, had alle de eersten gedood. Ahazia dan, de zoon Jorams des Konings van Juda, regeerde.

2 Tweeënveertig Jaar was Ahazia oud toen hij Koning werd, en hij regeerde één jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Athalia, eene dochter van Omri.

3 Hij wandelde óók in de wegen van het huis Achabs, want zijne moeder was zijne raadgeefster om goddelooslijk te handelen.

4 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Hkeren , gelijk het huis Achabs; want zij waren zijne raadgevers na den dood zijns vaders, hein ten verderve.

5 Hij wandelde ook in hunnen raad, en toog henen met Joram, den zoon Achabs, den Koning Israels, tot den strijd tegen Ha-zaël, den Koning van Syrië, bij Ramoth in Gilead. En de Syriërs sloegen Joram,

6 en hij keerde weder om zich te laten genezen le Jizreël, want hij had wonden die men hem bij Rama geslagen had, als hij streed tegen Hazaël den Koning van Syrië; en Azarja, de zoon Jorams des Konings van Juda, kwam af om Joram den zoon Achabs te Jizreël te zien, want hij was krank.

7 De vertreding nu van Ahazia was van God, dat hij tot Joram kwam ; want als hij gekomen was, toog hij met Joram uit tot Jehu, den zoon van Nimsi, denwelken de Heere gezalfd had om het huis Achabs uit te roeien.

8 Zoo geschiedde hot als Jehu het oordeel uitvoerde tegen het huis Achabs, dat hij de Vorsten van Juda en de zonen der broederen van Ahazia, die Ahazia dienden, vond en die doodde.

1) Daarna zocht hij Ahazia, en zij kregen hem, (want hij was verstoken in Samarië), en zij brachten hem tot Jehu, en zij doodden hem, en begroeven hem; want zij zeiden: Hij is de zoon Josafats, die den Heere met zijn gansche harte gezocht heeft. Zoo had het huis van Ahazia niemand die kracht behield tot het koninkrijk.

1U Toen nu Athalia, de moeder van Abazia, zag dat haar zoon dood was, zoo maakte zij zich op en bracht al het koninklijke zaad van het huis van Juda om.

11 Maar Josabalh de dochter des Konings nam Joas, den zoon van Ahazia, en stal hem uit het midden van des Konings zonen die gedood werden , en zette hem en zijne voedster in eene slaapkamer, zoo verborg hem Josabath, de dochter des Konings Jorams , de huisvrouw des Priesters Jojada , (want zij was de zuster van Aha-


-ocr page 548-

2 KRONIEKEN 23.

534

zia), voor Athalia, dat zij hem niet doodde.

12 En hij was bij hen verstoken in het Hiiis Gods zes jaren; en Athalia regeerde over het land.

HOOFDSTUK 23.

Doch in het zevende jaar versterkte zich Jojada, en nam de oversten der honderden, Azarja den zoon Jerohams, en Ismaël den zoon Johanans, en Azarja den zoon Obeds, en Maiiseja den zoon van Adaja, en Elisafat den zoon van Zichri, met zich in een verbond.

2 Die togen om in Juda, en vergaderden de Leviten uit alle steden van Juda. en de hoofden der vaderen Israels; en zij kwamen naar Jeruzalem.

3 En die gansche gemeente maakte een verbond in het Huis Gods met den Koning, en hij zeide tot hen: Zie, de zoon des Konings zal Koning zijn, gelijk als de Heer li van de zonen Davids gesproken heeft.

4 Dit is de zake die gij doen zult: een derde deel van u, die op den sabbat ingaan, van de Priesteren en van de Leviten, zullen tot portiers der dorpelen zijn,

5 en een dorde deel zal zijn aan het huis des Konings, en een derde deel aan de Fundamentpoort, en al het volk zal in de voorhoven zijn van het Huis des Heeiien.

G Maar dat niemand kome in het Huis des Heeren, dan de Priesteren en de Leviten die dienen : die zullen ingaan, want zij zijn heilig; maar al het volk zal de wacht des Heeren waarnemen.

7 De Leviten nu zullen den Koning rondom omsingelen, een ieder met zijne wapenen in zijne hand, en die tot het Huis inkomt zal gedood worden; doch weest gijlieden bij den Koning als hij inkomt en uitgaat.

8 En de Leviten en gansch Juda deden naar alles, dat de Priester Jojada geboden had, en zij namen een ieder zijne mannen die op den sabbat inkwamen met degenen die op den sabbat uitgingen, want de Priester Jojada had aan de afdee-lingen geen verlof gegeven:

9 voorts gaf de Priester Jojada den oversten der honderden de spiesen en de rondassen en de schilden die des Konings Davids geweest waren, die in het Huis Gods waren;

10 en hij stelde al het volk, en een ieder met zijn geweer in zijne hand, van de rechterzijde van het Huis tot de linkerzijde van het Huis, naar het altaar en naar het Huis toe, bij den Koning rondom.

11 Toen brachten zij des Konings zoon voor, en zetteden hem de kroon op, en gaven hem de getuigenis, en zij maakten hem Koning; en Jojada en zijne zonen zalfden hem, en zeiden: De Koning leve!

12 Toen nu Athalia hoorde de stemme des volks dat toeliep en den Koning roemde, kwam zij tot het volk in het Huis des Heeren ;

13 en zij zag toe, en zie, de Koning stónd bij zijnen pilaar aan den ingang, en de oversten en de trompetten waren bij den Koning, en al het volk des lands was blijde en blies met trompetten, en de zangers waren er met muziekinstrumenten , en gaven to kennen dat men lofzingen zoude: toen verscheurde Athalia hare kleederen, en zij riep: Verraad, verraad !

14 Maar de Priester Jojada bracht de oversten der honderden die over het heir gesteld waren uit, en zeide tut hen: Brengt ze uit tot buiten de ordeningen, en die ze volgt zal met den zwaarde gedood worden; want de Priester had gezegd: Gij zult ze in het Huis des Heeren niet dooden.

15 En zij leiden de handen aan haar , en zij ging naar den ingang van de Paardenpoort naar het huis des Konings, en zij doodden ze daar.

10 En Jojada maakte een verbond tusschen hem en tusschen al het volk en tusschen den Koning , dat zij den Heere tot een volk zouden zijn.

17 Daarna ging al het volk in het huis Baiils, en braken dat af, en zijne altaren en zijne beelden verbraken zij, en Maltan, den


-ocr page 549-

EKEN 24,

2 K R O X I

535

Priester Baals, sloegen zij dood voor de altaren.

48 Jojada nu bestelde ambten in het Huis des Heerex, onder de hand der Levitische Priesteren, die David in het Huis des Heerex afgedeeld had om de brandofferen des Heerex te offeren, gelijk in de wet van Mozes geschreven is, met blijdschap en met gezang, naar de instelling Davids.

19 En hij stelde de portiers aan de poorten van het Huis des Heerex, opdat niemand, in eenig ding onrein zijnde, inkwame.

20 En hij nam de oversten der honderden en de machtigen en die heerschappij hadden onder den volke, en al het volk des lands , en bracht den Koning van het Huis des Heerex af, en kwamen door het midden der Hooge poort in het huis des Konings, en zij zetleden den Koning op den troon des koninkrijks.

21 En al het volk des lands was blijde, en de stad werd stil, nadat zij Athalia met den zwaarde gedood hadden.

HOOFDSTUK 24.

Joas was zeven jaren oud toen hij Koning werd, en hij regeerde veertig jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Zibja van Ber-Séba.

2 En Joas deed dat recht was in de oogen des Heerex, alle de dagen van den Priester Jojada.

3 En Jojada nam voor hem twee vrouwen; en hij gewon zonen en dochteren.

4 Het geschiedde nu na dezen dat het in het harte van Joas was het Huis des Heerex te vernieuwen.

5 Zoo vergaderde hij de Priesteren en de Leviten, en zeide tot hen: Trekt uit tot de steden van Juda, en vergadert geld van het gansche Israël, om het Huis uws Gods te beteren van jaar tot jaar; en gijlieden, haast u tot deze zake. Maar de Leviten haastten zich niet.

0 En de Koning riep Jojada, het Hoofd, en zeide tot hem: Waarom hebt gij geen onderzoek gedaan bij de Leviten, dat zij uit

Juda en uit Jeruzalem inbrengen zouden de schatting van Mozes den knecht des Heerex , en van de gemeente Israels, voor de Tente der getuigenis?

7 Want als Athalia goddelooslijk handelde, hadden hare zonen het Huis Gods opengebroken, ja zelfs alle geheiligde dingen van het Huis dos Heerex besteed aan de Baiils.

8 En de Koning gebood, en zij maakten eene kist, en stelden die builen aan de poort van het Huis des Heerex;

9 en men deed uitroeping in Juda en in Jeruzalem, dat men den Heere inbrengen zoude de schatting van Mozes, den knecht Gods, over Israël in de woestijn.

10 Toen verblijdden zich alle oversten en al het volk, en zij brachten in en wierpen in do kist, totdat men voleindigd had.

11 Het geschiedde nu ten tijde als hij de kist naar des Konings bevel door de hand der Leviten inbracht, en als zij zagen dat er veel geld was, dat de schrijver des Konings kwam, en de bestelde des Hoofdpriesters, en de kist ledig maakten, en die opnamen en die wederbrachten aan hare plaats; alzóó deden zij van dag tot dag, en verzamelden geld in menigte;

12 hetwelk de Koning en Jojada gaven dengenen die het werk van den dienst van het Huis des Heerex verzorgden; en zij huurden houwers en timmerlieden om het Huis des Heerex te vernieuwen, mitsgaders ook werkmeesters in ijzer en koper om het Huis de.? Heerex te verbeteren.

13 Zoo deden de verzorgers van het werk, dat de betering des werks door hunne hand toenam; en zij herstelden het Huis Gods in zijns gestaltenis, en maakten het vast.

14 Als zij nu voleindigd hadden, brachten zij voor den Koning en Jojada het overige des gelds, waarvan hij vaten maakte voor het Huis des Heerex, vaten om te dienen en te offeren, en rookscha-len, en gouden en zilveren v^ten;


-ocr page 550-

2 K R O NI !•: K E N 25.

53G

en zij offerden geduriglijk brand offeren in liet Huis des Heeren, alle de dagen van Jojada.

15 En Jojada werd oud en zat van dagen, en stierf: liij was honderd en dertig jaar oiid toon hij stierf.

10 En zij begroeven hem in de stad Davids, bij de Koningen; want hij had goed gedaan in Israël, beide aan God en zijnen Huize.

17 Maar na den dood van Jojada kwamen de Vorsten van Juda en bogen zich neder voor den Koning ; toen hoorde de Koning naar hen.

18 Zoo verlieten zij het Huis des Heeren des Gods hunner vaderen , en dienden de bosschen en de afgoden: toen was er eene groote toornigheid over Juda en Jeruzalem, om deze hunne schuld.

19 Doch hij zond Profeten onder hen, om hen tot don Heere te doen wederkeeren ; die betuigden tegen hen, maar zij neigden de ooren niet.

20 En de Geest Gods toog Ze-charja den zoon van Jojada den Priester aan, die hoven het volk stond , en hij zeide tot hen : Zóó zegt God: Waarom overtreedt gij de geboden des Heeren ? Daarom zult gij niet voorspoedig zijn : dewijl gij den Hkere verlaten hebt, zoo zal hij u verlaten.

21 En zij maakten eene verbintenis tegen hem, en steenigden hem met steenen, door het gebod des Konings, in het voorhof van het Huis des Heerex.

22 Zoo gedacht de Koning Joas niet der weldadigheid, die zijn vader Jojada aan hem gedaan had maar doodde zijnen zoon: dewelke als hij stierf, zeide: De Heere zal het zien en zoeken.

23 Daarom geschiedde het met den omgang des jaars dat de heirkracht van Syrië tegen hem optoog, en zij kwamen tot Juda en Jeruzalem, en verdierven uit het volk alle de Vorsten des volks, en zij zonden al hunnen roof tot den Koning van Damascus.

24 Hoewel de heirkracht van Syrië met weinige mannen kwam, evenwel gaf de Heere in hunne hand een heirkracht van groote menigte, dewijl zij den Heere den God hunner vaderen verlaten hadden: alzoo voerden zij de oor-deelen uit tegen Joas.

25 En toen zij van hem getogen waren, (want zij lieten hem in groote krankheden), maakten zijne knechten , om het bloed der zonen van den Priester Jojada, eene verbintenis tegen hem, en zij sloegen hem dood op zijn bed, dat hij stierf, en zij begroeven hem in de stad Davids, maar zij begroeven hem niet in de graven der Koningen.

26 Deze nu zijn het die eene verbintenis tegen hem maakten: Zabad, de zoon van Simeath de Ammonitische, en Jozabad, de zoon van Simrith de Moabitische.

27 Aangaande nu zijne zonen, en de grootheid van den last hem omgelegd, en den bouw van het Huis Gods, zie, zij zijn geschreven in de historie van het boek der Koningen. En zijn zoon Amazia werd Koning in zijne plaats.

HOOFDSTUK 25.

Amazia vijfentwintig jaar oud zijnde, werd quot;Koning, en regeerde negenentwintig jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jonddan van Jeruzalem.

2 En hij deed dat recht was in de oogen des Heeren, doch niet met een volkomen harte.

3 Het geschiedde nu als het koninkrijk aan hem gesterkt was, dat hij zijne knechten die den Koning zijnen vader geslagen hadden doodde;

4 doch hunne kinderen doodde hij niet. maar hij deed gelijk in de wet in het boek van Mczes geschreven is, waar de Heere geboden heeft, zeggende: De vaders zullen niet sterven om d3 kinderen, en de kinderen zullen niet sterven om de vaders, maar een ieder zal om zijne zonde sterven.

5 En Amazia vergaderde Juda, en stelde ze, naar de huizen der vaderen, tot oversten van duizend en tot oversten van honderd, door gansch Juda en Benjamin; en hij monsterde ze van twintig jaar oud


-ocr page 551-

EKEN 25.

2 K R 0 NI

537

en daarboven, en vond ze driehonderdduizend uitgelezenen, uittrekkende ten heire, handelende spies en rondas;

G daartoe huurde hij uit Israël honderdduizend kloeke helden voor honderd talenten zilvers.

7 Maar daar kwam een man Gods tol hem, zeggende: O Koning, laat het heir Israels niet met u gaan; want de Heere is niet met Israël, met alle kinderen Efraïms.

8 Maar zoo gij gaat, doe het, wees sterk ten strijde: God zal li doen vallen voor den vijand, want in God is kracht om te helpen en om te doen vallen.

9 En Amazia zeide tot den man Gods: Maar wat zal men doen met de honderd talenten die ik aan de benden Israels gegeven heb? En de man Gods zeide: De Heeüe heelt meer dat dit om u te geven.

10 Toen scheidde Amazia die al\', te weten de benden die uit Efraïm tot hem gekomen waren, dat zij naar hunne plaats gingen; daarom ontstak hun toorn zeer tegen Juda, en zij keerden weder tot hunne plaats in hittigheid des toorns.

11 Amazia nu sterkte zich, en leidde zijn volk uit, en toog in het Zoutdal, en sloeg tienduizend van de kinderen van Seïr;

12 daartoe vingen de kinderen van Juda tienduizend levend, en brachten ze op de hoogte der steenrots, en stielen ze van de spits der steenrots al\', dat zij allen berstten.

13 Maar de mannen der benden, die Amazia had doen wederkeeren, dat zij met hem in den strijd niet zouden trekken, die deden eenen inval in de steden van Juda, van Samarië af lot Belh-Horon toe, en sloegen van hen drieduizend en roofden veel roof.

14 Het geschiedde nu nadat Amazia van het slaan der Edomi-ten gekomen was, en dat hij de goden der kinderen van Seïr medegebracht had, dat hij zich die tot goden stelde en zich voor dezelve nederboog en him rookte.

15 Toen ontstak de toorn des Heeren tegen Amazia, en hij zond tot hem eenen Profeet, die zeide tot hem: Waarom hebt gij de goden van dat volk gezocht, die hun volk niet gered hebben uit uwe hand ?

lli En het geschiedde als hij tot hem sprak, dat hij tot hem zeide: Heeft men u tot des Konings raadgever gesteld? Houdt gij op: waarom zouden ziju slaan? Toen hield de Profeet op, en zeide: Ik merk dat God besloten heeft u te verderven , dewijl gij dit gedaan en naar mijnen raad niet gehoord hebt.

17 En Amazia, de Koning van Juda, werd le rade dat hij zond tot Joas, den zoon van Joahaz den zoon van Jehu, don Koning Israels, om te zeggen: Kom, laat ons elkanders aangezicht zien.

18 Maar Joas, de Koning Israels, zond tot Amazia, den Koning van Juda, om te zeggen: De distel die op den Libanon is zond tot den ceder die op den Libanon is, om te zeggen: Geef uwe dochter mijnen zoon ter vrouw; maar het gedierte des velds dat op den Li-banon is ging voorbij en vertrad de distel.

19 Gij zegt, zie, gij hebt de Edomitén geslagen, daarom heeft uw hart u verheven om te roemen: nu, blijf in uw huis; waarom zoudl gij ii in het kwade mengen, dal gij vallen zoudt, gij en Juda met u?

20 Doch Amazia hoorde niet 7 want het was van God , opdat hij ze in hunne hand gave, overmits zij de goden der Edomiten gezocht hadden.

21 Zoo toog Joas, de Koning Israels , op, en hij en Amazia , de Koning van Juda, zagen elkanders aangezicht te Beth-Sémes dat in J uda is,

22 en Juda werd geslagen voor het aangezicht Israels, en zij vloden een iegelijk in zijne tenten.

23 En Joas de Koning Israels greep Amazia den Koning van Juda, den zoon van Joas, denzoon van Joahaz, te Beth-Sémes, en hij bracht hem te Jeruzalem; en


-ocr page 552-

EKEN 26.

2 K R O NI

538

hij brak aan den muur van Jeruzalem , van de poort Efraïms tot aan de Hoekpoort, vierhonderd ellen;

24 daartoe nam hij al het goud, en het zilver, en alle de vaten die in het Huis Gods gevonden werden bij Obed-Edom, en de schatten van het huis des Konings, mitsgaders gijzelaars; en hij keerde weder naar Samarië.

25 Amazia nu de zoon van Joas, de Koning van Juda, leefde na den dood van Joas den zoon van Joahaz, den Koning Israels, vijftien jaar.

26 Het overige nu der geschiedenissen van Amazia , de eerste en de laatste, zie, zijn die niet geschreven in het boek der Koningen van Juda en Israël?

27 Van den tijd nu aan dat Amazia afgeweken was van achter den Heere , zoo maakten zij in Jeruzalem eene verbintenis tegen hem; doch hij vluchtte naar Lachis; toen zonden zij hem na tot Lachis, en doodden hem aldaar;

28 en zij brachten hem op paarden , en begroeven hem bij zijne vaderen in de stad van Juda.

HOOFDSTUK 20.

Toen nam het gansche volk van Juda üzzia, die nu zestien jaar oud was, en zij maakten hem Koning in ziins vaders Amazia\'s plaats.

2 Deze bouwde Eloth, en bracht ze weder aan Juda, nadat de Koning met zijne vaderen ontslapen was.

\'S Zestien jaar was Uzzia oud toen hij Koning werd, en hij regeerde tweeënvijftig jaar te Jeruzalem ; en de naam zijner moeder was Jecholia van Jeruzalem.

4 En hij deed dat recht was in de oogen des Heeren, naar alles dat zijn vader Amazia gedaan had;

5 want hij begaf zich om God te zoeken, in de dagen van Za-charia, die verstandig was in de gezichten Gods. In de dagen nu dat hij den Heere zocht maakte hem God voorspoedig.

6 Want hij toog uit en krijgde tegen de Filistijnen, en brak den muur van Gath en den muur van Jabné en den muur van Asdod, daartoe bouwde hij steden in Asdod en onder de Filistijnen.

7 En God hielp hem tegen de Filistijnen, en tegen de Arabieren die te Gur-Baal woonden, en ïeyen de Meüniten.

8 En de Ammoniten gaven Uzzfa geschenken; en zijn naam ging uit tot den ingang van Egypte, want hij sterkte zich ten hoogste.

9 Daartoe bouwde Uzzia torens te Jeruzalem, aan de Hoekpoort en aan de Dalpoort en aan de hoeken, en hij versterkte ze.

10 Hij bouwde ook torens in de woestijn, en hieuw vele putten uit, overmits hij veel vee had, beide in de laagten en in de elfene velden; akkerlieden en wijngaardeniers op de bergen en op de vruchtbare velden; wint hij was een liefhebber van der. landamp;tmw.

11 Voorts had Uzzia eene heir-kracht van geoefenden ten oorloge, uittrekkende ten heire bij benden, naar het getal hunner monstering , door de hand van Jeïël den schrijver en Maaseja den ambtman, onder de hand van Hananja, een van de Vorsten des Konings.

12 Het geheele getai van de hoofden der vaderen, eer strijdbare helden, was tweeduizend en zeshonderd.

13 En onder hunne hand was een krijgsheir van driehonderdduizend en zevenduizend en vijfhonderd, die met strijdbare kracht zich ten oorloge oefenden, om den Koning tegen den vijand te helpen.

14 En Uzzia bereidde voor hen, voor het gansche heir, schilden en spiesen en helmen en pantsers en bogen, zelfs tot de slingerstee-nen toe.

15 Hij maakte ook tc Jeruzalem kunstige werken, bedenking van kunstige werkmeesters., dat ze op de torens en op de hoeken zijn zouden, om met pijlen en met groote steenen te schieten: zoo ging zijn naam tot verre toe uit, want hij werd wonderlijk geholpen, totdat hij sterk werd.

16 Maar als hij sterk geworden was, verhief zich zijn harte tot ver-


-ocr page 553-

KEN 27, 28.

539

2 K R O NIE

2 En hij deed dat recht was in de oogen des Heeren, naar alles dat zijn vader Uzzi\'a gedaan had, behalve dat hij in den Tempel des Heeren niet quot;ging; en het volk verdierf zich nog.

3 Hij bouwde de Hooge poort aan het Huis des Heeren, hij bouwde ook veel aan den muur van Ofel;

4 daartoe bouwde hij steden op het gebergte van Juda, en in de. wouden bouwde hij burchten en torens.

5 Hij krijgde ook tegen den Koning der kinderen Ammons, en had de overhand over hen, zoodat de kinderen Ammons in datzelfde jaar hem gaven honderd talenten zilvers, en tienduizend kor tarwe, en tienduizend gerst; dat brachten hem de kinderen Ammons wederom ook in het tweede en in het derde Jaar.

6 Alzoo versterkte zich Jotham; want hij richtte zijne wegen voor het aangezicht des Heeren zijns Gods.

7 Het overige nu der geschiedenissen Jothams, en alle zijne krijgen en zijne wegen , zie , zij zijn geschreven in het boek der Koningen van Israël en Juda.

8 Hij was vijfentwintig jaar oud toen hij Koning werd, en hij regeerde zestien jaar te Jeruzalem.

9 En Jotham ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem in de stad Davids; en zijn zoon Achaz werd Koning in zijne plaats.

HOOFDSTUK 28.

Achaz was twintig jaar oud toen hij Koning werd, en regeerde zestien jaar te Jeruzalem; en hij deed niet dat recht was in de oogen I des Heeren , gelijk zijn vader David,

2 maar hij wandelde in de wegen der Koningen Israels; daartoe maakte hij ook gegotene beelden voor de Baals.

3 Hij rookte ook in het dal des zoons Hinnoms, en hij brandde zijne zonen in het vuur, naar de gruwelen der heidenen die de Heere voor het aangezicht der

dervens toe. en hij overtrad tegen den Heere zijnen God, want hij ging in den Tempel des Heeren om te rooken op het reukaltaar.

17 Doch Azarja de Priester ging hem na, en met hem des Heeren Priesters, tachtig kloeke mannen;

18 en zij wederstonden den Koning Uzzi\'a, en zeiden hem: Het komt u niet toe, Uzzi\'a, den Heere te rooken, maar den Priesteren, Aarons zonen, die geheiligd zijn om te rooken; ga uit het heiligdom, want gij hebt overtreden, en het zal u niet tot eere zijn van den Heere God.

19 Toen werd Uzzi\'a toornig; en het reukwerk was in zijne hand, om te rooken; als hij nu toornig werd tegen de Priesteren, rees do melaatschheid öp aan zijn voorhoofd , voor het aangezicht der Priesteren in het Huis des Heeren, van boven het reukaltaar.

20 Alstoen zag de Hoofdpriester Azarja op hem, en alle de Priesteren , en zie, hij was melaatsch aan zijn voorhoofd; en zij stieten hem metterhaast van daar, ja hij zelf werd ook gedreven uit te gaan, omdat de Heere hem geplaagd had.

21 Alzoo was de Koning Uzzi\'a melaatsch tot aan den dag zijns doods; en melaatsch zijnde woonde hij in een afgezonderd huis, want hij was van het Huis des Heeren afgesneden; Jotham nu zijn zoon was over het huis des Konings, richtende het volk des lands.

22 Het overige nu der geschiedenissen van Uzzi\'a, de eerste en de laatste , heeft de Profeet Jesaja de zoon van Amoz beschreven.

23 En Uzzi\'a ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem bij zijne vaderen, in het veld van de begrafenis die der Koningen i was; want zij zeiden: Hij is melaatsch. En zijn zoon Jotham werd Koning in zijne plaats.

HOOFDSTUK 27.

Jotham was vijfentwintig jaar oud toen hij Koning werd, en hij regeerde zestien jaar te Jeruzalem; en de naam zijner moeder was Jerusa, eene dochter van Zadok.

-ocr page 554-

2 KRONIEKEN 28.

540

kinderen Israels uit de bezitting verdreven had.

4 Ook offerde hij en rookte op de hoogten en op de heuvelen , mitsgaders onder alle groen ge-hoomte.

5 Daarom gaf hem de Heere zijn God in de hand des Konings van Syrië, dat zij hem sloegen, en van hem gevankelijk wegvoerden eene groote menigte van gevangenen , die zij te Damascus brachten. Kn hij werd ook gegeven in de hand des Konings Israels, die hem sloeg met eenen grooten slag.

fi Want Pekah do zoon van Re-hialia sloeg in Juda honderdtwintigduizend dood op éénen dag, allen strijdbare mannen, omdat zij den Heere , hunner vaderen God , verlaten hadden.

7 Én Zichri, een geweldig man van Efraïm , sloeg Maaseja , den zoon des Konings, dood en Azri-kam den huisoverste, mitsgaders Elkana, den tweede na den Koning.

8 En do kinderen Israels voerden van hunne broederen gevankelijk weg tweehonderdduizend , vrouwen, zonen en dochteren , en plunderden ook veel roof van hen, en zij brachten den roof te Sa-marie.

9 Aldaar nu was een Profeet des Heeren wiens naam was Oded, die ging uit, het heir tegen dat naar Samarië kwam , en zeide tot hen: Zie, door de grimmigheid des Heeren des Gods uwer vaderen over Juda heeft hij ze in uwe hand gegeven, en gij hebt ze doodgeslagen in toornigheid, die tot aan den hemel raakte.

10 Daartoe denkt gij nu de kinderen van Juda en \'Jeruzalem u tot slaven en slavinnen te onderwerpen : zijt gij het niet alleenlijk? bij ulieden zijn schulden tegen den Heere uwen God.

11 Nu dan, hoort mij, en brengt de gevangenen weder die gij van uwe broederen gevankelijk weggevoerd hebt; want de hitte van des Heeren* toorn is over u.

12 Toen maakten zich mannen op van de hoofden der kinderen

Efraïms , Azarja de zoon van Jo-hanan, Berechja de zoon van Me-sillemoth, en Jehizkia de zoon van Sail urn , en Amasa de zoon van Hadlai, tegen degenen die uit het heir kwamen;

13 en zij zeiden tot hen: Gij zult deze gevangenen hier niet inbrengen , tot eene schuld over ons tegen den Heere : denkt gijlieden toe te doen tot onze zonden en tot onze schulden, hoewel wij veel schuld hebben en de hitte des toorns over Israël is ?

14 Toen lieten de toegerusten de gevangenen en den roof voor het aangezicht der oversten en der gansche gemeente.

15 De mannen nu die met namen uitgedrukt zijn maakten zich op en grepen de gevangenen, en kleedden van den roof alle hunne naakten, en zij kleedden en schoeiden ze , en spijsden en drenkten ze, en zalfden ze, en voerden ze op ezels , allen die zwak waren , en brachten ze te Jericho, de Palm-stad, bij hunne broederen; daarna keerden zij weder naar Samarië.

16 Ter zeiver tijd zond d€^ Koning Achaz tot de Koningen van Assy-rië, dat zij hem helpen zouden.

17 Daarenboven waren ook de Edomiten gekomen, en hadden Juda geslagen, en gevangenen gevankelijk weggevoerd.

18 Daartoe waren de Filistijnen in de steden der laagte en het zuiden van Juda ingevallen, en hadden ingenomen Beth-Sémes, en Ajjalon, en Gederoth, en Socho en hare onderhoorige plaatsen, en Timna en hare onderhoorige plaatsen, en Gimzo en hare onderhoorige plaatsen; en zij woonden aldaar.

10 Want do Heere vernederde Juda, om Achaz des Konings Israels wille, want hij had Juda afgetrokken, dat het gansch zeer overtrad tegen den Heere.

20 En Tilgath-Pilnéser, de Koning van Assyrië, kwam tot hem ; doch hij benauwde hem, en sterkte hem niet.

21 Want Achaz nam een deel van het Huis des Heeren, en van het huis des Konings en der


-ocr page 555-

2 K R O NI Vorsten, hetwelk hij den Koningvan Assyrië gaf; maar hij hielp hem niet.

22 Ja ten tijde als men hem be-nauwde, zoo maakte hij des over-tredens tegen den Heere nog meer: dit was de Koning Aehaz.

23 Want hij offerde den goden van Damascus die hem geslagen hadden, en zeide: Omdat de goden der Koningen van Syrië hen helpen, zal ik hun offeren, opdat zij mij óók helpen; maarzij waren hem tot zijnen val, mitsgaders aan gansch Israël.

24 En Achaz verzamelde de vaten van het Huis Gods, en hieuw de vaten van het Huis Gods in stukken, en sloot de (leuren van het Huis des Heeren toe; daartoe maakte hij zich altaren in alle hoeken te Jeruzalem;

25 ook maakte hij in elke stad van Juda hoogten om andere goden te rooken: alzoo verwekte hij den Heere zijner vaderen God, tot toorn.

26 Het overige nu zijner geschiedenissen en alle zijné wegen, do eerste cn de laatste, zie, zij zijn geschreven in het boek der Koningen van Juda en Israël.

27 En Achaz ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven herri in de stad, te Jeruzalem; maar zij brachten hem niet in de graven der Koningen Israels. En zijn zoon Jehizki\'a werd Koning in zijne plaats.

HOOFDSTUK 29.

Jehizki\'a werd Koning, vijfentwintig jaar oud zijnde, eii regeerde negenentwintig jaar te Jeruzalemquot;; en de naam zijner moeder was Abia eene dochter van Zacharia.

2 En hij deed dat recht was in de oogen des Heeren*, naar alles wat zijn vader David gedaan had.

3 Hij deed in het eerste jaar zijner regeering, in de eerste maand, de deuren van het Huis des Heeren open, en beterde ze.

4 En hij bracht de Priesteren en de Leviten in, en hij verzamelde ze in de Ooststraat.

EKEN 20. 541

5 En hij zeide tot hen: Hoort mij , o Leviten : heiligt nu uzelven en heiligt het Huis des Heeren des Gods uwer vaderen, en brengt de onreinigheid uit van het Heiligdom.

6 Want onze vaders hebben overtreden, en gedaan dat kwaad was in de oogen des Heeren onzes Gods, en hebben hem verlaten , en zij hebben hunne aangezichten van den Tabernakel des Heeren omgewend, en hebben den nek toegekeerd;

7 ook hebben zij de deuren van het voorhuis toegesloten, en de lampen uitgebluscht, en het reukwerk niet gerookt; en het brandoffer hebben zij in het Heiligdom den God Israëls niet geofferd.

8 Daarom is een groote toorn des Heeren over Juda en Jeruzalem geweest, en hij lieeft ze overgegeven ter beroering, ter verwoesting en ter aanfluiting, gelijk als gij ziet met uwe oogen.

9 Want zie, onze vaders zijn door het zwaard gevallen, daartoe onze zonen en onze dochteren en onze vrouwen zijn daarom in gevangenschap geweesl.

10 Nu is het in mijn harte een verbond te maken met den Heere den God Israëls, opdat de hitte zijns toorns zich van ons afkeere.

11 Mijne zonen, weest nu niet traag; want de Heere heeft u verkoren, dat gij voor zijn aangezicht staan zoüdt om hem te dienen, en opdat gij hem dienaars en wierookers zoudt wezen.

12 Toen maakten zich de Leviten op, Mahath de zoon van Amasai, en Joël de zoon van Azarja, van de kinderen der Koha-thiten; en van de kinderen van Merari, Kis de zoon van Abdi, en Azarja de zoon van Jehalleleël; en van de Gersoniten, Joah de zoon van Zimma, en Eden de zoon van Joah;

13 en van de kinderen Elizafans, Simri en Jeïël; en van de kinderen Asafs, Zecharja en Mattanja;

14 en van de kinderen Hemans, Jehiël en Simeiquot;, en van de kinderen Jeduthuns, Semoia en Uz-ziël.


-ocr page 556-

542

15 En zij verzamelden hunne broederen en heiligden zich, en kwamen, naar het gebod des Ko-nings door de woorden des Hee-ren, om het Huis des Heeren te reinigen.

16 Maar de Priesteren gingen binnen in het Huis des Heeren , om dat te reinigen. en zij brachten uit in het voorhof van het Huis des Heeren al de onreinig-heid, die zij in den Tempel des Heeren vonden, en de Leviten namen die op om ze naar buiten uit te brengen in de beek Kidron.

17 Zij begonnen nu te heiligen op den eerste der eerste maand, en op den achtsten dag der maand kwamen zij in het voorhuis des Heeren, èn heiligden het Huis des Heeren in acht dagen, en op den zestienden dag der eerste maand maakten zij een einde.

18 Daarna kwamen zij binnen tot den Koning Hizkia, en zeiden: Wij hebben het geheele Huis des Heeren gereinigd, mitsgaders het brandoffer-altaar met al zijn gereedschap, en de tafel der toerichting met al haar gereedschap;

19 ook alle gereedschap dat de Koning Achaz onder zijn koninkrijk door zijne overtreding weggeworpen had, hebben wij bereid en geheiligd: en zie, zij zijn vóór het altaar des Heeren.

20 Toen maakte zich de Koning Jehizkia vroeg op en verzamelde de oversten der stad, en hij ginquot; op in het Huis des Heeren.

21 En zij brachten zeven varren en zeven rammen en zeven lammeren en zeven geitenhokken, ten zondoffer voor het koninkrijk en voor het Heiligdom en voor Juda* en hij zeide tot de zonen Aarons, de Priesteren, dat zij die op het altaar des Heek en zouden offeren.

22 Zoo slachtten zij de runderen, en de Priesters ontvingen het bloed, en sprengden het op het altaar; zij slachtten ook de rammen, en sprengden het bloed op het altaar; insgelijks slachtten zij de lammeren, en sprengden het bloed op het altaar.

23 Daarna brachten zij de bokken bij ten zondoffer, voor het

aangezicht des Konings en der gemeente, en zij leiden hunne handen op dezelve;

24 en de Priesters slachtten ze, en ontzondigden met derzelyer . bloed op het altaar, om verzoening te doen voor het gansche Israël; want de Koning had dat brandoffer en dat zondoffer voor gansch Israël bevolen.

25 En hij stelde de Leviten in het Huis des Heeren, met cym-balen, met luiten en harpen, naar het gebod Davids, en Gads des zieners des Konings, en Nathans des Proleten, want dit gebod was van de hand des Heeren , door de hand zijner Profeten.

2G De Leviten nu stonden met do instrumenten Davids, en de Priesters met de trompetten,

97 En Hizkia beval dat men het brandoHbr op het altaar zoude offeren. Ten tijde nu als dat brandoffer begon, begon het gezang des Heeren met de trompetten en met do instrumenten Davids des Konings Israels.

28 De gansche gemeente nu boog zich neder als men het ge-zanquot; zong en met trompetten trom-petfede; dit alles totdat het brandoffer voleindigd was. ,

29 Als men nu geëindigd had te offeren, bukten de Koning en allen die bij hem gevonden werden, en bogen zich neder. j

30 Daarna zeide de Koning Jehizkia . en de oversten tot de Leviten, dat zij den Heere loven zouden met de woorden Davids en Asafs des zieners; en zij looiden tot blijdschap toe, en neigden hunne hoofden en bogen zich neder.

31 En Jehizkia antwoordde en zeide: Nu hebt gij uwe handen den Heere gevuld, treedt toe, en brengt slachtofferen en lotofle-ren tot het Huis des Heeren. En de gemeente bracht slachtofferen | en lofofferen, en alle vrijwilligen ( van bart brandofferen. ,„.11

32 En het getal der brandolie- j ren die de gemeente bracht wasL zeventig runderen, honderd ram- , men, tweehonderd lammeren: deze? allen den Heere ten brandoffer. }

33 Nog waren er, als offergaven.» j

2 KRONIEKEN 20.


-ocr page 557-

T

2 K R O NI

zesliondei-d runderen en drieduizend schapen.

34 Doch der Priesteren was te weinig en zij konden aan alle de

li brandofferen de huid niet aftrekken ; daarom hielpen hen hunne broederen de Leviten, totdat het werk geëindigd was en totdat de andere Priesteren zich geheiligd hadden; want de Leviten waren rechter van harte om zich te heiligen dan de Priesteren.

35 En ook waren de brandolTeren in menigte, met het vet der dank-

r offeren, en met de drankofferen voor de brandofferen: alzoo werd de dienst van het Huis des Hee-t hen besteld.

30 Jehizkia nu en al het volk verblijdde zich over hetgene God voor den volke bereid had ; want \'e deze zake geschiedde haastelijk.

Jg HOOFDSTUK 30.

^ Daarna zond Jehizkia tot het gansche Israël enJuda, en schreef u ook brieven naar Efraïm en Ma-e_ nasse, dat zij zouden komen tot quot; liet Huis des Heeren te Jeruzalem, / om den Heere den Ood Israels

Paschen te houden.

i 2 Want de Koning had raad ge-houden met zijne oversten en de \' gansche gemeente te Jeruzalem , \' om het Paschen te houden in de

tweede maand;

p\' 3 want zij hadden het niet kun-nen houden te dierzelver tijd, om-^ dat de Priesteren zich niet genoeg ri? \' geheiligd hadden, en het volk \' zich niet verzameld had te Jeru-zalem.

p * 4 En deze zaak was recht in de

oogen des Konings en in de oogen

der gansche gemeente.

v \' 5 Zoo stelden zij dan, dat men

p,quot; eene stem door gansch Israël, van

k Ber-Séba tot Dan, zoude laten

doorgaan, opdat zij zouden komen

om het Paschen den Heere den

.. God Israëls te houden in Jeruza-

r ®\' lem; want zij hadden het in lange

niet gehouden gelijk het geschre-m- ven was

y 6 De loopers dan gingen henen ei\' met de brieven van de hand des en\'\'Konings en zijner Vorsten, door

E K E N 30. 543

gansch Israël en Juda, en naar het gebod des Konings, zeggende: Gij kinderen Israëls, bekeert u tot den Heere, den God van Abraham, Isaak en Israël, zoo zal hij zich keeren tot de ontko-menen die ulieden overgebleven zijn uit de hand der Koningen van Assyrië.

7 En zijt niet als uwe vaders en als uwe broeders, die tegen den Heere den God hunner vaderen overtreden hebben; waarom hij ze tot verwoesting overgegeven heeft, gelijk als gij ziet.

8 Verhardt nu ulieder nek niet, gelijk uwe vaderen: geeft den Heere de hand, en komt tot zijn heiligdom hetwelk hij geheiligd heeft tot in eeuwigheid, en dient den Heere uwen God; zoo zal de hitte zijns toorns van u afkoeren.

9 Want als gij u bekeert tot den Heere , uwe broederen en uwe kinderen zullen barmhartigheid vinden voor het aangezicht dergeneu die hen gevangen hebben, zoodat zij in dit land zullen wederkomen; want de Heere uw God is genadig en barmhartig, en zal het aangezicht van u niet afwenden , zoo gij u tot hem bekeert.

10 Zoo gingen de loopers dóór van stad tot stad, door het land van Efraïm en Manasse, tot Ze-bulon toe; doch zij belachten ze en bespotteden ze.

11 Evenwel verootmoedigden zich sommigen van Aser en Manasse en van Zebulon, en kwamen te Jeruzalem.

42 Ook was de hand Gods in Juda, hun éénerlei harte gevende, dat zij het gebod des Konings en der Vorsten deden, naar het Woord des Heeren.

13 En te Jeruzalem verzamelde zich veel volks om het feest der ongezuurde brooden te houden, in de tweede maand, eene zeer groote gemeente;

14 en zij maakten zich op, en namen de altaren weg die te Jeruzalem waren; daartoe namen zij alle rooktuig weg , hetwelk zij in de beek Kidron wierpen.

15 Toen slachtten zij het Pascha,


-ocr page 558-

2 KRONIEKEN 31.

op den veertiende der tweede maand; en de Priesters en de Leviten waren beschaamd geworden en hadden zich geheiligd, en hadden brando(Teren gebracht in het Huis des Hkeuen.

16 En zij stonden in hunnen stand, naar hunne wijze, naar de wet van Mozes denman Gods; de Priesters sprengden liet bloed, dat nemende uit de hand der Leviten.

17 Want eene menigte was in die gemeente die zich niet geheiligd hadden: daarom waren do Leviten over de slachting dor paaschlam-meren, voor iedereen dieniet rein was, om die den IIkere te heiligen;

18 want eene menigte des volks, velen van Efraïm en Manasse, Is-saschar en Zebulon, hadden zich niet gereinigd, maar aten het Pascha niet gelijk geschreven is. Doch Jehizki\'a bad voor hen zeggende: De Heere, die goed is, doe verzoening voor dien,

19 die zijn gansche harte gericht heeft om God den liEEFiE,*den God zijner vaderen, te zoeken, hoewel niet naar de reinigheid des Heiligdoms.

20 En de Heere verhoorde Jehizki\'a en heelde het volk.

21 Zoo hielden de kinderen Is-raëls die te Jeruzalem gevonden werden bet feest der ongezuurde hrooden, zeven dagen, met groote blijdschap. De Leviten nu en de Priesteren prezen den Heere, dag op dag, met sterkluidende instrumenten des Heerex.

22 En Jehizki\'a sprak naar bet harte van alle Leviten die verstand hadden in de goede kennis des Heeren : en zij aten de offeranden des gezetten hoogtijds zeven dagen , oirerende dankoileren en lovende den Heere den God hunner vaderen.

23 Als nu de gansche gemeente raad gehouden had om andere zeven dagen te houden, hielden zij nog zeven dngen met blijdschap.

24 Want Jehizki\'a de Koning van Juda gaf der gemeente duizend varren en zevenduizend schapen, en de Vorsten gaven der gemeente duizend varren en tienduizend schapen; de Priesteren nu hadden zich in menigte geheiligd.

25 En de gansche gemeente van Jnda verblijdde zich , mitsgaders de Priesteren en de Leviten, en de geheele gemeente dergenen die uit Israël gekomen waren, ook de vreemdelingen, die uit het land Israëls gekomen waren en die in Juda woonden.

20 Zoo was er groote blijdschap te Jeruzalem; want van de dagen van Salomo den zoon van David, den Koning Israëls, was desgelijks in Jeruzalem niet geweest.

27 Toen stonden de Levitischo Priesteren op en zegenden het volk; en hunne stemme werd gehoord, want hun gebed kwam tot zijne heilige woning in den hemel.

HOOFDSTUK 31.

Als zij nu dit alles voleindigd hadden , togen alle Israëliten die er gevonden werden uit tot de steden van Juda, en braken de opgerichte beelden, en hieuwen de bosschen af, en wierpen de hoogten en de altaren af, uit gansch Juda en Benjamin, ook in Efraïm en Manasse, totdat zij alles teniet gemaakt hadden ; daarna keerden alle de kinderen Israëls weder, een ieder tot zijne bezitting, in hunne steden.

2 En Jehizki\'a bestelde de af-deelingen der Priesteren en der Leviten, naar hunne verdeelingen, een ieder naar zijnen dienst, de Priesteren en de Leviten tot het brandoffer en tot de dankofferen , om te dienen en om te loven, en om to prijzen in de poort van de legers des Heeuex ;

3 ook het deel des Komngs van zijne have tot de brandofferen, tot de brandoffers des morgens en des avonds, en de brandofferen der sabbaten en der nieuwe maanden en der gezette hoogtijden, gelijk geschreven is in clc wet des Heeren.

4 En hij zeide lot het volk, tot de inwoners van Jeruzalem , dat zij het deel der Prieste.-en en Leviten geven zouden, oplat zij versterkt mochten worden in de wet des Heeren.


-ocr page 559-

2 KRONIEKEN 32.

545

1 5 Toen nu dat woord uitbrak, brachten de kinderen Isfaëls vele eerstelingen van koren, most en \' olie en honig, en van al de inkomst des velds; ook brachten zij de tienden van alles in met me-I nigte.

6 En de kinderen van Israël en 1 Juda die in de steden van Juda

woonden, die brachten óók tien-^ den der runderen en der schapen, en tienden der heilige dingen die : den Heere hunnen üod geheiligd i waren, en maakten vele hoopen.

7 In de derde maand begonnen zij den grond van die hoopen te leggen, en in de zevende maand

; voleindigden zij.

8 Toen nu Jehizkfa en de Vorsten kwamen en die hoopen za-

; gen, zegenden zij den Heere en ^ zijn volk Israël.

9 En Jehizkfa ondervraagde de Priesterenen de Levi ten aangaande die hoopen.

10 En Azarja de Hoofdpriester, van den huize Zadoks, sprak tot hem en zeide: Van dat men deze heffing begonnen heeft tot het

IHuis desHuis des Heeren te brengen, is er te eten geweest, en verzadigd te worden, ja over te houden tot overvloed toe, want de Heere heeft zijn volk gezegend, zoodat deze veelheid overgebleven is.

11 Toen zeide Jehizkfa dat men kameren aan het Huis des Heeren bereiden zoude, en zij bereidden ze.

12 Daarin brachten zij die heffing , en de tienden, en de geheiligde dingen, in getrouwigheid; en daarover was Konanja de Leviet overste, en Simeiquot; zijn broeder de tweede;

13 maar Jehiël en Azazja en Nahath en Asaël en Jerimoth en Jozabad en Eliël en Jismachja en Mahath en Benaja waren opzieners, onder de hand van Konanja en Simei zijnen broeder, door het bevel van den Koning Jehizkfa en van Azarja den overste van het Huis Gods.

14 En Koré de zoon van Jimna de Leviet, de portier tegen het Oosten, was over de vrijwillige gaven Gods, om het hefoffer des

Heeren. en het allerheiligste uit te deelen.

15 En aan zijne hand waren Eden en Minjamin en Jesua en Semaja, Amarja en Sechanja, in de steden der Priesteren, met getrouwigheid, om aan hunne broederen in de afdeelingen, zoowel den kleine als den groote, uit te deelen,

1(5 (benevens die gesteld waren in het geslachtregister der manspersonen , drie jaren oud en daarboven) , allen die in het Huis des Heeren gingen, tol het dagelijksch werk op eiken dag, voor hunnen dienst in hunne wachten, naar hunne afdeelingen;

17 en met hen die gesteld waren in het geslachtregister der Priesteren, naar het huis hunner vaderen ; ook de Leviten van twintig jaren oud en daarboven, in hunne wachten, naar hunne afdeelingen;

18 ook tot de geslachtrekening-met alle hunne kinderkens, hunne vrouwen en hunne zonen en hunne dochteren, door de gansche gemeente ; want zij hadden zich in hun ambt in heiligheid geheiligd.

19 Ook waren onder de kinderen Aarons, de Priesteren, op de velden der voorsteden hunner steden, in elke stad, mannen die met namen uitgedrukt waren, om aan alle manspersonen onder de Priesteren, en aan alle die in het geslachtregister onder de Leviten gesteld waren, deelen te geven.

20 En alzóó deed Jehizkfa in geheel Juda; cn hij deed dat goed en recht en waarachtig was voor het aangezicht des Heeren zijns Gods,

21 en in alle werk dat hij begon in den dienst van het Huis Gods, en in de wet en in het gebod, om zijnen God te zoeken deed hij met zijn gansche harte, en had Voorspoed.

HOOFDSTUK 32.

Na deze geschiedenissen en derzelver bevestiging kwam San-herib, de Koning van Assyrië, en toog in Juda, en legerde zich tegen de vaste steden, en dacht zo tot zich af te scheuren.


18

-ocr page 560-

546 \'2 K R O NI

2 Jehizkia nu ziende dat San-herib kwam, en zijn aangezicht was tot den krijg tegen Jeruzalem,

3 zoo hield hij raad met zijne Vorsten en zijne helden, om de fonteinwateren te stoppen die buiten de stad waren, en zij hielpen hem;

4 want veel volk werd vergaderd, dat alle de fonteinen stopte, mitsgaders de beek die door het midden des lands henenvloeide, zeggende : Waarom zouden de Koningen van Assyrië komen en veel water vinden?

5 Zoo versterkte hij zich, en bouwde den geheelen muur óp die gebroken was, dien hij optrok tot aan de torens, met eenen anderen muur daarbuiten, en hij versterkte Millo in de stad Davids; en hij maakte geweer en schilden in menigte.

6 En hij stelde krijgsoversten over het volk, en hij vergaderde ze tot zich in de straat der stadspoort, en sprak naar hun harte, zeggende:

7 Zijt sterk en hebt eenen goeden moed, vreest niet en ontzet u niet voor het aangezicht des Konings van Assyrië, noch voor het aangezicht der gansche menigte die met hem is; want met ons is meer dan met hem:

8 met hem is een vleeschelijke arm, maar met ons is de Heere onze God, om ons te helpen en om onze krijgen te krijgen. En het volk steunde op de woorden van Jehizkia, den Koning van Juda.

9 Na dezen zond Sanherib de Koning van Assyrië zijne knechten naar Jeruzalem (dóch hij zelf was vóór Lachis, en al zijne heerschappij met hem) tot Jehizkia den Koning van Juda, en tot het gansche Juda dat te Jeruzalem was, zeggende:

10 Zóó zegt Sanherib de Koning van Assyrië: Waarop vertrouwt gij, dat gij te Jeruzalem blijft in de vesting?

11 Ruit Jehizkia u niet op, dat hij u overgeve om door honger en door dorst te sterven, zeggen-

EKEN \'S\'2.

de: De Heere onze God zal onsl S uit de hand des Konings van As-|Sn syrië redden? Ben

12 Heeft niet dezelfde Jehizkia fee zijne hoogten en zijne altarentie weggenomen, en tot Juda en tot lt;dc Jeruzalem gesproken, zeggende: .de Voor het eenige altaar zult gij ufcij nederbuigen en daarop rooken\'? de

13 Weet gij niet wat ik gedaan ^diquot; heb en mijne vaderen aan allelwi volken der landen? Hebben do goden van de natiën dier landen hi hun land eenigszins kunnen red- le den uit mijne hand? IK

14 Wie is er onder alle goden lu dezer natiën welke mijne va-|h( ders verbannen hebben, die zijn volk heeft kunnen redden üitlkt mijne hand, dat uw God u uit ei mijne hand zoude kunnen red- lv den? |v

15 Nu dan , dat Jehizkia ulieden h niet bedriege, en dat hij u op zulk eene wijs niet opruie, en k gelooft hem niet; want geen god h van eenige natie en koninkrijk t heeft zijn volk uit mijne hand en d mijner vaderen hand kunnen red- , den: hoeveel te min zal uw God u c uit mijne hand kunnen redden? c

16 Daartoe spraken zijne knech- 1 ten nog meer tegen God den 1 Heere en tegen zijnen knecht ( Jehizkia.

17 Ook schreef hij brieven om lt; den Heere den Gód Israels te honen, en om tegen hem te spre- ; . ken, zeggende: Gelijk de goden ; van de natiën der landen die hun volk uit mijne hand niet gered hebben, alzóó zal de God van Je- ; hizkia zijn volk uit mijne hand niet redden.

18 En zij riepen met luider stem in het Joodsch tegen het volk van Jeruzalem dat op den muur was, om die bevreesd te maken, en die te beroeren, opdat zij de stad mochten innemen,

19 en spraken van den God Jeruzalems als van de goden der volkeren der aarde, een werk van \'s menschen handen.

20 Maar de Koning Jehizkia en de Profeet Jesaja de zoon van Amoz baden daartegen, en zij riepen naar den hemel:


-ocr page 561-

EKEN 33.

547

2 K R O NI

ons 4 21 en de Heere zond eenen As-a5ngel, die alle strijdbare helden en Vorsten en oversten in het le-skia feer des Konings van Assyriëver-iren tlelgde. Zoo is hij met schaamte tot iÜes aangezichts in zijn land wede : dergekeerd ; en als hijquot; in het huis ij u zijns gods ingegaan was, zoo vel-V den hem daar met den zwaarde aan .die uit zijn lijf voortgekomen allelwaren.

do 22 Alzoo verloste de Heere Je-len hizkia en de inwoners van Jeruza-cd- lem uit de hand Sanheribs des jKonings van Assyrië en uit aller len hand, en hij geleidde ze rondom m- henen.

ijn. 23 En velen brachten geschen-üitiken tot den Heere te Jeruzalem, uit jen kostelijkheden tot Jehizkia, den ;d- Koning van Juda, zoodat hij daarna ; voor de oogen aller heidenen veren heven werd.

op 24 In die dagen werd Jehizkia bh krank tot stervens toe, en hij xl bad tot den Heere; die sprak jk tot hem, en hij gaf hem een won-3n derteeken.

i- . 25 Maar Jehizkia deed geen ver-u gelding naar de weldaad aan hem geschied, dewijl zijn harte ver-i- heven werd. daarom werd over n hem, en over Juda en Jeruzalem, it 1 eene groote toornigheid.

26 Doch Jehizkia verootmoedig-ii | de zich om de verheffing zijns e ; harten, hij en de inwoners van gt; Jeruzalem, zoodat de groote toor-n nigheid des Heeren over hen niet n | kwam in do dagen van Jehizkia. d 27 Jehizkia nu had zeer veel - i rijkdom en eere, en hij maakte 1 ; zich schatkameren voor \'zilver en voor goud, en voor kostelijk ge-i steente, en voor specerijen, en i voor schilden, en voor alle begeer-, lijk gereedschap:

i 28 ook schatnuizen voor de in-l komsten van koren en most en olie, en stallen voor allerlei beesten, en kooien voor de kudden.

29 Daartoe had hij zich steden gemaakt, mitsgaders bezitting van schapen en runderen in menigte; want God gaf hem zeer groote have.

30 Deze Jehizkia stopte ook den opperuitgang der wateren van

Gihon, en leidde ze recht af beneden naar het westen der stad Davids; want Jehizkia had voorspoed in al zijn werk.

31 Maar het is alzóó als de gezanten der Vorsten Babels, die tot hem gezonden hadden om te vragen naar dat wonderteeken dat in het land geschied was, bij hem waren, verliet hem God om hem 1.e verzoeken, om te weten al wat in zijn hart was.

32 Het overige nu der geschiedenissen van Jehizkia, en zijne goeddadigheden, zie, die zijn geschreven in het gezicht van den Profeet Jesaja den zoon van Amoz, en in het boek der Koningen van Juda en Israël.

33 En Jehizkia ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem in hel hoogste van de graven der zonen Davids, daartoe deden gansch Juda en de inwoners van Jeruzalem hem eere aan in zijnen dood; en zijn zoon Manasse werd Koning in zijne plaats.

HOOFDSTUK 33.

Manasse was twaalf jaar oud als hij Koning werd, en regeerde vijfenvijftig jaar te Jeruzalem.

2 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, naaide gruwelen der heidenen, die de Heere voor het aangezicht der kinderen Israels uit de bezitting verdreven had.

3 Want hij bouwde de hoogten weder op, die zijn vader Jehizkia afgebroken • had j en richtte den Baals altaren op, en maakte bos-schen, en boog zich neder voor al het heir des hemels, en dien-, de ze,

4 en bouwde altaren in het Huis, des Heeren, van hetwelk de Heere gezegd had: Te Jeruzalem zal mijn naam zijn tot in eeuwigheid.

5 Daartoe bouwde hij all aren voor al het heir des hemels, in beide de voorhoven van het Huis des Heeren.

6 En hij deed zijne zonen door het vuur gaan, in het dal des zoons Hinnoms, en pleegde gui-chelarij en gaf op vogelgeschrei


-ocr page 562-

2 KRONI

548

EKEN 33.

acht, en tooverde, en hij stelde waarzeggers en duivelskunstenaren : hij deed zeer veel kwaad in de oogen des Hekren, om hem tot toorn te verwekken.

7 Hij stelde ook de gelijkenis van een gesneden beeld, c\\ie hij gemaakt had, in het Huis Gods, van hetwelk God gezegd had tot David en tot zijnen zoon Salomo: Jn dit Huis, eri te Jeruzalem, dat ik uit alle stammen Israels verkoren heb, zal ik mijnen naam zetten tot in eeuwigheid,

8 en ik zal den voet Israels niet meer doen wijken van het land dat ik uwen vaderen besteld heb: alleenlijk zoo zij waarnemen te doen al hetgenê dat ik hun geboden heb, naar de gansche wet en inzettingen en rechten door de hand van Mozes.

9 Zoo deed Manasse Juda en de inwoners te Jeruzalem dwalen, dat zij erger deden dan de heidenen, die de Heere voor hot aangezicht der kinderen Israels verdelgd had.

10 De Heere sprak wel tot Manasse en tot zijn volk, maarzij merkten daar niet op.

11 Daarom bracht de Heere over hen de krijgsoversten die de Koning van Assyrië had, welke Manasse gevangen namen onder de doornen, en zij bonden hem met twee koperen ketenen, en voerden hem naar Babel.

12 En als hij hem benauwde, bad hij het aangezicht des Heeren zijns Gods ernstig aan, en vernederde zich zeer voor liet aangezicht des Gods zijner vaderen,

13 en bad hem; en hij liet zich van hem verbidden en hoorde zijne smeeking, en hij bracht hem weder te Jeruzalem in zijn koninkrijk. Toen erkende Manasse dat de Heere God is.

14 En na dezen bouwde hij den buitenmuur aan de stad Davids, aan de westzijde van Gihon in het dal, en tot den ingang van de Vischpoort, en omsingelde Ofel, en verhief dien zeer; hij leide ook krijgsoversten in alle vaste steden in Juda.

15 En hij nam de vreemde goden en die gelijkenis uit het Huis des Heeren weg, mitsgaders alle de altaren die hij gebouwd had op den berg van het Huis des Heeren en te Jeruzalem; en hij wierp ze builen de stad.

1(3 En hij richtte het altaar des Heeren toe, en offerde daarop dankofferen en lofolïeren, en zeide tot Juda dat zij den Heere den God Israels dienen zouden.

17 Maar het volk offerde nog op de hoogten, hoewel den Heere hunnen God.

18 Het overige nu der geschiedenissen van Manasse, en zijn gebed tot zijnen God, ook de woorden der zieners, die tot hem gesproken hebben in den naam des Heeren des Gods Israels, zie, die zijn in de geschiedenissen der Koningen Israels;

19 en zijn gebed, en hoe zich God van hem hóeft laten verbidden, ook al zijn zonde en zijne overtreding, en de plaatsen daar hij hoogten op gebouwd en bosschen en gesneden beelden gesteld heeft, eer hij vernederd werd. zie. da t is beschreven in de woorden der zieners.

20 En Manasse ontsliep met zijne vaderen, en zij begroeven hem in zijn huis; en zijn zoon Amou werd Koning in zijne plaais.

21 Amon was tweeëntwintig jaar oud als hij Koning werd en regeerde twee jaren te Jeruzalem.

22 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, gelijk als zijn vader Manasse gedaan had; want Amon offerde aan alle do gesneden beelden die zijn vader Manasse gemaakt had, en diende ze;

23 maar hij vernederde zich niet voor het aangezicht des Heeren, gelijk Manasse zijn vader zich vernederd had, maar de?e Amon vermenigvuldigde do schuld.

24 En zijne knechten maakten eene verbintenis tegen hem, en doodden hem in zijn huis.

25 Maar het volk des lands sloeg ze allen die de verbintenis tegen den Koning Amon gemaakt hadden, en het volk des lands maakte zijnen zoon Josfa Koning in zijne plaats.


-ocr page 563-

2 K R 0 NIE K E N 34.

549

HOOFDSTUK 34.

Josfa was acht jaren oud toen liij Koning werd, en regeerde éénendertig jaar te Jeruzalem.

2 En hij deed dat recht was in de oogen des Heeren, en wandelde in de wegen zijns vaders David, en week niet af ter rechter-noch ter linkerhand.

3 Want in het achtste jaar zijner regeering, toen hij nog een jongeling was, begon hij den God zijns vaders Davids te zoeken; en in het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem van de hoogten en de bosschen en de gesneden en de gegoten beelden te reinigen.

4 En men brak voor zijn aangezicht de altaren der Baals af; en de zonnebeelden, die omhoog boven dezelve waren, hieuw hij af; de bosschen ook, en de gesneden en gegoten beelden, verbrak en vergruisde en strooide hij op de graven dergenen die hun gèofferd hadden;

5 en de beenderen der Priesteren verbrandde hij op hunne altaren; en hij reinigde Juda en Jeruzalem.

G Daartoe in de steden van Ma-nasse en Efraïm en Simeon, ja tot Naftali toe, in hare woeste plaatsen rondom,

7 brak hij ook de altaren af en de bosschen, en de gesnedene beelden stampte hij, die vergruizende, en alle de zonnebeelden hieuw hij af in het gansche land Israëls: daarna keerde hij weder naar Jeruzalem.

8 In het achttiende jaar nu zijner regeering, als hij het land en het huis gereinigd had , zond hij Safan den zoon van Azalja, en Maaseja den overste der stad, en Joah den zoon van Joahaz, den kanselier, om het Huis des Heeren zijns Gods te verbeteren;

9 en zij kwamen tot Hilkia den Hoogepriester, en zij gaven het geld dat ten huize Gods gebracht was, hetwelk de Leviten die den dorpel bewaarden vergaderd hadden uit de hand van Manasse en Efraïm, en uit het gansche overblijfsel Israëls, en uit gansch Juda en Benjamin, waarna zij te Jeruzalem wedergekomen waren.

10 Zi nu gaven het in de hand der verzorgers van het werk die besteld waren over het Huis des Heeren, en deze gaven dat aan degenen die het werk deden, die arbeidden aan het Huis des Heeren , om het Huis te vermaken en te verbeteren;

11 want zij gaven het den werkmeesters en den bouwlieden, om gehouwen steenen te koopen, en hout tot de samenvoegingen, en om de huizen te zolderen die de Koningen van Juda verdorven hadden.

42 En de mannen handelden trouwelijk in dit werk; en de bestelden over dezelve waren Jahath en Obadja, Leviten van de kinderen van Merari, mitsgaders Ze-charja en Mesullam, van de kinderen der Kohathiten, om het werk voort te drijven; en die Leviten waren allen verstandig op instrumenten van muziek.

13 /ij waren ook over de lastdragers en de voortdrijvers van allen die in eenig werk arbeidden ; want uit de Leviten waren schrijvers en ambtlieden en portiers.

14 En als zij het geld uitnamen dat in het Huis des Heeren gebracht was, vond de Priester Hilkia het wetboek des Heeren, geyeven door de hand van Mozes.

15 En Hilkia antwoordde en zeide tot Safan den schrijver: Ik heb het wetboek gevonden in het Huis des Heeren; en Hilkia gaf Safan dat boek.

16 En Safan droeg dat boek tot den Koning; daarbenevens bracht hij nog den Koning bescheid wedev, zeggende: Al wat in de hand uwer knechten gegeven is, dat doen zij;

17 en zij hebben het geld samen-gestort dat in den Huize des Heeren gevonden is, en hebben het gegeven in de hand der bestelden en in de hand dergenen die het werk maakten.

18 Voorts gaf Safan de schrijver den Koning te kennen, zeggende: Hilkia de Priester heeft mij een boek gegeven. En Safan las daarin voor het aangezicht des Konings.


-ocr page 564-

2 KRONIEKEN 35.

550

19 Het geschiedde nu als de Koning de woorden der wet hoorde, dat hij zijne kleederen scheurde;

20 en dé Koning gebood Hilkia, en Ahikam den zoon van Safan, en Abdon den zoon van Micha, en Safan den schrijver, en Asaja den knecht des Konings, zeggende:

21 Gaat henen, vraagt den Hee-liE voor mij en voor het overgeblevene in Israël en in Juda, over de woorden dezes boeks dat gevonden is; want de grimmigheid des Heehen is groot, die over ons uitgegoten is, omdat onze vaders niet hebben gehouden het Woord des Heeren, om te doen naar al hetgene dat in dat boek geschreven is.

22 Toen ging Hilkia henen , en die des Konings waren, tot de Profetesse Hulda, de huisvrouw van Sallum, den zoon van Tok-hath den zoon van Hasra, den kleederbewaarder, (zij nu woonde te Jeruzalem in het tweede gedeelte), en zij spraken zulks tot haar.

23 En zij zeide tot hen: Zóó zegt de Heere de God Israels: Zefjt tot den man die ulieden tot mij gezonden heeft:

24 Zóó zegt de Heere: Zie, ik zal kwaad over deze plaatse en over hare inwoners brengen, alle de vervloekingen die geschreven zijn in het boek dat men voor het aangezicht des Konings van Juda gelezen heeft.

25 Daarom dat zij mij verlaten en andere goden gerookt hebben, opdat zij mij tot toorn verwekten met allé wérken hunner handen, zoo zal mijne grimmigheid uitgegoten worden tegen deze plaatse, en niet uitgebluscht worden.

26 Maar tot den Koning van Juda, die ulieden gezonden heeft oni den Heere te vragen, tot hem zult gij alzóó zeggen: Zóó zegt de Heere de God Israels: Aangaande de woorden die gij hebt gehoord:

27 omdat uw harte week geworden is en gij u voor het aangezicht Gods vernederd hebt, als gij zijne woorden hoordet tegen deze plaatse en tegen hare inwoners , en hebt u vernederd voor mijn aangezicht en uwe kleederen gescheurd en geweend voor mijn aangezicht: zoo heb ik u ook vérhoord , spreekt de Heere.

28 Zie, ik zal u verzamelen tot uwe vaderen, en gij zult met vrede in uw graf verzameld worden, en uwe oogen zullen al dat kwaad niet zien, dat ik over deze plaatse en over hare inwoners brengen zal. En zij brachten den Koning dit antwoord weder.

29 Toen zond de Koning henen en verzamelde alle oudsten van Juda en Jeruzalem.

30 En de Koning ging op in het Huis des Heeren, en alle de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem, mitsgaders de Priesters en de Leviten, en al het volk, van den groote tot den kleine toe; en men las voor hunne ooren alle de woorden des boeks des verbonds dat in het Huis des Heerex gevonden was.

31 En de Koning stond in zijne standplaatse, en maakte een verbond voor des Heeren aangezicht, om den Heere na te wandelen, en om zijne geboden en zijne getuigenissen en zijne inzettingen met zijn gansche hart en met zijne gansche ziel te onderhouden, doende de woorden des verbonds die in dat boek geschreven zijn.

32 En hij deed allen die te Jeruzalem en in Benjamin gevonden werden staan; en de inwoners van Jeruzalem deden naar het verbond Gods, des Gods hunner vaderen.

33 Josia dan deed alle gruwelen weg uit alle landen die der kinderen Israels waren, en maakte allen die in Israël gevonden werden, te dienen, te dienen den Heere hunnen God: alle zijne dagen weken zij niet af van den Heere den God hunner vaderen na te volgen.

HOOFDSTUK 35.

Daarna hield Josia het Paschen den Heere te Jeruzalem, en zij slachtten het Pascha op den veertiende der eerste maand.

2 En hij stelde de Priesters op hunne wachten, en hij sterkte ze


-ocr page 565-

2 KRO NI

l?01, j lot dun dienst van het Huis des itquot; Heeren.

3 En hij zeide tot de Leviten, \' die gansch Israël onderwezen, die . . den Heere heilig waren: Zet de heilige Arke in het Huis, hetwelk : Salomo, de zoon Davids des Kolf*quot; nings Israels , gebouwd heeft; gij hebt geenen last op de schoude-26 ren: dient nu den Heere uwen

(Jod en zijn volk Israël, \'n 4 cn bereidt u naar de huizen i uwer vaderen, naar uwe afdee-:n lingen , naar liet voorschrift van n David den Koning Israels cn naar . de beschrijving van zijnen zoon !t Salomo;

5 cn slaat in het Heiligdom naar s de onderscheiding der vaderlijke ® huizen, voor uwe broederen het volk, en naar de verdeeling van ^ dc vaderlijke huizen dor Leviten;

(gt; cn slacht het Pascha, en hei-\' ligt u, en bereidt dat voor uwe 5 broederen, doende naar het Woord des Heeren door de hand van Mozes.

7 En Josia gaf voor het volk, van klein vee, lammeren en jonge geitenbokken , die alle lol paasch-olferen, naar al hetgene dat daar gevonden werd, in getale dertigduizend ; maar van runderen drieduizend: dit was van desKonings have.

8 Ook gaven zijne Vorsten ten vrij willigen olfer voor den volke, voor de Priesteren en voor dc Leviten; Hilkia en Zecharja en Je-hicl, de oversten van het Huis Gods, gaven den Priesteren tot

I paascholfercn tweeduizend en zeshonderd klein vcc en driehonderd § runderen.

Daartoe Konanja cn Semaja cnNethancel, zijne broeders, mitsgaders Hasabja cn Jeïël on Joza-bad, de oversten der Leviten, gaven den Leviten tot paaschof-feren vijfduizend klein vee cn vijfhonderd runderen.

10 Alzoo werd de dienst toebereid ; en de Priesteren stonden in hunne standplaats, cn de Leviten in hunne afdeelingen, naar het gebod des Konings.

11 Daarna slachtte men het Pascha, en de Priesters sprengden

EKEN 35. 551

het bloed uit hunne handen, en de Leviten trokken de huiden af.

12 En. zij namen het brandoffer daaraf, opdat zij die, naar de ver-deelingen der vaderlijke huizen, den volke geven mochten om den Heere te offeren, gelijk geschreven is in het boek van Mozes; cti alzoo met de runderen.

13 En zij kookten het Pascha bij het vuur, naar het recht, maar do andere heilige dingen kookten zij in potten en in ketelen en in pannen; en zij deelden hethaasie-lijk onder al den volke.

14 Daarna bereidden zij ook voor zichzelven en voor de Priesteren; want de Priesters, dc zonen Aarons, waren tot aan den nacht in het olïeren van dc brandoffcrcn en het vel; daarom bereidden de Leviten voor zichzelven, en voor de Priesteren. dc zonen Ai irons.

15 En de zangers, de zonen Asafs, waren in hunne standplaats, naar het gebed van David en Asaf en Heman en Jeduthun den ziener des Konings , mitsgaders dc portiers aan elke poort; zij behoefden niet te wijken van hunnen dienst, overmits hunne broeders de Leviten voor hen bereidden.

16 Alzoo werd de gansche dienst des Heeren* op dien dag beschikt, om Paschen tc houden en brandolVeren op het altaar des Heerex te offeren, naar het gebod van den Koning Josia.

17 En de kinderen Israels die er gevonden werden hielden het Paschen tc dier lijd, en het feest der ongezuurde hrooden, zeven dagen.

18 Daar was ook geen Paschen als dat in Israël gehouden, van de dagen van Samuel den Profeet af; en gcer.c Koningen Israëls hadden zulk een Paschen gehouden, gelijk dat Josia hield met de Priesters, cn de Leviten , cn gansch Juda , cn wat er van Israël gevonden werd, cn de inwoners van Jeruzalem.

19 In het achttiende jaar des koninkrijks van Josia werd dit Paschen gehouden.

20 Na dit alles, toen Josia het Huis toebereid had, toog Necho


-ocr page 566-

EKEN 36.

2 K R O NI

552

de Koning van Egypte op om tc krijgen tegen Karkemis aan den Frath; en Josfa toog uit hem tegemoet.

21 Toen zond hij boden tot hem zeggende: Wat heb ik met u te doen, gij Koning van Juda? Wat u aangaat, ik ben heden tegen u niet, maar tegen een huis dat oorlog voert tegen mij , en God heeft gezegd dat ik mij haasten zoude: houd u af van God die met mij is, opdat hij u niet verderve.

22 Doch Josia keerde zijn aangezicht niet van hem, maar hij vermomde zich, om tegen hem te strijden, en hoorde niet naar de woorden van Necho uit den mond Gods, maar hij kwam om testrijden in het dal Megiddo.

23 En de schutters scholen den Koning Josia. Toen zeide de Koning tot zijne knechten: Voert mij weg want ik ben zeer gewond.

21 En zijne knechten namen hem weg van den wagen, en voerden hem op den tweeden wagen dien hij had, en brachten hem te Jeruzalem ; en hij stierf, en werd begraven in de graven zijner vaderen ; en gansch Juda en Jeruzalem bedreven rouw over Josia.

25 En Jeremia maakte een klaaglied over Josfa; desgelijks alle zangers en zangeressen spraken in hunne klaagliederen van Josia tot op dezen dag; want zij gaven ze tot eene inzetting in Israël, en zie, zij zijn geschreven in de klaagliederen.

2G Het overige nu der geschiedenissen van Josia en zijne goeddadig-heden, naar dat geschreven is in de wet des Heeren ,

27 zijne geschiedenissen dan, de eerste en de laatste, zie, die zijn geschreven in het boek der Koningen van Israël en van Juda.

HOOFDSTUK 3G.

Toen nam het volk des lands Joahaz den zoon van Josfa, en maakten hem Koning in zijns vaders plaats te Jeruzalem.

2 Drieëntwintig jaar was Joahaz oud als hij Koning werd, en hij regeerde drie maanden te Jeruzalem. quot;

3 Want de Koning van Egypte zette hem af te Jeruzalem, en hij leide het land eene boete op van honderd talenten zilvers en één talent gouds;

4 en de Koning van Egypte maakte zijnen broeder Eljakim Koning over Juda en Jeruzalem, en veranderde zijnen naam in Jo-jakim; maar zijnen broeder Joahaz nam Necho cn bracht hem in Egypte.

5 Vijfentwintig jaar wasJojakim oud als hij Koning werd, en regeerde elf jaar tc Jeruzalem; en hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren zijns Gods.

0 Nebukadnezar de Koning van Babel toog tegen hem op, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem tc voeren naar Babel.

7 Nebukadnezar bracht opk van de vaten des Huizes des Heeren naar Babel, en stelde ze in zijnen tempel te Babel.

8 Het overige nu van de geschiedenissen van Jojakim, sn zijne gruwelen die hij deed, en wat aan hem gevonden werd, zie, dat is geschreven in het boek der Koningen van Israël en Juda; en Jojachin, zijn zoon, werd Koning in zijne plaats.

9 Acht jaar was Jojachin oud toen hij Koning werd, en regeerde drie maanden en tien dagen te Jeruzalem, en deed dat kwaad was in de oogen des Heeren.

10 En met de wederkomst des jaars zond de Koning Nebukadnezar henen cn liet hem naar Babel halen , met do kostelijkste vaten van het Huis des Heeren; en hij maakte zijnen broeder Ze-dek fa Koning over Juda en Jeruzalem.

11 Eenentwintig jaar was Ze-dekia oud als hij Koning werd, en regeerde elf jaar te Jeruzalem.

12 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren zijns Gods: hij verootmoedigde zich niet voor het aangezicht van den Profeet Jeremia, sprekende uit den mond des Heeren.

13 Daartoe werd hij ook afvallig tegen den Konkig Nebukadnezar, die hem bceedigd had bij God,


-ocr page 567-

EZR

553

A 1.

i cn verhardde zijnen nek en ver-^ stokte zijn harte, dat hij zich niet bekeerde tot den Heere den God s Israëls.

14 Ook maakten alle oversten der Priesteren, en het volk, dei-overtredingen zeer veel, naar alle gruwelen der heidenen, en zij verontreinigden het Huis des Hee-

^ ren dat hij geheiligd had te Je-^ ruzalem.

15 En de Heere de God hunner 1 vaderen zond tot hen door de

hand zijner boden, vroeg op zijnde

Iomom die te zenden, want hij verschoonde zijn volk en zijne wo-] ning;

116 maar zij spotteden met de boden Gods en verachtten zijne woorden, zij verleidden zichzelven ï tegen zijne Profeten — totdat de 16 maar zij spotteden met de boden Gods en verachtten zijne woorden, zij verleidden zichzelven ï tegen zijne Profeten — totdat de 1 grimmigheid des Heerex tegen r? zijn volk opging, dat er geen hee-lën aan was.

17 Want hij deed tegen hen opkomen den Koning der Chaldeën,

. die hunne jongelingen met den zwaarde in het Huis huns heilig-doms doodde , cn hij verschoonde ï de jongelingen niet noch de maagden, de ouden noch de stokouden: hij gaf ze allen in zijne hand.

18 En alle vaten van het Huis Gods, de groote en de kleine, en de schatten van het Huis desHEE-ren, en de schatten des Konings

| en zijner vorsten, dit alles voerde \' j| hij naar Babel.

19 En zij verbrandden het Huis Gods, c n zij braken den muur van Jeruzalem af, en alle hare paleizen verbrandden zij met vuur, verdervende ook alle hare kostelijke vaten.

20 En wie overgebleven was van den zwaarde, voerde hij wegnaar Babel, en zij werden hem en zijnen zonen tot knechten, tot aan het regeeren van het Koninkrijk van Perzië;

21 opdat het Woord des Heerex vervuld wierd, door den mond van Jeremia, totdat het land aan zijne sabbaten een welgevallen had: het rustte alle de dagen der verwoesting, totdat de zeventig jaren vervuld waren.

22 Maar in het eerste jaar van Kores, Koning van Perzië, opdat volbracht wierd het Woord des Heerex door den mond van Jeremia, verwekte de Heere den geest van Kores, Koning van Perzië, dat hij eene stemme liet doorgaan door zijn gansche koninkrijk, zelfs ook in geschrifte , zeggende:

23 Zóó zegt Kores, Koning van Perzië: De Heere, de God des homels, heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven, en hij heeft mij bevolen hem een Huis te bouwen te Jeruzalem, dewelke in Juda is: wie is onder ulieden van al zijn volk? De Heere zijn God zij met hem, en hij trekke op.


HET BOEK EZRA.

HOOFDSTUK 1.

In het eerste jaar nu van Kores, Koning van Perzië, opdat volbracht wierd het Woord des Heerex uit den mond van Jeremia, verwekte de Heere den geest van Kores, Koning van Perzië, dat hij eene stemme liet doorgaan door zijn gansche koninkrijk, zelfs ook in geschrifte, zeggende:

2 Zóó zegt Kores, Koning van Perzië: De Heere de God des hemels , heeft mij alle koninkrijken der aarde gegeven, en hij heeft mij bevolen hem een Huis te bou-


-ocr page 568-

EZRA 2

554

wen le Jerazalem, dewelke in Juda is.

3 Wie is onder ulieden van al zijn volk? Zijn God zij met hem, en hij trekke op naar Jeruzalem in Juda, en hij bouwe het Huis des Heeren des Gods Israëls: hij is de God die te Jeruzalem woont.

4 En al wie achterblijven zoude in alle de plaatsen, waar hij als vreemdeling verkeert, dien zullen de lieden zijner plaatse bevorderlijk zijn met zilver en met goud, en met have en met beesten, benevens eene vrijwillige gave voor het Huis Godes, die te Jeruzalem woont.

5 Toen maakten zich op de hoofden der vaderen van Juda en Benjamin, en de Priesteren en de Leviten, benevens een iegelijk, wiens geest God verwekte, dat zij optrokken om te bouwen het Huis des Heerex, die te Jeruzalem ■woont.

6 Allen nu die rondom hen waren sterkten hunlieder handen met zilveren vaten, met goud, met have, en met beesten, en met kostelijkheden, behalve alles dat vrijwilliglijk gegeven werd.

7 Ook bracht de Koning Kores uit de vaten van het Huis des Heerex , die Nebukadnezar uit Jeruzalem had uitgevoerd en in het Huis zijns gods had gesteld;

8 en Kores, de Koning van Per-zië, bracht ze uit door de hand van Mithredath den schatmeester, die ze Sesbazzar den Vorst van Juda toetelde.

9-En dit is hun getal: dertig gouden bekkens, duizend zilveren bekkens, negenentwintig messen,

10 dertig gouden bekers, vierhonderd en tien andere zilveren bekers, andere vaten duizend:

11 alle vaten van goud en van zilver waren vijfduizend en vierhonderd ; deze alle voerde Sesbazzar op met degenen, die uit de gevangenschap opgevoerd werden, van Babel naar Jeruzalem.

HOOFDSTUK 2.

Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenschap der weggevoerden ,

die Nebukadnezar, Koning van Babel, weggevoerd had naar Ba-bel , die naar Jeruzalem en Juda zijn wedergekeerd, een iegelijk ! naar zijne stad;

2 dewelke kwamen met Zerub- * babel, Jesüa, Nehemia , Seraja , . Reëlaja, Mordechai, Bilsan , Mis-par, Bigvai, Rehum en Baëna. Dit is het getal der mannen des volks Israëls;

3 de kinderen van Paros tweeduizend honderd tweeënzeventig;

4 de kinderen van Sefatja driehonderd tweeënzeventig;

5 de kinderen van Arah zevenhonderd vijfenzeventig;

G de kinderen van Pahath-Mo-ab, van de kinderen van Jesua-Jo-ab , tweeduizend achthonderd en twaalf;

7 de kinderen van Elam duizend tweehonderd vierenvijftig;

8 de kinderen van Zat .u negenhonderd vijfenveertig;

9 de kinderen van Zakkai zevenhonderd en zestig;

10 de kinderen van Ban; zeshonderd tweeënveertig;

11 de kinderen van Bebai zeshonderd drieëntwintig;

12 de kinderen van Azgad- duizend tweehonderd tweeëntwintig;

13 de kinderen van Adonikam zeshonderd zesenzestig;

14 de kinderen van Bigvai tweeduizend zesenvijftig;

15 de kinderen van Adin vierhonderd vierenvij ftig;

10 de kinderen van Ater, van Jehizkia, achtennegentig;

17 de kinderen van Bezai driehonderd drieëntwintig;

18 de kinderen van Jora honderd en twaalf;

19 de kinderen van Hasum tweehonderd drieëntwintig;

20 de kinderen van Gibbar vijfennegentig;

21 de kinderen van Bethlehem honderd drieëntwintig;

22 de mannen van Netofa zesenvijftig ;

23 de mannen van Anathoth honderd achtentwintig;

24 de kinderen van Azmaveth tweeënveertig;

25 de kinderen van Kir.ath-Arim,


-ocr page 569-

T

EZRA 2.

Kefira en Beëroth zevenhonderd drieënveertig;

2(J de kinderen van Ram.i en Gibea zeshonderd éénentwintig;

27 de mannen van Michmas honderd tweeëntwintig;

28 de mannen van Beth-El en Ai tweehonderd drieëntwintig;

29 de kinderen van Nebo tweeënvijftig;

30 de kinderen van Magbis honderd zesenvijftig;

31 de kinderen van den anderen Elam duizend tweehonderd vieren vijftig;

32 de kinderen van Harim driehonderd en twintig;

33 de kinderen van Lod, Hadid en Ono zevenhonderd vij lentwintig;

34 de kinderen van Jericho driehonderd vijfenveertig;

35 de kinderen van Senaa drieduizend zeshonderd en dertig.

36 De Priesters: de kinderen van Jedaja, van het huis van Jesüa, negenhonderd drieënzeventig ;

37 de kinderen van Immer duizend tweeënvijftig;

38 de kinderen van Pashur duizend tweehonderd zevenenveertig;

39* de kinderen van Harim duizend en zeventien.

40 De Leviten: de kinderen van Jesüa en Kadmiël, van de kinderen van Hodavja, vierenzeventig.

41 De zangers: de kinderen van Asaf honderd achtentwintig.

42 De kinderen der portiers: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai, deze allen waren honderd negenendertig.

^j3 De Nethinim: de kinderen van Ziha, de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth,

44 de kinderen van Keros, de kinderen van Siaha, de kinderen van Padon,

45 de kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Akkub,

46 de kinderen van Hagab, de kinderen van Samlai, de kinderen van Hanan,

47 de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar, de kinderen van Reaja,

48 de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda, de kinderen van Gazzam,

49 de kinderen van Uzza,-de kinderen van Paséah , do kinderen van Besai,

50 de kinderen van Asna, do kinderen der Meüniten, de kinderen der Nefusiten,

51 de kinderen van Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur,

52 de kinderen van Bazluth, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa,

53 de kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Témah,

54 de kinderen van Neziah, de kinderen van Hatifa.

55 De kinderen der knechten van Salomo: de kinderen van Sotai, de kinderen van Soféreth, de kinderen van Peruda,

56 de kinderen van Jaiila, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel,

57 de kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochéreth-Hazzebaïm, de kinderen van Ami:

58 alle de Nethinim en de kinderen der knechten van Salomo waren driehonderd tweeënnegentig.

59 Deze togen ook op van Tel-mélah , Telharsa, Kerub, Addan en Immer; doch zij konden hunner vaderen huis en hun zaad niet bewijzen, of zij uit Israël waren:

60 de kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia, de kinderen van Nekoda, zeshonderd tweeën-vijftig;

61 en van de kinderen der Priesters , de kinderen van Kabaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Barzillai , die van de dochteren van Barzillai den Gileadiet eene vrouw genomen had, en naar hunnen naam genoemd was.

62 Dezelve nu zochten hun register onder degenen die in het geslachtregister gesteld waren, maar zij werden niet gevonden; daarom werden zij als onreinen van het Priesterdom geweerd;


-ocr page 570-

EZRA 3.

55G

03 en Hattirsallia zeide tot hen, dut zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een Priester stond met Urim en met Tummim.

64 Deze gansclie gemeente te zamen was tweeënveertigduizend driehonderd zestig;

65 behalve hunne knechten en hunne maagden, die waren zevenduizend driehonderd zevenendertig, en zij hadden tweehonderd zangers en zangeressen;

66 hunne paarden waren zevenhonderd zesendertig, hunne muildieren tweehonderd vijfenveertig,

67 hunne kemelen vierhonderd vijfendertig, de ezelen zesduizend zevenhonderd en twintig.

68 En sommigen van de hoofden der vaderen, als zij kwamen ten Huize des Ueeren quot;te Jeruzalem , gaven vrijwilliglijk voor het Huis Gods, om dat te zetten op zijne vaste plaats:

69 zij gaven naar hun vermogen voor den schat des werks, aan goud éénenzes igduizend drachmen, en aan zilver vijfduizend ponden, en honderd priesterrokken.

70 En de Priesters en de Levi ten, en sommigen uit het volk, zoo de zangers als de portiers en de Nethinim, woonden in hunne steden , en gansch Israël in zijne steden.

HOOFDSTUK 3.

Toen nu de zevende maand aankwam, en de kinderen Israëls in de steden waren, verzamelde zich het volk als een éénig man te Jeruzalem.

2 En Jesüa de zoon Jozadaks maakte zich op , en zijne broederen de Priesters, en Zèrubbabel de zoon Sealtiëls, en zijne broederen, en zij bouwden het altaar des Gods Israëls, om daarop brandofferen te otteren, gelijk geschreven is in de wet van Mozes den man Gods;

3 en zij vestigden het altaar op zijne stelling, maar met verschrikking die over hen was vanwege de volken der landen; en zij offerden daarop brandofferen den Heere , brandofferen des morgens en des avonds.

4 En zij hielden het feest der loofhutten gelijk geschreven is, en zij ufj\'crden brandofferen dag bij dag in getale, naar het recht, van elk op zijnen dag.

5 Daarna ook het gedurig brandoffer, en hel offer der nieuwe maanden en van alle gezette hoogtijden des Heeren die geheiligd waren; ook van een ieder die eene vrijwillige offerande den Heere vrijwilliglijk offerde.

6 Van den eersten dag der zevende maand af begonnen zij den Heere brandofferen te offeren\'. Doch de grond van den Tempel des Heeren was niet gelegd.

7 Zoo gaven zij geld aan do houwers en werkmeesters, ook spijs en drank, en olie aan de Sidoniërs en aan de Tyriërs, om cederenhout van den Libanon te brengen aan de zee naar Jafo, naar de vergunning van Kores, Koning van Perzië, aan hen.

8 In het tweede jaar nu hunner aankomst ten Huize Gods te Jeruzalem, in de tweede maand, begonnen Zerubbabel de zoon Sealtiëls, en Jesüa de zoon Jozadaks, en de overigen hunner broederen, de Priesters en de Levi ten, en allen die uit de gevangenschap te Jeruzalem gekomen waren. en zij stelden de Leviten van twintig jaar oud en daarboven om opzicht te nemen over het werk van des Heeren Huis.

9 Toen stond Jesüa, zijne zonen en zijne broederen, ew Kadmiël met zijne zonen, kinderen van Juda, als één man, om opzicht te hebben over degenen die het werk deden aan het Huis Gods, met de zonen van Henadad, hunne zonen en hunne broederen, de Leviten.

10 Als nu de bouwlieden den grond van des Heeren Tempel leiden, zoo stelden zij de Priesters aangekleed zijnde, met trompetten, en de Leviten, Asafs zonen, met cymbalen, om den HeeMe te loven naar de instelling Davids des Konings van Israël.

11 En zij zongen bij beurten, den Heere lovende en dankende dat hij goed is, dat zijne weldadigheid tot in eeuwigheid is over Israël; en al het volk juichte met


-ocr page 571-

EZRA 4.

057

groot gejuich, als men den Heere looide over de grondlegging van \' het Huis des Heeren.

112 Maar velen van de Priesteren en Leviten en hoofden der vaderen, die oud waren, die het eerste Huis gezien hadden, dit Huis in zijne grondlegging voor hunne oogen zijnde, weenden met luider stemme; maar velen verhieven dc stem met gejuich12 Maar velen van de Priesteren en Leviten en hoofden der vaderen, die oud waren, die het eerste Huis gezien hadden, dit Huis in zijne grondlegging voor hunne oogen zijnde, weenden met luider stemme; maar velen verhieven dc stem met gejuich en met vreugde, . 13 zoodat het volk niet onder-■ kende de stem van het gejuich der vreugde, van de stem des i geweens van het volk; want het volk juichte met groot gejuich, ;■ zoodat de stem tot van verre ge-hoord werd.

HOOFDSTUK 4.

Toen nu de wederpartijders van Juda en Benjamin hoorden dat de kinderen der gevangenschap den Heere den God Israels den Tempel bouwden,

2 zoo kwamen zij aan tot Zerub-babel en tot dc hooiden der vaderen , en zeiden tot hen: Laat ons met ulieden bouwen, want wij zullen uwen God zoeken, gelijk gijlieden; ook hebben wij hem geofferd sinds de dagen Esar-Had-dons des Konings van Assur, die ons herwaarts heeft doen optrekken.

3 Maar Zerubbabel en Jesüa en de overige hoofden der vaderen Israëls zeiden tot hen: Het. betaamt niet dat gijlieden en wij onzen God een Huis bouwen, maar wij alleen zullen het den Heere den God Israëls bouwen gelijk als de Koning Kores, Koning van Perzië, ons geboden heeft.

4 Evenwel maakte het volk des lands de handen des volks van Juda slap, en verstoorde ze in het bouwen,

5 en zij huurden tegen hen raadslieden om hunnen raad te vernietigen, alle de dagen van Kores, Koning van Perzië, tot aan het koninkrijk van Darius, des Konings van Perzië.

6 En onder het koninkrijk van Ahasveros, in het begin zijns koninkrijks schreven zij ecne aanklacht tegen de inwoners van Juda en Jeruzalem.

7 En in de dagen van Artah-sasta schreef Bislam, Mithredath, Tabeël, en de overigen van zijn gezelschap, aan Artahsasla, Koning van Perzië, en het schrift des briefs was in het Syrisch geschreven en in het Syrisch uitgelegd.

8 Rehum de kanselier en Simsai de schrijver schreven cenen brief tegen Jeruzalem aan den Koning Artahsasta, op deze manier.

9 Toen schreven Rehum de kanselier en Simsai de schrijver, en de overigen van hun gezelschap, de Dinaïten, de Afarsathkiten, de Tarpeliten, de Afarsiten, de Arkeviten, de Babyloniërs, de Susankiten, de Dehaviten, de Elamiten,

10 en de overige volken die de groote en vermaarde Asnappar heeft vervoerd en doen wonen in de stad van Samarië, ook de overigen aan deze zijde der rivier, en op zulk een tijd.

11 Dit is een afschrift van den brief dien zij aan hem, aan den Koning Artahsasta, zonden: Uwe knechten, de mannen aan deze zijde der rivier, en op zulken tijd.

12 Den Koning zij bekend, dat de Joden, die van u zijn opgetogen, tot ons gekomen zijn te Jeruzalem , bouwende die oproerige en die booze stad, waarvan zij de muren voltrekken en de fundamenten samenvoegen.

13 Zoo zij nu den Koning bekend, indien deze stad zal worden opgebouwd en de muren voltooid, dat zij den cijns, ouden impost en tol niet zullen geven, en gij zult den inkomsten der Koningen schade aanbrengen.

14 Nu, omdat wij bezoldiging uit het paleis trekken, en het ons niet betaamt des Konings oneere te zien, daarom hebben wij gezonden en dit den Koning bekend gemaakt;

15 opdat men zoeke in het boek der kronieken uwer vaderen: zoo zult gij vinden in het boek der kronieken, en weten, dat deze stad ecne oproerige stad geweest


-ocr page 572-

EZRA 5.

558

is, en den Koningen en landschappen schade aanbrengende, en dat zij daarbinnen afval gesticht hebben, van oude tijden af: daarom is die stad verwoest.

16 Wij maken dan den Koning bekend, dat, zoo die stad zal worden opgebouwd en hare muren voltrokken, gij daardoor geen deel zult hebben aan deze zijde der rivier.

17 De Koning zond antwoord aan Rehum den kanselier en Sim-sai den schrijver, en de overigen van hunne gezelschappen die te

• Samarië woonden, mitsgaders aan de overigen aan deze zijde der rivier, aldus: Vrede, en op zul-ken tijd.

18 De brief, dien gij aan ons gezonden hebt is duidelijk voor mij gelezen.

19 En als van mij bevel gegeven was, hebben zij gezocht en gevonden, dat die stad zich van oude tijden af tegen de Koningen heeft verheven, en oproer en afval daarin gesticht is.

20 Ook zijn ei- machtige Koningen geweest over Jeruzalem, die geheerscht hebben overal aan gene zijde der rivier; en hun is cijns, oude impost en tol gegeven.

\'Jl Geeft dan nu bevel, om die mannen te beletten dat die stad opgebouwd worde, totdat van mij bevel zal worden gegeven.

22 Weest gewaarschuwd van feil in dezen te begaan: waarom zoude het verderf tot schade der Koningen aanwassen?

23 Toen, nadat het afschrift des briefs van den Koning Artah-sasta voor Rehum, en Simsai den schrijver, en hunne gezelschappen gelezen was togen zij in haaste naar Jeruzalem lot de Joden, en beletteden ze met macht en geweld.

24 Toen hield het werk op van het Huis Gods te Jeruzalem, ja het hield up tot in het tweede jaar des koninkrijks van Darius, den Koning van Perzië.

HOOFDSTUK 5.

Haggai nu de Profeet, en Zacha-ria de zoon van Iddo, Profeten , profeteerden tot de Joden die in Juda en te Jeruzalem waren; in den name des Gods Israels profeteerden zij tot hen.

2 Toen maakten zich op Zerub-babel de zoon Sealtiëls en Jesüa de zoon Jozadaks, en begonnen te bouwen het Huis Gods die te Jeruzalem woont, en met hen de Profeten Gods, die hen ondersteunden. r, 3 Te dier tijd kwam tot hen Tattenai, de landvoogd aan deze zijde der rivier, en Sethar-Bozenai, en hun gezelschap, en zeiden aldus tot hen: Wie heeft ulieden bevel gegeven dit Huis te bouwen en dezen muur te voltooien?

4 Toen zeiden wij aldus tot hen, en welke de namen waren der mannen die dit gebouw bouwden.

5 Doch het oog huns Gods was over de oudsten der Joden, dat zij hen niet beletteden, totdat de zake aan Darius kwam, en zij alsdan daarover eenen brief weder-brachten.

^ 6 Afschrift van den brief dien Tattenai, de landvoogd aan deze zijde der rivier , met Sethar-Boze-nai en zijn gezelschap, de Afar-sechaïten die aan deze zijds der rivier waren, aan den Koning Darius zond.

7 Zij zonden een verhaal aan hem, daarin was aldus geschreven: Den Koning Darius zij alle vrede.

8 Den Koning zij bekend dat wij getogen zijn naar het landschap Juda; ten Huize des grooten Gods, hetwelk gebouwd wordt met groote steenen, en het hout wordt gelegd in de wanden, en datzelve werk wordt ras gedaan en gaat voor-spoediglijk door hunne handen voort.

9 Toen hebben wij de oudsten gevraagd, en aldus tot hen gezegd: Wie heeft ulieden bevel gegeven dit Huis te bouwen en dezen muur te voltrekken\'.\'

10 Wijders hebben wij hun ook hunne namen afgevraagd, dat wij ze u bekend maakten, dat wij mochten overschrijven de namen der mannen die hoofden onder hen zijn;


-ocr page 573-

EZR

41 en zij hebben ons dusdanig antwoord \' gegeven, zeggende: Wij zijn knechten van den God des hemels en der aarde, en bou-) wen het Huis dat vele jaren vóór dezen is gebouwd geweest; want een groot Koning Israels had het gebouwd en voltrokken.

12 Maar nadat onze vaders den God des hemels hadden vertoornd heeft hij ze gegeven in de hand Nebukadnezars des Konings van Babel, des Chaldeërs, dewelke dat Huis heeft vernield en het volk

V naar Babel weggevoerd.

13 Doch in het eerste jaar van ; Kores, Koning van Babel, heeft I de Koning Kores bevel gegeven

dit Huis Gods te bouwen.

14 Ja de vaten van Gods Huis

I welke van goud en zilver waren, die Nebukadnezar uit den Tempel die te Jeruzalem was had weggenomen en gebracht in den tempel van Babel, die heeft de Koning Kores uitgebracht uit den tempel van Babel, en zij zijn gegeven aan eenen, wiens naam was Sesbazzar, dien hij tot landvoogd had gesteld; welke van goud en zilver waren, die Nebukadnezar uit den Tempel die te Jeruzalem was had weggenomen en gebracht in den tempel van Babel, die heeft de Koning Kores uitgebracht uit den tempel van Babel, en zij zijn gegeven aan eenen, wiens naam was Sesbazzar, dien hij tot landvoogd had gesteld;

15 en hij zeide tot hem: Neem deze vaten, ga ze afvoeren naar den Tempel, die te Jeruzalem is, en laat het Huis Gods gebouwd worden op zijne plaats.

16 Toen kwam deze Sesbazzar, hij leide de fundamenten van het Huis Gods, die te Jeruzalem woont: en daar is van toen af tot nu toe gebouwd, doch niet volbracht.

17 Zoo het dan nu den Koning goeddunkt, laat er (gezocht worden in den schathuizê des Konings aldaar, dat te Babel is , of het zij dat een bevel van den Koning Kores gegeven zij, om dit Huis Gods te Jeruzalem te bouwen; en dat men des Konings believen hiervan tot ons zende.

HOOFDSTUK 6.

Toen gaf de Koning Dan\'us bevel, en zij zochten in de kanselarij, waar de schatten waren weggelegd , in Babel.

2 En te Ahmetha, in den burg die in het landschap Medië is, werd eene rol gevonden, en daarin

A 6. 559

was aldus geschreven: Gedachtenis :

3 in het eerste jaar des Konings Kores. gaf de Koning Kores dit bevel: Het Huis Gods te Jeruzalem, dat Huis zal gebouwd worden ter plaatse daar zij offeranden offeren . en de fundamenten daarvan zullen zwaar zijn; zijne hoogte van zestig ellen en zijne breedte van zestig ellen;

4 met drie rijen van grooten steen, en éóne rij van nieuw hout; en de onkosten zullen uit des Konings huis gegeven worden.

5 Daartoe zal men ook de gouden en zilveren vaten van het Huis Godes, die Nebukadnezar uit den Tempel die te Jeruzalem was heeft weggevoerd en naar Babel gebracht, wedergeven, dat zij gaan naar den Tempel, die te Jeruzalem is, aan zijne plaatse, en men zal ze afvoeren naar het Huis Gods.

6 Nu gij Tattenai, landvoogd aan gene zijde der rivier, gij Sethar-Bozenai, met ulieder gezelschap, gij Afarsechaïten die aan gene zijde der rivier zijt, weest verre van daar:

7 laat hen aan den arbeid van dit Huis Gods; dat de landvoogd der Joden en de oudsten der Joden dit Huis Gods bouwen aan zijne plaats.

quot;8 Ook wordt van mij bevel gegeven , wat gijlieden doen zult aan de oudsten dezer Joden, om dit Huis Gods te bouwen: te weten, dat uit des Konings goederen, van den cijns aan gene zijde der rivier, de onkosten dezen mannen spoe-diglijk gegeven worden, opdat men ze niet belette.

9 En wat noodig is, als jonge runderen en rammen en lammeren, tot brandofferen den Gode van den hemel, tarwe, zout, wijn en olie, naar het zeggen der Pries-teren , die te Jeruzalem zijn, dat het hun dag bij dag gegeven worde, dat er geen feil zij.

10 Opdat zij offeranden van liefelijken reuk den Gode van den hemel offeren, en bidden voor het leven des Konings en zijner kinderen.


-ocr page 574-

EZRA 7.

560

11 Voorts wordt bevel van mij gegeven, dat al wie dit woord zal veranderen , een hout zal uit zijn huis gerukt en opgericht worden, waaraan hij zal worden opgehangen , en zijn huis zal om dieswille tot eenen drekhoop gemaakt worden.

12 De God nu die zijnen naam aldaar heeft doen wonen, werpe terneder alle Koningen en Volken, die hunne hand zullen uitstrekken, om te veranderen cn te verderven dit Huis Gods te Jeruzalem: Ik Darius heb het bevel gegeven, dat het spoediglijk gedaan worde.

13 Toen deden Tattenai de landvoogd aan gene zijde der rivier, Sethar-Bozenai en him gezelschap, spoediglijk alzoo , naar hetgeen de Koning Darius gezonden had.

14 En de oudsten der Joden bouwden en gingen voorspoediglijk voort, door do profetie des Profeten Haggai, en Zacharia des zoons van Iddo; en zij bouwden cn voltrokken het, naar het bevel des Gods Israels, en naar het bevel van Kores, en Darius, en Artahsasta, Koning van Perzië.

15 En dit Huis werd volbracht op den derden dag der maand Adar; dat was het zesde jaar van het koninkrijk des Konings Darius.

16 En de kinderen Israels, de Priesters en Leviten, en de overige kinderen der gevangenschap deden de inwijding van dit Huis Gods met vreugde.

17 En zij offerden, ter inwijding van dit Huis Godes, honderd runderen , tweehonderd rammen, vierhonderd lammeren, en twaalf geitenbekken ten zondoffer voor gansch Israël, naar het getal der stammen Israels.

18 En zij stelden de Priesteren in hunne ónderscheidingen, en de Leviten in hunne afdeelingen, tot den dienst Gods die te Jeruzalem is, naar het voorschrift van het boek van Mozes.

10 Ook hielden de kinderen der gevangenschap het Pascha op den veertiende der eerste maand.

20 Want de Priesters en de Leviten hadden zich gereinigd als een éénig man, zij waren allen rein; en zij slachtten het Pascha voor alle kinderen der gevangenschap , en voor hunne broederen de Priesters, en voor zichzelven.

21 AJzoo aten de kinderen Isra-ëls diequot; uit de gevangenschap wedergekomen waren, mitsgaders al wie zich van de onreinigheid der heidenen des lands tot hen afgezonderd had, om den Heere den God Israels te zoeken;

22 en zij hielden het feest der ongezuurde hrooden zeven dagen, met blijdschap, want de Heere had ze verblijd, en het harte des Konings van Assur tot hen gewend , om hunne handen te sterken in het werk van het Huis Ciods, des Gods van Israël.

HOOFDSTUK 7.

Na deze geschiedenissen nu, in het koninkrijk van Artahsasta, Koning van Perzië : Ezra, de zoon van Seraja , den zoon van Azarja, den zoon van Hilki\'a,

2 den zoon van Sallum, den zoon van Zadok, don zoon van Ahitub,

3 den zoon van Amarja, den zoon van Azarja, den zoon van Mera-joth,

4 den zoon van Zerahja, den zoon van Uzzi, den zoon van Bukki,

5 den zoon van Abisüa, denzoon van Pinehas, den zoon van Elea-zar, den zoon van Aaron den Hoofdpriester:

0 deze Ezra toog op uit Babel; en hij was een vaardig schriftgeleerde in de wet van Mozes, die de Heere de God Israels gegeven heeft; en de Koning gaf hem. naar de hand des Heeren zijns Gods over hem, al zijn verlangen.

7 Ook sommigen van de kinderen Israels en van de Priesteren en de Leviten en de zangers en de portiers en de Nethinim togen op naar Jeruzalem in het zavende jaar van den Koning Artahsasta.

8 En hij kwam te Jeruzalem in de vijfde maand; dat was het zevende jaar des Konings.

9 Want op den eerste der eerste maand was het begin van den optocht uit Babel, en op den eerste der vijfde maand kwam hij


-ocr page 575-

EZRA 7.

561

Itc Jeruzalem, naar de goede hand zijns Gods over hem;tc Jeruzalem, naar de goede hand zijns Gods over hem;

10 want Ezra had zijn harte ge-richt om de wet des Herren te

■ zoeken en te doen , en om in Is-| raël te leeren de inzettingen en de rechten.

11 Dit is nu het afschrift van den brief dien de Koning Artah-sasta gaf aan Ezra den Priester, den schriftgeleerde, den schriftgeleerde in de woorden der geboden des Heeren, en zijne inzettingen over Israël.

12 Artahsasta, Koning der Ko-i ningea, aan Ezra den Priester, | den schriftgeleerde in de wet van

den God des hemels, volkomen vrede en op zulken tijd.

13 Van mij wordt bevel gegeven , dat al wie vrijwillig is in mijn koninkrijk, van den volke Israels en deszelfs Priesteren en Leviten, om te gaan naar Jeru-

; zalem, dat hij met u ga;

14 dewijl gij van voor den Koning en zijne zeven raadsheeren gezonden zijt, om onderzoek te doen in Juda en te Jeruzalem, naar de wet uws Gods die in uwe hand is;

15 en om henen te brengen het zilver en goud, dat. de Koning en zijne raadsheeren vrijwilliglijk gegeven hebben den God Israels, wiens woning te Jeruzalem is;

10 mitsgaders al het zilver en goud, dat gij vinden zult in het gansche landschap van Babel, met de vrijwillige gave des volks en der Priesteren, die vrijwilliglijk geven voor het Huls huns Gods dat te Jeruzalem is:

17 opdat gij spoedig voor dat geld koopt runderen, rammen, lammeren, met hunne spijsofferen en hunne drankofferen, en die offert op het altaar des Huizes vanulieder God te Jeruzalem.

18 Daartoe wat u en uwen broederen goeddunken zal met het overige zilver en goud te doen , zult gijlieden doen naar het welgevallen uws Gods.

19 En de vaten die u gegeven zijn ten dienste van het Huis uws Gods, geef die weder voor den God van Jeruzalem.

20 Het overige nu dat van noode zal zijn voor het Huis uws Gods, dat u voorkomen zal uit te geven , zult gij geven uit den schathuize des Konings.

21 En van mij, mij Koning Artahsasta, wordt bevel gegeven aan alle schatmeesteren die aan gene zijde der rivier zijt, dat alles wat Ezra de Priester, de schriftgeleerde in de wet van den God des hemels van u zal begeeren, spoedig gedaan worde:

22 tot honderd talenten zilvers toe, en tot honderd kor tarwe, en tot honderd bath wijn, en tot honderd bath olie, en zout zonder voorschrift.

23 Al wat naar het bevel van den God des hemels is, dat het vlijtiglijk gedaan worde voor het Hiiis van den God des hemels; want waartoe zoude er groote toorn zijn over het koninkrijk des Konings en zijner kinderen?

24 Ook laten wij ulieden weten, aangaande alle Priesteren en Leviten, zangers, portiers, Nethinim en dienaars van den Huize dezes Gods, dat men den cijns, ouden impost en tol hun niet zal vermogen op te leggen.

25 En gij Ezra, naar de wijsheid uws Gods die in uwe hand is, stel regeerders en rechters, die al het volk richten dat aan gene zijde der rivier is, allen die de wetten uws Gods weten, en aan wie ze niet weet zult gijlieden die bekend maken;

26 en al wie de wet uws Gods en de wet des Konings niet zal doen, laat over dien spoedig recht worden gedaan, hetzij ter dood, of tot verbanning, of tot boete van goederen, of tot de banden.

27 Geloofd zij de Heere de God onzer vaderen, die al zulks in het harte des Konings gegeven heeft, om te versieren het Huis des Heeren dat te Jeruzalem is,

28 en tot mij weldadigheid heeft geneigd voor het aangezicht des Konings en zijner raadsheeren en aller geweldige Vorsten des Konings. Zoo heb ik mij gesterkt, naar de hand des Heeren mijns Gods over mij, en de hoofden uit


-ocr page 576-

EZRA 8.

562

Israël vergaderd om met mij op te trekken.

HOOFDSTUK 8.

Dit nu zijn de hoofden hunner vaderen met hunne geslachtrekening , die met mij uit Babel optogen onder het koninkrijk van den Koning Artahsasta:

2 van de kinderen van Pinehas, Gersom; van de kinderen van Ithamar, Daniël; van de kinderen van David, Hattus;

3 van de kinderen van Sechanja, van de kinderen van Paros, Ze-charja, en met hem werden bij geslachtregisters gerekend, aan manspersonen, honderd en vijftig;

4 van de kinderen van Pahath-Moab, Eljoënai de zoon van Zerahja, en met hem tweehonderd manspersonen ;

5 van de kinderen van Sechanja, de zoon van Jahazicl, en met hem driehonderd manspersonen;

6 en van de kinderen van Adin, Ebed de zoon van Jonathan, en met hem vijftig manspersonen;

7 en van de kinderen van Elam, Jesaja de zoon van Athalja, en met hem zeventig manspersonen;

8 en van de kinderen van Sefatja, Zebadja de zoon van Michaël, en met hem tachtig manspersonen;

9 van de kinderen van Joab,quot; Obadja de zoon van Jehiël, en met hem tweehonderd en achttien manspersonen;

10 en van de kinderen van Se-lomith, de zoon van Josifja, en met hem honderd en zestig manspersonen ;

11 en van de kinderen van Bebai, Zecharja de zoon van Bebai, en met hem achtentwintig manspersonen ;

12 en van de kinderen van Azgad, Johanan de zoon van Katan, en met hem honderd en tien manspersonen ;

13 en de laatsten van de kinderen van Adonikam, welker namen deze waren: Elifélet, Jeïël en Semaja, en met hem zestig manspersonen ;

14 en van de kinderen van Big-vai, Uthai en Zabbud, en met hen zeventig manspersonen.

15 En ik vergaderde ze aan de g rivier gaande naar Aliava, en wij jj legerden ons aldaar drie dagen; toen lette ik op het volk en de e] Priesteren: en vond aldaar geene ^ van de kinderen van Levi. q

1G Zoo zond ik tot Eliëzer, tot r Ariël, tot Semaja, en tot Elnathan, „ en tot Jarib en tot Elnathan, en ^ tot Nathan, en tot Zecharja, en tot Mesullam, de hoofden; en to t a Jojarib en tot Elnathan, de leeraars; z

17 en ik gaf hun bevel aan Iddo, z het hoofd in de plaats Kasifja, en t ik leide de woorden in hunnen mond, om te zeggen tot Iddo, ^ zijnen broeder, t\'H de Nethinim, ^ iii de plaats Kasifja, dat sij ons brachten dienaars voor het Huis onzes Gods.

18 En zij brachten ons, naar ■ de goede hand onzes Gods over ;; ons, eenen man van verstand, van de kinderen van Mahli, den zoon van Levi, den zoon Israëls: name- ; lijk Serebja, met zijne zonen en broederen, achttien;

19 en Hasabja, en met hem Jesaja van de kinderen van Merari, met zijne broederen en hunne zonen / twintig;

20 en van de Nethinim, die David en de Vorsten ten dienste der Leviten gegeven hadden, tweehonderd en twintig Nethini-n, die ailen bij namen genoemd werden.

21 Toen riep ik aldaar een vasten uit aan de rivier Ahava, opdat wij ons verootmoedigden voor het aangezicht onzes Gods, om van hem te verzoeken eenen rechten weg voor ons en voor onze kinder-kens en voor al onze have.

22 Want ik schaamde mij van den Koning een heir en ruiters te begeeren, om ons te helpen tegen den vijand op den weg, omdat wij tot den Koning hadden gesproken, zeggende: De hand onzes Gods is ten goede over allen die hem zoeken, maar zijne sterkte en zijn toorn over allen die hem verlaten.

23 Al zoo vastten wij, en verzochten zulks van onzen God: en hij liet zich van ons verbidden.

24 Toen zonderde ik er twaalf af van de oversten der Priesteren;


-ocr page 577-

ëzra 9.

303

■ Serebja, Hasabja, en tien van J hunne broederen met hen; I 25 en ik woog hun toe het zilver Ben het goud en de vaten, zijnde de offering voor het Huis onzes Gods, die de Koning en zijne raadsheeren en zijne Vorsten, en gansch Israël, die er gevonden werden, geofferd hadden.

26 Ik woog dan aan hunne hand af zeshonderd en vijftig talenten zilvers, en honderd talenten aan zilveren vaten; aan goud, honderd talenten;

27 en twintig gouden bekers, tot duizend drachmen; en twee vaten van blinkend goed koper, begeerlijk als goud.

28 En ik zeide tot hen: Gij zijt heilig den Heere, en deze vaten zijn heilig; ook dit zilver en dit goud, de vrijwillige gave voor den Heere uwer vaderen God.

29 Waakt en bewaart het, totdat gij het opweegt, in tegenwoordigheid van de oversten der Priesteren en Leviten en der Vorsten der vaderen Israels, te Jeruzalem, in de kameren van^des He er en Huis.

30 Toen ontvingen de Priesters en de Leviten het gewicht des zilvers en des gouds en der vaten, om te brengen te Jeruzalem ten Huize onzes Gods.

31 Alzoo verreisden wij van de rivier Ahava op den twaalfde der eerste maand, om te gaan naar Jeruzalem; en de hand onzes Gods was over ons, en redde ons van de hand des vijands en desgenen die ons lagen leide op den weg.

32 En wij kwamen te Jeruzalem, en wij bleven aldaar drie dagen.

33 Op den vierden dag nu werd gewogen het zilver en het goud en de vaten, in het Huis onzes Gods, aan de hand van Me-remoth den zoon van Una, den Priester, en met hem Eleazar de zoon van Pihehas, en met hen Jo-zabad de zoon van Jesüa, en No-adja de zoon van Binnuï, de Leviten ,

34 naar het getal en naar het gewicht van dat alles; enhetgan-sche gewicht werd terzelfder tijd opgeschveven.

35 Eu de weggevoerden, die uit de gevangenschap gekomen waren , offerden den God Israëls brandofferen : twaalf varren voor gansch Israël, zesennegentig rammen, zevenenzeventig lammeren, twaalf bokken ten zondoffer; alles ten brandoffer den Heere.

36 Daarna gaven zij de wetten des Konings aan des Konings stadhouders en landvoogden aan deze zijde der rivier, en zij bevorderden het volk en het Huis Gods.

HOOFDSTUK 9.

Als nu deze dingen voleindigd waren, traden de Vorsten tot mij toe, zeggende: Het volk Israëls en de Priesters en de Leviten zijn niet afgezonderd van de volken dezer landen, naar hunne gruwelen , namelijk van de Kanaaniten, de Hethiten , de Fereziten, de Je-busiten , de Ammoniten, do Moa-biten, de Kgyptenaren en de Aino-riten;

2 want zij hebben van hunne dochteren genomen voor zichzelven en voor hunne zonen, zoodat zich vermengd heeft het heilig zaad met de volken dezer landen : ja de hand der Vorsten en Overheden is de eerste geweest in deze overtreding.

3 Als ik nu deze zake hoorde , scheurde ik mijn kleed en mijnen mantel, en ik trok van het haar mijns hoofds en mijns baards uit, en zat verbaasd neder.

4 Toen verzamelden zich tot mij allen die voor de woorden van den God Israëls beefden, om de overtreding der weggevoerden; doch ik bleef verbaasd zitten tot aan het avondoffer.

5 En omtrent het avondoffer stond ik op uit mijne bedruktheid, als ik nu mijn kleed en mijnen mantel gescheurd had; en ik boog mij op mijne knieën, en breidde mijne handen uit tot den Heere mijnen God;

6 en ik zeide: Mijn God, ik ben beschaamd en schaamrood om mijn aangezicht tot u op te heffen, mijn God; want onze ongerechtigheden zijn vermenigvuldigd tot boven ons hoofd, en onze schuld


-ocr page 578-

EZRA 10.

064

is groot geworden tot aan den hemel.

7 Van de dagen onzer vaderen af zijn wij in groote schuld, tot op dezen dag ; en wij zijn om onze ongerechtigheden overgegeven, wij, onze Koningen en onze Priesters, in de hand van de Koningen der landen, in zwaard, ingevangen-schap en in roof en in schaamte des aangezichts, gelijk het is te dezen dage.

8 En nu is er, als een klein oogenhlik, eene genade geschied van den Heehe onzen God, om ons eene ontkoming over te laten, en ons eenen nagel te geven in zijne heilige plaats , om onze oogen te verlichten, o onze God, en om ons een weinig levens te geven in onze dienstbaarheid.

9 Want wij zijn knechten; doch in onze dienstbaarheid heeft ons onze God niet verlaten, maar hij heeft weldadigheid tot ons geneigd voor het aangezicht der Koningen van Perzië, dat hij ons een weinig levens gaf, om het Huis onzes Gods te verhoogen en de woestig-heden van hetzelve op te richten, en om ons eene om tuining te geven in Juda en te Jeruzalem.

10 En nu wat zullen wij zeggen, o onze God, na dit alles? Want wij hebben uwe geboden verlaten,

11 die gij geboden hadt dooiden dienst van uwe knechten de Profeten, zeggende: Het land waar gijlieden in komt om dat te erven, is een vuil land, door de vuilheid van de volken der landen, om hunne gruwelen, waarmede zij dat vervuld hebben van het ééne einde tot het andere einde, met hunne onreinigheid.

12 Zoo zult gij nu uwe dochteren niet geven aan hunne zonen, en hunne dochteren niet nemen voor uwe zonen, en zult hunnen vrede en hun best niet zoeken tot in eeuwigheid; opdat gij sterk wordt en het goede des lands eet, en uwen kinderen doet erven tot in eeuwigheid.

13 En na alles dat over ons gekomen is, om onze booze werken en om onze groote schuld; omdat gij, o onze God, belet hebt dat wij te onder zouden gaan vanwege onze ongerechtigheid, en hebt ons eene ontkoming gegeven als deze is,

14 zullen wij nu wederkeeren om uwe geboden te vernietigen, en ons te verzwageren met de volken dezer gruwelen? Zoudt gij niet tegen ons toornen tot verte-rens toe, dat er geen overblijfsel noch ontkoming zij ?

15 O Heere God Israels, gij zijt rechtvaardig; want wij zijn overgelaten ter ontkoming , zooals het is te dezen dage. Zie, wij zijn voor uw aangezicht in onze schuld, want daar is niemand die deswege voor uw aangezicht zoude kunnen bestaan.

HOOFDSTUK 10.

Als Ezra alzoo bad, en als hij deze belijdenis deed, weenonde en zich voor Gods Huis nederwer-pende, verzamelde zich tct hem uit Israël eene zeer groote gemeente van mannen en vrouwen en kinderen, want het volk weende met groot geween.

2 Toen antwoordde Sechanja de zoon van Jehiël, een van oe zonen van Elam, en zeide tot Ezra: Wij hebben overtreden tegen onzen God, en wij hebben vreemde vrouwen van de volken des lands bij ons doen wonen; maar nu, daar is hope voor Israël dezen aangaande.

3 Laat ons dan nu een verbond maken met onzen God, dat wij alle die vrouwen en wat van haar geboren is zullen doen uitgaan, naar den raad des Heeren en dergenen die beven voor het gebod onzes Gods; en laat er gedaan worden naar de wet.

4 Sta op, want deze zaak komt u toe, en wij zullen met u zijn; wees sterk en doe het.

5 Toen stond Ezra op, en deed de oversten der Priesteren, do Levi ten en gansch Israël zweren, te zullen doen naar dit woord; en zij zwoeren.

0 Èn Ezra stond op van voor Gods Huis, en ging in de kamer van Johanan den zoon van Elja-sib; als hij daar kwam, at hij


-ocr page 579-

EZR

^cen brood en dronk geen water, want hij bedreef rouwe over de overtreding der weggevoerden.

7 En zij lieten eene stem doorgaan doorJuda en Jeruzalem, aan alle de kinderen der gevangenschap, dat zij zich te Jeruzalem zouden verzamelen;

8 en al die niet kwam in drie dagen, naar den raad der Vorsten en der oudsten, al zijne have /.oude verbannen zijn, en hij zelf zoude afgezonderd wezen van de gemeente der weggevoerden.

9 Toen verzamelden zich alle mannen van Juda en Benjamin te Jeruzalem in drie dagen; het was de negende maand, op den twintigste in de maand; en al het volk zat op de straat van Gods Huis, sidderende om deze zake en vanwege de plasregenen.

10 Toen stond Ezra de Priester open zeidetot hen: Gijlieden hebt overtreden en vreemde vrouwen bij u doen wonen, om Israels schuld te vermeerderen.

11 Nu dan, doet den Heere uwer vaderen God belijdenis , en doet zijn welgevallen, en scheidt u af van de volken des lands en van de vreemde vrouwen.

12 En degansche gemeente antwoordde en zeide met luider stemme: Naar uwe woorden, al-zoó betaamt het ons te doen.

13 Maar des volks is veel, en het is een tijd van plasregen, dat men hierbuiten niet staan kan; en het is geen werk van één dag noch van twee, want onzer velen hebben overtreden in deze zaak.

14 Laat toch onze Vorsten der gansche gemeente hierover staan, en allen die in onze steden zijn, die vreemde vrouwen hij zich hebben doen wonen, op gezette tijden komen, en met hen de oudsten van elke stad en derzelver rechters ; totdat wij van ons afwenden de hittigheid des toorns onzes Gods om dezer zake wil.

15 Alleenlijk Jonathan de zoon van Asaël, en Jahzeja de zoon van Tikva, stonden hierover; en Mesullam en Sabbethai de Leviet hielpen hen.

lü En\'de kinderen der gevangen-

A 10. 5ü5

schap deden alzoo; en Ezra de Priester, met de mannen, de hoofden der vaderen, naar den huize hunner vade/en, en zij allen, bij namen genoemd, scheidden zich af, en zij zaten óp den eersten dag der tiende maand om deze zake te onderzoeken.

17 En zij voleindigden het met alle mannen die vreemde vrouwen bij zich hadden doen wonen, tot op den eersten dag der eerste maand.

18 En daar werden gevonden van de zonen der Priesteren, die vreemde vrouwen bij zich hadden doen wonen: van de zonen van Jesüa den zoon van Jozadak, en zijne broederen, Maiiscja, enElië-zer, en Jarib, en Gedalja.

19 En zij gaven hunne hand, dat zij hunne vrouwen zouden doen uitgaan; en schuldig zijnde, o/]er-den zij eenen ram van de kudde voor hunne schuld.

20 En van de kinderen van Immer : Hanani en Zebadja.

21 En van de kinderen van Ha-rim : Maaseja, en Elia, en Sema-Ja, en Jehiël, en Uzzia.

22 En van de kinderen van Pas-hur: Eljoönai, Maaseja, Ismaël, Nethaneël, Jozabad, en Elasa.

23 En van doLeviten: Jozabad, en Simeï, en Kelaja (dat is Kelita), Pethahja, Juda, én Eliëzer.

24 En van de zangers Eljasib; en van de portiers: Sallum, en Telem, en Uri.

25 En van Israël: van do kinderen van Paros: Ramja, en Jiz-zia, en Malkfa, en Miamin, en Malkia, en Benaja.

26 En van de kinderen van Elam: Mattanja, Zecharja, en Jehiël, en Abdi, en Jeremoth, en Elia.

27 En van de kinderen van Zattu: Eljoënai, Eljasib, Mattanja, en Jeremoth, en Zabad, en Aziza.

28 En van de kinderen van Be-bai: Johanan, Hananja, Zabbai, Athlai.

29 En van de kinderen van Bani: Mesullam, Malluch , en Adaja, Jasub, en Seal, Jeramoth.

30 En van de kinderen van Pa-hath-Moab: Adna, en Kelal, Be-


-ocr page 580-

566 N E H E

naja, Maiiseja, Mattanja, Bezalecl, en Binnuï, en Manasse.

31 En van de kinderen van Ha-rim: Eliëzer, Jissia, Malkia, Se-maja, Simeon,

32 Benjamin, Malluch, Scmai\'ja.

33 Van de kinderen van lia-suni: Mattenai, Mattatta. Zabad, Elifélet, Jeremai, Manasse, Simeiquot;.

34 Van de kinderen van Bani: Maadai, Amram , en Uel,

35 Benaja, Bedeja, Keluhi,

36 Vanja, Meremoth , Eljasib,

37 Mattanja, Mattenai, en Jaa-sai,

MIA 1.

38 en Bani, en Binnuï, Simei\',

39 en Selemja, en Nathan, en tlquot;, Adaja, vc

40 Machnadbai, Sasai, Sarai,

41 Azareël, en Selemja, Se-marja,

42 Sallum, Amarja, Jozef. af

43 Van de kinderen van Nebo : 20 Jeïël, Mattithja, Zabad, Zebina, z.c Jaddai, en Joël, Benaja.

44 Alle dezen hadden vreemde a vrouwen genomen, en sommigen van hen hadden vrouwen, bij J welke zij kinderen gekregen had- ^ den. u

Oi

u

■ . u u h


HET BOEK E H E M I A.

N

HOOFDSTUK 1.

De geschiedenissen van Nelie-rnia, zoon van Hachalja. En het geschiedde in de maand Kisleu in liet twintigste jaar, als ik te Susan in het paleis was,

2 zoo kwam Hanani, een van mijne broederen, hij en .sommige mannen uit Juda; en ik vraagde ze naar de Joden die ontkomen waren, (die overgebleven waren van de gevangenschap), en naar Jeruzalem.

3 En zij zeiden tot mij : De overgeblevenen, die van de gevangenschap aldaar in het landschap zijn overgebleven, zijn in groote ellende en in versmaadheid; en Jeruzalems muur is verscheurd, en hare poorten zijn met vuur verbrand.

4 En het geschiedde als ik deze woorden hoorde, zoo zat ik neder en weende, en bedreef rouw eenige dagen , en ik was vastende

en biddende voor het aangezicht ( van den God des hemels. ^

5 En ik zeide: Och Heere , God . des hemels, gij groote en vree- \' selijke God, die het verbond en ■ goedertierenheid houdt dengenen die hein liefhebben en zijne geboden houden:

6 laat toch uw oor opmerkende en uwe oogen open zijn, om te hooren naar het gebed uws knechts dat ik lieden voor uw aangezicht bidde, dag en nacht, voor de kinderen Israels, uwe knechten; en ik doe belijdenis over de zonden der kinderen Israels, die wij tegen u gezondigd hebben: ook ik en mijns vaders huis, wij hebben gezondigd.

7 Wij hebben het ganschelijk tegen u verdorven, en wij hebben niet gehouden de geboden, noch de inzettingen, noch de rechten, die gij uwen knecht Mozes geboden hebt.

8 Gedenk toch des woords dat gij uwen knecht Mozes geboden


-ocr page 581-

NE HE MIA 2.

567

[lobt, zeggen do: Gijlieden zult overtreden, ik zal u onder de volken verstrooien;

9 en gij zult u tot mij bekeeren, en mijne geboden houden en die doen: al waren uwe verdrevenen aan het einde des hemels, ik zal ze van daar verzamelen, en zal ze brengen tot de plaats, die ik verkoren heb om mijnen naam aldaar te doen wonen.

10 Zij zijn toch uwe knechten en uw volk, dat gij verlost hebt door uwe groote kracht en door uwe sterke hand.

11 Och Heere, laat toch uw oor opmerkende zijn op het gebed uws knechts, en op het gebed uwer knechten die lust hebben uwen naam te vreezen; en doe het toch uwen knecht heden wèl gelukken, en geef hem barmhartigheid voor het aangezicht dezes mans. Ik nu was des Konings schenker.

HOOFDSTUK 2.

Toen geschiedde het in de maand Nisan, in het twintigste jaar van den Koning Artahsasta, als er wijn voor zijn aangezicht stond, dat,quot;ik den wijn opnam en aan den Koning gaf. Nu was ik nooit treurig geweest voor zijn aangezicht.

2 Zoo zeide de Koning tot mij: Waarom is uw aangezicht treurig, zoo gij toch niet krank zijt? Dit is niet dan treurigheid des harten. Toen vreesde ik gansch zeer,

3 en ik zeide tot den Koning: De Koning leve in eeuwigheid. Hoe zoude mijn aangezicht niot treurig zijn, daar de stad, de plaats der begrafenissen mijner vaderen, woest is, en hare poorten met vuur verteerd zijn?

4 En de Koning zeide tot mij: Wat verzoekt gij nu? Toen bad ik tot God van den hemel,

5 en ik zeide tot den Koning: Zoo het den Koning goeddunkt, en zoo uw knecht voor uw aangezicht aangenaam is, dat gij mij zendt naar Juda, naar de stad der begrafenissen mijner vaderen, dat ik ze bouwe.

(J Toen zeide de Koning tot mij.

daar de Koningin nevens hem zat: Hoelang zal uwe reize wezen, en wanneer zult gij wederkomen? En het behaagde den Koning dat hij mij zond, als ik hem zekeren tijd gesteld had.

7 Voorts zeide ik tot den Koning: Zoo het den Koning goeddunkt, dat men mij brieven geve aan de landvoogden aan gene zijde der rivier, dat zij mij overgeleiden , totdat ik in Jiida zal gekomen zijn ;

8 ook eenen brief aan Asaf, den bewaarder van den lusthof, welken de Koning heeft, dat hij mij hout geve om te zolderen de poorten van het paleis dat aan het huis is, en voor den stadsmuur, en voor het huis waar ik intrekken zal. En de Koning gaf ze mij , naar de goede hand mijns Gods over mij.

9 Toen kwam ik tot de landvoogden aan gene zijde der rivier, en gaf hun de brieven des Konings. En de Koning had oversten des heirs en ruiteren met mij gezonden.

10 Toen nu Sanballat de Horo-niet en Tobia de Ammonitische knecht dat hoorden, mishaagde het hun met groot mishagen, dat er een mensch gekomen was om wat goeds te zoeken voor de kinderen Israels.

11 En ik kwam te Jeruzalem en was daar drie dagen.

12 Daarna maakte ik mij des nachts op, ik en weinige mannen met mij, en ik gaf geenen mensch te kennen wat mijn God in mijn harte gegeven had om aan Jeruzalem te doen, en daar was geen dier met mij dan het dier waarop ik reed.

13 En ik trok uit bij nacht door de Dalpoort, en voorbij de Draken-fontein, en naar de Mestpoort, en ik brak aan de muren van Jeruzalem , dewelke verscheurd waren, en hare poorten met vuur verteerd.

14 En ik ging voort naar de Fonteinpoort, en naar des Konings vijver; doch daar was geen plaats voor het dier om onder mij voort te gaan.

15 Toen ging ik op, des nachts, door de beek, en ik brak aan den muur, en ik keerde weder en


-ocr page 582-

N E H E

508

MI A 3

kwam in door dc Dalpoort; alzoo keerde ik wederom.

16 En de Overheden wisten niet waar ik heengegaan was, en wat ik deed; want ik had lot nog toe aan de Joden en de Priesteren en de edelen en overheden en de anderen, die het werk deden, niets te kennen gegeven.

17 Toen zeide ik tot hen: Gijlieden ziet dc ellende waarin Wij zijn, dat Jeruzalem woest is en hare poorten met vuur verbrand zijn: komt, en laat ons Jeruzalems muur opbouwen, opdat, wij niet meer eene versmaadheid zijn.

18 En ik gaf hun te kennen de hand mijns Gods, die goed over mij geweest was, alsook de woorden des Konings, die hij tot mij gesproken had. Toen zeiden zij: Laat ons opstaan dat wij bouwen, en zij sterkten hunne handen ten goedé.

19 Als nu Sanballat de Horoniet, enTobia de Ammonitische knecht, en Gesem de Arabier, dit hoorden, zoo bespotteden zij ons en verachtten ons, en zij zeiden: Wat is dit voor een ding dat gijlieden doet ? Wilt gijlieden tegen den Koning rebelleèren?

20 Toen gaf ik hun ten antwoord en zeide tot hen: God van den hemel, die zal het ons doen go-lukken, en wij zijne knechten zullen ons.opmaken en bouwen, maar gijlieden hebt geen deel, noch récht, noch gedachtenis in Jeruzalem.

HOOFDSTUK 3.

En Eljasib de Hoogepriester maakte zich op met zijne broederen de Priesteren, en zij bouwden de Schaapspoort; zij heiligden haar en richtten hare deuren op; ja zij heiligden haar tot aan den toren Mea, tot aan den toren Hananeël.

2 En aan zijne hand bouwden de mannen van Jericho; ook bouwde aan zijne hand Zakkur dc zoon van Imri.

3 De Vischpoort nu bouwden de kinderen van Senaii; die zolderden haar, en richtten hare deuren op, met hare sloten en hare grendelen.

4 En aan hunne hand verbeterde Meremoth , de zoon van Una den zoon van Koz; en aan hunne hand verbeterde Mesullam, de zoon van Berechja den zoon van Mesezabeöl; en aan hunne hand verbeterde Zadok de zoon van Baëna.

5 Voorts aan hunne hand verbeterden de Tekoïten; maar hunne voortreffelijken brachten hunnen hals niet ten dienste huns Heeren.

6 En de Oude poort verbeterden Jojada de zoon van Paséah , en Mesullam de zoon van Besodja; dezen zolderden haar, en richtten hare deuren op, met hare sloten en hare grendelen.

7 En aan hunne hand verbeterden Melatja de Gibeoniet, en Ja-don de Meronothiet, de mannen van Gibeon en van Mizpa, tot aan den stoel des landvoogds aan deze zijde der rivier.

8 Aan zijne hand verbeterde Uzziël de zoon van Harhaja, een der goudsmeden, en aan zijne hand verbeterde Hananja de zoon van een der apothekers: en zij lieten Jeruzalem tot aan den bree-den muur.

1) En aan hunne hand verbeterde Refaja de zoon van Hur, overste van het halve deel van Jeruzalem.

10 Voorts aan hunne hand verbeterde Jedaja de zoon van Haru-maf, en tegenover zijn huis; en aan zijne hand verbeterde Hattus de zoon van Hasabneja.

11 De andere maat verbeterde Malkia de zoon van Harim, en Hassub de zoon van Pahath-Moab; daartoe den Bakovenstoren.

12 En aan zijne hand verbeterde Sallum de zoon van Hallohes, overste van het andere halve deel van Jeruzalem, hij en zijne doel teren.

13 De Dal poort verbeterde Ha-nun, en de inwoners van Zanóah; die bouwden haar, en richtten hare deuren op, met hare sloten en hare grendelen; daartoe duizend ellen aan den muur lot aan de Mestpoort.

14 De Mestpoort nu verbeterde Malkia de zoon van Rechab , overste van het deel Beth-Kérem; hij bouwde haar en richtte hare deu-


-ocr page 583-

NEHEMIA 4.

561)

ren op, met hare sloten en hare grendelen..

15 En de Fonteinpoort verbeterde Salium de zoon van Kolhozé, overste van het deel van Mizpa; hij bouwde haar en overdekte haar, en richtte hare deuren op, met hare sloten en hare grendelen; daartoe den muur van den vijver Selah bij des Konings hof, en tot aan de trappen die afgaan van Davids stad.

1G Na hem verbeterde Nehemia de zoon van Azbuk, overste van het halve deel van Beth-Zur, lot tegenover Davids graven, en tot aan den gemaakten vijver, en tot aan het huis der helden.

17 Na hem verbeterden de Levi-ten: Rehum de zoon van Bani; aan zijne hand verbeterde Hasabja, de overste van het halve deel^van Kehila, in zijn deel.

18 Na hem verbeterden hunne broederen, Bavvai de zoon van Henadad, de overste van het andere halve deel van Kehila.

19 Aan zijne hand verbeterde Ezer de zoon van Jesüa, de overste van Mizpa, eene andere maat, tegenover den opgang naar het wapenhuis aan den hoek.

20 Na hem verbeterde zeer vuriglijk Baruch, de zoon van Zabbai, eene andere maat: van den hoek tot aan de deur van het huis van Eljasib den Hoogepriester.

21 Na hem verbeterde Mere-moth, de zoon van Una den zoon van Koz, eene andere maat: van de huisdeur van Eljasib af tot aan het einde van Eljasibs huis.

22 En na hem verbeterden de Priesteren wonende in de vlakke velden.

23 Daarna verbeterde Benjamin, en Hassub, tegenover hun huis. Na hem verbeterde Azarja, de zoon van Maaseia den zoon van Ananja, bij zijn huis.

24 Na hem verbeterde Binnuï, de zoon van Henadad, eene andere maat: van het huis van Azarja tot aan den hoek en tot aan de punt.

25 Palal, de zoon van Uzai, tegenover den hoek en den hoogen toren die van des Konings huis uitsteekt, die bij den voorhof der gevangenis is. Na hem Pedaja de zoon van Paros.

26 De Nethinim nu, die in Ofel woonden, tot tegenover de Waterpoort aan het Oosten, en den uitstekenden toren.

27 Daarna verbeterden de Te-koïten eene andere maat: tegenover den grooten uitstekenden toren, en tot aan den muur van Ofel.

28 Van boven de Paardenpoort verbeterden de Priesters, een iegelijk tegenover zijn huis.

29 Daarna verbeterde Zadok, de zoon van Immer, tegenover zijn huis. En na hem verbeterde Semaja de zoon van Sechanja, de bewaarder van de Oostpoort.

30 Na hem verbeterde Hananja de zoon van Selemja, en Hanun de zoon van Zalaf, de zesde, eene andere maat. Na hem verbeterde Mesullam de zoon van Berechja, tegenover zijne kamer.

31 Na hem verbeterde Malkfa, de zoon eens goudsmids, tot aan het huis der Nethinim en dei-kruideniers , tegenover de poort van Mifkad, en tot de opperzaal van de punt.

32 En tusschen de opperzaal van de punt tot de Schaapspoort toe verbeterden de goudsmeden en de kruideniers.

HOOFDSTUK 4.

Maar het geschiedde als Sanbal-lat gehoord had dat wij den muur bouwden, zoo ontstak hij en werd zeer toornig: en hij bespotte de Joden,

2 en sprak in de tegenwoordigheid zijner broederen en des heirs van Samarië, enzeide: Wat doen deze amechtige Joden? Zal men ze laten geworden? Zullen zij offeren? Zullen zij het in eenen dag voleindigen? Zullen zij de steenen uit de stofhoopen levend maken, daar ze verbrand zijn?

3 En Tobia de Ammoniet was bij hem, en zeide: Al is het dat zij bouwen, zoo daar een vos op-kwame, hij zoude hunnen steenen muur wel verscheuren.

4 Hoor, o onze God, dat wij


-ocr page 584-

NEHEMI A 4

570

zeer veracht zijn, en doe hunne versmaadbeid wederkeeren op hun hoofd, en geef ze over lot eenen roof in een land der gevangenschap ;

5 en dek hunne ongerechtigheid niet toe, en hunne zonde worde niet uitgedelgd van voor uw aangezicht; want zij hebben a getergd, staande tegenover de bouwlieden.

6 Doch wij bouwden den muur, zooc^at de gansche muur samengevoegd werd tot zijne helft toe; want het harte des volks was om te werken.

7 En het geschiedde als Sanbal-lat en Tobia en de Arabieren en de Ammoniten en de Asdoditen hoorden dat de verbetering aan de muren van Jeruzalem toenam, dat de scheuren begonnen gestopt te worden, zoo ontstaken zij zeer,

8 en zij maakten allen te zamen eene verbintenis, dat zij zouden komen om tege.i Jeruzalem te strijden, en eene verbijstering daarin te maken.

9 Maar wij baden tot onzen God, en zetteden wacht tegen hen, dag en nacht, hunnenthalve.

10 Toen zeide Juda: De kracht der dragers is vervallen , en des stofs is veel, zoodat wij aan den muur niet zullen kunnen bouwen.

11 Nu hadden onze vijanden gezegd : Zij zullen het niet weten noch zien, totdat wij in het midden van hen komen en slaan ze dood; alzoo zullen wij het werk doen ophouden.

12 En het geschiedde als de Joden die bij hen woonden kwamen, dat zij het ons we/tienmaal zeiden, uit alle de plaatsen door welke gij tot ons wederkeert.

13 Daarom zettede ik in de benedenste plaatsen achter den muur cn op de hoogten, en ik zettede het volk naar de geslachten, met hunne zwaarden, hunne spiesen en hunne bogen.

14 En ik zag toe en maakte mij op, en zeide tot de edelen en tot de overheden en tot het overige des volks: Vreest niet voor hun aangezicht, denkt aan dien groo-ten en vreeselijken Heere, en strijdt voor uwe broederen, uwe zonen en uwe dochteren, uwe vrouwen en uwe huizen.

15 Daarna geschiedde het als onze vijanden hoorden dat het ons bekend was geworden, en God hunnen raad te niet gemaakt had, zoo keerden wij allen weder tot den muur , een iegelijk tot zijn werk.

16 En het geschiedde van dien dag af, dat de helft mijner jongens doende waren aan het werk, en de helft van hen hielden de spiesen , de schilden en de bogen en de pantsers; en de oversten waren achter het gansche huis van Juda.

17 Die aan den muur bouwden, en die den last droegen , cn die oplaadden, waren een ieder met zijne ééne hand doende aan het werk, en de andere hield het geweer;

18 en de bouwers, die hadden een iegelijk zijn zwaard aan zijne lendenen gegord, en bouwden; maar die met de bazuin blies was bij mij.

19 En ik zeide tot de edelen en tot de Overheden en tot het overige des volks: Het werk is groot en wijd, en wij zijn op den muur afgezonderd , de één ver van den ander:

20 ter plaatse waar gij het geluid der bazuin zult hooren, daarhenen zult gij u tot ons verzamelen ; onze God zal voor ons strijden.

21 Alzoo waren wij doende aan het werk; en de helft van hen hielden de spiesen van het opgaan des dageraads tot het opkomen der sterrèn toe.

22 Ook zeide ik te dier tijd tot den volke: Een iegelijk vernachte met zijnen jongen binnen Jeruzalem ; opdat zij ons des nachts ter wacht zijn, en des daags aan het werk.

23 Voorts noch ik, noch mijne broederen, noch mijne jongelingen, noch de mannen van de wacht die achter mij waren, wij trokken onze kleederen niet uit: een iegelijk had zijn geweer en water.


-ocr page 585-

N E H E MIA

571

HOOFDSTUK 5.

Maar het geroep des volks en hunner vrouwen was groot tegen hunne broederen de Joden.

2 Want er waren er die zeiden: Onze zonen en onze dochteren, wij zijn velen; daarom hebben wij koren opgenomen, opdat wij eten en leven.

3 Ook waren er die zeiden: Wij verpanden onze akkers en onze wijngaarden en onze huizen, opdat wij in dezen honger koren mogen opnemen.

4 Desgelijks waren er die zeiden; Wij hebben geld geleend tot des Konings cijns, op onze akkers en onze wijngaarden.

5 Nu is toch ons vleesch als het vleesch onzer broederen, onze kinderen zijn als hunne kinderen: en zie, wij onderwerpen onze zonen en onze dochteren tot dienstknechten; ja daar zijn eenigen van onze dochteren onderworpen, dat zij in de macht onzer handen niet zijn: en anderen hebben onze akkers eii onze wijngaarden.

6 Toen ik nu hun geroep en deze woorden hoorde, ontstak ik zeer,

7 en mijn harte beraadslaagde

mij. Daarna twistte ik met de

edelen en met de Overheden, en zeide tot hen: Gijlieden vordert eenen last, een iegelijk van zijnen broeder. Voorts belegde ik eene groote vergadering tegen hen ,

8 en ik zeide tot hen: Wij hebben onze broederen de Joden, die aan de heidenen verkocht waren, naar ons vermogen wedergekocht: en zoudt gijlieden ook uwe broederen verkoopen, of zouden zij aan ons verkocht worden? Toen zwegen zij en vonden geen antwoord.

9 Voorts zeide ik: De zake is niet goed, die gijlieden doet; zoudt gij niet wandelen in de vreeze onzes Gods, om de versmading der heidenen , onzer vijanden ?

10 Ik, mijne broederen en mijne jongens, vorderen wij ook geld en koren van hen? Laat ons toch dezen last nalaten.

11 Geeft hun toch heden weder iiunne akkers, hunne wijngaarden, hunne olijfgaarden en hunne huizen, en het honderdste deel van het geld en van het koren, den most en de one, die gij hun hebt afgevorderd.

12 Toen zeiden zij: Wij zullen het wedergeven, en van hen niets zoeken; wij zullen zóó doen als gij zegt. En ik riep de Priesteren en deed ze zweren dat zij doen zouden naar dit woord.

13 Ook schudde ik mijnen boezem uit, en zeide: Alzóó schudde God uit allen man, die dit woord niet zal bevestigen , uit zijn huis en uit zijnen arbeid, en hij zij alzóó uitgeschud en ledig. En de gansche gemeente zeide: Amen, en zij prezen den Heere en het volk deed naar dit woord.

14 Ook van dien dag af dat hij mij bevolen heeft hun landvoogd te zijn in het land Juda, van het twintigste jaar af tot het tweeëndertigste jaar van den Koning Artahsasta, zijnde twaalf jaren, heb ik met mijne broederen het brood des landvoogds niet gegeten.

15 En de vorige landvoogden, die vóór mij geweest zijn, hebben het volk bezwaard, en van hen genomen aan brood en wijn, daarna veertig zilveren sikkelen; ook heerschten hunne jongens over het volk. Maar ik heb alzoo niet gedaan, om dor vreeze Gods wille.\'

1G Daartoe heb ik ook aan het werk dezes muurs verbeterd, en wij hebben geen land gekocht; en alle mijne jongens zijn aldaar verzameld geweest tot het werk.

17 Ook zijn er van de Joden en van de Overheden honderd en vijftig \'man, en die van de heidenen die rondom ons zijn tot ons kwamen, aan mijne tafel geweest.

18 En wat voor éénen dag bereid werd, was een os en zes uitgelezen schapen; ook werden mij vogels bereid, en binnen tien dagen van allen wijn zeer veel; nog heb ik bij dezen het brood des landvoogds niet gezocht, omdat de dienstbaarheid zwaar was over dit volk.

10 Gedenk mijner, mijn God, ten goede, alles \'wat ik aan dezen volke gedaan heb.


-ocr page 586-

572 NEHEMIA 6, 7.

HOOFDSTUK 6.

Voorts is het geschied, als van Sanballat, en Tobia, en van Gesem den Arabier, en van onze andere vijanden gehoord was dat ik den muur gebouwd had, en dat geene scheur daarin was overgelaten, (ook had ik tot dezen tijd toe de deuren niet opgezet in de poorten):

2 zoo zond Sanballat en Gesem tot mij, om te zeggen: Kom en laat ons tezamen vergaderen in de dorpen, in het dal Ono. Maar zij dachten mij kwaad te doen.

3 En ik zond boden tot hen, om te zeggen: Ik doe een groot werk, zoodat ik niet zal kunnen afkomen; waarom zoude dit werk ophouden, terwijl ik het zoude nalaten en tot ulieden afkomen?

4 Zij zonden nu ivnl viermaal tot mij op dezelfde wijze, en ik antwoordde hun op dezelfde wijze.

5 Toen zond Sanballat tot mij op dezelfde wijze ten vijfden male zijnen jongen, met een quot;open brief in zijne hand.

6 Daarin was geschreven: Het is onder de volken gehoord, en Gasmu zegt: Gij en de Joden denkt te rebelleeren, daarom bouwt gij den muur; en gij zult hun ten Koning zijn, naar dat deze zaken zijn.

7 Dat gij ook Profeten hebt besteld , om van u te Jeruzalem uit te roepen, zeggende: Hij is Koning in Juda. Nu zal het van den Koning gehoord worden, zooals deze zaken zijn: kom dan nu, en laat ons te zamen beraadslagen.

8 Doch ik zond tot hem, om te zeggen : Er is van zulke zaken als gij zegt niets geschied, maar gij verzint ze uit uw harte.

0 Want zij allen zochten ons vreesachtig te maken, zeggende: Hunne handen zullen van het werk aflaten, dat het niet zal gedaan worden. Nu dan, sterk mijne banden.

10 Als ik nu kwam in het huis „van Semaja, den zoon van Delaja den zoon van Mehetabeël, (hij nu had zich opgesloten), zoo zeide hij : Laat ons te zamen komen in den Huize Gods, in het midden des

Tempels, en laat ons de deurev des Tempels toesluiten; want zi zullen komen om u te dooden, ja bij nacht zullen zij komen om i te dooden.

11 Maar ik zeide: Zoude een man als ik vlieden? En wie is er zijnde als ik. die in den Tempe zoude gaan, dat hij levend bleven Ik zal er niet ingaan.

12 Want ik merkte , en zie. God had liem niet gezonden; maar hij sprak deze profetie tegen mij, omdat Tobia en Sanballat hem gehuurd hadden.

13 Daarom was hij gehuurd, opdat ik zoude vreezen, en alzóó doen, en zondigen: opdat zij iets zouden hebben tot eenen kwaden naam , opdat zij mij zouden honen

14 Gedenk , mijn God, aan Tobia en aan Sanballat, naar deze zijne werken; en ook aan de Profetes Noadja, en aan de andere Profeten die gezocht hebben mij vreesachtig te maken.

15 De muur nu werd voltooid op den vijfentwintigste van Elul, in tweeënvijftig dagen.

16 En het geschiedde als alh onze vijanden dit hoorden, zoo vreesden alle de heidenen dk rondom ons waren, en zij vervielen zeer in hunne oogen; want zij merkten dat dit werk van oir/en God gedaan was.

17 Ook schreven in die dagen edelen van Juda vele brieven, die naar Tobia gingen; en die van Tobia kwamen tot hen.

18 Want velen in Juda hadden hem gezworen, omdat hij was een schoonzoon van Sechanja den zoon van Arab, en zijn zoon Johanar had genomen de dochter van Mc sullam den zopn van Berechja.

19 Ook verhaalden zij zijre goed-dadigheden voor mijn aangezicht, en mijne woorden brachten zij uil tot hem: Tobia dan zond brieven om mij vreesachtig te maken.

HOOFDSTUK 7.

Voorts geschiedde he: als do muur gebouwd was, dat ik dc deuren oprichtte, en de portiers en de zangers en de Leviten werden besteld.


-ocr page 587-

N E H E MIA

573

2 En ik gaf bevel aan mijnen broeder Hanani, en aan Hananja den overste van den burg te Jeruzalem , want hij was een man van getrouwigheid en godvreezend boven velen;

3 en ik zeide tot hen: Laat de poorten van Jeruzalem niet geopend worden totdat de zon heet wordt, en terwijl zij daarbij staan; laat ze de deuren sluiten, betast gij ze dan; en dat men wachten zette, inwoners van Jeruzalem, een iegelijk op zijne wacht en een iegelijk tegenover zijn huis.

4 De stad nu was wijd van ruimte en groot, doch des volks was weinig daarbinnen, en de huizen waren niet gebouwd.

5 Zoo gaf mijn God in mijn harte, dat ik de edelen en de Overheden en het volk verzamelde, om de geslachten te rekenen; en ik vond het geslachtregister dergenen die in het eerste waren opgetogen, en vond daarin geschreven aldus:

G Dit zijn de kinderen van dat landschap, die optogen uit de gevangenschap der weggevoerden, die Nebukadnezar, Koning van Babel, weggevoerd had, en die wedergekeerd zijn naar Jeruzalem en naar Juda. een iegelijk naaizij ne stad;

\' 7 welke kwamen met Zerubbabel, Jesüa, Nehemia, Azarja, Raiimja, Nahamani, Mordechai, Bilsan , Mispéreth, Bigvai, Nehum en Baëna. Dit is het getal der mannen van het volk Israels;

8 de kinderen van Paros waren tweeduizend honderd tweeënzeventig ;

9 de kinderen van Sefatja driehonderd tweeenzeventig;

10 de kinderen van Arah zeshonderd tweeënvijftig;

11 de kinderen van Pahath-Mo-ab, van de kinderen van Jesüa en Joab, tweeduizend achthonderd achttien;

12 de kinderen van Elam duizend tweehonderd vierenvijftig;

13 de kinderen van Zattu achthonderd vijfenveertig;

14 de kinderen van Zakka i zevenhonderd en zestig;

15 de kinderen van Binnuï zeshonderd achtenveertig;

16 de kinderen van Bebai zeshonderd achtentwintig;

17 de kinderen van Azgad tweeduizend driehonderd tweeëntwintig;

18 de kinderen van Adonikam zeshonderd zevenenzestig;

19 de kinderen van Bigvai tweeduizend zevenenzestig;

20 de kinderen van Adin zeshonderd vijfenvijftig;

21 de kinderen van Ater, van Hizkia, achtennegentig;

22 de kinderen van Hasum driehonderd achtentwintig;

23 de kinderen van Bezai driehonderd vierentwintig;

24 de kinderen van Harif honderd twaalf;

25 de kinderen van Gibeon vijfennegentig ;

26 de mannen van Bethlehem en Netol\'a honderd achtentachtig;

27 do mannen van Anathoth honderd achtentwintig;

28 de mannen van Beth-AzmA-veth tweeënveertig;

29 de mannen van Kirjath-Jearim, Kefira en Beëroth zevenhonderd drieënveertig;

30 de mannen van Rama en Gibea zeshonderd éénentwintig;

31 de mannen van Michmas honderd tweeëntwintig;

32 de mannen van Beth-El en Ai honderd drieëntwintig;

33 de mannen van het andere Nebo tweeënvijftig;

34 de kinderen van den anderen Elam duizend tweehonderd vierenvijftig;

35 de kinderen van Harim driehonderd en twintig;

36 de kinderen van Jericho driehonderd vijfenveertig;

37 de kinderen van Lod, Hadid en Ono zevenhonderd éénentwintig;

38 de kinderen van Senaa drieduizend negenhonderd en dertig.

39 De Priesters: de kinderen van Jedaja , van het huis van Jesüa , negenhonderd drieënzeventig;

40 de kinderen van Immer duizend tweeënvijftig;

41 de kinderen van Pashnr duizend tweehonderd zevenenveertig;


-ocr page 588-

MIA 7.

574

NEHE

42 de kinderen van Harim duizend zeventien.

43 De Leviten: de kinderen van Jesüa, van Kadmiël, van de kinderen van Hodeva, vierenzeventig.

44 De zangers: de kinderen van Asaf, honderd achtenveertig.

45 De portiers: de kinderen van Sallum, de kinderen van Ater, de kinderen van Talmon, de kinderen van Akkub, de kinderen van Hatita, de kinderen van Sobai, honderd achtendertig.

46 De Nethinim: de kinderen van Ziha , de kinderen van Hasufa, de kinderen van Tabbaoth,

47 de kinderen van Keros, de kinderen van Sia, de kinderen van Padon,

48 de kinderen van Lebana, de kinderen van Hagaba, de kinderen van Salmai,

49 de kinderen van Hanan, de kinderen van Giddel, de kinderen van Gahar,

50 de kinderen van Reaja, de kinderen van Rezin, de kinderen van Nekoda,

51 de kinderen van Gazzam, de kinderen van Uzza, de kinderen van Paséah,

52 de kinderen van\'.Besai, de kinderen der Meüniten, de kinderen der Nefusiten,

53 de kindoren van\'Bakbuk, de kinderen van Hakufa, de kinderen van Harhur,

54 de kinderen van Bazlith, de kinderen van Mehida, de kinderen van Harsa,

55 de kinderen van Barkos, de kinderen van Sisera, de kinderen van Témah,

56 de kinderen van Nezi\'ah, de kinderen van Hatifa.

57 De kinderen der knechten van Salomo: de kinderen van Sotai, de kinderen van Soféreth, de kinderen van Perida,

58 de kinderen van Jaëla, de kinderen van Darkon, de kinderen van Giddel,

59 de kinderen van Sefatja, de kinderen van Hattil, de kinderen van Pochéreth-Hassebaïm, de kinderen van Amon :

60 al de Nethinim en de kinderen der knechten van Salomo

waren driehonderd tweeënnegentig.

61 Ook togen dezen op van Tel-mélah , Telharsa, Kerub , Addon en Immer; maar zij konden hunner vaderen huis en hun zaad niet toonen, of zij uit Israël waren:

02 de kinderen van Delaja, de kinderen van Tobia , de kinderen van Nekoda , zeshonderd tweeënveertig ;

63 en van de Priesteren de kinderen van Habaja, de kinderen van Koz, de kinderen van Bar-zillai, die eene vrouw van de doch-teren van Barzillai den Gileadiet genomen had, en naar hunnen naam genoemd was.

64 Dezen zochten hun geschrift, willende hun geslacht rekenen, maar het werd niet gevonden ; daarom werden zij als onreinen van het Priesterdom geweerd;

65 en Hattirsatha zeide tot hen, dat zij van de heiligste dingen niet zouden eten, totdat er een Priester stond met Urim en Tummim.

66 Deze gansche gemeente te zamen was tweeënveertigduizend driehonderd en zestig;

67 behalve hunne knechten en hunne maagden, die waren zevenduizend driehonderd zevenendertig, en zij hadden tweehonderd en \\ ijf-enveertig zangers en zangeressen;

68 hunne paarden zevenhonderd zesendertig, hunne muildieren tweehonderd vijfenveertig,

69 kemelen vierhonderd vijfendertig, ezelen zesduizend zevenhonderd en twintig.

70 Een deel nu van de hoofden der vaderen gaven tot het werk. Hattirsatha gaf voor den schat, aan goud duizend drachmen, vijftig sprengbekkens, vijfhonderd en dertig priesterrokken.

71 En anderen van de hoefden der vaderen gaven voor den schat des werks, aan goud twintigduizend drachmen, en aan zilver tweeduizend en tweehonderd ponden.

72 En wat de overigen des volks gaven was aan goud twintigduizend drachmen, en aan zilver tweeduizend ponden, en zevenenzestig priesterrokken.

73 En de Priesters, en de Leviten , en de portiers, en de zan-


-ocr page 589-

MIA 8.

NE HE

575

gers, en sommigen van het volk, en de Nethinim,quot; en gansch Israël, woonden in hunne steden.

HOOFDSTUK 8.

Als nu de zevende maand aankwam , en de kinderen Israels in hunne steden waren,

2 zoo verzamelde zich al het volk als een éénig man op de straat vóór de Waterpoort, en zij zeiden tot Ezra den schriftgeleerde , dat hij het boek der wet van Mozes zoude halen, die de Heeue Israël geboden had.

3 En Ezra de Priester bracht de wet voor de gemeente, beide mannen en vrouwen, en allen die verstandig waren om te hooren , op den eersten dag der zevende maand;

4 en hij las daarin, vóór de straat die vóór de Waterpoort is, van het morgenlicht aan tot op den middag, voor de mannen en vrouwen , en de verstandigen; en de ooren des ganschen volks waren naar het wetboek.

5 En Ezra de schriftgeleerde stond op eenen hoogen houten stoel, dien zij tot die zake gemaakt hadden, en nevens hem stond Mat-tithja , en Sema , en Anaja, en Una, en Hilkia, en Maaseja, aan zijne rechterhand; en aan zijne linkerhand Pedaja, en Misaël, en Malki\'a, en Hasum, en Hasbadda-na, Zecharja en Mesullam.

6 En Ezra opende het boek voor de oogen des ganschen volks, want hij was boven al het volk; en als hij het opende, stond al het volk.

7 En Ezra loofde den Heere , den grooten God, en al het volk antwoordde : Amen , amen , met opheffing hunner handen, en neigden zich, en aanbaden den Heere met de aangezichten ter aarde.

8 Jesüa nu, en Bani, en Sereb-ja, Jamin, Akkub, Sabbethai, Ho-dia, Maaseja, Kelita, Azarja, Joza-bad, Hanan, Pelaja en deLeviten onderwezen het volk in de wet, en het volk stond op zijne standplaats.

9 En zij lazen in het boek, in de wet Gods, duidelijk; en den zin verklarende , zoo maakten zij dat men het verstond in het lezen.

10 En Nehemia, (dezelve is Hat-tirsatha), en Ezra de Priester, de schriftgeleerde, en de Leviten die het volk onderwezen, zeiden tot al het volk; Deze dag is den Heere uwen God heilig: bedrijft clan geen rouw en weent niet. Want al het volk weende als zij de woorden der wet hoorden.

11 Voorts zeide hij tot hen: Gaat, eet het vette en drinkt het zoete, en zendt deelen dengenen voor welken niets bereid is, want deze dag is onzen Heere heilig: zoo bedroeft u niet, want de blijdschap des Heeren die is uwe sterkte.

12 En de Leviten stilden al het volk, zeggende: Zwijgt, want deze dag is heilig, daarom bedroeft u niet.

13 Toen ging al het volk henen om te eten en om te drinken en om deelen te zenden en om groote blijdschap te maken; want zij hadden de woorden verstaan die men hun had bekend gemaakt.

14 En des anderen daags verzamelden zich de hoofden der vaderen des ganschen volks, de Priesters en de Leviten, tot Ezra den schriftgeleerde, en dat, om verstand te bekomen in de woorden der wet.

15 En zij vonden in de wet geschreven, dat de Heere door de hand van Mozes geboden had, dat de kinderen Israëls in loofhutten zouden wonen op het feest in de zevende maand;

16 en dat zij het zouden ruchtbaar maken , en eene stemme laten doorgaan door alle hunne steden en te Jeruzalem, zeggende: Gaat uit op het gebergte , en haalt takken van olijfboomenen takken van rmcte/\'c olieachtige boomen en takken van mirteboomen en lakken van palmboomen en takken van andere dichte boomen, om loofhutten te maken, zooals er geschreven is.

17 Alzoo ging het volk uit, en haalde ze, en maakte zich loofhutten , een iegelijk op zijn dak, en in hunne voorhoven, en in de voorhoven van Gods Huis, en op


-ocr page 590-

MIA 9.

57(3

NE HE

de straat der Waterpoort, en op de straat van de Efraïms-poort.

18 En de gansche gemeente dergenen die uit de gevangenschap waren quot;wedergekomen maakten loofhutten en woonden in die loofhutten ; want de kinderen Israëls hadden alzoo niet gedaan sinds de dagen van Jozua den zoon van Nun tot op dezen dag toe; en daar was zeer groote blijdschap.

19 En men las in het wetboek Gods dag bij dag, van den eersten dag tot den laatsten dag. En zij hielden het feest zeven dagen, en op den achtsten dag den verbodsdag, naar het recht.

HOOFDSTUK 9.

Voorts op den vierentwintigsten dag dezer maand verzamelden zich de kinderen Israëls met vasten en met zakken, en aarde was op hen.

2 En het zaad Israëls scheidde zich af van alle vreemden. En zij stonden en deden belijdenis van hunne zonden en hunner vaderen ongerechtigheden.

3 Want als zij opgestaan waren op hunne standplaats, zoo lazen zij in het wetboek des Heerkn huns Gods een vierde deel van den dag, en op een ander vierde deel deden zij belijdenis en aanbaden den Heere hunnen God.

4 Jesüa nu, en Bani, Kadmiël, Sebanja, Bunni, Serébja, Bani en Kenani stonden op het hoog gestoelte der Leviten, en riepen met luider stemme tot den Heere hunnen God.

5 En de Leviten, Jesüa, en Kadmiël, Bani, Hasabneja, Serebja, Hodfa, Sebanja, Pethahja, zeiden: Staat op, looft den Heere uwen God, van eeuwigheid tot in eeuwigheid ; en men love den name uwer heerlijkheid, die verhoogd is boven allen lof en prijs.

6 Gij zijt die Heere alleen, gij hebt gemaakt den hemel, den hemel der hemelen en al hun heir, de aarde en al wat daarop is, de zeeën en al wat daarin is, en gij maakt die alle levend; en het heir der hemelen aanbidt u.

7 Gij zijt die Heere, de God die

Abram hebt verkoren, en hem uit Ur der Ghaldeën uitgevoerd, en gij hebt zijnen naam gesteld Abraham.

8 En gij hebt zijn harte getrouw gevonden voor uw aangezicht, en hebt een verbond met hem gemaakt, dat gij zoudt geven het land der Kanaaniten, der Hethi-ten, der Amoriten en der Ferezi-ten en der Jebusiten en der Gir-gasiten, dat gij het zijnen zade zoudt geven; en gij hebt uwe woorden bevestigd, omdat gij rechtvaardig zijt.

9 En gij hebt aangezien onzer vaderen ellende in Egypte, en gij hebt hun geroep gehoord aan de Schelfzee;

10 en gij hebt teekenen en wonderen gedaan aan Farao en aa n alle zijne knechten en aan al het volk zijns lands, want gij wist ds.t zij trotschelijk tegen hen handelden; en gij hebt u eenen naam gemaakt, zoo als het is te dezen dage.

11 En gij hebt de zee voor hun aangezicht gekliefd, dat zij in het midden der zee op het droge zijn doorgegaan; en hunne vervolgers hebt gij in de diepte geworpen, als een steen in sterke wateren.

12 En gij hebt ze des daags geleid met eene wolkkolom, en des nachts met eene vuurkolom, om hun te lichten op den weg waarin zij zouden wandelen.

13 En gij zijt nedergedaald op den berg Sinaï, en hebt met hen gesproken uit den hemel; en gij hebt hun gegeven rechtmatige rechten en getrouwe wetten, goede inzettingen en geboden;

14 en gij hebt hun uwen heiligen sabbat bekend gemaakt, en gij hebt hun geboden en inzettingen en eene wet bevolen door de hand van uwen knecht Mozes.

15 En gij hebt hun brood uit den hemel gegeven voor hunnen honger, en hun water uit de steenrots voortgebracht voor hunnen dorst; en gij hebt tot hen g3zegd dat zij zouden ingaan om te erven het land, waar gij uwe hand over ophielt dat gij het hun zoudt geven.

16 Maar zij en onze vaders heb-


-ocr page 591-

NE HEM IA 9.

577

ben trotschelijk gehandeld , en zij hebben hunnen nek verhard en niet gehoord naar uwe geboden ;

17 en zij hebben geweigerd te hooren, en niet gedacht aan uwe wonderen die gij bij hen gedaan hebt, en hebben hunnen nek verhard, en in hunne wederspannig-heid een hoofd gesteld om weder te keeren tot hunne dienstbaarheid. Doch gij, een God van vergevingen, genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van weldadigheid , hebt ze evenwel niet verlaten.

18 Zelfs als zij zich een gegoten kalf gemaakt hadden , en gezegd: Dit is uw God, die u uit Egypte heeft opgevoerd, en groote lasteren gedaan hadden,

19 hebt gij zenogtans door uwe groote barmhartigheid niet verlaten in de woestijn: de wolkkolom week niet van hen des daags om hen op den weg te leiden, noch de vuurkolom des nachts om hun te lichten, en dat, op den weg waarin zij zouden wandelen.

20 En gij hebt uwen goeden Geest gegeven om ben te onderwijzen , en uw Man hebt gij niet geweerd van hunnen mond, en water hebt gij hun gegeven voor hunnen dorst.quot;

21 Alzoo hebt gij ze veertig jaar onderhouden in de woestijn; zij hebben geen gebrek gehadhunne kleederen zijn niet verouderd, en hunne voeten niet gezwollen.

22 Voorts hebt gij hun koninkrijken en volkeren gegeven, en hebt ze verdeeld, in hoeken. Al-zoo hebben zij erfelijk bezeten het land van Sihon, te weten het land des Konings van Hesbon, en het land van Og, Koning van Basan.

23 Gij hebt ook hunne kinderen vermenigvuldigd als de sterren des hemels, en gij hebt ze gebracht in het land, waarvan gij tot hunne vaderen hadt gezegd, dat zij zouden ingaan om het erfelijk te bezitten.

24 Alzoo zijn de kinderen daarin gekomen, en hebben dat land erfelijk ingenomen; en gij hebt de inwoners des lands, de Kanaiini-ten, voor hun aangezicht tenon-dergebracht, en hebt ze in hunne hand gegeven, mitsgaders hunne Koningen en de volken des lands, om daarmede te doen naar hun welgevallen.

25 En zij -hebben vaste steden en een vet land ingenomen, en erfelijk bezeten huizen vol van alle goed, uitgehouwen bornput-ten , wijngaarden, olijfgaarden en boomen van spijze in menigte; en zij hebben gegeten, en zijn verzadigd en vet geworden , en hebben in wellust geleefd, door uwe groote goedheid.

26 Maar zij zijn wederspannig geworden, en hebben tegen u gerebelleerd, en uwe wet achter hunnen rug geworpen, en uwe Profeten gedood, die tegen hen betuigden, om hen te doen weder-keeren tot u: alzoo hebben zij groote lasteren gedaan.

27 Daarom hebt gij ze gegeven in de hand hunner benauwers, die ze benauwd hebben; maar als zij in den tijd hunner benauwdheid tot u riepen, hebt gij van den hemel gehoord, en hun naar uwe groote barmharligheden verlossers gegeven, die ze uit de hand hunner benauwers verlosten.

28 Maar als zij ruste hadden, deden zij wederom kwaad voor uw aangezicht: zoo verliet gij ze in de hand hunner vijanden, dat zij over hen heerschten; als zij zich dan bekeerden en u aanriepen, zoo hebt gij ze van den hemel gehoord, en hebt ze naar uwe barmhartigheden tot vele tijden uitgerukt.

29 En gij hebt tegen hen betuigd , om hen te doen weder-keeren tot uwe wet; maar zij hebben trotschelijk gehandeld, en niet gehoord naar uwe geboden, en tegen uwe rechten, tegen dezelve hebben zij gezondigd, door dewelke een mensch die ze doet, leven zal; en zij hebben hunnen schouder teruggetrokken en hunnen nek verhard, en niet gehoord.

30 Doch gij steldet het vele jaren over hen uit, en betuigdet tegen hen door uwen Geest, door den dienst uwer Profeten; maar zij neigden het oor niet: daarom


19

-ocr page 592-

NE HE MI A 10.

578

hebt gij ze gegeven in de hand van de volken der landen.

31 Doch door uwe groote barmhartigheden hebt gij ze niet vernield , noch hen verlaten; want gij zijt een genadig en barmhartig God.

32 Nu dan, o onze God, gij groote, gij machtige en gij vreese-lijke God, die het verbond en de weldadigheid houdt: laat voor uw aangezicht niet gering zijn al de moeite die ons getroffen heeft, onze Koningen, onze Vorsten, en onze Priesteren, en onze Proleten, en onze vaderen, en uw gansche volk, van de dagen der Koningen van Assur af tot op dezen dag.

33 Doch gij zijt rechtvaardig in alles dat ons overkomen is; want gij hebt trouwelijk gehandeld, maar wij hebben goddelooslijk gehandeld.

34 En onze Koningen, onze Vorsten, onze Priesters en onze vaders hebben uwe wet niet gedaan, en zij hebben niet geluisterd naar uwe geboden en naar uwe getuigenissen , die gij tegen hen be-tuigdet;

35 want zij hebben u niet gediend in hun koninkrijk, en in uw menigvuldig goede dat gij hun gaaft, en in dat wijde en dat vette land, dat gij voor hun aangezicht gegeven hadt; en zij hebben zich niet bekeerd van hunne booze werken.

36 Zie, wij zijn heden knechten, ja, het land dat gij onzenv aderen gegeven hebt om de vrucht van dien en het goede van dien te eten, zie, daarin zijn wij knechten;

37 en het vermenigvuldigt zijne inkomsten voor de Koningen die gij over ons gesteld hebt om onzer zonden wille, en zij heerschen over onze lichamen en over onze beesten naar hun welgevallen: alzoo zijn wij in groote benauwdheid.

38 En in dit alles maken wij een vast verbond en schrijven het; en onze Vorsten, onze Leviten en onze Priesteren zullen het verzegelen.

HOOFDSTUK 10.

Tot de verzegelingen nu waren:

Nehemia Hattirsatha, de zoon van Hachalja, en Zidkia,

2 Seraja, Azarja, Jeremia,

3 Pashur, Amarja , Malkia ,

4 Hattus , Sebanja , Malluch ,

5 Harim, Meremoth, Obadja,

6 Daniël, Ginnethon , Baruch,

7 Mesullam , Abia , Miamin,

8 Maazja, Bilgai, Semaja: dat waren de Priesters.

9 En de Leviten, namelijk Jesüa de zoon van Azanja, Binnuï; van de zonen van Henadad, Kadmiël;

10 en hunne broeders: Sebanja, Hodia, Kelita, Pelaja, Hanan,

11 Micha, Rehob , Hasabja,

12 Zakkur , Serebja , Sebanja ,

13 Hodia , Bani, Beninu.

14 De hoofden des volks: Paros, Pahath-Moab, Elam, Zattu,Bani,

15 Bunni, Azgad , Bebai,

\'J6 Adom\'a , Bigvai, Adin ,

17 Ater , Hizkia, Azzur ,

18 Hodia , Hasum , Bezai,

19 Harif, Anathoth , Nebai ,

20 Magpias , Mesullam , Hezir ,

21 Mesezabeël, Zadok, Jaddüa,

22 Pelatja , Hanan , Anaja,

23 Hoséa , Hananja, Hassub ,

24 Hallohes , Pilha , Sobek ,

25 Rehum , Hasabna, Maaseja ,

2ü en Ahia, Hanan , Anan ,

27 Malluch , Harim , Baana.

28 En het overige des volks, de Priesteren, de Leviten, de portiers , de zangers , de Nethinim , en al wie zich van de volken der landen had afgescheiden tot Gods wet, hunne vrouwen, hunne zonen en hunne dochteren, al die wetenschap en verstand had;

29 die hielden zich aan hunne broederen , hunne voortreffelijken, en kwamen in den vloek en in den eed, dat zij zouden wandelen in de wet Gods, die gegeven is door de hand van den knecht Gods, Mozes; en dat zij zouden houden en dat zij zouden doen alle de geboden des Heeren onzes Heeren, en zijne rechten en zijne inzettingen;

30 en dat wij onze dochteren niet zouden geven aan de volken des lands, noch hunne dochteren nemen voor onze zonen;

31 ook als de volken des lands op den sabbatdag te koop brengen


-ocr page 593-

NEHEMIA 11.

579

waren cn allerlei koren, dat, wij np den sabbat of op cenen anderen heiligen dng van hen niets zouden nemen; en dat wij het zevende jaar zonden vrijlaten , mitsgaders allerhande bezwaarnis.

32 Voorts zetteden wij ons geboden op, ons opleggende een derde deel van eencn sikkel in het jaar, voor den dienst van het Huis onzes Gods:

33 voor het brood der toerichting, cn het gedurig spiisofler, cn het gedurig brandoffer der sab-baten , der nieuwe maanden, voor de gezette hoogtijden , en voor de heilige dingen, en voor de zondofferen om verzoening te doen over Israël, en voor alle werk van het Huis onzes Gods.

34 Ook wierpen wij de loten onder de Priesteren, de Lcviten cn het volk, over het offer van het hout dat men brengen zoude lot het Huis onzes Gods, naar het huis onzer vaderen, op bestemde tijden jaar op jaar. om te branden op het altaar des Heeren onzes Gods, gelijk het in de wet geschreven is.

35 Dat wij ook de eerstelingen onzes lands en de eerstelingen aller vrucht van al het geboomte, jaar op jaar, zouden brengen ten Huize des Heeren;

36 en de eerstgeborenen onzer zonen en onzer beesten, gelijk het in de wet geschreven is; en dat wij de eerstgeborenen onzer runderen en onzer schapen zouden brengen ten Huize onzes Gods, tot de Priesteren die in het Huis onzes Gods dienen;

37 en dat wij de eerstelingen onzes deegs, eh onze hefolferen, en de vrucht aller boomen, most cn olie, zouden brengen tot de Priesteren, in de kameren van het Huis onzes Gods, en de tienden onzes lands tot de Leviten; cn dat dezelve Leviten de tienden zouden hebben in alle onze landbouwende steden;

38 en dat er een Priester, een zoon Aiirons , bij de Leviten zoude zijn, als de Leviten de tienden ontvangen; en dat de Leviten de tienden der tienden zouden opbrengen ten Huize onzes Gods, in de kameren van het achathuis

39 Want de kinderen Israëls en de kinderen vin Levi moeten hefoffer van koren, most cn olie in die kameren brengen , omdat aldaar de vaten des heiligdoms zijn, en dc Priesteren die dienen, en de portiers, en de zangers: dat wij alzoo het Huis onzes Gods niet zouden verlaten.

HOOFDSTUK 11.

Voorts woonden de oversten des volks te Jeruzalem; maar de overigen des volks wierpen loten, om uit tien éénen uit te brengen die in de heilige stad Jeruzalem zoude wonen, en negen deelen in de andere steden.

2 En het volk zegende alle de mannen die vrijwilliglijk aanboden te Jeruzalem te wonen.

3 En dit zijn de hoofden des landschaps die te Jeruzalem woonden , (maar in de steden van Juda woonden, een iegelijk op zijne bezitting, in hunne steden, Israël, de Priesters, en dc Leviten, en de Nethinim. en de kinderen der knechten van Salomo):

4 te Jeruzalem dan woonden sommigen van dc kinderen van Juda en van de kinderen van Benjamin. Van dc kinderen van Juda: Athaja, de zoon van Uzzia, den zoon van Zecharja, den zoon van Amarja, den zoon van Sefatja, den zoon van Mahalaleël, van de kinderen van Perez;

5 en Maiiseja, de zoon van Ba-rucb, den zoon van Kolhozé, den zoon van Hazaja, den zoon van Adaja, den zoon van Jojarib, den zoon van Zecharja, den zoon van Siloni.

6 Alle kinderen van Perez, die te Jeruzalem woonden, waren vierhonderd achtenzestig dappere mannen.

7 En dit zijn de kinderen Benjamins : Sallu, de zoon van Mesul-lam, den zoon van Joëd, denzoon van Pedaja , den zoon van Kolaja: den zoon van Maiiseja, den zoon van Ithiël, den zoon van Jesaja,

8 en na hem Gabbai, Sallai; negenhonderd achtentwintig.


-ocr page 594-

NE II KM IA 11, 12.

580

9 En Joël dc zoon van Zichri was opziener over hen; on Jnda dn zoon van Hassenua was dc tweede over de stad.

10 Van de Priesteren: Jedaja de zoon van Jojarib , Jachin ;

11 Seraja . de zoon van Hilkfa, den zoon van Mesullam, den zoon van Zadok, den zoon van Mera-joth, den zoon van Ahitub, was voorganger van Gods Huis;

12 en hunne broederen die hot werk in het Huis deden, waren achthonderd tweeëntwintig. En Adaja, de zoon van Jeroham, den zoon van Pelalja. den zoon van Amzi, den zoon van Zecharja, den zoon van Pashur, den zoon van Malkia;

13 en zijne broederen, hoofden der vaderen , waren tweehonderd tweeënveertig. En A massai, de zoon van Azareël, don zoon van Ahzai, den zoon van Mesillemoth, den zoon van Immer.

14 En hunne broederen, dappere helden, waren honderd achtentwintig; en opziener over hen was Zabdiël de zoon van Hagge-dolim.

15 En van de Levitcn: Semaja, de zoon van Hassub, den zoon van Azrikam , den zoon van Ha-sabja, den zoon van Biinni;

16 en Sabbethai, en Jozabad, van de hoofden der Levi ten, waren over het buitenwerk van liet Huis Gods.

17 En Mattanja, de zoon van Micha, den zooii van Zabdi, den zoon van Asaf, was het hoofd, die de dankzegging begon in het gebed; en Bakbukja was de tweede van zijne broederen; en Abda, de zoon van Sammua, den zoon van Galal, den zoon van Jeduthun.

18 Alle de Leviten in dc heilige stad waren tweehonderd vierentachtig.

19 En de portiers: Akkub, Talmen , met hunne broederen, die wacht hielden in de poorten, waren honderd tweeënzeventig.

20 Het overige nu van Israël, van de Priesteren en de Leviten, was in alle steden van Juda, een iegelijk in zijn erfdeel.

21 En de Nethinim woonden in

Ofel, en Ziha en Gispa waren over de Nethinim.

22 En der Leviten opziener te Jeruzalem was Uzzi, de zoon van Bani, den zoon van Hasabja, den zoon van Mattanja, den zoon van Micha. Van de kinderen Asafs waren de zangers tegenover het werk van Gods Huis.

23 Want daar was een gebod des Konings van hen, te weten een zeker onderhoud voor de zangers, voor elk dagelijks op zijnen dag.

24 En Pethahja de zoon van Mesezabeël, van de kinderen van Zerah den zoon van Juda, was aan des Konings hand, in alle zaken van het volk.

25 In de dorpen nu op hunne akkers woonden sommif/nn van de kinderen van Juda: in Kirjath-Arba en hare ondêrhoorige plaatsen, en in Dibon en hare onder-hoorige plaatsen, en in Jekabzeël en hare dorpen,

2ü en te Jesüa, en to Molada, en te Beth-Pélet,

27 en te Hazar-Sual, en in Ber-Séba en hare onderhoorlge plaatsen,

28 en te Ziklag, en in Mechona en hare onderhoorigo plaatsen;

29 en te En-Rimmon. en te Zora, en te Jarmuth ;

30 Zanoah, Adullam en hare dorpen, Lachis en hare akkers, Azeka en hare onderhoorigo plaatsen. En zij legerden zich van Ber-Séba af tot aan het dal Hin-nom.

31 Do kinderen Benjamins nu van Gibea woonden in Michmas, en Ajja, en Beth-El en hare onderhoorigo plaatsen,

32 Anathoth , Nob, Ananja,

33 Hazor, Bama, Gittaïm,

34 Hadid, Zeboïm, Neballat,

35 Lod, en Ono, in het dal der werkmeesters.

36 Van de Leviten nu \'.ooonden sommifien in de verdeelingen van Juda en Benjamin.

HOOFDSTUK 12.

Dit nu zijn de Priesters en de Leviten, die met Zerubbabel den zoon Sealtiëls en Jesua optogen: Seraja , Jeremia , Ezra ,


-ocr page 595-

NE HE MI A 12.

581

2 Amarja, Malluch , Hattus,

3 Sechanja, Rehum, Meremoth,

4 Iddo, Grinnéthoi, Abi\'a,

5 Miamin, Maadja, Bilga,

GSemaja, en Jojarib, Jedaja,

7 Sallu, Amok, Hilkia, Jedaja: dat waren de hooiden der Priesters en hunne broeders in de dagen van Jesüa.

8 En de Levi ten waren Jesua, Binnuï, Kadmiël, Serebja, Juda, Mattanja; hij en zijne broeders waren over de dankzeggingen;

9 en Bakbukja en Unni, hunne broeders, waren tegenover hen in de wachten.

10 Jesüa nu gewon Jojakim, en Jojakim gewon Eljasib, en Elja-sib gewon Jqjada,

11 en Jojada gewon Jonathan, en Jonathan gewon Jaddiia.

12 En in de dagen van Jojakim waren Priesters, hoofden der vaderen: van Seraja was Meraja; van Jeremia Hananja;

13 van Ezra Mesullam; van Amarja Johanan;

14 van Melichu Jonathan; van Sebanja Jozef;

15 van Harim Adna; van Mera-joth Helkai;

16 van Iddo Zecharja; van Gin-nethon Mesullam;

17 van Abfa Zichri, van Min-jamin, van Moadja, Piltr.i;

18 van Bilga Sammüa; van Semaja Jonathan,

19 èn van Jojarib Mattenai; van Jedaja Uzzi;

20 van Sallai Kallai; van Amok Heber;

21 van Hilki\'a Hasabja; van Jedaja Nethaneël.

22 Van de Leviten werden in de dagen van Eljasib, Jojada, en Johanan, en Jaddüa, de hoofden der vaderen beschreven, mitsgaders de Priesteren tot de regeering van Darfus den Perzer.

23 De kinderen van Levi, de hoofden der vaderen, werden beschreven in het boek der Kronieken, tot de dagen Johanans des zoons Eljasibs toe.

24 De hoofden dan der Leviten waren Hasabja, Serebja, cn Jesüa, de zoon van Kadmiël, en hunne broederen tegenover hen, om te prijzen cn te danken, naar het gebod Davids des mans Gods, wacht tegen wacht.

25 Mattanja, en Bakbukja, Obadja, Mesullam, Talmon en Akkub waren portiers, de wacht waarnemende bij de schatkamers der poorten.

2G Dezen waren in de dagen van Jojakim, den zoon van Jesüa den zoon van Jozadak, en in de dagen van Nehemia den landvoogd, en van den Priester Ezra, den schriftgeleerde.

27 In de inwijding nu van Jera-zalems muur zochten zij de Leviten uit alle hunne plaatsen, dat zij ze tc Jeruzalem brachten, om de inwijding te doen met vreugde en met dankzeggingen en met gezang, cymbalen, luiten, en met harpen.

28 Alzoo werden de kinderen der zangers verzameld, zoo uit het vlakke veld rondom Jeruzalem, als uit de dorpen van de Neto-fathiten,

29 en uit den huize van Gilgal, en uit de velden van Gibea en Azma-veth; want de zangers hadden zich dorpen gebouwd rondom Jeruzalem.

30 En de Priesters cn de Leviten reinigden zichzelven, daarna reinigden zij het volk en de poorten en den muur.

31 Toen deed ik de Vorsten van Juda opgaan op den muur; en ik stelde twee groote dank-koren en omgangen, één ter rechterhand op den muur naar de Mestpoort toe.

32 En achter hen ging Hosaja, en de helft der Vorsten van Juda,

33 en Azarja , Ezra, en Mesullam ,

34 Juda , en Benjamin, en Semaja, en Jeremia.

35 En van de kinderen der Priesters met trompetten: Zecharja, de zoon van Jonathan, den zoon van Semaja, den zoon van Mattanja, den zoon van Michaja, den zoon van Zakkur, den zoon van Asaf;

30 en zijne broeders, Semaja, en Azareel, Milalai, Gilalai, Maai, Nethaneël, en Juda, Hanani, met muziekinstrumenten van David den


-ocr page 596-

NEHEMIA 13.

582

man Gods; en Ezra de schriftgeleerde yinu voor hun aangezicht henen.

37 Voorts naar de Fonteinpoort, en tegen hen over, gingen zij op bij de trappen van Davids stad, door den opgang des muurs, boven Davids huis, tot aan de Waterpoort tegen het Oosten.

38 Het tweede dank-koor nu ging tegenover hen, en ik achter hetzelve met de hell\'t des volks op den muur, van boven den Bakovens-toren tot aan den breeden muur;

39 en van boven de poort Efra-ïms, en boven de Oude poort, en boven de Vischpoort, en den toren Hananeël, en den toren Mea, tot aan de Schaapspoort, en zij bleven staan in de Gevangenpoort.

^iO Daarna stonden de beide dank-koren in Gods Huis; ook ik en de helft der overheden met mij ;

41 en de Priesters Eljakim, Ma-iiseja, Minjamin, Michaja, Eljoënai, Zecharja, I Ia nan ja, mot trompetten ;

42 voorts Maaseja , en Semaja , en Eleazar, en Uzzi, en Johanan, en Malkia, en Elam, en Ezer; ook lieten zich de zangers hooren, met Jizrahja den opziener.

43 En zij olïerden op dien dag groote slachtofferen en waren vroo-lijk, want God had ze vroolijk gemaakt met groote vroolijkheid; en ook waren de vrouwen \'en de kinderen vroolijk, zoodat de vroolijkheid van Jeruzalem tot van verre gehoord werd.

44 Ook werden tenzelfden dage mannen gesteld over de kameren tot de schatten , tot de hefoffers , tot de eerstelingen en tot de tienden , om daarin uit de akkers der steden te verzamelen de deelen der wet voor de Priesteren en voor de Leviten ; want Juda was vroolijk over de Priesteren en over de Leviten die daar stonden,

45 en namen de wacht huns Gods en de wacht der reiniging waar; ook de zangers, en de portiers, naar den gebode Davids en van zijnen zoon Salomo.

46 Want in de dagen Davids en Asafs, van ouds, waren er hoofden der zangers en des lofgezangs en der dankzeggingen aan God.

47 Daarom gaf gansch Israël, in de dagen van Zerubbabel, en in de dagen van Nehemia, de deelen der zangers en der portiers, van elk dagelijks op zijnen dag; en zij heiligden voor de Leviten, en de Leviten heiligden voor de kinderen Aarons.

HOOFDSTUK 13.

Te dien dage werd er gelezen in het boek van Mozes, voor do ooren des volks, en daarin werd geschreven gevonden, dat de Am-moniten en Moabiten niet zouden komen in de gemeente Gods tot in eeuwigheid,

2 omdat zij den kinderen Israels niet waren tegemoet gekomen met brood en met water, j.i hadden Bileam tegen hen gehuurd om hen te vloeken: hoewel onze God den vloek omkeerde in eenen zegen.

3 Zoo geschiedde het, .als zij deze wet hoorden, dat zij alle vermengeling van Israël aischeidden.

4 Eljasib nu, de Priester die gesteld was over de kamer van het Huis onzes Gods, was vóór dezen nabestaande van Tcbfa geworden ,

5 en hij had hem eene groote kamer gemaakt, alwaar zij toveren wegleiden het spijsoffer, den wierook , en de vaten, en de tienden van koren, van most en van olie, die bevolen waren voor de Leviten en de zangers en de portiers, mitsgaders het hefoffer der Priesteren.

6 Doch onder dit alles was ik niet te Jeruzalem, want in het

1 tweeëndertigste jaar van Artah-sasta. Koning van Babel, kwam ik tot den Koning, maar ten einde van eenige dagen verkreeg ik loeder verlof van den Koning.

7 En ik kwam te Jeruzalem, en verstond van het kwaad dat Eljasib voor Tobfa gedaan had, makende hem eene kamer in de voorhoven van Gods Huis.

8 En het mishaagde mij zeer: zoo wierp ik al het huisraad van Tobfa buiten uit de kamer.

9 Voorts gaf ik bevel en zij


-ocr page 597-

NE HEM IA 13.

583

cinigden de kameren, en ik bracht daar weder in de vaten van Gods Huis niet liet spijsoller en den wierook.

10 Ook vernam ik dat der Le-viten deel hun niet gegeven was, zoodat de Leviten en de zangers die het werk deden gevloden waren een iegelijk naar zijnen akker;

11 en ik twistte met de overlieden, en zeide: Waarom is het Huis Gods verlaten? Doch ik vergaderde ze, en herstelde ze in hunnen stand.

12 Toen bracht gansch Juda de tienden van het koren en den most en de olie in de schatten.

13 En ik stelde tot schatmeesters over de schatten Selemja den Priester, en Zadok den schrijver, en Pedaja uit de Leviten; en aan iiunne hand Hanan, den zoon van Zakkur den zoon van Mattanja; want zij werden getrouw geacht, on hun werd opgelegd aan hunne broederen uit te deelen.

14 Gedenk mijner, mijn God, in dezen; en delg mijne weldadigheden niet uit, die ik aan het. Huis mijns Gods en aan zijne wachten gedaan heb.

15 In die dagen zag ik in Juda die persen traden op den sabbat, en die garven inbrachten, die zij op ezels laadden; alsook wijn, druiven, en vijgen, en allen last, die zij te Jeruzalem inbrachten op den sabbatdag; en ik betuigde tegen hen ten dage als zij eetwaren verkochten.

16 Er woonden ook Tyriërs binnen , die visch aanbrachten, en allerlei koopwaar, die zij op den sabbat verkochten aan de kinderen van Juda en te Jeruzalem.

17 Zoo twistte ik met de edelen van Juda, en zeide tot hen: Wat voor een boos ding is dit dat gijlieden doet, en ontheiligt den sabbatdag ?

18 Deden niet uwe vaders alzoo, en onze God bracht al dit kwaad over ons en over deze stad? En gijlieden maakt der hittige gramschap nog meer over Israël, ontheiligende den sabbat.

19 Het geschiedde nu als de poorten van Jeruzalem schaduw gaven, vóór den sabbat, dat ik bevel gaf en de deuren werden gesloten; en ik beval dat zij ze niet zouden opendoen tot na den sabbat, en ik stelde van mijne jongens aan de poorten, opdat cr geen last zoude inkomen op den sabbatdag.

20 Toen vernachtten de kramers, en de verkoopers van alle koopwaar, buiten vóór Jeruzalem, ééns of tweemaal.

21 Zoo betuigde ik tegen hen, en zeide lot hen: Waarom vernacht gijlieden tegenover den muur? Zoo gij het weder doet, zal ik de hand aan u slaan. Van dien tijd af kwamen zij niet op den sabbat.

22 Voorts zeide ik tot de Leviten dat zij zich zouden reinigen, en de poorten komen bewaken om den sabbatdag te heiligen. Gedenk mijner ook in dezen, mijn God, en verschoon mij naar de veelheid uwer goedertierenheid.

23 Ook zag ik in die dagen Joden, die Asdoditische, Amnioni-tische en Moabitische vrouwen bij zich hadden doen wonen;

24 en hunne kinderen spraken half Asdoditisch, en zij konden geen Joodsch spreken, maar naar de taal van ieder volk.

25 Zoo twistte ik met hen, en vloekte hen, en sloeg sommige mannen van hen, en plukte hun het haar uit; en ik deed hen zweren bij God: Indien gij uwe dochteren aan hunne zonen zult geven, en indien gij van hunne dochteren voor uwe zonen of voor u zult nemen!

26 Heeft niet Salomo de Koning . Israëls daarin gezondigd? Hoewel er onder vele heidenen geen Koning was gelijk hij, en hij zijnen God lief was, en God hem tot Koning over gansch Israël gesteld had: ook hem deden de vreemde vrouwen zondigen.

27 Zouden wij dan naar ulieden hooren, dat gij al dit groote kwaad zoudt doen, overtredende tegen onzen God, doende vreemde vrouwen bij u wonen?

28 Óok was er een van de kinderen van Jojada, den zoon


-ocr page 598-

E R 1.

EST

584

Eljasibs, den Hoogepriester, cle schoonzoon geworden van Sanballat den Horoniet; daarom joeg ik hem van mij weg.

29 Gedenk aan hen, mijn God, omdat zjj het priesterdom hebben verontreinigd, ja het verbond des priesterdoms en der Leviten.

30 Alzoo reinigde ik hen van alle vreemden; en ik bestelde de wachten dor Priesteren en der Leviten, elk op zijn werk;

31 ook tot het offer des houts op bestemde tijden, en tot de eerstelingen. Gedenk mijner , mijn God, ten goede.


BOEK

HET

ESI

E E.

HOOFDSTUK 1.

Het geschiedde nu in de dagen van Ahasveros, (hij is die Ahas-veros dewelke regeerde van Indië af tot aan Moorenland toe, honderd zevenentwintig landschappen):

2 in die dagen, als de Koning Ahasveros op den troon zijns koninkrijks zat, die op den burg Susan was:

3 in het derde jaar zijner regeering maakte hij een maaltijd voor allo zijne Vorsten en zijne knechten: de macht van Perzen en Meden, de grootste heeren, en de oversten der landschappen waren voor zijn aangezicht,

4 als hij vertoonde den rijkdom der heerlijkheid zijns rijks, en de kostelijkheid des sieraads zijner grootheid vele dagen lang, honderd en tachtig dagen.

5 Toen nu die dagen vervuld waren, maakte de Koning een maaltijd voor al het volk dat gevonden werd op den burg Susan, van den grootste tot den kleinste, zeven dagen lang, in het voorhof van den hof van het koninklijk paleis.

6 Daar waren witte, groene en hemelsblauwe behangsels, gevat aan fijn-linnen en purperen banden, in zilveren ringen, en aan marmeren pilaren; de bedsteden waren van goud en zilver, op eenen vloer van porfiersteen van marmer en albast en kostelijke steenen.

7 En men gaf te drinken in vaten van goud, en het ééne vat was anders dan het andere vat; en daar was veel koninklijke wijn, naar des Konings vermogen.

8 En het drinken geschiedde naar do wet, dat niemand dwong; want alzoó had de Koning vastelijk bevolen aan alle grooten zijns huizes, dat zij doen zouden naar den wil van eenen iegelijken.

9 De Koningin Vasti maakte óók een maaltijd voor de vrouwen, in het koninklijk huis hetwelk de Koning Ahasveros had.

10 Op den zevenden dag, toen des Konings hart vroolijk was van den wijn, zeide hij tot Mehuman, Bizta , Harbona , Bigta en Abag-ta, Zeihar en Karkas, de zeven kamerlingen dienende voor het aangezicht des Konings Ahasveros ,

11 dat zij Vasti de Koningin zouden brengen voor het aangezicht des Konings, met dc koninklijke kroon, om den volkeren en den Vorsten hare schoonheid te too-nen; want zij was schoon van aangezicht.

12 Doch de Koningin Vasti wei-


-ocr page 599-

EST

gerde te komen op het woord des Konings, hetwelk door den dienst der kamerlingen haar aangezegd was. Toen werd de Koning zeer verbolgen, en zijne grimmigheid ontstak in hem.

13 Toen zeide de Koning tot de wijzen die de tijden verstonden, (want alzóó moest des Konings zaak geschieden, in de tegenwoordigheid van alle degenen die de wet en het recht wisten:

14 de naasten nu bij hem waren Karsena, Sethar, Admatha, Tar-sis, Meres, Marsena, Memuchan, zeven Vorsten der Perzen en der Meden, die het aangezicht des Konings zagen, die vooraan zaten in het koninkrijk):

15 wat men naar de wet met de Koningin Vasti doen zoude, omdat zij niet gedaan had het woord des Konings Ahasveros door den dienst der kamerlingen?

16 Toen zeide Memuchan voor het aangezicht des Konings en der Vorsten: De koningin Vasti heeft niet alleen tegen den Koning misdaan , maar ook tegen alle de Vorsten en tegen alle de volkeren, die in alle de landschappen des Konings Ahasveros zijn.

17 Want deze daad der Koningin zal uitkomen tot alle vrouwen, zoodat zij hare mannen verachten zullen in hare oogen, als men zeggen zal: De Koning Ahasveros zeide dat men de Koningin Vasti voor zijn aangezicht brengen zoude , maar zij kwam niet.

18 Te dezen zelfden dage zullen de Vorstinnen der Perzen en Meden óók alzoo zeggen tot alle de Vorsten des Konings, als zij deze daad der Koningin zullen hooren; en daar zal verachting en toorn genoeg wezen.

19 Indien het den Koning goeddunkt, dat een koninklijk gebod van hem uitga, hetwelk geschreven worde in de wetten der Perzen en Meden, en dat men het niet overtrede: Dat Vasti niet inga voor het aangezicht des Konings Ahasveros: en de Koning geve haar koningschap aan hare naaste, die beter is dan zij.

20 Als het bevel des Konings,

E R 2. 585

hetwelk hij doen zal, in zijn gan-sche koninkrijk (want het is groot) gehoord zal worden, zoo zullen alle vrouwen aan hare mannen eere geven, van den grootste tot den kleinste toe.

• 21 Dit woord nu was goed in de oogen des Konings en der Vorsten, en de Koning deed naar het woord van Memuchan;

22 en hij zond brieven aan alle de landschappen des Konings , aan een iegelijk landschap naar zijne schrift en aan elk volk naar zijne sprake: Dat elk man opperheer in zijn huis wezen zoude, en spreken naar de sprake zijns volks.

HOOFDSTUK 2.

Na deze geschiedenissen, toen de grimmigheid des Konings Ahasveros geslüd was, gedacht hij aan Vasti en wat zij gedaan had, en wat over haar besloten was.

2 Toen zeiden de jongelingen des Konings die hem dienden: Men zoeke den Koning jonge dochters, maagden, schoon van aangezicht ;

3 en de Koning bes telle opzichters in alle de landschappen zijns koninkrijks, dat zij vergaderen alle jonge dochters, maagden, schoon van aangezicht, in den burg Susan, in hot huis der vrouwen, onder de hand van Hegai des Konings kamerling, bewaarder der vrouwen; en men geve haar hare versierselen.

4 En de jonge dochter die in des Konings oog schoon wezen zal, worde Koningin in Vasti\'s plaats. Deze zaak nu was goed in de oogen des Konings, en hij deed alzoo.

5 Daar was een Joodsch man op den burg Susan, wiens naam was Mordechai, een zoon van Jaïr, den zoon van Simeï, den zoon van Kis, een Benjaminiet;

6 die weggevoerd was van Jeruzalem met de weggevoerden die weggevoerd waren met Jechonja den Koning van Juda, denwelken Nebukadnezar, de Koning van Ba-bel , had weggevoerd.

7 En hij was het die opvoedde Hadassa, (deze is Ester , de dochter zijns ooms), want zij had gee-


-ocr page 600-

586

nen vader noch moeder; en zij was eene jonge dochter, schoon van gedaante en schoon van aangezicht; en als haarvaderen hare moeder stierven, had ze Morde-chai zich tot eene dochter aangenomen.

8 Het geschiedde nu toen het woord des Konings en zijne wet ruchtbaar werd, en toen vele jonge dochters te zamen vergaderd werden op den burg Susan, onder de hand van Hegai, dat Ester óók werd genomen in des Konings huis, onder de hand van Hegai, den bewaarder der vrouwen.

9 En de jonge dochter was schoon in zijne oogen, en zij verkreeg gunst voor zijn aangezicht; daarom haastte hij met hare versierselen en hare deelen haar te geven, en zeven aanzienlijke jonge dochters haar te geven uit liet huis des Konings; en hij verplaatste haar on hare jonge dóchters naar het beste van het huis der vrouwen.

10 Ester had haar volk- en hare maagschap niet te kennen gegeven, want Mordechai had haar geboden dat zij het niet zoude te kennen geven.

11 Mordechai nu wandelde alle dage voor den voorhof van het huis der vrouwen, om te vernemen naar den welstand van Ester, en wat met haar geschieden zoude.

12 Als nu de beurt van elke jonge dochter naakte om tot den Koning Ahasveros te komen, nadat haar twaalf maanden lang naar de wet der vrouwen geschied was ; want alzóó werden vervuld de dagen harer versieringen, zes maanden met mirre-olie, en zes maanden met specerijen, en met andorp. versierselen der vrouwen;

13 daarmede kwam dan de jonge dochter tot den Koning: al wat zij zeide werd haar gegeven, dat zij daarmede ging uit het huis dei-vrouwen naar het huis des Konings ;

14 des avonds ging zij daarin en des morgens ging zij weder naar het tweede huis der vrouwen, onder de hand van Saasgaz den kamerling des Konings, den bewaarder der bijwijven: zij kwam niet weder tot\'den Koning, tenware de Koning lust tot haar had en zij bij name geroepen werd.

15 Als de beurt van Ester, de dochter van Abihaïl den oom van Mordechai, (die hij zich tot dochter genomen had), naakte, dat zij tot den Koning komen zoude, b e-geerde zij nietmetal, dan wat Hegai des Konings kamerling, de bewaarder der vrouwen, zeide; en Ester verkreeg genade in de oogen van allen die haar zagen.

16 Alzoo werd Ester genomen tot den Koning Ahasveros, tot zijn koninklijk huis, in de tiende maand, welke is de maand Tebeth, in het zevende jaar zijns rijks.

17 En de Koning beminde Ester boven alle vrouwen, en zij verkreeg genade en gunst voor zijn aangezicht, boven alle maagden; en hij zette de koninklijke kroon op haar iioofd, en hij maakte haar Koningin in de plaats van Vasti.

18 Toen maakte de Koning een grooten maaltijd voor alle zijne Vorsten en zijne knechten, den maaltijd van Ester; en hij gaf den landschappen ruste, en hij gc.f geschenken naar des Konings vermogen.

10 Toen nu ten anderen male maagden vergaderd werden, zoo zat Mordechai in de poort des Konings :

20 (Ester nu had hare maagschap en haar volk niet te kennen gegeven, gelijk Mordechai haar geboden had; want Ester deed het bevel van Mordechai, gelijk als toen zij Wj hem opgevoed werd):

21 in die dagen, als Mordechai in de poort des Konings zat werden Bigtan en Teres, twee kamerlingen des Konings, van de dorpel-wachters, zeer toornig, en zi j zochten de hand te slaan aan den Koning Ahasveros.

22 En deze zaak werd Mordechai bekend gemaakt, en hij gaf ze der Koningin Ester te kennen; en Ester zeide het den Koning in Mordechai\'s naam.

23 Als men do zaak onderzocht, is liet alzoo bevonden, en zij bei-

ES TE H 2.


-ocr page 601-

ESTERS.

587

den werden aan eene galg gehangen ; en het werd in de kroniek geschreven voor het aangezicht des Konings.

HOOFDSTUK 3.

Na deze geschiedenissen maakte de Koning Ahasveros Hamangroot, den zoon van Hammedalha, den Agagiet, en hij verhoogde hem , en hij zette zijnen stoel boven alle de Vorsten die bij hem waren.

2 En alle de knechten des Konings, die in de poort des Konings waren, neigden en bogen zich neder voor Haman. want de Koning had alzóó van hem bevolen; maar Mordechai neigde zich niet en boog zich niet neder.

3 Toen zeiden de knechten des Konings, die in de poort des Konings waren, tot Mordechai: Waarom overtreedt gij des Konings gebod?

4 Het geschiedde nu toen zij dit van dag tot dag tot hem zeiden , en hij naar hen niet hoorde, zoo gaven zij het Haman te kennen, opdat zij zagen of de woorden van Mordechai bestaan zouden; want hij had hun te kennen gegeven dat hij een Jood was.

5 Toen Haman zag dat Mordechai zich niet neigde, noch zich voor hem nederboog, zoo werd Haman vervuld met grimmigheid.

ü Doch hij verachtte in zijne oogen, dat hij aan Mordechai alléén de hand zoude slaan, (want men had hem het volk van Mordechai aangewezen), maar Haman zocht alle de Joden die in het gansche koninkrijk van Ahasveros waren, namelijk het volk van Mordechai, te verdelgen.

7 In de eerste maand (deze is de maand Nisan), in het twaalfde jaar des Konings Ahasveros, wierp men het Pur, dat is het lot, voor Hamans aangezicht, van dag tot dag en van maand tut maand, tot de twaalfde maand toe: deze is de maand Adar.

8 Want Haman had tot den Koning Ahasveros gezegd: Daar is een volk, verstrooid en verdeeld onder de volkeren in alle de landschappen uws koninkrijks, en hunne wetten zijn verscheiden van dc wetten aLer volken, ook doen zij des Konings wetten niet: daarom is het den Koning niet oorbaarlijk hen te laten blijven.

9 Indien het den Koning goeddunkt , laat er geschreven worden dat men ze verdoe: zoo zal ik tienduizend talenten zilvers opwegen in de handen dergenen die het werk doen, om in des Konings schatten te brengen.

10 Toen trok de Koning zijnen ring van zijne hand, en hij gaf hem aan Haman den zoon van Hammedatha, den Agagiet, dei-Joden tegenpartij der;

11 en de Koning zeide tot Haman : Dat zilver zij u geschonken, ook dat volk, om daarmede te doen naardat het goed is in uwe oogen.

12 Toen werden de schrijvers des Konings geroepen, in de eerste maand, op den dertienden dag derzelve, en daar werd geschreven naai* alles wat Haman beval, aan de stadhouders des Konings, en aan de landvoogden die over elk landschap waren , en aan de Vorsten van elk volk, elk landschap naar zijn schrift en elk volk naar zijne sprake: daar werd geschreven in den naam des Konings Ahasveros, en het werd met des Konings ring verzegeld.

13 De brieven nu werden gezonden door de hand der loopers tot alle de landschappen des Konings, dat men zoude verdelgen, dooden en verdoen alle de Joden, van den jonge tot den oude toe, de kleine kinderen en de vrouwen, op éénen dag, op den dertiende der twaalfde maand, (deze is de maand Adar), en dat men hunnen buit zoude rooven.

14 De inhoud van liet geschrift was, dat er eene wet zoude gegeven worden in alle landschappen, openbaar aan alle volken, dat zij tegen dien dag zouden gereed zijn.

15 De loopers gingen uit, voortgedreven zijnde door het woord des Konings, en de wet werd uitgegeven in den burg Susan. En de Koning en Haman zaten en


-ocr page 602-

R 4, 5.

588

ES TE

dronken , doch de stad Susan was verward.

HOOFDSTUK 4.

Als Mordechai wist al wat er geschied was, zoo verscheurde Mordechai zijne kleederen, en hij trok eenen zak aan mot asch; en I\'Ü ging uit door het midden der stad, en hij riep met een groot en bitter geroep.

2 En hij kwam tot vóór de poort des Konings; want niemand mocht in des Konings poort inkomen bekleed met eenen zak.

3 En in ieder landschap en iedere plaats, waar het woord des Konings en zijne wet aankwam, was een groote rouw onder de Joden, met vasten en geween en misbaar: velen lagen in zakken en asch.

4 Toen kwamen Esters jonge dochters en hare kamerlingen, en zij gaven het haar te kennen; en het deed de Koningin zeer wee, en zij zond kleederen om Mordechai aan te doen en zijnen zak van hem af te doen; maar hij nam ze niet aan.

5 Toen riep Ester Hathach, een van de kamerlingen des Konings, welke hij voor haar gesteld had; en zij gaf hem bevel aan Mordechai om te weten wat dit en waarom dit ware.

6 Als Hathach nu uitging tot Mordechai, op de straat der stad die vóór de poort des Konings was,

7 zoo gaf Mordechai hem te kennen al wat hem wedervaren was, en de verklaring van het zilver, hetwelk Haman gezegd had te zullen wegen in de schatten des Konings , voor de Joden, om dezelve om te brengen;

8 en hij gaf hem het afschrift der geschreven wet die te Susan gegeven was om hen te verdelgen, dat hij ze Ester liet zien, en haar te kennen gaf, en haar gebood dat zij tot den Koning ging, om hem te smeeken en van hem te verzoeken voor haar volk.

9 Hathach nu kwam en gaf Ester de woorden van Mordechai te l kennen.

10 Toen zeide Ester tot Hathach, | en gaf hem bevel aan Mordechai:

11 Alle knechten des Konings, en het volk der landschappen des Konings, weten wel, dat al die tot den Koning ingaat in den binnensten voorhof, die niet geroepen is, hetzij man of vrouw, zijn éénig vonnis is dat men hein doodo, tenzij de Koning hem den gouden scepter toereike, opdat hij levend blijve: ik nu ben deze dertig dagen niet geroepen om tot den Koning in te komen.

12 En zij gaven de woorden van Ester aan Mordechai te kennen.

13 Zoo zeide Mordechai dat men Ester wederom zeggen zoude: Beeld u niet in in uwe ziele, dat gij zult ontkomen in het huis des Konings, meer dan alle de andere Joden.

14 Want indien gij ecnigszins zwijgen zult te dezer tijd, zco zal den Joden verkwikking en verlossing uit eene andere plaats ontstaan , maar gij en uws vaders huis zult omkomen: en wie weet, of gij niet om zulken tijd als deze is tót dit koninkrijk geraakt zijt.

15 Toen zeide Ester dat men Mordechai weder aanzeggen zoude:

10 Ga, vergader alle de Joden die te Susan gevonden worden , en vast voor mij, en eet of drinkt niet in drie dagen, des nachts noch des daags : ik en mijne Jonge dochters zullen óók alzoo vasten: en alzóó zal ik tot den Koning ingaan, hetwelk niet naar de wet is. Wanneer ik dan omkome, zoo kome ik om.

17 Toen ging Mordechai henen, en hij deed naar alles dat Ester hem geboden had.

HOOFDSTUK 5.

Het geschiedde nu aan den derden dag dat Ester een koninklijk kleed aantrok, en stond ia het binnenste voorhof van des Konings huis, tegenover het huis des Konings: de Koning nu zat op zijnen koninklijken troon, in het koninklijke huis, tegenover de deur van het huis.

2 En het geschiedde toen de Koning de Koningin Ester zag staande in den voorhof, verkreeg zij genade in zijne oogen, zoodat


-ocr page 603-

E S T E R 6.

589

de Koning den gouden sceplei\' die in zijne \\iand was Ester toereikte; en Ester naderde en roerde de spits des scepters aan.

3 Toen zeide de Koning tot haar: Wat is u, Koningin Ester, of wat is uw verzoek? Het zal ugegeven worden, ook tot de helft des ko-ninkrijks.

4 Ester nu zeide: Indien het den Koning goeddunkt, zoo kome de Koning met Haman heden tot den maaltijd, dien ik hem bereid heb.

5 Toen zeide de Koning: Doet Haman spoeden dat hij het bevel Esters doe. Als nu de koning met Haman tot den maaltijd dien Ester bereid had gekomen was,

6 zoo zeide de Koning tot Ester op den maaltijd des wijns: Wat is uwe bede? en het zal u gegeven worden; en wat is uw verzoek? het zal geschieden, ook tot de helft des koninkrijks.

7 Toen antwoordde Ester en zeide : Mijn bede en verzoek is:

8 indien ik genade gevonden heb in de oogen des Konings, en indien het den Koning goeddunkt mij 1c geven mijne bede en mijn verzoek te doen, zoo kome de Kuning met Haman lot den maaltijd dien ik hem bereiden zal: zoo zal ik morgen doen naar het bevel des Konings.

9 Toen ging Haman tenzelfden dage uit, vroolijk en goedsmoeds ; maar toen Haman Mordechai zag in de poort des Konings, en dat hij niet opstond noch zich voor hem bewoog, zoo werd Haman vervuld met grimmigheid op Mordechai.

10 Doch Haman bedwong zich, en hij kwam tot zijn huis; en hij zond henen en liet zijne vrienden komen, en Zeres, zijne huisvrouw ;

11 en Haman vertelde hun de heerlijkheid zijns rijkdoms, en de veelheid zijner zonen, en alles waarin de \'Koning hem groot gemaakt had, en waarin hij hem verheven had boven de Vorsten en knechten des Konings.

12 Voorts zeide Haman: Ook heelt de Koningin Ester niemand met den Koning doen komen tot den maaltijd dien zij bereid heeft, dan mij, en ik ben ook tegen morgen vau haar met den Koning genoodigd;

13 doch dit idles baat mij niet, zoo langen tijd als ik den Jood Mordechai zie zitten in de poorte des Konings.

14 Toen zeide zijne huisvrouw Zeres lol hem, mitsgaders alle zijne vrienden: Men make eene galg, vijftig ellen hoog, en zeg morgen den Koning dat men Mordechai daaraan hange: ga dan vroolijk met den Koning tot dien maaltijd. Deze raad nu docht Haman goed, en hij deed de galg maken.

HOOFDSTUK (3.

In dien zelfden nacht was de slaap van den Koning geweken, en hij zeide dat men het boek der gedachtenissen, de kronieken, brengen zoude; en zij werden in de tegenwoordigheid des Konings gelezen.

2 En men vond geschreven dat Mordechai had te kennen gegeven van Bigtana en Teres, twee kamerlingen des Konings uit de dorpelwachters, die de hand zochten te leggen aan den Koning Ahasveros.

o Toen zeide de Koning: Wat eer en verhooging is Mordechai hiervoor gedaan? En de jongelingen des Konings, zijne dienaars, zeiden: Aan hem is niets gedaan.

4 Toen zeide de Koning: Wie is in den voorhof? (Haman nu was gekomen in den builcnvoor-hof van het huis des Konings, om den Koning te zeggen dat men Mordechai zoude hangen aan de-galg, die hij hem had doen bereiden.)

5 En des Konings jongelingen zeiden tot hem: Zie, Haman staat in den voorhof. Toen zeide de Koning \'. Dat hij inkome.

6 Als Haman ingekomen was, zoo zeide hem de Koning: Wat zal men met dien man doen, tot wiens eere de Koning een welbehagen heeft? Toen zeide Haman in zijn harte: Tot wien heeft de Koning een welbehagen, om -hem cere te doen, meer dan tot mij ?

7 Daarom zeide Haman tot den


-ocr page 604-

E S T E R 7.

590

Koning: Den man, tot wiens eere de Koning een welbehagen heeft,

8 zal men het koninklijke kleed brengen dat de Koning pleegt aan te trekken, en het paard waar de Koning op pleegt te rijden en dat de koninklijke kroon op zijn hoofd gezet worde;

9 en men zal dat kleed en dat paard geven in de hand van eenen uit de Vorsten des Konings, van de grootste heeren, en men zal het dien man aantrekken, tot wiens eer de Koning een welbehagen heeft, en men zal hem op dat paard doen rijden door de straten der stad, en men zal vóór hem roepen: Alzóó zal men den man doen, tot wiens eere de Koning een welbehagen heeft.

10 Toen zeide de Koning tot Haman: Haast u , neem dat kleed en dat paard, gelijk gij gesproken hebt, en doe Mordechai den Jood alzóó die aan de poort des Konings zit; laat niet één woord vallen van alles dat gij gesproken hebt.

11 En Haman nam dat kleed en dat paard, en trok het kleed Mordechai aan, en deed hem rijden door de straten der stad, en hij riep vóór hem: Alzóó zal men dien man doen , tot wiens eere de Koning een welbehagen heeft.

12 Daarna keerde Mordechai wederom tot de poort des Konings; maar Haman werd voortgedreven naar zijn huis , treurig en met bedekten hoofde.

13 En Haman vertelde aan zijne huisvrouw Zeres en alle zijne vrienden al wat hem wedervaren was. Toen zeiden hem zijne wijzen en Zeres zijne huisvrouw: Indien Mordechai, voor wiens aangezicht gij zijt begonnen te vallen, van het zaad der Joden is, zoo zult gij tegen hem niet vermogen, maar gij zult gewisselijk voor zijn aangezicht vallen.

14 Toen zij nog met hem spraken , zoo kwamen des Konings kamerlingen nabij, en zij haasteden Haman tot den maaltijd te brengen dien Ester bereid had.

HOOFDSTUK 7.

Toen de Koning met Haman gekomen was om te drinken met de Koningin Ester,

2 zoo zeide de Koning tot Ester ook op den tweeden dag, op den maaltijd des wijns: Wat is uwe bede, Koningin\'Ester, en zij zal u gegeven worden; en wat is uw verzoek ? het zal geschieden, ook tot de helft des koninkrijks.

3 Toen antwoordde de Koningin Ester en zeide: Indien ik, o Koning, genade in uwe oogen gevonden heb, en indien het den Koning goeddunkt, men geve mij mijn leven om mijner bede wille, en mijn volk om mijns verzoeks wille.

4 Want wij zijn verkocht, ik en mijn volk, dat men ons verdelge, doode en ombrenge. Indien wij nog tot knechten en tot dienstmaagden waren verkocht geweest, ik zoude gezwegen hebben, ofschoon de onderdrukker de schade des Konings geenszins zoude kunnen vergoeden.

5 Toen sprak de Koning Ahas-veros en zeide tot de Koningin Ester: Wie is die en waar is hij, die zijn harte vervuld heeft om alzóó te doen?

(i En Ester zeide: De man, de onderdrukker en vijand, is deze booze Haman. Toen verschrikte Haman voor het aangezicht des Konings en der Koningin.

7 En de Koning stond op in zijne grimmigheid van den maaltijd des wijns, en ging naar den hof van het paleis; en Haman bleef staan om van de Koningin Ester aangaande zijn leven verzoek te doen, want hij zag dat het kwaad van den Koning over hem ten volle besloten was.

8 Toen de Koning wederkwam uit den hof van het paleis in het huis van den maaltijd des wijns, zoo was Haman gevallen op het bed daar Ester op was. Toen zeide de Koning: Zoude hij ook nog de Koningin verkrachten bij mij in het huis? Het woord ging uit des Konings mond, en zij bedekten Hamans aangezicht.

9 En Harbona, een var de kamerlingen voor het aanschijn des Konings stacuule, zeide: Ook zie,


-ocr page 605-

ESTERS.

591

de galgwelke Haman gemaakt heeft voor jV\'.ordechai, die goed voor den Koning gesproken heeft, slaat bij Hamaris huis, vijftig ellen hoog. Toen zeide de Koning: Hangt hem daaraan.

10 Alzoo \'hingen zij Haman aan de galg, die hij voor Mordechai had doen bereiden, en de grimmigheid des Konings werd gestild

HOOFDSTUK 8.

Te dienzelfden dage gaf de Koning Ahasveros aan de Koningin Ester het huis Hamans , des vij-ands der Joden; en Mordechai kwam voor het aangezicht des Konings, want Ester had te kennen gegeven wat hij haar was.

2 En de Koning toog zijnen ring af, dien hij van Haman genomen had, en gaf hem aan Mordechai; en Ester stelde Mordechai over hel huis Hamans.

3 En Ester sprak verder voor het aangezicht des Konings, en zij viel voor zijne voeten, en zij weende, en zij smeekte hem dat hij de boosheid van Haman den Agagiet, en zijne gedachte die hij tegen de Jóden gedacht had, zoude wegnemen.

4 De Koning nu reikte den gouden scepter Ester toe. Toen rees Ester op en zij stond voor het aangezicht des Konings;

5 en zij zeide : Indien het den Koning goeddunkt, en indien ik genade voor zijn aangezicht gevonden heb , en deze zake voor den Koning recht is, en ik in zijne oogen aangenaam ben, dat er geschreven worde, dat de brieven en de gedachte van Haman den zoon van Hammedatha. den Agagiet, wederroepen worden , welke hij geschreven heeft om de Joden om te brengen die in alle de landschappen des Konings zijn.

0 Want hoe zal ik vermogen dat ik aanzie het kwaad dat mijn volk treffen zal, en hoe zal ik vermogen dat ik aanzie het verderf van mijn geslacht?

7 Toen zeide de Koning Ahasveros tot de Koningin Ester en tot Mordechai den Jood : Zie, het huis Hamans heb ik Ester gegeven , en hem heeft men aan de galg gehangen omdat hij zijne hand aan de Joden geslagen had.

8 Schrijft dan gijlieden voor de Joden, zooals het goed is in uwe oogen , in des Konings naam , en verzegelt hel met des Konings ring want het schrift dat in des Konings naam geschreven en met des Konings ring verzegeld is, is niet te wederroepen.

9 Toen werden des Konings schrijvers geroepen, te dier tijd in de derde maand, (dat is de maand Sivan), op den drieëntwintigste der zelve, en daar werd geschreven naar alles dat Mordechai gebood, aan de Joden, en aan de stadhouders en landvoogden en oversten der landschappen, die van Indië af tot aan Moorenland strekken, honderd en zevenentwintig landschappen, een ieder landschap naar zijn schrift en ieder volk naar zijne sprake, ook aan de Joden naar hun schrift en naar hunne sprake;

10 en men schreef in des Konings Ahasveros naam, en men verzegelde het met des Konings ring, en men zond de brieven door de hand der loopers te paard, rijdende lt;ip snelle keinelen, op muildieren van merriën geteeld:

11 Dat de Koning den Joden toeliet die in elke stacl waren, zich te vergaderen, en voor hun leven le staan, om te verdelgen, te dooden en om te brengen alle macht des volks en des landschaps die hen benauwen zoude, de kleine kinderen en de vrouwen, en hunnen buit te rooven:

12 op éénen dag in alle de landschappen des Konings Ahasveros, op den dertiende der twaalfde maand, dat is de maand Adar.

13 De inhoud van dat geschrift was, dat eene wet zoude gegeven worden in alle landschappen, openbaar aan .alle volken, en dat de Joden gereed zouden zijn tegen dien dag, om zich le wreken aan hunne vijanden.

14 De loopers, die op snelle kemelen reden en np muildieren, logen snellijk uil, aangedreven zijnde dnor liet wlt;wd des Konings.


-ocr page 606-

E R 9.

592

E S T

Deze wet nu werd gegeven op den burg Susan.

15 Eu Mordechai ging uit van voor het aangezicht des Knnings, in een hemelsblnuw en wit koninklijk kleed, en met eene groote gouden kroon, en met een opperkleed van fijn linnen en purper; en de stad Susan juichte en was vroolijk.

16 Bij de Joden was licht en blijdschap en vreugde en eere;

17 ook in alle en een ieder landschap en in alle en een iedere stad, ter plaatse waar des Konings woord en zijne wet aankwam, daar was bij dé Joden blijdschap en vreugde, maaltijden en vroolijke dagen; en velen uit de volkeren des lands werden Joden, want de vreeze der Joden was op hen gevallen.

HOOFDSTUK 9.

In de twaalfde maand nu, (dat is de maand Adar), op don dertienden dag derzelve, toen des Konings woord en zijne wet nabij gekomen was dat men het doen quot;zoude, ton dage als de vijanden der Joden hoopten over hen te heerschen, zoo is het omgekeerd; want de Joden heerschten zelve over hunne haters.

2 Want de Joden vergaderden zich in hunne steden, in alle de landschappen des Konings Ahas-veros, om de hand te slaan aan degenen die hun verderf zochten; en niemand bestond voor hen, want hunlieder schrik was op alle die volkeren gevallen.

3 En alle de oversten der landschappen, en de stadhouders, en de landvoogden, en die het werk des Konings deden, verhieven de Joden, want de vrees voor Mordechai was op lien gevallen.

4 Want Mordechai was groot in het huis des Konings, en zijn gerucht ging uit door alle landschappen; want die man Mordechai werd gaandeweg grooter.

5 De Joden nu sloegen op alle hunne vijanden met den slag des zwaards en der dooding en der verderving, en zij deden met hunne haters naar hun welbehagen.

C En in den burg Susan hebben de Joden gedood en omgebracht v i j f honde rd mannen;

7 en Parsandatha, en Dalpon, en Aspatha .

8 on Poratha, en Adalja, en Aridatha,

9 en Parmasta, en Arisai, en Aridai, en Vaizatha,

10 de tien zonen van Haman den zoon van Hammedatha, den vijand der Joden, doodden zij; maar zij sloegen hunne handen niet aan den roof.

11 Te dien dage kwam voor den Koning het getal der gedooden op den burg Susan.

12 En de Koning zeide tot, de Koningin Ester: Te Susan op den burg hebben de Joden gedood en omgebracht vijfhonderd mannen en de tien zonen Hamans: wat hebben zi j al in de andere landschappen des Konings gedaan! Wat is nu uwe bede? en het zal u gegeven worden; of wat is verder uw verzoek? het zal geschieden.

13 Toen zeide Ester: Dunkt het den Koning goed, men lats ook morgen toe den Joden die te Susan zijn te doen naar het gebod van heden; en men bange de tien zonen Hamans aan de galg.

14 Toen zeide de Koning dat men alzoo doen zoude, en daar werd een gebod gegeven te Susan, en men hing de tien zonen Hamans op.

15 En de Joden die te Susan waren vergaderden ook op den veertienden dag der maand Adar, en zij doodden te Susan driehonderd mannen; maar zij sloegen hunne hand niet aan den roof.

16 De overige Joden nu, die in de landschappen des Konings waren , vergaderden opdat zij stonden voor hun leven en ruste hadden van hunne vijanden, en zij doidden onder hunne haters vijfenzeventigduizend; maar zij sloegen hunne hand niet aan den roof.

17 Dit f/eschiedde op den dertienden dag der maand Adar; en op den veertiende derzelve rustten zij, en zij maakten dien tot een dag der maaltijden en der vreugde.

18 En de Joden die te Susan


-ocr page 607-

ESTER 10.

593

waren vergaderden op den dertiende derzelve en op den veer-1 iende derzelve, on zij rustien op den vijftiende derzelve, en zij maakten dien lot een dag der maaltijden en der vreugde.

19 Daarom maakten de Joden van de dorpen, die in de dorpsteden woonden. den veertienden dag der maand Adar tot vreugde en maaltijden, en oenen vroolijken dag, en der zending van deolen aan malkander.

20 En Mordechai beschreef deze geschiedenissen en hij zond brieven aan alle de Joden die in alle de landschappen des Konings Ahas-veros waren, dien die nabij en dien die verre waren,

21 om over hen te bevestigen, dat zij zouden onderhouden den veertienden dag der maand Adar en den vijftienden dag derzelve, in alle en ieder jaar:

22 naar de dagen in dewelke de Joden lot rust gekomen waren van hunne vijanden, en de maand die hun veranderd was van droefenis in blijdschap, en van rouw in oenen vroolijken dag; dat zij die dcifjen maken zouden lot dagen der maaltijden, en der vréugde, en der zending van deelen aan malkander, en der gaven aan do armen.

23 En de Joden namen aan te doen wat zij begonnen hadden, en wat Mordechai aan hen geschreven had:

24 omdat Haman de zoon van Hammedatha, de Agagiet, aller Joden vijand, legen de Joden gedacht had hen om te brengen; en dat hij het Par, dat is het lot, had geworpen, om hen te verslaan en om hen om te brengen.

25 Maar als zij voor den Koning gekomen was, heeft hij door brieven bevolen dat zijne booze gedachte die hij gedacht had over de Joden, op zijn hoofd zoude wederkeeren; en men heeft hem en zijne zonen aan de galg gehangen.

26 Daarom noemt men die dagen Purim, naar den naam van dat Pur. Hierom, vanwege alle de woorden van dien brief, en hetgeen zij zelve daarvan gezien hadden, en wat tot hen overgekomen was,

27 bevestigden de Joden, en namen op zich en op hun zaad en op allen die zich lot hen vervoegen zouden, dat men het niet overtrade: dat zij deze twee dagen zouden houden, naar het voorschrift derzelve en naar den bestemden lijd derzelve, in alle en ieder jaar;

28 dat deze dagen gedacht zouden worden en onderhouden, in elk geslacht, elk huisgezin, elk landschap en elke stad, en dat deze dagen Purim niet zouden overtreden worden onder de Joden, en dal de gedachtenis derzelve geen einde nemen zoude bij hun zaad.

20 Daarna schreef de Koningin Ester, de dochter Abihaïls, en Mordechai do. Jood, met alle\'macht, om dezen brief van Purim ten tweeden male te bevestigen.

30 En hij zond de brieven aan alle de Joden, in de honderd zevenentwintig landschappen des konink-rijks van Ahasveros, met woorden van vrede en trouwe:

31 dat zij deze dagen van Purim bevestigen zouden op hunne bestemde tijden, gelijk als Mordechai de Jood over hen bevestigd had, en Ester de Koningin, en gelijk zij het bevestigd hadden voor zich-zelven en voor hun zaad: de zaken van het vasten en hun geroep.

32 En het bevel Esters bevestigde de geschiedenissen van deze Purim, en het werd in een boek geschreven.

HOOFDSTUK 10.

Daarna leide de Koning Ahasveros schatting op hel land en de eilanden der zee.

2 Alle de werken nu zijner macht en zijns gewelds, en de verklaring der grootheid van Mordechai denwelken de Koning groot gemaakt heeft, zijn die niet geschreven in het boek der kronieken der Koningen van Medië en Perzië?

3 Want de Jood Mordechai was de tweede l3ij den Koning Ahas-


-ocr page 608-

594 J O B 1.

veros, en groot bij de Joden, en Ivoor zijn volk, en sprekende voor aangenaam bij de menigte zijner den welstand van zijn gansche broederen, zoekende het beste 1 zaad.

HET BOEK JOB.

HOOFDSTUK 1.

Daar was een man in het land Uz, zijn naam was Job; en die man was oprecht en vroom en godvreezende en wijkende van liet kwaad.

2 En hem werden zeven zonen en drie dochteren geboren;

3 daartoe was zijn vee zevenduizend schapen en drieduizend kemelen en vijfhonderd juk ossen en vijfhonderd ezelinnen , ook was zijn dienstvolk zeer veel; zoodat deze man grooter was dan alle die van het Oosten.

4 En zijne zonen gingen en maakten maaltijden in ieders huis op zijnen dag; en zij zonden henen en noodigden hunne drie zusteren om met hen te eten en te drinken.

5 Het geschiedde dan als de dagen der maaltijden omgegaan waren, dat Job henenzond en hen heiligde, en des morgens vroeg opstond en brandofieren offerde naar hun aller getal; want Job zeide: Misschien hebben mijne kinderen gezondigd en God quot;in hun harte gezegend. Alzoo deed Job alle die dagen.

C Daar was nu een dag als de kinderen Gods kwamen om zich voor den Hekre te stellen, dat de satan óók in het midden van hen kwam.

7 Toen zeide de Heere tot den satan: Van waar komt gij? En de satan antwoordde den Heere en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.

8 En de Heere zeide tot den satan; Hebt gij ook acht geslagen op mijnen knecht Job? Want niemand\' is op de aarde gelijk hij: een man oprecht en vroom, godvreezende en wijkende van .het kwaad.

0 Toen antwoordde de satan den Heere en zeide: Is het om niet dat Job God vreest?

10 Hebt gij niet eene omtuining gemaakt voor hem en voor zijn huis en voor al dat hij heeft rondom ? Het werk zijner handen hebt gij gezegend, en zijn vee is in menigte, uitgebroken in het land.

11 Maar toch, strek nu uwe hand uit en tast aan alles wat hij heeft, — zoo hij u niet in uw aangezicht zal zegenen!

12 En de Heere zeide tot den satan: Zie, al wat hij heeft zij in uwe hand: strek alleen aan.hem zeiven uwe hand niet uit. En de satan ging uit van het aangezicht des Heeren.

13 Daar was nu een dag als zijne zonen en zijne dochteren aten eii wijn dronken in het huis huns broeders, des eerstgeborenen,

14 dat een bode tot Job ivwam en zeide: De runderen waren ploegende, en de ezelinnen weidende aan hunne zijden;

15 Doch de Sabeürs deden eenen inval, en namen ze, en sloegen de jongens met do scherpte des zwnarcjs: en ik ben maar alléén


-ocr page 609-

JOB 2.

595

ontkomen om het u aan te zeggen.

16 Als deze nog sprak, zoo kwam een ander en zeide: Het vuur Gods viel uit den hemel en ontstak onder de schapen en onder de jongens, en verteerde ze; en ik ben maar alléén ontkomen om het u aan te zeggen.

17 Als deze nog sprak, zoo kwam een ander en zeide; De Ghaldeën stelden drie hoopen, en vielen op de kemelen aan, en namen ze , en sloegen de jongens met de scherpte des zwaards: en-ik ben maar alléén ontkomen om het u aan te zeggen.

18 Als deze nog sprak, zoo kwam een ander en zeide: Uwe zonen en uwe dochleren aten en dronken wijn in het huis huns broeders, des eerstgeborenen:

19 en zie, een groote wind kwam van over de woestijn, en stiet aan de vier hoeken van het huis, en het viel op de jongelingen, dat ze stierven: en ik ben maar alléén ontkomen om het u aan te zeggen.

20 Toen stond Job op , en scheurde zijnen mantel, en schoor zijn hoofd, en viel op de aarde en boog zich neder;

21 en hij zeide: Naakt ben ik uit den moederschoot gekomen, en naakt zal ik daarhenen weder-keeren. De Heere heeft gegeven en de Heere heeft genomen: de name des Heeren zij geloofd.

22 In dit alles zondigde Job niet, en schreef Gode niets ongerijmds toe.

HOOFDSTUK 2.

Wederom was er een dag als de kinderen Gods kwamen om zich voor den Heere te stellen, dat de satan óók in het midden van hen kwam om zich voor den Heere te stellen.

2 Toen zeide de Heere tot den satan: Van waar komt gij? En de satan antwoordde den Heere en zeide: Van om te trekken op de aarde, en van die te doorwandelen.

3 En de Heere zeide tot den satan : Hebt gij ook acht geslagen op mijnen knecht Job? Want niemand is op de aarde gelijk hij: een man oprecht en vroom, god-vreezende en wijkende van het kwaad; er. hij houdt nog vast aan zijne oprechtheid, hoewel gij mij tégen hem opgehitst hebt om hem te verslinden zonder oorzaak.

4 Toen antwoordde de satan den Heere en zeide: Huid voor huid, en al wat iemand heeft zal hij geven voor zijn leven;

5 doch strek nu uwe hand uit en tast zijn gebeente en zijn vleesch aan, — zoo hij u niet in uw aangezicht zal zegenen!

6 En de Heere zeide tot den satan: Zie, hij zij in uwe hand; doch verschoon zijn leven.

7 Toen ging de satan uit van het aangezicht des Heeren , en sloeg Job met booze zweren van zijne voetzool af lot zijnen schedel toe.

8 En hij nam zich eene potscherf om zich daarmede te schrabben, en hij zat neder in het midden der asch.

9 Toen zeide zijne huisvrouw tot hem: Houdt gij nog vast aan uwe oprechtheid? Zegen God en sterf.

10 Maar hij zeide tot haar: Gij spreekt als eene der zottinnen spreekt; ja, zouden wij het goede van God ontvangen, en het kwade niet ontvangen? In dit alles zondigde Job met zijne lippen niet.

11 Als nu de drie vrienden van Job gehoord hadden al dit kwaad dat over hem gekomen was, kwamen zij ieder uit zijne plaats, Elifaz de Temaniet, en Bildad de Suhiet, en Zofar de Naamathiet; en zij waren het ééns geworden dat zij zouden komen om hem te beklagen en om hem te vertroosten.

12 En toen zij hunne oogen van verre ophieven, kenden zij hem niet, en hieven hunne stemme op en weenden; daartoe scheurden zij een ieder zijnen mantel, en strooiden stof op hunne hoofden naar den hemel.

13 Alzoo zaten zij met hem op de aarde, zeven dagen en zeven nachten; en niemand sprak tot hem een woord, want zij zagen dat de smarte zeer groot was.


-ocr page 610-

JOB 3,4.

596

HOOFDSTUK 3.

Daarna opende Job zijnen mond en vervloekte zijnen dag.

2 Want Job antwoordde en zeide:

3 De dag verga waarin ik geboren ben, en de nacht waarin men zeide: een jongsken i« ontvangen.

4 Die dag zij duisternis; dat God naar liem niet vrage van boven; en dat geen glans over hem schijne.

5 Dat dc duisternis en des doods schaduwe hem verontreinigen; dat wolken over hem wonen; dat hem verschrikken de zwarte dampen des daags.

G Die nacht, donkerheid neme hem in; dat hij zich nietverheuge onder de dagen des jaars; dat hij in het getal der maanden niet kome.

7 Zie, die nacht zij eenzaam; dat geen vroolijk gezang daarin kome.

8 Dat hem vervloeken de vervloekers des daags, die bereid zijn hunnen rouw te verwekken.

9 Dat de sterren zijns schemer-tijds verduisterd worden; hij wach-te naar het licht en liet worde niet; en hij zie niet de oogleden des dageraads:

10 omdat hij niet toegesloten heelt de deuren mijns schools noch verborgen de moeite van mijne oogen.

11 Waarom ben ik niet gestorven van de baarmoeder af, en heb den geest gegeven als ik uit den schoot voortkwam?

12 Waarom zijn mij de knieën voorgekomen, en waartoe de borsten opdat ik zuigen zoude?

13 Want nu zoude ik nederlig-gen en stille zijn; ik zoude slapen, dan zoude voor mij ruste wezen:

14 met de Koningen en raads-heeren der aarde, die voor zich woeste plaatsen bebouwden;

15 of met de Vorsten die guud hadden, die hunne huizen met zilver vervulden.

1G Of als een verborgen misdracht , zoude ik niet zijn; als de kinderkens die het licht niet gezien hebben.

17 Daar houden de boozen op van beroering, en daar rusten de vermoeiden van kracht;

18 daar zijn de gebondenen te zamen in rust, zij hooren do stemme des drijvers niet;

19 de kleine en de groote is daar, en de knecht vrij van zijnen heer.

20 Waarom geeft hij den ellendige het licht, en het leven den bitterlijk bedroefden van gemoed?

21 die verlangen naar den dood maar hij is er niet, en graven daarnaar meer dan naar verborgen schatten:

22 die blijde zijn tot opspringens toe en zich verheugen als zij het graf vinden:

23 aan den man wiens weg verborgen is, en dien God overdekt heeft?

24 Want vóór mijn brood komt mijne zuchting, en mijne hrullin-gen_ worden uitgestort als water.

25 Want ik vreesde eenevreeze en zij is mij aangekomen, en wat ik schroomde is mij overkomen.

26 Ik was niet gerust, en was niet stille en rustte niet; en de beroering is gekomen.

HOOFDSTUK 4.

Toen antwoordde Elifaz dc Te-maniet en zeide:

2 Zoo wij een woord opnemen tegen u, zult gij verdrietig zijn? Nogtans wie zal zich van woorden kunnen onthouden?

3 Zie, gij hebt velen onderwezen , en gij hebt slappe handen gesterkt;

4 uwe woorden hebben den struikelende opgericht, en krommende knieën hebt gij vastgesteld:

5 maar nu komt het aan u, en gij zijt verdrietig; het raakt tot u, en gij wordt beroerd.

G Was niet uwe vreeze Gods uwe hope en de oprechtheid uwer wegen uwe verwachting?

7 Gedenk toch, wie is de onschuldige die vergaan zij, en waar zijn de oprechten verdelgd?

8 Maar gelijk als ik gezien heb, die ondeugd ploegen en moeite zaaien, maaien dezelve.

9 Van den adem Gods vergaan


-ocr page 611-

JOB 5.

597

zij, en van het geblaas van zijnen neus worden zij verdaan.

10 De brullinge des leeuws, en de stemme des feilen leeuws, en de tanden der jonge leeuwen worden verbroken.

11 De oude leeuw vergaat omdat er geen roof is, en de jongen eens oudachtigen leeuws worden verstrooid.

12 Voorts is tot mij een woord heimelijk gebracht, en mijn ooi-heeft een weinigje daarvan gevat.

13 Onder de gedachten van do gezichten des nachts, als diepe slaap valt op de menschen,

14 kwam mij schrik en beving over, en verschrikte de veelheid mijner beenderen.

15 Toen ging voorbij mijn aangezicht een geest; hij deed het haar mijns vleesches te berge rijzen.

16 Hij stond, doch ik kende zijne gedaante niet; eene beeltenis was voor mijne oogen; daar was stilte, en ik hoorde eene stem, zeggende:

17 Zoude een mensch rechtvaardiger zijn dan God? Zoude een man reiner zijn dan zijn Maker ?

18 Zie, op zijne knechten zoude hij niet vertrouwen, hoewel hij in zijne engelen klaarheid gesteld heeft:

19 hoeveel te min up degenen die leemen huizen bewonen. welker grondslag in het stof is! Zij worden verbrijzeld voor de motten.

20 Van den morgen tot den avond worden zij vermorzeld; zonder dat men er acht op slaat, vergaan zij in eeuwigheid.

21 Verreist niet hunne uitnemendheid met hen? Zij sterven, maar niet in wijsheid.

HOOFDSTUK 5.

Roep nu: zal er iemand zijn die u antwoordt? En tot wien van de heiligen zult gij u keeren?

2 Want den dwaze brengt de toornigheid om, en de ijver doodt den slechte.

3 Ik heb gezien eenen dwaze wortelende; doch terstond vervloekte ik zijne woning.

4 Verre waren zijne zonen van heil; en zij werden verbrijzeld in de poorte, en daar was geen verlosser.

5 Wiens oogst do hongerige verteerde , dien hij ook tot uit de doornen gehaald had; de struik-roover slokte hun vermogen in.

0 Want uit hot stof komt het verdriet niet voort, en de moeite spruit niet uit de aarde;

7 maar de mensch wordt tot moeite geboren, gelijk de spranken der vurige kolen zich verhellen tot vliegen.

K Doch ik zoude naar God zoeken, en tot God mijne aanspra-ke richten;

9 die groote dingen doet die men niet doorzoeken kan, wonderen die men niet tellen kan;

10 die den regen geeft op de aarde, en water zendt op de straten;

11 om do vernederden te stellen in het hooge, dat de rouwdra-genden door heil verheven worden.

12 Hij maakt te niet de gedachten der arglistigen, dat hunne handen niet één ding uitrichten.

13 Hij vangt do wijzen in hunne arglistigheid, dat de raad der verdraaiden gestort wordt.

14 Des daags on lmoeten zij de duisternis, en gelijk des nachts, tasten zij op den middag.

15 Maar hij verlost den behoeftige van het zwaard, van hunnen mond, en van de hand des sterken.

10 Zoo is voor den arme verwachting, en de boosheid stopt haren mond toe.

17 Zie, gelukzalig is do mensch denwelken God straft: daarom verwerp de kastijding des Almach-tigen niet.

18 Want hij doet smarte aan, en hij verbindt; hij doorwondt, en zijne handen heelen.

19 In zes benauwdheden zal hij u verlossen, en in de zevende zal u het kwaad niet aanroeren.

20 In den honger zal hij u verlossen van den dood, en in den


-ocr page 612-

598

oorlog van het geweld des zwaards.

21 Tegen den geesel der tong zult gij verborgen wezen, en gij zult niet vreezen van de verwoesting als zij komt.

22 Tegen de verwoesting en tegen den honger zult gij lachen, en voor het gedierte der aarde zult gij niet vreezen.

23 Want met de steenen des velds zal uw verbond zijn, en het gedierte des velds zal met u bevredigd zijn.

24 En gij zult bevinden dat uwe tent in vrede is, en gij zult uwe woning verzorgen en zult niet feilen.

25 Ook zult gij bevinden dat uw zaad menigvuldig wezen zal, en uwe spruiten als het kruid der aarde.

26 Gij zult in ouderdom ten grave komen, gelijk de korenhoop te zijner tijd opgevoerd wordt.

27 Zie dit, wij hebben het doorzocht, het is alzoo; hoor het, en bemerk gij het voor u.

HOOFDSTUK (3.

Maar Job antwoordde en zeide:

2 Och of mijn verdriet recht gewogen wierd, en men mijne ellende te zamen in eene weegschaal ophief!

3 Want liet zoude nu zwaarder zijn dan het zand der zeeën; daarom worden mijne woorden opgezwolgen.

4 Want de pijlen des Almach-tigen zijn in mij, welker vurig venijn mijn geest uitdrinkt: de verschrikkingen Gods rusten zich tegen mij.

5 Rochelt ook de woudezel bij het jonge gras? Loeit de os bij zijn voeder?

6 Wordt ook het onsmakelijke gegeten zonder zout? Is er smaak in het witte des dooiers?

7 Mijne ziele weigert muc wuor-clen aan te roeren; die zijn als mijne laffe spijze.

8 Och of mijne begeerte kwame, en dat God mijne verwachting gave,

(J en dat het God beliefde dat hij mij verbrijzelde, zijne hand

losliet en een einde met mij maakte!

10 Dat zoude nog mijn troost zijn, en zoude mij verkwikken in den weedom, zuo hij niet spaarde; want ik heb de redenen des Heiligen niet verborgen gehouden.

11 Wat is mijne kracht, dat ik hopen zoude? Of welk is mijn einde, dat ik mijn leven verlengen zoude?

12 Is mijne kracht steenen kracht? Is mijn vleesch staal?

13 Is dan mijne hulpe niet in mij, en is de wijsheid uit mij j verdreven?

14 Aan hem die versmolten is zoude van zijnen vriend weldadigheid geschieden: of hij zoude de vreeze des Almachtigen verlaten.

15 Mijne broeders hebben trou-welooslijk gehandeld als eene beek; als de storting dér beken gaan zij door,

16 die verdonkerd zijn van het ijs, en .in dewelke de sneeuw zich verbergt.

17 Ten tijde als zij van hitte vervlieten worden zij uitgedeigd; als zij warm worden, verdwijnen zij uit hare plaats.

18 De gangen haars wegs wenden zich terzijde af; zij loopen op in het woeste en vergaan.

19 De reizigers van Tema zien ze, de wandelaars van Scheba wachten op haar.

20 Zij worden beschaamd, omdat elkeen vertrouwde; als zij daar aankomen , zoo worden zij schaamrood.

21 Voorwaar alzoo zijt gijlieden mij nu niets geworden; gij hebt gezien de ontzetting, en gij hebt gevreesd.

22 Heb ik gezegd: Brengt mij en geeft geschenken voor mij van uw vermogen,

23 of bevrijdt mij van de hand des verdrukkers, en verlost mij van de hand der tyrannen?

24 Leert mij en\'ik zal zwijgen, en geeft mij te verstaan waarin ik gedwaald heb.

25 O hoe krachtig zijn de rechte redenen! Maar wat bestraft het bestraffen dat van uliedcn is?

26 Zult gij, om te bestraffen, woorden bedenken, en zullen de

JOB 6.


-ocr page 613-

JOB 7, 8.

599

redenen des mismoedigen voor wind zijn?

27 Ook werpt gij u op een wees, en gij graaft tegen uwen vriend.

28 Maar nu, belieft liet u, wendt u tot mij, en liet zal voor ulieder aangezicht zijn of ik liege.

29 Keert toch weder, laat er geen onrecht wezen;ja keert weder, nog zal mijne gerechtigheid daarin zijn.

30 Zoude onrecht op mijne tong wezen? Zoude mijn gehemelte niet de ellenden te verstaan geven?

HOOFDSTUK 7.

Heeft niet de mensch eencn strijd op aarde, en zijn zijne dagen niet als dc dagen des daglooners?

2 Gelijk de dienstknecht hijgt naar dc schaduw, en gelijk de daglooner verwacht zijn werkloon,

3 alzóó zijn mij maanden der ijdelheid ten erve geworden, en nachten der moeite zijn mij voorbereid.

4 Als ik te slapen ligge, dan zeg ik: Wanneer zal ik opstaan, en hij den avond afgemeten hebben? En ik word zat van woelingen, tot aan den schemertijd.

5 Mijn vleesch is met het gewormte en met het gruis des stofs bekleed; mijne huid is gekliefd en verachtelijk geworden;

G mijne dagen zijn lichter geweest dan eene weversspoel, en zijn vergaan zonder verwachting.

7 Gedenk dat mijn leven een wind is; mijn oog zal niet wederkomen om het goede te zien.

8 Het oog desgenen die mij yin ziet zal mij niet zien: uwe oogen zullen op nilj zijn. maar ik zal niet moor zijn.

9 Eene wolk vergaat en vaart henen; alzoo die in het graf «laait zal niet weder opkomen.

10 Hij zal niet meer wederkeeren tot zijn huis, en zijne plaats zal hem niet meer kennen.

H Zoo zal ik ook mijnen mond niet wederhouden, ik zal spreken in benauwdheid mijns geestes, ik zal klagen in bitterheid mijner zielo.

-12 Bon ik dan eene zee, of een walviscb, dat gij om mij wachten zet?

IP) Wanneer ik zeg: Mijne bedstede zal mij vertroosten, mijn leger zal van mijne klacht wat wegnemen,

14 dan ontzet gij mij met droo-men, en door gezichten verschrikt gij mij;

15 zoodat mijne ziele de verworging kiest, \'den dood meer dan mijne beenderen.

16 Ik versmaad ze, ik zal toch in eeuwigheid niet leven; houd öp van mij, want mijne dagen zijn ijdelheid.

17 Wat is dc mensch dat gij hem groot acht, en dat gij uw harte op hem zet,

18 en dat gij hem bezoekt in eiken morgenstond, dat gij hem in eiken oogenblik beproeft?

19 Hoelang keert gij u niet af van mij, en laat niet van mij af totdat \'ik mijn speeksel inzwelg?

20 Heb ik gezondigd, wat zal ik u doen, o Menschenhoeder? Waarom hebt gij mij u tot een doelwit gesteld, dat ik mijzelven tot een last zij?

21 Én waarom vergeeft gij niet mijne overtreding, en doet mijne ongerechtigheid niet weg? Want nu zal ik in het stof liggen, en gij zult mij vroeg zoeken, maar ik zal niet\' zijn.

HOOFDSTUK 8.

Toen antwoordde Bildad de Subiet en zeide:

2 Hoe lang zult gij deze dingen spreken, en zullen dc redenen uws monds een geweldige wind zijn?

\'3 Zoude, dan God het recht ver-keeren, en zoude de Almachtige, de gerechtigheid verkecren?

4 Indien uwe kinderen gezondigd hebben tegen hem, hij heeft ze ook in de hand-hunner overtreding geworpen.

5 Maar iindien gij naar God vroeg zoekt, en tot den Almachtige om genade bidt:

6 zoo gij zuiver en recht zijt, gewisselijk zal hij nu opwaken om uwentwille, en hij zal dc woning uwer gerechtigheid volmaken;


-ocr page 614-

JOB 9.

600

7 uw beginsel zal wel gering zijn, maar uw laatste zal zeer vermeerderd worden.

8 Want vraag toch naar hel vorige geslacht, en bereid u tot de onderzoeking hunner vaderen.

9 Want wij zijn van gisteren, en weten niets, dewijl onze dagen op de aarde cene schaduwe zijn.

10 Zullen die u niet leeren, tot u spreken, en uit hun harte redenen voortbrengen?

11 Verheit zich de bieze zonder slijk? Groeit het rietgras zonder water ?

12 Als het nog in zijne groenheid is, hoewel het niet afgesneden wordt, nogtans verdort het vóór alle gras.

13 Alzóu zijn de paden van allen die God vergeten; en de verwachting des huichelaars zal vergaan:

14 van denwelken zijne hope walgen zal, en zijn vertrouwen zal zijn een huis der spin;

15 hij zal op zijn huis leunen, maar het zal niet bestaan, hij zal zich daaraan vasthouden, maar het zal niet staande blijven.

10 Hij is sappig voor de zon, en zijne scheuten gaan over zijnen hof uit.

17 Zijne wortelen worden bij de springader ingevlochten, hij ziel eene steenachtige plaats.

18 Maar als God hem verslindt uit zijne plaats, zoo zal zij hem loochenen, zeggende: Ik heb u niet gezien.

19 Zie, dat is de vreugde zijns wegs, en uit het slof zullen anderen voortspruiten.

20 Zie, God zal den oprechte niet verwerpen; hij vat ook de boosdoeners niet bij de hand;

21 totdat hij uwen mond met gelach vervulle, en uwe lippen met gejuich.

22 Üwe haters zullen met schaamte bekleed worden , en de tent der goddeloozen zal niet meer zijn.

HOOFDSTUK 0.

Maar Jol) antwoordde en zeide;

2 Waarlijk ik weet dat het zoo is; want hoe zoude de mensch rechtvaardig zijn bij God?

3 Zoo hij lust heeft om met hem te twisten, niet één uit duizend zal hij hem beantwoorden.

4 Hij is wijs van harte en sterk van kracht: wie heeft zich tegen hem verhard en vrede gehad?

5 Die de bergen verzet dat ze het niet gewaar worden, die ze omkeert in zijnen toorn;

0 die de aarde beweegt uit hare plaats, dat hare pilaren schudden;

7 die de zon gebiedt en zij gaat niet op, en de sterren verzegelt;

8 die alléén de hemelen uitbreidt, en treedt op de hoogten der zee;

9 die den Wagen maakt, den On\'on, en liet Zevengesternte, en de binnenkameren van het Zuiden;

10 die groote dingen doet die men niet doorzoeken kan, en wonderen die men niet tellen kan.

11 Zie, hij zal voor mij henen-gaan en ik zal hem niet zien. en hij zal voorbijgaan en ik z; 1 hem niet bemerken.

12 Zie, hij zal rooven, wie zal het hem doen wedergeven? Wie zal tot. hem zeggen: Wat doet gij?

13 God zal zijnen toorn niet afkoeren; onder hem worden gebogen de hoovaardige helpers:

14 hoeveel te min zal ik hem antwoorden, en mijne woo.-den uitkiezen tegen hem?

15 Denwelken ik, zoo ik rechtvaardig ware, niet zoude antwoorden; mijnen Hechter zal ik om genade bidden.

10 Indien ik roep en hij mij antwoordt, ik zal niet gelooven dat hij mijne stem ter oore genomen heeft;

17 want hij vermorzelt mij door een onweder, en vermenigvuldigt mijne wonden zonder oorzaak,

18 hij laat mij niet toe mijnen adem te verhalen, maar hij verzadigt mij met bitterheden.

19 Zoo het aan de kracht J:o)nt, zie, hij is sterk; en zoo het aan hot recht komt, wie zal mij dagvaarden?

20 Zoo ik mij rechtvaardige, mijn mond zal mij verdoemen; ben ik oprecht, hij zal mij toch verkeerd verklaren.

21 Ben ik oprecht, zoo acht ik


-ocr page 615-

JOB 10.

601

toch mijne ziele niet, ik versmaad mijn leven.

22 Dat is één ding; daarom zeg ik: Den oprechte en den goddelooze verdelgt hij.

23 Als degeesel haastelijk doodt, bespot hij de verzoeking der on-schuldigen.

24 De aarde wordt gegeven in de hand des goddeloozen; hij overdekt het aangezicht van hare rechters; zoo niet, wie is hij dan?

25 En mijne dagen zijn lichter geweest dan een looper; zij zijn weggevloden, zij hebben het goede niet gezien;

26 zij zijn voorbij gevaren met jachtschepen, gelijk een arend naar het aas toevliegt.

27 Indien mijn zeggen is: Ik zal mijne klage vergeten, en ik zal mijn gebaar laten varen en mij verkwikken:

28 zoo schroom ik voor alle mijne smarten; ik weet dat gij mi) niet onschuldig zult houden.

29 Ik zal toch goddeloos zijn: waarom dan zal ik ijdellijk arbeiden?

30 Indien ik mij wasch met sneeuwwater, en mijne handen zuiver met zeep,

31 dan zult gij mij in de gracht induiken en mijne kleederen zullen van mij gruwen.

32 Want hij is niet een man als ik, dien ik antwoorden zoude zoo wij te zamen in het gericht kwa-

33 daar is geen scheidsman tus-schen ons, die zijne hand op ons beiden leggen mocht.

34 Dat hij van op mij zijne roede wegdoe, en dat zijne verschrikking mij niet verbaasd make:

35 zoo zal ik spreken en hem niet vreezen, want zoodanig ben ik niet bij mij.

HOOFDSTUK 10.

Mijne ziele is verdrietig over mijn leven, ik zal mijne klage op mij laten, ik zal spreken in bitterheid mijner ziele.

2 Ik zal tot God zeggen: Verdoem mij niet; doe mij weten waarover gij met mij twist.

3 Is het u goed dat gij verdrukt, dat gij verwerpt den arbeid uwer hamien, en over den raad der goddeloozen schijnsel geelt?

4 Hebt gij vleeschelijke oogen? Ziet gij gelijk een mensch ziet?

5 Zijn i we dagen als de dagen van een mensch, zijn uwe jaren als de dagen eens mans,

G dat gij onderzoekt naar mijne ongerechtigheid, en naar mijne zonde verneemt?

7 Het is in uwe wetenschap dat ik niet goddeloos ben: nogtans is er niemand die uit uwe hand verlost.

8 Uwe handen doen mij smarte aan, hoewel zij mij gemaakt hebben : te zamen rondom mij zijn ze, en gij verslindt mij.

9 Gedenk toch dat gij mij als leem bereid hebt, en mij tot stof zult doen wederkeeren.

10 Hebt gij mij niet als melk gegoten, en mij als eene kaas doen stremmen?

11 Met vel en vleesch hebt gij mij bekleed, met beenderen ook en zenuwen hebt gij mij samengevlochten:

12 benevens het leven hebt gij weldadigheid aan mij gedaan, en uw opzicht heeft mijnen geest bewaard.

13 Maar deze dingen hebt gij verborgen in uw harte; ik weet dat dit bij u geweest is.

14 Indien ik zondig, zoo zult gij mij waarnemen, en van mijne misdaad zult gij mij niet onschuldig houden.

15 Zoo ik goddeloos ben , wee mij ! En ben ik rechtvaardig, ik zal mijn hoofd niet opheffen: ik ben zat van schande, maar zie mijne ellende aan.

16 Want zij verheft zich; gelijk een felle leeuw jaagt gij mij, gij keert weder en stelt u wonderlijk tegen mij;

17 gij vernieuwt uwe getuigen tegenover mij , en vermenigvuldigt uwen toorn tegen mij; verwisselingen, ja een heirleger zijn tegen mij.

18 En waarom hebt gij my uit de baarmoeder voortgebracht? Och dat ik den geest gegeven hadde, en geen oog mij gezien hadde.


-ocr page 616-

H, 12.

JOB

602

19 Ik zoude zijn alsof ik niet geweest ware, van den moamp;Êcr-schoot zoude ik tot het graf gebracht zijn geweest.

20 Zijn mijne dagen niet weinig? Houd óp, Iaat van mij af, dat ik mij een weinig verkwikke,

21 eer ik henenga (en niet wederkom) in een land der duisternis en der schaduwe des doods,

22 een stikdonker land als de duisternis zelve, de schaduwe des doods en zonder ordeningen, en het geeft schijnsel als de duisternis.

HOOFDSTUK 11.

Toen antwoordde Zofar de Naii-mathiet en zeide;

2 Zoude de veelheid der woorden niet beantwoord worden, en zoude een klapachtig man recht hebben ?

3 Zouden uwe leugenen de lieden doen zwijgen, en zoudt gij spotten en niemand u beschamen?

4 Want gij hebt gezegd: Mijne leer is zuiver, en ik ben rein in uwe oogen.

5 Maar gewisselijk, och of God sprake en zijne lippen tegen u opende,

6 en u bekend maakte de verborgenheden der wijsheid, omdat zij dubbel zijn ia wezen! Daarom weet dat God voor u vergeet van uwe ongerechtigheid.

7 Zult gij de onderzoeking Gods vinden? Zult gij tot de volmaaktheid toe den Almachtige vinden?

8 Zij is als de hoogten der hemelen — wat kunt gij doen? dieper dan de helle — wat kunt gij weten ?

9 Langer dan de aarde is hare maat, en breeder dan de zee.

10 Indien hij voorbijgaat opdat hij overlevere of vergadere, wie zal dan hem afkoeren?

11 Want hij kent de ijdele lieden, en hij ziet de ondeugd: zoude hij dan niet aanmerken?

12 Dan zal een verstandeloos man kloekzinnig worden; hoewel de mensch afs het veulen eens woudezels geboren is.

13 Indien gij uw hart bereid hebt, zoo breid uwe handen tot hem uit. .

14 Indien er ondeugd in uwe hand is, doe die verre weg, en laat het onrecht in uwe tenten niet wonen.

15 Want dan zult gij uw aangezicht opheffen uit de gebreken, en zult vast wezen en niet vreezen ;

10 want gij zult de moeite vergeten, en haver gedenken als der wateren die voorbijgegaan zijn.

17 Ja uw tijd zal klaarder dan de middag oprijzen; gij zult uitvliegen ; als de morgenstond zult gÜ zijn.

18 En gij zult vertrouwen, omdat er verwachting zijn zal; en gij zult graven, gerustelijk zult gij slapen ;

19 en gij zult nederliggen, en niemand zal u verschrikken; en velen zullen uw aangezicht smee-ken.

20 Maar de oogen der goddeloo-zen zullen bezwijken, en de toevlucht zal van hen vergaan, en hunne verwachting zal zijn de uitblazing der ziel.

HOOFDSTUK 12.

Maar Job antwoordde en zeide:

2 Trouwens, omdat gijlieden het volk zijt, zoo zal de wijsheid met ulieden sterven.

3 Ik heb óók een hart evenals gijlieden, ik zwicht niet voor u; en bij wien zijn niet dergelijke dingen?

4 Ik ben het die zijnen vriend een spot is, maar roepende tot God die hem verhoort: de rechtvaardige en oprechte is een spot.

5 Hij is eene verachte fakkel, naar de meening desgenen die gerust is; hij is gereed met den voet te struikelen.

0 De tenten der verwoesters hebben rust, en die God tergen hebben verzekerdheid, om hetgene dat God met zijne hand toebrengt.

7 En waarlijk vraag toch de beesten, en elkeen van die zal het uleeren; en het gevogelte des hemels, dat zal het u te ksnnen geven.

8 Of spreek tot de aarde, en zij


-ocr page 617-

JOB 13.

603

zal Jiet it lecren; ook zullen het u de visschen der zee vertellen.

9 Wie weet niet uit alle dezen dat de hand des Heeren dit doet?

10 in wiens hand de ziel is van al wat leeft, en de geest van alle vleesch des menschen.

11 Zal niet het oor de woorden proeven, gelijk het gehemelte voor zich de spijze smaakt?

12 In de stokouden is de wijsheid, en in de langheid der dagen het verstand:

13 bij hem is wijsheiden macht, hij heeft raad en verstand.

14 Zie, hij breekt af en het zal niet herbouwd worden; hij besluit iemand en daar zal niet opengedaan worden.

15 Zie, hij houdt de wateren op en zij drogen uit, ook laat hij ze uit en zij keeren de aarde om.

16 Bij hem is kracht en wijsheid ; zijne is de dwalende en die doet dwalen.

17 Hij voert de raadsheeren beroofd weg, en de rechters maakt hij uitzinnig.

18 Den band der Koningen maakt hij los, en hij bindt den gordel aan hunne lendenen.

19 Hij voert de oversten beroofd weg, en de machtigen keert hij om.

20 Hij beneemt den getrouwen de spraak, en der ouden oordeel neemt hij weg.

21 Hij giet verachting over de Prinsen uit, en hij verslapt den riem der geweldigen.

22 Hij openbaart de diepten uit de duisternis, en des doods schaduw brengt hij voort in het licht.

23 Hij vermenigvuldigt de volkeren en verderft ze; hij breidt de volkeren uit en leidt ze.

24 Hij neemt het hart van de hoofden des volks der aarde weg, en doet ze dwalen in het woeste waar geen weg is;

25 zij tasten in de duisternis waar geen licht is, en hij doet ze dwalen als een dronkaard.

HOOFDSTUK 13.

Zie, dat alles heeft mijn oog gezien, mijn oor gehoord èn verstaan :

2 gelijk gijlieden het weet, weet ik het óók; ik zwicht niet voor u.

3 Maar ^k zal tot den Almachtige spreken, en ben belust mij te verdedigen voor God.

4 Want gawisselijkgij zijt leugenstoffeerders, gij allen zijt nietige medicijnmeesters.

5 Och of gij gansch stilzweegt! Dat zoude ulieden voor wijsheid wezen.

6 Hoort toch mijne verdediging, en merkt op de twistingen mijner lippen.

7 Zult gij voor God onrecht spreken, en zult gij voor hem bedriegerij spreken?

8 Zult gij zijn aangezicht aannemen ? Zult gij voor God twisten ?

9 Zal het goed zijn als hij u zal onderzoeken? Zult gij met hem spotten gelijk men met een mensch spot?

10 Hij zal u gewisselijk bestraffen, zoo gij in het verborgen het aangezicht aanneemt.

11 Zal u niet zijne hoogheid verschrikken en zijne vreeze u overvallen?

12 Uwe gedachtenissen zijn gelijk asch, uwe hoogten als hoogten van leem.

13 Houdt stille van mij opdat ik spreke , en daar ga over mij wat het zij.

14 Waarom zoude ik mijn vleesch in mijne tanden nemen en mijne ziele in mijne hand stellen?

15 Zie , zoo hij mij doodde , zoude ik niet hopen? Evenwel zal ik mijne wegen voor zijn aangezicht verdedigen.

16 Ook zal hij mij tot zaligheid zijn; maar een huichelaar zal voor zijn aangezicht niet komen.

17 Hoort naarstiglijk mijne re- . de, en mijne aanwijzing met uwe ooren.

18 Zie nu, ik heb het recht ordelijk gesteld, ik weet dat ik rechtvaardig zal verklaard worden.

19 Wie is hij die met mij twist? Wanneer ik nu zweeg, zoo zoude ik den geest geven.

20 Alleenlijk doe twee dingen niet met mij, dan zal ik mij van uw aangezicht niet verbergen:

21 doe uwe hand verre van op


-ocr page 618-

604 J O B 1

mij, en uwe verschrikking make mij niet verbaasd.

22 Roep dan, en ik zal antwoorden; of ik zal spreken, en geef mij antwoord.

23 HoeVele misdaden en zonden heb ik? Maak mijne overtreding en mijne zonden mij bekend.

24 Waarom verberg t gij uw aangezicht en houdt mij voor uwen vijand ?

25 Zult gij een gedreven blad verbrijzelen, en zult gij eenen drogen stoppel vervolgen?

2G Want gij schrijft tegen mij bittere dingen, en gij doet mij erven demisdaden mijner jonkheid;

27 gij legt ook mijne voeten in den stok, en neemt alle mijne paden waar; gij drukt u in de wortelen mijner voeten:

28 en hij veroudert als eene verrotting, als een kleed dat de mot opeet.

HOOFDSTUK 14.

Do mensch, van eene vrouw geboren, is kort van dagen en zat van onrust.

2 Hij komt voort als eene bloem en wordt afgesneden, ook vlucht hij als eene schaduw en bestaat niet.

3 Toch doet gij uwe oogen over zulk eenen open, en gij betrekt mij in het gericht met li.

4 Wie zal eenen reine geven uit den onreine? Niet één.

5 Dewijl zijne dagen bestemd zijn, het getal zijner maanden bij u is, en gij zijne bepalingen gemaakt hebt, die hij niet overschrijden zal:

6 wend u van hem af, dat hij ruste hebbe, totdat hij als een daglooner aan zijnen dag een welgevallen hebbe.

7 Want voor eenen boom, als hij afgehouwen wordt, is er verwachting, dat hij zich nog zal veranderen en zijne scheute niet zal ophouden;

8 indien zijn wortel in de aarde veroudert, én zijn stam in het stof versterft,

9 hij zal van den reuk der wateren weder uitspruiten, en zal eenen tak maken gelijk eene plant.

i, 15.

10 Maar een man sterft als hij verzwakt is, en de mensch geeft den geest: waar is hij dan?

11 De wateren verloopcn uit een meer, en eene rivier droogt uit en verdort:

12 alzoo ligt de mensch neder en staat niet op; totdat, de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken noch uit hunnen slaap opgewekt worden.

13 Och of gij mij ifi het graf verstaakt, mij verborgt, totdat uw toorn zich afkeerde; dat gij mij eene bepaling steldet, en mijner gedachtig waart!

14 Als een man gestorven is, zal hij weder leven? Ik zoude alle de dagen mijns strijds hopen, totdat mijne verandering komen zoude,

15 dat gij zoudt roepen , on ik u zoude antwoorden; dat gij tot het werk uwer handen zoudt begeerig zijn.

quot;10 Maar nu telt gij mijne treden, gij bewaart mij niet om mijner zonden wil,

17 mijne overtreding is in een bundelken verzegeld, en gij pakt mijne ongerechtigheid opéén.

18 En voorwaar, een berg vallende vergaat, en eene rots wordt verzet uit hare plaats;

19 de wateren vermalen de stec-nen, het stof der aarde overstelpt het gewas dat van zelf daaruit voortkomt: alzoo verderft gij de verwachting des menschen.

20 Gij overweldigt hem in eeuwigheid , en hij gaat henen; veranderende zijn gelaat, zoo zendt gij hem weg.

quot;21 Zijne kinderen komen tot eere en hij weet het niet, of zij worden klein en hij let niet op hen;

22 maar zijn vleesch norj aan hem zijnde heeft smarte, eii zijne ziele in hem zijnde heeft rouw.

HOOFDSTUK 15.

Toen antwoordde Elifaz de Te-maniet en zeide:

2 Zal een wijs man winderige wetenschap voor antwoord geven, en zal hij zijnen buik vullen met oostenwind,

3 bestraffende door woorden dié


-ocr page 619-

niet baten , cn door redenen met welke Itij geen voordeel doet?

4 Ja, gij vernietigt devreeze, en neemt het gebed voor het aangezicht Godes weg.

5 Want uw mond leert uwe ongerechtigheid, en gij hebt de tong der arglistigen verkoren.

0 Uw mond verdoemt u, en niet ik; en uwe lippen getuigen tegen u.

7 Zijt gij de eerste een mensch geboren , of zijt gij vóór de heuvelen voortgebracht?

8 Hebt gij den verborgen raad Gods gehoord, en hebt gij de wijsheid naar u getrokken?

9 Wat weet gij, dat wij niet weten? Wat verstaat gij, dat bij ons niet is?

10 Onder ons is óók een grijze, ja een stokoude, meerder van dagen dan uw vader.

11 Zijn de vertroostingen Gods u te klein, en schuilt er ccnige zake bij u?

12 Waarom rukt uw harte u weg, en waarom wenken uwe oogen,

13 dat gij uwen geest keert tegen God, en zulke redenen uit uwen mond laat uitgaan?

14 Wat is de mensch, dat hij zuiver zoude zijn, en die geboren is van eene vróuw, dat hij rechtvaardig zoude zijn?

15 Zie, op zijne heiligen zoude hij niet vertrouwen, en de hemelen zijn niet zuiver in zijne oogen:

1G hoeveel te meer is een man gruwelijk en stinkende, die het onrecht indrinkt als water!

17 Ik zal u wijzen, hoor mij aan, en hetgeen ik gezien heb, dat zal ik vertellen:

18 hetwelk de wijzen verkondigd hebben, en men voor hunne vaderen niet verborgen heelt:

19 denwelken alléén het land gegeven was, en door welker midden niemand vreemds doorging-

20 Te allen dage doet de godde-looze zichzelven weedom aan; en lueinige jaren in getale zijn voor den tyran weggelegd.

21 Het geluid der verschrikkingen is in zijne ooren; in den vre-005

de zelf komt de verwoester over hem.

22 Hij gelooft niet uit de duisternis weder te keeren, maar dat hij beloerd wordt ten zwaarde.

23 Hij zwerft heen en weder om brood, waar het zijn mag; hij weet dat bij zijne hand gereed is de dag der duisternis.

24 Angst en benauwdheid verschrikken hem, zij overweldigt hem gelijk een Koning bereid ten strijde.

25 Want hij strekt tegen God zijne hand uit, en tegen den Almachtige stelt hij zich gewel-diglijk aan:

26quot; hij loopt tegen hem aan met den hals, met zijne dikke, hoog verheven schilden;

27 omdat hij zijn aangezicht met zijn vet bedekt heeft, en rimpelen gemaakt om do lendenen,

28 en heeft bewoond verdelgde steden, en huizen die men niet bewoonde, die gereed waren tot sfóenhoopen te worden.

29 Hij zal niet rijk worden, en zijn vermogen zal niet bestaan; en hunne volmaaktheid zal zich niet uitbreiden op de aarde.

30 Hij zal de duisternis niet ontwijken; de vlam zal zijnen scheut verdrogen, en hij zal wijken door het geblaas zijns monds.

31 Hij betrouwe niet op ijdelheid, tvanrdoor hij verleid wordt; want ij delheid zal zijne vergelding wezen.

32 Als zijn dag nog niet is, zal hij vervuld worden, want zijn tak zal niet groenen.

33 Men zal zijne onrijpe druiven afrukken als van een wijnstok, en zijn bloeisel afwerpen \'als van een olijfboom.

34 Want de vergadering derquot; huichelaren wordt eenzaam, en het vuiif verteert de tenten der geschenken.

35 Zij ontvangen moeite en baren ijdelheid, en hun harte richt bedrog aan.

HOOFDSTUK 16.

Maar Job antwoordde en zeide:

2 Ik heb vele dergelijke dingen

JOB 10.


-ocr page 620-

JOB 17.

60G

gehoord; gij allen zijt moeielijke vertroosters.

3 Zul er een einde zijn aan de winderige woorden? Of wat stijft u, dat gij alzóó antwoordt?

4 Zoude ik ook als gijlieden spreken, indien uwe ziele ware in mijner ziele plaats? Zoude ik woorden tegen u samenhoopen, en zoude ik over u met mijn hoofd schudden?

5 Ik zoude u versterken met mijnen mond, en do1- beweging mijner lippen zoude zich inhouden.

G Zoo ik spreek, mijne smarlc wordt niet ingehouden; en houd ik op, wat gaat er van mij weg?

7 Gewis hij heeft mij nu vermoeid; gij hebt mijne gansche vergadering verwoest.

8 Dat gij mij rimpelig gemaakt hebt is tot een getuige; en mijne magerheid staat tegen mij op, zij getuigt in mijn aangezicht.

9 Zijn toorn verscheurt, en hij haat mij , hij knerst over mij met zijne tanden ; mijn wederpartij der scherpt zijne oogen tegen mij.

10 Zij gapen met hunnen mond legen mij, zij slaan met smaadheid op mijn kinnebakken; zij vervullen zich te zamen aan mij.

11 God heeft mij den verkeerde overgegeven , en heeft mij afgewend in de handen der goddo-loozen.

12 Ik had ruste, maar hij heeft mij verbroken, en bij mijnen nek gegrepen en mij verpletterd , en liij heeft mij zich tot een doelwit opgericht.

13 Zijne schutters hebben mij omringd; hij heeft mijne nieren doorspleten en niet gespaard; hij heeft mijne gal op de aarde uitgegoten.

14 Hij heeft mij gebroken met breuk op breuk; hij is tegen mij aangeloopen als een geweldige.

15 Ik heb een zak over mijne huid genaaid, ik heb mijnen hoorn • in het stof gedaan,

16 mijn aangezicht is gansch bemodderd van weenen , en over mijne oogleden is des doods scha-duwe,

17 daar toch geen wrevel in mijne handen is, en mijn gebed zuiver is.

18 O aarde, bedek mijn bloed niet; en voor mijn geroep zij geen plaats.

19 Ook nu, zie, in den hemel is mijn getuige en mijn getuige in de hoogten.

20 Mijne vrienden zijn mijne bespotters, doch mijn oog druipt tot God.

21 Och mocht men richten voor een man met God, gelijk een kind des menschen voor zijnen vriend!

22 Want iveinigp. jaren in getale zullen er nog aankomen, en ik zal het pad henen gaan ivaarcloor ik niet zal wederkeeren.

HOOFDSTUK 17.

Mijn geest is verdorven , mijne dagen worden uitgebluscht, de graven zijn voor mij.

2 Zijn er niet bespotters bij mij, en overnacht niet mijn oog in hun-lieder verbittering ?

3 Zet toch bij, stel mij een borg bij u: wie zal hij zijn? Dat in mijne hand geklapt worde.

4 quot;Want hun hart hebt gij voor kloek verstand verborgen; daarom zult gij hen niet verhoogen.

5 Die met vleiing den vrienden loot aanzegt, ook zijner kinderen oogen zullen versmachten.

6 Doch hij heeft mij tot een spreekwoord der volkeren gesteld, zoodat ik een trommelslag ben voor ieders aangezicht.

7 Daarom is mijn oog door verdriet verdonkerd, en alle mijne ledematen zijn gelijk eene schaduw.

8 De oprechten zullen hierover verbaasd zijn , en de onschuldige zal zich tegen den huichelaar opmaken ;

9 en de rechtvaardige zal zijnen weg vasthouden, en die rein van handen is zal in sterkte toe nemen.

10 Maar toch gij allen, keert weder en komt nuquot;, want ik vind onder u geenen wijze.

11 Mijne dagen zijn voorbijgegaan, uitgerukt zijn mijne gedachten, de bezittingen mijns harten.

12 Den nacht stellen zij tot een


-ocr page 621-

18, 19.

JOB

607

dag; het licht is nabij den undcr-gang vanwege de duisternis.

13 Zoo ik wacht, het graf zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden;

14 tot de groeve roep ik : Gij zijt mijn vader; tot het gewormte: Mijne moeder en mijne zuster;

15 waar ztmde dan nu mijne verwachting wezen? Ja mijne verwachting , wie zal ze aanschouwen V

KJ Zij zullen nedervaren met de handboomen des grafs, als er ruste te zamen in het stof wezen zal.

HOOFDSTUK 18.

Toen antwoordde Bildad de Subiet en zeide:

2 Hoelang is het d:it gijlieden een einde van woorden zult maken? Merkt op, en daarna zullen wij spreken.

3 Waarom worden wij geacht als beesten, en zijn onrein in ulie-der oogen?

4 O gij die zijne ziele verscheurt door zijnen toorn, zal om uwentwille de aarde verlaten worden , en zal eene rots verzet worden uit hare plaats?

5 Ja, net licht der goddeloozen zal uitgebluscht worden, en de vonk zijns vuurs zal niet glinsteren.

6 Het licht zal verduisteren in zijne tent, en zijne lamp zal over hem uitgebluscht worden.

7 De treden zijner macht zullen benauwd worden, en zijn raad zal hem nederwerpen.

8 Want met zijne voeten zal hij in het net geworpen worden, en zal in het wargaren wandelen:

9 de strik zal hem bij de verzenen vatten, de struikroover zal hem overweldigen.

10 Zijn touw is in de aarde verborgen, en zijn val op het pad.

11 De beroeringen zullen hem rondom verschrikken, en hem verstrooien op zijne voeten.

12 Zijne macht zal hongerig wezen , en het verderf is bereid aan zijne zijde.

13 De eerstgeborene des doods zal de grendelen zijner huid verteren, zijne grendelen zal hij verteren.

14 Zijn vertrouwen zal uit zijne tent uitgerukt worden ; zulks quot;zal hem doen treden tot den Koning der verschrikkingen.

15 Zij (do verschrikking) zal wonen in zijne tent, daar zij de zijne niet is ; zijne woning zal met zwavel overstrooid worden.

16 Van onderen zullen zijne wortelen verdorren, en van boven zal zijn tak afgesneden worden.

17 Zijne gedachtenis zal vergaan van de aarde, en hij zal geenen naam hebben op de straat.

18 Men zal hem stooten van het licht in de duisternis, en men zal hem van de wereld verjagen.

19 Hij zal geenen zoon noch neef hebben onder zijn volk , en niemand zal in zijne woningen overig zijn.

20 Over zijnen dag zullen de nakomelingen verbaasd zijn, en de ouden met schrik bevangen worden.

21 Gewisselijk zoodanig zijn de woningen des verkeerden , èn dit is de plaats desgenen die God niet kent.

HOOFDSTUK 19.

Maar Job antwoordde en zeide:

2 Hoelang zult gijlieden mijne ziele bedroeven, en mij met woorden verbrijzelen?

3 Gij hebt nu tienmaal schande mij aangedaan; gij schaamt u niet, gij verhardt u tegen mij.

4 Maar ook het zij waarlijk dat ik gedwaald heb , mijne dwaling zal bij mij vernachten.

5 Indien gijlieden waarlijk u verheft tegen niij, en mijnen smaad tegen mij drijft,

6 weet nu dat God mij heeft omgekeerd, en mij met zijn net omsingeld.

7 Zie, ik roep geweld, doch word niet verhoord; ik schreeuw, doch daar is geen recht.

8 Hij heeft mijnen weg toege-muurd dat ik niet doorgaan kan, en over mijne paden heeft hij duisternis gesteld.

9 Mijne eer heeft hij van mij


-ocr page 622-

JOB 20.

608

afgetrokken, en de kroon mijns hoofds heelt hij weggenomen.

10 Hij heeft mij rondom afgebrokenzoodat ik henenga, en heeft mijne verwachting als cenen boom weggerukt.

11 Daartoe heeft hij zijnen toorn tegen mij ontstoken, en mij bij zich geacht als zijne vijanden.

12 Zijne benden zijn te zamen aangekomen, en hebben tegen mij hunnen weg gebaand, en hebben zich gelegerd rondom mijne tente.

13 Mijne broeders heeft hij verre van mij gedaan, en die mij kennen, zekerlijk zij zijn van ni ij vervreemd.

14 Mijne nabestaanden houden op , en mijne bekenden vergeten mij.

15 Mijne huisgenooten en mijne dienstmaagden achten mij voor eenen vreemde; eenuitlander ben ik in hunne oogen.

10 Ik riep mijnen knecht en hij antwoordde niet; ik smeekte met mijnen mond tot hem.

17 Mijn adem is aan mijne huisvrouw vreemd, en ik smeek om der kinderen mijns schoots wille.

18 Ook versmaden mij de jonge kinderen; sta ik op, zoo spreken zij mij tegen.

19 Alle menschen mijns heime-lijken raads hebben eenen gruwel aan mij, en die ik liefhad zijn tegen mij gekeerd.

20 Mijn gebeente kleeft aan mijne huid en aan mijn vleesch, en ik ben ontkomen met de huid mijner tanden.

21 Ontfermt u mijner, ontfermt u mijner, o gij mijne vrienden, want de hand Gods heeft mij aangeraakt.

22 Waarom vervolgt gij mij als God, en wordt niet verzadigd van mijn vleesch?

23 Och of nu mijne woorden toch opgeschreven wierden! Och of zij in een boek ook wierden opgetee-kend!

24 Dat zij met eene ijzeren griffie en lood voor eeuwig in eene rots gehouwen wierden!

25 Want ik weet, mijn Verlosser leeft, en hij zal de laatste over het stof opstaan;

26 en als zij na mijne huid dit doorknaagd zullen hebben, zal ik uit mijn vleesch God aanschouwen ;

27 denwelken ik voor mij aanschouwen zal, en mijne oogen zien zullen, en niet een vreemde: mijne nieren verlangen zeer in mijnen schoot.

28 Voorwaar gij zoudt zeggen: Waarom vervolgen wij hem? Na-demaal de wortel der zaak in mij gevonden wordt.

29 Schroomt vanwege het zwaard, want de grimmigheid is over de misdaden des zwaards, opdat gij weet dat er een gericht is.

HOOFDSTUK 20.

Toen antwoordde Zofar de Naii-mathiet en zeide:

2 Daarom doen mijne gedachten mij antwoorden, en overzulks is mijn verhaasten in mij.

3 Ik heb aangehoord eene bestraffing die mij schande aandoet; maar de geest zal uit mijn verstand voor mij antwoorden.

4 Weet gij dit, van altoos af, van dat God den mensch op de wereld gezet heeft,

5 dat het gejuich der goddeloo-zen van nabij geweest is, en de vreugde des huichelaars vooi\' een oogenblik ?

ü Wanneer zijne hoogheid tot den hemel toe opklom, en zijn hoofd tot aan de wolken raakte,

7 zal hij gelijk zijn drek in eeuwigheid vergaan; die hem gezien hadden zullen zeggen: Waar is hij?

8 Hij zal wegvliegen als een droom, dat men hem niet vinden zal, en hij zal verjaagd worden als een gezicht des nachts.

9 Het oog dat hem zag zal het niet meer doen, en zijne plaats zal hem niet meer aanschouwen.

10 Zijne kinderen zullen zoeken de armen te behagen, en zijne handen zullen zijn vermogen weder moeten uitkeeren.

11 Zijne beenderen zullen vol van zijne verborgen zonden zijn, van welke elkeen met hem op het stof nederliggen zal.

12 Indien het kwaad in zijnen


-ocr page 623-

mond zoet is, hij dat verbergt onder zijne tong,

43 hij dat spaart en hetzelve niet verlaat, maar dat in het midden van zijn gehemelte inhoudt, —

14 zijne spijze zal in zijn ingewand veranderd worden, gal der adderen zal zij in het binnenste van hem zijn.

15 Hij heeft goed ingeslokt, maar zal het uitspuwen; God zal het uit zijnen buik uitdrijven.

16 Het vergif der adderen zal hij zuigen, de tong der slang zal hem dooden.

17 De stroomen, rivieren, beken van honig en boter zal hij niet zien.

18 Den arbeid zal hij wedergeven en niet inslokken; naar het vermogen zijner verandering, zoo zal hij van vreugde niet opspringen.

19 Omdat hij onderdrukt heeft, de armen verlaten heeft, een huis geroofd heeft dat hij niet opgebouwd had;

20 omdat hij geen rust in zijnen buik gekend heeft, zoo zal hij van zijn gewenscht goed niet behouden.

21 Daar zal niet overig zijn dat hij ete ; daarom zal hij niet wachten naar zijn goed.

22 Als zijne genoegzaamheid zal vol zijn, zal hem bange zijn; alle hand des ellendigen zal over hem komen.

23 Daar zij wat om zijnen buik te vullen — God zal over hem de hitte zijnstoorns zenden, en over hem regenen op zijne spijze.

24 Hij zij gevloden van de ijzeren wapenen — de stalen boog zal hem doorschieten.

25 Men zal het zwaard uittrekken, het zal uit het lijf uitgaan, en glinsterend uit zijne gal voortkomen ; verschrikkingen zullen over hem zijn.

26 Alle duisternis zal verborgen zijn in zijne schuilplaatsen, een vuur dat niet aangeblazen is zal hem verteren, den overigen in zijne tent zal het kwalijk gaan.

27 De hemel zal zijne ongerechtigheid openbaren, en de aarde zal zich tegen hem opmaken.

609

28 De inkomst van zijn huis zal weggevoerd worden; het zal alles henenvloeien in den daquot;-zijns toorns.

29 Dit is het deel des goddeloo-zen menschen van God, en de erve zijner redenen van God.

HOOFDSTUK 21.

Maar Job antwoordde en zeidc:

2 Hoort aandachtiglijk rnijne rede, en laat dit zijn uwe vertroostingen.

3 Verdraagt mij en ik zal spreken; en nadat ik gesproken zal hebben, spot dan.

4 Is (mij aangaande) mijne klach-te tot den mensch? Doch of het zoo ware, waarom zoude mijn geest niet verdrietig zijn?

5 Ziet mij aan en wordt verbaasd, en legt de hand op den mond.

6 Ja wanneer ik daaraan ge-denke, zoo word ik beroerd, en heeft een gruwen mijn vleesch gevat.

7 Waarom leven degoddeloozen, worden oud. ja worden geweldig in vermogen?

8. Hun zaad is bestendig met hen voor hun aangezicht, en hunne spruiten zijn voor hunne oogen.

9 Hunne huizen hebben vrede zonder vreeze, en de roede Gods is op hen niet.

10 Zijn stier bespringt en mist niet; zijne koe kaltt en misdraagt niet.

11 Hunne jonge kinderen zenden zij uit als eene kudde, en hunne kinderen huppelen.

12 Zij herten op met de trommel en de harp, en zij verblijden zich op het geluid des orgels.

13 In het goede verslijten zij hunne dagen, en in een oogenblik dalen zij in het graf.

14 Nogtans zeggen zij tot God: Wijk van ons, want aan de ken-nisse uwer wegen hebben wij geen lust.

15 Wat is de Almachtige, dat wij hem zouden dienen? En wat baat zullen wij hebben, dat wij hem aanloopen zouden?

16 Doch zie, hun goed is niet

JOB 21.


20

-ocr page 624-

JOB 22.

610

in hunne hand; de raad der god-deloozen is verre van mij.

17 Hoe dikwijls geschiedt het dat de lamp der goddeloozen uit-gebluscht wordt, en hun verderf hun overkomt; dat God/um smarten uitdeelt in zijnen toorn;

18 dat zij gelijk stroo worden voor den wind, en gelijk katquot; dat de wervelwind wegsteelt;

19 dat God zijn geweld weglegt voor zijne kinderen, hem vergeldt, dat hij het gewaar wordt;

20 dat zijne oogcn zijnen ondergang zien, en hij drinke van de grimmigheid des Almachtigen!

21 Want wat lust zoude hij na zich aan zijn huis hebben, als het getal zijner maanden afgesneden is?

22 Zalmen Godwetenschap lee-ren, daar hij de hoogen richt?

23 Deze sterft in de kracht zijner volkomenheid, daar hij gansch stille en gerust was;

24 zijne melkvaten waren vol melk, en het merg zijner beenen was bevochtigd.

25 De ander daarentegen sterft met eene bittere ziel, en hij heeft van het goede niet gegeten.

26 Zij liggen te zamen neder in het stof, en het gewormte overdekt ze.

27 Zie, ik weet ulieder gedachten , en de booze verdichtselen waarmede gij tegen mij geweld doet.

28 Want gij zult zeggen: Waar is het huis van den Prins, en waar is de tent van de woningen der goddeloozen?

29 Hebt gijlieden niet gevraagd de voorbij gaanden op den weg, en kent gij hunne teekenen niet:

30 dat de booze onttrokken wordt ten dage des verderfs; dat zij ten dage der verbolgenheid ontvoerd worden ?

31 Wie zal hem in het aangezicht zijnen weg vertoonen? Als hij wat doet, wie zal hem vergelden ?

32 Eindelijk wordt hij naar de graven gebracht, en is gedurig in den aardhoop.

33 De kluiten des dals zijn hem zoet, en hij trekt tot zich alle menschen, en dergenen die vóór hem geweest zijn is geen getal.

34 Hoe vertroost gij mij dan met ij delheid, dewijl in uwe antwoorden overtreding overig is?

HOOFDSTUK 22.

Toen antwoordde Elifaz de Tema-niet en zeide:

2 Zal ook een man Gode voor-deelig zijn? Maar voor zichzelven zal de verstandige voordeelig zijn.

3 Is het voor den Almachtige nuttigheid dat gij rechtvaardig zijt, of gewin dat gij uwe wegen volmaakt?

4 Is het om uwe vreeze dat hij u bestraft, dat hij met u in het gericht komt?

5 Is niet uwe boosheid, groot, en uwer ongerechtigheden geen einde ?

6 Want gij hebt uwen broederen zonder oorzaak pand afgenomen, en de kleederen der naakten hebt gij uitgetogen;

7 den moede hebt gij geen water te drinken gegeven, en aan den hongerige hebt gij hel brood onthouden;

8 maar was er een man van geweld, voor dien was het land, en een aanzienlijk persoon woonde daarin:

9 de weduwen hebt gij ledig weggezonden, en de armen der weezen zijn verbrijzeld.

10 Daarom zijn strikken rondom u, en vervaardheid heeft u haas-telijk beroerd.

11 Of gij ziet de duisternis niet, en des waters overvloed bedekt u.

12 Is niet God in de hoogte dei-hemelen? Zie toch het opperste der sterren aan, dat zij verheven zijn.

13 Daarom zegt gij: Wat weet er God van ? Zal hij door de donkerheid oordeelen?

14 De wolken zijn hem eene verberging , dat hij niet ziet; en hij bewandelt den omgang der hemelen.

15 Hebt gij het pad der eeuw waargenomen, dat de ongerech-tige lieden betreden hebben?

16 die rimpelig gemaakt zijn als


-ocr page 625-

JOB

het de tijd niet was; een vloed is over hunnen grond uitgestort;

17 die zeiden tot God: Wijk vim ons: en wat had de Almachtige hun gedaan?

18 Hij had immers hunne huizen met goed vervuld. Daarom is de raad der goddeloozen verre van mij.

19 De rechtvaardigen zagen het en waren blijde, en de onschuldige bespotte hen,

20 dewijl onze stand niet verdelgd is, maar het vuur hun over-b\'ijfsel verteerd heeft.

21 Gewen u toch aan hem, en heb vrede; daardoor zal u het goede overkomen.

22 Ontvang toch de wet uit zijnen mond, en leg zijne redenen in uw harte.

23 Zoo gij u bekeert tot den Almachtige, gij zult gebouwd worden; doe het onrecht verre van uwe tenten.

24 Dan zult gij het goud op het slof leggen, en het goud van Ofir bij den rotssteen der beken.

25 Ja de Almachtige zal uw overvloedig goud zijn en u krachtig zilver zijn;

26 want dan zult gij u over den Almachtige verlustigen, en gij zult tot God uw aangezicht op-heffen.

27 Gij zult tot hem ernstiglijk bidden, en hij zal u verhoeren; en gij zult uwe geloften betalen.

28 Als gij eene zaak besluit, zoo zal zij u bestendig zijn; en op uwe wegen zal het licht, schijnen.

29 Als men iemand vernederen zal, en gij zeggen zult: Het zij verhooging, dan zal God den nederige van oogen behouden.

30 Ja, hij zal dien bevrijden die niet onschuldig is, want hij wordt bevrijd door de zuiverheid uwer handen.

HOOFDSTUK 23.

Maar Job antwoordde en zeide:

2 Ook heden is mijne klacht wederspannigheid; mijne plage is zwaar boven mijn zuchten.

3 Och of ik quot;wist dat ik hem 23, 24. 611

vinden zoude! Ik zoude tot zijnen stoel komen:

4 ik zoude het recht voor zijn aangezicht ordelijk voorstellen, en mijnen mond zoude ik met verdedigingen vervullen;

5 ik zoude de redenen weten die hij mij antwoorden zoude, en verstaan wat hij mij zeggen zoude.

6 Zoude hij naar de grootheid zijner macht met mij twisten ? Neen, maar hij zoude acht op mij slaan.

7 Daar zoude de oprechte met hem pleiten, en ik zoude mij in eeuwigheid van mijnen Rechter vrijmaken.

8 Zie, ga ik voorwaarts, zoo is hij daar niet, of achterwaarts, zoo verneem ik hem niet;

9 als hij ter linkerhand werkt, zoo aanschouw ik hom niet; bedekt hij zich ter rechterhand, zoo zie ik hem niet.

10 Doch hij kent den weg die bij mij is; hij beproeve mij: als goud zal ik uitkomen.

11 Aan zijnen gang heeft mijn voet vastgehouden; zijnen weg heb ik bewaard, en ben niet afgeweken.

12 Het gebod zijner lippen heb ik ook niet weggedaan; de redenen zijns monds heb ik meer dan mijn bescheiden deel weggelegd.

13 Maar is hij tegen iemand , wie zal hem dan afkeeren? Wat zijne ziele begeert, dat zal hij dóen.

14 Want hij zal volbrengen wat over mij bescheiden is, en dergelijke dingen zijn er vele bij hem.

15 Hierom word ik voor zijn aangezicht ontroerd, aanmerk het, en vrees voor hem;

16 want God heeft mijn harte week gemaakt, en de Almachtige heeft mij beroerd;

17 omdat ik niet uitgedelgd ben .voor de duisternis, en dat hij van mijn aangezicht de donkerheid bedekt heeft.

HOOFDSTUK 24.

Waarom zouden van den Almachtige de tijden niet verborgen zijn.


-ocr page 626-

612

dewijl, die hem kennen zijne dagen niet zien?

2 Zij tasten de landpalen aan, de kudde rooven zij en weiden zij,

3 Den ezel der weezen drijven zij weg, den os eener weduwe nemen zij te pand.

4 Zij doen de nooddruftigen wijken van den weg, te zamen versteken zich de ellendigen des lands.

5 Zie, zij zijn woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk , makende zich vroeg op ten roof; het vlakke veld is hem tot spijze en den jongeren.

(5 Op het veld maaien zij zijn voeder, en den wijnberg des god-deloozen Jezen zij af.

7 Den naakte laten zij vernachten zonder kleeding, die geen deksel heeft tegen de koude.

8 Van den stroom der bergen worden zij nat, en zonder toevlucht zijnde, omhelzen zij de steenrotsen.

9 Zij rukken het weesje van de borst, en wat over den arme ligt nemen zij te pand.

1U Den naakte doen zij weggaan zonder kleed, en hongerig die garven dragen.

11 Tusschen hunne muren persen zij olie uit, treden de wijnpersen en zijn dorstig.

12 Uit de stad zuchten de lieden, en de ziele der verwonden schreeuwt uit, nogtans beschikt God niets ongerijmds.

13 Zij zijn onder de wederstre-vers des lichts; zij kennen zijne wegen niet, en zij blijven niet op zijne paden.

14 Met het licht staat de moordenaar op, doodt den arme en den nooddruftige; en des nachts Is hij als een dief.

15 Ook neemt het oog des over-spelers de schemering waar, zeggende: Geen oog zal mij zien; en hij legt een deksel op het aangezicht.

16 In de duisternis doorgraaft hij de huizen, die zij zich des daags afgeteekend hadden; zij kennen het licht niet.

17 Want de morgenstond is hun te zamen de schaduwe des doods; als men hen kent, zijn zij in de

schrikken van des doods schaduwe.

18 Hij is licht op het vlakke der wateren; vervloeid is hun deel op aarde; hij wendt zich niet tot den weg der wijngaarden.

19 De droogte mitsgaders de hitte nemen de sneeuwwateren weg; alzóó het graf degenen die gezondigd hebben.

20 De baarmoeder vergeet hem, het gewormte is hem zoet, zijns wordt niet meer gedacht; en het onrecht wordt gebroken als een hout.

21 De onvruchtbare, die niet ï baart, teert hij af, en der weduwe 1 doet hij niets goeds.

22 Ook trekt hij do machtigen door zijne kracht; staat hij op, zoo is men des levens niet zeker. |

23 Stelt hem God in gerustheid, zoo steunt hij daarop; nogtans zijn zijne oogen op hunne wegen.

24 Zij zijn een weinig tijds verheven, daarna is er niemand van hen; zij worden nedergedrukt, \' gelijk alle anderen worden zij I besloten, en gelijk de top eener \' aar worden zij afgesneden. |

25 Indien het nu zoo niet is, 1 wie zal mij leugenachtig maken ! en mijne rede tot niet brengen? |

HOOFDSTUK 25.

Toen antwoordde Bildad de Su- j hiet en zeide:

2 Heerschappij en vreeze zijn hij hem; hij maakt vrede in zijne hoogten.

3 Is er een getal zijner benden ? En over wien staat zijn licht niet op?

4 Hoe zoude dan een mensch \\: rechtvaardig zijn bij God, en hoe zoude hij zuiver zijn die van eene j vrouw geboren is?

5 Zie, tot de maan toe, en zij zal geen schijnsel geven, en de sterren zijn niet zuiver in zijne oogen:

6 hoeveel te min de mensch, die eene made is, en des men-schen kind, die een worm is!

HOOFDSTUK 26.

Maar Job antwoordde en zeide:

2 Hoe hebt gij geholpen dien

JOB 25, 26.


-ocr page 627-

JOB 27.

613

die zonder kracht is, en behouden 1 den arm die zonder sterkte is?

3 Hoe hebt gij hem geraden die geene wijsheid heeft, en de zaak, zooals zij is, ten volle bekend gemaakt?

4 Aan wien hebt gij die woorden verhaald? En wiens geest is van u uitgegaan?

5 De dooden zullen geboren worden van onder de wateren en hunne inwoners.

6 De hel is naakt voor hem, en geen bedekking is er voor het verderf.

7 Hij breidt het Noorden uit over het woeste; hij hangt de aarde aan een niets.

8 Hij bindt de wateren in zijne wolken ; nogtans scheurt de wolke daaronder niet.

9 Hij houdt het vlakke zijns troons vast; hij spreidt zijne wolke daarover.

10 Hij heeft een gezet perk over hot vlakke der wateren rondom afgeteekend, tot aan de voleinding toe des lichts met de duisternis.

11 Do pilaren dos hemels sidderen en ontzetten zich voor zijn schelden.

12 Door zijne kracht klieft hij de zee , en door zijn verstand verslaat hij hare verheffing.

13 Door zijnen Geest heeft hij de hemelen versierd; zijne hand heeft de langwemelendc slang geschapen.

14 Zie, dit zijn maar uiterste einden zijner wegen; en wat een klein stuksken der zaak hebben wij van hem gehoord! Wie zoude dan den donder zijner mogendheden verstaan?

HOOFDSTUK 27.

En Job ging voort zijne spreuk op te heffen, en zeide:

2 Zoo luaarachtig als God leeft die mijn recht weggenomen heeft, en de Almachtige die mijne ziele-bitterheid heeft aangedaan:

3 zoolang als mijn adem in mij zal zijn: en het geblaas Gods in mijnen neus:

4 indien mijne lippen onrecht zullen spreken, en indien mijne tong bedrog zal uitspreken!

5 Het zij verre van mij dat ik ulieden rechtvaardigen zoude; totdat ik den geest zal gegeven hebben, zal ik mijne oprechtheid van mij niet wegdoen.

6 Aaii mijne gerechtigheid zal ik vasthouden , en zal ze niet laten varen; mijn harte zal die niet versmaden van mijne dagen.

7 Mijn vijand zij als de godde-looze, en die zich tegen mij opmaakt, als de verkeerde.

8 Want wat is de verwachting des huichelaars, als hij zal gierig geweest zijn, wanneer God zijne ziel zal uittrekken?

fl Zal God zijn geroep liooren als benauwdheid over hem komt?

10 Zal hij zich verlustigen in den Almachtige? Zal hij God aanroepen te aller lijd?

11 Ik zal ulieden leeren van de hand Gods; wat bij den Almachtige is zal ik niet verhelen.

12 Zie, gij zelve allen hebt het gezien: en waarom wordt gij dus door ijdelheid verijdeld?

13 Dit is het deel des goddeloo-zen menschen bij God, en fle erve der tyrannen, die zij van den Almachtige ontvangen zullen:

14 indien zijne kinderen vermenigvuldigen, het is ten zwaarde; en zijne spruiten zullen van brood niet verzadigd worden;

15 zijne overgeblevenen zullen in den dood begraven worden, en zijne weduwen zullen niet wee-nen;

16 zoo hij zilver opgehoopt zal hebben als\' slof, en kleeding bereid als leem,

17 hij zal ze bereiden, maar de rechtvaardige zal ze aantrekken, en de onschuldige zal het zilver deelen;

18 hij bouwt zijn huis als eene mot, en als een hoeder de hut maakt;

19 rijk ligt hij neder, en wordt niet weggenomen; doet hij zijne oogen open, zoo is hij er niet.

20 Verschrikkingen zullen hem als wateren aangrijpen; des nachts zal hem een wervelwind wegstelen.

21 De oostenwind zal hem wegvoeren dat hij henengaat, en zal


-ocr page 628-

614 JOB

hem wegstormen uit zijne plaatse.

22 En God zal dit over hem werpen en niet sparen; van zijne hand zal hij snellijk vlieden:

23 Een ieder zal over hern met zijne handen klappen , en over hem lluiten uit zijne plaatse.

HOOFDSTUK 28.

Gewis daar is voor het zilver een uitgang, en eene plaats voor het goud dat zij smelten;

2 het ijzer wordt uit stof genomen, en uit steen wordt koper gegoten.

3 Het einde dat God gesteld heeft voor de duisternis, en al het uiterste, onderzoekt hij: het gesteente der donkerheid en der schaduwe des doods.

4 Breekt er eene beek door hij dengenen die daar woont, de wateren vergeten zijnde van den voet, worden van den mensclruitgeput en gaan weg.

5 Uit de aarde komt het brood voort, en onder zich wordt zij veranderd alsof zij vuur ware.

6 Hare steenen zijn de /plaats van den saffier, en zij heeft stofjes van goud.

7 De roofvogel heeft het pad niet gekend, en het oog der kraai heeft het niet gezien;

8 de jonge hoogmoedige dieren hebben het niet betreden, de felle leeuw is daarover niet henenge-gaan.

9 Hij legt zijne hand aan de keiachtige rots, hij keert de bergen van den wortel om.

10 In de rotssteenen houwt hij stroomen uit, en zijn oog ziet al het kostelijke.

11 Hij bindt de rivieren toe, dat niét een traan uitkomt; en het verborgene brengt hij uit in het licht.

12 Maar de wijsheid, van waar zal zij gevonden worden? En waar is de plaatse des verstands?

13 De mensch weet hare waarde niet, en zij wordt niet gevonden in het land der levenden.

14 De afgrond zegt: Zij is in mij niet; en de zee zegt: Zij is niet bij mij.

15 Het gesloten goud kan voor

28, 29.

haar niet gegeven worden en met zilver kan haar prijs niet worden opgewogen.

16 Zij kan niet geschat worden tegen fijn goud van Ofir, tegen den kostelijken schoham of den saffier.

17 Men kan het goud of het kristal niet gelijk waardeeren; ook is zij niet te verwisselen voor een kleinood van dicht goud.

18 De ramoth en gab is zal niet gedacht worden; want de trek der wijsheid is meerder dan die der robijnen.

19 Men kan den topaas van Moo-renland haar niet gelijk waardeeren en bij het fijn louter goud kan zij niet geschat worden.

20 Die wijsheid dan , van waar komt zij? En waar is de plaatse des verstands?

21 Want zij is verholen voor de oogen aller levenden, en voor het gevogelte des hemels is zij verborgen.

22 Het verderf en de dood zeggen : Haar gerucht hebben wij met onze ooren gehoord.

23 God verstaat haren weg en hij weet hare plaatse;

24 want hij schouwt tot aan de einden der aarde, hij ziet onder alle_ do hemelen.

25 Als hij den wind het gewicht maakte, en de wateren opwoog in mate;

26 als hij den regen eene gezette orde maakte, en eenen weg voor het weerlicht der donderen:

27 toen zag hij haar, en vertelde ze, hij schikte ze, en ook doorzocht hij ze.

28 Maar tot den mensch heeft hij gezegd: Zie de vreeze des Heeren is de wijsheid, en van het kwaad te wijken is het verstand.

HOOFDSTUK 29.

En Job ging voort zijne spreuk op te heffen, en zeide:quot;

2 Och of ik ware gelijk in de vorige maanden, gelijk\' in do dagen toen God mij bewaarde!

3 toen hij zijne lampe deed schijnen over mijn hoofd, en ik


-ocr page 629-

JOB 30.

615

bij zijn licht de duisternis doorwandelde ;

4 gelijk als ik was in de dagen mijner jonkheid, toen Gods verborgenheid over mijne tente was;

5 toen de Almachtige nog met mij was, en mijne jongelingen rondom mij;

6 toen ik mijne gangen wiesch in boter, en de rots bij mij oliebeken uitgoot;

7 toen ik uitging naar de poort door de stad, toen ik mijnen stoel op de straat liet bereiden.

8 De jongelingen zagen mij en verstaken zich, en de stokouden rezen op en stonden;

9 de oversten hielden de woorden in, en leiden de hand op hunnen mond;

10 de stem der Vorsten verstak zich, en hunne tong kleefde aan hun gehemelte.

11 Als een oor mij hoorde, zoo hield het mij gelukzalig; als een oog mij zag, zoo getuigde het van mij.

12 Want ik bevrijdde den ellendige die riep, en den wees, en die geenen helper had.

13 De zegen desgeneu die verloren ging kwam op mij, en het hart der weduwe deed ik vroolijk zingen.

14 Ik bekleedde mij met gerechtigheid , en zij bekleedde mij; mijn oordeel was als een mantel en vorstelijke hoed.

15 Den blinde was ik tot oogen, en den kreupele was ik tot voeten.

16 Ik was den nooddruftigen een vader; en het geschil dat ik niet wist, dat onderzocht ik.

17 En ik verbrak de baktanden des verkeerden, en wierp den roof uit ziine tanden.

18 En ik zeide: Ik zal in mijn nest den geest geven, en ik zal do dagen vermenigvuldigen als het zand.

19 Mijn wortel was uitgebreid aan het\'water, en dauw vernachtte op mijnen tak.

\'20 Mijne heerlijkheid was nieuw bij mij, en mijn boog veranderde zich in mijne hand.

21 Zij hoorden mij aan en wachtten, en zwegen op mijnen raad.

22 Na mijn woord spraken zij niet weder, en mijne rede druppelde op hen.

23 Want zij wachtten naar mij gelijk naar den regen, en sperden hunnen mond op als naar den spaden regen.

24 Lachte ik hun toe, zij geloofden het niet; en het licht mijns aangezichts deden zij niet nedcr-vallen.

25 Verkoos ik hunnen weg, zoo zat ik bovenaan, en woonde als een Koning onder de benden, als een die treurigen vertroost.

HOOFDSTUK 30.

Maar nu lachen over mij minderen van dagen dan ik, welker vaderen ik versmaad zoude hebben om bij de honden mijner kudde te stellen.

2 Waartoe zoude mij ook geweest zijn de kracht hunner handen? Zij was door ouderdom in hen vergaan:

o die door gebrek en honger eenzaam waren, vliedende naar dorre plaatsen, in het donkere, woeste en verwoeste;

4 die ziltige kruiden plukten bij de struiken, en welker spijze was de wortel dor jeneverstruiken.

5 Zij werden uit het midden uitgedreven, (men jouwde over hen als over een dief),

6 opdat zij wonen zouden in de kloven der dalen, de holen des stofs en der steenrotsen.

7 Zij schreeuwden tusschen de struiken, onder de netelen vergaderden zij zich.

8 Zij waren kinderen der dwazen , en kinderen van geenen naam; zij waren geslagen uib den lande.

9 Maar nu ben ik hun snarenspel geworden , en ik bon hun tot oen klapwoord.

10 Zij hebben eenen gruwel aan mij, zij maken zich verre van mij, ja, zij onthouden het speeksel niet van mijn aangezicht.

11 Want hij heeft mijn zeel losgemaakt , en mij bedrukt; daarom hebben zij den breidel voor mijn aangezicht afgeworpen.


-ocr page 630-

JOU 31.

616

12 Ter. rechterhand slaat de jeugd op, zij stoeten mijne voeten uit, en banen tegen rnij hunne verderfelijke wegen.

43 Zij breken mijn pad af, zij bevorderen mijne ellende,«zij hebben geen helper van doeri.

44 Zij komen aan als door eene wijde breuke; onder de verwoesting rukken zij aan.

45 Men is met verschrikkingen tegen mij gekeerd , elkeen vervolgt als een wind mijne edele ziele, en mijn heil is als eene quot;wolk voorbijgegaan.

4G Daarom stort zich nu mijne ziele in mij uit, de dagen des druks grijpen mij aan.

17 Des nachts doorboort hij miine beenderen in mij, en mijne polsaderen rusten niet.

18 Door de veelheid der kracht is mijn kleed veranderd, hij omgordt mij als de kraag mijns roks.

19 Hij heeft mij in het slijk geworpen , en ik ben gelijk geworden aan stof en asch.

20 Ik schrei tot u, maar gij antwoordt mij niet; ik sta, maar gij acht niet op mij.

21 Gij zijt veranderd in eenen wreede tegen mij; door de sterkte uwer hand wederstaat gij mij hatelijk.

22 Gij heft mij op in den wind, gij doet-mij daarop rijden, en gij versmelt mij het wezen.

23 Want ik weet dat gij mij ter dood brengen zult, en tot liet\'huis der samenkomst aller levenden.

24 Maar hij zal tot den aardhoop de hand niet uitsteken; is er bij henlieden geschrei in zijne verdrukking?

25 Weende ik niet over hem die harde dagen had? Was mijne ziele niet beangst over den nooddruftige?

26 Nog fans toen ik het goede verwachtte, zoo kwam het kwade; toen ik hoopte naar het licht, zoo kwam do donkerheid.

27 Mijn ingewand ziedt en is niet stille; de dagen der verdruk- 1 king zijn mij voorgekomen.

28 Ik ga zwart daarhenen, niet van de zon; opstaande schreeuw ik in do gemeente.

29 Ik ben den draken een broeder geworden, en een metgezel der jonge struizen.

30 Mijne huid is zwart geworden over mij , en mijn gebeente is ontstoken van dorheid.

31 Hierom is mijne harp tot eene rouwklage geworden, en mijn orgel tot eene stemme der weenenden.

HOOFDSTUK 31.

Ik hel) een verbond gemaakt met mijne oogen, hoe zoude ik dan acht gegeven hebben op eene maagd?

2 Want wat is het deel Gods van boven, of de erve des Almach-tigen uit de hoogten?

3 Is niet het verderf voor den verkeerde, ja, wat vreemds voor de werkers der ongerechtigheid?

\'i Ziet hij niet mijne wegen, en telt hij niet alle mijne treden?

5 Zoo ik met ijdelheid omgegaan heb, en mijn voet gesneld is tot bedriegerij,

6 hij wege mij in eene rechte weegschaal, en God zal mijne oprechtheid weten.

7 Zoo mijn gang uit den weg geweken is, en mijn hart mijne oogen nagevolgd is, en aan mijne handen iets aankleeft,

8 zoo moet ik zaaien, maar een ander eten, en mijne spruiten moeten ontworteld worden.

0 Zoo mijn harte verlokt is geweest tot eene vrouw, of ik aan mijns naasten deur geloerd heb,

10 zoo moet mijne huisvrouw met een ander malen, en anderen zich over haar krommen.

11 Want dat is eene schandelijke daad, en het is eene misdaad bij de rechters.

12 Want dat is een vuur, hetwelk tot de verderving toe verteert, en al mijn inkomen ontworteld zoude hebben.

13 Zoo ik versmaad heb het recht mijns knechts of mijner dienstmaagd , als zij geschil hadden met mij;

14 (want wat zoude ik doen als God opstond? En als hij bezoeking deed, wat zoude ik hem antwoorden?

15 Heeft niet hij die mij in den


-ocr page 631-

JOB 32

617

moederschoot maakte hem óók gemaakt , en ééa ons in de baarmoeder bereid?)

16 zoo ik den armen hunne begeerte onthouden heb, of de oogen der weduwe heb laten versmachten,

17 en mijne bete alléén gegeten heb, zoodat do wees daarvan niet gegeten heeft;

18 (want van mijne jonkheid af is hij bij mij opgevoed als bij een vader, en van mijn moeders schoot af heb ik haar geleid); —

19 zoo ik iemand heb zien omkomen omdat hij zonder kleeding was, en dat de nooddruftige geen deksel had;

20 zoo zijne lendenen mij niet gezegend hebben toen hij van de vellen mijner lammeren verwarmd werd; —

21 zoo ik mijne hand legen den wees bewegen heb omdat ik in de poort mijne hulp zag: —

22 mijn schouder valle van het schouderbeen, en mijn arm breke van zijne pijp af.

23 Want het verderf Gods was bij mij een schrik, en ik vermocht niet vanwege zijne hoogheid.

24 Zoo ik het goud tot mijne hope gezet heb, of tot het lijn goud gezegd heb: Gij zijt mijn vertrouwen; —

25 zoo ik blijde ben geweest omdat mijn vermogen groot was , en omdat mijne hand geweldig veel verkregen had ; —

26 zoo ik het licht aangezien heb wanneer het scheen, of de maan heerlijk voortgaande.

27 en mijn hart verlokt is geweest in hét verborgen, dat mijne hand mijnen mond gekust heeft: —

28 dat ware óók eene misdaad bij den rechter, want ik zoude den God van boven verzaakt hebben.

29 Zoo ik verblijd ben geweest in de verdrukking mijns haters, en mij opgewekt heb als het kwaad hem vond;

30 (ook heb ik mijn gehemelte niet toegelaten te zondigen, om door oenen vloek zijne ziele te begeeren).

31 Zoo de lieden mijner tent niet hebben gezegd: Och, of wij van zijn vleesch hadden! wij zouden niet verzadigd worden.

32 De vreemdeling overnachtte niet op de straat, mijne deuren opende jk naar den weg.

33 Zo} ik gelijk Adam mijne overtredingen bedekt heb, door eigenliefde mijne misdaad verbergende !

34 Zeker ik kon wel eene groote menigte met geweld onderdrukt hebben, maar de verachtste der huisgezinnen zoude mij afgeschrikt hebben, zoodat ik gezwegen zoude hebben en ter deure niet uitgegaan zoude zijn.

35 Och of quot;ik éénen hadde die mij hoorde! Zie, mijn oogmerk is, dat dc Almachtige mij antwoorde, en dat mijne tegenpartij een boek schrijve:

36 zoude ik het niet op mijnen schouder dragen? Ik zoude hét op mij binden als eene kroon.

37 Het getal mijner treden zoude ik hem aanwijzen, als een Vorst zoude ik tot hem naderen.

38 Zoo mijn land tegen mij roept, en zijne voren te zamen weenen;

39 zoo ik zijn vermogen gegeten heb zonder geld, en de ziele zijner akkerlieden heb doen hijgen: —

40 dat voor tarwe distelbn voortkomen, en voor gerst stinkkruid.

De woorden Jobs hebben een einde.

HOOFDSTUK 32.

Toen hielden die drie mannen op van Job te antwoorden, dewijl hij in zijne oogen rechtvaardig was.

2 Zoo ontstak de toorn van Elihu den zoon van Baracheël, den Buziet van het geslacht van Ram; tegen Job werd zijn toorn ontstoken, omdat hij zijne ziele meer rechtvaardigde dan God.

3 Zijn toorn ontstak ook tegen zijne drie vrienden, omdat zij, geen antwoord vindende, nog-tans Job verdoemden.

4 Doch Elihu had gewacht op Job in het spreken, omdat zij ouder van dagen waren dan hij.

5 Als dan Elihu zag datergeen antwoord was in den mond van


-ocr page 632-

JOB 33.

618

die drie mannen, ontstak zijn toorn.

6 Hierom antwoordde Elihu de zoon van Baracheël, de Buziet, en zeide: Ik ben minder van dagen, maar gijlieden zijt stokoud; daarom heb ik geschroomd en gevreesd ulieden mijn gevoelen te ver-toonen.

7 Ik zeide: Laat de dagen spreken en de veelheid der jaren wijsheid te kennen geven.

8 Zekerlijk, de Geest die in den mensen is en de inblazing des Almachtigen maakt hen verstandig.

9 De grooten zijn niet wijs, en de ouden verstaan het recht niet.

10 Daarom zeg ik: Hoor naar mij : ik zal mijn gevoelen óók ver-toonen.

11 Zie, ik heb gewacht op ulieder woorden, ik heb het oor gewend tot ulieder aanmerkingen. totdat gij redenen uitgezocht hadt.

12 Als ik nu acht op u gegeven heb, zie, daar is niemand die Job overrede, die uit ulieden zijne redenen beantwoorde;

13 opdat gij niet zegt: Wij hebben de wijsheid gevonden: God heeft hein nederge^tooten, geen mensch.

14 Nu heeft hij tegen mij geene woorden gericht, en met ulieder woorden zal ik hem niet beantwoorden.

15 Zij zijn ontzet , zij antwoorden niet meer, zij hebben de woorden vim zich verzet.

16 Ik heb dan gewacht, maar zij spreken niet, want zij staan stil, zij antwoorden niet meer.

17 Ik zal mijn deel óók antwoorden, ik zal mijn gevoelen óók vertoonen.

18 Want ik ben der woorden vol: de geest mijns buiks benauwt mij.

19 Zie, mijn buik is als de wijn die niet geopend is; gelijk nieuwe lederen zakken zoude hij bersten.

20 Ik zal spreken, opdat ik voor mij lucht krijge; ik zal mijne lippen openen èn zal antwoorden.

21 Och, dat ikniemandsaangezicht aanneme, en tot don mensch geene bijnamen gebruike!

22 Want. jk weet geene bijnamen te gebruiken: in kort zoude mijn Maker mij wegnemen.

HOOFDSTUK 33.

En gewisselijk , o Job, hoor toch mijne redenen, en neem alle mijne woorden ter oore.

2 Zie nu, ik heb mijnen mond opengedaan: mijne tong spreekt onder mijn gehemelte.

3 Mijne redenen zullen de oprechtheid mijns harten, en de wetenschap mijner lippen wat zuiver is uitspreken.

4 De Geest Gods heeft mij gemaakt, en de adem des Almachtigen heeft mij levend gemaakt.

5 Zoo gij kunt, antwoord mij, schik u voor mijn aangezicht, stel u.

0 Zie, ik ben Gods gelijk gij, uit het leem ben ik óók afgesneden.

7 Zie, mijne verschrikking zal u niet beroeren, en mijne hand zal over u niet zwaar zijn.

8 Zeker, gij hebt gezegd voor mijne ooren, en ik heb de stem dei* woorden gehoord:

9 ik ben rein zonder overtreding, ik ben zuiveren heb geene misdaad,

10 zie, hij vindt oorzaken tegen mij, en houdt mij voor zijnen vijand:

quot;11 hij legt mijne voeten in den stok, hij neemt alle mijne paden waar.

12 Zie , hierin zijt gij niet rechtvaardig, antwoord ik d; want God is meerder dan een mensch.

13 Waarom hebt gij tegen hem getwist? Want hij antwoordt niet van alle zijne daden.

i\'t Maar God spreekt ééns of tweemaal, doch men let niet daarop.

15 In den droom, door het gezicht des nachts, als een diepe slaap op de lieden valt, in de sluimering op het leger:

10 dan openbaart hij het voor het oor der lieden, en hij verzegelt hunne kastijding;

17 opdat hij dén mensch afwende van zijn werk, en van den man de hoovaardij verberge:

18 dat hij zijne ziele van het verderf afhoude; en zijr. leven , dat het door het zwaard niet doorga.

19 Ook wordt hij gestraft, met


-ocr page 633-

JOB 34.

619

smarle op zijn leger, en de sterke menigte zijner beenderen;

20 zoodat zijn leven het brood zelf verfoeit, en zijne ziel de begeerlijke spijze,

21 dat zijn vleesch verdwijnt uit het gezicht, en zijne beenderen, die niet gezien werden , uitsteken;

22 en zijne ziel nadert ten ver-derve , en zijn leven tot de dingen die doodên,

23 Is er dan bij hem een Gezant, een Uitlegger, één uit duizend, om den mensch zijnen rechten plicht te verkondigen,

24 zoo zal hij hem genadig zijn, en zeggen: Verlos hem, dat hij in het verderf niet nederdale: ik heb verzoening gevonden.

25 Zijn vleesch zal frisscher worden dan het was in de jeugd, hij zal tot de dagen zijner jonkheid ■wederkeeren.

26 Hij zal tot God ernstiglijk bidden, die in hern een welbehagen nemen zal, en zijn aangezicht met gejuich aanzien, want hij zal den mensch zijne gerechtigheid wedergeven.

27 Hij zal de menschen aanschouwen, en zeggen: Ik heb gezondigd en het recht verkeerd, hetwelk mij niet heeft gebaat;

28 maar God heeft mijne ziele verlost, dat zij niet voere in het verderf, zoodat mijn leven het licht aanziet.

29 Zie, dit alles werkt God twee-uf driemaal met een man,

30 opdat hij zijne ziele afkeere van het verderf, en hij verlicht worde met het licht der levenden.

31 Merk op , o Job , hoor naar mij; zwijg, en ik zal spreken.

32 Zoo er redenen zijn, antwoord mij; spreek, want ik heb lust u te rechtvaardigen.

33 Zoo niet, hoor naar mij; zwijg, en ik zal u wijsheid leeren.

HOOFDSTUK 34.

Voorts antwoordde Elihu en zeide:

2 Hoort, gij wijzen, mijne woorden, en gij verstandigen, neigt de ooren naar mij.

3 Want het oor proeft de woorden , gelijk het gehemelte de spijze smaakt.

4 Laat ons kiezen voor ons wat recht is. laat ons kennen onder ons wat goed is.

5 Want Job heeft gezegd: Ik ben rechtvaardig, en God heeft mijn recht weggenomen:

6 ik moet liegen in mijn recht, mijn pijlis smartelijk zonder overtreding.

7 Wat man is er gelijk Job? Hij drinkt de bespotting in als water,

8 en gaat overweg in gezelschap met de werkers der ongerechtigheid, en wandelt met goddelooze lieden.

9 Want hij heeft gezegd: Het baat een man niet als hij welbehagen heeft aan God.

10 Daarom, gij lieden van verstand , hoort naar mij. Verre zij God van goddeloosheid, en de Almachtige van onrecht;

11 want naar het werk des menschen vergeldt hij hem, en naar eens ieders weg doet hij het hem vinden.

12 Ook waarlijk God handelt niet goddelooslijk , en de Almachtige verkeert het recht niet.

13 Wie heeft hem gesteld over de aarde, en wie heeft de gan-sche wereld geschikt?

14 Indien hij zijn harte tegen hem zette, zijnen geest en zijnen adem zoude hij lot zich vergaderen ;

15 alle vleesch zoude te gelijk den geest geven, en de mensch zoude tot stof wederkeeren.

16 Zoo er dan verstand hij ic is, hoor dit, neig de ooren lot de stemme mijner woorden.

17 Zoude hij ook die het reelat haat den gewonde verbinden, en zoudt gij den zeer rechtvaardige verdoemen ?

18 Zoude men tot eenen Koning-zeggen: Gij Belial; tot de Prinsen: Gij goddeloozen?

19 Hoe dan tot dien die het aangezicht der Vorsten niet aanneemt , en den rijke voor den arme niet kent? Want zij zijn allen zijner handen werk.

20 In een oogenblik sterven zij,


-ocr page 634-

JOB 35.

020

zells lc middernacht wordt een volk geschud dat het vergaat, en de machtige wordt weggenomen zonder hand.

21 Want zijne oogen zijn op ieders wegen, en hij ziet alle zijne treden:

22 daar is geene duisternis en daar is geene schaduw des doods, dat aldaar de werkers der ongerechtigheid zich verbergen mochten.

23 Gewis hij legt den mensch niet te veel op, dat hij tegen God in het gericht zoude mogen treden.

24 Hij vermorzelt de geweldigen, dat men het niet doorzoeken kan, en stelt anderen in hunne plaats.

25 Daarom dat hij hunne werken kent, zoo keert hij ze des nachts om, en zij worden verbrijzeld.

2(i Hij klopt hen te zamen als goddoloozen, in eene plaats ivaar aanschouwers zijn;

27 daarom dat zij van achter hem afgeweken zijn, en geene zijner wegen verslaan hebben;

28 opdat hij op hem het geroep des armen brenge, en het geroep der ellendigen verhoore.

29 Als hij stilt, wie zal dan beroeren? Als hij het aangezicht verbergt, wie zal hem dan aanschouwen, zoowel voor eon volk als voor eenen mensch alleen,

30 opdat de huichelachtige mensch niet meer regeere, cn er geene strikken des volks zijn?

31 Zekerlijk heelt hij tot God gezegd: Ik heb uwe straf verdragen , ik zal het niet verderven;

32 behalve tv at ik zie, leer gij mij; heb ik onrecht gewrocht, ik zal het niet meer doen.

33 Zal het van u zijn, hoe hij iets vergelden zal, dewijl gij hem versmaadt? Zoudt gij dan verkiezen, en niet ik? Wat weet gij dan? Spreek.

34 De lieden van verstand zullen met mij zeggen, en een wijs man zal naar mij hooren:

35 dat Job niet met wetenschap gesproken heeft, en zijne woorden niet met kloek verstand geweest zijn.

36 Mijn vader, laat Job beproefd worden tot den einde toe, om zijner antwoorden wille onder de ongerechtige lieden.

37 Want tot zijne zonde zoude hij nog overtreding toevoegen; hij zoude onder ons in de handen klappen, en hij zoude zijne redenen vermenigvuldigen tegen God.

HOOFDSTUK 35.

Elihu antwoordde verder en zeide:

2 Houdt gij dat voor recht dat gij gezegd hebt: Mijne gerechtigheid is meerder dan die van God?

3 Want gij hebt gezegd: Wat zoude zij u baten? Wat meer voordeel zal ik daarmede doen dan met mijne zonde?

4 Ik zal u antwoord geven, en uwen vrienden met u.

5 Aanmerk den hemel en zie, en aanschouw de bovenste wolken: zij zijn hooger dan gij.

0 Indien gij zondigt, wat bedrijft gij tegen hem ? Indien uwe overtredingen menigvuldig zijn, wat doet gij hem?

7 Indien gij rechtvaardig zijt, wat geeft gij hem, of wat oncvangt hij uit uwe hand?

8 Uwe goddeloosheid zoude zijn tegen eenen man gelijk gi zift, en uwe gerechtigheid voor eéns menschen kind.

9 Vanwege hunne gvootheid doen zij de onderdrukten roepen, zij schreeuwen vanwege den arm der groeten.

10 Maar niemand zegt: Waar is God, mijn Maker, die de psalmen geeft in den nacht;

11 die ons geleerder maakt dan de beesten der aarde, en ons wijzer maakt dan het gevogelte des hemels?

12 Daar roepen zij. maar hij antwoordt niet, vanwege den hoogmoed der boozen.

13 Gewisselijk zal God de ijdel-heid niet verhoeren, en de Almachtige zal die niet aanschouwen.

14 Dat gij ook gezegd hebt: Gij zult hem niét aanschouwen, — daar is nofitans gericht voor :;ijn aangezicht; wacht dan op hem.


-ocr page 635-

JOB-36.

621

15 Maar nu, dewijl het niets is, dat sijn toorn Job bezocht heeft, en Lij hem niet zeer in overvloed doorkend heeft:

16 zoo heeft Job in ijdelheid zijnen mond geopend, en zonder wetenschap woorden vermenigvuldigd.

HOOFDSTUK 36.

Elihu ging nog voort en zeide:

2 Verbeid mij een weinig, en ik zal u aanwijzen dat er nog redenen voor God zijn.

3 Ik zal mijn gevoelen van verre ophalen, en mijnen Schepper gerechtigheid toewijzen.

4 Want, voorwaar, mijne woorden zullen geen valschbeid zijn; een die oprecht is van gevoelen is bij u.

5 Zie, God is geweldig, nogtans versmaadt hij niet; geweldig is hij in kracht des harten.

\'6 Hij laat den goddelooze niet leven, en het recht der ellendigen beschikt hij.

I Hij onttrekt zijne oogen niet van den rechtvaardige, maar met de Koningen zijn zij in den troon; daar zet hij ze voor altoos, en zij worden verheven.

8 En zoo zij, gebonden zijnde in boeien, vastgehouden worden met banden der ellende ,

9 dan geeft hij hun hun werk te kennen, en hunne overtredingen , omdat zij de overhand genomen hebben;

10 en hij openbaart het voor hun-lieder ooi- ter tucht, en zegt dat zij zich van ongerechtigheid be-keeren zouden.

II Indien zij hooren en hem dienen, zoo zullen zij hunne dagen eindigen in het goede, en hunne jaren in liefelijkheden.

12 Maar zoo zij niet hooren, zoo vergaan zij door het zwaard, en zij geven den geest zonder kennis.

13 En die met het hart huichelachtig zijn , leggen toorn op ; zij roepen niet als hij ze gebonden heeft. , • i

14 Hunne ziele zal in de jonkheid sterven, en hun leven onder de schandjongens.

15 Hij zal den ellendige in zijne

ellende vrijmaken, en in de onderdrukking zal hij het voor hunlieder oor openbaren.

16 Alzoo zoude hij ook u afgekeerd hebben van den mond des angstes lot de ruimte, onder dewelke geen benauwing zoude geweest zijn; en het gerecht uwer tafel zoude vol vettigheid geweest zijn.

17 Maar gij hebt het gericht des goddeloozen vervuld; het gericht en het recht houden n vast.

18 Omdat er grimmigheid is, wacht u dat hij u misschien niet met eenen slag wegstoote, zoodat u een groot rantsoen daar niet zoude afbrengen.

19 Zoude hij uwen rijkdom achten, dat gij niet in benauwdheid zoudt zijn; óf eenige versterkingen van kracht?

20 Haak niet naar dien nacht, als de volkeren van hunne plaatse opgenomen worden.

21 Wacht u, wend u niet tot ongerechtigheid; overmits gij ze in dezen verkoren hebt, uit oor-zake van de ellende.

22 Zie, God verhoogt door zijne kracht; wie is een Leeraar gelijk hij?

23 Wie heeft hem gesteld over zijnen weg? Of wie heeft gezegd: Gij hebt onrecht gedaan?

24 Gedenk dat gij zijn werk groot maakt, hetwelk de lieden aanschouwen.

25 Alle menschen zien het aan, de mensch schouwt het van verre.

26 Zie, God is groot, en wij begrijpen het niet; daar is ook geene onderzoeking van het getal zijner jaren.

27 Want hij trekt de druppelen der wateren op, die den regen naar zijnen damp uitgieten;

28 welken de wolken uitgieten, en over den mensch overvlnediglijk doen afdruipen.

29 Kan men ook verstaan de uitbreidingen der wolken, en de krakingen zijner hutte?

30 Zie, hij breidt over zich zijn licht uit, en de wortelen der zee bedekt hij.

31 Want daardoor richt hij de volken; hij geeft spijze in overvloed.


-ocr page 636-

JOB 37 , 38.

622

32 Met handen bedekt hij het licht, en doet aan hetzelve verbod door degene die tusschen doorkomt.

33 Daarvan verkondigt zijn geklater, en het vee; ook van den opgaanden damp.

HOOFDSTUK 37.

Ook beeft hierover mijn harte, en springt op uit zijne plaats.

2 Hoort met aandacht de beweging zijner stemme, en het geluid dat uit zijnen mond uitgaat.

3 Dat zendt hij rechtuit onder den ganschen hernel, en zijn licht over de einden der aarde.

4 Daarna brult hij met de stem, hij dondert met de stem zijner hoogheid, hij vertraagt die dingen niet, als zijne stem zal gehoord ■worden.

5 God dondert met zijne slem zeer wonderbaar, hij doet groote dingen en wij begrijpen ze niet.

6 Want hij zegt tot de sneeuw: Wees op de aarde; en tot den plasregen des regens; dan is er de plasregen zijner sterke regens.

7 Dan zegelt hij de hand van ieder mensch toe, opdat hij kenne alle de lieden zijns werks.

8 En het gedierte gaat in leerplaatsen en blijft in zijne holen.

9 Uit de binnenkamer komt de wervelwind, en van de verstrooiende tuinden de koude.

10 Door zijn geblaas geeft God de vorst, zoodat de brcede wateren verstijfd worden.

11 Ook vermoeit hij de dikke wolken door klaarheid, hij verstrooit de wolke zijns lichts.

12 Die keert zich dan naar zijnen wijzen raad door omgangen, dat zij doen al wat hij ze gebiedt, op het vlakke der wereld, op de aarde,

13 hetzij dat hij die tot eeoc roede, of tot zyn land, oftotwel-daUJgneitl beschikt.

14 Neem dit, o Job, ter oore; sta en aanmerk de wonderen Gods.

lo Weet gij wanneer God over dezelve orde stelt en het licht zijner wolke laat schijnen?

16 Hebt gij wetenschap van de opwegmgen der dikke wolken, de wonderheden desgenen die volmaakt is in wetenschappen?

17 hoe uwe kleederen warm worden, als hij de aarde stil maakt uit het Zuiden?

18 Hebt gij met hem de hemelen uitgespannen, die vast zijn als een gegoten spiegel?

19 Onderricht ons wat wij hem zeggen zullen; want wij zullen niets ordelijk kunnen voorstellen vanwege de duisternis.

20 Zal het hem verteld worden, als ik zóó zoude spreken? Denkt iemand dat? Gewisselijk hij zal verslonden worden.

21 En nu ziet men het licht niet, als het helder is in den hemel, als de wind doorgaat en dien zuivert;

22 als van het Noorden het goud komt; maar bij God is eene vreese-lijke majesteit.

23 Den Almachtige, dien kunnen wij niet uitvinden; hij is groot van kracht; doch door gericht en groote gerechtigheid verdrukt hij niet.

24 Daarom vreezen hem de lieden ; hij ziet geene wijzen vc.n hart aan.

HOOFDSTUK 38.

Daarna antwoordde de Heere Job uit een on weder en zeide:

2 Wie is hij die den raad verduistert met woorden zonder wetenschap ?

3 Gord nu als een man uwe lendenen, zoo zal ik u vragen e n onderricht mij.

4 Waar waart gij toen ik de aarde grondde? Geef het te kennen, indien gij kloek van verstand zijt.

5 Wie heeft hare maten gezet, want gij weet het, of wie heeft over haar een richtsnoer getrokken?

6 Waarop zijn bare grondvesten nedergezonken, of wie heeft haren hoeksteen gelegd?

7 toen de morgensterren te za-men vroohjk zongen, en alle de kinderen Gods juichten.

8 Otwie heeft de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak en uit de baarmoeder voortkwam

9 toen ik de wolke tot hare Weeding stelde, en de donkerheid tut haren windseldoek;

10 toen ik voor haar met mijn


-ocr page 637-

JOB 39.

623

besluit de aarde doorbrak, en zette grendel en deuren,

V. en zeide: Tot hiertoe zult gij komen en niet verder, en hier zal hij zich stellen tegen den hoogmoed uwer golven ?

12 Hebt gij van uwe dagen den morgenstond geboden? Hebt gij den dageraad zijne plaatse gewezen ,

13 opdat hij de einden der aarde vatten zoude, en de goddeloozen uit haar uitgeschud zouden worden?

14 dat zij veranderd zoude worden gelijk zegelleem, en zij gesteld worden als een kleed?

15 en dat van de goddeloozen hun licht geweerd worde, en de hooge arm worde gebroken?

16 Zijt gij gekomen tot aan de oorsprongen der zee, en hebt gij in het onderste des afgronds gewandeld ?

17 Zijn u de poorten des doods ontdekt, en hebt gij gezien de poorten van de schaduw des doods?

18 Zijt gij met uw verstand gekomen tot aan de breedten der aarde? Geef het te kennen, indien gij dit alles weet.

19 Waar is de weg waar het licht woont? En do duisternis, waar is hare plaatse?

20 dat gij dat brengen zoudt tot zijne pale, en dat gij merken zoudt de paden zijns huizes?

21 Gij weet het, want gij waart toen geboren, en uwe dagen zijn vele in getal.

22 Zijt gij gekomen tot de schat-kameren der sneeuw, en hebt gij de schatkameren des hagels gezien?

23 dien ik ophoude tot den tijd der benauwdheid, tot den dag des strijds en des oorlogs.

24 Waar is de weg waar het licht verdeeld wordt en de oostenwind zich verstrooit op de aarde?

25 Wie deelt voor den stortregen eenen waterloop uit, en eencn weg voor het weerlicht der donderen ?

26 om te regenen op het land waar niemand is, op de woestijn waarin geen mensch is;

27 om het woeste en het verwoeste Ie verzadigen, en om het uitspruitsel der grasscheutjes te doen wassen.

28 Heeft de regen eenen vader ? Of wie baart de druppelen des dauws ?

29 Uit wiens schoot komt het ijs voort? En wie baart den rijm des hemels?

30 Als met eenen steen verbergen zich de wateren, en het vlakke des afgronds wordt omvat.

31 Kunt gij de liefelijkheden van het Zevengesternte binden, of de strengen des Onons losmaken?

32 Kunt gij de Mazzaroth voortbrengen in haren tijd, en den Wagen met zijne kinderen leiden?

33 Weet gij de ordinantiën des hemels, of kunt gij de heerschappij deszelven op de aarde bestellen?

34 Kunt gij uwe stem tot de wolken opheffen, opdat een overvloed van water u bedekke?

35 Kunt gij de bliksemen uitlaten, dat zij hencnvaren en tot u zeggen: Zie hier zijn wij?

36 Wie heeft de wijsheid in het binnenste gezet? Of wie heeft den zin het verstand gegeven?

37 Wie kan de wolken met wijsheid tellen, en wie kan de flesschen des hemels nederleggen?

38 als het stof doorgoten is tot vastigheid, en de kluiten samenkleven.

HOOFDSTUK 39.

Zult gij voor den ouden leeuw roof jagen, of de gretigheid der jonge leeuwen vervullen ,

2 als zij nederbukken in de holen, on in den kuil zitten ter loering ?

3 Wie bereidt de rave haren kost, als hare jongen tot God schreeuwen , als zij dwalen omdat er geen eten is?

4 Weet gij den tijd van het baren der steengeiten? Hebt gij waargenomen den arbeid der hinden?

5 Zult gij de maanden tellen die zij vervullen, en weet gij den tijd van haar baren,

G als zij zich krommen, hare jongen mèt versplijting voortbrengen, hare smarten uitwerpen?

7 Hare jongen worden kloek.


-ocr page 638-

624

worden groöt door het koren, zij gaan uit en keeren niet weder tot haar.

8 Wie heeft den woudezel vrij henen gezonden, en wie heeft de banden des wilden ezels losc-e-maakt?

9 dien ik de wildernis tot zijn huis besteld heb, en het ziltige lot zijne woningen.

10 Hij belacht het gewoel dei-stad, net menigerlei getier des drijvers hoort hij niet.

11 Wat hij uitspeurt op de bergen is zijne weide . en hij zoekt allerlei groen gewas na.

12 Zal de eenhoorn u willen dienen? Zal hij vernachten aan uwe kribbe?

13 Zult gij den eenhoorn met zijn touw aan de voren binden? Zal hij de laagten achter u eggen?

14 Zult gij op hem vertrouwen, omdat .zijne kracht groot is, en uwen arbeid op hem laten?

15 Zult gij hem gelooven, dat hij uw zaad zal wederbrengen en vergaderen tot uwen dorschvloer?

16 Zijn van u de verheugelijke vleugelen der pauwen? Of de vederen des ooievaars en des struisvogels?

17 dat zij hare eieren in de aarde laat, en in het stof die verwarmt ,

18 en vergeet dat de voet die drukken kan, en do dieren des ve]j*sr dj6 vertrappen kunnen.

19 Zij verhardt zich tegen hare jongen, alsof zij de hare niet waren ; haar arbeid is te vergeefs, omdat zij zonder vrees is.

20 Want God heeft haar van wijsheid ontbloot, en heeft haar des verstands niets medegedeeld.

21 Als liet tijd is, verheft zij zich in de hoogte , zij belacht het paard en zijnen berijder.

22 Zult gij het paard sterkte geven? Kunt gij zijnen hals met donder bekleeden?

23 Zult gij liet beroeren alseenen sprinkhaan? De pracht van zijn gesnuif is eene verschrikking.

24 Het graaft in den grond, en het is yroolijk in zijne kracht, en trekt uit den geharnaste tegemoet.

2i) Het belacht de vreeze en wordt niet ontsteld, en keert niet wederom vanwege het zwaard.

26 Tegen hem klettert de pijlkoker , het vlammend ijzer der spies en der lans.

27 Met schudding en beroering slokt het de aarde op , en gelooft niet dat het is \'t geluid der bazuin.

28 In het volle geklank der bazuin zegt het: Heah, en ruikt den krijg van verre, den donder der Vorsten en het gejuich.

29 Vliegt de sperwer door uw verstand, en breidt hij zijne vleugelen uit naar het Zuiden ?

30 Is het naar uw bevel dat de arend zich omhoog verheft, en dat hij zijn nest in de hoogte maakt ?

31 Hij woont en vernacht in de steenrots, op de scherpte der steenrots en der vaste plaatse.

32 Van daar speurt hij de spijze op , zijne oogen zien verre af.

33 Ook slorpen zijne jongen bloed; en waar verslagenen zijn, daar is hij.

34 En de Heere antwoordde Job en zeide:

35 Is het twisten met den Almachtige onderrichten? Wie God bestraft, die antwoorde daarop.

36 Toen antwoorde Job den Heehe en zeide,

37 Zie, ik ben te gering: wat zoude ik u antwoorden? Ik leg mijne hand op mijnen mond.

38 Eenmaal heb ik gesproken, maar zal niet antwoorden; of tweemaal, maar zal niet voortvaren.

HOOFDSTUK 40.

En de Heere antwoordde Job uit een onweder en zeide:

2 Gord nu als een man uwe lendenen: ik zal u vragen, en onderricht mij.

3 Zult gij ook mijn oordeel te niet maken, zult gij mij verdoamen, opdat gij rechtvaardig zijt?

4 Hebt gij eenen arm gelijk God? En kunt gij gelijk hij met de stemme donderen?

5 Versier u nu met voortreffelijkheid en hoogheid, en bekleed u met majesteit en heerlijkheid.

6 Strooi de verbolgenheden uws

J O is 40.


-ocr page 639-

JOB 41.

Ü25

toorns uit, en zie allen hoogmoedige en verneder hem.

7 Zie allen hoogmoedige en breng hem tenonder, en verpletter de goddeloozen in hunne plaats.

8 Verberg ze te zamen in het stof; verbind hunne aangezichten in het verborgen.

9 Dan zal ik ook u loven, omdat uwe rechterhand u zal verlost hebben.

10 Zie nu, de behemoth, welken ik gemaakt heb nevens u, hij eet hooi gelijk een rund.

11 Zie toch, zijne kracht is in zijne lendenen, en zijne macht in dén navel zijns buiks.

12 Als het hem lust, zijn staart is als een ceder, de zenuwen zijner schaamte zijn doorvlochten.

13 Zijne beenderen zijn «/svast koper, zijne gebeenten zijn als ijzeren handboomen.

14 Hij is een hoofd der wegen Gods; die hem gemaakt heeft, heeft hem zijn zwaard aangehecht.

15 Omdat de bergen hem voeder voortbrengen, daarom spelen alle de dieren des velds aldaar.

16 Onder schaduwachtige boo-men ligt hij neder, in eene schuil-plaatse des riets en des slijks.

17 De schaduwachtige boomen bedekken hem elkeen met zijne schaduwe, de beekwilgen omringen hem.

18 Zie, hij doet de rivier geweld aan, en verhaast zich niet; hij vertrouwt dat hij den Jordaan in zijnen mond zoude kunnen intrekken.

19 Zoude men hem voor zijne oogen kunnen vangen? Zoude men hem met strikken don neus kunnen doorboren?

20 Zult gij den leviathan met den angel trekken , of zijne tong met een koord, dat gij laat ne-derzinken ?

21 Zult gij hem eene bieze in den neus leggen, of met een doorn zijne kaak doorboren?

quot;22 Zal hij aan u vele smeekin-gen maken\'? Zal hij zachtkens tot u spreken ?

23 Zal hij een verbond met u maken? Zult gij hem aannemen tot eenen eeuwigen slaaf?

24 Zult gij met hem spelen gelijk met een vogeltje , of zult gij hem binden voor uwe jonge doch-teren ?

25 Zullen de metgezellen over hem een maaltijd bereiden ? Zullen zij hem deelen onder de kooplieden ?

26 Zult gij zijne huid met haken vullen, of met een visschershar-poen zijn hoofd?

27 Leg uwe hand op hem, gedenk des strijds, doe het niet meer.

28 Zie, zijne hope zal feilen; zal hij ook voor zijn gezicht nederge-slagen worden ?

HOOFDSTUK 41.

Niemand is zoo koen dat hij hem opwekken zoude : wie is dan hij die zich voor mijn aangezicht stellen zoude?

2 Wie is mij voorgekomen, dat ik hem zoude vergelden? Wat onder den ganschen hemel is, is mijn.

3 Ik zal zijne leden niet verzwijgen, noch het verhaal zijner sterkte , noch de bevalligheid zijner gestaltenis.

4 Wie zoude het opperste zijns kleeds ontdekken? Wie zoude met zijnen dubbelen breidel hem aankomen ?

5 Wie zoude de deuren zijns aangezichts opendoen ? Rondom zijne tanden is verschrikking.

6 Zeer uitnemend zijn zijne sterke schilden, elkeen geslóten als met een nauwdrukkend zegel.

7 Het ééne is zóó na aan het andere, dat de wind daar niet tus-schen kan komen.

8 Zij kleven aan elkander, zij vatten zich samen, dat zij zich niet scheiden.

9 Elkeen zijner niezingen doet een licht schijnen, en zijne oogen zijn als de oogleden des dageraads.

10 Uit zijnen mond gaan fakkelen, vurige vonken spatten eruit.

11 Uit zijne neusgaten komt rook voort, als uit eenen ziedenden pot en ruimen ketel.

12 Zijn adem zoude kolen doen vlammen, en eene vlam komt uit zijnen mond voort.


-ocr page 640-

JOB 42.

626

13 In zijnen hals herbergt de sterkte; voor hem springt zelfs de droefheid van vreugde op.

14 De stukken zijns vleesches kleven te zamen, elkeen is vast in hem, het wordt niet bewogen.

15 Zijn hart is vast gelijk een steen, ja vast gelijk een deel des ondersten molensteens.

16 Voor zijne verheffing schromen de sterken, om zijner doorbrekingen wille ontzondigen zij zich.

17 Raakt hem iemand met het zwaard, dat zal niet bestaan, spies, schicht noch pantser.

18 Hij acht het ijzer voor stroo, en het staal voor verrot hout.

19 De pijl zal hem niet doen vlieden, deslingersteenen worden hem in stoppelen veranderd.

20 De werpsteenen worden van hem geacht als stoppelen, en hij belacht de drilling der lans.

21 Onder hem zijn scherpe scherven; hij spreidt zich op het puntachtige a/s op slijk.

22 Hij doet de diepte zieden gelijk een pot, hij stelt de zee als eene zalikokerij.

23 Achter zich verlicht hij het pad: men zoude den afgrond voor grijsheid houden.

24 Op \'t land is niets met hem te vergelijken, die gemaakt is om zonder schrik te wezen.

25 Hij ziet alles aan wat hoog is, hij is een Koning over alle jonge quot;hoogmoedige dieren.

HOOFDSTUK 42.

Toen antwoordde Job den Heere en zeide:

2 Ik weet dat gij alles vermoogt, en dat geen van uwe gedachten kan afgesneden worden.

3 Wie is hij , zegt gij, die den raad verbergt zonder wetenschap? Zoo heb ik dan verhaald hetgeen ik niet verstond, dingen die voor mij te wonderbaarlijk waren die ik niet wist.

4 Hoor toch, en ik zal spreken; ik zal u vragen, en onderricht gij mij.

5 Met het gehoor van het ooi-heb ik u gehoord, maar nu ziel u mijn oog. j

6 Daarom verfoei ik mij, en ik heb berouw in stof en assche.

7 Het geschiedde nu nadat de Heere die woorden tot Job gesproken had, dat de Heere tot Elifaz den Temaniet zeide: Mijn toorn is ontstoken tegen u en tegen uwe twee vrienden, want gijlieden hebt niet recht van mij gesproken, gelijk als mijn knecht Job.

8 Daarom neemt nu voor ulie-den zeven varren en zeven rammen, en gaat henen tot mijnen knecht Job, en offert brandoffer voor ulieden, en laat mijnen knecht Job voor ulieden bidden, want zekerlijk ik zal zijn aangezicht aannemen, opdat ik aan ulieden niet doe naar uwe dwaasheid; want gijlieden hebt niet recht van mij gesproken, gelijk mijn knecht Job.

9 Toen gingen Elifaz de Temaniet en Bildad de Suhiet en Zofar de Naamathiet henen en deden gelijk als de Heere tot hen gespróken had, en de Heere nam het aangezicht Jobs aan.

10 En de Heere wendde de gevangenis van Job , toen hij gebeden had voor zijne vrienden, en de Heere vermeerderde al hetgeen Job gehad had tot dubbel zooveel.

11 Ook kwamen tot hem alle zijne broeders en alle zijne zusters , en allen die hem quot;te voren gekend hadden, en aten brood met hem in zijn huis, en beklaagden hem en vertroostten hem over al het kwaad dat de Heere over hem gebracht had; en zij gaven hem een iegelijk een stuk geld, een iegelijk ook een gouden voorhoofdsiersel.

12 En de Heere zegende Jobs laatste meer dan zijn eerste; want hij had veertienduizend schapen en zesduizend kemelen en duizend juk runderen en duizend ezelinnen.

13 Daartoe had hij zeven zonen en drie dochters:

14 en hij noemde den naam der eerste Jemima: en den naam dei-tweede Kezia, en den naam der derde Kerenhappuch.

15 En daar werden zoo schoone


-ocr page 641-

vrouwen niet gevonden in het gansche land als de dochteren van Job, en haar vader gaf ze erfdeel onder hare broederen.

16 En Job leefde na dezen hon-627

derd en veertig jaar, dat hij zag zijne kinderen en zijne kindskinderen, tot in vier geslachten.

17 En Job stierf oud en der dagen zat.

PSALM 1, 2, 3,


HET BOEK

DER

PSALMEN.

PSALM 1.

Welgelukzalig is de man die niet wandelt in den raad der god-deloozen, noch staat op den weg der zondaren, noch zit in het gestoelte der spotters;

2 maar zijn lust is in des Hee-ren wet, en hij overdenkt zijne wet dag en nacht.

3 Want hij zal zijn als een boom geplant aan waterbeken, die zijne vrucht geeft op zijnen tijd, en welks blad niet afvalt; en al wat hij doet zal wel gelukken.

\'4 Alzóó zijn de goddeloozen niet, maar als het kaf dat de wind he-nendrijft.

5 Daarom zullende goddeloozen niet bestaan in het gericht, noch de zondaars in de vergadering der rechtvaardigen;

0 want de Heehe kent den weg der rechtvaardigen, maar de weg der goddeloozen zal vergaan.

PSALM 2.

Waarom woeden de heidenen en bedenken de volken ijdelheid?

2 De Koningen der aarde stellen zich op, en de Vorsten beraadslagen te zamen tegen den Heere en tegen zijnen Gezalfde, zeggende:

3 Laat ons hunne banden verscheuren, en hunne touwen van ons werpen.

4 Die in den hemel woont zal lachen, de Heere zal ze bespotten.

5 Dan zal hij tot hen spreken in zijnen toorn, en in zijne grimmigheid zal hij ze verschrikken.

6 Ik toch heb mijnen Koning gezalfd over Sion, den berg mijner heiligheid.

7 Ik zal van het besluit verhalen; de Heere heeft tot mij gezegd: Gij zijt mijn Zoon, heden heb ik u gegenereerd.

8 Eisch van mij, en ik zal de heidenen geven tot uw erfdeel, en de einden der aarde tot uwe bezitting.

i) Gij zult ze verpletteren met eenen ijzeren scepter, gij zult ze in stukken slaan als een potte-bakkersvat.

10 Nu dan gij Koningen, handelt verstandiglijk, laat u tuchtigen, gij rechters der aarde.

11 Dient den Heere met vree? ze, en verheugt u met beving.

12 Kust den Zoon, opdat hij niet toorne en gij op den weg vergaat, wanneer zijn toorn maar een weinig zoude ontbranden. Welgelukzalig zijn allen die op hem betrouwen.

PSALM 3.

Een psalm Davids, als hij vlood voor het aangezichts zijns zoons Absaloms.


-ocr page 642-

PSALM 4, 5, 6.

628

2 O Heere, hoe zijn mijne te-genparlijders vermenigvuldigd; velen staan tegen mij op.

3 Vélen zeggen van mijne ziele: Hij heelt geen heil bij God. Sela.

4 Doch gij, Heere, zijt een schild voor mij , mijne eere, en die mijn hoofd opheft.

5 Ik riep met mijne stem lot den Heere , en hij verhoorde mij van den berg zijner heiligheid. Sela. .

6 Ik lag neder en sliep: ik ontwaakte, want de Heere ondersteunde mij.

7 Ik zal niet vreezen voor tienduizenden des volks die zich rondom tegen mij stellen.

8 Sta öp Heere, verlos mij, mijn God; want gij hebt alle mijne vijanden op hét kinnebakken geslagen, de tanden der godde-loozen hebt gij verbroken.

9 Het heil is des Heeren; uw zegen is over uw volk. Sela.

PSALM 4.

Een psalm Davids, voor den opperzangmeester, op de neginoth.

2 Als ik roepe, verhoor mij, o God mijner gerechtigheid. In benauwdheid hebt gij mij ruimte gemaakt ; wees mij genadig en hoor mijn gebed.

3 Gij mannen, hoe lang zal mijne eere tot schande zijn? Hoe lang zult gij de ijdelheid beminnen, de leugen zoeken? Sela.

4 Weet toch dat de Heere zich eenen gunstgenoot heeft afgezonderd ; cïe Heere zal hooren als ik tot hem roep.

5 Zijt beroerd, en zondigt niet; spreekt in ulieder hart op uw leger, en zijt stille. Sela.

ü Offert offeranden der gerechtigheid , en vertrouwt op den Heere.

7 Velen zeggen: Wie zal ons het goede doen zien? Verhef gij over ons het licht uws aanschijns, o Heere.

8 Gij hebt vreugde in mijn harte gegeven, meer dan ten tijde als hun koren en hun most vermenigvuldigd zijn.

9 Ik zal in vrede te zamen ne-derliggen en slapen , want gij, | o Heere, alleen zult mij doen zéker wonen.

PSALM 5.

Een psalm Davids, voor den opperzangmeester, op de nehiloth.

2 O Heere, neem mijne redenen ter oore, versta mijne overdenking.

3 Merk op de stem mijns ge-roeps, o mijn Koning en mijn God, want tot u zal ik bidden.

4 Des morgens, Heere, zult gij mijne stem hooren, des morgens zal ik mij tot u schikken en wacht houden.

5 Want gij zijt geen God die lust heeft aan goddeloosheid; de booze zal bij u niet verkeeren;

6 de onzinnigen zullen voor uwe oogen niet bestaan ; gij\'haat alle werkers der ongerechtigheid.

7 Gij zult de leugensprekers verdoen; van den man des bloeds en des bedrogs heeft de Heere een gruwel.

8 Maar ik zal door de grootheid uwer goedertierenheid in uw Huis ingaan, ik zal mij buigen naar het paleis uwer heiligheid in uwe vreeze.

9 Heere , leid mij in uwe gerechtigheid, om mijner verspieders wille, richt uwen weg voor mijn aangezicht.

10 Want in hunnen mond is niets rechts, hun binnens\'.e is enkel verderving, hunne keel is een open graf, met hunne tong vleien zij.

11 Verklaar ze schuldig, o God; laat ze vervallen van hunne raadslagen ; drijf ze henen om de veelheid hunner overtredingen, want zij zijn wederspannig tegen u.

12 Maar laat verblijd zijn allen die op u betrouwen; laat ze tot in eeuwigheid juichen , omdat gij ze overdekt; en laat in u van vreugde opspringen dieuwemaam liefhebben.

13 Want gij Heere zult den rechtvaardige zegenen, gij zult hem met goedgunstigheid kroonen als met eene rondas.

PSALM 6.

Een psalm Davids, voor den


-ocr page 643-

PSALM 7, 8.

Ü29

opperzangmeesler, op de neginolh, op de scneminith.

2 O Heere, straf mij niet in uwen toorn , en kastijd mij niet in uwe grimmigheid.

3 Wees mij genadig, Heere, want ik ben verzwakt; genees mij, Heere , want mijne beenderen zijn verschrikt.

4 .la, mijne ziele is zeer verschrikt ; en gij, Heere , hoe lang ?

5 Keer weder, Heere , red mijne ziele , verlos mij om uwer goedertierenheid wil.

6 Want in den dood is uwer geene gedachtenis; wie zal u loven in het graf?

7 Ik ben moede van mijn zuchten , ik doe mijn bed den ganschen nacht zwemmen, ik doornat mijne bedstede met mijne tranen.

8 Mijn oog is doorknaagd van verdriet, is verouderd van wege alle mijne tegenpartijders.

9 Wijkt van mij , alle gij werkers der ongerechtigheid; want de Heere heeft de stem mijns geweens gehoord:

10 de Heere heeft mijne smeeking gehoord, de Heere zal mijn gebed aannemen.

11 Alle mijne vijanden zullen zeer beschaamd en quot;verbaasd worden ; zij zullen terugkeeren, zij zullen in een oogenblik beschaamd worden.

PSALM 7.

Davids schiggajon, dat hij den Heere gezongen heeft over de woorden van Kusch, den Benjaminiet.

2 Heere mijn God, op u betrouw ik: verlos mij van alle mijne vervolgers en red inij;

3 opdat hij mijne ziele niet roove als een leeuw , verscheurende terwijl daar geen verlosser is.

4 Heere mijn God, indien ik dat gedaan heb, indien er onrecht in mijne handen is,

5 indien ik kwaad vergolden heb dien die vrede met mij had, (ja ik heb gered dien die mij zonder oorzaak benauwde):

0 zoo vervolge de vijand mijne ziele en achterhale ze, én vertrede mijn leven leraarde, en doe mijne eere in het stof wonen. Sela.

7 Sta op Heere, in uwen toorn, verhef u om de verbolgenheden mijner benauwers, en ontwaak tot mij: gij hebt het gericht bevolen.

8 Zoo zal de vergadering der volken u omsingelen; keer dan boven haar weder in de hoogte.

9 De Heere zal den volken recht doen; richt mij, Heere, naar mijne gerechtigheid, en naar mijne oprechtigheid die bij mij is.

10 Laat toch de boosheid der goddeloozen een einde nemen, maar bevestig den rechtvaardige, gij die harten en nieren beproeft, o rechtvaardige God.

11 Mijn schild is bij God, die de oprechten van harte behoudt.

12 God is een rechtvaardig rechter, en een God, die te allen dage toornt.

13 Indien hij zich niet bekeert, zoo zal hij zijn zwaard wetten; hij heeft zijnen boog gespannen en dien bereid,

14 en heeft doodelijke wapenen voor zich gereed gemaakt; hij zal zijne pijlen tegen de hittige vervolgers te werk stellen.

15 Zie, hij is in arbeid van ongerechtigheid en is zwanger van moeite: hij zal leugen baren.

16 Hij heeft eenen kuil gedolven en dien uitgegraven, maar hij is gevallen in de groeve die hij gemaakt heeft.

17 Zijne moeite zal op zijn hoofd wederkeeren, en zijn geweld op zijnen schedel nederdalen.

18 Ik zal den Heere loven naar zijne gerechtigheid, en den naam des Heeren des Allerhoogsten psalmzingen.

PSALM 8.

Een psalm Davids , voor den opperzangmeester , op de gittith.

2 O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is uw naam op de gansche aarde: gij, die uwe majesteit gesteld hebt boven de hemelen!

3 Uit den mond der kinderkens en der zuigelingen heb gij sterkte gegrondvest, om uwer tegenpar-


-ocr page 644-

PSAL

tijen wille, om den vijand en wraakgierige te doen ophouden.

4 Als ik uwen hemel aanzie, het werk uwer vingeren, de maan en de sterren die gij bereid hebt —

5 wat is de mensch dat gij zijner gedenkt, en de zoon des menschen dat gij hem bezoekt,

6 en hebt hem een weinig minder gemaakt dan de engelen, en hebt hem met eere en heerlijk held gekroond!

7 Gij doet hem heerschen over de werken uwer handen, gij hebt alles onder zijne voeten gezet:

8 schapen en ossen, alle die, ook mede de dieren des velds;

9 het gevogelte des hemeis en de visschen der zee; hetgeen de paden der zeeën doorwandelt.

10 O Heere, onze Heere, hoe heerlijk is uw naam op de gansche aarde!

PSALM 0.

Een psalm Davids, voor den opperzangmeester, op müth-lab-been.

2 Ik zal den Heere loven met mijn gansche harte, ik zal alle uwe wonderen vertellen.

\'S In u zal ik mij verblijden en van vreugde opspringen; ik zal uwen naam psalmzingen, o Allerhoogste;

4 omdat mijne vijanden achterwaarts gekeerd, gevallen en vergaan zijn van uw aangezicht.

5 Want gij hebt mijn recht en mijne rechtzake afgedaan; gij hebt gezeten op den troon, o Hechter der gerechtigheid.

6 Gij hebt de heidenen gescholden , den goddelooze verdaan, hunnen naam uitgedelgd tot in eeuwigheid en altoos.

7 O vijand, zijn de verwoestingen voleindigd in eeuwigheid, en hebt gij de steden uitgeroeid? Hun-lieder gedachtenis is met hen vergaan.

8 Maar de Heere zal in eeuwigheid zitten, hij heeft zijnen troon bereid ten gerichte.

9 En hij zelf zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken oordeelen in rechtmatigheden.

10 En de Heere zul een hoog

630

M 9, 10.

vertrek zijn voor den verdrukte, een hoog vertrek in tijden van benauwdheid.

11 En die uwen naam kennen, zullen op u vertrouwen, omdat gij, Heere, niet hebt verlaten degenen die u zoeken.

12 Psalmzingt den Hekre , die te Sion woont, verkondigt onder de volken zijne daden.

13 Want hij zoekt de bloedstortingen, hij gedenkt dezelve; hij vergeet het geroep der ellendigen niet.

14 Zijt mij genadig, Heere, zie mijne ellende aan, van mijne haters tuij aangedaan, gij die mij verhoogt uit de poorten des doods;

15 opdat ik uwen ganschen lof in de poorten der dochter Sions vertelle, dat ik mij verheuge in uw heil.

16 De heidenen zijn gezonken in de groeve die zij gemaakt hadden, hunlieder voet is gevangen in het net dat zij verborgen hadden.

17 De Heere is bekend geworden, hij heeft recht gedaan; de goddelooze is verstrikt in het werk zijner handen. Higgajon. Sela.

18 De goddeloozen zullen ierug-keeren naai- de hel toe; allo god-vergetende heidenen.

19 Want de nooddruftige zal niet voor altoos vergeten worden, noch dc verwachting der ellendigen in eeuwigheid verloren zijn.

20 Sta öp, Heere, laat de mensch zich niet versterken, laat de heidenen voor uw aangezicht geoordeeld worden.

21 o Heere , jaag hun vrceze aan; Iaat de heidenen weten dat zij menschen zijn. Sela.

PSALM 10.

O Heere , waarom staat gij van verre, waarom verbergt gij u in tijden van benauwdheid?

2 De goddelooze vervolgt hittig-lijk in hoogmoed den ellendige; laat ze gegrepen worden in de aanslagen die zij bedacht hebben.

3 Want de goddelooze roemt over den wensch zijner ziele; hij zegent den gierigaard, hij lastert den Heere.

4 Dc goddelooze, gelijk hij zijnen


-ocr page 645-

PSALM 11, 12.

631

neus omhoog steekt,, onderzoekt niet; alle zijne gedachten zijn dat er geen God is.

5 Zijne wegen maken te allen tijde smarte; uwe oordeelen zijn eene hoogte verre van hem; alle zijne tegenpartijders, die blaast hij aan.

6 Hij zegt in zijn harte: Ik zal niet wankelen; want ik zal van geslacht tot geslacht in geen kwaad zijn.

7 Zijn mond is vol van vloek en bedriegerijen en list, onder zijne tong is moeite en ongerechtigheid.

8 Hij zit in de achterlage der hoeven, in verborgen plaatsen doodt hij den onschuldige; zijne oogen verbergen zich tegen den arme.

9 Hij legt lagen in eene verborgen plaats, gelijk een leeuw in zijn hol; hij legt lagen om den ellendige te rooven; hij rooft den ellendige, als hij hem trekt in zijn net.

10 Hij duikt neder, hij buigt zich, én de arme hoop valt in zijne sterke poolen.

11 Hij zegt in zijn hart: God heeft liet vergeten, hij heeft zijn aangezicht verborgen, hij ziet niet in eeuwigheid.

12 Sta op, Heere God, hef uwe hand op, vergeet de ellendigen niet.

13 Waarom lastert de goddelooze God, zegt in zijn hart: Gij zult het niet zoeken?

14 Gij ziet het immers, want gij aanschouwt de moeite en het verdriet, opdat men het in uwe hand geve; op u verlaat zich de arme, gij zijt geweest een helper van den quot;wees.

15 Breek den arm des godde-loozen en boozen, zoek zijne goddeloosheid, totdat gij ze niet vindt.

16 De Heere is Koning, eeuwig-lijk en altoos; de heidenen zijn vergaan uit zijn land.

17 Heere, quot;gij hebt denwensch der zachtmoedigen gehoord; gij zult hun harte sterken, uw oor zal opmerken,

18 om den wees en den verdrukte recht te doen, opdat een mensch van de aarde niet meer voortvare geweld te bedrijven.

PSALM 11.

Een pealm Davids, voor den opperzangmeester.

Ik betrouw op den Heere ; hoe zegt gijlieden tot mijne ziele: Zwerf henen naar ulieder gebergte als een vogel?

2 Want zie, de goddeloozen spannen den boog, zij schikken hunnen pijl op de pees, om in het donker te schieten naar de oprechten van hart.

3 Zekerlijk, de fundamenten worden omgestooten, wat heeft de rechtvaardige bedreven?

4 De Heere is in het paleis zijner heiligheid, des Heeren troon is in den hemel; zijne oogen aanschouwen, zijne oogleden proeven de menschenkinderen.

5 De Heere proeft den rechtvaardige; maar den goddelooze, en dien die geweld liefheeft, haat zijne ziele.

6 Hij zal op de goddeloozen regenen strikken, vuur en zwavel; en een geweldige stormwind zal het deel huns bekers zijn.

7 Want de Heere is rechtvaardig, hij heeft gerechtigheden lief; zijn aangezicht aanschouwt den oprechte.

PSALM 12.

Een psalm Davids, voor den opperzangmeester, op de schemi-nith.

2 Behoud, o Heere ; want de goedertierene ontbreekt, want de getrouwen zijn weinig geworden onder de menschenkinderen.

3 Zij spreken valschheid een ieder quot;metzijnen naaste, met vleiende lippen; zij spreken met een dubbel hart.

4 De Heere snijde af alle vleiende lippen, de grootsprekende tong.

5 die daar zeggen: Wij zullen de overhand hebben met onze tong; onze lippen zijn onze: wie is heer over ons?

6 Om de verwoesting der ellendigen, om het kermen der nood-druftigen, zal ik nu opstaan, zegt


-ocr page 646-

032 PSALM 13

dc Heeue; ik zal in behoudenis zeiten dien hij aanblaast.

7 De redenen des Heeren zijn reine redenen, zilver gelouterd in eenen aarden smeltkroes, gezuiverd zevenmaal.

8 Gij, Heere, zult ze bewaren, gij zult ze behoeden voor dit geslacht tot in eeuwigheid.

0 De goddeloozen draven rondom, wanneer de snoodsten van ?s men-schen kinderen verhoogd worden.

PSALM 13.

Ken psalm Davids, voor den opperzangmeester.

2 Hoe lang, Heere, zult gij mij steeds vergeten? Hoe lang zult gij uw aangeziciït voor mij verbergen1?

3 Hoe lang zal ik raadslagen voornemen in mijne ziele, droefenis in mijn harte bij\'dag? Hoe lang zal mijn vijand óver mij verhoogd zijn?

4 Aanschouw, verhoor mij, Hekre mijn God; verlicht mijne oogen, opdat ik in den dood niet ontslape;

ö opdat niet mijn vijand zegge: Ik heb hem overmocht, mijne tegenpartijders zich verheugen wanneer ik zoude wankelen.

6 Maar ik vertrouw op uwe goedertierenheid; mijn harte zal zich verheugen in uw heil; ik zal den Heere zingen, omdat hij aan mij welgedaan heeft.

PSALM 14.

Een psalm Davids, voor den opperzangmeester.

De dwaas zegt in zijn hart: Daar is geen God; zij verderven het, zij maken het gruwelijk met hun werk, daar is niemand die goeddoet.

2 De Heere heeft uit den hemel nedergezien op de menschenkin-deren, om te zien of iemand verstandig ware, die God zocht:

3 zij zijn allen afgeweken, te za-men zijn zij stinkende geworden, daar is niemand die goeddoet, ook niet één.

4 Hebben dan alle werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten alsof zij brood , 14, 15, 1G.

aten? Zij roepen den Heere niet aan.

5 Aldaar zijn zij met vervaardheid vervaard, want God is bij het geslacht des rechtvaardigen.

6 Gijlieden beschaamt den raad des ellendigen, omdat de Heere zijne toevlucht is.

7 Och dat Israels verlossing uit Sion kwame! Als de Heere de gevangenen zijns volks zal doen wederkeeren, dan zal Jakob zich verheugen, Israël zal verblijd zijn,

PSALM 15.

Een psalm Davids.

Heere , wie zal verkeeren in uwe tent, wie zal wonen op den berg uwer heiligheid?

2 Die oprecht wandelt en gerechtigheid werkt, en dia met zijn harte de waarheid spreekt;

3 die met zijne tong niet achterklapt, zijnen metgezel geen kwaad doet, en geen smaadrede opneemt tegen zijnen naaste;

4 in wiens oogen de verworpene veracht is, maar hij eert degenen die den Heere vreezen; heeft hij gezworen tot zijne schade, evenwel verandert hij niet;

5 die zijn geld niet geeft op woeker, noch een geschenk neemt tegen den onschuldige: die deze dingen doet zal niet wankelen in eeuwigheid.

PSALM 16.

Een gouden kleinood Davids.

Bewaar mij o God, want ik betrouw op u.

2 O mijne ziele, gij hebt tot den Heere gezegd: Gij zijt do Heere , mijne goedheid \'raakt niet tot u,

3 maar tot de heiligen die op do aarde-zijn, en de heerlijken in dewelken al mijn lust is.

4 Dc smarten dergenen die oenen anderen god beg.ftigen zullen vermenigvuldigd worden; ik zal hunne drankoiferen van bloed niet ofleren , en hunne namen op mijne lippen niet nemen.

5 De Heere is het deel mijner erve en mijns bekers; gij onderhoudt mijn lot.

(l De snoeren zijn mij in liefelijke


-ocr page 647-

PSALM 17, 48.

633

plaatsen gevallen, ja eene schoo-ne erfenis is mij geworden.

7 Ik zal den Heere loven, die mij raad heeft gegeven; zelfs bij nacht onderwijzen mij mijne nieren.

8 Ik stel den Heere geduriglijk vóór mij; omdat hij aan mijne rechterhand is, zal ik niet wankelen.

9 Daarom is mijn harte verblijd, en mijne eere verheugt zich; ook zal mijn vleesch zéker wonen.

10 Want gij zult mijne ziele in de hel niet verlaten, gij zult niet toelaten dat uw Heilige de verderving zie.

11 Gij zult mij het pad des levens bekend maken: verzadiging der vreugde is bij uw aangezicht, liefelijkheden zijn in uwe rechterhand eeuwiglijk.

PSALM 17.

Een gebed Davids.

Heere, hoor de gerechtigheid, merk op mijn geschrei, neem ter oore mijn gebed, met onbedriege-lijke lippen aesproken.

2 Laat mijn recht van voor uw aangezicht uitgaan, laat uwe oogen de billijkheden aanschouwen.

3 Gij hebt mijn harte geproefd, des nachts bezocht, gij hebt mij getoetst, gij vindt niets: hetgeen ik gedacht heb overtreedt mijn mond niet.

4 Aangaande de handelingen des menschen, ik heb mij naar liet woord uwer lippen gewacht voor de paden des inbrekers,

5 houdende mijne gangen in uwe sporen, opdat mijne voetstappen niet zouden wankelen.

6 Ik roep u aan, omdat gij mij verhoort, o God; neig uw oor tot mij, hoor mijne rede.

7 Maak uwe weldadigheden wonderbaar, gij die verlost degenen die op u betrouwen van degenen die tegen uwe rechterhand opstaan.

8 Bewaar mij als het zwart des oogappels, verberg mij onder de schaduwe uwer vleugelen,

9 voor het aangezicht der god-deloozen die mij verwoesten, mijner doodvijanden die mij omringen.

10 Met hun vet besluiten zij zich, mot hunnen mond spreken zij hoovaardiglijk.

11 In onzen gang hebben zij ons nu omsingeld, zij zetten hunne oogen op ons, ter aarde neder-bukkende.

12 Hij is gelijk als een leeuw die begeert te rooven, en als een jonge leeuw zittende in verborgen plaatsen.

13 Sta op, Heere, kom zijn aangezicht voor, vel hem neder; bevrijd mijne ziele met uw zwaard van den goddelooze,

14 met uwe hand van de lieden, o Heere , van de lieden die van de wereld zijn , welker deel in dit leven is, welker buik gij vervult met uwen verborgen schat; de kinderen worden verzadigd, en zij laten hun overschot hunnen kinderkens achter.

15 Maar ik zal uw aangezicht in gerechtigheid aanschouwen, ik zal verzadigd worden met uw beeld als ik zal opwaken.

PSALM 18.

Voor den opperzangmeester, een psalm Davids des knechts des Heeren, die de woorden dezes lieds tot den Heere gesproken heeft, ten dage als de Heere hem gered had uit de hand van alle zijne vijanden en uit de hand Sauls.quot;

2 Hij zeide dan: Ik zal u hartelijk liefhebben, Heere mijne sterkte.

3 De Heere is mijne steenrots, en mijn burg, en mijn uithelper; mijn \'God, mijne rots, op welken ik betrouw: mijn schild en hoorn\' mijns heils, mijn hoog vertrek.

4 Ik riep den Heere aan die te prijzen is, en werd verlost van mijne vijanden.

5 Banden des doods hadden mij omvangen, en beken Belials verschrikten mij.

G Banden der helle omringden mij, strikken des doods bejegenden mij.

7 Als mij bang was, riep ik den Heere aan, en riep tot mijnen


-ocr page 648-

PSALM 18.

634

God; hij hoorde mijne stem uit zijn paleis, en mijn geroep voor zijn aangezicht kwam in zijne ooren.

8 Toen daverde en beefde de aarde, en de gronden der bergen beroerden zich en daverden, omdat hij ontstoken was.

9 Rook ging op van zijnen neus, en een vuur uit zijnen mond verteerde : kolen werden daarvan aangestoken.

10 En hij boog den hemel en daalde neder, en donkerheid was onder zijne voeten.

11 En hij voer op eenen cherub en vloog, ja hij vloog snellijk op de vleugelen des winds.

12 Duisternis zette hij tot zijne verberging; rondom hem was zijne tente, duisterheid der wateren, wolken des hemels.

13 Van den glans die vóór hem was dreven zijne wolken daarhenen: hagel en vurige kolen.

14 En de Heerk donderde in den hemel. en de Allerhoogste gaf zijne stemme, hagel en vurige kolen.

15 En hij zond zijne pijlen uit en verstrooide ze, en hij vermenigvuldigde de bliksemen en verschrikte ze.

16 En de diepe kolken der wateren werden gezien, en de gronden der wereld werden ontdekt, van uw schelden, o Heere, van het geblaas des winds van uwen neus.

17 Hij zond van de hoogte, hij nam mij, hij trok mij op uit groote wateren.

18 Hij verloste mij van mijnen sterken vijand en van mijne haters, omdat zij machtiger waren dan ik.

19 Zij hadden mij bejegend ten dage mijns ongevals, maar de Heere was mij tot een steunsel;

20 en hij voerde mij uit in de ruimte, hij rukte mij uit, want hij had lust aan mij.

21 De Heere vergold mij naar mijne gerechtigheid, hij gaf mij weder naar de reinheid mijner handen.

22 Want ik heb des Heeren wegen gehouden, en ben mijnen God niet goddelooslijk afgegaan.

23 Want alle zijne rechten waren vóór mij, en zijne inzettingen deed ik niet van mij weg.

24 Maar ik was oprecht bij hem, en ik wachtte mij voor mijne ongerechtigheid.

25 Zoo gaf mij de Heere weder naar mijne gerechtigheid, naaide reinheid mijner handen , voor zijne oogen.

26 Bij den goedertierene houdt gij u goedertieren, bij den oprechten man houdt gij u oprecht.

27 Bij den reine houdt gij u rein, maar bij den verkeerde bewijst gij u een worstelaar.

28 Want gij verlost het bedrukte volk, maar de hoogc oogen vernedert gij.

29 Want gij doet mijne lampe lichten; de Heere mijn God doet mijne duisternis opklaren.

30 Want met u loop ik door een bende, en met mijnen God spring ik over eenen muur.

31 Gods weg is volmaakt; de rede des Heeren is doorlouterd; hij is een schild allen die op hem betrouwen.

32 Want wie is God behalve de Heere en wie is een rotssteen dan alleen onze God?

33 Het is God, die mij met kracht omgordt, en hij heeft mijnen weg volkomen gemaakt.

34 Hij maakt mijne voeten gelijk als der hinden, en hij stelt mij op mijne hoogten.

35 Hij quot;leert mijne handen ten strijde, zoodat een stalen boog met mijne armen verbroken is.

36 Ook hebt gij mij het schild uws heils gegeven, en uwe rechterhand heeft mij ondersteund, en uwe zachtmoedigheid heeft mij groot gemaakt.

37 Gij hebt mijnen voe-stap ruim gemaakt onder mij, en mijne enkelen hebben niet gewankeld.

38 Ik vervolgde mijne vijanden en trof ze aan, en ik keerde niet weder totdat ik ze verdaan had.

39 Ik doorstak ze, dat zij niet weder konden opstaan: zij vielen onder mijne voeten.

40 Want gij omgorddet mij met kracht ten strijde; gij deedt onder


-ocr page 649-

PSALM 19, 20.

635

mij nederbukken wie tegen mij opstonden,

41 en gij gaaft mij den nek mijner vijanden; en mijne haters, die vernielde ik.

42 Zij riepen, maar daar was geen verlosser , tot den Heere , quot;maar hij antwoordde hun niet.

43 Toen vergruisde ik ze als stof voor den wind, ik ruimde ze weg al\'s slijk der straten.

44 Gij hebt mij uitgeholpen van de twisten des volks; gij hebt mij gesteld tot een hoofd der heidenen ; het volk dat ik niet kende heeft mij gediend.

45 Zoo haast als hun oor van mij hoorde, hebben zij mij gehoorzaamd; vreemden hebben zich mij geveinsdelijk onderworpen.

46 Vreemden zijn vervallen, en hebben gesidderd uit hunne sloten.

47 De Heere leeft, en geloofd zij mijn rotssteen; en verhoogd zij de God mijns heils:

48 de God die mij volkomene wrake geeft, en de volken onder mij brengt;

49 die mij uithelpt van mijne vijanden; ja gij verhoogt mij boven degenen die tegen mij opstaan, gij redt mij van den man des ge weids.

50 Daarom zal ik u, o Heere, loven onder de heidenen, en uwen naam zal ik psalmzingen:

51 die de verlossingen zijns Ko-nings groot maakt, en goedertierenheid doet aan zijnen Gezalfde , aan David en aanzijn zaad tot in eeuwigheid.

PSALM 19.

Een psalm Davids, voor den opperzangmeester.

2 De hemelen vertellen Gods eere, en het uitspansel verkondigt zijner handen werk.

quot;3 De dag aan den dag stort overvloediglijk sprake uit, en de nacht aan den nacht toont wetenschap.

4 Geene sprake en geene woorden zijn er, waar hunne stemme niet wordt gehoord.

5 Hun richtsnoer gaat uit over de gansche aarde, en hunne redenen aan het einde der wereld; hij heeft in dezelve eene tent gesteld voo.\' de zon.

6 En die is als een bruidegom, uitgaande uit zijne slaapkamer; zij is vroolijk als een held, om het pad te loepen.

7 Haar uitgang is van het einde des hemels, en haar omloop tot aan deszelfs einden; en niets is verborgen voor hare hitte.

8 De wet des Heeren is volmaakt, bekeerende de ziele; de getuigenis des Heeren is gewis, den eenvoudige wijsheid gevende.

9 De bevelen des Heeren zijn recht, verblijdende het harte; het gebod des Heeren is zuiver, verlichtende de oogen.

10 De vreeze des Heeren is rein, bestaande tot in eeuwigheid; de rechten des Heeren zijn waarheid, te zamen zijn ze rechtvaardig,

11 zij zijn begeerlijker dan goud, ja dan veel fijn goud, en zoeter dan honig en honigzeem.

12 Ook wordt uw knecht door dezelve klaarlijk vermaand; in het houden van die is groote loon.

13 Wie zoude de afdwalingen verstaan? Reinig mij van de verborgen afdwalincien.

14 Houd uwen knecht ook terug van trotschheden, laat ze niet over mij heerschen; dan zal ik oprecht zijn en rein van groote overtreding.

15 Laat de redenen mijns monds en de overdenking mijns harten welbehagelijk zijn voor uw aangezicht, o Heere, mijn rotssteen en mijn verlosser.

PSALM 20.

Een psalm Davids, voor den opperzangmeester.

2 De Heere verhoore u in den dag der benauwdheid, de naam van den God Jakobs zette u in een hoog vertrek.

3 Hij zende uwe hulpe uit het heiligdom, en ondersteune u uit Sion;

4 hij gedenke alle uwer spijs-ofleren, en make uw brandotler tot asch. Sela.


-ocr page 650-

636

5 Hij geve u naar uw harte, en vervulle al uwen raad.

6 Wij zullen juichen over uw heil, en de vaandelen opsteken in den naam onzes Gods. De Heere vervulle alle uwe begeerten.

7 Alsnu weet ik dat de Heere zijnen Gezalfde behoudt; hij zal hem verhoeren uit den hemel zijner heiligheid; het heil zijner rechterhand zal zijn met mogendheden.

8 Deze vermelden van wagens, en die van paarden, maar wij zullen vermelden van den naam des Heeren onzes Gods.

9 Zij hebben zich gekromd en zijn gevallen, maar wij zijn gere-rézen en staande gebléven.

40 O Heere, behoud; die Koning verhoore ons ten dage onzes roepens.

PSALM 21.

Een psalm Davids, voor den op perzangmeester.

2 O Heere , de Koning is verblijd over uwe sterkte, en hoe zeer is hij verheugd over uw heil!

3 Gij \'hebt hem zijns harten wensch gegeven, en de uitsprake zijner lippen hebt gij niet geweerd. Sela.

4 Want gij komt hem vóór met zegeningen van het goede, opzijn hoofd zet gij ecne kroon van fijn goud.

5 Het leven heeft hij van u begeerd, gij hebt het hem gegeven; lengte van dagen, eeuwiglijk en altoos.

0 Groot is zijne eere door uw heil; majesteit en heerlijkheid hebt gij hem toegevoegd.

7 Want gij zet hem tot zegeningen in eeuwigheid, gijvervroo-lijkt hem door vreugde met uw aangezicht;

8 want de Koning vertrouwt op den Heere en door de goedertierenheid des Allerhoogsten zal hij niet wankelen.

9 Uwe hand zal alle uwe vijanden vinden, uwe rechterhand zal uwe haters vinden.

10 Gij zult ze zetten als eenen vurigen oven ter tijd uws ?oor-nigen aangezichts; de Heere zal ze in zijnen toorn verslinden, en het vuur zal ze verteren.

11 Gij zult hunne vrucht van de aarde verdelgen, en hun zaad van de kinderen der menschen.

12 Want zij hebben kwaad tegen u aangelegd, zij hebben eene schandelijke daad bedacht, doch zullen niets vermogen;

13 want gij zult ze zetten tot een wit, met uwe pezen zult gij op hun aangezicht toeleggen.

14 Verhoog u, Heere , in uwe sterkte; zoo zullen wij zingen en uwe macht met psalmen loven.

PSALM 22.

Een psalm Davids, voor den opperzangmeester, op ajjéleth has-sahar.

2 Mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten, verre zijnde van mijne verlossing, van de woorden mijns brullens?

3 Mijn God, ik roep des daags, maar quot;gij antwoordt niet, en des nachts, en ik heb geene stilte.

4 Doch gij zijt heilig, wonende onder de lofzangen Israels;

5 op u hebben onze vaders vertrouwd, zij hebben vertrouwd en gij hebt ze uitgeholpen;

C tot u hebben zij geroepen en zijn uitgered, op uhebben zij vertrouwd en zijn niet beschaamd geworden.

7 Maar ik ben een worm en geen man, een smaad van menschen en veracht van het volk.

8 Allen die mij zien bespotten mij, zij steken de lip uit, zij schudden het hoofd, zeggende:

9 Hij heeft het op den Heere gewenteld: dat hij hem nu uit-helpe, dat hij hem redde, dewijl hij lust aan hem heeft.

10 Gij zijt het immers die mij uit den buik hebt uitgetogen; die mij hebt doen vertrouwen zijnde aan mijner moeder borsten.

11 Op u ben ik geworpen van de baarmoeder af, van de buik mijner moeder af zijt gij mijn God.

12 Zoo wees niet verre van mij, want benauwdheid is nabij , want er is geen helper.

13 Vele varren hebben mij om-

PSALM 21, 22.


-ocr page 651-

PSALB

singeld, sterke stieren van Basan hebben mij omringd;

14 zij hebben hunnen mond tegen mij opgesperd, als een verscheurende en brullende leeuw.

15 Ik ben uitgestort als water, en alle mijne beenderen hebben zich vanééngescheiden; mijn harte is als was, het is gesmolten in het midden mijns ingewands.

16 Mijne kracht-is verdroogd als eene potscherf, en mijne tong kleeft aan mijn gehemelte; en gij legt mij in het stof des doods.

17 Want honden hebben mij omsingeld, eene vergadering dei-boosdoeners heeft mij omgeven; zij hebben mijne handen en mijne voeten doorgraven.

18 Alle mijne beenderen zoude ik kunnen tellen; zij schouwen het aan, zij zien op mij.

19 Zij doelen mijne kleederen onder zich, en werpen het lot over mijn gewaad.

20 Maar gij Heere, wees niet verre; mijne quot;sterkte, haast u tot mijne hulpe.

21 Red mijne ziel van het zwaard, mijne eenzame van het geweld des honds.

22 Verlos mij uit des leeuwen muil, en verhoor mij van de horens der eenhoornen.

23 Zoo zal ik uwen naam mijnen broederen vertellen, in het midden der gemeente zal ik u prijzen.

24 Gij, die den Heere vreest, prijst hem; al gij zaad Jakobs, vereert hem; en ontziet u voor hem, al gij zaad Israëls.

25 Want hij heeft niet veracht noch verfoeid de verdrukking des verdrukten, noch zijn aangezicht voor hem verborgen; maar hij heeft gehoord als die tot hem riep.

26 Van u zal mijn lof zijn in eene groote gemeente; ik zal mijne geloften betalen in tegenwoordigheid dergenen die hem vreezen.

27 De zachtmoedigen zullen eten en verzadigd worden , zij zullen den Heere prijzen die hem zoeken; ulieder harte zal in eeuwigheid leven.

28 Alle einden der aarde zullen [ 23, 24. 637

het gedenken en zich tot den Heere bekeeren, en alle geslachten der heidenen zullen voor uw aangezicht aanbidden;

29 want het koninkrijk is des Heeren , en hij heerscht onder de heidenen.

30 Alle vetten op aarde zullen eten en aanbidden, allen die in het stof nederdalen zullen voor zijn aangezicht nederbukken, en die zijne ziel bij het leven niet kan houden.

31 Het zaad zal hem dienen; het zal den Heere aangeschreven worden tot in geslachten.

32 Zij zullen aankomen en zijne gerechtigheid verkondigen den volke dat geboren wordt, omdat hij het gedaan heeft.

PSALM 23.

Een psalm Davids.

De Heere is mijn herder, mij zal niets ontbrekenquot;.

2 Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; hij voert mij zacht-kens aan zeer stille wateren.

3 Hij verkwikt mijne ziele, hij leidt mij in het spoor der gerechtigheid om zijns naams wille.

4 Al ging ik ook in een dal der schaduwe des doods, ik zoude geen kwaad vreezen, want gij zijt met mij; uw stok en uw staf, die vertroosten mij.

5 Gij richt quot;de tafel toe voor mijn aangezicht, tegenover mijne tegenpartijders; gij maakt mijn hoofd vet met olie, mijn beker is overvloeiende.

6 Immers zullen mij het goede en de weldadigheid volgen alle de dagen mijns levens, en ik zal in het Huis des Heeren blijven in lengte van dagen.

PSALM 24.

Een psalm Davids.

De aarde is des Heeren mits gaders hare volheid, de werel en die daarin wonen;

2 want hij heeft ze gegrond op de zeeën, en heeft ze gevestigd op de rivieren.

3 Wie zal klimmen op den berg des Heeren, en wie zal staan in de plaatse zijner heiligheid?


-ocr page 652-

psalm 25, 26.

638

4 Die rein van handen en zuiver van harte is, die zijne ziele niet opheft tot ijdelheid, en die niet bedriegelijk zweert.

5 Die zal den zegen ontvangen van den Heere , en gerechtigheid van den God zijns heils.

6 Dat is het geslacht dergenen die naar hem vragen , die uw aangezicht zoeken, dat is Jakob. Sela.

7 Heft uwe hoofden óp gij poorten , en verheft u gij eeuwige deuren, opdat de Koning der eere inga.

8 Wie is de Koning der eere ? De Heere sterk en geweldig, de Heere geweldig in den strijd.

9 Heft uwe hoofden op gij poorten, ja, heft op gij eeuwige deuren, opdat de Koning der eere inga.

10 Wie is hij, deze Koning der eere? De Heere der heirscharen, die is de Koning der eere. Sela.

PSALM 25.

Een psalm Davids.

Alef. Tot u, o Heere, hef ik mijne ziele op.

2 liefh. Mijn God, op u vertrouw ik, laat mij niet beschaamd worden; laat mijne vijanden niet van vreugde opspringen over mij.

3 Gimel. Ja, allen die u verwachten zullen niet beschaamd worden ; zij zullen beschaamd worden die trouwelooslijk handelen zonder oorzaak.

4 Dalcth. Heere, maak mij uwe wegen bekend, leer mij uwe paden.

5 Hé. Van. Leid mij in uwe waarheid en leer mij,\' want gij zijt de God mijns heils; u verwacht ik den ganschen dag.

6 Zain. Gedenk, Heere , uwer barmhartigheden en uwer goedertierenheden , want die zijn van eeuwigheid.

7 Cheth. Gedenk niet der zonden mijner jonkheid , noch mijner overtredingen; gedenk mijner naar uwe goedertierenheid, óm uwer goedheid wille, o Heere.

8 Teth. De Heere is goed en recht; daarom zal hij de zondaars onderwijzen in den weg.

9 Jod. Hij zal de zachtmoedigen !

leiden in het recht, en hij zal den zachtmoedigen zijnen weg leeren.

10 Kaf. Alle paden des Heeren zijn goedertierenheid en waarheid, dengenen die zijn verbond en zijne getuigenissen bewaren.

11 Lamed. Om uws naams wille, Heere, zoo vergeef mijne ongerechtigheid, want die is groot.

12 Mem. Wie is de man die den Heere vreest? Hij zal hem onderwijzen in den weg dien hij zal hebben te verkiezen.

13 Nun. Zijne ziele zal vernachten in het goede, en zijn zaad zal de aarde beërven.

14 Samech. De verborgenheid des Heeren is voor degenen die hem vreezen; en zijn verbond, om hun die bekend te maken.

15 Ain. Mijne oogen zijn gedu-riglijk op den Heere, want hij zal mijne voeten uit het net uitvoeren.

16 Pc. Wend u tot mij en wees mij genadig, want ik ben eenzaam en ellendig.

17 Tsade. De benauwdheden mijns harten hebben zich wijd uitgestrekt ; voer mij uit mijne nooden.

18 Resch. Aanzie mijne ellende en mijne moeite, en neem weg alle mijne zonden.

19 Resch. Aanzie mijne vijanden, want zij vermenigvuldigen, en zij haten mij met oenen wreve-ligen haat.

20 Schin. Bewaar mijne ziele en red mij; laat mij niet beschaamd worden , want ik betrouw op u.

21 Thau. Laat oprechtheid en vroomheid mij behoeden, want ik verwacht u.

22 O God, verlos Israël uit alle zijne benauwdheden.

PSALM 26.

Een psalm Davids.

Doe mij recht, Heere , want ik wandel in mijne oprechtigheid, én ik vertrouw op den Heere, ik zal niet wankelen.

2 Proef mij, Heere, en onderzoek mij, toets mijne nieren en mijn hart.

3 Want uwe goedertierenheid is voor mijne oogen, en ik wandel in uwe waarheid.


-ocr page 653-

4 Ik zit niet bij ijdele lieden, en met bedekte lieden ga ik niet om.

5 Ik haat de vergadering dei-boosdoeners , en bij de goddeloozen zit ik met.

6 Ik wasch mijne handen in onschuld , en ik ga rondom uw altaar, o Heere,

7 om te doen hooren de stemme des lofs, en om te vertellen alle uwe wonderen.

8 Heere , ik heb lief de woning uws Huizes en de plaatse des Tabernakels uwer eer.

9 Raap mijne ziel niet weg met de zondaren, noch mijn leven met de mannen des bloeds,

10 in welker handen schandelijk bedrijf is , en welker rechterhand vol geschenken is.

11 Maar ik wandel in mijne op-rechtigheid, verlos mij dan en wees mij genadig.

12 Mijn voet staat op enen baan; ik zal den Heere loven in de vergaderingen.

PSALM 27.

Een Psalm Davids.

Dc Heere is mijn licht en mijn heil, voor wien zoude ik vreezen? De Heere is mijns levens kracht, voor wien zoude ik vervaard zijn?

2 Als de boozen, mijne tegenpartijen en mijne vijanden tegen mij naderden óm mijn vleesch te eten, stieten zij zelven en vielen.

3 Ofschoon mij een leger belegerde , mijn harte zoude niet vreezen ; ofschoon een oorlog tegen mii opstond, zoo vertrouw ik hierop.

4 Eén ding heb ik van den Heere begeerd, dat zal ik zoeken: dat ik alle de dagen mijns levens mocht wonen in het Huis des Heeren, om de liefelijkheid des Heeren te aanschouwen , en te onderzoeken in zijnen Tempel.

5 Want hij versteekt mij in zijne hut ten dage des kwaads, hij verbergt mij in het verborgene zijner tent, hij verhoogt mij op eenen rotssteen.

6 Ook nu zal mijn hoofd verhoogd worden boven mijne vijanden die rondom mij zijn, en ik zal in zijne Tente offeranden des

639

geklanks offeren ; ik zal zingen, ja psalmzingen den Heere.

7 Hoor, Heere, mijne stem als ik roep; en wees mij genadig en antwoord mij.

8 Mijn hart zegt totu: gij zegt: Zoekt mijn aangezicht: ilc zoek uw aangezicht, o Heere.

9 Verberg uw aangezicht niet voor mij, wijs uwen knecht niet af in toorn; gij zijt mijne hulpe geweest: begeef mij niet en verlaat mij niet, o God mijns heils.

10 Want mijn vader en mijne moeder hebben mij verlaten, maar-de Heere zal mij aannemen.

11 Heere , leer mij uwen weg en leid mij in het rechte pad, om mijner verspieders wil.

12 Geef mij niet over in de begeerte mijner tegenpartijders; want valsche getuigen zijn tegen mij opgestaan , mitsgaders die wrevel uitblaast.

13 Zoo ik niet had geloofd dat ik het goede des Heeren zoude zien in het land der levenden, ik luarc vergaan.

14 Wacht op den Heere, wees sterk, en hij zul uw harte versterken; ja, wacht op den Heere.

PSALM 28.

Een psalm Davids.

Tot u roep ik, Heere, mijn rotssteen, houd u niet als doof van mij af, opdat ik niet, zoo gij u tegen mij stil houdt, vergeleken worde met degenen die in den kuil nederdalen.

2 Hoor de stem mijner smee-kingen; als ik tot u roep, als ik mijne handen ophef naar de Aan-spreekplaats uwer heiligheid.

3 Trek mij niet weg met de goddeloozen en met de werkers , der ongerechtigheid, die van vrede spreken met hunne naasten, maar kwaad is in hun hart.

4 Geef hun naar hun doen en naar de boosheid hunner handelingen , geef hun naar hunner handen werk, doe hunne vergelding tot hen wederkeeren.

5 Omdat zij niet letten op de daden des Heeren, noch op het werk zijner handen, zoo zal hij ze afbreken en zal ze niet bouwen.

PSALM 27, 28.


-ocr page 654-

29, 30, BI.

640

P S A L M

6 Geloofd zij de Heere, want hij heeft de stemme mijner smeekingen gehoord.

7 De Heere is mijne sterkte en mijn schild; op hem heeft mijn harte vertrouwd en ik ben geholpen : dies springt mijn harte van vreugde, en ik zal hem met mijn gezang loven.

8 De Heere is hunlieder sterkte, en hij is de sterkheid der verlossingen zijns Gezalfden.

9 Verlos uw volk en zegen uwe erve, en weid ze en verhef ze tot in der eeuwigheid.

PSALM 29.

Een psalm Davids.

Geeft den Heere, gij kinderen der machtigen, geeft den Heere eere en sterkte.

2 Geeft den Heere de eere zijns naams, aanbidt den Heere inquot;de heerlijkheid des heiligdoms.

3 De stemme des Heeren is op de wateren, de God der eere dondert; de Heere is op de groote wateren.

4 De stemme des Heeren is met kracht, de stemme des Heeren is met heerlijkheid.

5 De stemme des Heeren breekt de cederen, ja de Heere verbreekt; de cederen Libanons;

G en hij doet ze huppelen als een kalf, den Libanon en Sirion als een jongen eenhoorn.

7 De stemme des Heeren houwt er vlammen vuurs uit.

8 De stemme des Heeren doet de woestijn beven, de Heere doet de woestijn Kades beven.

9 De stemme des Heeren doet de hinden jongen werpen, en ontbloot de wouden; maar in zijnen •Tempel zegt hem een iegelijk: Eere!

10 De Heere heeft gezeten over den watervloed, ja de Heere zit als Koning in eeuwigheid.

11 De Heere zal zijn volk sterkte geven, de Heere zal zijn volk zegenen met vrede.

PSALM 30.

Een psalm, een lied der inwijding van Davids huis.

2 Ik zal u verhoogen, Heere, want gij hebt mij opgetrokken, en mijne vijanden over mij niet verblijd.

3 Heere mijn God, ik heb tot u geroepen, èn gij hebt mij genezen.

4 Heere gij hebt mijne ziele uit het graf opgevoerd; gij hebt mij bij het leven behouden, dat ik in den kuil niet ben nedergedaald.

5 Psahnzingt den Heere, gij zijne gunstgenooten, en zegt lof ter gedachtenis zijner heiligheid.

G Want een oogenblik is er in zijnen toorn, maar een leven in zijne goedgunstigheid: des avonds vernacht het geween, maar des morgens is er gejuich.

7 Ik zeide wel in mijnen voorspoed: Ik zal niet wankelen in eeuwigheid,

8 ivant Heere , gij hadt mijnen berg door uwe goedgunstigheid vastgezet; maar toen gij uw aangezicht verborgt, werd ik verschrikt.

9 Tot u, Heere, riep ik, en ik smeekte tot den Heere:

10 Wat gewin is er in mijn bloed, in mijn nederdalen tot de groeve? Zal u het stof loven, zal het uwe waarheid verkondigen?

11 Hoor, Heere, en wee!; mij genadig; Heere, wees mij een helper.

12 Gij hebt mij mijne weeklage veranderd in een rei, gij hebt mijnen zak ontbonden, en mij met blijdschap omgord;

13 opdat mijne eere u psalm-zinge en niet zwijge. Heere mijn God, in eeuwigheid zal ik u loven.

PSALM 31.

Een psalm Davids, voor den opperzangmeester.

2 Op u, o Heere, betrouw ik: laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid, help mij uit door uwe gerechtigheid.

3 Neig uw oor tot mij, red mij haastelijk; wees mij tot eenen sterken rotssteen, tot een zeer vast huis, om mij te behouden.

4 Want gij zijt mijne steenrots en mijn burg: leid mij dan en voer mij om uws naams wil;


-ocr page 655-

1\' SAL

M Ó2.

o due mij uitgaan uit het net dut zij voor mij verborgen hebben, want gij zij\' mijne sterkte.

Ü Jn uwe hand beveel ik mijnen geest; gij hebt mij verlost, Heere, gij God der waarheid.

7 Ik haat degenen die op valsche ijdelheden acht nemen, ea ik betrouw op den Heeue.

8 Ik zal mij verheugen en verblijden in uwe goedertierenheid, omdat gij mijne ellende hebt aangezien en mijne ziele in benauwdheden gekend,

9 en mij niet hebt overgeleverd in de hand des vijands: gij hebt mijne voeten doen staan in de ruimte.

10 Wees mij genadig , Heere, want mij is bang; van verdriet is doorknaagd mijn oog, mijne ziel en mijn buik;

11 want mijn leven is verteerd van droefenis, en mijne Jaren van zuchten; mijne kracht is vervallen door mijne ongerechtigheid, en mijne beenderen zijn doorknaagd.

12 Vanwege alle mijne wederpar-tijders ben ik ook mijnen naburen grootelijks tot eenen smaad geworden, en mijnen bekenden tot eenen strik; die mij op de straten zien. vlieden van mij weg.

13 Ik ben uit het harte vergeten als een doode; ik ben geworden als een bedorven vat.

14 Want ik hoorde de nasprake van velen; vrees is van rondom, dewijl zij te zamen tegen mij beraadslagen ; zij denken mijne ziele te nemen.

15 Maar ik vertrouw op u, o Heere, ik zeg: Uij zijt mijn God.

10 Mijne tijden zijn in uwe hand: red mij van de hand mijner vijanden ën van mijne vervolgers.

17 Laat uw aangezicht over uwen knecht lichten , verlos mij door uwe goedertierenheid.

18 Heere , laat mij niet beschaamd worden, want ik roep u aan; laat de goddeloozen beschaamd worden , laat ze zwijgen in het graf.

19 Laat de valsche lippen stom wórden, die hard spreken tegen den rechtvaardige in hoogmoed en verachting.

20 O hue groot is uw goed dat gij weggelegd hebt voor degenen die u vreezen, dat gij gewrocht hebt voor degenen die op u betrouwen, in de tegenwoordigheid der menschenkinderen!

21 Gij verbergt ze in het verborgene uws aangezichts voor de hoogmoedigheden des mans, gij versteekt ze in eene hut voor den twist der tongen.

22 Geloofd zij de Heere, want hij heeft zijne goedertierenheid aau mij wonderlijk gemaakt, mij voerende afs in eene vaste stad.

23 Ik zeide wel in mijn haasten: Ik ben afgesneden van voor uwe oogen: dan nog hoordet gij de stem mijner smeekingeli als ik tot u riep.

24 Hebt den Heere lief, gij alle zijne gunstgenooten ; wcdU de Heere behoedt de geloovigen, en vergeldt overvloediglijk dengene die hoogmoed bedrijft.

25 Zijt sterk , en hij zal ulieder harte versterken, gij allen die op den Heere hoopt.

PSALM 32.

Kene onderwijzing Davids.

Welgelukzalig\'is hij wiens overtreding vergeven, wiens zonde bedekt is.

2 Welgelukzalig is de mensch dien de Heeue de ongerechtigheid niet toerekent, en in wiens geest geen bedrog is.

3 Toen ik zweeg, werden mijne beenderen verouderd in mijn brullen den ganschen dag;

4 want uwe hand was dag en nacht zwaar op mij, mijn sap werd veranderd in zomerdroogten. Sela.

5 Mijne zonde maakte ik u bekend , en mijne ongerechtigheid bedekte ik niet; ik zeide: Ik zal belijdenis van mijne overtredingen doen voor den Heere, en gij ver-gaaft de ongerechtigheid mijner zonde. Sela.

G Hierom zal u een ieder heilige aanbidden in vindenstijd, ja in eenen overloop van groote wateren zullen zij hem niet aanraken.

7 Gij zijt mij eene verberging, i gij behoedt mij voor benauwdheid, 21


-ocr page 656-

G42 \' PS AL»

gij omringt jijIj mei vroolijke gezangen van bevrijding. Sela.

8 Ik zal u onderwijzen, en u leeren van den weg dien gij gaan zult; ik zal raad geven , mijn oog zit 1 op ii zijn.

ü Weest niet gelijk een paard, gelijk een muilezel welke geen verstand heeft, welks muil men breidelt met toorn en gebit, opdat het tot u niet genake.

10 De goddelooze heeft vele smarten, maar die op den Heere vertrouwt, dien zal de goedertierenheid omringen.

11 Verblijdt u inden Heere en verheugt u gij rechtvaardigen, en zingt vroo^ijk alle gij oprechten van hart.

PSALM 33.

Gij rechtvaardigen, zingt vroolijk in den Heere. lof betaamt de oprechten.

2 Looft den Heere met de harp, psalmzingt hem met de luit en liet tiensnarig instrument.

3 Zingt hem een nieuw lied; speelt wèl met v roolijk geschal.

4 Want des Heer Én woord is recht, en al zijn werk getrouw.

ö Hij heeft gerechtigheid en gerichte lief; de aarde is vol van de goedertierenheid des Heeren.

G Door het woord des Heeren zijn de hemelen gemaakt, en door den üeest ziins monds al hun heir.

7 Hij vergadert de wateren der zee als op oen hoop, hij stelt den afgronden schatkameren.

8 Laat de gansche aarde voor den Heere vreezen, laat alle inwoners van de wereld voor hem schrikken.

9 Want hij spreekt en het is er, hij gebiedt en het staat er.

10 De Heere vernietigt den raad der heidenen, hij breekt de gedachten der volkeren.

11 Maar de raad des Heeren bestaat in eeuwigheid, de gedachten zijns harten van geslacht tot geslacht.

12 Welgelukzalig is het volk welks God de Heere is, het volk dat hij zich ten erve verkoren heeft.

33, 34.

13 De Heere schouwt uit den hemel en ziet alle menschenkin-deren,

14 hij ziet uit van zijne vasle woonplaats op alle inwoners dei-aarde :

15 hij formeert hun aller harte, hij let op alle hunne werken.

16 Een Koning wordt niet behouden door een groot heir, een held wordt niet gered door groote kracht;

17 het paard feilt ter overwinning, en bevrijdt niet door zijne groote sterkte.

18 Zie, des Heeren oog is over degenen die hem vreezen , op degenen die op zijne goedertierenheid hopen,

11) om hunne ziele van den dood te redden, en om hen bij het leven te houden in den honger.

20 Onze ziele verbeidt den Heere ; hij is onze hulp en ons schild;

21 want ons harte is in hem verblijd, omdat wij op den naam zijner heiligheid vertrouwen.

22 öwegoedertierenheid, Heere, zij over ons, gelijk als wij op u hopen.

PSALM 34.

Een psalm Davids, als hij zijn gelaat veranderd had voor het aangezicht van Abimélecl., die hem wegjoeg dat hij doorging.

2 A/of. Ik zal den Heere loven te aller tijd , zijn lof zal ge-duriglijk in mijnen mond zijn.

3 Jieth. Mijne ziele zal zich beroemen in den Heere , de zacht-moedigen zullen het hooren en verblijd zijn.

4 Gimcl. Maakt den Heere met mij groot, en laat ons zijnen naam te zamen verhoogen.

5 Daleih. Ik heb den Heere gezocht, en hij heeft mi; geantwoord en mij uit alle mijne vreezen gered.

6 Mé. Vau. Zij hebber op hem gezien, ja hem als een waterstroom aangeloopen, en hunne aangezichten zijn niet schaamrood geworden.

7 Zain. Deze ellendige riep, en de Heere hoorde, en hij ver-


-ocr page 657-

PSALM 35.

643

loste hem uit alle zijne benauwdheden.

8 Cheth. De Engel des Heeren legert zich rondom degenen die hem vreezen, en rukt ze uit.

9 Telh. Smaakt en ziet dat de Heere goed is; welgelukzalig is de man die op hem betrouwt.

10 Jod. Vreest den Heere, gij zijne heiligen; want die hem vreezen hebben geen gebrek.

11 Kaf. De jonge leeuwen lijden armoede eri hongeren, maar die den Heere zoeken hebben geen gebrek aan eenig goed.

12 Lamcd. Komt gij kinderen, hoort naar mij: ik zal u des Heeren vreeze leeren.

13 Mem. Wie is de man die lust heeft ten leven, die dagen liefheeft om het goede te zien?

14 Nun. Bewaar uwe tong van het kwade, en uwe lippen van bedrog te spreken.

15 Samoch. Wijk af van het kwade en doe het goede, zoek den vrede en jang dien na.

10 Ain. De oogen des Heeren zijn op de rechtvaardigen, en zijne ooren tot hun geroep.

17 Pó. Het aangezicht des Heeren is tegen degenen die kwaad doen, om hunne gedachtenis van de aarde uit te roeien.

18 Tsfide. Zij roepen, en de Heere hoort, èn hij redt ze uit alle hunne benauwdheden.

10 Kof. De Heere is nabij de gebrokenen van harte, en hij behoudt de verslagenen van geest.

20 Resch. Vele zijn de tegenspoeden des rechtvaardigen. maar uit die alle redt hem de Heere.

21 Schin. Hij bewaart alle zijne beenderen, niet één daarvan wordt gebroken.

22 Thau. De boosheid zal den goddelooze dooden; en die den rechtvaardige haten , zullen schuldig verklaard worden.

23 De Heere verlost de ziele zijner knechten; en allen die op hem betrouwen, zullen niet schuldig verklaard worden.

PSALM 35.

Een \'psalm Davids.

Twist, Heere, met mijne twisters, strijd met mijne bestrijders.

2 Grijp schild en rondas, en sta op tot mijne hulpe,

3 en breng de spies voort, en sluit den weg toe mijnen vervolgers tegemoet; zeg tot mijne ziel: Ik ben uw heil.

4 Laat ze beschaamd en te schande worden die mijne ziele zoeken, laat ze achterwaarts gedreven en schaamrood worden die kwaad tegen mij bedenken.

5 Laat ze worden als kaf voor den wind , en de Engel des Heeren drijve ze weg.

6 Hun weg zij duister en gansch slibberig, en de Engel des Heeren vervolge ze;

7 want zij hebben zonder oorzaak de groeve van hun net voor mij verborgen, zij hebben zonder oorzaak gegraven voor mijne ziel.

8 De verwoesting overkome hem dat hij het niet weet, en zijn net, dat hij verborgen heeft, vange hem zeiven; hij valle daarin met verwoesting.

9 Zoo zal mijne ziele zich verheugen in den Heere, zij zal vroolijk zijn in zijn heil.

10 Alle mijne beenderen zullen zeggen: Heere, wie is u gelijk, die den ellendige redt van dien die sterker is dan hij, en den ellendige en nooddruftige van zijnen beroovcr.

11 Wrevelige getuigen staan op, hetgeen ik niet weet eischen zij van mij.

12 Zij vergelden mij kwaad voor goed, de berooving mijner ziel.

13 Mij daarentegen aangaande, als zij krank waren, was een zak mijn kleed, ik kwelde mijne ziele met vasten, en mijn gebed keerde weder in mijnen boezem.

14 Ik ging steeds, alsof het een vriend, alsof het mij een broeder geweest ware, ik ging gebukt in het zwart, als een die over zijne moeder treurt.

15 Maar als ik hinkte, waren zij verblijd en verzamelden zich , z(j verzamelden zich tot mij als geslagenen , en ik merkte niets; zij scheurden hunne klcederen, en zwegen niet stil.

16 Onder de huichelende spot-


-ocr page 658-

G44 P S A L i\\

achtige tafelbrorrs lenersten zij over mij met hunne tanden.

17 Üeere , hoe lan.Gf zult gij toezien? Breng mijne ziel weder van hunlieder verwoestingen, mijne eenzame van de jonge leeuwen;

18 zoo zal ik u loven in degroote gemeente, ondei* machtig veel volks zal ik u prijzen.

19 Laat ze zich niet verblijden over mij, die mij om valsche oorzaken vijandig zijn ; noch wenken met het oog, dié mij zonder oorzaak haten.

20 Want zij spreken niet van vrede, maar zij bedenken bedrie-gelijke zaken tegen de stillen in den lande ;

21 en zij sperren hunnen mond wijd op tegen mij ; zij zeggen: Haha, ons oog heeft het gezien.

22 Heere. gij hebt het gezien, zwijg niet; Heere, wees niet verre van mij.

23 Ontwaak en word wakker tot mijn recht, mijn God en Heere, tot mijne twistzaak.

24 Doe mij recht naar uwe gerechtigheid, * Heere mijn God, en laat ze zich over mij niet verblijden ;

25 laat ze niet zeggen in hun harte: Hc.-di, onze ziele! laat ze niet zeggen: Wij hebben hem verslonden !

20 Laat ze beschaamd en te za-men schaamrood worden die zich in mijn kwaad verblijden , laat zo met schaamte on schande bekleed worden die zich tegen mij groot maken.

27 Laat ze vroolijk zingen en verblijd zijn die lust hebben tot mijne gerechtigheid, en laat ze geduriglijk zeggen: Grootgemaakt zij de Heere, die lust heeft tot den vrede zijns knechts;

28 zoo zal\'mijne tong vermelden uwe gerechtigheid en uwen lof den ganschen dag.

PSALM 3G.

Een psalm Davids des knechts des He er en , voor den opperzang-meester.

2 De overtreding des goddeloozen spreekt in het binnenste van mijn 3rgt;, 37.

hart: Daar is geen vreeze Gods voor zijne oogen.

3 Want hij vleit zich zeiven in zijne oogen , als men zijne onge-rêchtigheid bevindt, cliot\'e haten is.

4 De woorden zijns monds zijn onrecht en bedrog, hij laat na te verstaan tot weldoen.

5 Hij bedenkt onrecht op zijn leger; hij stelt zich op eenen weg die niet goed is; het kwaad verwerpt hij niet.

6 O Heere, uwe goedertierenheid is tot in de hemelen, uwe waarheid tot de bovenste wolken toe;

7 uwe gerechtigheid is als de •bergen Gods, uwe oordeelen zijn een gróote afgrond; Heere, gij behoudt menschen en beesten.

8 Hoe dierbaar is uwe goedertierenheid , o God , dies de men-schenkinderen onder de schaduw uwer vleugelen toevlucht nomen.

9 Zij worden dronken van de vettigheid uws Huizes, en gij drenkt ze vit de beek uwer wellusten.

10 Want bij u is de fontein des levens; in uw licht zien w.j het licht.

11 Strek uwe goedertierenheid uit over degenen die u kennen , en uwe gerechtigheid over de oprechten van harte.

12 De voet der hoovaardigen kome niet over mij , en de hand der goddeloozen doe mij niet omzwerven.

13 Aldaar zijn de werkers der ongerechtigheid gevallen, zij zijn nedergestooten en kunnen niet weder opstaan.

PSALM 37.

Een psalm Davids.

Alef. Ontsteek u niet over de boosdoeners, benijd ze niet die onrecht doen;

2 want als gras zullen z\'j hanst worden afgesneden, en quot;als de groene grasscheutjes zullen zij afvallen.

3 Beth. Vertrouw op den Heere en doe het goede; bewoon de aarde en voed u met getrouwigheid;

4 en verlustig u in der Heere, zoo zal hij u geven de begeerten uws harten.


-ocr page 659-

5 Gimel. Wentel uwen weg op den Heeue en vertrouw op hem: hij zal het maken,

6 en zal uwe gerechtigheid doen voortkomen als het licht, en uw recht als don middag.

7 Dah\'lh. Zwijg den Heere en verbeid hem; ontsteek u niet over dengenen wiens weg voorspoedig is, over eenen man die listige aanslagen uitvoert.

8 Hé. Laat af van toorn en verlaat de grimmigheid; ontsteek u niet, immers niet om kwaad te doen.

9 Want de boosdoeners zullen uitgeroeid worden; maar die den Heere verwachten, die zullen de aarde erfelijk bezitten.

40 Vau. En nog een weinig en de goddelooze zal er niet zijn, en gij zult achtnemen op zijne plaatse, maar hij zal er niet wezen.

41 De zachtraoedigen daarentegen zullen de aarde erfelijk bezitten , en zich verlustigen over groeten vrede.

42 Zain. De goddelooze bedenkt listige aanslagen tegen den rechtvaardige , en hij knerst over hem met zijne tanden:

43 de Heere belacht hem, want hij ziet dat zijn dag komt.

44 Cheth. De goddeloozen hebben het zwaard uitgetrokken en hunnen boog gespannen , om den ellendige en nooddruftige neder le vellen, om te slachten wie oprecht van weg zijn;

15 maar hun zwaard zal in hun hart gaan , en hunne bogen zullen verbroken worden.

46 Tcth. liet weinige dat de rechtvaardige heeft is beter dan de overvloed veler goddeloozen;

47 want de armen der goddeloozen zullen verbroken worden, maar de Heere ondersteunt de rechtvaardigen.

48 Joel. De Heere kent de dagen der oprechten, en hunne erfenis zal in eeuwigheid blijven.

49 Zij zullen niet beschaamd worden in den kwaden tijd, en in de dagen des hongers zullen zij verzadigd worden.

20 Kaf. Maar de goddeloozen zullen vergaan, en de vijanden

645

des Heerex zullen verdwijnen, als het kostelijkste der lammeren; met den rook zullen zij verdwijnen.

21 Lamed. De goddelooze ontleent en geeft niet weder, maar de rechtvaardige ontfermt zich en geeft.

22 Wont zijne gezegenden zullen de aarde erfelijk bezitten, maar zijne vervloekten zullen uitgeroeid worden.

23 Mem. De gangen diens mans worden van den Heere bevestigd, en hij heeft lust aan zijnen weg.

24 Als hij valt, zoo wordt hij niet weggeworpen , want de Heere ondersteunt zijne hand.

25 Nun. Ik ben jong geweest, ook ben ik oud geworden, maar heb niet gezien den rechtvaardige verlaten, noch zijn zaad zoekende brood.

20 Den ganschen dag ontfermt hij zich en leent, en zijn zaad is tot zegening.

27 Samech. Wijk af van het kwade en doe het goede, en woon in eeuwigheid.

28 Want de Heere heeft het recht lief, en zal zijne gunstge-nooten niet verlaten: in eeuwigheid worden zij bewaard, maar het zaad der goddeloozen wordt uitgeroeid.

29 De rechtvaardigen zullen de aarde erfelijk bezitten en in eeuwigheid daarop wonen.

30 Pc. De mond des rechtvaardigen vermeldt wijsheid, en zijne tong spreekt het recht.

34 De wet zijns Gods is in zijn harte; zijne gangen zullen niet slibberen.

32 Tsadc. De goddelooze loert op den rechtvaardige en zoekt hem te dooden:

33 maar de Heere laat hem niet in zijne hand, en hij verdoemt hem riet als hij geoordeeld wordt.

34 Kof. Wacht op den Heere en houd zijnen weg, en hij zal u verhoogen, om de aarde erfelijk te bezitten; gij zult zien dat de goddeloozen worden uitgeroeid.

35 Tlcftch. Ik heb gezien eenen gewelddrij venden goddelooze , die zich uitbreidde als een groene in-landsche boom;

PSALM 37.


-ocr page 660-

646

36 maar hij ging dö^rr en zie , hij was er niét meer: en ik zocht hèm, maar hij werd niet gevonden.

37 Schin. Let op den vrome en zie naar den oprechte, want het einde van dien man zal vrede zijn.

quot;38 Maar de overtreders worden te zamen verdelgd, het einde der goddeloozen wordt uitgeroeid.

39 Thau. Doch het heil der rechtvaardigen is van den Heere, hunne sterkte in tijd van benauwdheid ;

40 en de Heere zal ze helpen en zal ze bevrijden, hij zal ze bevrijden van de\'goddeloozen en zal ze behouden, want zij betrouwen op hem.

PSALM 38.

Een psalm Davids, om te doen gedenken.

2 o Heere , straf mij niet in uwen grooten toorn, en kastijd mij niet in uwe grimmigheid.

3 Want uwe pijlen zijn in mij gedaald, en uwe hand is op mij nedergedaald.

4 Daar is niets geheels aan mijn vleesch vanwege uwe gramschap, daar is geen vrede in mijne beenderen vanwege mijne zonde.

5 Want mijne ongerechtigheden gaan over mijn hoofd, als een zware last zijn zij mij te zwaar geworden.

(5 Mijne etterbuilen stinken , zij zijn vervuild vanwege mijne dwaasheid.

7 Ik ben krom geworden, ik ben uitermate zeer nedergebogen, ik ga den ganschen dag in het zwart.

8 Want mijne darmen zijn vol van verachtelijke plage , en daar is niets geheels in mijn vleesch.

9 Ik ben verzwakt en uitermate zeer verbrijzeld; ik brul van het geruisch mijns harten.

10 Heere, voor u is al mijne begeerte, en mijn zuchten is voor u niet verborgen.

11 Mijn harte keert om en om, mijne kracht heeft mij verlaten ; en het licht mijner oogen, ook zij zelve zijn niet bij mij.

12 Mijne liefhebbers en mijne vrienden staan tegenover mijne plage, en mijne nabestaanden staan van verre.

13 En die mijne ziele zoeken leggen mij strilcken, en die mijn kwaad zoeken spreken verdervingen, en zij overdenken den ganschen dag listen.

14 Ik daarentegen ben als een doove, ik hoor niet, en als een stomme, die zijnen mond niet opendoet.

15 Ja, ik ben als een man die niet hoort, en in wiens mond geene tegenredenen zijn.

16 Want op u Heere hoop ik; gij zult verhoeren, Heere mijn God.

17 Want ik zeide: Dat zij zich toch over mij niet verblijden! Wanneer mijn voet zoude wankelen, zoo zouden zij zich togen mij groot maken.

18 Want ik ben tot hinken gereed, en mijne smart is steeds vóór mij.

19 Want ik maak n mijne ongerechtigheid bekend, ik ben bekommerd vanwege mijne zonde.

20 Maar mijne vijanden zijn levend, worden machtig, en die mij om valsche oorzaken halen wórden groot.

21 En die kwaad voor goed vergelden staan tegen mij, omdat ik het goede najaag.

22 Verlaat mij niet, o Heere, mijn God, wees niet verre van mij.

23 Haast u tot mijne hulp, Heere, mijn heil.

PSALM 39.

Een psalm Davids, voor den opperzangmeester, voor Jeduthun.

2 Ik zeide: Ik zal mijne wegen bewaren, dat ik niet zondige met mijne tong; ik zal mijnen mond met eenen breidel bewaren, terwijl de goddelooze nog tegenover mij is.

3 Ik was verstomd door stilzwijgen, ik zweeg van het goede; maar mijne smarte werd verzwaard.

4 Mijn harte werd heet in mijn binnenste, een vuur ontbrandde in mijne overdenking. Toen sprak ik met mijne tong:

PSALM 38, 39.


-ocr page 661-

5 Heere, maak mij hekend mijn einde en welke de maat mijner dagen zij, dat ik wete hoe vergankelijk ik hen.

6 Zie, gij hebt mijne dagen een handbreed gesteld, en mijn leeftijd is als niets voor u; immers is een ieder mensch, hoc vast hij staat, enkel ijdelheid. Sela.

7 Immers wandelt de mensch als in een beeld, immers woelen zij ijdellijk; men brengt bijeen, en men weet niet wie het naar zich nemen zal.

8 En nu, wat verwacht ik o Heere? Mijne hope, die is op u.

9 Verlos mij van alle mijne overtredingen; stel mij niet tot een smaad des dwazen.

10 Ik ben verstomd, ik zal mijnen mond niet opendoen, want gij hebt het gedaan.

11 Neem uwe plage van op mij weg; ik ben bezweken van de bestrijding uwer hand.

12 kastijdt gij iemand met slraf-fmgen om de ongerechtigheid, zoo doet gij zijne bevalligheid smelten als eene mot; immers is een ieder mensch ijdelheid. Sela.

13 Hoor, Heere, mijn gebed, en neem mijn geroep ter oore; zwijg niet tot mijne tranen; want ik ben een vreemdeling bij u, een bijwoner, gelijk alle mijne vaders.

14 Wend u van mij af, dat ik mij verkwikke eer dat ik henenga en niet meer zij.

PSALM 40.

Davids psalm, voor den opper-zangmeester.

2 Ik heb den Heere lang verwacht, en hij heeft zich tot mij geneigd en mijn geroep gehoord;

3 en hij heeft mij uit eenen ruischenden kuil, uit modderig slijk opgehaald, en heeft mijne voeten op eenen rotssteen gesteld, hij beeft mijne gangen vast gemaakt.

4 En hij heeft een nieuw lied in mijnen mond gegeven, eenen lofzang aan onzen God; velen zullen het zien, en vreezen, en op den Heere vertrouwen.

5 Welgelukzalig is de man die den Heere tot zijn vertrouwen

647

stelt, en niet omziet naar de hoovaardigen en die tot leugen afwijken.

ü Gij, o Heere mijn God, hebt uwe wonderen en uwe gedachten aan ons vele gemaakt, men kan ze niet in orde bij u verhalen; zal ik zeverkondigen en uitspreken, zoo zijn ze menigvuldiger dan dat ik ze zoude kunnen vertellen.

7 Gij hebt geen lust gehad aan slachtoffer en spijsoffer; gij hebt mij de ooren doorboord, brandoffer en zondoffer hebt gij niet geëischt.

8 Toen zeide ik: Zie, ik kome; in de rol des boeks is van mij geschreven.

9 ik heb lust, o mijn God, om uw welbehagen te doen; en uwe wet is in het midden mijns ingewands.

10 Ik boodschap de gerechtigheid in de groote gemeente; zie, mijne lippen bedwing ik niet; Heere, gij weet het.

11 Uwe gerechtigheid bedek ik niet in het midden mijns harten; uwe waarheid en uw heil spreek ik uit; uwe weldadigheid en uwe trouw verheel ik niet in de groote gemeente.

12 Gij, o Heere, zult uwe barmhartigheden van mij niet onthouden ; laat uwe weldadigheid en uwe trouw mij geduriglijk behoeden.

13 Want kwaden tot zonder getal toe hebben mij omgeven, mijne ongerechtigheden hebben mij aangegrepen, dat ik niet heb kunnen zien; zij zijn menigvuldiger dan de haren mijns hoofds, en mijn harte heeft mij verlaten.

14 Het behage u, Heere , mij te verlossen; Heere, haast u tot mijne hulpe.

15 Laat ze te zamen beschaamdquot; en schaamrood worden die mijne ziele zoeken om die te vernielen, laat ze achterwaarts gedreven worden en te schande worden die lust hebben aan mijn kwaad.

10 Laat ze verwoest worden tot loon hunner beschaming, die van mij zeggen: Haba.

17 Laat in u vroolijk en verblijd zijn allen die u zoeken; laat de liefhebbers uws heils geduriglijk zeggen : De Heere zij groot gemaakt.

PSALM 40*


-ocr page 662-

PSALM 41, 42.

G48

18 Ik ben wel ellendig en nooddruftig , maar de Heere denkt aan mij; gij zijt mijne hulpe en mijn bevrijder; o mijn God, vertoef niet.

PSALM 41.

Een psalm Davids, voor den opperzangmeester.

2 Welgelukzalig is hij die zich verstandiglijk gedraagt jegens een ellendige: de Heehe zal hem bevrijden ten dage des kwaads.

3 De Heere zal hem bewaren en zal hem bij het leven behouden , hij zal op aarde gelukzalig gemaakt worden. Geel\' hem ook niet over in zijner vijanden begeerte.

4 De Heere zal hem ondersteunen op het ziekbed; in zijne krankheid verandert gij zijn gansche leger.

5 ik zeide: O Heere, wees mij genadig; genees mijne ziele, want ik heb tegen u gezondigd.

6 Mijne vijanden spreken kwaad van mij , zeggende : Wanneer zal hij sterven en zijn naam vergaan?

7 En zoo iemand van hen komt om mij te zien, hij spreekt valsch-heid, zijn hart vergadert zich onrecht : gaat hij uit naar buiten, hij spreekt er van.

8 Alle mijne haters mompelen te zamen tegen mij , zij bedenken legen mij hetgene mij kwaad is, zeggende:

9 Een belialsstuk kleeft hem aan; en hij die nederligt zal niet weder opstaan.

10 Zelfs de man mijns vredes. op wien ik vertrouwde, die mijn brood at, heeft de verzenen tegen mij grootelijks verheven.

11 Maar gij o Heere, wees mij genadig en richt mij op, en ik zal het hun vergelden.

12 Hierbij weet ik dat gij lust aan mij hebt, dat mijn vijand over mij niet zal juichen.

13 Want mij aangaande, gij onderhoudt mij in mijne oprechtheid , en gij stelt mij voor uw aangezicht in eeuwigheid.

14 Geloofd zijde Heere, de God Israels, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid, amen, ja amen.

PSALM 42.

Eene onderwijzing, voor den opperzangmeester , onder de kinderen van Korach.

2 Gelijk een hert schreeuwt naar de waterstroomen, alzoo schreeuwt mijne ziele tot u , o God.

3 Mijne ziele dorst naar God, naar den levenden God : wanneer zal ik ingaan en voor Gods aangezicht verschijnen ?

4 Mijne tranen zijn mij tot spijze dag en nacht, omdat zij den gan-schen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?

5 Ik gedenk daaraan , en stort mijne ziele uit in mij , omdat ik placht henen te gaan onder de schare, en met hen te treden naar Godes Huis, met eene stemme van vreugdegezang en lof, onder de feesthoudende menigte.

G Wat buigt gij u neder, o mijne ziele, en zijt onrustig in mij ? Hoop op G.od, want ik zal hem nog loven voor de verlossingen zijns aangezichts.

7 O mijn God, mijne ziele buigt zich neder in inij, daarom gedenk ik uwer uit het land van den Jordaan en den Hermon, uit het klein gebergte.

8 De afgrond roept tot de.i afgrond, bij het gedruisch uwer watergoten; alle uwe baren en uwe golven zijn over mij henen-gegaan.

9 Maar de Heere zal des daags zijne goedertierenheid gebieden, en des nachts zal zijn lied bij mij zijn, het gebed tot den God mijns levens.

10 Ik zal zeggen lot God: Mijne steenrots, waarom vergeet \'gij mij ? Waarom ga ik in het zwart vanwege des vijands onderdrukking?

11 Met een doodsteek in mijne beenderen honen mij mijne weder-partijders, als zij den ganschen dag tot mij zeggen: Waar is uw God?

12 Wat buigt gij u neder, o mijne ziele, en wat zijt gij onrustig in mij ? Hoop op God want ik zal hem nog loven; hij is de me-


-ocr page 663-

PSALM 43, 44.

G49

nigvuldige verlossing mijns aan-gezichts en mijn God.

PSALM 43.

Doe mij recht, o God, en twist gij mijne twistzake; bevrijd mij van liét ongoedortieren volk, van den man des bedrogs en dos onrechts.

2 Want gij zijt de God mijner sterkte; waarom verstoot gij mij dan\'? Waarom ga ik steeds in het zwart vanwege des vijands onderdrukking?

3 Zend uw licht en uwe waarheid, dat die mij leiden, dat zij

brengen tot den berg uwer ligheid en tot uwe woningen;

4 en dat ik inga tot Gods altaar, tot den God der blijdschap mijner verheuging, en u met de harp love, o God. mijn God!

5 Wat buigt gij ii neder, o mijne ziele, en wat zijt gij onrustig in mij? Hoop op God, want ik zal hom nog loven; hij is de menigvuldige verlossing mijns aangezichts en mijn God.

PSALM 44.

Eene onderwijzing, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

2 O God, wij hebben het met onze ooren gehoord, onze vaders hebben het ons verteld: gij hebt een werk gewrocht in hunne dagen , in de dagen van ouds.

3 Gij hebt de heidenen met uwe hand uit de bezitting verdreven, maar henlieden geplant; gij hebt de volken geplaagd, henlieden daarentegen doe i voortschieten.

4 Want zij hebben het land niet geërfd door hun zwaard, en hun arm heelt hun geen heil gegeven, maar uwe rechterhand en uw arm en het licht uws aangezichts, omdat gij een welbehagen in hen hadt.

5 Gij zelf zijt mijn Koning, o God: gebied de verlossingen Ja-kobs.

6 Door u zullen wij onze weder-partijders met hoornen stoeten, in uwen naam zullen wij vertreden die tegen ons opstaan.

7 Wf.nt ik vertrouw niet op mijnen boog, en mijn zwaard zal mij niet verlossen;

8 maar gij verlost ons van onze wederpartij dors, en gij maakt onze haters beschaamd.

9 In God roemen wij den gan-schen dag, en uwen naam zullen wij loven in eeuwigheid. Sela.

10 Maar nu hebt gij ons verstoeten en te schande gemaakt, dewijl gij met onze krijgsheiren niet uittrekt.

11 Gij doet ons achterwaarts keeren van den wederpartij der, en onze haters berooven ons voor zich.

12 Gij geeft ons over als schapen ter spijze, en gij verstrooit ons onder de heidenen.

13 Gij verkoopt uw volk om geene waardij, en gij verhoogt hunnen prijs niet.

14 Gij stelt ons onzen naburen tot smaad, tot spot en schimp dengenen die rondom ons zijn.

15 Gij stelt ons tot een spreekwoord onder de heidenen, tot eene hoofdschudding onder do volken.

16 Mijne schande is den gan-schen dag vóór mij, en de schaamte mijns aangezichts bedekt mij,

17 óm do stem des honors en des lasteraars, vanwege den vijand en den wraakgierige.

18 Dit alles is ons overkomen, nogtans hebben wij u niet vergeten , noch valschelijk gehandeld tegen uw verbond.

19 Ons hart is niet achterwaarts gekeerd, noch onze gang geweken van uw pad,

20 hoewel gij ons verpletterd hebt in eene plaats der draken, en. ons met eene doodsschaduw bedekt hebt.

21 Zoo wij den naamonzes Gods hadden vergeten, en onze handen tot een vreemden God uitgebreid,

22 zoude God zulks niet onderzoeken? Want hij weet de verborgenheden des harten.

23 Maar om uwentwil worden wij den ganschen dag gedood, wii worden coacht als slachtscha-pen. ..

24 Waak op, waarom zoudt gij


-ocr page 664-

G50 P S A L a

slapen,Heere? Ontwaak, verstoot niet in eeuwigheid.

25 Waarom zoudt gij uw aangezicht verbergen, onze ellende en onze onderdrukking vergeten?

20 Want onze ziele is in het stof nedergebogen, onze buik kleeft aan de aarde.

27 Sta op, ons ter hulpe, en verlos ons om uwer goedertieren-lieitl wil.

PSALM 45.

Eene onderwijzing, een lied der liefde, voor dén opperzangmees-ter, onder de kinderen van Ko-rach, op sosannirn.

2 Mijn hart geeft eene goede rede op; ik spreek mijne gedichten uit van een Koning; mijne tong is eene pen eens vaardigen schrijvers.

3 Gij zijt veel schooner dan de menschenkinderen; genade is uitgestort op uwe lippen; daarom heeft u God gezegend in eeuwigheid.

4 Gord uw zwaard aan de heup, o held. uwe majesteit en uwe heerlijkheid;

5 en rijd voorspoediglijk in uwe heerlijkheid, op het woord dei-waarheid en rechtvaardige zachtmoedigheid; en uwe rechterhand zal u vrceselijke dingen leeren.

G Uwe pijlen zijn scherp, volken zullen onder u vallen; zij troffen in het hart van des Ko-nings vijanden.

7 Uw troon, o God, is eeuwig en altoos, de scepter uws konink-rijks is een scepter der rechtmatigheid;

8 gij hebt gerechtigheid lief en haat goddeloosheid: daarom heeft u, o God, uw God gezalfd met vreugde-olie boven uwe medege-nooten.

0 Alle uwe kleederen zijn mirre en aloë m kassia, uit de elpen-beenen paleizen, van waar zij u verblijden.

10 Dochters van Koningen zijn onder uwe kostelijke staatclochie-ren; de Koningin staat aan uwe rechterhand, in het fijnste goud van Oflr.

41 Hoor, o dochter, en zie, en [ 45, 46.

neig uw oor, en vergeet uw volk en uws vaders huis;

12 zoo zal de Koning lust hebben aan uwe schoonheid: dewijl hij uw Heer is, zoo buig u voor hem neder.

13 En de dochter van Tyrus, de rijken onder het volk zullen uw aangezicht met geschenk smeeken.

14 Des Konings dochter is geheel verheerlijkt inwendig; hare kleeding is van gouden borduursel.

15 In gestikte kleederen zal zij tot den Koning geleid worden: de jonge dochteren die achter haar zijn, hare metgezellinnen, zullen tot u gebracht worden,

16 zij zullen geleid worden met alle blijdschap\'en verheuging, zij zullen ingaan in des Konings paleis.

17 In plaats van uwe vaderen zullen uwe zonen zijn, gij zult ze tot Vorsten stellen over de gan-sche aarde.

18 Ik zal uwen naam doen gedenken van elk geslacht tot geslacht: daarom zullen u de volken loven eeuwiglijk en altoos.

PSALM 46.

Een lied op alamoth, voor den opperzangmeester, onder de kinderen van Korach.

2 God is ons eene toevlucht en sterkte, hij is krachtiglijk bevonden eene hulpe in benauwdheden.

3 Daarom zullen wij niet vreezen, al veranderde de aarde hare ■plaats, en al werden de bergen verzet in het hart van de zeeën:

4 laat hare wateren bruisen, laat ze beroerd worden; laat do bergen daveren door derzelver verheffing. Sela.

5 De beekjes der rivier zullen verblijden de stad Godes, het heiligdom der woningen des Aller-hoogsten.

6 God is in het midden van haar, zij zal niet wankelen: God zal ze helpen in het aanbreken des morgenstonds.

7 De heidenen raasden, de koninkrijken bewogen zich: hij ver-


-ocr page 665-

PSALM

hief zijne stemme, de aarde versmolt.

8 De Heere der heirscharen is met ons, de God Jakobs is ons een hoog vertrek. Sela.

9 Komt, aanschouwt de daden des Heeren, die verwoestingen op aarde aanricht;

10 die de oorlogen doet ophouden tot aan het einde der aarde, den boog verbreekt en de spies aan twee slaat, de wagenen met vuur verbrandt.

11 Laat af, en weet dat ik God ben: ik zal verhoogd worden onder de heidenen, ik zal verhoogd worden op de aarde.

12 De Heere der heirscharen is met ons, de God Jakobs is ons een hoog vertrek. Sela.

PSALM 47.

lien psalm, voor den opperzang-meester, onder de kinderen van Korach.

2 Alle gij volken , klapt in de hand ; juicht Gode met eene stem van vreugdegezang.

3 Want de Heere , de Allerhoogste, is vreeselijk, een groot Koning over de gansche aarde.

4 Hij brengt de volken onder ons, en de natiën onder onze voeten.

5 Hij verkiest voor ons onze erfenis, de heerlijkheid Jakobs, dien hij heeft liefgehad. Sela.

ö God vaart op met gejuich, de Heere met gek lank der bazuin.

7 PsalmzingtGode, psalmzingt, psalmzingt onzen Koning, psalm-zingt.

8 Want God is een Koning der gansche aarde; psalmzingt met eene onderwijzing.

9 God regeert over de heidenen; God zit op den troon zijner heiligheid.

10 De edelen der volken zijn verzameld tot het volk van dèn God Abrahams; want de schilden der aarde zijn Godes: hij is zeer verheven.

PSALM 48.

Een lied, een psalm, voor de kinderen van Korach.

2 De Heere is groot en zeer te 47, 48, 49. 651

prijzen in de stad onzes Gods, op den berg zijner heiligheid.

3 Schoon van gelegenheid, eene vreugde der gansche aarde is de berg Sion, aan de zijden van het Noorden, de stad des grooten Konings.

4 God is in hare paleizen, hij is er bekend voor een hoog vertrek.

5 Want zie, de Koningen waren vergaderd, zij waren te zamen doorgetogen:

6 gelijk zij het zagen, waren zij verwonderd, zij werden verschrikt, zij haastten zich weg;

7 beving greep ze aldaar aan, smart als eenerbarende vrouw.

8 Met oenen oostenwind verbreekt gij de schepen van Tarsis.

9 Gelijk wij gehoord hadden, alzoo hebben wij gezien in de stad des Heeren der heirscharen, in de stad onzes Gods; God zal haar bevestigen tot in eeuwigheid. Sela.

10 O God, wij gedenken uwer weldadigheid inquot; het midden uws Tempels.

11 Gelijk uw naam is, o God, alzóó is uw roem tot aan de einden der aarde ; uwe rechterhand is vol van gerechtigheid.

12 Laat de berg Sion blijde zijn, laat de dochteren van Juda zich verheugen om uwer oordeelen wille.

13 Gaat rondom Sion en omringt haar; telt hare torens;

14 zet uw harte op hare vesting; beschouwt onderscheidenlijk hare paleizen, opdat gij het den navolgenden geslachte vertelt.

15 Want deze God is onze God eeuwig en altoos, hij zal ons geleiden tot den dood toe.

PSALM 49.

Een psalm, voor den opperzang-meester, onder de kinderen van Korach.

2 Hoort dit, alle gij volken; neemt ter ooren, alle inwoners der wereld:

3 zoowel geringen als aanzienlijken, te zamen rijk en arm.

4 Mijn mond zal enkel wijsheid spreken , en de overdenking mijns harten zal vol verstand zijn.


-ocr page 666-

653 1J S A1

5 Ik zal mijn oor neigen tot cene spreuke, ik zal mijne ver-borgene rede openen op de harp.

B Waarom zoude ik vreezen in kwade dagen, als de ongerechli-gen, die mij op de hielen zijn, mij omringen?

7 Aangaande degenen die op hun goed vertrouwen en op do veelheid huns rijkdoms roemen,

8 niemand van hen zal zijnen broeder immer moer kunnen verlossen ; hij zal Oode zijn rantsoen niet kunnen geven,

9 fwant de verlossing hunner ziele is te kostelijk, en zal in eeuwigheid ophouden),

•10 dat hij ook voortaan gedung-lijk zoude leven en de verderving niet zien.

H Want hij ziel dat de wijzen sterven, dat te zamen een dwaas en een onvernuftige omkomen , en hun goed aan anderen nalaten.

12 Hunne binnenste gedachte is, dat hunne huizen zullen zijn in eeuwigheid, hunne woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hunne nauien.

13 De mensch nogtans, die m waarde is, blijft niet; hij wordt celijk als de beesten dia vergaan.

14 Deze hun weg is eene dwaasheid van hen; nogtans hebben hunne nakomelingen een welbe-lianen in hunne woorden. Sela.

1% Men zet ze als schapen in het graf, de dood zal ze al weiden; en de oprechten zullen over hen heerschen in dien morgenstond; en het graf zal hunne gedaante verslijten, cllc uit zijne woning.

16 Maar God zal mijne ziele van het geweld des grafs verlossen, want hij zal mij opnemen. Sela.

17 Vrees niet, wanneer een man rijk wordt, wanneer de eere van zijn huis groot wordt;

48 want hij zal in zijn sterven nietmetal medenemen, zijne eere zal hem niet nadalen.

19 Hoewel hij zijne ziele in zijn leven zegent, en zij u loven omdat gij uzelven goeddoet,

20 zoo zal zij toch komen tot het geslacht harer vaderen; tot in eeuwigheid zullen zij het licht niet zien.

M 50.

21 De mensch die in waarde is en geen verstand heeft, wordt gelijk als de beesten die vergaan.

PSALM 50.

Ken psalm Asafs.

De God der goden, de Heehe spreekt, en roept de aarde van den opgang der zon tot aan haren ondergang.

2 Uit Sion, de volkomenheid der schoonheid, verschijnt God blinkende.

o Onze God zal komen en zal niet zwijgen: een vuur voor zijn aangezicht zal verteren, en rondom hem zal het zeer stormen.

4 Hij zal roepen tot den hemel van bóven, en tot de aarde, om zijn volk te richten.

5 Verzamelt mij mijne gunstge-nooten , die mijn verbond maken met offerande.

(3 En de hemelen verkondigen zijne gerechtigheid, want God zelf is Rechter. Sela.

7 Hoor, mijn volk, en :ik zal spreken ; Israël, en ik zal onder u betuigen; ik God, ben uw God.

8 Om uwe olleranden zal ik u niet straffen, want uwe bran doffe ren zijn steeds vóór mij.

ü Ik zal uit uw huis geenen var nemen, noch bokken uit uwe kooien;

10 want al het gedierte des wouds is mijn, de beesten op duizend bergen;

11 ik ken al het gevogelte der bergen, en het wild des velds is bij mij.

12 Zoo mij hongerde, ik zoude het u niet zeggen, want mijne is de wereld en hare volheid.

13 Zoude ik stierenvleesch eten of bokkenbloed drinken?

14 Offer Gode dank, en betaal den Allerhoogste uwe geloften.

15 En roep mij aan in de i dag der benauwdheid: ik zal er u uithelpen , en gij zult mij eeren.

16 Maar tot den goddelooze zegt God: Wat hebt gij mijne inzettingen te vertellen, en neemt mijn verbond in uwen mond,

17 dewijl gij de kastijding haat en mijne woorden achter u henen-werpt?


-ocr page 667-

PSALM 51, 52.

653

18 Indien gij eenen dief ziet, zoo loopt gij met hem; en uw deel is met de overspelers.

lü Uwen mond steekt gij in het kwade, en uwe tong koppelt bedrog.

20 Gij zit, gij spreekt tegen uwen broeder, quot;tegen den zoon uwer moeder geeft gij lastering uit.

21 Deze dingen doet gij, en ik zwijg; gij meent dat ik ten eenen-male ben gelijk gij: ik zal u straffen , en zal het ordelijk voor uwe oogen stellen.

22 Verslaat dit toch, gij godvergetenden , opdat ik niet verscheure en niemand redde.

23 Wie dank offert, die zal mij eeren; en wie zijnen weg wel aanstelt, dien zal ik Gods heil doen zien.

PSALM 51.

Een psalm Davids, voor den opperzangmeesler;

2 toen de Profeet Nathan tot hem was gekomen, nadat hij lot Bathséba was ingegaan.

3 Wees mij genadig, o God, naar uwe goedertierenheid; delg mijne overtredingen uit, naar de grootheid uwer barmhartigheden.

4 Wasch mij wel van mijne ongerechtigheid , en reinig mij van mijne zonde.

6 Want ik ken mijne overtredingen , en mijne zonde is steeds vóór mij.

ü Tegen u, u alleen heb ik gezondigd , en \'gedaan dat kwaad is in uwe oogen; opdat gij rechtvaardig zijl in uw spreken, en rein zijl in uw richten.

7 Zie, ik ben in ongerechtigheid geboren, en in zonde heelt mij mijne moeder ontvangen.

8 Zie, gij hebt lust tot waarheid in het binnenste, en in het verborgene maakt gij mij wijsheid bekend.

9 Ontzondig mij met hysop, en ik zal rein zijn; wasch mij, en ik zal witter zijn dan sneeuw.

10 Doe mij vreugde en blijdschap hooren; dat de beenderen zich verheugen die gij verbrijzeld hebt.

11 Verberg uw aangezicht van mijne zonden, en delg uit alle mijne ongerechtigheden.

12 Schep mij een rein harl, o God, en vernieuwquot;in het binnenste van mij eenen vasten geest.

13 Verwerp mij niet van uw aangezicht, en neem uwen heiligen Geest niet van mij.

14 Geef mij weder de vreugde uws heils; en de vrijmoedige geest ondersteune mij.

15 Zoo zal ik de overtreders uwe wegen leeren, en de zondaars zullen zich lot u bekeeren.

16 Verlos mij van bloedschulden, o God, gij God mijns heils; zoo zal mijn tong uwe gerechtigheid vroolijk roemen.

17 Heere, open mijne lippen, zoo zal mijn mond uwen lof verkondigen.

18 Want gij hebt geen lust tot offerande, anders zoude ik zegeven ; in brandofferen hebt gij geen behagen.

19 De offeranden Gods zijn een gebroken geest; een gebroken en verslagen hart zult gij, o God, niet verachten.

20 Doe wel bij Sion naar uw welbehagen, bouw de muren van Jeruzalem op.

21 Dan zult gij lust hebben aan de offeranden der gerechtigheid, aan brandoffer en een offer dat gansch verteerd wordt; dan zullen zij varren offeren op uw altaar.

PSALM 52.

Eene onderwijzing Davids, voor den opperzangmeesler;

2 als Doëg de Edomiet gekomen was, en Saul te kennen gegeven en tot hem gezegd had: David is gekomen, ten huize van Achimé-lecli.

3 Wat beroemt gij u in het kwade, o gij geweldige? Gods goedertierenheid duurt toch den ganschen dag.

4 Uwe tong denkt enkel schade, als een geslepen scheermes, werkende bedrog

5 Gij hebt het kwade liever dan het goede, de leugen dan gerechtigheid te spreken. Sela.

6 Gij hebt lief alle woorden van


-ocr page 668-

53, 54, 55.

654

P S A L M

verslinding, cn cene tong des bedrogs.

7 God zal ii ook afbreken in eeuwigheid, hij zal u wegrapen en u uit de tent uitrukken, ja hij zal u ontwortelen uit het land der levenden. Sela.

8 En de rechtvaardigen zullen het zien en vreezen; en zij zullen over hen lachen, zeggende:

0 Zie den man die God niet stelde tot zijne sterkte, maar vertrouwde op de veelheid zijns rijks-doms; hij was sterk geworden door zijn beschadigen.

10 Maar ik zal zijn als een groene olijfboom in Godes Huis; ik vertrouw op Gods goedertierenheid eeuwiglijk en altoos.

11 Ik zal u loven in eeuwigheid, omdat gij het gedaan heb; en ik zal uwen naam verwachten, want hij is goed voor uwe gunstgenooten.

PSALM 53.

Eene onderwijzing Davids, voor den opperzangmeester, op maha-lath.

2 De dwaas zegt in zijn hart: Daar is geen God; zij verderven het en zij bedrijven gruwelijk onrecht; daar is niemand die goeddoet.

3 God heeft uit den hemel neder-gezien op de menschenkinderen, om te zien of iemand verstandig ware, die God zocht:

4 een ieder van hen is teruggekeerd, te zamen zijn zij stinkende geworden, daar is niemand die goeddoet, ook niet één.

5 Hebben dan de werkers der ongerechtigheid geen kennis, die mijn volk opeten alsof zij brood aten? Zij roepen God niet aan.

6 Aldaar zijn ze met vervaardheid vervaard geworden, waar geene vervaardheid was; want God heeft de beenderen desgenen die ii belegerde verstrooid; gij hebt ze beschaamd gemaakt, want God heeft ze verworpen.

7 Och dat Israels verlossingen uit Sion kwamen! Als God de gevangenen zijns volks zal doen we-derkeeren, dan zal zich Jakob verheugen, Israël zal verblijd zijn.

PSALM 54.

Eene onderwijzing Davids, voor den opperzangmeester op de ne-ginoth;

2 als de Zifilen gekomen waren en tot Saul gezegd hadden: Verbergt zich David niet bij ons?

3 O God, verlos mij door uwen naam, en doe mij recht door uwe macht.

4 O God, hoor mijn gebed, neig de ooren tot de redenen mijns monds.

5 Want vreemden staan tegen mij op, en tyrannen zoeken mijne ziele; zij stellen God niet voor hunne oogen. Sela.

(5 Zie, God is mij een helper, de Heehe is onder degenen die mijne ziele ondersteunen.

7 Hij zal dit kwaad aan mijne verspieders vergelden; roei ze uit door uwe waarheid.

8 Ik zal ii met vrijwilligheid offeren , ik zal uwen naam, o Heere, loven, want hij is goed.

(.) Want hij heeft mij gered uit alle benauwdheid, en mijn oog hoeft gezien op mijne vijanden.

PSALM 55.

Eene onderwijzing Davids, voor den opperzangmeester, op de ne-ginoth.

2 O God, neem mijn gebed ter oore, en verberg u niet voor mijne smeeking.

3 Merk op mij en verhoor mij; ik bedrijf misbaar in mijne klacht en maak getier,

4 om den roep des vijands, vanwege de beangstiging des godde-loozen: want zij schuiven ongerechtigheid op mij, en in toorn haten zij mij.

5 Mijn hart krimpt weg in het binnenste van mij, en verschrikkingen des doods zijn op mij gevallen.

6 Vrees en beving komt mij aan , en gruwen overdekt mij;

7 zoodat ik zeg: Och dat mij iemand vleugelen als eener duive gave: ik zoude henen vliegen waar ik blijven mocht;

8 zie, ik zoude ver wegzwerven.


-ocr page 669-

PSALM 5G.

655

ik zoude vernachten inde woestijn. Sela.

9 Ik zoude haasten, dat ik ont-kwame van den drijvenden wind, van den storm.

10 Verslind ze, Heere, deel hunne tong; want ik zie wrevel en twist in de stad.

11 Dag en nacht omringen zij haar op hare muren; en ongerechtigheid en overlast is binnen in haar.

12 Enkel verderving is binnen in haar, en list en bedrog wijkt niet van hare straat.

13 Want het is geen vijand die mij hoont, anders zoude ik het hebben gedragen: het is mijn hater niet die zich tegen mij groot maakt, anders zoude ik mij voor hem verborgen hebben:

14 maar gij zijt het, o mensch als van mijne waardigheid, mijn leidsman en mijn bekende;

15 wij, die te zamen in zoetigheid heimelijk beraadslaagden; wij wandelden in gezelschap ten huize Godes.

KJ Dat hen de dood als een schuldeischer overvalle, dat zij levend ter helle nederdalen; want boosheden zijn in hunne woning, in het binnenste van hen.

17 Mij aangaande, ik zal tot God roepen, en de Heere zal mij verlossen.

18 \'s Avonds en \'s morgens en \'s middags zal ik klagen en getier maken , en hij zal mijne stemme hooren.

19 Hij heeft mijne ziele in vrede verlost van den strijd tegen mij; want met menigten zijn zij tegen mij geweest.

20 God zal hooren, en zal ze plagen , als die van ouds zit, Sela, dewijl bij hen gansch geene verandering is en zij God niet vreezen.

21 Hij slaat zijne handen aan degenen die vrede met hein hadden, hij ontheiligt zijn verbond.

22 Zijn mond is gladder dan boter, maar zijn hart is krijg; zijne woorden zijn zachter dan olie, maar dezelve zijn bloote zwaarden.

23 Werp uwe zorg op den Heere, en hij zal u onderhouden; hij zal in eeuwigheid niet toelaten dat de rechtvaardige wankele.

24 Maar gij, o God, zult die doeu nederdalen in den put des verderfs , de mannen des bloeds en bedrogs zullen hunne dagen niet ter helfte brengen; ik daarentegen zal op u vertrouwen.

PSALM 5G.

Een gouden kleinood Davids, voor den opperzangmeester, op jonath elem rehokim; als de Filistijnen hem gegrepen hadden te Gath.

2 Wees mij genadig, o God, want de mensch zoekt mij op te slokken ; den ganschen dag (iringt mij de bestrijder.

3 Mijne verspieders zoeken mij den ganschen dag op te slokken; want ik heb vele bestrijders, o Allerhoogste.

4 Ten dage als ik zal vreezen, zal ik op u vertrouwen.

5 In God zal ik zijn Woord prijzen; ik vertrouw óp God, ik zal niet vreezen; wat zoude mij vleesch doen?

G Den ganschen dag verdraaien zij mijne\'woorden; alle hunne gedachten zijn tegen mij ten kwade.

7 Zij rotten te zamen, zij versteken zich; zij passen op mijne hielen, als dië op mijne ziele wachten.

H Zouden zij om hunne ongerechtigheid vrijgaan? Stort do volken neder in toorn, o God.

9 Gij hebt mijn omzwerven geteld; leg mijne tranen in uwe flesch; zijn ze niet in uw register?

10 Dan zullen mijne vijanden achterwaarts keeren ten dage als ik roepen zal. Dit weet ik dat God met mij is.

11 In God zal ik het Woord prijzen, in den Heere zal ik het Woord prijzen.

12 Ik vertrouw op God, ik zal niet vreezen: wat zoude mij de mensch doen?

13 O God, op mij zijn uwe geloften; ik zal u dankzeggingen vergelden.

14 Want gij hebt mijne ziele gered van dén dood: ook niet mijne voelen van aanstoot, om


-ocr page 670-

653 PSALM

voor Gods aangezicht te wandelen in het Jicht der levenden?

PSALM 57.

Een gouden kleinood Davids, voor den opperzangmeester, al-tasheth; als hij voor Sauls aangezicht vlood in de spelonk.

2 Wees mij genadig, o God, wees mij genadig, want mijne ziele betrouwt op u, en ik neem mijne toevlucht onder de schaduw uwer vleugelen, totdat de verdervingen zullen voorbij zijn gegaan.

3 Ik zal roepen tot God den Allerhoogste, tot God, die het aan mij voleindigen zal.

4 Hij zal Van den hemel zenden en niij verlossen, te schande makende dengenen die mij zoekt op te slokken. Sela. God zal zijne goedertierenheid en zijne waarheid zenden.

5 Mijne ziele is in het midden der leeuwen; ik lig onder stokebranden , menschenlcinderen welker tanden spiesen en pijlen zijn , en hunne tong een scherp zwaard.

G Verhef u boven de hemelen, o God; uwe eere zij over de gansche aarde.

7 Zij hebben een net bereid voor mijne gangen, mijne ziele was nedergebukt; zij hebben eenen kuil voor mijn aangezichtgegraven: zij zijn er midden in gevallen. Sela.

H Mijn harte is bereid; o God. mijn harte is bereid; ik zal zingen en psalmzingen.

9 Waak óp mijne eere, waak op gij luit en harp; ik zal in den dageraad opwaken.

10 Ik zal u loven onder de volken, o Heere, ik zal u psalmzingen onder de natiën;

li. want uwe goedertierenheid is groot tot aan de hemelen, en uwe waarheid tol aan de bovenste wolken.

12 Verhef u boven de hemelen, o God, uwe eere zij over de gansche aarde.

PSALM 58.

Een gouden kleinood Davids, voor den opperzangmeester, al-tasheth.

2 Spreekt gijlieden waarlijk ge-57, 58, 59.

rechtigheid, gij vergadering? Oordeelt gy billijkheden, gij men-schenkinderen?

3 Ja gij werkt ongerechtigheden in het hart, gij weegt het geweld uwer handen op de aarde.

4 De goddeloozen zijn vervreemd van de baarmoeder af; de leugon-sprekers dolen van moeders schoot aan.

5 Zij hebben vurig venijn, naar gelijkheid van vurig slangenvenijn; zij zijn als eene doove adder, die haar oor toestopt,

6 opdat zij niet hoore naar de stem der belezers, desgenen die ervaren is met bezweringen om te gaan.

7 O God, verbreek hunne tanden in hunnen mond, breek hf de baktanden der jonge leeuwen, o HKERE.

8 Laat ze smelten als water, laat ze daarhenen drijven; legt hij zijne pijlen aan, laat ze zijn alsof zè afgesneden waren.

9 Laat hij henengaan als eene smeltende slak; laat ze, als eener vrouwe misdracht, de zon niet aanschouwen.

10 Eer dan uwe pollen den doornstruik gewaar worden, zal hij hem, als levend, als in heelen toorn wegstonnen.

11 Do rechtvaardige zal zich verblijden als hij de wrake aanschouwt, hij zal zijne voeten wasschen in het bloed des goddeloozen.

12 En de mensch zal zeggen: Immers is er vrucht voor den rechtvaardige, immers is er een God die op de aarde richt.

PSALM 59.

Een gouden kleinood Davids, voor den opperzangmeester, al-tasheth; toen Saul gezonden had die zijn huis bewaren zouden, om hem te dooden.

2 Red mij van mijne vijanden, o mijn God; stel mij in een hoog vertrek voor degenen die tegen mij opstaan.

3 Red mij van de werkers der ongerechtigheid, en ver .os mij van de mannen des bloeds.

4 Want zie, zij leggen mijner


-ocr page 671-

PSALM 60, 61.

657

ziele lagen, sterken rotten zich tegen mij: zonder mijne overtreding en zonder mijne zonde, o Heeke.

5 Zij loopen en bereiden zich Zonder rnijno misdaad; waak op mij tegemoet, en zie.

ö Ja gij Heere, God der heir-scharen, God Israels, ontwaak om alle deze heidenen te bezoeken; wees niemand van hen genadig, die trouwelooslijk ongerechtigheid bedrijven. Sela.

7 Tegen den avond keeren zij weder, zij tieren als een bond, en zij gaan rondom de stad.

8 Zie, zij storten overvloediglijk uit met hunnen mond, zwaarden zijn op hunne lippen; want wie boort het?

0 Maar gij, Heere, zult ze be-lachen, gij zult alle heidenen bespotten.

10 Te (jon zijne sterkte zal ik op u wachten, want God is mijn hoog vertrek.

11 De God mijner goedertierenheid zal mij voorkomen; God zal mi] op mijne verspieders doen zien.

12 Dood ze niet, opdat mijn volk hot niet vergete; doe ze omzwerven door uwe macht, en werp ze neder, o Heere, ons schild:

13 om de zonde huns monds, om het woord hunner lippen: en laat ze gevangen worden in bunnen hoogmoed, en om den vloek en om de leugen die zij vertellen.

14 Verteer zo in grimmigheid, verteer ze dat zij er niet zijn, on laat ze weten dat God heerscher is in Jakob, ja tot aan de einden der aarde. Sela.

15 Laat ze dan tegen den avond wederkeeren, laat ze tieren als een hond, en rondom de stad gaan;

16 laat ze zelfs omzwerven om spijze: en laat ze vernachten, al zijn ze niet verzadigd.

17 Maar ik zal uwe sterkte zingen , en des morgens uwe goedertierenheid vroolijk roemen, omdat gij mij een hoog vertrek zijt geweest! en eene toevlucht ten dage als mij bange was.

18 Van u, o mijne sterkte, zal ik psalmzingen; want God is mijn hoog vertrek, de God mijner goedertierenheid.

PSALM 60.

Een gouden kleinood Davids tot leering , voor den opperzangmees-ter, op susan eduth;

2 als hij gevochten bad met de Syriërs van Mesopotamië en met dè Syriërs van Zoba, en Joab wederkwam en de Edomiten sloeg in het Zoutdal, twaalfduizend.

3 O God, gij hadt ons verstoeten, gij hadt\'ons gescheurd, gij zijt toornig geweest: keer weder tot ons.

4 Gij hebt bet land geschud, gij hebt het gespleten: genees zijne breuken, want het wankelt.

5 Gij hebt uw volk eene harde zake doen zien; gij hebt ons gedrenkt met zwijmelwijn.

0 Maar nu \'hebt gij dengenen die u vreezen eene banier gegeven , om die op te heffen vanwege de waarheid. Sela.

7 Opdat uwe beminden zouden bevrijd worden, geef heil door uwe rechterband en verboor ons.

8 God beeft, gesproken in zijn heiligdom , dirs zal ik van vreugde opspringen: Ik zal Sichem deelen, en bet dal van Sukkoth zal ik afmeten ;

Gilead is mijn, en Manasse is mijn, en Efraïm is de sterkte mijns boofds, Juda is mijn wetgever ;

10 Moab is mijn wasebpot; op Edom zal ik mijn schoen werpen; juich over mij o gij Palestina!

11 Wie zal\' mij voeren in eene vaste stad? Wie\'zal mij leiden lot in Edom?

12 Zult gij bet niet zijn, o God, die ons verstoeten hadt, en niet uitloogt, o God, met onze heir-krachten?

13 Geef gij ons hulp uit de benauwdheid, want \'s menschen heil is ijdelbeid.

14 In God zullen wij kloeke daden doen, en hij zal onze wederpartij ders vertreden.

PSALM 61.

Een psalm Davids, voor den opperzangnieester, op de neginath,


-ocr page 672-

058 P S A L I\\

2 O God, hoor mijn geschrei, geef acht op mijn gebecK

3 Van het einde des lands roep. ik tot u , als mijn harte overstelpt is; leid mij op eenen rotssteen, die mij te hoog zoude ziin.

4 Want gij zijt mij eeno, toevlucht geweest, een sterke toren voor den vijand.

5 Ik zal in uwe hut verkeeren in eeuwigheden; ik zal mijne toevlucht nemen in het verborgene uwer vleugelen. Sela.

0 Want gij, o God, hebt gehoord naar mijne quot;geloften, gij hebt mij gegeven de erfenis dergenen die uwen naam vreezen.

7 Gij zult dagen tot des Konings dagen toedoen; zijne jaren zullen zijn als van geslacht tot geslacht;

8 hij zal eeuwiglijk voor Gods aangezicht zitten; bereid goedertierenheid en waarheid, dat ze hem behoeden.

9 Zoo zal ik uwen naam psalmzingen in eeuwigheid, opdat ik mijne geloften betale, dag bij dag.

PSALM 62.

Een psalm Davids, voor den opperzangmeester over Jeduthun.

2 Immers is mijne ziele stil tot God; van hem is mijn heil.

3 Immers is hij mijn rotssteen en mijn heil, mijn hoog vertrek, ik zal niet grootelijks wankelen.

4 Hoe lang zult gijlieden kwaad aanstichten tegen eenen man? Gij allen zult gedood worden , gij zult zijn als een ingebogen wand, een aangestooten muur.

5 Zij beraadslagen slechts om hem van zijne hoogheid te verstoeten; zij\' hebben behagen in leugen; met hunnen mond zegenen zij , maar met hun binnenste vloeken zij. Sela.

0 Doch gij, o mijne ziel, zwijg Gode; want van hein is mijne verwachting.

7 Hij is immers mijn rotssteen quot; en mijn heil, mijn hoog vertrek ,

ik zal niet wankelen.

8 In God is mijn heil en mijne eere; de rotssteen mijner sterkte, mijne toevlucht is in God.

9 Vertrouwt op hem te aller tijd, o gij volk; stortulieder harte

[ G2, G3.

uit voor zijn aangezicht; God is ons eene toevlucht. Sela.

10 Immers zijn de gemeene lieden ijdelheid, de groote lieden zijn leugen; in de weegschaal opgewogen , zouden zij te zamen lichter zijn dan de ijdelheid.

11 Vertrouwt niet op onderdrukking noch op roovcrij ; wordt niet ijdel als het vermogen overvloedig aanwast, zet er het harte niet op.

12 God heeft één ding gesproken, ik heb dit tweemaal gehoord: dat de sterkte Godes is.

13 En de goedertierenheid, o Heere, is uwe; want gij zult een iegelijken vergelden naar zijn werk.

PSALM G3.

Een psalm Davids, als hij was in de woestijn van Juda.

2 O God, gij zijt mijn God, ik zoek uin den dageraad; mijne ziel dorst naar u, mijn vleesch verlangt naar u, in een land, dor en mat zonder water.

3 Voorwaar, ik heb u in het heiligdom aanschouwd, ziende uwe sterkheid en uwe eere;

4 want uwe goedertierenheid is beter dan het leven; mijne lippen zouden u prijzen.

5 Alzoo zoude iku loven in mijn leven, in uwen naam zoude \'ik mijne handen opheffen.

ü Mijne ziele zoude als met smeer en vettigheid verzadigd worden, en mijn mond zoude roemen met vroolijk zingende lippen.

7 Als ik uwer gedenk op mijne legerstede, zoo peins ik aan u in de nachtwaken.

8 Want gij zijt mij eene hulpe geweest, en in de schaduw uwer vleugelen zal ik vroolijk zingen.

9 Mijne ziel kleeft u achteraan, uwe rechterhand ondersteunt mij.

10 Maar deze, die mijne ziele zoeken tot verwoesting, zjllen komen in de onderste plaatseader aarde;

11 men zal ze storten dooi- het geweld des zwaards; zij zullen den vossen ten deel worden.

12 Maar de Koning zal zbh in God verblijden, een iegelijk die bij hem zweert zal zich beroemen,

-ocr page 673-

PSALM 64, 65, 68.

659

want de mond der leugensprekers zal gestopt worden.

PSALM Grt.

Een psalm Davids, voor den opperzangmeester.

2 Hoor, o God, mijne stemme in mijn geklag; behoed mijn leven voor des vijands schrik.

3 Verberg mij voor den heimc-lijken raad der quot;boosdoeners, voor de oproerigheid van de werkers der ongerechtigheid:

4 die hunne tong scherpen als een zwaard, een bitter woord aanleggen als hunnen pijl,

5 om in verborgen plaatsen den oprechte te schieten: haastig schieten zij naar hem , en vreezen niet.

0 Zij sterken zich zelve in eene booze zaak; zij houden sprake van strikken te verbergen; zij zeggen: Wie zal ze zien?

7 Zij doorzoeken allerlei schalk-beid , ten uiterste doorzoeken zij wat te doorzoeken is, zelfs het binnenste eens mans en het diepe hart.

8 Maar God zal ze haastig met een pijl schieten, hunne plagen zijn er;

quot;ü en hunne tong zal ze doen aanstooten tegen zich zelve; een ieder die ze ziet zal zich wegpakken ;

10 en alle menschen zullen vreezen , en Gods werk verkondigen, en zijn doen verstandiglijk aanmerken.

11 De rechtvaardige zal zich verblijden in den Heehe , en op hem betrouwen : en alle oprechten van harte zullen zich beroemen.

PSALM 05.

Een psalm Davids, een lied, voor den opperzangmeester.

2 De lofzang is in stilheid tot u, o God, in Sion; en u zal de gelofte betaald worden.

3 Gij hoort het gebed, tot u zal alle vleesch komen.

4 Ongerechtige dingen hadden de overhand over mij; maar onze overtredingen , die verzoent gij.

5 Welgelukzalig is hij dien gij verkiest en doet naderen , dat hij wone in uwe voorhoven; wij zullen verzadigd worden met het goede van uw huis, met het heilige van uw paleis.

6 Vreeselijke dingen zult gij ons in gerechtigheid antwoorden, o God onzes heils, o vertrouwen aller einden der aarde, en der verre gelegenen aan de zee.

7 Die de bergen vast zet door zijne kracht, omgord zijnde met macht.

8 Die liet bruisen der zeeën stilt, het bruisen barer golven, en liet rumoer der volken.

9 En die op de einden wonen, vreezen voor uwe teekenen; gij doet de uitgangen \'s morgens en \'s avonds juichen.

\'10 Gij bezoekt het land, en hebbende het begeerig gemaakt, verrijkt gij het groot olijks; de rivier Gods is vol water; wanneer gij het alzoo bereid hebt, maakt gij hunlieder koren gereed.

11 Gij maakt zijne opgeploegde aarde dronken; gij doet ze dalen in zijne voren ; gij maakt het week door regendruppels, gij zegent zijn uitspruitsel.

12 Gij kroont het jaar uwer goedheid , en uwe voetstappen druipen van vettigheid;

13 zij bedruipen de weiden der woestijn , en de heuvelen zijn aangegord met verheuging.

14 De velden zijn bekleed met kudden, en de dalen zijn bedekt met koren; zij juichen, ook zingen ze.

PSALM GO

Een lied, een psalm , voor den opperzangmeester.

Juicht Gode, gij gansche aarde.

2 Psalmzingt de eere zijns naams, geeft cere zijnen lof.

3 Zegt tot God: Hoe vreeselijk zijt gij in uwe werken! Om de grootheid uwer sterkte znllen zicli uwe vijanden geveinsdelijk aan u onderwerpen.

4 De gansche aarde aanbidde u en psalmzinge u, zij psalmzinge uwen naam. Sela.

5 Komt en ziet Gods daden: hij is vreeselijk van werking aan de menschenkinderen.

0 Hij heeft de zee veranderd in


-ocr page 674-

PSALM 07, 138.

060

het droge; zij zijn te voet doorgedaan door de rivier; daar hebben wij ons in hem verblijd.

7 Hij heerscht eeu wiglijk mot zij ne macht; zijne oogen hondenwacht over de heidenen: laat de afvalligen niet verhoogd worden. Sela.

8 Looft, gij volken, onzen God, en laat hooren de stemme zijns roems:

9 die onze ziele in het leven stelt, en niet toelaat dal onze voet wankele.

10 Want gij hebt ons beproefd, o God, gij hebt ons gelouterd, gelijk men het zilver loutert;

11 gij hadt ons in het net ge\' bracht, gij hadt eencn engen band om onze lendenen gelegd;

12 gij hadt den mensch op ons hoofd doen rijden, wij waren in het vuur en in het water gekomen, maar gij hebt ons uitgevoerd in eene overvloeiende verversching.

13 Ik zal met brand olie ren in uw Huis gaan, ik zul u mijne geloften betalen,

14 die mijne lippen hebben geuit en mijn mondheeftuitgesproken als mij bange was.

15 Brandofferen van mergbees-ten zal ik u offeren, met rookwerk van rammen; ik zal runderen met bokken bereiden. Sela.

16 Komt, hoort toe, o gij allen die God vreest; en ik zal vertellen wat hij aan mijne ziele gedaan heeft.

17 Ik riep tot hem met mijnen mond, en hij werd verhoogd onder mijne tong.

18 Had ik naar ongerechtigheid met mijn harte gezien, de Heere zoude niet gehoord hebben.

19 Maar zeker. God heeft gehoord, hij heeft gemerkt op de stem mijns gebeds.

20 Gelooid zij God, die mijn gebed niet heeft afgewend, noch zijne goedertierenheid van mij.

PSALM 67.

Een psalm, een lied, voor den opperzangmeesler, op de neginoth.

2 God zij ons genadig en zegene ons; hij doe zijn aanschijn aan ons lichten. Sela,

3 opdat men op de aarde uwen weg kenne, onder alle heidenen uw heil.

4 De volken zullen u o God loven, de volken allemaal zullen u loven.

5 De natiën zullen zich verblijden en juichen, omdat gij de volken zult richten m rechtmatigheid; en de natiën op de aarde, die zult gij leiden. Sela.

0 De volken zullen u, o God, loven, de volken allemaal zullen u loven.

7 De aarde geeft haar gewas; God, onze God, zal ons zegenen.

8 God zal ons zegenen; en alle einden der aarde zullen hem vreezen.

PSALM GS.

Een psalm, een lied Davids, voor den opperzangmeesler.

2 God zal opstaan, zijne vijanden zullen verstrooid worden, en zijne haters zullen van zijn aangezicht vlieden.

3 Gij zult ze verdrijven gelijk rook verdreven wordt; gelijk was voor het vuur smelt, zullei de goddeloozen vergaan van Godcs

mgezicht.

4 Maar de rechtvaardigen zullen zich verblijden, zij zullen van vreugde opspringen voor Gods aangezicht, en in blijdschap vroo-lijk zijn.

5 Zingt Gode, psalmzingt zijnen naam; hoogt de wegen voor hem die in de vlakke velden rijdt, omdat zijn naam is Heere; en springt op van vreugde voor zijn

mgezicht.

0 Hij is een vader der weezen en een rechter der weduwen. God, in de woonstede zijner iiei-ligheid;

7 een God, die de eenzamen zet in een huisgezin, uitvoert die in boeien gevangen zijn, maar de afvalligen wonen in het dorre.

8 O God, toen gij voor het aangezicht uws volks uitloogt, toen gij daarhenen tradt in de woestijn, Sela,

9 daverde de aarde, ook dropen de hemelen voor Gods. aanschijn, zelfs deze Sinaï, voor het aanschijn Gods, des Gods van Israël.


-ocr page 675-

PSALM U9.

10 Gij hebt zeer milden regen doen druipen, o God, en gij hebt uwe erfenis gesterkt als zij mat was geworden.

11 Uw hoop woonde daarin; gij bereiddet ze door uwe goedheid voor den ellendige, o God.

12 De He ere gaf te spreken; der boodschappers van goede lijdingen was eene groote heirschare.

13 üe Koningen der heirscharen vloden weg, zij vloden weg; en zij die te huis bleef deelde den roof uit.

14 Al laagt gijlieden tusschen twee rijen van steenen, zoo zult gij toch worden (da vleugelen eener duive, overdekt met zilver, en welker vederen zijn met uilgegraven geel goud.

15 Als de Almachtige dc Koningen daarin verstrooide, werd zij sneeuwwit als op Zalmon.

1lt;) De berg Basan is een berg Go des, de berg Basan is een bultige berg.

17 Waarom springt gij op, gij bultige bergen? Dezen berg heelt God begeerd tot zijne woning, ook zal er de Heere wonen in eeuwigheid.

18 Gods wagenen zijn tweemaal tienduizend, de duizenden verdubbeld. De Heere is onder hen, een Sinaï in heiligheid.

19 Gij zijt opgevaren in de hoogte; gij hebt de gevangenis gevankelijk gevoerd; gij liebtgaven genomen om uit te doelen onder de menschen, ja ookde wederhoorigen om bij u te wonen, o Heere God.

20 Geloofd zij de Heere, dag bij dag overlaadt hij ons. Die God is onze zaligheid. Sela.

21 Die God is ons een God van volkomene zaligheid; en bij den Heere , den Heere, zijn uitkomsten tegen den dood.

22 Voorzeker zal God den kop zijner vijanden verslaan, den ha-rigen schedel desgenen die in zijne schuld wandelt.

23 De Heere heeft gezegd: Ik zal wederbrengen uit Basan, ik zal wederbrengen uit de diepten der zee,

24 opdat gij uwen voet, ja de tong uwer honden moogt steken in het bloed van de vijanden, van een iegelijk van hen.

25 O God, zij hebben uwe gangen gezien, dc gangen mijns Gods mijns Konings, in het heiligdom.

2(3 Dc zangers gingen vóór, de speellieden achter , in het midden dc trommelende maagden.

27 Looft God in de gemeenten, den Heere, gij die zijt uit de springader Israels.

28 Daar is Benjamin de kleine, die over hen heerschte, de Vorsten van Juda met hunne vergadering, dc Vorsten van Zebulon, de Vorsten van Naftali.

29 Uw God heeft uwe sterkte geboden; sterk, o God, wat gij aan ons gewrocht hebt.

30 Om uws Tempels wille te Jeruzalem zullen u dc Koningen ge-schenk toebrengen.

31 Scheld het wild gedierte des ricts, de vergadering der stieren, met de kalveren der volken; en dengeen die zich onderwerpt met stukken zilver; hij heelt de volken verstrooid, die lust hebben in oorlogen.

32 Prinselijke gezanten zullen komen uit Egypte, Moorenland zal zich haasten zijne handen tot God uit te strekken.

33 Gij koninkrijken der aarde , zingt Gode; psalmzingt den Heere, Sela,

34 hem die rijdt in den hemel der hemelen, die van ouds is; zie hij geeft zijne stemme, cencstcm-me der sterkte.

35 Geeft Gode sterkte: zijne hoogheid is over Israël, en zijne sterkte in de bovenste wolken.

30 O God, gij zijt vreeselijk uit uwe heiligdommen; de God Israels , die geeft het volk sterkte en krachten. Geloofd zij God.

PSALM 09.

Een psalm Davids, voor den opperzangmeester, op sosannim.

2 Verlos mij o God , want de wateren zijn gekomen tot aan de ziel.

3 Ik ben gezonken in gronde-looze modder waar men niet kan staan, ik ben gekomen in do diep-


-ocr page 676-

PSALM 69.

662

ten der wateren, en de vloed overstroomt mij.

4 Ik ben vermoeid van mijn roepen, mijne keel is ontstoken, mijne oogen zijn bezweken , daar ik ben hopende op mijnen God.

5 Die mij zonder oorzaak haten zijn meer dan de haren mijns hoofds; die mij zoeken te vernielen , die mij om vaische oorzaken vijand zijn, zijn machtig geworden; wat ik niet geroofd heb moet ik alsdan wedergeven.

6 O God, gij weet van mijne dwaasheid, en mijne schulden zijn voor u niet verborgen.

7 Laat ze door mij niet beschaamd worden die u verwachten, o Heere, HEEREderheirscha-ren ; laat ze door mij niet te schande worden die u zoeken, o God Israels.

8 Want om uwentwil draag ik versmaadheid, schande heeft mijn aangezicht bedekt;

9 ik ben mijnen broederen vreemd geworden, en onbekend mijner moeder kinderen.

10 Want de ijver van uw huis heeft mij verteerd; en de smaadheden dergenen die u smaden zijn op mij gevallen.

11 Èn ik heb geweend in het vasten mijner ziele, maar het is mij geworden tot allerlei smaad.

12 En ik heb eenen zak tot mijn kleed aangedaan; maar ik ben hun tot een spreekwoord geworden ;

13 die in de poorte zitten klappen van mij , en ik ben een snarenspel dergenen die sterken drank drinken.

\'J4 Maar mij aangaande, mijn gebed is tot u, o Hüere; daar is. een tijd des welbehagens, o God, door de grootheid uwer goedertierenheid : verhoor mij door de getrouwheid uws heils.

15 Ruk mij uit het slijk, en laat mij niet verzinken; laat mij gered worden van mijne haters, en uit de diepten der wateren.

16 Laat mij de watervloed niet overstroomen, en laat de diepte mij niet verslinden, en laat de put zijnen mond over mij niet : toesluiten.

17 Verhoor mij, o Heere, want uwe goedertierenheid is goed; zie mij aan naar de grootheid uwer barmhartigheden;

18 en verberg uw aangezicht niet van uwen knecht, want mij is bange; haast u, verhoor mij.

10 Nader tot mijne ziele, bevrijd ze; verlos mij om mijner vijanden wil.

20 Gij weet mijne versmaadheid en mijne schaamte en mijne schande; alle mijne benauwers zijn vóór u.

21 De versmaadheid heeft mijn harte gebroken, en ik ben zeer zwak; en ik heb gewacht naar medelijden, maar het is er niet; en naar vertroosters, maar heb ze niet gevonden.

22 Ja zij hebben mij gal tot mijne spijze gegeven, en in mijnen dorst hebben zij mij edik ie drinken gegeven.

23 Hunne tafel worde voor hun aangezicht tot een strik, en tot volle vergelding tot een valstrik;

24 laat hunne oogen duister worden dat ze niet zien, en doe hunne lendenen geduriglijk waggelen.

25 Stort over hen uwe gramschap uit, en de hittigheid uws toorns grijpe ze aan.

26 Hun paleis zij verwoest, in hunne tenten zij geen inwone.-.

27 Want zij vervolgen dien gij geslagen hebt, en maken een praat van de smarte uwer verwonden.

28 Doe misdaad tot hunne misdaad, en laat ze niet komen tot uwe gerechtigheid.

29 Laat ze uitgedelgd worden uit het boek des levens, en met de rechtvaardigen niet aangeschreven worden.

30 Doch ik ben ellendig en in smarte; uw heil, o God, zette mij in een hoog vertrek.

31 Ik zal Gods naam prijzen met gezang, en hem met dankzegging grootmaken;

32 en het zal den Heere aangenamer zijn dan een os, o/\'een gehoornde var die de klauwen verdeelt.

33 De zachtmoedigen dit gezien

-ocr page 677-

PSALM 70, 71.

GG3

hebbende zullen zich verblijden; en gij die God zoekt, ulieder hart zal leven.

34 Want de Heere hoort de nooddruftigen, en hij veracht zijne gevangenen niet.

35 Dat hem prijzen de hemel en de aarde, de zeeën en al wat daarin wriemelt.

36 Want God zal Sion verlossen , en do steden van Juda bouwen; en aldaar zullen zij wonen, en haar erfelijk bezitten;

37 en het zaad zijner knechten zal haar beërven; en de liefhebbers zijns naams zullen daarin wonen.

PSALM 70.

Een psalm Davids, voor den opperzangmeester, om te doen gedenken.

2 Haast u, o God, om mij te verlossen; o Heere, tot mijne hulpe.

3 Laat ze beschaamd en schaamrood worden die mijne ziele zoeken , laat ze achterwaarts gedreven en te schande worden die lust hebben aan mijn kwaad.

4 Laat ze terugkeeren tot loon hunner beschaming, die daar zeggen: Haha.

5 Laat in u vroolijk en verblijd zijn allen die u zoeken; laat ile liefhebbers, uws heils geduriglijk zeggen; God zij groot gemaakt.

(5 Doch ik ben ellendig en nooddruftig ; o God , haast u tot mij; gij zijt mijne hulpe en mijn bevrijder; quot;Heere, vertoef niet.

PSALM 71.

Op u, o Heere , betrouw ik, laat mij niet beschaamd worden in eeuwigheid.

2 Red mij door uwe gerechtigheid en bevrijd mij, neig uw oor tot mij en verlos mij.

3 Wees mij tot eenen rotssteen om daarin te wonen, om gedui-ig-lijk daarin te gaan; gij hebt bevel gegeven om mij te verlossen, want gij zijt mijne steenrots en mijn burg.

4 Mijn God, bevrijd mij van de hand des goddeloozen, van do hand desgenen die verkeerdelijk handelt. en des opgeblazenen.

5 Want gij zijt mijne verwachting, Heere, Heere, mijn vertrouwen van mijne jeugd af.

0 Op u heb ik gesteund van den schoot mijner moeder aan, van mijner moeder ingewand aan ziit gij mijn uithelper; mijn lof is geduriglijk van u.

7 Ik ben velen als een wonder geweest, doch gij zijt mijne sterke toevlucht.

8 Laat mijn mond vervuld worden met uwen lof, den ganschen dag met uwe heerlijkheid.

J) Verwerp mij niet in den tijd dos ouderdoms, verlaat mij niet terwijl mijne kracht vergaat.

10 Want mijne vijanden spreken van mij, en die op mijne ziele loeren beraadslagen te zamen,

11 zeggende: God heeft hem verlaten; jaagt na en grijpt hem, want daar is geen verlosser.

12 O God wees niet verre van mij; mijn God, haast u tot mijne hulpe.

13 Laat ze beschaamd worden, laat ze verteerd worden die mijne ziele legen zijn; laat ze met smaad en schande overdekt worden die mijn kwaad zoeken.

14 Doch ik zal geduriglijk hopen, en zal al uwen lof nog grooler maken.

15 Mijn mond zal uwe gerechtigheid vertellen, den ganschen dag uw heil, hoewel ik de getalen niet weet.

10 Ik zal henengaan in de mogendheden des Heeren Heeren ; ik zal uwe gerechtigheid vermelden , de uwe alleen.

17 O God, gij hebt mij geleerd van mijne jeugd af, en tot nog toe verkondig ik uwe wonderen.

18 Daarom ook , terwijl de ouderdom en grijsheid daar is, verlaat mij niet, o\'God, tot dat ik dezen geslachte verkondig uwen arm, allen nakomelingen uwe macht.

19 Ook is uwe gerechtigheid. o God, tot in de hoogte; gij die groote dingen gedaan hebt: o God, wie is u gelijk?

20 Gij, die mij vele benauwdheden en rampen hebt doen zien,


-ocr page 678-

664

zult mij weder levend maken, en zult mij weder ophalen uit de afgronden der aarde.

21 (lij zult mijne grootheid vermeerderen en mij rondom vertroosten.

22 Ook zal ik u loven met hot instrument der luit, uwe trouw, mijn God; ik zal u psalmzingen met de harp, o Heilige Israels.

23 Mijne lippen zullen juichen wanneer ik u zal psalmzingen, en mijne ziele die gij verlost hebt.

24 Ook zal mijne tong uwe gerechtigheid den ganschen dag uitspreken , want zij zijn beschaamd, want zij zijn schaamrood geworden die mijn kwaad zoeken.

PSALM 72.

Voor Salomo.

O God, geef den Koning uwe rechten, on uwe gerechtigheid den zoon des Konings.

2 Zoo zal hij uw volk richten met gerechtigheid, en uwe ellendige n met recht.

3 De bergen zullen den volke vrede dragen, ook de heuvelen, met gerechtigheid.

4 1-iij zal de ellendigen des volks richten, hij zal de kinderen des nooddruftigen verlossen, en den verdrukker verbrijzelen.

5 Zij zullen u vreezen, zoolang de zon en maan zullen zijn, van geslacht tot geslacht.

6 Hij zal nederdalen als een regen op het nagras, als de droppelen die de aarde bevochtigen.

7 In zijne dagen zal de rechtvaardige bloeien, en de veelheid van vrede, totdat de maan niet meer zij.

8 En hij zal heerschen van de zee tot aan de zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde.

9 De ingezetenen van dorre plaatsen zullen voor zijn aangezicht knielen, en zijne vijanden zullen het stof lekken.

10 De Koningen van Tarsis en de eilanden zullen geschenken aanbrengen , de Koningen van Scheha en Seba zullen vereeringen toevoeren ,

11 ja alle Koningen zullen zich voor hom nederbuigen, alle heidenen zullen hem dienen.

12 Want hij zal den nooddruftige redden die daar roept, mitsgaders den ellendige en die geenen helper heeft;

13 hij zal den arme en nooddruftige verschoonen. en de zielen der nooddruftigen verlossen.

14 Hij zal hunne ziele van list en geweld bevrijden, en hun bloed zal dierbaar zijn in zijne oogen.

15 En hij zal leven. en men zal hem geven van het goud van Scheba, en men zal geduriglijk voor hem bidden; den ganschen dag zal men hem zegenen.

10 Is er een handvol koren in het land op do hoogte der bergen, de vrucht daarvan zal ruischen als de Libanon; en die van do stad zullen bloeien als het kruid der aarde.

17 Zijn naam zal zijn tot in eeuwigheid; zoolang als er de gt; on is, zal zijn naam van kind tot kind voortgeplant worden ; en zij zullen in hem gezegend worden, alle heidenen zullen hem welgelukzalig roemen.

18 Geloofd zij de IlEiïrui] God, de God Israels, die alléén wonderen doet;

1!) en geloofd zij de naam zijner heerlijkheid tot inquot; eeuwigheid, en de gnnsche aarde worde quot;met zijne heerlijkheid vervuld. Amen, ja amen.

20 De gebeden Davids des zoons van Isaï hebben een einde.

PSALM 73.

Een psalm Asafs.

Immers is God Israël goed, dengenen die rein van harte zijn.

2 Maar mij aangaande, mijne voeten waren bijna uitgeweken , mijne treden waren bijkans uitgeschoten.

3 Want ik was nijdig op de dwazen, ziende der quot;goddeloozen vrede.

4 Want daar zijn geen banden tot hunnen dood toe, en hunne kracht is frisch.

5 Zij zijn niet in de moeite als cwdere Mienschen, en worden met andere menschenniet geplaagd.

PSALM 72, 73.


-ocr page 679-

ü Daarom omringt zo do hoo-v aard ij alseone keten, het geweld bedekt ze als een gewaad.

7 Hunne oogen puilen uit van vet; zij gaan de inbeeldingen des harten te boven.

8 Zij mergelen de lieden uit, en spreken boos lijk van verdrukking; zij spreken uit de hoogte:

9 zij zetten hunnen mond tegen den hemel, en hunne tong wandelt op de aarde.

10 Daarom keert zich zijn volk hiertoe, als hun wateren eens vollen bekers worden uitgedrukt,

11 dat zij zeggen: Hoe zoude het God weten, en zoude er wetenschap zijn bij den Allerhoogste?

12 Zie, dezen zijn goddeloos, nog-tans hebben zij ruste in de wereld, zij vermenigvuldigen het vermogen.

13 Immers heb ik te vergeefs mijn hart gezuiverd en mijne handen in onschuld gewasschen,

14 dewijl ik den ganschen dag geplaagd\'ben, en mijne straffing is er alle morgens.

15 Indien ik zoudo zeggen: Ik zal óók alzoo spreken: zie, zoo zoude ik trouweloos zijn aan het geslacht uwer kinderen.

16 Nogtans heb ik gedacht om dit te mogen verstaan, maar het was moeite in mijne oogen;

17 totdat ik in Gods heiligdommen inging, en op hun einde merkte.

18 Immers zet gij ze op gladde plaatsen, gij doet ze vallen in verwoestingen.

19 Hoe worden zij als in een oogenblik tot verwoesting, nemen een einde, worden te niet van verschrikkingen!

20 Als een droom na het ontwaken, als gij opwaakt, o Heere, dan zult gij hun beeld verachten.

21 Als mijn harte opgezwollen was en ik in mijne nieren geprikkeld werd,

22 toen was ik onvernuftig en wist niets, ik was een groot beest bij u.

23 Ik zal dan geduriglijk bij u zijn; gij hebt mijne rechterhand gevatj

6b5

24 gij zult mij leiden door uwen raad, en daarna zult gij mij in heerlijkheid opnemen.

25 Wienheb ik nevens u in den hemel? Nevens u lust mij ook niels op aarde.

20 Bezwykt mijn vleesch en mijn harte, zoo is God de rotssteen mijns harten en mijn deel in eeuwigheid.

27 Want zie, die verre van u zijn, zullen vergaan; gij roeit uit al die van u af hoereert;

28 maar mij aangaande, het is mij goed nabij God te wezen, ik zet mijn betrouwen op den Heere Heek u, om alle uwe werken te vertellen.

PSALM 74.

Eeneonderwijzing, voor Asaf.

O God, waarom verstoot gij in eeuwigheid? Waarom zoude uw toorn rooken tegen de schapen uwer weide?

2 Gedenk aan uwe vergadering die gij van oudsher verworven hebt, de roede uwer erfenis die gij verlost hebt, den berg Sion waarop gij gewoond hebt.

3 Hef uwe voeten op tot de eeuwige verwoestingen, de vijand heeft alles in het heiligdom verdorven.

4 Uwe wederpartijders hebben in het midden van uwe vergaderplaatsen gebruld, zij hebben hunne teekenen tot teekenen gesteld.

5 Een ieder werd er bekend als een, die de bijlen omhoog aanbrengt in de dichtheid van een geboomte.

0 Alzoo hebben zij nu derzelver graveerselen te zamen met hou-weelen en beukhamers in stukken geslagen.

7 Zij hebben uwe heiligdommen in het vuur gezet, ter aarde toe hebben zij de woning uws naams ontheiligd.

8 Zij hebben in hun harte gezegd : Laat ons hen te zamen uitplunderen; zij hebben alle Gods vergaderplaatsen in het land verbrand.

9 Wij zien onze teekenen niet; daar is geen Profeet meer, noch iemand bij ons, die weet hoe lang.

PSALM 74.


-ocr page 680-

666

1U Hoe lang, o God, zal de weder partij der smaden? Zal de vijand uwen naam in eeuwigheid lasteren?

11 Waarom trekt gij uwe hand, ja uwe rechterhand af? Trek ze uit het midden van uwen boezem, maak een einde.

12 Evenwel is God mijn Koning van ouds af, die verlossingen werkt in het midden der aarde.

13 Gij hebt door uwe sterkte de zee gespleten, gij hebt de koppen der draken in de wateren verbroken;

14 gij hebt de koppen des leviathans verpletterd, gij hebt hem tot spijze gegeven den volke in dorre plaatsen.

15 Gij hebteene fontein en beek gekliefd, gij hebt sterke rivieren uitgedroogd.

11) De dag is uwe, ook is de nacht uwe; gij hebt het licht en de zon bereid.

17 Gij hebt alle de palen dei-aarde gesteld; zomer en winter, die hebt gij geformeerd.

18 Gedenk hieraan: de vijand heeft den Heehe gesmaad, en een dwaas volk heeft uwen naam gelasterd.

19 Geef aan het wild gedierte de ziele uwer tortelduif niet over, vergeet den hoop uwer ellendigen niet in eeuwigheid.

20 Aanschouw het verbond, want de duistere plaatsen des lands zijn vol woningen van geweld.

21 Laat de verdrukte niet beschaamd wederkeeren, laat de ellendige en nooddruftige uwen naam prijzen.

22 Sta óp, o God, twist uwe twistzaak, gedenk der smaadheid, die u van den dwaze wedervaart den ganschen dag.

23 Vergeet niet het geroep uwer wederpartijders, het getier dergenen die tegen u opstaan klimt ge-duriglijk op.

PSALM 75.

Voor den opperzangmeester, al-tasheth; een psalm, een lied , voor Asaf.

2 Wij loven u, oGod, wij loven dat uw naam nabij is; men vertelt uwe wonderen.

3 Als ik het bestemde ambt zal ontvangen hebben, zoo zal ik gansch recht richten.

4 Het land en alle zijne inwoners waren versmolten , maar ik heb zijne pilaren vast gemaakt. Sela.

5 Ik heb gezegd tot de onzin-nigen: Weest niet onzinnig; en tot de goddeloozen; Verhoogt den hoorn niet,

6 verhoogt uwen hoorn niet omhoog, spreekt niet met stijven hals.

7 Want het verhoogen komt niet uit het Oosten, noch uitliet Westen, noch uit de woestijn,

8 maar God is rechter: hij vernedert dezen en verhoogt genen.

9 Want in des Heeren hand is een beker, en de wijn is beroerd, vol van mengeling, en hij schenkt daaruit; doch alle goddeloozen dei-aarde zullen zijne droesemen uitzuigende drinken.

10 En ik zal het in eeuwigheid verkondigen, ik zal den God Ja-kobs psalmzingen.

11 En ik zal alle hoornen der goddeloozen afhouwen, de hoornen des rechtvaardigen zullen verhoogd worden.

PSALM 76.

Een psalm, een lied Asafs, voor den opperzangmeester, op de ne-ginoth.

2 God is bekend in Juda, zijn naam is groot in Israël;

3 en in Salem is zijne hutte, en zijne woning in Sion.

4 Aldaar heeft hij verbroken de vurige pijlen van den boog, het schild en het zwaard en den krijg. Sela.

5 Gij zijt doorluchtiger en heerlijker dan de roofbergen.

6 De stputhartigen zijn beroofd geworden, zij hebben hunner slaap gesluimerd; en geen van d3 dappere mannen^hebben hunne handen gevonden.

7 Van uw schelden, o God Ja-kobs, is te zamen wagen en paard in slaap gezonken.

8 Gij, vreeselijk zijt gij: en wio

PSALM 75, 76.


-ocr page 681-

zal voor uw aangezicht bestaan, van den tijd uws toorns af?

9 Gij de\'edt een oordeel hooren uit den hemel: de aarde vreesde en werd stil,

10 als God opstond ten oordeel, om alle zachtmoedigen der aarde te verlossen. Sela.

41 Want de grimmigheid des menschen zal u loffelijk maken, het overblijfsel der grimmigheden zult gij opbinden.

12 Doet geloften en betaalt ze den Heere uwen God, gij allen die rondom hem zijt: laat ze dien die te vreezen is geschenken brengen;

13 die den geest der Vorsten als druiven afsnijdt, die den Koningen der aarde vreeselijk is.

PSALM 77.

Een psalm Asafs, voor den op-perzangmeester over Jeduthun.

2 Mijne stemme is tot God en ik roep , mijne stemme is tot God, en hij zal het oor tot mij neigen.

3 Ten dage mijner benauwdheid zocht ik den HÊehe; mijne hand was des nachts uitgestrekt en liet niet af; mijne ziele weigerde getroost te worden.

4 Dacht ik aan God, zoo maakte ik misbaar; peinsde ik, zoo werd mijne ziele overstelpt. Sela.

5 Gij hieldt mijne oogen wakende ; ik was verslagen en sprak niet.

6 Ik overdacht de dagen van ouds, de jaren der eeuwen.

7 Ik dacht aan mijn snarenspel; in den nacht overlcide ik in mijn harte, en mijn geest onderzocht:

8 Zal dan de Heere in eeuwigheden verstoeten, en voortaan niet meer goedgunstig zijn?

9 Houdt zijne goedertierenheid in eeuwigheid op? Heeft de toezegging een einde, van geslacht tot geslacht?

10 Heeft God vergelen genadig te zijn, heeft hij zijne barmhartigheden door toorn toegesloten? Sela.

11 Daarna zeide ik: Dit krenkt mii; maar de rechterhand des Allerhoogsten verandert.

12 Ik zal de daden des Heeren gedenken, ja ik zal gedenken uwer wonderen van oudsher.

667

13 en zal alle uwe werken betrachten , en van uwe daden spreken.

14 O God, uw weg is in het heiligdom. wie is een groot God gelijk God?

15 Gij zjt die God die wonder doet; gij hebt uwe sterkte bekend gemaakt onder de volken.

16 Gij hebt uw volk door uwen arm verlost, de kinderen Jakobs en Jozefs. Sela.

17 De wateren zagen u, o God, de wateren zagen u, zij beefden; ook waren de afgronden beroerd.

18 De dikke wolken goten water uit, de bovenste wolken gaven geluid, ook gingen uwe pijlen daarhenen.

19 Het geluid uws donders was in dit ronde; de bliksemen verlichtten de wereld: de aarde werd beroerd en daverde.

20 Uw weg was in de zee, en uw pad in groote wateren, en uwe voetstappen werden niet bekend.

21 Gij leiddet uw volk als eene kudde door de hand van Mozes en AUron.

PSALM 78.

Eene onderwijzing Asafs.

O mijn volk, neem mijne leer ter oore, neig ulicder oor tot de redenen mijns monds.

2 Ik zal mijnen mond opendoen met spreuken, ik zal verborgenheden overvloediglijk uitstorten van oudsher;

3 die wij gehoord hebben en weten ze, en onze vaders ons verteld hebben.

4 Wij zullen het niet verbergen voor hunne kinderen, voor het navolgende geslacht, vertellende de lollelijkheden des Heeren, en zijne sterkheid, en zijne wonderen die hij gedaan heeft.

5 Want hij heeft eene getuigenis opgericht in Jakob , en eene wet gesteld in Israël, die hij onzen vaderen geboden heeft, dat zij ze hunnen kinderen zouden bekend maken:

G opdat het navolgende geslacht die weten zoude, de kinderen die geboren zouden worden, en zouden opstaan en vertellen ze hunnen kinderen;

PSALM 77, 78.


-ocr page 682-

i M 78.

gebood en de deuren des hemels opende,

24 en regende op hen het Man om Ie eten, en gaf hun hemelsch koren.

25 Een iegelijk at het brood der machtigen; hij zond hun teerkost tot verzadiging;

2G hij dreef den oostenwind voort in den hemel, en voerde den zuidenwind aan door zijne sterkte,

27 en regende op quot;hen vleesch als stof, en gevleugeld gevogelte als zand der zeeën,

2S en deed het vallen in het midden zijns legers, rondom zijne woningen.

29 Toen aten zij en werden zeer zat, zoodat hij hun hunnen lust toebracht.

30 Zij waren nog niet vervreemd van hunnen lust, hunne spijze was nog in hunnen mond,

31 als Gods toorn tegen hen opging, dat hij van hunne vetsten doodde, en deuitgelezenenIsraels nedervelde.

32 Boven dit alles zondigden zij nog, en geloofden niet door zijné wonderen.

33 Dies deed hij hunne dagen vergaan in ijdelheid, en hunne jaren in verschrikking.

34 Als hij ze doodde, zoo vroegen zij naar hem, en keerdm weder, en zochten God vroeg

35 en gedachten dat God hun rotssteen was, en God de Allerhoogste hun verlosser.

30 En zij vleiden hem met hunnen mond, en logen hem met hunne tong;

37 want hun harte was niet recht met hem, en zij waren niet getrouw in zijn verbond.

38 Doch hij, barmhartig zijnde, verzoende de ongerechtigheid, en verdierf ze niet, maar wendde dikwijls zijnen toorn af, en wekte zijne gansche grimmigheid niet op;

39 en hij bedacht dat zij vleesch waren, een wind die hènengaat en niet wederkeert.

40 Hoe dikwijls verbitterden zij hem in de woestijn, deden hom smarte aan in de wildernis!

41 Want zij kwamen alweder en verzochten God, en stelden den Heilige Israels een perk.

6CS PSA L

7 en dat. zij Imnne hope op God zouden slellen, en Gods daden niet vergeten, maar zijne geboden bewaren;

8 en dat zij niet zouden worden gelijk hunne vaders, een weder-hoorig en wederspannig geslacht, een geslacht dnt zijn hart niet richtte, en welks geest niet getrouw was met God.

9 De kinderen Efraïms. gewapende boogschutters, keerden öm ten dage des strijds.

10 Zij hielden Gods verbond niet, en weigerden te wandelen in zijne wet.

11 En zij vergaten zijne daden en zijne wonderen, die hij hen had doen zien.

12 Voor hunne vaderen had hij wonder gedaan in Egypteland, in den velde Zoans.

13 Hij kliefde de zee en deed er hen doorgaan , en de wateren deed hij staan als een hoop.

14 En hij leidde ze des daags met eene wolk, en den ganschen nacht met een licht des vuurs.

15 Uij kliefde de rotssteenen in de woestijn, en drenkte ze overvloedig, als uit afgronden;

10 want hij bracht stroomen voort uit de steenrots , en deed de wateren afdalen als rivieren.

17 Nog voeren zij wijders voort tegen hem te zondigen, verbitterende den Allerhoogste in de dorre wildernis;

18 en zij verzochten God in hun hart, begeerende spijs naar hunnen lust.

19 En zij spraken tegen God, zij zeiden: Zoude God eene tafel kunnen toerichten in de woestijn?

20 Zie, hij heeft den rotssteen geslagen , dat er wateren uitvloeiden , en beken overvloediglijk uitbraken: zoude hij ook brood kunnen geven, zoude hij zijnen volke vleesch bereiden?

21 Daarom hoorde de Heehe en werd verbolgen, en een vuur werd ontstoken tegen Jakob, en toorn ging ook op tegen Israël,

22 omdat zij in God niet geloofden en op zijn heil niet vertrouwden.

23 Daar hij den wolken van boven

-ocr page 683-

PSA1

42 Zij dachten niet aan zijne hand, aan den dag toen hij ze van don wederpartij dor verloste ;

43 hoe hij zijne teekenen stelde in Egypte, en zijne wonderheden in den velde Zoans,

44 en hunne vloeden in bloed veranderde, en hunne stroomen, opdat zij niet zouden drinken.

45 Hij zond eene vermenging van ongedierte onderhen, dat hen verteerde , en vorschen die hen verdierven.

40 En hij gaf hun gewas den kruidworm, en hunnen arbeid den sprinkhaan.

47 Ifij doodde hunnen wijnstok door den hagel, en hunne wilde vijgeboomen door vurigen hagelsteen.

48 Ook gaf hij hun vee den hagel over, en hunne beesten aan de vurige kolen.

49 Hij zond onder hendehittig-heid zijns toorns, verbolgenheid en verstoordheid en benauwdheid, met uitzending der boden van veel kwaads.

50 Hij woog een pad voor zijnen toorn, hij onttrok hunne ziele niet van den dood, en hun gedierte gaf hij aan de pestilentie over.

51 Én hij sloeg al het eerstgeborene in Egypte, de eerstelingen der krachten in de tenten Chains.

52 En hij voerde zijn volk als schapen, en leidde ze als eene kudde in de woestijn,

53 ja hij leidde ze zekerlijk, zoodat zij niet vreesden, want de zee had hunne vijanden overdekt.

54 En hij bracht ze tot de land-pale zijner heiligheid, tot dezen berg, dim zijne rechterhand verkregen heeft.

55 En hij verdreef voor hun aangezicht do heidenen, en deed ze vallen in het snoer hunner erfenis, en deed de stammen Israels in hunne tenten wonen.

50 Maar zij verzochten en verbitterden Gód den Allerhoogste, en onderhielden zijne getuigenissen niet.

57 En zij weken terug en handelden trouwelooslijk gelijk hunne vaders, zij zijn omgekeerd als een bedriegelijke boog.

M 70. 669

58 En zij verwekten hem tot toorn door hunne hoogten, en verwekten hem tot ijver door hunne gesnedene beeldèn.

59 flod hoorde het en werd verbolgen , en versmaadde Israël zeer.

60 Dies verliet hij den Tabernakel te Silo, de Tente die hij tot eene woning gesteld had onder de menschen;

61 en hij gaf zijne sterkte in de gevangenis en zijne heerlijkheid in de hand des wederpartijders;

62 en hij leverde zijn volk over ten zwaarde, en werd verbolgen tegen zijne erfenis.

63 Het vuur verteerde hunne jongelingen , en hunne jonge dochters werden niet geprezen.

64 Hunne Priesters vielen door het zwaard, en hunne weduwen weenden niet.

05 Toen ontwaakte, de Heere als een slapende, als een held die juicht van den wijn;

00 en hij sloeg zijne wederpartijders aan het achterste, hij deed hun eeuwige smaadheid aan.

07 Doch hij verwierp de tente Jozefs, en den stam Efraïms verkoos hij niet:

08 maar hij verkoos den stam Juda, den berg Sion, dien hij liefhad.

09 En hij bouwde zijn heiligdom als hoogten, als de aarde die hij gegrond heeft in eeuwigheid.

70 En hij verkoos zijnen knecht David, en nam hem van de schaapskooien;

71 van achter de zogende scha~ pen deed hij hem komen, om te weiden Jakob zijn volk, en Israël zijne erfenis.

72 Ook heeft hij ze geweid naar de oprechtheid zijns harten, en heeft ze geleid mét een zeer verstandig beleid zijner handen.

PSALM 79.

Een psalm Asafs.

O God, heidenen zijn gekomen in uwe erfenis, zij licbben den Tempel uwer heiligheid verontreinigd, zij hebben Jeruzalem tot steenhoopen gesteld.

2 Zij hebben de doode lichamen


-ocr page 684-

PSALM 80.

670

uwer knechten aan het gevogelte des hemels tot spijze gegeven, het vleesch uwer gunstgenooten aan het gedierte des lands.

3 Zij hebben hun bloed rondom Jeruzalem als water vergoten, en daar was niemand die ze begroef.

4 Wij zijn onze naburen eene smaadiield geworden, een spot en schimp, dien die rondom ons zijn.

5 Hoe lang Heere? Zult gij eeuwiglijk toornen? Zal uw ijver als vuur branden?

0 Stort uwe grimmigheid uit over de heidenen die u niet kennen, en over de koninkrijken die uwen naam niet aanroepen.

7 Want men heeft Jakob opgegeten , en zij hebben zijne liefelijke woning verwoest.

8 Gedenk ons de vorige misdaden niet; haast u, laat uwe barmhartigheden ons vóórkomen, want wij zijn zeer dun geworden.

9 Help ons, o God onzes hells, ter oorzake van de eere uws naams; en red ons, en doe verzoening over onze zonden, om uws naams wille.

10 Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun (iod? Laat de wrake van het vergoten bloed uwer knechten onder de heidenen voor onze oogen bekend worden.

11 Laat het gekerm der gevangenen voor uw aanschijn komen; behoud overig do kinderen des doods, naar de grootheid uws arms.

12 En geef onzen naburen zevenvoudig weder in hunnen schoot hunnen smaad, waarmede zij u, o Heere, gesmaad hebben.

13 Zoo zullen wij, uw volk en de schapen uwer weide, u loven in eeuwigheid, van geslacht tot geslacht; wij zullen uwen roem vertellen.

PSALM 80.

Voor den opperzangmeester op sosannlm, een getuigenis, een psalm Asafs.

2 O Herder Israels, neem ter oore, die Jozef als schapen lelddet; die tusschen de cherubs zit, verschijn blinkende.

3 Wek uwe macht op voor het aangezicht van Efraïm en Benjamin en Manasse, en kom tot onze verlossing.

4 O God, breng ons weder, en laat uw aanschijn lichten, zoo zullen wij verlost worden.

5 O Heere, Godderheirscharen, hoe lang zult gij rooken tegen het gebed uws volks?

6 Gij spijst ze met tranenbrood, en drenkt ze met tranen uit een drieling.

7 Gij hebt ons onzen naburen tot eene twist gesteld, en onze vijanden spotten onder zich.

\'8 O God der heirscharen , breng ons weder, en laat uw aangezicht lichten, zoo zullen wij verlost worden.

0 Gij hebt oenen wijnstok uit Egypte overgebracht, hebt de heidenen verdreven en hebt den-zelven geplant;

10 gij hebt de plants voor hem bereid, en zijne wortelen doen inwortelen , zoodat hij het land vervuld heeft.

11 De bergen zijn met zijne schaduw bedekt geweest, en zijne ranken waren als cederboomen Godes.

12 Hij schoot zijne ranken uit tot aan de zee, en zijne schouten tot aan de rivier.

13 Waarom hebt gij zijne muren doorgebroken, zoodat allen die den weg voorbijgaan hem plukken ?

14 Het zwijn uit het woud heeft hem uitgewroet, en het wild des voids heeft hem afgeweid.

15 O God der heirscharen, keer toch weder; aanschouw uit den hemel en zie, en bezoek dezen wijnstok,

16 en den stam dien uwe rechterhand geplant heeft, en dat om den Zoon dien gij u gesterkt hebt:

17 hij is met vuur verbrand, hij is afgehouwen; zij komen örn van het schelden uws aangeziclus.

18 Uwe hand zij over den man uwer rechterhand, over des men-schen Zoon dien gij u gesterkt hebt.

19 Zoo zullen wij van u niet terugkeeren; behoiid ons in het leven, zoo zullen wij uwen naam aanroepen.

20 O Heere, God der heirscharen, breng ons weder; iaat uw


-ocr page 685-

Uanschijii lichlen, zoo zullen wij verlost worden.

PSALM 81.

Voor den opperzangmeesler, op de giltith, een psalm Asals.

2 Zingt vroolijk Clode, onze sterkte; juicht den God Jakobs.

3 Helt eenen psalm aan, en geelt de trommel, de liefelijke harp met de luit.

4 Blaast de bazuin in de nieuwe maan, ter bestemder tijd, op onzen feestdag.

5 Want dat is eene inzetting in Israël, een recht van den God Jakobs.

ü Hij heeft liet gezet lot eene getuigenis in Jozef, als hij uitgetogen was tegen Egypteland; alwaar ik gehoord heb eeue spraak die ik niet verstond:

7 Ik heb zijnen schouder van den last onttrokken, zijne handen zijn van de potten ontslagen.

8 In de benauwdheid riept gij, en ik hielp u uit; ik antwoordde u uit de schuilplaats des donders; ik beproefde u aan de wateren van Meriba. Sela.

1) Mijn volk, zeide i!:, hoor toe, en ik zal onder u betuigen; Israël, of gij naar mij hoordet!

10 Daar zal onder u geen uit-landsch god wezen, en gij zult u voor geenen vreemden god neder-buigen.

11 Ik ben de Heeuk uw God, die u heb opgevoerd uit het land van Egypte; doe uwen mond wijd open, en ik zal hem vervullen.

12 Maar mijn volk heeft mijne stemme niet gehoord, en Israël heeft mijner niet gewild.

13 Dies heb ik het overgegeven in het goeddunken huns harten, dat zij wandelden in hunne raadslagen.

14 Och dat mijn volk naar mij gehoord had, dat Israël in mijne wegen gewandeld had:

15 in kort zoude ik hunne vijanden gedempt hebben, en mijne hand gewend hebben tegen hunne wederpartijders.

16 Die den Heere haten, zouden zich hem geveinsdelijk onderwor-671

pen hebben, maar hunlieder tijd zoude eeuwig geweest zijn.

17 En hij zonde het gespijsd hebben met het vette der tarwe, ja ik zoude u verzadigd hebben met honig uit de rotssteenen.

PSALM 82.

Een psalm Asafs.

God staat in de vergadering Godes, hij oordeelt in het midden der goden:

2 Hoe lang zult gijlieden onrecht oordeelen , en het aangezicht der goddeloozen aannemen? Sela.

3 Doet recht den arme en den wees, rechtvaardigt den verdrukte en den arme,

4 verlost den arme en den behoeftige, rukt hciu uit der goddeloozen hand.

5 Zij weten niets en verstaan niets, zij wandelen steeds in duisternis ; dies wankelen alle fundamenten der aarde.

(» Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden, en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten:

7 nogtans zult gij sterven als een mensch , en als een van de Vorsten zult gij vallen.

8 Sta óp o God, oordeel het aardrijk, want gij bezit alle natiën.

PSALM 83.

Een lied, een psalm Asafs.

2 O God, zwijg niet, houd u niet als doof, en wees niet stil, o God.

3 Want zie, uwe vijanden maken getier, en uwe haters steken het hoofd op.

4 Zij maken listiglijk eenen hei-melijken aanslag tegen uw volk, cn beraadslagen tegen uwe verborgene n.

5 Zij hebben gezegd: Komt en laat ons hen uitroeien , dat zij geen volk meer zijn, dat aan den naam Israels niet meer gedacht worde.

ü Want zij hebben in het harte te zamen beraadslaagd, tegen u hebben zij een verbond gemaakt:

7 de tenten Edoms en der Ismaë-liten, Moab en de Hagarenen,

8 Gebal en Amnion en Amalek, Palestina met de inwoners van Tyrus;

PSALM 81, 82, 83.


-ocr page 686-

672

\'J ook heelt zich Assur bij hen gevoegd, zij zijn den kinderen Lois tot eenen arm geweest. Sela.

10 Doe hun als Midian, als Sisera, als Jabin aan de beek Kison;

11 die verdelgd zijn te Endor, zij zijn geworden lot drek der aarde.

12 Maak hen en hunne Prinsen als Oreb en als Zeëb, en alle hunne Vorsten als Zebah en als Zalmuna;

13 die zeiden: Laat ons de schoone woningen Godes voor ons in erfelijke bezitting nemen.

14 Mijn God, maak hen als een wervel, als stoppelen voor den wind.

15 Gelijk het vuur een woud verbrandt, en gelijk de vlam de bergen aansteekt,

16 vervolg ze al zóu met uw on weder, en verschrik ze met uwen draaiwind.

17 Maak hun aangezicht vol schande, opdat zij, o Heeke , uwen naam zoeken.

18 Laat ze beschaamd en verschrikt wezen tot in eeuwigheid, en laat ze schaamrood worden en omkomen;

10 opdat zij weten dat gij alleen met uwen naam zijt de Heere , de Allerhoogste over de gansche aarde.

PSALM 84.

Voor den opperzangmeester,rop de gittith, een psalm, voor de kinderen van Korach.

2 Hoe liefelijk zijn uwe woningen, o Heere der heirscharen!

3 Mijn ziel is begeerig en bezwijkt ook van verlangen naar de voorhoven des Heeren, mijn hart en mijn vleesch roepen uit tot den levenden God.

4 Zelfs vindt de musch een huis, en de zwaluw een nest voor zich, waar zij hare jongen legt, bij uwe altaren , Heere der heirscharen , mijn Koning en mijn God.

5 Welgelukzalig zijn ze die in uw Huis wonen, zij prijzen u ge-stadiglijk. Sela.

0 Welgelukzalig is de mensch wiens sterkte in u is, in welker harte de gebaande wegen zijn.

7 Als zij door het dal dermoer-beziënboomen doorgaan, stellen zij hem tot eene fontein ; ook zal de regen hen gansch rijkelijk overdekken.

8 Zij gaan van kracht tot kracht, een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion.

9 Heere, God der heirscharen, hoor mijn gebed; neem het ter oore, o God Jakobs. Sela.

10 O God, ons schild, zie en aanschouw het aangezicht uws Gezalfden.

11 Want één dag in uwe voorhoven is beter dan duizend elders; ik koos liever aan den dorpel in het Huis mijns Gods te wezen , dan lang te wonen in de tent der goddeloosheid.

12 Want God de Heere is een zon en schild , de Heere zal genade en eere geven, hij zal het goede niet onthouden dengenen die in oprechtheid wandelen.

13 Heere der heirscharen, welgelukzalig is de mensch die op u vertrouwt.

PSALM 85.

Een psalm, voor den opperzang-meester, onder de kinderen van Korach.

2 Gij zijt uwen lande gunstig geweest, Heere; de gevangenis Jakobs hebt gij gewend.

3 De misdaad uws volks hebt gij weggenomen, gij hebt alle hunne zonden bedekt. Sela.

4 Gij hebt weggenomen al uwe verbolgenheid, gij hebt u gewend van de hittigheid uws toorns.

5 Breng ons weder, o God on-zes hei Is , en doe te niet uwe toornigheid over ons.

ü Zult gij eeuwiglijk tegen ons toornen? Zult gij uwen toorn uitstrekken van geslacht tot geslacht?

7 Zult gij ons niet weder levend maken, opdat uw volk zich in u verblijde?

8 Toon ons uwe goedertierenheid, o Heere, en geef ons uw heil.

0 Ik zal hooren wat God de Heere spreken zal; want hij zal tot zijn volk en tot zijne gunst-genooten van vrede spreken; maar

PSALM 84, 85.


-ocr page 687-

PSALM

dat zij niet weder tot dwaasheid keeren.

10 Zekerlijk , zijn heil is nabij degenen die hem vreezen, opdat in ons land eere wone.

11 De goedertierenheid en waarheid zullen malkander ontmoeten, de gerechtigheid en vrede zullen malkander kussen.

12 De waarheid zal uit de aarde spruiten, en gerechtigheid zal van den hemel nederzien.

13 Ook zal de Heere het goede geven, en ons land zal zijne vrucht geven.

14 De gerechtigheid zal voor zijn aangezicht henengaan , en hij zal ze zetten op den weg zijner voetstappen.

PSALM 86.

Een gebed Davids.

Heere , neig uw oor, verhoor mij; want ik ben ellendig en nooddruftig.

2 Bewaar mijne ziele, want ik ben uw gunstgenoot; o gij mijn God, verlos uwen knecht die op u betrouwt.

3 Wees mij genadig, Heere, want ik roepe tot u den ganschen dag.

5 Verheng de ziele uws knechts, want totu, Heere, verhef ik mijne ziele.

4 Want gij, Heere, zijt goeden gaarne vergevende, en van groote goedertierenheid allen die u aanroepen.

(» Heere, neem mijn gebed ter oore, en geef acht op de stemme mijner smeekingen.

7 In den dag mijner benauwdheid roep ik u aan, want gij verhoort mij.

5 Onder dc goden is niemand u gelijk, Heere, en daar zijn geene gelijk uwe werken.

9 Alle de heidenen, Heere, die gij gemaakt hebt, zullen komen en zullen zich voor uw aanschijn nederbuigen, en uwen naam eeren.

10 Want gij zijt groot, en doet wonderwerken; gij alleen zijt God.

11 Leer mij, Heere, uwen weg, ik zal in uwe waarheid wandelen; vereenig mijn harte tot devreeze uws naams.

86, 87, 88. 673

12 Heere mijn God, ik zal u met mijn gansche hart loven, en ik zal uwen naam eeren in eeuwigheid;

13 want, uwe goedertierenheid is groot over mij, en gij hebt mijne ziele uit het onderste des grai\'s uitgerukt.

14 O God, dehoovaardigen staan tegen mij op, en de vergaderingen der tyrannen zoeken mijne ziele; en zij stellen u niet voor hunne oogen.

15 Maar gij, Heere, zijt een barmhartig en genadig God, lankmoedig en groot van goedertierenheid en waarheid.

10 Wend u lot mij en wees mij genadig, geef uwen knecht uwe sterkte, en verlos den zoon uwer dienstmaagd.

17 Doe aan mij een teeken ten goede, opdat het mijne haters zien en beschaamd worden, als gij, Heere, mij geholpen en mij getroost zult hebben.

PSALM 87.

Een psalm , een lied voor de kinderen van Korach.

Zijn grondslag is op de bergen der heiligheid.

2 Do Heere bemint do poorten Sions boven alle woningen Jakobs.

3 Zeer heerlijke dingen worden van u gesproken , o stad Godes. Sela.

4 Ik zal Rahab en Babel vermelden onder degenen die mij kennen; zie, dc Filistijn en de Tyriër met den Moor, deze is aldaar geboren.

5 En van Sion zal gezegd worden : Die en die is daarin geboren , en de Allerhoogste zelf zal hen bevestigen.

ü De Heere zal ze rekenen in het opschrijven der volken, zecj~ gemle: Deze is aldaar geboren. Sela.

7 En de zangers gelijk de speellieden, mitsgaders alle mijne fonteinen zullen binnen u zijn.

PSALM 88.

Een lied, een psalm voor de kinderen van Korach, voor den opperzangmeester, op mahalath 22


-ocr page 688-

PSALM 89.

674

leannoth : eene onderwijzing van Pieman den Ezrahiet.

2 o Heere, God mijns lieils, bij dage, bij nachte roep ik vooru:

3 laat mijn gebed voor uw aanschijn komen, neig uw oor tot mijn geschrei.

4 Want mijne ziele is der tegen-heden zat, en mijn leven raakt tot aan het graf.

5 Ik ben gerekend met degenen die in den kuil nederdalen, ik ben geworden als een man die krachteloos is:

6 afgezonderd onder de dooden, gelijk de verslagenen die in het graf liggen, die gij niet meer gedenkt, en zij zijn afgesneden van uwe hand.

7 Gij hebt mij in den ondersten kuil gelegd, in duisternissen, in diepten.

8 Uwe grimmigheid ligt op mij, gij hebt mij nedergedrukt met alle uwe baren. Sela.

9 Mijne bekenden hebt gij verre van mij gedaan, gij hebt mij hun tot eenen grooten gruwel gesteld; ik ben besloten en kan niet uitkomen.

10 Mijn oog treurt vanwege verdrukking; Heere, ik roep tot u den ganschendag, ik strek mijne handen uit tot u.

11 Zult gij wonder doen aan de dooden, of zullen de overledenen opstaan, zullen zij u loven? Sela.

12 Zal uwe goedertierenheid in het graf verteld worden, uwe getrouwheid in het verderf?

13 Zullen uwe wonderen bekend worden in de duisternis, en uwe gerechtigheid in het land der vergetelheid ?

14 Maar ik, Heere, roep tot u, en mijn gebed komt u voor in den morgenstond.

15 Heere , waarom versloot gij mijne ziele en verbergt uw aanschijn voor mij?

16 Van der jeugd af ben ik bedrukt en dood-brakende, ik draag uwe vervaarnissen, ik ben twijfelmoedig.

17 Uwe hittige toornigheden gaan over mij, uwe verschrikkingen doen mij vergaan.

18 Den ganschen dag omringen zij mij als water, tezamenomge- ; ven zij mij.

-19 Gij hebt vriend en metgezel verre van mij gedaan, mijne be- i kenden zijn in duisternis.

PSALM 89.

Eene onderwijzing van Ethan den Ezrahiet.

2 Ik zal de goedertierenheden des Heeren eeuwiglijk zingen, ik zal uwe waarheid met mijnen mond bekendmaken van geslacht tot geslacht.

3 Want ik heb gezegd: Uwe goedertierenheid zal eeuwiglijk gebouwd worden; in de hemelen zelve hebt gij uwe waarheid bevestigd , zegyende:

4 Ik heb een verbond gemaakt met mijnen uitverkorene, ik heb mijnen knecht David gezworen:

5 Ik zal uw zaad tot in eeuwig- ; heid bevestigen, en uwen troon i opbouwen van geslacht tot ge- a slacht. Sela.

6 Dies loven de hemelen uwe wonderen, o Heere, ook is uwe ^ getrouwheid in de gemeente der heiligen.

7 Want wie mag in den hemel tegen den Heere geschat worden, ivie is den Heere gelijk onder de kinderen der sterken?

8 God is grootelijks geducht in den raad der heiligen, en vreese-lijk boven allen die rondom hem zijn.

9 O Heere, God der heirscha-ren, wie is als gij grootmachtig, o Heere, en uwe getrouwheid is rondom u!

10 Gij heerscht over de opgeblazenheid der zee; wanneer hare baren zich verheffen, zoo stilt gij ze.

11 Gij hebt Rahab verbrijzeld nis eehen verslagene, gij hebt \' uwe vijanden verstrooid met den arm uwer sterkte.

12 De hemel is uw, ook is de aarde uwe; de wereld en hare volheid, die hebt gij gegrond.

13 Het Noorden en het Zuiden, die hebt gij geschapen; Tabor en Hermon juichen in uwen naam.

14 Gij hebt eenen arm met


-ocr page 689-

PSALM 80.

675

macht, uwe hand is sterk, uwe rechterhand is hoog.

15 Gerechtigheid en gericht zijn de vastigheid uwstroons, goedertierenheid en waarheid gaan voor uw aanschijn henen.

10 Welgelukzalig ia het volk hetwelk het geklankkent: o Hee-re, zij zullen in het licht uws aanschijns wandelen.

17 Zij zullen zich den ganschen dag verheugen in uwen naam, en door uwe gerechtigheid verhoogd worden.

18 Want gij zijt de heerlijkheid hunner sterkte, en door uw welbehagen zal onze hoorn verhoogd worden.

19 Want ons schild is van den Heere, en onze Koning is van den Heilige Israëls.

20 Toen hebt gij in een gezicht gesproken van uwen heilige, en gezegd: Ik heb hulp besteld bij eenen held, ik heb eenen verko-rene uit den volke verhoogd;

21 ik heb David mijnen knecht gevonden, met mijne heilige olie heb ik hem gezalfd:

22 met welken mijne hand vast blijven zal, ook zal hem mijn arm versterken.

23 De vijand zal hem niet dringen , en de zoon der ongerechtigheid zal hem niet onderdrukken.

24 Maar ik zal zijne wederpar-tijders verpletteren voor zijn aangezicht, en die hem haten zal ik plagen.

25 En mijne getrouwheid en mijne goedertierenheid zullen met hem zijn, en zijn hoorn zal in mijnen naam verhoogd worden.

20 En ik zal zijne hand in de zee zetten, en zijne rechterhand in de rivieren.

27 Hij zal mij noemen: Gij zijt mijn Vader, mijn God en de quot;rotssteen mijns heil?.

28 Ook zal ik hem ten eerstgeboren zoon stellen, ten hoogste over de Koningen der aarde.

29 Ik zal hem mijne goedertierenheid in eeuwigheid houden, en mijn verbond zal hem vast blijven.

30 En ik zal zijn zaad in eeuwigheid zetten, en zijnen troon als de dagen der hemelen.

31 Indien zijne kinderen mijne wet verlaten en in mijne rechten niet wandelen,

32 indien zij mijne inzettingen ontheiligen en mijne geboden niet houden,

33 zoo zal ik hunne overtreding met de roede bezoeken, en hunne ongerechtigheid met plagen.

34 Maar mijne goedertierenheid zal ik van hém niet wegnemen, en in mijne getrouwheid niet feilen.

35 Ik zal mijn verbond niet ontheiligen , en hetgene dat uit mijne lippen gegaan is zal ik niet veranderen.

36 Ik heb ééns gezworen bij mijne heiligheid: Zoo ik aan David lieg!

37 Zijn zaad zal in eeuwigheid zijn, en zijn troon zal voor mij zijn gelijk de zon.

38 Hij zal eeuwiglijk bevestigd worden gelijk de maan, en de getuige in den hemel is getrouw. Sela.

31) Maar gij hebt hem verstoo-ten en verworpen, gij zijt verbolgen geworden tegen uwen Gezalfde.

40 Gij hebt het verbond uws knechts te niet, gedaan, gij hebt zijne kroon ontheiligd tegen de aarde.

41 Gij hebt alle zijne muren doorgebroken, gij hebt zijne vestingen nedergewórpen.

42 Allen die den weg voorbijgingen hebben hem beroofd , zijnen naburen is hij tot een smaad geweest.

43 Gij hebt de rechterhand zijner wederpartijders verhoogd, gij hebt alle zijne vijanden verblijd.

44 Gij hebt ook de scherpte zijns zwaards omgekeerd, en hebt hem niet staande gehouden in den strijd.

4b Gij hebt zijne schoonheid doen ophouden, en gij hebt zijnen troon ter aarde nedergestooten.

46 Gij hebt do. dagen zijner jeugd verkort, gij hebt hem mét schaamte overdekt. Sela.

47 Hoe lang, o Heere, zult gij


-ocr page 690-

C76 PS ALA

u steeds verbergen, zal uwe grimmigheid branden als een vuur?

48 Gedenk van hoedanige eeuw dat ik ben; waarom zoudt gij alle menschenkinderen te vergeefs geschapen hebben?

49 Wat man leeft er die den dood niet zien zal, die zijne ziel zal bevrijden van het geweld des grafs? Sela.

50 Heere, waar zijn uwe vorige goedertierenheden, die gij David gezworen hebt bij uwe tróuw?

51 Gedenk, Heere, aan den smaad uwer knechten, dien ik in mijnen boezem draag van alle groote volken,

52 waarmede, o Heere, uwe vijanden smaden, waarmede zij de voetstappen uws Gezalfden smaden.

53 Geloofd zij de Heere in eeuwigheid. Amen, ja amen.

PSALM 90.

Een gebed van Mozes don man Gods.

Heere, gij zij tons geweest eene toevlucht van geslacht tot geslacht.

2 Eer de bergen geboren waren en gij de aarde en do wereld voortgebracht hadt, ja van eeuwigheid tot eeuwigheid zijt gij God.

3 Gij doet den mensch weder-keeren tot verbrijzeling, en zegt: Keert weder, gij menschenkinderen .

4 Want duizend jaren zijn in uwe oogen als de dag van gisteren, als hij voorbijgegaan is, en als eene nachtwake.

5 Gij overstroomt ze, zij zijn gelijk eenen slaap; in den morgenstond zijn zij gelijk het gras dat verandert:

6 in den morgenstond bloeit het en het verandert, des avonds wordt liet afgesneden en het verdort.

7 Want wij vergaan door uwen toorn, en door uwe grimmigheid worden wij verschrikt.

8 Gi j stelt onze ongerechtigheden vóór u, onze heimelijke zonden in liet licht uws aanschijns.

9 Want alle onze dagen gaan henen door uwe verbolgenheid.

: 90, 91.

wij brengen onze jaren door als eene gedachte.

10 Aangaande de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaar, of zoo wij zeer sterk zijn, tachtig jaar, en hel uitnemendste van die is moeite en verdriet; want het wordt snellijk afgesneden, en wij vliegen daarhenen.

11 Wie kent de sterkte uws toorns, en uwe verbolgenheid, naardat gij te vreezen zijt?

12 Leer ons alzóó onze dagen tellen, dat wij een wijs harte bekomen.

13 Keer weder, Heere, tot hoe lang? En het berouwe u over uwe knechten.

14 Verzadig ons in den morgenstond met uwe goedertierenheid, zoo zullen wij juichen en verblijd zijn in alle onze dagen.

15 Verblijd ons naar de dagen in den\'elle gij ons gedrukt hebt, naar de jaren in dewelke wij het kwaad gezien hebben.

16 Laat uw werk aan uwe knechten gezien worden, en uwe heerlijkheid over hunne kinderen.

17 Én de liefelijklieid des Hee-ren onzes Gods zij over ois; en bevestig gij liet werk onzer handen over ons, ja, het werk onzer handen, bevestig dat.

PSALM 91.

Die in de schuilplaats des Aller-hoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduw des Al-machtigen.

2 Ik zal tot den Heere zeggen: Mijne toevlucht en mijn burg, mijn God op wien ik vertrouw.

3 Want hij zal u redden van don strik des vogelvangers, van de zeer verderfelijke pestilentie.

4 Hij zal u dekken met zijne vlerken, en onder zijne vleugelen zult gij betrouwen; zijne waarheid is een rondas en beukelaar.

5 Gij zult niet vreezen voor den schrik des nachts, voor den pijl die des daags vliegt,

(5 voor de pestilentie die in de donkerheid wandelt, voor liet verderf dat op den middag verwoest.

7 Aan uwe zijde zullen er duizend vallen, eii tienduizend aan


-ocr page 691-

PSALM

lt;3 uwe rechtorhand; lot u zal het niet genaken.

8 Alleenlijk zult gij het met uwe oogen aanschouwen, en gij zult de vergeldingquot; der goddeloozen zien.

9 Want gij, Heere, zijt mijne t toevlucht; den Allerhoogste hebt

gij gesteld tot uw vertrek:

40 u zal geen kwaad wedervaren , en geene plage zal uwe tente naderen.

11 Want hij zal zijne engelen van u bevelen, dat zij u bewaren op alle uwe wegen;

42 zij zullen u op de handen dragen, opdat gij uwen voet aan geenen steen stoot.

43 Op den lellen leeuw \'en de adder zult gij treden, gij zult den jongen leeuw en den draak vertreden.

4-4 Dewijl hij mij zeer bemint, spreekt (lod, zoo zal ik hem uithelpen ; ik zal hem op eene hoogte stellen , want hij kent mijnen naam.

45 Hij zal mij aanroepen, en ik zal hem verhoeren; in de benauwdheid zal ik bij hem zijn, ik zal er hem uittrekken en zal hem verheerlijken.

16 Ik zal hem mot langheid der dagen verzadigen, en ik zal hem mijn heil doen zien.

PSALM 02. Een psalm, een lied op den sabbatdag.

2 Het is goed dat men den Heere love, en uwen naam psalmzinge, o Allerhoogste;

3 dat men in don morgenstond uwe goedertierenheid verkondige, en uwe getrouwheid in do nachten,

4 op quot;het tiensnarig instrument en op de luit, met een voorbedacht lied op de harp.

5 Want gij hebt mij verblijd, Heere, met uwe daden; ik zal juichen over de werken uwer handen.

0 O Heere, hoe groot zijn uwe werken, zeer diep zijn uwe gedachten.

7 Een onvernuftig man weet daar niet van, cn een dwaas verstaat dit niet:

8 dat de goddeloozen groeien als het kruid, en alle de werkers der

2, 93, 94. G77

ongerechtigheid bloeien, opdat zij tot in eeuwigheid verdelgd worden.

9 Maar gij zijt de Allerhoogste, in eeuwigheid de Heere.

40 Want zie, uwe vijanden, o Heere, want zie, uwe vijanden zullen vergaan; alle de werkers der ongerechtigheid zullen verstrooid worden.

44 Maar gij zult mijnen hoorn verhoogen gelijk eens eenhoorns; ik ben met versche olie overgeten.

42 En mijn oog zal mijne verspieders aanschouwen, mijne ooren zullen het hooren aangaande de boosdoeners, die tegen mij opstaan.

43 De rechtvaardige zal groeien als een palmboom , hij zal wassen als een cederboom op Libanon.

44 Die in het Huis des Heeren geplant zijn, dien zal gegeven worden le groeien in de voorhoven onzes Gods.

45 In den grijzen ouderdom zullen zij nog vruchten dragen; zij zullen vet en groen zijn,

40 om te verkondigen dat de Heere recht is: hij is mijn rotssteen, en in hem is geen onrecht.

PSALM 93.

De Heere regeert, hij is met. hoogheid bekleed, de Heere is bekleed met sterkte, hij heeft zich omgord, ook is de wereld beves-j tigd, zij zal niet wankelen.

2 Van toen af is uw troon bevestigd ; gij zijt van eeuwigheid af.

3 beriviereii verheffen, o Heere, de rivieren verheffen haar bruisen, de rivieren verheffen hare aanstooting.

4 Doch de Heere in de hoogte is geweldiger dan het bruisen van groote wateren, dan de geweldige baren der zee.

5 Uwe getuigenissen zijn zeer getrouw, de heiligheid is uwen huize sierlijk, Heere, tot lange dagen.

PSALM 94.

O God der wraken, o Heere, God der wraken, verschijn blin-! kende.

| 2 Gij rechter der aarde, verhef u, breng vergelding weder i over de hoovaardigen.


-ocr page 692-

C78 P S A L 5

3 Hoe lang zullen de goddeloozcn, o Heere, hoe lang zullen de goddeloozcn van vreugd opspringen,

4 uitgieten, hard spreken, alle werkers der ongerechtigheid zich beroemen?

5 O Heere, zij verbrijzelen uw volk, en zij verdrukken uw erfdeel.

6 De wèduw en den vreemdeling dooden zij, en zij vermoorden de weezen,

7 en zeggen: De Heere ziet het niet, en de God Jakobs merkt het niet.

8 Aanmerkt, gij onvernuftigen onder den volke, en gij dwazen, wanneerzult gij verstandig worden?

9 Zoude die het oor plant niet hooren, zoude die liet oog lormeert niet aanschouwen ?

10 Zoude die de heidenen tuchtigt niet straffen, hij die den men-sche wetenschap leert?

11 De Heehe weet de gedachten des menschen dat ze ijdelheid zijn.

12 Welgelukzalig is de man, o Heere, dien gij tuchtigt, en dien gij leert uit uwe wet,

13 om hem ruste te geven van de kwade dagen, totdat de kuil voor den goddelooze gegraven wordt.

14 Want de Heere zal zijn volk niet begeven, en hij zal zijne erve met verlaten.

15 Want het oordeel zal weder-keeren tot de gerechtigheid, en alle oprechten van harte zullen hetzelve navolgen.

16 Wie zal voor mij staan tegen de boosdoeners, wie zal zich voor mij stellen tegen de werkers der ongerechtigheid ?

17 Ten ware dat de Heere mij eene hulpe geweest ware , mijnè ziel had bijma in de stilte gewoond.

18 Als ik zeide: Mijn voet wankelt, ondersteunde mij, o Heere, uwe goedertierenheid.

19 Als mijne gedachten binnen in mij vermenigvuldigd worden, hebben uwe vertroostingen mijne ziele verkwikt.

20 Zou zich de stoel der schadelijkheden met u vergezelschappen, die moeite verdicht bij inzetting?

21 Zij rotten zich te zamen

[ 95, 96.

tegen de ziele des rechtvaardigen , en zij verdoemen onschuldig bloed.

22 Doch de Heere is mij geweest lot een hoog vertrek, en mijn God tot eene steenrots mijner toevlucht.

23 En hij zal hunne ongerechtigheid op hen doen wederkeeren, en hij zal ze in hunne boosheid verdelgen; de Heere onze God zal ze verdelgen.

PSALM 95.

Komt, laat ons den Heere vroolijk zingen, laat ons juichen den rotssteen onzes heils.

2 Laat ons zijn aangezicht tegemoet gaan met lof, laat ons hem juichen met psalmen.

3 Want de Heere is een groot God, ja een groot Koning boven alle goden.

4 In wiens hand de diepste plaatsen der aarde zijn, en de hoogten der bergen zijn zijne.

5 Wiens ook de zee is. want hij heeft ze gemaakt; en zijne handen hebben het droge geformeerd.

0 Komt, laat ons aanbidden en nederbukken, laat ons knielen voor den Heere die ons gemaakt heeft.

7 Want hij is onze God, en wij zijn het volk zijner weide en dé schapen zijner hand. Heden zoo gij zijne stemme hoort,

8 verhardt uw harte niet, gelijk te Meriba, gelijk ten dage van Massa in de woestijn,

9 waar mij uwe vaders verzochten, mij beproefden, ook mijn werk zagen.

10 Veertig jaar heb ik verdriet gehad aan dit geslacht, en heb gezegd: Zij zijn een volk dwalende van hart, en zij kennen mijne wegen niet.

11 Daarom heb ik in mijnen toorn gezworen: Zoo zij in mijne ruste zullen ingaan!

PSALM 96.

Zingt den Heere een nieuw lied, zingt den Heere, gij gansche aarde.

2 Zingt den Heere, looft zijnen


-ocr page 693-

naam, boodschapt zijn heil van dag tot dag.

3 Vertelt onder de heidenen zijne eere, onder alle volken zijne wonderen.

4 Want de Heere is groot en zeer te prijzen, hij is vreeselijk boven alle goden.

5 Want alle de goden der volkeren zijn afgoden, maar de Heere heeft de hemelen gemaakt.

6 Majesteit en heerlijkheid zijn voor zijn aangezicht, sterkte en sieraad in zijn heiligdom.

7 Geeft den Heere, gij geslachten der volken, geeft den Heere eere en sterkte.

8 Geeft den Heere de eere zijns naams, brengt oüer en komt in zijne voorhoven.

9 Aanbidt den Heere in de heerlijkheid des heiligdoms, schrikt voor zijn aangezicht, gij gansche aarde.

10 Zegt onder de heidenen: He Heere regeert; ook zal do wereld bevestigd worden, zij zal niet bewogen worden; hij zal de volken richten in alle rechtmatigheid.

11 Dat do hemelen zich verblijden en de aarde zich verheuge, dat de zee bruise met hare volheid.

12 Dat het veld huppele van vreugde met al wat er in is, dat dan alle do boomen dos wouds juichen

13 voor het aangezicht des Heeren, want hij komt. want hij komt om de aarde te richten: hij zal de wereld richten met gerechtigheid , en de volken met zijne waarheid.

PSALM 97.

De Heere regeert, de aarde verheuge zich, dat vele eilanden zich verblijden.

2 Rondom hem zijn wolken en donkerheid, gerechtigheid en gericht zijn do vastigheid zijns troons.

3 Een vuur gaat voor zijn aangezicht henen, en het steekt zijne wederpartijen rondom aan brand.

4 Zijne bliksemen verlichten de wereld, het aardrijk ziet ze en het beeft.

5 De bergen smelten als was

679

voor het aanschijn des Heeren, voor het aanschijn des Heeren der gansche aarde.

C Do hemelen verkondigen zijne gerechtigheid, en alle volken zien zijne eere.

7 Beschaamd moeten wezen allen Jie de beelden dienen, die zich op afgoden beroemen; buigt li neder voor hem, alle gij goden.

8 Sion heeft gehoord en het heeft zich verblijd, en de doch-teren van Juda hebben zich verheugd vanwege uwe oordeelen, o Heere.

9 Want gij, Heere, zijt do Allerhoogste over de geheelo aarde , gij zij t zeer hoog verheven boven alle goden.

10 Gij liefhebbers des Heeren, haat liet kwade: hij bewaart de-zielen zijner gimstgenooten, hij redt ze uit der goddeloozen hand.

11 Het licht is voor den rechtvaardige gezaaid, en vroolijkheid voor de oprechten van hart.

12 Gij rechtvaardigen, verblijdt ii in den Heere , en spreekt lof ter gedachtenis zijner heiligheid.

PSALM 98.

Een psalm.

Zingt den Heere een nieuw lied, want hij heeft wonderen gedaan; zijne rechterhand en de arm zjner heiligheid heeft hem heil gegeven.

2 De Heere hoeft zijn heil bekend gemaakt, hij heeft zijne gerechtigheid geopenbaard voor do oogen der heidenen.

\'6 Hij is gedachtig geweest aan zijne goedertierenheid en zijne waarheid aan het huis Israëls, en alle de einden dor aarde hebben gezien het heil onzes Gods.

4 Juicht den Heere, gij gansche aarde, roept uit van vreugde en zingt, vroolijk en psalmzingt.

5 Psalmzingt den Heere mot de harp, met de harp en met de slem des gezangs,

6 met trompetten en bazuinge-klank; juicht voor het aangezicht des Konings, des Heeren.

7 De zee bruise met hare volheid, do wereld met degenen dio daarin wonen.

PSALM 97, 98.


-ocr page 694-

680 PSALM 99,

8 Dat de rivieren met de handen klappen, dat tegelijk de gebergten vreugd bedrijven

9 voor het aangezicht des Hee-Ken, want hij komt om de aarde te richten: hij zal de wereld richten in gerechtigheid, en de volken in alle rechtmatigheid.

PSALM 99.

De Heere regeert: dat de volken beven; hij zit tusschen de cherubs: de aarde bevvege zich.

2 De Heere is groot in Sion, en hij is hoog boven alle volken.

3 Dat zij uwen grooten en yree-selijken naam loven, die heilig is,

4 en de sterkte des Koning* die het recht liefheeft. Gij hebt billijk-heden bevestigd, gij hebt recht en gerechtigheid gedaan in Jakob.

5 Verheft den Heere onzen God, en buigt u neder voor de voetbank zijner voeten, hij is heilig.

6 Mozes en Aaron waren onder zijne Priesters, en Samuël onder de aanroepers zijns naams; zij riepen tot den Heere en hij verhoorde ze.

7 Hij sprak tot hen in eene wolkkolom; zij hebben zijne getuigenissen onderhouden, en de inzettingen die hij hun gegeven had.

8 O Heere onze God, gij hebt ze verhoord, gij zijt hun geweest een vergevend God, hoewel wrake doende over hunne daden.

9 Verheft den Heere onzen God, en buigt u voor den berg zijner heiligheid, want de Heere onze God is heilig.

PSALM 100.

Een lofpsalm.

. Gij gansche aarde, juicht den Heere.

2 Dient den Heere met blijdschap, komt voor zijn aanschijn fnet vroolijk gezang.

3 Weet dat de Heere God is; hij heeft ons gemaakt (en niet wij), zijn volk en de schapen zijner Weide.

4 Gaat in tot zijne poorten met of, in zijne voorhoven met lofzang; ooft hem, prijst zijnen naam.

5 Want de Heere is goed, zijne 400, 101, 102.

goedertierenheid is in eeuwigheid, en zijne getrouwheid van geslacht tot geslacht.

PSALM 101.

Een psalm Davids.

Ik zal van goedertierenheid en recht zingen; u zal ik psalmzingen, o Heere.

2 Ik zal verstandiglijk handelen in den oprechten weg: wanneer zult gij tot mij komen? Ik zal in het midden mijns huizes wandelen in oprechtheid mijns harten.

3 Ik zal geen belialsstuk voor mijne oogen stellen; ik haat het doen der afvalligen, het zal mij niet aankleven.

4 Het verkeerde hart zal van mij wijken, den booze zal ik niet kennen.

5 Die van zijnen naaste in \'t geheim achterklapt, dien zal ik verdelgen; die hoog van oogen is en trotsch van hart, dien zal ik niet verdragen.

0 Mijne oogen zullen zijn op de getrouwen in den lande, dat ze bij mij zitten; die in den oprechten weg wandelt, die zal mij dienen.

7 Wie bedrog pleegt zal binnen mijn huis niet blijven; wie leugens spreekt zal voor mijne oogen niet bevestigd worden.

8 Alle morgen zal ik alle godde-loozen des lands verdelgen, om uit de stad des Heer en alle werkers der ongerechtigheid uit te roeien.

PSALM 102.

Een gebed des verdrukten, als hij overstelpt is, en zijne klachte uitstort voor het aangezicht des Heeren.

2 O Heere, hoor mijn gebed, en laat mijn geroep tot u komen.

3 Verberg uw aangezicht niet voor mij, neig uw oor tot mij ten dage mijner benauwdheid; ten dage als ik roep verhoor mij haastelfjk.

4 Want mijne dagen zijTi vergaan als rook, en mijn gebeente is uitgebrand als een haard.

5 Mijn hart is geslagen en verdord als gras, zoodat ik vergeten heb mijn brood te eten.

6 Mijn gebeente kleeft aan mijn


-ocr page 695-

PSALM 103.

681

vleesch vanwege de stemme mijns zuchtens.

7 Ik ben een roerdomp der woestijn gelijk geworden , ik ben geworden als een steenuil der wildernissen.

8 Ik waak en ben geworden als eene eenzame musch op het dak.

9 Mijne vijanden smaden mij al den dag: die tegen mij razen, zweren bij mij.

10 Want ik eet asch als brood, en vermeng mijnen drank met tranen,

11 vanwege uwe verstoordheid en uwen grooten toorn; want gij hebt mij verheven en mij weder nedergeworpen.

12 Mijne dagen zijn als eene afgaande schaduw, en ik verdor als gras.

13 Maar gij, Heere, blijft in eeuwigheid, en uwe gedachtenis van geslacht tot geslacht.

14 Gij zult opstaan, gij zult u ontfermen over Sion, want de tijd om haar genadig te zijn, want de bestemde tijd is gekomen.

15 Want. uwe knechten hebben een welgevallen aan hare steenen, en hebben modelijden met haar gruis.

16 Dan zullen de heidenen den naam des Heeren vreezen, en alle Koningen dor aarde uwe heerlijkheid:

17 als de Heere Sion zal opgebouwd hebben, in zijne heerlijkheid zal verschenen zijn,

18 zich gewend zal hebben tot liet gebed desgenen die gansch ontbloot is, en niet versmaad zal hebben hunlieder gebed.

11) Dat zal beschreven worden voor het navolgende geslacht; en hot volk, dat geschapen zal worden, zal den Heere loven:

20 omdat hij uit de hoogte zijns heiligdoms zal hebben nederwaarts gezien, dat de Heere uit don hemel op do aarde geschouwd zal hebben,

21 om het zuchten der gevangenen te hooien, om los te maken de kinderen des doods;

22 opdat men den naam des IIeeren vertelle te Sion, en zijnen lof te Jeruzalem:

23 wanneer de volken te zamen zullen vergaderd worden, ook de koninkrijken, om den Heere te dienen.

24 Hij heeft mijne kracht op den weg terneder gedrukt, mijne dagen heeft hij verkort.

25 Ik zeide: Mijn God, neem mij niet weg in het midden mijner dagen; uwe jaren zijn van geslacht tot geslacht.

26 Gij hebt voormaals de aarde gegrond, en de hemelen zijn het werk uwer handen:

27 die zullen verbaan, maar gij zult staande blijven; en zij alle zullen als een kleed verouden, gij zult ze veranderen als een gewaad, en zij zullen veranderd zijn;

28 maar gij zijt dezelfde, en uwe jaren zullen niet geëindigd worden.

2!) De kinderen uwer knechten zullen wonen, en hun zaad zal voor uw aangezicht bevestigd worden.

PSALM 103.

Een psalm Davids.

Loof den Heere mijne ziele, en al wat binnen in mij is zijnen heiligen naam.

2 Loof den Heere , mijne ziele, en vergeet geen van zijne weldaden ;

3 die al uwe ongerechtigheid vergeeft, die alle uwe krankheden geneest;

4 die uw leven verlost van het verderf, die u kroont met goedertierenheid en barmhartigheden;

5 die uwen mond verzadigt met het goede , uwe jeugd vernieuwt als eens arends.

(» De Heere doet gerechtigheid en gerichten allen dengenen die onderdrukt worden.

7 Hij heeft Mozes zijne wegen bekend gemaakt, den kinderen Israels zijne daden.

8 Barmhartig en genadig is de Heere, lankmoedig en groot van goedertierenheid.

ü Hij zal niet altocs twisten , noch eeuwiglijk den toorn behouden.

10 Hij doet ons niet naar onze


-ocr page 696-

M 104.

682

PS AL

zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.

11 Want zoo hoog de hemel is boven de aarde, is zijne goedertierenheid geweldig over degenen die hem vreezen.

12 Zoo ver het Oosten is van het Westen, zóó ver doet hij onze overtredingen van ons.

13 Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen , ontfermt zich de Heere over degenen die hem vreezen.

14 Want hij weet wat maaksel dat wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn.

15 De dagen des menschen zijn als het gras, gelijk eene bloem des velds alzóó bloeit hij :

1lt;gt; als de wind daarover gegaan is, zoo is zij niet meer, en hare plaats kent haar niet meer.

17 Maar de goedertierenheid des Heetien is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen die hem vreezen, en zijne gerechtigheid aan kindskinderen;

18 aan degenen die zijn verbond houden, en die aan zijne bevelen denken om die te doen.

19 De Heere heeft zijnen troon in de hemelen bevestigd, en zijn koninkrijk heerscht over alles.

20 Looft den [jeere , zijne engelen, gij krachtige helden die zijn woord doet, gehoorzamende dei-stemme zijns woords.

21 Looft den Heere, alle zijne heirscharen, gij zijne dienaars die zijn welbehagen doet.

22 Looft den Heere, alle zijne werken, aan alle plaatsen zijner heerschappij. Loof den Heere, mijne ziel.

PSALM 104.

Loof den Heere, mijne ziele ; o Heere mijn God, gij zijt zeer groot, gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.

2 Hij bedekt zich met het licht als met een kleed, hij rekt den hemel uit als eene gordijn.

3 Die zijne opperzalen zoldert in de wateren, die van de wolken zijnen v/agen maakt, die op de vleugelen des winds wandelt.

4 Hij maakt zijne engelen geesten , zijne dienaars tot een vlammend vuur.

5 Hij heeft de aarde gegrond op hare grondvesten, zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.

ü Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.

7 Van uw schelden vloden zij , zij haastten zich weg voor de stemme uws donders.

8 De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse die gij voor hen gegrond hadt.

9 Gij hebt eenen paal gesteld dien zij niet overgaan zullen; zij zullen do aarde niet weder bedekken.

10 Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tusschen de gebergten henen wandelen.

11 Zij drenken al het gedierte des velds, de woudezels breken er hunnen dorst mede.

12 Bij dezelve woont hüt gevogelte des hemels, een stemme gevende van lusschen de takken.

13 Hij drenkt de bergen uit zijne opperzalen, de aarde wordt verzadigd van de vrucht uwer werken.

14 li i j doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des menschen, doende het brood uit de aarde voortkomen ,

15 en den wijn die het hai\'t des menschen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood dat het hart des menschen sterkt.

16 De boomen des Heeren worden verzadigd, de cederboomen van Libanon die hij geplant heeft,

17 alwaar de vog\'eltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de denne-boomen.

18 De hooge bergen zijr. voor de steenbokken, de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.

19 Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haren ondergang.

20 Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds uittreedt;

21 de jonge leeuwen, br eschcn-de om eenen roof, en om hunne spijze van God te zoeken.


-ocr page 697-

P S A L

M 105.

G83

22 De zon opgaande, maken zij zich weg en liggen neder in hunne holen.

23 De mensch gaal dan uit tot zijn werk, en naar zijnen arbeid tot den avond toe.

24 Hoe groot zijn uwe werken, o Heere! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van uwe goederen.

25 Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met groote.

2G Daar wandelen de schepen , cn de leviathan, dien gij geformeerd hebt om daarin te spelen.

27 Zij allen wachten op u, dat gij hun hunne spijs geeft te zijner tijd.

28 Geeft gij ze hun, zij vergaderen ze: doet gij uwe hand open , zij worden met ^oed verzadigd.

20 Verbergt gij uw aangezicht, zij worden verschrikt; neemt gij hunnen adem weg, zij sterven en zij keeren weder tot hun stof.

3Ü Zendt gij uwen Geest uit, zoo worden zij geschapen, en gij vernieuwt het gelaat des aardrijks.

31 De heerlijkheid des Heeuen zij tot in eeuwigheid, de Heere verblijde zich in zijne werken.

32 Als hij de aarde aanschouwt zoo beeft zij, als hij de bergen aanroert zoo rooken zij.

33 Ik zal den Heere zingen in mijn leven, ik zal mijnen God psalmzingen terwijl ik riog ben.

34 Mijne overdenking van hem zal zoet zijn, ik zal mij in den Heere verblijden.

35 De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de god-deloozen zullen niet meer zijn. Loof den Heere, mijne ziele. Hallelujah.

PSALM 105.

Looft den Heere, roept zijnen naam aan, maakt zijne daden bekend onder de volken.

2 Zingt hem, psalmzingt hem , spreekt aandachtiglijk van alle zijne wonderen.

3 Roemt in den naam zijner heiligheid, het harte dergenen die den Heere zoeken verblijde zich.

4 Vraagt naar den Heere cn zijne sterkte, zoekt zijn aangezicht geduriglijk.

5 Gedenkt zijne wonderen die hij gedaan heeft, zijne wonderteeke-nen en de oordeelen zijns monds.

6 Gij zaad Abrahams zijns knechts, gij kinderen Jakobs, zijne uitverkorenen,

7 hij is de Heere onze God: zijne oordeelen zijn over de ge-heele aarde.

8 Hij gedenkt zijn verbond tot in eeuwigheid , het Woord dat hij ingesteld heeft tot in duizend geslachten ;

9 het verbond dat hij met Abraham heeft gemaakt, en zijnen eed aan Isaak:

10 welken hij ook gesteld heeft aan Jakob tot eene inzetting, aan Israël tot een eeuwig verbond,

11 zeggende; Ik zal u geven het land Kanaiin, het snoer van ulieder erfdeel:

12 als zij weinige menschen in getale waren, ja weinigen en vreemdelingen daarin,

13 en wandelden van volk tot volk, van het ccne koninkrijk tot het andere volk:

1-4 hij liet geen mensch toe hen te onderdrukken, ook bestrafte hij Koningen om hunnentwille zeggende :

15 Tast mijne gezalfden niet aan, en doet mijnen Profeten geen kwaad.

10 Hij riep ook eenen honger in het land , iiij brak allen staf des broods.

17 Hij zond eenen man voor hun aangezicht henen ; Jozef werd verkocht tot een slaaf.

18 Men drukte zijne voeten in den stok , zijn persoon kwam in de ijzers.

19 Ter tijd toe dat zijn woord kwam heeft hem de rede des Heer en doorloutcrd.

20 De Koning zond en deed hem ontslaan, de heerscher der volken die liet hem los;

21 hij zette hem tot een heer over zijn huis, en tot eenen heerscher over al zijn goed,

22 om zijne Vorsten te binden naar zijnen lust, en zijne oudsten te onderwijzen.


-ocr page 698-

PSAL

M 106.

684

23 Daarna kwam Israël i n Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Cham.

24 En hij deed zijn volk zeer wassen, eh maakte het machtiger dan zijne tegenpartij dors.

25 Hij keerde hun harte om, dat zij zijn volk haatten, dat zij met zijne knechten listiglijk handelden.

26 Hij zond Mozes zijnen knecht, en Aaron dien hij verkoren had:

27 zij deden onder hen de bevelen zijner teekenen, en wonderwerken in het land van Cham.

28 Hij zond duisternis en maakte het duister, en zij waren zijnen woorde niet wederspannig.

29 Hij verkeerde hunne wateren in bloed, en hij doodde hunne visschen.

30 Hun land bracht vorschen Voort in overvloed, tot in de binnenste kameren hunner Koningen.

31 Hij sprak en daar kwam eene vermenging van ongedierte, luizen in hunne gansche landpale.

32 Hij maakte hunnen regen tot hagel. vlammend vuur in hun land.

33 En hij sloeg hunnen wijnstok en hunnen vijgeboom, en hij brak het geboomte hunner landpalen.

34 Hij sprak en daar kwamen sprinkhanen en kevers, en dat zonder getal,

35 die al het kruid in hun land opaten, ja aten de vrucht hunner landouwe op.

36 Hij versloeg ook alle eerstgeborenen in hun land, de eerstelingen van alle hunne krachten.

37 En hij voerde ze uit met zilver en goud; en onder hunne stammen was niemand die struikelde.

38 Egypte was blijde als zij uittrokken , want hunne verschrikking was op hen gevallen.

39 Hij breidde eene wolk uit tot een deksel, en vuur om den nacht te verlichten.

40 Zij baden, en hij deed kwakkelen komen en hij verzadigde ze met hemelbrood.

41 Hij opende eene steenrots, en daar vloeiden wateren uit, die gingen door de dorre plaatsen alx eene rivier.

42 Want hij dacht aan zijn heilig Woord, aan Abraham zijnen knecht.

43 Alzoo voerde hij zijn volk uit met vroolijkheid, zijne uitverkorenen met gejuich;

44 en hij gaf hun de landen der heidenen,\' zoodat zij in erfenis bezaten den arbeid der volkeren;

45 opdat zij zijne inzettingen onderhielden en zijne wetten bewaarden. Hallelujah.

PSALM 106.

Hallelujah. Looft den HEEHK, want hij is goed, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid.

2 Wie zal de mogendheden des Heeren uitspreken, al zijnen lof verkondigen?

3 Welgelukzalig zijn ze die het recht onderhouden, die te aller tijd gerechtigheid doet.

4 Gedenk mijner, o Heere , naar het welbehagen tot uw volk; bezoek mij met uw heil,

5 opdat ik aanschouwe net goede uwer uitverkorenen, opdat ik mij verblijde met de blijdschap uws volks, opdat ik mij beroeme met uw erfdeel.

6 Wij hebben gezondigd mitsgaders onze vaderen, wij hebben verkeerdelijk gedaan, wij hebben goddelooslijk gehandeld.

7 Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op uwe wonderen, zij zijn aan de menigte uwer goedertierenheden niet gedachtig geweest ; maar zij waren wederspannig aan de zee, bij de Schelfzee.

8 Doch hij verloste ze om zijns naams wil, opdat hij zijne mogendheid bekend maakte;

9 en hij schold de Schelfzee, zoodat zij verdroogde, en hij deed ze wandelen door de afgronden als door eene woestijn;

10 en hij verloste ze uit de hand des haters, en hij bevrijdde ze van de hand des vijands;

11 en de wateren overdekten hunne weder partij ders, riet één van hen bleef er over.

12 Toen geloofden :Zij aan zijne woorden, zij zongen zijnen lof.

13 Doch zij vergaten haast zijne werken, zij verbeidden zijnen raad niet;


-ocr page 699-

PSALM 108.

685

pn *14 maar zij wei-den belust met I lust in de woestijn, en zij ver-zochten God in de wildernis.

quot; 15 Toen gaf hij hun hunne begeerte , maar hij zond aan huiine p- \' zielen eene magerheid.

ió En zij benijdden Mozes in het leger, en Aiiron, den heilige des in hfieren:

„ 17 de aarde opende zich en ver

slond Dathan, en overdekte de vergadering Abirams;

18 en een vuur brandde onder hunne vergadering, eene vlam stak de goddeloozen aan brand.

19 Zij maakten een kalf bij Ho-g reb, en zij bogen zich voor een f gegoten beeld,

20 en zij veranderden hunne eere l in de gedaante van eenen os die • gras eet.

21 Zij vergaten God, hunnen

Heiland, die groote dingen gedaan

had in Egypte,

22 wonderdaden in het land Ghams, vreeselijke dingen aan de Schelfzee.

23 Dies hij zeide dat hij ze verdelgen zoude, ten ware Mozes , zijn uitverkorene, in de scheure voor zijn aangezicht gestaan had, om zijne grimmigheid af te keeren, dat hij ze niet verdierf.

24 Zij versmaadden ook het ge-wenschte land; zij geloofden zijn quot;Woord niet;

25 maar zij murmureerden in hunne tenten; naar de stemme des Heeren hoorden zij niet.

26 Dies hief hij tegen hen zijne hand op, zwerende dat hij ze ne-dervelien zoude in de woestijn,

27 en dat hij hun zaad zoude nedervellen onder de heidenen, en hen verstrooien zoude door de landen. . , .

28 Ook hebben zij zich gekoppeld aan Baal-Peor, en zij hebben de offeranden der dooden gegeten ;

29 en zij hebben den Heere tot toorn verwekt met hunne daden, zoodat de plage eene inbreuk onder hen deed.

30 Toen stond Pinehas op en hij oefende gericht, en de plaag werd opgehouden;

31 en het is hem gerekend tot

gerechtigheid van geslacht tot geslacht, tot in eeuwigheid.

32 Zij maakten hern ook zeer toornig aan het twistwater, en het ging Mozes kwalijk om hunnen twi!;

33 want zij verbitterden zijnen geest, zoodat hij tvat onbedachte-lijk voortbracht met zijne lippen.

34 Zij hebben die volken niet verdelgd, die de Heere hun gezegd had;

35 maar zij vermengden zich met do heidenen, en leerden derzei ver werken;

36 en zij dienden hunne afgoden , en zij werden hun tot eenen strik.

37 Daarenboven hebben zij hunne zonen en hunne dochteren den duivelen opgeofferd,

38 en zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed hunner zonen en hunner dochteren, die zij den afgoden van Kanaan hebben opgeofferd; zoodat het land door deze bloedschulden is ontheiligd geworden.

39 En zij ontreinigden zich door hunne werken, en zij hebben gehoereerd door hunne daden.

40 Dies is de toorn des Heeren ontstoken tegen zijn volk, en hij heeft eenen gruwel gehad aan zijii erfdeel;

41 en hij gaf ze in de hand der heidenen, en hunne haters heerschten over hen,

42 en hunne vijanden hebben ze verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hunne hand.

43 Hij heeft ze menigmaal gered, maar zij verbitterden hem door hunnen raad, en werden uitgeteerd door hunne ongerechtigheid.

44 Nog tans zag hij hunne benauwdheid aan, als hij hun geschrei hoorde,

45 en hij dacht tot hun best aan zijn verbond, en het berouwde hem naar de veelheid zijner goedertierenheden.

46 Dies gaf hij hun barmhartigheid voor het aangezicht aller die ze gevangen hadden.

47 Verlos ons, Heere onze God, en verzamel ons uit de hei-


-ocr page 700-

PSAL

M 104.

682

zonden, en vergeldt ons niet naar onze ongerechtigheden.

11 Want zoo hoog de hemel is boven de aarde, is zijne goedertierenheid geweldig over degenen die hem vreezen.

12 Zoo ver het Oosten is van het Westen, zóó ver doet hij onze overtredingen van ons.

13 Gelijk zich een vader ontfermt over de kinderen, ontfermt zich de Heere over degenen die hem vreezen.

14 Want hij weet wat maaksel dat wij zijn, gedachtig zijnde dat wij stof zijn.

10 De dagen des menschen zijn als het gras, gelijk eene bloem des velds alzóó bloeit hij :

K» als de wind daarover gegaan is, zoo is zij niet meer, en hare plaats kent haar niet meer.

17 Maar de goedertierenheid des Heeren is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over degenen die hem vreezen, en zijne gerechtigheid aan kindskinderen;

18 aan degenen die zijn verbond houden, en die aan zijne bevelen denken om die te doen.

19 De Heere heeft zijnen troon in de hemelen bevestigd, en zijn koninkrijk heerscht over alles.

20 Looft den Heere , zijne engelen, gij krachtige helden die zijn woord doet, gehoorzamende dei-stemme zijns woords.

21 Looft den Heere, alle zijne heirscharen, gij zijne dienaars die zijn welbehagen doet.

22 Looft den Heere , alle zijne werken, aan alle plaatsen zijner heerschappij. Loof den Heere, mijne ziel.

PSALM 104.

Loof den Heere, mijne ziele ; o Heere mijn God, gij zij t zeer groot, gij zijt bekleed met majesteit en heerlijkheid.

2 Hij bedekt zich met het licht als met een kleed, hij rekt den hemel uit als eene gordijn.

3 Die zijne opperzalen zoldert in de wateren, die van de wolken zijnen v/agen maakt, die op de vleugelen des winds wandelt.

4 Hij maakt zijne engelen geesten , zijne dienaars tot een vlammend vuur.

5 Hij heeft de aarde gegrond op hare grondvesten, zij zal nimmermeer noch eeuwiglijk wankelen.

0 Gij hadt ze met den afgrond als een kleed overdekt; de wateren stonden boven de bergen.

7 Van uw schelden vloden zij , zij haastten zich weg voor de stemme uws donders.

8 De bergen rezen op, de dalen daalden, ter plaatse die gij voor hen gegrond hadt.

1) Gij hebt eenen paal gesteld dien zij niet overgaan zullen; zij zullen de aarde niet weder bedekken.

10 Die de fonteinen uitzendt door de dalen, dat zij tusschen de gebergten henen wandelen.

11 Zij drenken al het gedierte des velds, de woudezels breken er hunnen dorst mede.

12 Bij dezelve woont het gevogelte des hemels, een stemme gevende van tusschen de takken.

13 Hij drenkt de bergen uit zijne opperzalen, de aarde wordt verzadigd van de vrucht uwer werken.

14 Hij doet het gras uitspruiten voor de beesten, en het kruid tot dienst des menschen , doende het brood uit de aarde voortkomen ,

15 en den wijn die het hart des menschen verheugt, doende het aangezicht blinken van olie; en het brood dat het hart des menschen sterkt.

16 De boomen des Heeren worden verzadigd , de cederboomen van Libanon die hij geplant heeft,

17 alwaar de vogeltjes nestelen; des ooievaars huis zijn de denne-boomen.

18 De hooge bergen zijn voor de steenbokken, de steenrotsen zijn een vertrek voor de konijnen.

19 Hij heeft de maan gemaakt tot de gezette tijden, de zon weet haren ondergang.

20 Gij beschikt de duisternis, en het wordt nacht, in denwelken al het gedierte des wouds natreedt;

21 de jonge leeuwen, brieschen-de om eenen roof, en om hunne spijze van God te zoeken.


-ocr page 701-

P S A L

M 105.

G83

22 De zon opgaande, maken zij zicli weg en liggen neder in hunne holen.

23 De mensch gaal clan uit tot zijn werk, en naar zijnen arbeid tot den avond toe.

24 Hoe groot zijn uwe werken, o Heere! Gij hebt ze alle met wijsheid gemaakt; het aardrijk is vol van uwe goederen.

25 Deze zee, die groot en wijd van ruimte is, daarin is het wriemelende gedierte, en dat zonder getal, kleine gedierten met groote.

20 Daar wandelen de schepen , en de leviathan, dien gij geformeerd hebt om daarin te spelen.

27 Zij allen wachten op u, dat gij hun hunne spijs geeft te zijner tijd.

28 Geeft gij ze hun, zij vergaderen ze: doet gij uwe hand open, zij worden met jjoed verzadigd.

29 Verbergt gij uw aangezicht , zij worden verschrikt; neemt gij hunnen adem weg, zij stervenen zij keeren weder tot hun stof.

\'30 Zendt gij uwen Geest uit, zoo worden zij geschapen, en gij vernieuwt het gelaat des nardrijks.

31 De heerlijkheid des IIeeuen zij tot in eeuwigheid, de Heere verblijde zich in zijne werken.

32 Als hij de aarde aanschouwt zoo beeft zij, als hij de bergen aanroert zoo rooken zij.

33 Ik zal den Heere zingen in mijn leven, ik zal mijnen God psalmzingen terwijl ik nog ben.

34 Mijne overdenking van hem zal zoet zijn, ik zal mij in den Heere verblijden.

35 De zondaars zullen van de aarde verdaan worden, en de god-deloozen zullen niet meer zijn. Loof den Heere, mijne ziele. Hallelujah.

PSALM 105.

Looft den Heere, roept zijnen naam aan, maakt zijne daden bekend onder de volken.

2 Zingt hem, psalmzingt hem, spreekt aandachtiglijk van alle zijne wonderen.

\'3 Roemt in den naam zijner heiligheid, het harte dergenen die den Heere zoeken verblijde zich.

4 Vraagt naar den Heere en zijne sterkte, zoekt zijn aangezicht geduriglijk.

5 Gedenkt zijne wonderen die hij gedaan heeft, zijne wonderteeke-nen en de oordeelen zijns monds.

6 Gij zaad Abrahams zijns knechts, gij kinderen Jakobs, zijne uitverkorenen,

7 hij is de Heere onze God: zijne oordeelen zijn over de ge-heele aarde.

8 Hij gedenkt zijn verbond tot in eeuwigheid , het Woord dat hij ingesteld heeft tot in duizend geslachten ;

9 het verbond dat hij met Abraham heeft gemaakt, en zijnen eed aan Isaak:

10 welken hij ook gesteld heeft aan Jakob tot eene inzetting, aan Israël tut een eeuwig verbond,

11 zeggende: Ik zal u geven het land Kanaan, het snoer van ulieder erfdeel ,

12 als zij weinige menschen in getale waren, ja weinigen en vreemdelingen daarin,

13 en wandelden van volk tot volk, van het eene koninkrijk tot het andere volk:

14 hij liet geen mensch toe hen tc onderdrukken, ook bestrafte hij Koningen om hunnentwille zeg-gende:

15 Tast mijne gezalfden niet aan , en doet mijnen Profeten geen kwaad.

10 Hij riep ook eenen honger in het land , hij brak allen staf des broods.

17 Hij zond eenen man voor hun aangezicht henen; Jozef werd verkocht tot een slaaf.

18 Men drukte zijne voeten in den stok, zijn persoon kwam in de ijzers.

19 Ter tijd toe dat zijn woord kwam heeft hem de rede des Heer en doorlouterd.

20 De Koning zond en deed hem ontslaan, de heerscher der volken die liet hem los;

21 hij zette hem tot een heer over zijn huis, en tot eenen heerscher over al zijn goed,

22 om zijne Vorsten te binden naar zijnen lust, en zijne oudsten te onderwijzen.


-ocr page 702-

PSALM 106.

G84

23 Daarna kwam Israël in Egypte, en Jakob verkeerde als vreemdeling in het land van Chain.

24 En hij deed zijn volk zeer wassen, en maakte het machtiger dan zijne tegenpartijders.

25 Hij keerde hun harte om, dat zij zijn volk haatten, dat zij met zijne knechten listiglijk handelden.

26 Ilij zond Mozes zijnen knecht, en Aaron dien hij verkoren had:

27 zij deden onder hen de bevelen zijner teekenen, en wonderwerken\'in het land van Cham.

28 Hij zond duisternis en maakte het duister, en zij waren zijnen woorde niet wederspannig.

29 Hij verkeerde hunne wateren in bloed, en hij doodde hunne visschen.

30 Hun land bracht vorschen Voort in overvloed, tot in de binnenste kameren hunner Koningen.

31 Hij sprak en daar kwam eene vermenging van ongedierte, luizen in hunne gansche iandpale.

32 Hij maakte hunnen regen tol hagel. vlammend vuur in hun land.

33 En hij sloeg hunnen wijnstok en hunnen vijgeboom, en hij brak het geboomte hunner landpalen.

34 Hij sprak en daar kwamen sprinkhanen en kevers, en dat zonder getal,

35 die al het kruid in hun land opaten, ja alen de vrucht hunner landouwe op.

36 Hij versloeg ook alle eerstgeborenen in hun land, de eerstelingen van alle hunne krachten.

37 En hij voerde ze uit met zilver en goud; en onder hunne stammen was niemand die struikelde.

38 Egypte was blijde als zij uittrokken, want hunne verschrikking was op hen gevallen.

39 Hij breidde eene wolk uit tot een deksel, en vuur om den nacht te verlichten.

40 Zij baden, en hij deed kwakkelen komen en hij verzadigde ze met hemelbreed.

41 Hij opende eene steenrots, en daar vloeiden wateren uil, die gingen door de dorre plaatsen als eene rivier.

42 Want hij dacht aan zijn heilig Woord, aan Abraham zijnen knecht.

43 Alzoo voerde hij zijn volk uit met vrooiijkheid, zijne uitverkorenen met gejuich;

44 en hij gaf hun de landen der heidenen, zoodat zij in erfenis bezaten den arbeid der volkeren;

45 opdat zij zijne inzettingen onderhielden en zijne wetten bewaarden. Hallelujah.

PSALM 106.

Hallelujah. Looft den HEEKE, want hij is goed, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid.

2 Wie zal de mogendheden des Heerex uitspreken, al zijnen lof verkondigen?

3 Welgelukzalig zijn ze die het recht onderhouden, die te aller lijd gerechtigheid doet.

4 Gedenk mijner, o Heere , naar het welbehagen (ot uw volk; bezoek mij met uw heil,

5 opdat ik aanschouwe het goede uwer uitverkorenen, opdat ik mij verblijde met de blijdschap uws volks, opdat ik mij beroeme met uw erfdeel.

6 Wij hebben gezondigd mitsgaders onze vaderen, wij hebben verkeerdelijk gedaan, wij hebben goddelooslijk gehandeld.

7 Onze vaders in Egypte hebben niet gelet op uwe wonderen, zij zijn aan de menigte uwer goedertierenheden niet gedachtig geweest ; maar zij waren wederspannig aan de zee, bij de Schelfzee.

8 Doch hij verloste ze om zijns naams wil, opdat hij zijne mogendheid bekend maakte;

9 en hij schold de Schelfzee, zoodat zij verdroogde, en hij deed ze wandelen door de afgronden als door eene woestijn;

10 en hij verloste ze uit de hand des haters, en hij bevrijdde ze van de hand des vijands;

11 en de wateren overdekten hunne wederpartijders, niet één van hen bleef er over.

12 Toen geloofden zij aan zijne woorden, zij zongen zijnen lof.

13 Doch zij vergaten haast zijne werken, zij verbeidden zij len raad niet;


-ocr page 703-

PSALM 108.

685

\'14 maar zij werden belust mei , lust in de woestijn, en zij ver- ; zochten God in de wildernis. 15 Toen gaf hij hun hunne be-* geerte, maar hij zond aan hunne | zielen eene magerheid.

\'1ö En zij benijdden Mozes in het leger, en Aaron, den heilige des 1 Hoeren:

17 de aarde opende zich en verslond Dathan, en overdekte de vergadering Abirams;

18 en een vuur brandde onder hunne vergadering, eene vlam stak de goddeloozen aan brand.

19 Zij maakten een kalf bij Ho-reb, en zij bogen zich voor een gegoten beeld,

20 en zij veranderden hunne eere in de gedaante van eenen os die gras eet.

0 21 Zij vergaten God, hunnen Heiland, die groote dingen gedaan had in Egypte,

22 wonderdaden in het land Ghams, vreeselijke dingen aan de Schel tzee.

23 Dies hij zeide dat hij ze verdelgen zoude, ten ware Mozes, zijn uitverkorene, in de scheure voor zijn aangezicht gestaan had, om zijne grimmigheid af te keeren, dat hij ze niet verdierf.

24 Zij versmaadden ook het ge-wenschte land; zij geloofden zijn Woord niet;

25 maar zij murmureerden in hunne tenten; naar de stemme des Heeren hoorden zij niet.

20 Dies hief hij tegen hen zijne hand op, zwerende dat hij ze ne-dervellen zoude in de woestijn,

27 en dat hij hun zaad zoude nedervelien onder de heidenen, en hen verstrooien zoude door de landen. , ,

28 Ook hebben zij zich gekoppeld aan Baal-Peor, en zij hebben de offeranden der dooden gegeten :

29 en zij hebbenden IIeere tot toorn verwekt met hunne daden, zoodat de plage eene inbreuk onder hen deed.

30 Toen stond Pinehas op en hij oefende gericht, en de plaag werd opgehouden; , ^ t

31 en het is hem gerekend tot

gerechtigheid van geslacht tot geslacht. tot in eeuwigheid.

32 Zj maakten hem ook zeer toornigquot; aan het twistwater, en het ging Mozes kwalijk om hun-nentwii;

33 want zij verbitterden zijnen geest, «oodat hij ivat onbcdachte-lijk voortbracht met zijne lippen.

34 Zij hebben die volken niet verdelgd, die de HeeRe hun gezegd had;

35 maar zij vermengden zich met de heidenen, en leerden derzei ver werken;

36 en zij dienden hunne afgoden , en zij werden hun tot eenen strik.

37 Daarenboven hebben zij hunne zonen en hunne dochteren den duivelen opgeofferd,

38 en zij hebben onschuldig bloed vergoten, het bloed hunner zonen en hunner dochteren, die zij den afgoden van Kanaan hebben opgeofferd; zoodat het land door deze bloedschulden is ontheiligd geworden.

39 En zij ontrcinigden zich door hunne werken, en zij hebben gehoereerd door hunne daden.

40 Dies is de toorn des Heeren ontstoken tegen zijn volk, en hij heeft eenen gruwel gehad aan zijn erfdeel;

41 en hij gaf ze in de hand der heidenen, en hunne haters heerschten over hen,

42 en hunne vijanden hebben ze verdrukt, en zij zijn vernederd geworden onder hunne hand.

43 Hij heeft ze menigmaal gered, maar zij verbitterden hem door hunnen raad, en werden uitgeteerd door hunne ongerechtigheid.

44 Nogtans zag hij hunne benauwdheid aan, als hij hun geschrei hoorde,

45 en hij dacht tot hun best aan zijn verbond, en het berouwde hem naar de veelheid zijner goedertierenheden.

4ö Dies gaf hij hun barmhartigheid voor het aangezicht aller die ze gevangen hadden.

47 Verlos ons, Heere onze , God, en verzamel ons uit de hei-

-ocr page 704-

PSALM 1U7.

686

denen, opdat wij den naam uwer heiligheid loven, ons beroemende in uwen lof.

48 Geloofd zij de Heere, de God Israels, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid; en al het volk zegge amen. Hallelujah.

PSALM 107.

Looft den Heere, want hij is goed, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid:

2 dat zulks de bevrijden des HEEREN zeggen, die hij van de hand der wederpartijders bevrijd heeft,

3 eu die hij uit de landen verzameld heeft, van het Oosten en van het Westen, van liet Noorden en van de Zee.

4 Die in de woestijn dwaalden, in eenen weg der wildernis; die geene stad ter woning vonden.

5 Zij waren hongerig, ook dorstig , hunne ziele was in hen overstelpt.

6 Doch roepende tot den Heere in de benauwdheid die zij hadden, heeft hij ze gered uit hunne angsten ;

7 en hij leidde ze op eenen rechten weg, om te gaan tot eene stad ter woning.

8 Laat ze voor den Heere zijne goedertierenheid loven, en zijne wonderwerken voor de kinderen der menschen;

0 want hij heeft de dorstige ziele verzadigd, en de hongerige ziele met goed vervuld,

10 die in duisternis en scha-duwe des doods zaten, gebonden met verdrukking en ijzer,

11 omdat zij wederspannig waren geweest legen Gods geboden, en den raad des Allerhoogsten onwaardiglijk verworpen hadden:

12 waarom hij hun het hart door zwarigheid vernederd heeft; zij zijn gestruikeld, en daar was geen helper.

13 Doch roepende tot den Heere in de benauwdheid die zij hadden, verloste hij ze uit hunne angsten:

14 hij voerde ze uit de duisternis en de schaduwe des doods, en hij brak hunne banden.

15 Laat ze voor den Heere zijne goedertierenheid loven, en zijne wonderwerken voor de k.n-dèren der menschen;

16 want hij heeft de koperen deuren gebroken, en de ijzeren grendelen in stukken gehouwen.

17 De zotten worden om den weg hunner overtreding en om hunne ongerechtigheden geplaagd.

18 Hunne ziele gruwde van alle spijs, en zij waren tot aan de poorten des \'doods gekomen.

19 Doch roepende tot den Hbere in de benauwdheid die zij hadden, verloste hij ze uit hunne angsten :

20 hij zond zijn Woord uit, en heelde ze, en rukte ze uit hunne kuilen.

21 Laat zo voor den ileeke zijne goedertierenheid loven, en zijne wonderwerken voor de kinderen der menschen;

22 en dat zij lofofferen offeren, en met gejuich zijne we;ken vertellen.

23 Die met schepen ter zee afvaren, handel doende op groote wateren,

24 die zien de werken des Hek-ren, en zijne wonderwerken in de diepte.

25 Als hij spreekt, zoo doet hij eenen stormwind opstaan, die hare golven omhoog verheft.

26 Zij rijzen op naar den hemel, zij dalen neder tot in de afgronden; hunne ziele versmelt van angst.

27 Zij dansen en waggelen als een dronken man, en al hunne wijsheid wordt verslonden.

28 Doch roepende tot den Heere in de benauwdheid die zij hadden, zoo voerde hij ze uit hunne angsten.

20 Hij doet den storm stille staan, zoodat hunne golven stilzwijgen.

30 Dan zijn zij verblijd, omdat zij gestild zijn, en dat hij ze tot de haven hunner begeerte, geleid heeft.

31 Laat ze voorden Heere zijne goedertierenheid loven, en zijne wonderwerken voor de kinderen der menschen,

32 en hem verhoogen in de ge-


-ocr page 705-

PSALM 108, 109.

G87

rmente des volks, en in het ge-sUelte der oudsten hem roemen.

3 Hij stelt de rivieren tot eene wcestijn, en watertochten tot een do.\'stig land:

het vruchtbaar land tot zouten grond, om de boosheid der-geten die daarin wonen.

*5 Hij stelt do woestijn tot een .waterpoel, en het dorre land tot vatertochten;

36 en hij doet de hongerigen aldaar wonen, en zij stichten eene stad ter woning,

37 en bezaaien akkers en planten wijngaarden, die inkomende vrucht voortbrengen.

38 En hij zegent ze, zoodat zij zeer vermenigvuldigen, en hun vee vermindert hij niet.

39 Daarna verminderen zij , en komen te onder door verdrukking, kwaad en droefenis.

40 Hij stort verachting uit over de Prinsen, en doet ze dwalen in het woeste waar geen weg is.

41 Maar hij brengt den nooddruftige uit de verdrukking in een hoog vertrek, en maakt de huisgezinnen als kudden.

42 De oprechten zien het en zijn verblijd, maar alle ongerech-tigheid stópt haren mond.

43 Wie is wijs? die neme deze dinaen waar; en dat zij verstan-digiijk letten op de goederlieren-heden des Heeren.

PSALM 108.

Een lied, een psalm Davids.

2 O God, mijn harte is bereid, ik zal zingen en psalmzingen, ook mijne eere.

o Waak öp gij luit en harp, ik zal in den dageraad opwaken.

4 Ik zal u loven onder de volken , o Heere , en ik zal u psalmzingen onder de natiën;

5 want uwe goedertierenheid is groot tot boven de hemelen, en uwe waarheid tot aan de bovenste wolken.

G Verhef u, o God, boven de hemelen, en uwe eere over de gansche aarde.

7 Opdat uwe beminden bevrijd worden, geef heil door uwe rechterhand en verhoor ons.

8 God heeft gesproken in zijn heiligdom , dies zal ik van vreugde opspringen: Ik zal Sichem doelen , en het dal Sukkoth zal ik afmeten;

9 Giload is mijn, Manasse is mijn, en Efraïm is de sterkte mijns hoofds, Juda is mijn wetgever ;

10 Moab is mijn waschpot; op Edom zal ik mijn schoen werpen; over Palestina zal ik juichen.

11 Wie zal mij voeren in eene vaste slad? Wie zal mij leiden tot in Edom?

12 Zuit gij het niet zijn, o God , die ons verstoeten hadt , en die niet uitloogt, o God, met onze heirkrachten?

13 Geef gij ons hulp uit de benauwdheid, want \'s menschen heil is ijdelheid.

14 In God zullen wij kloeke daden doen, en hij zal onze weder-partijders vertreden.

PSALM 109.

Een psalm Davids, voor den opperzangmeester.

O God mijns lofs, zwijg niet.

2 Want de mond des goddeloozen en de mond des bedrogs zijn tegen mij opengedaan, zij hebben met mij gesproken met eene val-sche tong;

3 en met hatelijke wóórden hebben zij mij omsingeld, ja zij hebben mij bestreden zonder oorzaak.

4 Voor mijne liefde staan zij mij tegen; maar ik was steeds in het gebed.

5 En zij hebben mij kwaad voor goed opgelegd, en haat voor mijne liefde.

(5 Stel eenen goddelooze over hem. en de satan sta aan zijne rechterhand.

7 Als hij gericht wordt, zoo ga hij schuldig uit, en zijn gebed zij tot zonde.

8 Dat zijne dagen weinige zijn; een ander neme zijn ambt.

9 Dat zijne kinderen weezen worden, en zijne vrouw weduwe;

10 en dat zijne kinderen hier en daar omzwerven en bedelen,


-ocr page 706-

PSALM 110, 111.

688

en de nooddruft uit hunne verwoeste plaatsen zoeken.

11 Dat de schuldeischer aansla al \'wat liij heelt, en dat de vreemden zijnen arbeid rooven.

12 Dat hij niemand hebbe die weldadigheid over\'hem uitstrekke, en dat er niemand zij die zijnen weezen genadig zij.

13 Dat zijne nakomelingen uitgeroeid worden, hun naam worde uitgedelgd in het andere geslacht.

14 Der ongerechtigheid zijner vaderen worde gedacht bij den Heere , en de zonde zijner moeder worde niet uitgedelgd;

15 dat zij gedurig voor den Heere zijn; en hij roeie hunne gedachtenis uit van de aarde.

lö Omdat hij niet gedacht heeft weldadigheid te doen, maar heeft den ellendigen en den nooddruf-tigen man vervolgd, en den ver-slagene van harte, om hem te dooden.

17 Dewijl hij den vloek heeft liefgehad, dat\'die hem overkome en hij geen lust gehad heeft tot. den zegen, zoo zij die verre van hem.

18 En hij /.ij hekleed met den vloek als met zijn kleed, en dat die ga tot in het binnenste van hem als het water, en als^de olie in zijne beenderen.

19 Die zij hem als een kleed waarraede hij zich bedekt, en tot een gordel quot;waarmede hij zich steeds gordt.

20 Dit zij het werkloon mijner tegenstanders van den Heere, en dergenen die kwaadspreken tegen mijne ziele.

21 Maar gij, o Heere Heere, maak het met mij om uws naams wil; dewijl uwe goedertierenheid goed is, verlos mij.

22 Want ik ben ellendig en nooddruftig, en mijn harte is in het binnenste van mij doorwond.

23 Ik ga henen gelijk eene schaduw wanneer zij zich neigt, ik word omgedreven als een sprinkhaan.

24 Mijne knieën struikelen van vasten, en mijn vleesch is vermagerd, zoodot er geen vet nan is.

20 Nog ben ik hun een smaad;

als zij mij zien, zoo schudden zijHee hun hoofd. \\Bet1

26 Help mij, Heere mijn G«d,ting verlos mij naar uwe goedertieren-1 2 heid; i\\egt;

27 opdat zij weten dat dit uwe gez^ hand is, dat gij het, Heere, ge- heb daan hebt.

28 Laat ze vloeken, maar zegen gij: laat ze zich opmaken, maar. dat zij beschaamd worden; doch dat zich uw knecht verblijde.

29 Laat mijne tegenstanders mei schande bekleed worden, en dat zij met hunne beschaamdheid zich bedekken als mot eenen mantel.

30 Ik zal den Heere met mijnen mond zeer loven, en in het midden van velen zal ik hem prijzen.

31 Want hij zal den nooddruftige ter rechterhand staan, om hem te verlossen van degenen die zijne ziele veroordeelen.

PSALM 110.

Een psalm Davids.

De Heere heeft vot mijnen Heere gesproken: Zit aan mijne rechterhand, totdat ik uwe vijanden gezet zal hebben tot een voetbank uwer voeten.

2 De Heere zal don scepter uwer sterkte zenden uit Sion, zeggende: Heersch in hot midden uwer vijanden.

3 Uw volk zal zeer gewillig zijn op den dag uwer heirkracht, quot;in heilige sieradiën; uit do baarmoeder des dageraads zal u de dauw uwer jeugd zij n.

4 De Heere heeft gezworen, en het zal hem niet berouwen: Gij zijt Priester in eeuwigheid,

naar de ordening Melchizédeks.

5 De Heere is aan uwe rechterhand , hij zal Koningen verslaan ten dage zijns toorns.

6 Hij zal recht doen ender de heidenen: hij zal het vol doode lichamen maken; hij zal verslaan dengenen, die het hoofd is over een groot land.

7 Hij zal op den weg uit de beek drinken; daarom zal hij het hoofd omhoog heffen,

PSALM 111.

Hallelujah. Alef. Ik zal den


-ocr page 707-

PSALM 4 gt;n zij heehe loven van ganscher harte, iBeth. in den raad en de vergade--quot;djh-ing der oprechten.

Jnn-i 2 Gimel. De werken des Hee-ren zijn groot, Daleth. zij worden Wive gezocht van allen die er lust in {?e- hebben.

3 Hé. Zijn doen is majesteit en Sen |heerlijkheid, Vau. en zijne ge-rechtigheid bestaat in eeuwigheid. och ; 4 Zain. Hij heeft zijnen wonderen eene gedachtenis gemaakt, Cheth. de Heere is genadig en barmhartig.

C\'1 5 Teth. Hij heeft dengenen die hem vreezen spijze gegeven ; Jod. en hij gedenkt in eeuwigheid aan 311 zijn verbond.

G Kaf. Hij heeft de kracht zijner gt;e : werken zijnen volke bekend ge-^e maakt, Lamed, hun gevende de 16 erve der heidenen.

7 Mem. De werken zijner handen zijn waarheid en oordeel, Nun. alle zijne bevelen zijn getrouw,

8 Samech. ze zijn ondersteund 1 voor altoos en in eeuwigheid, Ain. - zijnde gedaan in waarheid en

oprechtheid.

0 Pé. Hij hoeft zijnen volkc verlossing gezonden; Tsade. hij heeft zijn verbond in eeuwigheid geboden; Kof. zijn naam is heilig en vrecselijk.

10 Resch. De vreeze des hkeren is het beginsel der wijsheid; Schin. allen die ze doen hebben goed versland; Them, zijn lof be-j staat tot in eeuwigheid.

PSALM 112.

Hallelujah. AJef. Welgelukzalig is de man die den Heere vreest, Both, die grooten lust heeft in zijne geboden.

2 Gimel. Zijn zaad zal geweldig zijn op aarde;\' Daleth. het geslacht der oprechten zal gezegend worden.

3 Hè. In zijn huis zal have en rijkdom wezen; Vau. en zijne gerechtigheid bestaat in eeuwigheid.

4 Zain. Den oprechten gaat het licht op in de duisternis ; Cheth. hij is genadig en barmhartig en rechtvaardig.

5 Teth. Wèl dien man die zich

2, 113, 114. 689

ontfermt en uitleent; Jod. hij beschikt zijne zaken met recht.

6 Kaf. Zekerlijk, hij zal in eeuwigheid niet wankelen; Lamed. de rechtvaardige zal in eeuwige gedachtenis zijn.

7 Mem. Hij zal voor geen kwaad gerucht vreezen; Nun. zijn hart is vast, betrouwende op den H eere.

8 Samech. Zijn hart , wèl ondersteund zijnde, zal niet vreezen, A in. totdat hij op zijne wederpartijen zie.

9 Pê. Hij strooit uit, hij geeft den nooddruftigen; Tsade. zijne gerechtigheid bestaat in eeuwigheid; Kof. zijn hoorn zal verhoogd worden in eere.

10 Resch. De goddelooze zal het zien en hij zal zich vertoornen ; Schin. hij zal met zijne tanden knersen , on smolten ; Than, de wensch dor goddoloozen zal vergaan.

PSALM 113.

Hallelujah. Looft, gij knechten des Heeren, looft don naam dos He eren.

2 De naam des Herren zij geprezen van nu aan tot in eeuwigheid.

3 Van don opgang dor zon af tot haren ondergang zij de naam dos Heeren geloofd.

4 De Heere is hoog boven allo heidenen, boven do hemelen is zijne heerlijkheid.

\'5 Wie is gelijk de Heere onze flod, die zeer lloog woont.

6 die zeer laag ziet, in don hemel en op de aarde;

7 die don geringe uit hot stof opricht, en den nooddruftige uit den drek verhoogt,

8 om te doen zitten bij de Prinsen, bij de Prinsen zijns volks;

9 die de onvruchtbare doet wonen met oen huisgezin, eene blijde moeder van kinderen. Hallelujah.

PSALM 114.

Toen Israël uit Egypte toog, het huis Jakobs van een volk dat eene vreemde taal had ,


-ocr page 708-

115, 116.

PSALM

G90

2 zoo werd Juda tot zijn heiligdom , Israël zijne volkomene heerschappij.

3 De zee zag het en vlood, de Jordaan keerde achterwaarts.

4 De bergen sprongen als rammen , de heuvelen als lammeren.

5 Wat was n, gij zee, dat gij vloodt, gij Jordaan, dat gij achterwaarts keerdet,

C gij bergen, dat gij opsprongt als rammen, gij heuvelen als lammeren?

7 Beef gij aarde voor het aangezicht des heeren, voor het aangezicht van den God Jakobs;

8 die den rotssteen veranderde in eenen watervloed, den keisteen in cene waterfontein.

PSALM 115.

Niet ons, o Heere, niet ons, maar uwen naam geef eere, om uwer goedertierenheid, om uwer waarheid wil.

2 Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is nu hun God?

3 Onze God is toch in den hemel, hij doet al wat hem behaagt.

4 Hunlieder afgoden zijn zilver en goud, het werk van \'smenschen handen.

5 Zij hebben eenen mond maar spreken niet, zij hebben oogen maar zien niet;

6 ooren hebben zij maar hooren niet, zij hebben eenen neus maar zij ruiken niet;

\'7 hunne handen hébhen zij maar tasten niet, hunne voeten\', maar gaan niet; zij geven geen geluid door hunne keel.

8 Dat die ze maken hun gelijk worden, enaX wieop hen vertrouwt.

0 Israël, vertrouw gij op den Heere, hij is hunne hulp en hun schild.

10 Gij huis Aarons, vertrouwt op den Heere ; hij is hunne hulp en hun schild.

11 Gijlieden die den Heere vreest, vertrouwt op den Heere , hij is hunne hulp en hun schild.

12 De Heere is onzer gedachtig geweest, hij zal zegenen, hij zal het huis Israëls zegenen, hij zal het huis Aarons zegenen.

13 Hij zal zegenen die den Heere vreezen, de kleinen met degrooten.

14 De Heere zal den zegen over uüeden vermeerderen, over ulie-den en over uwe kinderen.

15 Gijlieden zijt den Heere gezegend, die den quot;hemel en de aarde gemaakt heeft.

1G Aangaande den hemel, de hemel is des Heeren; maar de aarde heeft hij der menschen kinderen gegeven.

17 De dooden zullen den Heere niet prijzen, noch die in de stilte nedergedaald zijn;

18 maar wij \'zullen den Heere loven van nu aan tot in eeuwigheid. Hallelujah.

PSALM 116.

Ik heb lief, want de Heere hoort mijne stemme, mijne smeekingen;

2 want hij neigt zijn oor tot mij, dies ik hèm in mijne dagen zal aanroepen.

3 De banden des doods hadden mij omvangen, en de angsten der helle hadden mij getroffen; ik vond benauwdheid en droefenis.

4 Maar ik riep den naam des Heeren aan, zeggende: Och Heere, bevrijd mijne ziel.

5 Do Heere is genadig en rechtvaardig, en onze God is ontfermend.

6 De Heere bewaart da een-voudigen; ik was uitgeteerd, doch hij heeft mij verlost.

7 Mijne ziele, keer weder tot uwe ruste, want de Heere heeft aan u welgedaan.

8 Want gij, Heere, hebt mijne ziele gered van den dood, mijne oogen van tranen, mijnen voet van aanstoot.

9 Ik zal wandelen voor het aangezicht des Heeren, in de landen der levenden.

10 Ik heb geloofd, daarom sprak ik: ik ben zeer bedrukt geweest.

11 Ik zeide in mijn haasten: Alle menschen zijn leugenaars.

12 Wat zal ik den Heere vergelden voor alle zijne weldaden aan mij bewezen?

13 Ik zal den beker der verlossingen opnemen en den naam des Heeren aanroepen.


-ocr page 709-

PSALM

14 Mijne geloften zal ik den Heere betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al zijn volk.

15 Kostelijk is in de oogen des Heeren de dood zijner gunstge-nooten.

16 Och Heere , zekerlijk ik ben uw knecht, ik ben uw knecht, een zoon uwer dienstmaagd; gij hebt mijne banden losgemaakt.

17 Ik zal u oireren eene olTe-rande van dankzegging, en den naam des Heeren aanroepen.

18 Ik zal mijne geloften den Heere betalen, nu, in de tegenwoordigheid van al zijn volk,

19 in de voorhoven van hel Huis des Heeren, in het midden van u, o Jeruzalem. Hallelujah.

PSALM 117.

Looft den Heere alle heidenen, prijst hem alle natiën;

2 want zijne goedertierenheid is geweldig over ons, en de waarheid des Heeren is in eeuwigheid. Hallelujah.

PSALM 118.

Looft den Heere, want hij is goed, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid.

2 Dat Israël nu zegge dat zijne goedertierenheid in eeuwigheid is.

3 Het huis Aarons zegge nu dat zijne goedertierenheid in eeuwigheid is.

4 Dat degenen die den Heere vreezen nu zeggen dat zijne goedertierenheid in eeuwigheid is.

5 Uit de benauwdheid heb ik den Heere aangeroepen; de Heere heeft mij verhoord, stellende mij in de ruimte.

(! De Heere is bij mij, ik zal niet vreezen: wat zal mij een mensch doen?

7 De Heere is bij mij onder degenen die mij helpen, daarom zal ik mijnen lust zien aan degenen die mij haten.

8 Het is beter tot den Heere toevlucht te nemen, dan op den mensch te vertrouwen;

ü het is beter tot den Heere toevlucht te nemen, dan op Prinsen te vertrouwen.

117, 118. 691

10 Alle heidenen hadden mij omringd : het is in den naam des Heeren dat ik ze verhouwen heb.

11 Zij hadden mij omringd, ia zij hadden mij omringd: het is in den naam des Heeren dat ik ze verhouwen heb.

12 Zij hadden mij omringd als bijen, zij zijn uitgebluscht als een doornenvuur: \'tis in den naam des Heeren dat ik ze verhouwen heb.

13 Gij liadt mij zeer hard ge-stooten, tot vallens toe, maar ue Heere heeft mij geholpen.

14 De Heere is mijn sterkte en psalm, want hij is mij tot heil geweest.

15 In de tenten der rechtvaardigen is eene stemme des gejuichs en des heils, de rechterhand des Heeren doet krachtige daden.

10 De rechterhand des Heeren is verhoogd, de rechterhand des Heeren doet krachtige daden.

17 Ik zal niet sterven maar leven , en ik zal de werken des Heeren vertellen.

18 De Heere heeft mij .wel hard gekastijd, maar hij heeft mij ter dood niet overgegeven.

19 Doet mij de poorten der gerechtigheid open, ik zal daardoor ingaan, ik zal den Heere loven.

20 Dit is de poorte des Heeren, door welke de rechtvaardigen zullen ingaan.

21 Ik zal u loven, omdat gij mij verhoord hebt en mij tot heil geweest zijt.

22 De steen, dien de bouwlieden verworpen hadden, is tot een hoofd des hoeks geworden;

23 dit is van den Heere geschied, en het is wonderlijk in onze oogen.

24 Dit is de dag dien de Heere gemaakt heeft, laat ons op den-zelven ons verheugen en verblijd zijn.

25 Och, Heere, geef nu heil, och, Heere , geef nu voorspoed.

213 Gezegend zij hij die daar komt in den naam des Heeren. Wij zegenen ulieden uit het Huis des Heeren.

27 De Heere is God, die ons licht gegeven heeft. Bindt het


-ocr page 710-

PSALM 119.

692

feestoffer met louwen tot aan de hoornen des altaars.

28 Gij zijt mijn God, daarom zal ik ii loven; o mijn God, ik zal u verhoogen.

29 Looit den Heeke , want hij is goed, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid.

PSALM 119.

Alef.

quot;Welgelukzalig zijn de oprechten van wandel, die in de Wet des Heeren gaan.

2 Welgelukzalig zijn ze die zijne getuigenissen onderhouden, die hem van ganscher harte zoeken;

3 ook geen onrecht werken, maar wandelen in zijne wegen.

4 Heere , gij hebt geboden dat men uwe bevelen zeer bewaren zal.

5 Och dat mijne wegen gericht werden om uwe inzettingen te bewaren!

0 Dan zoude ik niet beschaamd worden, wanneer ik merken zoude op alle uwe geboden,

7 Ik zal u loven in oprechtheid des harten, als ik de rechten uwer gerechtigheid geleerd zul hebben.

8 Ik zal uwe inzettingen bewaren, verlaat mij niet al te zeer.

Beth.

9 Waarmede zal de jongeling zijn pad zuiver houden? Als hij dat houdt naar uw Woord.

10 Ik zoek u met mijn geheele hart: laat mij van uwe geboden niet afdwalen.

11 Ik heb uwe rede in mijn hart verborgen, opdat ik tegen u niet zondigen zoude.

12 Heere, gij zijt gezegend; leer mij uwe inzettingen.

13 Ik heb met mijne lippen verteld alle de rechten uws monds.

14 Ik ben vroolijker in den weg uwer getuigenissen, dan over allen rijkdom.

15 Ik zal uwe bevelen overdenken en op uwe paden letten.

115 Ik zal mij zelven vermaken in uwe inzettingen, uw Woord zal ik niet vergeten.

Gimel.

17 Doe wèl bij uwen knecht, dat ik leve en uw Woord beware.

18 Ontdek mijne oogen, dat ik aan schouwe de wonderen van uwe Wet.

19 Ik ben een vreemdeling op aarde, verberg uwe geboden voor mij niet.

20 Mijne ziele is verbroken vanwege het verlangen naar uwe oor-deelen te aller tijd.

21 Gij scheldt de vervloekte hoo-vaardigen, die van uwe geboden afdwalen.

22 Wentel van mij versmaad-heid en verachting, want ik heb uwe getuigenissen onderhouden.

23 Als zelfs de Vorsten zittende tegen mij gesproken hebben, heeft uw knecht uwe inzettingen betracht.

24 Ook zijn uwe getuigenissen mijne vermakingen en m jne raadslieden.

Daleth.

25 Mijne ziele kleeft aan het stof: maak mij levend naar uw Woord.

26 Ik heb u mijne wegen verleid, en gij hebt mij verhoord; leer mij uwe inzettingen.

27 Geef mij den weg uwer bevelen te verstaan, opdat Ik uwe wonderen betrachte.

28 Mijne ziele druipt weg van treurigheid: richt mij op naar uw woord.

29 Wend van mij den weg der valschheid, en verleen mij genadiglijk uwe Wet.

30 Ik heb verkoren den weg der waarheid, uwe rechten heb ik mij voorgesteld.

31 Ik kleef vast aan uws getuigenissen; o Heere, beschaam mij niet.

32 Ik zal den weg uwor geboden loopen, als gij mijn harte verwijd zult hebben.

Hé.

33 Heere, leer mij den weg uwer inzettingen, en ik zal hem houden ten einde toe.

34 Geef mij het verstand, en


-ocr page 711-

PSALM 119.

693

ik zul uwe Wet houden, j.\'i ik zal j ze onderhouden met ganscher | harte. !

35 Doe mij treden op het pad i uwer geboden, want daarin heb \' ik lust.

36 Neig mijn harte tot uwe getuigenissen, en niet tot gierigheid.

37 Wend mijne oogen af, dat zij geen ijdelheid zien; maak mij levend door uwe wegen.

38 Bevestig uwe toezegging aan uwen knecht, die uwe vreeze toegedaan is.

39 Wend mijne smaadheid af die ik vreeze, want uwe rechten zijn goed.

40 Zie, ik heb eene begeerte tot uwe bevelen, maak mij levend door uwe gerechtigheid.

Van.

41 En dat mij uwe goedertierenheden overkomen, o Heere , uw heil, naar uwe toezegging;

42 opdat ik mijnen smader wat hebbe te antwoorden, want ik vertrouw op uw woord.

43 En ruk het woord der waarheid van mijnen mond niet al te zeer, want ik hope op uwe rechten.

44 Zoo zal ik uwe Wet steeds onderhouden, eeuwiglijk en altoos.

45 En ik zal wandelen in de ruimte, omdat ik uwe bevelen gezocht heb.

46 Ook zal ik voor Koningen spreken van uwe getuigenissen, en mij niet schamen.

47 En ik zal mij vermaken in uwe geboden die ik liefheb.

48 En ik zal mijne handen opheffen naar uwe geboden die ik liefheb, en ikzal uwe inzettingen betrachten.

Zaln.

49 Gedenk deswoords tot uwen knecht gesproken, op hetwelk gij mij hebt doen hopen.

50 Dit is mijn troost in mijne ellende, want uwe toezegging heeft mij levend gemaakt.

51 De hoovaardigen hebben mij bovenmate zeer bespot, nog tens ben ik van uwe Wet niet geweken.

52 Ik heb gedacht, o Heere , aan uwe oordeelen van ouds af, en heb mij getroost.

53 Grcote beroering heeft mij bevangen vanwege de goddeloozen die uwe wet verlaten.

54 Uwe inzettingen zijn mij gezangen geweest ter plaatse mijner vreemdelingschappen.

55 Heere , des nachts ben ik aan uwen naam gedachtig geweest, en heb uwe Wet bewaard.

56 Dat is mij geschied omdat ik uwe bevelen bewaard heb.

C\'iclh.

57 De Heere is mijn deel, ik heb gezegd dat ik uwe woorden zal bewaren.

58 Ik heb uw aanschijn ernstig-lijk gebeden van ganscher harte , wees mij genadig naar uwe toezegging.

59 Ik heb mijne wegen bedachtj en heb mijne voeten gekeerd tot uwe getuigenissen.

00 Ik heb gehaast en niet vertraagd, uwe geboden te onderhouden.

61 De goddelooze hoopen hebben mij beroofd, nogtans heb ik uwe Wet niet vergeten.

62 Te middernacht sta ik op, om u te loven voor de rechten uwer gerechtigheid.

63 Ik ben een gezel van allen die u vreezen, en van hen die uwe bevelen onderhouden.

64 Heere, de aarde is vol van uwe goedertierenheid; leer mij uwe inzettingen.

Telh.

65 Gij hebt bij uwen knecht goed gedaan, Heere , naar uw Woord.

60 Leer mij een goeden zin en wetenschap, want ik heb aan uwe geboden geloofd.

67 lier iK verdrukt werd dwaalde ik, maar nu onderhoud ik uw Woord.

68 Gij zijt goed en goeddoende; leer mij uwe inzettingen.

69 De hoovaardigen hebben leugens tegen mij gestoffeerd, doch ik bewaar uwe bevelen van ganscher harte.

70 Hun hart is vet als smeer,


-ocr page 712-

psalm 119.

694

maai\' ik heb vermaak in uwe Wet.

71 Het is mij goed dat ik verdrukt ben geweest, opdat ik uwe inzettingen leerde.

72 De Wet uws monds is mij beter dan duizenden van goud of zilver.

Jod.

73 Uwe handen hebben mij gemaakt en bereid; maak mij verstandig , opdat ik uwe geboden leere.

74 Die u vreezen, zullen mij aanzien en zich verblijden, omdat ik op uw Woord gehoopt heb.

75 Ik weet, Heere , dat uwe gerichlen de gerechtigheid zijn , en dat gij mij uit getrouwheid verdrukt hebt.

76 Laat toch uwe goedertierenheid zijn om mij te troosten, naar uwe toezegging aan uwen knecht.

77 Laat mij uwe barmhartigheden overkomen , opdat ik leve ; want uwe Wet is al mijne vermaking.

78 Laat de hoovaardigen beschaamd worden , omdat ze mij met lengen nedergestooten hebben; doch ik betracht uwe geboden.

7!) Laat ze tot mij keeren die u vreezen, en die uwe getuigenissen kennen.

HO Laat mijn harte oprecht zijn tot uwe inzettingen, opdat ik niet beschaamd worde.

Kaf.

81 Mijne ziele is bezweken van verlangen naar uw heil, op uw woord heb ik gehoopt.

82 Mijne oogen zijn bezweken van verlangen naar uwe toezegging , terwijl ik zeide: Wanneer zult gij mij vertroosten ?

83 Want ik ben geworden als een lederen zak in den rook; doch uwe inzettingen heb ik niet vergeten.

84 HoQvcle zullen de dagen uws knechts zijn? Wanneer zult gij recht doen over mijne vervolgers?

85 De hoovaardigen hebben mij putten gegraven , hetwelk niet is naar uwe Wet.

öö Alle uwe geboden zijn waarheid; zij vervolgen mij met leugen, help mij.

87 Zij hebben mij bijna vernietigd op de aarde, maar ik heb uwe bevelen niet verlaten.

88 Maak mij levend naar uwe goedertierenheid, dan zal ik de getuigenis uws monds onderhouden.

Lamed

89 O Heere, uw Woord bestaat in eeuwigheid in de hemelen.

90 Uwe getrouwheid is van geslacht tot geslacht; gij hebt do aarde vast gemaakt, en zij blijft staan;

91 naar uwe ordinantiën blijven zij nor/ heden staan, want zij allen zijn uwe knechten.

92 Indien uwe Wet niet ware geweest al mijne vermaking, ik ware in mijnen druk al lang vergaan.

93 Ik zal uwe bevelen in eeuwigheid niet vergeten, v/ant door dezelve hebt gij mij levend gemaakt.

94 Ik ben uwe, behoud mij, want ik heb uwe bevelen gezocht.

95 De goddeloozen hebben op mij gewacht om mij te doen vergaan; ik neem acht op uwe getuigenissen.

Aan alle volmaaktheid heb ik een einde gezien, maar uw gebod is zeer wijd.

Mem.

97 Hoe lief heb ik uwe Wet! Zij is mijne betrachting den gan-schen dag;

98 zij maakt mij door uwe geboden wijzer dan mijne vijanden zijn, want zij is in eeuwigheid bij mij.

99 Ik ben verstandiger dan alle mijne leeraars, omdat uwe getuigenissen mijne betrachting zijn;

100 ik ben voorzichtiger dan de ouden, omdat ik uwe bevelen bewaard heb.

101 Ik heb mijne voeten geweerd van alle kwade paden, opdat ik uw Woord zoude onderhouden.

102 Ik ben niet geweken van uwe rechten, want gij hebt mij geleerd.

li

mij dar 1 vei lei


-ocr page 713-

PSALM 119.

695

103 Hoe zoet zijn uwe redenen mijn gehemelte geweest, meer dan honig mijnen mond.

104 Uit uwe bevelen krijg ik verstand, daarom haat ik alle leugenpaden.

Nun.

105 Uw Woord is eene lamp voor mijnen voet en een licht voor mijn pad.

106 Ik heb gezworen en zal het bevestigen, dat ik onderhonden zal de rechten uwer gerechtigheid.

107 Ik ben gansch zeer verdrukt: Heere, maak mij levend naar uw Woord.

108 Laat u toch, o Heeue, welgevallen de vrijwillige offeranden mijns monds, en leer mij uwe rechten.

109 Mijne ziele is geduriglijk in mijne hand, nogtans vergeet ik uwe wet niet;

110 de goddeloozen hebben mij eenen strik gelegd, nogtans ben ik niet afgedwaald van uwe bevelen:

111 ik heb uwe getuigenissen genomen tot eene eeuwige erve, want zij zijn mijns harten vroo-lijkheid;

112 ik heb mijn harte geneigd om uwe inzettingen eeuwiglijk te doen, ten einde toe.

Sam cdi.

113 Ik haat de kwade ranken, maar heb uwe Wet lief.

114 Gij zijt mijne schuilplaats en mijn schild; op uw Woord heb ik gehoopt.

115 Wijkt van mij gij boosdoeners, dat ik de geboden mijns Gods moge bewaren.

116 Ondersteun mij naar uwe toezegging, opdat ik quot;leve; en laat mij niet beschaamd worden over mijne hope.

117 Ondersteun mij, zoo zal ik behouden zijn, dan zal ik mij steeds in uwe inzettingen vermaken.

118 Gij vertreedt alle degenen die van uwe inzettingen afdwalen, want hun bedrog is leugen.

119 Gij doet alle goddeloozen der aarde weg ais schuim, daarom heb ik uwe getuigenissen lief.

120 Het haar mijns vleesches is te berge gerezen van verschrikking voor u, en ik heb gevreesd voor uwe oordeelen.

\'nie-heb

Ain.

121 Ik heb recht ongerechtigheid gedaan; geef mij niet over aan mijne onderdrukkers.

122 Wees borg voor uwen knecht ten goede; laat de hoovaardigen mij niet onderdrukken.

123 Mijne oogen zijn bezweken van verlangen naar uw heil en naar de toezegging uwer rechtvaardigheid.

124 Doe bij uwen knecht naar uwe goedertierenheid, en leer mij uwe inzettingen.

125 Ik ben uw knecht, maak mij verstandig, en ik zal uwe getuigenissen kennen.

120 Het is tijd voor den Heere dat hij werke, want zij hebben uwe Wet verbroken;

127 daarom heb ik uwe geboden lief, meer dan goud, ja meer dan het fijnste goud.

128 Daarom heb ik alle uwe bevelen, van alles, voor recht gehouden ; maar allo valsch pad heb ik gehaat.

Pc.

129 Uwe getuigenissen zijn wonderbaar, daarom bewaart ze

lijne ziele.

130 De opening uwer woorden geeft licht, de eenvoudigen verstandig makende.

131 Ik heb mijnen mond wijd opengedaan, en gehijgd, want ik heb verlangd naar uwe geboden.

132 Zie mij aan, wees mij genadig, naar het recht van degenen die uwen naam beminnen.

133 Maak mijne voetstappen vast in uw Woord,quot; en laat geene ongerechtigheid over mij heerschen.

134 Verlos mij van des men-schen overlast, en ik zal uwe bevelen onderhouden.

135 Doe uw aangezicht lichten over uwen knecht, en leer mij uwe inzettingen.

136 Waterbeken vlieten af uit mijne oogen, omdat zij uwe Wet niet onderhouden.


-ocr page 714-

PSALM 119.

696

Tm de.

137 Heere, gij zijt rechtvaardig, en elkeen uwer oordeelen is recht.

138 Gij hebt de gerechtigheid uwer getuigenissen en de waarheid hoogelijk geboden.

139 Mijn ijver heeft mij doen vergaan, omdat mijne wederpar-lijders uwe woorden vergeten hebben.

140 Uw Woord is zeer gelouterd, en uw knecht heeft het hef.

141 Ik ben klein en veracht, doch uwe bevelen vergeet ik niet.

142 Uwe gerechtigheid is gerechtigheid in eeuwigheid en uwe Wet is de waarheid.

143 Benauwdheid en angst hebben mij getroffen, doch uwe geboden zijn mijne vermaking.

144 De gerechtigheid uwer getuigenissen is in eeuwigheid; doe ze mij verstaan, zoo zal ik leven.

Kof.

14.) Ik heb van gansclier harte geroepen; verhoor mij, o Heere, Ik zal uwe inzettingen bewaren.

140 Ik heb u aangeroepen, verlos mij, en ik zal uwe getuigenissen onderhouden.

147 Ik ben de morr/enschemering voorgekomen en heb geschrei gemaakt; op uw Woord heb ik gehoopt.

148 Mijne oogen komen de narht-waken vóór om uwe rede te betrachten.

149 Hoor mijne stemme naar uwe goedertierenheid, o Heere, maak mij levend naar uw recht.

150 Die kwade praktij ken najagen genaken mij, zij wijken verre van uwe Wet.

151 .Vaar gij, Heere, zijt nabij, en alle uwe geboden zijn waarheid.

152 Van ouds heb ik geweten van uwe getuigenissen, dat gij ze in eeuwigheid gegrond hebt.\' \'

Tiesch.

153 Zie mijne ellende aan, en, help mij uit, want uwe Wet heb ik niet vergeten.

154 Twist mijne twistzake en 1 verlos mij; maak mij levend naar uwe toezegging.

155 Het heil is verre van de goddeloozen, want zij zoeken uwe inzettingen niet.

156 Heere, uwe barmhartigheden zijn vele; maak mij levend naar uwe rechten.

157 Mijne vervolgers en mijne wederpartijders zijn vele, maar van uwe getuigenissen wijk ik niet.

158 Ik heb gezien degenen die trouwelooslijk handelen, en het verdroot mij dat zij uw Woord niet onderhielden.

159 Zie aan dat ik uwe bevelen liefheb; o Heere, maak mij levend naar uwe goedertierenheid.

100 Het begin uws Woords is waarheid, en in eeuwigheid is al het recht uwer gerechtigheid.

Schin.

101 De Vorsten hebben mij vervolgd zonder oorzaak, maar mijn harte heeft gevreesd voor uw Woord.

102 Ik ben vroolijk over uwe toezegging, als een die oenen grooten buit vindt.

103 Ik haat de valschheid en heb er eenen gruwel aan, maar uwe \\\\ et heb ik lief.

lo\'i Ik loof u zevenmaa\'. \'s daags over de rechten uwe r ge ree h t ighe i\'d.

105 Die uwe Wet beminnen hebben grooten vrede, en zij hebben geenen aanstoot.

100 O Heere, ik hope op uw heil en doe uwe geboden.

107 Mijne ziele onderhoudt uwe getuigenissen, en ik heb ze zeer lief.

108 Ik onderhoud uwe bevelen en uwe getuigenissen , want allo mijne wegen zijn vóór u.

Thau.

109 O Heere, Laat mijn geschrei voor uw aanschijn genaken, maak mij^verstandig naar uw Woord.

170 Laat mijn smeeken voor uw aanschijn komen, red mij naar uwe toezegging.

171 Mijne lippen zullen vwen \'of overvloediglijk uitstorten , als gij mij uwe inzettingen zult geleerd hebben.

172 Mijne tong zal sprake hou-


-ocr page 715-

psalm 120, 121, 122, 123, 124.

697

den van uwe rede, want alle uwe geboden zijn rechtvaardigheid.

173 Laat uwe hand mij te hulpe komen, want ik heb uwe bevelen verkoren.

174 O Heere , ik verhing naar uw heil, en uwe Wet is al mijne vermaking.

175 Laat mijne ziele leven, en zij zal u loven, en laat uwe rechten mij helpen.

176 Ik heb gedwaald als een verloren schaap: zoek uwen knecht, want uwe geboden heb ik niet vergeten.

PSALM 120.

Een lied hammaüloth.

Ik heb tot den Heere geroepen in mijne benauwdheid, en hij heeft mij verhoord.

2 O Heere, red mijne ziele van de valsche lippen van de bedrie-gelijke tong.

3\' Wat zal u de bedriegelijke tong geven, of wat zal ze u toevoegen?

4 Scherpe pijlen eens machtigen, mitsgaders glóeiendejene verkolen.

5 Ü wee mij, dat ik een vreemdeling ben in Mesech, dat ik in de tenten Kedars woon.

(i Mijne ziele heeft lang gewoond bij degenen die den vrede halen.

7 Ik ben vreedzaam; maar als ik spreek, zij zijn aan den oorlog.

PSALM 121.

Een lied hammaaloth.

Ik hef mijne oogen op naar de bergen, van waar mijne hulp komen zal.

2 Mijne hulpe is van den Heere, die hemel en aarde gemaakt heeft.

3 Hij zal uwen voet niet laten wankelen, uw bewaarder zal niet sluimeren.

4 Zie, de bewaarder Israels zal niet sluimeren noch slapen.

5 De Heere is uw bewaarder, de Heere is uwe schaduw, aan uwe rechterhand.

(i De zon zal u des daags niet steken noch de maan des nachts.

7 De Heere zal u bewaren van alle kwaad, uwe ziele zal hij bewaren.

8 De Heere zal uwen uitgang en uwen ingang bewaren van nu aan tot in eeuwigheid.

PSALM 122.

Een lied hammaaloth, van David.

Ik verblijde mij in degenen die tot mij zeggen: Wij zullen in het Huis des Heeren gaan,

2 onze voeten zijn staande in uwe poorten, o Jeruzalem.

3 Jeruzalem is gebouwd als eene stad die wel samengevoegd is:

4 waarheen de stammen opgaan, de stammen des Heeren, tot de getuigenis Israels, om den name des Heeren te danken.

5 Want daar zijn de stoelen des gerichts gezet, de stoelen des huizes Davids.

0 Bidt om den vrede van Jeruzalem ; wèl moeten ze varen die u beminnen.

7 Vrede zij in uwe vesting, welvaart in uwé paleizen.

8 Om mijner broederen en mijner vrienden wil zal ik nu spréken: vrede zij in u.

9 Om des Huizes des Heeren onzes Gods wille zal ik het goede voor u zoeken.

PSALM 123.

Een lied hammaaloth.

Ik hef mijne oogen op tot u die in de hemelen zit.

2 Zie , gelijk de oogen der knechten zijn op de hand hunner heeren, gelijk de oogen der dienstmaagd zijn op de hand harer vrouw, al-zoo zijn onze oogen op den Heere onzen God, totdat hij ons genadig zij.

3 Wees ons genadig, o Heere, wees ons genadig, want wij zijn der verachting veel te zat,

4 onze ziele is veel te zat des spots der weelderigen, der verachting der hoovaardigen.

PSALM 124.

Een lied hammaaloth, van David.

Ten ware de Heere die bij ons geweest is, (zegge nu Israël),

2 ten ware de Heere, die bij ons geweest is als de menschen tegen ons opstonden:

3 zoo zouden 2ij ons levend ver-


-ocr page 716-

6*38

slotiden hebben als hun toorn tegen ons ontstak;

4 zoo zouden ons de wateren overloopen hebben, een stroom zoude over onze ziele gegaan zijn;

5 zoo zouden de stoute wateren over onze ziele gegaan zijn.

Ü De Heere zij geloofd, die ons in hunne tanden niet heeft overgegeven tot eenen roof.

7 Onze ziele is ontkomen als een vogel uit den strik der vogelvangers ; de strik is gebroken, en wij zijn ontkomen.

8 Onze huipe is in den naam des Heeren, die hemel en aarde gemaakt heeft.

PSALM 125.

Een lied hammaaloth.

Die op den Heere vertrouwen zijn als de berg Sions, die niet wankelt, blijft in eeuwigheid.

2 Rondom Jeruzalem zijn bergen: alzoo is de Heere rondom zijn volk van nu aan tot in eeuwigheid.

3 Want de scepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen, opdat de rechtvaardigen hunne handen niet uitstrekken tot onrecht.

4 Heere, doe den goeden wèl, en dengenen die oprecht zijn in hunne harten.

5 Maar die zich neigen fetfhunne kromme wegen, die zal de Heere weg doen gaan met de werkers der ongerechtigheid. Vrede zal over Israël zijn.

PSALM 12G.

Een lied hammaaloth.

Als de Heeke de gevangenen Sions wederbracht, waren wij gelijk degenen die droomen.

2 Toen werd onze mond vervuld met lachen, en onze tong met gejuich; toen zeide men onder de heidenen: De Heere heeft groote dingen aan dezen gedaan.

3 De Heere heeft groote dingen bij ons gedaan, dies zijn wij verblijd.

4 O Heere, wend onze gevangenis, gelijk waterstroomen in het Zuiden.

5 Die met tranen zaaien, zullen met gejuich maaien.

6 Die het zaad draagt dat men zaaien zal, gaat al gaande en weenende: maar voorzeker zal hij met gejuich wederkomen, dragende zijne schoven.

PSALM 127.

Een lied hammaaloth, van Salomo.

Zoo de Heere het huis niet bouwt, te vergeefs arbeiden des-zelfs bouwlieden daaraan; zoo de Heere de stad niet bewaart, te vergeefs waakt de wachter.

2 Het is te vergeefs dat gij lieden vroeg opstaat, laat opblijft, eet het brood der smarten: het is alzoo dat hij het zijnen beminde als in den slaap geeft.

\'S Zie, de kinderen zijn een erfdeel des Heeren, de vrucht des schools is eene belooning.

4 Gelijk de pijlen zijn in de hand eens helds, zoodanig zijn de zonen der jeugd:

5 welgelukkig is de man die zijnen pijlkoker met dezelve gevuld heel t, zij zullen niet beschaamd worden als zij met de vijanden spreken zullen in de poorte.

PSALM 128.

Een lied hammaaloth.

Welgelukzalig is een iegelijk die den Heere vreest, die in zijne wegen wandelt.

2 Want gij zult eten den arbeid uwer handen; welgelukzalig zult gij zijn, en het zal u wèl gaan.

3 Uwe huisvrouw zal wezen als een vruchtbare wijnstok aan de zijden uws huizes, uwe kinderen als olijfplanten rondom uwe tafel.

4 Zie, alzóó zal zekerlijk die man gezegend worden die den Heere vreest.

5 De Heere zal u zegenen uit Sion, en gij zult het goede van Jeruzalem aanschouwen alle de dagen uws levens;

G en gij zult uwe kindskinderen zien. Vrede over Israël.

PSALM 129.

Een lied hammaaloth.

Zij hebben mij dikwijls benauwd van mijne jeugd af, zegge nu Israël,

2 zij hebben mij dikwijls van

PSALM 425, 126, 127, 128, 129.


-ocr page 717-

mijne jeugd af benauwd: evenwel hebben zij mij niet overmocht.

3 Ploegci\'s hébben op mijnen rug geploegd , zij hebben hunne voren lang gelogen.

4 De Heere, die rechtvaardig is, heeft de touwen der godde-loozen afgehouwen.

5 Laat ze beschaamd en achterwaarts gedreven worden, allen die Sion haten.

6 Laat ze worden als gras op de daken, hetwelk verdort eer men het uittrekt,

7 waarmede de maaier zijne hand niet vult, noch de garven-binder zijnen arm,

8 en die voorbijgaan niet zeggen: De zegen des ÏIeeren zij bij u, wij zegenen ulleden in den naam des Heeren.

PSALM 130.

Een lied hammaaloth.

Uit de diepten roep ik tot u, o

ileepie:

2 Heere, hoor naar mijne stem, laat uwe ooren opmerkzaam zijn op de stemme mijner smeekingen.

3 Zoo gij, Heere, de ongerechtigheden gadeslaat, Heere, wie zal bestaan?

4 Maar bij u is vergeving, opdat gij gevreesd wordt.

5 Ik verwacht den Heere, mijne ziel verwacht, en ik hoop op zijn woord.

6 Mijne ziele wacht op den Heere, meer dan de wachters op den morgen, de wachters op den morgen.

7 Israël hope op den Heere; want bij den Heere is goedertierenheid , en bij hem is veel verlossing ,

8 en hij zal Israël verlossen van alle zijne ongerechtigheden.

PSALM 131.

Een lied hammaaloth, van David.

O Heere, mijn harte is niet verheven en mijne oogen zijn niet hoog, öok heb ik niet gewandeld in dingen, mij te groot en te wonderlijk.

2 Zoo ik mijne ziele niet heb gezet en stilgehouden, gelijk een

609

gespeend kind bij zijne moeder! Mijne ziele is als een gespeend kind in mij.

3 Israël hope op den Heere van nu aan tot in eeuwigheid.

PSALM 132.

Een lied hammaaloth.

O Heere, gedenk aan David, aan al zijn lijden;

2 dat hij den Heere gezworen heeft, den Machtige Jakobs gelofte gedaan heeft, zeggende:

3 Zoo ik in de tent mijns huizes inga, zoo ik op de koets van mijn bed klim,

4 zoo ik mijnen oogen slaap geve, mijnen oogleden sluimering,

5 totdat ik voor den Heere eene plaats gevonden zal hebben, woningen voor den Machtige Jakobs!

6 Zie, wij hebben van haar gehoord in Efratha, wij hebben haar gevonden in de velden van Jaar.

7 Wij zullen in zijne woningen ingaan , wij zullen ons nederbui-gen voor de voetbank zijner voeten.

8 Sta óp, Heere, tot uwe ruste, gij en de Arkeuwer sterkte.

9 Dat uwe Priesters bekleed worden met gerechtigheid, en dat uwe gunstgenooten juichen.

10 Weer het aangezicht uws Gezalfden niet af, om Davids uws knechts wille.

11 De Heere heeft David de waarheid gezworen, waarvan hij niet wijken zal, zeggende: Van de vrucht uws lijfs zal ik op uwen troon zetten.

12 Indien uwe zonen mijn verbond zullen houden en mijne getuigenissen die ik hun loeren zal, zoo zullen ook hunne zonen tot in eeuwigheid op uwen troon zitten.

13 Want de Heere heeft Sion verkoren, hij heeft het begeerd tot zijne woonplaats, zeggende:

14 Dit is mijne rust tot in eeuwigheid, hier zal ik wonen, want ik heb haar begeerd.

15 Ik zal haren kost rijkelijk zegenen, hare nooddruftigen zal ik met brood verzadigen.

16 En hare Priesters zal ik met

psalm 130, 131, 132.


-ocr page 718-

PSALM 133, 434, 135, 13G.

700

heil bekleeden, en hare gunstge-noofen zullen zeer juichen.

17 Daar zal ik David eenen hoorn doen uitspruiten, ik heb mijnen Gezalfde eene lampe toegericht.

18 Ik zal zijnequot; vijanden met schaamte bekleeden, maar op hem zal zijne kroon bloeien.

PSALM 133.

Een lied hammaaloth, van David.

Zie, hoe goed en hoe liefelijk is het dat broeders ook te zamen wonen.

2 Het is gelijk de kostelijke olie op het hoofd, nederdalende op den baard, den baard Aarons, die nederdaalt op den zoom zijner kleederen.

3 Het is gelijk de dauw Hormons, en die nederdaalt op de bergen Sions; want do Hhjfire gebiedt aldaar don zegen en het loven tot in eeuwigheid.

PSALM 134.

Een lied hammaaloth.

Zie, looft den Hrkre, alle gij knechten des Hreren-, gij die alle nachten in het Huis des Hrr-ren staat.

2 Heft uwe handen op nnnr liet heiligdom en looft don Hf-RRE.

3 Do Herre zegene u uit Sion, hij die don hemel on do aarde gemaakt hoeft.

PSALM 135.

Hallelujah. Prijst den naam dos Herren , prijst hem gij knechten des Herrrn,

2 gij die staat in hot Huis des Hrrrrn , in de voorhoven dos Huizes onzos Gods.

3 Looft den Hrere, want do Heere is goed; psalmzingt zijnon naam, want hij is liefelijk.

4 Want de Heere lieoff zich Jakob verkoren, Israël tot zijn eigendom.

5 Want ik weet dat do Heere groot is, en dat onze Heere boven alle goden is.

6 Al wat don Heere behaagt doet hij, in de hemelen en op de aarde, in de zeeën en alle afgronden.

7 Hij doet dampen opklimmen van het einde der aarde, bijmaakt de bliksemen met den regen, hij brengt don wind uit zijne schat-kameren voort.

8 Dio de Gorstgeborenon van Egypte sloeg, van den mensch af tot hot vee too.

9 Hij zond teekenen en wondoren in hot midden vanu, o Egypte, togen Farao en togen alle zijne knechten.

quot;10 Die vele volken sloeg, en machtige Koningen doodde:

11 Sihon don Koning der Amo-riten, en Og don Koning van Ba-san, en alle de koninkrijken van Kanaan;

12 en hij gaf hun land ten erve, ten erve aan zijn volk ïsraël.

13 O Heerr, uw naam is in eeuwigheid; Hrerr, uwe gedachtenis is van geslacht tot geslacht.

14 Want do Heere zal zijn volk richten, en hot zal hom berouwen over zijne knechten.

15 De afgoden der heidenen zijn zilver en goud, een werk van menschenlianden.

KI Zij hebben oenen mond maar sproken niet, zij hebben oogon maar zien niet,

17 ooron hebben zij maar hoo-ren niet, ook is er geen adem in hunnen mond.

18 Dat die zo maken hun gelijk worden, en allen die op hen vertrouwen.

19 Gij huis Israels, looft den Hrrre; gij huis Aarons, looft den Herre;

20 gij huis van Levi, looft den Herrr; gij die den Heere vreest, looft don Heere.

21 Geloofd zij de Hesre uit Sion, die te Jeruzalem woont. Hallelujah.

PSALM 136.

Looft den Heere, want hij is goed, want zijne goodortiorenhoid is in eeuwigheid.

2 Looft den God dor goden, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid.

3 Looft den Heere der hecren, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid;


-ocr page 719-

PSALM 137, 138.

701

4 dien dio alléén groot e wonderen doet, want zijne goederüeren-heid is in eeuwigheid;

5 hem die de hemelen met vorstand gemaakt heeft, want zijne cfoedertierenheid is in eeuwigheid;

6 dien die de aarde op het water uitgespannen heeft, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid;

7 dien die de groote lichten heeft gemaakt, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid:

8 de zon tnt heerschappij op den dog, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid;

9 de maan en de sterren tot heerschappij in den nacht, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid ;

10 dien die de Egyptenaren geslagen heeft in hunne eerstgeborenen, want ziine goedertierenheid is in eeuwigheid,

11 en heeft Israël uit liet midden van hen uitgebracht, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid,

12 met eene sterke hand en met eenen uitgestrekten arm, want zijne goedertierenheid is ineeuwig-Jieid;

13 dien die de Schelfzee in deelen deelde, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid,

14 en voerde Israël door het midden van dezelve, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid.

in Hij heeft Farao met zijn heir gestort in de Schelfzee, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid;

16 die zijn volk door de woestijn geleid heeft\', want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid;

17 die groote Koningen geslagen heeft, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid,

18 en heeft heerlijke Koningen gedood, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid:

19 Sihon den Amoritischen Koning, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid;

20 en Og den Koning van Basan, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid:

21 en heeft hun land ten erve gegeven, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid,

22 ten erve zijnen knecht Israël, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid;

23 die aan ons gedacht heeft in onze vernedering, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid,

24 en hij heeft ons onzen tegen-partijders ontrukt, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid;

25 die aan alle vleesch spijze geeft, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid.

20 Looft den God des hemels, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid.

PSALM 137.

Aan de rivieren van Babel , daar zaten wij, ook weenden wij, als wij gedachten aan Sion.

2 Wij hebben onze harpen gehangen aan de wilgen die daarin zijn,

3 als aldaar die ons gevangen hielden de woorden eens lieds van ons begeerden, en zij die ons overhoop geworpen hadden, vreugd, zffjfjende: Zingt ons een van de liederen Sions.

4 Wij zeiden: Hoe zouden wij een lièd des Hrerrn zingen in een vreemd land?

ij Indien ik u vergeet, o Jeruzalem, zoo vergete mijne rechterhand zichzeJue.

0 Mijne tong klove aan mijn gehemelte, zoo ik aan u niet geden-ke, zoo ik Jeruzalem niet verheffe boven het hoogste mijner blijdschap.

7 Hrf.re, godenk aan de kinderen Edoms. aan don dag Jern-zalems, die daar zeiden: Ontbloot zo, ontbloot ze, tot haar fundament toe.

K O dochter P.abels, die verwoest zult worden, welgelukzalig zal hij zijn, die n uwe misdaad vergelden zal die gij aan ons misdaan hebt;

9 welgelukzalig zal hij zijn, die uwe kinderkens grijpen en aan de steenrots verpletteren zal.

PSALM 138.

Een psalm Davids.

Ik zal u loven met mijn geheele hart, in de tegenwoordigheid dei-goden zal ik u psalmzingen.

2 Ik zal mij noderbuigen naar


-ocr page 720-

702

het paleis uwer heiligheid, en ik zal uwen naam loven, om uwe goedertierenheid en om uwe waarheid; want gij hebt vanwege uwen ganschen naam uw Woord groot gemaakt.

3 Ten dage (ds ik riep zoo hebt gij mij verhoord, gij hebt mij versterkt met kracht in mijne ziele.

4 Alle Koningen der aarde zullen u, o Heere, loven, wanneer zij gehoord zullen hebben de redenen uws monds;

5 en zij zullen zingen van de wegen des Heeren, want de heerlijkheid des Heeren is groot.

G Want de Heere is hoog, nog-tans ziet hij den nederige aan, en den verhevene kent hij van verre.

7 Als ik wandel in het midden der benauwdheid, maakt gij mij levend; uwe hand strekt gij uit tegen den toorn mijner vijanden, en uwe rechterhand behoudt mij.

8 De Heere zal het voor mij voleindigen; uwe goedertierenheid, Heere, is in eeuwigheid; laat niet varen de werken uwer handen.

PSALM 139.

Een psalm Davids, voor den opperzangmeester.

Heere,gij doorgrondt en kent mij.

2 Gij weet mijn zitten en mijn opstaan, gij verstaat van verre mijne gedachten.

3 Gij omringt mijn gaan en mijn liggen en gij zijt alle mijne wegén gewend.

4 Als er nog geen woord op mijne tong is, zie, Heere, gij weet het alles.

5 Gij bezet mij van achteren en van voren, en gij zet uwe hand op mij.

0 De kennis is mij te wonderbaar. zij is hoog, ik kan daar niet bij.

7 Waar zoude ik henen gaan voor uwen Geest en waar zoude ik henenvlieden voor uw aangezicht?

8 Zoo ik opvoer ten hemel, gij zijt daar; of bedde ik mij in de helle zie, gij zijt daar;

9 nam ik vleugelen des dage-raads, woonde ik aan het uiterste der zee,

10 ook daar zoude uwe hand mij geleiden, en uwe rechterhand zoude mij houden.

11 Indien ik zeide: De duisternis zal mij immers bedekken, dan is de nacht een licht om mij.

12 Ook verduistert de duisternis voor u niet, maar de nacht licht als do dag, de duisternis is als het licht.

13 Want gij bezit mijne nieren, gij hebt mij in mijn moeders schoot bedekt.

14 Ik loof u, omdat ik op eene heel vreeselijke wijze wonderbaarlijk gemaakt ben; wonderlijk zijn uwe werken, ook weet het mijne ziele zeer wel.

15 Mijn gebeente was voor u niet verholen, als ik in het verborgen gemaakt ben, en als een borduursel gewrocht ben in de onderste deelen der aarde.

10 Uwe oogen hebben mijnen ongeformeerden klomp gezien, en alle deze dingen waren in uw boek geschreven, de dagen als ze geformeerd zouden worden, toen er nog geen van die was.

17 Daarom, hoe kostelijk zijn mij, o God, uwe gedachten, hóe machtig vele zijn hare sommen!

18 Zoude ik ze tellen, harer is meer dan des zands; word ik wakker, zoo ben ik nog bij u.

19 0 God, dat gij den goddelooze ombracht; en gij, mannen des bloeds, wijkt van quot;mij;

20 die van u schandelijk spreken, cn uwe vijanden ijdellijk verheffen.

21 Zoude ik niet haten, Heere, die u haten, en verdriet hebben in degenen die tegen u opstaan?

22 Ik haat ze met volkomen haat, tot vijanden zijn ze mij.

23 Doorgrond mij, o God, en ken mijn harte; beproef mij en ken mijne gedachten;

24 en zie of bij mij een schadelijke weg zij, en leid mij op den eeuwigen weg.

PSALM 140.

Een psalm Davids, voor den opperzangmeester.

2 Red mij, Heere, van den kwaden mensch, behoed mij voor den man alles gewelds;

3 die veel kwaads in \'t hart

P S A L ai 139, 140.


-ocr page 721-

PSALM 141, 142,

703

denken, alle dagen samen komen om te oorlogen.

4 Zij scherpen hunne tong als eene slang, heet addervergif is onder hunne lijDpen. Sela.

5 Bewaar mij, Heere, van de handen des goddeloozen; behoed mij van den man alles gewelds, van hen , die mijne voeten denken weg te stooten.

Ö De hoovaardigen hebben mij eenen strik verborgen en koorden, zij hebben een net uitgespreid aan dc zijden des wegs, valstrikken hebben zi] mij gezet. Sela.

7 Ik heb tot den Heere gezegd: Gii zijt mijn God; neem ter oore, o Heere, de stemme mijner

^ mpp k i ii f p.n.

8 Heehe Heere, sterkte mijns heils, gij hebt mijn hoofd bedekt ten dage der wapening.

9 Geef, Heere, de begeerten des goddeloozen niet, bevorder zijn kwaad voornemen niet: zij zouden zich verheffen. Sela.

10 Aangaande het hoofd derge-nen die mij omringen, de overlast hunner lippen overdekke ze.

11 Vurige kolen moeten op hen geschud worden; hij doe hen vallen in het vuur, in diepe kuilen, dat zij niet weder opstaan.

12 Êen man van kwade tong zal op de aarde niet bevestigd worden; een boos man des gewelds, dien zal men jagen totdat hij geheel verdreven is.

13 ik weet dat de Heere de rechtzaak des ellendigen cn het recht der nooddruftigen zal uitvoeren.

14 Gewisselijk, de rechtvaardigen zullen uwen naam loven, de oprechten zullen voor uw aangezicht blijven.

PSALM 141.

Een psalm Davids.

Heere, ik roep u aan, haast u tot mij, neem mijne stemme ter oore ais ik tot u roep.

2 Mijn gebed worde gesteld als reukwerk voor uw aangezicht, de opheffing mijner handen als het avondoffer.

3 Heere , zet eene wacht voor mijnen mond, behoed de deur mijner lippen.

4 Neig mijn hart niet tot eene kwade zake, om eenigen handel in goddeloosheid te handelen met mannen die ongerechtigheid werken; en dat ik niet etc van hunne lekkernijen.

5 De \'rechtvaardige sla mij, het zal weldadigheid zijn; .en hij be-straffe mij, het zal olie des hoofds zijn, het zal mijn hoofd niet breken; want nog zal ook mijn gebed voor hen zijn in hunne tegenspoeden.

(5 Hunne rechters zijn aan de zijde der steenrots vrijgelaten geweest, en hebben gehoord mijne redenen dat ze aangenaam waren.

7 Onze beenderen zijn verstrooid aan den mond des grafs, gelijk of iemand op de aarde iets gekloofd en verdeeld had.

8 Doch op u zijn mijne oogen, Heere Heere, op u betrouw ik, ontbloot mijne ziele niet.

9 Bewaar mij voor hel geweld des striks dien zij mij gelegd hebben, en voof de valstrikken van de werkers der ongerechtigheid.

10 Dat de goddeloozen elk in zijn garen vallen, te zamen tot dat. ik zal zijn voorbijgegaan.

PSALM 142.

Eene onderwijzing Davids, een gebed als hij in de spelonk was.

2 Ik riep met mijne stemme tot den Heere, ik smeekte tot den Heere met mijne stem;

3 ik stortte niijne klacht uit voor zijn aangezicht, ik gaf te kennen voor zijn aangezicht mijne benauwdheid.

4 Als mijn geest in mij overstelpt. was, zoo hebt gij mijn pad gekend. Zij hebben mij eenen strik verborgen op den weg dien ik gaan zoude.

5 Ik zag uit ter rechterhand, en zie, zoo was daar niemand die mij kende; daar was geen ontvlieden voor mij, niemand zorgde voor mijne ziel.

6 Tot u riep ik, o Heere; ik zeide: Gij zijt mijne toevlucht, mijn deel in \'het land der levenden.


-ocr page 722-

704 PSALM

7 Let op mijn geschrei, want ik ben zeer uitgeteerd; red mij van mijne vervolgers, want zij. zijn machtiger dan ik.

8 Voer mijne ziel uit de gevan-nis, om uwen naam te loven; de rechtvaardigen zullen mij omringen, wanneer gij wèl bij mij zult gedaan hebben.

PSALM 143.

Een psalm Davids.

O Hëere, hoor mijn gebed, neig de ouren tot mijne smcekin-gen, verhoor mij naar uwe waarheid, naar uwe gerechtigheid;

2 en ga niet in het gericht met uwen knecht, want niemand die leeft zal voor uw aangezicht rechtvaardig zijn.

3 Want de vijand vervolgt mijne ziele, hij vertreedt mijn leven ter aarde, hij legt mij in duisternissen als degenen dié over lange dood zijn.

4 Daarom wordt mijn geest overstelpt in mij, mijn hart is verbaasd in het midden van mij.

5 Ik gedenk aan de dageii van ouds, ik overleg alle uwe daden; ik spreek bij mijzelven van de werken uwer handen.

(i Ik breid mijne handen uit tot u, mijne ziele quot;is voor u als een dorstig land. Sela.

7 Verhoor mij haaslelijk, Hee-re, mijn geest bezwijkt; verberg uw aangezicht niet voor mij; want ik zoude gelijk worden dengenen die in den kilil dalen.

8 Doe mij uwe goedertierenheid in den morgenstond hooren, want ik betrouw op u; maak mij bekend den weg dien ik te gaan heb, want ik hef mijne ziele tot u op.

9 Red mij, Heere , van mijne vijanden; bij u schuile ik.

10 Leer mij uw welbehagen doen, want gij zijt mijn God: uw goede Geest geleide mij in een effen land.

11 O Heere, maak mij levend om uws naams wille, voer mijne ziele uit de benauwdheid om uwe gerechtigheid.

12 En roei mijne vijanden uit om uwe goedertierenheid, en breng 148, 144.

ze om, allen die mijne ziele beangstigen , wantik ben uw knecht.

PSALM 144.

Een psalm Davids.

Gezegend zij de Heere, mijn rotssteen, die mijne handen onderwijst ten strijde, mijne vingeren ten oorloge;

2 mijne goedertierenheid en mijn burg, mijn hoog vertrek en mijn bevrijder voor mij, mijn schild en op wien ikbetrouwe; die mijn volk mij onderwerpt.

3 O Heere , wat is de mensch . dat gij hem kent, het kind des menschen dat gij het acht?

4 De mensch is der ijdelheid gelijk, zijne dagen zijn als eene voorbijgaande schaduw,

5 Neig uwe hemelen, Heere, en daal neder; raak de bergen aan dat ze rooken.

6 Bliksem bliksem en verstrooi ze, zend uwe pijlen uit en verdoe ze.

7 Steek uwe handen van de hoogte uit, ontzet mij en ruk mij uit de groote wateren, ui , de hand der vreemden;

8 welker mond leugen spreekt, en hunne rechterhand is eene rechterhand der valschheid.

9 O God, ik zal u eer: nieuw lied zingen, met de luit en het tiensnarig instrument zal ik u psalmzingen.

10 Gij die den Koningen overwinning geelt, die zijnen knecht David ontzet van hot boozc zwaard:

11 ontzet mij en red mij van de hand der vreemden, welker mond leugen spreekt, en hunne rechterhand is eene rechterhand der valschheid.

12 Opdat onze zonen zijn als planten, welke groot geworden zijn in hunne jeugd; onze dochters alshoeksteenen, uitgehouwen naar de gelijkenis van een paleis.

13 Dat onze winkelen vol zijnde den éénen voorraad na den anderen uitgeven; dat onz3 kudden bij duizenden werpen, ja bij tienduizenden op onze hoevsn vermenigvuldigen.

14 Dat onze ossen wel geladen zijn, dat geen inbreuk, noch Uit-


-ocr page 723-

PSA L ai

val, noch gekrijscli zij op onzo straten.

15 Welgelukzalig is het volk dien het alzóó gaat; welgelukzalig is het volk wiens God de Heere is. PSALM 14:). Een lofzang Davids.

Alef. O mijn God, gij Koning, ik zal uverhoogon, en uwen naam loven in eeuwigheid en altoos.

2 Beth. Te allen dage zal ik u loven, en uwen naam prijzen in eeuwigheid en altoos.

3 Gimel. De Heehe is groot en zeer te prijzen, cn zijne grootheid is ondoorgrondelijk.

4 Dalcth. Geslacht aan geslacht zal uwe werken roemen, en zij zullen uwe mogendheden verkondigen.

5 Hé. Ik zal uitspreken de heerlijkheid der eere uwer majesteit, en uwe wonderlijke daden.

G Vau. En zij zullen vermelden de kracht uwer vreeselijke daden) en uwe grootheid, die zal ik vertellen.

7 Zain. Zij zullen de gedachte-: nis der grootheid uwer goedheid

overvloediglijk uitstorten, en zij zullen uwe gerechtigheid met gejuich verkondigen.

8 Cheth. Genadig en barmhartig is de Heere , lankmoedig en groot van goedertierenheid.

\' 9 Teth. De Heere is aan allen goed, en zijne barmhartigheden zijn over alle zijne werken.

10 Jod. Alle uwe werken. Heere, zullen u loven , en uwe gunstge-nooten zullen u zegenen;

11 Kaf. zij zullen de heerlijkheid uws koninkrijks vermelden, en uwe mogendheid zullen zij uitspreken :

12 Lamed, om des menschen kinderen zijne mogendheden bekend te maken, en de eer der heerlijkheid zijns koninkrijks.

13 Mem. Uw koninkrijk is een koninkrijk van alle eeuwen , en uwe heerschappij is in alle geslacht en geslacht.

14 Samech. De Heere ondersteunt allen die vallen, en hij richt op alle gebogenen.

15 Ain. Aller oogen wachten op

445, i4ö. 700

u, en gij geelt hun hunne spijze te zijner tijd.

16 Pé. Gij doet uwe hand open en verzadigt al wat daar leeft, naar uw welbehagen.

17 Tsade. De Heere is rechtvaardig in alle zijne wegen , en goedertieren in alle zijne werken.

18 Kof. De Heere is nabij allen die hem aanroepen, allen die hem aanroepen in waarheid.

19 liesch. Hij doet het welbehagen dergenen die hem vreezen, en hij hoort hun geroep en verlost ze.

20 Schin. De Heere bewaart alle degenen die hem liefhebben, maar hij verdelgt alle goddeloozen.

21. Thau. Mijn mond zal den prijs des Heeren uitspreken , en alle vleesch zal zijnen heiligen naam loven in eeuwigheid en altoos.

PSALM 446.

Hallelujah. O mijne ziele , prijs den Heere.

2 Ik zal den Heere prijzen in mijn leven, ik zal mijnen God psalmzingen terwijl ik nog ben.

3 Vertrouwt niet op Prinsen, op \'s menschen kind , bij hetwelk geen heil is.

4 Zijn geest gaat uit, hij keert wederom tot zijne aarde , te dien zelfden dage vergaan zijne aanslagen.

5 Welgelukzalig is hij die den God Jakobs tot zijne hulpe heeft, wiens verwachting op den Heere zijnen God is :

G die den hemel en de aarde gemaakt heeft, de zee en al wat in dezelve is; die trouwe houdt in eeuwigheid ;

7 die den verdrukten recht doet, die den hongerigen brood geeft. De Heere maakt de gevangenen los;

S de Heere opent de oogen der blinden; de Heere richt de gebogenen op; de Heere heeft de rechtvaardigen lief;

■ ) de Heere bewaart de vreemdelingen; hij houdt den wees en de weduwe\'staande; maar der goddeloozen weg keert hij om.

10 De Heere zal in eeuwigheid


23

-ocr page 724-

PSALM 147, 148, 149.

706

regeeren; uw God, o Sion, is van geslacht lot geslacht. Hallelujah.

PSALM 147.

Looft den Heere , want onzen God te psalmzingen is goed, dewijl hij liefelijk is; de lof is betamelijk.

2 De Heeue bouwt Jeruzalem , hij vergadert Israels verdrevenen.

3 Hij geneest de gebrokenen van harte, en hij verbindt ze in hunne smarten.

4 Hij telt het getal der sterren, hij noemt ze allen bij namen.

5 Onze Heere is groot en van vele kracht, zijns verstands is geen getal.

6 De Heere houdt dc zachtmoe-digen staande, de goddeloozen vernedert hij tot de aarde toe.

7 Zingt den Heere bij beurte met dankzegging, psalmzingt onzen God op de harp ;

8 die dc hemelen met wolken bedekt, die voor de aarde regen bereidt; die het gras op de bergen doet uitspruiten;

0 die het vee zijn voeder geeft, den jongen raven als zij roepen.

10 Hij heeft geen hist aan de sterkte des paards, hij heeft geen welgevallen aan de beenen des mans:

11 de Heere heeft een welgevallen aan degenen die hem vrec-zen, die op zijne goedertierenheid hopen.

12 O Jeruzalem, roem den Heere , o Sion, loof uwen God.

13 Want hij maakt dc grendelen uwer poorten sterk, hij zegent uwe kinderen binnen in u.

14 Die uwe landpalen in vrede stelt; hij verzadigt u met het vette der tarwe.

15 Hij zendt zijn bevel op aarde; zijn woord loopt zeer snel.

\'16 Hij geeft sneeuw als wol, hij strooit den rijm als asch.

17 Hij werpt zijn ijs henen als stukken: wie zoude bestaan voor zijne koude?

18 Hij zendt zijn woord, en doet ze smelten; hij doet zijnen wind waaien, de wateren vloeien henen.

19 Hij maakt Jakob zijne woorden bekend, Israël zijné inzettingen en zijne rechten.

20 AIzuó heeft hij aan geen volk gedaan; en zijne rechten, die kennen zij niet. Hallelujah.

PSALM 148.

Hallelujah. Looft den Heere uit de hemelen, looft hem in de hoogste plaatsen.

2 Looft hem alle zijne engelen, looft hem alle zijne heirscharen.

3 Looft hem zon en maan, looft hem alle gij lichtende sterren.

4 Looft hem gij hemelen der hemelen, en gij wateren die boven de hemelen zijl.

5 Dat ze den naam des Heeren loven; want als hij het beval, zoo werden zij geschapen.

6 En hij heeft ze bevestigd voor altoos in eeuwigheid, hij heeft ze eene orde gegeven die geen van hen zal overtreden.

7 Looft den Heere van de aarde , gij walvisschen en alle afgronden ;

8 vuur en hagel, sneeuw en damp; gij stormwind die zijn woord doet;

1) gij bergen en alle heuvelen, vruchtboomen en alle cederboo-men;

10 het wild gedierte er. alle vee, kruipend gedierte en gevleugeld gevogelte;

11 gij Koningen der aarde en alle volken, gij Vorsten en alle rechters der aarde;

12 jongelingen en ook maagden, gij ouden met de jongen:

13 dat ze den naam des Heeren loven, want zijn naam alleen is hoogverheven, zijne majesteit is over de aarde en den hemel.

14 En hij heeft den hoorn zijns volks verhoogd, den roem aller zijner gunstgenooten, der kinderen Israëls, des volks dat nabij hem is. Hallelujah.

PSALM 149.

Hallelujah. Zingt den Heere een nieuw lied, zijn lof zij in de gemeente zijner gunstgenooten.

2 Dat Israël zich verblijde in dengenen die hem gemaakt heeft, dat de kinderen Sions zich verheugen over hunnen Koning.

3 Dat ze zijnen naam loven op


-ocr page 725-

SPREUKEN 1.

PSALM 150.

707

de fluit, dat zij hem psalmzingen op de trommelquot; en harp.

4 Want de Heere heeft oen welgevallen aan zijn volk, hij zal de zachtmoedigen versieren met heil.

5 Dat zijne gunstgenooten van vreugde opspringen om die eere, dat zij juichen op hunne legers.

(gt; De verheffingen Gods zullen in hunne keel zijn, en een tweesnijdend zwaard in hunne hand,

7 om wrake te doen over de heidenen, en bestraffingen over de volken;

8 om hunne Koningen te binden met ketenen, en hunne achtbaren met ijzeren boeien;

9 om het beschreven recht over hen te doen. Dit zal de heerlijkheid van allo zijne gunstgenooten zijn. Hallelujah.

PSALM 150.

Hallelujah. Looft God in zijn Heiligdom, looft hem in het uitspansel zijner sterkte.

2 Loeft hem vanwege zijne mogendheden , looft hem naar de menigvuldigheid zijner grootheid.

3 Looft hem mét geklank der bazuin, looft hem met de luit en met de harp.

4 Looft hem met de trommel en fluit, looft hem met snarenspel en orgel.

5 Looft hem met helklinkende cymbalen, looft hem met cymba-len van vreugdegeluid.

G Alles wat adem heeft love den Heere. Hallelujah.


DE

SPREUKEN

VAN SALOMO.

HOOFDSTUK 1.

De spreuken van Salomo den zoon Davids, den Koning Israels:

2 om wijsheid en tucht te weten, om te verstaan redenen des verstands;

3 om aan te nemen onderwijs van goed verstand, gerechtigheid en recht en billijkheden;

4 om den slechte kloekzinnigheid te geven, den jongeling wetenschap en bedachtzaamheid.

5 Die wijs is zal hooren en zal in leere toenemen, en die verstandig is zal wijzen raad bekomen,

6 om te verstaan eene spreuke en de uitlegging, de woorden der wijzen en hunne raadselen.

7 De vreeze des Heeren is het beginsel der wetenschap; de dwazen verachten wijsheid en lucht.

8 Mijn zoon, hoor de tucht uws vaders, en verlaat de leer uwer moeder niet;

9 want zij zullen uwen hoofde een aangenaam toevoegsel zijn, en ketenen aan uwen hals.

10 Mijn zoon, indien de zondaars u aanlokken, bewillig niet;

11 indien zij zeggen: Ga met ons, laat ons loeren op bloed, ons versteken tegen den onschuldige, zonder oorzaak;

12 laat ons hen levend verslinden, als het graf; ja geheel en al, gelijk die in den kuil nederdalen :

13 alle kostelijk goed zullen wij vinden, onze huizen zullen wij met roof vullen;

14 gij zult uw lot midden onder ons werpen, wij zullen allen éénen buidel hebben: —

15 mijn zoon, wandel niet met


-ocr page 726-

SPREUKEN 2.

708

hen op den weg, weer uwen voet van hun pad.

1G Want hunne voeten loopen ten booze, en zij haasten zich om bloed te storten.

17 Zekerlijk het net wordt te vergeefs gespreid voor de oogen van allerlei gevogelte;

18 en dezen loeren op hun eigen bloed en versteken zich tegen hunne zielen.

19 Zóó zijn de paden eens iege-lijks die gierigheid pleegt: zij zal de ziele harer meesters vangen.

20 De opperste Wijsheid roept overluid daarbuiten, zij verheft hare stemme op de straten,

21 zij roept in het voorste der woelige plaatsen, aan de deuren der poorten spreekt zij hare redenen in de stad:

22 Gij onverstandigen, hoe lang zult gij het onverstand beminnen, en de spotters voor zich de spotternij begeeren, en de zotten wetenschap haten?

23 Keert u tot mijne bestraffing; zie, ik zal mijnen geest ulieden overvloediglijk uitstorten, ik zal mijne woorden u bekend maken.

24 Dewijl ik geroepen heb en gijlieden geweigerd hebt, mijne hand uitgestrekt heb en daar niemand was die opmerkte,

25 en hebt al mijnen raad verworpen en mijne quot;bestraffing niet gewild:

2G zoo zal ik ook in ulieder verderf lachen, ik zal spotten wanneer uwe vree ze komt,

27 wanneer uwe vreeze komt gelijk eene verwoesting, en uw verderf aankomt als een wervelwind; wanneer u benauwdheid en angst overkomt.

28 Dan zullen zij tot mij roepen maar ik zal niet antwoorden, zij zullen mij vroeg zoeken maar zullen mij niet vinden:

29 daarom dat zij de wetenschap gehaat hebben en de vreeze des Heeren niet hebben verkoren.

30 Zij hebben in mijnen raad niet bewilligd, alle mijne bestraffingen hebben zij versmaad:

31 zoo zullen zij eten van de vrucht huns wegs en zich verzadigen met hunne raadslagen.

32 Want de afkeering der onverstandigen zal ze dooden, en de voorspoed der zotten zal ze verderven ;

33 maar die naar mij hoort zal zéker wonen, en hij zal gerust zijn van de vreeze des kwaads.

HOOFDSTUK 2.

Mijn zoon, zoo gij mijne redenen aanneemt en mijne geboden bij u weglegt,

2 om uw oor naar wijsheid te doen opmerken; zoo gij uw harte tot verstandigheid neigt,

3 ja, zoo gij tot het verstand roept, uwe stem verheft tot de verstandigheid;

4 zoo gij haar zoekt als zilver en naspoort als verborgen schatten:

5 dan zult gij de vreeze des Heeren verstaan en zult de ken-nisse Gods vinden.

G Want de Heere geeft wijsheid, uit zijnen mond komt kennis en verstand.

7 Hij legt weg voor de oprechten een bestendig wezen, hij is een schild dengenen die oprechtelijk wandelen,

8 opdat zij de paden des rechts houden, en hij zal den weg zijner gunstgenooten bewaren.

9 Dan zult gij verstaan gerechtigheid en recht en billijkheid, en alle goede pad.

10 Als de wijsheid in uw harte zal gekomen zijn, en de wetenschap voor uwe ziele liefelijk zal zijn,

11 zoo zal de bedachtzaamheid over u de wacht houden , de verstandigheid zal u behoeden:

12 om u te redden van den kwaden weg, van den man die verkeerdheden spreekt,

13 van degenen die de paden der oprechtheid verlaten om te gaan in de wegen der duisternis,

14 die blijde zijn in het kwaad doen, zich verheugen in de verkeerdheden des kwaden,

15 welker paden verkaerd zijn, en afwijkende in hunne sporen;

10 om\'u te redden van de vreemde vrouw, van de onbekende die met hare redenen vleit,

17 die den leidsman harer jonk-


-ocr page 727-

SPREU

709

KEN 3.

lieid verlaat cn het verbond haars Gods vergeet;

18 want haar huis helt naar den dood en hare paden naar de overledenen :

19 allen die tot haar ingaan, zullen niet wederkomen en zullen de paden des levens niet aantreffen;

20 opdat gij wandelt op den weg der goeden, en houdt de paden dei\' rechtvaardigen.

21 Want de vromen zullen de aarde bewonen, en de oprechten zullen daarin overblijven;

22 maar de goddèloozen zullen van de aarde uitgeroeid worden, en de trouweloozen zullen er van uitgerukt worden.

HOOFDSTUK 3.

Mijn zoon, vergeet mijne wet niet, maar uw harte beware mijne geboden.

2 Want lengte van dagen, en jaren van leven en vrede zullen zij u vermeerderen.

3 Dat de goedertierenheid en de trouwe u niet verlaten: bind ze aan uwen hals, schrijf ze op de tafel uws harten;

4 en vind gunst en goed verstand in de oogen Gods en der menschen.

5 Vertrouw op den Heeue met uw gansche hart, en steun op uw verstand niet.

6 Ken hem in alle uwe wegen, en hij zal uwe paden recht maken.

7 Wees niet wijs in uwe oogen; vrees den Heeue en wijk van het kwaad:

8 het zal eene medicijn voor uwen navel zijn, en eene\'bevoch-tiging voor uwe beenderen.

9 Vereer den Heere van uw goed en van de eerstelingen van al uwe inkomst,

10 zoo zullen uwe schuren met overvloed vervuld worden en uwe perskuipen van most overloopen.

11 Mijn zoon, verwerp de tucht des Heeren niet, en wees niet verdrietig over zijne kastijding;

12 want de Heere kastijdt dengenen dien hij liefheeft, ia, gelijk een vader den zoon in demuelken hij een welbehagen heeft.

13 Welgelukzalig is de mensch die wijsheid vindt, en de mensch die verstandigheid voortbrengt;

14 want haar koophandel is beter dan de koophandel van zilver, en hare inkomst dan het uitgegraven goud:

15 zij is kostelijker dan robijnen, en al wat u lusten mag is met haar niet te vergelijken;

16 lengte der dagen is in hare rechterhand, in hare linkerhand rijkdom en eere,

17 hare wegen zijn wegen der liefelijkheid, en alle hare paden vrede;

18 z j is een boom des levens dengenen die ze aangrijpen, cn elk die ze vasthoudt wordt wel gelukzalig.

19 De Heere heeft de aarde door wijsheid gegrond, de hemelen dooi* verstandigheid bereid;

20 door zijne wetenschap zijn de afgronden gekloofd, en druppelen de wolken dauw.

21 Mijn zoon, laat ze niet afwijken van uwe oogen, bewaar de bestendige wijsheid cn bedachtzaamheid ;

22 want zij zullen het leven voor uwe ziele zijn en eene aangenaamheid voor uwen hals.

23 Dan zult gij uwen weg zeker wandelen, en gij zult uwen voet niet stooten;

24 zoo gij nederligt zult gij niet schrikken, maar gij zult neder-liggen en uw slaap zal zoet wezen.

25 Vrees niet van haastigen schrik, noch van de verwoesting der goddeloozen , als ze komt;

26 want de Heere zal met uwe hoop wezen, en hij zal uwen voet bewaren van gevangen te worden.

27 Onthoudt het goed aan zijne meesters niet, als \'tin t vermogen uwer hand is het te doen;

28 zeg niet tot uwen naaste: Ga heen en kom weder, en morgen zal ik geven, terwijl het bij

u i3\' , j i

29 Smeed geen kwaad tegen uwen naaste, aangezien hij met vertrouwen bij u woont.

30 Twist met een mensch met zonder oorzaak, zoo hij u geen kwaad gedaan heeft.

31 Wees niet nijdig over een


-ocr page 728-

710 S P R E UI

man des gewelds, en verkies geen van zijne wegen;

32 want de afwijker is den Heere een gruwel, maar zijne verborgenheid is met do oprechten;

33 de vloek des Heeren is in het huis des goddeloozen, maar de woning der rechtvaardigen zal hij zegenen.

34 Zekerlijk, de spotters zal hij bespotten, maar den zachtmoe-digen zal hij genade geven;

35 de wijzen zullen eere beërven, maar elk der zotten neemt schande op zich.

HOOFDSTUK 4.

Hoort, gij kinderen, do tucht des vaders, en merkt op, om verstand te weten.

2 Dewijl ik ulieden goede leere geef, verlaat mijne wet niet.

3 Want ik was mijns vaders zoon, teeder, en een eenige voor het aangezicht mijner moeder.

4 Hij nu leerde mij, en zeide tot mij: Uw harte lioude mijne woorden vast; onderhoud mijne geboden en leef.

5 Verkrijg wijsheid, verkrijg verstand; vergeet niet en wijk niet van deredenen mijns monds.

0 Verlaat ze niet, en zij zal u behoeden; heb ze lief, en zij zal u bewaren.

7 De wijsheid is het voornaamste: verkrijg dan wijsheid, en verkrijg verstand met al uwe bezitting.

8 Verhef ze, en zij zal u ver-hoogen; zij zal u vereeren als gij haar omhelzen zult;

9 zij zal uw hoofd een aangenaam toevoegsel geven, eene sierlijke kroon zal zij u leveren.

10 Hoor, mijn zoon, en neem mijne redenen aan, en de jaren des levens zullen u vermenigvuldigd worden.

11 Ik onderwijs u in den weg der wijsheid, ik doe u treden in de rechte sporen;

12 in uw gaan zal uw tred niet benauwd worden, en indien gij loopt zult gij niet struikelen.

13 Grijp de tucht aan, laat niet af, bewaar ze, want zij is uw leven.

EN 4, 5.

14 Kom niet op het pad der goddeloozen, en treed niet op den weg der boozen:

15 verwerpt dien, ga er niet door, wijk er van en ga voorbij.

16 Want zij slapen niet zoo zij geen kwaad gedaan hebben, en hun slaap wordt weggenomen zoo zij niet iemand hebben doen struikelen ;

17 want zij eten brood der goddeloosheid, en drinken wijn van enkel geweld.

18 Maar het pad der rechtvaardigen is gelijk een schijnend licht, voortgaande en lichtende tot den vollen dag toe.

19 De weg der goddeloozen is als donkerheid, zij weten niet waarover zij struikelen zullen.

20 Mijn zoon, merk op mijne woorden, neig uw oor tot mijne redenen;

21 laat ze niet wijken van uwe oogen, behoud ze in het midden uws harten;

22 want zij zijn het leven dengenen die ze vinden, en eene medicijn voor hun geheele vleesch.

23 Behoed uw harte boven al dat te bewaren is, want daaruit zijn de uitgangen des levens.

24 Doe de verkeerdheid des monds van u weg, en doe de verdraaidheid der lippen verre van u.

25 Laat uwe oogen rechtuit zien, en uwe oogleden zich recht voor u henen houden.

26 Weeg den gang uws voets, en laat alle uwe wegen wel gevestigd zijn.

27 Wijk niet ter rechter of ter linkerhand, wend uwen voet af van het kwaad.

HOOFDSTUK 5.

Mijn zoon, merk op mijne wijsheid, neig uw oor tot mijn verstand;

2 opdat gij alle bedachtzaamheid behoudt, en uwe lippen wetenschap bewaren.

3 Want de lippen der vreemde vrouw druppen honigzeem, en haar gehemelte is gladder dan olie;

4 maar het laatste van haar is bitter als alsem, scherp als een tweesnijdend zwaard;

5 hare voeten dalen naar den


-ocr page 729-

SPREUKEN 6.

711

dood, hare treden houden de helle

vast:

6 opdat gij het pad des levens niet zoudt wegen, zijn hare gangen ongestadig, dat gij het niet merkt.

7 Nu dan gij kinderen, hoort naar mij, en wijkt niet van de redenen mijns mónds.

8 Maak quot;uwen weg verre van haar, en nader niet tot de deur van haar huis;

9 opdat gij anderen uwe eere niet geeft, en uwe jaren den wreede;

10 opdat de vreemden zich niet verzadigen van uw vermogen, en al uw smartelijke arbeid niet home in het huis des onbekenden,

11 en gij in uw laatste brult, als uw vleesch en uw lijf verteerd is,

12 en zegt: Hoe heb ik de tucht gehaat, en mijn harte de bestraffing versmaad,

13 en heb niet gehoord naar de stem mijner onderwijzers, noch mijn oor geneigd tot mijne leeraars!

14 Ik ben bijna in alle kwaad geweest, in het midden der gemeente en der vergadering.

15 Drink water uit uwen bak, en vloeden uit het midden van uwen bornput;

16 laat uwe fonteinen zich buiten verspreiden, en de waterbeken op de straten:

17 laat ze de uwe alleen zijn, en van geene vreemden met u.

18 Uwe springader zij gezegend, en verblijd u vanwege de huisvrouw uwer jeugd:

19 eene zeer liefelijke hinde en aangenaam steengeitje; laat u hare borsten te allen tijde dronken maken, dool steeds in hare liefde.

20 En waarom zoudt gij, mijn zoon, in eene vreemde dolen, en den schoot der onbekende omvangen ?

21 Want eens iegelijks wegen zijn voor de oogen des Heeren, en hij weegt alle zijne gangen:

22 den goddclooze zullen zijne ongerechtigheden vangen, en met de banden zijner zonde zal hij vastgehouden quot;worden;

23 hij zal sterven omdat hij zonder quot;tucht geweest is, en in de grootheid zijner dwaasheid zal hij verdwalen.

HOOFDSTUK 6.

Mijn zoon, zoo gij voor uwen naaste borg geworden zijt, voor eenen vreemde uwe hand toege-klapt hebt:

2 gij zijt verstrikt met de redenen uws monds, gij zijt gevangen met de redenen uws monds.

3 Doe nu dit, mijn zoon, en red u, dewijl gij in de hand uws naasten gekomen zijt: ga, onderwerp uzelven, en sterk uwe naasten.

4 Laat uwen oogen geen slaap toe, noch uwen oogleden sluimering;

5 red u als eene ree uit de hand des jagers, en als een vogel uit de hand des vogelvangers.

6 Ga tot de mier, gij luiaard, zie hare wegen en word wijs:

7 dewelke geen overste, ambtman noch heerscher hebbende,

8 haar brood bereidt in den zomer, hare spijze vergadert in den oogst.

9 Hoe lang zult gij, luiaard, neder-liggen? Wanneer zult gij van uwen slaap opstaan?

10 Een weinig slapens, een weinig sluimerens, een weinig handvouwens al nederliggende:

11 zoo zal uwe armoede u overkomen als een wandelaar, en uw gebrek als een gewapend man.

12 Een belialsmensch, eo.n ondeugend man gaat met verkeerdheid des monds om,

13 wenkt met zijne oogen, spreekt met zijne voeten, leert met zijne vingeren;

14 in zijn hart zijn verkeerdheden , hij smeedt te allen tijde kwaad, hij werpt twisten in:

15 daarom zal zijn verderf haas-telijk komen , hij zal schielijk verbroken worden, dat er geen genezen aan zij.

10 Deze zes haat de Heere , ja, zeven zijn zijner ziele een gruwel:

17 hooge oogen, een valsche tong, en handen die onschuldig bloed vergieten,

18 een hart dat ondeugende ge-


-ocr page 730-

SPREUKEN 7.

dachten smeedt, voeten die zich haasten om tot kwaad te loopen,

19 een valsche getuige die leu-genen blaast, en die tusschen broederen krakeelen inwerpt.

20 Mijn zoon, bewaar het gebod uws vaders, en verlaat de wet uwer moeder niet;

21 bindt ze steeds aan uw harte, hecht ze aan uwen hals:

22 als gij wandelt zal dat u geleiden, als gij nederligt zal het over u de wacht houden, als gij wakker wordt zal hetzelve met u spreken.

23 Want het gebod is eene lamp, en de wet is een licht, en de bestraffingen der tucht zijn de weg des levens:

24 om u te bewaren voor de kwade vrouw, voor het gevlei der vreemde tong.

25 Begeer hare schoonheid niet in uw harte, en laat ze u niet vangen met hare oogleden.

26 Want door eene vrouw die eene hoer is komt men tot een stuk broods, en eens mans huisvrouw jaagt de kostelijke ziel.

27 Zal iemand vuur in zijnen boezem nemen, dat zijne kleederen niet verbrand worden?

28 Zal iemand op kolen gaan, dat zijne voeten niet branden?

29 Alzóó die tot zijns naasten huisvrouw ingaat: al wie haar aanroert zal niet onschuldig gehouden worden.

30 Men doet eenen dief geenc verachting aan, als hij steelt om zijne ziele te voldoen, dewijl hij honger heeft;

31 en gevonden zijnde vergeldt hij het zevenvoudig , hij geeft al het goed van zijn huis.

32 Maar die met eene vrouw overspel doet is verstandeloos, hij verderft zijne ziele die dat doet,

33 plage en schande zal hij vinden, en zijn smaad zal niet uit-gewischt worden.

34 Want jaloerschheid is eene grimmigheid des mans, en inden dag der wrake zal hij niet ver-schoonen;

35 hij zal geenc verzoening aannemen, en hij zal niet bewilligen, ofschoon gij het geschenk vergroot.

HOOFDSTUK 7.

Mijn zoon, bewaar mijne redenen , en leg mijne geboden bij u weg;

2 bewaar mijne geboden en leef, en mijne wet als den appel uwer oogen ;

3 bind zo aan uwe vingeren, schrijf ze op de tafel uws harten;

4 zeg tot de wijsheid: Gij zijt mijne zuster, en heet het verstand uwen bloedvriend:

5 opdat zij u bewaren voor de vreemde vrouw, voor de onbekende die met hare redenen vleit.

6 Want door het venster van mijn huis, door mijne tralie keek ik uit;

7 en ik zag onder de slechten, ik merkte onder de Jonge gezellen eenen verstandeloozen jongeling,

8 voorbijgaande op de straat, nevens haren hoek, en. hij betrad den weg van haar huis ,

9 in de schemering, in den avond des daags, in den zwarten nacht en de donkerheid:

10 en zie, eene vrouw ontmoette hem in hoerénversiersei, en met het hart op hare hoede;

11 deze was woelachtig en we-derstrevig, hare voeten bleven in haar huis niet,

12 nu buiten, dan op de straten zijnde, en bij alle hoeken loerende;

13 en zij greep hem aan en kuste hem, zij sterkte haar aangezicht en zeide tot hem:

14 Dankolferen zijn bij mij, ik heb_ heden mijne geloften betaald;

15 daarom ben ik uitgegaan u tegemoet om uw aangezicht naar-stiglijk te zoeken, en ik heb u gevonden;

1(3 ik heb mijne bedstede met tapijtsieraad toegemaakt, met uitgehouwen werken, metüjn linnen van Egypte;

17 ik heb mijn leger met mirre, aloë en kaneel welriekend gemaakt :

18 kom, laat ons dronken worden van minnen tot den morgen toe, ons vroolijk maken in groote liefde;

19 want de man is niet in zijn


-ocr page 731-

rSPREUSPREU

huis, hij is eenen verren weg ge-| togen,

20 hij heeft een bundel geld in de- zijne hand genomen, ten bestem-j ii den dage zal hij naar zijn huis , komen.

ef, 21 Zij bewoog hem door de veel-rer heid van haar onderricht, zij dreef hem aan door het gevlei harer n, ; lippen:

;n; 22 hij ging haar straks achter-;ijt na, gelijk een os ter slachting gaat, nd en gelijk een dwaas tot de tuchtiging der boeien : 3e 23 totdat hem de pijl zijne lever ie doorsneed, gelijk een vogel zich haast naar den strik en niet weet m dat dezelve tegen zijn leven is. ■k 24 Nu dan, kinderen, hoort naar

mij, en luistert naar de redenen i, mijns monds.

n 25 Laat uw harte tot hare we-, gen niet afwijken , dwaal niet op , hare paden;

d 20 want zij heeft vele gewonden

nedergeveld , en alle hare gedoo-3 den zijn machtig vele; t 27 haar huis zijn wegen des

grafs, dalende naar de binnenka-ï meren des doods.

HOOFDSTUK 8.

Roept de Wijsheid niet, en verheft niet de verstandigheid hare stem ?

2 Op de spits der hooge plaatsen aan den weg, ter plaatse waar

. paden zijn, staat zij;

3 aan de zijde der poorten , vóóraan de stad, aan den ingang der deuren roept zij overluid:

4 Tot u, o mannen, roep ik, en mijne stemme is totdemenschen-kinderen.

5 Gij slechten, verstaat kloekzinnigheid, en gij zotten, verstaat met het hart.

0 Hoort, want ik zal vorstelijke dingen spreken, en de opening mijner lippen zal enkel billijkheid zijn;

7 want mijn gehemelte zal de waarheid bedachtzaam uitspreken; en de goddeloosheid is mijnen lippen een gruwel;

8 alle de redenen mijns monds zijn in gerechtigheid, daar is niets verdraaids noch verkeerds in;

ken 8. 713

9 zij zijn allen recht voor dengeen\'die\'verstandig is, en rechtmatig voor degenen die wetenschap vinden.

10 Neemt mijne tucht aan, en niet zilver, en wetenschap meer dan het uitgelezen uitgegraven goud.

11 Want wijsheid is beter dan robijnen , en al wat men begeeren mag is met haar niet te vergelijken.

12 Ik, de Wijsheid, woon hij de kloekzinnigheid , en vind de kennis van alle bedachtzaamheid,

13 Do vreeze des Heeren is te haten het kwade, de hoovaardig-heid en den hoogmoed en den kwaden weg; ik haat ook den mond der verkeerdheden.

14 Raad en vastigheid zijn mijne, ik ben het verstand, mijne is de sterkte.

15 Door mij regeeren de Koningen en stellen de Vorsten gerech-» tigheid,

10 door mij heerschen de Heer-schers en de Prinsen, alle de rechters der aarde.

17 Ik heb lief die mij liefhebben; en die mij vroeg zoeken, zullen mij vinden.

18 Rijkdom en eere is bij mij, duurzaam goed en gerechtigheid.

19 Mijne vrucht is beter dan uitgegraven goud en dan dicht houd , en mijn inkomen dan uitgelezen zilver.

20 Ik doe wandelen op den weg der gerechtigheid, in het midden van de paden des rechts;

21 opdat ik mijne liefhebbers doe beërven dat bestendig is, en ik zal hunne schatkameren vervullen. . T

22 De Heere bezat mij injwt beginsel zijns wegs, vóór zijne werken, van toen aan.

23 Ik ben van eeuwigheid af gezalfd geweest, van den aanvang van de oudheden der aarde aan.

24 Ik was geboren als de afgronden nog niet waren, als nog geene fonteinen waren, zwaar van water;

25 aleer de bergen ingevest waren , vóór de heuvelen was ik geboren:


-ocr page 732-

714

26 hij had de aarde nog niet gemaakt, noch de velden , noch den aanvang van de stofjes der wereld.

27 Toen hij de hemelen bereidde, was ik daar; toen hij eenen cirkel over het vlakke des afgronds beschreef ,

28 toen hij de opperwolken van boven vestigde, toen hij de fonteinen des afgronds vastmaakte,

29 toen hij der zee haar perk zette, opdat de wateren zijn bevel niet zouden overtreden, toen hij de grondvesten der aarde steldequot;:

30 toen was ik een voedsterling bij hem, en ik was dagelijks zijne vermakingen te aller tijd voor zijn aangezicht spelende,

31 spelende in de wereld zijns aardrijks, en mijne vermakingen zijn niet de menschenkinderen.

32 Nu dan kinderen, hoort naar mij , want welgelukzalig zijn ze die mijne wegen bewaren.

33 Hoort de tucht en wordt wijs, en verwerpt die niet.

34 Welgelukzalig is de mensch die naar mij noort, dagelijks wakende aan mijne poorten, waarnemende de posten mijner deuren.

35 Want die mij vindt, vindt het leven en trekt een welgevallen van den Heere ;

36 maar die tegen mij zondigt, doet zijne ziel geweld aan; allen die mij haten hebben den dood lief.

HOOFDSTUK 9.

De opperste Wijsheid heeft haar huis gebouwd, zij heeft hare zeven pilaren gehouwen:

2 zij heeft haar slachtvee geslacht , zij heeft haren wijn gemengd , ook heeft zij hare tafel toegericht;

3 zij heeft hare dienstmaagden uitgezonden, zij noodigt op de tinnen van de hoogten der stad.

4 Wie is slecht, hij keere zich herwaarts; tot den verstandelooze zegt zij :

5 Komt, eet van mijn brood, en drinkt van den wijn dien ik gemengd heb;

B verlaat de slechtheden en leeft, en treedt in den weg des verstands.

7 Wie den spotter tuchtigt, behaalt zich schande, en die den goddelooze bestraft, zijne schandvlek :

8 bestraf den spotter niet, opdat hij u niet hate; bestraf den wijze, en hij zal u liefhebben ;

9 leer deti wijze, zoo zal hij nog wijzer worden; onderwijs den rechtvaardige, zoo zal hij in leere toenemen.

10 De vreeze des Heeren is het beginsel der wijsheid, en de we-tenschnp der heiligen is verstand.

11 Want door mij zullen uwe dagen vermenigvuldigen, en jaren des levens zullen u toegedaan worden.

12 Indien gij wijs zijt, gij zijt wijs voor uzelven ; en :iijt gij een spotter, gij zult het alléén dragen.

13 Eene zotte vrouw is woel-achtig, de slechtigheid ce/ix?, en weet nietmetal;

14 en zij zit aan de deur van haar huis op een stoel, op de hooge plaatsen der stad,

15 om te roepen degenen die op den weg voorbijgaan , die hunne paden recht maken, zengende:

16 Wie is slecht, hij keere zich herwaarts; en tot den verstande-looze zegt zij:

17 De gestolen wateren zijn zoet, en het verborgen brood is liefelijk :

18 maar hij weet niet dat aldaar dooden zijn, hare genooden zijn in de diepten der hel.

HOOFDSTUK 10.

De spreuken van Salomo.

Een wijze zoon verblijdt den vader, maar een zotte zoon is zijner moeder droefheid.

2 Schatten der goddeloosheid doen geen nut, maar de gerechtigheid redt van den dood.

3 De Heere laat de ziele des rechtvaardigen niet hongeren , maar de have der goddeloozen stoot hij weg.

4 Dié met eene bedriegelijke hand werkt wordt arm , maar de hand der vlijtigen maakt rijk.

5 Die in quot;den zomer vergadert

SPREUKEN 9, 10.


-ocr page 733-

SPREUKEN 11.

715

is een verstandig zoon, maar die in den oogst vast slaapt is een zoon die beschaamd maakt.

Ü Zegeningen zijn op het hoofd des rechtvaardigen, maar het geweld bedekt den mond der god-deloozen.

7 De gedachtenis des rechtvaardigen zal tot zegening zijn, maaide naam der goddeloozen zal verrotten.

8 Die wijs van hart is neemt de geboden aan, maar wie dwaas is van lippen zal omgeworpen worden.

9 Die in oprechtheid wandelt, wandelt zéker, maar wie zijne wegen verkeert zal bekend worden.

10 Wie met het oog wenkt richt smart aan, en een dwaas van lippen zal omgeworpen worden.

11 De mond des rechtvaardigen is eene springader des levens, maar het geweld bedekt den mond der goddeloozen.

12 Haat verwekt krakeelen, maar de liefde dekt alle overtredingen toe.

13 In de lippen des verstandigen wordt wijsheid gevonden, maar op den rug des verstandeloozen de roede.

14 De wijzen leggen wetenschap weg, maar den mond des dwazen is de verstoring nabij.

15 Des rijken goed is eene stad zijner sterkte, do armoede der geringen is hunne verstoring.

16 Het werk des rechtvaardigen is ten leven, de inkomst des goddeloozen is ter zonde.

17 Het pad tot het leven is desgenen die de tucht bewaart, maar die de bestraffing verlaat doet dwalen.

18 Die den haat bedekt is van valsche lippen, en die een kwaad gerucht voortbrengt, die is een zot.

19 In de veelheid der woorden ontbreekt de overtreding niet, maar die zijne lippen wederhoudt is kloek-verstandig.

20 De tong des rechtvaardigen is uitgelezen zilver, hetharte der goddeloozen is weinig luaarcl.

21 De lippen des rechtvaardigen voeden er velen, maar de dwazen sterven door gebrek van verstand.

22 De zegen des Heeren, die maakt rijk, en hij voegt er geen smarte bij.

23 Het is voor den zot als spel, schandelijkheid te doen; maar voor een man van verstand, wijsheid te xtlcgen.

24 De vreeze des goddeloozen, die zal hem overkomen; maar de begeerte der rechtvaardigen zal God geven.

25 Gelijk een wervelwind voorbijgaat, alzoo is de goddeioozc niet meer ; maar de rechtvaardige is eene eeuwige grondvest.

26 Gelijk edik den tanden en gelijk rook den oogen is, zoo is de luie dengenen die hem uitzenden.

27 De vreeze des Heeren vermeerdert de dagen, maar de jaren der goddeloozen worden verkort.

28 De hoop der rechtvaardigen is blijdschap, maar de verwachting der goddeloozen zal vergaan.

29 De weg des Heeren is voor den oprechte sterkte, maar voor de werkers der ongerechtigheid verstoring.

30 Dc rechtvaardige zal in eeuwigheid niet bewogen worden, maar de goddeloozen zullen de aarde niet bewonen.

31 De mond des rechtvaardigen brengt ovcrvloediglijk wijsheid voort, maar de tong der verkeerdheden zal uitgeroeid worden.

32 De lippen des rechtvaardigen weten wat gevallig is, maar de mond der goddeloozen enkel verkeerdheid.

HOOFDSTUK 11.

Eene bedriegelijke weegschaal is den IIeere eeii gruwel, maar een volkomen weegsteen is zijn welgevallen.

2 Als de hoovaardigheid komt, zal de schande óók komen; maar met de ootmoedigen is wijsheid.

3 De oprechtheid der oprechten leidt hen , maar de verkeerdheid der trouweloozen verstoort hen.

4 Goed doet geen nut ten dage


-ocr page 734-

SPREUKEN 12.

716

der verbolgenheid, maar de gerechtigheid redt van den dood.

5 De gerechtigheid des oprechten maakt zijnen weg recht, maar de goddeiooze valt door zijne goddeloosheid.

6 De gerechtigheid der vromen zal ze redden, maar de trouwe-loozen worden gevangen in hunne verkeerdheid.

7 Als de goddeiooze mensch sterft, vergaat zijne verwachting, zelfs is de allersterkste hoop vergaan.

8 De rechtvaardige wordt uit benauwdheid bevrijd, en de goddeiooze komt in zijne plaats.

9 De huichelaar verderft zijnen naaste door den mond, maar door wetenschap worden de rechtvaardigen bevrijd.

10 Eene stad springt op van Vreugde over het welvaren der rechtvaardigen, en als de godde-loozen vergaan is er gejuich.

11 Door den zegen der oprechten wordt eene stad verheven, maar door den mond der godde-loozen wordt zij verbroken.

12 Die verstandeloos is, veracht zijnen naaste, maar een man van groot verstand zwijgt stille.

13 Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; maar die getrouw is van geest, bedekt de zaak.

14 Als er geene wijze raadslagen zijn, vervalt het volk; maar de behoudenis is in de veelheid der raadslieden.

15 Als iemand vooreen vreemde borg geworden is, hij zal zekerlijk verbroken worden; maar wie degenen haat die in de hand klappen, is zeker.

10 Eene aangename huisvrouw houdt de eere vast, gelijk de geweldigen den rijkdom vasthouden.

17 Een goedertieren mensch doet zijne ziele wèl, maar die wreed is beroert zijn vleesch.

18 De goddeiooze doet een valsch werk, maar voor dengenen die gerechtigheid zaait is trouwe loon.

19 Alzoo is de gerechtigheid ten leven, gelijk die het kwaad najaagt naar zijnen dood jaagt.

20 De verkeerden vaii harte zijn den Heere een gruwel, maar de oprechten van weg zijn zijn welgevallen.

21 Hand aan hand zal de booze niet onschuldig zijn, maar het zaad der rechtvaardigen zal ontkomen.

22 Eene schoone vrouw, die van rede afwijkt, is een gouden ring in een varkenssnuit.

23 De begeerte der rechtvaardigen is alleenlijk het goede, maar de verwachting der godde-loozen is verbolgenheid.

24 Daar is een die uitstrooit, denwelken nog meer toegedaan wordt; en een die meer inhoudt dan recht is, maar het is tot gebrek.

25 De zegenende ziel zal vet gemaakt worden, en die bevochtigt zal ook zelf een vroege regen worden.

26 Wie koren inhoudt, dien vloekt het volk, maar zegening zal zijn over het hooft des ver-koopers.

27 Wie het goede vroeg nazoekt, zoekt welgevalligheid; maar wie het kwade natracht, dien zal het overkomen.

28 Wie op zijnen rijkdom vertrouwt, die zal vallen; maar de rechtvaardigen zullenjgroenen als loof.

29 Wie zijn huis bei oer t zal wind erven, en de dwaas zal een knecht zijn desgenen die wijs van harte is.

30 De vrucht des rechtvaardigen is een boom des levens, en wie zielen vangt is wijs.

31 Zie, den rechtvaardige wordt vergolden op de aarde, hoeveel te meer den goddeiooze en zondaar.

HOOFDSTUK 12.

Wie de tucht liefheeft, die heeft de wetenschap lief; maar wie de bestraffing haat, is onvernuftig.

2 De goede zal een welgevallen trekken van den Heere , maar eenen man van schandelijke verdichtselen zal hij verdoemen.

3 De mensch zal niet bevestigd worden door goddeloosheid, maar


-ocr page 735-

j SPREU

; de wortel der rechtvaardigen zal ; niet bewogen worden. ze 4 Eene kloeke huisvrouw is eene [ej. ; kreon haarsheeren, maar die be-schaamd maakt is als verrotting in zijne beenderen.

ln 5 Der rechtvaardigen gedachten

10. zijn recht, der goddeloozen raad-0 slagen zijn bedrog. „ (i De woorden der goddeloozen

3\' zijn om op bloed te loeren, maar ^ de mond der oprechten zal ze redden.

7 De goddeloozen worden om-\' gekeerd dat ze niet meer zijn,

maar het huis der rechtvaardigen zal beslaan.

8 Een ieder zal geprezen wor-j. den naardat zijne verstandigheid

is, maar die verkeerd van hart \' is zal tot verachting wezen.

9 Beter is die zich geringacht , en eenen knecht heelt, dan die r zich zichzelven eert en des broods ^ gebrek heeft.

10 De rechtvaardige kent het leven zijner beesten, maar de barmhartigheden der goddeloozen

\' zijn wreed.

41 Die zijn land bouwt zal van brood verzadigd worden, maar die ijdele mensr.hen volgt is verstandeloos.

12 De goddelooze begeert het net der boozen, maar de wortel der rechtvaardigen zal vrucht geven.

13 In de overtreding der lippen is de strik des boozen, maar de rechtvaardige zal uit de benauwdheid uitkomen.

14 Een ieder wordt van de vrucht des monds met goed verzadigd, en de vergelding van des men-schen handen zal hij tot zich we-derbrengen.

15 De weg des dwazen is recht in zijne oogen, maar die naar raad hoort is wijs.

1G De toorn des dwazen wordt tenzelfden dage bekend, maar die kloekzinnig is bedekt de schande.

17 Die waarheid voortbrengt maakt gerechtigheid bekend, maar een getuige der valschheden bedrog.

18 Daar is een die tuoovden als steken van een zwaard onbedach-

KEN 13. 717

telijk uitspreekt, maar de tong der wijzen is medicijn.

19 Eene waarachtige lippe zal bevestigd worden in eeuwigheid, maar eene valsche tong is maar voor een oogenblik.

20 Bedrog is in het harte dergenen die kwaad smeden , maar degenen die vrede raden hebben blijdschap.

21 Den rechtvaardige zal geen leed wedervaren, maar de goddeloozen zullen met kwaad vervuld worden.

22 Valsche lippen zijn den Heere een gruwel, maar die getrouw handelen zijn zijn welgevallen.

23 Een kloekzinnig mensch bedekt de wetenschap, maar het harte der zotten roept dwaasheid uit.

24 De hand der vlijtigen zal heerschen , maar de bedriegers zullen onder cijns wezen.

25 Bekommernis in het harte des menschen buigt het neder, maar een goed woord verblijdt het.

2(5 De rechtvaardige is voortreffelijker dan zijn naaste , maar de weg der goddeloozen doet ze dwalen.

27 Een bedrieger zal zijne Jacht-vangst niet braden, maar het kostelijk goed des menschen is des vlijtigen.

28 iri het pad der gerechtigheid is het leven, en in den weg van haar voetpad is de dood niet.

HOOFDSTUK 13.

Een wijze zoon hoort de tucht des vaders, maar een spotter hoort de bestraffing niet.

2 Een ieder zal van de vrucht des monds het goede eten, maar de ziele der trouweloozen het geweld.

3 Die zijnen mond bewaart behoudt zijne ziel , maar voor hem is verstoring die zijne lippen wijd opendoet.

4 De ziele des luiaards is be-geerig doch daar is niet, maar de ziele der vlijtigen zal vet gemaakt worden.

5 De rechtvaardige haat leugentaal , maar de goddelooze maakt


-ocr page 736-

KEN 14.

S P R E U

718

zich slinkende en doet zich schaamte aan.

6 De gerechtigheid bewaart den oprechte van weg, maar de goddeloosheid zal den zondaar om-keeren.

7 Daar is een die zichzelven rijk mankt, en nietmetal heeft, en een die zichzelven arm houdt, en heeft veel goed.

8 Het rantsoen van ieders ziele is zijn rijkdom, maar de arme hoort het schelden niet.

9 Het licht der rechtvaardigen zal zich verblijden, maar de lamp der goddeloozen zal uitgebluscht worden.

10 Door hoovaardigheid maakt men niet dan gekijf, maar bij de beradenen is wijsheid.

11 Goed, van ijdelheid gekomen zal verminderd worden; maar die met de hand vergadert zal het vermeerderen.

12 De uitgestelde hope krenkt het hart, maar de begeerte die komt is een boom des levens.

1.3 Die het woord veracht, die zal verdorven worden; maar die het gebod vreest, dien zal vergolden worden.

14 Des wijzen leer is eene springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.

15 Goed verstand geeft aangenaamheid, maar de wegdertrou-weloozen is hardheid.

16 Al die kloekzinnig is handelt met wetenschap, maar een zot breidt dwaasheid uit.

17 Een goddelooze bode zal in het kwaad vallen, maar een trouwe gezant is medicijn.

18 Armoede eh schande is des-genen die de tucht verwerpt, maar die de bestraffing waarneemt zal geëerd worden.

19 De begeerte die geschiedt is zoet voor de ziele, maar het is den zotten een gruwel van het kwade af te wijken.

20 Die met de wijzen omgaat zal wijs worden, maar die der\'zotten metgezel is zal verbroken worden.

21 Het kwaad zal de zondaars vervolgen, maar den rechtvaardigen zal men goed vergelden.

22 De goede zal zijner kinders kinderen doen erven , maar het vermogen des zondaars is vcor den rechtvaardige weggelegd.

23 Het ploegen der armen geeft veelheid der spijze, maar daar is een die verteerd wordt door gebrek van oordeel.

24 Die zijne roede inhoudt, haat zijnen zoon; maar die hem liefheeft, zoekt hem vroeg met tuchtiging.

25 De rechtvaardige eet tot de verzadiging zijner ziele toe, maaide buik der goddeloozen zal gebrek hebben.

HOOFDSTUK 14.

Elke wijze vrouw bouwt haar huis, maar die zeer dwaas is breekt het af met hare handen.

2 Die in zijne oprechtheid wandelt vreest den Heere, maar die afwijkt in zijne wegen veracht hem.

3 In den mond des dwazen is eene roede des hoogmoeds, maar de lippen der wijzen bewaren hen.

4 Als er geenc ossen zijn , zoo is de kribbe rein ; maar door de kracht van den os is der inkomsten veel.

5 Een waarachtig getuige zal niet liegen, maar een quot;alsch getuige blaast leugenen.

(i De spotter zoekt wijsheid en daar is geene, maar de wetenschap is voor den verstandige licht.

7 Ga weg van de tegenwoordigheid eens zotten mans , want gij zoudt bij hem geene lippen dei* wetenschap merken.

8 De wijsheid des kloekzinnigen is zijnen weg te verstaan, maar dwaasheid der zotten is bedrie-gerij.

9 Elke dwaas zal de schuld verbloemen., maar onder de oprechten is goedwilligheid.

10 Het hart kent zijne eigene bittere droefheid, en erm vreemde zal zich met deszelfs blijdschap niet vermengen.

11 Het huis der goddeloozen zal verdelgd worden , m mr de tent der oprechten zal bloeien.

12 Daar is een weg die iemand


-ocr page 737-

SPREUKEN 15.

719

recht schijnt, maar hot laatste van dbn zijn wegen des doods,

13 Het harte zal ook in het lachen smart hebben, en het laatste van die blijdschap is droefheid.

li Die afkeerig van harte is zal van zijne wegen verzadigd worden, maar een goed man van zich-zelven.

15 De onnoozele gelooft alle woord, maar de kloekzinnige merkt op zijnen gang.

IG De wijze vreest en wijkt van het kwade, maar de zot is oploopend toornig en zorgeloos.

17 Die haastig is tot toorn zal dwaasheid doen, en een man van schandelijke verdichtselen zal gehaat worden.

18 De onnoozelen erven dwaasheid, maar de kloekzinnigcn zullen zich met wetenschap kroonen,

19 De kwaden buigen voor het aangezicht der goeden neder, en de goddeloozen voor de poorten des rechtvaardigen.

20 De arme wordt zelfs van zijnen vriend gehaat, maar de liefhebbers des rijken zijn velen.

21 Die zijnen naaste veracht, zondigt; maar die zich der nede-rigen ontfermt, die is welgelukzalig.

22 Dwalen zij niet die kwaad stichten? Maar weldadigheid en trouw is voor degenen die goed stichten.

23 In allen smartelijken arbeid is overschot, maar het woord der lippen strekt alleen tot gebrek.

24 Der wijzen kroon is hun rijkdom , de dwaasheid der zotten is dwaasheid.

25 Een waarachtig getuige redt de zielen, maar die leugens blaast is een bedrieger.

20 In de vreeze des Heehen is een sterk vertrouwen , en hij zal zijnen kinderen eene toevlucht wezen.

27 De vreeze des IlEEREN is eene springader des levens, om af te wijken van de strikken des doods.

28 In de menigte des volks is des Konings heerlijkheid, maar in gebrek aan volk is eens Vorsten verstoring.

20 De lankmoedige is groot van verstand, maar die haastig is van gemoed verheft de dwaasheid.

30 Een gezond hart is het leven des vleesches, maar nijd is verrotting der beenderen.

31 Die den arme verdrukt. smaadt deszelfs Maker; maar die zich over den nooddruftige ontfermt, die eert hem.

32 De goddelooze zal henengedreven worden in zijn kwaad, maar de rechtvaardige betrouwt zelfs in zijnen dood.

33 Wijsheid rust in het harte des verstandigen, maar dat in het binnenste der zotten is wordt bekend.

34 Gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is eene schandvlek der natiën.

35 Het welbehagen des Konings is over een verstandigen knecht, maar zijne verbolgenheid zal zijn over dengenen clie beschaamd maakt.

HOOFDSTUK 15.

Een zacht antwoord keert de grimmigheid af, maar een smartend woord doet den toorn oprijzen.

2 De tong der wijzen maakt de wetenschap goed, maar de mond der zotten stort overvloediglijk dwaasheid uit.

3 De oogen des Heeren zijn aan alle plaatsen , beschouwende de kwaden en de goeden.

4 De medicijn der tong is een boom des levens, maar de verkeerdheid in dezelve is eenbreuke in den geest.

5 Een dwaas zal de tucht zijns vaders versmaden, maar die de bestrafllng waarneemt zal kloek-zinniglijk handelen.

(gt; In het huis dos rechtvaardigen is een groote schat, maar in des goddeloozen inkomst is beroerte.

7 De lippen der wijzen zullen de wetenschap uitstrooien, maar het hart der zotten niet alzoo.

8 Het offer des goddeloozen is den Heeue een gruwel, maar liet gebed der oprechten is zijn welgevallen.


-ocr page 738-

SPREUKEN 16.

720

9 De weg des goddeloozen is den Heere een gruwel, maar dien die de gerechtigheid najaagt zal hij liefhebben.

10 De tucht is onaangenaam voor dengenen die het pad verlaat, cn die de bestraffing haat zal sterven.

11 De hel en het verderf zijn voor den Heere: hoeveel te meer de harten van des menschen kinderen !

12 De spotter zal niet liefhebben die hem bestraft, hij zal niet gaan tot de wijzen.

13 Een vroolijk hart zal het aangezicht blijde maken, maar door de smarte des harten wordt de geest verslagen.

14 Een verstandig hart zal de wetenschap opzoeken, maar de mond der zotten zal met dwaasheid gevoed worden.

15 Alle de dagen des bedrukten zijn kwaad, maar een vroolijk hart is een gedurige maaltijd.

16 Beter is weinig met de vree-ze des Heeren, dan een groote schat, en onrust daarbij.

17 Beter is een gerecht van groen moes, waar ook liefde is, dan een gemeste os, en haat daarbij.

18 Ëen grimmig man zal gekijf verwekken, maar de lankmoedige zal den twist stillen.

19 De weg des luiaards is als eene doornheg, maar het pad der oprechten is wel gebaand.

20 Een wijze zoon zal den vader verblijden, maar een zot mensch veracht zijne moeder.

21 De dwaasheid is den verst andelooze blijdschap, maar een man van verstand zal recht wandelen.

22 De gedachten worden vernietigd als er geen raad is, maar door veelheid der raadslieden zal elk een bestaan.

23 Een man heeft blijdschap in het ant woord zijns monds; en hoe goed is een woord op zijn tijd!

24 De weg des levens is den verstandige naar boven, opdat hij afwijke van de helle beneden.

25 Het huis der hoovaardigen zal de Heere afrukken, maar de landpale der weduwe zal hij vastzetten.

26 Des boozen gedachten zijn den Heere een gruwel, maar der reinen zijn liefelijke redenen.

27 Die gierigheid pleegt berosrt zijn huis, maar die geschenken haat zal leven.

28 Het harte des rechtvaardigen bedenkt zich om te antwoorden, maar de mond der goddeloozen zal overvloediglijk kwade dingen uitstorten.

. 20 Do Heere is verre van do goddeloozen, maar het gebed der rechtvaardigen zal hij verhoeren.

30 Het licht der oogen verblijdt het harte, een goed gerucht maakt het gebeente vet.

31 Het oor, dat de bestraffing des levens hoort, zal in het midden der wijzen vernachten.

32 Die dê tucht verwerpt, die versmaadt zijne ziele; maar die de bestraffing hoort krijgt verstand.

33 De vreeze des Heeren is de tucht der wijsheid, en de nederigheid r/aat vóór de eer.

HOOFDSTUK 16.

De mensch heeft schikkingen des harten, maar het antwoord der tong is van den Heere.

2 Allo wegen des mans zijn zuiver in zijne oogen, maar de Heere weegt de geesten.

3 Wentel uwe werken op den Heere, en uwe gedachten zullen bevestigd worden.

4 De Heere heeft alles gewrocht om zijn zelfs wille, ja ook den goddeloóze tot den dag des kwaads.

5 Al die hoog is van harte, is den Heere een gruwel; hand aan hand zal hij niet onschuldig zijn.

quot;6 Doorgoedertierenhe d ontrouwe wordt de misdaad verzoend, en door de vreeze des Heeren wijkt men af van het kwade.

7 Als iemands wegen den Heere behagen, zoo zal hij ook zijne vijanden met hem bevredigen.

8 Beter is een weinig met gerechtigheid , dan de veelheid der inkomsten zonder recht.

0 Het harte des mer.schen over-


-ocr page 739-

KEN 17.

SPREU

721

denkt zijnen weg, maar de Heere stuurt zijnen gang.

10 Waarzegging is op de lippen des Konings; zijn mond zal niet overtreden in het gericht.

11 Eene rechte wage en weegschaal zijn des Heeren, alle weegsteeiien des buidels zijn zijn werk.

12 Het is der Koningen gruwel goddeloosheid te doen; want door gerechtigheid wordt de troon bevestigd/

13 De lippen der gerechtigheid zijn het welgevallen der Koningen, en elkeen van hen zal liefhebben dien die rechte dingen spreekt.

14 De grimmigheid des Konings is als de boden des doods, maar , een wijs man zal die verzoenen.

15 Iii het licht van des Konings aangezicht is leven, en zijn welgevallen is als eene wolk des spaden regens.

16 Hoeveel beter is het wijsheid te bekomen dan uitgegraven goud, en uitnemender, verstand te bekomen, dan zilver!

17 De baan der oprechten is van het kwaad af te wijken; hij behoedt zijne zielejdie zijnen weg bewaart.

18 Hoovaardigheid is vóór de verbreking, en hoogheid des gees-tes vóór den val.

19 Het is beter nederig van geest te zijn met de zachtmoedi-gen, dan roof te deelen met de hoovaardigen.

20 Die op het woord verstandig-lijk let zal het goede vinden, en die op den Heere vertrouwt, die is welgelukzalig.

21 De wijze van hart zal verstandig genoemd worden, en de zoethe id der lippen zal de leering vermeerderen.

22 Het verstand dergenen die het bezitten is eene springader des levens, maar de tucht der dwazen is dwaasheid.

23 Eens wijzen hart maakt zijnen mond verstandig, en zal op zijne lippen de leering vermeerderen.

24 Liefelijke redenen zijn eene honigraat, zoet voor de ziele en medicijn voor het gebeente.

25 Daar is een weg die iemand recht schijnt, maar het laatste van dien zijn wegen des doods.

26 De ziele des arbeidzamen arbeidt voor hem zeiven, want zijn mond buigt zich voor hom.

27 Eenbelialsman graaft kwaad, en op zijne lippen is als brandend vuur.

28 Een verkeerd man zal krakeel inwerpen, en een oorblazer scheidt den voornaamsten vriend.

29 Een man des gewelds verlokt zijnen naaste, en hij leidt hem in eenen weg die niet goed is.

30 Hij sluit zijne oogen om verkeerdheden te bedenken, zijne lippen bijtende volbrengt hij het kwaad.

31 De grijsheid is eene sierlijke kroon, zij wordt op den weg der gerechtigheid gevonden.

32 De lankmoedige is beter dan de sterke, en die heerscht over zijnen geest dan die eene stad inneemt.

33 Het lot wordt in den schoot geworpen, maar het geheele beleid daarvan is van den Heere.

HOOFDSTUK 17.

Eene droge bete, en rust daarbij , is beter dan een huis vol van geslachte beesten, met twist.

2 Een verstandig knecht zal heerschen over eenen zoon die beschaamd maakt, en in het midden der broederen zal hij erfenis deelen.

3 De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud, maar de Heere proeft de harten.

4 De boosdoener merkt op de ongerechtige lippe, een leugenaar neigt het oor tot de verkeerde tong.

5 Die den arme bespot, smaadt deszeifs Maker; die zich verblijdt in het verderf zal niet onschuldig zijn.

6 De kroon der ouden zijn de kindskinderen, en der kinderen sieraad zijn hunne vaderen.

7 Eene voortreffelijke lippe past eenen dwaas niet, veelmin eenen Prins eene leugenachtige lippe.

8 Het geschenk is in de oogen zijner heeren een aangenaam ge-


-ocr page 740-

KEN 18.

722

SPREU

steente: waarlienen het zich zal wenden, zal het wel gedijen.

9 Die de overtreding toedekt, zoekt liefde: maar die de zaak weder ophaalt, scheidt den voor-naamsten vriend.

10 De bestraffing gaat dieper in den verstandige, dan den zot honderdmaal te slaan.

11 Zekerlijk de wederspannige zoekt het kwaad , maar een wree-de bode zal tegen hem gezonden worden.

12 Dat een beer, die van jongen beroofd is, eenen man te gemoet kome, maar niet een zot in zijne dwaasheid.

13 Die kwaad voor goed vergeldt, het kwaad zal van zijn huis niet wijken.

14 Het begin des k rakeels is fjelijk een, die het water opening geeft: daarom verlaat den twist, eer hij zich vermengt.

15 Wie den goddelooze rechtvaardigt , en wie den rechtvaardige verdoemt, zijn den Heeke een gruwel, ja die beiden.

16 Waarom toch zoude in de hand des zots het koopgeld zijn, om wijsheid te koopen, terwijl hij geen verstand heeft?

17 Een vriend heeft te allen tijde lief; en een broeder wordt in de benauwdheid geboren,

18 Een verstandeloos mensch klapt in de hand, zich borg stellende bij zijnen naaste.

19 Die het gekijf liefheeft, heeft de overtreding lièf; die zijne deur verhoogt, zoekt verbreking.

20 Wie verdraaid is van harte zal het goede niet vinden, en die verkeerd is met zijne tong zal in het kwaad vallen.

21 Wie eenen zot genereert, hij zal hem tot droefheid zijn ; en dë vader des dwazen zal zich niet verblijden.

22 Een blij harte zal eene medicijn goed maken ; maar een verslagen geest zal het gebeente verdrogen.

23 De goddelooze zal het geschenk uit den schoot nemen, om de paden des rechts te buigen.

2\'t In het aangezicht des ver-standigen is wijsheid, maar de oogen des zots zijn in het einde der aarde.

25 Een zotte zoon is een verdriet voor zijnen vader, en bittere droefheid voor degene, die hem gebaard heeft.

26 Het is niet goed den rechtvaardige ook te doen boeten: dat de Prinsen iemand slaan zouden om hetgeen recht is.

27 Wie wetenschap weet, houdt zijne woorden in; meen man van verstand is kostelijk van geest.

28 Een dwaas zelfs die zwijgt zal wijs geacht worden, en die zijne lippen toesluit, verstandig.

HOOFDSTUK 18.

Die zich afzondert, tracht naar wat begeerlijks, hij vermengt zich in alle bestendige wijsheid.

2 De zot heeft geenen lust in verstandigheid, maar daarin dat zijn harte zich ontdekt.

3 Als de goddelooze komt, komt ook de verachting, en met schande versmaad heid.

4 De woorden van den mond eens mans zijn diepe wateren; en de springader der wijsheid is eene uitstortende beek.

5 Het is niet goed het aangezicht des goddeloozen aan te nemen, om den rechtvaardige in het gericht te buigen.

6 De lippen des zots komen in twist, en zijn mond loept naar slagen.

7 De mond des zots is hem zeiven eene verstoring, en zijne lippen een strik zijner ziele.

8 De woorden des oorblazers zijn als dergenen die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des bulks.

9 Ook die zich slap aanstelt in zijn werk, die is een broeder van een doorbrenger.

De naam des Herren is een sterke toren: de rechtvaardige zal daarhenen loopen, en in een hoog vertrek gesteld worden.

11 Des rijken goed is de stad zijner sterkte, en als een verheven muur in zijne inbeelding.

12 Vóór de verbreking zal des menschen hart zich verheffen , en de nederigheid gaat voor de eer.


-ocr page 741-

SPREU

KEN 19.

723

13 Die antwoord geeft eer hij zal gehoord hebben, dat is hem dwaasheid en schande.

14 De geest eens mans zal zijne krankheid ondersteunen: maar eenen verslagen geest, wie zal dien opheffen?

15 Het harte des verstandigen bekomt wetenschap, en het oor der wijzen zoekt wetenschap.

16 De gift des menschen maakt hem ruimte, en zij geleidt hem voor het aangezicht der grooten.

17 Die de eerste is in zijne twistzaak, schijnt rechtvaardig te zijn; maar zijn naaste komt, en hij onderzoekt hem.

18 Het lot doet de geschillen ophouden, en maakt scheiding tusschen machtigen.

19 Een broeder is wcderspan-niger dan eene sterke stad; en de geschillen zijn als een grendel van een paleis.

20 Van de vrucht van iemands mond zal zijn buik verzadigd worden, hij zal verzadigd worden van de inkomst zijner lippen.

21 Dood en leven zijn in het geweld der tong, en een ieder, die ze liefheeft, zal hare vrucht eten.

22 Wie eene vrouw gevonden heeft, heeft eene goede zaak gevonden , en hij heeft welgevallen getrokken van den Heere.

23 De arme spreekt smeekingen, maar de rijke\' antwoordt harde dingen.

24 Een man die vrienden heeft, heeft zich vriendelijk te houden ; maar er is een liefhebber, die meer aankleeft dan een broeder.

HOOFDSTUK 19.

De arme in zijne oprechtheid wandelende, is béter dan de verkeerde van lippen en die een zot is.

2 Ook is de ziele zonder wetenschap niet goed; en die met de voeten haastig is, zondigt.

3 De dwaasheid des menschen zal zijnen weg verkeeren, en zijn harle zal zich tegen den Hir.ere vergrammen.

4 Het goed brengt vein vrienden toe, maar de arme wordt van zijnen vriend gescheiden.

5 Een valsch getuige zal niet onschuldig zijn, en die leugenen blaast zal niet ontkomen.

6 Velen smeeken het aangezicht des Prinsen, en ieder is een vriend dengenen die giften geeft.

7 Alle de broederen des armen haten hem; hoe veel te meer gaan zijne vrienden verre van hem; hij loopt ze na met woorden, die niets zijn.

8 Die verstand bekomt heeft zijne ziele lief, hij neemt de verstandigheid waar om het goede te vinden.

9 Een valsch getuige zal niet onschuldig zijn, en die leugenen blaast zal vergaan.

10 De weelde staat eenen zot niet wèl: hoe veel te min eenen knecht, te heerschen over Vorsten !

11 Het verstand des menschen vertraagt zijnen toorn, en zijn sieraad is de overtreding voorbij te gaan.

12 Des Konings gramschap is als het brullen eens jongen leeuws, maar zijn welgevallen is als dauw op het kruid.

13 Een zotte zoon is zijnen vader groote ellende, en het gekijf eener vrouw als een gestadig druipen.

14 Huis en goed is eene erve van de vaderen, maar eene verstandige vrouw is van den Heere

15 Luiheid doet in diepen slaap vallen, en eene bedriegelijke ziele zal hongeren.

16 Die het gebod bewaart, bewaart zijne ziel; die zijne wegen veracht, zal sterven.

17 Die zich over den arme ontfermt, leent den Hekre , en hij zal hem zijne weldaad vergelden.

18 Tuchtig uwen zoon, als er nog hope is; maar verhef uwe ziele niet om hem te dooden.

10 Die groot is van grimmigheid, zal straf dragen; want zoo gij hem uitredt, zno zult gij nog moeten voortvaren.

20 Hoor raad, en ontvang tucht, opdat gij in uw laatste wijs zijt.

21 In het harle des mans zijn veie gedachten; maar de raad des Heeren, die zal beslaan.


-ocr page 742-

SPREUKEN 20.

724

22 De wensch des menschen is zijne weldadigheid, maar de arme is beter dan een leugenachtig man.

23 De vreeze des Heeren is ten leven; want men zal verzadigd zijnde vernachten, met het kwaad zal men niet bezocht worden.

24 Een luiaard verbergt de hand in den boezem, en hij zal ze niet weder aan zijnen mond brengen.

25 Sla den spotter, zoo zal de onnoozele kloekzinnig worden; en bestraf den verstandige, hij zal wetenschap begrijpen.

2b Wie den vader verwoest of de moeder verjaagt, is een zoon die beschaamd maakt en schande aandoet.

27 Laat af mijn zoon, hoorende de tucht, af te dwalen van de redenen der wetenschap.

28 Een belialsgetuige bespot het recht, en de mond der god-deloozen slokt de ongerechtigheid in.

29 Gerichten zijn voor de spotters bereid, en slagen voor den rug der zotten.

HOOFDSTUK 20.

De wijn is een spotter, de sterke drank is woelachtig, al wie daarin dwaalt zal niet wijs zijn.

2 De schrik eens Konings is als het brullen eens jongen leeuws; die zich tegen hem vergramt, zondigt tegen zijne ziele.

3 Het is eere voor een man, van twist af te blijven; maar iedere dwaas zal er zich in mengen.

4 Om den winter zal de luiaard niet ploegen: daarom zal hij bedelen in den oogst, maar daar zal niets zijn.

5 De raad in het harte eens mans is als diepe wateren, maar een man van verstand zal dien uithalen.

0 Elkeen van de menigte der menschen roept zijne weldadigheid uit, maar wie zal eenen recht trouwen man vinden?

7 De rechtvaardige wandelt steeds in zijne oprechtheid, welgelukzalig zijn zijne kinderen na hem.

8 Een Koning zittende op dei» troon des gerichts verstrooit alle kwaad met zijne oogen.

9 Wie kan zeggen: Ik heb mijn harte gezuiverd, ik ben rein van mijne zonde?

10 Tweeërlei weegsteen, tweeërlei efa is den Heere een gruwel, ja die beide.

11 Een jongen zal ook door zijne handelingen zich bekend maken , of zijn werk zuiver en of het recht zal wezen.

12 Een hoorend oor en een ziend oog heeft de Heere gemaakt, ja die beide.

13 Heb den slaap niet lief, opdat gij niet arm wordt; open uwe oogen, verzadig u met brood.

14 Hut is kwaad, het is kwaad, zal de kooper zeggen; maar als hij weggegaan is, dan zal hij zich beroemen.

15 Goud is er en menigte van robijnen, maar de lippen der wetenschap zijn een kostelijk kleinood.

16 Als iemand voor eenen vreemde borg geworden is, neem zijn kleed en pand hem voor de onbekenden.

17 Het brood der leugen is den mensch zoet, maar daarna zal zijn mond vol van zandsteentjes worden.

18 Elke gedachte wordt door raad bevestigd, daarom voer oorlog met wijze raadslagen.

\'10 Die als een achterklapper wandelt, openbaart het heimelijke; vermeng u dan niet met hem, die met zijne lippen verlokt.

20 Wie zijnen vader of zijne moeder vloekt , diens lampe zal uitgebluscht worden in zwarte duisternis.

21 Als eene erfenis in het eerst verhaast wordt, zoo zal haar laatste niet gezegend worden.

22 Zeg niet: ik za. het kwaad vergelden; wacht op den Heere, en hij zal u verlosser.

23 \'Tweeërlei weegsteen is den Heere een gruwel, en de bedrie-gelijke weegschaal is niet goed.

24 De treden des mans zijn van den Heere, hoe zoude dan een mensch zijnen weg verstaan?


-ocr page 743-

KEN 21.

SPREU

725

25 Het is een strik des men-schen, dat hij het heilige verslindt, en na gedane geloften onderzoek te doen.

26 Een wijs Koning verstrooit de goddeloozen, en hij brengt het rad over hen.

27 De ziele des menschen is eene lampe des Heeren , doorzoekende alle de binnenkameren des buiks.

28 Weldadigheid en waarheid bewaren den Koning, en door weldadigheid ondersteunt hij zijnen troon.

29 Der jongelingen sieraad is hunne kracht, en der ouden heerlijkheid is do grijsheid.

30 Gezwellen der wonde zijn in den booze eene zuivering, mitsgaders de slagen van het binnenste des buiks.

HOOFDSTUK 21.

Des Konings harte is in de hand des Heeren als waterbeken, hij neigt het tot al wat hij wil.

2 Alle weg des menschen is recht in zijne oogen, maar de Heere weegt de harten.

3 Gerechtigheid en recht te doen is bij den Heere uitgele-zener dan offer.

4 Hoogheid der oogen en trotsch-heid des harten en de ploeging der goddeloozen zijn zonde.

5 De gedachten des vlijtigen zijn alleen tot overschot; maar van een ieder die haastig is, alleen tot gebrek.

6 Te arbeiden om schatten met eene valsche tong, is eene voort-gedrevene ij delheid dergenen die den dood zoeken.

7 De verwoesting der goddeloozen zal ze doorsnijden, omdat zij weigeren recht te doen.

8 De weg des menschen is gansch verkeerd en vreemd, maar het werk des zuiveren is recht.

9 Het is beter te wonen op eenen hoek van het dak, dan met eene kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.

10 De ziele des goddeloozen begeert hel kwaad, zijn naaste krijgt geen genade in zijne oogen.

11 Als men den spotter straft, wordt de onnoozele wijs; en als men den wijze onderricht, neemt hij wetenschap aan.

12 De rechtvaardige let verstan-diglijk op des goddeloozen huis, als God de goddeloozen in het kwaad stort.

13 Die zijn oor stopt voor het geschrei dés armen, die zal óók roepen en niet verhoord worden.

14 Eene gift in het verborgen houdt den toorn onder, en een geschenk in den schoot de sterke grimmigheid.

15 Het is den rechtvaardige eene blijdschap recht te doen, maar voor de werkers der ongerechtigheid is het verschrikking.

16 Een mensch die van den weg des verstands afdwaalt, zal in de gemeente der dooden rusten.

17 Die blijdschap liefheeft, die zal gebrek lijden; die wijn en olie liefheeft, zal niet rijk worden.

18 De goddelooze is een rantsoen voor den rechtvaardige, en detrouwelooze voorde oprechten.

19 Het is beter te wonen in een woest land, dan bij eene zeer kijfachtige en toornige huisvrouw.

20 In des wijzen woning is een gewenschte schat en olie, maar een zot mensch verslindt zulks.

21 Die rechtvaardigheid en weldadigheid najaagt, zal het leven, rechtvaardigheid en eere vinden.

22 De wijze beklimt der geweldigen stad, en werpt de sterkte haars vertrouwens neder.

23 Die zijnen monden zijne tong bewaart, bewaart zijne ziele van benauwdheden.

24 Die een hoo vaardig pocher is, zijn naam is spotter, hij gaat met hoo vaardige verbolgenheid te werk.

25 De begeerte des luiaards zal hem dooden, want zijne handen weigeren te werken;

2ö den ganschen dag begeert hij begeerlijke dingen, maar do rechtvaardige zal geven en niet inhouden.

27 Het offer der goddeloozen is een gruwel: hoe veel te meer als zij het met een schandelijk voornemen brengen.

1 28 Een leugenachtig getuige zal


-ocr page 744-

SPREUKEN 22.

728

vergaan, en een man die hoort zal spreken tot overwinning.

29 Een goddeloos man sterkt zich in zijn aangezicht; maar de oprechte, die maakt zijnen weg vast.

30 Daar is geene wijsheid en daar is geen verstand èn daar is geen raad tegen den Heere.

31 Het paard wordt bereid tegen den dag des strijds; maar de overwinning is des Heeren.

HOOFDSTUK 22.

De naam is uitgelezener dan groote rijkdom, de goede gunst dan zilver en dan goud.

2 Rijken en armen ontmoeten elkander, de Heere heeft ze allen gemaakt.

3 Een kloekzinnig mensch ziet het kwaad en verbergt zich, maar de verstandeloozen gaan henen door en worden gestraft.

4 Het loon dei- nederigheid, met de vreeze des Heeren, is rijkdom en eere en leven.

5 Doornen en strikken zijn in den weg des verkeerden: die zijne ziele bewaart zal zich verre van die maken.

6 Leer den jongen de eerste beginselen naar den eisch zijns wegs: als hij ook oud zal geworden zijn, zal hij daarvan niet afwijken.

7 De rijke heerscht over de armen , en die ontleent is des lee-ners knecht.

8 Die onrecht zaait zal moeite maaien , en de roede zijner verbolgenheid zal een einde riemen.

ü Die goed van oog is, die zal gezegend worden, want hij heeft van zijn brood den arme gegeven.

10 Drijf den spotter uit, en het gekijf zal weggaan, en het geschil met de schande zal ophouden.

11 Die de reinheid des harten liet heeft, wiens Jippen aangenaam zijn, diens vriend is de Koning.

12 De oogen des Heeren bewaren de wetenschap, maar de zaken des trouweloozen zal hij om k eere n.

13 De luiaard zegt: Daar is een leeuw builen, ik mocht op het midden der straten gedood worden.

14 De mond der vreemde vrouwen is eene diepe gracht, hij op wien de Heere vergramd is, zal daarin vallen.

15 De dwaasheid is in het harte des jongen gebonden: de roede der tucht zal ze verre van hem wegdoen.

10 Die den arme verdrukt om het zijne te vermeerderen, enden rijke geeft, komt zekerlijk tot gebrek.

17 Neig uw oor en hoor de woorden der wijzen, en stel uw harte op mijne wetenschap;

18 want het is liefelijk als gij die in uw binnenste bewaart; zij zullen te zamen op uwe lippen gepast worden.

19 Opdat uw vertrouwen op den Heere zij , maak ik u die heden bekend: gij ook maak ze bekend.

20 Heb ik u niet heerlijke dingen geschreven van allerlei raad en wetenschap,

21 om u bekend te maken de zekerheid van de redenen der waarheid, opdat gij redenen der waarheid antwoorden moogt dengenen die u zenden.

22 Beroof den arme niet omdat hij arm is, en verbrijzel den ellendige niet in de poorte;

23 want de Heere zal hunne twistzaak twisten, en hij zal dengenen die ze bcroovenquot; de ziele rooven.

24 Vergezelschap u niet met een gramstorige , en ga niet om met een zeer grimmig man,

25 opdat gij zijne paden niet leert, en een strik over uwe ziele haalt.

2i3 Wees niet onder degenen, die in de hand klappen, onder degenen die voor schulden borg zijn:

27 zoo gij niet hadt om te betalen , waarom zouc.e men uw bed van onder u wegnemen?

28 Zet de oude palen niet terug, die uwe vaderen gemaakt hebben.

29 Hebt gij eenen man gezien die vaardig in zijn werk is, hij zal voor het aangezicht der Koningen gesteld worden, voor het


-ocr page 745-

KEN 23

SPEUE

727

aangezicht der ongeachte lieden zal hij niet gesteld worden.

HOOFDSTUK 23.

Als gij aangezeten zult zijn om met een heerscher te eten, zoo zult gij scherpelijk letten op dengenen die voor uw aangezicht is;

2 en zet een mes aan uwe keel, indien gij een gulzig mensch zijt:

3 en laat u niet gelusten zijner smakelijke spijzen, want het is een leugenachtig brood.

4 Vermoei u niet om rijk te worden, sta af van uw vernuft:

5 zult gij uwe oogen laten vliegen op hetgeen niets is? Want het zal zich gewisselijk vleugelen maken, gelijk een arend die naar den hemel vliegt.

6 Eet het brood niet desgenen die boos is van oog, en wees niet belust op zijne smakelijke spijzen;

7 want gelijk hij bedacht heeft in zijne ziel, alzóu zal hij tot u zeggen: Eet en drink , maar zijn hart is niet met u;

8 uwe bete die gij gegeten hebt zoudt gij uitspuwen , en gij zoudt uwe liefelijke woorden verderven.

9 Spreek niet voor de ooren van een zot, want hij zoude het verstand uwer woorden verachten.

10 Zet de oude grenspalen niet terug en kom op de akkers der weezen niet;

11 want hun Verlosser is sterk, die zal hunne twistzaak tegen u twisten.

12 Begeef uw harte tot de tucht, en uwe ooren tot do redenen der wetenschap.

13 Weer de tucht van den jongen niet; als gij hem met de roede zult slaan, zal hij niet sterven:

14 gij zult hein met de roede slaan en zijne ziel van de hel redden.

15 Mijn zoon, zoo uw harte wijs is, mijn harte zal blijde zijn, ja ik;

16 en mijne nieren zullen van vreugde opspringen, als uwe lippen billijkheden spreken zullen.

17 Uw hart zij niet nijdig over de zondaren, maar wees te allen dage in de vreeze des Heeren ;

18 want zekerlijk daar is eene belooning, en uwe verwachting zal niet afgesneden worden.

10 Hoor gij mijn zoon, en word wijs, en richt \'uw harte op den weg.

20 Wees niet onder de wijnzuipers noch onder de vleeschvraten;

21 want een zuiper en vraat zal arm worden , en de sluimering-doet verscheurde kleederen dragen.

22 Hoor naar uwen vader die u gewonnen heeft, en veracht uwe moeder niet als zij oud geworden is.

23 Koop de waarheid, en verkoop ze niet, mitsgaders wijsheid en tucht en verstand.

24 De vader des rechtvaardigen zal zich zeer verheugen , en die een wijzen zoon gewint zal zich over hem verblijden:

25 laat uw vader zich verblijden, ook uwe moeder , en laat zij zich verheugen die u gebaard heeft.

20 Mijn zoon, geef mij uw harte, en laat uwe oogen mijne wegen bewaren;

27 want eene hoer is eene diepe gracht, en eene vreemde vrouw is ftene enge put;

28 ook loert zij als een roover, en zij vermenigvuldigt de ti-ou-weloozen onder de menschen.

29 Bij wien is wee, bijwienoch arme, bij wien gekijf, bij wien het geklag, bij wien wonden zonder oorzaak, bij wien de roodheid der oogen ?

30 Bij degenen die bij den wijn vertoeven, bij degenen die komen om gemengden drank na te zoeken.

31 Zie den wijn niet aan als hij zich rood vertoont, als hij in den beker zijne ver we geeft, als hij recht opgaat:

32 in zijn einde zal hij als eene slang biiten, en steken als eene adder;

33 uwe oogen zullen naar vreemde vrouwen\'zien . en uw hart zal verkeerdheden spreken ;

34 en gij zult zijn gelijk een die in het hart van de zee slaapt, en gelijk een die in het opperste van den mast slaapt.

35 Men heeft mij geslagen, zult


-ocr page 746-

KEN 24.

SPREU

728

gij zeggen, ik bon niet ziek geweest \' men heeft mij gebeukt, ik heb het niet gevoeld; wanneer zal ik opwaken? ik zal hem nog meer zoeken.

HOOFDSTUK 24.

Wees niet nijdig over de booze lieden, en laat u niet lusten om bij hen te zijn;

quot;2 want hun hart bedenkt verwoesting, en hunne lippen spreken moeite.

3 Door wijsheid wordt een huis gebouwd, en door verstandigheid bevestigd,

4 en door wetenschap worden de binnenkameren vervuld met alle kostelijk en liefelijk goed.

5 Een wijs man is sterk, en een man van wetenschap maakt de kracht vast;

6 want door wijze raadslagen zult gij voor u den krijg voeren, en in de veelheid der raadgevers is de overwinning.

7 Alle wijsheid is voor den dwaze te hoog, hij zal in de poorte zijnen mond niet opendoen.

8 Die denkt om kwaad te doen, dien zal men een meester van schandelijke verdichtselen noemen.

9 De gedachte der dwaasheid is zonde, en een spotter is den mensch een gruwel.

10 Vertoont gij u slap ten dage der benauwdheid, uwe kracht is nauw.

11 lied degenen die ter dood gegrepen zijn, want zij wankelen ter dooding zoo gij u onthoudt.

12 Wanneer gij zegt: Zie, wij weten dat niet, zal hij die de harten weegt dat niet mérken, en die uwe ziele gadeslaat, zal hij het niet weten ? Want hij zal den mensch vergelden naar zijn werk.

13 Eet honig, mijn zoon, want hij is goed, en honigzeem is zoet voor uw gehemelte:

14 zoodanig is de kennisse der wijsheid voor uwe ziel; als gij ze vindt, zoo zal er belooning wezen, en uwe verwachting zal niet afgesneden worden.

15 Loer niet, o goddelooze, op de woning des rechtvaardigen, verwoest zijne legerplaats niet;

16 want de rechtvaardige zal zevenmaal vallen en opslaan, maar de goddeloozen zullen in het kwaad nederstruikelen.

17 Verblijd u niet als uw vijand valt, en als hij nederstruikelt, laat uw hart zich niet verheugen,

18 opdat het de Heere niet zie, en het kwaad zij in zijne oogen , en hij zijnen toorn van hem af-keere.

19 Ontsteek u niet over de boosdoeners , wees niet nijdig over de goddeloozen;

20 want de kwade zal geen belooning hebben, de lamp der goddeloozen zal uitgebluscht worden.

21 Mijn zoon, vrees den Heere en den Koning, vermeng u niet met hen die naar verandering staan;

22 want hun verderf zal haas-lelijk ontstaan, en wie weet hun beider ondergang ?

23 Ook deze spreuken zijn van de wijzen.

Het aangezicht in het gericht te kennen is niet goed,

24 Die tot den goddelooze zegt: Gij zijt rechtvaardig , dien zullen de volkeren vervloeken, de natiën zullen hem gram zijn;

25 maar voor degenen die hem bestraffen zal liefelijkheid zijn, en de zegen des goeds zal op hen komen.

2g Alen zal do lippen kussen desgenen die rechte woorden antwoordt.

27 Beschik uw werk daarbuiten, en bereid het voor u op den akker, en bouw daarna uw huis.

28 Wees niet zonder oorzaak getuige tegen uwen naaste; want zoudt gij verleiden met uwe lippen?

29 Zeg niet: Gelijk als hij mij gedaan heeft, zóó zal ik hem doen; ik zal een ieder vergelden naar zijn werk.

30 Ik ging voorbij den akker eens luiaards, en voorbij den wijngaard van een verstandeloos mensch;

31 en zie, hij was gansch opgeschoten van distelen, zijne gedaante was met nelels bedekt, en zijn steenen scheidsmuur was afgebroken.


-ocr page 747-

SPREUKEN 25.

729

32 Als ik dat aanschouwde, nam ik het ter harte, ik zag het en nam onderwijzing aan:

33 een weinig slapens, een weinig sluimerens , een weinig hand-vouwens al nederliggende:

34 zoo zal uwe armoede u overkomen als een wandelaar, en uw velerlei gebrek als een gewapend man.

HOOFDSTUK 25.

Ook dit zijn spreuken van Salomo , die de mannen van Hizki\'a den Koning van Juda uitgeschreven hebben.

2 Het is Gods eere eene zaak te verbergen, maar de eere der Koningen eene zaak te doorgronden.

3 Aan de hoogte des hemels, en aan de diepte der aarde, cn aan het harte der Koningen is geen doorgronding.

4 Doe het schuim van het zilver weg, en daar zal een vat voor den smelter uitkomen:

5 doe den goddelooze weg van het aangezicht des Konings, en zijn troon zal door gerechtigheid bevestigd worden.

Ü Praal niet voor het aangezicht des Konings, en sta niet in de plaats der grooten;

7 want het is beter dat men tot u zegge: Kom hier bovenaan, dan dat men u vernedcre voor het aangezicht eens Prinsen dien uwe oogen gezien hebben.

8 Vaar niet haastelijk voort om te twisten, opdat gij misschien in het laatste daarvan niet wat doet, als uw naaste u zoude mogen beschaamd hebben.

9 Twist uwe twistzaak met uwen naaste, maar openbaar het geheim van een ander niet;

10 opdat degene die het hoort u niet smade; want uw kwaad gerucht zoude niet afgekeerd worden.

11 Eene rede, op zijn pas gesproken, is als gouden appelen in zilveren geheelde schalen.

12 Ëcn wijs bestralïer bij een hoörend oor is een gouden oorsiersel cn een halssieraad van het fijrtste goud.

13 Een trouw gezant is dengenen die hem zenden als de koude der sneeuw ten dage des oogstes, want hij verkwikt zijns heeren ziele.

14 Een man die zichzelven roemt over eene valsche gift is als wolken en wind waar geen regen bij is.

15 Een overste wordt door lankmoedigheid overreed, en eene zachte tong breekt het gebeente.

16 Hebt gij honig gevonden, eet dat u genoeg is, opdat gij misschien daarvan niet zat wordt en dien uitspuwt.

17 Spaar uwen voet van het huis uws naasten, opdat hij niet zat van u worde en u hate.

18 Een man, tegen zijnen naaste eene valsche getuigenis sprekende, is een hamer en zwaard en scher-pe pijl.

19 Het vertrouwen op eenen trouwelooze ten dage der benauwdheid is als een gebroken tand en een verstuikte voet.

20 Die liedekens zingt bij een treurig harte is gelijk hij, die een kleed aflegt ten dage der koude, en als edik op salpeter.

21 Indien degene die u haat hongert, geef hem brood te eten, en zoo hij dorstig is, geef hem water te drinken;

22 want gij zult vurige kolen op zijn hoofd hoopen, en de Heere zal het u vergelden.

23 De noordenwind verdrijft den regen, en een vergramd aangezicht de verborgen tong.

24 Het is beter te wonen op een hoek van het dak, dan met eene kijfachtige huisvrouw, en dat in een huis van gezelschap.

25 Eene goede tijding uit verren lande is als koud water op eene vermoeide ziel.

26 De rechtvaardige , wankelende voor het aangezicht des god-deloozen, is eene beroerde fontein en verdorven springader.

27 Veel honig te eten is niet goed, maar de onderzoeking van de heerlijkheid van zulke dingen is eere.

28 Een man die zijnen geest niet wederhouden kan is eene opengebroken stad zonder muur.


-ocr page 748-

EN 26^ 27.

730

SPREUK

HOOFDSTUK 26.

Gelijk de sneeuw in den zomer en gelijk de regen in den oogst, alzóó past den zot de eere niet.

2 Gelijk eene muschis tot wegzweven, gelijk eene zwaluw tot vervliegen, alzoo zal een vloek die zonder oorzaak is niet komen.

3 Eene zweep is voor het paard, een toom voor den ezel, en eene roede voor den rug der zotten.

4 Antwoord den zot naar zijne dwaasheid niet, opdat gij ook hem niet gelijk wordt.

5 Antwoord den zot naar zijne dwaasheid, opdat hij in zijne oogen niet wijs zij.

6 Hij snijdt zich de voeten af en drinkt geweld, die boodschappen zendt door de hand van een zot.

7 Heft de beenen van den kreupele op: alzoo is eene spreuk in den mond der zotten.

8 Gelijk hij die een edelgesteente in eenen slinger bindt, alzóó is hij die den zot eere geeft.

quot;9 Gelijk een doorn gaat in de hand eens dronkaards, alzoo is eene spreuk in den mond der zotten.

10 De grooten doen een iegelijk verdriet aan , en huren de zotten, en huren de overtreders.

11 Gelijk een hond tot zijn uit-spuwsel wederkeert, alzoo herneemt de zot zijne dwaasheid.

12 Hebt gij eenen man gezien die wijs in zijne oogen is? van eenen zot is quot;meer verwachting dan van hem.

13 De luiaard zegt: Daar is een felle leeuw op den weg, een leeuw is op de straten.

14 Eene deur keert öm op hare herre; alzoo de luiaard op zijn bed.

15 De luiaard verbergt zijne hand in den boezem, hij is te moede om die weder tot zijnen mond te brengen.

16 De luiaard is wijzer in zijne oogen dan zeven die met reden antwoorden.

17 De voorbijgaande die zich verto«rntin eenen twist, die hem I niet aangaat, is gelijk die eenen hond bij de ooren grijpt.

18 Gelijk een die veinst te razen, die vuursprankels, pijlen en doodelijke dingen werpt,

19 alzóó is een man die zijnen naaste bedriegt, en zegt: jok ik er niet mede?

20 Als er geen hout is gaat het vuur uit, en als er geen oorblazer is wordt het gekijf gestild.

21 De doove kool is om de vurige kool, en het hout om het vuur, alzoo is een kijfachtig man om twist te ontsteken.

22 De woorden des oorblazers zijn als dergenen die geslagen zijn, en die dalen in het binnenste des buiks.

23 Brandende lippen en een boos hart zijn als eene potscherf, met schuim van zilver overtogen.

24 Die haat draagt, gelaat zich vreemd met zijne lippen, maar in zijn binnenste smeedt hij bedrog;

25 als hij met zijne stem smeekt, geloof hem niet, want zeven gruwelen zijn in zijn hart.

26 Wiens haat door bedrog bedekt is, diens boosneid zal in de gemeente geopenbaard worden.

27 Die eenen kuil graaft zal er invallen, en die eenen steen wentelt, op hem zal hij wederkeeren.

28 Eene valsche tong haat degenen die zij verbrijzelt, en een gladde mond maakt cmstooting.

HOOFDSTUK 27.

Beroem u niet over den dag van morgen, want gij weet niet wat do dag zal baren.

2 Laat een vreemde u prijzen, en niet uw mond; een onbekende, en niet uwe lippen.

3 Een steen is zwaar, en het zand wichtig, maar de toornigheid des dwazen is zwaarder dan die beide.

4 Grimmigheid en overlooping van toorn is wreedheid, maar wie zal voor nijdigheid bestaan?

5 Openbare bestraffing is beter dan verborgen liefde.

6 De wonden des liefhebbers zijn getrouw, maar de kussen des haters zijn af te bidden.

7 Eene verzadigde ziele ver-


-ocr page 749-

SPREUKEN 28.

731

treedt het honigzeem, maar voor eene hongerige ziele is alle bitter zoet.

8 Gelijk een vogel is die uit zijn nest omdoolt, alzóó is een man die omdoolt uit zijne plaats.

9 Olie en reukwerk verblijdt het harte: alz^o is de zoetheid van iemands vriend, vanwege den raad der ziele.

10 Verlaat uwen vriend en den vriend uws vaders niet, en ga ten huize uws broeders niet op den dag uws tegenspoeds: beter is een gebuur die nabij is dan een broeder die ver is.

11 Wees wijs mijn zoon, en verblijd mijn harte, opdat ik mijnen smadcr wat te antwoorden hebbe.

12 De kloekzinnige ziet het kwaad en verbergt zich, de ver-standeloozen gaan voorbij en worden gestraft.

13 Als iemand voor eenen vreemde borg geworden is, neem zijn kleed, en pand hem voor ecne onbekende vrouw.

14 Die zijnen vriend zegent met luider stem , zich \'s morgens vroeg opmakende, het zal hern tot een vloek gerekend worden.

15 Een gedurig druipen ten dage des slagregens en eene kijfachtige huisvrouw zijn evengelijk:

16 elkeen die ze verbergt, zoude den wind verbergen, en de olie zijner rechterhand, die roept.

17 ÏJzer scherpt men met ijzer: alzoo scherpt een man het aangezicht zijns naasten.

18 Die den vijgeboom bewaart zal zijne vrucht eten, en die zijnen heer waarneemt zal geëerd worden.

19 Gelijk in het water het aangezicht is tegen het aangezicht, alzóó is des rnenschen harte tegen den mensch.

20 De hel en het verderf worden niet verzadigd: alzoo worden de oogen des menschen niet verzadigd.

21 De smeltkroes is voor het zilver, en de oven voor het goud: alzoo is een man naar zijnen lof te proeven.

22 Al stiet gij den dwaas in een mortier met een stamper in het midden van het \'gestooten graan, zijne dwaasheid zoude van hem niet afwijken.

23 Wees naarstig om het aangezicht uwer schapen te kennen, zet uw hart op de kudden;

24 want do schat is niet tot in eeuwigheid ; of zal de kroon van geslacht tot geslacht zijn?

25 Als het gras zich openbaart en de grasscheuten gezien worden, laat de kruiden der bergen verzameld worden;

20 de lammeren zullen zijn tot uwe kleeding, en de bokken de prijs des voids;

27 daartoe zult gij genoegzaamheid van geitemelk hebben tot uwe spijze, tot spijze van uw huis en leeftocht uwer maagden.

HOOFDSTUK 28.

De fgoddeloozen vlieden daar geen vervolger is, maar elk rechtvaardige is moedig als een jonge leeuw.

2 Om de overtreding des lands zijn deszelfs Vorsten vele, maar om verstandige en wetende menschen zal insgelijks verlenging wezen.

3 Een arm man die de geringen verdrukt, is een wegvagende regen, zoodat er geen brood is.

4 Die de wet verlaten, prijzen de goddeloozen; maar die de wet bewaren, mengen zich in strijd tegen hen.

5 De kwade lieden verstaan het recht niet, maar die den Heere zoeken verstaan alles.

6 De arme wandelende in zijne oprechtheid, is beter dan die verkeerd is van wegen, al is hij rijk.

7 Die de wet bewaart is een verstandig zoon, maar die der onmatigen metgezel is beschaamt zijnen vader.

8 Die zijn goed vermeerdert met woeker en met overwinst, vergadert dat voor dengenen die zich des armen ontfermt.

9 Die zijn oor afwendt van de wet te hooren, diens gebed zelf zal een gruwel zijn.

10 Die de oprechten doet dwalen


-ocr page 750-

KEN 29.

732

S P R E U

op eenen kwaden weg, zal zeifin zijne gracht vallen; maar de vromen zullen liet goede beërven.

11 Een rijk man is wijs in zijne oogen, maar de arme die verstandig is doorzoekt hem.

12 Als de rechtvaardigen opspringen van vreugde is er groote heerlijkheid , maar als de godde-loozen opkomen wordt de mensch nauw gezocht.

13 Die zijne overtredingen bedekt zal niet voorspoedig zijn, maar die ze bekent en laat zal barmhartigheid verk rij gen.

14 Welgelukzalig i.s de mensch die geduriglijk vreest, maar die zijn harte verhardt zal in het kwaad vallen.

15 De goddelooze heerschende over een arm volk, is een brullende leeuw en beer die ginds en weder loopt.

16 Een Vorst die van alle verstand gebrek heeft, is ook veelvoudig in verdrukkingen; maar dio de gierigheid haat zal de dagen verlengen.

17 Een mensch, gedrukt om het bloed eener ziele, zal naar den kuil toevlieden: men ondersteune hem niet.

18 Die oprecht wandelt zal behouden worden; maar die zich verkeerdelijk gedraagt in twee wegen, zal in den éénen vallen.

19 Die zijn land bouwt zal met brood verzadigd worden, maar die ijdele menschen volgt zal met armoede verzadigd worden.

20 Een gansch getrouw man zal veelvoudig zijn in zegeningen, maar die haastig is om rijk te worden zal niet onschuldig wezen.

21 De aangezichten te kennen is niet goed, want een man zal om een stuk brood overtreden.

22 Die zich haast naar goed, is een man van een boos oog; maar hij weet niet dat het gebrek hem overkomen zal.

23 Die eenen mensch bestraft, zal achterna gunst vinden, meer dan die met de tong vleit.

24 Die zijnen vader of zijne moeder berooft, en zegt: Het is geene overtreding, die is desver-dervenden mans gezel.

25 Die grootmoedig is verwekt gekijf, maar die op den Heere vertrouwt zal vet worden.

26 Die op zijn harte vertrouwt, die is een zot; maar die in wijsheid wandelt, die zal ontkomen.

27 Die den arme geeft zal geen gebrek hebben, maar die zijne oogen verbergt zal veel vervloekt worden.

28 Als de goddeloozen opkomen verbergt zich de mensch, maar als zij omkomen vermenigvuldigen zich de rechtvaardigen.

HOOFDSTUK 29.

Een man die dikwijls bestraft zijnde den nek verhardt, zal schielijk verbroken worden , zoodat er geen genezen aan is.

2 Als de rechtvaardigen groot worden, verblijdt zich het volk ; maar als de goddelooze heerscht, zucht het volk.

3 Een man die de wijsheid bemint verblijdt zijnen vader, maar die een metgezel der hoeren is brengt het goed dcor.

4 Een Koning houdt het land staande door het recht, maar een die tot geschenken genegen is verstoort hetzelve.

5 Een man die zijnen naaste vleit, spreidt een net uit voor deszelfs gangen.

6 In de overtreding eens boozen mans is een strik, maar de rechtvaardige juicht en is blijde.

7 De rechtvaardige neemt kennis van de rechtzaak der armen, maar de goddelooze begrijpt de wetenschap niet.

8 Spot drijvende lieden blazen eene stad aan brand, maar de wijzen keeren den toorn af.

9 Een wijs man met een dwaas man zich in rechten begeven hebbende , hetzij dat hij verstoord is of lacht, zoo is er toch geene rust.

10 Bloedgierige lieden haten den vrome, maar de oprechten zoeken zijne ziele.

11 Een zot laat zijnen ganschen geest uit, maar dé wijze weder-houdt dien achterwaarts.

12 Een Heerscher die op leugentaal acht geeft, alle zijne dienaars zijn goddeloos.


-ocr page 751-

SPREUKEN 30.

733

43 De arme en de bedrieger ontmoeten elkander: de Heere verlicht hun beider oogen.

14 Een Koning die den armen in trouwe recht doet, diens troon zal in eeuwigheid bevestigd worden.

15 De roede en de bestraffing geeft wijsheid, maar een kind dat aan zichzelf overgelaten is beschaamt zijne moeder.

16 Als dè goddeloozen vele worden , wordt de overtreding veel; maar de rechtvaardigen zullen hunnen val aanzien.

17 Tuchtig uwen zoon, en hij zal u gerustheid aandoen, en hij zal uwer ziel vreugde geven.

18 Als er geen profetie is wordt het volk ontbloot, maar welgelukzalig is hij die de wet bewaart.

19 Een knecht zal door de woorden niet getuchtigd worden; hoewel hij u verstaat, nogtans zal hij niet antwoorden.

20 Hebt gij eenen man gezien die haastig \'in zijne woorden is? van eenen zot is meer verwachting dan van hem.

21 Als men zijnen knecht van jongs op dartel houdt, hij zal ten laatste een zoon willen zijn.

22 Een toornig man Verwekt gekijf, en de gramstorige is veelvoudig in overtreding.

23 De hoogmoed des menschen zal hem vernederen, maar de nederige van geest zal de eere vasthouden.

24 Die met eenen dief deelt, haat zijne ziele: hij hoort eenen vloek quot;en hij geeft het niet te kennen.

25 De siddering des menschen legt eenen strik, maar die op den Heere vertrouwt zal in een hoog vertrek gesteld worden.

26 Velen zoeken het aangezicht des Heerschers, maar eens ieders recht is van den Heere.

27 Een ongerechtig man is den rechtvaardigen een gruwel, maar die recht is van weg is den god-delooze een gruwel.

HOOFDSTUK 30.

De woorden van Agur den zoon van Jaké; een last. De man spreekt tot Ithiël, tot Ithiël en Uchal.

2 Voorwaar, ik ben onvernuftiger dan iemand, en ik heb geen menschenverstand,

3 en ik heb geene wijsheid geleerd noch de wetenschap der heiligen gekend.

4 Wie is ten )iemel opgeklommen, en nedergedaald? Wie heeft den wind in zijne vuisten verzameld? Wie heeft de wateren in een kleed gebonden? Wie heeft alle de einden der aarde gesteld? Hoe is zijn naam, en hoe is de naam zijns zoons, zoo gij het weet?

5 Alle rede Gods is doorlouterd; hij is een schild dengenen die op hem betrouwen.

0 Doe niet tot zijne woorden , opdat hij u niet bestraffe en gij leugenachtig bevonden wordt.

7 Twee dingen heb ik van u begeerd, onthoud ze mij niet, eer ik sterve:

8 doe ijdelheid en leugentaal verre van mij; armoede noch rijkdom geef mij niet, voed mij met het brood mijns bescheiden deels;

9 opdat ik, zat zijnde, u dan niet verloochene en zegge: Wie is de Heere? of dat ik, verarmd zijnde, dan niet stele en den name mijns Gods aantaste.

10 Achterklap niet van den knecht bij zijnen heer, opdat hij u niet vloeke en gij schuldig wordt.

11 Daar quot;is een geslacht dat zijnen vader vervloekt en zijne moeder niet zegent;

12 een geslacht, dat rein in zijne oogen is, en van zijnen drek niet gewasschen is;

13 een geslacht, welks oogen hoog zijn en welks oogleden verheven zijn;

14 een geslacht, welks tanden zwaarden en welks baktanden messen zijn, om de ellendigen van de aarde en de nooddruftigen van onder de menschen te verteren.

15 De bloedzuiger heeft twee dochters: geef, geef. Deze drie dingen worden niet verzadigd, ja vier zeggen niet: Het is genoeg:

16 het graf, de gesloten baarmoeder, de aarde die van water


-ocr page 752-

734

niet verzadigd wordt, en het vuur zegt niet: Het is genoeg.

17 Het oog derden vader bespot of de gehoorzaamheid der moeder veracht, dat zullen de raven der beek uitpikken, en des arends jongen zullen het eten.

18 Deze drie dingen zijn voor mij te wonderlijk, ja vier die ik niét weet:

19 de weg eens arends in den hemel, de weg eener slang op eenen rotssteen, de weg van een schip in [het hart der zee, en de weg eens mans bij eene maagd.

20 Alzóó is do wég eener overspelige vrouw : zij eet en wischt haren mond af, en zegt: Ik heb geene ongerechtigheid gewrocht.

21 Om drie dingen ontroert zich de aarde, ja om vier, die zij niet dragen kan:

22 om eenen knecht als hij regeert , en eenen dwaas als hij van brood verzadigd is,

23 om eene hatelijke vrouiu als zij getrouwd wordt, en eene dienstmaagd als zij erfgenaam is van hare vrouw.

24 Deze vier zijn van de kleinste der aarde, doch zij zijn wijs, met wijsheid wel voorzien:

25 de mieren zijn een onsterk volk: evenwel bereiden zij in den zomer hare spijs;

26 de konijnen zijn een machteloos volk: nogtans stellen zij hun huis in den rotssteen;

27 de sprinkhanen hebben geen Koning: nogtans gaan zij allen uit, zich verdeelende in hoopen:

28 de spinnekop grijpt met de handen, en is in de paleizen der Koningen.

29 Deze drie maken een goeden tred, ja vier zijn er die een goeden gang maken;

30 de . oude leeuw, geweldig onder de gedierten, die voor niemand zal omkeeren,

31 een windhond van goede lendenen , of een bok, en een Koning die niet tegen te staan is.

32 Zoo gij dwaselijk gehandeld hebt met u te verhellen, en zoo gij kwaad bedacht hebt — de hand op den mond!

33 Want de drukking der melk brengt boter voort, en de drukking van den neus brengt bloed voort, en de drukking des toorns brengt twist voort.

HOOFDSTUK 31.

De woorden van den Koning Lemuel, de last waarmede zijne moeder hem onderwees.

2 Wat o mijn zoon, en wat o zoon mijns schoots? Ja wat, o zoon mijner geloften?

3 Geef aan de vrouwen uw vermogen niet, noch uwe wegen om Koningen te verdelgen.

4 Het komt den Koningen niet toe, o Lemuel, het komt den Koningen niet toe wijn te drinken, en den Prinsen sterken drank te begeeren;

5 opdat hij niet drinke, en de inzetting vergete, en de rechtzake aller verdrukten verandere.

G Geeft sterken drank dengenen die verloren gaat, en wijn dengenen die bitterlijk bedroefd van ziele zijn;

7 dat hij drinke, en zijne armoede vergete, en aan zijne moeite niet meer gedenke.

8 Open uwen mond voor den stomme, voor de rechtzake van allen die omkomen zouden;

9 open uwen mond, oordeel rechtvaardig, en doe den verdrukte en nooddruttige recht.

10 Alef. Wie zal eene deugdelijke huisvrouw vinden? want hare waardij is verre boven de robijnen.

11 Both. Het hart haars heeren vertrouwt op haar, zoodat hem geen goed zal ontbreken.

12 Gimel. Zij doet hem goed en geen kwaad, alle de dagen haars levens.

13 Daleth. Zij zoekt wol en vlas, en werkt met lust barer handen.

14 Hó. Zij is a\'s de schepen eens koopmans, zij doet haar brood van verre komen.

15 Vau. En zij staat op als het nog nacht is, en geeft haren huize spijze, en haren dienstmaagden het bescheiden deel.

16 Zain. Zij denkt om eenen akker en krijgt hem; van de

SPREUKEN 31.


-ocr page 753-

P R E DI

KER 1.

735

vrucht harer handen plant zij eenen wijngaard.

17 Cheth. Zi j gordt hare lendenen met kracht, en zij versterkt hare armen.

18 Teth. Zij smaakt dat haar koophandel goed is; hare lamp gaat des nachts niet uit.

19 Joel. Zij steekt hare handen uit naar de spil, en hare handpalmen vatten den spinrok.

20 Kaf. Zij breidt hare handpalm uit tot den ellendige, en zij steekt hare handen uit tot den nooddruftige.

21 Lamed. Zij vreest voor haar huis niet van wege de sneeuw, want haar gansche huis is met dubbele kleederen gekleed.

22 Mem. Zij maakt voor zich tapijtsieraad, hare kleeding is fijn linnen en purper.

23 Nun. Haar man is bekend in de poorten, als hij zit met de oudsten des lands.

24 Samech. Zij maakt fijn lijnwaad en verkoopt het, en zij levert den koopman gordels.

25 Ain. Sterkte en heerlijkheid zijn hare kleeding, en zij lacht over den toekomenden dag.

26 Pc. Zij doet haren mond open met wijsheid, en op hare tong is leer der goeddadigheid.

27 Tsadc. Zij beschouwt de gangen van haarquot;huis, en het brood der luiheid eet zij niet.

2S Kof. Hare kinderen staan op en roemen haar welgelukzalig, ook haar man, en hij prijst haar, zeggende:

29 Resch. Vele dochteren hebben deugdelijk gehandeld, maar gij gaat die allen te boven.

30 Schin. De bevalligheid is bedrog, en de schoonheid ijdelheid, maar eene vrouw die den Heere vreest, die zal geprezen worden.

31 Thau. Geeft haar van de vrucht harer handen, en laat hare werken haar prijzen in de poorten.


HET BOEK

GENAAMD

DE PREDIKEE.

HOOFDSTUK 1.

De woorden van den Prediker, den zoon van David, den Koning te Jeruzalem.

2 IJdelheid der ijdclheden, zegt de Prediker, ijdelheid der ijdelhe-den, het is al ijdelheid.

3 Wat voordeel heeft de mensch van al zijnen arbeid dien hij arbeidt onder de zon?

Het ééne geslacht gaat en }j.et andere geslacht komt, maaide aarde staat in eeuwigheid;

5 ook rijst de zon op en de zon gaat onder, en zij hijgt naar hare plaats waar zij oprees;

6 zij gaat naar het Zuiden, en zij gaat om naar het Noorden, de wind gaat steeds omgaande; en de wind keert weder tot zijne omgangen;

7 alle de beken gaan in de zee, nogtans wordt de zee niet vol; naar de plaats waar de beken henengaan, derwaarts gaande kee-ven zij weder:

8 alle deze dingen worden zóó moede dat niemand het zoude kunnen uitspreken, het oog wordt niet verzadigd met zien en het oor wordt niet vervuld van hooien.

Ü Hetgene dat er geweest is,


-ocr page 754-

PREDIKER 2.

736

hetzelfde zul er zijn , en hetgene dat er gedaan is, hetzelfde zal er gedaan worden, zoodat er niets nieuws is onder de zon.

\'10 Is er eenig ding waarvan men zoude kunnen zeggen: Zie dat, het is nieuw ? Het is alreeds geweest in de eeuwen die vóór ons geweest zijn,

11 Daar is geen gedachtenis van de voorgaande dingen; en van de navolgende dingen die zijn zullen, van dezelve zal ook geen gedachtenis zijn bij degenen die namaals wezen zullen.

12 Ik Prediker was Koning over Israël te Jeruzalem,

13 en ik begaf mijn harte om met wijsheid te onderzoeken en na te sporen al wat er geschiedt onder den hemel: deze moeilijke bezigheid heeft God den kinderen der menschen gegeven om zich daarmede te bekommeren;

14 Ik zag alle de werken dan die onder de zon geschieden: — en zie, het was al ijdelheid en kwelling des geestes:

15 het kromme kan niet recht gemaakt worden , en hetgene dat ontbreekt kan niet geteld worden.

IG Ik sprak met mijn hart. zeggende: Zie, ik heb wijsheid vergroot en vermeerderd boven allen die vóór mij te Jeruzalem geweest zijn, en mijn harte heeft veel wijsheid en wetenschap gezien ;

17 en ik begaf mijn hart om wijsheid en wetenschap te weten, onzinnigheden en dwaasheid; — ik ben gewaar geworden dat ook dit eene kwelling des geestes is;

18 want in veel wijsheid is veel verdriet, en die wetenschap vermeerdert , die vermeerdert smart.

HOOFDSTUK 2.

ik zeide in mijn hart: Nu welaan , ik zal u beproeven door vreugde, derhalve zie het goede aan: maar zie, ook dat was ijdelheid ;

2 tot Jiet lachen zeide ik: Gij zijt onzinnig, en tot de vreugde: Wat maakt deze?

3 Ik heb in mijn hart nagespoord om mijn vleesch op te houden in den wijn, (nogtans leidende mijn hart in wijsheid), en om de dwaasheid vast te houden, totdat ik zoude zien wat den kinderen der menschen het best ware dat zij doen zouden onder den hemel gedurende het getal der dagen huns levens;

4 ik maakte mij groote werken, ik bouwde mij huizen, ik plantte mij wijngaarden;

5 ik maakte mij hoven en lusthoven , en ik plantte boomen in dezelve van allerlei vrucht;

6 ik maakte mij vijvers van wateren, om daarmede te bewateren het woud dat met boomen groende;

7 ik kreeg knechten en maagden, en ik had kinderen des huizes, ook had ik een groot bezit van runderen en schapen, meer dan allen die vóór mij te Jeruzalem geweest waren;

8 ik vergaderde mij ook zilver en goud en kleinoodiën der Koningen en der landschappen, ik bestelde mij zangers en zangeressen en wellustigheden der men-schenkinderen, snr.renspel, ja allerlei snarenspel;

9 en ik werd groot en nam toe meer dan iemand die vóór mij te Jeruzalem geweest was, ook bleef mijne wijsheid mij bij;

10 en al wat mijne óogen begeerden, dat onttrok ik hun niet, ik wederhield mijn hart niet van eenige blijdschap, maar mijn hart was verblijd vanwege al mijnen arbeid, en dit was mijn deel van al mijnen arbeid:

11 toen wendde ik mij tot alle mijne werken die mijne handen gemaakt hadden, en tot den arbeid dien ik werkende gearbeid had, — zie, het was al ijdelheid en kwelling des geestes, en daarin was geen voordeel onder de zon.

12 Daarna we idde ik mij om te zien wijsheid ook onzinnigheden en dwaasheid; want h. j zoude een menach, die na dé.i Koning komen zal, doen hetgeen alreedc gedaan is ?

13 Toen zag ik dat de wijsheid uitnemendheid heeft boven de


-ocr page 755-

PREDIKER 3.

737

dwaasheid, gelijk het licht uitnemendheid heeft boven de duisternis;

-14 de oogen des wijzen zijn in zijn hoofd , maar de zot wandelt in de duisternis: toen bemerkte ik ook dat éénerlei geval hen allen bejegent.

15 Dies zeide ik in mijn hart: Gelijk het den dwaze bejegent, zal het ook mij zeiven bejegenen: waarom heb ik dan toen meer naar wijsheid gestaan ? Toen sprak ik in mijn hart dat ook dit ijdel-heid was;

16 want daar zal in eeuwigheid niet meer gedachtenis van eenen wijze dan van eenen dwaas zijn, aangezien hetgeen dat nu is in de toekomende dagen altemaal vergeten wordt, en hoe sterft de wijze met den zot!

17 Daarom haatte ik dit leven, want dit werk docht mij kwaad dat onder de zon geschiedt, want het is al ij delheid en kwelling des geestes;

18 ik haatte ook al mijnen arbeid dien ik bearbeid had onder de zon , dat ik dien zoude achterlaten aan eenen meusch die na mij wezen zal,

19 want wie weet of hij wijs zal zijn of dwaas? Evenwel zal hij heerschen over al mijnen arbeid , dien ik bearbeid heb en dien ik wijselijk beleid heb onder de zon: — dat is óók ijdelheid.

20 Daarom keerde ik mij om , om mijn hart te doen wanhopen over al den arbeid, dien ik bearbeid heb onder de zon;

21 want daar is een mensch, wiens arbeid in wijsheid en in wetenschap en in voorspoed is, nog-tans zal hij dien overgeven tot zijn deel aan eenen mensch, die daaraan niet gearbeid heeft: — dit is óók ijdelheid en een groot kwaad.

22 Wat heeft toch die mensch van al zijnen arbeid, en van de kwelling zijns harten, dien hij is bearbeidende onder de zon?

23 Want alle zijne dagen zijn smarten, en zijne bezigheid is verdriet, zelfs des nachts rust zijn harte niet: - dat is óók ijdelheid.

24 Is het dan niet goed voor den mensch dat hij ete en drinke en dat hij zijne ziel het goede doe genieten in zijnen arbeid? Ik heb ook gezien dat zulks van de hand Gods is;

25 (want wie zou er van eten of wie zou zich daurtoe haasten, meer dan ik zelf?)

26 want hij geeft wijsheid en wetenschap èn vreugde aan den mensch die goed is voor zijn aangezicht, maar den zondaar geeft hij bezigheid om te verzamelen en te vergaderen, opdat hij het geve dien die goed is voor Gods aangezicht: — dit is óók ijdelheid en kwelling des geestes.

HOOFDSTUK 3.

Alles heeft eenen bestemden tijd, en alle voornemen onder den hemel heeft zijnen tijd:

2 daar is een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven , een tijd om te planten en een tijd om het geplante uit te roeien;

3 een tijd om te dooden en een tijd om te genezen, een tijd om af te breken en een tijd om te bouwen;

4 een tijd om te weenen en een tijd om te lachen, een tijd om te kermen en een tijd om op te springen;

5 een tijd om steenen weg te werpen en een tijd om steenen te vergaderen, een tijd om te omhelzen en een tijd om verre te zijn van omhelzen;

6 een tijd om te zoeken en een tijd om te laten verloren gaan, een tijd om te bewaren en een tijd om weg te werpen;

7 een tijd om te scheuren en een tijd om toe te naaien, een tijd om te zwijgen en een tijd om té spreken;

8 een tijd om lief te hebben en een tijd om te haten, een tijd van oorlog en een tijd van vrede: —

9 wat voordeel heeft hij die werkt, van hetgene dat hij bearbeidt?

10 Ik heb gezien de bezigheid die God den kinderen der men-


24

-ocr page 756-

P R E DIK E R 4.

738

schen gegeven heeft om zich daarmede te bekommeren:

11 hij heeft ieder ding schoon gemaakt op zijnen tijd, ook heeft hij de eeuw in hun hart geleid, zonder dat een mensch het werk dat God gemaakt heeft kan uitvinden van het begin tot het einde toe;

12_ ik heb gemerkt dat er niets beters voor hen is dan zich te verblijden en goed te doen in zijn leven,

13 ja ook dat ieder mensch ete en drinke en het goede geniete van al zijnen arbeid: dit is eene gave Gods;

14 ik weet dat al wat God doet in eeuwigheid zal zijn, daar is niet aan toe te doen én daar is niet af te doen, en God doet dat, opdat men vreeze voor zijn aangezicht:

15 hetgene dat geweest is, dat is nu, en wat wezen zal, dat is aireede geweest, en God zoekt het weggedrevene.

16 Voorts heb ik ook gezien onder de zon, ter plaatse des ge-richts , aldaar was goddeloosheid, en ter plaatse der gerechtigheid, aldaar was goddeloosheid:

17 ik zeide in mijn hart: God zal den rechtvaardige en den god-delooze oordeelen, want aldaar is de tijd voor alle voornemen en over alle werk;

18 ik zeide in mijn hart van de gelegenheid der menschenkin-deren, dat God hun zal verklaren en dat zij zullen zien, dat zij als de beesten zijn op zichzelven.

19 Want wat den kinderen der menschen wedervaart, dat wedervaart ook den beesten, en éénerlei wedervaart hun beiden: gelijk die sterft, alzóó sterft [deze, en zij allen hebben éénerlei adem, en de uitnemendheid der menschen boven de beesten is geene, want allen zijn ze ijdelheid,

20 zij gaan allen naar ééne plaats, zij zijn allen uit stof en zij keeren allen weder tot stof.

21 Wie merkt dat de adem van de kinderen der menschen opvaart naar boven, en de adem der beesten nederwaarts vaart in de aarde ?

22 Dies heb ik gezien dat er niets beters is dan dat de mensch zich verblijde van zijne werken, want dat is zijn deel; want wie zal hem daarhenen brengen dat hij zie hetgene dat na hem geschieden zal?

HOOFDSTUK 4.

Daarna wendde ik mij en zag aan alle de onderdrukkingen die onder de zon geschieden; en zie, daar waren de tranen der verdrukten en dergenen die geenen trooster hadden; en aan de zijde hunner verdrukkers was macht, zij daarentegen hadden geen vertrooster.

2 Dies prees ik de dooden die aireede gestorven waren boven de levenden die tot nog toe levend zijn,

3 ja, hij is beter dan die beiden die nog niet geweest is, die niet gezien heeft het booze werk dat onder de zon geschiedt.

4 Verder zag ik al den arbeid en allen voorspoed des werks, dat het den mensch nijd van zijnen naaste aanbrengt: dat is óók ijdelheid en kwelling des geestes.

5 De zot vouwt zijne handen samen en eet zijn eigen vleesch:

6 een handvol met rust is beter dan beide de vuisten vol met arbeid en kwelling des geestes.

7 Ik wendde mij w ederom en ik zag eene ijdelheid onder de zon:

8 daar is er één, en geen tweede, hij heeft ook geen kind noch broeder: nogtans is er aan al zijnen arbeid geen einde , ook wordt zijn oog niet verzadigd van den rijkdom , en hij zegt niet: Voor wien arbeid ik toch en doe mijne ziel gebrek hebben aan het goede? bit is óók ijdelheid en het is eene moeilijke bezigheid.

9 Twee zijn beter dan één, want zij hebben eene goede belooning van hunnen arbeid;

10 want indien zij vallen, de één richt zijnen metgezel op; maar wee deii éénen die gevallen is, want daar is geen tweede om hem op te helpen.

11 Ook indien twee te zamen liggen, zoo hebben zij warmte; maar hoe zoude é jn warm worden?


-ocr page 757-

PREDIKER 5.

739

12 En indien iemand den éénen ^ mocht overweldigen , zoo zullen 7: de twee tegen hem bestaan; en $ een drievoudig snoer wordt niet tï haast gebroken.

^ 13 Beter is een arm en wijs | jongeling, dan een oude en zotte | Koning, die niet weet van meer ƒ vermaand te worden;

14 want een komt uit het ge-i vangenhuis om Koning te zijn, ?• daar ook een die in zijn koninkrijk •jj geboren is verarmt.

^ 15 Ik zag alle de levenden wan-delen onder de zon, met den jon-;; geling, den tweede, die in diens plaats staan zal:

lü daar is geen einde van al het | volk, van allen die vóór hen geweest zijn; de nakomelingen zullen zich óók over hem niet verblijden: — gewisselijk dat is óók j ijdelheid en kwelling des geestes.

17 Bewaar uwen voet als gij ten huize Godes ingaat, en wees liever nabij om te hooren dan om ^ der zotten slachtoffer te geven, p want zij weten niet dat zij kwaad i doen.

HOOFDSTUK 5.

Wees niet te snel met uwen mond, en uw hart haaste niet een woord voort te brengen voor Gods aangezicht; want God is in den hemel en gij zijt op do aarde; daarom laat uwe woorden weinig

; zü»;

2 want gelijk de droom komt door veel bezigheid, alzoo de stem des zots door de veelheid der woorden.

3 Wanneer gij eene gelofte aan God zult beloofd hebben, stel niet uit dezelve te betalen, want hij heeft geen lust aan de zotten: wat gij zult beloofd hebben, betaal het;

4 het is beter dat gij niet belooft , dan dat gij belooft en niet betaalt.

5 Laat uwen mond niet toe dat £ hij uw vleesch zoude doen zon-

Idigen, en zeg niet voor het aan-j, gezicht des Engels dat het eene dwaling was: waarom zoude God grootelijks toornen om uwer stem-a me wille, en verderven het werk I uwer handen?digen, en zeg niet voor het aan-j, gezicht des Engels dat het eene dwaling was: waarom zoude God grootelijks toornen om uwer stem-a me wille, en verderven het werk I uwer handen?

6 Want gelijk in de veelheid der droomen ijdelheden zijn, alzoo in vele woorden; maar vrees gij God.

7 Indien gij de onderdrukking des armen en de berooving des gerichts en der gerechtigheid ziet in een landschap, verwonder u niet over zulk een voornemen, want die hooger is dan de hooge neemt er acht op, en daar zijn hoogen boven hen.

8 Het voordeel des aardrijks is voor allen, de Koning zelf wordt van het veld gediend.

9 Die het geld liefheeft wordt des gelds niet zat, en wie den overvloed liefheeft wordt van het inkomen niet zat: dit is óók ijdelheid.

10 Waar het goed vermenigvuldigt, daar vermenigvuldigen ook die het eten : wat nuttigheid hebben dan de bezitters daarvan, dan het gezicht hunner oogen?

11 De slaap des arbeiders is zoet, hij hebbe weinig of veel gegeten; maar de zatheid des rijken laat hem niet slapen.

12 Daar is een kwaad dat krankheid aanbrengt, hetwelk ik zag onder de zon: rijkdom van zijne bezitters bewaard tot hun eigen kwaad.

13 Of de rijkdom zelf vergaat door eene moeilijke bezigheid, en hij gewint eenen zoon, en daar is nietmetal in zijne hand;

14 gelijk als hij voortgekomen is uit den moederschoot, alzoo zal hij naakt wederkeeren, gaande gelijk hij gekomen was, en hij zal niet mede nemen van zijnen arbeid dat hij met zijne hand zoude wegdragen.

15 Daarom is dit óók een kwaad dat krankheid aanbrengt: dat hij in alle maniere gelijk hij gekomen is, alzóó henengaat, en wat voordeel is het hem dat hij in den wind gearbeid heeft,

16 dat hij ook alle zijne dagen in duisternis gegeten heeft, en dat hij veel verdriet gehad heeft, ook zijne krankheid en onstuimi-gen toorn?

17 Zie wat ik gezien heb , eene goede zaak die schoon is: te eten en te drinken en te genieten het


-ocr page 758-

740

goede van al zijnen arbeid dien hij bearbeid heeft onder de zon, gedurende het getal der dagen zijns levens hetwelk God hem geeft, want dat is zijn deel;

18 ook een iegelijk inensch aan denwelken God rijkdom en goederen gegeven heeft, en hij geeft hem de macht om daarvan te eten en om zijn deel te nemen en om zich te verheugen van zijnen arbeid, dat is eene gave Gods;

19 want hij zal niet veel godenken aan de dagen zijns levens, dewijl hem God verhoort in de blijdschap zijns harten.

HOOFDSTUK 6.

Daar is een kwaad dat ik gezien heb onder de zon, en het is véél onder de menschen;

2 een man, denwelken God gegeven heeft rijkdom en goederen en eer, en hij heeft voor zijne ziel geens dings gebrek van alles wat hij begeert: en God geeft hem de macht niet om daarvan te eten. maar dat een vreemd man dat opeet. Dit is óók ijdel-heid en eene kwade smart.

3 Indien een man honderd kinderen gewon, en vele jaren leefde, zoodat de dagen zijner jaren i vele waren, doch zijne ziel niet verzadigd werd van het goed en hij ook geen begrafenis had, — ik zeg dat eene misdracht beter is dan hij;

4 want mot ij delheid komt zij, en in duisternis gaat zij weg, en met duisternis wordt liaar naam bedekt;

5 ook heeft zij de zon niet gezien noch gekend: zij heeft meer rust dan hij.

6 Ja, al leefde hij ook tweemaal duizend jaren, en zag het goede niet: gaan zij niet allen naar ééne plaats ?

7 Al de arbeid des menschen is voor zijnen mond: en nogtans wordt de begeerlijkheid niet vervuld.

8 Want wat heeft de wijze meer dan de zot? Wat heeft de arme meer, die voor de levenden weet te wandelen?

9 Beter is het aanzien der oogen dan het wandelen der begeerlijkheid: dit is óók ijdelheid en kwelling des geestes.

10 Wat ook iemand zij , aireede is zijn naam genoemd, en het is bekend dat hij een mensch is, en dat hij niet kan richten met dien die sterker is dan hij.

11 Voorwaar, daar zijn vele dingen die de ijdelheid vermeerderen: wat heeft de mensch te meer daarvan?

12 Want wie weet wat goed is voor den mensch in dit leven, gedurende het getal der dagen des levens zijner ijdelheid, welke hij doorbrengt als eene schaduw? Want wie kan den mensch aanzeggen wat na hem wezen zal onder do zon?

HOOFDSTUK 7.

Beter is een goede naam dan goede olie, en de dag des doods dan de dag dat iemand geboren wordt.

2 Het is beter te gaan in het klaaghuis dan te g aan in het huis des maaltijds, want in hetzelve is het einde aller menschen, en de levende legt het in zijn harte.

3 Het treuren is beter dan het lachen, want door de droefheid des aangezichts wordt het harte gebeterd;

4 het hart der wijzen is in het klaaghuis, maar het hart der zotten in het huis dei vreugde.

5 Het is beter te hooren het bestrallen des wijzen, dan dat iemand hoore hét gezang der dwazen;

6 want gelijk het geluid der doornen onder eenen pot, alzóó is het lachen van een zot: dit is óók ijdelheid.

7 Voorwaar de onderdrukking zoude wel eenen wijze dol maken, en het geschenk verderft het hart.

8 Het einde eens dings is beter dan zijn begin; de lankmoedige is beter dan de noogmoedige.

9 Wees niet haastig in uwen geest om te toornen, want de toorn rust in den boezem der dwazen.

10 Zeg niet: Wat is er, dat de vorige dagen beter geweest zijn

PREDIKER 6, 7.


-ocr page 759-

PREDIKER 8.

741

dan deze? want gij zoudt naar zulks niet uit wijsheid vragen.

11 De wijsheid is goed met een erfdeel, en degenen die de zon aanschouwen hebben voordeel daarvan.

12 Want de wijsheid is tot eene schaduw , en het geld is tot eene schaduw; maar de uitnemendheid der wetenschap is, dat de wijsheid haren bezitters het leven geeft.

13 Aanmerkt het werk Gods; want wie kan recht maken wat hij krom gemaakt heeft?

14 Geniet het goede ten dage des voorspoeds, maar ten dage des tegenspoeds zie toe; want God maakt ook den éénen tegenover den anderen, ter oorzake dat de mensch niet zoude vinden iets dat na hem zal zijn.

15 Dit alles héb ik gezien in de dagen mijner ijdelheid: daar is een rechtvaardige die in zijne gerechtigheid omkomt, daarentegen is er een goddelooze die in zijne boosheid zijne dagen verlengt.

10 Wees niet al te rechtvaardig en houd uzelven niet al te wijs: waarom zoudt gij verwoesting over u brengen?

17 Wees niet al te goddeloos en wees niet al te dwaas: waarom zoudt gij sterven buiten uwen tijd?

18 Het is goed dat gij daaraan vasthoudt, en trek ook uwe hand hiervan niet af; want wie God vreest, die ontgaat dat alles:

19 de wijsheid versterkt den wijze meer dan tien heerschappen die in eene stad zijn.

20 Voorwaar daar is geen mensch rechtvaardig op aarde, die goed doet en niet zondigt.

21 Geef ook uw hart niet tot alle woorden die men spreekt, opdat gij niet hoort dat uw knecht u vloekt;

22 want uw hart heeft ook veelmalen bekend dat gij ook anderen gevloekt hebt.

23 Dit alles heb ik met wijsheid beproefd ; ik zeide: Ik zal wijsheid bekomen, maar zij was noq verre van mij;

24 hetgene dat verre af is en zeer diep, wie zal dat vinden?

25 Ik keerde mij om en mijn hart, om te weten en om na te sporen en te zoeken wijsheid en eene sluitrede, en om te weten de goddeloosheid der zotheid en de dwaasheid der onzinnigheden;

26 en ik vond een bitterder ding aan de dood: eene vrouw welker hart netten en garen, en welker handen banden zijn: wie goed is voor Gods aangezicht zal van haar ontkomen, daarentegen de zondaar zal van haar gevangen worden.

27 Zie, dit heb ik gevonden, zegt de Prediker, het één b i het ander, om de sluitrede te vinden,

28 dewelke mijne ziele nog zoekt, maar ik heb haar niet gevonden : éénen man uit duizend heb ik gevonden , maar eene vrouw onder die allen heb ik niet gevonden.

29 Alleenlijk zie, dit heb ik gevonden: dat God den mensch recht gemaakt heeft, maar zij hebben vele vonden gezocht.

HOOFDSTUK 8.

Wie is gelijk de wijze, en wie weet de uitlegging der dingen? De wijsheid des menschen verlicht zijn aangezicht, en de stuursch-heid zijns aangezichts wordt daai -door veranderd.

2 Ik zerj: Neem acht op den mond des Konings, doch naar de gelegenheid van den eed Godes.

3 Haast u niet weg te gaan van zijn aangezicht, blijf niet staande iri eene kwade zaak; want al wat hem lust doet hij.

4 Waar het woord des Konings is , daar is heerschappij ; en wie zal tot hem zeggen: Wat doet gij?

5 Wie het gebod onderhoudt zal niets kwaads gewaar worden , en het hart eens wijzen zi\\l tijd en wijze weten;

ü want ieder voornemen heeft tijd en wijze, dewijl het kwaad des menschen veel is over hem;

7 want hij weet niet wat er geschieden zal, want wie zal het hem te kennen geven, wanneer het geschieden zal?

8 Daar is geen mensch die heerschappij heeft over den geest, om den geest in te houden; en


-ocr page 760-

PREDIKER 9.

742

hij heelt geene heerschappij over den dag des doods, ook geen geweer in dezen strijd; ook zal de goddeloosheid hare meesters niet verlossen.

9 Dit alles heb ik gezien, toen ik mijn harte begaf tot alle werk dat onder de zon geschiedt: daar is een tijd dat de éöne mensch over den anderen mensch heerscht, hem ten kwade.

10 Alzuó heb ik ook gezien de goddeloozen die begraven waren, en degenen die kwamen en uit de plaatse des Heiligen gingen, die werden vergeten in die stad in welke zij recht gedaan hadden: dit is óók ij dolheid.

11 Omdat niet haastelijk het oordeel over de booze daad geschiedt, daarom is het hart van de kinderen der menschen in hen vol om kwaad te doen.

12 Hoewel een zondaar honderd-maal kwaad doet en God hem de dagen verlengt, zoo weet ik toch dat het dien zal wèl gaan die God vreezen, die voor zijn aangezicht vreezen;

13 maar den goddelooze zal het niet welgaan, en hij zal de dagen niet verlengen: hij zal zijn gelijk eene schaduw, omdat hij voor Godes aangezicht niet vreest.

14 Daar is nog eene ijdelheid die op aarde geschiedt: dat er zijn rechtvaardigen wien het wedervaart naar het werk der goddeloozen , en daar zijn goddeloozen wien het wedervaart naar het werk der rechtvaardigen: ik zeg dat dit óók ijdelheid is.

15 Daarom prees ik de blijdschap, dewijl de mensch niets beters heeft onder de zon dan te eten en te drinken en blijde te zijn, want dat zal hern aankleven van zijnen arbeid, de dagen zijns levens die hem God geeft onder de zon.

10 Als ik mijn hart begaf om wijsheid te weten, en om aan te zien de bezigheid die op aarde geschiedt, dat men ook, des daags noch des nachts, den slaap niet ziet met zijne oogen:

17 toen zag ik al het werk Gods, dat de mensch niet kan uitvinden het werk dat onder de zon geschiedt , om hetwelk een mensch arbeidt om te zoeken, maar hij zal het niet uitvinden; ja indien ook een wijze zeide dat hij het zonde weten, zoo zal hij het toch niet kunnen uitvinden.

HOOFDSTUK 9.

Zekerlijk dit alles heb ik in mijn hart gelegd, opdat ik dit alles klaarlijk mocht verstaan: dat de rechtvaardigen en de wijzen en hunne werken in de hand Gods zijn; ook liefde, ook haat, weet de mensch niet uit al het-gene dat voor zijn aangezicht is;

2 alle ding wedervaart hun gelijk allen anderen, éénerlei wedervaart den rechtvaardige en den goddelooze, den goede en den reine als den onreine, zoo dien die offert als dien die niet offert, gelijk den goede alzoo ook den zondaar, dien die zweert gelijk als dien die den eed vreest.

3 Dit is een kwaad onder alles dat onder de zon geschiedt, dat éénerlei ding allen wedervaart, en dat ook het hart der menschen-kinderen vol boosheid is, en dat er in hun leven onzinnigheden zijn in hun hart, en daarna moeten zij naar de dooden toe.

4 Want voor dengene die verge-zelschapt is bij alle levenden is er hoop; want een levende hond is beter dan een doode leeuw;

5 want de levenden weten dat zij sterven zullen, maar de dooden weten nietmetal, zij hebben ook geen\' loon meer, maar hunne gedachtenis is vergeten,

6 ook is aireede hunne liefde, ook hun haat, ook hunne nijdigheid vergaan, en zij hebben geen deel meer in deze eeuw in alles dat onder de zon geschiedt.

7 Ga dan henen , eet uw brood met vreugde en drink uwen wijn van goeder harte, want God heeft aireede een behagen aan uwe werken;

8 laat uwe kleederen te allen tijde wit zijn, en laat op uw hoofd geen olie ontbreken;

9 geniet het leven met de vrouw die gij lief hebt, alle de dagen uws


-ocr page 761-

PREDIKER 10.

743

I ijdelen levens welke God u gege-•j ven heeft onder de zon, alle uwe Cj ijdele dagen; want dit is uw deel H in dit leven en van uwen arbeid dien gij arbeidt onder de zon.

10 Alles wat uwe hand vindt om te doen, doe dat met uwe macht; want daar is geen werk, noch verzinning, noch wetenschap, noch wijsheid in het graf waar

1 gij henengaat.

11 Ik keerde mij en zag onder de zon, dat de loop niet is der snellen , noch de strijd der helden, noch ook de spijze der wijzen, noch ook de rijkdom der verstan-digen, noch ook de gunst der weiwetenden, maar dat tijd en toeval aan alle dezen wedervaart;

12 dat ook de mensch zijnen tijd niet weet, gelijk de visschen

v die gevangen worden met het

• booze net, en gelijk de vogelkens die gevangen worden met den strik: gelijk die, alzoo worden de kinderen der menschen verstrikt ter boozer tijd, wanneer dezelve haastelijk over hen valt.

13 Ook heb ik onder de zon | deze wijsheid gezien, en zij was

groot bij mij:

14 daar was eene kleine stad, en weinige lieden waren daarin:

\' en een groot Koning kwam tegen haar, en hij omsingelde ze, en hij bouwde groote vastigheden tegen \' haar:

15 en men vond daar eenen armen wijzen man in, die de stad verloste door zijne wijsheid; maar geen mensch quot;gedacht aan dien armen man.

16 Toen zeide ik: Wijsheid is beter dan kracht, hoewel de wijsheid des armen was veracht en zijne woorden niet waren gehoord

• geweest.

17 De woorden der wijzen moeten in stilheid aangehoord worden, meer dan het geroep desgenen die over de zotten heerscht.

18 De wijsheid is beter dan de krijgswapenen, maar een éénig zondaar verderft veel goeds.

HOOFDSTUK 10.

Eene doode vlieg doet de zalf des apothekers stinken en opwellen : alzoo een weinig dwaasheid eenen man die kostelijk is van wijsheid en van eer.

2 Het hart des wijzen is aan zijne rechter-, maar het hart van een zot is aan zijne linkerhand;

3 en ook wanneer de dwaas op den weg wandelt, zijn hart ontbreekt hem, en hij zegt tot een iegelijk dat hij dwaas is.

4 Als de geest des heerschers tegen u oprijst, verlaat uwe plaats niet; want het is een medicijn , het stilt groote zonden.

5 Daar is nog een kwaad dat ik gezien heb onder de zon, als eene dwaling die van het aangezicht des oversten voortkomt:

6 een dwaas wordt gezet in groote hoogheden, maar de rijken zitten in de laagte;

7 ik heb knechten te paard gezien, en Vorsten gaande als knechten op de aarde.

8 Wie eenen kuil graaft zal daar invallen; en wie eenen muur doorbreekt, eene slang zal hem bijten ;

9 wie steenen wegdraagt zal smart daardoor lijden, wie hout klieft zal daardoor in gevaar zijn.

10 -Indien hij het ijzer heert stomp gemaakt en hij slijpt de snede niet, dan moet hij meerder kracht te werk stellen, maar de wijsheid is eene uitnemende zaak om iets recht te maken.

11 Indien de slang gebeten heeft eer de bezwering geschied is, dan is daar geen nuttigheid voor den allerwelsprekendsten beziueerder.

12 De woorden van eens wijzen mond zijn aangenaam, maar de lippen van een zot verslinden hem zeiven;

13 het begin der woorden zijns monds is dwaasheid , en het einde zijns monds is booze dolheid.

14 De dwaas maakt wel vele woorden, maar de menseh weet niet wat het zij dat geschieden zal; en wat na hem geschieden zal, wie zal het hem te kennen geven?

15 De arbeid der zotten maakt een iegelijk van hen moede, dewijl zij niet weten naar de stad te gaan.


-ocr page 762-

744 PREDIK]

lö Wee u, land, welks Koning een kind is en welks Vorsten in den morgenstond eteri!

17 Welgelukzalig zijt gij, land, welks Koning een zoon der edelen is en welks Vorsten ter rechter tijd eten, tot sterkte en niet tot drinkerij.

18 Dooi- groote luiheid verzwakt het gebint, en door slapheid der handen wordt het huis doorlekkende

19 Men maakt maaltijden om te lachen, en de wijn verheugt de levenden, en het geld verantwoordt alles.

20 Vloek den Koning niet, zelfs in uwe gedachte, en vloek den rijke niet in het binnenste uwer slaapkamer; want het gevogelte des hemels zoude de stem wegvoeren, en het gevleugelde zoude het woord te kennen geven.

HOOFDSTUK 11.

Werp uw brood uit op het water , want gij zult het vinden na vele dagen.

2 Geef een deel aan zeven, ja ook aan acht, want gij weet niet wat kwaad op de aarde wezen zal.

3 Als de wolken vol geworden zijn, zoo storten zij plasregen uit op de aarde; en als de boom naar het Zuiden of als hij naar het Noorden valt, in de plaats waar de boom valt daar zal hij wezen.

4 Wie op den wind acht geeft, die zal niet zaaien, en wie op de wolken ziet, die zal niet maaien.

5 Gelijk gij niet weet welke de weg des winds is, o/quot; gelijk de beenderen zijn in den schoot van eene zwangere vrouw, alzóo weet gij het werk Godes niet die het alles maakt.

ü Zaai uw zaad in den morgenstond , en trek uwe hand des avonds niet af, want gij weet niet wat recht wezen zal, of dit öfdat of dat die beide te zamen goed zijn zullen.

7 Verder het licht is zoet, en het is den oogen goed de zon te aanschouwen;

8 maar indien de mensch vele jaren leeft, en verblijdt zich in

:r li, 12.

die alle, zoo laat hij ook gedenken aan de dagen der duisternis, want die zullen vele zijn; en al wat gekomen is, is ijdelheid.

9 Verblijd u, o jongeling, in uwe jeugd, en laat uw hart zich vermaken in de dagen uwer jongelingschap , en wandel in de wegen uws harten en in de aanschouwing uwer oogen: maar weet dat God om alle deze dingen u zal doen komen voor het gericht.

10 Zoo doe dan de toornigheid wijken van uw hart, en doe het kwade weg van uwvleesch, want de jeugd en de jonkheid is ijdelheid.

HOOFDSTUK 12.

En gedenk aan uwen Schepper in de dagen uwer jongelingschan, eer dat de kwade dagen komen en de jaren naderen, van dewelke gij zeggen zult: Ik heb geen lust in dezelve;

2 eer dat de zon en het licht, en de maan en de sterren verduisterd worden, en de wolken wederkomen na den regen;

3 in den dag wanneer de wachters des huizes zullen beven, en de sterke mannen zich zullen krommen, en de maalsters zullen stilstaan omdat zij minder geworden zijn, en die door de vensters zien verduisterd zullen worden ;

4 en de twee deuren naar de straat zullen gesloten worden, als er is een zwak geluid van het malen, en hij opstaat op de stem van het vogelken, en alle de zangeressen nedergebogen zullen worden;

5 ook wanneer zij voor de hoogte zullen vreezen, er. dat er verschrikkingen zullen zijn op den weg, en de amandelboom zal bloeien, en dat de sprinkhaan zichzelven een last zal wezen, en dat de lust zal vergaan; want de mensch gaat naar zijn eeuwig huis, en de rouwklagers zullen in de straat omgaan;

6 eer dat het zilveren koord ontketend wordt, en de gulden schaal in stukken gestooten wordt, en de kruik aar de springader gebroken wordt, en het rad aan den


-ocr page 763-

HOOGLIED 1.

745

bornput in stukken gestooten wordt,

7 en dat het stof wederom tot aarde keert als het geweest is, en de geest weder tot God keert die hem gegeven heelt.

8 IJdelheid der ijdelheden, zegt de Prediker; het is al ijdelheid,

9 En voorts, dewijl de Prediker wijs geweest is, zoo leerde hij het volk nog wetenschap, en merkte op en onderzocht, hij stelde vele spreuken in orde;

1Ü de Prediker zocht aangename woorden uit te vinden, en het geschrevene is recht, woorden der j waarheid.

11 De woorden der wijzen zijn !

gelijk prikkelen, en gelijk nagelen, diep ingeslagen van de meesters der verzamelingen, die gegeven zijn van den éénigen Herder;

12 en v/at boven dezelve is, mijn zoon, wees gewaarschuwd: van vele boeken te maken is geen einde, en veel lezen is vermoeiing des vleesches.

13 Van alles dat gehoord is, is het einde van de zake: Vrees God en houd zijne geboden, want dit betaamt alle men schen ;

14 want God zal ieder werk in het gericht brengen, met al wat verborgen is, het zij goed of het zij kwaad.


HET

HOOGLIED

VAN SALOMO.

HOOFDSTUK 1.

Het hooglied, hetwelk van Salomo is.

2 Hij kusse mij met de kussen zijns monds, want uwe uitnemende liefde is beter dan wijn.

3 Uwe oliën zijn goed tot reuk, uw naam is eene olie die uitgestort wordt; daarom hebben u de maagden lief:

4 trek mij , wij zullen u naloo-pen. De Koning heeft mij gebracht in zijne binnenkameren; wij zullen ons verheugen en in u verblijden ; wij zullen uwe uitnemende liefde vermelden, meer dan den wijn: dt; oprechten hebben u lief.

5 Ik ben zwart, doch liefelijk, gij dochteren Jeruzalems, gelijk de tenten Kedars, gelijk de gordijnen Salomo quot;s.

quot;(3 Ziet mij niet aan dat ik zwartachtig ben, omdat mij de zon heeft beschenen; de kinderen mijner moeder waren tegen mij ontstoken , zij hebben mij gezet t^t eene hoedster der wijngaarden: mijnen wijngaard dien ik heb, heb ik niet gehoed.

7 Zeg mij aan, gij dien mijne ziel liefheeft, waar gij weidt, waar gij de kudde legert op den middag; want waarom zoude ik zijn als eene die zich bedekt bij de kudden uwer metgezellen?

8 Indien gij quot;t niet weet, o gij schoonste onder de vrouwen, zoo ga uit op de voetstappen der schapen , en weid uwe geiten bij de woningen der herders.

9 Mijne vriendin, ik vergelijk u bij de paarden aan de wagens van Farao.

10 Uwe wangen zijn liefelijk in de spangen, uw hals in de parelsnoeren.

11 Wij zullen u gouden spangen maken met zilveren stipjes.

12 Terwijl de Koning aan zijne ronde tafel is, geeft mijn nardus zijnen reuk.

13 Mijn liefste is mij een bun-


)

-ocr page 764-

746 H O O G LI

deltje mirre dat tusschen mijne borsten vernacht.

14 Mijn liefste is mij een tros van cyprus in de wijngaarden van Engédi.

15 Zie, gij zijt schoon, mijne vriendin, zie, gij zijt schoon, uwe oogen zijn duivenoot/m.

1(5 Zie, gij zijt schoon, mijn liefste, ja liefelijk ; ook groent onze bedstede.

17 De balken onzer huizen zijn cederen, onze galerijen zijn cy-pressen.

HOOFDSTUK 2.

Ik ben eene roos van Saron, eene lelie der dalen.

2 Gelijk eene lelie onder de doornen, alzóó is mijne vriendin onder de dochters.

3 Als een appelboom onder de hoornen des wouds, zóó is mijn liefste onder de zonen: ik heb •grooten lust in zijne schaduw en zit er onder, en zijne vrucht is mijn gehemelte zoet.

4 Hij voert mij in liet wijnhuis, en de liefde is zijne banier over mij.

5 Ondersteunt gijlieden mij met de llesschen, versterkt mij met de appelen, want ik ben krank van liefde.

6 Zijne linkerhand zij onder mijn hoofd, en zijne rechterhand om-helze mij.

7 Ik bezweer u, gij dochteren Jeruzalems die bij de reeën of bij de hinden des vèlds zijt, dat gij de liefde niet opwekt noch wakker maakt tot dat het haar luste.

8 Dat is de stem mijns liefsten: zie hem, hij komt, springende op de bergen, huppelende op de heuvelen.

9 Mijn liefste is gelijk een ree of een welp der herten; zie, hij staat achter onzen muur, kijkende uit de vensters, blinkende uit de traliën.

10 Mijn liefste antwoordt en zegt tot mij: Sta op mijne vriendin, mijne schoone, en kom.

11 Want zie, de winter is voorbij, de plasregen is over, hij is overgegaan;

12 de bloemen worden gezien op het land, de zangtijd genaakt.

ED 2, 3.

en de stem der tortelduif wordt gehoord in ons land;

13 de vijgeboom brengt zijne jonge vijgjes voort, en -de wijnstokken geven reuk met hunne jonge druifjes : sta op mijne vriendin, rnijne schoone, en kom.

14 Mijne duive zijnde in de kloven der steenrotsen, in het verborgene eener steile plaats, toon mij uwe gedaante, doe mij uwe stemme hooren, want uwe stem is zoet en uwe gedaante is liefelijk.

15 Vangt gijlieden ons de vossen, de kleine vossen, die de wijngaarden verderven; want onze wijngaarden ZieMen jonge druifjes.

lü Mijn liefste is mijn, en ik ben zijn, die weidt onder de leliën

17 totdat de dag aankomt en de schaduwen vlieden: keer om mijn liefste, werd gij gelijk een ree of een welp der hérten op de bergen van Bether.

HOOFDSTUK 3.

Ik zocht \'s nachts op mijn leger hem dien mijne /.iele liefheeft, ik zocht hem, mae.r ik vond hem niet; ik zeide:

2 Ik zal nu opstaan en in de stad omgaan, in de wijken en in de straten, ik zal hem zoeken dien mijne ziele liefheeft; ik zocht hem , maar ik vond hem niet.

3 De wachters die in de stad omgingen, vonden mij; ik zeide: Hebt gij hem gezien dien mijne ziele liefheeft?

4 Toen ik een weinigje van hen weggegaan was, vond ik hem dien mijne ziele liefheeft: ik hield hem vast en liet hem niet gaan, tot dat ik hem in mijn moeders huis gebracht had. en in de binnenste kamer ; van degene die mij gebaard heeft.

5 Ik bezweer u, gij dochteren Jeruzalems, die bij de reeën of bij de hinden des velds zijt, dat gij de liefde niet opwekt noch wakker maakt tot dat het haar luste.

G Wie is zij die daar opkomt uit de woestijn als rookpilaren, berookt met mirre en wierook en met allerlei poeder des kruideniers?

7 Zie, het bed dat Salomo heeft,


-ocr page 765-

HOOGLIED 4, 5.

747

Ü daar zijn zestig helden rondom van de helden Israels,

8 die allemaal zwaarden houden, geoefend ten oorloge, elk hebbende zijn zwaard aan zijne heup, vanwege den schrik des nachts.

9 De Koning Salomo heelt zich eene koets gemaakt van het hout Libanons;

10 de pilaren- derzelve maakte hij van zilver, haren vloer van goud, haar gehemelte van purper: het binnenste was bespreid met de liefde, van de dochteren Jeruzalems.

11 Gaat uit en aanschouwt, gij dochteren Sions, den Koning Salomo, met de kroon waarmede zijne moeder hem kroonde op den dag zijner bruiloft en op den dag der vreugde zijns harten.

HOOFDSTUK 4.

Zie. gij zijt schoon mijne vriendin , zie, gij zijt schoon: uwe oogen zijn duivenoogren tusschen uwe vlechten, uw haar is als eene kudde geiten, die het gras van den berg Gilead afscheren.

2 Uwe tanden zijn als eene kudde schapen die geschoren zijn, die uit de waschstede opkomen, die al te zamen tweelingen voortbrengen , en geen onder hen is zonder jongen.

3 Uwe lippen zijn als een scharlaken snoer, en uwe spraak is liefelijk; de slaap uws hoofds is als een stuk van eenen granaat-

/ appel tusschen uwe vlechten.

4 Uw hals is als Davids toren die gebouwd is tot ophanging van ■wapentuig , waar duizend rondassen aan hangen, altemaal zijnde schilden der helden.

5 Uwe twee borsten zijn gelijk twee welpen, tweelingen van eene ree, die onder de leliën weiden.

6 Totdat de dag aankomt en de schaduwen vlieden, zal ik ga,-in tot den mirreberg en tot den wie-rookheuvel.

7 Geheel zijt gij schoon, mijne vriendin, en er is geen gebrek aan u.

8 Bij mij van den Libanon af, o bruid, kom bij mij van den Libanon af; zie van den top van

Amana, van den top Senirs en Hermons, van de woningen der leeuwinnen, van de bergen der luipaarden.

9 Gij hebt mij het hart genomen, mijne zuster, o bruid, gij hebt mij het hart genomen met één van uwe oogen, met ééne keten van uwen hals.

10 Hoe schoon is uwe uitnemende liefde, mijne zuster , o bruid ! hoe veel beter is uwe uitnemende liefde dan wijn, en de reuk uwer oliën dan alle specerijen!

11 Uwe lippen, o bruid, druppen van honigzeem; honig en melk is onder uwe tong, en do reuk uwer kleederen is als do reuk van Libanon.

12 Mijne zuster, o bruid, gij zijt een besloten hof, eene beslo-tene wel, eene verzegelde fontein.

13 Uwe scheuten zijn een paradijs van granaatappelen, met edele vruchten, Cyprus met nardus,

14 nardus\'en sall\'raan, kalmus en kaneel, met allerlei hoornen van wierook, mirre en aloë, mitsgaders alle voornaamste specerijen.

15 O fontein der hoven, put der levende wateren die uit Libanoa vloeien!

16 Ontwaak noordenwind, en kom gij zuidenwind; doorwaai mijnen hof, dat zijne specerijen uitvloeien. O dat mijn liefste tot zijnen hof kwame en ate zijne edele vruchten!

HOOFDSTUK 5.

Ik ben in mijnen hof gekomen, o mijne zuster, o bruid, ik heb mijne mirre gepinkt met mijne specerij , ik heb mijne honigraten met mijnen honig gegeten, ik heb mijnen wijn mitsgaders mijne melk gedronken. Eet, vrienden, drinkt. en word dronken, o liefste.

2 Ik sliep, maar mijn hart waakte; de stem mijns liefsten, die klopte, was: Doe mij open, mijne zuster, mijne vriendin, mijne duive, mijne volmaakte; want mijn hoofd is vervuld met dauw, mijne haarlokken met nachtdruppels.

3 Ik heb mijnen rok uitgetogen,


-ocr page 766-

HOOGLIED 6.

748

hoc zal ik hem weder aantrekken? Ik heb mijne voeten gewasschen. hoe zal ik ze weder bezoedelen?

4 Mijn liefste trok zijne hand van hét gat der deur, en mijn ingewand werd ontroerd om zijnentwil.

5 Ik stond op om mijnen liefste open te doen, en mijne handen dropen van mirre, en mijne vingers van vloeiende mirre, op de handvatsels van het slot;

6 ik deed mijnen liefste open: maar mijn liefste was geweken, hij was doorgegaan; mijne ziele ging uit vanwege zijn spreken , ik zocht hem, maar ik vond hem niet; ik riep hem, doch hij antwoordde mij niet.

7 De wachters die in de stad omgingen vonden mij, zij sloegen mij , zij verwondden mij, de wachters op de muren namen mijnen sluier van mij.

Sik bezweer u. gij dochters van Jeruzalem , indien gij mijnen liefste vindt, wat zult gij \'hem aanzeggen? Dat ik krank ben van liefde.

9 Wat is uw liefste meer dan een andere liefste, o gij schoonste onder de vrouwen? Wat is uw liefste meer dan een andere liefste . dat gij ons zoo bezworen hebt ?

10 Mijn liefste is blank en rood, hij draagt de banier boven tienduizend.

11 Zijn hoofd is van het fijnste goud, van het dichtste goud; zijne haarlokken zijn gekruld, zwart als een raaf.

12 Zijne oogen zijn als der duiven bij de waterstroomen, met melk gewasschen, staande als in kasjes der ringen.

13 Zijne wangen zijn als een bed van specerij, ah torens van reukwerk; zijne lippen zijn a/s leli- : ën, druppende van vloeiende mirre.

14 Zijne handen zijn als gouden ringen, gevuld met turkoois; zijn buik is als blinkend elpenbeen, overtogen met saffieren.

15 Zijne schenkelen zijn als marmerpiiaren, gegrond óp voeten van het dichtste goud; zijne gestalte is als de Libanon, uitgelezen als de cederen.

1G Zijn gehemelte is enkel zoetigheid, en al wat aan hem is, is gansch begeerlijk. Zulk een is mijn liefste, ja zulk een is mijn vriend, gij dochters van Jeruzalem.

HOOFDSTUK 6.

Waar is uw liefste henenge- 1 gaan, o gij schoonste onder de vrouwen? Waarhenen heeft uw ■ liefste het aangezicht gewend, opdat wij hem met u zoeken?

2 Mijn liefste is gegaan in zij- \' nen hof, tot de specerijbedden, om te weiden in de hoven, en om do leliën te verzamelen.

3 Ik ben mijns liefsten, en mijn liefste is mijn, die onder de lelien weidt.

4 Gij zijt schoon, mijne vriendin, gelijk Tirza, liefelijk als Jeruzalem , schrikkelijk als slagorden met banieren.

5 Wend «wc oogen van mij af, want zij doen mij geweld aan; uw haar is als eene kudde geiten die het gras van Gilead afscheren.

(J Uwe tanden zijn als eene j kudde schapen die uit de wasch- ; stede opkomen, die al te zamen tweelingen voortbrengen, en onder dezelve is geen zonder jongen.

7 Uwe wangen zijn als een stuk van eenen granaatappel tusschen uwe vlechten.

8 Er zijn zestig Koninginnen, en tachtig bijwijven, en maagden zonder getal:

9 eene éénige is mijne duive, mijne volmaakte . de éénige harer moeder, zij is de zuivere dergene die haar gebaard heeft; als de dochters haar zien, zoo zullen zij haar welgelukzalig roemen, dè Koninginnen en de bijwijven, en zullen ze prijzen.

10 Wie is zij die daar uitziet als de dageraad, schoon gelijk de maan, zuiver als de zon, schrikkelijk als slagorden met banieren?

11 Ik ben naar den notenhof afgegaan om de groene vruchten der vallei te zien, om te zien of de wijnstok bloeide, de granaat-boomen uitbotteden:

12 eer ik het wist, zette mij


-ocr page 767-

HOOGLIED 7,

749

mijne ziel op de wagens van mijn vrijwillig volk.

13 Keer weder, keer weder, o Sulammith; keer weder, keer weder, dat wij u mogen aanzien. Wat ziet gijlieden de Sulammith aan? Zij is als een rei van twee heiren.

HOOFDSTUK 7.

Hoe schoon zijn uwe gangen in de schoenen, gij Prinsendochter ; de omdraaiingen uwer heupen zijn als kostelijke ketens, zijnde het werk van de handen eens kunstenaars.

2 Uw navel is als een ronde beker waaraan geen drank ontbreekt; uw buik is als een hoop tarwe, rondom bezet met leliën.

3 Uwe twee borsten zijn als twee welpen, tweelingen van eene ree.

4 Uw hals is als een elpenbee-nen toren; uwe oogen zijn als de vijvers te Hesbon, bij de poort Bath-Rabbim; uw neus is ais de toren van Libanon, die tegen Damascus ziet.

5 Uw hoofd opu is als Karmel, en de haarband uws hoofds als purper; de Koning is als gebonden op de galerijen.

6 Hoe schoon zijt gij en hoe liefelijk zijt gij , o liefde, in wellusten!

7 Deze uwe lengte is te verge- 1 lijken bij een palmboom , en uwe borsten bij druiven-trossen.

8 Ik zeide: Ik zal op den palmboom klimmen, ik zal zijne takken grijpen; zoo zullen dan uwe borsten zijn als druiventrossen aan den wijnstok, en de reuk van uwen neus als appelen,

9 en uw gehemelte als goede wijn, die recht tot mijnen beminde gaat, doende de lippen der slapenden spreken.

10 Ik ben mijns liefsten, en zijne genegenheid is tot mij.

11 Kom mijn liefste, laat ons uitgaan in het veld, Iaat ons vernachten op de dorpen;

12 laten wij ons vroeg opmaken naar de wijnbergen, laat ons zien of de wijnstok bloeit, de jonge druifjes zich opendoen, de granaat-

appelboomen uitbotten: daar zal ik u mijne uitnemende liefde geven.

13 Dc dudaïm geven reuk, en aan onze deuren zijn allerlei edele vruchten , nieuwe en oude; o mijn liefste, die heb ik voor u weggelegd.

HOOFDSTUK 8.

Och dat gij mij als een broeder waart, zuigende\'de borsten mijner moeder; dat ik u op de straat vond: ik zoude u kussen, ook zouden zij mij niet verachten;

2 ik zoude u leiden, ik zoude u brengen in mijn moeders huis, gij zoudt mij leeren. ik zoude u van specerij-wijn te drinken geven, en van het sap van mijne granaatappelen.

3 Zijne linkerhand zij onder mijn hoofd, en zijne rechterhand om-helze mij.

4 Ik bezweer u, gij dochteren Jeruzalems, dat gij de liefde niet opwekt noch wakker maakt tot dat het haar luste.

5 Wie is zij die daar opklimt uit de woestijn, en leunt op haren liefste? Onder den appelboom heb ik u opgewekt, daar heeft u uwe moeder met smart voortgebracht, daar heeft zij u met smart voortgebracht die u gebaard heeft.

C Zet mij als een zegel op uw hart, als een zegel op uwen arm; want de liefde is sterk als de dood , de ijver is hart als het graf; hare kolen zijn vurige kolen, vlammen des Heeren.

7 Vele wateren zouden deze liefde niet kunnen uitblusschen, ja, de rivieren zouden ze niet verdrinken: al gaf iemand al het goed van zijn huis voor deze liefde, men zouae hem ten eenenmale verachten.

8 Wij hebben eene kleine zuster die nog geen borsten heeft; wat zullen wij onze zuster doen te dien dage als men van haar spreken zal?

9 Zoo zij een muur is, wij zullen een paleis van zilver op haar bouwen; en zoo zij eene deur is, wij zullen ze rondom bezetten met cederenplanken.

10 Ik ben een muur, en mijne borsten zijn als torens: toen was

-ocr page 768-

J ESA JA 1.

750

ik in zijne oogen als eene die vrede vindt.

11 Salomo had eenen wijngaard te Baal-Hamon; hij gaf dezen wijngaard aan de hoeders , een ieder bracht voor de vrucht deszelven duizend zilverlingen.

12 Mijn wijngaard dien ik heb is voor mijn aangezicht: de duizend zilverlingen zijn voor u, o

Salomo; maar tweehonderd zijn voor de hoeders van de vrucht deszelven.

13 O gij bewoonster der hoven, de metgezellen merken op uwe stem: doe ze mij hooren.

14 Kom haastelijk, mijn liefste , en wees gij gelijk een ree, of gelijk een welp der herten op de bergen der specerijen.

of gi

•sa v€


DE PROFEET J E S A J A.

HOOFDSTUK 1.

Het gezicht van Jesaja den zoon van Amoz , hetwelk hij zag over Juda en Jeruzalem , in de dagen van Uzzia, Jotham, Achaz en Hizkia, de Koningen van Juda.

2 Hoort gij hemelen , en neem ter oore gij aarde, want de Heehe spreekt: Ik heb kinderen groot gemaakt en verhoogd, maar zij hebben tegen mij overtreden.

3 Een os kent zijnen bezitter, en een ezel de kribbe zijns hee-ren; maar Israël heeft geen kennis, mijn volk verstaat niet.

4 Wee den zondigen volke, den volke van zware ongerechtigheid , den zade der boosdoeners, den verdervenden kinderen. Zij hebben den Heere verlaten , zij hebben den Heilige Israels gelas\'terd , zij hebben zich vervreemd, ivijkcn-de achterwaarts.

5 Waartoe zoudt gij meer geslagen worden? Gij zoudt des afvals des te meer maken. Het gansche hoofd is krank, en het gansche harle is mat;

0 van de voetzool af tot het hoofd toe is er niets geheels aan hetzelve, maar wonden en striemen en etterbuilen, die niet uitgedrukt noch verbonden zijn , en geen derzelve is met olie verzacht.

7 Uw aardrijk is eene vervvoes- . ting, uwe steden zijn met vuur verbrand , uw land dat verteren de vreemden in uwe tegenwoordigheid , en eene verwoesting is er, als eene omkeering door de vreemden.

8 En de dochter Sions is overgebleven als een hutje in den wijngaard , als een nachthutje in den komkommerhof, als eene belegerde stad.

9 Zoo niet de Heere der heir-scharen ons nog een weinig overblijfsels had gelaten , als Sodom zouden wij geworden zijn, wij zouden Gomorra gelijk zijn geworden.

10 Hoort des Heeren woord, gij oversten van Sodom; neemt ter oore de wet onzes Gods , gij volk van Gomorra.

11 Waartoe zal mij zijn de veelheid uwer slachtofleren ? zegt de Heere ; ik ben verzadigd van de brandofferen der rammen en het smeer der vette heesten, en heb geen lust aan het bloed der varren noch der lammeren noch der bokken.

12 Wanneer gijlieden voor mijn aangezicht komt te verschijnen, wie heeft zulks van uwe hand geëischt, da: gij mijne voorhoven betreden zoudt ?


-ocr page 769-

JESA

Z1Jquot; 13 Brengt niet meer vergeefsch ^ joffer, het reukwerk is mij een gruwel, de nieuwe maanden en ^en\' jsabbaten en het bijéénroepen der vefvergaderingen mag ik niet, het . quot;is ongerechtigheid, zelfs de ver-\'rS.\' ibodsdagen ;

14 uwe nieuwe maanden en uwe

I gezette hoogtijden quot;haat mijne ziele, ■ zij zijn mij tot eenen last, ik ben ! moede geworden die te dragen.

= 1 15 En als gijlieden uwe handen uitbreidt, verberg ik mijne oogen voor u; ook wanneer gij het gebed vermenigvuldigt hoor ik niet, j want uwe handen zijn vol bloed.

16 Wascht u, reinigt u, doet de boosheid uwer handelingen van voor mijne oogen weg, laat af van kwaad te doen.

17 Leert goed doen , zoekt het recht, helpt den verdrukte, doet den weeze recht, behandelt de

\' quot; twistzaak der weduwe. en 18 Komt dan en laat ons teza-)r- men richten, zegt de Heere: al jg waren uwe zonden als scharlaken, .jg zij zullen wit worden als sneeuw;

| .ii waren zij rood als karmozijn, „ | zij zullen worden als tuitte wolle.

19 Indien gijlieden willig zijten quot; hoort, zoo zult gij het goede dezes

lands eten;

20 maar indien gij weigert en wederspannig zijt, zoo zult gij van het zwaard gegeten worden; want

\' de mond des Heeren heeft het

II gesproken.

21 Hoe is de getrouwe stad tot eene hoer geworden! Zij was vol recht, gerechtigheid herbergde

? | daarin : maar nu doodslagers.

22 Uw zilver is geworden tot 1 schuim, uw wijn is vermengd met

water.

23 Uwe vorsten zijn afvalligen en metgezellen der dieven, een

, ieder van hen heeft de geschenken lief, en zij jagen de vergeldingen na; den weeze doen zij geen recht, en de twistzaak der weduwe komt niet vóór hen.

24 Daarom spreekt de Heere Heere der heirscharen, de Machtige Israels: O wee! Ik zal mij troosten over mijne wederpartij-ders, ik zal mij wreken van mijne vijanden.

J A 2. 751

25 En ik zal mijne hand tegen u keeren , en ik zal uw schuim op het allerreinste afzuiveren, en ik zal al uw tin wegnemen,

26 en ik zal n uwe rechters wedergeven als in \'t eerste, en uwe raadslieden als in den beginne. Daarna zult gij eene stad der gerechtigheid, eene getrouwe stad genoemd worden.

27 Sion zal door recht verlost worden, en hare wederkeerenden door gerechtigheid.

28 Maar daar zal verbreking zijn der overtreders en der zondaars te zamen, en die den Heere verlaten zullen omkomen.

29 Want zij zullen beschaamd worden om der eiken wille die gijlieden begeerd hebt, en gij zult schaamrood worden om der hoven wille die gij verkoren hebt;

30 want gij zult zijn als een eik welks bladeren afvallen, en als een hof die geen water heeft.

31 En de sterke zal wezen tot grof vlas, en zijn werkmeester lot eene vonk, èn zij zullen beiden te zamen branden; en daar zal geen uitblusscher wezen.

HOOFDSTUK 2.

Het woord dat Jesaja, de zoon van Amoz, gezien heeft over Juda en Jeruzalem.

2 En het zal geschieden in het laatste der dagen dat de berg van het Huis des Heeren zal vast gesteld zijn op den top der bergen, en dat hij zal verheven worden boven de heuvelen, en tot den-zelven zullen alle heidenen toevloeien.

3 En vele volken zullen henengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot den berg des Heeren, tot den huize van den God Jakobs opdat hij ons leere van zijne wegen en dat wij wandelen in zijne paden ; want iiit Sion zal de wet uitgaan , en des Heeren Woord uit Jeruzalem.

4 En hij zal richten onder de heidenen, en bestraffen vele volkeren , en zij zullen hunne zwaarden slaan iot spaden, en hunne spiesen tot sikkelen: het (\'One. volk zal tegen het andere volk


-ocr page 770-

JESAJA 3.

752

geen zwaard opheffen, en zij zullen geen oorlog meer leeren.

5 Komt gij huis Jakobs, en laat ons wandelen in het licht des Heer en.

6 Maar gij hebt uw volk, het huis Jakobs, verlaten; want zij zijn vervuld met goddeloosheid, meer dan het Oosten, en zij zijn guichelaars gelijk de Filistijnen, en aan de kinderen der vreemden toonen zij hun behagen.

7 En hun land is vervuld met zilver en goud, en hunner schatten is geen einde; hun land is ook vervuld met paarden, en hunner wagenen is geen einde.

8 Ook is hun land vervuld met afgoden, voor het werk hunner handen buigen zij zich neder, voor hetgene dat hunne vingeren gemaakt hebben.

9 Daar bukt zich de gemeene man , en de aanzienlijke man vernedert zich; daarom zult gij het hun niet vergeven.

10 Ga in den rotssteen en verberg u in het stof, vanwege den schrik des Heeren en om de heerlijkheid zijner majesteit.

11 Dg-, hooge oogen der menschen zullen vernederd worden, en de hoogheid der mannen zal neder-gebogen worden, en de Heere alleen zal te dien dage verheven zijn.

12 Want de dag des Heeren der heirscharen zal zijn tegen allen hoovaardige en hooge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd worde;

13 en tegen alle hooge en verhevene cederen van Libanon , en tegen alle eiken van Basan;

14 en tegen alle hooge bergen, en tegen alle verhevene heuvelen;

15 en tegen allen hoogen toren, en tegen allen vasten muur;

16 en tegen alle schepen van Tarsis, en tegen alle gewenschte schilderijen;

17 en de hoogheid des menschen zal gebogen en dc hoogheid der mannen zal vernederd worden, en de Heere alleen zal te dien dage verheven zijn,

18 en elkeen der afgoden zal gan-schelijk vergaan.

19 Dan zullen zij in de spelonken der rotssteenen gaan en in de holen der aarde, vanwege den schrik des Heeren en vanwege de heerlijkheid zijner majesteit, wanneer hij zich opmaken zal om de aarde te verschrikken.

20 Te dien dage zal de mensch zijne zilveren afgoden en zijne gouden afgoden, welke zij zich gemaakt hadden om zich daarvoor neder te buigen, wegwerpen voor de mollen en do vledermui-zen:

21 gaande in de reten der rotsen, en in de kloven der steenrotsen, vanwege den schrik des Heeren en vanwege de heerlijkheid zijner majesteit, wanneer hij zich opmaken zal om de aarde geweldiglijk te verschrikken.

22 Laat gijlieden dan af van den mensch, wiens adem in zijnen neus is, want waarin is hij te achten?

HOOFDSTUK 3.

Want zie, de Heere Heere der heirscharen zal van Jeruzalem en van Juda wegnemen den stok en den staf, allen sv.ok des broods en allen stok des waters;

2 den held en den krijgsman, den rechter en den Profeet en den waarzegger en den oude;

3 den overste van vijftig en den aanzienlijke en den raadsman, en den wijze onde.\' de werkmeesters en dien die kloek ter taal is.

4 En ik zal jongelingen stellen tot hunne Vorsten, en kinderen zullen over hen heerschen.

5 En het volk zal gedrongen worden, de één zal zijn tegen den ander, en een iegelijk tegen zijnen naaste: de jongeling zal stout zijn tegen den oude, de verachte tegen den heerlijke.

ü Wanneer iemand zijnen broeder uit het huis zijns vaders zal aangrijpen, zeggende: Gij hebt een kleed, wees ons tot overste , laat toch deze aanstoot onder uwe hand wezen:

7 zoo zal hij te dien dage zijne hand opheffen, zeggende: Ik kan geen heelmeester wezen, daar is ook geen brood en geen kleed in


-ocr page 771-

JESA

- } mijn huis; zet mij niet tot een i overste des volks.

i 8 Want Jeruzalem heeft aange-} stooten en Juda is gevallen, dewijl , hunne tong en handelingen tegen den Heere zijn, om de oogen i zijner heerlijkheid te verbitteren, i 9 Het gelaat huns aangezichts getuigt tegen hen , en hunne zonde spreken zij vrijuit gelijk Sodom, zij verbergen zé niet. Wee hun-! libder ziele, want zij doen zich-| zeiven kwaad.

10 Zegt den rechtvaardige dat het hem wèl gaan zal, dat zij de vrucht hunner werken zullen éten:

11 wee den goddelooze, het zal 1 hem kwalijk gaan , want de vergelding zijner handen zal hem geschieden.

12 De drijvers mijns volks zijn kinders, en vrouwen heerschen

Iover hetzelve. O mijn volk, die u leiden verleiden n, en den weg uwer paden slokken zij in.over hetzelve. O mijn volk, die u leiden verleiden n, en den weg uwer paden slokken zij in.

13 De Heere stelt zich om te pleiten, en hij staat om de volkeren te richten,

14 de Heere komt ten gerichte tegen de oudsten zijns volks en

■ deszelfs Vorsten; want gijlieden gt;■ hebt dezen wijngaard verteerd, ^ de roof des ellendigen is in uwe | huizen.

15 Wat is ulieden, dat gij mijn volk verbrijzelt en de aangezichten der ellendigen vermaalt? spreekt de Heere Heere der heirscharen.

16 Voorts zegt de Heere: Daarom dat de dochteren Sions zich verheffen en gaan met uit-gestrekten hals, en lonken met do oogen, al gaande en trippelende daarhenen treden, en alsof hare voeten gebonden waren:

17 zoo zal de Heere den schedel der dochteren Sions schurftig

g maken, en de HEERE zal hare schaamte ontblooten.

18 Teuzelfden dage zal de Heere | wegnemen het sieraad der kouse-1 banden en de netjes en de maan-1 tjes,

19 de reukdoosjes en de kleine ketentjes en de glinsterende kleedingen ,

20 de hoofdkronen en de arm-I versierselen en de bindselen en

J A 4. 753

de reukballetjes en do oorringen ,

21 do ringen en de voorhoofd-sierselen,

22 de wisselkleederen en de manteltjes en de hoedjes en de buidels,

23 de spiegels en de fijne linnen deksels en de hulledoeken en de sluiers;

24 en het zal geschieden dat er voor specerij stank zal zijn, en losheid voor een gordel, en kaalheid in plaats van haarvlechten, en omgording eens zaks in plaats van eenen wijden rok, en ver-b anding in plaats van schoonheid.

25 Uwe mannen zullen door het zwaard vallen en uwe helden in don strijd;

26 en hare poorten zullen treuren en leed dragen, en zij zal ledig gemaakt zijnde op de aarde zitten.

HOOFDSTUK 4.

En te dien dage zullen zeven vrouwen éénen man aangrijpen, zeggende: Ons brood zullen wij eten, en met onze kleederen zullen wij bekleed zijn: laat ons alleenlijk naar uwen naam genoemd worden, neem onze smaad-heid weg.

2 Te dien dage zal des Hee-ren Spruit zijn tot sieraad en tot heerlijkheid, en de vrucht der aarde tot voortreffelijkheid en tot versiering dengenen dien het ontkomen zullen in Israël.

3 En het zal geschieden dat de overgeblevene in Sion en de over-gelatene in Jeruzalem zal heilig geheeten worden, een iegelijk die geschreven is ten leven te Jeruzalem ,

4 als de Heere zal afgewasschen hebben den drek der dochteren Sions, en de bloedschulden Jeru-zalems zal verdreven hebben uit derzelver midden, door den Geest des oordeels en door den Geest der uitbranding.

5 En de Heere zal over alle woning van dtn berg Sion, en over hare vergaderingen, scheppen eene wolk des daags en eenen


-ocr page 772-

J E S A J A 5.

754

rook, en den glans eens vlam-menden vuurs des nachts want over alles wat heerlijk is zal eene beschutting wezen.

6 En daar zal eene hut zijn tot eene schaduw des daags tegen de hitte, en tot eene toevlucht en tot eene verberging tegen den vloed en tegen den regen.

HOOFDSTUK 5.

Nu zal ik mijnen beminde een lied mijns liefsten zingen van zijnen wijngaard: Mijn beminde heeft eenen wijngaard op eenen vetten heuvel,

2 en hij heeft dien omtuind en van steenen gezuiverd, en hij heeft hem beplant edele wijnstokken , en hij heeft in het midden deszelven eenen toren gebouwd, en ook eenen wijnbak daarin uitgehouwen, en hij heeft verwacht dat hij goede druiven zoude voortbrengen: maar hij heeft stinkende druiven voortgebracht.

3 Nu dan, gij inwoners van Jeruzalem en gij mannen van Juda, oordeelt toch tusschen mij en tus-schen mijnen wijngaard:

4 wat is er meer te doen aan mijnen wijngaard, hetwelk ik aan hem niet gedaan heb? Waarom heb ik verwacht dat hij goede druiven voortbrengen zoude, en hij heeft stinkende druiven voortgebracht?

5 Nu dan, ik zal ulieden nu bekend maken wat ik mijnen wijngaard doen zal: ik zal zijne omheining wegnemen, opdat hij zij tot afvveiding; zijnen muur zaJ ik verscheuren, opdat hij zij tot vertreding;

6 en ik zal hem tot woestheid maken, hij zal niet besnoeid noch omgehakt worden, maar distelen en doornen zullen daarin opgaan; en ik zal de wolken gebieden dat zij geenen regen daarop regenen.

\'l Want des Heeren der heir-scharen wijngaard is het huis Israels, en de mannen van Juda zijn eene plante zijner verlustiging; eh hij heeft gewacht naar recht, maar zie, het is schurftigheid, naar gerechtigheid, maar zie, het is geschreeuw.

8 Wee dengenen die huis aan huis trekken, akker aan akker brengen, totdat er geen plaatse meer is en gijlieden alléén inwoners gemaakt wordt in het midden des lands.

9 Voor mijne ooren heeft de Heere der heirscharen gesproken : Zoo niet vele huizen tot verwoesting zullen worden, de groote en de treffelijke zonder inwoner! .

10 Ja tien bunders wijngaard zullen een éénig bath geven, en een homer zaad zal een efa geven.

11 Wee dengenen die zich vroeg opmakende in den morgenstond sterken drank najagen, en vertoeven tot in de schemering, totdat de wijn hen heeft verhit;

12 en harpen en luiten, trommelen en pijpen en wijn zijn in hunne maaltijden, — maar zij aanschouwen het werk des Heeren niet, en zij zien niet op het maaksel zijner handen.

13 Daarom zal mijn volk gevankelijk weggevoerd worden, omdat het geene wetenschap heeft; en zijne heerlijken zullen honger lijden, en hunne menigte zal verdorren van dorst.

14 Daarom zai het graf zich wijd opsperren en zijnen mond open doen zonder maat, opdat nederdale hare ^eerlijkheid en hare menigte, mei haar gedruisch en die in haar van vreugd opspringt.

15 Dan zal de gemeene man nedergebogen worden, en de aanzienlijke man zal vernederd worden, en de oogen der hoovaardi-gen zullen vernederd worden:

16 doch de Heere der heirscharen zal verhoogd worden door het recht, en God de Heilige zal geheiligd worden door gerechtigheid.

17 En de lammeren zullen weiden naar hunne wijze, en de vreemdelingen zullen de verwoeste plaatsen der vetten eten.

18 Wee dengenen die de ongerechtigheid trekken met koorden der ijdelheid , en de zonde als met dikke wagenzelen;

19 die daar zeggen: Dat hij zich


-ocr page 773-

JESA

haaste, dat hij zijn werk bespoe-dige, opdat wij het zien; en iaat naderen en komen de raadslag des Heiligen van Israël, dat wij het vernemen.

20 Wee dengenen die het kwade goed heeten en het goede kwaad, die duisternis tot licht stellen en het licht tot duisternis,, die het bittere tot zoet stellen en het zoete tot bitterheid.

21 Wee dengenen die in hunne oogen wijs en bij zichzelve verstandig zijn.

22 Wee dengenen die helden zijn om wijn te drinken, en die kloeke mannen zijn om sterken drank te mengen;

23 die den goddelooze rechtvaardigen om een geschenk, en de gerechtigheid der rechtvaardigen van hen afwenden.

24 Daarom gelijk de tong des vuurs den stoppel verteert en het kaf door de vlam verdaan wordt, alzoo zal hun wortel als eene uittering wezen en hunne bloem zal als stof opvaren, omdat zij de wet des Heeren der heirscharen verwerpen en de rede des Heiligen van Israël versmaden.

25 Daarom is de toorn des Heeren ontstoken tegen zijn volk, en hij heeft tegen hetzelve zijne hand uitgestrekt, en hij heeft liet geslagen, zoodat de bergen hebben gebeefd, en hunne doode lichamen zijn geworden als drek in het midden der straten: om dit alles keert zijn toorn zich niet af. maar zijne hand is nog uitgestrekt.

26 Want hij zal eene banier opwerpen onder do heidenen van verre, en hij zal ze herwaarts lokken van het einde der aarde; en zie, haastelijk, snellijk zullen zij aankomen.

27 Geen moede en geen struikelende zal onder hen wezen, niemand zal sluimeren noch slapen , noch de gordel zijner lendenen ontbonden worden, noch de schoenriem zijner schoenen afgescheurd worden.

28 Welker pijlen scherp zullen zijn, en alle hunne bogen gespannen ; hunner paarden hoeven zul-

J A 6. 755

len als eene rots geacht zijn, en hunne raderen als een wervelwind ;

29 hun gebrul zal zijn als eens ouden leeuws, en zij zuilen brullen a\'.s de jonge leeuwen, en zij zullen b \'ieschen, en den roof aangrijpen en wegvoeren: en daar zal geen verlosser zijn.

30 En zij zullen tegen hetzelve te dien dage bruisen, als het bruisen der zee. Dan zal men de aarde aanzien, maar zie, daar zal duisternis en benauwdheid zijn, en het licht zal verduistert worden in hare verwoestingen.

HOOFDSTUK 6.

In den jare toen de Koning Uzzia stierf zag ik den Heere zittende op een hoogen en verheven troon, en zijne zoomen vervullende den tempel.

2 De serafs stonden boven hem; een iegelijk had zes vleugelen: met twee bedekte ieder zijn aangezicht , en met twee bedekte hij zijne, voeten, en met twee vloog hij.

3 En de één riep tot den ander en zeide: Heilig, heilig, heilig iquot; de Heere der heirscharen, de gansche aarde is van zijne heerlijkheid vol;

4 zoodat de posten der dorpelen zich bewogen van de stemme des roependen, en het Huis werd vervuld met rook.

5 Toen zeide ik : Wee mij , want ik verga, dewijl ik een man van onreine lippen ben, en woon in het midden eens volks dat onrein van lippen is; want mijne oogen hebben den Koning, dèn Heere der heirscharen gezien.

6 Maar een van de serafs vloog tot mij, en had eene gloeiende kool in zijne hand, riit?hij met de tang van het altaar genomen had;

7 en hij roerde mijnen mond daarmede aan, en zeide: Zie, deze heeft uwe lippen aangeroerd, alzoo is uwe misdaad van u geweken en uwe zonde is verzoend.

8 Daarna hoorde ik de stemme des Heem kn, dewelke zeide: Wien zal ik zenden, en wie zal ons he-


*

-ocr page 774-

75G JESA

nengüan? Toen zeide ik: Zie hier ben ik, zend mij henen.

9 Toen zeide hij: Ga henen en zeg tot dit volk: Hoorende hoort maar verstaat niet, en ziende ziet maar bemerkt niet.

10 Maak het hart dezes volks vet, en maak hunne ooren zwaar, en sluit hunne oogen; opdat het niet zie met zijne oogen, noch met zijne ooren hoore, noch met zijn harte versta, noch zich be-keere en hij het geneze.

11 Toen zeide ik: Hoe lang Hee-re? En hij zeide: Totdat de steden verwoest worden zoodat er geen inwoner is, en de huizen zoodat er geen mensch is, en het land met verwoesting verstoord worde.

12 Want de Heere zal die men-schen verre wegdoen . en de verlating zal groot wezen in het binnenste des lands.

13 Doch nog een tiende deel zal daarin zijn , en het zal wederkee-ren en zijn om af te weiden: maar gelijk de eik en gelijk de haageik, in welke na de afwerping der bladeren nog steunsel is, al-zoo zal het heilige zaad het steunsel daarvan zijn.

HOOFDSTUK 7.

Het geschiedde nu in de dagen van Achaz, den zoon van Jotham, den zoon van Uzzia, den Koning vanJuda, dat Rezin de Koning van Syrië, en Pekah de zoon van Remalia , de Koning Israels , optoog naar Jeruzalem , ten oorlog tegen haar; maar hij vermocht met strijden niet tegen haar.

2 Als men den huize Davids boodschapte, zeggende: De Sy-riörs rusten op Efraim, zoo bewoog zich zijn hart en het hart zijns volks gelijk de boomen des wouds bewogen worden van den wind.

3 En de Heere zeide tot Jcsaja: Ga nu uit, Achaz tegemoet, gij en uw zoon Schear-Jaschub , aan het einde van den watergang des oppersten vijvers, aan den hoogen weg van het veld des vollers,

4 en zeg tot hem : Wacht u en wees gerust, vrees niet en uw harte worde niet week vanwege

JA 7.

deze twee staarten dezer rockende vuurbranden, vanwege de ontsteking des toorns van Rezin en de Syriërs, en van den zoon van Remalia:

5 omdat de Syriër kwaad tegen u beraadslaagd heeft met Efraïm en den zoon van Remalia, zeggende :

ü Laat ons optrekken tegen Juda en het verdriet \'aandoen, en het onder ons deelen, en den zoon Tabeëls Koning maken in het midden van hen.

7 Aldus zegt de Heere Heere: Het zal niet bestaan en het zal niet geschieden;

8 maar Damascus zal het hoofd van Syrië zijn, en Rezin het hoofd van Damascus; en in nog vijfenzestig jaar zal Efraïm verbroken worden dat het geen volk zij:

9 ondertusschen zal Samarië Efraïms hoofd zijn, en de zoon van Remalia hel. hoofd van Samarië. Indien gijlieden niet gelooft, zekerlijk gij zult niet bevestigd worden.

10 En de Heere voer voort te spreken tot Achaz, zeggende:

11 Eisch u een teeken van den Heere uwen God, eisch beneden in de diepte of eisch boven uit de hoogte.

12 Doch Achaz zeide: Ik zal het niet eischen en ik zal den Heere niet verzoeken.

13 Toen zeide hij: Hoort gijlieden nu, gij huis Davids; is het ulieden te weinig dat gij de men-schen moede maakt, dat gij ook mijnen God moede maakt?

14 Daarom zal de Heere zelf ulieden een teeken geven. Zie, eene maagd zal zwanger worden, en zij zal eenen zoon baren, en zijnen naam lmma.NuëL heeten;

15 boter en honig zal hij eten, tot dat hij weet het kwade te verwerpen en het goede te verkiezen :

16 zekerlijk eer dit jongsken weet het kwade te verwerpen en het goede te verkiezen, zal dat land waarover gij verdrietig zijt verlaten zijn van zijne twee koningen.

17 Doch de Heere zal over u en over uw volk en over uws va-


-ocr page 775-

JESAJA

ders huis dagen doen komen, hoe-danige niet gekomen zijn van dien dag af dat Efraïm van Juda is afgeweken, door den Koning van Assyrië.

18 Want het zal te dien dage geschieden dat de Heere zal lokken de vliegen die aan het einde der rivieren van Egypte zijn, en de bijen die in het land Assur zijn ,

19 en zij zullen komen, en zij allen zullen rusten in de woeste dalen, en in de kloven der steenrotsen, en in alle de doornhagen, en in alle geprezene plaatsen.

20 Te dien dage zal de Heere door een gehuurd scheermes het-welk aan gene zijde der rivier is, door den Koning van Assyrië, afscheren het hoofd en het haar der voeten, ja het zal ook den baard gansch wegnemen.

21 En het zal geschieden te dien dage dat iemand een koetje in het leven zal behouden hebben, en twee schapen,

22 en het zal geschieden dat hij vanwege de veelheid der melk die zij geven zullen boter zal eten, ja een ieder die overgebleven zal zijn in het midden des lands, die zal boter en honig eten.

23 Ook zal het te dien dage geschieden dat iedere plaats alwaar duizend wijnstokken geweest zijn van duizend zilverlingen, die zal tot doornen en distelen zijn,

24 dat men met pijlen en met den boog aldaar z:il moeten gaan; want het gansche land zal doornen en distelen zijn,

25 ook alle de bergen die men met houweelen pleegt om te hakken, daar zal men niet komen uit vreeze der doornen en der distelen , maar die zullen wezen tot inzending van den os en tot vertreding van het kleine vee.

HOOFDSTUK 8.

Voorts zeide de Heere tot mij: Neem u eene groote rol, en schrijf daarop met eens inenschen griffel; Haastende tot den roof, is hij spoedig tot den buit.

2 Toen nam ik mij getrouwe getuigen, Una den Priester, en Zacharia den zoon van Jeberechja.

3 En ik was tot de Profetes genaderd , die werd zwanger en baarde eenen zoon; en de Heere zeide tot mij: Noem zijnen naam Maheu schalal chas raz;

4 want eer dat jongsleen zal kunnen roepen: Mijn vader of mijne moeder, zal men den rijkdom van Damascus en den buit van Sama-r ë dragen voor het aangezicht des Konings van Assur.

5 En de Heere sprak nog verder tot mij, zeggende:

C Dewijl dit volk veracht de wateren van Silóah die zachtkens gaan, en daar vreugd is bij Rezin en den zoon van Remalia:

7 daarom zie, zoo zal de Heere over hen doen opkomen die sterke en geweldige wateren der rivier, den Koning van Assyrië en alle zijne heerlijkheid; en hij zal opkomen over alle zijne stroomen en gaan over alle zijne oevers,

8 en hij zal doortrekken in Juda, hij zal het overstroomen en daar doorgaan, hij zal tot aan den hals reiken , en de uitstrekkingen zijner vleugelen zullen vervullen de breedte uws lands, o Immanuël.

9 Vergezelt u te zamen gij volken , doch wordt verbroken; en neemt ter oore gij allen die in verre landen zijt, omgordt u doch wordt verbroken, omgordt u doch wordt verbroken;

10 beraadslaagt eenen raad doch hij zal vernietigd worden, spreekt een woord doch het zal niet bestaan ; want God is met ons.

11 Want alzóó heeft de Heere tot mij gezegd met eene sterke hand, en hij onderwees mij van niet te wandelen op den weg dezes volks, zeggende:

12 Gijlieden zult niet zeggen: Eene verbintenis, van alles waar dit volk van zegt: Het is eene verbintenis; en vreest gijlieden hunne vreeze niet en verschrikt niet.

13 Den Heere der heirscharen, dien zult gijlieden heiligen, en hij zij uwe vreeze, en hij zij uwe verschrikking.

14 Dan zal hij ulieclen tot een heiligdom zijn, maar tot een steen des aanstoots en tot een rotssteen


-ocr page 776-

JESA

758

ja 9.

der struikeling den twee huizen Israels, tot een strik en tot een net den inwoneren te Jeruzalem;

15 en velen onder hen zullen struikelen en vallen en verbroken worden, en zullen verstrikt en gevangen worden.

16 Bind de getuigenis toe, verzegel do wet onder mijne leerlingen.

17 Daarom zal ik den Heere verbeiden, die zijn aangezicht verbergt voor den huize Jakobs, en ik zal hem verwachten.

18 Zie, ik en de kinderen die de Heere mij gegeven heeft zijn tot teekenen en tot wonderen \'in Israël, van den Heere der heir-scharen die op den berg Sion woont.

19 Wanneer zij dan tot ulieden zeggen zullen: Vraagt de waarzeggers en duivelskunstenaars, die daar piepen en binnensmonds mompelen , zoo zegt: Zal niet een volk zijnen God vragen? Zal men voor de levenden de dooden vragen?

20 Tot de wet en tot de getuigenis! Zoo zij niet spreken naar Uit woord, \'t zal zijn dat ze geen dageraad zullen hebben.

21 En een ieder van hen zal daarhenen gaan, hard gedrukt en hongerig; en het zal geschieden wanneer hem hongert en hij zeer toornig zal zijn, dan zal hij vloeken op zijnen Koning en op zijnen God, als hij opwaarts zal zien;

22 als hij de aarde aanschouwen zal, zie, daar zal benauwdheid en duisternis zijn, hij zal verduisterd zijn door angst en voortgedreven door donkerheid.

23 Maar het land dat beangstigd was zal niet gansch verduisterd worden; gelijk als hij het in den eersten tijd verachtelijk gemaakt heeft naar het land Zebulon aan en naar het land Naftali aan, al-zoo heeft hij het in het laatste heerlijk gemaakt naar den weg zeewaarts aan, gelegen over der: Jordaan, aan Galiléa der heidenen.

HOOFDSTUK 9.

Hel volk dat in duisternis wandelt zal een groot licht zien, degenen üie wonen in het land van de schaduw des doods, over dezelve zal een licht schijnen.

2 Gij hebt dit volk\'vermenigvuldigd . maar gij hebt de blijdschap niet groot gemaakt; zij zullen nog tans blijde wezen voor uw aangezicht, gelijk men zich verblijdt in den oogst, gelijk men verheugd is wanneer men den buit uitdeelt.

\'ó Want het juk van hunnen last, en den stok hunner schouderen, en den staf desgenen die hen dreef, hebt gij verbroken, gelijk ten dage der Midianiten,

4 toen de gansche strijd dergenen -die streden met gedruisch geschiedde, en de kleederen in het bloed gewenteld en verbrand werden, lot een voedsel des vuurs.

5 Want een kind is ons geboren, een zoon is ons gegeven, en de heerschappij is op zijnen schouder ; en men noemt zijnen naam Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid. Vredevorst;

6 der grootheid dezer heerschappij en des vredes zal geen einde zijn op dei troon Davids en in zijn koninkrijk, om dat te bevestigen en dat ie sterken met gericht en met gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid toe. De ijver des Heeren der heirscharen zal zulks doen.

7 De Heere heeft een woord gezonden in Jakob, ei het is gevallen in Israël.

8 En al dit volk zal het gewaar worden, Efraïm en de inwoner van Samaric, in hoogmoed en grootschheid des harten zeggende:

9 De tichelsteenen zijn gevallen, maar met uitgehouwen steenen zullen wij wederom bouwen; de wilde vijgeboomen zijn afgehouwen, maar wij zullen ze in cederen veranderen.

10 Want de Heere zal Rezins tegenpartijders tegen hem verheffen, en hij zal zijne vijanden te zamen vermengen,

11 de Syriërs van voren en de Filistijnen\'van achteren, dat zij Israël opeten met vollen mond : om dit alles keert zijn toorn niet af, maar zijne hand is nog uitgestrekt.


-ocr page 777-

JA 10.

759

JES A

12 Want dit volk keert zich niet tot dien die het slaat, en den Heere der heirscharen zoeken zij niet.

13 Daarom zal de Heere afhouwen uit Israël den kop en den staart, den tak en de bieze, op éénen dag;

14 (de oude en aanzienlijke is de kop, maar de Profeet die valsch-heid leert is de staart);

15 want de leiders dezes volks zijn verleiders, en die van hen geleid worden, worden ingeslokt.

IC Daarom zal zich de Heere niet verblijden over hunne jongelingen, en over hunne weezen en hunne weduwen zal hij zich niet ontfermen, want zij zijn al te zamen huichelaars en boosdoeners, en alle mond spreekt dwaasheid: om dit alles keert zijn toorn niet af, maar zijne hand is nog uitgestrekt.

17 Want de goddeloosheid brandt als vuur. doornen en distelen zal zij verteren, en zal aansteken de verwarde struiken des wouds , die zich verheven hebben als de verheffing des rooks.

18 Vanwege de verbolgenheid des He en en der heirscharen zal het land verduisterd worden, en het volk zal zijn als een voedsel des vuurs, de één zal den ander niet verschoonen ;

19 zoo hij ter rechterhand snijdt zal hij toch hongeren, en zoo hij ter linkerhand eet zal hij toch niet verzadigd worden, een iegelijk zal het vléesch zijn arms eten,

20 Manasse Efraïm, en Efraïm Manasse, en zij zullen te zamen tegen Juda zijn; om dit alles keert zijn toorn niet af, maar zijne hand is nog uitgestrekt.

HOOFDSTUK 10.

Wee dengenen die ongerechtige inzettingen inzetten, en den schrijvers die moeite voorschrijven,

2 om de armen van het recht af te wenden en om het recht der ellendigen mijns volks te rooven, opdat de weduwen hun buit worden en opdat zij de weezen mogen plunderen.

3 Maar wat zult gijlieden doen ten dage der bezoeking en deiverwoesting, die van verre komen zal? Tot wien zult gij vlieden om hulp, en waar zult gij uwe heerlijkheid laten,

4 dat elk zich niet zoade buigen onder de gevangenen en vallen onder de gèdooden ? Om dit alles keert zijn toorn niet af. maar zijne hand is nog uitgestrekt.

5 Wee den Assyriër, die de roede mijns toorns is, en mijne grimmigheid is een stok in hunne hand:

6 ik zal hem zenden tegen een huichelachtig volk, en ik zal hem bevel geven tegen hetvo-k mijner verbolgenheid, opdat hij den roof roove en de plundering plundere, en het ter vertreding stelle gelijk het slijk der straten:

7 hoewel hij het zóó niet meent en zijn hart alzóó niet denkt, maar hij zal in zijn hart hebben te verdelgen en uit te roeien niet weinige volken.

8 Want hij zegt: Zijn riet mijne Vorsten al te zamen Koningen\'?

9 Is nietKalno gelijk Karkemis? Is Hamath niet gelijk Arpad? Is niet Samarië gelijk Damascus?

10 Gelijk als mijne hand gevonden heeft de koninkrijken de»* afgoden, ofschoon hunne gesneden heelden beter zijn dan die van Jeruzalem en dan die van Samarië :

11 gelijk ik gedaan heb aan Samarië en aan hare afgoden, zoude ik alzóó niet kunnen doen aan Jeruzalem en aan hare afgoden ?

12 Want het zal geschieden als de Heere een einde zal gemaakt hebben van al zijn werk op den berg Sion en te Jeruzalem, clan zal ik tehuiszoeken de vrucht der grootschheid des harten des Ko-nings van Assyrië, en de pracht van de hoogheid zijner oogen,

13 omdat hij gezegd heeft: Dooide kracht mijner hand heb ik het gedaan, en door mijne wijsheid, want ik ben verstandig; en ik heb de landpalen der volken weggenomen , en heb hunnen voorraad geroofd, en heb als een geweldige de inwoners doen nederdalen;

14 en mijne hand heeft gevon-


-ocr page 778-

JESAJA 11.

den het vermogen der volken als een nest, en ik heb het gansche aardrijk samengeraapt gelijk men de eieren die verlaten zijn samenraapt, en daar is niemand geweest die een vleugel verroerde of den mond opendeed ot\' piepte.

15 Zal eene bijl zich beroemen tegen die daarmede houwt? Zal eene zaag pochen tegen dien die ze trekt? Alsof een staf bewoog degenen die hem opheffen! Als men eenen stok opheft, is het geen hout?

16 Daarom zal de Heere Heere der heirscharen onder zijne vetten eene magerheid zenden, en onder zijne heerlijkheid zal hij eenen brand doen branden als de brand des vuurs;

17 want het licht Israels zal tot een vuur zijn. Sen zijn Heilige tot eene vlam, welke in brand steken en verteren zal zijne doornen en zijne distelen op één dag;

18 ook zal hij verteren de heerlijkheid zijns wouds en zijns vruchtbaren velds, van de ziel af tot het vleesch toe, en hij zal zijn gelijk als wanneer een vaandrager versmelt;

19 en de overgebleven boomen zijns wouds, zullen weinige in getal zijn , ja een jongen zoude ze opschrijven.

20 En het zal geschieden te dien dage dat het overblijfsel Israëls en de ontkomenen van het huis Jakobs niet meer steunen zuilen op dien die ze geslagen heeft, maar zij zullen steunen op den Heere, den Heilige Israëls, oprechtelijk.

21 Het overblijfsel zal weder-keeren, het overblijfsel Jakobs, tot den sterken God.

22 Want hoewel uw volk, o Israël, is gelijk het zand der zee, zoo zal toch maar het overblijfsel daarvan wederkeeren: de verdelging is vastelijk besloten, overvloeiende met gerechtigheid;

23 want eene verdelging die vastelijk besloten is zal de Heere Heere der heirscharen doen in het midden dezes ganschen lands.

24 Daarom zegt de Heere Heere der heirscharen alzóó: Vrees niet, gij mijn volk dat te Sion woont, voor Assur, als hij u met de roede zal slaan, en hij zijnen staf tegen u zal opheffen naar de wijze der Egyptenaren;

25 want nog een klein weinig, zoo zal volbracht worden de gramschap en mijn toorn tot hunne vernieling;

26 want de Heere der heirscharen zal tegen hein een geesel verwekken gelijk de slachting Midians was aan de rots van Oreb, en gelijk zijn staf over de zee was, denwelken hij verheffen zal naar de wijze der Egyptenaren.

27 En het zal geschieden ten zelfden dage, dat zijn last zal afwijken van uwen schouder en zijn juk van uwen hals, en het juk zal verdorven worden om des Gezalfden wil.

28 Hij komt te Ajjath, hij trekt door Migron, te Michnias legt hij zijn gereedschap af;

29 zij trekken door den doorgang, te Geba houden zij hunne vernachting, Harna .beeft, Gibea Sauls vlucht.

30 Roep luide met uwe stemme, gij dochter van Gallim; laat ze hooren tot Lafs toe, o ellendig Anathoth.

31 Madmena vliedt weg, de inwoners van Gebim vluchten met hoopen.

32 Nog een dag blijft hij te Nob; hij zal zijne hand bewegen tegen den berg der dochter Sions, den heuvel Jeruzalems.

33 Doch zie, de Heere Heere der heirscharen zal met geweld de takken afkappen, en die hoog van gestalte zijn zullen nederge-houwen worden, en de verheve-nen zullen vernederd worden;

34 en hij zal met ijzer de verwarde struiken des wouds omhouwen , en de Libanon zal vallen door den Heerlijke.

HOOFDSTUK 11.

Want daar zal een rijsje voortkomen uit den afgehouwen tronk van Isaï, en eenescheute uit zijne wortelen zal vrucht voortbrengen,

2 en op hem zal de Geest des Heeren rusten, de Geest der wijsheid en des verstands, de Geest des raads en de:; sterkte, de Geest


-ocr page 779-

JÜSAJA 12.

der kennis en dor vreeze des Heeren;

3 en zijn ruiken zal zijn in de vreeze des Heeren, en hij zal naar het gezicht zijner oogen niet richten, hij zal ook naar het gehoor zijner ooren niet bestratfen,

4 maar hij zal de armen met gerechtigheid richten, en de zacht-moedigen des lands met rechtmatigheid bestraffen; doch hij zal de aarde slaan met de roede zijns monds, en met den adem zijner lippen zal hij den godde-looze dooden;

5 want gerechtigheid zal de gordel zijner lendenen zijn, ook zal de waarheid de gordel zijner lendenen zijn.

6 En de wolf zal met het lam verkeeren, en de luipaard bij den geitenbek nedcrliggen, en het kalf en de jonge leeuw en het mest-yee te zamen, en een klein jongs-ken zal ze drijven;

7 de koe en de berin zullen te zamen weiden, hare jongen zullen te zamen nederliggen, en de leeuw zal stroo eten gelijk de os;

8 en een zoogkind zal zich vermaken over het hol van eene adder, en een gespeend kind zal zijne hand uitsteken in den kuil van den basilisk.

9 Men zal nergens leed doen noch verderven op den ganschen berg mijner heiligheid; want de aarde zal vol kennisse des Heeren zijn, gelijk de wateren den bodem dor zee bedekken.

10 Want het zal geschieden te dien dage, dat do heidenen naaiden wortel van Isaï, die staan zal tot eene banier der volkeren, zullen vragen, en zijne ruste zal heerlijk zijn.

11 Want het zal geschieden te dien dage, dat de Heere ten anderen male zijne hand aanleggen zal om weder te verwerven het overblijfsel zijns volks, hetwelk overgebleven zal zijn van Assyrië, en van Egypte, en van Pathros, en van Moorenland, en van Elam, en van Sinear, en van Hamath, en van de eilanden der zee;

12 en hij zal eene banier oprichten onder de heidenen, en hij zal de verdrevenen Israëls verzamelen en de verstrooiden uit Juda vergaderen van de vier einden des aardrijks.

13 En de nijd Efraïms zal wegwijken, en de tegenpartijders van Juda zullen uitgeroeid worden: Efraïm zal Juda niet benijden, en Juda zal Efraïm niet benauwen;

14 maar zij zullen den Filistijnen op den schouder vliegen tegen het Westen , en zij zullen te zamen die van het Oosten berooven, aan Edom en Moab zullen zij hunne handen slaan, en de kinderen Amnions zullen hun gehoorzaam zijn.

15 Ook zal de Heere den inham der zee van Egypte verbannen, en hij zal zijne hand bewegen tegen de rivier door de sterkte zijns winds, en hij zal dezelve slaan in de zeven stroomen, en hij zal maken dat men met schoenen daardoor zal gaan,

1(3 en daar zal een gebaande v/eg zijn voor het overblijfsel zijns volks dat overgebleven zal zijn van Assur, gelijk als Israël geschiedde ten dage toen het uit Egypteland optoog.

HOOFDSTUK 12.

En te dien zelfden dage zult gij zeggen: Ik dank u, Heere , dat gij toornig op mij geweest zijt, maar uw toorn is afgekeerd en gij troost mij;

2 zie. God is mijn heil, ik zal vertrouwen en niet vreezen; want de Heere Heere is mijn sterkte en psalm, en hij is mij tot heil geworden.

3 En gijlieden zult waterscheppen met vreugde uit de fonteinen des heils,

4 en zult te dien dage zeggen: Dankt den Heere, roept zijnen naam aan. maakt zijne daden bekend onder de volkeren, vermeldt dat zijn naam verhoogd is.

5 Psalmzingt den Heere, want hij heeft heerlijke dingen gedaan; zulks zij bekend op den ganschen aardbodem.

6 Juich en zing vroolijk, gij inwo-neres van Sion, want de Heilige Israëls is groot in het midden van u.


-ocr page 780-

JESAJA 13

762

HOOFDSTUK 13.

De last Babels, dien Jesaja de zoon van Amoz gezien heeft.

2 Heft öp eene banier op eenen hoogen berg, verheft eene stemme tot hen, beweegt de hand omhoog, dat zij intrekken door de deuren der Prinsen.

3 Ik heb aan mijne geheiligden bevel gegeven, ook heb ik tot mijnen toorn geroepen mijne helden, de vrooliiken mijner hoogheid.

4 Daar is eene ruischende stem op de bergen gelijk eens grooten volks, eene stem van gedruisch der koninkrijken dei* verzamelde heidenen: de Heere der heir-scharen monstert het krijgsheir;

5 zij komen uit verren lande, van het einde des hemels, de Heere en de instrumenten zijner gramschap, om dat gansche land te verderven.

6 Huilt gijlieden, want de dag des Heeren is nabij, hij komt als eene verwoesting van den Almachtige.

7 Daarom zullen alle handen slap worden en aller menschen harte zal versmelten,

8 en zij zullen verschrikt worden, smarten en weeën zullen hen aangrijpen , zij zullen bang {quot;zijn als eene barende vrouw, een iegelijk zal over zijnen naaste verbaasd zijn, hunne aangezichten zullen vlammende aangezichten zijn.

9 Zie, de dag des Heeren komt, gruwelijk, met verbolgenheid en nittigen toorn, om het land te stellen tot verwoesting, en des-zelfs zondaars daaruit te verdelgen.

10 Want de sterren des hemels en zijne gesternten zullen hun licht niet laten lichten, de zon zal verduisterd worden wanneer zij opgaan zal, en de maan zal haar licht niet laten schijnen;

11 want ik zal over de wereld de boosheid bezoeken, en over de goddeloozen hunne ongerechtigheid ; en ik zal den hoogmoed der stouten doen ophouden, en de hoovaardij der tyrannen zal ik vernederen;

12 ik zal maken dat een man zeldzamer zal zijn dan dicht goud en een mensch dan fijn goud van Ofir.

13 Daarom zal ik den hemel beroeren , en de aarde zal bewogen worden van hare plaats, vanwege de verbolgenheid des Heeren der heirscharen, en vanwege den dag zijns hittigen toorns:

14 en een iegelijk zal zijn als eene verjaagde ree, en als een schaap dat niemand vergadert, een iegelijk zal naar zijn volk omzien en èen iegelijk zal naar zijn land vluchten;

15 al wie gevonden wordt die zal doorstoken worden, en al wie daarbij gevoegd is zal door het zwaard vallen;

16 ook zullen hunne kinderkens voor hunne oo^en verpletterd worden, hunne huizen zullen geplunderd en hunne vrouwen geschonden worden.

17 Zie, ik zal de Meden tegen hen verwekken, die het zilver niet zullen achten, en aan het goud zullen zij geenen lust hebben;

18 maar hunne bogen zullen de-jongelingen verpletteren, en zij zullen zich niet ontfermen over de vrucht des schoots, hun oog zal de kinderen niet verschoonen.

19 Alzoo zal Babel, het sieraad der koninkrijken, de heerlijkheid, de hoovaardigheid der Ghaldeën zijn, gelijk als God Sodom en Go-morra omgekeerd heeft:

20 daar zal geen woonplaatse zijn in eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht; en de Arabier zal daar geen tent spannen, en de herders zullen daar niet legeren;

21 maar daar zullen nederliggen de wilde dieren der woestijnen; en hunne huizen zullen vervuld worden met schrikkelijke gedierten, en daar zullen de jonge struisen wonen, en do duivelen zullen daar huppelen,

22 en wilde dieren der eilanden zullen in zijne verlatene plaatsen elkander toeroepen, mitsgaders de draken in de wellustige paleizen : haar tijd toch is nabij om te komen, en hare dagen zullen niet uitgesteld worden.


-ocr page 781-

JESAJA 14.

763

HOOFDSTUK 14.

Want de Hek he zal zich over Jakob ontfermen, en hij zal Israël nog verkiezen, en hij z;il ze in hun land zetten; en de vreemdeling zal zich tot hen vervoegen, en zij zullen den huize Jakobs aanhangen;

2 en de volken zullen hen aannemen en in hunne plaats brengen , en het huis Israels zal hen erfelijk bezitten in het land des Heeren tot knechten en tot maagden : en zij zullen gevankelijk houden degenen die hen gevangen hielden, en zij zullen heerscnen over hunne drijvers.

3 En het zal geschieden ten dage wanneer u de Heere ruste geven zal van uwe smart en van uwe beroering, en van de harde dienstbaarheid waarin men u heeft doen dienen,

4 dan zult gij deze spreuke opnemen tegen den Koning van Ba-bel, en zeggen : Iloe houdt de drijver op, hou houdt de goudene op?

5 De Heere heeft den stok der goddeloozen gebroken, den scepter der heerschers;

6 die de volkeren plaagde in verbolgenheid met eene plage zonder ophouden, die in toorn over de heidenen heerschte, die wordt vervolgd zonder dat het iemand afweren kan.

7 De gansche aarde rust, zij is stille; zij maken groot geschal met gejuich;

8 ook verheugen zich de dennen over u, en de cederen van Libanon, zeggende: Sinds gij daar nederligt, komt niemand tegen ons op die ons afhouwe.

9 De hel van onderen was beroerd om uwentwil, om u tege-moet te gaan als gij kwaamt; zij wekt om uwentwil de dooden op, alle de bokken der aarde; zij doet alle de Koningen der heidenen van hunne tronen opstaan.

10 Die altegader zullen antwoorden en tot u zeggen : Gij zijt óók krank geworden gelijk wij, gij zij\': ons gelijk geworden.\'

11 Uwe hoovaardij is in de hel nedergestort met het geklank uwer luiten; de maden zullen onder u gestrooid worden, en de wormen zullen u bedekken.

12 Hoe zijt gij uit den hemel gevallen, o morgenster, gij zoon des dageraads! Hoe zijt gij ter aarde nedergehouwen, gij die de heidenen krenktet,

13 en zeidet in uw hart: Ik zal ten hemel opklimmen, ik zal mijnen troon boven de sterren Gods verhoogen, en ik zal mij zetten op den berg der samenkomst aan de zijden van het Noorden;

14 ik zal boven de hoogten der wolken klimmen, ik zal den Allerhoogste gelijk worden.

15 Ja, in de hel zult gij neder-gestooten worden, aan de zijden van den kuil.

16 Die u zien zullen, zullen u aanschouwen, zij zullen op u letten, en zeggen: Is dat die man die de aarde beroerde, die de koninkrijken deed beven,

17 die\'de wereld als eene woestijn stelde en hare steden verstoorde, die zijne gevangenen niet liet losgaan naar huis toe.

18 Alle de Koningen der heidenen , zij allen liggen neder met eere, eèn iegelijk in zijn huis:

19 maar gij zijt verworpen van uw graf, als een gruwelijke scheut, als een kleed der gedoo-den die met het zwaard doorstoken zijn, als die die nederdalen in een steenkuil, als een vertreden dood lichaam.

20 Gij zult bij dezelve niet gevoegd worden in de begrafenis, want gij hebt uw land verdorven en uw volk gedood: het zaad der boosdoeners zal in eeuwigheid niet genoemd worden. .

21 Maak de slachting voor zijne kinderen gereed, om hunner vaderen ongerechtigheid; dat zij niet opstaan en de aarde erven, en de wereld vervullen met steden.

22 Want ik zal tegen hen opstaan, spreekt de Heere der heirscharen, en ik zal van Babel uitroeien den naam en het overblijfsel, enden zoon en denzoons-zoon, spreekt de Heere;

23 en ik zal haar stellen tot eene erve der nachtuilen en tot waterpoelen, en ik zal haar met


-ocr page 782-

764

een bezem des verderfs uitvagen, spreekt de Heere der heirscharen.

24 De Heere der heirscharen heeft gezworen, zeggende: Indien niet gelijk ik gedacht heb het alzoo geschiede, en gelijk ik beraadslaagd heb het bestaan zal:

25 dat ik Assur in mijn land zal verbreken en hem op mijne bergen vertreden, opdat zijn juk van hen afwijke en zijn last van hunnen schouder wijke!

20 Dit is de raadslag die beraadslaagd is over dat gansche land, en dit is de hand die uitgestrekt is over alle volken.

27 Want de Heere der heirscharen heeft het in zijnen raad besloten: wie zal het dan breken? En zijne hand is uitgestrekt: wie zal ze dan keeren?

28 In het Jaar toen de Koning Achaz stierf, geschiedde deze last.

29 Verheug u niet, gij gansch Palestina, dat de roede die u sloeg gebroken is; want uit den wortel der slang zal een basilisk voortkomen, en hare vrucht zal een vurige vliegende draak zijn.

30 En de eerstgeborenen der armen zullen weiden , en de nood-druftigen zullen zéker nederliggen: uwen wortel daarentegen zal ik door den honger dooden, en uw overblijfsel zal hij ombrengen.

31 Huil gij poort, schreeuw gij stad, gij zijt gesmolten, gij gansch Palestina; want van het Noorden komt een rook, en daar is geen eenzame in zijne samenkomsten.

32 Wat zal men dan antwoorden den boden des volks? Dat de Heere Sion gegrond heeft, opdat de bedrukten zijns volks eene toevlucht daarin liebben zouden.

HOOFDSTUK 15.

De last Moabs.

Zekerlijk in den nacht is Ar-Moab verwoest, zij is uitgeroeid; zekerlijk in den nacht is Kir-Moab verwoest, zij is uitgeroeid.

2 Hij gaat op naar Baith en Dibon en naar Bamoth om te weenen, over Nebo en over Me-deba zal Moab huilen: op alle hunne hoofden is kaalheid, aller baard is afgesneden;

3 in hunne wijken hebben zij zakken aangegord, op hunne daken en op hunne straten huilen zij al-temaal, afgaande met geween. 4 Zoo Hesbon als Elealé schreeuwt, hunne stemme wordt gehoord tot Jahaz tóe; daarom maken de toe-gerusten Moabs een geschrei, eens iegelijks ziele in hem is kwalijk gesteld.

5 Mijn harte schreeuwt over Moab, hare grendelen zijn naar Zoar toe, de driejarige vaars; want hij gaat op met geween naar den opgang van Luhith, want op den weg naar Horonaïm verwekken zij een jammergeschrei.

6 Want de wateren van Nim-rim zullen enkel verwoesting wezen , want het gras is verdord , het teeder gras is vergaan, daar is geerie groente.

7 Daarom zullen zij den overvloed dien zij vergaderd hebben, en hetgeen zij weggelegd hebben, aan de beek der wilgen voeren.

8 Want dat geschreeuw zal omgaan door de landpale Moabs, haar gehuil totEglaïm toe, ja tot Beër-Klim toe zal haar gehuil zijn;

9 want de wateren Dimons zijn vol bloed, want ik zal Dimon nog meer loeschikken . te weten leeuwen over de ontkomenen Moabs, mitsgaders over het overblijfsel des lands.

HOOFDSTUK 16.

Zendt de lammeren van den heerscher des lands van Sela af naar de woestijn henen, lot den berg der dochter Sions.

2 Anderszins zal het geschieden dat de dochteren Moabs aan de veren van Arnon zullen zijn als een zwervende vogel, uit het nest gedreven zijnde.

3 Breng êenen raad aan, houd gericht, maak uwe schaduw op het midden van den middag gelijk den nacht, veroerg de verdrevenen, en vermeld den omzwervende niet.

4 Laat mijne verdrevenen onder u verkeeren, o Moab, wees gij hun eene schuilplaats voor het aangezicht des verstoorders; want de onderdrukker heeft een einde,

J ES A.TA 15, 16.


-ocr page 783-

JA 47.

765

JES A

de verstoring is te niet geworden, de vertreders zijn van de aarde verdelgd;

5 want daar zal een troon bevestigd worden in goedertierenheid , en op denzclven zal besten-diglijk één zitten in de tente Davids , een die oordeelt en het recht zoekt en vaardig is ter gerechtigheid.

6 Wij hebben gehoord de hoo-vaardij Moabs, hij is zeer hoovaar-dig; zijn hoogmoed en zijne hoo-vaardij en zijne verbolgenheid zijn alzoo zijne grendelen niet.

7 Daarom zal Moab over Moab huilen, allemaal zullen zij huilen; over do fundamenten van Kir-Haréseth zult gijlieden zuchten, gewisselijk zij zijn gebroken.

8 Want de vélden van Hesbon zijn verflauwd, ook de wijnstok van Sibma, de heeren der \'heidenen hebben zijne uitgelezene planten verpletterd, zij reiken tot Jaëzer toe, zij dwalen door de woestijn, zijne scheuten zijn uitgespreid, zij zijn gegaan over zee.

9 Daarom beween ik, in het weenen over Jaëzer, den wijnstok van Sibma, ik maak u doornat met mijne tranen , o Hesbon en Elealé; want het vreugdegeschrei over uwe zomervruchten en over uwen oogst is gevallen,

10 alzoo dat de blijdschap en vroolijkheid weggenomen is van het vruchtbare veld, en in de wijngaarden wordt niet gezongen eenig gejuich gemaakt, de clrui-ventreder treedt geen wijn uit in de wijnbakken: ik heb het vreugdegeschrei doen ophouden.

11 Daarom rommelt mijn ingewand over Moab als eene harp, en mijn binnenste over Kir-Héres.

12 En het zal geschieden ais men zien zal dat Moab vermoeid is geworden op de hoogte, dan zal hij in zijn heiligdom gaan om te aanbidden , maar hij zal niet vermogen.

13 Dit is het woord , dat de Heere tegen Moab gesproken heeft van toen af.

14 Maar nu spreekt de Heere, zeggende: Binnen driejaren, (als de jaren eens huurlings), dan zal de eere Moabs verachtelijk gemaakt worden, met al die groote menigte, en het overblijfsel zal klein, weinig, onmachtig wezen.

HOOFDSTUK 17.

De last van Damascus.

Zie, Damascus zal weggenomen worden, dat zij geen stad meer zij, maar zij zal een vervallen steenhoop zijn;

2 de steden van Aroër zullen verlaten worden, voor de kudden zullen zij wezen , die zullen daar nederliggen en niemand zal ze verschrikken.

3 En de vesting zal ophouden van Efraïm, en het koninkrijk van Damascus, en het overblijfsel der Syriërs; zij zullen zijn gelijk de heerlijkheid der kinderen Israëls, spreekt de Heere der heirscharen.

4 En het zal geschieden te dien dage dat de heerlijkheid Jakobs verdund zal worden , en dat de vetheid zijns vleesches mager worden zal.

5 Want hij zal zijn gelijk wanneer een maaier het staande koren verzamelt, en zijn arm aren afmaait ; ja hij zal zijn gelijk wanneer iemand aren leest in het dal Rc-faïm.

6 Doch eene nalezing zal daarin overig blijven gelijk in de afschudding eens olijfbooms twee o/\'drie beziën in den top der opperste twijg, en vier of vijf aan zijne vruchtbare takken, spreekt de Heere de God Israëls.

7 Te dien dage zal de mensch zien naar dien die hem gemaakt beeft, en zijne oogen zullen op den Heilige israëls zien;

8 en hij zal niet aanschouwen de altaren, het werk zijner handen, en hetgeen zijne vingeren gemaakt hebben zal hij niet aanzien, noch de bosschen, noch de zonnebeelden.

9 ijTe dien dage zullen zijne sterke steden zijn als een verlaten struik en opperste tak, welke zij verlaten hebben om der kinderen Israëls wille, hoewel daar verwoesting zal wezen.

10 Want gij hebt den God uws heils vergeten, en niet gedacht aan den Rotssteen uwer sterkte:


-ocr page 784-

766 J E S A J i

daarom zult gij wel liefelijke planten planten, en gij zult hem met uitlandsche ranken bezetten;

11 ten dage als gij ze zult geplant hebben zult gij die doen wassen, en in den morgenstond zult gij uw zaad doen bloeien: doch het zal maar een hoop van het gemaaide zijn in den dag der krankheid en dér pijnlijke smart.

12 Wee der veelheid der groote volkeren, die daar bruisen gelijk de zeeën bruisen; en wee het ge-ruisch der natiën, die daar ruischen gelijk de geweldige wateren ruischen :

13 de natiën zullen wel ruischen gelijk groote wateren ruischen, doch hij zal hem schelden, zoo zal hij verre wegvlieden, ja, hij zal gejaagd worden als het kaf der bergen van den wind, en gelijk een kloot van den wervelwind;

14 ten tijde des avonds, zie, zoo is er verschrikking: eer het morgen is, is hij er niet meer; dit is het deel dergenen die ons berooven en het lot dergenen die ons plunderen.

HOOFDSTUK 18.

Wee het land dat schaduwachtig is aan de frontieren, dat aan de zijde der rivieren van Mooren-land is;

2 dat gezanten zendt over de zee, en in schepen van biezen op de wateren. Gaat henen gij snelle boden, tot een volk dat getrokken is en geplukt, tot een volk dat vreeselijk is van dat het was en voortaan; een volk van regel en regel, en van vertreding, welks land de rivieren berooven.

3 Alle gij ingezetenen der wereld en gij inwoners der aarde, als men de banier zal oprichten op de bergen zult gijlieden het zien, en als de bazuin zal blazen zult gijlieden het hooren.

4 Want alzoó heeft de Heere tot mij gezegd; ik zal stil zijn, en zien in mijne woning, als de glinsterende hitte op den regen, als eene wolk des dauws in de hitte des oogstes;

5 want voor den oogst, als de uitbotting volkomen is, en de on-. 18, 19.

rijpe druif rijp wordt na den n

bioesem, zoo zal hij de ranken ei

met snoeimessen afshilden, en de n

takken wegdoen en afkappen; g

ü zij zullen te zamen gelaten zi worden aan de roofvogels der bergen en de dieren der aarde, en e de roofvogels zullen daarop over- n zomeren en alle dieren der aarde e zullen daarop overwinteren. ^

7 ïe dier tijd zal den Heere

der heirscharen een geschenk ge- v

bracht worden van het volk dat o getrokken is en geplukt, en van

het volk dat vreeselijk is van dat d

het was en voortaan; een volk (J

van regel en regel, en van ver- t treding, welks land de rivieren

berooven: tot de plaats van den ^

naam des Heeren der heirscharen, ;; y

tot den berg Sion. . 1

HOOFDSTUK 19. \']

De last van Egypte. \'\'

Zie, de Heere rijdt op eene , snelle wolk, en hij zal in Egypte J komen, en de afgoden van Egypte J zullen bewogen worden voor zijn J aangezicht, en het hart der Egyp- 1 tenaren zal smelten in het binnenste van hen. f

2 Want ik zal de Egyptenaren tegen de Egyptenaren verwarren, dat zij zullen strijden een iegelijk tegen zijnen broeder en een iegelijk tegen zijnen naaste, stad tegen stad, koninkrijk tegen koninkrijk;

3 en de geest der Egyptenaren zal uitgeledigd worden in het binnenste van hen, en hunnen raad zal ik verslinden; dan zullen zij hunne afgoden vragen, en de bezweerders , en de waarzeggers, en de duivelskunstenaars;

4 en ik zal de Egyptenaars besluiten in de hand van harde heeren, en een strenge Koning zal over hen heerschen, spreekt de Heere Heere der heirscharen.

5 En zij zullen de wateren uit de zee doen vergaan, en de rivier zal verzijpen 3n verdrogen;

G zij zullen ook de rivieren verre terug drijven, zij zullen ze \'uit-hoozen en de gedamde stroomen opdrogen, het riet en het schiltquot; zullen verwelken;

7 het papiorgewas bij de stroo-


-ocr page 785-

JA 20.

767

JESA

men, aan de oevers der stroomen, en al het gezaaide aan de stroomen , zal verdrogen, het zal wey-gestooten worden en niet meer zijn.

8 En de visschers zullen treuren, en allen die den angel in de stroomen werpen zullen rouw maken, en die het werpnet uitbreiden op de wateren zullen kwijnen;

9 en de werkers in het fijne vlas zullen beschaamd worden, ook de wevers van de witte stof;

10 en zij zullen met hunne fundamenten verbrijzeld worden, allen die voor loon lustige staande wateren maken.

11 Gewisselijk de Vorsten van Zoan zijn dwazen, de raad der wijzen, der raadgevers van Farao, is onvernuftig geworden; hoe kunt gijlieden dan zeggen tot Farao: Ik ben een zoon der wijzen, een zoon der oude Koningen?

12 Waar zijn nu uwe wijzen? Dat zij u nu te kennen geven of vernemen, wat de Heere der heirscharen beraadslaagd heeft tegen Egypte.

13 De Vorsten van Zoan zijn zot geworden, de Vorsten van Nolquot; zijn bedrogen, zij zullen ook Egypte doen dwalen tot den uitersten hoek zijner stammen.

14 De Heere heeft een zeer verkeerden geest ingeschonken in het midden van hen, en zij hebben Egypte doen dwalen in al zijn doen, gelijk een dronkaard zich om- en omwentelt in zijn uit-spuwsel;

15 en daar zal geen werk wezen voor de Egyptenaren, hetwelk het hoofd of de staart, de tak of de bies doen moge.

16 Te dien dage zullen de Egyp-tenaars zijn «als de vrouwen , en zij zullen \' beven en vreezen van wege de beweging van de hand des Heeren der heirscharen, welke hij tegen hen bewegen zal;

17 en het land Juda zal den Egyptenaren tot een schrik zijn: zoo wie het vermelden zal, die zal in zich zeiven bevreesd wezen van wege den raad des Heeren der heirscharen dien hij tegen hen beraadslaagd heeft.

18 Te dien dage zullen er vijf steden in Egypteland zijn, sprekende de sprake Kanaans en zwerende den Hekre der heirscharen: ééne zal genoemd zijn eene stad der verstoring.

19 Te dien dage zal de Heere een altaar hebben in het midden van Egypteland, en een opgericht teeken aan deszelfs landpale voor dun Heere;

20 en hij zal zijn tot een teeken en tot een getuigenis den Heere der heirscharen in Egypteland, want zij zullen tot den Heere roepen vanwege de verdrukkers, en hij zal hun eenen Heiland en Meester zenden, die zal ze verlossen.

21 En de Heere zal den Egyptenaren bekend worden, en de Egyptenaars zullen den Heere kennen te dien dage, en zij zullen hem dienen met slachtotfer en spijsoffer, en zij zullen den Heere eene gelofte beloven en betalen.

22 En de Heere zal de Egyptenaars dapper slaan, en genezen : en zij zullen zich tot den Heere bekeeren, en hij zal zich van hen verbidden laten en hij zal ze genezen.

23 Te dien dage zal er een gebaande weg wezen van Egypte naar Assyrië, dat de Assyriërs in Egypte en de Egyptenaars in Assyrië komen zullen, en de Egyptenaars zullen met de Assyriërs den Heere dienen.

24 Te dien dage zal Israël de derde wezen met de Egyptenaren en met de Assyriërs, een zegen in het midden van het land;

25 want de Heere der heirscharen zal ze zegenen, zeggende: Gezegend zij mijn volk de Egyptenaars , en de Assyriërs het wérk mijner handen, en Israël mijn erfdeel.

HOOFDSTUK 20.

In het jaar toen Tartan naar Asdod kwam, als Sargon de Koning van Assyrië hem gezonden had, toen hij krijg voerde tegen Asdod en het innam:

2 te dier tijd sprak de Heere door den dienst van Jesaja den


-ocr page 786-

768 J K S A J j

zoon van Amoz, zeggende: Ga henen en ontbind den zak van uwe lendenen, en doe uwe schoenen van uwe voeten. En hij deed alzoo , gaande naakt en barrevoets.

3 Toen zeide de Heere: Gelijk als mijn knecht Jesaja naakt en barrevoets wandelt, drie jaren; tot een teeken en wonder over Egypte en over Moorenland,

4 alzóó zal de Koning van As-syrië voortdrijven de gevangenen der Egyptenaren en de Mooren die weggevoerd zullen worden, jongen en ouden, naakt en barrevoets en met bloote billen, den Egyptenaren tot schaamte;

\'5 en zij zullen verschrikken en beschaamd zijn van de Mooren, op welke zij zagen, en van de Egyptenaars, hunnen roem;

\'6 en de inwoners van dit eiland zullen te dien dage zeggen: Zie, alzóó is het gegaan dién op welke wij zagen, werwaarts wij henen-vloden om hulpe, om gered te worden van het aangezicht des Konings van Assyrië: hoe zullen wij dan ontkomen?

HOOFDSTUK 21.

De last der woestijn aan de zee.

Gelijk de wervelwinden in het Zuiden daarhenen doorgaan, zal hij uit de woestijn komen, uit een vreeselijk land.

2 Een hard gezicht is mij te kennen gegeven: die trouwelooze handelt trouwelooslijk, en die verstoorder verstoort; trek öp o Elam, beleger ze o Medië: ik heb al hare zuchting doen ophouden.

3 Daarom xijn mijne lendenen vol van groote krankheid, bange weeën hebben mij aangegrepen; gelijk de bange weeën eener die baart; ik krom mij van hooren, ik word ontsteld van het aanzien;

4 mijn harte dwaalt, gruwen verschrikt mij, de schemering waar ik naar verlangd heb stelt hij mij tot beving.

5 Bereidt de tafel, zie toe gij wachter , eet, drink; maak u óp gij Vorsten, bestrijkt het schild.

6 Want aldus heelt de Heere tot mij gezegd: Ga henen, zet

l 21, 22.

eenen wachter, laat hij aanzeggen wat hij ziet. o

7 En hij zag eenen wagen, een paar ruiters, een wagen met ezels, \\ een wagen met kemels; en hij i merkte er zeer nauw op, mei s groote opmerking. i;

8 En hij riep: Een leeuw! Heere, g ik sta op den wachttoren gedurig-lijk bij dag, en op mijne hoede \\ zet ik mij gansche nachten: t

9 en zie nu, daar komt een \\ wagen met mannen en een paar d ruiters. Toen antwoordde hij en zeide: Babel is gevallen, zij is g gevallen, en alle de gesneden t beelden harer goden heeft hij ver- o broken tegen de aarde. s

10 O mijne dorsching en de tarwe mijns dorschvloers, wat ik r gehoord heb van den Heere der v heirscharen, den Gods Israëls, I dat heb ik ulieden aangezegd. d

11 De last van Duma. r

Men roept tot mij uit Seïr: n

Wachter, wat is cr van den nacht, wachter, wat is er van den nacht? k

12 De wachter zeide: De mor- v genstond is gekomen, en het is o nog nacht; wilt gijlieden vragen, vraagt; keert weder, komt. u

13 De last tegen Arabië.

In het woud van Aiabië zult gijlieden vernachten, o gij reizende gezelschappen van Ledaniten.l

14 Komt den dorstige tegemoet p met water; de inwoners des lands van Tema zijn den vluchtende ||i met zijn brood voorgekomen ;

15 want zij vluchten voor de 1 zwaarden, voor het uitgetrokken» zwaard en voor den gespannen quot;Cl boog en voor de zwaarte des ^ krijgs. %

i(j Want alzóó heeft de Heere H tot mij gezegd; Nog binnen een^ jaar, gelijk de jaren eens dagloo-1 ners zijn, zoo zal al üe heerlijk-0 heid van Kedar tenondergaan; J

17 en het overgebleven getal 1 der schutters, de helden der Ke- f darenen, zullen minder worden , \'l want do Heere de God Israëls 1 heeft het gesproken.

HOOFDSTUK 22. 1

De last van het dal des gezichts. *


-ocr page 787-

JESAJA 22.

7G9

Wat is u nu, dat gij altegader op de daken klimt?

2 Gij die vol van groot gedruisch waart, gij woelige stad, gij vroo-lijk huppelende stad, uwe verslagenen zijn niet verslagen met hel zwaard noch gestorven in den strijd:

3 alle uwe oversten zijn te zamen weggevlucht, zij zijn van de schutters gebonden; allen die in u gevonden zijn, zijn te zamen gebonden, zij zijn van verre gevloden.

4 Daarom zeg ik: Wendt het gezicht van mij af, laat mij bitterlijk weenen, dringt niet aan om mij te troosten over de verstoring der dochter mijns volks;

5 want het is een dag van beroering en van vertreding en van verwarring van den Heere, den Heere der heirscharen , in het dal des gezichts, cm dag van ontmu-ring des muurs en van geschreeuw naar het gebergte toe.

ü Want Elam heeft den pijlkoker genomen, de man is op den wagen, daar zijn ruiters; en Kir ontbloot het schild;

7 en het zal geschieden dat uwe uitgelezen dalen vol wagenen zul-en zijn , en dat de ruiters zich gewisselijk zullen zetten tegen de poort,

S en hij zal het bedeksel van Juda ontdekken: en te dien dage ^ult gij zien naar de wapenen in iet huis des wouds,

9 en gijlieden zult bezien de reen der stad Davids, omdat ze •\'f:le zijn, en gij zult de wateren les ondersten vijvers vergaderen,

10 gij zult ook de huizen Jeru-;a]ems tellen, en gij zuit hui-en afbreken om de muren te bevestigen ,

11 ook zult gij eene gracht naken tusschen beide de muren, oor de wateren des ouden vijvers; naar gij zult niet opwaarts zien •p dién die zulks gedaan heeft, inch aanmerken dien die dat van erre tijden geformeerd heeft.

12 En te dien dage zal de Heere, lc Heek 13 der heirscharen, roe-gt;en lot geween, en tot rouwklage, sn tot kaalheid, en tot omgording les zaks;

13 maar zie, daar is de vreugde en blijdschap met runderen te dooden en schapen te kelen, vleesch te eten en wijn te drinken, en te zeggen: Laat ons eten en drinken , want morgen zullen wij sterven.

14 Maar de Heere der heirscharen heeft zich voor mijne ooren geopenbaard, zeggende: Indien ulieden deze ongerechtigheid verzoend wordt totdat gij sterft.\' zegt de Heere, de Heere der heirscharen.

15 Alzóó zegt de Heere, de Heere der heirscharen: Ga henen, ga in tot dien schatmeester, tot Sebna den hofmeester, en spreek:

lü Wat hebt gij hier of wien hebt gij hier, dat gij u hier een graf uitgehouwen hebt als die zijn graf in de hoogte uithouwt, die eene woning voor zich op een rotssteen laten afteekenen?

17 Zie, de Heere zal u wegwerpen met eene mannelijke wegwerping, en hij zal u ganschelijk overdekken;

18 hij zal u gewisselijk voortrollen gelijk men eenen bal rolt, in een land wijd van omvang; aldaar zult gij sterven en aldaar zullen uwe heerlijke wagenen zijn, o gij schandvlek van het Huis uws heeren,

19 En ik zal u afstooten van uwen staat, en van uwen stand zal hij u verstoren.

20 Én het zal te dien dage geschieden dat ik mijne knecht El-jakiin, den zoon van Hilkia, roepen zal;

21 en ik zal hem met uwen rok bekleeden en ik zal hem met uwen gordel sterken, en uwe heerschappij zal ik in zijne hand geven, en hij zal den inwoneren te Jeruzalem en den huize Juda tot een vader zijn;

22 en ik zal den sleutel van het huis Davids op zijnen schouder leggen, en hij zal opendoen en niemand zal sluiten, en hij zal sluiten en niemand zal opendoen.

23 En ik zal hem als ecnen nagel inslaan in eene vaste plaats , en hij zal wezen lot eenen stoei


-ocr page 788-

770 JESAJi

der eere den huize zijns vaders,

24 en men zal aan hem handen alle heerlijkheid van het huis zijns vaders, der uitspruitsels en der afkomelingen, ook alle kleine vaten , van de vaten der bekers af, zelfs tot alle de vaten der fïes-schen.

25 Te dien dage, spreekt de Heere der heirscharen, zal die nagel, die aan eene vaste plaats gestoken was, weggenomen worden. en hij zal afgehouwen worden en hij zal vallen, en de last die daaraan is zal afgesneden worden; want de Heere heeft het gesproken.

HOOFDSTUK 23.

De last van Tyrus.

Uuilt gij schepen van Tarsis, want zii is verwoest dat er geen huis meer is, dat niemand daar meer ingaat; uit het land der Kittiten is het aan hen openbaar geworden.

2 Zwijgt gij inwoners des eilands, gij die de quot;kooplieden van Sidon over zee varende vervulden,

3 en wiens inkomst was het zaad van Sihor over de groote wateren , de oogst der rivier ; en zij was de markt der heidenen.

4 Word beschaamd o Sidon, want de zee spreekt, ja de sterkte der zee , zeggende : Ik heb geen barensnood gehad, ik heb ook niet gebaard, en ik heb geen jongelingen groot gemaakt en geen \'jonge dochters opgebracht.

* f) Gelijk geweest is de tijding van Egypte, zal men ook in weedom zijn als men van Tyrus hoeren zal. . , _

ö Vaart over naar Tarsis, huilt, gij inwoners des eilands.

*7 Is dit uwe vroolijk huppelende stad, welker oudheid wel van oude dagen alquot; is, maar hare eigene voeten zullen haar verre wegdragen, om in\' vreemdelingschap te verkeeren.

8 Wie heeft dit beraadslaagd over Tyrus, die kronende stad, welker kooplieden Vorsten zijn, welker handelaars de heeriijksten jn den lande zijn?

9 De Heere der heirscharen

. 23, 24.

heeft het beraadslaagd, opdat hij ontheilige de ho.tvaardij van alle sieraad, om alle de heerlijksten der aarde verachtelijk te maken.

10 Ga dóór tiaar uw land als eene rivier, gij dochter van Tarsis, daar is geen gordel meer.

11 Hij heeft zijne hand uitgestrekt over de zee, hij heeft de koninkrijken beroerd; de Heere heeft bevel gegeven tegen Kanaan om hare sterkten te verdelgen;

12 en hij heeft gezegd: Gij zult niet meer vroolijk huppelen, o gij verdrukte maagd, gij dochter Si-dons. Naar de Kittiten toe, maak u op, vaar over: ook zult gij aldaar geen rust hebben.

13 Zie, het land der Chaldeën: dit volk was er niet: Assur heeft het gefundeerd voor degenen die in de wildernissen woonden; zij richtten hunne sterkten op cn bouwden hunne paleizen, maar hij heeft het tot cenen vervallen hoop gesteld.

14 Huilt, gij schepen van Tarsis. want ulieder sterkte is verwoest,

15 En het zal geschieden te dien dage, dat Tyrus zal vergeten wor den zeventig jaren, gelijk een; Konings dagen; maar ten einde van zeventig jaar zal in Tyrus al-een hoerenlied zijn:

16 Neem de harp, gain de stai rondom, gij vergeten hoer: spec wel, zing vele liedekens, opda er aan u gedacht worde.

17 Want het zal geschieden tci einde van zeventig jaar dat d Hkere Tyrus zal bezoeken, ei dat zij wederkeeren zal tot haa hoerenloon, en zij zal hoererij be drijven met alle koninkrijken (k aarde die op den aardbodem ziji

18 En haar koophandel en haa hoerenloon zal den Heere heilii zijn, het zal niet ten schat vei gaderd noch opgesloten worden maar haar koopha idel zal weze voor degenen die voor den Heer wonen, opdat zij eten tot verzad: ging en dat zij duurzaam deksc hebben.

HOOFDSTUK 24.

Zie, do Heers maakt het la-ledig en hij rnac.kt het woest, c

-ocr page 789-

J ES A JA 24.

771

hij keert zijne gestaltenis óm en hij verstrooit zijne inwoners;

2 en gelijk het volk, alzoo zal de Priester wezen; gelijk de knecht, alzoo zijn heer; gelijk de dienstmaagd , alzoo hare vrouw ; gelijk de kooper, alzoo de ver-kooper; gelijk deleener, alzoo de ontleener; gelijk de woekeraar, alzoo die van wien hij woeker ontvangt:

3 dat land zal ganschelijk ledig gemaakt worden en het zal ganschelijk berooid worden; want de Heere heeft dit woord gesproken.

4 Het land treurt, het verwelkt; het aardrijk kwijnt, het verwelkt; de hoogsten van het volk des lands kwijnen;

5 want het land is bevlekt vanwege zijne inwoners, want zij overtreden de wetten, zij veranderen de inzetting, zij vernietigen het eeuwig verbond:

6 daarom verteert de vloek het land, en die daarin wonen, zullen verwoest worden; daarom zullen de inwoners des lands verbrand worden, en daar zullen weinig menschen overblijven.

7 De most treurt, de wijnstok kwijnt, allen die blijhartig waren zuchten ;

8 do vreugde der trommelen rust, het geluid der vroolijk huppelenden houdt op, de vreugde der harp rust;

9 zij zullen geenen wijn drinken met gezang, de sterke drank zal bitter zijn dengenen die hem drinken ;

10 de woeste stad is verbroken, alle de huizen staan gesloten, dat er niemand inkomen kan;

11 daar is een klagelijk geroep op de straten om des wijns wil, alle blijdschap is verduisterd, de vreugde des lands is heengevaren:

12 verwoesting is in de stad overgebleven, en met gekraak wordt de poort in stukken gebroken.

13 -Want in het binnenste van het land, in het midden dezer volkeren, zal het alzoo wezen gelijk de afschudding des olijfbooms, gelijk de nalezingen wanneer de wijnoogst geëindigd is.

14 Die zullen hunne stem opheffen, zij zullen vroolijk zingen, vanwege de heerlijkheid des Hee-ren zullen zij juichen van de zee af.

15 Daarom eert den Heere in de va\'leien, in de eilanden der zee den naam des Heeren des Gods Israels.

16 Van het uiterste einde der aarde hooren wij psalmen, tot verheerlijking des Rechtvaardigen. Doch nu zeg ik: Ik word mager, ik word mager, wee mij; de trou-weloozen handelen trouwelooslijk, en met trouweloosheid handelen de trouweloozen trouwelooslijk.

17 De vreeze en de kuil en de strik over u, o inwoner des lands.

18 En het zal geschieden, zoowie voor de stem der vreeze vlieden zal, die zal in den kuil vallen ; en die uit den kuil opklimt, die zal in den strik gevangen worden; want de sluizen in de hoogte zijn opengedaan, en de fundamenten der aarde zullen beven ;

19 de aarde zal ganschelijk verbroken worden, de aarde zal ganschelijk vanééngescheurd worden, de aarde zal ganschelijk bewogen worden,

20 de aarde zal ganschelijk waggelen gelijk een dronkaard, en zij zal ht-en en weder bewogen worden gelijk eene nachthut, en hare overtreding zal zwaar op haar zijn, en zij zal vallenen niet

} weder opstaan.

1 21 En het zal geschieden te dien \'dage. dat de Heere bezoeking j doen zal over de heirscharen des \' hoogen in de hoogte, en over de Koningen des aardbodems op den aardbodem ;

22 en zij zullen samenvergaderd worden gelijk de gevangenen in eenen put, en zij zullen besloten worden in eene gevangenis, maar na vele dagen weder bezocht worden:

23 en de maan zal schaamrood worden en de zon zal beschaamd worden, als de Heere der heirscharen op den berg Sion regeeren zal en te Jeruzalem, en voor zijne oudsten zal heerlijkheid zijn.


-ocr page 790-

772 JESAJA 25, 26.

HOOFDSTUK 25.

Hekre, gij zijt mijn God, u zal ik verhoogen , uwen naam zal ik loven , want gij hebt wonder gedaan , uwe raadslagen van verre zijn waarheid en vastheid;

2 want gij hebt van de stad een steenhoop gemaakt, de vaste stad tot een vervallen hoop, het paleis der vreemdelingen dat het geen stad meer is , in eeuwigheid zal zij niet herbouwd worden.

3 Daarom zal u een machtig volk eeren, de stad der tyrannieke volkeren zal u vreezen;

4 want gij zijt den arme eene sterkte geweest, eene sterkte den nooddruftige als het hem bang was, eene toevlucht tegen den vloed, eene schaduw tegen de hitte; want het blazen der tyran-nen is als een vloed tegen eenen wand.

5 Gelijk de hitte in eene dorre plaats , zult gij de onstuimigheid der vreemdelingen nederdrukken; gelijk de hitte door de schaduw eener dikke wolk, zal het gezang der tyrannen vernederd worden.

6 En de Heere der heirscharen zal op dezen berg allen volken een vetten maaltijd maken , een maaltijd van reinen wijn, van vet vol merg, van reine wijnen die gezuiverd zijn;

7 en hij zal op dezen berg verslinden het omwindsel desaange-zichts waarmede alle volken omwonden zijn, en het bedeksel waarmede alle natiën bedekt zijn;

8 hij zal den dood verslinden tot overwinning , en de Heere Heere zal de tranen van alle aangezichten afwisschen, en hij zal de smaadheid zijns volks van de gansche aarde wegnemen; want de Heere heeft het gesproken.

9 En men zal te dien dage zeggen : Zie , deze is onze God, wij hebben hem verwacht en hij zal ons zalig maken; deze is de Heere , wij hebben hem verwacht , wij zullen ons verheugen en verblijden in zijne zaligheid.

10 Want de hand des Heeren zal op dezen berg rusten. maar Moab zal onder hem gedorscht worden, gelijk het stroo gedorscht wordt tot mest.

11 En hij zal zijne handen uitbreiden in het midden van hen , gelijk als een zwemmer die uitbreidt om te zwemmen, en hij zal hunnen hoogmoed vernederen, met de lagen hunner handen.

12 En hij zal de hooge vesten uwer muren buigen, vernederen, ja , hij zal ze ter aarde tot het stof toe doen reiken.

HOOFDSTUK 26.

Te dien dage zal dit lied gezongen worden in het land Juda: Wij hebben eene sterke stad , God stelt heil tot muren en voorschansen ;

2 doet de poorten open, dat het rechtvaardige volk daar inga, hetwelk de getrouwigheden bewaart.

3 Het is een bevestigd voornemen : gij zult allerlei vrede bewaren , want men heeft op u vertrouwd.

4 Vertrouwt op den Heere tot in eeuwigheid, want in den Heere Heere is een eeuwige rotssteen;

5 want hij buigt de hoog geze-tenen neder, de verhevene stad, hij vernedert ze, hij vernedert ze tot de aarde toe, hij doet ze tot aan het stof reiken,

G de voet zal ze vertreden, de voeten des ellendigen, de treden der. armen.

7 Het pad des rechtvaardigen is geheel elfen, den gang des rechtvaardigen weegt gij recht.

8 Wij hebben ook in den weg uwer gerichten u, o Heere, verwacht , tot uwen naam en tot uwe gedachtenis is de begeerte onzer ziele.

9 Mei mijne ziele heb ik u begeerd in den nacht, ook zal ik met mijnen geest, die in het binnenste van mij is , u vroeg zoeken ; want wanneer uwe gerichten op de aarde zijn, zoo leeren de inwoners der wereld gerechtigheid.

10 Wordt den goddelooze genade bewezen, hij leert evenwel geene gerechtigheid, hij drijft onrecht in een gansch richtig land, en hij


-ocr page 791-

J ES A JA 27.

773

I ziet de hoogheid des Heeren I niet aan.

I 11 Heere, is uwe hand verhoogd . zij zien het niet; maar zij zullen\'het zien en beschaamd worden, vamuege den ijver oner mu volk. ook zal het vuur uwe wederpartijders verteren.

12 Heehe, gij zult ons vrede bostellen, want gij hebt ons ook alle onze zaken uitgericht.

13 Heere onze God. andere hoeren behalve gij hebben over ons geheerscht; doch door u alleen gedenken wij uwen naam.

14 Dood zijnde zullen zij niet weder leven, overleden zijnde zullen zij niet opstaan; daarom hebt gij ze bezocht en hebt ze verdelgd, en gij hebt al hunne gedachtenis doen vergaan.

15 Gij, o Heere, hadt dit volk vermeerderd, gij hadt dit volk vermeerderd , gij waart verheerlijkt geworden: maar gij hebt ze in alle de einden des aardrijks verre weggedaan.

16 Heere, in benauwdheid hebben zij u bezocht, zij hebben hun stil gebed uitgestort als uwe tuchtiging over hen was.

17 Gelijk eene bevruchte vrouw, Ris zij nadert tot het baren, smarten heeft, en schreeuwt in hare weeën, alzóó zijn wij geweest, o Heere, van wegeuw aangezicht:

18 wij waren bevrucht, wij hadden de smarten, maar wij hebben •niets dan wind gebaard; wij leden het land geene behoudenis lan, en de inwoners der wereld k ielen niet neder.

19 Uwe dooden zullen leven, ook mijn dood lichaam, zij zullen opgaan; waakt óp en juicht, gij die n het stof woont, want uw dauw-•al zijn als een dauw der moes-truiden, en het land zal de over-edenen uitwerpen.

20 Ga henen mijn volk, ga in nve binnenste kamers, en sluit iwe deuren achter u toe; verberg gt; als een kleinen oogenblik, tot-lat de gramschap overga.

21 Want zie, de Heere zal uit sijne plaats uitgaan om de onge-\'echtigheid van de inwoners der larde over hen te bezoeken, en de aarde zal haar bloed ontdekken en zal hare doodgeslagenen niet langer bedekt houden.

HOOFDSTUK 27.

Te dien dage zal de Heere met zijn hard en groot en sterk zwaard bezoeken den leviathan, de lang-wemelende slang, ja den leviathan, de kromme kronkelende slang, en hij zal den draak die in de zee is dooden.

2 Te dien dage zal er een wijngaard van rooden wijn zijn; zingt van denzelven bij beurte.

3 Ik de Heere behoed dien, alle oogenblik zal ik hem bevochtigen ; opdat de vijand hem niet bezoeke, zal ik hem bewaren nacht en dag.

4 Grimmigheid is bij mij niet; wie zoude mij als een doorn en distel in oorlog stellen, dat ik op hern zoude aanvallen en hem te gelijk verbranden zoude?

5 Of hij moest mijne sterkte aangrijpen, hij zal vrede met mij maken, vrede zal hij met mij maken.

6 in het toekomende zal Jakob wortelen schieten, Israël zalbloeien en groeien, en zij zullen de wereld met inkomsten vervullen.

7 Heeft hij hem geslagen gelijk hij dien geslagen heeft die hem sloeg? Is hij gedood gelijk zijne gedooden gedood zijn geworden?

8 Met mate hebt gij met hem getwist, wanneer gij hem weg-stiet; als hij hem wegnam door zijnen harden wind, in den dag des oostenwinds.

9 Daarom zal daardoor de ongerechtigheid Jakobs verzoend worden , en dit is de gansche vrucht, dat hij deszelfs zonde zal wegdoen, wanneer hij alle de steenen des altaars maken zal als verstrooide kalksteenen, de bosschen en de zonnebeelden zullen niet bestaan.

10 Want de vaste stad zal eenzaam , de woonstede zal verstoeten en verlaten worden gelijk eene woestijn; daar zullen de kalveren weiden, en daar zullen zij neder-liggen en zullen hare takken verslinden.


-ocr page 792-

J ES A JA 28.

11 Als hare takken verdord zullen zijn, zullen zij afgebroken worden, en de vrouwen komende zullen ze aansteken; want het is geen volk van eenig verstand, daarom zal hij die het gemaakt heeft zich over hetzelve niet ontfermen, en die het geformeerd heeft zal aan hetzelve geen genade bewijzen.

12 En het zal te dien dage geschieden dat de Heere dorschen zal van den stroom der rivier af tot aan de rivier van Egypte, doch gijlieden zult opgelezen worden, één voor één, o gij kinderen Israels.

13 En het zal te dien dage geschieden dat er met eene groote bazuin geblazen zal worden; dan zullen die komen die in het land Assur verloren zijn, en de weggedrevenen in het land van Egypte, en zij zullen den Heere aanbidden op den heiligen berg te Jeruzalem.

HOOFDSTUK 28.

Wee der hoovaardige kroon der dronkenen van Efraïm, welks heerlijk sieraad is eene afvallende bloem , die daar is op het hoofd der zeer vette vallei, der gesla-genen van den wijn:

2 zie, de Heere heeft eenen sterke en machtige, daar is gelijk een hagelvloed, eene poort des verderfs; gelijk een vloed der sterke wateren die overvloeien, zal hij ze ter aarde nederwerpen met de hand;

3 de hoovaardige kronen der dronkenen van Efraïm zullen met voeten vertreden worden,

4 en de afvallende bloem zijns heerlijken sieraads, die op het hoofd der zeer vette vallei is, zal zijn gelijk eene vroegrijpe vrucht vóór den zomer, welke wanneer iemand ze ziet, terwijl zij nog in zijne hand is slokt hij ze op.

5 Te dien dage zal de Heere der heirscharen tot eene heerlijke kroon en tot een sierlijken krans zijn den overgeblevenen zijns volks,

6 en tot eenen geest des oordeels dien die ten oordeel zit, en tot eene sterkte dengenen die den strijd afkeeren tot de poort toe.

7 En ook dwalen dezen van dei h wijn en zij dolen van den sterkei drank, dè Priester en de Profee dwalen van den sterken drank zij zijn verslonden van den wiju zij dolen van sterken drank, z dwalen in het gezicht, zij waggc len in het gericht;

8 want alle tafelen zijn vol uil spuwsel en drek, zoodat er gee plaats schoon is.

9 Wien zoude hij dan de kenni leeren, en wien zoude hij het ge hoorde te verstaan geven? De wespeenden van de melk, den a getrekkenen van de borsten?

10 Want het is gebod op geboi gebod op gebod , regel op regel regel op regel, hier een weinig daar een weinig.

11 Daarom zal hij door belacli lijke lippen en door eene andei tóng tot dezen volke spreken,

12 tot welke hij gezegd heeft Dit is de rust, geeft den moec rust, en dit is de verkwikking doch zij hebben niel. willen hoore

13 Zoo zal hun het woord d( Heeren zijn gebod op gebod, g bod op gebod, regel op rege regel op regel, hier* een weinig daar een weinig; opdat zij hene gaan en achterwaarts vallen verbroken en verstrikt en geva gen worden.

14 Daarom hoort des Heere Woord gij bespotters, gij hec schers over dit volk dat te Jen zalem is.

15 Omdat gijlieden zegt: quot;SV hebben een verbond met den do( gemaakt, en met de helle hebbt wij een voorzichtig verdrag g maakt: wanneer de overvloeiem geesel doortrekken zal, zal hij t ons niet komen, want wij hebbi de leugen ons tot eene toeviuc gesteld , en onder de valscnhe hebben wij ons verborgen:

10 daarom alzóó zegt de Heer Zie, ik log een grondsteen in Sio eenen beproefden steen, eem kostelijken hoeksteen, die wel va gegrondvest is: wie gelooft zal niet haasten;

17 en ik zal h3t gericht stelli naar het richtsnoer, en de gerecl , tigheid naar het paslood; en


-ocr page 793-

JESAJA 29.

hagel zal de toevlucht der leugen wegvagen , en de wateren zullen de schuilplaats overstroomen;

18 en ulieder verbond met den dood zal te niet worden, en uw voorzichtig verdrag met de helle zal niet bestaan: wanneer de overvloeiende geesel doortrekken zal, dan zult gijlieden van denzelven vertreden worden,

19 van den tijd af als hij doortrekt zal hij ulieden wegnemen, v/ant allen morgen zal hij doortrekken, bij dage en bij nachle, en het zal geschieden dat het gerucht te verstaan enkel beroering

boifwezen zal;

20 want het bed zal korter zijn dan dat men zich daarop uitstrek-

kunne, en het deksel zal te smal wezen als men zich daaronder voegt.

21 Want de Heeue zal zich op-i\'eft maken gelijk op den berg Pcra-oec zim, hij zal beroerd zijn gelijk in ing het dal Gibeons, omquot; zijn werk Dre te doen — zijn werk zal vreemd

d( zijn, en om zijne daad te doen — zijne daad zal vreemd zijn.

22 Nu dan, drijft den spot niet, opdat uwe banden niet vaster gemaakt worden; want ik heb van den Eeere Heere der heirscharen

ehoord eene verdelging, ja eene die vast besloten is over het gan-sche huid.

23 Neemt ter oore en hoort Jen mijne stem, merkt óp en hoort

mijne rede:

24 Ploegt den ploeger den gehee-do( en dag om te zaaien? Opent en bbflCgt hij zijn land den gp.heelen dag?

25 Is het niet alzoo? wanneer lij het bovenste van hetzelve ^li\'en gemaakt heeft, dan strooit

bbt \'ij wikken en spreidt komijn, of luc \'ij werpt er van de beste tarwe ihe \'ïj of uitgelezen gerst of spelt, ïlk aan zijne plaats.

2G En zijn God onderricht hem fan de wijze, hij leert hem.

27 Want men dorscht de wik-ven niet met den dorschwagen, 3n men laat het wagenrad niet ondom over den komijn gaan; naar de wikken slaat men uit recj^et eenen staf en den komijn met •enen stok.

28 Het hroodkoren moet verbrijzeld worden, maar hij dorscht het niet gestadig dorschende, en hij breekt het niet met het wiel zijns wagens, en hij verbrijzelt het niet met zijne paarden.

29 Zulks komt óók voort van den Heere der heirscharen: hij is wonderlijk van raad; hij is groot van daad.

HOOFDSTUK 29.

Wee Ariël, Ariël, de stad wartr-m David gelegerd heeft; doet jaar tot jaar, laat ze feestofferen slachten:

2 evenwel zal ik Ariël beangstigen ; en daar zal treuring en droefheid wezen, en die stad zal mij g\'-lijk Ariël zijn.

\'6 Want ik zal een leger in het rond om u slaan, en ik zal u belegeren met bolwerken, en ik zal vestingen tegen u opwerpen.

4 Dan zult gij vernederd worden , gij zult uit de aarde spreken, en uwe spraak zal uit het stof zachtkens voortkomen, en uwe stem zal zijn uit de aarde als eens toovenaars, en uwe spraak zal uit het stof piepen.

5 En de menigte uwer vreemde soldaten zal zijn gelijk dun stof, en de menigte der tyrannen als voorbijvliegend kaf, en het zal in een oogenblik haastelijk geschieden.

6 Gij zult van den Heere der heirscharen bezocht worden met donder en met aardbeving en groot geluid, met wervelwind en onweder en de vlam eens verterenden vuurs;

7 en gelijk de droom van een nachtgezicht is, alzóó zal de veelheid aller heidenen zijn die tegen Ariël strijden zullen, zelfs allen die tegen haar en hare vestingen strijden en haar beangstigen zullen.

8 Het zal alzóó zijn gelijk wanneer een hongerige droomt: en zie, hij eet, maar als hij ontwaakt, zoo is zijne ziel ledig; of gelijk als wanneer een dorstige droomt, en zie, hij drinkt; maar als hij ontwaakt, zie, zoo is hij nog mat. ea zijne ziel is begeerig; alzóó quot;


-ocr page 794-

776 JESA

zal de menigte aller heidenen zijn die legen den berg Sion krijgen.

9 Zij vertoeven, daarom verwondert u; zij zijn vroolijk, derhalve roept gijlieden; zij zijn dronken, maar niet van wijn; zij waggelen, maar niet vanster-ken drank.

10 Want de Heere heeft over ulieden uitgegoten eenen geest des diepen slaaps, en hij heeft uwe oogen toegesloten; de Profeten en uwe hoofden en de zieners heeft hij verblind.

11 Daarom is ulieden alle gezicht geworden als de woorden eens verzegelden boeks, hetwelk men geeft aan een die lozen kan, zeggende: Lees toch dit, en hij zegt: Ik kan niet, want het is verzegeld;

12 of men geeft het boek aan een die niet lezen kan , zeggende: Lees toch dit, en hij zegt: Ik kan niet lezen.

13 Want de Heere heeft gezegd: Daarom dat dit volk tut mij nadert met zijnen mond, en zij mij met hunne lippen eeren, docli hun harte verre van mij houden, en hunne vreeze, waarmede zij mij vreezen, menschengeboden zijn die hun geleerd zijn:

14 daarom zie, ik zal voortaan wonderlijk handelen met dit volk, wonderlijk en wonderbaarlijk; want de wijsheid zijner wijzen zul vergaan, en het verstand zijner ver-standigen zal zich verbergen.

1.quot;» Wee dengenen die zich diep versteken willen voor den Heere, hunnen raad verbergende; en welker werken in duisterheid geschieden , en zij zeggen : Wie ziet ons en wie kent ons?

16 UI ieder omkeeren is alsof de pottebakker geacht werd als leem, dat het maaksel zeide van zijnen maker: Hij heeft mij niet gemaakt, en het geformeerde vat van zijnen pottebakker zeide: Hij verstaat het niet.

17 is het niet nog om een klein weinig, dat de Libanon in een vruchtbaar veld zal veranderd worden, en het vruchtbare veld als een woud geacht zal worden?

JA 30.

18 En te dien dage zullen de dooven hooren de woorden de; boeks, en de oogen der blinden zijnde uit de donkerheid en uit dt duisternis, zullen zien,

19 en de zachtmoedigen zullen vreugd op vreugd hebben in dei Heere en de behoeftigen ondei de menschen zullen zich in dei Heilige Israels verheugen:

20 wanneer de tyran een eind( zal hebben , en het met den be spotter uit zal zijn, en allen du tot ongerechtigheid waken uitge roeid zullen zijn,

21 die eenen mensch schuldi: verklaren om een woord, en leg gen dien strikken die hen bestraf in de poort, en die den rechtvaar dige verdrijven in het woeste.

22 Da.rom zegt de Heere, di( Abraham verlost heeft, tot dei huize Jakobs alzóó: Jakob zal ni niet meer beschaamd worden, ei uu zal zijn aangezicht niet mcei bleek worden;

23 want als hij zijne kinderen het werk mijner quot;handen, zien zu in het midden van hem, zullei zij mijnen naam neiligen, en zi zullen den Heilige Jakobs heilige! en den God Israels vreezen;

24 en die dwalende van gees zijn, zullen tot verstand komen en de inurmureorders zullen dt leering aannemen.

HOOFDSTUK 30.

Wee den kinderen die afvallen spreekt de Heere, om eene raadslag te maken, maar niet ui mij, en om zich met eene bedek king te bedekken , maar niet m mijnen geest, om zonde tot zond te doen;

2 die gaan om af te trekken i Egypte, en vragen mijnen moe niet; om zich tc. sterken met d macht van Farao, en om humi toevlucht te nemen onder d schaduw van Egypte.

3 Want de st erkte van Far.\'i zal ulieden tot schaamte zijn, e die toevlucht onder de schaclu-van Egypte tot schande.

4 Wanneer zijne Vorsten zulle geweest zijn te Zoan, en zijn

-ocr page 795-

JESAJA 30.

777

gezanten zullen gekomen zijn tot nabij Hanes:

5 hij zal ze allen beschaamd maken door een volk dat hun geen nut kan doen, en niet tot hulp noch tot voordeel, maar tot schande en ook tot smaadheid zijn zal.

G De last der beesten van het Zuiden.

Naar het land des angstes en der benauwdheid, van waar de sterke leeuw en de oude leeuw is, de basilisk en de vurige vliegende kaak, zullen zij hunne goederen voeren op den rug der veulens, en hunne schatten op de bulten der kemelen lot het volk dat hun geen nut zal doen.

7 Want Egypte zal ijdellijk en te vergeefs helpen ; daarom heb ik hierover geroepen: Stilzitten zal hunne sterkte zijn.

8 Nu dan ga henen, schrijf voor hen op eene tafel en teeken het in een boek, opdat het blijve tot den laatsten dag, voor altoos tot in eeuwigheid.

9 Want het is een wederspannig volk, het zijn leugenachtige kin-

i\'.ri.; deren, kinderen dio des Heeren 0 wet niet hooren willen,

10 die daar zeggen tot de zieners : Ziet niet, en tot de schouwers: Schouwt ons niet wat recht is, spreekt tot ons zachte dingen, schouwt ons bedriegerijen;

11 wijkt af van den weg, maakt van de baan, laat de Heilige

Israëls van ons ophouden.

12 Daarom zóó zegt de Heilige Israëls: Omdat gijlieden dit woord verwerpt, en vertrouwt op onderdrukking en verkeerdheid, en steunt daarop :

13 daarom zal ulieden deze misdaad zijn gelijk eene vallende scheur uitwaarts gebogen in eenen hoogen muur, welks breuk haastig in een oogenblik komen zal.

14 Ja, hij zal ze verbreken gelijk eene pottebakkerskruik verbroken wordt, in het brijzelen zal hij niet verschoonen: alzoo dat van hare verbrijzeling niet eene scherf zal gevonden worden om vuur uit den haard te nemen, of om water te scheppen uit eene gracht.

i dc

de; den it dt

illen den ndei

der

iind( i be i du itge-

ildi: Ie; traf aai\'

di( dei 1 ni

15 Want alzóó zegt de Heere Heere, de Heilige Israëls: Door wederkeering en rust zoudt gijlieden behouden worden, in stilheid en in vertrouwen zoude uwe sterkte zijn; doch gij hebt niet gewild,

lt) en gij zegt: Neen, maar op paarden zullen wij vlieden: — daarom zult gij vlieden; en: Op sne\\\\Q paarden zullen wij rijden: — daarom zullen uwe vervolgers óófe snel zijn;

17 eenduizend van het schelden eens éenigen, van het schelden van vijf zult gij allen vlieden, totdat gij overgelaten wordt gelijk een mast op den top van eenen berg, en als eene banier op eenen heuvel.

18 En daarom zal de Heere wachten, opdat hij u genadig zij, en daarom zal hij vernoogd worden , opdat hij zich over ulieden ontferme, want de Heere is een God des gerichts: welgelukzalig zijn die allen, die hem verwachten.

19 Want het volk zal in Sion wonen, :c Jeruzalem: gij zult ganschelijk niet weenen, gewis-selijk zal hij u genadig zijn op de stemme uws geroeps: zoo haast als hij die hooren zal, zal hij u an tv/oorden.

20 Do Heere zal ulieden wel brood der benauwdheid en wateren der verdrukking geven, maar uwe leeraars zullen niet meer als met vleugelen wegvliegen , maar uwe oogen zullen uwe leeraars zien;

21 en uwe ooren zullen hooren het woord desgenen die achter u is, zeggende: Dit is do weg, wandelt in denzelve: als gij zoudt afwijken ter rechter- of ter linkerhand.

22 En gijlieden zult voor onrein houden het bedeksel uwer zilveren gesneden beelden, en het overtreksel uwer gouden gegoten beelden; gij zult ze wegwerpen gelijk een maanstondig kleed, en tot elk daarvan zeggen : Henen uit!

23 Dan zal hij uw zaad. waarmede gy het land bezaaid hebt, regen geven, en brood van des


-ocr page 796-

JA 31.

778

JESA

lands inkomen, en hetzelve zal vet en voedzaam zijn; uw vee zal te dien dage in eene wijde landouw weiden,

24 en de ossen en ezelveulens, die het land bouwen, zullen zuiver voeder eten , hetwelk verschud is met de werpschoflel en met de wan;

25 en daar zullen op allen hoogen berg en op allen verheven heuvel beekjes en watervlieten zijn, in den dag der groote slachting, wanneer de torens vallen zullen.

20 En het licht der maan zal zijn als het licht der zon, en het licht der zon zal zevenvoudig zijn als het licht van zeven dagen, ten dage als de Heere de breuk zijns volks zal verbinden en de wond, waarmede het geslagen is, genezen.

27 Zie, de Naam des Heeren komt van verre, zijn toorn brandt en de last is zwaar; zijne lippen zijn vol gramschap en zijne tong als een verterend vuur;

28 en zijn adem is als eene overloopende beek die tot aan den hals toe raakt: om de heidenen te schudden met eene schudding der ijdelheid, en als een misleidende toom in de kinnebakken der volkeren.

29 Daar zal een lofzang bij ulie-den zijn , gelijk in den nacht wanneer het feest geheiligd wordt; en blijdschap des harten, gelijk van een die met pijpen wandelt om te komen tot den berg des Heeren, tot den Rotssteen Is-raëls.

30 En de Heere zal zijne heerlijke stemme doen hooren en de nedcrlating zijns arms doen zien, met grimmigheid van toorn en eene vlam des verterenden vuurs, stralen en een vloed en hagel-steenen.

31 Want door de stemme des Heeren zal Assur te morzel geslagen worden, die met de roede sloeg.

32 En alwaar die gegrondveste staf doorgegaan zal zijn, (op welken de Heere dien zal hebben doen rusten), daar zal men met trommels en harpen zijn; want met bewegende bestrijdingen zal vel hij tegen hen strijden. ;er

33 Want Tofeth is van gisteren 8 bereid, jat hij is ook voor den w; Koning bereid; hij heeft hem diep av; en wijd gemaakt, zijns brandsta- iei pels vuur en hout is veel: de adem des Heeren zal hem aan- in steken als een zwavelstroom. *

HOOFDSTUK 31. ^

Wee dengenen die in Egypte ni( om hulp aftrekken, en steunen op Ui paarden en vertrouwen op wage- Je nen, omdat er vele zijn, en op ruiters, omdat die zeer machtig zijn: en zien niet op den Heilige Israels, en zoeken den Heere niet. gc

2 Nogtans is hij óók wijs, en le hij doet het kwaad komen, en trekt zijne woorden niet terug; v( maar hij zal zich opmaken tegen c( het huis der boosdoeners en tegen al de hulp dergenen die ongerech- p beid werken. z

3 Want de Egyptenaars zijn k menschenen geen God, en hunne paarden zijn vieesch en geen z geest; en de Heere zal zijne o hand uitstrekken, dat de helper 1\' struikelen zal, en die geholpen wordt zal nedervallen, en zij zul- z len al te zamen te niet komen. | s

4 Want alzóó heeft de Heere | c tot mij gezegd: Gelijk als een ( leeuw en een jonge leeuw over zijnen roof brult, wanneer ook een volle menigte der herderen samengeroepen wordt tegen hem, voor hunne stem niet verschrikt noch zich vernedert vanwege hunne veelheid: alzóó zal de Heere der heirscharen nederdalen om

te strijden voor den berg Sions en voor haren heuvel.

5 Gelijk vliegende vogelen, alzóó zal de Heere der heirscharen Jeruzalem beschutten, beschuttende zal hij haar ook verlossen, : doorgaande zal hij haar ook uit- ■■ helpen.

O Bekeert u tot hem van welken de kinderen Israels diep af- j geweken zijn;

7 want te dien dage zullen zij verwerpen een ieder zijne zilveren afgoden en zijne gouden afgoden, i


-ocr page 797-

J ES A.TA 32. 33.

779

velke u uwe handen ter zonde gemaakt hadden;

8 en Assur zal vallen door het waard, niet eens mans, en het ;\\vaard, niet eens menschen , zal lem verteren; en hij zal voor het -.waard vlieden, en zijne jonge-ingen zullen versmelten,

9 en hij zal van vreeze doorgaan naar zijnen rotssteen, en zijne Vorsten zulleil voor de ba-iicr verschrikken, spreekt de Heere, die te Sion vuur en te Jeruzalem eenen oven heeft.

HOOFDSTUK 32.

Zie, een Koning zal regeeren in gerechtigheid, en de Vorsten zullen heerschen naar recht.

2 En die man zal zijn als eene verberging tegen den wind en eene schuilplaats tegen den vloed, als waterbeken in eene dorre plaats, als de schaduw van eenen zwaren rotssteen in een dorstig land.

3 En de oogen dergenen die zien, zullen niet terugzien, en de ooren dergenen die hooren, zullen opmerken.

4 En het harte der onbedacht-zamen zal de wetenschap verstaan , en de tong der stamelenden zal vaardig zijn om beschei-denlijk te spreken.

5 De dwaas zal niet meer genoemd worden milddadig, en de gierige zal niet meer mild gehee-ten worden;

6 want een dwaas spreekt dwaasheid en zijn hart doet ongerechtigheid, om huichelarij te plegen en om dwaling te spréken tegen den Heere, om de ziel des hongeiigen ledig te laten en den dorstige drank te doen ontbreken;

7 en eens gierigaards gansche gereedschap is kwaad: hij beraadslaagt schandelijke verdichtselen, om de ellendigen te bederven met valsche redenen, en het recht als de arme spréékt;

8 maar een milddadige beraadslaagt milddadigheden en staat op milddadigheden.

9 Staat öp gij geruste vrouwen, hoort mijne slem; gij dochters die zoo zéker zijt, neemt mijne reden ter oore.

10 Vete dagen over het jaar zult gij beroerd zijn, gij dochters die zoo zéker zijt, want de wijnoogst zal uit zijn, daar zal geen inzameling komen.

11 Beeft gij geruste vrouwen, weest beroerd, dochters die zoo zéker zijt; trekt u uit en ontbloot u, en gordt zakken om uwe lendenen.

12 Men zal rouwklagen over de borsten, over de gewenschte akkers , over de vruchtbare wijnstokken ;

13 op het land mijns volks zal de doorn en de distel opgaan, Ja, op alle vreugdehuizen, in de vroohjk huppelende stad.

14 Want het paleis zal verlaten zijn, het gewoel der stad zal ophouden , Ofel en de wachttorens zullen tot spelonken zijn tot in eeuwigheid, eene vreugde der woudezels, eene weide der kudden ;

15 totdat over ons uitgegoten worde de Geest uit de lioogte: dan zal de woestijn tot een vruchtbaar veld worden, en het vruchtbare veld zal als een woud geacht worden;

16 en het recht zal in de woestijn wonen, en de gerechtigheid zal op het vruchtbare veld verblijven ;

17 en het werk der gerechtigheid zal vrede zijn, en de werking der gerechtigheid zal zijn gerustheid en zekerheid tot in eeuwigheid;

18 en mijn volk zal in eene woonplaats des vredes wonen, en in welverzekerde woningen, en in stille geruste plaatsen.

19 Maar het zal hagelen waar men afgaat in het woud, en de stad zal laag worden in de laagte.

20 Welgelukzalig zijt gijlieden die aan alle wateren zaait, gij die den voet van den os en den ezel derwaarts henenzendt.

HOOFDSTUK 33.

Wee u, gij verwoester die niet verwoest zijt, en gij die trouwe-


-ocr page 798-

J ESA JA 33.

780

looslijk handelt daar men niet trouwelooslijk Legen u gehandeld heeft: als gij het verwoesten zult volbracht hebben zult gij verwoest worden, als gij liet trouwelooslijk handelen zult voleindigd hebben zal men trouwelooslijk tegen u handelen.

2 Heere , wees ons genadig, wij hebben op u gewacht; wees hun arm allen morgen, daartoe onze behoudenis ten tijde der benauwdheid.

3 Van het geluid des rumoers zullen de volkeren wegvlieden, van uwe verhooging zullen de heidenen verstrooid worden.

4 Dan zal ulieder buit verzameld worden gelijk de kevers verzameld worden, men zal daarin ginds en weder huppelen gelijk de sprinkhanen ginds en weder huppelen.

5 De Heere is verheven, want hij woont in de hoogte, hij heelt Sion vervuld met gericht en gerechtigheid ;

6 en het zal geschieden dat de vastheid uwer tijden, de sterkte van uwe behoudenissen zal zijn wijsheid en kennis, de vreeze des Heeren zal zijn schat zijn.

7 Zie , hunne allersterksten roepen daar buiten, de boden des ; vredes weenen bitterlijk;

8 de gebaande wegen zijn verwoest, die door de paden gaat houdt op; hij vernietigt het verhond , hij veracht de steden , hij acht geen mensch;

9 het land treurt, het kwijnt, de Libanon schaamt zich, hij verwelkt ; Saron is geworden als eene woestijn, zoo Basan als Karmel zijn geschud.

10 Nu zal ik opstaan, zegt de Heere, nu zal ik verhoogd worden , nu zal ik verheven worden.

11 Gijlieden gaat met stroo zwanger, gij zult stoppelen baren; uw geest zal u als vuur verslinden,

12 en de volkeren zullen zijn als de verbrandingen des kalks, als afgehouwen doornen zullen zij met het vuur verbrand worden.

13 Hoort gijlieden die verre zijt, wat ik gedaan heb; en gijlieden die nabij zijt, bekent mijne macht.

14 De zondaren te Sion zijn ver schrikt, beving heeft de huiche laars aangegrepen; zij zeggen Wie is er onder ons die bij een verterend vuur wonen kan, wi( is er onder ons die bij een eeuwigen gloed wonen kan?

15 Die in gerechtigheden wandel en die billijkheden spreekt, di( het gewin der onderdrukkingen verwerpt, die zijne handen uit schudt dat ze geen geschenken behouden, die zijn oor stopt dat hij geen bloedschulden hoore, en zijne oogen toesluit dat hij het kwaad niet aanzie:

16 die zal in de hoogte wonen, de sterkten der steenrotsen zullen zijn hoog vertrek zijn; zijn brood wordt hem gegeven, zijne wateren zijn gewis.

17 Uwe oogen zullen den Koning! zien in zijne schoonheid, zij zullenl een ver gelegen land zien.

18 Uw harte zal de verschrikking overdenken, zeggende: Waar is de schrijver, waar is de betaals-heer, waar is hij die de torens telt?

19 Gij zult niet meer dat stuur-sche volk zien, het volk dat zoo diep van spraak is. dat men het niet hooren kan, van belachelijke tong, hetwelk men niet verstaan kan.

20 Schouwt Sion aan, de stad onzer bijéénkomsten: uwe oogen zullen Jeruzalem zien, eene geruste woonplaats, eene tent die niet terneder geworpen zal worden , welker pinnen in eeuwigheid niet zullen uitgetrokken worden, en van welker zelen geene zullen verscheurd worden;

21 maar de Heere zal aldaar bij ons heerlijk zijn, het zal zijn eene plaats van rivieren, van wijde stroomen, geen roeischuit zal daar doorvaren en geen treüe-lijk schip zal daar overvaren.

22 Want de Heere is onze Rechter, de Heere is onze Wetgever, de Heere islt;onzö Koning, hij zal ons behouden.

23 Uwe touwen zijn slap geworden, zij zullen hunnen mastboom niet kunnen recht stijf houden, zij zullen het zeil niet uitspannen;


-ocr page 799-

JESAJA 34, 35.

781

óan zal de roof van een overvloediger! buit uil gedeeld worden, zelfs zullen de lammen den roof rooven,

24 en geen inwoner zal zeggen: Ik ben ziek, want het volk dat daarin woont zal vergeving van ongerechtigheid hebben.

HOOFDSTUK 34.

Nadert gij heidenen om tehooren, en gij volken luistert toe ; de aarde hoore en hare volheid, de wereld en alles wat daaruit voortkomt.

2 Want de verbolgenheid des Heeken is over alle de heidenen, en grimmigheid over al hun heir; hij heeft ze verbannen, hij heeft ze ter slachting overgegeven;

3 en hunne verslagenen zullen weggeworpen worden, en van hunne doode lichamen zal hun stank opgaan, en de bergen zullen smelten van hun bloed;

4 en al het heir der hemelen zal uitteren, en de hemelen zullen toegerold worden gelijk een boek , en al hun heir zal afvallen gelijk een blad van den wijnstok afvalt, en gelijk eene vijg afvalt van den vijgeboom.

5 Want mijn zwaard is dronken geworden in den hemel, zie, het zal ten ooi-deel nederdalen op Edom, en op het volk hetwelk ik verbannen heb.

6 Het zwaard des Heeren is vol van bloed, het is vet geworden van smeer, van het bloed der lammeren en der bokken, van het smeer van de nieren der rammen ; want de Heere heeft een slacht-olfer te Bozra, en eene groote slachting in het land der Edomiten.

7 En de eenhoornen zullen met hen afgaan, en de varren met de stieren ; en hun land zal doordronken zijn van bloed, fen hun stof zal van het smeer vet gemaakt worden.

8 Want het zal zijn de dag der wrake des Heeren, een jaar der vergeldingen om Sions twistzaak ;

9 en hunne beken zullen in pek verkeerd worden, en hun stof in zwavel, ja, hunne aarde zal tot brandend pek worden;

10 het zal des nachts en des daags niet uitgebluscht worden, tot in eeuwigheid zal zijn rook opgaan, van geslachte tot geslachte zal hel woest zijn, tot in eeuwigheid der eeuwigheden zal niemand daar doorgaan;

11 maar de roerdomp en de nachtuil zullen het erfelijk bezitten ; en de schuifuit en de raaf zal daarin wonen; want hij zal een richtsnoer der woestheid over hen trekken, en een richtlood der ledigheid.

12 Hunne edelen (doch zij zijn daar niet) zullen zij tot het koninkrijk roepen, maar alle hunne Vorsten zullen niets zijn.

13 En in hunne paleizen zullen doornen opgaan, netelen en dis-telen in hunne vestingen; en het zal eene woning der draken zijn,, eene zaal voor de jongen der struisen;

14 en de wilde dieren der woestijnen zullen de wilde dieren der eilanden daar ontmoeten, en de duivel zal zijnen metgezel toeroepen ; ook zal het nachtgedierte ziel\', aldaar nederzetten, en het zal eene rustplaats voor zich vinden;

15 daar zal de wilde meerle nestelen en leggen, en hare jongen uitbikken en onder hare schaduw vergaderen; ook zullen aldaar de gieren met elkander verzameld worden.

10 Zoekt in het boek des Heeren en leest; niet één van deze dingen zal er feilen, het één noch het ander zal men missen; want mijn mond zelf heeft het geboden, en zijn Geest zelf zal ze samenbrengen.

17 Want hij zelf heeft voor hen het lot geworpen , en zijne hand heeft het hun uitgedeeld met het richtsnoer: tot in eeuwigh.eid zullen zij dat erfelijk bezitten, van geslachte tot geslachte zullen zij daarin wonen.

HOOFDSTUK 83.

De woestijn en de dorre plaatsen zullen hierover vroolijk zijn, en de wildernis zal zich verheugen en zal bloeien als eene roos,

2 zij zal lustig bloeien en zich verheugen, ja, met verheuging, en juichen: de heerlijkheid van Libanon is haar gegeven, het sie-


-ocr page 800-

JESAJA 36.

782

rand van Karmel en Saron; zij znllen zien de heerlijkheid des Heeken, het sieraad onzes Gods.

3 Versterkt de slappe handen, en stelt de struikelende knieën vast.

4 Zefft. den onbedachtzamen van hart: Weest sterk en vreest niet; zie, ulieder God zal ter wrake komen met de vergelding Gods, hij zal karnen en ulieden verlossen.

5 Alsdan zullen der blinden oogen opengedaan worden, en der dooven ooren zuüen geopend worden ;

G alsdan zal de kreupele springen als een hert, en de tong des stommen zal juichen; want in de woestijn zullen wateren uitbarsten, en beken in de wildernis,

7 en het dorre land zal tot staand water worden, en het dorstige land tot springaders der wateren ; in de woning der draken, waar zij gelegen hebben, zal gras met riet en biezen zijn,

8 en aldaar zal eene verhevene baan en een weg zijn, welke de heilige weg zal genaamd worden: de onreine zal daar niet overgaan, maar hij zal voor deze zijn; die dezen weg wandelt, zelfs de dwazen zullen niet dwalen.

9 Daar zal geen leeuw zijn, en geen verscheurend gedierte zal daarop komen noch aldaar gevonden worden; maar de verlosten zullen daarop wandelen,

10 en de vrijgekochten des Heeren zullen wederkeeren en tot Sion komen met gejuich, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vroolijkheid en blijdschap zullen zij verkrijgen , maar droefenis en zuchting zullen weg-vlieden.

HOOFDSTUK 36.

En het geschiedde in het veertiende jaar van den Koning Hiz-kfa, dat Sanherib de Koning van Assyrië optoog tegen alle vaste steden van Juda, en ze innam.

2 En de Koning van Assyrië zond Rabsaké van Lachis naar Jeruzalem tot den Koning Hizki\'a, met een zwaar heir; en hij stond aan den watergang des oppersten vijvers, aan den hoogen weg van hét veld des vollers.

3 Toen ging tot hem uit Eljakim de zoon van Hilkia de hofmeester, en Sebna de schrijver, en Joah de zoon van Asaf de kanselier.

4 En Rabsaké zeide tot hen: Zegt nu tot Hizki\'a: Zóó zegi de gróote Koning, de Koning van Assyrië: Wat vertrouwen is dit waarmede gij vertrouwt?

5 Ik mocht zeggen (doch het is een woord der lippen): Daar is raad en macht tot den oorlog, op wien vertrouwt gij nu, dal gij tegen mij rebelleert?

6 Zie, gij vertrouwt op dien gebroken rietstaf, op Egypte, die zoo iemand daarop leunt, in zijne hand gaan en die doorboren zal: alzóó is Farao de Koning van Egypte allen dengenen die op hem vertrouwen.

7 Maar zoo gij tot mij zegt: Wij vertrouwen op den Heere onzen God: — is hij die niet; wiens hoogten en wiens altaren Hizki\'a weggenomen heeft, en tot Juda en tot Jeruzalem gezegd heeft: Voor dezen altaar zult gij u nederbuigen?

8 Nu dan, wed \'och met mijnen heer den Koning van Assyrië en ik zal u tweeduizend paarden geven, zoo gij voor u de ruiters daarop zult kunnen geven.

9 Hoe zoudt gij dan het aangezicht van een éenigen Vorst van de geringste knechten mijns heeren afkeeren? Maar gij vertrouwt op Egypte om de wagènen en om de ruiteren.

10 En nu, ben ik zonder den Heere opgetogen tegen dit land om dat te verderven? De Heere heeft tot mij gezegd: Trek op tegen dit land en verderf het.

11 Toen zeide El;-akim, en Sebna, en Joah tot Rabsaké: Spreek toch tot uwe knechten in het Syrisch, want wij verstaan het ivel; en spreek niet met ons in het Joodsch, voor de ooren des volks dat op den muur is.

12 Maar Rabsaké zeide: Heeft mijn heer mij tot uwen heer en tot u gezonden om deze woorden te spreken? Is het niet tot de


-ocr page 801-

JA 37.

783

JE SA

nannen die op den muur zitten, dat zij met ulieden hun drek eten en hun water drinken zuilen?

13 Alzoo stond Uabsakó, en riep me; luider stem in het Joodsch , en zeide; Hoort de woorden des groeten Konings, des Konings van Assjrië.

44 AIzóó zegt de Koning: Dat Hizka u niet bedriege ; want hij zal u niet kunnen redden.

15 Daarenboven dat Hizkia u nietdoe vertrouwen op den Heere, zeggende; De Heere zal ons ze-kerijk redden, deze stad zal niet in Je hand des Konings van As-syrë gegeven worden.

15 Hoort naar Hizki\'a niet, want alz5ó zegt de Koning van Assy-rië: Handelt met mij door een geschenk , en komt tot mij uit, en eet een ieder van zijnen wijnstee en een ieder van zijnen vij-geljoom , en drinkt een ieder het water zijns bornputs;

47 totdat ik kome en hale u naar een land als ulieder land is , een land van koren en van most. een land van brood en van wijngaarden.

48 Dat Hizki\'a ulieden niet verleide , zeggende: De Heere zal ons redden. Hebben de goden der volkeren een ieder zijn land gered uit de hand des konings van Assyrië?

49\' Waar zijn de goden van Ha-math en Arpad? Waar zijn de goden van Sefarvaïm ? Hebben zij ook Samarië van mijne hand gered ?

20 Welke zijn ze onder alle de goden dezer landen, die hun land uit mijne hand gered hebben, dat de Heere Jeruzalem uit mijne hand redder, zoude ?

21 Doch zij zwegen stil en antwoordden hem geen woord; want het gebod des Konings was, zeggende : Gij zult hem niet antwoorden.

22 Toen kwam Eljakim de zoon van Hilkia de hofmeester, en Sebna de schrijver, en Joah de zoon van Asaf de kanselier, tot Hizkia met gescheurde kleederen, en zij gaven hem de woorden van Rabsakó te kennen.

HOOFDSTUK 37.

En het geschiedde als de Koning Hizkia dat hoorde , zoo scheurde hij zijne klederen, en bedekte zien met een zak, en ging in liet Huis des Heeren.

2 Daarna zond hij Eljakim den hofmeester, en Sebna den schrijver, en de oudsten der Priesteren, met zakken bedekt, tot Jesajaden Profeet, den zoon van Amoz;

3 en zij zeiden tot hem: Alzóó zegt Hizkia : Deze dag is een dag der benauwdheid en der schelding en der lastering; want de kinderen zijn gekomen tot aan de geboorte , en daar is geen kracht om te baron.

4 Misschien zal de Heere uw God hooren de woorden van Rabsakó , denwelken zijn heer de Koning van Assyrië gezonden heeft om den levenden God te honen , en te schelden met woorden die de Heere uw God gehoord heeft; hef dan een gebed op voor het overblijfsel dat gevonden wordt.

5 En de knechten van den Koning Hizki\'a kwamen tot.iesaja;

(5 en Jesaja zeide tot hen : Zóó zult gijlieden tot uwen heere zeggen : Zóó zegt de Heere : Vrees niet voor de woorden die gij gehoord hebt, waarmede mij de dienaars des Konings van Assyrië gelasterd hebben.

7 Zie, ik zal eenen geest in hem geven, dat hij een gerucht hooren zal, en weder naar zijn land koeren; en ik zal hem door het zwaard in zijn land vellen.

8 Zoo kwam Rabsakó weder, en hij vond den Koning van Assyrië strijdende tegen Libna; want hij had gehoord dat hij van Lachis vertrokken was.

9 Als hij nu van Tirhaka den Koning van Kusch hoorde zeggen: Hij is uitgetogen om tegen u te strijden, toen hij zulks hoorde zoo zond hij lueder boden tot Hizki\'a, zeggende:

10 Zóó zult gijlieden spreken tot Hizki\'a den Koning vanJuda, zeggende : Laat u uw God niet bedriegen, op welken gij vertrouwt, zeggende: Jeruzalem zal in de


-ocr page 802-

ja 37.

784

J ESA

hand des Konings van Assyrië niet gegeven worden.

11 Zie, gij hebt gehoord wat de Koningen van Assyrië allen landen gedaan hebben, die verbannende; en zoudt gij gered worden ?

12 Hebben de goden der volkeren , die mijne vaders verdorven hebben, dezelve gered, als Gozan, en Haran, en Kezef, en de kinderen van Eden die in ïelassar waren ?

13 Waar is de Koning van Ha-math, en de Koning van Arpad, en de Koning der stad Sefarvaïra, Hena en Ivva?

14 Als nu Hizkia de brieven uit der boden hand ontvangen en die gelezen had. ging hij op in het Huis des Heerex , en Hizkia breidde die uit voor het aangezicht des Heerex;

15 en Hizkia bad tot den Heere zeggende:

10 O Heere der heirscharen, gij God Israels die tusschen de cherubs woont, gij zelf, gij alleen zijt de God aller koninkrijken der aarde, gij hebt den hernel en de aarde gemaakt.

17 o Heere, neig uw oor en hoor. Heere, doe uwe oogen open en zie. en hoor alle de woorden Sanheribs, die gezonden heelt om den levenden God te honen.

18 Waarlijk, Heere, de Koningen van Assyrië hebben allo de landen mitsgaders derzelver landerijen verwoest,

19 en hebben hunne goden in het vuur geworpen; want zij waren geen goden , maar het werk van monschenhanden , hout en steen; daarom hebben zij die verdorven.

20 Nu dan, Heere onze God , verlos ons uit zijne hand; zoo zullen alle koninkrijken der aarde weten dat gij alleen de Heere zijt.

\'21 Toen zond Jesaja de zoon van Amoz tot Hizkia , om te zeggen : Alzóó zegt de Heere de God Israels : Wat gij tot mij gebeden hebt tegen Sariherib , den Koning van Assyrië, heb ik gehoord.

22 Dit\'is het woord dat de Heere over hem gesproken heeft: De jonkvrouw de dochter Slons veracht u , zij bespot u , de dochtir Jeruzalems schudt het hoofd arh-ter u.

23 Wien hebt gij gehoond en gelasterd, en tegen wien hebi gij de stem verheven en uwe orgen omhoog opgeheven ? Tegen den Heilige Israels.

24 Door middel uwer dhnst-knechten hebt gij den Heers gehoond, en gezegd: Ik heb met de menigte mijner wagenen belkommen do hoogte der bergen, de zijden Libanons; en ik zal ajne hooge cederboomen en zijne uitgelezen denneboomen afhouwen, en zal komen tot zijne uiteiste hoogte, in het woud zijns sctoo-nen velds.

25 Ik heb gegraven en de va-teren gedronken, en ik heb liet mijne voetzolen alle rivieren ier belegerde plaatsen gedroogd.

26 Hebt gij niet gehoord dai ik zulks lang te voren gedaan l.eb, en dat van oude dagen af gifor-rneerd heb? Nu heb ik dat doen komen, dat gij zoudt zijn on de vaste steden te verstoren tot woe-te hoopen.

27 Daarom waren hare invoners handeloos, zij waren verslagen en beschaamd; zij waren al* het gras des velds, quot;en de groene grasscheutjes, citf het looi der daken, en het brandkoren eer het overeind staat.

28 Maar ik weet uw zitten, en uw uitgaan, en uw inkomen, en uw woeden tegen mij.

29 Om uw woeden tegen mij, en dat uwe woeling voor mijne ooren opgekomen is, zoo zal ik mijnen haak in uwen neus leggen, en mijn gebit in uwe lippen, en ik zal u doen wederkeeren doordien weg door denwelken gij gekomen zijt.

30 En dat zij u een teeken , dat men in dit jaar eten zal dat van zelf gewassen is, en in het tweede jaar dat daarvan weder uitspruit; maar zaait in het derde jaar en maait, en plant wijngaarden en eet hunne vruchten.

31 Want het ontkornene, dat overgebleven is van den huize van


-ocr page 803-

JA 38.

JESA

785

Juda, zal wederom nederwaarts wortelen, en het zal opwaarts vrucht dragen.

32 Want van Jeruzalem zal het overblijfsel uitgaan, en hot ont-komene van den berg Sion: de ijver des Heeren der héirscharen zal dit doen.

33 Daarom zóó zegt de Heere van den Koning van Assyrië: Hij zal in deze stad niet komen, noch daar een pijl inschieten, ook zal hij met geen schild daarvóór komen, en zal geen wal daartegen opwerpen:

34 door den weg dien hij gekomen is, doordien zal hij weder-keeren, maar in deze stad zal hij niet komen, zegt de Heere;

30 want ik zal deze stad beschermen , om die te verlossen, om mijnentwille en om Davids mijns knechts wille.

30 Toen voer de Engel des Heeren uit en sloeg in het leger van Assy r i ë h onde r d v ij len t ach ligdu i-zend; en toen zij zich des morgens vroeg opmaakten, zie, die allen waren doode lichamen.

37 Zoo vertrok Sanherih de Koning van Assyrië en toog henen, en keerde weder; en hij bleef te Ninevé.

38 Het geschiedde nu als hij in het huis vm Nisroch zijnen god zich nederboog, dat Adrammélech en Sarézer, zijne zonen, hem met het zwaard versloegen; doch zij ontkwamen in het land van Ararat; en Esar-Haddon, zijn zoon, werd Koning in zijne plaats.

HOOFDSTUK 38.

In die dagen werd Hizkia krank tot stervens toe; en de Profeet Jesaja de zoon van Amoz kwam tot hem, en zeide tot hem: Alzuó zegt de Heere : Geef bevel aan uw huis, want gij zult sterven en niet leven.

2 Toen keerde Hizkia zijn aangezicht om naar den wand, en hij bad tot den Heere,

3 en hij zeide: Och Heere, gedenk toch dat ik voor uw aangezicht in waarheid en met een volkomen hart gewandeld, en wat goed in uwe oogen is gedaan heb. En Hizkia weende ganseh zeer.

4 Toen geschiedde het Woord des Heeren tot Jesaja, zeggende:

5 Ga henen en zeg tot Hizkia: Zóó zegt de Heere, de God uws vaders Davids: ik heb uw gebed gehoord, ik heb uwe tranen gezien: zie, ik zal vijftien jaar tot uwe dagen toedoen,

6 en ik zal u uit de hand des Konings van Assyrië verlossen, mitsgaders deze stad, en ik zal deze stad beschermen.

7 En dit zal u een teeken zijn van den Heere, dat de Heere het woord dat hij gesproken heeft doen zal:

8 zie, ik zal de schaduw der graden die met de zon in de graden van Achaz\' zonnewijzer nederwaarts gegaan is, tien graden achterwaarts doenkeeren. Dies is de zon tien graden teruggekeerd op de graden die zij nederwaarts gegaan was.

Ü DU is het geschrift van Hizkia den Koning van Jnda, toen hij ziek geweest en van zijne ziekte genezen was.

10 Ik zeide: Vanwege de afsnijding mijner dagen zal ik tot de poorten des grafs henengaan, ik word beroofd van het overige mijner jaren.

dl Ik zeide: Ik zal den Heere niet mee/1 zien, den Heere, in den lande der levenden; ik zal de menschen niet meer aanschouwen met de inwoners der wereld.

12 Mijns levens tijd is weggetogen en van mij weggevoerd gelijk eens herders hut, ik heb mijn léven afgesneden gelijk een wever zijn web; hij zal mij afsnijden als van den drom, van clen dag tot den nacht zult gij aan mij een einde gemaakt hebben.

13 Ik stelde mij voor tot den morgenstond toe: gelijk een leeuw, alzóó zal hij alle mijne beenderen breken; van den dag tot den nacht zult gij aan mij een einde gemaakt. hebben.

14 Gelijk eenekraan o/quot; zwaluw, alzóó piepte ik: ik kirde .als eene duif; mijne oogen verhieven ziclj


-ocr page 804-

780 JE SA J.

omhoog; o Heere , ik word onderdrukt, wees gij mijn borg.

15 Wat zal ik spreken? Gelijk hij het mij heeft toegezegd, alzoo heelt hij het gedaan; ik zal nu al zoetkens voorttreden alle mijne jaren, vanwege de bitterheid mijner ziele.

16 Heere, bij deze dingen leeft men, en in dit alles is het leven mijns geestes; want gij hebt mij gezond gemaakt en mij genezen.

17 Zie, in vrede is mij de bitterheid bitter geweest; maar gij hebt mijne ziele liefelijk omhelsd, dat ze in de groeve der vertering niet kwame; want gij hebt alle mijne zonden achter uwen rug geworpen.

18 Want het graf zal u niet loven, de dood zal u niet prijzen; die in den kuil nederdalen, zullen op uwe waarheid niet hopen.

19 De levende, de levende, die zal u loven gelijk ik heden due; de vader zal den kinderen uwe waarheid bekend maken.

20 De Heere was gereed om mij te verlossen; daarom zullen wij op mijn snarenspel spelen, alle de dagen onzes levens, in den Huize des Heeren.

21 Jesaja nu had gezegd: Laat ze nemen eenen klomp vijgen, en tot eene pleister op het gezwel maken, en hij zal genezen.

22 En Hizkia had gezegd: Welk zal het teeken zijn, dat ik ten Huize des Heeren zal opgaan?

HOOFDSTUK 39.

Te dier tijd zond Merodach-Ba-ladan de zoon van Baladan , de Koning van Babel, brieven en een geschenk aan Hizkia; want hij had gehoord dat hij krank geweest en iveder sterk geworden was.

2 En Hizkia verblijdde zich over hen, en hij toonde hun zijn schat-huis, het zilver, en het goud, en de specerijen, en de beste olie, en zijn gansche wapenhuis, en al wat gevonden werd in zijne schatten : daar was geen ding in zijn huis noch in zijne gansche heerschappij dat Hizkia hun niettoonde.

3 Toen kwam do Profeet Jesaja tot den Koning Hizkia , en zeicle

A 39 , 40.

tot hem : Wat hebben die mannen gezegd, en van waar zijn zij tot ii gekomen? En Hizkia zeide; Zij zijn uit verren lande tot mij gekomen, uit Babel.

4 En hij zeide: Wat hebben zij gezien in uw huis? En Hizkia zeide: Zij hebben alles gezien wat in mijn huis is , geen ding is er in mijne schatten dat ik hun niet getoond heb.

5 Toen zeide Jesaja tot Hizkia: Hoor het Woord des Heeren der heirscharen.

(i Zie, de dagen komen , dat al wat in uw huis is , en wat uwe vaders opgelegd hebben tot op dezen dag, naar Babel weggevoerd zal worden : daar zal niets overgelaten worden, /egt de Heere.

7 Daarbij zullen zij van uwe zonen, die uit u zulien voortkomen, die gij gewinnen zult, nemen, dat zij hovelingen zijn in het paleis des Konings van Babel.

8 Maar Hizkia zeide tot Jesaja: Het woord des Heeren dat gij gesproken hebt is goed. Ook zeide hij: Doch het zij vrede en waarheid in mijne dagen.

HOOFDSTUK 40.

Troost, troost mijn volk, zal ulieder God zeggen;

2 spreekt naar het harte van Jeruzalem . en roeot haar toe dat haar strijd vervuld is , dat hare ongerechtigheid verzoend is, dat zij van de hand des Heeren dubbel ontvangen heeft voor alle hare zonden.

3 Eene stemme des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren , maakt recht in de wildernis eene baan voor onzen God!

4 Alle dalen zullen verhoogd worden, en alle bergen en heuvelen zullen vernederd worden; en wat krom is. dat zal recht, en wat hobbelachtig is, dat zal tot eene vallei gemaakt worden;

5 en de heerlijkheid des Heeren zal geopenbaard worden, en alle vleesch te gelijk zal zien dat het de mond des Heeren gesproken heeft.

ü Eene stemme zegt: Boep, en

-ocr page 805-

JESAJA 40.

787

hij zegt: Wat zal ik roepen? Alle vlefsch is gras, eu a! zijne sierlijkheid als eene bloem des velds: quot; 7 het gras verdort, de bloem valt af, als de Geest des Hekren daarin blaast; voorwaar het volk is gras.

8 Het gras verdort, de bloem valt af; maar bet Woord onzes Gods bestaat in eeuwigheid.

9 O Sion, gij verkondigster van goede boodschap, klim op een hoogen berg; o Jeruzalem, gij verkondigster van goede boodschap, hef uwe stem op met macht, hef ze op, vrees niet, zeg tot de steden van Juda; Zie hier is uw God.

10 Zie, de Meere HEERE zal komen tegen den sterke, en zijn ; arm zal heerschen; zie, zijn loon ! is bij hem, en zijn arbeidsloon is i voor zijn aangezicht.

11 Hij zal zijne kudde weiden | gelijk een herder, hij zal de lam-merkens in zijne armen vergaderen en in zijnen schoot dragen, de zogende zal hij zacht kens leiden.

12 Wie heeft de wateren met zijne vuist gemeten en van de hemelen met de spanne de maat genomen, en heeft met een drieling het stof der aarde begrepen, en de bergen gewogen in eene waag en de heuvelen in eene weegschaal ?

13 Wie heeft den Geest des Hesren bestierd, en wie heeft hem als zijn raadsman onderwezen?

14 Met wien heeft hij raad gehouden, die hem verstand zoude geven, en hem zoude leeren van het pad des rechts, en hem wetenschap zoude leeren, en hem zoude bekend maken den weg des veelvoudigen verstands?

lö Zie, de volkeren zijn geacht als een druppel van eenen emmer, en als een stofje van de weegschaal; zie, hij werpt de eilanden henen als dun stof;

1G en de Libanon is niet genoegzaam om te branden, en zijn gedierte is niet genoegzaam ten brandoffer;

17 alle volken zijn als niets voor hem , en zij worden bij hem geacht minder dan niets en ijdelheid;

18 bij wien dan zult gij God vergelijken, of wat gelijkenis zult gij op hem toepassen?

19 De werkmeester giet een beeld, en de goudsmid overtrekt het met goud, en giet er zilveren ketenen toc\\

20 die verarmd is, dat hij niet te offeren heeft, die kiest een hout uit dat niet verrotte, hij zoekt zich een wijzen werkmeester, om een beeld te bereiden daf niet wankele.

21 Weet gijlieden niet, hoort gij niet, is het u van den beginne niet bekendgemaakt, hebt gij op de grondvesten der aarde niet gelet ?

22 Hij is het die daar zit boven den kloot der aarde, en hare inwoners zijn als sprinkhanen; hij is het die de hemelen uitspant als eenen dunnen doek, en breidt ze uit als eene tent om te bewonen;

2-i die de Vorsten te niet maakt, de lichters der aarde maakt hij als ijdelheid;

24 ja , zij worden niet geplant, ja, zij worden niet gezaaid, ja hun afgehouwen stam wortelt niet in dc aarde; ook als hij op hen blazen zal, zoo zullen zij verdorren, en een stormwind zal ze als een stoppel wegnemen:

25 bij wien dan zult gijlieden mij vergehiken , dien ik gelijk zij ? zegt de Heilige.

26 Heft uwe oogen op omhoog, en ziet wie deze dingen geschapen heeft; die in getale hun heir voorbrengt, die ze alle bij name roept, vanwege de grootheid zijner krachten en omdat hij sterk van vermogen is: daar wordt er niet één gemist.

27 Waarom zegt gij dan o Jakob, en spreekt o Israël: Mijn weg is voor den Heere verborgen , en mijn recht gaat van mijnen God voorbij ?

28 Weet gij het niet, hebt gij niet gehoord dat de eeuwige God , de Heere, de Schepper van de einden der aarde, noch moede noch mat wordt? Er is geen doorgronding van zijn verstand.

29 Hij geeft den moede kracht,


-ocr page 806-

JESAJA 41.

788

en hij vermenigvuldigt do sterkte dien die geene krachten heeft:

30 de jongen zullen moede en mat worden, en de jongelingen zullen gewisselijk vallen;

31 maai* die den 11 eere verwachten, zullen de kracht vernieuwen , zij zullen opvaren met vleugelen gelijk de arenden, zij zullen loopen en niet moede worden, zij zullen wandelen en niet mat worden.

HOOFDSTUK 41.

Zwijgt voor mij gij eilanden, en laat de volkeren de kracht vernieuwen ; laat ze toetreden, laat ze dan spreken , laat ons te zamen ten gerichte naderen.

2 Wie heeft vari den opgang dien rechtvaardige verwekt, heeft hem geroepen op zijnen voet, de heidenen voor zijn aangezicht gegeven en gemaakt dat hij over Koningen heerschte, heeft ze aan zijn zwaard gegeven als stof, aan zijnen boog als een voortgedreven stoppel,

3 dat hij ze najoeg en doortrok met vrede, door een pad hetwelk hij met zijne voeten niet betreden had?

4 Wie heeft dit gewrocht en gedaan, roepende de geslachten van den beginne? Ik de Heere, die de eerste ben, en met de laatsten ben ik dezelfde.

5 De eilanden zagen het en zij vreesden; de einden der aarde beefden, zij naderden en kwamen toe:

6 de één hielp den ander, en zeide tot zijnen metgezel: Wees sterk;

7 en de werkmeester versterkte den goudsmid; die met den hamer glad maakt, dengeen die op het aanbeeld slaat, zeggende van het soldeersel: Het is goed; daarna maakt hij het vast met nagelen, dat het niet wankele.

8 Maar gij Israël mijn knecht, gij Jakob dien ik verkoren heb , het zaad Abrahams mijns liefhebbers ;

9 gij welken ik gegrepen heb van de einden der aarde, en uit hare bijzondersten geroepen heb, en zeide tot u: Gij zijt mijn knecht, u heb ik uitverkoren en heb u niet verworpen: —

10 vrees niet, want ik ben met u; wees niet verbaasd, want ik ben uw God; ik sterk u, ook help ik u, ook ondersteun ik u met de rechterhand mijner gerechtigheid.

11 Zie, zij zullen beschaamd en te schande worden, allen die tegen u ontstoken zijn; zij zullen worden als niets, en de lieden die met u twisten, zullen vergaan:

12 gij zult ze zoeken maar zult ze niet vinden; de lieden die met u twisten, zullen worden als niets, en de lieden die met u oorlogen, als een nietig ding.

13 Want ik de Heere uw God grijp uwe rechterhand aan, die tot u zeg: Vrees niet, ik help u.

14 Vrees niet gij wormpje Ja-kobs, gij volkje Israëls. Ik help u, spreekt de Heere, en uw Verlosser is de Heilige Israëls.

15 Zie, ik heb .i tot eene scherpe nieuwe dorsch-slede gesteld, die scherpe pennen heeft; gij zult bergen dorschen en vermalen, en heuvelen zult gij stellen gelijk kaf;

16 gij zult ze wannen, en dé wind zal ze wegnemen , en de stormwind zal ze verstrooien; maar gij zult u verheugen in den Heere, in den Heilige Israëls zult gij roemen.

17 De ellendigen en nooddrufti-gen zoeken water, maar daar is geen ; hunne tong versmacht van dorst: ik de Heere zal ze verhoeren . ik de God Israëls zal ze niet verlaten;

18 ik zal rivieren op de hooge plaatsen openen , en fonteinen in het midden der valleien; ik zal de woestijn tot een waterpoel zetten, en het dorre land tot watertochten ;

19 ik zal in de woestijn den cederboom, den sittimboom en den mirteboom en den olieachti-gen boom zetten, ik zal in de wildernis stellen den denneboom, den beuk, en den buxboom te gelijk;

20 opdat zij zien en bekennen en overleggen en te gelijk ver-


-ocr page 807-

JESAJA 42.

789

staan, dat de hand des Heeren zulks gedaan en dat de Heilige Israels zulks geschapen heeft.

21 Brengt ulieder twistzake voor, zegt de Heehe ; brengt uwe vaste bewijsredenen bij, zegt de Koning Jakobs.

22 Laat ze voortbrengen en ons verkondigen de dingen die gebeuren zullen ; verkondigt de vorige dingen, welke die geweest zijn. opdat wij het ter harte nemen en het einde daarvan weten; of doet ons de toekomende dingen hooren.

23 Verkondigt dingen die hierna komen zullen, opdat wij weten dat gij goden zijt; ja, doet goed en doet kwaad, dat wij verbaasd staan en te zamen toezien.

24 Zie, gijlieden zijt minder dan niets , en ulieder werk is erger dan eene adder; hij is een gruwel, die ulieden verkiest.

25 Ik verwek venen van het Noorden, en hij zal komen van den opgang der zon; hij zal mijnen naam aanroepen, en hij zal komen over de overheden als over leem, en gelijk een pottebakker de klei treedt.

26 Wie heeft tvat verkondigd van den beginne, dat wij het ■weten mogen, of van te voren, dat wij zeggen mogen: Hij is rechtvaardig? Maar daar is niemand die het verkondigt, ook niemand die ivat hooren doet, ook niemand die ulieder woorden hoort.

27 Ik zey de eerste tot Sion: Zie, zie ze daar, en tot Jeruzalem: Ik zal eenen blijden boodschapper geven.

28 Want ik zag toe , maar daar was niemand, zelfs onder dezen, maar er was geen raadgever, dal. ik hen zoude vragen en zij mij antwoord geven zouden.

29 Zie, zij zijn altemaal ijdel-heid, hunne werken zijn een nietig ding, hunne gegoten beelden zijn wind en een ijdel ding.

HOOFDSTUK 42.

Zie, mijn knecht, dien ik onder-steune, mijn uitverkorene, in denwelken mijne ziel een welbehagen heeft. Ik heb mijnen Geest op hem gegeven, hij zal het recht den heidenen voortbrengen.

2 Hij quot;al niet schreeuwen, noch zijne stemme verheffen, noch zijne stemme op de straat laten hooren.

3 Het gekrookte riet zal hij niet verbreken, en de rookende vlaswiek zal hij niet uitblusschen; met waarheid zal hij het recht voortbrengen.

4 Hij zal niet verdonkerd worden en hij zal niet verbroken worden, totdat hij het recht op aarde zal hebben besteld, en de eilanden zullen naar zijne leer wachten.

5 Alzóó zegt God de Heere , die de hemelen geschapen en dezelve uitgebreid heeft, die de aarde uitgespannen heeft en wat daaruit voortkomt, die den volke dat daarop is den adem geeft, en den geest dengenen die daarop wandelen:

6 Ik, de Heere heb u geroepen in gerechtigheid, en ik zal u bij uwe hand grijpen; en ik zal u behoeden, en ik zal u geven tot een verbond des volks, tot een licht der heidenen,

7 om te openen de blinde oogen, om den gebondene uit te voeren uit de gevangenis, en uit het gevangenhuis degenen die in duisternis zitten.

8 Ik ben de Heere , dat is mijn naam, en mijne eer zal ik geenên anderen geven, noch mijnen lof aan de gesneden beelden.

9 Zie, de voorgaande dingen zijn gekomen, en nieuwe dingen verkondig ik, eer dat zij uitspruiten doe ik ulieden die hooren.

10 Zingt den Heere een nieuw lied, zijnen lof van het einde der aarde; gij die ter zee vaart en al wat daarin is, gij eilanden en hunne inwoners.

11 Laat de woestijn en hare steden de stem verhellen, met de dorpen die Kedar bewoont; laat ze juichen die in de rotssteenen wonen, en van den top der bergen af schreeuwen.

12 Laat ze den Heere de eere


-ocr page 808-

JA 43.

790

JESA

geven, en zijnen lof in de eilanden verkondigen.

13 De Heere zal uittrekken als een held, hij zal den ijver opwek- i ken als een krijgsman; hij zal juichen , ja hij zai een groot gelier maken; hij zal zijue vijanden overweldigen.

14 ik heb van ouds gezwegen, ik heb mij stilgehouden en mij ingehouden: ik zal uitschreeuwen als eene die baart, ik zal ze verwoesten en te zamen opslokken,

45 ik zal bergen en heuvelen woest maken en al hun gras zal ik doen verdorren, en ik zal de rivieren tot eilanden maken, en de poelen uitdrogen,

16 en ik zal de blinden leiden door den weg dien zij niet geweten hebben, ik zal ze doen treden door de paden die zij niet geweten hebben, ik zal de duisternis voor hun aangezicht ten lichte maken, en het kromme tot recht: deze dingen zal ik hun doen, en ik zal ze niet verlaten.

17 Maar die zich op gesneden beelden verlaten , die tot de gegoten beelden zeggen: Gij zijt onze goden, die zullen achterwaarts keeren en met schaamte beschaamd worden.

18 Hoort gij dooven, en staart gij blinden, om te zien.

19 Wie is er blind dan mijn knecht, en doof gelijk mijn bode dien ik zend? Wie is blind gelijk de volmaakte en blind gelijk de knecht des Heeren?

20 Gij ziet wel vele dingen, maar gij bewaart ze niet; ofschoon hij de ooren open doet, zoo hoort hij toch niet.

21 De Heere had lust aan hem om zijner gerechtigheids wille, hij maakte hem groot door de wet en hij maakte hem heerlijk.

22 Maar nu is het een beroofd en geplunderd volk, zij zijn allen verstrikt in de holen en verstoken inde gevangenhuizen, zij zijn toteenen roof geworden en er is niemand die ze redt, tot eene plundering en niemand zegt: Geef ze weder.

23 Wie onder ulieden neemt zulks ter oore, tuie merkt op en hoort wat hierna zijn zal?

24 Wie heeft Jakob tot eene plundering overgegeven, en Israël den roovers? Is het niet de Heere, hij legen wien wij gezondigd hebben? Want zij wilden niet wandelen in zijne wegen , en zij hoorden niet naar zijne wet:

25 daarom heeft hij over hen uitgestort de grimmigheid zijns toorns en de macht des oorlogs , en hij heeft ze rondom in vlam gezet, doch zij merken het niet; en hij heeft ze in brand gestoken, doch zij nemen het niet ter harte.

HOOFDSTUK 43.

Maar nu . alzóó zegt de Heere, uw schepper o Jakob, en uw formeerder o Israël: Vrees niet, want ik heb u verlost, ik heb u bij uwen naam geroepen, gij zijt mijn.

2 Wanneer gij zult gaan door het water, ik zal bij u zijn, en door de rivieren, zij zullen u niet overstroomen; wanneer gij door het vuur zult gaan, zult gij niet verbranden, en de vlam zal u niet aansteken.

3 Want ik ben de Heere uw God, de Heilige Israëls , uw Heiland ; ik heb Egypte, Moorenland en Seba gegeven tot uw losgeld in uwe plaats.

4 Van toen af dat gij kostelijk zijt geweest in mijne óogen, zijt gij verheerlijkt geweest, en ik heb u liefgehad; daarom heb ik menschen in uwe plaats gegeven en volken in plaats van uwe ziele.

5 Vrees niet, want ik ben met u ; ik zal uw zaad van den opgang brengen, en ik zal u verzamelen van den ondergang;

6 ik zal zeggen tot het Noorden: Geef, en tot het Zuiden: Houd niet terug, breng mijne zonen van verre en mijne dochters van het einde der aarde,

7 een ieder die naar mijnen naam genoemd is, en dien ik geschapen heb tot mijne eer, dien ik geformeerd heb, dien ik ook gemaakt heb.

8 Breng voorJ: het blinde volk hetwelk oogen heeft, en de dooven die ooren hebben;

9 laat alle de heidenen samen-


-ocr page 809-

J E S A

vergaderd worden, en laat de volkeren verzameld worden: wie onder hen zal dit verkondigen? Of laat ze ons doen hooren de vorige dingen , laat ze hunne getuigen voorbrengen. opdat zij gerechtvaardigd worden, en men het hoore en zegge: Het is de waarheid.

10 Gijlieden zijt mijne getuigen, spreekt de Heere. en mijn knecht dien ik uitverkoren heb; opdat gij het weet, en mij gelooft, en verstaat dat ik het ben, dat vóór mij geen God geformeerd is, en na mij geen zijn zal:

11 ik, ik ben de Heere, en daar is geen Heiland behalve ik.

12 Ik heb verkondigd, en ik heb verlost, en ik heb het doen hooren, en geen vreemd god was onder ulieden; en gij zijt mijne getuigen, spreekt de Heere , quot;dat ik God ben.

13 Ook eer de dag was, ben ik, en daar is niemand die uit mijne hand redden kan; ik zal werken, en wie zal het keeren?

14 Alzóó zegt de Heere uw Verlosser, de Heilige Israels: Om ulietler wille heb ik naar Babel gezonden, en heb ze allen vluchtend doen nederdalen, te weten de Chaldeën, in de schepen op welke zij juichten.

15 Ik ben de Heere uw Heilige, de Schepper Israels, ulieder Koning.

16 Alzóó zegt de Heere, die in de zee eenen weg en in de sterke wateren een pad maakte,

17 die wagens en paarden, heir en macht voortbracht: te zamen liggen zij neder, zij zullen niet weder opstaan, zij zijn uitge-bluscht, gelijk eene vlaswiek zijn zij uitgegaan:

quot;18 Gedenkt der vorige dingen niet, en overlegt de oude dingen niet.

19 Zie , ik zal wat nieuws maken , nu zal het uitspruiten : zult gijlieden dat niet weten ? Ja. ik zal in de woestijn eenen weg leggen, cn rivieren in de wildernis;

20 het gedierte des veldszalmij eeren, de draken en de jonge struisen ; want ik zai in de woe-

JA 44. 791

stijn wateren geven, en rivieren in de wildernis, om mijn volk, mijnen uitverkorene, drinken te geven :

21 dit volk heb ik mij geformeerd, zij zullen mijnen lof vertellen.

22 Doch gij hebt mij niet aangeroepen, o .takob, als gij u tegen mij vermoeid hebt, o Israël;

23 mij hebt gij niet gebracht het kleine vee uwer brandofferen, en nwt uwe slachtofferen hebt gij mij niet geëerd; ik heb urw/niet doen dienen met spijsoffer, en ik heb u niet vermoeid met wierook;

24 mij hebt gij geen kalmus voor geld gekocht, en met het vet uwer slachtoireren hebt gij mij niet gedrenkt; maar gij hebt mij arbeid gemaakt met uwe zonden, gij hebt mij vermoeid met uwe ongerechtigheden.

25 Ik, ik ben het die uwe overtredingen uitdelg om mijnentwil, en ik gedenk uwe zonden niet.

26 Maak mij indachtig, laat ons te zamen richten, vertel gij uwe redenen, opdat gij moogt gerechtvaardigd worden.

27 Uw eerste vader heeft g3-zondigd, en uwe uitleggers hébben tegen mij overtreden:

28 daarom zal ik de oversten des heiligdoms ontheiligen, en Jakob ten ban overgeven, en Israël tot beschimpingen.

HOOFDSTUK 44.

Maar hoor nu, mijn knecht Jakob, en Israël dien ik verkoren heb.

2 Zóó zegt de Heere, uw maker en uw formeerder van den moederschoot af, die u helpt: Vrees niet, o Jakob, mijn knecht, en gij Jeschurun dien \'ik uitverkoren heb;

3 want ik zal water gieten op den dorstige en stroomen op het droge; ik zal mijnen Geest op uw zaad gieten , en mijnen zegen op uwe nakomelingen;

4 en zij zullen uitspruiten tus-schen in het gras, als de wilgen aan de waterbeken.

5 Deze zal zeggen: Ik ben des Heeren , en die zal zich noemen


-ocr page 810-

JESA

792

JA 44.

met den naam Jakobs, en gene zal met zijne hand schrijven: Ik hen des Heeren, en zich toenoe-men met den naam Israels.

G Zóó zegt de Heere, de Koning Israels, en zijn Verlosser, de Heere der heirscharen: Ik ben de eerste en ik ben de laatste; en behalve mii is er geen God:

7 en wie zal, gelijk ik, roepen en het verkondigen, en het ordelijk vóór mij stellen, sedert dat ik een eeuwig volk gesteld heb? En laat ze de toekomstige dingen en die komen zullen hun verkondigen.

8 Verschrikt niet en vreest niet; heb ik het u van toen af niet doen hooren en verkondigd? Want gijlieden zijt mijne getuigen: is er ook een God behalve ik? Immers is er geen andere rotssteen: ik ken er geen.

9 De formeerders van gesneden beelden zijn al te zamen ijdelheid, en hunne gewenschte dingen doen geen nut, ja zij zelve zijn hunne getuigei.: zij zien niet en zij weten niet, daarom zullen zij beschaamd worden.

10 Wie formeert eenen god, en giet een beeld dat geen nut doet?

11 Zie, alle hunne medegenooten zullen beschaamd worden, want de werkmeesters zijn uit de men-schen: dat ze zich altemaal vergaderen, dat ze opstaan: zij zullen verschrikken, zij zullen beschaamd worden.

12 De ijzersmid mco/.f eene bijl, en werkt in den gloed, en formeert het met hamers, en bewerkt het met zijnen sterken arm, hij lijdt ook honger totdat hij krachteloos wordt, hij drinkt geen water totdat hij amechtig wordt.

13 Do timmerman trekt het richtsnoer uit, hij teekent het af met den draad, hij maakt het effen met de schaven, en teekent het met den passer, en maakt het naar de beeltenis eens mans, naar de schoonheid van een mensch, dat ?t in het huis blijve.

14 Als hij zich cederen afhouwt, zoo neemt hij eenen cipresseboom of een eik, en hij versterkt zich onder de boomen des wouds; hij plant eenen olmboom, en de regen maakt dien groot.

15 Dan is het voor den mensch om te verbranden, dan neemt hij daarvan en warmt er zich bij, ook ontsteekt hij het en bakt er brood bij: — daarenboven maakt hij er eenen god van en buigt zich daarvoor, hij maakt er een gesneden beeld van en knielt er voor neder.

16 Zijne helft brandt hij in het vuur, bij de andere helft daarvan eet hij vleesch, hij braadt oen gebraad en hij wordt verzadigd, ook warmt hij zich en hij zegt: Ha, ik ben warm geworden, ik heb het vuur gezien: —

17 het overige nu daarvan maakt hij tot eenen god, tot zijn gesneden beeld, hij knielt daarvoor neder en buigt zich, en aanbidt het en zegt: Red mij, want gij zijt mijn god.

18 Zij weten n et en verstaan niet, want liet heeft hunne oogen bestreken dat zij niet zien, en hunne harten dat zij niet verstaan ;

19 en niemand van hen brengt het in zijn harte, endaar is noch kennis noch verstand , dat hij zeggen zoude: De helft daarvan heb ik verbrand in het vuur, ja, ook op de kolen daarvan heb ik brood gebakken, ik heb vleesch daarbij gebraden en heb het gegeten: en zoude ik het overblijfsel daarvan tot eenen gruwel maken, zoude ik nederknielen voor hel geen dat van eenen boom gekomen is?

20 Hij voedt zich met asch, het bedrogen hart heeft hem terzijde afgeleid; zoodat hij zijne ziel niet redden kan, noch zeggen: Is er niet eene leugen in mijne rechterhand?

21 Gedenk aan deze dingen, o Jakob, en Israël, want gij zijt mijn knecht, ik heb u geformeerd, gij zijt mijn knecht, Israël, gij zult van mij niet vergeten worden;

22 ik delg uwe overtredingen uit als eenen nevel, en uwe zonden als eene wolk: keer weder tot mij, want ik heb u verlost.

23 Zingt met vreugde gij hemelen, want de Heere heeft het ge-


-ocr page 811-

JËSAJA 45.

?93

daan; juicht gij benedenste deelen der aarde, gij bergen maakt een groot gedreun met vreugdegezang, gij bosschen en alle geboomte daarin, want de Heere hf;eft Jakob verlost en zich heerlijk gemaakt in Israël.

24 Al/.óó zegt de Heere, uw Verlosser en die u geformeerd heeft van den moederschoot af: Ik ben de Heere, die alles doet, die den hemel uitbreidt, ik alleen, en die de aarde uitspant door zichzelven;

25 die de teekenen der leugen-dichters vernietigt, en do, waarzeggers dol maakt; die de wijzen achterwaarts doet keeren, en die hunne wetenschap verdwaast;

2G die het woord zijns knechts bevestigt, en den raad zijner boden volbrengt; die tot Jeruzalem zegt: Gij zult bewoond worden, en tot de steden van Juda: Gij zult herbouwd worden, en ik zal hare verwoeste plaatsen oprichten ;

27 die tot de diepte zegt: Verdroog , en uwe rivieren zal ik verdrogen ;

28 die van Kores zegt: Hij is mijn herder, en hij zal al mijn welgevallen volbrengen, zeggende ook lot Jeruzalem: Word gebouwd, en tol den Tempel: Word gegrond.

HOOFDSTUK 45.

Alzóó zegt de Heere tot zijnen gezalfde, tot Kores, wiens rechterhand ik vat, om de volkeren voor zijn aangezicht neder te worpen, en ik zal de lendenon der Koningen ontbinden, om voor zijn aangezicht de deuren te openen, en de poorten zullen niet gesloten worden:

2 Ik zal voor uw aangezicht gaan, en ik zal de kromme wegen recht maken, de koperen deuren zal ik verbreken, en de ijzeren grendelen zal ik in stukken slaan;

o en ik zal u geven de schotten die in de duisternissen zijn, en de verborgen rijkdommen; opdat gij moogt weten dat ik de Heehe ben. die u bij uwen naam roept, de God Israels;

4 om Jakobs mijns knechts wille en Israels mijns uitverkorene; ja, ik riep u bij uwen naam, ik noemde u toe, hoewel gij mij niet kendet.

5 Ik ben de Heere , en niemand meer, buiten mij is er geen God; ik zal u gorden, hoewel gij mij niet kent;

6 opdat men wete, van den opgang der zon en van den ondergang, dat er buiten mij niets is: ik ben de Heere, en niemand meer;

7 ik formeer het licht en schep de duisternis, ik maak den vrede en schep het kwaad, ik de Heere doe alle deze dingen.

8 Druppelt, gij hemelen, van boven af, en dat (ie wolken vloeien van gerechtigheid; en de aarde opene zich, en dat allerlei heil uitwasse en gerechtigheid te za-men uitspruite: ik de Heere heb ze geschapen.

i) Wee dien die met zijnen formeerder twist, gelijk eene potscherf met aarden potscherven. Zal ook het leem tot zijnen formeerder zeggen: Wat maak t gij ? of za/ uw werk zeggen: Hij henft geen handen?

10 Wee dien die tot den vader zegt: Wat genereert gij? en tot de vrouw: Wat baart gij?

11 Alzóó zegt de Heere, de Heilige Israels en deszelfs formeerder: Zij hebben mij over toekomende dingen gevraagd ; zoudt gij mij aangaande mijne kinderen en het werk mijner handen bevel geven?

12 Ik heb de aarde gemaakt, en ik heb den mensen daarop geschapen: ik ben het; mijne handen hebben de hemelen uitgebreid , en ik heb al hun heir bevel gegeven;

13 ik heb hem verwekt in gerechtigheid, en alle zijne wegen zal ik recht maken ; hij zal mijne stad bouwen, en hij zal mijne gevangenen loslaten, \'niet voor prijs noch voor geschenk, zegt de Heere der heirscharen.

14 Alzóó zegt de Heere: Do arbeid der Kgyptenaren en de koophandel derquot; Mooren en der


-ocr page 812-

JA 46.

794

JESA

Sabeërs, der mannen van groole lengte, zullen tot u overkomen, en zij zullen uwe zijn, zij zullen u navolgen, in boeien zullen zij overkomen; en zij zullen zieh voor u buigen, zij zuilen u smeeken , zeyyenclc: Gewisselijk God is in u, en daar is anders geen God meer;

15 voorwaar gij zijt een God die zich verborgen houdt, de God Israels, de Heiland.

16 Zij zullen beschaamd en ook tot schande worden, zij allen; te zamen zullen zij «net schande henengaan die de afgoden maken:

17 maar Israël wordt verlost door den Heere met eene eeuwige verlossing, gijlieden zult niet beschaamd noch tot schande worden tot in alle eeuwigheden.

18 Want alzóó zegt de IIeehe die de hemelen geschapen heelt, die God die dc aarde gelbrmeerd en die ze gemaakt heelt; hij heeft ze bevestigd, hij heeft ze niet geschapen dat ze ledig zijn zoude, ■maar heeft ze geformeerd opdat men daarin wonen zoude: Ik ben de Heere, en niemand meer;

19 ik heb niet in het verborgen gesproken in eene donkere plaats der aarde, ik heb tot den zade Jakobs niet gezegd: Zoekt mij te vergeefs; ik ben de Heere quot;die gerechtigheid spreekt, die rechtmatige dingen verkondigt.

20 Verzamelt u en komt, treedt hier toe te zamen, gijlieden die van de heidenen ontkomen zijt. Zij weten niets, die hunne houten gesneden heelden dragen, en eenen god aanbidden die niet verlossen kan.

21 Verkondigt en treedt hier toe, ja beraadslaagt te zamen: wie heeft dat laten hooren van oudsher, wie heeft dat van toen af verkondigd? Ben ik het niet, de Heere? en daar is geen God meer behalve ik, een rechtvaardig God en een Heiland, niemand is er dan ik.

22 Wendt u naar mij toe, wordt behouden, alle gij einden dei-aarde; want ik ben God, en niemand meer;

23 ik heb gezworen bij mij zeiven, daar is een woord der gerechtigheid uit mijnen mond gegaan , en het zal niet vvederkeeren: dat ii.ij alle knie zal gebogen worden , alle tong mij zal zweren.

24 Men zal van mij zeggen: Gewisselijk in den Heere zijn gerechtigheden en sterkte; tot hem zal men komen, maar zij zullen beschaamd worden, allen die tegen hem ontstoken zijn ;

25 maar in den Heere zullen gerechtvaardigd worden en zich beroemen het gansche zaad Israels.

HOOFDSTUK 46.

Bel is gekromd, Nebo wordt nedergebogen, hunne afgoden zijn geworden voor de dieren en voor de beesten; uwe opgeladene pakken zijn een last voor de vermoeide beesten;

2 te zamen zijn zij neergebogen, zij zijn gekromd; zij hebben den last niet kunnen redden, maarzij zelve zijn in de gevangenis gegaan.

3 Hoort naar mij . o huis Jakobs, en het gansche overblijfsel van het huis Israels; gij die van mij gedragen zijt van den moederschoot af, en opgenomen van de baarmoeder af.

4 En lot den ouderdom toe zal ik dezelfde zijn, ja tot de grijsheid loe zal ik uheden dragen; ik heb het gedaan, en ik zal n opnemen, en ik zal dragen on redden.

5 Wien zoudt gijlieden mij nabeelden en evengèlijk maken en mij vergelijken, dat wij elkander gelijken zouden?

6 Zij verkwisten het goud uit de beurs, en wegen het zilver met de weegschaal; zi;, huren eenen goudsmid, en die maakt het tot eenen god; zij knielen neder, ook buigen zij zich daarvoor •,

7 zij nemen hem op den schouder, zij dragen hem er. zetten hem aan zijne plaats: daur staat hij , hij wijkt van zijne plek niet; ja, roept iemand tot hem, zoo antwoordt hij niet, hij ver ost hem niet uit zijne benauwdheid.

8 Gedenkt hieraan en houdt u


-ocr page 813-

JESAJA 47.

795

kloekelijk, brengt het weder in het harte, o gij overtreders.

9 Gedenkt der vorige dingen van oude tijden af, dat ik CJod ben, en daar is geen God meer, en daar is niet gelijk ik:

10 die van den beginne af verkondig het einde, en van ouds af de dingen die nog niet geschied zijn; die zeg: Mijn raad zal bestaan , en ik zal al mijn welbehagen doen;

11 die eenen roofvogel roep van het Oosten, een man mijns raads uit verren lande; ja ik heb het gesproken, ik zal het ook doen komen; ik heb het geformeerd, ik zal het ook doen.

12 Hoort naar mij gij stijven van hart, gij die verre van de gerechtigheid zijt:

13 ik breng niijne gerechtigheid nabij, zij zal niet verre wezen, en mijn heil zal niet vertoeven ; maar ik zal heil geven in Sion , aan Israël mijne heerlijkheid.

HOOFDSTUK 47.

Daal af en zit in het stof, gij jonkvrouw, dochter Babels; zit op de aarde, daar is geen troon meer, gij dochter der Chaldeën, want gij zult niet meer genaamd worden de teedere [noch do wellustige.

2 Neem den molen en maai meel; ontdek uwe vlechten, ontbloot deenkelen, ontdek de schen-kelen. ga door de rivieren.

3 Uwe schaamte zal ontdekt worden, ook zal uw schande gezien worden; ik zal wraak nemen, en ik zal op u niet aanvallen als een mensch.

4 Onzes Verlossers naam is Heere der heirscharen, de Heilige Israëls.

5 Zit stilzwijgend en ga in de duisternis, gij dochter der Chaldeën, want gij zult niet meergenoemd worden Koningin der koninkrijken.

0 Ik was op mijn volk zeer toornig. ik ontheiligde mijne erve, en ik gaf ze over in uwe hand; doch gij beweest hun geene barmhartigheden , ja zelfs over den oude maaktet gij uw juk zeer zwaar;

7 en gij zeidet: Ik zal Koningin zijn in eeuwigheid; tot nog toe hebt gij deze dingen niet in uw harte genomen, gij hebt aan het einde daarvan niet gedacht.

8 Nu dan, hoor dit gij weelderige, die zoo zéker woont, die in haar harte zegt: Ik ben het, en niemand meer dan ik; ik zal niet als weduwe zitten noch de be-rooving van kinderen kennen:

9 doch deze beide dingen zullen u in een oogenblik overkomen, op éénen dag, de berooving van kinderen en weduwschap; volko-menlijk zullen zij u overkomen vanwege de veelheid uwer toove-rijen, vanwege de menigte uwer bezweringen.

1U Want gij hebt op uwe boosheid vertrouwd, gij hebt gezegd: Niemand ziet mij; uwe wijsheid en uwe wetenschap heeft u af-keerig gemaakt, en gij hebt in uw harte gezegd: Ik ben het, en niemand meer dan ik.

11 Daarom zal er over u een kwaad komen , gij zult den dageraad daarvan niet weten; en een verderf zal er op u vallen, iiet-welk gij niet zult kunnen verzoenen; want daar zal snellijk eene onstuimige verwoesting over u komen, dat gij het niet weten zult.

12 Sta nu met uwe bezweringen en met do veelheid uwer toove-rijen, waarin gij gearbeid hebt van uwe jeugd af: of gij misschien voordeel kondt doen, of gij misschien u kondt sterken.

13 Gij zijt moede geworden in de veelheid uwer raadslagen: laat pu opstaan die den hemel waarnomen, die in de sterren kijken, die naar de nieuwe manen voorzeggen , en laat ze u verlossen van de dingen die over u komen zullen:

14 zie, zij zullen zijn als stoppelen , het vuur zal ze verbranden, zij zullen zich niet kunnen rukken uit de macht der vlam; het zal geen kool zijn om zich bij te warmen , geen vuur om daarvoor neder te zitten.

15 Alzóó zullen ze u zijn met


-ocr page 814-

JA 48.

796

JES A

welke gij gearbeid hebt. uwe handelaars van uwe jeugd aan; elk zal zijns weegs dwalen, niemand zal u verlossen.

HOOFDSTUK 48.

Hoort dit gij huis Jakobs! die genoemd worden met den naam Israels, en uit de wateren van Juda voortgekomen zijn; die daar zweren bij den naam des Heeren . en vermelden den God Israëls, maar niet in waarheid noch in gerechtigheid;

2 ja van de heilige stad worden zij genoemd, en zij steunen op den God Israëls: Heere der heir-scharen is zijn naam.

3 De vorige dingen heb ik verkondigd van toen af, en uit mijnen mond zijn zij voortgekomen. en ik heb ze doen hooren; ik heb ze snellijk gedaan en zij zijn ge-,komen:

4 omdat ik wist dat gij hard zijt. en uw nek eene ijzeren zenuw is. en uw voorhoofd quot;koper.

5 Daarom heb ik liet u van toen af verkondigd, eer dat het kwam heb ik het u doen hooren; opdat gij niet misschien zoudt zeggen: Mijn afgod heeft die dingen gedaan, of mijn gesneden beeld of mijn gegoten beeld heeft ze bevolen.

6 Gij hebt /ingeboord, aanmerkt dat alles; zult gijlieden het ook niet verkondigen? Van nu af doe ik u nieuwe dingen hooren, en verborgen dingen en die gij niet geweten hebt;

7 nu zijn ze geschapen, en niet van toeri af, en vóór dezen dag hebt gij ze ook niet gehoord, opdat gij niet misschien zeggen zoudt: Zie, ik heb ze geweten;

8 ook hebt gij ze niet gehoord , ook hebt gij ze niet geweten , ook van toen af is uw oor niet geopend geweest; want ik bob geweten dat gij gansch trouwelooslijk handelen zoudt, en dat gij van den moederschoot af een overtreder genaamd zijt.

9 Om mijns naams wille zal ik mijnen toorn langer uitstellen, en om mijns roems iville zal ik, u ten goede, mij bedwingen, opdat ik u niet afhouwe.

10 Zie, ik heb u gelouterd, doch niet als zilver, ik heb u gekeurd in den smeltkroes der ellende.

11 Om mijnentwille, om mijnentwille zal ik het doen; want hoe zoude hij ontheiligd worden! en ik zal mijne eere aan geenen anderen geven.

12 Hoor naar mij , o Jakob, en S;ij Israël mijn geroepene. Ik ben het, ik ben de eerste, ook ben ik de laatste;

13 ook heeft mijne hand de aarde gegrond, en mijne rechterhand heeft de hemelen met de palm afgemeten: wanneer ik roep, staan zij daar te zamen.

14 Vergadert u gij allen, en hoort: wie onder hen heeft deze dingen verkondigd? De Heere heeft hem lief, hij zal zijn welbehagen tegen Bcibel doen, en zijn arm zal tegen de Ghaldeën zijn.

15 Ik, ik heb het gesproken, ook heb ik hem geroepen; ik zal hem doen komen. cn hij zal voorspoedig zijn op zijnen weg.

10 Nadert gijlieden tot mij, hoort dit: Ik heb van den beginne niet in het verborgen gesproken , maar van dien tijd af dat het geschied is ben ik daar: en nu, de Heere Heere en zijn Geest heeft mij gezonden.

17 Alzóó zegt de Heere uw Verlosser, de Heilige Israels: Ik ben do Heere uw God, die u leert wat nut is, die u leidt op den weg dien gij gaan moet.

18 Och , dat gij naar mijne geboden geluisterd hadt; zoo zoude uw vrede geweest zijn als eene rivier, en uwe gerechtigheid als de golven der zee;

19 ook zoude uw zaad geweest zijn als het zand, en die uit uwe ingewanden voortkomen als des-zelfs steentjes; wiens naam niet zoude worden afgehouwen noch verdelgd van voor mijn aangezicht.

20 Gaat uit van Babel, vliedt van de Ghaldeën , verkondigt met de stemme des gejuichs, doet zulks hooren, brengt hst uit tot aan het einde der aarde, zegt:


-ocr page 815-

JA 49.

JESA

797

)c Heere heeft zijnen knecht akob verlost;

21 en: Zij hadden geen dorst, oen hij ze leidde door de woeste )laatsen: hij deed hun water uit len rotssteen vlieten; als hij den •otssteen kliefde, zoo vloeiden de cateren daarhenen.

22 Maar de goddeloozen hebben jeen vrede, zegt de Heere.

HOOFDSTUK 49.

Hoort naar mij gij eilanden, en luistert toe gij volken van verre. Dc Heere heeft mij geroepen van den moederschoot af, van mijn moeders ingewand af heeft hij mijnen naam gemeld,

2 en hij heeft mijnen mond gemaakt als een scherp zwaard, onder dc schaduw zijner hand heeft hij mij bedekt; en hij heeft mij tot èenen zuiveren pijl gesteld, in zijnen pijlkoker heeft hij mij verborgen;

3 en hij heeft tot mij gezegd: Gij zijt mijn knecht, Israël door welken ik verheerlijkt zal worden.

4 Doch ik zeide: Ik heb te vergeefs gearbeid, ik heb mijne kracht onnuttelijk en ijdellijk quot;besteed: gewisselijk mijn recht is bij den Heere, en mijn werkloon is bij mijnen God.

5 En nu zegt de Heere, die mij zich van den moederschoot af tot eenen knecht geformeerd heeft, dat ik Jakob tot hem we-derbrengen zoude; maar Israël zal zich niet verzamelen laten: nogtans zal ik verheerlijkt worden in de oogen des Hkeren, en mijn God zal mijne sterkte zijn.

6 Voorts zeide hij: Het is te gering dat gij mij een knecht zoudt zijn, om op te richten de stammen Jakobs en om weder te brengen de bewaarden in Israël; ik heb u ook gegeven ten licht der heidenen, om mijn heil te zijn tot aan het einde der aarde.

7 Alzóó zegt de Heere. de Verlosser Israels, zijn Heilige, tot de verachte ziele, tot dien aan welken het volk eenen gruwel heeft, tot den knecht derge-ncn die heerschen: Koningen zullen het zien en opstaan, oo/cVorsten, en zij zullen zich voor u buigen, om des Heerex wille die getrouw is, des Heiligen Israëls die u verkoren heeft.

8 Alzóó zegt de Heere: In den tijd des welbehagens heb ik u verhoord, en ten dage des heils heb ik u geholpen; en ik zal u bewaren, en ik zal u geven tot een verbond des volks, om het aardrijk op te richten , om de verwoeste erfenissen te doen beërven;

9 om te zeggen tot de gebon-denen: Gaat uit, tot degenen die in de duisternis zijn: Komt te voorschijn. Zij zullen op de wegen weidenen op alle hooge plaatsen zal hunne weide wezen;

lü zij zullen niet hongeren noch dorsten, en de hitte en de zon zal ze niet steken; want hun ont-fermer zal ze leiden, en hij zal ze aan de springaders der wateren zachtkens leiden ;

11 en ik zal alle mijne bergen tot eenen weg maken, en mijne banen zullen verhoogd zijn.

12 Zie, dezen zullen van verre komen; en zie, die van het Noorden en van het Westen, en genen uit het land Sinim.

13 Juicht gij hemelen, en verheug u gij aarde, en gij bergen maakt gedreun met gejuich; want de Heere heeft zijn volk vertroost, en hij zal zich over zijne ellendi-gen ontfermen.

14 Doch Sion zegt: De Heere heeft mij verlaten, en de Heere heeft mij vergeten.

15 Kan ook eene vrouw haren zuigeling vergeten. dat zij zich niet ontferme over den zoon baars schools? Ofschoon deze vergaten, zoo zal ik toch u niet vergeten,

1G Zie, ik heb u in de beide handpalmen gegraveeerd, uwe muren zijn steeds vóór mij.

17 Uwe zonen zullen zich haasten, maar uwe verstoorders en uwe verwoesters zullen van u uitgaan.

18 Heft uwe oogen op rondom, en zie, alle dezen vergaderen zich, zij komen tot u; Zoo waarachtig als ik leef, spreekt de Heere, zekerlijk gij zult u met alle dezen als mét een sieraad bekleeden, en


-ocr page 816-

JE SA

798

JA 50.

gij zult ze aanbinden gelijk eene Bruid;

19 want in uwe woeste en uwe eenzame plaatsen, en uw verstoord land, gewisselijk nu zult gij benauwd worden van inwoners , en die u verslonden zullenj zich vérre van u maken ;

20 nog zullen de kinderen, waarvan gij beroofd waart, zeggen voor uwe ooren: De plaats is mij te nauw, wijk voor mij dat ik wonen mag;

21 en gij zult zeggen in uw harte: Wie heeft mij dezen gegenereerd , aangezien ik van kinderen beroofden eenzaam was? Ik was in de gevangenis gegaan en weggeweken, wie heeft mij dan dezen opgevoed? Zie, ik was alléén overgelaten , waar waren dezen ?

22 Alzóó zegt de Heere Heere: Zie, ik zal mijne hand opheffen tot de heidenen, en tot de volkeren zal ik mijne banier opsteken; dan zullen zij uwe zonen in de armen brengen, en uwe dochters zullen op den schouder gedragen worden;

quot;23 en Koningen zullen uwe voed-sterheeren zijn, en hunne Vorstinnen uwe zoogvrouwen; zij zullen zich voor u buigen met het aangezicht leraarde, en zij zullen het stof uwer voeten lekken, en gij zult weten dat ik de Hekre ben, dat ze niet beschaamd zullen worden die mij verwachten.

24 Zoude ook eenen machtige de vangst ontnomen worden, of zouden de gevangenen eens rechtvaardigen ontkomen?

23 Doch alzóó zegt de Heere : Ja, de gevangenen des machtigen zullen hem ontnomen worden, en de vangst des tyrans zal ontkomen ; want met uwe twisters zal ik twisten, en uwe kinderen zal ik verlossen;

26 en ik zal uwe verdrukkers spijzen met hun eigen vleesch, en van hun eigen bloed zullen zij dronken worden als van zoeten wijn; en alle vleesch zal gewaarworden dat ik de Heere uw Heiland ben, en uw Verlosser, de Machtige Jnkobs.

HOOFDSTUK 50.

Alzóó zegt de Heere: Waar i J de scheidbriefvan ulieder moedei r waarmede ik haar weggezonde heb? Of wie is er van mijn ^ schuldeisehers aan wien ik u vei kocht heb? Zie, o\'m uwe onge rechtigheden zijt gij verkocht, ei om uwe overtredingen is uw moeder weggezonden.

2 Waarom kwam ik en daa was niemand. waarom riep il en niemand antwoordde? Is mijru hand dus gansch kort geworden dat zij niet verlossen kan, of h er in mij geen kracht om uit t( redden? Zie, door mijn schelder maak ik de zee droog, ik stel d( rivieren tot eene woestijn, da haar visch stinkt omdat er geer water is, en sterft van dorst;

3 ik bekleed den hernel me; zwartheid, en stel een zak fo^zijn bedeksel.

4 De Heere Heere heeft nu eene tong der geleerden gegeven opdat ik wete met den moede eer. woord ter rechter tijd te spreken: hij wekt allen morgen, hij wekt mij het oor, dat ik hoore gelijk die geleerd worden.

5 De Heere Heere heeft mij het oor geopend, en ik ben niet wederspannig, ik wijk niet achterwaarts.

(ï Ik geef mijnen rug dengenen die mij slaan, en mijne wangen dengenen die mij het haar uitplukken; mijn aangezicht verberg ik niet voor smaadheden en speeksel.

7 Want de Heere Heere helpt mij, daarom word ik niet te schande; daarom heb ik mijn aangezicht gesteld als eenen keisteen, want ik weet dat ik niet zal beschaamd worden.

8 Hij is nabij die mij rechtvaardigt; wie zal met mij twisten? laat ons te zarnenstaan; wie heeft eene rechtzake tegen mij? hij kome herwaarts tot mij.

9 Zie, de tie ere Heere helpt mij, wie is het die mij zal verdoemen? Zie, zij zullen altemaal als een kleed verouderen, de motte zal ze eten.


-ocr page 817-

JESAJA 51.

799

•10 Wie is er onder ulieden die den HEEPiE vreest, die naar de stemme zijns knechts hoort? Als hij in de duisternissen wandelt en geen licht heeft, dat hij be-trouwe op den naam des Heeuen en steune op zijnen God.

11 Zie, gij allen die een vuur aansteekt, die u met spranken omgordt, wandelt in de vlam van uw vuur, en in de spranken die gij ontstoken hebt. Dat geschiedt, u van mijne hand, in smarte zult gijlieden liggen.

HOOFDSTUK 51.

Hoort naar mij, gij die de gerechtigheid najaagt, gij die den Heeme zoekt: aanschouwt den rotssteen ivmiruü gijlieden gehouwen zijt, en de holligheid des bornputs vjuaruit gij gegraven zijt;

2 aanschouwt Abraham uiiedci* vader, en Sara die ulieden gebaard heeft; want ik riep hem toen hij nog alléén was, en ik zegende hem , en ik vermenigvuldigde hem.

3 Want de Heere zal Sion troosten , hij zal troosten alle hare woeste plaatsen, en hij zal hare woestijn maken als Eden . en hare wildernis als den hof des Heerex; vreugd en blijdschap zal daarin gevonden worden, dankzegging en cene stem des gezangs.

4 Luistert naar mij mijn volk, en mijne lieden, neigt naar mij liet oor; want eene wet zal van mij uitgaan, en ik zal mijn recht doen rusten tot een licht der volkeren.

5 Mijne gerechtigheid is nabij, mijn heil trekt uit, en mijne armen zullen de volken richten; op mij zullen de eilanden wachten, en op mijnen arm zullen zij hopen.

6 Heft ulieder oogen óp naar den hemel. en aanschouwt de aarde beneden; want de hemel zal als een rook verdwijnen, en de aarde zal als een kleed verouderen, en hare inwoners zullen insgelijks sterven; maar mijn heil zal in eeuwigheid zijn, mijne gerechtigheid zal niet verbroken worden.

7 Hoort naar mij, gijlieden die de gerechtigheid kent, gij volk in welks harle mijne wet is, vreest niet de smaadheid van denmensch, en ontzet u over hunne smaadreden niet;

8 want de mot zal ze opeten als een kleed, en het schietwormpje zal ze opeten als wol; maar mijne gerechtigheid zal in eeuwigheid zijn, en mijn heil van geslachte lot geslachten.

9 Ontwaak, ontwaak, trek sterkte aan, gij arm des Heeren , ontwaak als in de verleden dagen, als in de geslachten van eertijds; zijt gij het niet die Rahab uitgehouwen hebt, die den zeedraak verwond hebt?

10 Zijt gij het niet die de zee, de wateren des grooten afgronds, droog gemaakt hebt, die de diepten der zee gemaakt hebt tot eenon weg, opdat de verlosten daar doorgingen?

11 Alzoo zullen do vrijgekoeliteu des Heeren wederkeeren en met gejuich tot Sion komen, en eeuwige blijdschap zal op hun hoofd wezen; vreugd en blijdschap zullen zij aangrijpen, treuring en zuchting zullen wegvlieden.

12 Ik, ik ben het dieutrooste: wie zijt gij dat gij vreest voor den mensch die sterven zal, en voor eens menschen kind dat hooi worden zal,

13 en vergeet den Heere die u gemaakt heeft, die de hemelen heeft uitgebreid en de aarde gegrond heeft, en vreest geduriglijk den ganschen dag vanwege de grimmigheid des benauwers, wanneer hij zich bereidt om te verderven? Waar is dan de grimmigheid des benauwers?

14 De omzwervende gevangene zal haastelijk losgelaten worden, en hij zal in den kuil niet sterven, en zijn brood zal hem niet ontbreken.

15 Want ik ben de Heere uw God, die de zee klieft dat hare golven bruisen: Heere der heir-scharen is zijn naam;

10 en ik leg mijne woorden in uwen mond, en bedek u onder de schaduw mijner hand, om den hernel te planten en om de aarde


-ocr page 818-

JA 52.

JES A

800

te gronden, eïi om te zeggen tot Sion: Gij zijt mijn volk.

17 Waak op, waak op, sta op Jeruzalem, gij die gedronken hebt van de hand\' des Heeren den beker zijner grimmigheid; den droesem des bekers der zwijmeling hebt gij gedronken, ja uitgezogen.

IS Daar is niemand van alle de kinderen die zij gebaard heeft, die haar zachtkens leidt; en niemand van alle de kinderen die zij opgevoed heeft, die haar bij de hand grijpt.

19 Deze twee dingen zijn u wedervaren : wie heeft medelijden met u? Daar is verwoesting en verbreking en honger en zwaard: door wien zal ik u troosten?

20 Uwe kinderen zijn in bezwijming gevallen, zij liggen vooraan op alle straten, gelijk een wilde os in het net; zij zijn vol van de grimmigheid des ïl eeuen , van het schelden uws Gods.

21 Daarom hoor nu dit gij bedrukte, en gij dronkene, maar niet van wijn:

22 Alzóó zegt uw Heere, de Heere en uw God. die zijns volks zaak twisten zal: Zie, ik neem den beker der zwijmeling van uwe hand, den droesem des bekers mijner grimmigheid, gij zult dien voortaan niet meer drinken;

23 maar ik zal hem dien die u bedroefd hebben in do hand geven, die tot uwe ziele zeiden: Buig u neder, dat wij over ir gaan; on gij legdet uwen rug neder ais aarde en als eene straat dengenen die daar overgaan.

HOOFDSTUK 52.

Waak op, waak öp, trek uwe sterkte aan, o Sion, trek uwe sierlijke kleederen aan, o Jeruzalem, gij heilige stad, want in u zal voortaan geen onbesnedene noch onreine meer komen.

2 Schud u uit het stof, maak u op, zit neder, o Jeruzalem, maak u los van de banden van uwen hals, gij gevangene dochter Sions.

Want zóó zegt de Heere: Gijlieden zijt om niet verkocht, gij zult ook zonder geld gelost worden.

4 Want zóó zegt de Heere Heere: In vorige tijden trok mijn volk af in Egypte om als vreemdeling aldaar te verkeeren, en Assur heeft hetzelve om niet onderdrukt.

5 En nu, wat heb ik hier te doen, spreekt de Heere, dewijl mijn volk om niet weggenomen is, en degenen die over hetzelve heer-schen het doen jammeren, spreekt de Heere, en mijn naam gestadig den ganschen dag gelasterd wordt?

0 Daarom zal mijn volk, daarom zal het mijnen naam in dien dag kennen, dat ik het zelf ben die spreek: Zie hier ben ik.

7 Hoe liefelijk zijn op de bergen de voelen desgenen die het goede boodschapt, die den vrede doet hooren; desgonen die goede boodschap brengt van het goede, die heil doet hooren; desgenen die tot Sion zegt: Uw God is Koning.

8 Daar is eene stemme uwer wachters, zij verhellen de stem, zij juichen te zamen; want zij zullen oog aan oog zien, als de Heere Sion wederbrengen zal.

9 Maakt een geschal, juicht te zamen, gij woeste plaatsen Jeru-zalems, want de Heere heeft zijn volk getroost, hij heeft Jeruzalem verlost;

10 de Heere heeft zijnen heiligen arm ontbloot voor de oogen aller heidenen, en alle de einden der aarde zullen zien het heil onzes Gods.

11 Vertrekt, vertrekt, gaat uit van daar, raakt het onreine niet aan; gaat uit het midden van haar, reinigt u, gij die de vaten des Heeiü^n draag\'.;

12 want gijlieden zult niet met haaste uitgaan noch met der vlucht henengaan,want de Heere zal voor ulieder aangezicht henen-trekken, en de God Israëls zal uw achtertocht wezen.

13 Zie, mijn knecht zal verstandig lijk handelen, hij zal verhoogd en verheven, ja zeer hoog worden.

14 Gelijk als velen zich over u ontzet hebben, — alzoo verdorven was zijn gelaat, meer dan


-ocr page 819-

J E S A J A iemand, en zijne gedaante, meer dan van andere menschen-kinderen, —

15 alzóó zal hij vele heidenen besprengen, ja, de Koningen zullen hunnen mond over hem toehouden; want denwelken het niet verkondigd was, die zullen het zien, en welke het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan.

HOOFDSTUK 53.

Wie heeft onze prediking geloofd , en aan wien is de arm des Heeren geopenbaard?

2 Want hij is als een rijsje voor zijn aangezicht opgeschoten, en als een wortel uit eene dorre aarde: hij had geen gedaante noch heerlijkheid; als wij hem aanzagen , zoo was er geen gestalte dat wij hem zouden begeerd hebben.

3 Hij was veracht en de onwaardigste onder de menschen, een man van smarten, en verzocht in krankheid; en een iegelijk was als verbergende het aangezicht voor hem; hij was veracht, en wij hebben hem niet geacht.

4 Waarlijk hij heeft onze krankheden op zich genomen, en onze smarten die heeft hij gedragen; doch wij achtten hern dat hij geplaagd , van God geslagen en verdrukt was.

5 Maar hij is om onze overtredingen verwond, om onze ongerechtigheden is hij verbrijzeld; de straf die ons den vrede aanbrengt, was op hem, en door zijne striemen is ons genezing geworden.

G Wij dwaalden allen als schapen, wij keerden ons een iegelijk naar zijnen weg; doch de Heere heeft onzer aller ongerechtigheid op hem doen aanloopen.

7 Als dezelve gecischt werd, toen werd hij verdrukt; doch hij deed zijnen mond niet open: als een lam werd hij ter slachting geleid, en als een schaap dat stom is voor het aangezicht zijner scheerders, alzoo deed hij zijnen mond niet open.

53, 54. 801

levenden; om de overtreding mijns volks is de plage op hem geweest.

9 En men heeft zijn graf bij de gocdeloozen gesteld, en hij is bij der rijke in zijnen dood geweest, omdat hij geen onrecht gedaan heeft, noch bedrog in zijnen mond geweest is.

10 Doch het behaagde den Hkere hem te verbrijzelen, hij heeft hem krank gemaakt: als zijne ziel zich tot een schuldoffer gesteld zal hebben, zoo zal hij zaad zien, hij zal de dagen verlengen, en het welbehagen des Heeren zal door zijne hand ge-lukkiglijk voortgaan.

11 Om den arbeid zijner ziele zal hij het zien, en verzadigd worden; door zijne kennisse zal mijn knecht de rechtvaardige velen rechtvaardig maken, want hij zal hunne ongerechtigheden dragen.

12 Daarom zal ik hem een deel geven van velen, en hij zal de machtigen als een roof deelen, omdat hij zijne ziele uitgestort heeft in den dood, en met de overtreders is geteld geweest, en hij veler zonden gedragen heeft en voor de overtreders gebeden heeft.

HOOFDSTUK 54.

Zing vroolijk, gij onvruchtbare die niet gebaard hebt; maak geschal met vroolijk gezang en juich, die .geen barensnood gehad hebt; want de kinderen der eenzame zijn meer dan de kinderen der getrouwde, zegt de Heere.

2 Maak de plaats uwer tente wijd, en dat men de gordijnen uwer woningen uitbreide, verhinder het niet; maak uwe -koorden .lang, en steek uwe pinnen vast in.

3 Want gij zult uitbreken ter rechter- en ter linkerhand, en uw zaad zal de heidenen erven , en zij zullen de verwoeste steden doen bewonen.

4 Vrees niet, want gij zult niet beschaamd worden , en word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; maar gij zult de schaamte uwer jonkheid vergeten,

3 Hij is uit den angst en uit het gerichte weggenomen , en wie zal zijnen leeftijd uitspreken? Want hij is afgesneden uit het land der

van iei

26

-ocr page 820-

JESAJA 55.

802

en den smaad uwer weduwschap zult gij niet meer gedenken.

5 Want uw maker is uw man, Heere der heirscharen is zijn naam; en de Heilige Israëls is uw Verlosser, hij zal de God des ganschen aardbodems genoemd worden.

6 Want de Heere heeft u geroepen als eene verlatene vrouw en bedroefde van geest; nogtans zijt gij de huisvrouw der jeugd, hoewel gij versmaad zijt geweest, zegt uw God.

7 Voor eenen kleinen oogenblik heb ik u verlaten, maar met groote ontfermingen zal ik u vergaderen;

8 in eenen kleinen toorn heb ik mijn aangezicht van u een oogen-hlik verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid zal ik mij uwer ontfermen, zegt de Heere uw Verlosser.

ü Want dat zal mij zijn als de wateren Noachs, toén ik zwoer dat de wateren Noachs niet meer over de aarde zouden gaan: alzóó heb ik gezworen dat ik niet meer op u toornen noch u schelden zal.

10 Want bergen zullen wijken , en heuvelen wankelen; maar mijne goedertierenheid zal van u niet wijken, en het verbond mijns vredes zal niet wankelen, zegt de Heere uw Ontfermer.

11 Gij verdrukte, door onweder voortgedrevene, ongetrooste, zie , ik zal uwe steenen gansch sierlijk leggen, en ik zal u op saffieren grondvesten;

12 en uwe glasvensters zal ik kristallijnen maken, en uwe poorten van robijnsteenen, en uwe gansche landpale van aangename ateenen.

13 En alle uwe kinderen zullen van den Heere geleerd zijn, en de vrede uwer kinderen zal groot zijn.

14 Gij zult door gerechtigheid bevestigd worden; wees verre van verdrukking, want gij zult niet vreezen, en verve van verschrikking , want zij zal tot u niet naken.

15 Zie, zij zullen zich zekerlijk vergaderen, doch niet uit mij; wie zich tegen u vergaderen zai, die zal om uwentwille vallen.

16 Zie, ik heb den smid geschapen, die de kolen in het vuur opblaast, en die het instrument voortbrengt tot zijn werk; ook heb ik den verderver geschapen om te vernielen.

17 Alle instrument dat tegen u bereid wordt zal niet gelukken, en alle tong die in het gericht tegen u opstaat zult gij verdoemen: dit is de erve der knechten des Heeren, en hunne gerechtigheid is uit mij, spreekt de Heere.

HOOFDSTUK 55.

O alle gij dorstigen, komt tot de wateren, en gij die geen geld hebt, komt, koopt en eet, ja komt, koopt zonder geld en zonder prijs wijn en melk.

2 Waarom weegt gijlieden geld uit voor hetgeen dat geen brood is, en uwe arbeid voor hetgeen dat niet verzadigen kan? Hoort aan-dachtelijk naar mij , en eet het goede, en laat uwe ziele in vettigheid zich verlustigen.

3 Neigt uw oor en komt tot mij, hoort en uwe ziele zal leven; want ik zal met u een eeuwig verbond maken , en u geven de gewisse weldadigheden Davids.

4 Zie, ik heb hem tot een getuige der volken gegeven, eenen Vorst en Gebieder der volken.

5 Zie, gij zult een volk roepen dat gij niet kendet, en het volk dat u niet kende zal tot uloopen, om des Heek en uws Gods wille en om des Heiligen Israels wille, want hij heeft u verheerlijkt.

G Zoekt den Heere terwijl hij te vinden is, roept hem aan terwijl hij nabij is.

7 De godclelooze verlate zijnen weg, en de ongerechtige man zijne gedachten ; en hij bekeere zich tot den Heere, zoo zal hij zich zijner ontfermen , en tot onzen God, want hij vergeelt menigvuldiglijk.

8 Want mijne gedachten zijn niet ulieder gedachten, en uwe wegen zijn niet mijne wegen, spreekt de Heere;

9 want gelijk de hemelen hooger zijn dan de aarde, alzóó zijn mij ne wegen hooger dan uwe wege-n. en mijne gedachten dan uliecier gedachten.


-ocr page 821-

A 56, 57.

803

J E S A J

10 Want gelijk de regen en de sneeuw van den hemel nederdaalt, en derwaarts niet wederkeert , maar doorvochtigt de aarde, en maakt dat zij voortbrenge en uil-spruite, en zaad geve den zaaier en brood den eter:

11 alzóó zal mijn woord, dat uit mijnen mond uitgaat, óók zijn: het zal niet ledig tot mij wederkeeren, maar het zal doen hetgeen dat mij behaagt, en het zal voorspoedig zijn in hetgeen waartoe ik het zende.

12 Want in blijdschap zult gijlieden uittrekken, en met vrede voortgeleid worden: de bergen en heuvelen zullen geschal maken met vroolijk gezang voor uw aangezicht, en alle boomen des velds zullen de handen samenklappen.

13 Voor eenen doorn zal een denneboom opgaan, voor eene distel zal een mirteboom opgaan ; en het zal den Heere wezen tot eenen naam, tot een eeuwig tee-ken dat niet uitgeroeid zal worden.

HOOFDSTUK 56.

Alzóó zegt de Heeme : Bewaart het recht en doet gerechtigheid; want mijn heil is nabij om te komen, en mijne gerechtigheid om geopenbaard\' te worden.

2 Welgelukzalig is de mensch die zulks doet, en des menschen kind dat vast daaraan houdt, die den sabbat houdt zoodat hij dien niet ontheiligt, en die zijne hand bewaart van eenig kwaad te doen.

3 En de vreemde die zich tot den Heere gevoegd heeft, spreke niet, zeggende: De Heeme heeft mij gansch en al van zijn volk gescheiden, en de gesnedene zegge niet: Zie, ik ben een dorre boom.

\'i Want alzóó zegt de Heere van de gesnedenen die mijne sabbaten houden, en verkiezen hetgeen waar ik lust toe heb, en vasthouden aan mijn verbond:

5 ik zal hun ook in mijn Huis en binnen mijne muren eene plaats en eenen naam geven, beter dan der zonen en dan der dochteren; eenen eeuwigen naam zal ik een ieder van hen geven, die niet uitgerooid zal worden,

0 En de vreemden die zich tot den Heere voegen, cm hem te dienen en om den name des Hee-ren lief te hebben, om hem tot knechten te zijn : al wie den sab-bot houdt dat hij dien niet ontheiligt, en die aan mijn verbond vasthouden,

7 die zal ik ook brengen tot mijnen heiligen berg, en ik zal ze verheugen in mijn bedehuis, hunne brandoffers en hunne slachtoffers zullen aangenaam wezen op mijn altaar; want mijn Huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volkeren.

8 De Heere Heere, die de verdrevenen Israels vergadert, spreekt: Ik zal tot hem nog meer vergaderen, nevens degenen die tot hem vergaderd zijn.

9 Al gij gedierte des velds, komt om te eten, ja, al gij gedierte in het woud.

10 Hunne wachters zijn allen blind, zij weten niets, zij allen zijn stomme honden, zij kunnen niet bassen, zij zijn slaperig, zij liggen neder, zij hebben het sluimeren lief.

11 En deze honden zijn sterk van begeerte, zij kunnen niet verzadigd worden, ja, het zijn herders die niet verstaan kunnen ; zij allen keeren zich naar hunnen weg, elkeen naar zijn gewin, elk uit zijn einde.

12 Komt herwaarts, zeggen zij, ik zal wijn halen, en wij zullen sterken drank zuipen; en de dag van morgen zal zijn als deze. Ja grooter, veel treffelijker.

HOOFDSTUK 57.

De rechtvaardige komt om , en daar is niemand die het ter harte neemt; en de weldadige lieden worden weggeraapt, zonder dat er iemand op let dat de rechtvaardige weggeraapt wordt vóór het kwaad.

2 Hij zal ingaan in den vrede; zij zuilen rusten op hunne slaapsteden, een iegelijk die in zijne oprechtheid gewandeld heeft.

3 Doch nadert gijlieden hier toe , gij kinderen der guichelares, gij overspelig zaad en gij die hoererij bedrijft.


-ocr page 822-

JESAJA 58.

04

4 Over wien maakt gij u lustig, over wien spert gij den mond wijd open en steekt de tong lang uit? Zijt gij niet kinderen der overtreding. een zaad der valschheid?

5 die hittig zijt in de eiken-bosschen, onder allen groenen boom; slachtende de kinderen aan de beken, onder de hoeken der steenrotsen.

6 Aan de gladde steenen der beken is uw deel, die, die zijn uw lot; ook stort gij voor hen drankoffer uit. gij offert hun spijsoffer: zoude ik mij over deze dingen laten troosten?

7 Gij stelt uw leger op eenen hoogen en verheven berg, ook klimt gij derwaarts op om slachtoffer te offeren;

8 en achter de deur en de posten zet gij uw gedenkteeken; want van mij iuijkende ontdekt gij u en klimt op. gij maakt uw leger wijd, en maakt u een verbond met eenigen uit dezelve, gij hebt hun leger lief in elke plaats die gij ziet.

9 En gij trekt met olie tot den Koning, en gij vermenigvuldigt uwe welriekende zalven; en gij zendt uwe gezanten verre weg, en vernedert u tot de helle toe.

10 Gij zijt vermoeid door uwe groote reize, maar gij zegt niet: Het is buiten hope; gij hebt het leven uwer hand gevonden; daarom wordt gij niet ziek.

11 Maar voor wien hebt gij geschroomd of gevreesd? Want gij hebt gelogen en zijt mijner niet gedachtig geweest, gij hebt mij op uw harte niet gelegd; is het niet omdat ik zwijg, en dat van ouds af, en gij vreest mij niet?

12 Ik zal uwe gerechtigheid bekend maken en uwe werken, dat zij u geen nut doen zullen.

13 Wanneer gij roepen zult, zoo laat degenen die van u vergaderd zijn u redden; doch de wind zal ze allen wegvoeren, de ij delheid zal ze wegnemen. Maar die op mij betrouwt, die zal het aardrijk erven en mijnen heiligen berg erfelijk bezitten.

14 En men zal zeggen: Verhoogt de baan, verhoogt de baan. bereidt den weg, neemt den aanstootpie uit den weg mijns volks.

15 Want alzóó zegt do Hooge en Verhevene, die in de eeuwig heid woont, en wiens naam heilit is: Ik woon in de hoogte en in het heilige, en bij dien die eens verbrijzelden en nederigen geestes is, opdat ik levend make den geest der nederigen en opdat ik levend make het harte der verbrijzelden.

16 Want ik zal niet eeuwiglijk twisten, en ik zal niet geduriglijk verbolgen zijn; want de geest zoude van voor mijn aangezicht overstelpt worden, en de zielen die ik gemaakt heb.

17 Ik was verbolgen over de ongerechtigheid hunner gierigheid, en sloeg ze; ik verborg mij en was verbolgen; evenwel gingen zij af-keerig henen in den weg huns harten.

18 Ik zie hunne wegen, en ik zal ze genezen; en ik zal ze geleiden , en hun vertroostingen wedergeven , namelijk aan hunne treurigen.

19 Ik schep de vrucht der lippen , vrede, vrede dengenen die verre zijn en dengenen die nabij zijn, zegt de Heere en ik zal ze genezen.

20 Doch de goddeloozen zijn als eene voortgedreven zee, want die kan niet rusten, en hare wateren werpen slijk en modder op;

21 de goddeloozen, zegt mijn God, hebben geenen vrede.

HOOFDSTUK 58.

Roep uit de keel, houd niet in, verhef uwe stem als eene bazuin, en verkondig mijnen volke hunne overtreding, en den huize Jakobs hunne zonden:

2 hoewel zij mij dagelijks zoeken , en eenen lust hebben aan de kennis mijner wegen; als een volk dat gerechtigheid doet en het recht zijns Gods niet verlaat., vragen zij mij naar de rechten der gerechtigheid, zij hebben lust tot God te naderen

3 zeggende: Waarom vasten wij en gij ziet het niet aan, waarom kwellen wij onze ziele en gij weet


-ocr page 823-

JESAJA 59.

805

toot iet niet? Zie, ten dage

gijlieden vast, zoo vindt gij uwen ust, en gij eischt gestrengelijk il uwen arbeid.

4 Zie, tot twist en gekijf vast gijlieden, en om goddelooslijk met lê vuist te slaan: vast niet jk heden, om uwe stemme te doen hooren in de hoogte.

5 Zoude het zulk een vasten zijn dat ik verkiezen zoude, dat de mensch zijne ziele eenen dag kwelle, dat hij zijn hoofd kromme gelijk eene bieze, en een zak en asch onder zich spreide? Zoudt gij dat een vasten heelen, en eenen dag den Heere aangenaam?

6 Is niet dit het vasten dat ik verkieze: dat gij losmaakt de strikken der goddeloosheid, dat gij ontdoet de banden desjuks, en dat gij vrijlaat de verpletterden. en alle juk verscheurt?

7 Is het niet dat gij den hongerige uw brood mededeelt, en de arme verdrevenen in huis brengt? als gij een naakte ziet, dat gij hem dekt, en dat gij u voor uw vleesch niet verbergt?

8 Dan zal uw licht voortbreken als de dageraad, en uwe genezing zal snellijk uitspruiten, en uwe gerechtigheid zal voor uw aangezicht henengaan , en de heerlijkheid des Heeren zal uw achtertocht wezen.

9 Dan zult gij roepen en de Heere zal antwoorden, gij zult schreeuwen en hij zal zeggen: Zie hier ben ik; zoo gij uit het midden van u wegdoet het juk, het uitsteken des vingers en het spreken der ongerechtigheid,

10 en zoo gij uwe ziel opent voor den hongerige, en de bedrukte ziele verzadigt: dan zal uw licht in de duisternis opgaan, en uwe donkerheid zal zijn als de middag;

11 en de Heere zal u gestadig leiden, en hij zal uwe ziel verzadigen in groote droogten. en uwe beenderen vaardig maken; en gij zult zijn als een gewaterde hof, en als eene springader der wateren, welker wateren niet ontbreken.

12 En die uit u voortkomen,

zullen bouwen de oude verwoeste plaatsen; de fundamenten, van geslacht tot geslacht vertuoest, zult gij oprichten: en gij zult genaamd worden: Die de bressen toemuurt, die de paden weder opmaakt om te bewonen.

13 Indien gij uwen voet van den sabbat afkeert, van te doen uwen lust op mijnen heiligen dag; en indien gij den sabbat noemt eene

verlustiging, opdat de Heere geheiligd worde, die te eeren is; en indien gij dien eert, dat gij uwe wegen niet doet, en uwen eigen lust niet vindt, noch een woord daarvan spreekt:

14 dan zult gij u verlustigen in den Heere , en ik zal u doen rijden op de hoogten der aarde, en ik zal u spijzigen met de erve uws vaders Jakobs; want de mond des Heeren heeft hel gesproken.

HOOFDSTUK 59.

Zie, de hand des Heeren is niet verkort, dat zij niet zoude kunnen verlossen, en zijn oor is niet zwaar geworden, dat het niet zoude kunnen hooren;

2 maar uwe ongerechtigheden maken eene scheiding tusschen ulieden en tusschen uwen God, en uwe zonden verbergen het aangezicht van ulieden, dat hij niet hoort.

3 Want uwe handen zijn met bloed bevlekt, en uwe vingeren met ongerechtigheid; uwe lippen spreken valschheid, uwe tong dicht onrecht.

4 Daar is niemand die voor de gerechtigheid roept, en niemand die voor de waarheid in het gericht zich begeeft: zij vertrouwen op ijdelheid en spréken leugen, van moeite zijn zij zwanger en zij baren ongerechtigheid.

5 Zij broeden basilisk-eieren uit, en zij weven spinnewebben: die van hunne eieren eet moet sterven , en als hel in stukken gedrukt wordt, daar berst eene adder uit.

0 Hunne webben deugen niet tot kleedercn, cn zij zullen zich-zelven niet kunnen dekken met hunne werken: hunne werken zijn werken der ongerechtigheid, én


-ocr page 824-

JA 60.

JE SA

806

een maaksel des wrevels is in hunne handen.

7 Hunne voeten loopen tot het kwade, en zij haasten zich om onschuldig bloed te vergieten; hunne gedachten zijn gedachten der ongerechtigheid, verstoring en verbreking is op hunne banen.

8 Den weg des vredes kennen zij niet, en daar is geen recht in hunne gangen; hunne paden maken zij verkeerd voor zichzelven, al wie daarop gaat, die kent den vrede niet.

9 Daarom is het recht verre van ons, en de gerechtigheid achterhaalt ons niet; wij wachten op het licht, maar zie er is duisternis , op eenen grooten glans, maar wij wandelen in donkerheden.

10 Wij tasten- naar den wand gelijk de blinden, en gelijk die geen oogen hebben tasten wij: wij stooten ons op den middag-als in de schemering, wij zijn in woeste plaatsen gelijk de dooden.

11 Wij brommen allen gelijk als de beren, en wij kirren steeds gelijk de duiven; wij wachten naar recht, maar daar is geen; naar heil, maar het is verre van ons.

12 Want onze overtredingen zijn vele voor u, en onze zonden getuigen tegen ons ; want onze overtredingen zijn bij ons, en onze ongerechtigheden die kennen wij:

13 het overtreden en het liegen tegen den Heere, en het achterwaarts wijken van onzen God; het spreken van onderdrukking en afval, het ontvangen en het dichten van valsche woorden uit het harte.

14 Daarom is het recht achterwaarts geweken, en de gerechtigheid staat van verre; want de waarheid struikelt op de straat, en wat recht is kan er niet ingaan ;

15 ja de waarheid ontbreekt er, en wie van het booze wijkt, stelt zich tot eenen rooiquot;. En de Heere zag het, en het was kwaad in zijne oogen dat er geen recht was.

16 Dewijl hij zag dat er niemand was, zoo ontzette hij zich, omdat er geen voorspraak was: daarom

bracht hem zijn arm heil aan, en zijne gerechtigheid ondersteunde hem.

17 Want hij trok gerechtigheid aan als een pantser , en den helm des heils zette hij op zijn hoofd, en de kleederen der wraak trok hij aan tot kleeding, en hij deed dèn ijver aan als eenen mantel.

18 Naar de werken, daarnaar zal hij vergelden, grimmigheid aan zijne wederpartijders, vergelding aan zijne vijanden ; den eilanden zal hij loon vergelden.

19 Dan zullen zij den naam des Heeren vreezen van den ondergang, en zijne heerlijkheid van den opgang der zon; als de vijand zal komen gelijk een stroom, zal | de Geest des Heeren de banier tegen hem oprichten.

20 En daar zal oen Verlosser te | Sion komen, namelijk voor dege- M nen die zich bekeeren van de over-treding in Jakob, spreekt de Heere.

21 Mij aangaande, dit is mijn verbond met hen, zegt de Heere: mijn Geest die op u is, en mijne woorden die ik in uwen mond gelegd heb, die zuilen van uwen mond niet wijken, noch van den mond uws zaads, noch van den mond van het zaad uws zaads, zegt de Heehe , van nu aan tot in eeuwigheid toe.

HOOFDSTUK GO.

Maak u op, word verlicht, want uw licht komt, en de heerlijkheid des Heeren gaat over u op.

2 Want zie, de duisternis zal de aarde bedekken . en donkerheid de volkeren; doch over u zal de Hek re opgaan, en zijne heerlijkheid zal over u gezien worden,

3 en de heidenen zullen tot uw licht gaan, en Koningen tot den glans die u is opgegaan.

4 Hef uwe oogen rondom op en zie: die allen zijn vergaderd, zij komen tot u, uwe zonen zullen van verre komen, en uwe dochters zullen aan uwe zijde gevoed-sterd worden.

5 Dan zult gij het zien en samenvloeien, en uw harte zal ver-


-ocr page 825-

JES A

vaard zijn en verwijd worden; want de menigte der zee zal tot u gekeerd worden, het heir der heidenen zal tot u komen.

C Een hoop kemelen zal u bedekken , de snelle kemelen van Vidian en Efa ; zij allen uit Scheba zullen komen, goud en wierook fnn\'nquot; z\'-\' aanbrengen, en zij zul-

ren l0f ües hee-

7 Alle de schapen van zullen tot u verzameld worden, de rammen van Nebajoth zullen u dienen ; zij zullen met welgevallen komen op mijn altaar, en ik zal het Huis mijner heerlijkheid heerlijk maken.

8 Wie zijn dezen, die daar komen gevloden als eene wolk , en als duiven tot hare vensters ?

9 Want de eilanden zullen mij verwachten, en de schepen van Tarsis vooreerst, om uwe kinderen van verre te brengen, hun zilver en hun goud met hen, tot den naam des Heehe.v uws Gods , en tut den Heilige Israels, dewijl hij u heerlijk gemaakt heeft.

10 En de vreemden zullen uwe muren bouwen, en hunne Koningen zullen u dienen ; want in mijne verbolgenheid heb ik u geslagen, maar in mijn welbehagen heb ik mij over u ontfermd.

11 En uwe poorten zullen steeds openstaan, zij zullen des daags noch des nachts niet toegesloten worden, opdat men tot u inbrenge het heir der heidenen, en hunne Koningen tot u geleid worden.

12 Want het volk en het koninkrijk welke u niet zullen dienen, die zullen vergaan, en die volkeren zullen gansch verwoest worden.

13 De heerlijkheid Libanons zal tot u komen, de denneboom, de beuke- en de buxboom te gelijk, om te versieren de plaats mijns heiligdoms, en ik zal de plaats mijner voeten heerlijk maken.

14 Ook zullen, zich buigende, tot u komen de kinderen dergenen die u onderdrukt hebben, en allen die u gelasterd hebben, zullen zich nederbuigen aan de planten uwer voeten, en zij zullen u noe-

JA 61. 807

men de stad des Heeren, het Sion des Heiligen Israels.

15 In plaats dat gij verlaten en gehaat zijt geweest, zoodat niemand door u henenging, zoo zal ik u stellen tot eene eeuwige heerlijkheid, tot eene vreugd van geslachte tot geslachte;

16 en gij zult de melk der heidenen zuigen, en gij zult de borsten der Koningen zuigen; en gij uw ik de Heere ben , Machtige Jakobsïquot;\' Verlosser, de

17 Voor koper zal ik goud breu-gen, en voor ijzer zal ik zilver brengen , en voor hout koper, en voor steenen ijzer; en zal uwe opzieners vreedzaam maken, en uwe drijvers rechtvaardigen.

18 Daar zal geen geweld meer gehoord worden in uw land, verstoring noch verbreking in uwe landpalen; maar uwe muren zult gij Heil heeten, en uwe poorten Lof.

10 De zon zal u niet meer wezen tot een licht des daags, en tot eenen glans zal u de maan niet lichten; maar de Heehe zal u wezen tot een eeuwig licht, en uw God tot uwe sierlijkheid.

20 Uwe zon zal niet meer ondergaan, en uwe maan zal haar licht niet intrekken ; want de Heere zal u tot een eeuwig licht wezen, en de dagen uwer treuring zullen een einde nemen.

21 En uw volk zal alle te zamen rechtvaardigen zijn, zij zullen in eeuwigheid de aarde erfelijk bezitten , zij zullen zijn eene spruit mijner plantingen, een werk mijner handen, opdat ik verheerlijkt worde.

22 De kleinste zal lot duizend worden, en de minste tót een machtig volk: ik de Heere zal zulks te zijner tijd snel doen komen.

HOOFDSTUK 01.

De Geest des Hoeren Heerex is op mij, omdat de Heere mij gezalfd heeft, om eene blijde boodschap te brengen den zachtmoe-digen ; hij heeft mij gezonden om te verbinden de gebrokenen van hart, om den gevangenen vrijheid


-ocr page 826-

J ESA J A 62.

uit te roepen, en den gebondenen opening der gevangenis;

2 om uit te roepen het jaar van het welbehagen des Heeren, en den dag der wrake on zes Gods; om alle treurigen te troosten;

3 om den treurigen Sions te beschikken dat hun gegeven worde sieraad voor asch, vreugde-olie voor treurigheid, het gewaad des lols voor eenen benauwden prgf^j opdat zij ,gen^l4rtigheidquot; eene koofftïïg des Heeren, opdat hij verheerlijkt worde.

4 En zij zullen de oude verwoeste plaatsen bouwen, de vroegere verstoringen weder oprichten, en de verwoeste steden vernieuwen , die verstoord waren van geslachte tot geslachte.

5\' En nitlanders zullen sta^n en uwe kudden weiden, en vreemden zullen uwe akkerlieden en uwe wijngaardeniers zijn;

6 doch gijlieden zult Priesters des Heeren heeten, men zal u dienaren onzes Gods noemen; gij zult het vermogen der heidenen eten, en in hunne heerlijkheid zult gij roemen.

7 Voor uwe dubbele schaamte en schande zullen zij Juichen over hun deel: daarom zullen zij in hun land erfelijk het dubbele bezitten, zij zullen eeuwige vreugd hebben.

8 Want ik de Heeue heb het recht lief, ik haat den roof in liet brandoffer, en ik zal geven dat hun werk in waarheid zal zijn; en ik zal een eeuwig verbond met hen maken.

0 En hun zaad zal onder de heidenen bekend worden, en hunne nakomelingen in het midden der volkeren; allen die hen zien zullen, zullen ze kennen, dat zij zijn een zaad dat de Heeue gezegend heeft.

10 Ik ben zeer vroolijk in den Heere, mijne ziele verheugt zich in mijnen üod, want hij heeft mij bekleed met de kleederen des heils, den mantel der gerechtigheid heeft hij mij omgedaan; gelijk een bruidegom zicli met priesterlijk sieraad versiert, en als eene bruid zich versiert met haar gereedschap.

11 Want gelijk de aarde hare spruit voortbrengt, en gelijk een hof hetgeen in hem gezaaid is doet uitspruiten, alzóó zal de Heere Heere gerechtigheid en lof doen uitspruiten voor alle de volkersquot;

HOOFDSTUK no

^ . -.iuhó wille zal ik niet zwijgen , en om Jeruzalems wille zal ik niet stil zijn, totdat hare gerechtigheid voortkome als een glans, en haar heil als eene fakkel die brandt.

2 En de heidenen zullen uwe gerechtii-heid zien, en alle Koningen uwe heerlijkheid; en gij zult met eenen nieuwen naam genoemd worden, welken des Heeren mond uitdrukkelijk noemen zal.

3 En gij zult eene sierlijke kroon zijn in de hand des Heeren , en een koninklijke hoed in de hand uws Gods.

4 Tot u zal niet meer gezegd worden de verlar.ene, en lot uw land zal niet meer gezegd worden het verwoeste; maar gij zult genoemd worden: rnijn lust is aan haar, en uw land het getrouwde; want de Heere heeft eenen lust aan u, en uw land zal getrouwd worden.

5 Want yelijk een jongeling eene jonkvrouw trouwt, alzoo zullen uwe kinderen u trouwen; en gelijk de bruidegom vroolijk is over de bruid, alzoo zal uw God over u vroolijk zijn.

(i O Jeruzalem , ik heb wachters op uwe muren besteld, die gedu-riglijk al den dag en al den nacht niet zullen zwijgen. O gij die des Heeren doet gedenken, iaat geen stilzwijgen bij ulieden wezen,

7 en zwijgt niet stil voor hem, totdat hij bevestige en totdat hij Jeruzalem stelle eenen lof op aarde.

8 De Heere heeft gezworen bij zijne rechterhanc. en bij den arm zijner sterkte: Indien ik uw koren meer zal geven lot spijze voor uwe vijanden, en indien de vreemden zullen drinken uwen most waaraan gij gearbeid hebt!

9 Maar die het inzamelen zullen ,


-ocr page 827-

J ES A.TA G3.

800

die zulle.n het eten, en zij zullen den Heere prijzen; en die hem vergaderen zullen, die zullen hem drinken in de voorhoven mijns heiligdoms.

10 Gaat door, gaat door, door de poorten, bereidt den weg des volks; verhoogt, verhoogt eene baan, ruimt de steenen weg, steekt eene banier omhoog tot de volkeren.

11 Zie, de Heere heeft doen hooren tot aan het einde der aarde: Zegt der dochter Sions: Zie, uw heil komt; zie, zijn loon is met hem, en zijn arbeidsloon is voor zijn aangezicht.

12 En zij zullen ze noemen het heilige volk, de verlosten des Heeren; en gij zult genoemd worden de gezochte, de stad die niet verlaten is.

HOOFDSTUK 63.

Wie is deze die van Edom komt met besprenkelde kleederen, van Bozra? deze die versierd is in zijn gewaad, die voorttrekt in zijne groote kracht? Ik ben het, die in gerechtigheid spreek, die machtig beu te verlossen.

2 Waarom zijt gij rood aan uw gewand , en uwe kleederen als van een die in de wijnpers treedt?

3 Ik heb de pers alléén getreden , en daar was niemand van de volkeren met mij; en ik heb ze getreden in mijnen toorn en heb ze vertrapt in mijne grimmigheid , en hunne kracht is gesprengd op mijne kleederen, en al mijn gewaad heb ik bezoedeld.

4 Want de dag der wrake was in mijn hart, en het jaar mijner verlosten was gekomen;

5 en ik zag toe, en daar was niemand die hielp; en ik ontzette mij, en daar was niemand die ondersteunde: daarom heeft mijn arm mij heil beschikt, en mijne grimmigheid die heeft mij ondersteund,

G en ik heb de volkeren vertreden in mijnen toorn, en ik heb ze dronken gemaakt in mijne grimmigheid: en ik heb hunne kracht ter aarde doen nederdalen.

7 Ik zal de goedertierenheden des Hkeren vermelden, den veelvou-digen lof des Heeren , naar alles dat (ie Heere ons heeft bewezen , en de groote goedheid aan den huize Israels, die hij hun bewezen heeft naar zijne barmhartigheden en naar de veelheid zijner goedertierenheden.

8 Want hij zeide: Zij zijn immers mijn volk, kinderen die niet liegen zullen? Al/.oo is hij hun geworden tot eenen Heiland.

9 In al hunne benauwdheid was hij benauwd, en de Engel zijns aangezichts heeft ze behouden; door zijne liefde en door zijne genade heeft hij ze verlost, en hij nam ze op en hij droeg ze alle do dagen van ouds.

10 Maar zij zijn wederspannig geworden, en zij hebben zijnen Heiligen Geest smarten aan gedaan: daarom is hij hun in een vijand verkeerd, hij zelf heeft tegen hen gestreden.

11 Nogtans dacht hij aan de dagen van ouds, aan Mozes en zijn volk; maar nu, waar is hij die ze uit de zee opgebracht heeft, met de herders zijner kudde? Waai. is hij die zijnen Heiligen Geest in het midden van hen stelde?

12 die den arm zijner heerlijkheid heeft doen gaan aan de rechterhand van Mozes; die de wateren voor hun aangezicht kliefde, opdat hij zich een eeuwigen naam maakte;

13 die ze leidde door de afgronden: als een paard in de woestijn, struikelden zij niet.

14 Gelijk een beest dat afgaat in de valleien, heeft hun de Geest des Heeren ruste gegeven. Alzóó hebt gij uw volk geleid, opdat gij u eenen heerlijken naam zoudt maken.

15 Zie van den hemel af, en aanschouw van uwe heilige en uwe heerlijke woning: waar zijn uw ijver en uwe mogendheden, het gerommel uwsingewandsen uwer barmhartigheden? Zij houden zich jegens mij in.

16 Gij zijt toch onze Vader, want Abraham quot;weet van ons niet en Israël kent ons niet: gij, oHeere,


-ocr page 828-

JESA JA 64 , 65.

810

zijt onzeVader, onze Verlosser van ouds af is uw naam.

17 Heere, waarom doet gij ons van uwe wegen dwalen, waarom verstokt gij ons harte dat wij u niet vreezen? Keer weder om uwer knechten wille, de stammen uws erfdeels:

18 uw heilig volk heeft het maar een weinig tijds bezeten, onze we-derpartijders quot;hebben uw heiligdom vertreden;

19 wij zijn geworden als die. over welke gij van ouds niet hebt ge-heerscht, en die naar uwen naam niet zijn genoemd.

HOOFDSTUK 64.

Och dat gij de hemelen scheur-det, dat gij nederkwaamt, dat de bergen voor uw aangezicht vervloten ,

2 gelijk een smeltvuur brandt, cn het vuur de wateren doet opborrelen , om uwen naam aan uwe weder par tijders bekend te maken; laat alzoö de heidenen voor uw aangezicht beven.

3 Toen gij vreeselijke dingen deedt, die wij niet verwachtten; gij kwaamt neder, van uw aangezicht versmolten de bergen.

4 Ja, van ouds heeft men het niet gehoord noch met ooren vernomen, en geen oog heeft het gezien, behalve gij, o God, iaat hij doen zal dien die op hem wacht.

5 Gij ontmoet den vroolijke en die gerechtigheid doet, degenen die uwer gedenken op uwe wegen; zie, gij waart verbolgen omdat wij gezondigd hebben ; in dezelve is de eeuwigheid, opdat wij behouden wierden.

6 Doch wij allen zijn als een onreine, en alle onze gerechtigheden zijn als een wegwerpelijk kleed; en wij allen vallen af als een blad, en onze misdaden voeren ons weg als een wind;

7 en daar is niemand die uwen naam aanroept, die zich opmaakt dat hij u aangrijpe; want gij verbergt uw aangezicht voor ons, en gij doet ons smelten door middel van onze ongerechtigheden.

8 Doch nu, Heere , gij zijt onze Vacjer; wij zijn lepm, en gij zijt onze pottenbakker , en wij allen zijn uwer handen werk:

9 Heere , wees niet zoozeer verbolgen, en gedenk niet eeu-wiglijk der ongerechtigheid; zie, aanschouw toch, wij allen zijn uw volk.

10 Uwe heilige steden zijn eene woestijn geworden, Sion is eene woestijn geworden, Jeruzalem eene verwoesting;

11 ons heilig en ons heerlijk Huis, waarin onze vaders u loofden, is met vuur verbrand, en alle onze gewenschte dingen zijn tot woestheid geworden:

12 Heere, zoudt gij u over deze dingen inhouden, zoudt gij stilzwijgen en ons zoozeer bedroeven?

HOOFDSTUK 65.

Ik ben gevonden van hen die naar mij niet vraagden, ik ben gevonden van degenen die mij niet zochten; tot het volk dat naar mijnen naam niet genoemd was heb ik gezegd: Zie hier ben ik, zie hier ben ik ;

2 ik heb mijne handen uitgebreid den ganschen dag tot een wederstrevig volk, dat wandelt op eenen weg die niet goed is, naar zijne eigene gedachten;

3 eeii volk, mij geduriglijk tergende in mijn aangezicht, in hoven offerende, en rookende op tichelsteenen;

4 zittende bij de graven, zoo vernachten zij bij degenen die bewaard worden, etende zwijnen-vleesch, en daar is sop van gruwelijke dingen in hunne vaten;

5 die zeggen: Houd u bij uzel-ven, naak tot mij niet, want ik ben heiliger dan gij: — deze zijn een rook in mijnen neus, een vuur den ganschen dag brandende.

6 Zie, het is voor mijn aangezicht geschreven: ik zal niet zwijgen, maar ik zal vergelden, ja in hunnen boezem zal ik vergelden,

7 uwe ongerechtigheden en uwer vaderen ongerechtigheden te gelijk, zegt de Heere, die gerookt hebben op de bergen en mij smaadheid aangedaan hebben op de heuvelen: daarom zal ik hun


-ocr page 829-

JESAJA 66,

811

vorig werkloon in hunnen boezem weder toemeten.

8 Alzóu zegt de Heere : Gelijk, wanneer men most in een bos druiven vindt, men zegt: Verderf ze niet, want daar is een zegen in: alzóó zal ik het om mijner knechten wille doen, dat ik ze niet allen verderve;

9 en ik zal zaad uit Jakob voortbrengen, en uit Juda eenen erf-bezitter van mijne bergen; en mijne uitverkorenen zullen het erfelijk bezitten , en mijne knechten zullen aldaar wonen;

10 en Saron zal tot eene schaapskooi worden , en het dal van Achor tot een runderleger, voor mijn volk dat mij gezocht heeft.

11 Maar gij verlaters des Hee-ren , gij vergeters van den berg mijner heiligheid, gij aanrichters eener tafel voor die bende, en gij opvul Iers des dranks voor dat getal:

12 ik zal ulieden ook ten zwaarde tellen, dat gij allen u ter slachting zult krommen, omdat ik heb geroepen maar gij hebt niet geantwoord, ik gesproken heb maar gij hebt niet gehoord, maar hebt gedaan dat kwaad was in mijne oogen, en hebt verkoren hetgeen waaraan ik geen lust heb.

13 Daarom zegt de Heere Heere alzóó: Zie, mijne knechten zullen eten , doch gijlieden zult hongeren; zie, mijne knechten zullen drinken, dóch gijlieden zult dorsten; zie , mijne knechten zullen blijde zijn, doch gijlieden zult beschaamd zijn;

14 zie, mijne knechten zullen juichen van goeder harte, maar gijlieden zult kermen van weedom des harten, en van verbreking des geestes zult gij huilen;

15 en gijlieden zult uwen naam mijnen uitverkorenen tot eene vervloeking laten; en de Heere Heere zal ulieden dooden, maar zijne knechten zal hij met eenen anderen naam noemen:

16 zoodat wie zich zegenen zal op aarde, die zal zich zegenen in den God der waarheid; en wie zweren zal op aarde, die zal zweren bij den God der waarheid, omdat de vorige benauwdheden zullen vergeten zijn, en omdat ze voor mijne oogen verborgen zijn.

17 Want zie, ik schep nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde, en de vorige dingen zullen niet meer gedacht worden, en zij zullen in het harte niet opkomen.

18 Maar weest gijlieden vroolijk en verheugt u tot in eeuwigheid in hetgeen dat ik schep; want zie, ik schep Jeruzalem eene verheuging , en haar volk eene vroo-lijkheid;

19 en ik zal mij verheugen over Jeruzalem en vroolijk zijn over mijn volk, en in haar zal niet meer gehoord worden de stem der weening noch de stem des geschreeuws.

20 Van daar zal niet meer wezen een zuigeling van weinig dagen , noch een oud man die zijne dagen niet zal vervullen; want een jongeling zal sterven honderd jaar oud zijnde , maar een zondaar honderd jaar oud zijnde zal vervloekt worden.

21 En zij zullen huizen bouwen en bewonen, en zij zullen wijngaarden planten en derzelver vrucht eten;

22 zij zullen niet bouwen dat een ander het bewone , zij zullen niet planten dat een ander het ete , want de (Jagen mijns volks zullen zijn als de dagen eens booms, en mijne uitverkorenen zullen het werk hunner handen verslijten;

23 zij zullen niet te vergeefs arbeiden noch baren ter verstoring, want zij zijn het zaad der gezegenden des Heeren, en hunne nakomelingen met hen.

24 En het zal geschieden eer zij roepen zoo zal ik antwoorden, terwijl zij nog spreken zoo zal ik hooren;

25 de wolf en het lam zullen te zamen weiden, en de leeuw zal stroo eten als een rund, en stof zal de spijs der slang zijn; zij zullen geen kwaad doen noch verderven op mijnen ganschen heiligen berg, zegt de Heere.

HOOFDSTUK 66.

Alzóó zegt de Heere: De he-


-ocr page 830-

J A 60.

JESA

812

mei is mijn troon, en de aarde is de voetbank mijner voeten; waar zoude dat Huis zijn dat gijlieden mij zoudt bouwen, en waar is de plaatse mijner rust?

2 Want mijne hand heeft alle deze dingen gemaakt en alle deze dingen zijn geweest, spreekt de Heere; maar op dezen zal ik zien, op den arme en verslagene van geest, en die voor mijn Woord beel\'t.

3 Wie eenen os slacht, slaat eenen man; wie een lam offert, breekt eenen hond den hals; wie spijsolfer offert, is ais die zwijnen-bloed offert; wie wierook brandt ten gedenkoffer is als die eenen afgod zegent. Dezen verkiezen ook hunne wegen, en hunne ziele heeft lust aan hunne verfoeiselen:

4 ik zal ook verkiezen het loon hunner handelingen, en wat zij vreezen zal ik over hen doen komen, omdat ik heb geroepen en niemand antwoordde, ik gesproken heb en zij niet hoorden, maar deden dat kwaad is in mijne oogen, en verkozen hetgeen waartoe ik geen li st had.

5 Hoort des Heeren Woord, gij die voor zijn Woord beeft: uwe broeders die u haten, die u verre afzonderen om mijns naams wil, zeggen: Dat de Heere heerlijk worde. Doch hij zal verschijnen tot ulieder vreugde, zij daarentegen zullen beschaamd worden.

O Daar zal eene stern eens groo-ten rumoers uit de stad zijn, eene stem uit den Tempel, de stem des Heeren, die zijnen vijanden de verdienste vergeldt.

7 Eer zij barensnood had, heeft zij gebaard; eer haar smat te overkwam, zoo is zij van een jongsken verlost.

8 Wie heeft ooit zoo iets gehoord, wie iets dergelijks gezien? Zoude een land kunnen geboren worden op eenen éénigen dag, zoude een volk kunnen geboren worden op eene éénige reize? Maar Sion heeft weeën gekregen, en zij heeft hare zonen gebaard.

9 Zoude ik rfe baarmoeder openbreken , en niet genereeren, zegt de Heere; zoude ik, die genereer, voortaan toesluiten? zegt uw God.

10 Verblijdt u met Jeruzalem , en verheugt u over haar, alle hare liefhebbers; woest vroolijk over haar met vreugde, gij allen die over haar zijt treurig geweest;

11 opdat gij moogt zuigen en verzadigd worden van de borsten barer vertroostingen, opdat gij moogt uitzuigen en u verlustigen met den glans harer heerlijkheid.

12 Want alzóó zegt de Heere: Zie, ik zal den vrede over haar uitstrekken als eene rivier, en de heerlijkheid der heidenen als eene overloopende beek: dan zult gijlieden zuigen, gij zult op de zijden gedragen worden, en op de knieën zeer vriendelijk getroeteld worden.

13 Als een dien zijne moeder troost, alzóó zal ik u troosten; ja gij zult te Jeruzalem getroost worden.

14 En gij zult het zien, en uw harte zal vroolijk zijn, en uwe beenderen zullen groenen als het teedere gras; dan zal de hand des Heehen bekend worden aan zijne knechten, en hij zal zijnen vijanden gram worden.

15 Want zie, de Heere zal met vuur komen, en zijne wagenen als een wervelwind, om met grimmigheid zijnen toorn hiertoe te wenden, en zijne schelding met vuurvlammen;

10 want met vuur en met zijn zwaard zal de Heehe in het recht treden met alle vleesch, en de verslagenen des Heeren zullen vermenigvuldigd zijn.

17 Die zichzelven heiligen en zichzelven reinigen in de hoven, achter een in het midden derzelve; die zwijnenvleesch eten, en verfoeisel, en muizen, — te zamen zullen zij verteerd worden, spreekt de Heere.

18 Hunne werken en hunne gedachten! Het komt, dat ik vergaderen zal alle heidenen en tongen, en zij zullen komen en zij zullen mijne heerlijkheid zien.

19 En ik zal ee n teeken aan hen zetten, en uit hen die het ontkomen zullen zijn, zal ik zenden tot de heidenen , naar Tarsis, Pul en Lüd, de boogscnutters, naar Tubal en Javan, tot de verre gele-


-ocr page 831-

r

I gen eilanden, die mijn gerucht niet gehoord en mijne heerlijkheid niet gezien hebben; en zij zuilen mijne heerlijkheid onder de heidenen verkondigen.

20 En zij zuiien alle uwe broeders uit alle heidenen den Heere ten spijsoüer brengen, op paarden en op wagenen en op rosbaren en op muildieren en op snelle loopers, naar mijnen heiligen berg toe, naar Jeruzalem, zegt de Heere , gelijk de kinderen Israels het spijsolTer in een rein vat brengen ten Huize des Heeren.

21 En ook zal ik uit dezelve eenigen tot Priesters en tot Le-viten nemen, zegt de Heere.

22 Want gelijk als die nieuwe

813

hemel en die nieuwe aarde, die ik maken zal, voor mijn aangezicht zullen staan, spreekt de Heere, alzóó zal ookuliederzaad en ulieder naam staan.

23 En het zal geschieden dat van de ééne nieuwe maan tot de andere, en van den éénen sabbat tot den anderen, alle vleesch komen zal om aan te bidden voor mijn aangezicht, zegt de Heere.

24 En zij zullen henen uitgaan, en zij zullen de doode lichamen der lieden zien die tegen mij overtreden hebben; want hunquot; worm zal niet sterven en hun vuur zal niet uitgebluscht worden, en zij zullen allen vleesche eene afgrij-zing wezen.

JEREMIA 1.


DE PROFEET JEREMIA.

HOOFDSTUK 1.

De woorden van Jeremia, den zoon van Hillda, uit dePriesteren die te Anathoth waren, in het land Benjamins,

2 tot welken het Woord des Heeren geschiedde in de dagen van Josi\'a, zoon van Amon, Koning van Juda. in het dertiende jaar zijner regeering;

3 ook geschiedde het tot hem in de dagen van Jojakim, zoon van Josi\'a, Koning van Juda, totdat voleindigd werd het elfde jaar van Zedekia, zoon van Josi\'a, Koning van Juda , totdat Jeruzalem gevankelijk werd weggevoerd in de vijfde maand.

4 Het Woord des Heeren dan geschiedde tot mij, zeggende:

5 Eer dat ik u in den moederschoot formeerde heb ik u gekend , en eer dat gij uit de baarmoeder voortkwaamt heb ik u geheiligd;

ik heb u den volken tot Profeet gesteld.

(j Toen zeide ik: Ach, Heere Heere, zie, ik kan niet spreken, want ik ben jong.

7 Maar de Heere zeide tot mij: Zeg niet: Ik ben jong; want overal waarhenen ik u zenden zal, zult gij gaan, en alles wat ik u gebieden zal, zult gij spreken:

8 vreest niet voor hun aangezicht, want ik ben met u om u te redden, spreekt de Heere.

9 En de Heere stak zijne hand uit en roerde mijnen mond aan, en de Heere zeide tot mij: Zie, ik geef mijne woorden in uwen mond;

10 zie, ik stel u te dezen dage over de volken en over de koninkrijken , om uit te rukken en af te breken en te verderven en te verstoren, ook om te bouwen en te planten.

11 Wijders geschiedde des Hee-


-ocr page 832-

MIA 2.

814

JERE

ren Woord tot mij, zeggende: Wat ziet gij Jeremia? En ik zeide: Ik zie eene amandelroede.

12 En de Hkerk zeide tot mij: Gij hebt wol gezien ; want ik zal wakker zijn over mijn Woord om dat te doen.

13 En des Heeren Woord geschiedde ten tweeden male tot mij, zeggende: Wat ziet gij? En ik zeide : Ik zie eenen ziedenden pot, welks voorste deel tegen liet Noorden is.

14 En de Heere zeide tot mij : Van het Noorden zal zich uit kwaad opdoen over alle inwoners des lands.

15 Want zie, ik roep alle geslachten der koninkrijken van het Noorden, spreekt de Heehe; en zij zullen komen , en zetten een iegelijk zijnen troon vóór de deur der poorten van Jeruzalem, entegen alle hare muren rondom , en tegen alle steden van Juda;

lü en ik zal mijne oordeelen tegen hen uitspreken over al hunne boosheid, dat zij mij verlaten hebben, en anderen goden gerookt, en zich gebogen hebben voor de werken hunner handen.

17 Gij dan, gord uwe lendenen, en maak u op, en spreek tot hen alles wat ik u gebieden zal: wees niet verslagen voor hun aangezicht, opdat ik u voor hun aangezicht niet versla.

18 Want zie, ik stel u heden tot eene vaste stad en tot eenen ijzeren pilaar, en tot koperen muren tegen het gansche land: tegen de Koningen van Juda, tegen hare Vorsten , tegen hare Priesteren, en tegen het volk van het land;

19 en zij zullen tegen u strijden maar tegen u niet vermogen, want ik ben met u, spreekt de Heere, om u uit te helpen.

HOOFDSTUK 2.

En des Heeren Woord geschiedde tot mij , zeggende :

2 Ga en roep voor do ooren van Jeruzalem, zeggende: Zóó zegt de Heere: Ik gedenk dor weldadigheid uwer jeugd, der liefde uwer ondertrouw, toen gij mij nawan-deldet in de woestijn, inonbezaaid land:

Hf.

3 Israël was den Heere eene heiligheid, de eerstelingen zijner inkomst; allen die hem opaten werden voor schuldig gehouden , kwaad kwam hun over, spreekt de Heere.

4 Hoort des Heeren Woord, gij huis Jakobs en alle geslachten van het huis Israels;

5 zóó zeKt de Heere: Wat voor onrecht hebben uwe vaders aan mij gevonden, dat zij verre van mij geweken zijn, en hebben de ijdelheid nagewandeld, en zij zijn ij del geworden,

6 en zeiden niet: Waar is de Heere, die ons opvoerde uit Egyp-teland, die ons leidde in de woestijn, in een land van wildernissen en kuilen, in een land van dorheid en schaduwe des doods, in een land waar niemand doorging en waar geen menssh woonde?

7 En ik bracht u in een vruchtbaar land, om de vrucht daarvan en het goede daarvan te eten; maar toen gij daarin kwaamt, ver-ontreinigdet gij mijn land, enstel-det mijne erfenis tot eenen gruwel.

8 De Priesters zeiden niet: Waar is de Heere? en die de wet handelden , kenden mij niet; en de herders overtraden tegen mij; en de Profeten profeteerden door Baal, en wandelden naar dingen die geen nut doen.

9 Daarom zal ik nog met ulieden twisten, spreekt de Heere, ja met uwe kindskinderen zal ik twisten.

10 Want gaat over in de eilanden der Kittiten en ziet toe, en zendt naar Kedar en merkt er wel op, en ziet of diesgelijks geschied zij.

11 Heeft ook een volk de goden veranderd, hoewel dezelve geen goden zijn? Nogtans heeft mijn volk zijne eere veranderd in hetgeen dat geen m.t doet.

12 Ontzet u hierover gij hemelen, en zijt verschrikt, wordt zeer woest, spreekt de Heere,

13 want mijn volk heeft twee boosheden gedaan: mij, de springader des levend3n waters, hebben zij verlaten, om zichzelven bakken


, K.

-ocr page 833-

JEREiMIA 2.

815

uit te houwen, gebroken bakken die geen water houden.

14 Is dan Israël een knecht, of is bij een ingeborene des huizes? Waarom is hij clan ten roof geworden ?

15 De jonge leeuwen hebben over hem gebruld, zij hebben hunne stem verheven; en zij hebben zijn land gezet in verwoesting; zijne steden zijn verbrand, dat er niemand in woont.

16 Ook hebben u de kinderen van Nof en Tachfanes den schedel afgeweid.

17 Doet gij u dit niet zeiven , doordien gij den Heere uwen God verlaat ten tijde als hij u op den weg leidt?

18 En nu, wat hebt gij te doen met den weg van Egypte, om de wateren Sihors te drinken? En wat hebt gij te doen met den weg van Assur, om de wateren der rivier te drinken?

19 Uwe boosheid zal u kastijden, en uwe afkeeringen zullen u straffen: weet dan en zie dat het kwaad en bitter is, dat gij den Heere uwen God verlaat en mijne vreeze niet bij u is, spreekt de Heere, de Heere der heirscharen.

20 Als ik van ouds uw juk verbroken en uwe banden verscheurd had, zoo zeidet gij: Ik zal niet dienen; maar op allen hoogen heuvel en onder allen groenen boom loopt gij om, hoereerende.

21 Ik had u toch geplant, eencn edelen wijnstok, een geheel getrouw zaad: hoe zijt gij mij dan veranderd in verbasterde ranken eens vreemden wijnstoks?

22 Want al wiescht gij u met salpeter, en naamt u veel zeep, zoo is toch uwe ongerechtigheid voor mijn aangezicht geteekend, spreekt de Heere Heere.

23 Hoe zegt gij: Ik ben niet verontreinigd, ik heb de Baals niet nagewandeld? Zie uwen weg in het dal, ken wat gij gedaan hebt, gij lichte, snelle kemelin die hare wegen verdraait.

24 Zij is eene woudezelin, gewend in de woestijn, naar den lust harer ziel schept zij den wind: wie zoude hare ontmoeting afkoeren? Allen die haar zoeken, zullen niet moede worden, in hare maand zullen zij ze vinden.

25 Bedwing uwen voet van ont-schoeiing , en uwe keel van dorst; maar gij zegt: Het is buiten hoop ; neen, want ik heb de vreemden lief, en die zal ik nawandelen.

26 Gelijk een dief beschaamd wordt wanneer hij gevonden wordt, alzóó zijn die van den huize Isra-ëls beschaamd: zij , hunne Koningen, hunne Vorsten, ei hunne Priesters, en hunne Profeten;

27 die tot een hout zeggen: Gij zijt mijn vader, en tot eencn steen: Gij hebt mij gegenereerd; want zij keeren mij den nek toe, en niet het aangezicht; maar ten tijde huns kwaads zeggen zij: Sta op en verlos ons.

28 Waar zijn dan uwe goden die gij u gemaakt hebt? Laat ze opstaan, of ze u ten tijde uws kwaads zullen verlossen; want naar het getal uwer steden zijn uwe goden, o Juda.

29 Waarom twist gij tegen mij? Gij hebt allen togen mij overtreden , spreekt de Heere.

30 Te vergeefs heb ik uwe kir-deren geslagen, zij hebben de tucht niet aangenomen ; ulieder zwaard heeft uwe Profeten verteerd als een verdervende leeuw.

31 O geslacht, aanmerkt toch des Heeren Woord: Ben ik Israël eene woestijn geweest, of een land der uiterste donkerheid? Waarom zegt dan mijn volk: Wij zijn heeren, wij zullen niet meer tot u komen?

32 Vergeet ook eene jonkvrouw haar versiersel, o/quot; eene bruid hare bindselen? Nogtans heeft mijn volk mij vergeten, dagen zonder getal.

33 Wat maakt gij uwen weg goed, daar gij boeleering zoekt? waarom gij ook\'de slechtste hoeren uwe wegen geleerd hebt.

34 Ja, het bloed van de zielen der onschuldige nooddruftigen is in uwe zoomen gevonden, ik heb dat niet met opgraven gevonden, maar aan die alle:

35 nóg zegt gij: Zeker ik ben ! onschuldig; zijn toorn is immers


-ocr page 834-

MIA 3.

816

JERE

van mij afgekeerd. Zie, ik zal met u richten, omdat gij zegt: Ik heb niet gezondigd.

36 Wat reist gij veel uit. veranderende uwen weg? Gij zult ook van Egypte beschaamd worden, gelijk als gij van Assur beschaamd zijt.

37 Gij zult ook van hier uitgaan met uwe handen op uw hoofd; want de Heere heelt al uw vertrouwen verworpen, zoodat gij daarmede niet zult gedijen.

HOOFDSTUK 3.

Men zegt: Zoo een man zijne huisvrouw verlaat, en zij gaat van hem en wordt eens anderen mans, zal hij ook tot haar nog weder-keeren? Zoude dat land niet groo-telijks ontheiligd worden ? Gij nu hebt me\' vele boeleerders gehoereerd : keer nogtans weder tot mij, spreekt de Heere.

2 Hef uwe oogen op naar de hooge plaatsen, en zie toe: waar zijt gij niet onteerd? Gij hebt voor hen gezeten aan de wegen, als een Arabier in do woestijn; alzoo hebt gij het land ontheiligd met uwe hoererijen en met uwe boosheid.

3 Daarom zijn de regendruppelen ingehouden, en daar is geen spade regen geweest Maar gij hebt een hoerenvoorhoofd, gij weigert schaamrood te worden.

4 Zult gij niet van nu af tot mij roepen: Mijn vader, gij zijt de leidsman mijner Jeugd?

5 Zal bij in eeuwigheid den toorn behouden, zal hij dien gestadiglijk bewaren? Zie, gij spreekt en doet die boosheden, en neemt de overhand.

6 Voorts zeide de Heere tot mij in de dagen van den Koning Josia: Hebt gij gezien wat de afgekeerde Israël gedaan heeft? Zij ging henen op allen hoogen berg en onder allen groenen boom, en hoereerde aldaar.

7 En ik zeide nadat zij zulks alles gedaan had: Bekeer u tot mij; maar zij bekeerde zich niet. Dit zag de trouwelooze, hare zuster Ju da.

8 En ik zag, als ik, ter oorzake van alles waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had, haar verlaten en haar haren scheldbrief gegeven had, dat de trouwelooze, hare zuster Juda, niet vreesde, maar ging henen en hoereerde zelve óók;

9 ja, het geschiedde vanwege bet gerucht harer hoererij , dat zij het land ontheiligde, want zij bedreef overspel met steen en met hout.

10 En zelfs in dit alles heeft zich hare trouwelooze zuster Juda tot mij niet bekeerd met haar gansche harte, maar valschelijk, spreekt de Heere.

11 Dies zeide de Heere tot mij: De afgekeerde Israël heeft hare ziel gerechtvaardigd, meer dan de trouwelooze Juda.

12 Ga henen en roep deze woorden uit tegen het Noorden, en zeg: Bekeer u gi j afgekeerde Israël, spreekt de Heere, zoo zal ik mijnen toorn op ulieden niet doen vallen; want ik ben goedertieren, spreekt de Heere . ik zal dot toorn niet in eeuwigheid behouden.

13 Alleen ken uwe ongerechtigheid, dat gij tegen den Heere uwen God hebt overtreden, en uwe wegen verstrooid hebt tot de vreemden, onder allen groenen boom, maar zijt mijner stemme niet gehoorzaam geweest, spreekt de Heere.

14 Bekeert u gij afkeerige kinderen , spreekt de Heere , want ik heb u getrouwd, en ik zal u aannemen, één uit eene stad en twee uit een geslacht, en zal u brengen te Sion;

15 en ik zal ulieden herders geven naar mijn harte, die zullen u weiden met wetenschap en verstand ;

16 en het zal geschieden wanneer gij vermenigvuldigd en vruchtbaar zult gewoi\'den zijn in het land, in die dagen, spreekt de Heere, zullen «ij niet meer zeggen : De Arke des verbonds des Heeren; ook zal zij in het harte niet opkomen, en zij zullen aan haar niet gedenken en haar niet bezoeken, en iij zal niet weder gemaakt worden.


-ocr page 835-

JEREMIA 4.

817

17 Te dier tijd zullen zij Jeruzalem noemen des Heeren troon, en alle de heidenen zullen tot haai* vergaderd worden, om des Heeren naams wille, te Jeruzalem; en zij zullen niet meer wandelen naar het goeddunken van hun boos hart.

18 In die dagen zal het huis van Juda gaan tot net huis Israels, en zij zullen te zamen komen uit het land van het Noorden in het land dat ik uwen vaderen ten erve gegeven heb.

19 Ik zeide wel: Hoe zal ik u onder de kinderen zetten, en u geven het gewenschte land. de sierlijke erfenis van de heirscha-ren der heidenen? maar ik zeide: Gij zult tot mij roepen: Mijn vader, en gij zult van achter mij niet afkeerèn.

20 Waarlijk, gelijk eene vrouw trouwelooslijk scheidt van haren vriend, alzóo hebt gijlieden trouwelooslijk tegen mij gehandeld, gij huisquot;Israels, spreekt de Hkere.

21 Daar is eene stemme gehoord op de hooge plaatsen, een geween en smeekingen der kinderen Israels, omdat zij hunnen weg verkeerd en den Heere hunnen God vergeten hebben.

22 Keert weder gij afkeerige kinderen, ik zal uwe afkeeringen genezen. Zie hier zijn wij, wij komen tot u, want gij zijt de Heere onze God.

23 Waarlijk te vergeefs verwacht men het van de heuvelen en de menigte der bergen: waarlijk in den Heere onzen God is Israel\'s heil.

24 Want de schaamte heeft den arbeid onzer vaderen opgegeten, van onze jeugd af, hunne schapen en hunne runderen, hunne zonen en hunne dochteren:

25 wij liggen in onze schaamte , en onze schande overdekt ons, want wij hebben tegen den Heere onzen God gezondigd, wij en onze vaderen, van onze jeugd af tot op dezen dag, en wij zijn der stemme des Heeren onzes Gods niet gehoorzaam geweest.

HOOFDSTUK 4.

Zoo gij u bekeeren zult, Israël, spreekt de Heere , bekeer u tot mij; en zoo gij uwe verfoeiselen van mijn aangezicht zult wegdoen, zoo zwerf niet om ;

2 maar zweer: Zoo luaarachiig ah- de Heere leeft! in waarheid, in recht en in gerechtigheid: zoo zullen zich de heidenen in hem zegenen en zich in hem beroemen.

\'ó Want zóó zegt de Heere tot de mannen van Juda en tot Jeruzalem: Braakt ulieden een braakland , en zaait niet onder de doornen.

4 Besnijdt u den Heere, en doet weg de voorhuiden uws harten , gij mannen van Juda en inwoners van Jeruzalem; opdat mijne grimmigheid niet uitvare als een vuur, en brande dat niemand blusschen kunne, vanwege de boosheid uwer handelingen.

5 Verkondigt in Juda en laat het hooren te Jeruzalem , en zegt het; ja blaast do bazuin in het land; roept met volle stem en zegt: Verzamelt ulieden, en laat ons ingaan in de vaste steden.

(i Werpt de baaior op naar Sion, vlucht met hoopen, blijft niet staan; want ik breng een kwaad aan van het Noorden, en eene groote breuke:

7 de leeuw is opgekomen uit 1 zi-j ne hage, en de verderver der

heidenen is opgetrokken, hij is j uitgegaan uit zijne plaats, om uw j land te stellen in verwoesting; i uwe steden zullen verstoord wor-j den dat er niemand in wone.

8 Hierom gordt zakken aan, bedrijft misbaar en huilt; want de hittigheid van des Heeren toorn is niet van ons afgekeerd.

9 En bet zal te dier tijd geschieden, spreekt de Heere, dat het hart des Konings en het hart der Vorsten vergaan zal, en de Priesters zullen zich ontzetten en de Profeten zich verwonderen.

10 Toen zeide ik: Ach Heere Heere , waarlijk gij hebt dit volk en Jeruzalem groolelijks bedrogen, zeggende: Gijlieden zult vrede hebben — daar het zwaard tot aan de ziele raakt.

11 Tc dier tijd zal tot dit volk en tot Jeruzalem gezegd worden;


-ocr page 836-

JE REM IA 5.

818

Een dorre wind van de hooge plaatsen in de woestijn, op den weg der dochter mijns volks: niet om te wannen noch om te zuiveren ;

12 daar zal mij een wind komen, die hun te sterk zal zijn. Nu zal ik óók oordcelen tegen hen uitspreken.

13 Zie, hij komt op als wolken, en zijne wagenen zijn als een wervelwind, zijne paarden zijn sneller dan arenden; wee ons, want wij zijn verwoest.

14 Wasch uw harte van boosheid, o Jeruzalem, opdat gij behouden wordt: hoe lang zult gij de gedachten uwer ij dolheid in het binnenste van uquot; laten vernachten?

lü Want eene stem verkondigt van Dan af, en doet ellende hoeren van het gebergte Elraïm:

16 Vermeldt den volkeren, zie, doet het hooren tegen Jeruzalem : daar komen hoeders uit verren lande, en zij verhelfen hunne stem tegen de steden van Juda;

17 als de wachters der velden zijn zij rondom tegen haar, omdat zij tegen mij wederspannig geweest is, spreekt de Heere.

18 Uw weg en uwe handelingen hebben u deze dingen gedaan; dit is uwe boosheid, dat het zóö bitter is, dat het tot aan uw harte raakt.

19 O mijn ingewand, mijn ingewand! Ik heb barenswee; o wanden mijns harten ! mijn hart maakt getier in mij, ik kan niet zwijgen; want gij mijne ziele hoort het geluid der bazuin en het krijgsgeschrei.

20 Breuk op breuk wordt er uitgeroepen; want het gansche land is verstoord; haastelijk zijn mijne tenten verstoord, mijne gordijnen in een oogenblik.

21 Hoe lang zal ik de banier zien, het geluid der bazuin hooren?

22 Zekerlijk mijn volk is dwaas, mij kennen zij niet; het zijn zotte kinderen, en zijn niet verstandig; wijs zijn zij om kwaad te doen, maar goed te doen weten zij niet.

23 Ik zag het land aan, en zie, het was woest en ledig; ook naaiden hemel, en zijn licht was er-niet ;

24 ik zag de bergen aan, en zie, zij beefden, en alle do heu li velen schuddeden; u

25 ik zag, en zie, daar was u geen mensch, en alle vogelen des u hemels waren weggevlogen; gt;c

20 ik zag, en zie, het vrucht- t( bare land was eene woestijn, en alle zijne steden waren afgebro- ^ ken, vanwege den Heere, van- ij wege de hittigheid zijns toorns. \\\\

27 Want zóó zegt de Heere : w Dit gansche land zal eene woestheid zijn; (doch ik zal geene vol-tr einding maken.) cl\'

28 Hierom zal de aarde treuren h en de hemel daarboven zwart zijn: i( omdat ik het heb gesproken, ik j heb het voorgenomen, en het zal mij niet rouwen, en ik zal mij u daarvan niet afkeeren. d

29 Van het geroep der ruiteren t en boogschutters vluchten alle de 1; steden, zij gaan in de wolken en u klimmen op de rotsen; alle de \\ steden zijn verlaten, zoodat nie-i mand in dezelve woont. ■/.

30 Wat zult gij dan doen, gij verwoeste? Al kleeddet gij u met c scharlaken, al versierdet gij u! i met gouden sieraad, al bestreekt ( gij uwe oogen met blanketsel, 5 zoo zoudt gij u toch te vergeefs ^ oppronken: de boeleerders ver- ] smaden u, zij zullen uwe ziel zoeken.

31 Want ik hoor eene stem als van eene vrouiu die in arbeid is, eene benauwdheid als van eene die in des eersten kindes nood is, de stemme der dochter Sions, zij hijgt, zij breidt hare handen uit, \'zeggende: O wee mij nu, want mijne ziels is moede vanwege de doodslagers.

HOOFDSTUK 5.

Gaat om door de wijken van Jeruzalem, en ziet nu toe en verneemt en zoekt op hare straten, of gij iemand vindt, of er één is | die recht doe\':, die waarheid zoekt: zoo zal ik haar genadig zijn.

2 En of zij al zeggen: Zoo tv aar acht ig als de Hek re leeft, zoo zweren zij toch valschelijk.


-ocr page 837-

J ERE MIA 5.

819

3 O Heere , zien uwe oogen iict naar waarheid? Gij hebt ze

en reslagen, maar zij hebben geen )ijn gevoeld; gij hebt ze verteerd. nuar zij hebben geweigerd de .ucht aan te nemen ; zij hebben hun langezicht harder gemaakt dan \'ene steenrots, zij hebben gewei-cht-Jrerd zich te bekeeren.

4 Doch ik zeide: Zekerlijk de-^\'o-fcen zijn arm, zij handelen zotte-an- ijk, omdat zij den weg des Hek-

xen , hel recht huns Gods, niet weten;

5 ik zal gaan tot de grooten en met hen spreken, want die weten den weg des Heeren, het recht huns Gods: — maar zij hadden

ijn:|te zamen het juk verbroken en de ik banden verscheurd, zal (gt; Daarom heeft ze een leeuw mij uit het wond verslagen , een wolf der wildernissen zal ze verwoesten, een luipaard waakt tegen hunne steden , al wie uit dezelve uitgaat zal verscheurd worden; want hunne overtredingen zijn ver-ie- menigvuldigd, hunne afkeeringen

zijn machtig vele geworden, gij 7 Moe zoude ik over zulks u veriet geven? Uwe kinderen verlaten ij, en zweren bij hen die geen God zijn; als ik ze verzadigd heb, zoo bedrijven zij overspel, en verzamelen zich bij hoopen in het hoerenhuis;

8 als welgevoederde hengsten zijn zij vroeg op , zij hunkeren een iegelijk naar zijns naasten huisvrouw :

9 zoude ik over die dingen geene bezoeking doen, spreekt de Heere, of zoude mijne ziel zich niet wreken aan zuik een volk als dit is?

40 Beklimt hare muren en verderft ze, (doch maakt geene voleinding) , doet hare spitsen weg , want zij zijn des Heeren niet.

11 Want het huis Israels en het huis van Juda hebben gansch trouwelooslijk tegen mij gehandeld, spreekt de Heere;

12 zij verloochenen den Heere. en zeggen; Hij is \'tniet, en ons zal geen kwaad overkomen, wij zullen noch zwaard noch honger zien;

13 ja, die Profeten zullen tot

s ef

lieu-

was des-

wind worden, want het Woord is niet bij hen; \'hun zeiven zal zoo geschieden.

14 Daarom zegt de Heere de God der heirscharen alzóó: Omdat gijlieden dit woord spreekt, zie , ik zal mijne woorden in uwen mond tot vuur maken, en dit volk tot hout, en het zal ze verteren.

15 Zie, ik zal over ulieden een volk van verre brengen, o huis Israëls, spreekt de Heere; het is een sterk volk, het is een zeer oud volk, een volk welks spraak gij niet zult kennen , en niet hoeren wat het spreken zal.

16 Zijn pijlkoker is als een open graf; zij zijn altemaal helden.

17 En het zal uwen oogst en uw brood opeten, dat uwe zonen en uwe dochteren zouden eten; het zal uwe schapen en uwe rundei en opeten, het zal uwen wijnstok en uwen vijgeboom opeten, uwe vaste steden , op dewelke gij vertrouwt, zal het arm maken door het zwaard.

18 Nogtans zal ik ook in die dagen, spreekt de Heere, geene voleinding met ulieden maken.

19 En het zal geschieden wanneer gij zult zeggen; Waarom heeft ons de Heeme onze God alle deze dingen gedaan? dat gij tot hen zeggen zult: Gelijk als gijlieden mij hebt verlaten en vreemde goden in uw land gediend, alzóó zult gij de uitlandsche dienen in een land dat het uwe niet is.

20 Verkondigt dit in het huis Jakobs, en laat het hoeren in Juda, zeggende;

21 Hoort nu dit, gij dwaas en harteloos volk, die oogen hebben maar zien niet, die ooren hebben maar hoeren niet;

22 zult gijlieden mij niet vreezen? spreekt de Heere; zult gij voor mijn aangezicht niet beven? die der zee het zand tot eenen paal gesteld heb, met eene eeuwige inzetting, dat ze daarover niet zal gaan; ofschoon hare golven zich bewegen, zoo zullen ze toch niet vermogen, ofschoon ze bruisen , zoo zullen ze toch daarover niet gaan.


-ocr page 838-

MIA 6.

J E11 E

8-20

23 Maar dit volk heeft een afvallig en wederspannig harte, zij zijn afgevallen en henengegaan,

24 en zij zeggen niet in hun harte: Laat ons nu den 11 berk onzen God vreezen, die den regen geeft, zoo vroegen regen als «paden regen, op zijnen tijd; dia ons de weken, de gezette tijden des oogstes, bewaart.

25 Uwe ongerechtigheden wenden die dingen af, en uwe zonden weren dat goede van ulieden.

26 Want onder mijn volk worden goddeloozen gevonden , een ieder van hen loert gelijk zich de vogelvangers schikken, zij zetten een verderfelijken strik, zij vangen de menschen;

27 gelijk eene kooi vol is van gevogelte, alzóó zijn hunne huizen vol bedrog: daarom zijn zij groot en rijk geworden,

28 zij zijn vet, zij zijn glad, zelfs de daden der boozen gaan zij te boven; de rechtzaken richten zij niet, zelfs de rechtzaak des weezen, nogtans zijn zij voorspoedig: ook oordeelen zij het recht der nooddruftigen niet.

29 Zoude ik over die dingen geenc bezoeking doen? spreektdeHeere; zoude mijne ziele zicli niet wreken aan zulk een volk als dit is?

30 Eene schrikkelijke en afschuwelijke zaak geschiedt er in het land:

31 de Profeten profeteeren val-schelijk, en de Priesters heerschen door hunne handen, en mijn volk heeft het gaarne alzóói maar wat I zult gij ten einde van dien maken ?

HOOFDSTUK 6.

Vlucht met hoopen, gij kinderen Benjamins, uit het midden van Jeruzalem , en blaast de bazuin te Tekóa, en heft een vuurteekenop te Beth-Kérem; want daar kijkt een kwaad uit van het Noorden, en eene groote breuke.

2 Ik heb wel de dochter Sions bij eene schoone en wellustige vrouw vergeleken,

3 maar daar zullen herders tot haar komen met hunne kudden, zij zullen tenten rondom tegen

haar opslaan, zij zullen een iegelijk zijne ruimte afweiden.

4 Heiligt den krijg tegen haar, maakt u op en laat ons optrekken op den middag; o wee ons, want de dag heeft zich gewend, want de avondschaduwen neigen zich.

5 Maakt u op en laat ons optrekken in den nacht, en hare paleizen verderven..

0 Want zóó zegt de Heere der heirscharen : Houwt boomenafen werpt eenen wal op tegen Jeruzalem ; zij is de stad die bezocht zal worden, in het midden van haar is enkel verdrukking.

7 Gelijk een bornput zijn water opgeeft, alzóó geeft zij hare boosheid op; geweld en verstoring wordt in haar gehoord, weedom en plaging is steeds voor mijn aangezicht.

8 Laat u tuchtigen, Jeruzalem; opdat mijne ziele van u niet afgetrokken worde, opdat ik u niet stelle tot eene woestheid, tot een onbewoond land

0 Zóó zegt de Heere der heirscharen: Zij zuilen Israels overblijfsel vlijtiglijk. nalezen gelijk eenen wijnstok: breng uwe hand weder gelijk een wijnlezer aan de korven.

10 Tot wien zal ik spreken en betuigen, dat zij hethooren? Zie, hun oor is onbesneden, dat zij niet kunnen toeluisteren; zie, het Woord des Heeren is hun tot eenen smaad, zij hebben geen lust daartoe.

i 11 Daarom ben ik vol van des Heeren grimmigheid, ik ben moede geworden van inhouden; ik zal ze uitstorten over de kinderkens op de straat, en over de vergadering der jongelingen te zamen; want zelfs de mm met de vrouw zullen gevangen worden, de oude met dien die vol is van dagen,

12 en hunne huizen zullen omgewend worden tot anderen, te zamen met de akkers en vrouwen; want ik zal mijne hand uitstrekken tegen de inwoners dezes lands, spreekt de Heere.

13 Want vc.n hunnen kleinste aan tot hunnen grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid, en

-ocr page 839-

JE REM IA 7.

821

van den Profeet aan tot den Priester too bedrijft een ieder van hen valschheid;

14 en zij genezen de breuk e der dochter mijns volks op het lichtste, zeggende: Vrede, vrede, doch daar is geen vrede.

15 Zijn ze beschaamd omdat ze gruwel bedreven hebben? Ja, zij schamen zich in \'t minste niet, weten ook niet van schaamrood te maken: daarom zullen zij vallen onder de vallenden, ten tijde als ik ze bezoeken zal zullen zij struikelen, zegt de heere.

1Ü Zóó zegt de Heeue : Staat op de wegen en ziet toe, en vraagt naar de oude paden, waar toch de goede weg zij, en wandelt daarin, zoo zult gij ruste vinden voor uwe ziele; maar zij zeggen: Wij zullen daarin, niet wandelen.

17 Ik heb ook wachters over ulieden gesteld, zeggende: Luistert naar het geluid der bazuin; maar zij zeggen: Wij zullen niet luisteren.

18 Daarom hoort gij heidenen . en verneem o gij vergadering, wat onder hen is;

19 hoor toe gij aarde, zie, ik zal een kwaad brengen over dit volk, de vrucht hunner gedachten; want zij merken niet op mijne woorden, eii mijne wet die verwerpen zij.

20 Waartoe zal dan de wierook voor mifuit Scheba komen, en de beste kalmus uit verren lande? Uwe brandofferen zijn mij niet behagelijk. en uwe slachtolTeren zijn mij niet zoet.

21 Daarom zegt de Heere al-zóó : Zie , ik zal dezen volke allerlei aanstoot stellen, en daaraan zullen zich stooten te zamen vaders en kinderen, de nabuur en zijn metgezel, en zullen omkomen.

22 Zóó zegt de Heere: Zie, daar komt een volk uit het land van het Noorden, en eenegrootenatie zal opgewekt worden uit de zijden der aarde.

23 Boog en spies zullen zij voeren, het is een wreed volk, en zij zullen niet barmhartig zijn ; hunne, stem zal bruisen als de zee, en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust als een man ten oorlog tegen u, o dochter Sions.

24 Wij hebben zijn gerucht gelieerd, onze handen zijn slap geworden , benauwdheid heeft ons aangegrepen, weedom als eener barende vrouw.

25 Gaat met uit in het veld, noch wandelt op den weg; want des vijands zwaard is er, schrik van rondom.

26 O dochter mijns volks, gord eenen zak aan en wentel u in de asch; maak u rouw als over een éénigen zoon, een zeer bitter misbaar; want de verstoorder zal ons snellijk overkomen.

27 \'ik heb u onder mijn volk gesteld tot eenen wachttoren , tot eene vesting; opdat gij hunnen weg zoudt weten en proeven.

28 Zij zijn allen de atValligste der afvalligen, wandelende in achterklap ; zij zijn koper en ijzer, zij zijn altemaal verdervers.

29 De blaasbalg is verbrand, het lood is door het vuur verteerd; te vergeefs heeft de smelter zoo vlijtig gesmolten, dewijl de boezen niet afgezonderd zijn.

30 Men noemt ze een verworpen zilver, want de Heere heeft ze verworpen.

HOOFDSTUK 7.

Het woord dat tot Jeremia geschied is van den Heere , zeggende :

2 Sta in de poort van des Hee-rex Huis, en roep aldaar dit woord uit, en zeg: Hoort des Heeren Woord, o gansch Juda, gij die door deze poorten ingaat om den Heere te aanbidden;

3 zóó zegt de Heere der heir-scharen , de Uod Israels: Maakt uwe wegen en uwe handelingen goed, zoo zal ik ulieden doen wonen in deze plaats.

4 Vertrouwt niet op valsche woorden, zeggende: Des Heeren Tempel, des Heeren Tempel, des Heeren Tempel zijn deze.

5 Maar indien gij uwe wegen en uwe handelingen waarlijk zult goed maken, indien gij waarlijk zult recht doen tusschen denman en tusschen zijnen naaste,

G den vreemdeling, weeze en weduwe niet zult verdrukken, en


-ocr page 840-

JEREMIA 7.

822

geen onschuldig bloed in deze plaats vergieten, en andere goden niet zult nawandelen, ulieden ten kwade:

7 zoo zal ik u in deze plaats, in het land dat ik uwen vaderen gegeven heb , doen wonen van eeuw tot eeuw.

8 Zie, gij vertrouwt op valsche woorden die geen nut doen.

ü Zult gij stelen, doodslaan en overspel bedrijven en valschelijk zweren, en Baal rooken, en andere goden nawandelen die gij niet kent,

1U en dan komen en staan voor mijn aangezicht in dit Huis dat naar mijnen naam genoemd is. en zeggen: Wij zijn verlost, om alle deze gruwelen te doen?

11 Is dan dit Huis, dat naar mijnen naam genoemd is, in uwe oogen eene spelonk der moordenaren? Zie, ik heb het ook gezien, spreekt de Heere.

12 Want gaat nu henen naar mijne plaats die te Silo was, alwaar ik mijnen naam in het eerst had doen quot;wonen, en ziet wat ik daaraan gedaan heb vanwege de boosheid mijns volks Israëls.

13 En nu, omdat gijlieden alle deze werken doet, spreekt de Heere , en ik tot u gesproken heb, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij niet gehoord hebt, en ik u geroepen maar gij niet geantwoordt hebt:

14 zoo zal ik aan dit Huis dat naar mijnen naam genoemd is, waarop gij vertrouwt, en aan deze plaats dié ik u en uwen vaderen gegeven heb, doen gelijk ik aan Silo gedaan heb;

15 en ik zal ulieden van mijn aangezicht wegwerpen, gelijk als ik alle uwe broeders, het gansche zaad Efraïms, weggeworpen heb.

16 Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op, en loop mij niet aan; want ik zal u niet hoeren.

17 Ziet gij niet wat zij doen in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem?

18 De kinderen lezen hout op, en de vaders steken het vuur aan, en de vrouwen kneden het deeg, om geheelde koeken te maken voor de Melécheth des hemels, en anderen goden drankofferen te offeren, om mij verdriet aan te doen.

19 Doen zij mij verdriet aan? spreekt de Heere: doen zij het zichzelven niet aan, tot beschaming huns aangezichts?

20 Daarom zegt de Heere Heere alzóó: Zie, mijn toorn en mijne grimmigheid zal uitgestort worden over deze plaats, over de men-schen en over de beesten, en over het geboomte des velds en over de vrucht des aardrijks, en zal branden en niet uitgebluscht worden.

21 Zóó zegt de Heere der heir-scharen, de God Israëls: Doet uwe brand offeren tot uwe slacht-olleren, en eet vleesch.

22 Want ik heb met uwe vaderen , ten dage als ik ze uit Egyp-teland uitvoerde , niet gesproken noch hun geboden van zaken des brandoffers of slachtoffers,

23 maar deze ?aak heb ik hun geboden, zeggende: Hoort naar mijne stemme, zdo zal ik u tot eenen God zijn en gij zult mij tot een volk zijn; en wandelt in al den weg dien ik u gebieden zal, opdat het u wèl ga.

24 Doch zij hebbsn niet gehoord noch hun oor geneigd, maar gewandeld in de raadslagen, in het goeddunken huns boozen harten; en zij zijn achterwaarts gekeerd, en niet voorwaarts.

25 Van dien dag af dat uwe vaders uit Egypteland zijn uitgegaan , tot op dezen dag, zoo heb ik tot u gezonden alle mijne knechten de Profeten, dagelijks vroeg op zijnde en zendende.

26 Doch zij hebben naar mij niet gehoord ncch nun oor geneigd, maar zij hebben hunnen nek verhard, zij hebben het erger gemaakt dan hunne vaders.

27 Ook zult gij alle deze woorden tot hen spreken, maar zij zullen naar u riet hoeren; gij zult wel tot hen roepen, maar zij zullen u niet antwoorden.

28 Daarom zeg tot hen: Dit is


-ocr page 841-

MIA 8.

J E R E

823

het volk dat naar de stem des Heeren zijns Gods niet hoort, en de tucht niet aanneemt; de waarheid is ondergegaan en uitgeroeid van hunnen mond.

29 Scheer uw hoofdhaar af, o Jeruzalem, en werp het weg, en verhef eene weeklage op de liooge plaatsen; want de Heere heeft het geslacht zijner verbolgenheid verworpen en verlaten.

30 Want de kinderen van Juda hebben gedaan dat kwaad is in mijne oogen, spreekt de Heere: zij hebben hunne verfoeiselen gesteld in het Huis dat naar mijnen naam genoemd is, om dat te verontreinigen ;

31 en zij hebben gebouwd de hoogten van Tofeth, dat in het dal des zoons Hinnoms is, om hunne zonen en hunne dochteren met vuur te verbranden: hetwelk ik niet heb geboden noch in mijn harte is opgekomen.

32 Daarom zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat het niet meer zal geheeten worden Tofeth noch dal des zoons Hinnoms, maar Moord-dal; en zij zullen ze in Tofeth begraven,\' omdat er geen plaats zal zijn;

33 en de doode lichamen dezes volks zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze zijn, \'en niemand zal ze afschrikken;

34 en ik zal uit de steden van Juda en uit de straten van Jeruzalem doen ophouden de stem der vroolijkheid eri de slem der vreugde, de stem des bruidegoms en de stem der bruid; want het land zal tot eene verwoesting worden.

HOOFDSTUK 8.

Ter zelfder tijd, spreekt de Heere, zullen zij de beenderen der Koningen van Juda en de beenderen hunner Vorsten en de beenderen der Priesteren en de beenderen der Profeten en de beenderen der inwoneren van Jeruzalem uit hunne graven uithalen,

2 en zij zullen ze uitspreiden voor de zon en voor de maan en ypor het gansche heir des hemels, die zij liefgehad en die zij gediend en die zij nagewandeld én die zij gezocht hebben, en voer dewelke zij zich nedergebogen hebben; zij zullen niet verzameld noch begraven worden , tot mest op den aardbodem zullen ze zijn;

3 en de dood zal voor het leven verkoren worden bij het gansche overblijfsel der overgeblevenen uit dit booze geslacht, in alle de plaatsen der overgeblevenen, waar ik ze henengedreven zal hebben, spreekt de Heere der heirscharen.

4 Zeg wijders tot hen; Zóó zegt de Heere : Zal men vallen en niet weder opstaan? Zal men afkoeren en niet wederkeeren ?

5 Waarom keert dan dit volk te Jeruzalem af met eene altoosdu-rende afkeering? Zij houden vast aan bedrog, zij weigeren weder te keeren.

6 Ik heb geluisterd en toegehoord , zij spreken wat niet recht is, daar is niemand die berouw heeft over zijne boosheid, zeggende: Wat heb ik gedaan? Een ieder keert zich óm in zijnen loop, gelijk een onbesuisd paard inden strijd.

quot;7 Zelfs een ooievaar aan den hemel weet zijne gezette tijden, en eene tortelduif en kraan en zwaluw nemen den tijd harer aankomst waar, maar mijn volk weet het recht des Heeren niet.

8 Hoe zegt gij dan: Wij zijn wijs, en de wet des Heeren is bij ons? Zie, waarlijk tevergeefs werkt de valsche pen der schriftgeleerden ;

9 de wijzen zijn beschaamd, verschrikt en gevangen: zie, zij hebben des Heeren Woord verworpen , wat wijsheid zoudenquot; zij dan hebben?

\'10 Daarom zal ik hunne vrouwen aan anderen geven, hunne akkeren aan andere bezitters; want van den kleinste aan tot den grootste toe pleegt een ieder van hen gierigheid, van den Profeet aan tot den Priester toe bedrijft een ieder van hen valsch-heid;

11 en zij genezen de breuk e der dochter mijns volks op het licht-


-ocr page 842-

JEREMIA 9.

824

ste: zeggende: Vrede, vrede, doch daar is geen vrede.

12 Zijn zij beschaa.ud omdat zij gruwel bedreven hebben? Ja, zij schamen zich in \'t minste niet, en welen niet schaamrood Ie worden: daarom zullen zij vallen onder de vallenden, ten tijde hunner bezoeking zullen zij struikelen, zegt de Heere.

\'13 Ik zal ze voorzeker wegrapen, spreekt de Heere, daar zijn geen druiven aan den wijnstok en geen vijgen aan den vijgeboom, ja het blad is afgevallen; en de f/d\'odcn die ik hun gegeven heb, die overtreden zij.

14 Waarom blijven wij zitten? Verzamelt u, en laat ons ingaan in de vaste steden, en aldaar stilzwijgen: immers heelt ons de Heere onze God doen stilzwijgen en ons met galle-water gedrenkt, omdat wij legen den Heere gezondigd hebben.

15 Men wacht naar vrede maar daar is niets goeds, naar tijd van genezing maar zie daar is verschrikking.

16 Van Dan af wordt het gesnuif zijner paarden gehoord, het gansche land beeft van het geluid der brieschingen zijner sterken; en zij komen daarhenen, dat zij het land opeten en diens volheid, de fctad en die daarin wonen.

17 Want zie, ik zend slangen, basilisken onder ulieden, tegen dewelke geene bezwering is; die zullen u bijten, spreekt de Heere.

18 Mijne verkwikking is in droefenis, mijn hart is flauw in mij.

19 Zie, de stem van het geschrei der dochter mijns volks is uit zeer verren lande: Is dan de Heere niet te Sion. is haar Koning niet bij haar? Waarom hebben zij mij vertoornd met hunne gesnêdenê beelden, met ijdelheden der vreemden?

20 De oogst is voorbijgegaan, de zomer is ten einde : nog zijn wij niet verlost.

21 Ik hen gebroken vanwege de breuke der dochter mijns volks , ik ga in het zwart, ontzetting heeft mij aangegrepen.

23 Is er geen balsem in Gilead, is er geen heelmeester aldaar? Want waarom is de gezondheid der dochter mijns volks niet genezen ?

HOOFDSTUK 9.

Och, dat mijn hoofd water ware, en mijn oog êene springader van tranen: zoo zoude ik dag en nacht beweenen de verslagenen der dochter mijns volks.

2 Och, dat ik in de woestijn eene herberg der wandelaars hadde: zoo zoude ik mijn volk verlaten en vim hen trekken; want zij zijn allen overspelers, een trouwelooze hoop;

3 en zij spannen hunne tong als hunnen boog V leugen, zij worden geweldig in het land , doch niet tot waarheid; want zii gaan voort van boosheid tot boosheid, maar mij kennen zij niet, spreekt de Heere.

4 Wacht u een iegelijk van zijnen vriend. en vertrouwt niet op eenigen broeder; want elke broeder doet niet d»n bedriegen , en elke vriend wandelt in achterklap;

5 en zij handelen bedriegelijk een ieder met zijnen vriend , èn spreken de waarheid niet; zijleeren hunne tong lengen spreken , zij maken zich moede met verkeerdelijk te handelen.

(5 Uwe woning is in het midden van bedrog; doorfcedrogweigeren zij mij te kennen, spreekt de Heere.

7 Daarom zegt de Heere der heirscharen alzóó: Zie, ik zal ze smelten en zal ze beproeven; want hoe zoude ik anders doen ten aanzien der dochter mijns volks?

8 Hunne long is een moordpijl, zij spreekt bedrog; een ieder spreekt met zijnen naaste van vrede met zijnen mond. maar in zijn binnenste legt hij zijne lagen:

9 zoude ik ze om deze dingen niet bezoeken? spreekt de Heere: zoude mijne ziele zich niet wreken aan zulk een volk als dit is?

10 Ik zal een geween en eene weeklage opheffen over de bergen, en t\'en klaaglied over de lierders-hutten der woestijn; want zij zijn afgebrand dat er niemand doorgaat, en men hoort er geene stem


-ocr page 843-

JEREMlA 10.

825

van vee; van de vogelen des hemels aan tot de beesten toe zijn ze weggezworven, doorgegaan.

11 En ik zal Jeruzalem stellen tot stecmhoopen, tot eene woning der draken; en de steden van Ju-da zal ik stellen tot eene yerwoes-i5tVO Wider in\\vrgt;now

12 W ie is de wijze man die dit versta, en tot wien heelt de mond des Hekken gesproken dat hij het verkondige, waarom het land vergaan en afgebrand is als eene woestijn, dat er niemand doorgaat?

13 En do Heere zeide: Omdat zij mijne wet, die ik voor hun aangezicht gegeven Itad, verlaten hebben, en naar mijne stem niet gehoord noch daarnaar gewandeld hebben,

14 maar hebben gewandeld naar het goeddunken huns harten en naar de Baals, hetwelk hunne vaders hun geleerd hadden :

daarom zegt de Heere der heirscharen, de God Israels, alzuó: Zie, ik zal dit volk spijzen met alsem, en ik zal ze drenken met ga lie-wat er ;

16 en ik zal ze verstrooien onder de heidenen die zij niet gekend hebben, zij noch hunne vaders; en ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat ik ze verteerd zal hebben.

17 Zóó zegt do Heere der heirscharen : Merkt daar op en roept klaagvrouwen, dat ze komen; en zendt henen naar de wijze vrou-ivtiii, dat ze komen,

18 en haasten, en eene weeklage over ons aanheffen; dat onze oogen van tranen nederdalen, en onze oogleden van water vlieten;

19 want daar is eene stemme van weeklage gehoord uit Sion; Hoe zijn wij verstoord; wij zijn zeer beschaamd, omdat wij liet land hebben verlaten, omdat ze onze woningen hebben omgeworpen.

20 Hoort dan des Herren Woord gij vrouwen, en uw oor ontvange hét Woord zijns monds; en leert uwe doch teren weeklachten en elk eene hare metgezellin klaagliederen ;

21 want de dood iö geklommen in. onze vensteren, hij is in onze paleizen gekomen, om de kinderkous uit te roeien van de wijken, do jongelingen van de straten.

22 Spreek: Zóó spreekt de Heere: Ja, een dood lichaam des menschen «-\'I liggen als mest op het open veld, en aio oene garve achter den maaier, die niemand opzamelt.

23 Zóó zegt de Heere: Een wijze beroeme zich niet in zijne wijsheid, er. de sterke beroeme zich niet in zijne sterkheid; een rijke beroeme zich niet in zijnen rijkdom:

24 maar die zich beroemt, beroeme zich hierin, dat hij verstaat, en mij kent, dat ik de Heere ben, doende weldadigheid, recht en gerechtigheid op de aarde; want in die lt;iitigen heb ik lust, spreekt de Heere.

25 Zie, de dagen komen, spreekt de. Heere , dat ik bezoeking zal doen over allen besnedene, met degenen die de voorhuid hebben:

20 over Egypte, en over Juda, en over Edom, en over de kinderen Amnions, en over Moab, en over allen die aan de hoeken afgekort zijn, die in de woestijn wonen; want alle de heidenen hebben de voorhuid, maar het gansche huis Israels heeft de voorhuid des harten.

HOOFDSTUK 10.

Hoort het Woord dat de HEERE tot ulieden spreekt, o huis Israels;

2 zóó zegt de Heere: Leert den weg der heidenen niet, en ontzet ii niet voor de teekenen des hemels, dewijl zich de heidenen voor dezelve ontzetten.

3 Want de inzettingen der volkeren zijn ijdelheid; want het is hout dat men uit het woud gehouwen heeft, een werk van des werkmeesters handen, met de bijl.

4 Men pronkt het op met zilver en met goud; zij hechten ze met nagelen en met. hameren, opdat het niet waggele;

5 zij zijn gelijk een palmboom van dichtwerk, maar kunnen niet spreken; zij moeten gedragen wor-


-ocr page 844-

JEREMIA 11.

826

den, want zij kunnen niet gaan; vreest niet voor hen, want zij kunnen geen kwaaddoen, ook zoo is er geen goeddoen bij hen.

0 Omdat niemand u gelijk is o Heere, zoo zijt gij groot, en groot is uw naam in mogendheid.

7 Wie zoude u niet vreezen, gii Koning der heidenen? want net komt u toe; onidai toch onder alle wijzen der heidenen en in hun gansche koninkrijk niemand u gelijk is.

8 In één ding zijn zij toch onvernuftig en dwaas: oen hout is een onderwijs der ijdelheden.

9 Uitgerekt zilver wordt van Tar-sis gebracht, en goud van Ufaz, lot een werk des werkmeesters en der handen des goudsmids; hemelsblauw en purper is hunne kleeding, een werk der wijzen zijn zij al te zamen.

10 Maar de Heere God is de waarheid, hij is de levende God en een eeuwig Koning; van zijne verbolgenheid beeft de aarde, en de heidenen kunnen zijne gramschap niet verdragen.

11 (Aldus zult gijlieden tot hen zeggen: De goden die den hemel en de aarde niet gemaakt hebben, zullen vergaan van de aarde en van onder dezen hemel.)

12 Die de aarde gemaakt heeft door zijne kracht, die de wereld bereid heeft door zijne wijsheid, en den hemel uitgebreid door zijn verstand.

13 Als hij zijne stemme geeft, zoo is er een gedruisch van wateren in den hemel, en hij doet de dampen opklimmen van het einde der aarde; hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit zijne schatkameren.

14 Een ieder mensch is onvernuftig geworden, zoodat hij geen wetenschap heeft, iedere goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld ; want zijn gegoten beeld is leugen, en daar is geen geest in hen:

15 ijdelheid zijn ze, een werk van verleidingen, ten tijde hunner bezoeking zullen ze vergaan.

lö Jakobs deel is niet gelijk die,

want hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede zijner d erfenis: Heere der heirscharen is zijn naam. h

17 Raap uwe kramerij weg uit t het land, gij inwoneres dér vesting; \\

18 want zóó zegt de Heere : Zip, ik zal de inwoners des lands ditmaal wegslingeren, *ai ^ benauwen, opdat zij het vinden.

19 O wee mij over mijne breuke! mijne plage is smartelijk; en ik had gezegd: Dit is immers eene krankheid die ik wel dragen zal.

20 Mijne tent is verstoord, en alle mijne zelen zijn verscheurd; mijne kinderen zijn van mij uitgegaan en zij zijn er niet; daar is niemand meer die mijne tent uitspant en mijne gordijnen opricht;

21 want de herders zijn onvernuftig geworden en hebben den Heere niet gezocht, daarom hebben zij niet verstandiglijk gehandeld en hunne gansche weide is verstrooid.

22 Zie, daar komt eene stem des geruchts en een groot beven uit het land van het Noorden: dat men de steden van Juda zal stellen tot eene verwoesting, eene woning der draken.

23 Ik weet o Heere, dat bij den mensch zijn weg niet is; het is niet bij eenen man die wandelt, dat hij zijnen gang richte.

24 Kastijd mij Heere, doch met mate; niet in uwen toorn, opdat gij mij niet te niete maakt.

25 Stort uwe grimmigheid uit over de heidenen die u niet kennen, en over de geslachten die uwen naam niet aanroepen; want zij hebben Jakob opgegeten, ja, zij hebben hem opgageten en hem verteerd, en zijne woning verwoest.

HOOFDSTUK 11.

Het woord daL tot Jeremia geschied is van den Heere, zeggende :

2 Hoort gijlieden de woorden dezes verbonds, en spreekt lot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem;

3 zeg dan tot hen: Zóó zegt de Heere de God Israels: Vervloekt


-ocr page 845-

JE REM IA 11.

827

zij de man die niet hoort de woorden dezes verbonds,

4 dat ik uwen vaderen geboden heb, ten dage als ik ze uit Egyp-teland, uit den ijzeroven, uil-voerde, zeggende: Zijt mijner stemme gehoorzaam , en doet dezelve, naar alles dat ik ulieden gebiede; zoo zult gij mij tot een volk zijn en ik zal u tot eenen God zijn;

5 opdat ik den eed bevestige dien ik uwen vaderen gezworen heb, hun te geven een land vloeiende van melk en honig, als het is te dezen dage. Toen antwoordde ik en zeide: Amen, o Heere.

G En de Heere zeide tot mij: Roep alle deze woorden uit in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem, zeggende; Hoort de woorden dezes verbonds, en doet dezelve.

7 Want ik heb uwe vaderen ernstiglijk betuigd, ten dage als ik ze uit Egypteland opvoerde, tot op dezen dag, vroeg op zijnde en betuigende, zeggende: Hoort naar mijne stem.

8 Maar zij hebben niet gehoord noch hun oor geneigd, maar hebben gewandeld een iegelijk naar het goeddunken van hunlieder boos harte: daarom heb ik over hen gebracht alle de woorden dezes verbonds, dat ik geboden heb te doen maar zij niet gedaan hebben.

9 Voorts zeide de HEERE tot mij: Daar is eene verbintenis bevonden onder de mannen van Juda en onder de inwoners van Jeruzalem :

10 zij zijn wedergekeerd tot de ongerechtigheden hunner voorvaderen, die mijne woorden geweigerd hebben te hooren, en zij hebben andere goden nagewandeld om die te dienen: het huis Is-raëls en het huis van Juda hebben mijn verbond gebroken, dat ik met hunne vaderen gemaakt heb.

11 Daarom zegt de Heere al-zóó: Zie, ik zal een kwaad over hen brengen, uit hetwelk zij niet zullen kunnen uitkomen; als zij dan tot mij zullen roepen, zal ik naar hen niet hooren.

12 Dan zullen de steden van Jt.da en de inwoners van Jeruzalem henen gaan en roepen tot de goden dien zij gerookt hebben: maar zij zullen hen gansch niet kunnen verlossen ten tijde huns kwaads.

13 Want naar het getal uwer steden zijn uwe goden geweest, o Juda, en naar het getal der straten van Jeruzalem hebt gijlieden altaren gesteld voor die schaamte, altaren om den Baal te rooken.

14 Gij dan, bid niet voor dit volk, en hef geen geschrei noch gebed voor hen op; want ik zal niet hooren ten tijde als zij over hun kwaad tot mij zullen roepen.

15 Wat heeft mijne beminde in mijn huis tc doen, dewijl zij die schandelijke daad met vélen doet, en het heilige vleesch van u geweken is? Wanneer gij kwaad doet, dan springt gij op van vreugde.

16 De Heere had uwen naam genoemd eenen groenen olijfboom, schoon van liefelijke vruchten; maar nu heeft hij met een geluid van een groot geroep een vuur om denzelven aangestoken, en zijne takken zullen verbroken worden;

17 want de Heere der heir-scharen, die u heeft geplant, heeft een kwaad over u uitgesproken om der boosheid wille des huizes Israels en des huizes van Juda, die zij onder zich bedrijven om mij te vertoornen, rookende den Baal.

18 De Heere nu heeft het mij te kennen gegeven, dat ik het wete: toen hebt gij mij hunne handelingen doen zien.

19 En ik was als een lam, als een os die geleid wordt om te slachten: want ik wist niet dat zij. gedachten tegen mij dachten, zeggende: Laat ons den boom met zijne vrucht verderven, en laat ons hem uit het land der levenden uitroeien, dat zijn naam niet meer gedacht worde.

20 Maar, o Heere der heir-scharen, gij rechtvaardige Rechter, die de nieren en het hart proeft, laat mij uwe wrake van


-ocr page 846-

JE R EMI A 42.

828

hen zien, want aan u heb ik mijne twistzaak ontdekt.

21 Daarom zóu zegt de Heere van de mannen van Anathoth, die uwe ziele zoeken, zeggende: Profeteer niet in den naam des Heerex, opdat gij van onze handen niet sterft;

22 daarom zóó zegt de Heere der heirscharen: Zie, ik zal bezoeking over hen doen: de jongelingen zullen door het zwaard sterven, hunne zonen en hunne dochteren zullen van honger sterven ;

23 en zij zullen geen overblijfsel hebben; want ik zal een kwaad brengen over de mannen van Anatliolh, in het jaar hunner bezoeking.

HOOFDSTUK 12.

Gij zoudt rechtvaardig zijn, o Heere, wanneer ik tegen u zoude twisten; ik zal nogtans vein uwe oordeelen met u spreken: waarom is der goddeloozen weg voorspoedig, waarom hebben ze rust, allen die trouwelooslijk trouweloosheid bedrijven?

2 Gij hebt ze geplant, zij zijn ook ingeworteld, zij gaan voort, ook dragen zij vrucht; gij zijt wel nabij in hunnen mond, maar verre van hunne nieren.

3 Maar gij, o Heere, kent mij, gij ziet mij, en proeft mijn harte, dat het met u is. Buk ze uit als schapen ter slachting, en heilig ze tot den dag der dooding.

4 Hoe lang zal het land treuren en het kruid des ganschen velds verdorren ? Vanwege de boosheid dergenen die daarin wonen vergaan de beesten en liet gevogelte; dewijl zij zeggen: Hij ziet ons einde niet.

5 Als gij loopt met de voetgangers , zoo maken zij u moede: hoe zult gij u dan mengen met de paarden\'? Zoo gij alleenlijk vertrouwt in een land van vrede, hoe zult gij het dan maken in de verheffing Van den Jordaan?

6 Want ook uwe broeders en uws vaders huis. ook die handelen trouwelooslijk tegen u. ook die roepen u met volle .s7m achterna;

geloof ze niet, wanneer zij vriendelijk tot u spreken.

7 ik heb mijn huis verlaten, ik heb mijne erfenis laten varen; ik heb de beminde mijner ziele inde hand harer vijanden gegeven.

8 Mijne erfenis is mij geworden als een leeuw in het woud; zij heeft hare stem tegen mij verheven, daarom heb ik ze gehaat.

9 Mijne erfenis is mij een gesprenkelde vogel: de vogelen zijn rondom tegen haar: komt aan, verzamelt u, al gij gedierte des velds , komt om te eten.

10 Vele herders hebben mijnen wijngaard verdorven . zij hébben mijnen akker vertreden . zij hebben mijnen gewenschlen akker gesteld tot eene woeste wildernis;

11 men heeft hem gesteld tot eene woestheid , verwoest zijnde treurt hij tot mij; het gansche land is verwoest, omdat er niemand is die het ter harte neemt.

12 Op alle hooge plaatsen inde woestijn zijn verstoorders gekomen ; want het zwaard des IIkeren verteert vin het éérié einde des lands tot aan het andere einde des lands, daar is geen vrede voor eenig vleesch.

13 Zij hebben tarwe gezaaid, maar doornen gemaaid: zij hebben zich gepijnigd, maar zijn niet gevorderd : wordt alzoo beschaamd vanwege ulieder inkomsten, vanwege de hittigheid des toorns des Heerex.

14 Alzóó zegt de Heere : Aangaande alle mijne booze naburen, die mijne erfenis aanroeren, welke ik mijnen vo\'ke Israël erfelijk ge-

| geven heb: zie, ik zal ze uit hun 1 land . uitrukken . maar het huis Juda zal ik uit hunlieder midden j uitrukken;

] 15 en het zal geschieden nadat j ik ze zal uitgerukt hebben, zoo j zal ik wederkecren en mij hunner \'ontfermen, en ik zal zé weder-brengen een iegelijk tot zijne erfenis en een iegelijk tot zijn land. j 16 En het zal geschieden indien : zij de wegen nijns volks vlij tiglijk zullen leeren, zwerende bij mijnen , naam: Zoo waarachtig als de i Heere leeft. gelijk als zij mijn


-ocr page 847-

JE RE MI A 13.

829

volk geleerd hebben te zweren bij Baal: zoo zullen zij in het midden mijns volks gebouwd worden.

17 Maar indien zij niet zullen hooren, zoo zal ik die natie ten eenenmale uitrukken en verdoen, spreekt do Heere.

HOOFDSTUK 13.

Alzóó heeft de Heere tot mij gozegd: Ga henen en koop u eenen linnen gordel, en doe dien aan uwe lendenen; maar breng hem niet in het water.

2 En ik kocht oenen gordel naar liet woord des Heeren , en ik deed dien aan mijne lendenen.

3 Toen geschiedde des Heeren Woord ten tweeden male tot mij, zeggende:

4 Neem den gordel dien gij gekocht hebt, die aan uwe lendenen is, en maak u op en ga henen naar den Frath, en versteek dien aldaar in de kloof eener steenrots.

5 Zoo ging ik henen en verstak dien bij den Frath, gelijk als de Heere mij geboden had.

G Het geschiedde nu ten einde van vele dagen, dat de Heere tot mij zeide: Maak u op, ga henen naar den Frath, en neem den gordel van daar, dien ik u geboden heb aldaar tc versteken.

7 Zoo ging ik naar den Frath, en groef, en nam den gordel van de plaats alwaar ik dien verstoken had; en zie. de gordel was verdorven en deugde nergens toe.

8 Toen geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende:

9 Zóó zegt de Heere: Alzóó zal ik verderven de hoovaardij van Juda en de groote hoovaardij van Jeruzalem.

10 Dit booze volk, dat mijne woorden weigert te hooren, dat in het goeddunken zijns harten wandelt, en andere goden navolgt, om die te dienen en voor die zich neder te buigen, dat zal worden gelijk deze gordel die nergens toe deugt:

11 want gelijk als een gordel kleeft aan de lendenen eens mans, alzóó heb ik het gansche huis Israels en hot gansche huis van Juda aan mij doen kleven, spreekt de Heere, om mij te zijn tot een volk en tot eenen naam en tot lof en tot heerlijkheid; maar zij hebben niet gehoord.

\'12 Daarom zeg dit woord tot hen: Zóó zegt de Heere de God Israëls: Alle fïesschen zullen met wijn gevuld worden. Dan zullen zij tot u zeggen: Weten wij niet zeer wel, dat alle llesschen met wijn gevuld zullen worden?

13 Maar gij zult tot hen zeggen: Zóó zegt de Heere: Zie, ik znl alle inwoners dezes lands, zelfs de Koningen die David op zijnen troon zitten, en de Priesters en de Profeten, en alle inwoners van Jeruzalem, opvullen met dronkenschap ;

14 en ik zal ze in stukken slaan, den één tegen den ander, zoo de vaders als de kinderen tezamen, spreekt de Heere; ik zal niet verschoonen noch sparen noch mij ontfermen, dat ik ze niet zoude verderven.

15 Hoort en neemt ter oore, verheft u niet; want de Heere heeft het gesproken.

1G Geeft eere den Heere uwen God, eer dat hij het duister maakt, en eer uwe voeten zich stooten aan de schemerende bergen, dat gij naar licht wacht, en hij dat tot eene schaduw des doods stelt en tot eene donkerheid zet.

17 Zult gijlieden dan nog dat niet hooren, zoo zal mijne ziele in verborgen plaatsen weenen vanwege den hoogmoed, en mijn oog zal bitterlijk tranen, ja, van tranen nederdalen, omdat des Heeren kudde gevankelijk is weggevoerd.

18 Zeg tot den Koning en tot de Koningin: Vernedert ü, zet u neder; want uw gansche hoofdsieraad, de kroon uwer heerlijkheid , is nedergedaald.

19 De steden van het Zuiden zijn toegesloten, en daar is niemand die ze opent; het gansche Juda is weggevoerd, het is geheel en al weggevoerd.

20 Flef uwe oogen op en zie die daar van het Noorden komen: waar is de kudde die u gegeven was, de schapen uwer heerlijkheid?


-ocr page 848-

JEREMIA 14.

830

21 Wat zult gij zeggen wanneer hij bezoeking over u doen zal, daar gij hen geleerd hebt tut Vorsten, tot een Hoofd over u te zijn: zullen u de smarten niet aangrijpen als eene barende vrouw?

22 Wanneer gij dan in uw harte zult zeggen: Waarom zijn mij deze dingen bejegend? — om dë veelheid uwer ongerechtigheid zijn uwe zoomen ontdekt, en uwe hielen hebben geweld geleden.

23 Zal ook een Moorman zijne huid veranderen, of een luipaard zijne vlekken? Zoo zult gijlieden ook kunnen goed doen, die geleerd zijt kwaad te doen.

24 Daarom zal ik zo verstrooien als een stoppel die doorgaat door eenen wind der woestijn.

25 Dit zal uw lot, het deel uwer maten zijn, van mij, spreekt de Heere ; gij die mij hebt vergeten en op leugen vertrouwt:

2ü zoo zal ik ook uwe zoomen ontblooten boven uw aangezicht, en uwe schande zal gezien worden.

27 Uwe overspelen en uwe hunkeringen, de schandelijkheid uvvs hoerdoms, op heuvelen, in het veld; ik heb uwe verfoeiselen gezien: wee u Jeruzalem, zult gij niet rein worden? Hoelang nog na dezen?

HOOFDSTUK 14.

Het woord des Heeren dat tot Jeremia geschied is over de zake der groote droogte.

2 Juda treurt en hare poorten zijn verzwakt; zij zijn in het zwart gekleed ter aarde toe, en Jeruza-lems geschrei klimt op.

3 En hunne voortreffelijken zenden hunne kleinen naar water, zij komen tot de grachten: zij vinden geen water, zij komen met hunne vaten ledig weder; zij zijn beschaamd, ja worden schaamrood en bedekken hun hoofd,

4 omdat het aardrijk gescheurd is, dewijl daar geen regen op de aarde is; de akkerlieden zijn beschaamd, zij bedekken hun hoofd.

5 Want ook de hinden in het veld werpen jongen , en verlaten die omdat er geen jong gras is;

6 en de woudezels staan op de hooge plaatsen, zij scheppen den wind gelijk de draken, hunne oogen versmachten omdat er geen kruid is.

7 Hoewel onze ongerechtigheden tegen ons getuigen, o HEERE, doe het om uws naams wille; want onze afkeeringen zijn menigvuldig, wij hebben tegen u gezondigd.

8 O Israels verwachting, zijn Verlosser in tijd van benauwheid, waarom zoudt gij zijn als een vreemdeling in het land, en als een reiziger die slechts inkeert om te vernachten?

9 Waarom zoudt gij zijn ais een versaagd man, als een held die niet kan verlossen? Gij zijt toch in het midden van ons, o Heere, en wij zijn naar uwen naam genoemd : verlaat ons niet.

10 Alzóó zegt de Heere van dit volk : Zij hebben zoo liefgehad te zwerven, zij hebben hunne voeten niet bedwongen; daarom heeft de Heere geen welgevallen aan hen, nu zal hij hunne ongerechtigheid gedenken en hunne zonden bezoeken.

11 Wijders zeide de Heere tot mij: Bid niet voor di. volk ten goede;

12 ofschoon zij vasten, ik zal naar hun geschrei niet hooren, en ofschoon zij brandoffer en spijs-oifer o Heren , ik zal aan hen geen welgevallen hebben, maar door het zwaard en door den honger en door de pestilentie zal ik ze verteren.

13 Toen zeide ik: Ach Heere Heere, zie, die Profeten zeggen hun: Gij zult geen zwaard zien en gij zult geenen honger hebben, maar ik zal u een gewlssen vrede geven in deze plaats.

14 En de Heere zeide tot mij: De Profeten profeteeren valsch in mijnen naam , ik heb ze niet gezonden noch hun be^el gegeven noch tot hen gesproken: zij profeteeren ulieden een valsch gezicht, en waarzegging, en nietigheid, en huns harten bedriegerii.

15 Daarom zegt de Heere alzóó: Aangaande de Profeten die in mijnen naam profeteeren, daar ik ze


-ocr page 849-

J ERE MI A 15.

831

niet gezonden heb, en die eyenweZ zeggen: Daar zal geen zwaard noch honger in dit land zijn: — die Profeten zullen door het zwaard en door den honger verteerd worden.

16 En bet volk tot hetwelk zij profeteeren , zal op de straten van Jeruzalem weggeworpen zijn vanwege den honger en het zwaard , en daar zal niemand zijn die ze begrave, hen, hunne vrouwen en hunne zonen en hunne dochteren: alzoo zal ik hunne boosheid over hen uitstorten.

17 Daarom zult gij dit woord tot hen zeggen: Mijne oogen zullen van tranen nederdalen nacht en dag, en niet ophouden; want de jonkvrouw der dochter mijns volks is gebroken mei eenegrootebreuke, cene plage die zeer smartelijk is.

18 Zoo ik uitga in het veld, zie daar de verslagenen van het zwaard; en zoo ik in de stad kome, zie daar de kranken van honger, .la, zoowel de Profeten als de Priesters loopen om in het land en weten niets.

19 Hebt gij dan Juda gansche-lijk verworpen, heeft uwe ziel eene walging van Sion? Waarom hebt gij ons geslagen dat er geen genezing voor ons is? Men wacht naar vrede, maar daar is niets goeds, en naar tijd van genezing, maar zie er is verschrikking.

20 Hekïie , wij kennen onze goddeloosheid en onzer vaderen ongerechtigheid , want wij hebben tegen u gezondigd.

21 Versmaad ons niet, om uws naams wille; werp den troon uwer heerlijkheid niet neder; gedenk, vernietig niet uw verbond met ons.

22 Zijn er onder de ijdelheden der heidenen die doen regenen, of kan de hemel druppelen geven? Zijt gij die niet, o Heehe onze God? Daarom zullen wij op u wachten, want gij doet alle die dingen.

HOOFDSTUK 15.

Maar de Heere zeide tot mij : Al stond Mozes en Samuël voor mijn aangezicht, zoo zoude tuch rnijne ziele tot dit volk niet ivézen : drijf ze weg van mijn aangezicht, en laat. ze uitgaan.

2 En het zal geschieden wanneer zij tot u zullen zeggen: Waarhenen zullen wij. uitgaan? dat gij tot hen zult zeggen: Zóó zegt de Heere: Wie ter dood, ter dood ; en wie ten zwaarde, ten zwaarde; en wie ten honger, ten honger; en wie ter gevangenis, ter gevangenis.

3 Want ik zal bezoeking over hen doen met vier geslachten, spreekt de Heere: met het zwaard om te dooden, en met de honden om te slepen, en met het gevogelte des hemels en met het gedierte der aarde om op te eten en te verderven;

4 en ik zal ze overgeven tot eene beroering aan alle koninkrijken der aarde, vanwege Ma-nasse, zoon van Jehizkia, Koning van Juda, om hetgeen hij te Jeruzalem gedaan heeft.

5 Want wie zoude u verschoo-nen o Jeruzalem, of wie zoude medelijden met u hebben, of wie zoude aftreden om u naar vrede te vragen?

O Gij hebt mij verlaten, spreekt dc Heere, gij zijt achterwaarts gegaan: daarom zal ik mijne hand tegen u uitstrekken en u verderven ; ik ben des berouwens moede geworden.

7 En ik zal ze wannen met eene wan in de poorten des lands: ik heb mijn volk van kinderen beroofd ox verdaan; zij zijn van hunne wegen niet wedergekeerd.

8 Hunne weduwen zijn mij meerder geworden dan zand dei-zeeën; ik heb hun over de moeder doen komen eenen jongeling, eenen verwoester op den middag; ik heb hem haastelijk haar doen overvallen, de stad met verschrikkingen.

9 Zij die zeven baarde is zwak geworden, zij heeft hare ziele uitgeblazen, hare zon is ondergegaan als het nog dag was, zij is beschaamd en schaamrood geworden; en liunlieder overblijfsel zal ik ten zwaarde overgeven voor het aangezicht hunner vijanden, spreekt de Heere.

10 Wee mij, mijne moeder, dat


-ocr page 850-

JEREM1A 16.

832

gij mij gebaard hebt, eenen man van twist en eenen man van krakeel den ganschen lande! Ik heb hun niet op woeker gegeven, ook hebben zij mij niet op woeker gegeven, nogtans vloekt mij ieder van hen.

11 De Mee re zeide: Zoo niet uw overblijfsel ten goede zal zijn! Zoo ik niet, in tijd des kwaads en in tijd der benauwdheid, bij den vijand voor u tusschenkome!

\'12 Zal ook ecnig ijzer het ijzer van het Noorden of koper verbreken?

13 Ik zal uw vermogen en uwe schatten tot eenen roof geven, zonder prijs; en dat om alle uwe zonden, en in alle uwe landpalen.

14 En ik zal u overvoeren met uwe vijanden, in een land dat gij niet kent; want een vuur is aangestoken in mijnen toorn, het zal over ii branden.

15 O Heere, gij weet het, gedenk mijner en bezoek mij, en wreek mij van mijne vervolgers; neem mi) niet weg in uwe lankmoedigheid over hen; weet dat ik om uwentwil versmaadheid draag.

16 Als uwe woorden gevonden zijn, zoo heb ik ze opgegeten, en uw Woord is mij geweest tot vreugde en tot biijdschap mijns harten; want ik ben naar uwen naam genoemd, o Heere God der heirscharen.

17 Ik heb in den raad der bespotters niet gezeten, noch ben van vreugde opgesprongen : vanwege uwe hand heb ik alléén gezéten, want gij hebt mij met gramschap vervuld.

18 Waarom is mijne pijn steeds durende, en mijne plage smarte-lij k ? Zij weigert geheeld te worden; zoudt gij mij ganschelijk zijn als een leugenachtige, als wateren die niet bestendig zijn?

19 Daarom zegt de Heere alz/»ó; Zoo gij zult wederkeoren, zoo zal ik u doen wederkeeren; gij zult voor mijn aangezicht staan; en zoo gij het kostelijke van het snoode uittrekt, zult gij als mijn mond zijn: laat hen tot u wederkeeren , maar gij zult tot hen niet wederkeeren.

20 Want ik heb u tegen dit hc volk gesteld tot eenen koperen k vasten muur; zij zullen wel legen ic u strijden, maar u niet overmo- ck gen; want ik ben met u, om u d( te behouden en om u uit te ruk- ;t ken, spreekt de Heere; cllt;

21 ja, ik zal u rukken uit de hand der boozen , en ik zal u ver- cl\' lossen uit de handpalm der tyran- zi nen. g\'

HOOFDSTUK 16. ^

En des Heeren Woord ge- i-schiedde tot mij , zeggende: fl

2 Gij zult u geene vrouw nemen, li en gij zult geen zonen noch doch-teren hebben in deze plaats; C

3 want zóó zegt de Heere van jli de zonen en van de dochteren die 1: in deze plaats geboren worden, d daartoe van hunne moeders die i c zc baren en van hunne vaders ; t die ze gewinnen in dit land: 1

4 zij zullen pijnlijke dooden sterven, zij zullen niet beklaagd 1 noch begraven worden, zij zullen tot mest op den aardbodem zijn, en zij zullen door 1 et zwaard en door den honger verteerd worden, en hunne doode lichamen zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze zijn.

5 Want zóó zegt de Heere: Ga niet in het huis desgenen die eenen rouwmaaltijd houdt, en ga niet henen om te ronwklagen, en heb geen medelijden met hen; want ik heb van dit volk (spreekt de Heere) weggenomen mijnen vrede, goedertierenheid en barmhartigheden ;

6 zoodat grooten en kleinen in dit land zullen sterven, zij zullen niet Gegraven worden; en men zal ze niet beklagen, noch zich-zelven insnijden noen kaal maken om hunnentwil.

7 Ook zal men hun niets uitdeden over den rouw, om iemand te troosten over eenen doode, noch hun te drinken geven uit den troostbeker over iemands vader of over iemands moeder.

8 Ga ook niet in een huis des maaltijds, om bij hen te zitten, om te eten en te drinken.

9 Want zóó zegt de Heere der


-ocr page 851-

J E R E MIA 17.

833

leirscharen, dc God Israëls: Zie, ,k zal van deze plaats, voor ulie-ier oogen en in ulieder dagen, doen ophouden de stem der vreugde en de stem der blijdschap, de stem des bruidegoms en de stem ier bruid.

10 En liet zal geschieden a!s gij dezen volke alle deze woorden zult aanzeggen, en zij lot u zeggen: Waarom spreekt de Heerl: al dit groote kwaad over ons, en welke is onze misdaad en welke s onze zonde die wij tegen den tleere onzen God gezondigd hebben ?

11 dat gij tot hen zult zeggen: Omdat uwe vaders mij verlaten hebben, spreekt de Heere, en hebben andere goden nagewan-deld, en die gediend en zich voor diejnedergebogen, maar mij verlaten en mijne wet niet gehouden hebben;

12 en gijlieden erger gedaan hebt dan uwe vaderen; want zie, gijlieden wandelt een iegelijk naar zijns boozen harten goeddunken, om naar mij niet te hooren:

13 daarom zal ik ulieden uit dit land werpen in een land dat gij niet gekend hebt, gij noch uwe vaders; en aldaar zult gij andere goden dienen, dag en nacht, omdat ik u geenc genade zal geven.

14 Daarom zie, de dagen komen, spreekt do Heere, dat er niet meer zal gezegd worden: Zoo luaarcichtig als de Heere leeft die de kinderen Israëls uit Ëgypteland heeft opgevoerd ,

15 maar: Zoo /oaarachtig als de Heere leeft die de kinderen Israëls heeft opgevoerd uit het land van het Noorden, en uit alle de landen waarhenen hij ze gedreven had; want ik zal ze wederbrengen in hun land dat ik hunnen vaderen gegeven heb.

16 Zie, ik zal zenden tot vele visschers, spreekt de Heere, die zullen ze visschen; en daarna zal ik zenden tot vele jagers, die zullen ze jagen van op allen berg en van op allen heuvel, ja uit de kloven der steenrotsen.

17 Want mijne oogen zijn op alle hunne wegen; zij zijn voor mijn aangezicht niet verborgen, noch hunne ongerechtigheid verholen van voor mijne oogen.

dit ïren gen, rao-n u •uk-

18 Dies zal ik eerst hunne ongerechtigheid en hunne zonde dubbel velgelden, omdat zij mijn land ontheil.gd hebben; zij hebben mijne erfenis met de doode lichamen hunner verfoeiselen en hunner gruwelen vervuld.

19 O Heere, gij zijt mijne sterkte en mijne sterkhèid, en mijne toevlucht ten dage der benauwdheid ; tot u zullen de heidenen komen van de einden der aarde, en zeggen : Immers hebben onze vaders erfelijk leugen bezeten en ijdelheid, waarin toch niets was dat nut deed.

20 Z:il een mensch zich goden maken? Zij zijn toch geen goden.

21 Daarom zie, ik zal hun bekend maken ditmaal, ik zal hun bekend maken mijne hand en mijne macht, en zij zullen weten dat mijn naam is Heere.

HOOFDSTUK 17.

De zonde van Juda is geschreven met een ijzeren griffie , mét de punt eenS diamants, gegraven in de tafel van hunlieder hart en aan de hoornen uwer altaren ;

2 gelijk hunne kinderen hunner altaren gedenken en hunner bos-schen, bij het groen geboomte, op dc hooge heuvelen.

3 Ik zal mijnen berg met het veld, uw vermogen en. alle uwe schatten ten roove geven, mits-ijadcrs uwe hoogten, om de zonde in alle uwe landpalen.

4 Alzoo zult gij aflaten (en dat om uzelven) van uwe erfenis die ik u gegeven heb, en ik zal u uwe vijanden doen dienen in een land dat gij niet kent ; want gijlieden hebt een vuur aangestoken in mijnen toorn, tot in eeuwigheid zal het branden.

5 Zuo zegt de Heere: Vervloekt is de man die op eenen mensch vertrouwt, en vleesch tot zijnen arm stelt, en wiens harte van den Heere afwijkt;

0 want hij zal zijn als de heide in de wildernis, die het niet ge-


-ocr page 852-

834 JEREN

voelt wanneer het goede komt, maar blijft in dorre plaatsen in de woestijn, in zouten en onbe-woonden iande.

7 Gezegend da ar ent ey en is de man die op den Heeke vertrouwt, en wiens vertrouwen de HeereIs;

8 want hij zal zijn ais een boom die aan het water geplant is, en zijne wortelen uitschiet aan eene rivier, en gevoelt het niet wanneer er eene hitte komt, maar zijn loof blijft groen, en in een jaar van droogte zorgt hij niet en houdt niet op van vrucht te dragen.

9 Arglistig is het harte, meer dan eenig ding, ja doodelijk is het, wie zal het kennen?

10 Ik de Heere doorgrond het hart en proef de nieren, en dat, om een iegelijk te geven naar zijne wegen, naar de vrucht zijner handelingen.

11 Gelijk een veldhoen eieren vergadert maar broedt ze niet uit, alzoo is hij die rijkdom vergadert doch niet met recht: in \'de helft zijner dagen zal hij dien moeten verlaten, en In zijne laatste een dwaas zijn.

12 Een troon derquot; heerlijkheid, eene hoogheid van den eerste aan, is de plaatse onzes heiligdoms.

13 O Heere, Israëls verwachting, allen die u verlaten zullen beschaamd worden, en die van mij afwijken zullen in de aarde geschreven worden; want zij verlaten den Heere, de springader des levenden waters.

14 Genees mij Heere, zoo zal ik genezen worden; behoud mij, zoo zal ik behouden worden; want gij zijt mijn lof.

quot;15 Zie , zij zeggen tot mij: Waar is het Woord des Heeren? Laat het nu komen.

16 Ik heb toch niet aangedrongen , meer dan eenen herder achter u betaamde, ^ok heb ik den doodelijken dag niet begeerd, gij weet liet; wat uit mijne lippen is gegaan, is voor uw aangezicht geweest.

17 Wees gij mij niet tot eene verschrikking; gij zijt mijne toevlucht ten dage des kwaads.

IA 17.

18 Laat mijne vervolgers beschaamd worden, maar laat mij niet beschaamd worden; laat hen verschrikt worden, maar laat mi niet verschrikt worden: breng ovei hen den dug des kwaads, en ver breek ze met eene dublJele ver breking.

19 Alzóó hoeft de Heere tof mij gezegd: Ga henen en sta in de poorte der kinderen des volks, door dewelke de Koningen van Juda ingaan en door dewelke zij uitgaan, ja, in alle poorten van Jeruzalem;

20 en zeg tot hen: Hoort des Heeren Woord, gij Koningen van Juda, en gansch Juda, en alle inwoners van Jeruzalem, die door deze poorten ingaat:

21 zóó zegt de Heere : Wacht u op uwe zielen en draagt geen last op den sabbatdag, en brengt niet in door de poorten van Jeruzalem :

22 ook zult gijli3den geenenlast uitvoeren uit uwe huizen op den sabbatdag, noch eenig werk doen; maar gij zult den sabbatdag heiligen gelijk als ik uwen vaderen geboden heb;

23 maar zij hebben niet gehoord noch hun oor geneigd, maar zij hebben hunnen nek verhard om niet te hooren en om de tucht niet aan te nemen.

24 Het zal dan geschieden indien gij vlijtig naar mij zult hooren , spreekt de Heere , dat gij geenen last door de poorten dezer stad op den sabbatdag inbrengt, en gij den sabbatdag heiligt, dat gij geen werk daarop doet :

25 zoo zullen door de poorten dezer stad ingaan Koningen en Vorsten, zittende op den troon Davids, rijdende op wagenen en op paarden, zij en hunne Vorsten, de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem ; en deze stad zal bewoond worden in eeuwigheid.

20 En zij zullen komen uit de steden van Juda en uit de plaatsen rondom Jeruzalem en uit het land Benjamins, en uit de laagte en van het gebergte en van het Zuiden, aanbrengende brandoffer


-ocr page 853-

J ER EM IA 18.

835

en slachtoffer en spijsoffer en wierook, en aanbrengende lofoffer ten Huize des Heeren.

27 Maar indien gij naar mij niet zult hooren om den sabbatdag te heiligen, en om geenen last te dragen als gij op den sabbatdag door de poorten van Jeruzalem ingaat: zoo zal ik een vuur in hare poorten aansteken, dat de paleizen van Jeruzalem zal verteren en niet worden uitgebluscht.

HOOFDSTUK 18.

Het woord dat tot Jeremia geschied is van den Heere , zeggende :

2 Maak u op en ga af in des pottenbakkers huis, en aldaar zal ik u mijne woorden doen hooren.

3 Zoo ging ik af in des pottenbakkers huis, en zie, hij maakte een werk op de schijven;

4 en het vat dat hij maakte werd verdorven als leem, in de hand despottenbakkers; toen maakte hij daarvan weder een ander vat, gelijk als het recht was in de oogen des pottenbakkers te maken.

5 Toen geschiedde des Heeren Woord tot mij , zeggende :

G Zal ik ulieden niet kunnen doen gelijk deze pottenbakker, o huis Israels? spreekt de Heere: zie, gelijk leem in de hand des pottenbakkers, alzóó zijt gijlieden in mijne hand, o huis Israels.

7 In een oogenblik zal ik spreken over een volk en over een koninkrijk, dat ik het zal uitrukken en afbreken en verdoen;

8 maar indien dat volk, over hetwelk ik zulks gesproken heb , zich van zijne boosheid bekeert, zoo zal ik berouw hebben over het kwaad dat ik hetzelve gedacht te doen.

9 Ook zal ik in een oogenblik spreken over een volk en over een koninkrijk, dat ik het zal bouwen en planten ;

10 maar indien het doet dat kwaad is in mijne oogen, dat het naar mijne stem niet hoort, zoo zal ik berouw hebben over het goede met hetwelk ik gezegd had hetzelve te zullen weldoen.

11 Nu dan, spreek nu tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem, zeggende: Zóó zegt de Heere : Zie, ik formeer een kwaad tegen ulieden, en denk tegen ulieden eene gedachte; zoo bekeert u nu een iegelijk van zijnen boozen weg,quot;en maakt uwe wegen en uwe handelingen goed.

12 Doch zij zeggen : Het is buiten hope , maar wij zullen naar onze gedachten wandelen, en wij zullen doen een iegelijk het goeddunken zijns boozen harten.

13 Daarom zóó zegt de Heere: Vraagt nu onder de heidenen: wie heeft alzulks gehoord? De jonkvrouw Israëls doet eene zeer afschuwelijke zaak.

14 Zal men ook om eenen rotssteen des velds verlaten de sneeuw Libanons ? Zullen ook de vreemde, koude, vlietende wateren verlaten worden ?

15 Nogtans heeft mijn volk mij vergeten, zij rooken der ijdelheid; want zij hebben ze doen aanstoo-ten op hunne wegen, op de oude paden, opdat zij mochten wandelen in stegen van eenen weg die niet opgehoogd is;

16 om hun land te stellen tot eene ontzetting, tot eeuwige aanfluitingen, al wie daar voorbijgaat zal zich ontzetten en met zijn hoofd schudden :

17 als een oostenwind zal ik ze verstrooien voor het aangezicht des vijands, ik zal hun den nek en niet het aangezicht laten zien ten dage huns verderfs.

18 Toen zeiden zij : Komt aan, laat ons gedachten tegen Jeremia denken ; want de wet zal niet vergaan van den Priester, noch de raad van den wijze. noch het woord van den Profeet; komt aan, en laat ons hem slaanmet de tong, en laat ons niet luisteren naar eenige zijner woorden.

19 Heere, luister naar mij en hoor naar de stem mijner twisters.

20 Zal dan kwaad voor goed vergolden worden ? want zij hebben mijne ziele eenen kuil gegraven ; gedenk dat ik voor uw aangezicht gestaan heb om goed voor hen te


-ocr page 854-

JE R EMI A 19.

836

spreken, om uwe grimmigheid van hen af te wenden.

21 Daarom geef hunne zonen den honger over, en doe ze wegvloeien door het geweld des zwaards, en laat hunne vrouwen van kinderen beroofd en weduwen worden, en laat hunne mannen door den dood omgebracht cn hunne jongelingen met het zwaard geslagen worden in den strijd.

22 Laat er een geschrei uit hunne huizen gehoord worden, wanneer gij haastelijk eene bende over hen zult brengen : dewijl zij eenenkuil gegraven hebben om mij te vangen, en strikken verborgen voor mijne voeten.

23 Doch gij , Heere , weet al hunnen raad tegen mij ten doode; maak geene verzoening over hunne ongerechtigheid, en delg hunne zonde niet uit van voor uw aangezicht, maar laat ze nedergeveld worden voor uw aangezicht; handel alzoo met hen ten tijde uws toorns.

HOOFDSTUK 19.

Zóó zegt de Heere : Ga henen en koop eene pottenbakkerskruik, en neem tot a va-n de oudsten des volks en van de oudsten der Priesteren;

2 en ga uit naar het dal des zoons Hinnoms, dat vóór de deur der Zonnepoort is, en roep aldaar uit de woorden, die ik tot u spreken zal;

3 en zeg: Hoort des Heeren Woord, gij Koningen van Juda en inwoners van Jeruzalem: alzóó zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: Zie, ik zal een kwaad brengen over deze plaats, van hetwelk een ieder die het hoort zijne ooren klinken zullen;

4 omdat zij mij verlaten, en deze plaatse vervreemd, en anderen goden daarin gerookt hebben, die zij niet gekend hebben, zij noch hunne vaders noch de Koningen van Juda, en hebben deze plants vervuld met bloed der onschuldigen;

5 want zij hebben de hoogten Baals gebouwd , om hunne zonen met vuur te verbranden, den Baal tot brandofleren; hetwelk ik niet geboden noch gesproken heb, noch in mijn hart is opgekomen.

G Daarom zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat deze plaats niet meer zal genoemd worden het Tofeth of dal van den zoon Hinnoms, maar Moord-dal;

7 want ik zal den raad van Juda en Jeruzalem in deze plaatse verijdelen, en zal ze voor het aangezicht hunner vijanden doen vallen door het zwaard en door de hand dergenen die hunne ziele zoeken, en ik zal hunne doode lichamen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze geven.

8 En ik zal deze stad zetten tot eene ontzetting en tot eene aanfluiting; al wie voorbij haar gaat zal zich ontzetten en fluiten over alle hare plagen.

9 En ik zal henlieden het vleesch hunner zonen en het vleesch hunner dochteren doen eten, en zij zullen eten een iegelijk het vleesch zijns naasten, in de belegering en in de benauwing, waarmede hen hunne vijanden en die hunne ziele zoeken benauwen zullen.

10 Dan zult gij de kruik verbreken voor de oogen der mannen die met u gegaan zijn,

11 en zult tot hen zeggen: Zóó zegt de Heere der heirscharen: Alzóó zal ik dit volk en deze stad verbreken, gelijk als men een pottenbakkersvat verbreekt, dat niet weder geheel kan worden; en zij zullen ze in Tofeth begraven. omdat er geene «m/ere plaats zal zijn om te begraven.

12 Zoo zal ik aan deze plaats doen, spreekt de Heere, en aan hare inwoners; en dat, om deze stad te stellen als een Tofeth.

13 En de huizen van Jeruzalem en de huizen der Koningen van Juda zullen, gelijk de plaatsen van Tofeth, onrein worden. met alle de huizen op welker daken zij allen heire des hemels gerookt en vreemden goden drankofferen geofferd hebben.

14 Toen nu Jeremia van Tofeth kwam, waarhenen hem de Heere gezonden had om te pro-feteeren, stond hij in den voorhof


-ocr page 855-

J ER EM IA 20.

837

dag tot een belachen, een ieder van hen bespot mij;

8 want sinds dat ik spreek, roep ik uit, ik roep geweld en verstoring, omdat mij des Heeren Woord den ganschen dag tot smaad en lot schimp is.

9 Dies zeide ik: Ik zal zijner niet gedenken, en niet meer in zijnen naam spreken; maar het werd in mijn harte als een brandend vuur, besloten in mijne beenderen; en ik vermoeide mij om te verdragen, maar konde niet.

10 Want ik heb gehoord de na-spraak van velen, van Magor-missabib, zeggende: Geef ons te kennen, en wij zullen het te kennen geven; alle mijne vredege-nooten geven acht op mijn hinken, zij zeggen: Misschien zal hij overreed worden, dan zullen wij hem overmogen en onze wraak van hem nemen.

11 Maar de Heere is met mij als een verschrikkelijk held, daarom zullen mijne vervolgers struikelen en niets vermogen; zij zijn zeer beschaamd geworden, omdat zij niet verstandiglijk gehandeld hebben: het zal eene eeuwige schande zijn, zij zal niet vergeten worden.

12 Gij dan, o Heere der heir-scharen, die den rechtvaardige proeft, die de nieren en het harte ziet, laat mij uwe wrake van hen zien, want ik heb u mijne twistzaak ontdekt.

10 Zingt den Heere, prijst den Heere; want hij heeft de ziel des nooddruftigen uit de hand der boosdoeners verlost.

14 Vervloekt zij de dag op welken ik geboren ben, de dag op welken mijne moeder mij gebaard heeft zij niet gezegend.

15 Vervloekt zij de man die mijnen vader geboodschapt heeft, zeggende: U is een jonge zoon geboren, verblijdende hem grootelij ks.

ÏÖ Ja, die man zij als de steden die de Heere heeft omgekeerd, en het heeft hem niet berouwd j en hij hoore in den morgenstond een geroep, en op den middagtijd 1 een geschrei;

van des Heeren Huis, en zeide lot al liet volk :

15 Zóó zegt de Heere der heir-scharen, do God Israels: Zie, ik zal over deze stad , en over alle hare steden, al het kwaad brengen dat ik over haar gesproken heb, omdat zij hunnen nek verhard hebben, om mijne woorden niet te hooren.

HOOFDSTUK 20.

Als Pashur, de zoon van Immer, de Priester, (deze nu was bestelde voorganger in het Huis des Heeren) , Jeremia hoorde deze woorden profeteerende,

2 zoo sloeg Pashur den Profeet Jeremia, en hij stolde hem in de gevangenis, welke is in de bovenste poort Benjamins die aan het Huis des Heeren is.

3 Maar het geschiedde des anderen daags dat Pashur Jeremia uit de gevangenis voorbracht: toen zeide Jeremia tot hem : De Heere noemt uwen naam niet Pashur, maar Magor-missabib ;

4 want zóó zegt de Heere: Zie, ik stel u tot eenen schrik voor uzelven en voor alle uwe liet hebbers; die zullen vallen door het zwaard hunner vijanden, dat het uwe oogen aanzien; en ik zal gansch Juda geven in de hand des Konings van Dabei, die ze naar Dabei gevankelijk zal wegvoeren, en slaan ze met het zwaard.

5 Ook zal ik geven al het vermogen dezer stad, en al haren arbeid, en al hare kostelijkheid, en alle schatten der Koningen van Juda, ik zal ze geven in de hand hunner vijanden, die zullen ze rooven, zullen ze nemen en zullen ze brengen naar Dabei.

0 En gij Pashur, en alle inwoners van uw huis, gijlieden zult gaan in gevangenis; en gij zult te Dabei komen, en aldaar sterven en aldaar begraven worden, gij en alle uwe vrienden, denwelken gij valschelijk geprofeteerd hebt.

7 Heere, gij hebt mij overreed en ik ben overreed geworden, gij j zijt mij te sterk geweest en hebt overmocht; ik ben den ganschen I

-ocr page 856-

838 J E R E MI

17 dat hij mij niet gedood heeft van de baarmoeder af, of mijne moeder mijn graf geweest is\', of hare baarmoeder als van eene die eeuwiglij k zwanger is.

18 Waarom ben ik toch uit de baarmoeder voortgekomen, om moeite en droefenis te zien, en dat mijne dogen in beschaamdheid vergaan?

HOOFDSTUK 21.

Het woord dat van den Heere geschied is tot Jeremia, als de Koning Zedekia tot hem zond Pas-hur den zoon van Malki\'a, en Ze-fanja den zoon van Maaseja , den Priester, zeggende:

2 Vraag toch den Heere voor ons, want Nebukadrezar de Koning van Babel strijdt tegen ons: misschien zal de Hekhe met ons doen naar alle zijne wonderen, dat hij van ons optrekke.

3 Toen zeide Jeremia tot hen: Zóó zult gijlieden tot Zedekia zeggen :

4 Zóó zegt de Heeme de God Israels: Zie, ik zal de krijgswapenen omwenden die in ulieder hand zijn , met welke gij strijdt tegen den Koning van Babel en tegen de Chaldeën, die u belegeren van buiten aan den muur; en ik zal ze verzamelen in het midden van deze st^d.

5 En ik zelf zal tegen ulieden strijden met eene uitgestrekte hand en met eenen sterken arm , ja, met toorn en met grimmigheid en met groote verbolgenheid.

6 En ik zal de inwoners dezer stad slaan, zoowel de menschen als de beesten ; door eene groote pestilentie zullen ze sterven.

7 En daarna, spreekt de Heeue, zal ik Zedekia den Koning van Juda, en zijne knechten en het volk, en die in deze stad overgebleven zijn van de pestilentie, van het zwaard en van den honger, geven in de hand van Nebukadrezar den Koning van Babel, en in de hand hunner vijanden en de hand dergenen die hunne ziel zoeken; en hij zal ze slaan met de scherpte des zwaards, hij zal ze niet sparen noch verschoonen noch zich ontfermen.

A 21, 22.

8 En tot dit volk zult gij zeggen; v Zóó zegt de Heere : Zie, ik stel voor ulieder aangezicht den. weg des levens en den weg des doods:

9 die in deze stad blijft, zal ster-ven door het zwaard of door den \' honger of door de pestilentie; \' maar die er uitgaat en afvalt tol de Chaldeën die ulieden belegeren, die zal leven, en zijne ziele zal hem tot een buit zijn.

10 Want ik heb mijn aangezicht tegen deze stad gesteld ten kwade en niet ten goede, spreekt de Heere : zij zal gegeven worden in de hand des Konings van Babel , en hij zal ze met vuur verbranden.

11 En aangaande het huis des Konings van Juda, hoort des Hee-ren Woord :

12 O huis Davids, zóó zegt de Heere: Richt des morgens recht, en verlost den beroofde uit de hand des verdrukkers; opdat mijne gramschap niet uitvare als een vuur, en brande dat niemand blusschen kan, vanwege de boosheid uwer handelingen.

13 Zie, ik wil aan u, gij inwo-neres des dals, gij rots der vlakte, spreekt de Heere, gijlieden die zegt: Wie zoude tegen ons afkomen , of wie zoude komen in onze woningen ?

14 En ik zal over ulieden bezoeking doen naar de vrucht uwer handelingen, spreekt de Heere; en ik zal een vuur aansteken in haar woud, dat zal verteren al wat rondom haar is.

HOOFDSTUK 22.

Alzóó zegt de Heere: Ga af in het huis des Konings van Juda, en spreek aldaar dit woord,

2 en zeg: Hoor het. woord des Heeren, gij Koning van Juda, gij die zit op Davids troon, gij en uwe knechten en uw volk, die door deze poorten ingaan:

3 zóó zegt de Heere: Doet recht en gerechtigheid, en redt den beroofde uit de hand des verdrukkers ; en onderdrukt den vreemdeling niet, den wees noch de weduw, doet geen geweld en


-ocr page 857-

JEREMIA 22.

839

vergiet geen onschuldig bloed in deze plaats.

4 Want indien gijlieden deze zaak ernstiglijk zult doen, zoo /uilen door de poorten van dit huis Koningen ingaan, zittende David op zijnen troon, rijdende op wagen en op paarden, hij en zijne knechten en zijn voik.

ij Indien gij daarentegen deze woorden niet zult hooren, zoo heb ik bij mij gezworen, spreekt Ie Heere, dat dit huis tot eene woestheid worden zal.

ü Want zóó zegt de Heere van het huis des Konings van Juda: Gij zijt mij een (Jilead, eene hoogte Libanons; maar zoo ik u niet zette als eene woestijn en onbewoonde steden!

7 Want ik zal verder vers tegen u heiligen, elk met zijn gereedschap; die zullen uwe gelezene cederen omhouwen en in het vuur werpen.

8 Dan zullen vele heidenen voorbij deze stad gaan, en zullen zeggen een ieder tot zijnen naaste; Waarom heelt de Heeui-: alzóó gedaan aan deze groote stad?

9 En zij zullen zeggen: Omdat zij het verbond des Heeuen huns Gods hebben verlaten, en hebben zich voor andere goden nederge-bogen en die gediend.

10 Weent niet over den doode en beklaagt hem niet: weent vrij over dien die weggegaan is, want hij zal nimmermeer wederkomen, dat hij het land zijner geboorte zie.

11 Want zóó zegt de Heere van Sa Hum den zoon van Josia, Koning van Juda, die in de plaats van zijnen vader Josia regeerde, die uit deze plaats is uitgegaan: Hij zal daar nimmermeer wederkomen ,

12 maar in de plaats waarhenen zij hem gevankelijk hebben weggevoerd zal hij sterven, en dit land zal hij niet meer zien.

13 Wee dien die zijn huis bouwt met ongerechtigheid, en zijne opperzalen met onrecht; die zijns naasten dienst om niet gebruikt, en geeft hem zijn arbeidsloon niet;

14 die daar zegt: Ik zal mij een zeer hoog huis bouwen, en doorluchtige opperzalen; en hij houwt zich vensteren uit, en het is bedekt met ceder en aangestreken met menie.

15 Zoudt gij regeeren, omdat gij u meet met den ceder? Heeft niet uw vader gegeten en gedronken , en recht en gerechtigheid gedaan, en het ging hem toen wel?

16 Hij heeft de rechtzaak des ellendigen en nooddruftigen gericht, toen ging het hem wél; is dat niet mij te kennen? spreekt de Heere.

17 Maar uwe oogen en uw hart zijn niet dan op uwe gierigheid, en op onschuldig bloed, om dat te vergieten, en op verdrukking en overlast, om die te doen.

18 Daarom zegt de Heere alzóó van Jojakim, zoon van Josia, Koning van Juda : Zij zullen hem. niet beklagen: och mijn broeder. of och zuster; zij zullen hem niet beklagen; och heer, of och zijne majesteit:

19 met eene ezelsbegrafenis zal hij begraven worden, men zal hem slepen en daarhenen werpen, verre weg van de poorten Jeruza-lems.

20 Klim op den Libanon en roep, en verhef uwe stem op den Basan; roep ook van de veren; maar alle uwe liefhebbers zijn verbroken.

21 Ik sprak u aan in uwen groeten voorspoed, maar gij zeidet: Ik zal niet hooren. Dit is uw weg van uwe jeugd af, dat gij mijner slem niet hebt gehoorzaamd.

22 De wind zal alle uwe herders weiden, en uwé liefhebbers zullen in gevangenis gaan; dar» zult gij zekerlijk beschaamd en te schande worden vanwege al uwe boosheid.

23 O gij die nu op den Libanon woont en in de cederen nestelt, hoe begenadigd zult gij zijn als ü de smarten zullen aankomen, het wee als eener barende vrouw.

24 Zoo waarachtig ik leef, spreekt de Heere, ofschoon Chonia, de zoon van Jojakim den Koning van Juda, een zegelring


-ocr page 858-

JE RE MI A 23.

840

ware aan mijne rechterhand, zoo zal ik ii toch van daar wegrukken.

25 en ik zal u geven in de hand dergenen die uwe ziele zoeken en in de hand dei-genen voor wel kei-aangezicht gij schrikt, namelijk in de hand Nebukadrezars des Konings van Babel en in de hand der Ghaldeën;

26 en ik zal u, en uwe moeder die u gebaard heelt, uitwerpen in een ander land, waarin gijlieden niet geboren zijt, en daar zult gij sterven;

27 en in het land naar hetwelk hunne ziele verlangt om daar weder te komen, daarhenen zullen zij niet wederkomen.

28 Is dan deze man Chonia een veracht, verstrooid, afgodisch beeld, of is hij een vat waaraan men geen lust heeft? Waarom zijn hij en zijn zaad uitgeworpen, ja weggeworpen in een land dat zij niet kennen?

29 O land, land, land, hoor des Heehen woord;

30 zóu zegt de Heere: Schrijft dezen man als kinderloos aan, als eenen man die niet voorspoedig zal zijn in zijne dagen; want daar zal niemand van zijn zaad voorspoedig zijn, zittende op den troon Davids en heerschende meer in Juda.

HOOFDSTUK 23.

quot;Wee den hei-deren, die de schapen mijner weide ombrengen en verstrooien, spreekt de Heeke.

2 Daarom zegt de Hei:he de God Israels alzóu van de herders die mijn volk weiden: Gijlieden hebt mijne .schapen verstrooid en hebt ze verdreven, en hebt ze niet bezocht: zie, ik zal over u bezoeken de boosheid uwer handelingen, spreekt de Heere,

3 en ik zal het overblijfsel mijner schapen zelf vergaderen uit alle de landen waarhenen ik ze verdreven heb, en ik zal ze we-derbrengen tot hunne kooien, en zij zullen vruchtbaar zijn en vermenigvuldigen ;

4 en ik zal herders over hen verwekken die ze weiden zullen , en zij zullen niet meer vreezen

noch verschrikt worden, noch gemist worden, spreekt de Heehk. zi.

5 Zie, de dagen komen, spreekt m de Heere. dat ik David eene rechl- h: vaardige Spruite zal verwekken, zi die zal Koning zijnde regeeren en zi voorspoedig zijn, en recht en ge- al rechtigheid doen op aarde; G

6 in zijne dagen zalJudaverlost worden en Israel zéker wonen, ln en dit zal zijn naam zijn waarmede men hem zal noemen: de s Heere onze gerechtigheid.

7 Daarom zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat ze niet meer zullen zeggen : Zoo wnnr-achtig als de Heere leeft die de si kinderen Israels uit Egypteland d heeft opgevoerd. zi

K maar: Zoo waarachtig als de g Heere leeft die het zaad van het I huis Israels heeft opgevoerd en die het aangebracht tieeft uit het d land van het Noorden, en uit alle h de landen waarhenen ik ze gedre- li ven had ; want zij zullen wonen li in hun land. z

9 Aangaande de Profeten. Mijn !gt; harte wordt in mijn tinnenstegebroken. alle mijne beenderen be- r wegen zich, ik ben als een dronken i. man en als een man dien de wijn gt; te boven gaat. vanwege den Heere en vanwege de woorden zijner hei- i ligheid. £

10 Want het land is vol over- ? spelers, want het land treurt van- 1 wege den vloek , de weiden dei-woestijn verdorren, omdat hun i loop boos is en hunne macht niet 1 recht.

11 Want beide profeten en priesters zijn huichelaars, zelfs in mijn Huis vind ik hunne boosheid , spreekt de Heere.

12 Daarom zal hun weg hun zijn als zeer gladde plaatsen in de donkerheid, zij zullen aangedreven worden en daarin vallen ; want ik zal een kwaad over hen brengen in het jaar hunner bezoeking, spreekt de Heere.

13 Ik heb wel ongerijmdheid gezien in de profeten van Samarië, die door den Baal profeteerden en mijn volk Israël verleidden;

14 maar in de profeten van Jeruzalem zie ik afschuwelijkheid,


-ocr page 859-

J ERE MI A 23.

841

zij bedrijven overspel, en gaan om met vaischheid, en sterken de handen der boosdoeners opdat zij zich niet bekeeren een iegelijk van zijne boosheid; zij allen zijn mij ais Sodom, en hare inwoners als Gomorra.

15 Daarom zegt de Heere der lieirscharen van deze proleten al-zou : Zie, ik zal ze met alsem spijzigen en met galle-water drenken; want van Jeruzalems profeten is de huichelarij uitgegaan in het gansche land.

16 Zóó zegt de Heere der lieirscharen: Hoort niet naar de woorden der profeten die u profeteeren; zij maken u ijdel, zij spreken het

ezicht huns harten, niet uit des Heerek mond;

17 zij zeggen steeds tot degenen die mij lasteren: De Heere heeft het gesproken, gijlieden zult vrede hebben ; en tot al wie naar zijns harten goeddunken wandelt zeggen zij: Ulieden zal geen kwaad overkómen.

18 Want wie heeft in dos Hee-rex raad gestaan, en zijn Woord gezien of gehoord? Wie heeft zijn Woord aangemerkt ongehoord?

Zie, een onweder des Hee-ren, eene grimmigheid is uitgegaan, ja. een pijnlijk onweder: het zal blijven op der goddeloozen hoofd.

20 Des Heeren toorn zal zich niet afwenden, totdat hij zal hebben gedaan en totdat hij zal hebben daargesteld de gedachten zijns harten: in het laatste dei- dagen zult gij met verstand daarop letten.

21 Ik heb die profeten niet gezonden , nogtans hebben zij ge-loopen; ik heb tot hen niet gesproken, nogtans hebben zij geprofeteerd.

22 Maar zoo zij in mijnen raad hadden gestaan, zoo zouden zij mijn volk mijne woorden hebben doen booren, en zouden ze afgekeerd hebben van hunnen boozen weg en van de boosheid hunner handelingen.

23 Ben ik een God van nabij, spreekt de Heere, en niet eèn God van verre?

24 Zoude zich iemand in verborgene plaatsen kunnen verbergen, dat ik hem niet zoude zien? spreekt de Heere ; vervul ik niet den hemel en de aarde? spreekt de Heere.

25 Ik heb gehoord wat de profeten zeggen, die in mijnen naam leugen profeteeren, zeggende: Ik heb gedroomd, ik heb gedroomd.

20 Hoe lang? Is er dan een droom in het hart der profeten die de leugen profeteeren? Ja, het zijn profeten van huns harten bedriegerij ,

27 die daar denken om mijn volk mijnen naam te doen vergeten door hunne droomen die zij een ieder zijnen naaste vertellen , gelijk als quot;hunne vaders mijnen naam vergeten hebben door den Baal.

28 De Profeet bij welken een droom is, die vertelle den droom; en bij welken mijn Woord is, die spreke mijn woord waarachtiglijk: wat heeft het stroo met het koren te doen? spreekt de Heere.

29 Is mijn Woord niet alzoo als een vuur, spreekt de Heere, en als een hamer die eene steenrots te morzel slaat?

30 Daarom zie, ik toil aan de profeten, spreekt de Heere , die mijne woorden stelen een ieder van zijnen naaste;

31 zie, ik tuil aan de profeten, spreekt de Heere, die hunne tong nemen en spreken: Hij heeft het gesproken;

32 zie, ik tuil aan degenen die val-sche droomen profeteeren, spreekt de Heere , en vertellen die. en verleiden mijn volk met hunne leugenen en met hunne lichtvaardigheid: daar ik ze niet gezonden en hun niets bevolen heb, en zij dezen volke gansch geen nut doen, spreekt de Heere.

33 Wanneer dan dit volk, of een profeet, of priester u vragen zal, zeggende: Wat is des Heeren last? zoo zult gij tot hen zeggen: Wat last? Dat ik ulieden verlaten zal, spreekt de Heere.

34 En aangaande den profeet, of den priester, of het volk (lat zeggen zal: Des Heeren last; — dat ik


-ocr page 860-

842 J E R E MI

bezoeking zal doen over dien man en over zijn huis.

35 Aldus zult gijlieden zeggen een iegelijk tot zijnen naaste en een iegelijk tot zijnen broeder: Wat heeft de Heere geantwoord en wat heeft de Heere gesproken?

36 Maar des Heeren last zult gij niet meer gedenken; want een\' iegelijk zal zijn eigen woord een last zijn , dewijl gij verkeert de woorden des levendon Gods, des Heeren der heirscharen, onzes Gods.

37 Aldus zult gij zeggen tot den profeet: Wat heeft u de Heere geantwoord en wat heeft de Heere gesproken ?

38 Maar dewijl gij zegt: Des Heeren last, daarom zuó zegt de Heere: Omdat gij dit woord zegt: Des Heeren last, daar ik tot u gezonden heb , zeggende : Gij zult niet zeggen: Des Heeren last,—

39 daarom zie, ik zal u ook gan-schelijk vergeten, en u, mitsgaders de stad die ik u en uwen vaderen gegeven heb, van mijn aangezicht laten varen;

40 en ik zal u eeuwige smaad-heid aandoen, en eeuwige schande , die niet zal worden vergeten.

HOOFDSTUK 24.

De Heere deed mij zien, en zie, daar waren twee vijgenkorven, gezet vóór den Tempel des Heeren: nadat Nebukadrezar, Koning van Babel, gevankelijk had weggevoerd Jechonia den zoon van Jojakim , den Koning van Juda, mitsgaders de Vorsten van Juda, en de timmerlieden en de smeden, van Jeruzalem, en hen te Babel gebracht had.

2 In den éénen korf waren zeer goede vijgen, als de eerste rijpe vijgen zijn ; maar in den anderen korf waren zeer slechte vijgen, die vanwege de slechtheid niet konden gegeten worden.

3 En de Heere zeide tot mij : Wat ziet gij Jeremia? en ik zei-de: Vijgen; de goede vijgen zijn zeer goed, en de slechte zeer slecht , die vanwege de slechtheid niet kunnen gegeten worden.

A 24, 25.

4 Toen geschiedde des Heeren Woord lot mij, zeggende:

5 Zóó zegt de Heere de God Israels : Gelijk die goede vijgen , alzóó zal ik kennen de gevankelijk weggevoerden van Juda, die ik uit deze plaats naar het land der Chal-deën heb weggezonden, ten goede;

G en ik zal mijn oog op henstellen ten goede, en zal ze weder-brengen in dit land, en ik zal ze bouwen en niet afbreken, en zal ze planten en niet uitrukken ;

7 en ik zal hun een harte geven om mij te kennen dat ik de Heere ben; en zij zullen mij tot een volk zijn en ik zal hun tot eenen God zijn, want zij zullen zich tot mij met hun gansche harte bekeeren.

8 En gelijk de slechte vijgen, die vanwege de slechtheid niet kunnen gegeten worden, (want aldus zegt de Heere), alzóó zal ik maken Zedekia den Koning van Juda, mitsgaders zijne Vorsten en het overblijfsel van Jeruzalem , die in dit iand zijn overgebleven en die in Egypteland wonen ;

9 en ik zal ze overgeven tot eene beroering ten kwade allen koninkrijken der aarde, tot smaad-heid en tot een spreekwoord, tot eene spotrede en tot eenen vloek, in alle de plaatsen waarhenen ik ze gedreven zal hebben;

40 en ik zal onder hen zenden het zwaard, den honger en de pestilentie, totdat zij verteerd zullen zijn uit het land dat ik hun en hunnen vaderen gegeven had.

HOOFDSTUK 25.

Het woord dat tot Jeremia geschied is over het gansche volk van Juda, in het vierde jaar van Jojakim, zoon van Josia, Koning van Juda, (dat was het eerste jaar van Nebukadrezar, Koning van liabel);

2 hetwelk de Profeet Jeremia gesproken heelt tot het gansche volk van Juda en tot alle de inwoners van Jeruzalem, zeggende:

3 Van het dertiende jaar van Josia , den zoon van Amon , den Koning van Juda, tot op dezen dag toe, (dit is het drieëntwintigste jaar), is het Woord des Heeren tot mij geschied, en ik heb


-ocr page 861-

J ERE MIA 25.

843

tot ulieden gesproken , vroeg op zijnde en sprekende, maar gij hebt niet gehoord.

4 Ook heeft de IIeere tot u gezonden alle zijne knechten de Profeten, vroeg op zijnde en zendende , (maar gij hebt niet gehoord noch uw oor geneigd om te hoeren) ,

5 zeggende: Bekeert u toch een iegelijk van zijnen boozen weg en van de boosheid uwer handelingen, en woont in het land dat de He lire u en uwen vaderen gegeven heeft, van eeuw tot eeuw ;

li en wandelt andere goden niet na, om die te dienen en u voor die neder te buigen, en vertoornt mij niet door uwer handen werk, opdat ik u geen kwaad doe.

7 Maar gij hebt naar mij niet gehoord, spreekt de Meere: opdat gij mij vertoorndet door het werk uwer handen, uzelven ten kwade.

8 Daarom zóó zegt de Heere der heirscharen : Omdat gij mijne woorden niet hebt gehoord,

9 zie, ik zal zenden en nemen alle geslachten van het Noorden, spreekt de Heere, en tot Nebu-kadrezar den Koning van Babel, mijnen knecht, en zal ze brengen over dit land en over deszelfs inwoners, en over alle deze volken rondom, en ik zal ze verbannen , en z:il ze stellen tot eene ontzetting en tot eene aanfluiting en tot eeuwige woestheden ;

10 en ik zal van hen doen vergaan de stem der vroolijkheid en de stem der vreugde, dè stem des bruidegoms en de stem der bruid, het geluid der molens en het licht der lamp;

11 en dit gansche land zal worden tot eene woestheid, tot eene ontzetting, en deze volken zullen den Koning van Babel dienen zeventig jaar.

12 Maar het zal geschieden als de zeventig jaren vervuld zijn, dan zal ik over den Koning van Babel en over dat volk, spreekt de Heere , hunne ongerechtigheid bezoeken, mitsgaders over het land der Ghaldeën , en zal dat stellen tot eeuwige verwoestingen;

13 en ik zal over dat land brengen alle mijne woorden die ik daarover gesproken heb, al wat in dit boek geschreven is , wat Je-remia geprofeteerd heeft overal-Ie deze volken;

14 want van hen zullen zich doen dienen die óók machtige volken en groote Koningen zijn: al-zoo zal ik hun vergelden naar hun doen en naar het werk hunner handen.

15 Want alzóó heeft de Heere de God Israels tot mij gezegd: Neem dezen beker van den wijn der grimmigheid van mijne hand, en geef dien te drinken aan alle de volken tot welke ik u zende:

16 dat ze drinken, en beven, en dol worden, vanwege het zwaard dat ik onder hen zal zenden.

17 En ik nam den beker Aan des Heeren hand, en ik gaf te drinken allen den volken tot welke de Heere mij gezonden had,

18 namelijk Jeruzalem en der steden van Juda, en haren Koningen en haren Vorsten , om die te stellen tot eene woestheid, tot eene ontzetting, tot eene aanfluiting en tot eenen vloek, gelijk het is te dezen dage;

19 Farao den Koning van Egypte , en zijnen knechten en zijnen Vorsten en al zijn volk,

20 en den ganschen gemengden hoop, en allen Koningen van het land Uz; en allen Koningen van der Filistijnen land, en Askelon en Gaza en Ekron en het overblijfsel van Asdod;

21 Edom en Moab en den kinderen Ammons;

22 en allen Koningen van Tyrus en allen Koningen van Sidon, en den Koningen der eilanden die aan gene zijde der zee zijn;

23 Dedan en Tema en Buz, en allen die aan de hoeken afgekort zijn,

24 en allen Koningen van Arabic, en allen Koningen van den gemengden hoop die in de woestijn wonen;

25 en allen Koningen van Zimri, en allen Koningen van Elam, en allen Koningen van Medië;

26 en allen Koningen van het


-ocr page 862-

JE REM IA 26.

844

Noorden, die nabij en die verre zijn, den éénen met den anderen; ja allen koninkrijken der aarde die op den aardbodem zijn. En de Koning van Sesach zal na hen drinken.

27 Gij zult dan tot hen zeggen: Zóó zegt de Heere der heirscha-ren, de God Israels: Drinkt en wordt dronken en spuwt, en valt neder dat gij niet weder opstaat vanwege het zwaard dat ik onder u zal zenden.

28 En het zal geschieden wanneer zij weigeren zullen den beker van uwe hand te nemen om te drinken, dat gij tot hen zeggen zult: Zóó zegt de Heere der heir-scharen: Gij zult zekerlijk drinken.

29 Want zie, in de stad die naar mijnen naam genoemd is, begin ik te plagen: en zoudtgij eenigs-zins onschuldig gehouden worden? Gij zult niet onschuldig worden gehouden ; want ik roep het zwaard over aile inwoners der aarde, spreekt de Heere der heirscharen.

30 Gij zult dan alle deze woorden lol hen proleleeren, en gij zult tot hen zeggen: De Heeri: zal brullen uit üe hoogte, en zijne stemme verhellen uit de woning zijner heiligheid, hij zal schrikkelijk brullen over zijne woonstede; hij zal een vreugdegcschrei, als de c/rmfcntreders, uitroepen tegen allo inwoners der aarde.

31 Het geschal zal komen lot aan het einde der aarde; want de ! Heere lieert eenen twist met de volken, hij zal gericht houden met alle vleesch: de goddeloozen, die heeft hij aan het zwaard overgegeven, spreekt de Heere.

32 Zóó zegt de Heere der heirscharen: Zie, een kwaad gaat uit van volk tot volk, en een groot onweder zal verwekt worden van de zijden der aarde;

33 en de verslagenen desIiEE-ren zullen te dien dage liggen van het óéne einde der aarde lot aan het andere einde der aarde, zij zullen niet beklaagd, noch opgenomen, noch begraven worden, tot mest op den aardbodem zullen ze zijn.

34 Huilt gij herders en schreeuwt, en wentelt u in de asch, gij heer lijken van de kudde; want uw( dagen zijn vervuld datmenslach ten zal, en van uwe verstrooiingen: dan zult gij vervallen al; een kostelijk vat;

35 en de vlucht zal vergaan van de herders, en de ontkoming van de heerlijken der kudde;

36 daar zal zijn eene stem des geroeps der herderen, en een gehuil der heerlijken van de kudde, omdat de Heere hunne weide verstoort.

37 Want de landouwen des vre-des zullen uitgeroeid worden vanwege de hiltigheid des toorns des heeren:

38 hij heeft als een jonge leeuwl zijne hut verlaten: want hunlie-der land is geworden lol eenu verwoesting, vanwege de hiltigheid des verdrukkers , ja, vanwege de hiltigheid zijns toorns.

HOOFDSTUK 20.

In het begin des koninkrijks van Jojakim den zoon van Josia Koning van Juda, geschiedde dit woord van den Heere, zeggende:

2 Zóó zegt de Heere: Sla in het voorhof van het h\'uis des Hee-rex, en spreek tot alle steden van Juda, die komen om aan te bidden in het Huis des Heeren , alle de woorden die ik u geboden heb lot hen te spreken, doe er niet één woord af.

3 Misschien zullen ze hooren, en zich bekeeren een iegelijk van zijnen boozen weg: zoo zoude ik berouw hebben over het kwaad dat ik hun denk te doen vanwege de boosheid hunner handelingen.

4 Zeg dan tot her.: Zóó zegt de Heere; Zoo gijlieden naar mij niet zult hooren, dat gij wandelt in mijne wet die ik voor uw aangezicht gegeven heb,

5 hoerende naar de woorden van mijne knechten de Profeten, die ik tot u zend, ze U\'s vroeg opzijn-de en zendende, doch die gij niet gehoord hebt:

(j zoo zal ik dit Huis stellen als Silo, en deze stad zal ik stellen


-ocr page 863-

tot eenen vloek allen volken der aarde.

7 En de Priesters en de Profeten en al het volk hoorden Jere-mia deze woorden spreken in het Huis des Heeren.

8 Zoo geschiedde het als Jere-mia geëindigd had te spreken ai-les wat de Heere geboden had tot al het volk te spreken, dat de Priesters en de Profeten en al hel volk hem grepen , zeggende: ! Gij zult den dood sterven.

•J Waarom hebt gij in den naam ; des Heeren geprofeteerd, zeggende: Dit huis zal worden als Silo , . en deze stad zal woest worden , dat er niemand woneV Erv- het j ganschc volk werd vergaderd tegen Jeremia in het Huis des Heeren.

10 Als nu do Vorsten vanJuda deze woorden hoorden, gingen zij op uit het huis des Konings ri«ar het Huis des Heeren, en zij zet-teden zich bij de nieuwe poort des Heeren.

11 Toen spraken de Priesters en de Profeten tot de Vorsten en tot al het volk, zeggende: Aan dezen man is een oordeel des doods , : want hij heeft geprofeteerd tegen , deze stad, gelijk als gij met uwe ooren gehoord hebt.

12 Maar Jeremia sprak tot alle ! de Vorsten en tot al het volk, zeggende: De Heere heeft mij gezonden om tegen dit Huis en , tegen deze stad te profeteeren alle de woorden die gij gehoord hebt;

13 nu dan , maakt uwe wegen en uwe handelingen goed, en gehoorzaamt der stemme des Heeren uws Gods; zoo zal het den Heere berouwen over het kwaad dat hij tegen u gesproken heeft.

14 Doch ik, zie, ik ben in uwe hand: doet mij als het goed en als het recht is in uwe oogen;

15 maar weet voorzeker dat gij, zoo gij mij doodt, gewisselijk onschuldig bloed zult brengen op u en op deze stad en op hare inwoners ; want in waarheid, de Heere heeft mij tot u gezonden om alle deze woorden voor uwe ooren te spreken.

10 Toen zeiden do Vorsten en al het volk tot de Priesteren en

heer

uwl

lach oiin-

845

tot de Profeten: Aan dezen man is geen oordeel des doods, want hij heeft tot ons gesproken in den naam des Heeren onzes Gods.

17 Ook stonden er mannen op van de oudsten des lands, en spraken tot de gansche gemeente des volks, zeggende:

18 Micha de Morastiet heeft in de dagen van Hizki\'a, Koning van Juda , geprofeteerd en tot al het volk van Juda gesproken, zeggende: Zóó zegt de Heere der heir-scharen : Sion zal als een akker geploegd, en Jeruzalem tot stecn-hoopen worden, en de berg dezes Huizes tot hoogten eens wouds.

10 Hebben ook Hizki\'a, de Koning van Juda, en gansch Juda hem ooit gedood? Vreesde hij niet den Heere en smeekte des Heeren aangezicht, zoodat het den Heere berouwde over het kwaad dat hij tegen hen gesproken had? Wij dan doen een groot kwaad tegen onze zielen.

20 Daar was ook een man die in den naam des Heeren profeteerde, Una de zoon van Semaja, van Kirjath-Jearim; die profeteerde tegen deze stad en tegen dit land, naar alle de woorden van Jeremia.

21 En als de Koning Jojakim, mitsgaders alle zijne geweldigen en alle de Vorsten, zijne woorden hoorde, zocht de Koning hem te dooden. Als Una dat hoorde, zoo vreesde hij en vluchtte, en kwam in Egypte.

22 Maar de Koning Jojakim zond mannen naar Egypte, Elnathan den zoon van Achbor, en andere mannen met hem, naar Egypte;

23 die voerden Un\'a uit Egypte, en brachten hem tot den Koning Jojakim , en hij sloeg hem met het zwaard, en hij wierp zijn dood lichaam in de graven der kinderen des volks.

24 Maar de hand van Ahikam den zoon van Safan was met Jeremia, dat men hem niet overgaf in de hand des volks om hem te dooden.

HOOFDSTUK 27.

In hel begin des koninkrijks van

JE RE MI A 27.


-ocr page 864-

JEREMIA 27.

846

Jojakitn, zoon van Josia, Koning van Juda, geschiedde dit woord tot Jerernia van den Heerk , zeggende :

2 Alzóó zeide de Heere tot mij : Maak u banden en jukken, en doe die aan uwen hals;

3 en zend ze tot den Koning van Edom, en tot den Koning van Moab en tot den Koning der kinderen Amnions, en tot den Koning van Tyrus en tot den Koning van Sidon, door de band dei-boden die te Jeruzalem tot Zedekia den Koning van Juda komen;

4 en beveel hen aan hunne hee-ren te zeggen: Zóó zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: Zóó zult gij tot uwe heeren zeggen:

5 Ik heb gemaakt de aarde, den mensch en het vee die op den aardbodem zijn, door mijne groo-te kracht en door mijnen uitge-strekten arm, en ik geef ze aan wien het recht is in mijne oogen.

6 En nu, ik heb alle deze landen gegeven in de hand van Ne-bukadnezar den Koning van Ba-bel , mijnen knecht; zelfs ook het gedierte des velds heb ik hem gegeven om hem te dienen.

7 En alle volken zullen hem en zijnen zoon en zijns zoons zoon dienen, totdat ook de tijd zijns eigen lands komt: dan zullen zich machtige volken en groote Koningen van hem doen dienen.

8 En het zal geschieden. het volk en het koninkrijk dat hem, Nebukadnezar den Koning van Ba-bel, niet zal dienen, en dat zijnen hals niet zal geven onder het juk des Konings van Babel: over dat volk zal ik. spreekt de Heere , bezoeking doen door het zwaard en door den honger en door de pestilentie, totdat ik ze zal verteerd hebben door zijne hand.

9 Gijlieden dan, hoort niet naar uwe profeten en naar uwe waarzeggers en naar uwe droomers en naar uwe guichelaars en naar uwe toovenaars, dewelke tot u spreken, zeggende: Gij zult den Koning van Babel niet dienen.

10 Want zij profeteeren u valsch-heid, om u ver uit uw land te brengen, en dat ik u uitstoote en gij omkomt.

11 Maar het volk dat zijnen hals zü brengen onder het juk des Koninjs van Babel, en hem dienen, dat zal ik in zijn land laten, spreekt de Heere en het zal dat bouwen en daarin wonen.

12 Daarna sprak ik tot Zedekfa den Koning van Juda, naar alle deze woorden, zeggende: Brengt uwe halzen onder het juk des Konings van Babel, en dient hem en zijn volk, zoo zult gij leven.

13 Waarom zoudt gij sterven, gij en uw volk, door het zwaard, door den honger en door de pestilent!?. gelijk als de Heere gesproken heeft van het volk dat den Koning van Babel niet zal dienen?

14 Hoort dan niet naar de woorden der profeten die tot u spreken, zeggende: Gij zult den Koning van Babel niet dienen; want zij pro-

; feteeren u valschheid.

i 15 Want ik heb ze met gezon-i den, spreekt de Heere , en zij profeteeren valschelijk in mijnen ! naam; opdat ik u uitstoote eh gij i omkomt, gij en de profeten die u profeteeren.

10 Ook sprak ik tot dc Priesters en tot dit gansche volk, zeggende : Zóó zegt de Heere: Hoort niet naar de woorden uwer Profeten die u profeteeren, zeggende: Zie, de vaten van des Heeren Huis zullen nu haast uit Babel weder-gebracht worden; want zij profeteeren u valschheid.

1 17 Hoort niet naar hen, maar ; dient den Koning van Babel, zoo ; zult gijlieden leven: waarom zoude deze stad tot eene woestheid worden ?

18 Maar zoo zij Profeten zijn en zoo des Heeren Woord bij hen is, laat ze nu bij den Heere der heirscharen voorb dden, opdat de vaten, die in het Huis des Heeren en het huis des Konings van Juda en te Jeruzalem zijn overgebleven, niet naar Babel komen.

19 Want zóó zegt de Heere der heirscharen van de pilaren en van de zee en van de stellingen en van het overige der vaten die in deze stad zijn overgebleven,


-ocr page 865-

JEREMIA 28.

847

!0 die Nebukadnezar de Koning ai Babel niet heeft weggeno-tooi, als hij Jechonia den zoon \'ai Jojakim, Koning van Juda, ai Jeruzalem naar Babel gevan-ceLjk wegvoerde, mitsgaders alle le edelen van Juda en Jeruzalem;

21 ja, zóó zegt de Heere der leifscharen, de God Israels, van 3e vaten die in het Huis des Hee-re^ en het huis des Konings van Fuca en te Jeruzalem zijn over-etleven:

22 Naar Babel zullen ze gebracht worden, en aldaar zullen ze zijn tot den dag toe dat ik ze bezoeken zal, spreekt de Heere; dan zal ik ze opvoeren en zal ze we-derbrengen tot deze plaats.

HOOFDSTUK 28.

Voorts geschiedde het in hetzelfde jaar, in het begin des ko-ninkrijks van Zedekia, Koning van Juda, in het vierde jaar in de vijlde maand, tZaf Hananja, zoon van Azzur, de Profeet die van Gibeon was, tot mij sprak in het Huis des Heeren, voor de oogen der Priesters, en des ganschen volks , zeggende:

2 Zóó spreekt de Heere der heirscharen, de God Israels, zeggende: Ik heb het juk des Konings van Babel verbroken;

3 in nog twee volle jaren zal ik tot deze plaats wederbrengen alle de vaten van het Huis des Heeren, die Nebukadnezar de Koning van Babel uit deze plaats heeft weggenomen en naar Babel gebracht;

4 ook zal ik Jechonia den zoon van Jojakim, Koning van Juda, en allen die gevankelijk weggevoerd zijn van Juda, die te Babel gekomen zijn, tot deze plaats wederbrengen , spreekt de Heere; want ik zal het juk des Konings van Babel verbreken.

5 Toen sprak de Profeet Jere-mia tot den Profeet Hananja, voor de oogen der Priesteren en voor de oogen des ganschen volks, die in het Huis des Heeren stonden,

6 en de Profeet Jeremia zeide: Amen, de Heere doe alzóó, de IIeere bevestige uwe woorden die gij geprofeteerd hebt, dat hij de vaten van des Heeren huis, en allen die gevankelijk zijn weggevoerd, van Babel wederbrenge tot deze plaats.

te €n

SZil

injs dat eekt wen

ïlaa alle ngt Ko-

i en

m, i-d, sti-1*0-

len

7 Maar hoor nu dit woord, dat ik spreek voor uwe ooren en voor de ooren des ganschen volks:

8 de Profeten die vóór mij en vóór u van oudsher geweest zijn, die hebben tegen vele landen en tegen groote koninkrijken geprofeteerd^ van krijg en van kwaad en van pestilentie;

9 de Profeet die geprofeteerd zal hebben van vrede, als het woord van dien Profeet komt, dan zal die Profeet bekend worden, dat de Heere hem in waarheid gezonden heeft.

10 Toen nam de Profeet Hananja het juk van den hals van den Profeet Jeremia, en hij verbrak het;

11 en Hananja sprak voor de oogen des ganschen volks, zeggende ; Zóó zegt de Heere: Alzóó zal. ik verbreken het juk van Nebukadnezar den Koning van Babel , in nog twee volle jaren, van den hals aller der volken. En de Profeet Jeremia ging zijnsweegs.

12 Doch des Heeren Woord geschiedde tot Jeremia , (nadat de Profeet Hananja het juk van den hals van den Profeet Jeremia verbroken had), zeggende:

13 Ga henen en spreek tot Hananja. zeggende: Zóó zegt de Heere : Houten jukken hebt gij verbroken : nu zult gij in plaats van die ijzeren jukken maken.

14 Want zóó zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: Ik heb een ijzeren jukgedaanaan den hals van alle deze volken , om Nebukadnezar den Koning van Babel te dienen, en zij zullen hem dienen; ja ik heb hem ook het gedierte des velds gegeven.

15 En de Profeet Jeremia zeide tot den Profeet Hananja: Hoor nu, Hananja: de Heere heeft u niet gezonden, maar gij hebt gemaakt dat dit volk op leugen vertrouwt.

16 Daarom zóó zegt de Heere : Zie, ik zal u wegwerpen van den aardbodem; dit jaar zult gij ster-


-ocr page 866-

J ERE MI A 29.

848

ven, omdat gij eenen afval gesproken hebt tegen den Heere.

17 Alzoo stierf de Profeet Ha-nanja in datzelfde jaar in de zevende maand.

HOOFDSTÜK 29.

Voorts zijn dit. de woorden van den brief, dien de Profeet Jeremia zond van Jeruzalem tot de overige oudsten die gevankelijk waren weggevoerd, mitsgaders tot de Priesteren en de Profeten, en tot het gansche volk dat Nebukadnc-zar van Jeruzalem gevankelijk had weggevoerd naar Babei,

2 (nadat de Koning Jechonia, en de Koningin, en de kamerlingen, de Vorsten van Juda en Jeruzalem, mitsgaders de timmerlieden en smeden van Jeruzalem waren uitgegaan)*,

3 door do hand van Elasa den zoon van Safan en Gemaria den zoon van Hilkfa, die Zedekia de Koning van Juda naar Habel zond tot Nebukadnezar den Koning van Babei, zeggende:

4 Zóó zegt do Heere der heir-scharen, de (Jod Israels, tot allen die gevankelijk zijn weggevoerd, die ik gevankelijk heb doen wegvoeren van Jeruzalem naar Babei:

5 Bouwt huizen en woont daarin , en plant hoven en eet de vrucht daarvan;

G neemt vrouwen en gewint zonen en dochteren, en neemt vrouwen voor uwe zonen , en geeft uwe dochteren aan mannen, dat zij zonen en dochteren baren; en wordt aldaar vermenigvuldigd en wordt niet verminderd;

7 en zoekt den vrede der stad, waarhenen ik u gevankelijk heb doen wegvoeren, en bidt voor haar tot den Heere; want in haren vrede zult gij vrede hebben.

8 Want zóó zegt de Heere der heirscharen , de God Israels : Laat uwe profeten en uwe waarzeggers, die in het midden van u zijn, u niet bedriegen, en hoort niet naar uwe droomers die gij doet droo-men;

9 want zij profeteerenu valsche-lijk in mijnen naam, ik heb :e niet gezonden, spreekt de Heeie.

10 Want zóó zegt de Heeie: Zekerlijk, als zeventig jaren te Babei zullen vervuld zijn. zal ik ulieden bezoeken , en ik zal nijn goed woord over u verwekkm, u wederbrengende tot deze plaats.

11 Want ik weet de gedachen die ik over u denk, spreekt de Heere, gedachten des vredes en niet des -kwaads, dat ik u geve liet einde en de verwachting.

12 Dan zult gij mij aanroepen en henengaan en tot mij bidden, en ik zal naar u hooren;

13 en gij zult mij zoeken en vinden, wanneer gij naar mij zult vragen met uw gansche harte,

14 en ik zal van ulieden gevonden worden, spreekt de Heere, en ik zal uwe gevangenis wenden, en u vergaderen uit alle de volken en uit alle de plaatsen waar-henen ik u gedreven heb , spreekt de Heere en ik zalu wederbren-gen tot de plaats van waar ik u gevankelijk heb do2n wegvoeren.

15 Omdat gij zegt : De Heere heeft ons Profeten naar Babei verwekt ,

1G daarom zegt Je Heere al-zóó van den Koning die op Davids troon zit, en van al het volk dat in deze stad woont, te welen uwe broederen die met u niet zijn uitgegaan in de gevangenis,

17 alzóó zegt de Heere der heirscharen: Zie, ik zal het zwaard, den honger en de pestilentie onder hen zenden, en ik zal ze maken als de afschuwelijke vijgen, die vanwege de slechtheid niet kunnen gegeten worden;

18 en ik zal ze achternajagen met het zwaard, net den honger en met de pestilentie, en ik zal ze overgeven tot eene beroering allen koninkrijken der aarde, tot eenen vloek en lot eenen schrik en tot eene aanflaiting en tot eene smaadheid onder alle de volken waar ik ze henengedreven zal hebben:

19 omdat zij naar mijne woorden niet gehooi d hebben , spreekt de Heere als ik mijne knechten de Profeten tot hen zond, vroeg


-ocr page 867-

JEREMIA 30.

849

20 Zefanja nu de Priester had dezen brief gelezen voor de ooren van den Profeet .Teremia.

30 Daarom geschiedde des Hee-ren Woord tot Jeremia, zeggende:

31 Zend henen lot allen die gevankelijk weggevoerd zijn, zeggende: Zóó zegt de Heere van Semaja den Nehelamiet: Omdat Semaja ulieden geprofeteerd heeft, daar ik hem niet gezonden heb, en heeft gemaakt dat gij op leugen vertrouwt,

32 daarom zegt de Heere al-zóó: Zie, ik zal .bezoeking doen over Semaja den Nehelamiet en over zijn zaad; hij zal niemand hebben die in hef. midden dezes volks wone, en zal het goede niet zien dat ik aan mijn volk doen

i zal, spreekt de Heere, want hij heeft eenen afval gesproken tegen den Heere.

HOOFDSTUK 30.

Het woord dat tot Jeremia geschied is van den Heere, zeggende :

2 Zóó spreekt de Heere de God Israels, zeggende: Schrijf u alle de woorden, die ik tot u gesproken heb, in een boek.

3 Want zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat ik de gevangenis van mijn volk Israël en Ju da wenden zal, zegt de Heere, en ik zal ze wederbrengen in het land dat ik hunnen vaderen gegeven heb, en zij zullen het erfelijk bezitten.

4 En dit zijn de woorden die de Heere gesproken heeft van Israël en van Juda;

5 want zóó zegt de Heere: Wij hooren eene stem der verschrikking. daar is vrees en geen vrede.

0 Vraagt toch en zietquot;, of een manspersoon baart? Waarom zie ik dan eens iegelijken mans handen op zijne lendenen, als van eene barende vrouw , en alle aangezichten veranderd in bleekheid?

7 0 wee, want die dag is zóó groot d;it zijnsgelijke niet geweest is, en het is een lijd van benauwdheid voor Jakob: toch zal hij daaruit verlost worden.

8 Want het zal te dien dage

op aijnde zendende, maar gijlieden hebt niet gehoord, spreekt de Heere.

20 Gij dan, hoort des heeften Woord, gij alien die gevankelijk zijt weggevoerd, die ik van Jeruzalem naar Babel heb weggezonden;

21 zóó zegt de Heere der heir-scharen, de God Israels, van Achab. zoon van Kolaja , en van Zedekia, zoon van Maiiseja, die ulieden in mijnen naam valsche-lijk profeteeren: Zie, ik zal zegeven in de hand van Nebukadrezar den Koning van Babel, en hij zal ze voor uwe oogen slaan ;

22 en van hen zal een vloek genomen worden bij alle de gevankelijk weggevoerden van Judadie in Babel zijn, dat men zegge: De Heehe steile u als Zedekia en als : Achab. die de Koning van Babel aan het vuur braadde:

23 omdat zij eene dwaasheid deden in Israël èn overspel bedreven met de vrouwen hunner naasten, en spraken het woord valschelijk in mijnen naam dat ik hun niet geboden had; en ik ben degeen die het weet en een getuige t/oar-van, spreekt de Heere.

24 Tot Semaja nu den Nehela-mict zult gij spreken, zeggende:

25 Zóó spreekt de Heere der lieirscharon, de God Israels,zeggende : Omdat gij brieven in uwen naam gezonden hebt tot al het volk dat te Jeruzalem is, en tot Zefanja den zoon van Maiiseja, den Priester, en tot alle de Prie-steren, zeggende:

2(5 De Heere heeft u tot Priester gesteld in plaats van den Priester Jojada, dat gij opzieners zoudt zijn in des HkÈren Huis over allen man die onzinnig is en zich voor een Proleet uitgeeft, dat gij dien stelt in de gevangenis en in den stok:

27 nu dan, waarom hebt gij Je-remia den Anathothiet niet gescholden , die zich bij ulieden voor een Profeet uitgeeft?

28 Want daarom heeft hij tot ons naar Babel gezonden, zeggende: Het zal lang duren; bouwt huizen en woont daarin, en plant hoven en eet de vrucht daarvan.

-ocr page 868-

JEREMIA 31.

850

geschieden, spreekt de Heere der heirscharen, dat ik zijn juk van uwen hals verbreken en uwe banden verscheuren zal. en vreemden zullen zich niet meer van hem doen dienen;

9 maai\' zij zullen dienen den Heere hunnen God, en hunnen Koning David dien ik hun verwekken zal.

10 Gij dan vrees niet, o mijn knecht Jakob, spreekt de Heere, en ontzet u niet, Israël; want zie, ik zal u uit verre landen verlossen, en uw zaad uit het land hunner gevangenis, en Jakob zal wederkomen en stil en gerust zijn, en daar zal niemand zijn die hem verschrikt.

11 Want ik ben metu, spreekt de Heere , om .u te verlossen; want ik zal eene voleinding maken met alle de heidenen waar henen ik u verstrooid heb; maar met u zal ik geene voleinding maken, maar ik zal u kastijden met mate, en u nie : gansch onschuldig houden.

12 Want zóó zegt de Heere : Uwe breuke is doodelijk, uwe plage is smartelijk;

13 daar is niemand die uwe zaak oordeelt aangaande het gezwel, gij hebt geen heelpleisters;

14 alle uwe liefhebbers hebben u vergeten, zij vragen niet naar u: want ik heb u geslagen met eens vijands plage, met de kastijding eens wreeden, om de grootheid uwer ongerechtigheid, omdat uwe zonden machtig veel zijn.

15 Wat krijt gij over uwe breuke, dat uwe smart doodelijk is? Om de grootheid uwer ongerechtigheid , omdat uwe zonden machtig veel zijn, heb ik u deze dingen gedaan.

10 Daarom , allen die u ^opeten zullen opgegeten worden, en alle uwe wederpartijders, zij allen zullen gaan in gevangenis; en die u berooven zullen ter berooving zijn, en allen die u plunderen zal ik ter plundering overgeven;

17 want ik zal u de gezondheid doen rijzen en u van uwe plagen genezen, spreekt de Heere, omdat zij u noemen de verdrevene;

het is Sion, zeggen zij, niemand vraagt naar haar.

18 Zóó zegt de Heere: Zie, ik zal de gevangenis der tenten Ja-kobs wenden, en mij over hunne woningen ontfermen; en de stad zal herbouwd worden op hare hoogte , en het paleis zal liggen naar zijne wijze.

19 En van hen zal dankzegging uitgaan en eene slem der spelenden, en ik zal ze vermeerderen en zij zullen niet verminderd worden , en ik zal ze verheerlijken en zij zullen niet gering worden.

20 En zijne zonen zullen zijn als eertijds, en zijne gemeente zal voor mijn aangezicht bevestigd worden , en ik zal bezoeking doen over alle zijne onderdrukkers.

21 En zijn Heerlijke zal uit hem zijn , en zijn Heerscher uit het midden van hem voortkomen, en ik zal hem doen naderen en hij zal tot mij genaken; want wie is hij die met zijn hart borg worde om tot mij te genaken? spreekt do Heere.

22 En gij zult mij tot een volk zijn en ik zal u tot eenen God zijn.

23 Zie, een onwoder des Hee-ren , eene grimmigheid is uitgegaan , een aanhoudend onweder, het zal blijven op het hoofd der goddeloozen;

24 de hittigheid van des Heeren toorn zal zich niet afwenden, totdat hij gedaan en totdat hij daar-gesteld zal hebben de gedachten zijns harten: in het laatste dor dagen zult gij daarop letten.

HOOFDSTUK 31.

Terzelfder tijd, spreekt de Heere, zal ik allen geslachten Israëls tot eenen God zi:n en zij zullen mij tot een volk zijn.

2 Zóó zegt de Heere: Het volk der overgeblevenen van het zwaard heeft genade gevonden in de woes-stijn, namelijk Israël, als ik henen-ging om hem tot rust te brengen.

3 De Heere is mij verschenen van verre tijden. Ja. ik heb u liefgehad met eene eeuwige liefde, daarom heb ik u getrokken met goedertierenheid.


-ocr page 869-

JEREI

md

4 Ik zal u weder bouwen en gij ik zult gebouwd worden, o jonkvrou-Ja- we Israels; gij zult weder verin- sierd zijn met uwe trommelen en de uitgaan met den rei der spelenden; ire ; 5 gü zult weder wijngaarden en I planten op de bergen van Sama-jrië, de planters zullen plantenen ng \'i de vrucht genieten.

n- \' 6 Want daar zal een dag zijn en waarin de hoeders op Efraïms )r- gebergte zullen roepen: Maakt u 3n op en laat ons opgaan naarSion,

tot den Heere onzen God. Is 7 Want zóó zegt de Heere : al \' Roept luide over Jakob vnet vreug-de, en juicht vanwege het hoofd in der heidenen; doet het hooren , lofzingt, en zegt: O Heere, be-n houd uw volk, het overblijfsel van l- ; Israël.

k 8 Zie, ik zal ze aanbrengen uit il het land van het Noorden, en zal ij ze vergaderen van de zijden der i aarde; onder hen zullen zijnblin-3 den en lammen , zwangeren en barenden te zamen; met eene groo-: te gemeente zullen zij herwaarts . f wederkomen ;

9 zij zullen komen met geween, en mét smeekingen zal ik ze voeren; ik zal ze leiden aan de water-

\' beken, in eenen rechten weg waar-; in zij zich niet zullen stooten;

want ik ben Israël tot eenen va-l der, en Efraïm die is mijn eerst-[ geborene.

10 Hoort des Heeren Woord gij ■; heidenen, en verkondigt in de ! eilanden die verre zijn, en zegt:

Hij die Israël verstrooid heeft zal hem weder vergaderen, en hem bewaren als een herder zijne kudde.

11 Want de Heere heeft Jakob vrijgekocht, en hij heeft hem verlost uit de hand desgenen die ster-

; ker was dan hij :

12 dies zullen zij komen en op de hoogte van Sion juichen, en toevloeien tot des Heeren goed, tot het koren en tot den most en tot de olie, en tot de jonge schapen en runderen; en hunne ziel zal zijn als een gewaterde hof, en zij zullen voortaan niet meer treurig zijn.

13 Dan zal zich de jonkvrouw verblijden in den rei, daartoe de

IIA 31. 851

jongelingen en ouden te zamen; wanquot; ik zal hunlieder rouw in vroolijkheid veranderen, en zal ze troosten en zal ze verblijden na hunne droefenis ;

14 en ik zal de ziel derPrieste-ren met vettigheid dronken maken, en mijn volk zal met mijn goed verzadigd worden, spreekt de Heere.

15 Zóó zegt de Heere : Daar is een stemme gehoord in Rama, eene klage, een zeer bitter geween: Rachel weent over hare kinderen, zij weigert zich te laten troosten over hare kinderen, omdat ze niet zijn.

16 Zóó zegt de Heere: Redwing uwe stem van geween en uwe oogen van tranen; want daar is loon voor uwen arbeid, spreekt de Heere, want zij zullen uit des vijands land wederkomen;

17 en daar is verwachting voor uwe nakomelingen. spreekt de Heere, want nwe kinderen zullen wederkomen tot hunne landpale.

18 Ik heb wel gehoord dat zich Efraïm beklaagt, zeggende : Gij hebt mij getuchtigd en ik ben getuchtigd geworden als een ongewend kalf. Rekeer mij , zoo zal ik bekeerd zijn; want gij zijt de Heere mijn God.

19 Zekerlijk nadat ik bekeerd ben heb ik berouw gehad, en nadat ik mijzelven ben bekend gemaakt heb ik op de heupe geklopt; ik ben beschaamd, ja ook schaamrood geworden, omdat ikdesmaad-heid mijner jeugd gedragen heb.

20 Is niet Efraïm mij een dierbare zoon, is hij mij niet een troetelkind? Want sinds ik tegen hem gesproken heb denk-ik nog ernstiglijk aan hem; daarom rommelt mijn ingewand over hem, ik zal mij zijner zekerlijk ontfermen, spreekt de Heere.

21 Richt u merkteekenen op , stel u spitse pilaren, zet uw hart op de baan, op den weg dien gij gewandeld hebt, keer weder o jonkvrouwe Israels , keer weder tot deze uwe steden.

22 Hoe lang zult gij u onttrekken, gij afkeerige dochter? Want de Heere heeft wat nieuws op de


-ocr page 870-

JEREMIA 32.

852

aarde geschapen: de vrouw den man omvangen.

23 Zóó zegt de Heere derheir-scharen, de God Israels: Dit woord zullen zij nog zeggen in het land van Juda en in zijne steden, als ik hunne gevangenis wenden zal: De Heere zegene u, gij woning der gerechtigheid, gij berg dei-heiligheid.

24 En Juda mitsgaders alle zijne steden zullen te zamen daarin wonen , de akkerlieden en die met de kudden reizen;

25 want ik heb de vermoeide ziele dronken gemaakt en ik heb alle treurige ziele vervuld.

26 (Hierop ontwaakte ik en zag toe, en mijn slaap was mij zoet.)

27 Zie, de dagen komen, spreekt de Heeue, dat ik het huis Israels en het huis van Juda bezaaien zal met zaad van menschen en zaad ! van beesten;

28 en het zal geschieden gelijk ; ik over hen gewaakt heb om uit \' te rukken en af te breken en te j verstoren en te verderven en \' kwaad aan te doen, alzóó zal ik over hen waken om te bouwen en te planten, spreekt de Heere.

29 In die dagen zullen 2i.i niet | meer zeggen: bc vaders hebben | onrijpe druiven gegeten , en der \' kinderen tanden zijn stomp geworden ;

30 maar een iegelijk zal om zijne : ongerechtigheid sterven, eenieder ; mensch die de onrijpe druiven eet, zijne tanden zullen stomp worden.

31 Zie. de dagen komen, spreekt de Heere , dat ik met het huis Israels en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken:

32 niet naar het verbond dat ik met hunne vaderen gemaakt heb ten dage als ik hunne hand aangreep orn hen uit Egypteland uit te voeren, welk verbond met mij zij vernietigd hebben, hoewel ik zé getrouwd had, spreekt de Heere :

33 maar dit is het verbond dat ik na die dagen met het huis Israels maken zal, spreekt do Heere: ik zal mijne wet in hun binnenste geven eii zal die in hun harte schrijven, en ik zal hun toteenen

zal

God zijn en zij zullen mij tot een volk zijn;

34 en zij zullen niet meer een! iegelijk zijnen naaste en eeniege-j iijk zijnen broeder leeren, zeggeo-1 de: Kent den Heere; want zij: zullen mij allen kennen, van hunnen kleinste af tot hunnen grootste toe, spreekt de Heere , want ik zal hunne ongerechtigheid vergeven en hunne zonde niet meer gedenken.

35 Zóó zegt de Heere , die de zon ten lichte geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten lichte des nachts, die de zee klieft dat hare golven bruisen, Heere der heirscharen is zijn naam:

3ti Indien deze órdeningen van voor mijn aangezicht zullen wijken , spreekt de Heere , zoo zal ook het zaad Israels ophouden dat het geen volk zij voor mijn aangezicht, alle de dagen.

37 Zóó zegt de Heere: Indien de hemelen daar boven gemeten en de fundamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zoo zal ik ook het gansche zaad Israels verwerpen om alles wat zij gedaan hebben, spreekt de Heere.

38 Zie, de dagen komen, spreekt de Heere , dat deze stad den Heere zal herbouwd worden, van den toren Hananeël af tot aan de Hoek poort;

39 en het meetsnoer zal wijders nevens dezelve uitgaan tot aan den heuvel Gareb, en zich naarGoath omwenden;

40 en het gansche dal der doode lichamen en der asch, en alle de velden tot aan de beek Kidron, lot aan den hoek van de Paarden-poort legen het Oosten , zal den Heere eene heiligheid zijn: daar zal niets weder uitgerukt noch afgebroken worden in eeuwigheid.

HOOFDSTUK 32.

Het woord dat tot Jeremia geschied is van dei Heere, inliet tiende jaar van Zedekia, Koning van Juda ; dit jaar was het achttiende jaar van Nebukadnezar.

2 (Het heir nu van den Koning van Babel belegerde toen Jeruza-


-ocr page 871-

JE RE Ml A 32.

853

lem, en de Profeet Jeremia was opgesloten in het voorhof der bewaring dat in het huis des Konings van Juda is.

3 Want Zedekia de Koning van Juda had hein opgesloten, zeggende : Waarom profeteert gij, zeggende: Zóó zegt de Heeiie: Zie, ik geef deze stad in de hand des Konings van Babel, en hij zal ze innemen;

4 en Zedekia de Koning van Juda zal van de hand der Chaldeën niet ontkomen , maar hij zal zekerlijk gegeven worden in de hand des Konings van Babel, en zijn mond zal tot deszelfs mond spreken en zijne oogen zullen deszelfs oogen zien ;

5 en hij zal Zedekia naar Babel voeren, en aldaar zal iiij zijn totdat ik hem bezoeke, spreekt de Heehe: ofschoon gijlieden tegen de Chaldeën strijdt, gij zult toch geen geluk hebben.)

6 Jeremia dan zeide: Des Hee-rex Woord is tot mij geschied, zeggende:

7 Zie, Hanameël, de zoon van Sallum uwen oom, zal tot u komen , zeggende; Koop u mijn veld dat bij Anathoth is, want gij hebt het recht van lossing , om te koo-pen.

8 Alzoo kwam Hanameël, mijns ooms zoon, naar des Heeuen Woord, tot mij in het voorhof der bewaring , en zeide tot mij: Koop toch mijn veld, hetwelk is bij Anathoth in het land Benjamins; want gij hebt het erfrecht en gij hebt de lossing, koop het voor u. Toen merkte ik dat het des 11 ee-ren Woord was.

9 Dies kocht ik van Hanameël. mijns ooms zoon, het veld dat bij Anathoth is; en ik woog hem hot geld toe, zeventien zilveren sikkelen.

10 En ik onderschreef den brief en verzegelde dien, en deed het getuigen betuigen als ik het geld op de weegschaal gewogen had.

11 En ik nam den koopbrief, die verzegeld was naar bet gebod en de inzettingen, en den open brief;

12 en ik gaf den koopbrief aan

oen

een oge-g\'cn-l zij lun-ool-rant /er-eer

Baruch, den zoon van Noria den zoon van Mahseja , voor de oogen van. Hanameël, mijns ooms zoon, en voor de oogen der getuigen die den koopbrief hadden onderschreven , voor de oogen van alle de Joden die in het voorhof der bewaring zaten.

13 En ik beval Baruch voor hunne oogen, zeggende:

14 Zóó zegt de Heere derheir-scharen, de God Israels: Neem deze brieven, dezen koopbrief, zoo den verzegelden als dezen open brief, en due ze in een aarden vat, opdat ze vele dagen mogen bestaan;

15 want zóó zegt de Heere der heirscharen , de (iod israëls : Daar zullen nog huizen en velden en wijngaarden in dit land gekocht worden.

10 Voorts, nadat ik den koopbrief aan Baruch den zoon van Nen\'a gegeven had, bad ik tot den Heere, zeggende:

17 Ach, Heere Heere, zie, gij hebt de hemelen en de aarde gemaakt door uwe groote kracht en door uwen uitgestrekt en arm; geen ding is u te wonderlijk.

18 Gij die goedertierenheid doet aan duizenden . en de ongerechtigheid der vaderen vergeldt in den schoot hunner kinderen na hen; gij groote. gij geweldige God, wiens naam is liliERE der heirscharen,

19 groot van raad en machtig van daad; (want uwe oogen zijn open over alle wegen der men-schenkinderen, om een iegelijk te geven naar zijne wegen en naar de vrucht zijner handelingen);

20 gij die teekenen en wonderen gesteld hebt in Egypteland tot op dezen dag, zoo in Israël als onder andere mënschen, en u eenen naam gemaakt hebt gelijk hij is te dezen dage ;

21 en hebt uw volk Israël uit Egypteland uitgevoerd door tee-kenen en door wonderen, endoor eene sterke hand en door eenen uitgestrekten arm en door groote verschrikking;

22 en hebt hun dit land gegeven, dat gij hunnen vaderen gezworen hadt hun te zullen geven,


-ocr page 872-

J ER EMI A 32.

854

een land vloeiende van melk en honig :

23 zij zijn er ook ingekomen en hebben het erfelijk bezeten, maar hebben uwer stemme niet gehoorzaamd en in uwe wet niet gewandeld ; zij hebben niets gedaan van alles dat gij hun geboden hadt te doen : dies hebt gij hun al dit kwaad doen bejegenen.

24 Zie de wallen , zij zijn gekomen aan de stad om die in te nemen, en de stad is gegeven in de hand der Chaldeën die tegen haar strijden , vanwege het zwaard en den lionger en de pestilentie; en wat gij gesproken hebt is geschied , en zie, gij ziet hel:

25 evenwel hebt gij tot mij gezegd, Heere Heere : Koop ii dat veld voor geld, en doe het getuigen betuigen; daar de stad in der Chaldeën hand gegeven is.

26 Toen geschiedde des Heerex Woord tot Jeremia, zeggende:

27 Zie, ik ben de Heere, de God van alle vleesch: zoude mij eenig ding te wonderlijk zijn?

28 Daarom zegt de Heere al-zóó: Zie, ik geef deze stad in de hand der Chaldeën en in de hand van Nebukadrezar den Koning van Babel, en hij zal ze innemen;

29 en de Chaldeën, die tegen deze stad strijden, zullen er inkomen en deze stad met vuur aansteken, en zullen ze verbranden, met de huizen op welker daken zij den Baal gerookt en anderen goden drankofferen geofferd hebben, om mij te vertoornen.

\'öO Want de kinderen Israels en de kinderen van Juda hebben van hunne jeugd af alleenlijk gedaan dat kwaad was in mijne oogen, want de kinderen Tsraëls hebben mij door het werk hunner handen alleenlijk vertoornd, spreekt de Heere;

31 want tot mijnen toorn en tot mijne grimmigheid is mij deze stad geweest, van den dag af dat zij ze gebouwd hebben tot op dezen dag toe ; opdat ik haar van mijn aangezicht wegdeed,

32 om al de boosheid der kinderen Israels en der kinderen van Juda , die zij gedaan hebben om

mij te vertoornen , zij , hunne Koningen , hunne Vorsten, hunne Priesteren en hunne Profeten, en|h de mannen van Juda en de inwo- !{•/ ners van Jeruzalem;

33 die mij den nek hebben toe- r! gekeerd en niet het aangezicht; ; ^ hoewel ik ze leerde, vroeg op jj zijnde en leerende, evenwel hoor- iquot;: den zij niet om tucht aan te nemen; i

34 maar zij hebben hunne ver- * foeiselen gesteld in het Huis dat ^ naar mijnen naam genoemd is , om dat te verontreinigen,

35 en zij hebben de hoogten 1 Baals gebouwd, die in het dal van den zoon Hinnoms zijn, om hunne zonen en hunne dochteren voor i den Molech door het vuur te la-ten gaan ; hetwelk ik hun niet heb geboden noch in mijn harte is opgekomen , dat z:j dezen gruwel ! zouden doen; opdat zij Juda mochten doen zondigen.

36 En nu, daarom zegt de Heere de God Israëls alzóó van deze stad, waar gij van zegt: Zij is « gegeven in de hand des Konings van Babel , door het zwaard en door den honger en door de pestilentie ; —

37 Zie , ik zal ze vergaderen uit alle de landen waarhenen ik ze ■ zal verdreven hebben in mijnen toorn en in mijne grimmigheid en in groote verbolgenheid, en

ik zal ze tot deze plaals weder- 1 brengen, en zal ze zéker doen ■ wonen.

38 Ja , zij zullen mij tot een volk ? zijn en ik zal hun tot eenen God i zijn.

39 En ik zal hun éénerlei hart 1 en éénerlei weg geven , om mij

te vreezen alle de dagen, hun ten goede, mitsgaders hunnen kinderen na hen.

40 En ik zal een eeuwig verbond met hen maken, dat ik van achter hen niet zal afkeeren, opdat ik hun weldoe; en ik zal mijne vreeze in hun hart geven, dat zij niet van mij afwijken.

41 En ik zal mij over hen verblijden , dat ik hun weldoe; en ik zal ze getrouwelijk in dit land planten, met mijn gansche hart en met mijne gansche ziel.


-ocr page 873-

JE R EMI A 33;

855

42 Want zóó zegt de Heere : Gelijk als ik over dit volk gebracht heb al dit groote kwaad, alzóó zal ik over hen brengen al het goede dat ik over hen spreek.

43 En daar zullen velden gekocht worden in dit land, waarvan gij zegt: Het is woest, dat er geen mensch noch beest in is; het is in der Ghaldeën hand gegeven:

44 velden zal men voor geld koopen, en de brieven onderschrijven en verzegelen, en het door getuigen doen betuigen, in het land Benjamins en in de plaatsen rondom Jeruzalem en in de steden van Juda, en in de steden van het gebergte en in de steden der laagte en in de steden van het Zuiden; want ik zal hunne gevangenis wenden, spreekt de Heere.

HOOFDSTUK 33.

Voorts geschiedde des Heeren Woord ten tweeden male tot Je-remia, als hij nog in het voorhof der bewaring was opgesloten, zeggende:

2 Zóu zegt de Heere die het doet, de Heere die dat formeert opdat hij het bevestige, Heere is zijn naam:

3 Roept tot mij , en ik zal u antwoorden, en ik zal u bekend maken groote en vaste dingen die gij niet weet.

4 Want zóó zegt de Heere de God Israels van de huizen dezer stad en van de huizen der Koningen van Juda, die door de wallen en door het zwaard zijn afgebroken :

5 Daar zijn er wel ingekomen om te strijden tegen de Chaldeën, mc.ar het is om die te vullen met doode lichamen van menschen die ik verslagen heb in mijnen toorn en in mijne grimmigheid, en omdat ik mijn aangezicht van deze stad verborgen heb om al hunlie-der boosheid:

6 zie, ik zal haar de gezondheid en de genezing doen rijzen, en zal hen genezen, en zal hun openbaren overvloed van vrede en waarheid.

7 En ik zal de gevangenis van Juda en de gevangenis van Israël wenden, en zal ze bouwen als in \'t eerst;

8 en ik zal ze reinigen van al hunne ongerechtigheid mnt dewelke 5:ij tegen mij gezondigd hebben, en ik zal vergeven alle hunne ongerechtigheden met dewelke zij tegen mij gezondigd en met dewelke zh tegen mij overtreden hebben;

9 en het zal mij zijn tot eenen vroolijken naam, tot eenen roem en tot een sieraad bij alle heidenen der aarde, die al het goede zullen hooren dat ik hun doe, en zij zullen vreezen en beroerd zijn over al het goede en over al den vrede dien ik haar beschik.

10 Alzóó zegt de Heere: In deze plaats , (waarvan gij zegt: Zij is woest, dat er geen mensch en geen beest in is), in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem , die zóó verwoest zijn dat er geen mensch en geen inwoner en geen beest in is, zal wederom gehoord worden

11 de stem der vroolijkheid en de stem der blijdschap , de stem des bruidegoms en de stem der bruid, de stem dergenen die zeggen: Looft den Heere der heir-scbaren, want de Heere is goed, want zijne goedertierenheid is in eeuwigheid; de dergenen die lof aanbrengen ten Huize des Heeren ; want ik zal de gevangenis des lands wenden als in \'t eerst, zegt de Heere.

12 Zóó zegt de Heere derheir-scharen : In deze plaats , die zóó woest is dat er geen mensch, zelfs tot het vee toe, in is, mitsgaders in alle derzelver steden, zullen wederom woningen zijn van herders die de kudden doen legeren;

13 in de steden van hetgeberg-l.e, in de steden der laagte en in de steden van het Zuiden, en in het land Benjamins en in de plaatse rondom Jeruzalem, en in de steden van Juda, zullen de kudden wederom onder de handen des tellers doorgaan, zegt de Heere.

14 Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat ik het goede woord verwekken zal dat ik tot het huis Israels en over het huis van Juda gesproken heb.


-ocr page 874-

J ERE MI A 34.

856

15 Tn die dagen en te dier tijd zal ik David eene Si\'RL\'Lte der gerechtigheid doen uitspruiten. en hij zal recht en gerechtigheid doen op aarde.

1ü In die dagen zal Juda verlost worden, en Jeruzalem zéker wonen ; en deze is het die haar roepen zal: de Heere onze gerechtig me in.

17 Want zóó zegt de Heere : Aan David zal niet worden alge-sneden een man die op den troon des huizes Israels zitte;

18 ook zal den Levitischen Prie-steren van voor mijn aangezicht niet worden afgesneden een man die brandoffer olie re en spijsoffer aansteke en slachtoffer bereide alle de dagen.

19 En des Heeren Woord geschiedde tot Jeremia, zeggende:

20 Alzóó zegt de Heere: Indien gijlieden mijn verbond van den dag en mijn verbond van den nacht kunt vernietigen, zoodat dag en nacht niet zijn op hunnen tijd,

21 zoo zal ook vernietigd kunnen worden mijn verbond met mijnen knecht David, dat hij geenen zoon hebbe die op zijnen troon regeere; en met de Leviten, de Priestcren , mijne dienaren.

22 Gelijk het heir des hemels niet geteld en het zand der zee niet gemeten kan worden , alzóó zal ik vermenigvuldigen het zaad mijns knechts Davids, en de Leviten die mij dienen.

23 Voorts geschiedde des Heeren Woord tot Jeremia, zeggende:

2\'t Hebt gij niet gezien wat dit volk spreekt, zeggende: De twee geslachten die de Heere verkoren had. die heeft hij nu verworpen? Ja, zij versmaden mijn volk, zoodat het geen volk meer is voor hun aangezicht.

25 Zóó zegt de Heere: Indien mijn verbond niet is van dag en nacht, indien ik de ordeningen des hemels en der aarde niet gesteld heb:

26 zoo zal ik ook bet zaad Jakobs en mijns knechts Davids verwerpen, dat ik van zijn zaad niet neme die daar heerschen over het zaad Abrahams, Isaiiks en Jakobs; want ik zal hunne gevangenis wenden I en mij hunner ontfermen.

HOOFDSTUK 34.

Het woord dat tot Jeremia geschied is van den Heere , (als Nebukadnezar, Koning van Babel, en zijn gansche heir, en alle koninkrijken der aarde die onder de heerschappij zijner hand waren, en alle de volken tegen Jeruzalem streden, en tegen alle hare steden), zeggende :

2 Zóó zegt de Heere de God Israels: Ga henen en spreek tot Zedekia den Koning van Juda, en zeg tot hem : Zóó zegt de Heere: Zie, ik geef deze stad in de hand des Konings van Babel, en hij zal ze met vuur verbranden;

3 en gij zult van zijne hand niet ontkomen , maar zekerlijk gegrepen en in zijne hand gegeven worden ; en uwe oogen zullen de oogen des Konings van Babel zien, en zijn mond zal tot uwen mond spreken, en gij zult te Babel komen.

4 Maar hoor des Heeren Woord, o Zedekia , Koning var» Juda; zóó zegt de Heere var u: Gij zult door het zwaard niet sterven;

5 gij zult sterven in vrede , en naar de brandinger. uwer vaderen, de vorige koningen, die vóór u geweest zijn, alzóó zullen zij over u branden en u beklagen, zeggende : Och heere; want ik heb het woord gesproken, spreekt de Heere.

0 En de Profeet Jeremia sprak alle deze woorden tot Zedekia den Koning van Juda, te Jeruzalem,

7 als het heir des Konings van Babel streed tegen Jeruzalem en tegen alle do overgebleven steden van Juda. tegen Lachis en tegen Azeka ; want deze , zijnde vaste steden, waren overgebleven onder de steden van Juda.

8 Het quot;Woord dat tot Jeremia geschied is vannen Heere, nadat de Koning Zedekia een verbond gemaakt bad met het gansche volk dat te Jeruzalem was, om vrij beid voor hen uit te roepen :

9 dat een iegelijk zijnen knecht en een iegelijk zijne maagd, zijnde een Hebrcër of eene Hebreïn, zou-

: b


-ocr page 875-

JE H EMI A 35.

857

de laten vrijgaan; zoodat niemand zich van hen , van oenen Jood , zijnen broeder, zoude doen dienen.

10 Nu hoorden alle de Vorsten en ai het volk die het verbond hadden ingegaan, dat zij een iegelijk zijnen knecht en een iegelijk zijne maagd zouden laten vrijgaan, zoodat zij zich niet meer van hen zouden doen dienen; zij hoorden dan en lieten ze gaan:

11 maar zij keerden daarna wederom en deden de knechten en maagden wederkomen die zij hadden laten vrijgaan, en zij brachten ze ten onder tot knechten en tot maagden.

12 Daarom geschiedde des H geren Woord tot Jeremia van den Heere , zeggende:

1h Zóó zegt de Heeiie de God Israëls: Ik heb een verbond gemaakt met uwe vaderen, ten dage als ik ze uit Egypteland, uit den diensthuize. uitvoerde, zeggende :

14 Ten einde van zeven jaren zult gij laten gaan een iegelijk zijnen broeder, eenen Hebreërdie u zal verkocht zijn en u zes jaren gediend heeft; gij zult hem dan van u laten vrijgaan ; maar uwe vaders hoorden niet naar mij en neigden hun oor niet.

15 Gijlieden nu waart heden wedergekeerd en hadt gedaan dat recht is in mijne oog^n , vrijheid uitroepende een iegelijk voor zijnen naaste; en gij hadt een verbond gemaakt voor mijn aangezicht in het Huis dat naar mijnen naam genoemd is;

16 maar gij zij t weder omgekeerd en hebt mijnen naam ontheiligd , en doen wederkomen een iegelijk zijnen knecht en een iegelijk zijne maagd, die gij hadt laten vrijgaan naar hunnen lust; en gij hebt ze ten ondergebracht om ulieden te wezen tot knechten en tot maagden.

17 Daarom zegt de Heere alzóó: Gijlieden hebt naar mij niet gehoord, om vrijheid uit te roepen een iegelijk voor zijnen broeder en een iegelijk voor zijnen naaste: zie, zoo roep ik uit tegen ulieden, spreekt de Heere, eene vrijheid ten zwaarde, ter pestilentie on ten honger, en zal u overgeven ter beroering allen koninkrijken dei- aarde.

IS En ik zal de mannen overgeven die mijn verbond hebben overtreden, die niet bevestigd hebber de woorden des verbondsdat zij voor mijn aangezicht gemaakt hadden, met het kalf dat zij in tweeën hadden gebouwen, en waren tusschen zijne stukken doorgegaan :

19 de Vorsten van Juda on do Vorsten van Jeruzalem, de kamerlingen en de Priesteren en al het volk des lands, die door do stukken des kalfs zijn doorgegaan ;

20 ja, ik zal ze overgeven in de hand hunner vijanden en in de hand dergenen die hunne ziele zoeken, en hunne doodelichamen zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot spijze zijn;

21 zelfs Zedeki\'a, den Koning van .lnda, en zijne Vorsten zal ik overgeven in de hand hunner vijanden en in de hand dergenen die hunne ziele zoeken, Ie weten in de hand van het heir des Ko-nings van BabeJ, die van ulieden na zijn opgetogen.

22 Zie, ik zal bevel geven, spreekt de Heere, en zal ze weder tol deze stad brengen, en zij zullen tegen haar strijden en zullen ze innemen, en zullen ze met vuur verbranden; en ik zal de steden van Juda stellen M eene verwoesting, dat er niemand in wone.

HOOFDSTUK 35.

Het Woord dat tot Jeremia geschied is van den Heere, inde dagen van Jojakim den zoon van .losfa, den Koning van Juda, zeggende :

2 Ga henen tot der Rechabiten huis, en spreek met hen , en breng ze in des Heeren Huis, in een der kameren, en geef hun wijn te drinken.

3 Toen nam ik Jaazanja, den zoon van Jeremia den zoon van Habazzinja, mitsgaders zijne broederen en alle zijne zonen. en het gansche huis der Rechabiten,

4 en bracht ze in des Heeren


-ocr page 876-

JE REM I A 36.

858

Huis, in fie kamer dor zonen van Hanan don zoon van Jigdalja, den man Gods, welke is bij de kamer der oversten, die daar is boven de kamer van Maaseja den zoon van Sallum, den dorpelbewaarder;

5 en ik zette den kinderen van der Rechabiten huis koppen vol wijn en bekers voor, en ik zeide tot hen: Drinkt wijn.

(5 Maar zij zeiden: Wij zullen geenen wijn drinken; wantJona-dab de zoon Rechabs, onze vader, heeft ons geboden, zeggende: Gijlieden zult geenen wijn drinken, gij noch uwe kinderen, tot in eeuwigheid;

7 ook zult gijlieden geen huis bouwen, noch zaad zaaien, noch wijngaard planten of hebben, maar gij zult in tenten wonen alle uwe dagen , opdat gij vele dagen leeft in het land alwaar gij als vreemdelingen verkeert.

8 Zoo hebben wij der stemme van Jonadab den zoon van Rechab, onzen vader, gehoorzaamd in alles dat hij ons geboden heeft; zoodat wij geenen wijn drinken alle onze dagen, wij , onze vrouwen, onze zonen en onze dochteren,

9 en dat wij geen huizen bouwen tot onze woningen, ook hebben wij geenen wijngaard noch veld noch zaad,

10 en wij hebben in tenten gewoond: alzoo hebben wij gehoord en gedaan naar alles dat ons onze vader Jonadab geboden heeft.

11 Maar het is geschied als Ne-bukadnezar de Koning van Babol i^iar dit land optoog, dat wij zeiden: Komt, en laat ons naar Jeruzalem trekken vanwege het heir der Chaldeën en vanwege het heir der Syriërs: alzoo zijn wij te Jeruzalem gebleven.

12 Toen geschiedde des Heeren Woord tot Jeremia, zeggende:

13 Zóó zegt de IIeere derheir-scharen, de God Israels: Ga henen en zeg tot de mannen van Juda en tot de inwoners van Jeruzalem : Zult gijlieden geene tucht aannemen, dat gij hoort naar mijne woorden? spreekt de Heere.

14 De woorden Jonadabs des zoons van Rechab, die hij zijnen kinderen geboden heeft,quot; dat zij geenen wijn zouden drinken, zijn bevestigd; want zij hebben geenen gedronken tot op dezen dag maar het gebod huns vaders gehoord: en ik heb tot ulieden gesproken, vroeg op zijnde en sprekende, maar gij hebt naar mij niet gehoord.

15 Kn ik heb tot u gezonden alle mijne knechten de Profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen: Bekeert u toch een iegelijk van zijnen boozen weg, maakt uwe handelingen goed, en wandelt andere goden niet na om hen te dienen, zoo zult gij in het land blijven dat ik u en uwen vaderen gegeven heb; maar gij hebt uw oor niet geneigd noch naar mij gehoord.

10 Dewijl dan de kinderen Jonadabs des zoons van Rechab het gebod huns vaders dat hij hun geboden heeft bevestigd quot;hebben, maar dit volk naar mij niet hoort,

17 daarom alzóó zegt de Heere de God der heirscharen , de God Israels: Zie, ik zal over Juda en over alle inwoners van Jeruzalem brengen al het kwaad dat ik tegen hen gesproken heb omdat ik tot hen gesproken heb maar zij niet gehoord hebben, en ik tot hen geroepen heb maar zij niet hebben geantwoord.

18 Tot het huis nu der Rechabiten zeide Jeremia : Zóó zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: Omdat gijlieden het gebod uws vaders Jonadabs zijt gehoorzaam geweest, en hebt alle zijne geboden bewaard, en gedaan naar alles wat hij ulieden geboden heeft,

19 daarom alzóó zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: Daar zal Jonadab den zoon Rechabs niet worden afgesneden een man die voor mijn aangezicht sta, alle de dagen.

HOOFDSTUK 36.

Het gebeurde ook in het vierde jaar van Jojakim den zoon van Josia, den koning van Juda, dat dit woord tot Jeremia geschiedde van den Heere, zeggende:


-ocr page 877-

J ERE MI A 3G.

859

2 Neem u eene rol des boeks, en schrijf daarop alle de woorden die ik tot u gesproken heb over Israël en over Juda en over alle de volken, van den dag af clat ik tot u gesproken heb, van de dagen van Josia af, tot op dezen dag:

3 misschien zullen die van liet huis van Juda hooren al het kwaad dat ik hun gedenk te doen, opdat zij zich bekeeren een iegelijk van zijnen boozen weg, en ik hunne ongerechtigheid en hunne zonde vergeve.

4 Toen riep Jeremia Baruchden zoon van Nen\'a, en Baruch schreef uit den mond van Jeremia alle woorden des Heeren die hij tot hem gesproken had, op eene rol des boeks.

5 En Jeremia gebood Baruch , zeggende: Ik ben opgehouden, ik zal in des Heeren Huis niet kunnen gaan:

6 zoo ga gij henen en lees in de rol, in dewelke gij uit mijnen mond geschreven hebt, de woorden des Heeren, voor de ooren des volks, in des Heeren Huis, op den vastendag; en gij zult ze ook lezen voor de ooren van gansch Juda, van allen die uit hunne steden komen:

7 misschien zal hunne smeeking voor des Heeren aangezicht ne-dervallen, en zullen zij zich bekeeren een iegelijk van zijnen boozen weg; want groot is de toornende grimmigheid die de Heere tegen dit volk heeft uitgesproken.

8 En Baruch de zoon van Nen\'a deed naar alles dat hem de Profeet Jeremia geboden had, lezende in dat boek do woorden des Hee-rèn. in het Huis des Heeren.

9 Want het geschiedde in het vijfde jaar van Jojakim den zoon van Josia, den Koning van Juda, in de negende maand, dat zij een vasten voor des Heeren aangezicht uitriepen, allen volke te Jeruzalem mitsgaders allen volke die uit de steden van Juda te Jeruzalem kwamen.

10 Zoo las Baruch in dat boek de woorden van Jeremia in des Heeren Huis, in de kamer van Gemarja den zoon vanSafan, den schrijver, in het bovenste voorhof, aan de deur der nieuwe poort van het Huis des Heeren , voor de ooren des ganschen volks.

11 Als nu Michaja, de zoon van Gemarja den zoon van Safan, alle de woorden des Heeren uit dat boek gehoord had,

12 zoo ging hij af naar het huis des Konings ih de kamer des schrijvers; en zie, aldar.r zaten alle. de Vorsten: Elisama de schrijver, en Delaja de zoon vanSema-ja, en Elnathan de zoon vanAch-bor, en Gemarja de zoon van Sa-fan , en Zedekia de zoon van Ha-nanja, en alle de Vorsten.

13 En Michaja maakte hun bekend alle de woorden die hij gehoord had, als Baruch uit dat boek las voor de ooren des volks.

14 Toen zonden alle de Vorsten Jehudi, den zoon van Nethanja , den zoon van Selemja, den zoon van Kuschi, tot Baruch, om te zeggen: De rol waaruit gij voor de ooren des volks gelezen hebt. neem die in uwe hand, en kom. Alzoo nam Baruch de zoon van Nen\'a de rol in zijne hand, en kwam tot hen.

15 En zij zeiden tot hem: Zit toch neder, en lees ze voor onze ooren; en Baruch las voor hunne ooren.

1G En het geschiedde als zij alle de woorden hoorden, dat zij verschrikten, de één tegen den ander, en zij zeiden tot Baruch: Voorzeker quot;zullen wij alle deze woorden den Koning bekend maken.

17 En zij vraagden Baruch, zeggende: Verklaar ons toch, hoe hebt gij alle deze woorden uit zijnen niond geschreven?

18 En Baruch zeide tot hen: Uit zijnen mond las hij tot mij alle deze woorden , en ik schreef ze met inkt in dit boek.

19 Toen zeiden de Vorsten tot Baruch : Ga henen , verberg u , gij en Jeremia, en niemand wete waar gijlieden zijt.

20 Zij dan gingen in tot den Koning in het voorhof; maar de rol leiden zij weg in de kamer van Elisama den schrijver; en zij verklaarden alle die woorden voor de ooren des Konings.


-ocr page 878-

J E R E MIA 37.

860

21 Toen zond de Koning Jehudi om de rol te hnlen, en hij haalde zo uit de kamer van Elisama den schrijver; en Jehudi las ze voor de ooren des Konings, en voorde ooren van alle de Vorsten die omtrent den Koning stonden.

22 (De Koning nu zat in het winterhuis, in de negende maand, en daar was een vuur voor zijn aangezicht op den haard aangestoken.)

23 En het geschiedde als Jehudi drie stukken of vier gelezen had, versneed hij ze met een schrijvers-mes. en wierp ze in het vuur dat op den haard was, totdat de gan-sche rol verteerd was in het vuur dat op den haard was;

24 en zij verschrikten niet en scheurden hunne kleederen niet, de Koning noch alle zijne knechten die alle deze woorden gehoord hadden ,

25 hoewel ook Elnathan en De-laja en Gemarja hij den Koning daarvoor spraken, dat hij de rol niet zoude verbranden; doch hij hoorde niet naar hen.

20 Daartoe gebood de Koning Jerahmeël den zoon van Hammé-lech, en Sera ja den zoon van Az-riël, en Selemja den zoon van Abdeöl, om den schrijver Baruch en den Profeet Jeremia tö vangen. Maar de Heere had ze verborgen.

27 Toen geschiedde des Heehen Woord tot Jeremia, nadat de Koning de rol en de woorden, die Baruch geschreven had uit den mond van Jeremia, verbrand had, zeggende:

28 Neem u weder eene andere rol, en schrijf daarop alle de eerste woorden, die geweest zijn op de eerste rol die Jojakim de Koning van Juda verbrand heeft.

29 En tot Jojakim den Koning van Juda zult gij zeggen: Zóó zegt de Heere: Gij hebt deze rolver-brand , zeggende: Waarom hebt gij daarop geschreven, zeggen-gende : De Koning van Babel zal zekerlijk komen en dit land verderven, en maken dat mensch en beest damp;arin ophouden?

30 Daarom zegt de Heere alzóó van Jojakim den Koning van Juda: Bij zal geenen hebben die op Davids troon zitte; en zijn dood lichaam zal weggeworpen zijn, des daags in de hitte en des nachts in de vorst;

81 en ik zal over hem en over zijn zaad en over zijne knechten hunlieder ongerechtigheid bezoeken , en ik zal over hen en over de inwoners van Jeruzalem en over de mannen van Juda al het kwaad brengen dat ik tot hen gesproken heb. maar zij hebben niet gehoord.

32 Jeremia dan nam eene andere rol, en gaf ze aan den schrijver Baruch den zoon van Nen\'a; die schreef daarop, uit den mond van Jeremia, alle de woorden van het boek dat Jojakim de Koning van Juda met vuur verbrand had; en aan dezelve werden nog vele dergelijke woorden toegedaan.

HOOFDSTUK 37.

En Zedekfa, zoon vanJosfa, regeerde als Konir.g in plaats van Chonia, Jojakims zoon, welken Zedekia Nebukadrezar, de Koning van Babel, Koning gemaakt had in het land van Juda.

2 Maar hij hoorde niet, hij noch zijne knechten noch het volk des lands, naar de woorden des Hee-ren, die hij sprak door den dienst van den Profeet Jeremia.

3 Nogtans zond do Koning Zedekfa Juchal den zoon van Selemja, en Zefanja den zoon van Mail-seja, den Priester, tot den Profeet Jeremia, om te zeggen : Bid toch voor ons tot den Heere onzen God.

4 (Want Jeremia was nog ingaande en uitgaande in het midden des volks, en zij hadden hem nog niet in het gevangenhuis gesteld.

5 En Farao\'s heir was uit Egypte uitgetogen ; en de Chaldeën die Jeruzalem belegerden, als zij het gerucht van hen gehoord hadden, zoo waren zij van Jeruzalem opgetogen.)

G Toen geschiedde des Heeren Woord tot den Profeet Jeremia , zeggende:

7 Zóó zegt de Heere de God Israels: Zóó zult gijlieden zeggen tot den Koning van Juda, die u tot mij gezonden heeft om mij te


-ocr page 879-

JEREMIA 38.

861

vragen: Zie, Farao\'s heir, dat u ter hulpe uitgetogen is, zal weder-keeren in zijn land, in Egypte;

8 en de Chaldeën zullen woder-keeren en tegeo deze stad strijden, en zij zullen ze innemen en zullen ze niet vuur verbranden.

9 Zóó zegt de Heere : Bedriegt uwe zielen niet, zeggende : De Chaldeën zullen zekerlijk van ons wegtrekken; want zij zullen niet wegtrekken.

10 Want al sloegt gijlieden het gansche heir der Chaldeën die tegen u strijden, en daar bleven van hen cen\'uje verwonde mannen over, zoo zonden zich die een iegelijk in zijne tentopmaken, en deze stad met vuur verbranden.

11 Voorts geschiedde het als het heir dor Chaldeën van Jeruzalem was opgetogen vanwege Farao\'s heir,

12 dat Jeremia uit Jeruzalem uitging om te gaan in het land Benjamins, om van daar te scheiden door het midden des volks.

13 Als hij in de poort Benjamins was, zoo was daar de wachtmeester , wiens naam was Jen\'a, de zoon van Selemja den zoon van Hananja; die greep den Profeet Jeremia, zeggende: Gij wilt tot de Chaldeën vallen.

14 En Jeremia zeide: liet is valsch, ik wil niet tot de Chaldeën vallen. Doch hij hoorde niet naar hem, maar Jen\'a greep Jeremia aan en bracht hem tot de Vorsten.

15 En de Vorsten werden zeer toornig op Jeremia en sloegen hem, en zij stelden hem in het gevangenhuis, ten huize van Jonathan den schrijver; want zij hadden dat tot een gevangenhuis gemaakt.

It) Als Jeremia in de plaats des kuils en in de cellen gekomen was, en Jeremia aldaar vele dagen gezeten had,

17 zoo zond de Koning Zedekia henen en liet hem halen , en de Koning vraagde hem in zijn huis, in het verborgen, en zeide : Is er ook een woord van den Meeke? En Jeremia zeide: Daar is, en zeide: Gij zult in-de hand des Ko-nings van Babel gegeven worden.

18 Voorts zeide Jeremia tot den Koning Zedekia: Wat heb ik tegen u cf tegen uwe knechten of tegen dit volk gezondigd, dat gijlieden mij in het gevangenhuis gesteld hebt ?

19 Waar zijn nu ulieder Profeten die u geprofeteerd hebben , zeggende : De Koning van Kabel zal niet tegen ulieden noch tegen dit land komen?

20 Nu dan hoor toch , o mijn heer Koning, laat toch mijne smeeking voor uw aangezicht nederval-len, en breng mij niet weder in Jonathans des schrijvers huis, opdat ik aldaar niet sterve.

21 Toen gaf de Koning Zedekia bevel, en zij bestelden Jeremia in het voorhof der bewaring, en men gaf hem des daags een bol brood uit de bakkerstraat, totdat al het brood van de stad op was. Alzoo bleef Jeremia in het voorhof der bewaring.

HOOFDSTUK 38.

Als Sefatja de zoon van Mat-tan, en Gedalja de zoon van Pas-hur, en Juchal de zoon van Selemja en Pashur de zoon van Malkfa, de woorden hoorden die Jeremia tot al het volk sprak, zeggende:

2 Zóó zegt de Heere : Wie in deze stad blijft, zal door het zwaard, door den honger of door de pestilentie sterven, maar wie tot de Chaldeën uitgaat, die zal leven, want hij zal zijne ziel tot eenen buit hebben en zal leven;

8 zóó zegt de Heere: Deze stad zal zekerlijk gegeven worden in de hand van liet heir des Konings van Babel, dat zal ze innemen: —

4 zoo zeiden de Vorsten tot den Koning: Laat toch deze man gedood worden, want aldus maakt hij de handen der krijgslieden die ie. deze stad zijn overgebleven, en de handen des gïmschen volks siap , zulke woorden tot hen sprekende; want deze man zoekt dezes volks vrede niet, maar het kwaad.

ö En de Koning Zedekia zeide: Zie, hij is in uwe hand, want de Koning zoude geen ding tegen u vermogen.


-ocr page 880-

JEREMIA 38.

8G2

6 Toen namen zij Jeremia, en wierpen hein in den kuil van Mal-kia den zoon van Hamméiech, die in het voorhof der bewaring was, en zij lieten Jeremia af met zelen: in den kuil nu was geen water, maar slijk; en Jeremia zonk in het slijk.

7 Als nu Ebed-Mélech de Moorman, een der kamerlingen, die toen in des Konings huis was, hooide dat zij Jeremia in den kuil geduan hadden, (de Koning nu zat in de poort Benjamins),

8 zoo ging Ebed-Mélech uit het huis des Konings uit, en hij sprak tot den Koning, zeggende:

9 Mijn heer Koning, deze mannen hebben kwalijk gehandeld in alles dat zij gedaan hebben aan den Profeet Jeremia, dien zij in den kuil geworpen hebben: daar hij toch op zijne plaats zoude gestorven zijn vanwege den honger, dewijl er geen brood meer in de stad is.

10 Toen gebood de Koning den Moorman Ebed-Mélech, zeggende: Neem van hier dertig mannen onder uwe hand, en haal den Profeet Jeremia op uit den kuil, eer dat hij sterve.

11 Alzoo nam Ebed-Mélech de mannen onder zijne hand, en ging in des Konings huis tot onder de schatkamer, en nam van daar eenige oude, verscheurde en oude, versleten lompen, en hij liet ze met zelen af tot Jeremia in den kuil.

12 En Ebed-Mélech de Moorman zeide tot Jeremia: Leg nu deze oude, verscheurde en versleten lompen onder de okselen uwer armen, van onderen aan de zelen. En Jeremia deed alzoo.

13 En zij trokken Jeremia bij de zelen, en haalden hem op uit den kuil, en Jeremia bleef in het voorhof der bewaring.

14 Toen zond de Koning Zede-Ida henen en liet den Profeet Jeremia tot zich halen, in den derden ingang die aan des Heerex Huis was; en de Koning zeide tot Jeremia: Ik zal u een ding vragen, verheel geen ding voor mij.

15 En Jeremia zeide tot Zede-kia: Als ik het u verklaren zal. zult gij mij zékerlijk nietdooden? En als ik u raad zal geven, gij zult tóch naar mij niet hooren.

16 Toen zwoer de Koning Ze-dekia aan Jeremia in het verborgen, zeggende: Zoo waarachtig als de Heere leeft die ons deze ziel gemaakt heeft, indien ik u zal dooden, óf indien ik u zal overgeven in de hand dezer mannen die uwe ziele zoeken!

17 Jeremia dan zeide tot Ze-dekia: Zóó zegt de Heere de God der heirscharen . de God Israels : Indien gij gewilliglijk tot de Vorsten des Konings van Babel zult; uitgaan, zoo zal uwe ziel leven,! en deze stad zal niet verbrand I worden met vuur, en gij zult leven, gij en uw huis.

18 Maar indien gij tot de Vorsten des Konings van Babel niet zult uitgaan , zoo zal deze stad gegeven worden in de hand der Ghaldeën, en zij zullen ze met vuur verbranden ; ook zult gij van hunne hand niet ontkomen.

19 En de Koning Zedeki\'a zeide tot Jeremia: Ik ben bevreesd voor de Joden die tot de Ghaldeën gevallen zijn, dat zij mij misschien in derzeiver hand overgeven, en zij den spot met mij drijven.

20 En Jeremia zeide: Zij zullen li niet overgeven; wees toch gehoorzaam aan de stemme des Heeren, naar welke ik tot u spreek; zoo zal het u wel gaan en uwe ziele zal leven.

21 Maar indien gij weigert uit te gaan, zoo is dit het woord dat de Heere mij heeft doen zien:

22 Ziedaar, alle d9 vrouwen die in het huis des Konings van Ju-da zijn overgebleven, zullen uitgevoerd worden tot de Vorsten des Konings van Babel; en dezelve zullen zeggen; Uwe yredege-nooten hebben u aangehitst, en hebben u overmocht, uwe voeten zijn in den modder gezonken , zij zijn achterwaarts gekeerd.

\'23\'Zij zullen dan alle uwe vrouwen en alle uwe zonen tot de Ghaldeën uitvoeren; ook zult gij zeil van hunne hand niet ontkomen, maar gij zult door de hand des


-ocr page 881-

JE RE MI A 39.

863

Konlngs van Babel gegrepen worden , en gij zult deze stad met vuur verbranden.

24 Toen zeide Zedekia tot Je-remia: Dat niemand wete van deze woorden, zoo zult gij niet sterven.

25 En als de Vorsten zullen hoeren dat ik. met u gesproken heb, en tot u komen en tot u zeggen: Verklaar ons nu , wat hebt gij tot den Koning gesproken? Verheel het niet voor ons, zoo zullen wij u niet dooden; en wat heelt de Koning tot u gesproken? —

20 zoo zult gij tot hen zeggen: Ik wierp mijne smeeking voor des Konings aangezicht neder, dat hij mij niet zoude laten weder brengen in Jonathans huis, om aldaar te sterven.

27 Als dan alle de Vorsten tot Jeremia kwamen en hem vraagden , verklaarde hij hun naar alle deze woorden die de Koning geboden had; en zij lieten van hem af omdat de zaak niet was gehoord.

28 En Jeremia bleef in het voorhof der bewaring tot op den dag dat Jeruzalem werd ingenomen , cn hij was cr nog als Jeruzalem was ingenomen.

HOOFDSTUK 39.

In het negende jaar van Zedekia, Koning van Juda, in de tiende maand, kwam Nebukadrezar de Koning van Babel, en al zijn heir, tegen Jeruzalem , en zij belegerden haar.

2 In het elfde jaar van Zedeki\'a in de vierde maand op den negende der maand werd de stad doorgebroken.

3 En alle Vorsten des Konings van Babel togen in, en hielden stand bij de middelste poort; namelijk Nergal-Sarézer Samgar-Ne-bu, Sarsechim Rabsaris, Nergal-Sarézer Rabmag, en alle de overige Vorsten des Konings van Babel.

4 En het geschiedde als Zedekia de Koning van Juda en alle de krijgslieden hen zagen, zoo vloden zij en togen bij nacht uit de stad, door den weg van des

Konings hof, door de poort tus-sc.hen de twee muren ; en hij toog uit door den weg des vlakken velds.

5 Doch het heir der Chaldeën jaagde ze achterna, en zij achterhaalden Zedekia in de vlakke velden van Jericho , en vingen hem , en brachten hem opwaarts tot Nebukadnezar don Koning van Babel, naar Ribla in het land van Harnath; die sprak oordeelen tegen hem uit:

0 en de Koning van Babel slachtte de zonen van Zedeki\'a te llib-la voor zijne oogen, ook slachtte de Koning van Babel alle edelen van Juda;

7 en hij verblindde de oogen van Zedekia, en bond hem met twee koperen ketenen, om hem naar Babel te voeren;

8 en de Chaldeën verbrandden het huis des Konings en de huizen des volks met vuur, en zij braken de muren van Jeruzalem af.

0 Met overige nu des volks, die in de stad waren overgebleven, en tie afvalligen die tot hem gevallen waren, met het overige des volks die overgebleven waren, voerde Nebuzaradan de overste der trawanten gevankelijk naar Babel.

10 Maar van het volk die arm waren, die nietmetal hadden, liet Nebuzaradan de overste der trawanten cenigen over in het land van Juda, en hij gaf hun te dien dage wijngaarden en akkers.

11 Maar van Jero.mia had Nebukadrezar de Koning van Babel bevel gegeven in de hand van Nebuzaradan den overste der trawanten , zeggende:

12 Neem hem. en stel uwe oogen op hem, en doe hem niets kwaads; maar gelijk als hij tot u spreken zal, doe alzóó met hem.

13 Zoo zond Nebuzaradan de overste der trawanten, mitsgaders Nebusazban Rabsaris, en Nergal-Sarézer Rabmag, en alle de oversten des Konings van Babel ;

14 zij zonden dan henen en na-


-ocr page 882-

1

JEREMIA 40.

men Jeremia uit het voorhof der bewaring, en gaven hem over aan Gedalja, den zoon van Ahikam den zoon van Safan , dat hij hem henen uitbracht naar huis: alzoo bleef hij in het midden des volks.

•15 Het Woord des Heerex was ook tot Jeremia geschied ais hij in het voorhof dor bewaring besloten was, zeggende:

10 Ga henen en spreek lot Ehed-Mélech den Moorman , zeggende :

Zóó zegt de Heer ie der heirscha-ren, de God Israels: Zse, ik zal mijne woorden brengen over deze stad ten kwade en niet ten goede, en zij zullen tc dien dage voor uw aangezicht zijn.

■J7 Maar ik zal u te dien dage redden, spreekt de Hkiche, en gij zult niet overgegeven worden in de hand der mannen voor welker aangezicht gij vreest;

•18 want ik zal u zekerlijk bevrijden , en gij zult door het zwaard niet vallen; inaar gij zult uwe ziele tot een buit hebben, omdat gij op mij vertrouwd hebt, spreekt de Heehe.

HOOFDSTUK 40.

Het woord dat van den Heere geschied is tot Jeremia, nadat Nebuzaradan de overste der trawanten hem had laten gaan van ] gevoerd:

Rama; als hem had laten halen, daar hij met ketenen gebonden was in het midden aller gevangenen van Jeruzalem en .Ju-da , die naar Babel gevankelijk werden weggevoerd.

2 Want de overste der trawanten liet Jeremia halen, en zcide tot hem : De Heere uw God heeft dit kwaad over deze plaats gesproken ,

3 en de Heere heeft het doen komen en gedaan gelijk als hij gesproken had, want gijlieden hebt gezondigd tegen den Heere en zijner stemme niet gehoorzaamd: daarom is ulieden deze zake geschied.

4 Nu dan , zie, ik heb u heden losgemaakt van de ketenen die aan uwe hand waren : indien het goed is in uwe oogen met mij naar Babel tc komen, zoo kom,

S zoo kwamen zij tot Gedalja te Mizpa. namelijk ismaël de zoon van Nethanja, en Johanan en .Jonathan de zonen van Karéah, en Sera ja de zoon van Tanhümeth, en de zonen van Efai den Netofa-thiet, en Jezanja de zoon eens Maa-chathiets, zij en hunne mannen:

9 en Gedalja, de zoon van Ahikam den zoon van Safan, zwoer hun en hunnen mannen. zeggende : Vreest nie: van de Ghaldeën tc dienen , blijft in het land en dient den Koning van Babel, zoo zal het ii wel gaan.

10 En ziet, ik woon te Mizpa, om te staan voor het aangezicht der Ghaldeën die tot ons zullen komen: gijlieden dan. verzamelt wijn en zomervruchten en olie, en doet ze in uwe vaten, en woont in uwe steden die gij hebt ingenomen.

864

en ik zal mijn oog op u si ellen. maar indien het kwaad is in uwe 1° oogen met mij naar Babel te komen , zoo laat het; zie, het gan-sche land is voor uw aangezicht: waarhenen het goed en recht i uwe oogen is te gaan, ga daar.

5 En dewijl hij nog niet zal w( derkeeren, zoo keer gij tot Gedalja, den zoon van Ahikam zoon van Safan, dien de Koning van Babel over de steden van .Ju-da gesteld heeft, en woon bij hem in het midden des volks; of overal waar het in uwe oogen recht is te gaan, ga er henen. En de overste der trawanten gaf hem JK reiskost en een geschenk, en liet p hem gaan. jn:

0 Alzoo kwam Jeremia lot Gedalja, den zoon van Ahikam te Mizpa, en hij woonde bij hem in het midden dos volks, die in het land waren overgelaten.

7 Toen nu alle oversten der hei- p ren die in het veld waren . zij en S hunne mannen hoorden dat de \' Koning van Babel Gedalja den zoon 1\' van Ahikam over het land gesteld ^ had, en dat hij aan hem bevolen had de mannen en de vrouwen en de kinderkens, en vandearmsten des lands, van degenen die niet naar Babel gevankelijk waren weg-

h

-ocr page 883-

JËREM1A 41.

8G5

dl Als ook alle de Joden die in loab en onder de kinderen Am-nons en in Edom en die in alle lie landen waren, hoorden dat de voning van Babel in Juda een tverblijfsel gelalen had, en dat hij iedalja, den zoon van Ahikam den oon van Safan, over hen gesteld lad:

12 zoo keerden alle de Joden we-ler uit alle de plaatsen waarhenen :ij gedreven waren , en kwamen li net land van Juda tot Gedalja er- te Mizpa, en zij verzamelden zeer dit jveel wijn en zomervruchten, de ^ 13 Doch Johanan de zoon van 3m {Karéah, en alle oversten der heiiet jren die in het veld waren, kwamen tot Gedalja te Mizpa , ui- 14 en zeiden tot hem : Weet gij )a, wel dat Baiilis, de Koning der (l- kinderen Ammons, Ismaöl den a- izoon van Nethanja uitgezonden heeft om u aan het leven te slaan? si- Maar Gedalja de zoon van Ahikam [«.n -geloofde hen niet. :1e 15 Johanan nogtans, de zoon van nn Karéah, sprak tot Gedalja in het ld verborgen te Mizpa, zeggende: m Laat mij toch henengaan en Is-m | maël den zoon van Nethanja slaan, tn ! en niemand zal het weten: waar-ït om zoude hij u aan li rit leven slaan, * en gansch Juda, die tot u vergaderd zijn , verstrooid worden , en e \\ het overblijfsel van Juda verloren gaan ?

16 Maar Gedalja de zoon van Ahikam zeide tot Johanan den zoon van Karéah : Doe deze zaak niet, want gij spreekt valsch van Ismaöl.

HOOFDSTUK 41.

Maar het geschiedde in de zevende maand dat Ismaël, de zoon van Nethanja den zoon van Elisa-ma, van koninklijken zade, en de oversten des Konings, te weten tien mannen met hem , kwamen tot Gedalja den zoon van Ahikam te Mizpa , en zij aten aldaar brood te zamen te Mizpa.

2 En Ismaöl de zoon van Nethanja maakte zich op, mitsgaders de tien mannen die met hem waren , en zij sloegen Gedalja, den zoon van Ahikam den zoon van

len uwe ko-?quot;an-cht: in ir. we-Ge-Jen ing .lu-em

Safan, met het zwaard: alzoo doodde hij hem dien de Koning van Babel over het land gesteld had.

3 Ook sloeg Ismaël alle de Joden die met hem, namelijk met Gedalja, te Mizpa waren, en de Chaldeën , de krijgslieden die aldaar gevonden wérden.

4 Het geschiedde nu op den tweeden dag nadat hij Gedalja gedood had, en niemand/ie£ wist,

5 zoo kwamen er lieden vanSi-chem , van Silo en van Samarië, tachtig man, hebbende den baard afgeschoren en de kleederen gescheurd en zichzelven gesneden, en spijsoffer en wierook waren in hunne hand om ten Huize des Heeren te brengen.

6 En Ismaël de zoon van Nethanja ging uit van Mizpa, hun tegemoet, al gaande en weenende; en het geschiedde als hij ze aantrof, dat hij zeide: Komt tot Gedalja den zoon van Ahikam.

7 Maar het geschiedde als zij in het midden der stad gekomen waren , dat Ismaël de zoon van Nethanja hen keelde en wierp ze in het midden des kuils; hij en de mannen die met hem waren.

8 Doch onder hen werden tien mannen gevonden die tot Ismaël zeiden : Dood ons niet, want wij hebben verborgen schallen in het veld, van tarwe en gerst en olie en honig. Zoo liet hij af en doodde ze niet in het midden hunner broederen.

9 De kuil nu waarin Ismaël alle de doode lichamen der mannen die hij aan de zijde van Gedalja geslagen had henenwierp, is dezelfde dien de Koning Asa.maakte vanwege Baësa den Koning Is-raëls ; dezen vulde Ismaël de zoon van Nethanja met de verslagenen.

10 En Ismaël voerde het gansche overblijfsel des volks dat te Mizpa was gevankelijk, te toeten des Konings dochteren en al het volk die te Mizpa waren overgelaten, die Nebuzaradan de overste der trawanten aan Gedalja den zoon van Ahikam bevolen had; Ismaël dan de zoon van Nethanja voerde ze gevankelijk weg, eii toog henen


28

-ocr page 884-

JEREMIA 42.

866

om over le gaan tot de kinderen Ammons.

11 Toen nu Johanan de zoon van Karéah en alle de oversten der heiren die met hem waren, al het kwaad hoorden dat Ismaël de zoon van Nethanja gedaan had,

12 zoo namen zij alle de mannen. en togen henen om met Is-maël den zoon van Nethanja te strijden; en zij vonden hem aan het groote water dat bij Giheon is.

13 En het geschiedde als al het volk dat met Ismaël was Johanan zag, den zoon van Karéah, en alle de oversten der heiren die met hem waren, zoo werden zij verblijd;

14 en al het volk dat Ismaël van Mizpa gevankelijk had weggevoerd wendde zich om, en zij keerden zich en gingen over tot Johanan den zoon van Karéah.

15 Doch Ismaël de zoon van Nethanja ontkwam van Joha-nans aangezicht met acht mannen, en hij toog tot de kinderen Ammons.

16 Toen nam Johanan de zoon van Karéah, mitsgaders alle de oversten der heiren die met hem waren, het gansche overblijfsel des volks dat hij wedergebracht had van Ismaël den zoon van Nethanja van Mizpa (nadat hij Ge-dalja den zoon van Ahikam verslagen had), te weten de mannen die krijgslieden waren, en de vrouwen en kindei-kens en kamerlingen die hij van Giheon had wedergebracht;

17 en zij togen henen en sloegen zich neder te Geruth-Kim-ham dat bij Bethlehem is, om voort te trekken dat zij in Egypte kwamen,

18 voor het aangezicht der Ghal-deën ; want zij vreesden voor hun-lieder aangezicht, omdat Ismaël de zoon van Nethanja Gedalja den zoon van Ahikam geslagen had, dien de Koning van Babel over liet land gesteld had.

HOOFDSTUK 42.

Toen traden toe alle oversten der heiren, en Johanan de zoon van Karéah, en Jezanja de zoon van

Hosaja, en al het volk van dei kleinste tot den grootste toe,

2 en zeiden tot den Proleet Je remia: Laat toch onze smeekinj voor uw aangezicht nedervallen en bid voor ons lot den Heeri uwen God , voor dit gansche over blijfsel; want wij zijn weinig var veel overgelaten, gelijk uweooger ons zien:

3 dat ons de Heere uw God bekend make den weg dien wij zullen ingaan en de zake die wij zullen doen.

4 En de Profeet Jeremia zeide tot hen: Ik heb het gehoord; zie. ik zal tot den Heere uwen God bidden naar uwe woorden en heil zal geschieden . het gansche woordl dat de Heere u zal antwoorden,! zal ik u bekend maken, en ik zali u geen woord onthouden.

5 Toen zeiden zij tot Jeremia: De Heere zij tusschen ons totj een waarachtig en gewis getuige: indien wij niet naar .-ille woord met. hetwelk u de Heere uw God tot: ons zal zenden, alzóu zullen doen!

6 Hetzij dan goed of kwaad, wij zullen der stemme des Hee-rÊn onzes Gods, tot welken wij u zenden, gehoorzaam zijn ; opdat het ons wël ga wanneer wij dei-stemme des Heeren onzes Gods zullen gehoorzaam zijn.

7 En het gebeurde ten einde van tien dagen dat des Heeren Woord tot Jeremia geschiedde.

8 Toen riep hij Johanan den zoon van Karéah, en alle oversten der heiren die met hem waren , en al het volk van den kleinste af tot den grootste toe;

9 en hij zeide tot hen : Zóó zegt de Heere de God Israëls, tot welken gij mij gezonden hebt om uwe smeelving voor zijn aangezicht neder te werpen.

10 Indien gijlieden in dit land zult blijven wonen, zoo zal ik u bouwen en niet afbreken, en u planten en niet uitrukken ; want ik heb berouw over het kwaad dat ik u aangedaan heb :

11 vreest riet voor het aangezicht des Konings van Babel, voor wiens aangezicht gij vreest; vreest niet voor hem, spreekt de Heere,


-ocr page 885-

JE RE MI A 43.

want ik zal met u zijn, om u te behouden en u van zijne hand te redden;

12 en ik zal ulieden barmhartigheid geven, dat hij zich uwer erbarme en u weder in uw land brenge.

13 Maar zoo gijlieden zult zeggen: Wij zullen in dit land niet blijven, dat gij der stemme des Heeren uws Gods niet gehoorzaam zijt,

14 zeggende: Neen, maar wij zullen gaan in Egypteland, alwaar wij geenen krijg zullen zien noch het geluid der bazuin hooren, noch naar brood hongeren, en daar zullen wij blijven: —

15 nu dan daarom hoort des Heeren Woord, gij overblijfsel van Juda: zóó zegt deHEEREder heirscharen, de God Israels: Indien gij ganschelijk uw aangezicht zult stollen om in Egypte te gaan, en zult henen gaan om aldaar als vreemdelingen te ver-keeren,

16 zoo zal het geschieden dat het zwaard waar gij voor vreest u aldaar in Egypteland zal achterhalen , en de honger waar gij voor zorgt zal u aldaar in Egypte achteraankleven, en gij zult aldaar sterven:

17 zoo zullen alle de mannen zijn die hun aangezicht stellen om in Egypte te gaan, om aldaar als vreemdelingen te verkeeren; zij zullen sterven door het zwaard, door den honger en door de pestilentie, en zij zullen niemand hebben die overblijve ofontkome van het kwaad dat ik over hen zal brengen.

18 Want zóó zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: Gelijk als mijn toorn en mijne grimmigheid is uitgestort over de inwoners van Jeruzalem, alzóó zal mijne grimmigheid over ulieden uitgestort worden als gij in Egypte zult gekomen zijn, en gij zult wezen tot eene vervloeking en tot eene ontzetting en tot eenen vloek en tot smaadheid, en zult deze plaats niet meer zien.

19 De Heere heeft tegen ulieden gesproken, gij overblijfsel van Juda: Gaat niet in Egypte. Weet zekerlijk dat ik heden tegen u betuigd héb.

20 Gewisselijk gij hebt uwe zielen verleid; want gij hebt mij tot den Heere uwen God gezonden, zeggende: Bid voor ons tot den Heere onzen God, en naar alles wat de Heere onze God zal zeggen , alzóó maak het ons bekend, en wij zullen het doen.

21 Nu heb ik het u heden bekend gemaakt, maar gij hebt niet gehoord naar de stemme des Heeren uws Gods, noch naar al hetgeen met hetwelk hij mij tot u gezonden heeft.

22 Zoo weet nu zekerlijk, dat gij door het zwaard, door den honger en door de pestilentie sterven zult. ter plaatse waar het u gelust heeft henen te gaan om aldaar als vreemdelingen te verkeeren.

HOOFDSTUK 43.

En het geschiedde als Jeremia geëindigd had tot het gansche volk te spreken alle de woorden des H eer en huns Gods, met dewelke hem de Heere hun God tot hen gezonden had, te zueten alle die woorden:

2 zoo sprak Azarja de zoon van Hosaja, en Johanan de zoon van Karéah, en alle de trotsche mannen , zeggende tot Jeremia: Gij spreekt leugen, de Heere onze God heeft u niet gezonden om te zeggen : Gijlieden zult niet gaan in\' Egypte, om aldaar als vreemdelingen te verkeeren;

3 maar Baruch de zoon van Ne-j-i\'a hitst u tegen ons op, opdat hij ons overgeve in de hand der Chaldeën, dat zij ons do oden en ons gevankelijk naar Babel wegvoeren.

4 Alzoo gehoorzaamde Johanan de zoon van Karéah, en alle de oversten der heiren, en al het volk, de stem des Heeren niet, om in het land van Juda te blijven;

5 maar Johanan de zoon van Karéah en alle de oversten der heiren namen het gansche overblijfsel van Juda , die van alle de heidenen waar zij waren henengc-


-ocr page 886-

J E R E MIA

oC8

dreven wedergekeerd waren om in het land van Juda te wonen,

6 de mannen en de vrouwen en de kinderkens, en des Konings dochteren . en alle ziele die Ne-buzaradan do overste der trawanten bij Gedalja, den zoon van Ahi-kam den zoon van Safan, gelaten had, ook den Profeet Jeremia en Baruch den zoon van Nerfa;

7 en zij togen in Egypteland, want zij waren der stemme des Heehex niet gehoorzaam; en zij kwamen tot Tachpanhes.

S Toen geschiedde des Heeren Woord tot Jeremia te Tachpanhes , zeggende:

9 Neem groote steenen in uwe hand, en verberg ze in de klei in den ticheloven die hij de deur van Farao\'s huis te Tachpanhes is, voor de oogen der .Toodsche mannen;

10 en zeg tot hen: Zóó zegt de Heere der heirscharen, de God Israels: Zie, ik zal henenzenden en Nebukadrezar den Koning van Babel, mijnen knecht, halen, en ik zal zijnen troon zetten boven op deze steenen die ik verborgen heb; en hij zal zijne schoone tent daarover spannen.

11 En hij zal komen en Egypteland slaan: wie ter dood, ter dood; en wie ter gevangenis, ter gevangenis; en wie ten zwaarde, tèn zwaarde.

12 En ik zal een vuur aansteken in de huizen der goden van Egypte, en hij zal ze verbranden en quot;gevankelijk wegvoeren ; en hij zal Egypteland aantrekken gelijk als een herder zijn kleed aantrekt, en hij zal van daar uittrekken in vrede.

13 En hij zal de opgerichte beelden van Beth-Sémes hetwelk in Egypteland is verbreken, en hij zal de huizen der goden van Egypte met vuur verbranden.

HOOFDSTUK 44.

Het woord dat tot Jeremia geschiedde aan alle de Joden die in Egypteland woonden, die te Mig-dol woonden, en te Tachpanhes, en te Nof, en in het land Path ros, zeggende :

2 Alzóó zegt de Heere der heirscharen, do God Israels: Gij hebt gezien al het kwaad dat ik gebracht heb over Jeruzalem en over alle steden van Juda; en zie, zij zijn eene woestheid te dezen dage, en niemand woont daarin :

3 vanwege hunne boosheid die zij gedaan hebben om mij te tergen , gaande om te rooken en andere goden te dienen die zij niet kenden, zij, gij, noch uwe vaders.

4 En ik heb tot u gezonden alle mijne knechten de Profeten, vroeg op zijnde en zendende, om te zeggen : Doet toch deze gruwelijke zaak niet die ik haat;

5 maar zij hebben niet gehoord noch hun oor geneigd om zich van hunne boosheid te bekeeren, dat zij anderen goden niet rookten.

6 Daarom is mijne grimmigheid en mijn toorn uitgestort, en heeft gebrand in de steden van Juda en in de straten van Jeruzalem; zoodat ze tot eenzaamheid en tot verwoesting geworden zijn, gelijk het is te dezen dage.

7 En nu, zóó zegt de Heere de God der heirscharen, de God Israels: Waarom doet gij zulk een groot kwaad tegen uwe zielen, opdat gij u den man en de vrouw, het kind en den zuigeling uit het midden van Juda uitroeit, opdat gij u geen overblijfsel overlaat ?

8 tergende mij door de werken uwer handen, rookende anderen goden in het land van Egypte, alwaar gij gekomen zijt om daar als vreemdelingen te verkeeren, opdat gij u zeiven uitroeit, en opdat gij wordt tot eenen vloek en tot eene smaadheid onder alle volken der aarde?

9 Hebt gij vergeten de boosheden uwer\' vaderen , en de boosheden der Koni igen van Juda , en de boosheden hunner vrouwen, en uwe boosheden, en de boosheden uwer vrouwen , die zij gedaan hebben in het land van Juda en in de straten -van Jeruzalem?

10 Zij zijn tot op dezen dag nog niet verbrijzeld van harte, en zij hebben niét gevreesd noch gewandeld in mijne wet en in mijne in-


-ocr page 887-

J E R E MIA 44.

809

etlingen , die ik voor ulieder aan-ezicht en voor het aangezicht wer vaderen gegeven heb.

11 Daarom zóó zegt do Heere er heirscharen, de God Israëls: ie, ik zal mijn aangezicht tegen lieden stellen ten kwade en om ansch Juda uit te roeien;

12 en ik zal het overblijfsel van uda wegnemen, die hunne aan-ezichten gesteld hebben om in Egypte land te gaan, om aldaar Is vreemdelingen te verkeeren; :n zij zullen allen in Egyptcland erteerd worden, door het zwaard uilen zij vallen, door den hon-jer zullen zij verteerd worden , /an den kleinste tot den grootste oe; door het zwaard en door den longer zullen zij sterven, en zij ;ullen worden tot eene vervloe-

tot eene ontzetting en tot enen vloek en tot eene smaad-lieid.

13 Want ik zal bezoeking doen ver degenen die in Egypteland ivonen, gelijk als ik bezoeking gedaan heb over Jeruzalem, door het zwaard, door den honger en [door de pestilentie;

14 zoodat het overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn om aldaar als vreemdelingen e verkeeren, geenen zal hebben die ontkome of overblijve, te weten om weder te keeren in het land van Juda, waarnaar hunne ziel verlangt weder te keeren om aldaar te wonen; maar zij zullen er niet wederkeeren, behalve die ontkomen zullen.

15 Toen antwoordden aan Jere-mia alle de mannen die wisten dat hunne vrouwen anderen goden rookten , en alle de vrouwen die daar stonden, zijnde een groo-te hoop, mitsgaders al het volk die in Egypteland, in Pathros woonden, zeggende:

16 Aangaande het woord dat gij tot ons in des Heeren naam gesproken hebt, wij zullen naar u niet hooren ;

17 maar wij zullen ganschelijk doen al hetgeen dat uit onzen mond is uitgegaan, rockende der Melécheth des hemels en haar drankoiferen offerende, gelijk als wij gedaan hebben, wij en onze vaders, onze Koningen en onze Vorsten, in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem: toen werden wij met brood verzadigd, en waren vroolijk en zagen geen kwaad.

18 Maar van toen af dat wij opgehouden hebben der Melécheth des hemels te rooken en haar drankoiferen te offeren, hebben wij aan alles gebrek gehad, en zijn door het zwaard en door den honger verteerd.

19 Ook wanneer wij der Melécheth des hemels rooken en haar drankofferen offeren, maken wij haar gebeelde koeken om haar af te beelden, en offeren wij haar drankoiferen zonder onze mannen?

20 Toen sprak Jeremia tot al het volk, tot de mannen en tot de vrouwen, en tot al het volk die hem zulks geantwoord hadden , zeggende:

21 Het rooken dat gijlieden in de steden van Juda en in de stralen van Jeruzalem gerookt hebt, gij en uwe vaderen , uwe Koningen en uwe Vorsten en het volk des lands, heeft de Heere daaraan niet gedacht en is het niet in z jn hart opgekomen?

22 zoodat het de Heere niet meer konde verdragen, vanwege de boosheid uwer handelingen, vanwege de gruwelen die gij deedt; daarom is uw land geworden tot eene woestheid en tot ontzetting en tot eenen vloek, dat er niemand in woont, gelijk het is te dezen dage :

23 vanwege dat gij gerookt,hebt, en dat gij tegen den Heere gezondigd quot;hebt, en des Heeren stemme niet gehoorzaam zijt geweest, en in zijne wet en in zijne inzettingen en in zijne getuigenissen niet hebt gewandeld, daarom is u dit kwaad wedervaren, gelijk het is te dezen dage.

24 Voorts zeide Jeremia tot al het volk en tot alle de vrouwen: Hoort des Heeren Woord, gij gansch Juda die in Egypteland zijt;

25 zóó spreekt de Heere der heirscharen, de God Israëls., zeg-


-ocr page 888-

JEREMIA 45, 4G.

870

gende: Aangaande u en uwe vrouwen, zij hebben toch met uwen mond gesproken, en gij hebt het met uwe handen vervuld, zeggende: Wij zullen onze geloften die wij beloofd hebben ganschelijk houden, rookendeder Melécheth des hemels en haar drankofferen offerende; nu, zij hebben uwe geloften volkomenlijk bevestigd en uwe geloften volkomenlijk gehouden.

2ö Daarom hoort des Herren Woord, gij gansch Juda die in Egypteland woont: Zie, ik zweer bij\' mijnen grooten naam , zegt de Heere, zoo mijn naam met den mond van eenig man van Juda in gansch Egypteland meer zal genoemd worden, die zegge: Zoo waarachtig als de Heere Heere leeft!

27 Zie, ik zal over hen waken ten kwade en niet ten goede; en alle mannen van Juda, die in Egypteland zijn, zullen door het zwaard en door den honger verteerd worden, totdat zij ten einde zijn;

28 maar die van hot zwaard ontkomen, zullen uit Egypteland wederkeeren in het land van Juda , weinig in getale; en het gan-sche overblijfsel van Juda, die in Egypteland gekomen zijn om aldaar als vreemdelingen te ver-keeren, zullen weten wiens woord bestaan zal, het mijne of het hunne.

29 En dit zal ulieden het toeken zijn, spreekt de Heere, dat ik in deze plaats over u bezoeking zal doen, opdat gij weet dat mijne woorden zekerlijk over u bestaan zullen ten kwade:

30 al zóó zegt de Heere: Zie, ik zal Farao Hofra den Koning van Egypte geven in de hand zijner vijanden en in de hand dergenen die zijne ziel zoeken, gelijk als ik Zcdekia den Koning van Juda gegeven heb in de hand van Nebukadrezar den Koning van Ba-bel. zijnen vijand en die zijne ziel zocht.

HOOFDSTUK 45.

Het woord dat de Profeet Je-remia gesproken heeft tot Baruch den zoon van Neria, als hij die woorden uit den mond van Jerc-mia in een boek schreef, in het vierde jaar van Jqjakim den zoon van Josia, den Koning van Juda, zeggende:

2 Alzóó zegt de Heere de God Israels van u, o Baruch:

3 Gij zegt: Wee nu mij, want de Heere heeft droefenis tot mijne smarte gedaan; ik ben moede van mijn zuchten en vind geen rust.

4 Zóó zult gij tot hem zeggen: Zóó zegt de Heere: Zie, wat ik gebouwd heb breek ik af, en wat ik geplant heb ruk ik uit, zelfs dit gansche land:

5 en zoudt gij u groote dingen zoeken? Zoek ze niet; want zie, ik breng een kwaad over alle vleesch, spreekt de Heere ; maar ik zal u uwe ziel tot eenen buit geven, in alle plaatsen waar gij zult henentrekken.

HOOFDSTUK 46.

Het Woord des Heeren dat tot den Profeet Jeremia geschied is tegen de heidenen.

2 Tegen Egypte; tegen het heir van Farao Necho, Koning van Egypte, dat aan de rivier Frath bij Karkemis was, dat Nebukadrezar de Koning van Babel sloeg in het vierde jaar van Jojakim den zoon van Josi\'a, den Koning van Juda.

3 Rust het schild en de rondas toe, en nadert tot den strijd.

4 Spant de paarden aan en klimt op, gij ruiters, en stelt u met helmen; veegt de spiesen, trekt de pantsers aan.

5 Waarom zie ik dat zij versaagd en achterwaarts gedreven zijn? Zelfs hunne helden zijn verslagen en nemen de vlucht en zien niet om, daar is schrik van rondom, spreekt de Heere.

(J De snelle ont\\ liede niet en de held ontkome niet; tegen het Noorden, aan den oever der rivier Frath zijn zij gestruikeld en gevallen.

7 Wie is deze die optrekt als een stroom , wiens wateren zich bewegen als de rivieren?


-ocr page 889-

JEREMIA 4G.

871

8 Egypte trekt op als een stroom, en zijne wateren bewegen zich als de rivieren; en hij zegt: Ik zal optrekken , ik zal de aarde bedekken , ik zal de stad en die daarin wonen verderven.

9 Trekt op gij paarden , en raast gij wagens, en laat de helden uittrekken : de Mooren en de Puteërs die het schild handelen , en de Lydiërs die den boog handelen en spannen.

10 Maar deze dag is des Heeren, des Heeren der heirscharen, een dag der wrake , dat hij zich wre-ke van zijne wederpartijders . en het zwaard zal eten en verzadigd en dronken worden van hun bloed; want de Heere Heere der heirscharen heeft een slachtoffer in het land van het Noorden, aan de rivier Frath.

11 Ga op naar Gilead en haal balsem , gij jonkvrouw , dochter van Egypte: tevergeefs vermenigvuldigt gij de artsenijen, daar is geen heeling voor u.

12 De volken hebben uwe schande gehoord, en het land is vol van uw gekrijt; want zij hebben zich gestooten, held tegen held, zij zijn beiden te zamen gevallen.

13 Het woord dat de Heere tot den Profeet Jeremia sprak van de aankomst van Nebukadrezar, den Koning van Babel, om Egypte-land te slaan.

14 Verkondigt in Egypte en doet het hooren te Migdol, doet het ook hooren te Nof en te Tachpan-hes; zegt: Stel er u naar en maak u gereed, want het zwaard heeft verteerd wat rondom u is.

15 Waarom zijn uwe sterken weggevaagd? Zij stonden niet, omdat de Heere ze voortdreef;

10 hij maakte der struikelenden vele, ja de één viel op den ander, zoodat zij zeiden: Sta op en laat ons wederkeeren tot ons volk en tot het land onzer geboorte, vanwege het verdrukkende zwaard.

17 Daar riepen zij: Farao de Koning van Egypte is maar een gedruisch, hij heeft den gezelten tijd laten voorbijgaan.

18 Zoo waarachtig als ik leve, spreekt de Koning, wiens naam is Heere der heirscharen, hij zal voorzeker, als Tabor onder de bergen en als Karmel bij de zee , aankomen.

19 Maak voor u gereedschap der gevankelijke wegvoering, gij in-woneres, gij dochter van Egypte; want Nof zal ter verwoesting worden , en zal verbrand worden dat er niemand in wone.

20 Egypte is eene zeer schoone vaars: de slachter komt, hij komt van het Noorden.

21 Zelfs hare gehuurden in haar midden zijn als gemeste kalveren, maar die hebben zich óók gewend, zij zijn te zamen gevlucht , zij hebben niet gestaan ; want de dag huns verderfs is over hen gekomen, de tijd hunner bezoeking.

22 Hare stem zal gaan als eener slang ; want zij zullen met krijgsmacht daar benentrekken, en tot haar met bijlen komen gelijk houthouwers.

23 Zij hebben haar woud afgehouwen . spreekt de Heere , hoewel het niet is te onderzoeken , want zij zijn meer dan de sprinkhanen, zoodat men ze niet tellen kan.

24 De dochter van Egypte is beschaamd, zij is gegeven in de hand des volks van het Noorden.

25 De Heere der heirscharen , de God Israëls, zegt: Zie, ik zal bezoeking doen over de menigte van No, en over Farao, en over Egypte, en over hare goden en over hare Koningen, ja over Farao en over degenen die op hem vertrouwen;

26 en ik zal ze geven in de hand dergenen die hunne ziel zoeken, en in de hand van Nebukadrezar den Koning van Babel, en in de hand zijner knechten. Maar daarna zal zij bewoond worden als in de dagen van ouds, spreekt de Heere.

27 Maar gij mijn knecht Jakob, vrees niet, en ontzet u niet, o Israël; want zie, ik zal u verlossen uit verre landen, en uw zaad uit het land hunner gevangenis; en Jakob zal wederkomen en stille en gerust zijn, en niemand zal hem verschrikken.


-ocr page 890-

JEfcÊMlA 47, 48.

872

28 Gij dan mijn knecht Jakob , vrees niet, spreekt de Heere, want ik ben met u; want ik zal eene voleinding maken met alle de heidenen waarhenen ik n gedreven zal hebben, doch met u zal ik geene voleinding maken, maar u kastijden met mate, en u niet gansch onschuldig houden.

HOOFDSTUK 47.

Het Woord des Heeren dat tot den Profeet Jeremia geschiedde tegen de Filistijnen, eer dat Farao Gaza sloeg.

2 Zóó zegt de Heere : Zie, wateren komen op van het Noorden, en zullen worden tot eene over-loopende beek, en overioopen het land en zijne volheid. de stad en die daarin wonen ; en de menschen zullen schreeuwen en alle de inwoners des lands zullen huilen,

3 vanwege het geluid van het getrappel der hoeven zijner sterke paarden, vanwege quot;het geraas zijner wagenen en het bolderen zijner raderen: de vaders zien niet om naar de kinderen , vanwege de slapheid der handen,

4 vanwege den dag die er komt om alle Filistijnen te verstoren, om Tyrus en Sidon allen overgebleven helper af te snijden ; want de Heere zal de Filistijnen, het overblijfsel van het eiland Kaftor, verstoren.

5 Kaalheid is op Gaza gekomen; Askelon is uitgeroeid, met het overblijfsel van hun dal; hoelang zult gij uzelven insnijdingen maken?

G O wee gij zwaard des Heeren, hoe lang zult gij niet stilhouden? Vaar in uwe scheede, rust en wees stil.

7 Hoe zoudt gij stilhouden ? De Heere heeft toch aan het zwaard bevel gegeven tegen Askelon, en tegen de zeehaven, aldaar heeft hij het besteld.

HOOFDSTUK 48.

Tegen Moab zegt de Heere der heirscharen, de God Israëls, alzóó: Wee over Nebo, want zij is verstoord; Kirjathaïm is beschaamd, zij is ingenomen: de stad des hoo-gen vertreks is beschaamd er, verschrikt.

2 Moabs roem van Hesbon is ei niet meer; zij hebben kwaad tegen haar gedacht, zeggende: Komt en laat ons haar uitroeien dat zij geen volk meer zij; ook gij, Madmen, zultnedergehouwen worden, het zwaard zal achter u gaan;

3 daar is eene stem des gekrijt; van Horonaïm : Verstoring en eene groote breuk!

4 Moab is verbroken , hare klei ne kinderen hebben een gekrijt laten hooren.

5 Want in den opgang van Lu hith zal geween bij geween op gaan, want in den afgang van Horonaïm hebben Moabs weder partijders een jammergeschreigehoord.

ü Vlucht, redt uwe ziele en wordt als de heidestruik in de woestijn;

7 want om uw vertrouwen op uwe werken en op uwe schatten zult gij óók ingenomen wor-nen, en Kamos zal uitgaan in gevangenis, zijne Priesters en zijne Vorsten te zamen;

8 want de verstoorder zal komen over elke stad, dat niet ééne stad ontkomen zal, en het dal zal verdorven en het effen veld verdelgd worden; want de Heere heeft het gezegd.

9 Geeft Moab vederen, want al vliegende zal zij uitgaan; en hare steden zullen ter verwoesting worden , dat niemand in dezelve wone.

1Ü Vervloekt zij die des Heeren werk bedriëgelijk doet, ja , vervloekt zij die zijn zwaard van het bloed onthoudt.

11 Moab is van zijne jeugd af gerust geweest, en hij heeft op zijne heffe stilgelegen, en is van vat in vat niet geledigd, en heeft niet gewandeld in gevangenis: daarom is zijn smaak in hem gebleven en zijn reuk niet veranderd.

12 Daarom zie, de dagen komen , spreekt de Heere, dat ik hem vreemde gasten zaltoeschik-ken , die hem in vreemde plaatsen zullen voeren, en zijne vaten ledigen, en hunlieder llesschen in stukken slaaij


-ocr page 891-

JE REM IA 48.

873

13 en Moab zal beschaamd worden vanwege Kamos, gelijk als het huis Israëls beschaamd is geworden vanwege Beth-El, hun-lieder vertrouwen.

14 Hoe zult gij zeggen: Wij zijn helden en dappere mannen ten strijde?

15 Moab is verstoord en uit zijne steden opgegaan, en de keur zijner jongelingen is ter slachting afgegaan, spreekt de Koning wiens naam is Heere der heirscharen.

10 Moabs verderf is nabij om te komen, en zijn kwaad haast zich zeer.

17 Beklaagt hem, gij allen die rondom hem zijt, en allen die zijnen naam kent, zegt: Hoe is de sterke staf, de sierlijke stok verbroken?

18 Daal neder uit uwe heerlijkheid en woon in dorst, gij inwo-neres, gij dochter van Dibon; want Moabs verstoorder is tegen u opgetogen, hij heeft uwe vestingen verdorven.

19 Sta aan den weg en zie toe, gij inwoneres van Aroër; vraag den vluchtenden man en de ont-komene vrouw\\ zeg: Wat is er geschied?

20 Moab is beschaamd, want hij is verslagen: huilt en krijt, verkondigt te Arnon dat Moab verstoord is.

21 En het oordeel is gekomen over het vlakke land; over Ho-Ion , en over Jahza, en over Me-faath,

22 en over Dibon, en over Ne-bo, en over Beth-Diblathaïm,

23 en over Kirjathaïm, en over Beth-Gamul, en over Beth-Meon,

24 en over Kerioth, en over Bozra, ja over alle steden van Moabs land die verre en die nabij zijn.

25 Moabs hoorn is afgesneden en zijn arm verbroken, spreekt de Heere.

26 Maakt hem dronken, omdat hij zich groot gemaakt heeft legen den Heere; zoo zal Moab met de handen klappen in zijn uit-spuwsel; en hij zelf zal óók ter belaching zijn.

27 Want is u niet Israël ter belaching geweest? Was hij onder de dieven gevonden, dat gij u zoo bewoogt van den tijd af dat uwe woorden van hem waren?

28 Verlaat de steden en woont in de steenrots, gij inwoners van Moab, en wordt gelijk eene duive die in de doorgangen van den mond eens hols nestelt.

29 Wij hebben Moabs hoovaar-dij gehoord, (hij is zeer hoovaar-dig), zijne trotschheid en zijne hoovaardij en zijnen hoogmoed en zijns harten hoogheid.

30 Ik ken zijne verbolgenheid, spreekt de Heere, maar niet al-zóó; zijne grendelen doen het zóó niet.

31 Daarom zal ik over Moab huilen, ja, om gansch Moab zal ik krijten; over de lieden van Kir-Héres zal men zuchten.

32 Boven het geween van Jaë-zer zal ik u beweenen, gij wijnstok van Sibma; uwe wijnranken zijn over zee gegaan, zij hebben gereikt tot aan Jaëzers zee ; maar de verstoorder is gevallen op uwe zomervruchten en op uwen wijnoogst ;

33 zoodat de blijdschap en verheuging uit het vruchtbare veld, namelijk uit Moabs land, weggenomen is; want ik heb den wijn doen ophouden uit de kuipen, men zal geen druiven treden met vreugdegeschrei, het vreugdege-schrei zal geen vreugdegeschrei zijn.

34 Vanwege Hesbons gekrijttot Elealó toe, tot Jahaz toe hebben zij hune stem verheven , van Zoar tót aan Horonaïm, die driejarige vaarze; want ook de wateren van Nimrim zullen tot verwoestingen worden.

35 En ik zal in Moab doen ophouden , spreekt de HeerE , dien die op de hoogte offert en die zijnen goden rookt.

36 Daarom zal mijn hart over Moab getier maken als de lluiten, ook zal mijn hart over de lieden van Kir-Héres getier maken als de lluiten ,■ omdat het overschot dut hij gemaakt had verloren is.

37 Want alle hoofden zijn kaal en alle baarden afgekort, op alle


-ocr page 892-

JE REM IA 49.

874

handen zijn insnijdingen en op de , lendenen is een zak;

38 op alle daken Moabs en op alle hare straten is overal misbaar; want ik heb Moab verbroken als een vat waar men geen lust aan heeft, spreekt de Hüere.

39 Hoe is hij verslagen! zij huilen; hoe heeft Moab den nek met schaamte gewend! Alzoo zal Moab allen die rondom hem zijn tot be-laching en tot eene óntzetlmg worden.

40 Want zóó zegt de Heere : Zie, hij zal snel vliegen als een arend, en hij zal zijne vleugelen over Moab uitbreiden:

41 elkeene der steden is gewonnen en elkeene der vastigheden is ingenomen, en het hart van Moabs helden zal te dien dage wezen als het harte eener vrouw die in nood is;

42 want Moab zal verdelgd worden dat hij geen volk zij, omdat hij zich groot gemaakt heeft tegen den Heere.

43 De vreeze en de kuil en de strik over u, gij inwoner van Moab, spreekt dè Heere :

44 die van de vrees ontvliedt zal in den kuil vallen, en die uit den kuil opkomt zal in den strik gevangen worden; want ik zal over haar, over Moab, het jaar van hunlieder bezoeking brengen , spreekt de Heere.

45 Die voor \'.s- vijands macht vluchtten, bleven staan in de schaduw van Hesbon; maar een vuur is uitgegaan van Hesbon, en eene vlam van tusschen Sihon, en heeft de hoeken Moabs en den schedel dei-kinderen van het gedruisch verteerd.

46 Wee u Moab, het volk van Kamos is verloren; wan t uwe zonen zijn weggenomen in gevangenis , ook zijn uwe dochters in gevangenis.

47 Maar in het laatste der dagen zal ik Moabs gevangenis wenden, spreekt de Heere. Tot hiertoe is Moabs oordeel.

HOOFDSTUK.49.

Tegen de kinderen Amnions zegt de Heere alzóó: Heeft dan Israël geene kinderen, heeft bij

geenen erfgenaam? Waarom i stc dan Malkam erfgenaam van Gad en waarom woont zijn volk ir dezelfs steden?

2 Daarom zie, de dagen komen spreekt de Heere , dat ik ovei trlt; Rabba der kinderen Ammonseer krijgsgeschrei zal doen hooren, ei

zij zal tot eenen woesten hooji worden, en hare onderhoorige plaatsen zullen met vuur aangestoken worden; en Israël zal erven degenen die hem geërfd hadden , zegt de Heere.

3 Huil, o Hesbon, want Ai is verstoord; krijt, gij dochters van! S Rabba, gordt zakken aan, be-)1 drijft misbaar en loopt om bij de: ^ tuinen; want Malkam zal wande- ^ len in gevangenis, zijne Priesterenl1 en zijne Vorsten te zamen. s 1

4 Wat roemt gij op moe dalen? Uw dal is wegge vloten, gij af-keerige dochter, die op hare schatten vertrouwt, zeggende: Wie . zoude tegen mij komen ?

5 Zie, ik zal vreeze over u bren- i gen, spreekt de- Heere, de Heere ; der heirscharen, van allen die rondom u zijn; en gijlieden zult, een 3 iegelijk voor zich henen, uitgedreven worden, en niemand zal de omdolenden vergaderen.

6 Maar daarna zal ik de ge van- , genis der kinderen Ammons wenden, spreekt de Heere.

7 Tegen Edom zegt de Heere der heirscharen alzóó: Is er dan geen wijsheid meer tcTeman?Is \' de raad vergaan van dc verstan-digen, is huniieder wijsheid on- \' nut geworden?

8 Vliedt, wendt u, woont in j diepe plaatsen , gij inwoners van Dedan; want ik heb Esaus verderf over hem gebracht, den tijd dat ik hem bezocht heb.

9 Zoo daar wijnlezers tot u gekomen waren, zouden zij niet eene nalezing hebben overgelaten? Zoo daar dieven bij nacht (jekomen waren, zouden zij niet verdorven hebben zooveel hun genoeg ware ?

10 Maar ik-heb Esau ontbloot, ik heb zijne verborgen plaatsen ontdekt, dat ;iij zich niet zal kunnen versteken;quot; zijn zaad is ver-


-ocr page 893-

JE RE MI A 49.

875

itoord, ook zijne broeders en zijne naburen, en hij is er niet meer.

11 Laat uwe weezen achter, en

zal ze in het leven behouden;

en laat uwe weduwen op mij vertrouwen.

12 Want zóó zegt de Heere : Zie, degenen welker oordeel het niet is den beker te drinken, zullen ganschelijk drinken: en zoudt gij eenigszins onschuldig gehouden worden? Gij zult niet onschuldig worden gehouden, maar gij zult ganschelijk drinken.

13 Want ik heb bij mijzelven gezworen, spreekt de Heere , dat Bozra worden zal tot eene ontzetting , tot eene smaadheid . tot eene woestheid en tot eenen vloek; en alle hare steden zullen worden tot eeuwige woestheden.

14 ik heb een gerucht gehoord van den Heere , en daar is een gezant gezonden onder de heidenen, orn te zerjffen: Vergadert u en komt aan tegen haar , ea maakt u op ten strijde.

15 Want zie, ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, veracht onder de menschen;

1(J uwe schrikkelijkheid heeft u bedrogen, en de trotschheid uws harten, gij die woont in de kloven der steenrotsen, die u ophoudt op de hoogte dor heuvelen: al zoudt gij uw nest roo hoog maken als de arend, zoo zal ik u van daar nederstooten, spreekt de Heere.

17 Alzoo zal Edom worden tot eene ontzetting; al wie voorbij haar gaat zal zich ontzetten en lluiten over alle hare plagen.

18 Gelijk de omkeering van Sodom en Gomorra en harer naburen zal het zijn , zegt de Heere : niemand zal daar wonen, en geen menschenkind daarin verkeeren.

19 Zie, gelijk een leeuw van de verheffing des Jordaans, zal hij opkomen tegen de sterke woning; want ik zal hem in een oogenblik daaruit doen loopen; en wie daartoe verkoren is, dien zal ik tegen haar bestellen; want wie is mij gelijk, en wie zoude mij dagvaarden , en wie is die herder, die voor mijn aangezicht bestaan zoude?

n

Gad k

nen, ovei gt; eer i, er, 100]] rige

rad-

i is van bede ide-ren {

3n?! af-at-

RK id-

en fe-:al

20 Daarom hoort des Heeren raadslag dien hij over Edom heeft beraadslaagd, e\'n zijne gedachten die hij gedacht heeft over de inwoners van Teman: Zoo de ge-ringsten van de kudde hen niet zullen nedertrekken! Indien hij humieder woning niet boven hen zal verwoesten!

21 De aarde heeft gebeefd van het geluid huns vals, wmhet ge-krijt . welks geluid gehoord is bij de Schelfzee.

22 Zie, hij zal opkomen en snel vliegen als een arend, en zijne vleugelen over Bozra uitbreiden, en het hart van Edoms helden zal te dien dage wezen als het harte eener vrouw die in nood is.

23 Tegen Damascus. Beschaamd is Hamath en Arpad; omdat zij een boos gerucht gehoord hebben, zijn zij gesmolten; bij de zee is bekommernis, men kan er niet rusten.

24 Damascus is slap geworden, zij heeft zich gewend om te vluchten , en siddering heeft haar aangegrepen : benauwdheid en smarten als eener barende vrouw hebben haar bevangen.

25 Hoe is de beroemde stad niet gelaten, de stad mijner vroolijk-heid ?

26 Daarom zullen hare jongelingen vallen op hare straten, en alle hare krijgslieden zullen te dien dage nedergehouwen worden, spreekt do Heere der heirscharen;

27 en ik zal een vuur aansteken in den muur van Damascus, en het zal Benhadads paleizen verteren.

28 Tegen Kedar en tegen de koninkrijken van Hazor, die Ne-bukadrezar de Koning van Ba-bel sloeg, zegt de Heere alzóó: Maakt u op, trekt op tegèn Kedar en verstoort de kinderen van het Oosten.

29 Zij zullen hunne tenten en hunne kudden nemen, hunne gordijnen en al hun gereedschap en hunne kemelen voor zich wegnemen , en zij zullen tegen hen uitroepen: Schrik van rondom.

30 Vliedt, zwerft fluks henen, woont in diepe plaatsen, gij in-


-ocr page 894-

JEREMIA SO.

876

woners van Hazor, spreekt de Heere ; want Nebukadrezar de Koning van Babel heel t eenen raadslag tegen ulieden beraadslaagd en eene gedachte tegen hen gedacht.

31 Maakt u op, trekt op tegen het volk dat rust heelt, dat in zekerheid woont, spreekt de Heere , dat geene deuren noch grendel heeft, die alléén wonen.

32 En hunne kemelen zullen ten roof zijn, en de menigte van hun vee zal ten buit zijn; en ik zal ze verstrooien in alle winden, te ■weten degenen die aan de hoeken afgekort zijn ; en ik zal hun verderf van alle zijne zijden aanbrengen , spreekt dè Heere.

33 En Hazor zal worden tot eene drakenwoning, eene verwoesting tot in eeuwigheid; niemand zal daar wonen en geen menschenkind daarin verkeeren.

34 Plet Woord des Heeren dat tot den Profeet Jeremia geschied is tegen Elam, in het begin des koninkrijks van Zedeki\'a den Koning van Juda. zeggende:

35 Zóó zegt de Heere der heir-scharen: Zie, ik zal verbreken Elams boog, het voornaamste van hunlieder geweld;

36 en ik zal de vier winden uit de vier hoeken des hemels over Elam aanbrengen, en zal ze in alle die winden verstrooien, en daar zal geen volk zijn waarhenen Elams verdrevenen niet zullen komen;

37 en ik zal Elam versaagd maken voor het aangezicht hunner vijanden en voor het aangezicht dergenen die hunne ziel zoeken, en zal een kwaad over hen brengen , de hitte mijns toorns, spreekt de Heere; en ik zal het zwaard achter hen zenden, totdat ik ze verteerd zal hebben;

38 en ik zal mijnen troon in Elam stellen, en zal den Koning en de Vorsten van daar verdelgen, spreekt de Heere.

39 Maar het zal geschieden in het laatste der dagen dat ik Elams gevangenis wenden zal, spreekt de Heere.

HOOFDSTUK 50.

Het Woord dat de Heere gesproken heeft tegen Babel, tegen het land der Chaldeën, door den dienst van den Profeet Jeremia.

2 Verkondigt onder de heidenen en doet hooren, en werpt eene banier op, laat hooren, verbergt het niet; zegt: Babel is ingenomen , Bel is beschaamd, Mero-dach is verpletterd, hare afgoden zijn beschaamd, hare drekgoden zijn verpletterd.

3 Want een volk komt tegen haar op van het Noorden; dat zal haar land zetten in verwoesting, dat er geen inwoner in zal zijn, van de menschen af tot de beesten toe zijn ze weggezworven, doorgegaan.

4 In dezelfde dagen en ter zelf-der tijd, spreekt de Heere, zullen de kinderen Israëls komen, zij en de kinderen van Juda te zamen; wandelende en weenende zullen zij henengaan en den Heere hunnen God zoeken.

5 Zij zullen naar Sion vragen, op den weg herwaarts zullen hunne aangezichten zijn; zij zullen komen en den Heere toegevoegd worden met een eeuwig verbond dat niet zal worden vergeten.

K Mijn volk waren verloren schapen, hunne herders hadden ze verleid , zij hadden ze gevoerd naar de bergen; zij gingen van berg tot heuvel, zij vergaten hunne legering;

7 allen die hen vonden aten hen op, en hunne wederpartijders zeiden: Wij zullen geen schuld hebben: daarom dat zij gezondigd hebben tegen den Heere in de woning der gerechtigheid, ja tegen den Heere, de verwachting hunner vaderen.

8 Vliedt weg uit het midden van Babel, en gaat weg uit der Chaldeën land, en weest als de bokken voor de kudde henen.

9 Want zie, ik zal eene verzameling van groote volken uit het land van het Noorden verwekken, en tegen Babel opbrengen; die zullen zich tegen haar rusten, vandaar zal zij ingenomen worden;


-ocr page 895-

J ER EM IA 50.

877

hunne pijlen zullen zijn als eens kloeken helds, geene zul ledig wederkeeren:

10 en Ghaldéu zal ten roof zijn, allen die het berooven zullen verzadigd worden, spreekt de Heere.

11 Omdat gij u verblijd hebt, omdj\'.t gij van vreugde zijt opgesprongen, gij plunderaars mijner erfenis; omdat gij geil geworden zijt als eene grazige vaars, en ge-briescht hebt als de sterke paarden :

12 zoo is uwe moeder zeer beschaamd , die u gebaard heeft is schaamrood geworden ; zie, zij is geworden de achterste der heidenen , eene woestijn, dorheid en wildernis;

13 vanwege de verbolgenheid des Heeren zal zij niet bewoond worden, maar zij zal geheel en al eene verwoesting worden; al wie aan Babel voorbijgaat zal zich ontzetten en lluiten over alle hare plagen.

14 Kust u tegen Babel rondom, gÜ allen die den boog spant; schiet op haar, spaart de pijlen niet, want zij heeft tegen den Heere gezondigd.

15 Juicht over haar rondom,zij heeft hare hand gegeven; hare fundamenten zijn gevallen, hare muren zijn afgebroken; want dat is des Heeren wrake, wreekt u aan haar, doet haar gelijk als zij gedaan heeft.

lü Roeit uit van Babel den zaaier en dien die de sikkel handelt in den oogsttijd; laat ze vanwege het verdrukkende zwaard zich keeren een iegelijk tot zijn volk, en vlieden een iegelijk naar zijn land.

17 Israël is een verbijsterd lam, dat de leeuwen verjaagd hebben; de eerste die hem heeft opgegeten was de Koning van Assur, en deze de laatste Nebukadnezar de Koning van Babel heeft hem de beenderen verbrijzeld.

18 Daarom zóó zegt de Heere der heirscharen, de God Israëls: Zie, ik zal bezoeking doen over den Koning van Babel en over zijn land, gelijk als ik bezoeking gedaan heb over den Koning van Assur;

19 en ik zal Israël weder tot zijne woning brengen, en hij zal weiden op den Karmel en up den

j Basan, en zijne ziele zal op het gebergte Efraïtns en Gileads verzadigd worden.

20 In die dagen en te dier tijd, spreekt de Heere, zal Israëls ongerechtigheid gezocht worden, maar zij zal er niet zijn, en de zonden van Juda, maar zij zullen niet gevonden worden; want ik zal ze dengenen vergeven dien ik zal doen overblijven.

21 Tegen het land Merathaïm, trek tegen hetzelve op , en tegen de inwoners van Pekod; verwoest en verban achter hen, spreekt de Heere, en doe naar alles dat ik u geboden heb.

22 Daar is een krijgsgeschrei in het land, en eene groote breuke.

23 Hoe is de hamer der gansche aarde zoo afgehouwen en verbroken , hoe is Babel geworden tot eene ontzetting onder de heidenen !

24 Ik heb u een strik gesteld, dies zijt gij ook gevangen, o Babel, dat gij het niet wist; gij zijt gevonden en ook gegrepen , omdat gij u tegen den Heere in strijd gemengd hebt.

25 De Heere heeft zijne schatkamer opengedaan, en de instrumenten zijner gramschap voorgebracht; want dat is een werk des Heeren, des Heeren der heirscharen, in het land der Chaldeën.

20 Komt aan tegen haar van het uiterste, opent hare schuren, vertreedt haar als korenhoopen en verbant ze, laat ze geen overblijfsel hebben.

27 Doodt met het zwaard allo hare varren, laat ze afgaan ter slachting; wee over hen, want hun dag is gekomen, de tijd hunner bezoeking.

28 Daar is eene stem der gevluch-ten en ontkomenen uit het land van Babel, om in Sion te verkondigen de wrake des Heeren onzes Gods , de wrake zijns Tempels.

29 Laat a hooren tegen Babel, gij schutters, gij allen die den boog spant; legért u tegen haar rondom, laat niemand van haar ontkomen; vergeldt haar naar haar


-ocr page 896-

J ER EMI A 51.

878

werk, doet haar naar alles dat zij gedaan heeft; want zij heeft trotscheliik gehandeld legen den IlF.iiRE , tegen den Heilige Israëls.

30 Daarom zullen hare jongelingen vallen op hare straten, en alle hare krijgslieden te dien dage uitgeroeid worden, spreekt de Heere.

31 Zie, ik wil aan u. gij trot-sche, spreekt de Heere. de Heere der heirscharen; want uw dag is gekomen, de tijd dat ik u bezoeken zal.

32 Dan zal de trotsche aanstoo-ten en vallen, en daar zal niemand zijn die hem oprichte ; ja ik zal een vuur aansteken in zijne steden, dat zal alle plaatsen rondom hem verteren.

33 Zóó zegt de Heere der heirscharen: De kinderen Israëls en de kinderen van Juda zijn te za-men verdrukt geweest; en allen die ze gevangen hadden hebben ze vastgehouden, zij hebben geweigerd ze los te laten.

34 Maar hun Verlosser is sterk, Heere der heirscharen is zijn naam; hij zal hunnen twist zekerlijk twisten, opdat hij het land in rust brenge, maar de inwoners van Babel beroere.

35 Het zwaard zal zijn over de Chaldeën, spreekt de Heere, en over de inwoners van Babel en over hare Vorsten en over hare wijzen.

36 Het zwaard zal zijn over de leugenaars dat ze zot worden, het zwaard zal zijn over hare helden dat ze versagen;

37 het zwaard zal zijn over zijne paarden en over zijne wagenèn, en over den ganschen gemengden hoop die in het midden van haar is , dat ze tot vrouwen worden ; het zwaard zal zijn over hare schatten dot ze geplunderd worden,

38 droogte zal zijn over hare wateren dat ze uitdrogen; want het is een land van gesneden beelden, en zij razen naar de schrikkelijke afgoden.

39 Daarom zullen de wilde dieren der woestijnen met de wilde dieren der eilanden daarin wonen, ook zullen de Jonge struisen daarin wonen; en men zal er geen var-blijf meer hebben in eeuwigheid, en zij zal niet bewoond worden van geslacht tot geslacht:

40 gelijk God Sodom en Gomorra en hare naburen heeft omgekeerd, spreekt de Heere , alzoo zal niemand aldaar wonen en geen men-schenkind in haar verkeeren.

41 Zie. daar komt een volk uit het Noorden, en eenegroote ratie en geweldige Koningen zullen van de zijden der aarde opgewekt wo i\'d en.

42 Boog en spies zullen zij voeren; wreed zijn ze en zullen niet barmhartig zijn; hunne stem zal bruisen als de zee; en op paarden zullen zij rijden; het is toegerust als een man ten oorlog, tegen u, o dochter van Babel.

43 De Koning van Babel heeft hun gerucht gehoord, en zijne handen zijn slap geworden; benauwdheid heeft hem aangegrepen, weedom als eene barende vrouw.

44 Zie, gelijk een leeuw van de verheffing dés Jordaans, zal hij opkomen tegen de sterke woning\'; want ik zal ze in een oogenbiik daaruit doen loopen; en wie daartoe verkoren is , dien zal ik tegen haar bestellen; want wie is mij gelijk en wie zoude mij dagvaarden , en wie is de herder, die voor mijn aangezicht bestaan zoude?

45 Daarom hoort den raadslag des Heeren dien hij over Babel heeft beraadslaagd, en zijne gedachten die hij gedacht heeft over het land der Chaldeën : Zoo de ge-ringsten van de kudde hen niet zullen nedertrekken! Zoo hij de woning boven hen niet zal verwoesten !

46 De aarde is bevende geworden van het geluid der inneming van Babel, en het gekrijt is ger hoord onder de volken.

HOOFDSTUK 51.

Zóó zegt de Heere : Zie, ik zal eenen verdervenden wind opwekken tegen Babel en tegen degenen die daar wonen in het hart van degenen die tegen mij opstaan;

2 en ik zal Babel wanners toe-


-ocr page 897-

JE R EM I A 51.

879

zerden, die haai* wannen en haar land uitledigen zullen; want zij zul en ten dage des kwaads van rondom tegen haar zijn.

3 De schutter spanne zijnen boog tegen dioi die spant en tegen dien die zich verheft in zijn pantser; en verschoont hare jongelingen niet verbant al haar heir:

4 dat de verslagenen liggen in het land der Chaldeën, en de door-stacenen op hare straten.

T Want Israël en Juda zal niet in weduwschap gelaten worden van zijnen God, van den Heere de.\' heirscharen, (hoewel hun land vo. van schuld is), van den Heilige Israels.

6 Vliedt uit het midden van Babe., en redt een iegelijk zijne ziele, wordt niet uitgeroeid in hare ongerechtigheid ; want dit is de tijd der wrake des Heeren , die haar de verdienste betaalt.

7 Babel was een gouden beker in de hand des Heeren , die de gansche aarde dronken maakte; de volken hebben van haren wijn gedronken, daarom zijn de volken dol geworden.

8 Schielijk is Babel gevallenen verbroken; huilt over haar, neemt balsem voor hare pijn, misschien zal zij genezen worden.

9 Wij hebben Babel gemeesterd, maar zij is niet genezen; verlaat ze dan, en laat ons een iegelijk in zijn land trekken; want haar oordeel reikt tot aan den hemel en is verheven tot aan de bovenste wolken.

10 De Heere heeft onze gerechtigheden hervoort gebracht; komt en laat ons in Sion het werk des Heeren onzes Gods vertellen.

11 Zuivert de pijlen, rust de schilden volkomenlijk toe; de Heere heeft den geest der Koningen \'van Medië opgewekt; want zijn voornemen is tegen Babel, dat hij haar verderve; want dit is de wrake des Heeren, de wrake zijns Tempels.

12 Verheft de banier op de muren van Babel, versterkt de wacht, stelt wachters, bereidt de lagen; want gelijk de Heere heeft voorgenomen, alzoo heeft hij gedaan wat hij over de inwoners van Babel gesproken heeft.

13 Gij die aan vele wateren woont, die machtig zijt van schatten, uw einde is gekomen, de maat uwer gierigheid.

14 De Heere der heirscharen heeft gezworen bij zijne ziel: Ofschoon ik u met menschen als met kevers vervuld hebt, nogtans zullen zij elkander een vreugdege-schrei over u toeroepen.

15 Die de aarde gemaakt heeft door zijne kracht, die de wereld bereid heeft door zijne wijsheid, en den hemel uitgebreid doorzijn verstand.

16 Als hij zijne stemme geeft, zoo is er een gedruisch van wateren in den hemel, én hij doet de dampen opklimmen van heleinde der aarde; hij maakt de bliksemen met den regen, en doet den wind voortkomen uit zijne schatka-meren.

17 Een ieder mensch is onvernuftig geworden, zoodat hij geen wetenschap heeft, een ieder goudsmid is beschaamd van het gesneden beeld; want zijn gegoten beeld is leugen, en daar is geen geest in hen :

18 ijdelheid zijn ze, een werk van verleidingen, ten tijde hunner bezoeking zullen ze vergaan.

19 Jakobs deel is niet gelijk die, want hij is de Formeerder van alles, en Israël is de roede zijner erfenis: Heere der heirscharen is zijn naam.

20 Gij zijt mij een voorhamer on krijgswapenen , en door u zal ik volken in stukken slaan, en door u zal ik koninkrijken verderven ;

21 en door u zal ik in stukken slaan het paard en zijnen ruiter, en door u zal ik in stukken slaan den wagen en zijnen ruiter;

22 en door u zal ik in stukken slaan den man en de vrouw, en door u zal ik in stukken slaan den oude en den jonge, en door u zal ik in stukken slaan den jongeling en de jonkvrouw;

23 en door u zal ik in stukken slaan den herder en zijne kudde, en door u zal ik in stiikken slaan


-ocr page 898-

JEREMIA 51.

880

den akkerman en zijn juk ossen, en door u zal ik in stukken slaan landvoogden en overheden.

24 Maar ik zal Babel en allen inwoneren van Ghaldéa vergelden al hunne boosheid, die zij gedaan hebben aan Sion. voor ulieder oogen, spreekt de Heere.

25 Zie, ik luil aan u gij verdervende berg, (spreekt de Heere), gij die de gansche aarde verderft; en ik zal mijne hand tegen u uitstrekken en u van de steenrotsen afwentelen, en zal u stellen tot oenen berg des brands;

2ö en zij zullen uit u geenen steen nemen tot een hoek, ook fifcenm steen tot fundamenten; want gij zult tot eeuwige woestheden zijn, spreekt de Heere.

27 Verheft de banier in het land, blaast de bazuin onder de heidenen, heiligde heidenen tegen haar, roept tegen haar bijéén de koninkrijken van Ararat, Minni en As-kenaz; bestelt eenen krijgsoverste tegen haar; brengt paarden opwaarts, als ruige kevers;

28 heiligt tegen haar de heidenen, de Koningen van Medië, hare landvoogden en alle hare overheden, ja het gansche land zijner heerschappij.

29 Dan zal het land beven en pijn lijden; want elk eene van des Heer en gedachten staat vast tegen Babel, om Babels land te stellen tot eene verwoesting, dat er geen inwoner zij.

30 Babels helden hebben opgehouden te strijden, zij zijn gebleven in de vestingen, hunne macht is bezweken, zij zijn tot vrouwen geworden; zij hebben hunne woningen aangestoken, hunne grendels zijn verbroken.

31 De looper zal den looper tegemoet loopen en de kondschapper den kondschapper tegemoet, om den Koning van Babel bekend te maken dat zijne stad van het uiteinde is ingenomen

32 en dat de veren ingenomen en de rietpoelen met vuur verbrand zijn, en dat de krijgslieden verbaasd zijn.

33 Want zóó zegt de Heere der hoirscharen , de God Israëls :

De dochter van Babel is als e3n dorschvloer, het is tijd dat m3n ze trede; nog een weinig, dan :al haar de tijd des oogstes overkomsn.

34 Nebukadrezar de Koning Tan Babel heeft mij opgegeten, hij heeft mij verpletterd, hij h3eft m^j gesteld als een ledig vat. hij heeft mij verslonden als een dnak, hij heeft zijnen buik gevuld van mijne lekkernijen; hij heeft mij verdreven.

35 Het geweld dat mij en nïjn vleesch is aangedaan , zij op Bab^l, zegge de inwoneres van Sion; en mijn bloed zij op de inwoners vxn Ghaldéa, zegge Jeruzalem.

36 Daarom zóó zegt de Heers: Zie, ik zal uwen twist twisten en uwe wrake wreken, en ik zal hare zee droog maken en hare sprirg-ader opdrogen;

37 en Babel zal worden tot sfeerchoopen, eene woning der draken, eene ontzetting en aan-lluiting, dat er geen inwoner zij.

38 Zij zullen Ie zamen brullen als jonge leeuwen, brieschen als leeuwenwelpen.

39 Als zij verhit zijn, zal ik hunnen drank opzetten en zal ze dronken maken, opdat zij opspringen ; maar zij zullen eenen eeuwigen slaap slapen en niet opwaken , spreekt de Heere.

40 Ik zal ze afvoeren als lammeren om te slachten, als rammen met bokken.

41 Hoe is Sesach zoo veroverd, en de roem der gansche aarde ingenomen! Hoe is Babel geworden tot eene ontzetting onder de heidenen!

42 Eene zee is over Babel gerezen , door de veelheid harer golven is zij bedekt;

43 hare steden zijn geworden tot verwoesting, een dor land en wildernis, een land waarin niemand woont en waar geen men-schenkind doorgaat.

44 Kn ik zal bezoeking doen over Bel te Babel, en ik zal uit zijnen muil uithalen wat hij verslonden heeft; en de heidenen zullen niet meer tot hem toevloeien, ivant ook Babels muu? is gevallen.

45 Gaat uit, mijn yolk, uit het

mi ieg hit HE

L

scl


-ocr page 899-

JE RE MI A 5-1.

881

midden van haar, en redt een iegelijk zijne ziele vanwege de hittigheid van den toorn des Heeren,

4(3 en opdat uliedcr harte misschien niet week worde en gij vreest van het gerucht dat gehoord zal worden in het land; want daar zal een gerucht komen in het ééne jaar, en daarna een gerucht in het andere jaar ; en daar zal geweld zijn in het land, heer over heer.

47 Daarom zie, de dagen komen, dat ik bezoeking zal doen over de gesneden beelden van Babel, en haar gansche land zal beschaamd worden, en alle hare verslagenen zullen in hot midden van haar liggen;

48 en de hemel en de aarde mitsgaders al wat daarin is zullen juichen over Babel, want van het Noorden zullen haar de verstoorders aankomen, spreekt de Heere.

49 Gelijk Babel geweest is tot oenen val der verslagenen Israels , alzoo zullen te Babel de verslagenen des ganschen lands vallen.

50 Glij ontkomenen van het zwaard, gaat weg en blijft niet staan; gedenkt aan den Heere van verre, en laat Jeruzalem in ulieder harte opkomen.

51 Gij moofit zeggen: Wij zijn beschaamd geworden, want wij hebben versmaadheid gehoord, schaamroodheid heeft ons aangezicht bedekt, omdat uitlandschen over de heiligdommen van des Heeren Huis gekomen zijn: —

52 daarom zie, de dagen komen , spreekt de Heere , dat ik bezoeking doen zal over hare gesneden beelden, en de doodelijk verwonde zal kermen in haar gansche land.

53 Al klom Babel ten hemel op, ew al maakte zij vast de hoogte harer sterkte, zoo zullen haar verstoorders van mij overkomen, spreekt de Heere.

54 Daar is eene stem des ge-krijts uit Babel, en eene groote brêuke uit het land der Ghaldeen ;

55 want de Heere verstoort Babel, en zal de grootsche stem uit haar doen vergaan; want hun-lieder golven zullen bruisen als groote wateren, het geruisch van hunlieder geluid zal zich verhellen.

50 Want de verstoorder komt over haar, over Babel, en hare he;den zullen gevangen worden, hunne bogen zijn verbroken; want de Heere , de God der vergelding, zal haar zekerlijk betalen.

57 En ik zal hare Vorsten en hare wijzen, hare landvoogden en hare overheden en hare helden dronken maken, en zij zullen eenen eeuwigen slaap slapen en niet opwaken, spreekt de Koning, wiens naam is Heere der heirscharen.

58 Zóó zegt de Heere der heirscharen : Die breede muur van Babel zal ten eenenmale ontbloot worden, en hare hooge poorten zullen met vuur aangestoken worden; zoodat de volken tevergeefs en de natiën ten vure zullen gearbeid hebben, dat zij mat werden.

59 Het woord dat de Profeet Jeremia beval aan Seraja, den zoon van Nena den zoon van Mahseja, als hij van Zedekia den Koning van Juda naar Babel toog, in het vierde jaar zijner regeering; en Seraja was een vreedzaam Vorst.

60 Jeremia nu schreef al het kwaad dat over Babel komen zoude, in een boek , te weten alle deze woorden die tegen Babel geschreven zijn;

61 en Jeremia zeide tot Seraja; Als gij te Babel komt, zoo zult gij zien en lezen alle deze woorden,

62 en zult zeggen: O Heere, gij hebt over deze plaats gesproken, dat gij ze zult uitroeien zoodat er geen inwoner in zij , van den mensch tot op het beest, maar dat ze worden zal tot eeuwige woestheden.

03 En het zal geschieden- als gij gaeïndigd zult hebben dit boek te lezen, dan zult gij eenen steen daaraan binden, en werpen het in het midden van den Frath,

04 en zult zeggen: Alzóó zal Babel zinken en niet weder opkomen, vanwege het kwaad dat ik over haar zal brengen, en zij zullen mat worden.

Tot hiertoe zijn de woorden van Jeremia.


-ocr page 900-

JEREMIA 52.

882

HOOFDSTUK 52.

Zedekfa was eenentwintig jaar oud als hij Koning werd, en hij regeerde elf jaar te Jeruzalem; en zijner moeder naam was Ha-mutal, eene dochter van Jeremia van Libna.

2 En hij deed dat kwaad was in de oogen des Heeren, naar alles wat Jojakim gedaan had.

3 Want het geschiedde om den toorn des Heeren tegen Jeruzalem en Juda, totdat hij hen van zijn aangezicht weggeworpen had; en Zedekia rebelleerde tegen den Koning van Babel.

4 En het geschiedde in het negende jaar zijner regeering in de tiende maand op den tiende der maand, dat Nebukadrezar de Koning van Babel kwam tegen Jeruzalem , hij en zijn gansche heir, en zij legerden zich tegen haar, en zij bouwden legen haar sterkten rondom.

5 Alzoo kwam de stad in belegering, tot in het elfde jaar van den Koning Zedekia.

6 In de vierde maand op den negende der maand, als de honger in de stad sterk werd en het volk des lands geen brood had,

7 toen werd de stad doorgebroken , en alle de krijgslieden vloden én trokken des nachts uit de stad, door den weg der poort tusschen de twee muren die aan des Ko-nings hof waren, (de Ghaldeën nu waren tegen de stad rondom), en zij togen door den weg des vlakken velds.

8 Doch het heir der Ghaldeën jaagde den Koning na, en zij achterhaalden Zedekia in de vlakke velden van Jericho, en al zijn heir werd van bij hem verstrooid.

9 Zij dan grepen den Koning, en voerden hem opwaarts tot den Koning van Babel naar Ribla in het land van Hamath; die sprak oordeelen tegen hem:

10 en de Koning van Babel slachtte de zonen van Zedekia voor zijne oogen, en hij slachtte ook alle de Vorsten van Juda te Ribla;

11 en hij verblindde de oogen van Zedekia, en hij bond hem met twee koperen ketenen; alzoo bracht hem de Koning van Babel naar Babel, en stelde hem in het gevangenhuis tot den dag zijns doods toe.

12 Daarna in de vijfde maand op den tiende der maand , (dit jaar was het negentiende jaar van den Koning Nebukadrezar, den Koning \\ van Babel), als Nebuzaradan de | overste der trawanten, die voor het aangezicht des Konings van Babel stond, te Jeruzalen gekomen was,

13 zoo verbrandde hij het Huis des Heeren en het huis des Konings, mitsgaders alle huizen van Jeruzalem, en alle huizen der grooten verbrandde hij met vuur;

14 en het gansche heir der Ghaldeën dat met den overste dei-trawanten was brak alle muren van Jeruzalem rondom af.

15 Van de armsten nu des volks, en het overige des volks, die in de stad overgelaten waren, en de afvalligen die tot den Koning van Babel quot;gevallen waren, en het overige der menigte, voerde Nebuzaradan do overste der trawanten gevankelijk weg.

16 Maar van de armsten des lands liet Nebuzaradan de overste der trawanten ceniycn over tot wiingaardeniers en tot akkerlieden.

17 Voorts braken de Ghaldeën de koperen pilaren die in het Huis des Heeren waren, en de stellingen, en de koperen zee die in het Huis des Heeren was, en zij voerden al het koper daarvan naar Babel.

18 Ook namen zij de potten en de schoffelen en de galleien en de sprengbekkens en de rookschalen, en alle de koperen vaten waar men den dienst mede deed;

19 en de overste der trawanten nam weg de schalen en de wierookvaten en de sprengbekkens en de potten en de kandelaars en de rookschalen en de kroezen, wat geheel goud ea wat geheel zilver was.

20 De twee pilaren, de .ééne zee, en de twaalf koperen runderen die in de plaats der stellingen


-ocr page 901-

JE RE MIA 52.

waren, die de Koning Salomo voor het Huis des Heeren gemaakt had: het koper daarvan, te. welen van alle deze vaten, was zonder gewicht.

21 Aangaande de pilaren , achttien ellen was de hoogte van éénen pilaar, en ecne draad van twaalf ellen omving hem, en zijne dikte was vier vingeren en hij was hol;

22 en het kapiteel daarop was koper, en de hoogte des éénen kapiteels was vijf ellen, en een net, en granaatappelen op het kapiteel rondom, alles koper; en dezen gelijk had de andere pilaar , met granaatappelen.

23 En de granaatappelen waren zesennegentig, gezet naar den wind; alle granaatappelen waren honderd, over liet net rondom.

24 Ook nam de overste der trawanten Seraja den Hoofdpriester, en Zefanja den tweeden Priester, en de drie dorpelbewaarders;

25 en uit de stad nam hij éénen hoveling die over de krijgslieden gesteld was,\' en zeven mannen uit degenen die des Konings aangezicht zagen , die in de stad gevonden werden, mitsgaders den oversten schrijver des heirs, die het volk des lands ten oorlog opschreef, en zestig mannen van het volk des lands die in het midden der stad gevonden werden.

26 Als Nebuzaradan de overste der trawanten dezen genomen had, zoo bracht hij ze tot den Koning van Babel naar Ribla,

27 en de Koning van Babel sloeg ze en doodde ze tc Hibla in het land van Hamath. Alzoo werd Juda uit zijn land gevankelijk weggevoerd.

28 Dit is het volk dat Nebukad-rezar gevankelijk heeft weggevoerd: in het zevende jaar, drieduizend drieëntwintig Joden ;

29 in het achttiende jaar van Nebukadrezar roerde kif gevankelijk weg achthonderd tweeëndertig zielen uit Jeruzalem;

30 in het drieëntwintigste jaar van Nebukadrezar voerde Nebuzaradan de overste der trawanten

1 gevankelijk weg van de Joden zevenhonderd vijfenveertig zielen : ; alle zielen zijn vierduizend en zes-I honderd.

31 Het geschiedde daarna in het zevenendertigste jaar der gevan-kelijke wegvoering van Jojachin den Koning van Juda, in de twaalfde maand op den vijfentwintigste der maand, dut Èvilmero-dach de Koning van Babel in het eerste jaar zijns koninkrijks het hoofd van Jojachin den Koning van Juda verhief en hem uit het gevangenhuis uitbracht;

32 en hij sprak vriendelijk met hem, en stelde zijnen stoel boven den stoel der Koningen die bij hem te Babel waren ;

33 en hij veranderde de kleederen zijner gevangenis, en hij at geduriglijk brood voor zijn aangezicht, alle de dagen zijns levens.

34 En aangaande zijné vertering, een gedurige leeftocht werd hem van den Koning van Babel gegeven, elk dagelijks bestemd deel op zijnen dag, tot op den dag zijns doods, alle de dagen zijns levens.


ii e t

i

-ocr page 902-

KLAAGLIEDEREN 1.

384

K L A A G L

VAN J:

[ E D E R E N

R E MIA.


HOOFDSTUK 1.

Alcf. Hoe zit die stad zoo eenzaam , die vol volks was ; zij is als eene weduwe geworden, zij die groot was onder de heidenen, eene Vorstin onder de landschappen , is cijnsbaar geworden.

2 Beth. Zij weent steeds des nachts, en hare tranen loopen over hare kinnebakken ; zij heeft geen trooster onder alle hare liefhebbers , alle hare vrienden hebben trouwelooslijk met haar gehandeld, zij zijn quot;haar tot vijanden geworden.

3 Chncl. Juda is in gevangenis gegaan vanwege de ellende en vanwege de veelheid der dienstbaarheid, zij woont onder de heidenen; zij vindt geen ruste, alle hare vervolgers achterhalen ze tusschen de engten.

4 Daleth. De wegen Sions treuren omdat niemand op het feest komt, alle hare poorten zijn woest, hare Priesters zuchten, hare jonkvrouwen zijn bedroefd, en zij zelve is in bitterheid.

5 Hé. Hare tegen partij ders zijn ten hoofd geworden, hare vijanden zijn gerust, omdat de Heere haar bedroefd heeft vanwege de veelheid barer overtredingen ; hare kinderkens gaan henen hl de gevangenis voor het aangezicht des tegenpartij ders.

6 Vau. En van de dochter Sions is al haar sieraad weggegaan; hare Vorsten zijn als de herten of/c geen weide vinden, en zij gaan krachteloos henen voor het aangezicht des vervolgers.

7 Zain. Jeruzalem is in de dagen harer ellende en barer veelvuldige ballingschap indachtig aan alle hare gewenschte dingen, die zij van oude dagen af gehad heeft; dewijl haar volk door de hand des tegenpartij ders valt, enzijgeenen heiper heeft: de tegenpartij ders zien haar aan, zij spotten met hare rustdagen.

8 Chcth. Jeruzalem heeft zwaar gezondigd, daarom is zij als eene afgezonderde vrouw geworden; allen die haar eerden achten haar onwaard, dewijl zij hare naaktheid gezien hebben; zij zucht ook, en zij is achterwaarts gekeerd.

9 Teth. Hare onreinheid is in hare zoomen, zij heeft niet gedacht aan haar uiterste; daarom is zij wonderbaarlijk omlaag gedaald, zij heeft geehen trooster. Heere, zie mijne ellende aan, want de vijand maakt zich groot.

quot;10 Jod. De tegenpartijder heeft zijne hand aan all3 hare gewenschte dingen uitgebreid; immers beeft zij aangezien dat de heidenen in haar heiligdom gingen, waarvan gij geboden hadt dat ze in uwe gemeente niet komen zouden.

11 Kaf. Al haar volk zucht, brood zoekende, zij hebben hunne gewenschte dingen voor spijze gegeven, om de ziel te verkwikken. Zie Heere en aanschouw, dat ik onwaard geworden ben.

12 Lamed. Gaat het uiieden niet aan, gij allen aie over weggaat? Schouwt het aan en ziet, of cr eene smarte zi; gelijk mijne smarte die mij aangedaan is, waarmede de Heere mij bedroefd heeft ten dage der hittigheid zijns toorns.

13 Mem. Van de hoogte heeft hij een vuur in mijne beenderen gezonden, waarover hij geheerscht heeft; hij heeft voor mijne voeten een net uitgebreid, hij heeft mij


-ocr page 903-

KLAAGLIEDERKN 2.

885

achterwaarts doen keeren, hij heeft mij woest en ziek gemaakt den ganschen dag.

44 Nun. Het juk mijner over tredingen is aangebonden door zijne hand, zij zijn samengevlochtên, zij zijn op mijnen hals geklommen; hij heelt mijne kracht doen vervallen ; de Heere heeft mij in hunne handen gegeven, ik kan niet opstaan.

15 Sumach. De Heere heeft alle mijne sterken in het midden van mij vertreden; hij heeft eene bijéénkomst over niij uitgeroepen, om mijne jongelingen te verbreken ; de Heere heeft de wijnpers der jonkvrouw, der dochter van Juda, getreden.

1(3 Am. Om dezer dingen wille ween ik; mijn oog, mijn oog vliet van water, omdat de trooster die mijne ziele zoude verkwikken verre van mij is; mijne kinderen zijn verwoest, omdat de vijand de overhand heeft.

17 Pc. Sion breidt hare handen uit, daar is geen trooster voor haar; de Heere heeft van Jakob geboden, dat die rondom hom zijn zijne tegenpartijders zouden zijn; Jeruzalem is als eene afgezonderde vrouw onder hen.

18. Tsadc. De Heere is rechtvaardig, want ik ben zijnen mond wederspannig geweest; hoort toch, alle gij volken, en ziet mijne smarte; mijne jonkvrouwen en mijne jongelingen zijn in de gevangenis gegaan.

19 Kof. Ik riep tot mijne liefhebbers , maar zij hebben mij bedrogen; mijne Priesters en mijne oudsten hebben in de stad den geest gegeven, als zij spijze voor zich zochten, opdat zij hunne ziele mochten verkwikken.

20 licsch. Aanzie Heere, want rnij is bange; mijn ingewand is beroerd, mijn hart heeft zich omgekeerd in het binnenste van mij, want ik ben zeer wederspannig geweest; van buiten heeft mij het zwaard van kinderen beroofd, van binnen is als de dood.

21 Schin. Zij hooren dat ik zuch-te, maar ik heb geenen trooster; allo mijne vijanden hooren mijn kwaad, en zij zijn vroolijk dat gij het gedaan hebt ; als gij den dag zult voortgebracht hebben t/Zeu gij uitgeroepen hebt, zoo zullen zij zijn gelijk ik ben.

22 Thau. Laat al hun kwaad voor uw aangezicht komen, en doe hun gelijk als gij mij gedaan hebt vanwege alle mijne overtredingen, want mijne zuchten zijn vele en mijn harte is mat.

HOOFDSTUK 2.

Alcf. Hoe heeft de Heere de dochter Sions in zijnen toorn bewolkt! Hij heeft de heerlijkheid Israëls van den hemel op de aarde nedergeworpen, en hij heeft aan de voetbank zijner voeten niet gedacht in den dag zijns toorns.

2 Jielh. De Heere heeft alle de woningen Jakobs verslonden en heeft ze niet verschoond, hij heeft de vestingen der dochter van Juda afgebroken in zijne verbolgenheid, hij heeft gemaakt dat ze de aarde raken; hij heeft het koninkrijk en deszelfs Vorsten ontheiligd.

3 (Jimcl. Hij heeft in ontsteking des toorns den geheelen hoorn Israëls afgehouwen, hij heeft zijne rechterhand achterwaarts getrokken toen de vijand kwam, en hij is tegen Jakob ontstoken als een vlammend vuur dat rondom verteert.

4 Daleth. Hij heeft zijnen hooggespannen als een vijand, hij heeft zich met zijne rechterhand gesteld als een tegenpartijder, dat hij doodde alle de begeerlijke dingen der oogen; hij heeft zijne grimmigheid in de tent der dochter Sions uitgestort als een vuur.

5 Hé. De Heere is geworden als een vijand; hij heeft Israël verslonden, hij heeft alle hare paleizen verslonden, hij heeft hare vastigheden verdorven; en hij heeft bij de dochter van Juda het klagen en kermen vermenigvuldigd.

ü Van. En hij heeft zijne hut met geweld afgerukt als een hof, hij heeft zijne vergaderplaats verdorven, de Heere heeft in Sion doen vergeten den hoogtijd en den sabbat, en hij heeft in de gramschap zijns toorns den Koning en


-ocr page 904-

:deren 2.

beid niet geopenbaard, om uwe gevangenis af te wenden, maar zij hebben voor u gezien ijdele lasten en uitstootingen.

15 Samen/t. Allen die over weg gaan klappen met de handen over li, zij fluiten en schudden hun hoofd over de dochter Jeruzalems, zegrjende: Is dit die stad waarvan men zeide dat zij volkomen van schoonheid was , eêne vreugde der gansche aarde?

10 Pé. Alle uwe vijanden sper-\' ren hunnen mond op over u, zij fluiten, en knersen met de tanden, zij zeggen: Wij hebben ze verslonden; dit is immers de dag dien wij verwacht hebben, wij hebben hem gevonden, wij hebben hem gezien.

17 Ain. De Heehe heeft gedaan wat hij gedacht had, hij heeft zijn woord vervuld dat hij bevolen had van oude dagen, hij heeft afgebroken en niet gespaard; en hij heeft den vijand over u verblijd, hij heeft den hoorn uwer tegenpartij ders verhoogd.

18 Tsade. Hun hart schreeuwde tot den Heere: O gij muur der dochter Sions, laat d:ig en nacht tranen afvlieten als eene beek; geef uzelve geen ruste, uw oogappel boude niet op.

19 Kof. Maak u op, maak geschrei des nachts in het begin der nachtwaken, stort uw harte uit voor het aangezicht des Heeren als water; hef uwe handen tot hem op voor de ziele uwer kinder-kens die in onmacht gevallen zijn van honger, vooraan op alle straten.

20 Resch. Zie, Heere, aanschouw toch, aan wien gij alzóó gedaan hebt: zu\'den dan de vrouwen hare vrucht, eten, de kinder-kens die men op de handen draagt? Zullen dan de Profeet en de Priester-in het heiligdom des Heeren gedood worden?

21 Schin. De jonge en de oude liggen op de aarde o/) de straten, mijne jonkvrouwen en mijne jongelingen zijn door het zwaard gevallen ; gij hebt ze in den dag uws toorns gedood, gij hebt ze geslacht en niet verschoond.

886 k l a a g l11

den Priester smadelijk verworpen.

7 Zaln. De Heere heeft zijn altaar verstoeten, hij heell zijn heiligdom te niet gedaan, hij heeft de muren harer paleizen in des vijands hand overgegeven; zij hebben in het Huis des Heeuen eene stemme verheven als op den dag eens ge-zetten hoogtijds.

8 Chcth. 13e Heere heeft gedacht te verderven den muur der dochter Sions, hij heeft het richtsnoer (Iolclvovcv getrokken, hij heeft zijne hand niet afgewend dat hij ze niet verslond; en hij heeft den voormuur en den muur te zamen treurig gemaakt, zij zijn verzwakt.

9 Teth. Hare poorten zijn in de aarde verzonken, hij heeft hare grendelen verdorven en gebroken; haar Koning en hare Vorsten zijn onder de heidenen, daar is geene wet; hare Profeten vinden ook geen gezicht van den Heere.

10 Jod. De oudsten der dochter Sions zitten op de aarde, zij zwijgen stil, zij werpen stof op haar hoofd, zij hebben zakken aangegord; de jonge dochters van Jeruzalem laten haar hoofd ter aarde hangen.

11 Kaf. Mijne oogen zijn verteerd door tranen, mijn ingewand wordt beroerd , mijne lever is ter aarde uitgeschudquot; vanwege de breuke der dochter mijns volks, omdat het kindeken en de zuigeling op de straten der stad in onmacht zinken:

12 Lamed, als zij tot hunne moeders zeggen: Waar is koren en wijn? als zij op de straten dei-stad in onmacht zinken als de verslagene; als zich hunne ziel uitschudt in den schoot hunner moeders.

13 Mem. Wat getuigen zal ik u brengen? Wat zal ik bij u vergelijken, gij dochter Jeruzalems? Wat zal ik bij u vergelijken, dat ik utrooste, gij jonkvrouw, dochter Sions? Want uwe breuke is -üo groot als de zee, wie kan u heelen ?

14 Nun. Uwe Profeten hebben ijdelheid en ongerijmdheid gezien , èn zij hebben n uwe ongerechtig-

-ocr page 905-

KLAAGLIEDEREN 3.

887

22 Thau. Gij hebt mijne verschrikkingen van rondom geroepen, als tot eenen dag eens ge-zetten hoogtijds en daar is niemand aan den dag des toorn s des Hee-r.en ontkomen of overgebleven; die ik op de handen gedragen en opgevoed heb, die heeft mijn vijand omgebracht.

HOOFDSTUK 3.

Alef. Ik ben de man d/V\'ellende gezien heeft door de roede zijner verbolgenheid.

2 Alef. Hij heeft mij geleid en gevoerd in de duisternis en niet in het licht.

3 Alef. Hij heeft zich immers tegen mij gewend, hij heeft zijne hand den ganschen dag veranderd.

4 Bet li. Hij heeft mijn vleesch en mijne huid oud gemaakt, hij heeft mijne beenderen gebroken.

o Beth. Hij heeft tegen mij gebouwd , en hij heeft mij met galle en moeite omringd.

6 Beth. Hij heeft mij gezet in duistere plaatsen , als degenen die over lange dood zijn.

7 Gimel. Hij heeft mij ommuurd dat ik er niet kan uitgaan, hij heeft mijne koperen boeien verzwaard.

8 Gimel. Ook wanneer ik roep en schreeuw, sluit hij de ooren voor mijn gebed.

9 Gimel. Hi j heeft mijne wegen toegemuurd mét uitgehouwen sleetien, hij heeft mijne paden verkeerd.

10 Daleth. Hij is mij een loerende beer, een leeuw in verborgen plaatsen.

11 Daleth. Hij heeft mijne wegen afgewend en hij beeft mij in stukken gebroken, quot;hij heeft mij ■woest gemaakt.

12 Daleth. Hij heeft zijnen boog gespannen, en quot;hij heeft mij den pijl als ten doel gesteld.

13 Hé. Hij heeft, zijne pijlen in mijne nieren doen ingaan.

\\\'-i Hè. ]k ben al mijn volk tot belaching geworden , liun snarenspel den ganschen dag.

15 Hé. Hij heeft mij met bitterheden verzadigd, hij heeft mij met alsem dronken gemaakt.

16 Van. Hij heeft mijne tanden met zandsteentjes verbrijzeld, hij heeft mij in de asch nederge-drukt.

17 Van. En gij hebt mijne ziele verre van den vrede verstoeten, ik heb het goede vergeten.

18 Van. Toen zeide ik: Mijne sterkte is vergaan, en mijne hoop van den Heeue.

19 Zain. Gedenk aan mijne ellende en aan mijne ballingschap, aan den alsem en galle.

20 Zain. Mijne ziele gedenkt er wel terdege aan, en zij bukt zich neder in mij.

21 Zain. Dit zal ik mij ter harte nemen, daarom zal ik hopen.

22 Cheth. Het zijn de goedertierenheden des Hkeren dat wij niet vernield zijn , dat zijne barmhartigheden geen einde hebben;

23 Cheth. zij zijn allen morgen nieuw, uwe trouw is groot.

24 Cheth. De Heere is mijn deel, zegt mijne ziele, daarom zal ik op hem hopen.

25 Teth. De Heere is goed dengenen die hem verwachten, der ziele die hem zoekt.

26 Teth. Met is goed dat men hope en stille zij op het heil des Heer en.

27 Teth. Het is goed voor een man, dat hij het juk in zijne jeugd draagt.

28 Jod. Hij zitte eenzaam en zwijge stil, omdat hij het hem opgelegd heeft.

29 Jod. Hij steke zijnen mond in het stof, zerjf/ende: Misschien is er verwachting.

30 Jod. Mij geve zijne wang dien die hem slaat, hij worde zat van smaad.

31 Kaf. Want de Heere zal niet verstoeten in eeuwigheid; quot;

32 Kaf. maar als hij bedroefd heeft, zoo zal hij zich ontfermen naar de grootheid zijner goedertierenheden;

33 Kaf. want hij plaagt noch bedroeft des menschen kinderen niet van harte.

34 Lamed. Dat men alle de gevangenen der aarde onder zijne voeten verbrijzelt,

35 Lamed, dat men het recht


-ocr page 906-

888 K L A A G L I ]

eens mans buigt voor het aangezicht des Allerhoogsten,

Lamed, dal men eenen mensch verongelijkt in zijne twistzaak — zoude de Heere het niet zien ?

37 Mem. Wie zegt iets hetwelk geschiedt, zoo de Heere het niet beveelt?

38 Mem. Gaat niet uit den mond des Allerhoogsten het kwade en het goede?

30 Mem. Wat klaagt dan een levend mensch? Een ieder klaye vanwege zijne zonden.

/j0 Nun. Laat ons onze wegen onderzoeken en doorzoeken, en laat ons wederkeeren tot den Heere.

41 Nan. Laat ons onze harten opheffen, mitsgaders de handen, tot God in den hemel, zegrjcnde:

42 Nun. Wij hebben overtreden cn wij zijn wederspannig geweest, daarom hebt gij niet gespaard.

43 Samech. Gij hebt ons met toorn bedekt en gij hebt ons vervolgd; gij hebt ons gedood, gij hebt niet verschoond.

44 Samech. Gij hebt u met eene wolk bedekt, zoodat er geen gebed dóórkwam.

45 Samech. Gij hebt ons tot een uitvaagsel en wegwerpsel gesteld in het midden der volkeren.

46 Pc. Alle onze vijanden hebben hunnen mond tegen ons opgesperd.

47 Pé. De vreeze en de kuil zijn over ons gekomen, de verwoesting en de verbreking.

48 Pc. Met waterbeken stroomt mijn oog; vanwege de breukeder dochter mijns volks.

49 Am. Mijn oog vliet en kan niet ophouden, omdat er geen ruste is;

5ü Am. totdat de Heere van den hemel het aanschouwe en het zie.

51 Ain. Mijn oog doet mijne ziel moeite aan vanwege alle de dochteren mijner stad.

52 Tsade. \' Die mijne vijanden zijn zonder oorzaak, hebben mij als een vogelken dapperlijk gejaagd.

53 Tsade. Zij hebben mijn leven

:deren 4.

in eenen kuil uitgeroeid, en zij hebben eenen steen op mij geworpen.

54 \'Tsade. De wateren zwommen over mijn hoofd; ik zeide : Ik ben afgesneden.

55 Kof. Heere, ik heb uwen naam aangeroepen uit den ondersten kuil.

56 Kof. Gij hebt mijne stemme gehoord; verberg uw oor niet voor mijn zuchten, voor mijn roepen.

57 Kof. Gij zij t genaderd ten dage als ik u aanriep, gij hebt gezegd: Vrees niet.

58 Rcsch. Heere, gij hebt de twistzaken mijner ziele getwist, gij hebt mijn leven verlost.

*59 Rcsch. Heere , gij hebt gezien de verkeerdheid die men mij aangedaan keelt: oordeel mijne rechtzake.

60 Resch. Gij hebt al hunne wrake gezien, aile hunne gedachten tegen mij.

01 Schin. Heere, gij hebt hun smaden gehoord, cualle hunne gedachten tegen mij ;

62 Schin. de lippen dergenen die tegen mij opstaan, en hun dichten tegen mij den ganschen dag.

63 Schin. Aanschouw hun zitten en opstaan; ik ben hun snarenspel.

64 Thau. Heere , geef hun weder die vergelding naar het werk hunner handen.

65 Thau. Geef hun een deksel dos harten, uw vloek zij over hen.

65 Thau. Vervolg ze met toorn en verdelg ze van onder don hemel des Heeren.

HOOFDSTUK 4.

Alcf. Hoe is het goud zoo verdonkerd , het goede fijne goud zoo verandsrd ! Hoe zijn de steenen des heiligdom? vooraan op alle, straten verworoen!

2 Beth. De kostelijke kinderen Sions, tegen fijn goud geschat, hoe zijn ze nu gelijk gerekend aan de aarden flesschen, het werk van de handen ee.is pottenbakkers!

3 Gimel. Zslfs laten de zeekal-veren de borsten neder, zij zogen hare welpen; maar de dochter


-ocr page 907-

KLAAGLIË

DEREN 5.

889

mijns volks is als eene wreede geworden, gelijk de struisen in de woestijn.

4 Daleth. De tong van het zoog-kind kleeft aan zijn gehemelte van dorst; de kinderkens eischen brood, er is niemand die het hun mededeelt.

5 Hc. Die lekkernijen aten, versmachten nu op de straten; die in karmozijn opgevoed zijn, omhelzen den drek.

6 Vau. En de ongerechtigheid der dochter mijns volks is grooter dan de zonde van Sodom, dat als in een oogenblik omgekeerd werd en geen handen hadden er arbeid aan.

7 Zain. Hare edelsten waren reiner dan de sneeuw, zij waren witter dan melk, zij warenrooder van lichaam dan robijnen, gladder dan een saffier;

S Chcth. maar nu is hunne gedaante verduisterd van zwartheid, men kent ze niet op de stralen; hunne huid kleeft aan hunne beenderen, zij is verdord, zij is geworden als een hout.

9 Teth. De verslagenen van het zwaard die zijn gelukkiger dan de verslagenen van den honger; want die vlieten daarhenen als doorstoken zijnde, omdat er geen vruchten der velden zijn.

10 Jod. De handen der barmhartige vrouwen hebben hare kinderen gekookt, zij zijn haar tot spijze geworden bij de verbreking der dochter mijns volks.

11 Kaf. De Heere heeft zijne grimmigheid volbracht, hij heeft de hittigheid zijns toorns uitgestort, en hij heeft te Sion een vuur aangestoken hetwelk hare fundamenten verteerd heeft.

12 Lamed. De Koningen der aarde zouden het niet geloofd hebben, noch alle de inwoners der wereld, dat de tegenpartijder en vijand tot de poorten van Jeruzalem zoude ingaan.

13 Mem. Het is vanwege de zonden barer Profeten en de misdaden barer Priestereh, die in het midden van haar het bloed der rechtvaardigen vergoten hebben.

14 Nun. Zij zwierven als blinden op de straten, zij waren met bloed besmet, zoodat men niet konde zijn of men raakte hunne kleederen aan.

15 Sameclt. Zij riepen tot hen: quot;Wijkt, /lier is eèn onreine, wijkt, wijkt, roert niet aan. Zekerlijk zij zijn weggevlogen, ja, weggezwor-ven; zij zeiden onder de heidenen: Zij zullen er niet langer wenen.

10 Pr. Des Heeren aangezicht heeft ze verdeeld, hij zal ze voortaan niet meer aanzien ; zij hebben het aangezicht der Priest eren niet geëerd, zij hebben den ouden geen genade bewezen.

17 Am. Nog bezweken ons onze oogen, ziende naar onze ijdele hulp ; wij gaapten met ons gapen naar een volk dat niet konde verlossen.

18 Tsade. Zij hebben onze gangen nagespoord , dat wij op onze straten niet gaan konden; ons einde is genaderd, onze dagen zijn vervuld, ja ons einde is gekomen.

19 Kof. Onze vervolgers zijn sneller geweest dan de arenden des hemels, zij hebben ons op de bergen hittiglijk vervolgd, in de woestijn hebben zij ons lagen gelegd.

20 Besch. De adem onzer neuzen , de gezalfde des Heeren , is gevangen in hunne groeven; van wien wij zeiden: Wij zullen onder zijne schaduw leven onder de heidenen.

21 Schin. Wees vroolijk en verblijd u, gij dochter Edoms die in het land Uz woont, doch de beker zal ook tot u komen, gij zult dronken worden en ontbloot worden.

22 Thau. Uwe ongerechtigheid heeft een einde, o gij dochter Si-ons : hij zal u niet meer gevankelijk doen wegvoeren; maar uwe ongerechtigheid, o gij dochter Edoms, zal hij bezoeken, hij zal uwe zonden ontdekken.

HOOFDSTUK 5.

Gedenk , Heere , wat ons geschied is , aanschouw het en zie onzen smaad aan.

2 Ons erfdeel is tot de vreemdelingen gewend, onze buizen tot de uitlanders.


-ocr page 908-

EZECHIËL i.

890

3 Wij zijn weezen zonder vader, onze moeders zijn als de weduwen.

4 Ons water moeten wij voor geld drinken, ons hout komt ons op prijs te staan.

5 Wij lijden vervolging op onze halzen; zijn wij moede, men laat ons geen rust.

6 Wij hebben den Egyptenaar de hand gegeven, en den Assy-riër, om }net brood verzadigd te worden.

7 Onze vaders hebben gezondigd en zijn niet meer, en wij dragen hunne ongerechtigheden.

8 Knechten heerschen over ons, daar is niemand die ons uit hunne hand rukke.

9 Wij moeten ons brood met gevaar onzes levens halen , vanwege het zwaard der woestijn.

lü Onze huid is zwart geworden gelijk een oven, vanwege den geweldigen storm des hongers.

41 Zij hebben de vrouwen in Sion verkracht, en de jonge dochters in de steden van Juda.

12 De Vorsten zijn door hunlie-der hand opgehangen , de aangezichten der ouden zijn niet geëerd geweest.

13 Zij hebben do jongelingen weggenomen out te malen, en de jongens struikelen onder het hout.

14 De ouden houden op van de poort, de jongelingen van hun snarenspel.

15 Onzes harten vreugd houdt op , onze rei is in treurigheid veranderd.

16 De kroon onzes hoofds is afgevallen; o wee nu onzer, dat wij zoo gezondigd hebben !

17 Daarom is ons hart mat, om deze dingen zijn onze oogen duister geworden:

18 om des bergs Sions wille die verwoest is, waar de vossen op loopen.

19 Gij, o Heere, zit in eeuwigheid, uw troon is van geslachte tot geslachte.

20 Waarom zoudt gij ons steeds vergeten, rvaarom zóudt gij ons zoo .langen tijd verlaten?

21 Heere , bekeer ons tot u, zoo zullen wij bekeerd zijn; vernieuw onze dagen als van ouds.

22 Want zoudt gij ons gansche-lijk verwerpen ? Zoudt gij zoozeer tégen ons verbolgen zijn ?


DE PROFEET E Z E C H I Ë L.

HOOFDSTUK i.

In het dertigste jaar in de vierde maand, op den vijfde dier maand, als ik in het midden der weggevoerden was bij de rivier Kebar, zoo geschiedde het dat de hemelen werden geopend en ik gezichten Godes zag.

2 Op den vijfde dier maand , (dat was het vijfde jaar van de wegvoering van denquot; Koning Jo-jachin),

3 geschiedde het Woord des

Heeren uitdrukkelijk tot Ezechiël den zoon van Buzi, den Priester, in het land der Chaldeën, bij de rivier Kebar; en de hand des Heeren was daar op hem.

4 Toen zag ik, en zie, een stoi mwind kwam van het Noorden af, eene grootewolk, en een vuur daarin vervangen, en een glans was rondom die wolk; en uit het midden daarvan was als de kleur van Hasmal, uit het midden des vuurs.

5 En uit het midden daarvan


-ocr page 909-

EZEGHIËL 1.

891

ktuam de gelijkenis van vier dieren; en dit was hunne gedaante: zij hadden de gelijkenis van een mensch,

Ü en elkeen had vier aangezichten, insgelijks had elkeen van hen vier vleugelen;

7 en hunne voeten waren rechte voeten, en hunne voetplanten waren gelijk de voetplanten eens kali\'s en glinsterden gelijk de verwe van glad koper;

8 en menschenhanden waren onder hunne vleugelen , aan hunne vier zijden; en die vier hadden hunne aangezichten en hunne vleugelen.

9 Hunne vleugelen waren samengevoegd , de ééne aan den anderen; zij keerden zich niet om als zij gingen, zij gingen elk rechtuit voor zijn aangezicht henen.

10 De gelijkenis nu van hun aangezicht was het aangezicht eens menschen, en het aangezicht eens leeuws hadden die vier aan de rechterzijde, en ter linkerzijde hadden die vier eens ossen aangezicht, ook hadden die vier eens arends aangezicht.

11 Ook waren hunne aangezichten en hunne vleugelen opwaarts verdeeld; elkeen had er twee samengevoegd aan de andere, en twee bedekten hunne lichamen.

12 En zij gingen elkeen rechtuit voor zijn aangezicht henen; waar-henen de Geest was om te gaan, gingen zij ; zij keerden zich niet om als zij gingen.

13 Aangaande de gelijkenis der dieren, hunne gedaante was als brandende kolen des vuurs, als de gedaante der fakkelen; dat vmcr ging steeds tusschen die dieren, en het vuur had eenen glans, en uit het vuur kwam een bliksem voort.

14 De dieren nu liepen en keerden weder als de gedaante van een weerlicht.

15 Als ik die dieren zag, zie. zoo was daar een rad op de aarde bij die dieren, naar vier aangezichten van hetzelve.

16 De gedaante der raderen en derzelver maaksel was als de verwe van een turkoois, en die vier hadden éénerlei gelijkenis: daartoe was hunne gedaante en hun maaksel, als of het ware een rad in \'t midden van een rad.

17 Als zij gingen , zij gingen op hunne vier zijden; zij keerden zich niet om als ze gingen.

18 En hunne velgen, die waren zoo hoog dat ze vreeselijk waren; en hwnne velgen waren vol oogen rondom aan die vier raderen.

19 Als nu de dieren gingen, gingen de raderen bij hen; en als de dieren van de aarde opgeheven werden, werden de raderen opgeheven;

2U waarhenen de Geest was om te gaan, gingen zij, waarhenen de Geest was om te gaan ; en de raderen werden tegenover hen opgeheven , want de geest der dieren was in de raderen;

21 als die gingen , gingen deze; en als die stonden, stonden zij; en als die van de aarde opgeheven werden, werden de raderen tegenover hen opgeheven, want de geest der dieren was in de raderen.

22 En over de hoofden der dieren was de gelijkenis eens uitspansels, gelijk de verwe van het vreeselijk kristal, van boven af over hunne hoofden uitgespreid.

23 En onder dat uitspansel waren hunne vleugelen rechtop, de uéne aan den anderen; ieder had er twee die herwaarts hunne lichamen bedekten, en ieder had er twee die ze derwaarts bedekten.

24 En als zij gingen hoorde ik een geruisch hunner vleugelen, als het geruisch van vele wateren, als de stemme des Almachtigen , als de stemme eens geroeps, als het gedreun eens heirlegers: als zij stonden, zoo lieten zij hunne vleugelen neder.

25 En daar geschiedde eene stemme van boven het uitspansel hetwelk boven hunne hoofden was, als zij stonden en hunne vleugelen nedergelaten hadden.

26 En boven hot uitspansel hetwelk was boven hunne hoofden , was de gelijkenis eens troons als de gedaante eens saffiersteens; en op de gelijkenis des troons was


-ocr page 910-

E ZE CHI EL 2, 3.

892

de gelijkenis nis de gedaante eens menschen, daar bovenop zijnde;

27 en ik zag als de verwe van Hasmal, als de gedaante van vuur rondom daarbinnen, van de gedaante zijner lendenen en opwaarts; en van de gedaante zijner lendenen en nederwaarts zag ik als de gedaante van vuur, en glans aan hem rondom:

28 gelijk de gedaante van den boog die in de wolken is ten dage des plasregens, alzóó was de gedaante van den glans rondom; dit was de gedaante van de gelijkenis der heerlijkheid des Hee-ren. En als ik \'t zag viel ik op mijn aangezicht, en ik hoorde eene stem van een die sprak.

HOOFDSTUK 2.

En hij zeide tot mij: Menschen-kind, sta op uwe voeten en ik zal met u spreken.

2 Zoo kwam in mij, als hij tot mij sprak, de Geest die mij stelde op mijne voeten; en ik hoorde dien die tot mij sprak,

3 en hij zeide tot mij: Men-schenkind. ik zend u tot de kinderen Israels, tot de rebelleerende volken die tegen mij gerebelleerd hebben, zij en hunne vaderen hebben overtreden tegen mij tot op dezen huidigen dag.

4 En deze kinderen zijn hard van aangezicht en stijf van hart: ik zend u tot hen, en gij zult tot hen zeggen: Zóó zegt de Heere Heere.

5 En zij , hetzij dat ze het hooren zullen of hetzij dat ze het laten zullen, (want zij zijn een wederspan-nig huis), zoo zullen zij weten dat een Profeet in het midden van hen geweest is.

6 En gij menschenkind , vrees niet voor hen en vrees niet voor hunne woorden, hoewel weerbar-stigen en doornen bij u zijn en gij bij schorpioenen woont; vrees voor hunne woorden n\'et, en ontzet u niet voor hun aangezicht, want zij zijn een wederspannig huis.

7 Maar gij zult mijne woorden tot hen spreken, hetzij dat ze hooren zullen of hetzij dat ze het laten zullen; want zij zijn wederspannig.

8 Doch gij menschenkind, hoor hetgeen dat ik tot uspreek; wees gij niet wederspannig gelijk dat wederspannige huis, open uwen mond en eet wat ik u geve.

9 Toen zag ik, en zie, daar was eene hand tot mij uitgestoken, en zie, daarin was de rol eens boeks;

10 en hij spreidde die voor mijn aangezicht uit, en zij was beschreven vóór en achter, endaar-in waren beschreven klaagliederen en verzuchting en wee.

HOOFDSTUK 3.

Daarna zeide hij tot mij : Menschenkind, eet wat gij vinden zult; eet deze rol, en ga, spreek tot het huis Tsraëls.

2 Toen opende ik mijnen mond en hij gaf mij die rol te eten,

3 en hij zeide tot mij: Menschenkind , geef uwen buik te eten, en vul uw ingewand met deze rol die ik u geef. Toen at ik, en het was in mijnen mond als honig, vanwege de zoetigheid.

4 En hij zeide tot mij: Menschenkindquot;, ga henen, kom tot het huis Israels, en spreek tot hen met mijne woorden.

5 Want gij zijl niet gezonden tot een volk, diep van spraak en i zwaar van tong, maar tot het \' huis Israels;

\' 6 niet lot vele volkeren, diep van spraak en zwaar van tong, welker woorden gij niet kunt verstaan: zouden zij niet, zoo ik u tot hen gezonden had, naar u gehoord hebben?

7 Maar het huis Israels wil naar u niet hooren, omdat zij naar mij niet willen hooren; want hetgan-sche huis Israëls is stijf van voorhoofd , en hard van hart zijn ze.

8 Zie. ik heb uw aangezicht stijf gemaakt tegen hunne aangezichten, en uw voorhoofd stijf tegen hun voorhoofd;

9 uw voorhoefd heb ik gemaakt als een diamant, harder dan eene rots: vrees hen niet, en ontzet u niet voor hunne aangezichten,, omdat ze een wederspannig huis zijn.

10 Voorts zeide hij tot mij: Men-


-ocr page 911-

EZECHIËL 4.

893

schenkind, vat alle mijne woorden die ik tot u spreken zal in uw harte, en hoor ze metuweooren;

11 en ga henen, kom tot de weggevoerden, tot de kinderen uws volks, en spreek tot hen en zeg tot hen: Zóó zegt de Heere Heere; hetzij dat ze hooren zullen of hetzij dat ze het laten zullen.

12 Toen nam de Geest mij op, en ik hoorde achter mij eene stem van groote ruisching, zegfiende: (ïeloofd zij de heerlijkheid des Heeren uit zijne plaats.

13 En ik hoorde het geluid van der dieren vleugelen, die de ééne den anderen raakten, en het geluid der raderen tegenover hen, en het geluid eener groote ruisching.

14 Toen hief de Geest mij op en nam mij weg, en ik ging henen, bitter\'bedroefd door de hitte mijns geestes; maar de hand des Heeren was sterk op mij.

15 En ik kwam tot de weggevoerden te Tel-Abib, die aan de rivier Kebar woonden, en ik bleef waar zij woonden , ja ik bleef daar verbaasd in het midden van hen zeven dagen.

16 Het gebeurde nu ten einde van zeven dagen dat het Woord des Heeren tot mij geschiedde, zeggende:

17 Menschenkind, ik heb u tot ^enen wachter gesteld over het Imis Israels; zoo zult gij het woord uit mijnen mond hooren, en hen iran mijnentwege waarschuwen.

IS Als ik tot den goddelooze zeg: Gij zult den dood sterven, m gij waarschuwt hem niet, en spreekt niet om den goddelooze van zijnen goddeloozen weg te waarschuwen, opdat gij hem in het leven behoudt, — die godde-ooze zal in zijne ongerechtigheid sterven, maar zijn bloed zal ik vnn uwe hand eischen.

19 Doch als gij den goddelooze waarschuwt, en hij zich van zijne goddeloosheid en van zijnen god-ileloozen weg niet bekeert, — hij sal in zijne ongerechtigheid sterven, maar gij hebt uwe ziel bevrijd.

20 Als ook een rechtvaardige zich van zijne gerechtigheid afkeert en onrecht doet, en ik eenen aanstoot voor zijn aangezicht leg, — hij zal sterven; omdat gij hem niet gewaarschuwd hebt, zal hij in zijne zonde sterven, en zijne ge-reentigheden die hij gedaan heeft zullen niet gedacht worden ; maar zijn bloed zal ik van uwe hand eischen.

21 Doch als gij den rechtvaardige waarschuwt opdat de rechtvaardige niet zondige, en hij niet zondigt, — hij zal zekerlijk leven omdat hij gewaarschuwd is, en gij hebt uwe ziel bevrijd.

22 En de hand des Heeren was daar op mij, en hij zeide tot mij : Maak u op, ga uit in de vallei, en ik zal daar met u spreken.

23 En ik maakte mij op en ging uit in de vallei, en zie, de heerlijkheid des Heeren stond aldaar, gelijk de heerlijkheid die ik gezien had bij de rivier Kebar, en ik viel op mijn aangezicht.

24 Toen kwam de Geest in mij en stelde mij op mijne voeten, en hij sprak met mij en hij zeide tot mij : Ga, sluit u op binnen in uw huis.

25 Want u aangaande, menschenkind . zie , zij zouden dikke touwen aan u leggen, en zij zouden u daarmede binden: daarom zult gij niet uitgaan in het midden van hen.

26 En ik zal uwe tong aan uw gehemelte doen kleven, dat gij stom worden zult, en zult hun niet zijn tot een bestralFenden man; want zij zijn een wederspannig huis.

27 Maar als ik met u spreken zal, zal ik uwen mond opendoen, en gij zult tot hen zeggen: Zóó zegt de Heere Heere : wie Jioort die hoore, en wie het laat die late het; want zij zijn een wederspannig huis.

HOOFDSTUK 4.

En gij menschenkind, neem u eenen tichelsteen en leg dien voor uw aangezicht, en ontwerp daarop de stad Jeruzalem;

2 en maak eene belegering tegen haar , en bouw tegen haar sterkten, en werp tegen haar eenen wal op,


-ocr page 912-

E Z E c: II

IËL 5.

894

en stel legers tegen haar, en zet tegen haar stormrammen rondom.

3 Voorts, neem gij u eene ijzeren pan, en stel ze tot eenen ijzeren muur tusschen u en tusschen die stad; en richt uw aangezicht tegen haar, dat ze in belegering kome, en gij zult ze belegeren. Dit zij den huize Israels een teeken.

4 Lig gij ook neder op uwe linkerzijde, en leg daarop de ongerechtigheid van het huis Israels: naar het getal der dagen dat gij daarop zult liggen, zult gij hunne ongerechtigheid dragen.

5 Want ik heb u gegeven de jaren hunner ongerechtigheid, naar het getal der dagen, driehonderd en negentig dagen, dat gij de ongerechtigheid van het huis Israëls dragen zult.

6 Als gij nu deze voleindigen zult, lig ten anderen male neder op uwe rechterzijde, en gij zult de ongerechtigheid van het huis van Juda dragen veertig dagen: ik heb u gegeven eiken dag voor elk jaar

7 Daarom zult gij uw aangezicht richten tegen de belegering Jeru-zalems, en uw arm zal ontbloot zijn, en gij zult tegen haar profe-teeren.

8 En zie, ik zal dikke touwen aan u leggen, dat gij u niet omkeert van uwe cóno. zijde op uwe andere zijde, totdat gij de dagen uwer belegering voleindigd hebt.

9 En neem gij voor u tarwe en gerst en boonen en linzen en gierst en spelt, en doe die inéén vat, en maak die u tot brood: naar het getal der dagen die gij op uwe zijde nederliggen zult, driehonderd en negentig dagen zult gij dat eten.

10 Uwe spijze nu die gij eten zult, zal in gewicht zijn twintig sikkelen daags; van tijd tot tijd zult gij die eten.

11 Gij zult ook water naar zélzere maat drinken, het zesde deel van een hin; van tijd tot tijd zult gij het drinken.

12 En gij zult een gerstekoek eten , en dien zult gij met drek van \'s menschen afgang bakken voor hunne oogen.

13 En de Heere zeide: Alzóo zullen de kinderen Israëls hun brood onrein eten onder de heidenen waarhenen ik ze verdrijven zal.

14 Toen zeide ik: Ach, Heere Heeue . zie , mijne ziele is niet verontreinigd geweest; want ik heb van mijne jeugd af tot nu toe geen dood aas noch dat verscheurd is gegeten, en geen verfoeielijk vleesch is in mijnen mond gekomen.

15 En hij zeide tot mij: Zie, ik heb u rundermest gegeven voor menschendrek, zoo zult gij uw brood daarmede bereiden.

1() Daarna zeide hij tot mij: Gij menschenkind, zie, ik breek den staf des broods in Jeruzalem, en zij zullen het brood met gewicht en met kommer eten, en het water met zekere maat en met verbaasdheid drinken;

17 opdat zij des broods en des waters gebrek hebben, en de één met deti anderen verbaasd worden en in hunne ongerechtigheid uitteren.

HOOFDSTUK 5.

En gij menschenkind, neem u een scherp mes, een scheermes der barbieren zult gij u nemen, hetwelk gij zult laten gaan over uw hoofd en ovei uwen baard. Daarna zult gij u eene weegschaal nemen, en die haren deelen:

2 een derde deel zult gij in het midden der stad met vuur verbranden, naar dat de dagen der belegering vervuld worden; dan zult gij een derde deel nemen, slaande met een zwaard rondom hetzelve; en een derde deel zult gij in den wind strooien; want ik zal het zwaard achter hen uittrekken.

3 Gij zult ook weinige in getale daarvan ne.nen en in uwe slippen binden.

4 En nog zult gij van die nemen en die werpen in het midden des vuurs, en zult ze verbranden met vuur: daaruit zal voortkomen een vuur tegen het geheele huis van Israël.

5 Alzóó zegt de Heere Heere :


-ocr page 913-

E ZE CHI EL G.

895

Dit is Jeruzalem, welke ik in het midden der heidenen gezet heb, en landen rondom haar henen;

6 doch zij heeft mijne rechten veranderd in goddeloosheid meer dan de heidenen, en mijne inzettingen meer dan de landen die rondom haar zijn; want zij hebben mijne rechten verworpen, en in mijne inzettingen hebben zij niet gewandeld.

7 Daarom zegt de Heere Heere alzóó: Dewijl gijlieden dies meer gemaakt hebt dan de heidenen die rondom u zijn, in mijne inzettingen niet gewandeld liebt en mijne rechten niet gedaan hebt, zelfs naar de rechten der heidenen die rondom u zijn niet gedaan hebt:

8 daarom zegt de Heere Heere alzóó: Zie, ik wil aan u, ja ik; want ik zal gerichten in het midden van u oefenen, voor de oogen van die heidenen;

9 en ik zal onder u doen hetgeen ik niet gedaan heb, en desgelijks ik voortaan niet doen zal, om quot;aller uwer gruwelen wil.

10 Daarom zullen de vaders de kinderen eten in het midden van u, en de kinderen zullen hunne vaders eten; en ik zal gerichten onder u oefenen, en zal al uw overblijfsel in alle winden verstrooien.

11 Daarom zuo waarachtig als ik leve, spreekt de Heere Heere, (omdat gij mijn heiligdom verontreinigd hebt met alle uwe verfoeiselen en met alle uwe gruwelen): zoo ik ook niet daarom u verminderen en mijn oog u niet verschoonen zal, en ik bok niet zal sparen!

12 Een derde deel van u zal aan de pestilentie sterven, en zal door honger in het midden van u te niet worden; en een derde deel zal in het zwaard vallen rondom u; en een derde deel zal ik in alle winden verstrooien, en ik zal het zwaard achter hen uittrekken :

13 alzoo zal mijn toorn volbracht worden, en ik zal mijne grimmigheid op hen doen rusten, en mij troosten; en zij zullen weten, dat ik de Heere in mijnen ijver gesproken heb j als ik mijne grimmigheid legen hen volbracht zal bobben.

14 Daartoe zal ik u ter woestheid en ter smaadheid \'.etten onder de heidenen die rondom u zijn , voor de oogen van al dengenen die voorbijgaat.

15 Zoo zal de smaadheid en hoon een onderwijs en ontzetting den heidenen zijn die rondom u zijn, wanneer ik over u gerichten in toorn en in grimmigheid en in grimmige straffen oefenen zal: ik de Heere heb het gesproken.

16 Wanneer ik de booze pijlen des hongers tegen hen uitzenden zal, die ten verderve zijn zullen , die ik uitzenden zal om u te verderven, zoo zal ik den honger over u vermeerderen en u den staf des broods breken.

17 Ja, honger en boos gedierte, die u van kinderen berooven zullen, zal ik over u zenden ; ook zal pestilentie en bloed onder u omgaan, en liet zwaard zal ik over u brengen : ik de Heere heb het gesproken.

HOOFDSTUK ö.

En het Woord des Heeren geschiedde tot mij , zeggende :

2 Menschenkind, zet uw aangezicht tegen de bergen Israels en profeteer tegen dezelve,

o en zeg : Gij bergen Israels , hoort het Woord des Heeren Hei:-ren; zóó zegt de Heere Heere tot de bergen en tot de heuvelen , tot de beken en tot de dalen: Zie, ik, ik breng over u het zwaard, en ik zal uwe hoogten verderven;

4 daartoe zullen uwe altaren verwoest en uwe zonnebeelden verbroken worden, en ik zal uwe verslagenen nedervellen voor het aangezicht uwer drekgoden;

5 en ik zal de doode lichamen der kinderen Israels voor het aartgezicht hunner drekgoden leggen, en ik zal uwe beenderen rondom uwe altaren strooien.

0 In alle uwe woningen zullen de steden verwoest en de hoogten tot wildernis worden, opdat uwe


-ocr page 914-

EZECHIËL 7.

8Ö6

altaren woest en eenzaam zijn, en uwe drekgoden verbroken worden en ophouden, en uwe zonnebeelden afgehouwen en uwe werken uitgedelgd worden;

7 en de verslagenen zullen in het midden van u liggen, opdat gij weet dat ik de Heere ben.

8 Ik zal dan nog een overblijfsel laten, als gij eenirjen zult hebben die het zwaard ontkomen onder de heidenen, wanneer gij in de landen zult verstrooid worden.

9 Dan zullen uwe ontkornenen mijner gedenken onder de heidenen waar zij gevangen zullen geworden zijn, omdat ik verbroken ben door hun boerachtig hart dat van mij afgeweken is, en door hunne oogen die hunne drekgoden nahoereeren; en zij zullen eene walging aan zichzelven hebben over de boosheden die zij in allo hunne gruwelen gedaan hebben.

10 En zij zullen weten dat ik de Heere ben: ik heb niet tevergeefs gesproken van hun dit kwaad aan te doen.

11 Zóu zegt de Heere Heere : Sla met uwe hand en stamp met uwen voet, en zeg: Ach , over alle gruwelen der boosheden van het huis Israëls; want zij zullen door het zwaard door den honger en door de pestilentie vallen;

12 die ver af is zal door de pest sterven, en die nabij is zal door het zwaard vallen; maar die overgebleven en belegerd is zal door honger sterven: alzoo zal ik mijne grimmigheid tegen hen volbrengen.

13 Dan zult gij weten dat ik de Heere ben , als hunne verslagenen in het midden hunner drekgoden rondom hunne altaren wezen zullen, op alle hooge heuvelen, op alle toppen der bergen, en onder allen groenen boom en onder alle dichte eiken, de plaats alwaar zij allen hunnen drekgoden liefelijken reuk maakten.

14 Daarom zal ik mijne hand over hen uitstrekken en zal het land woest maken, ja, woester dan de woestijn naar Diblath henen, in alle hunne woningen: en zij zullen bevinden dat ik de Heere ben.

HOOFDSTUK 7.

Daarna geschiedde het Woord des Heeren tot mij, zeggende:

2 Voorts gij menschenkind, zóó zegt de Heere Heere van het land Israëls: Het einde is er, het einde is gekomen over de vier hoeken des lands.

3 Nu is het einde over u; want ik zal mijnen toorn legen u zenden, en ik zal u richten naar uwe wegen , en ik zal op u brengen alle uwe gruwelen;

4 en mijn oog zal u niet ver-schoonen en ik zal niet sparen, maar ik zal uwe wegen op u brengen, en uwe gruwelen zullen in het midden van a zijn, en gijlieden zult weten dat ik de Heere ben.

5 Zóó zegt de Heere Heere : Een kwaad, een éénig kwaad, zie, is gekomen;

G een einde is er gekomen, dat einde is gekomen, het is ópgewaakt tegen u r, zie , het kwaad is gekomen.

7 De morgenstond is tot u gekomen , o inwoner des lands; de tijd is gekomen, de dag der beroerte is nabij, en daar is geen wederklank der bergen.

8 Nu zal ik in kort mijne grimmigheid over u litgieten, en mijnen toorn legen u volbrengen , en u richten naar uwe wegen, en zal op u brengen alle uwe gruwelen;

9 en mijn oog zal niet verschoo-nen en ik zal niet sparen ; ik zal u geven naar uwe wegen, en uwe gruwelen zullen in het midden van li zijn; en gijlieden zult welen dat ik de Heere ben die slaat.

10 Zie, de dag, zie, de morfjen-stond is gekomen, de morgenstond is voortgekomen, de roede heeft gebloeid, de hcovaardij heeft gegroend ,

11 het geweld is opgerezen tot eene roede dar goddeloosheid; niets van hen zal overblijven, noch van hunne menigte noch van hun gedruisch , en geene klacht zal over hen zijn.

12 De lijd is gekomen, de dag is genaakt: de kooper zij niet blijde, en do verkooper bedrijvc geen rouw ; want een brandende


-ocr page 915-

EZECHIËL 8.

897

toorn is over de geheele menigte van het land.

13 Want de verkooper zal tot het verkochte niet wederkeeren, ofschoon hun leven nog onder de levenden ware; overmits het gezicht aangaande de geheele menigte van het land niet zal terug-koeren ; en niemand zal door zijne ongerechtigheid zijn leven sterken.

14 Zij hebben met de trompet getrompet en hebben alles bereid, maar niemand trekt ten strijde; want mijn brandende toorn is over de geheele menigte van het land.

15 Het zwaard is buiten, en de pest en de honger van binnen; die op het veld is zal door het zwaard sterven, en die in de stad is, dien zal de honger en de pest verteren.

16 En hunne ontkomenden zullen wel ontkomen, maar zij zullen op de bergen zijn, zij allen zullen zijn gelijk duiven der dalen , kermende een ieder om zijne ongerechtigheid.

17 Alle handen zullen slap worden , en alle knieën zullen henen-vlieten als water.

18 Ook zullen zij zakken aangorden, gruwen zal ze bedekken, en over alle aangezichten zal schaamte wezen, en op alle hunne hoofden kaalheid.

19 Zij zullen hun zilver op de straten werpen, en hun goud zal tot onreinheid zijn; hun zilver en hun goud zal hen niet kunnen uithelpen ten dage der verbolgenheid des Heeren, hunne ziel zullen zij niet verzadigen en hunne ingewanden zullen zij niet vullen; want het zal de aanstoot hunner ongerechtigheid zijn.

20 En hij heeft de schoonheid zijns sieraads tot luister gezet, maar zij hebben daarin beelden hunner gruwelen en hunner verfoeiselen gemaakt: daarom heb ik dat hun tot onreinheid gesteld,

21 en ik zal het in de hand dei-vreemden overgeven ten roof, en den goddeloozen der aarde ten buit, en zij zullen het ontheiligen :

22 ook zal ik mijn aangezicht van hen omwenden, en zij zullen mijne verborgen plaats onlheili-1 gen, want inbrekers zullen daar inkomen en die ontheiligen.

23 Maak eene keten, want het land is vol van bloedgerichten, en de stad is vol van geweld.

24 Daarom zal ik de kwaadste der heidenen doen komen, die hunne huizen erfelijk bezitten zullen , en zal den hoogmoed der sterken doen ophouden, en die hen heiligen zullen ontheiligd worden.

25 De ondergang komt, en zij zullen den vrede zoeken maar hij zal er niet zijn;

20 ellende zal op ellende komen, en daar zal gerucht op gerucht wezen: dan zullen zij het gezicht van een Profeet zoeken, maar de wet zal vergaan van den Priester en de raad van de oudsten;

27 de Koning zal rouw bedrijven, en de Vorsten zullen met verwoesting bekleed zijn, en de handen van het volk des lands zullen beroerd zijn; ik zal hun doen naar hunnen weg, en met hunne rechten zal ik ze richten; en zij zullen weten dat ik de Hee-re ben.

HOOFDSTUK 8.

Het geschiedde nu in het zesde jaar in de zesde maand op den vijfde der maand, als ik in mijn huis zat en de oudsten van Juda voor mijn aangezicht zaten , dat de hand des Heeren Heeren daar over mij viel.

2 Toen zag ik, en zie, eene gelijkenis als de gedaante van vuur; van de gedaante zijner lendenen en nederwaarts was vuur, en van zijne lendenen en opwaarts als de gedaante eener klaarheid- als de verwe van Hasmal.

3 En hij stak de gelijkenis eener hand uit en nam mij bij het haar mijns hoofds; en de Geest voerde mij op tusschen de aarde en tus-schen den hemel, en bracht mij , in de gezichten Gods, te Jeruzalem , tot de deur der poort van het binnenste voorhof, dewelke ziet naar het Noorden, alwaar de zitplaats was van een beeld dei-ij vering dat tot ijver verwekt.

4 En zie de heerlijkheid van den


29

-ocr page 916-

ezeghiël 9.

15 En hij zeide tot mij: Hebt gij, menschenkind, dat gezien? Gij zult nog wederom grooter gruwelen zien dan deze.

1G En hij bracht mij tot het binnenste voorhof van het Huis des Heeren ; en zie , aan de deur van den Tempel des Heeren , tusschen het voorhuis en tusschen het altaar, waren omtrent vijfentwintig mannen: hunne achterste deelen waren naar den Tempel des Heeren, en hunne aangezichten naar het Oosten; en deze bogen zich neder naar het Oosten voor de zon.

17 Toen zeide hij tot mij: Hebt gij, menschenkind, dat gezien? Is er iets lichter geacht bij het huis van Ju da, dan deze gruwelen te doen die zij hier doen? Als zij het land met geweld vervuld heb; ben, zoo keeren zij zich om mij te vertoornen, want zie, zij steken de wijnranken aan hunnen neus. , ,

18 Daarom zal ik ook handelen in grimmigheid: mijn oog zal niet verschoonen en ik zal niets sparen; hoewel ze voor mijne ooren met luider stemme roepen, nogtans zal ik ze niet hoeren.

HOOFDSTUK 9.

Daarna riep hij voor mijne ooren mot luider stemme, zeggende: Doet de opzieners der stad naderen , en elkeen met zijn verdervend wapen in zijne hand.

2 En zie, zes mannen kwamen 1 van den weg der hooge poort die f gekeerd is naar het Noorden, en elkeen met zijn verpletterend wapen in zijne hand; en één man in het midden van hen was met linnen bekleed, en een schrijversinktkoker was aan zijne lendenen; en zij kwamen in, en stonden bij het koperen altaar.

3 En de heerlijkheid des Gods Israëls hief zich op van den cherub waarop hij v/as, tot den dorpel [ van het Huis; en hij riep tot den j man die met linnen bekleed was, | die den schrijvers-inktkoker aan E zijne lendenen had;

4 en de Heere zeide tot hem:

898

God Israëli! was aldaar, naar de gedaante die ik in de vallei gezien had;

5 en hij zeido tot mij; Mensclien-kind, het nu uwe. oogeu op naar den weg van het Noorden. En ik hief mijne oogeti op naar den weg van het Noorden, en zie , tegen het Noorden aan de poort van het altaar was dit beeld der ijvering, in den ingang.

6 En hij zeide tot mij: Men-schenkind, ziet gij wel wat zij doen, de groote gruwelen die het huis Israëls hier doet, opdat ik van mijn heiligdom verre wegga? Doch gij zult nog wederom groote gruwelen zien.

7 Zoo bracht hij mij tot de deur des voor hols. Toen zag ik, en zie, daar was eene holte in den wand.

8 En hij zeido tot mij: Menschen-kind, graaf nu in dien wand. En ik groef in dien wand, en zie, daar was eene deur.

0 Toen zeide hij tot mij: Ga in, en zie de booze gruwelen die zij hier doen.

10 Zoo ging ik in en ik zag, en zie, daar was alle beeltenis van kruipende dieren en verfoeielijke beesten, en van alle drekgoden van het huis Israëls, geheel rondom aan den wand gemaald;

11 en zeventig mannen uit de oudsten van het huis Israëls, met Jaazanja den zoon van Safan slaande in het midden van hen, stonden voor hunne aangezichten, en een ieder Jiad zijn rookvat in zijne hand, en eene overvloedige wolk des reukwerks ging op.

•12 Toen zeide hij tot mij : Hebt gij gezien, menschenkind, wat de oudsten van het huis Israëls doen in de duisternis, een ieder in zijne gebeelde binnenkameren? Want zij zeggen: De Heere ziet ons niet, de Heere heeft het land verlaten.

13 En hij zeide tot mij : Gij zult nog wederom groote gruwelen zien die zij doen.

14 En hij bracht mij tot de deur der poort van het Huis des PIee-uen, die naar het Noorden is, en zie, daar zaten vrouwen be-weenende den Tammuz.

-ocr page 917-

IËL 10.

899

EZEGH

Ga dóór -door het midden der stad, ! door het midden van Jeruzalem , en teeken een teeken op de voorhoofden der lieden die zuchten en uitroepen over alle de gruwelen die in het midden derzelven gedaan worden.

5 Maar tot die anderen zeide hij voor mijne ooren: Gaat dóór door de stad achter hem, en slaat: ulieder oog verschoone niet, en spaart niet;

6 doodt ouden, jongelingen, en maagden, en kinderkens, en vrouwen , tot verdorvens toe; maar genaakt aan niemand op denwelken het teeken is, en begint van mijn heiligdom. En zij begonnen van de oude mannen die vóór het Huis waren.

7 En hij zeidetothen: Verontreinigt liet Huis, en vervult de voorhoven met verslagenen: gaat henen uit. En zij gingen henen uit en zij sloegen in de stad.

8 Het geschiedde nu als zij ze geslagen hadden, en ik overgebleven was, dat ik op mijn aangezicht viel en riep en zeide: Ach Heere Heere, zult gij al het overblijfsel Tsraëls verderven, met uwe grimmigheid uit te gieten over Jeruzalem?

9 Toen zeide hij tot mij: De ongerechtigheid van het huis Israels en Juda is uitermate groot, en het land is met bloed vervuld, en de stad is vol van afwijking; want zij zeggen: De Heere heeft het land verlaten, en de Heere ziet niet.

10 Daarom ook wat mij aangaat, mijn oog zal niet verschoonen en ik zal niet sparen; ik zal hunnen weg op hun hoofd geven.

11 En zie, de man die met linnen bekleed was, aan wiens lendenen de inktkoker was, bracht bescheid weder, zeggende: Ik heb gedaan gelijk als gij mij geboden hadt.

HOOFDSTUK 10.

Daarna zag ik, en zie, boven het uitspansel hetwelk was over het hoofd der cherubs, was als een saffiersteen, als de gedaante van de gelijkenis eens troons; en hij verscheen op dezelve.

2 En hij sprak tot den man, bekleed niet linnen, en hij zeide : Ga in tot tusschen de wielen, tot onder den cherub, en vul uwe vuisten met vurige kolen van tusschen de cherubs, en strooi ze over de stad; en hij ging in voor mijne oogen.

3 De cherubs nu stonden ter rechterzijde van het Huis, als die man inging; en eene wolk vervulde het binnenste voorhof.

4 Toen hief zich de heerlijkheid des Heeren omhoog van boven den cherub, op den dorpel van het Huis; en het Huis werd vervuld met eene wolk, en het voorhof was vol van den glans der heerlijkheid des Heeren;

5 en het geruisch van de vleugelen der cherubs werd gehoord tot het uiterste voorhof, als de stem des almachtigen Gods wanneer hij spreekt.

G Het geschiedde nu, als hij den man, bekleed met linnen, geboden had, zeggende: Neem vuur van tusschen de wielen, van tusschen de cherubs: dat hij inging en stond bij een rad.

7 Toen stak een cherub zijne hand uit van tusschen de cherubs tot het vuur, hetwelk was tusschen de cherubs, en nam daarvan en gaf het in de vuisten desgenen die met linnen bekleed was ; die nam het en ging uit.

8 Want daar werd gezien aan de cherubs de gelijkenis van eens menschen hand onder hunne vleugelen.

9 Toen zag ik, en zie, vier raderen waren bij de cherubs; een rad was bij eiken cherub; en de gedaante der raderen was als de ver we van een turkooissteen.

10 En aangaande hunne gedaanten, die vier hadden éénerlei gelijkenis, gelijk of het ware geweest een rad in het midden van een rad.

11 Als die gingen, zoo gingen deze op hunne vier zijden; zij keerden zich niet om als ze gingen ; maar de plaats waarhenen het hoofd zag, die volgden ze na;


-ocr page 918-

gingen.

12 Hun gansche lijf nu, en hunne ruggen, en hunne handen , en hunne vleugelen , mitsgaders de raderen, waren vol oogen rondom; die vier hadden hunne raderen.

13 Aangaande de raderen, elkeen derzeive werd voor mijne ooren genaamd Galgal.

14 En elkeen had vier aangezichten : het eerste aangezicht was het aangezicht eens cherubs , en het tweede aangezicht was het aangezicht eens menschen, en het derde het aangezicht eens leeuws , en het vierde het aangezicht eens arends.

15 En die cherubs hieven zich omhoog; dit was hetzelfde dier dat ik bij de rivier Kebar gezien had.

16 En als de cherubs gingen, zoo gingen die raderen nevens dezelve; en als de cherubs hunne vleugelen ophieven om zich van de aarde omhoog te heffen, zoo keerden zich die raderen ook niet om van bij hen.

17 Als die stonden, stonden deze; en ais die opgeheven werden , hieven deze zich óók oj); want de geest der dieren was in hen.

18 Toen ging de heerlijkheid des Heeren van boven den dorpel des Huizes weg, en stond boven de cherubs.

19 En de cherubs hieven hunne vleugelen op, en verhieven zich van de aarde omhoog voor mijne oogen als zij uitgingen; en de raderen waren tegenover hen: en elkeen stond aan de deur der Oostpoort van het Huis des Heeren , en de heerlijkheid van den God Israëls was van boven over hen.

20 Dit is het dier dat ik onder den God israëls bij de rivier Kebar; en ik bemerkte dat het cherubs waren.

21 Klkeen had vier aangezichten en elkeen had vier vleugels, en de gelijkenis van menschenhanden was onder hunne vleugels;

22 en aangaande de gelijkenis van hunne aangezichten, het waren dezelfde aangezichten die ik gezien had bij de rivier Kebar, lunne gedaanten en zij zelve; zij gingen ieder rechtuit voor zijn aangezicht henen.

900 EZEGHIEL 11.

zij keerden zich niet om als ze

HOOFDSTUK 11.

Toen hief de Geest mij op en bracht mij tot de Oostpoort van het Huis des Heeren, welke oostwaarts ziet; en zie, aan de deur der poort waren vijfentwintig mannen , en in het midden van hen ik Jaazanja den zoon van Az-zur, en Pelatja den zoon van Be-naja. Vorsten des volks.

2 Kn hij zeide tot mij: Menschen-kind, deze zijn de mannen die ongerechtigheid bedenken, en die kwaden raad raden in deze stad;

3 die zeggen; Men moet geen huizen nabij bouwen: deze stad zoude de pot en wij het vleesch zijn.

4 Daarom profeteer tegen hen , profeteer, o menschenkind.

5 Zoo viel dan de Geest des Heeren op mij, en hij zeide tot mij : Zeg : Zóó zegt de Heere : Alzóó zegt gijlieden, o huis Israëls; want ik weet elkeen der dingen die in uwen geest opklimmen.

6 Gij hebt uwe verslagenen in deze stad vermenigvuldigd, en gij hebt derzelver straten met de verslagenen vervuld:

7 daarom zóó zegt de Heere Heere : Uwe verslagenen die gij in het midden derzelve nederge-legd hebt, die zijn het vleesch, en deze stad is de quot;pot; maar ulieden zal ik uit het midden derzelve doen uitgaan.

8 Gijlieden hebt het zwaard gevreesd , en het zwaard zal ik over u brengen, spreekt de Heere Heere. , , ^

9 Ook zal ik ulieden uit het midden derzelve doen uitgaan, en ik zal u overgeven in de hand der vreemden; e.i ik zal recht onder u doen.

10 Gij zult door het zwaard vallen ; in de landpale Israëls zal ik u richten, en gij zult weten dat ik de Heere ben.

11 Deze stad zal ulieden niet tot


-ocr page 919-

EZECHIËL 12.

901

quot; eenen pot zijn, en gij zult in het : midden derzelve niet tot vleesch ? zijn: in de landpale Israëls zal ik I ii richten,

1 12 en gij zult weten dat ik de Heere ben, omdat gij in mijne inzettingen niet gewandeld en mijne rechten niet gedaan hebt, maar

Inaar de rechten der heidenen die rondom u zijn gedaan hebt.naar de rechten der heidenen die rondom u zijn gedaan hebt.

13 Het geschiedde nu als ik | profeteerde, dat Pelatja, de zoon

van Benaja, stierf. Toen viel ik ^ neder op mijn aangezicht en riep | met luider stemme en zeide: Ach,

I Heere Heere Heere, zult gij gansch een einde maken met het overblijfsel Israëls ?

14 Toen geschiedde het Woord des Hekken tot mij, zeggende:

15 Menschenkind , het zijn uwe broederen , uwe broederen , de mannen uwer maagschap, en het gansche huis Israëls, ja, dat gan-

| sche huis, tot welke de inwoners gt; van Jeruzalem gezegd hebben: Maakt u verre af van den Heere; s dit land is ons tot eene erfbezit-1 j ting gegeven.

; i 16 Daarom zeg: Zóó zegt de Heere Heere: Hoewel ik ze verre n : onder de heidenen weggedaan heb, en hoewel ik ze in de landen ver-ïl strooid heb, nogtans zal ik hun \'J een weinig tijds tot een heiligdom zijn in de landen waarin zij gekomen zijn.

.® 17 Daarom zeg: Alzóó zegt de U Heere Heere : Ja, ik zal ulieden vergaderen uit de volkeren en ik n zal u verzamelen uit de landen n waarin gij verstrooid zijt, en ik e zal u het land Israëls geven ;

18 en zij zullen daarhenen ko-i men, en alle deszelfs verfoeiselen

£ en alle deszelfs gruwelen van daar e wegdoen. ,

19 En ik zal hun éénerlei harte il geven , en zal een nieuwen geest ^ , in het binnenste van u geven; en

; ik zal het steenen harte uit hun 5r j vleesch wegnemen, en zal hun een

! vleeschen hart geven , Iquot; ■ f 20 opdat, zij wandelen in mijne ^ i inzettingen, en mijne rechten be-lt waren en dezelve doen; en zij ; zullen mii tot een volk zijn en ik ^ zal hun tot een God zijn.

21 Maar welker hart het hart hunner verfoeiselen en hunner gruwelen nawandelt, derzelver weg zal ik op hun hoofd geven, spreekt de Heere Heere.

22 Toen hieven de cherubs hunne vleugelen op, en de raderen tegenover hen; en de heerlijkheid des Gods Israëls was over hen van boven.

23 En de heerlijkheid des Hee-ren rees op van het midden der stad, en stond op den berg die tegen het oosten der stad is.

24 Daarna nam mij de Geest op, en bracht mij in gezicht door den Geest Gods in Ghaldéa tot de gevankelijk weggevoerden; en het gezicht dat ik gezien had voer van mij op:

25 en ik sprak tot de gevankelijk weggevoerden alle de woorden des Heeren die hij mij had doen zien.

HOOFDSTUK 12.

Voorts geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende:

2 Menschenkind, gij woont in het midden van een wederspann\'g huis, welke oogen hebben om te zien. en niet zien , ooren hebben om te hooren, en niet hooren; want zij zijn een wederspannig huis.

3 Daarom gij, menschenkind , maak u gereedschap als dergenen die vertrekken, en vertrek bij dag voor hunne oogen, en gij zult vertrekken van uwe plaats tot eene andere plaats voor hunne oogen: misschien zullen zij het merken, hoewel zij een wederspannig huis zijn.

4 Gij zult dan uw gereedschap bij dag voor hunne oogen uitbrengen, als het gereedschap dergenen die vertrekken ; daarna zult gij in den avond uitgaan voor hunne oogen, gelijk zij uitgaan die vertrekken.

5 Doorgraaf u den wand voor hunne oogen , en breng daardoor inv gereedschap uit.

0 Voor hunne oogen zult gij het op de schouderen dragen, in \'t donker zult gij het uitbrengen; uw aangezicht zult gij bedekken,


-ocr page 920-

IËL 12.

902

E Z E G H

dat gij het land niet ziet; want ik heb u den huize Israels tot een wonderteeken gegeven.

7 En ik deed alzoo gelijk als mij bevolen was : ik bracht mijn gereedschap uit bij dag, als het gereedschap dergenen die vertrekken ; daarna in den avond doorgroef ik mij den wand met de hand; ik bracht het uit in \'tdonker, en ik droeg het op den schouder voor hunne oogen.

8 En des morgens geschiedde het Woord des Heeren tot mij, zeggende:

9 Menschenkind, heeft niet het huis Israels, het wederspannig huis, tot u gezegd: Wat doet gij?

10 Zeg tot hen : Alzóó zegt de Heere Heere: Deze last is tegen den Vorst te Jeruzalem , en het gansche huis Israëls dat in het midden van hen is.

11 Zeg: Ik ben ulieder wonderteeken : gelijk als ik gedaan heb, alzuó zal hun gedaan worden ; zij zullen door wegvoering in de gevangenis henengaan.

12 En de Vorst die in het midden van hen is, zal het rjereed-srhnp op den schouder dragen in ?t donker, en hij zal uitgaan ; zij zullen door den wand graven, om hem daardoor uit te brengen; hij zal zijn aangezicht bedekken, opdat hij met het oogde aarde niet zie.

13 Ik zal ook mijn net over hem uitspreiden , dat hij in mijn jachtgaren gegrepen worde; en ik zal hem brengen in Babylonië, het land der Chaldeën ; ook zal hij dat niet zien, hoewel hij daar sterven zal.

14 En allen die rondom hem zijn tot zijne hulpe, en alle zijne benden zal ik in alle winden verstrooien; en ik zal het zwaard achter hen uittrekken.

15 Alzoo zullen zij weten dat ik de Heere ben, wanneer ik ze onder de heidenen verspreiden en hen in de landen verstrooien zal.

1G Doch ik zal van hen weinige lieden doen overblijven van het zwaard , van den honger en van de pestilentie; opdat zij alle hunne gruwelen vertollen onder de heidenen waarhenen zij komen zullen, en zij zullen weten dat ik de Heere ben. z(

17 Daarna geschiedde het Woord m des Heeren tot mij, zeggende : g\'

18 Menschenkind, gij zult uw w brood eten met beven, en uw wa- gi ter zult gij met beroerte en met III kommer drinken.

19 En gij zult tot het volk des j lands zeggen: Alzóó zegt de Heere Heere van de inwoners van Je- ;s( ruzalem in het land Israëls: Zij ■ zullen hun brood met kommer p eten en hun water zullen zij met Ie; verbaasdheid drinken, omdat hun h land woest zal worden van zijne R volheid, vanwege het geweld aller; dergenen die daarin wonen; V

20 en de bewoonde steden zul-jl» len woest worden, en het land zal li eene wildernis zijn; en gij zult weten dat ik de Heere ben. a

21 Wederom geschiedde het Woord des Heeren tot mij, zeg- g gende: gt; t\'

22 Menschenkind, wat is dit o voor een spreekwoord dat gijlie- d den hebt in het land Israëls, zeggende : De digen zullen verlengd \'a worden en al het gezicht zal ver- g gaan ? , /d

23 Daarom zeg tot hen: Alzóó 1 zegt de Heere. Heere : Ik zal dit -v spreekwoord doen ophouden , dat zij het niet meer ten spreekwoord e gebruiken zullen in Israël. Maar A spreek tot hen: De dagen zijn na- 1 bij gekomen, en het woord van|S ieder gezicht.

24 Want geen ijdel gezicht zal _! er meer wezen, noch vleiende\'s waarzegging, in het midden van z het huis Israëls. p

25 Want ik ben de Heere, ik zal spreken; het woord dat ik zal c spreken, zal gedaan worden, den lijd zal niet meer uitgesteld wor-jc den; want in uwe dagen, o we- ? derspannig huis, zal ik een woord I spreken en hetzelve doen, spreekt |c de Heere Heere. 5

26 Voorts geschiedde het Woord I des Heeren tot mij, zeggende:

27 Menschenkind, zie , die van 1 het huis Israëls zeggen : Het gezicht dat hij ziet is voor vele ( dagen, en hij profeteert van tijden lt; die verre zijn. 1


-ocr page 921-

EZEGHIEL 13.

903

Daarom zeg tot hen: Alzóó zegt de Heere Heere : Geene mijner woorden zullen meer uitgesteld worden; het woord het-iw welk ik gesproken heb, dat zal /a- gedaan worden , spreekt de Heere iet IliEEUE.

HOOFDSTUK 13.

En des Heeren Woord ge-

2 Menschenkind, profeteer tegen \'\'de Profeten Israëls die profeteeren, en zeg tot degenen die uit hun hart profeteeren: Hoort des Hee-Sren woord;

3 zóó zegt de Heere Heere : Wee over de dwaze Profeten die jhunnen geest nawandelen, en \'hetgeen zij niet gezien hebben.

4 Uwe Profeten, o Israël, zijn ;als vossen in de woeste plaatsen.

5 Gij zijt in de bressen niet op-jgetreden, noch hebt den muur jtoegemuurd voor het huis Israëls, jom in den strijd te staan ten dage jdes Heeren.

\' G Zij zien ij delheid en leugen-jachtige voorzegging, die daar zeggen: De Heere heeft gesproken, daar de Heere hen niet gezonden heeft; en zij geven hope van het woord te zuilen bevestigen.

7 Ziet gij niet een ijdel gezicht en spreekt eenc leugenachtige voorzegging, als gij zegt: De \'Heere spreekt, daar ik niet ge-jsproken heb?

8 Daarom zóó zegt dc Hcero Heere: Omdat gijlieden ij delheid \'spreekt en leugen ziet, daarom zie, ik wil aan u, spreekt de Heere Heere;

9 en mijne hand zal zijn tegen de Profeten die ijdelheid zien en \'leugen voorzeggen; zij zullen in ide vergadering mijns volks niet zijn, en in het schrift van het huis Israëls niet geschreven worden, ien in het land Israëls niet komen; ;en gij zult weten dat ik de Heere

Heere ben.

] 10 Daarom, ja daarom dat zij \'mijn volk verleiden, zeggende: jVrede, daar geen vrede is,enc/af de één eenen leemen wand bouwt, en zie, de anderen denzelven pleisteren met looze kalk —

les ire

Te- jschiedde tot mij, zeggende: Zij ter iet un

iit

)rd

11 zeg tot degenen die met looze kalk pleisteren, dat hij omvallen zal; daar zal een oyerstelpende plasregen zijn, en gij, o groote hagelsteenen, zult vallen, en een groote stormwind zal hem splijten.

12 Zie, als die wand zal gevallen zijn, zal dan niet tot u gezegd worden: Waar is dc pleistering waarmede gij gepleisterd hebt ?

13 Daarom alzóó zegt de Heere Heere: Ja, ik zal hem door eenen grooten stormwind in mijne grimmigheid splijten, e;i daar zal een overstelpende plasregen zijn in mijnen toorn, en groote hagelsteenen in mijne grimmigheid om dien te verdoen.

14 Zoo zal ik den wand afbreken dien gijlieden met looze kalk gepleisterd hebt, en zal hem ter aarde ncderwerpen, dat zijn grond zal ontdekt worden; alzoo zal de stad vallen, en gij zult in het midden van haar omkomen; en gij zult weten dat ik de Heere ben.

15 Zoo zal ik mijne grimmigheid tegen den wand voortbrengen, ca tegen degenen die hem pleisteren met looze kalk; en ik zal tot ulieden zeggen : Die wand is er niet meer, en die hem pleisterden zijn er niet:

16 te zoeten de Profeten Israëls die van Jeruzalem profeteeren, en voor haar een gezicht des vredes zien daar geen vrede is, spreekt dc Heere Heere.

17 En gij, menschenkind, zet uw aangezicht tegen de dochters uws volks, dewelke profeteeren uit haar hart, en profeteer tegen haar ;

18 en zeg: Zóó zegt de Heere Heere : Wee die vrouwen die kussens naaien voor alle okselen der armen, en maken hoofddeksels voor het hoofd van alle stature , om de zielen te Jagen. Zult gij de zielen mijns volks jagen, en zult gij u de zielen in het leven behouden ?

19 En zult gij mij ontheiligen bij mijn volk voor handvollen van gerst en voor stukken broods, om zielen te dooden die niet zouden


-ocr page 922-

EZECHIËL 12.

902

dat gij het land niet ziet; want ik heb u den huize Israëlstoteen wonderteeken gegeven.

7 En ik deed alzoo gelijk als mij bevolen was : ik bracht mijn gereedschap uit bij dag, als het gereedschap dergenen die vertrekken ; daarna in den avond doorproef ik mij den wand met de hand; ik bracht het uit in \'tdonker, en ik droeg het op den schouder voor hunne oogen.

8 En des morgens geschiedde het Woord des Heeren tot mij, zeggende:

9 Menschenkind, heeft niet het huis Israels, het wederspannig huis, tot u gezegd: Wat doet gij ?

10 Zeg tot hen : Alzuó zegt quot;de Heere Heere: Deze last is tegen den Vorst te Jeruzalem , en het gansche huis Israëls dat in het midden van hen is.

11 Zeg: Ik ben ulieder wonderteeken: gelijk als ik gedaan heb, alzóó zal hun gedaan worden ; zij zullen door wegvoering in de gevangenis henengaan.

12 En de Vorst die in het midden van hen is, zal het yereed-schap op den schouder dragen in \'t donker, en hij zal uitgaan; zij zullen door den quot;wand graven, om

daardoor uit te brengen; hij zal zijn aangezicht bedekken, opdat hij met het oogde aarde niet zie.

13 Ik zal ook mijn net over hem uitspreiden , dat hij in mijn jachtgaren gegrepen worde; en ik zal hem brengen in Babylonië, het land der Chaldeën ; ook zal hij dat niet zien, hoewel hij daar sterven zal.

14 En allen die rondom hem zijn tot zijne hulpe, en alle zijne benden zal ik in alle winden ver-\'itrooien; en ik zal het zwaard achter hen uittrekken.

15 Alzoo zullen zij welen dat ik de Heere ben, wanneer ik ze onder de heidenen verspreiden en hen in de landen verstrooien zal.

16 Doch ik zal van hen weinige lieden doen overblijven van het zwaard, van den honger en van de pestilentie; opdat zij alle hunne gruwelen vertellen onder de heidenen waarhenen zij komen zullen, en zij zullen weten dat ik de Heere ben.

17 Daarna geschiedde het Woord des Heeren tot mij, zeggende:

18 Menschenkind, gij zult uw brood eten met beven, en uw water zult gij met beroerte en met kommer drinken.

19 En gij zult tot het volk des lands zeggen: Alzóó zegt de Heere Heere van de inwoners van Jeruzalem in het land Israëls: Zij zullen hun brood met kommer eten en hun water zullen zij met verbaasdheid drinken, omdat hun land woest zal worden van zijne volheid, vanwege het geweld aller dergenen die daarin wonen;

20 en de bewoonde steden zullen woest worden, en het land zal eene wildernis zijn; en gij zult weten dat ik de Heere ben.

21 Wederom geschiedde het Woord des Heeren tot mij, zeggende :

22 Menschenkind, wat is dit voor een spreekwoord dat gijlieden hebt in het land Israëls, zeggende : De dap-en zullen verlengd worden en al het gezicht zal vergaan ?

23 Daarom Z3g tot hen : Alzóó zegt de Heere Heere : Ik zal dit spreekwoord deen ophouden , dat zij het niet meer ten spreekwoord gebruiken zullen in Israël. Maar spreek tot hen: De dagen zijn nabij gekomen , en het woord van ieder gezicht.

24 Want geen ij del gezicht zal er meer wezen, noch vleiende waarzegging, in het midden van het huis Israëls.

25 Want ik ben de Heere, ik zal spreken; het woord dat ik zal spreken, zal gedaan worden, de Ujd zal niet meer uitgesteld worden ; want in uwe dagen, o wederspannig huis, zal ik een woord spreken en hetzelve doen, spreekt do Heere Heere.

26 Voorts geschiedde het Woord des Heeren tot mij, zeggende:

27 Menschenkind , zie , die van het huis Israëls zegden: Het gezicht dat hij ziet is voor vele dagen, en hij profeteert van tijden die verre zijn.


-ocr page 923-

IËL 13.

EZECH

903

28 Daarom zeg tot hen: Alzóó 1 zegt de Heere Heere : Geene} mijner woorden zullen meer uit-, gesteld worden; het woord hetwelk ik gesproken heb, dat zal gedaan worden , spreekt de Heere Heeue.

HOOFDSTUK 13.

En des Heeren Woord geschiedde tot mij, zeggende:

2 Menschenkind, profeteer tegen de Profeten Israëlsdieprofeteeren, en zeg tot degenen die uit hun hart profeteeren: Hoort des Heeren woord;

3 zóó zegt de Heere Heere : Wee over de dwaze Profeten die hunnen geest nawandelen, en hetgeen zij niet gezien hebben.

4 Uwe Profeten, o Israël, zijn als vossen in de woeste plaatsen.

5 Gij zijt in de bressen niet opgetreden , noch hebt den muur toegemuurd voor het huis Israels, om in den strijd te staan ten dage des Heeren.

0 Zij zien ij delheid en leugenachtige voorzegging, die daar zeggen: De Heere heeft gesproken, daar de Heere hen niet gezonden heeft; en zij geven hope van het woord te zuilen bevestigen.

7 Ziet gij niet een ijdel gezicht en spreekt eene leugenachtige voorzegging, als gij zegt: De Heere spreekt, daar ik niet gesproken heb ?

8 Daarom zóu zegt de Heere Heere: Omdat gijlieden ij delheid spreekt en leugen ziet, daarom zie, ik wil aan u, spreekt de Heere Heere;

9 en mijne hand zal zijn tegen de Profeten die ijdelheid zien en leugen voorzeggen; zij zullen in de vergadering mijns volks niet zijn, en in het schrift van het huis Israels niet geschreven worden, en in het land Israels niet komen; en gij zult weten dat ik de Heere Heere ben.

10 Daarom, ja daarom dat zij mijn volk verleiden, zeggende: Vrede, daar geen vrede is,enrfctf de één eenen leemen wand bouwt, en zie, de anderen denzelven pleisteren met looze kalk —

11 zeg tot degenen die met looze kalk pleisteren, dat hij omvallen zal; daar zal een oyerstelpende plasregen zijn, en gij, o groote hagelsteenen, zult vallen, en een groote stormwind zal hem splijten.

12 Zie, als die wand zal gevallen zijn, zal dan niet tot u gezegd worden: Waar is de pleistering waarmede gij gepleisterd hebt ?

13 Daarom alzóó zegt de Heere Heere: Ja, ik zal hem door eenen grooten stormwind in mijne grimmigheid splijten, exi daar zal een overstelpende plasregen zijn in mijnen toorn, en groote hagelsteenen in mijne grimmigheid om dien te verdoen.

14 Zoo zal ik den wand afbreken dien gijlieden met looze kalk gepleisterd hebt, en zal hem ter aarde nederwerpen, dat zijn grond zal ontdekt worden; alzoo zal de stad vallen, en gij zult in het midden van haar omkomen; en gij zult weten dat ik de Heere ben.

15 Zoo zal ik mijne grimmigheid tegen den wand voortbrengen, en tegen degenen die hem pleisteren met looze kalk; en ik zal tot ulieden zeggen : Die wand is er niet meer, en die hem pleisterden zijn er niet:

16 te weten de Profeten Israels die van Jeruzalem profeteeren, en voor haar een gezicht des vredes zien daar geen vrede is, spreekt de Heere Heere.

17 En gij, menschenkind, zet uw aangezicht tegen de dochters uws volks, dewelke profeteeren uit haar hart, en profeteer tegen haar ?

18 en zeg: Zóó zegt de Heere Heere : Wee die vrouwen die kussens naaien voor alle okselen der armen, en maken hoofddeksels voor het hoofd van alle stature , om de zielen te jagen. Zult gij de zielen mijns volks jagen, eii zult gij u de zielen in helleven behouden ?

19 En zult gij mij ontheiligen bij mijn volk voor band vollen van gerst en voor stukken broods, om zielen te dooden die niet zouden


-ocr page 924-

EZECH

IEL 14.

904

sterven, en om zielen in het leven te behouden die niet zouden leven, door uw liegen tot mijn volk dat de leugen hoort ?

20 Daarom zóó zegt de Heere Heere: Zie, ik ivü aan uwe kussens , waarmede gij aldaar de zielen jaagt naar de bloemhoven , en ik zal ze uit uwe armen wegscheuren; en ik zal die zielen losmaken , de zielen die gij jaagt naar de bloemhoven.

21 Daartoe zal ik uwe hoofddek-selen scheuren, en mijn volk uit uwe hand redden, zoodat zij niet meer in uwe hand zullen zijn tot eene jacht; en gij zult weten dat ik de Heere ben.

22 Omdat gijlieden het harte des rechtvaardigen door valschheid licht bedroefd gemaakt, daar ik hetn geenc smart aangedaan heb; en omdat gij de handen des god-deloozen gesterkt hebt, opdat hij zich van zijnen boozen weg niet afkeeren zoude, dat ik hem in het leven behield:

23 daarom zult gij niet meer ijdelheid zien noch waarzegging gebruiken, maar ik zal mijn volk uit uwe hand redden, en gij zult weten dat ik de Heere ben.

HOOFDSTUK 14.

Daarna kwamen tot mij mannen uit de oudsten Israels, en zaten neder voor het aangezicht.

2 Toen geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende :

3 Menschenkind, deze mannen hebben hunne drekgoden in hun hart opgezet, en hebben den aanstoot hunner ongerechtigheid recht voor hun aangezicht gesteld : word ik dan ernstiglijk van hen gezocht?

4 Daarom spreek met hen en zeg tot hen: Alzóó zegt de Heere Heere : Een ieder uit het huis Israels, die de drekgoden in zijn hart opzet en den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht stelt, en komt tot den Profeet, — ik de Heere zal hem, als hij komt, antwoorden naar de menigte zijner drekgoden;

5 opdat ik het huis Israels in hun harte gi\'ijpe, dewijl zij allen door hunne drekgoden van mij vervreemd zijn.

6 Daarom \'zeg tot het huis Is- ^ raëls: Alzóó zegt de Heere Heere: Bekeert u en keert u af van uwe drekgoden, en keert uw aangezicht af van alle uwe gruwelen.

7 Want ieder man uit het huis ■ Israels, en uit den vreemdeling die in Israël verkeert, die zich | van achter mij afscheidt, en zet zijne drekgoden op in zijn harteen stelt den aanstoot zijner ongerechtigheid recht voor zijn aangezicht, en komt tot den Profeet om mij door hem te vragen, — ik ben de Heere, hem zal geantwoord worden door mij;

8 en ik zal mijn aangezicht tegen dien man zetten, en zal hem stellen tot een toeken en tot spreek- i woorden, en zal hem uitroeien uit het midden mijns volks; en gijlieden zult weten dat ik de Heere ben.

9 Als nu een Profeet overreed zal zijn en iets gesproken zal hebben, ik do Heere heb dien Profeet overreed, en ik zal mijne hand tegen hem uitstrekken, en zal hem verdelgen uit het midden ; van mijn volk Israël;

10 en zij zullen hunne ongerechtigheid dragen: gelijk de ongerechtigheid dss vragers zal zijn, alzóó zal zijn ce ongerechtigheid des Profeten;

11 opdat het huis Israels niet ; meer van achter mij afdwale, en zij zich niet meer verontreinigen niet alle hunne overtredingen; , alsdan zullen zij mij tot een volk f zijn en ik zal hun tot eenen God ? zijn, spreekt do Heere Heere. j

12 Voorts geschiedde des Hee- : ren Woord tot mij zeggende:

13 Menschenkind , als een land tegen mij gezondigd zal hebben, zwaarlijk overtredende, zoo zal ik mijne hand daartegen uitstrekken, en zal hetzeh e den staf des broods breken en eenen honger daarin zenden, dat ik daaruit menschen en beesten uitroeie:

14 ofschoo.i deze drie mannen , Noach, Dan.ël en Job, indeszelfs midden waren, zij zouden door hunne gerechtigheid alleen hunne


-ocr page 925-

EZEGHIËL 15, 16.

905

ziele bevrijden, spreekt de Heere Heere.

15 Zoo ik het boos gedierte door het land laat doorgaan, hetwelk dat van kinderen berooft zoodat het woest wordt, dat er niemand doorgaat vanwege het ge-dierte:

lü die drie mannen in deszelfs midden zijnde, zoo waarachtig als ik leve, spreekt de Heere Heere, zoo zij zonen en zoo zij dochteren bevrijden zouden! Zij zelve alleen zouden bevrijd worden, maar het land zoude woest worden.

17 Of als ik het zwaard breng over dat land, en zeg: Zwaard, ga dóór door dat land, zoodat ik daarvan uitroeie menschen en beesten:

18 ofschoon die drie mannen in deszelfs midden waren, zoo waarachtig als ik leve, spreekt de Heere Heere , zij zouden zonen noch dochteren bevrijden, maar zij zelve alleen zouden bevrijd worden.

19 Of als ik de pestilentie in dat land zend, en mijne grimmigheid met bloed daarover uitgiet om daarvan menschen en beesten uit le roeien :

20 ofschoon Noach, Daniël en Job in deszelfs midden waren , zoo waaraclitifj als ik leve, spreekt de Heere Heeue, zoo zij eenen zoon of\' zoo zij eene dochter zouden bevrijden! Zij zouden alleen hunne ziele door hunne gerechtigheid bevrijden.

21 Want alzóó zegt de Heere Heere : Hoeveel te meer als ik mijne vier booze gerichten, het zwaard en den honger en het booze gedierte en de pestilentie gezonden zal hebben tegen Jeruzalem, om daaruit menschenen beesten uit te roeien!

22 Doch zie, daarin zullen ont-komenen overblijven die uitgevoerd zullen worden, zonen en dochteren: zie, zij zullen tot ulie-den uitkomen, eii gij zult hunnen weg zien en hunne handelingen, en gij zult vertroost worden over het kwaad dat ik over Jeruzalem gebracht zal hebben, ja, al wat ik zal gebracht hebben over haar.

23 Zoo zullen zij u vertroosten, als gij hunnen weg en hunne handelingen zien zult, en gij zult weten dat ik niet zonder oorzaak gedaan heb al wat ik in haar gedaan heb, spreekt de Heere Heere.

an in-en.;

ais 1

ng

ch iet en re- ;

HOOFDSTUK 15.

En des Heeren Woord geschiedde tot mij, zeggende:

2 Menschenkind, wat is het hout des wijnstoks meer dan alle hout, of de wijnrank meer dan hetgeen onder het hout eens wouds is?

3 Wordt daarvan hout genomen om een stuk werks te maken? Neemt men daarvan eene pin om eenig vat daaraan te hangen?

4 Zie , het wordt den vure overgegeven , opdat het verteerd worde; het vuur verteert beide zijne einden, en zijn middelste wordt verbrand: zoude het deugen tot een stuk werks?

5 Zie, toen het gehéél was, werd het tot geen stuk werks gemaakt: hoeveel te min als het vuur het verteerd heeft zoodat het verbrand is, zal het dan nog tot een stuk werks gemaakt worden ?

G Daarom alzóó zegt de Heere Hi:ere: Gelijk als het hout des wijnstoks is onder het hout des wouds, hetwelk ik den vure overgeef opdat het verteerd worde, alzóó zal ik de inwoners van Jeruzalem overgeven;

7 want ik zal mijn aangezicht tegen hen stellen: als zij van het ééne vuur uitgaan, zal het andtre vuur hen verteren: en gij zult weten dat ik de Heere ben, als ik mijn aangezicht tegen hen gesteld zal hebben;

8 en ik zal het land woest maken, omdat zij zwaarlijk overtreden hebben, spreekt de Heere Heere.

HOOFDSTUK 16.

Voorts geschiedde des Heeren Woord tot mij , zeggende:

2 Menschenkind, maak Jeruzalem hare gruwelen bekend,

3 en zeg: Alzóó zegt de Heere Heere tut Jeruzalem: Uwe handelingen en uwe geboorten

uit het land der Kanaanite;

vader was een Amoriet f moeder eene Hethitische.


-ocr page 926-

906

4 En aangaande uwe geboorten, ten dage als gij geboren waart werd uw navel niet afgesneden, en gij waart niet met water ge-wasschen toen ik u aanschouwde; gij waart ook geenszins met zout gewreven noch in windselen gewonden ;

5 geen oog had medelijden met u, om u een van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen; maar gij zijt geworpen geweest op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van uwe ziele, ton dage toen gij geboren waart.

6 Als ik bij u voorbijging, zoo zag ik u vertreden zijnde in uw bloed, en ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja, ik zeide tot u in uw bloed: Leef.

7 Ik heb u tot tienduizend, als het gewas des velds gemaakt; en gij zijt gegroeid en groot geworden , en zijt gekomen lot grootè sierlijkheid: uwe borsten zijn vast geworden en uw haar is gewassen; doch gij wanrt naakt en bloot.

8 Als ik nu bij u voorbijging, zag ik u, en zie, uw tijd was de tijd der minne; zoo breidde ik mijnen vleugel over u uit en dekte uwe naaktheid, ja ik zwoer u en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere Heeke, en gij werdt mijne.

9 Daarna wiesch ik u met water, en ik spoelde uw bloed van u af, en zalfde u met olie.

10 Ik bekleedde u ook met gestikt werk, en ik schoeide u met dassenvellen, en omgordde u met I fijn linnen, en bedekte u met zijde.

11 Ook versierde ik u met sieraad, en deed armringen aan uwe handen en eene keten aan uwen hals.

12 Desgelijks deed ik een voor-hoofdsiersel aan uw aangezicht en oorringen aan uwe ooren, en eene kroon der heerlijkheid op uw hoofd.

la Zoo waart gij versierd met goud en zilver, en uwe kleeding was fijn linnen en zijde en gestikt werk, gij at meelbloem en honig en olie, en gij waart gansch zeer schoon, en waart voorspoedig, I dat gij een koninkrijk werdt. \' 1

14 Daartoe ging van u een naam uit onder de heidenen om uwe schoonheid; want die was volmaakt door mijne heerlijkheid die ik op u gelegd had, spreekt de Heere Heere.

15 Maar gij hebt vertrouwd op uwe schoonheid, en hebt gehoereerd vanwege uwen naam, ja hebt uwe hoererijen uitgestort aan een ieder die voorbijging: voor hem was zij.

16 En gij hebt van uwe kleederen genomen, en u gemaakt geplekte hoogten, en hebt daarop gehoereerd : zulks is niet gekomen en zal niet geschieden.

17 Daartoe hebt gij genomen de vaten uws sieraads van mijn goud en van mijn zilver dat ik u gegeven had, en gij hebt u mansbeel-den gemaakt, en gij hebt met dezelve gehoereerd;

18 en gij hebt uwe gestikte kleederen genomen en hebt ze bedekt, en gij hebt mijne olie en mijn reukwerk voor hunne aangezichten gesteld;

19 en mijn brood hetwelk ik u gaf, meelbloem en olie en honig, waarmede, ik u spijsde, dat hebt gij ook voor hunne aangezichten gesteld tot eenen liefelijken reuk : zóó is het geschied, spreekt de Heere Heere.

20 Voorts hebt gij uwe zonen en uwe dochteren die gij mij gebaard hadt genomen, en hebt ze denzel-ven geofferd om te verteren: is het wat kleins van uwe hoererijen,

21 dat gij mijnekinderengeslacht hebt, en hebt ze overgegeven, als gij dezelve voor hen door het vunr hebt doen gaan?

22 Ook hebt gij bij alle uwe gruwelen en uwe hoererijen niet gedacht aan de dagen uwer jonkheid, als gij naakt en bloot waart, als gij vertreden waart in uw bloed.

23 Het is ook geschied na al uwe boosheid, (wee, wee u! spreekt de Heere Heere),

24 dat gij u een verwelfsel gebouwd hel3t, en u eene hooge plaats gemaakt hebt in elke straat;

25 aan elk hoofd van dca weg hebt gij uwe hooge plaats ge-

EZEGHIEL 16.


-ocr page 927-

I Ë L 16.

007

EZECH

bouwd, en hebt uwe schoonheid gruwelijk gemaakt, en hebt met uwe beenen geschreden voor een ieder die voorbijging; en hebt uwe hoererijen vermenigvuldigd.

26 Gij hebt ook gehoereerd met de kinderen van Egypte, uwe naburen, die groot van vleesch zijn; en gij hebt uwe hoererij vermenigvuldigd, om mij tot toorn te verwekken.

27 Zie, daarom strekte ik mijne hand over u uit, en verminderde uw bescheiden deel; en ik gaf u over in den lust dergenen die u haten, der dochteren der Filistijnen, die vanwege uwen schandelijken weg beschaamd waren.

28 Voorts hebt gij gehoereerd met de kinderen van Assur, omdat gij onverzadelijk waart; ja, als gij met hen gehoereerd hebt, zijt gij óók niet verzadigd geworden,

29 maar gij hebt uwe hoererij vermenigvuldigd in het land van Kanaan tot in Chaldéa; en daarmede óók zijt gij niet verzadigd geworden.

30 Hoe zwak is uw harte, (spreekt de Heere Heeue), als gij alle deze dingen doet, zijnde het werk van eene heerschende boerachtige vrouw;

31 als gij uw verwelfsel bouwt aan het hoofd van iederen weg, en uwe hooge plaats maakt in elke straat, en niet zijt geweest als eene hoer, het hoerenloon beschimpende.

32 O die overspelige vrouw! Zij neemt in plaats van haren man de vreemden aan.

33 Men geeft loon aan alle hoeren ; maar gij geeft uw loon aan alle uwe boeieerders, en gij beschenkt ze, opdat ze tot u van rondom zouden ingaan om uwe hoererijen.

34 Zou geschiedt met u in uwe hoererijen het tegendeel van de vrouwen, dewijl men u niet naloopt om te hoereeren; want als gij hoerenloon geeft, en het hoerenloon u niet gege\\en wordt, zoo zijt gij tot een tegendeel geworden.

35 Daarom, o hoer, hoor des Heeren woord;

36 alzóó zegt de Heere Heere :

Omdat uw vergif uitgestort is, en uwe schaamte door uwe hoererijen met uwe boeieerders ontdekt is, en met alle de drekgoden uwer gruwelen , en na het bloed uwer kinderen dat gij hun gegeven hebt:

37 daarom zie, ik zal alle uwe boeieerders vergaderen met dewelke gij vermengd zijt geweest, en allen die gij liefgehad hebt, met allen die gij gehaat hebt; en ik zal ze van rondom vergaderen tegen u, en ik zal voor hen uwe naaktheid ontdekken, dat zij uwe gansche naaktheid zien zullen.

38 Daartoe zal ik u naar de rechten der overspeelsters en der bloedvergietsters richten, en ik zal u overgeven den bloede der grimmigheid en des ij vers;

39 en ik zal u in hunne hand overgeven, en zij zullen uw verwelfsel afbreken en uwe hooge plaatsen omwerpen, en uwe klee-deren u uittrekken , en uwe sierlijke juweelen nemen, en u naakt en bloot laten.

40 Daarna zullen zij tegen u eene vergadering doen opkomen, en zullen u met steenen steenigenen u met hunne zwaarden doorsteken;

41 zij zullen ook uwe huizen met vuur verbranden, en oordee-len tegen u uitvoeren voor veler vrouwen oogen; en ik zal u doen ophouden van eene hoer te zijn, en gij zult ook niet meer hoerenloon geven.

42 Zoo zal ik mijne grimmigheid op u doen rusten en mijn ijver zal van u afwijken, en ik zal stille zijn en niet meer toornig wezen.

43 Daarom dat gij niet gedacht hebt aan de dagen uwer jonkheid, en mij tot beroering geweest zijt met dit alles, zie, zoo zal ik ook uwen weg op mu hoofd geven, spreekt de Heere Heere, en gij zult die schandelijke daad niet doen boven alle uwe gruwelen.

44 Zie, een ieder die spreekwoorden gebruikt zal yan u een spreekwoord gebruiken, zeggende: Zoo do moeder is, is hare dochter.

45 Gij zijt de doch ter uwer moeder, die een walg had van haren


-ocr page 928-

906

4 En aangaande uwe geboorten , ten dage als gij geboren waart werd uw navel niet afgesneden, en gij waart niet met water ge-wasschen toen ik n aanschouwde; gij waart ook geenszins met zout gewreven noch in windselen gewonden ;

o geen oog had medelijden met u, om u een van deze dingen te doen, om zich over u te erbarmen; maar gij zijt geworpen geweest op het vlakke des velds, om de walgelijkheid van uwe ziele, ton dage toen gij geboren waart.

6 Als ik bij u voorbijging, zoo zag ik u vertreden zijnde in uw bloed, en ik zeide tot u in uw bloed: Leef; ja, ik zeide tot u in uw bloed: Leef.

7 Ik heb u tot tienduizend, als het gewas des velds gemaakt; en gij zijt gegroeid en groot geworden , en zijt gekomen lol groote sierlijkheid: uwe borsten zijn vast geworden en uw haar is gewassen; doch gij waart naakten bloot.

8 Als ik nu bij u voorbijging, zag ik u, en zie, uw tijd was de tijd der minne; zoo breidde ik mijnen vleugel over unit en dekte uwe naaktheid, ja ik zwoer u en kwam met u in een verbond, spreekt de Heere Heere, en gij werdt mijne.

9 Daarna wiesch ik u met water, en ik spoelde uw bloed van u af, en zalfde u met olie.

10 Ik bekleedde u ook met gestikt werk, en ik schoeide u met dassenvellen, en omgordde u met fijn linnen , en bedekte u met zijde.

11 Ook versierde ik u met sieraad, en deed armringen aan uwe handen en eene keten aan uwen hals.

12 Desgelijks deed ik een voor-hoofdsiersel aan uw aangezicht en oorringen aan uwe ooren, en eene kroon der heerlijkheid op uw hoofd. \'

13 Zoo waart gij versierd met goud en zilver, eh uwe kleeding was lijn linnen en zijde en gestikt werk, gij at meelbloem en iionig en olie, en gij waart gansch zeer schoon, en waart voorspoedig. 1 dat gij een koninkrijk werdt. \' 1

14 Daartoe ging van u een naam uit onder de heidenen om uwe schoonheid.; want die was volmaakt door mijne heerlijkheid die ik op u gelegd had, spreekt de Heere Heere.

15 Maar gij hebt vertrouwd op uwe schoonheid, en hebt gehoereerd vanwege uwen naam, ja hebt uwe hoererijen uitgestort aan een ieder die voorbijging: voor hem was zij.

16 En gij hebt van uwe kleederen genomen, en u gemaakt geplekte hoogten, en hebt daarop gehoereerd : zulks is niet gekomen en zal niet geschieden.

17 Daartoe hebt gij genomen de vaten uws sieraads van mijn goud en van mijn zilver dat ik u gegeven liad, en gij hebt u mansbeel-den gemaakt, en gij hebt met dezelve gehoereerd;

18 en gij hebt uwe gestikte kleederen genomen en hebt ze bedekt, en gij hebt mijne olie en mijn reukwerk voor hunne aangezichten gesteld;

19 en mijn brood hetwelk ik u gaf, meelbloem en olie en honig, luaannede ik u spijsde, dat hebt gij ook voor hunne aangezichten gesteld tot eenen liefelijken reuk : zóó is het geschied, quot;spreekt de Heere Heere.

20 Voorts hebt gij uwe zonen en uwe dochteren die gij mij gebaard hadt genomen, en hebt ze denzel-ven geofferd om te verteren: is het wat kleins van uwe hoererijen,

21 dat gij mijne kinderen geslacht hebt, en hebt ze overgegeven , als gij dezelve voor hen door het vaar hebt doen gaan?

22 Ook hebt gij bij alle uwe gruwelen en uwe hoererijen niet gedacht aan de dagen uwer jonkheid, als gij naakt en bloot waart, als gij vertreden waart m uw bloed.

23 Het is ook geschied na al uwe boosheid, (wee, wee u! spreekt de Heere Heere),

24 dat gij u een verwelfsel gebouwd hebt, en u eene hooge plaats gemaakt hebt in elke straat;

25 aan elk hoofd van den weg hebt gij uwe hooge plaats ge-

EZEGHIEL 16.


-ocr page 929-

I Ë L 16.

EZECH

007

bouwd, en hebt uwe schoonheid gruwelijk gemaakt, en hebt met uwe beenen geschreden voor een ieder die voorbijging; en hebt uwe hoererijen vermenigvuldigd.

26 Gij hebt ook gehoereerd met de kinderen van Egypte, uwe naburen, die groot van vleesch zijn; en gij hebt uwe hoererij vermenigvuldigd, om mij tot toorn te verwekken.

27 Zie, daarom strekte ik mijne hand over u uit, en verminderde uw bescheiden deel; en ik gaf u over in den lust dergenen die u haten, der dochteren der Filistijnen, die vanwege uwen schandelijken weg beschaamd waren.

28 Voorts hebt gij gehoereerd met de kinderen van Assur, omdat gij onverzadelijk waart; ja, als gij met hen gehoereerd hebt, zij t gij óók niet verzadigd geworden,

29 maar gij hebt uwe hoererij vermenigvuldigd in het land van Kanaan tot in Ghaldéa; en daarmede óók zijt gij niet verzadigd geworden.

30 Hoe zwak is uw harte, (spreekt de Heere Heere), als gij alle deze dingen doet, zijnde het werk van eene heerschende hoerachtige vrouw;

31 als gij uw verwelfsel bouwt aan het hoofd van lederen weg, en uwe hooge plaats maakt in elke straat, en niet zijt geweest als eene hoer, het hoerenloon beschimpende.

32 O die overspelige vrouw! Zij neemt in plaats van haren man de vreemden aan.

33 Men geeft loon aan alle hoeren; maar gij geeft uw loon aan alle uwe boeieerders, en gij beschenkt ze, opdat ze tot u van rondom zouden ingaan om uwe hoererijen.

34 Zou geschiedt met u in uwe hoererijen het tegendeel van de vrouwen, dewijl men u niet naloopt om te hoereeren; want als gij hoerenloon geeft, en het hoerenloon u niet gegexen wordt, zoo zijt gij tot een tegendeel geworden.

35 Daarom, o hoer, hoor des Heeren woord;

36 alzóó zegt de Heere Heere :

Omdat uw vergif uitgestort is, en uwe schaamte door uwe hoererijen met uwe boeieerders ontdekt is, en met alle de drekgoden uwer gruwelen , en na het bloed uwer kinderen dat gij hun gegeven hebt:

37 daarom zie, ik zal alle uwe boeieerders vergaderen met dewelke gij vermengd zijt geweest, en allen die gij liefgehad hebt, met allen die gij gehaat hebt; en ik zal ze van rondom vergaderen tegen u, en ik zal voor hen uwe naaktheid ontdekken, dat zij uwe gansche naaktheid zien zullen.

38 Daartoe zal ik u naar de rechten der overspeelsters en der bloedvergietsiers richten, en ik zal u overgeven den bloede der grimmigheid en des ij vers;

39 en ik zal u in hunne hand overgeven, en zij zullen uw verwelfsel afbreken en uwe hooge plaatsen omwerpen, en uwe kleederen u uittrekken, en uwe sierlijke juweelen nemen, en u naakt en bloot laten.

40 Daarna zullen zij tegen u eene vergadering doen opkomen, en zullen u met steenen stcenigenen u met hunne zwaarden doorsteken;

41 zij zullen ook uwe huizen met vuur verbranden, en oordee-len tegen u uitvoeren voor veler vrouwen oogen; en ik zal u doen ophouden van eene hoer te zijn, en gij zult ook niet meer hoerenloon geven.

42 Zoo zal ik mijne grimmigheid op u doen rusten en mijn ijver zal van u afwijken, en ik zal stille zijn en niet meer toornig wezen.

43 Daarom dat gij niet gedacht hebt aan de dagen uwer jonkheid, en mij tot beroering geweest zijt met dit alles, zie, zoo zal ik ook uwen weg op 2iw hoofd geven, spreekt de Heere Heere, en gij zult die schandelijke daad niet\' doen boven alle uwe gruwelen.

44 Zie, een ieder die spreekwoorden gebruikt zal van u een spreekwoord gebruiken, zeggende: Zoo do moeder is, is hare dochter.

45 Gij zijt de dochter uwer moeder, die een walg had van haren


-ocr page 930-

EZEGHIËL 17.

908

man en van hare kinderen; en gij zijl de zusier uwer zusters, die een walg gehad hebben van hare mannen en van hare kinderen: uwe moeder was eene Hethitische, en uw vader een Amoriet:

46 uwe groote zuster nu is Sa-marië, zij en hare dochteren dewelke woont aan uwe linkerhand; maar uwe zuster die kleiner is dan gij, die aan uwe rechterhand woont, is Sodom en hare dochteren.

47 Doch gij hebt in hare wegen niet gewandeld noch naar hare gruwelen gedaan: het was wat gerings , een verdriet; maar gij hebt het meer verdorven dan zij, in alle uwe wegen.

48 Zoo waarachtig als ik leve, spreekt de Heere Heere, indien Sodom uwe zuster, zij met hare dochteren gedaan heeft gelijk gij gedaan hebt en uwe dochteren!

49 Zie, dit was de ongerechtigheid uwer zuster Sodom: hoogmoed, zatheid van brood en stille gerustheid had zij en hare dochteren, maar zij sterkte de hand des armen en nooddruftigen niet;

50 en zij verhieven zich en deden gruwelijkheid voor mijn aangezicht : daarom deed ik ze weg, nadat ik het gezien had.

51 Samarië ook heelt naar de helft uwer zonden niet gezondigd, en gij hebt uwe gruwelen meer dan zij vermenigvuldigd, en hebt uwe zusters gerechtvaardigd door alle uwe gruwelen die gij gedaan hebt:

52 draag gij dan ook uwe schande, gij die voor uwe zusteren geoordeeld hebt door uwe zonden, die gij gruwelijker gemaakt hebt dan zij; zij zijn rechtvaardiger dan gij : wees gij dan ook beschaamd en draag uwe schande, omdat gij uwe zusters gerechtvaardigd hebt.

53 Als ik hare gevangenen we-derbrengen zal, name/y/c de gevangenen van Sodom en hare dochteren en de gevangenen van Samarië en hare dochteren , dan zal ik wedei\'brenyen de gevangenen uwer gevangenis in het midden van haar;

54 opdat gij uwe schande draagt, en te schande gemaakt wordt om al hetgeen dat gij gedaan hebt, als gij haar troosten zult.

55 Als uwe zusters, Sodom en : hare dochteren, zullen wederkee- 1 ren tot haren vorigen staat, mitsgaders Samarië en hare dochteren zullen wederkeeren tot haren vo- ] rigen staat, zult gij ook en uwe ; dochteren wederkeeren tot uwen ^ vorigen staat.

50 Ja , uwe zuster Sodom is in 1 uwen mond niet gehoord geweest \' ten dage uws grooten hoogmoeds, \\

57 aleer uwe boosheid\'ontdekt \' was. Als de tijd was der versmading van de dochteren van Syrië , en van alle degenen die rondom hetzelve waren , de dochteren der Filistijnen die u verachtten van rondom,

58 hebt gij uwe schandelijke daden en uwe gruwelen gedragen, spreekt de Heere.

59 Want alzóo zegt de Heere Heere: Ik zal u ook doen gelijk als gij gedaan hebt, die den eed veracht hebt, brekende het verbond.

00 Evenwel zal ik gedachtig wezen mijns verbonds met u in de dagen uwer jonkheid, en ik zal met u een eeuwig verbond oprichten.

61 Dan zult gij uwe wogen gedenken en beschaamd zijn , als gij uwe zusteren die grooter zijn dan gij, met degenen die kleiner zijn dan gij, aannemen zult; want ik zal u dezelve geven tot dochteren, maar niet uit uw verbond.

02 Want ik zal mijn verbond met u oprichten, en gij zult weten dat ik de Heere ben;

63 opdat gij het gedachtig zijt en u schaamt, en niét meer uwen mond opent vanwege uwe schande, wanneer ik voor u verzoening doen zal over al hetgene dat gij gedaan hebt, spreekt de Heere Heere.

HOOFDSTUK 17.

En des Heeren Woord geschiedde tot mij, zeggende:

2 Menschenkind, stel een raadsel voor en gebruik eene gelijkenis tot het huis Israëls,


-ocr page 931-

E Z E G H I Ë L 17.

909

bt, | 3 en zes : Alzóó zegt de Heere : Heere: Een arend die groot was , groot van vleugelen, lang van 0e- \' •vlerken, vol van vederen, die ts- verscheidene verwen had, kwam en op den Libanon, en nam den op-,roquot; persten tak van eenen ceder; -ve ; 4 hij plukte den top zijner jonge en takjes af, en bracht hem in een ■ land van koophandel, hij zei te i\'1 • hem ih eene stad van kooplieden, ist ] 5 Hij nam ook van hel zaad des \'s» } lands en leide het in eenen zaad-akker, hij nam het. hij zette het a- bij vele wateren met groote voor-

zicht igheid;

ni 6 en het sproot uit, en werd tot 3r ri eenen welig uitloopenden wijnstok,

Ln 1 düc.h nederig van stam, ziende met zijne takken naar hem , dewijl ;e ^ zijne wortelen onder hem waren. Zoo werd hij tot eenen wijnstok die ranken voortbracht en scheu-e | ten uitwierp.

7 Nog was er een groote arend, ^ groot van vleugelen en overvloedig

van vederen; en zie, deze wijnstok voegde zijne wortelen naar den-quot; i zei ven toe en wierp zijne takken 3 ■\' tot hem uit, opdat hij hem be-^ vochtigen zoude naar de bedden ■ / zijner planting toe.

8 Hij was in eene goede landouw ; bij vele wateren geplant, om i takken te maken en vrucht te 1 dragen, opdat hij tot eenen heer-1 i lijken wijnstok worden mocht

9 Zeg: Alzóó zegt de Heere Heere: Zal hij gedijen? Zal hij niet zijne wortelen uitrukken en

: zijne vrucht afsnijden, dat hij droog worde? Hij zal aan alle do bladeren van zijn gewas verdrogen, en dat niet quot;door eenen grooten arm noch door veel volk, om dien van zijne wortelen weg te voeren.

10 Ja, zie, zal hij geplant zijnde gedijen? Zal hij niet, als de oostenwind hem aanroert, gansch verdrogen? Op de bedden van zijn gewas zal hij verdrogen.

11 Daarna geschiedde des Hee-ren Woord tot mij , zeggende:

12 Zeg nu tot dat wederspannig huis: Weet gij niet wat deze dingen zijn? Zeg: Zie, de Koning van Babel is te Jeruzalem gekomen , en heeft haren Koning genomen en hare Vorsten, cn heeft ze tot zich gevoerd naar Babel;

13 daartoe heeft hij van het koninklijk zaad genomen en daarmede een verbond gemaakt, en heeft hem tor, eenen eed gebracht. en de machtigen des lands heeft hij weggenomen ;

14 opdat het koninkrijk nerlerig zoude zijn, zich niet verheffende, en dat liet zijn verbond houdende bestaan nocht.

15 Maar hij rebelleerde tegen hem, zendende zijne boden in Egypte , opdat men hem paarden en yeel volk hestellen zoude: zal hij gedijen, zal hij ontkomen die zulke dingen doet? .la. zal hij het verbond breken en ontkomen?

l(i Zoo luaarachtiQ a/s ik leve, spreekt de Heere Heere, zoo hij niet in de plaats des Konings die hein Koning gemaakt heeft, wiens eed hij veracht en wiens verbond hij gebroken heelt, bij hem in het midden van Babel zal sterven!

17 Ook zal Farao door een ^root heir en door menigte van krijgs-vergadering met hem in oorlog niets uitrichten, als men eenen wal zal opwerpen en als men sterkten bouwen zal, om vele zielen uit te roeien.

18 Want hij heeft den eed veracht, brekende het verbond, daar hij, zie, zijne hand gegeven had; dewijl hij alle deze dingen gedaan heeft, zal hij niet ontkomen.

19 Daarom alzóó zegt de Heere Heere: Zoo iv aar acht iff als ik leve, zoo ik mijnen eed dien hij veracht heeft, en mijn verbond dat hij gebroken heeft, niet op zijn hoofd geef!

20 En ik zal mijn net over hem uitspreiden, datquot;hij gegrepen zal worden in mijn jachtgaren; en ik zal hem doen brengen naar Babel, en zal daar met hem richten over zijne overtreding waardoor hij tegen mij overtreden heeft.

21 Daarbij zullen alle zijne vluchtelingen met alle zijne benden door het zwaard vallen, en de overgeblevenen zullen in alle winden verstrooid worden, en gijlieden zult weten dat ik de Heere gesproken heb.


-ocr page 932-

EZ EG HI ÉL 18.

22 Alzóó zegt de Heere Heere : Ik zal ook van den oppersten tak des hoogen ceders nemen dat ik zetten zal, van het opperste zijner jonge takjes zal ik eenen teedèren afplukken , denwelken ik op eenen hoogen en verheven berg planten zal;

23 op den berg der hoogte Is-raëls zal ik hem planten, en hij zal takken voortbrengen en vrucht dragen, en hij zal tot eenen heerlijken ceder worden, dat onder hem wonen zullen alle gevogelte van allerlei vleugel, in de schaduw zijner takken zullen ze wonsn.

24 Zoo zullen alle boomen des velds weten dat ik de Heere den hoogen boom vernederd heb , den nederigen boom verheven heb, den groenen boom verdroogd en den drogen boom bloeiende gemaakt heb: ik de Heere heb het gesproken en zal het doen.

HOOFDSTUK 18.

Voorts geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende:

2 Wat is illieden, dat gij dit spreekwoord gebruikt van het landlsraëïs, zeggende: De vaders hebben onrijpe druiven gegeten, en de tanden der kinderen zijn stomp geworden?

3 Zoo waarachtig als ik leve, spreekt de Heere Heere , zoo het ulieden meer gebeuren zal dit spreekwoord in Israël te gebruiken !

4 Zie, alle zielen zijn mijne; gelijk de ziel des vaders, alzoo ook de ziel des zoons, ze zijn mijne: de ziel die zondigt, die zal: sterven.

5 Wanneer nu iemand recht-1 vaardig is en doet recht en ge- , rechtigheid,

G niet eet op de bergen, en zijne oogen niet opheft tot de drekgoden van het huis Israels; , noch de huisvrouw zijns naasten verontreinigt, noch tot de afgezonderde vrouw nadert;

7 en niemand verdrukt, geeft j den schuldenaar zijn pand weder, geenen roof rooft, den hongerige zijn brood geeft en den naakte j met kleeding bedekt;

8 niet geeft op woeker noch overwinst neemt, zijne hand van onrecht afkeert, waarachtigrech! tusschen den één en den ander oefent;

9 in mijne inzettingen wandelt j en mijne rechten onderhoudt, om ! trouwelijk te handelen: — die ] rechtvaardige zalgewisselijk leven, j spreekt de Heere Heere.

10 Heeft hij nu een zoon ge- | wonnen die een inbreker is , die | bloed vergiet, die zijnen broeder * een van deze dingen doet,

11 en die alle die dingen niet doet, maar ook op de bergen eet en verontreinigt de huisvrouw zijns i naasten,

12 verdrukt den ellendige en den nooddruftige, rooft veel roof, geeft het pand niet weder, en heft zijne oogen op tot de drekgoden, doet gruwel,

13 geeft op woeker en neemt overwinst: — zoude die leven? Hij zal niet leven : alle die gruwelen heeft hij gedaan; hij zal voorzeker gedood worden, zijn bloed zal op hem zijn.

14 Zie nu , heeft hij eenen zoon gewonnen, die alle de zonden zijns vaders die hij doet aanziet,\' en toeziet dat hij dergelijke niet doet,

15 niet eet op de bergen, noch zijne oogen opheft tot de drekgoden van het huis Israels, de huisvrouw zijns naasten niet verontreinigt,

10 en niemand verdrukt, het pand niet behoudt en geenen roof rooft, zijn brood den hongerige geeft en den naakte met kleeding bedekt,

17 zijne hand van den ellendige afhoudt, geen woeker noch overwinst neemt, mijne rechten doet en in mijne inzettingen wandelt: — die zal niet sterven om de ongerechtigheid zijns vaders, hij zal gewisselijk leven.

18 Zijii vader, dewijl hij met onderdrukking onderdrukt heeft, des broeders goed geroofd heeft, en gedaan heeft dat niet f,oed was in het midden zijner volkeren: ziedaar, hij zal sterver, in zijne ongerechtigheid.

19 Maar gijlieden zegt: Waarom draagt de zoon niet de ongerech-


-ocr page 933-

EZEGHIËL 19

911

tigheid des vaders? . Immers zal Ie zoon die recht en gerechtigheid gedaan heeft, en alle mijne inzettingen onderhouden en die gedaan ieeft, gewisselijk leven.

20 De ziele die zondigt, die zal sterven: de zoon zal niet dragen de ongerechtigheid des vaders, en de vader zal niet dragen de ongerechtigheid des zoons: de gerechtigheid des rechtvaardigen zal op hem zijn, en de goddeloosheid des goddeloozen zal op hem zijn.

21 Maar wanneer de gocïdelooze zich bekeert van alle zijne zonden die hij gedaan heeft en alle mijne inzettingen onderhoudt en doet recht en gerechtigheid: hij zal gewisselijk leven, hij zal niet sterven ;

22 alle zijne overtredingen die hij gedaan heeft zullen hem niet gedacht worden , in zijne gerechtigheid die hij gedaan heeft zal hij leven.

23 Zoude ik eenigszins lust hebben aan den dood des goddeloozen? spreekt de Heere Heere : is het niet, als hij zich bekeert van zijne wegen, dat hij leve?

24 Maar als de rechtvaardige zich afkeert van zijne gerechtigheid en onrecht doet, doende naar alle de gruwelen die de goddelooze doet, zoude die leven? Alle zijne gerechtigheden die hij gedaan heeft zullen niet gedacht worden: in zijne overtreding waardoor hij overtreden heeft, en in zijne zonde die hij gezondigd heeft, daarin zal hij sterven.

25 Toch zegt gijlieden : De weg des Heeren is niét recht: — hoort nu, o huis Israels , is mijn weg niet recht? Zijn niet uwe wegen onrecht ?

20 Als do rechtvaardige zich afkeert van zijne gerechtigheid en onrecht doet, en daarin sterft: hij zal in zijn onrecht dat hij gedaan heeft sterven.

27 Maar als de goddelooze zich bekeert van zijne goddeloosheid die hij gedaan heeft, en doet recht en gerechtigheid: die zal zijne ziel in het leven behouden;

28 dewijl hij toeziet en zich bekeert van alle zijne overtredingen die hij gedaan heeft, hij zal gewisselijk leven, hij zal niet sterven.

29 Evenwel zegt het huis Is-raëls: De weg des Heeren is niet recht; — zouden mijne wegen, o huis Israels, niet recht zijn? Zijn niet uwe wegen onrecht?

\'30 Daarom zal ik u richten, o huis Israels, een ieder naar zijne wegen, spreekt de Heere Heere: keert weder en bekeert u van allo uwe overtredingen, zoo zal de ongerechtigheid u niet tot eenen aanstoot worden.

31 Werpt van u weg alle uwe overtredingen waardoor gij overtreden hebt, en maakt u een nieuw harteen eenen nieuwen geest; want waarom zoudt gij sterven, o huis Israels ?

32 Want ik heb geenen lust aan don dood des stervenden, spreekt de Heere Heere: daarom bekeert u en leeft.

HOOFDSTUK 19.

Voorts hef gij eene weeklage op over de Vorsten Israels,

2 en zeg: Wat was uwe moeder? eene leeuwin, onder de leeuwen nederliggende; zij bracht hare welpen op in het midden der Jonge leeuwen.

3 Zij voedde nu een van hare welpen op; het werd een jonge leeuw, die loerde roof te rooven, hij at menschen op.

4 Dit hoorden de volkeren van hem, hij werd gegrepen in hunne groeve; en zij brachten hem met haken naar Egypteland.

5 Zij nu ziende dat ze in hope was geweest, doch hare verwachting verloren was, zoo nam zij een ander van hare welpen, hetwelk zij tot eenen jongen leeuw stelde.

G Deze wandelde steeds onder de leeuwen, werd oen jonge leeuw, en leerde roof te rooven, hij at menschen op ;

7 hij bekende hunne weduwen, en hij verwoestte hunne sleden; zoodat het land en zijne volheid ontzet werd van de stem zijns brullens.

8 Toen begaven zich de volkeren tegen hem rondom uit de landschappen , en zij spreidden hun


-ocr page 934-

EZEGHIEL 20.

912

net over hem uit; in hunne groeve werd hij gegrepen,

9 en zij stelden hem in gesloten bewaring met haken, opdat zij hem brachten tot den Koning van Ba-bel; zij brachten hem in vestingen, opdat zijne stem niet meer gehoord wierd op de bergen Israels.

10 Uwe moeder was als een wijnstok in uwe stilheid, geplant bij wateren, hij was vruchtbaar en vol ranken vanwege vele wateren ;

11 en hij had sterke roeden tot schepters der heerschers , en de stam van elke roede werd hoog tusschen de dichte takken; en hij werd gezien door zijne hoogte, met de menigte zijner takken.

12 Maar hij werd door grimmigheid uitgerukt en ter aarde geworpen , en de oostenwind heeft zijne vrucht verdroogd, zijne sterke roeden zijn afgebroken en zijn verdroogd , het vuur heeft ze verteerd :

13 en nu is hij geplant in eene woestijn, in een dor en dorstig land.

14 Daarbij is een vuur uitgegaan uit eene roede zijner ranken, dat zijne vrucht verteerd heeft; zoodat aan hern geene sterke roede is tot een schepter om te heerschen. Dit is eene weeklage en is tot eene weeklage geworden.

HOOFDSTUK 20.

En het geschiedde in het zevende jaar in de vijfde maand, op den tiende dier maand, dat er mannen uit de oudsten Israëls kwamen om den He^re te vragen ; en zij zaten neder voor mijn aangezicht.

2 Toen geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende:

3 Menschenkind, spreek tot de oudsten Israëls en zeg tot hen: Alzuó zegt de Heere Heere : Komt gij om mij te vragen ? Zoo tv aar-achtig a/s ik leve, zoo ik van u gevraagd worde, spreekt de Heere Heere.

4 Zoudt gij hun recht geven, zoudt gij hun recht geven, o menschenkind? Maak hun de gruwelen hunner vaderen bekend,

5 en zeg tot hen: AIzóó zegt de Heere Heere: Ten dage als ik Israël verkoos, zoo hief ik mijne hand op tot het zaad van net huis Jakobs, en maakte mijzelven hun in Egypteland bekend ; ja, ik hief mijne hand tot hen op, zeggende :quot;lk ben de Heere uw God.

6 Ten zelfden dage hief ik mijne hand tot hen op, dat ik ze uit Egypteland uitvoeren zoude, in een land dat ik voor hen uitge-speurd had, vloeiende van melk en honig, hetwelk het sieraad is van alle landen;

7 en ik zeide tot hen : Een ieder werpe de verfoeiselen zijner oogen weg, en verontreinigt ulieden niet met do drekgoden van Egypte: ik de Heere ben uw God.

8 Maar zij waren wederspannig legen mij en wilden naar mij niet hooren; niemand wierp de verfoeiselen zijner oogen weg; noch verliet de drekgoden van Egypte : daarom zeide ik dat ik mijne grimmigheid over hen uitgieten zoude, om mijnen toorn tegen hen te volbrengen in het midden van Egypteland.

9 Doch ik deed het om mijns naams wille, opdat hij niet ontheiligd wierde voor de oogen der heidenen in welker midden zij waren; aan welke ik mij voor derzelver oogen bekend gemaakt heb, om hen uit Egypteland uit te voeren.

10 En ik voerde ze uit Egypteland en bracht ze in de woestijn.

11 Daar gaf ik hun mijne inzettingen en maakte hun mijne rechten bekend, dewelke zoo ze een * mensch doet, zal bij door dezelve leven.

12 Daartoe ook gaf ik hun mijne sabbaten, om een toeken te zijn tusschen mij en tusschen hen, opdat zij zouden weten dat ik de Heere ben die ze heilige.

13 Maar het huis Israëls werd wederspannig tegen mij in de woestijn; zij wandelden in mijne inzettingen niet, en verwierpen mijne rechten, dewelke zoo ze een mensch doet, zal hij door dezelve leven; en zij ontheiligden mijne sabbaten zeer, dat ik zeide,


-ocr page 935-

EZEGHIEL 20.

913

mijne grimmigheid te zullen uitgieten over hen in de woestijn om hen te verdoen.

14 Maar ik deed het om mijns naams wille, opdat die niet ontheiligd wierde voor de oogen van die heidenen voor welker oogen ik hen uitvoerde.

15 Evenwel hief ik ook mijne hand op tot hen in de woestijn, dat ik ze niet zoude brengen in het land dat ik /am gegeven had, vloeiende van melk en honig, hetwelk het sieraad is van alle landen:

16 daarom dat zij mijne rechten verwierpen en in mijne inzettingen niet wandelden, en mijne sabbaten ontheiligden; want hun hart wandelde hunne drekgoden na.

17 Doch mijn oog verschoonde ze, dat ik ze niet verdierf, en geen voleinding met hen maakte in do woestijn;

18 maar ik zeide tot hunne kinderen in de woestijn: Wandelt niet in de inzettingen uwer vaderen, en onderhoudt hunne rechten niet, en verontreinigt u niet met hunne drekgoden.

19 Ik ben de He ere uw God, wandelt in mijne inzettingen, en onderhoudt mijne rechten, en doet dezelve;

20 en heiligt mijne sabbaten , en zij zullen tot een teeken zijn tusschen mij en tusschen ulieden, opdat gij weet dat ik do Heere uw God ben.

21 Maar die kinderen weren óók wederspannig tegen mij, zij wandelden niet in mijne inzettingen , en mijne rechten namen zij niet waar om die te doen, dewelke zoo ze een mensch doet, zal hij door dezelve leven: zij ontheiligden mijne sabbaten, dat ik zeide mijne grimmigheid te zullen uitgieten over hen, volbrengende mijnen toorn tegen hen in de woestijn.

22 Doch ik keerde mijne hand af , en deed het om mijns naams wille, opdat hij voor de oogen der heidenen niet zoude ontheiligd worden, voor welker oogen ik hen uitgevoerd had.

23 Ik hief ook mijne hand tot hen op in de woestijn, dat ik ze verspreiden zoude onder de heidenen en hen verstrooien in de landen;

24 omdat zij mijne rechten niet gedaan hadden, maar mijne inzettingen verworpen en mijne sabbaten ontheiligd hadden, en hunne cogen achter de drekgoden hunner vaderen waren.

25 Daarom gaf ik hun ook inzettingen die niet goed waren en rechten waarbij ze niet leven zouden,

20 en ik verontreinigde hen in hunne giften , omdat zij door het | vuur deden doorgaan al dat de baarmoeder opent; opdat ik ze verwoesten zoude, teneinde dat zij zouden weten dat ik de Heere ben.

27 Daarom, menschenkind, spreek tot het huis Israels en zeg tot hen: Alzóó zegt de Heere Heere : Hiermede nog hebben mij uwe vaderen gesmaad, dat zij door overtreding tegen mij overtreden hebben;

28 als ik hen in het land gebracht had, over hetwelk ik mijne hand opgeheven had om het hun te geven . zoo zagen zij naar allen hoogen heuvel en alle dicht geboomte, en offerden daar hunne offeren, en gaven daar hunne tergende offeranden, en daar zette-den zij hunnen liefelijken reuk , en daar offerden zij hunne drank-offeren.

20 En ik zeide tot hen: Wat is die hoogte waarhenen gij gaat? Nogtans is de naam daarvan genaamd Hoogte, tot op dezen dag toe.

30 Daarom zeg tot den huize Israels: Alzóó zegt de Heere Heere: Zijtgij verontreinigd geworden in den weg uwer vaderen, en hoereert gij achter hunne verfoeiselen?

31 Ja, met het offeren uwer gaven , met uwe kinderen door het vuur te doen doorgaan, zijt gij verontreinigd aan alle uwe drekgoden tot op dezen dag toe: en zoude ik van u gevraagd worden, o huis Israëls? Zoo luaar-achtig a/s ik leve, spreekt de Heere Heere , zoo ik van u gevraagd worde!


-ocr page 936-

EZ EC HIEL 21.

914

32 Daarom wat in uwen geest opgeklommen is zal geenszins geschieden , dat gij zegt; Wij zullen als de heidenen en als de geslachten der landen zijn, dienende hout en steen.

33 Zoo luaarachtid als ik leve, spreekt de Heere Heere , zoo ik met met eene sterke hand en uit-gestrekten arm en met eene uitgegoten grimmigheid over u zal regeeren!

34 Want ik zal u uit de volkeren voeren, en u vergaderen uit de landen waarin eü verstrooid zijt door eene sterke hand en door eenen uitgestrekten arm en door eene uitgegoten grimmigheid.

35 Daartoe zal ik u brengen in de woestijn der volkeren, en ik zal met u aldaar lichten, aangezicht aan aangezicht;

36 gelijk als ik gericht heb met uwe vaderen in de woestijn van Egypteland, alzóó zal ik met u richten, spreekt de Heere Heere ;

37 en ik zal ulieden onder de roede doen doorgaan, en ik zal u brengen onder den band des ver-bonds.

38 Daartoe zal ik die weerspannig zijn en die tegen mij overtreden uit uiieden uitzuiveren. ik zal ze uit het land hunner vreemdelingschappen uitvoeren, en zij zullen in het landschap Israels niet weclnrko-men, en gij zult weten dat ik de Heere ben.

30 En gijlieden, o huis Israels, alzóó zegt quot;de Heere Heere: Gaat henen, dient een ieder zijne drekgoden, ook hierna, dewijl gijlieden naar mij niet hoort; doch ontheiligt niet meer mijnen heiligen naam met uwe giften en met uwe drekgoden.

40 Want op mijnen heiligen berg, op den hoogen berg Israels, spreekt de Heere Heere, daar zal mij liet gansche huis Israels in het land dienen, zij allen; daar zal ik welgevallen aan hen nemen , en daar zal ik uwe hefofTeren eischen en de eerstelinfren uwer heffingen met alle uwe geheiligde dingen:

41 ik zal een welgevallen aan ulieden nemen , om den liefelijken reuk, wanneer ik u van ole volkeren uitvoeren en u vergaderen zal uit de landen in dewelke gij zult verstrooid zijn , en ik zal in u geheiligd worden voor deoogen der heidenen;

42 en gij zult weten dat ik de Heere ben, als ik u in het landschap Israëls gebracht zal hebben, in het land waarover ik mijne hand opgeheven heb om het uwen vaderen te geven.

43 Daar zult gij dan gedenken aan uwe wegen bn aan alle uwe handelingen waarmede gij u verontreinigd hebt, en gij zult van uzelven eene walging hebben over alle uwe boosheden die gij gedaan hebt.

44 Zoo zult gij weten dat ik de Heere ben, als ik met u gedaan zal hebben, om mijns naams wille, niet naar uwe booze wegen noch naar uwe verdorven handelingen, o huis Israëls, spreekt de Heere Heere.

45 Voorts geschiedde des Hee-rent Woord tot. mij , zeggende :

4G Menschenkind, zet uw aangezicht naar den weg van het Zuiden, en drup uwe reden tegen het Zuiden, en profeteer tegen het woud van het veld in hot Zuiden,

47 en zeg tot het zuiderwoud: Hoor des Heerem Woord; alzóó zegt de Heere Heere; Zie, ik zal een vuur in u aansteken, hetwelk in u allen groenen boom en allen dorren boom verteren zal; de vlammende vlam zal niet uit-gebluscht worden, maar daardoor zullen verbrand worden alle aangezichten van het Zuiden tot het Noorden toe,

48 en alle vleesch zal zien dat ik de Heere dat aangestoken heb, het zal niet uitgebluscht worden.

49 En ik zeide: Ach Heere Heere , zij zeggen van mij: Is hij niet een verdichter van gelijkenissen ?

HOOFDSTUK 21.

En des Heeren Woord geschiedde tot mij, zeggende-

2 Menschenkind, zet uw aangezicht tegen Jeruzalem, en drup


-ocr page 937-

EZEGHIËL 21.

915

uwe reden tegen de heiligdommen, en profeteer tegen het land van Israël,

! 3 en zeg tot het land van Israël: ;Alzóó zegt de Heere: Zie, ïk iuii laan u, en ik zal mijn zwaard uit zijne scheede trekken, en ik zal ivan u uilroeien den rechtvaardige jen den goddelooze;

4 omdat ik dan van u uitroeien zal den rechtvaardige en den goddelooze, daarom zal mijn zwaard uit zijne scheede uitgaan tegen alle vleesch, van het Zuiden tot het Noorden;

5 en alle vleesch zal weten dat ik, de Heere, mijn zwaard uit zijne scheede getrokken heb: het zal niet meer wedcrkeeren.

G Maar gij, menschenkind, zucht; zucht voor hunne oogen met verbreking der lendenen en met bitterheid.

7 En het zal geschieden als zij tot u zeggen zullen: Waarom zucht gij ? dat gij zeggen zult: Om het gerucht, want het komt; en alle hart zal versmelten, en alle handen zullen verslappen , en alle geest zal inkrimpen. en alle knieën als water henen vlieten; zie, het komt en het zal geschieden, spreekt de Heere Heere.

8 Wederom geschiedde des Hee-ren Woord tot mij , zeggende:

9 Menschenkind, profeteer en zeg: Alzóó zegt de Heere : Zeg : Het zwaard, het zwaard is ge-j scherpt en ook geveegd;

10 het is gescherpt opdat het eene slachting slachte, het is ge-1 veegd opdat het eenen glinster heb-1 be: of wij dan zullen vroolijk zijn? het is de roede mijns zoons, die alle hout versmaadt.

11 En hij hoeft hetzelve te vegen gegeven, opdat men het met de hand handelen zonde; het zwaard is gescherpt en het is geveegd, om het in de hand des doodslagers te geven.

12 Schreeuw en huil, o menschenkind, want het zal zijn tegen mijn volk, het zal zijn tegen alle de Vorsten Israels: verschrikkingen zullen vanwege het zwaard bij mnn volk zijn: daarom klop op de heup.

.13 Als er beproeving was, wat was het toen? Zou er dan ook geen versmadende roede zijn? spreekt de Heere Heere.

14 Daarom, gij menschenkind , profeteer, en sla hand tegen hand ; want het zwaard zal verdubbeld worden ten derden male, het is het zwaard dergenen die verslagen zullen worden; het is het zwaard der grooten die verslagen zullen worden, dat tot hen in de binnenste kameren indringen zal.

15 Ik heb de punt des zwaards gezet tegen alle hunne poorten, opdat het hart versmei te en de aanstooten vermenigvuldigen; ach, het is toegemaakt opdat het gbn-stere, het is ingewonden om te slachten.

lü Hond u bijéén o zwaard keer u rechtsom, schik u, keer u linksom, waarhenen uw aange-zicht gesteld is.

17 En ik zelf zal ook mijne hand tegen mijne hand slaan, en mijne grimmigheid doen rusten; ik de Heere heb het gesproken.

18 Wederom geschiedde des He eren Woord tot mij, zeggende :

10 Gij nu , menschenkind, stel u twee wegen voor. waardoor het zwaard des Konings van Babel kome: uit één land zullen ze heide voortkomen; en kies eene zijde, kies ze aan het hoofd van den weg der stad.

20 Gij zult eenen weg voorstellen , waardoor het zwaard inkomen zal tegen Rabba de kinderen Amnions of tegen Juda, tot de vaste stad Jeruzalem.

21 Want de Koning van Babel zal aan de wegscheiding staan, aan het hoofd van de twee wegen, om waarzegging te gebruiken; hij zal zijne pijlen slijpen , hij zal de teraflm vragen, hij zal de lever bezien.

22 De waarzegging zal aan zijne rechterhand zijn op Jeruzalem, om hoofdlieden te stellen, om ^.en mond te openen in het doodslaan , om de stem op te heffen met gejuich, om stormrammen te stellen tegen de poorten, om sterkten op te werpen, ombol-werken te bouwen.


-ocr page 938-

EZEGHIEL 22.

916

23 Dit zal hun in hunne oogen als een ijdel waarzeggen zijn, omdat zij met eeden beëedigd zijn onder hen; maar hij zal de ongerechtigheid gedenken, opdat zij gegrepen worden.

24 Daarom zegt de Heere Heere alzóó: Omdat gijlieden uwe ongerechtigheid doet gedenken, doordien uwe overtredingen ontdekt worden, zoodal uwe zonden gezien worden in alle uwe handelingen; omdat uwer gedacht wordt, zult gij met de hand gegrepen worden.

25 En gij , o onheilig, goddeloos Vorst Israëls, wiens dag komen zal ten tijde der uiterste ongerechtigheid,

26 alzóó zegt de Heere Heere: Doe dien hoed weg en hef die kroon af: deze zal dezelfde! niet wezen ; ik zal verhoogen dien die nederig is en vernederen dien die hoog is.

27 Ik zal die kroon omgekeerd, omgekeerd, omgekeerd stellen; ja. zij zal niet zijn , totdat hij kome die daartoe recht heeft en wien ik dat geven zal.

28 En gij, menschenkind, profeteer en zeg: Alzóó zegt de Heere Heere van de kinderen Ammons en van hunne smading; zoo zeg; Het zwaard, het zwaard is uitgetrokken, het is ter slachting geveegd om te verdoen, om te glinsteren:

29 terwijl zij u ijdelheid zien, terwijl zij u leugen voorzeggen, om u op de halzen te stellen dergenen die van de goddeloozen verslagen zijn. welker dag gekomen was ten tijde der uiterste ongerechtigheid!

30 Keer uw zwaard weder in zijne scheede. In de plaats waar gij geschapen zijt, in het land uwer woningen zal ik u richten,

31 en ik zal over u mijnegram-schap uitgieten, ik zal tegen u door het vuur mijner verbolgenheid blazen, en ik zal u overgeven in de hand van brandende men-schen, smeders des verderfs;

32 het vuur zult gij tot spijze zijn, uw bloed zal zijn in het midden des lands: uwer zal niet gedacht worden, want ik de Heere heb het gesproken.

HOOFDSTUK 22.

Voorts geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende:

2 Gij nu, menschenkind, zoudt gij der bloedstad recht geven? Zoudt gij haar recht geven? Ja, maak haar bekend alle hare gruwelen ,

3 en zeg: Alzóó zegt de Heere Heere; O stad, die in haar midden bloed vergiet, opdat haar tijd kome, en drekgoden tegen zich-zelve maakt om zich te verontreinigen ,

4 door uw bloed dat gij vergoten hebt zijt gij schuldig geworden , en met uwe drekgoden die gij gemaakt hebt hebt gij u verontreinigd, en hebt uwe dagen doen naderen en zijt tot uwe Jaren gekomen : daarom heb ik u den heidenen overgegeven tot eenen smaad, en allen landen tot eenen spot;

5 die nabij en verre van u zijn, zullen u bespotten, gij onreine van naam en vol van onrust.

6 Zie, de Vorsten Israëls zijn in u geweest, een ieder naar zijne kracht, om bloed te vergieten.

7 Vader en moeder hebben zij in u licht geacht, met den vreemdeling hebben zij iti het midden van u door verdrukking gehandeld, zij hebben in u den wees en de weduwe verdrukt.

8 Mijne heilige dingen hebt gij veracht, en mijne sabbaten hebt gij ontheiligd.

9 Achterklappers zijn in u geweest om bloed te vergieten, en in u hebben zij op de bergen gegeten, zij hebben schandelijkheid in het midden van u gedaan.

10 Men heeft de schaamte des vaders in u ontdekt, die onrein was door afzondering hebben zij in u verkracht;

11 daartoe heeft de één gruwel gedaan met zijns naasten huisvrouw, en een ander heeft zijns zoons vrouw met schandelijkheid verontreinigd; nog een ander heeft in u zijne zuster, zijns vaders dochter, verkracht.


-ocr page 939-

EZEGHIËL 23.

917

12 Zij hebben geschenken in u genomen om bloed te vergieten; woeker en overwinst hebt gij genomen , en gij hebt gierigheid gepleegd aan uwen naaste door verdrukking; maar gij hebt mij vergeten, spreekt de Heere Heere.

13 Zie dan, ik heb mijne hand geslagen om uwe gierigheid die gij bedreven hebt, en om uw bloed, die in het midden van u geweest zijn:

14 zal uw hart bestaan ? zullen uwe handen sterk zijn, in de dagen als ik met u handelen zal? ik de Heere heb het gesproken en zal het doen;

15 en ik zal u verstrooien onder de heidenen en u verspreiden in de landen , en uwe onreinheid uit u verteren:

16 zoo zult gij in u ontheiligd zijn voor de oogen der heidenen, en gij zult weten dat ik de Heere ben.

17 Wijders geschiedde des HEE-ren Woord tot mij, zeggende:

18 Menschenkind, die van den huize Israels zijn mij tot schuim geworden, zij zijn allen koper of tin of ijzer of lood in het midden des ovens, zilverschuim zijn ze geworden.

10 Daarom alzóó zegt de Heere Heere: Omdat gijlieden allen tot schuim geworden zijt, daarom zie, ik zal u in het midden van Jeruzalem vergaderen;

20 gelijk zilver of koper of ijzer of lood of tin in het midden eens ovens vergaderd wordt, om het vuur daarover op te blazen opdat men het smelte, alzóó zal ik ulieden vergaderen in mijnen toorn, en in mijne grimmigheid daar laten en smelten;

21 ja, ik zal u bijeenbrengen, en zal op u blazen in het vuur mijner verbolgenheid, dat gij in het midden van haar zult gesmolten worden;

22 gelijk het zilver in het midden des ovens gesmolten wordt, alzóó zult gijlieden in het midden van haar gesmolten worden, en gij zult weten dat ik de Heere mijne grimmigheid over u uitgegoten heb.

23 Voorts geschiedde des Hee-ren Woord tot mij, zeggende:

24 Menschenkind, zeg tot haar: Gij zijt een land dat niet gereinigd is, dat zijnen plasregen niet heeft gehad ten dage der gramschap.

25 De verbintenis harer Profeten is in het midden van haar als een brullende leeuw die eenen roof rooft; zij eten de zielen op, den schat en het kostelijke nemen zij weg, hare weduwen vermenigvuldigen zij in het midden van haar.

26 Hare Priesters doen mijne wet geweld aan, en zij ontheiligen mijne heilige dingen: tusschen het heilige o.n het onheilige maken zij geen onderschei 1, en het verschil tusschen het onreine en reine geven zij niet le kennen; daartoe verbergen zij hunne oogen van mijne sabbaten, ja, ik word in het midden van hen ontheiligd.

27 Hare Vorsten zijn in het midden van haar als wolven die eenen roof roeven, om bloed te vergieten en om zielen te verderven , opdat zij gierigheid zouden plegen.

28 Hare Profeten nu pleisteren hen met looze kalk , ziende ijdel-heid en hun leugen voorzeggende ; zeggende: Alzóó zegt de Heere Heere — en de Heere heeft niet gesproken.

20 Het volk des lands pleegt enkel verdrukking en bedrijft enkel rooverij; ook onderdrukken zij den ellendige en nooddruftige, en den vreemdeling verdrukken zij zonder recht.

30 Ik zocht nu eenen man uit hen die den muur mocht toemuren, en voor mijn aangezicht in de bres-se staan voor het land, opdat ik het niet mocht verderven; maar ik vond niemand.

31 Daarom heb ik mijne gramschap over hen uitgegoten, door het vuur mijner verbolgenheid heb ik ze verteerd: hunnen weg heb ik op hun hoofd gegeven, spreekt de Heere Heere.

HOOFDSTUK 23.

Voorts geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende:


-ocr page 940-

EZECH1ËL 23.

918

2 Menschenkind , daar waren twee vrouwen, dochteren van ééne moeder.

3 Dezen hoereerden in Egypte; in hare jeugd hoereerden zij : daar werden hare borsten gedrukt, en daar werden de tepeien haars maagdoms betast.

4 Hare namen nu waren Ohola de grootste, en Oholiba hare zuster; en zij werden mijne en baarden zonen en dochteren: dit waren hare namen, Samarië is Ohola, en Jeruzalem Oholiba.

5 Ohola nu hoereerde, zijnde onder mij ; en zij werd verliefd op hare boeieerders; op deAssyriërs die nabij waren,

6 bekleed met hemelsblauw, Vorsten en overheden, allemaal gewenschte jongelingen, ruiters rijdende op paarden.

7 Alzoo bedreef zij hare hoererijen met dezelve, die allen de keure der kinderen Assurs waren ; en met allen op dewelke zij verliefd was, met alle derzelver drekgoden verontreinigde zij zich.

8 Zij verliet ook niet hare hoererijen gebracht uit Egypte; want zij hadden bij haar in hare jeugd gelegen, en zij hadden de tepeien haars maagdoms betast, en zij hadden hunne hoererij over haar uitgestort.

9 Daarom gaf ik haar in de hand barer boeieerders over, in de hand der kinderen Assurs op dewelke zij verliefd was.

\'10 Deze ontdekten hare schaamte, hare zonen en hare dochters namen zij weg, maar haar doodden zij met het zwaard; en zij kreeg eenen naam onder de vrouwen, nadat men gerichten over haar geoefend had.

11 Als hare zuster Oholiba dit zag, zoo verdierf zij hare min nog meer dan die; en hare hoererijen meer dan de hoererijen van hare zuster;

12 zij werd verliefd op de kinderen Assurs. de Vorsten en overheden die nabij waren, bekleed met volkomen sieraad, ruiters rijdende op paarden, altemaalgewenschte jongelingen.

13 Toen zag ik dat zij verontreinigd was; zij hadden beide éénerlei weg.

14 Ja , zij deed tot hare hoererijen nog meer toe; want toen zij geschilderde mannen aan den wand zag, de beelden der Chaldeën, geschilderd met menie,

15 gegord met een gordel aan hunne lendenen, hebbende overvloedig geverwde hoeden op hunne hoofden, die allen in het aanzien hoofdlieden waren, naar de gelijkenis der kinderen Babels, van Chaldéa, het land hunner geboorte:

1G zoo werd zij op dezelve verliefd met het opzien harer oogen , en zij zond boden tot hen naar Chaldéa.

17 De kinderen van Babel nu kwamen tot haar in tot het leger der minne, en verontreinigden haar met hunne hoererij, ook vèront-reinigde zij zich met hen; daarna werd hare ziel van hen afgetrokken.

18 Alzoo ontdekte zij hare hoererijen en ontdekte hare schaamte: toen werd mijne ziel van haar afgetrokken, gelijk als mijne ziel was afgetrokken van hare zuster.

19 Doch zij verm3nigvuldigde hare hoererijen, gedenkende aan de dagen harer jeugd, als zij gehoereerd had in het land van Egypte;

20 en zij werd verliefd meer dan derzelver bij wij ven, welker vleesch is als het vleesch der ezels, en welker vloed is als de vloed der paarden.

21 Alzoo hebt gij weder opgehaald de schandelijke daad uwer jeugd, als die van Egypte uwe tepeien betastten vanwege de borsten uwer jeugd.

22 Daarom, o Oholiba, alzóó zegt de Ileere Heere: Zie. ik zal uwe boeieerders , van dewelke uwe ziel is afgetrokken, tegen u verwekken, en ik zal ze van rondom tegen u aanbrengen:

23 de kinderen van Babel en alle Chaldeën, Pekod en Soa en Koa, en alle kinderen van Assur met hen; gewenschte jongelingen, die allen Vorsten en overheden zijn, hoofdlieden en vermaarde lieden, die allen te paard rijden.


-ocr page 941-

EZEGHIEL 23.

919

24 Die zullen tegen u komen met karren, wagens en wielen, en met eene vergadering van volkeren, rondassen en schilden en helmen; zij zullen zich rondom tegen u zetten, en ik zal voor bun aangezicht het gericht stellen, en zij zullen u richten naar hunne rechten;

25 en ik zal mijnen ijver togen u zetten, dat zij in grimmigheid met u zullen handelen; zij zullen uwen neus en uwe ooren afnemen, en het laatste van u zal door het zwaard vallen; zij zullen uwe zonen en uwe dochteren wegnemen, en het laatste van u zal door het vuur verteerd worden;

2G zij zullen u ook uwe kleederen uittrekken en uw sieraad-tuig wegnemen.

27 Zoo zal ik uwe schandelijkheid van u doen ophouden, mitsgaders uwe hoererij rjebracht uit Egypte-land; en gij zult uwe oogen naar hen niet opheffen en aan Egypte niet meer gedenken.

28 Want alzuó zegt de ITeere Heere: Zie, ik zal u overgeven in de hand dergenen die gij haat, in de hand dergener van dewelke uwe ziel is afgetrokken.

29 Die zullen met u handelen uit haat, en al uwen arbeid wegnemen, en u naakt en bloot laten, dat uwe hoerenschaamte ontdekt worde, mitsgaders uwe schandelijkheid en uwe hoererijen.

30 Deze dingen zal menu doen, dewijl gij de heidenen nagehoe-reerd hebt, en omdat gij u met hunne drekgoden verontreinigd hebt:

31 in den weg uwer zuster hebt gij gewandeld, daarom zal ik haren beker in uwe hand geven.

32 AIzóó zegt de Heere Heere: Gij zult den beker uwer zuster drinken die diep en wijd is: gij zult tot belaching en spot worden , de beker houdt veel in.

33 Van dronkenschap en jammer zult gij vol worden ; de beker van uwe zuster Samarië is een beker der verwoesting en der eenzaamheid :

34 gij zult hem drinken en uitzuigen, en zijne scherven zult gij brijzelen en uwe borsten zult gij afrukken; want ik heb het gesproken , spreekt de Heere Heere.

35 Daarom alzóó zegt de Heere Heers: Omdat gij mij vergeten en mij achter uwen rug geworpen hebt, zoo draag gij ook uwe schan-delijkl eid en uwe hoererijen.

36 En de Heere zeide tot mij: Menscfoenkind, zoudt gij Oholaen Oholiba recht geven? Ja, vertoon haar hare gruwelen.

37 Want zij hebben overspel gedaan, en daar is bloed in hare handen; en zij hebben met hare drekgoden overspel gedaan ; caar-toe hebben zij ook hare kinderen die zij mij gebaard hadden voor hen door het vuur laten doorgaan tot spijs.

38 Nog hebben zij mij dit gedaan : zij hebben mijn heiligdom te dien dage verontreinigd, en mijne sabbaten ontheiligd.

39 Want als zij hunne kinderen voor hunne drekgoden geslacht hadden, zoo kwamen zij op dien zeilden dag in mijn heiligdom om dat te ontheiligen; en zie, alzóó hebben zij gedaan in het midden van mijn Huis.

40 Dit is er ook, dat zij gezonden hebben tot mannen die van verre zouden komen; tot dewelke als een bode gezonden was, zie, zoo kwamen zij, voor dewelke gij u wiescht, uwe oogen blankettot en u met sieraad versierdet;

41 en gij zat op een heerlijk bed, voor hetwelk eene tafel toe-gericht was, en op hetwelk gij mijn reukwerk en mijne olie gezet hadt.

42 Als nu het geruisch der menigte daarop stil was, 7.00 zonden zij tot mannen uit de menigte der menschen, en daar werden wijnzuipers aangebracht uit de woestijn ; die deden armringen aan hare handen en eene sierlijke kroon op hare hoofden.

43 Toen zeide ik van deze, die van overspel verouderd was: Nu zullen zij hoereeren de hoererijen dezer hoer, en die óók.

44 En men ging tot haar in gelijk men ingaat tot eene vrouw die eene hoer is, alzóó gingen zij


-ocr page 942-

920 EZECH

in lot Ohola en tot Oholiba, die schandelijke vrouwen.

45 Rechtvaardige mannen dan, die zullen ze richten naar het recht der overspeelsters en naar het recht der moedvergietsters; want zij zijn overspeelsters, en bfoed is in hare handen.

46 Want alzóó zegt de Heere Heere : Ik zal eene vergadering tegen haar doen opkomen, en zal ze ter beroering en ten roof overgeven ;

47 en de vergadering zal ze met steenen steenigen, en ze met hunne zwaarden nederhouwen; hare zonen en hare dochteren zullen zij dooden, en hare huizen met vuur verbranden.

48 Alzoo zal ik de schandelijkheid uit liet land doen ophouden, opdat alle vrouwen onderwezen worden dat zij naar uwe schandelijkheid niet doen.

40 Alzoo zullen zij uwe schandelijkheid op u leggen, en gij zuil de zonden uwer drekgoden dragen; en gijlieden znlt welen dat ik de ileere Heere ben.

HOOFDSTUK 24.

Wijders geschiedde des Heeren Woord lot mij in het negendejaar in de tiende maand op den tiende der maand , zeggende:

2 Menschenkind, schrijf u den naam van den dag op, van dezen zelfden dag: de Koning van Babel legt zich voor Jeruzalem op dezen zelfden dag.

3 En gebruik eene gelijkenis tot dat wederspannig huis en zeg tot hen: Alzóó zegt de Heere Heere: Zet eenen pot loe , zet hem toe, en giet ook water daarin.

4 Doe zijne stukken te zamen daarin, alle goede stukken, de dij en den schouder ; vul lemmet de keur der beenderen.

5 Neem de keur, van de kudde, en stook ook eenen brandstapel van de beenderen daaronder; doe hem wei opzieden ; ook zullen zijne beenderen daarin gekookt worden.

6 Daarom alzóó zegt de Heere Heere: Wee der bloedstad, den pot welks schuim in hem is, en van weiken zijn schuim niet is

IËL 24.

uitgegaan! Trek stuk bij stuk daaruit, laat het lot over hem e niet vallen.

7 Want haar bloed is in het midden van haar, op eene gladde steenrots heeft zij dat gelegd; zij heeft het op de aarde niet uitgestort, om hetzelve met stof te bedekken.

8 Opdat ik de grimmigheid doe opgaan om wraakte oefenen, heb ik ook haar bloed op eene gladde steenrots gelegd, opdat het niet bedekt worde.

9 Daarom alzóó zegt de Heere Heere: Wee der bloedstad; ik zal ook den brandstapel groot maken.

10 Draag veel hout toe, steek • het vuur aan, verteer het vleesch, 1 en kruid het met specerijen, en ; laat de beenderen verbranden.

11 Stel hem daarna ledig op zijne kolen, opdat hij heet worde, en zijn roest verbrande, en zijne onreinheid in het midden van \' hem versmelte, zïn schuim ver- 5 teerd worde.

12 Met ijdelhedcn heeft zij mij | moede gemaakt: toch is haar overvloedig schuim van haar niet uitge- ^ gaan; haar schuim moet in het | vuur.

13 In uwe onreinheid is schan- 5 delijkheid; omdat ik u gereinigd . heb en gij niet gereinigd zijt, zoo l zult gij van uwe onreinheid niet * meer gereinigd worden, totdat ik { mijne grimmigheid op u zal hebben doen rusten.

14 Ik de Heere heb het gespro- j ken, het zal komen en ik zal het f. doen: ik zal er niet van wijken en ik zal niet verschoonen noch berouw hebben: naar uwe wegen en naar uwe handelingen zullen zij u richten, spreekt de Heere Heere.

15 Wijders geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende:

16 Menschenkind, zie, ik zal den lust uwer oogen van u wegnemen door eene plage; nogtans zult gij niet rouwklagen noch weenen, en uwe tranen zullen niet voortkomen.

17 Houd stil von kermen, gij zult geen doodenrouw maken; bind uwen hoed op u, en doe


-ocr page 943-

EZEGHIËL 25.

921

uwe schoenen aan uwe voeten; en de bovenste lip zult gij niet bewinden, en zult der lieden brood niet eten.

18 Dit sprak ik tot het volk in den morgenstond , en mijne huisvrouw stierf in den avond; en ik deed in den morgenstond gelijk als mij geboden was;

19 en het volk zeide tot mij: Zult gij ons niet te kennen geven wat deze dingen beduiden, dat gij aldus doet?

20 En ik zeide tot hen: Het Woord des Heeren is tot mij geschied, zeggende:

21 Zeg tot het huis Israëls: Alzóó zegt de Heere Heere: Zie, ik zal mijn heiligdom ontheiligen, de heerlijkheid uwer sterkte, de begeerte uwer oogen en de verschooning uwer ziele, en uwe zonen en uwe dochteren die gij verlaten hebt zullen door het zwaard vallen.

22 Dan zult gijlieden doen gelijk als ik gedaan heb; de bovenste lip zult gij niet bewinden, en der lieden brood zult gij niet eten.

23 En uwe hoeden zullen op uwe hoofden zijn, en uwe schoenen aan uwe voeten; gij zult niet rouwklagen noch weenen. maar gij zult in uwe ongerechtigheden versmachten en een iegelijk legen zijnen broeder zuchten.

2\'i Alzoo zal ulieden Ezechiëltol een wonderteeken zijn; naar alles dat hij gedaan heeft zult gij doen; als dit komt, dan zult gij weten dat ik de Heere Heere ben.

25 Kn gij, menschenkind, zal het niet zijn ten dage als ik van hen zal wegnemen hunne sterkte, de vreugde huns sieraads, den lust hunner oogen en het verlangen hunner zielen, hunne zonen en hunne dochteren:

26 dat te dien dage een ontko-mene tot u zal komen, om uwe ooren dat te doen hooren?

27 Ten zelfden dage zal uw mond bij dien die ontkomen is open gedaan worden, en gij zult spreken en niet meer stom zijn; alzoo zult gij hun tot een wonderteeken zijn, en zij zullen weten dat ik de Heere ben.

HOOFDSTUK 25.

En des Heerex Woord geschiedde tot mij , zeggende:

2 Menschenkind. zet uw aange-zicht tegen de kinderen Ammons en profeteer togen hen;

3 en zeg tot de kinderen Ammons: Hoort des Heeren Heeren Woord; alzóó zegt de Heere Heere: Omdat gij gezegd hebt: Ha! over mijn heiligdom als het ontheiligd werd, en over het land Israëls als het verwoest werd , en over het huis van Juda als zij in gevangenis gingen:

4 diiarom zie, ik zal u aan die van het Oosten overgeven tot eene bezitting, dat zij hunne burchten in u zetten en hunne woningen in u stellen; die zullen uwe vruchten eten en die zullen uwe melk drinken.

5 En ik zal Rabba tot eenen kemelstal maken, en de kinderen Ammons tot eene schaapskooi; en gij zult weten dat ik de Heere ben.

(J Want alzóó zegt de Heere Heere: Omdat gij met de hand geklapt en met den voet gestampt hebt, en van harte verblijd zijt geweest in al uwe plundering over het land Israëls:

7 daarom zie, ik zal mijne hand tegen u uitstrekken en u den heidenen ton buit geven, en zal u uit de volkeren uitroeien en unit de landen verdoen; ik zal u verdelgen , en gij zult weten dat ik de Heere ben.

8 Alzóó zegt de Heere Heere: Omdat MDab en Seïrzeggen: Zie, het huis Juda is gelijk allo de heidenen:

9 daarom zie, ik zal de zijde Moabs openen van de steden af, van zijne steden die van zijne grenzen af zijn, het sieraad des lands, Beth-Jesimoth, Baal-Meon, en lot Kirjathaïm toe;

10 voor die van het Oosten, met het land der kinderen Ammons , hetwelk ik ter bezitting zal overgeven ; opdat der kinderen Ammons onder de heidenen niet meer gedacht worde.

11 Ik zal ook in Moab gerichten


-ocr page 944-

1ËL 26.

922

EZECH

oefenen, en zij zullen weten dat ik de Heere ben.

12 Alzóó zegt de Heere Heere : Omdat Edom met enkele wraakgierigheid gehandeld heeft tegen het huis van Juda, en zij zich zeer schuldig gemaakt hebben, dut zij zicii aan hen gewroken hebben:

13 daarom alzóó zegt de Heere Heere : Ik zal ook mijne hand uitstrekken tegen Edom, en ik zal mensch en beest uit haar uitroeien, en zal haar tot eene woestheid stellen van Temanaf, en zij zullen tot Dedan toe door het zwaard vallen;

14 en ik zal mijne wrake doen aan Edom door de hand mijns volks Israels, en zij zullen tegen Edom naar mijnen toorn en naar mijne grimmigheid handelen: alzoo zullen zij mijne wrake gewaarworden, spreekt de Heere Heehe.

15 Alzóó zegt de Heere Heere: Omdat de Filistijnen door wraak gehandeld hebben en van harte wraak geoefend hebben door plundering, om te vernielen door eene eeuwige vijandschap,

16 daarom alzóó zegt de Heere Heere : Zie, ik strek mijne hand uit tegen de Filistijnen, en zal de Kerethiten uitroeien en het overblijfsel van de zeehaven verdoen;

17 en ik zal groote wrake met grimmige straffen onder hen doen, en zij zullen weten dat ik de Heere ben, als ik mijne wrake aan hen gedaan zal heliben.

HOOFDSTUK 26.

En het gebeurde in het elfde jaar op den eerste der maand , dat des Heeren Woord tot mij geschiedde, zeggende :

2 Menschenkind, daarom dat Tyrus van Jeruzalem gezegd heeft: Ha! zij is verbroken, de poort der volkeren, zij is tot mij omgewend: ik zal vervuld worden, zij is verwoest:

3 daarom alzóó zegt do Heere Heere : Zie, ik wil aan u, o Tyrus. en ik zal vele heidenen tegen u doen opkomen, alsof ik de zee met hare golven deed opkomen.

4 Die zullen de muren van Tyrus verderven en hare torens afbreken ; ja, ik zal haar stof van haar wegvagen, en zal ze tot eene gladde steenrots maken.

5 Zij zal in het midden der zee zijn tot uitspreiding van netten; want ik heb het gesproken, spreekt de Heere Heere; en zij zal den heidenen ten roof worden.

G En hare dochteren die in het veld zijn , zullen met het zwaard gedood worden ; en zij zullen weten dat ik de Heere ben.

7 Want alzóó zegt de Heere Heere: Zie, ik zal Nebukadrezar den Koning van Babel, den Koning der Koningen , van het Noorden tegen Tyrus brengen met paarden en met wagen en en met ruiteren en Li\'ijtjsvergaderingen en veel volk.

8 Hij zal uwe dochteren op het veld met het zwaard dooden , en hij zal sterkten tegen u maken en een wal tegen u opwerpen, en rondassen tegen u op hellen ;

9 en hij zal muurbrekers tegen uwe muren stellen, en uwe torens met zijne zwaarden afbreken.

10 Vanwege de menigte zijner paarden zal u derzëlver stof bedekken; uwe muren zullen beven vanwege het gedruisc\'i der rulleren en wielen en wage.nen, als hij door uwe poorten zal intrekken gelijk door de ingangen eener doorgebroken stad.

11 Hij zal met de hoeven zijner paarden alle uwe straten vertreden , uw volk zal hij met het zwaard dooden , en elkeene van de kolommen uwer sterkte zal ter aarde nederstorten;

12 en zij zullen uw vermogen rooven en uwe koopmanswaren ■plunderen en uwe muren afbreken en uwe kostelijke huizen omwerpen, en uwe steenen en uw hout en uw stof zullen zij in het midden der wateren werpen.

13 Zoo zal ik het gedeun uwer liederen doen ophouden , en het geklank uwer harpen zal niet meer gehoord worden.

14 Ja, ik zal u maken lot eene gladde steenrots; gij zult zijn tot uitspreiding der r ellen, gij zult niet meer gebouwd worden; want ik de Heere heb het gesproken, spreekt de Heere Heere.


-ocr page 945-

EZEGHIËL 27.

923

15 Alzóo zegt de Heere Heere tot Tyrus: Zullen niet de eilanden van het geluid uws vals beven, als de doodelijk verwonde zal kermen, wanneer men in het midden van u schrikkelijk zal moorden?

10 En alle Vorsten der zee zullen afdalen van hunne tronen, en hunne mantels van zich doen, cn hunne gestikte kleederen uittrekken ; met sidderingen zullen zij bekleed worden, op de aarde zullen zij nederzitten, en t\' eiken oogeoblik sidderen en over u ontzet zijn;

\'17 en zij zullen een klaaglied over u aanheffen, en tot u zeggen : Hoe zijt gij uit de zeeën vergaan, gij welbewoonde, gij beroemde stad, die sterk geweest is ter

Izee, zij en hare inwoners; die hunnen schrik gaven aan allen die in haar woonden.zee, zij en hare inwoners; die hunnen schrik gaven aan allen die in haar woonden.

18 Nu zullen de eilanden sidderen ten dage uws vals; Ja, de eilanden die in de zee zijn zullen beroerd worden vanwege uwen uitgang.

19 Want alzóo zegt de Heere Heere: Als ik u zal stellen tot

J eene verwoeste stad, gelijk de | steden die niet bewoond worden, | als ik eenen afgrond over u zal doen opkomen en de grootewate-j ren u zullen overdekken:

20 dan zal ik u doen nederdalen j met degenen die in den kuil ne-| derdalen tot het oude volk, en zal I u doen nederliggen in de onderste | plaatsen der aarde , in de woeste | plaatsen die van ouds geweest ^ zijn, met degenen die in den kuil i nederdalen, opdat gij niet be-\' woond wordt; en ik zal het sieraad ^ herstellen in het land der levenden. | 21 Maai* u zal ik tot eenen groo-| ten schrik stellen, en gij zult er | niet meer zijn; als gij gezocht I wordt, zoo zult gij nietquot;meer ge-I vonden worden in eeuwigheid, | spreekt de Heere Heere.

HOOFDSTUK 27.

Wijders geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende:

2 Gij dan, quot;menschcnkind, hef een klaaglied aan over Tyrus;

3 en zeg tot Tyrus, die daar

woont aan de ingangen der zee, handelende met de volken in vele eilanden: Zóó zegt de Heere Heere: O Tyrus, gij zegt: Ik ben volmaakt in schoonheid.

4 Uwe landpalen zijn in het hart der zeeën, uwe bouwers hebben uwe schoonheid volkomen gemaakt :

5 zij hebben alle uwe scheepsboorden uit denneboomen van Senir gebouwd, zij hebben cederen van den Libanon gehaald om masten voor u te maken;

0 zij hebben uwe riemen uit eiken van Basan gemaakt, uwe roeibanken hebben zij gemaakt van welbetredeu elpenbeen uit de eilanden der Kittiten ;

7 fijn linnen met stiksel uit Egypte was uw uitbreidsel, dat het u tot een zeil ware; hemelsblauw en purper uit de eilanden van Eiisa was uw bedeksel.

8 De inwoners van Sidon en Arvad waren uwe roeiers; uwe wijzen, o Tyrus, die in u waren, die waren uwe schippers;

9 de oudsten van Gebal en hare wijzen waren in u, verbeterende uwe breuken; alle schepen der zee ei hunne zeelieden waren in u, om ouderlingen handel met u fe drijven;

10 Perzen en Lydiërs en Puteers waren in uw heir, uwe krijgslieden; schild en helm hingen zij in u op, die maakten uw sieraad;

11 de kinderen van Arvad en uw heir waren rondom op uwe muren , en de Gammaditen waren op uwe torens; hunne schilden hingen zij rondom aan uwe muren, die maakten uwe schoonheid volkomen.

12 Tarsis dreef koophandel met u vanwege de veelheid van allerlei goed; met zilver, ijzer, tin en lood handelden zij op uwe markten.

13 Javan, Tubal en Mesech die waren uwe kooplieden, mefmen-schenzielen en koperen vaten dreven zij ouderlingen handel met u.

14 Üit het huis van Togarma leverden zij paarden en ruiteren en muilezels op uwe markten.

15 De kinderen van Dedan waren uwe kooplieden, vele eilanden


-ocr page 946-

EZECHIËL 28.

924

waren de koophandel uwer hand; hoornen van elpenbeen en ebbenhout gaven zij u weder tot eene vereering.

16 Syrië dreef koophandel met u vanwege de veelheid uwer werken ; met smaragden, purper en gestikt werk en zijde en ramoth en kadkod handelden zij op uwe markten.

17 Juda en het land Israëls die waren uwe kooplieden ; met tarwe van Minnith, en pannag, en honig, en olie, en balsem, dreven zij ouderlingen handel met u.

18 Damascus dreef koophandel met u om de veelheid uwer werken, vanwege de veelheid van allerlei goed, met wijn van Heibon en witte wol.

19 Ook leverden Dan en Jnvan, de omreizer, op uwe markten; glad ijzer, kassia en kalmus was in uwen ouderlingen koophandel.

20 Dedan handelde met u met kostelijke kleeden voor wagens.

21 Arabië en alle Vorsten van Kedar die waren de kooplieden uwer hand; met lammeren en rammen en bokken, daarmede handelden zij met u.

22 De kooplieden van Scheba en Raëma waren uwe kooplieden ; met alle hoofd-specerij en met alle kostelijk gesteente en goud handelden zij op uwe markten.

23 Haran en Kannc en Eden, de kooplieden van. Scheba, Assur cn Kilmad handelden met u;

24 die waren uwe kooplieden met volkomen sieradiën, met pakken van hemelsblauw en geslikt werk, en met schatkisten van schoone kleederen, gebonden met koorden en in ceder/zot^ gepakt onder uwe koopmanschap.

25 De schepen van Tarsis zongen van u, vanwege den ouderlingen koophandel met u; en gij waart vervuld en zeer verheerlijkt in het hart der zeeën.

2ö Die u roeien hebben u in groote wateren gevoerd: de oostenwind heeft u verbroken in het hart der zeeën;

27 uw goed en uwe marktwaren, uw onderlinge koophandel, uwe zeelieden en uwe schippers, die uwe breuken verbeteren en die onderlingen handel met u drijven, en alle uwe krijgslieden die in u zijn, zelfs met uwe gansche gemeente die in het midden van u is, zullen vallen in het hart der zeeën ten dage uws vals.

28 Van het geluid des ge-schreeuws uwer schippers zullen de voorsteden beven;

29 en allen die den riem handelen , zeelieden, en alle schippers van de zee, zullen uit hunne schepen nederklimmen, op hetland zullen zij blijven staan;

30 en zy zullen hunne stem over u laten hooren en bitterlijk schreeuwen , en zij zullen stof op hunne hoofden werpen, zij zullen zich wentelen in de asch;

31 en zij zullen zich over u gansch kaal maken en zakken aangorden, en zullen over u wee-nen met bitterheid der ziele en bittere rouwklage;

32 en zij zullen in hun gekerm een klaaglied over u opbellen en over u weeklagen, zeggende: Wie is geweest als Tyrus, als de uitgeroeide in het midden der zee?

33 Als uwe marktwaren uit de zeeën voortkwamen, hebt gij vele volken verzadigd, mst de veelheid uwer goederen en uwen ouderlingen koophandel hebt gij de Koningen der aarde rijk gemaakt.

34 Ten tijde dat gi\' uit de zeeën verbroken zijt in de diepte der wateren, zijn uw onderlinge koophandel en uwe gansche gemeente in \'t midden van u gevallen.

35 Alle inwoners der eilanden zijn over u ontzet, en hunnen Koningen staan de haren te berge, zij zijn verbaasd van aangezicht.

3G De handelaars onder de volken fluiten u aan; gij zijt een groote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid.

HOOFDSTUK 28.

Voorts geschiedde des Heeren Woord tot mij , zeggende:

2 Menschenkind, zeg tot den Vorst van Tyrus: Zóó zegt de Heere Heere: Omdat uw hart zich verheft en zegt: Ik ben God, ik zit in Godes stoel in het hart


-ocr page 947-

EZECHIËL 28.

925

der zeeën; — terwijl gij een mensch en geen God zijt, stelt gij nogtans uw hart als Gods hart.

3 Zie, gij zijt wijzer dan Daniël, zij hebben niets dat toegesloten is voor u verborgen;

4 door uwe wijsheid en door uw verstand hebt gij vermogen voor u verkregen, ja , gij hebt goud en zilver verworven in uwe schatten;

5 door de grootheid uwer wijsheid in uwen koophandel hebt gij uw vermogen vermeerderd, en uw hart verheft zich vanwege uw vermogen.

(j Daarom zegt de Heere Heere alzóó: Omdat gij uw hart gesteld hebt als Gods hart,

7 daarom zie , ik zal vreemden over u brengen, de geweldigste der heidenen; die zuilen hunne zwaarden uittrekken over de schoonheid uwer wijsheid, en zullen uwen glans ontheiligen;

8 ter groeve zullen zij u doen nederdalen, en gij zult sterven den dood eens verslagenen in het harte der zeeën.

9 Zult gij dan wellicht voor het aangezicht uws doodslagers zeggen: Ik ben God, daar gij een mensch zijt en geen God, \'in de hand desgenen die u verslaat?

10 Gij zult den dood der onbe-snedenen sterven door de hand der vreemden ; want ik heb het gesproken , spreekt de Heere Heere.

11 Wijders geschiedde des Hoeren Woord tot mij , zeggende ;

12 Menschenkind, hei een klaaglied aan over den Koning van Tyrus, en zeg tot hem: Zóó zegt de Heere Heere : Gij verzegelaar der som, vol van wijsheid en volmaakt in schoonheid,

13 ^;ij waart in Eden, Godes hof; alle kostelijk gesteente was uw deksel, sardi\'ssteenen, topazen en diamanten, turkooizen , sar-donyxsteenen en jaspissteenen, saffieren, robijnen en smaragden en goud; het werk uwer trommelen en uwer pijpen was bij u, ten dage als gij geschapen werdt waren ze bereid.

14 Gij waart een gezalfde, overdekkende cherub, en ik had u alzoo gezet; gij waart op Godes heiligen berg, gij wandeldet in het midden der vurige steenen;

15 gij waart volkomen in uwe wegen van den dag af dat gij geschapen zijt: totdat er ongerechtigheid in u gevonden is.

16 Door de veelheid uws koophandels hebben zij het midden van u met geweld vervuld, en gij hebt gezondigd; daarom zal ik u ont-heiligen van Godes berg, en zal u, gij overdekkende cherub, verdoen uit het midden der vurige steenen.

17 Uw hart verheft zich over uwe schoonheid, gij hebt uwe wijsheid bedorven vanwege uwen glans ; ik heb u op de aarde henenr geworpen , ik heb u voor het, aangezicht der Koningen gesteld om op u te zien.

18 Vanwege de veelheid uwer ongerechtigheden , door het onrecht uws koophandels, hebt gij uwe heiligdommen ontheiligd; daarom heb ik een vuur uit het midden van u doen voortkomen, dat u heelt verteerd, en ik heb u gemaakt tot asch op de aarde voor de oogen aller dergenen die u zien.

19 Allen die u kennen onder de volken zijn over u ontzet, gij zijt een groote schrik geworden, en zult er niet meer zijn tot in eeuwigheid.

20 Wijders geschiedde desIlEE-ren Woord tot mij, zeggende:

21 Menschenkind, zet uw aangezicht tegen Sidon en profeteer tegen haar,

22 en zeg: Zóó zegt de Heere Heere: Zie, ik tuil aan u, o Sidon, en zal iu het midden van u verheerlijkt worden ; en zij zullen weten dat ik de Heere ben, als ik gerichten in haar zal hebben geoefend en in haar geheiligd zal zijn.

23 Want ik zal de pestilentie in haar zenden, en bloed in hare straten, en de verslagenen zullen vallen in het midden van haar, door het zwaard dat tegen haar zal zijn van rondom ; en zij zullen weten dat ik de Heere ben.

24 En het huis Israels zal geen smaitenden doorn nog weedoende


-ocr page 948-

IËL 29.

EZECH

926

distel meer hebben, van allen die rondom hen zijn, die hen berooven; en zij zullen weten dat ik de Heere Heere ben.

25 Alzóó zegt de Heere Heere : Als ik het huis Israëls zal vergaderd hebben uit de volken onder dewelke zij verstrooid zijn, en ik onder hen voor do oogeri der heidenen zal geheiligd zijn, dan zullen zij in hun land wonen dat ik aan mijnen knecht, aan Jakob, gegeven heb;

26 en zij zullen daarin zéker wonen en huizen bouwen en wijngaarden planten, ja, zij zulien zéker wonen, als ik gerichten zal hebben geoefend tegen allen die hen beroofd hebben, van degenen die rondom hen zijn; en zij zullen weten dat ik de Heere hun God ben.

HOOFDSTUK 29.

In het tiende jaar in de tiende maand op den twaalfde der maand geschiedde des Heeren Woord tot mij zeggende:

2 Menschenkind, zet uw aangezicht tegen Farao den Koning van Egypte, en profeteer tegen hem en tegen het gansche Egypte;

3 spreek en zeg: Zóó zegt de Heere Heere: Zie, ik tuil aan u, o Farao, Koning van Egypte, dien groot en zeedraak die m het midden zijnor rivieren ligt, die daar zegt: Mijne rivier is mijn , en ik heb die voor mij gemaakt;

4 maar ik zal haken in uwe kaken doen, en de visschen uwer rivieren aan uwe schubben doen kleven, en ik zal u uit het midden uwer rivieren optrekken, en alle de visschen uwer rivieren zullen aan uwe schubben kleven;

5 en ik zal u verlaten in de woestijn, u en allo de visschen uwer rivieren; op het open veld zult gij vallen, gij zult niet verzameld noch vergaderd worden: aan het gedierte der aarde en aan het gevogelte des hemels heb ik ii ter spijze gegeven.

6 En alle de inwoners van Egypte zullen weten dat ik de Heere ben, omdat zij den huize Israëls een rietstaf geweest zijn:

7 als zij u bij uwe handgrepen, zoo werdt gij gebroken en spleet hun alle zijden; en als zij op u leunden, zoo werdt gij verbroken en liet alle lendenen op zichzelven staan.

8 Daarom zóó zegt de Heere Heere: Zie, ik zal het zwaard over u brengen en ik zal uit u mensch en beest uitroeien;

0 en Egypteland zal worden tot eene wildernis en woestheid, en zij zullen weten dat ik de Heere ben; omdat hij zegt: De rivier j is mijn, en ik heb die gemaakt. |

10 Daarom zie, ik tvü aan uen » aan uwe rivier, en ik zal Egypteland stellen tot woeste wilde eenzaamheden, van den toren van Syene af tot aan de landpale van Moorenland.

11 Geen menschenvoet zal door hetzelve doorgaan en geen beestenvoet zal door hetzelve doorgaan, en het zal veertig jaar onbewoond zijn;

12 want ik zal Egypteland stellen tot eene verwoesting in het midden dor verwoeste landen, en zijne steden zullen eene woestheid zijn in het midden der verwoeste steden, veertig jaar; en ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen en zal 2.e verspreiden in de landen.

13 Maar zóó zegt de Heere Heere : Ten einde van veertig jaar zal ik de Egyp enaars vergaderen uit de volken waarhenen zij verstrooid zijn gewerden,

14 en ik zal de gevangenis der Egyptenaren wenden, en hen we-derbrongen in het land Pathros, in het land huns koophandels, en aldaar zullen zij een nederig koninkrijk zijn;

15 en het zal nederiger zijn dan de andere koninkrijken, en zich niet meer verhelten boven de heidenen ; want ik zal ze verminderen , dat zij niet zullen heer-schen over dequot; heidenen ;

16 en het zal «ten huize Israëls niet meer zijn to: een vertrouwen dat der ongerechtigheid doe gedenken, wanneer zij naar henlieden omzien; maar zij zullen weten dat ik de Heere Heere ben.


-ocr page 949-

IËL 30.

EZECH

927

17 Voorts gebeurde het in het zevenentwintigste jaar in de eerste maand op den eerste der maand, dat het Woord des Heeren tot mij geschiedde, zeggende :

18 Menschenkind, Nebukadre-zar de Koning van Babel heeft zijn heir eenen grooten dienst doen dienen tegen Tyrus: alle hoofden zijn kaal geworden en alle zijden zijn uitgeplukt, en noch hij , noch zijn heir heeft loon gehad vanwege Tyrus voor den dienst dien hij tegen haar gediend heeft.

19 Daarom zóó zegt de Heere Heehe: Zie, ik zal Nebukadre-zar den Koning van Babel Egyp-teland geven; en hij zal dcszelfs menigte wegvoeren en deszelfs buit buitmaken en deszelfs roof rooven, en het zal het loon zijn voor zijn heir:

20 tot zijn arbeidsloon, omdat hij tegen haar gediend heeft, heb ik hem Egypteland gegeven, omdat zij voor mij gewrocht hebben, spreekt de Heere Heere.

21 Te dien dage zal ik den hoorn van het huis Israëls doen uitspruiten , en u opening des monds geven in het midden van hen ; en zij zullen weten dat ik de Heere ben.

HOOFDSTUK 30.

Wijders geschiedde des Ueeren Woord tot mij, zeggende:

2 Menschenkind, profeteer on zeg: Zóó zegt de Heere Heere: Huilt: Ach, die dag!

3 Want de dag is nabij, ja, de dag des Heeren is nabij, een wolkige dag, het zal der heidenen tijd zijn,

4 en het zwaard zal komen in Egypte, en daar zal groote smart zijn in Moorenland, als de verslagenen zullen vallen in Egypte; want zij zullen hare menigte\'wcg-nemen , en hare fundamenten zullen verbroken worden;

5 Moorenland, en Put, en Lud , en al de gemengde hoop , enKub, en de kinderen van het land des verbonds zullen met hen vallen door het zwaard.

6 Zóó zegt de Heere : Ja, zij zullen vallen die Egypte ondersteunen, en de hoovaardij harer sterkte zal nederdalen: van den toren van Syene af zullen zij daarin door het zwaard vallen, spreekt de Heere Heere;

7 en zij zullen verwoest worden in het midden der verwoeste landen, en hare steden zullen zijn in het midden der verwoeste steden;

8 en zij zullen weten dat ik de Heere ben, als ik een vuur in Egypte zal hebben gelegd , en alle hare helpers zullen verbroken worden.

9 Te dien dage zullen er boden van voor mijn aangezicht inschepen uitvaren om het zorgalooze Moorenland te verschrikken, en daar zal groote smart bij hen zijn, als in den dag van Egypte; want zie , het komt aan.

10 Zóó zegt de Heere Heere : Ja, ik zal de menigte van Egypte doen ophouden door de hand Nc-bukadrezars des Konings van Babel;

11 hij, en zijn volk met hen, de geweldigste der heidenen, zullen aangevoerd worden om het land te verderven, en zij zullen hunne zwaarden tegen Egypte uittrekken en het land met verslagenen vervullen;

12 en ik zal de rivieren tot droogte maken, en het land verknopen inde hand derboozen, en ik zal het land met zijne volheid verwoesten door de hand dor vreemden: ik de Heere heb het gesproken.

13 Zóó zegt de Heere Heere: Ik zal ook de drekgoden verdoen en de nietige afgoden doen verdwijnen uit Nof; en er zal geen Vorst meer zijn uit Egypteland; en ik zal eene vreeze in Egypteland stellen.

14 En ik zal Pathros verwoesten, en. een vuur leggen in Zoah, en ik zal gerichten oefenen in No.

15 En ik zal mijne grimmigheid uitgieten over Sin, desterktevan Egypte; en ik zal de menigte van No uitroeien.

16 En ik zal een vuur in Egypte leggen; Sin zal zeer groote pijn


-ocr page 950-

cj28 Ë Z E G E

hebben, en No zal gespleten worden, en Nof zal dagelijks zeer bang zijn.

17 De jongelingen van Aven en Pibéseth zullen door liet zwaard vallen, en de dochters zullen gaan in de gevangenis.

18 En te Tachpanhes zal de dag verduisterd worden, als ik het juk van Egypte aldaar zal verbreken , en de hoovaardij harer sterkte in haar zal ophouden; haar zal eene wolk bedekken, en hare dochters zullen gaan in de gevangenis.

19 Alzoo zal ik gerichten oefenen in Egypte, en zij zullen weten dat ik de Heere ben.

20 Ook gebeurde het in het elfde jaar in de eerste maand op den zevende der maand, dat het Woord des 11 ee hen tot mij geschiedde, zeggende:

21 Menschenkind, ik heb den arm van Farao den Koning van Egypte verbroken, en zie, hij zal niet verbonden worden met pleisters op le leggen, met eenen windeldoek aan te doen om dien te verbinden, om dien te sterken dat hij het zwaard houde.

22 Daarom zegt de Heere Heere alzóó: Zie, ik wil aan Farao den Koning van Egypte, en zal zijne armen verbreken, belde den sterke en den verbrokene, en ik zal het zwaard uit zijne hand doen vallen;

23 en ik zal de EgyDienaars verstrooien onder de heidenen en zal ze verspreiden in de landen.

2\'i En ik zal de armen des Ko-nings van Babel sterken, en mijn zwaard in zijne hand geven; maar Farao\'s arnien zal ik verbreken, dat. hij voor zijn aangezicht zal kermen gelijk een doodelijk verwonde kermt.

25 Ja, ik zal de armen des Ko-nings van Babel sterken, maar Farao\'s armen zullen daarhenen vallen; en zij zullen weten dat ik de Heere ben, als ik mijn zwaard in de hand des Konings van Babel zal hebben gegeven, en hij hetzelve over Egypte]and zal hebben uitgestrekt.

20 En ik zal de Egyptenaars verstrooien onder de heidenen en zal ze verspreiden in do landen :

IEL 31.

alzoo zullen zij weten dat ik de Heere ben.

HOOFDSTUK 31.

Het gebeurde ook in het elfde jaar in de derde maand op den eerste der maand, dat des Heeren Woord tot mij geschiedde, zeggende :

2 Menschenkind, zeg tot Farao den Koning van Egypte , en tot zijne menigte: Wien zijt gij gelijk in uwe grootheid?

3 Zie, Assur was een ceder op den Libanon, schoon van takken, schaduwachtig van loof en Loog van stam ; en zijn top was tus-schen dichte takken.

4 De wateren maakten hem groot, de afgrond maakte hem hoog; die ging met zijne stroomen rondom zijne planting, en zond zijne waterleidingen uit tot alle boomen des velds.

5 Daarom werd zijn stam hooger dan alle boomen des velds, en zijne takskens werden menigvuldig en zijne scheuten lang vanwege de groote wateren, als hij uitschoot.

G Alle vogelen des hemels nestelden op zijne takjes, en alle dieren des velds teelden onder zijne scheuten; en alle groote volken zaten onder zijne schaduw.

7 Alzoo was hij schoon in zijne grootheid en in de lengte zijner takken, omdat zijn wortel aan groote wateren was.

S De cederen in Godes hof verduisterden hem niet, de denne-boomen waren aan zijne takken niet gelijk, en de kastanjeboomen waren niet gelijk zijne scheuten: geen boom in Godes hof was hem gelijk in zijne schoonheid;

9 ik had hem zóó schoon gemaakt door de veelheid zijner takken, dat alle boomen van Éden die in Godes hof waren hem benijdden.

10 Daarom zóó zegt do Heere Heeme: Omdat gij u verheven hebt over uwen stam , ja, hij stak zijnen top op boven het midden der dichte takken, on zijn hart verhief zich over zijne \'hoogte:

11 daarom gaf ik hem ia de


-ocr page 951-

EZEGHIEL 32.

929

de hand van den machtigste der heidenen, dat die hem rechtschapen zoude handelen ; ik dreef hem uit om zijne goddeloosheid.

12 En vreemden, de geweldigste der heidenen, roeiden hem uit en verlieten hem ; zijne takken vielen op de bergen en\'in alle valleien, en zijne scheuten werden verbroken bij alle stroomen des lands; en alle volken der aarde gingen weg uit zijne schaduw en verlieten hem,

13 alle vogelen des hemels woonden op zijnen omgevallen stam . en alle dieren des velds waren op zijne scheuten:

14 opdat zich geene waterrijke boomen verheffen over hunnen stam, en hunnen top niet opsteken boven het midden der dichte takken , en geene boomen die water drinken op zichzelven staan vanwege hunne hoogte; want zij zijn alle overgegeven ter dood tot liet onderste der aarde, in het midden der menschenkin-deren, tot degenen die inden kuil nederdalen.

15 Zóó zegt de Heere Heere : Ten dage als hij ter holle nederdaalde maakte ik een treuren, ik bedekte om zijnentwil den afgrond, en weerde de stroomen van dien , en de groote wateren werden geschud; en ik maakte den Libanon om zijnentwil zwart, en al het geboomte des velds was om zijnentwil omwonden.

16 Van het geluid zijns vals deed ik de heidenen beven, als ik hem ter helle deed nederdalen met, degenen die in den kuil nederdalen; en alle boomen van Eden, de keur en het beste van Libanon, alle hoornen die water drinken, troostten zich in het onderste der aarde;

\'J7 dezen daalden ook met hem neder ter helle, tot de verslagenen van het zwaard, en die zijn arm geweest waren, die onder zijne schaduw in het midden der heidenen gezeten hadden.

18 Wien zijt gij alzoo gelijk in heerlijkheid èn grootheid, onder de boomen van Eden ? Ja, gij zult nedergevoerd worden met dé boomen van Eden tot het onderste

der aarde; in het midden der on-besnedenen zult gij liggen , met de verslagenen door het zwaard. Dat. is Farao en zijne gansche menigte, spreekt de Heere Heere.

HOOFDSTUK 32.

Het gebeurde ook in het twaalfde Jaar in de twaalfde maand op den eerste der maand, daf het Woord des Heeren tot mij geschiedde, zeggende:

2 Menschenkind, hef een klaaglied aan over Farao den Koning van Egypte, en zeg tot hem : Gij waart èencn jongen leeuw onder de heidenen gelijk, en gij waart als een zeedraak in de zeeën , en braakt voort in mve rivieren, en beroerdet het water met uwe voeten en vermodderdet hunne rivieren.

3 Alzóó zegt de Heere Heere : Ik zal daarom mijn net over u uitspreiden door eene vergadering van vele volken; die zullen u optrekken in mijn garen.

4 Dan zal ik u laten op het land, ik zal u henen werpen op het open veld , en ik zal al het gevogelte des hemels op u doen wonen, en het gedierte der gansche aarde van u verzadigen;

5 en ik zal uw vleesch henen geven op de bergen, en de dalen met uwe hoogheid vervullen ;

6 en ik zal het land waarin gij zwemt van uw bloed drenken tot aan de bergen , en de stroomen zullen van u vervuld worden.

7 En als ik u zal uitblusschen, zal ik den hemel bedekken en zijne sterren zwart maken, ik zal de zon met wolken bedekken, en de maan zal haar licht niet laten lichten,

8 alle lichtende lichten aan den hemel, die zal ik om uwentwil zwart maken, en ik zal eene duisternis over uw land maken, spreekt de Heere Heere.

9 Daartoe zal ik het hart van vele volken bekommerd maken, als ik uwe verbreking onder de heidenen zal brengen in de landen die gij niet gekend hebt;

10 èn ik zal maken dat zich vele volken over u ontzetten, en hun-


-ocr page 952-

I Ë L 32.

EZECH

930

nen Koningen zullen de haren over u te berge staan, als ik mijn zwaard zal zwaaien voor hunne aangezichten; en zij zullen elk oogenblik sidderen, een ieder voor zijne ziele , ten dage uws vals.

\'11 Want zóó zegt de Heere Heere : Het zwaard des Konings van Babel zal over u komen.

12 Ik zal uwe menigte vellen door de zwaarden der helden, die al te zamen de geweldigste dei-heidenen zijn; die zullen de hoo-vaardij van Egypte verstoren, en hare gansche \'menigte zal verdelgd worden.

13 En ik zal alle hare beesten verdoen van bij de groote wateren , en geen. menschenvoet zal ze meer beroeren en geene beesten-klauwen zullen ze beroeren.

14 Dan zal ik hunne wateren doen zinken, en ik zal hunne rivieren doen gaan als olie, spreekt de Heere Heere :

15 als ik Egypteland zal hebben gesteld tot eene verwoesting, en het land van zijne volheid zal woest zijn geworden, als ik geslagen zal hebben allen die daarin wonen: alzoo zullen zij weten dat ik de Heere ben.

16 Dat is het klaaglied, en dat zullen zij klagelijk zingen, de dochteren der heidenen zullen het klagelijk zingen, zij zullen het klagelijk zingen over Egypte en over hare gansche menigte, spreekt do Heere Heere.

17 Voorts gebeurde het in het twaalfde jaar op den vijftiende der maand, dat het Woord des Hee-ren tot mij geschiedde , zeggende:

18 Menschenkind, weeklaag over de menigte van Egypte, en doe ze nederdalen (haar en de dochteren der prachtige heidenen) in de onderste plaatsen der aarde, bij degenen die in den kuil zijn nedergedaald.

19 Boven wien zijt gij liefelijk? Daal neder en leg u bij de onbe-snedenen.

20 In het midden der verslagenen van het zwaard zullen zij vallen; zij is aan het zwaard overgegeven: trekt ze henen met al bare menigte.

21 De machtigste der helden zullen hem met zijne helpers toespreken uit het midden der hel; zij zijn nedergedaald, de onbe-snedenen liggen er verslagen van het zwaard.

22 Daar is Assur met zijnen ganschen hoop, zijne graven zijn rondom hem; zij zijn allen verslagen , gevallen door het zwaard;

23 welks graven gesteld zijn in de zijden des kuils, en zijn hoop is rondom zijn graf; zij zijn allen verslagen , gevallen door het zwaard, die eenen schrik gaven in het land der levenden.

2i Daar is Elam met zijne gansche menigte rondom zijn graf; zij zijn allen verslagen, de gevallenen door het zwaard, die onbesneden zijn nedergedaald tot do onderste plaatsen der aarde, die hunnen schrik hadden gegeven in het land der levenden : nu dragen zij hunne schande met degenen die in den kuil zijn nedergedaald.

25 In het midden der verslagenen hebben zij hem eene legerstede gesteld onder z jne gansche menigte, rondom quot;hem zijn zijne graven; zij zijn r.llen onbesneden, verslagenen van het zwaard, omdat een schrik van hen gegeven is in het land der levenden: nu dragen zij hunne schande met degenen die in den kuil zijn nedergedaald ; hij is gelegd in het midden der verslagenen.

20 Dadr is Mesech en Tubal, met zijne gansche menigte; rondom hem zijn zijne graven; zij zijn allen onbesneden, verslagenen van het zwaard, omdat zij hunnen schrik gegeven hebben in hel land der levenden.

27 Maar zij liggen niet met de helden die onder de onbesnedenen gevallen zijn, die ter helle zijn nedergedaald met hunne krijgswapenen , en welker zwaarden men gelegd heeft onder hunne hoofden: welke.* ongerechtigheid nogtans op hunne beenderen is, omdat der helden schrik in het land der levenden geweest is.

28 Gij ook zult verbroken worden in het midden der onbesne-


-ocr page 953-

EZECHIËL 33.

931

denen, en zult liggen met de verslagenen van het zwaard.

29 Daar is Edom, zijne Koningen en alle zijne Vorsten, die met hunne macht gelegd zijn bij de verslagenen van het zwaard, dezen liggen met de onbesnedenen en met degenen die in den kuil zijn nedergedaald.

30 Daar zijn de geweldigen van het Noorden, zij allen, en alle Sidoniërs die met de verslagenen zijn nedergedaald , beschaamd zijnde vanwege hunnen schrik die uit hunne macht voortkwam, en zij liggen onbesneden bij de verslagenen van het zwaard, en dragen hunne schande met degenen die in den kuil zijn nedergedaald.

31 Farao zal hen zien, en zich troosten over zijne gansche menigte, de verslagenen van het zwaard. Farao en zijn gansche heir, spreekt de Heere Heere.

32 Want ik heb óók mijnen schrik gegeven in het land der levenden; dies zal hij gelegd worden in het midden der onbesnedenen , bij de verslagenen van het zwaard. Farao en zijne gansche menigte, spreekt de Heere Heere.

HOOFDSTUK 33.

En des Heeuen Woord geschiedde tot mij, zeggende:

2 Menschenkind, spreek tot de kinderen uws volks en zeg tot hen: Wanneer ik het zwaard over eenig land breng, en het volk des lands eenen man uit hunne einden nemen en dien voor zich tot eenen wachter stellen ;

3 en hij het zwaard ziet komen over het land, en blaast met de bazuin en waarschuwt het volk ;

4 en een , die het geluid dei-bazuin hoort, wel hoort maar zich niet laat waarschuwen, en het zwaard komt en neemt hem weg, diens bloed is op zijn hoofd;

5 hij hoorde het geluid der bazuin maar liet zich niet waarschuwen, zijn bloed is op hem ; maar hij die zich laat waarschuwen behoudt zijne ziel.

6 Wanneer daarentegen de wachter het zwaard ziet komen en blaast niet met de bazuin, zoodat het volk niet te gewaarschuwd, en het zwaard komt en neemt een ziele uit hen weg, — die is ivel in zijne ongerechtigheid weggenomen , maar zijn bloed zal ik van de hand des wachters eischen.

7 Gij nu, o menschenkind, ik heb u tot eenen wachter gesteld over het huis Israels, zoo zult gij het woord uit mijnen mond hooren en hen van mijnentwege waarschuwen .

8 Als ik tot den goddelooze zeg : O goddelooze, gij zult den dood sterven ! en gij spreekt niet om den goddelooze van zijnen weg af le manen, — die goddelooze zal in zijne ongerechtigheid sterven , maar zijn bloed zal ik van uwe hand eischen.

9 Maar als gij den goddelooze van zijnen weg afmaant, dat hij zich van dien bekeere , en hij zich van zijnen weg niet bekeert: zoo zal hij in zijne ongerechtigheid sterven, maar gij hebt uwe ziele bevrijd.

10 Daarom gij menschenkind , zeg tot bet huis Israels: Gijlieden spreekt aldus, zeggende: Dewijl onze overtredingen en onze zonden op ons zijn, en wij in dezelvfe versmachten, hoe zouden wij dan leven?

11 Zeg tot hen: Zoo ivaarachtig als ik leve, spreekt de Heere Heere , zoo ik lust heb in den dood des goddeloozen! Maar daarin heb ik lust, dat de goddelooze zich bekeere van zijnen weg en leve. Bekeert u, bekeert u van uwe booze wegen, want waarom zoudt gij sterven, o huis Israëls?

12 Gij dan, o menschenkind , zeg tot de kinderen uws volks: De gerechtigheid des rechtvaardigen zal hem niet redden ten dage zijner overtreding, en aangaande de goddeloosheid des goddeloozen, hij zal om dezelve niet vallen ten dage als hij zich van zijne goddeloosheid bekeert, en de rechtvaardige zal niet kunnen leven door deze zijne aerechtifi-herd ten dage als hij zondigt.

13 Als ik tot den rechtvaardige zeg dat hij zekerlijk leven zal, en hij op zijne gerechtigheid ver-


-ocr page 954-

E Z E C H IE L 33.

932

trouwt en onrecht doet, zoo zal aan alle zijne gerechtigheden niet gedacht worden, maar in zijn onrecht dat hij doet, daarin zal hij sterven.

14 Als ik ook tot den godde-looze zeg; Gij zult den dood sterven, en hij zich van zijne zonde bekeert en recht en gerechtigheid doet;

15 geeft de goddelooze het pand weder, betaalt hij het geroofde , wandelt hij in de inzettingen des levens, zoodat hij geen onrecht doet, — hij zal zekerlijk leven, hij zal niet sterven;

16 alle zijne zonden die hij gezondigd heeft zullen hem niet toegerekend worden, hij heeft recht en gerechtigheid gedaan , hij zal zekerlijk leven.

17 Toch zeggen de kinderen uws volks: De weg des Heeren is niet recht — terwijl hun eigen weg niet recht is.

18 Als de rechtvaardige zich afkeert van zijne gerechtigheid en onrecht doet, zoo zal hij daarin sterven;

19 en als de goddelooze zich bekeert van zijne goddeloosheid en doet recht en gerechtigheid, zoo zal hij daarin leven:

20 toch zegt gij: De weg des Heeren is niet recht! Ik zal ulieden richten een ieder naar zijne wegen, o huis Israels.

21 En het geschiedde in het twaalfde jaar onzer gevankelijke wegvoering, in de tiende maand op den vijfde der maand, dat er een tot mij kwam die van Jeruzalem ontkomen was, zeggende: De stad is geslagen.

22 Nu was de hand des Heeren op mij geweest des avonds eer die ontkomene kwam, en had mijnen mond opengedaan totdat hij des morgens tot mij kwam. Alzoo werd mijn mond open gedaan en ik was niet meer stom.

23 Toen geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende :

24 Menschenkind, de inwoners van die woeste plaatsen in het land Israels spreken, zeggende: Abraham was een éénig man, en bezat dit land erfelijk; maar onzer zijn velen: het land is ons gegeven tot eene erfelijke bezitting.

25 Daarom zeg tot hen: Zóó zegt de Heere Heere: Gij eet vlecsch met het bloed, en heft uw oogen op tot uwe drekgoden, en vergiet bloed: en zoudt gij het land erfelijk bezitten?

26 Gij staat op ulieder zwaard, gij doet gruwel en verontreinigt een ieder de huisvrouw zijns naasten: en znudt gij het land erfelijk bezitten?

27 Alzóó zult gij tot hen zeggen : De Heere Heere zegt alzóó: Zoo luaarachtig als ik leve, indien niet die in die woeste plaatsen zijn door het zwaard zullen willen, en zoo ik niet dien die in het open veld is het wild gedierte over-geve dat het hem verslinde, en die in de vestingen en in de spelonken zijn door do pestilentie zullen sterven!

28 Want ik zal het land ^ eene verwoesting en eenen schrik stellen , en de hoovaardij zijner sterkte zal ophouden, en de bergen Israels zullen woest zijn dat er niemand overgaat:

29 dan zullen zij weten dat ik de Heere ben, als ik het land tot eene verwoesting en eenen schrik zal gesteld hebben, om alle hunne gruwelen die zij gedaan hebben.

30 En gij , o menschenkind, de kinderen üws volks die spreken steeds van u bij de wanden en in de deuren der huizen, en de één spreekt met den ander, een iegelijk met zijnen broeder , zeggende: Komt toch en hoort wat het woord zij dat van den Heere voortkomt;

\'31 en zij komen tot u gelijk het volk pleegt te komen, en zitten voor uw aangezicht als mijn volk, en hooren uwe woorden, maar zij doen ze niet; want zij maken liefkozingen met hunnen mond, maar hun hart wandelt hunne gierigheid na.

32 En zie, gij zijt hun als een lied der minne, als een die schoon van stem is of die wel speelt: daarom hooren zij uwe woorden , maar zij doen ze niet.


-ocr page 955-

EZEGHIËL 34.

933

33 Maar als dat komt, (zie, het zal komen), dan zullen zij weten dat er een Profeet in \'tmidden van hen geweest is.

HOOFDSTUK 34.

En des Heer en Woord geschiedde tot mij, zeggende :

2 Menschenkind, profeteer tegen de herders Israels, profeteer en zeg lot hen , tot de herders : Alzóó zegt de Heere Heere: Wee den herderen Israels die zichzelven weiden! Zullen niet de herders de schapen weiden ?

3 Gij eet het vette en bekleedt u met de wol, gij slacht het ge-aneste, maar de schapen weidt gij niet;

4 de zwakken sterkt gij niet, en het kranke heelt gij niet, en het gebrokene verbindt gij niet, en het weggedrevene brengt gij niet weder , en het verlorene zoekt gij niet; maar gij heerscht over hén met strengheid en met hardheid.

5 Alzoo zijn ze verstrooid, omdat er geen herder is; en zij zijn al het wild gedierte des velds tot spijze geworden, dewijl ze verstrooid waren.

6 Mijne schapen dolen op alle bergen en op allen hoogen heuvel, ja, mijne schapen zijn verstrooid op den ganschen aardbodem, en daar is niemand die er naar vraagt en niemand die ze zoekt.

7 Daarom gij herders, hoort des Heeren Woord:

8 Zoo luaarachtig als ik leve, spreekt de Heere Heere , zoo ik niet! Omdat mijne schapen geworden zijn tot eenen roof, en mijne schapen al het wild gedierte des velds tot spijze geworden zijn, omdat er geen herder is en mijne herders naar mijne schapen niet vragen, en de herders weiden zichzelven maar mijne schapen niet weiden:

9 daarom gij herders, hoort des Heeren Woord,

10 alzóó zegt de Heere Heere : Zie, ik wil aan de herders, en zal mijne schapen van hunne hand eischen , en zal ze van het weiden der schapen doen ophouden, zoodat de herders zichzelven niet meer zullen weiden; en ik zal mijne schapen uit hunnen mond rukken, zoodat ze hun niet meer tot spijze zullen zijn.

11 Want zóó zegt de Heere Heere: Zie, ik. ja ik zal naar mijne schapen vragen en zal ze opzoeken;

12 gelijk een herder zijne kudde opzoekt, ten dage als hij in het midden zijner verspreide schapen is, alzóó zal ik mijne schapen opzoeken, en ik zal ze redden uit alle de plaatsen waarhenen zij verstrooid zijn ten dage der wolkè en der donkerheid;

13 en ik zal ze uitvoeren van de volken en zal ze vergaderen uit de landen, er» brengen ze in hun land, en ik zal ze weiden op de bergen Israels, bij de stroomen en in alle bewoonbare plaatsen des lands;

14 op eene goede weide zal ik ze weiden , en op de hooge bergen Israels zal hunne kooi zijn ; aldaar zullen zij nederliggen in eene goede kooi, en zullen weiden in eene vette weide, op de borgen Israels.

15 Ik zal mijne schapenweiden, en ik zal ze legeren, spreekt \'Ie Heere Heere;

1(5 het verlorene zal ik zoeken, en het weggedrevene zal ik we-derbrengen , en het gebrokene zal ik verbinden , en het kranke zal ik sterken; maar het vette en het sterke zal ik verdelgen, ik zal ze weiden met oordeel.

17 Want gij, o mijne schapen, de Heere Heere zegt alzóó: Zie, ik zal richten tusschen klein vee en kleinvee, tusschen de rammen en de bokken.

18 Is het u te weinig dat gij de goede weide afweidt, zult gij nog het overige uwer weiden met uwe voeten vertreden? En zult gij de bezonken wateren drinken, en de overgelatene met uwe voeten vermodderen ?

19 Mijne schapen dan, zullen zij afweiden wat met uwe voeten vertreden is, on drinken wat met uwe voeten vermodderd is?

20 Daarom zegt de Heere Heere


-ocr page 956-

E Z E G H

IËL 35.

alzóó tot hen: Zie, ik, ja ik zal richten tusschen het vette klein vee en tusschen het magere klein vee.

21 Omdat gij alle de zwakken met de zijde en met den schouder verdringt, en met uwe hoornen stoot, totdat gij dezelve naar buiten toe verstrooid hebt,

22 daarom zal ik mijne schapen verlossen, dat ze niet meer tot eenen roof zullen zijn; en ik zal richten tusschen klein vee en klein vee.

23 En ik zal eenen éénigen Herder over hen verwekken, en hij zal ze weiden , namelijk mijn knecht David; die zal ze weiden en die zal hun tot eenen Herder zijn;

24 en ik de Heere zal hun tot eenen God zijn , en mijn knecht David zal Vorst zijn in het midden van hen: ik de Heere heb het gesproken.

25 En ik zal een verbond des vredes met hen maken, en zal het boos gedierte uit het land doen ophouden; en zij zullen zéker wonen in de woestijn en slapen in de wouden.

26 Want ik zal dezelve, en de plaatsen rondom mijnen heuvel, stellen tot een zegen; en ik zal den plasregen doen nederdalen in zijnen tijd, plasregens van zegen zullen er zijn.

27 En het geboomte des velds zal zijne vrucht geven, en het land zal zijne inkomst geven, en zij zullen zéker zijn in hun land, en zullen weten dat ik de Heere ben , als ik de disselboomen huns juks zal hebben verbroken, en hen gerukt uit de hand dergenen die zich van hen deden dienen.

28 En zij zullen den heidenen niet meer ten roove zijn, en het wild gedierte der aarde zal ze niet meer verslinden; maar zij zullen zéker wonen , en daar zal niemand zijn die ze verschrikt.

29 En ik zal hun eene plant van naam verwekken: en zij zullen niet meer weggeraapt worden door honger in het land, en den smaad der heidenen niet meer dragen;

30 maar zij zullen weten dat ik, de Heere hun God, met hen ben en dat zij mijn volk zijn, het huis Israels, spreekt de Heere Heere.

31 Gij nu, o mijne schapen, schapen mijner weide, gij zijt menschen, maar ik ben uw God, spreekt de Heere Heere.

HOOFDSTUK 35.

Wijders geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende:

2 Menschenkind, zet uw aangezicht tegen het gebergte Seïr en profeteer tegen hetzelve,

3 en zeg tot hetzelve: Alzóó zegt de Heere Heere: Zie, ik tuil aan u, o gebergte Seïr, en ik zal mijne hand tegen u uitstrekken en zal u stellen tot eene verwoesting en eenen schrik;

4 ik zal uwe steden stellen tot eenzaamheid, en gij zult eene verwoesting worden, én zult welen dat ik de Heere ben.

5 Omdat gij eene eeuwige vijandschap hebt, en hebt de kinderen Israels deen wegvloeien door het geweld des zwaards, ten tijde huns verderfs, ten tijde der uiterste ongerechtigheid,

G daarom zoo waarachtig als ik leve spreekt de Heere Heere , ik zal ii voorzeker ten bloede bereiden en het bloed zal u vervolgen; alzoo gij het bloed niet hebt gehaat, zal u het bloed ook vervolgen.

7 En ik zal hst gebergte Seïr tot de uiterste verwoestingstellen, en ik zal uit hetzelve uitroeien dien die er doorgaat en dien die wederkeert;

8 en ik zal zijne bergen met zijne verslagenen vervullen: uwe heuvelen en uwe dalen en alle uwe stroomen, in dezelve zullen de verslagenen van het zwaard liggen;

0 tot eeuwige verwoestingen zal ik u stellen, en uwe steden zullen niet bewoond worden: alzoo zult gij weten dat ik de Heere ben.

10 Omdat gij zegt: Die twee volken en die twee landen zullen mij geworden, en wij zullen ze erfelijk bezitten, al schoon de Heere daar ware:

11 daarom zoo waarachtig als ik leve spreekt de Heere Heere,


-ocr page 957-

I E Z E G 11

lis ik zal. ook handelen naar uwen e. toorn en naar uwe nijdigheid, die ^ \' gij uit uwen haat tegen hen hebt ijt te werk gesteld; en ik zal bij hen 1 bekend worden, wanneer ik u zal \' gericht hebben.

12 En gij zult weten dat ik, de Heere, alle uwe lasteringen ge-

;N hoord heb, die gij tegen de bergen jlsraëls gesproken hebt, zeggende: Zij zijn verwoest, zij zijn ons ter rn spijze gegeven.

13 Alzoo hebt gij u met uwen „3 mond tegen mij groot gemaakt en lc uwe woorden tegen mij vermenig-lc vuldigd; ik heb het gehoord.

n 14 Alzóó zegt de Heere Heere: 3. Gelijk het gansche land verblijd is, alzoo zal ik u de verwoesting aandoen.

e 15 Gelijk gij u verblijd hebt over q de erfenis des huizes Israels, omdat ze verwoest is, alzóó zal ik aan u doen : het gebergte Seïr en gansch Edom zal geheel eene ver-v woesting worden, en zij zullen 3 weten dat ik de Heere ben.

HOOFDSTUK 36.

^ En gij, menschenkind, profeteer ! tot de bergen Israels en zeg: Gij . ; bergen Israels, hoort des Heeren \' I Woord;

2 alzóó zegt de Heere Heere : . ■ Omdat de vijand van u zegt: Ha! zelfs de eeuwige hoogten zijn ons ; ton erve geworden :

tj daarom profeteer en zeg: Zóó ■ zegt do Heere Heere : Daarom ; omdat men u van rondom ver-; woest en opgeslokt heeft, opdat gij voor het overblijfsel derheide-i nen ten erve zoudt zijn, en gij gebracht zijt op de klapachtige lip ^ en in opspraak des volks: 1 4 daarom gij bergen Israels,

i hoort het Woord des Heeren hoort het Woord des Heeren Heeren ; zóó zegt do Heere Heere tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stroomen en tot de dalen , tot de verwoeste eenzame plaatsen en tot de verlaten steden, die tot eenen roof en tot eenen spot geworden zijn voor het overblijfsel der heidenen die rondom zijn:

5 daarom zóó zegt de Heere Heere: Zoo ik niet in het vuur

IËL 36. 935

mijns ijvers gesproken heb tegen het overblijfsel der heidenen en tegen het gansche Edom, die mijn land zichzelven ten erve gegeven hebben , met blijdschap des gan-schen harten, mét begeerige plundering, opdat de landerijen daarvan ten roof zouden zijn !

6 Daarom profeteer van het land Israels, en zeg tot de bergen en tot de heuvelen, tot de stroomen en tot de dalen: Zóó zegt de Heere Heere: Zie, ik heb in mijnen ijver en in mijne grimmigheid gesproken , omdat gij den smaad der heidenen gedragen hebt :

7 daarom zóó zegt de Heere Heere : Ik heb mijne hand opgeheven: zoo niet de heidenen die rondom u zijn, zeiven hunne schande zullen dragen!

8 Maar gij, o bergen Israels, gij zult weder mvc takken geven en uwe vrucht voor mijn volk Israël dragen, want zij zullen weldra komen.

9 Want zie, ik ben bij u en ik zal u aanzien, en gij zult gebouwd en bezaaid worden;

lü en ik zal menschen op u vermenigvuldigen , het gansche huis Israëls, ja, dat geheel; en do steden zullen bewoond en de eenzame plaatsen bebouwd worden.

11 Ja, ik zal menschen en beesten op u vermenigvuldigen, en zij zullen vermenigvuldigd worden en vruchtbaar zijn ; en ik zal u doen bewonen als \'in uwo vorige tijden, ja, ik zal het beter maken dan in uwe beginselen , en gij zult weten dat ik cle Heere ben.

12 En ik zal menschen op u doen wandelen, namelijk mijn volk Israël; die zullen li erfelijk bezitten, en gij zult hun ter erfenis zijn, en gij zult ze voortaan niet meer berooven.

13 Zóó zegt de Heere Heere : Omdat zij tot u zeggen: Gij zijt ccn land \'dat menschen opeet, èn gij zijt een land dat uwe volken berooft:

14 daarom zult gij niet meer menschen opeten , en uwe volken niet meer doen struikelen, spreekt de Heere Heere,

15 en ik zal maken dat men


-ocr page 958-

E ZE CHI EL 36.

936

den schimp der heidenen niet meer over u hoore, en gij zult den smaad der natiën niet meer dragen, en gij zult uwe volken niet meer dóen struikelen, spreekt de Heere Heere.

16 Wijders geschiedde des Hee-ren Woord tot mij, zeggende:

17 Menschenkind, het huis Israels, als zij in hun land woonden, toen verontreinigden zij hetzelve met hunnen weg en met hunne handelingen, hun weg was voor mijn aangezicht als de onreinheid eener afgezonderde vrouw.

18 Daarom goot ik mijne grimmigheid over hen uit, om des bloeds wille dat zij in het land vergoten hadden, en om hunne drekgoden waarmede zij dat verontreinigd hadden;

19 en ik verstrooide zo onder de heidenen en zij werden verspreid in de landen: ik oordeelde ze naar hunnen weg en naar hunne handelingen.

20 Als zij nu tot de heidenen kwamen waarhenen zij getogen waren, ontheiligden zij mijnen heiligen naam, omdat men van hen zeide: Dezen zijn het volk des Heeren en zijn uit zijn land uitgegaan. , ,

21 Maar ik verschoonde hen om mijnen heiligen naam, dien het huis Israels ontheiligde onder de heidenen waarhenen zij gekomen waren.

22 Daarom zeg tot het huis Ts-raëls: Zóó zegt de Heere Heere: Ik doe het niet om uwentwil. gij huis Israels, maar om mijnen heiligen naam, dien gijlieden ontheiligd hebt onder de heidenen waarhenen gij gekomen zijt.

23 Want ik zal mijnen grooten naam heiligen, die onder de heidenen ontheiligd is, dien gij in het midden van hen ontheiligd hebt; en de heidenen zullen welen dat ik de Heere ben, spreekt de Heere Heere , als ik aan u voor hunne oogen zal geheiligd zijn.

24 Want ik zal u uit de heidenen halen en zal u uit alle de landen vergaderen, en ik zal u in uw land brengen.

25 Dan zal ik rein wuter op u sprengen en gij zult rein worden, van alle uwe onreinheden en van alle uwe drekgoden zal ik u reinigen.

26 En ik zal u een nieuw harte geven, en zal een nieuwen geest geven in het binnenste van u; en ik zal het steenen harte uit uw vleesch wegnemen , en zal u | een vïeeschen harte geven.

27 En ik zal mijnen Geest geven I in het binnenste van u, en ik zal maken dat gij in mijne inzettin- j gen zult wandelen en mijne rechten zult bewaren en doen.

28 En gij zult wonen in het land [ dat ik uwen vaderen gegeven heb, en gij zult mij tot een volk zijn { en ik zal u tot eenen God zijn.

29 En ik zal u verlossen van alle uwe onreinheden; en ik zal roepen tot hel. koren en zal dat vermenigvuldigen, en ik zalgeenen honger op u leggen;

30 en ik zal de vrucht van het geboomte en de opbrengst des velds vermenigvuldigen, opdat gij de smaadheid des hongers niet meer ontvangt onder de heidenen.

31 Dan zult gij gedenken aan uwe booze wegeii en uwe handelingen die niet goed waren, en -gij zult eene walging van uzelven hebben over uwe ongerechtigheden en over uwe gruwelen.

32 Ik doe het niet om uwent- i wille , spreekt de Heere Heere , j het zij u bekend. Schaamt u en wordt schaamrood van uwe wegen, : gij huis Israels.

33 Alzóó zeg;t de Heere Heere : \' Ten dage als ik u reinigen zal van alle uwe ongerechtigheden, dan zal ik de steden doen bewonen en de eenzame plaatsen zullen be- ; bouwd worden;

34 en het verwoeste land zal » bebouwd worden, in plaats dat | het eene verwoesting was voor de | oogen van een ieder die er door- | ging;

35 en zij zullen zeggen: Dit land dat verwoest was, is geworden • als een hof van Eden, en de een- • zame en de verwoeste en ver- ^ stoorde stede:.! zijn vast en be- | woond.

36 Dan zullen de heidenen die E

1


-ocr page 959-

IËL 37.

937

EZEGH

in de plaatsen rondom u zullen 1 overgelnten zijn, weten dat ik, | de Heere , dé verstoorde plaatsen bebouw en het verwoeste beplant : ik de Heere heb het gesproken en zal het doen.

37 Alzóó zegt de lleere Heere : Daarenboven zal ik hierom van het huis Israels verzocht worden, dat ik het hun doe: ik zal ze vermenigvuldigen van menschen als schapen ;

38 gelijk de geheiligde schapen, gelijk de schapen van Jeruzalem op hunne gezette hoogtijden, alzóó zullen de eenzame sleden vol zijn van menschenkudden . en zij zullen weten dat ik de Heere ben.

HOOFDSTUK 37.

De hand des he f. ren was op mij, en de Heere voerde mij uit in den geest, en zette mij neder in het midden eener vallei: deze nu was vol beenderen;

2 en hij deed mij bij dezelve voorbijgaan geheel rondom, en zie, daar waren er zeer vele op den grond der vallei, en zie, zij waren zeer dor.

3 En hij zeide tot mij: Men-schenkind, zullen deze beenderen levend worden ? En ik zeide: Heere Heere , gij weet het.

4 Toen zeide liij tot mij : Profeteer over deze beenderen en zeg tot dezelve: Gij dorre beenderen, hoort des Heeren woord;

5 alzóó zegt de Heere Heere tot deze beenderen: Zie, ik zal den geest in u brengen en gij zult levend worden;

G en ik zal zenuwen op u leggen, en vleesch op u doen opkomen, en eene huid over u trekken, en den geest in u geven, en gij zult levend worden; en gij zult weten dat ik de Heere ben.

7 Toen profeteerde ik gelijk mij bevolen was, en daar werd een geluid als ik profeteerde, en zie, eene beroering; en de beenderen naderden tot elkander, elk been tot zijn been,

8 en ik zag, en zie, daar werden zenuwen op dezelve, en daar kwam vleesch op, en hij trok eene huid boven over dezelve, maar daar was geen ^eest in hen.

9 En hij zeide tot mij : Profeteer tot den geest, profeteer nien-schenkind, en zeg lot den geest : Zóó zegt de Heere Heere: Gij geest, kom lidn van de vier winden en blaas in deze gedooden, opdat zij levend worden.

10 En ik profeteerde gelijk als hij mij bevolen had. Toen kwam de geest in hen, en zij werden levend en stonden op hunne voeten, een gansch zeer groot heir.

I I Toen zeide hij tot mij : Men-schenkind. deze beenderen die zijn het gansche huis Israël*; zie, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze verwachting is verloren , wij zijn afgesneden.

12 Daarom profeteer en zeg tot hen: Zóó zegt de lleere Heere: Zie, ik zal uwe graven openen en zal ulieden uit uwe graven doen opkomen , o mijn volk , en ik zal u brengen in het land Israels;

13 en gij zult weten dat ik de Heere ben, als ik uwe graven zal hebben geopend eu als ik u uit uwe graven zal hebben doen opkomen, o mijn volk;

14 en ik zal mijnen geest in u geveo en gij zult leven, en ik /.al u in uw land zetten ; en gij zult weten dat ik de Heere dit ger sproken en gedaan heb, spreekt de Heere.

15 Wijders geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende:

16 Gij nu menschenkind, neem u een hout en schrijf daarop: Voor Juda, en voor de kinderen Israëls, zijne metgezellen; en neem een ander hout en schrijf daarop: Voor Jozef, het hout van Efraïm, en van het gansche huis Israëls, zijne metgezellen.

17 Doe gij ze dan naderen het één tot het ander, tot een éénig hout; en zij zullen tot één worden in uwe hand.

18 En wanneer de kinderen uws volks tot u zullen spreken , zeggende: Zult gij ons niette kennen geven wat u deze dingen zijn?

19 zoo spreek tot hen: Alzóó zegt de Heere Heere: Zie, il;


-ocr page 960-

EZEGHIËL 38.

938

zal het hout van Jozef, dat in Efraïms hand geweest is, en van de stammen Israëls , zijne metgezellen , nemen, en ik zal dezelve met hem voegen tot het hout van Juda, en zal ze maken tot een éénig hout, en zij zullen één worden in mijne hand.

20 De houten nu op dewelke gij zult geschreven hebben. zullen in uwe hand zijn voor hunliederoogen.

21 Spreek dan tot hen: Zóó zegt de Heere Heeue: Zie, ik zal de kinderen Israëls halen uit het midden der heidenen waarhenen zij getogen zijn, en zal ze vergaderen van rondom, en brengen ze in hun land;

22 en ik zal ze maken tot een éénig volk in het land op de bergen Israëls, en zij zullen allen te zamen eenen ééiiigen Koning tot Koning hebben, en zij zullen niet meer tot twee volken zijn noch voortaan meer in twee quot;koninkrijken verdeeld zijn;

23 en zij zullen zich niet meer verontreinigen met hunne drekgoden en met hunne verfoeiselen en met alle hunne overtredingen, en ik zal ze verlossen uit allo hunns woonplaatsen in dewelke zij gezondigd hebben, en zal ze reinigen; zoo zullen zij mij tot een volk zijn en ik zal hun tot eenen God zijn.

24 En mijn knecht David zal Koning over hen zijn, en zij zullen allen te zamen éénen Herder hebben; en zij zullen in mijne rechten wandelen, en mijne inzettingen bewaren en die doen.

25 En zij zullen wonen in het land dat ik mijnen knecht Jakob gegeven heb, waarin uwe vaders gewoond hebben; ja , daarin zullen zij wonen, zij en hunne kinderen en hunne kindskinderen tot in eeuwigheid, en mijn knecht David zal hunlieder Vorst zijn tot in eeuwigheid.

28 En ik zal een verbond des vredes met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en ik zal ze inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en ik zal mijn heiligdom in het midden van hen zetten tot in eeuwigheid;

27 en mijn Tabernakel zal bij hen zijn, en ik zal hun tot eenen God zijn en zij zullen mij tot een volk zijn:

28 en de heidenen zullen weten dat ik de Heere ben, die Israël. heilige, als mijn heiligdom in het midden van hen zal zijn tot in eeuwigheid.

HOOFDSTUK 38.

Wijders geschiedde des Heeren Woord tot mij, zeggende:

2 Menschenkind, zet uw aange- : zicht legen Gog, het land van | Magog, den Hoofdvorst van Me-sech en Tubal, en profeteer tegen •; hem,

Sen zeg: Zóó zegt de Heere Heere: Zie , ik wil aan u, o Gog, gij Hoofdvorst van Mesech en Tubal;

4 en ik zal u omwenden, en haken in uwe kaken leggen, en ik zal uuitvoeren, mitsgaders uw gansche heir, paarden en ruiteren die altemaal volkomen wol gekleed zijn, eene groote menigte met rondas en schild, die altemaal I zwaarden handelen;

5 Perzen, Mooren en Pu teers r: met hen , die altemaal schild en helm voeren;

G Gomer en alle zijne benden, het huis van Togarma aan cle zijden van het Noorden, en alle zijne benden; vele volken met u.

7 Wees bereid en maak u gereed, gij en uwe gansche vergadering die tot u vergaderd zijn en wees gij hun tot eene wacht.

8 Na vele dagen zult gij bezocht worden, in het laatste der jaren zult gij komen in het land dat wedergebracht is van het zwaard, dat vergaderd is uit vele volken, op de bergen Israëls, die steeds tot verwoesting geweest zijn: als dat land uit de volken zal uitgevoerd zijn , en zij altemaal zéker zullen wonen,

9 dan zult gij optrekken, gij zult aankomen f.lseene onstuimige verwoesting , gij zult zijn als eene wolk om het land te bedekken, gij en alle uwe benden, en vele wolken met u.

10 Alzóó zegt de Heere Heere:


-ocr page 961-

E Z E G HI lü L 39.

039

Te dien dage zal het ook geschieden dat er raadslagen in uw hart zullen opkomen, en gij zult eene kwade gedachte denken,

11 en zult zeggen: Ik zal optrekken naar dat dorpland, ik zal komen tot degenen die in ruste zijn , die zéker wonen , die alte-niaal wonen zondei\' muur, en geenen grendel noch deuren hebben ;

12 om buit te buiten en om roof te rooven, om uwe hand te wenden tegen de woeste plaatsen die nu bewoond zijn, eu tegen een volk dat uit de heidenen verzameld is, dat vee en have verkregen heeft, wonende in het midden des lands.

13 Scheba en Dedan en de kooplieden van Tarsis, en alle hare jonge leeuwen zullen tot u zeggen : Komt gij om buit te buiten? hebt gij uwe vergadering vergaderd om roof te rooven, om zilver en goud weg te voeren, om vee en have weg te nemen, om een grooten buit te buiten?

14 Daarom profeteer, o men-schenkind, en zeg tot Gog: Zóó zegt de Heere Heere : Zult gij het te dien dage, als mijn volk Israël zéker woont, niet gewaar worden?

15 Gij zult dan komen uit uwe plaats, uit de zijden van het Noorden, gij en vele volken met u, die altemaal op paarden zullen rijden, eene groote vergadering en een machtig heir;

1G en gij zult optrekken tegen mijn volk Israël als eene wolk, om het land te bedekken: in het laatste der dagen zal het geschieden, dan zal ik uaanvoeren tegen mijn land, opdat de heidenen mij kennen , als ik aan u , o Gog , voor hunne oogen zal geheiligd worden.

17 Zóó zegt de Heere Heere: Zijt gij die t\'cm\'welken ik in vroeger dagen gesproken heb , door den dienst Van mijne knechten de Profeten Israëls, die in die dagen geprofeteerd hebben , jaren lang, dat ik u tegen hen zoude aanvoeren ?

18 Maar het zal geschieden te dien dage , ten dage als Gog tegen het land Israels zal aankomen, spreekt de Heere Heere, dat mijne grimmigheid in mijnen neus zal opkomen.

19 Want ik heb gesproken in mijnen ijver, in het vuur mijner verbolgenheid: Zoo er niet te dien dage een groot beven zal zijn in het land Israëls,

20 zoodat voor mijn aangezicht beven zullen de visschen der zee , en het gevogelte des hemels, en het gedierte des velds, en al het kruipend gedierte dat op het aardrijk kruipt, en alle menschen die op den aardbodem zijn; en de bergen zullen nedergeworpen worden , en de steile plaatsen zullen nedervallen , en alle muren zullen ter aarde nedervallen;

21 want ik zal het zwaard over hem roepen op alle mijne bergen, spreekt de Heere Heere: het zwaard van een ieder zal tegen zijnen broeder zijn.

22 En ik zal met hem richten door pestilentie en doorbloed, en ik zal eenen overstelpenden plasregen en groote hagelsteenen, vuur en zwavel regenen op hem en op zijne henden en op de vele volken die met hem zullen zijn:

23 alzoo zal ik mij groot maken en mij heiligen en bekend worden voor de oogen veler heidenen, en zij zullen weten dat ik de Heere ben.

HOOFDSTUK 39.

Voorts gij menschenkind, profeteer tegen Gog en zeg: Zóó zegt de Heere Heere: Zie, ik tuil aan u , o Gog , Hoofdvorst van Mesech en Tubal;

2 en ik zal u omwenden, en eenen zeshaak in u slaan, en u optrekken uit de zijden van het Noorden, en ik zal u brengen op de bergen Israëls.

3 Maar ik zal uwen boog uit uwe linkerhand slaan, en ik zal uwe pijlen uit uwe rechterhand doen vallen.

4 Op de bergen Israëls zult gij vallen, gij en alle uwe benden en de volken die met u zijn; ik heb u den roofvogelen, den gevogelte van allen vleügel en den gedierte des velds tot spijs gegeven.

5 Op het open veld zult gij vallen;


-ocr page 962-

I Ë L 39.

EZECH

940

want ik heb het gesproken, spreekt de Heere Heehe.

G En ik zal een vuur zenden in Magog en onder degenen die in de eilanden zéker wonen, en zij zullen weten dat ik de Heere ben.

7 En ik zal mijnen heiligen naam in het midden mijns volks Israels bekend maken, en zal mij.en heiligen naam niet meer laten ontheiligen ; en de heidenen zullen weten dat ik de Heere ben, de Heilige in Israël.

8 Zie, het komt en zal geschieden , spreekt de Heere Heere : dit is de dag van welken ik gesproken heb.

9 En de inwoners der steden Israels zullen uitgaan, en vuur stoken en branden van de wapenen , zoo van schilden als rondassen, van bogen en van pijlen, zoo van handstokken als van spiesen; en zij zullen daarvan vuur stoken zeven jaren,

10 zoodat zij geen hout uit het veld zullen dragen noch uit de wouden houwen, maar van de wapenen vuur stoken; en zij zullen berooven degenen die hen beroofd hadden, en plunderen die hen geplunderd hadden, spreekt de Heere Heere.

11 En het zal te dien dage geschieden dat ik Gog aldaar eene grafstede in Israël zal geven, het dal der doorgangers naar het oosten der zee; en dat zal den doorgangers den neus stoppen; en aldaar zullen zij begraven Gog en zijne gansche menigte, en zullen het noemen: Het dal van Gogs menigte.

12 Het huis Israels nu zal ze begraven om het land te reinigen, zeven maanden lang;

13 ja, al het volk des lands zal begraven, en het zal hun toteenen naam zijn ten dage als ik zal verheerlijkt zijn, spreekt de Heere Heere.

14 Ook zullen zij mannen afzonderen die gestadig door het land doorgaan, en doodgravers met de doorgangers, om te begraven degenen die op den aardbodem zijn overgelaten, om dien te reinigen: ten einde van zeven maanden zullen zij onderzoek doen ,

15 t n deze doorgangers zullen door het land doorgaan, en als iemand een menschenbeen ziet, zoo zal hij een merkteeken daarbij oprichten , totdat de doodgravers hetzelve zullen hebben begraven in het dal van Gogs menigte.

16 Ook zoo zal de naam der stad Hamona zijn. Alzoo zullen zij het land reinigen.

17 Gij dan, menschenkind, zóó zegt de Heere Heere: Zeg tot het gevogelte van allen vleugel en tot al het gedierte des velds: Vergadert u en komt aan, verzamelt u van rondom tot mijn slachtoffer dat ik voor u geslacht heb, een groot slachtoffer op de bergen Israëls, en eet, vleesch en drinkt bloed,

18 het vleesch der helden zult gij eten, en het bloed van de Vorsten der aarde drinken , der rammen, der lammeren en bokken , en varren, die altemaal gemeste van Basan zijn ;

19 en gij zulquot;; het vette eten tot verzadiging toe, en bloed drinken tot dronkenschap toe, van mijn slachtoffer dat ik voor u geslacht heb;

20 en gij zult verzadigd worden aan mijne tafel van rypaarden en wagenpaarvim, van helden en alle krijgslieden, spreekt de Heere Heere.

21 En ik zal mijne eere zetten onder de heidenen; en .alleheidenen zullen mijn oordeel zien dat ik gedaan heb, en mijne hand die ik aan hen gelegd heb;

22 en die van het huis Israëls zullen weten dat ik de Heere hunlieder God ben, van dien dag af en voortaan.

23 En de heidenen zullen weten, dat die van het huis Israëls gevankelijk zijn weggevoerd om hunne ongerechtigheid, omdat zij tegen mij hadden overtreden, en dat ik mijn aangezicht voor hen verborgen heb, en heb ze overgegeven in de hand hunner wederpartij ders, zoodat zij altemaal door het zwar.rd gevallen zijn:

24 naar hunne onreinheid en


-ocr page 963-

IËL 40.

941

EZECH

naar hunne overtredingen heb ik met hen gehandeld, en ik heb mijn aangezicht voor hen verborgen.

25 Daarom zóó zegt de Heere Heere : Nu zal ik Jakobs gevangenen wederbrengen, en zal mij ontfermen over het gansche huis Israels, en ik zal ijveren over mijnen heiligen naam;

26 als zij hunne schande zullen gedragen hebben , en alle hunne overtreding met dewelke zij tegen mij hebben overtreden , toen zij in hun land zéker woonden , en er niemand was die ze verschrikte.

27 Als ik ze zal hebben weder-gebracht uit de volken , en hen vergaderd zal hebben uit de landen hunner vijanden, en ik aan hen geheiligd zal zijn voor de oogen van vele heidenen,

28 dan zullen zij weten dat ik de Heere hunlieder God ben, dewijl ik zo gevankelijk heb doen wegvoeren onder de heidenen, maar heb ze weder verzameld in hun land, en heb aldaar niemand van hen meer overgelaten ;

29 en ik zal mijn aangezicht voor hen niet meer verbergen, wanneer ik mijnen Geest over het huis Israels zal hebben uitgegoten, spreekt de Heere Heere.

HOOFDSTUK 40.

In het vijfentwintigste jaar onzer gevankelijke wegvoering, in het ioegin des jaars op den tiende der maand, in het veertiende jaar nadat de stad geslagen was, op d\'ien zelfden dag, was de hand des Heeren op mij, en hij bracht mij derwaarts;

2 in de gezichten Gods bracht hij mij in het land Israels, en hij zette mij op eenen zeer hoogen berg, en aan denzelven was als een gebouw eener stad tegen het Zuiden.

3 Als hij mij daarhenen gebracht had, zie, zoo was er een man wiens gedaante was als de., gedaante van koper, en in zijne hand was een linnen snoer en een meetriet; en hij stond in de poort.

4 En die man sprak tot mij: Menschenkind, zie met uwe oogen en hoor met uwe ooren, en zet uw harte op alles wat ik u zal doen zien; want opdat ik u zoude doen zien, zijt gij herwaarts gebracht : verkondig daarna den huize Israels alles wat gij ziet.

5 En zie, daar was een muur buiten aan het huis rondom henen, en in des mans hand was een meetriet van zes ellen, elke el van eene el en een handbreed, en hij mat de breedte des ge-bouws, één riet, en de. hoogte, één riet.

(i Toen kwam hij tot de poort welke zag den weg naar het Oosten, en hij ging bij derzei ver trappen op, en mat den dorpel der poort, één riet de breedte, en den anderen dorpel, één riet de breedte;

7 en elk kamertje, één riet de lengte en één riet de breedte; en tusschen de kamertjes, vijf ellen; en den dorpel der poort, bij het voorhuis der poort van binnen, één riet.

8 Ook mat hij het voorhuis der poort van binnen, één riet.

9 Toen mat hij het andere voorhuis der poort, acht ellen, en hare posten twee ellen; en het voorhuis der poort was van binnen.

10 En de kamertjes der puort den weg naar het Óósten toe waren drie van deze en drie van gene zijde, die drie hadden éénerlei maat; ook hadden de posten van deze en van gene zijde éénerlei maat.

11 Voorts mat hij de wijdte der deur van de poort, tien ellen; de

i lengte der poort, dertien ellen.

12 En daar was eene ruimte vóóraan de kamertjes, van ééne el van deze, en eene ruimte van ééne el van gene zijde; en elk kamertje zes ellen van deze en zes ellen van gene zijde.

13 Toen mat hij de poort, van het dak van het ééne kamertje af tot aan het dak van een ander, de breedte was vijfentwintig ellen, deur was tegenover deur.

i 14 Ook maakte hij posten van ; zestig ellen, namelijk tot den post ! des voorhofs, rondom de poort j henen;

I 15 en van het voorste deel der


-ocr page 964-

E Z E G HI Ë L 4ö.

042

poort des ingangs , tot aan het voorste deel van het voorhuis der binnenpoort, waren vijftig ellen.

Ui En daar waren gesloten vensters aan de kamertjes, en aan hunne posten binnenwaarts in de poort rondom henen; alzóu ook aan de voorhuizen: de vensters nu waren rondom henen binnenwaarts, en aan de posten waren palm-boomen.

17 Voorts bracht hij mij in het buitenste voorhof, en zie, daar waren kanieren, en een plaveisel dat gemaakt was in het voorhof rondom henen; dertig kameren waren er op het plaveisel.

IS Het \'plaveisel nu was aan de zijde van de poorten , tegenover de lengte van de poorten: dit was het benedenste plaveisel.

19 En hij mat de breedte, van het voorste deel der benedenste poort af, vóóraan het binnenste voorhof, van buiten, honderdellen oostwaarts en noordwaarts.

20 De poort nu aangaande die den weg naar het Noorden zag, aan het buitenste voorhof, hij mat hare lengte en hare breedte;

21 en hare kamertjes, drie van deze en drie van gene zijde, en hare posten en hare voorhuizen waren naar de maat der eerste poort: vijftig ellen hare lengte, en de breedte van vijfentwintig ellen.

22 En hare vensters en hare voorhuizen en hare palmboomen waren naar de maat der poort die den weg naar het Oosten zag; en men ging daarin op met zeven trappen, en hare voorhuizen waren vóóraan dezelve.

23 De poort nu van het binnenste voorhof was tegenover de poort van het Noorden en van het Oosten, en hij mat van poort tot poort honderd ellen.

24 Daarna voerde hij mij den weg naar het Zuiden en zie, daar was eene poort den weg naar het Zuiden; en hij mat hare posten en hare voorhuizen, naar deze maten.

25 En zij had vensteren, ook aan hare voorhuizen, rondom henen, gelijk deze vensteren : de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijfentwintig ellen.

26 En hare opgangen waren van zeven trappen, en hare voorhuizen waren vóóraan dezelve ; en zij had palmboomen, éénen van deze en éénen van gene zijde, aan hare posten.

27 Ook was er eene poort in het binnenste voorhof, den weg naar het Zuiden ; en hij mat Van poort tot poort, naar hét Zuiden, honderd ellen.

28 Voorts bracht hij mij door de zuiderpoort tot het binnenvoor-hof, en hij mat de zuiderpoort naar deze maten ;

29 en hare kamertjes en hare posten en hare voorhuizen waren naar deze malen; en zij had vensteren , ook in hare voorhuizen, rondom henen: de lengte was vijftig ellen en de breedte vijfentwintig ellen.

30 En daar waren voorhuizen rondom henen: de lengte was vijfentwintig ellen en de breedte vijf ellen.

31 En hare voorhuizen waren aan het buitenste voorhof, ook waren er palmboomen aan hare posten , en hare opgangen waren van acht trappen.

3;2 Daarna tracht hij mij tot het binnenste voorhof, oostwaarts, en hij mat de poort naar deze maten ,

33 ook hare kamertjes en hare posten en hare voorhuizen naar deze maten ; en zij had vensteren , ook aan hare voorhuizen, van rondom: de lengte was vijftigellen, en de breedte vijfentwintig ellen.

34 En hare voorhuizen waren aan het buitenste voorhof, ook waren er palmboomen aan hare posten, van deze en van gene zijde;- en hare opgangen waren van acht trappen.

35 Daarna bracht hij mij tot de noorderpoort, en hij mat naaide ze maten

33 hare kamertjes , hare posten en hare voorhuizen; ook had zij vensteren rondom henen: de lengte was vijftig ellen, en de breedte vijfentwintig ellen.

37 En hare posten waren aan


-ocr page 965-

EZECHIËL 41.

943

hev, buitenste voorhof; ook waren er palmboomen aan hare posten, van deze en van gene zijde; en hart opgangen waren van acht trappen.

38 Hare kameren nu en hare deuren waren bij de posten der poorten; aldaar wiesch men het brandoffer.

39 En in het voorhuis der poort waren twee tafelen van deze en twee tafelen van gene zijde , om daarop te slachten het brandolfer en het zondoffer en het schuldoffer.

40 Ook waren er aan do zijde van buiten des opgangs\', aan de deur der noorderpoort, twee tafelen; en aan de andere zijde die aan het voorhuis der poort was, twee tafelen:

41 vier tafelen van deze en vier tafelen van gene zijde, aan de zijde der poort, acht tafelen waarop men slachtte.

42 Maar de vier tafelen voor het brandoffer waren van gehouwen steenen, do lengte ééne el en één halve, en de breedte ééne el en ééne halve, en de hoogte ééne el; op dezelve nu leide men het gereedschap waarmede men het brandoffer en slachtoffer slachtte.

43 De haardsteenen nu waren een handbreed dik, ordelijk geschikt in het huis rondom henen; en op de tafelen was het offer-vleesch.

44 En van buiten de binnenste poort waren de kameren der zangers, in het binnenste voorhof dat aan de zijde van de noorderpoort was; en het voorste deel derzelve was den weg naar het Zuiden: ééne was er aan de zijde van de oostpoort, ziende den weg naar het Noorden.

45 En hij sprak tot mij : Deze kamer, welker voorste deel den weg naar het Zuiden ziet, is voor de Priesteren die de wacht des huizes waarnemen;

46 maar de kamer, welker voorste deel den weg naar het Noorden is, is voor de Priesteren die de wacht des altaars waarnemen: dat zijn de kinderen Zadoks, die uit de kinderen van Levi tot den Heere naderen om hem te dienen.

47 En hij mat het voorhof: de lengte honderd ellen en de breedte honderd ellen, vierkant; en het altaar was vóóraan het Huis.

48 Toen bracht hij mij tot het voorhuis des Huizes, en hij mat eiken post van het voorhuis, vijf ellen van deze en vijf ellen van gene zijde; en de breedte der poort, drie ellen van deze en drie ellen van gene zijde;

49 de lengte van het voorhuis twintig ellen en de breedte elf ellen en het was met trappen, bij dewelke men daarin opging; ook waren er pilaren aan de posten, één van deze en één van gene zijde.

HOOFDSTUK 41.

Voorts bracht hij mij tot den Tempel; en hij mat de posten, zes ellen de breedte van deze en zes ellen de breedte van gene zijde , de breedte der Tente;

2 en de breedte der deur tien ellen, en de zijden der deur, vijf ellen van deze en vijf ellen van gene zijde; ook mat hij de lengte daarvan, veertig ellen eh de breedte twintig ellen.

3 Daarna ging hij in naar binnen en mat den post der deur, twee ellen, en de deur zes ellen, en de breedte der deur zeven ellen.

4 Ook mat hij de lengte daarvan, twintig ellen, en de breedte twintig ellen, vóóraan den Tempel; en hij zeide tot mij: Dit is de heiligheid der heiligheden.

5 En hij mat den wand des Huizes, zes ellen; en de breedte van elke zijkamer, vier ellen, van alle zijden rondom het Huis.

ü De zijkamers nu waren zijkamer boven zijkamer, drie, en dat dertig malen; en zij kwamen, in den wand die aan het Huis was, tot de zijkamers rondom henen, opdat ze vastgehouden mochten worden; want zij werden niet vastgehouden in den wand des Huizes.

7 En het was voor de zijkamers opwaarts naar boven al wijder, en gaf zich rondom; want het Huis was omsingeld opwaarts naar


-ocr page 966-

E Z E G HI E L 42.

944

boven, rondom het Huis henen; daarom was de breedte des Huizes naar boven, en alzoo ging het onderste op naar het bovenste door het middelste.

8 En ik zag de hoogte des Huizes rondom henen. De fundamenten der zijkamers waren van een vol riet, zes ellen, de el tot den oksel toe genomen.

9 De breedte van den wand die tot de zijkamers was naar buiten, was vijf ellen; en wat ledig gelaten was, was de plaats der zijkamers die aan het Huis waren.

10 En tusschen de kameren was , eene breedte van twintig ellen ,

van alle zijden rondom het Huis.

11 De deuren nu van de zijkamers waren naar het ledig ge-latene toe, de ééne deur den weg naar het Noorden en de andere deur naar het Zuiden; en de breedte van dc ledig gelatcne plaats was vijf ellen rondom henen.

12 Voorts van het gebouw, dat vóóraan de afgesneden plaats was in den hoek naar den weg van het Westen was de breedte zeventig ellen, en van den wand des gebouws was de breedte vijf ellen rondom henen, en de lengte daarvan negentig ellen.

13 Voorts mat hij het Huis, de lengte honderd ellen; ook de afgesneden plaats en het gebouw, en de wanden daarvan, de lengte honderd ellen.

14 En de breedte van het voorste deel des Huizes en der afgesneden plaats tegen het Oosten, honderd ellen.

15 Ook mat hij de lengte des gebouws vóóraan de afgesneden plaats, dat achter dezelve was, en derzelver galerijen van deze en van gene zijde, quot;honderd ellen; met den binnensten Tempel en de voorhuizen des voorhofs.

10 De dorpelen, en de gesloten vensters, en de galerijen rondom die drie tegenover den dorpel, waren beschoten met hout rondom henen; en van de aarde tot aan de vensteren; en de vensteren waren bedekt;

17 tot hetgeen boven de deur was, en tot net binnenste en buitenste huis toe, en aan den gan-schen wand rondom henen, in het binnenste en buitenste, alles bij maten.

18 En het was gemaakt met\\ cherubs en palmboomen; zoodat 1 er een palmboom was tusschen cherub en cherub , en elke cherub j had twee aangezichten:

19 namelijk een menschen-aan-gezicht tegen den palmboom van deze, en eens jongen leeuws aangezicht tegen den palmboom van gene zijde, gemaakt in het gan-sche Huis rondom henen.

20 Van de aarde af tot boven de deur waren de cherubs en de palmboomen gemaakt, ook aan den wand des Tempels.

21 De posten des Tempels waren vierkant; en aangaande het voorste deel des heiligdoras, de ééne gedaante was als de andere gedaante.

•22 De hoogte des houten altaars was drie ellen, en zijne lengte twee ellen , en het had zijne hoeken; en zijne lengte en zijne wanden waren van hout. En hij sprak tot mij: Dit is de tafel die voor des Heeren aangezicht zal zijn.

23 De Tempel nu en het heiligdom hadden beide twee deuren.

24 En daar waren twee bladen aan de deuren, te weien twee bladen die men omdraaien konde; twee aan de ééne deur, en twee bladen aan de andere.

25 En aan dezelve, «ameit/fc aan de deuren des Tempels waren cherubs en palmboomen gemaakt, gelijk als er aan de wanden gemaakt waren; en het hout aan het voorste deel van het voorhuis van buiten was dik.

26 En aan de gesloten vensteren waren ook palmboomen van deze en van gene zijde, aan de zijden van het voorhuis, en aan de zijkamers van het Huis, en aan de dikke planken.

HOOFDSTUK 42.

Daarna bracht hij mij uit tot het buitenste voorhof, den weg naar den weg van het Noorden, en hij bracht mij tot de kamers die tegenover de afgesneden plaats


-ocr page 967-

EZEGE

^an-j en die tegenover het gebouw tegen het het Noorden waren: bij 2 vóóraan de lengte van de honderd ellen naar de deur van het net Noorden, en de breedte was vijftig dat i ellen.

len 3 Tegenover de twintig ellen die \'ub : het binnenste voorhof had, er.

\\ tegenover het plaveisel dat het in- buitenste voorhof had, was galerij an : tegen galerij, in drie rijen. in- 4 En vóór de kamers was eene an wandeling van tien ellen de breedte, n- i naar binnen toe, en een weg van j één el; en de deuren van dezelve an I waren tegen het Noorden, ie 5 De bovenste kamers nu waren m nauwer (omdat de galerijen hooger waren dan dezelve) dan de onderste in en dan de middelste des gebouws; te | G want zij waren wel van drie 3- rijen , maar hadden geene pilaren gelijk de pilaren der voorhoven ; daarom waren ze nauwer dan de s onderste en dan de middelste van e de aarde af.

- j 7 De muur nu die naar buiten tegenover de kamers was, den c weg naar het buitenste voorhof [• toe, vóóraan de kamers, de lengte van dien was vijftig ellen.

8 Want de lengte der kamers die het buitenste voorhof had was vijftig ellen; en zie, vóóraan den Tempel waren honderd ellen.

9 Van onder deze kamers nu ; was de ingang van het Oosten,

als iemand tot dezelve ingaat uit het buitenste voorhof.

10 Aan de breedte van des voor-hofs muur, den weg naar het Oosten , vóóraan de afgesneden plaats en vóóraan het gebouw, waren kamers;

11 en de weg vóór dezelve henen was als de gedaante der kamers die den weg naar het Noorden waren, naar hare lengte, alzóó tiaar hare breedte; en alle hare uitgangen waren ook naar hare wijzen en naar hare deuren.

12 En gelijk de deuren der kamers die den weg naar het Zuiden zagen , was er eene deur in het hoofd van den weg, den weg vóóraan den rechten muur, den weg naar het Oosten als men daar ingaat.

IËL 43. 945

13 Toen zeide hij tot mij : De kamers van het Noorden en de kamers van het Zuiden die vóóraan de afgesneden plaats zijn, dat zijn heilige kamers, waarin de Priesters die tot den Heere naderen de allerheiligste dingen zullen eten; aldaar zullen zij de allerheiligste dingen nederleggen, en het spijsofïer eh het zondoffer en het schuldoffer, want de plaats is heilig.

14 Als de Priesters ingegaan zullen zijn, zoo zullen zij uit het heiligdom niet weder uitgaan in het buitenste voorhof, maar aldaar hunne kleoderen nederleggen in dewelke zij gediend hebben, want die zijn eene heiligheid; en zij zullen andere kleederen aantrekken , en naderen tot hetgeen dat voor het volk is.

15 Als hij nu de maten van het binnenste huis geëindigd had, zoo bracht hij mij uit den weg naar de poort die den weg naar het Oosten zag, en hij mat ze rondom henen.

16 Hij mat de oostzijde met het meetriet, vijfhonderd rieten, met het meetriet, rondom.

17 Hij mat de noordzijde , vijfhonderd rieten , met het meetriet, rondom.

18 De zuidzijde mat hij, vijfhonderd rieten, met het meetriet.

10 Hij ging om naar de westzijde, en hij mat vijfhonderd rieten met het meetriet.

20 Hij mat het aan de vier zijden ; het had oenen muur rondom henen, de lengte was vijfhonderd rieten, en de breedte vijfhonderd, om onderscheid te maken tusschen het heilige en onheilige.

HOOFDSTUK 43.

Toen leidde hij mij tot de poort, de poort die den weg naar het Oosten zag.

2 En zie, de heerlijkheid van den God Israëls kwam van den weg naar het Oosten, en zijne stemme was als het geruisch van vele wateren, en de aarde werd verlicht van zijne heerlijkheid;

3 en alzóó was de gedaante van het gezicht dat ik zag, gelijk het


-ocr page 968-

E Z E C HI Ë L 43.

946

gezicht dat ik gezien had toen ik kwam om de stad te verderven , en het waren gezichten als het gezicht dat ik gezien had aan de rivier Kebar; en ik viel op mijn aangezicht.

4 En de heerlijkheid des Heeren kwam in het Huis door den weg der poort die den weg naar het Oosten zag.

5 En de Geest nam mij op en bracht mij in het binnenste voorhof; en zie, de heerlijkheid des Heeren had het Huis vervuld.

6 En ik hoorde een die met mij sprak uit het Huis, en de man was bij mij slaande.

7 En hij zeide tot mij; Men-schenkind, dil is de plaats mijns troons en de plaats der zolen mijner voeten, alwaar ik wonen zai in het midden der kinderen Israëls in eeuwigheid; en die van het huis Israëls zullen mijnen heiligen naam niet meer verontreinigen , zij noch hunne Koningen, met hunne hoererij en met de doode lichamen hunner Koningen, op hunne hoogten:

8 als zij hunnen dorpel stelden aan mijnen dorpel, en hunnen post nevens mijnen post, dat er maar een wond tusschen mij en tusschen hen was, en verontreinigden mijnen heiligen naam met hunne gruwelen die zij deden; waarom ik ze verteerd heb in mijnen toorn.

9 Nu zullen zij hunne hoererij en de doode lichamen hunner Koningen verre van mij wegdoen, en ik zal in het midden van hen wonen in eeuwigheid.

10 Gij menschenkind, wijs den huize israëls dit Huis, opdat zij schaamrood worden vanwege hunne ongerechtigheden, en laat ze het bestek afmeten.

11 En indien zij schaamrood worden vanwege alles dat zij gedaan hebben, zoo maak hun bekend den vorm des Huizes en zijne gestaltenis, en zijne uitgangen en zijne ingangen, en alle zijne vormen en alle zijne ordinantiën, ja, alle zijne vormen en alle zijne wetten; en schrijf het voor hunne oogen , opdat zij zijnen gan-schen vorm en alle zijne ordinantiën bewaren en dezelve doen.

12 Dit is de wet des Huizes: op de hoogte des bergs zal zijne gansche grens rondom henen een heiligheid dor heiligheden zijn: zie, dit is de wet des Huizes.

13 En dit zijn de malen des altaars naar de ellen, zijnde de el eene el en een handbreed: de boezem dan eene el, en eene cl de breedte; en zijn einde aan zijnen rand rondom één span: en dit is de rug des altaars.

14 Van den boezem nu op de aarde tot aan het onderste afzetsel, twee ellen, en de breedte ééne el; en van het kleinste afzetsel tot aan het grootste afzetsel, vier ellen, en de breedte eene el.

lö En de Harël vier ellen; en van den Ariel en verder opwaarts, de vier hoornen.

16 De Ariël nu, twaalf ellen de lengte met twaalf ellen breedte , vierkant aan zijne vier zijden.

17 En het afzetsel veertien ellen de lengte met veertien ellen breedte, aan zijne vier zijden; en de rand rondom hetzelve, de helft eener el; en de boezem daaraan, eene el rondom; en zijne trappen ziende naar het Oosten.

18 En hij zeic\'e tot mij: Menschenkind , zóó zegt de Heere Heere: Dit zijn de ordinantiën des altaars, ten dage als men hem zal maken, om brandoffer daarop te o(Teren en om bloed daarop te sprengen.

19 En gij zult aan de Levitischc Priesteren, dewelke uit den zade Zadoks zijn, die tot mij naderen (spreekt de Heere Heerk) om mij te dienen, geven een var, een jon^ rund, ten zondoffer;

20 en gij zult van deszelfs bloed nemen, en doen het aan zijne vier hoornen, en aan de vierhoeken des afzetsels, en aan den rand rondom; alzoo zult gij hem ontzondigen en hem verzoenen.

21 Daarna zilt gij den var des zondoffers neman, ën hij zal hem verbranden in eene bestelde plaats des Huizes, buiten het heiligdom.

22 En op den tweeden dag zult gij eenen volkomen geitenhok


-ocr page 969-

E Z E G HIË L 44.

947

offeren ten zon do Her; en zij zullen liet altaar ontzondigen, gelijk als zij dien ontzondigd hebben met den var.

23 Als gij een einde zult gemaakt hebben mét het ontzondigen , clan zu!t gij eenen var, een volkomen jong rund offeren, en eenen volkomen ram van de kudde;

24 en gij zult ze oHeren voorliet aangezicht des Heeren, en de Priesteren zullen zout daarop werpen, en zullen ze offeren ten brandoffer den Heere.

25 Zeven dagen zult gij dagelijks eenen bok des zondoffers bereiden ; ook zullen zij eenen var, een jong rund, en eenen ram van de kudde, beide volkomen, bereiden.

23 Zeven dagen zullen zij het altaar verzoenen, en hem reinigen, en zijne handen vullen.

27 Als zij nu deze dagen zullen voleindigd hebben , dan zal het op den achtsten dug en voortaan geschieden , dat de Priesters uwe brandofferen en uwe dankofferen op het altaar zullen bereiden; en ik zal een welgevallen aan ulieden hebben, spreekt de Heere Heere.

HOOFDSTUK 44.

Toen deed hij mij wederkeeren den weg naar de poort des buitensten heiligdoms die naar het Oosten zag; en die was toegesloten.

2 En de Heere zeide tot mij: Deze poort zal toegesloten zijn, zij zal niet geopend worden nóch iemand door dezelve ingaan, omdat de Heere de God Israels door dezelve is ingegaan: daarom zal zij toegesloten zijn.

3 De Vorst, dè Vorst, die zal in dezelve zitten, om brood te eten voor het aangezicht des Heeren : door den weg van het voorhuis der poort zal hij ingaan, en door den weg van\' hetzelve zal hij uitgaan.

4 Daarna bracht hij mij den weg der noorderpoort, vóóraan het Huis; en ik zag, en zie, de heerlijkheid des Heeren had het Huis des Heeren vervuld. Toen viel ik op mijn aangezicht,

5 en de Heere zeide lot mij:

Menschenkind , zet er uw hart op, en zie met uwe oogen, en hoor met uwe ooren alles wat ik met u spreken zal, van alle inzettingen des Huizes des Heeren , en van alle zijne wetten; en zet uw hart op den ingang des Huizes met alle uitgangen des heiligdoms.

G En zeg tot die wederspanni-gen, tot het huis Israels: Zóó zegt de Heere Heere: Het is te veel voor ulieden vanwege alle uwe gruwelen, o huis Israels;

7 dewijl gijlieden vreemden hebt ingebracht, cmbesnedenen van hart en onbesneden van vleesch, om in mijn heiligdom te zijn, om dat te ontheiligen, fe iveten mijn Huis; als gij mijn brood, het vet en het bloed offerdet, en zij mijn verbond verbraken, nevens alle uwe gruwelen;

8 en gijlieden hebt de wacht van mijne heilige dingen niet waargenomen , maar gij hebt uzelven eenifjen tot wachters mijner wacht gesteld in mijn heiligdom.

9 Alzóó zegt de Heere Heere: Geen vreemde, onbesneden van hart en onbesneden van vleesch, zal in mijn heiligdom ingaan, van eenigen vreemde die in het midden der kinderen Israels is.

•10 Maar de Leviten die verre van mij geweken zijn als Israël ging dolen, die van mij zijn afgedwaald, hunne drekgoden achterna, zullen wel hunne ongerechtigheid dragen:

11 nogtans zullen zij in mijn heiligdom bedienaars zijn in de ambten aan de poorten des Huizes, en zij zullen het Huis bedienen; zij zullen het brandoffer en het siachtoffer voor het volk slachten, en zullen voor hun aangezicht staan om hen te dienen.

12 Omdat zij hen gediend hebben voor het aangezicht hunner drekgoden, en den huize Israëls lot een aanstoot der ongerechtigheid geweest zijn, daarom heb ik mijne hand legen hen opgeheven, spreekt de Heere Heere , dat zij hunne ongerechtigheid zullen dragen;

13 en zij zullen tot mij niet naderen om mij het Priesterambt


-ocr page 970-

EZECHIËL 45.

948

te bedienen, en om te naderen tot nlle mijne heilige dingen, tol de allerheiligste dingen, maar zullen hunne schande dragen en hunne gruwelen die zij gedaan hebben.

14 Daarom zal ik ze stellen tot wachters van de wacht des Huizes, aan al zijnen dienst en aan alles wat daarin zal gedaan worden.

15 Maar de Levitische Priesters, de kinderen Zadoks. die de wacht mijns heiligdoms hebben waargenomen als de kinderen Israels van mij afdwaalden , die zullen tot mij naderen om mij te dienen, en zullen voor mijn aangezicht staan om mij het vet en het bloed te offeren , spreekt de Heere h eere ;

16 die zullen in mijn heiligdom ingaan, en die zullen tot mijne tafel naderen om mij te dienen, en zij zullen mijne wacht waarnemen.

17 En het zal geschieden als zij tot de poorten des binnensten voorhofs zullen ingaan, dat zij linnen kleederen zullen aantrekken; maar wol zal op hen niet komen, als sij dienen in de poorten des binnensten voorhofs en binnenwaarts.

18 Linnen huiven zullen op hun hoofd zijn, en linnen onderbroeken zullen op hunne lendenen zijn; zij zullen zich niet gorden in het zweet.

19 En als zij uitgaan tot het buitenste voorhof, namelijk tot het buitenste voorhof tot het volk, zullen zij hunne kleederen in dewelke zij gediend hebben uittrekken, en dezelve nederleggen in de heilige kamers, en zullen andere kleederen aantrekken, opdat zij het volk niet heiligen met hunne kleederen.

20 En zij zullen hun hoofd niet glad afscheren, ook de lokken niet lang laten wassen: behoorlijk zullen zij hunne hoofden beschoren.

21 Ook zal geen Priester wijn drinken, als zij in het binnenste voorhof zullen ingaan.

22 Ook zullen zij zich geen weduwe of verstootene tot vrouw nemen; maar jonge dochters van den zade des huizes Israels, of eene weduwe die eenc weduwe zal zijn van eenen Priester, zullen zij nemen.

23 En zij zullen mijn volk onr/er-scheid leeren tusschen het heilige en onheilige, en hun bekend maken het onderscheid tusschen het onreine en reine.

24 En over eene twistzaak zullen zij staan om te richten, naar mijne rechten zullen zij ze richten; en zij zullen mijne wetten en mijne inzettingen op allo mijne gezétte hoogtijden houden , en mijne sab-baten heiligen.

25 Ook zal geen van hen tot eenen dooden mensch ingaan, dat hij onrein worde ; maar om eenen vader, of om eene moeder, of om eenen zoon, of om eene dochter, om eenen broeder, of om eene zuster die geens mans geweest is, zullen zij zich mogen verontreinigen.

26 En na zijne reiniging zullen zij hem zeven dagen tellen.

27 En ten dage als hij in het heilige zal ingaan, n het binnenste voorhof, om in het heilige te dienen, zal hij zijn zondoffer offeren, spreekt de Heere Heere.

28 Dit nu zal hun tot eene erfenis zijn : ik ben hunne erfenis; daarom zult gij hunlieden geene bezitting geven in Israël; ik ben hunne bezitting.

29 Het spijsoffer en het zondoffer en het schuldoffer, die zullen zij eten; ook zal al het verban-nene in Israël het hunne zijn.

30 En de eerstelingen aller eerste vruchten van alles, en alle hefoffer van alles, van alle uwe hef-offeren , zullen der Priesters zijn; ook zult gij de eerstelingen van uw deeg den Priester geven, om den zegen op uw huis te doen rusten.

31 Geen aas noch wat verscheurd is van het gevogelte of van het vee, zullen de Priesters eten.

HOOFDSTUK 45.

Als gijlieden nu het land zult doen vallen in erfenis , zoo zult gij een hefoffer den Heere offeren, tot eene heilige plaats, van het


-ocr page 971-

EZEG HIEL 45.

949

land: de lengte zal zijn de lengte van vijfentwintigduizend meetrieten, en de breedte tienduizend; dat zal in zijne geheele grens rondom heilig zijn.

2 Hiervan zullen tot het heiligdom zijn vijfhonderd met vijfhonderd, vierkant rondom; en het zal vijftig ellen hebben tot eene buitenruimte rondom.

3 Alzoo zult gij meten van deze maat, de lengte van vijfentwintigduizend, en de breedte van tienduizend; en daarin zal het heiligdom zijn met het heilige der heiligen.

4 Dat zal eene heilige plaats zijn van het land, zij zat zijn voor de Priesters die het heiligdom bedienen, die naderen om den Heere te dienen; en het zal hun eene plaats zijn tot huizen, en eene heilige plaats voor het heiligdom.

5 Voorts zullen de Leviten , de dienaars des Huizes, óók do lengte hebben van vijfentwintigduizend, en de breedte van tienduizend, hunlieden tot eene bezitting, voor twintig kamers.

6 En tot bezitting van de stad zult gij geven de breedte van vijfduizend, en de lengte van vijfentwintigduizend, tegenover liet heilig hefoffer: voor het gansche huis Israels zal het zijn.

7 De Vorst nu zal zijn deel hebben van deze en van gene zijde des heiligen hefoffers en dei-bezitting der stad, vóóraan het heilig hefoffer en vóóraan de bezitting der stad: van den wester-hoek westwaarts, en van den oosterhoek oostwaarts; en de lengte zal zijn tegenover een der deelen van de westergrens tot de oostergrens toe.

8 Dit land aangaande het zal hem tot eene bezitting zijn in Israël; en mijne Vorsten zullen mijn volk niet meer verdrukken, maar den huize Israels het land laten naar hunne stammen.

9 Alzóó zegt de Heere Heere: Het is te veel voor u, gij Vorsten Israels ; doel geweld en verstoring weg, en doet recht en gerechtigheid; neemt uwe uitdrijvingen op van mijn volk, spreekt de Heere Heere.

10 Eene rechte weegschaal en een rechte efa en een rechte bath zult gijlieden hebben;

11 een efa en een bath zullen van éénerlei maat zijn, dat een bath het tiende deel van een bomer houde, ook een efa het tiende deel van een homer; de maat daarvan zal zijn naar den homer.

12 En de sikkel zal zijn van twintig gera; twintig sikkelen, vijfentwintig sikkelen en vijftien sikkelen zal ulieden een pond zijn.

13 Dit is het hefoffer dat gijlieden offeren zult: het zesde deel eener efa van een bomer tarwe; ook zult gij het zesde deel eener efa geven van een homer gerst.

14 Aangaande de inzetting van olie, van een bath olie, gij zult offeren het tiende deel van een bath uit een kor, hetwelk is een homer van tien bath, want tien bath zijn een homer.

15 Voorts één lam uit de kudde van de tweehonderd, uit het waterrijke land van Israël, tot spijs-offer en tot brandoffer en tot dank-olferen om verzoening over hen te doen, spreekt de Heere Heere.

16 Al het volk des lands zal in dit hefoffer zijn, voor den Vorst in Israël.

17 En het zal den Vorst opgelegd zijn te offeren de brandof-feren en het spijsoffer en het drankoffer, op de\' feesten en op de nieuwe maanden en op de sabbaten, op alle gezette hoogtijden des huizes Israels: hij zal het zondoffer en het spijsoffer en het brandoffer en de dan kolf eren doen, om verzoening te doen voor het huis Israëls.

18 Alzóó zegt de Heere Heere: In de eerste maand op den eerste der maand zult gij eenen volkomen var, een jong rund, nemen, en gij zult het heiligdom ontzondigen.

19 En de Priester zal van het bloed des zondoffers nemen, en doen het aan de posten des Huizes, en aan de vier hoeken van het afzetsel des altaars, en aan de posten van de poort des binnensten voorhofs.


-ocr page 972-

I Ë L 46.

EZEGH

950

20 Alzóó zult gij ook doen op den zevende in die maand, vanwege den afdwalende en vanwege den slechte; alzoo zult gijlieden het Huis verzoenen.

21 In de eerste maand op den veertienden dag der maand zal ulieden het Poschenzijn; een feest van zeven dogen, ongezuurde broeden zal men elen.

22 l£n de Vorst zal op dien dag voor zichzelven en vooral het volk des lands bereiden eenen var des zondoffers.

23 En de zeven dagen van het feest zal hij een brandoffer den Heere bereiden, van zeven varren en zeven rammen die volkomen zijn, dagelijks, de zeven dagen lang, en een zondoffer van eeuen geitenhok dagelijks.

24 Ook zal hij een spijsoffer bereiden, een efa tot eenen var en een efa tot eenen ram, en een bin olie tot een efa.

25 In de zevende maankop den vijftienden dag der maand zal hij op het feest desgelijks doen, zeven dagen lang; gelijk het zondoffer, gelijk het brandoffer, en gelijk het spijsoffer, en gelijk de olie.

HOOFDSTUK 46.

Alzóó zegt de Heere Heere: De poort des binnensten voorhofs die naar het Oosten ziet, zal de zes werkdagen gesloten zijn, maar op den sabbatdag zal ze geopend worden; ook zal ze geopend worden op den dag van de nieuwe maan.

2 En de Vorst zal ingaan door het voorhuis dier poort van buiten, en zal staan aan den post van de poort; en de Priesters zullen zijn brandoffer en zijne dankofferen bereiden, en hij zal aanbidden aan den dorpel der poort, en daarna uitgaan; doch de poort zal niet gesloten worden tot op den avond.

3 Ook zal het volk des lands aanbidden vóór de deur dier poort, op de sabbaten en op de nieuwe maanden voor het aangezicht des Heeren.

4 Het brandoffer nu dat de Vorst den Heere zal offeren, zal op den

sabbatdag zijn zes volkomen lammeren en een volkomen ram;

5 en het spijsoffer, een efa tot den ram, maar tot de lammeren zal het spijsoffer eene gave zijner hand zijn: en olie, een hin tot een efa.

6 Maar op den dag van de nieuwe maan, een var, een jong rund, een der volkomene, en zes lammeren , en een ram; volkomen zullen ze zijn.

7 En tot spijsoffer zal hij bereiden een efa tot den var en een 1 efa tot den ram, maar tot de lam- | meren zooals zijne hand bekomen j zal; en een hin olie bij een efa.

8 En als de Vorst ingaat, zal 1 hij door den weg van het voorhuis | der poort ingaan, en doordeszelfs weg weder uitgaan.

9 Maar als het volk de=? lands j voor het aangezicht des Heeren komt op de gezette hoogtijden, | wie door den weg van de noor- r derpoort ingaat om te aanbidden, l zal door den weg van de zuider- | poort weder uitgaan; en die door \\ den weg van de zuiderpoort ingaat, zal door den weg van de noorderpoort fmZer uitgaan; hij zal niet we-derkeeren door den weg der poort door dewelke hij is ingegaan, maar recht voor zich henen uitgaan.

10 De Vorst nu zal in het midden van hen ingaan, als zij ingaan; 1 en als zij uitgaan, zullen zij te | zamen uitgaan.

11 Voorts op de feesten en op 1 de gezette hoogtijden zal het spijs- g offer zijn een efa tot eenen var 1 en een efa tot eenen ram, maar 1 tot de lammeren eene gave zijner 1 hand; en olie, een hin tot een efa. |

12 En als de Versteen vrijwillig | offer zal doen, een brandoffer of 1 dankofferen tut een vrijwillig offer den Heere, zoo zal men hem de poort openen die naar het Oosten ziet; en hij zal zijn brandoffer en zijne dankofferen doen, gelijk als hij zal gedaan hebben op den sabbatdag; en als hij iveder uitgaat, zal men de poort sluiten nadat hij uitgegaan zal zijn.

13 Wijders zult gij een volkomen jarig lam dagelijks bereiden ten brandoffer den Heere : allen morgen zult gij dat bereiden.


-ocr page 973-

EZEGHIËL 47

951

14 En gij zult ten spijsoffer daarop doen allen morgen een zesde deel van een efa, en olie een derde deel van een hin, om de meelbloem te bedruipen; tot een spijsoffer den Heere, tot eeuwige inzettingen, geduriglijk.

15 Zij zullen dan het lam en het spijsoffer en de olie allen morgen bereiden tot een gedurig brandoffer.

16 Alzóó zegt de Heere Heere; Wanneer de Vorst aan iemand van zijne zonen een geschenk zal geven van zijne erfenis, dat zullen zijne zonen hebben, het zal hunne bezitting zijn in erfenis.

17 Maar wanneer hij van zijne erfenis een geschenk zal geven aan eenen van zijne knechten, die zal dat hebben tot het vrijheidsjaar toe, dan zal het tot den Vorst wederkeeren: het is immers zijne erfenis, zijne zonen die zullen quot;het hebben.

18 En de Vorst zal niets nemen van de erfenis des volks, om hen van hunne bezitting te berooven: van zijne bezitting zal hij zijnen zonen erf nalaten; opdat niet mijn volk een iegelijk uit zijne erfenis verstrooid worde.

19 Daarna bracht hij mij door den ingang die aan de zijde der poort was, tot de heilige kameren den Priestercn Xoebehoorendc, die naar het Noorden zagen ; en zie, aldaar was eene plaats aan beide zijden, naar het Westen.

20 En hij zcide tot mij: Dit is de plaats alwaar de Priesters het schuldoffer en het zondoffer zullen koken, cn waar zij het spijsoffer zullen bakken; opdat zij het niet uitbrengen in het buitenste voorhof, om het volk te heiligen.

21 Toen bracht hij mij uit in het buitenste voorhof, en voerde mij om in de vier hoeken des voorhofs; en zie, in eiken hoek des voorhofs was een ander voorhofje;

22 in de vierhoeken des voorhofs waren voorhofjes met schoorstee-nen, van veertig el/en de lengte en dertig de breedte; deze vier hoekhofjes hadden éénerlei maat.

23 En daar was rondom in de- j zelve een ringmuur, rondom deze j vier; en daar waren keukens gemaakt beneden acm de ringmuren rondom.

24 En hij zeide tot mij; Dit zijn de keukens alwaar de dienaars dés Huizes het slachtoffer des vol es zullen koken.

HOOFDSTUK 47.

Daarna bracht hij mij weder tot de deur des Huizes, en zie, daar vloten wateren uit, van onderden dorpel des Huizes naar het Oosten, want het voorste deel des Huizes was m het Oosten; en de wateren daalden af van onderen, uit de rechterzijde des Huizes, van het zuiden des altaars.

2 En hij bracht mij uit door den weg van de noorderpoort, en voerde mij om door den weg van buiten to» de buitenpoort, langs den weg die naar het Oosten ziet; en zie, de wateren sprongen uit de rechterzijde.

3 Als nu die man naar het Oosten uitging, zoo was er een meetsnoer in zijne hand; en hij mat duizend ellen, en deed mij door de wateren doorgaan, en de wateren raakten tot aan de enkelen.

4 Toen mat hij nor/ duizend ellen en deed mij door de wateren doorgaan , en de wateren raakten tot aan de knieën; en hij mat nor/ duizend, en deed mij doorgaan , cn de wateren raakten tot aan de lendenen.

5 Voorts mat hij nor/ duizend, cn het was eene beek waar ik niet konde doorgaan; want de wateren waren hoog, wateren waar men door zwemmen moest, eene beek waar men niet konde doorgaan.

G En hij zeide tot mij: Hebt gij het gezien, menschenkind? Toen voerde hij mij en bracht mij weder tot den oever der beek.

7 Als ik wederkeerde, zie, zoo was er aan den oever der beek zeer veel geboomte van deze en van gene zijde.

8 Toen zeide hij tot mij : Deze wateren vlieten uit naar het voorste Galiléa, en dalen af in het vlakke veld; daarna komen ze in do zee:


-ocr page 974-

EZEGH

IEL 48.

952

in de zee uitgebracht zijnde, zoo worden de wateren gezond.

9 Ja, bet zal geschieden cZaïalle levende ziele die er wemelt, overal waarhenen ecne der twee beken zal komen, leven zal, en daar zal zeer veel visch zijn, omdat deze wateren daarhenen zullen gekomen zijn, en zij zullen gezond worden; en het zal leven, alles waarhenen deze beek zal komen.

10 Ook zal het geschieden dat er visschers aan dezelve zullen staan van Engédi af tot Enëglaïm toe; daar zullen plaatsen zijn tot uitspreiding der netten: hun visch zal naar zijnen aard wezen als de visch van ue groole zee, zeer menigvuldig.

11 Doch hare modderige plaatsen en hare moerasssen zullen niet gezond worden, zij zijn tot zout overgegeven.

12 Aan de beek nu, aan haren oever, zal van deze en van gene zijde opgaan allerlei spijsgeboomte, welks blad met zal afvallen , noch de vrucht daarvan vergaan; in zijne maanden zal het nieuwe vruchten voortbrengen , want zijne wateren vlieten uit het heiligdom; en zijne vrucht zal zijn tot spijs en zijn blad tot heeling.

13 Alzóó zegt de Heere Heere: Dit zal de landpale zijn, naar welke gij het land ten erve zult nemen, haar de twaalf stammen Israels; Jozef twee snoeren.

14 En gij zult daterven, de één zoowel als de ander; over hetwelk ik mijne hand heb opgeheven dat ik het uwen vaderen zoude geven, en dit land zal ulieden in erfenis vallen.

15 Dit nu zal de landpale des lands zijn: aan den noorderhoek , van de groote zee af, den weg van Hethlon, waar men komt te Zedad;

16 Ilamath, Berotha, Sibraïm, dat tusschen de landpale van Damascus en tusschen de landpale van Hamath is; Hazer-Hattichon, dat aan de landpale van Hauranis.

17 AIzoo zal de landpale van de zee af zijn, liazar-Enon, de landpale van Damascus, en het Noorden noordwaarts, en de landpale van Hamath: en dat zal de noorderhoek zijn.

18 Den oostcrhoek nu zult gijlieden meten van tusschen Hauran, en van tusschen Damascus, en van tusschen Gilead, en van tusschen het land Israels aan den Jordaan, van de landpale af tot de oostzee toe: en dat zal de oosterhoek zijn.

19 Kn den zuiderhoek zuidwaarts van Tamar af tot aan het twist-water van Kades, voort naar de beek henen, tot aan de groote zee: en dat zal de zuiderhoek zuidwaarts zijn.

20 En den westerhoek, de groote zee , van de landpale af tot waar men recht tegenover Hamath komt: dal zal de westerhoek zijn.

21 Dit land nu zult gij ulieden uitdeden naar de stammen Israëls.

22 Maar het zal geschieden dat gij hetzelve zult doen vallen in erfenis voor uliedeu en voor de vreemdelingen die in het midden van u verkeeren, die kinderen in het midden van u zullen gewonnen hebben; en zij zullen ulieden zijn als een inboorling onder de kinderen Israëls; zij zullen met ulieden in erfenis vallen in het midden der stammen Israëls.

23 Ook zal het geschieden , in den stam bij welken de vreemdeling verkeert, aldaar zult gij hem zijne erfenis geven, spreekt de Heere Heere.

HOOFDSTUK 48.

Dit nu zijn de namen der stammen. Van het einde noordwaarts, aan de zijde van den weg van Hethlon, waar men komt te Hamath , Hazar-Enan, de landpale van Damascus, noordwaarts aan de zijde van Hamath, (ook zal hij den ooster- en westerhoek hebben), zal Dan één snoer hebben.

2 En aan de landpale van Dan, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Aser één.

3 En aan de landpale van Aser, van den oosterhoe«c af tot den westerhoek toe, Naftali één.

4 En aan de landpale van Naftali, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Manasse één.


-ocr page 975-

ÉZ EC HIEL 48.

Oo3

5 Én aan dc landpale van Ma-nasse, van den ooslerhoek lót den westerhoek toe, Efraïm één.

G En aan de landpale van Efraïm, van den ooslerhoek af lot den westerhoek toe, Ruben één.

7 En aan de landpale van Ruben, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Juda één.

8 Aan de landpale nu van Juda, van den oosterhoek tot den westerhoek toe , zal het hefoffer zijn dat gijlieden zult offeren, vijfentwintigduizend meetneten in breedte, en de lengte als van een der andere deelen van den oosterhoek tot den westerhoek toe; en het heiligdom zal in deszelfs midden zijn.

9 Het hefoffer dat gijlieden den Heere zult offeren, ziil wezen de lengte van vijfentwintigduizend, en de breedte van tienduizend;

10 en daarin zal het heilig hefoffer zijn voor de Priesters , noordwaarts de lengte van vijfentwintigduizend, en westwaarts dc breedte van tienduizend, en oostwaarts de breedte van tienduizend, en zuidwaarts de lengte van vijfentwintigduizend; en het heiligdom des Heeren zal in des-zelfs midden zijn.

11 Het zal zijn voor de Prieste-ren die geheiligd zijn uit de kinderen Zadoks, die mijne wacht hebben waargenomen,quot; die niet gedwaald hebben als de kinderen Israels dwaalden, gelijk als de andere Leviten gedwaald hebben.

12 En het geofferde van het hefoffer des lands zal hunlieden cene heiligheid der heiligheden zijn aan de landpale der Leviten.

13 Voorts zullen de Leviten tegenover de landpale der Priesters hebben de lengte van vijfentwintigduizend , en dc breedte van tienduizend; de gansche lengte zal zijn vijfentwintigduizend, quot;en de breedte tienduizend.

14 En zij zullen daarvan niet verkoopen, noch dc eerstelingen des lands verwisselen noch overdragen , want het is een heiligheid den Heere.

15 Maar de vijfduizend, dat is hetgeen overgelaten is in dc breedte, vóóraan dc vijfentwintigduizend, dat zal onheilig zijn, voor dc stad tot bewoning en \'tot voorsteden; en de stad zal in het midden daarvan zijn.

1G En dit zullen hare maten zijn : dc noorderhock vierduizend en vijfhonderd meclrieten, en de zuiderhock vierduizend envijfhon-derd, en van den oosterhoek vierduizend en vijfhonderd, en de westerhoek vierduizend en vijfhonderd.

17 Dc voorsteden nu der stad zullen zijn noordwaarts tweehonderd en vijftig, cn zuidwaarts tweehonderd en vijftig, cn oostwaarts tweehonderd en vijftig, cn westwaarts tweehonderd en vijftig.

18 En het overgelatene in de lengte, tegenover het heilig hefoffer, zal zijn tienduizend oostwaarts en tienduizend westwaarts, cn het zal tegenover het heilig hefoffer zijn, en dc inkomst daarvan zal wezen tot onderhoud voor degenen die dc stad dienen.

19 En die de stad dienen , zullen haar dienen uit alle stammen Israels.

20 Het gansche hefoffer zal zijn van vijfentwintigduizend meetric-ten met vijfentwintigduizend: vierkant zult gijlieden het heilig hefoffer offeren, met de bezitting der st.-id.

21 En het overgelatene zal voor den Vorst zijn, van deze en van gene zijde des heiligen hefoffers en der bezitting der stad, vóóraan de vijfentwintigduizend meetrieten des hefoffers, tot aan de oosteren westerlandpale, vóóraan do vijfentwintigduizend aan de westerlandpale , tegenover dc andere deelen, dat zal voor den Vorst zijn ; en het heilig hefoffer en het heiligdom des Huizes zal. in het midden daarvan zijn.

22 Van dc bezitting nu der Leviten cn van dc bezitting der stad af, zijnde in het midden van hetgeen dat des Vorsten zal zijn, lua\'t tusschen de landpale van Juda en tusschen de landpale van Benjamin is, zal des Vorsten zijn.

23 Aangaande het overige der


-ocr page 976-

ËL 1.

954

D ANI

stammen nu: van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Benjamin één snoer;

24 en aan de landpale van Benjamin, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Simeon één;

25 en aan de landpale van Simeon, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Issaschar één;

26 en aan de landpale van Issaschar, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Zebulonéén;

27 en aan de landpale van Ze-bulon, van den oosterhoek tot den westerhoek toe, Gad één ;

28 aan de landpale nu van Gad, aan den zuiderhoek zuidwaarts, daar zal de landpale zijn van Tamar af, naar het tvvistwater van Kades, voort naar de beek henen, tot aan de groolo zee.

29 Üit is het land dat gijlieden zult doen vallen in erfenis voor de stammen Israels, en dit zullen hunne deelen zijn, spreekt de Heere Heere.

30 Voorts zullen dit de uitgangen der stad zijn: van den noorderhoek vierduizend en vijfhonderd maten,

31 en de poorten der stad zullen zijn naar de namen der stammen Israels, drie poorten noordwaarts: ééne poort van Ruben, ééne poort van Juda, ééne poort van Levi.

32 En aan den oosterhoek vierduizend en vijfhonderd wafen, en drie poorten: namelijk ééne poort van Jozef, ééne poort van Benjamin, ééne poort van Dan.

33 De zuiderhoek óók vierduizend en vijfhonderd maten, en drie poorten: ééne poort van Simeon , ééne poort van Issaschar, ééne poort van Zebulon.

34 De westerhoek vierduizend en vijfhonderd, derzelver poorten drie: ééne poort van Gad, ééne poort van Ascr, ééne poort van Naftali.

35 Rondom achttienduizend; en de naam der stad zal van dien dag afzijn: de Heere is aldaar.


DE PROFEET DANIËL.

HOOFDSTUK I.

In het derdejaar des koninkrijks van Jojakim den Koning van Jiida kwam Nebukadnezar de Koning van Babel te Jeruzalem en belegerde haar.

2 En de Heere gaf Jojakim den Koning van Juda in zijne hand, en een deel der vaten des Huizes Godes; en hij bracht ze In liet land Sinear, in het huis zijns gods, en de vaten bracht hij in het schat-huis zijns gods.

3 En de Koning zeide tot Aspe-naz, den overste zijner kamerlingen , dat hij voortbrengen zoude eenigen uit de kinderen Israels, te weten uit het koninklijk zaad en uit de Prinsen,

4 jongelingen aan dewelke geen gebrek was, maar schoon van aangezicht, en vernuftig in .alle wijsheid, en ervaren in wetenschap , en kloek van verstand, en in dewelke bekwaamheid was om te staan in des Konings paleis, en dat men ze onderwees in de boeken en spraak der Chaldecn.

5 En dc Koning verordende wat men hun dag bij dag geven zoude van de stukken der spijze des Konings, en van den wijn zijns dranks, en dat men ze drie jaren al~oo opvoedde, en dat zij ten einde derzelve zouden staan voor het aangezicht des Xonings.

0 Onder dezelve nu waren uit de kinderen van Juda: Daniël, Hananja, Misaël en Azarja.


-ocr page 977-

DANI

I 7 En de overste der kamerlingen gaf hun andere namen, en Daniël noemde hij Beltsazar, en Hananja Sadrach, en Misaël Me-sach, en Azarja Abednego.

8 Daniël nu nam voor in zijn harte dat hij zich niet zoude

? ontreinigen niet de stukken van de spijze des Konings, noch met den wijn zijns dranks: daarom verzocht hij van den overste dei-kamerlingen, dat hij zich niet mocht ontreinigen.

9 En God gaf Daniël genade en barmhartigheid voor het aangezicht van den overste der kamerlingen.

10 Want do overste der kamer-i lingen zeide tot Daniël: Ik vrees | mijnen heere den Koning, die | ulieder spijze en ulieder drank | verordend heeft; want waarom I zoude hij ulieder aangezichten | droeviger zien dan der jongelingen | die in gelijkheid met uliedenzijn? j Alzoo zoudt gij mijn hoofd bij den

Koning schuldig maken.

11 Toen zeide Daniël tot Melzar, | dien de overste der kamerlingen 1 gesteld had over Daniël, Hananja,

Misaël en Azarja :

12 Beproef toch uwe knechten tien dagen lang, en men geve ons van het gezaaide te eten en water te drinken;

13 en men zie voor uw aangezicht onze gedaanten en de gedaante der jongelingen die de stukken van de spijze des Konings eten: en doe met uwe knechten naar dat gij zien zult.

14 Toen hoorde hij ze in deze zake, en hij beproefde ze tien dagen.

15 Ten einde nu der tien dagen zag men dat hunne gedaanten schooner waren en zij vetter waren van vleesch dan alle de jongelingen die de stukken van de spijze des Konings aten.

16 Toen geschiedde het dat Melzar de stukken hunner spijze wegnam , mitsgaders den wijn huns dranks, en hij gaf hun van het gezaaide.

17 Aan deze vier jongelingen nu gaf God wetenschap en verstand in alle boeken en wijsheid, maar

Ë L 2. 955

Daniël gaf hij verstand in allerlei gezichten en droomen.

18 Ten einde nu der dagen waarvan de Koning gezegd had dat men ze zoude inbrengen, zoo bracht ze de overste der kamerlingen in voor het aangezicht Nebukadnezars,

10 en de Koning sprak met hen; doch daar werd onder hen allen niemand gevonden gelijk Daniël, Hananja, Misaël en Azarja; en zij stonden voor het aangezicht des Konings.

2U En in alle zaken van verstandige wijsheid die de Koning hun afvroeg, zoo vond hij ze tienmaal boven alle de too venaars 6\'?i sterren-kijkers die in zijn gansche koninkrijk waren.

21 En Daniël bleef tot het eerste jaar van den Koning Kores toe.

HOOFDSTUK 2.

In het tweedejaar nu des konink-rijks van Nebukadnezar, droomde Nebukadnezar droomen: daarvan werd zijn geest verslagen, en zijn slaap werd in hem gebroken.

2 Toen zeide de Koning dat men roepen zoude de toovenaars en de sterrenkijkers en de guichelaars en de Chaldeën, om den Koning zijne droomen te kennen te geven. Zij nu kwamen en stonden voor het aangezicht des Konings;

3 en de Koning zeide tot hen : Ik heb eenen droom gedroomd, en mijn geest is ontsteld, om dien droom te weten.

4 Toen spraken de Chaldeën tot den Koning in het Syrisch: O Koning, leef in eeuwigheid; zeg uwen knechten den droom , zoo zulten wij de uitlegging te kennen geven.

5 De Koning antwoordde en zeide tot de Chaldeën: De zaak is mij ontgaan: indien gij mij den droom en zijne uitlegging niet bekend maakt, gij zult in stukken gehouwen worden en uwe huizen zullen tot eenen drekhoop gemaakt worden;

G maar indien gijlieden den droom en zijne uitlegging te kennen geeft, zoo zult gij.geschenken en gaven en groote eere van mij ontvangen: daarom geeft mij den


-ocr page 978-

D A NIË L 2.

956

droom en zijne uitlegging te kennen.

7 Zij antwoordden ten tweeden male en zeiden: De Koning zegge zijnen knechten den droom , dan zullen wij de uitlegging te kennen geven.

8 De Koning antwoordde en zei-de : Ik weet vasteüjk dat gijlieden den tijd uitkoopt, dewijl gij ziet dat de zaak mij ontgaan is;

9 indien gijlieden mij dien droom niet te kennen geeft, uliedervonnis is eenerlei; daarom hebt gij een leugenachtig en verdicht woord voor mij te zeggen bereid, totdat de tijd verandere: daarom zegt mij den droom , dan zal ik weten dat gij mij deszelfs uitlegging zult te kennen geven.

10 De Ciialdeën antwoordden voor den Koning en zeiden: Daar is geen mensch op den aardbodem die des Konings woord zoude kunnen te kennen geven : daarom is er geen Koning, grooto olquot; heer-scher, die zulk eene zaak begeerd heeft van eenigen toovenaar of sterrenkijker of Ghaldeër;

11 want de zaak die de Koning begeert is te zwaar, en daar is niemand anders die dezelve voor den Koning te kennen kan geven dan de goden, welker woning bij het vleesch niet is.

12 Daarom werd de Koning toornig en zeer verbolgen , en zeide dat men alle de wijzen te Babel zoude ombrengen.

13 Die wet dan ging uit, en de wijzen werden gedood; men zocht ook Daniël en zijne metgezellen om gedood te worden.

14 Toen bracht Daniël eenen raad en oordeel in aan Arjoch den overste der trawanten des Konings, die uitgetogen was om de wijzen van Babel te dooden;

15 hij antwoordde en zeide tot Arjoch den bevelhebber des Konings : Waarom zoude de wet van \'s Konings wege zoo verhaast worden? Toen gaf Arjoch aan Daniël de zaak te kennen.

lö En Daniël ging in , en verzocht van den Koning, dat hij hem eenen bestemden tijd wilde geven, dat hij den Koning de uitlegging te kennen gave.

17 Toen ging Daniël naar zijnj huis, en hij gaf de zaak zijnen j metgezellen, Hananja, Misael en i Azarja, te kennen ,

18 opdat zij van den God des ji hemels barmhartigheden verzoch- Ij ten over deze verborgenheid, dat Daniël en zijne metgezellen met l de overige wijzen van Dabei niet ■■ omkwamen.

19 Toen werd Daniël in een I nachtgezicht de verborgenheid ge- | openbaard. Toen loofde Daniël den jl God des hemels;

20 Daniël antwoordde en zeide: ! De naam Gods zij geloofd van | eeuwigheid tot in eeuwigheid , I want quot;zijne is de wijsheid en de 9 kracht.

21 Want hij verandert de tijden en stonden , hij zet de Koningen af en hij bevestigt de Koningen; hij gee li den wijzen wijsheid, en wetenschap dengenen die verstand hebben;

22 hij openbaart diepe en ver- L borgen dingen, hij weet wat in 1 het duister is, want het licht woont bij hem.

23 Ik dank en ik loof u, o God mijner vaderen, omdat gij mij wijsheid en kracht gegeven hebt, en mij nu hekend gemaakt hebt wat wij van u verzocht hebben , want gij hebt ons des Konings zake bekend gemaakt.

24 Daarom ging Daniël in tot Arjoch, dien de Koning gesteld had om de w.izen van Babel om te brengen; hij ging 1 enen en zeide aldus tot hem: Breng de wijzen van Babel niet om; maar breng mij in voor den Koning, en ik zal den Koning de uillegging te kennen geven.

25 Toen bracht Arjoch met haasle Daniël in voor den Koning, en hij sprak alzóó tot hem: Ik heb een man van de gevankelijk weggevoerden van Juda gevonden, die den Koning de uitlegging zal bekend maken.

26 De Koning antwoordde en zeide tot Danië., wiens naam Beltsazar was: Zijt gij machtig mij bekend te maken den droom dien ik gezien heb, en zijne uitlegging?


-ocr page 979-

DANIËL 2.

957

27 Daniël antwoordde voor den Koning en zeide: De verborgenheiddie de Koning eisclit, kunnen de wijzen, do sterrenkijkers, de toovenaars en de waarzeggers den Koning niet te kennen geven;

28 maar daar is een God in den hemel die verborgenheden openbaart: die heeft den Koning Ne-bukadnezar bekend gemaakt wat er geschieden zal in het laatste der dagen. Uw droom en de gezichten uws hoofds op uw leger zijn deze:

29 gij , o Koning, op uw leger zijnde, klommen uwe gedachten op, wat hierna geschieden zoude: en hij die verborgen dingen openbaart, heeft u te kennen gegeven wat er geschieden zal.

30 Mij nu, mij is de verborgenheid geopenbaard, niet door de wijsheid die in mij zij boven alle levenden , maar dai\'irom opdat men den Koning de uitlegging zoude bekend maken, en opdat gij de gedachten uws harten zoudt weten.

31 Gij, o Koning, zaagt, en zie, er was een groot beeld (dit beeld was trellelijk en deszelfs glans was uitnemend) slaande tegen ii over, en zijne gedaante was schrikkelijk.

32 Het hoofd van dit beeld was van zuiver goud, zijne borst en zijne armen van zilver, zijn buik en zijne dijen van koper,

33 zijne schenkelen van ijzer, zijne voeten eensdeels van ijzer en eensdeels van leem.

34 DU zaagt gij, totdat er een steen afgehouwen werd zonder handen, die sloeg dat beeld aan zijne voeten van ijzer en leem, en vermaalde ze.

35 Toen werden te zamen ver-maald het ijzer, leem, koper, zilver en goiid, en zij werden gelijk kaf van de dorschvloeren des zomers, en de wind nam ze weg, en daar werd geen plaats voor dezelve gevonden; maar dosteen die het beeld geslagen heeft werd tot eenen grooten berg, alzoo dat hij de geheele aarde vervulde.

36 Dit is de droom: zijne uitlegging nu zullen wij voor den j Koning zeggen.

37 Gij, o Koning, zijt een Koning der Koningen; want de God des hemels heeft u een koninkrijk, macht en sterkte en eer gegeven;

38 en overal waar menschenkin-deren wonen heeft hij de beesten des velds en de vogelen cies hemels in uwe hand gegeven , en hij heeft u gesteld tot een heerscher over alle dezelve; gij zijt dat gouden hoofd.

39 En na u zal een ander koninkrijk opstaan, lager dan het uwe: quot;daarna een ander, het derde koninkrijk, van koper, hetwelk heerschen zal over de geheele aarde.

40 En het vierde koninkrijk zal hard zijn gelijk ijzer, aangezien het ijzer alles vermaalt en vergruist: gelijk nu het ijzer dat dit alles verbreekt, a/zoo zal het vermalen en verbreken.

41 En dat gij gezien hebt de voeten en de teenen ten deelc van pottenbakkers leem en ten deele van ijzer: dat zal een gedeeld koninkrijk zijn, doch daar zal van des ijzers vastigheid in zijn, ten welken aanzien gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem;

42 en de teenen der voeten ten deete ijzer en ten deele leem: dat koninkrijk zal ten deele hard zijn en ten deele broos.

43 En dat gij gezien hebt ijzer vermengd met modderig leem: zij zullen zich zuel door mensche-lijk zaad vermengen, maar zij zullen de één aan den ander niet hechten, gelijk als zich ijzer met leem niet vermengt.

44 Doch in de dagen van die Koningen zal de God des hemels een koninkrijk verwekken dat in eeuwigheid niet zal verstoord worden, en dat koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal alle die koninkrijken vermalen en te niet doen,, maar zelf zal het in alle eeuwigheid bestaan.

45 Daarom hebt gij gezien dat uit den berg een steen zonder handen afgehouwen is geworden, die het ijzer, koper, leem, zilver en goud vermaalde: de groote God heeft den Koning bekend ge-


-ocr page 980-

ËL 3.

958

DANI

maakt wat hierna geschieden zal; de droom nu is gewis, en zijne uitlegging is zeiter.

46 Toen viel de Koning Nebu-kadnezar op zijn aangezicht en aanbad Daniël, en hij zeide dat men hem met spijsoffer en liefelijk reukwerk een \'drankoifer doen zoude.

47 De Koning antwoordde Daniël en zeide: Het is de waarheid, dat ulieder God een God der goden is en een Heer der Koningen, en die de verborgenheden openbaart, dewijl gij deze verborgenheid hebt kunnen openbaren.

48 Toen maakte de Koning Daniël groot, en hij gaf hem vele groote geschenken; en hij stelde hem tot een heerscher over het gansche landschap van Dabei, en tot een overste der overheden over alle de wijzen van Dabei.

49 Toen verzocht Daniël van den Koning; en hij stelde Sadrach, Mesach en Abednego over de bediening van het landschap van Dabei; maar Daniël bleef aan de poorte des Konings.

HOOFDSTUK 3.

De Koning Nebukadnezar maakte een beeld van goud, welks hoogte was zestig ellen, zijne breedte zes ellen ; hij richtte het op in het dal Dura, in het landschap van Dabei.

2 En de Koning Nebukadnezar zond henen om te verzamelen de stadhouders , de overheden en de landvoogden , de wethouders , de schatmeesters, de raadsheeren, de ambtlieden, en alle de bewindvoerders der landschappen, dat zij komen zonden tot de inwijding van het beeld hetwelk de Koning Nebukadnezar had opgericht.

3 Toen verzamelden zich de stadhouders, de overheden, de landvoogden de wethouders, de schatmeesters , de raadsheeren , de ambtlieden, en alle de bewindvoerders der landschappen, tot inwijding van het beeld hetwelk de Koning Nebukadnezar had opgericht; en zij stonden voor het beeld dat Nebukadnezar opgericht had.

4 En een heraut riep met kracht: Men zegt u aan , gij volken, gij natiën en tongen ,

5 ten tijde als gij hooren zult het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalters, dos accoordgezangs, en allerlei soorten van/muziek, zoo zult gijlieden nedervallen, en aanbidden het gouden beeld hetwelk de Koning Nebukadnezar heeft opgericht, ;

ü en wie niet nedervalt en aanbidt, die zal terzelfder ure in het midden van den oven des brandenden vuurs geworpen worden.

7 Daarom op dien tijd als alle de volken hoorden het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalters, en allerlei soorten van muziek, aanbaden alle volken, natiën en tongen ne-dervaliende het gouden beeld hetwelk de Koning Nebukadnezer had opgericht.

8 Daarom naderden juist terzelfder tijd Ghaldeeuwsche mannen , die de Joden openlijk beschuldigden :

9 zij antwoordden en zeiden tot den Koning Nebukadnezar: O Koning, leef in eeuwigheid.

■10 Gij , o Koning, hebt een bevel gegeven, dat alle menschen die hooren zouden het geluid des hoorns, der pijp, der citer, der vedel, der psalters en des accoordgezangs , en allerlei soorten van muziek, nedervallen en het gouden beeld aanbidden zouden;

11 en wie niet nederviel en aanbad, die zoude in het midden van den oven des brandenden vuurs geworpen worden.

12 Daar zijn Joodsche mannen, die gij over de bediening van het landschap Dabei gesteld hebt, Sadrach, Mesach en Abednego; deze mannen, o Koning, hebben op u geen acht gesteld, uwe goden eeren zij niet, en zij bidden het gouden beeld niet aan hetwelk gij opgericht hebt.

13 Toen zeide Nebukadnezar in toorn en grimmigheid, dat men Sadrach, Mesach en Abednego


-ocr page 981-

ËL 3.

DANI

959

voortbrengen zoude: toen werden die mannen voor den Koning gebracht.

14 Nebukadnezar antwoordde en zeide tot hen : Is het met opzet, Sadrach, Mesach en Abednego, dat gijlieden mijne goden niet eert en het gouden beeld dat ik opgericht heb niet aanbidt?

15 Nu dan, zoo gijlieden gereed zijt, dat gij ten tijde als gij hooren zult het geluid des hoorns , der pijp, der citer, der vedel, der psalters en des accoordgezangs, en allerlei soort van muziek, ne-dervalt en aanbidt het beeld dat ik gemaakt heb, zoo is \'£ waf; maar zoo gijlieden het niet aanbidt , terzelfder ure zult gijlieden geworpen worden in het midden van den oven des brandenden vuurs: en wie is de God die ulieden uit mijne handen verlossen zoude ?

16 Sadrach, Mesach en Abednego antwoordden en zeiden tot den Koning Nebukadnezar: Wij hebben niet van noode u op deze zake te antwoorden.

17 Zal \'tzoo zijn , onze God dien wij eeren is machtig ons te verlossen uit den oven des brandenden vuurs , en hij zal ons uit uwe hand, o Koning, verlossen.

18 Maar zoo niet, u zij bekend, o Koning , dat wij uwe goden niet zullen peren, noch het gouden beeld dat gij hebt opgericht zullen aanbidden.

19 Toen werd Nebukadnezar vol grimmigheid, en degedanntezijns aangezichts veranderde tegen Sadrach , Mesach en Abednego; hij antwoordde en zeide, dat men den oven zevenmaal meer heet maken zoude dan men dien placht heet te maken;

20 en tot de sterkste mannen van kracht die in zijn heir waren, zeide hij, dat zij Sadrach , Mesach en Abednego binden zouden, om ze te werpen in den oven des brandenden vuurs.

21 Toen werden die mannen gebonden in hunne mantels, hunne broeken en hunne hoeden en hunne andere kleederen, en zij wierpen ze in het midden van den oven dos brandenden vuurs.

22 Daarom dan, dewijl het woord des Konings aandreef, en de oven zeer heet was, zoo hebben de vonken des vuurs die mannen, die Sadrach, Mesach en Abednego opgeheven hadden, gedood.

23 Maar als die drie mannen, Sadrach, Mesach en Abednego, in het midden van den oven des brandenden vuurs gebonden zijnde gevallen waren,

24 toen ontzette zich de Koning Nebukadnezar, en hij stond op in haast, antwoordde en zeide tot zijne raadsheeren: Hebben wij niet drie mannen in het midden des vuurs gebonden zijnde geworpen ? Zij antwoordden en zeiden tot den Koning: \'tls gewis, o Koning.

25 Hij antwoordde en zeide: Zie, ik zie vier mannen los wandelende in het midden des vuurs, en daar is geen verderf aan hen; en do gedaante des vierden is gelijk van eonen zoon der goden.

26 Toen naderde Nebukadnezar tot de deur van den oven des brandenden vuurs, antwoordde en sprak: Gij Sadrach, Mesach en Abednego, gij knechten des aller-hoogsten Gods, gaat uit en komt hier. Toen gingen Sadrach, Mesach en Abednego uit het midden des vuurs.

27 Toen vergaderden zich de stadhouders, de overheden en de landvoogden en de raadsheeren des Konings, deze mannen beziende , omdat het vuur over hunne lichamen niet geheerscht had, en dat het haar huns hoofds niet verbrand was en hunne mantels niet veranderd waren, ja, dat de reuk des vuurs daardoor niet gegaan was.

28 Nebukadnezar antwoordde en zeide: Geloofd zij de God van Sadrach , Mesach en Abednego, die zijnen Engel gezonden en zijne knechten verlost heelt die op hem vertrouwd hebben, en des Konings woord veranderd, en hunne lichamen overgegeven hebben, opdat zij geenen god eerden noch aanbaden dan hunnen God.

29 Daarom wordt van mij een bevel gegeven, dat alle volk, natie en tong, d:.e lastering spreekt


-ocr page 982-

Ë L 4.

| 10 De gezichten nu mijns hoofds ; \' op mijn leger waren deze: ik : zag, en zie, daar was een boom p in het midden der aarde, en zijne hoogte was groot;

11 de boom werd groot en sterk, [ en zijne hoogte reikte aan den hemel, en hij werd gezien tot [ aan het einde der gansche aarde. :

12 Zijn loof was schoon en zijne | vruchten waren vele, en daar | was spijze aan denzei ven voor | allen; onder hem vond het ge- pi dierte des velds schaduw, en de r vogelen des hemels woonden in g zijne takken, en alle vleesch werd | daarvan gevoed.

13 Ik zag verder in de gezichten | mijns hoofds op mijn leger, en ^ zie, een wachter, namelijk een J heilige, kwam af van den hemel, |

14 roepende met kracht en al- * dus zeggende: Houwt dien boom i af en kapt zijne takken af, stroopt zijn loof af en verstrooit zijne ij vruchten , dat de dieren van onder j hem wegzwerven en de vogelen : van zijne takken;

15 doch laat den stam met zijne | wortelen in de aai de, en met eenen :] ijzeren en koperen band in het ^ teedere gras des velds; en laat hij in den dauw des hemels nat gemaakt worden, en zijn deel zij met het gedierte in het kruid der aarde. i|

16 Zijn hart worde veranderd, dat het geens ncnschen hart meer zij, en hem worde eens beesten hart gegeven, en laat zeven tijden over hem voorbijgaan.

17 Deze zaak is in het besluit der wachters, en deze begeerte

is in het woord der heiligen; opdat a de levenden bekennen dat de Aller- J hoogste heerschappij heeft over de •\' koninkrijken der menschen, en y geeft ze\'aan wien hij wil, ja, zet | daarover den laagste onder de I menschen.

18 Dezen droom heb ik, Koning ^ Nebukadnezar, gezien; gij nu y Beltsazar , zeg de uitlegging van ; dien, dewijl alle de wijzen mijns ; koninkrijks mij de uitlegging niet j hebben kunnen bekend maken, ( maar ^ij kunt wel, dewijl de geest der heilige goden in u is.

ÖÖO t) A NI

tegen den God van Sadrach, j Mesach en Abednego, in stukken | gehouwen worde, en zijn huis tot! een drekhoop gesteld worde; want daar is geen andere God die alzóó verlossen kan.

30 Toen maakte de Koning Sadrach , Mesach en Abednego voorspoedig in het landschap van Babel.

HOOFDSTUK 4.

De Koning Nebukadnezar aan alle volken, natiën en tongen,die op den ganschen aardbodem wonen: uw vrede worde vermenigvuldigd.

2 Het behaagt mij te verkondigen de teekenen èn wonderen die de allerhoogste God aan mij gedaan heeft.

3 Hoe groot zijn zijne teekenen en hoe machtig zijne wonderen, zijn rijk is een eeuwig rijk en zijne heerschappij is van geslacht tot geslacht.

4 Ik Nebukadnezar, gerust zijnde in mijn huis, en in mijn paleis groenende,

5 zag een droom die mij vervaarde, en de gedachten die ik op mijn bed had en de gezichten mijns hoofds beroerden mij.

6 Daarom is er een bevel van mij gesteld, dat men voor mij zoude inbrengen alle de wijzen van Babel, opdat zij mij de quot;uitlegging van dien droom zouden bekend maken.

7 Toen kwamen in de toove-naars, de sterrenkijkers, de Chal-decn en de waarzeggers; en ik zeide den droom voor hen, maar zij maakten mij zijne uitlegging niet bekend:

8 totdat ten laatste Daniël voor mij inkwam, wiens naam Beltsazar is, naar den naam mijns Gods, in wien ook de geest der heilige goden is; en ik vertelde den droom voor hem, zegyende :

9 Beltsazar, gij overste dertoo-venaars, dewijl ik weet dat de geest der heilige goden in u is, en geen verborgenheid u zwaar is, zoo zeg de gezichten mijns drooms dien ik gezien heb, te weten zijne uitlegging.

-ocr page 983-

DAN

49 Toen ontzette zich Daniël, wiens naam Beltsazar is, bij een uur lang, en zijne gedachten beroerden hem. De Koning antwoordde en zeide : Beltsazar, laat u de droom en zijne uitlegging niet beroeren. Beltsazar antwoordde en zeide: Mijn heer, de droom wedervare uwe hateren, en zijne uitlegging uwe wederpartijders.

20 De boom dien gij gezien hebt, die groot en sterk géworden was, en wiens hoogte tot aan den hemel reikte, en die over het gansche aardrijk gezien werd,

21 èn wiens loof schoon en wiens vruchten vele waren, en waar spijze aan was voor allen, onder wien het gedierte des velds woonde en in wiens takken de vogelen des hemels nestelden, —

22 dat zijt gij, o Koning, die groot en sterk zijt geworden; want uwe grootheid is zóó gewassen dat zij reikt aan den hemel, en uwe heerschappij aan het einde des aardrijks.

23 Dat nu de Koning eenen wachter, namelijk eenen heilige, gezien heeft van den hemel afkomende , die zeide: Houwt dezen boom af en verderft hem, doch laat den stam met zijne wortelen in de aarde, en met eenen ijzeren en koperen band in het teedere gras des velds, en in den dauw des hemels nat gemaakt worden, en dat zijn deel zij met het gedierte des velds, totdat er zeven tijden over hem voorbijgaan: —

24 dit is de beduiding, o Koning, en dit is een besluit des Aller-hoogsten, hetwelk over mijnen heere den Koning komen zal:

25 te weten, men zal u van de menschen verstoeten, en met het gedierte des velds zal uwe woning zijn, en men zal u kruid als den ossen te smaken geven, en gij •zult van den dauw des hemels nat gemaakt worden, en daar zullen zeven tijden over u voorbijgaan : totdat gij bekent dat-de\' A\'llerhoogste heerschappij heeft! over de koninkrijken der menschen, en ze geeft wien hij wil.

26 Dat er ook gezegd is, dat men den stam met dc wortelen

Ë L 4. ge!

van dien boom laten zoude: — uw koninkrijk zal u bestendig zijn, nadat gij zult bekend hebben dat de hemel heerscht.

27 Daarom, o Koning, laat mijn raad u behagen, en breek uwe zonden af door gerechtigheid, en uwe ongerechtigheden door genade te bewijzen aan de ellendigen: of er verlenging van uwen vrede mocht wezen.

28 Dit alles overkwam den Koning Nebukadnezar.

29 Want op het einde van twaalf maanden , toen hij op het konink-\'J^ paleis van Babel wandelde,

30 sprak de Koning en zeide: Is dit niet het groote Babel, dat ik gebouwd heb tot een huis des koninkrijks, door dc sterkte mijner macht en ter eere mijner heerlijkheid?

31 Dit woord nog zijnde in des Konings mond, viel er eene stemme uit den hemel: U, o Koning Nebukadnezar, wordt gezegd: Het koninkrijk is van u gegaan ;

32 en men zal u uit de menschen verstoeten, en uwe woning zal bij de beesten des velds zijn; men zal u gras te smaken geven als den ossen, en daar zullen zeven tijden over u voorbijgaan : totdat gij bekent dat de Allerhoogste over de koninkrijken der menschen heerschappij heeft, en dat hij ze geeft aan wien hij wil.

33 Terzelfder ure werd dat woord volbracht over Nebukadnezar; want hij werd uit dc menschen verstoeten, en hij at gras als dc ossen , en zijn lichaam werd van den dauw des hemels nat gemaakt, totdat zijn haar wies als der arenden vederen, en zijne nagelen als der vogelen.

34 Ten einde dezer dagen nu hief ik, Nebukadnezar, mijne oogen op ten hemel want mijn verstand kwam weder in mij; en ik loofde den Allerhoogste, en ik prees en verheerlijkte den Eeuwig-levende, omdat zijne heerschappij is eene eeuwige heerschappij, en zijn koninkrijk is van geslachte tót geslachte;

30 en alle do inwoners der aarde


31

-ocr page 984-

9G*2 D A N I

zijn als niets geacht, en hij doet naar zijnen wil met het heir des hemels quot;en de inwoners der aarde, en daar is niemand die zijne hand afslaan of tot hem zeggen kan: Wat doet gij ?

36 Terzelfder tijd kwam mijn verstand weder in mij; ook kwam de heerlijkheid mijns koninkrijks, mijne majesteit en mijn glans weder op mij, en mijne raadshee-ren en mijne geweldigen zochten mij, en ik werd in mijn koninkrijk bevestigd, en mij werd grooter heerlijkheid toegevoegd.

37 Naprijs ik, Nebukadnezar, en verhoog en verheerlijk den Koning des hemels, omdat alle zijne werken waarheid en zijne paden gerichten zijn, en hij is machtig te vernederen degenen die in hoogmoed wandelen.

HOOFDSTUK 5.

De Koning Belsazar maakte een grooten maaltijd voor zijne duizend geweldigen, \'en hij dronk wijn voor die duizend.

2 Als Belsazar den wijn geproefd had, zeide hij, dat men de gouden en zilveren vaten voortbrengen zoude, die zijn vader Nebukadnezar uil den Tempel, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had; opdat de Koning en zijne geweldigen, zijne vrouwen en zijne bijwijven uit dezelve dronken.

\'3 Toen bracht men voort de gouden vaten die men uit den Tempel van het Huis Godes, die te Jeruzalem geweest was, weggevoerd had, en de Koning en zijne geweldigen, zijne vrouwen en zijne bijwijven dronken daaruit;

4 zij dronken den wijn, en prezen de gouden en de zilveren, de koperen, de ijzeren, de houten en de steenen goden.

5 Terzelfder ure kwamen daar vingeren van eens menschen hand voort, die schreven tegenover den kandelaar, op de kalk van den wand van het koninklijk paleis, en de Koning ^ag het deel der hand die daar schreef.

6 Toen veranderde zich de glans des Konings, en zijne gedachten verschrikten hem , en de banden

ËL 5.

zijner lendenen werden los, en zijne knieën stieten tegen malkander aan;

7 zoodat de Koning met kracht riep, dat men de sterrenkijkers, de Chaldeën en de waarzeggers inbrengen zoude; cn de Koning antwoordde cn zeide tot de wijzen van Babel: Alle man die dit schrift lezen en deszelfs uitlegging mij te kennen zal geven, die zal met purper gekleed worden, met eene gouden keten om zijnen hals, en hij zal de derde heerscher in dit koninkrijk zijn.

8 Toen kwamen alle de wijzen des Konings in; maar zij konden dit schrift niet lezen noch den Koning deszelfs uitlegging bekend maken.

9 Toen verschrikte de Koning Belsazar zeer, en zijn glans werd aan hem veranderd, en zijne geweldigen werden verbaasd.

iü Om deze woorden des Konings cn zijner geweldigen ging de Koningin in het huis des maal-tijds ; de Koningin sprak en zeide : Ó Koning, leef in eeuwigheid: laat uwe gedachten u niet verschrikken en uw glans niet veranderd worden:

11 daar is een man in uw koninkrijk, in wien de geest der heilige goden is ; want in de dagen uws vaders is bij hem gevonden licht en verstand en wijsheid, gelijk de wijsheid der goden is: daarom stelde hem de Koning Nebukadnezar, uw vader, tot een overste der toovenaars, der sterrenkijkers, der Chaldeën en der waarzeggers, uw vader, o Koning;

12 omdat een voortreffelijke geest en wetenschap onverstand van een die droomen uitlegt, en der verklaring van raadselen, en van een die knoopen ontbindt, gevonden werd in hem, in Daniël, dien de Koning den naam Beltsa-zar gaf: laat nu Daniël geroepen worden, die zal de uitlegging te kennen geven.

13 Toen we \'d Daniël voor den Koning ingebracht. De Koning antwoordde en zeide tot Daniël; Zijt gij die Daniël, een uit de gevankelijk weggevoerden van Ju-


-ocr page 985-

DANIËL 6.

963

da, die de Koning, mijn vader, uit Juda gebracht heeft?

14 Ik heb toch van u gehoord, dat de geest der goden in u is, en dat er licht en verstand en voortreffelijke wijsheid in u gevonden wordt.

15 Nu zoo zijn voor mij gebracht de wijzen en de sterrenkijkers, om dit schrift te lezen en deszelfs uitlegging mij bekend te maken; maar zij kunnen de uitlegging dezer woorden niet te kennen geven.

10 Doch van u heb ik gehoord dat gij uitleggingen kunt geven en knoopen ontbinden; nu, indien gij dit schrift zult lezen en des-zelfs uitlegging mij bekend maken, zult gij met purper bekleed worden , met eene gouden keten om uwen hals, en gij zult de derde heerscher in dit koninkrijk zijn.

17 Toen antwoordde Daniel en zeide voor den Koning: Heb uwe gaven voor uzelven en geef uwe vereeringen aan een ander: ik zal nogtans het schrift voor den Koning lezen, en de uitlegging zal ik hem bekend maken.

18 Wat u aangaat, o Koning, de allerhoogste God heeft uwen vader Nebukadnezar het koninkrijk en grootheid en eer en heerlijkheid gegeven;

19 en vanwege de grootheid die hij hem gegeven had, beefden en sidderden alle volkeren, natiën en tongen voor hem: wien hij wilde doodde hij en wien hij wilde behield hij in het leven, en wien hij wilde verhoogde hij en wien hij wilde vernederde hij.

20 Maar toen zijn hart zich verhief en zijn geest zich verhardde ter hooyaardij , werd hij van den troon zijns koninkrijks afgestooten, en men nam de quot; eere van hem weg;

21 en hij werd van de kinderen der menschen verstoeten, en zijn hart werd den beesten gelijk gemaakt , en zijne woning was irij do woudezels; men gaf hem gras te smaken gelijk den ossen, en zijn lichaam werd van den dauw des hemels nat gemaakt: totdat hij bekende dat God, de Allerhoogste,

Heerscher is over de koninkrijken der menschen, en over dezelve stelt wien hij wil.

22 En gij Belsazar, zijn zoon , hebt uw hart niet vernederd , alhoewel gij dit alles wel geweten hebt;

23 maar gij hebt u verheven tegen den Heere des hemels, en men heeft de vaten van zijn Huis voor u gebracht, en gij \'en uwe geweldigen, uwe vrouwen en uwe bijwijven hebben wijn uit dezelve gedronken; en de goden van zilver en goud , koper , ijzer , hout en steen, die niets zien noch hooren noch weten, hebt gij geprezen, maar dien God in wiens hand uw adem is en bij wien alle uwe paden zijn hebt gij niet verheerlijkt: —

24 toen is dat deel der hand van hem gezonden en dit schrift ge-teekend geworden;

25 dit nu is het schrift dat daar geteekend is: Mené mené tekél

ufarsin.

26 Dit is do uitlegging dezer woorden: Menk : God heeft uw koninkrijk geleld en hij heeft het voleind ;

27 tekél: gij zijt in weegschalen gewogen en gij zijt te licht gevonden;

28 i\'ERÈs : uw koninkrijk is . er-deeld en het is den Meden en den Perzen gegeven.

29 Toen beval Belsazar en zij bekleedden Daniël met purper, met eene gouden keten om zijnen hals, en zij riepen overluid van hem dat hij de derde heerscher in liet koninkrijk was.

30 In dienzeifden nacht werd Belsazar der Ghaldeën Koning gedood.

HOOFDSTUK 0.

Darfus de Meder nu ontving het koninkrijk omtrent tweeënzestig jaren oud zijnde.

2 En het docht Darfus goed, dat hij over het koninkrijk stelde honderd en twintig stadhouders , die over het gansche koninkrijk zijn zouden;

3 en over dezelve drie Vorsten, van welke Daniël de eerste zijn zoude, denwelken de stadhouders


-ocr page 986-

DANIËL 6.

964

zelve zouden rekenschap geven, opdat de Koning geen schade leed.

4 Toen overtrof deze Daniël de Vorsten en de stadhouders, daarom dat een voortreffelijker geest in hem was; en de Koning dacht hem te stellen over het geheele koninkrijk.

5 Toen zochten de Vorsten en de stadhouders gelegenheid te vinden tegen Daniël vanwege het koninkrijk; maar zij konden geen gelegenheid noch misdaad vinden, dewijl hij getrouw was en geen vergrijp noch misdaad in hem gevonden werd.

6 Toen zeiden die mannen: Wij zullen tegen dezen Daniël geen gelegenheid vinden, tenzij dat wij tegen hem iets vinden in de wet zijns Gods.

7 Zoo kwamen deze Vorsten en de stadhouders met hoopen tot den Koning, en zeiden aldus tot hem: O Koning Darius, leef in eeuwigheid.

8 Alle de Vorsten des rijks, de overheden en stadhouders, de raadsheeren en landvoogden hebben gezamenlijk beraadslaagd, eene koninklijke ordinantie te stellen en een sterk gebod te maken, dat al wie in dertig dagen een verzoek doen zal van eenigen god of mensch, behalve van u, o Koning. in den kuil der leeuwen zal geworpen worden.

9 Nu, o Koning, gij zult een gebod bevestigen en een geschrift teekenen, dat niet veranderd worde, naar de wet der Meden en der Perzen, die niet mag herroepen worden.

10 Daarom teekende de Koning Dan\'us dat geschrift en gebod.

11 Toen nu Daniël verstond dat dit geschrift geteekend was, ging hij in zijn huis, (hij nu had in zijne opperzaal open vensters tegen Jeruzalem aan), en hij knielde driemaal \'s daags op zijne knieën, en hij bad en deed belijdenis voor zijnen God, ganschelijk gelijk hij vóór dezen gedaan had.

12 Toen kwamen die mannen met hoopen, en zij vonden Daniël biddende en smeekendevoor zijnen God.

13 Toen kwamen zij nader en spraken voor den Koning van het gebod des Konings: Hebt gij niet een gebod geteekend, dat alle man die in dertig dagen van eenigen god of mensch iets verzoeken zoude, behalve van u , o Koning, in den kuil der leeuwen zoude geworpen worden? De Koning antwoordde en zeide: Het is een vast woord, naar de wet der Meden en Perzen, die niet mag herroepen worden.

14 Toen antwoordden zij en zeiden voor den Koning: Daniël, een van de gevankelijk weggevoerden uitJuda, heeft, o Koning, op u geen acht gesteld noch op het gebod dat gij geteekend hebt, maar hij bidt op drie tijden \'s daags zijn gebed.

15 Toen de Koning deze rede hoorde, was hij zeer bedroefd bij zichzelven, en hij stelde het hart op Daniël om hem te verlossen, ja, tot den ondergang der zon toe bemoeide hij zich om hem te redden.

16 Toen kwamen die mannen met hoopen tot den Koning, en zij zeiden tot den Koning: Weet, o Koning, dat der Meden en der Perzen wet is, dat geen gebod noch ordinantie die de Koning verordend heeft mag veranderd worden.

17 Toen beval de Koning en zij brachten Daniël voort, en wierpen hem in den kuil der leeuwen; en de Koning antwoordde en zeide tot Daniël: Uw God, dien gij geduriglijk eert, die verlosse u.

18 En daar werd een steen gebracht en op den mond des kuils gelegd; en de Koning verzegelde denzei ven met zijnen ring en met den ring zijner geweldigen. opdat de wil aangaande Daniël niet zoude veranderd worden.

19 Toen ging de Koning naar zijn paleis, en overnachtte nuch-teren, en liet geen vreugdespel voor zich brengen, en zijn slaap week verre van hem.

20 Toen stond de Koning inden vroegen morgenstond met het licht op, en hij ging met haaste henen tot den kuil der leeuwen.


-ocr page 987-

ËL 7.

D ANI

965

21 Als hij nu tot den kuil genaderd was, riep hij tot Daniël met eene droeve stem; de Koning antwoordde en zeide tot Daniël: O Daniël, gij knecht des levenden Gods, heeft ook uw God dien gij geduriglijk eert u van de leeuwen kunnen verlossen ?

22 Toen. sprak Daniël tot de i Koning: O Koning, leef in eeuwigheid:

23 mijn God heeft zijnen Engel gezonden, en hij heeft den muil der leeuwen toegesloten, dat zij mij niet beschadigd hebben, omdat voor hem onschuld in mij gevonden is; ook heb ik, o Koning, tegen u geen misdaad gedaan.

24 Toen werd de Koning bij zich-zelven zeer vroolijk, en zeide dat men Daniël uit den kuil trekken zoude. Toen Daniël uit den kuil opgetrokken was, zoo werd er geen schade aan hem gevonden, dewijl hij m zijnen God geloofd had.

25 Toen beval de Koning en zij brachten die mannen voort. die Daniël overluid beschuldigd hadden, en zij wierpen in den kuil der leeuwen hen, hunne kinderen en hunne vrouwen, en zij kwamen niet op den grond des kuils, of de leeuwen heerschten over lien. zij vermorzelden ook alle hunne beenderen.

26 Toen schreef de KoningDarius aan alle volkeren, natiën en tongen die op do gansche aarde woonden: Uw vrede worde vermenigvuldigd.

27 Van mij is een bevel gegeven, dat men in de gansche heerschappij mijns koninkrijks beve en siddere voor het aangezicht van den God Daniels; want hij is de levende God, en bestendig in eeuwigheden, en zijn koninkrijk is niet verderfelijk, en zijne heerschappij is tot den einde toe;

28 hij verlost en redt, en hij doet teekenen en wonderen in den hemel en op de aarde: die heeft Daniël uit het geweld der leeuwen verlost.

29 Deze Daniël nu had voorspoed in het koninkrijk van Dan\'us en in hot koninkrijk van Kores den Perziaan.

HOOFDSTUK 7.

In het eerste jaar van Belsazar, den Koning van Babel, zag Daniël eenen droom en gezichten zijns hoofds op zijn leger; toen schreef hij dien droom en hij zeide de hoofdsom der zaken.

2 Daniël antwoordde en zeide: Ik zag in mijn gezichte bij nacht, en zie, de vier winden des hemels braken voort op de groote zee.

3 En daar klommen vier groote dieren op uit de zee, het één van het ander verscheiden;

4 het eerste was als een leeuw, en het had arendsvleugelen; ik zag toe totdat zijne vleugelen uitgeplukt waren, en het werd van de aarde opgeheven, en op de voeten gesteld als een mensch, en aan hetzelve werd eens menschen hart gegeven.

ö Daarna zie, het andere dier, het tweede, was gelijk een beer, en stelde zich aan de ééne zijde, en het had drie ribben in zijnen muil tusschen zijne tanden; en men zeide aldus tot hetzelve: Sta op, eet veel vleesch.

(3 Daarna zag ik , en zie , daar was een ander dier, gelijk een luipaard, en het had vier vleugels eens vogels op zijnen rug, ook had dat dier vier hoofden, en aan hetzelve werd de heerschappij gegeven.

7 Daarna zag ik in de nachtgezichten , en zie, het vierde dier was schrikkelijk en gruwelijk en zeer sterk, en het had groote ijzeren tanden, het aten verbrijzelde, en vertrad het overige met zijne voeten; en het was verschillend van alle de dieren die vóór hetzelve geweest waren; en het had tien hoornen.

8 Ik gaf acht op de hoornen, en zie , een andere kleine hoorn kwam op tusschen dezelve, en drie uit de vorige hoornen werden uitgerukt voor denzelven; en zie, in dien hoorn waren oogen als menschenoogen, en een mond groote dingen sprekende.

9 Dit zag ik, tot dat er tronen gezet werden, en de Oude van dagen zich zette, wiens kleed wit


-ocr page 988-

906 D A NI

was als de sneeuw, en het haar zijns hoofds als zuivere wol; zijn troon was vuurvonken, deszelfs raderen een brandend vuur;

10 eene vurige rivier vloeide en ging van voor hem uit, duizendmaal duizenden dienden hem , en tien-duizendmaal tienduizenden stonden voor hem ; het gericht zette zich en de boeken werden geopend.

11 Toen zag ik toe vanwege de stem der groote woorden welke die hoorn sprak; ik zag toe, totdat het dier gedood en zijn lichaam verdaan werd, en overgegeven om door het vuur verbrand te worden;

12 en aangaande de overige dieren, men nam hunne heerschappij weg, want verlenging van het leven was hun gegeven tot tijd en stonde toe.

13 Voorts zag ik in de nachtgezichten , en zie, daar kwam een met de wolken des hemels, als eens menschen zoon, en hij kwam tot den Oude van dagen, en zij deden hem voor denzelven naderen ;

14 en hem werd gegeven heerschappij en eer en het koninkrijk, dat hem alle volkeren, natiën en tongen eeren zouden; zijne heerschappij is eene eeuwige heerschappij die niet vergaan zal, en zijn koninkrijk zal niet verdorven worden.

15 Mij, Daniël, werd mijn geest doorstoken in het midden van het lichaam , en de gezichten mijns hoofds verschrikten mij.

16 Ik naderde tot een dergenen die daar stonden, en verzocht van hem de zekerheid over dit alles; en hij zeide ze mij, en gaf mij de uitlegging dezer zaken te kennen.

17 Deze groote dieren, die vier zijn, zijn vier Koningen die uit de aarde opstaan zullen.

18 Maar de heiligen der hooge plaatsen zullen dat koninkrijk ontvangen , en zij zullen het rijk bezitten tot in eeuwigheid, ja ,\'tot in eeuwigheid der eeuwigheden.

19 Toen wenschte ik naar de waarheid aangaande het vierde dier, hetwelk verschillend was van alle do andere, zeer gruwelijk,

ËL 7.

welks tanden van ijzer waren, en zijne klauwen van koper, het at, het verbrijzelde , en vertrad het overige met zijne voeten;

20 en aangaande de tien hoornen die op zijn hoofd waren , en den anderen die opkwam, en voor welken er drie afgevallen waren, namelijk dien hoorn die oogen had en een mond die groote dingen sprak, en wiens aanzien grooter was dan zijner metgezellen:

21 ik had gezien dat die hoorn krijg voerde tegen de heiligen, en dat hij die overmócht,

22 totdat de Oude van dagen kwam, en het gericht gegeven werd aan de heiligen der hooge plaatsen, en dat de bestemde tijd kwam dat de heiligen het rijk bezaten.

23 Hij zeide aldus: Het vierde dier zal het vierde rijk op aarde zijn, dat verschillend quot;zal /ijn van alle die rijken; en het zal de gansche aarde opeten en het zal dezelve vertreden en het zal ze verbrijzelen.

24 Belangende nu de tien hoornen, uit dat koninkrijk zullen tien Koningen opslaan; en een ander zal na hen opstaan, en die zal verschillend zijn van de vorigen, en hij zal drie Koningen vernederenquot;;

25 en hij zal woorden spreken tegen den Allerhoogste, en hij zal de heiligen üQvhoogQ plaat sen verstoren, en hij zal meenen do tijden en de we-t. te veranderen , en zij zullen in deszelfs hand overgegeven worden tot eencn tijd en lijden en een gedeelte eens tijds.

26 Daarna zal het gericht zitten, en men zal zijne heerschappij wegnemen , hem verdelgende en verdoende lot den einde toe.

27 Maar het rijk en de heerschappij en de grootheid der koninkrijken onder den ganschen hemel zal gegeven worden aan het volk der heiligen der hooge plaatsen, we\'ks rijk een eeuwig rijk zijn zal, en alle heerschappijen zullen hem eeren en gehoorzamen .

28 Tot hiertoe is het einde dezer


-ocr page 989-

DANI

rede. Wat mij, Daniël, aangaat, gt; mijne gedachten verschrikten mij zeer, en mijn glans veranderde aan mij ; doch ik bewaarde dat \' woord in mijn hart.

HOOFDSTUK 8.

In het derdejaar van het koninkrijk des Konings Belsazars ver-| scheen mij een gezicht, mij Daniël, na hetgeen dat mij in het eerste verschenen was;

2 en ik zag in een gezicht, (het geschiedde nu toen ik het zag,

• dat ik in den burg Susan was, welke in het landschap Elam is), ik zag dan in een gezicht, dat ik aan den vloed Ulai was.

3 En ik hief mijne oogen op en ik zag, en zie, een ram stond voor dien vloed, die had twee hoornen, en die twee hoornen waren hoog, en de ééne was hooger dan de andere, en de hoogste kwam het laatst op.

4 Ik zag dat de ram met de hoornen tegen het Westen stiet, en tegen het Noorden, en tegen het Zuiden, en geene dieren kon-

; den voor zijn aangezicht bestaan, ; en daar was niemand die uit zijne hand verloste, maar hij deed naar zijn welgevallen en hij maakte zich groot.

5 Toen ik dit overleide , zie , daar kwam een geitenhok van het Westen over den ganschen aardbodem, en roerde de aardeniet aan; en die bok had een aanzienlijken hoorn tnsschen zijne oogen.

U En hij kwam tot den ram die de twee hoornen had, dien ik had zien staan voor den vloed, en hij liep op hem aan in de grimmigheid zijner kracht;

7 en ik zag hem nakende aan den ram, en hij verbitterde zich tegen hem, en hij stiet den ram, en hij brak zijne beide hoornen, en in den ram was geen kracht om voor zijn aangezicht te bestaan,

IB en hij wierp hem ter aarde en hij vertrad hem, en daar was niemand die den ram uit zijne macht verloste.

8 En de geitenhok maakte zich uitermate groot; maar toen hij sterk geworden was, brak die

Ë L 8. 9G7

groote hoorn, en daar kwamen op aan deszelfs plaats vier aanzienlijke , naar de vier winden des hemels.

9 En uit eenen van die kwam voort een kleine hoorn, welke uitnemend groot werd, tegen het Zuiden , en tegen het Oosten, en tegen het sierlijke land.

10 En hij werd groot tot aan het heir des hemels, en hij wierp er sommigen van dat heir, namelijk van de sterren, ter aarde neder en vertrad ze;

11 ja , hij maakte zich groot tot aan den Vorst van dat heir, en van denzelve werd weggenomen het gedurig ofjer, en de woning zijns heiligdoms werd nederge-worpen,

12 en het heil\' werd in den afval overgegeven tegen het gedurig offer; en hij wierp de waarheid ter aarde, en deed het, en het gelukte wel.

13 Daarna hoorde ik eenen heilige spreken, en de heilige zeide tot den ongenoemde die daar sprak: Tot hoe lang zal dat gezicht van het gedurig offer en van den ver-woestenden afval zijn , dat zoo het heiligdom als het heir ter vertreding zal overgegeven worden?

14 En hij zeide tot mij: Tot tweeduizend en driehonderd avonden en morgens: dan zal het heiligdom gerechtvaardigd worden.

in En het geschiedde toen ik dat gezicht zag, ik Daniël, zoo zocht ik het te verstaan, en zie , daar stond voor mij als de gedaante eens mans.

1G En ik hoorde tusschen Ulai eens menschen stemme, die riep en zeide: Gabriël, geef dezen het gezicht te verstaan.

17 En hij kwam nevens mij waar ik stond; en als hij kwam, verschrikte ik en ik viel .op mijn aangezicht. Toen zeide hij tot mij: Versta, gij menschenkind; want dit gezicht zal zijn tot den tijd van het einde.

18 Als hij nu met mij sprak, viel ik in eenen diepen slaap op mijn aangezicht ter aarde. Toen roerde hij mij aan, en hij stelde mij op mijne standplaats;


i

-ocr page 990-

9ü8 D A NI

19 en hij zeide : Zie , ik znl u te kennen geven wat er geschieden zal ten einde dezer gramschap ; want ter bestemder tijd zal het einde zijn.

20 De ram met de twee hoornen dien gij gezien hebt, zijn de Koningen der Meden en der Perzen.

21 Die harige hok nu is de Koning van Griekenland; en de groote hoorn welke tusschen zijne oogen is, is de eerste Koning.

22 Dat er nu vier aan zijne plaats stonden toen hij verbroken was: vier koninkrijken zullen uit dat volk ontstaan, doch niet met zijne kracht.

23 Doch op het laatste huns koninkrijks, als het de afvalligen op het hoogste zullen gebracht hebben, zoo zal er een Koning opstaan, stijf van aangezicht en raadselen verstaande;

24 en zijne kracht zal sterk worden, doch niet door zijne kracht; en hij zal het wonderlijk verderven, en zal geluk hebben, en zal het doen; en hij zal de sterken mitsgaders het heilige volk verderven ;

25 en door zijne kloekheid zoo zal hij de bedriegerij doen gedijen in zijne hand, en hij zal zich in zijn harte verhellen ; en in stille rust zal hij er velen verderven, en zal slaan tegen den Vorst der Vorsten; doch hij zal zonder hand verbroken worden.

20 Het gezicht nu van den avond en den morgen, dat er gezegd is, is de waarheid; en gij sluit dit gezicht toe, want daar zijn nog vele dagen toe.

27 Toen werd ik, Daniël,zwak, en was ecnigc d;igen krank: daarna stond ik op , en deed des Konings werk; en ik was ontzet over dit gezicht, maar niemand merkte het.

HOOFDSTUK 9.

In het eerste jaar van Darius den zoon van Ahasveros, ujt het zaad der Meden, die Koning gemaakt was over het koninkrijk der Ghaldeën:

2 in het eerste jaar zijner re-geering merkte ik, Daniël, in de boeken, dat het getal der jaren.

ÊL 9.

van dewelke het Woord des Hee-ren tot den Profeet Jeremia geschied was, in het vervullen der verwoestingen Jeruzalems, zeventig jaar was.

3 En ik stelde mijn aangezicht tot God den Heere, om hem- te zoeken met den gebede en smeekingen , met vasten en zak en asch;

4 ik bad dan tot den Heere mijnen God en deed belijdenis en zeide: Och Heere, gij groote en verschrikkelijke God, die het verbond en de weldadigheid houdt dien die hem liefhebben en zijne geboden houden,

5 wij hebben gezondigd en hebben onrecht gedaan en goddeloos-lijk gehandeld en gerebelleerd, met af te wijken van uwe geboden en van uwe vechten;

G en wij hebben niet gehoord naar uwe dienstknechten de Profeten , die in uwen naam spraken tot onze Koningen, onze Vorsten en onze vaders, en tot al het volk des lands.

7 Bij u, o Heere, is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aang ezichten, gelijk het is te dezen dage bij de mannen van Juda en de inwoners van Jeruzalem en geheel Israël, die nabij en die verre 2ijn, in alle de landen daar gij ze hénen gedreven hebt om hunne overtreding waarmede zij tegen u overtreden hebben.

quot;8 O Heere, bij ons is do beschaamdheid der aangezichten, bij onze Koningen , bij onze Vorsten en bij onze vaderen, omdat wij tegen u gezondigd hebben.

9 Bij den Heere onzen God zijn de barmhartigheden en vergevingen , alhoewel wij tegen hem gerebelleerd hebben;

10 en wij hebben der stemme des Heeren onzes Gods niet gehoorzaamd, dat wij in zijne wetten wandelen zouden die hij gegeven heeft voor onze aangezichten, dooide hand van zijne knechtén de Profet\'éü;

11 maar geheel Israël heeft uwe wet overtreden, met af te wijken, dat zij uwer stemme niet gehoorzaamden: daarom is over ons uit-


-ocr page 991-

ËL 9.

DANI

969

gestort dio vloek en die eed die geschreven is in de wet van Mozes den knecht Godes, dewijl wij tegen hem gezondigd hebben;

12 en hij heeft zijne woorden bevestigd, die hij gesproken hoeft tegen ons en tégen onze richters die ons Richtten, iirengende over ons een groot kwaad, hetwelk niet geschied is onder don gan-schen hemel, gelijk aan Jeruzalem geschied is.

13 Gelijk als in de wet van Mozes geschreven is, alzoo is al dat kwaad over ons gekomen; en wij smeekten het aangezicht des Heeken onzes Gods niet, afkee-rende van onze ongerechtigheden, en verstandig acht gevende op uwe waarheid.

14 Daarom heeft de Heeue over het kwade gewaakt en hij heeft het over ons gebracht, want de Heeue onze God is rechtvaardig in alle zijne werken die hij gedaan heeft, dewijl wij zijner stemme niet gehoorzaamden.

15 En nu, o Heere onze God, die uw volk uit Egypteland uitgevoerd hebt met eene sterke hand, en hebt u eenen naam gemaakt gelijk hij is te dezen dage: wij hebben gezondigd, wij zijn goddeloos geweest.

16 O Heere, naar alle uwe gerechtigheden laat toch uw toorn en uwe grimmigheid afgekeerd worden van uwe stad Jeruzalem, uwen heiligen berg; want om onzer zonden wille en om onzer vaderen ongerechtigheden, zijn Jeruzalem en uw volk tot ver-smaadheid bij allen die rondom ons zijn.

17 En nu, o onze God, hoor naar hot gebed uws knechts en naar zijne smeekingen, en doe uw aangezicht lichten over uw heiligdom dat verwoest is, om des Heeren wil.

18 Neig uw oor, mijn God, en hoor; doe uwe oogen open en zie onze verwoestingen, en de stad die naar uwen naam genoemd is; want wij werpen onze smeekingen voor uw aangezicht niet neder op onze gerechtigheden, maar op uwe barmhartigheden die groot zijn.

19 O Heere, hoor; o Heere, vergeef ; o Heere, merk op en doe het, vertraag het niet, om uws zelfs wille o mijn God; want uwe slad en uw volk is naar uwen naam genoemd.

20 Als ik nog sprak en bad, en beleed mijne zonde en de zonde van mijn volk Israël, en mijne smeeking neder wierp voor het aangezicht des Heeren mijns Gods, ter wille van den heiligen berg mijns Gods;

21 als ik nog sprak in den ge-bede, zoo kwam de man Gabriël, dien ik in den beginne in een gezicht gezien had, snellijk gevlogen, mij aanrakende omtrent den tijd des avondoffers;

22 en hij onderrichtte mij en sprak met mij en zeide: Daniël, nu ben ik uitgegaan om u den zin te doen verstaan.

23 In den beginne uwer smee-kingen is het woord uitgegaan, en ik ben gekomen om ii dat te kennen to geven, want gij zijteen zeer gewenscht man; versta dan dit woord en merk op dit gezicht.

24 Zeventig weken zijn bestemd over uw volk en over uwe heilige stad, om de overtreding te sluiten en om de zonden te verzegelen, en om do ongerechtigheden te verzoenen, en om eene eeuwige gerechtigheid aan te brengen, en om het geziciit en den Profeet te verzegelen, en om de heiligheid der heiligheden te zalven.

25 Weet dan en versta: van den uitgang des woords, om te doen wederkeeren en om Jeruzalem te bouwen, tot op Messias don Vorst, zijn zeven weken en tweeënzestig weken; de straten en de grachten zullen wederom gebouwd worden , doch in benauwdheid der tijden.

26 En na die tweeënzestig weken zal de Messias uitgeroeid worden, maar het zal niet voor hem zeiven zijn; en een volk des Vorsten, hetwelk komen zal, zal de stad en het heiligdom verderven, en zijn einde zal zijn met eenen over-stroomenden vloed, en tot het I einde toe zal er krijg zijn, en I vastelijk besloten verwoestingen.


-ocr page 992-

DANIËL 10.

970

27 En hij zal velen het verbond versterken ééne week; en in de helft der week zal hij het slachtoffer en het spijsoffer doen ophouden ; en over den gruwelijken vleugel zal een verwoester zijn, ook tot de voleindiging toe, die vastelijk besloten zijnde zal uitgestort worden over den verwoeste.

HOOFDSTUK 10.

In het derde jaar van Kores den Koning van Perzië, werd aan Daniël, wiens naam genoemd werd Beltsazar, eene zaak geopenbaard, en die zaak is de waarheid, doch in eenen gezetten grooten tijd; en hij verstond die zaak en hij had verstand van het gezicht.

2 In die dagen was ik, Daniël, treurende drie weken der dagen;

3 begeerlijke spijs at ik niet, en vleesch of wijn kwam in mijnen mond niet, ooli zalfde ik mij gansch niet, tot dat die drie weken tijds vervuld waren.

4 En op den vierentwintigsten dag der eerste maand, zoo was ik aan den oever der groote rivier, welke is Hiddékel;

5 en ik hief mijne oogen op en zag, en zie, daar was een Man met linnen bekleed, en zijne lendenen waren omgord met fijn goud van Ufaz;

6 en zijn lichaam was gelijk een turkoois, en zijn aangezicht gelijk de gedaante des bliksems, en zijne oogen gelijk vurige fakkelen, en zijne armen en zijne voelen gelijk de verw van gepolijst koper; en de stemme zijner woorden was gelijk de stem eener menigte.

7 En alleen ik, Daniël, zag dat gezicht, maar do mannen die bij mij waren zagen dat gezicht niet; doch eene groote verschrikking viel op hen en zij vloden om zich te versteken.

8 Ik dan werd alléén overgelaten en zag dit groot gezicht, en daar bleef in mij geene kracht overig, en mijne sierlijkheid werd aan mij veranderd in eene verderving, zoodat ik geene kracht behield.

9 En ik hoorde de stem zijner woorden; en toen ik de stem zijner woorden hoorde, viel ik in eenen diepen, slaap op mijn aangezicht, met mijn aangezicht ter aarde.

10 En zie, eene hand roerde mij aan, en maakte, dat ik mij bewoog op mijne knieën en de palmen mijner handen.

11 En hij zeide tot mij: Daniël, gij zeer gewenschte man, merk. op de woorden die ik tot u spreken zal, en sta op uwe standplaats, want ik ben alsnu tot u gezonden. En toen hij dat woord tot mij sprak, stond ik bevende.

12 Toen zeide hij tot mij: Vrees niet, Daniël; want van den eersten dag af dat gij uw harte begaaft om te verstaan en om uzelven te verootmoedigen voor het aangezicht uws Gods, zijn uwe woorden gehoord, en om uwer woorden wille ben ik gekomen.

13 Doch de Vorst des konink-rijks van Perzië stond tegenover mij éénentwintig dagen; en zie, Michaël, een van de eerste Vorsten, kwam om mij te helpen, en ik werd aldaar gelaten bij de Koningen van Perzië.

14 Nu ben ik gekomen om u te doen verstaan hetgeen dat uw volk bejegenen zal in het vervolg der dagen, want het gezicht is nog voor vele dagen.

15 En toen h j deze woorden met mij sprak, slóeg ik mijn aangezicht ter aarde en ik werd stom.

16 En zie, een den menschen-kinderen gelijk raakte mijne lippen aan: toen deed ik mijnen mond open en ik sprak en zeide tot dien die tegenover mij stond: Mijn Heere, om des gezichts wille keeren zich mijne weeën over mij zoodat ik geen kracht behoude;

17 en hoe kan de knecht van dezen mijnen Heere spreken met mijnen ileero? Want wat mij aangaat, van nu af bestaat geene kracht in mij, en geen adem is in mij overgebleven.

18 quot;Toen raakte mij wederom aan een als in de gedaante van een mensch, en hij versterkte mij,

19 en hij zeide: Vrees niet, gij zeer gewenschte man, vrede zij u, wees sterk, ja wees sterk. En terwijl hij met mij sprak, werd


-ocr page 993-

ËL 11.

D ANI

971

ik versterkt, en zeide: Mijn Heere spreke, want gij hebt rnij versterkt.

20 Toen zeide liij: Weet gij waarom ik tot u gekomen ben? Doch nu zal ik wederkeeren om

■ te strijden tegen den Vorst der Perzen; en ais ik zal nitgegar.n zijn, zie, zoo zal de Vorst van i Griekenland komen.

21 Doch ik zal u te kennen geven hetgeen dat geteekend is in het

, geschrift der waarheid; en daar : is niet één die zich met mij versterkt tegen dezen, dan uw Vorst Michaël.

HOOFDSTUK 11.

Ik nu, ik stond in het eerste jaar van Darius den Mediër, om hem te versterken en te steunen.

2 En nu, ik zal u de waarheid te kennen geven: zie, daar zullen nog drie Koningen in Perzië opstaan, en de vierde zal verrijkt worden met grooten rijkdom, meer dan alle de anderen; en nadat hij zich in zijnen rijkdom zal versterkt hebben, zal hij ze allen verwekken tegen het koninkrijk van Griekenland.

3 Daarna zal er een geweldig Koning opstaan, die met groote heerschappij heerschen zal, en hij zal doen naar zijn welgevallen.

4 En als liij zal staan, zal zijn rijk gebroken en in de vier winden des hemels verdeeld worden, maar niet aan zijne nakomelingen, ook niet naar zijne heerschappij, waarmede hij heerschte; want zijn rijk zal uitgerukt worden, en dat voor anderen dan dezen.

, 5 En de Koning van het Zuiden, ; die een van zijne Vorsten is, zal sterk worden, doch een ander zal sterker worden dan hij , en hij zal heerschen, zijne heerschappij zal eene groote heerschappij zijn.

6 Op het einde nu van sommige jaren zullen zij zich met malkander bevrienden, en de dochter des Konings van het Zuiden zal komen tot den Koning van het Noorden, om billijke voorwaarden te maken; doch zij zal de macht des arms niet behouden, daarom zal hij en zijn arm niet bestaan.

maar zij zal overgegeven worden, en die haar gebracht hebben , en die haar gegenereerd heeft, en die haar gesterkt heeft in die tijden.

7 Doch uit de spruit harer wortelen zal er een opstaan in zijnen staat, die zal met hcirkracht komen, en hij zal komen tegen de sterke plaatsen des Konings van het Noorden, en hij zal tegen dezelve doen en hij zal ze bemachtigen.

8 Ook zal hij hunne goden, met hunne Vorsten, mot hunne ge-wenschte vaten van zilver en goud, in de gevangenis naar Egypte brengen; en hij zal eenige jaren staande blijven boven den Koning van het Noorden.

9 Alzoo zal de Koning van het Zuiden in het koninkrijk komen, en hij zal wederom in zijn land trekken.

10 Doch zijne zonen zullen zich in strijd mengen, en zij zullen eene menigte van groote heiren verzamelen; en een vein hen zal snellijk komen, en als een vloed overstroomen en doortrekken, en hij zal wederom komen en zich in den strijd mengen, tot aan zijne sterke plaats toe.

11 En de Koning van het Zuiden zal verbitterd worden, en hij zal uittrekken en strijden tegen hem, tegen den Koning van het Ncor-den, die óók eene groote menigte oprichten zal, doch die menigte zal in zijne hand gegeven worden.

12 Als die menigte zal weggenomen zijn, zal zijn harte zich verhellen en hij zal er eenige tienduizenden nedervellen. Even-wel zal hij niet gesterkt worden;

13 want de Koning van het Noorden zal wederkeeren en hij zal een grooter menigte dan de eerste was oprichten , en aan het einde van de tijden der jaren zal hij snellijk komen met eene groote heirkracht en met groot goed.

14 Ook zullen er in die tijden velen opstaan tegen den Koning van het Zuiden; en de scheurmakers uws volks zullen verheven worden om het gezicht te bevestigen, doch zij zullen vallen.


-ocr page 994-

ËL 11.

DAN I

972

15 En dc Koning van het Noorden zal komen, en eenen wal opwerpen , en vaste steden Innemen; en de armen van het Zuiden zullen niet bestaan, noch zijn uitgelezen volk, ja, daar zal geen kracht zijn om te bestaan.

10 Maar hij die tegen hem komt zal doen naar zijn welgevallen, en niemand zal voor zijn aangezicht bestaan; hij zal ook staan in het land des sieraads, en de verderving zal in zijne handwezen.

17 En hij zal zijn aangezicht stellen om met de kracht zijns ganschen rijks te komen, en hij zal billijke voorwaarden medebrengen, en hij zal het doen, want hij zal hem eene dochter der vrouwen geven, om haar te verderven; maar zij zal niet vaststaan en zij zal voor hem niet zijn.

18 Daarna zal hij zijn aangezicht tot de eilanden keeren, en hij zal er vele innemen; doch een overste zal zijnen smaad legen hem doen ophouden, behalve dat hij zijnen smaad op hem zal doen weder-keeren.

19 En hij zal zijn aangezicht keeren naar do sterkten zijns lands, en hij zal aanstooten en vallen en niet gevonden worden.

20 En in zijnen staat zal er een opstaan , doende eenen geldeischer doortrekken in koninklijke heerlijkheid; maar hij zal in eenige dagen gebroken worden, nogtans niet door toornigheden noch door oorlog.

21 Daarna zal er een verachte in zijnen staat opstaan, denwelken men de koninklijke waardigheid niet zal geven; doch hij zal in stilte komen en het koninkrijk door vleierijen bemachtigen.

22 En de armen der overstrooming zullen overstroomd worden van voor zijn aangezicht, en zij zullen gebroken worden, en ook de Vorst des verbonds.

23 En na de vereeniging met hem zal hij bedrog plegen, en hij zal optrekken, en hij zal met weinig volks gesterkt worden.

24 Met stilheid zal hij ook in de vette plaatsen des landschaps komen, en hij zal doen dat zijne vaders en de vaders zijner vaders niet gedaan hebben ; roof en buit en goederen zal hij onder hen uitstrooien , en hij zal tegen de vastigheden zijne gedachten denken, doch tot een zekeren tijd toe.

25 En bij zal zijne kracht en zijn hart verwekken tegen den Koning van het Zuiden, met eene groote heirkracht; en de Koning van het Zuiden zal zich in den strijd mengen met eene grooteen zeer machtige heirkracht; doch hij zal nietbestaan, want zij zullen gedachten tegen hem denken.

26 En die de stukken zijner spijze zullen eten, zullen hem breken, en deszelfs heirkracht zal overstroomen, en vele verslagenen zullen vallen.

27 En beider dezer Koningen hart zal wezen om kwaad te doen, en aan ééne tafel zullen zij leugen spreken; en het zal niet gelukken, want het zal nog een einde hebben ter bestemder tijd.

28 En hij zal m zijn land weder-keeren met groot goed, en zijn hart zal zijn tegen het heilig verbond, en hij zal het doen, en wederkeeren \'in zijn land.

29 Ter bestemder tijd zal hij wederkeeren en tegen het Zuiden komen, doch het zal niet zijn gelijk de eerste nog gelijk de laatste reize.

30 Want er zullen schepen van de Kittiten tegen hem komen, daarom zal hij met smarte bevangen worden, en hij zal wederkeeren en gram worden tegen het heilig verbond, en hij zal het doen; want wederkeerende, zoo zal hij acht geven op de verlaters van het heilig verbond.

31 En daar zullen armen uit hem ontstaan, en zij zullen het heiligdom ontheiligen en de sterkte, en zij zullen het gedurig offer wegnemen, en eenen verwoestenden gruwel stellen.

32 En die goddelooslijk handelen tegen het verbond. zal hij doen huichelen door vleierijen; maar het volk die hunnen God kennen, zullen zij grijpen, en zullen het doen.

33 En de leeraars des volks


-ocr page 995-

D ANI

zullen cr velen onderwijzen , en zij zullen vallen door het zwaard en door vlam, door gevangenis en door berooving, vele dagen.

34 Als zij nu zullen vallen, zullen zij met eene kleine hulp geholpen worden; doch velen zullen zich door vleierijen tot hen vervoegen.

35 En van de leeraars zullen er sommigen vallen, om hen te louteren en te reinigen en wit re maken, tot den tijd van het einde toe; want het zal nog zijn voor een en bestemden tijd.

30 En die Koning zal doen naar zijn welgevallen, en hij zal zich-zèlven verheffen en groot maken boven allen god, en hij zal tegen den God der goden wonderlijke dingen spreken ; en hij zal voorspoedig zijn. totdat de gramschap voleindigd zij; want het is vast besloten, het zal geschieden.

37 En op de goden zijner vaderen zal hij geen acht geven, noch op de begeerte der vrouwen; hij zal ook op geenen God acht geven. maar hij zal zich boven alles groot maken.

38 En hij zal den god Maüzzirn in zijne standplaats eeren; namelijk den god, welken zijne vaders niet gekend hebben, zal hij eeren met goud en met zilver en met kostelijk gesteente en met ge-wenschte dingen.

39 En hij zal de vastigheden der sterkten maken met den vreemden god; dengenen die hij kennen zal, zal hij de eere vermenigvuldigen, en hij zal ze doen heerschen over velen, en hij zal het land uitdeden om prijs.

40 En op den tijd van het einde zal de Koning van het Zuiden tegen hem met hoornen stooten; en de Koning van het Noorden zal tegen hem aanstormen met wagenen en met ruiteren en met vele schepen; en hij zal in de landen komen, en hij zal ze over-stroomen en doortrekken.

41 En hij zal komen in het land des sieraads, en vele landen zullen ternedergeworpen worden; doch dezen zullen zijne hand ontkomen : Edom en Moab en de eerstelingen der kinderen Ammons.

KL 12. 973

42 En hij zal zijne hand aan de landen leggen, ook zal het land van Egypte niet ontkomen;

43 en hij zal heerschen over de verborgen schatten des gouds en des zilvers, en over alle de ge-wenschte dingen van Egypte ; en die van Libyë en de Moorèn zullen in zijne gangen wezen.

44 Maar de geruchten van het Oosten en van het Noorden zullen hem verschrikken, daarom zal hij uittrekken met groote grimmigheid , om velen te verdelgen en te verbannen;

45 en hij zal de tenten van zijn paleis planten tusschen de zeeën aan den borg des heiligen sieraads; en hij zal tot zijn einde komen en zal geenen helper hebben.

HOOFDSTUK 12.

En te dier tijd zal Michaël opslaan , die groote Vorst, die voor de kinderen uws volks staat; als het zulk een tijd der benauwdheid zijn zal, als er niet geweest is, sinds dat er een volk geweest is, tot op dien lijd toe; en te dier tijd zal uw volk verlost worden, al die bevonden wordt geschreven te zijn in het boek.

2 En velen van degenen die in het stof der aarde slapen, zullen ontwaken, dezen ten eeuwigen leven, en genen tot versmaad-heden en tot eeuwige afgrijzingen.

3 De leeraars nu zullen blinken als de glans des uitspansels, en die er velen rechtvaardigen, gelijk de sterren, altooseneeuwiglijk.

4 En gij, Daniël, sluit deze woorden toe, en verzegel dit boek tot den tijd van het einde: velen zullen het nasporen, en de wetenschap zal vermenigvuldigd worden.

5 En ik, Daniël, zag, en zie, daar stonden twee anderen, do één aan deze zijde van den oever der rivier en de ander aan gene zijde van den oever der rivier.

0 En hij zeide tot den Man bekleed met linnen. die boven op het water der rivier was: Tot hoe lang zal het zijn, dat er een einde van deze wonderen zal wezen ?

7 En ik hoorde dien Man, be-


-ocr page 996-

HO SÊA 1.

974

kleed met linnen, die boven op het water van de rivier was, en hij hief zijne rechter- en zijne linkerhand op naar den hemel, en zwoer bij dien die eeuwiglijk leeft, dat na eenen bestemden tijd, bestemde tijden, en eene helft, en als hij zal voleindigd Lhebben te verstrooien de hand des heiligen volks, alle deze dingen voleindigd zullen worden.

8 Dit hoorde ik, doch ik verstond het niet; en ik zeide: Mijn Heere, wat zal het einde zijn van deze dinfjen?

9 En hij zeide: Ga henen, Daniël; want deze woorden zijn toegesloten en verzegeld tot den tijd van het einde.

10 Velen zullen er gereinigd en wit gemaakt en gelouterd worden; doch de goddeloozen zullen god-delooslijk handelen, en geene van de goddeloozen zullen het verstaan, maar de verstandigen zullen het verstaan.

11 En van dien tijd af, dat het gedurig offer zal weggenomen en de verwoestende gruwel zal gesteld zijn , zullen zijn duizend tweehonderd en negentig dagen.

12 Welgelukzalig is hij die verwacht en raakt tot duizend driehonderd en vijfendertig dagen.

13 Maar gij, ga henen tot het einde, want gij zult rusten, en zult opstaan in uw lot, in het einde der dagen.


DE PROFEET H O S É A.

HOOFDSTUK 1.

Het Woord des Heeren, dat geschied is tot Hoséa den zoon van Beëri, in de dagen van Uzzfa, Jotham , Achaz, Hizkia, Koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam zoon van Joas, Koning van Israël.

2 Het begin van het Woord des Heeren door Hoséa. De Heere dan zeide tot Hoséa: Ga henen, neem u eene vrouw der hoererijen en kinderen der hoererijen; want het land hoereert ganschelijk van achter den Heere.

3 Zoo ging hij henen en nam Gomer, eene dochter van Diblaïm; en zij ontving, en baarde hem eenen zoon.

4 En de Heere zeide tot hem; Noem zijnen naam Jizreël; want nog een weinig tijds, zoo zal ik de bloedschulden Jizreëls bezoeken | over het huis van Jehu, en zal het koninkrijk van het huis Isra-ëls doen ophouden;

5 en het zal te dien dage geschieden dat ik Israëls boog verbreken zal in het dal Jizreëls.

6 En zij ontving wederom, en baarde eene dochter; en hij zeide tot hem: Noem haren naam Lo-Ruhama; want ik zal mij voortaan niet meer ontfermen over het huis Israëls, maar ik zal ze zekerlijk wegvoeren.

7 Maar over het huis van Juda zal ik mij ontfermen en zal ze verlossen door den Heere hunnen God, en ik zal ze niet verlossen door boog noch door zwaard noch door krijg, door paarden noch door ruiteren.

8 Als zij nu Lo-Ruhama gespeend had, ontving zij, en baarde eenen zoon.

9 En hij zeide: Noem zijnen naam JLo-Ammi, want gijlieden


-ocr page 997-

n

HOS

en zijt mijn volk niet, zoo zal ik ook jn; / de uwe niet zijn. )d- 40 Nogtans zal het getal der an kinderen Israëls zijn als het zand 31- j der zee, dat niet gemeten noch jI- j geteld kan worden; en het zal geschieden dat ter plaatse waar tot et hen gezegd zal zijn: Gijlieden zijt 3n j mijn volk niet, tot hén gezegd e- zal worden: Gij zijt kinderen des e- : levenden Gods;

11 en de kinderen van Juda en r- de kinderen Israëls zullen sarnen-e- vergaderd worden, en zich een : éénig hoofd stellen, on uit het ït land optrekken ; want de dag van n Jizreël zal groot zijn. ie 12 Zegt tot uwe broederen: Am-mi, en tot uwe zusteren: Ruliama.

HOOFDSTUK 2.

Twist tegen ulieder moeder, twist, omdat zij mijne vrouw niet is en ik haar man niet ben; en laat ze hare hoererijen van haar aangezicht en hare overspeligheden van tusschen hare borsten wegdoen,

2 opdat ik zo niet naakt uit-stroope, en zette ze als ten dage toen zij geboren werd, ja, make

: ze als\' eene woestijn en zette zo - als een dor land , en doodde ze door dorst,

3 en mij over hare kinderen niet ontferme, omdat zij kinderen der hoererijen zijn.

4 Want hunne moeder hoereert, die hen ontvangen heeft handelt schandelijk; want zij zegt: Ik zal mijne boeleerders nagaan, die mij mijn brood en mijn water, mijne wol en mijn vlas, mijne olie\'en mijnen drank geven.

5 Daarom zie, ik zal uwen weg j met doornen betuinen, en ik zal

eenen heiningmuur maken, dat zij hare paden niet zal vinden;

6 en zij zal hare boeleerders na-f loopen maar dezelve niet aantreffen , en zij zal ze zoeken maar niet vinden; dan zal zij zeggen: Ik zal henengaan en koeren weder

^ tot mijnen vorigen man, want ^ toen was het mij beter dan nu.

7 Zij bekent toch niet, dat ik haar het koren en den most en

! c}e olie gegeven heb, en haar het

É A 2. 975

zilver en goud vermenigvuldigd heb , dat zij tot den Baal gebruikt hebben.

8 Daarom zal ik wederkomen en mijn koren wegnemen op zijnen tijd, èn mijnen most op zijnen ge-zetten tijd\'; en ik zal wegrukken mijne wol en mijn vlas, dienende om hare naaktheid te bedekken;

O en nu zal ik hare dwaasheid ontdekken voor de oogen barer boeleerders, en niemand zal ze uit mijne hand verlossen.

10 Én ik zal doen ophouden al hare vroolijkheid, hare feesten, hare nieuwe maanden en hare sab-baten, ja, alle hare gezette hoogtijden.

11 En ik zal verwoesten haren wijnstok en haren vijgeboom, waarvan zij zegt: Deze zijn mij een hoerenloon dat mij mijne boeleerders gegeven hebben; maar ik zal ze stellen tot een woud, en het wild gedierte des voids zal ze vreten.

12 En ik zal over haar bezoeken de dagen des Baals, waarin zij dien gerookt heeft, en zich versierd met haar voorhoofdsiersel en haar halssieraad, en is hare boeleerders nagegaan maar heeft mi) vergeten, spreekt de Heere.

13 Daarom zie , ik zal ze lokken en zal ze voeren in de woestijn, en ik zal naar haar harte spreken;

14 en ik zal haar geven hare wijngaarden van daar af, en het dal Achor tot eene deur der hope; en aldaar zal zij zingen als in de dagen harer jeugd en als ten dage toen zij optoog uit Egypteland.

15 En het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heere , dat gij mij noemen zult: Mijn man en mij niet meer noemen zult Mijn Baiil;

iG en ik zal de namen der Ba-als van haren mond wegdoen, en zij zullen niet meer bij hunne namen gedacht worden.

17 Èn ik zal te dien dage een verbond voor hen maken met het wild gedierte des velds en met het gevogelte des hemels en het kruipend gedierte des aardbodems, en ik zal den boog en het zwaard en don krijg van de aarde ver-


-ocr page 998-

H O S E A 3, 4.

976

breken, en zal ze in zekerheid doen nederliggen.

18 En ik zal u mij ondertrouwen in eeuwigheid, ja, ik zal u mij ondertrouwen in gerechtigheid en in gericht en in goedertierenheid en in barmhartigheden,

19 en ik zal u mij ondertrouwen in geloof, en gij zult den Heere kennen.

20 En het zal te dien dage geschieden dat ik verhoeren zal, spreekt de Heere ; ik zal den hemel verhooren, en die zal de aarde verhooren;

21 en de aarde zal het koren verhooren mitsgaders den most en de olie, en die zullen Jizreöl verhooren;

22 en ik zal ze mij op de aarde zaaien, en zal mij ontfermen over Lo-Ruhama; en ik zal zeggen tot Lo-Ammi: Gij zijt mijn volk, en dat zal zeggen; O mijn God.

HOOFDSTUK 3.

En de Heere zeide tot mij : Ga wederom henen, bemin eene vrouw, die, bemind zijnde van haren vriend, nogtans overspel doet: gelijk de Heere de kinderen Israels bemint, maar zij zien om naar andere goden en beminnen de flesschen der druiven.

2 En ik kocht ze mij voor vijftien zilverlingen en een homer gerst en een halve homer gerst.

8 En ik zeide tot haar: Gij zult vele dagen voor mij eenzaam blijven zitten, (gij zult niet hoeree-ren noch eenen anderen man geworden), en ik ook voor u.

4 Wan t de kinderen Israels zullen vele dagen blijven zitten zonder Koning en zonder Vorst, en zonder offer en zonder opgericht beeld, en zonder efod en terafim.

5 Daarna zullen zich de kinderen Israels bekeeren, en zoeken den Heere hunnen God en David hunnen Koning, en zij zullen vree-zende komen tot den Heere en tot zijne goedheid, in het laatste der dagen.

HOOFDSTUK 4.

Hoort des Heeren Woord gij kinderen Israels; want do Heere heeft eenen twist met de inwoners des lands, omdat er geene trouw noch weldadigheid noch kennisse Gods in het land is,

2 maar vloeken en liegen en doodslaan en stelen en overspel doen; zij breken door, en bloedschulden raken aan bloedschulden.

3 Daarom zal het land treuren, en een iegelijk die daarin woont wegkwijnen , met het gedierte des velds én met het gevogelte des hemels, ja, ook de visschen der zee zullen weggeraapt worden.

4 Doch niemand twiste noch bestraffe iemand ; want uw volk is als die met den Priester twisten.

5 Daarom zult gij vallen bij dag, ja zelfs de Profeet zal metu vallen bij nacht; en ik zal uwe moeder uitroeien.

6 Mijn volk is uitgeroeid , omdat het zonder kennisse is; dewijl gij de kennisse verworpen hebt, heb ik u ook verworpen, dat gij mij het Priesterambt niet zult bedienen; en dewijl gij de wet uws Gods vergeten hebt, zal ik ook uwe kinderen vergeten.

7 Gelijk zij meerder geworden zijn, alzóó hebben zij tegen mij gezondigd: ik zal hunne eere in schande veranderen.

8 Zij eten de zonde mijns volks, en verlangen een ieder met zijne ziel naar hunne ongerechtigheid :

9 daarom gelijk het volk, alzóó zal de Priester zijn, en ik zal zijne wegen over hem bezoeken en zijne handelingen hem vergelden;

10 en zij zullen eten maar niet verzadigd worden, zullen hoereeren maar niet uitbreken in menigte-, want zij hebben nagelaten den Heere in acht te nemen.

11 Hoererij en wijn en most neemt het hart weg.

12 Mijn volk vraagt zijn hout, en zijn stok zal het hem bekend maken; want de geest der hoererijen verleidt ze , dat zij van onder hunnen God weghoereeren.

13 Op de hoogten der bergen offeren zij, en op de heuvelen rooken zij, onder een eik en populier en ijpeboom, omdat der-zelver schaduw goed is; daarom


-ocr page 999-

HOSt

Qrs iboereeren uwe dochteren, en uwe «w bruiden bedrijven overspel. gt;se a 14 Ik zal over uwe dochteren I geen bezoeking doen omdat zo en 3hoeroeren, en over uwe bruidon )el \' omdal ze overspel doen; want \'dj d- j zelve scheiden zich af met do sn. I hoeren, en offeren met de snoodste n, ;hoeren: het volk dan dat geen nt \' verstand heeft, zal omgekeerd es worden.

es 15 Zoo gij, o Israël, wilt hoe-er jreeren, dat immers Juda niet jschuldig worde; komt gij toch ;h niet te Gilgal, en gaat niet op Ik naar Beth-Aven, en zweert niet: n. Zoo waarachtig als de Heere ?, leeft!

n 16 Want Israël is bandeloos als 51\' eene bandelooze koe : nu zal hen de Heere weiden als een lam in t 1 de ruimte.

ij 17 Efraïm is vergezeld met de b afgoden, laat hem varen, ij 18 Hunne zuiperij is afvallig ;

zij doen niets dan hoereeren; f3 hunne beschermers (het is eene i schande!) beminnen het woord: Geeft.

i 19 Een wind heeft hengebonden j t in zijne vleugelen, en zij zullen i quot; beschaamd worden vanwege hunne offeranden.

HOOFDSTUK 5.

i Hoort dit, gij Priesters, en merkt ( óp gij huis Israels, en neemt tor ; oore gij huis des Konings; want ulieden fjaat dit oordeel aan, omdat gij een strik zijt geworden te Mizpa en een uitgespannen net op Tabor.

2 En die afwijken verdiepen zich om te slachten; maar ik zal hun

I allen een tuchtmeester zijn.

3 Ik ken Efraïm, en Israël is 1 voor mij niet verborgen: dat gij .

j Efraïm, nu hoereert, en Israël verontreinigd is.

4 Zij stellen hunne handelingen | niet aan om zich tot hunnen God

te bekeeren ; want de geest der | hoererijen is in \'t midden van hen, en den Heere kennen zij niet.

5 Dies zal Israels hoovaardij in zijn aangezicht getuigen, en Israël en Efraïm zullen vallen door hunne

A 5, 6. 977

ongerechtigheid, ook zal Juda met hen vallen.

(5 Met hunne schapen en met hunne runderen zullen zij dan gaan om den Heere te zoeken , maar hem niet v.nden: hij heeft zich van hen onttrokken.

7 Zij hebben trouwelooslijk gehandeld tegen den Heere, want zij hebben vreemde kinderen gewonnen: nu zal hen de nieuwe maand verleren met hunne deelen.

8 Blaast de bazuin te Gibea, de trompet te Rama; roept luid te Beth-Aven: Achter u, Benjamin!

9 Efraïm zal tot verwoesting worden ten dage der straf; onder de stammen Israels heb ik bekend gemaakt dat gewis is.

10 De Vorsten van Juda zijn geworden gelijk die de landpale verrukken; ik zal mijne verbolgenheid als water over hen uitgieten.

11 Efraïm is verdrukt, hij is verpletterd met recht; want hij heeft zoo gewild, hij heeft gewandeld naar het gebod:

12 daarom zal ik Efraïm zijn als eene mot, en den huize van Juda als eene verrotting.

13 Als Efraïm zijne krankheid zag en Juda zijn gezwel, zo^ toog Efraïm tot Assur en hij zond tot den Koning Jareb; maar die zal ulieden niet kunnen genezen en zal het gezwel van ulieden niet heelen;

14 want ik zal Efraïm zijn als een felle leeuw, en den huize van Juda als een jonge leeuw ; ik , ik zal verscheuren en henengaan, ik zal wegvoeren en daar zal geen redder zijn;

15 ik zal henengaan en koeren weder tot mijne plaats, totdat zij zichzelven schuldig kennen en mijn aangezicht zoeken: als het hun bang zal zijn, zullen zij mij vroeg zoeken.

HOOFDSTUK 6.

Komt en laat ons wederkeeren tot den Heere , want hij heeft verscheurd en hij zal ons genezen, hij heeft geslagen en hij zal ons verbinden;

2 hij zal ons na twee dagen


-ocr page 1000-

HO SEA 7.

978

levend maken, op den derden dag zal hij ons doen verrijzen en wij zullen voor zijn aangezicht leven.

3 Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen om den Heere te kennen, zijn uitgang is bereid als de dageraad; en hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen des lands.

4 Wat zal ik u doen, o Efraïm, wat zal ik u doen, oJuda, dewijl uwe weldadigheid is als eerie morgenwolk, en als een vroegko-mende dauw die henen gaat.

5 Daarom heb ik ze behouwen door de Profeten, ik heb ze gedood door de redenen mijns monds; en uwe oordeelen zullen voortkomen aan het licht.

6 Want ik heb lust tot weldadigheid en niet tot olïer, en tot de kennisse Gods meer dan tot brandofferen;

7 maar zij hebben het verbond overtreden als Adam, daar hebben zij trouwelooslijk tegen mij gehandeld.

8 Gilead is eene stad van werkers der ongerechtigheid, zij is betreden van bloed.

9 Gelijk de benden der straatschenders op iemand wachten, alzoo is het gezelschap der Priesters ; zij moorden op don weg naar Sichem, waarlijk zij doen schandelijke daden.

10 Ik zie eene afschuwelijke zaak in het huis Israëls: aldaar is Efraïms hoererij, Israël is verontreinigd ;

11 ook heeft hij n, oJuda, eenen oogst gezet, als ik de gevangenen mijns volks wederbracht.

HOOFDSTUK 7.

Terwijl ik Israël genees, zoo wordt Efraïms ongerechtigheid ontdekt, mitsgaders dc boosheden van Samarië; want zij werken valschheid, en de dief gaat erin, de bende der straatschenders stroopt daarbuiten;

2 en zij zeggen niet in hun hart dat ik al hunne boosheid gedachtig ben: nu omsingelen hen hunne handelingen, zij zijn voor mijn aangezicht,

3 Zij verblijden den Koning met hunne boosheid en de Vorsten niet hunne leugenen.

4 Zij bedrijven al tezamen ever-spel, zij zijn gelijk een bakoven die heet gemaakt is door den bakker; die ophoudt van wakker te zijn, nadat hij het deeg heeft gekneed, totdat het doorgezuurdzij.

5 Het is de dag onzes Konings, dc Vorsten maken hem krank door verhitting van den wijn; hij strekt zijne hand voort met dc spotters.

6 Want zij voeren hun hart aan als eenen bakoven, tot hunne lagen; hunlieder bakker slaapt den ganschen nacht; \'s morgens brandt hij als een vlammend vuur.

7 Zij zijn altezamen verhit als een bakoven, en zij verteren hunne richters; alle hunne Koningen vallen, er is niemand onder hen die tot mij roept.

8 Efraïm, die verwart zich met dc volken, Efraïm is een koek die niet is omgekeerd;

9 vreemden verteren zijne kracht en hij merkt het niet, ook is de grauwheid op hem verspreid en hij merkt het niet.

10 Dies za.\' de hoovaardij Israëls in zijn aangezicht getuigen; dewijl zij zich niet bekeeren tot den Heere hunnen God, noch hem zoeken in allen dezen.

11 Want Efraïm is als eene onnoozele duif zonder hart; zij roepen Egypte aan, zij gaan henen tot Assur:

12 wanneer zij zullen henengaan, zal ik mijn net over hen uitspreiden, ik zal ze als vogelen des hemels doen nederdalen, ik zal ze tuchtigen, gelijk gehoord is in hunne vergadering.

13 Wee hun, want zij zijn van mij afgezworven; verstoring over hen, want zij hebben tegen mij overtreden! ik zoude ze wel verlossen, maar zij spreken leugens tegen mij;

14 zij roepen ook niet tot mij met hun hart, wanneer zij huilen op hunne legers; om kóren en most verzamelen zij zich, maar zij wederstreven tegen mij.

15 Ik heb ze wel getuchtigd en

hui dei 1

tot cei Vo va toi Kg


-ocr page 1001-

HOSEA 8, 9,

970

hunne armen gesterkt, maar zij denken kwaad tegen mij;

IC zij keeren zich, maar niet iot den Allerhoogste, zij zijn als een bedriegelijke boog; hunne Vorsten vallenquot; door het zwaard vanwege de gramschap hunner tong: dit is hunne bespotting in ypteland.

HOOFDSTUK 8.

De bazuin aan uwen mond: hij komt als een arend tegen het Huis an des Heeren, omdat zij mijn ver-ne :bond hebben overtreden en zijn Pt Itegen mijne wet afvallig geworden. ns 2 Dan zullen zij tot mij roepen: ,r* fMijn God, wij, Israël, kennen u. l\'s 3 Israël heeft het goede ver-3n stooten: de vijand zal hem ver-nquot; volgen.

3l\' 4 Zij hebben Koningen gemaakt maar niet uit mij, zij hebben Vorsten gesteld maar ik heb het \'0 , niet gekend; van hun zilver en ■ ïmn goud hebben zij voor zich-zei ven afgoden gemaakt, opdat zij

0 ; uitgeroeid worden.

11 5 Uw kalf, o Samarië, heeft u I verstoeten; mijn toorn is tegen ^ hen ontstoken : hoe lang zullen zij ^ ! de reinheid niet verdragen?

1 6 Want dat is óók uit Israël; 1 een werkmeester heeft het ge-

| maakt en het is geen God, maar

Ihet zalhet zal tot stukken worden, het kalf van Samarië.

7 Want zij hebben wind gezaaid en I zullen eerien wervelwind maaien; het zal geen staand koren hebben, het uitspruitsel zal geen meel maken: of het misschien maakte, vreemden zullen het verslinden.

8 Israël is verslonden; nu zijn zij onder de heidenen geworden gelijk een vat waar men geen lust

i ; voe heeft.

9 Want zij zijn opgetogen naar Assur, een woudezel die alleen voor zichzelven is; die van Efraïm hebben boeleerders om hoerenloon

| gehuurd.

110 Dewijl zij10 Dewijl zij dan onder de heidenen boeleerders om hoerenloon gehuurd hebben, zoo zal ik die nu ook verzamelen; ja, zij hebben al een weinig begonnen, vanwege

den last van den Koning der Vorsten.

11 Omdat Efraïm de altaren vermenigvuldigd heeft tot zondigen, zoo zijn hem de altaren geworden tot zondigen;

12 Ik schrijf hem de voortreffelijkheden mijner wet voor, maar die zijn geacht als wat vreemds.

13 Aangaande de offeranden mijner gaven , zij o Heren vleesch en eten het, maar de Heere heeft aan hen geen welgevallen. Nu zal hij hunne ongerechtigheid gedenken en hunne zonden bezoeken: zij zullen weder naar Egypte keeren.

14 Want Israël heeft zijnen Maker vergeten en tempelen gebouwd, en Juda heeft vaste steden vermenigvuldigd; maar ik zal een vuur zenden in zijne steden, dat zal zijne paleizen verteren.

HOOFDSTUK 9.

Verblijd u niet, o Israël, tot opspringens toe, gelijk de volken; want gij hoereert van uwen God af, gij hebt hoerenloon lief op alle dorschvloeren des korens.

2 De dorschvloQv en de wijnkuip zal hen niet voeden, en de most zal hun liegen.

3 Zij zullen in des Heeren jand niet blijven, maar Efraïm zal weder naar Egypte keeren, en zij zullen in Assyrië het onreine eten.

4 Zij zullen den Heere geene drankofferen doen van wijn, ook zouden ze hem niet zoet zijn, hunne offeranden zouden hun zijn als treurbrood; allen die dat zouden eten zouden onrein worden; want hun brood zal voor hunne ziele zijn, het zal in des Heeren Huis niet komen.

5 Wat zult gijlieden bandoen op eenen gezetten hoogtijdsdag en op eenen feestdag des Heeren?

6 Want zie, zij gaan daarhenen vanwege de verstoring; Egypte zal ze verzamelen. Mof zal ze begraven: begeerte zal er zijn naar hun zilver, netelen zullen hen erfelijk bezitten, doornen zullen in hunne tenten zijn.

7 De dagen der bezoeking zijn gekomen, clc dagen der vergelding


-ocr page 1002-

HOSE A 10.

ÜSO

zijn gekomen; die van Israël zullen het gewaar worden: de Profeet is een dwaas, de man dos Geestes is onzinnig; om de grootheid uwer ongerechtigheid is de haat ook groot.

8 De wachter van Efraïm is met mijnen God; maar de Profeet is een vogelvangers-strik op alle zijne wegen, een haat in het Huis zijns Gods.

9 Zij hebben zich zeer diep verdorven, als in de dagen van Gibea: hij zal hunne ongerechtigheid gedenken, hij zal hunne zonden bezoeken.

10 Ik vo\'.ad Israël als druiven in de woestijn, ik zag uwe vaderen als de eerste vrucht aan den vijge-boom in haar begin; maav zij gingen in tot Baal-Peor, en zonderden zich af tot die schaamte, en werden gansch verfoeiehjk naar hunne boeleering.

11 Aangaande Efraïm, hunne heerlijkheid zal wegvliegen ais een vogel, van de geboorte en van den moederschoot en van de ontvangenis af.

12 Al mochten zij hunnekinderen grootbrengen, ik zal er hen toch van berooven, dat ze onder de menschen niet zullen zijn; want ook wee hun als ik van hen zal geweken zijn.

13 Efraïm is gelijk als ik Tyrus aanzag, die geplant is in eene liefelijke woonplaats; maar Efraïm zal zijne kinderen moeten uitbrengen tot den doodslager.

14 Geef hun Heere — wat zult gij geven? Geef hun eene misdragende baarmoeder en uitdrogende borsten.

15 Al hunne boosheid is te Gilgal, want daar heb ik ze gehaat om de boosheid hunner handelingen; ik zal ze uit mijn Huis uitdrijven , ik zal ze voortaan niet meer liefhebben: alle hunne Vorsten zijn afvalligen.

16 Efraïm is geslagen, hun wortel is verdord, zij zullen geen vrucht voortbrengen; ja, ofschoon zij genereerden, zoo zal ik toch de gewenschte vruchten van hunnen schoot dooden.

17 Mijn God zal ze verwerpen omdat ze naar hem niet hooren, en zij zullen omzwervende zijn onder de heidenen.

HOOFDSTUK 10.

Israël is een uitgeledigde wijnstok , hij brengt weder vrucht voor zich; maar naar do veelheid zijner vrucht heeft hij de altaren vermenigvuldigd, naar de goedheid zijns lands hebben zij de opgerichte beelden goed gemaakt.

2 Hij heeft hun hart verdeeld, nu zullen zij verwoest worden; hij zal hunne altaren doorhouwen, hij zal hunne opgerichte beelden verstoren.

8 Want nu zullen zij zeggen: Wij hebben geenen Koning; want wij hebben den Heere niet gevreesd: wat zoude ons dan een Koning doen?

4 Zij hebben woorden gesproken, valschelijk zwerende in het verbond maken; daarom zal het oordeel als een vergiftig kruid groe-nen op de voren der velden.

5 De inwoners van Samarië zullen verschrikt zijn over het kalf van Beth-Aven; want zijn volk zal over hetzelve treuren, mitsgaders zijne Kemarim {die zich over hetzelve verheugden) over zijne heerlijkheid, omdat zij van hetzelve is weggevaren.

6 Ja, dat zelf zal naar Assur gevoerd worden tot een geschenk voor den Kor.ing Jareb: Efraïm zal schaamte behalen en Israël zal beschaamd worden vanwege zijnen raadslag;

7 de Koning van Samarië is afgehouwen, als schuim op het water;

8 en de hoogten van Aven, Israels zonde, zullen verdelgd worden, doornen en distelen zullen op hunne altaren opkomen; en zij zullen zeggen tot de bergen: Bedekt ons. en tot de heuvelen: Valt op ons.

9 Sinds de dagen van Gibea hebt gij gezondigd, o Israël; daar zijn zij staande gebleven; de strijd te Gibea, tegen de kinderen der verkeerdheid, zal ze niet aangrijpen.

10 Het is in mijnen lust dat ik ze zal binden, en volken zullen


-ocr page 1003-

HOSÉA 11, 12.

981

tegen lien verzameld worden, als ik ze binden zal in hunne twee voren.

11 Dewijl Efraïm eene vaars is, gewend gaarne te dorschen, zoo Ben ik over de schoonheid van huren hals overgegaan; ik zal Efraïm berijden, .1 uda zal ploegen. Jakob zal voor hem eggen.

12 Zaait u tot gerechtigheid, maait tot weldadigheid, braakt u een braakland : dewijl het tijd is den Heere te zoeken, totdat hij kome en over u de gerechtigheid regene.

13 Gij hebt goddeloosheid geploegd, verkeerdheid gemaaid en de vrucht der leugen gegeten; want gij hebt vertrouwd op uwen weg, op de veelheid uwer helden:

14 daarom zal er een groot ge-druisch ontstaan onder uwe volken, en alle uwe vestingen zullen verstoord worden, gelijk Salman Beth-Arbel verstoorde ten dage des krijgs; de moeder werd er verpletterd met de zonen.

15 Alzóó heeft Beth-El ulieden gedaan, vanwege de boosheid uwer boosheid; Israels Koning is in don dageraad ten eenenmale uitgeroeid.

HOOFDSTUK 11.

Als Israël een kind was, toen heb ik hem liefgehad, en ik heb mijnen zoon uk Egypte geroepen.

2 Maar gelijk zij henlieden riepen, alzóó gingen zij van hun aangezicht weg; zij oiTerden den Baals en rookten den gesneden beelden.

3 Ik nogtans leerde Efraïm gaan; hij nam ze op zijne armen; maar zij bekenden niet dat ik ze genas.

4 Ik trok ze met menschen-zelen, met koorden der liefde, en was hun als degenen die het \\uk van op hunne kinnebakken oplichten, en ik reikte hem voeder toe.

5 Hij zal in Egypt eland niet wederkeeren, maar Assur, die zal zijn Koning zijn , omdat zij weigeren zich te bekeeren:

G en bet zwaard zal in zijne steden blijven en zijne grendelen verteren en verslinden , vanwege hunne beraadslagingen;

7 want mijn volk blijft hangen aan de afkeering van mij; zij roepen het wel tot den Allerhoogste, maar niet één verhoogt hem.

8 Hoe zoude ik u overgeven, o Efraïm, u overleveren, o Israël? Hoe zoude ik u maken als Adama, u stellen als Zeboïm? Mijn hart is in mij omgekeerd, al mijn berouw is te zamen ontstoken.

9 Ik zal de hittigheid mijns toorns niet uitvoeren, ik zal niet wederkeeren om Efraïm te verderven; want ik ben God en geen mensch, de Heilige in het midden van u, en ik zal in de stad niet komen.

10 Zij zullen den Heere achterna wandelen , hij zal brullen als een leeuw: wanneer hij brullen zal, dan zullen de kinderen van de zee af al bevende aankomen,

11 zij zullen bevende aankomen als een vogelken uit Egypte en als eene duive uit het land van Assur, en ik zal ze doen wonen in hunne huizen, spreekt de Heere.

HOOFDSTUK 12.

Die van Efraïm hebben mij omsingeld met leugen, en liet huis Israëls met bedrog, maar. Juda heerschte nog met God, en was met de heiligen getrouw.

2 Efraïm weidt zich met wind en jaagt den oostenwind na; den ganschen dag vermenigvuldigt hij leugen en verwoesting; en zij maken verbond met Assur, en de olie wordt naar Egypte gevoerd.

o Ook hoeft de Heere eenen twist met Juda, en hij zal bezoeking doen over Jakob naar zijne wegen, naar zijne handelingen zal hij hem vergelden.

quot;4 In den wioederscrioot hield hij zijnen broeder bij de verzenen; en in zijne kracht gedroeg hij zich vorstelijk met God,

5 ja, hij gedroeg zich vorstelijk tegen den Engel en overmocht hem; hij weende en smeekte hem. Te Beth-El vond hij hem, en aldaar sprak hij met ons;

6 namelijk de Heere, de God


-ocr page 1004-

982

der heirscharen, Heere is zijn gedenknaam.

7 Gij dan, bekeer u tot uwen God, bewaar weldadigheid en recht, en wacht gedurigiijk op uwen God.

8 In des koopmans hand is eene bedriegelijke weegschaal, hij bemint te verdrukken:

9 toch zegt Efraïm: Evenwel ben ik rijk geworden, ik heb mij groot goed verkregen; in al mijnen arbeid zullen zij mij geene ongerechtigheid vinden die zonde zij.

10 Maar ik ben de Heere uw God van Egypteland af; ik zal u nog in tenten doen wonen als in de dagen der samenkomst;

11 en ik zal spreken tot de Profeten , en ik zal het gezicht Vermenigvuldigen, en door den dienst der Profeten zal ik gelijkenissen voorstellen.

12 Zekerlijk is Gilead ongerechtigheid, zij zijn enkel ijdelheid; te Gilgal offeren zij ossen, ja hunne altaren zijn als sfmihoopen op de voren der velden.

13 Jakob vlood toch naar het veld van Syrië, en Israël diende om eene vrouw en hoedde om eene vrouw;

14 maar de Heere voerde Israël op uit Egypte door eenen Profeet, en door eenen Profeet werd hij gehoed.

15 Efraïm daarentegen heeft hem zeer bitterlijk vertoornd: daarom zal hij zijn bloed op hem laten, en zijn Heere zal hem zijnen smaad vergelden.

HOOFDSTUK 13.

Als Efraïm sprak, zoo beefde men, hij heeft zich verheven in Israël; quot;maar hij is schuldig geworden aan den Baal en is gestorven.

2 En nu zijn zij voortgevaren te zondigen, en hebben zich van hun zilver een gegoten beeld gemaakt, afgoden naar hun verstand, die altemaal smedenwerk zijn: waarvan zij norjtans zeggen: De menschen die offeren, zullen de kalveren kussen.

3 Daarom zullen zij zijn als eene morgenwolk en als een vroeg komende dauw die henen gaat, als kaf van den dorschvloer en gelijk rook uit den schoorsteen wordt weggestormd.

4 Ik ben toch de Heere uw God van Egypteland af; daarom zoudt gij geenen God kennen dan mij alleen, want daar is geen Heiland dan ik.

5 Ik heb u gekend in de woestijn, in zeer heeten lande.

G Daarna zijn zij, naar dat hunne weide was, verzadigd geworden; als zij verzadigd zijn geworden, heeft zich hun harte verheven; daarom hebben zij mij vergeten.

7 Dies werd ik hun als een felle leeuw, als een luipaard loerde ik op den weg;

8 ik ontmoette ze als een beer die van jongen beroofd is, en scheurde het slot huns harten; en ik verslond ze aldaar als een oude leeuw; bet wild gedierte des velds verscheurde ze.

9 Het heeft u bedorven o Israël; want in mij is uwe hulp.

10 Waar is uw Koning nu? dat hij u behoude in alle uwe steden ; en uwe richters, waar gij van zeidet: Geef mij eenen Koning en Vorsten?

11 Ik gaf u eenen Koning in mijnen toorn, en nam hem weg in mijne verbolgenheid.

12 Efraïms ongerechtigheid is samengebonder..,. zijne zonde is opgelegd;

13 smarten eener barende vrouw zullen hem aankomen; hij is een onwijs kind , want anders zoude hij geen tijd in de kindergeboorte blijven staan.

14 Doch ik zal ze van het geweld der hel verlossen, ik zal ze vrijmaken van den dood: o dood, waar zijn uwe pestilentiën? Hel, waar is uw verderf? Berouw zal van mijne oogen verborgen zijn.

15 Want hij zal vrucht voortbrengen onder de broederen; doch er zal een oostenwind komen, een wind des Heeren, opkomende uit de woestijn; en zijne springader zal uitdrogen en zijne fon-tijn zal verdrogen: die zal den schat van alle gewenscht huisraad roover.

HOSÉA 13.


-ocr page 1005-

HOSE A 14. JOEL 1.

983

HOOFDSTUK 14.

Samarië zal woest worden, want zij is wederspannig geweest tegen haren God; zij zullen door het zwaard vallen, hunne kinderkens zullen verpletterd en hunne zwangere vrouwen zullen opengesneden worden.

2 Bekeer u, o Israël, tot den Heere uwen God; want gij zijt gevallen om uwe ongerechtigheid.

3 Neemt deze woorden met. u, en bekeert u tot den Heere; zegt tot hem: Neem weg alle ongerechtigheid en geef het goede, zoo zullen wij betalen de varren onzer lippen.

4 Assur zal ons niet behouden, wij zullen niet rijden op paarden, en tot het werk onzer handen niet meer zeggen: Gij zijt onze God. Immers zal een wees bij u ontferming vinden.

5 Ik zal hunne afkecring genezen , ik zal ze vrijwillig liefhebben ; want mijn toorn is van hem gekeerd.

6 Ik zal Israël zijn als de dauw: hij zal bloeien als de lelie, en hij zal zijne wortelen uitslaan als de Libanon;

7 zijne scheuten zullen zich uitspreiden , en zijne heerlijkheid zal zijn als des olijfbooms, en hij zal eenen reuk hebben als de Libanon.

8 Zij zullen wederkeeren, zittende onder zijne schaduw; zij zullen ten leven voortbrengen als koren en bloeien als de wijnstok ; zijne gedachtenis zal zijn als de wijn van Libanon.

9 Efraïm, wat heb ik meer met de afgoden te doen? Ik heb/iem verhoord en zal op hem zien, ik zal hem zijn als een groenende denneboomquot;, uwe vrucht is uit mij gevonden.

10 Wie is wijs? die versta deze dingen; tuie is verstandig? die bekenne ze; want des Heeren wegen zijn recht, en de rechtvaardigen zullen daarin wandelen, maar de overtreders zullen daarin vallen.


PEET

DE

J O

Ë L.

HOOFDSTUK 1.

Het Woord des Heeren dat geschied is tot Joel den zoon van Pethuël.

2 Hoort dit gij oudsten, en neemt het ter oore, alle inwoners des lands. Is dit geschied in uwe dagen, of ook in de dagen uwer vaderen ?

3 Vertelt uwen kinderen daarvan, en laat het uwe kinderen hunnen kinderen vertellen, en derzelvcr kinderen aan een ander geslacht,

4 Wat de rups heeft overgelaten , heeft de sprinkhaan afgegeten ; en wat de sprinkhaan heeft overgelaten, heeft de kever afgegeten ; en wat de kever heeft overgelaten, heeft de kruidworm afgegeten.

5 Waakt op gij dronkenen, en weent, en jammert allo gij wijnzuipers, om den nieuwen wijn, dewijl hij van uwen mond is\'afgesneden.

G Want een volk is opgekomen over mijn land, machtigen zonder getal; zijne tanden zijn leeuwentanden , en het heeft baktanden eens ouden leeuws;


-ocr page 1006-

JOEL 2.

984

7 het heeft mijnen wijnstok gesteld tot eene verwoesting, en mijnen vijgeboom tot schuim; het heeft hem ganschelijk ontbloot en nedergeworpen, zijne ranken zijn wit geworden.

8 Kerm als eene jonkvrouw die met een zak omgord is vanwege den man harer jeugd.

0 Spijsolïer en drankoffer is van het Huis desHeeren afgesneden ; de Priesters, des Heeren dienaars, treuren.

10 Het veld is verwoest, het land treurt; want het koren is verwoest, de most is verdroogd, de olie is flauw.

11 De akkerlieden zijn beschaamd, de wijngaardeniers huilen om de tarwe en om de gerst; want do oogst des velds is vergaan.

12 De wijnstok is verdord, de vijgeboom is Hauw, de granaatappelboom, ook de palmboom en appelboom; alle boomen des velds zijn verdord, ja de vroolijkheid is verdord van de menschenkinderen.

13 Omgordt u en rouwklaagt gij Priesters, huilt gij dienaars des altaars; gaat in, vernacht in zakken, gij dienaars mijns Gods; want spijsolïer en drankoffer is geweerd van het Huis uws Gods.

14 Heiligt een vasten, roept een verbodsdaguit, verzamelt de oudsten ca alle inwoners dezes lands ten Huize des Heeren uws Gods, en roept tot den Heere.

15 Ach die dag! want de dag des Heeren is nabij en zal als eene verwoesting komen van den Almachtige.

10 Is niet de spijze voor onze oogen afgesneden, blijdschap en verheuging van het Huis onzes Gods?

17 De granen zijn onder hunne kluiten verrot, de schathuizen zijn verwoest, de schuren zijn afgebroken , want het koren is verdord.

18 O hoe zucht het vee! De runderkudden zijn bedwelmd, want zij hebben geene weide; ook zijn de schaapskudden verwoest.

19 Tot u, o Heere, roep ik; want een vuur heeft de weiden dor woestijn verteerd, en eene

vlam heeft alle boomen des voids aangestoken.

20 Ook schreeuwt elk beest des velds tot u; want de waterstroo-men zijn uitgedroogd, en een vuur heeft de weiden der woestijn verteerd.

HOOFDSTUK 2. |

Blaast de bazuin te Sion, en I roept luide op den berg mijner | heiligheid; laat alle inwoners des i lands beroerd zijn, want de dag 1 des Heeren komt, want hij is | nabij.

2 i\'^en dag van duisternis en | donkerheid, een dag van wolken | en dikke duisterheid, als de dage- 1 raad uitgespreid over de bergen; l een groot en machtig volk, des- | gelijke van ouds niet geweest is, | en na hetzelve niet meer zal zijn | tot in jaren van vele geslachten, s

3 Voor heteelve verteert een ^ vuur, en achter hetzelve brandt | eene vlam ; het. land is voor het- ï zelve als een lusthof, maar achter | hetzelve eene woeste wildernis, en ook is er geen ontkomen van hetzelve.

4 Deszelfs gedaante is als de gedaante van paarden, en als ruiters zoo zullen zij loopen ;

5 zij zullen daarhenen springen als een gedruisch van wagenen, op de hoogten dei bergen, als liet gedruisch eener vuurvlam die stoppelen verteert, als een machtig volk dat in slagorde gesteld is.

(j Van deszelfs aangezicht zullen de volken in pijn zijn, alle aangezichten zullen betrekken als een pot.

7 Als helden zullen zij loopen, als krijgslieden ztillen zij de muren beklimmen; en zij zullen daarhenen trekken een iegelijk in zijne wegen, en zullen hunne paden niet verdraaien;

8 ook zullen zij de één den ander niet dringen, zi; zullen daarhenen trekken elk in\'zijne baan; en al vielen zij op een geweer, zij zouden niet verwond worden.

9 Zij zullen iidcstadomloopen, zij zuilen loopm op de muren, zij zullen klimmen in do huizen.


-ocr page 1007-

zij zullen door de vensteren inkomen als een dief.

10 De aarde is beroerd voor deszelfs aangezicht, de hemel boeit; de zon en maan worden zwart, en de sterren trekken haren glans in.

11 En de Heere verheft zijne stem voor zijn heir honen; want zijn leger is zeer groot, want hij is machtig, doende zijn woord ; want de dag des Heeren is groot on zeer vreeselijk , en wie zal hem verdragen ?

12 Nu dan ook, spreekt de Heere, bekeert u tot mij met uw gansche harte, en dat met vasten en met geween en met rouwklage;

13 en scheurt uw harte en niet uwe kleoderen, en bekeert u tot don Heere uwen God; want hij is genadig en barmhartig, lankmoedig en groot van goedertieren-lieid, en berouw hebbende over het kwade:

14 wie weet, hij mocht zich wenden en berouw hebben, en hij mocht eenen zegen achter zich overlaten tot spijsoifer en drank-offer voor den Heere uwen God.

15 Blaast de bazuin te Sion, heiligt een vasten, roept een verbodsdag uit;

16 verzamelt het volk, heiligt de gemeente, vergadert de oudsten, verzamelt de kinderkens en die do borsten zuigen; de bruidegom ga uit zijne binnenkamer, en de bruid uit hare slaapkamer.

17 Laat de Priesters, dos Heeren dienaars, weenen tusschen het voorhuis en het altaar, en laat ze zeggen : Spaar uw volk , o Heere\', en geef uwe erfenis niet over tot eene smaadheid, dat de heidenen over hen zouden heerschen; waarom zouden zij onder de volken zeggen: Waar is hunlieder God?

18 Zoo zal de IteWRB ijveren over aijn land, en bij zal zijn wik versclioonen;

19 én de fiWETRE «al antwoorden en tot zijn volk zeggen: Zie, ik zend ulieden het koren en den most en de olie, dat gij daarvan verzadigd zult worden; en ik zal

Ö85

u niet meer overgeven tot eene smaadheid onder de heidenen.

20 En ik zal dien van het Noorden verre van ulieden doen vertrekken , en hem wegdrijven in een dor en woest land, zijn aangezicht naar do oostzee en zijn einde naar de achterste zee , en zijn stank zal opgaan en zijne vuiligheid zal opgaan ; want hij heeft groote dingen gedaan.

21 Vrees niet, o land, verheug u en wees blijde; want de Heere heeft groote dingen gedaan.

22 Vreest niet gij beesten des velds, want de weiden der woestijn zullen twdtr jong gras voortbrengen; want het geboomte zal zijne vrucht dragen, de wijnstok en vijgeboom zullen hun verinogen geven.

23 En gij kinderen van Sion, verheugt u en zijl blijde in den Heere uwen God; want hij zal u geven dien Leeraar ter gerechtigheid, en hij zal u den regen doen nederdalen, den vroegen regen en den spaden regen in de eerste maand;

24 en de dorschvloeren zullen vol koren zijn, en de perskuipen van most en olie overloopen.

25 Alzoo zal ik ulieden de jaren vergelden die de sprinkhaan, de kever en de kruidworm en de rups heeft afgegeten, mijn groot heir dat ik onder u gezonden heb;

20 en gij zult overvloodiglijk en tot verzadiging eten, en prijzen den naam des Heeren uws Gods, die wonderlijk gehandeld heeft; en mijn volk zal niet beschaamd worden tot in eeuwigheid.

27 En gij zult weten dat ik in het midden van Israël ben, en dat ik de Heere uw (ïod ben, en niemand meer; en mijn volk zal niet beschaamd worden in eeuwigheid.

28 En daarna zal het geschicden dat ik mijnen Geest zal uitgieten over alle vleesch, en uwe zonen en uwe dooMeren zullen profetee-ren; uwe Ouden zwllen droomen droomen, uwe jongelingen zullen gezichten zien;

29 ja, ook over de dienstknechten en over de dienstmaagden zal

JOEL 2.


-ocr page 1008-

JOËL 3.

ik in die dagen mijnen Geest uitgieten.

30 En ik zal wonderteekenen geven in den hemel en op de aarde, bloed en vuur en rookpi-laren.

31 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat die groote en vreese-lijke dag des Heeren komt.

32 En het zal geschieden, al wie den naam des Heeren zal aanroepen, zal behouden worden; want op den berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, gelijk als de Heere gezegd heelt, en dat, bij de overgeblevenen die de Heere zal roepen.

HOOFDSTUK 3.

Want zie, in die dagen en te dier tijd als ik de gevangenis van Juda en Jeruzalem zal wenden,

2 dan zal ik alle heidenen vergaderen en zal ze afvoeren in het dal Josatats, en ik zal met hen aldaar richten vanwege mijn volk en mijn erfdeel Israëls, dat zij onder de heidenen hebben verstrooid, en mijn land gedeeld,

3 en hebben het lot over mijn volk geworpen , en een jongsken gegeven om eene hoer, en een meisje verkocht om wijn, dat zij mochten drinken.

4 En ook, wat hebt gij met mij te doen , gij Tyrus en Sidon en alle grenzen van Palestina? Zoudt gij mij eene vergelding weder geven ? Maar zoo gij mij wilt vergelden, lichtelijk, haastelijk zal ik uwe vergelding op uw hoofd we-derbrengen:

5 omdat gij mijn zilver en mijn goud hebt weggenomen, en hebt mijne beste kleinoodiën in uwe tempelen gebracht,

G en gij hebt de kinderen van Juda en de kinderen van Jeruzalem verkocht aan de kinderen der Grieken, opdat gij ze verre van hunne landpale mocht brengen.

7 Zie, ik zal ze opwekken uit de plaats waarhenen gij ze hebt verkocht, en ik zal uwe vergelding wederbrengen op uw hoofd;

8 en ik zal uwe zonen en uwe dochteren verkoopen in de hand der kinderen van Juda, die ze verkoopen zullen aan die van Scheba, aan een ver gelegen volk; want de Heere heeft het gesproken.

9 Roept dit uit onder de heidenen , heiligt eenen krijg; wekt de helden op, laat naderen, laat optrekken alle krijgslieden.

10 Slaat uwe spaden tot zwaarden en uwe sikkelen tot spiesen; de zwakke zegge: Ik ben eenheid.

11 Rot te hoop en komt aan, alle gij volken van rondom, en vergadert u. (O Heere , doe uwe helden derwaarts nederdalen!)

12 De heidenen zullen zich opmaken, en optrekken naar het dal Josafats ; maar aldaar zal ik zitten om te richten alle heidenen van rondom.

13 Slaat den sikkel aan, want de oogst is rijp geworden; komt aan, daalt henen af, want de pers is vol en de perskuipen loopen over; want hunlieder boosheid is groot.

14 Menigten, menigten in het dal des dorschwagens; want de dag des Heeren is nabij in het dal des dorschwagens.

15 De zon en maan zijn zwart geworden , en de sterren hebben haren glans ingetrokken.

16 En de Heere zal uit Sion brullen en uit Jeruzalem zijne stemme geven, dat hemel en aarde beven zullen; maar de Heere zal de toevlucht zijns volks en de sterkte der kinderen Israëls zijn,

17 en gijlieden zult weten dat ik de Heere uw God ben, wonende op Sion, den berg mijner heiligheid ; en Jeruzalem zal eene heiligheid zijn, en vreemden zullen niet meer door haar doorgaan.

18 En het zal te dien dage geschieden dat de bergen van zoeten wijn zullen druipen, en de heuvelen van melk vlieten, en alle stroomen van Juda vol van water gaan; en daar zal een® fontein uit het Huis des Heeren uitgaan en zal het dal van Sittim bewateren.

19 Egypte zal tot verwoesting worden, en Edom zal worden tot


-ocr page 1009-

AMOS 1.

987

eene woeste wildernis, om het geweld, gedaan aan de kinderen van Juda, in welker land zij onschuldig bloed vergoten hebben.

20 Maar Juda zal blijven in eeuwigheid , en Jeruzalem van geslacht tot geslacht;

21 en ik zal hunlieder bloed reinigen dat ik niet gereinigd had, en cle Heere zal wonen in Sion.


DE PROFEET A M O S.

HOOFDSTUK 4.

De woorden van Amos, die onder de veeherders was van ïekua; dewelke hij gezien heeft over Israël, in de dagen van Uzzia, Koning van Juda, en in de dagen van Jerobeam, zoon van Joas, Koning van Israël, twee jaren vóór de aardbeving.

2 En hij zeide: De Heere zal brullen uit Sion en zijne stem verheffen uit Jeruzalem , en de woningen der herders zullen treuren en de hoogte van Karmel zal verdorren.

3 Alzóó zegt de Heere : Om drie overtredingen van Damascus en om vier zal ik dat niet afwenden ; omdat zij Gilead mei ijzeren dorschwagens hebben gedorscht.

4 Daarom zal ik een vuur in Hazaëls huis zenden, datzalBcn-hadads paleizen verteren;

5 en ik zal den grendel van Damascus verbreken, en zal uitroeien den inwoner uit Bikeath-Aven, en dien die den schepter houdt uit Beth-Eden; en het volk van Syrië zal gevankelijk weggevoerd worden naar Kir, zegt do Heere.

6 Alzóó zegt de Heere ; Om drie overtredingen van Gaza en om vier zal ik dat niet afwenden; omdat zij mijn volk gevankelijk hebben weggevoerd met eene vol-komene wegvoering, om het aan Edom over te leveren.

7 Daarom zal ik een vuur zenden in den muur van Gaza, dat zal hare paleizen verteren;

8 en ik zal den inwoner uitroeien uit Asdod, en dien die den schepter houdt uit Askelon ; en ik zal mijne hand wenden tegen Ekron, en het overblijfsel der Filistijnen zal vergaan, zegt de Heeie Heere.

1) Alzóó zegt de Heere : Om drie overtredingen van Tyrus en om vier zal ik dat niet afwenden; omdat zij mijn volk met eene volkomene wegvoering hebben overgeleverd aan Edom , en niet gedacht aan het verbond der broederen.

10 Daarom zal ik een vuur zenden in den muur van Tyrus, dat zal hare paleizen verteren.

Ji Alzóó zegt de Heere; Om drie overtredingen van Edom en om vier zal ik dat niet afwenden; omdat hij zijnen broeder met het zwaard heeft vervolgd en zijne barmhartigheden verdorven, en zijn toom eeuwig verscheurt, en hij zijne verbolgenheid altoos behoudt.

12 Daarom zal ik een vuur zenden in Teman, dat zij de paleizen van Bozra verteren.

13 Alzóó zegt de Heere: Om drie overtredingen der kinderen


-ocr page 1010-

AMOS 2, 3.

Ammons en om vier zal ik dat niet afwenden; omdat zij de zwangere vrouwen van Gilead hebben opengesneden om hunne landpale te verwijden.

14 Daarom zal ik een vuur aansteken in den muur van Rabija, dat zal hare paleizen verteren, met een gejuich ten dage des strijds, met een onweder ten dage des wervelwinds;

15 en hun Koning zal gaan in gevangenis; hij en zijne Vorsten te zamen, zegt de PIeere.

HOOFDSTUK 2.

Alzóó zegt de Heere: Om drie overtredingen van Moab en om vier zal ik dat niet afwenden; omdat hij de beenderen des Konings van Edom tot kalk verbrand heeft.

2 Daarom zal ik een vuur in Moab zenden, dat zal de paleizen van Kerioth verteren; en Moab zal sterven met groot gedruisch, met gejuich, met geluid der bazuin;

3 en ik zal den richter uit het midden van haar uitroeien, en alle hare Vorsten zal ik met hem dooden, zegt de Heere.

4 Alzóó zegt de Heere: Om drie overtredingen van Juda en om vier zal ik dat niet afwenden; omdat zij de wet des Heeiïex verworpen en zijne inzettingen niet bewaard hebben , en hunne leuge-nen hen verleid hebben, die hunne vaders hebben nagewandeld.

5 Daarom zal ik een vuur in Juda zenden, dat zal Jeruzalems

• paleizen verleren.

(gt; Alzóó zegt de Heere: Om drie overtredingen Israels en om vier zal ik dat niet afwenden: omdat zij den rechtvaardige voor geld verkoopen, en den nooddruftige om een paar schoenen;

7 die daarnaar iiijgen dat het stof der aarde op het hoofd der armen zij, en den weg der zacht-moedigen verkeeren; en de man en zijn vader gaan tot eene jonge dochter, om mijnen heiligen naam te ontheiligen;

8 en zij leggen zich neder bij elk altaar op de verpande kleederen, en drinken den wijn der beboeten, in het huis hunner goden.

9 Ik daarentegen heb den Amo-|vo riet voor hun aangezicht verdelgd wiens hoogte was als de hoogte der cederen, en hij was sterk als je de eiken; maar ik heb zijne vrucht van boven en zijne wortelen van onderen verdelgd.

10 Ook heb ik ulieden uitEgypte-land opgevoerd, en ik heb u veertig jaar in de woestijn geleid, opdat gij het land van den Amoriet erfelijk bezat;

11 en ik heb sommigen uit uwe zonen tot Profeten verwekt, en uit uwe jongelingen tot Nazireërs: is dit niet alzoo, gij kinderen Israels? spreekt de Heere.

12 Maar gijlieden hebt den Nazireërs wijn te drinken gegeven, en gij hebt den Profeten geboden, zeggende: Gij zult niet profeteeren

13 Zie, ik zal uwe plaatsen drukken gelijk als een wagen drukt die vol garven is;

zoodat de snelle niet zal ontvlieden , en de sterke zijne kracht niet verkloeken, en een held zal zijne ziel niet bevrijden;

15 en die den boog handelt zal niet bestaan, en die licht is op zijne voeten zal zich niet bevrijden, ook zal die te paard rijdt zijne ziel niet bevrijden;

16 en de kloekhartigste onder de helden zal te dien dage naakt henenvlieden, spreekt de Heere.

HOOFDSTUK 3.

Hoort dit woord dat de Heere tegen ulieden spreekt, gij kinderen van Israël, namelijk tegen het gansche geslacht dat ik uit Egypte-land heb opgevoerd, zeggende:

2 Uit alle geslachten des aardbodems heb ik ulieden alleen gekend : daarom zal ik alle uwe ongerechtigheden over ulieden bezoeken.

3 Zullen twee te zamen wandelen, tenzij dat ze bijééngekomen zijn?

*4 Zal een leeuw brullen in het woud als hij geenen roof heeft? Zal een jonge leeuw uit zijn hol zijne stem verheffen, tenzij hij ivat gevangen hebbe?

5 Zal een vogel in den strik op de aarde vallen, als er geen strik

bl

sl


-ocr page 1011-

AMOS 4.

989

mo- poor hem is? Zal men den strik van den aardbodem opnemen als tefcnen ganschelijk niet heeft gevan-als ?en?

0 Zal de bazuin in de stad geblazen worden dat het volk niet siddert? Zal er een kwaad in de stad zijn dat de Heere niet doet?

7 Gewis de Heere Heere zal geen ding doen, tenzij hij zijne verborgenheid aan zijne knechten de Profeten geopenbaard hebbo.

8 De leeuw heeft gebruld, wie zoude niet vreezen? De Heere Heere heeft gesproken, wie zoude niet profeteeren?

9 Doet het hooren in de paleizen te Asdod en in de paleizen in Egypteland, en zegt: Verzamelt ii op de bergen van Samarië, en ziet de groote beroerten in het midden van haar en de verdrukten binnen in haar.

10 Want zij weten niet te doen dat recht is, spreekt de Heere : die in hunne paleizen schatten vergaderen door geweld en verstoring.

11 Daarom, zóó zegt de Heere Heere : De vijand! en dat rondom het land! Die zal uwe sterkte van u nederstorten, en uwe paleizen zullen uitgeplunderd worden.

12 Alzóó zegt de Heere: Gelijk als een herder twee schenkels of een stukje van een oor uit des leeuwen muil redt, alzóó zullen dc, kinderen Israels gered worden, die daar zitten te Samarië in den hoek van het bed en op de sponde van de koets.

13 Hoort en betuigt in het huis Jakobs, spreekt dc Heere Heere, de God der heirscharen,

14 dat ik ten dage als ik Israels overtredingen over hem bezoeken zal, ook bezoeking zal doen over de altaren van Beth-El, en do hoornen des altaars zullen worden afgehouwen en ter aarde vallen;

15 en ik zal het winterhuis met het zomerhuis slaan, en de elpen-boenen huizen zullen vergaan en de groote huizen een einde nemen, spreekt de Heere.

HOOFDSTUK 4.

Hoort dit woord, gij koeien van

Bazan, gij die op den berg van Samarië zijt, die de armen verdrukt, die de nooddruftigen verplettert; gij die tot hare heeren zegt: Breng aan, opdat wij drinken.

2 ®e Heere Heere heeft gezwo-■en bij zijne heiligheid, dat er, zie, dagen over uliedcn zullen komen, dat men u zal optrekken met haken, en uwe nakomelingen met vischangels;

3 en gij zult door de bressen uitgaan een ieder voor zich henen, en gij zult hetgeen in het paleis (jebmcht is wegwerpen, spreekt de H eere.

4 Komt te Beth-El en overtreedt, te Gilgal maakt des overtredens veel, en brengt uwe offeren des morgens, uwe tienden om de drie dagen;

5 en rookt van het gedeesemde een lofoffer, en roept vrijwillige olTeren uit, doet het hooren; want alzóó hebt gij het gaarne, gij kinderen Israels, spreekt de Heere Heere.

6 Daarom heb ik ulieden ook reinheid der tanden gegeven in alle uwe steden, en gebrek aan brood in alle uwe plaatsen: noj-tans hebt gij u niet bekeerd tot mij, spreekt de Heere.

7 Daartoe heb ik ook den regen van ulieden geweerd, als er nog drie maanden waren tot aan den oogst, en heb doen regenen over de éene stad, maar over de andere stad niet doen regenen; het ééne stuk lands werd beregend, maar het andere stuk lands, waar het niet op regende, verdorde;

8 en twee, drie steden togen om naar ééne stad opdat zij water mochten drinken, maar werden niet verzadigd: nogtans hebt gij u niet bekeerd tot mij, spreekt de Heere.

9 Ik heb ulieden geslagen met brandkoren en met honigdauw; de veelheid uwer hoven en uwer wijngaarden en uwer vijgeboomen en uwer olijfboomen at de rups op: nogtans hebt gij u niet bekeerd tot rnij, spreekt de Heere.

10 Ik hebquot; de pestilentie onder ulieden gezonden, naar de wijze van Egypte; ik heb uwe jonge-


-ocr page 1012-

AMOS 5.

990

lingen door het zwaard gedood en uwp paarden gevankelijk laten wegvoeren, en ik heb den stank uwer heirlegers zelfs In uwen neus doen opgaan: noglans hebt gij u niet bekeerd tot mij, spreekt de Heere.

11 Ik heb sommigen onder ulie-den omgekeerd, gelijk God Sodom en Gomorra omkeerde, gij die waart als een brandend hoiit dat uit den brand gered is: nogtans hebt gij u niet bekeerd tot mij, spreekt de Heere.

12 Daarom zal ik u alzoó doen, o Israël; omdat ik u dan dit doen zal, zoo schikt u, o Israël om uwen God te ontmoeten.

13 Want zie, die de bergen formeert en den wind schept, en den mensch bekend maakt wat zijne gedachte zij, die den dageraad duisternis maakt en op de hoogten der aarde treedt, Heere, God der heirscharen, is zijn naam.

HOOFDSTUK o.

Hoort dit woord dat ik over ulieden ophef, een klaaglied, o huis Israëls.

2 Do jonkvrouwe Israëls is gevallen, zij zal niet wederopstaan; zij is verlaten op haar land, daar is niemand die haar opricht.

3 Want zóó zegt do Heere Heere: De stad die uitgaat met duizend zal honderd overhouden, en die uitgaat met honderd zal tien overhouden, in den huize Israëls.

4 Want zóó zegt de Heere tot het huis Israëls: Zoekt mij en leeft.

5 Maar zoekt Beth-El niet, en komt niet te Gilgal, en gaat niet over naar Ber-Séba; want Gilgal zal voorzeker gevankelijk worden weggevoerd, en Beth-El zal worden tot niets.

C Zoekt den Heere en leeft; opdat hij niet doorbreke mhet huis Jozefs als een vuur dat verteert, zonder dat er iemand is die het bluscht in Beth-El:

7 die het recht in alsern ver-keeren, en de gerechtigheid ter aarde doen liggen.

8 Die het Zevengesternte en den Orfon maakt, en de doodsschaduw in morgenstond verandert, en deri ci dag als de nacht verduistert; die d; de wateren der zee roept, en giet le ze uit op den aardbodem: Heere w is zijn naam.

9 Die zich verkwikt door ver- d woesting over eenen sterke, zoo-1 e dat de verwoesting komt over 5 g eene vesting.

10 Zij haten in de poort denge- f( nen die bestraft, en hebben eenen d gruwel van dien die oprecht spreekt.

11 Daarom omdat gij den arme o vertreedt en een last koren van s hem neemt, zoo hebt gij wel hui- -n zen gebouwd van gehouwen steen, j i maar gij zult daarin niet wonen; ^ i gij hebt gewenschte wijngaarden | geplant maar gij zult derzei ver 1 1 wijn niet drinken. 1 ]

12 Want ik weet dat uwe over- a tredingen menigvuldig en uwe i zonden machtig vele zijn; zij be-1 nauwen den rechtvaardige, nemen g zoengeld, en verstoeten de nood- | druftigen in de poort.

13 Daarom zal de verstandige 1 le dier tijd zwijgen; want het zal | een boozè tijd zijn.

14 Zoekt het goede en niet het 1 booze, opdat gij leeft: en alzóó I zal de Heere, de God der heir- 1 scharen, met ulieden zijn, gelijk | gij zegt. |

15 Haat het booze en hebt lief i het goede, en bestelt het recht in 1 de pooit: misschien zal de Heere | de God der heirscharen Jozefs | overblijfsel genadig zijn.

16 Daarom zóó zegt de Heere, 1 de God der heirscharen, de Heere: Op alle straten zal rouwklage zijn, en in alle wijken zullen zij zeggen : Ach, ach, en zullen den akkerman roepen tot treuren, en rouwklage zal zijn bij degenen die verstand van kermen hebben;

17 ja, in alle wijngaarden zal rouwklage zijn; want ik zal door het midden gt; an u doorgaan, zegt de Heere.

18 Wee dengenen die des Hee-ren dag begeeren! Waartoe toch zal ulieden de dag des Heeren zijn? Hij zal duisternis wezen en geen licht.

19 Als wanneer iemand vlood voor het aangezicht eens leeuws,


-ocr page 1013-

AMOS 6.

991

cn hem ontmoette een beer; of dat hij kwam in een liuis, en leunde met zijne hand aan den wand, en hem beet eene slang.

20 Zal dan niet des Heeren dag duisternis zijn en geen licht, en donkerheid zoodat er geen glans aan zij?

21 Ik haat, ik versmaad uwe feesten, en ik mag uwe verbods-dacjen niet rieken.

22 Want ofschoon gij mij brand-offeren offert mitsgaders uwe spijsofferen ik heb er toch geen welgevallen aan; en het dankoffer van uwe vette beesten mag ik niet aanzien.

23 Doe het getier uwer liederen van mij weg, ook mag ik uwer luiten spel niet hooien.

24 Maar laat het oordeel zich daarhenen wentelen als de wateren , en de gerechtigheid als eene sterke beek.

25 Hebt gij mij veertig jaar in de woestijn slachtofleren en spijsoffer toegebracht, o huis Israëls?

26 Ja, gij droegt de tent van uwen Melech, en den Kiun, uwe beelden, de ster uws gods dien gij uzelven hadt gemaakt.

27 Daarom zal ik uliedcn gevankelijk wegvoeren, ver boven Damascus henen, zegt de Heere, wiens naam is God der heirscha-ren.

HOOFDSTUK fi.

Wee den gerusten te Sion, en den zekeren óp den berg van Sa-marië ; die de voornaamsten zijn van de eerstelingen der volkeren, en tot welke die van den huize Israëls komen.

2 Gaat over naar Kalme en ziet toe, en gaat van daar naar Ha-math, de groote stad en trekt af naar Gath der Filistijnen: of zij beter zijn dan deze koninkrijken, of hunne landpale grooter clan uwe landpale?

3 Gij die den boozen dag verre stelt, en den stoel des gewelds nabij brengt;

4 die daar liggen op elpenbee-nen bedsteden en weelderig zijn op hunne koetsen, en eten de lammeren van de kudde, en de kalveren uit het midden van den meststal;

5 die op het geklank der luit kwinkeleeren, en zich zeiven muziekinstrumenten uitdenken, gelijk David;

6 die wijn uit schalen drinken, en zich zalven met de voortreffelijkste olie maar bekommeren zich niet over de verbreking Jozefs.

7 Daarom zullen zij nu gevankelijk henengaan onder de voorsten die in gevangenis gaan, en het banket dergenen die weelderig zijn zal wegwijken.

quot;8 De Heere Heere heeft gezworen bij zich zeiven (spreekt de Heere de God der heirscharen): Ik heb eenen gruwel van Jakobs hoovaardij, en ik haat zijne paleizen; daarom zal ik de stad en hare volheid overleveren.

ü En het zal geschieden zoo daar tien mannen in eenig huis zullen overgelaten zijn, dat zij sterven zullen;

10 en de naaste vriend zal een iegelijk van dien opnemen, of die hem verbrandt, om de beenderen uit het huis uit te brengen, en zal zeggen tot dien die binnen de zijden des huizes is: Zijn er nog nicer bij u? En hij zal zeggen: Niemand. Dan zal hij zeggen: Zwijg; want zij waren niet om des Heeren naam te vermelden.

11 Want zie, de Heere geeft bevel, cn hij zal het groote huis slaan met inwatering en het kleine huis met spleten.

12 Zullen ook paarden rennen op eene steenrots ? Zal men ook daarop met runderen ploegen? Want gijlieden hebt het recht in gal verkeerd, en de -vrucht der gerechtigheid in alsem:

13 gij die blijde zijt over een nietig ding, gij die zegt: Hebben wij ons niet door onze sterkte hoornen verkregen?

14 Want zie, ik zal over uliedcn, o huis Israëls een volk verwekken, spreekt de Heere, de God der heirscharen: die zullen ulieden drukken van waar men komt te Hamath, tot aan de beek der wildernis.


-ocr page 1014-

AMOS 7,

902

HOOFDSTUK 7.

Do Heere Heehe deed mij aldus zien , en zie, hij formeerde sprinkhanen in hot begin dos opkomens van het nagras; en zie, hot was het nagras, na des Konings afmaaiingen.

2 En hot geschiedde als zij hot kruid des lands geheel zouden hebben afgegeten, dat ik zeido; Heero Heere , vergeef toch: wie zoude er van Jakob blijven staan? want hij is klein.

3 Toen berouwde zulks den Heere: Het zal niet geschieden, zeide do Heere:

4 Wijders deed mij de Heere Heere aldus zien, on zie, do Heere Heere riep uit dat hij wilde twisten met vuur; en hot verteerde oenen grooten afgrond, ook verteerde het oen stuk land.

5 Toon zeido ik: Heere Heere , houd toch op: wie zoude er van Jakob blijven slaan? want hij is klein.

6 Toen berouwde zulks den Heere: ook dit zal niet geschieden, zeide de Heere Heere.

7 Nog deed hij mij aldus zien, en zie, de Heere stond op een muur die naar het paslood gemaakt was, en een paslood was in zijne hand;

8 en de Heere zeide tot mij: Wat ziet gij, AmósV En ik zeide: Een paslood. Toen zeide do Heere: Zie, ik zal het paslood stellen in het midden van mijn volk Israël, ik zal het voortaan niet moer voorbijgaan;

9 maar Isaaks hoogten zullen verwoest en Israels heiligdommen verstoord worden, en ik zal tegen Jeroboams huis opstaan met het zwaard.

10 Toen zond Amazia, de Priester te Beth-El, tot Jeroboam den Koning Israels, zeggende: Amosj heeft -eene verbintenis tegen u: gemfiafct in het midden vftn hetj huis Israels; \'het land zal alle zijne j woorden niet kunnen verdragen ;

11 want alzóó zegt Amos: Jero-j beam zal door het zwaard sterven,\' en Israël zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden Weggevoerd.

12 Daarna zeide Amazia tot Amos: Gij ziener , ga weg, vlied in het land Juda, en eet aldaar brood en profeteer aldaar ;

13 maar te Beth-El zult gij voortaan niet meer profeteeren, want dat is des Konings heiligdom en dat is het huis des koninkrijks.

14 Toon antwoordde Anios en* zeide tot Amazia: Ik was geen! Profeet noch eens Profeten zoon, | maar ik was een ossenherder, en las wilde vijgen af;

15 maar de Heere nam mij van achter de kudde, en de Heere : zeide tot mij: Ga henen, profe- r teer tot mijn volk Israël.

1G Nu dan, hoor des Heeren ; Woord; gij zegt: Gij zult niet l profeteeren l3gcn Israël, noch uwe ; rede druppen tegen het huis Isaaks.

17 Daarom zegt do Heere alzóó: Uwe vrouw zal in de stad hoeree-ren , en uwe zonen en uwe dochte-ren zullen door het zwaard vallen, en uw land zal door het snoer uitgedeeld worden; en gij zult in een onrein land sterven , en Israël zal voorzeker uit zijn land gevankelijk worden weggevoerd.

HOOFDSTUK 8.

Do Heere Heere deed mij aldus zien, en zie, een korf met zomervruchten.

2 En hij zeide: Wat ziet gij, Amos? Én ik zeido : Eenen korf met zomervruchten. Toen zeide de Heere tot mij: Het einde is gekomen over mijn volk Israël, ik zal het voortaan niet meer voorbijgaan.

3 Maar de gezangen des Tempels zullen te dien dage huilen, spreekt de Heere Heere : vele doode lichamen zullen er zijn, in alle plaatsen zal men ze stilzwijgend wegwG rpen.

4 Hoort d:t, ^ij die den nooddruftige -onsiok^-, ©n dat .om te •vernielen -de «tlenclifcen des lands,

5 zeggende: Wanneer zal -de nieuwe maan overgaan, dat wij leeftocht mogen verkoopen, en dé sabbat dat wij koren mogen open-leggei;? verkleinende de efa, en


-ocr page 1015-

AMOS 9.

993

den sikkel vergróótende, en verkeerdelijk handelende met be-driegelijke weegschalen;

6 dat wij de armen voor geld mogen koopen, en den nooddruftige om een paar schoenen : dan zullen wij het kaf van het koren verkoopen.

7 De HEËfiE heeft gezworen bij Jftkobs heerlijkheid: Zoo ik alle hunne werken in eeuwigheid zal vergeten!

8 Zoude het land hierover niet beroerd worden en al wie daarin woont treuren? Ja, het zal geheel oprijzen als eene rivier, en het zal heen en weder gedreven en verdronken worden, als door de rivier van Egypte.

9 En het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heere Heere, dat ik de zon op den middag zal doen ondergaan, en het land bij lichten dag verduisteren;

10 en ik zal uwe feesten in rouw en alle uwe liederen in weeklage veranderen, en op alle lendenen een en zak en op alle hoofden kaalheid brengen; en ik zal het land stellen in rouw, zooals er is over eenen eenigen zoon, en deszelfs einde als eenen bitteren dag.

11 Zie, de dagen komen, spreekt de Heere Heere, dat ik eenen honger in het land zal zenden; niet eenen honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te hoeren de woorden des Heeren ;

12 en zij zullen zwerven van zee tot zee, en van het Noorden tot het Oosten: zij zullen omloopen om het Woord des Heeren te zoeken, maar zullen het niet vinden.

13 Te dien dage zullen de schoone jonkvrouwen en de jongelingen van dorst versmachten;

14 die daar zweren bij de schuld van Samarië, en zeggen: Zoo waarachtig als üw God van Dan leeft, en de weg van Ber-Séba leeft; en zij zullen vallen en niet weder opstaan.

HOOFDSTUK 9.

Ik zag den Heere staan op het altaar, en hij zeide: Sla dien knop, dat de posten beven, en doorklief ze allen in het hoofd; en ik zal hun achterste met het zwaard dooden, de vliedende zal onder hen niet ontvlieden noch de ontkomende onder hen behouden worden.

2 Al groeven zij tot in de hel, zoo zal zo mijne hand van daar halen; en al klommen zij in den hemel, zoo zal ik ze van daar doen nederdalen ;

3 en al verstaken zij zich op de hoogte van Karmel, zoo zal ik ze naspeuren en van daar halen; en al verborgen zij zich van voor mijne oogen op den grond van de zee. zoo zal ik van daar eene slang gebieden die zal ze bijten;

4 en al gingen zij in gevangenis voor het aangezicht hunner vijanden, zoo zal ik van daar het zwaard gebieden dat het hen doode, en ik zal mijn oog tegen hen zetten ten kwade en niet ten goede.

5 Want de Heere Heere der heirscharen is ?t die het land aanroert dat het versmelt, en allen die er in wonen treuren, en dat het geheel oprijst als eene rivier, en verdronken wordt als door de rivier van Egypte;

ü die zijne opperzalen in den hemel bouwt, en zijne bende , die heeft hij op aarde gefundeerd; die de wateren der zee roept, en giet ze uit op den aardbodem: Heere is zijn naam.

7 Zijt gijlieden mij niet als do kinderen der Moeren , o kinderen Israels? spreekt de Heere: heb ik Israël niet opgevoerd uit Egyp-teland, en de Filistijnen uit Kaftor, en de Syriërs uit Kir?

8 Zie, de oogen des Heeren Heeren zijn tegen dit zondig koninkrijk, dat ik het Van den aardbodem verdelge; behalve dat ik het huis Jakobs nietganschelijk zal verdelgen, spreekt de Heere.

9 Want zie, ik geef bevel en ik zal het huis Israels onder alle de heidenen schudden, gelijk als zaad geschud wordt in eene zeef, en niet één steentje zal er ter aarde vallen.

10 Alle zondaars mijns volks zullen door het zwaard sterven, die daar zeggen: Het. kwaad zal


32

-ocr page 1016-

994 OBA

tot ons niet genaken, noch ons voorkomen.

11 Te dien dage zal ik de vervallen hut Davids vvederoprichten, en ik zal hare reten dicht maken, en wat aan haar is afgebroken wederoprichten, en zal ze bouwen als in de dagen van ouds:

12 opdat zij erfelijk bezitten het overblijfsel van Edóm, en alle de heidenen die naar mijnen naam genoemd worden, spreekt de Heere die dit doet.

13 Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, dat de ploeger den maaier en de druiventreder den

D JA

zaadzaaier genaken zal, en de bergen zullen van zoeten wijn druipen en alle de heuvelen zullen smelten;

14 en ik zal de gevangenis mijns volks Israëls wenden, en zij zullen de verwoeste steden herbouwen en bewonen, en wijngaarden planten en derzei ver wijn drinken, en zij zullen hoven maken en derzelver vrucht eten;

15 en ik zal ze in hun land planten, en zij zullen niet meer worden uitgerukt uit hun land dat ik hun gegeven heb, zegt de Heere uw God.


OFEET

DE H!

OBA

D J A.

Het gezicht van Obadja. Alzóu zegt de Heere Heere van Edom: Wij hebben een gerucht gehoord van den Heere en daar is een gezant gezonden onderdo heidenen : staat op, en l?at ons opstaan tegen haar ten strijde.

2 Zie, ik heb u klein gemaakt onder de heidenen, gij zijt zeer veracht;

3 de trotschheid uws harten heeft u bedrogen, hij die daar woont in de kloven der steenrotsen, in zijne hooge woning ; die in zijn hart zegt: Wie zoude mij ter aarde ncderstooten ?

4 Al verhieft gij u gelijk de arend, en al steldet gij uw nest tusschen de sterren, zoo zal ik u van daar ncderstooten, spreekt de Heere.

5 Zoo daar dieven, zoo daar nachtroovers tot u gekomen waren, (hoe zijt gij uitgeroeid!) zouden zij niet gestolen hebben zooveel hun genoeg was? Zoo daar wijnlezers tot u gekomen waren.

zouden zij niet cenc nalezing hebben overgelaten ?

(i Hoe zij nü saus r/oerfiven nagespeurd, zijne verborgen schatten opgezocht! .

7 Alle uwe bondgenooten hebben u tot aan de landpale uitgeleid, uwe vredegenooten hebben u bedrogen , zij hebben u overmocht; die uw brood eten zullen een gezwel onder u zetten; daar is geen verstand in hem.

8 Zal het niet te dien dage zijn, spreekt de Heere, dat ik de wijzen uit Edom en het versland uit Esaus gebergte zal doen vergaan ?

9 Ook zullen uwe helden, o Te man, versaagd zijn, opdat een ieder uit Esaus gebergte door den moord worde uitgeroeid.

10 Om het geweld, begaan aan uwen broeder Jakob, zal schaamte u bedekken, en gij zult\'uitgeroeid worden in eeuwigheid.

11 Ten dage als gij tegenover hem stondt, ten dage als de uit-landers zijn heir gevangen voer-


-ocr page 1017-

J O NA 1.

905

den , en de vreemden zijne poorten introkken en over Jeruzalem het lot wierpen , waart gij ook als een van hen.

12 Toen moest gij niet gezien hebben op den dag uws broeders, den dag zijner vervreemding, noch u verblijd hebben over de kinderen van Juda ten dage huns onder-gangs, noch uwen mond groot gemaakt hebben ten dage der benauwdheid ,

13 noch ter poorte mijns volks ingegaan zijn ten dage huns ver-derfs, noch gezien hebben, ook gij, op zijn kwaad ten dage zijns verderfs, noch uwe handen uitgestrekt hebben aan zijn heir ten dage zijns verderfs,

14 noch gestaan hebben op de wegscheiding om zijne ontkomenen uit te roeien, noch zijne overgeblevenen overgeleverd hebben ten dage der benauwdheid.

15 Want de dag des Heeren :s nabij over alle de heidenen: gelijk als gij gedaan hebt zal u gedaan worden, uwe vergelding zal op uw hoofd wederkeeren.

10 Want gelijk gijlieden gedronken hebt op den berg mijner heiligheid, zullen alle de heidenen geduriglijk drinken, ja zij zullen drinken quot;en inzwelgen, en zullen zijn alsof zij er niet geweest waren.

17 Maar op den berg Sion zal ontkoming zijn en hij zal eene heiligheid zijn, en die van den huize Jakobs zullen hunne erfgoederen erfelijk bezitten.

18 En Jakobs huis zal een vuur zijn, en Jozefs huis eene vlam , en Esaus huis tot eenen stoppel; en zij zullen tegen hen ontbranden en zullen ze verteren, zoodat Esaus huis geenen overgeblevene zal hebben; want de Heere heeft het gesproken.

19 En die van het Zuiden zullen Esaus gebergte, en die van de laagte zullen de Filistijnen erfelijk bezitten, ja, zij zullen het veld Efraïms en het veld van Samarië erfelijk bezitten, en Benjamin Gilead,

20 en de gevankelijk weggevoerden van dit heir der kinderen Israels hetgeen der Kanaaniten was tot Zarfath toe, en de gevankelijk weggevoerden van Jeruzalem hetgeen dat in Sefaradis, zij zuilen de sleden van het Zuiden erfelijk bezitten;

21 quot;en daar zullen Heilanden op den berg Sion opkomen om Esaus gebergte te richten, en het koninkrijk zal des Heeren zijn.


DE PROFEET J O N A.

HOOFDSTUK -1.

En het Woord des Heeren geschiedde tot Jona den zoon van Amittai. zeggende:

2 Maak u op , ga naar de groote stad Ninevé, en predik tegen haar; want hunlieder boosheid is opgeklommen voor mijn aangezicht.

3 Maar Jona maakte zich op om te vluchten naar Tarsis, van het aangezicht des Heeren; en hij kwam af te Jafo, en vond een schip gaande naar Tarsis , en hij gaf de vracht daarvan en ging neder in hetzelve , om mot hen te gaan naar Tarsis, van het aangezicht des Heeren.


-ocr page 1018-

JONA 2.

4 Maar de Heere wierp eenen erooten wind op de zee, en daai-werd een groole storm in de zee, zoodat het schip dacht te breken.

5 Toen vreesden de zeelieden, en riepen een iegelijk tot zijnen god, en wierpen de vaten die in het schip waren in de zee, om het van dezelve te verlichten; maar Jona was nedergegaan aan de zijden van het schip, en lag neder en was met eenen diepen slaap bevangen.

6 En de opperschipper naderde tot hem en zeide tot hem: Wat is u, gij hardslapende? Sta op, roep tot uwen God: misschien zal die God aan ons gedenken, dat wij niet vergaan.

7 Voorts zeiden zij een ieder tot zijnen metgezel: Komt en laat ons loten werpen, opdat wij mogen weten om wiens wille ons dit kwaad overkomt. Alzoo wierpen zij loten, en het lot viel op Jona.

8 Toen zeiden zij tot hem: Verklaar ons nu , om wiens wille ons dit kwaad overkomt. Wat is uw werk en van waar komt gij? Welk is uw land en van welk volk zijt gij?

9 En hij zeide tot hen: Ik ben een Hebreër; en ik vreeze den Heere , den God des hemels, die de zee en het droge gemaakt heeft.

10 Toen vreesden die mannen met groote vreeze, en zeiden tot hem: Wat hebt gij dit gedaan! want de mam en wisten dat hij van des Heeuex aangezicht vlood; want hij had het hun te kennen gegeven.

11 Voorts zeiden zij tot hem: Wat zullen wij u doen, opdat de zee stil worde van ons? Want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger.

12 En hij zeide tot hen: Neemt mij op eii werpt mij in de zee, zoo zal de zee stil worden van ulieden; want ik weet dat deze groote storm ulieden om mijnentwil overkomt.

13 Maar de mannen roeiden, om het schip weder te brengen aan het droge, doch zij konden niet; want de zee werd hoe langer hoe onstuimiger tegen hen.

14 Toen riepen zij tot den Heere en zeiden: Och Heere, laat ons

toch niot vergaan ora dezes mans ziele, en leg geen onschuldig blosd op ons; want m , HEfcnb, hebt gedaan gelijk als het u heeft ,

behaa namen jona op en

wierpen hem in de zee. Toon stond do zee stil van hare vei-

bolgenheid. , ___

lö Dies vreesden de mannen den Heere met groote vreeze, en zij slachtten den Heere slachtottei en beloofden geloften.

17 De HEEUE nu beschikte eenen ffrooten visch om Jona in te slok-ken en Jona was in het ingewand

van\'den visch drie dagen en drie nachten.

HOOFDSTUK 2.

En Jona bad tot den Heere zijnen God uit het ingewand van

^2 en hij\'zeide: Ik riep uit mijne benauwdheid tot den Heere, en hii antwoordde mij; uit den buik des grafs schreide ik , en gij hoor-det miine stem;

3 want gij hadt mij geworpen in de diepte, in het hart dei-zeeën , en de stroom omving mij, alle uwe baren en uwe golven

UUü l-l gt;* ~

c: in gen over mil henen.

* 4 En ik zeide: Ik ben uitge-stooten van voor uwe oogen: nogtans zal ik den Tempel uwei heiligheid weder aanschouwen.

5 De wateren hadden mij omgeven tot de ziele toe, de afgrond omving mij; het wier was aan

mijn hoofd gebonden.

ü Ik was nedergedaald tot de \'Tonden der bergen, de grendelen der aarde waren om mii henen in eeuwigheid; maar gij hebt myn leven uit het verderf opgevoerd, o Heere mijn God.

7 Als mijne ziele in mij overstelpt was, dacht ik aan den Heere, en mijn gebed kwam tot

u in den Tempel uwer heiligheid.

8 Die de valsche ijdelheden onderhouden , verlaten hunnen wel-

^ O^nau\' ik zal u offeren mot de stemme der dankzegging , wat ik beloofd heb zal ik betalen. Het heil is des Heeren.

-ocr page 1019-

JONA 3, 4.

997

Dc Heere nu sprak tot den visch, en hij spuwde Jona Uit op het droge.

HOOFDSTUK 3.

En het Woord des Heeren geschiedde ten anderen male lot Jona, zeggende:

2 Maak u op, ga naar de groote stad Ninevé, en predik tegen haar de prediking die ik tot u spreek.

3 Toen maakte zich Jona op en ging naar Ninevé, naar het Woord des Heeren. Ninevé nu waseene groote stad Gods, van drie dagreizen.

4 En Jona begon in dc stad te gaan, ééne dagreize, en hij predikte en zeide: Nog veertig dagen, dan zal Ninevé worden omgekeerd.

5 En de lieden van Ninevé geloofden aan God, en zij riepen een vasten uit, en hekleedden zich met zakken, van hunnen grootste af tot hunnen kleinste toe.

6 Want dit woord geraakte tot den Koning van Ninevé, en hij stond op van zijnen troon, en deed zijn heerlijk overkleed van zich, en hij bedekte zich meteenen zak en zat neder in de asch;

7 en hij liet uitroepen, en men sprak té Ninevé uit bevel des Konings en zijner grooten , zeggende : Laat mensch noch beest, rund noch schaap iets smaken, laat ze niet weiden noch water drinken;

8 maar mensch en beest zullen met zakken bedekt zijn, en zullen sterkelijk tot God roepen, en zij zullen zich bekeeren een iegelijk van zijnen boozen weg en van het geweld dat in hunne handen is:

9 wie weet. God mocht zich wenden en berouw hebben, en hij mocht zich wenden van de hittigheid zijns toorns, dat wij niet vergingen.

lö En God zag hunne werken, dat zij zich bekeerden van hunnen boozen weg, en het berouwde God over het kwaad dat hij gesproken had hun te zullen doen en deed het niet.

HOOFDSTUK 4.

Dat verdroot Jona met groot verdriet, en zijn toorn ontstak;

2 en hij bad tot den Heere en zeide: Och Heere, was dit mijn woord niet als ik nog in mijn land was? Daarom kwam ik hét voor, vluchtende naar Tarsis; want ik wist dat gij een genadig en barmhartig God zijt, lankmoedig en groot van goedertierenheid, en berouw hebbende over het kwaad.

3 Nu dan, Heere, neem toch mijne ziele vim mij, want het is mij beter te sterven dan te leven.

4 En de Heere zeide: Is uw toom billijk ontstoken?

5 Jona nu ging ter stad uit en zette zich tegen het oosten der stad, en hij maakte zich aldaar een verdek, en zat daaronder in de schaduw, totdat hij zien zoude wat van de stad zoude worden.

0 En God dc Heere beschikte eenen wonderboom, en deed hem opschieten boven Jona, opdat er schaduw mocht zijn over zijn hoofd, om hem te redden van zijn verdriet. En Jona verblijdde zich over den wonderboom met groote blijdschap.

7 Maar God beschikte eenen worm des anderen daags ir \'t opgaan van den dageraad, die stak den wonderboom dat hij verdorde;

8 en het geschiedde als de zon oprees, dat God eenen stillen oostenwind beschikte; en de zon stak op het hoofd van Jona dat hij amechtig werd; en hij wenschtê zijner ziele te mogen sterven, en zeide: Het is mij beter te sterven dan te leven.

9 Toen zeide God tot Jona: Is uw toorn billijk ontstoken over den wonderboom? En hij zeide: Billijk is mijn toorn ontstoken ter dood toe.

10 En de Heere zeide: Gij verschoont den wonderboom, aan welken gij niet hebt gearbeid cn dien gij niet hebt groot gemaakt, die in éénen nacht werd en in ééncn nacht verging:

11 en ik zoude die groote stad Ninevé niet verschoonen, waar veel meer dan honderdentwintigduizend menschen in zijn die geen onderscheid weten tusschen hunne rechterhand en hunne linkerhand, daartoe veel vee?


-ocr page 1020-

MI GHA 1, 2.

998

DE PROFEET M I C H A.

HOOFDSTUK 1.

Het Woord des Heeuen dat geschied is tot Micha den Morastiet, ia de dagen van Jotham, Achaz en Jehizlda, Koningen van Juda; dat hij gezien heelt over Samarië en Jeruzalem.

2 Hoort gij volken altemaal; merk op, gij aarde mitsgaders hare volheid: de Heere Heeiïe nu zal tot een getuige zijn tegen ulieden , de Heere uit den Tempel zijner heiligheid.

3 Want zie, de Heere gaat uit van zijne plaats, en hij zal nederdalen en treden op de hoogten der aarde;

4 en de hergen zullen onder hem versmelten en de dalen geklooid worden, gelijk was voor het vuur, gelijk wateren die uitgestort worden in de laagte.

5 Uit alles om de overtreding Jakohs en om de zonden des huizes Israëls: wie is het begin van de overtreding Jakohs? Is het niet Samarië? en wie van de hoogten van Juda? Is het niet Jeruzalem?

G Daarom zal ik Samarië stellen tot eenen steenhoop des velds, tot plantingen eens wijngaards, en ik zal hare steenen irl de vallei storten en hare fundamenten ontdekken ;

7 en alle hare gesneden beelden zullen vermorzeld worden, en alle hare hoerenbelooningen zullen met vuur verbrand worden, en alle hare afgoden zal ik stellen tot eene woestheid; want zij heeft ze van hoerenloon vergaderd, en zij zullen tot hoerenloon wederkeeren.

8 Hierom zal ik misbaar bedrijven en huilen, ik zal beroofd en naakt gaan, ik zal misbaar maken als de draken en treuren als de jonge struisen;

9 want hare plagen zijn doodelijk, want zij zijn gekomen *:ot aan Juda, hij is geraakt tot aan de poort mijns volks, tot aan Jeruzalem.

10 Verkondigt het niet te Gath, weent zoo jammerlijk niet; wentel u in het stof in het huis van Afra.

11 Ga duur gij inwoneres van Safir, met bloole schaamte, de inwoneres van Zaanan gaat niet uit: rouwklage is te Beth-Haëzel; hij zal zijnen stand van ulieden nemen;

12 want de inwoneres van Maroth is krank om des goeds wille, want een kwaad is van den Heere afgedaald tot aan de poort van Jeruzalem.

13 Span de snelle dieren aan den wagen, gij inwoneres van Lachis, (deze is der dochter Slons het begin der zonde), want in u zijn Israëls overtredingen gevonden.

14 Daarom geef geschenken aan Moréseth Gaths, de huizen van Achzib zullen den Koningen Israëls tot eene leugen zijn.

15 Ik zal u nog eenen erfgenaam toebrengen, gij inwoneres van Maresa, hij zal komen tot aan Adullam, tut aan de heerlijkheid Israels.

16 Maak u kaal en scheer u om uwe troetelkinderen, \\ erbreed uwe kaalheid als de arend, omdat zij gevankelijk van u zijn weggevoerd.

HOOFDSTUK 2.

Wee dien die ongerechtigheid bedenken en kwaad werken op hunne legers; in het licht van den


-ocr page 1021-

morgenstond doen zij het, dewijl het in de macht van hunne hand is.

2 En zij begeeren akkers en rooven ze, en huizen en nemen ze weg: alzoo doen zij geweld aan den man en zijn huis, ja aan een iegelijk en zijne erfenis.

3 Daarom alzuó zegt de Heere: Zie, ik denk een kwaad over dit geslacht, waaruit gijlieden uwe halzen niet zult uittrekken, en zult zoo rechtop niet gaan; want het zal een booze tijd zijn.

4 Te dien dage zal men eene spreuke over ulieden ophellen, en men zal eene klagelijke klacht klagen, en zeggen: Wij zijn ten cenenmale verwoest; hij verwisselt mijns volks deel; quot;hoe ont--\'wepadt hij \'t mij, hij deelt uit, a \' Qnze akkers.

o Daaiom /uio ^ niemanci }ie]D. ben die het snoer werpi j0j.

in de gemeente des Heeren.

0 Profeteert gijlieden niet, zengen zij, laat die profeteeren; zij profeteeren niet als die; men wijkt niet af vcdi smaadheden.

7 O gij die Jakobs huis geheeten zijt, is dan de Geest des Heeren verkort? Zijn dat zijne werken? Doen mijne woorden geen goed bij dengeen die recht wandelt?

8 Maar gisteren stelde zich mijn volk op tot vijand tegenover een kleed: gij stroopt eenen mantel van degenen die gerust voorbijgaan, wederkomende van den strijd.

9 De vrouwen mijns volks verdrijft gij, elkeene uit het huis harer vermakingen; van hare kinderkens neemt gij mijn sieraad in eeuwigheid.

10 Maakt u dan op en gaat henen, want dit land zal de ruste niet zijn; omdat het verontreinigd is, zal het u verderven, en dat met eene geweldige verderving.

11 Zoo daar iemand is die met wind omgaat en valschelijk liegt, zeggende: Ik zal u profeteeren voor wijn en voor sterken drank: dat is een Profeet dezes volks.

12 Voorzeker zal ik u, o Jakob, gansch verzamelen, voorzeker zal ik Israels overblijfsel vergaderen; ik zal het te zamen zetten als schapen van Bozra, als eene kudde

909

in het midden harer kooi zullen ze van menschen deunen.

13 De doorbreker zal voor hun aangezicht optrekken; zij zullen doorbreken en door de poort gaan en door dezelve uittrekken, en hun Koning zal voor hun aangezicht henengaan, en de Heere\'in hunne spits.

HOOFDSTUK 3.

Voorts zeide ik: Hoort nu, gij hoofden Jakobs en gij oversten des huizes Israels: betaamt het ulieden niet het recht te weten?

2 Zij haten het goede en hebben het kwade lief, zij rooven hunne huid van hen af, en hun vleesch van hunne beenderen;

3 ja, zij zijn het die het vleesch mijns volks eten, en hunne huid afstroopen, en hunne beenderen .quot;quot;•breken, en vanéén leggen als in eeuw not en ajs vieesc[1 in ^et midden eens

4 Alsdan zullen wj voepen lot den Heere, doch hij zal üc «iet verhoeren, maar zal zijn aangezicht te dier tijd voor hén verbergen, gelijk als zij hunne handelingen kwaad gemaakt hebben.

5 Alzóó zegt de Heere tegen de Proleten die mijn volk verleiden; die met hunne tanden bijten, en roepen vrede uit; maar die niets geeft in hunnen mond, tegen dien heiligen zij oenen krijg.

G Daarom zal het nacht voor ulieden worden vanwege het gezicht , en ulieden zal duisternis zijn vanwege de waarzegging; en de zon zal over deze Profeten ondergaan, en de dag zal over hen zwart worden;

7 en de zieners zullen beschaamd en de waarzeggers schaamrood worden, en zij zullen altezamen de bovenste lip bewimpelen, want daar zal geen antwoord van God zijn.

8 Maar waarlijk, ik ben vol kracht van den Geest des Heeren, en vol van gericht en dapperheid, om Jakob te verkondigen zijne overtreding en Israël zijne zonde.

9 Hoort nu dit, gij hoofden des huizes Jakobs en gij oversten des huizes Israels , die van het gericht

MICH A 3.


-ocr page 1022-

MICH A 4, 5.

1000

eenen gruwel hebt en al wat recht is verkeert,

10 bouwende Sion met bloeden Jeruzalem met onrecht.

11 Hare hoofden richten om geschenken, en hare Priesters leeren om loon, en hare Profeten waarzeggen om geld: töch steunen zij op den Heere, zeggende: Is de Heere niet in het midden van ons? Ons zal geen kwaad overkomen.

12 Daarom, om uwentwille, zal Sion als een akker geploegd worden , en Jeruzalem zal tot steen-hoopen worden, en de berg dezes Huizes tot hoogten eens wouds.

HOOFDSTUK 4.

Maar in quot;t laatste der dagen zal het geschieden dat de berg van het Huis des Heeren zal vastgesteld zijn op den top der bergen , en hij zal verheven zijn bovo^ heuvelen, en de volk^quot; quot;«men tot hem toevloeien ,*

2 en xieidenen zullen henen-ffnhi en zeggen: Komt en laat ons opgaan ten berge des Heeren en ten Huize des Gods Jakobs, opdat hij ons leere van zijne wegen en wij in zijne paden wandelen; want uit Sion zal de wet uitgaan en des Heeren Woord uit Jeruzalem.

3 En hij zal onder groole volken richten en machtige heidenen straliën, tot verre toe; en zij zullen hunne zwaarden slaan tot spaden en hunne spiesen tot sikkelen, het cêne volk zal tegen het andere \\o\\k geen zwaard opheffen, en zij zullen den krijg niet meer leere h;

4 maar zij zullen zitten een ieder onder zijnen wijnstok en onder zijnen vijgeboom, en daar zal niemand zijn die ze verschrikt; want de mond des Heeren der heirscharen heeft het gesproken.

5 Want alle volken zullen wandelen, elk in den naam zijns gods, maar wij zullen wandelen in den naam des Heeren onzes Gods, eeuwiglijk en altoos.

6 Te dien dage, spreekt de Heere, zal ik haar die hinkende was verzamelen, en haar die verdreven was vergaderen, en die ik geplaagd had;

7 en ik zal haar die hinkende was maken tot een overblijfsel, en haar die verre henen verstoeten was tot een machtig volk; en de Heere zal Koning over hen zijn op den berg Sion, van nu aan tot in eeuwigheid.

8 En gij Schaapstoren, gij Ofel der dochter Sions, tot u zal komen , ja, daar zal komen de vorige heerschappij, het koninkrijk der dochter Jeruzalems.

9 Nu, waarom zoudt gij zoo groot geschrei maken ? Is er geen Koning onder u, is uw Raadgever vergaan, dat u smarte als eener barende vi\'vuw heeft aangegrepen?

10 Lijd smart en arbeid..^quot; voort te brengen, o ri^ blons» als eene vroutu; want

-«it gij luel uit de stad henen uitgaan en op het veld wonen , en tot in Babel komen, w«or aldaar zult gij gered worden, aldaar zal u do Heere verlossen uit de hand uwer vijanden.

11 Nu zijn wel vele heidenen tegen u verzameld, die daar zeggen : Laat ze ontheiligd worden en laat onze oogen Sion aanschouwen ;

12 maar zij weten de gedachten des Heeren niet en verstaan zijnen raadslag niet, dat hij ze vergaderd heeft als garven tot den dorsch vloer.

13 Maak u op en dorsch, o dochter Sions, want ik zal uwen hoorn ijzer maken en uwe klauwen koper maken, en gij zult vele volken verpletteren; eh ik zal hun gewin den Heere verbannen, en hun vermogen den Heere der gansche aarde.

14 Nu, rot u met benden, gij dochter der bende, hij zal eene belegering tegen ons stellen, zij zullen den Richter Israëls met dè roede op het kinnebakken slaan,

HOOFDSTUK 5.

En gij Bethlehem Efratha, zijt gij klein om te wezen onder de duizenden van Juda, uit u zal mij voortkomen die een Heerscher zal zijn in Israël, en wiens uitgangen


-ocr page 1023-

MIG HA ü.

1001

zijn van ouds, van de dagen der eeuwigheid.

2 Daarom zal hij hen overgeven tot den tijd toe , dat zij , die baren zal, gebaard hebbe; dan zullen de overigen zijner broederen zich be-keeren mét de kinderen Israels.

3 En hij zal staan en zal weiden in de kracht des Heeren, in de hoogheid van don naam des Heeren zijns Gods; en zij zullen wonen; want nu zal hij groot zijn tot aan de einden der aarde.

4 En deze zal Vrede zijn: wanneer Assur in ons land zal komen en wanneer hij in onze paleizen zal treden, zoo zullen wij tegen hem stellen zeven herders, en acht Vorsten uit de rnenschen;

5 die zullen het land Assurs afweiden met het zwaard, en het land Nimrods in deszelfs ingangen : alzoo zal hij ons redden van Assur, wanneer dezelve in ons land zal komen en wanneer hij in onze landpale zal treden.

G En Jakobs overblijfsel zal zijn in het midden van vele volken , als een dauw van den Heere, als droppelen op het kruid dat naar geenen man wacht nochmenschen-kinderen verbeidt;

7 ja, het overblijfsel Jakobs zal zijn onder de heidenen, in het midden van vele volken, als een leeuw onder de beesten des wouds, als een jonge leeuw onder de schaapskudden, dewelke, wanneer hij doorgaat, zoo vertreedt en verscheurt hij dat niemand redt.

8 Uwe quot;hand zal verhoogd zijn boven uwe wederparlijders, en alle uwe vijanden zullen uitgeroeid worden.

9 En het zal te dien dage geschieden, spreekt de Heere. dat ik uwe paarden uit het midden van u zal uitroeien, en ik zal uwe wagenen verdoen;

10 en ik zal de steden uws lands uitroeien en ik zal alle uwe vestingen afbreken;

11 en ik zal de tooverijen uit uwe hand uitroeien , en gij zult geene guichelaars hebben ;

12 en ik zal uwe gesneden beelden en uwe opgerichte beelden uit het midden van u uitroeien, dat gij u niet meer zult neder-buigeri voor het werk uwer handen ;

13 voorts zal ik uwe bosschen uit het midden van u uitroeien , en ik zal uwe steden verdelgen :

14 en ik zal in toorn en in grimmigheid wrake doen aan de heidenen die niet hoeren.

HOOFDSTUK G.

Hoort nu wat de Heere zegt: Maakt u op , twist met de bergen en laat de heuvelen uwe stem hcoren.

2 Hoort, gij bergen, den twist des Heeren, mitsgaders gij sterke fundamenten der aarde; want de Heere heeft eenen twist met zijn volk, en hij zal zich met Israël in recht begeven.

3 O mijn volk, wat heb ik u gedaan en waarmede heb ik u vermoeid? Betuig tegen mij.

4 Immers heb ik u uit Egypte-land opgevoerd en u uit den diénst-huize verlost; en ik heb voor uw aangezicht henengezonden Mozes, Aaron en Mirjam.

5 Mijn volk , gedenk toch wac Balak de Koning van Moab beraadslaagde , en wat Bileam de zoon Beors hem antwoordde; en luat r/cschicd is van Sittim af tot Gilgal toe, opdat gij de gerechtigheden des Heeren kent.

G Waarmede zal ik den Heere tegenkomen , en mij bukken voor den hoogen God? Zal ik hem tegenkomen met brandofferen, met éénjarige kalveren ?

7 Zoude de Heere een welgevallen hebben aan duizenden van rammen, aan tienduizenden van oliebeken? Zal ik mijnen eerstgeborene geven voor mijne overtreding, de vrucht mijns lijfs voor de \'zonde mijner ziele?

8 Hij heeft u bekend gemaakt, o mensch, wat goed is; en wat eischt de Heere van u, dan recht te doen en weldadigheid lief te hebben en oot moedigi ijk te wandelen met uwen God?

9 De stemme des Heeren roept tot de stad (want uw naam ziet het wezen): Hoort de roede en wie ze besteld heeft.


-ocr page 1024-

MICH A 7.

1002

10 Zijn er niet nog in eens ieders goddeloozen huis schatten der goddeloosheid, en eene schaarsche efa, dat te verfoeien is?

11 Zoude ik rein zijn met eene goddelooze weegschaal en met eenen zak van bedriegelijke weeg-steenen ?

12 Dewijl hare rijke lieden vol zijn van geweld, en hare inwoners leugen spreken, en hunne tong hedriegelijk is in hunnen mond,

13 zoo zal ik u ook krenken, u slaande en verwoestende om uwe zonden.

14 Gij zult eten maar niet verzadigd worden, en uwe nederdruk-king zal in het midden van u zijn; en gij zult aangrijpen maar niet wegbrengen , en wat gij zult wegbrengen zal ik aan het zwaard overgeven.

15 Gij zult zaaien maar niet maaien, gij zult olijven treden maar u met do olie niet zalven, en most, maar geenen wijn drinken.

16 Want de inzettingen van Omri worden onderhouden, en het gansche werk des huizes Achabs, en gij wandelt in dcr-zelver raadslagen: opdat ik u stelle tot verwoesting, en hare inwoners tot aanfluiting; alzoo zult gij de smaadheid mijns volks dragen.

HOOFDSTUK 7.

Ai mij, want ik ben als wanneer de zomervruchten zijn ingezameld, als wanneer de nalezingen in den wijnoogst geschied zijn: daar is góene druif om te eten, mijne ziele begeert vroegrijpe vrucht.

2 De goedertierene is vergaan uit den lande, en daar is niemand oprecht onder de menschen; zij loeren allemaal op bloed, zij jagen een iegelijk zijnen broeder met een jachtgaren.

3 Om met beide handen wel dapper kwaad te doen, zoo eischt de Vorst, en de rechter oordeelt om vergelding; en de groote die spreekt de verderving zijner ziel, en zij draaien ze dicht inéén.

4 De beste van hen is als een

doorn, de oprechtste is scherper . q dan eene doornhegge: de dag uwer wachters, uwe bezoeking, is z gekomen, nu zal hunne verwar- j ring wezen.

5 Gelooft eenen vriend niet, vertrouwt niet op eenen voor-naamsten vriend; bewaart de deuren uws monds voor haar die in uwen schoot ligt.

6 Want de zoon veracht den vader, de dochter staat op tegen hare moeder, de schoondochter tegen hare schoonmoeder; eens mans vijanden zijn zijne huisge-nooten.

7 Maar ik zal uitzien naar den Heere, ik zal wachten op den God mijns heils; mijn God zal mij hooren.

8 Verblijd u niet over mij, o mijne vijandin: wanneer ik gevallen ben, zal Lc weder opstaan; wanneer ik in duisternis zal gezeten zijn, zal mj de Heere een licht zijn.

9 Ik zal des Heeren gramschap dragen, want ik heb tegen hein gezondigd; totdat hij mijnen twist twiste en mijn recht uitvoere: hij zal mij uitbrengen aan het licht, ik zal mijne,i lust zien aan zijne gerechtigheid.

10 En mijne vijandin zal het zien, en schaamte zal haar bedekken; die tot mij zegt: Waar is de Heere uw God? Mijne oogen zullen aan haar zien, rui zal zij worden tot vertreding, als slijk der straten.

11 Ten dage als hij uwe muren zal herbouwen, te dien dage zal het besluit verre henengaan.

12 Te dien dag3 zal het ook komen tot u toe, van Assur af,

zelfs tot de vaste steden toe, en van de vestingen tot aan de rivier, en van zee tot zee, en van gebergte tot gebergte.

13 Maar dit land zal worden tot eene verwoesting zijner inwoners halve, vanwege de vrucht hunner handelingen.

14 Gij dan, weid uw volk met uwen staf, de kudde uwer erfenis, die alléén woon: in het woud in het midden van een vruchtbaar land; laat ze weiden in Basan en


-ocr page 1025-

I

hff Gilead, als in de dagen van ouds.

.o 15 Ik zal haar wonderen doen \' J,8 zien, als in de dagen toen gij uit

Egypteland uitloogt. , 4(3 De heidenen zullen het zien,

en bepchaamd zijn van wege ol ,rquot; hunne macht; zij zullen de hand . ; op den mond leggen, hunne ooren m zullen doof worden ;

17 zij zullen het stof lekken als ;n de slang, als kruipende dieren ^ der aarde zullen zij zich bewegen \'r uit hunne sloten; zij zullen met ^ vervaardheid komen tot den Hei=gt; re onzen God, en zullen voor u vreezen.

N AH

UM 4. 1003

18 Wie is een God gelijk gij, die de ongerechtigheid vergeeft f.n de overtreding van het overblijfsel zijner erfenis voorbijgaat? Hij houdt zijnen toorn niet in eeuwigheid, want hij heeft lust aan goedertierenheid.

19 Hij zal zich onzer weder ontfermen, hij zal onze ongerechtigheden dempen, ja, gij zult alle hunne zonden in de diepten der zee werpen;

20 gij zult Jakob de trouwe, Abraham de goedertierenheid geven , die gij onzen vaderen van oude dagen quot;af gezworen hebt.


iFEET

DE PR\' IST A B

U M.

HOOFDSTUK 1.

De last van Ninevé. Het bock des gezichts van Nahum den El-kosiet.

2 Een ijverig God en een wreker is de Heere, een wreker is de Heere, en zeer grimmig; een wreker is de Heere aan zijne wederpartij ders, en hij behoudt den toorn zijnen vijanden.

3 De Heere is lankmoedig, doch van groote kracht, en hij houdt den schuldige geenszins onschuldig. Des Heeren weg is in wervelwind en in storm, en de wolken zijn het stof zijner voeten.

4 Hij scheldt de zee en maakt ze droog, en hij verdroogt alle rivieren; Basan en Karmel kwijnen , ook kwijnt de bloem van Libanon.

4 De bergen beven voor hem, en de heuvelen versmelten; en de aarde licht zich op voor zijn aangezicht , en de wereld en allen die daarin wonen.

6 Wie zal voor zijne gramschap staan en wie zal voor de hittig-heid zijns toorns bestaan? Zijne grimmigheid is uitgestort als vuur, en de rotssteenen worden van hem vermorzeld.

7 De Heere is goed, hij is ter sterkte - in den dag der benauwdheid, en hij kent degenen die op hem betrouwen.

8 En met eenen doorgaanden vloed zal hij hare plaats te niet maken, en duisternis zal zijne vijanden vervolgen.

9 Wat denkt gijlieden tegen den Heere? Hij zal zelf eene voleinding maken; de benauwdheid zal niet tweemaal oprijzen.

10 Dewijl zij in malkander gevlochten zijn als doornen, en dronken zijn gelijk zij plegen dronken te zijn , zoo worden zij volkomen-lijk verteerd als een dorre stoppel.

11 Van u is een uitgegaan die kwaad denkt tegen den Heere, een belialsraadsman.

12 Alzóó zegt de Heere: Zijn zij voorspoedig, en zoo velen, alzoo zullen zij ook geschoren


-ocr page 1026-

1004

worden, cn hij zal doorgaan: ik heb u wel gedrukt, maar ik zal u niet meer drukken;

\'13 maar nu zal ik zijn juk van ii breken en zal uwe banden verscheuren.

14 Doch tegen u heelt de Heere bevolen, dat er van uwen naam niemand meer gezaaid zal worden: uit het huis uws gods zal ik uitroeien de gesneden en gegoten beelden; ik z;il u daar een graf maken , als gij zult veracht zijn geworden.

15 Zie , op do bergen de voeten desgenen die het goede boodschapt, die vrede doet hooren: vier- uwe vierdagen, o Juda, betaal uwe geloften; want de belialsmcm zal voor laan niet meer door u doorgaan , hij is gansch uitgeroeid.

HOOFDSTUK 2.

De verstrooier trekt tegen uw aangezicht op, bewaar de vesting, bezichtig den weg, sterk dc lendenen, versterk dc kracht zeer;

2 want de Heere heeft de hoo-vaardij Jakobs afgewend gelijk de hoovaardij Israels, want de plunderaars hebben ze ledig gemaakt en zij hebben hunne wijnranken verdorven.

3 De schilden zijner helden zijn rood gemaakt, de kloeke mannén zijn scharlakenverwig, de.wagens zijn in het vuur der fakkelen ten dage als hij zich bereidt, en de spiesen worden geschud.

4 De wagens razen door de wijken, zij loopen ginds en weder op de straten; hunne gedaanten zijn als der lakkeien, zij loopen door malkander henen als de bliksemen.

5 Hij zal aan zijne voortrctTe-lijken gedenken, doch zij zullen struikelen in hunne tochten; zij zullen haasten naar hunnen muur, als het beschutsel vaardig zal wezen.

G De poorten der rivieren zullen geopend worden, en het paleis zal versmelten.

7 En Huzzab zal gevankelijk weggevoerd worden, men zal haar heeten voort te gaan; en hare maagden zullen haar geleiden als met eene stemme der duiven, trommelende op hare harten.

8 Ninevé is wel als een watervijver. van de dagen af dat zij geweest is, doch zij zullen vluchten : Staat, staat! zal men roepen, maar niemand zal omzien.

9 Rooft zilver, rooft goud, want \' daar is geen einde des voorraads,

der heerlijkheid van allerlei ge-wenschte vaten.

10 Zij is geledigd, ja, uitgeledigd, uitgeput, en haar harte versmelt, en de knieën schudden, en in alle de lendenen is smart, en hun aller aangezichten betrekken als een pot.

11 Waar is nu de woning der leeuwen, en die weide der jonge leeuwen? alwaar de leeuw, de oude leeuw en de leeuwenwelp wandelde, en daar was niemand die hen verschrikte;

12 dc leeuw die genoeg roofde voor zijne welpen en worgde voor zijne oude leeuwinnen, die zijne holen vervulde mot roof cn zijne woningen met het geroofde.

13 Zie, ik tuil aan u, spreekt de Heere der heirscharen, en ik zal- hare wagenen in rook verbranden, en het zwaard zal uwe jonge leeuwen verteren, en ik zal uwen roof uitroeien van de aarde, en de stem uwer gezanten zal niet meer gehoord worden.

HOOFDSTUK 3.

Wee der bloedstad, die gansch vol leugen en verscheuring is! De.roof houdt niet op.

2 Daar is het geklap der zweep, en het geluid van het bolderen der raderen, en de paarden stampen en de wagens springen op;

3 de ruiter steekt omhoog zoo het vlammende zwaard als de bliksemende spies, e.i daar zal veelheid der verslagenen zijn en eene zware menigte der doode lichamen , ja, daar zal geen einde zijn der lichamen, men zal over hunne lichamen struikelen:

4 om der grootc hoererijen wille der zeer bevallige hoer, der mees-teresse der tooverijen, die met hare hoererijen volkeren verkocht

NAHUM 2, 3.


-ocr page 1027-

HABAKUK 1.

1005

heeft, en geslachten met hare tooverijen.

5 Zie, ik wil aan u, spreekt de Heere der heirscharen, ea ik zal uwe zoomen ontdekken boven uw aangezicht, en ik zal den heidenen uwe naaktheid en den koninkrijken uwe schande wijzen;

0 en ik zal verfoeielijke dingen op u werpen en u tot schande maken, en ik zal u als eenen spiegel stellen;

7 en het zal geschieden dat allen die u zien van u wegvlieden zullen, en zeggen: Ninevé is verstoord, wie zal medelijden met haar hebben? Van waar zal ik u troosters zoeken?

8 Zijt gij beter dan No, de volkrijke, gelegen in de rivieren? die rondom henen water heeft, welker voormuur de zee is, haar muur is van zee;

9 Moorenland en Egypte waren hare macht, en daar was geen einde; Put en Libyë waren tot uwe hulp:

10 toch is zij gevankelijk gegaan in de gevangenis, ook zijn hare kinderen op het hoofd aller straten verpletterd geworden, en over hare gecerden hebben zij het lot geworpen en alle hare grooten zijn in boeien gebonden geworden.

11 Ook zult gij dronken worden, gij zult u verbergen; ook zult gij eene sterkte zoeken vanwege den vijand.

12 Alle uwe vastigheden zijn vijgeboomen met de eerste vruchten: indien zij geschud worden, zoo vallen zij dien op den mond die ze eten wil.

13 Zie, uw volk zal in het midden van u tot vrouwen worden, de poorten uws lands zullen uwen vijanden wijd geopend worden, het vuur zal uwe grendelen verteren.

14 Schep u water ter belegering; versterk uwe vastigheden; ga in de klei en treed in het leem, verbeter den ticheloven.

15 Het vuur zal u aldaar verteren. het zwaard zal u uitroeien, het zal u afeten als de kevers; vermeerder u als kevers, vermeerder u als sprinkhanen.

16 Gij hebt meer handelaars dan er sterren aan den hemel zijn; de kevers zullen invallen en wegvliegen.

17 Uwe gekroonden zijn als de sprinkhanen, en uwe krijgsoversten als de groote kevers, die zich in de heiningmuren legeren in de koude der dagen: wanneer de zon opgaat zoo vliegen zij weg, alzoo dat hunne plaats onbekend is, waar zij geweest zijn.

18 Uwe herders zuilen sluimeren, o Koning van Assur, uwe voor-treffelijken zullen zich leggen, uw volk zal zich op de bergen wijd uitbreiden, en niemand zal ze verzamelen.

19 Daar is geen samentrekking voor uwe breuke, uwe plage is smartelijk; allen die het gerucht van u hooren, zullen de handen over u klappen; want over wien is uwe boosheid niet geduriglijk gegaan ?


DE PROFEET H A B A K U K.

HOOFDSTUK 1.

De last welken Habakuk de Profeet gezien heeft.

2 11 keue , hoe lang schreeuw ik en gij hoort niet, hoe lantj roep ik

tot u: Geweld! en gij verlost met?

3 Waarom laat gij mij ongerechtigheid zien. en aanschouwt de kwelling? Want verwoesting en geweld is tegenover mij, en daar is twist en men neemt gekijf op.


-ocr page 1028-

HABAKUK 2.

1006

4 Daarom wordt de wet nagelaten, en het recht komt nimmer meer voort; want de c^oddeiooze omringt den rechtvaardige, daarom komt het recht verdraaid voort.

5 Ziet onder de heidenen en aanschouwt, en verwondert u, verwondert u; want ik werk een werk in ulieder dagen, hetwelk gij niet gelooven zult als het verteld zal worden.

6 Want zie, ik verwek de Ghal-deën, een bitter en snel volk, trekkende door de breedten der aarde, om erfelijk te bezitten woningen die de zijne niet zijn.

7 Schrikkelijk eh vreeselijk is hetzelve; zijn recht en zijne hoogheid gaat van hom zeiven uit.

8 Want zijne paarden zijn lichter dan de luipaarden, en zij zijn scherper dan de avond wol ven, en zijne ruiters verspreiden zich; ja, zijne ruiters zullen van verre ko-nien, zij zullen vliegen als een arend, zich spoedende om te eten.

9 Het zal geheellijk tot geweld komen; wat zij inslorpen zullen met hunne aangezichten, zullen zij brengen naar het Oosten; en het zal de gevangenen verzamelen als zand.

10 En hij zal de Koningen beschimpen, en de Prinsen zullen hem eene belaching zijn; hij zal alle vesting belachen; want hij zal stof vergaderen, en hij zal ze innemen.

11 Dan zal hij den geest veranderen, en hij zal doortrekken, en zich schuldig maken, houdende deze zijne kracht voor zijnen God.

12 Zijt gij niet van oiuls af de Heere, mijn God, mijn Heilige? Wij zullen niet sterven: o Heere , tot een oordeel hebt gij hem gesteld , en o rots, om te straffen hebt gij hem gegrondvest.

13 Gij zijt te rein van oogen dat gij het kwade zoudt zien, en de kwelling kunt gij niet aanschouwen: waarom zoudt gij aanschouwen die trouwelooslijk handelen? Waarom zoudt gij zwijgen, als de goddelooze dien verslindt die rechtvaardiger is dan hij?

14 En vjaarom zoudt gij de menschen maken als de visschen der zee, als het kruipende gedierte dat geenen heerscher heeft?

15 Hij trekt ze allen met den angel op, hij vergadert ze in zijn garen en hij verzamelt ze in zijn net: daarom verblijdt en verheugt hij zich,

16 daarom offert hij aan zijn garen en rookt aan zijn net; want door dezelve\' is zijn deel vet geworden en zijne spijze smoutig.

17 Zal hij dan daarom alloos zijn garen ledig maken, en zal hij niet verschoonen met alloos de volkeren te dooden?

HOOFDSTUK 2.

Ik stond op mijne wacht en ik stelde mij op de sterkte, en ik hield wacht om te zien wat hij in mij spreken zoude, en wat ik antwoorden zoude op mijne bestraffing.

2 Toen antwoordde mij de Heere en zeide: Schrijf het gezicht en stel het duidelijk op tafelen, opdat daarin leze\'wie voorbij loopt.

3 Want het gezicht: zal nog tot eenen bestemden tijd djn, dan zal hij het op het einde voortbrengen en niet liegen: zoo hij vertoeft, verbied hem, want hi^ zal gewis-selijk komen, hij zal niet achterblijven.

4 Zie, zijne ziele verheft zich , ze is niet recht in hem; maar de rechtvaardige zal door zijn geloof leven.

5 En ook dewijl hij trouwelooslijk handelt bij den wijn, een trotsch man is, en in zijne woning niet blijft; die zijne ziele wijd open doet als het graf, en gelijk de dood is die niet zat wordt, en tot zich verzamelt alle de heidenen en vergadert tot zich alle volken:

0 zouden dan niet deze allen van hem eene spreuke opheffen, en eene uitlegging der raadselen van hem? .En men zal zeggen: Wee dien die vermeerdert hetgeen het zijne niet is, (hoe lang?) en dien die op zich laadt dik slijk.

7 Zullen niet onvoorziens opstaan die u bijten zullen, en ontwaken die u zullen bewegen, en zult gij hun niet tot plundering worden?

8 Omdat gij vele heidenen be-


-ocr page 1029-

nofd hebt, zoo zullen alle over- | gebleven volkeren u berooven, cm het bloed der menschen, en i het geweld aan het land, de stad . en alle inwoners derzelve.

9 Wee dien die met kwade gierigheid begeert voor zijn huis, opdat hij

in de hoogte zijn nest stelle , om bevrijd te zijri uit de hand des kwaads.

10 Gij hebt schaamte beraadslaagd voor uw huis ; uitroeiende vele volkeren, zoo hebt gij gezondigd tenen «we ziel.

11 Want de steen uit den muur roept, en de balk uit hot hout antwoordt dien.

12 Wee dien die de stad mot bloed bouwt en die de stad met onrecht bevestigt.

13 Zie, is het niet van den Heere der heirscharen, dat de volkeren arbeiden ten vure, en de lieden zich te vergeefs vermoeien?

14 Want de aarde zal vervuld worden, dat zij de heerlijkheid des Heeren bekenne, gelijk de wateren den hodoix dei\' zee bedekken.

15 Wee dien die zijnen naaste te drinken geeft, gij die uwe wijnflesch daarbij voegt, en ook dronken maakt, opdat gij hunne naaktheden aanschouwt:

10 gij zult ook verzadigd worden met schande voor eer; drink gij óók en ontbloot de voorhuid: de beker der rechterhand des Hee-ren zal zich tot u wenden, en daar zal een schandelijkuitbraaksel over uwe heerlijkheid zijn.

17 Want het geweld dat tegen Libanon begaan is zal u bedekken, en de verwoesting der beesten zal ze verschrikken, om des bloeds Avilfe der menschen, en des ge-welds in het land, de stad en aan alle hare inwoners.

18 Wat zal het gesneden beeld baten, dat zijn formeerder het gesneden heeft? of\' het gegoten beeld, hetwelk een leugenleeraar is, dat de formeerder op zijn formeersel vertrouwt, dat hij stomme afgoden gemaakt heelt?

19 Wee dengeen die tot het hout zegt: Word wakker, en: Ontwaak,

1007

tot den zwijgenden steen. Zoude het leeren ? Zie, het is met goud en zilver overtrokken, en daar is gansch geen geest in het midden van hetzelve.

20 Maar de Heere is in zijnen heiligen Tempel: zwijg voor zijn aangezicht, gij gansche aarde.

HOOFDSTUK 3.

Een gebed van Habakuk den Profeet, op sigjonoth.

2 Heere, als ik uwe rede gehoord heb, heb ik gevreesd; uw werk , o Heere, behoud dat in het leven in het midden der jaren, maak het bekend in het midden dei-jaren ; in den toorn gedenk des ontfermens.

3 God kwam van Teman , en de Heilige van den berg Paran. Sela. Zijne heerlijkheid bedekte de hemelen , en het aardrijk was vol van zijnen lof.

4 En daar was een glans als des lichts; hij bad hoornen aan zijne hand. en quot;aldaar was zijne sterkte verborgen.

5 Voor zijn aangezicht ging de pestilentie, en de vurige kool ging voor zijne voeten henen.

6 Hij\' stond en mat het land, hij zag toe en maakte de heidenen los : en de aloude bergen zijn verstrooid geworden , de heuvelen der eeuwigheid hebben zich gebogen , de gangen der eeuwigheid zijn zijne.

\'7 Ik zag de tenten van Kuschan onder de ijdelheid, de gordijnen van bet land Midian schuddeden.

8 Was de Heere ontstoken tegen de rivieren? Was uw toorn tegen de rivieren, was uwe verbolgenheid tegen de zee, toen gij op uwe paarden reedt? Uwe wagens waren heil.

9 De naakte grond werd ontbloot door uwen boog, om de eeden aan de stammen gedaan door het woord. Sela. Gij hebt de rivieren der aarde gekliefd.

10 De bergen zagen u en leden smarte; de waterstroom ging door, de afgrond gaf zijne stem, hij hief zijne zijden op in de hoogte.

11 De zon , de maan stonden stil in hare woning; met het licht

HABAKUK 3.


-ocr page 1030-

Z E F A N J A 1.

1008

gingen uwe pijlen daarhenen, met glans uwe bliksemende spies.

12 Met gramschap tradl gij clOQr het land, met toorn dorschtet gij de heidenen.

13 Gij toogt uit tnt verlossing uws volks, tot verlossing met uwen Gezalfde; gij doorwonddet het hoofd van het huis des god-deloozen, ontblootende den grond tot den hals toe. Sela.

14 Gij doorboordet met zijne staven het hoofd zijner dorplieden ; zij hebben gestormd om mij te verstrooien; die zich verheugden, alsof zij den ellendige in het verborgen zouden opeten.

15 Gij befradt met uwe paarden de zee, de geweldige wateren werden een hoop.

16 Als ik hel hoorde, zoo werd mijn buik beroerd, voor de slem hebben mijne lippen gebeefd, verrotting kwam in mijn gebeenle, en ik werd beroerd in mijne plaats. Zekerlijk ik zal rusten ton d/igs der benauwdheid, als hij oplrekken zal tegen bet volk, dat hij het met bendon aanvalje.

17 Alhoewel de vijgeboom niet bloeien zal en er geen vrucht aan den wijnstok zijn zal, dat het werk des olijfbooms liegen zal en de velden geen spijze voortbrengen, dat men de kudde uit de kool afscheuren zal en dat er geen rund in de stallingen wezen zal:

18 zoo zal ik rjogtans in den Hepre van vreugde opspringen, ik zal mij verheugen in den God mijns heils.

10 De Heere Heere is mijne sterkte; en hij zal mijne voeten maken als der hinden, en bij zal mij doon treden op mijne hoogten.

Voor den opperzangmecster op mijne neginoth.


1)E PROFEET Z E F A N J A.

HOOFDSTUK 1.

Het Woord des Heeren, hetwelk geschied is tot Zefanja, den zoon van Kuschi, den zoon van Gedalja, den zoon van Amarja, den zoon van Hizkia ; in de dagen van Josia den zoon van Anion , den Koning van Juda.

2 Ik zal zekerlijk alles wegrapen uit dit land, spreekt de Heere ;

3 ik zal wegrapen menschen en heesten, ik zal wegrapen de vogelen des hemels en de visschen der zee, en de ergernissen met de goddeloozen; ja, ik zal de menschen uit dit land uitroeien, spreekt de Heere.

4 En ik zal mijne hand uitstrekken tegen Juda en togen alle hv weners van Jeruzalem , en ik zal uit deze plaats uitroeien het overblijfsel van Baal, en den naam der Kemarim met de Priesters;

s ij

d z d

E V t( si h

d: d( w w Tl gc

5 en die zich nederbuigen op de daken voor \'net heir des hemels, en die zich rederbuigende zweren bij den Heere en zweren bjj Malkam;

G en die terugkeeren van achter den Heere, en die den Heere , niet zoeken en vragen naar hem niet.

7 Zwijg voor het aangezicht dos Heeren Heeren, want de dag des Heeren is nabij; want deI-Jeere heeft een slachtoffer bereid, hij heeft zijne genoodigden geheiligdquot;.


-ocr page 1031-

Z E F A N J A 2. 1009

I stof, en hun vleesch zal worden als drek.

j 18 Noch hun zilver noch hun : goud zal ze kunnen redden ten j dage der verbolgenheid des Hee-! ren , maar door het vuur zijns ij vers zal dit gansche land verteerd worden; want hij zal eene voleinding maken, gewisselijk eene haastige, met alle de inwoners dezes lands.

HOOFDSTUK 2. Doorzoekt uzelven nauw, ja, doorzoekt nauw. gij volk dat met geen lust bevangen wordt:

2 eer het besluit bare, (gelijk kaf gaat de dag voorbij), terwijl de nittigheid van des Heeren toorn over ulieden nog niet komt, terwijl de dag van den toorn des Heeren over ulieden nog niet komt.

3 Zoekt den Heere. alle gij zachtmoedigen des lands, die zijn recht werken. Zoekt gerechtigheid . zoekt zachtmoedigheid: misschien zult gij verborgen worden in den dag des toorns des Heeren.

4 Want Gaza zal verlaten worden, en Askelon zal ter verwoesting wezen; Asdod zal men in den middag verdrijven, en Ekron zal ontworteld worden.

5 Wee den inwoners van de landstreek der zee, het volk der Kerethiten : het Woord des Heeren zal tegen ulieden zijn, gij Kanaan, der Filistijnen land, en ik zal u verdoen, dat er geen inwoner zal zijn.

6 En de landstreek der zee zal wezen tot hutten, uitgegraven putten der herders en betuiningen der kudden;

7 en de landstreek zal wezen voor het overblijfsel des huizes van Juda, dat zij daarin weiden; des avonds zullen zij in de huizen Askelons legeren, als de Heere hun God hen zal bezocht en hunne gevangenis zai gewend hebben.

8 Ik heb de beschimping Moabs gehoord, en de scheldwoorden der kinderen Ammons, waarmede zij mijn volk beschimpt hebben, en hebben zich groot gemaakt tegen deszelfs landpale.

8 En het zal geschieden in den idag van het slachtoffer des Hee-ren, dat ik bezoeking zal doen over de Vorsten, en over de kinderen des Konings. en over allen die zich kleeden met vreemde kleeding;

9 ook zal ik ten zelfden dage bezoeking doen over al wie *0velden dorpel springt, die het huis hunner heeren vervullen met geweld en bedrog.

10 En daar zal te dien dage , spreekt-de Heere eene stem des gekrijts zijn van de Vischpoort af, en een gehuil van het tweede gedeelte, en eene groote breuke van de heuvelen af.

11 Huilt gij inwoners der laagte, want al het volk van koophandel is uitgehouwen, alle de gelddra-gers zijn uitgeroeid.

12 En het zal geschieden te dien tijde , ik zal Jeruzalem met lantarens doorzoeken, en ik zal bezoeking doen over de mannen die stijf geworden zijn op hunnen droesem , die in hun hart zeggen: De Heere doet geen goed en hij doet geen kwaad.

13 Daarom zal hun vermogen ten roove worden, en hunne huizen tot verwoesting; zij bouwen wel huizen maar zij zullen ze niet be-quot;onen, en zij planten wijngaarden maar zij zullen derzelver wijn niet

1 drinken.

14 De groote dag des Heeren :s nabij, hij is nabij enzeerhaas-ende: de stem van den dag des Heeren; de held zal aldaar bitterlijk schreeuwen.

15 Die dag zal een dag der verbolgenheid zijn, een dag der benauwdheid en des angstes, een dag der woestheid en verwoesting , een dag der duisternis en der donkerheid, een dag der wolken en der dikke donkerheid,

16 een dag der bazuin en des eklanks tegen de vaste steden .n tegen de hooge hoeken.

17 En ik zal de menschen bang naken , dat zij zullen gaan als de linden; want zij hebben tegen en Heere gezondigd; en hun loed zal vergoten worden als

-ocr page 1032-

ZE FAN J A 3.

1010

9 Daarom, zoo waarachtig als ik leef, spreekt de Heere der heirscharen, de God Israels: Moab zal zekerlijk zija als Sodom, en de kinderen Ammons als Gomorra, eene netelheide en eene zoutgroeve en eene verwoesting tot in eeuwigheid; de overigen mijns volks zullen ae berooven, en het overige mijns volks zal ze erfelijk bezitten.

10 Dat zullen zij hebben in plaats van hunnen hoogmoed; want zij hebben beschimpt en hebben zich groot gemaakt legen het volk des Heeren der heirscharen.

11 Vreeselijk zal de Heere tegen hen wezen. want hij zal alle de goden der aarde doen uitteren; en een iegelijk zal hem uit zijne plaats aanbidden , alle de eilanden der heidenen.

12 Ook gij Mooren zult verslagenen mijns zwaards zijn.

13 Hij zal ook zijne hand uitstrekken tegen het Noorden, en hij zal Assur verdoen, en hij zal Ninevé stellen tot eene verwoesting, droog als eene woestijn.

14 En in het midden van haar zullen de kudden legeren , al het gedierte der volkeren; ook de roerdomp, ook de nachtuil zullen op hare granaatappelen vernachten; eene stem zal in het venster zingen, verwoesting zal in den dorpel zijn , als hij haar cederwerk zal ontbloot hebben.

15 Dit is die stad die opspringt van vreugde, die zéker woont, die in haar hart zegt: ik ben \'t, en buiten mij is er geene meer; hoe is zij geworden tot woestheid, eene rustplaats van het gedierte : een ieder die daar doortrekt zal ze aanfluiten, hij zal zijne hand bewegen.

HOOFDSTUK 3.

Wee der ijselijke en der bevlekte , der verdrukkende stad:

2 zij hoort naar de stemme niet, zij neemt de tucht niet aan; zij vertrouwt niet op den Heere . tot haren God nadert zij niet.

3 Hare Vorsten zijn brullende leeuwen in het midden van haar, hare richters zijn avondwolvon die de beenderen niet breken tot aan den morgen;

4 hare Profeten zijn lichtvaardig , gansch trouwelooze mannen; hare Priesters verontreinigen het heilige, zij doen de wet geweld aan.

5 De rechtvaardige Heere is in het midden van haar, hij doet geen onrecht: allen morgen geeft hij zijn recht in het licht, daar ontbreekt niets; doch de verkeerde weet van geen schaamte.

G Ik heb de heidenen uitgeroeid, hunne hoeken zijn verwoest, ik heb hunne straten eenzaam gemaakt , dat niemand daar doorgaat; hunne sleden zijn verstoord, zoodat er niemand is, dat er geen inwoner is.

7 Ik zeide Immers zult gij mij vreezen, gij zult de tucht aannemen, opdat hare woning niet uitgeroeid zoude worden: al wat ik haar bezocht heb, waarlijk zij hebben zich vroeg opgemaakt, zij hebben alle hunne handelingen verdorven.

8 Daarom verwacht mij, spreekt de Heere ten dage als ik mij opmaak tot den roof; want mijn oordeel is, de heidenen te verzamelen, de koninkrijken te vergaderen, om over hen mijne gramschap , de gansche hittigheid mijns toorns uit te storten, want quot;dit gansche land zal door het vuur mijns ij vers verteerd worden.

9 Gewisselijk, dan zal ik tot de volken eene reine spraak wenden, opdat zij allen den naam des Heerln aanroepen, opdat zij hem dienen met eenparigen schouder.

10 Van de zijde der rivieren der Mooren zullen mijne ernstige aanbidders, met de dochter mijner verstrooiden, mijne offerande brengen.

11 Te dier. dage zult gij niet beschaamd wezen vanwege alle uwe handelingen waarmede gij tegen mij overtreden hebt; want alsdan zal ik uit het midden van u wegnemen die van vreugde opspringen over uwe hoovaardij , en gij zult u voortaan niet meer verhellen om mijns heiligen bergs wille:


-ocr page 1033-

HAG GAI 1.

1011

12 maar ik zal in liet midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk , die zullen op den naam des Heeren betrouwen.

13 De overgeblevenen van Israël zullen geen quot;onrecht doen noch leugen spreken, en in hunnen mond zal geen bedriegelijke tong gevonden worden : maar zij zullen weiden en nederliggen, én niemand zal ze verschrikken.

14 Zing vroolijk gij dochter Sions, juicht Israël; wees blijde en spring op van vreugde van ganscher harte, gij dochter Jeru-zalems:

15 de Heere heeft uwe oordee-len weggenomen, hij heeft uwen vijand weggevaagd; de Koning Israëls, de Heere is in het midden van u. gij zult geen kwaad meer zien.

16 Te dien dage zal tot Jeruzalem gezegd worden: Vrees niet o Sion, laat uwe handen niet slap worden.

17 De Heere uw God is in het midden van u, een held die verlossen zal; hij zal over u vroolijk zijn met blijdschap, hij zal zwijgen in zijne liefde , hij zal zich over u verheugen met gejuich.

18 De bedroefden om» der bijéénkomst wille zal ik verzamelen, zij zijn uit u; de beschimping is een last op haar.

19 Zie , ik zal te dien tijde alle uwe verdrukkers verdoen; en ik zal de hinkenden behoeden en de uitgestootenen verzamelen, en ik zal ze stellen tot eenen lof en tot eenen naam in het gansche land waai\' zij beschaamd zijn geweest.

20 Te dien tijde zal ik ulieden herwaarts brengen, ten tijde namelijk als ik u verzamelen zal; zekerlijk, ik zal ulieden zetten tot eenen naam en tot eenen lof onder alle volkeren der aarde, als ik uwe gevangenissen voor uwe oogen wenden zal, zegt de Heere.


DE PROFEET H A G G A I.

HOOFDSTUK 1.

In het tweede jaar van den Koning Darius in de zesde maand op den eersten dag der maand geschiedde het Woord des Heeren. : door den dienst van Haggai den Profeet, tot Zerubbabel den zoon van Sealtiël, den Vorst van Juda, en tot Jozua den zoon van Jozadak, den Hoogepriester, zeggende:

2 Alzóó spreekt de Heere der heirscharen. zeggende: Dit volk zegt: De tijd is niet gekomen, de tijd dat des Heeren Huis gebouwd worde.

3 En het Woord des Heeren geschiedde door den dienst van den Profeet Haggai, zeggende:

4 Is het voor ulieden wel de tijd dat gij woont in uwe gewelfde huizen, en zal dit Huis woest zijn?

5 Nu dan, alzuó zegt de Heere der heirscharen: Stelt\'uw hart op uwe wegen.

6 Gij zaait veel, en gij brengt weinig in: gij eet, maar niet tot verzadiging; gij drinkt, maar niet tot dronken wordens toe; g:J kleedt u, maar niet tot uwe verwarming; en die loon ontvangt, die ontvangt dat loon in eenen doorboorden buidel.

7 Alzóó zegt de Heere der heirscharen: Stelt uw hart op uwe wegen,

8 Klimt op het gebergte en brengt hout aan. eh bouwt dit


-ocr page 1034-

1012 HAG

Huis, en ik zal een welgevallen daaraan hebben en verheerlijkt worden, zegt de Heere.

9 Gij ziet om naar veel, maar zie, gij bekomt weinig, en als gij het in huis gebracht hebt, zoo blaas ik daarin. Waarom dat? spreekt de Heere der heirscharen: om mijns Huis wille, hetwelk woest is, en dat gij loopt elk voor zijn eigen huis.

10 Daarom onthouden zich de hemelen over u, dat er geen dauw is, en het land onthoudt zijne vruchten;

11 want ik heb eene droogte geroepen over het land en over de bergen, en over het koren en over den most en over de olie en over hetgeen dat de aardbodem zoude voortbrengen, ook over de men-schen en over de beesten, en over allen arbeid der handen.

12 Toen hoorde Zerubbabel de zoon van Sealtiël, en Jozua de zoon von Jozadak, de Hoogepries-ter en al het overblijfsel des volks, naar de stem des Heeren huns Gods, en naar de woorden van den Profeet Haggai, gelijk als hem de Heere hun God gezonden had; en het volk vreesde voor het aangezicht \'des Heeren.

13 Toen sprak Haggai de bode des Heeren, in de boodschap des Heeren tot het volk, zeggendé: Ik ben met ulieden, spreekt de Heere.

14 En de Heere verwekte den geest van Zerubbabel den zoon van Sealtiël, den Vorst van Juda, en den geest van Jozua den zoon Van Jozadak , den Hoogepriester, j «n den geest van het gansche; Overblijfsel des volks, en zij kwa-: men en maakten het werk in het | Huis des Heeren der heirscharen, j huns Gods,

HOOFDSTUK 2.

op den vierentwintigsten dag der maand in de zesde maand in het tweede jaar van den Koning Dan\'us.

2 In de zevende maand op den éénentwintigste der maand geschiedde het woord des Heeren door den dienst van den Profeet Haggai, zegende: r AI 2.

3 Spreek nu tot Zerubbabel den c zoon van Sealtiël, den Vorst van c Juda, en tot Jozua den zoon van Jozadak, den Hoogepriester, en i tot het overblijfsel des volks, 1 zeggende: r

4 Wie is onder ulieden overge- c bleven, die dit Huis in zijne eerste c heerlijkheid gezien heeft, en hoedanig ziet gij hetzelve nu? Is dit z niet als niets in uweoogen? i;

5 Doch nu, wees sterk gij Zerub- s babel, spreekt de Heere, en wees 1: sterk gij Jozua, zoon van Jozadak, z Hoogepriester. en wees sterk al

gij volk des lands, spreekt de 1: Heere, en werkt; want ik ben o met u, spreekt de Heere der g heirscharen, i

6 met het Woord in hetwelk ik met ulieden een verbond gemaakt heb, als gij uit Egypte uittrokt, v en mijnen quot;Geest staande in het r, midden van u: vreest niet. ]j

7 Want alzció zegt de Heere ti der heirscharen: Nog ééns, een t weinig tijds zal het zijn; en ik zal

de hemelen en de aarde en de zee ]j en het droge doen beven; jj

8 ja, ik zal alle de heidenen e doen beven, en zij zullen komen ^ tot den wensch aller heidenen, en

ik zal dit Huis met heerlijkheid v vervullen, zegt de Heere der v heirscharen.

9 Mijn is het zilver en mijn is

het goud, spreekt de Heere der = heirscharen.

10 De heerlijkheid van dit laatste Huis zal grooter worden dan van het eerste, zegt de Heere der herscharen; en in deze plaats zal ik vrede geven, spreekt de Heere der heirscharen.

11 Op den vierentwintigsten dag der negende maand in het tweede jaar van Dar-us geschiedde het Woord des Heeren door den dienst van den Profeet Haggai, zeggende:

12 Alzóó zegt de Heere der heirscharen: Vraag nu de Priesters de wet, zeggende: .

13 Zie, iemand draagt heilig [ vleesch in de slip zijns kleeds, en . hij raakt met zijne slip aan het r brood of aan het moes of aan den f( wijn of aan de olie of aan c enige ® spijze: zal het heilig worden? En


-ocr page 1035-

1013

de Priester den; Neen.

14 En Uaggai zeide: Indien iemtind die onrein is van een dood lichaam iels van die dingen aanroert: zal het onrein worden? En de Priesters antwoordden en zeiden: Het zal onrein worden.

15 Toen antwoordde Haggai en zeide: Alzuó is dit volk en alzóu is deze natie voor mijn aangezicht, spreekt de Heere, en alzóó is al het werk hunner handen, en wat zij daar offeren, dat is onrein.

16 En nu, stelt er toch ulieder harte op, van dezen dag af en opwaarts, eer er steen op steen gelegd werd aan den Tempel des Heerex;

17 eer die dingen geschiedden, kwam iemand tot den /com?hoop van twintig maten, zoo waren er maar tien; komende tot den wijn-bak om vijftig malen van de pers te scheppen, zoo waren er maar twintig.

18 Ik sloeg ulieden met brand-koren en met honigdauw, en met hagel al het werk uwer handen: en gij keerdel u niet tot mij, spreekt de Heere.

19 Stelt er toch uw harte op, van dezen dag af en opwaarts, van den vierentwintigsten dag der negende maand af, van den dag af als het fundament aan den Tempel des Heerex is gelegd geworden, stelt er uw harte op:

20 is er nog zaad in de schuur? Zelfs tot den wijnstok en den vijgeboom en den granaatappelboom en den olijfboom die niet gedragen heeft, die zal ik van dezen dag af zegenen.

21 Het Woord des Heeren nu geschiedde ten tweeden male tot Uaggai, op den vierentwintigste der maand, zeggende:

22 Spreekt tot Zerubbabel den Vorst van Juda, zeggende: Ik zal de hemelen en de aarde bewegen;

23 en ik zal den troon der koninkrijken omkeeren, en verdelgen de vastigheid der koninkrijken der heidenen; en ik zal denquot; wagen omkeeren en die daarop rijden, en de paarden en die daarop rijden zullen nederstorten, oen iegelijk in des anderen zwaard.

24 Te dien dage, spreekt de Heere der heirscharen, zal ik u nemen, o Zerubbabel, gij zoon van Sealtiël, mijn knecht, spreekt de Heere, en ik zal u stellen als een zegelring; want u heb ik verkoren, spreekt de Heere der heirscharen.

ZACH ARIA 1 antwoordden en zei-


DE PROFEET ZACHARIA.

HOOFDSTUK 1.

In de achtste maand in het tweede Jaar van Dan\'us geschiedde het Woord des Heeren tot Zacha-ria, den zoon van Berechja den zoon van Iddo, den Profeet, zeggende :

2 De Heere is zeer vertoornd geweest tegen uwe vaders.

3 Daarom zeg tot hen: Alzóó zegt de Heere der heirscharen: Keert weder tot mij, spreekt de Heere der heirscharen, zoo zal ik weder tot ulieden keeren,zegt de Heene der heirscharen.

4 Weest niet als uwe vaders tot welke de vorige Profeten riepen , zeggende: Alzóó zegt de Heeue dpr heirscharen: Lkkeert u toch


-ocr page 1036-

1014 ZAGEU

van uwe booze wegen en uwe booze handelingen, maar zij hoorden niet en zij luisterden niet naar mij, spreekt de Heere.

5 Uwe vaders, waar zijn die? en de Profeten, zullen zij in eeuwigheid leven?

6 Nogtans mijne woorden en mijne inzettingen die ik mijnen knechten den Profeten geboden had, hebben zij uwe vaders niet getroffen, zoodat zij wederkee-rende zeiden: Gelijk als de Heere der heirscharen gedacht heeft ons te doen naar onze wegen en naar onze handelingen, alzóó heeft hij met ons gedaan?

7 Op den vierentwintigsten dag in de elfde maand (die is de maand Sebat) in het tweede jaar van Dan\'us geschiedde het Woord des Heeren tot Zacharia, den zoon van Berechja den zoon van Iddo, den Profeet, zeggende:

8 Ik zag des nachts, en zie, een man rijdende op een rood paard, en hij stond tusschen de mirten die iri de diepte waren; en achter hem waren roode, bruine en witte paarden.

9 En ik zeide: Mijn Heere, wat zijn dézen? Toen zeide tot mij de Engel die met mij sprak: Ik zal u toonen wat dezen zijn.

10 Toen antwoordde de man die tusschen de mirten stond, en zeide: Dezen zijn het die de Heere uitgezonden heeft om het land te doorwandelen.

11 En zij antwoordden den Engel des Heeren die tusschen de mirten stond. en zeiden: Wij hebben het land doorwandeld , en zie, het gansche land zit en het is stil.

12 Toen antwoordde de Engel des Heeren en zeide: Heere der heirscharen, hoe lang zult gij u niet ontfermen over Jeruzalem en over de steden van Juda, op welke gij gram geweest zijt deze zeventig jaren?

13 En de Heere antwoordde den Engel, die met mij sprak, goede woorden, troostelijke woorden.

14 En de Engel die met mij sprak zeide tot mij: Hoep uit, zeggende: Alzóó zegt do Heere

HI A 2.

der heirscharen: Ik ij ver over Jer u-

zalem en over Sion met eenen ^ grooten ijver,

15 en ik ben met eenen zeer z grooten toorn vertoornd tegen die geruste heidenen; want ik was een c\' weinig toornig, maar zij hebben 0 ten kwade geholpen. ^ v

16 Daarom zegt de Heere alzóó:

Ik ben tot Jeruzalem wederge- \' keerd met ontfermingen; mijn v Huis zal daarin gebouwd worden, quot; spreekt do Heere der heirscharen, s en het richtsnoer zal over Jeruzalem uitgestrekt worden. v

17 Roep nog, zeggende: Alzóó zegt de Heere der heirscharen: 11 Mijne steden zullen nog uitgespreid 0 wórden vanwege het goede, want d de Heere zal Sion nog troosten \'■ en hij zal Jeruzalem nog verkiezen. ü

18 \'En ik hief mijne oogen op en zag, en zie, daar waren vier 0 hoornen. 11

19 En ik zeide tot den Engel die J met mij sprak: Wat zijn dezen? 1 En hij zeide tot mij: Dit zijn die z hoornen welke Juda, Israël en Jeruzalem verstrooid hebben.

20 En de Heere toonde mij vier z\' smeden. s

21 Toen zeide ik: Wat komen die maken? En hij sprak, zeg- d gende: Dat zijn de hoornen die d Juda verstrooid hebben, zoodat ^ niemand zijn hoofd ophief; maar v dezen zijn gekomen om die te ver- d schrikken, om de hoornen der ^ heidenen neder te werpen, welke den hoorn verheven hebben tegen v het land Juda om dat te verstrooien, e

HOOFDSTUK 2.

Wederom hief ik mijne oogen op en ik zag, en zie, daar was ls een man, en in zijne hand was n een meetsnoer.

2 En ik zeide: Waar gaat gij henen ? En hij zeide tot mij: Om Jeruzalem te meten, om te zien hoe groot hare breedte en hoe groot hare lengte wezen zal.

3 En zie, de Engel die met mij sprak ging uit; en een andere Engel ging uit, hem tegemoet,

4 en hij zeide tot hem: Loop, spreek dezen jongeling aan, zeggende: Jeruzalem zal dorpswijze


-ocr page 1037-

ZAGHARIA3, 4.

1015

bewoond worden, vanwege de veelheid der menschen en der beesten die in haar midden wezen zal;

5 en ik zal haar wezen, spreekt de Heere, een vurige muur rondom, en ik zal tot heerlijkheid wezen in het midden van haar.

G Hui, hui, vliedt toch uit het Noorderland, spreekt de Heere; want ik heb ulieden uitgebreid naar de vier winden des hemels, spreekt de Heehe.

7 Hui, Sion! ontkom, gij die woont bij de dochter Babels.

8 Want zóó zegt de Heere der heirscharen: Naar de heerlijkheid over u, heeft hij mij gezonden tot dc heidenen dié ulieden beroofd hebben; want die ulieden aanraakt, die raakt zijnen oogappel aan.

9 Want zie, ik zal mijne hand over hen bewegen, en zij zullen hunnen knechten een roof wezen: alzoo zult gijlieden weten dat de Heere der heirscharen mij gezonden heeft.

10 Juich en verblijd u, gij dochter Sions; want zie , ik korii en ik zal in het midden van u wonen, spreekt de Heere;

11 en vele heidenen zullen te dien dage den Heere toegevoegd worden , en zij zullen mij tot een volk wezen, en ik zal in het midden van u wonen; en gij zult weten dat de Heere der heirscharen mij lot u gezonden heeft.

12 Dan zal de Heere Juda erven voor zijn deel in het heilige land, en hij zal Jeruzalem nog verkiezen.

13 Zwijg alle vleesch voor het aangezicht des Heeren, want hij is ontwaakt uit zijne heilige woning.

HOOFDSTUK 3.

Daarna toonde hij mij Jozua den Hoogepriester, staande voor het aangezicht van den Engel des Heeren , en do satan stond aan zijne rechterhand om hem te we-derstaan.

2 Doch de Heere zeide tot den satan: De Heere schelde u gij satan, ja , de Heere schelde u, die Jeruzalem verkiest: is deze niet een vuurbrand uit het vuur gerukt ?

3 Jozua nu was bekleed met vuile kleederen als hij voor het aangezicht des Engels stond.

4 Toen antwoordde hij en sprak tot degenen die voor zijn aangezicht stonden, zeggende: Doet deze vuile kleederen van hem weg. Daarna sprak hij tot hem: Zie, ik heb uwe ongerechtigheid van u weggenomen, en ik zal u wisselkleederen aandoen.

5 Dies zeg ik: Laat ze eenen reinen hoed op zijn hoofd zetten. En zij zetteden dien reinen hoed op zijn hoofd, en zij togen hem kleederen aan; en de Engel des Heeren stond daarbij.

6 Toen betuigde de Engel des Heeren Jozua, zeggende :

7 Zóó zegt de Heere der heirscharen: Indien gij in mijne wegen zult wandelen en indien gij mijne wacht zult waarnemen, zoo zult gij óók mijn Huis richten en óók mijne voorhoven bewaren, rn ik zal u wandelingen geven onder dezen die hier staan.

8 Hoor nu toe, Jozua, gij Hoogepriester , gij en uwe vrienden die voor uw aangezicht zitten, want zij zijn een wonderteeken; want zie , ik zal mijnen knecht, de Spruite, doen komen.

9 Want zie, aangaande dien steen welken ik gelegd heb voor het aangezicht van Jozua, op dien éénen steen zullen zeven oogen wezen; zie, ik zal zijn graveersel graveeren, spreekt de Heere der heirscharen, en ik zal de ongerechtigheid dezes lands op éénen dag wegnemen.

10 Te dien dage, spreekt dc Heere der heirscharen, zult gijlieden een iegelijk zijnen naaste noodigen tot onder den wijnstok en tot onder den vijgeboom.

HOOFDSTUK 4.

En de Engel die met mij sprak kwam weder, en hij wekte mij op gelijk een man die van zijnen slaap opgewekt wordt; *

2 en hij zeide tot mij: Wat ziet gij ? En ik zeide: ik zie , en zie, een geheel gouden kandelaar, en


-ocr page 1038-

1016 Z A C H i

een oliekruikje boven deszelfs hoofd, en zijne zeven lampen daarop; die lampen hadden zeven cn zeven pijpen, dewelke boven zijn hoofd waren;

3 en twee olijfboomen daarnevens, één Ier réchlerzijde van het oliekruikje en één aan deszelfs linkerzijde. .

4 En ik antwoordde en zeide tot den Engel die met mij sprak, zeggende: Mijn Heere, wat zijn deze dingen?

5 Toen antwoordde de Engel die met mij sprak, en zeide tot mij : Weet gij niet wat deze dingen zijn? Én ik zeide: Neen, mijn Heere.

G Toen antwoordde hij en sprak tot mij, zeggende: Dit is het woord des Hkerex tot Zerubbabel, zeggende: Niet door kracht noch door ceweld, maar door mijnen Geest het geschieden, zegt de Hfjehe der heirscharen.

7 Wie zijt gij o groote berg? Voor het aangezicht Zcrubbabels zult gij worden tot een vlakveld; want hij zal den hoofdsteen voortbrengen , met toeroepingen: Genade, genade zij denzelven.

8 liet Woord des Heeren geschiedde verder tot mij, zeggende :

9 De handen Zerubbabels hebben dit Huis gegrondvest, zijne handen zullen hel ook voleindigen, opdat gij weet dat de Hisisre der heirscharen mij tot uliedcn gezonden heeft.

10 Want wie veracht den dag der kleine dingen? daar zich toch die zeven verblijden zullen, als zij het tinnen gewicht zullen zien in de hand Zerubbabels; dat zijn de oogen des Heeren, die het gansche land doortrekken.

11 Voorts antwoordde ik en zeide tot hem: Wat zijn die twee olijfboomen ter rechterzijde des kandelaars en aan zijne linkerzijde ?

12 En andermaal antwoordende, zoo zeide ik tot hem : Wat zijn die twee takjes der olijfboomen, welke in de twee gouden kruiken zijn, die %oiid van zich gieten?

13 En hij sprak tot mij, zeggende: Weet gij niet wat deze zijn? En ik zeide: Neen, mijn Heere.

.RIA 5.

14 Toen zeide hij: Deze zijn do twee olietakken welke voor den Heere der gansche aarde staan.

HOOFDSTUK 5.

En ik hief mijne oogen weder op en ik zag, eh zie, eene vliegende rol.

2 En hij zeide tot mij: Wat ziet gij? En ik zeide: Ik zie eene vliegende rol, welker lengte is van twintig ellen en hare breedte van tien ellen.

3 Toen zeide hij tot mij: Dit is de vloek die uitgaan zal quot;over het gansche land; want een iegelijk die steelt zal van hier volgens dien vloek uitgeroeid worden, desgelijks een iegelijk die va/sc/ie-lijk zweert zal van hier volgens dien vloek uitgeroeid worden.

4 Ik breng dezen vloek voort, spreekt de Heere der heirscharen, dat hij kome in het huis des diefs en in het huis desgenen die iDij mijnen naam valschelijk zweert, en hij zal in het midden zijns huizes overnachten, en hij zal het verteren met zijn3 houten en zijne steenen.

ö En de Engel cie met mij sprak ging uit, en zeide tot mij: Hef nu uwe oogen op en zie, wat dit zij dat er voortkomt.

6 En ik zeide: Wat is dat? En hij zeide : Dit is een efa die voortkom t. Voorts zeide hij: Dit is het oog over hen in het gansche land.

7 En zie, eene plaat van lood werd opgeheven, en daar was eene vrouw zittende in het midden der efa.

8 En hij zeide: Deze is de goddeloosheid; evi hij wierp ze in het midden van dequot; efa, en hij wierp het loode?i gewicht op den mond derzelve.

9 En ik hief mijne oogen op en ik zag, en zie, twee vrouwen kwamen voort, en wind was in hare vleugelen, en zij hadden vleugelen als de vleugelen eens ooievaars, en zij voerden de efa tusschen de aarde en tusschen den hemel.

10 Toen zeide ik tot den Engel


-ocr page 1039-

Z A G H A

die met mij sprak: Waarhenen brengen zij deze efa?

11 En hij zeide tot mij: Om haar een huis te bouwen in het land Sinear, dat zij daar gevestigd en gesteld wordequot; op hare grondveste.

HOOFDSTUK 6.

En ik hief mijne oogen weder op en ik zag, en zie, vier wagens gingen er uit van tusschen twee bergen, en die bergen waren bergen van koper;

2 aan den eersten wagen waren roode paarden, en aan den tweeden wagen waren zwarte paarden,

3 en aan den derden wagen witte paarden , en aan den vierden wagen hagel vlekkige paarden die sterk waren.

4 En ik antwoordde en zeide tot den Engel die met mij sprak: Wat zijn dezen, mijn Heere?

5 En de Engel antwoordde en zeide tot mij: Dezen zijn de vier winden des hemels, uitgaande van waar\' zij stonden voor den Heere der gansche aarde.

6 Aan weiken luagen de zwarte paarden zijn , die paarden gaan uit naar het Noorderiand; en de witte gaan uit, dezelve achterna; en de hagelvlekkige gaan uit naar het Zuiderland.

7 Eh die sterke paarden gingen uit, en zochten voort te gaan om het land te doorwandelen; want hij had gezegd: Gaat henen, doorwandelt het land. En zij doorwandelden het land.

8 En hij riep mij en sprak tot mij, zeggende : Zie, dezen die uitgegaan zijn naar het Noorder-land, hebben mijnen Geest doen rusten in het Noorderiand.

9 En des Heeren Woord geschiedde tot mij, zeggende:

40 Neem van de gevankelijk weggevoerden, van Heldai, van Tobia en van Jedaja, en kom gij te dien dage, en ga in ten liuize van Josi\'a den zoon van Zefanja, dewelke uit Babel gekomen zijn;

11 te weten, neem zilver en goud en maak kronen, en zet ze op het hoofd van Jozua den zoon van Jozadak, den Hoogepriester;

12 en spreek tot hem, zeggende:

\'IA 0, 7. 1017

Alzóó spreekt de Heeue derheir-scharen, zeggende: Zie, een man wiens naam is Spruite, diezaluit zijne plaatse spruiten, en hij zal des Heeuen Tempel bouwen ;

13 ja, hij zal den Tempel des Heeren bouwen, en hij zal het sieraad dragen, en hij zal zitten en heerschen op zijnen troon, en liij zal Priester zijn op zijnen troon, en de raad des vredes zal tusschen die beiden wezen.

1\'i En die kronen zullen wezen voor Ilelem, en voor Tobia, en voor Jedaja , en voor Hen den zoon van Zefanja, tot eenegedachtenis in den Tempel des Heeren.

15 En die verre zijn zullen komen , en zullen bouwen aan den Tempel des Heeren, en gijlieden zult welen dat de Heere der heirscharen mij tot u gezonden heeft. Dit zal geschieden, indien gij vlijliglijk zult hooren naar de stemme des Heeren uws Gods.

HOOFDSTUK 7.

Het gebeurde nu in het vierde jaar van den Koning Danus, dat het Woord des Heeren geschiedde lot Zacharia, op den vierde der negende maand, namelijk in Kisleu;

2 toen men naar het Huis Gods gezonden had Sarézer en Regem-Mélech en zijne mannen, om het aangezicht des Heeren te smee-ken,

3 zeggende tot de Prieslers die in het Huis des Heeren der heirscharen waren, en tot de Proleten, zeggende: Moet ikwee-nen in de vijfde maand, mij afzonderende , gelijk als ik gedaan heb nu zoovele jaren?

4 Toen geschiedde het Woord van den Heere der heirscharen tot mij, zeggende :

5 Spreek tot liet gansche volk dezes lands en tot de Priesters, zeggende: Toen gij vastlet en rouwklaagdet in de vijfde en in de zevende maand, namelijk nu zeventig jaren, hebt gijlieden mij, mij eenigszins gevast?

G Of als gij aat en als gij dronk t, waart gij het niet. die daar aat en gij die daar dronkt?


-ocr page 1040-

1018

7 Zijn het niet de woorden welke de Heere uitriep door den dienst der vorige Profeten , toen Jeruzalem bewoond en gerust was, en hare steden rondom haar, en het Zuiden en de laagte bewoond was?

8 Voorts geschiedde het Woord des IIeeren tot Zacharia, zeggende :

9 Al zóó sprak de Heere der heirscharen, zeggende: Richt een waarachtig gericht, en doet goedertierenheid en barmhartigheden de één aan den ander;

■10 en verdrukt de weduwe noch den wees, den vreemdeling noch den ellendige; en denkt niet in uw harte de een des anderen kwaad.

11 Maar zij weigerden op te meiken, en togen hunnen schouder terug, en zij verzwaarden hunne ooren opdat zij niet hoorden;

12 en zij maakten hun hart als een diamant, opdat zij niet hoorden de wet en de woorden die de Heere der heirscharen zond in zijnen Geest, door den dienst der vorige Profeten: waaruit ontstaan is een groote toorn van den Heere der heirscharen.

13 Daarom is het geschied, gelijk als hij geroepen had, doch zij niet gehoord hebben, alzóó riepen zij ook, maar ik hoorde niet, zegt dè Heere der heirscharen;

14 maar ik heb ze weggestormd onder alle heidenen welke zij niet kenden, en het land werd achter hen verwoest, zoodat er niemand doorging noch wederkeerde; want zij stelden het gewenschte land tot eene verwoesting.

HOOFDSTUK 8.

Daarna geschiedde het Woord des Heeren der heirscharen tot mij, zeggende:

2 Alzóó zegt de Heere der heirscharen : Ik heb geijverd over Sion met eenen grooten ijver, ja, met groote grimmigheid heb ik over haar geijverd.

3 Alzóó zegt de Heere: Ik ben wedergekeerd tot Sion, en ik zal in het midden van Jeruzalem wonen ; en Jeruzalem zal geheeten worden eene stad der waarheid, en de berg des Heeren der heirscharen een berg der heiligheid.

4 Alzóó zegt de Heere der heirscharen: Daar zullen nog oude mannen en oude vrouwen zitten op de straten van Jeruzalem, en ieder zal zijnen stok in zijne hand hebben, vanwege de veelheid der dagen;

5 en de straten dier stad zullen vervuld worden met jongens en meisjes spelende op hare straten.

G Alzóó zegt de Heere der heirscharen: Omdat het wonderlijk is in de oogen van het overblijfsel dezes volks in deze dagen, zoude het daarom ook in mijne oogen wonderlijk zijn? spreekt de Heere der heirscharen.

7 Alzóó zegt de Heere der heirscharen: Zie, ik zal mijn volk verlossen uit het land van den opgang en uit het land van den ondergang der zen,

8 en ik zal ze herwaart^ brengen, dat zij in het midden van Jeruzalem wonen zullen; en zij zullen mij tot een volk zijn en ik zal hun tot eenen God zijn, in waarheid en in gerechtigheid.

9 Alzóó zegt de Heere der heirscharen : Laat uwe handen sterk zijn, gijlieden die in deze dagen deze woorden gehoord hebt uit den mond der Profeten, die geweest zijn ten dage als de grond van het Huis des Heeren der heirscharen gelegd is, dat de Tempel gebouwd zoude worden.

10 Want vóór die dagen kwam des menschen loon te niet, en het loon van het vee was geen, en de uitgaande en de inkomende hadden geenen vrede vanwege den vijand, want ik zond alle menschen een iegelijk tegen zijnen naaste;

11 maar nu zal ik van het overblijfsel dezes volks niet wezen gelijk in de vor\'ge dagen, spreekt de Heere der heirscharen;

12 want het zaad zal voorspoedig zijn, de wijnstok zal zijne vrucht geven, en de aarde zal hare opbrengst geven, en de hemelen zullen hunnen dauw geven, en ik zal het overblijfsel dezes volks dit alles doen erven;

Z A C H A RIA 8.


-ocr page 1041-

13 en het zal geschieden, gelijk als gij, o huis van Juda en gij, o huis Israels, geweest zijt een vloek onder de heidenen, alzóó zal ik ulieden behoeden en gij zult eene zegening wezen: vreest niet, laat uwe handen sterk zijn.

14 Want alzóó zegt de Heere der heirscharen: Gelijk als ik gedacht heb ulieden kwaad te doen, toen mij uwe vaders grootelijks vertoornden, zegt de Heere der heirscharen, en het heelt mij niet berouwd:

15 alzóó denk ik wederom in deze dagen goed te doen aan Jeruzalem en aan het huis van Juda: vreest niet.

16 Dit zijn de dingen die gij doen zult: spreekt de waarheid een iegelijk met zijnen naaste, oordeelt de waarheid en een oordeel des vredes in uwe poorten;

17 en denkt niet de een des anderen kwaad in uw hart, en hebt een valschen eed niet lief\'; want alle deze zijn dinyen die ik haat, spreekt de Heere.

18 Wederom geschiedde het Woord des Heeren der heirscharen tot mij, zeggende:

19 Alzóó zegt de Heere der heirscharen: Het vasten der vierde en het vasten der vijfde en het vasten der zevende en het vasten der tiende maand zal den huize Juda tot vreugde en tot blijdschap en tot vroolijke hoogtijden wezen; hebt dan do waarheid en den vrede lief.

20 Alzóó zegt de Heere der heirscharen: Nog zal het geschieden dat de volken en de inwoners van vele steden komen zullen,

21 en de inwoners der ééne stad zullen gaan tot de inwoners der andere, zeggende: Laat ons vlijtig henengaan om te smecken het aangezicht des Heeren en om den Heere der heirscharen te zoeken; ik zal óók henengaan.

22 Alzoo zullen vele volken en machtige heidenen komen, om den Heere der heirscharen te Jeruzalem te zoeken en om het aangezicht des Heeuen te smeeken.

23 Alzóó zegt de Heere der heirscharen: Het zal in die dagen

1019

geschieden, dat tien mannen, uit allerlei tongen der heidenen, grijpen zullen, ja, de slip grijpen zullen van een Joodschen man, zeggende: Wij zullen met ulieden gaan, want wij hebben gehoord dat God met ulieden is.

HOOFDSTUK 9.

De last van het Woord des Heeren over het land Hadrach en Damascus, deszelfs ruste; want de Heere heeft een oog over den mensch, gelijk over alle de stammen Israels;

2 en ook zal hij Hamath met hetzelve bepalen, Tyrus enSidon, hoewel zij zeer wijs\'is,

3 en Tyrus zich sterkten gebouwd heeft, en zilver verzameld heeft als stof, en fijn goud als slijk der straten:

4 Zie, de Heere zal haar uit het bezit stooten, en hij zal hare vesting in de zee verslaan, en zij zal met vuur verteerd worden.

5 Askelon zal het zien en zal vreezen, desgelijks Gaza en zal groote smarte hebben, mitsgaders Kkron, dewijl hetgeen waar zij op zagen haar heeft te schande gemaakt; en de Koning uit Gaza zal vergaan, en Askelon zal niet bewoond worden,

6 en de bastaard zal te Asdod wonen, en ik zal den hoogmoed der Filistijnen uitroeien;

7 en ik zal zijn bloed uit zijnen mond wegdoen, en zijne verfoeiselen van tusschen zijne tanden: alzoo zal hij óók onzen God overblijven , ja, hij zal zijn als een Vorst in Juda, en Ekron als de Jebusiet.

8 En ik zal mij rondom mijn huis legeren vanwege het heirleger, vanwege den doorgaande ën vanwege den wederkeerende, opdat de drijver niet meer door hen doorga; want nu heb ik het met mijne oogen aangezien.

9 Verheug u zeer, gij dochter Sions, juich gij dochter Jeruza-lems: zie, uw Koning zal tot u komen, rechtvaardig, en hij is een Heiland; arm, en rijdende opeenen ezel, en op een veulen, een jong der ezelinnen.

10 En ik zul de wagens uit

ZACHARIA 9.


-ocr page 1042-

Z ACH ARIA 10.

1020

Efraïm uilroeien en de paarden uit Jeruzalem, ook zal de strijd; boog uitgeroeid worden, en hij zal den heidenen vrede spreken; en zijne heerschappij zal zijn van zee tot aan zee, en van de rivier tot aan de einden der aarde.

11 U ook aangaande, u Sion, door het bloed uws verbonds heb ik uwe gebondenen uit den kuil, waar geen water in is , uitgelaten.

12 Keert gijlieden weder tot de sterkte, gij gebondenen die daar hoopt; ook lieden verkondig ik, diit ik u dubbel zal wedergeven;

13 als ik mij Juda zal gespannen ai ik Efraïm den boog zal gevuld hebben, en ik uwe kinderen, o Sion, zal verwekt hebben tegen uwe kinderen, o Griekenland, en u gesteld zal hebben als het zwaard eens helds.

14 En de Heere zal over hen verschijnen, en zijne pijlen zullen uitvaren ais een bliksem; en de Heere Heeue zal met de bazuin blazen, en hij zal voorttreden met stormen uit het Zuiden.

15 De Heere der heirscharen zal ze beschutten, en zij zullen eten, nadat zij de slingersteenen zullen ten onder gebracht hebben; zij zullen ook drinken, en een gedruisch maken als de wijn, en zij zullen vervuld worden gelijk het bekken, gelijk de hoeken des altaars;

16 en de Heere hun God zal ze te dien dage behouden, als zijnde de kudde zijns volks; want gekroonde steenen zullen in zijn land als eene banier opgericht worden.

17 Want hoe groot zal zijn goed wezen en hoe groot zal zijne schoonheid wezen! Het koren zal de jongelingen en de most zal de jonkvrouwen sprekende maken.

HOOFDSTUK 10.

Begeert van den Heere regen ten tijde des spaden regens; de Heere maakt de weerlichten; en hij zal hun regen genoeg geven voor ieder kruid op het veld.

2 Want de terafim spreken ijdel-heid, en de waarzeggers zien valschheid, en zij spreken ijdele droomen, zij troosten met ijdcl-heid: daarom zijn zij henengetogen ais schapen, zij zijn onderdrukt geworden, want daar was geen herder.

li Tegen de herders was mijn toorn ontstoken, en over de bokken heb ik bezoeking gedaan; maar de Heere der heirscharen zal zijne kudde bezoeken, het huis van Juda, en hij zal ze stellen gelijk het paard zijner majesteit in den strijd;

4 van hetzelve zal de hoeksteen, van hetzelve zal de nagel, van hetzelve zal de strijdboog, te za-inen zullen van hetzelve alle drijvers voortkomen;

5 en zij zullen zijn als de helden die in het slijk dei\' straten treden in den strijd, en zij zullen strijden; want de Heere zal met hen wezen, en zij zullen die beschamen die op paarden rijden.

6 En ik zal het huis van Juda versterken en het huis Jozefs zal ik behouden, en ik zal ze weder inzetten; want ;.k heb mij hunner ontfermd, cn zij zullen wezen alsof ik ze niet verstoeten had; want ik ben de Heere hun God cn ik zal ze verhoeren.

7 En zij zullen zijn als een held Efraïms, en hun hart zal zich verblijden als van den wijn; en hunne hinderen zullen het zien en zich verblijden, hun barte zal zich verheugen in den Heere.

8 Ik zal ze lokken en zal ze vergaderen ; want ik zal ze verlossen , en zij zullen vermenigvuldigd worden , gelijk zij te voren vermenigvuldigd waren.

9 En ik zal ze onder de volken zaaien, en zij zullen mijner gedenken in verre plaatsen, en zij zullen leven met hunne kinderen en wederkeeren.

10 Want ik zal ze wederbrengen uit Egypteland en ik zal ze vergaderen uit Assyric, en ik zal ze in het land van Gilead en Libanon brengen, maar het zal hun niet genoeg wezen.

11 En hij zal door de zee gaan, die benauwende, en hij zal de golven in dc zee slaan, en alle de diepten der rivier zullen verdrogen: dan zal dc hoogmoed


-ocr page 1043-

It A 11, 12.

1021

Z A Cl il A I

van Assur nedergeworpea worden, en do schepter van Egypte zal wegwijken.

12 En ik zal ze sterken in den Heere , en in zijnon naam zullen zij wandelen, spreekt de Heere.

HOOFDSTUK 11.

Doe uwe deuren open, o Libanon , opdat het vuur uwe cederen vertere.

2 Huilt gij dennen, dewijl de cederen gevallen zijn, dewijl die heerlijke hoornen verwoest zijn; huilt gij eiken Basans, dewijl hot sterke woud nedorfff^01,1quot;*1 .

3 Dm»\' -^uC stem dos gejam--«ots \'der herders, dewijl hunne heerlijkheid verwoest is; eene stem dos gebruis dor jonge leeuwen, dewijl de hoogmoed des Jordaans verwoest is.

4 Al zóó zegt de Heere mijn üod: Weid deze slachtschapen,

5 welker bezitters ze dooden, en houden het voor geen schuld, en ieder dergenen die zo verkoo-pen zegt: Geloofd zij de Heere dat ik rijk geworden ben; en niemand van degenen die zo weiden verschoont ze.

(i Zekerlijk ik zal niet meer do inwoners dezes lands verschoonen, spreekt de Heere; maar zie, ik zal do menschen overleveren, elkeen in de hand zijns naasten en in de hand zijns Konings, en zij zullen dit land te morzel slaan, en ik zal zo uit hunne hand niet verlossen,

7 Dies heb ik deze slachtschapen geweid , dewijl zij ellendige schapen zijn; en ik heb mij genomen twee stokken, den éénen heb ik genoemd Liefelijkheid, en den anderen heb ik genoemd Samen-binders; en ik heb die schapen geweid.

8 En ik heb drie herders in ééne maand afgesneden; want mijne ziel was over hen verdrietig geworden, en ook had hunne ziel een walg van mij.

9 En ik zeide: Ik zal ulieden niet meer weiden; wat sterft, dat sterve, cn wat afgesneden is, dat zij afgesneden, en dat de overgeblevenen do één dos anderen vleosch verslinden.

10 En ik nam mijnen stok Liefelijkheid en ik verbrak donzelvon, te niet doende mijn verbond hetwelk ik met alle deze volkeren gemaakt had:

11 dus werd het te dien dage vernietigd, en alzóó hebben de ellondigon onder do schapen die op mij wachtten bekend dat het des Heeren woord was.

12 Want ik had tot hen gezegd: Indien het goed is in uwe oogen, brengt mijn loon , en zoo niet, laat hot nn F.n zij hebben mijn loon gewogen, dertig zilverlingen.

13 Doch de Heere zeide tot mij: Werp ze henen voor den pottenbakker: een heerlijke prijs dien ik waard geacht bon geweest van hen! En ik nam die dertig zilverlingen en wierp zo m het Huis des Heeren, voor den pottenbakker.

14 Toon verbrak ik mijnen tweeden stok Sameniunders , te niet doende de broederschap tusschen Juda en tusschen Israël.

15 Voorts zeide do Heere tot mij: Noem u nog eens dwazei herders gereedschap.

16 Want zie, ik zal oenen herder verwekken in dit land: wat gereed is om afgesneden te worden zal hij niet bezoeken; het jonge zal hij niet zoeken, en het verbrokono zal hij niet heelen, en het stilstaande zal hij niet dragen; maar het vleosch van het vette zal hij eten, en derzelver klauwen zal hij verscheuren.

17 Wee den nietigen herder, den veriater dor kudde: hot zwaard zal over zijnen arm zijn en over zijn rechteroog; zijn arm zal ten eènenmale verdorren, en zijn rechteroog zal ten eenenmale donker worden.

HOOFDSTUK 12.

De last van hot Woord des Heeren over Israël. De Heere spreekt, die don hemel uitbreidt en dc aarde grondvest, en des menschen geest in zijn binnenste formeert.

2 Zie, ik zal Jeruzalem stellen tot eene drinkschaal der zwijmeling allen volken rondom, ja,


-ocr page 1044-

Z A G H A RIA 13.

1022

ook zal zc zijn over Juda in de belegering tegen Jeruzalem.

3 En het zal te dien dage geschieden dat ik Jeruzalem stellen zal tot eenen lastigen steen allen volken: allen die zich daarmede beladen, zullen gewis doorsneden worden; en alle de volkeren der aarde zullen zich tegen haar verzamelen.

4 Te dien dage, spreekt de Heere, zal ik alle paarden met schuwheid slaan en hunne ruiters met zinneloosheid; maar over het huis van Juda zal ik mijne oogen openen, en alle paarden der volkeren zal ik met blindheid slaan.

5 Dan zullen de leidslieden van Juda in hun harte zeggen; De inwoners van Jeruzalem zullen mij eene sterkte zijn in den Heere der heirscharen, hunnen God.

6 Tc dien dage zal ik de leidslieden van Juda stellen als eenen vurigen haard onder het hout en als eene vurige fakkel onder de schoven, en zij zullen ter rechter-en ter linkerzijde alle volken rondom verteren; en Jeruzalem zal nog blijven in hare plaats te Jeruzalem.

7 En de Heere zal de tenten van Juda allereerst behouden, opdat de heerlijkheid van het huis Davids en de heerlijkheid der inwoners van Jeruzalem zich niet verheffe tegen Juda.

8 Te dien dage zal de Heere de inwoners van Jeruzalem beschutten, en wie onder henstrui-kelen zoude znl te dien dage zijn als David, en het huis Davids zal zijn als goden, als de Engel des Heeren voor hun aangezicht.

9 En het zal te dien dage geschieden, dat ik zal zoeken te verdelgen alle heidenen die tegen Jeruzalem aankomen.

10 Doch over het huis Davids en over de inwoners van Jeruzalem zal ik uitstorten den Geest der genade en der gebeden, en zij zullen mij aanschouwen dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over hem rouwklagen als met de rouwklage over een eenigen zoon, en zij zullen over hem bitterlijk kermen gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.

11 Te dien dage zal te Jeruzalem de rouwklage groot zijn, gelijk de rouwklage van Hadad-Rim-mon in het dal van Megiddon;

12 en het land zal rouwklagen, elk geslacht bijzonder: het geslacht van het huis Davids bijzonder en hunne vrouwen bijzonder, en het geslacht van het huis Nathans bijzonder en hunne vrouwen bijzonder,

13 het geslacht van het huis van Levi bijzonder en hunne vrouwen bijzonder, het geslacht van Simeiquot; bijzonder en hunne vrouwen bij-zonaei ,

14 alle de o-p.glachten elk geslacht bijzonder en nc-1 vrouwen bijzonder.

HOOFDSTUK 13.

Te dien dage zal er eene fontein geopend zijn voor het huis Davids en voor de inwoners van Jeruzalem, tegen de zonde en tegen de on-reinigheid.

2 En het zal te dien dage geschieden , spreekt de Heere der heirscharen, dat ik uitroeien zal uit het land de namen der afgoden, dat ze niet meer gedacht zullen worden; ja, ook de Profeten en den onreinen geest zal ik uit het land wegdoen.

3 En het zal geschieden, wanneer iemand meer profeteert, dat zijn vader en zijne moeder, die hem gegenereerd hebben, tot hem zullen zeggen: Gij zult niet leven, dewijl gij valschheid gesproken hebt in den naam des Heeren ; en zijn vader en zijne moeder, die quot;hem gegenereerd hebben, zullen hem doorsteken wanneer hij profeteert.

4 En het zal geschieden te dien dage, dat die Profeten beschaamd zuilen worden. een iegelijk vanwege zijn gedicht, wanneer hij profeteert; en zij zullen geenen haren mantel aandoen om te liegen;

5 maar hij zal zeggen: Ik ben geen Profeet, ik ben een man die het land bouwt; want een mensch heeft mij daartoe geworven van mijne jeugd af.

6 En zoo iemand tot hem zegt:


-ocr page 1045-

Z ACH AUIA 14.

1023

Wat zijn deze wonden in uwe handen ? Zoo zal hij zeggen: Het zijn de tuonden waarmede ik geslagen ben in het huis mijner liefhebbers.

7 Zwaard, ontwaak tegen mijnen herder en tegen den man die mijn metgezel is, spreekt de Heere der heirscharen; sla dien herder, en de schapen zullen verstrooid worden; maar ik zal mijne hand tot de kleinen wenden.

8 En het zal geschieden in het gansche land, spreekt de Heere, twee deelen daarin zullen uitgeroeid worden en den geest geven, maar het derde deel zal daarin overblijven;

9 en ik zal dat derde deel in het vuur brengen, en ik zal het louteren gelijk men zilver loutert, en ik zal het beproeven gelijk men goud beproeft; het zal mijnen naam aanroepen en ik zal het verhoeren; ik zal zeggen: Het is mijn volk, en het zal zeggen : Do Heere is mijn God.

HOOFDSTUK 14.

Zie, de dag komt den Heere, dat uw roof zal uitgedeeld worden in het midden van u, o Jeruzalem ;

2 want ik zal alle heidenen tegen Jeruzalem ten strijde verzamelen, en de stad zal ingenomen, en do huizen zullen geplunderd, en de vrouwen zullen geschonden worden , en de helft der stad zal uitgaan in gevangenis; maar het overige des volks zal uit de stad niet uitgeroeid worden.

3 En de Heere zal uittrekken, en hij zal strijden tegen die heidenen, gelijk ten dage als hij gestreden heeft, ten dage des strijds;

4 en zijne voeten zullen te dien dage staan op den Olijfberg die voor Jeruzalem ligt, tegen het Oosten; en de Olijfberg zal in tweeën gespleten worden naar het Oosten en raar het Westen , zoodat er eene zeer groote vallei zal zijn; en de ééne helft des bergs zal wijken naar het Noorden, en de andere helft naar het Zuiden.

5 Dan zult gijlieden vlieden door de vallei mijner bergen, (want deze vallei der bergen zal reiken tot Azal), en gij zult vlieden, gelijk als gij vloodt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia den Koning van Juda; dan zal de Heere mijn God komen, en alle de heiligen met u, o Heere.

G En het zal te dien dage geschieden, dat er niet zal zijn het kostelijk licht en de dikke duisternis ;

7 maar het zal een éénige dag zijn, die den Heere bekend zal zijn; het zal noch dag noch nacht zijn; en het zal geschieden ten tijde des avonds, dat het licht zal wezen.

8 Ook zal het te dien dage geschieden dat er levende wateren uit Jeruzalem vlieten zullen, de helft van die naar de oostzee en de helft van die naar de achterste zee toe; zij zullen des zomers en des winters zijn.

9 En de Heere zal tot Koning over de gansche aarde zijn; to dien dage zal de Heere één zijn, en zijn naam één.

10 Dit gansche land zal rondom als een vlak veld gemaakt worder, van Gibea, tot Rimmon toe, zuidwaarts van Jeruzalem; en zij zal verhoogd en bewoond worden in hare plaats, van de poort Benjamins af tot aan de plaats van de eerste poort, tot aan de hoek-poort toe, en van den toren Ha-naneöl lot aan des Konings wijn-bakken toe;

11 en zij zullen daarin wonen en daar zal geen verbanning meer zijn, want Jeruzalem zal zéker wonen.

12 En dat zal de plage zijn waarmede de Heere alle de volken plagen zal die tegen Jeruzalem krijg gevoerd zullen hebben: hij zal eens iegelijks vleesch, daar hij op zijne voeten staat, doen uitteren, en eens iegelijks oogen zullen uitteren in hunne holten, en eens iegelijks tong zal in hunnen mond uitteren.

13 Ook zal het te dien dage geschieden dat er een groot ge-druisch van den Heere onder hen zal wezen, zoodat zij een ieder zijns naasten hand zullen


-ocr page 1046-

MALE A CHI 1.

4024

aangrijpen, en een;» ieders hand zal tegen de hand zijns naasten opgaan.

14 En ook zal Juda te Jeruzalem strijden; en het vermogen aller heidenen rondom zal verzameld worden, goud en zilver en klee-deren in grootc menigte.

15 Alzoo zal ook de plage der paarden, der muildieren, der kemelen en der ezelen en aller beesten zijn, die in die heuiegers geweest zijn zullen, gelijk gener plage geweest is.

•10 En het zal geschieden dat alle de overgeblevenen van alle heidenen die togen Jeruzalem zullen gekomen zijn , die zullen van wv, \'tot jaar optrekken om aan te bidden den Koning, den Heere der heirscharen, en om te vieren het feest der loofhutlen ;

17 en het zal geschieden , zoo wie van de geslachten der aarde niet zal optrekken naar Jeruzalem om den Koning, den Heere der heirscharen, te aanbidden , zoo zal er over henlieden geen regen

18 en indien het geslacht der Egyptenaren, over dewelke de regen niet is, niet zal optrekken noch komen, zoo zal die plage over hen zijn, met welke de Heere die heidenen pingen zal die niet optrekken zullen om te vieren het feest der loofhutten ;

19 dit zal de zonde der Egyptenaren zijn, mitsgaders de zonde aller heidenen die niet optrekken zullen om het feest der loofhutten te vieren.

20 Te dien dage zal op de bellen der paarden staan: de heiligheid des ITeeren. En de potten in den Huize des Heeren zullen zijn als de sprengbekkens voor het altaar;

21 ja, alle de potten in Jeruzalem én in Juda zullen den Heere der heirscharen heilig zijn; zoodat allen die offeren willen, zullen komen, en van dezelve nemen en in dezelve koken; en daar zal geen Kanaaniet meer zijn in hot Huis des Heeren der heirscharen te dien dage.


BE PROFEET M A L E A C H I.

HOOFDSTUK 1.

De last van het Woord des Heeren tot Israël door den dienst van Maleachi.

2 Ik heb ulieden liefgehad , zegt de Heere; maar gij zegt: Waarin hebt gij ons liefgehad? Was niet Esau Jakobs broeder? spreekt de Heere: nogtans heb ik Jakob liefgehad,

3 en Esau heb ik gehaat, en ik heb zijne bergen gesteld tot eene verwoesting en zijn erf voor de draken der woestijn.

4 Ofschoon Edom zeide: Wij zijn verarmd, doch wij zullen de woeste plaatsen weder bouwen: alzóó zegt do Heere der heirscharen: Zullen zij bouwen, zoo zal ik afbreken; en men zal ze noemen landpale dor goddeloosheid, en een volk op hetwelk de Heere vergramd is tot in eeuwigheid.

5 En uwe oogen zullen het zien, en gijlieden zult zeggen: De Heere zij groot gemaakt van de landpale Israëls af.

C Een zoon zal den vader eeren


-ocr page 1047-

M A L E A G HI 2.

1025

en een knecht zijnen heer: ben ik dan een vader, waar is mijne eer? en ben ik een heer, waar is mijne vreeze? zegt de Heere der heirscharen lot u , o Priesters , verachters mijns naams ; maar gij zegt: Waarmede verachten wij uwen naam?

7 Gij brengt op mijn altaar verontreinigd brood, en zegt: Waarmede verontreinigen wiju? Daar-mede dat gij zegt: Des Heeuen tafel is verachtelijk.

8 Want als gij wat blinds aanbrengt om te offeren, hel; is hij u niet kwaad; en als gij wat kreupels of kranks aanbrengt, het is niet kwaad. Breng dat toch uwen Vorst: zal hij een welgevallen aan u hebben of zal hij uw aangezicht opnemen? zegt de Heeue der heirscharen.

9 Nu dan, smeekt toch het aangezicht Godes dat hij ons genadig zij: zulks is van uwe hand geschied: zal hij uw aangezicht opnemen? zegt de Heere der heirscharen.

10 Wie is er ook onder u die de deuren om niet toesluit? En gij steekt het vuur niet aan op mijn altaar om niet. Ik heb geenen lust aan u, zegt de Heere der heirscharen. en het spijsoffer is mij van uwe hand niet aangenaam ;

11 maar van den opgang der zon tot haren ondergang zai mijn naam groot zijn onder de heidenen, en aan alle plaats zal mijnen naam reukwerk toegebracht worden en een rein spijsoffer; want mijn naam zal groot zijn onder de heidenen, zegt de Heere der heirscharen,

12 maar gij ontheiligt dien als gij zegt: Des Heere* tafel is ontreinigd, en haar inkomen, hare spijze, is verachtelijk.

13 Nog zegt gij: Zie, wat eene vermoeidheid ! maar gij zoudt het kunnen wegblazen, zegt de Heere der heirscharen ; gij brengt ook hetgeen dat geroofd is en dat kreupel en krank is; gij brengt ook spijsoffer: zoude mij zulks aangenaam zijn van uwe hand? zegt de Heere.

14 Ja, vervloekt zij de bedrieger die een mannetje in zijne kudde heeft, en den Heere belooft en offert wat verdorven is; want ik ben een groot Koning, zegt de Heere der heirscharen, en mijn naam is vreeselijk onder de heidenen.

HOOFDSTUK 2.

En nu gij Priesters, tot u wordt dit gebod yezondc.n:

2 indien gij het niet zult hooren en indien gij het niet zult ter harte nemen, om mijnen naam eere te geven, zegt de Heere der heirscharen, zoo zal ik den vloek onder u zenden en ik zal uwe zegeningen vervloeken; ja, ik heb ook aireede elkeen derzelve vervloekt, omdat gij het niet ter harte neemt.

3 Zie, ik zal u het zaad verderven; en ik zal drek op uwe aangezichten strooien, den drek uwer feesten, zoodat men u met denzei ven wegnemen zal.

4 Dan zult gij weten dat ik dit gebod tot u gezonden heb, opdat mijn verbond met Levi zij, zegt de Heere der heirscharen.

5 Mijn verbond met hem Was het leven en de vrede, en ik gaf hem die tot eene vreeze; en hij vreesde mij, en hij werd om mijns naams wille verschrikt.

G De wet der waarheid was in zijnen mond , en daar werd geen onrecht in zijne lippen gevonden; hij wandelde met mij in vrede en in rechtmatigheid, en hij bekeerde er vele van ongerechtigheid.

7 Want de lippen des Priesters zullen de wetenschap bewaren, en men zal uit zijnen mond de wet zoeken; want hij is een Engel des Heeren der heirscharen.

8 Maar gij zijt van den weg afgeweken, gij hebt er velen doen struikelen in de wet; gij hebt hot verbond van Levi verdorven, zegt de Heere der heirscharen.

9 Daarom heb ik u ook verachtelijk en onwaardig gemaakt voor het gansche volk: dewijl gij mijne wegen niet houdt, maar het aangezicht aanneemt in de wet.

10 Hebben wij niet allen éónen vader? Heeft niet évn God ons geschapen? Waarom bandelen wij


-ocr page 1048-

1026

dan trouwelooslijk, de één tegen den ander, ontheiligende het verbond onzer vaderen?

11 Juda handelt trouwelooslijk, en daar wordt een gruwel gedaan in Israël en in Jeruzalem; want Juda ontheiligt de heiligheid des Heeren, welke hij liefheeft; want hij heeft de dochter eens vreemden gods getrouwd.

12 De Heere zal den man die zulks doet uitroeien uit de hutten Jakobs, dien die waakt, en dien die antwoordt, en die den Heere der heirscharen spijsoffer brengt.

13 Dit tweede doet gijlieden ook, dat gij het altaar des Heeren bedekt met tranen, met weening en met zuchting, zoodat hij niet meer het spijsoffer aanschouwen noch met welgevallen van uwe hand ontvangen wil.

14 Gij nu zegt: Waarom? Daarom dat de Heere een getuige geweest is tusschen u en tusschen de huisvrouw uwer jeugd, met welke gij trouwelooslijk handelt, daar zij toch uwe gezellin en de huisvrouw uws verbonds is.

15 Heeft hij niet maar éénen gemaakt, hoewel hij des geestes overig had? En waarom maar dien éénen? Hij zoclit een zaad Godes. Daarom wacht u met uwen geest, en dat niemand trouwelooslijk handele tegen de huisvrouw zijner jeugd.

1(3 quot;Want de Heere de God Israels zegt dat hij het verlaten haat, alhoewel hij den wrevel bedekt met zijn kleed, zegt de Heere der heirscharen: daarom wacht u met uwen geest dat gij niet trouwelooslijk handelt.

17 Gij vermoeit den Heere met uwe woorden: toch zegt gij: Waarmede vermoeien wij hem\'7 Daarmede dat gij zegt: Al wie kwaad doet is goed in de oogen des Heeren, en hij heelt lust aan zoodanigen; of: Waar is de God des oordeels?

HOOFDSTUK 3.

Zie, ik zend mijnen Engel die voor mijn aangezicht den weg bereiden zal; en snellijk zal tot zijnen Tempel komen die Heere

dien gijlieden zoekt, te weten v de Engel des verbonds, aan welken gij lust hebt; zie, hij komt, zegt dé Heere der heirscharen. z

2 Maar wie zal den dag zijner toekomst verdragen , en wie zal bestaan als hij verschijnt? Want hij zal zijn als het vuur eens goudsmids en als zeep der vollers;

3 en hij zal zitten, louterende en het zilver reinigende, en hij zal de kinderen van Levi reinigen en hij zal ze doorlouteren als goud en als zilver: dan zullen zij den Heere sp ij solfer toebrengen in gerechtigheid.

4 Dan zal het spijsoffer van Juda en Jeruzalem den Heere zoet wezen, als in de oude dagen en als in de vorige jaren;

5 en ik zal tot ulieden ten oordeel naderen, en ik zal een snel getuige zijn tegen de toovenaars, en tegen de ovcrspclers, en tegen degenen die valschelijk zweren, en tegen degenen die het loon des daglooners met geweld inhouden, die de weduwe en den wees en den vreemdeling het recht verkeeren, en mij niet vreezen, zegt de Heere der heirscharen.

(j Want ik, de Heere , worde niet veranderd: daarom zijt gij, o kinderen Jakobs niet verteerd.

7 Van uwer vaderen dagen af zijt gij afgeweken van mijne inzettingen en hebt ze niet bewaard: keert weder tot mij, en ik zal tot u wederkeeren, zegt de Heere der heirscharen; maar gij zegt: Waarin zullen wij wederkeeren?

8 Zal een mensch God berooven? Maar gij berooft mij, en zegt: Waarin berooven wij u? In de tienden en het hefoffer.

9 Met eencn vloek zijt gij vervloekt, omda: gij mij berooft, zelfs het gansche volk.

10 Brengt alle de tienden in het schathuis, opdat er spijze zij in mijn Huis; en beproeft mij nu daarin, zegt de Heere der heirscharen , of ik u clan niet openen zal do vensteren des hemels; en u zegen alg.eten, zoodat er geen schuren genoeg wezen zullen.

11 En ik zal om uwentwille den opeter schelden, dat hij u de

MALE A CHI 3.


-ocr page 1049-

MALE

3n vrucht des lands niet verderve; Jl. en de wijnslok op het veld zal l u geene misdracht voortbrengen, \' zegt de Heere der heirscharen. B1. 12 En alle heidenen zullen u gelukzalig noemen, want gijlieden Qt; zult een lustig land zijn, zegt de )s Heere der heirscharen. 3. 13 Uwe woorden zijn tegen mij \\q te sterk geworden, zegt de Heere; ij maar gij zegt: Wat hebben wij n tegen u gesproken?

[s 14 Gij zegt: Het is tevergeefs ij God te dienen; want wat nuttig-lieid is het dat wij zijne wacht waarnemen, en dat wij in het tl zwart gaan voor het aangezicht 13 des Heeren der heirscharen? ^ 15 En nu, wij achten de hoog-moedigen gelukzalig; ook die goddeloosheid doen worden gebouwd; ook verzoeken zij God en ontkomen.

16 Alsdan spreken die den [ Heere vreezen een ieder tot zijnen

naaste: De Heere merkt er toch [ op en hoort, en daar is een gedenkboek voor zijn aangezicht . geschreven voor degenen die den \' Heere vreezen en voor degenen die aan zijn naam gedenken.

17 En zij zullen, zegt de Heere der heirscharen, te dien dage dien ik maken zal, mij een eigendom zijn, en ik zal ze verschoonen gelijk als een man zijnen zoon verschoont die hem dient.

18 Dan zult gijlieden wederom zien Imt ondersnheid tusschen den rechtvaardige en den goddelooze,

LCHI 4. 1027

tusschen dien die God dient en dien die hem niet dient.

HOOFDSTUK 4.

Want zie, die dag komt, brandende als een oven: dan zullen alle hoogmoedigen en al wie goddeloosheid doet een stoppel zijn, en de toekomstige dag zal ze in vlam zetten, zegt de Heere der heirscharen, die hun noch wortel noch tak laten zal.

2 Ulieden daarentegen die mijnen naam vreest, zal de Zon der gerechtigheid opgaan, en daar zal genezing zijn onder zijne vleugelen, en gij zult uitgaan en toenemen als mestkalveren,

3 en gij zult de goddeloozen vertreden; want zij zullen asch worden onder de zolen uwer voeten, te dien dage dien ik maken zal, zegt de Heere der heirscharen.

4 Gedenkt der wet van Mozes mijns knechts, die ik hem bevolen heb op lloreb aan gansch Israël; der inzettingen en rechten.

5 Zie, ik zend ulieden den Proleet Eh\'a, eer dat die groote en die vreesdij ke dag des Heeren komen zal;

ü en hij zal het harte der vaderen tot de kinderen wederbren-gen, en het harte der kinderen tot hunne vaders; opdat ik niet kome en do aarde met den ban sla.


EINDE DES OUDEN TESTAMENTS.

-ocr page 1050-
-ocr page 1051-
-ocr page 1052-
-ocr page 1053-

REGISTER VANquot; DE l\'.OEKEN

DES

N1E U \\\\r EN T E S T A M E N T S

Rladz.

Met Evangelie van Mattheüs............. 1—42

Het Evangelie van Marcus.............42— 68

Het Evangelie van Lucas..............68—112

Het Evangelie van Johannes.............112-144

De Handelingen der Apostelen............144—187

BRIEVEN VAX PA ff.US :

Aan de Romeinen................................187—204

Eerste aan de Gorinthiërs............................204—221

Tweede aan de Gorinthiërs..........................221—232

Aan de Galatiërs..................................232—237

Aan de Efeziërs....................................238—243

Aan de Filippenzen................................244 —248

Aan de Golossenzen................................248—252

Eerste aan de Thessalonicenzen......................252—255

Tweede aan de Thessalonicenzen...........255—257

Eerste aan Timotheüs.........................257—262

Tweede aan Timotheüs........................262—205

Aan Titus....................265—267

Aan Filémon......................................267-268

Aan de Hebreërs..................................268 - 281

AI.GEMEKNK f\'.P.IEVEN :

Van Jacobus............................281—285

Eerste van Petrus..................................280—290

Tweede van Petrus................................290 - 29rgt;

Eerste van Johannes..... . . . ;............293 —297

Tweede van Johannes...............298

Derde van Johannes................................298 -290

Van Judas........................................299—300

De Openbaring van Johannes........ ... 301—320

-ocr page 1054-
-ocr page 1055-

HET NIEUWE TESTAMENT.

HET HEILIG EVANGELIE

naar de BESCHRIJVING VAN

M A T T H E Ü S,

HOOFDSTUK 1.

j Het boek des geslachts van dezus Christus, den zoon van bavid, den zoon van Abraham.

2 Abraham gewon Isaak, en tsaak gewon Jakob, en Jakob ge-ivon Juda en zijne broeders;

3 en Juda gewon Fares en Zara bij Thamar; en Fares gewon Es-iom, en Esrom gewon Aram;

4 en Aram gewon Aminadab, pn Aminadab gewon Nahasson , ën Nahasson gewon Salmon;

5 en Salmon gewon Böoz bij JRaehab, en Böoz gewon Obed bij [Ruth, en Obed gewon Jesse;

G en Jesse gewon David den [Koning. En David de Koning gelwon Salomo, bij degene die Una\'s %1\'rouw was geweest;

7 en Salomo gewon Roboam, Icn Roboam gewon Abi\'a, en Abia jgewon Asa;

; 8 en Asa gewon Josafat, en ;Josafat gewon Joram, en Joram igewon Ozias:

ri 9 en Ozfas gewon Joatham, en fjoatham gewon Achaz, en Achaz gewon Ezekfas;

10 en Ezekfas gewon Manasse, j cn Manasse gewon Amon, en Amon gewon Josfas; \\ 11 en Josi\'as gewon Jechonias i cn zijne broeders, omtrent do Ba-■ bylonische overvoering.

voering gewon Jechonias Salathiël, en Salathiël gewon Zorobabel;

13 en Zorobabel gewon Abiud, en Abiud gewon Eljakim, en El-jakim gewon Azor;

14 en Azor gewon Sadok, en Sadok gewon Achim, en Achim gewon Eliud;

15 en Eliud gewon Eleazar, en Eleazar gewon Matthan, en Mat-than gewon Jakob;

16 en Jakob gewon Jozef, den man van Maria, uit welke geboren is Jezus gezegd Christus.

17 Alle de geslachten dan van Abraham tot David zijn veertien geslachten, en van David tot de Babylonische overvoering zijn veertien geslachten, en van de Babylonische overvoering tot Christus zijn veertien geslachten.

18 De geboorte van Jezus Christus was nu aldus: want als Maria zijne moeder met Jozef ondertrouwd was, eer zij te zamen gekomen waren werd zij zwanger bevonden uit den Heiligen Geest.

19 Jozef nu, haar man, alzoo hij rechtvaardig was, en haar niet wilde openbaarlijk te schande maken, was van wille haar heimelijk te verlaten.

20 En alzoo hij deze dingen in den zin had, zie, de Engel des Heeren verscheen hem in den droom, zeggende: Jozef, gij zoon Davids, wees niet bevreesd Maria;


1

-ocr page 1056-

2 MATT

uwe vrouw tot u te nemen; want hetgeen in haar ontvangen is, dat is uit den Heiligen Geest;

21 en zij zal eenen zoon baren, en gij zult zijnen naam heeten Jezus; want hij zal zijn volk zalig maken van hunne zonden.

22 En dit alles is geschied, opdat vervuld zoude worden hetgeen van den Heere gesproken is door den Profeet, zeggende:

23 Zie, de maagd zal zwanger worden en eenen zoon baren, en gij zult zijnen naam heeten Emma-nuël; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons.

24 Jozef dan, opgewekt zijnde van den slaap, deed gelijk de Engel des Heeren hem bevolen had, en heeft zijne vrouw tot zich genomen,

25 en bekende haar niet, totdat zij dezen haren eerstgeboren zoon gebaard had; en heette zijnen naam Jezus.

HOOFDSTUK 2.

Toen nu Jezus geboren was te Bethlehem, gelegen in Judca, in de dagen van den Koning Herodes, zie, eenigc wijzen van het Oosten zijn te Jeruzalem aangekomen ,

2 zeggende: Waar is de geboren Koning der Joden? want wij hebben gezien zijne ster in\'t Oosten, en zijn gekomen om hem te aanbidden.

3 De Koning Herodes nu dit gehoord hebbende , werd ontroerd, en geheel Jeruzalem met hem;

4 en bijéénvergaderd hebbende alle de Overpriesters en Schriftgeleerden des volks, vraagde van hen, waar de Christus zoude geboren worden.

5 En zij zeiden tot hem: Te Bethlehem, in Judca gelegen\', want alzóó is geschreven door den Profeet:

6 En gij Bethlehem, gij land van Juda, zijt geenszins do minste onder de Vorsten van Juda; want uit u zal de Leidsman voortkomen die mijn volk Israël weiden zal.

7 Toen heeft Herodes de wijzen heimelijk geroepen, en verham

IE U S 2.

naarstiglijk van hen den tijd wanneer de ster verschenen was;

8 en hen naar Bethlehem zendende . zeide: Beist henen en onderzoekt naarstiglijk naar dat kindeken, en als gijquot;het zult gevonden hebben, boodschapt het mij, opdat ik óók kome en dat-zelve aanbidde.

9 En zij den Koning gehoord hebbende, zijn henengereisd; en zie, de ster, die zij in \'t Oosten gezien hadden, ging hun voor, totdat zij kwam en stond boven de plaats waar het kindeken was.

10 Als zij nu de ster zagen, verheugden zij zich met zeer groote vreugde;

11 en in het huis gekomen zijnde , vonden zij het kindeken met Maria zijne moeder, en nederval-lende hebben zij hetzelve aangebeden; en hunne schatten opengedaan hebbende, quot;Drachten zij hem geschenken, goud en wierook en mirre.

12 En door Goddelijke openbaring vermaand zijnde in den droom, dat zij niet zouden wederkeeren tot Herodes, vertrokken zij door eenen anderen weg weder naar hun land.

13 Toen zij nu vertrokken waren, zie, de Engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, zeggende: Sta op, en neem tot u het kindeken en zijne moeder, en vlied in Egypte, en wees aldaar totdat ik het u zeggen zal; want Herodes zal het kindeken zoeken, om hetzelve te dooden.

14 Hij dan opgestaan zijnde, nam hét kindeken en zijne moeder tot zich in den nacht, en vertrok naar Egypte,

15 en was aldaar tot den dood van Herodes; opdat vervuld zoude worden hetgeen van den Heere gesproken is door den Profeet, zeggende: Uit Egypte heb ik mijnen Zoon geroepen.

10 Als Herodes zag dat hij Van de wijzen bedrogen was, toen werd hij zeer toornig, en eenigen afgezonden hebbende, heeft hij omgebracht alle de kinderen die binnen Bethlehem en in alle deszelfs landpalen waren, van twee jaren oud


-ocr page 1057-

MATTHEUS 3.

3

en daaronder, naar den tijd dien hij van de wijzen naarstiglijk I onderzocht had.

17 Toen is vervuld geworden I \'t geen gesproken is door den | Profeet Jeremia, zeggende:

18 Een stemme is in Rama gehoord, geklag, geween en veel gekerm; Rachel beweende hare kinderen, en wilde niet vertroost

| wezen, omdat ze niet zijn.

19 Toen Herodes nu gestorven was, zie, de Engel des Heeren verschijnt Jozef in den droom, in Egypte,

20 zeggende: Sta op, neem het kindeken en zijne moeder totu, en trek in \'tland Israels; want zij zijn gestorven die de ziel des kindekens zochten.

^ 21 Hij dan , opgestaan zijnde , [ heeft tot zich genomen het kin-\' deken en zijne moeder, en is ge-■ komen in \'tland Israëls.

22 Maar als hij hoorde dat Ar-chelaüs in Judéa Koning was, in de plaats van zijnen vader Hero-

1 des, vreesde hij daarhenen te j gaan; maar door \'Goddelijkeopenbaring vermaand in den droom, is hij vertrokken in de deelenvan Galiléa.

23 En daar gekomen zijnde, \\ \'■ nam hij zijne woonplaats in de quot; stad genaamd Nazareth; opdat \' vervuld zoude worden wat door

d de Profeten gezegd is, dat hij j. | Nazarener zal geheeten worden.

HOOFDSTUK 3.

En in die dagen kwam Johan-r nes de Dooper, predikende in de 1^ woestijn van Judéa,

2 en zeggende: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.

3 Want deze is\'t van denwelken gesproken is door Jesaja den Profeet , zeggende : De stemme des roependen in de woestijn : Bereidt den weg des Heeren, maakt zijne paden recht.

4 En deze Johannes had zijne kleeding van kemelshaar, en eenen lederen gordel om zijne lendenen;

Jl en zijn voedsel was sprinkhanen cl en wilde honig.

5 Toen is tot hem uitgegaan Jeruzalem en geheel Judéa en \'t geheele land rondom den Jordaan ;

6 en werden van hem gedoopt in den Jordaan, belijdende hunne zonden.

7 Hij dan ziende velen van de Farizeërs en Sadduceërs tot zijnen doop komen, sprak tot hen: Gij adderengebroedsels , wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn?

8 Brengt dan vruchten voort der bekeering waardig;

9 en meent niet bij uzelven te zeggen: Wij hebben Abraham tot eenen vader; want ik zegge u, dat God zelfs uit deze steenen Abraham kinderen kan verwekken.

10 En ook is alreede de bijl aan den wortel der boomen gelegd; alle boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in \'tvuur geworpen.

11 Ik doop u wel met water tot bekeering; maar die na mij komt is sterker dan ik, wiens schoenen ik niet waardig ben hem na te dragen : die zal u met den Heiligen Geest en met vuur doopen;

12 wiens wan in zijne hand is, en hij zal zijnen dorschvloer dóór-zuiveren , en zijne tarwe in zijne schuur samenbrengen , en zal het kaf met onuitblusschelijk vuur verbranden.

13 Toen kwam Jezus van Galilea naar den Jordaan tot Johannes, om van hem gedoopt te worden.

14 Doch Johannes weigerde heni zeer, zeggende: Mij is noodig van u gedoopt te worden, en komt gij tot mij?

15 Maar Jezus antwoordende zei-de tot hem: Laat nu af; want aldus betaamt ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij van hem af.

16 En Jezus gedoopt zijnde, is terstond opgeklommen uit het water; en zie, de hemelen werden hem geopend, en hij zag den Geest Gods nederdalen gelijk eene duive, en op hem komen.

17 En zie, eene stemme uit de hemelen, zeggende: Deze is mijn Zoon, mijn Geliefde, in denwelken ik mijn welbehagen heb.


-ocr page 1058-

4 MATTHEÜS 4, 5.

HOOFDSTUK 4.

Toen werd Jezus van den Geest weggeleid in de woestijn, om verzocht te worden van den duivel.

2 En als hij veertig dagen en veertig nachten gevast had, hongerde hem ten laatste.

3 En de verzoeker tot hem gekomen zijnde, zeide: Indien gij Gods Zoon zijt, zeg dat deze stee-nen brooden worden.

4 Doch hij antwoordende zeide: Daar is geschreven: De mensch zal bij brood alleen niet leven, maar bij alle woord dat door den mond Gods uitgaat.

5 Toen nam hem de duivel mede naar de heilige stad, en stelde hem op de tinne des Tempels,

6 en zeide tot hem: Indien gij Gods Zoon zijt, werp uzelven nederwaarts; want daar is geschreven, dat hij zijne Engelen van u bevelen zal, en dat zij u op de handen zullen nemen, opdat gij niet te eeniger tijd uwen voet aan eenen steen aanstoot.

7 Jezus zeide tot hem : Daar is wederom geschreven: Gij zult den Heere uwen God niet verzoeken.

8 Wederom nam hem de duivel mede op eenen zeer hoogen berg, en toonde hem alle de koninkrijken der wereld en hunne heerlijkheid,

9 en zeide tot hem : Alle deze dingen zal ik u geven, indien gij nedervallende mij zult aanbidden.

10 Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg satan; want daar staat geschreven: Den Heere uwen God zult gij aanbidden, en hem alleen dienen.

11 Toen liet de duivel van hem af; en zie, de Engelen zijn toegekomen en dienden hem.

12 Als nu Jezus gehoord had dat Johannes overgeleverd was, is hij wedergekeerd naar Galiléa.

13 En Nazareth verlaten hebbende is komen wonen te Kaper-naüm, gelegen aan de zee, in de landpalen van Zebulon en Naftali;

14 opdat vervuld zoude worden \'tgeen gesproken is door Jesaja den Profeet, zeggende :

15 Het land Zebulon en het land

Naftali, aan den weg der zee over den Jordaan, Galiléa der volkeren,

16 het volk dat in duisternis zat heeft een groot licht gezien; en degenen die zaten in het land en de schaduw des doods, denzelven is een licht opgegaan.

17 Van toen aan heeft Jezus begonnen te prediken, en te zeggen: Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.

18 En Jezus wandelende aan de zee van Galiléa, zag twee broeders , namelijk Simon gezegd Petrus , en Andréas zijnen broeder, het net in de zee werpende, (want zij waren visschers);

19 en hij zeide tot hen: Volgt mij na, en ik zal u visschers der menschen maken.

20 Zij dan terstond de netten verlatende, zijn hem nagevolgd.

21 En hij, van daar voortgegaan zijnde, zag twee andere broeders, namelijk Jacobus den zoon van Zebedeüs, en Johannes zijnen broeder, in het schip met hunnen vader Zebedeüs hunne netten vermakende, en heeft hen geroepen.

22 Zij dan terstond verlatende het schip en hunnen vader, zijn hem nagevolgd.

23 En Jezus omging geheel Galiléa, leerende in hunne Synagogen, en predikende het Evangelie des Koninklijks, en genezende alle ziekten en alle kwale onder het volk.

24 En zijn gerucht ging van daar uit in geheel Syrië; en zij brachten tot hem allen die kwalijk gesteld waren, met verscheiden ziekten en pijnen bevangen zijnde, en van den duivel bezeten, en maanzieken , en geraakten; en hij genas dezelve.

25 En vele scharen volgden hem na, van Galiléa, en van Decapolis, en van Jeruzalem, envanJudéa, en van over den Joriaan.

HOOFDSTUK 5.

En Jezus de scharen ziende, is geklommen op eenen berg, en als hij nedergezeten was, quot;kwamen zijne discipelen tot hem.

2 En zijnen mond geopend hebbende leerde hij hen, zeggende:


-ocr page 1059-

MATTHEUS 5.

5

3 Zalig zyn de armen van geest; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

4 Zalig zijn die treuren; want zij zullen vertroost worden.

5 Zalig zijn de zachtmoedigen; want zij zullen het aardrijk beërven.

6 Zaiig zijn die hongeren en dorsten naar de gerechtigheid; want zij zullen verzadigd worden.

7 Zalig zijn de barmhartigen; want hun zal barmhartigheid geschieden.

8 Zalig zijn de reinen van hart; want zij zullen God zien.

9 Zalig zijn de vreedzamen; want zij zullen Gods kinderen genaamd worden.

10 Zalig zijn die vervolgd worden om der gerechtigheid wil; want hunner is het Koninkrijk der hemelen.

11 Zalig zijt gij als u de men-snhen smaden en vervolgen, en liegende alle kwaad tegen u spreken om mijnentwil.

12 Verblijdt en verheugt ?«, want uw loon is groot in de hemelen ; want alzóó hebben zij vervolgd de Profeten die vóór u gciveest zijn.

13 Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout smakeloos wordt, waarmede zal/?c?gezouten worden ? Het deugt nergens meer toe, dan om buiten geworpen en van de menschcn vertreden te worden.

14 Gij zijt het licht der wereld; eene stadquot; boven op eenen berg liggende kan niet verborgen zijn;

15 noch men steekt ceno kaars aan en zet die onder eene korenmaat , maar op eenen kandelaar, en zij schijnt allen die in het huis zijn.

16 Laat uw licht alzóó schijnen voor de menschen, dat zij uwe goede werken mogen zien, en uwen Vader die in de hemelen is verheerlijken.

17 Meent niet dat ik gekomen ben om de Wet of de Profeten te ontbinden; ik ben niet gekomen om die te ontbinden, maar te vervullen.

18 Want voorwaar zegge ik u, totdat de hemel en de aarde voorbijgaan, zal er niet ééne jota noch één tittel van de wet voorbijgaan, totdat het alles zal zijn geschied.

19 Zoo wie dan één van deze minste geboden zal ontbonden, en d3 menschen alzóó zal geleerd hebben, die zal de minste genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen ; maar zoo wie dezelve zal gedaan en geleerd hebben, die zal groot genaamd worden in het Koninkrijk der hemelen.

20 Want ik zegge u, tenzij uwe gerechtigheid overvloediger zij dan der Schriftgeleerden en der Fari-zeërs, dat gij in \'t Koninkrijk der hemelen geenszins zult ingaan.

21 Gij hebt gehoord dat tot de ouden quot;gezegd is: Gij zult niet dooden; maar zoo wie doodt, die zal strafbaar zijn door het gericht.

22 Doch ik zegge u, zoo wie ten onrechte op zijnen broeder toornig is, die zal strafbaar zijn door \'t gericht; en wie tot zijnen broeder zegt: Raka , die zal strafbaar zijn door den grooten Raad; maar wie zegt; Gij dwaas, die zal strafbaar zijn door het helsche vuur.

23 Zoo gij dan uwe gave zult op het altaar offeren, en aldaar gedachtig wordt dat uw broeder iets tegen u heeft,

24 laat daar uwe gave voor het altaar, en ga henen, verzoen u eerst met uwen broeder, en kom dan en offer uwe gave.

25 Wees haastelijk welgezind jegens uwe wederpartij , terwijl gij nog met hem op den weg zijt; opdat de wederpartij niet misschien u den rechter overlevere, en de rechter u den dienaar overlevere, en gij in de gevangenis geworpen wordt.

26 Voorwaar ik zegge u, gy zult daar geenszins uitkomen, totdat gij den laatsten penning zult betaald hebben.

27 Gij hebt gehoord dat van de ouden gezegd is: Gij zult geen overspel doen.

28 Maar ik zegge u, dat zoo wie eene vrouw aanziet om dezelve te begeeren, die heeft aireede overspel in zijn hart met haar gedaan.

29 Indien dan uw rechteroog u


-ocr page 1060-

6

ergert, trek liet uit en werp het van u; want het is u nut dat een uwer leden verga, en niet uw geheele lichaam in de hel geworpen worde. ,, , ,

30 En indien uwe rechterhand u ergert, houw ze af en werp ze van u; want het is u nut dat een uwer leden verga, en niet uw geheele lichaam in de hel geworpen worde.

31 Daar is ook gezegd: Zoo wie zijne vrouw verlaten zal, die geve haar eenen scheldbrief.

32 Maar ik zegge u, dat zoo wie zijne vrouw verlaten zal an-dors dan uit oorzaak van hoererij, die maakt dat zij overspel doet; en zoo wie do verlatene zal trouwen , die doet overspel.

33 Wederom hebt gij gehoord dat van de ouden gezegd is: Gij zult den eed niet hreken, maar gij zult den Heere uwe eeden houden.

34 Maar ik zegge u, zweer gan-schelijk niet; noch bij den hemel, omdat hij is do troon Gods;

35 noch bij de aarde, omdat zij is de voetbank zijner voeten; noch bij Jeruzalem, omdat zij is de stad des groeten Konings;

36 noch bij uw hoofd zult gij zweren, omdat gij niet één haar kunt wit of zwart maken.

37 Maar laat zijn uw woord ja, ja; neen, neen: wat boven deze is, dat is uit den booze.

38 Gij hebt gehoord dat gezegd is: Oog om oog en tand om tand.

39 Maar ik zegge u, dat gij den booze niet wederstaat; maar zoo wie u op de rechterwang slaat, keer hem ook de andere toe;

40 en zoo iemand met u rechten wil, en uwen rok nemen, laat hem ook den mantel;

41 en zoo wie u zal dwingen ééne mijl te gaan, ga met hem twee mijlen.

42 Geef dengenen die iets van u bidt, en keer u niet of van dengenen , die van u leenen wil.

43 Gij hebt gehoord dat er gezegd is: Gij zult uwen naaste liefhebben en uwen vijand zult gij haten.

44 Maar ik zegge u, hebt uwe

vijanden lief, zegent ze die u vervloeken , doet wol dengenen die

u haten, en bidt voor degenen die u

geweld doen , en die u vervolgen;

45 opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, die in de hemelen is; want hij doet zijne zon opgaan over boozen en goeden, en regent over rechtvaardigen en onrecht-vaardigen. „ , , ..

48 Want indien gij liefhebt die u liefhebben, wat loon hebt gij? Doen ook de tollenaars niet hetzelfde?

47 Kn indien gij uwe broeders alleen groet, wat doet gij boven anderen? Doen ook niet de tollenaars alzoo?

48 Weest dan gij heden volmaakt, gelijk uw Vader, die in de hemelen is, volmaakt is.

HOOFDSTUK 6.

Hebt acht dat gij uwe aalmoes niet doet voor do menschen, om van hen gezien te worden; anders hebt gij geen loon bij uwen Vader die in de hemelen is.

2 Wanneer gij dan aalmoes doet, zoo laat vóór u niet trompetten, gelijk de geveinsden in de Synagogen en op de straten doen, opdat ze quot;van de menschen geëerd mogen worden: voorwaar zegge ik u, zij hebben hun loon weg.

3 Maar als gij aalmoes doet, zoo laat uwe linker/iand niet welen wat uwe rechter doet,

4 opdat uwe aalmoes in \'t verborgen zij : en uw Vader die in

i\'tverborgen ziet, die zal het u in \'t openbaar vergelden.

5 En wanneer gij bidt, zoo zult gij niet zijn gelijk de geveinsden; want die plegen gaarne in de Synagogen en op de hoeken der straten staande te bidden, opdat zij van de menschen mogen gezien worden: voorwaar ik zegge u, dat zij hun loon weg hebben.

6 Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uwe binnenkamer, en uwe deur gesloten hebbende, bidt uwen Vader die in \'t verborgen is; en uw Vader, die in \'tverborgen ziet, zal \'t u in \'t openbaar vergelden.

7 En als gij bidt, zoo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden,

M ATTHEUS ö.


-ocr page 1061-

MATTHEUS G.

gelijk de heidenen; want zij mee-nen dat zij door hunne veelheid van woorden zullen verhoord worden.

8 Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet wat gij van noode hebt eer gij hem bidt.

9 Gij dan bidt aldus: Onze Vader, die in de hemelen zijt, uw naam worde geheiligd;

10 uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede gelijk in den hemel alzóó ook op de aarde;

11 geef ons heden ons dagelijksch brood;

12 en vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren ;

13 en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze; want uw is het Koninkrijk en de kracht en de heerlijkheid, in eeuwigheid. Amen.

14 Want indien gij den menschen hunne misdaden vergeeft, zoo zal uw hemelsche Vader ook u vergeven ;

15 maar indien gij den menschen hunne misdaden niet vergeeft, zoo zal ook uw Vader uwe misdaden niet vergeven.

16 En wanneer gij vast, toont geen droevig gezicht gelijk de geveinsden; want zij mismaken hunne aangezichten, opdat zij van de menschen mogen gezien worden als zij vasten. Voorwaar ik zegge u, dat zij hun loon weg hebben.

17 Maar gij, als gij vast, zalf uw hoofd en wasch uw aangezicht,

18 opdat het van de menschen niet gezien worde als gij vast, maar van uwen Vader die in \'t verborgen is; en uw Vader die in \'t verborgen ziet, zal \'t u in \'t openbaar vergelden.

19 Vergadert u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft, en waar de dieven doorgraven en stelen;

20 maar vergadert u schatten in den hemel, waar ze noch mot noch roest verderft, en waar de dieven niet doorgraven noch stelen.

21 Want waar uw schat is, daar zal ook uw harte zijn.

22 De kaars des lichaams is het oog; indien dan uw oog eenvoudig is, zoo zal uw geheele lichaam verlicht wezen;

23 maar indien uw oog boos is, zoo zal geheel uw lichaam duister zijn. Indien dan het licht, dat in u is, duisternis is, hoe groot zal de duisternis zelve zijnl

24 Niemand kan twee heeren dienen; want of hij zal den éénen haten en den anderen liefhebben, öf hij zal den éénen aanhangen en den anderen verachten. Gij kunt niet God dienen en den Mammon.

25 Daarom zegge ik u, zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten en wat gij drinken zult, noch voor uw lichaam, waarmede gij u kleeden zult; is het leven niet meer dan het voedsel, en het lichaam dan de kleeding?

26 Aanziet de vogelen des hemels, dat zij niet zaaien, noch maaien, noch verzamelen in de schuren, en uw hemelsche Vader voedt nogtans dezelve; gaat gij dezelve niet zeer veel te boven?

27 Wie toch van u kan met bezorgd te zijn ééne el tot zijne lengte toedoen?

28 En wat zijt gij bezorgd voor de kleeding? Aanmerkt de leliën des velds, hoe zij wassen; zij arbeiden niet en spinnen niet,

29 en ik zegge u, dat ook Salomo in al zijne heerlijkheid niet is bekleed geweest gelijk eene van deze.

30 Indien nu God het gras des velds, dat heden is, en morgen in den oven geworpen wordt, alzóó bekleedt, zal hij u niet veel meer kleeden, gij kleingeloovigen?

31 Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten, of wat zullen wij drinken, of waarmede zullen wij ons kleeden?

32 Want alle quot;deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelsche Vader weet dat gij alle deze dingen behoeft.

33 Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en zijne gerechtigheid, en alle deze dingen zullen u toegeworpen worden.

34 Zijt dan niet bezorgd tegen den morgen, want de morgen zal voor het zijne zorgen; elke dag-heeft genoeg aan zijn eigen kwaad.


-ocr page 1062-

MATTHEÜS 7.

HOOFDSTUK 7.

Oordeelt niet, opdat gij niet geoordeeld wordt. ..

2 Want met welk ooi deel gij

oordeelt, zult gö

den; en met welke maat gij meet, zal u wedergemeten worden.

3 En wat ziet gij den splinter die in bet oog uws broeders is , maar den balk die in uw oog is merkt gij niet? ,

4 Of hoe zult gij tot uwen broeder zeggen: Laat toe dat ik den splinter uit uw oog uitdoe; en zie, daar is een balk in uw oog.

5 Gii geveinsde, werp eerst den balk uit uw oog, en dan zult gy bezien om den splinter uit uws broeders oog uit te doen.

G Geeft het heilige den honden niet, noch werpt uwe paarlen voor de zwijnen; opdat zij niet te eeniger tijd dezelve met hunne voeten vertreden en zich omkeerende u verscheuren.

7 Bidt, en u zal gegeven wor-den; zoekt, en gij zult vinden;

klont, en u zal opengedaan worden.

8 Want een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal open-qedaan worden.

9 01\' wat mensch is er onder u, zoo ziin zoon hem zoude bidden om brood, die hem eenen steen zal geven,

10 en zoo hij hem om eenen visch zoude bidden, die hem eene slant? zal geven?

H Indien dan gij die boos zijt ■weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoe veel te meer zal uw Vader die ia de hemelen is goede cjaven geven dengenen die ze van \'hem bidden. ..

•12 Alle dingen dan, die gij wilt dat u de mensehen zouden doen, doet gij hun ook alzoo; want dat is de Wet en de Profeten.

•13 Gaat in door de enge poort; quot;want quot;wijd is de poort en breed is do weg die tot het verderf leidt, en velen zijn er die door dezelve ingaan; . ,

14 want de poort is eng en do weg is nauw die tot het leven leidt,

en weinigen zijn er die denzelven vinden.

15 Maar wacht m van de valsche Profeten , dewelke in schaapsklee-deren tot u komen, maar van binnen zijn ze grijpende wolven.

•16 Aan hunne vruehten zult gij ze kennen. Leest men ook eene druif van doornen, o£ vijgen van distelen?

17 Alzóo iedere goede boom brengt voort goede vruchten, en een kwade boom brengt voort kwade vruchten.

18 Een goede boom kan geen kwade vruchten voortbrengen, noch een kwade boom goede vruchten voortbrengen.

19 Iedere boom die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in \'t vuur geworpen.

20 Zoo zult gij dan dezelve aan hunne vruchten kennen.

21 Niet een iegelijk die tot mij zegt: Heere, Heere, zal ingaan in het Koninkrijk dor hemelen, maar die daar doet den wil mijns Vaders, die in de hemelen is.

22 Velen zulien te dien dago tot

mij zeggen: Heere, Heere, hebben wij niet in uwen naam geprofeteerd, en in uwen naam duivelen uitgeworpen, en in uwen naam vele krachten gedaan? i

23 En dan zal ik hun openlijk | aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van mij, gij die de ongerechtigheid werkt.

24 Een iegelijk dan die deze mijne woorden hoort, en dezelve doet, dien zal ik vergelijken bij een voorzichtig man, die zijn huis op eene steenrots gebouwd heeft;

25 en daar is slagregen neder-gevallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en de winden hebben gewaaid, en zijn tegen dat huis aangevallen; en het is niet gevallen ; want het was op de steenrots gegrond. . ,

20 En een iegelijk die deze mijne woorden hoort, en dezelve niet doet, die zal bij eenen dwazen man vergeleken worden, die zijn huis op het zand gebouwd heelt;

27 en de slagregen is nederge-vallen, en de waterstroomen zijn gekomen, en do winden hebben


-ocr page 1063-

MATTHEUS 8.

gewaaid, en zijn tegen dat huis aangeslagen; en het is gevallen, en zijn val was groot.

28 En het is geschied als Jezus deze woorden geëindigd had, dat de scharen zich ontzetteden over zijne leer;

29 want hij leerde hen als machthebbende , en niet als de Schriftgeleerden.

HOOFDSTUK 8.

Toen hij nu van den berg afgeklommen was, zijn hem vele scharen gevolgd.

2 En zie, een melaatsche kwam en aanbad hem, zeggende: Heere, indien gij wilt, gij kunt mij reinigen.

3 En Jezus de hand uitstrekkende heeft hem aangeraakt, zeg-

fende: Ik wil, word gereinigd. In terstond werdende: Ik wil, word gereinigd. In terstond werd hij van zijne melaatschheid gereinigd.

4 En Jezus zeide tot hem: Zie dat gij dit niemand zegt; maar ga henen, toon uzelven den Priester, en olïer de gave die Mozes geboden heeft, hun tot eene getuigenis.

5 Als nu Jezus te Kapernaüm ingegaan was, kwam tot hem een hoofdman over honderd, biddende hem,

6 en zeggende: Heere, mijn knecht ligt te huis geraakt, en lijdt zware pijnen.

7 En Jezus zeide tot hem: Ik zal komen en hem genezen.

8 En de hoofdman over honderd antwoordende zeide: Heere, ik ben niet waardig dat gij onder mijn dak zoudt inkomen, maar spreek alleenlijk een woord, en mijn knecht zal genezen worden.

9 Want ik ben óók een mensch onder de macht van anderen, hebbende onder mij krijgsknechten, en ik zeg tot dezen: Ga, en hij gaat; en tot den anderen: Kom,

ijnejen hij komt; en tot mijnen dienst-nietjknecht: Doe dat, en hij doet het. izenj io Jezus nu dit hoorende, heeft zijn!zich verwonderd, en zeide tot deelt ;5 genen die hem volgden: Voorwaar rge-jzegge ik u , ik heb zelfs in Israël zijnjzoo groot geloof niet gevonden. iben| li Doch ik zegge u, dat velen zullen komen van Oosten en Wes-:en, en zullen met Abraham en /saak en Jakob aanzitten in het Koninkrijk der hemelen;

12 en de kinderen des Koninkrijks zullen uitgeworpen worden in de buitenste duisternis; aldaar zal weening zijn en knersing der tanden.

13 En Jezus zeide tot den hoofdman over honderd: Ga henen, en u geschiede gelijk gij geloofd hebt. En zijn knecht is gezond geworden tè dierzelfder ure.

14 En Jezus gekomen zijnde in het huis van Petrus, zag zijne vrouws moeder te bed liggen, hebbende de koorts.

15 En hij raakte hare hand aan, en de koorts verliet haar; en zij stond op en diende hen.

16 En als het laat geworden was, hebben zij velen, van den duivel bezeten, tot hem gebracht, en hij wierp de booze geesten uit met het woord, en hij genas allen die kwalijk gesteld waren;

17 opdat vervuld zoude worde-wat gesproken was door Jesaja den Profeet, zeggende: Hij heeft onze krankheden op zich genomen en onze ziekten gedragen.

18 En Jezus vele scharen rondom zich ziende, beval aan de andere zijde over te varen.

19 En daar kwam een zeker Schriftgeleerde tot hem, en zeide tot hem: Meester, ik zal u volgen waar gij ook henengaat.

20 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet waar hij het hoofd nedeiiegge. .

21 En een ander uit zijne discipelen zeide tot hem: Heere, laat mij toe dat ik eerst henenga en mijnen vader begrave.

22 Doch Jezus zeide tot hem: Volg mij, en laat de dooden hunne dood\'en begraven.

23 En als hij in \'t schip gegaan was, zijn hem zijne discipelen gevolgd.

24 En zie, daar ontstond een groote onstuimigheid in de zee, alzoo dat het schip van de golven bedekt werd; doch hij sliep.


-ocr page 1064-

10

25 En zijne discipelen bij hem komende, hebben hem opgewekt, zeggende: Heere, behoed ons, ■wij vergaan.

26 En hij zeide tot hen: Wat zijt gij vreesachtig, gij kleinge-loovigen? Toen stond hij op en bestrafte de winden en de zee, en daar werd groote stilte.

27 En de menschen verwonderden zich, zeggende: Hoedanig een is deze, dat ook de winden en de zee hem gehoorzaam zijn!

28 En als hij aan dé overzijde was gekomen in het land der Ger-gesénen, zijn hem twee, van den duivel bezeten, ontmoet, komende uit de graven, die zeer wreed waren, alzoo dat niemand door dien weg kon voorbijgaan.

29 En zie, zij riepen, zeggende: Jezus, gij Zone Gods, wat hebben wij met u te doen\'? Zijt gij hier gekomen om ons te pijnigen vóór den tijd?

30 Èn verre van hen was een kudde veler zwijnen weidende;

31 en de duivelen baden hem, zeggende: Indien gij ons uitwerpt. laat ons toe dat wij in die kudde zwijnen varen.

32 En hij zeide tot hen: Gaat henen. En zij uitgaande voeren henen in de kudde zwijnen; en zie, de geheele kudde zwijnen stortte van de steilte af in de zee, en zij stierven in \'t water.

33 En die ze weidden zijn gevlucht ; en als zij in de stad gekomen waren, boodschapten zij alle deze dingen, en wat den bezetenen geschied was.

34 En zie, de geheele stad ging uit, Jezus tegemoet; en als zij hem zagen, baden zij dat hij uit hunne landpalen wilde vertrekken.

HOOFDSTUK 9.

En in het schip gegaan zijnde, voer hij over en kwam in zijne stad. Én zie, zij brachten tot hem eenen geraakte, op een bed liggende.

2 En Jezus hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, wees welgemoed, uwe zonden zijn u vergeven.

3 En zie, sommigen der Schriftgeleerden zeiden in zichzelven: Deze lastert God.

4 En Jezus ziende hunne gedachten, zeide: Waarom overdenkt gij kwaad in uwe harten?

5 Want wat is lichter, te zeggen: De zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta quot;op en wandel?

6 Doch opdat gij moogt weten, dat de Zoon des menschen macht heeft op de aarde de zonden te vergeven (toen zeide hij tot den geraakte): Sta op, neem uw bed op, en ga henen naar uw huis.

7 En hij opgestaan zijnde, ging henen naar zijn huis.

8 De scharen nu dat ziende, hebben zich verwonderd, en God verheerlijkt , die zoodanige macht den menschen gegeven had.

9 En Jezus van daar voortgaande, zag eenen mensch in het tolhuis zitten , genaamd Mattheüs, en zeide tot hem: Volg mij. En hij opstaande volgde hem.

10 En het geschiedde als hij in het huis van Mattheüs aanzat, zie, vele tollenaars en zondaars kwamen en zaten mede aan met Jezus en zijne discipelen.

11 En de Farizeërs dat ziende, zeiden tot zijne discipelen: Waarom eet uw Meester met de tollenaren en zondaren?

12 Maar Jezus zulks hoerende, zeide tot hen: Die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn.

13 Doch gaat henen en leert wat het zij : Ik wil barmhartigheid, en niet offerande; want ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekeering.

14 Toen kwamen de discipelen van Johannes tot hem, zeggende: Waarom vaste.i wij en de Farizeërs veel, en uwe discipelen vasten niet?

15 En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen treuren zoolarg de bruidegom bij hen is? Maar de dagen zullen komen wanneer de bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en dan zullen zij vasten.

16 Ook zet niemand eenen lap

MAT THE US 9.


-ocr page 1065-

MAT THE ÜS 10.

11

ongevold laken op een oud kleed; want deszelfs aangezette lap scheurt af van het kleed, en er wordt eene ergere scheur.

17 En men doet geenen nieuwen wijn in oude lederen zakken; anders bersten de lederen zakken, en de wijn wordt uitgestort, en de lederen zakken verderven; maar men doet nieuwen wijn in nieuwe lederen zakken, en beide te zamen worden behouden.

18 Als hij deze dingen tot hen sprak, zie, een overste kwam en aanbad hem, zeggende: Mijne dochter is nu terstond gestorven, doch kom en leg uwe hand op haar, en zij zal leven.

19 En Jezus opgestaan zijnde, volgde hem, en zijne discipelen.

20 (En zie, eene vrouw die twaalf jaren het bloedvloeien gehad had, komende tot hem van achteren, raakte den zoom zijns kleeds aan;

21 want zij zeide in zich zelve: Indien ik alleenlijk zijn kleed aanraak , zoo zal ik gezond worden.

22 En Jezus zich omkeerende en haar ziende, zeide: Wees welgemoed, dochter; uw geloof heeft u behouden. En de vrouw werd gezond van die ure af.)

23 En als Jezus in het huis des oversten kwam, en zag de pijpers en de woelende schare,

24 zeide hij tot hen: Vertrekt; want het dochterken is niet dood, maar slaapt. En zii belachten hem.

25 Als nu de schare uitgedreven was, ging hij in, en greep hare hand; en het dochterken stond op.

26 En dit gerucht ging uit door dat geheele land.

27 En als Jezus van daar voortging, zijn hem twee blinden gevolgd , roepende en zeggende: Gij Zone Davids, ontferm u onzer.

28 En als hij in huis gekomen was, kwamen de blinden tot hem, en Jezus zeide tot hen: Gelooft gij dat ik dat doen kan? Zij zeiden tot hem: Ja, Heere.

29 Toen raakte hij -hunne oogen aan, zeggende: U geschiede naar uw geloof.

30 En hunne oogen zijn geopend geworden. En Jezus heeft hun zeer strengelijk verboden, zeggende : Ziet dat het niemand wete.

31 Maar zij uitgegaan zijnde, hebben hem ruchtbaar gemaakt door dat geheele land.

32 Als dezen nu uitgingen, zie, zoo brachten zij tot hem eenen mensch die stom en van den duivel bezeten was.

33 En als de duivel uitgeworpen was, sprak de stomme. En de scharen verwonderden zich, zeggende: Daar is nooit desgelijks in Israël gezien.

34 Maar de Farizeërs zeiden: Hij werpt de duivelen uit door den overste der duivelen.

35 En Jezus omging alle de steden en vlekken, leerende in hunne Synagogen, en predikende het Evangelie des Koninkrijks, en genezende alle ziekten en alle kwalen onder het volk.

36 En hij de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat ze vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen die geenen herder hebben.

37 Toen zeide hij tot zijne discipelen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige;

38 bidt dan den Heere des oog-stes, dat hij arbeiders in zijnen oogst uitstoote.

HOOFDSTUK 10.

En zijne twaalf discipelen tot zich geroepen hebbende, heeft hij hun macht gegeven over de onreine geesten, om dezelve uit te werpen, en om alle ziekte en alle kwale te genezen.

2 De namen nu der twaalf Apostelen zijn deze: de eerste, Simon gezegd Petrus, en Andréas zijn broeder, Jacobus de zoon van Zebedeüs, en Johannes ziin broeder;

3 Filippus en Bartholomeiis, Thomas en Mattheüs de tollenaar, Jacobus de zoon van Alfeüs, en Lebbeüs toegenaamd Thaddeüs;

4 Simon Kananites, en Judas Iskariot, die hem ook verraden heeft.

5 Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden , en hun bevel gegeven, zeggende: Gij zult niet henengaan


-ocr page 1066-

12

op den weg der heidenen, en £y zult niet ingaan in eemge stad der Samaritanen;

6 maar gaat veel meer henen tot de verlorene schapen van nei huis Israëls.

7 En henengaande predikt, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. . . .

8 Geneest de kranken, icini0t de melaatschen, wekt de dooden

werpt de duivelen uit. (jij , ------gt; geelt

pp.

hebt het om niet ontvangen het om niet.

9 Verkrijgt u noch goud noch zilver noch kopergreid in uwe gordels,

10 noch male tot den weg , noch twee rokken, noch schoenen, noch staf; want de arbeider is zijn voedsel waardig.

11 En in wat stad of vlek gij zult inkomen, onderzoekt wie daarin waardig is; en blijft aldaar totdat gij daar uitgaat.

12 En als gij in het huis gaat, zoo groet hetzelve.

13 En indien het huis waardig is, zoo kome uw vrede over hetzelve ; maar indien het niet waardig is, zoo keere uw vrede weder tot u. , • * i

14 En zoo iemand u niet zal ontvangen, noch uwe woorden hooren, uitgaande uit dat huis ot uit die stad schudt liet stol uwer voeten af. i * i

15 Voorwaar zegge ik u, het zal den lande van Sodom én Gomorra verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan die stad.

16 Zie, ik zend u als schapen in \'t midden der wolven: zijt dan voorzichtig gelijk de slangen, en oprecht gelijk de duiven.

17 Maar wacht u voor de men-schen; want zij zullen u overleveren in de ran dsvergaderingen, en in hunne Synagogen zullen zij u geeselen;

18 en gij zult ook voor Stadhouders en Koningen geleid worden om mijnentwil, hun en den heidenen tot getuigenis.

19 Doch wanneer zij u overleveren , zoo zult gij niet bezorgd zijn, hoe of wat gij spreken zult; want het zal u in die ure gegeven wor den, wat gij spreken zult;

MATTHEUS 10.

20 want gij zijt het niet die spreekt, maar het is de Geest uws Vaders die in u spreekt.

21 En de ééne broeder zal den anderen broeder overleveren tot den dood, en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen ze dooden.

22 En gij zult van allen gehaat worden om mijnen naam; maar wie volstandig zal blijven tot den einde, die zal zalig worden.

23 Wanneer zij u dan in deze stad vervolgen, vliedt in de andere; want voorwaar zegge ik u, gij zult uwe reis door de steden Israëls niet geëindigd hebben, of de Zoon des menschen zal gekomen zijn.

24 De discipel is niet boven den meester, noch de dienstknecht boven zijnen heer.

25 Het zij den discipel genoeg dat hij worde gelijk zijn meester, en de dienstknecht gelijk zijn heer. Indien zij den heer des huizes Beëlzebul hebben geheeten, hoe veel te meer zijne huisgenooten.

2(3 Vreest dan hen niet; want daar is niets bedekt \'t welk niet zal ontdekt wordsn, en verborgen \'t welk niet zal geweten worden.

27 Hetgeen ik a zegge in de duisternis, zegt het in \'tlicht: en \'t geen gij hoort in het oor, predikt dat op de daken.

28 En vreest niet voor degenen die het lichaam dooden, en de ziel niet kunnen dooden; maar vreest veel meer hem die beide ziel en lichaam kan verderven in de hel.

29 Worden niet twee muschkens om een penningsken verkocht? En niet één van dezen zal op de aarde vallen zonder uwen Vader.

30 En ook uwe haren des hoofds zijn alle geteld.

31 Vreest dan niet: gij gaat vele muschkens te boven.

32 Een iegelijk dan die mij belijden zal voor de menschen, dien zal ik ook belijden voor mijnen Vader die in de hemelen is;

33 maar zoo wie mij verloochend zal hebben voor de menschen, dien zal ik ook verloochenen voor mijnen Vader die in de hemelen is.

-ocr page 1067-

34 Meent niet dat ik gekomen ben om vrede te brengen op de aarde; ik ben niet gekomen om vrede te brengen, maar het zwaard.

35 Want ik ben gekomen om den mensch tweedrachtig te maken tegen zijnen vader, en de dochter tegen hare moeder, en de schoondochter tegen hare schoonmoeder;

36 en zij zullen des menschen vijanden worden, die zijne huis-genooten zijn.

37 Die vader of moeder liefheeft boven mij, is mijns niet waardig; en die zoon of dochter liefheeft boven mij , is mijns niet waardig;

38 en die zijn kruis niet op zich neemt en mij navolgt, is mijns niet waardig.

39 Die zijne ziel vindt, zal dezelve verliezen; en die zijne ziel zal verloren hebben om mijnentwille, zal dezelve vinden.

40 Die u ontvangt, ontvangt mij; en die mij ontvangt, ontvangt hem die mij gezonden heeft.

41 Die een Profeet ontvangt in den naam eens Profeten, zal het loon eens Profeten ontvangen; en die eenen rechtvaardige ontvangt in den naam eens rechtvaardigen, zal het loon eens rechtvaardigen ontvangen.

42 En zoo wie één van deze kleinen te drinken geeft alleenlijk eenen beker koud water, in dén naam eens discipels, voorwaar zegge ik u, hij zal zijnen loon geenszins verliezen.

HOOFDSTUK 11.

En het is geschied toen Jezus geëindigd had zijnen twaalf discipelen bevelen te geven, dat hij van daar voortging , om te leeren en te prediken in hunne steden.

2 En Johannes in de gevangenis gehoord hebbende de werken van Christus zond twee van zijne discipelen ,

3 en zeide t:.t hem: Zijt gij degene die komen zoude, of verwachten wij eenen anderen?

4 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat henen en boodschapt Johannes weder hetgeen gij hoort en ziet:

13

5 De blinden worden ziende en de kreupelen wandelen, de melaat-schen worden gereinigd en de dooven hooren, de dooden worden opgewekt en den armen wordt het Evangelie verkondigd;

6 en zalig is hij ^ie aan mij niet zal geërgerd worden.

7 Als nu dezen henengingen, heeft Jezus tot de scharen begonnen te zeggen van Johannes: Wat zijt gij uitgegaan in do woestijn te aanschouwen? Een riet dat van den wind ginds en weder bewogen wordt?

8 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een • mensch met zachte kleederen bekleed? Zie, die zachte kleederen dragen zijn in der Koningen huizen.

9 Maar wat zijt gij uitgegaan te zien? Een Profeet? Ja, ik zegge u, ook veel meer dan een Profeet.

10 Want deze is het van denwelken geschreven staat: Zie, ik zend mijnen Engel voor uw aangezicht, die uwen weg bereiden zal voor u henen.

11 Voorwaar zegge ik u, onder degenen die van vrouwen geboren zijn is niemand opgestaan meerder dan Johannes de Dooper; doch die de minste is in het Koninkrijk der hemelen, is meerder dan hij.

12 En van de dagen van Johannes den Dooper tot nu toe wordt het Koninkrijk der hemelen geweld aangedaan, en de gewel-digers nemen hetzelve met geweld.

13 Want alle de Profeten en de Wet hebben tot Johannes toe geprofeteerd.

14 En zoo gij het wilt aannemen, hij is Eh\'a die komen zoude.

15 Wie ooren heeft om te hooren, die hoore.

16 Doch waarbij zal ik dit geslacht vergelijken? Het is gelijk de kinderkens die op de markten zitten en hunnen gezellen toeroepen ,

17 en zeggen: Wij hebben u op de fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen en gij hebt niet geweend.

18 Want Johannes is gekomen

MAT THE US 11.


-ocr page 1068-

14

MATTHEÜS 12.

noch etende noch drinkende, en zij zeggen: Hij heeft den duivel.

19 De Zoon des menschen is ffekomen etende en drinkende, en zij zeggen: Ziedaar een mensch die een vraat en wijnzuiper is, een vriend van tollenaren en zondaren. Doch de wijsheid is gerechtvaardigd geworden van hare

1\'20eToe\'n begon hij de steden in dewelke zijne krachten meest geschied waren, te verwijten, omdat ze zich niet bekeerd hadden.

21 Wee u Chorazin, wee uBeth-saïda! Want zoo in Tyrus en Sidon de krachten waren geschied die in u geschied zijn, zij zouden zich eertiids in zak en asch bekeerd hebben. rp„_„0

22 Doch ik zegge u, het zal Tyi us en Sidon verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan ulieden.

23 En gij Kapernaüm, dat tot den hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de helle toe nedergestoo-ten worden; want zoo in bodom die krachten waren geschied die in u geschied zijn, het zoude tot op den huidigen dag gebleven zijn.

24 Doch ik zegge u, dat het den lande van Sodom verdragelijker zal zijn in den dag des oordeels dan u. _ _

25 In dien tijd antwoordde Jezus en zeide: Ik dank u Vader, Heere des hemels en der aarde, dat gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard ;

26 ja, Vader, want alzóó is geweest het welbehagen voor u.

27 Alle dingen zijn mij overgegeven van mijnen Vader; en niemand kent den Zoon dan de Vader, noch iemand kent den Vader dan de Zoon, en dien het de Zoon wil openbaren.

28 Komt herwaarts tot mij, allen die vermoeid en belast zijt, en ik zal u ruste geven.

29 Neemt mijn juk op u, en leert van mij dat ik zachtmoedig ben en nederig van hart; en gij zult ruste vinden voor uwe zielen.

30 Want mijn juk is zacht en mijn last is licht.

HOOFDSTUK 12.

In dien tijd gin*; Jezus op eenen sabbatdag door het gezaaide, en zijne discipelen hadden honger, eh begonnen aren te plukken en te eten.

2 En de Farizeërs dat ziende, zeiden tot hem; Zie, uwe discipelen doen wat niet geoorloofd is te doen op den sabbat.

3 Maar hij zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen wat David gedaan heeft, toen hem hongerde en hun die met hem warenquot;!

4 hoe hij gegaan is in het Huis Gods, en \'de toonbrooden gegeten heeft, die \'t hem niet geoorloofd was te eten, noch ook hun die met hem waren, maar denPries-teren alleen?

5 Of hebt gij niet gelezen in de wet, dat de Priesters den sabbat ontheiligen in den Tempel op de sabbatdagen, en noytans onschuldig zijn?

ü En ik zegge u, dat een, meerder dan de Tempel, hier is.

7 Doch zoo gij geweten hadt wat het zij: ik wil barmhartigheid , en niet offerande, gij zoudt de onschuldigen niet veroordeeld hebben.

8 Want de Zoon des menschen is een Heer ook van den sabbat.

9 En van daarvoortgaande kwam hij in hunne Synagoge.

10 En zie, daar was een mensch die een dorre hand had; ca zij vraagden hem, zeggende: Is \'took geoorloofd op de sabbatdagen te genezen? (opdat zij hem mochten beschuldigen.)

11 En hij zeide tot hen: Wat mensch zal er onder u zijn, die één schaap heeft, en zoo dat op eenen sabbatdag in een gracht valt, die hetzelve niet zal aangrijpen en uitheffen?

12 Hoe veel gaat nu een mensch een schaap te boven ! Zoo is het dan op de sabbatdagen geoorloofd wel te doen.

13 Toen zeide hij tot dien mensch: Strek uwe hand uit; en hij strekte ze uit, en zij werd hersteld gezond gelijk de andere.

14 En de Farizeërs uitgegaan


-ocr page 1069-

MATTHEUS 12.

15

zijnde, hielden te zamen raad tegen hem, hoe zij hem dooden mochten.

15 Maar Jezus dat wetende, vertrok van daar, en vele scharen volgden hem; en hij genas ze allen,

16 en gebood hun scherpelijk dat zij hem niet openbaar maken zouden;

17 opdat vervuld zoude worden hetgeen gesproken is door Jesaja den Profeet, zeggende:

18 Zie, mijn knecht welken ik verkoren heb, mijn beminde in welken mijne ziel èen welbehagen heeft; ik zal mijnen Geest op hem leggen, en hij zal het oordeel den heidenen verkondigen.

19 Hij zal niet twisten noch roepen, en daar zal niemand zijne stemme op de straten hooren.

20 Het gekrookte riet zal hij niet verbreken, en de rookende vlaswiek zal hij niet uitblusschen, totdat hij het oordeel zal uitbrengen tot overwinning.

21 En in zijnen naam zullen de heidenen hopen.

22 Toen werd tot hem gebracht een van den duivel bezeten, die blind en stom was; en hij genas hem, alzoo dat de blinde en stomme beide sprak en zag.

23 En alle de scharen ontzette-den zich, en zeiden: Is niet deze de Zoon Davids?

24 Maar de Farizeërs dit gehoord hebbende, zeiden: Deze werpt de duivelen niet uit dan door Beëlze-bul den overste der duivelen.

25 Doch Jezus kennende hunne gedachten, zeide tot hen: Een ieder koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een iedere stad of huis dat tegen zichzelf verdeeld is, zal niet bestaan;

26 en indien de satan den satan uitwerpt, zoo is hij tegen zich-zelven verdeeld: hoe zal dan zijn rijk bestaan?

27 En indien ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze dan uwe zonen uit? Daarom zullen die uwe rechters zijn.

28 Maar indien ik door den Geest Gods de duivelen uitwerp, zoo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.

29 Of hoe kan iemand in \'t huis eens sterken inkomen en zijne vaten ontrooven, tenzij hij eerst den sterke gebonden hebbe? en alsdan zal hij zijn huis berooven.

30 Wie met mij niet is, die is tégen mij; en wie met mij niet vergadert, die verstrooit.

31 Daarom zegge ik u, alle zonde en lastering zal den menschen vergeven worden, maar de lastering tegen den Geest zai den menschen niet vergeven worden.

32 En zoo wie eenig woord gesproken zal hebben tegen den Zoon des menschen, het zal hem vergeven worden; maar zoo wie tegen den Heiligen Geest zal gesproken hebben, het zal hem niet vergeven worden, noch in deze eeuw noch in de toekomende.

33 Of maakt den boom goed en zijne vrucht goed, of maakt den boom kwaad en zijne vrucht kwaad; want uit de vrucht wordt de boom gekend.

34 Gij adderengebroedsels, hoe kunt gij goede dingen spreken daar gij boos zijt? Want uit den overvloed des quot;harten spreekt de mond.

35 De goede mensch brengt goede dingen voort uit den goeden schat des harten, en de booze mensch brengt booze dingen voort uit den boozen schat.

36 Maar ik zegge u , dat van elk ij del woord \'t welk de menschen zullen gesproken hebben, zij van hetzelve zullen rekenschap geven in den dag des oordeels.

37 Want uit uwe woorden zult gij gerechtvaardigd worden, en uit uwe woorden zult gij veroordeeld worden.

38 Toen antwoordden sommigen * der Schriftgeleerden en Farizeërs, zeggende: Meester, wij wilden van u tuel een teeken zien.

ó9 Maar hij antwoordde en zeide tot hen: Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teeken, en hun zal geen teeken gegeven worden dan het teeken van Jona den Profeet.

40 Want gelijk Jona drie dagen


-ocr page 1070-

16

en drie nachten was in den buik van den walvisch, alzóó zal de Zoon des menschen drie dagenen drie nachten wezen in het hart der aarde.

41 De mannen van Ninevc zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen \'t zelve ver-oordeelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona — en zie, meer dan Jona is hier.

42 De Koningin van \'t Zuiden zal opstaan in liet oordeel met dit geslacht, en \'tzelveveroordeelen; want zij is gekomen van de einden der aarde om te hooren de wijsheid van Salomo — en zie, meer dan Salomo is hier.

43 En wanneer de onreine geest van den mensch uitgegaan is, zoo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en vindt ze niet.

44 Dan zegt hij : Ik zal weder-keeren in mijn huis van waar ik uitgegaan ben; en komende vindt hij het ledig, met bezemen gekeerd en versierd.

45 Dan gaat hij henen en neemt met zich zeven andere geesten, boozer dan hij zelf, en ingegaan zijnde wonen ze aldaar; en het laatste van dien mensch wordt erger dan het eerste. Alzóó zal het ook met dit boos geslachte zijn.

46 En als hij nog tot de scharen sprak, zie, zijne moeder en broeders stonden buiten, zoekende hem te spreken.

47 En iemand zeide tot hem: Zie, uwe moeder en uwe broeders staan daar buiten, zoekende u te spreken.

48 Maar hij antwoordende zeide tot dengenen die hem dat zeide: Wie is mijne moeder en wie zijn mijne broeders?

49 En zijne hand uitstrekkende over zijne discipelen, zeide hij : Zie, mijne moeder en mijne broeders.

50 Want zoo wie den wil mijns Vaders doet die in de hemelen is, die is mijn broeder en zuster en moeder.

HOOFDSTUK 13.

En te dien dage Jezus uit het huis gegaan zijnde, zat bij de zee;

2 en tot hem vergaderden vele scharen, zoodat hij in een schip ging en nederzat; en al de schare stond op den oever.

3 En hij sprak tot hen vele dingen door gelijkenissen, zeggende : Zie, een zaaier ging uit om te zaaien.

4 En als hij zaaide, viel een deel van het zaad by den weg; en de vogelen kwamen en aten datzelve op.

5 En een ander deel viel op steenachtige plaatsen, waar het niet veel aarde had; en het ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had;

G maar als de zon opgegaan was, zoo is het verbrand geworden, en omdat het geen wortel had is het verdord.

7 En een ander deel viel in de doornen, en de doornen wiessen op en verstikten hetzelve.

8 En een ander deel viel in de goede aarde , en gaf vrucht, het één honderd-, hst ander zestig-, en het ander derli^voitrf.

9 Wie ooren heelt om te hooren, die hoore.

10 En de discipelen tot hem komende, zeiden tot hem: Waarom spreekt gij tot hen door gelijkenissen?

11 En hij antwoordende zeide tot hen: Ómdat het ü gegeven is, de verborgenheden van het Koninkrijk der hemelen te weten, maar dien is het niet gegeven.

12 Want wie heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal over-vloediglijk hebben; maar wie niet heeft, van dien zal genomen worden ook dat hij quot;neeft.

13 Daarom spreek ik tot hen door gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien , en hoerende niet hooren noch ook verstaan.

14 En in hen wordt de Profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij hooren en geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en geenszins bemerken.

15 Want het hart dezes volks is dik geworden, en zij hebben met de ooren zwaarlijk gehoord,

MATTHEUS 13.


-ocr page 1071-

MATTHEUS 13.

17

en hunne oogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te \'eeniger tijd met de oogen zouden zien, en met de ooren hooren, en met het hart verstaan, en zich bekee-ren, en ik hen geneze.

16 Doch uwe oogen zijn zalig omdat zij zien, en üwc ooren omdat zij hooren.

17 Want voorwaar ik zegge u, dat vele Profeten en rechtvaardigen hebben begeerd te zien dc dingen die gij ziet, en hebben zc niet gezien, en te hooren do dingen die gij hoort, en hebben ze niet gehoord.

18 Gij dan, hoort dc gelijkenis van den zaaier.

19 Als iemand het Woord des Koninkrijks hoort en niet verstaat, zoo komt de booze en rukt weg \'tgeen in zijn hart gezaaid was; deze is degene die bij den weg bezaaid is.

20 Maar die in steenachtige ■plaatsen bezaaid is, deze is degene die het woord hoort, en dat terstond met vreugde ontvangt;

21 doch hij heeft geen wortel in zichzelven, maar is voor eenen tijd; en als verdrukking of vervolging komt om des woords wille, zoo wordt hij terstond geërgerd.

22 En die in de doornen bezaaid is, deze is degene die het woord hoort, en de zorgvuldigheid dezer wereld en de verleiding des rijk-doms verstikt het woord, en het wordt onvruchtbaar.

23 Die nu in de goede aarde bezaaid is, deze is degene, die het woord hoort en verstaat, die ook vrucht draagt en voortbrengt, de éun honderd-, dc ander zes-tig-, en de ander dertigvoud.

24 Eene andere gelijkenis heeft hij hun voorgesteld , zeggende : Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een mensch die goed zaad zaaide in zijnen akker;

25 en als de menschen sliepen, kwam zijn vijand en zaaide onkruid midden in de tarwe, en ging weg.

26 Toen het nu tot kruid opgeschoten was en vrucht voortbracht, toen openbaarde zich ook het onkruid.

27 En de dienstknechten van den heer des huizes gingen en zelden tot hem: Heere, hebt gij niet goed zaad in uwen akker gezaaid? Van waar heeft hij dan dit onkruid?

28 En hij zeide tot hen: Een vijandig mensch heeft dat gedaan. En de dienstknechten zeiden tot hem: Wilt gij dan dat wij henengaan en datzelve vergaderen?

29 Maar hij zeide: Neen, opdat gij het onkruid vergaderende, ook mogelijk met hetzelve de tarwe niet uittrekt.

30 Laat ze beide te zamen opwassen tot den oogst, en in den tijd des oogstes zal ik tot de maaiers zeggen: Vergadert eerst het onkruid en bindt het in busselen, om hetzelve te verbranden; maar brengt de tarwe te zamen in mijne schuur.

31 Eene andere gelijkenis heeft hij hun voorgesteld, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk het mostaardzaad, \'t welk een mensch heeft genomen en in zynen akker gezaaid;

82 hetwelk wel het minste is onder alle de zaden, maar wanneer het opgewassen is, dan is het het meeste van de moeskruiden, en het wordt een boom, alzoo dat de vogelen des hemels komen en nestelen in zijne takken.

33 Eene andere gelijkenis sprak hij tot hen. zeggende: Het Koninkrijk der hemeiên is gelijk een zuur-deesem, welken eene vrouw nam en verborg in drie maten meel, totdat het geheel gezuurd was.

34 Alle deze dingen heeft Jezus tot de scharen gesproken door gelijkenissen, en zonder gelijkenis sprak hij tot hen niet;

35 opdat vervuld zoude worden dat gesproken is door den Profeet , zeggende: Ik zal mijnen mond opendoen door gelijkenissen, ik zal voortbrengen dingen die verborgen waren van de grondlegging der wereld.

36 Toen nu Jezus de scharen van zich gelaten had, ging hij naar huis. En zijne discipelen kwamen tot hem, zeggende: Verklaar ons de gelijkenis van het onkruid des akkers.


-ocr page 1072-

18

37 En hij antwoordende zeide tot hen ; Die het goede zaad zaait, is de Zoon des menschen;

38 en de akker is de wereld; en het goede zaad zijn de kinderen des Koninklijks; en het onkruid zijn de kinderen des boozen ;

39 en de vijand die hetzelve gezaaid heeft, is de duivel; en de oogst is de voleinding der wereld; en de maaiers zijn de Engelen.

40 Gelijkerwijs dan het onkruid vergaderd en met vuur verbrand wordt, alzóó zal het ook zijn in de voleinding dezer wereld:

41 de Zoon des menschen zal zijne Engelen uitzenden, en zij zullen uit zijn Koninkrijk vergaderen alle de ergernissen, en degenen die de ongerechtigheid doen,

42 en zullen dezelve in den vurigen oven werpen: daar zal weening zijn en knersing der tanden.

43 Dan zullen de rechtvaardigen blinken gelijk de zon in \'t Koninkrijk huns Vaders. Die ooren heeft om te hooren, die hoore.

44 Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk een schat in den akker verborgen, welken een mensch gevonden hebbende, verborg dien, en van blijdschap over denzelven gaat hij henen en verkoopt al wat hij heeft, en koopt dien akker.

45 Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk een koopman die schoone parelen zoekt;

46 dewelke hebbende ééne parel van groote waarde gevonden, ging henen en verkocht al wat hij had, en kocht dezelve.

47 Wederom is het Koninkrijk der hemelen gelijk een net geworpen in de zee, en dat allerlei soorten t;rtgt;mssc/zegt;2 samenbrengt;

48 hetwelk de oisschers, wanneer het vol geworden is, aan den oever optrekken, en nederzittende lezen zij het goede uit in hunne vaten, maar het kwade wei-pen zij weg.

49 Alzóó zal het in de voleinding der eeuwen wezen: de Engelen zullen uitgaan en de boozen uit het midden der rechtvaardigen afscheiden,

50 en zullen dezelve in den vurigen oven werpen: ddar zal zijn weening en knersing der tanden.

51 En Jezus zeide tot hen: Hebt gij dit alles verstaan ? Zij zeiden tot hem : Ja , Heere.

52 En hij zeide tot hen: Daarom een iegelijk Schriftgeleerde in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk een heer des huizes, die uit zijnen schat nieuwe en oude dingen voortbrengt.

53 En het is geschied als Jezus deze gelijkenissen geëindigd had, vertrok hij van daar.

54 En gekomen zijnde in zijn vaderland, leerde hij ze in hunne Synagoge, zoodat zij zich ontzette-den en zeiden Van waar komt dezen die wijsheid en die krachten ?

55 Is deze niet de zoon des timmermans? En is zijne moeder niet genaamd Maria, en zijne broeders Jacobus en Joses ën Simon en Judas?

56 En zijne z.isters, zijn ze niet alle bij ons ? Van waar komt dan dezen dit alles V

57 En zij werden aan hem geërgerd. Maar Jezus zeide tot hen: Een Profeet is .liet ongeëerd dan in zijn vaderland en in zijn huis.

58 En hij heeft aldaar niet vele krachten gedaan vanwege hun ongeloof.

HOOFDSTUK 14.

Te dierzelfder tijd hoorde Herodes de Viervorst het gerucht van Jezus,

2 en zeide tot zijne knechten: Deze is Johannes de Dooper; hij is opgewekt van de dooden, en daarom werken die krachten in hem.

3 Want Herodes had Johannes gevangen genomen, en hem gebonden en ir. den kerker gezet, om den will 3 van Herodias de huisvrouw ^an Filippus zijnen broeder;

4 want Johannes zeide tot hem : Het is u niet geoorloofd haar te hebben.

5 En willende hem dooden vreesde hij het volk, omdat zij hem hielden voor een Profeet.

6 Maar ais de dag van Hero des

MAT THE US 14.


-ocr page 1073-

MATTHEUS 14.

19

geboorte gehouden werd, danste de dochter van Herodias in het midden van hen, en zij behaagde Herodes:

7 waarom hij haar met eede beloofde te geven wat zij ook eischen zoude.

8 En zij te voren onderricht zijnde van hare moeder, zeide: Geef mij hier in een schotel het hoofd van Johannes den Dooper.

9 En de Koning werd bedroefd; doch om de eeden en degenen die met hem aanzaten, gebood hij dat het haar zoude gegeven worden,

10 en zond henen en onthoofdde Johannes in den kerker.

11 En zijn hoofd werd gebracht in een schotel, en aan het dochterken gegeven; en zij droeg het tot hare moeder.

12 En zijne discipelen kwamen, en namen het lichaam weg, en begroeven hetzelve , en gingen en boodschapten het Jezus.

13 En als Jezus dit hoorde, vertrok hij van daar te scheep naar eene woeste plaats alleen; en de scharen dat. hoorende, zijn hem te voet gevolgd uit de steden.

14 En Jezus uitgaande zag eene groote schare, en werd innerlijk met ontferming over hen bewogen, en genas hunne kranken.

15 En als het nu avond werd kwamen zijne discipelen tot hem, zeggende: Deze plaats is woest, en de tijd is nu voorbijgegaan: laat de scharen van u, opdat zij henengaan in de vlekken en zich-zelven spijs koopen.

16 Maar Jezus zeide tot hen: \'t Is hun niet van noode henen te gaan: geeft gij hun te eten.

17 Doch zij zeiden tot hem: Wij hebben hier niet dan vijf brooden en twee visschen.

18 En hij zeide: Brengt mij dezelve hier.

19 En hij beval de scharen neder te zitten op het gras, en nam de vijf brooden en de twee visschen, en opwaarts ziende naar den hemel zegende hij dezelve; en als hij ze gebroken had, gaf hij de brooden aan de discipelen, en de discipelen aan de scharen.

20 En zij aten allen en werden verzadigd; en zij namen öp het overschot der brokken, twaalf volle korven.

us ,d,

Ün ne te-

nt |

n?

es

Ier

•e-

on

et xn

Ie ;i m

21 Die nu gegeten hadden waren omtrent vijfduizend mannen , zonder de vrouwen en kinderen.

22 En terstond dwong Jezus zijne discipelen in het schip te gaan, en vóór hem af te varen naar de andere zijde, terwijl hij de scharen van zich zoude laten.

23 En als hij nu de scharen vim zich gelaten had, klom hij op den berg alléén, om te bidden. En als het nu avond was geworden, zoo was hij daar alléén.

24 En het schip was nu midden in de zee, zijnde in nood van de baren; want de wind was hun tegen.

25 Maar ter vierde nachtwake kwam Jezus af tot hen, wandelende op de zee.

26 En de discipelen ziende hem op de zee wandelen, werden ontroerd , zeggende: Het is een spooksel; en zij schreeuwden van vrees.

27 Maar terstond sprak Jezus hen aan, zeggende: Zijt goedsmoeds, ik ben \'t, vreest niet.

28 En Petrus antwoordde hem en zeide: Heere, indien gij het zijt, zoo gebied mij tot u te komen op het water.

29 En hij zeide: Kom. En Petrus klom neder van het schip, en wandelde op het water om tot Jezus te komen.

30 Maar ziende den sterken wind, werd hij bevreesd, en als hij begon neder te zinken riep hij , zeggende : Heere, behoud mij.

31 En Jezus terstond de hand uitstekende, greep hem• aan , en zeide tot hem: Gijkleingeloovige, waarom hebt gij gewankeld?

32 En als zij in \'t schip geklommen waren, stilde de wind.

33 Die nu in \'t schip waren kwamen en aanbaden hem , zeggende : Waarlijk gij zijt Gods Zoon.

34 En overgevaren zijnde kwamen zij in het land Gennésareth.

35 En als de mannen van die plaats hem werden kennende, zonden zij in dat geheele omlig-


-ocr page 1074-

M ATTHEUS 15.

20

gende land, en brachten tot hem allen die kwalijk gesteld waren,

36 en baden hem dat zij alleenlijk den zoom zijns kleeds zouden mogen aanraken; en zoovelen als hem aanraakten werden gezond.

HOOFDSTUK 15.

Toen kwamen tot Jezus eenige Schriftgeleerden en Farizeërs die van Jeruzalem waren, zeggende:

2 Waarom overtreden uwe discipelen de inzettingen der ouden ? Want zij wasschen hunne handen niet, wanneer zij brood zullen eten.

3 Maar hij antwoordende zeide tot hen: Waarom overtreedt ook gij het gebod Gods door uwe inzetting?

4 Want God heeft geboden, zeggende: Eer uwen vader en uwe moeder ; en: Wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven.

5 Maar gij zegt; Zoo wie tot vader of moeder zal zeggen: Het is een gave zoo wat u van mij zoude kunnen ten nutte komen, en zijnen vader of zijne moeder geenszins zal eeren, die voldoet.

6 En gij hebt alzóó Gods gebod krachteloos gemaakt door uwe inzetting.

7 Gij geveinsden, wel heeft Je-saja van u geprofeteerd, zeggende:

8 Dit volk genaakt mij met hunnen mond en eert mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van mij;

9 doch tevergeefs eeren zij mij, leerende leeringen die geboden van menschen zijn.

10 En als hij de scharen tot zich geroepen had, zeide hij tot hen: Hoort en verstaat:

11 \'t geen ten monde ingaat ontreinigt den mensch niet; maar \'tgeen ten monde uitgaat, dat ontreinigt den mensch.

12 Toen kwamen zijne discipelen tot hem, en zeiden tót hem: Weet gij ivel, dat de Farizeërs deze rede hoerende geërgerd zijn geweest?

13 Maar hij antwoordende zeide: Allo plant die mijn hemelsche Vader niet geplant heeft, zal uitgeroeid worden.

14 Laat ze varen, zij zijn blinde leidslieden der blinden : indien nu de blmde den blinde leidt, zoo zullen zij beiden in de gracht vallen.

15 En Petrusantwoordendezeide tot hem: Verklaar ons deze gelijkenis.

1G Maar Jezus zeide: Zijt ook gijlieden alsnog onwetende?

17 Verstaat gij nog niet, dat al wat ten monde ingaat in den buik komt, en in de heimelijkheid wordt uitgeworpen?

18 Maar die dingen die ten monde uitgaan komen voort uit het harte, en die ontreinigen den mensch.

19 Want uit het harte komen voort booze bedenkingen, doodslagen , overspelen, hoererijen, dieverijen, valsche getuigenissen, lasteringen:

20 deze dingen zijn het die den mensch ontreinigen, maar het eten met ongewasschen handen ontreinigt den mensch niet.

21 En Jezus van daar gaande,, vertrok naar de daelen van Tyrus en Sidon.

22 En zie, eene Kananeesche vrouw uit die landpalen komende, riep tot hem, zeggende: Heere, gij Zone Davids, ontferm u mijner; mijne dochter is deerlijk van den duivel bezeten.

23 Doch hij antwoordde haar niet een woord. En zijne discipelen tot hem komende, baden hem, zeggende: Laat ze van u , want zij roept ons na.

24 Maar hij antwoordende zeide: Ik ben niet gezonden dan tot do verloren schapen van het huis Israels.

25 En zij kwam 311 aanbad hem, zeggende: Heere, help mij.

26 Doch hij antwoordde en zeide: Het is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen en den hondekens voor J.e werpen.

27 En zij zeide: Ja, Heere, doch de hondekens eten ook van de brokskens die daar vallen van de tafel hunner hoeren.

28 Toen antwoordde Jezus en zeide tot haar: O vrouwe, groot is uw geloof: u geschiede gelijk gij wilt. En hare dochter werd gezond van diezelfde ure.

29 En Jezus van daar vertrek-


-ocr page 1075-

MAT THE US 16.

21

kende, kwam aan de zee van Galiléa, en klom op den berg en zat daar neder.

30 En vele scharen zijn tot hem gekomen, hebbende bij zich kreupelen, blinden, stommen, lammen, en vele anderen, en wierpen ze voor de voeten van Jezus; en hij genas dezelve:

31 alzoo dat de scharen zich verwonderden, ziende de stommen sprekende, de lammen gezond, de kreupelen wandelende, en de blinden ziende; en zij verheerlijkten den God Israels.

32 En Jezus zijne discipelen tot zich geroepen hebbende, zeide: Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare, omdat zij nu drie dagen bij mij gebleven zijn, en niet hebben wat zij eten zouden; en ik wil ze niet nüchte-ren vim mij laten, opdat zij op den weg niet bezwijken.

33 En zijne discipelen zeiden tot hem: Van waar zullen wij zoovele brooden in de woestijn bekomen, dat wij zulk een groote schare zouden verzadigen?

34 En Jezus zeide tot hen: Hoe veel brooden hebt gij ? Zij zeiden: Zeven, en weinige vischkens.

35 En hij gebood de scharen neder te zitten op de aarde.

36 En hij nam de zeven brooden en de visschen, en als hij gedankt had brak hij ze, en gaf ze aan zijne discipelen, en de discipelen gaven ze aan de schare.

37 En zij aten allen en werden verzadigd, en zij namen óp het overschot der brokken, zeven volle manden.

38 En die gegeten hadden waren vierduizend mannen, zonder de vrouwen en kinderen.

30 En de scharen van zich gelaten hebbende, ging hij in het schip, en kwam in de landpalen van Magdala.

HOOFDSTUK 16.

En de Farizeërs en Sadduceërs tot hem gekomen zijnde, en Item verzoekende, begeerden van hem dat hij hun een teeken uit den hemel zoude toonen.

2 Maar hij antwoordde en zeide tot hen: Als het avond geworden is, zegt gij: Schoon weder, want de hemel is rood;

3 en des morgens: Heden on-weder, want de hemel is droevig rood. Gij geveinsden, het aanschijn des hemels weet gij wel te onderscheiden, en kunt gij de teekenen der tijden niet onder* scheiden ?

4 Het boos en overspelig geslacht verzoekt een teeken; en hun zal geen teeken gegeven worden dan het teeken van Jona den Profeet. En hen verlatende ging hij weg.

5 En als zijne discipelen op de andere zijde gekomen waren, hadden zij vergeten brooden mede te nemen.

6 En Jezus zeide tot hen: Ziet toe, en wacht u van den zuur-deesem der Farizeërs en Sad-dueërs.

7 En zij overleiden bij zichzelve, zeggende: Het is omdat wij geen brooden medegenomen hebben.

8 En Jezus dat wetende, zeide tot hen: Wat overlegt gij bij uzelven, gij kleingeloovigen, dat gij geen brooden medegenomen hebt?

9 Verslaat gij nog niet, en gedenkt gij niet aan de vijf brooden der vijfduizend mannen, en hoe veel korven gij opnaamt?

10 noch aan de zeven brooden der vierduizend mannen, en hoe veel manden gij opnaamt?

11 Hoe verstaal gij niet, dat ik u van geen brood gesproken heb, als ik zeide dat gij u wachten zoudt van den zuurdeesem der Farizeërs en Sadduceërs?\'

12 Toen verstonden zij dat hij niet gezegd had, dat zij zich wachten zouden van den zuurdeesem des broods, maar van de leer der Farizeërs en Sadduceërs.

13 Als nu Jezus gekomen was in de deelen van Cesaréa Filippi, vraagde hij zijne discipelen, zeggende: Wie zeggen de menschen dat ik, de Zoon des menschen, ben?

14 En zij zeiden: Sommigen: Johannes de Dooper; en anderen;


-ocr page 1076-

22 MATTB

Elia; en anderen: Jeremia of een van de Profeten.

15 Hij zeide tot hen: Maar gij, wie zegt gij dat ik ben?

16 En Simon Petrus antwoordende zeide; Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.

17 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Zalig zijt gij, Simon

Bar-Jona; want vleesch en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemelen is. ..

18 En ik zegge u ook, dat gy znt Petrus, en op deze petra zal ik miine gemeente bouwen , en de poorten der hel zullen dezelve niet overweldigen.

19 En ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen; en zoo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen cebonden zijn; en zoo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.

20 Toen verbood hij zijnen discipelen, dat zij niemand zeggen zouden dat hij was Jezus de Christus.

21 Van toen aan begon Jezus zijnen discipelen te vertoonen, dat hij moest henengaan naar Jeruzalem, en veel lijden van de Ouderlingen en Overpriesteren en Schriftgeleerden, en gedood worden, en ten derden dage opgewekt worden.

22 En Petrus hem tot zich genomen hebbende, begon hem te bestraffen, zeggende: Heere, wees u genadig: dit zal u geenszins geschieden.

23 Maar hij zich omkeerende, zeide tot Petrus: Ga weg achter mij, satan, gij zijt mij een aanstoot; want gij verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der menschen zijn.

24 Toen zeide Jezus tot zijne discipelen: Zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zichzelven, en neme zijn kruis op en volge mij.

25 Want zoo wie zijn leven zal willen behouden, die zal hetzelve verliezen; maar zoo wie zijn leven verliezen zal om mijnentwil, die zal hetzelve vinden.

EÜS 17.

26 Want wat baat het een mensch, zoo hij de geheele wereld gewint, en lijdt schade zijner ziele? Of wat zal een mensch geven tot lossing van zijne ziel?

27 Want de Zoon des menschen zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met zijne Engelen, en alsdan zal hij een iegelijk vergelden naar zijn doen.

28 Voorwaar zegge ik u, daar zijn sommigen van die hier staan, welke den dood niet smaken zullen, totdat zij den Zoon des menschen zullen hebben zien komen in zijn Koninkrijk.

HOOFDSTUK 17.

En na zes dagen nam Jezus met zich Petrus, en Jacobus, en Johannes zijnen broeder, en bracht ze op eenen hoogen berg alleen.

2 En hij werd voor hen veranderd van gedaante; en zijn aangezicht blonk gelijk de zon, en zijne kleederen werden wit gelijk het licht.

3 En zie, van hen werden gezien Mozes en Eh\'a, met hem samensprekende.

4 En Petrus antwoordende zeide tot Jezus: Heere, \'tis goed dat wij hier zijn; zoo gij wilt, laat ons hier drie tabernakelen maken, voor u eenen, en voor Mozes eenen, en eenen voor Eh\'a.

5 Terwijl hij nog sprak, zie, eene luchtige wolk heeft hen overschaduwd; en zie eene stem uit de wolk, zeggende: Deze is mijn geliefde Zoon, in denwelken ik mijn welbehagen heb: hooit hem.

ü En de discipelen dit hoorende, vielen op hun aangezicht en werden zeer bevreesd.

7 En Jezus bij hen komende, raakte ze aan en zeide: Staat op en vreest niet

8 En hunne oogen opheffende, zagen zij niemand dan Jezus alleen.

9 En als zij van den berg afkwamen, gebood hun Jezus, zeggende : Zeg\'; niemand dit gezicht, totdat de Zcon des menschen zal opgestaan zijn uit de dooden.

10 En zijne discipelen vraagden hem, zeggende: Wat zeggen dan


-ocr page 1077-

MATTHEUS 18.

23

de Schriftgeleerden, dat Eh\'a eerst moet komen?

11 Doch Jezus antwoordende zeide tot hen: Eh\'a zal wel eerst komen, en alles weder oprichten;

12 maar ik zegge u dat Eh\'a nu gekomen is, en zij hebben hem niet gekend, doch zij hebben aan hem gedaan al wat zij hebben gewild; alzóó zal ook de Zoon des menschen van hen lijden.

13 Toen verstonden de discipelen dat hij hun van Johannes den Dooper gesproken had.

14 En als zij bij dc schare gekomen waren, kwam tot hem een mensch, vallende voor hem op de knieën, en zeggende:

15 Heere, ontferm u over mijn zoon, want hij is maanziek, en is in zwaar lijden; want menigmaal valt hij in \'t vuur en menigmaal in \'t water;

16 en ik heb hem tot uwe discipelen gebracht, en zij hebben hem niet kunnen genezen.

17 En Jezus antwoordende zeide: O ongeloovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal ik nog met ulieden zijn, hoe lang zal ik u nog verdragen? Brengt hem mij hier.

18 En Jezus bestrafte hem, en de duivel ging van hem uit, en het kind werd genezen van die ure af.

19 Toen kwamen de discipelen tot Jezus alleen, en zeiden: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen?

20 En Jezus zeide tot hen: Om uws ongeloofs wille; want voorwaar zegge ik u, zoo gij een geloof hadt als een mostaardzaad, gij zoudt tot dezen berg zeggen: Ga henen van hier derwaarts, en hij zal henengaan; en niets zal u onmogelijk zijn.

21 Maar dit geslacht vaart niet uit dan door bidden en vasten.

22 En als zij in Galiléa verkeerden, zeide Jezus tot hen: De Zoon des menschen zal overgeleverd worden in de handen der menschen

23 en zij zullen hem dooden, en ten derden dage zal hij opgewekt worden. En zij werden zeer bedroefd.

24 En als zij te Kapernaüm ingekomen waren, gingen tot Petrus die de didrachmen ontvingen, en zeiden: Uw Meester, betaalt hij de didrachmen niet?

25 Hij zeide: Ja. En toen hij in huis gekomen was, voorkwam hem Jezus, zeggende: Wat dunkt u, Simon? de Koningen der aarde, van wie nemen zij tollen of schatting, van hunne zonen of van de vreemden?

26 Petrus zeide tot hem: Van de vreemden. Jezus zeide tot hem: Zoo zijn dan de zonen vrij.

27 Maar opdat wij hun geenen aanstoot geven , ga henen naar de zee, werp den angel uit, en neem den eersten visch die opkomt; en zijnen mond geopend hebbende zult gij eenen stater vinden: neem dien en geef hem aan hen, voor mij en u.

HOOFDSTUK 18.

Te dierzelfder ure kwamen de discipelen tot Jezus, zeggende: Wie is toch de meeste in \'t Koninkrijk der hemelen?

2 En Jezus een kindeken tot zich geroepen hebbende, stelde dat in \'t midden van hen,

3 en zeide: Voorwaar zegge ik u, indien gij u niet verandert en wordt gelijk de kinderkens, zoo zult gij in het Koninkrijk der hemelen geenszins ingaan.

4 Zoo wie dan zichzelven zal vernederen gelijk dit kindeken, deze is de meeste in het Koninkrijk der hemelen;

5 en zoo wie zoodanig een kindeken ontvangt in mijnen naam, die ontvangt mij.

6 Maar zoo wie één van deze kleinen die in mij gelooven ergert, het ware hem nutter dat een molensteen aan zijnen hals gehangen , en dat hij verzonken ware in de diepte der zee.

7 Wee der wereld van de ergernissen; want het is noodzakelijk dat de ergernissen komen, doch wee dien mensch door welken de ergernis komt.

8 Indien dan uwe hand of uw voet u ergert, houw ze af en werp ze vim u: het is u beter tot het


-ocr page 1078-

MATTHEUS 18.

24

leven in te gaan kreupel of verminkt zijnde, dan twee handen of twee voeten hebbende in \'t eeuwige vuur geworpen te worden.

9 En indien uw oog u ergert, trek het uit en werp het van u: het is u beter maar één oog hebbende tot het leven in te gaan , dan twee oogen hebbende \\n\'thelsche vuur geworpen te worden.

10 Ziet toe dat gij niet één van deze kleinen veracht; want ik zegge ulieden, dat hunne Engelen inde hemelen altijd zien het aangezicht mijns Vaders die in do hemelen is.

11 Want de Zoon des menschen is gekomen om zalig te maken dat verloren was.

12 Wat dunkt u? indien eenig mensch honderd schapen had, en één uit dezelve afgedwaald ware, zal hij niet de negenennegentig laten, en op de bergen henen-gaande het afgedwaalde zoeken?

13 En indien liet geschiedt dat hij hetzelve vindt, voorwaar ik zegge u, dat hij zich meer verblijdt over hetzelve, dan over de negenennegentig die niet afgedwaald zijn geweest.

14 Alzoó is de wil niet uws Vaders die in de hemelen is, dat één van deze kleinen verloren ga.

15 Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga henen en bestraf hem tusschen u en hem alleen; indien hij u hoort, zoo hebt gij uwen broeder gewonnen ;

16 maar indien hij u niet hoort, zoo neem nog één of twee met u, opdat in den mond van twee of drie getuigen alle woord besta.

17 En indien hij denzelven geen gehoor geeft, zoo zeg het der gemeente; en indien hij ook der gemeente geen gehoorquot; geeft, zoo zij hij u als de heiden en de tollenaar.

18 Voorwaar zegge ik u, al wat gij op de aarde binden zult, zal in den hemel gebonden wezen ; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in den hemel ontbonden wezen.

19 Wederom zegge ik u, indien daar twee van u samenstemmen op de aarde, over eenige zaak die zij zouden mogen begeeren, dat die hun zal geschieden van mijnen Vader die in de hemelen is; „ , .

20 want waar twee of drie vergaderd zijn in mijnen naam, daar ben ik in \'t midden van hen.

21 Toen kwam Petrus tot hem en zeide : Heere , hoe menigmaal zal mijn broeder tegen mij zondigen \'en ik hem vergeven? Tot zeven maal ?

22 Jezus zeide tot hem: Ik zeg u niet tot zeven maal, maar tot zeventigmaal zevenmaal.

23 Daarom wordt het Koninkrijk der hemelen vergeleken bij een zeker Koning, die rekening met zijne dienstknechten houden wilde

24 Als hij nu begon te rekenen, werd tot hem gebracht een die hem schuldig was tien duizend talenten.

25 En als hij niet had om te betalen, bevalquot; zijn heer dat men hem zoude ve.\'koopen, en zijne vrouw en kinderen, en al wat hij had, en dat de schuld zoude betaald worden.

20 De dienstknecht dan neder-vallende aanbad hem , zeggende; Heere, wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.

27 En de heer van dezen dienstknecht met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, heeft hom ontslagen en de schuld hem kwijtgescholden.

28 Maar die dienstknecht uitgaande , heeft gevonden eenen zijner mededienstknechten die hem honderd penningen schuldig was, en hem aanvattende greep hem bij de keel, zeggende: Betaal mij wat gij schuldig zijt.

29 Zijn mededienstknecht dan , nedervallende aan zijne voeten, bad hem, zeggende: Wees lankmoedig over mij, en ik zal u alles betalen.

30 Doch hij wilde niet, maar ging henen en wierp hem in de gevangenis. totdat hij de schuld zoude betaald hebben.

31 Als :.iu zijne mededienst-■ knechten zagen hetgeen geschied

was, zijn zij zeer bedroefd gewor-| den , en komende verklaarden zij


-ocr page 1079-

En het geschiedde toen Jezus deze woorden geëindigd had, dat hij vertrok van Galilua, en kwam óver den Jordaan, in de landpalen van Judéa.

2 En vele scharen volgden hem, en hij genas ze aldaar.

3 Ën de Farizeërs kwamen tot hem, verzoekende hem, en zeggende tot hem: Is het een mensch geoorloofd zijne vrouw te verlaten om allerlei oorzaak?

4 Doch hij antwoordende zeide tot hen: Hebt gij niet gelezen, die van den beginne den mensch gemaakt heeft, dat hij ze gemaakt heeft man en vrouw,

5 en gezegd heeft: Daarom zal een mensch vader en moeder verlaten, en zal zijne vrouw aanhangen , en die twee zullen tot één vleesch zijn:

6 alzoo dat zij niet meer twee zijn, maar één vleesch. Hetgeen dan God samengevoegd heeft, schelde de mensch niet.

7 Zij zeiden tot hem: quot;Waarom heeft \'dan Mozes geboden , eenen scheldbrief te geven en haar te verlaten ?

8 Hij zeide tot hen: Mozes heeft vanwege de hardigheid uwer harten u toegelaten uwe vrouwen te verlaten; maar van den beginne is \'t alzóó niet geweest.

9 Maar ik zegge u, dat zoo wie zijne vrouw verlaat anders dan om

25

hoererij, en eene andere trouwt die doet overspel; en die de verlatene trouwt doet óók overspel.

10 Zijne discipelen zeiden tot hem: Indien de zaak des men-scben met de vrouw alzóó staat, zoo is \'t niet oorbaar te trouwen.

11 Doch hij zeide tot hen: Allen vatten dit woord niet, maar wien het gegeven is.

12 Want daar zijn gesnedenen die uit moeders lijf alzóó geboren zijn, en daar zijn gesnedenen die van de menschen gesneden zijn, en daar zijn gesnedenen die zich-zelven gesneden hebben om het Koninkrijk der hemelen: die dit vatten kan, vatte het.

13 Toen werden kinderkous tot hem gebracht, opdat hij de handen hun zoude opleggen, en bidden ; en de discipelen bestraften dezelve.

14 Maar Jezus zeide: Laat af van de kinderkens, en verhindert hen niet tot mij te komen; want derzulken is het Koninkrijk der hemelen.

15 En als hij hun de handen opgelegd had, vertrok hij van daar.

lü En zie, er kwam een tot hem, en zeide tot hem: Goede meester, wat zal ik goeds doen, opdat ik het eeuwige leven hebbe?

17 En hij zeide tot hem: Wat noemt gij mij goed ? Niemand is goed dan écn, namelijk God. Doch wilt gij in het leven ingaan, onderhoud de geboden.

18 Hij zeide tot hem: Welke? En Jezus zeide: Deze: gij zult niet dooden; gij zult geen overspel doen; gij zult niet stelen; gij zult geen\'valsche getuigenis geven;

19 eer uwen vader en uwe moeder, en gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven.

20 De jongeling zeide tot hem: Alle deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af: wat ontbreekt mij nog?

21 Jezus zeide tot hem: Zoo gij wilt volmaakt zijn, ga henen, verkoop wat gij hebt en geeft het den armen, en gij zult eenen schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg mij.

MATTHEUS 19.

hunnen heer al wat er geschied was.

32 Toen heeft hem zijn heer tot zich geroepen, en zeide tot hein:

Gij boozc dienstknecht, al die schuld heb ik u kwijtgescholden,

dewijl gij mij gebeden hebt:

33 behoordet gij ook niet u over uwen mededienstKnecht te ontfermen , gelijk ik ook mij over u ontfermd heb?

34 En zijn heer vertoornd zijnde,

leverde hem den pijnigers over,

totdat hij zoude betaald hebben al wat hij hem schuldig was.

35 Alzóó zal ook mijn hemel-sche Vader u doen, indien gij niet van harte vergeeft een iegelijk zijnen broeder zijne misdaden.

HOOFDSTUK 19.


-ocr page 1080-

26 MATTE

22 Als nu de jongeling dit woord hoorde, ging hij bedroefd weg; want hij had vele goederen.

23 En Jezus zeide lot zijne discipelen : Voorwaar, ik zegge u, dat een rijke bezwaarlijk in het Koninkrijk der hemelen zal ingaan.

24 Én wederom zegge ik u, het is lichter dat een kemel ga door het oog van eene naald, dan dat een rijke inga in het Koninkrijk Gods.

25 Zijne discipelen nu dit hoerende , werden zeer verslagen, zeggende: Wie kan dan zalig worden ?

26 En Jezus hen aanziende, zeide tot hen: Bij de menschen is dat onmogelijk, maar bij God zijn alle dingen mogelijk.

27 Toen antwoordde Petrus en zeide tot hem: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd: wat zal ons dan geworden?

28 En Jezus zeide tot hen: Voorwaar ik zegge u, dat gij die mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des menschen zal gezeten zijn op den troon zijner heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen, oordeelende de twaalf geslachten Israëls.

29 En zoo wie zal verlaten hebben huizen, of broeders of zusters, of vader of moeder, of vrouw of kinderen, of akkers om mijns naams wille, die zal honderdvoud ontvangen, en het eeuwige leven beërven.

30 Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en vele laatsten de eersten.

HOOFDSTUK 20.

Want het Koninkrijk der hemelen is gelijk een heer des huizes, die met den morgenstond uitging om arbeiders te huren in zijnen wijngaard.

2 En als hij met de arbeiders óéns geworden was voor eenen penning \'s daags, zond hij ze henen in zijnen wijngaard.

3 En uitgegaan zijnde omtrent de derde ure, zag hij anderen ledig staande op de markt;

4 en hij zeide tot dezelven: Gaat

EUS 20.

gij óók henen in den wijngaard, en zoo wat recht is zal ik u geven. En zij gingen.

5 Wederom uitgegaan zijnde omtrent de zesde en negende ure, deed hij desgelijks.

6 En uitgegaan zijnde omtrent de elfde ure, vond hij anderen ledig slaande, en zeide tot hen: Wat staat gij hier den geheelen dag ledig?

7 Zij zeiden tot hem: Omdat ons niemand gehuurd heeft. Hij zeide tot hen : Gaat ook gij henen in den wijngaard, en zoo wat recht is zult gij ontvangen.

8 Als het nu avond geworden was, zeide de heer des wijngaards tot zijnen rentmeester: Roep de arbeiders, en geef hun het loon, beginnende van de laatsten tot de eersten.

9 En als zij kwamen die ter elfder ure yelmurd waren , ontvingen zij ieder eenen penning.

10 En de eersten komende meenden dat zij mee.? ontvangen zouden ; en zij zeiven ontvingen óók elk eenen penning.

11 En dien ontvangen hebbende murmureerden zij tegen den heer des huizes,

12 zeggende: Deze laatsten hebben maar één uur gearbeid, en gij hebt ze óns gelijk gemaakt, die den last des daags en de hitte gedragen hebben.

13 Doch hij antwoordende zeide tot eenen van hen: Vriend, ik doe u geen onrecht: zijt gij niet met mij ééns geworden voor eenen penning?

14 Neem het uwe en ga henen; ik wil dezen laatste ook geven gelijk als u.

15 Of is het mij niet geoorloofd te doen met het mijne wat ik wil ? Of is uw oog boos omdat ik goed ben?

10 Alzóó zullen de laatsten de eersten zijn en de eersten de laatsten; want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

17 En Jezus opgaande naar Jeruzalem, nam tot zich de twaalf discipelen alleen op den weg, en zeide tot hen:

18 Zie, wij gaan op naar Jeru-


-ocr page 1081-

MATTHEUS 21.

27

zalcm, en de Zoon des menschen zal den Overpriesteren en Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen hem ter dood ver-oordeelen;

19 en zij zullen hem den heidenen overleveren, om hem te bespotten en te geeselen en te kruisigen; en ten derden dage zal hij weder opstaan.

20 Toen kwam de moeder der zonen van Zebedeüs tot hem met hare zonen, hem aanbiddende, en begeerende wat van hem.

21 En hij zeide tot haar: Wat wilt gij? Zij zeide tot hem: Zeg dat deze mijne twee zonen zitten mogen de èén tot uwe rech teren de ander tot uwe linker/tand in uw Koninkrijk.

22 Maar Jezus antwoordde en zeide: Gijlieden weet niet wat gij begeert; kunt gij den drinkbeker drinken dien ik drinken zal, en met den doop gedoopt worden waarmede ik gedoopt word? Zij zeiden tot hem: Wij kunnen.

23 En hij zeide tot hen; Mijnen drinkbeker zult gij wel drinken, en met den doop waarmede ik gedoopt word zult gij gedoopt worden, maar het zitten tot mijne rechter- en tot mijne Uhkerhand staat bij mij niet te geven, maar het zal gegeven lucrden dien het bereid is van mijnen Vader.

24 En als de andere tien dat hoorden, namen zij het zeer kwalijk van de twee broeders.

25 En als hen Jezus tot zich geroepen had, zeide hij : Gij weet dat de oversten der volkeren heerschappij voeren over hen, en de grooten gebruiken macht over hen.

26 Doch alzóó zal het onder u niet zijn, maar zoo wie onder u zal willen groot worden, die zij uw dienaar;

27 en zoo wie onder u zal willen de eerste zijn, die zij uw dienstknecht:

28 gelijk de Zoon des menschen niet is gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen.

29 En als zij van Jericho uitgingen , is hem eene groote schare gevolgd.

30 En zie, twee blinden zittende asn den weg, als zij hoorden dat Jezus voorbijging, riepen, zeggende: Heere, gij Zone Davids, ontferm u onzer.

31 En de schare bestrafte hen, opdat zij zwijgen zouden, maar zij riepen te meer, zeggende: Ontferm u onzer, Heere, gij Zone Davids.

32 En Jezus sft7staande riep ze en zeide: Wat wilt gij dat ik u doe?

33 Zij zeiden tot hem: Heere dat onze oogen geopend worden.

34 En Jezus innerlijk bewogen zijnde met barmhartigheid, raakte hunne oogen aan; en terstond werden hunne oogen ziende, en zij volgden hem.

HOOFDSTUK 21.

En als zij nu Jeruzalem genaakten , en gekomen waren te Beth-fagé aan den Olijfberg, toen zond Jezus twee discipelen, zeggende tot hen:

2 Gaat henen in het vlek dat tegen u over ligt, en gij zult terstond eene ezelin gebonden vinden, en een veulen met haar: ontbindt ze en brengt ze tot mij.

3 En indien u iemand iets zegt, zoo zult gij zeggen dat de Heere deze van noode heeft, en hij zal ze terstond zenden.

4 Dit alles nu is geschied opdat vervuld worde \'t gene gesproken is door den Profeet, zeggende:

5 Zegt der dochter Sions: Zie, uw Koning komt totn, zachtmoedig en gezeten op eene ezelin en een veulen, zijnde een jong eener jakdragende ezelin.

G En de discipelen henengegaan zijnde, en gedaan hebbende gelijk Jezus hun bevolen had,

7 brachten de ezelin en het veulen, en leiden hunne kleederen op dezelve, en zetteden hem daarop.

8 En de meeste schare spreidden hunne kleederen op den weg, en anderen hieuwen takken van de boomen en spreidden ze op den weg.


-ocr page 1082-

MATTHEUS 21.

feldet, gij zoudt niet alleen doen

\'tgeen den vijgeboom ,s geschied, maar indien gij ook tot dezen berg zeidet: Word opgeheven en in de zee geworpen, het zoude geschie-

(^W en al wat gij zult hegeeren in \'t gebed, geloovende, zult gij ontvangen.

23 En als hij in den Tempel gekomen was, kwamen tot hem , terwijl hij loerde, de Overpriesters en de Ouderlingen des volks, zeggende: Door wat macht doet rrif quot;deze dingen , en wie heeft u deze macht gegeven?

24 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Ik zal u ook één woord vragen, \'t welk indien gij mij zult zegden , zoo zal ik u ook zeggen door wat macht ik deze dingen doe:

25 De doop van Johannes, van waar was die, uit den hemel of uit de menschen? En zij overtelden bij zichzclven en zeiden: Indien wij zeggen : Uit den hemel, zoo zal hij ons zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?

26 Èn indien wij zoggen: Uit de menschen, zoo vreezen wij de schare; want zij houden allen Johannes voor een Profeet.

27 En zij Jezus antwoordende zeiden: Wij weten \'tniet. En hij zeide tot hen: Zoo zeg jk u ook niet door wat macht ik dit doe.

28 Maar wat dunkt u? Een mensch had twee zonen, cn gaande tot den eerste zeide hij: Zoon , ga henen, werk heden in mijnen wijngaard.

29 Doch hij antwoordde en zeide: Ik wil niet; en daarna berouw hebbende ging hij henen.

30 En gaande tot den tweede zeide hij desgelijks, en deze antwoordde en ze-de: Ik Q(i heer; en hij ging niet.

31 Wie van deze twee heettden wil des vaders gedaan ? Zij zeiden tot hem: De eerste. Jezus zeide tot hen: Voorwaar ik zegge u, dat de tollenaars on de hoeren u voorgaan in het Koninkrijk Gods.

32 Want Johannes is tot u gekomen in don weg der gerechtigheid cn gij hebt hem niet geloofd;

I maar de tollenaars en hoeren heb-

28

9 En de scharen die voorgingen en die volgden riepen, zeggende: Hosanna den Zone Davids! Gezegend is hij die komt in den naam des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen!

10 En als hij te Jeruzalem inkwam werd de geheele stad beroerd, zeggende: Wie is deze?

11 En de scharen zeiden: Deze is Jezus, de Profeet van Nazareth in Galiléa. .

12 En Jezus ging in den Tempel Gods, en dreef uit allen die verkochten en kochten in den Tempel, en keerde de tafels der wisselaars om, en de zitstoelen dergenen die de duiven verkochten;

13 en hij zeide tot hen: Daar is geschreven: Mijn Huis zal een huis des gebeds genaamd worden; maar gij hGbt dat tot een moor-denaarskuil gemaakt.

14 En er kwamen blinden en kreupelen tot hem in den Tempel, en hij genas dezelve.

15 Als nu de Overpriesters en Schriftgeleerden zagen de wonderheden die hij deed, en de kinderen roepende in den Tempel, en zeggende: Hosanna den Zone Davids! namen zij dat zeer kwalijk ,

16 en zeiden tot hem: Hoort gij wel wat dezen zeggen? En Jezus zeide tot hen: Ja: hebt gij nooit gelezen: Uit den mond der jonge kinderen en der zuigelingen hebt gij ii lof toebereid?

17 En hen verlatende ging hij van daar uit de stad naar Bethanië, en overnachtte aldaar.

18 En des morgens vroeg als hij wederkeerde naar de stad, hongerde hem.

19 En ziende eenen vijgeboom aan den weg, ging hij naar hem toe, en vond niets aan denzelve dan alleen bladeren, en zeide tot hem: Uit u worde geen vrucht meer in der eeuwigheid. En de vijgeboom verdorde terstond.

20 En de discipelen dat ziende verwonderden zich, zeggende: Hoe is de vijgeboom zoo terstond verdord ?

21 Doch Jezus antwoordende zeide tot hen : Voorwaar zegge ik u , indien gij geloof hadt en niettwij-

-ocr page 1083-

MAT THE US 22.

ben hem geloofd; doch gij zulks ziende, hebt daarna geen berouw gehad, om hem te gelooven.

33 Hoort eene andere gelijkenis.

Er was een heer des huizes die eenen wijngaard plantte, en zette eenen tuin daarom , en groef eenen wijnpersbak daarin, en bouwde eenen toren, en verhuurde dien den landlieden , en reisde buitens-lands.

34 Toen nu de tijd der vruchten genaakte, zond hij zijne dienstknechten tot de landlieden om zijne vruchten te ontvangen.

35 En de landlieden nemende zijne dienstknechten, hebben den éenen geslagen , en den anderen gedood, en den derden gesteenigd.

36 Wederom zond hij andere dienstknechten, meer in getal dan de eerste; en zij deden hun desgelijks.

37 En ten laatste zond hij tot hen zijnen zoon , zeggende : Zij zullen mijnen zoon ontzien.

38 Maar de landlieden den zoon ziende-, zeiden onder elkander :

Deze is de erfgenaam: komt, laat ons hem dooden en zijne erfenis aan ons behouden.

39 En hem nemende wierpen zij hem uit buiten den wijngaard, en doodden hem.

40 Wanneer dan de heer des wijngaards komen zal, wat zal hij dien landlieden doen?

41 Zij zeiden tot hem: Hij zal den kwaden een kwaden dood aan-doen en zal den wijngaard anderen landlieden verhuren , die hem de vruchten op hare tijden zullen geven.

42 Jezus zeide tot hen: Hebt ïij nooit gelezen in de Schriften:

Je steen dien de bouwlieden ver- j gaande op de wegen, vergaderden worpen hebben, deze is geworden \' allen die zij vonden, beide kwaden -ot een hoofd des hoeks; van den en goeden; en do bruiloft werd neere is dit geschied, en het is j vervuld met aanzittende gasten. wonderlijk in onze oogen? i li p:n als de Koning ingegaan

w Daarop zegge ik ulieden, dat j was om de aanzittende gasten te iet Koninkrijk Gods van u zal { overzien, zag hij aldaar eenen Weggenomen worden , en aan een | mensch niet gekleed zijnde met wk gegeven dat zijne vruchten i een bruiloftskleed,

quot;oortbrengt. | 12 en zeide tot hem: Vriend,

44 En wie op dezen steen valt, die i hoe zijt gij hier ingekomen , geen ■al verpletterd worden; enopwien | bruiloftskleed aanhebbende? En valt, dien zal hij vermorzelen. | hij verstomde.

45 En als de Overprlesters en Farizeërs deze zijne gelijkenissen hoorden, verstonden zij dat hij van hen sprak.

46 En zoekende hem te vangen , vreesden zij de scharen, dewijl deze hem hielden voor een Profeet.

HOOFDSTUK 22.

En Jezus antwoordende sprak tot hen wederom door gelijkenissen , zeggende:

2 Het Koninkrijk der hemelen is gelijk een zeker Koning die zijnen zoon een bruiloft bereid had,

3 en zond zijne dienstknechten uit om de genooden ter bruiloft te roepen, en zij wilden niet komen.

4 Wederom zond hij andere dienstknechten uit, zeggende: Zegt den genooden: Zie, ik heb mijn middagmaal bereid, mijn ossen en de gemeste beesten zijn geslacht, en alle dingen zijn gereed : komt tot de bruiloft.

5 Maar zij zulks niet achtende, zijn henengegaan, deze tot zijnen akker, gene tot zijne koopmanschap ;

6 en de anderen grepen zijne dienstknechten, deden hun smaad-heid aan, en doodden ze.

7 Als nu de Koning dat hoorde, werd hij toornig, en zijne krijgs-heiren zendende heeft hij die doodslagers vernield en hunne stad in brand gestoken.

8 Toen zeide hij tot zijne dienstknechten : De bruiloft is wel bereid , doch de genooden waren \'t niet waardig.

9 Daarom gaat op de uitgangen der wegen, en zoovelen als gij er zult vinden, roept zo tot de bruiloft.

10 En die dienstknechten uit-

-ocr page 1084-

30

13 Toen zeide de Koning tot de dienaars: Bindt zijne handen en voeten, neemt hem weg, en werpt liamp;n u\'itin de buitenste duisternis.

daar zal zijn weening en knersing der tanden.

14 Want velen zijn geroepen, maar weinigen uitverkoren.

15 Toen gingen de Fanzeers henen en hielden te zamen raad, hoe zij hem verstrikken zouden in zijne rede. , . ^ .

16 En zij zonden uit tot nem hunne discipelen met de Herodia-nen, zeggende: Meester, wij weten dat gij waarachtig zijt, en den weg Gods in waarheid leert, en

\'t^aar niemand vraagt; want gij ziet^al?*1 Persoon der menschen

^17 zeg ons dan, wal\'üu^kt u» is hel geoorloofd den Keizer sclKtJ-ting te geven of niet?

18 Maar Jezus bekennende hunne boosheid, zeide:

19 Gij geveinsden, wat verzoekt mi mii? Toont mij den schattingpenning. En zij brachten hem eenen penning.

20 En hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld en het opschrift?

21 Zij zeiden tot hem: ues Keizers. Toen zeide hij tot hen: Geeft dan den Keizer dat ües Keizers is, en Gode dat Gods is.

22 En zij dit hoerende verwonderden zich, en hem verlatende zijn zij weggegaan. ___

23 Te dienzelfden dage kwamen tot hem de Sadduceërs, die zeggen dat er geene opstanding is, en vraagden hem,

24 zeggende: Meester, Mozes heeft gezegd: Indien iemand sterft geen kinderen hebbende, zoo zal zijn broeder deszelfs vrouw trouwen en zijnen broeder zaad verwekken.

25 Nu waren er bij ons zeven broeders ; en de eerste eene vroiuu getrouwd hebbende stierf, en dewijl hij geen zaad had zoo het hij zijn vrouw voor zijnen broeder.

2G Desgelijks ook de tweede, en de derde, tot den zevende toe.

27 Ten laatste na allen is ook de vrouw gestorven.

28 In de opstanding dan, wiens

MAT THE US 22.

vrouw zal zij wezen van die zeven? want zij hebben ze allen gehad.

29 Maar Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gij dwaalt, met wetende de Schriften noch de

^loWanUa de opstanding nemen zii niet ten huwelijk , en worden niet ten huwelijk uitgegeven; maai zij zijn als Engelen Gods in den

heMeEn wat aangaat de opstan-(jino- der dooden , hebt gij mei. gelezen \'t gene van God tot ulieden gesproken is, die daar z®ot:

^9 Ik ben de God Abrahams en de Godlsaaks en deGodJakobs? God is niet een God der dooden

maar dor levenden.

33 En de scharen dit hoerende , \'werden verslagen over zijne leer.

34 En de Farizeers gehooid heb-fgt;nde dat hij den Sadduceers den moiS gestopt had, zijn tc zamen

VTamp;tees?er;^elkSfs het groote

hem:

Jt liefhebben derf- Heere uwen

U Vm tóbét eerste en he-t groote

39 En het tweede daaraangehjk is: Gij zult uwen naaste liefbt bnen

al 40U Aaïïeze twee gelMdenhangt

%8ilSïu%TFaSe£telegn vergaderd waren, vraagde bjn

Je42Sen zeide: Wat dunkt u vM den Christus? wiens zoen is h)v) i Zii zeiden tot hem: Davids zcon.

43 Hij zeide tot hen : Hoe noefor hem dan David in den Geest zijnfh

H4411)eZeHeere hoeft gezegd mijnen Heere: Zit aan mijne re Sand, totdat ik uwe vijam zal gezet hebben tot eenvoetbt

UVlS Indien iiem dan David noe zt^en Heere, hoe is hij zijn zoo

-ocr page 1085-

MATTHEUS 23.

on Farizeërs, gij geveinsden; want gij eet de huizen der weduwen op, en dat onder den schijn van lang te bidden; daarom zult gij te zwaarder oordeel ontvangen.

15 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeërs, gij geveinsden; want gij omreist zee en land om écnen Jodengenoot te maken; en als hij het geworden is, zoo maakt gij hem een kind der helle, tweemaal meer dan gij zijt.

16 Wee u, gij blinde leidslieden, die zegt: Zoo wie gezworen zal hebben bij den Tempel, dat is niets; maar zoo wie gezworen zal hebben bij het goud des Tempels, die is schuldig.

17 Gij dwazen en blinden; want wat is meerder, het goud of de Tempel die het goud heiligt?

18 En zoo wie gezworen zal o En alle hunne werken doen l hebben bij het altaar, dat is niets;

zij om van de menschen gezien j maar zoo wie gezworen zal hebben le worden; want zij maken hunne | bij de gave die daarop is, die is edenkcedels breed,.en maken de schuldig.

zoomen van hunne kleederen groot, j 19 Gij dwazen en blinden; want

6 En zij beminnen de vooraanzitting bij de maaltijden, en de voorgestoelten in de Synagogen,

7 ook de begroetingen op de

wat is meerder, de gave of het altaar, dat de gave heiligt?

20 Daarom wie zweert bij het altaar, die zweert bij hetzelve en

markten, en van de^ menschen { bij al wat daar op is;

genaamd te worden Rabbi, Rabbi.! \'21 en wie zweert bij den Tempel, 8 Doch gij zult niet Rabbi ge- | d ie zweert bij denzelve en bij dien

naamd worden; want één is uw Meester, namelijk Christus, en gij zijt allen broeders.

9 En gij zult niemand uwen Vader noemen op de aarde; want één is uw Vader, namelijk die in de hemelen is.

10 En gij zult niet meesters genoemd worden; want één is uw Meester, namelijk Christus.

11 Maar de meeste van u zal uw dienaar zijn.

12 En wie zichzelven verhoogen al, die zal vernederd worden; n wie zichzelven zal vernederen. He zal verhoogd worden.

-13 Maar wee u, gij Schriftge-t (\'den en Farizeërs, gij geveins-3£ji; want gij sluit het Koninkrijk •ly hemelen voor de menschen, (ofcrmits gij daar niet ingaat, en 44lgeaen die ingaan zouden niet alfet ingaan.

ij«4 Wee u, gij Schriftgeleerden

die daarin woont;

22 en wie zweert bij den hemel, die zweert bii den troon Gods en bij dien die daarop zit.

23 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeërs, gij geveinsden; want gij vertient de munt en de dille en den komijn, en gij laat na het zwaarste der wet, \'namelijk het oordeel en de barmhartigheid en het geloof. Déze dingen moest men doen en de andere niet nalaten.

24 Gij blinde leidslieden, die de mug uitzijgt en den kemel doorzwelgt.

25 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeërs, gij geveinsden; want gij reinigt het buitenste des drinkbekers en des schotels, maar van binnen zijn ze vol van roof en onmatigheid.

20 Gij blinde Farizeër, reinig eerst wat binnen in den drinkbeker en den schotel is, opdat

31

46 En niemand kon hem een woord antwoorden, en niemand durfde hem van dien dag aan iets meer vragen.

HOOFDSTUK 23.

Toen sprak Jezus tot de scharen en tot zijne discipelen,

2 zeggende: De Schriftgeleerden en de Farizeërs zijn gezeten op den stoel van Mozes.

3 Daarom al wat zij u zeggen dat gij houden zult, houdt dat en doet het; maar doet niet naar hunne werken; want zij zeggen het, en doen het niet.

4 Want zij binden lasten die zwaar zijn en kwalijk om te dragen , en leggen ze op de schouders der menschen; maar zij willen die met hunnen vinger niet ver-oeren.

-ocr page 1086-

EUS 24.

39 Want, ik zegge u, gij zult mij van nu aan niet zien, totdat gij zeggen zult: Gezegend is hij die komt in den name des Heeren. HOOFDSTUK 24.

En Jezus ging uit en vertrok van den Tempel; en zijne discipelen kwamen bij hem, om hem de gebouwen des Tempels te toonen.

2 En Jezus zeide tot hen: Ziet gij niet alle deze dingen? Voorwaar zegge ik u, hier zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.

3 En als hij op den Olijfberg gezeten was, gingen de discipelen tot hem alleen, zeggende: Zeg ons, wanneer zullen dezs dingen zijn? En welk zal het teeken zijn van uwe toekomst en van de voleinding der wereld?

4 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Ziet toe dat u niemand verleide;

5 want velen zullen komen onder mijnen naam, zeggende: Ik ben de Christus, en zij zullen velen verleiden.

6 En gij zult hooren van oorlogen en geruchten van oerlogen: ziet toe, wordt niet verschrikt; want alle die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde niet.

7 Want het ééne volk zal tegen het andere volk opstaan, en het ééne koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en daar zullen zijn hongersnooden , en pestilentiën, en aardbevingen in verscheidene plaatsen.

8 Doch alle die dingen zijn maar een beginsel der smarten.

9 Alsdan zullen zij u overleveren in verdrukking , eu zullen u dooden, en gij zult gehaat worden van alle voliterenom mijns naams wille.

10 En dan zullen er velen ge-ergerd worden, en zullen elkander overleveren en elkander haten.

11 En vele valsche profeten zullen opstaan, en zullen er velen verleiden.

12 En omdat de ongerechtigheid

32 M A T T H

ook het buitenste derzelve rein worde.

27 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeërs, gij geveinsden; want gij zijt den witgepleisterden graven gelijk, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen zijn zo vol doodsbeenderen en alle on-reinigheid. ,,

28 Alzóó ook schijnt gy wel den menschen van buiten rechtvaardig , maar van binnen zijt gij vol geveinsdheid en ongerechtigheid.

29 Wee u, gij Schriltgelcerden en Farizeërs, gij geveinsden; want oii bouwt de graven der Profeten op, en versiert de grafteekenen der rechtvaardigen,

30 en zegt: Indien wij ten tijde onzer vaderen waren geweest, wij zouden met hen geen gemeenschap gehad hebben aan het bloed der Profeten.

31 Aldusgetuigtgij fó^enuzelven, dat gij kinderen zijt dergenen die de Profeten gedood hebben.

32 Gij clan ook, vervult de maat uwer vaderen.

33 Gij slangen, gij adderenge-broedsels, hoe zoudt gij de hel-sche verdoemenis ontvlieden?

34 Daarom zie, ik zend tot u Profeten en Wijzen en Schriftge; leerden, en uit dezelve zult gij sommigen dooden en kruisigen, en sommigen uit dezelven zult gij geeselen in uwe Synagogen, en zult ze vervolgen van stad tot stad;

35 opdat op u kome al het rechtvaardige bloed dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af, tot op het bloed van Zacharia den zoon van Barachia, welken gij gedood hebt tusschen den Tempel en hot altaar.

30 Voorwaar zegge ik u, alle deze dingen zullen komen over dit ge-slacht.

37 Jeruzalem, Jeruzalem, gij die de Profeten doodt, en steenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijéénvergaderen, gelijkerwijs eene hen hare kiekens bijéénvergadert onder de vleugelen, en gijlieden hebt niet gewild.

38 Zie, uw huis wordt u woest gelaten.

-ocr page 1087-

Vermenigvuldigd zal worden, zoo zal de liefde van velen verkouden.

13 Maar wie volharden zal tot den einde , die zal zalig worden.

14 En dit Evangelie des Konink-rijks zal in de geheele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volkeren; en dan zal het einde komen.

15 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan gesproken is door Daniël den Profeet, staande in de heilige plaats, (wie het leest, die merke daarop),

16 dat alsdan die in Judéa zijn, vlieden op de bergen;

17 die op het dak is, kome niet af om iets uit zijn huis weg te nemen;

18 en die op den akker is, keere niet weder terug om zijne kleederen weg te nemen.

19 Maar wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die\' dagen.

20 Doch bidt dat uwe vlucht niet geschiede des winters noch op eenen sabbat;

21 want alsdan zal er groote verdrukking wezen, hoedanige niet is geweest van het begin dei-wereld tot nu toe, en ook niet zijn zal.

22 En zoo die da^en niet verkort werden, geen vleesch zoude behouden worden; maar om der uitverkorenen wille zullen die dagen verkort worden.

23 Alsdan zoo iemand tot ulie-den zal zeggen: Zie, hier is de Christus, of daar, gelooft het niet.

24 Want daar zullen valsche Christussen en valsche Profeten opstaan, en zullen groote teekenen en wonderheden doen, alzoo dat zij (indien het mogelijk ware) ook de uitverkorenen zouden verleiden.

25 Zie, ik heb het u voorzegd.

26 Zoo zij dan tot u zullen zoggen: Zie, hij is in de woestijn\', gaat niet uit; zie, hij is in de binnenkameren, gelooft het niet.

27 Want gelijk de bliksem uitgaat van het Oosten en schijnt tot het Westen, alzóó zal ook de toe-33

komst van den Zoon des menschen wezen.

28 Want alwaar het doode lichaam zal zijn, daar zullen de arenden vergaderd worden.

29 En terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven, en de sterren zullen van dèn hemel vallen, en de krachten der hemelen zullen bewogen worden.

30 En alsdan zal in den hemel verschijnen het teeken van den Zoon des menschen; en dan zullen alle de geslachten der aarde weenen, en zullen den Zoon des menschen zien, komende op de wolken des hemels met groote kracht en heerlijkheid.

31 En hij zal zijne Engelen uitzenden met eene bazuin van groot geluid, en zij zullen zijne uitverkorenen bij één vergaderen uit de vier winden, van het ééne uiterste der hemelen tot het andere uiterste derzelve.

32 En leert van den vijgeboom deze gelijkenis: wanneer zijn tak nu teer wordt en de bladeren uitspruiten, zoo weet gij dat de zomer nabij is:

33 alzóó ook gijlieden, wanneer gij alle deze dingen zult zien, zoo weet dat het nabij is voor de deur.

34 Voorwaar ik zegge u, dit . geslacht zal geenszins voorbijgaan totdat alle deze dingen zullen geschied zijn.

35 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan.

36 Doch van dien dag en die ure weet niemand, ook niet de Enge-, len der hemelen, dan mijn Vader alleen.

37 En gelijk de dagen van Noach waren, alzóó zal ook zijn de toekomst van den Zoon des menschen.

38 Want gelijk zij waren in de dagen vóór deri zondvloed, etende en drinkende, trouwende en ten huwelijk uitgevende, tot den dag toe op welken Noach in de ark ging,

39 en bekenden het niet, totdat de zondvloed kwam en hen allen wegnam: alzóó zal ook zijn de

MATTHEUS 24.


-ocr page 1088-

34 MATTH

toekomst van den Zoon des men-schen.

/i0 Alsdan zullen er twee op den akker zijn: de één zal aangenomen en de ander zal verlaten worden;

41 daar zullen twee vrouwen malen in den molen: de ééne zal aangenomen en de andere zal verlaten worden.

42 Waakt dan, want gij weet niet in welke ure uw Heer komen zal.

43 Maar weet dit, dat zoo de heer des huizes geweten had in welke nachtwaak de dief komen zoude, hij zoude gewaakt hebben en zoude zijn huis niet hebben laten doorgraven.

44 Daarom zijt ook gij bereid; want in welke ure gij het niet meent zal de Zoon des menschen komen.

45 Wie is dan de getrouwe en voorzichtige dienstknecht, denwelken zijn heer over zijne dienstboden gesteld heeft, omquot;hunlieden hun voedsel te geven ter rechter tijd?

40 Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer komende zal vinden alzóó doende.

47 Voorwaar, ik zegge u dat hij hem zal zetten over alle zijne goederen.

48 Maar zoo die kwade dienstknecht in zijn hart zoude zeggen: Mijn heer vertoeft te komen,

49 en zoude beginnen zijne mededienstknechten te slaan, en te eten en te drinken met de dronkaards:

50 zoo zal do heer dezes dienstknechts komen ten dage op welken hij hom niet verwacht, en ter ure die hij niet weet,

54 en zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden: daar zal weening zijn en knersing der tanden.

HOOFDSTUK 25.

Alsdan zal het Koninkrijk der hemelen zijn gelijk tien maagden, welke hare lampen namen en gingen uit, den bruidegom tegemoet.

2 En vijf van haar waren wijze en vijf waren dwaze.

3 Die dwaas waren, hare lam-

US 25.

pen nemende, namen geen olie met zich;

4 maar de wijze namen olie in hare vaten, met hare lampen.

5 Als nu de bruidegom vertoefde, werden zij allen sluimerig en vielen in slaap.

6 En te middernacht geschiedde er een geroep: Zie, de bruidegom komt, gaat uit hem tegemoet.

7 Toen stonden alle die maagden op en bereidden hare lampen.

8 En de dwaze zeiden tot de wijze: Geeft ons van uwe olie; want onze lampen gaan uit.

9 Doch de wijze antwoordden, zeggende: Geenszins, opdat er misschien voor ons en voor u niet genoeg zij; maar gaat liever tot de verkoopers en koopt voor uzelven.

10 Als zij nu henengingen om te koopen, kwam de bruidegom; en die gereed waren gingen met hem in tot de bruiloft, en de deur werd gesloten.

11 Daarna kwamen ook de andere maagden, zeggende: Hcero, heere, doe ons open.

12 En hij antwoordende zeide: Voorwaar zegge ik u, iic ken u niet.

13 Zoo waakt dan, want gij weet den dag niet noch de ure , in dewelke de Zoon des menschen komen zal.

14 Want het is gelijk een mensch, die buitenslands reizende zijne dienstknechten riep, en gaf hun zijne goederen over;

15 en den cénen gaf hij vijf talenten, en den anderen twee, en den derden één, een iegelijk naar zijn vermogen, en verreisde terstond.

16 Die nu de vijf talenten ontvangen had ging henen en handelde daarmede, en won andere vijf talenten.

17 Desgelijks ook die de twee ontvangen had, die won ook andere twee.

18 Maar die het ééne ontvangen had ging henen en groef in de aarde, en verborg het geld zijns heeren.

19 En na eenen langen tijd kwam do heer van die dienstknechten, en hield rekening met hen.


-ocr page 1089-

MATTHEUS 25.

35

20 En die de vijf talenten ontvangen had, kwam en bracht tot hem andere vijf talenten, zeggende: Heere, vijf talenten hebt i,fij mij gegeven; zie, andere vijf talenten heb. ik boven dezelve gewonnen.

21 En zijn heer zeide tot hem: Wèl, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal\'ik u zetten: ga in in de vreugde uwsheeren.

22 En die de twee talenten ontvangen had kwam óók tot hem, en zeide: Heere, twee talenten hebt gij mij gegeven; zie, andere twee talenten heb ik boven dezelve gewonnen.

23 Zijn heer zeide tot hem: Wel, gij goede en getrouwe dienstknecht, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u zetten: ga in in de vreugde uws heeren.

24 Maar die het ééne talent ontvangen had kwam óók, en zeide; Heere, ik kende u dat gij een hard mensch zijt, maaiende waar gij niet gezaaid hebt, en vergaderende van daar, waar gij niet gestrooid hebt;

25 en bevreesd zijnde ben ik henengegaan en heb uw talent verborgen in de aarde: zie, gij hebt het uwe.

26 Maar zijn heer antwoordende zeide tot hem: Gij booze en luie dienstknecht, gij wist dat ik maai waar ik niet gezaaid heb, en van daar vergader, waar ik niet gestrooid heb:

27 zoo moest gij dan mijn geld bij de wisselaren gedaan hebben, en ik komende zoude het mijne wedergenomen hebben met woeker.

28 Neemt dan van hem het talent weg, en geeft het dengenen die de tien talenten heeft.

29 Want een iegelijk die heeft, dien zal gegeven worden, en hij zal overvloedig hebben; maar van dengenen die niet heeft, van dien zal genomen worden ook dat hij heeft.

30 En werpt den onnutten dienstknecht uit in de buitenste duisternis: daar zal weening zijn en knersing der tanden.

31 En wanneer de Zoon des menschen komen zal in zijne heerlijkheid. en alle de heilige Engelen met hem, dan zal hij zitten op den troon zijner heerlijkheid;

32 en vóór hem zullen alle de volkeren vergaderd worden, en hij zal ze van elkander scheiden, gelijk de herder de schapen van de bokken scheidt;

33 en hij zal de schapen tot zijne rechter/iancl zetten, maar de bokken tot zijne linkerhand.

34 Alsaan zal de Koning zeggen tot degenen die tot zijne rechterband zijn: Komt gij gezegenden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk \'twelk u bereid is van de grondlegging der wereld;

35 want, ik ben hongerig geweest en gij hebt mij te eten gegeven, ik ben dorstig geweest en gij hebt mij te drinken gegeven, ik was een vreemdeling en gij hebt mij geherbergd,

36 ik was naakt en gij hebt mij gekleed, ik ben krank geweest en gij hebt mij bezocht, ik was in de gevangenis en gij zijt tot mij gekomen.

37 Dan zullen de rechtvaardigen hem antwoorden, zeggende: Heere, wanneer hebben wij u hongerig gezien, en gespijzigd? of dorstig\' en te drinken gegeven?

38 En wanneer hebben wij u een vreemdeling gezien, en geherbergd? of naakt, en gekleed?

39 En wanneer hebben wij u krank gezien of in de gevangenis, en zijn tot u gekomen?

40 En de Koning zal antwoorden en tot hen zeggen: Voonyaar zegge ik u, voor zooveel gij dit één van deze mijne minste broeders gedaan hebt, zoo hebt gij dat mij gedaan.

41 Dan zal hij zeggen ook tot degenen die ter linker hand zijn: Gaat weg van mij, gij vervloekten, in het eeuwige vuur \'t welk den duivel en zijnen engelen bereid is;

42 want ik ben hongerig geweest en gij hebt mij niet te eten gegeven , ik ben dorstig geweest en gij hebt mij niet te drinken gegeven ,

43 ik was een vreemdeling en gij hebt mij niet geherbergd, naakt en gij hebt mij niet gekleed, krank


-ocr page 1090-

36 MATTH

en in de gevangenis en gij hebt mij niet bezocht.

44 Dan zullen ook dezen hem antwoorden, zeggende: Heere, wanneer hebben wij u hongerig gezien, of dorstig, of een vreemdeling, of naakt, of krank , of in de gevangenis, en hebben u niet gediend ?

45 Dan zal hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar zegge ik u, voor zooveel gij dit één van deze minsten niet gedaan hebt, zoo hebt gij het mij óók niet gedaan.

46 En dezen zullen gaan in de eeuwige pijn, maar de rechtvaardigen in liet eeuwige leven.

HOOFDSTUK 26.

En het is geschied als Jezus alle deze woorden geëindigd had, dat hij tot zijne discipelen zeide:

2 Gij weet dat na twee dagen het Pascha is, en do Zoon des menschen zal overgeleverd worden om gekruisigd te worden.

3 Toen vergaderden de O verpriesters en de Schriftgeleerden en de Ouderlingen des volks in de zaal des Hoogepriesters, die genaamd was Kajafas,

4 en beraadslaagden te zamen, dat zij Jezus met listigheid vangen en dooden zouden.

5 Doch zij zeiden: Niet op het feest, opdat er geen oproer worde onder het volk.

6 Als nu Jezus te Bethanië was, ten huize van Simon den melaat-sche ,

7 kwam tot hem eene vrouw hebbende eene albasten flesch met zeer kostelijke zalve, en goot ze uit op zijn hoofd, daar hii aan tafel zat.

8 En zijne discipelen cZctf ziende, namen \'tzeer kwalijk, zeg\'ffendc: Waartoe dit verlies ? OD

9 Want deze zalve had duur kunnen verkocht en rfp penninncn oen armen gegeven worden.

10 Maar Jezus verstaande, zeide tot hen: Waarom doet gii deze vrouw moeite aan? Want zij

.f,i e^n -oed weiquot;kaan mij gedaan.

11 Want de armen hebt gij altijd met u, maar mij hebt gij niet altijd.

EÜS 26.

12 Want als zij deze zalve op mijn lichaam gegoten heeft, zoo heeft zij het gedaan tot een voor-bereiding van mijne begrafenis.

13 Voorwaar zegge ik u , alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de geheele wereld , daar zal ook tot hare gedachtenis gesproken worden van hetgeen zij gedaan heeft.

14 Toen ging een van detwaalve, genaamd Judas Iskariot, tot de Overpriesters,

15 en zeide : Wat wilt gij mij geven, en ik zal hem u overleveren ? En zij hebben hem toegelegd dertig zilveren penninrjen.

16 En van toen af zocat hij gelegenheid dat hij hom overleveren mocht.

17 En op den eersten dag der ongezuurde hrooden kwamen de discipelen tot Jezus , zeggende tot hem: Waar wilt gij dat wij u bereiden het Pascha te eten?

18 En hij zeide: Gaat henen in de stad tot zulk eenen , en zegt hem: De Meester zegt: Mijn tijd is nabij, ik zal bij u her Pascha houden met mijne discipelen.

19 En de discipelen dedan gelijk Jezus hun bevolen had, en bereidden het Pascha.

20 En als het avond geworden was zat hij aan met de twaalve.

21 En toen zij aten zeide hij: Voorwaar ik zegge u, dat een van u mij zal verraden.

22 En zij zeer bedroefd geworden zij nde, begoneen iegelijk van hen tot hem te zeggen: Ben ik het, Heere?

2-3 En hij antwoordende zeide: Die de hand met mij in den schotel indoopt, die zal mij verraden.

24 De Zoon des inenscnen gaat wel henen gelijk van hem geschreven is, maar wee dien mensch door welken de Zoon des menschen verraden wordt: het ware hem goed zoo die mensch niet geboren ware geweest.

25 En Judas die hen verried antwoordde en zeide : Ben ik het, Rabbi? Hij zeide tot hem: Gij hebt het gezegd.

20 En als zij aten nam Jezus het brood, en gezegend hebbende brak hij het, en gaf het den dis-


-ocr page 1091-

MATTHEUS 26.

37

cipelen, en zeide: Neemt, eet, dat is mijn lichaam.

27 En hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende gaf hun dien, zeggende; Drinkt allen daaruit;

28 want dat is mijn bloed, het bloed des nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt tot vergeving der zonden.

29 En ik zegge u , dat ik van nu aan niet zal drinken van deze vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer ik met u dezelve nieuw izal drinken in het Koninkrijk mijns Vaders.

30 En als zij den lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg.

31 Toen zeide Jezus tot hen: Gij zult allen aan mij geërgerd worden in dezen nacht; want daar is geschreven: Ik zal don herder slaan, en de schapen der kudde zullen verstrooid worden.

32 Maar nadat ik zal opgestaan zijn, zal ik u voorgaan naar Galiléa.

33 Doch Petrus antwoordende zeide tot hem: Al werden zij ook allen aan u geërgerd, ik zal nimmermeer geërgerd worden.

34 Jezus zeide tot hem: Voorwaar ik zegge u, dat gij in dezen zelfden nacht, eer de haan gekraaid zal hebben, mij driemaal zult verloochenen.

35 Petrus zeide tot hem: Al moest ik ook met u sterven, zoo zal ik u geenszins verloochenen. Desgelijks zeiden ook alle de discipelen.

36 Toen ging Jezus met hen in een plaats genaamd Gethsemané, en zeide tot de discipelen: Zit hier neder totdat ik henenga en aldaar zal gebeden hebben.

37 En met zich nemende Petrus en de twee zonen van Zebedeüs, begon hij droevig en zeer beangst te worden.

38 Toen zeide hij tot hen: Mijne ziele is geheel bedroefd tot den dood toe: blijft hier en waakt met mij.

39 En een weinig voortgegaan zijnde viel hij op zijn aangezicht, biddende en zeggende: Mijn Vader, indien het mogelijk is, iaat deze drinkbeker van mij voorbijgaan ;

doch niet gelijk ik wil, maar gelijk gij wilt. .....

40 En hij kwam tot de discipelen en vond ze slapende, en zeido tot Petrus: Kunt gijlieden dan niet één uur met mij waken?

41 Waakt en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt: de geest is wel gewillig, maar het vleesch is zwak.

42 Wederom ten tweeden male henengaande bad hij, zeggende: Mijn Vader, indien deze drinkbeker van mij niet voorbij kan gaan tenzij dat ik hem drinke, uw wil geschiede.

43 En komende bij hen, vond hij ze wederom slapende; want hunne oogen waren bezwaard.

44 En hen latende ging hij wederom henen en bad ten derden male . zeggende dezelfde woorden.

45 Toen kwam hij tot zijne discipelen, en zeide tot hen: Slaapt nu voort en rust; zie, de ure is nhbij gekomen, en de Zoon des menschen wordt overgeleverd in de handen der zondaren.

4G Staat op , laat ons gaan: zie, hij is nabij die mij verraadt.

47 En als hij nog sprak, zie, Judas, een van de twaalve, kwam, en met hem eene groote schare met zwaarden en stokken, gezonden van de Overpriesteren en Ouderlingen des volks.

48 En die hem verried had hun een teeken gegeven, zeggende: Dien ik zal kussen, die is het: grijpt hem.

49 En terstond komende tot Jezus , zeide hij: Wees gegroet Rabbi; en hij kuste hem.

50 Maar Jezus zeide tot hem: Vriend, waartoe zijt gij hier? Toen kwamen zij toe, en sloegen de handen aan Jezus en grepen hem. .

51 En zie, een van degenen die met Jezus waren, de hand uitstekende, trok zijn zwaard uit, en slaande den dienstknecht des Hoogepriesters, hieuw zijn oor af.

52 Toen zeide Jezus tot hem: Keer uw zwaard weder in zijne plaats; want allen die het zwaard nemen, zullen door het zwaard vergaan.


-ocr page 1092-

S8 MATTH

53 Of meent gij dat ik mijnen Vader nu niet kan bidden, en hij zal mij meer dan twaalf legioenen Engelen bijzetten ?

54 Hoe zouden dan de Schriften vervuld worden, die zeygen dat het alzóó geschieden moet?

55 Te dier ure sprak Jezus tot de scharen: Gij zijt uitgegaan als tegen eenen moordenaar, met zwaarden en stokken, om mij te vangen: dagelijks zat ik bij u, leerende in den Tempel, en gij hebt mij niet gegrepen;

56 doch dit alles is geschied opdat de Schriften der Profeten zouden vervuld worden. Toen vluchtten alle de discipelen, hem verlatende.

57 Die nu Jezus gevangen hadden , leidden hem henen tot Kaja-fas den Hoogepriester, alwaar de Schriftgeleerden en Ouderlingen vergaderd waren.

58 En Petrus volgde hem van verre tot aan de zaal des Hooge-priesters, en binnengegaan zijnde zat hij bij de dienaren , om het einde te zien.

59 En de O verpriesters en de Ouderlingen en de geheele groote Raad zochten valsche getuigenis tegen Jezus, opdat zij hem dooden mochten, en vondenquot;niet;

CO en hoewel daar vele valsche getuigen toegekomen waren, zoo vonden zij toch niet.

61 Maar ten laatste kwamen twee valsche getuigen, en zeiden: Deze heeft gezegd: Ik kan den Tempel Gods afbreken, en in drie dagen denzei ven opbouwen.

62 En de Hoogepriester opstaande zeide tot hem: Antwoordt gij niets ? Wat getuigen dezen tegen u ?

63 Doch Jezus zweeg stil. En de Hoogepriester antwoordende zeide tot hem: Ik bezweer u bij den levenden God, dat gij ons zegt of gij zijt de Christus, de Zone Gods?

64 Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch ik zegge ulieden, van nu aan zult gij zien den Zoon des menschen zittende ter rech-terhand der kracht Gods, en komende op de wolken des hemels.

65 Toen verscheurde de Hooge-

EÜS 27,

priester zijne kleederen, zeggende: Hij heeft God gelasterd: wat heb- [1G ben wij nog getuigen van noode? ^ Zie, nu hebt gij zijne f/odslaste- ü, ring gehoord;

66 wat dunkt ulieden? En zij ve antwoordende zeiden: Hij is des doods schuldig. ... di

67 Toen spuwden zij in zijn aangezicht , en sloegen heni met vuisten;

68 en anderen gaven hem kin- Y( nebakslagen, zeggende: Profeteer w ons, Christus, wie is het die u geslagen heeft? r(

69 En Petrus zat buiten in de y zaal; en een dienstmaagd kwam ^ tot hem, zeggende: Gij waart óók e, met Jezus den Galileër.

70 Maar hij loochende het voor ^ allen, zeggende: Ik weet niet wat j gij zegt. . e

71 En als hij naar de voorpoort uit- ti ging, zag hem eeneandereci/en.9N maagd, en zeide tot degenen die ^ aldaar waren: Deze was óók met \\ Jezus den Nazarener

72 En hij loochende het weder- r om met eenen eed, zeggende: Ik i ken den mensch niet.

73 En een weinig daarna, die daar stonden bijkomende zeiden tot Petrus: Waarlijk gij zijt óók van die, want ook uwe spraak maakt u openbaar.

74 Toen begon hij zich te vervloeken , en te zweren: Ik ken den mensch niet.

75 En terstond kraaide de haan; en Petrus werd indachtig aan het woord van Jezus, die tot hem gezegd had: Eer de haan gekraaid zal hebben zult gij mij driemaal verloochenen. En naar buiten gaande weende hij bitterlijk.

HOOFDSTUK 27.

Als het nu morgenstond geworden was, hebben alle de Over-priesters en de Ouderlingen des volks te zamen raad genomen tegen Jezus, dat zij hem dooden zouden;

2 en hem gebonden hebbende, leidden zij hem weg, en gaven hem over aan Pontius Pilatus den Stadhouder.

3 Toen heeft Judas die hem verraden had, ziende dat hij veroor.


-ocr page 1093-

MATT IT E U S 27.

30

[leeld was, berouw gehad, en heeft de dertig zilveren pemimt/en den Overpriesteren en den Ouderlingen wedergebracht,

4 zeggende: Ik heb gezondigd, verradende het onschuldig bloed. Maar zij zeiden: Wat gaat ons dat aan? Gij moogt toezien.

5 En als hij de zilveren pennin-gen in den Tempel geworpen had, vertrok hij , en henengaande verworgde zichzelven.

6 En de Overpriesters de zilveren penningen nemende, zeiden: Het is niet geoorloofd dezelve in de offerkist te leggen, dewijl het een prijs des bloeds is.

7 En te zamen raad genomen hebbende, kochten zij daarmede den akker des pottenbakkers, tot eene begrafenis voor de vreemdelingen.

8 Daarom is die akker genaamd de akker des bloeds tot op den huldigen dag.

9 Toen is vervuld geworden hetgeen gesproken is door den Profeet Jeremia, zeggende: En zij hebben de dertig zilveren^nnrn-gen genomen, de waarde van den gewaardeerde van de kinderen Israels, denwelken zij gewaardeerd hebben,

10 en hebben dezelve gegeven voor den akker des pottenbakkers; volgens \'t geen mij de Heere bevolen heeft.

11 En Jezus stond voor den Stadhouder ; en de Stadhouder vraagde hem, zeggende: Zijt gij de Koning der Joden? En Jezus zeidc hem: Gij zegt het.

12 En als hij van de Overpriesters en de Ouderlingen beschuldigd werd, antwoordde hij niets.

13 Toen zeide Pilatus tot hem: Hoort gij niet hoevele zalen zij tegen u getuigen?

14 Maar hij antwoordde hem niet op een óénig woord, alzoo dat de Stadhouder zich zeer verwonderde.

15 En op het feest was de Stadhouder gewoon den volke eenen gevangene los te laten, welken zij wilden.

1G En zij hadden toen eenen welbekenden gevangene, genaamd Barabbas.

17 A ls zij dan vergaderd waren, zeide Pilatus tot hen: Welken wilt gij dat ik u zal loslaten, Barabbas of Jezus die genaamd wordt Christus?

18 Want hij wist dat zij hem door nijdigheid overgeleverd hadden.

19 En als hij op den rechterstoel zat, zoo heeft zijne huisvrouw tot hem gezonden, zeggende: Heb toch niets te doen met dien rechtvaardige, want ik heb heden veel geleden in den droom om zij nentw il.

20 Maar de Overpriesters en de Ouderlingen hebben de scharen aangeraden, dat zij zouden Barabbas begeeren en Jezus dooden.

21 En de Stadhouder antwoordende zeide tot hen: Welken van deze twee wilt gij dat ik u zal loslaten? En zij zeiden: Barabbas.

22 Pilatus zeide tot hen: Wat zal ik dan doen met Jezus die genaamd wordt Christus? Zij zeiden allen tot hem: Laat hij gekruisigd worden.

23 Doch de Stadhouder zeide: Wat heeft hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer, zeggende: Laat hij gekruisigd worden.

24 Als nu Pilatus zag dat hij niets vorderde, maar veel meer dat er oproer werd, nam hij water en wiesch de handen voor de schare, zeggende: Ik ben onschuldig aan het bloed dezes rechtvaardigen : gijlieden moogt toezien.

25 En al het volk antwoordende zeide: Zijn bloed kome over ons en over ónze kinderen.

26 Toen liet hij hun Barabbas los, maar Jezus gegeeseld heb-bende, gaf hij hem over om gekruisigd te worden.

27 Toen namen de krijgsknechten dos Stadhouders Jezus met zich in het rechthuis, en vergaderden over hem de gansche bende.

28 En als zij hem ontkleed hadden, deden zij hem eenen purperen mantel om;

29 en eene kroon van doornen gevlochten hebbende, zetleden zij die op zijn hoofd, en eenen riet-stok in zijne rechter/jr/mi; en vallende op hunne knieën voor hem, bespotteden zij hem, zeggende:


-ocr page 1094-

40 MATTE

Wees gegroet gij Koning der Joden;

30 en op hem gespuwd hebbende, namen zij den rietstok en sloegen op zijn hoofd.

31 En toen\' zij hem bespot hadden, deden zij hem den mantel af, en deden hem zijne kleederen aan, en leidden hem henen om te kruisigen.

32 En uitgaande vonden zij eenen man van Gyrene, met name Simon; dezen dwongen zij dat hij zijn kruis droeg.

33 En gekomen zijnde tot de plaats genaamd Golgotha, welke is gezegd Hoofdschedelplaats,

34 gaven zij hem te drinken edik met gal gemengd; en als hij dien geproefd had, wilde hij niet drinken.

35 Toen zij nu hem gekruisigd hadden, verdeelden zij zijne kleederen, het lot werpende; opdat vervuld zoude worden \'tgeen gezegd is door den Profeet: Zij hebben mijne kleederen onder zich verdeeld, en hebben het lot over mijne kleeding geworpen.

36 En zij nederzittende bewaarden hein aldaar.

37 En zij stelden boven zijn hoofd zijne beschuldiging geschreven: Deze is Jezus de Koning der Joden.

38 Toen werden met hem twee moordenaars gekruisigd, één ter rechter- en één ter linkerzijde.

39 En die voorbij gingen lasterden hem, schuddende hunne hoofden

40 en zeggende: Gij die den Tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt, verlos uzelven; indien gij de Zoon Gods zijt, zoo kom af van het kruis.

41 En desgelijks ook de Over-priesters met de Schriftgeleerden en Ouderlingen en Farizeërs hem bespottende, zeiden:

42 Andoren heeft hij verlost, hij kan zich zei ven niet verlossen; indien hij de Koning Israels is, dat hij nil afkome van het kruis, en wij zullen hem gelooven.

43 Hij heeft op God betrouwd: dat hij hem nu verlosse, indien hij hem wï-l wil; want hij heeft gezegd: Ik ben Gods Zoon.

EUS 27.

44 En hetzelfde verweten hem ook de moordenaars die met hem gekruisigd waren.

45 En van de zesde ure aan werd er duisternis over de ge-heele aarde, tot de negende ure toe.

40 En omtrent de negende ure riep Jezus met eenegroote stemme, zeggende: Eli\', Eu\', lama sa-hachtani, dat is: mijn God , mijn God, waarom hebt gij mij verlaten!

47 En sommigen van die daar stonden zulks hoerende, zeiden: Deze roept Eh\'a.

48 En terstond een van hen toe-loopende nam een spons, en die met edik gevuld hebbende stak ze op eenen rietstok, en gaf hem te drinken.

49 Doch de anderen zeiden: Houd op , laat ons zien of Elfa komt om hem te verlossen.

50 En Jezus wederom met een groote stemme roepende, gaf den geest.

51 En zie, het voorhangsel des Tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden, en de aarde beefde, en de steenrotsen scheurden ,

52 en de graven werden geopend, en vele lichamen der heiligen die ontslapen waren werden opgewekt ;

53 en uit de graven uitgegaan zijnde na zijne opstanding, kwamen zij in de heilige slad, en zijn velen verschenen.

54 En de hoofdman over honderd, en die met hem Jezus bewaarden , ziende de aardbeving en de dingen die geschied waren, werden zeer bevreesd, zeggende: Waarlijk deze was Gods Zoon.

55 En aldaar waren vele vrouwen van verre aanschouwende, die Jezus gevolgd waren van Ga-liléa om hem te dienen;

50 onder dewelke was Maria Magdalena, en Maria de moeder van Jacobus cn Joses, en de moeder der zonen van Zebedeüs.

57 En als het avond geworden was, kwam een rijk man van Arimathéa, met name Jozef, die ook zelf een discipel van Jezus was:


-ocr page 1095-

MATTHEUS 28.

41

58 deze kwam tot Pilatus en hegeerde het lichaam van Jezus. Toen beval Pilatus dat hem het lichaam gegeven zoude worden.

59 En Jozef hel lichaam nemende, wond hetzelve in een zuiver fijn lijnwaad,

60 en lelde dat in zijn nieuw graf, \'t welk hij in eene steenrots uitgehouwen had; en eenen groo-ten steen tegen de deur des grafs gewenteld hebbende, ging hij weg.

Gl En aldaar was Maria Magda-lena en de andere Maria, zittende tegenover het graf.

02 Des anderen daags nu , welke is na de voorbereiding, vergaderden de Overpriesters en de Fari-zeërs tot Pilatus ,

63 zeggende: Heere, wij zijn indachtig dat deze verleider nog levende gezegd heeft: Na drie dagen zal ik opstaan.

64 Beveel dan dat het graf verzekerd worde tot den derden dag toe, opdat zijne discipelen misschien niet komen bij nacht en hem stelen, en zeggen tot het volk: Hij is opgestaan van de dooden: en zoo zal de laatste dwaling erger zijn dan de eerste.

65 En Pilatus zeide tot hen: Gij hebt eene wacht: gaat henen, verzekert het gelijk gij \'t verstaat.

66 En zij henengaande verzekerden het graf met de wacht, den steen verzegeld hebbende.

HOOFDSTUK 28.

En laat na den sabbat, als het begon te lichten tegen den eersten dag der weck, kwam Maria Mag-dalena en de andere Maria om het graf te bezien.

2 En zie, daar geschiedde eene groote aardbeving; want een Engel des Heeren nederdalende uit den hemel, kwam toe en wentelde den steen af van de deur, en zat op denzelven.

3 En zijne gedaante was gelijk een bliksem, en zijne kleeding wit gelijk sneeuw.

4 En uit vrees van hem zijn de wachters zeer verschrikt geworden, en werden als dooden.

5 Maar de Engel antwoordende zeide tot do vrouwen: Vreest gijlieden niet; want ik weet dat gij zoekt Jezus die gekruisigd was.

6 Hij is hier niet; want hij is opgestaan, gelijk hij gezegd heeft. Komt herwaarts, ziet de plaats waar da Heere gelegen heeft.

7 En gaat haastelijk henen en zegt zijnen discipelenquot;, dat hij opgestaan is van de dooden; en zie, hij gaat u vóór naar Galiléa: daar zult gij hem zien. Zie, ik heb het ulieden gezegd.

8 En haastelijk uitgaande van het graf, met vreeze en groote blijdschap, liepen zij henen om \'t zeiven zijnen discipelen te boodschappen.

9 En als zij henengingen om zijnen discipelen te boodschappen, zie, Jezus is haar ontmoet, zeggende : Weest gegroet. En zij tot hom komende grepen zijne voeten en aanbaden hem.

*10 Toen zeide Jezus tot haar: Vreest niet; gaat henen, boodschapt mijnen broederen , dat zij henengaan naar Galiléa, en aldaar zullen zij mij zien.

11 En als zij henengingen, zie, eenigen van de wacht kwamen in de stad, en boodschapten den Overpriesters alle de dingen die gesel-lied waren.

12 En zij vergaderd zijnde met de Ouderlingen, en te zamen raad genomen hebbende, gaven zij den quot;krijgsknechten veel geld,

13 en zeiden: Zegt: Zijne discipelen zijn des nachts gekomen en hebben hem gestolen, als wij sliepen.

14 En indien zulks komt gehoord te worden van den Stadhouder, wij zullen hem tevreden stellen en maken dat gij zonder zorg zijt.

15 En zij het geld genomen hebbende , deden gelijk zij geleerd waren. En dit woord is verbreid geworden bij de Joden tot op den huidigen dag.

16 En de elf discipelen zijn he-nengegaan naar Galiléa, naar den berg waar Jezus hen bescheiden had.

17 En als zij hem zagen, baden zij hem aan; doch sommigen twijfelden.


-ocr page 1096-

MARC

US 1.

42

18 En Jezus bij hen komende sprak tot hen, zéggende: Mij is gegeven alle macht in hemel en op aarde.

19 Gaat dan henen, onderwijst alle de volkeren, dezelve doopende in den naam des Vaders en des

Zoons en des Heiligen Geestes, leerende hen onderhouden alles wat ik u geboden heb.

20 En ziet, ik ben met ulieden alle de dagen tot de voleinding der wereld. Amen,


HET HEILIG EVANGELIE

naar DE BESCHRIJVING VAN

M ARGUS.

HOOFDSTUK 1.

Het begin des Evangelies van Jezus Christus den Zoon Gods.

2 Gelijk geschreven is in de Profeten: Zie, ik zende mijnen Engel voor uw aangezicht, die uwen weg voor u henen bereiden zal:

3 de stemme des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt zijne paden recht.

4 Johannes was doopende in de woestijn, en predikende den doop der bekeering tot vergeving dei-zonden.

5 En al het Joodsche land ging tot hem uit, en die van Jeruzalem, en werden allen van hem gedoopt in de rivier den Jordaan, belijdende hunne zonden.

6 En Johannes was gekleed met kemelshaar, en met eenen lederen gordel om zijne lendenen en at sprinkhanen en wilden honig.

7 En hij predikte, zeggende: Na my komt die sterker is dan ik, ■wien ik niet waardig ben neder-bukkende den riem zijner schoenen te ontbinden.

8 Ik heb ulieden wel gedoopt met water, maar hij zal udoopen met den Heiligen Geest.

9 En het geschiedde in die dagen dat Jezus kwam van Nazareth, gelegen in Galiléa, en werd van Johannes gedoopt in den Jordaan.

10 En terstond als hij uit het water opklom, zag hj de hemelen opengaan, en den Geest gelijk eene duive op hein nederdalen.

11 En daar geschiedde eene stem uit de hemelen : Gij zijt mijn geliefde Zoon, in denwelken ik mijn welbehagen heb.

12 En terstond dreef hem de Geest uit in de woestijn.

13 En hij was aldaar in de woestijn veertig dagen, verzocht van den satan, en was bij de wilde gedierten, en de Engelen dienden hem.

14 En nadat Johannes overgeleverd was, kwam Jezus in Galiléa, predikende het Evangelie van het Koninkrijk Gods,

15 en zeggende: De tijd is vervuld, en het Koninkrijk Gods nabij gekomen: bekeert u en gelooft het Evangelie.

16 En wandelende bij de Galilee-sche zee, zag hij Simon en Andreas zijnen broeder, werpende het net in de zee. (want zij waren visschers);


-ocr page 1097-

MARCUS 1.

43

17 en Jezus zeide lot hen: Volgt mij na, en ik zal maken dat gij visschers der menschen zult worden.

18 En zij terstond hunne netten verlatende, zijn hem gevolgd.

19 En van daar een weinig voortgegaan zijnde, zag hij Jacobus den zoon van Zebedeüs, en Johannes zijnen broeder, en hen in het schip hunne netten vermakende :

20 en terstond riep hij ze; en zij latende hunnen vader Zebedeüs in het schip met de huurlingen, zijn hem nagevolgd.

21 En zij kwamen binnen Ka-pernaüm; en terstond op den sabbatdag in de Synagoge gegaan zijnde, leerde hij.

22 En zij stonden verslagen over zijne leer; want hij leerde hen als machthebbende, en niet als de Schriftgeleerden.

23 En daar was in hunne Synagoge een mensch met eenen\'on-reinen geest, en hij riep uit,

24 zeggende: Laat af, wat hebben wij met u te doen, gij Jezus Nazarener? Zijt gij gekomen om ons te verderven ? Ik ken u wie gij zijt, namely Ic de Heilige Gods.

25 En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil en ga uit van hem.

26 En de onreine geest hem scheurende, en roepende met eene groote stem, ging uit van hem.

27 En zij werden allen verbaasd, zoodat zij onder elkander vraagden, zeggende: Wat is dit? Wat nieuwe leer is deze, dat hij met macht ook den onreinen geesten gebiedt, en zij hem gehoorzaam zijn!

quot;28 En zijn gerucht ging terstond uit in quot;t geheele omliggende land van Galiléa.

29 En van stonde aan uit de Synagoge gegaan zijnde, kwamen zij in het huis vanquot; Simon en An-dréas, met Jacobus en Johannes.

30 En Simons vrouws moeder lag met de koorts; en terstond zeiden zij hem van haar.

31 En hij tot haar gaande vatte hare hand, en richtte ze op; en terstond verliet haar de koorts, en zij diende hen.

32 Als het nu avond geworden was, toen de zon onderging, brachten zij tot hem allen\'die kwalijk gesteld en van den duivel bezeten waren.

33 En de geheele stad was bijéénvergaderd omtrent de deur.

34 En hij genas er velen die door verscheiden ziekten kwalijk gesteld waren, en wierp vele duivelen uit, en liet de duivelen niet toe te spreken, omdat zij hem kenden.

35 En \'s morgens vroeg, als het nog diep in den nacht was, opgestaan zijnde ging hij uit en ging henen in eene woeste plaats, en bad aldaar.

36 En Simon en die met hem waren zijn hem nagevolgd.

37 En zij hem gevonden hebbende , zeiden tot hem: Zij zoeken u allen.

38 En hij zeide tot hen: Laat ons in de bijliggende vlekken gi\'ian, opdat ik ook daar predike; want daartoe ben ik uitgegaan.

39 En hij predikte in hunne Synagogen, door geheel Galiléa, en wierp de duivelen uit.

40 En tot hem kwam een melaat-sche, biddende hem en vallende voor hem op de knieën, en tot hem zeggende: Indien gij wilt, gij kunt mij reinigen.

41 En Jezus met barmhartigheid innerlijk bewogen zijnde, strekte de hand uit en raakte hem aan, en zeide tot hem: Ik wil, word gereinigd.

42 En als hij dit gezegd had, ging de melaatschheid terstond vim hem, en hij werd gereinigd.

43 En als hij hem strengelijk verboden had, deed hij hem terstond vim zich gaan,

44 en zeide tot hem: Zie dat gij niemand iets zegt; maar ga henen en vertoon uzelven den Priester, en offer voor uwe reiniging hetgeen Mozes geboden heeft, hun tot een getuigenis.

45 Maar hij uitgegaan zijnde begon vele dingen te verkondigen en dat woord te verbreiden, alzoo dat hij niet meer openlijk in de


-ocr page 1098-

44 M A R (

stad kon komen, maar was buiten in de woeste plaatsen, en zij kwamen tot hem van alle kanten.

HOOFDSTUK 2.

En na sommige dagen is hij wederom binnen Kapernaüm gekomen. En het werd gehoord dat hij in huis was;

2 en terstond vergaderden daar velen, alzoo dat ook zelfs de

sen omtrent de deur hen niet meer konden bevatten; en hij sprak het Woord tot hen.

3 En daar kwamen sommigen tot hem, brengende eenengeraakte, die van vier gedragen werd.

4 En niet kunnende tot hem genaken wegens de schare, ontdekten zij het dak waar hij was; en dat opgebroken hebbende, lieten zij het beddeken neder daalde geraakte op lag.

5 En Jezus hun geloof ziende, zeide tot den geraakte: Zoon, uwe zonden zijn u vergeven.

0 En sommigen van de Schriftgeleerden zaten aldaar, en overdachten in hunne harten:

7 Wat spreekt deze aldus gods-lasteringen? Wie kan de zonden vergeven dan alleen God?

8 En Jezus terstond in zijnen geest bekennende dat zij alzóó in zichzelven overdachten, zeide tot hen: Wat overdenkt gij deze dingen in uwe harten?

9 Wat is lichter, te zeggen tot den geraakte: De zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en neem uw beddeken op, en wandel?

10 Doch opdat gij moogt weten dat de Zoon des menschen macht heeft om de zonden op de aarde te vergeven (zeide hij tot den geraakte):

11 ik zegge u, sta op en neem uw beddeken op, en ga henen naar uw huis.

12 En terstond stond hij op, en het beddeken opgenomen hebbende , ging hij uit in aller tegenwoordigheid; zoodat zij zich allen ontzetteden, en verheerlijkten God, zeggende: Wij hebben nooit zulks gezien.

13 Ea hij ging wederom uit naar 1 US 2.

de zee; en de geheele schare kwam tot hem, en hij leerde ze.

14 En voorbijgaande, zag hij Levi den zoon van Alfeüs zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg mij. En hij opstaande volgde hem.

15 En het geschiedde als hij aanzat in deszelfs huis, dat ook vele tollenaren en zondaren aanzaten met Jezus en zijne discipelen; want zij waren velen, en waren hem gevolgd.

16 En de Schriftgeleerden en de Farizeërs, ziende hem eten met de tollenaren en zondaren, zeiden tot zijne discipelen: Wat is \'t, dat hij met de tollenaren en zondaren eet en drinkt?

17 En Jezus dat hoerende, zeide tot hen: Die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van noode, maar die ziek zijn. Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaars tot bekeering.

18 En de discipelen van Johannes en van de Farizeérs vastten; en zij kwamen en zeiden tot hem; Waarom vasten de discipelen van Johannes en van de Farizeërs, en uwe discipelen vasten niet?

19 En Jezus zeide tot hen: Kunnen ook de bruiloftskinderen vasten terwijl de bruidegom bij hen is? Zoo langen tijd zij den bruidegom bij zich hebben, kunnen zij niet vasten;

20 maar de dagen zullen komen wanneer de bruidegom van hen zal weggenomen zijn, en alsdan zullen zij vasten in die dagen.

21 En niemand naait eenen lap ongevold laken op een oud kleed; anders scheurt deszelfs nieuwe aangenaaide lap iets af van het oude kleed, en daar wordt een erger scheur.

22 En niemand doet nieuwen wijn in oude lederen zakken; anders doet de nieuwe wijn de lederen zakken bersten, en de wijn wordt uitgestort, en de lederen zakken verderven; maar nieuwen wijn moet men in nieuwe lederen zakken doen.

23 En het geschiedde dat hij op eenen sabbatdag door het gezaaide


-ocr page 1099-

ging, en zijne discipelen begonnen, al gaande, aren te plukken.

24 En de Farizeërs zeiden tot hem: Zie, waarom doen zij op den sabbatdag wat niet geoorloofd is?

25 En hij zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen wat David gedaan heeft, als hij nood had, en hem hongerde en dengenen die met hem ivaren?

26 hoe hij ingegaan is in het Huis Gods, ten tijde van Abjathar den Hoogepriester, en de toon-brooden gegeten heeft, die \'t niemand geoorloofd is te eten dan den Priesteren, en ook gegeven heeft dengenen die met hem waren ?

27 En hij zeide tot hen: De sabbat is gemaakt om den menseh, niet de menseh om den sabbat:

28 zoo is dan de Zoon des men-schen een Heer ook van den sabbat.

HOOFDSTUK 3.

En hij ging wederom in de Synagoge. En aldaar was een menseh hebbende een verdorde hand;

2 en zij namen hem waar, of hij op den sabbat hem genezen zoude, opdat zij hem besehuldigen moeh-ten.

\'6 En hij zeide tot den menseh die de verdorde hand had: Sta op in het midden.

4 En hij zeide tot hen: Is het geoorloofd op sabbatdagen goed te doen of kwaad te doen? eenen menseh te behouden oftedooden? En zij zwegen stil.

5 En als hij ze met toorn rondom aangezien had, metéén bedroefd zijnde over de verharding van hun hart, zeide hij tot den menseh: Strek uwe hand uit; en hij strekte ze uit, en zijne hand werd hersteld gezond gelijk de andere.

6 En de Farizeërs uitgegaan zijnde, hebben terstond met de Herodianen te zamen raad gehouden tegen hem, hoe zij hem zouden dooden.

7 En Jezus vertrok met zijne diseipelen naar de zee, en hem

45

volgde eene groote menigte van Galiléa en van Judéa,

8 en van Jeruzalem, en van Idu mca, en van over den Jordaan; en die van omtrent Tyrus en Si-don , eene groote menigte, gehoord hebbende hoe groote dingen hij deed, kwamen tot hem.

9 En hij zeide tot zijne diseipelen, dat een seheepken steeds omtrent hem blijven zoude, om der schare wille, opdat zij hem niet zouden verdringen;

10 want hij had er velen genezen, alzoo dat alle degenen die eenige kwalen hadden hem overvielen , opdat zij hem mochten aanraken.

11 En de onreine geesten, als zij hem zagen, vielen voor hem neder en riepen, zeggende: Gij zijt de Zoon Gods.

12 En hij gebood hun scherpelijk dat zij hem niet zouden openbaar maken.

13 En hij klom op den berg, en riep tot zich die hij wilde; ea zij kwamen tot hem.

14 En hij stelde er twaalf, opdat ze met hem zouden zijn, en opdat hij dezelve zoude uitzenden om te prediken,

15 en om macht te hebben de ziekten te genezen en de duivelen uit te werpen.

16 En Simon gaf hij den toe-naam Petrus;

17 en Jacobus den zoon van Zebedeüs, en Johannes den broeder van Jacobus, en gaf hun toc-namen Boanerges, \'twelk is, zonen des donders;

18 en Andréas, en Filippus^ en Bartnolomeüs, en Mattheüs, en Thomas, en Jacobus den zoon van Alfeüs, en Thaddeüs, en Simon Kananites,

19 en Judas Iskariot, die hem ook verraden heeft.

20 En zij kwamen in huis, en daar vergaderde wederom eene schare, alzoo dat zij ook zelfs niet konden brood eten.

21 En als degenen die hem bestonden dit hoorden, gingen zij uit om hem vast te houden; want zij zeiden: Hij is buiten zijne zinnen.

MARCUS 3.


-ocr page 1100-

46 M A R

22 En de Schriftgeleerden die van Jeruzalem afgekomen waren, zeiden: Hij heeft Beëlzebul, en door don overste der duivelen werpt hij de duivelen uit.

23 En hen tot zich geroepen hebbende, zeide hij tot hen in gelijkenissen: Hoe kan de satan den satan uitwerpen?

24 En indien een koninkrijk tegen zich zelf verdeeld is, zoo kan dat koninkrijk niet bestaan;

25 en indien een huis tegen zichzelf verdeeld is , zoo kan dat huis niet bestaan;

26 en indien de satan tegen zichzelven opstaat en verdeeld is, zoo kan hij niet bestaan, maar heeft een einde.

27 Daar kan niemand in het. huis eens sterken ingaan en zijne vaten ontrooven, indien hij niet eerst den sterke bindt; en alsdan zal hij zijn huis berooven.

28 Voorwaar ik zegge u, dat alle de zonden den kinderen der menschen zullen vergeven worden, en allerlei lasteringen waarmede zij zullen gelasterd quot;hebben;

29 maar zoo wie gelasterd zal hebben tegen den Heiligen Geest, die heeft geene vergeving in eeuwigheid, maar hij is schuldig des eeuwioren oordeels.

30 Want zij zeiden: Hij heeft eenen onreinen geest.

31 Zoo kwamen dan zijne broeders en zijne moeder, en buiten staande zonden zij tot hem en riepen hem.

32 En de schare zat rondom hem; en zij zeiden tot hem: Zie, uwe moeder en uwe broeders daar buiten zoeken u.

33 En hij antwoordde hun, zeggende: Wie is mijne moeder of mijne broeders?

34 En rondom overzien hebbende die óm hem zaten, zeide hij : Ziet, mijne moeder en mijne broeders.

35 Want zoo wie den wil Gods doet, die is mijn broeder en mijne zuster en moeder.

HOOFDSTUK 4.

En hij begon wederom te leeren omtrent de zee; en daar verga-2 U S 4.

^erde eene groote schare bij hem, alzoo dat hij in het schip gegaan zijnde nederzat op de zee; en de geheele schare was op het land aan de zee.

2 En hij leerde hun vele dingen door gelijkenissen, en hij zeidein zijne leering tot hen:

3 Hoort toe. Zie, een zaaier ging uit om te zaaien.

4 En het geschiedde in het zaaien, dat het ééne deel van het zaad viel bij den weg: en de vogelen des hemels kwamen en aten het op.

5 En het andere viel op het steenachtige, waar het niet veel aarde had; en het. ging terstond op, omdat het geen diepte van aarde had;

6 maar als de zon opgegaan was, zoo is het verbrand geworden , en omdat het geen wortel had zoo is het verdord.

7 En het andere viel in de doornen , en de doornen wiessen op en verstikten hetzelve, en het gaf geen vrucht.

8 En het andere v\'el in de goede aarde, en gaf vruc.it die opging en wies, en het ééne droeg dertig-, en het andere zestig-, en het andere hondordycmd.

9 En hij zeide tot hen: Wie ooren heeft om te hooren, die hoore.

10 En als hij nu alleen was, vraagden hem degenen die omtrent hem tuaren, met de twaalve, naar de gelijkenis.

11 En hij zeide tot hen: Het is u gegeven te verstaan de verborgenheid van het Koninkrijk Gods ; maar dengenen die buiten zijn, geschieden alle deze dingen door gelijkenissen,

12 opdat zij ziends zien en niet bemerken, en hoerende hooren en niet verstaan, opdat zij zich niet te eeniger tijd bekeeren en hun de zonden vergeven worden.

13 En hij zeide tot hen: Weet gij deze gelijkenis; niet, en hoe zult gij alle de gelijkenissen verstaan ?

14 De zaaier is die het Woord zaait.

15 En deze zijn die bij den weg


-ocr page 1101-

M ARGUS

47

bezaaid worden, waarin het woord gezaaid wordt, en als zij het ge-gehoord hebben, zoo komt de satan terstond en neemt het woord weg \'t welk in hunne harten gezaaid was.

16 En deze zijn desgelijks die op de steenachtige plaatsen bezaaid worden, welke als zij het woord gehoord hebben, terstond hetzelve met vreugde ontvangen,

17 en hebben geenen wortel in zichzelven, maar zijn voor eenen tijd; daarna als verdrukking of vervolging komt om des woords wille, zoo worden zij terstond ge-ergerd.

18 En deze zijn die in de doornen bezaaid worden, namelijk degenen die het woord hooi en,

\'19 en de zorgvuldigheden dezer wereld en de verleiding des rijk-doms en de begeerlijkheden omtrent de andere dingen inkomende, verstikken het woord, en het wordt onvruchtbaar.

20 En deze zijn die in de goede aarde bezaaid zijn, welke het woord hooren en aannemen, en dragen vruchten, hetééne dertig-, en het andere zestig-, en het andere henderdyottd.

21 En hij zeide tot hen : Komt ook de kaars opdat ze onder de korenmaat of onder het bod gezet worde ? Js \'t niet opdat ze op den kandelaar gezet worde?

22 Want daar is niets verborgen dat niet geopenbaard zal worden, en daar is niets geschied om verborgen te zijn, maar opdat het in \'t openbaar zoude komen.

23 Zoo iemand ooren heeft om te hooren, die hoore.

24 En hij zeide tot hen: Ziet wat gij hoort. Met wat mate gij meet zal u gemeten worden, en u die hoort zal meer toegelegd worden.

25 Want zoo wie heeft, dien znl gegeven worden; en wie niet heeft, van dien zal genomen worden ook dat hij heeft.

2G En hij zeide: Alzóó is het Koninkrijk Gods, alsof een mensch het zaad in de aarde wierp,

27 en voorts sliep en opstond, nacht en dag, en het zaad uitsproot en lang werd, dat. hij zelf niet wist hoe;

28 want de aarde brengt van zelf vrucht voort: eerst het kruid, daarna de aar, daarna het volle koren in de aar.

29 En als de vrucht zich voordoet, terstond zendt hij de sikkel daarin, omdat de oogst daar is.

30 En hij zeide: Waarbij zullen wij het Koninkrijk Gods vergelijken, of met wat gelijkenis zullen wij hetzelve gelijkenquot;?

31 Namelijk bij een mostaardzaad , hetwelk wanneer het in de aarde gezaaid wordt, het minste is van alle de zaden die op de aarde zijn;

32 en wanneer hot gezaaid is, gaat het op en wordt het meeste van alle de moeskruiden, en maakt groote takken, alzoo dat de vogelen des hemels onder zijne schaduw kunnen nestelen.

33 En door vele zulke gelijkenissen sprak hij tot hen het Woord, naardat zij het hooren konden;

34 en zonder gelijkenis sprak hij tot hen niet, maar hij verklaarde alles zijnen discipelen in \'t bijzonder.

35 En op dien dag, als \'t nu avond geworden was, zeide hij tot hen: Laat ons overvaren aan do andere zijde.

36 En zij de schare gelaten hebbende, namen hem mede, gelijk hij in het schip was; en daar waren nog andere scheep-kens met hem.

37 En daar werd een groote storm van wind, en de baren sloegen over in het schip, alzoo dat het nu vol werd.

38 En hij was in het achterschip slapende op een oorkussen, en zij wekten hem op en zeiden tot hem: Meester, bekommert het u niet dat wij vergaan?

39 En hij opgewekt zijnde bestrafte den wind, en zéide tot de zee: Zwijg , wees stil: en de wind ging liggen, en daar werd groote stilte.

40 En hij zeide tot hen: Wat zijt gij zoo vreesachtig? Hoe hebt gij geen geloof?

41 En zij vreesden met groote


-ocr page 1102-

MARCUS 5.

48

vreeze en zeiden tot elkander: Wie is toch deze, dat ook de wind en de zee hem gehoorzaam zijn!

HOOFDSTUK 5.

En zij kwamen over op de andere zijde der zee, in hot land der Gadarenen.

2 En als hij uit het schip gegaan was, terstond ontmoette hem uit de graven een mensch met eenen onreinen geest;

3 dewelke zijne woning in de graven had, en niemand kon hem binden, ook zelfs niet met ketenen;

4 want hij was menigmaal met boeien en ketenen gebonden geweest, en de ketenen waren van hem in stukken getrokken en de boeien verbrijzeld, en niemand was machtig om hem te temmen;

5 en hij was altijd, nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zich-zelyen met steenen.

6 Als hij nu Jezus van verre zag, liep hij toe en aanbad hem;

7 en met eene groote stem roepende, zeide hij : Wat heb ik met u te doen, Jezus, gij Zoon Gods des Allorhoogsten? Ik bezweer u bij God dat gij mij niet pijnigt.

8 (Want hij zeide tot hem: Gij onreine geest, ga uit van den mensch.)

9 En hij vraagde hem : Welke is uw naam? En hij antwoordde, zeggende: Mijn naam is Legio, want wij zijn velen.

10 En hij bad hem zeer, dat hij hen buiten dat land niet wegzond.

11 En aldaar aan de bergen was eene groote kudde zwijnen weidende ;

12 en alle de duivelen baden hem, zeggende: Zend ons in dje zwijnen, opdat wij in dezelve mogen varen.

13 En Jezus liet het hun terstond toe. En de onreine geesten uitgevaren zijnde, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte afin de zee, (daar waren er nu omtrent tweeduizend), en versmoorden in de zee.

14 En die de zwijnen weidden Z1jn gevlucht, en boodschapten zulks in de stad en op het land en zij gingen uit om tp zien wa het was dat er geschied was.

15 En zij kwamen tot Jezus, en zagen den bezetene zittende en gekleed en wol bij zijn verstand namelijk die het legioen gehad had; en zij werden bevreesd.

16 En die het gezien hadden vertelden hun wat den bezetene geschied was, en ook van de zwijnen.

17 En zij begonnen hem te bidden dat hij van hunne landpalen wegging.

18 En als hij in het schip gini_ bad hem degene die bezeten was geweest, dat hij met hem mocht zijn.

19 Doch Jezus liet hem dat niet toe, maar zeide tot hem: Ga henen naar uw huis tot de uwen, en boodschap hun wat groote dingen u Ue Heere gedaan heeft, en hoe hij zich uwer ontfermd heeft.

20 En hij ging henen, en begon te verkondigen in \'t land van Decapolis wat groote dingen hem Jezus gedaan had: en zij verwonderden zich allen.

21 En als Jezus wederom in het schip overgevaren was aan de andere zij de, vergaderde eene groote schare bij hem; en hij was bij de zee.

22 En zie, daar kwam een van de oversten der Synagoge, met name Jaïrus; en hem ziende viel hij aan zijne voeten,

23 en bad hem zeer, zeggende: Mijn dochterken is in haar uiterste ; ik bid n dat gij komt en de handen op haar legt, opdat zij behouden worde, en zij zal leven.

24 En hij ging met hem, en eene groote schare volgde hem, en zij verdrongen hem.

25 En eene zekere vrouw, die twaalf jaren den vloed des bloeds gehad had,

26 en veel geleden had van vele medicijnmeesters, en al het hare daaraan te koste gelegd en geen baat gevonden had, maar met welke het veeleer erger geworden was,

27 deze van Jezus hoerende, kwam onder de schare van achteren , en raakte zijn kleed aan;

28 want zij zeide: Indien ik maar

7, IJl ik

ha;


-ocr page 1103-

MARCUS 6.

49

zijce kleoderen mag aanraken, ik ial gezond worden.

29 En terstond is de fontein haars bioeds opgedroogd, en zij gevoelde aan haar lichaam dat zij van die kwaal genezen was.

3ö En terstond Jezus bekennen-dö in zichzelven de kracht die van hem uitgegaan was , keerde zich cm in de schare, en zeide: Wie heeft mijneklcederen aangeraakt ?

31 En zijne discipelen zeiden tot hem: Gij ziet dat de schare u verdringt, en zegt gij: Wie heeft mij aangeraakt?

32 En hij zag rondom, om haar te zien die dat gedaan had.

33 En de vrouw vreezende en bevende, wetende wat aan haar geschied was, kwam en viel voor hein neder, en zeide hem al de waarheid.

34 En hij zeide tot haar: Dochter , uw geloof heeft u behouden; ga henen in vrede, en wees genezen van deze uwe kwaal.

35 Terwijl hij nog sprak, kwamen eenigcn van het huis van den overste der Synagoge, zeggende: Uwe dochter is gestorven, wat zijt gij den Meester nog moeie-lijk?

3G En Jezus terstond gehoord hebbende het woord dat er gesproker. werd, zeide tot den overste der Synagoge: Vrees niet, geloof alleenlijk.

37 En hij liet niemand toe hem te volgen dan Petrus, en Jacobus, en Johannes den broeder van Jacobus ;

38 en kwam in het huis van den overste der Synagoge, en zag de beroerte en degenen die zeer weenden en huilden;

39 en ingegaan zijnde zeide hij tot hen: Wat maakt gij beroerte en tvat weent gij? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt.

40 En zij belachten hem; maar hij, als hij ze allen had uitgedreven, nam bij zich den vader en de moeder des kinds, en degenen die met hem lunren, en ging binnen waar het kind lag.

41 En hij vatte de hand des kinds, en zeide tot haar: Tah\'tha kumi, \'t welk is, overgezet zijnde:

Gij dochterken, ik zegge u, sta op.

42 En terstond stond het dochterken op en wandelde; want het was twaalf Jaren oud; en zij ontzette-den zich met groote ontzetting.

43 En hij gebood hun zeer dat niemand dat zoude weten, en zeide dat men haar zoude te eten geven.

HOOFDSTUK 6.

En hij ging van daar weg, en kwam in zijn vaderland, en zijne discipelen volgden hem.

2 Én als het sabbat geworden was, begon hij in de Synagoge te leeren; en velen die hem hoorden ontzctteden zich, zeggende: Van waar komen dezen deze dingen, en wat wijsheid is dit die hem gegeven i.s, dat ook zulke krachten door zijne handen geschieden?

3 Is deze niet de timmerman, de zoon van Maria, en de broeder van Jacobus en Joses, en van Judas en Simon? En zijn zijne zusters niet hier bij ons? En zij werden aan hem geërgerd.

4 En Jezus zeide tot hen : Een Profeet is niet ongeëerd dan in zijn vaderland en onder r/ym\' magen en in zijn huis.

5 En quot;hij kon aldaar geene kracht, doen; dan hij leide weinigen zieken de handen op en genas ze.

G En hij verwonderde zich over hun ongeloof, en omging de vlekken daar rondom, leerende.

7 En hij riep tot zich de twaalve, en begon hen uit te zenden twee en twee , en gaf hun macht over de onreine geesten;

8 en hij gebood hun dat zij niets zouden nemen tot den weg-dan alleen eenen staf, geen male, geen brood, geen geld in den gordel;

9 maar dat ze schoenzolen zouden aanbinden , en met geen twee rokken gekleed zijn.

10 En hij zeide tot hen : Zoo waar gij in een huis zult ingaan, blijft daar totdat gij van daar uitgaat.

11 En zoo wie u njet zullen ontvangen noch u hooren , vertrekkende van daar schudt het stof af dat onder aan uwe voeten is, hun tot een getuigenis. Voorwaar

[ zegge ik u, het zal Sodom of Go-


-ocr page 1104-

£0

morra verdragelijker zijn in den dag des oordeels dan die stad.

12 En uitgegaan zijnde predikten zij dat zij zich zouden bekeeren;

13 en zij wierpen vele duivelen uit, en zalfden vele kranken met olie , en maakten ze gezond.

14 En de Koning Herodes hoorde het (want zijn naam was openbaar gewórden) en zeide: Johannes die doopte is van de dooden opgewekt, en daarom werken die krachten in hem;

15 anderen zeiden: Hij is Eh\'a; en anderen zeiden: Hij is een Profeet, of als een der Profeten.

16 Maar als Herodes het hoorde, zeide hij: Deze is Johannes dien ik onthoofd heb; die is van de dooden opgewekt.

17 Want deze Herodes eenigen uitgezonden hebbende, had Johannes gevangen genomen en hem in de gevangenis gebonden, uit oorzaak van Herodias de huisvrouw van zijnen broeder Filippus, omdat hij haar getrouwd had;

18 want Johannes zeide tot Herodes : Het is u niet geoorloofd de huisvrouw uws broeders te hebben.

19 En Herodias leide op hem toe en wilde hem dooden, en kon niet;

20 want Herodes vreesde Johannes , wetende dat hij een rechtvaardig en heilig man was, en hield hem in waarde; en als hij hem hoorde deed hij vele dingen, en hoorde hem gaarne.

21 En als er een welgelegen dag gekomen was, toen Herodes op den dag zijner geboorte een maaltijd aanrichtte voor zijne grooten en de oversten over duizend en de voornaamsten van Galiléa;

22 en als de dochter van deze Herodias inkwam en danste, en Herodes en dengenen die mede-aanzaten behaagde, zoo zeide de Koning tot het dochterken: Eisch van mij wat gij ook wilt, en ik zal \'tu geven;

23 en hij zwoer haar: Zoo wat gij van mij zult eischen zal ik u geven, ook tot de helft mijns koninkrijks.

24 En zij uitgegaan zijnde zeide | tot hare moeder: Wat zal ik eischen? En die zeide: Het hoofd van Johannes den Dooper.

25 En zij terstond met haaste ingaande tot den Koning, heeft het geëischt, zeggende: Ik wil dat gij mij nu terstond in een schotel geeft het hoofd van Johannes den Dooper.

26 En de Koning zeer bedroefd geworden zijnde, nogtans om de eeden en degenen die medeaan-zaten, wilde hij haar \'t zelve niet afslaan;

27 en de Koning zond terstond eenen scherprechter, en gebood zijn hoofd te brengen. Deze nu ging henen en onthoofdde hem in de gevangenis,

28 en bracht zijn hoofd in een schotel, en gaf \'t zelve het dochterken , en het dochterken gaf \'t zelve harer moeder.

29 En als zijne discipelen dit hoorden, gingen zij en namen zijn dood lichaam weg, e i leiden dat in een graf.

30 En de Apostelen kwamen weder te zamen tot Jezus, en boodschapten hem alles, beide wat zij gedaan hadden en wat zij geleerd hadden.

31 En hij zeide tot hen: Komt gijlieden in eene woeste plaats hier alleen, en rust een weinig; want daar waren velen die kwamen en die gingen, en zij hadden zelfs geen gelegen tijd om te eten.

32 En zij vertrokken in een schip naar eene woeste plaats alleen.

33 En de scharen zagen ze henenvaren, en velen werden hem kennende, en liepen gezamenlijk te voet van alle steden derwaarts, en kwamen hun vóór, en gingen te zamen tot hem.

34 En Jezus uitgaande zag eene groote schare, en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, want zij waren als schapen die geenen herder hebben; en hij begon hun vele dingen te leeren.

35 En als het nu laat op den dag geworden was, kwamen zijne discipelen tot hem en zeiden: Deze plaats is woest, en het is nu laat op den dag:

36 Iaat ze van u, opdat ze he-

MARCUS G.


-ocr page 1105-

MARCUS 7.

51

nengaan in de omliggende dorpen en vlekken, en brooden voor zich zeiven mogen koopen; want zij hebben niet wat. zij eten zullen.

37 Maar hij antwoordende zeide tot hen: Geeft gij hun te eten. En zij zeiden tot hem: Zullen wij henengaan en koopen voor tweehonderd penningen brood, en hun te eten geven?

38 En hij zeide tot hen: Hoe veel brooden hebt gij? Gaat henen en beziet het. En toen zij het vernomen hadden , zeiden quot;zij: Vijf, en twee visschen.

39 En hij gebood hun dat zij ze allen zouden doen nederzitten bij gezelschappen op het groene gras.

40 En zij zaten neder in gedeelten, bij honderd te zamen en bij vijflig te zamen.

41 En als hij de vijf brooden en de twee visschen genomen had, zag hij op naar den hemel, zegende, en brak de brooden, en gaf ze zijnen discipelen, opdat zij ze hun zouden voorleggen; en de twee visschen deelde hij voor allen.

42 En zij aten allen, en zijn verzadigd geworden;

43 en zij namen op twaalf volle korven brokken, en van de visschen.

44 En die de brooden gegeten hadden waren omtrent vijfduizend mannen.

45 En terstond dwong hij zijne discipelen in het schip te gaan, en voor henen te varen naar de andere zijde tegenover Bethsaïda, terwijl hij de schare van zich zoude laten.

46 En als hij denzelven hun afscheid gegeven had, ging hij op den berg om te bidden.

47 En als het nu avond was geworden, zoo was het schip in \'t midden van de zee, en hij was alleen op het land.

48 En hij zag dat zij zich zeer pijnigden om \'l schip voort te krijgen (want de wind was hun tegen), en omtrent de vierde nachtwake kwam hij tot hen, wandelende op de zee, en wilde hen voorbijgaan.

49 En zij ziende hem wandelen op de zee, meenden dat het een spooksel was, en schreeuwden zeer;

50 want zij zagen hem allen, en werden ontroerd. En terstond sprak hij met hen, en zeide tot hen: Zijt welgemoed, ik ben \'t, vreest niet.

51 En hij klom tot hen in \'t schip, en de wind stilde; en zij ontzet-teden zich bovenmate zeer in zich-zelven, en waren verwonderd.

52 Want zij hadden niet gelet op het wonder der brooden; want hun hart was verhard.

53 En als zij overgevaren waren, kwamen zij in \'t land Gennésareth, en havenden aldaar.

54 En als zij uit het schip gegaan waren, werden zij terstond hem kennende.

55 En het geheele omliggende land doorloopende, begonnen zij op beddekens degenen die kwalijk gesteld waren om te dragen, ter plaatse waar zij hoorden dat hij was.

56 En zoo waar hij kwam, in vlekken of steden of dorpen, daar leiden zij de kranken op de markten, en baden hem dat zij maar den zoom zijns kleeds aanraken mochten; en zoovelen als er hem aanraakten werden gezond.

HOOFDSTUK 7,

En tot hem vergaderden de Farizeërs en sommigen der Schriftgeleerden, die van Jeruzalem gekomen waren;

2 en ziende dat sommigen van zijne discipelen met onreine, dat is met ongewasschen handen brood aten, berispten zij hen.

3 Want de Farizeërs en alle de Joden eten niet tenzij dat zij eerst de handen dikwijls wasschen, houdende de inzetting der ouden;

4 en van de markt komende eten zij niet tenzij dat ze eerst gewasschen zijn; en vele andere dingen zijn er die zij aangenomen hebben te houden, namelijk de wasschingen der drinkbekers en kannen en koperen vaten en bedden.

5 Daarna vraagden hem de Farizeërs en de Schriftgeleerden: Waarom wandelen uwe discipelen niet naar de inzetting der ouden, maar eten het brood met ongewasschen handen?


-ocr page 1106-

52 M A R I

G Maar hij antwoordde en zeide tot hen: Wel heeft Jesaja van u geveinsden geprofeteerd, gelijk geschreven is: Dit volk eert mij met de lippen, maar hun hart houdt zich verre van mij;

7 doch te vergeefs eeren zij mij, leerende leeringen die geboden zijn der menschen;

8 want nalatende het gebod Gods, houdt gij de inzettingen der menschen, namelijk vvasschingen der kannen en drinkbekers, en andere dergelijke dingen doet gij vele.

9 En hij zeide tot hen: Gij doet zeker Gods gebod wèl te niet, opdat gij uwe inzetting zoudt onderhouden.

10 Want Mozes heeft gezegd: Eer uwen vader en uwe moeder, en: Wie vader of moeder vloekt, die zal den dood sterven.

11 Maar gijlieden zegt: Zoo een mensch tot vader of moeder zegt: Het is korban (dat is te zeggen , een gave), zoo wat u van mij zoude kunnen ten nutte komen, die voldoet;

12 en gij laat hem niet meer toe iets aan zijnen vader of zijne moeder te doen,

13 makende alzóo Gods Woord krachteloos door uwe inzetting die gij ingezet hebt; en dergelijke dingen doet gij vele.

14 En tot zich de gansche schare geroepen hebbende, zeide hij tot hen: Hoort mij allen en verstaat :

15 Daar is niets van buiten den mensch in hem ingaande, hetwelk hem kan ontreinigen; maar de dingen die van hem uitgaan, die zijn het welke den mensch ontreinigen.

16 Zoo iemand ooren heeft om te hooren, die hoore.

17 En toen hij van de schare in huis gekomen was, vraagden hem zijne discipelen van de gelijkenis.

18 En hij zeide tot hen: Zijtook gij alzóó onwetend? Verstaat gij niet, dat al wat van buiten in den mensch ingaat hem niet kan ontreinigen ?

19 Want het gaat niet in zijn hart, maar in den buik, en gaat

ÏÜS 7.

in de heimelijkheid uit, reinigende alle de spijzen.

20 En hij zeide: Hetgeen uitgaat uit den mensch, diit ontreinigt den mensch.

21 Want van binnen uit het hart der menschen komen voort kwade gedachten, overspelen, hoererijen, doodslagen,

22 dieverijen, gierigheden, boosheden , bedrog, ontuchtigheid, een boos oog, lastering, hoovaardij , onverstand:

23 alle deze booze dingen komen voort van binnen, en ontreinigen den mensch.

24 En van daar opstaande ging hij weg naar de landpalen van Tyrus en Sidon; en in een huis gegaan zijnde, wilde hij niet dat het iemand wist, en hij kon no^/-tans niet verborgen zijn.

25 Want eene vrouw, welker dochterken eenen onreinen geest had, van hem gehoord hebbende, kwam en viel neder aan zijne voeten.

26 Deze nu was eene Grieksche vrouw, van geboorte uit Syro-Fenicië; en zij bad hem dat hij den duiveluit wierp uit hare dochter.

27 Maar Jezus zei ie tot haar: Laat eerst de kinderen verzadigd worden; want het is niet betamelijk, dat men het brood der kinderen neme en den hondekens worwerpe.

28 Maar zij antwoordde en zeide tot hem: Ja, Heere, doch ook de bondekens eten onder de tafel van de kruimkens der kinderen.

29 En hij zeide tot haar: Om dezes woords wille ga henen: de duivel is uit uwe dochter uitgevaren.

30 En als zij in haar huis kwam, vond zij dat de dui/el uitgevaren was, en de dochter liggende op het bed.

31 En hij wederom weggegaan zijnde van de landpalen van Tyrus en Sidon, kwam aan de zee van Galiléa, door het midden der landpalen van Decapolis.

32 En zij brachten tot hem eenen doove, die zwaarlijk sprak, en baden hem dat hij de hand op hem leide.


-ocr page 1107-

MARCUS 8.

53

33 liin hem van de schare alléén genomen hebbende, slak hij zijne vingeren in zijne ooren, en gespuwd hebbende raakte hij zijne tong aan;

34 en opwaarts ziende naar den hemel, zuchtte hij, en zeide tot hem: Effatha, dat is, word geopend.

35 En terstond werden zijne ooren geopend, en de band zijner tong wei d los, en hij sprak recht.

36 En hij gebood hun dat zij het niemand zeggen zouden; maar wat hij hun ook gebood, zoo verkondigden zij het des te meer.

37 En zij ontzetteden zich bovenmate zeer, zeggende: Hij heeft alles wel gedaan, en hij maakt dat de dooven hooren en de stommen spreken.

HOOFDSTUK 8.

In die dagen, als er een zeer groote schare was, en zij niet hadden wat zij eten zouden, riep Jezus zijne discipelen tot zich, en zeide tot hen:

2 Ik word innerlijk met ontferming bewogen over de schare, want zij zijn nu drie dagen bij mij gebleven, en hebben niet wat zij eten zouden;

3 en indien ik ze nuchteren naar hun huis laat gaan, zoo zullen zij op den weg bezwijken; want sommigen van hen komen van verre.

4 En zijne discipelen antwoordden hem: Van waar zal iemand deze met brooden hier in de woestijn kunnen verzadigen?

5 En hij vraagde hun: Hoeveel brooden hebt gij ? En zij zeiden: Zeven.

6 En hij gebood de schare neder te zitten op de aarde. En hij nam de zeven brooden, en gedankt hebbende brak hij ze, en gaf ze zijnen discipelen, opdat zij ze zouden voorleggen; en zij leiden ze der schare voor.

7 En zij hadden weinige visch-kens; en als hij gezegend had, zeide hij dat zij ook die zouden voorleggen.

8 En zij hebben gegeten en zijn verzadigd geworden; en zij namen het overschot der brokken op, zeven manden.

9 Die nu gegeten hadden waren omtrent vierduizend; en hij liet ze gaan.

10 En terstond in het schip gegaan zijnde met zijne discipelen, is hij gekomen in de deelen van Dalmanutha.

11 En de Farizeërs gingen uit en begonnen met hem te twisten, begeerende van hem een teeken van den hemel, hem verzoekende.

12 En hij zwaarlijk zuchtende in zijnen geest, zeide: Wat begeert dit geslacht een teeken? Voorwaar ik zegge u, zoo aan dit geslacht een teeken gegeven zal worden!

13 En hij verliet hen, en wederom in \'t schip gegaan zijnde voer hij weg naar de andere zijde.

14 En zijne discipelen hadden vergeten brood mede te nemen, en hadden niet dan één brood met zich in het schip.

15 En hij gebood hun, zeggende: Ziet toe, wacht u van den zuur-deesem der Farizeërs en van den zuurdeesem van Herodes.

16 En zij overleiden onder elkander, zeggende: Het is omdat wij geen brooden hebben.

17 En Jezus dat bekennende, zeide tot hen: Wat overlegt gij dot gij geen brooden hebt? Bemerkt gij nog niet, en verstaat gij niet? hebt gij nog uw verhard hart?

18 Oogen hebbende ziet gij niet, en ooren hebbende hoort gij niet?

19 En gedenkt gij niet, toen ik de vijf brooden brak onder de vijfduizend mannen , hoe veel volle kórven met brokken gij opnaamt? Zij zeggen hem: Twaalf.

20 Én toen ik de zeven bm/c onder de vierduizend mannen, hoe veel volle manden met brokken gij opnaamt? En zij zeiden: Zeven.

21 En hij zeide tot hen: Hoe verstaat gij niet?

22 En hij kwam te Bethsaïda; en zij brachten tot hem eenen blinde , en baden hem dat hij hem aanraakte.

23 En de hand des blinden genomen hebbende, leidde hij hem uit buiten het vlek, en spuwde in zijne oogen, en leide de handen op hem, en vraagde hem of hij iets zag.


-ocr page 1108-

M A R G U S 9.

54

24 En hij opziende zeide: Ik zie de menschen; want ik zie ze als boomen, wandelen.

25 Daarna leide hij de handen wederom op zijne oogen, en deed hem opzien; en hij werd hersteld, en zag ze allen, ver en klaar.

26 En hij zond hem naar zijn huis, zeggende: Ga niet in het vlek, en zeg het niemand in het vlek.

27 En Jezus ging uit en zijne discipelen naar de vlekken van Gesaréa Filippi; en op den weg vraagde hij zijne discipelen, zeggende tot hen: Wie zeggen de menschen dat ik ben?

28 En zij antwoordden : Johannes de Doóper; en anderen: Elfa; en anderen: Een van de Profeten.

29 En hij zeide tot hen: Maar gijlieden , wie zegt gij dat ik ben? En Petrus antwoordende zeide tot hem: Gij zijt de Christus.

30 En hij gebood hun scherpe-lijk, dat zij \'t niemand zouden zeggen van hem.

31 En hij begon hun te leeren, dat de Zoon des menschen veel moest lijden, en verworpen worden van de Ouderlingen en Over-priesteren en Schriftgeleerden, en gedood worden, en na drie dagen weder opstaan;

32 en dit woord sprak hij vrij uit. En Petrus hem tot zich genomen hebbende, begon hem te bestraffen.

33 Maar hij zich omkeerende en zijne discipelen aanziende, bestrafte Petrus, zeggende: Ga henen achter mij, satan; want gij verzint niet de dingen die Gods zijn, maar die der menschen zijn.

34 En tot zich geroepen hebbende de schare met zijne discipelen , zeide hij tot hen: Zoo wie achter mij wil komen, die ver-loochene zich zeiven, en neme zijn kruis op en volge mij.

35 Want zoo wie zijn leven zal willen behouden, die zal \'t zelve verliezen; maar zoo wie zijn leven zal verliezen om mijnentwille en om des Evangelies luille, die zal \'t zelve behouden,

36 Want wat zoude het den mensch baten, zoo hij de geheele wereld won en zijner ziele schade leed?

37 Of wat zal een mensch geven lot lossing van zijne ziel?

38 Want zoo wie zich mijns en mijner woorden zal geschaamd hebben in dit overspelig en zondig geslacht, diens zal zich de Zoon des menschen óók schamen, wanneer hij zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met de heilige Engelen.

HOOFDSTUK 9.

En hij zeide tot hen: Voorwaar ik zegge u, dat er sommigen zijn van degenen die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij zullen hebben gezien dat het Koninkrijk Gods met kracht gekomen is!

2 En na zes dagen nam Jezus met zich Petrus en Jacobus en Johannes, en bracht ze op eenen hoogen berg bezijden alleen. En hij werd voor her. van gedaante veranderd;

3 en zijne kleederen werden blinkende , zeer wit als sneeuw, hoedanige geen voller op aarde zóó wit maken kan.

4 En van hen werd gezien Elfa met Mozes, en zij spraken met Jezus.

5 En Petrus antwoordende zeide tot Jezus: Rabbi, het is goed dat wij hier zijn, en laat ons drie tabernakelen maken, voor u eenen, en voor Mozes eenen, en voor Eh\'a eenen.

6 Want hij wist niet wat hij zeide; want zij waren zeer bevreesd.

7 En daar kwam eene wolk die ze overschaduwde, en eene stem kwam uit de wolk, zeggende: Deze is mijn geliefde Zoon: hoort hem.

8 En haastelijk iondom ziende, zagen zij niemand meer dan Jezus alleen bij zich.

9 En als zij van den berg afkwamen, gebood hij hun dat zij niemand verhalen zouden hetgeen zij gezien hadden, dan wanneer de Zoon des menschen uit de dooden zoude opgestaan zijn.

10 En zij behielden dit woord bij zichzelve, vragende onder elk-


-ocr page 1109-

MARCUS 9.

ander wat het was, uit de doo-den opstaan?

11 En zij vraagden hem, zeggende; Waarom zeggen de Schriftgeleerden dat Eh\'a eerst komen moet?

12 En hij antwoordende zeide tot hen: Eh\'a zal wel eerst komen en alles weder oprichten; en het zal geschieden gelijk geschreven is van den Zoon des menschen, dat hij veel lijden zal en veracht worden.

13 Maar ik zegge u dat ook Eh\'a gekomen is, en zij hebben hem gedaan al wat zij gewild hebben, gelijk van hem geschreven is.

14 En als hij bij de discipelen gekomen was, zag hij een groote schare rondom hen, en eenige Schriftgeleerden met hen twistende.

15 En terstond de geheele schare hem ziende werd verbaasd, en toeloopende groetten zij hem.

16 En hij vraagde den Schriftgeleerden Wat twist gij met dezen ?

17 En een uit de schare antwoordende zeide: Meester, ik heb mijnen zoon tot u gebracht, die een stommen geest heeft;

18 en waar hij hem ook aangrijpt. zoo scheurt hij hem, en hij schuimt en knerst met zijne tanden en verdort; en ik heb uwen discipelen gezegd dat zij hem zouden uitwerpen, en zij hebben niet gekund.

19 En hij antwoordde hem en zeide: O ongeloovig geslacht, hoe lang zal ik nog bij ulieden zijn, hoe lang zal ik u nog verdragen ? Brengt hem tot mij.

20 En zij brachten denzelven tot hem; en als hij hem zag, scheurde hem terstond de geest; en hij vallende op de aarde, wentelde zich al schuimende.

21 En hij vraagde zijnen vader: Hoe langen tijd is het dat hem dit overkomen is? En hij zeide: Van zijne kindsheid af;

22 en menigmaal heeft hij hem ook in het vuur en in het water geworpen, om hem te verderven; maar zoo gij iets kunt, wees met innerlijke ontferming over ons bewogen en help ons.

23 En Jezus zeide tot hem: Zoo gij kunt gelooven, alle dingen zijn mogelijk dengenen die gelooft.

24 En terstond de vader des kinds roepende met tranen zeide: Ik geloof, Heere, kom mijner on-geloovigheid te hulp.

25 En Jezus ziende dat de schare gezamenlijk toeliep, bestrafte den onreinen geest, zeggende tot hem: Gij stomme en doove geest, ik beveel u, ga uit van hem en kom niet meer in hem.

26 En hij roepende, en hem zeer scheurende, ging uit; en het kind werd als dood, alzoo dat velen zeiden dat het gestorven was.

27 En Jezus hem bij de hand grijpende, richtte hem op, en hij stond op.

28 En als hij in huis gegaan was, vraagden hem zijne discipelen alleen: Waarom hebben wij hem niet kunnen uitwerpen?

29 En hij zeide tot hen: Dit geslacht kan nergens door uitgaan dan door bidden en vasten.

30 En van daar weggaande, reisden zij door Galiléa, en hij wilde niet dat het iemand wist;

31 want hij leerde zijne discipelen en zeide tot hen: De Zoon des menschen zal overgeleverd worden in de handen der menschen, en zij zullen hem dooden, en gedood zijnde zal hij ten derden dage weder opstaan.

32 Maar zij verstonden dat woord niet, en zij vreesden hem te vragen.

33 En hij kwam te Kapernaum, en in het huis gekomen zijnde, vraagde hij hun: Waarvan hadt gij woorden onder elkander op den weg?

34 Doch zij zwegen; want zij waren onder elkander in woorden geweest op den weg, wie de meeste zoude zijn.

35 En nedergezeten zijnde riep hij de twaalve, en zeide tot hen: Indien iemand wil de eerste zijn, die zal de laatste van allen zijn, en aller dienaar.

36 En nemende een kindeken, stelde hij dat midden onder hen, en omving het met zijne armen, en zeide tot hen:


-ocr page 1110-

MARCUS 10.

56

37 Zoo wie één van zoodanige kinderkens zal ontvangen in mijnen naam, die ontvangt mij; en zoo wie mij zal ontvangen, die ontvangt mij niet, maar dien die mij gezonden heeft.

38 En Johannes antwoordde hem, zeggende: Meester, wij hebben eenen gezien die de duivelen uitwierp in uwen naam, welke ons niet volgt; en wij hebben \'t hem verboden, omdat hij ons niet volgt.

39 Doch Jezus zeide: Verbiedt hem niet; want daar is niemand die eene kracht doen zal in mijnen naam, en haastelijk van mij zal kunnen kwalijk spreken.

40 Want wie tégen ons niet is, die is vóór ons.

41 Want zoo wie ulieden eenen beker water te drinken zal geven in mijnen naam, omdat gij discipelen van Christus zijt, voorwaar zegge ik u, hij zul zijn loon geenszins verliezen.

42 En zoo wie één van deze kleinen die in mij gelooven ergert, het ware hem beter dat een molensteen om zijnen hals gedaan ware, en dat hij in de zee geworpen ware.

43 En indien uwe hand u ergert, houw ze af: het is u beter verminkt tot het leven in te gaan dan de twee handen hebbende henen te gaan in de hel, in het onuitblusschelijk vuur,

44 waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgebluscht wordt.

45 En indien uw voet u ergert, houw hem af: het is u beter kreupel tot het leven in te gaan, dan de twee voelen hebbende geworpen te worden in de hel, in het onuitblusschelijk vuur,

46 waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgebluscht wordt.

47 En indien uw oog u ergert, werp het uit: het is u beter maar één oog hebbende in het Koninkrijk Gods in te gaan, dan twee oógen hebbende in hot helsche vuur geworpen te worden,

48 waar hun worm niet sterft en het vuur niet uitgebluscht wordt.

49 Want een ieder zal met vuur gezouten worden, en iedere offerande zal met zo.ut gezouten worden.

50 Het zout is goed; maar indien het zout onzout wordt, waarmede zult gij dat smakelijk maken? Hebt zout in uzelven, en houdt vrede onder elkander.

HOOFDSTUK 10.

En van daar opgestaan zijnde, ging hij naar de landpalen van Judéa. door de overzijde van den Jordaan; en de scharen kwamen wederom te zamen bij hem, en gelijk hij gewoon was, leerde hij ze wederom.

2 En de Farizeërs tot hem komende, vraagden hem, of het een man geoorloofd is zijne vrouw te verlaten, hem verzoekende.

3 Maar hij antwoordende zeide tot hem: Wat heeft u Mozes geboden?

4 En zij zeiden: Mozes heeft toegelaten, eenen scheldbrief te schrijven en haar te verlaten.

5 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Vanwege de hardigheid uwer harten heeft hij ulieden dat gebod geschreven;

G maar van het begin der schepping heeft ze God man en vrouw gemaakt.

7 Daarom zal een mensch zijn vader en moeder verlaten, en zal zijne vrouw aanhangen,

8 en die twee zullen tot één vleesch zijn: alzoo dat zij niet meer twee zijn, maar één vleesch.

9 Hetgeen dan God samengevoegd heeft, scheide de mensch niet.

10 En in het huis vraagden hem zijne discipeicn wederom van hetzelve.

11 En hij zeide tot hen: Zoo wie zijne vrouw verlaat en eene andere trouwt, die doet overspel tegen haar.

12 En indien aene vrouw haren man zal verlaten en met een ander trouwen, die doet overspel.

13 En zij brachten kinderkens tot hem, opdat hij ze aanraken zoude; en de discipelen bestraften degenen die ze tot hem brachten.


-ocr page 1111-

MARCÜS 10.

S7

14 Maar Jezus dat ziende, nam het zeer kwalijk, en zeide tot hen: Laat de kinderkens tot mij komen, en verhindert ze niet; want derzulken is het Koninkrijk Gods.

15 Voorwaar zegge ik u, zoowie het Koninkrijk Gods niet ontvangt gelijk een kindeken, die zal in hetzelve geenszins ingaan.

16 En hij omving ze met zijne armen, en de handen op hen gelegd hebbende, zegende hij dezelve.

17 En als hij uitging op den weg, liep een tot hem, en voor hein op de knieën vallende, vraagde hem: Goede meester, wat zal ik doen, opdat ik het eeuwige leven beërve ?

18 En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij mij goed? Niemand is goed dan één, namelijk God.

19 Gij weet de geboden: gij zult geen overspel doen; gij zult niet dooden; gij zult niet stelen; gij zult geen valsche getuigenis geven; gij zult niemand tekort doen; eer uwen vader en uwe moeder.

20 Doch hij antwoordende zeide tot hem: Meester, alle deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid af.

21 En Jezus hem aanziende beminde hem, en zeide tot hem: Één ding ontbreekt u: ga henen, verkoop alles wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult eenen schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, neem het kruis op en volg mij.

22 Maar hij treurig geworden zijnde over dat woord, ging bedroefd weg; want hij had vele goederen.

23 En Jezus rondom ziende, zeide tot zijne discipelen: Hoe bezwaarlijk zullen degenen die goed hebben in het Koninkrijk Gods inkomen.

24 En de discipelen werden verbaasd over deze zijne woorden. Maar Jezus wederom antwoordende zeide tot hen: Kinderen , hoe zwaar is \'t, dat degenen die op het goed hun betrouwen zetten in \'t Koninkrijk Gods ingaan:

25 het is lichter dat een kemel ga door het oog van eene naald, dan dat een rijke in het Koninkrijk Gods inga.

26 En zij werden nog meer versin gen, zeggende tot elkander: Wie kan dan zalig worden?

27 Doch Jezus hen aanziende, zeide: Bij de menschen is \'t onmogelijk, maar niet bij God; want alle dingen zijn mogelijk bij God.

28 En Petrus begon tot hem te zeggen: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd.

29 En Jezus antwoordende zeide: Voorwaar zegge ik ulieden, daar is niemand die verlaten heeft huis, of broeders of zusters, of vader of moeder, of vrouw of kinderen, of akkers, om mijnentwille en des Evangelies wille,

30 of hij ontvangt honderdvoud, nu in dezen tijd huizen, en broeders en zusters, en moeders en kinderen, en akkers, met de vervolgingen, en in de toekomende eeuw het eeuwige leven.

31 Maar vele eersten zullen de laatsten zijn, en velen die de laatsten zijn de eersten.

32 En zij waren op den weg, opgaande naar Jeruzalem, en Jezus ging vóór hen; en zij waren verbaasd, en hem volgende waren zij bevreesd. En de twaalve wederom tot zich nemende, begon hij hun te zeggen de dingen die hem overkomen zouden,

33 zeggende: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en de Zoon des menschen zal den Overpriesteren en den Schriftgeleerden overgeleverd worden, en zij zullen hem ter dood veroordeelen, en hem den heidenen overleveren;

34 en zij zullen hem bespotten, en hem geeselen, en hem bespuwen, en hem dooden; en ten derden dage zal hij weder opstaan.

35 En tot hem kwamen Jacobus en Johannes, de zonen van Zebe-deüs, zeggende: Meester, wij wilden wel dat gij ons deedt zoo wat wij begeeren zullen.

36 En hij zeide tot hen: Wat wilt gij dat ik u doe?

37 En zij zeiden tot hem: Geef ons dat wij mogen zitten de één aan uwe rechter/ionc? en de ander


-ocr page 1112-

MARCUS 11.

58

aan uwe Ymkcvhand in uwe heer-lykheid.

38 Maar Jezus zeide tot hen: Gij weet niet wat gij begeert; kunt gij den drinkbeker drinken dien ik drinke, en met den doop gedoopt worden waar ik mede gedoopt word?

39 En zij zeiden tot hem; Wij kunnen. Doch Jezus zeide tot hen: Den drinkbeker dien ik drinke zult gij wel drinken, en met den doop gedoopt worden waar ik mede gedoopt word;

40 maar het zitten tot mijne rechter- en tot mijne linkerhand staat bij mij niet te geven, maar het zal gegeven worden dien het bereid is.

41 En als de andere tien dit hoorden, begonnen zij het van Jacobus en Johannes zeer kwalijk te nemen.

42 Maar Jezus hen tot zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Gij weet dat degenen die geacht worden oversten te zijn der volkeren, heerschappij voeren over hen, en hunne groeten gebruiken macht over hen.

43 Doch alzóó zal \'t onder u niet zijn; maar zoo wie onder u groot zal willen worden, die zal uw dienaar zijn;

44 en zoo wie van u de eerste zal willen worden, die zal aller dienstknecht zijn.

45 Want ook de Zoon des men-schen is niet gekomen om gediend te worden, maar om te dienen en zijne ziel te geven tot een rantsoen voor velen.

46 En zij kwamen te Jericho. En als hij en zijne discipelen en eene groote schare van Jericho uitging , zat de zoon van Timeüs, Bartimeüs de blinde, aan den weg, bedelende.

47 En hoerende dai het Jezus de Nazarener was, begon hij te roepen en te zeggen: Jezus, gij Zone Davids, ontferm u mijner.

48 En velen bestraften hem, opdat hij zwijgen zoude; maar hij riep zooveel te meer: Gij Zone Davids, ontferm u mijner.

49 En Jezus sf«7staande zeide dat men hem roepen zoude; en zij riepen den blinde, zeggende tot hem: Heb goeden moed, sta op, hij roept u.

50 Én hij zijnen mantel afgeworpen hebbende, stond op en kwam tot Jezus.

51 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Wat wilt gij dat ik u doen zal? En de blinde zeide tot hem: Rabboni, dat ik ziende mag worden.

52 En Jezus zeide tot hem: Ga henen, uw geloof heeft u behouden. En terstond werd hij ziende, en volgde Jezus op den weg.

HOOFDSTUK 11.

En toen zij Jeruzalem genaakten , te Bethfagé en Bethanië aan den Olijfberg, zond hij twee van zijne discipelen uit,

2 en zeide tot hen: Gaat henen in het vlek dat tegen u over is, en terstond als gij in \'t zelve komt, zult gij vinden een veulen gebonden, op hetwelk geen mensch gezeten heeft: ontbindt het en brengt het.

3 En indien iemand tot u zegt: Waarom doet gij dat? zoo zegt dat de Heere hetzelve van noode heeft, en hij zal het terstond herwaarts zenden.

4 En zij gingen henen, en vonden het veulen gebonden bij de deur, buiten aan de wegscheiding, en zij ontbonden hetzelve.

5 En sommigen van degenen die aldaar stonden zeiden tot hen : Wat doet gij, dat gij het veulen ontbindt?

6 Doch zij zeiden tot hen gelijk Jezus bevolen had; en zij lieten ze gaan.

7 En zij brachten het veulen tot Jezus, en wierpen hunne kleederen daarop; en hij zat op hetzelve.

8 En velen sprsidden hunne kleederen op den weg, en anderen hieuwen takken van de boomen en spreidden ze op den weg.

9 En die voorgingen en die volgden riepen, zeggende: Hosanna, gezegend is hij die komt in den name des Heeren!

10 Gezegend zij het Koninkrijk van onzen vader David, \'twelk


-ocr page 1113-

MARCUS 12.

59

komt in den name des Heeren! Hosanna in de hoogste hemelen !

11 En Jezus kwam binnen Jeruzalem , en in den Tempel; en als hij alles rondom bezien had, en het nu avondstond was, ging hij uit naar Bethanië met de twaalve.

12 En des anderen daags, als zij uit Bethanië gingen, hongerde heni.

13 En ziende van verre eenen vijgeboom die bladeren had, ging hij om te zien of hij ook iets op denzelven zoude vinden; en daarbij gekomen zijnde, vond hij niets dan bladeren ; want het was de tijd der vijgen niet.

14 Én Jezus antwoordende zeide tot denzelven: Niemand ete eenige vrucht meer van u in der eeuwigheid. En zijne discipelen hoorden het.

15 En zij kwamen te Jeruzalem; en Jezus quot;in den Tempel gegaan zijnde , begon degenen die in den Tempel verkochten en kochten uit te drijven, en de tafels dei-wisselaars en de zitstoelen dergenen die de duiven verkochten keerde hij om,

16 en liet niet toe dat iemand eenig vat door den Tempel droeg;

17 en hij leerde, zeggende tot hen: Is er niet geschreven; Mijn Huis zal een huis des gebeds genaamd worden allen volken ? Maar gij hebt dat tot een kuil der moordenaren gemaakt.

18 En de Schriftgeleerden en de Overpriesters hoorden dat, en zochten hoe zij hem dooden zouden; want zij vreesden hem , omdat de gansche schare ontzet was over zijne leer.

19 En als het nu laat geworden was, ging hij uit buiten de stad.

20 En des morgens vroeg voorbijgaande , zagen zij dat de vijgeboom verdord was van de wortels af.

21 En Petrus zulks indachtig geworden zijnde, zeide tot hem: Rabbi, zie , de vijgeboom dien gij vervloekt hebt is verdord.

22 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Hebt geloof op God.

23 Want voorwaar zegge ik u, dat zoo wie tot dezen berg zal zeggen: Word opgeheven en in de zee geworpen, en niet zal twijfelen in zijn hart, maar zal gelooven dat hetgeen hij zegt geschieden zal, het zal hem geworden zoo wat hij zegt.

24 Daarom zegge ik u, alle dingen die gij biddende begeert, gelooft dat gij ze ontvangen zult, en zij zullen u geworden.

25 En wanneer gij staat om te bidden, vergeeft indien gij iets hebt tegen iemand; opdat ook uw Vader die in de hemelen is ulieden uwe misdaden vergeve.

26 Maar indien gij niet vergeeft, zoo zal uw Vader die in de hemelen is ook uwe misdaden niet vergeven.

27 En zij kwamen wederom te Jeruzalem. En als hij in den Tempel wandelde, kwamen tot hem de Overpriesters en de Schrift-geleorden en de Ouderlingen,

28 en zeiden tot hem: Door wat macht doet gij deze dingen, en wie heeft u deze macht gegeven, dat gij deze dingen doen zoudt?

29 Maar Jezus antwoordende zeide tot hen : Ik zal u ook één woord vragen; antwoordt mij ook, en zoo zal ik u zeggen door wat macht ik deze dingen doe:

30 De doop van Johannes, was die uit den hemel of uit de men-schen? Antwoordt mij.

31 En zij overleiden onder elkander, zeggende: Indien wij zeggen: Uit den hemel, zoo zal hij zeggen: Waarom hebt gij hem dan niet geloofd?

32 Maar indien wij zeggen: Uit de menschen, zoo vreezen wij het volk; want zij hielden allen van Johannes, dat hij waarlijk een Profeet was.

33 En antwoordende zeiden zij tot Jezus: Wij weten \'tniet. En Jezus antwoordende zeide tot hen : Zoo zegge ik u ook niet door wat macht ik deze dingen doe.

HOOFDSTUK 12.

En hij begon door gelijkenissen tot hen te zeggen: Een mensch plantte eenen wijngaard, en zette eenen tuin daarom, en groef eenen wijnpersbak, en bouwde eenen toren, en verhuurde dien aan de landlieden, en reisde buitenslands.

2 En als het de tijd was, zond


-ocr page 1114-

MARCUS 42.

60

hij eencn dienstknecht tot de landlieden, opdat hij van de landlieden ontving van de vrucht des wijngaards;

3 maar zij namen en sloegen hem, en zonden hem ledig henen.

4 En hij zond wederom eenen anderen dienstknecht tot hen, en dien steenigdon zij, en wondden hem het hoofd, en zonden hem henen, schandelijk behandeld zijnde.

5 En wederom zond hij eenen anderen, en dien doodden zij; en vele anderen, waarvan zij sommigen sloegen en sommigen\'dooddon.

6 Als hij dan nog éénen zoon had, die hem lief was, zoo heeft hij ook dien ten laatste tot hen gezonden, zeggende: Zij zullen immers mijnen zoon ontzien.

7 Maar die landlieden zeiden onder elkander: Deze is de erfgenaam; komt, laat ons hem dooden, en de erfenis zal onze zijn.

8 En zij namen en doodden hem, en wierpen hem uit hui ten den wijngaard.

9 Wat zal dan de heer des wijngaards doen? Hij zal komen en de landlieden verderven, en den wijngaard aan anderen geven.

10 Heht gij ook deze Schrift niet gelezen: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben , deze is geworden tot een hoofd des hoeks;

11 van den Heere is dit geschied, en het is wonderlijk in onze oogen?

12 En zij zochten hem te vangen , maar zij vreesden de schare; want zij verstonden dat hij die gelijkenis op hen sprak; en zij verlieten hem en gingen weg.

13 En zij zonden tot hem eeni-gen der Farizeërs en der Herodia-nen, opdat zij hem in zijne rede vangen zouden.

14 Deze nu kwamen en zeiden tot hem: Meester, wij weten dat gij waarachtig zijt, en naar niemand vraagt; want gij ziet den persoon der menschen niet aan, maar gij leert den weg Gods in der waarheid: is het geoorloofd den Keizer schatting te geven of niet? Zullen wij geven of niet geven?

15 En hij wetende hunne geveinsdheid, zeidc tot hen: Wat verzoekt gij mij ? Brengt mij eenen penning, dat ik hem zie.

1G En zij brachten eenen. En hij zeide tot hen: Wiens is dit beeld en het opschrift? En zij zeiden tot hem: Des Keizers.

17 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Geeft dan den Keizer dat des Keizers is, en Gode dat Gods is. En zij verwonderden zich over hem.

18 En de Sadduceërs kwamen tot hem, welke zeggen dat er geene opstanding is, en vraagden hem, zeggende:

19 Meester, Mozes heeft ons geschreven, indien iemands broeder sterft, en eene vrouw achterlaat , en geen kinderen nalaat, dat zijn broeder deszelfs vrouw nemen zal en zijnen broeder zaad verwekken.

20 Er waren n u zeven broeders ; en de eerste nam eene vrouw, en stervende liet geen zaad na.

21 De tweede nam haar óók, en is gestorven, en ook deze liet geen zaad na, en de derde desgelijks ;

22 en aüe de zeven namen dezelve , en lieten geen zaad na. De laatste van allen is ook de vrouw gestorven.

23 In de opstanding dan, wanneer zij zullen opgestaan zijn, wiens vrouw zal zij zijn van dezen? want die zeven hebben haar tot eene vrouw gehad.

24 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Dwaalt gij niet, daarom dat gij de Schriften niet weet noch de kracht Gods?

25 Want als zij uit de dooden zullen opgestaan zijn, zoo trouwen zij niet, noch worden ten huwelijk gegeven; maar zij zijn gelijk Engelen die in de hemelen zijn.

26 Doch aangaande de dooden, dat zij opgewekt zullen worden , hebt gij niet gelezen in het boek van Mozes, hoe God in het doornbosch tot hem gesproken heeft, zeggende: Ik ben de God Abrahams en de God Isaaks en de God Jakobs?

27 God is niet een God der dooden maar een God der levenden. Gij dwaalt dan zeer.


-ocr page 1115-

MARCUS 13.

61

28 En een der Schriftgeleerden, hoerende dat zij te zamen in woorden waren ,\' en wetende dat hij hun wèl geantwoord had, kwam tot hem en vraagde hem: Welk is het eerste gebod van alle?

29 En Jezus antwoordde hem : Het eerste van alle de geboden is: Hoor Israël, de Heere onze God is een éénig Heer;

30 en gij zult den Heere uwen God liefhebben uit geheel uw harte en uit geheel uwe ziele en uit geheel uw verstand en uit geheel uwe kracht. Dit is het eerste gebod.

31 En het tweede hieraan gelijk, is dit: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven. Er is geen ander gebod grooter dan deze.

32 En de Schriftgeleerde zeide tot hem: Meester, gij hebt wèl in waarheid gezegd, quot;dat er een éénig God is, en daar is geen ander dan hij;

33 en hem lief te hebben uit geheel het harte, en uit geheel het verstand, en uit geheel de ziele, en uit geheel de kracht, en den naaste lief te hebben als zichzelven , is meer dan alle de brandofferen en de slachtofTeren.

34 En Jezus ziende dat hij ver-standiglijk geantwoord had,quot; zeide tot hem: Gij zijt niet verre van het Koninkrijk Gods. En niemand durfde hem meer vragen.

35 En Jezus antwoordde en zeide, loerende in den Tempel: Hoe zeggen de Schriftgeleerden, dat de Christus een zoon Davids is ?

36 Want David zelf heeft door den Heiligen Geest gezegd: De Heere heelt gezegd tot mijnen Heere: Zit aan mijne rechter-hand, totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten.

37 David dan zelf noemt hem zijnen Heere, en hoe is hij zijn zoon? En de menigte der schare hoorde hem gaarne.

38 En hij zeide tot hen in zijne leer: Wacht u voor de Schriftgeleerden , die gaarne willen wandelen in lange kleederen, en gegroet zijn op de markten,

39 en de voorgestoelten hebben in de Synagogen, en de vooraan-zit\'ingen bij de maaltijden;

40 welke de huizen der weduwen opeten, en dat onder den schijn van lang te bidden: dezen zulièn zwaarder oordeelontvangen.

41 En Jezus gezeten zijnde tegenover de schatkist, zag hoe de schare geld wierp in de schatkist ; en vele rijken wierpen veel daarin.

42 En daar kwam een arme weduwe, die wierp twee kleine penningen daarin, hetwelk is een oort.

43 En Jezus zijne discipelen tot zich geroepen hebbende, zeide tot hen: Voorwaar ik zegge u, dat deze arme weduwe meer ingeworpen heeft dan allen die in de schatkist geworpen hebben;

44 want zij allen hebben van hunnen overvloed daarin geworpen, maar deze heeft van haar gebrek al wat zij had daarin geworpen , haren ganschen leeftocht.

HOOFDSTUK 13.

En als hij uit den Tempel ging, zeide een van zijne discipelen tot hem: Meester, zie, hoedanige steenen en hoedanige gebouwen!

2 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Ziet gij deze groote gebouwen ? Daar zal niet een steen op den anderen steen gelaten worden, die niet afgebroken zal worden.

3 En als hij gezeten was op den Olijfberg, tegen den Tempel over, vraagden hem Petrus en Jacobus en Johannes en Andreas alleen:

4 Zeg ons, wanneer zullen deze dingen zijn? En welk is het toeken, wanneer deze dingen alle voleindigd zullen worden?

5 En Jezus hun antwoordende , begon te zeggen: Ziet toe dat u niemand verleide:

G want velen zullen komen onder mijnen naam, zeggende: Tk ben de Christus, en zullen velen verleiden.

7 En wanneer gij zult hooren van oorlogen en geruchten van oorlogen, zoo wordt niet ver-


-ocr page 1116-

62

schrikt; want dit moet geschieden, maar nog is liet einde niet.

8 Want het éêne volk zal tegen het andere volk opstaan, en het êéne koninkrijk tegen het andere koninkrijk; en daar zullen aardbevingen zijn in verscheiden plaatsen, en daar zullen hongersnooden wezen en beroerten. Deze dingen zijn maar beginselen der smarten.

9 Maar ziet gij voor uzelven toe; want zij zullen u overleveren in de raadsvergaderingen en in de Synagogen; gij zult geslagen worden, en voor Stadhouders en Koningen zult gij gesteld worden om mijnentwille hun tot een getuigenis.

10 En het Evangelie moet eerst gepredikt worden onder alle de volken.

11 Doch wanneer zij u leiden zullen om u over te leveren, zoo zijt te voren niet bezorgd wat gij spreken zult, en bedenkt het niet, maar zoo wat u in die ure gegeven zal worden, dat spreekt; want gij zijt het niet die spreekt, maar de Heilige Geest.

12 En de éêne broeder zal den anderen broeder overleveren tot den dood, en de vader het kind; en de kinderen zullen opstaan tegen de ouders, en zullen ze dooden.

13 En gij zult gehaat worden van allen om mijns naams wille; maar wie volharden zal tot den einde, die zal zalig worden.

14 Wanneer gij dan zult zien den gruwel der verwoesting, waarvan door den Profeet Daniël gesproken is, staande waar het niet behoort, (wie het leest, die merke daarop), alsdan die in Judéa zijn, dat ze vlieden op de bergen;

15 en die op het dak is, kome niet af in het huis, en ga niet in om iets uit zijn huis weg te nemen;

16 en die op den akker is, keere niet weder terug om zijn kleed te nemen.

17 Maar wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen.

18 Doch bidt dat uwe vlucht met geschiede des winters;

19 want die dagen zullen zulke verdrukking zijn, welker gelijke van het begin der schepselen die Godgeschapen heeft, tot nu toe, en ook niet zijn zal.

20 En indien de Heore de dagen niet verkort had, geen vleesch zoude behouden worden; maar om der uitverkorenen wille, die hij heeft uitverkoren, heeft hij de dagen verkort.

21 En alsdan zoo iemand tot ulieden zal zeggen: Zie hier de Christus, of zie hij is daar, gelooft het niet.

22 Want er zullen valsche Christussen en valsche Profeten opstaan, en zullen teekenen en wonderen doen, om te verleiden, indien het mogelijk ware, ook de uitverkorenen.

23 Maar gijlieden, ziet toe: zie, ik heb u alles voorzegd.

24 Maar in die dagen, na die verdrukking , zal de zon verduisterd worden, en de maan zal haar schijnsel niet geven,

25 en de sterren des hemels zullen daaruit vallen, en de krachten die in de hemelen zijn zullen bewogen worden.

26 En alsdan zullen zij den Zoon des menschen zien, komende in de wolken met groote kracht en heerlijkheid.

27 Èn alsdan zal hij zijne Engelen uitzenden, en zal zijne uitverkorenen bijéenvergaderen uit de vier winden, van het uiterste der aarde tot het uiterste des hemels.

28 En leert van den vijgeboom deze gelijkenis: wanneer nu zijn tak teer wordt en de bladeren uitspruiten, zoo weet gij dat de zomer nabij is:

29 alzuó ook gij, wanneer gij deze dingen zult. zien geschieden, zoo weet dat net nabij voor de deur is.

30 Voorwaar ik zegge u , dat dit geslacht niet zal voorbijgaan totdat alle deze dingen zullen geschied zijn.

31 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woorden zullen geenszins voorbijgaan.

32 Maar van dien dag en die ure weet niemand, noch de En-

MARCUS 13.

niet geweest


-ocr page 1117-

MARCUS 14.

G3

loeien die in den hemel zijn, noch de Zoon, dan de Vader.

33 Ziet toe, waakt en bidt, want gij weet niet wanneer de tijd is.

34 Gelijk een mensch buitenslands reizende zijn huis verliet, m zijnen dienstknechten macht •af, en elk zijn werk, en den deurwachter geÏDOOd dat hij zoude waken:

35 zoo waakt dan, (want gij weet niet wanneer de heer des liuizes komen zal, des avonds laat, of te middernacht, of met het hanengekraai, of in den morgenstond) ,

36 opdat hij niet onvoorziens kome en u slapende vinde.

37 En hetgeen ik ü zegge, dat zegge Ik allen: waakt.

HOOFDSTUK 14.

En het Pascha en het feest der ongehevelde brooden was na twee dagen; en de O verpriesters en de Schriftgeleerden zochten, hoe zij hem met listigheid vangen en dooden zouden.

2 Maar zij zeiden: Niet op het feest, opdat er niet misschien oproer onder het volk worde.

3 En als hij te Bethanië was in het huis van Simon den melaat-sche, daar hij aan tafel zat, kwam eene vrouw hebbende een albasten flesch met zalve van onvervalsch-ten nardus van grooten prijs; en de albasten flesch gebroken hebbende, goot die op zijn hoofd.

4 En daar waren sommigen die dat zeer kwalijk namen bij zich-zelven, en zeiden: Waartoe is dit verlies der zalve geschied?

5 Want dezelve had kunnen boven de driehonderd penningen verkocht, en die den armen gegeven worden; en zij vergrimden tegen haai*.

6 Maar Jezus zeide: Laat af van haar; wat doet gij haar moeite aan? Zij heeft een goed werk aan mij gewrocht.

7 Want de armen hebt gij altijd met ii, en wanneer gij wilt kunt gij hun weldoen; maar mij hebt gij niet altijd.

8 Zij heeft gedaan \'t geen zij konde: zij is voorgekomen om mijn lichaam te zalven, tot eene voor\' bereiding ter begrafenis.

0 Voorwaar zegge ik u, alwaar dit Evangelie gepredikt zal worden in de geheele wereld, daar zal ook tot hare gedachtenis gesproken worden van \'tgeen zij gedaan heeft.

10 En Judas Iskariot, een van de twaalve, ging henen tot de Overpriesters, opdat hij hem hun zoude overleveren.

11 En zij dat hoerende waren verblijd, en beloofden hem geld te geven; en hij zocht hoe hij hem .bekwamelijk zoude overleveren.

12 En op den eersten dag der ongehevelde hroodên, wanneer zij het Pascha slachtten, zeiden zijne discipelen tot hem: Waar wilt gij dat wij henengaan en bereiden, dat gij het Pascha eet?

13 Én hij zond twee van zijne discipelen uit, en zeide tot hen: Gaat henen in de stad, en u zal een mensch ontmoeten, dragende eene kruik water: volgt dien;

14 en zoo waar hij ingaat, zegt tot den heer des huizes: De Meester zegt: Waar is de eetzaal, daar ik het Pascha met mijne discipelen eten zal:

15 En hij zal u wijzen eene groote opperzaal, toegerust en gereed: bereidt het ons aldaar.

16 En zijne discipelen gingen uit, en kwamen in de stad, en vonden het gelijk hij hun gezegd had, en bereidden het Pascha.

17 En als liet avond geworden was, kwam hij met de twaalve.

18 En als zij aanzaten en, aten, zeide Jezus: Voorwaar, ik zegge u dat een van u, die met mij eet, mij zal verraden.

19 En zij begonnen bedroefd te worden, en de één na den ander tot hem le zeggen: Ben ik \'t? en een ander: Ben ik \'t?

20 Maar hij antwoordde en zeide tot hen: \'t Is een uit de twaalve, die met mij in den schotel indoopt.

21 De Zoon des menschen gaat wel henen gelijk van hem geschreven is, maar wee dien mensch door welken de Zoon des menschen verraden wordt: het ware


-ocr page 1118-

64 MARC

hem goed zoo die mensch niet geboren ware geweest.

22 En als zij aten nam Jezus brood, en als hij gezegend had brak hij het, en gaf het hun, en zeide: Neemt, eet, dat is mijn lichaam.

23 En hij nam den drinkbeker, en gedankt hebbende gaf hun dien, en zij dronken allen uit denzelven.

24 En hij zeide tot hen: Dat is mijn bloed, het bloed des nieuwen Testaments, hetwelk voor velen vergoten wordt.

25 Voorwaar , ik zegge u dat ik niet meer zal drinken van de vrucht des wijnstoks, tot op dien dag, wanneer ik dezelve nieuw zal drinken in het Koninkrijk Gods.

2G En als zij den lofzang ge-

* zongen hadden, gingen zij uit naar den Olijfberg.

27 En Jezus zeide tot hen: Gij zult in dezen nacht allen aan mij geërgerd worden; want daar is geschreven: Ik zal den herder slaan, en de schapen zullen verstrooid worden.

28 Maar nadat ik zal opgestaan zijn , zal ik u voorgaan naar Galiléa.

29 En Petrus zeide tot hem: Ofschoon zij allen geërgerd wierden , zoo zal ik toch niet geërgerd worden.

30 En Jezus zeide tot hem: Voorwaar, ik zegge u dat heden in dezen nacht, eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben, gij mij

* driemaal zult verloochenen.

31 Maar hij zeide nog des te meer: Al moest ik met u sterven, zoo zal ik u geenszins verloochenen. En in=gelijks zeiden zij ook allen.

32 En zij kwamen iri eene plaats welker naam was Gethsemané, en hij zeide tot zijne discipelen: Zit hier neder, totdat ik gebeden zal hebben.

33 En hij nam met zich Petrus en Jacobus en Johannes, en begon verban sd en zeer beangst te worden,

34 en zeide tot hen: Mijne ziele is geheel bedroefd tot den dood toe: blijft hier en waakt.

35 Eri een weinig voortgegaan zijnde viel hij op de aarde, en bad, zoo het mogelijk ware, dat die ure van hem voorbijginge.

US 14.

36 En hij zeide: Abba, Vader, /y, alle dingen zijn u mogelijk: neem yi dezen drinkbeker van mij weg; doch niet wat ik wil, maar wat a gïj wilt.

37 En hij kwam en vond hen h slapende, en zeide tot Petrus: g Simon, slaapt gij? Kunt gij nietje één uur waken?

38 Waakt en bidt, opdat gij niet is in verzoeking komt: de geest is wel gewillig, maar het vleesch tc is zwak. v

39 En wederom henengegaan ei zijnde, bad hij, sprekende dezelf-g de woorden.

40 En wedergekeerd zijnde, vond v hij ze wederom slapende, want H hunne oogen waren bezwaard; en i\\ zij wisten niet wat zij hem ant- v woorden zouden.

41 En hij kwam ten derden male, g en zeide tot hen: Slaapt nu voort en rust. Het is genoeg, de ure is c gekomen; zie. de Zoon des men-schen wordt \'overgeleverd in de , handen der zondaren. ;

42 Staat op, laat ons gaan: zie, die mij verraadt is nabij. d

43 En terstor. d als hij riog sprak, c kwam Judas r.an, die een was van de twaalve, en met hem een g groote schare met zwaarden en li stokken, gezonden van de Over-ii priesters en de Schriftgeleerden d en de Ouderlingen.

4\'i En die hem verried had hun t een gemeen toeken gegeven, zeggende: Dien ik kussen zal, die is v het: grijpt hem, en leidt hem zeker- ? lijk henen. gt;

45 En als hij gekomen was, ging hij terstond tot hem, en zeide: v Rabbi, Rabbi, en kuste hem; 1

46 en zij sloegen hunne handen aan hem, en grepen hem.

47 En een dergenen die daarbij stonden, het zwaard trekkende, sloeg den dienstknecht des Hooge-priesters en hieuw hem zijnoor af.

48 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Zijt gij uitgegaan met zwaarden en stokken als tegen eenen moordenaar om mij te vangen?

49 Dagelijks was ik bij ulieden in den Tempel loerende, en gij hebt mij niet gegrepen; maar dit


-ocr page 1119-

MARCUS 15.

65

(jeschiedt opdat de Schriften vervuld zouden worden.

50 En zij hein verlatende zijn allen gevloden.

51 En een zeker jongeling volgde hem, hebbende een lijnwaad omgedaan over het naakte lijf, en de jongelingen grepen hem;

52 en hij het lijnwaad verlatende is naakt van hen gevloden.

53 En zij leidden Jezus henen tot den Hoogepriester, en bij hem vergaderden alle de O verpriesters en de Ouderlingen en de Schrifteleerden.

54 En Petrus volgde hem van verre tot binnen in de zaal des Hoogepriesters, en hij was mede-zittende met de dienaren, en zich warmende bij het vuur.

55 En de Overpriesters en de geheele Raad zochten getuigenis legen Jezus, om hem te dooden, en vonden niet;

56 want velen getuigden val-chelijk tegen hem, en de getui-:enissen waren niet eenparig.

57 En eenigen opstaande getuigden valschelijk tegen hem, zeggende :

58 Wij hebben hern hooren zeg-jen: Ik zal dezen Tempel, die met landen gemaakt is, afbreken, en in drie dagen eenen anderen , zonder handen gemaakt, bouwen.

59 En ook alzóó was hunne getuigenis niet eenparig.

60 En de Hoogepriester in t midden opstaande, vraagde Jezus, zeggende: Antwoordt gij niets? Wat getuigen dezen tegen u?

61 Maar hij zweeg stil en antwoordde niets. Wederom vraagde hem de Hoogepriester en zeide tot hem: Zijt gij de Christus, de Zoon des gézegenden Gods?

62 En Jezus zeide: Ik ben \'t; en gijlieden zult den Zoon des tnenschen zien zitten ter rechterband! der kracht Gods, en komen met de wolken des hemels.

63 En de Hoogepriester verscheu-ende zijne kleederen, zeide: Wat hebben wij nog getuigen van noode?

64 Gij hebt de godslastering gehoord: wat dunkt ulieden? En zij illen veroordeelden hem des doods schuldig te zijn.

65 En sommigen begonnen hem te bespuwen, en zijn aangezicht te bedekken, en met vuisten te slaan, en tot hem te zegden: Profeteer ; en de dienaars gaven hem kinnebakslagen.

66 En als Petrus beneden in de zaal was, kwam een van de dienstmaagden des Hoogepriesters;

07 en ziende Petrus zich warmende , zag zij hem aan, en zeide: Ook gij waart met Jezus den Naza-rener.

68 Maar hij heeft het geloochend, zeggende: Ik ken hem niet, en ik weet niet wat gij zegt. En hij ging buiten in de voorzaal, en de haan kraaide.

69 En de dienstmaagd hem wederom ziende, begon te zeggen tot degenen die daarbij stonden: Deze is één van die.

70 Maar hij loochende het wederom. En een weinig daarna die daarbij stonden zeiden wederom tot Petrus: Waarlijk gij zijt één van die; want gij zijt óók een Galileër, en uwe spraak gelijkt.

71 En hij begon zlchzelucn te vervloeken, en te zweren: Ik ken dezen mensch niet, dien gij zegt.

72 En de haan kraaide de tweede maal; en Petrus werd indachtig het woord, \'twelk Jezus tot hem gezegd had: Eer de haan tweemaal gekraaid zal hebben zult gij mij driemaal verloochenen. En hij zich van daar makende, weende.

HOOFDSTUK 15.

En terstond des morgens vroeg hielden de Overpriesters te zamen raad met de Ouderlingen en Schriftgeleerden , en de geheele Raad; en Jezus gebonden hebbende, brachten zij hem henen, en gaven hem aan Pilatus over.

2 En Pilatus vraagde hem: Zijt gij de Koning der Joden? En hij antwoordende zeide tot hem: Gij zegt het.

3 En de Overpriesters beschuldigden hem van vele zaken, maar hij antwoordde niets.

4 En Pilatus vraagde hem wederom, zeggende: Antwoordt ^ij niets? Zie hoevele zaken zij tegen u getuigen.


-ocr page 1120-

66 MARC

0 En Jezus heeft niets meer geantwoord, zoodat Pilatus zich verwonderde. . ,

(3 En op het feest liet hij hun eenen gevangene los, wien zij ook

be7 ^n^daar was een , genaamd Barabbas, gevangen met andere medeoproermakers, die in het oproer een doodslag gedaan had.

8 En de schare riep uit, en begon te begeeren dat hij deed gelijk hij hun altijd gedaan had.

9 En Pilatus antwoordde hun, zeggende: Wilt gij dat ik u den Koning der Joden loslate?

10 (Want hij wist dat hem de Overpriesters door nijd overgeleverd hadden.)

11 Maar de Overpriesters bewogen de schare, dat hij hun liever Barabbas zoude loslaten.

12 Eu Pilatus antwoordende zeidc wederom tot hen: Wat wilt gij dan dat ik met hem doen zal, dien gij een Koning der Joden noemt? r .

13 En zij riepen wederom: Kruis hem.

14 Doch Pilatus zeide tot hen: Wat heeft hij dan kwaads gedaan? En zij riepen te meer: Kruis hem.

15 Pilatus nu willende de schare te wille zijn, heeft hun Barabbas losgelaten, en gaf Jezus over, als hij hem gegeeseld had, om gekruist te worden.

16 En de krijgsknechten leidden hem binnen in de zaal, welke is liet Rechthuis, en riepen de gan-sche bende te zamen;

17 en deden hem eenen purperen mantel aan, en eene doornenkroon gevlochten hebbende, zet-teden hem die. op;

18 en begonnen hem te groeten, zeggende: Wees gegroet gij Koning der Joden;

19 en sloegen zijn hoofd met eenen rietstok, en bespuwden hem, en vallende op de knieën aanbaden hem.

20 En als zij hem bespot hadden , deden zij hem den purperen mantel af, en deden hem zijne eigene kleederen aan, en leidden hem uit om hem te kruisigen.

21 En zij dwongen ccncn Simon

US 15.

van Gyrene, die daar voorbijging, komende van den akker, den vader van Alexander en Rufus, dat hij zijn kruis droeg.

*22 En zij brachten hem tot de plaats Golgotha , \'t welk is overgezet zijnde Hoofdschedelplaats.

23 En zij gaven hem gemirreden wijn te drinken; maar hij nam dien niet. , . . .

24 En als zij hem gekruisigd hadden , verdeelden zij zijne kleederen , werpende het lot over dezelve , wat een iegelijk wegnemen zoude. , ,

25 En het was de derde ure, en zij kruisigden hem.

2G En het opschrift zijner beschuldiging was boven hem geschreven: De Koning der Joden.

27 En zij kruisigden met hem twee moordenaars, eénen aan zijne rechter- en eénen aan zijne linkerzycte.

28 En de Schrift is vervuld geworden , die daar zegt: En hij is met de misdadigen gerekend.

29 En die voorbijgingen lasterden hem, schuddende hunne hoofden , en zeggende: Ha, gij die den Tempel afbreekt en in drie dagen opbouwt,

30 behoud u zeiven en kom at van het kruis.

31 En insgelijks ook de Overpriesters met de Schriftgeleerden zeiden tot elkander al spottende: Hij heeft anderen verlost, zich-zelven kan hij niet verlossen;

32 de Christus, de Koning Israels kome nu af van het kruis, opdat wij het zien en gelooven mogen. Ook die met hem gekruist waren smaadden hem.

33 En als de zesde ure gekomen was, werd c* duisternis over de geheele aarde, tot de negende ure toe.

34 En ter negende ure riep Jezus

met groote stemme, zeggende: Eloï,

Eloï, lamma sabachtani, \'t welk is overgezet zijnde: mijn God, mijn God, waarom hebt gij mij verlaten!

35 En sommigen van die daarbij stonden dit hoerende, zeiden; Zie, hij roept Elfa.

quot;\'Jü En er liep een en vulde eene


-ocr page 1121-

MARC

US 16.

C7

spons met edik, en stak ze op eenen rietstok, en gaf hem te drinken, zeggende: Houdt stil. laat ons zien of Eli\'a komt om hem af te nemen.

37 En Jezus eene groote stemme van zich gegeven hebbende, gaf den geest.

38 En het voorhangsel des Tempels scheurde in tweeën, van boven tot beneden.

39 En de hoofdman over honderd, (lie daarbij tegenover hem stond, ziende dat hij alzóó roepende den geest gegeven had, zeide: Waarlijk, deze mensch was Gods Zoon.

40 En daar waren ook vrouwen van verre dit aanschouwende, onder welke ook was Maria Mag-dalena, en Maria de moeder van Jacobus den kleine en van Joses, en Salome,

41 welke ook , toen hij in Galilua was, hem waren gevolgd en hem gediend hadden, en vele andere vrouwen die met hem naar Jeruzalem opgekomen waren.

42 En als het nu avond was geworden, dewijl het voorbereiding was, welke is de voórsabbat,

43 kwam Jozef die van Arimathéa was, een eerlijk Raadsheer, die ook zelf het Koninkrijk Gods was verwachtende , en zich verstoutende ging hij in tot Pilatus en begeerde het lichaam van Jezus.

44 En Pilatus verwonderde zich dat hij aireede gestorven was, en den hoofdman over honderd tot zich geroepen hebbende, vraagde hem of hij lang gestorven was;

45 en als hij \'t van den hoofdman over honderd verstaan had, schonk hij Jozef het lichaam.

46 En hij kocht fijn lijnwaad, en hem afgenomen hebbende, wond hem in dat fijne lijnwaad, en leide hem in een graf \'t welk uit een steenrots gehouwen was, en hij wentelde eenen steen tegen de deur des grafs.

47 En Maria Magdalena en Maria de moeder van Joses aanschouwden waar hij gelegd werd.

HOOFDSTUK 16.

En als de sabbat voorbijgegaan was, hadden Maria Magdalena, en Maria de moeder van Jacobus, en Salome specerijen gekocht , opdat zij kwamen en hem zalfden.

2 En zeer vroeg op den eersten day der week kwamen zij tot het graf, als de zon opging,

3 en zeiden tot elkander: Wie zal ons den steen van de deur des grafs afwentelen?

4 (En opziende zagen zij dat de steen afgewenteld was) want hij was zeer groot.

5 En in het graf ingegaan zijnde, zagen zij eenen jongeling zittende ter rechterzijde, bekleed met een wit lang kleed, en werden verbaasd.

ü Maar hij zeide tot haar: Zijt niet verbaasd. Gij zoekt Jezus den Nazarener die gekruist was: hij is opgestaan, hij is hier niet; zie , de plaats waar zij hem gelegd hadden.

7 Doch gaat henen, zegt zijnen discipelen en Petrus, dat hij u voorgaat naar Gahléa: aldaar zult gij hem zien, gelijk hij ulieden gezegd heeft.

8 En zij haastelijk uitgegaan zijnde, vloden van hét graf, en beving en ontzetting had haar bevangen; en zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd.

Ü En als Jezus opgestaan was \'s morgens vroeg {op den eersten da ff der week , verscheen hij eerst aan Maria Magdalena, uit welke hij zeven duivelen uitgeworpen had.

10 Deze henengaande boodschapte het dengenen die met hem geweest waren , welke treurden en weenden.

11 En als deze hoorden dat hij leefde en van haar gezien was, geloofden zij het niet.

12 En na dezen is hij geopenbaard in eene andere gedaante aan twee van hen , daar zij wandelden en in het veld gingen.

13 Deze ook henengaande boodschapten het den anderen, maar zij geloofden ook die niet.

14 Daarna is hij geopenbaard aan de elve daar zij aanzaten, en verweet hun hunne ongeloovig-heid en hardigheid der harten, omdat zij niet geloofd hadden de-


-ocr page 1122-

LUCAS 1.

68

genen die hem gezien hadden nadat hij opgestaan was.

15 Én hij zeide tot hen: Gaat henen in de geheele wereld, predikt het Evangelie allen kreaturen.

16 Die geloofd zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig worden ; maar die niet zal geloofd hebben, zal verdoemd worden.

17 En degenen die geloofd zullen hebben, zullen deze teekenen volgen : in mijnen naam zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen zullen zij spreken;

18 slangen zullen zij opnemen;

en al is het dat zij iets doodelijks zullen drinken, dat zal hun niet schaden; op kranken zullen zijde handen leggen, en zij zullen gezond worden.

19 De Heere dan nadat hij tot hen gesproken had, is opgenomen in den hemel, en is gezeten aan de rechter/mnd Gods.

20 En zij uitgegaan zijnde predikten overal, en de Heere wrocht mede, en bevestigde het Woord door teekenen die daarop volgden, Amen.


HET HEILIG EVANGELIE

KAAR DE BESCHRIJVING FAN

L U C A S.

HOOFDSTUK 1.

Nademaal velen ter hand genomen hebben, om in orde te stellen een verhaal van de dingen die onder ons volkomen zekerheid hebben,

2 gelijk ons overgeleverd hebben die van den beginne zeiven aan-schouwers en dienaars des Woords geweest zijn:

3 zoo heeft het ook mij goed gedacht, hebbende alles van voren aan naarstiglijk onderzocht, vervolgens aan u te schrijven, voor-treSelijke Theofilus,

4 opdat gij moogt kennen de zekerheid der dingen waarvan gij onderwezen zijt.

5 In de dagen van Herodes den Koning van Judéa was er een zeker Priester met name Zacharias, van de dagorde van Abia; en zijne vrouw was uil dedochteren Aarons, en haar naam Elizabet.

6 En zij waren beiden rechtvaardig voor God, wandelende in alle de geboden en de rechten des Heeren, onberispelijk.

7 En zij hadden geen kind, omdat Elizabet onvruchtbaar was en zij beiden verre op hunne dagen gekomen waren.

8 En het geschiedde dat als hij het Priesterambt bediende voor God in de beurt zijner dagorde,

9 naar de gewoonte der Priesterlijke bediening, hem te lote wasquot;gevallen, d; t hij zoude ingaan in den Tempel Jes Heeren om te reukofferen;

10 en al de menigte des volks was buiten biddende, ter ure des reukoffers.

11 En van hem werd gezien een Engel des Heeren, staande ter rechtemj\'cZe van het altaar des reukoffers.

12 En Zacharias hem ziende werd ontroerd, en vrees is op hem gevallen.


-ocr page 1123-

AS 1.

69

LUG

43 Maar de Engel zeide tot hem: Vrees niet Zacharias, want uw gebed is verhoord, en uwe vrouw Eiizabet zal u eenen zoon baren, en gij zult zijnen naam heeten Johannes;

14 en u zal blijdschap en verheuging zijn, en velen zullen zich over zijne geboorte verblijden.

15 Want hij zal groot zijn voor den Heere; noch wijn noch sterken drank zal hij drinken, en hij zal met den Heiligen Geest Vervuld worden, ook van zijn moeders lijf af;

16 en hij zal velen der kinderen Israëls bekeeren tot den Heere hunnen God;

17 en hij zal vóór hem henengaan in den geest en de kracht van Eh\'a, om te bekeeren de harten der vaderen tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de voorzichtigheid der rechtvaardigen, om den Heere te bereiden een toegerust volk.

18 En Zacharias zeide tot den Engel: Waarbij zal ik dat weten? Want ik ben oud, en mijne vrouw is verre op hare dagen gekomen.

19 En de Engel antwoordde en zeide tot hem: Ik ben Gabriël, die voor God sta, en ben uitgezonden om tot u te spreken en u deze dingen te verkondigen;

20 en zie, gij zult zwijgen en niet kunnen spreken, tot\' op den dag dat deze dingen geschied zullen zijn; omdat gij mijne woorden niet geloofd hebt\', welke vervuld zullen worden op hunnen tijd.

21 En het volk was wachtende op Zacharias, en zij waren verwonderd dat hij zoo lang vertoefde in den Tempel.

22 En als hij uitkwam kon hij tot hen niet spreken, en zij bekenden dat hij een gezicht in den Tempel gezien had. En hij wenkte hun toe, en bleef stom.

23 En het geschiedde als de dagen zijner bediening vervuld waren, dat hij naar zijn huis ging.

24 En na die dagen werd Eliza-bet zijne vrouw bevrucht; en zij verborg zich vijf maanden, zeggende :

25 Alzóó heeft mij de Heere gedaan, in de dagen in welke hij mij aangezien heeft, om mijne versmaadheid onder de menscnen weg te nemen.

26 En in de zesde maand werd de Engel Gabriël van God gezonden naar eene stad in Galiléa, genaamd Nazareth,

27 tot eene maagd, die ondertrouwd was met eenen man wiens naam was Jozef, uit den huizo Davids; en de naam der maagd was Maria.

28 En de Engel tot haar ingekomen zijnde, zeide: Wees gegroet gij begenadigde; de Heere is met ü, gij zijt gezegend onder do vrouwen.

29 En als zij hem zag, werd zij zeer ontroerd over dit zijn woord, en overleide hoedanig deze groe-tenis mocht zijn.

30 En de Engel zeide tot haar: Vrees niet Maria, want gij hebt genade bij God gevonden.

31 Enquot; zie, gij zult bevruch\': worden, en eenen zoon baren, en zult zijnen naam heeten Jezus.

32 Deze zal groot zijn en de Zoon des Allerhoogstenquot; genaamd worden, en God de Heere zal hem den troon zijns vaders David geven;

33 en hij zal over het huis Jakobs Koning zijn in eeuwigheid, en zijns Koninkrijks zal geen einde zijn.

34 En Maria zeide tot den Engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik gee-nen man beken?

35 En de Engel antwoordende zeide tot haar: De Heilige Geest zal over u komen, en de kracht ces Allerhoogsten zal u overschaduwen: daarom ook dat Heilige, dat uit u geboren zal worden, zal Gods Zoon genaamd worden.

30 En zie, Eiizabet uwe nicht :s ook zelve bevrucht met eenen zoon in haren ouderdom; en deze maand is haar, die onvruchtbaar genaamd was, de zesde;

37 want geen ding zal bij God onmogelijk zijn.

38 En Maria zeide: Zie, de dienstmaagd des Heeren: mij geschiede naar uw woord. En de Engel ging weg van haar.

39 En Maria opgestaan zijnde in die dagen, reisde met haast


-ocr page 1124-

70 LUC.

naar het gebergte in eene stad van Juda,

40 en kwam in het huis van Zacharias, en groette Klizabet.

41 En het geschiedde als Elizabet de groetenis van Maria hoorde, zoo sprong het kindeken op in haren buik; en Elizabet werd vervuld met den Heiligen Geest,

42 en riep uit met groote stem, en zeide: Gezegend zijt gij onder de vrouwen, en gezegend is de vrucht uws buiks.

43 En van waar komt mij dit, dat de moeder mijns Heeren tot mij komt?

44 Want zie, als de stemme uwer groetenis in mijne ooren geschiedde, zoo sprong het kindeken van vreugde op in mijnen buik.

45 En zalig is zij die geloofd heeft; want de dingen die haar van den Heere gezegd zijn, zullen volbracht worden.

40 En Maria zeide: Mijne ziel maakt groot den Heere,

47 en mijn geest verheugt zich in God mijnen Zaligmaker,

48 omdat hij de smaadheid zijner dienstmaagd heeft aangezien; want zie, van nu aan zullen mij zalig spreken alle de geslachten;

49 want groote dingen heeft aan mij gedaan hij die machtig is, en heilig is zijn naam,

50 en zijne barmhartigheid is van geslachte tot geslachte over degenen die hem vreezen.

51 Hij heeft een krachtig werk gedaan door zijnen arm; hij heeft verstrooid de hoogmoedigen in de gedachten hunner harten;

52 hij heeft machtigen van de tronen afgetrokken, en nederigen heeft hij verhoogd;

53 hongerigen heeft hij met goederen vervuld, en rijken heeft hij ledig weggezonden.

54 Hij heeft Israël zijnen knecht opgenomen, opdat hij gedachtig ware der barmhartigheid,

55 (gelijk hij gesproken heeft tot onze vaderen, namelijk tot Abraham en zijn zaad), in eeuwigheid.

5(3 En Maria bleef bij haar omtrent drie maanden, en keerde weder tot haar huis.

57 En de tijd van Elizabet werd

^.S 1.

vervuld dat zij baren zoude, en zij baarde eenen zoon.

58 En die daar rondom woonden en hare magen hoorden, dat de Heere zijne barmhartigheid groo-telijks aim haar bewezen had, en waren met haar verblijd.

59 En het geschiedde dat zij op den achtsten dag kwamen om het kindeken te besnijden, en noemden het Zacharias naar den naam zijns vaders.

(j0 En zijne moeder antwoordde en zeide: Niet alzoo, maar hij zal Johannes heeten.

61 En zij zeiden tot haar: Daar is niemand in uw maagschap die met dien naam genaamd wordt.

02 En zij wenkten zijnen vader, hoe hij wilde dat hij genaamd zoude worden.

03 En als hij een schrijftafelken geëischt bad, schreef hij, zeggende: Johannes is zijn naam. En zij verwonderden zich allen.

64 En terstond werd zijn mond geopend en zijne tong losfiemaakt, en hij sprak, God lovende.

65 lin er kwam vreeze over allen die rondom hen woonden; en in het geheele gebergte van Judéa werd veel gesproken van alle deze dingen.

60 En allen die het hoorden namen het ter harte, zeggende: Wat zal toch dit kindeken wezen ? En de hand des Heeren was met hem.

67 En Zacharias zijn vader werd vervuld met. den Heiligen Geest en profeteerde, zeggende:

68 Geloofd zij de Heere de God Israels, wanx hij heeft bezocht, en verlossing teweeggebracht zijnen volke,

69 en heeft eenen hoorn der zaligheid ons opgericht in het huis Davids zijns knechts,

70 gelijk hij gesproken heeft door den mond zijner heilige Profeten, die van den beginne der wereld rjeweest zijn,

71 nameiijk eene verlossing van onze vijanden en van de hand aller dergenen die ons haten;

72 opdat hij barmhartigheid deed aan onze vaderen, en gedachtig ware aan zijn heilig verbond.


-ocr page 1125-

LUCAS 2.

73 en aan den eed dien hij Abraham onzen vader gezworen heeft, om ons te geven

74 dat wij, verlost zijnde uit de hand onzer vijanden, hem dienen zouden zonder vreeze,

75 in heiligheid en gerechtigheid voor hem, alle de dagen onzes levens.

Proleten SÜ kindeken zult een wordenTquot; want

aangezicht des Heeren henenga\\u. om zijne wegen te bereiden,

77 om zijn volk kennis der zaligheid te geven, in vergeving hunner zonden ,

78 door de innerlijke bewegingen der barmhartigheid onzes Gods, met welke ons bezocht heeft de Opgang uit de hoogte,

79 om te verschijnen dengenen die gezeten zijn in duisternis en schaduw des doods, om onze voeten te richten op den weg des vredes.

80 En het kindeken wies op , en werd gesterkt in den geest, en was in de woestijnen tot den dag zijner vertooning aan Israël.

HOOFDSTUK 2.

En het geschiedde in die dagen dat er een gebod uitging van den Keizer Augustus, dat de geheele wereld beschreven zoude worden.

Deze eerste beschrijving geschiedde als Cyrenius over Syrië Stadhouder was.

3 En zij gingen allen om beschreven quot;te worden , een iegelijk naar zijn eigen stad.

4 En Jozef ging ook op van Galiléa, uit de stad Nazareth,

naar Judéa tot de stad Davids, die Bethlehem genaamd wordt,

(omdat hij uit den huize en geslachte Davids was),

5 om beschreven te worden met Maria zijne ondertrouwde vrouw,

welke bevrucht was.

6 En het geschiedde als zij daar waren, dat de dagen vervuld werden dat zij baren zoude;

7 en zij baarde haren eerstgeboren zoon, en wond hem indoeken, en leidc hem neder in de kribbe,

71

omdat voor hen geene plaats was in de herberg.

8 En daar waren herders in diezelfde landstreek, zich houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hunne kudde.

9 En zie, een Engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des Heeren omscheen ze, en zij vreesden met groote vreeze.

10 En de Engel zeide tot hen: Vreest niet, want zie, ik verkon-volke \\f«?Pie.bIijdschaP\' die al den

11 namelijk dat u ...,

ren is de Zaligmaker, weiK%quot;9quot; Christus de Heere, in de stad Davids.

12 En dit zal u het teeken zijn : gij zult het kindeken vinden in doeken gewonden en liggende in de kribbe.

13 En van stonde aan was daar met den Engel ecne menigte des hemelschen heirlegers, prijzende God en zeggende:

14 Eere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op aarde , in de menschen een welbehagen.

15 En het geschiedde als de Engelen van hen weggevaren waren naar den hemel, dat de herders tot elkander zeiden: Laat ons dan henengaan naar Bethlehem , en laat ons zien het woord dat er geschied is, \'twelk de Heere ons heeft kond gedaan.

16 En zij kwamen met. haaste , en vonden Maria en Jozef, en het kindeken liggende in de kribbe.

17 En als zij het gezien hadden, maakten zij alomme bekend het woord dat\' hun van dit kindeken gezegd was.

18 En allen die het hoorden verwonderden zich over hetgeen hun van de herders gezegd werd;

10 doch Maria bewaarde deze woorden alle te zamen, overleggende die in haar harte.

20 En de herders keerden wederom, verheerlijkende en prijzende God over alles wat zij gehoord ea gezien hadden, gelijk tot hen gesproken was.

21 En als acht dagen vervuld waren dat men hot kindeken be-

-ocr page 1126-

72 LUC.

snijden zou Je, zoo word zijn naam genaamd Jezus, welke genaamd was van den Engel eer liij in het lichaam ontvangen was.

22 En als de dagen harer reiniging vervuld waren naar de wet van Mozes, brachten zij hem te Jeruzalem, opdat zij hem den Heere voorstelden,

23 (gelijk geschreven is in de wet des Heeren: Al wat mannelijk is dat do moeder opent, zal den Heere heilig genaamd^g g^én,

24 en ouga»

in de wet des Heeren gezegd is , een paar tortelduiven of twee jonge duiven.

25 En zie , daar was een mensch te Jeruzalem wiens naam was Simeon; en deze mensch was rechtvaardig engodvreezend, verwachtende de vertroosting Israels, en de Heilige Geest was op hem;

26 en hem was eene Goddelijke ooenbaring gedaan door den Heiligen Geest, dat hij den dood niet zien zoude eer hij den Christus des Heeren zoude zien.

27 En hij kwam door den Geest in den Tempel; en als de ouders het kindeken Jezus inbrachten, om naar de gewoonte der wet met hem te doen,

28 zoo nam hij hetzelve in zijne armen, en loofde God, en zeiile:

29 Nu laat gij, Heere, uwen dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord;

30 want mijne oogen hebben uwe zaligheid gezien ,

31 die gij bereid hebt voor het aangezicht van alle de volkeren :

32 een licht tot verlichting der heidenen en tot heerlijkheid van uw volk Israël.

33 En Jozef en zijne moeder verwonderden zich over hetgeen van hem gezegd werd.

34 En Simeon zegende hen, en zeide tot Maria zijne moeder: Zie, deze wordt gezet tot een val en opstanding veler in Israël, en tot een teeken dat wedersproken zal worden,

35 (en ook een zwaard zal door uw zelfs ziele gaan), opdat de gedachten uit vele harten geopenbaard worden.

lS 2.

30 En daar was Anna cene Profetes , eene dochter Fanuels , uit den stam Aser ; deze was tot grooten ouderdom gekomen, welke \'met haren man zeven jaren had geleefd van haren maagdom af;

37 en zij was eene weduwe van omtrent Vierentachtig jaren, dewelke niet week uit den Tempel, met vasten en bidden God

te dier ure daarbij 1 Komende, heeft insgelijks den Heere beleden , en sprak van hem tot allen die de verlossing in Jeruzalem verwachtten.

39 En als zij alles voleindigd hadden wa : naar de wet des Heeren te doen was, keerden zij weder naar Galiléa tot hunne stad Nazareth.

40 En het kindeken wies op , en werd gesterkt in den geest en vervuld met wijsheid, en de genade Gods was over hem.

41 En zijne ouders reisden alle jaar naar quot;Jeruzalem op het feest van Pascha.

42 En toen hij twaalf jaren om geworden was, en zij naar Jeruzalem opgegaan waren, naar de gewoonte des feestdags,

43 en de dagen aldaar voleindigd hadden, toen zij wederkeerden, bleef het kind Jezus te Jenv zalem , en Jozef en y-ijne moedei wisten \'tniet;

4\'t maar meenende dat hij in gezelschap op den weg was, gin gen zij cene dagreize , en zochter hem onder de magen en onder dlt; bekenden.

45 En als zij hem niet vonden keerden zij wederom naar Jeruza lem, hem toekende.

46 En hot geschiedde na dri( dagen, dat zij hem vonden in dei Tempel, zittende in het middei der leeraren, hen hoerende en hei ondervragende;

47 en allen die hem hoorder ontzetteden zich over zijn verstane en antwoorden.

48 En zij hem ziende werdei verslagen, en zijne moeder zeid( tot hem Kind . waarom hebt gi ons zóó gedaan? Zie, uw vade en ik hebben u met angst gezocht


-ocr page 1127-

LUCAS 3.

73

49 En hij zeide tot hen: Wat is het dat gij mij gezocht hebt? Wist

tot gij niet dat ik moet zijn inde dingen mijns Vaders?

50 En zij verstonden het woord niet dat hij tot hen sprak.

51 En hij ging met hen af, en kwam te Nazareth, en was hun onderdanig. En zijne moeder bewaarde alle deze dingen in haar harte.

52 En Jezus nam toe in wijsheid en in grootte en in genade bij God

xUg

!eïn| en de mensehen.

in

HOOFDSTUK 3.

En in het vijftiende jaar der regeering van den Keizer Tiberius, als Pontius Pilatus Stadhouder was over Judéa, en Herodes een Viervorst over Galiléa, en Filippus zijn broeder een Viervorst over Ituréa en over het land Tracho-nftis, en Lysanias een Viervorst over Abiléne,

2 onder de Hoogepriesters Annas !esl en Kajafas, geschiedde het Woord

Gods tot Johannes, den zoon van Zacharias, in de woestijn;

3 en hij kwam in al het omliggende land des Jordaans, predikende den doop der bekeering tot vergeving der zonden,

4 gelijk geschreven is in het boek der woorden van Jesaja den Profeet , zeggende: De stem des roependen in de woestijn: Bereidt den weg des Heeren, maakt zijne paden recht:

5 alle dal zal gevuld worden, en alle berg en heuvel zal vernederd worden, en de kromme tue-gen zullen tot eenen rechten weg worden, en de oneflene tot effene wegen,

6 en alle vleesch zal de zaligheid Gods zien.

7 Hij zeide dan tot de scharen die uitkwamen om van hem gedoopt te worden: Gij adderenge-broedsels, wie heeft u aangewezen te vlieden van den toekomenden toorn?

8 Brengt dan vruchten voort der bekeering waardig; en begint niet te zeggen bij uzelven: Wij hebben Abraham tot eenen vader; want ik zegge u, dat God zelfs uit deze

steenen Abraham kinderen kan verwekken.

9 En de bijl ligt ook aireede aan den wortel der boomen: alle boom dan die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen.

10 En de scharen vraagden hem, zeggende: Watzullen wij dan doen?

11 En hij antwoordende zeide tot hen: Wie twee rokken heeft deele hem mede die er geen heeft, en wie spijze heeft doe desgelijks.

12 En daar kwamen ook tollenaars om gedoopt te worden, en zeiden tot hem: Meester, wat zullen wij doen?

13 En hij zeide tot hen: Eischt niets meer dan hetgeen u gezet is.

14 En hem vraagden ook de krijgslieden, zeggende: En wij, wat zullen wij doen? En hij zeide tot hen: Doet niemand overlast, en ontvreemdt niemand het zijne met bedrog, en laat u vergenoegen met uw bezoldingen.

15 En als het volk verwachtte, en allen in hunne harten over-leiden van Johannes, of hij niet mogelijk de Christus ware,

10 zoo antwoordde Johannes aan allen, zeggende: Ik doop u wel met water, maar hij komt die sterker is dan ik, wien ik niet waardig ben den riem van zijne sclioenen te ontbinden: déze zal u doopen met den Heiligen Geest en met vuur;

17 wiens wan in zijne hand is, en hij zal zijnen dorschvloer dóór-zuiveren , en de tarwe zal hij in zijne schuur samenbrengen, maar het kaf zal hij met onuitblusschelijk vuur verbranden.

18 Hij dan ook nog vele andere dingen vermanende, verkondigde den volke het Evangelie.

19 Maar als Herodes de Viervorst van hem bestraft werd, om den wille van Herodias, de vrouw van Filippus zijnen broeder, en over alle booze stukken die Herodes deed,

20 zoo heeft hij ook dit nog boven alles daartoe gedaan , dat hij Johannes in de gevangenis gesloten heeft.

21 En het geschiedde toen al


-ocr page 1128-

74 LUC

het volk gedoopt werd, en Jezus óók gedoopt was en bad, dat de hemel geopend werd,

22 en dat de Heilige Geest op hem nederdaalde in lichamelijke gedaante gelijk eene duive, en dat er eene stem geschiedde uit den hemel, zeggende: Gij zijt mijn geliefde Zoon, in u heb ik mijn welbehagen.

23 En hij, Jezus, begon omtrent dertig jaren oud te wezen, zijnde (alzoo quot;men meende) de zoon van Jozef, den zoon van Heli,

24 den zoon van Matthat, den zoon van Levi, den zoon van Melchi, den zoon van Jannas, den zoon van Jozef,

25 den zoon vanMattathias, den zoon van Amos, den zoon van Naiim, den zoon van Esli, den zoon van Naggai,

26 den zoon van Maath, den zoon van Mattathias, den zoon van Semeï, den zoon van Jozef, den zoon van Juda,

27 den zoon van Johannes, den zoon van Rhesa, den zoon van Zorobabel, den zoon van Salathiël, den zoon van Neri,

28 den zoon van Melchi, den zoon van Addi, den zoon van Kosam, den zoon van Elmodam, den zoon van Er,

29 dencoouvan Joses, denzoon van Eliëzer, den zoon van Jorim, den zoon van Matthat, den zoon van Levi,

30 den zoon van Simeon, den zoon van Juda, den zoon van Jozef, den zoon van Jonan, den zoon van Eljakim,

31 den zoon van Meleas, den zoon van Maïnan, den zoon van Mattatha, den zoon van Nathan, den zoon van David,

32 den zoon van Jesse, den zoon van Obed, den zoon van Boöz, den zoon van Salmon, den zoon van Nahasson,

33 den zoon van Aminadab, den zoon van Aram, den zoon van Esrom, den zoon van Fares, den zoon van Juda,

34 den zoon van Jakob, den zoon van Isaak, den zoon van Abraham, den zoon van Thara, den zoon van Nachor,

^.S 4.

35 den zoon van Saruch, den zoon van Ragau, den zoon van Falek, den zoon van Heber, den zoon van Sala,

36 den zoon van Kaïnan, den zoon van Arfaxad, den zoon van Sem, den zoon van Noach, den zoon van Lamech,

37 den zoon van Mathusala, den zoon van Enoch, den zoon van Jared, den zoon van Malaleël, den zoon van Kainan,

38 den zoon van Enos, den zoon van Seth, den zoon van Adam, den zoon van God.

HOOFDSTUK 4.

En Jezus vol des Heiligen Gees-tes keerde wederom van den Jor-daan, en werd door den Geest geleid in de woestijn,

2 en werd veertig dagen verzocht van den duivel, en at gansch niet in die dagen; en als dezelve geëindigd waren, zoo hongerde hem ten laatste.

3 En de duivel zeide tot hem: Indien gij Gods Zoon zijt, zeg tot dezen steen dat hij brood worde.

4 En Jezus antwoordde hem, zeggende: Daar is geschreven, dat de mensch bij brood alleen niet zal leven, maar bij alle woord Gods.

5 En als hem de duivel geleid had op eenen hoogen berg, toonde hij hem alle de koninkrijken der wereld in een oogenblik tijds;

6 en de duivel zeide tot hem: Ik zal u al deze macht en de heerlij kheid dier koninkrijken geven; want zij is mj overgegeven, en ik geef ze wien ik ook wil;

7 indien gij dan mij zult aanbidden , zoo zal het alles uwe zijn.

8 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Ga weg van mij, satan; want daar is geschreven: Gij zult den Heere uwen God aanbidden, en hem alleen dienen.

9 En hij leidde hem naar Jeruzalem en stelde hem op de tinne des Tempe.s, en zeide lot hem: Indien gij de Zoon Gods zijt, werp uzelven van hier nederwaarts:

10 want daar is geschreven, dat hij zijne Engelen van u bevelen zal, dat zij u bewaren zullen,

11 en dat zij u op de handen


-ocr page 1129-

LUCAS 4.

75

nemen zullen, opdat gij uwen voet niet te eenigertijd aan eeneu steen stoot.

12 En Jezus antwoordende zeide tot hem: Daar is gezegd: Gij zult den Heere uwen God niet verzoeken.

13 En als de duivel alle verzoeking voleindigd had, week hij van hem voor eenen tijd.

14 En Jezus keerde weder door de kracht des Geestes naar Galiléa; en het gerucht van hem ging uit door het geheele omliggende land.

15 En hij leerde in hunne Synagogen , en werd van allen geprezen.

lü En hij kwam te Nazareth, waar hij opgevoed was, en ging, naar zijne gewoonte, op den dag des sabbats in de Synagoge, en stond op om te lezen.

17 En hem werd gegeven het boek van den Profeet Jesaja; en als hij het boek opengedaan had, vond hij de plaats waar geschreven was:

18 De Geest des Heeren is op mij, daarom heeft hij mij gezalfd; hij heeft mij gezonden om den armen het Evangelie te verkondigen, om te genezen die gebroken zijn van harte,

19 om den gevangenen te prediken loslating en den blinden het gezicht, om de verslagenen henen te zenden in vrijheid, om te prediken het aangename jaar des Heeren.

20 En als hij het boek toegedaan en den dienaar wedergegeven had, zat hij neder; en de oogen van allen in de Synagoge waren op hem geslagen.

21 En hij begon tot hen te zeggen: Heden is deze Schrift in uwe ooren vervuld.

22 En zij gaven hem allen getuigenis, en verwonderden zich over de aangename woorden die uit zijnen mond voortkwamen, en zeiden: Is deze niet de zoon Jozefs ?

23 En hij zeide tot hen: Gij zult zonder twijfel tot mij dit spreekwoord zeggen: Medicijnmeester, genees uzelven; wat wij gehoord hebben dat in Kapernaüm geschied is, doe dat ook hier in uw vaderland.

24 En hij zeide: Voorwaar ik zegge u, dat geen Profeet aangenaam is in zijn vaderland.

25 Maar ik zegge u in der waarheid , daar waren vele weduwen in Israël in de dagen van Eh\'a, toen de hemel drie jaren en zes maanden gesloten was, zoodat er groote hongersnood werd over het geheele land;

2(3 en tot geene van haar werd Eh\'a gezonden dan naar Sarepta Sidonis, tot eene vrouw, die weduwe was.

27 En daar waren vele melaat-schen in Israël ten tijde van den Profeet Elisa; en geen van hen werd gereinigd dan Naaman de Syriër.

*28 En zij werden allen in de Synagoge \'met toorn vervuld als zij dit hoorden;

29 en opstaande wierpen zij hem uit buiten de stad, en leidden hem op den tcp des bergs op denwelken hunne stad gebouwd was, jm hem van de steilte af te werpen;

30 maar hij door het midden van hen doorgegaan zijnde ging weg.

31 En hij kwam af naar Kapernaüm , eene stad van Galiléa, en leerde hen op de sabbatdagen.

32 En zij waren verslagen over zijne leer, want zijn woord was met macht.

33 En in de Synagoge was een mensch hebbende eenen geest eens onreinen duivels, en hij riep uit met groote stem,

34 zeggende: Laat af, wat hebben wij met u te doengij Jezus Nazarener? Zijt gij gekomen om ons te verderven? Ik ken u wie gij zijt, namelijk de Heilige Gods.

35 En Jezus bestrafte hem, zeggende: Zwijg stil en ga van hem uit. En de duivel hem in \'t midden geworpen hebbende, voer van hem uit, zonder hem iets te beschadigen.

36 En daar kwam eene verbaasdheid over allen, en zij spraken te zamen tot elkander, zeggende : Wat woord is dit, dat hij met macht en kracht den onreinen geesten gebiedt en zij varen uit!

37 En het gerucht van hem ging


-ocr page 1130-

VS 5,

tot hem: Meester, wij hebben den geheelen nacht over gearbeid en niets gevangen; doch op uw woord zal ik het net uitwerpen.

ü En als zij dat gedaan hadden, besloten zij eene groote menigte visschen, en hun net scheurde.

7 En zij wenkten hunne mede-genooten die in het andere schip waren, dat zij hen zouden komen helpen; en zij kwamen, en vulden beide de schepen, zoodat zij bijna zonken.

8 En Simon Petrus dat ziende, viel neder aan de knieën van Jezus, zeggende: Heere, ga uit van mij, want ik ben een zondig mensch.

9 Want verbaasdheid had hem bevangen en allen die met hem waren, over de vangst der visschen, die zij gevangen hadden;

10 en desgelijks ook Jacobus en Johannes, de zonen van Zebedeüs, die Simons medegenooten waren. En Jezus zeiie tot Simon: Vrees niet; van nu aan zult gij menschen vangen.

11 En als zij de schepen aan land gestuurd quot;hadden, verlieten zij alles en volgden hem.

12 En het geschiedde als hij in eene dier steden was, zie, er was een man vol melaatschheid; en Jezus ziende viel hij op het aangezicht, en bad hem, zeggende: Heere, zoo gij wilt, gij kunt mij reinigen.

13 En hij de hand uitstrekkende raakte hem aan, en zeide: Ik wil, word gereinigd. En terstond ging de melaatschheid vim hem.

14 En hij gebood hem dat hij het niemand zeggen zoude; maar ga henen, zeide hij, vertoon uzel-ven den Priester, en offer voor uwe reiniging gelijk Mozes geboden heeft, quot;lun tot een getuigenis.

15 Maar het gerucht van hem ging te meer voort, en vele scharen kwamen te zamen om hem te hooien, en door hem genezen te worden van hunne krankheden;

1G maar hij vertrok in de woestijnen, en bad aldaar.

17 En \'t geschiedde op een dier dagen dat hij leerde, en daar zaten Farizeërs en Leeraars der

70 LUC,

uit in allo plaatsen des omliggen-den lands. .. ,

38 En Jezus opgestaan zijnde uit de Synagoge, ging in het huis van Simon; en Simons vrouwsmoeder was met eene groote koorts bevangen, en zij baden hem voor haar. , , ,

39 En staande boven naar, ue-strafte hij de koorts, en de koorts verliet haar; en zij van stonde aan opstaande diende hen.

40 En als de zoo onderging, brachten allen die kranken hadden, met verscheiden ziekten be-vangen, die tot hom, en hij Icide een iegelijk van hen de handen op, en genas dezelve.

41 En er voeren ook duivelen uit van velen, roepende, en zeggende; Gij ziit de Christus, de Zoon Gods. En hen bestralïende, liet hij die niet spreken, omdat zij wisten dat hij de Christus was.

42 En als het dag werd, ging hij uit en trok naar eene woeste plaats; en de scharen zochten hem, en kwamen tot hij hem, en hielden hem op, dat hij van hen niét zoude weggaan.

43 Maar hij zeide tot hen: Ik moet ook anderen steden het Evangelie van het Koninkrijk Gods verkondigen, want daartoe ben Ik uitgezonden. .

44 En hij predikte in de byna-gogen van Galiléa.

HOOFDSTUK 5.

En het geschiedde als de schare op hem aandrong om het Woord Gods te hooien, dat hij stond bij het meer Gennésareth;

2 en hij zag twee schepen aan den oever van \'t meer liggende, en de visschers waren daaruit gegaan en spoelden de netten.

3 En hij ging in een van die schepen, hetwelk van Simon was, en bad hem dat hij een weinig van \'t land afstak; en nederzit-tende leerde hij de scharen uit het schip.

4 En als hij afliet van spreken, zeide.hij tot Simon: Steek af naaide diepte, en werpt uwe netten uit om te vangen.

5 En Simon antwoordde en zeide

-ocr page 1131-

LUCAS 6.

77

wet, die van alle vlekken van Galiléa en Judéa en Jeruzalem gekomen waren; en de kracht des Heeren was daar om hen te genezen.

18 En zie, eoi/Vyt; mannen brachten op een bed eenen inensch die geraakt was, en zochten hem in te brengen en vóór hem te leggen.

19 En niet vindende waardoor zij hem inbrengen mochten, wegens de schare, zoo klommen zij op het dak, en lieten hem door de tichelen neder met het beddeken, in het midden, vóór Jezus.

20 En hij ziende hun geloof, zeide tot hem: Mensch, uwe zonden zijn u vergeven.

21 En de Schriftgeleerden en de Farizeërs begonnen te overdenken, zeggende: quot;Wie is deze, die r/OfAs-lastering spreekt? Wie kan de zonden vergeven dan God alleen?

22 Maar Jezus hunne overdenkingen bekennende, antwoordde en zeide lot hen: Wat overdenkt gij in uwe harten?

23 Wat is lichter, te zeggen: Uwe zonden zijn u vergeven, of te zeggen: Sta op en wandel?

24 Doch opdat gij moogt weten dat de Zoon des menschen macht heeft op de aarde de zonden te vergeven (zeide hij tot den geraakte): Ik zegge u, sta op en neem uw beddeken op, en ga henen naar uw huis.

25 En hij terstond vóór hen opstaande, en opgenomen hebbende \'t geen daar hij op golegen had, ging henen naar zijn huis, God verheerlijkende.

26 En ontzetting heeft hegt;i allen bevangen, en zij verheerlijkten God, en werden vervuld met vreeze, zeggende: Wij hebben heden ongcloofelijke dingen gezien.

27 En na dezen ging hij uit, en zag eenen tollenaar, met name Levi, zitten in het tolhuis, en zeide tot hem: Volg mij.

28 En hij alles verialende stond op en volgde hem.

29 En Levi richtte hem een groeten maaltijd aan in zijn huis; en daar was quot;eene groote schare van tollenaren en van anderen die met hen aanzaten.

30 En hunne Schriftgeleerden en de Farizeërs murmureerden tegen zijne discipelen, zeggende: Waarom eet en drinkt gij met tollenaren en zondaren?

31 En Jezus antwoordende zeide tot hen: Die gezond zijn hebben den medicijnmeester niet van noode, maai* die ziek zijn.

32 Ik ben niet gekomen om te roepen rechtvaardigen, maar zondaren tot bekeering.

33 En zij zeiden lot hem: Waarom vasten de discipelen van Jo-hannes dikwijls en doen gebeden, desgelijks ook de discipelen der Farizeërs, maar de uwe eten en drinken?

34 Doch hij zeide tot hen: Kunt gij de bruiloftskinderen terwijl de bruidegom bij hen is doen vasten?

35 Maar de dagen zuilen komen wanneer de bruidegom van hen zal weggenomen zijn: dan zullen zij vasten in die dagen.

3(3 En hij zeide ook tot hen «ene gelijkenis: Niemand zet eenen lap van een nieuw kleed op een oud kleed; anders scheurt ook dat nieuwe het oude, en de lap van het nieuwe komt met het oude niet overéén.

37 En niemand doet nieuwen wijn in oude lederen zakken; anders zoo zal de nieuwe wijn de lederen zakken doen bersten, en de lüijn zal uitgestort worden, en de lederen zakken zullen verderven;

38 maar nieuwen wijn moet men in nieuwe lederen zakken doen, en zij worden beide te zamen behouden.

39 En niemand die ouden drinkt, begeert terstond nieuwen; want hijquot;zegt: De oude is beter.

HOOFDSTUK G.

En het geschiedde op den tweeden eersten sabbat, dat hij door het gezaaide ging; en zijne discipelen plukten aren, en aten ze, die wrijvende met de handen.

2 En sommigen der Farizeërs zeiden tot hen: Waarom doet gij wat niet geoorloofd is te doen op de sabbaten?

3 En Jezus hun antwoordende


-ocr page 1132-

78 LUG.

zeide: Hebt gij ook dat niet gelezen , \'t welk David deed wanneer hem hongerde en dengenen die met hem waren?

4 hoe hij ingegaan is in het Huis Gods, en de toonbrooden genomen en gegeten heeft, en ook gegeven dengenen die met hem waren, welke niet zijn geoorloofd te eten dan alleen den Priesteren?

5 En hij zeide tot hen: üe Zoon des menschen is een Heer ook van den sabbat.

6 En het geschiedde ook op een anderen sabbat, dat hij in de Synagoge ging, en leerde. En daar was een mensch, en zijne rechterhand was dor;

7 en de Schriftgeleerden en de Farizeërs namen hem waar, of hij op den sabbat genezen zoude, opdat zij eenirje beschuldiging tegen hem mochten vinden.

8 Doch hij kende hunne gedachten, en zeide tot den mensch die de dorre hand had: Rijs op en sta in \'t midden. En hij opgestaan zijnde stond overeind.

9 Zoo zeide dan Jezus tot hen: Ik zal u vragen: Wat is geoorloofd op de sabbaten, goed te doen of kwaad te doen? een mensch te behouden of te verderven?

10 En hen allen rondom aangezien hebbende, zeide hij tot den mensch: Strek uwe hand uit; en hij deed alzoo, en zijne hand werd hersteld, gezond gelijk de andere.

11 En zij werden vervuld met uitzinnigheid, en spraken te zamen met elkander, wat zij Jezus doen zouden.

12 En het geschiedde in die dagen dat hij uitging naar den berg om te bidden, en hij bleef den nacht over in het gebed tot God.

13 En als het dag was geworden, riep hij zijne discipelen tot zich, en verkoos er twaalf uit hen, die hij ook Apostelen noemde:

14 namelijk Simon, welken hij ook Petrus noemde, en Andréas zijnen broeder. Jacobus en Johannes, Filippusen Bartholomeüs;

15 Mattheüs en Thomas, Jacobus den zoon van Alfeüs; en Simon genaamd Zelotes;

l S 6.

16 Judas Jacobi, en Judas Is-kariot, die ook de verrader geworden is.

17 En met hen afgekomen zijnde, stond hij op eene vlakke plaats, en met hem de schare zijner discipelen , en eene groote menigte des volks van geheel Judéa en Jeruzalem, en van den zeekant van Tyrus en Sidon,

18 die gekomen waren om hem te hooren en om van hunne ziekten genezen te worden, en die van onreine geesten gekweld waren ; en zij werden genezen.

19 quot;En al de schare zocht hem aan te raken; want daar ging kracht van hem uit, en hij genas ze allen.

20 En hij zijne oogen opslaande over zijne discipelen, zeide: Zalig zijt gij armen; want uwer is het Koninkrijk Gods.

21 Zalig zijt gij die nu hongert; want gij zult verzadigd worden. Zalig zijt gij die nu weent; want gij zult lachen.

*22 Zalig zrt gij wanneer u de menschen hav.en, en wanneer zij u afscheiden en smaden, en uwen naam als kwaad verwerpen, om des Zoons des menschen wille.

23 Verblijdt u te dien dage en zijt vroolijk; want zie, uw loon is groot in den hemel; want hunne vaderen deden desgelijks den Profeten.

24 Maar wee u gij rijken; want gij hebt uwen troost weg.

25 Wee u die verzadigd zijt; want gij zult hongeren. Wee u die nu lacht; want gij zult treuren en ween en.

2ö Wee u wanneer alle de menschen wèl van u spreken; want hunne vaderen deden desgelijks den valschen Profeten.

27 Maar ik zegge ulieden die dit hoort, hebt uwe vijanden lief, doet wèl dengenen die u haten,

28 zegent degenen die u vervloeken , 311 bidt voor degenen die u gewald doen.

29 Dengenen die u aan de wang slaat, bied ook de andere; en dengenen die u den mantel neemt, verhinder ook den rok niet te nemen;


-ocr page 1133-

LUCAS 7.

79

30 maar geef een iegelijk die van u begeert, en van dengeen die het uwe neemt eisch niet weder.

31 En gelijk gij wilt dat u de menschen doen zullen, doet gij hun ook desgelijks.

32 En indien gij liefhebt die u liefhebben, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars hebben lief degenen die hen liefhebben.

33 En indien gij goed doet dengenen die u goed doen , wat dank hebt gij? Want ook de zondaars doen hetzelfde.

34 En indien gij leent dengenen van welke gij hoopt weder te ontvangen, wat dank hebt gij? Want ook de zondaars leenen den zondaren, opdat zij evengelijk weder mogen ontvangen.

35 Maar hebt uwe vijanden lief, en doet goed, en leent zonder iets weder te hopen; en uw loon zal groot zijn, en gij zult kinderen des Allërhoogsten zijn ; want hij is goedertieren over de ondankbaren en boozen.

36 Weest dan barmhartig, gelijk ook uw Vader barmhartig is.

37 En oordeelt niet, en gij zult niet geoordeeld worden; verdoemt niet, en gij zult niet verdoemd worden : laat los , en gij zult losgelaten worden;

38 geeft, en u zal gegeven worden : een goede, neergedrukte en geschudde en overloopende maat zal men in uwen schoot geven; want met dezelfde maat waarmede gijlieden meet, zal ulieden wedergemeten worden.

39 En hij zeide tot hen eene gelijkenis: Kan ook wel een blinde eenen blinde op den weg leiden ? Zullen zij niet beiden in de gracht vallen?

40 De discipel is niet boven zijnen meester, maar een iegelijk volmaakt discipel zal zijn gelijk zijn meester.

41 En wat ziet gij den splinter die in uws broeders oog is, en den balk die in uw eigen oog is merkt gij niet?

42 Of hoe kunt gij tot uwen broeder zeggen: Broeder, lant toe dat ik den splinter die in uw oog is uitdoe, daar gij zelf den balk die in uw oog is niet ziet? Gij geveinsde, doe eerst den balk uit uw oog, en dan zult gij bezien om den splinter uit te doen die in uws broeders oog is.

43 Want het is geen goede boom, die kwade vrucht voortbrengt, en geen kwade boom, die goede vrucht voortbrengt.

44 Want iedere boom wordt uit zijn eigen vrucht gekend; want men leest geen vijgen van doornen , en men snijdt geene druif van bramen.

45 De goede mensch brengt het goede voort uit den goeden schat zijns harten , en de kwade mensch brengt het kwade voort uit den kwaden schat zijns harten; want uit den overvloed des harten spreekt zijn mond.

46 En wat noemt gij mij Heere, Heere, en doet niet hetgeen dat ik zegge?

47 Een iegelijk die tot mij komt en mijne woorden hoort en dezelve doet, ik zal u toonen wien hij gelijk is.

48 Hij is gelijk een mensch die een huis bouwde, en groef, en verdiepte , en leide het fundament op eene steenrots : als nu de hooge vloed kwam, zoo sloeg de waterstroom tegen dat huis aan, en kon het niet bewegen; want het was op de steenrots gegrond.

40 Maar wie ze gehoord en niet gedaan zal hebben, is gelijk een mensch die een huis bouwde op de aarde zonder fundament: tegen hetwelk de waterstroom aansloeg, en het viel terstond,. en de val van dat huis was groot.

HOOFDSTUK 7.

Nadat hij nu alle zijne woorden voleindigd had ten aanhoore des volks, ging hij in te Kapernaüm.

2 En een dienstknecht van een zeker hoofdman over honderd, die hem zeer waard was, krank zijnde lag op zijn sterven.

3 En van Jezus gehoord hebbende, zond hij tot hem de Ouderlingen der Joden , hem biddende daT hij wilde komen en zijnen dienslknecbt gezond maken.


-ocr page 1134-

•LUCAS 7.

80

4 Deze nu tot Jezus gekomen zijnde, baden hem ernstiglijk, zeggende; Hij is waardig dat gij hem dat doet;

5 want hij heeft ons volk lief, en heeft zelf ons de Synagoge gebouwd.

6 En Jezus ging met hen. En als hij nu niet verre van het huis was, zond de hoofdman over honderd tot hem eenige vrienden, en zeide tot hem : Heere, noem de moeite niet; want ik ben niet waardig dat gij onder mijn dak zoudt inkomen;quot;

7 daarom heb ik ook mij zei ven niet waardig geacht om tót u te komen; maar zeg het met een woord, en mijn knecht zal genezen worden.

8 Want ik ben óók een mensch onder de macht van anderen gesteld , hebbende krijgsknechten onder mij , en ik zeg tot dezen: Ga, en hij gaat; en tot den anderen: Kom, en hij komt; en tot mijnen dienstknecht: Doe dat, en hij doet het.

9 En Jezus dit hoerende, verwonderde zich over hem, en zich omkeerende zeide tot de schare die hem volgde: Ik zegge ulieden, ik heb zoo groot geloof zelfs in Israël niet gevonden.

10 En die gezonden waren, wedergekeerd zijnde in het huis, vonden den kranken dienstknecht gezond.

11 En het geschiedde op den volgenden dag, dat hij ging naar eene stad genaamd Naïn, en met hem gingen velen van zijne discipelen en een groote schare.

12 En als hij de poort der stad genaakte, zie daar, een doode werd uitgedragen, die een eenigge-boren zoon zijner moeder was, en zij tuas weduwe, en een groote schare van de stad was met haar.

13 En de Heere haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zeide tot haar: Ween niet.

14 En hij ging toe en raakte de baar aan, (de dragers nu stonden stil), en hij zeide: Jongeling, ik zegge u, sta op.

15 En de doode zat overeind en begon te spreken; en hij gaf hem aan zijne moeder.

16 Ên vreeze beving ze allen, en zij verheerlijkten God, zeggende : Een groot Profeet is onder ons opgestaan, en: God heeft zijn volk bezocht.

17 En dit gerucht van hem ging uit in geheel Judéa en in al het omliggende land.

18 En de discipelen van Johannes boodschapten hem van alle deze dingen.

19 En Johannes zekere twee van zijne discipelen tot zich geroepen hebbende, zond ze tot Jezus, zeggende: Zijt gij degene die komen zoude, of verwachten wij eenen anderen?

20 En als de mannen tot hem gekomen waren, zeiden zij: Johannes de Dooper heeft ons tot u afgezonden , zeggende : Zijt gij die komen zoude , of verwachten wij eenen anderen ?

21 En in die ure genas hij er velen van ziekten en kwalen en booze geesten , en velen blinden gaf hij het gezicht.

22 Èn Jezus antwoordende zeide tot hen: Gaat henen en boodschapt Johannes wéder de dingen die gij gezien en gehoord hebt, namelijk dat óe blinden ziende worden, de kreupelen wandelen , de melaatschen gereinigd worden, de dooven hoeren, de dooden opgewekt worden , den armen het Evangelie verkondigd wordt;

23 en zalig is hij, die aan mij niet zal geërgerd worden.

24 Als nu de boden van Johannes weggegaan waren, begon hij van Johannes tot de scharen te zeggen: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen ? Een riet dat van den wind ginds en weder bewogen wordt?

25 Maar wi t zijt gij uitgegaan te zien? een mensch met zachte kleederen bekleed? Zie, die in heerlijke kleeding en wellust zijn, die zijn in de koninklijke hoven.

26 Maar wat zijt gij quot;uitgegaan te zien? Een Profeet? Ja, ik zegge u, ook veel meer dan een Protect.

27 Deze is het van welken geschreven is: Zie, ik zend u mijnen


-ocr page 1135-

LUCAS 8.

81

Engel voor uw aangezicht, die uwen weg voor u henen bereiden zal.

28 Want ik zegge ulieden, onder die van vrouwen geboren zijn is niemand meerder Profeet dan Johannes de Dooper; maar de minste in het Koninkrijk Gods is meerder dan hij.

29 En al het volk hem hoorende, en de tollenaars die met den doop van Johannes gedoopt waren, rechtvaardigden God;

80 maar de Farizeërs en de quot;Wetgeleerden hebben den raad Gods tegen zichzelven verworpen, van hem niet gedoopt zijnde.

31 En de Heere zeide: Bij wicn zal ik dan de menschen van dit geslacht vergelijken, en wien zijn zij gelijk?

32 Zij zijn gelijk den kinderen die opquot; de markt zitten en elkander toeroepen , en zeggen: Wij hebben u op dc fluit gespeeld en gij hebt niet gedanst; wij hebben u klaagliederen gezongen en gij hebt niet geweend.

33 Want Johannes de Dooper is gekomen noch brood etende noch wijn drinkende, en gij zegt: Hij heeft den duivel.

34 De Zoon des menschen is gekomen etende en drinkende, en gij zegt: Zie daar een mensch d/e een vraat en wijnzuiper is, een vriend van tollenaren en zondaren.

35 Doch de wijsheid is gerechtvaardigd geworden van alle hare kinderen.

3ö En een der Farizeërs bad hem dat hij met hem ate; en ingegaan zijnde in des Farizeërs huis zat hij aan.

37 En zie, eene vrouw in de stad welke eene zondares was, verslaande dat hij in des Farizeërs huis aanzat, bracht eene albasten Jlesch met zalve, l 38 en staande achter aan zijne voeten weenende, begon zij zijne voeten nat te maken met tranen, en zij droogde ze af met het haar van haar hoofd, en kuste zijne voeten, en zalfde ze met de zalve.

39 En de Farizeër die hem genood had zulks ziende, sprak bij zichzelven , zeggende: Deze indien hij een Profeet ware, zoude wel weten , wat en hoedanige vrouw deze is die hem aanraakt; want zij is eene zondares.

40 En Jezus antwoordende zeide lot hem: Simon, ik heb u wat te zeggen. En hij sprak: Meester, zeg het.

41 Jezus zeide: Een zeker schuldheer had twee schuldenaars: de één was schuldig vijfhonderd penningen, en de ander vijftig;

42 en als zij niet hadden om te betalen, schold hij het hun beiden kwijt. Zeg dan, wie van deze zal hem meer lief hebben?

43 En Simon antwoordende zeide: Ik acht dat hij \'tis wien hij het meeste kwijtgescholden heeft. En hij zeide tot hem: Gij hebt recht geoordeeld.

44 En hij zich omkeerende naar de vrouw, zeide tot Simon: Ziet gij deze vrouw? Ik ben in uw huis gekomen; water hebt gij niet tot mijne voeten gegeven; maar deze heeft mijne voelen met tranen nat gemaakt en met het haar van baar hoofd afgedroogd.

/j5 Gij hebt mij geenen kus gegeven ; maar deze, van dat zij ingekomen is , heeft niet afgelaten mijne voeten te kussen.

46 Met olie hebt gij mijn hoofd niet gezalfd; maar deze heeft mijne voeten met zalve gezalfd.

47 Daarom zegge ik u, hare zonden zijn haar vergeven die vele waren; want zij heeft veel lief gehad; maar dien weinig vergeven wordt, die heeft weinig lief.

48 En hij zeide tot haar: Uwe zonden zijn u vergeven.

49 En die mede aanzaten begonnen te zeggen bij zichzelven: Wie is deze die ook dé zonden vergeeft?

50 Maar hij zeide tot de vrouw: Uw geloof heeft u behouden, ga henen in vrede.

HOOFDSTUK 8.

En het geschiedde daarna dat hij reisde van de ééne stad en vlek tot de andere, predikende en verkondigende het Evangelie van het Koninkrijk Gods; en de twaalve waren met hem,

2 en sommige vrouwen die van booze geesten en krankheden


-ocr page 1136-

LUCAS 8.

82

genezen waren, namelijk Maria genaamd Magdalena, van welke zeven duivelen uitgegaan waren,

3 en Johanna de huisvrouw van Chuzas den rentmeester van Hero-des, en Susanna, en vele andere , die hem dienden van hare goederen.

4 Als nu eene groote schare bijéén vergaderde, en zij van alle steden tot hem kwamen, zoo zeide hij door gelijkenis:

5 Een zaaier ging uit om zijn zaad te zaaien; en als hij zaaide viel het ééne bij den weg, en werd vertreden, en de vogelen des hemels aten dat op;

6 en het andere viel op eene steenrots, en opgewassen zijnde is het verdord, omdat het geen vochtigheid had;

7 en het andere viel in het midden van de doornen, en de doornen merle opwassende verslikten hetzelve;

8 en het andere viel op de goede aarde, en opgewassen zijnde bracht het honderdvoudige vrucht voort. Dit zeggende riep hij: Wie ooren heeft om te hooren, die hoore.

9 En zijne discipelen vraagden hem, zeggende: Wat mag deze gelijkenis wezen ?

10 En hij zeide: U is\'tgegeven de verborgenheden van het Koninkrijk Gods te verstaan; maar tot de anderen spreek ik in gelijkenissen , opdat zij ziende niet zien, en hoorende niet verstaan.

11 Dit is nu de gelijkenis: Het zaad is het Woord Gods.

12 En die bij den weg bezaaid luorclen zijn deze die hooren; daarna komt de duivel en neemt het woord uit hun hart weg, opdat zij niet zouden gelooven en zalig worden.

13 En die op de steenrots he-zaaid worden zijn deze, die wanneer zij het gehoord hebben, het woord met vreugde ontvangen; en deze hebben geenen wortel, die maar voor eenen tijd gelooven, en in den tijd der verzoeking wijken zij af.

1^ En dat in de doornen valt, deze zijn die gehoord hebben , en henengaande verslikt worden door de zorgvuldigheden en rijkdom en wellusten des levens, en voldragen geen vracht.

15 En dat in de goede aarde valt zijn deze, die het woord gehoord hebbende, \'tzelve in een eerlijk en goed hart bewaren, en in volstandigheid vruchten voortbrengen.

16 En niemand die eene kaars ontsteekt, bedekt dezelve met een vat of zet ze onder een bed, maar zet ze op eenen kandelaar, opdat degenen die inkomen het licht zien mogen.

17 Want daar is niets verborgen dat niet openbaar zal worden, noch heimelijk dat niet bekend zal worden en in \'t openbaar komen.

18 Ziet dan hoe gij hoort; want zoo wie heeft, dien zal gegeven worden ; en zoo wie niet heeft, ook hetgeen hij meent te hebben zal van hem genomen worden.

19 En zijne moeder en si/ne broeders kwamen tot hem, en konden bij hem niet komen vanwege de schare.

20 En hem werd geboodschapt van eenigen die zeiden: Uwe moeder en uwe broeders staan daarbuiten, begeerende u te zien.

21 Maar hij antwoordde en zeide tot hen: Mijne moeder en mijne broeders zijn deze. die Gods Woord hooren en hetzelve doen.

2L En het geschiedde in een van die dagen dat hij in een schip ging, en zijne discipelen en hij zeide tot hen: Laat ons overvaren aan de andere zijde des meers. En zij staken af.

23 En als zij voeren, viel hij in slaap; en daar kwam een storm van wind op het meer, en zij werden vol water en waren in nood.

24 En zij gingen tot hem en wekten hem op, zeggende: Meester. Meester, wij vergaan. En hij opgestaan zijnde bestrafte den wind en de watergolven, en zij hielden op, en daar werd stilte.

25 En hij zeide tot hen: Waar is uw geloof? Maar zij bevreesd zijnde verwonderden zich, zeggende tot eikander: Wie is toch deze, dat hij ook de winden en liet water gebiedt en zij zijn hem gehoorzaam!


-ocr page 1137-

LUG.

1 26 En zij voeren voort naar het quot; land der Gadarenen, hetwelk is r/. tegenover Galiléa.

.j 27 En als hij aan het land uit-jl gegaan was, ontmoette hem een , zeker man uit de stad, die van over langen tijd met duivelen was

* bezeten geweest; en hij was met ^ geen kleederen gekleed, en bleef

! in geen huis, maar in de graven. . 28 En hij Jezus ziende, en zeer [j. 1 roepende, viel voor hem neder, i en zeide met eene groote stem : ; Wat heb ik met u te doen, Jezus, I gij Zoon Gods des Allerhoogsten? j : Ik bid u dat gij mij niet pijnigt. . 29 Want hij had den onreinen

• j geest geboden dat hij van den ^ | mensch zoude uitvaren; want hij

had hem menigen tijd bevangen \' gehad, en hij werd met ketenen en met boeien gebonden om bè-waard te zijn; en hij verbrak de-banden , en werd van den duivel J gedreven in de woestijnen. 5 30 En Jezus vraagde hem, zeggende : Welke is uw naam ? En ; hij zeide: Legio; want vele dui-! vélen waren in hem gevaren.

31 En zij baden hem, dat hij hun niet gebieden zoude in den afgrond henen te varen.

32 En aldaar was eene kudde veler zwijnen weidende op den berg; en zij baden hem , dat hij hun wilde toelaten in dezelve te varen; en hij liet het hun toe.

33 En de duivelen uitvarende van den mensch, voeren in de zwijnen; en de kudde stortte van de steilte af in het meer, en versmoorde.

34 En die ze weidden, ziende hetgeen geschied was, zijn gevlucht, en henengaande boodschapten het in de stad en op het land.

I 35 En zij gingen uit om te zien •aetgeen geschied was, enkwamt-n \\tot Jezus, en vonden den mensch van welken de duivelen uitgeva-! ren waren, zittende aan de voelen Wan Jezus, gekleed en wèl bij . zijn verstand; en zij werden bevreesd.

36 En ook die het gezien hadden Verhaalden hun hoe de bezetene vas verlost geworden.

37 En de geheele menigte van

S 8. 83

het omliggende land der Gadarenen baden hem dat hij van hen wegging; want zij waren met groote vreeze bevangen; en hij in het schip gegaan zijnde keerde wederom.

38 En de man van welken de duivelen uitgevaren waren, bad hem dat hij mocht bij hem zijn. Maar Jezus liet hem van zich gaan, zeggende:

39 Keer weder naar uw huis, en vertel wat groote dingen u God gedaan heeft. En hij ging henen , door de geheele stad verkondigende wat groote dingen Jezus hem gedaan had.

40 En het geschiedde als Jezus wederkeerde, dat hem de schare ontving; want zij waren allen hem verwachtende.

41 En zie, daar kwam een man wiens naam was Jaïrus, en hij was een overste der Synagoge; en hij viel aan de voeten van Jezus, en bad hem dat hij in zijn huis wilde komen;

42 want hij had eene éenige dochter van omtrent twaalfjaren, en deze lag op haar sterven. En als hij henenging zoo verdrongen hem de scharen.

43 En eene vrouw die twaalf jaren lang den vloed des bloeds gehad had, welke al haren leeftocht aan medicijnmeesters te koste gelegd had, en van niemand had kunnen genezen worden,

44 van achteren tot hem komende , raakte den zoom zijns kleeds aan; en terstond stelpte de vloed haars bloeds.

45 En Jezus zeide: Wie is het die mij heeft aangeraakt? En als zij het allen ontkenden, zeide Petrus en die met hem waren: Meester, de scharen drukken en verdringen u, en zegt gij : Wie is het die mij aangeraakt heeft?

46 En Jezus zeide; Iemand heeft mij aangeraakt; want ik heb bekend dat kracht van mij uitgegaan is.

47 De vrouw nu ziende dat zij niet verborgen was, kwam bevende , en voor hem neder vallende verklaarde hem voor al het volk om wat oorzaak zij hem aange-


-ocr page 1138-

AS 9.

LUG

84

raakt had, en hoe zij terstond genezen was.

48 En hij zeide tot haar: Dochter, wees welgemoed, uw geloof heeft u behouden; ga henen in vrede.

49 Als hij nog sprak, kwam daar een van het huis van den overste der Synagoge, zeggende tot hem: Uwe dochter is gestorven; wees den Meester niet moeielijk.

50 Maar Jezus dat hoorende antwoordde hem, zeggende: Vrees niet; geloof alleenlijk, en zij zal behouden worden.

51 En als hij in het huis kwam. liet hij niemand inkomen dan Petrus en Jacobus en Johannes , en den vader en de moeder des kinds.

52 En zij schreiden allen en maakten misbaar over haar. En hij zeide: Schreit niet; zij is niet gestorven. maar zij slaapt.

53 En zij belachten hem, wetende dat zij gestorven was.

54 Maar als hij ze allen uitgedreven had, greep hij hare hand en riep, zeggende: Kind, sta op.

55 En haar geest keerde weder, en zij is terstond opgestaan; en hij gêbood dat men haar te eten geven zoude.

56 En hare ouders ontzetteden zich; en hij beval hun dat zij niemand zouden zeggen hetgeen geschied was.

HOOFDSTUK 9.

En zijne twaalf discipelen samengeroepen hebbende, gaf hij hun kracht en macht over alle dé duivelen, en om ziekten te genezen;

2 en zond ze henen om te prediken het Koninkrijk Gods, en de kranken gezond te maken.

3 En hij zeide tot hen: Neemt niets mede tot den weg, noch staven, noch male , noch brood, noch geld ; noch iemand van u zal twee rokken hebben.

4 En in wat huis gij ook zult ingaan, blijft aldaar, en gaat van daar uit.

5 En zoo wie u niet zullen ontvangen , uitgaande van die stad, schudt ook het stof af van uwe voeten, tot een getuigenis tegen hen.

6 En zij uitgaande doorgingen alle de vlekken, verkondigende het Evangelie, en genezende de zieken overal.

7 En Herodes de Viervorst hoorde alle de dingen die van hem geschiedden, en was twijfelmoedig, omdat van sommigen gezegd werd, dat Johannes van de dooden was opgestaan;

8 en van sommigen, dat Eh\'a verschenen was; en anderen, dat een Profeet van de ouden was opgestaan.

9 En Herodes zeide: Johannes heb ik onthoofd: wie is nu deze , van welken ik zulke dingen hoor ? En hij zocht hem te zien.

10 En de Apostelen wedergekeerd zijnde, verhaalden hem al wat zij gedaan hadden. En hij nam zé mede, en vertrok alleen in eene woeste plaats der stad genaamd Bethsaïda.

11 En de scharen dat verstaande, volgden hem ; en hij ontving ze , en sprak tot hen van het Koninkrijk Gods: en die genezing van nbode hadden maakte hij gezond.

12 En de cag begon te dalen; en de twaalve tot hem komende, zeiden tot hem: Laat de schare van u, opdat zij henengaande in de omliggende vlekken en in de dorpen herberg nemen mogen, en spijze vinden; want wij zijn hier in eene woeste plaats.

13 Maar hij zeide tot hen : Geeft gij hun te eten. En zij zeiden: Wij hebben niet meer dan vijf bróoden en twee visschen; tenzij dan dat wij henengaan en spijze koopen voor r.1 dit volk.

14 Want daar waren omtrent vijfduizend mannen. Doch hij zeide tot zijne discipelen: Doet hen nederzitten bij afdeelingen, elk van vijftig.

15 En zij deden alzoo , en deden ze alle nederzitten.

16 En hij de vijf brooden en de twee visschen genomen hebbende, zag op naai den hemel en zegende die, en brak ze, en gaf ze den discipelen om der schare voor te leggen.

17 En zij aten en werden allen verzadigd; en daar werd opgeno-


-ocr page 1139-

AS 9.

LUC

85

men hetgeen hun van de brokken overgeschoten was, twaalf korven.

18 En het geschiedde als hij alleen was biddende , dat de discipelen met hem waren, en hij vraagde hen, zeggende: Wie zeggen de scharen dat ik ben ?

19 En zij antwoordende zeiden : Johannes de Dooper; en anderen, Elia; en anderen, dat eenig Profeet van de ouden opgestaan is.

20 En hij zeide tot hen : Maar gijlieden, wie zegt gij dat ik ben? En Petrus antwoordende zeide: De Christus Gods.

21 En hij gebood hun scherpe-lijk en beval dat zij dit niemand zeggen zouden,

22 zeggende : De Zoon des men-schen moet veel lijden, en verworpen worden van de Ouderlingen en Overpriesters en Schriftgeleerden , en gedood, en ten derden dage opgewekt worden.

23 En hij zeide tot allen: Zoo iemand achter mij wil komen, die verloochene zichzëlven, en neme zijn kruis dagelijks op en volge mij.

24 Want zoo wie zijn leven behouden wil, die zal iibt verliezen ; maar zoo wie zijn leven verliezen zal om mijnentwille, die zal het behouden.

25 Want wat baat hel een mensch die de geheele wereld zoude winnen, en zichzelven verliezen of schade zijns zelfs lijden?

2G Want zoo wie zich mijns en mijner woorden zal geschaamd hebben, diens zal de Zoon des menschen zich schamen, wanneer hij komen zal in zijne heerlijkheid en in de heerlijkheid des Vaders en der heilige Engelen.

27 En ik zegge u waarlijk, daar zijn sommigen dergenen die hier staan, die den dood niet zullen smaken, totdat zij het Koninkrijk

* Gods zullen gezien hebben.

28 En het geschiedde omtrent acht dagen na deze woorden, dat hij medenam Petrus en Johannes en Jacobus, en klom op den berg om te bidden.

29 En als hij bad, werd de gedaante zijns aangezichts veranderd, en zijne kleeding wit en zeer blinkende.

30 En zie, twee mannen spraken met hem, welke waren Mozes en Eh\'a;

31 dewelke gezien zijnde in heerlijkheid. zeiden zijnen uitgang dien hij zoude volbrengen te Jeruzalem.

32 Petrus nu en die met hem waren, waren met slaap bezwaard; en ontwaakt zijnde zagen zij zijne heerlijkheid en de twee mannen die bij hem stonden.

33 En het geschiedde als zij van hem afscheidden, zoo zeide Petrus tot Jezus : Meester, het is goed dat wij hier zijn; en laat ons drie tabernakelen maken, vooru eenen, en voor Mozes eenen, en voor Eh\'a eenen, niet wetende wat hij zeide.

34 Als hij nu dit zeide, kwam eene wolk en overschaduwde hen ; en zij werden bevreesd, als die in de wolk ingingen.

35 En daar geschiedde eene stemme uit de wolk, zeggende: Deze is mijn geliefde Zoon: hoort hem.

36 En als de stem geschiedde , zoo werd Jezus alleen gevonden. En zij zwegen stil, en verhaalden in die dagen niemand iets van hetgeen zij gezien hadden.

37 En het geschiedde des daags daaraan, als zij van den berg afkwamen, dat hem eene groote schare in \'tgemoet kwam.

38 En zie, een man van de schare riep uit, zeggende : Meester , ik bid u, zie toch mijnen zoon aan, want hij is mij een eeniggeborene:

39 en zie, een geest nèemthem, en van stonde aan roept hij, en hij scheurt hem dat hij schuimt, en wijkt nauwelijks van hem, en verplettert hem;

40 en ik heb uwe discipelen gebeden dat zij hem zouden uitwerpen , en zij hebben niet gekund.

41 En Jezus antwoordende zeide: O ongeloovig en verkeerd geslacht, hoe lang zal ik nog bij uliedenzijn en ulieden verdragen? Breng uwen zoon hier.

42 En nog als hij naar hem toekwam , scheurde hem de duivel en verscheurde hem; maar Jezus bestrafte den onreinen geest, en


-ocr page 1140-

LUCAS 10.

86

maakte het kind gezond, en gaf hem zijnen vader weder.

43 En zij werden allen verslagen over de grootdadigheid Gods. En als zij allen zich verwonderden over alle de dingen die Jezus gedaan had, zeide hij tot zijne discipelen :

44 Legt gij deze woorden in uwe ooren: Waiit de Zoon des men-schen zal overgeleverd worden in der menschen handen.

45 Maar zij verstonden dit woord niet, , en het was voor hen ver-horgen, alzoo dat zij het niet begrepen; en zij vreesden van dat woord hem te vragen.

46 En daar rees eene overlegging onder hen, namelijk wie van hen de meeste ware.

47 Maar Jezus ziende de overlegging hunner harten, nam een kindeken en stelde dat bij zich ,

48 en zeide tot hen: Zoo wie dit kindeken ontvangen zal in mijnen naam, die ontvangt mij; en zoo wie mij ontvangen zal, die ontvangt hem die mij gezonden heeft. Want wie de minste onder u allen is, die zal groot zijn.

49 En Johannes antwoordde en zeide: Meester, wij hebben eenen gezien die in uwen naam de duivelen uitwierp, en wij hebben het hem verboden, omdat hij u met ons niet volgt.

50 En Jezus zeide tot hem : Verbiedt het niet; want wie tégen ons niet is, die is vóór ons.

51 En het geschiedde als de dagen zijner opneming vervuld werden, zoo richtte hij zijn aangezicht om naar Jeruzalem te reizen ;

52 en hij zond boden uit voor zijn aangezicht; en zij henenge-reisd zijnde, kwamen in een vlek der Sainaritanen, om voor hem herberg te bereiden.

53 En zij ontvingen hem niet, omdat zijn aangezicht was als reizende naar Jeruzalem.

54 Als nu zijne discipelen Jacobus en Johannes dat zagen, zeide zij: Heere, wilt gij dat wij zeggen, dat vuur van den hemel ne-derdale en deze verslinde, gelijk ook Elfa gedaan heeft?

55 Maar zich omkeerende bestrafte hij ze, en zeide: Gij weet niet van hoedanigen geest gij zijt;

56 want de Zoon des menschen is niet gekomen om der menschen zielen te verderven, maar om te behouden. En zij gingen naar een ander vlek.

57 En het geschiedde op den weg als zij reisden, dat een tot hem zeide: Heere, ik zal u volgen waar gij ook henengaat.

58 En Jezus zeide tot hem: De vossen hebben holen, en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des menschen heeft niet waar hij het hoofd nederlegge.

59 En hij zeide tot eenen anderen: Volg mij. Doch hij zeide: Heere, laat mij toe dat ik henen-ga en eerst mijnen vader begrave.

60 Maar Jezus zeide tot hem: Laat de doocen hunne dooden begraven; doch gij, ga henen en verkondig het Koninkrijk Gods.

61 En ook een ander zeide; Heere, ik zal u volgen; maar laat mij eerst toe dat ik afscheid neme van degenen die in mijn huis zijn.

62 En Jezus zeide tot hem: Niemand die zijne hand aan den ploeg slaat en ziet naar hetgeen achter is, is bekwaam tot het Koninkrijk Gods.

HOOFDSTUK 10.

En na dezen stelde de Heere nog zeventig anderen, en zond ze henen voor zijn aangezicht, twee en twee, in iedere stad en plaats waar hij komen zoude.

2 Hij zeide dan tot hen: De oogst is wel groot, maar de arbeiders zijn weinige; daarom bidt den Heere des oogstes, dat hij arbeiders in zijnen oogst uitstoote.

3 Gaat henen: zie, ik zend u als lammeren in het midden der wolven.

4 Draagt geenen buidel, noch male, noch schoenen, en groet niemand op den weg.

5 En wat huis gij zult ingaan, zegt eerst: Vrede zij dezen huize.

6 En indien aldaar een zoon des vredes iSj zoo zal uw vrede op hem rusten; maar indien niet, zoo zal uw vrede tot u wederkeeren.

7 En blijft in dat huis, etende


-ocr page 1141-

LUCAS 10.

87

21 Te dier ure verheugde zich Jezus in den geest, en zeide: Ik dank u Vader, Heere des hemels en der aarde, dat gij deze dingen voor de wijzen en verstandigen verborgen hebt, en hebt dezelve den kinderkens geopenbaard ; ja, Vader , want alzóó is geweest het welbehagen voor u.

22 Alle dingen zijn mij van mijnen Vader overgegeven; en niemand weet wie de Zoon is dan de Vader, en wie de Vader is dan de Zoon, en wien het de Zoon zal willen openbaren.

23 En zich keerende naar de discipelen, zeide hij tot hen alleen: Zalig zijn de oogen die zien hetgeen gij ziet.

| 24 Want ik zegge u dat vele Profeten en Koningen hebben begeerd te zien hetgeen gij ziet, en hebben het niet gezien, en te hooren hetgeen gij hoort, en hebben het niet gehoord.

25 En zie, een zeker Wetgeleerde stond op, hem verzoekende, en zeggende: Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?

2G En hij zeide tot hem: Wat is in de wet geschreven? Hoe leest gij ?

27 En hij antwoordende zeide: Gij zult den Heere uwen God liefhebben uit geheel uw harte en uit geheel uwe ziele en uit geheel uwe kracht en uit geheel uw verstand, en uwen naaste als uzelven.

28 En hij zeide tot hem: Gij hebt recht geantwoord: doe dat, en gij zult leven.

29 \'Maar hij willende zichzelven rechtvaardigen, zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste?

30 En Jezus antwoordende zeide: Een zeker mensch kwam af van Jeruzalem naar Jericho, en viel onder de moordenaars, welke hem ook uitgetogen en daartoe zware slagen gegeven hebbende, henengingen, en lieten hem halfdood liggen.

31 En bij geval kwam een zeker Priester dien weg af, en hem ziende ging hij tegenover hem voorbij.

32 Én desgelijks ook een Leviet, als hij was bij die plaats, kwam

en drinkende hetgeen van hen voorgezet wordt; want de arbeider is zijn loon waardig. Gaat niet over van het ééne huis in het andere huis.

8 En in wat stad gij zult ingaan en zij u ontvangen, eet hetgeen ulieden voorgezet wordt,

9 en geneest de kranken die daarin zijn, en zegt tot hen: Het Koninkrijk Gods is nabij u gekomen.

10 Maar in wat stad gij zult ingaan en zij u niet ontvangen, uitgaande op hare straten zoo zegt:

11 Ook het stof dat uit uwe stad aan ons kleeft, schudden wij af op ulieden; nogtans weet dit, dat het Koninkrijk Gods nabij u gekomen is.

12 En ik zegge u. dat het voor ! die van Sodom verdragelijker wezen zal in dien dag dan voor die stad.

13 Wee u Ghorazin, wee u Beth-saïda! Want zoo in Tyrus en Sidon de krachten geschied waren die in u geschied zijn, zij zouden eertijds in zak en asch zittende zich bekeerd hebben.

14 Doch liet zal Tyrus en Sidon verdragelijker zijn in het oordeel dan ulieden.

15 En gij Kapernaüm, dat tot den hemel toe verhoogd zijt, gij zult tot de helle toe nedergestoo-ten worden.

16 Wie u hoort die hoort mij, en wie u verwerpt die verwerpt mij; en wie mij verwerpt die verwerpt dengene die mij gezonden heeft.

17 En de zeventig zijn wedergekeerd met blijdschap, zeggende: Heere, ook de duivelen zijn ons onderworpen in uwen naam.

18 En hij zeide tot hen; Ik zag den satan als een bliksem uit den hemel vallen.

19 Zie, ik geef u de macht om op slangen en schorpioenen te treden, en over alle kracht des vijands; en geen ding zal u eenigs-zins beschadigen.

20 Doch verblijdt u daarin niet, dat do geesten u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer dat uwe namen quot;geschreven zijn in de hemelen.

-ocr page 1142-

88 L U G J

hij en zag hem, en ging tegenover hem voorbij.

33 Maar een zeker Samaritaan reizende kwam omtrent hem, en hem ziende werd hij met innerlijke ontferming bewogen;

34 en hij tot hem gaande verbond zijne wonden, gietende daarin olie eii wijn; en hem hellende op zijn eigen beest, voerde hij hem in de herberg en verzorgde hem.

35 En des anderen daags weggaande , langde hij twee penningen uit, en gaf ze den waard , en zeide tot hem: Draag zorg voor hem; en zoo wat gij meer aan hem te koste zult leggen, dat zal ik ii wedergeven als ik wederkom.

36 Wie van deze drie dunkt u de naaste geweest te zijn desgenen die onder de moordenaars gevallen was?

37 lin hij zeide: Die barmhartigheid aan hem gedaan heeft. Zoo zeide dan Jezus tot hem : Ga henen en doe gij desgelijks.

38 En het geschiedde als zij reisden, dat hij kwam in een vlek; en eene zekere vrouw met name Martha ontving hern in haar huis.

39 En deze had eene zuster genaamd Maria, welke ook zittende aan de voeten van Jezus zijn woord hoorde.

40 Doch Martha was zeer bezig met veel dienens, en daar bijkomende zeide zij; Heere, trekt gij u dat niet aan , dat mijne zuster mij alléén laat dienen? Zeg dan haar dat zij mij helpe.

41 En Jezus antwoordende zeide tot haar: Martha, Martha, gij bekommert en ontrust u over vele dingen,

42 maar één ding is noodig; doch Maria heeft het goede deel uitgekozen, hetwelk van haar niet zal weggenomen worden.

HOOFDSTUK 11.

En het geschiedde toen hij in eene zekere plaats was biddende, als hij ophield, dat een van zijne discipelen tot hem zeide: Heere, leer ons bidden , gelijk ook Johannes zijnen discipelen geleerd heeft.

2 En hij zeide tot hen: Wanneer gij bidt, zoo zegt: Onze

.S 11.

Vader die in de hemelen zijt, uw naam wordo geheiligd; uw Koninkrijk kome; uw wil geschiede gelijk iti den hemel alzóó ook op de aarde;

3 geef ons eiken dag ons dage-lijksch brood;

4 en vergeef ons onze zonden, want ook wij vergeven aan een iegelijk die ons schuldig is; en leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den booze.

5 En hij zeide tot hen: Wie van u zal eenen vriend hebben, en zal te middernacht tot hem gaan, en tot hem zeggen: Vriend, leen mij drie brooden,

6 overmits mijn vriend van de reis tot mij gekomen is, en ik heb niet wat ik hem voorzette:

7 en dat die van binnen antwoordende zoude zeggen: Doe mij geen moeite aan; de deur is nu gesloten, en mijne kinderen zijn met mij in de slaapkamer: ik kan niet opataai. om u te geven.

8 Ik zegge ulicden, hoewel hij niet zoude opstaan en hem geven omdat hij zijn vriend is, nogtans om zijner onbeschaamdheid wille zal hij opstaan en hem geven zoovele als hij er behoeft.

9 En ik zegge ulieden: Bidt en u zal gegeven worden; zoekt, en gij zult vinden; klopt, en u zal opengedaan worden.

10 Want een iegelijk die bidt, die ontvangt; en die zoekt, die vindt; en die klopt, dien zal opengedaan worden.

11 En wat vader onder u, dien de zoon om brood bidt, zal hem eenen steen geven? of ook om eenen visch, zal hem voor eenen visch eene slang geven?

12 Of zoo hij ook om een ei zoude bidden, zal hij hem een schorpioen geven?

13 Indien dan gij die boos zijt weet uwen kinderen goede gaven te geven, hoeveel te meer zal de hemelsche Vader den Heiligen Geest geven dengenen die hem bidden.

14 En hij wierp eenen duivel uit, en die was stom; en het geschiedde als de duivel uitgevaren was, dat de stomme sprak. En de scharen verwonderden zich;


-ocr page 1143-

LUCAS 11.

89

15 maar sommigen van hen zeiden: Hij werpt de duivelen uit door Beëlzebul, den overste der duivelen.

16 En anderen hem verzoekende, begeerden van hem een teeken uit den hemel. ^ .

47 i\'ii Klunende hunne

gedachten, zeide tot lien: Ieder koninkrijk dat tegen zichzelf verdeeld is, wordt verwoest; en een huis tegen zichzelf verdeeld zijnde, valt:

18 indien nu ook de satan tegen zichzelven verdeeld is, hoe zal zijn rijk bestaan? Dewijl gij zegt dat ik door Beëlzebul de duivelen uil-werp.

19 En indien ik door Beëlzebul de duivelen uitwerp, door wien werpen ze uwe zonen uit? Daarom zullen deze uwe rechters zijn.

20 Maar indien ik door den vinger Gods de duivelen uitwerp, zoo is dan het Koninkrijk Gods tot u gekomen.

21 Wanneer een sterke gewapende zijn hof bewaart, zoo is al wat hij heeft in vrede;

22 maar als een daarover komt die sterker is dan hij, en hem overwint, die neemt zijne geheele wapenrusting waar hij op vertrouwde, en deelt zijnen roof uit.

23 Wie met mij niet is, «lie is tégen mij ; en wie met mij niet vergadert, die verstrooit.

24 Wanneer de onreine geest van den mensch uitgevaren is, zoo gaat hij door dorre plaatsen, zoekende rust, en die niet vindende

hij: Ik zal wederkeeren in . huis waar ik uitgevaren ben; i komende vindt hij het met bezemen gekeerd en versierd.

20 Dan gaat hij henen en neemt met zich zeven andere geesten, boozer dan hij zeifis, en ingegaan zijnde wonen zij aldaar; en het laatste van dien mensch wordt erger dan het eerste.

27 En het geschiedde als hij deze dingen sprak, dat eeiie zekere vrouw de stem verheffende uit de schare, tot hem zeide: Zalig is de buik, die u gedragen heeft, en de borsten, die gij hebt gezogen.

28 Maar hij zeide; Ja, zalig zijn degenen die het Woord Gods hooien en hetzelve bewaren.

29 En als de scharen dicht bijéén vergaderden, begon hij te zeggen: Dit is een boos geslacht: het verzoekt een teeken, en hun 7:ii geen teeken gegeven worden dan het teeken van Jona den Profeet.

30 Want gelijk Jona den Nine-vieten een teeken geweest is, alzóó zal ook de Zoon des men-schen zijn voor dit geslacht.

31 De Koningin van het Zuiden zal opstaan in liet oordeel met de mannen van dit geslacht, en zal ze veroordeelen; want zij is gekomen van de einden der aarde om te hooren de wijsheid van Salomo — en zie, meer dan Salomo is hier.

32 De mannen van Ninevé zullen opstaan in het oordeel met dit geslacht, en zullen hetzelve veroordeelen; want zij hebben zich bekeerd op de prediking van Jona — en zie, meer dan Jona is hier.

33 En niemand die eene kaars ontsteekt, zet die in het verborgen noch onder eene korenmaat, maar op eenen kandelaar, opdat degenen die inkomen het licht zien mogen.

34 De kaars des lichaams is het oog: wanneer dan uw oog eenvoudig is, zoo is ook uw geheele lichaam verlicht; maar zoo het boos is, zoo is ook uw geheele lichaam duister.

35 Zie dan toe, dat niet het licht hetwelk in u is, duisternis .zij.

30 Indien dan uw lichaam geheel verlicht is, niet hebbende eenig deel dat duister is, zoo zal het geheel verlicht zijn, gelijk wanneer de kaars met het schijnsel u verlicht.

37 Als hij nu dit sprak, bad hem een zeker Farizeër dat hij bij hem het middagmaal wilde eten; en ingegaan zijnde zat hij aan.

38 En de Farizeër dat ziende, verwonderde zich dat hij niet eerst vóór het middagmaal zich gewas-schen had.

39 En de Ifeere zeide Lot hem: Nu, gij Farizeërs, gij reinigt het


-ocr page 1144-

LUCAS 12.

90

buitenste des drinkbekers en des schotels, maar het binnenste van u is vol van roof en boosheid.

40 Gij onverstandigen, die het buitenste heeft gemaakt, heeft hij ook niet het binnenste gemaakt?

41 Doch geeft tot aalmoezen hetgeen daarin is, en zie, alles is u rein.

42 Maar wee u, Farizeërs, want gij vertient munt en ruit en alle moeskruid, en gij gaat voorbij het oordeel en de liefde Gods. Dit moest men doen en het andere niet nalaten.

43 Wee u, Farizeërs, want gij bemint het voorgestoelte in de Synagogen, en de begroetingen op dè markten.

44 Wee u, gij Schriftgeleerden en Farizeërs, gij geveinsden; want gij zijt gelijk de graven die niet openbaar zijn, en de menschen die daarover wandelen weten \'t niet.

45 Kn een van de Wetgeleerden antwoordende zeide tot hem: Meester, als gij deze dingen zegt, zoo doet gij ook ons smaadheid aan.

46 Doch hij zeide: Wee ook u, Wetgeleerden, want gij belast de menschen met lasten zwaar om te dragen, en zeiven raakt gij die lasten niet aan met één van uwe vingeren.

47 Wee u, want gij bouwt de graven der Profeten, en uwe vaderen hebben dezelven gedood.

48 Zoo getuigt gij dan dat gij mede behagen hebt aan de werken uwer vaderen; want zij hebben ze gedood, en gij bouwt hunne graven.

49 Waarom ook de Wijsheid Gods zegt: Ik zal Profeten en Apostelen tot hen zenden; en van die zullen zij sommifien dooden, en fiommiden zullen zij uitjagen,

50 opdat van dit geslacht afge-eischt worde het bloed van alle de Profeten dat vergoten Is van de grondlegging der wereld af,

51 van het bloed Abels tot het bloed van Zetcharia, die gedood is tusschen het altaar en \'het Huis Gods; ja, zegge ik u. het zal af-geöischl worden van dit geslacht.

52 Wee u, gij Wetgeleerden, want gij hebt den sleutel der kennis weggenomen : gij zeiven zijt niet ingegaan, en die ingingen hebt gij verhinderd.

53 En als hij deze dingen tot hen zeide, begonnen de Schriftgeleerden en Farizeërs hard aan te houden, iiot-n van vele dingen te doen spreken.

54 hem lagen leggende, en zoekende iets uit zijnen mond te bejagen, opdat zij hem beschuldigen mochten.

HOOFDSTUK 12.

Als intusschen vele duizenden der schare bijéénvergaderd waren, zoodat zij elkander vertraden, begon hij \'te zeggen tot zijne discipelen: Vooreerst wacht uzelven voor den zuurdeesem der Farizeërs, welke is geveinsdheid.

2 En daar is niets bedekt dat niet zal ontdekt worden, en verborgen dat niet zal geweten worden.

\'6 Daarom al wat gij in de duisternis gezegd hebt zal in het licht gehoord worden, en wat gij in het oor gesproken hebt in de binnenkamers, zal op de daken gepredikt worden.

4 En ik zegge u mijnen vrienden, vreest niet voor degenen die het lichaam dooden, en daarna niets méér kunnen doen;

5 maar ik zal u toonen wien gij vreezen zult: vreest dien, die nadat hij gedood heeft ook macht heeft in de hel te werpen; ja, ik zegge u, vreest dien.

(3 Worden niet vijf muschkens verkocht voor twee penningskens? En niet één van die is voor God vergeten.

7 Ja, ook de haren uws hoofds zijn allen geteld. Vreest dan niet: gij gaat vele muschkens te boven.

8 En ik zegge u, een iegelijk die mij belijden zal voor de menschen, dien zalquot; ook de Zoon des menschen belijden voor de Engelen Gods;

9quot; maar wie mij verloochenen zal voor de msnschen, die zal verloochend worden voor de Engelen Gods.

10 En een iegelijk die ccnig woord spreken zal tegen den Zoon


-ocr page 1145-

LUCi

des menschen , het zal hem vergeven worden; maar wie legen den Heiligen Geest gelasterd zal hebben, dien zal het niet vergeven worden.

11 En wanneer zij u henenbren-gen zullen in de \'Synagogen en tot de overheden en de machten, zoo zijt niet bezorgd, hoe of wat gij tot verantwoording zeggen of wat gij spreken zult;

12 want de Heilige Geest zal u in die ure leeren hetgeen spreken moet.

13 En een uit de schare zeide tot hem: Meester, zeg mijnen broeder dat hij met mij de erfenis deele.

14 Maar hij zeide tot hem: Mensch, wie heeft mij tot een rechter of scheidsman over ulieden gesteld ?

15 En hij zeide tot hen: Ziet toe en wacht u van de gierigheid; want het is niet in den overvloed gelegen, dat iemand leeft uit zijne goederen.

16 En hij zeide tot hen eene gelijkenis, en sprak: Eens rijken menschen land had wèl gedragen;

17 en hij overleide bij zichzel-ven, zeggende: Wat zal ik doen? want ik heb niet waarin ik mijne vruchten zal verzamelen.

18 En hij zeide: Dit zal ik doen: ik zal mijne schuren afbreken en grootere bouwen, en zal aldaar verzamelen al dit mijn gewas en deze mijne goederen,

19 en ik zal tot mijne ziele zeggen : Ziele, gij hebt vele goederen die opgelegd zijn voor vele jaren: neem rust, eet, drink, wees vroolijk.

20 Maar God zeide tot hem: Gij dwaas, in dezen nacht zal men uwe ziele van u afeischen; en hetgeen gij bereid hebt, wiens zal het zijn?

21 Alzóó is \'l met dien die zich-zelven schatten vergadert, en niet rijk is in God.

22 En hij zeide tot zijne discipelen : Daarom zegge ik u, zijt niet bezorgd voor uw leven, wat gij eten zult, noch voor het lichaam, waarmede gij u kleeden zult:

23 het leven is meer dan het .S 12. 91

voedsel, en het lichaam dan de kleeding.

24 Aanmerkt de raven, dat zij niet zaaien noch maaien, welke geen spijskamer noch schuur hebben, en God voedt dezelven: hoe veel gaat gij de vogelen te boven!

25 Wie toch van u kan met bezorgd te zijn ééne el tot zijne lengte toedoen?

26 Indien gij dan ook het minste niet kunt, wat zijt gij voor de andere dingen bezorgd?

27 Aanmerkt de leliën , hoe zij wassen: zij arbeiden niet en spinnen niet, en ik zegge u, ook Salomo in al zijne heerlijkheid is niet bekleed geweest als eene van deze.

28 Indien nu God het gras, dat heden op het veld is en morgen in den oven geworpen wordt, alzóó bekleedt, hoeveel te meer u, gij kleingeloovigen!

29 quot;En gijlieden, vraagt niet wat gij eten of wat gij drinken zult, en weest niet wankelmoedig;

30 want alle deze dingen zoeken de volkeren der wereld; maar uw Vader weet dat gij deze dingen behoeft.

31 Maar zoekt het Koninkrijk Gods, en alle deze dingen zullen u toegeworpen worden.

32 Vreest niet, gij klein kuddeken , want het is uws Vaders welbehagen, ulieden het Koninkrijk te geven.

33 Verkoopt hetgeen gij hebt, en geeft aalmoes ; maakt uzelven buidels die niet verouden, eenen schat die niet afneemt in.de hemelen, waar de dief niet bijkomt noch de mot verderft.

34 Want waar uw schat is, aldaar zal ook uw harte zijn.

35 Laat uwe lendenen omgord ziin, en de kaarsen brandende;

quot;36 en zijt gij den menschen gelijk die op hunnen heer wachten, wanneer hij wederkomen zal van de bruiloft, opdat als hij komt en klopt, zij hem terstond mogen opendoen.

37 Zalig zijn die dienstknechten, welke de heer als hij komt zal wakende vinden: voorwaar ik zegge u , dat hij zich zal omgor-


-ocr page 1146-

LUCAS 13,

92

den, en zal ze doen aanzitten, en bijkomende zal hij hen dienen.

*558 En zoo hij komt in de tweede nachtwaak, en komt in do derde waak, en vindt ze alzóó, zalig zijn die dienstknechten.

39 Maar weet dit, dat indien de heer des huizes geweten had in welke ure de dief zoude komen, hij zoude gewaakt hebben en zoude zijn huis niet hebben laten doorgraven.

40 Gij dan, zijt óók bereid, want in welke ure gij. het niet meent zal de Zoon des menschen komen.

41 En Petrus zeide tot hem : Heere, zegt gij deze gelijkenis tot ons, of ook tot allen?

42 En de Heere zeide: Wie is dan de getrouwe en voorzichtige huisbezorger, dien de heer over zijne dienstboden zal zetten, om hun ter rechter tijd het bescheiden deel spijze te geven?

43 Zalig is die dienstknecht, welken zijn heer als hij komt zal vinden alzóó doende:

44 waarlijk ik zegge ulieden dat hij hem over alle zijne goederen zetten zal.

45 Maar indien die dienstknecht in zijn hart zoude zeggen: Mijn heer vertoeft te komen, en zoude beginnen de knechten en de dienstmaagden te slaan, en te eten en te drinken en dronken te worden,

4G zoo zal de heer van dien dienstknecht komen ten dage op welken hij hem niet verwacht, en ter ure die hij niet weet, en zal hem afscheiden, en zal zijn deel zetten met de ontrouwen.

47 En die dienstknecht welke geweten heeft den wil zijns heeren, en zich niet bereid noch naar zijnen wil gedaan heeft, die zal met vele slar/en geslagen worden;

48 maar die denzelven niet geweten heeft, en gedaan heeft dinrjen die slagen waardig zijn, die zal met weinige sfow/mgeslagen worden. En een iegelijk wien veel gegeven is, van dien quot;zal veel ge-eischt worden; en wien men veel vertrouwd heeft, van dien zal men overvloediger eischen.

49 Ik ben gekomen om vuur op de aarde te werpen; en wat wil ik, indien het aireede ontstoken is?

50 Maar ik moet met eenen doop gedoopt worden, en hoe word ik geperst, totdat het volbracht zij !

51 Meent gij dat ik gekomen ben om vrede te geven op de aarde? Neen zegge ik u, maar veeleer verdeeldheid.

52 Want van nu aan zullen er vijf in één huis verdeeld zijn, drie tegen twee, en twee tegen drie;

53 de vader zal tegen den zoon verdeeld zijn, en de zoon tegen den vader; de moeder tegen de dochter, en de dochter tegen de moeder; de schoonmoeder tegen hare schoondochter, en de schoondochter tegen hare schoonmoeder.

54 En hij zeide ook tot de scharen: Wanneer gij een wolk ziet opgaan van het Westen, terstond zegt gijlieden: Er komt regen; en het geschiedt alzoo;

55 en wanneer gij den zuidenwind ziet waaien, zoo zegt gij: Daar zal hitte zijn; en het geschiedt.

50 Gij geveinsden, het aanschijn der aarde en des hemels weet gij te beproeven, en hoe beproeft gij dezen tijd niet?

57 En waarom oordeelt gij ook van uzelven niet hetgeen recht is?

58 Want als gij henengaat met uwe wederpartij voor de overheid, zoo benaarstig u op den weg om van hem verlost Ie worden; opdat hij misschien u niet voor den rechter trekke, en de rechter u den gerechtsdienaar overlevere, en de gerechtsdienaar u in de gevangenis werpe.

59 ik zegge u , gij zult van daar geenszins uitgaan, totdat gij ook het laatste penningsken betaald zult hebben.

HOOFDSTUK 13.

En daar waren te dier tijd eeni-gen tegenwoordig, die hem boodschapten van da Galileërs, welker bloed Pilatus met hunne offeranden gemengd had.

2 En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Meent gij dat deze Gali-


-ocr page 1147-

LUCAS 13.

93

leers zondaars zijn geweest boven ille de Galileërs, omdat zij zulks jeleden hebben?

3 Ik zegge u, neen zij; maar ndien gij u niet bekeert, zoo zult TÜ allenquot;desgelijks vergaan.

4 Of die achttien op welke de oren in Siloam viel en doodde \'.e, meent gij dat dezen schulde-laars zijn geweest boven alle nenschen die in Jeruzalem wonen?

5 Ik zegge u, neen zij; maar indien gij u niet bekeert, zoo ^ult gij allen insgelijks vergaan.

6 En hij zeide deze gelijkenis : Een zeker man had eenen vijge-ooom, geplant in zijnen wijngaard; en hij kwam en zocht vrucht daarop, en vond ze niet.

7 En hij zeide tot den wijngaardenier: Zie, ik kom nu driejaren zoekende vrucht op dezen vijgeboom, en vind ze niet; houw hem uit: waartoe beslaat hij ook on-nuttelijk de aarde?

8 En hij antwoordende zeide tot hem: Heere, laat hem ook noy dit jaar, totdat ik om hem gegraven en mest gelegd zal hebben;

9 en indien hij vrucht zal voortbrengen, laat hem staan; mnüiV indien niet, zoo zult gij hem namaals uithouwen.

10 En hij leerde op den sabbat in eene der Synagogen.

11 En zie, daar was eene vrouw die oenen geest der krankheid achttien jaren lang gehad had, en zij was samengebogen en kon zich ganschelijk niet oprichten.

12 En Jezus haar ziende riep ze tot zich, en zeide tot haar: Vrouw, gij zijt verlost van uwe krankheid.

13 En hij leide de handen op haar, en zij werd terstond weder recht, en verheerlijkte God.

14 En de overste der Synagoge, kwalijk nemende dat Jezus op den sabbat genezen had, antwoordde en zeide tot de schare: Daar zijn zes dagen op welke men moet werken; komt dan op dezelve en aat u genezen, en niet op den dag des sabbats.

15 De Heere dan antwoordde hem en zeide: Gij geveinsde, maakt niet een iegelijk van u op den, sabbat zijnen os of ezel van de kribbe los, en leidt hem henen om te doen drinken?

16 En deze die eene dochter Abrahams is, welke de satan, zie, nu achttien jaren gebonden had, moest die niet losgemaakt worden van dezen band op den dag des sabbats?

17 En als hij dit zeide , werden zij allen beschaamd die zich tegen hem stelden, en al de scnare verblijdde zich over alle de heerlijke dingen die van hem geschiedden.

18 En hij zeide: Waaraan is het Koninkrijk Gods gelijk, en waarbij zal ik hetzelve vergelijken?

19 Het is gelijk een mostaardzaad, hetwelk een mensch genomen en in zijnen hof geworpen heeft; en het wies op en werd tot eenen groeten boom, en de vogelen des hemels nestelden in zijne takken.

\'20 En hij zeide wederom : Waarbij zal ik \'het Koninkrijk Gods vergelijken ?

21 Het is gelijk een zuurdeesem, welken eene vrouw nam en verborg in drie maten meel, totdat het geheel gezuurd was.

22 En hij reisde van de ééne stad en vlek tot de andere, lee-rende, en richtende zijne reis naar Jeruzalem.

23 En er zeide een tot hem: Heere, zijn er ook weinigen die zalig worden? En hij zeide tot hen:

24 Strijdt om in te gaan door de enge poort; want velen (zegge ik u) zullen zoeken in te gaan, en zullen niet kunnen ;

25 namelijk nadat de Heere des huizes zal opgestaan zijn en de deur zal gesloten hebben, en gij zult beginnen buiten te staan en aan de deur te kloppen, zeggende : Heere, Heere, doe ons open ; en hij zal antwoorden en tot u zeggen: Ik ken u niet van waar gij zijt.

26 Alsdan zult gij beginnen te zeggen: .Wij hebben in uwe tegenwoordigheid gegeten en gedronken, en gij hebt in onze straten geleerd.

27 \'En hij zal zeggen: Ik zegge u, ik ken u niet van waar gij zijt: wijkt van mij af, alle gij werkers der ongerechtigheid.


-ocr page 1148-

LUCAS 14.

94

28 Aldaar zal zijn weening en knersing der tanden, wanneer gij zult zien Abraham en Isoak en Jakob en alle de Profeten in liet Koninkrijk Gods, maar ulieden buiten uitgeworpen.

29 En daar zullen er komen van Oosten en Westen, en van Noorden en Zuiden, en zullen aanzitten in het Koninkrijk Gods.

30 En zie, er zijn laatsten die de eersten zullen zijn, en er zijn eersten die de laatsten zullen zijn.

31 Te dien dage kwamen daar eenige Farizeërs, zeggende tot hem: Ga weg en vertrek van hier, want Herodes wil u dooden.

32 En hij zeide tot hen: Gaat henen en zegt dien vos: Zie, ik werp duivelen uit en maak gezond, heden en morgen, en ten derden dage word ik voleindigd.

33 Doch ik moet heden en morgen en den volgenden day reizen ; want het gebeurt niet dat een Profeet gedood wordt buiten Jeruzalem.

34 Jeruzalem , Jeruzalem, gij die de Profeten doodt, en steenigt die tot u gezonden zijn, hoe menigmaal heb ik uwe kinderen willen bijéén vergaderen, gelijkerwijs eene hen hare kiekens onder de vleugelen vergadert, en gijlieden hebt niet gewild.

35 Zie, uw huis wordt ulieden woest gelaten. En voorwaar ik zegge u dat gij mij niet zult zien, totdat de tijd zal gekomen zijn als gij zult zeggen : Gezegend is hij die komt in den name des Heeren.

HOOFDSTUK 14.

En het geschiedde als hij gekomen was in het huis van een der oversten der Farizeërs, op den sabbat, om brood te eten, dat zij hem waarnamen.

2 En zie, daar was een zeker waterzuchtig mensch vóór hem.

3 En Jezus antwoordende zeide tot de Wetgeleerden en Farizeërs, en sprak : Is het ook geoorloofd op den sabbat gezond te maken ?

4 Maar zij zwegen stil. En hij nam hem eh genas hem, en liet hem gaan.

5 En hij hun antwoordende zeide : Wiens ezel of os van ulieden zal in eenen put vallen, en die hem niet terstond zal uittrekken op den dag des sabbats?

(5 En zij konden hem daarop niet weder antwoorden.

7 En hij zeide tot de genooden eene gelijkenis , aanmerkende hoe zij de vóoraanzittingen verkoren , zéggende tot hen:

8 Wanneer gij van iemand ter bruiloft genood zult zijn , zoo zet u niet op de eerste zitplaats; opdat niet misschien een waardiger dan gij van hem genood zij ,

9 en hij komende die u en hem genood heeft, tot u zegge: Geef dezen plaats, en gij alsdan zoudt beginnen met schaamte de laatste plaats te houden.

10 Maar wanneer gij genood zult zijn, ga henen en zet u op de laatste plaats; opdat wanneer hij komt die u genood heeft, hij tot u zegge: Vriend, ga hooger op: alsdan zal het u eere zijn voor degenen die met u aanzitten.

11 Want een iegelijk die zich-zelven verhoogt zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert zal verhoogd worden.

12 En hij \'zeide ook tot dengenen die hem genood had: Wanneer gij een middagmaal of avondmaal zult houden, zoo roep niet uwe vrienden, noch uwe broeders, noch uwe magen , noch uiue rijke geburen, opdat ook dezelve u niet te eeniger tijd weder nooden en u vergelding geschiede.

13 Maar wanneer gij een maaltijd zult houden, zoo nood armen, verminkten, kreupelen , blinden:

14 én gij zult zalig zijn, omdat zij niet hebben om u te vergelden ; want het zal u vergolden worden in de opstanding der rechtvaardigen.

15 En als een van degenen die mede aanzaten deze dingen hoorde, zeide hij tot hem: Zalig is hij die brood eet in het Koninkrijk Gods.

16 Maar hij zeide tot hem: Een zeker mensch bereidde een groot avondmaal, en hij noodde er velen;

17 en hij zond zijnen dienstknecht uit ter ure des avondmaals,


-ocr page 1149-

LUCAS 15.

95

om den genooden te zeggen : Komt, want alle dingen zijn nu gereed.

18 En zij begonnen allen zich eendrachtelijk te verontschuldigen. De eerste zeide tot hem : Ik heb eenen akker gekocht, en het is noodig dat ik uitga en hem bezie; ik bid u , houd mij voor verontschuldigd.

19 En een ander zeide: Ik heb vijf juk ossen gekocht, en ik ga hénen om die te beproeven; ik bid u , houd mij voor verontschuldigd.

20 En een ander zeide: Ik heb eene vrouw getrouwd en daarom kan ik niet komen.

21 En die dienstknecht iucder-gekomen zijnde boodschapte deze dingen zijnen heer. Toen werd de heer desquot; huizes toornig , en zeide tot zijnen dienstknecht: Ga haas-telijk uit in de straten en wijken der stad, en breng de armen en verminkten en kreupelen en blinden hier in.

22 En de dienstknecht zeide: Heere, het is geschied, gelijk gij bevolen hebt, en nog is daar plaats.

23 En de heer zeide tot den dienstknecht: Ga uit in de wegen en heggen, en dwing ze in te komen, opdat mijn huis vol worde;

24 want ik zegge ulieden, dat niemand van die mannen die genood waren mijn avondmaal smaken zal.

25 En vele scharen gingen met hem; en hij zich omkeerende zeide tot hen:

26 Indien iemand tot mij komt, en niet haat zijnen vader ën moeder , en vrouw en kinderen , en broeders en zusters, ja, ooJc zelfs zijn eigen leven, die kan mijn discipel niet zijn ;

27 en wie zijn kruis niet draagt en mij navolgt, die kan mijn discipel niet zijn.

28 Want \'wie van n willende eenen toren bouwen, zit niet eerst neder en overrekent de kosten, nf hij ook heeft hetgeen tot volmaking noodig is?

29 opdat niet misschien, als hij het fundament gelegd heeft en niet kan voleindigen, allen die het zien hem beginnen te l/cspollcn,

30 zeggende: Deze mensch heeft beginnen to bouwen, en heelt niet kunnen voleindigen.

31 Of wat Koning gaande naar den krijg om tegen eenen anderen Koning te slaan, zit niet eerst neder en beraadslaagt, of hij machtig is met tienduizend te ontmoeten dengene die met twintigduizend tegen hem komt?

\'32 Anders zendt hij gezanten uit, terwijl gene nog verre is, en begeert hetgeen tot vrede dient.

33 Alzóó dan een iegelijk van u die niet verlaat alles wat hij heeft, die kan mijn discipel niet zijn.

34 Het zout is goed ; maarindién het zout smakeloos geworden is, waarmede zal het smakelijk gemaakt worden?

35 Het is noch voor het land noch voor den mesthoop geschikt: men werpt het weg. Wie ooren heeft om te hooren, die hoore.

HOOFDSTUK 15.

En alle de tollenaars en de zondaars naderden tot hem om hem te hooren.

2 En de Farizeërs en de Schriftgeleerden murmureerden, zeggende : Deze ontvangt de zondaars, en eet met hen.

3 En hij sprak tot hen deze gelijkenis, zeggende:

4 Wat mensch onder u hebbende honderd schapen, en één van die verliezende, verlaat niet de negenennegentig in de woestijn, en gaat naar het verlorene, totdat hij hetzelve vindt?

5 En als hij het gevonden heeft, legt hij het op zijne schouders, verblijd zijnde;

C en te huis komende roept hij de vrienden en de geburen te zamen, zeggende lot hen: Weest blijde met mij, want ik heb mijn schaap gevonden dat verloren was.

7 Ik zegge ulieden, dat er alzóó blijdschap zal zijn in den hemel over éénen zondaar die zich bekeert , meer dan over negenennegentig rechtvaardigen , die de bekeering niet van noode hebben.

8 Of wat vrouw hebbende tien penningen , indien zij éénen penning verliesl, ontsteekt tfiet ecno


-ocr page 1150-

96

kaars, en keert het huis met bezemen, en zoekt naarstiglijk totdat zij dien vindt?

9 En als zij diew gevonden heeft, roept zij de vriendinnen en de geburinnen te zamen, zeggende: Weest blijde met mij, want ik heb den penning gevonden dien ik verloren had.

10 Alzóó (zegge ik ulieden) is daar blijdschap voor de Engelen Gods over éénen zondaar die zich bekeert.

11 En hij zeide: Een zeker mensch had twee zonen.

12 En de jongste van hen zeide tot den vader: Vader, geef mij het deel des goeds dat mij toekomt. En hij deelde hun het goed.

13 En niet vele dagen daarna, de jongste zoon alles bijéén vergaderd hebbende, is weggereisd in een vevfjelefian land, en heeft aldaar zijn goed doorgebracht, levende overdadiglijk.

14 En als hij het alles verteerd had, werd daar een groote hongersnood in dat land, en hij begon gebrek te lijden;

15 en hij ging henen en voegde zich bij een van de burgers van dat land, en die zond hem op zijn land om de zwijnen te weiden;

16 en hij begeerde zijnen buik te vullen met den draf dien de zwijnen aten, en niemand gaf hem dien.

17 En tot zichzelven gekomen zijnde, zeide hij: Hoevele huurlingen mijns vaders hebben overvloed van brood, en ik verga van honger.

18 Ik zal opstaan en tot mijnen vader gaan, en ik zal lot \'hem zeggen: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en voor u,

19 en ik ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden: maak mij als eenen van uwe huurlingen.

20 En opstaande ging hij naaizij nen vader. En als hij nog verre van kern was, zag hem zijn vader, en werd met innerlijke ontferming bewogen , en ïoeloopende viel hem om zijnen hals en kusle hem.

21 En de zoon zeide tot hem: Vader, ik heb gezondigd tegen den hemel en Voor u, en ben niet meer waardig uw zoon genaamd te worden.

22 Maar de vader zeide tot zijne dienstknechten: Brengt hier vóór het beste kleed en doet het hem aan, en geeft eenen ring aan zijne hand en schoenen aan de voeten,

23 en brengt het gemeste kalf en slacht het, en laat ofts eten en vroolijk zijn;

24 want deze mijn zoon was dood en is weder levend geworden , en hij was verloren en is gevonden. En zij begonnen vroolijk te zijn.

25 En zijn oudste zoon was in het veld, en als hij kwam en het huis genaakte, Hoorde hij het gezang en het gerei;

26 en tot zich geroepen hebbende een van de knechten, vraagde wat dat mocht zijn.

27 En deze zeide tot hem: Uw broeder is gekomen, en uw vader heeft het gemesve kalf geslacht, omdat hij hem gezond weder ontvangen heeft.

28 Maar hij werd toornig en wilde niet ingaan. Zoo ging dan zijn vader uit, en bad hem.

29 Doch hij antwoordende zeide tot den vader: Zie , ik dien u na zoovele jaren en heb nooit uw gebod overtreden, en gij hebt mij nooit een boksken gegeven , opdat ik met mijne vrienden mocht vroolijk zijn;

30 maar als deze uw zoon gekomen is, die uw goed met hoeren doorgebracht heeft, zoo hebt gij hein het gemeste kalf geslacht.

31 En hij zeide tot hem: Kind, gij zijt altijd bij mij, en al het mijne is uwe:

32 men beboerde dan vroolijk en blijde te zijn; want deze uw broeder was dood en is weder levend geworden, en hij was verloren en is gevonden.

HOOFDSTUK 10.

En hij zeide ook tot zijne discipelen: Daar was een zeker rijk mensch, welke eenen rentmeester had, en deze werd bij hein veiv

LUCAS lü.


-ocr page 1151-

LUCAS 16.

97

klaagd als die zijne goederen doorbracht.

2 En hij riep hem en zeide tot hem: Hoe hoor ik dit van u? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap, want gij zult niet meer rentmeester kunnen zijn.

3 En de rentmeester zeide bij zichzelyen: Wat zal ik doen, dewijl mijn heer dit rentmeesterschap van mij neemt? Graven kan ik niet, te bedelen schaam ik mij.

4 Ik weet wat ik doen zal, opdat wanneer ik van het rentmeesterschap afgezet zal wezen, zij mij in hunne huizen ontvangen.

5 En hij riep tot zich een iegelijk van de schuldenaars zijns heeren, en zeide tot den eerste: Hoe veel zijt gij mijnen heer schuldig?

G En hij zeide: Honderd vaten olie. En hij zeide tot hem; Neem uw handschrift, en nederzittende schrijf haastelijk vijftig.

7 Daarna zeide hij tot eenen anderen: En gij, hoe veel zijt gij schuldig? En hij zeide: Honderd mudden tarwe. En hij zeide tot hem: Neem uw handschrift en schrijf tachtig.

8 Èn de heer prees den onrecht-vaardigen rentmeester, omdat hij voorzichtiglijk gedaan had; want de kinderen dezer wereld zijn voorzichtiger dan de kinderen des lichts in hun geslacht.

9 En ik zegge ulieden, maakt uzelven vrienden uit den on rechtvaardigen Mammon , opdat wanneer u ontbreken zal, zij u mogen ontvangen in do eeuwige tabernakelen.

10 Die getrouw is in \'t minste, die is ook in \'t groote getrouw; en die in het minsle onrechtvaardig is, die is ook in het groote onrechtvaardig.

11 Zoo gij dan in den onrecht-vaardigen Mammon niet getrouw zijt geweest, wie zal u het ware vertrouwen?

12 En zoo gij in eens anders yocd niet getrouw zijt geweest, wie zal u het uwe geven?

13 Geen huisknecht kan twee heeren dienen; want of hij zal den éénen haten en den anderen liefhebben , öf hij zal den éénen aanhangen en den anderen verachten. Gij kunt God niet dienen en den Mammon.

14 En alle deze dingen hoorden ook de Farizeërs die geldgierig waren, en zij beschimpten hem.

15 En hij zèide tot hen: Gij zijt het die uzelven rechtvaardigt voor de menschen, maar God kent uwe harten; want dat hoog is onder do menschen, is een gruwel voor God.

16 De Wet en de Profeten zijn tot op Johannes; van dien tijd af wordt het Koninkrijk Gods verkondigd, en een iegelijk doet geweld op hetzelve.

17 En het is lichter dat de hemel en de aarde voorbijgaan, dan dat één tittel der wet valle.

18 Een iegelijk die zijne vrouw verlaat en eeiie andere trouwt, die doet overspel; en een iegelijk die dc verlatene van den man trouwt, die doet óók overspel.

19 En daar was een zeker rijk mensch, en was gekleed met purper en zeer fijn lijnwaad, levende alle dagen vroolijk en prachtig.

20 En daar was een zeker bedelaar met name Lazarus, welke lag voor zijne poort, vol zweren,

21 en begeerde verzadigd te worden van de kruimkens die van de tafel des rijken vielen; maar ook de honden kwamen en likten zijne zweren.

22 En het geschiedde dat de bedelaar stierf, on van de Engelen gedragen werd in den schoot Abrahams.

\'23 En de rijke stierf óók, en werd begraven. En als hij in de hel zijne oogon ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lazarus in zijnen schoot.

24 En hij riep en zeide: Vader Abraham, ontferm u mijner en zend Lazarus, dat hij het uiterste zijns vingers in het water doope, en verkoele mijne tong; want ik lijd smarten in deze vlam.

25 Maar Abraham zeide : Kind, gedenk dat gij uw goed ontvaügen hebt in. uw leven , en Lazarus desgelijks het kwade; en nu Wordt


4

-ocr page 1152-

LUCAS 17,

98

hij vertroost, en gij lijdt smarten, i

26 Kn boven dit alles, tusschen | ons en ulieden is eene groote klove gevestigd, zoodat degenen die van hier tot u willen overgaan, niet zouden kunnen, noch ook die daar zijn, van daar tot ons overkomen.

27 En hij zeide: Ik bid u dan vader, dat gij hem zendt tot mijns vaders huis;

28 want ik heb vijf broeders: dat hij hun dit betuige, opdat ook zij niet komen in deze plaats der pijniging.

29 Abraham zeide tot hem: Zij hebben Mozes en de Profeten: dat ze die hooren.

30 En hij zeide: Neen, vader Abraham, maar zoo iemand van de dooden tot hen henenging, zij zouden zich bekeeren.

31 Doch Abraham zeide tot hem: Indien zij Mozes en de Profeten niet hooren, zoo zullen zij ook , al ware het dat er iemand uit de dooden opstond, zich niet laten gezeggen.

HOOFDSTUK 17.

En hij zeide tot de discipelen: Het kan niet wezen dat er geen ergernissen komen, doch wee hem door welken zij komen ;

2 het zoude hem nutter zijn dat een molensteen om zijnen hals gedaan ware, en hij in de zee geworpen, dan dat hij één van deze kleinen zoude ergeren.

3 Wacht uzelven. En indien uw broeder tegen u zondigt, zoo bestraf hem; en indien het hem leed is, zoo vergeef het hem.

4 En indien hij zevenmaal \'s daags legen u zondigt, en zevenmaal \'sdaags tot u wederkeert, zeggende : Het is mij leed, zoo zult gij het hem vergeven.

T) En de Apostelen zeiden tot den Heere: Vermeerder ons het geloof.

6 En do Heere zeide: Zoo gij een geloof hadt als een mostaardzaad, gij zoudt tegen dezen moerbeziën boom zeggen: Word ontworteld en in de zee geplant, en hij zoude u gehoorzaam zijn.

7 En wie van u heeft eenen dienstknecht ploegende of de beesten hoedende, die tot hem als hij van den akker inkomt terstond zal zeggen: Kom bij en zit aan ?

8 Maar zal hij niet tot hem zeggen : Bereid dat ik te avond zal eten, en omgord u en dien mij , totdat ik zal gegeten en gedronken hebben, en eet en drink gij daarna?

9 Dankt bij ook dien dienstknecht , omdat hij gedaan heeft hetgeen hem bevolen was? Ik meen, neen.

10 Alzóó ook gij, wanneer gij zult gedaan hebben al hetgeen u bevolen is, zoo zegt: Wij zijn onnutte dienstknechten, want wij hebben maar gedaan, hetgeen wij schuldig waren te doen. ..

11 En het geschiedde als hij naar Jeruzalem reisde, dat hij door het midden van Samarië en Galiléa ging.

12 En als hij m een zeker vlek kwam, ontmoetten hem tien me-laatsche mannen , welke van verre stonden;

13 en zij verhieven hunne stem, zeggende: Jezus, Meester, ontferm u onzer. ...

14 En als hij ze zag, zeide hij tot hen: Gaat henen en vertoont uzelven den Priesleren. En het geschiedde terwijl zij henengingen, dat zii gereinigd werden.

15 En één van hen ziende dat hij genezen was, keerde weder, met groote stem God verheerlijkende ; ...

16 en hij viel op het aangezicht voor zijne voeten, hem dankende: en deze was een Samaritaan.

17 En Jezus antwoordende zeide: Zijn niet de tien gereinigd geworden? En waar zijn de negen?

18 Zijn er geene gevonden die wederkeeren om God eere te geven, dan deze vreemdeling?

19 En hij zeide tot hem: Sta op en ga henen; uw geloof heelt u behouden.

20 En gevraagd zijnde van de Farizeërs, wanneer het Koninkrijk Gods komen zoude, heeft hij hun geantwoord en gezegd: Het Koninkrijk Gods komt niet met uiterlijk gelaat,

21 en men zal niet zeggen: Zie


-ocr page 1153-

LUCAS 18.

99

hier of zie daar; want zie, het Koninkrijk Gods is binnen ulieden.

22 En hij zeide tot de discipelen: Daar zullen dagen komen, wanneer gij zult begeeren éénen der dagen van den Zoon des menschen te zien, en gij zult dien niet zien.

23 En zij zullen tot u zeggen: Zie hier of zie daar is hij: gaat niet henen, en volgt niet.

24 Want gelijk de bliksem, die van het ééne einde onder den hemel bliksemt, tot het andere onder den hemel schijnt, alzóó zal ook de Zoon des menschen wezen in zijnen dag.

25 Maar eerst moet hij veel lijden, en verworpen worden van dit geslacht.

26 En gelijk het geschied is in de dagen van Noacb, alzóó zal het ook zijn in de dagen van den Zoon des menschen:

27 zij aten, zij dronken, zij namen ten huwelijk, zij werden ten huwelijk gegeven, tot den dag op welken Noach in de ark ging, en de zondvloed kwam en verdierf ze allen.

28 Desgelijks ook gelijk het geschiedde in de dagen van Lot: zij alen, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden;

29 maar op den dag op welken Lot van Sodom uitging, regende het vuur en zwavel van den hemel, en verdierf ze allen:

30 even alzóó zal het zijn in den dag op welken de Zoon des menschen geopenbaard zal worden.

31 In dien dag wie op het dak zal zijn, en zijn huisraad in huis, die kome niet af om hetzelve weg te nemen; en wie op den akker zijn zal, die keere desgelijks niet naar hetgeen achter is.

32 Gedenkt aan de vrouw van Lot.

33 Zoo wie zijn leven zal zoeken te behouden, die zal het verliezen ; en zoo wie hetzelve zal verliezen, die zal het in \'t leven benouden.

34 Ik zegge u, in dien nacht zullen twee op één bed zijn: de één zal aangenomen en de ander zal verlat-en worden.

35 Twee vrouwen zullen te za-men malen: de ééne zal aangenomen en de andere zal verlaten worden.

36 Twee zullen op den akker zijn: de een zal aangenomen en de ander zal verlaten worden.

37 En zij antwoordden en zeiden tot hem: Waar Heere? En hij zeide tot hen: Waar het lichaam is, aldaar zullen de arenden vergaderd worden.

HOOFDSTUK 18.

En hij zeide ook eene gelijkenis tot hen, daartoe strekkende dat men altijd bidden moet en niet vertragen,

2 zeggende: Daar was een zeker rechter in eene stad, die God niet vreesde en geen mensch ontzag.

3 En daar was eene zekere weduwe in die stad, en zij kwam tot hem, zeggende: Doe mij recht tegen mijne wederpartij.

4 En hij wilde voor eenen langen tijd niet; maar daarna zeide hij bij zichzelven: Hoewel ik God niet vrees en geen mensch ontzie,

5 nogtans omdat deze weduwe mij moeiolijk valt, zoo zal ik haar recht doen, opdat zij niet eindelijk korne en mij het hoofd breke.

6 En de Heere zeide: Hoort wat de onrechtvaardige rechter zegt;

7 zal God dan geen recht doen zijnen uitverkorenen die dag en nacht tot hem roepen, hoewel hij lankmoedig is over hen?

8 Ik zegge u dat hij hun haastelijk recht doen zal. Doch de Zoon des menschen als hij komt, zal hij ook geloof vinden op de aarde?quot;

0 En hij zeide ook tot sommigen die bij zichzelven vertrouwden dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis:

10 Twee menschen gingen op in den Tempel om te bidden: de één was een Farizeër en de ander een tollenaar.

11 De Farizeër staande bad dit bij zichzelven: O God, ik dank u dat ik niet ben gelijk de andere menschen, roovers, onrecht vaardigen, overspelers, of ook gelijk deze tollenaar;


-ocr page 1154-

400 LUCAS

42 ik vast tweemaal ter week,\' ik geef tienden van alles wat ik bezit.

43 En de tollenaar van verre staande wilde ook zelfs de oogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijne borst, zeggende: O God, wees mij zondaar genadig.

44 Ik zegge ulieden, deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis meer dan die; want een ieder die zichzelven verhoogt zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert zal verhoogd worden.

45 En zij brachten ook de kin-derkens tot hem, opdat hij die zoude aanraken, en de discipelen dat ziende bestraften dezelve.

46 Maar Jezus riep die kinder-kens tot zich, en zeide: Laat de kinderkens tot mij komen, en verhindert hen niet; want derzul-ken is het Koninkrijk Gods.

17 Voorwaar zegge ik u, zoo wie het Koninkrijk Gods niet zal ontvangen als een kindeken, die zal geenszins in hetzelve komen.

48 En een zeker overste vraagde hem, zeggende: Goede Meester, wat doende zal ik het eeuwige leven beërven?

49 En Jezus zeide tot hem: Wat noemt gij mij goed? Niemand is goed dan één, namelijk God.

20 Gij weet de geboden: gij zult geen overspel doen; gij zult niet dooden; gij zult niet stelen; gij zult geen vaische getuigenis geven; eer uwen vader en uwe moeder.

24 En hij zeide: Alle deze dingen heb ik onderhouden van mijne jonkheid aan.

22 Doch Jezus dit hoorende zeide tot hem: Nog één ding ontbreekt u: verkoop alles wat gij hebt en deel het onder de armen, en gij zult eenen schat hebben in den hemel; en kom herwaarts, volg mij.

23 Maar als hij dit hoorde werd hij zeer droevig; want hij was zeer rijk.

24 Jezus nu ziende dat hij zeer droevig geworden was, zeide: Hoe bezwaarlijk zullen degenen die goed hebben in het Koninkrijk Gods ingaan;

25 want het is lichter dat een

48.

kemel ga door het oog van eene naald, dan dat een rijke in \'t Koninkrijk Gods inga.

20 En die dit hoorden zeiden: Wie kan dan zalig worden?

27 En hij zeide: De dingen die onmogelijk zijn bij de menschen, zijn mogelijk bij God.

28 En Petrus zeide: Zie, wij hebben alles verlaten en zijn u gevolgd.

29 En hij zeide tot hen: Voorwaar ik zegge ulieden, dat er niemand is die verlaten heeft huis, of ouders of broeders, of vrouw of kinderen, om het Koninkrijk Gods,

30 die niet zal veelvoudig weder-ontvangen in dezen tijd, en in de komende eeuw het eeuwige leven

31 En hij nam de twaalve bij zich, en zeide tot hen: Zie, wij gaan op naar Jeruzalem, en het zal alles volbracht worden aan den Zoon des menschen, wat geschreven is door de Profeten;

32 want hij zal den heidenen overgeleverd* worden, en hij zal bespot worden en smadelijk behandeld worden en bespuwd wor-

de33\' en hem gegeeseld hebbende zullen zij hem dooden; en ten derden dage zal hij weder opstaan.

34 En zij verstonden geen van deze dingen, en dit woord was voor hen verborgen, en zij verstonden niet hetgeen gezegd werd.

35 En het geschiedde als nij nabii Jericho kwam, dat een zeker blinde aan den weg zat, bedelende.

36 En deze hoorende de schare voorbij gaan, vraagde wat dat

ware. , , * i

37 En zij boodschapten hem dat Jezus de Nazarener voorbi o-ing.

0 38 En hij riep, zeggende: Jezus: gii Zone Davids, ontferm u mijner.

39 En die voorbijgingen bestraften hem, opdat hij zwijgen zoude; maar hij riep zooveel te meer: Zone Davids, ontferm u mijner. , . .

40 En Jezus stilstaande beval dat men denzelven tot hem. brengen zoude; en als hij nabij hem gekomen was, vraagde hij hem,

-ocr page 1155-

LUCAS 19.

101

41 zeggende: Wat wilt gij dat ik u doen zal? En hij zeide: Heere, dat ik ziende mag worden.

42 En Jezus zeide tot hem: Word ziende: uw geloof heeft u behouden.

43 En terstond werd hij ziende, en volgde hem, God verheedij-kende. En al het volk dat ziende, gaf Gode lof.

HOOFDSTUK 19.

En Jezus ingekomen zijnde, ging door Jericho.

2 En zie, daar was een man met name geheeten Zacheüs; en deze was een overste der tollenaren, en hij was rijk;

3 en hij zocht Jezus te zien, wie hij was, en kon niet vanwege de schare, omdat hij klein van persoon was.

4 En vooruitloopende klom hij op eenen wilden vijgeboom, opdat hij hem mocht zien; want hij zoude door dien weg voorbijgaan.

5 En als Jezus aan die plaats kwam, opwaarts ziende zag hij hem, en zeide tot hem: Zacheüs, haast u en kom af; want ik moet heden in uw huis blijven.

6 En hij haastte zich en kwam af, en ontving hern met blijdschap.

7 En allen die het zagen murmureerden , zeggende: Hij is tot eenen zondigen man ingegaan om te herbergen.

8 En Zacheüs stond en zeide tot den Heere: Zie, de helft van mijne goederen, Heere, geef ik den armen ; en indien ik iemand iets door bedrog ontvreemd heb, dat geef ik vierdubbel weder.

9 En Jezus zeide tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook deze een zoon Abrahams is;

10 want de Zoon des menschen is gekomen om te zoeken en zalig te maken wat verloren was.

11 En als zij dat hoorden, voegde hij daarbij en zeide eene gelijkenis, omdat hij nabij Jeruzalem was, en omdat zij meenden dat het Koninkrijk Gods terstond zoude openbaar worden.

12 Hij zeide dan: Een zeker welgeboren man reisde in een vergelegen land, om voor zich-zelven een koninkrijk te ontvangen , en dan weder te keeren.

13 En geroepen hebbende zijne tien dienstknechten , gaf hij hun tien ponden, en zeide tot hen: Doet handeling totdat ik kom.

14 En zijne burgers haatten hem, en zonden hem gezanten na, zeggende: Wij willen niet dat deze over ons Koning zij.

15 En het geschiedde toen hij wederkwam, als hij het koninkrijk ontvangen had, dat hij zeide dat die dienstknechten tot hem zouden geroepen worden, wien hij het geld gegeven had, opdat hij weten mocht wat een iegelijk met handelen gewonnen had.

16 En de eerste kwam en zeide: Heere, uw pond heeft tien ponden daarenboven gewonnen.

17 En hij zeide tot hem: Wèl, gij goede dienstknecht, dewijl gij in het minste getrouw zijt geweest , zoo heb macht over tien steden.

18 En de tweede kwam en zeide: Heere, uw pond heeft vijf ponden gewonnen.

19 En hij zeide ook tot dezen; En gij, wees over vijf steden.

20 En een ander kwam zeggende : Heere , zie hier uw pond, \'twelk ik in een zweetdoek weggelegd had;

21 want ik vreesde u, omdat gij een straf mensch zijt; gij neemt weg dat gij niet gelegd hebt, en gij\'maait dat gij niet gezaaid hebt.

22 Maar hij zeide tot hem: Uit uwen mond zal ik u oordeelen, gij booze dienstknecht.\' Gij wist dat ik een straf mensch ben, wegnemende dat\' ik niet gelegd heb, en maaiende dat ik niet gezaaid Heb:

23 waarom hebt gij dan mijn geld niet in de bank gegeven, én ik komende had hetzelve met woeker mogen eischen?

24 En hij zeide tot degenen die bij hem stonden : Neemt dat pond van hem weg, en geeft het dien die de tien ponden heeft.

25 En zij zeiden tot hem: Heere, hij heeft tien ponden.

26 Want ik zegge u , dat eenen


-ocr page 1156-

LUCAS 20.

102

iegelij ken die heeft zal gegeven worden; maar van dengenen die niet heeft, van dien zal genomen worden ook dat hij heeft.

27 Doch deze mijne vijanden, die niet hebben gewild dat ik over hen Koning zoude zijn, brengt ze hier en slaat ze hier vóór mij dood.

28 En dit gezegd hebbende reisde hij voor hen henen, en ging op naar Jeruzalem.

29 En het geschiedde als hij nabij Bethfagé en Bethanië gekomen was, aan den berg genaamd den Olijfberg, dat hij twee van zijne discipelen uitzond,

30 zeggende : Gaat henen in dat vlek dat tegenover is, in \'twelk inkomende zult gij een veulen gebonden vinden, waarop geen mensch ooit heeft gezeten: ontbindt hetzelve en brengt het.

31 En indien iemand u vraagt: Waarom ontbindt gij dat*! zoo zult gij alzóó tot hem zeggen: Omdat de Heere het van noode heeft.

32 En die uitgezonden waren henengegaan zijnde, vonden het gelijk hij him gezegd had.

33 En als zij het veulen ontbonden, zeiden de heeren van hetzelve tot hen: Waarom ontbindt gij het veulen ?

34 En zij zeiden: De Heere heeft het van noode.

35 En zij brachten hetzelve tot Jezus; en hunne kleederen op het veulen geworpen hebbende, zetteden zij Jezus daarop.

36 En als hij wor^reisde, spreidden zij hunne kleederen onder hem op den weg.

37 En als hij nu genaakte aan den afgang des Olijf bergs, begon ai de menigte der discipelen zich te verblijden, en God te loven met groote stem, vanwege alle de krachtige daden die zij gezien hadden,

38 zeggende: Gezegend is de Koning die daar komt in den name des Heeren! Vrede zij in den hemel, en heerlijkheid in de hoogste plaatsen!

39 En sommigen der Farizeërs uit de schare zeiden tot hem:

Meester, bestraf uwe discipelen.

40 En hij antwoordende zeide tot hen: Ik zegge ulieden, dat zoo dezen zwijgen, de steenen haast roepen zullen.

41 En als hij nabij kwam en de stad zag, weende hij over haar,

42 zeggende: Och of gij ook be-kendet, ook nog in dezen uwen dag, hetgeen tot uwen vrede dient! Maar nu is het verborgen voor uwe oogen.

43 Want daar zullen dagen over u komen, dat uwe vijanden eene verschansing rondom u zullen opwerpen, en zullen u omsingelen en u van alle zijden benauwen,

44 en zullen u tot den grond nederwerpen , en uwe kinderen in u, en zij zullen in u den éénen steen op den anderen steen niet laten, daarom dat gij den tijd uwer bezoeking niet bekend hebt.

45 En gegaan zijnde in den Tempel, begon hij uit te drijven degenen die daarin verkochten en kochten,

46 zeggende tot hen: Daar is geschreven: Mijn Pluis is een Huis des gebeds; maar gij hebt dat tot een kuil der moordenaren gemaakt.

47 En hij leerda dagelijks in den Tempel; en de Dverpriesters en de Schriftgeleerden en de oversten des volks zochten hem te do oden,

48 en zij vonden niet wat zij doen zouden; want al het volk hing hem aan en hoorde hem.

HOOFDSTUK 20.

En het geschiedde op een van die dagen, als hij in den Tempel het volk leerde en het Evangelie verkondigde, dat de O verpriesters en Schriftgeleerden met de ouderlingen daarover kwamen,

2 en spraken tot hem, zeggende: Zeg ons door wat macht gij deze dingen doet, Df wie hij is die u deze macht heeft gegeven?

3 En hij antwoordende zeide tot hen: Ik zal u ook één woord vragen , en zegt mij:

4 De doop van Johannes, was die uit den hemel of uit de men-schen ?

5 En zij overleiden onder elkander, zeggende : Indien wij zeggen:


-ocr page 1157-

Uit den hemel, zoo zal hij zeggen: Waarom hebt gij dan \'hem niet geloofd?

6 En indien wij zeggen: Uit de menschen, zoo zal ons al het volk steenigen; want zij houden voor zeker, dat Johannes een Profeet was.

7 En zij antwoordden, dat zij niet wisten van waar die was.

8 En Jezus zeide tot hen: Zoo zegge ik u ook niet door wat macht ik deze dingen doe.

9 En hij begon tot het volk deze gelijkenis te zeggen: Een zeker mensch plantte eenen wijngaard, en hij verhuurde dien aan landlieden , en trok eenen langen tijd buitenslands.

10 En als het de tijd was, zond hij tot de landlieden eenen dienstknecht, opdat zij hem van de vrucht des wijngaards geven zouden; maar de landlieden sloegen denzelven, en zonden hem ledig henen.

11 En wederom zond hij nog ccnen anderen dienstknecht; maar ook dien geslagen en smadelijk behandeld hebbende, zonden zij hem ledig henen.

12 En wederom zond hij nog eenen derden; maar zij verwondden ook dezen, en wierpen hem uit.

13 En de heer des wijngaards zeide: Wat zal ik doen? Jk zal mijnen geliefden zoon zenden; mogelijk dezen ziende zullen zij hrm ontzien.

14 Maar als de landlieden hem zagen, overleiden zij onder elkander, en zeiden: Deze is de erfgenaam: komt laat onshemdooden, opdat de erfenis onze worde.

15 En als zij hem buiten den wijngaard uitgeworpen hadden, doodden zij hom. Wat zal dan de heer des wijngaards hun doen?

10 Hij zal komen en deze landlieden verderven, en zal den wijngaard aan anderen geven. En als zij thit hoorden zeiden zij: Dat zij verre.

17 Maar hij zag ze aan, en zeide: Wat is dan dit hetwelk geschreven staat: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is tol een hoofd des hoeks geworden ?

103

18 Een iegelijk die op diensteen valt, zal verpletterd worden , en op wien hij valt, dien zal hij vermorzelen.

19 En de O verpriesters en de Schriftgeleerden zochten te dier ure de handen aan hem te slaan, maar zij vreesden het volk; want zij verstonden dat hij deze gelijkenis tegen hen gesproken had.

20 En zij namen hem waar, en zonden verspieders uit, die zich-zelven veinsden rechtvaardig te zijn, opdat zij hem in zijne rede vangen mochten, om hem aan de heerschappij en de macht des Stadhouders over te leveren.

21 En zij vraagden hem, zeggende: Meester, wij weten dat gij recht spreekt en leert, en den persoon niet aanneemt, maarden weg Gods leert in der waarheid:

22 is het ons geoorloofd den Keizer schatting te geven of niet?

23 En hij hunne arglistigheid bemerkende, zeide tot hen: Wat verzoekt gij mij?

24 Toont mij eenen penning: wiens beeld en opschrift heeft hij? En zij antwoordende zeiden: Des Keizers.

25 En hij zeide tot hen: Geeft dan den Keizer dat des Keizers is, en Gode dat Godes is.

26 En zij konden hem in zijil woord niet vatten voor het volk, en zich verwonderende over zijn antwoord zwegen zij stil.

27 En tot hem kwamen sommigen der Sadduceërs, welke legen-sprekende zeggen dat er geene opstanding is, en vraagden hem,

28 zeggende: Meester, Mozes heeft ons geschreven, zoo iemands broeder sterft, die eene vrouw heeft, en hij sterft zonder kinderen, dat zijn broeder de vrouw nemen zal en zijnen broeder zaad verwekken.

29 Daar waren nu zeven broeders; en de eerste nam eene vrouw, en hij stierf zonder kinderen.

30 En de iweede nam die vrouw, en ook deze stierf zonder kinderen.

31 En de derde nam die woum;, en desgelijks ook de zeven, en hebben geen kinderen nagelaten, en zijn gestorven.

LUCAS 20.


-ocr page 1158-

104 LUG

32 En ten laatste na allen stierf ook de vrouw.

33 In de opstanding dan wiens vrouw van dezen zal zij zijn? want die zeven hebben dezelve tot eene vrouw gehad.

34 l\'^n Jezus antwoordende zeide tot hen: De kinderen dezer eeuw trouwen en worden ten huwelijk uitgegeven;

35 maar die waardig zullen geacht zijn die eeuw te verwerven en de opstanding uit de dooden, zullen noch trouwen noch ten huwelijk uitgegeven worden;

36 want zij kunnen niet meer sterven, want zij zijn den Engelen gelijk; en zij zijii kinderen Gods, dewijl zij kinderen der opstanding zijn.

\'37 En dat de dooden opgewekt zullen worden, heeft ook Mozes aangewezen bij het doornenbosch, als hij den Heere noemt den God Abrahams en den God Isaaks en den God Jakobs:

38 God nu is niet een God der dooden maar der levenden; want zij leven hem allen.

39 En sommigen der Schriftgeleerden antwoordende zeiden: Meester, gij hebt wel gezegd.

40 En zij durfden hem niet meer iets vragen.

41 En hij zeide tot hen: Hoe zeggen zij dat de Christus Davids zoon is?

42 En David zelf zegt in het boek der Psalmen: De Heere heeft gezegd tot mijnen Heere: Zit aan mijne rechter/tam?,

43 totdat, ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten.

44 David dan noemt hem zijnen Heere, en hoe is hij zijn zoon?

45 En daar al quot;het volk het hoorde, zeide hij tot zijne discipelen :

4G Wacht ii van de Schriftgeleerden, die willen wandelen in lange kleederen, en beminnen de groetingen op de markten, en de voorgestoelten in de Synagogen, en de vooraanzittingen in de maaltijden ;

47 die der weduwen huizen opeten, en onder een schijn lange

VS 21.

gebeden doen: deze zullen zwaarder oordeel ontvangen.

HOOFDSTUK 21.

En opziende zag hij de rijken hunne gaven in de schatkist werpen.

2 En hij zag ook eene zekere arme weduwe twee kleine pm-ningskens daarin werpen;

3 en hij zeide: Waarlijk ik zegge u, dat deze arme weduwe meer dan allen heeft mgeworpen;

4 want die allen hebben van hunnen overvloed mgeworpen tot de gaven Gods, maar déze heeft van haar gebrek al den leeftocht dien zij had daarin geworpen.

5 En als sommigen zeiden van den Tempel, dat hij met schoone steenen en begiftigingen versierd was, zeide hij

6 Wat deze dingen aangaat die gij aanschouwt, daar zullen dagen komen, in welke. niet een steen op den anderen steen zal gelaten worden, die niet zal worden afgebroken.

7 En zij vraagden hem, zeggende: Meester, wanneer zullen dan deze dingen zijn ? En welk is het teeken wanneer deze dingen zullen geschieden?

8 En hij zeide: Ziet dat gij niet verleid wordt; want velen zullen er komen onder mijnen naam, zeggende: Ik ben de Christus, en de tijd is nabijgekomen: gaat dan hen niet na.

9 En wanneer gij zult hooren van oorlogen en beroerten, zoo wordt niet verschrikt; want deze dingen moeten eerst geschieden , maar nóg is terstond het einde niet.

10 Toen zeide hij tot hen: Het ééne volk zal tegen het andere volk opstaan en het ééne koninkrijk tegen het andere koninkrijk;

quot;11 en daar zullen groote aardbevingen wezen in verscheiden plaatsen, en hongersnooden, en pestilentiën; daar zullen ook schrikkelijke dingen en groote teekenen van den hemel geschieden.

12 Maar vóór dit alles zullen zij hunne handen aan ulieden slaan, I en u vervolgen, u overleverende i in de Synagogen en gevangenissen;


-ocr page 1159-

LUCAS 22

105

en gij zult getrokken worden voor Koningen en Stadhouders, om mijns naams wille;

13 en dit zal u overkomen tot eene getuigenis.

14 Neemt dan in uwe harten voor van te voren niet te overdenken hoe gij u verantwoorden zult;

15 want ik zal u mond en wijsheid geven, welke niet zullen kunnen tegenspreken noch we-derstaan allen die zich tegen u zetten.

16 En gij zult overgeleverd worden ook van ouders en broeders en magen en vrienden, en zij zullen er sommigen uitudooden,

17 en gij zult Van allen gehaat worden om mijns naams wille.

18 Doch niet een haar uit uw hoofd zal verloren gaan.

19 Bezit uwe zielen in uwe lijdzaamheid.

20 Maar wanneer gij zien zult dat Jeruzalem van heirlegers omsingeld wordt, zoo weet alsdan dat hare verwoesting nabij gekomen is.

21 Alsdan die in Judéa zijn, dat ze Vlieden naar de bergen; en die in \'t midden van dezelve zijn, dat ze daar uittrekken; en die op de velden zijn, dat ze in dezelve niet komen;

22 want deze zijn dagen dei-wrake, opdat alles vervuld worde wat geschreven is.

23 Doch wee den bevruchten en den zogenden vrouwen in die dagen ; want daar zal groote nood zijn in het land, en toorn over dit volk;

24 en zij zullen vallen door de scherpte des zwaards, en gevankelijk weggevoerd worden onder alle volken ; en Jeruzalem zal van de heidenen vertreden worden, totdat de tijden der heidenen vervuld zullen zijn.

25 En daar zullen teekenen zijn in de zon en maan en sterren, en op de aarde benauwdheid der volkeren, met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven,

26 en den menschen het harte zal bezwijken van vreeze en verwachting der dingen die het aardrijk zullen overkomen; want de krachten der hemelen zullen bewogen worden.

27 En alsdan zullen zij den Zoon des menschen zien komen in eene wolk met groote kracht en heerlijkheid.

28 Als nu deze dingen beginnen te geschieden, zoo ziet omhoog en heft uwe hoofden opwaarts, omn dat uwe verlossing nabij is.

29 En hij zeide tot quot;hen eene gelijkenis : Ziet den vijgeboom en alle de boomen:

30 wanneer zij nu uitspruiten, en gij dat ziet, zoo weet gij uit uzelven dat de zomer nu nabij is :

31 alzóó ook gij , wanneer gij deze dingen zult zien geschieden, zoo weet dat het Koninkrijk Gods nabij is.

32 Voorwaar ik zegge u, dat dit geslacht geenszins zal voorbijgaan , totdat alles zal geschied zijn.

33 De hemel en de aarde zullen voorbijgaan, maar mijne woord3n zullen geenszins voorbijgaan.

34 En wacht uzelven, dat uwe harten niet te eeniger tijd bezwaard worden met brasserij en dronkenschap en zorgvuldigheden dezes levens, en dat u die dag niet onvoorziens oyerkome.

35 Want gelijk een strik zal hij komen over alle degenen die op den ganschen aardbodem gezeten zijn.

quot;36 Waakt dan te aller tijd, biddende, dat gij moogt waardig geacht worden te ontvlieden allo deze dingen die geschieden zullen, en te staan voor den quot; Zoon des menschen.

37 Des daags nu was hij loerende in den Tempel; maar des nachts ging hij uit, en vernachtte op den berg genaamd den Olijfberg.

38 En al het volk kwam \'s morgens vroeg tot hem in den Tempel, om hem te hooren.

HOOFDSTUK 22.

En het feest der ongehevelde brooden, genaamd Pascha, was nabij ;

2 en de Overpriesters en de


-ocr page 1160-

106

Schriftgeleerden zochten hoe zij hem ombrengen zouden; want zij vreesden het volk.

3 En de satan voer in Judas die toegenaamd was Iskariot, zijnde uit het getal der twaalve ;

4 en hij ging henen en sprak met de Over priesters en de hoofdmannen, hoe hij hem hun zoude overleveren.

5 En zij waren verblijd, en zijn het ééns* geworden dat zij hem geld geven zouden.

6 En hij beloofde het, en zocht gelegenheid om hem hun over te leveren zonder oproer.

7 En de dag der ongehevelde hrooden kwam, op denwelken het Pascha moest geslacht worden.

8 En hij zond Petrus en Johannes uit, zeggende: Gaat henen en bereidt ons het Pascha, opdat wij het eten mogen.

9 En zij zeiden tot hem; Waar wilt gij dat wij het bereiden?

10 En hij zeide tot hen: Zie, als gij in de stad zult gekomen zijn, zoo zal u een mensch ontmoeten, dragende eene kruik water: volgt hem in het huis waar hij ingaat;

11 en gij zult zeggen tot den huisvader van dat huis: De Meester zegt u: Waar is de eetzaal, daar ik het Pascha met mijne discipelen eten zal?

12 En hij zal u eene groote toegeruste opperzaal wijzen: bereidt het aldaar.

13 En zij henengaande vonden het gelijk hij hun gezegd had, en bereidden het Pascha.

14 En als de ure gekomen was, zat hij aan en de twaalf Apostelen met hem.

15 En hij zeide tot hen: Ik heb grootelijks begeerd dit Pascha met u te eten eer dat ik lijde;

lö want ik zegge u dat ik niet meer daarvan eten zal, totdat het vervuld zal zijn in het Koninkrijk Gods.

17 En als hij een drinkbeker genomen had, en gedankt had, zeide hij: Neemt dezen en deelt hem onder ulieden;

18 want ik zegge u, dat ik niet drinken zal van de vrucht des wijnstoks, totdat het Koninkrijk Gods zal gekomen zijn.

19 En hij nam brood, en als hij gedankt had brak hij het, en gaf het hun, zeggende: Dit is mijn lichaam hetwelk voor u gegeven wordt: doet dat tot mijne gedachtenis.

20 Desgelijks ook den drinkbeker na het avondmaal, zeggende: Deze drinkbeker is het nieuwe Testament in mijn bloed hetwelk voor u vergoten wordt.

21 Doch zie, de hand desgenen die mij verraadt is met mij aan de tafel;

22 en de Zoon des menschen gaat werhenen gelijk besloten is, doch wee dien mensch door welken hij verraden wordt.

23 En zij begonnen onder elkander te vragen, wie van hen het toch mocht zjn die dat doen zoude.

24 En daar werd ook twisting onder hen, wie van hen scheen de meeste te zijn.

25 En hij zeide tot hen: De Koningen der volkeren heerschen over hen, en die macht over hen hebben worden weldadige heeren genaamd.

2G Doch gij niet alzoo; maar de meeste onder u, die zij gelijk de minste; en die voorganger is, als een die dient.

27 Want wie is meerder, die aanzit of die dient? Is bet niet die aanzit? Maar ik ben in \'t midden van u als een die dient.

28 En gij zijt degenen die met mij steeds gebleven zijt in mijne verzoekingen.

29 En ik verordineer u het Koninkrijk, geli\'kerwijs mijn Vader mij dat verordineerd heeft;

30 opdat gij eet en drinkt aan mijne tafel i:i mijn Koninkrijk, en zit op tronen, oordeelende de twaalf geslachten Israëls.

31 En de Heere zeide: Simon, Simon, zie, de satan heeft ulieden zeer begeerd om te ziften als de tarwe;

32 maar ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet ophoude: en gij, als gij eens zult bekeerd zijn, zoo versterk uwe broeders.

33 En hij zeide tot hem: Heere,

LUCAS 22.


-ocr page 1161-

407

LUCAS 22« ik ben bereid met u ook in do gevangenis en in den dood te gaan.

34 Maar hij zeide: Ik zegge u Petrus, de haan zal heden niet kraaien, eer gij driemaal zult verloochend hebben dat gij mij kent.

35 En hij zeide tot hen: Als ik u uitzond zonder buidel en male en schoenen, heeft u ook iets ontbroken? En zij zeiden: Niets.

36 Hij zeide dan tot hen: Maar nu, wie eenen buidel heeft, die neme hem, desgelijks ook eene male, en die geen lieeft, die ver-koope zijn kleed en koope een zwaard.

37 Want ik zegge u , dat nog dit hetwelk geschreven is in mij moet volbracht worden, namelijk: En hij is met de misdadigen gerekend;

want ook die dingen die van mij geschreven zijn hebben een einde.

38 En zij zeiden: Heere, zie hier twee zwaarden. En hij zeide tot hen: Het is genoeg.

39 Ea uitgaande vertrok hij, gelijk hij gewoon was, naar den Olijfberg; en hem volgden ook zijne discipelen.

40 En als hij aan die plaatse gekomen was, zeide hij tot hen:

Bidt dat gij niet in verzoekingkomt.

41 En hij scheidde zich van hen af, omtrent eenen steenworp, en knielde neder en bad,

42 zeggende: Vader, of gij wil-det dezen drinkbeker van mij wegnemen! Doch niet mijn wil, maar de uwe geschiede.

43 En van hem werd gezien een Engel uit den hemel die hem versterkte.

44 En in zwaren strijd zijnde,

bad hij te ernstiger. En zijn zweet werd gelijk groote druppelen bloeds die op de aarde afliepen.

45 En als hij van het gebed opgestaan was, kwam hij tot zijne discipelen, en vond hen slapende van droefheid;

46 en hij zeide tot hen: Wat slaapt gij? Staat op en bidt, opdat gij niet in verzoeking komt.

47 En als hij nog spiak, zie daar eene schare; en een van de twaalve, die genaamd was Judas, ging hun

voor, en kwam bij Jezus om hem te kussen.

48 En Jezus zeide tot hem: Judas, verraadt gij den Zoon des menschen met eenen kus?

49 En die bij hem waren, ziende wat er geschieden zoude, zeiden tot hem: Heere, zullen wij met het zwaard slaan?

50 En een uit hen sloeg den dienstknecht des Hoogepnesters en hieuw hem zijn rechteroor af.

51 En Jezus antwoordende zeide: Laat ze tot hiertoe geworden, en raakte zijn oor aan en heelde hem.

52 En Jezus zeide tot de Over-priesters en de hoofdmannen des Tempels en de Ouderlingen, die tegen hem gekomen waren: Zijt gU uitgegaan met zwaarden en stokken als tegen eenen moordenaar?

53 Als ik dagelijks met u was in den Tempel, zoo hebt gij de handen tegen mij niet uitgestoken; maar dit is uwe ure en de macht der duisternis.

54 En zij grepen hem en leidden hem weg, en brachten hem in het huis des Hoogepriesters. En Petrus volgde van verre;

55 en als zij vuur ontstoken hadden in \'t midden van de zaal, en zij te zamen nederzaten, zat Petrus in \'t midden van hen.

56 En eene zekere dienstmaagd ziende hem bij het vuur zitten, en hare oogen op hem houdende, zeide: Ook deze was met hem.

57 Maar hij verloochende hem, zeggende: Vrouw, ik ken hem niet.

58 En kort daarna een ander hem ziende, zeide: Ook gij zijt van die. Maar Petrus zeide: Mensch, ik ben niet.

59 En als het omtrent één uur geleden was, bevestigde dat een ander, zeggende: In waarheid ook deze was met hem, want hij is ook een Galiieër.

60 Maar Petrus zeide: Mensch, ik weet niet wat gij zegt. En terstond als hij nog sprak kraaide de haan;

61 en de Heere zich omkeerende zag Petrus aan, en Petrus werd indachtig aan het woord des Hee-ren, hoe hij hem gezegd bad: Eer

-ocr page 1162-

108

de haan zal gekraaid hebben zult gij mij driemaal verloochenen.

62 Éti Petrus naar buiten gaande weende bitterlijk.

63 En de mannen die Jezus hielden bespotteden hem, en sloegen hem;

64 en als zij hem overdekt hadden, sloegen zij hem op het aangezicht, en vraagden hem, zeggende: Profeteer^, wie het is die u geslagen heeft?

65 En vele andere dingen zeiden zij tegen hem lasterende.

66 En als het dag geworden was, vergaderden de Ouderlingen des volks, en de Overpriesters en Schriftgeleerden, en brachten hem in hunnen Raad,

67 zeggende: Zijt gij de Christus? zeg het ons. En hij zcide tot hen: Indien ik het u zegge, gij zult het niet gelooven;

68 en indien ik ook vraag, gij zult mij niet antwoorden of loslaten.

69 Van nu aan zal de Zoon des menschen gezeten zijn aan de rechter/icmd der kracht Gods.

70 En zij zeiden allen: Zijt gij dan de Zoon Gods? En hij zeide tot hen: Gij zegt dat ik het ben.

71 En zij zeiden: Wat hebben wij nog getuigenis van noode? Want wijzelven hebben het uit zijnen mond gehoord.

HOOFDSTUK 23.

En de geheele menigte van hen stond op en leidde hem tot Pilatus.

2 En zij begonnen hem te beschuldigen, zeggende: Wij hebben bevonden dat deze het volk verkeert, en verbiedt den Keizer schattingen te geven, zeggende dat hij zelf Christus do Koning is.

3 En Pilatus vraagde hem, zeggende: Zijt gij de Koning dei-Joden? En hij* antwoordde hem en zeide: Gij zegt het.

4 En Pilatiis zeide tot de Overpriesters en de scharen: Ik vind geen schuld in dezen mensch.

5 En zij hielden te sterker aan, zeggende: Hij beroert het volk, leerende door geheel Judéa, begonnen hebbende van Galiléa tot hiertoe.

6 Als nu Pilatus van Galiléa hoorde, vraagde hij of die mensch een Galileër was;

7 en verstaande dat hij uit het gebied van Herodes was, zond hij hem henen tot Herodes, die ook zelf in die dagen binnen Jeruzalem was.

8 En als Herodes Jezus zag, werd hij zeer verblijd; want hij was sedert lang begeerig geweest hem te zien, omdat hij veel van hem hoorde, en hooptequot; eenig tee-ken te zien dat van hem gedaan zoude ■worden.

9 En hij vraagde hem met vele woorden; doch hij antwoordde hem niets.

10 En de Overpriesters en de Schriftgeleerden stonden en beschuldigden hem heftiglijk.

11 En Herodes met zijne krijgslieden hem veracht én bespot hebbende, deed hem een blinkend kleed aan, en zond hem weder tot Pilatus.

12 En op dien dag werden Pilatus en He.rodes vrienden met elkander; want zij waren te voren in vijandschap tegen elkander.

13 En als Pilatus de Overpriesters en de oversten en het volk bij ééngeroepen had, zeide hij tot hen:

14 Gij hebt dezen mensch tot mij gebracht als eenen die het volk afkeerig maakt; en zie, ik heb hem in uwe tegenwoordigheid ondervraagd, en heb in dezen mensch geen schuld gevonden van hetgeen waar gij hem mede beschuldigt;

15 ja, ook Herodes niet; want ik heb ulieden tot hem gezonden, en zie, daar is van hem niets gedaan dat des doods waardig is:

16 zoo zal ik hem dan kastijden en loslaten.

17 En hij moest hun op het feest eenen loslaten,

18 Doch al de menigte riep gelijkelijk, zeggende: Weg met dezen, en laat ons Barabbas los:

19 dewelke was om zeker oproer dat in de stad geschied was, en om eenen doodslag, in de gevangenis geworpen.

20 Pilatus dan riep hun wederom toe, willende Jezus loslaten.

^UCAS 23.


-ocr page 1163-

LUCAS 23.

109

21 Maar zij riepen daarentegen, zeggende: Kruis hem, kruis hem.

22 En hij zeide ten derden male tot hen; Wat heeft deze dan kwaads gedaan? Ik heb geen schuld des doods in hem gevonden: zoo zal ik hem dan kastijden en loslaten.

23 Maar zij hielden aan met ;root geroep, eischende dat hij joude gekruisigd worden, en hun 3n der Overpriesteren geroep Werd geweldiger.

24 En Pilatus oordeelde dat hun ïisch geschieden zoude;

25 en hij liet hun los dengenen iie om oproer en doodslag in de gevangenis geworpen was, welken lij geëischt hadden, maar Jezus jaf hij over tot hunnen wil.

26 En als zij hem wegleidden, lamen zij eenen Simon van Gyrene, komende van den akker, en leiden hem het kruis op, dat hij het achter Jezus droeg.

27 En eene groote menigte van polk en van vrouwen volgde hem, welke ook weenden en hem bedaagden.

28 En Jezus zich lot haar koerende, zeide: Gij dochters van Jeruzalem, weent niet over mij, maar weent over uzelven en over uwe kinderen;

29 want zie, daar komen dagen

. welke men zeggen zal; Zalijj-zijn de onvruchtbaren, en de buiken die niet gebaard hebben, en de borsten die niet gezoogd tiebben.

30 Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons, en tot de heuvelen: Bedekt ons;

31 want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal aan het dorre geschieden?

32 En daar werden ook twee anderen, zijnde kwaaddoeners, geleid om met hem gedood te worden.

33 En toen zij kwamen op de plaats genaamd Hoofdschedel-plaats, kruisigden zij hem aldaar, en de kwaaddoeners, den éénen ter rechter- en den anderen ter linkerzijde.

34 En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. En verdeelende zijne kleederen, wierpen zij het lot.

35 En het volk stond en zag het aan; en ook de oversten met hen beschimpten Aew, zeggende: Anderen heelt hij verlost, dat hij nu zichzelven verlosse, zoo hij is de Christus, de uitverkorene Gods.

36 En ook de krijgsknechten tot hem komende bespotteden hem, en brachten hem edik,

37 en zeiden: Indien gij de Koning der Joden zijt, zoo verlos uzelven.

38 En daar was ook een opschrift boven hem geschreven, met Griek-sche en Romeinsche en Hebreeuw-sche letters: Deze is de Koning der Joden.

39 En één van de kwaaddoeners die gehangen waren lasterde hem, zeggende: Indien gij de Christus zijt, verlos uzelven en ons.

40 Maar de andere antwoordende bestrafte hem, zeggende: Vreest gij ook God niet, daar gij in hetzelfde oordeel zijt?

41 En wij toch rechtvaardiglijk, want wij ontvangen straf waardig \'t geen wij gedaan hebben, maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan.

42 En hij zeide tot Jezus; Heere, gedenk mijner als gij in uw Koninkrijk zult gekomen zijn.

43 En Jezus zeide tot hem; Voorwaar zegge ik u, heden zult gij met mij in het paradijs zijn.

44 En het was omtrent de zesde ure, en daar werd duisternis over de geheele aarde, tot de negende ure toe;

45 en de zon werd verduisterd, en het voorhangsel des Tempels scheurde midden door.

46 En Jezus roepende met groote stemme, zeide : Vader, in uwe handen beveel ik mijnen geest. En als hij dat gezegd had, gaf hij den geest.

47 Als nu de hoofdman over honderd zag wat er geschied was, verheerlijkte hij God en zeide; Waarlijk deze mensch was rechtvaardig.

48 En alle de scharen die samengekomen waren om dit te aanschouwen, ziende de dingen die


-ocr page 1164-

LUCAS 24.

110

gescbied waren, keerden weder, slaande op hunne borsten.

49 En alle zijne bekenden stonden van verre, ook de vrouwen die hem te zamen gevolgd waren van Galiléa, en zagen dit aan.

50 En zie, een man met name Jozef, zijnde een Raadsheer, een goed en rechtvaardig man,

51 (deze had niet mede bewilligd in hunnen raad en handel), van Arimathéaeene stad der Joden, en die ook zelf het Koninkrijk Gods verwachtte:

52 deze ging tot Pilatus en begeerde het lichaam van Jezus.

53 En als hij hetzelve afgenomen had, wond hij dat in een fijn lijnwaad, en leide het in een graf, in eene rots gehouwen, waarin nog nooit iemand gelegd was.

54 En het was de dag der voorbereiding, en de sabbat kwam aan.

55 En ook de vrouwen, die met hem gekomen waren uit Galiléa, volgden, en aanschouwden het graf, en hoe zijn lichaam gelegd werd.

56 En wedergekeerd zijnde bereidden zij specerijen en zalven; en op den sabbat rustten zij naar het gebod.

HOOFDSTUK 24.

En op den eersten dag der week, zeer vroeg in den morgenstond, gingen zij naar het graf, dragende de specerijen die zij bereid hadden, en sommigen met haar.

2 En zij vonden den steen afgewenteld van het graf;

3 en ingegaan zijnde vonden zij het lichaam des Heeren Jezus niet.

4 En het geschiedde als zij daarover twijfelmoedig waren, zie, twee mannen stonden bij haar in blinkende kleederen;

5 en als zij zeer bevreesd werden en het aangezicht naar de aarde neigden, zeiden zij tot haar: Wat zoekt gij den levende bii de dooden?

6 Hij is hier niet, maar hij is opgestaan. Gedenkt hoe hij tot u gesproken heeft als hij hog in Galiléa was,

7 zeggende: De Zoon des men-schen moet overgeleverd worden in de handen der zondige men-schen, en gekruisigd worden, en ten derden dage wede: opstaan.

8 En zij werden indachtig aan zijne woorden;

9 en wedergekeerd zijnde van het graf, boodschapten zij alle deze dingen aan de elve en aan alle de anderen.

10 En deze waren Maria Mag-dalena, en Johanna, en Maria de moeder van Jacobus, en de anderen met haar, die dit tot de Apostelen zeiden.

11 En hare woorden schenen voor hen als ij del geklap , en zij geloofden haar niet.

12 Doch Petrus opstaande liep tot het graf, en nederbukkende zag hij de linnen doeken liggende alléén, en ging weg, zich verwonderende bij zichzelven over hetgeen geschied was.

13 En zie, twee van hen gingen op dien dag naar een vlek dat zestig stadiën van Jeruzalem was, welks naam was Emmaüs;

14 en zij spraken te zamen onder elkander van alle deze dingen die er gebeurd waren.

15 En het geschiedde terwijl zij te zamen spraken en elkander ondervraagden, dat Jezus zelf bij hen kwam en met hen ging:

16 en hunne oogen werden gehouden , dat zij hem niet kenden.

17 En hij zeide tot hen : Wat redenen zijn dit, die gij wandelende onder elkander verhandelt, en waarom ziet gij droevig?

18 En de één, wiens naam was Kleopas. antwoordende zeide tot hem: Zijt gij alleen een vreemdeling te \'Jeruzalem , en weet niet de dingen die deze dagen daarin geschied zijn ?

19 En hij zeide tot hen : Welke? En zij zeiden tot hem: De dingen aangaande Jezus den Nazarener, welke een Profeet was krachtig in werken en woorden, voor God en al het volk ;

20 en hoe onze Overpriesters en oversten denzelven overgeleverd hebben tot het oordeel des doods, en hem gekruisigd hebben.


-ocr page 1165-

LUCAS 24.

Ill

21 Et wij hoopten dat hij was degene lie Israël verlossen zoude; doch ooc benevens dit alles is het heden de derde dag van dat deze dingen geschied zijn.

22 Maa: ook sommige vrouwen uit ons hebben ons ontsteld, die vroeg in den morgenstond aan het graf geweest zijn;

23 en zijn lichaam niet vindende kwamen zij en zeiden, dat zij ook een gezicht van Engelen gezien hadden, die zeggen dat hij leeft.

24 En sommigen dergenen die met ons zijn gingen henen tot het graf, en bevonden het alzóógelijk ook de vrouwen gezegd hadden; maar hem zagen zij niet.

25 En hij zeide tot hen: O onver-standigen quot;en tragen van harte om te gelooven al hetgeen de Profeten gesproken hebben,

26 moest de Christus niet deze dingen lijden, en alzóó in zijne heerlijkheid ingaan?

27 Èn begonnen hebbende van Mozes en van alle de Profeten, leide hij hun uit in alle de Schriften hetgeen\' van hem geschreven was.

28 En zij kwamen nabij het vlek waar zij naar toe gingen, en hij hield zich alsof hii verder gaan zoude;

29 en zij dwongen hem, zeggende: Blijf met ons, want het is bij den avond en de dag is gedaald. En bij ging in, om met hen te blijven.

30 En het geschiedde als hij met hen aanzat, dat hij het brood nam en het zegende; en als hij het gebroken had gaf hij het hun:

31 en hunne oogen werden geopend , en zij kenden hem; en hij kwam weg uit hun gezicht.

32 En zij zeiden tot elkander: Was ons hart niet brandende in ons, als hij tot ons sprak op den weg en als hij ons de Schriften opende?

33 En zij opstaande te dier ure, keerden weder naar Jeruzalem, en vonden de elve samenverga-derd, en die met hen waren,

34 welke zeiden: De Heere is waarlijk opgestaan, en is van Simon gezien.

35 En zij vertelden hetgeen op den weg yeschied luas, en hoe hij hun bekend was geworden in \'t breken des broods.

36 En als zij van deze dingen spraken, stond Jezus zelf in \'t midden van hen, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden.

37 En zij verschrikt en zeer bevreesd geworden zijnde, meenden dat zij oenen geest zagen.

38 Én hij zeide tot hen: Wat zijt gij ontroerd, en waarom klimmen zulke overleggingen in uwe harten?

39 Ziet mijne handen en mijne voeten, want ik ben het zelf; tast mij aan en ziet, want een geest heeft geen vleesch en beenen, gelijk gij ziet dat ik heb.

40 En als hij dit zeide, toonde hij hun de handen en de voeten.

41 En toen zij het van blijdschap nog niet geloofden en zich verwonderden , zeide hij tot hen: Hebt gij hier iets om te eten?

42 En zij gaven hem een stUK van eenen gebraden visch, en van honigraten,

43 en hij nam het en at het voor hunne oogen.

44 En hij zeide tot hen: Dit zijn de woorden die ik tot u sprak als ik nog met u was, namelijk dat het alles moest vervuld worden wat van mij geschreven is in de Wet van Mozes en de Profeten en de Psalmen.

45 Toen opende hij hun verstand opdat zij de Schriften verstonden,

46 en zeide tot hen: Alzóó is er geschreven, en alzóó moest de Christus lijden, en van de dooden opstaan ten derden dage,

47 en in zijnen naam gepredikt worden bekeering en vergeving der zonden onder alle volken, beginnende van Jeruzalem.

48 En gij zijt getuigen van deze dingen.

49 En zie, ik zend de belofte mijns Vaders op u; maar blijft gij in de stad Jeruzalem , totdat gij zult aangedaan zijn met kracht uit de hoogte.

50 En hij leidde hen buiten tot aan Bethanië, en zijne handen opheffende zegende hij hen.


-ocr page 1166-

112

51 En het geschiedde als hij ze zegende, dat hij van hen scheidde en werd opgenomen in den hemel.

52 En zij aanbaden hem, en keerden weder naar Je.\'uzalem met groote blijdschap.

53 En zij waren te allen tijde in den Tempel lovende en dankende God. Amen.

JOHANNES 1.


HET HEILIG EVANGELIE

NAAR DE BESCHRIJVING VAN

JOHANNES.

HOOFDSTUK 1.

In den beginne was het Woord, en het Woord was bij God, en het Woord was God.

2 Dit was in den beginne bii God.

3 Alle dingen zijn door hetzelve gemaakt, en zonder hetzelve is geen ding gemaakt dat gemaakt is.

4 In hetzelve was het leven j en het leven was het licht der men-schen;

5 en het licht schijnt in de duisternis , en de duisternis heeft hetzelve niet begrepen.

6 Daar was een mensch van God gezonden, wiens naam was Johannes:

7 deze kwam tot eene getuigenis , om van het licht te getuigen, opdat zij allen door hem geloóven zouden.

8 Hij was het licht niet, maar ivas gezonden opdat hij van het licht getuigen zoude.

9 Dit was het waarachtige licht, hetwelk verlicht een iegelijk mensch komende in de wereld.

10 Hij was in de wereld, en de wereld is door hem gemaakt; en de wereld heeft hem niet gekend.

11 Hij is gekomen tot het zijne, en de zijnen hebben hem niet aangenomen.

12 Maar zoo velen hem aangenomen hebben, dien heeft hij macht gegeven kinderen Gods te worden, namelijk die in zijnen naam gelooven;

13 welke n.et uit den bloede, noch uit den wille des vleesches, noch uit den wille des mans, maar uit God geboren zijn.

14 En het Woord is vleesch geworden , en heeft onder ons gewoond (en wij hebben zijne heerlijkheid aanschouwd, eene heerlijkheid als des Eeniggeboren van den Vader) vol van genade en waarheid.

15 Johannes getuigt van hem en heeft geroepen, zeggende: Deze was het van welken ik zeide: Die na mij komt is vóór mij geworden , want hij was eer dan ik.

16 En uit zijne volheid hebben wij allen ontvangen, ook genade voor genade:

17 want de wet is door Mozes gegeven; de genade en de waarheid is door Jezus Christus geworden.

18 Niemand heeft ooit God gezien: do eeniggeboren Zoon, die in den schoot des Vaders is, die heeft hem ons verklaard.

19 En dit is de getuigenis van Johannes, toen de Joden eenige Priesters en J^eviten afzonden van Jeruzalem, opdat zij hem zouden vragen: Wie zijt gijquot;?

20 En hij beieed, en loochende


-ocr page 1167-

JOHANNES 1.

113

het niet, en beleed: Ik ben de Christus niet.

21 En zij vraagden hem: Wat dan? Zijt gij Eh\'a? En hij zeide. Ik ben (/ie niét. Zijt gij de Profeet V En hij antwoordde: Neen.

22 Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij? opdat wij antwoord geven mogen dengenen die ons gezonden hebben; wat zegt gij van uzelven?

23 Hij zeide: Ik ben de stem des roependen in de woestijn: Maakt den weg des Heeren recht, gelijk Jesaja de Profeet gesproken heeft.

24 En de afgezondenen waren uit de Farizeërs.

25 En zij vraagden hem én spraken tot hem: Waarom doopt gij dan, zoo gij de Christus niet zijt, noch Eh\'a, noch de Profeet?

2G Johannes antwoordde hun, zeggende: Ik doop met water, maar hij staat midden onder ulie-den dien gij niet kent;

27 dezelve is \'t die na mij komt, welke vóór mij geworden is, wien ik niet waardig ben dat ik zijnen schoenriem zoude ontbinden.

28 Deze dingen zijn geschied in Bethabara over den Jordaan, waar Johannes was doopendc.

29 Des anderen daags zag Johannes Jezus tot zich komen , en zeide: Zie, het Lam Gods dat de zonde der wereld wegneemt.

30 Deze is \'t van welken ik gezegd heb: Na mij komt een man, die vóór mij geworden is; want hij was eer dan ik.

31 En ik kende hem niet; maar opdat hij aan Israël zoude geopenbaard worden, daarom ben ik gekomen doopende met het water.

32 En Johannes getuigde, zeggende: Ik heb den Geest zien nederdalen uit den hemel gelijk eene duive, en hij bleef op hem.

33 En ik kende hem niet; maar die mij gezonden heeft om te doopen met water, die had mij gezegd: Op welken gij den Geest zult zien nederdalen, en op hem blijven, deze is \'t die met den Heiligen Geest doopt.

34 En ik heb gezien en heb getuigd, dat deze de Zoon Gods is.

35 Des anderen daags wederom stond Johannes, en twee uit zijne discipelen;

36 en ziende op Jezus daar wandelende, zeide hij: Zie, het Lam Gods.

37 En die twee discipelen hoorden hem dat spreken, en zij volgden Jezus.

38 En Jezus zich omkeerende en ziende hen volgen, zeide tot hen:

39 Wat zoekt gij ? En zij zeiden tot hem: Rabbi (\'twelk is te zeggen, overgezet zijnde, Meester) waar woont gij ?

40 Hij zeide tot hen: Komt en ziet. Zij kwamen en zagen waar hij woonde, en bleven dien dag bij hem ; en het was omtrent de tiende ure.

41 Andréas de broeder van Simon Petrus was een van de twee, die het van Johannes gehoord hadden en hem gevolgd waren;

42 deze vond eerst zijnen broeder Simon, en zeide tot hem: Wij hebben gevonden den Messias; \'twelk is, overgezet zijnde, de Christus.

43 En hij leidde hem tot Jezus. En Jezus hem aanziende zeide: Gij zijt Simon de zoon van Jona; gij zult genaamd worden Cefas; \'twelk overgezet wordt Petrus.

44 Des anderen daags wilde Jezus henengaan naarGaliléa, en vond Filippus en zeide tot hem : Volg mij.

45 Filippus nu was van Beth-saïda, uit de stad van Andréas en Petrus.

46 Filippus vond Nathanaël en zeide tot hem: Wij Hebben dien gevonden, van welken Mozes in de Wet geschreven heeft, en de Profeten, namelijk Jezus den zoon Jozefs, van Nazareth.

47 En Nathanaël zeide tot hem: Kan uit Nazareth iets goeds zijn? Filippus zeide tot hem: Kom en zie.

48 Jezus zag Nathanaël tot zich komen, en zeide van hem: Zie waarlijk een Israëliet in welken geen bedrog is.

49 Nathanaël zeide tot hem: Van waar kent gij mij? Jezus antwoordde en zeide tot hem: Eer u


-ocr page 1168-

JOHAN

\'114

NES 2.

Filippus riep , daar gij onder den vijgeboom waart, zag ik u.

50 Nathanaöl antwoordde en zei-de tot hem: Rabbi, gij zijt de Zoon Gods, gij zijt de Koning Israëls.

51 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Omdat ik u gezegd heb; Ik zag u onder den vijgeboom, zoo gelooft gij: gij zult grooter dingen zien dan deze.

52 En hij zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zegge ikulieden, van nu aan zult gij den hemel zien geopend , en de Engelen Gods opklimmende en nederdalende op den Zoon des menschen.

HOOFDSTUK 2.

En op den derden dag was daar een bruiloft te Kana in Galiléa, en de moeder van Jezus was aldaar;

2 en Jezus was óók genood, en zijne discipelen, tot de bruiloft.

3 En als er wijn ontbrak, zeide de moeder van Jezus tot hem: Zij hebben geen wijn.

4 Jezus zeide tot haar: Vrouwe, wat heb ik met u te doen\'! Mijne ure is nog niet gekomen.

5 Zijne moeder zeide tot de dienaars: Zoo wat hij ulieden zal zeggen, doet dat.

6 En aldaar waren zes steenen watervaten gesteld , naar de reiniging der Joden, elk houdende twee of drie metréten.

7 Jezus zeide tot hen: Vult de watervaten met water. En zij vulden ze tot boven toe.

8 En hij zeide tot hen: Schept nu en draagt het tot den hofmeester. En zij droegen het.

9 Als nu de hofmeester het water dat wijn geworden was geproefd had, (en hij wist niet van waar de wijn was, maar de dienaren die het water geschept hadden wisten het), zoo riep de hofmeester den bruidegom,

10 en zeide tot hem: Alle man zet eerst den goeden wijn op, en wanneer men wèl gedronken heeft, alsdan den minderen; maar gij hebt den goeden wijn tot nu toe bewaard.

11 Dit begin der teekenen heeft Jezus gedaan te Kana in Galiléa, en heeft zijne heerlijkheid geopenbaard; en zijne discipelen geloofden in hem.

12 Daarna ging hij af naar Ka-pernaüm, hij en zijne moeder en zijne broeders en zijne discipelen, eh zij bleven aldaar niet vele dagen.

13 En het Pascha der Joden was nabij, en Jezus ging op naar Jeruzalem.

14 En hij vond in den Tempel die ossen en schapen en duiven verkochten, en de wisselaars daai* zittende;

15 en een geesel van touwkens gemaakt hebbende, dreef hij ze allen uit den Tempel, ook de schapen en de ossen; en het geld der wisselaren stortte hij uit, en keerde de tafels om;

16 en hij zeide tot degenen die de duiven verkochten : Neemt deze dingen van hier weg; maakt niet het Huis mijns Vaders tot een huis van koophandel.

17 En zijne discipelen werden indachtig dat er geschreven is: De ijver van uw Huis heeft mij verslonden.

18 De Joden antwoordden dan en zeiden tot hem: Wat teeken toont gij ons, dat gij deze dingen doet?

19 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Breekt dezen tempel, en in drie dagen zal ik denzelven oprichten.

20 De Joden zeiden dan: Zesenveertig jaren is over dezen Tempel gebouwd, en gij , zult gij dien in drie dagen oprichten?

21 Maar hij zeide dit van den tempel zijns iichaams.

22 Daarom als hij opgestaan was van de dooden. werden zijne discipelen gedachtig dat hij dit tot hen gezegd had, en zij geloofden de Schrift en het woord dat Jezus gesproken had.

23 En als hij te Jeruzalem was op het Pascha, in het feest, geloofden velen in zijnen naam, ziende zijne t3ekenen die hij deed.

24 Maar Jezus zelf betrouwde hun zichzelven niet, omdat hij ze allen kende,

25 en omdat hij niet van noode had dat iemand getuigen zoude


-ocr page 1169-

van den mensch; want hij zelf wist wat in den mensch was.

HOOFDSTUK 3.

En daar was een mensch uitde Farizeërs, wiens naam was Nico-demus, een overste der Joden:

2 deze kwam des nachts tot Jezus, en zeide tot hem : Rabbi, wij weten dat gij zijt een leeraar van God gekomen; want niemand kan deze teekenen doen die gij doet, zoo God met hetn niet is.

3 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Voorwaar, voorwaar zegge ik u, tenzij dat iemand wederom geboren worde, hij kan het Koninkrijk Gods niet zien.

4 Nicodemus zeide tot hem: Hoe kan een mensch geboren worden, nu oud zijnde? Kan hij ook andermaal in dén pchoot zijner moedei-ingaan en geboren worden?

5 Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar zegge ik u, zoo iemand niet geboren wordt uit water en Geest, hij kan in het Koninkrijk Gods niet ingaan.

6 Hetgeen uit het vleesch geboren is, dat is vleesch , en hetgeen uit den Geest geboren is, dat is geest.

7 Verwonder u niet dat ik u gezegd heb: Gijlieden moet wederom geboren worden.

8 De wind blaast waarhenen hij wil, en gij hoort zijn geluid, maar gij weet niet van waar hij komt en waar hij henengaat: alzóó is een iegelijk\'die uit den Geest geboren is.

9 Nicodemus antwoordde en zeide tot hem: Hoe kunnen deze dingen geschieden?

10 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Zijt gij een leeraar Israels en weet gij deze dingen niet?

11 Voorwaar, voorwaar zegge ik u, wij spreken wat wij weten, en getuigen wat wij gezien hebben, en gijlieden neemt onze getuigenis niet aan.

12 Indien ik ulieden de aardsche dingen gezegd heb en gij niet gelooft, hoe zult gij gelooven indien ik ulieden de hemelsche zoude zeggen ?

13 En niemand is opgevaren in

115

den hemel, dan die uit den hemel nedergekomen is, namelijk de Zoon des menschen die in den hemel is.

14 En gelijk Mozes de slang in de woestijn verhoogd heeft, alzóó moet de Zoon des menschen verhoogd worden,

15 opdat een iegelijk die in hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

16 Want alzóó lief heeft God de wereld gehad, dat hij zijnen eenig-geboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

17 Want God heeft zijnen Zoon niet gezonden in de wereld opdat hij de wereld veroordeelen zoude, maar opdat de wereld door hem zoude behouden worden.

18 Die in hem gelooft wordt niet veroordeeld, maar die niet gelooft is aireede veroordeeld, dewijl hij niet heeft geloofd in den naam van den eeniggeboren Zoon Gods.

19 En dit is het oordeel, dat het licht in de wereld gekomen is, en de menschen hebben de duisternis liever gehad dan het licht; want hunne werken waren boos.

20 Want een iegelijk die kwaad doet, haat het licht,quot; en komt tot het licht niet, opdat zijne werken niet bestraft worden;

21 maar die de waarheid doet, komt tot het licht, opdat zijne werken openbaar worden, dat zij in God gedaan zijn.

22 Na dezen \'kwam Jezus en zijne discipelen in het land van Judéa, en onthield zich aldaar met hen, en doopte.

23 En Johannes doopte ook in Enon bij Salim, dewijl aldaar vele wateren waren; en zij kwamen daar en werden gedoopt;

24 want •Johannes was nog niet in de gevangenis geworpen.

25 Daar rees dan eene vraag van eenigen uit de discipelen van Johannes met de Joden over de reiniging;

26 en zij kwamen tot Johannes en zeiden tot hem: Rabbi, die met u was over den Jordaan,

JOHANNES 3.


-ocr page 1170-

116 J 0 H A IS

welken gij getuigenis gaatt, zie , die doopt en zij komen allen tot hem.

27 Johannesantwoordde enzeide: Een mensch kan geen ding aannemen, zoo het hem uit den hemel niet gegeven is.

28 Gijzelven zijt mijne getuigen dat ik gezegd heb: Ik ben de Christus niet, maar dat ik voor hem henen uitgezonden ben.

29 Die de bruid heeft is de bruidegom ; maar do vriend des bruidegoms, die staat en hem hoort, verblijdt zich met blijdschap om de stem des bruidegoms. Zoo is dan deze mijne blijdschap vervuld geworden.

30 Hij moet wassen, maar ik minder worden.

31 Die van boven komt is boven allen. Die uit de aarde is voo7%t-gekomcn, die is uit de aarde en spreekt uit de aarde: die uit den hemel komt is boven allen;

32 en hetgeen hij gezien en gehoord heeft, dat getuigt hij, en zijne getuigenis neemt niemand aan.

33 Die zijne getuigenis aangenomen heeft, die heeft verzegeld dat God waarachtig is.

34 Want dien God gezonden heeft, die spreekt de woorden Gods; want God geeft hem den Geest niet met mate.

35 De Vader heeft den Zoon lief, en heeft alle dingen in zijne hand gegeven.

36 Die in den Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven; maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.

HOOFDSTUK 4.

Als dan de Heere verstond dat de Farizeërs gehoord hadden, dat Jezus meer discipelen maakte en doopte dan Johannes,

2 (hoewel Jezus zelf niet doopte, maar zijne discipelen),

3 zoo verliet hij Judéa en ging wederom henen naar Galiléa.

4 En hy moest door Samarië gaan.

5 Hij kwam dan in eene stad

NES 4.

van Samarië genaamd Sichar, nabij het stuk land hetwelk Jakob zijnen zoon Jozef gaf;

6 en aldaar was de fontein Jakobs. Jezus dan vermoeid zijnde van de reis, zat alzoo neder nevens de fontein; het was omtrent de zesde ure.

7 Daar kwam eene vrouw uit Samarië om water te putten. Jezus zeide tot haar; Geef mij te drinken.

8 (Want zijne discipelen waren henengegaan in de stad, opdat zij spijze zouden koopen.)

9 Zoo zeide dan de Samaritaan-sche vrouw tot hem: Hoe begeert gij , die een Jood zijt, van mij te drinken die eene Samaritaansche vrouw ben ? Want de Joden houden geen gemeenschap met de Samaritanen.

10 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Indien gij de gave Gods kendet, en wie hij is die tot u zegt: Geef mij te drinken, zoo zoudt gij van hem hebben begeerd, en hij zoude u levend water gegeven hebben.

11 De vrouw zeide tot hem: Heere, gij hebt niets om mede te putten, en de put is diep: van waar hebt gij dan het levend water?

12 Zijt gij meerder dan onze vader Jakob die ons den put gegeven heeft, en hij zelf heeft daaruit gedronken, en zijne kinderen, en zijn vee?

13 Jezus antwoordde en zeide tot haar: Een ieder die van dit water drinkt zal wederom dorsten;

14 maar zoo wie gedronken zal hebben van het water dat ik hem geven zal, dien zal in eeuwigheid niet dorsten, maar het water dat ik hem zal geven zal in hem worden eene fontein van water, springende tol in het eeuwige leven.

15 De vrouw zeide tot hem: Heere, geef mij dat water, opdat mij niet dorste, en ik hier niet moet komen om te putten.

16 Jezus zeide tot haar: Ga henen, roep uwen man en kom hier.

17 De vrouw antwoordde en zeide: Ik heb geenen man. Jezus


-ocr page 1171-

JOHANNES 4.

117

zeido tot haar: Gij hebt wel gezegd : Ik heb geenen man;

18 want gij hebt vijf mannen gehad, en dien gij nu hebt is uw man niet; dat hebt gij met waarheid gezegd.

19 De vrouw zeide tot hem : Heere, ik zie dat gij een Profeet zijt.

20 Onze vaderen hebben op dezen berg aangebeden, en gijlieden zegt dat te Jeruzalem de plaats is, daar men moet aanbidden.

21 Jezus zeide tot haar: Vrouw, geloof mij, de ure komt, wanneer gijlieden noch op dezen berg, noch te Jeruzalem den Vader zult aanbidden.

22 Gijlieden aanbidt wat gij niet weet, wij aanbidden wat wij weten; want de zaligheid is uit de Joden;

23 maar de ure komt en is nu, wanneer de ware aanbidders den Vader aanbidden zullen in geest en waarheid; want de Vader zoekt ook alzulken, die hem alzóó aanbidden.

24 God is een geest, en die hem aanbidden, moeten hem aanbidden in geest en waarheid.

25 De vrouw zeide tot hem: Ik weet dat de Messias komt Cdie genaamd wordt Christus); wanneer die zal gekomen zijn, zoo zal hij ons alle dingen verkondigen.

2G Jezus zeide tot haar: Ik ben het, die met u spreke.

27 En daarop kwamen zijne discipelen , en verwonderden zich dat hij met eene vrouw sprak. Nog-tans zeide niemand: Wat vraag\': gij, of wat spreekt gij met haar?

28 Zoo verliet de vrouw dan haar watervat, en ging henen in de stad, en zeide tot dc lieden:

29 Komt, ziet een mensch die mij gezegd heeft alles wat ik gedaan heb: is deze niet de Christus?

30 Zij dan gingen uit de stad en kwamen tot hem.

31 En ondertusschen baden hem de discipelen, zeggende; Rabbi, eet.

32 Maar hij zeide tot hen: Ik heb eene spijze om te eten die gij niet weet.

33 Zoo zeiden dan de discipelen tegen elkander: Heeft hem iemand te eten gebracht?

34 Jezus zeide tot hen: Mijn spijze is , dat ik doe den wil desgenen die mij gezonden heeft, en zijn werk volbrenge.

35 Zegt gijlieden niet: Het zijn nog vier maanden en dan komt de oogst? Zie, ik zegge u, heft uwe oogen op en aanschouwt de landen, want zij zijn aireede wit om te oogsten.

36 En die maait ontvangt loon, en vergadert vrucht ten eeuwigen leven, opdat zich te zamen ver-

1 blijde beide die zaait en die maait;

37 want hierin is die spreuke waarachtig: Een ander is \'t die zaait en een ander die maait.

38 Ik heb u uitgezonden om te maaien \'t geen gij niet bearbeid hebt; anderen hebben \'t bearbeid, en gij zijt tot hunnen arbeid ingegaan.

39 En velen der Samaritanen uit die stad geloofden in hem, om het woord der vrouw die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb.

40 Als dan de Samaritanen tot hem gekomen waren, baden zij hem dat hij bij hen bleve; en hij bleef aldaar twee dagen.

41 En daar geloofden er veel meer om zijns woords wille,

42 en zeiden tot de vrouw: Wij gelooven niet meer om uws zeg-gens wille; want wijzelven hebben hem gehoord, en weten dat deze waarlijk is de Christus, de Zaligmaker der wereld.

43 En na de twee dagen ging hij van daar, en ging henen naar Galiléa;

44 want Jezus heeft zelf getuigd, dat een Profeet in zijn eigen vaderland geen eere heeft.

45 Als hij dan in Galiléa kwam, ontvingen hem de Galileërs, gezien hebbende alle de dingen die hij te Jeruzalem op het feest gedaan had; want ook zij waren tot het feest gegaan.

46 Zoo kwam dan Jezus wederom te Kana in Galiléa, waar hij het water wijn gemaakt had. En daar was een zeker koninklijk hoveling,


-ocr page 1172-

JOHANNES 5.

118

wiens zoon krank was, te Kaper-naüm:

47 deze gehoord hebbende dat Jezus uit Judéa in Galiléa kwam, ging tot hein en bad hem dat hij afkwame en zijnen zoon gezond maakte; want hij lag op zijn sterven.

48 Jezus dan zeide tot hem: Tenzij dat gijlieden teekenen en wonderen ziet, zoo zult gij niet gelooven.

49 De koninklijke hoveling zeide tot hem: Heere, kom af eer mijn kind sterft.

50 Jezus zeide tot hem: Ga henen, uw zoon leeft. P^n de mensch geloofde het woord dat Jezus tot hem zeide, en ging henen.

51 En als hij nu afging, kwamen hem zijne dienstknechten tegemoet en boodschapten, zeggende: Uw kind leeft.

52 Zoo vraagde hij dan van hen de ure in welke het beter met hem geworden was, en zij zeiden tot hem: Gisteren te zeven uur verliet hem de koorts.

53 De vader bekende dan, dat het op die ure was in dewelke Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft; en hij geloofde zelf, en zijn geheele huis.

54 \'Dit tweede teeken heeft Jezus wederom gedaan als hij uit Judéa in Galiléa gekomen was.

HOOFDSTUK 5.

Na dezen was er een feest der Joden, en Jezus ging op naar Jeruzalem.

2 En daar is te Jeruzalem aan de Schaaps?gt;oorï een badwater, hetwelk in \'t. Hebreeuwsch toege-naamd wordt Bethesda, hebbende vijf zalen.

3 In dezelve lag eene groote menigte van kranken, blinden, kreupelen, verdorden, wachtende op de roering des waters;

4 want een Engel daalde neder op zekeren tijd in het badwater, en beroerde het water: die dan het eerst daarin kwam na de beroering van het water, die werd gezond, van wat ziekte hij ook bevangen was.

5 En aldaar was een zeker mensch die achtendertig jaren krank gelegen had.

G Jezus ziende dezen liggen, en wetende dat hij nu langen tijd gelegen had, zeide tot hem: Wilt gij gezond worden?

7 De kranke antwoordde hem: Heere, ik heb niet een mensch om mij te werpen in het badwater, wanneer het water beroerd wordt; en terwijl ik kom, zoo daalt een ander vóór mij neder.

8 Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw beddeken op en wandel.

9 En terstond werd de mensch gezond, en nam zijn beddeken op en wandelde. En het was sabbat op dien dag.

10 De Joden zeiden dan tot dengenen die genezen was: Het is sabbat, \'t is u niet geoorloold het beddeken te dragen.

11 Hij antwoordde hun: Die mij gezond gemaakt heeft, die heeft mij gezegd: Neem uw beddeken op en wandel.

12 Zij vraagden hem dan: Wie is de mensch die u gezegd heeft: Neem uw beddeken op en wandel?

13 En die gezond gemaakt was wist niet wie hij was; want Jezus was ontweken, alzoo daar een groote schare in die plaats was.

14 Daarna vond hem Jezus in den Tempel en zeide tot hem: Zie, gij zijt gezond geworden: zondig niet meer, opdat u niet wat ergers geschiede.

15 De mensch ging henen en boodschapte den Joden, dat het Jezus was die hem gezond gemaakt had.

16 En daarom vervolgden de Joden Jezus, en zochten hem te dooden, omdat hij deze dingen op den sabbat deed.

17 En Jezus antwoordde hun: Mijn Vader werkt tot nu toe, en ik werk óók.

18 Daarom zochten dan de Joden te meer hem te dooden, omdat hij niet alleen den sabbat brak, maar ook zeide dat God zijn eigen Vader was, zichzel.ven Gode evengelijk makende.

19 Jezus dan antwoordde en zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zegge ik u, de Zoon kan


-ocr page 1173-

JOHANNES 5.

119

niets van zichzelven doen, tenzij hij den Vader dat ziet doen; want zoo wat die doet, hetzelve doet ook de Zoon desgelijks.

20 Want de Vader heeft den Zoon lief, en toont hem alles wat hij doet, en hij zal hem grooter werken toonen dan deze, opdat gij u verwondert.

21 Want gelijk de Vader de dooden opwekt en levend maakt, alzoo maakt ook de Zoon levend die hij wil.

22 Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel den Zoon gegeven,

23 opdat zij allen den Zoon eeren gelijk zij den Vader eeren. Die den Zoon niet eert, eert den Vader niet die hem gezonden heeft.

24 Voorwaar, voorwaar zegge ik u, die mijn woord hoort, en gelooft hem die mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven, en komt niet in de verdoemenis, maar is uit den dood overgegaan in het leven.

25 Voorwaar, voorwaarzegge ik u, de ure komt en is nu, wanneer de dooden zullen hooren de stem van den Zoon Gods, en die ze gehoord hebben zullen leven;

26 want gelijk de Vader het leven heelt in zichzelven, alzoo heeft hij ook den Zoon gegeven het leven te hebben in zichzelven,

27 en heeft hem macht gegeven ook gericht te houden, omdat hij des menschen Zoon is.

28 Verwondert u daar niet over; want de ure komt, in welke allen die in de graven zijn zijne stemme zullen hooren,

21 en zullen uitgaan, die het goede gedaan hebben tot de opstanding des levens, en die het kwade gedaan hebben tot de opstanding der verdoemenis.

30 Ik kan van mij zei ven niecs doen: gelijk ik hoor, oordeel ik, en mijn oordeel is rechtvaardig; want ik zoek niet mijnen wil, maar den wil des Vaders die mij gezonden heeft.

31 Indien ik van mijzelven getuig, mijne getuigenis is niet waarachtig:

32 er is een ander die van mij getuigt, en ik weet dat de getuigenis welke hij van mij getuigt waarachtig is.

33 Gijlieden hebt tot Johannes gezonden, en hij heeft der waarheid getuigenis gegeven;

34 doch ik neem geene getuigenis van een mensch, maar dit zegge ik opdat gijlieden zoudt behouden worden.

35 Hij was eene brandende en lichtende kaars, en gij hebt u voor eenen korten tijd in zijn licht willen verheugen;

36 maar ik heb eene getuigenis meerder dan die van Johannes; want de werken die mij de Vader gegeven heeft om die te volbrengen , die werken die ik doe, getuigen van mij dat mij de Vader gezonden heeft.

37 En de Vader die mij gezonden heeft, die heeft zelf van mij getuigd: gij hebt noch zijne stomme ooit gehoord, noch zijne gedaante gezien,

38 en zijn Woord hebt gij niet in u blijvende; want gij gelooft dien niet, dien hij gezonden heeft.

39 Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben, en die zijn het die van mij getuigen.

40 En gij wilt tot mij niet komen opdat gij het leven moogt hebben.

41 Ik neem geen eere van menschen ;

42 maar ik ken ulieden, dat gij de liefde Gods in uzelven niet hebt.

43 Ik ben gekomen in den naam mijns Vaders, en gij neemt mij niet aan; zoo een ander komt in zijnen eigenen naam, dien zult gij aannemen.

44 Hoe kunt gij gelooven, gij die eere van elkander neemt, en de eere die van God alleen is niet zoekt?

45 Meent niet dat ik u verklagen zal bij den Vader; die u ver-klaagt is Mozes, op welken gij gehoopt hebt.

46 Want indien gij Mozes ge-loofdet, zoo zoudt gij mij gelooven; want hij heeft van mij geschreven.

47 Maar zoo gij zijne schriften niet gelooft, hoe zult gij mijne woorden gelooven?


-ocr page 1174-

JOHANNES 6.

120

HOOFDSTUK 6.

Na dezen vertrok Jezus over de zee van Galiléa, welke is de zee van Tiberias;

2 en hem volgde een groote schare, omdat zij zijne teekenen zagen die hij deed aan de kranken.

3 En Jezus ging op den berg, pn zat aldaar neder met zijne discipelen.

4 En het Pascha, het feest der Joden, was nabij.

5 Jezus dan de oogen opheffende en ziende dat eene groote schare tot hem kwam, zeide tot Filip-pus: Van waar zullen wij broo-den koopen, opdat dezen eten mogen ?

6 (Doch dit zeide hij hem beproevende, want hij wist zelf wat hij doen zoude.)

\'l Filippus antwoordde hem: Voor tweehonderd penningen brood is dezer, niet genoeg, opdat een iegelijk van hen een weinig neme.

8 Een van zijne discipelen, namelijk Andréas de broeder van Simón Petrus, zeide tot hem:

9 Hier is een jongsken dat vijf gerstebrooden heeft, en twee visch-kens; maar wat zijn deze onder zoo velen?

10 En Jezus zeide: Doet de menschen nederzitten. En daar was veel gras in die plaats. Zoo zaten dan de mannen neder, omtrent vijfduizend in getal.

11 En Jezus nam de brooden, en gedankt hebbende deelde hij ze don discipelen, en de discipelen dengenen die nedergezeten waren; desgelijks ook van de vischkens zooveel zij wilden.

12 En als zij verzadigd waren, zeide hij tot zijne discipelen: Vergadert de overgeschoten brokken, opdat er niets verloren ga.

13 Zij vergaderden ze dan, en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebrooden, welke overgeschoten waren dengenen die gegeten hadden.

14 De menschen dan gezien hebbende het teeken dat Jezus gedaan had, zeiden: Deze is waarlijk de Profeet die in de wereld komen zoude.

15 Jezus dan wetende dat zij zouden komen, en hem met geweld nemen opdat zij hem Koning maakten, ontweek wederom op den berg, hij zelf alleen.

16 En als het avond geworden was, gingen zijne discipelen af naar de zee;

17 en in het schip gegaan zijnde kwamen zij óver de zee naar Kaper-naüm. En het was aireede duister geworden, en Jezus was tot hen niet gekomen;

18 en de zee verhief zich, overmits daar een groote wind waaide.

19 En als zij omtrent vijfentwintig of dertig stadiën gevaren waren, zagen zij Jezus wandelende op de zee enquot; komende bii het schip en zij werden bevreesd.

20 Maar hij zeide tot hen: Ik ben het, zijt niet bevreesd.

21 Zij hebben dan hem gewillig-lijk in het schip genomen; en terstond kwam het schip aan het land daar zij naar toe voeren.

22 Des anderen daags de schare die aan de andere zijde der zee stond, ziende dat aldaar geen ander scheepken was dan dat ééne waar zijne discipelen ingegaan waren, en dat Jezus met zijne discipelen in dat scheepken niet was gegaan, maar dat zijne discipelen alléén weggevaren waren;

23 (doch daar kwamen andere scheepkens van Tiberias nabij de plaats, waar zij het brood gegeten hadden als de Heere gedankt had;)

24 toen dan de schare zag, dat Jezus aldaar niet was noch zijne discipelen, zoo gingen zij óók in de schepen, en kwamen té Kaper-naüm, zoekende Jezus;

25 en als zij hem gevonden hadden óver de zee, zeiden zij tot hem: Rabbi, warneer zijt gij hier gekomen?

26 Jezus antwoordde hun en zeide: Voorwaar , voorwaar zegge ik u, gij zoekt mij niet omdat gij teekenen gezien hebt, maar omdat gij van de brooden gegeten hebt en verzadigd zijt.

27 Werkt niet om de spijze die vergaat, maar om de spijze die blijft tot in het eeuwige leven


-ocr page 1175-

welke de Zoon des menschen ulieden geven zal; want dezen heeft God den Vader verzegeld.

28 Zij zeiden dan tol hem: Wat zullen wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken?

29 Jezus antwoordde en zeide tot hen : Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in hem dien hij gezonden heeft.

30 Zij zeiden dan tot hem: Wat teeken doet gij dan, opdat wij het mogen zien en u gelooven? Wat werkt gij?

31 Onze vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn, gelijk geschreven is: Hij gaf hun het\' brood uit den hemel te eten.

32 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zegge ik u, Mozes heeft u niet gegeven het brood uit den hemel, maar mijn Vader geeft u het ware brood uit den hemel;

33 want het brood Gods is hij die uit den hemel nederdaalt, en die der wereld het leven geeft.

34 Zij zeiden dan tot hem: Heere, geef ons altijd dit brood.

35 En Jezus zeide\' tot hen: Ik ben het brood des levens: die tot mij komt zal geenszins hongeren,. en die in mij gelooft zal nimmermeer dorsten.

3(3 Maar ik heb u gezegd, dat gii mij ook gezien hebt, en gij gelooft niet.

37 Al wat mij do Vader geeft zal tot mij komen, en die tot mij komt zal ik geenszins uitwerpen.

38 Want ik ben uit den hemel nedergedaald, niet opdat ik mijnen wil zoude doen, maar den wil desgenen die mij gezonden heeft.

39 En dit is de wil des Vaders die mij gezonden heeft, dat al wat hij mij gegeven heeft, ik daaruit niet verlieze, maar hetzelve opwekke ten uitersten dage.

40 En dit is de wil desgenen die mij gezonden heeft, dat een iegelijk die den Zoon aanschouwt en in hem gelooft, het eeuwige leven hebbe, en ik zal hem opwekken ten uitersten dage.

41 De Joden dan murmureerden over hem, omdat hij gezegd had:

121

Ik ben het brood dat uit den hemel nedergedaald is;

42 en zij zeiden: Is deze niet Jezus de zoon Jozefs, wiens vader en moeder wij kennen? Hoe zegt deze dan: Ik ben uit den hemel nedergedaald?

43 Jezus antwoordde dan en zeide tot hen: Murmureert niet onder elkander.

44 Niemand kan tot mij komen, tenzij dat de Vader die mij gezonden \'heeft hem trekke; en ik zal hem opwekken ten uitersten dage.

45 Er is geschreven in de Profeten : En zij zullen allen van God geleerd zijn. Een iegelijk dan die het van den Vader gehoord en geleerd heeft, die komt tot mij ;

46 niet dat iemand den Vader gezien heeft dan die van God is: deze heeft den Vader gezien.

47 Voorwaar, voorwaar zegge ik ii, die in mij gelooft heeft het eeuwige leven. \'

48 Ik ben het brood des levens.

49 Uwe vaderen hebben het manna gegeten in de woestijn en zij zijn gestorven:

50 quot;dit is het brood dat uit den hemel nederdaalt, opdat de mensch daarvan ete en niet sterve.

51 Ik ben het levende brood dat uit den hemel nedergedaald is: zoo iemand van dit brood eet, die zal in eeuwigheid leven; en het brood dat ik geven zal is mijn vleesch, hetwelk ik geven zal voor het leven der wereld.

52 Do Joden dan streden onder elkander, zeggende: Hoe kan ons deze zijn vleesch te eten geven?

53 Jezus dan zeide tot hen: Voorwaar, voorwaar zegge ik ulieden, tenzij dat gij het vleesch van den Zooii des menschen eet en zijn bloed drinkt, zoo hebt gij geen leven in uzelveri.

54 Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die heeft het eeuwige leven, en ik zal hem opwekken ten uitersten dage;

55 want mijn quot; vleesch is waarlijk spijs, en mijn bloed is waarlijk drank.

50 Die mijn vleesch eet en mijn bloed drinkt, die blijft in mij en | ik in hem.

JOHANNES 6.


-ocr page 1176-

JOHANNES 7.

422

57 Gelijkerwijs mij de levende Vader gezonden heeft en ik leef door den Vader, alzoo die mij eet, dezelve zal leven door mij.

58 Dit is het brood dat uit den hemel nedergedaald is; niet gelijk uwe vaderen het manna gegeten hebben en zijn gestorven: die dit brood eet zal in eeuwigheid leven.

59 Deze dingen zeide hij in de Synagoge, leerende te Kapernaüm.

GO Velen dan van zijne discipelen dit hoorende, zeiden: Deze rede is hard, wie kan dezelve hooren!

61 Jezus nu wetende bij zich-zelven dat zijne discipelen daarover murmureerden, zeide tot hen: Ergert ulieden dit?

62 Wat zonde het dan zijn zoo gij den Zoon des menschen zaagt opvaren waar hij te voren was?

03 De geest is het die levend maakt, het vleesch is niets nut: de woorden die ik tot u spreke zijn geest en zijn leven.

64 Maar daar zijn sommigen van ulieden die niet gelooven. Want Jezus wist van den beginne wie zij waren die niet geloofden, en wie hij was die hem verraden zoude.

65 En hij zeide: Daarom heb ik u gezegd, dat niemand tot mij komen kan tenzij dat het hem gegeven zij van mijnen Vader.

60 Van toen af gingen velen zijner discipelen terug, en wandelden niet meer mot hem.

67 Jezus dan zeide tot de twaalve: Wilt gijlieden óók niet weggaan?

68 Simon Petrus dan antwoordde hem: Heere, tot wien zullen wij henengaan ? Gij hebt de woorden des eeuwigen levens;

69 en wij hebben geloofd en bekend, dat gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods.

70 Jezus antwoordde hun: Heb ik niet u twaalf uitverkoren? en één uit u is een duivel.

71 En hij zeide dit van Judas Simons zoon Iskariot; want deze zoude hem verraden, zijnde een van de twaalve.

HOOFDSTUK 7.

En na dozen wandelde Jezus in

Galiléa; want hij wilde in Judéa niet wandelen, omdat de Joden hem zochten te dooden.

2 En het feest der Joden, namelijk de /oo/huttenzetting, was nabij.

3 Zoo zeiden dan zijne broeders tot hem: Vertrek van hier en ga .henen in Judéa, opdat ook uwe discipelen uwe werken mogen aanschouwen die gij doet;

4 want niemand doet iets in \'t verborgen, en zoekt zelf dat men openlijk van hem spreke. Indien gij deze dingen doet, zoo openbaar uzelven aan de wereld.

5 Want ook zijne broeders geloofden niet in hem.

6 Jezus dan zeide tot hen: Mijn tijd is nog niet hier, maar uw tijd is altijd bereid.

7 De wereld kan ulieden niet haten, maar mij haat zij, omdat ik van dezelve getuig dat hare werken boos zijn.

8 Gaat gijlieden op tot dit feest; ik ga nog niet op tot dit feest, want mijn tijd is nog niet vervuld.

9 En als hij deze dingen tot hen gezegd had, bleef hij in Galiléa.

10 Maar als zijne\' broeders opgegaan waren, toen ging hij ook zelf op tot het feest, niet openlijk maar als in ?t verborgen.

11 De Joden dan zochten hem op het feest, en zeiden: Waar is hij ?

12 En er was veel gemurmel van hem onder de scharen; sommigen zeiden: Hij is goed; en anderen zeiden: Neen, maar hij verleidt de schare.

13 Nogtans sprak niemand vrij-moediglijk van hem, omdevreeze der Joden.

14 Doch als het nu in het midden van het feest was, zoo ging Jezus op in den Tempel en leerde.

15 En de Joden verwonderden zich, zeggende: Hoe weet deze de Schriften, daar hij zc niet geleerd heeft?

16 Jezus antwoordde hun en zeide: Mijne leer is de mijne niet, maar desgenen die mij gezonden heeft:

17 zoo iemand wil deszelfs wil


-ocr page 1177-

JOHANNES doen, die zal van deze leer bekennen of zij uit God is, dan of ik van mijzelven spreek.

18 Die van zichzelven spreekt,

zoekt zijne eigene eere; maar die de eere zoekt desgenen die hem gezonden heeft, die is waarachtig en geen ongerechtigheid is in hem.

19 Heeft Mozes u niet de wet gegeven? en niemand van u doet de wet. Wat zoekt gij mij te dooden ?

20 De schare antwoordde en zeide: Gij hebt den duivel: wie zoekt u te dooden?

21 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Eén werk heb ik gedaan,

en gij verwondert u allen.

22 Daarom Mozes heeft ulieden de besnijdenis gegeven, (niet dat ze uit Mozes is, maar uit de vaderen), en gij besnijdt een mensch op den sabbat.

23 Indien een mensch de besnijdenis ontvangt op den sabbat,

opdat de wet van Mozes niet ver-brgken worde, zijt gij toornig op mij, dat ik een geheelen mensch gezond gemaakt heb op den sabbat?

24 Oordeelt niet naar het aanzien, maar oordeelt een rechtvaardig oordeel.

25 Sommigen dan uit die van Jeruzalem zeiden: Is deze niet dien zij zoeken te dooden ?

26 En zie, hij spreekt vrijmoe-diglijk en zij zeggen hem niets.

Zouden nu wel de oversten waarlijk weten, dat deze waarlijk is de Christus?

27 Doch van dezen weten wij van waar hij is; maar de Christus wanneer hij komen zal, zoo zal niemand weten van waar hij is.

28 Jezus dan riep in den Tempel leerende en zeggende : En gij kent mij , en gij weet van waar ik ben; en ik ben van mijzelven niet gekomen, maar hij is waarachtig die mij gezonden heeft,

welken gijlieden niet kent;

29 maar \'ik kenne hem, wantik ben van hem , en hij heeft mij gezonden.

30 Zij zochten hem dan te grijpen ; maar niemand sloeg de hand aan hem, want zijne ure was nog niet gekomen.

7.

123

31 En velen uit de schare geloofden in hem , en zeiden: Wanneer de Christus zal gekomen zijn, zal hij ook meer teekenen doen dan die welke deze gedaan heeft?

32 De Farizeërs hoorden dat de schare dit van hem murmelde; en de Farizeërs en de Overpries-ters zonden dienaren, opdat zij hem grijpen zouden.

33 Jezus dan zeide tot hen: Nog eenen kleinen tijd ben ik bij u, en ik ga henen tot dengenen die mij gezonden heeft.

34 Gij zult mij zoeken en gij zult mij niet vinden, en waar ik ben kunt gij niet komen.

35 De Joden dan zeiden tot elkander: Waar zal deze henengaan, dat wij hem niet zullen vinden? Zal hij tot de verstrooide Grieken gaan, en de Grieken leeren ?

36 Wat is dit voor een rede die hij gezegd heeft: Gij zult mij zoeken en zult mij niet vinden, en waar ik ben kunt gij niet komen?

37 En op den laatsten dag, zijnde de groote dag van het feest, stond Jezus en riep, zeggende: Zoo iemand dorst, die kome tot mij en drinke.

38 Die in mij gelooft, gelijker-wijs de Schrift zegt, stroomen des levenden waters zullen uit zijn binnenste vloeien.

39 (En dit zeide hij van den Geest, denwelken ontvangen zouden die in hem gelooven; want de Heilige Geest was nog niet, overmits Jezus nog niet verheerlijkt was.)

AO Velen dan uit de schare deze rede hoorende, .zeiden: Deze is waarlijk de Profeet;

41 anderen zeiden: Deze is de Christus; en anderen zeiden: Zal dan de Christus uit Galiléa komen?

42 Zegt de Schrift niet, dat de Christus komen zal uit den zade Davids, en van het vlek Bethlehem, waar David was?

43 Daar werd dan tweedracht onder de schare om zijnentwil;

44 en sommigen van hen wilden hem grijpen maar niemand sloeg de handen aan hem.

-ocr page 1178-

JOHANNES 8.

124

45 De dienaars dan kwamen tot de Overpriesters en Farizeërs; en die zeiden tot hen: Waarom hebt gij hem niet gebracht?

46 De dienaars antwoordden: Nooit heeft een mensch alzóó gesproken gelijk deze mensch.

47 De Farizeërs dan antwoordden hun; Zijt ook gijlieden verleid?

48 Heeft iemand uit de oversten in hem geloofd, of uit de Farizeërs?

49 Maar deze schare, die de wet niet weet, is vervloekt.

50 Nicodemus zeide tot hen, welke des nachts tot hem gekomen was, zijnde een uit hen:

51 Oordeelt ook onze wet den mensch, tenzij dat ze eerst van hem gehoord heeft en verstaat wat hij doet?

52 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Zijt gij óók uit Galiléa? Onderzoek en zie, dat uit Galiléa geen Profeet opgestaan is.

53 En een iegelijk ging henen naar zijn huis.

HOOFDSTUK 8.

Maar Jezus ging naar den Olijfberg.

2 En des morgens vroeg kwam hij wederom in den Tempel, en al het volk kwam tot hem; en nedergezeten zijnde leerde hij hen.

3 En de Schriftgeleerden èn de Farizeërs brachten tot hem eene vrouw in overspel gegrepen;

4 en haar gesteld hebbende in \'t midden, zeiden zij tot hem : Meester, deze vrouw is op de daad zelve gegrepen, overspel begaande ;

5 en Mozes heeft ons in de wet geboden, dat dezulken gesteenigd zullen worden: gn dan, wat zegt gij ?

6 En dit zeiden zij hem verzoekende , opdat zij iets hadden om hem te beschuldigen. Maar Jezus nederbukkende schreef met den vinger in de aarde.

7 En als zij hem bleven vragen, richtte hij zich op en zeide tot hen: Die van ulieden zonder zonde is, werpe het eerst den steen op haar.

8 En wederom nederbukkende schreef hij in de aarde.

9 Maar zij dit hoerende , en van hunne conscienticovertuigdzijnde, gingen uit, de één na den ander, \'beginnende van de oudsten tot de laatsten; en Jezus werd alléén gelaten, en de vrouw in \'t midden staande.

10 En Jezus zich oprichtende, en niemand ziende dan de vrouw, zeide tot haar: Vrouw, waar zijn deze uwe beschuldigers? Heeft u niemand veroordeeld?

11 En zij zeide : Niemand Heere. En Jezus zeide tot haar: Zooveroordeel ik u óók niet: ga henen en zondig niet meer.

12 Jezus dan sprak wederom tot hen, zeggende: Ik ben het licht der were d: die mij volgt zal in de duiste rnis niet wandelen, maar zal het licht des levens hebben.

13 De Farizeërs dan zeiden tot hem: Gij getuigt van uzelven, uw getuigenis is niet waarachlig.

14 Jezus antwoordde en zeide tot hen: Hoewel ik van mij zelve n getuig, zoo is nofjlans mijne getuigenis waarachtig, want ik weet van waar ik geko nen ben en waar ik henenga; maar gijlieden weet niet van waar ik kom en waar ik henenga.

15 Gij oordeelt naar het vleesch, ik oordeel niemand.

16 En indien ik ook oordeel, mijn oordcel is waarachtig; want ik ben niet alléén, maar ik en de Vader die mij gezonden heeft.

17 En daar is ook in uwe wet geschreven, dat de getuigenis van twee menschen waarachtig is:

18 ik ben het die van mijzelven getuige, en de Vader die mij gezonden heeft geiuigt van mij.

19 Zij dan zeiden tot hem: Waar is uw vader? Jezus antwoordde: Gii kent noch mij noch mijnen Vader; indien gij mij kendet, zoo zoudt gij ook mijnen Vader kennen.

20 Deze woorden sprak Jezus bij de schatkist, leerende in den Tempel; en niemand greep hem; want zijne ure was nog niet gekomen.


-ocr page 1179-

JOHANNES 8.

125

21 Jezus dan zeide wederom tot hen: Ik ga henen, en gij zult mij zoeken, en in uwe zonde zult gij sterven; waar ik henen ga kunt gijlieden niet komen.

22 De Joden dan zeiden: Zal hij ook zichzelven dooden, omdat hij zegt: Waar ik henenga kunt gijlieden niet komen?

23 En hij zeide tot hen: Gijlieden zijt van beneden, ik ben van boven; gij zijt uit deze wereld, ik ben met uit deze wereld.

24 Ik heb u dan gezegd dat gij in uwe zonden zult sterven; want indien gij niet gelooft dat ik die ben, gij zult in uwe zonden sterven.

25 Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij? En Jezus zeide tot hen: Wat ik van den beginne ulieden ook zegge.

26 Ik heb vele dingen van u te zeggen en te oordeelen ; maar die mij gezonden heeft is waarachtig, en de dingen die ik van hem gehoord heb, dezelve spreek ik tot de wereld.

27 Zij verstonden niet dat hij hun van den Vader sprak,

28 Jezus dan zeide tot hen: Wanneer gij den Zoon des men-schen zult verhoogd hebben, dan zult gij verstaan dat ik die ben, en dat ik van mijzelven niets doe, maar deze dingen spreek ik gelijk mijn Vader mij geleerd heeft.

29 En die mij gezonden heeft is met mij: de Vader heeft mij niet alléén gelaten, want ik doe altijd wat hem behagelijk is.

30 Als hij deze dingen sprak geloofden velen in hem.

31 Jezus dan zeide tot de Joden die in hem geloofden: Indien gijlieden in mijn woord blijft, zoo zijt gij waarlijk mijne discipelen ,

32 en zult de waarheid verstaan, en de waarheid zal u vrij maken.

33 Zij antwoordden hem: Wij zijn Abrahams zaad, en hebben nooit iemand gediend; hoe zegt gij dan: Gij zult vrij worden?

34 Jezus antwoordde hun: Voorwaar , voorwaar zegge ik u, een iegelijk die de zonde doet is een dienstknecht der zonde;

35 en de dienstknecht blijft niet eeuwiglijk in het huis, de zoon blijft er eeuwiglijk.

36 Indien dan de Zoon u zal vrijgemaakt hebben, zoo zult gij waarlijk vrij zijn.

37 ik weet dat gij Abrahams zaad zijt; maar gij zoekt mij te dooden; want mijn woord heeft in u geene plaats.

38 Ik spreek wat ik bij mijnen Vader gezien heb: gij doet dan ook wat gij bij uwen vader gezien hebt.

39 Zij antwoordden en zeiden lot hem: Abraham is onze vader. Jezus zeide tot hen: Indien gij Abrahams kinderen waart, zoo zoudt gij de werken Abrahams doen;

40 maar nu zoekt gij mij te dooden, een mensch die u de waarheid gesproken heb, welke ik van God gehoord heb: dat deed Abraham niet.

41 Gij doet de werken uv. s vaders. Zij zeiden dan tot hem: Wij zijn niet geboren uit hoererij, wij hebben éónen vader, namelijk God.

42 Jezus dan zeide tot hen: Indien God uw Vader ware, zoo zoudt gij mij liefhebben; want ik ben van God uitgegaan en kom van hem; want ik ben ook van mijzelven niet gekomen, maar hij heeft mij gezonden.

43 Waarom kent gij mijne sprake niet? Het is omdat gij mijn woord niet kunt hooren.

44 Gij zijt uit den vader den duivel, en wilt de begeerten uws vaders doen. Die was een men-schenmoorder van den beginne, en is in de waarheid niet staande gebleven; want geen waarheid is in hem. Wanneer hij de leugen spreekt, zoo spreekt hij uit zijn eigen, want hij is een leugenaar en de vader dei\' leugen.

45 Maar mij, omdat ik u de waarheid zegge, gelooft gij niet.

46 Wie van u overtuigt mij van zonde? En indien ik u de waarheid zegge , waarom gelooft gij mij niet ?

47 Die uit God is hoort de woorden Gods; daarom hoort gij-


-ocr page 1180-

J O H A N

126

NES 9.

lieden niet, omdat gij uit God niet zijt.

48 De Joden dan antwoordden en zeiden tot hem: Zeggen wij niet wèl, dat gij een Samaritaan zijt en den duivel hebt?

49 Jezus antwoordde: Ik heb den duivel niet, maar ik eer mijnen Vader, en gij onteert mij.

50 Doch ik zoek mijne eereniet: daar is een die ze zoekt en oordeelt.

51 Voorwaar, voorwaar zegge ik u, zoo iemand mijn woord zal bewaard hebben, die zal den dood niet zien in der eeuwigheid.

52 De Joden dan zeiden tot hem: Nu bekennen wij dat gij den duivel hebt. Abraham is gestorven, en dc Profeten, en zegt gij: Zoo iemand mijn woord bewaard zal hebben, die zal den dood niet smaken in der eeuwigheid?

53 Zijt gij meerder dan onze vader Abraham, welke gestorven is? En de Profeten zijn gestorven; wien maakt gij uzelven?

54 Jezus antwoordde: Indien ik mij zei ven eer, zoo is mijne eere niets: mijn Vader is het die mij eert, welken gij zegt dat uw God is,

55 en gij kent hem niet; maar ik kenne hem, en indien ik zeg dat ik hem niet ken, zoo zal ik ulie-den gelijk zijn, dat is een leugenaar; maar ik kenne hem en bewaar zijn woord.

56 Abraham uw vader heeft met verheuging verlangd, opdat hij mijnen dag zien zoude, en hij heeft hem gezien en is verblijd geweest.

57 De Joden dan zeiden tot hem: Gij hebt nog geen vijftig jaren, en hebt gij Abraham gezien?

58 Jezus zeide tot hen: Voorwaar , voorwaar zegge ik u, eer Abraham was ben ik.

59 Zij namen dan steenen op, dat zij ze op hem wierpen; maar Jezus verborg zich en ging uit den Tempel, gaande door het midden van hen, en ging alzóó voorbij.

HOOFDSTUK 9.

En voorbijgaande zag hij eenen mensch blind van de geboorte af.

2 En zijne discipelen vraagden hem, zeggende: Rabbi, wie heeft er gezondigd, deze of zijne ouders, dat hij blind zoude geboren worden?

3 Jezus antwoordde: Noch deze heeft gezondigd noch zijne ouders, maar dU is geschied opdat de werken Gods in hem zouden geopenbaard worden.

4 Ik moet werken de werken desgenen die mij gezonden heeft, zoo lang het dag is: de nacht komt, wanneer niemand werken kan.

5 Zoo lang ik in de wereld ben, ben ik het licht der wereld.

6 Dit gezegd hebbende spuwde hij op de aarde, en maakte slijk uit dat speeksel, en streek dat slijk op dc oogen des blinden,

7 en zeide tot hem: Ga henen, wasch u in het badwater Siloam (\'t welk overgezet wordt Uitgezonden.) Hij dan ging henen en wiesch zich, en kwam ziende.

8 De geburen dan, en die hem te voren gezien hadden dat hij blind was, zeiden: Is deze niet die zat en bedelde?

9 Anderen zeiden: Hij is het; en anderen: Hij is hem gelijk. Hij zeide: Ik ben het.

10 Zij dan zeiden tot hem: Hoe zijn u de oogen geopend?

11 Hij antwoordde en zeide: De mensch genaamd Jezus maakte slijk, en bestreek mijne oogen, en zeide tot mij: Ga henen naar het badwater Siloam en wasch u. En ik ging henen en wiesch mij, en ik werd ziende.

12 Zij dan zeiden tot hem: Waar is die? Hij zeide: Ik weet het niet.

13 Zij brachten hem tot de Fari-zeërs, hem namelijk die te voren blind geweest was.

14 En het was sabbat als Jezus het slijk maakte en zijne oogen opende.

15 De Farizeërs dan vraagden hem ook wederom, hoe hij ziende geworden was; en hij zeide tot hen: Hij leide slijk op mijne oogen, en ik wiesch mij, en ik zie.

16 Sommigen dan uit de Fari-zeërs zeiden: Deze mensch is van God niet, want hij houdt den sabbat niet. Anderen zeiden: Hoe kan een mensch die een


-ocr page 1181-

zondaar is zulke teeltenen doen? En daar was tweedracht onder hen.

17 Zij zeiden wederom tot den blinde: Gij, wat zegt gij van hem, dewijl hij uwe oogen geopend heeft? En hij zeide: Eij is een Profeet.

18 De Joden dan geloofden van hem niet dat hij blind geweest was en ziende was geworden, totdat zij geroepen hadden de ouders desgenen die ziende geworden was;

19 en zij vraagden hen, zeggende: Is deze uw zoon welken gij zegt dat blind geboren is? Hoe ziet hij dan nu?

20 Zijne ouders an tv/oordden hun en zeiden: Wij weten dat deze onze zoon is, en dat hij blind geboren is;

21 maar hoe hij nu ziet weten wij niet, of wie zijne oogen geopend heeft weten wij niet; hij heeft zijnen ouderdom, vraagt hem zeiven: hij zal van zichzelven spreken.

22 Dit zeiden zijne ouders omdat zij de Joden vreesden; want de Joden hadden aireede te zamen een besluit gemaakt, zoo iemand hem beleed Christus te zijn, dat die uit de Synagoge zoude geworpen worden;

23 daarom zeiden zijne ouders: Hij heeft zijnen ouderdom, vraagt hem zei ven.

24 Zij dan riepen voor de tweede maal den monsch die blind geweest was, en zeiden tot hem: Geef God de eere: wij weten dat deze mensch een zondaar is.

25 Hij dan antwoordde en zeide: Of hij een zondaar is weet ik niet; één ding weet ik, dat ik blind was, en nu zie.

26 En zij zeiden wederom tot hom: Wat heeft hij u gedaan? hoe heeft hij uwe oogen geopend?

27 flij antwoordde hun: Ik heb liet u aireede gezegd en gij hebt het niet gehoord; wat wilt gij het wederom hooren? Wilt gijlieden óók zijne discipelen worden?

28 Zij gaven hem dan scheldwoorden en zeiden: Gij zijt zijn discipel, maar wij zijn Mozes\' discipelen;

127

29 wij weten dat God tot Mozes gesproken heeft, maar van dezen weten wij niet van waar hij is.

30 De mensch antwoordde en zeide tot hen: Hierin is immers wat wonders, dat gij niet weet van waar hij is, en nofitans heeft hij mijne oogen geopend.

31 Én wij weten dat God de zondaars niet hoort; maar zoo iemand godvruchtig is en zijnen wil doet, dien hoort hij.

32 Van alle eeuwe is het niet gehoord, dat iemand eens blindgeborenen oogen geopend heeft.

33 Indien deze van God niet ware, hij zoude niets kunnen doen.

34 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Gij zijt geheel in zonden geboren, en leert gij ons? En zij wierpen hem uit.

35 Jezus hoorde dat zij hem uitgeworpen hadden, en hem vindende zeide hij tot hem: Gelooft g:j in den Zone Gods?

3ö Hij antwoordde en zeide: Wie is\' hij, Heere, opdat ik in hem mag gelooven?

37 En Jezus zeide tot hem: En gij hebt hem gezien, en die met u spreekt, dezelve is het.

38 En hij zeide: Ik geloof, Heere; en hij aanbad hem.

39 En Jezus zeide: Ik ben tot een oordeel in deze wereld gekomen, opdat degenen die niet zien, zien mogen, en die zien, blind worden.

/i0 En dit hoorden nrnifien uit de Farizeërs die bij hem, waren, en zeiden tot hem: Zijn wij dan óók blind?

41 Jezus zeide tot hen: Indien gij blind waart, zoo zoudt gij geen zonde hebben; maar nu zegt gij: Wij zien: zoo blijft dan uwe zonde.

HOOFDSTUK 10.

Voorwaar, voorwaar zegge ik uliedc-n, die niet ingaat door de deur in »den stal dor schapen , maar van elders inklimt, die is een dief en moordenaar;

2 maar die door de deur ingaat is oen herder der schapen.

3 Dezen doetdedeurwachteropen, en de schapen hooren zijne stom,

JOHANNES 10.


-ocr page 1182-

JOHAN

NES 10.

128

en hij roept zijne schapen bij name, en leidt ze uit.

4 En wanneer hij zijne schapen uitgedreven heeft, zoo gaat hij voor hen henen; en de schapen volgen hem, overmits zij zijne stem kennen;

5 maar eenen vreemde zullen zij geenszins volgen, maar zullen van hem vlieden, overmits zij de stem der vreemden niet kennen.

6 Deze gelijkenis zeide Jezus tot hen, maar zij verstonden niet wat het was dat hij tot hen sprak.

7 Jezus dan zeide wederom tot hen: Voorwaar, voorwaar zegge ik u, ik ben de deur der schapen.

8 Allen, zoovelen ais er vóór mij zijn gekomen, zijn dieven en moordenaars; maar de schapen hebben hen niet gehoord.

9 Ik ben de deur: indien iemand door mij ingaat, die zal behouden worden , en hij zal ingaan en uitgaan, on weide vindon.

10 De dief komt niet dan opdat hij stele en slachte en verderve: ik ben gekomen opdat zij het leven hebben en overvloed hebben.

11 Ik ben de goede Herder. De goede Herder stelt zijn leven voor de .schapen;

12 maar de huurling en die geen herder is, wien de schapen niet eigen zijn, ziot den wolf komen en verlaat de schapen, en vliedt, en de wolf grijpt ze en verstrooit de schapen;

13 en de huurling vliedt, overmits hij een huurling is, en heeft geone zorg voor de schapen.

14 Ik ben de goede Herder, en ik ken de mijnen en word van de mijnen gekend.

15 Gelijkerwijs de Vader mij kent, alzoo ken ik ook den Vader; en ik stel mijn leven voor de schapen.

16 lie heb nog andere schapen, die van dezen stal niet zijn; deze moet ik óók toebrengen; en zij zullen mijne stem hooren, en het zal worden ééne kudde en één herder.

17 Daarom heeft mij de Vader lief, overmits ik mijn leven af-legge, opdat ik hetzelve wederom neme.

18 Niemand neemt hetzelve van mij, maar ik leg het van mijzel-ve\'n af: ik heb macht hetzelve af te leggen en heb macht hetzelve wederom te nemen; dit gebod heb ik van mijnen Vader ontvangen.

19 Daar werd dan wederom tweedracht onder de Joden om dezer woorden wille;

20 en velen van hen zeiden : Hij heeft den duivel en is uitzinnig; wat hoort gij hem?

21 Anderen zeiden: Dit zijn geen woorden eens bezetenen; kan ook de duivel der blinden oogen openen?

22 En het was het feest der vernieuwing des Tempels te Jeruzalem , en het was winter ;

23 en Jezus wandelde in den Tempel, in het voorhof Salomo\'s.

24 Do Joden dan omringden hem, en zeiden tot hem: Hoe lang houdt gij onze ziele op? Indien gij de Christus zijt, zeg\' het ons vrij uit.

25 Jezus antwoordde hunquot;: Ik heb het u gezegd en gij gelooft het niet. De werken die ik doe in den naam mijns Vaders, die getuigen van mij ;

26 maar gijlieden gelooft niet, want gij zijt niet van mijne scha pen, gelijk ik ü gezegd heb.

27 Mijne schapen hooren mijne stem, en ik ken dezelve, en zij volgen mij,

28 en ik geef hun liet eeuwige leven, en zij zullen niet verloren gaan in der eeuwigheid, en niemand zal dezelven uit mijne hand rukken.

29 Mijn Vader, die zo mij gegeven heeft, :s meerder dan allen, en niemand kan ze rukken uit de hand mijns Vaders.

30 Ik en de Vajder zijn één.

31 De Joden dan namen wederom steenen op om hem te steenigen.

32 Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele treffelijke werken getoond van mijnen Vader: om welk werk van dié sieenigt gij mij?

33 De Joden antwoordden hem, zeggende: Wij steenigen u niet ^ over cenirf goed werk, maar over godslastering, en omdat gij een mensch zijnde uzelven God maakt.

34 Jezus antwoordde hun: Is er


-ocr page 1183-

.t O IIA N N E S li.

12!)

niet geschreven in uwe wet: Ik heb gezegd: Gij zijt goden?

35 Indien de wet die goden genaamd heeft tot welke het Woord Gods geschied is, en do Schrift niet kan gebroken worden,

36 zegt gijlieden tot mij, dien de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert God, omdat ik gezegd heb: Ik ben Gods Zoon?

37 Indien ik niet doe de werken mijns Vaders , zoo gelooft mij niet;

38 maar indien ik ze doe, en zoo gij mij niet gelooft, zoo gelooft de werken; opdat gij moogt bekennen en gclooven dat de Vader in mij is, en ik in hem.

39 Zij zochten dan wederom hem te grijpen, en hij ontging uit hunne hand.

40 En hij ging wederom over den Jordaan, tot de plaats waar Johannes eerst doopte, en hij bleef aldaar.

41 En velen kwamen tot hem en zeiden: Johannes deed wel geen teeken, maar alles wat Johannes van dezen zeide was waar.

42 En velen geloofden aldaar in hem.

HOOFDSTUK 11.

En daar was een zeker man krank, genaamd Lazarus, van Bethanie, uit het vlek van Maria en hare zuster Martha.

2 (Maria nu was degene die den Heere gezalfd heeft met zalve, en zijne voeten afgedroogd heeft met haar haren; welker broeder Lazarus krank was.)

3 Zijne zusters dan zonden tol. hem/zeggende: Heere, zie, dien gij liefhebt is krank.

4 En Jezus dat hoorende zeide: Deze krankheid is niet tot den dood, maar ter heerlijkheid Gods, opdat de Zoon Gods door dezelve verheerlijkt worde.

5 Jezus nu had Martha en hare zuster en Lazarus lief.

6 Als hij dan gehoord had dat hij krank was, toen bleef hij nog twee dagen in de plaats waar hij was.

7 Daarna zeide hij verder tol de discipelen: Laat ons wederom naar Judéa gaan.

8 De discipelen zeiden tot hem: Rabbi, de Joden hebben u nu onlangs gezocht te steenigen, en gaat gij wederom derwaarts?

9 Jezus antwoordde: Zijn er niet twaalf uren in den dag? Indien iemand in den dag wandelt, zoo stoot hij zich niet, overmits hij het licht dezer wereld ziet;

10 maar indien iemand in den nacht wandelt, zoo stoot hij zich, overmits het licht in hem niet is.

11 Dit sprak hij, en daarna zeide hij tot hen: Lazarus onze vriend slaapt, maar ik ga henen om hem uit den slaap op te wekken.

12 Zijne discipelen dan zeiden : Heere, indien hij slaapt zoo zal hij gezond worden.

13 Doch Jezus had gesproken van zijnen dood; maar zij meenden dat hij sprak van de ruste des slaaps.

14 Toen zeide dan Jezus tot hen vi\'ijuit: Lazarus is gestorven,

15 en ik ben blijde om uwentwille dat ik daar niet geweest ben, opdat gij gelooven moogt; doch laat ons tot hem gaan.

16 Thomas dan, genaamdDidy-mus, zeide tot zijne medediscipelen: Laat ons óók gaan, opdat wij met hem sterven.

17 Jezus dan gekomen zijnde vond dat hij nu vier dagen in het graf geweest was.

18 (Bethanië nu was nabij Jeruzalem, omtrent vijftien stadiën van daar.)

19 En velen uit de Joden waren gekomen tot Martha en Maria, opdat zij haar vertroosten zouden over haren broeder.

20 Martha dan, als zij hoorde dat Jezus kwam, ging hem tegemoet; doch Maria bleef in huis zitten.

21 Zoo zeide Martha dan tot Jezus: Heere, waart gij hier geweest, zoo ware mijn broeder niet gestorven;

22 maar ook nu weet ik, dat alles wat gij van God begeeren zult. God het u geven zal.

23 Jezus zeide tot haar: Uw broeder zal weder opstaan.


5

-ocr page 1184-

JOHAN

NES 11.

130

24 Martha zeide tot hem: Ik weet dat hij opstaan zal in de opstanding ten laatsten dage.

25 Jezus zeide tot haar: Ik ben de opstanding en liet leven: die in mij gelooft zal leven al ware hij ook gestorven;

quot;2G en een iegelijk die leeft, en in mij gelooft, zal niet sterven in der eeuwigheid: gelooft gij dat?

27 Zij zeide tot hem : Ja Heere, ik heb geloofd dat gij zijt de Christus, de Zoon Gods die inde wereld komen zoude.

28 En dit gezegd hebbende ging zij henen, en riep Maria hare zuster heimelijk, zeggende : De Meester is daar en hij roept u.

29 Deze als zij dat hoorde, stond haastelijk op en ging tot hem.

80 (Jezus nu was nog in het vlek niet gekomen, maar was in de plaats waar hem Martha tegemoet gekomen was.)

31 De Joden dan die met haar in het huis waren en haar vertroostten , ziende Maria dat zij haastelijk opstond en uitging, volgden haar, zeggende: Zij gaat naar het graf, opdat zij aldaar weene.

32 Maria dan als zij kwam daar Jezus was, en hem zag, viel aan zijne voeten, zeggende tot hem: Heere, indien gij hier geweest waart, zoo ware mijn broeder niet gestorven.

83 Jezus dan als hij haar zag weenen , en de Joden die met haar kwamen óók weenen, werd zeer bewogen in den geest en ontroerde zichzelven,

34 en zeide: Waar hebt gij hem gelegd ? Zij zeiden tot hem: Heere, kom en zie het.

35 Jezus weende.

36 De Joden dan zeiden: Zie , hoe lief hij hem had.

37 En sómmigen uit hen zeiden: Kon hij , die de oogen des blinden geopend heeft, niet maken dat ook deze niet gestorven ware?

38 Jezus dan wederom in zichzelven zeer bewogen zijnde, kwam tot het graf; en het was eene spelonk, en een steen was daarop gelegd.

39 Jezus zeide: Neemt den steen weg. Martha de zuster des gestorvenen zeide tot hem: Heere , hij riekt nu al, want hij heeft vier dagen aldaar fieleyen.

40 Jezus zeide tot haar: Heb ik u niet gezegd, dat zoo gij gelooft, gij de heerlijkheid Gods zien zult?

41 Zij namen dan den steen weg, waar de gestorvene lag; en Jezus hief de oogen opwaarts en zeide: Vader, ik dank u dat gij mij gehoord hebt.

42 Doch ik wist dat gij mij altijd hoort; maar om der schare wille die rondom staat heb ik dit gezegd, opdat zij zoudengelooven dat gij mij gezonden hebt.

43 Én als hij dit gezegd had, riep hij met groote stem : Lazarus kom uit.

44 En de gestorvene kwam uit, gebonden aan handen en voeten met grafdoeken, en zijn aangezicht was omwonden met eenen zweetdoek. Jezus zeide tot hen: Ontbindt hem en laat hem henengaan.

45 Velen dan uit de Joden die tot Maria gekomen waren, en aanschouwd hadden hetgeen Jezus gedaan had, geloofden in hem;

46 maar sommigen van hen gingen tot deFanzeërs, en zeiden tot hen \'tgeen Jezus gedaan had.

47 Do O verpriesters dan en de Farizeërs vergaderden den Raad, en zeiden : Wat zullen wij doen? Want deze mensch doet vele teekenen.

48 Indien wij hem alzóó laten geworden, zij zullen allen in hem gelooven, en de Romeinen zullen komen en wegnemen beide onze plaats en volk.

49 En een uit hen, namelijk. Kajafas , die deszelven jaars Hooge-priester was, zeide tot hen: Gij verstaat niets.

50 en gij bedenkt niet dat het ons nut is, dat één mensch sterve voor het volk, en het geheele volk niet verloren ga.

51 En dit zeide hij niet uit zichzelven, maar zijnde de Hooge-priester van dat jaar profeteerde hij dat Jezus sterven zoude voor het volk;

52 en niet alleen voor dat volk,


-ocr page 1185-

JOHANNES 12.

431

maar opdat hij ook de kinderen Gods, die verstrooid waren, tot één zoude vergaderen.

53 Van dien dag dan af beraadslaagden zij te zamen, dat zij hem dooden zouden.

54 Jezus dan wandelde niet meer vrijelijk onder de Joden, maar ging van daar naar het land bij de woestijn, naar de stad genaamd Efraïm, en verkeerde aldaar met zijne discipelen.

55 En het Pascha der Joden was nabij, en velen uit dat land gingen op naar Jeruzalem vóór bet Pascha, opdat zij zichzelven reinigden.

56 Zij zochten dan Jezus, en zeiden onder elkander, staande in den Tempel: Wat dunkt u? Dunkt u dat hij niet komen zal tot het feest?

57 De Overpriesters nu en de Farizecrs hadden een gebod gegeven, dat zoo iemand wist waar hij was, hij het zoude te kennen geven, opdat zij hem mochten vangen.

HOOFDSTUK 12.

Jezus dan kwam zes dagen vóór het Pascha te Bethaniö, waar Lazarus was, die gestorven was geweest, welken hij opgewekt had uit de dooden.

2 Zij bereidden hem dan aldaar een avondmaal, en Martha diende; en Lazarus was een van degenen die met hem aanzaten.

3 Maria dan genomen hebbende een pond zalve van onvervalschten zeer kostelijken nardus, heeft de voeten van Jezus gezalfd, en met haar haren zijne voeten afgedroogd; en het huis werd vervuld van den reuk der zalve.

4 Zoo zeide dan een van zijne discipelen, namelijk Judas Simons zoon Iskariot, die hem verraden zoude:

5 Waarom is deze zalve niet verkocht voor driehonderd penningen, en den armen gegeven?

0 En dit zeide hij niet omdat hij bezorgd was voor de armen, maar omdat hij een dief was, en de beurs had, en droeg hetgeen gegeven werd.

7 Jezus dan zeide: Laat af van baar: zij heeft dit bewaard tegen den dag mijner begrafenis.

8 Want de armen hebt gijlieden altijd met u, maar mij hebt gij niet altijd.

9 Eene groote schare dan der Joden verstond dat hij aldaar was; en zij kwamen niet alleen om Jezus wille, maar opdat zij ook Lazarus zouden zien, dien hij uit de dooden opgewekt had.

10 En de Overpriesters beraadslaagden dat zij ook Lazarus dooden zouden;

11 want velen van de Joden gingen henen om zijnentwille en geloofden in Jezus.

12 Des anderen daags eene groote schare die tot het feest gekomen was, hoorende dat Jezus naar Jeruzalem kwam,

13 namen de takken van palm-boomen, en gingen uit hem tegemoet, en riepen: Hosanna, gezegend is hij die komt in den name des Heeren, hij die is de Koning Israëls!

14 En Jezus vond eenen jongen ezel en zat daarop, gelijk geschreven is:

15 Vrees niet gij dochter Sions: zie, uw Koning komt, zittende op het veulen eener ezelin.

1G Doch dit verstonden zijne discipelen in \'teerst niet; maar als Jezus verheerlijkt was, toen werden zij indachtig dat dit van hem geschreven was, en dat zij hem dit gedaan hadden.

17 De schare dan die met hem was, getuigde dat hij Lazarus uit het graf geroepen, en hem uit de dooden opgewekt had. \'

18 Daarom ging ook de schare hem tegemoet, overmits zij gehoord had dat hij dat teeken gedaan had.

19 De Farizeërs dan zeiden onder elkander: Ziet gij wel dat gij gansch niet vordert? Zie, de yeheele wereld gaat hem na.

20 En daar waren sommige Grieken, uit degenen die opgekomen waren opdat zij op het feest zouden aanbidden:

21 dezen dan gingen tot Filippus die van Bethsaïda in Galiléa was,


-ocr page 1186-

132 J OH AN

en baden hem , zeggende: Heer, wij wilden Jezus luel zien.

22 Filippus kwam en zeide het Andréas, en Andréas en Filippus wederom zeiden het Jezus.

23 Maar Jezus antwoordde hun, zeggende: De ure is gekomen, dat de Zoon des menschen zal verheerlijkt worden.

24 Voorwaar, voorwaar zegge ik u, indien het tarwegraan in de aarde niet valt en sterft, zoo blijft hetzelve alléén; maar indien het sterft, zoo brengt het veel vrucht voort.

25 Die zijn leven liefheeft, zal hetzelve verliezen ; en die zijn leven haat in deze wereld, zal hetzelve bewaren tot het eeuwige leven.

26 Zoo iemand mij dient, die volge mij, en waar ik ben , aldaar zal ook mijn dienaar zijn. En zoo iemand mij dient, de Vader zal hem eeren.

27 Nu is mijne ziele ontroerd , en wat zal ik zeggen? Vader, verlos mij uit deze ure? Maar hierom ben ik in deze ure gekomen.

28 Vader, verheerlijk uwen naam. Er kwam dan eene stem uit den hemel, zeggende: En ik heb hem verheerlijkt, en ik zal/iemwederom verheerlijken.

29 De schare dan die daar stond en dit hoorde, zeide dat er een donderslag geschied was; anderen zeiden: Een Engel heeft tot hem gesproken.

30 Jezus antwoordde en zeide: Niet om mijnentwille is deze stemme geschied, maar om uwentwille.

31 Nu is het oordeel dezer wereld: nu zal de overste dezer wereld buitengeworpen worden;

32 en ik, zoo wanneer ik van de aarde zal verhoogd zijn, zal ze allen tot mij trekken.

33 (En ditzeidj hij beteekenende hoedanigen dood hij sterven zoude.)

34 De schare antwoordde hem : Wij hebben uit de wet gehoord dat de Christus blij ft in der eeuwigheid; en hoe zegt gij dat de Zoon des menschen moet verhoogd worden? Wie is deze Zoon des\'ménschen?

35 Jezus dan zeide tot hen : Nog eenen kleinen tijd is het licht bij ulieden: wandelt terwijl gij het

N E S 12.

licht hebt, opdat de duisternis u niet bevange; en die in de duisternis wandelt, weet niet waar hij henengaat.

30 Terwijl gij het licht hebt, gelooft in liet licht, opdat gij kinderen des lichts moogt zijn. Deze dingen sprak Jezus, en weggaande verborg hij zich van hen.

37 En hoewel hij zoovele teekehen voor hen gedaan had, nog-tans geloofden zij in hem niet,

38 opdat het woord van Jesaja den Profeet vervuld wierd, dat hij gesproken heeft: Heere, wie heeft onze prediking geloofd, en wien is de arm des Heeren geopenbaard?

39 Daarom konden zij niet ge-looven, dewijl Jesaja wederom gezegd heeft:

40 Hij heeft hunne oogen verblind en hun harte verhard, opdat zij met de oogen niet zien, en met het harte niet verstaan, en zij bekeerd worden, enikhengeneze.

41 Dit zeide Jesaja, toen hij zijne heerlijkheid zag en van hem sprak.

42 Nogtans geloofden ook zelfs velen uit de oversten in hem; maar om der Farizeërs wille beleden zij het niet, opdat zij uit de Synagoge n.et zouden geworpen worden;

43 want zij hadden de eere der menschen lief, meer dan de eere Gods.

44 En Jezus riep en zeide: Die in mij gelooft, gelooft in mij niet, maar in dengenen die mij gezonden heeft;

45 en die mij ziet, die ziet dengenen die mij gezonden heeft.

4G Ik ben een licht in de wereld gekomen, opdat een iegelijk die in mij gelooft in de duisternis niet blijve.

47 En indien iemand mijne woorden gehoord en niet geloofd zal hebben, ik oordeel hem niet; want ik ben niet gekomen opdat ik de wereld oordeele, maar opdat ik de wereld zr.lig make.

48 Wie mij verwerpt en mijne woorden niet ontvangt, heeft die hem oordeelt: het woord dat ik gesproken heb, dat zal hem oor-deelen ten laatsten dage.


-ocr page 1187-

•JOHANNES 43.

133

. 49 Want ik heb uit mijzelven • niet gesproken; maar de Vader die mij gezonden heeft, die heeft mij een gebod gegeven, wat ik zeggen zal en wat ik spreken zal.

50 En ik weet dat zijn gebod het eeuwige leven is. Hetgeen ik dan spreek, dat spreek ik alzóó gelijk mij de Vader gezegd heeft.

HOOFDSTUK 13.

En vóór het feest van het Pascha, Jezus wetende dat zijne ure gekomen was, dat hij uit deze wereld zoude overgaan tot den Vader, alzoo hij de zijnen die in de wereld waren quot;liefgehad had, zoo heeft hij ze liefgehad tot den einde.

2 En als het avondmaal gedaan was, (toen nu de duivel in het hart van Judas Simons zoon Iska-riot gegeven had dat hij hem verraden zoude),

3 Jezus wetende dat de Vader hem alle dingen in de handen gegeven had, en dat hij van God uitgegaan was en tot God henen-

ging,

4 stond op van het avondmaal, en leide zijne kleederen af, en nemende eenen linnen doek, omgordde zichzelven;

5 daarna goot hij water in het bekken , en begon de voeten der discipelen te wasschen, en af te drogen met den linnen doek waarmede hij omgord was.

6 Hij dan kwam tot Simon Petrus, en die zeide tot hem: Heere, zult gij mij de voeten wasschen?

7 Jezus antwoordde en zeide tot hem: Wat ik doe weet gij nu niet, maar gij zult het na dezen verstaan.

8 Petrus ze;de tot hem: Gij zult mijne voeten niet wasschen ih dei-eeuwigheid. Jezus antwoordde hem: Indien ik u niet wasch, gij hebt geen deel met mij.

9 Simon Petrus zeide tot hem: Heere , niet alleen mijne voeten , maar ook de handen en het hoofd.

10 Jezus zeide tot hem: Die gewasschen is heeft niet van noode dan de voeten te wasschen, maar is geheel rein; en gijlieden zijt rein, doch niet allen.

11 Want hij wist wie hem verraden zoude; daarom zeide hij : Gij zijt niet allen rein.

12 Als hij dan hunne voeten gewasschen en zijne kleederen genomen had, zat hij wederom aan, en zeide tot hen : quot;Verstaat gij wat ik ulieden gedaan heb?

13 Gij heet mij Meester en Heere, en gij zegt wel, want ik ben het.

14 Indien dan ik , de Heere en de Meester, uwe voeten gewasschen heb , zoo zijt gij ook schuldig elkanders voeten te wasschen;.

15 want ik heb u een exempel gegeven, opdat gelijkerwijs ik u gedaan heb, gijlieden óók doet.

16 Voorwaar, voorwaar zegge ik u, een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder dan die hem gezonden heeft.

17 Indien gij deze dingen weet, zalig zijt gij zoo gij dezelve doet.

18 Ik zegge niet van u allen: ik weet welke ik uitverkoren heb; maar dit geschiedt opdat de Schrift vervuld worde: Die met mij het brood eet, heeft tegen mij z-ijn verzenen opgeheven.

19 Van nu zegge ik het ulieden eer het geschied is, opdat wanneer het geschied zal zijn, gij gelooven moogt dat Ik het ben.

20 Voorwaar, voorwaar zegge ik u, zoo ik iemand zend, wie dien ontvangt, die ontvangt mij; en wie mij ontvangt, die ontvangt hem die mij gezonden heeft.

21 Jezus deze dingen gezegd hebbende, werd ontroerd in den geest, en betuigde en zeide: Voorwaar, voorwaar ik zegge u, dat een van ulieden mij zal verraden.

22 De discipelen dan zagen op elkander, twijfelende van wien hij dat zeide.

23 En een van zijne discipelen was aanzittende in den schoot van Jezus, welken Jezus liefhad:

24 Simon Petrus dan wenkte dezen dat hij vragen zoude, wie hij toch ware van welken hij dit zeide.

25 En deze vallende op de borst van Jezus, zeide tot hem: Heere, wie is hetquot;?

26 Jezus antwoordde: Deze is het, wien ik de bete, als ik ze


-ocr page 1188-

JOHANNES 14.

134

ingedoopt heb, geven zal. En als hij de bete ingedoopt had , gaf hij ze Judas Simons zoon Iskariot.

27 En na de bete, toen voer de satan in hem. Jezus dan zeide tot hem: Dat gij doet, doe hethaastelijk.

28 En dit verstond niemand dergenen die aanzaten, waartoe hij hem dat zeide;

29 want sommigen meenden, dewijl Judas de beurs had, dat hem Jezus zeide: Koop hetgeen wij van noode hebben tot het

\' feest; of dat hij den armen wat geven zoude.

30 Hij dan de bete genomen hebbende, ging terstond uit; en het was. nacht.

31 Als hij dan uitgegaan was zeide Jezus: Nu is de zoon des menschen verheerlijkt, en God is in hem verheerlijkt.

32 Indien God in hem verheerlijkt is, zoo zal ook God hem verheerlijken in zichzelven, en hij zal hem terstond verheerlijken.

33 Kinderkens, nog eenen kleinen tijd ben ik bij u. Gij zult mij zoeken, en gelijk ik den Joden gezegd heb: Waar ik henenga kunt gij niet komen; alzoo zegge ik ulieden nu ook.

34 Een nieuw gebod geef ik u, dat gij elkander lief hebt; gelijk ik u liefgehad heb, dat ook gij elkander lief hebt.

35 Hieraan zullen zij allen bekennen dat gij mijne discipelen zijt, zoo gij liefde hebt onder elkander.

36 Simon Petrus zeide tot hem: Heere, waar gaat gij henen? Jezus antwoordde hem : Waar ik henenga kunt gij mij nu niet volgen , maar gij zult mij namaals volgen.

37 Petrus zeide tot hem: Heere, waarom kan ik u niet volgen? Ik zal mijn leven voor u zeiten.

38 Jezus antwoordde hem: Zult gij uw leven voor mij zetten? Voorwaar, voorwaar zegge ik u, de haan zal niet kraaien totdat gij mij driemaal verloochend zult hebben.

HOOFDSTUK 14.

Uw harte worde niet ontroerd;

gijlieden gelooft in God, gelooft ook in mij.

2 In het huis mijns Vaders zijn vele woningen: anderszins zoo zoude ik het u gezegd hebben; ik ga henen om u plaatse te bereiden.

3 En zoo wanneer ik henen zal gegaan zijn en u plaatse zal bereid hebben, zoo kom ik weder en zal u tot mij nemen, opdat gij óók zijn moogt daar ik ben.

4 En waar ik henenga weet gij, en den weg weet gij.

5 Thomas zeide tot hem: Heere, wij weten niet waar gij henen gaat, en hoe kunnen wij den weg weten?

6 Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg, en de waarheid, en het leven: niemand komt tot den Vader dan door mij.

7 Indien gijlieden mij gekend hadt, zoo zoudt gij ook mijnen Vader gekend hebben; en van nu aan kent gij hem en hebt hem gezien.

8 Filippus zeioe tot hem: Heere, toon ons den Vader, en het is ons genoeg.

9 Jezus zeide tot hem: Ben ik zoo langen tijd met ulieden, en hebt gij mij niet gekend, Filippus? Wie mij gezien heeft, die heeft den Vader gezien: en hoe zegt gij : Toon ons den Vader?

10 Gelooft gij niet dat ik in den Vader hen, en de Vader in mij is? De woorden die ik tot ulieden spreek, spreek ik van mij zeiven niet. maar de Vader die in mij blijft, die doet de werken.

11 Gelooft mij dat ik in den Vader ben, en do Vader in mij is; en indien niet, zoo gelooft mij om de werken zeiven.

12 Voorwaar, voorwaar zegge ik ulieden, die in mij gelooft, de werken die ik doe zal hij óók doen, en zal meerder doen dan deze; want ik ga henen tot mijnen Vader,

13 en zoo wat gij begeeren zult in mijnen naam, dat zal ik doen, opdat de Vader in den Zoon verheerlijkt worde.

14 Zoo gij iets begeeren zult in mijnen naam , ik zal het doen.


-ocr page 1189-

JOHANNES 15.

135

15 Indien gij mij liefhebt, zoo bewaart mijne geboden:

16 en ik zal den Vader bidden, en hij zal u eenen anderen Trooster geven, opdat hij bij ublijvein der eeuwigheid,

17 namelijk den Geest der waarheid, welken de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet hem niet en kent hem niet; maar gij kent hem; want hij blijft bij ulieden en zal in u zijn.

18 Ik zal u geen weezen laten, ik kom weder tot u.

19 Nog eenen kleinen tijd en de wereld zal mij niet meer zien; maar gij zult mij zien, want ik leef en gij zult leven.

20 In dien dag zult gij bekennen dat ik in mijnen Vader ben, en gij in mij, en ik in u.

quot;21 Die mijne geboden heeft en dezelve bewaart, die is het die mij liefheeft; en die mij liefheeft zal van mijnen Vaderquot; geliefd worden; en ik zal hem liefhebben, en ik zal mij zeiven aan hem openbaren.

22 Judas, niet de Iskariot, zeide tot hem: Heere, wat is het, dat gij uzelven aan ons zult openbaren en niet aan de wereld?

23 Jezus antwoordde en zeide tot, hem: Zoo iemand mij liefheeft, die zal mijn woord bewaren; en mijn Vader zal hem liefhebben, en wij zullen tot hem komen en zullen woning bij hem maken.

24 Die mij niet liefheeft, die bewaart mijne woorden niet; en het woord dat gijlieden hoort is hot mijne niet, maar des Vaders die mij gezonden heeft.

25 Deze dingen heb ik tot u gesproken, bij u blijvende;

26 maar de Trooster, de Heilige Geest, welken de Vader zenden zal in mijnen naam, die zal u alles leeren, en zal u indachtig maken alles wat ik u gezegd heb.

27 Vrede laat ik u, mijnen vrede geef ik u: niet gelijkerwijs de wereld hem geeft, geef ik hem u. Uw harte worde niet ontroerd en zij niet versaagd.

28 Gij hebt gehoord dat ik tot u gezegd heb: Ik ga henen en kom weder tot u. Indien gij mij lief hadt, zoo zoudt gij u verblijden omdat ik gezegd heb : Ik ga henen tot den Vader; want mijn Vader is meerder dan ik.

29 En nu heb ik het u gezegd eer het geschied is, opdat wanneer het geschied zal zijn, gij gelooven moogt.

30 Ik zal niet veel meer met u spreken; want de overste dezer wereld komt, en heeft aan mij niets;

31 maar opdat de wereld wete dat ik den Vader liefheb, en alzóó doe gelijkerwijs mij de Vader geboden heeft: staat op, laat ons van hier gaan.

HOOFDSTUK 15.

Ik ben de ware wijnstok, en mijn Vader is de landman.

2 Alle rank die in mij geen vrucht draagt, die neemt hij weg, en alle die vrucht draagt, die reinigt hij opdat zij meer vrucht drage.

3 Gijlieden zijt nu rein om liRt woord dat ik tot u gesproken heb:

4 blijft in mij , en ik in u. Gelijkerwijs de rank geen vrucht kan dragen van zichzelve, zoo zij niet in den wijnstok blijft, alzóó ook gij niet, zoo gij in mij niet blijft.

5 Ik ben de wijnstok en gij de ranken: die in mij blijft, en ik ia hem , die draagt veel vrucht; want zonder mij kunt gij niets doen.

0 Zoo iemand in mij niet blijft, die is buitengeworpen gelijkerwijs de rank, en is verdord; en mén vergadert dezelve, en men werpt ze in \'t vuur, en zij worden verbrand.

7 Indien gij in mij blijft en mijne woorden in u blijven , zoo wat gij wilt zult gij begeeren, en het zal u geschieden.

8 Hierin is mijn Vader verheerlijkt, dat gij veel vrucht draagt ; en gij zult mijne discipelen zijn.

9 Gelijkerwijs de Vader mij liefgehad heeft, heb ik ook u liefgehad : blijft in deze mijne liefde.

10 Indien gij mijne geboden bewaart, zoo zult gij in mijne liefde blijven, gelijkerwijs ik de geboden


-ocr page 1190-

JOHANNES 16.

136

mijns Vaders bewaard heb en blijf in zijne liefde.

11 Deze dingen het) ik tot u gesproken, opdat mijne blijdschap in u blijve, en uwe blijdschap vervuld worde.

12 Dit is mijn gebod, dat gij elkander liefhebt, gelijkerwijs ik u liefgehad heb.

13 Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven zette voor zijne vrienden.

14 Gij zijt mijne vrienden , zoo gij doet wat ik u gebied.

15 Ik heet u niet meer dienstknechten ; want de dienstknecht weet niet wat zijn heer doet; maar ik heb u vrienden genoemd; want al wat ik van mijnen Vader gehoord heb, dat heb ik u bekend gemaakt.

1G Gij hebt mij niet uitverkoren, maar ik heb u uitverkoren, en ik heb u gesteld dat gij zoudt henen-gaan en vrucht dragen, en dat uwe vrucht blijve; opdat zoo wat gij van den Vader begeeren zult in mijnen naam, hij u dat geve.

17 Dit gebied ik u, opdat gij elkander liefhebt.

18 Indien u de wereld haat, zoo weet dat zij mij eer dan u gehaat heeft.

19 Indien gij van de wereld waart, zoo zoude de wereld het hare liefhebben; doch omdat gij van de wereld niet zijt, maar ik u uit de wereld heb uitverkoren, daarom haat u de wereld.

20 Gedenkt het woord dat ik u gezegd heb: Een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer. Indien zij mij vervolgd hebben, zij zullen ook u vervolgen; indien zij mijn woord bewaard hebben, zij zullen ook het uwe bewaren.

21 Maar alle deze dingen zullen zij u doen om mijns naams wille, omdat zij hem niet kennen die mij gezonden heeft.

22 Indien ik niet gekomen ware en tot hen gesproken hadde, zij hadden geen zonde; maar nu hebben zij geen voorwendsel voor hunne zonde.

23 Die mij haat, die haat ook mijnen Vader.

24 Indien ik de werken onder

hen niet hadde gedaan, die niemand anders gedaan heeft, zij c hadden geen zonde; maar nu hebben zij ze gezien, en beide mij i f en mijnen Vader gehaat.

25 Maar dit geschiedt opdat het ] woord vervuld worde dat in hunne ï , wet geschreven is: Zij hebben 1 ] mij zonder oorzaak gehaat. | .

26 Maar wanneer de Trooster] \' zal gekomen zijn, dien ik u zenden zal van den Vader, namelijk\'\' de Geest der waarheid die van den Vader uitgaat, die zal van mij getuigen;

27 en gij zult óók getuigen, want. gij zijt van den beginne met mij geweest.

HOOFDSTUK 16.

Deze dingen heb ik tot u gesproken, opdat gij niet geërgerd wordt.

2 Zij zullen u uit de Synagogen werpen; ja, da ure komt, dat een iegelijk die u zal dooden, zal mee- . nen Gode eenen dienst te doen.

3 En deze dingen zullen zij u ■ doen, omdat zij den Vader niet! gekend hebben noch mij.

4 Maar deze dingen heb ik tot u gesproken, opdat wanneer de ; ure zal gekomen zijn, gij aan dezelve moogt gedenken dat ik ze u ; gezegd heb. Doch deze dingen : heb ik u van het begin niet ge- t zegd, omdat ik bij ulieden was; |

5 en nu ga ik henen tot den- | genen die mij gezonden heeft, en j niemand van u vraagt mij: Waar gaat gij henen?

6 Maar omdat ik deze dingen t tot u gesproken heb, zoo heeft dc | droefheid uw harte vervuld.

7 Doch ik zegge u de waarheid, ^ het is u nut dat ik wegga; want \' indien ik niet weg^a, zoo zal de 1 Trooster tot u niet komen; maar indien ik henenga, zoo zal ik hem tot u zendei?.

8 En die gekomen zijnde zal de wereld overtuigen van zonde, en van gerechtigheid, en van oordeel:

9 van zonde, omdat zij in mij niet gelooven;

10 en van gerechtigheid, omdat ik tot mijnen Vader henenga, en gij zult mij niet meer zien;


-ocr page 1191-

JOHANNES 17.

137

11 en van oordeel, omdat de overste dezer wereld geoordeeld is.

12 Nog vele dingen heb ik u te zeggen , doch gij kunt die nu nietdragen;

13 maar wanneer die zal gekomen zijn, namelijk de Geest der waarheid, hij zal quot;u in al do waarheid leiden; want hij zal van zich-zelven niet spreken, maar zoo wat hij zal gehoord hebben zal hij spreken en de toekomende dingen zal hij u verkondigen.

14 Die zal mij verheerlijken; want hij zal het. uit het quot;mijne nemen, en zal het u verkondigen.

15 Al wat do Vader heeft is mijne: daarom heb ik gezegd dat hij het uit het mijne zal nemen en u verkondigen.

16 Eenen kleinen tijd en gij zult mij niet zien, en wederom eenen kleinen tijd en gij zult mij zien; want ik ga henen tot den Vader.

17 Sommiyen dan uit zijne discipelen zeiden tot elkander: Wat is dit dat hij tot ons zegt: Eenen kleinen tijd en gij zult mij niet zien, en wederom eenen kleinen tijd en gij zult mij zien; en: Want ik ga henen tot den Vader?

18 Zij zeiden dan: Wat is dit dat hij zegt: Eenen kleinen tijd? Wij weten niet wat hij zegt.

19 Jezus dan bekende dat zij hem wilden vragen, en zeide tot hen: Vraagt gij daarvan onder elkander, dat ik gezegd heb: Eenen kleinen tijd en gij zult mij niet zien, en wederom eenen-kleinen tijd en gij zult mij zien?

20 Voorwaar, voorwaar ik zegge u, dat gij zult schreien en klagelijk weenen, maar de wereld zal zich verblijden; en gij zult bedroefd zijn, maar uwe droefheid zal tot blijdschap worden.

21 Eene vrouw wanneer zij baart, heeft droefheid, dewijl hare ure gekomen is; maar wanneer zij het kindeken gebaard heeft, zoo gedenkt zij de benauwdheid niet meer, om de blijdschap dat een mensch ter wereld geboren is.

22 En gij dan hebt nu wel droefheid, maar ik zal u wederzien, en uw harte zal zich verblijden , en niemand zal uwe blijdschap van u wegnemen;

23 en in dien dag zult gij mij niets vragen. Voorwaar, voorwaar ik zegge u, al wat gij den Vader zult bidden in mijnen naam, dat zal hij u geven.

24 Tot nog toe hebt gij niets gebeden in mijnen naam: bidt en gij zult ontvangen, opdat uwe blijdschap vervuld zij.

. 25 Deze dingen hel3 ik door gelijkenissen tot u gesproken; maar de ure komt dat ik niet meer door gelijkenissen tot u spreken zal, maar u vrijuit van den Vader zal verkondigen.

26 In dien dag zult gij in mijnen naam bidden; en ik zegge unietdat ik den Vader voor u bidden zal;

27 want de\'Vader zelf heeft u lief, dewijl sÜ my liefgehad hebt, en hebt geloofd dat ik van God ben uitgegaan.

28 Ik ben van den Vader uitgegaan en bon in de wereld gekomen, wederom verlaat ik de wereld en ga henen tot den Vader.

29 Zijne discipelen zeiden \'ot hem: Zie, nu spreekt gij vrijuit en zegt geene gelijkenis;

30 nu weten wij dat gij alle dingen weet, en gij hebt niet van noode dat u iemand vrage: hierom gelooven wij dat gij van God uitgegaan zijt.

31 Jezus antwoordde hun: Gelooft gij nu?

32 Zie, de ure komt en is nu gekomen, dat gij zult verstrooid worden een iegelijk naar het zijne, en gij mij alleen zult laten. En nogtans ben ik niet alleen; want de Vader is met mij.

33 Deze dingen heb ik tot u gesproken, opdat gij in mij vrede hebt. In de wereld zult gij verdrukking hebben; maar hebt goeden moed, ik heb de wereld overwonnen.

HOOFDSTUK 17.

Dit heeft Jezus gesproken, en hij hief zijne oogen op naar den hemel, en zeide: Vader, de ure is gekomen, verheerlijk uwen Zoon, opdat ook uw Zoon u verheerlijke,

2 gelijkerwijs gij hem macht gegeven hebt over alle vleesch, opdat al wat gij hem gegeven hebt,


-ocr page 1192-

J 0 H A N N E S 18.

138

hij hun het eeuwige leven geve.

3 En dit is het eeuwige leven, dat zij u kennen den eenigen waar-achtigen God, en Jezus Christus dien gij gezonden hebt.

4 Ik heb u verheerlijkt op de aarde, ik heb voleindigd het werk, dat gij mij gegeven hebt om te doen:

5 en nu verheerlijk mij, gij Vader, bij uzelven, met de heerlijkheid, die ik bij u had eer de wereld was.

G Ik hob uwen naam geopenbaard den menschen die gij mij uit de wereld gegeven hebt. Zij waren uwe, en gij hebt mij dezelve gegeven, en zij hebben uw woord bewaard.

7 Nu hebben zij bekend dat alles wat gij mij gegeven hebt van u is;

8 want do woorden die gij mij gegeven hebt, heb ik hun gegeven, en zij hebben ze ontvangen, en zij hebben waarlijk bekend dat ik van u uitgegaan ben, en hebben geloofd dat gij mij gezonden hebt.

9 Ik bid voor hen; ik bid niet voor de wereld, maar voor degenen die gij mij gegeven hebt, want zij zijn uwe;

10 en al het mijne is uwe, en het uwe is mijne; en ik ben in hen verheerlijkt.

11 En ik ben niet meer in de wereld, maar dezen zijn in de wereld, en ik kom tot u. Heilige Vader, bewaar ze in uwen naam, die gij mij gegeven hebt, opdat zij één zijn gelijk als wij.

12 Toen ik met hen in de wereld was, bewaarde ik ze in uwen naam: die gij mij gegeven hebt heb ik bewaard, en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon der verderfenis, opdat de Schrift vervuld worde.

13 Maar nu kom ik tot u, en spreek dit in de wereld, opdat zij mijne blijdschap vervuld mogen hebben in zichzelven.

14 Ik heb hun uw woord gegeven; en de wereld heeft ze gehaat, omdat zij van de wereld niet zijn, gelijk als ik van de wereld niet ben.

15 Ik bid niet dat gij hen uit de wereld wegneemt, maar dat gij hen bewaart van den booze.

16 Zij zijn niet van de wereld, d gelijker wijs ik van de wereld niet d ben. I

17 Heilig ze in uwe waarheid: t uw woord is de waarheid.

18 Gelijker wijs gij mij gezonden o hebt in de wereld, alzoo heb ik e hen ook in de wereld gezonden;

19 en ik heilig mijzelven voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid. « I

20 Eq ik bid niet alleen voor \\ deze, maar ook voor degenen die ] door hun woord in mij gelooven | zullen:

21 opdat zij allen één zijn, ge- \\ lijkerwijs gij Vader in mij, en ik \' in u, dat ook zij in ons één zijn, ; opdat de wereld geloove dat gij ^ mij gezonden hebt.

22 En ik heb hun de heerlijkheid gegeven , die gij mij gegeven hebt, opdat zr één zijn gelijk als : wij één zijn:

23 ik iri hen, en gij in mij; i opdat zij volmaakt zijn quot;in één, en ; opdat de wereld bekenne dat gij mij gezonden hebt, en hen liefgehad hebt gelijk gij mij liefgehad hebt.

24 Vader, ik wil dat waar ik ben, ook die tij mij zijn die gij mij gegeven hebt, opdat zij mijne ® heerlijkheid mogen aanschouwen, die gij mij gegeven hebt; want gij hebt mij liefgehad vóór de grondlegging der wereld.

25 Rechtvaardige Vader, de wereld heeft u niet gekend: maar ik heb u gekend, en deze hebben bekend dat gij mij gezonden hebt;

26 en ik heb hun uwen naam bekend gemaakt en zal hem bekend maken, opdat de liefde waarmede gij mij liefgehad hebt in hen zij, en ik in hen.

HOOFDSTUK 18.

Jezus dit gezegd hebbende, ging uit met zijne discipelen over de beek Kedron, waar een hof was, in welken hi; ging en zijne discipelen.

2 En Judas die hem verried wist óók die plaats, dewijl Jezus aldaar dikwijls vergaderd was geweest met zijne discipelen:

3 Judas dan genom\'en hebbende


-ocr page 1193-

J O H A N N E S 18.

139

de bende krijgsknechten en ceniye dienaars van de O verpriesters en Farizeërs, kwam aldaar met lan-taarnen en fakkelen en wapenen.

4 Jezus dan wetende alles wat over hem komen zoude, ging uit en zeide tot hen: Wien zoekt gij ?

5 Zij antwoordden hem: Jezus den Nazarener. Jezus zeide tot hen: Ik ben het. En Judas die hem verried stond óók bij hen.

6 Als hij dan tot hen, zeide: Ik ben het, gingen zij achterwaarts en vielen ter aarde.

7 Hij vraagde hun dan wederom : Wien zoekt gij? En zij zeiden: Jezus den Nazarener.

8 Jezus antwoordde: Ik heb u gezegd dat ik het ben: indien gij dan mij zoekt, zoo laat dezen henengaan.

9 Opdat het woord vervuld zoude worden dat hij gezegd had: Uit degenen die gij mij gegeven hebt heb ik niemand verloren.

10 Simon Petrus dan hebbende een zwaard, trok hetzelve uit, en sloeg des Hoogepriesters dienstknecht en hieuw zijn rechteroor af; en de naam van den dienstknecht was Malchus.

11 Jezus dan zeide tot Petrus: Steek uw zwaard in de scheede. De drinkbeker dien mij de Vader gegeven heeft, zal ik dien niet drinken?

12 De bende dan en de overste over duizend en de dienaars der Joden namen Jezus gezamenlijk en bonden hem,

13 en leidden hem henen, eerst tot Annas; want hij was de vrouws-vader van Kajafas, welke des-zelven jaars Hoogepriester was:

14 Kajafas nu was degene die den Joden geraden had, dat het nut was dat één mensch voor het volk stierve.

15 En Simon Petrus volgde Jezus, en een ander discipel; deze discipel nu was den Hoogepriester bekend, en ging met Jezus.in des Hoogepriesters zaal;

16 En Petrus stond buiten aan de deur. De andere discipel dan, die den Hoogepriester bekend was, ging uit en sprak met de deur-waarster, en bracht Petrus in.

17 De dienstmaagd dan die de deurwaarster was zeide tot Petrus: Zijt ook gij niet uit de discipelen van dezen mensch? Hij zeide: Ik ben niet.

18 En de dienstknechten en de dienaars stonden , hebbende een kolenvuur gemaakt, omdat het koud was, en warmden zich; Petrus stond bij hen en warmde zich.

19 De Hoogepriester dan vraagde Jezus van zijne discipelen en van zijne leer.

20 Jezus antwoordde hem: Ik heb vrijuit gesproken tot de wereld; ik heb altijd geleerd in de Synagoge en inquot; den Tempel , waar de Joden van alle plaatsen te zamen komen, en in \'t verborgen heb ik niets gesproken:

21 wat ondervraagt gij mij ? Ondervraag degenen die het gehoord hebben, wat ik tot hen gesproken heb; zie, deze weten wat ik gezegd heb.

22 En als hij dit zeide, gaf e^n van de dienaren, die daarbij stond, Jezus eenen kinnebakslag, zeggende : Antwoordt gij alzóó den Hoogepriester?

23 Jezus antwoordde hem: Indien ik kwalijk gesproken heb, betuig van het kwade; en indien wel, waarom slaat gij mij?

24 (Annas dan had hem gebonden gezonden tot Kajafas den Hoogepriester.)

25 En Simon Petrus stond en warmde \' zich; zij zeiden dan tot hem: Zijt ook gij niet uit zijne discipelen ? Hij loochende het, en zeide: Ik ben niet.

26 Een van de dienstknechten des Hoogepriesters, die maagschap was van dengenen dien Petrus het oor afgehouwen had, zeide: Heb ik u niet gezien in den hof met hem ?

27 Petrus dan loochende het wederom; en terstond kraaide de haan.

28 Zij dan leidden Jezus van Kajafas in het Rechthuis; en het was \'s morgens vroeg. En zij gingen niet in het Rechthuis, opdat zij niet verontreinigd zouden worden, maar opdat zij het Pascha eten mochten.


-ocr page 1194-

140 J O II A J

29 Pilatus dan ging tot hen uit, en zeide: Wat beschuldiging brengt gij tegen dezen mensch?

30 Zij antwoordden en zeiden tot hem: Indien deze geen kwaaddoener ware, zoo zouden wij hem u niet overgeleverd hebben.

31 Pilatus dan zeide tot hen: Neemt gij hem en oordeelt hem naar uwe wet. De Joden dan zeiden tot hem : Het is ons niet geoorloofd iemand te dooden.

32 Opdat het woord van Jezus vervuld wierd, dat hij gezegd had beteekenende hoedanigen dood hij sterven zoude.

33 Pilatus dan ging wederom in het Rechthuis, en riep Jezus, en zeide tot hem: Zijt gij de Koning der Joden?

34 Jezus antwoordde hem: Zegt gij dit van uzelven, of hebben het u anderen van mij gezegd?

35 Pilatus antwoordde: Ben ik een Jood? Uw volk en de Over-priesters hebben u aan mij overgeleverd: wat hebt gij gedaan?

36 Jezus antwoordde: Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld: indien mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zoo zouden mijne dienaars gestreden hebben, opdat ik den Joden niet ware overgeleverd ; maar nu is mijn Koninkrijk niet van hier.

37 Pilatus dan zeide tot hem: Zijt gij dan een Koning? Jezus antwoordde: Gij zegt dat ik een Koning ben. Hiertoe ben ik geboren en hiertoe ben ik in de wereld gekomen, opdat ik dei-waarheid getuigenis geven zoude. Een iegelijk die uit de waarheid is hoort mijne stem.

38 Pilatus zeide tot hem: Wat is waarheid? En als hij dat gezegd had, ging hij wederom uit tot de Joden, en zeide tot hen : Ik vind geen schuld in hem.

39 Doch gij hebt eene gewoonte , dat ik u op het Pascha eenen loslate: wilt gij dan dat ik uden Koning der Joden loslate?

40 Zij dan riepen allen wederom, zeggende: Niet dezen, maar Bar-abbas. En Barabbas was een moordenaar.

NES 19.

HOOFDSTUK 19.

Toen nam Pilatus dan Jezus en geeselde hem.

2 En de krijsknechten eene ■ kroon van doornen gevlochten quot; hebbende, zetteden die op zijn hoofd, en wierpen hem een purperen kleed om,

3 en zeiden: Wees gegroet gij ; Koning der Joden; en zij gaven hem kinnebakslagen.

4 Pilatus dan kwam wederom uit, en zeide tot hen: Zie, ik breng hem tot ulieden uit, opdat gij weet dat Ic in hem geen scnuld vind.

5 Jezus dan kwam uit, dragende de doornenkroon en het purperen kleed ; en Pilatus zeide tot hen : Zie, de mensch.

6 Als hem dan de O verpriesters en de dienaars zagen, riepen zij, zeggende; Kruis nem, kruis hem. Pilatus zeide tot hen: Neemt gijlieden hem en kruist hem, want ik vind in hem geen schuld.

7 De Joden antwoordden hem: Wij hebben eene wet, en naar onze wet moet hij sterven, want hij heeft zichzelven Gods Zoon gemaakt.

8 Toen Pilatus dan dit woord hoorde werd hij meer bevreesd,

9 en ging wederom in het Rechthuis, en zeide tot Jezus: Van waar zijt gij? Maar Jezus gaf hem geen antwoord.

10 Pilatus dan zeide tot hem: Spreekt gij tot mij niet? Weet gij niet dat ik macht heb u te kruisigen en macht heb u los te laten?

11 Jezus antwoordde: Gij zoudt geen macht hebben tegen mij, indien het u niet van boven gegeven ware; daarom die mij aan u heeft overgeleverd, heeft groo-ter zonde.

12 Van toen af zocht Pilatus hem los te laten; maar de Joden riepen; zeggende: Indien gij dezen loslaat, zoo zijt gij des Keizers vriend niet: een iegelijk die zichzelven Koning maakt, weder-spreekt den Keizer.

13 Als Pilatus dan dit woord hoorde, bracht hij Jezus uit, en


-ocr page 1195-

J O H A N N E S 19.

141

zat neder op den rechterstoel, in de plaats genaamd Lithostrótos, en in \'t Hebreenwsch Gabbatha.

14 En het was de voorbereiding van het Pascha, en omtrent de

.zesde ure; en hij zeide tot de Joden: Zie, uw Koning.

15 Maar zij riepen: Neem weg, l neem weg, kruis hem. Pilatus

zeide tot hen: Zal ik uwen Koning kruisigen? De O verpriesters ant-; woordden: Wij hebben geenen Koning dan den Keizer.

1G Toen gaf hij hem dan hun over, opdat hij gekruist zoude worden. En zij namen Jezus en leidden hem weg;

17 en hij dragende zijn kruis , ging uit naar de plaats genaamd Hooldschedelplaats, welke in \'t He-breeuwsch genaamd wordt Golgotha ;

18 alwaar zij hem kruisten, en met hem twee anderen, aan elke zijde éénen, en Jezus in \'t midden.

19 En Pilatus schreef ook een opschrift, en zette dat op het kruis; en daar was geschreven: Jezus de Nazarener , de Koning der Joden.

20 Dit opschrift dan lazen velen van de Joden; want de plaats waar Jezus gekruist werd was nabij de stad; en het was geschreven in quot;t Hebreeuwsch, in \'tGrieksch, en in \'t Latijn.

21 De O verpriesters dan der Joden zeiden tot Pilatus : Schrijf niet: De Koning der Joden, maar dat hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden.

22 Pilatus antwoordde: Dat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.

23 De krijgsknechten dan als zij Jezus gekruist hadden, namen zijne kleederen (en maakten vier deelen, voor eiken krijgsknecht een deel) en den rok. De rok nu was zonder naad, van boven af geheellijk geweven;

24 zij dan zeiden tot elkander: Laat ons dien niet scheuren, maar laat ons daarover loten, wiens die zijn zal; opdat de Schrift vervuld worde, die zegt: Zij hebben mijne kleederen onder zich verdeeld, en over mijne kleeding hebben zij het lot geworpen. Dit hebben dan de krijgsknechten gedaan.

s en

iene iten zijn Dur-

gij ven

om ik iat aid

ide en tl ;

25 Én bij het kruis van Jezus stonden zijne moeder, en zijne moederszuster Maria de vrouw van Klopas, en Maria Magdalena.

26 Jezus nu ziende zijne moeder, en den discipel dien hij liefhad daarbij staande, zeide tot zijne moeder: Vrouwe, zie, uw zoon.

27 Daarna zeide hij tot den discipel: Zie, uwe moeder. En van die ure aan nam haar do discipel in zijn huis.

28 Hierna Jezus wetende dat nu alles volbracht was, opdat de Schrift zoude vervuld worden, zeide: Mij dorst.

29 Daar stond dan een vat vol edik, en zij vulden eene spons met edik, en omleiden ze met hysop, en brachten ze aan zijnen mond.

30 Toen Jezus dan den edik genomen had, zeide hij : Het is volbracht, en het hoofd buigende «jaf den geest.

31 De Joden dan, opdat de lichamen niet aan het kruis zouden blijven op den sabbat, dewijl het de voorbereiding was, (want die dag des sabbats was groot), baden Pilatus dat hunne beenen zouden gebroken en zij weggenomen worden.

32 De krijgsknechten dan kwamen , en braken wel de beenen des eersten en des anderen die met hem gekruist was,

33 maar komende tot Jezus , als zij zagen dat hij nu gestorven was, zoo braken zij zijne beenen niet,

34 maar een der krijgsknechten doorstak zijne zijde met eene speer, en terstond kwam daar bloed en water uit.

35 En die liet gezien heeft die heeft het getuigd, en zijne getui-

§enis is waarachtig , en hij weetenis is waarachtig , en hij weet

at hij zegt hetgeen dat waar is, opdat ook gij gelooven moogt.

36 Want deze dingen zijn geschied opdat de Schrift vervuld worde: Geen been van hem zal verbroken worden;

37 en wederom zegt eene andere Schrift: Zij zullen zien in welken zij gestoken hebben.


-ocr page 1196-

JOHANNES 20.

442

38 En daarna Jozef van Arima-théa (die een discipel van Jezus was, maar bedekt om de vreeze der Joden) bad Pilatus dat hij mocht het lichaam van Jezus wegnemen ; en Pilatus liet het toe. Hij dan ging en nam het lichaam van Jezus weg.

39 En Nicodemus kwam óók, (die des nachts tot Jezus eerst gekomen was), brengende een mengsel van mirre en aloë, omtrent honderd ponden gewicht.

40 Zij namen dan het lichaam van Jezus en bonden dat in linnen doeken met de specerijen, gelijk de Joden de gewoonte hebben van begraven.

41 En daar was in de plaats waar hij gekruist was een hof, en in den hof een nieuw graf, in hetwelk nog nooit iemand gelegd was geweest:

42 aldaar dan leiden zij Jezus, om de voorbereiding der Joden, overmits het graf nabij was.

HOOFDSTUK 20.

En op den eersten dag der week ging Maria Magdalena vroeg, als het nog duister was, naar het graf, en zag den steen van het graf weggenomen.

2 Zij liep dan en kwam tot Simon Petrus en tot den anderen discipel, welken Jezus liefhad, enzeidetot hen: Zij hebben den Heere weggenomen uit het graf, en wij weten niet waar zij hem gelegd hebben.

3 Petrus dan ging uit, en de andere discipel, en zij kwamen tot het graf;

4 en deze twee liepen te gelijk. En de andere discipel liep vooruit, sneller dan Petrus, en kwam eerst tot het graf;

5 en als hij nederbukte zag hij de doeken liggen, nogtans ging hij daar niet in.

\'C Simon Petrus dan kwam en volgde hem, en ging in het graf, en zag de doeken liggen;

7 en den zweetdoek, die op zijn hoofd geweest was, zag hij niet bij de doeken liggen, maar afzonderlijk in eene andere plaats sa-mengerold.

8 Toen ging dan ook de andere discipel daar in , die eerst tot het graf gekomen was, en zag het en geloofde;

9 want zij wisten nog de Schrift niet, dat hij van de doodenmoest opstaan.

40 De discipelen dan gingen wederom naar huis.

41 En Maria stond buiten bij het graf weenende. Als zij dan weende, bukte zij in het graf,

42 en zag twee Engelen in witte kleederen zitten , éénen aan het hoofd en éénen aan de voeten, waar het lichaam van Jezus gelegen had.

43 En die zeiden tot haar: Vrouw, wat weent gij ? Zij zeide tot hen: Omdat zij mijnen Heere weggenomen hebben, en ik weet niet waar zij hem gelegd hebben.

44 En als zij dit gezegd had , keerde zij zich achterwaarts, en zag Jezus svaan, en zij wist niet dat het Jezus was.

45 Jezus ze:de tot haar: Vrouw, wat weent gij? Wien zoekt gij? Zij meenende dat het de hovenier was, zeide tot hem: Heer, zoo gij hem weggedragen hebt, zeg mij waar gij hem gelegd hebt, en ik zal hem wegnemen.

46 Jezus zeide tot haar: Maria! Zij zich omkeerende zeide tot hem: Rabbouni, \'t welk is gezegd Meester.

17 Jezus zeide tot haar: Raak mij niet aan; want ik ben nog niet opgevaren tot mijnen Vader; maar ga henen tot mijne broeders, en zeg hun: Ik vaar op tot mijnen Vader en uwen Vader, en tot mijnen God en uwen God.

48 Maria Magdalena ging en boodschapte 3en discipelen, dat zij den Heere gezien had, en dat hij haar dit gezegd had.

49 Als het dan avond was op dien eersten dag der week, en als de deuren gesloten waren, waar de discipelen vergaderd waren, om de vreeze der Joden , kwam Jezus en stond in het midden, en zeide tot hen: Vrede zij ulieden.

20 En dit gezegd hebbende toonde hij hun zijne handen en zijne


-ocr page 1197-

7

JOHANNES 21.

143

idprJ j^6, discipeïen dan werden t tn?ver^^id a^s zy ^611 Heere zagen, i zi 21 jezus dan zeide wederom tot amp; hen: Vrede zij ulieden: gelijker-hriff wij® niij de Vader gezonden heeft, !npc,t zende ik ook ulieden.

■ 22 En als hij dit gezegd had, , blies hij op hen., en zeide tothen: 0 n Ontvangt den Heiligen Geest.

* 23 Zoo gij iemands zonden ver-dan 5 dien worden ze vergeven;

zoo gij iemands zonden houdt, \'itte djm zijn ze gehouden. jj . 24 Én Thomas, een van de e twaalve , gezegd Didymus , was \' met hen niettoen Jezus kwam. b quot; 25 De andere discipelen dan zei-ir . den tot hem: Wij hebben den ^ \' Heere gezien. Doch hij zeide tot , hen: Indien ik in zijne handen \' t niet zie het teeken der nagelen, \' en mijnen vinger steek in hettee-j \' ken der nagelen, en steek mijne \' hand in zijne ziide, ik zal geens-g zins gelooven.

26 En na acht dagen waren zijne discipelen wederom binnen, en

4 Thomas met hen; lt;\'gt;1 Jezus kwam

* als de deuren gesloten waren, en _ stond in het midden , en zeide: ^ Vrede zij ulieden.

27 Daarna zeide hij tot Thomas: \' Breng uwen vinger hier, en zie r mijne handen, en breng uwe hand

en steek ze in mijne zijde, en | wees niet ongeloovig maar ge-loovig.

28 En Thomas antwoordde en zeide tot hem: Mijn Heere en mijn God.

29 Jezus zeide tot hem : Omdat gij mij gezien hebt, Thomas, zoo hebt gij geloofd: zalig zijn zc die niet zullen gezien hebben en nog-tans zullen geloofd hebben.

30 Jezus dan heeft nog wel vele andere teekenen in de tegenwoordigheid zijner discipelen gedaan , die niet \'zijn geschreven in dit boek;

31 maar deze zijn geschreven , opdat gij gelooft dat Jezus is de Christus, de Zone Gods, en opdat gij geloovende het leven hebt in zijnen naam.

HOOFDSTUK 21.

Na dezen openbaarde Jezus zich-zelven wederom den discipelen aan de zee van Tiberias; en hij openbaarde zich aldus.

2 Daar waren te zamen Simon Petrus, en Thomas gezegd Didymus, en Nathanaël die van Kana in Galiléa was, en de zonen van Zebedeüs, en twee andere van zijne discipelen.

3 Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga visschen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan ook met u. Zij gingen uit, en traden terstond in het schip, en in dien nacht vingen zij niets.

4 En als het nu morgenstond geworden was, stond Jezus op den oever; doch de discipelen wisten niet dat het Jezus was.

5 Jezus dan zeide tot hen: Kin-derkens, hebt gij niet eenige toe-spijze? Zij antwoordden hem: Neen.

6 En hij zeide tot hen: Werpt het net aan de rechterzijde van het schip , en gij zult vinden. Zij wierpen het dan, en konden hetzelve niet meer trekken vanwege de menigte der visschen.

7 De discipel dan welken Jezus lief had zeide tot Petrus: Het is de Heere. Simon Petrus dan hoerende dat het de Heere was, omgordde het opperkleed (want hij was naakt) en wierp zichzelven in de zee.

8 En de andere discipelen kwamen met het scheepken, (want zij waren niet ver van het land, maar omtrent tweehonderd ellen), slee-pende het net met de visschen.

9 Als zij dan aan het land gegaan waren, zagen zij een kolenvuur liggen, en visch daarop liggen, en brood.

10 Jezus zeide tot hen: Brengt van de visschen die gij nu gevangen hebt.

11 Simon Petrus ging op en trok het net op het land, vol groote visschen, tot honderd drieënvijftig; en hoewel er zoovele waren, zoo scheurde het net niet.

12 Jezus zeide tot hen: Komt herwaarts, houdt het middagmaal. En niemand van de discipelen durfde hem vragen: Wie zijtgij? wetende dat het de Heere was.


-ocr page 1198-

HANDELINGEN 1.

144

13 Jezus dan kwam, en nam het brood, en gaf het hun, en de vi\'sch desgelijks.

14 Dit was nu do dorde maal dat Jezus zijnen discipelen geopenbaard is, nadat hij van de dooden opgewekt was.

15 Toen zij dan het middagmaal gehouden hadden, zeide Jezus tot Simon Petrus: Simon Jona\'s zoon, hebt gij mij liever dan deze? Hij zeide tót hom; Ja Heere, gij weet dat ik u liefheb. Hij zeide tot hem: Weid mijne lammeren.

16 Hij zeide wederom tot hem ten tweeden male: Simon Jona\'s zoon, hebt gij mij lief? Hij zeide tot hem: Ja Heere, gij weet dat ik u liefheb. Hij zeidè tot hem: Hoed mijne schapen.

17 Hij zeide tot hom ten derden male: Simon Jona\'s zoon, hebt gij mij lief? Petrus werd bedroefd, omdat hij ten derden male tot hem zeide: Hebt gij mij lief? en zeide tot hem: Heere, gij weet alle dingen, gij weet dat ik u liefheb. Jezus zeide tot hem: Weid j mifne schapen.

18 Voorwaar, voorwaar zegge ik | u, toen gij jonger waart, gorddet i gij uzelven en wandeldet alwaar \' gij wildet; maar wanneer gij zult oud geworden zijn, zoo zult gij uwe handen uitstrekken, en een ander zal u gorden en brengen •waar gij niet wilt.

19 En dit zeide hij, beteekenende met hoedanigen dood hij God verheerlijken zoude. En dit gesproken hebbende zeide hij tot hem: Volg mij.

20 En Petrus zich omkeerende zag den discipel volgen welken Jezus liefhad, die ook aan het avondmaal op zijne borst gevallen was en gezegd had: Heere, wie is het die u verraden zal?

21 Als Petrus dezen zag, zeide hij tot Jezus: Heere, maar wat zal deze?

22 Jezus zeide tot hem: Indien ik wil dat hij blijve totdat ik kome, wat gaat het u aan? Volg gij mij.

23 Dit woord dan ging uit onder de broederen, dat deze discipel niet zoude sterven; en Jezus had tot hem niet gezegd dat hij niet sterven zoude, maar: Indien ik wil dat hij blijve totdat ik kome, wat gaat het u aan?

24 Deze is de discipel die van deze dingen getuigt en deze dingen geschreven heeft en wij weten dat zijn getuigenis waarachtig is.

25 ICn daar zijn nog vele andere dingen die Jezus gedaan heeft, welke zoo ze elk bijzonder geschreven werden, ik achte dat ook de wereld zelve de geschreven boeken niet zoude bevatten. Amen.


DE HANDELINGEN

APOSTELEN,

BESCHREVEN DOOR LUCAS.

HOOFDSTUK 1.

Het eerste boek heb ik gemaakt, o Theofilus, van al hetgeen Jezus begonnen heeft beide te doen cn te leeren,

2 tot op den dag op welken hij opgenomen is, nadat hij door den Heiligen Geest aan do Apostelen, die hij uitverkoren had, bevelen had gegeven;

3 \'aan welke hij ook, nadat hij geleden had, zichzelven levend vertoond heeft, met vele gewisse


-ocr page 1199-

HANDELINGEN 1.

145

kenteekenen, veertig dagen lang, zijnde van hen gezien, en sprekende van de dingen die het Koninkrijk Gods aangaan.

4 En als hij met hen vergaderd was, beval hij hun dat zij van Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte des Vaders, die gij (zeide hij) van mij gehoord hebt;

5 want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met den Heiligen Geest gedoopt worden niet lang na deze dagen.

6 Zij dan die samengekomen waren vraagden hem, zeggende: Heere, zult gij in dezen tijd aan Israël het koninkrijk weder oprichten?

7 En hij zeide tot hen: Het komt u niet toe te weten de tijden of gelegenheden, die de Vader in zijne eigene macht gesteld heeft;

8 maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes die over u komen zal, en gij zult mijne getuigen zijn, zoo te Jeruzalem als in geheel Judéa en Samarië en tot aan het uiterste der aarde.

9 En als hij dit gezegd had, werd hij opgenomen daar zij het zagen, eh eene wolk nam hem weg van hunne oogen.

10 En als zij hunne oogen naar den hemel hielden terwijl hij henen-voer, zie, twee mannen stonden bij hen in witte kleeding,

11 welke ook zeiden: Gij Gali-leesche mannen, wat staat gij en ziet öp naar den hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is in den hemel, zal alzóó komen ge-lijkerwijs gij hem naar den hemel hebt zien henenvaren.

12 Toen keerden zij weder naar Jeruzalem, van den berg die genaamd wordt de Glijfbcrr/, welke is nabij Jeruzalem, liggende van daar eene sabbatsreize.

13 En als zij ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal, waar zij bleven, namelijk Petrus en Jacobus, en Johannes, en Andréas, Filippus en Thomas, Bartholo-meüs en Mattheüs, Jacobus de zoon van Alfeüs. en Simon Zelo-tes, en Judas de broeder van Jacobus.

14 Deze allen waren eendrachtiglijk volhardende in \'t bidden en srneeken, met do vrouwen, en Maria de moeder van Jezus, en met zijne broeders.

15 En in die dagen stond Petrus op in \'t midden der discipelen, en sprak (daar was nu eene schare bijéén van omtrent honderd en twintig personen):

16 Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, welke de Heilige Geest door den mond Davids voorzegd heeft van Judas, die de leidsman geweest is der-genen die JezUs vingen;

17 want hij was met ons gerekend en had het lot dezer bediening verkregen.

18 Deze dan heeft verworven eenen akker door het loon der ongerechtigheid, en voorovergeval-len zijnde is midden opgeborsten, en alle zijne ingewanden zijn uitgestort ;

10 en het is bekend geworden allen die te Jeruzalem wonen, alzoo dat die akker in hun eigen taal genoemd wordt Akeldama, dat is, een akker des bloeds.

20 Want daar staat geschreven in \'t boek der Psalmen: Zijne woonstede worde woest, en daar zij niemand die in dezelve wone; en: Een ander neme zijn opzienersambt.

21 Het is dan noodig dat van de mannen, die met ons omgegaan hebben al den tijd in welken de Heere Jezus onder ons in- en uitgegaan is,

22 beginnende van den doop van Johannes, tot den dag toe op welken hij van ons opgenomen is, één derzeive met ons getuige worde zijner opstanding.

23 En zij stelden er twee. Jozef genaamd Barsabas, die toege-naamd was Justus, en Matthias.

24 En zij baden en zeiden: Gij Heere, gij kenner der harten van allen, wijs van deze twee éénen aan dien gij uitverkoren hebt,

25 om te ontvangen het lot dezer bediening en dit Apostelschap, waarvan Judas afgeweken is, dat hij henenging in zijne eigene plaatse.

26 En zij wierpen hunne loten,


-ocr page 1200-

INGEN 2.

146

HANDEL

en het lot viel op Matthias, en hij werd met gemeene toestemming tot de elf Apostelen gekozen.

HOOFDSTUK 2.

En als de dag van het Pinkster-feest vervuld werd, waren zij allen eendrachtiglijk bijéén.

2 En daar geschiedde haastelijk uit den hemel een geluid, gelijk als van eenen geweldigen gedreven wind, en vervulde het ge-heele huis waar zij zaten;

3 en van hen werden gezien verdeelde tongen als van vuur, en het zat op een iegelijk van hen;

4 en zij werden allen vervuld met den quot;Heiligen Geest, en begonnen te spreken met andere talen, zooals de Geest hun gaf uit te spreken.

5 En daar waren Joden te Jeruzalem wonende, godvruchtige mannen van allen volke dergenen die onder den hemel zijn:

6 en als deze stemme geschied was, kwam de menigte te zamen en werd beroerd, want een iegelijk hoorde hen in zijn eigen taal spreken.

7 En zij ontzetteden zich allen en verwonderden zich, zeggende tot elkander: Zie, zijn niet alle dezen die daar spreken Galileërs?

8 En hoe hooren wij ze een iegelijk in onze eigen taal in welke wij geboren zijn?

9 Parthers en Meders en Elami-ten, en die inwoners zijn van Me-sopotamië, en Judéa, en Cappa-docië, Pontus en Azië,

10 en Frygië, en Pamfylië, Egypte, en de deelen van Libyë hetwelk bij Cyrene ligt, en uït-landsche Romeinen, beide Joden en Jodengenooten,

11 Gretenzen en Arabieren, wij hooren ze in onze talen de groote werken Gods spreken.

12 En zij ontzetteden zich allen en werden twijfelmoedig, zeggende de één tegen den ander: Wat wil toch dit zijn?

13 En anderen spotlende zeiden: Zij zijn vol zoeten wijn.

quot;14 Maar Petrus staande met de elve, verhief zijne stemme en sprak tot hen: Gij Joodsche mannen , en gij allen die te Jeruzalem woont, dit zij u bekend, en laat mijne woorden tot uwe ooren ingaan.

15 Want deze zijn niet dronken, gelijk gij vermoedt; want het is eerst de derde ure van den dag;

16 maar dit is het wat gesproken is door den Profeet Joël:

17 En het zal zijn in de laatste dagen (zegt God), ik zal uitstorten van mijnen Geest op alle vleesch, en uwe zonen en uwe dochters zullen profeteeren, en uwe jongelingen zullen gezichten zien, en uwe ouden zullen droomen droomen;

18 en ook op mijne dienstknechten en op mijne dienstmaagden zal ik in die dagen van mijnen Geest uitstorten, en zij zullen profeteeren.

19 En ik zal wonderen geven in den hemel boven, en teekenen op de aarde beneden, bloed en vuur en rookdamp.

20 De zon zal veranderd worden in duisternis, en de maan in bloed, eer dat de groote en doorluchtige dag des Heeren komt.

21 En het zal zijn dat een iegelijk, die den naam des Heeren zal aanroepen, zalig zal worden.

22 Gij Israëlitische mannen, hoort deze woorden: Jezus den Nazarener, eenen man van God onder ulieden betoond door krachten en wonderen en teekenen, die God door hem gedaan heeft in \'t midden van u, gelijk ook gij zei ven weet:

23 dezen, door den bepaalden raad en voorkennis Gods overgegeven zijnde, hebt g;j genomen en door de handen der onrecht-vaardigen aan het kr ds gehecht en gedood:

24 welken God opgewekt heeft, de smarten des doods ontbonden hebbende, alzoo het riet mogelijk was dat hij van den^elven zoude gehouden worden.

25 Want David zegt van hem: Ik zag den Heere ten allen tijde vóór mij; want hij is aan mijne rechter/ianrf, opdat ik niet bewogen worde.


-ocr page 1201-

I NOEN 3.

HANDEL

147

26 Daarom is mijn harte verblijd en mijne tonge verheugt zich, ja, ook mijn vleesch zal rusten in hope;

27 want gij zult mijne ziele in de hel niet verlaten, en zult uwen Heilige niet overgeven om verderving te zien.

28 Gij hebt mij de wegen des levens bekend gemaakt; gij zult mij vervullen met verheuging door uw aangezicht.

29 Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tot u te spreken van den Patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op dezen dag.

30 Alzoo hij dan een Profeet was, en wist dat God hem met eede gezworen had, dat hij uit de vrucht zijner lendenen zooveel het vleesch aangaat, den Christus verwekken zoude, om hem op zijnen troon te zetten,

31 zoo heeft hij dit voorziende gesproken van de opstanding van Christus, dat zijne .ziel niet is verlaten in de hel noch zijn vleesch verderving heeft gezien.

32 Dezen Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn.

33 Hij dan door de rechter/mmr Gods verhoogd zijnde, en de belofte des Heiligen Geestes ontvangen hebbende van den Vader, heeft dit uitgestort dat gij nu ziet en hoort.

34 Want David is niet opgevaren in de hemelen; maar hij zegt: De Heere heeft gesproken tot mijnen Heere: Zit aan mijne rechter/mm?,

35 totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten.

36 Zoo wete dan zekerlijk het gansche huis Israels, dat God hem tot eenen Heere en Christus gemaakt heeft, namelijk dezen Jezus dien gij gekruist hebt.

37 En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het harte, en zeiden tot Petrus en de andere Apostelen: Wat zullen wij doen, mannen broeders?

38 En Petrus zeide tot hen:

Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den naam van Jezus Christus tot vergeving dei-zonden, en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen.

39 Want u komt de belofte toe, en uwen kinderen, en allen die daar verre zijn, zoovelen als er de Heere onze God toe roepen zal.

40 En met veel meer andere woorden betuigde hij en vermaande ze, zeggende: Wordt behouden van dit verkeerd geslacht.

41 Die dan zijn woord gaarne aannamen werden gedoopt; en daar werden op dien dag tot hen toegedaan omtrent drieduizend zielen.

42 En zij waren volhardende in de leer der Apostelen, en in de gemeenschap, en in de breking des broods, en in de gebeden.

43 En eene vreeze kwam over alle ziele, en vele wonderen en teekenen geschiedden door de Apostelen.

44 En allen die geloofden waren bijéén, en hadden alle dingen gemeen;

45 en zij verkochten hunne goederen en have, en verdeelden dezelve aan allen, naar dat elk van noode had;

46 en dagelijks eendrachtiglijk in den Tempel volhardende, en van huis tot huis brood brekende, aten zij te zamen met verheuging en eenvoudigheid des harten,

47 en prezen God en hadden genade bij het gansche volk. En \'de Heere deed dagelijks tot de gemeente die zalig werden.

HOOFDSTUK 3.

Petrus nu en Johannes gingen te zamen op naar den Tempel omtrent de ure des gebeds, zijnde de negende ure.

2 En een zeker man, die kreupel was van zijn moederslijf, werd gedragen, welken zij dagelijks zetteden aan de deur des Tempels genaamd de Schoone, om een aalmoes te begeeren van degenen die in den Tempel gingen:

3 welke Petrus en Johannes ziende als zij in den Tempel zou-


-ocr page 1202-

HANDELINGEN 3.

148

den ingaan , bad dat hij een aalmoes mocht ontvangen.

4 En Petrus sterk op hem ziende, met Johannes , zeide : Zie op ons.

5 En hij hield dc ooffcn op hen, verwachtende dat hij iets van hen zoude ontvangen.

6 En Petrus zeide: Zilver en goud heb ik niet, maar hetgeen ik heb dat geef ik u: in den naam van Jezus Christus den Nazare-ner, sta op en wandel.

7 En hem grijpende bij de rechterhand , richtte hij hem op : en terstond werden zijne voeten en enkelen vast,

8 en hij opspringende stond en wandelde, en ging met hen in den Tempel, wandelende en springende en lovende God.

9 En al het volk zag hem wandelen en God loven;

10 en zij kenden hem dat hij die was, die om een aalmoes gezeten had aan de Schoone poort des Tempels, en zij werden vervuld met verbaasdheid en ontzetting over hetgeen hem geschied was.

11 En als de kreupele, die gezond gemaakt was, aan Petrus en Johannes vast hield, liep al het volk gezamenlijk tot hen in het voorhof \'t welk Salomo\'s voo),-hof genaamd wordt, verbaasd zijnde.

12 En Petrus dat ziende, antwoordde tot het volk: Gij Israëlitische mannen, wat verwondert gij u over dit, of wat ziet gij zoo sterk op ons, alsof wij door onze eigene kracht of godzaligheid dezen hadden doen wandelen?

13 De God Abrahams en Isaaks en Jakobs, de God onzer vaderen, heeft zijn kind Jezus verheerlijkt, welken gij overgeleverd hebt,quot; en hebt hem verloochend voor het aangezicht van Pilatus, als hij oordeelde dat men hem zoude loslaten ;

14 maar gij hebt den Heilige en Rechtvaardige verloochend, en hebt begeerd dat u een man die een doodslager was zoude geschonken worden ;

15 en den Vorst des levens hebt gij gedood: welken God opgewekt heeft uit de dooden, waarvan wij getuigen zijn.

16 En door het geloof in zijnen naam heeft zijn naam dezen gesterkt dien gij ziet en kent; en het geloof dat doorhem is heeft hem deze volmaakte gezondheid gegeven , in u aller tegenwoordigheid.

17 En nu, broeders, ik weet dat gij het door onwetendheid gedaan hebt, gelijk als ook uwe oversten;

18 maar God heeft alzóó vervuld hetgeen hij door den mond van alle zijne Profeten te voren verkondigd had, dat de Christus lijden zoude.

19 Betert u dan en bekeert u, opdat uwe zonden mogen uitge-wischt worden, wanneer de tijden der verkoeling zullen gekomen zijn van het aangezicht des Heeren,

20 en hij gezonder, zal hebben Jezus Christus, die u te voren gepredikt is:

21 welken de he ra tl moet ontvangen tot de tijden der wederoprichting aller dingen, die God gesproken heeft door den mond van alle zijne heilige Profeten van alle eeuwe.

22 Want Mozes heeft tot de vaderen gezegd: De Heere uw God zal u eenen Profeet verwekken uit uwe broederen gelijk mij: dien zult gij hooren in alles wat hij tot u spreken zal;

23 en het zal geschieden dat alle ziele die dezen Profeet niet zal gehoord hebben , uitgeroeid zal worden uit den volke.

24 En ook alle de Profeten, van Samuel aan en die daarna

zijn, zoovelen als er hebben gesproken, die hebben ook deze dagen te voren verkondigd.

25 Gijlieden zijt kinderen der Profeten, en des Verbonds \'t welk God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uwen zade zullen al le geslachten der aarde gezegend worden.

26 God opgewekt hebbende zijn kind Jezus, heeft denzei ven het eerst tot u gezonden, dat hij ulie-den zegenen zoude, daarin dat hij een iegelijk van u afkeere van uwe boosheden.


-ocr page 1203-

HANDELINGEN 4.

149

HOOFDSTUK 4.

En terwijl zij tot het volk spraken, kwamen daarover tot hen de Priesters en de hoofdman des Tempels en de Sadduceërs,

2 zeer ontevreden zijnde, omdat zij het volk leerden en verkondigden in Jezus de opstanding uit de dooden,

3 en zij sloegen de handen aan hen en zetteden ze in bewaring tot den anderen dag; want het was nu avond.

4 En velen van degenen die het Woord gehoord hadden geloofden, en het getal der mannen werd omtrent vijfduizend.

5 En het geschiedde des anderen daags, dat hunne oversten en Ouderlingen en Schriftgeleerden te Jeruzalem vergaderden,

6 en Annas de Hoogepriester, en Kajafas en Johannes en Alexander, en zoovelen daar van het Hoogepriesterlijk geslacht waren;

7 en als zij ze in het midden gesteld hadden , vraagden zij: Door wat kracht of door wat naam hebt gijlieden dit gedaan?

8 Toen zeide Petrus, vervuld zijnde met den Heiligen Geest, tot hen : Gij oversten des volks en gij Ouderlingen Israëls,

9 alzoo wij heden gerechtelijk onderzocht worden over de weldaad aan een krank mensch geschied, waardoor hij gezond geworden iSj

10 zoo zij aan u allen kennelijk en aan het gansche volk Israëls, dat door den naam van Jezus Christus den Nazarener, dien gij gekruist hebt, welken God van de dooden heeft opgewekt, door hem zeg ik staat deze hier vóór u gezond.

11 Deze is de steen die van u, de bouwlieden, veracht is, welke tot een hoofd des hoeks geworden is.

12 En de zaligheid is in geenen anderen; want er is ook onder den hemel geen andere naam, die onder de menschen gegeven is, door welken wij moeten zalig worden.

13 Zij nu ziende de vrijmoedigheid van Petrus en Johannes, en vernemende dat zij ongeleerde en eenvoudige menschen waren . verwonderden zich, en kenden hen dat zii met Jezus geweest waren;

14 en ziende den mensch bij hen staan die genezen was, hadden zij niets daartegen te zeggen.

15 En hun geboden hebbende uit te gaan buiten den Raad, o verleiden zij met elkander,

16 zeggende: Wat zullen wij dezen menschen doen? Want dat er een bekend teeken door hen geschied is, is openbaar aan allen die te Jeruzalem wonen, en wij kunnen het niet loochenen;

17 maar opdat het niet meer en meer onder het volk verspreid worde, laat ons hen scherpelijk dreigen, dat zij niet meer tot eenig mensch in dezea naam spreken.

18 En als zij ze geroepen hadden, zeiden zij hun aan, dat zij gan-schelijk niet zouden spreken noch leeren in den naam van Jezus.

19 Maar Petrus en Johannes antwoordende zeiden tot hen: Oordeelt gij of het recht is voor God, ulieden meer te hooren dan God;

20 want wij kunnen niet laten te spreken hetgeen wij gezien en gehoord hebben.

21 Maar zij dreigden ze nog meer, en lieten ze gaan, niets vindende boe zij ze straffen zouden, om des volks wille; want zij verheerlijkten allen God over hetgeen dat er geschied was;

22 want de mensch was meer dan veertig jaren oud, aan welken dit teeken der genezing geschied was.

23 En zij losgelaten zijnde kwamen tot de hunnen, en verkondigden al wat de O verpriesters en de Ouderlingen tot hen gezegd hadden.

24 En als dezen dat hoorden, hieven zij eendrachtiglijk hunne stemme op tot God en zeiden: Heere, gij zijt de God die gemaakt hebt den hemel en de aarde en de zee en alle dingen die in dezelve zijn;

25 die door den mond Davids uws knechts gezegd hebt; Waarom


-ocr page 1204-

IN GEN 5.

450

HANDEL

woeden de heidenen en hebben de volken ijdele dihgen bedacht?

26 De Koningen der aarde zijn te zamen opgestaan, en de oversten zijn bijéénvergaderd tegen den Heere en tegen zijnen Gezalfde.

27 Want in waarheid zijn vergaderd tegen uw heilig kind Jezus, welken gij gezalfd hebt, beide Herodes en Pontius Pilatus, met de heidenen en de volken Israels,

28 om te doen al wat uwe hand en uw raad te voren bepaald had dat geschieden zoude.

29 En nu dan, Heere, zie op hunne dreigingen, en geef uwen dienstknechten met alle vrijmoedigheid uw Woord te spreken,

bO daarin dat gij uwe hand uitstrekt tot genezing , en dat teekenen en wonderen geschieden door den naam van uw heilig kind Jezus.

31 En als zij gebeden hadden, werd de plaats in welke zij vergaderd waren bewogen, en zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest, en spraken het Woord Gods met vrijmoedigheid.

32 En der menigte van degenen die geloofden was één hart en éênc ziel, en niemand zeide dat iets van hetgeen hij had zijn eigen was, maar alle dingen waren hun gemeen.

33 En de Apostelen gaven met groote kracht getuigenis van de opstanding des Hoeren Jezus; en daai* was groote genade over hen allen.

34 Want daar was ook niemand onder hen die gebrek had; want zoo velen als er bezitters waren van landen of huizen, die verkochten zij, en brachten den prijs der verkochte goederen cn leiden dien aan de voeten der Apostelen;

35 en aan een iegelijk werd uitgedeeld naar dat elk van noodehad.

36 En Joses, van de Apostelen toegenaamd Barnabas, (\'t welk is, overgezet zijnde, een zoon der vertroosting), een Leviet, van geboorte uit Cyprus,

37 alzoo hij eenen akker had, verkocht dien, en bracht het geld en leide het aan de voeten der Apostelen.

HOOFDSTUK 5.

En een zeker man met name Ananias , met Saffira zijne vrouw, verkocht een have,

2 en onttrok van den prijs, ook met medeweten zijner vrouw, en bracht een zeker deel en leide dat aan de voeten der Apostelen.

3 En Petrus zeide : Ananias, waarom heeft de satan uw harte vervuld, dat gij den Heiligen Geest liegen zoudt en onttrekken van den prijs des lands?

4 Zoo het gebleven was, bleef het niet uwe, en verkocht zijnde, was het niet in uwe macht? Wat is het dat gij deze daad in uw hart hebt voorgenomen ? Gij hebt den menschen niet gelogen maar Gode.

5 En Ananias deze woorden hoerende viel neder en gaf den geest. En daar kwam groote vreeze over allen die dit hoorden.

6 En de jongelingen opstaande schikten hem toe, en di oegen hem uit, en begroeven hem.

7 En het was omtrent drie uren daarna, dat ook zijne vrouw daar inkwam, niet wetende wat er geschied was.

8 En Petrus antwoordde haar: Zeg mij, hebt gijlieden het land voor zóóveel verkocht? En zij zeide: Ja, voor zóóveel.

9 En Petrus zeide tot haar: Wat is het dat gij onder u hebt overééngestemd te verzoeken den Geest desHeeren? Zie, de voeten dergenen die uwen man begraven hebben zijn voor de deur, en zullen u uitdragen.

10 En zij viel terstond neder voor zijne voeten, en gaf den geest; en de jongelingen ingekomen zijnde vonden ze dood , en droegen ze uit , en begroeven ze bij haren man.

11 En daar kwam groote vreeze over de geheele gemeente en over allen die dit hoorden.

12 En door de handen der Apostelen geschiedden vele teekenen en wonderen onder het volk. En zij waren allen eendrachtiglijk in het voorhof Salomo\'s.

13 En van de anderen durfde


-ocr page 1205-

INGEN 5.

HANDEL

151

niemand zich bij hen voegen. Maar het volk hield ze in groote achting.

14 En daar werden er meer en meer toegedaan die den Heere geloofden, menigten beide van mannen en van vrouwen:

15 alzoo dat zij de kranken uitdroegen op de straten en leiden op bedden en beddekens, opdat als Petrus kwam , ook maar de schaduw iemand van hen beschaduwen mocht.

16 En ook de menigte uit de omliggende steden kwam gezamenlijk te Jeruzalem , brengende kranken en die van onreine geesten gekweld waren, welke allen genezen werden.

17 En de Hoogepriester stond op, en allen die met hem waren, (welke was de sekte der Saddu-ceërs), en werden vervuld met nijdigheid,

18 en sloegen hunne handen aan de Apostelen, en zetteden ze in de algemeene gevangenis.

19 Maar de Engel des Heeren opende des nachts de deuren der gevangenis, en leidde ze uit, en zeide:

20 Gaat henen, en staat en spreekt in den Tempel tot het volk alle de woorden dezes levens.

21 Als zij nu dit gehoord hadden, gingen zij tegen den morgenstond in den Tempel en leerden. Maar de Hoogepriester, en die met hem waren, gekomen zijnde riepen den Raad te zamen, en alle de oudsten der kinderen Israëls, en zonden naar den kerker om hen te halen.

22 Doch als de dienaars daar kwamen, vonden zij hen in de gevangenis niet, maar keerden weder en boodschapten dit,

23 zeggende: Wij vonden wel den kerker met alle verzekerdheid toegesloten , en de wachters buiten staande voor de deuren, maar als wij die geopend hadden, vonden wij niemand daar binnen.

2,i Toen nu de/ïbo/y^priester en de hoofdman des Tempels en de Overpriesters deze woorden hoorden , werden zij.twijfelmoedig over hen, wat toch dit worden zoude.

25 En daar kwam een en boodschapte hun , zeggende: Zie, de mannen die gij in de gevangenis gezet hebt staan in den Tempel en leeren het volk.

23 Toen ging de hoofdman henen met de dienaren, en bracht ze, doch niet met geweld; (want zij vreesden het volk, opdat zij niet gesteenigd wierden);

27 en als zij hen gebracht hadden, stelden zij ze voor den Raad; en de Hoogepriester vraagde hen en zeide:

28 Hebben wij u niet ernstiglijk aangezegd dat gij in dezen naam niet zoudt leeren? En zie, gij hebt met deze uwe leer Jeruzalem vervuld, en gij wilt het bloed van dezen mensch over ons brengen.

29 Maar Petrus en de Apostelen antwoordden en zeiden : Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan den menschen.

30 De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, welken gij omgebracht hebt, hangende hem aan het hout.

31 Dezen heeft God door zijne rechter/icmd verhoogd tot eenen Vorst en Zaligmaker, om Israël te geven bekeering en vergeving der zonden.

32 En wij zijn zijne getuigen van deze woorden, en ook de Heilige Geest, welken God gegeven heeft dengenen die hem gehoorzaam zijn.

33 Als zij nu dit hoorden borst hun het hart, en zij hielden raad om hen te dooden.

34 Maar een zeker Farizeër stond op in den Raad, met name Ga-maliël, een leeraar der quot;wet, in waarde gehouden bij al het volk, en gebood dat men de Apostelen een weinig zoude doen buiten-staan,

35 en zeide tot hen : Gij Israëlitische mannen, ziet vóór u, wat gij doen zult aangaande deze menschen.

36 Want vóór deze dagen stond Theudas op , zeggende dat hij wat was, dien een getal van omtrent vierhonderd mannen aanhing: welke is omgebracht, en allen die hem gehoor gaven zijn verstrooid en tot niet geworden.

37 Na hem stond op Judas de


-ocr page 1206-

152 H A N D E L11

Galileër, in de dagen der beschrijving , en maakte veel volk afvallig achter zich: en deze is óók vergaan, en allen die hem gehoor gaven zijn verstrooid geworden.

38 En nu zeg ik ulieden, houdt af van deze menschen en iaat ze gaan; want indien deze raad of dit werk uit menschen is, zoo zal het gebroken worden;

39 maar indien het uit God is, zoo kunt gij dat niet breken; opdat gij niet misschien gevonden wordt ook tegen God te strijden.

40 En zij gaven hem gehoor; en als zij de Apostelen tot zich geroepen hadden, geeselden zij hen, en geboden hun dat ze niet zouden spreken in den naam van Jezus, en lieten ze gaan.

41 Zij dan gingen henen van het aangezicht des Raads, verblijd zijnde dat zij waren waardig geacht geweest, om zijns naams wille smaadheid te lijden;

42 en zij hielden niet öp alle dagen in den Tempel en bij de huizen te leercn en Jezus Christus te verkondigen.

HOOFDSTUK 6.

En in die dagen, als de discipelen vermenigvuldigden, ontstond eene murmureering derGriekschen tegen de Hebreërs, omdat hunne weduwen in de dagelijksche bediening verzuimd werdén.

2 En de twaalve riepen de menigte der discipelen lot zich 3 en zeiden: Het is niet behoorlijk dat wij het Woord Gods nalaten en de tafelen dienen.

3 Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol des\' Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze noodige zake;

4 Maar wij zullen volharden in het gebed en in de bediening des Woords.

5 En dit woord behaagde aan al de menigte; en zij verkozen Stefanus, eencn man vol des ge-loofs en des Heiligen Geestes, en Filippus, en Prochorus, en Ni-canor, en Timon, en Parmenas,

j ge n 0, 7.

en Nicolaüs, eenen Jodengenoot van Antiochië;

6 welke zij voor de Apostelen stelden; en dezen, als zij gebeden hadden, leiden hun de handen op.

7 En het Woord Gods wies, en het getal der discipelen vermenigvuldigde te Jeruzalem zeer, en eene groote schare der Priesteren werd den geloove gehoorzaam.

8 En Stefanus, vol geloof en kracht, deed wonderen en groote teekenen onder het volk.

9 En daar stonden op sommigen die waren van de Synagoge genaamd der Libertijnen, en der Gyreneërs, en der Alexandrijnen, en dergenen die van Ciliciö en Azië waren, en twistten met Stefanus ;

10 en zij konden niet weder-staan de wijsheid en den Geest door welken hij sprak.

11 Toen maakten zij mannen op die zeiden: Wij hebbe l hem hoeren spreken lasterlijke woorden tegen Mozes en God;

12 en zij beroerden het volk en de Ouderlingen en de Schriftgeleerden, en hem aanvallende grepen zij hem en leiden hem voor den Raad,

13 en stelden valsche getuigen die zeiden: Deze mensen houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet;

14 want wij hebben hem hooren zeggen, dat deze Jezus de Naza-rener deze plaats zal verbreken, en dat hij de zeden veranderen zal die ons Mozes overgeleverd heeft.

15 En allen die in den Raad zaten, de oogenopheohoudende, zagen zijn aangezicht als het aangezicht eens Engels.

hoofdstuk: 7.

En de Hoogepriester zeide : Zijn dan deze dingen alzój?

2 En hij zeide: Gij mannen broeders en vaders , hoort toe. De God der heerlijHheid verscheen onzen vader Abraham nog zijnde in Mesopotamië, eer hij woonde in Haran,


-ocr page 1207-

HANDELI

NGEN 7.

153

3 en zeide tot hem: Ga uit uw land en uit uw maagschap, en kom in een land dat ik u wijzen zal.

4 Toen ging hij uit het land der Chaldeërs, en woonde in Haran. En van daar , nadat zijn vader gestorven was, bracht hij hem over in dit land, waar gij nu in woont;

5 en hij gaf heni geen erfdeel in hetzelve, ook niet eenen voetstap , en beloofde dat hij hem hetzelve tot eene bezitting geven zoude, en aan zijn nageslacht na hem , als hij nor/ geen kind had.

0 En God sprak alzóó, dat zijn nageslacht vreemdeling zijn zoude in een vreemd land, en dal zij het zouden dienstbaar maken en kwalijk behandelen vierhonderd jaren;

7 en het volk dat zij dienen zullen zal ik oordeelen, sprak God, en daarna zullen zij uitgaan, en zij zullen mij dienen in deze plaats.

\'8 En hij gaf hem het verbond der besnijdenis; en alzóó gewon hij Isaak, en besneed hem op den achtsten dag; en Isaak qetuon Jakob, en Jakob dc twaalf Patriarchen.

9 En de Patriarchen nijdig zijnde verkochten Jozef om naar Egypte gebracht tc worden; en God was quot;met hem,

10 en verloste hem uit allezijne verdrukkingen, en gaf hem genade, en wijsheid voor Farao den Koning van Egypte; en liij stelde hem tot een overste over Egypte en zij i geheele huis.

11 En daar kwam een hongersnood over het geheele land van Egypte en Kanaan, en groote be-1 nauwdheid, en onze vaderen vonden geen spijze.

12 Maar als Jakob hoorde dat in Egypte koren was, zond hij onze vaderen de eerste maal uit;

13 en in de tweede reis werd Jozef zijnen broederen bekend, en het geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar.

14 En Jozef zond henen en ontbood zijnen vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in vijfenzeventig zielen.

15 En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hij zelf en onze vaderen;

16 en zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, hetwelk Abraham gekocht had voor eene som gelds van de zonen van Hemor den vader van Sichem.

17 Maar als nu de tijd der be-belofte, die God aan Abraham gezworen had, genaakte, wies het volk en vermenigvuldigde in Egypte ;

18 totdat een ander Koning opstond , die Jozef niet gekend had.

19 Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht, en handelde kwalijk met onze vaderen, zoodat ze hunne jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zii niet zouden voorttelen.

20 In welken tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in hel huis zijns vaders;

21 en als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zich-zelve op tot eenen zoon.

22 En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Kgyptenaren, en was machtig in woorden en in werken.

23 Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart zijne broeders de kinderen Israals te bezoeken.

24 En ziende eenen die onrecht leed, beschermde hij hem, en wreekte dengene dien overlast geschiedde , en versloeg den Egyptenaar.

25 En hij meende dat zijne broeders zouden verstaan, quot;dat God door zijne hand hun verlossing geven zoude; maar zij hebben het niet verstaan.

26 En den volgenden dag werd hij van hen gezien daar zij vochten, en hij drong ze tot vrede, zeggende : Mannen, gij zijt broeders : waarom doet gij elkander ongelijk?

27 En die zijnen naaste ongelijk deed verstiet hem, zeggende : Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?

28 Wilt gij mij óók ombrengen, gelijkerwijs gij gisteren den Egyptenaar omgebracht hebt?


-ocr page 1208-

ING EN 7.

154

HANDEL

29 En Mozes vluchtte op dat woord, en werd een vreemdeling in het land Midian, waar hij twee zonen gewon.

30 En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel des Heeren in de woestijn van den berg Sinaï, in een vlammig vuur van het doornbosch.

31 Mozes nu dat ziende verwonderde zich over het gezicht; en als hij derwaarts ging om dat te bezien, zoo geschiedde eene stem des Heeren tot hem ,

32 zeggende: Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams en de God Isaaks en de God Jakobs. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien.

33 En de Heere zeide tot hem: Ontbind de schoenen van uwe voeten, want de plaats in welke gij staat is heilig land.

34 Ik heb duidelijk gezien de mishandeling mijns volks dat in Egypte is, en ik heb hun zuchten gehoord, en ben nedergekomen om hen daaruit te verlossen; en nu kom herwaarts, ik zal u naar Egypte zenden.

35 Dezen Mozes welken zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? dezen zeg ik heeft God tot eenen overste en verlosser gezonden door de hand des Engels die hem verschenen was in het doornbosch.

36 Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en teekenen in \'tland van Egypte en in de Roode zee, en in de woestijn, veertig jaren.

37 Deze is de Mozes, die tot de kinderen Israels gezegd heeft: De Heere uw God zal u eenen Profeet verwekken uit uwe broederen gelijk mij : dien zult gij hooren.

38 Deze is het die in de vergadering des volks in de woestijn was met den Engel die tot hem sprak op den berg Sinaï, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven;

39 denwelken onze vaderen niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hunne harten weder naar Egypte,

40 zeggende tot Aaron: Maak ons goden die voor ons henengaan ; want wat dezen Mozes aangaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet wat hem geschied is.

41 En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot den afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen.

42 En God keerde zich, en gaf hen over dat zij het heir des hemels dienden, gelijk geschreven is in het boek der Profeten: Hebt gij ook slachtofferen en offeranden mij opgeofferd, veertig jaren in de woestijn, gij huis Israels?

43 Ja, \'gij hebt opgenomen den tabernakel .Molochs, en het gesternte uws Gods Remfan, de afbeeldingen die gij gemaakt hebt om die te aanbidden., en ik zal u overvoeren op gene zijde van Babylonië.

44 De Tabernakel der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk geordineerd had hij die tot Mozes zeide, dat hij denzelven maken zoude naar de afbeelding die hij gezien had:

45 welken ook onze vaderen ontvangen hebbende, met Jozua gebracht hebben in het land dat de heidenen bezaten, die God verdreven heeft van het aangezicht onzer vaderen, tot de dagen Davids toe:

46 dewelke voor God genade gevonden heeft en begeerd heeft te vinden een woonstede voor den God Jakobs.

47 En Salomo bouwde hem een Huis.

48 Maar de Allerhoogste woont niet in Tempelen met handen gemaakt, gelijk de Profeet zegt:

49 De hemel is m;j een troon, en de aarde een voetbank mijner voeten : hoedanig Huis zult gij mij bouwen, zegt de Heere, of welke is de plaats mijner ruste.

50 Heeft niet mijne hand alle deze dingen gemaakt?

51 Gij hardnekkigen en onbe-snedenen van harte en ooren , gij wederstaat altijd den Heiligen Geest, gelijk uwe vaderen alzóó ook gij.


-ocr page 1209-

HANDELINGEN 8.

155

52 Wien van de Profeten hebben uwe vaderen niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen die te voren verkondigd hebben de komst des Rechtvaardigen, van welken gijlieden nu verraders en moorders geworden zijt,

53 gij die de wet ontvangen hebt door bestellingen der Engelen, en hebt zc niet gehouden.

54 Als zij nu dit hoorden, borsten hunne harten en zij knersten de tanden tegen hem.

55 Maar hij vol zijnde des Heiligen Geestes, en de oogen houdende naar den hemel, zag de heerlijkheid Gods, en Jezus staande ter rechter/mnd Gods;

56 en hij zeide: Zie, ik zie de hemelen geopend, en den Zoon des menschen staande ter rech-Xevhand Gods.

57 Maar zij roepende met groote stem, stopten hunne ooren, en vielen eendrachtiglijk op hem aan,

58 en wierpen hem ter stad uit, en steenigden hem. En de getuigen leiden hunne kleederen af aan de voeten eens jongelings genaamd Saulus,

59 en zij steenigden Stefanus, aanroepende en zeggende: Heere Jezus, ontvang mijnen geest.

60 Ën vallende op de knieën riep hij met groote stem: Heere, reken hun deze zonde niet toe. En als hij dat gezegd had ontsliep hij.

HOOFDSTUK 8.

En Saulus had mede een welbehagen aan zijnen dood. En daar werd te dien dage eene groote vervolging tegen de gemeente die te Jeruzalem was, en zij werden allen verstrooid door de landen van Judéa en Samarië, behalve de Apostelen.

2 En eeniye godvruchtige mannen droegen Stefanus te zamen ten grave, en maakten grooten rouw over hem.

3 En Saulus verwoestte de gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en vrouwen, leverde hij ze over in de gevangenis.

4 Zij dan nu die verstrooid waren , gingen het land door en verkondigden het Woord.

5 En Filippus kwam af in de stad van Samarië, en predikte hun Christus.

C En de scharen hielden zich eendrachtiglijk aan hetgeen van Filippus gezegd werd, dewijl zij boorden en zagen de teekenen die hij deed.

7 Want van velen die onreine geesten hadden gingen dezelve uit, roepende met groote stem, en vele geraakten en kreupelen werden genezen;

8 en daar werd groote blijdschap in die stad.

9 En een zeker man met name Simon was te voren in de stad plegende tooverij , en verrukkende de zinnen des vólks van Samarië. zeggende van zichzelven dat hij wat groots was;

10 welke zij allen aanhingen, van den kleine tot den groote, zeggende: Deze is de groote kracht Gods.

11 En zij hingen hem aan, omdat hij eenen langen tijd met too-verijen hunne zinnen verrukt had.

12 Maar toen zij Filippus geloofden, die het Evangelie van het Koninkrijk Gods en van den naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, beide mannen en vrouwen.

13 En Simon geloofde ook zelf, en gedoopt zijnde bleef gedurig bij Filippus; en ziende de teekenen en groote krachten die daar geschiedden, ontzette hij zich.

14 Als nu de Apostelen die te Jeruzalem waren hoorden, dat Samarië het woord Gods aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes,

15 dewelke afgekomen zijnde baden voor hen, dat zij den Heiligen Geest ontvangen mochten;

16 (want hij was nog op niemand van hen gevallen, maar zij waren alleen gedoopt in den naam des Heeren Jezus.)

17 Toen leiden zij de handen op hen, en zij ontvingen den Heiligen Geest.

18 En als Simon zag dat door de oplegging van de handen der


-ocr page 1210-

HANDELINGEN 9.

156

Apostelen de Heilige Geest gegeven werd, zoo bood hij hun geld aan,

19 zeggende: Geeft ook mij deze macht, opdat zoo wien ik de handen opleg, hij den Heiligen Geest ontvange.

20 Maar Petrus zeide tot hem: Uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend hebt dat de gave Gods door geld verkregen wordt.

21 Gij hebt geen deel noch lot in dit woord, want uw hart is niet recht voor God.

22 Bekeer u dan van deze uwe boosheid, en bid God, of misschien u deze overlegging uws harten vergeven wierd;

23 want ik zie dat gij zijt in eene gansch bittere gal en te-zamenknooping der ongerechtigheid.

24 Doch Simon antwoordende zeide: Bidt gijlieden voor mij tot den Heere, opdat niets over mij

• kome van hetgeen gij gezegd hebt.

25 Zij dan nu, als zij het Woord des Heeren betuigd en gesproken hadden, keerden weder naar Jeruzalem, en verkondigden het Evangelie in vele vlekken der Samaritanen.

26 En een Engel des Heeren sprak tot Filippus, zeggende: Sta op en ga henen tegen het Zuiden, op den weg die van Jeruzalem aidaalt naar Gaza, welke woest is.

27 En hij stond op en ging henen. En zie, een Moorman, een kamerling en een machtig heer van Candacé de Koningin der Mooren, die over al haren schat was, welke was gekomen om aan te bidden te Jeruzalem:

28 en hij keerde weder om, en zat op zijnen wagen, en las den Profeet Jesaja.

29 En de Geest zeide tot Filippus: Ga toe en voeg u bij dezen wagen.

30 En Filippus liep toe, en hoorde hem den Profeet Jesaja lezen, en zeide: Verstaat gij ook hetgeen gij leest?

31 En hij zeide: Hoe zoude ik toch kunnen, zoo mij niet iemand onderricht? En hij bad Filippus dat hij zoude opkomen en bij hem s zitten. 1

32 En de plaats der Schriftuur ( die hij las was deze: Hij is gelijk een schaap ter slachting geleid; 1 en gelijk een lam stemmeloos is ; voor dien die het scheert, alzóó doet hij zijnen mond niet open.

33 In zijne vernedering is zijn oordeel weggenomen, en wie zal zijn geslacht verhalen? Want zijn leven wordt van de aarde weggenomen.

34 En de kamerling antwoordde Filippus en zeide: Ik bid u, van wien zegt de Profeet dit, van zichzelven of van iemand anders?

35 En Filippus deed zijnen mond open , en beginnende van die a Schrift, verkondigde hem Jezus, q

36 En als zij overweg reisden, kwamen zij aan een zeker water, en de kamerling zeide: Zie daar water: wat verhindert mij gedoopt te worden?

37 En Filippus zeide: Indien gij van ganscher harte gelooft, zoo is het geoorloofd. En hij ant- i woordende zeide: Ik geloof dat Jezus Christus de Zoon Gods is.

38 En hij gebood den wagen stil te houden, en zij daalden i beiden af in het water, zoo Filip- ; pus als de kamerling, en hij doopte hem.

39 En toen- zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heeren Filippus weg, en de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijnen weg met blijdschap.

40 Maar Filippus werd gevonden te Azótus; en het land doorgaande, verkondigde hij het Evangelie in alle steden, totdat bij te Gesaréa kwam.

HOOFDSTUK 9.

En Saulus blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen des Heeren, ging tot denHoogepriester,

2 en begeerde brieven van hem naar Damascus aan de Synagogen, opdat zoo hij eenigen die van dien weg waren vond, hij dezelve, beide mannen en vrouwen, zoude gebonden brengen naar Jeruzalem.

3 En als hij reisde is het ge-


-ocr page 1211-

HANDELINGEN 9.

157

schied dat hij nabij Damascus kwam, en hem omscheen snellijk een licht van den hemel;

4 en ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij eene stem die tot hem zeide: Saul, Saul, wat vervolgt gij mij ?

5 En hij zeide; Wie zijt gij Heere ? En de Heere zeide: Ik ben Jezus, dien gij vervolgt: het is u hard de verzenen tegen de prikkels te slaan.

6 En hij bevende en verbaasd zijnde, zeide: Heere, wat wilt gij dat ik doen zal? En de Heere zeide tot hem : Sta op en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden wat gij doen moet.

7 En de mannen die met hem overweg reisden stonden verbaasd, hoorende wel de stem maar niemand ziende.

8 En Saulus stond op van de aarde; en als hij zijne oogen opendeed, zag hij niemand; en zij hem bij de hand leidende, brachten hem te Damascus.

9 En hij was drie dagen dat hij niet zag, en at niet en dronk niet.

10 En daar was een zeker discipel te Damascus, met name Ananias; en de Heere zeide tot hem in een gezicht: Ananias ! En hij zeide: Zie hier ben ik, Heere.

11 En de Heere zeide tot hem : Sta op, en ga in de straat genaamd de Rechte, en vraag in het huis van Judas naar eenen, met name Saulus van Tarsus; want zie, hij bidt,

12 en hij heeft in een gezicht gezien, dat een man met name Ananias inkwam en hem de hand opleide, opdat hij wederom ziende werd.

13 En Ananias antwoordde: Heere, ik heb uit velen gehoord van dezen man, hoe veel kwaad hij uwen heiligen in Jeruzalem gedaan heeft;

14 en hij heeft hier macht van de Overpriesters, om te binden allen die uwen naam aanroepen.

15 Maar de Heere zeide tot hem : Ga henen, want deze is mij een uitverkoren vat, om mijnen naam te dragen voor de heidenen en de Koningen en de kinderen Israels;

16 want ik zal hem toonen hoe veel hij lijden moet om mijnen naam.

17 En Ananias ging henen en kwam in het huis, en de handen op hem leggende , zeide hij: Saul, broeder, de Heere heeft mij gezonden , namelijk Jezus die u verschenen is op den weg dien gij kwaamt, opdat gij weder ziende en met den Heiligen Geest vervuld zoudt worden.

18 En terstond vielen af van zijne oogen gelijk als schellen, en hij werd terstond wederom ziende, en stond op, en werd gedoopt;

19 en als hij spijze genomen had, werd hij versterkt. En Saulus was sommige dagen bij de discipelen die te Damascus waren ;

20 en hij predikte terstond Christus in de Synagogen, dat hij de Zoen Gods is.

21 En zij ontzetteden zich allen, die het hoorden, en zeiden: Is deze niet degene die te Jeruzalem verstoorde die dezen naam aanriepen , en die daarom hier gekomen is, opdat hij dezelve gebonden zoude brengen tot de Overpriesters?

22 Doch Saulus werd meer en meer bekrachtigd, en overtuigde de Joden die te Damascus woonden , bewijzende dat deze de Christus is.

23 En als vele dagen verloopen waren, zoo hielden de Joden te zamen raad om hem te dooden;

24 maar hunne lage werd Saulus bekend. En zij bewaarden de poorten, beide des daagsquot;en des nachts, opdat zij hem dooden mochten;

25 doch de discipelen namen hem des nachts en lieten hem neder door den muur, hem aflatende in eene mand.

2G Saulus nu te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij de discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet geloo-vende dat hij een discipel was.

27 Maar Barnabas hem tot zich nemende, leidde /jem tot de Apostelen , en verhaalde hun hoe hij op den weg den Heere gezien had, en dat hij tot hem gesproken


-ocr page 1212-

HANDELINGEN iO.-

158

had, en hoe hij te Damascus vrij-moediglijk gesproken had in den naam van Jezus.

28 En hij was met hen ingaande en uitgaande te Jeruzalem;

29 en vrijmoediglijk sprekende in den naam des Heeren Jezus, sprak hij ook en handelde tegen de Grieksche Joden-, maar deze trachtten hem te dooden.

30 Doch de broeders dit verstaande, geleidden hem tot Ce-saréa, en zonden hem af naar Tarsus.

31 De gemeenten dan door geheel Judéa en Galiléa en Samarië hadden vrede, en werden gesticht; en wandelende in de vreeze des Heeren en de vertroosting des Heiligen Geestes, werden vermenigvuldigd.

32 En het geschiedde als Petrus alom doortrok , dat hij ook afkwam tot de heiligen die te Lydda woonden.

33 En aldaar vond hij een zeker mensch met name Eneas, die acht jaren te bed gelegen had, welke was geraakt.

34 En Petrus zeide tot hem : Eneas , Jezus Christus maakt u gezond: sta op en spreid uzelven het bed. En hij stond terstond op.

35 En zij zagen hem allen die te Lydda en Saróna woonden, dewelke zich bekeerden tot den Heere.

36 En te Joppe was een zekere discipelin met name Tabitha, hetwelk overgezet zijnde is gezegd Dorcas. Deze was vol van goede werken en aalmoezen die zij deed.

37 En het geschiedde in die dagen dat zij krank werd en stierf; en als zij ze gewasschen hadden , leiden zij haar in de opperzaal.

38 En alzoo Lydda rabij Joppe was, de discipelen hoorende dat Petrus aldaar was, zonden twee mannen tot hem, biddende dat hij niet zoude vertoeven tot hen over te komen.

39 En Petrus stond op en ging met hen; welken zij, als hij daar gekomen was, in de opperzaal leidden; en alle de weduwen stonden bij hem, weenende en too-nende de rokken en kleederen, die Dorcas gemaakt had als zij bij haar was.

40 Maar Petrus hebbende hen allen uitgedreven , knielde neder en bad; en zich keerende tot het lichaam zeide hij : Tabitha, sta op. En zij deed hare oogen open, en Petrus gezien hebbende zat zij overeind;

41 en hij gaf haar de hand en richtte ze op, en de heiligen en de weduwen geroepen hebbende, stelde hij ze levend vóór hen.

42 En dit werd bekend door geheel Joppe, en velen geloofden in den Heere.

43 En het geschiedde dat hij vele dagen te Joppe bleef bij eenen zekeren Simon, eenen lederbe-reider.

HOOFDSTUK 10.

En daar was een zeker man te Gesaréa met name Cornelius, een hoofdman over honderd, uit de bende genaamd de Italiaansche,

2 godzalig, en vreezen de God met geheel zijn huis, en doende vele aalmoezén aan het volk, en God geduriglijk biddende.

3 Deze zag quot;in een gezicht Waarlijk omtrent de negende ure des daags een Engel Gods tot hem inkomen , en tot hem zeggende : Cornelius!

4 En hij de oogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zeide : Wat is het, Heere? En hij zeide tot hem: Uwe gebeden en uwe aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God.

5 En nu, zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon die toe-genaamd wordt Petrus:

6 deze ligt te huis bij eenen Simon , lederbereider, die zijn huis heeft bij de zee; deze zal u zeggen wat gij doen moet.

7 En als de Engel die tot Cornelius sprak weggegaan was, riep hij twee van zijne huisknechten , en eenen godzalige.! krijgsknecht van degenen die gedurig bij hem waren;

8 en als hij hun alles verhaald had, zond hij ze naar Joppe.

9 En des anderen daags, terwijl deze reisden en nabij de stad


-ocr page 1213-

kwamen, klom Petrus op het dak om te bidden, omtrent de zesde ure.

10 En hij werd hongerig en begeerde te eten; en terwijl zij het bereidden, overviel hem eene vertrekking van zinnen,

11 en hij zag den hemel geopend, en een zeker vat tot hem nederdalen, gelijk een groot linnen laken, aan vier hoeken gebonden, en nedergelaten op de aarde;

12 in hetwelk waren alle de viervoetige dieren der aarde, en de wilde en de kruipende diei\'en, en de vogelen des hemels.

13 En daar geschiedde eene stem tot hem: Sta op Petrus, slacht en eet.

14 Maar Petrus zeide; Geenszins Heere; want ik heb nooit gegeten iets dat gemeen of onrein was.

15 En eene stem geschiedde wederom ten tweeden male tot hem: Hetgeen God gereinigd heeft zult gij niet gemeen maken.

16 En dit geschiedde tot driemaal; en het vat werd wederom opgenomen in den hemel.

17 En als Petrus bij zichzelven twijfelde, wat toch het gezicht mocht zijn dat hij gezien had, zie, de mannen die van Cornelius afgezonden waren, gevraagd hebbende naar het huis van Simon, stonden aan de poort;

18 en iemand geroepen hebbende vraagden zij, of Simon toege-naamd Petrus daar te huis lag.

19 En als Petrus over dat gezicht nadacht, zeide de Geest tot hem: Zie, drie mannen zoeken u:

20 daarom sta op, ga af, en reis met hen, niet twijfelende; want ik heb hen gezonden.

21 En Petrus ging af tot de mannen die van Cornelius tot hem gezonden waren, en zeide: Zie, ik ben het dien gij zoekt; wat is de oorzaak waarom gij hier zijt?

22 En zij zeiden: Cornelius, een hoofdman over honderd, een rechtvaardig man, en vreezende God, en die goede getuigenis heeft van het gansche volk der Joden, is door Goddelijke openbaring vermaand van eenen heiligen Engel, dat hij u zoude ontbieden te zijnen

150

huize, en dat hij van u woorden der zaligheid zoude hooren.

23 Als hij ze dan ingeroepen had, ontving hij ze in huis. Doch des anderen daags ging Petrus met hen henen, en sommigen der broederen die van Joppe waren gingen met hem.

24 En des anderen daags kwamen zij te Cesaréa. En Cornelius verwachtte hen,te zamen geroepen hebbende die van zijn maagschap en bijzonderste vrienden.

25 En als het geschiedde dat Petrus inkwam, ging hem Cornelius tegemoet, en vallende aan zijne voeten aanbad hij.

26 Maar Petrus richtte hem op, zeggende: Sta op , ik ben ook zelf een mensch.

27 En met hem sprekende ging hij in, en vond er velen die samengekomen waren;

28 en hij zeide tot hen: Gij weet hoe het eenen Joodschen man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot eenen vreemde; doch God heeft mij getoond dat ik geen mensch zoude gemeen of onrein heeten.

29 Daarom ben ik ook zonder tegenspreken gekomen, ontboden zijnde. Zoo vraag ik dan, om wat reden gijlieden mij hebt ontboden?

30 En Cornelius zeide : Vóór vier dagen was ik vastende tot deze ure toe, en ter negende ure bad ik in mijn huis;

31 en zie, een man stond vóór mij in een blinkend kleed, en zeide: Cornelius, uw gebed is verhoord en uwe aalmoezen zijn voor God gedacht geworden.

32 Zend dan naar Joppe, en ontbied Simon die toegenaamd wordt Petrus: deze ligt te huis in het huis van Simon den lederbe-reider aan de zee, welke hier gekomen zijnde tot u spreken zal.

33 Zoo heb ik dan van stonde aan tot u gezonden, en gij hebt wèl gedaan dat gij hier gekomen zijt. Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te hooren al hetgeen u van God bevolen is.

34 En Petrus den mond opendoende zeide: Ik verneem in der

HANDELINGEN 10.


-ocr page 1214-

HANDELINGEN 41.

waarheid, dat God geen aanne-raer des persoons is;

35 maar in allen volke die hem vreest en gerechtigheid werkt, is hem aangenaam.

36 DU is het woord dat hij gezonden heeft den kinderen Israels, verkondigende vrede door Jezus Christus: deze is een Heer van allen.

37 Gijlieden weet de zaak die geschied is door geheel Judóa, beginnende van Galiléa, na den doop welken Johannes gepredikt heeft,

38 aangaande Jezus van Nazareth , hoe hem God gezalfd heeft met den Heiligen Geest en met kracht; welke het land doorgegaan is goed doende, en genezende allen die van den duivel overweldigd waren; want God was met hem.

39 Kn wij zijn getuigen van al hetgeen hij gedaan heeft, beide in het Joodsche land en te Jeruzalem; welken zij gedood hebben, hem hangende aan een hout.

40 Dezen heeft God opgewekt ten derden dage, en gegeven dat hij openbaar zoude worden,

41 niet al den volke, maar den getuigen die van God te voren verkoren waren, ons namelijk die met hem gegeten en gedronken hebben nadat hij uit de dooden opgestaan was;

42 en hij heeft ons geboden den volke te prediken en Ie betuigen, dat hij is degene die van God verordineerd is tot een Rechter van levenden en dooden.

43 Dezen geven getuigenis alle de Profeten, dat een iegelijk die in hem gelooft vergeving dei-zonden ontvangen za! door zijnen naam.

44 Als Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen die het Woord hoorden.

45 En de geloovigen die uit de besnijdenis waren, zoovelen als er met Petrus waren gekomen, ontzetteden zich dat de gave des Heiligen Geestes ook op de heidenen uitgestort werd;

46 want zij hoorden hen spreken met vreemde talen, en God grootmaken. Toen antwoordde Petrus:

47 Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke den Heiligen Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij?

48 En hij beval dat zij zouden gedoopt worden in den naam des Heeren. Toen baden zij hem dat hij eenige dagen bij hen wilde blijven.

HOOFDSTUK 11.

De Apostelen nu en de broeders die in Judéa waren hebben gehoord, dat ook de heidenen het Woord Gods aangenomen hadden.

2 En toen Petrus opgegaan was naar Jeruzalem , twistten tegen hem degenen die uit de besnijdenis waren,

3 zeggende: Gij zijt ingegaan tot mannen die de voorhuid hebben, en hebt met hen gegeten.

4 Maar Petrus beginnende verhaalde het hun vervolgens, zeggende:

5 Ik was in de stad Joppe biddende, en zag in eene vertrekking van zinnen een gezicht, namelijk een zeker vat, gelijk een groot linnen laken, nederdalende, bij de vier hoeken nedergelaten uit den hemel, en kwam tot bij mij;

6 op welk laken als ik de oogèn hield, zoo merkte ik en zag de viervoetige dieren der aarde, en de wilde en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels.

7 En ik hoorde eene stemme die tot mij zeide : Sta öp Petrus, slacht en eet.

8 Maar ik zeide: Geenszins Heere, want nooit is iets dat gemeen of onrein was in mijnen mond ingegaan.

9 Doch de stemme antwoordde mij ten tweeden male uit den hemel: Hetgeen God gereinigd heeft zult gij niet gemeen maken.

10 En dit geschiedde tot driemaal; en alles werd wederom opgetrokken in den hemel.

11 En zie, terzelfder ure stonden daar drie mannen voor het huis, daar ik in was, die van Gesaréa tot mij afgezonden waren.

12 En de Geest zeide tot mij,


-ocr page 1215-

HANDELINGEN 12.

161

dat ik met hen gaan zoude, niet twijfelende. En met mij gingen ook deze zes broeders, en wij zijn in des mans huis ingegaan;

13 en hij heeft ons verhaald hoe hij eenen Engel gezien had, die in zijn huis stond en tot hem zeide : Zend mannen naar Joppe , en ontbied Simon die toegenaamd is Petrus;

14 die woorden tot u zal spreken, door welke gij zult zalig worden, en geheel uw huis.

15 En als ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, gelijk ook op ons in het begin.

16 En ik werd gedachtig aan het woord des Heeren, hoe hij zeide: Johannes doopte wel met water, maar gijlieden zult gedoopt worden met den Heiligen Geest.

17 Indien dan God hun even-gelijke gave gegeven heeft als ook ons, die in den Heere Jezus Christus geloofd hebben, wie was ik toch die God konde weren?

18 En als zij dit hoorden waren zij tevreden en verheerlijkten God, zeggende: Zoo heeft dan God ook den heidenen de bekeering gegeven ten leven.

19 Degenen nu die verstrooid waren door de verdrukking die over Stefanus geschied was, gingen het land door tot Feniciö toe, en Cyprus, en Antiochië, tot niemand het Woord sprekende dan alleen tot de Joden.

20 En daar waren eenige Cyprische en Cyreneïsche mannen uit hen, welke te Antiochië gekomen zijnde, spraken tot de Griekschen, verkondigende den Heere Jezus.

21 En de hand des Heeren was met hen, en een groot getal geloofde en bekeerde zich tot den Heere.

22 En het gerucht van hen kwam tot de ooren der gemeente die te Jeruzalem was, en zij zonden Barnabas uit, dat hij het land doorging tot Antiochië toe:

23 dewelke daar gekomen zijnde, en de genade Gods ziende, verblijd werd, en vermaande ze allen, dat zij met een voornemen des harten bij den Heere zouden blijven;

24 want hij was een goed man, en vol des Heiligen Geestes en des geloofs. En daar werd eene groote schare den Heere toegevoegd.

25 En Barnabas ging uit naar Tarsus om Saulus te zoeken; en als hij hem gevonden had, bracht hij hem te Antiochië.

26 En het is geschied dat zij een geheel jaar te zamen vergaderden in de gemeente, en eene groote schare leerden, en dat de discipelen het eerst te Antiochië Christenen genaamd werden.

27 En in die dagen kwamen eenige Profeten af van Jeruzalem te Antiochië;

28 en één uit hen met name Agabus stond op, en gaf te kennen door den Geest, dat er een groote hongersnood zoude wezen over de gehecle wereld; dewelke ook gekomen is onder den Keizer Claudius.

29 En naar dat een iegelijk der discipelen vermocht, besloot elk van hen iets te zenden ten dienste der broederen die in Judéa woonden;

30 hetwelk zij ook deden, en zonden het tot de Ouderlingen door de hand van Barnabas en Saulus.

HOOFDSTUK 12.

En omtrent dien tijd sloeg de Koning Herodes de handen aan sommigen van de gemeente, om die kwalijk te behandelen.quot;

2 En hij doodde Jacobus den broeder van Johannes met het zwaard;

3 en toen hij zag dat het den Joden behagelijk was, voer hij voort ook Petrus te vangen (en het waren de dagen der ongehe-velde hrooden);

4 denwelken hij ook gegrepen hebbende, hij in de gevangenis zette, en gaf hem over aan vier wachten, elk van vier krijgsknechten, om hem te bewaren, willende na het Paasch/et\'sf hem voorbrengen voor het volk.

5 Petrus dan werd in de gevangenis bewaard; maar van de ge-


0

-ocr page 1216-

162 HANDEL

meente werd een gedurig gebed tot God voor hem gedaan.

6 Toen hem nu Herodes zoude voorbrengen, sliep Petrus dien nacht tusschen twee krijgsknechten, gebonden met twee ketenen; en de wachters voor de deur bewaarden de gevangenis.

7 En zie, een Engel des Heeren stond daar, en een licht scheen in de woning, en slaande de zijde van Petrus wekte hij hem op, zeggende: Sta haastelijk op. En zijne ketenen vielen af van de handen.

8 En de Engel zeide tot hem: Omgord u en bind uwe schoenzolen aan. En hij deed alzoo. En hij zeide tot hem: Werp uwen mantel om en volg mij.

9 En uitgaande volgde hij hem, en wist niet dat het waarachtig was, hetgeen door den Engel geschiedde, maar hij meende dat hij een gezicht zag.

10 En als zij door de eerste en tweede wacht gegaan waren, kwamen zij aan de ijzeren poort die naar de stad leidt, dewelke van zelf hun geopend werd. En uitgegaan zijnde gingen zij céne straat voort, en terstond scheidde de Engel van hem.

11 En Petrus tot zichzelven gekomen zijnde, zeide: Nu weet ik waarachtiglijk dat de Heere zijnen Engel uitgezonden heeft, en mij verlost heeft uit de hand van Herodes en uit al de verwachting van het volk der Joden.

12 En als hij alles overlegd had, ging hij naar quot;het huis van Maria, de moeder van Johannes, die toe-genaamd was Marcus, alwaar velen te zamen vergaderd en biddende waren.

13 En als Petrus aan de deur van de voorpoort klopte, kwam eene dienstmaagd vóór om te luisteren, met name Rhode;

14 en zij de stem van Petrus bekennende, deed van blijdschap de voorpoort niet open, maar liep naar binnen en boodschapte dat Petrus aan de voorpoort stond.

15 En zij zeiden tot haar: Gij raast. Doch zij bleef daar sterk bij dat het alzoo was. En zij zeiden : Het is zijn Engel.

ING EN 13.

16 Maar Petrus bleef kloppende; en als zij opengedaan hadden, zagen zij hem en ontzetteden zich.

17 En als hij hun met de hand gewenkt had dat ze zwijgen zouden, verhaalde hij hun hoe hem de Heere uit de gevangenis uitgeleid had, en zeide: Boodschapt dit aan Jacobus en de broederen. En hij uitgegaan zijnde reisde naar eene andere plaats.

18 En als het dag was geworden, was daar geen kleine beroerte onder de krijgsknechten, wat toch Petrus mocht geschied zijn.

19 En als Herodes hem gezocht had en niet vond, en de wachters gerechtelijk ondervraagd had, gebood hij dat ze weggeleid zouden worden. En hij vertrok van Judéa naar Gesaréa, en hield zich aldaar.

20 En Herodes had in den zin tegen de Tyriërs en Sidoniërs te krijgen; maar zij kwamen eendrachtiglijk tot hem, en Blastus, die des Konings kamerling was, overreed hebbende, begeerden zij vrede, omdat hun and gespijzigd werd van des Konings land.

21 En op eenen gezetten dag Herodes een koninklijk kleed aangedaan hebbende, en op den rechterstoel gezeten zijnde, deed een rede tot hen;

22 en het volk riep hem toe: Een stemme Gods en niet eens menschen!

23 En van stonde aan sloeg hem een Engel des Heeren, daarom dat hij Gode de eer niet gaf, en hij werd van de wormen gegeten en gaf den geest.

24 En het Woovd Gods wies en vermenigvuldigde.

25 Barnabas nu en Saulus keerden weder van Jeruzalem, als zij den dienst volbracht hadden, medegenomen hebbende ook Johannes die toegenaamd werd Marcus.

HOOFDSTUK 13.

En daar waren te Antiochië in de gemeente die daar was, eenige Profeten en Leeraars, namelijk Barnabas, en Simeon genaamd Niger, en Lucius van Cyrene, en


-ocr page 1217-

HANDELINGEN 13.

163

Manahen die met Herodes den viervorst opgevoed was, en Saulus.

2 En als zij den Heere dienden, en vastten, zeide de Heilige Geest: Zondert mij af beide Barnabas en Saulus tot het werk waartoe ik ze geroepen heb.

3 Toen vastten en baden zij, en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij ze gaan.

4 Dezen dan uitgezonden zijnde van den Heiligen Geest, kwamen af naar Seleucië, en van daar voeren zij af naar Cyprus;

5 en gekomen zijnde te Salamis, verkondigden zij het Woord Gods in de Synagogen der Joden; en zij hadden ook Johannes tot eenen dienaar.

6 En als zij het eiland doorgegaan waren tot Pafos toe, vonden zij eenen zekeren toovenaar, eenen valschen Profeet, eenen Jood wiens naam was Bar-Jezus,

7 welke was bij den Stadhouder Sergius Paulus, eenen verstandi-gen man. Deze, Barnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer het Woord Gods te hooren;

8 maar Elymas de toovenaar (want alzoo wordt zijn naam overgezet) wederstond hen, zoekende den Stadhouder van het geloof af te keeren.

9 Doch Saulus (die ook Paulus genaamd is) vervuld met den Heiligen Geest, en de oogen op hem houdende, zeide:

10 O gij kind des duivels, vol van alle bedrog en van alle arglistigheid, vijand van alle gerechtigheid, zult gij niet ophouden te verkeeren de rechte wegen des Heeren?

11 En nu zie, de hand des Heeren is tegen u, en gij zult blind zijn en de zon niet zien voor eenen tijd. En van stonde aan viel op hem donkerheid en duisternis, en rondom gaande zocht hij die hem met de hand mochten leiden.

12 Als de Stadhouder zag \'tgeen geschied was, toen geloofde hij , verslagen zijnde over de leer dés Heeren.

13 En Paulus en die met hem waren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, eónó stad in Pamfylië; maar Johannes van hen scheidende keerde weder naar Jeruzalem.

14 En zij van Perge het land doorgaande, kwamen te Antiochië, eene stad in Pisidië; en gegaan zijnde in de Synagoge op den dag des sabbats, zaten zij neder.

15 En na het lezen der Wet en der Profeten zonden de oversten der Synagoge tot hen, zeggende; Mannen broeders, indien daar cenifj woord van vertroosting tot het. volk in u is, zoo spreekt.

1G En Paulus stond op en wenkte met de hand, en zeide: Gij Israëlitische mannen en gij die God vreest, hoort toe.

17 De God van dit volk Israël heeft onze vaderen uitverkoren, en het volk verhoogd als zij vreemdelingen waren in het land van Egypte, en heeft ze met een hoo-geri arm daaruit geleid;

18 en heeft omtrent den tijd van veertig jaren hunne zeden verdragen in de woestijn;

19 en zeven volkeren uitgeroeia hebbende in het land Kanaan, heeft hun door het lot het lanil derzelve uitgedeeld;

20 en daarna, omtrent vierhonderd en vijftig jaren, gaf hij hun richters, tot op Samuël den Profeet.

21 En van toen aan begeerden zij eenen Koning, en God gaf hun Saul den zoon van Kis, eenen man uit den stam Benjamin, veertig jaren;

22 en dezen afgezet hebbende, verwekte hij hun David tot eenen Koning; denwelken hij ook getuigenis gaf, en zeide: Ik heb gevonden David den zoon van Isaï, eenen man naar mijn hart, die al mijnen wille zal doen.

23 Van dezes zaad heeft God Israël, naar de belofte, verwekt den Zaligmaker Jezus,

24 als Johannes eerst al den volke Israëls vóór zijne aankomst gepredikt had den doop der bekeering.

25 Doch als Johannes den loop vervulde, zeide hij: Wie meent gijlieden dat ik ben?^ Ik ben de Christus niet; maar zie, hij komt


-ocr page 1218-

HANDELINGEN 13.

164

na mij, wien ik niet waardig ben de schoenen zijner voeten te ontbinden.

26 Mannen broeders, kinderen van het geslacht Abrahams, en wie onder u God vreezen, tot u is het Woord dezer zaligheid gezonden.

27 Want die te Jeruzalem wonen, en hunne oversten, dezen niet kennende, hebben ook de stemmen der Profeten, die op eiken sahheLldag gelezen worden, hem veroordeelende, vervuld;

28 en geene oorzaak des doods vindende, hebben zij van Pilatus begeerd dat hij zoude gedood worden;

29 en als zij alles volbracht hadden wat van hem geschreven was, namen zij hem af van het hout en leiden hem in het graf.

30 Maar God heeft hem uit de dooden opgewekt;

31 welke gezien is geweest, vele dagen lang, van degenen die met hem opgekomen waren van Gali-léa naar Jeruzalem, die zijne getuigen zijn bij het volk.

32 En wij verkondigen u de belofte die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God dezelve vervuld heeft aan ons hunne kinderen , als hij Jezus verwekt heeft:

33 gelijk ook in den tweeden Psalm geschreven staat: Gij zijt mijn Zoon, heden heb ik u gegenereerd.

34 En dat hij hem uit de dooden heeft opgewekt, alzoo dat hij niet meer zal tot verderving keeren, heeft hij aldus gezegd: Ik zal ulieden de weldadigheden Davids geven, die getrouw zijn:

35 waarom hij ook in eenen anderen Psalm zegt: Gij zult uwen Heilige niet overgeven om verderving te zien.

36 Want David, als hij in zijnen tijd den raad Gods gediend had, is ontslapen, en is bij zijne vaderen gelegd, en heeft wèl verderving gezien;

37 maar hij, dien God opgewekt heeft, heeft geene verderving gezien.

38 Zoo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door dezen u vergeving der zonden verkondigd wordt;

89 en dat van alles, waarvan gij niet kondt gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes, door dezen een iegelijk die gelooft gerechtvaardigd wordt.

40 Ziet dan toe dat over ulieden niet kome hetgeen, gezegd is in de Profeten:

41 Ziet, gij verachters, en verwondert u, en verdwijnt; want ik werk een werk in uwe dagen, een werk hetwelk gij niet zult ge-looven zoo het u iemand verhaalt.

42 En als de Joden uitgegaan waren uit de Synagoge, baden de heidenen dat tegen den naasten sabbat hun dezelfde woorden zouden gesproken worden.

43 En als de Synagoge gescheiden was, volgden velen van de Joden en van de godsdienstige Jodenge-nooten Paulus en Barnabas; welke tot hen spraken, en hen vermaanden te blijven bij de genade Gods.

44 En op den volgenden sabbat kwam bijna de geheele stad te zamen om het Woord Gods te hooren.

45 Doch de Joden de scharen ziende werden met nijdigheid vervuld, en wederspraken hetgeen van Paulus gezegd werd, wedersprekende en lasterende.

46 Maar Paulus en Barnabas vrij moedigheid gebruikende zeiden: Met was noodig dat eerst tot u het Woord Gods gesproken zoude worden; dochnademaal gij hetzelve verstoot, en uzelven des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, zie, wij keeren ons tot. de heidenen.

47 Wantalzóó heeftons de Heere geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde.

48 Als nu de heidenen dit hoorden , verblijdden zij zich en prezen het Woord des Heeren, en daar geloofden zoovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven;

49 en het Woord des Heeren werd door het geheele land uitgebreid.

50 Maar de Joden maakten öp de godsdienstige en eerbare vrouwen en de voornaams ten van de


-ocr page 1219-

HANDELINGEN 14.

165

stad, en verwekten vervolging tegen Paul us en Barnabas, en wierpen ze uit hunne landpalen.

51 Doch zij schuddeden het stof van hunne voeten af tegen dezelve, en kwamen te Iconium;

52 en de discipelen werden vervuld met blijdschap en met den Heiligen Geest.

HOOFDSTUK 14.

En het geschiedde te Iconium, dat zij te zamen gingen in de Synagoge der Joden , en alzóó spraken , dat eene groote menigte beide van Joden en Grieken geloofde.

2 Maar de Joden die ongehoorzaam waren verwekten en verbitterden de zielen der heidenen tegen de broeders.

3 Zij verkeerden dan aldaar eenen langen tijd. vrijmoediglijk sprekende in den Heere, die getuigenis gaf aan het woord zijner genade, en gaf dat teekenen en wonderen geschiedden door hunne handen.

4 En de menigte der stad werd verdeeld, en sommigen waren met de Joden, en sommigen met de Apostelen.

5 En als daar een oploop geschiedde beide van heidenen en van Joden, met hunne oversten, om hun smaadheid aan te doen en hen te steenigen,

6 zijn zij, alles overlegd hebbende, gevlucht naar de steden van Lycaonië, namelijk Lystra en Derbe, en het omliggende land,

7 en verkondigden aldaar het Evangelie.

8 En een zeker man te Lystra zat onmachtig aan de voélen, kreupel zijnde van zijn moeders lijf, die nooit had gewandeld.

9 Deze hoorde Paulus spreken; welke de oogen op hem houdende, en ziende dat hij geloof had om gezond te worden,

10 zeide met groote stemme : Sta recht op uwe voeten. En hij sprong op en wandelde.

11 En de scharen ziende hetgeen Paulus gedaan had, verhieven hunne stemmen en zeiden in \'t Lycaonisch: De goden zijn den menschen gelijk geworden en tot ons nedergekomen:

12 en zij noemden Barnabas Jupiter, en Paulus Mercurius, omdat hij het woord voerde.

13 En de Priester van Jupiter die vóór hunne stad was, als hij ossen en kransen aan de voorpoorten gebracht had, wilde hij offeren met de scharen.

14 Maar de Apostelen Barnabas en Paulus dat hoorende, scheurden hunne kleederen en sprongen onder de schare, roepende

15 en zeggende: Mannen, waarom doet gij deze dingen? Wij zijn óók menschen van gelijke bewegingen als gij, en verkondigen ulieden, dat gij u zoudt van deze ijdele dingen bekeeren tot den levenden God, die gemaakt heeft den hemel en de aarde en de zee en al hetgeen in dezelve is:

10 welke in de verledene tijden alle de heidenen heeft laten wandelen in hunne wegen;

17 hoewel hij nogtans zichzelven niet onbetuigd gelaten heeft, goed doende van den hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende , vervullende onze harten met spijze en vroolijkheid.

18 En dit zeggende wederhielden zij nauwelijks de scharen, dat zij hun niet offerden.

19 Maar daarover kwamen Joden van Antiochië en Iconium, en overreedden de scharen, en stee-nigden Paulus, en sleepten hem buiten de stad, meenende dat hij dood was.

20 Doch als hem de discipelen omringd hadden, stond hij op en kwam in de stad; en des anderen daags ging hij met Barnabas uit naar Derbe.

21 En als zij aan die stad het Evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt hadden, keerden zij weder naar Lystra en Iconium en Antiochië,

22 versterkende de zielen der discipelen, en vermanende dat ze zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in het Koninkrijk Gods.

23 En als zij hun in elke ge-


-ocr page 1220-

166

meenle met opsteken der handen Ouderlingen verkoren hadden, gebeden hebbequot;nde met vasten, bevalen zij ze den Heere in welken zij geloofd hadden.

24 En Pisidiö doorgereisd hebbende, kwamen zij inPamfylië;

25 en als zij te Perge het Woord gesproken hadden kwamen zij af naar Attalië;

26 en van daar voeren zij af naar Antiochië, van waar zij der genade Gods bevolen waren geweest tot het werk dat zij volbracht hadden.

27 En daar gekomen zijnde, en de gemeente vergaderd hebbende, verhaalden zij wat groote dingen God met hen gedaan had, en dat hij den heidenen de deur des ge-loofs geopend had.

28 En zij verkeerden aldaar geenen kleinen tijd met de discipelen.

HOOFDSTUK 15.

En sommigen die afgekomen waren van Judca leerden de broederen , zeggende: Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zoo kunt gij niet zalig worden.

2 Als er dan geen kleine wederstand en twisting geschiedde bij Paulus en Barnabas tegen hen , zoo hebben zij geordineerd dat Paulus en Barnabas en eenige anderen uit hen zouden opgaan tot de Apostelen en Ouderlingen naar Jeruzalem, over deze vraag.

3 Zij dan van de gemeente uitgeleid zijnde, reisden door Fenicië en Samarië, verhalende de bekeering der heidenen, en deden allen den broederen groote blijdschap aan.

4 En te Jeruzalem gekomen zijnde, werden zij ontvangen van de gemeente en de Apostelen en de Ouderlingen ; en zij verkondigden wat groote dingen God met hen gedaan had.

5 Maar, zeiden zij, daar zijn sommigen opgestaan\' van die van de sekte der Farizeërs, die ge-oovig zijn geworden, zeggende dat men hen moet besnijden, en gebieden de wet van Mozes te onderhouden.

6 En de Apostelenen de Ouderlingen vergaderden te zamen om op deze zake te letten.

7 En als daarover groote twisting geschiedde, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet dat God van vóór langen tijd onder ons mij\'verkoren heeft, dat de heidenen door mijnen mond het Woord des Evangelies zouden hooren en gelooven.

8 En God, de kenner der harten, heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende den Heiligen Geest gelijk als ook ons,

9 en heeft geer. onderscheid gemaakt tusschen ons en hen , gereinigd hebbende hunne harten door het geloof.

10 Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, \'t welk noch onze vaderen noch wij hebben kunnen dragen?

11 Maar wij gelooven door de genade des Heerer. Jezus Christus zalig te worden op zulke wijze als ook zij.

12 En al de menigte zweeg stil, en zij hoorden Barnabas en Paulus verhalen, wat groote teekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had.

13 En nadat dezen zwegen antwoordde Jacobus, zeggende: Mannen broeders, hoort mij.

14 Simeon heeft verhaald hoe God eerst de heidenen heeft bezocht, om uit hen een volk aan te nemen voor zijnen naam.

15 En hiermede stemmen overéén de woorden der Profeten, gelijk geschreven is:

16 Na dezen zal ik wederkeeren en weder opbouwen den Tabernakel Davids die vervallen is, en hetgeen daarvan verbroken is weder opbouwen, en ik zal denzei ven weder oprichten,

17 opdat de overblijvende men-schen den Heere zoeken, en alle de heidenen over welke mijn naam aangeroepen is. spreekt de Heere die dit alles doet.

18 Gode zijn alle zijne werken van eeuwigheid bekend.

HANDELINGEN 15.


-ocr page 1221-

IIA N D E L

19 Daarom oordeel ik, dat men degenen die uit de heidenen zich tot God bekeeren niet beroere,

20 maar hun zal aanschrijven, dat zij zich onthouden van de dingen die door de afgoden besmet zijn, en van hoererij, en van het verstikte, en van bloed.

21 Want Mozes heeft er van oude tijden in elke stad die hem prediken, en hij wordt op eiken sabbat in de Synagoge gelezen.

22 Toen heeft het den Apostelen en den Ouderlingen met de ge-heele gemeente goed gedacht, ceni-fje mannen uit zich te verkiezen en met Paulus en Barnabas te zenden naar Antiochië, namelijk Judas die toegenaamd wordt Bar-sabas, en Silas, mannen die voorgangers waren onder de broeders;

23 en zij schreven door hen dit navolgende: De Apostelen en de Ouderlingen en de broeders iven-schen den broederen uit de heidenen, die in Antiochië en Syrië en Cilicië zijn, zaligheid.

24 Nademaal wij gehoord hebben dat sommigen, die van ons uitgegaan zijn, u met woorden ontroerd hebben, en uwe zielen wankelend gemaakt, zeggende dat gij moet besneden worden en de wet onderhouden, welken wij dat niet bevolen hadden,

25 zoo heeft het ons eendrachtiglijk te zamen zijnde goed gedacht, eenige mannen te verkiezen en tot u te zenden met onze geliefden Barnabas en Paulus,

26 menschen die hunne zielen overgegeven hebben voor den naam onzes Heeren Jezus Christus.

27 Wij hebben dan Judas en Silas gezonden, die óók met den mond hetzelfde zullen verkondigen.

28 Want het heeft den Heiligen Geest en ons goed gedacht, ulieden geenen meerderen last op te leggen dan deze noodzakelijke dingen:

29 namelijk dat gij u onthoudt van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij; van welke dingen indien gij uzelven wacht, zoo zult gij wèl doen. Vaartwel.

30 Dezen dan hun afscheid ontvangen hebbende, kwamen te An-

N G E N 16. 167

tiochië; en de menigte vergaderd hebbende, gaven zij den brief over.

31 En zij, dien gelezen hebbende, verblijdden zich over de vertroosting.

32 Judas nu en Silas, die ook zelve Profeten waren, vermaanden de broeders met vele woorden, en versterkten ze.

33 En als zij daar een tijd lang vertoefd hadden, lieten hen de broeders tvederorn gaan met vrede tot de Apostelen.

34 Maar het dacht Silas goed aldaar te blijven.

35 En Paulus en Barnabas onthielden zich te Antiochië, leerende en verkondigende met nog vele anderen het Woord des Heeren.

3(3 En na eenige dagen zeide Paulus tot Barnabas: Laat ons nu wederkeeren, en bezoeken onze broeders in elke stad in welke wij het Woord des Heeren verkondigd hebben, hoe zij het hebben.

37 En Barnabas ried dat zij Johannes, die genaamd is Marcus, zouden medenemen;

38 maar Paulus achtte billijk dat men dien niet zoude mede-nemen, die van Pamfylië af van hen was afgeweken, en met hen niet was gegaan tot het werk.

39 Er ontstond dan eene verbittering, alzoo dat zij van elkander gescheiden zijn, en dat Barnabas Marcus medenam en naar Cyprus afvoer.

40 Maar Paulus verkoos Silas, en reisde henen, der genade Gods van de broederen bevolen zijnde;

41 en hij doorreisde Syrië en Cilicië, versterkende de gemeenten.

HOOFDSTUK 16.

En hij kwam te Derbe en Lys-tra. En zie, aldaar was een zeker discipel met name Timotheüs, zoon van eene geloovige Joodsche vrouw, maar van eenen Griekschen vader;

2 welken goede getuigenis gegeven werd van de broederen te Lystra en Iconium.

3 Dezen wilde Paulus dat met hem zoude reizen; en hij nam en besneed hem, om der Joden wille die in die plaatsen waren; want


-ocr page 1222-

168 HANDEL]

zij kenden allen zijnen vader dat hij een Griek was.

4 En als zij de steden doorreisden, gaven zij hun de ordonnantiën over, die van de Apostelen en de Ouderlingen te Jeruzalem goed gevonden waren, om die te onderhouden.

5 De gemeenten dan werden bevestigd in het geloof, en werden dagelijks overvloediger in getal.

b En als zij Frygic en het land van Galatië doorgereisd hadden, werden zij van den Heiligen Geest verhinderd het Woord in Azië te spreken;

7 en aan Mysië gekomen zijnde, poogden zij naar Bithynië te reizen, en de Geest liet het hun niet toe;

8 en zij Mysië voorbij gereisd zijnde, kwamen af naar Troas.

9 En van Paulus werd in den nacht een gezicht gezien: daar was een Macedonisch man staande, die hem bad en zeide: Kom over in Macedonië en help ons.

10 Als hij nu dit gezicht gezien had, zoo zochten wij terstond naar Macedonië te reizen, besluitende daaruit, dat ons de Heere geroepen had om denzelven het Evangelie te verkondigen.

11 Van Troas dan afgevaren zijnde, liepen wij recht naar Sa-mothrace, en den volgenden day naar Neapolis;

12 en van daar naar Filippi, welke is de eerste stad van dit deel van Macedonië, een kolonie; en wij onthielden ons in die stad ettelijke dagen.

13\'En op den dag des sabbats gingen wij buiten de stad aan de rivier, waar het gebed placht te geschieden, en nedergezeten zijnde spraken wij tot de vrouwen die te zamen gekomen waren.

14 En eene zekere vrouw met name Lydia, eene purperverkoop-ster van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; welker harte de Heere heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd.

15 En als zij gedoopt was en haar huis, bad zij ons, zeggende: Indien gij hebt geoordeeld dat ik

NGEN 16*

den Heere getrouw ben, zoo komt in mijn huis en blijft er; en zij dwong ons.

16 En het geschiedde als wij tot het gebed henengingen, dat eene zekere dienstmaagd, hebbende eenen waarzeggenden geest, ons ontmoette, welke haren heeren groot gewin toebracht met waarzeggen.

17 Deze volgde Paulus en ons achterna, en riep, zeggende: Deze menschen zijn dienstknechten Gods des Allerhoogsten, die ons den weg der zaligheid verkondigen.

18 En dit deed zij vele dagen lang. Maar Paulus daarover ontevreden zijnde, keerde zich om en zeide tot den c;eest: Ik gebied u in den naam van Jezus Christus dat gij van haar uitgaat. En hij ging uit terzelfder ure.

19 Als nu de heeren van dezelve zagen dat de hoop huns gewins weg was, grepen zij Paulus en Silas en trokken ze naar de markt voor de oversten;

20 en als zij ze tot de hoofdmannen gebracht hadden, zeiden zij : Deze menschen beroeren onze stad, daar zij Joden zijn;

21 en zij verkondigen zeden die ons niet geoorloofd zijn aan te nemen of te doen, alzoo wij Romeinen zijn.

22 En de schare stond gezamenlijk tegen hen op; en de hoofdmannen hun de kleederen afgescheurd hebbende, bevalen ze te geeselen;

23 en als zij hun vele slagen gegeven hadden, wierpen zij ze in de gevangenis, en geboden den stokbewaarder dat hij ze zekerlijk bewaren zoude:

24 dewelke zulk een gebod ontvangen hebbende, wierp hen in den binnensten kerker en verzekerde hunne voeten in den stok.

25 En omtrent middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gode lofzangen, en de gevangenen hoorden naar hen.

26 En daar geschiedde snellijk eene groote aardbeving, alzoo dat de fundamenten des kerkers bewogen werden; en terstond werden alle de deuren geopend, en


-ocr page 1223-

H A N D E LIN G E N 17.

169

de banden van allen werden los.

27 En de stokbewaarder wakker geworden zijnde, en ziende de deuren der gevangenis geopend, trok een zwaard en zoude zich-zelven omgebracht hebben, mee-nende dat do gevangenen ontvloden waren.

28 Maar Paulus riep metgroote stem, zeggende: Doe uzelven geen kwaad ; want wij zijn allen hier.

29 En als hij ïicht geëischt had, sprong hij in en werd zeer bevende en viel neder aan do voeten van Paulus en Silas;

30 en hen buiten gebracht hebbende , zeide hij : Lieve heeren , wat moet ik dóen opdat ik zalig worde ?

31 En zij zeiden: Geloof in den Heere Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis.

32 En zij spraken tot hem het Woord desl-lecren, en tot allen die in zijn huis waren.

33 En hij nam hen tot zich in die ure des nachts, en wiesch hen van de striemen; en hij werd terstond gedoopt, en alle de zijnen;

34 en hij bracht ze in zijn huis, en zette hun de tafel voor, en verheugde zich dat hij met al zijn huis aan God geloovig geworden was.

35 En als het dag geworden was, zonden de hoofdmannen de stadsdienaars, zeggende: Laat die menschen los.

36 En de stokbewaarder boodschapte deze woorden aan Paulus, zeggende : De hoofdmannen hebben gezonden dat gij zoudt losgelaten worden: gaat dan nu uit en reist henen in vrede.

37 Maar Paulus zeide tot hen: Zij hebben ons. die Romeinen zijn, onveroordeeld in \'t openbaar gc-geeseld en in de gevangenis geworpen , en werpen ze ons nu heimelijk daaruit? Niet alzoo; maar dat zo zeiven komen en ons uitleiden.

38 En de stadsdienaars boodschapten deze woorden wederom den hoofdmannen; en zij werden bevreesd, hoerende dat zij Romeinen waren;

39 en zij komende baden hen, en als zij ze uitgeleid hadden begeerden zij dat ze uit de stad gaan zouden.

40 En uitgegaan zijnde uit de gevangenis, gingen zij in bij Ly-dia ; en de broeders gezienquot; hebbende , vertroostten zij hen, en gingen uit de stad.

HOOFDSTUK 17.

En door Amfipolis en Apollonia hunnen weg genomen hebbende, kwamen zij te Thessalom\'ca, alwaar eene Synagoge der Joden was.

2 En*Paulus, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in, en drie sabbaten lang handelde hij met hen uit de Schriften,

3 dezelve openende, en voor oogen stellende dat de Christus moest lijden en opstaan uit de dooden, en dat deze Jezus is de Christus, dien ik, zeide hij, ulieden verkondig.

4 En sommigen uit hen geloofden en werden Paulus en Silas toegevoegd, en van de godsdienstige Grieken eenegroote menigte, en van de voornaamste vrouwen niet weinige.

5 Maar de Joden die ongehoorzaam waren dit benijdende, namen tot zich eenige booze mannen uit de marktboeven, en maakten dat het volk te hoop liep, en beroerden de stad; en op het huis Jasons aanvallende, zochten zij ze tot het volk te brengen.

6 En als zij ze niet vonden , trokken zij Jason en eenige broeders voor de oversten cler stad, roepende : Dezen, die de wereld in beroering hebben gebracht, zijn ook hier gekomen ,

7 welke Jason in zijn huis genomen heeft; en alle dezen doen tegen de geboden des Keizers, zeggende dat er een andere Koning is, namelijk Jezus.

8 En zij beroerden de schare en de oversten der stad die dit hoorden ;

9 doch als zij van Jason en de anderen vergenoeging ontvangen hadden, lieten zij ze gaan.

10 En de broeders zonden terstond des nachts Paulus en Silas weg naar Beréa; welke daar ge-


-ocr page 1224-

170 HANDEL]

komen zijnde gingen henen naar de Synagoge der Joden: . 11 en dezen waren edeler dan die te Thessalomca waren , als die het Woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen al zoo waren.

12 Velen dan uit hen geloofden, en van de Grieksche eerbare vrouwen en van de mannen niet weinige;

13 maar als de Joden van Thes-salomca verstonden dat het Woord Gods ook te Beréa van Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar en bewogen de scharen.

14 Doch de broeders zonden toen van stonde aan Paulus weg, dat hij ging als naar de zee ; maar Silas en Timotheüs bleven aldaar.

15 En die Paulus geleidden brachten hem tot Athene toe, en als zij bevel gekregen hadden aan Silas en Timotheüs, dat zij op het spoedigst tot hem zouden komen, vertrokken zij.

16 En terwijl Paulus hen te Athene verwachtte, werd zij n geest in hem ontstoken, ziende dat de stad zoo zeer afgodisch was.

17 Hij handelde dan in de Synagoge met de Joden en met degenen die godsdienstig waren, en op de markt alle dagen met degenen die hem voorkwamen.

18 En sommigen van de Epicu-reïsche en Stoïsche filosofen streden met hem, en sommigen zeiden : Wat wil toch deze klapper zeggen? maar anderen zeiden : Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden, omdat hij hun Jezus en de opstanding verkondigde.

19 En zij namen hem en brachten hem op de plaats genaamd Areopagus, zeggende: Kunnen wij niet weten welke deze nieuwe leer is daar gij van spreekt?

20 Want gij brengt eenige vreemde dingen voor onze, ooren: wij willen dan weten wat toch dit zijn wil.

21 (Die van Athene nu allen, en de vreemdelingen die zich daar onthielden, besteedden hunnen

N GEN 17.

tijd tot niets anders dan om wat nieuws te zeggen en te hoeren.)

22 En Paulus staande in het midden van de plaats genaamd Areopagus , zeide: Gij mannen van Athene, ik bemerk dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt;

23 want de stad doorgaande, en aanschouwende uwe heiligdommen , heb ik ook een altaar gevonden op hetwelk een opschrift stond: Den onbekenden God. Dezen dan, dien gij niet kennende dient, verkondig ik ulieden.

24 De God die de wereld gemaakt heeft en alles dat daarin is, deze zijnde een Heere des hemels en der t.arde, woont niet in tempelen met handen gemaakt,

25 en wordt ook van menschen-handen niet gediend als iets behoevende, alzoo hij zelf allen het leven en den adem en alle dingen geeft;

26 en heeft Uit éénen bloede het gansche geslacht der menschen gemaakt, om op den geheelen aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden te voren geordineerd, en de bepalingen van hunne woning,

27 opdat zij den Heere zouden zoeken, of zij hem immers tasten en vinden mochten, hoewel hij niet verre is van een iegelijk van ons.

28 Want in hem leven wij , en bewegen wij ons, en zijn wij, gelijk ook eènigen van uwe poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook zijn geslachte.

29 Wij dan zijnde Gods geslachte, moeten niet meenen dat de Godheid goud of zilver of steen gelijk zij, welke door menschen-kunst en bedenking gesneden zijn.

30 God dan de tijden der onwetendheid overgezien hebbende, verkondigt nu allen menschen alom dat zij zich bekeeren:

31 daarom dat hij eenen dag gesteld heeft op welken hij den aardbodem rechtvaardiglijk zal oordeelen, door eenen man dien hij daartoe geordineerd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl hij hem uit de dooden opgewekt heeft,


-ocr page 1225-

HANDEL

32 Als zij nu van de opstanding der dooden hoorden, spotteden sommigen daarmede, en sommigen zeiden: Wij zullen u wederom hiervan hooren.

33 En alzoo Is Paulus uit het midden van hen weggegaan ;

34 doch sommige mannenhingen hem aan en geloofden, onder welke was ook Dionysius de Areopagiet, en eene vrouw\' met name Damaris, en anderen met dezelve.

HOOFDSTUK 18.

En na dezen scheidde Paulus van Athene en kwam te Gorinthe,

2 en vond eenen zekeren Jood met name Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs van Italië gekomen was, en Priscilla zijne vrouw , (omdat Claudius bevolen had dat alle de Joden uit Rome vertrekken zouden), en hij ging tot hen;

3 en omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen en wrocht; want zij waren tentenmakers van handwerk.

4 En hij handelde op eiken sabbat in de Synagoge, en bewoog tot het geloot\' -loden en Grieken.

5 En als Silas en Timotheüs van Macedonië afgekomen waren, werd Paulus door den Geest gedrongen, betuigende den Joden dat Jezus is de Christus.

6 Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij zijne kleederen af en zeide tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein, eii van nu af zal ik tot de heidenen henengaan.

7 En van daar gegaan zijnde, kwam hij in het huis van eenen man met name Justus, die God diende, wiens huis paalde aan de Synagoge.

8 En Crispus de overste der Synagoge geloofde aan den Heere met geheel zijn huis, en velen van de Corinthiërs hem hoorende geloofden en werden gedoopt.

9 En de Heere zeide tot Paulus door een gezicht in den nacht: Wees niet bevreesd, maar spreek, en zwijg niet;

10 want ik ben met u, en niemand zal de hand aan u leggen

NGEN 18. 171

om u kwaad te doen; want ik heb veel volks in deze stad.

11 En hij onthield zich aldaar een jaar en zes maanden, leerende onder hen het woord Gods.

12 Maar als Gallio Stadhouder van Achaje was, stonden de Joden eendrachtiglijk tegen Paulus op, en brachten hem voor den rechterstoel,

13 zeggende: Deze raadt den menschen aan, dat ze God zouden dienen tegen de wet.

14 En als Paulus zijnen mond zoude opendoen, zeidè Gallio tot de Joden: Zoo daar eenig ongelijk of kwaad stuk begaan ware, o Joden, zoo zoude ik met reden ulieden verdragen;

15 maar indien daar geschil is over een woord en namen en over de wet die onder u is, zoo zult gijzelven toezien, want ik wil over deze dingen geen rechter zijn.

1G En hij dreef ze weg van den rechterstoel.

17 Maar alle de Grieken namen Sosthenes den overste der Synagoge en sloegen hem voor den rechterstoel; en Gallio trok zich geen van deze dingen aan.

18 En als Paulus daar nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broederen, en voer van daar naar Syrië, en Priscilla en Aquila met hem, zijn hoofd te Cenchrea geschoren hebbende , want hij had eene gelofte gedaan.

19 En hij kwam te Efeze aan, en liet ze aldaar; maar hij ging in de Synagoge en handelde met Joden.

20 En als zij baden dat hij langer bij hen \'blijven zoude, bewilligde hij het niet,

21 maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet noodzakelijk het toekomende feest te Jeruzalem houden; doch ik zal tot u wederkeeren, zoo God wil; en hij voer weg van Efeze.

22 En als hij te Cesaréa was gekomen, ging hij op naar Jeruzalem , en de gemeente gegroet hebbende, ging hij af naar An-tiochië;

23 en als hij aldaar eenigen tijd geweest was. ging hij weg,


-ocr page 1226-

172 HANDEL

cn doorreisde vervolgens het land van Galatië en Frygië, versterkende alle de discipelen.

24 En een zekere Jood met name Apollos, van geboorte een Alexan-driër, een welsprekend man,kwam te Efeze, machtig zijnde in de Schriften.

25 Deze was in den weg des Heeren onderwezen; en vurig zijnde van geest, sprak hij en leerde naarsiiglijk de zaken des Heeren, wetende alleenlijk den doop van Johannes;

26 en deze begon vrijmoediglijk te spreken in de Synagoge. En als hem Aquila en Priscilla gehoord hadden, namen zij hem tot zich en leiden hem den weg Gods nauwkeuriger uit.

27 En als hij wilde naar Achaje reizen, schreven de broeders, hem vermaand hebbende, aan de discipelen dat zij hem ontvangen zouden; welke quot;daar gekomen zijnde veel heeft toegebracht aan degenen die geloofden door de genade.

28 Want hij overtuigde de Joden met grooten ernst in \'t openbaar, bewijzende door de Schriften dat Jezus de Christus was.

HOOFDSTUK 19.

En het geschiedde terwijl Apollos te Gorinthe was, dat Paulus de bovenste deelen des lands doorreisd hebbende te Efeze kwam; en eenige discipelen aldaar vindende ,

2 zeide hij tot hen: Hebt gij den Heiligen Geest ontvangen als gij geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord of daar een Heilige Geest is.

3 En hij zeide tot hen: Waarin zijt gij dan gedoopt ? En zij zeiden: In den doop van Johannes.

4 Maar Paulus zeide: Johannes heeft wel gedoopt den doop der bekeering, zeggende tot het volk dat zij gelooven zouden in dengenen die na hem kwam, dat is in Christus Jezus.

5 En die hem hoorden werden gedoopt in den naam des Heeren Jezus;

NGEN 19.

6 en als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen, en zij spraken met vreemde talen en profeteerden.

7 En alle dezen waren omtrent twaalf mannen.

8 En hij ging in de Synagoge en sprak vrijmoediglijk drie maanden lang, met hen handelende en hun aanradende de zaken van het Koninkrijk Gods.

9 Maar als sommigen verhard werden en ongehoorzaam waren, kwaadsprekende van den weg dos Heeren voor de menigte, week hij van hen en scheidde de discipelen af, dagelijks handelende in de school van zekeren Tyrannus.

10 En dit geschiedde twee jaren lang, alzoo dat allen die in Azië woonden het Woord des Heeren Jezus hoorden, beide Joden en Grieken.

11 En God deed ongewone krachten door de handen van Paulus,

12 alzoo dat ock van zijn lijf op de kranken gedragen werden de zweetdoeken of gordeldoeken, en dat de ziekten van hen weken en de booze geesten van hen uitvoeren.

13 En sommigen van de omzwervende Joden, zijnde duivelhz-zweerders, hebben zich onderwonden den naam des Heeren Jezus te noemen over degenen die booze geesten hadden, zeggende: Wij bezweren u bij Jezus, die Paulus predikt.

14 Dezen nu waren zekere zeven zonen van See va, een Jood-schen Overpriester, die dit deden.

15 Maar de booze geest antwoordende zeide: Jezus ken ik, en Paulus weet ik; maar gijlieden wie zijt gij?

16 En de mensch in welken de booze geest was sprong op hen: en hen meester geworden zijnde kreeg hij de overhand tegen hen, alzoo dat zij naakt en gewond uit dat huis ontvloden.

17 En dit werd allen bekend, beiden Joden en Grieken die te Efeze woonden, en daar viel een vreeze over hen allen, en de naam des Heeren Jezus werd groot gemaakt.

18 En velen dergenen die ge-


-ocr page 1227-

HANDELINGEN 19.

173

loofden kwamen, belijdende en verkondigende hunne daden.

19 Velen ook dergenen die ijdele kuYisten gepleegd hadden, brachten de boeken bijéén en verbrandden ze in aller tegenwoordigheid, en berekenden de waarde der zelve, en bevonden tüie vijftigduizend zilveren penningen.

20 Alzoo wies het Woord des Heeren met macht en nam de overhand.

21 En als deze dingen volbracht waren, nam Paulus voor in den geest, Macedonië en Achaje doorgegaan hebbende naar Jeruzalem te reizen, zeggende: Nadat ik aldaar zal geweest zijn, moet ik ook Rome zien.

22 En als hij naar Macedonië gezonden had twee van degenen die hem dienden, namelijk Ti-motheüs en Erastus, bleef hij zelf eenen tijd lang in Azië.

23 Maar op dien tijd ontstond daar geen e kleine beroerte vanwege den weg des Heeren.

24 Want een met name Demetrius, een zilversmid die kleine zilveren tempelen van Diana maakte, bracht dien van die kunst geen klein gewin toe:

25 welke hij te zamen vergaderd hebbende met de handwerkers van dergelijke dingen, zeide: Mannen, gij weet dat wij uit dit gewin onze welvaart hebben;

26 en gij ziet en hoort, dat deze Paulus veel volk niet alleen van Efeze maar ook bijna van geheel Azië overreed en afgekeerd heeft, zeggende dat het geen goden zijn die met handen gemaakt worden;

27 en wij zijn niet alleen in gevaar dat dit deel in verachting kome, maar dat ook de tempel van de groote godin Diana als niets geacht zal worden, en dat ook hare majesteit zal te ondergaan, aan welke gansch Azië en de geheele wereld godsdienst bewijst.

28 Als zij nu dit hoorden, werden zij vol van toornigheid en riepen, zeggende: Groot is de Diana der Efeziërs!

29 En de geheele stad werd vol verwarring, en zij liepen met een gedruisch eendrachtiglijk naar de schouwplaats, met zich trekkende Gajus en Aristarchus, Macedo-niërs, metgezellen van Paulus op. de reis.

30 En als Paulus tot het volk wilde ingaan, lieten het hem de discipelen niet toe;

31 en sommigen ook der oversten van Azië, die hem vrienden waren, zonden tot hem en baden dat hij zichzelven op de schouwplaats niet zoude begeven.

32 Zij riepen dan de één dit, de ander wat anders; want de vergadering was verward, en het mcevendeel wist niet om wat oorzaak zij te zamen gekomen waren.

33 En zij deden Alexander uit de schare voorkomen, alzoo hem de Joden voortstieten; en Alexander gewenkt hebbende met de hand, wilde bij het volk verantwoording doen.

34 Maar als zij verstonden d. t hij een Jood was , werd daar ééne stem van allen, roepende omtrent twee uren lang: Groot is de Diana der Efeziërs!

35 En als de stadsschrijver de schare gestild had, zeide hij: Gij mannen van Efeze, wat mensch is er toch die niet weet, dat de stad der Efeziërs de tempelbewaarster is van de groote godin Diana, en van het beeld dat uit den hemel gevallen is?

36 Dewijl dan deze dingen on-wedersprékelijk zijn, zoo is het behoorlijk dat gij stil zyt en niets onbedachts doet.

37 Want gij hebt deze mannen hier gebracht, die noch kerk-roovers zijn noch uwe godin lasteren.

38 Indien dan nu Demetrius, en die met hem van de kunst zijn, tegen iemand eenigc zaak hebben, de rechtsdagen worden gehouden en daar zijn Stadhouders: laat ze elkander verklagen.

39 En indien gij iets van andere dingen verzoekt, dat zal in eene wettelijke vergadering beslecht worden.

40 Want wij staan in gevaar dat wij van oproer zullen ver-klaagd worden om den dag van


-ocr page 1228-

IIA N D E LIN G E N 20.

174

gegeten had, en lang tot den dageraad toe met hen gesproken had, vertrok hij alzoo.

12 En zij brachten den knecht levend, en waren boven mate vertroost.

13 Maar wij vooruit naar het schip gegaan zijnde, voeren af naar Assus, waar wij Paulus zouden innemen; want hij had het alzóó bevolen, en hij zelf zoude te voet gaan.

14 En als hi; zich te Assus bij ons gevoegd had, namen wij hem in, en kwamen te Mityléne;

15 en van daar afgevaren zijnde kwamen wij den volgenden dag tegen Chios over, en des anderen daags leiden wij aan te Samos, en bleven te T^ogyllium , en den dag daaraan kwamen wij te Miléte\'.

16 Want Paulus had voorgenomen Efeze voorbij te varen, opdat hij niet den tijd in Azië zoude verslijten; want hij spoedde zich, om (zoo het hem mogelijk ware) op den Pinksterdag te Jeruzalem te zijn.

17 Maar hij zond van Miléte naar Efeze, en hij ontbood de Ouderlingen der gemeente;

l 18 en als zij tot hem gekomen | waren zeide hij tot hen; Gijlieden I weet, van den eersten dag af dat ik in Azië ben aangekomen, hoe ik bij u den ganschen tijd geweest ben,

19 dienende den Heere met alle ootmoedigheid, en vele tranen, en verzoekingen , die mij overkomen zijn door de lagen der Joden ;

20 hoe ik niets achtergehouden heb van hetgeen nuttig was, dat ik u niet ;:oude verkondigd en u geleerd hebben, in \'t openbaar en bij de huizen,

21 betuigende beiden Joden en Grieken de bekeering tot God en het geloof in onzen Heere Jezus Christus.

22 En nu zie, ik, gebonden zijnde door den Geest, reize naar Jeruzalem, niet wetende wat mij daar ontmoeten zal,

23 dan dat de Heilige Geest van stad tot stad betuigt, zeggende dat mij banden en verdrukkingen aanstaande zijn.

heden, alzoo daar geene oorzaak is waardoor wij reden zullen kunnen geven van dezen oploop. En dit gezegd hebbende liet hij de vergadering gaan.

HOOFDSTUK 20.

Nadat nu het oproer gestild was , Paulus de discipelen tot zich geroepen en gegroet hebbende, ging uit om naar Macedonië te reizen.

2 En als hij die deelen doorgereisd en hen met vele redenen vermaand had, kwam hij in Griekenland;

3 en als hij aldaar drie maanden doorgebracht had, en hem van de Joden lagen gelegd werden als hij naar Syrië zoude varen, zoo werd hij van zin weder te keeren door Macedonië.

4 En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Beréa, en van de Thessalonicenzen Aristar-chus en Secundus, en Gajus van Derbe, en Timotheüs, en van die van Azië Tychicus en Trofimus:

5 deze voor henen gegaan zijnde wachtten ons te Troas.

G Wij nu voeren af van Filippi na de dagen der ongehevelde brooclen, en kwamen in vijf da-i gen bij hen te Troas, alwaar wij ons zeven dagen onthielden.

7 En op den eersten dag der week, als de discipelen bijéénge-komen waren om brood te breken, handelde Paulus met hen , zullende des anderen daags verreizen; en hij strekte zijne rede uit tot middernacht;

8 en daar waren vele lichten in de opperzaal, waar zij vergaderd waren.

9 En een zeker jongeling met name Eutychus zat in het venster, en met eenen diepen slaap overvallen zijnde, alzoo Paulus lang tot hen sprak, door den slaap nederstortende viel van de derde zoldering nederwaarts, en werd dood opgenomen.

10 Doch Paulus afgekomen zijnde, viel op hem, en /^\'momvangende zeide hij: Weest niet beroerd, want zijne ziel is in hem.

11 En als hij weder boven gegaan was, en brood gebroken en wat

-ocr page 1229-

HANDELINGEN 21.

175

24 Maar ik acht op geen ding, noch houd mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijnen loop met blijdschap mng volbrengen, en den dienst welken ik van den Heere Jezus ontvangen heb, om le betuigen het Evangelie der genade Gods.

25 En nu zie, ik weet dat gij allen, waar ik doorgegaan ben predikende het Koninkrijk Gods, mijn aangezicht niet meer zien zult.

26 Daarom betuig ik ulieden op dezen huidigen dag, dat ik rein ben van het bloed van u allen;

27 want ik heb niets achtergehouden, dat ik u niet zoude verkondigd hebben al den raad Gods.

28 Zoo hebt dan acht op uzelven, en op de geheele kudde over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden , welke hij verkregen heeft door zijn eigen bloed.

29 Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen;

30 en uit uzelven zullen mannen opstaan sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich.

31 Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang nacht en dag niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen.

32 En nu broeders, ik beveel u Gode en den Woorde zijner genade, die machtig is u op te bouwen en u een erfdeel te geven onder alle de geheiligden.

33 Ik heb niemands zilver of goud of kleeding begeerd;

34 en gijzelven weet, dat deze handen lot mijne nooddruft, en dengenen die met mij waren, gediend hebben.

35 Ik heb u in alles getoond, dat men alzóó arbeidende de zwakken moet opnemen, en gedenken aan de woorden des Heeren Jezus, dat hij gezegd heeft: Het is zaliger te geven dan te ontvangen.

36 En als hij dit gezegd had, heeft hij nederknielende met hen allen gebeden.

37 En daar werd een groot geween van hen allen; en zij vallende om den hals van Paulus kusten hem,

38 zeer bedroefd zijnde , allermeest over het woord dat hij gezegd had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden. En zij geleidden hem naar het schip.

HOOFDSTUK 21.

En als het geschiedde dat wij van hen gescheiden en afgevaren waren, zoo liepen wij rechtuit en kwamen te Cós, en den clacf daaraan te Rhodus, en van daar te Patara.

2 En een schip gevonden hebbende dat naar Fenicië overvoer, gingen wij er in en voeren af.

3 En als wij Cyprus in ?t gezicht gekregen en dat aan de linker/iand gelaten hadden, voeren wij naar Syrië, en kwamen aan te Tyrus; want het schip zoude aldaar den last ontladen.

4 En de discipelen gevonden hebbende, bleven wij daar zeven dagen ; dewelke tot Paulus zeiden door den Geest, dat hij niet zoude opgaan naar Jeruzalem.

5 Toen het nu geschiedde dat wij deze dagen doorgebracht hadden, gingen wij uit en reisden voort; en zij geleidden ons allen met vrouwen en kinderen tot buiten de stad, en aan den oever nederknielende hebben wij gebeden;

6 en als wij elkander gegroet hadden, gingen wij in het schip, maar zijlieden keerden wederom elk naar het zijne.

7 Wij nu do vaart volbracht hebbende van Tyrus, kwamen aan te Ptolemaïs, en de broeders gegroet hebbende, blevenéénendag bij hen.

quot;8 En des anderen daags gingen Paulus en wij die met hem waren van daar en quot;kwamen te Gesaréa, en gegaan zijnde in het huis van Filippus den Evangelist, (die een was van de zeven), bleven wij bij hem.

9 Deze nu had vier dochters, nog maagden, die profeteerden.

10 En als wij daar vele dagen gebleven waren, kwam er een


L

-ocr page 1230-

HANDELINGEN 21.

176

zeker Profeet af van Judua, met name Agabus;

11 en hij kwam tot ons, en nam den gordel van Paulus, en zich-zelven handen en voeten gebonden hebbende, zeide: Dit zegt de Heilige Geest: Den man, wiens deze gordel is, zullen de Joden alzóó te Jeruzalem binden, en overleveren in de handen der heidenen.

12 Als wij nu dit hoorden, baden beide wij en die van die plaats waren, dat hij niet zoude opgaan naar Jeruzalem.

13 Maar Paulus antwoordde: Wat doet gij dat gij weent en mijn hart week maakt? Want ik bén bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor den naam des Heeren Jezus.

14 En als hij zich niet liet afraden, hielden wij ons tevreden, zeggende: De wille des Heeren geschiede.

15 En na die dagen maakten wij ons gereed en gingen op naar Jeruzalem;

16 en met ons gingen ook som-migen der discipelen van Gesaréa, leidende met zich een zekeren Mnason van Cyprus, eenenouden discipel, bij denwelken wij zouden te huis liggen.

17 En als wij te Jeruzalem gekomen waren, ontvingen ons de broeders blijdelijk.

18 En den volgenden day ging Paulus met ons in tot Jacobus; en alle de Ouderlingen waren daar gekomen.

19 En als hij ze gegroet had, verhaalde hij van stuk tot stuk, wat God onder de heidenen door zijnen dienst gedaan had.

20 En zij dat gehoord hebbende, loofden den Heere, en zeiden tot hem: Gij ziet broeder, hoevele duizenden van Joden er zijn die gelooven, en zij zijn allen ij veraars voor de wet;

21 en zij zijn aangaande u bericht, dat gij alle de Joden die onder de heidenen zijn leert van Mozes afvallen, zeggende dat zij de kinderen niet zouden besnijden noch naar de wijzen wandelen.

22 Wat is er dan te doen? Het is zeer noodig dat de menigte te zamen kome; want zij zullen hooren dat gij gekomen zijt.

23 Doe dan hetgeen wij u zeggen. Wij hebben vier mannen die een gelofte gedaan hebben:

24 neem deze tot u, en heilig u met hen, en doe de onkosten nevens hen, opdat zij het hoofd beschoren mogen; en allen mogen weten, dat er niets is «aan hetgeen waarvan zij aangaande u bericht zijn, maar dat gij alzóó wandelt, diit gij ook zelf de wet onderhoudt.

25 Doch van de heidenen die gelooven hebben wij geschreven en goed gevorden, dat zij niets dergelijks zouden onderhouden, dan dat zij zich wachten van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij.

26 Toen nam Paulus de mannen met zich, en den dag daaraan met hen geheiligd zijnde, ging hij in den Tempel, en verkondigde dat de dagen der heiliging vervuld waren, blijvende daa?\'totdat voor een iegelijk van hen de offerande opgeofferd was.

27 Als nu de zeven dagen zouden voleindigd worden, zagen hem de Joden van Azië in den Tempel, en beroerden al het volk, en sloegen de handen aan hem,

28 roepende: Gij Israëlitische mannen, komt te \'hulp ! Deze is de mensch die tegen het volk en de wet en deze plaats allen overal leert; en bovendien heeft hij ook Grieken in den Tempel gebracht en heeft deze ueilige plaats ontheiligd.

29 Want zij hadden Ie voren Tro-fimus den Efeziër met hem in de stad gezien, welken zij meenden dat Paulus in den Tempel gebracht had.

30 En de geheele stad kwam in beroering, en het volk liep te zamen, en zij grepen Paulus en trokken hem buiten den Tempel; en terstond werden de deuren gesloten.

31 En als zij hem zochten te dooden, kwam het gerucht tot den overste der bende, dat geheel Jeruzalem in verwarring was ;


-ocr page 1231-

HANDELINGEN 22.

177

32 welke terstond krijgsknechten en hoofdmannen over honderd tot zich nam , en liep at\' naar hen toe. Zij nu den overste en de krijgsknechten ziende, hielden op van Paulus te slaan.

33 Toen naderde de overste en greep hem, en beval dat men hem met twee ketenen zoude binden, en vraagde wie hij was en wat hij gedaan had.

34 Ën onder de schare riep de één dit, de ander wat anders; doch als hij de zekerheid niet kon weten vanwege de beroerte, beval hij dat men hem in de legerplaats zoude brengen.

35 En als hij aan de trappen gekomen was, gebeurde het dat hij van de krijgsknechten gedragen werd, vanwege het geweld der schare;

36 want de menigte des volks volgde, al roepende: Weg met hem!

37 En als Paulus nu in de legerplaats zoude geleid worden, zeide hij lot den overste: Is het mij geoorloofd tot u wat te spreken? En hij zeide: Kent gij Grieksch?

38 Zijt gij dan niet de Egyptenaar, die vóór deze dagen oproer verwekte en de vierduizend moordenaars naar de woestijn uitleidde?

39 Maar Paulus zeide: Ik ben een Joodsch man van Tarsus, een burger van eene niet onvermaarde stad in Gilicië, en ik bid u, laat mij toe tot het volk te spreken.

40 En als hij het toegelaten had, Paulus staande op de trap-

1 pen wenkte met de hand tot het volk; en als daar groote stilte geworden was, sprak hij ze aan in de Hebreeuwsche taal, zeggende: gt;

HOOFDSTUK 22.

Mannen broeders en vaders , hoort mijne verantwoording die ik tegenwoordig tot u doen zal.

2 (Als zij nu hoorden dat hij in de Hebreeuwsche taal hen aansprak, hielden zij zich te meer stil. En hij zeide:\')

3 Ik ben een Joodsch man, te

Tarsus in Gilicië geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten\' Gamaliels onderwezen naar de nauwgezetste wijze der vaderlijke wet, zijnde een ijveraar Gods gelijkerwijs gij allen heden zijt;

4 die dezeii weg vervolgd heb tot den dood, bindende en in de gevangenissen overleverende beide mannen en vrouwen:

5 gelijk mij ook de Hoogepries-ter getuige is, en de geheele Raad der Ouderlingen; van de-welken ik ook brieven genomen hebbende tot de broeders, ben naar Damascus gereisd, om ook degenen die daar waren gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden.

quot;6 Maar hel geschiedde mij als ik reisde en Damascus genaakte, omtrent den middag, dat sneliijk uit den hemel een groot licht mij rondom omscheen;

7 en ik viel ter aarde, en ik hoorde eene stemme tot mij zeggende: Saul, Saul, wat vervolgt

gij rnij?

8 En ik antwoordde: Wie zijt gij Heere ? En hij zeide tot mij: Ik ben Jezus de Nazarener welken gij vervolgt.

9 En die met mij waren zagen wel het licht, en werden zeer bevreesd, maar de stem desgenen die tot mij sprak hoorden zij niet.

10 En ik zeide : Heere, wat -zal ik doen? En de Heere zeide tot mij: Sta op en ga henen naar Damascus, en aldaar zal met u gesproken worden van al hetgeen ii geordineerd is te doen.

11 En als ik vanwege de heerlijkheid van dat licht niet zag, zoo werd ik bij de hand geleid van degenen die met mij waren, en kwam te Damascus.

12 En een zekere Ananias, een godvruchtig man naar de wet, (joede getuigenis hebbende van alle de Joden die daar woonden ,

13 kwam tot mij, en bij mij staande zeide tot mij: Saul, broeder, word weder ziende. En terzelfder ure werd ik ziende op hem.

14 En hij zeide: De God onzer vaderen heeft te voren verordi-


-ocr page 1232-

178 HANDEL

neerd om zijnen wil te kennen, en den Rechtvaardige te zien, en de stem uit zijnen mond te hoeren ;

15 want gij zult zijn getuige zijn bij alle menscheri van hetgeen gij gezien en gehoord hebt.

1G En nu wat vertoeft gij ? Sta op , en laat u doopen en uwe zonden afvvasschea, aanroepende den naam des Heeren.

17 En het gebeurde mij als ik te Jeruzalem wedergekeerd was en in den Tempel bad , dat ik in eene vertrekking van zinnen was,

18 en dat ik hem zag, en hij tot mij zeide: Spoed u en ga in der haast uit Jeruzalem; want zij zullen uwe getuigenis van mij niet aannemen.

19 En ik zeide: Hsere, zij weten dat ik in de gevangenis wierp en in de Synagogen geeselde die in u geloofden;

20 en toen het bloed van Stefa-nus uwen getuige vergoten werd, dal ik daar óók bijstond, en mede een welbehagen had in zijnen dood, en de kleederen bewaarde dergenen die hem doodden.

21 En hij zeide tot mij: Ga henen, want ik zal u ver tot de heidenen afzenden.

22 Zij hoorden hem nu tot dit woord toe; en zij verhieven hunne stem, zeggende: Weg van de aarde met zulk eenen, want het is niet behoorlijk dat hij leve.

23 En als zij riepen en de kleederen van zich smeten en stof in de lucht wierpen,

24 zoo beval de overste dat men hem in de legerplaats zoude brengen, en zeide dat men hem met geeselen onderzoeken zoude, opdat hij verstaan mocht om wat oorzaak zij alzoo over hem riepen.

25 En alzoo zij hem met de riemen uitrekten, zeide Paulus tot den hoofdman over honderd die daar stond: Is het ulieden geoorloofd eenen Romeinschen mensch, en dien onveroordeeld, te geeselen?

20 Als nu de hoofdman over honderd dat hoorde, ging hij toe en boodschapte het den overste, zeggende: Zie wat gij to doen

NGEN 23.

hebt; want deze mensch is een Romein.

27 En de overste kwam toe en zeide tot hem: Zeg mij, zijt gij een Romein? En hij zeide: Ja.

28 En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor een groote som geld verkregen. En Paulus zeide: Maar ik ben ook een burger geboren.

29 Terstond dan lieten zij van hem af, die hem zouden onderzocht hebben; en de overste werd óók bevreesd, toen hij verstond dat hij een Romein was, en dat hij hem had gebonden.

30 Kn des anderen daags willende de zekerheid weten, waarom hij van de Joden beschuldigd werd maakte hij hem los van de banden , en beval dat de O verpriesters en hun geheele Raad zouden komen ; en Paul is afgebracht hebbende stelde hij hem vóór hen.

HOOFDSTUK 23.

En Paulus de oogen op den Raad houdende, zeide: Mannen broeders, ik heb met alle goede conscientie voor God gewandeld tot op dezen dag.

2 Maar de Hoogepriester Ananias beval degenen die bij hem stonden , dat zij hem op den mond zouden slaan.

3 Toen zeide Paulus tot hem: God zal u slaan. gij gewitte wand. Zit gij ook om niij te oordeelen naar de wet, en beveelt gij tegen de wet dat men mij zal slaan?

4 En die daarbij stonden zeiden: Scheldt gij den hoogepriester Gods?

5 En Paulus ieide : Ik wist niet, broeders, dat het de Hoogepriester was; want daar is geschreven: Den overste uws volks zult gij niet vloeken.

6 En Paulus wetende dat het ééne deel was van de Sadduceërs en het andere van de Farizeërs, riep in den Raad: Mannen broeders, ik ben een Farizeër, eens Farizeërs zoon: ik word over de hoop en opstanding der dooden geoordeeld.

7 En als hij dit gesproken had, ontstond daar tweedracht tusschen


-ocr page 1233-

H A N D li LI N G E N 23.

179

de Farizeërs en de Sadduceërs, en de menigte werd verdeeld.

8 Want de Sadduceërs zeggen dat er geene opstanding is, noch Engel of geest; maar de Farizeërs belijden het beide.

9 En daar geschiedde een groot geroep; en de Schriftgeleerden van de zijde der Farizeërs stonden op en streden, zeggende: Wij vinden geen kwaad in dezen mensch; en indien een geest tot hem gesproken heeft of een Engel, laat ons tegen God niet strijden.

10 En als daar groote tweedracht ontstaan was, de overste vreezen-de dat Paulus van hen verscheurd mocht worden, gebood dat het krijgsvolk zoude afkomen en hem uit het midden van hen wegrukken en in de legerplaats brengen.

11 En den volgenden nacht stond de Heere bij hem, en zeide: Heb goeden moed Paulus; want gelijk gij te Jeruzalem van mij betuigd hebt, alzóó moet gij ook te Rome getuigen.

12 En als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden eene samenrotting, en vervloekten zichzelven, zeggende dat zij noch eten noch drinken zouden totdat zij Paulus zouden gedood hebben.

13 En zij waren meer dan veertig die dezen eed te zamen gedaan hadden ;

14 dewelke gingen tot de Over-priesters en de Ouderlingen, en zeiden : Wij hebben onszelven met vervloeking vervloekt, niets te zullen nuttigen totdat wij Paulus zullen gedood hebben.

15 Gij dan nu, laat den overste weten met den Raad, dat hij hem morgen tot u afbrenge, alsof gij nader kennis zoudt nemen van zijne zaken; en wij zijn bereid hem om te brengen eer hij bij u komt.

16 En als de zoon van Paulus zifeter deze lage gehoord had, kwam hij daar en ging in de legerplaats , en boodschapte het Paulus.

17 En Paulus riep tot zich een van de hoofdmannen over honderd, en zeide: Leid dezen jongeling henen tot den overste; want hij heeft hem wat te boodschappen.

18 Deze dan nam hem en bracht hem tot den overste, en zeide: Paulus de gevangene heeft mij tot zich geroepen, en begeerd dat ik dezen jongeling tot u zoude brengen, die u wat heeft te zeggen.

in De overste nu nam hem bij de hand, en terzijde gegaan zijnde vraagde hij: Wat is het dat gij mij hebt te boodschappen?

20 En hij zeide: De Joden zijn overeengekomen om van u te be-geeren, dat gij Paulus morgen in den Raad zoudt afbrengen, alsof zij iets van hem nader zouden onderzoeken.

21 Doch geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem lagen, welke zichzelven met eene vervloeking verbond-quot;n hebben, noch te eten noch te drinken totdat zij hem zullen omgebracht hebben; en zij zijn nu gereed, verwachtende de toezegging van u.

22 De overste dan liet den jongeling gaan, hem gebiedende: Zeg niemand voort, dat gij mij zulks geopenbaard hebt.

23 En zekere twee van de hoofdmannen over honderd tot zich geroepen hebbende, zeide hij: Maakt tweehonderd krijgsknechten gereed, opdat zij naar Cesaréa trekken, en zeventig ruiters, en tweehonderd schutters, tegen de derde ure des nachts;

24 en laat ze zrtr?c^beesten be-s\'tellen, opdat zij Paulus daarop zetten en behouden overbrengen tot den Stadhouder Felix.

25 En hij schreef eenen brief, hebbende dezen inhoud:

26 Claudius Lysias aan den machtigsten Stadhouder Felix groetenis.

27 Alzoo deze man van de Joden gegrepen was, en van hen omgebracht zoude geworden zijn, ben ik daarover gekomen met het krijgsvolk, en heb hem hun ontnomen, bericht zijnde dat hij een Romein is;

28 en willende de zaak weten waarover zij hem beschuldigden,


-ocr page 1234-

HANDELINGEN 24.

180

bracht ik hem at\' in hunnen Raad;

29 welken ik bevond beschuldigd te worden over vragen hunner wet, maar geene beschuldiging tegen hem te zijn die den dood of banden waardig is.

30 En als mij te kennen gegeven was, dat van de Joden eene lage tegen dezen man gelegd zoude worden, zoo heb ik hem terstond aan u gezonden, gebiedende ook de beschuldigers voor u te zeggen hetgeen zij tegen hem hadden. Vaarwel.

31 De krijgsknechten dan, gelijk hun bevolen was, namen Paulus en brachten hem des nachts tot Antipatris;

32 en des anderen daags, latende de ruiters met hem trekken, keerden zij wederom naar de legerplaats.

33 Dewelke als zij te Gesaréa gekomen waren en den brief den Stadhouder overgeleverd liadden, hebben zij ook Paulus vóór hem gesteld.

34 En de Stadhouder den brief gelezen hebbende, vraagde uit wat provincie hij was; en verstaande dat hij van Cilicië was,

35 zeide hij: Ik zal u hooren als ook uwe beschuldigers hier zullen gekomen zijn. En hij beval dat hij in het Rechthuis van Herodes zoude bewaard worden.

HOOFDSTUK 24.

En vijf dagen daarna kwam de Hoogepriester Ananias af met de Ouderlingen en eenen zekeren voorspraak genaamd Tertullus, dewelke verschenen voor den Stadhouder tegen Paulus.

2 En als hij geroepen was, begon Tertullus hem te beschuldigen, zeggende:

3 Dat wij grooten vrede door u bekomen, en dat vele loffelijke diensten dezen volke geschieden door uwe voorzichtigheid, machtigste Felix, nemen wij gansche-lijk en overal met alle dankbaarheid aan.

4 Maar opdat ik u niet lang op-houde, ik bid u dat gij ons, naar uwe bescheidenheid, korteiük hoort.

5 Want wij hebben dezen man bevonden te zijn eene pest, en een die oproer verwekt onder alle de Joden door de gansche wereld, en een opperste voorstander van de sekte der Naza-reners;

6 die ook gepoogd heeft den Tempel te ontheiligen; welken wij ook gegrepen hebben en naar onze wet hebben willen oordeelen.

7 Maar Lysias de overste daarover komende, heeft hem met groot geweld uit onze handen weggebracht,

8 gebiedende z jne beschuldigers tot u te komen: van denwelken gij zelf, hem onderzocht hebbende, zult kunnen verstaan al hetgeen waarvan wij hem beschuldigen.

9 En ook de Joden stemden het toe, zeggende dat deze dingen al-zoo waren.

10 Maar Paulus, als hem de Stadhouder gewenkt had dat hij zoude spreken,antwoordde: Dewijl ik weet dat gij nu vele jaren over dit volk rechter geweest zijt, zoo verantwoord ik mijzelven met des te beteren moed:

11 alzoo gij kunt weten dat het niet meer dan twaalf dagen zijn, van dat ik ben opgekomen om te aanbidden te Jeruzalem.

12 En zij hebben mij noch in den Tempel gevonden tot iemand sprekende of eenige samenrotting des volks makende, noch in de Synagogen, noch in de stad;

13 en zij kunnen niet bewijzen waarvan zij mij nu beschuldigen.

14 Maar dit beken ik u, dat ik, naar dien weg welken zij sekte noemen, den God der vaderen alzóó diene, geloovende alles wat in de Wet en in de Profeten geschreven is,

15 hebbende hope op God, welke dezen ook zelve verwachten, dat er eene opstanding der dooden wezen zal, beide der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen;

1G en hierin oefen ik mijzelven, om altijd eene onergerlijke consciëntie te hebben bij Gód en de menschen.

17 Doch na vele jaren ben ik


-ocr page 1235-

HANDELINGEN 25.

181

gekomen om aalmoezen te doen aan mijn volk, en offeranden;

18 waarin mij gevonden hebben, geheiligd zijnde, in den Tempel, niet met volk noch met beroerte, eenige Joden uit Azië;

19 welke behoorden hier vóór u tegenwoordig te zijn en mij te beschuldigen, indien zij iets hadden tegen mij.

20 Of dat dezen zei ven zeggen, of zij eenig onrecht in mij gevonden hebben als ik voor den Raad stond,

21 dan van dit éénig woord, hetwelk ik riep staande onder hen: Over de opstanding der dooden word ik heden van ulieden geoordeeld.

22 Toen nu Felix dit gehoord had, stelde hij ze uit, zeggende: Als ik nader wetenschap van dezen weg zal hebben, wanneer Lysias de overste zal afgekomen zijn, zoo zal ik volle kennis nemen van uwe zaken.

23 En hij beval den hoofdman over honderd dat Paulus zoude bewaard worden, en verlichting hebben, en dat hij niemand van de zijnen zoude beletten hem te dienen of tot hem te komen.

24 En na sommige dagen Felix daar gekomen zijnde met Drusilla zijne vrouw, die eene Jodin was, ontbood Paulus, en hoorde hem van het geloolquot; in Christus.

25 En als hij handelde van rechtvaardigheid en matigheid en van het toekomend oordeel, Felix zeer bevreesd geworden zijnde, antwoordde: Voor ditmaal ga henen, eij als ik gelegen tijd zal hebben bekomen, zoo zal ik u tot mij roepen;

2(3 en te gelijk ook hopende, dat hem van Paulus geld gegeven zoude worden opdat hij hem losliet, waarom hij hem ook dikwijls ontbood, en sprak met hem.

27 Maar als twee jaren vervuld waren, kreeg Felix Porcius Fes-tus in zijne plaats; en Felix willende den Joden gunst bewijzen, liet Paulus gevangen.

HOOFDSTUK 25.

Festus dan in de provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen

van Cesaréa op naar Jeruzalem;

2 en de Hoogepriester en de voornaamsten der Joden verschenen vóór hem tegen Paulus, en baden hem,

3 begeerende gunst tegen hem, opdat hij hem zoude doen komen te Jeruzalem, en leggende eene lage om hem op den weg om te brengen.

4 Doch Festus antwoordde dat Paulus te Cesaréa bewaard werd, en dat hij zelf haast derwaarts zoude verreizen:

5 Die dan, zeide hij, onder u kunnen, dat zij mede afreizen, en zoo daar iets onbehoorlijks in dezen man is, dat zij hem beschuldigen.

6 En als hij onder hen niet meer dan tien dagen doorgebracht had, kwam hij af naar Cesaréa; en des anderen daags op den rechterstoel gezeten zijnde, beval hij dat Paulus zoude voorgebracht worden.

7 En als hij daar gekomen was, stonden de Joden die van Jeruzalem afgekomen waren rondom hem, vele en zware beschuldigingen tegen Paulus inbrengende, die zij niet konden bewijzen;

8 dewijl hij zich verantwoordende zeide: ik lieb noch tegen de wet der Joden, noch tegen den Tempel, noch tegen den Keizer iets gezondigd.

9 Maar Festus willende den Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus en zeide: Will gij naar Jeruzalem opgaan, en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden ?

10 En Paulus zeide: Ik stavoor den rechterstoel des Keizers, waar ik geoordeeld moet worden; den Joden heb ik geen onrecht gedaan, gelijk gij ook zeer wel weet.

11 Want indien ik onrecht doe, en iets des doods waardig gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar indien er niets is van hetgeen waarvan dezen mij beschuldigen, zoo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op den Keizer.

12 Toen antwoordde Festus, als hij met den Raad gesproken had; Hebt gij u op den Keizer beroepen , gij zult tot den Keizer gaan.


-ocr page 1236-

182

13 En als eenigc dagen voorbijgegaan waren, kwamen de Koning Agrippa en Berm\'ce te Cesaréa om Festus te begroeten.

14 En toen zij aldaar vele dagen doorgebracht hadden, heeft Festus de zaken van Paulus aan den Koning verhaald, zeggende: Hier is een zeker man van Felix gevangen gelaten;

15 om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de Overpriesters en de Ouderlingen der Joden verschenen, begeerende vonnis tegen hem:

16 aan dewelke ik antwoordde, dat de Romeinen de gewoonte niet hebben eenig mensch uit gunst ter dood over te geven, eer de beschuldigde de beschuldigers tegenwoordig heeft, en plaats van verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging.

17 Als zij dan gezamenlijk alhier gekomen waren, zoo heb ik, geen uitstel nemende, des daags daaraan op den rechterstoel gezeten, en beval dat de man zoude voorgebracht worden:

18 over welken de beschuldigers hier staande geene zaak hebben ingebracht waarvan ik vermoedde,

19 maar hadden tegen hem eenige vragen van hunnen godsdienst, en van zekeren Jezus die gestorven was, welken Paulus zeide te leven.

20 En als ik over de onderzoeking van deze zaak in twijfeling was, zeide ik of hij wilde gaan naar Jeruzalem , en aldaar over deze dingen geoordeeld worden.

21 En als Paulus zich beriep dat men hem tot de kennisneming des Keizers bewaren zoude, zoo heb ik bevolen , dat hij bewaard zoude worden ter tijd toe dat ik hem tot den Keizer zenden zoude.

22 En Agrippa zeide tot Festus : Ik wilde ook zelf dien mensch lucl hooren. En hij zeide: Morgen zult gij hem hooren.

23 Des anderen daags dan als Agrippa gekomen was en Berm\'ce met groote pracht, en als zij ingegaan waren in het Rechthuis met de oversten over duizend en de mannen die de voornaamsten | der stad waren, werd Paulus opjd^ bevel van Festus voorgebracht. 1sc;

24 En Festus zeide: Koning! Agrippa, en gij mannen alle, die 1 ^ met ons hier tegenwoordig zijt, | quot;\' gij ziet dezen, van welken mij de | ov gansche menigte der Joden heeft \\ A aangesproken, beide te Jeruzalem | sC en hier, roepende dat hij niet 1 meer behoort te leven. 1 01

25 Maar ik bevonden hebbende j ^ dat hij niets des doods waardig | gedaan had, en dewijl hij ook zelf s ^ zich op den Keizer beroepen heeft, 1 •\' heb besloten hem te zenden. I ï

26 Van welken ik niets zekers I heb aan den heere te schrijven; | 1 daarom heb ik hem voor ulieden 1 1 voorgebracht, en meest voor u, | Koning Agrippr., opdat ik, na j gedane onderzoeking, wat hebbe 1 te schrijven;

27 want het dunkt mij tegen j rede, eenen gevangene te zenden, | en niet ook de beschuldigingen \\ die tegen hem zijn te kennen te [ geven.

HOOFDSTUK 26.

En Agrippa zeide tot Paulus : ij Het is u geoorloofd voor uzelven | te spreken. Toen strekte Paulus | de hand uit, en verantwoordde zich aldus:

2 Ik acht mijzelven gelukkig, o | Koning Agrippa, dat ik mij heden | voor u zal verantwoorden van alles waarover ik van de Joden I beschuldigd word;

3 allermeest dewijl ik weet dat gij kennis hebt van alle gewoonten en vragen die ondier de Joden zijn: daarom bid ik u dat gij mij lankmoediglijk hoort.

4 Mijn leven dan van der jonkheid aan, hetwelk van den beginne onder mijn volk te Jeruzalem geweest is, weten alle de Joden,

5 als die sedert lang mij te voren gekend hebben, (indien zij het wilden getuigen), dat ik naar de nauwgezetste sekte van onzen godsdienst als een Farizeër geleefd heb.

6 En nu sta ik en word geoordeeld over de hope der belofte,

HANDELINGEN 26.


-ocr page 1237-

HANDELINGEN 26.

183

die van God tot de vaderen geschied is;

7 tot dewelke onze twaalf geslachten , gedurlglijk nacht en dag God dienende, verhopen te komen; over welke hope ik, o Koning Agrippa, van de Joden word beschuldigd.

8 Wat? Wordt het bij ulieden ongeloofelijk geoordeeld dat God de dooden opwekt?

9 Ik meende waarlijk bij mij zeiven, dat ik tegen den naam van Jezus van Nazareth vele weder-partijdige dingen moest doen;

10 hetwelk ik ook gedaan heb te Jeruzalem, en ik heb velen van de heiligen in de gevangenissen gesloten , de macht van de Over-priesters ontvangen hebbende ; en als zij omgebracht werden, stemde ik het toe;

11 en door alle de Synagogen heb ik ze dikwijls gestraft en gedwongen te lasteren; en boven mate tegen hen woedende, heb ik ze vervolgd ook tot in de buitensteden.

12 En als ik daarvoor ook naar Damascus reisde, met macht en last welke ik van de Overpriesters had,

13 zag ik, o Koning, in quot;tmidden van den dag op den weg een licht, boven den glans der zon, van den hemel mij en degenen die met mij reisden omschijnende;

14 en als wij allen ter aarde nedergevallen waren, hoorde ik eene stemme tot mij sprekende, en zeggende in de Hebreeuwsche taal: Saul, Saul, wat vervolgt gij mij ? Het is u hard tegen de prikkels de verzenen te slaan.

15 En ik zeide: Wie zijt gij Heere? En hij zeide : Ik ben Jezus, dien gij vervólgt.

16 Maar richt u op en sta op uwe voeten; want hiertoe ben ik u verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige der dingen, beide die gij gezien hebt en in welke ik u nocj zal verschijnen,

17 verlossende u van dit volk en van de heidenen, tot dewelke ik u nu zende

18 om hunne oogen te openen, en hen te bekeeren van de duis-tsrnis tot het licht, en van de macht des satans tot God; opdat zij vergeving der zonden ontvangen , en een erfdeel onder de ge-heiligden, door het geloof in mij.

19 Daarom, o Koning Agrippa , ben ik dat hemelsch gezicht niet ongehoorzaam geweest,

20 maar heb , eerst dengene die te Damascus waren, en te Jeruzalem , en in \'t geheele land van Judéa, en den heidenen verkondigd, dat zij zich zouden beteren en tot God bekeeren, werken doende der bekeering waardig.

21 Om dezer zaken wille hebben mij de Joden in den Tempel gegrepen en gepoogd om te brengen.

22 Dan hulpe van God verkregen hebbende , sta ik tot op dezen dag, betuigende beiden klein en groot, niets zeggende buiten hetgeen de Profeten en Mozes gesproken hebben dat geschieden zoude:

23 namelijk dat de Christus lijde.i moest, en dat hij de eerste uit de opstanding der dooden zijnde, een licht zoude verkondigen aan dit volk en de heidenen.

24 En als hij deze dingen tot verantwoording sprak, zeideFes-tus met groote stem: Gij raast Paul us, de groote geleerdheid brengt u tot razernij.

25 Maar hij zeide: Ik raas niet, machtigste Feslus , maar ik spreek woorden van waarheid en van gezond verstand.

26 Want de Koning weet van deze dingen. tot welken ik ook vrijmoedigheid gebruikende spreek; want ik geloof niet dat hem iets van deze dingen verborgen is , want dit is in geenen hoek geschied.

27 Gelooft gij, o Koning Agrippa, de Profeten? Ik weet dat gij ze gelooft.

28 En Agrippa zeide tot Paul us: Gij beweegt mij bijna een Christen te worden.

29 En Paulus zeide: Ik wenschte wel van God, dat èn bijna èn ge-heellijk, niet alleen gij maar ook

i allen die mij heden hooren, zoo-danigen werden gelijk als ik ben, I uitgenomen deze banden,


-ocr page 1238-

184 handel;

30 En als hij dit gezegd had, stond de Koning op, en de Stadhouder, en Berm\'ce, en die met hen gezeten waren;

31 en aan eene zijde gegaan zijnde, spraken zij tot elkander, zeggende: Deze mensch doet niets des doods olquot; der banden waardig.

32 En Agrippa zeidetot Festus: Deze mensch kon losgelaten worden , indien hij zich op den Keizer niet had beroepen.

HOOFDSTUK 27.

En als het besloten was dat wij naar Italië zouden afvaren, leverden zij Paulus en eenige andere gevangenen over aan eenen hoofdman over honderd met name Julius, van de keizerlijke bende.

2 En in een Adramytteensch schip gegaan zijnde, alzoo wij de plaatsen langs Azië bevaren zouden, voeren wij af; en Aristar-chus de Macedoniër van Thessa-lom\'ca was met ons.

3 En des anderen daags kwamen wij aan te Sidon; en Julius vriendelijk met Paulus handelende, liet hem toe tot de vrienden te gaan om van hen verzorgd te worden.

4 En van daar afgevaren zijnde, voeren wij onder Cyprus henen, omdat de winden ons tegen waren;

5 en de zee, die langs Gilicië en Pamfylië is, doorgevaren zijnde , kwamen wij aan te Myra in Lycië.

6 En de hoofdman aldaar een schip gevonden hebbende van Alexandrië, dat naar Italië voer, deed ons in hetzelve overgaan.

7 En als wij vele dagen langzaam voortvoeren, en nauwelijks tegenover Gnidus gekomen waren, overmits de wind het ons niet toeliet, zoo voeren wij onder Greta henen, tegenover Salmóne;

8 en hetzelve nauwelijks voorbij-zeilende, kwamen wij in eene zekere plaats genaamd Schoone-havens, waar de stad Lasea nabij was.

9 En als er veel tijd verloopen en de vaart nu zorgelijk was, omdat ook de vasten nu voorbij was, vermaande ze Paulus

10 en zeide tot hen: Mannen, ik zie dat de vaart zal geschieden met hinder en groote schade, niet

ngen 27.

alleen van de lading en van het j zal

schip, maar ook van ons leven. 1

11 Doch de hoofdman geloofde 1 ^ meer den stuurman en den schip-1 ■ per dan hetgeen van Paulus ge-Ij?,6 zegd werd. J Gc

12 En alzoo de haven ongelegen | ui\' was orn te overwinteren, vond | het meeremleel geraden ook van | daar te varen, of zij soms te Fenix | S( konden aankomen om te overwin- j u teren, zijnde eene haven in Greta, 5 Vi strekkende tegen het Zuidwesten | en tegen het Noordwesten. \' | quot;

13 En alzoo de zuidenwind zacht } waaide, meenden zij hun voorne- | ^ men verkregen te hebben, en | afgevaren zijnde zeilden zij dicht | t voorbij Greta henen.

14 Maar niet lang daarna sloeg 1 ^ tegen hetzelve een stormwind ge- 1 • naamd Euroclydon;

15 en als het schip daarmede ! weggerukt werd, en niet tegen j den wind kon opzeilen, gaven wij | het op en dreven henen.

16 En loopends onder een zeker quot;] eilandeken genat md Glauda, kon- | den wij nauwelijks de boot machtig | worden;

17 dewelke opgehaald hebbende, | gebruikten zij alle behulpselen, 1 het schip ondergordende; en alzoo 1 zij vreesden dat zij op de droogte I Syrtis vervallen zouden, streken [ zij het zeil en dreven alzoo henen; 1

18 en alzoo wij van het onweder geweldiglijk geslingerd werden, deden zij den volgenden eenen uitworp,

19 en den derden dag wierpen wij met onze eigene handen het scheepsgereedschap uit;

20 en als noch zon noch gestern- I ten verschenen :n vele dagen , en geen klein onweder ons drukte, zoo werd ons voorts alle hoop van behouden te worden benomen.

21 En als men langen tijd zonder eten geweest was, toen stond Paulus op in \'tmidden van hen, en zeide: O mannen, men 13e-hoorde mij wel gehoor gegeven te hebben en van Greta niet afgevaren te zijn, en dezen hinder en deze schade verhoed te hebben.

22 Doch alsnu vermaan ik ulie-den goedsmoeds te zijn; want daar


-ocr page 1239-

HANDELINGEN 28.

48o

zal geen verlies geschieden van iemands leven onder u, maar alleen van het schip.

23 Want dezen zelfden nacht heeft bij mij gestaan een Engel Gods, wiens iki3en, welken ik ook dien,

24 zeggende: Vrees niet Pau-lus, gij moet voor den Keizer gesteld worden; en zie, God heeft u geschonken allen die met u varen.

25 Daarom zijt goedsmoeds , mannen, want ik geloove God, dat het alzuó zijn zal gelijkerwijs het mij gezegd is.

26 Doch wij moeten op een zeker eiland vervallen.

27 Als nu de veertiende nacht gekomen was, alzoo wij in de Adriatische zee herwaarts en derwaarts gedreven werden, omtrent het midden des nachts, vermoedden de scheepslieden dat hun eenig land naderde,

28 En liet dieplood uitgeworpen hebbende, vonden zij twintig vademen; en een weinig voortgevaren zijnde wierpen zij wederom het dieplood uit, en vonden vijftien vademen;

29 en vreezende dat zij ergens op harde plaatsen vervallen mochten , wierpen zij vier ankers van het achterschip int, en wenschten dat het dag wierd.

30 Maar als de scheepslieden zochten uit het schip te vlieden, en de boot nederlieten in de zee, onder den schijn alsof zij uit het voorschip de ankers zouden uitbrengen ,

31 zeide Paulus tot den hoofdman en tot de krijgsknechten: Indien dezen in het schip niet blijven, kunt gij niet behouden worden.

32 Toen hieuwen de krijgsknechten de touwen af van de boot en lieten haar afvallen.

33 En ondertusschen dat het dag zoude worden, vermaande Paulus hen allen dat zij zouden spijs nemen, en zeide: Het is heden de veertiende dag, dat gij verwachtende blijft zonder eten en niets hebt genomen:

34 daarom vermaan ik u spijze te nemen, want dat dient tot uw behoud; want niemand van u zal een haar van het hoofd vallen.

35 En als hij dit gezegd en brood genomen had, dankte hij God in aller tegenwoordigheid, en hetzelve gebroken hebbende, begon hij te eten.

36 En zij allen goedsmoeds geworden zijnde , namen ook zeiven spijs.

37 Wij waren nu in het schip in alles tweehonderd zesenzeventig zielen.

38 En als zij met spijs verzadigd waren, lichtten zij het schip en wierpen het koren uit in de zee.

39 En toen het dag werd kenden zij het land niet; maar zij merkten eenen zekeren inham die eenen oever had, tegen denwelken zij geraden vonden, zoo zij konden, het schip aan te zetten.

40 En als zij de ankers opgehaald hadden, gaven zij het schip aan de zee over, metéén de roerbanden losmakende; en het razeil naar den wind opgehaald hebbende, hielden zij het naar den oever toe.

41 Maar vervallende op eene plaats die de zee aan beide zijden had, zetteden zij het schip daarop; en het voorschip vastzittende bleef onbewegelijk, maar het achterschip brak van het geweld der baren.

42 De raadslag nu der krijgslieden was, dat zij de gevangenen zouden dooden, opdat niemand ontzwommen zijnde zoude ontvlieden ;

43 maar de hoofdman willende Paulus behouden, belette hun dat voornemen, en beval dat degenen die zwemmen konden zich eerst zouden afwerpen en aan land komen,

44 en de anderen, sommigen op planken, en sommigen op eenige stukken van het schip. En alzoo is het geschied dat zij allen behouden aan land gekomen zijn.

HOOFDSTUK 28.

En als zij ontkomen \\yaren, toen verstonden zij dat het eiland Melite heette.

2 En de barbaren bewezen ons geen gemeene vriendelijkheid;


-ocr page 1240-

HANDELINGEN 28.

186

want een groot vuur ontstoken hebbende, namen zij ons allen in, om den regen die opkwam en om de koude.

3 En als Paulus een hoop rijs bijééngeraapt en op het vuur gelegd had, kwam daar eene adder uit door de hitte en vatte zijne hand.

4 En als de barbaren het beest aan zijne hand zagen hangen, zeiden zij tot elkander: Dezemensch is gewis een doodslager, welken de wrake niet Iaat leven, daar hij uit de zee ontkomen is.

5 Maar hij schudde het beest af in het vuur, en leed niets kwaads;

G en zij verwachtten dat hij zoude opzwellen of terstond dood nedervallen. Maar als zij lang verwacht hadden en zagen dat geen ongemak over hem kwam , veranderden zij en zeiden dat hij een god was.

7 En hier omtrent die plaats had de voornaamste van het eiland met name Publius zijne landhoeven , die ons ontving en drie dagen vriendelijk herbergde.

8 En het geschiedde dat de vader van Publius, met koortsen en den roodenloop bevangen zijnde, te bed lag; tot denwelken Paulus inging, en als hij gebeden had leide hij de handen op hem, en maakte hem gezond.

9 Als dit dan geschied was, kwamen ook tot hem de anderen die krankheden hadden op het eiland, en werden genezen:

10 die ons ook eerden met vele cere, en als wij vertrekken zouden, bestelden zijquot; ons hetgeen van noode was.

11 En na drie maanden voeren wij af in^enschip van Alexandrië, dat op het eiland overwinterd had, hebbende tot een teeken Castor en Pollux.

12 En als wij te Syracuse aangekomen waren, bleven wij aldaar drie dagen;

13 van waar wij omvoeren, en kwamen aan te Rhegium; en alzoo na éénen dag de wind Zuid werd, kwamen wij den tweeden dag te Puteoli;

14 alwaar wij broeders vonden, en werden gebeden zeven dagen bij hen te blijven; en alzoo gingen wij naar Rome.

15 En van daar kwamen de broeders , van onze zaken gehoord hebbende, ons tegemoet tót Ap-piusmarkt en de Drie Tabernen; welke Paulus ziende, dankte hij God en greep moed.

16 En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen over aan den overste des legers; maar aan Paulus werd toegelaten op zichzelven te wonen met den krijgsknecht die hem bewaarde.

17 En het geschiedde na drie dagen dat Paulus samenriep degenen die de voornaamsten der Joden waren, en als zij samengekomen waren zeide hij tot hen: Mannen broeders, ik d e niets gedaan heb tegen het volk of de vaderlijke gewoonten, ben gebonden uit Jeruzalem overgeleverd in de handen der Romeinen,

18 dewelke mij onderzocht hebbende, mij wildon loslaten, omdat geen schuld des doods in mij was;

19 maar als de Joden zulks tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op den Keizer te beroepen , doch niet alsof ik mijn volk van iets te beschuldigen had.

20 Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen, om u te zien en aan te spreken; want vanwege de hope Israels ben ik met deze keten omvangen.

21 Maar zij zeiden tot hem: Wij hebben noch brieven u aangaande van Judéa ontvangen, noch iemand van de broeders hier gekomen zijnde heeft van u iets kwaads geboodschapt of gesproken.

22 Maar wij begeeren wel van u tehooren, wa: gij gevoelt; want wat deze sekte aangaat, ons is bekend dat ze overal tegengesproken wordt.

23 En als zij hem eenen dag gesteld hadden, kwamen er velen in zijne woonplaats; denwelken hij het Koninkrijk Gods uitleide, en betuigde, eii poogde hen te bewegen tot hst geloof van Jezus, beide uit de Wet van Mozes en de Profeten, van \'s morgens vroeg tot den avond toe.


-ocr page 1241-

ROMEINEN 1.

187

24 En sommigen geloofden wel hetgeen dat gezegd werd, maar sommigen geloofden niet;

25 en tegen elkander oneens zijnde scheidden zij, als Paulus dit ééne woord gezegd had, namelijk: Wel heeft de Heilige Geest jesproken door Jesaja den Profeet ot onze vaderen,

26 zeggende: Ga henen tot dit volk , en zeg: Met het gehoor zult gij hooren en geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en geenszins bemerken;

27 want het harte dezes volks is dik geworden, en metdeooren hebhen zij zwaarlijk gehoord, en hunne oogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eeniger tijd met de oogen zouden zien, en met de ooren hooren, en met het hart verstaan, en zij zich bekeeren en ik hen geneze.

28 Het zij u dan bekend, dat dc zaligheid Gods den heidenen gezonden is, en dezelven zullen hooren.

29 En als hij dit gezegd had gingen de Joden weg, vele twisting hebbende onder elkander.

30 En Paulus bleef twee geheele jaren in zijn eigen gehuurde woning en ontving allen die tot hem kwamen,

31 predikende het Koninkrijk Gods, en leerende van den Heere Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, onverhinderd.


DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS

ROMEINEN.

HOOFDSTUK 1.

Paulus een dienstknecht van Jezus Christus, een geroepen Apostel , afgezonderd tot het Evangelie Gods;

2 (hetwelk hij te voren beloofd had door zijne Profeten, in de heilige Schriften),

3 van zijnen Zoon, (die geworden is uit den zade Davids naar het vleesch;

4 die krachtiglijk bewezen is te zijn de Zoon Gods naar den Geest der heiligmaking, uit de opstanding der dooden), namelijk Jezus Christus onzen Heere:

5 (door welken wij hebben ontvangen genade en het Apostelschap, tot gehoorzaamheid des geloofs onder alle de heidenen, voor zijnen naam;

G onder welke gij óók zijt, geroepenen van Jezus Christus):

7 allen die te Rome zijt, geliefden Gods oi geroepene heiligen, genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus.

8 Eerstelijk dank ik mijnen God door Jezus \'Christus over u allen, dat uw geloof verkondigd wordt in de geheele wereld.

9 Want God is mijn getuige, welken ik dien in mijnen geest, in het Evangelie zijns Zoons, hoe ik zonder nalaten uwer gedenk,

10 altijd in mijne gebeden biddende, of mogelijk mij nog te eeniger tijd goede gelegenheid gegeven wierd door den wille Gods om tot ulieden te komen.

11 Want ik verlang om u te zien, opdat ik u eenige geestelijke gave


-ocr page 1242-

ROMEINEN 2.

188

mocht mededeelen, ten einde gij versterkt zoudt worden:

12 dat is, om mede vertroostte worden onder u, door het onderling geloove, zoo het uwe als het mijne.

13 Doch ik wil niet dat u onbekend zij, broeders, dat ik menigmaal voorgenomen heb tot u te komen, (en ben tot nog toe verhinderd geweest), opdat ik ook onder u eenige vrucht zoude hebben, gelijk als ook onder de andere heidenen.

14 Beiden Grieken en barbaren, beiden wijzen en on wij zen ben ik een schuldenaar:

15 alzoo hetgeen in mij is, dat is volvaardig om u ook die te Rome zijt het Evangelie te verkondigen.

16 Want ik schaam mij des Evangelies van Christus nietquot;; want het is eene kracht Gods tot zaligheid een iegelijk die gelooft, eerst den Jood, en ook den Griek.

17 Want de rechtvaardigheid Gods wordtin hetzelve geopenbaard uit geloof lot geloof, gelijk geschreven is: Maar de rechtvaardige zal uit den geloove leven.

18 Want de toorn Gods wordt geopenbaard van den hemel over alle goddeloosheid en ongerechtigheid der menschen, a Is die de waarheid in ongerechtigheid te onder houder.:

19 overmits hetgeen van God kennelijk is in hen openbaar is, want God heeft liet hun geopenbaard.

20 Want zijne onzienlijke dingen worden van de schepping der wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien, beide zijne eeuwige kracht en goddelijkheid, opdat zij niet te verontschuldigen zouden zijn:

21 omdat zij God kennende/iem als God niet hebben verheerlijkt of gedankt, maar zijn verijdeld geworden in hunne overleggingen, en hun onverstandig hart is verduisterd geworden.

22 Zich uitgevende voor wijzen, zijn zij dwaas geworden,

23 en hebben de heerlijkheid des onverderfelijken Gods veranderd in de gelijkenis eens beelds van een verderfelijk mensch, en van gevogelte, en van viervoetige en kruipende gedierten.

24 Daarom heeft ze God ook overgegeven in de begeerlijkheden hunner harten tot onreinigheid, om hunne lichamen onder elkander te onteeren:

25 als die de waarheid Gods veranderd hebben in de leugen, en het schepsel geëerd en gediend hebben boven den Schepper, die te prijzen fs in eeuwigheid. Amen.

20 Daarom heeft ze God overgegeven tot oneerbare bewegingen; want ook hunne vrouwen hebben het natuurlijk gebruik veranderd in het gebruik tegen nature,

27 en insgelijks ook de mannen nalatende het natuurlijk gebruik der vrouw, zijn verhit geworden in hunnen lust tegen elkander, mannen met mannen schandelijkheid bedrijvende, en de vergelding van hunne dwaling die rfaa/Yoe behoorde in zichzelven ontvangende.

28 En gelijk het hun niet goed gedacht heeft God in erkentenis te houden, zoo heeft God ze overgegeven in eenen verkeerden zin, om te doen dingen die niet betamen :

29 vervuld zijnde met alle ongerechtigheid, hoererij. Loosheid, gierigheid, kwaadheid; vol van nijdigheid, moord, twist, bedrog, kwaadaardigheid;

30 oorblazers, achterklappers, haters van God. smaders, hoovaardigen, laatdunkenden, uitvinders van kwade dingen, den ouderen ongehoorzaam;

31 onverstandigen, verbondbre-kers, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijken, onbirmhartigen:

32 de welken daar zij het recht Gods weten, (nameajk dat degenen die zulke dingen doen des doods waardig zijn), niet alleen dezelve doen, maar ook mede een welgevallen hebben in degenen die ze doen.

HOOFDSTUK 2.

Daarom zijt gij niet te verontschuldigen, o mensch, wie gij zijt, die anderen oordeelt; want waarin


-ocr page 1243-

ROMEINEN 2.

189

gij een ander oordeelt, veroordeelt gij uzelven; want gij die anderen oordeelt doet dezelfde dingen.

2 En wij weten dat het oordeel Gods naar waarheid is over degenen die zulke dingen doen:

3 en denkt gij dit, o mensch, die oordeelt degenen die zulke dingen doen, en dezelve doet, dat gij het oordeel Gods zult ontvlieden?

4 Of veracht gij den rijkdom zijner goedertierenheid en verdraagzaamheid en lankmoedigheid, niet wetende dat de goedertierenheid Gods u tot bekeering leidt?

5 Maar naar uwe hardigheid en onbekeerlijk harte vergadert gij uzelven tourn als eenen schat in den dag des toorns en der openbaring van het rechtvaardig oordeel Gods,

6 welke een iegelijk vergelden zal naar zijne werken:

7 dengenen wel, die met volhar- j ding in goed doen heerlijkheid en eer en onverderfelijkheid zoeken, het eeuwige leven;

8 maar dengenen die twistgierig zijn, en die der waarheid ongehoorzaam doch der ongerechtigheid gehoorzaam zijn, zal verbolgenheid en toorn vergolden ivorden:

9 verdrukking en benauwdheid over alle ziele des menschen die het kwade werkt, eerst van den Jood, en ook van den Griek;

10 maar heerlijkheid en eer en vrede een iegelijk die het goede werkt, eerst den Jood, en ook den Griek.

11 Want daar is geen aanneming des persoons bij God,

12 Want zoovelen als er zonder wet gezondigd hebben, zullen ook zonder wet verloren gaan: en zoo-velen als er onder de wet gezondigd hebben, zullen door de wet geoordeeld worden:

13 (want de hoorders der wet zijn niet rechtvaardig voor God, maar de daders der wet zullen gerechtvaardigd worden;

14 want wanneer de heidenen, die de wet niet hebben, van nature de dingen doen die der wet zijn, deze de wet niet hebbende zijn zichzelven een wet,

15 als die betoenen het werk der wet geschreven in hunne harten, hunne conscientie medegetui-gende, en de gedachten onder elkander hen beschuldigende of ook ontschuldigende:)

16 in den dag wanneer God de verborgene dingen der menschen zal oordeelen door Jezus Christus, naar mijn Evangelie.

17 Zie, gij wordt een Jood genaamd, en rust op de wet, en roemt op God;

18 en gij weet zijnen wil, en beproeft cïe dingen die daarvan verschillen, zijnde onderwezen uit de wet;

19 en gij betrouwt uzelven te zijn een leidsman der blinden, een licht dergenen die in duisternis zijn,

20 een onderrichter der onwijzen en een leermeester der onwetenden , hebbende de gedaante dei-kennis en der waarheid in de wet:

21 die dan een ander leert, leert gij uzelven niet? Die predikt dat men niet stelen zal, steelt gij ?

22 Die zegt dat men geen overspel doen zal, doet gij overspel? Die van de afgoden een gruwel hebt, berooft gij het heilige?

23 Die op de wet roemt, ont-eert gij God door de overtreding der wet?

24 Want de naam Gods wordt om uwentwille gelasterd onder de heidenen, gelijk geschreven is.

25 Want de besnijdenis is wel nut indien gij de wet doet, maar indien gij een overtreder der wet zijt, zoo quot;is uwe besnijdenis voorhuid geworden.

26 Indien dan de voorhuid de rechten der wet bewaart, zal niet zijne voorhuid tot eene besnijdenis gerekend worden?

27 En zal de voorhuid, die uit de natuur is, als zij de wet volbrengt u niet oordeelen, die door de letter en besnijdenis een overtreder der wet zijt?

28 Want die is niet een Jood, die het in \'t openbaar is, noch die is de besnijdenis, die het in \'t openbaar in het vleesch is:

29 maar die is een Jood, die het in \'t verborgen is ; en de besnijdenis des harten, in den geest,


-ocr page 1244-

ROMEINEN 3.

190

niet in de letter, is de besnijdenis\', wiens lof niet is uit de men-schen maar uit God.

HOOFDSTUK 3.

Welk is dan het voordeel van den Jood, of welke is de nuttigheid der besnijdenis ?

2 Veel in alle manieren. Want dit is wel het eerste, dat hun de woorden Gods zijn toebetrouwd.

3 Want wat is het, al zijn sommigen ongeloovig geweest? Zal hunne ongeloovigheid het geloof Gods te niet doen?

4 Dat zij verre; doch God zij waarachtig, maar alle mensch leugenachtig, gelijk als geschreven is: Opdat gij gerechtvaardigd wordt in uwe woorden, en overwint wanneer gij oordeelt.

5 Indien nu ónze ongerechtigheid Gods gerechtigheid bevestigt, wat zullen wij zeggen? Is God onrechtvaardig als hij toorn over ons brengt? (ik spreek naar den mensch:)

G dat zij verre; anders hoe zal God de wereld oordeelen?

7 Want indien de waarheid Gods door mijne leugen overvloediger is geworden tot zijne heerlijkheid, wat word ik ook nog als een zondaar geoordeeld,

8 en zeggen wij niet liever (gelijk wij gelasterd worden, en gelijk sommigen zeggen dat wij zeggen): Laat ons het kwade doen, opdat het goede daaruit kome? Welker verdoemenis rechtvaardig is.

9 Wat dan? Zijn wij uitnemen-der? Ganschelijk niet; want wij hebben te voren beschuldigd beide Joden en Grieken, dat ze allen onder de zonde zijn,

10 gelijk geschreven is: Daar is niemand rechtvaardig, ook niet één;

11 daar is niemand die verstandig is, daar is niemand die God zoekt;

12 allen zijn zij afgeweken, te zamen zijn zij onnut geworden, daar is niemand die goed doet, daar is ook niet tot één toe;

13 hun keel is een geopend graf; met hunne tongen plegen

zij bedrog; slangenvenijn is onder lt; hunne lippen; aii

14 welker mond vol is van ver- iie vloeking en bitterheid;

15 hunne voeten zijn snel om js bloed te vergieten;

IC vernieling en ellendigheid is V( in hunne wegen,

17 en den weg des vredes hebben amp; zij niet gekend: n

18 daar is geen vreeze Gods voor hunne oogen.

19 Wij weten nu dat al wat de wet zegt, zij dat spreekt tot j degenen die onder de wet zijn , i opdat alle mond gestopt worde

en de geheele wereld voor God verdoemelijk zij:

20 daarom zal uit de werken der wet geen vleesch gerechtvaardigd worden voor hem, want door de wet is de kennis der zonde.

21 Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet, hebbende getuigenis van de Wet en de Profeten:

22 namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen en over allen die gelooven; want daar is geen onderscheid.

23 Want zij hebben allen gezondigd en derven de heerlijkheid Gods,

24 en worden om niet gerechtvaardigd uit zijne genade door de verlossing die in Christus Jezus is,

25 welken God voorgesteld heeft tot eene verzoening door het geloof in zijn bloed, tot eene betooning van zijne rechtvaardigheid door de vergeving der zonden , die te voren geschied zijn onder de verdraagzaamheid Gods,

26 tot eene betooning van zijne rechtvaardigheid in dezen tegen-woordigen tijd; opdat hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende dengenen die uit het geloof van Jezus is.

27 Waar is dan de roem? Hij is uitgesloten. Door wat wet? Der werken? Neen, maar door de wet des geloofs.

28 Wij beslui ter. dan dat de mensch door het geloof gerechtvaardigd wordt, zonder de werken der wet.


-ocr page 1245-

ROMEINEN 4.

191

29 Is God een God der Joden alleen, en is hij het niet ook der heidenen? Ja, ook der heidenen;

30 nademaal hij een éénig God is, die de besnijdenis rechtvaardigen zal uit hét geloof, en de voorhuid door het geloof.

31 Doen wij dan de wet te niet door het geloof? Dat zij verre, maar wij bevestigen de wet.

HOOFDSTUK 4.

Wat zullen wij dan zeggen dat Abraham onze vader verkregen heeft naar het vleesch?

2 Want indien Abraham uit de werken gerechtvaardigd is, zoo heeft hij roem, maar niet bij God.

3 Want wat zegt de Schrift? En Abraham geloofde God, en het is hem gerekend tot rechtvaardigheid.

4 Nu, dengenen die werkt wordt het loon niet toegerekend naar genade, maar naar schuld;

5 doch dengenen die niet werkt, maar gelooft in hem die den god-delooze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid ,

(3 gelijk ook David den mensch zalig spreekt welken God de rechtvaardigheid toerekent zonder werken,

7 zeggende: Zalig zijn ze welker ongerechtigheden vergeven zijn en welker zonden bedekt zijn,

8 zalig is de man welken de Heere de zonde niet toerekent.

9 Deze zaligspreking dan, is die alleen over de besnijdenis of ook over de voorhuid? Want wij zeggen dat aan Abraham het geloof gerekend is tot rechtvaardigheid.

10 Hoe is het hem dan toegerekend? Als hij in de besnijdenis was of in de voorhuid? Niet in de besnijdenis, maar in de voorhuid.

11 En hij heeft het teeken der besnijdenisquot; ontvangen tot een zegel der rechtvaardigheid des geloofs die hem in de voorhuid was toegerekend, opdat hij zoude zijn een vader van allen die ge-looven in de voorhuid zijnde, ten einde ook hun de rechtvaardigheid toegerekend worde,

12 en een vader der besnijdenis, dengenen namelijk die niet alleen uit de besnijdenis zijn, maar die ook wandelen iu de voetstappen des geloofs van onzen vader Abraham, \'t welk in de voorhuid was.

13 Want de belofte is niet door de wet aan Abraham of zijn zaad geschied, namelijk dat hij een erfgenaam der wereld zoude zijn, maar door de rechtvaardigheid des geloofs.

14 Want indien degenen die uit de wet zijn erfgenamen zijn, zoo is het geloof ijdel geworden en de beloflenis te niet gedaan.

15 Want de wet werkt toorn ; want waar geen wet is daar is ook geene overtreding.

16 Daarom is ze uit het geloof, opdat zo zij naar genade, ten einde de belofte vast zij al den zade, niet alleen dat uit de wet is, maar ook dat uit den geloove Abrahams is, welke is een vader van ons allen,

17 (gelijk geschreven staat: Ik heb u tot een vader van vele volken gesteld;) voor hem aan welken hij geloofd heeft, namelijk God die de dooden levend maakt, en roept de dingen die niet zijn alsof ze waren.

18 Welke tegen hope op hope geloofd heeft, dat hij zoude worden een vader van vele volken , volgens hetgeen gezegd was: Alzóó zal uw zaad wezen;

19 en niet verzwakt zijnde in \'t geloove, heeft hij zijn eigen lichaam niet aangemerkt dat aireede verstorven was, alzoo hij omtrent honderd jaren oud was, noch ook dat de moeder in Sara verstorven was;

20 en hij heeft aan de beloftenis Gods niet getwijfeld door ongeloof, maar is gesterkt geweest in \'t geloove, gevende God de eer,

21 en ten volle verzekerd zijnde dat hetgeen beloofd was, hij ook machtig was te doen.

22 Daarom is het hem ook tot rechtvaardigheid gerekend.

23 Nu is het niet alleen om zijnentwille geschreven, dat het hem toegerekend is,

24 maar ook om onzentwille,


-ocr page 1246-

ROMEINEN 5.

192

welken het zal toegerekend worden, namelijk dengenen die gelooven in hem, die Jezus onzen Heere uit de dooden opgewekt heeft,

25 welke overgeleverd is om onze zonden en opgewekt om onze rechtvaardigmaking.

HOOFDSTUK 5.

Wij dan gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God door onzen Heere Jezus Christus;

2 door welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade in welke wij staan, en roemen in de hope der heerlijkheid Gods.

3 En niet alleen dit, maar wij roemen ook in de verdrukkingen, wetende dat de verdrukking lijdzaamheid werkt,

4 en de lijdzaamheid bevinding, en de bevinding hope;

5 en de hoop beschaamt niet, omdat de liefde Gods in onze harten uitgestort is door den Heiligen Geest, die ons is gegeven.

6 Want Christus, als wij nog krachteloos waren, is te zijner tijd voor de goddeloozen gestorven.

7 Want nauwelijks zal iemand voor een en rechtvaardige sterven; want voor den goede zal mogelijk iemand ook bestaan te sterven;

8 maar God bevestigt zijne liefde jegens ons, dat Christus voor ons gestorven is als wij nog zondaars waren :

9 veel meer dan, zijnde nu gerechtvaardigd door zijn bloed, zullen wij door hem behouden worden van den toorn.

10 Want indien wij vijanden zijnde met God verzoend zijn door den dood zijns Zoons, veel meer zullen wij verzoend zijnde behouden worden door zijn leven;

11 en niet alleenlijk dit, maar wij roemen ook in God door onzen Heere Jezus Christus, door welken wij nu de verzoening gekregen hebben.

12 Daarom gelijk door éénen mensch de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood, en alzóó de dood tot alle menschen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben;

13 want tot de wet was de zonde in de wereld; maar de zonde wordt niet toegerekend als er geen wet is;

14 maar de dood heeftgeheerscht van Adam tot Mozes toe, ook over degenen die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding Adams, welke een voorbeeld is desgenen die komen zoude.

15 Doch niet gelijk de misdaad^ alzóó is ook de genadegift. Want indien door de misdaad van éénen velen gestorven zijn, zoo is veel meer de genade Gods, en de gave door de genade, die daar is eens menschen Jezus Christus, overvloedig geweest over velen.

10 En niet gelijk de schuld tvas door den éénen die gezondigd heeft, cdzóó is de gift. Want de schuld is wel uit ééne misdaad tot verdoemenis , maar de genadegift is uit vele misdaden tot rechtvaardigmaking.

17 Want indien door de misdaad van éénen de dood geheerscht heeft door dien éénen, veel meer zullen degenen die den overvloed der genade en der gave der rechtvaardigheid ontvangen, in het leven heerschen door dien éénen, namelijk Jezus Christus.

18 Zoo dan gelijk door ééne misdaad de schuld gekomen is over alle menschen tot verdoemenis, alzoo ook door ééne rechtvaardigheid komt de genade over alle menschen tot rechtvaardigmaking des levens;

19 want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien éénen mensch- velen tot zondaars gesteld zijn geworden., alzóó zullen ook door de gehoorzaamheid van éénen velen tot rechtvaardigen gesteld worden.

20 Maar de wet. is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde: en waar de zonde meerder geworden is, daar is de genade veel meer overvloedig geweest ;

21 opdat gelijk de zonde geheerscht heeft tot den dood, alzóó


-ocr page 1247-

ROMEINEN 6, 1.

103

Dok Je genade zoude heerschen door rechtvaardigheid tot het eeuwige leven , door Jezus Christus onzen Heere.

HOOFDSTUK 6.

Wat zullen wij dan zeggen? Zullen wij in de zonde blijven, opdat de genade te meerder worde?

2 Dat zij verre. Wij die der zonde gestorven zijn , hoe zullen wij nog in dezelve leven?

3 Of weet gij niet, dat zoovelen als wij in Christus Jezus gedoopt zijn, wij in zijnen dood gedoopt zijn?

4 Wij zijn dan met hem begraven door den doop in den dood, opdat gelijkerwijs Christus uit de dooden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzuo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.

5 Want indien wij met hem ééne plant geworden zijn in de gelijkmaking zijns doods, zoo zullen wij het ook zijn in de {jelijk-making zijner opstanding,

6 dit wetende dat onze oude mensch met hem gekruisigd is, opdat het lichaam der zonde te met gedaan worde, opdat wij niet meer de zonde dienen;

7 want die gestorven is, die is gerechtvaardigd van de zonde.

8 Indien wij nu met Christus gestorven zijn, zoo gelooven wij dat wij ook met hem zullen leven,

9 wetende dat Christus opgewekt zijnde uit de dooden niet meer sterft: de doodheerschtniet meer over hem.

10 Want dat hij gestorven is, dat is hij der zonde éónmaal gestorven; en dat hij leeft, dat leeft hij Gode.

11 Alzoo ook gijlieden, houdt het daarvoor dat gij wel der zonde dood zijt, maar Gode levende zijt in Christus Jezus onzen Heere.

12 Dat dan de zonde niet heer-sche in uw sterfelijk lichaam, om haar te gehoorzamen in de begeerlijkheden van dat {lichaam).

13 En stelt uwe leden niet dei-zonde tot wapenen der ongerechtigheid , maar stelt uzelven Gode als uit do dooden levend geworden zijnde, en uwe leden Gode tot wapenen der gerechtigheid.

14 Want de zonde zal over u niet heerschen; want gij zijt niet onder de wet maar onder de genade.

15 Wat dan ? Zullen wij zondigen , omdat wij niet zijn onder de wet maar onder de genade ? Dat zij verre.

16 Weet gij niet, dat wien gij uzelven stelt tot dienstknechten ter gehoorzaamheid, gij dienstknechten zijt desgenen wien gij gehoorzaamt, óf der zonde tot den dood, of der gehoorzaamheid tot gerechtigheid?

17 Maar Gode zij dank, dat gij wel dienstknechten der zonde waart, maar dat gij nu van harte gehoorzaam geworden zijt aan het voorbeeld der leer tot hetwelk gij overgegeven zijt,

IS en vrijgemaakt zijnde van de zonde, zijt gemaakt dienstknechten der gerechtigheid.

19 Ik spreek op menschelijke wijze , om der zwakheid uws vlee-sches wille; want gelijk gij uwe leden gesteld hebt om \'dienstbaar te zijn der onreinigheid en der ongerechtigheid tot ongerechtigheid, alzóó stelt nu uwe leden om dienstbaar te zijn der gerechtigheid tot heiligmaking.

20 Want toen gij dienstknechten waart der zonde, zoo waart gij vrij van de gerechtigheid.

21 Wat vrucht dan hadt gij toen van die dingen waarover gij u nu schaamt? Want het einde derzei ven is do dood.

22 Maar nu van de zonde vrijgemaakt zijnde, en Gode dienstbaar gemaakt zijnde, hebtgii uwe vrucht tot heiligmaking, en het einde het eeuwige leven.

23 Want de bezolding der zonde is de dood, maar de genade-gifte Gods is het eeuwige leven door Jezus Christus onzen Heere.

HOOFDSTUK 7.

Weet gij niet, broeders, (want ik spreek quot;tot degenen die de wet verstaan), dat de wet heerscht over den mensch zoo langen lijd ah hij leeft?


7

-ocr page 1248-

NEN 8.

ROME I

194

2 Want eene vrouw die onder den man staat is aan den levenden man verbonden door de wet; maar indien de man gestorven is, zoo is zij vrijgemaakt van de wet des mans.

3 Daarom dan indien zij eens anderen mans wordt terwijl de man leeft, zoo zal zij een overspeelster genaamd worden; maar indien de man gestorven is, zoo is zij vrij van de wet, alzoo dat zij geen \'overspeelster is als zij eens anderen mans wordt.

4 Zoo dan, mijne broeders, gij zijt ook der wet gedood door het lichaam van Christus, opdat gij zoudt worden eens anderen, namelijk desgenen die van de dooden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden.

5 Want toen wij in het vleesch waren, werkten de bewegingen der zonden die door de wet zijn in onze leden, om den dood vruchten te dragen;

6 maar nu zijn wij vrijgemaakt van de wet, overmits wij dien gestorven .sijn onder welken wij gehouden waren, alzoo dat wij dienen in nieuwigheid des geestes, en niet in de oudheid der letter.

7 Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Dat zij verre ; ja, ik kende de zonde niet dan door de wet; want ook had ik de begeerlijkheid niet geweten zonde te zijn, indien de wet niet zeide; Gij zult niet begeeren.

8 Maar de zonde oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft in mij alle begeerlijkheid gewrocht; want zonder de wet is de zonde dood.

9 En zonder de wet, zoo leefde ik eertijds; maar als het gebod gekomen is, zoo is de zonde weder levend geworden, doch ik ben gestorven ,

10 en het gebod dat ten leven was, hetzelve is mij ten dood bevonden.

11 Want de zonde oorzaak genomen hebbende door het gebod, heeft mij verleid en door hetzelve gedood.

12 Alzoo is dan de wet heilig, en het gebod is heilig en rechtvaardig en goed.

13 Is dan het goede mij de dood geworden? Dat zij verre; maar de zonde is mij de dood fjetuorden , opdat zij zoude openbaar worden zonde te zijn, werkende mij door het goede den dood; opdat de zonde bovenmate wiercf zondigende door het gebod.

14 Want wij weten dat de wet geestelijk is, maar ik ben vlee-schelijk , verkocht onder de zonde.

15 Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet; want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik.

16 En indien ik hetgene doe dat ik niet wil, zoo stem ik de wet toe dat zij goed is:

17 ik dan doe datzelve nu niet meer, maar de zonde die in mij woont.

18 Want ik weet dat in mij, dat is in mijn vleesch, geen goed woont. Want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet;

19 want het goede dat ik wil doe ik niet, maar het kwade dat ik niet wil, dat doe ik.

20 Indien ik hetgene doe dat ik niet wil, zoo doe ik nu hetzelve niet meer, maar de zonde die in mij woont.

21 Zoo vind ik dan deze wet in mij, als ik het goede wil doen, dat het kwade mij bijligt;

22 want ik heb een vermaak in de wet Gods naar den inwendigen mensch,

23 maar ik zie eene andere wet in mijne leden, welke strijdt tegen de wet mijns gemoeds, en mij gevangen neemt onder de wet der zonde die in mijne leden is.

24 Ik ellendig mensch, wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods ?

25 Ik danke God door Jezus Christus, onzen Heere.

26 Zoo dan ik zelf dien wel met het gemoed de wet Gods, maar met het vleesch de wet der zonde.

HOOFDSTUK 8.

Zoo is er dan nu geene verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn, die niet naar het vleesch wandelen maar naar den Geest


-ocr page 1249-

ROMEINEN 8.

195

2 Want de wet des Geestes des levens in Christus Jezus heeft mij vrijgemaakt van de wet der zonde en des doods.

3 Want hetgeen der wet onmogelijk was, dewijl zij door het vleesch krachteloos was, heeft God zijnen Zoon zendende in gelijkheid des zondigen vleesches , en dat voor de zonde, de zonde veroordeeld in het vleesch;

4 opdat het recht der wet vervuld zoude worden in ons, die niet naar het vleesch wandelen maar naar den Geest,

5 Want die naar het vleesch zijn bedenken dat des vleesches is, maar die naar den Geest zijn bedenken dat des Geestes is;

6 want het bedenken des vleesches is de dood, maar het bedenken des Geestes is het leven en vrede;

7 daarom dat het bedenken des vleesches vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich der wet Gods niet, want het kan ook niet;

8 en die in het vleesch zijn kunnen Gode niet behagen.

9 Doch gijlieden zijt niet in het vleesch, maar in den Geest, zoo anders de Geest Gods in u woont; maar zoo iemand den Geest van Christus niet heeft, die komt hem niet toe.

10 En indien Christus in ulieden is, zoo is wel het lichaam dood om der zonde wille, maar de geest is leven om der gerechtigheid wille.

11 En indien de Geest desgenen die Jezus uit de dooden opgewekt heeft in u woont, zoo zal hij , die Christus uit de dooden opgewekt heeft, ook uwe sterfelijke lichamen levend maken door zijnen Geest die in u woont.

12 Zoo dan broeders, wij zijn schuldenaars niet den vleesche, om naar het vleesch te leven.

13 Want indien gij naar het vleesch leeft, zoo zult\'gij sterven; maar indien gij door den Geest de werkingen des lichaams doodt, zoo zult gij leven.

14 Want zoo velen als er door den Geest Gods geleid worden, die zijn kinderen Gods.

15 Want gij hebt niet ontvangen den Geest der dienstbaarheid wederom tot vreeze, maar gij hebt ontvangen den Geest der aanneming tot kinderen , door welken wij roepen : Abba , Vader !

16 Die Geest getuigt met onzen geest dat wij kinderen Gods zijn.

17 En indien wij kinderen zijn, zoo zijn wij ook erfgenamen, erfgenamen Gods en medeërfgena-men van Christus ; zoo wij anders met hem lijden, opdat wij ook met hem verheerlijkt worden.

18 Want ik houde het daarvoor, dat het lijden dezes tegenwoordi-gen tijds niet is te waardeeren tegen de heerlijkheid die aan ons zal geopenbaard worden.

19 Want het schepsel, als met opgestoken hoofde, verwacht de openbaring der kinderen Gods.

20 Want het schepsel is der ijdelheid onderworpen, niet gewillig, maar om diens wille die het der ijdelheid onderworpen heeft;

21 op hoop dat ook het schepsel zelf zal vrijgemaakt worden van de dienstbaarheid der verderfenis, tol de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods.

22 Want wij weten, dat het gansche schepsel te zamen zucht en te zamen als in barensnood is tot nu toe.

23 En niet alleen dit, maar ook wijzelven die de eerstelingen des Geestes hebben, wij ook zeiven zer/ ik zuchten in onszelven, verwachtende de aanneming tot kinderen , namelijk de verlossing onzes lichaams.

24 Want wij zijn in hope zalig geworden. De hoop nu die gezien wordt is geene hoop; want hetgeen iemand ziet, waarom zal hij het ook hopen?

quot;25 Maar indien wij hopen hetgeen wij niet zien, zoo verwachten wij het met lijdzaamheid.

26 En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet wat wij bidden zullen gelijk het behoort, maar de Geest zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen.

27 En die de harten doorzoekt,


-ocr page 1250-

ROMEINEN 9.

196

weet welke de meening des Gees-tes zij , dewijl hij naar God voor de heiligen bidt.

28 En wij weten, dat dengenen die God liefhebben alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen die naar zijn voornemen geroepen zijn.

29 Want die hij te voren gekend heeft, die heeft hij ook te voren verordineerd den heelde zij ns Zoons gelijkvormig te zijn, opdat hij de eerstgeborene zij onder vele broederen;

30 en die hij te voren verordineerd heeft, deze heeft hij ook geroepen; en die hij geroepen heeft, deze heeft hij ook gerechtvaardigd; en die hij gerechtvaardigd heeft, deze heeft hij ook verheerlijkt.

31 Wat zullen wij dan tot deze dingen zeggen? Zoo God vóór ons is wie zal tegen ons zijn?

32 Die ook zijnen eigen Zoon niet gespaard heeft, maar heeft hem voor ons allen overgegeven, hoe zal hij ons ook met hem niet alle dingen schenken ?

33 Wie zal beschuldiging inbrengen tegen de uitverkorenen Gods? God is het die rechtvaardig maakt.

3i Wie is het die verdoemt? Christus is het die gestorven is, ja, wat meer is, die ook opgewekt is, die ook ter rechter//and Gods is, die ook voor ons bidt.

35 Wie zal ons scheiden van de liefde van Christus? Verdrukking, of benauwdheid, of vervolging, of honger, of naaktheid, of gevaar, of zwaard?

3C (gelijk geschreven is : Want om uwentwille worden wij den ganschen dag gedood, wij zijn geaefct als schapen der slachting.)

37 Haar in dit alles zijn wij meer dan overwinnaars, door hem die ons liefgehad heeft.

38 Want ik ben verzekerd, dat noch dood noch lev en, noch Engelen noch overheden, noch machten , noch tegenwoordige noch toekomende dingen,

39 noch hoogte noch diepte, noch eenig ander schepsel ons zal kunnen scheiden van de liefde

Gods, welke is in Christus Jezus onzen Heere.

HOOFDSTUK 9.

Ik zeg de waarheid in Christus , ik lieg niet, (mijne conscientie mij mede-getuigenis gevende door den Heiligen Geest),

2 dat het mij eene groote droefheid, en mijn hart cenc gedurige smarte is.

3 Want ik zoude zelf ivcl wen-schen verbannen te zijn van Christus voor mijne broederen, die mijn maagschap zijn naar het vleesch;

4 welke Israëliten zijn, welker is de aanneming tot kinderen, en de heerlijkheid, en de verbonden, en de wetgeving, en de dienst Gods, en de beloftenissen;

5 welker zijn de vaderen, en uit welke Christus is zooveel het vleesch aangaat, dewelke is God boven allen te prijzen in eeuwigheid. Amen.

G Doch ik zerj dit niet alsof het Woord Gods ware uitgevallen. Want die zijn niet allen Israël, die uit Israël zijn;

7 noch omdat zij Abrahams zaad zijn, zijn zij allen kinderen, maar, In Isaak zal u het zaad genoemd worden:

8 dat is, niet de kinderen des vleesches, die zijn kinderen Gods; maar de kinderen der beloftenis worden voor het zaad gerekend.

9 Want dit is het woord der beloftenis: Omtrent dezen tijd zal ik komen, en Sara zal eeneri zoon hebben.

10 En niet alleen deze, maar ook Rebekka is daarvan een bewijs, als zij uit éénen bevrucht was , namelijk Isaiik onzen vader.

11 Want als de kinderen nog niet geboren waren, noch iets goeds of kwaads gedaan hadden, opdat het voornemen Gods dat naar de verkiezing is vasïbleve, niet uit de werken maar uit den roepende,

12 zoo werd tot haar gezegd: De meerdere zal den mindere dienen;

13 gelijk geschreven is : Jakob

iel

rel: 1

s ■ 0a 1 :k


-ocr page 1251-

ROMEINEN 10.

197

IZUS

eb ik liefgehad, en Esau heb ik ehaat.

14 Wat zullen wij dan zeggen ?

s er onrechtvaardigheid bij God ?

Dat zij verre.

15 Want hij zegt tot Mozes: ; zal mij ontfermen diens ik mij

ntferme en zal barmhartig zijn

ien ik barmhartig ben.

16 Zoo is het dan niet desgenen ie wil noch desgenen die loopt, aar des ontfermenden Gods.

17 Want de Schrift zegt tot iFarao: Hiertoe heb ik u verwekt, opdat ik in u mijne kracht bewijzen zoude, en opdat mijn naam verkondigd worde op de gansche aarde.

18 Zoo ontfermt hij zich dan diens hij wil, en verhardt dien

Ihij wil.

, -lO Gij zult dan tot mij zeggen : \' Wat klaagt hij dan nog ? want wie heeft zijnen wil wederstaan?

20 Maar toch, o mensch, wie jzijt gij die tegen God antwoordt? \' Zal ook het maaksel tot dengene

die het gemaakt heeft zeggen; Waarom hebt gij mij alzóu ge-i maakt ?

21 Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit denzelfden klomp te maken het ééne vat ter eere en het andere ter on eere?

22 En of God willende zijnen toorn bewijzen en zijne macht bekend maken, met veel lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns, tot het verderf toebereid;

23 en opdat hij zoude bekend maken den rijkdom zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid?

24 Welke hij ook geroepen heeft, namelijk ons, niet alleen uit de Joden maar ook uit de heidenen:

25 gelijk hij ook in Hoséa zegt: Ik zal hetgeen mijn volk niet was mijn volk noemen, en die niet bemind was mijne beminde;

26 en het zal zijn in de plaats waar tot hen gezegd was; Gijlieden zijt mijn volk niet, aldaar zullen zij kinderen des levenden Gods genaamd worden.

27 En Jesaja roept over Israël; Al ware het getal der kinderen

Israels gelijk het zand der zee, zoo zal het overblijfsel behouden worden.

28 Want hij voleindt eene zaak en snijdt ze af in rechtvaardigheid; w.mt de Heere zal eene afgesneden zake doen op de aarde.

29 En gelijk Jesaja te voren gezegd heeft: Indien de Heere Ze-baoth ons geen zaad had overgelaten, zoo waren wij als Sodom geworden, en Gomorra gelijkgemaakt geweest.

30 Wat zullen wij dan zeggen? Dat de heidenen, dié de rechtvaardigheid niet zochten , de rechtvaardigheid verkregen hebben, doch de rechtvaardigheid die uit het geloof is;

31 maar Israël, dat de wet der rechtvaardigheid zocht, is tot de wet der rechtvaardigheid niet gekomen.

32 Waarom? Omdat ze die zoch-ton niet uit het geloof, maar als uit de werken der wet; want zij hebben zich gestooten aan den steen des aanstoots,

33 gelijk geschreven is: Zie, ik leg in Sion ecnen steen des aanstoots en eene rots der ergernis, en een iegelijk die in hem gelooft zal niet beschaamd worden.

HOOFDSTUK 10.

Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed dat ik tot God voor Israël doe, is tot hunne zaligheid.

2 Want ik geef hun getuigenis, dat zij eenen ijver tot God hebben, maar niet met verstand.

3 Want alzoo zij de rechtvaardigheid Gods niet kennen, en hunne eigene gerechtigheid zoeken op te richten, zoo zijn zij der rechtvaardigheid Gods niet onderworpen.

4 Want het einde der wet is Christus, tot rechtvaardigheid een iegelijk die gelooft.

5 Want Mozes beschrijft de recht-vaardigheid die uit de wet is, zeggende: De mensch die deze dingen doet zal door dezelve leven.

G Maar de rechtvaardigheid die uit het geloof is spreekt aldus: Zeg niet in uw harte; Wie zal


-ocr page 1252-

ROMEINEN 11.

198

in den hemel opklimmen? Dat is Christus van hoven afbrengen.

7 Of wie zal in den afgrond nederdalen? Dat is Christus uit de dooden opbrengen.

8 Maar wat zegt ze? Nabij u is het Woord, in uwen mond en in uw hart. Dit is het Woord des geloofs \'t welk wij prediken:

9 namelijk, indien gij met uwen mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw harte gelooven dat God hem uit de dooden opgewekt heeft, zoo zult gij zalig worden.

10 Want met het harte gelooft men ter rechtvaardigheid, en met den mond belijdt men ter zaligheid.

11 Want de Schrift zegt: Een iegelijk die in hem gelooft, die zal niet beschaamd worden.

12 Want daar is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want dezelfde is Heere van allen, rijk zijnde over allen die hem aanroepen.

18 Want een iegelijk die den naam des Heeren zal aanroepen, zal zalig worden.

14 Hoe zullen zij dan hem aanroepen , in welken zij niet geloofd hebben? En hoe zullen zij in hem gelooven, van welken zij niet gehoord hebben? En hoe zullen zij hooren, zonder die hun predikt?

15 En hoe zullen zij prediken, indien zij niet gezonden worden? Gelijk geschreven is: Hoe liefelijk zijn de voeten dergenen die vrede verkondigen, dergenen die het goede verkondigen!

16 Doch zij zijn niet allen het Evangelie gehoorzaam geweest; want Jesaja zegt: Heere, wie heeft onze prediking geloofd?

17 Zoo is dan het geloof uit het gehoor, en het gehoor door het woord Gods.

18 Maar ik zeg: hebben zij het niet gehoord? Ja toch, hun geluid is over de geheele aarde uitgegaan, en hunne woorden tot de einden der wereld.

19 Maar ik zeg: heeft Israël het niet verstaan? Mozes zegt eerst: Ik zal ulieden tot jaioersch-heid verwekken door degenen die geen volk zijn; door een onverstandig volk zal ik u tot toorn verwekken.

20 En Jesaja verstout zich en zegt: Ik ben gevonden van degenen die mij niet zochten, ik ben openbaar geworden dengenen die naar mij niet vraagden.

21 Maar tegen Israël zegt hij: Den geheelen dag heb ik mijne handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk.

HOOFDSTUK 11.

Ik zeg dan: Heeft God zijn volk 1 verstoeten? Dat zij verre; want I ik ben óók een Israëliet, uit het | geslacht Abrahams, van den stam Benjamin.

2 God heeft zijn volk niet verstoeten, \'t welk hij te voren gekend heeft. Of weet gij niet wat de Schrift zegt van Eh\'a? hoe hij God aanspreekt tegen Israël, zeggende: |

3 Heere, zij hebben uwe Profe- ; ten gedood en uwe altaren omgeworpen, en ik ben alleen overgebleven, en zij zoeken mijne ziel.

4 Maar wat zegt tot hem het Goddelijk antwoord? Ik heb mij-zelven noy zevenduizend mannen overgelaten, die de knie voor het beeld van Baal niet gebogen hebben.

5 Alzoo is er can ook in dezen tegenwoordigen tijd een overblijfsel geworden, naar de verkiezing der genade.

6 En indien het door genade is, zoo is het niet meer uit de werken; anders is de genade geen genade meer. En indien het is uit de werken, zoo is het geen genade meer; anders is het werk geen werk meer.

7 Wat dan? Hetgeen Israël zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden,

8 (gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven eenen geest des diepen slaaps, oogen om niet te zien, en ooren om niet te hooren), tot op den huldigen dag.

9 En David zegt: Hun tafel worde tot eenen strik en tot eenen val en tot eenen aanstoot en tot eene vergelding voor hen;


-ocr page 1253-

ROMEINEN 11.

199

10 dut hunne oogen verduisterd worden om niet te zien; en verkrom hunnen rug allen tijd.

11 Zoo zeg ik dan: hebben zij gestruikeld opdat zij vallen zouden? Dat zij verre; maar door hunnen

| val is de zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloersch-

hoirl to

12 En indien hun val de rijkdom is der wereld, en hunne vermindering de rijkdom der heidenen, hoeveel te meer hunne volheid.

13 Want ik spreek tot u, heidenen : voor zooveel ik der heidenen Apostel ben, maak ik mijne bediening heerlijk,

14 of ik soms mijn vleesch tot jaloerschheid verwekken en eeni-gen uit hen behouden mocht.

15 Want indien hunne verwerping de verzoening is der wereld, wat zal de aanneming wezen, anders dan het leven uit de dooden?

lü En indien de eerstelingen heilig zijn, zoo is ook het deeg heUifi; en indien de wortel heilig is, zoo zijn ook de takken heilig.

17 En zoo eenige der takken afgebroken zijn, en gij, een wilde olijfboom zijnde, in derzelver jjlaats zijt ingeënt, en des wortels en der vettigheid des olijfbooms mede deelachtig zijt geworden,

18 zoo roem niet tegen de takken; en indien gij daartegen roemt, gij draagt den wortel niet, maar de wortel u.

19 Gij zult dan zeggen: De takken zijn afgebroken, opdat ik zoude ingeënt worden.

20 Het is wèl; zij zijn door ongeloof afgebroken, en gij staat door het geloof. Wees niet hoog-gevoelende, maar vrees.

21 Want is het dat God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, zie toe dat hij ook mogelijk u niet spare.

22 Zie dan de goedertierenheid en de gestrengheid Gods: de gestrengheid wel over degenen die gevallen zijn, maar de goedertierenheid over u, indien gij in de goedertierenheid blijft; anders zult ook gij afgehouwen worden.

23 Maar ook zij, indien ze in het ongeloof niet blijven, zullen inge-ent worden; want God is machtig dezelve weder in te enten.

24 Want indien gij afgehouwen zijl uit den olijfboom die van nature wild was, en tegen nature in den goeden olijfboom ingeënt, hoeveel te meer zullen déze, die natuurlijke takken zijn, in hun eigen ^olijfboom geënt worden!

dat u deze verborgenheid onbekend zij, (opdat gij niet wijs zijt bij uzelven), dat de verharding voor eén deel over Israël gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.

26 En alzóó zal geheel Israël zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen, en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob:

27 en dit is hun een verbond van mij, als ik hunne zonden zal wegnemen.

28 Zoo zijn zij wel vijanden wat aangaat het Evangelie, om uwentwille , maar wat aangaat de verkiezing zijn zij beminden, om der vaderen wille;

29 want de genadegiften en de roeping Gods zijn onberouwe-lijk.

30 Want gelijker wijs ook gijlieden eertijds Gode ongehoorzaam geweest zijt, maar nu barmhartigheid verkregen hebt door dezer ongehoorzaamheid;

31 alzóó zijn ook dezen nu ongehoorzaam geweest, opdat ook zij door uwe barmhartigheid zouden barmhartigheid verkrijgen;

32 want God heeft ze allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat hij hun allen zoude barmhartig zijn.

33 O diepte des rijkdoms beide der wijsheid en der kenniëse Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn zijne oor-deelen, en onnaspeurlijk zijne wegen!

34 Want wie heeft den zin des Heeren gekend, of wie is zijn raadsman geweest?

35 Of wie heeft hem eerst gegeven, en het zal hem wederver-goldeu worden?

36 Want uit hem, en door hem, en tot hem zijn alle dingen. Hem


-ocr page 1254-

ËN 12, i\'S.

14 Zegent ze die u vervolgen; zegent, en vervloekt niet.

15 Verblijdt u met de blijden, en weent met de weenenden.

16 Weest eensgezind onder elkander. Tracht niet naar de hooge dingen, maar voegt u tot de nederige. Zijt niet wijs bij uzelven.

x i v ergeiuc memanci Kwaaa voor kwaad. Bezorgt hetgeen eerlijk is voor alle menschen.

18 Indien het mogelijk is, zooveel in u is, houdt vrede met alle menschen.

10 Wreekt uzelven niet, beminden, maar geeft den toorn plaats; want er is geschreven; Mij komt de wrake toe, ik zal het vergelden, zeat de Heere.

20 Indien dan uwen vijand hongert, zoo spijzig hem; indien hem dorst, zoo geef hem te drinken; want dat doende zult gij kolen vuurs op zijn hoofd hoopen.

21 Word van het kwade niet overwonnen, maar overwin het kwade door het goede.

HOOFDSTUK 13.

Alle ziele zij den machten over kaar gesteld onderworpen; want daar is geen macht dan van God, en de machten die daar zijn, die zijn van God geordineerd:

2 alzoo dut die zich tegen de macht stelt, de ordinantie Gods wederstaat; en die ze wederstaan, zullen over zichzclven een oordeel halen.

3 Want de oversten zijn niet tot eene vrees den goeden werken, maar den kwaden. Wilt gij nu de macht niet vreezen, doe het goede, en gij zult lof van haar hebben,

4 want zij is Gcds dienaresse, u ten goede. Maar indien gij kwaad doet, zoo vrees; want zij draagt het zwaard niet tevergeefs; want zij is Gods diena:esse, een wreekster tot straf dengene die kwaad doet.

5 Daarom is quot;het noodig onderworpen te zijn, niet alleenlijk om der straf maar ook om der consciëntie wille.

0 Want daarom betaalt gij ook schatting; want zij zijn dienaars

200 RÓMËtN

zij de heerlijkheid in eeuwigheid. Amen.

HOOFDSTUK 12.

Ik bid u dan, broeders, door de ontfermingen Gods, dat gij uwe lichamen stelt tot eenele venae, heilige en Gode welbehagelijke

godsdienst;

2 en wordt dezer wereld niet gelijkvormig, maar wordt veranderd door de vernieuwing uws gc-moeds, opdat gij moogt beproeven welke de goede en welbehagelijke en volmaakte wil van God zij.

3 Want door de genade die mij gegeven is zeg ik een iegelijk die onder u is, dat hij niet wijs zij boven hetgene men behoort wijs te zijn, maar dat hij wijs zij lot matigheid, gelijk als God een iegelijk de mate des geloofs gedeeld heeft.

4 Want gelijk wij in één lichaam vele leden hebben, en de leden niet alle dezelfde werking hebben,

5 alzóó zijn wij velen één lichaam in Christus, maar elkeen z\\jn wij elkanders leden.

G Hebbende nu verscheiden gaven, naar de genade die ons gegeven is,

7 zoo laat ons die r/avcn besteden, hetzij Profetie, naar de mate des geloofs; hetzij bediening, in het bedienen; hetzij die leert, in het leeren;

8 hetzij die vermaant, in het vermanen; die uitdeelt, in eenvoudigheid; die een voorstander is, in naarstigheid; die barmhartigheid doet, in blijmoedigheid.

9 De liefde zij ongeveinsd. Hebt oenen afkeer van liet booze, en hangt het goede aan.

10 Hebt elkander hartelijk lief met broederlijke liefde, met eere de één den ander voorgaande.

11 Zijt niet traag in \'t benaarstigen.quot; Zijt vurig van geest. Dient den Heere.

12 Verblijdt u in de hoop. Zijt

Geduldig in de verdrukking. Vol-eduldig in de verdrukking. Vol-

ardt in het gebed.

13 Deelt mede tot de behoeftenquot; der heiligen. Tracht naar herbergzaamheid.

-ocr page 1255-

ROMEINEN 14.

201

Gods, hierin geduriglijk bezig zijnde.

7 Zoo geeft dan een iegelijk wat gij schuldig zijt, schatting wien gij de schatting, tol wien gij den tol, vreeze wien gij de vreeze, ecre wien gij de eere schuldig zijt.

8 Zijt niemand iets schuldig, dan elkander lief te hebben; want die den ander lief heeft, die heeft de wet vervuld.

9 Want dit: Gij zult geen overspel doen, gij zult niet dooden, gij zult niet stelen, gij zult geen valsche getuigenis geven, gij zult niet begeeren, en zoo daar eenig ander gebod is, wordt in dit woord als in eene hoofdsom begrepen, namelijk in dit: Gij zult uwen naaste liefhebben gelijk uzelven.

10 De liefde doet den naaste geen kwaad; zoo is dan de liefde de vervulling der wet.

11 En dit zen ik te meer, dewijl wij de gelegenheid destijds weten, dat het de ure is dat wij nu uit den slaap opwaken; want ile zaligheid is ons nu nader dan toen wij eerst geloofd hebben.

12 De nacht is voorbijgegaan en de dag is nabij gekomen: laat ons dan afleggen de werken der duisternis en aandoen de wapenen des lichts:

13 laat ons, als in den dag, eer-baa?\' wandelen, niet in brasserijen en dronkenschappen, niet in slaap-kameren en ontuchtigheden, niet in twist en nijdigheid:

14 maar doet aan den Heere Jezus Christus, en verzorgt het vleesch niet tot begeerlijkheden.

HOOFDSTUK 14.

Dengene nu die zwak is in \'t geloof neemt aan, maar niet tot twistige camensprekingen.

2 De één gelooft wel dat men alles eten mag, maar die zwak is eet moeskruiden.

3 Die eet verachte hem niet die niet eet, en die niet eet oordeele hem niet die daar eet: want God heeft hem aangenomen.

4 Wie zijt gij die eens anders huisknecht oordeelt? Hij staat of hij valt zijnen eigen heer; doch hij zal vastgesteld worden, want

God is machtig hem vast te stellen.

5 De één acht wel don éénen dag boven den anderen dag, maar de ander acht alle de dagen rjelijk. Een iegelijk zij in zijn eigen gemoed ten volle verzekerd.

G Die den dag waarneemt die neemt hem waar den Heere; en die den dag niet waarneemt, die neemt hem niet waar den Heere. Die daar eet, die eet zulks den Heere, want hij dankt God; en die niet eet, die eet zulks den Heere niet, en hij dankt God.

7 Want niemand van ons leeft zichzelven, en niemand sterft zich-zelven;

8 want hetzij dat wij leven, wij leven den He ere, hetzij dat wij sterven, wij zijn des Heeren.

9 Want daartoe is Christus ook gestorven en opgestaan en weder levend geworden, opdat hij beide over dooden en levenden heerschen zoude.

10 Maar gij, wat oordeelt g\'j uwen broeder? Of ook gij, wat veracht gij uwen broeder? Want wij zullen allen voor den rechter stoel van Christus gesteld worden.

11 Want daar is geschreven: Ik leef, zegt de Heere; voor mij zal alle knie zich buigen, en alle tong zal God belijden.

12 Zoo dan een iegelijk van ons zal voor zichzelven Gode rekenschap geven.

13 Laat ons dan elkander niet meer oordeclen; maar oordeelt dit liever, namelijk dat gij den broeder geenen aanstoot of ergernis geeft.

14 Ik weet en ben verzekerd in den Heere Jezus, dat geen ding onrein is in zichzelf; dan die acht iets onrein te zijn, dien is het onrein.

15 Maar indien uw broeder om der spijze wille bedroefd wordt, zoo wandelt gij niet meer naar liefde. Verderf dien niet met uwe spijze, voor welken Christus gestorven is.

1G Dat dan u\\v goed niet gelasterd worde.

17 Want het Koninkrijk Gods is niet spijze en drank, maar rechtvaardigheid en vrede en blijdschap door den Heiligen Geest,


-ocr page 1256-

ROMEINEN 15.

202

18 Want die Christus in deze dingen dient, is Gode welbehage-lijk en aangenaam den menschen.

19 Zoo dan laat ons najagen hetgeen tot den vrede en hetgeen tot de stichting onder elkander dient.

20 Verbreek het werk Gods niet om der spijze wille. Alle dingen zijn ■wel rein, maar het is kwaad den mensch die met aanstoot eet.

21 Het is goed geen vleesch te eten noch wijn te drinken, noch iets waaraan uw broeder zich stoot of geërgerd wordt, of ivaarin hij zwak is.

22 Hebt gij geloof, heb dat bij uzelven voor God. Zalig is hij die zichzelven niet oordeelt in hetgeen hij voor goed houdt.

23 Maar die twijfelt indien hij eet, is veroordeeld, omdat hij niet uit het geloof eet; en al wat uit het geloof niet is, dat is zonde.

HOOFDSTUK 15.

Maar wij die sterk zijn, zijn schuldig de zwakheden der onster-ken te dragen, en niet onszelven te behagen.

* 2 Dat dan een iegelijk van ons zijnen naaste behage ten goede, tot stichting.

3 Want ook Christus heeft zichzelven niet behaagd, maar gelijk geschreven is : De smadingen dergenen die u smaden ziin op mü gevallen.

4 Want al wat te voren geschreven is, dat is tot onze leering te voren geschreven, opdat wij door lijdzaamheid en vertroosting der Schriften hope hebben zouden.

5 Doch de God der lijdzaamheid en der vertroosting geve u, dat gij eensgezind zijt onder elkander naar Christus Jezus,

6 opdat gij eendrachtiglijk met éénen mond moogt verheerlijken den God en Vader onzes Heeren Jezus Christus.

7 Daarom neemt elkander aan, gelijk ook Christus ons aangenomen heeft tot de heerlijkheid Gods.

8 En ik zeg, datJezus Christus een dienaar geworden is der besnijdenis vanwege de waarheid

Gods, opdat hij bevestigen zoude de beloftenissen der vaderen,

9 en de heidenen God vanwege de barmhartigheid zouden verheerlijken ; gelijk geschreven is: Daarom zal ik u belijden onder de heidenen, en uwen naam lof-zingen.

10 En wederom zegt hij : Weest vroolijk gij heidenen met zijn volk.

11 Èn wederom: Looft den Heere alle gij heidenen, en prijst hem alle gij volken.

12 En wederom zegt Jesaja: Daar zal zijn de wortel van Isaï, en die opstaat om over de heidenen te gebieden: op hem zullen de heidenen hopen.

13 De God nu der hope ver-vulle ulieden met alle blijdschap en vrede in het gelooven , opdat gij overvloedig moogt zijn in de hope , door de- kracht des Heiligen Geestes.

14 Doch. mijne broeders, ook ik zelf ben verzekerd van u, dat gij ook zeiven vol zijt van goedheid , vervuld met alle kennis, machtig om ook elkander te vermanen ;

15 maar ik .heb u eensdeels te stoutelijker geschreven, broeders, u als wederom dit indachtig makende , om de genade die mij van God gegeven is

16 opdat ik een dienaar van Jezus Christus zij onder de heidenen , het Evangelie Gods bedienende , opdat de offerande der heidenen aangenaam worde, geheiligd door den Heiligen Geest.

17 Zoo heb ik dan roem in Christus Jezus in die dingen, die God aangaan.

18 Want ik zoude niet durven iets zeggen, \'twelk Christus door mij niet gewrocht heeft tot gehoorzaamheid der heidenen, met woorden en werken,

19 door kracht van teekenen en wonderheden. en door de kracht van den Geest Gods, zoodat ik van Jeruzalem af en rondom, tot Illyrië toe, het Evangelie van Christus verduld heb;

20 en alzoo zeer bcgeerig geweest ben om het Evangelie te verkondigen, niet waar Christus


-ocr page 1257-

ROMEINEN 16.

203

genoemd was, opdat ik niet op eens anders fundament zoude bouwen;

21 maar gelijk geschreven is: Denwelken van hem niet was geboodschapt , die zullen het zien, en de wel ken het niet gehoord hebben, die zullen het verstaan.

22 Waarom ik ook menigmaal verhinderd geweest ben tot u te komen;

23 maar nu geene plaats meer hebbende in deze gewesten, en van over vele jaren groot verlangen hebbende om tot u te komen ,

24 zoo zal ik wanneer ik naar Spanje reis tot u komen; want ik hoop in \'t doorreizen u te zien, en van u derwaarts geleid te worden, als ik eerst van ulieder tegenwoordigheid eensdeels verzadigd zal zijn.

25 Maar nu reis ik naar Jeruzalem, dienende de heiligen.

26 Want het heeft dien van Macedonië en Achaje goed gedacht, eene algemeene handreiking te doen aan de armen onder de heiligen die te Jeruzalem zijn.

27 Want het heeft hun zoo goed gedacht; ook zijn zij hunne schuldenaars ; want indien de heidenen hunner geestelijke goederen deelachtig zijn geworden, zoo zijn zij ook schuldig hen van lichamelijke goederen te dienen.

28 Als ik dan dit volbracht en hun deze vrucht verzegeld zal hebben, zoo zal ik door ulieder stad naar Spanje afkomen;

29 en ik weet dat ik tot u komende , met vollen zegen des Evangelies van Christus komen zal.

30 En ik bid u, broeders, door onzen Heere Jezus Christus en door de liefde des Geestes, dat gij met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij ;

31 opdat ik mag bevrijd worden van de ongehoorzamen in Judéa, en dat deze mijn dienst, dien ik aan Jeruzalem doe, aangenaam zij den heiligen;

32 opdat ik met blijdschap door den wille Gods tot u mag komen en met u verkwikt worden.

33 En de God des vredes zij met u allen. Amen.

HOOFDSTUK 16.

En ik beveel u Febe onze zuster, iie eene dienaresse is der gemeente die te Genchrea is;

2 opdat gij haar ontvangt in den Heere gelijk het den heiligen betaamt , en haar bijstaat in wat zaak zij u zoude mogen van noode hebben; want zij is een voorstandster geweest van velen, ook van mijzei ven.

3 Groet Priscilla en Aquila, mijne medewerkers in Christus Jezus,

4 die voor mijn leven hunnen hals gesteld hebben; dewelken niet alleen ik dank , maar ook alle de gemeenten der heidenen.

5 Groet ook de gemeente in hun huis. Groet Epénetus mijnen beminde, die de eersteling is van Achaje in Christus.

6 Groet Maria, die veel voor ons gearbeid heeft.

7 Groet Androm\'cus en Junias, mijne magen en mijne medegevangenen, welke vermaard zijn onder de Apostelen, die ook vóór mij in Christus geweest zijn.

8 Groet Amplias mijnen beminde in den Heere.

9 Groet Urbanus onzen medearbeider in Christus, en Stachys mijnen beminde.

10 Groet Apelles, die beproefd is in Christus. Groet ze die van het huisgezin van Aristobülus zijn.

11 Groet Herodlon, die van mijn maagschap is. Groet ze die van het huisgezin van Narcissus zijn, degenen namelijk die in den Heere zijn.

12 Groet Tryféna en Tryfósa, vrouwen die in den Heere arbeiden. Groet Persis de beminde z ast er, die veel gearbeid heeft in den Heere.

13 Groet Rufus den uitverkorene in den Heere, en zijne moeder en de mijne.

14 Groet Asyncritus , Flegon, Hermas, Patrobas, Hermes, en de broeders die met hen zijn.

15 Groet Filologus en Julia, Nereus en zijne zuster, en Olym-pas, en allé de heiligen die met hen zijn.


-ocr page 1258-

204 1 GORINÏ

16 Groet elkander met eenen heiligen kus. De gemeenten van Christus groeten ulieden.

17 En ik bid u broeders, neemt acht op degenen die tweedracht en ergernissen aanrichten tegen de leer die gij van ons geleerd hebt, en wijkt af van de-zelven.

18 Want dezulken dienen onzen Heere Jezus Christus niet, maar hunnen buik, en verleiden door schoonspreken en prijzen de harten der eenvoudigen.

19 Want uwe gehoorzaamheid is tot kennis van allen gekomen. Ik verblijd mij dan uwenthalve; en ik wil dat gij wijs zijt in het goede, doch onnoozel in hét kwade.

20 En de God des vredes zal den satan haast onder uwe voeten verpletteren. Do genade onzes Heeren Jezus Christus zij met ulieden. Amen.

21 U groeten Timotheüs mijn medearbeider, en Lucius en Jason

HiËns

1.

en Sosipater mijne bloedverwanten.

22 Ik Tertius, die den brief geschreven heb, groet u in den Heere.

23 U groet Gajus, de huiswaard van mij en van de geheele gemeente. U groet Erastus derent-meester der stad, en de broeder Quartus.

24 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen. Amen.

25 Hem nu die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring der verborgenheid die van de tijden dei-eeuwen verzwegen is geweest,

26 maar nu geopenbaard is, en door de Profetische Schriften, naar liet bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid des geloofs onder alle de heidenen bekend is gemaakt;

27 hem, den alleen wijzen God, zij door Jezus Christus de heerlijkheid in der eeuwigheid. Amen.


1)E EERSTE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS

AAN DE

CORINTHIËRS,

HOOFDSTUK 1.

Paulus een geroepen Apostel van Jezus Christus door den wille Gods, en Sosthenes de broeder

2 aan de gemeente Gods die te Corinthe is, den geheiligden in Christus Jezus, den geroepenen heiligen, met allen die den naam van onzen Heere Jezus Christus aanroepen in alle plaatse, beide hunnen en onzen Heere:

3 genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus.

4 Ik dank mijnen God allen tijd over u, vanwege de genade Gods die u gegeven is in ■ Christus Jezus,

5 dat gij in alles zijt rijk geworden in hem, in alle rede en alle kennis ,

6 gelijk de getuigenis van Christus bevestigd is onder u;

7 alzoo dat het u aan geen gave ontbreekt, verwachtende do openbaring onzes Heeren Jezus Christus.

8 Welke God u ook zal bevestigen tot den einde toe, om onstraffelijk te zijn in den dag onzes Heeren Jezus Christus.

0 God is getrouw, door welken


-ocr page 1259-

1 GORINTHIERS

20o

gij geroepen zijt tot de gemeen-1 schap van zijnen Zoon Jezus Christus, onzen Heere.

10 Maar ik bid u, broeders, | door den naam onzes Heeren Jezus j Christus, dat gij allen hetzelfde spreekt en dat onder u geenc scheuringen zijn, maai* dat gij ; samengevoegd zijt in eenen zelfden I zin en in een zelfde gevoelen.

11 Want mij is van u bekend j gemaakt, mijne broeders, door! die van Ghloc\'s huisfjezin zijn, I dat er twisten onder u zijn. j

12 En dit zeg ik dat een iegelijk I van u zegt: Ik ben van Paulus, ! en ik van Apollos, enik van Gefas,! en ik van Christus.

13 Is Christus gedeeld ? Is Paulus voor u gekruist? Of zijt gij in ! Paulus naam gedoopt?

14 Ik dank God dat ik niemand I van ulieden gedoopt heb dan Gris-1 pus en Gajus;

15 opdat niet iemand zegge dat ik in miinen naam gedoopt heb.

lü Doch ik heb ook het huisgezin van Stcfanas gedoopt; voorts weet ik niet of ik iemand anders gedoopt heb.

17 Want Christus heeft mij niet gezonden om te doopen, maar om het Evangelie ve verkondigen; niet met wijsheid van woorden, opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde.

18 Want het Woord des kruises is wel dengenen die verloren gaan dwaasheid , maar ons die behouden worden is het een kracht Gods ;

19 want daar is geschreven: Ik zal do wijsheid der wijzen doen vergaan, en het verstand der verstandigen zal ik te niet maken,

20 Waar is de wijze? Waar ia do Schriftgeleerde? Waar is de onderzoeker dezer eeuw? Hooft God de wijsheid dezer wereld niet dwaas gemaakt?

21 Want nademaal in de wijsheid Gods de wereld God niet heeft gekend door do wijsheid, zoo heeft het God behaagd door de dwaasheid der prediking zalig te maken die gelooven:

22 overmits de Joden een teeken begeeren, en de Grieken wyahoid zoeken;

23 doch wij prediken Christus den gekruisigde, den Joden wel eene ergernis, en den Grieken eene dwaasheid;

maar hun die geroepen zijn, beidon Joden en Grieken, prediken nnj Christus de kracht Gods en de wijsheid Gods.

25 Want het dwaze Gods is wijzer dan de menschen, en hot zwakke Gods is sterker dan do menschen.

2G Want gij ziet uwe roeping , broeders, dat gij niet vele wijzen zijt. naar het vleosch, niet vele machtigen, niet velo edelen;

27 maar het dwaze dor wereld heeft God uitverkoren, opdat hy de wijzen boschamen zoude; en het zwakke der wereld heeft God uitverkoren, opdat bij het sterke zoude boschamen;

28 en het onedele der wereld en het verachte heeft God uitverkoren , on hetgeen niets is, opdat hij hetgeen iets is te niet zoude maken;

29 opdat geen vleesch zoude roemen voor hem.

30 -Maar uit hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid van God, en recht-vaardigheid en heiligmaking en verlossing;

31 opdat het zij gelyk geschreven is: Wie roemt, roeme in den Heere.

HOOFDSTUK 2.

En ik, broeders, als ik tot u gekomen ben, ben niet gekomen met uitnemendheid van woorden of van wijsheid u verkondigende de getuigenis Gods;

2 want ik heb niet voorgenomen iets te weten onder u dan Jezus Christus, en dien gekruisigd.

3 En ik was bij ulieden in zwakheid en in vrees en in vele beving,

4 en mijne rede en mijne prediking was niet in bewegelijke woorden der monschelijke wijsheid, maar in betooning des geestes en der kracht;

5 opdat uw geloof niet zoude zijn in wijsheid der menschen, maar in de kracht Gods.

6 En wij spreken wijsheid onder de volmaakten; doch eene wijsheid


-ocr page 1260-

1CORINTHIERS 3.

206

niet dezer wereld , n®ch der oversten dezer wereld die te niet worden;

7 maar wij spreken de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons, eer de wereld was:

8 welke niemand van de oversten dezer wereld gekend heeft. Want indien zij ze gekend hadden, zoo zouden zij den Heere der heerlijkheid niet gekruist hebben;

9 maar gelijk geschreven is: Hetgeen het oog niet heeft gezien en het oor niet heeft gehoord, en in het hart des menschen niet is opgeklommen, hetgeen God bereid heeft dien die hem liefhebben.

10 Doch God heeft het ons geopenbaard door zijnen Geest. Want de Geest onderzoekt alle dingen, ook de diepten Gods.

11 Want wie van de menschen weet hetgene des menschen is, dan de geest des menschen die in hem is? Alzoo weet ook niemand hetgeen Gods is, dan de Geest Gods.

12 Doch wij hebben niet ontvangen den geest der wereld, maar den Geest die uit God is, opdat wij zouden weten de dingen die ons van God geschonken zijn;

13 dewelken wij ook spreken, niet met woorden , die de men-schelijke wijsheid leert, maar met woorden die de Heilige Geest leert, geestelijke dingen met geestelijke samenvoegende.

14 Maar de natuurlijke mensch begrijpt niet de dingen die des Geestes Gods zijn; want zij zijn hem dwaasheid, en hij kan ze niet verstaan , omdat ze geestelijk onderscheiden worden.

15 Doch de geestelijke mensch onderscheidt wel alle dingen, maar hij zelf wordt van niemand onderscheiden.

16 Want wie heeft den zin des Heeren gekend, die hem zoude onderrichten? Maar wij hebben den zin van Christus.

HOOFDSTUK 3.

En ik, broeders, kon tot u niet spreken ais tot geestelijken, maar als tot vleeschelijken, als tot jonge kinderen in Christus.

2 Ik heb u met melk gevoed , en niet met spijze, want gii vermocht toen nog niet; ja, gij vermoogt ook nu nog niet,

3 want gij zijt nog vleeschelijk. Want dewijl onder u nijd is en twist en tweedracht, zijt gij niet vleeschelijk en wandelt gij niet naar den mensch?

4 Want als de één zegt: Ik ben van Paulus, en een ander: Ik hen van Apollos, zijt gij niet vleeschelijk ?

5 Wie is dan Paulus, en wie is Apollos , anders dan dienaars door welke gij geloofd hebt, en dat gelijk de Heere aan een iegelijk gegeven heeft ?

6 Ik heb geplant; Apollos heeft nat gemaakt, maar God heeft den wasdom gegeven:

7 zoo is dan noch hij die plant iets, noch hij die nat maakt, maar God die den wasdom geeft.

8 En die ple nt en die nat maakt zijn één; maar een iegelijk zal zijn loon ontvangen naar zijnen arbeid.

9 Want wij zijn Gods medearbeiders : Gods akkerwerk, Gods gebouw zijt gij.

10 Naar de genade Gods die mij gegeven is, heb ik als een wijs bouwmeester het fundament gelegd , en een ander bouwt daarop. Maar een iegelijk zie toe hoe hij daarop bouwt.

11 Want niemand kan een ander fundament leggen dan hetgeen gelegd is, \'t welk is Jezus Christus.

12 En indien iemand op dit fundament bouwt, goud, zilver, kostelijke steenen, hout, hooi, stoppelen,

13 eens iegelijks werk zal openbaar worden; want de dag zal het verklaren, dewijl het door vuur ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven.

14 Zoo iemands werk blijft, dat hij daarop gebouwd heeft, die zal loon ontvangen.

15 Zoo iemands werk zal verbrand worden, die zal schade lijden; maar zelf zal hij behouden worden, doch alzóó als door vuur.


-ocr page 1261-

1 CORINTHIERS

207

16 Weet gij niet dat gij Gods I tempel zijt en de Geest Gods in i ulieden woont? i

17 Zoo iemand den tempel Gods schendt, dien zal God schenden ; want de tempel Gods is heilig ; welke gij zijt.

18 Niemand bedriege zichzelven: zoo iemand onder u dunkt dat hij wijs is in deze wereld, die worde dwaas, opdat hij wijs mag worden.

19 Want de wijsheid dezer wereld is dwaasheid bij God. Want daar is geschreven: Hij vat de wijzen in hunne arglistigheid;

20 en wederom: De Heero kent de overleggingen der wijzen dat ze ij del zijn.

21 Niemand dan roeme op men-schen; want alles is het uwe:

22 hetzij Paulus hetzij Apollos hetzij Cefas, hetzij de wereld , hetzij leven, hetzij dood, hetzij tegenwoordige , hetzij toekomende dingen, zij zijn allen uwe;

23 doch quot;gij zijt van Christus, en Christus is Gods.

HOOFDSTUK 4.

Alzoo houde ons een ieder mensch als dienaars van Christus en uitdeelers der verborgenheden Gods.

2 En voorts wordt in de uitdeelers vereischt, dat elk getrouw bevonden worde.

3 Doch mij is \'t voor het minst dat ik van ulieden geoordeeld worde, of van een menschelijk oordeel; ja, ik oordeel ook mijzelven niet;

4 want ik ben mijzelven van geen ding bewust, doch ik ben daardoor niet gerechtvaardigd; maar die mij oordeelt is de Heere.

5 Zoo dan oordeelt niets voor den tijd, totdat de Heere zal gekomen zijn, welke ook in \'tlicht zal brengen hetgeen in de duisternis verborgen is, en openbaren de raadslagen der harten: en alsdan zal een iegelijk lof hebben van God.

6 En deze dingen, broeders, heb ik op mijzelven en Apollos bij gelijkenis toegepast om uwentwille, opdat gij aan ons zoudt leeren niet te gevoelen boven hetgeen geschreven is, dat gij niet, de één om eens anders wille, opgeblazen wordt tegen den ander.

7 Want wie onderscheidt u? En wat hebt gij dat gij niet hebt ontvangen? En zoo gij het ook ontvangen hebt, wat roemt gij alsof gij het niet ontvangen hadt?

8 Aireede zijt gij verzadigd, aireede zijt gij rijk geworden, zonder ons hebt gij geheerscht; en och of gij heerschtet, opdat ook wij met u heerschen mochten.

9 Want ik achte dat God ons, die de laatste Apostelen zijn, ten toon heeft gesteld als tot den dood verwezen; want wij zijn een schouwspel geworden der wereld en den Engelen en den menschen.

10 Wij zijn dwazen om Christus wille, maar gij zijt wijzen in Christus; wij zijn zwakken, maar gij sterkenquot;; gij zijt heerlijken, maar wij verachten.

11 Tot op deze tegenwoordige ure lijden wij honger en lijden wij dorst, en zijn naakt, en worden met vuisten geslagen, en hebben geen vaste woonplaats,

12 en arbeiden, werkende met onze eigene handen; wij worden gescholden en wij zegenen; wij worden vervolgd en wij verdragen,

13 wij worden gelasterd en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsels der wereld en aller af-schrapsel tot nu toe.

14 Ik schrijf deze dingen niet óm u te beschamen, maar als mijne lieve kinderen vermaan ik u.

15 Want al hadt gij tienduizend leermeesters in Christus, zoo hebt flij toch niet vele vaders. Want in Christus Jezus heb ik u door het Evangelie geteeld..

16 Zoo vermaan ik u dan, zijt mijne navolgers. ..

17 Daarom heb ik Timotheus tot u gezonden, die mijn lieve en getrouwe zoon is in den Heere, welke u zal indachtig maken mijne wegen die in Christus zijn, gelij-kerwijs ik alomme in alle gemeenten leer.

18 Doch sommigen zijn opgeblazen, alsof ik tot ulieden niet komen zoude.

19 Maar ik zal haast tot u komen,


-ocr page 1262-

208 1 CORINT

zoo de Heere wil, en ik zal clan verstaan niet de woorden dergenen die opgeblazen zijn, maar de kracht.

20 Want het Koninkrijk Gods is niet fielefjon in woorden, maar in kracht.

21 Wat wilt gij? Zal ik met de roede tot u komen, of in liefde en in den geest der zachtmoedigheid?

HOOFDSTUK 5.

Men hoort gan schel ijk dat er hoererij onder u is, en zoodanige hoererij die ook onder de heidenen niet genaamd wordt, alzoo dat er een zijns vaders huisvrouw heeft:

2 en zijt gij nog opgeblazen, en hebt niet veelmeer leed gedragen, opdat hij uit het midden van u weggedaan worde, die deze daad begaan heeft?

3 Doch ik, als wel met het lichaam afwezend maar tegenwoordig zijnde met den geest, heb al-reede, alsof ik tegenwoordig ware, dengene, die dat alzoo bedreven heeft, besloten,

4 in den naam onzes Heeren Jezus Christus, als gijlieden en mijn geest te zamen vergaderd zullen zijn, met de kracht onzes Heeren Jezus Christus,

5 denzulken over te geven den satan tot verderf des vleesches, opdat de geest beiiouden mag worden in den dag des Heeren Jezus.

G Uw roem is niet goed. Weet gij niet dat een weinig zuurdeesem het geheele deeg zuur maakt?

7 Zuivert dan den ouden zuurdeesem uit, opdat gij een nieuw deeg zijn moogt, gelijk gij ongezuurd zijt. Want ook ons Pascha is voor ons geslacht, namelijk Christus.

8 Zoo dan laat ons feest houden, niet in den ouden zuurdeesem, noch in den zuurdeesem der kwaadheid en der boosheid, maar in de ongezuurde hrooden der oprechtheid en der waarheid.

9 Ik heb u geschreven in den brief, dat gij u niet zoudt vermengen met de hoereerders;

10 doch niet geheellijk met de hoereerders dezer wereld, of met de gierigaards, of met de roovers, of met de afgodendienaars; want

ÏIKRS 5, 6.

anders zoudt gij moeten uit de wereld gaan.

11 Maar nu heb ik u geschreven dat gij u niet zult vermengen, namelijk indien iemand, een broeder genaamd zijnde, een hoereerder is, of een gierigaard, of een afgodendienaar, of een lasteraar, of een dronkaard, of een roever, dat gij met zoodanig eenen ook niet zult eten.

12 Want wat heb ik ook die buiten zijn te oordeelen? Oordeelt gijlieden niet die binnen zijn?

13 Maar die buiten zijn oordeelt God. En doet gij dezen booze uit ulieden weg.

HOOFDSTUK 6.

Durft iemand van ulieden, die eene zaak heeft tegen een ander, te recht gaan voor de on rechtvaardigen, en niet voor de heiligen?

2 Weet gij niet dat de heiligen de wereld oordeelen zullen? En indien door u de wereld geoordeeld wordt, zijt gij onwaardig de minste rechtzaken?

3 Weet gij nier. dat wij de Engelen oordeelen zullen, hoeveel te \'meer de zaken die dit leven aangaan?

4 Zoo gij dan rechtzaken hebt die dit leven aangaan, zet die daarover die in ce gemeente minst geacht zijn.

5 Ik zeg u dit tot schaamte. Is er dan alzoo onder u geen die wijs is, ook niet één, die zoude kunnen oordeelen tusschen zijne broeders?

G Maar de eene broeder gaat met den anderen broeder te recht, en dat voor ongeloovigen.

7 Zoo is er dan nu ganschelijk gebrek onder u, dat gij met elkander rechtzaken hebt. Waarom lijdt gij niet liever ongelijk, waarom lijdt gij niet lie var schade?

8 Maar gijlieden doet ongelijk en doet schade, en dat den broederen.

9 Of weet gij niet dat de onrecht-vaardigen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven?

10 Dwaalt niet: noch hoereerders, noch afgcdendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen, noch dieven, nóch gierigaards, noch


-ocr page 1263-

1 GORÏNTHIERS 7.

200

dronkaards, geen lasteraars, geen roovers zullen hel Koninkrijk Gods beërven.

11 En dit waart gij sommigen; maar gij zijt afgewasschen, maar gij zijt geheiligd, rnaar gij zijt gerechtvaardigd in den naam des-Heeren Jezus en door den Geest jnzes Gods.

12 Alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar ik zal onder geeno macht mij laten brengen.

13 De spijzen zijn voorden buik, en de buik voor de spijzen; maar God zal beide dezen en die te niet doen. Doch het lichaam is niet voor de hoererij, maar voor den Heere en de Heere voor het lichaam.

14 En God heeft ook den Heere opgewekt, en zal ons opwekken door zijne kracht.

15 Weet gij niet dat uwe lichamen leden van Christus zijn? Zal ik dan de leden van Christus nemen en maken ze leden eener hoer? Dat zij verre.

1G Óf weet gij niet , dat die de hoer aanhangt één lichaam )nct haar is? Want die twee, zegt hij, zullen tot één vleesch wezen.

17 Maar die den Heere aanhangt is één geest met hem.

18 Vliedt de hoererij. Alle zonde die de mensch doet is buiten het lichaam; maar die hoererij bedrijft, die zondigt tegen zijn eigen lichaam.

19 Of weet gij niet, dat ulieder lichaam een tempel is des Heiligen Geestes die in u is, dien gij van God hebt, en dat gij uzelfs niet zijt?

20 Want gij zijt duur gekocht: zoo verheerlijkt dan God in uw lichaam en in uwen geest, welke Godes zijn.

HOOFDSTUK 7.

Aangaande nu de dingen waarvan gij mij geschreven hebt, het is oen mensch goed geene vrouw aan te raken;

2 maar om der hoererijen wille zal een iegelijk man zijn eigen vrouw hebben, en een iegelijk© Vrouw zal haren eigen man hebben.

3 De man zal aan de vrouw do schuldige goedwilligheid betalen, en desgelijks ook de vrouw aan den man.

4 De vrouw heeft de macht niet over haar eigen lichaam, maar de man; en desgelijks ook do man heeft de macht niet over zijn eigen lichaam, rnaar do vrouw.

5 Onttrekt u elkander niet, tenzij dan met beider toestemming voor oenen tijd, opdat gij u tot vasten on bidden moogt verledigen; en komt wederom bijéén, opdat u de satan niet verzoeke, omdat gij u niet kunt onthouden.

ü Doch dit zeg ik uit toelating, niet uit bevel.

7 Want ik wilde dat alle men-schen waren gelijk als ik zelf ben; maar een iegelijk heeft zijn eigen gave van God, quot;de één wel aldus, maar de ander al zóó.

8 Doch ik zeg den ongetrouwden en den weduwen: het is hun goed indien zij blijven gelijk als ik.

9 Maar indien zij zich niet kunnen onthouden, dat ze trouwen; want het is beter te trouwen dan te branden.

10 Doch den getrouwden gebied niet ik, maar do Heere, dat de vrouw van den man niet scheide;

11 en indien zij ook scheidt, dat zij ongetrouwd blijve, of zich met den man verzoene; en dat do man de vrouw niet verlate.

12 Maar den anderen zeg ik, niet de Heere: indien eenig broeder eene ongeloovige vrouw heeft, en dezelve tevreden is bij hem te wonen, dat hij ze niet verlate.

13 En eenè vrouw die eenen ongeloovigen man heeft, en hij tevreden is bij haar te wonen, dat zij hem niet verlate.

14 Want de ongeloovige man is geheiligd door de vrouw, en de ongeloovige vrouw is geheiligd door denman. Want anders waren uwe kinderen onrein; maar nu zijn zij heilig.

15 Maar indien de ongeloovige scheidt, dat hij scheide : de broeder of de zuster wordt in zoodanige (levallen niet dienstbaar gemaakt. Maar God hoeft ons tot vrede geroepen.

16 Want wat weet gij vrouw.


-ocr page 1264-

210

of gij den man zult zalig maken? Of wat weet gij man, of gij de vrouw zult zalig maken?

17 Doch gelijk God aan een iegelijk heeft uitgedeeld, gelijk de Heere een iegelijk geroepen heeft, dat hij alzóó wandele; en alzóó ordineer ik in alle de gemeenten.

18 Is iemand besneden zijnde geroepen, die late zich geen voorhuid aantrekken; is iemand in de voorhuid zijnde geroepen, die late zich niet besnijden.

19 De besnijdenis is niets, en de voorhuid is niets, maar de onderhouding der geboden Gods.

20 Een iegelijk blijve in die beroeping daar hij in geroepen is.

21 Zijt gij een dienstknecht zijnde geroepen? laat u dat niet bekommeren; maar indien gij ook kunt vrij worden, gebruik dat liever.

22 Want die in den Heere geroepen is een dienstknecht zijnde, die is een vrijgelatene des Hee-ren; desgelijks ook die vrij zijnde geroepen is, die is een dienstknecht van Christus.

23 Gij zijt duur gekocht: wordt geen dienstknechten der men-schen.

24 Een iegelijk daar hij in geroepen is, broeders, die blijve in \'t zelve bij God,

25 Aangaande nu de maagden heb ik geen bevel des Heeren; maar ik zeg mijn gevoelen, als die barmhartigheid van den Heere gekregen heb om getrouw te zijn.

26 Ik houde dan dit goed te zijn om den aanstaanden nood, dat het zeg ik den mensch goed is alzóó te zijn.

27 Zijt gij aan eene vrouw ver-bonden? zoek geene ontbinding; zijt gij ongebonden van eene vrouw? zoek geene vrouw.

28 Maar indien gij ook trouwt, gij zondigt niet; pn indien eene maagd trouwt, zij zondigt niet. Doch dezulken zullen verdrukking hebben in het vleesch. En ik spaar ulieden.

29 Maar dit zeg ik, broeders dat de tijd voorts kort is; opdat ook die vrouwen hebben, zouden zijn als niet hebbende;

30 en die weenen, als niet wee-nende; en die blijde zijn, als niet blijde zijnde; en die koopen, als niet bezittende; 1

31 en die deze wereld gebrui- de ken, als niet misbruikende. Want we de gedaante dezer wereld gaat ke voorbij. \'.op

32 En ik wil dat gij zonder be- ^ kommernis zijt. De ongetrouwde 1 w bekommert zich met de dingen = g( des Heeren, hoe hij den Heere

zal behagen;

33 maar die getrouwd is bekommert zich met de dingen der d wereld, hoe hij de vrouw zal zi behagen. [lt;

34 Eene vrouw en eene maagd a zijn onderscheiden. De ongetrouwde bekommert zich met de dingen c des Heeren, opdat zij heilig zij, z beide aan lichaam en aan geest; ( maar die getrouwd is bekommert ] zich met de dingen der wereld, hoe zij den man zal behagen.

35 Én dit zeg ik tot uw eigen voordeel, niet opdat ik eenen strik over u zoude werpen, maar om u te leiden tot hetgeen wèl voegt en bekwaam is om den Heere wèl aan te hangen, zonder herwaarts en derwaarts getrokken te worden.

36 Maar zoo iemand acht dat hij ongevoegelijk handelt met zijne maagd , indien zi] over den jeugdigen tijd gaat, en het alzoo moet geschieden, die doe wat hij wil; hij zondigt niet: dat ze trouwen.

37 Doch die vaststaat in zijn hart geene noodzaak hebbende, maar macht heeft over zijn eigen wil, en dit in zijn harte besloten heeft dat hij zijne maagd zal bewaren, die doet wèl.

38 Alzoo dan die haar ten huwelijk uitgeeft, die doet wèl; en die ze ten huwelijk niet uitgeeft, die doet beter.

39 Eene vrouw is door de wet verbonden zoo hangen tijd haar man leeft; maar indien haar man ontslapen is, zoo is zij vrij om te trouwen wien zij wil, alleenlijk in den Heere.

40 Maar zij is gelukkiger indien zij alzóó blijft, naar mijn gevoelen. En ik meen ook den Geest Gods te hebben.

1 CORINTHIËRS 7.


-ocr page 1265-

HOOFDSTUK

Aangaande nu de dingen die ;i- jden afgoden geotterd zijn, wij ant weten dat wij allen te zamen aat ; kennis hebben. De kennis maakt , \'opgeblazen, maar de liefde sticht.

2 En zoo iemand meent iets te weten, die heeft nog niets gekend gelijk men behoort te kennen.

3 Maar zoo iemand God lief heeft, die is van hem gekend.

14 Aangaande dan het eten der dingen die den afgoden geofferd zijn, wij weten dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan één.4 Aangaande dan het eten der dingen die den afgoden geofferd zijn, wij weten dat een afgod niets is in de wereld, en dat er geen ander God is dan één.

5 Want hoewel daar ook zijn die goden genaamd worden, hetzij in den hemel, hetzij op de aarde, (gelijk er vele goden en vele hee-ren zijn),

6 nogtans hebben wij maar éénen God, den Vader, uit welken alle dingen zijn en wij tot hem, en maar éénen Heere, Jezus Christus, door welken alle dingen zijn en wij door hem.

7 Doch in allen is de kennis niet; maar sommigen, met eene conscientie des afgods tot nog toe, eten als iets dat den afgoden geofferd is; en hunne conscientie zwak zijnde wordt bevlekt.

8 De spijze nu maakt ons Gode niet aangenaam; want hetzij dat wij eten, wij hebben geenen overvloed; en hetzij dat wij niet eten, wij hebben geen gebrek.

9 Maar ziet toe, dat deze uwe macht niet eenigerwijze een aanstoot worde dengenen die zwak zijn.

10 Want zoo iemand u , die de kennis hebt, ziet in den afgodstempel aanzitten, zal do conscientie van hem die zwak is niet gestijfd worden om te eten de dingen die den afgoden geofferd zijn?

11 En zal de broeder die zwak is door uwe kennis verloren gaan, om welken Christus gestorven is?

12 Doch gijlieden alzóó tegen de broeders zondigende en hunne zwakke conscientie kwetsende, zondigt tegen Christus.

13 Daarom indien de spijze mijnen broeder ergert, zoo zal ik

•veeniet als

HOOFDSTUK 9.

Ben ik niet een Apostel? Ben ik niet vrij? Heb ik niet Jezus Christus onzen Heere gezien? Zijt gijlieden niet mijn werk in den Heere ?

2 Zoo ik anderen geen Apostel ben, nogtans ben ik het ulieden; want het zegel mijns Apos telschaps zijt gijlieden in den Heere.

3 Mijne verantwoording aan degenen die onderzoek over mij doen is deze.

4 Hebben wij niet macht om te eten en te drinken?

5 Hebben wij niet macht om eene vrouw eene zuster zijnde met ons om te leiden, gelijk ook de andere Apostelen en de broeders des Heeren en Cefas?

6 Of hebben alleen ik en Barnabas geen macht van niet te werken?

7 Wie dient ooit in den krijg op eigen bezolding? Wie plant eenen wijngaard, en eet niet van zijne vrucht? Of wie weidt eene kudde, en eet niet van de melk der kudde?

8 Spreek ik dit naar den mensch, of zegt ook de wet dit niet?

9 Want in de wet van Mozes is geschreven: Gij zult eenen dor-schenden os niet muilbanden. Zorgt ook God voor de ossen?

10 Of zegt hij dat ganschelijk om onzentwille? Want om onzentwille is dat geschreven; overmits die ploegt op hope moet ploegen, en die op hope dorscht moet zijner hope deelachtig worden.

11 Indien wij ulieden het geestelijke gezaaid hebben, is het eene groote zaak zoo wij het uwe dat lichamelijk is maaien?

12 Indien anderen dezer macht over u deelachtig zijn, luaarom niet veel meer wij ? Doch wij hebben deze macht niet gebruikt, maar wij verdragen het al, opdat wij niet eenige verhindering geven aan het Evangelie van Christus.

13 Weet gij niet dat degenen

1 GORINTHIERS 8, 9. 211

in eeuwigheid geen vleesch eten , opdat ik mijnen broeder niet ergere.


-ocr page 1266-

212 1 C0HIN1

dio de heilige dingen bedienen, van het heilige eten, en die steeds bij het altaar zijn, met het altaar deelen?

14 Alzóó heeft ook de Heere geordineerd dengenen, die het Evangelie verkondigen, dat zij van het Evangelie leven.

15 Maar ik heb geen van deze dingen gebruikt. En ik heb dit niet geschreven opdat het alzóó aan mij geschieden zoude; want het ware mij beter te sterven , dan dat iemand dezen mijnen roem zoude ijdel maken.

1G Want indien ik het Evangelie verkondig, het is mij geen roem; want de nood is mij opgelegd. En wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig.

17 Want indien ik dat gewillig doe, zoo heb ik loon; maar indien onwillig, de uitdeeling is mij even-tuel toebetrouwd.

18 Wat loon heb ik dan? Na-mel\\jk dat ik het Evangelie verkondigende, het Evangelie van Christus kosteloos stel, om mijne macht in het Evangelie niet te misbruiken.

19 Want daar ik van allen vry was, heb ik mijzelven allen dienstbaar gemaakt, opdat ik er meer zoude winnen.

20 En ik ben den Joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zoude; dengenen die onder de wet zijn ben ik geworden als onder de wet zijnde, opdat ik degenen die onder de wet zijn winnen zoude;

21 dengenen die zonder de wet zijn ben ik geiuorden als zonder de wet zijnde, (voor God noytans zijnde niet zonder de wet, maar voor Christus onder de wet), opdat ik degenen die zonder de wet zijn winnen zoude.

22 Ik ben den zwakken geworden als een zwakke, opdat ik de zwakken winnen zoude: allen ben ik alles geworden, opdat ik immers eenigen behouden zoude.

23 En dit doe ik om des Evangelies wille, opdat ik hetzelve mede deelachtig zoude worden.

24 Weet gijlieden niet, dat die in de loopbaan loopen, allen wel

HIËUS 10.

loopen, maar dat één den prijs ontvangt? Loopt alzóó, dat gij dien moogt verkrijgen.

25 En een iegelijk die om prijs strijdt onthoudt zich in alles. Dóze dan doen wel dit opdat zij een verderfelijke kroon zouden ontvangen, maar wij een onverderfelijke

20 Ik loop dan alzóó niet als op het onzekere; ik kamp alzóó niet als de lucht slaande;

27 maar ik bedwing mijn lichaam en breng hut tot dienstbaarheid, opdat ik niet soms, daar ik anderen gepredikt heb, zelf verwerpelijk worde.

HOOFDSTUK \'10.

En ik wil niet, broeders, dat gij onwetende zijt, datonze vaderen allen onder de wolk waren, en allen door de zee doorgegaan zijn,

2 en allen in Mozes gedoopt zijn in de wolk en in de zee,

3 en allen dezelfde geestelijke spijze gegeten hebben,

4 en allen denzelfden geestelijken drank gedronken hebben; want zij dronken uit de geestelijke steenrots die volgde; en de steenrots was Christus.

5 Maar in \'tmeerencZec/vanhen heeft God geen welgevallen gehad; want zij zijn in de woestijn terneder geslagen.

6 En deze dingen zijn geschied ons tot voorbeelden, opdat wij geenen lust tot het kwaad zouden hebben, gelijkerwijs als zij lust gehad hebben.

7 En wordt geen afgodendienaars gelijkerwijs als sommigen van hen, gelijk geschreven staat: Het volk zat neder om te eten en om te drinken, en zij stonden op om te spelen.

8 En laat ons niet hoereeren, gelijk sommigen van hen gehoereerd hebben, en vielen op éénen dag drieüntwintigduizend.

9 En laat ons Christus niet verzoeken, gelijk ook sommigen van hen verzocht hebben, en werden van de slangen vernield.

10 En murmureert niet, gelijk ook sommigen van hen gemurmureerd hebben, en werden vernield van den verderver.


-ocr page 1267-

1 GO RIN THIERS 11.

213

11 Én deze dingen alle zijn hun overkomen tot voorbeelden, en zijn beschreven tot waarschuwing van ons, op dewelke de einden der eeuwen gekomen zijn.

12 Zoo dan die meent te staan, ïic toe dat hij niet valle.

13 Ulieden heeft geene verzoeking bevangen dan menscbelijke; doch God is getrouw, welke u niet zal laten verzocht worden boven hetgeen gij vermoogt, maar hij zal met de verzoeking ook de uitkomst geven, opdat gij ze kunt verdragen.

14 Daarom mijne geliefden, vliedt van den afgodendienst.

15 Als tot verstandigen spreek ik: oordeelt gij hetgeen ik zeg.

16 De drinkbeker der dankzegging , dien wij dankzeggende zegenen , is die niet een gemeenschap des bleeds van Christus? liet brood dat wij breken, is dat niet een gemeenschap des lichaams van Christus?

17 Want één brood is het, zóó zijn wij velen één lichaam, dewijl wij allen ééns broods deelachtig zijn.

18 Ziet Israël dat naar het vleesch is : hebben niet degenen die de olieranden eten gemeenschap met het altaar?

49 Wat zeg ik dan ? Dat een afgod iets is, of dat het afgoden-ofter iets is?

20 Ja, ik zerj dat hetgeen de heidenen offeren, zij het den duivelen otferen, en niet Gode. En ik wil niet dat gij met de duivelen gemeenschap hebt.

21 Gij kunt den drinkbeker des Heeren niet drinken en den drinkbeker der duivelen; gij kunt nie-i deelachtig zijn der tafel des Heeren, en der tafel der duivelen.

22 Of tergen wij den Heere ? Zijn wij sterker dan hij?

23 Alle dingen zijn mij geoorloofd , maar alle dingen zijn niet oorbaar; alle dingen zijn mij geoorloofd, maar alle dingen stichten niet.

24 Niemand zoeke watzijnszelfs is, maar een iegelijk roe/;c dat des anderen is.

25 Eet al wat in het vleesch-huis verkocht wordt, niets ondervragende om der conscientie wille.

2ü Want de aarde is des Heeren, en de volheid derzeive.

27 En indien u iemand van de ongeloovigen noodt, en gij daar gaan wilt, eet al wat ulieden voorgesteld wordt, niets ondervragende om der conscientie wille.

28 Maar zoo iemand iot ulieden zegt: Dat is afgodenoffer, eet het niet, om desgenen wille, die u dat te kennen gegeven heelt, en om der conscientie wille; want de aarde is des Heeren, en de volheid der-zelve.

29 Doch ik zeg om de conscientie , niet van uzelven maar des anderen; want waarom wordt mijne vrijheid geoordeeld van eene andere conscientie?

30 En indien ik door genade der spijze deelachtig ben, waarom word ik gelasterd over hetgeen waarvoor ik dankzeg?

31 Hetzij dan dat gijlieden eet, hetzij dat gij drinkt, hetzij dat gij iets anders doet, doet het alles ter eere Gods.

32 Weest zonder aanstoot te geven, èn den Joden, enden Grieken, èn der gemeente Gods.

33 Gelijkerwijs ik ook in alles allen behaag, niet zoekende mijn eigen voordeel, maar het voordeel van velen, opdat zij mochten behouden worden.

HOOFDSTUK 11.

Weest mijne navolgers, gelijkerwijs ook ik van Christus.

2 En ik prijs u , broeders , dat gij in alles mijner gedachtig zijt, en de inzettingen behoydt, gelijk ik u die overgegeven heb.

3 Doch ik wil dat gij weet, dat Christus het hoofd is eens iege-lijken mans, en de man het hoofd der vrouw, en God het hoofd van Christus.

4 Een iegelijk man die bidt of profeteert hebbende iets op het hoofd, die onteert zijn eigen hoofd;

5 maar een iegelijke vrouw die bidt of profeteert met ongedekten hoofde, onteert haar eigen hoofd; want het is één en hetzelfde alsof haar het haar afgesneden ware.


-ocr page 1268-

1 GORINTHIËRS 11.

214

6 Want indien eene vrouw niet gedekt is, dat zij ook geschoren worde; maar indien het leelijk is voor eene vrouw, geschoren te zijn of het haar afgesneden te hebben, dat zij zich dekke.

7 Want de man moet het hoofd niet dekken, overmits hij het beeld en de heerlijkheid Gods is; maar de vrouw is de heerlijkheid des mans.

8 Want de man is uit de vrouw niet. maar de vrouw uit den man.

9 Want ook is de man niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om den man..

10 Daarom moet de vrouw eene macht op het hoofd hebben, om der Engelen wille.

11 Nogtans is noch de man zonder de vrouw, noch de vrouw zonder den man in den Heere.

12 Want gelijkerwijs de vrouw uit den man is, alzóó is ook de man door de vrouw; doch alle dingen zijn uit God.

13 Oordeelt gij onder uzelven: is het betamelijk dat de vrouw ongedekt God bidde?

14 Of leert u ook de natuur zelve niet, dat zoo een man lang haar draagt, het hem eene oneere is,

15 maar zoo eene vrouw lang haar draagt, dat het haar eene eere is, omdat het lange haar voor een deksel haar is gegeven?

16 Doch indien iemand schijnt twistgierig te zijn, wij hebben zulke gewoonte niet, noch de gemeenten Gods.

17 Dit nu hetgeen ik u aanzeg prijs ik niet, namelijk dat gij niet tot beter maar tot erger samenkomt.

18 Want eerstelijk, als gij samenkomt in de gemeente, zoo hoor ik dat er scheuringen zijn onder u en ik geloof het ten deele.

19 Want daar moeten ook ketterijen onder u zijn, opdat degenen die oprecht zijn openbaar mogen worden onder u.

20 Als gij dan bijéén te zamen komt, dat is niet des Heeren Avondmaal eten.

21 Want in het eten neemt een iegelijk te voren zijn eigen avondmaal; en deze is hongerig, en de ander is dronken.

22 Hebt gij dan geen huizen, om daar te eten en te drinken? Of veracht gij de gemeente Gods, en beschaamt gij degenen die niet hebben? Wat zal ik u zeggenV Zal ik u prijzen? In dezen prijs ik u niet.

23 Want ik heb van den Heere ontvangen hetgeen ik ook u overgegeven heb, dat de Heere Jezus in den nacht, in welken hij ver-« raden werd, het brood nam ,

24 en als hij gedankt had brak hij het, en zeide: Neemt, eet, dat is mijn lichaam dat voor u gebroken wordt: doet dat tot mijne gedachtenis.

25 Desgelijks nam hij ook den drinkbeker na het eten des Avond-maals, en zeide : Deze drinkbeker is liet nieuwe Testament in mijn bloed : doet dat, zoo dikwijls als gij dien zult drinken, tot mijne gedachtenis.

26 Want zoo dikwijls als gij dit brood zult eten en dezen drinkbeker zult drinken, zoo verkondigt den dood des Heeren, totdat hij komt.

27 Zoo dan wie onwaardiglijk dit brood eet of den drinkbeker des Heeren drinkt, die zal schuldig zijn aan het licaaam en bloed des Heeren.

28 Maar do mensch beproeve zichzelven, en ete alzóó van het brood en drinke van den drinkbeker.

29 Want die onwaardiglijk eet en drinkt, die eet en drinkt zichzelven een oordeel, niet onderscheidende het lichaam des Heeren.

30 Daarom zijn onder u vele zwakken en kranken, en velen slapen.

31 Want indien wij onszelven oordeelden, zoo zouden wij niet geoordeeld worden.

32 Maar als wij geoordeeld worden, zoo worden vtij van den Heere getuchtigd, opde.t wij met de wereld niet zouden veroordeeld worden.

33 Zoo dan, mijne broeders, als gij te zamen komt om te eten, verwacht elkander.

34 Doch zoo iemand hongert, dat hij te huis ete, opdat gij niet


-ocr page 1269-

1 GORINTHIER S 12.

215

tot een oordeel tezamen komt. De overige dingen nu zal ik ordinee-ren ais ik zal gekomen zijn.

HOOFDSTUK 12.

En van de geestelijke gaven, broeders, wil ik niet dal gij onwetende zijt.

2 Gij weet dat gij heidenen waart, tot de stomme afgoden henengetrokken naar dat gij geleid werdt.

3 Daarom maak ik u bekend, dat niemand die door den Geest Gods spreekt, Jezus eene vervloeking noemt; en niemand kan zeggen Jezus den Heere te zijn, dan door den Heiligen Geest.

4 En daar is verscheidenheid der gaven, doch het is dezelfde Geest;

5 en daar is verscheidenheid der bedieningen, en het is dezelfde Heere;

6 en daar is verscheidenheid der werkingen, doch het is dezelfde God die alle in allen werkt.

7 Maar aan een iegelijk wordt de openbaring des Geesies gegeven lot heigeen dat oorbaar is.

8 Want dezen wordt door den Geest gegeven het woord der wijsheid, en aan een ander het woord der kennis, door denzelfden Geest;

9 en aan een ander het geloof, door denzelfden Geest; en aan een ander de gaven der gezond-makingen, door denzelfden Geest;

10 en aan een ander de werkingen der krachten; en aan een ander Profetie; en aan een ander onderscheidingen der geesten; en aan een ander menigerlei talen; en aan een ander uitlegging der talen.

11 Doch deze dingen alle werkt één en dezelfde (leest, deelende aan een iegelijk in \'t bijzonder gelijkerwijs hij wil.

12 Want gelijk het lichaam één is en vele leden heeft, en alle de leden van dit ééne lichaam vele zijnde maar één lichaam zijn, alzóó ook Christus.

13 Want ook wij allen zijn door éénen Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden hetzij Grieken, hetzij dienstknechten hetzij vrijen;

en wij zijn allen tot éénen Geest gedrenkt.

14 Want ook het lichaam is niet één lid, maar vele leden.

15 Indien de voet zeide: Dewijl ik de hand niet ben , zoo ben ik van het lichaam niet, is die daarom niet van het lichaam?

16 En indien het oor zeide: Dewijl ik het oog niet ben, zoo ben ik van het lichaam niet, is het daarom niet van het lichaam?

17 Ware het geheele lichaam het oog, waar zonde het gehoor zijn\'? Ware het geheele lichaam gehoor, waar zonde dereukryn?

18 Maar nu heeft God de leden gezet, elk van dezelve in het lichaam gelijk hij gewild heeft.

19 En waren ze allen maar één lid. waar zoude het lichaam zijn?

20 Maar nu zijn er wel vele leden, doch maar één lichaam.

21 En het oog kan niet zeggen tot de hand: Ik heb u niet van noorle , of wederom het hoofd tot de voeten: Ik heb u niet van noode.

22 Ja veeleer, de leden die ons dunken de zwakste des lichaams le zijn, die zijn noodig;

23 en die ons dunken de minst eerlijke leden des lichaams te zijn, denzelven doen wij overvloediger eere aan, en onze onsierlijke leden hebben overvloediger versiering.

24 Doch onze sierlijke hebben het niet van noode; maar God heeft het lichaam alzóó samengevoegd, gevende overvloediger eere aan heigeen gebrek aan dezelve heeft,

25 opdat geen tweedracht in het lichaam zij, maar de leden voor elkander gelijke zorg zouden dra-gen.

2ö En hetzij dat één lid lijdt, zoo lijden alle de leden mede; hetzij dat één lid verheerlijkt wordt, zoo verblijden zich alle de leden mede.

27 En gijlieden zijt het lichaam van Christus, en leden in \'tbijzonder.

28 En God heeft er sommigen in de gemeente gesteld, ten eerste Apostelen, ten tweede Profeten, ten derde Leeraars, daarna krachten, daarna gaven dergezondma-


-ocr page 1270-

216 1 CORINTH

kingen, behulpsels, regeeringen , menigerlei talen.

29\' Zijn ze allen Apostelen? Zijn ze allen Profeten? Zijn ze allen leeraars? Zijn ze allen krachten?

30 Hebben ze allen gaven der gezondmakingen? Spreken ze allen met meniyerlei talen? Zijn ze allen uil leggers?

31 Doch ijvert naar de beste aven; en ik wijs u eenen weg ie nog uitnemender is.

HOOFDSTUK 13.

Al ware het dat ik de talen der menschen en der Engelen sprak, en de liefde niet had, zoo ware ik een klinkend metaal of luidende schel geworden.

2 En al ware het dat ik de (icive der Profetie had, en wist alle de verborgenheden en al de wetenschap , en al ware het dat ik al het geloof had, zoodat ik bergen verzette, en de liefde niet had, zoo ware ik niets.

\'d En al ware het dat ik alle mijne goederen tot onderhoud do* armen uitdeelde, en al ware het dat ik mijn lichaam overgaf opdat ik verbrand zoude worden, en had de liefde niet, zoo zoude het mij geen nuttigheid geven.

4 De liefde is lankmoedig, zij is goedertieren; de liefde is niet afgunstig; de liefde handelt niet lichtvaardiglijk; zij is niet opgeblazen ;

5 zij handelt niet ongeschiktelijk, zij zoekt zichzelve niet, zij wordt niet verbitterd, zij denkt geen kwaad;

6 zij verblijdt zich niet in de ongerechtigheid, maar zij verblijdt zich in de waarheid;

7 zij bedekt alle dingen, zij gelooft alle dingen , zij hoopt alle dingen, zij verdraagt alle dingen.

8 De liefde vergaat nimmermeer: maar hetzij Profetieën, zij zullen te niet gedaan worden; hetzij talen, zij zullen ophouden ; hetzij kennis, zij zal te niet gedaan worden.

9 Want wij kennen ten deele en wij profeteeren ten deele;

IËRS 13, 14.

10 doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan zal hetgeen ten deele is te niet gedaan worden.

11 Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, was ik gezind als een kind, overleide ik als een kind; maar wanneer ik een man geworden ben , zoo heb ik te niet gedaan hetgeen eens kinds was.

12 Want wij zien nu dooreenen spiegel in eene duistere rede, maar alsdan zullen wij zien aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten deele, maar alsdan zal ik kennen gelijk ook ik gekend ben.

13 En nu blijft geloof, hoop cn liefde, deze drie: doch de meeste van deze is de liefde.

HOOFDSTUK 14.

Jaagt de liefdG-. na, en ijvertom de geestelijke fic-ven; maar meest dat gij moogt quot;profeteeren.

2 Want die eene vreonde taal spreekt, spreekt niet den menschen maar Godc; want niemand verstaat het; doch met den geest spreekt hij verbcgenheden;

3 maar die profeteert, spreekt den menschen stichting en vermaning en vertroosting.

4 Die eene vreemde taal spreekt, die sticht zichzelven; maar die profeteert, die sticht de gemeente.

5 En ik wil wel dat gij allen in vreemde talen spreekt, maar meer dat gij profeteert; want die profeteert is meerder dan die vreemde talen spreekt, tenzij dan dat hij het uitlegge, opdat de gemeente stichting moge ontvangen.

6 En nu, broeders, indien ik tot u kwam en sprak vreemde talen, wat nuttigheid zoude ik u doen , zoo ik tot u niet sprak 6f in openbaring, of in kennis, of in Profetie, 6f in leering?

7 Zelfs ook de levenlooze dingen die geluid geven . \'t zij fluit, \'t zij citer, zoo zij geen onderscheid met hunnen klank geven, hoe zal bekend worden hetgeen op de fluit of op de citer gespeeld wordt?

8 Want ook indien de bazuin een onzeker geluid geeft, wie zal zich tot den krijg bereiden?

-ocr page 1271-

1 CORINTHIËRS 14.

215

9 Alzoo ook gijlieden indien gij niet door de taal een duidelijke rede geeft, hoe zal verstaan worden hetgeen gesproken wordt? Want gij zult zijn als die in de lucht spreekt.

10 Daar zijn, naar liet voorvalt, 7.oovele soorten van otemmen in de wereld, en geen derzelve is zonder stem.

11 Indien ik dan do kracht der stem niet weet, zoo zal ik hem die spreekt barbaarsch zijn, en hij die spreekt zal bij mij barbaarsch zijn.

12 Alzoo ook gij, dewijl gij ijverig zijt naar geestelijke gaven, zoo zoekt dat gij moogt overvloedig zijn tot stichting der gemeente.

\'13 Daarom die in ccnc vreemde taal spreekt, die bidde dat hij het moge uitleggen.

14 Want indien ik in eene vreemde taal bid, mijn geest bidt ivel, maar mijn verstand is vruchteloos.

15 Wat is \'tdan? Ik zal ivel met den geest bidden , maar ik zal ook met het verstand bidden; ik zal wel met den geest zingen, maar ik zal ook met het verstand zingen.

16 Anderszins indien gij dankzegt met den geest, hoe zal degene die de plaats eens ongeleerden vervult amen zeggen op uwe dankzegging, dewijl hij niet weet wat gij zegt?

17 Want gij dankzegt wel behoorlijk, maar de ander wordt niet gesticht.

18 Ik dank mijnen God dat ik meer vreemde talen spreek dan gij allen;

19 maar ik wil liever in de gemeente vijl\' woorden spreken met mijn verstand, opdat ik ook anderen moge onderwijzen, dan tienduizend woorden in eene vreemde taal.

20 Broeders, wordt geen kinderen in het verstand, maar zijt kinderen in de boosheid, en wordt in \'t verstand volwassen.

21 In do wet is geschreven; Ik zal door lieden van andere talen en door andere lippen tot dit volk spreken. en ook alzóó zullen zij mij niet hoor eft, zegt de Heere.

22 Zoo dan, de vreemde talen zijn tot een teeken niet dengenen die gelooven, maar den ongeloo-vigen; en de Profetie niet den ongeloovigen, maar dengenen die gelooven.

23 Indien dan de geheele gemeente bijéénvergaderd ware, en zij allen in vreemde talen spraken, en eenifje ongeleerden of ongeloovigen inkwamen, zouden zij niet zeggen dat gij uitzinnig waart?

24 Maar indien zij allen profeteerden, en een ongeloovige of ongeleerde inkwam, die wordt van allen overtuigd en hij wordt van allen geoordeeld,

25 en alzóó worden de verborgen dingen zijns harten openbaar; en alzóó vallende op zijn aangezicht zal hij God aanbidden, en verkondigen dat God waarlijk onder u is.

26 Wat is het dan broeders ? Wanneer gij te zamen komt, een iegelijk van uheeft hij eenenpsalm, heeft hij eene leer, heeft hij eene vreemde taal, heeft hij eeneopm-baring, heeft hij eene uitlegging, laat alle dingen geschieden tot stichting.

27 En zoo iemand eene vreemde taal spreekt, dat het door twee of ten meeste drie geschiede, en bij beurte, en dat één hot uit-logoG i

28 maar indien daar geen uitlegger is, dat hij zwijge in de gemeente, doch cïat hij tot zich-zelven spreke en tot God.

29 En dat twee of drie Profeten spreken, en dat de anderen oor-deelen;

30 doch indien eenén anderen die daar zit iets geopenbaard is, dat de eerste zwijge.

31 Want gij kimt allen do één na den ander profeteeren, opdat zij allen leeren en allen getroost worden.

32 En de geesten der Profeten zijn den Profeten onderworpen.

33 Want God is geen God van verwarring maar van vrede, gelijk in alle de gemeenten der heiligen.


-ocr page 1272-

1 GORINTHIERS 15.

218

34 Dut uwe vrouwen in de gemeenten zwijgen; want het is haar niet toegelaten te spreken, maar bevolen onderworpen te zijn, gelijk ook de wet zegt.

35 En zoo zij iets willen leeren, laat ze te huis hare eigene mannpn vragen. Want het staat leelijk voor de vrouwen dat zij in de gemeente spreken.

36 Is het Woord Gods van u uitgegaan, of is het tot u alléén gekomen?

37 Indien iemand meent een Profeet te zijn of geestelijk, die erkenne dat hetgeen ik u schrijf des Heeren geboden zijn;

38 maar zoo iemand onwetend is, die zij onwetend.

39 Zoo dan, broeders, ijvert om te profeteeren, en verhindert niet in vreemde talen te spreken.

40 Laat alle dingen eerlijk en met orde geschieden.

HOOFDSTUK 15.

Voorts, broeders, ik maak u bekend het Evangelie dat ik u verkondigd heb, hetwelk gij ook aangenomen hebt, in \'t welk gij ook staat,

2 door hetwelk gij ook zalig wordt, indien gij het behoudt op zoodanige wijs als ik het u verkondigd heb, tenzij dan dat gij tevergeefs geloofd hebt.

3 Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden naar de Schriften;

4 en dat hij is begraven, en dat hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;

5 en dat hij is van Gefas gezien, daarna van de twaalve.

6 Daarna is hij gezien van meer dan vijfhonderd broederen op éénmaal, van welke bet meerendec/ nog overig is, en sommigen ook zijn ontslapen.

7 Daarna is hij gezien van Jacobus, daarna van alle de Apostelen.

8 En ten laatste van allen is hij ook van mij als van een ontijdig geborene gezien.

9 Want ik ben de minste van de Apostelen, die niet waardig ben een Apostel genaamd te worden, daarom dat ik de gemeente Gods vervolgd heb.

10 Doch door de genade Gods ben ik dat ik ben; en zijne genade die aan mij bewezen is, is niet ijüel ajoweest, maar ik heb overvloediger gearljold dan ^!j nllor.; doch niet ik, maar de genade Gods die met mij is.

11 Hetzij dan ik, hetzij zijlieden, alzóó prediken wij en alzóó hebt gij geloofd.

\'12 Indien nu Christus gepredikt wordt dat hij uit de dooden opgewekt is, hóe zeggen sommigen onder u dat er geene opstanding der dooden is?

13 En indien daar geene opstanding der dooden is, zoo is Christus óók niet opgewekt,

14 En indien Christus niet opgewekt is, zoo is dan onze prediking ijdel, en ijdel is ook uw ge-loof.

15 En zoo worden wij ook bevonden valsche getuigen Gods; want wij hebber, van God getuigd dat hij Christus opgewekt heeft: dien hij niet heect opgewekt, zoo namelijk de dooden niet opgewekt worden.

16 Want indien de dooden niet opgewekt worden, zoo is ook Christus niet opgewekt.

17 En indien Christus niet opgewekt is, zoo is uw geloof tevergeefs; zoo zijt gij nog in uwe zonden.

18 Zoo zijn dan ook verloren die in Christus ontslapen zijn.

19 Indien wij alleenlijk in dit leven op Christus zijn quot;hopende, zoo zijn wij de ellendigste van alle menschen.

20 Maar nu, Christus is opgewekt uit de dooden, e.i is de eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn.

21 Want dewijl de dood door eenen mensch is, zoo is ook de opstanding der dooden door eenen mensch.

22 Want gelijk ze allen in Adam sterven, alzóó\' zullen ze ook in Christus allen levend gemaakt worden.


-ocr page 1273-

1 GORINTHIËRS 15.

219

23 Maar een iegelijk in zijne orde: de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn in zijne toekomst.

24 Daarna zal het einde zijn, wanneer hij het Koninkrijk aan God en den Vader zal overgegeven hebben, wanneer hij zal te niet gedaan hebben alle heerschappij en alle macht en kracht.

25 Want hij moet als Koning heerschen, totdat hij alle de vijanden onder zijne voeten zal gelegd hebben.

26 De laatste vijand die te niet gedaan wordt is de dood.

27 Want hij heeft alle dingen zijnen voeten onderworpen. Doch wanneer hij zegt dat hem alle dingen onderworpen zijn, zoo is het openbaar dat hij uitgenomen wordt die hem alle dingen onderworpen heeft.

28 En wanneer hem alle dingen zullen onderworpen zijn, dan zal ook de Zoon zelf onderworpen worden dien, die hem alle dingen j onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen.

29 Anders wat zullen zij doen dié voor de dooden gedoopt worden? Indien de dooden ganschelijk niet opgewekt worden, waarom worden zij voor de dooden ook gedoopt?

30 Waarom zijn ook wij alle ure in gevaar?

31 Ik sterf alle dagen, \'tiuelkik betuig bij onzen roem dien ik heb in Christus Jezus onzen Heere.

32 Zoo ik naar den mensch tegen de beesten gevochten heb te Efeze, wat nuttigheid is het mij indien de dooden niet opgewekt worden? Laat ons eten en drinken, want morgen sterven-wij.

33 Dwaalt niet. Kwade sameri-sprekingen verderven goede zeden.

34 Waakt op rechtvaardiglijk, en zondigt niet, want sommigen hebben de kennisse Gods niet. Ik zeg het u tot schaamte.

35 Maar, zal iemand zeggen, hoe zullen de dooden opgewekt worden, en met hoedanig een lichaam zullen zij komen?

36 Gij dwaas, hetgeen gij zaait wordt niet levend tenzij dat het gestorven zij.

37 En hetgeen gij zaait, daarvan zaait gij het lichaam niet dat worden zal, maar een bloot graan, naar het voorvalt, van tarwe of van eenig der andere (tranen.

38 Maar God geeft hetzelve een lichaam gelijk hij wil, en een iegelijk zaad zijn eigen lichaam.

39 Alle vleesch is niet hetzelfde vleesch; maar een ander is het vleesch der menschen, en een ander is het vleesch der beesten, en een ander der visschen, en een ander der vogelen.

40 En daar zijn hemelsche lichamen en daar zijn aardsche lichamen, maar eene andere is de heerlijkheid der hemelsche en eene andere der aardsche.

41 Eene andere is de heerlijkheid der zon, en eene andere is de heerlijkheid der maan, en eene andere is de heerlijkheid der sterren; want de ééne ster verschilt in heerlijkheid van de andere ster.

42 Alzóó zal ook de opstanding der dooden zijn. Het lichaam wordt gezaaid in verderfelijkheid, het wordt opgewekt in onverder-felijkheid.

43 Het wordt gezaaid in oneer, het wordt opgewekt in heerlijkheid. Het wordt gezaaid in zwakheid, het wordt opgewekt in kracht.

44 Een natuurlijk lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk lichaam wordt er opgewekt. Daar is een natuurlijk lichaam en daar is een geestelijk lichaam.

45 Alzóó is er ook geschreven: De eerste mensch Adam is geworden tot eene levende ziele, de laatste Adam tot eenen levendmakenden geest.

46 Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke, daarna het geestelijke.

47 De eerste mensch is uit de aarde aardsch; de tweede mensch is de Heere uit den hemel.

48 Hoedanig de aardsche is, zoodanig zijn ook de aardschen; en hoedanig de hemelsche is, zoodanig zijn ook de hemelschen:

49 en gelijkerwijs wij het beeld des aardschen gedragen hebben, alzóó zullen wij ook het beeld des hemelschen dragen.


-ocr page 1274-

HIËHS 16.

•1 CORINT

220

50 Doch dit zeg ik, broeders, dat vleesch en bloed liet Koninkrijk Gods niet beërven kunnen, en ae verderfelijkheid beërft de onver-derfelijklieid niet.

51 Zie, ik ze^ u eene verborgenheid: wij zullen wel niet allen ontslapen, maar wij zullen allen veranderd worden,

52 in een punt des tijcis. in een oogenblik, met de laatste nazuin; want de bazuin zal slaan, en de dooden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij zullen veranderd worden.

53 Want dit verderfelijke moet onverderfelijkheid aandoen, en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.

54 En wanneer dit verderfelijke onverderfelijkheid zal aangedaan hebben, en dit sterfelijke onsler-felijkheid zal aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden dat geschreven is: De dood is verslonden lot overwinning.

55 Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uwe overwinning?

56 De prikkel nu des doods is de zonde, en de kracht der zonde is de wet.

57 Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onzen Heere Jezus Christus.

58 Zoo dan mijne geliefde broeders, zijt standvastig, onbeweeglijk, altijd overvloedig zijnde \'in het werk des Heeren, als die weet dat uw arbeid niet ijdel is in den Heere.

HOOFDSTUK 16.

Aangaande nu de verzameling die voor de heiligen geschiedt, gelijk als ik aan de gemeenten in Galatië verordineerd heb, doet ook gij alzóó.

2 Op eiken eersten dap der weke legge een iegelijk van u iets bij zichzelven weg, vergaderende eenen schat, naar dat hij welvaart verkregen heeft; opdat de verzamelingen alsdan niet eerst geschieden, wanneer ik gekomen zal zijn.

3 En wanneer ik daar zal gekomen zijn, die gij zult bekwaam achten door brieven, dezelven zal ik zenden om uwe gave naar Jeruzalem over te dragen.

4 En indien het da moeite waardig mocht zijn dat ik ook zelf reizen zoude, zoo zullen zij met mij reizen.

5 Doch ik zal tot u komen wanneer ik Macedonië zal doorgegaan zijn (want ik zal door Macedonië gaan);

6 en ik zal mogelijk bij u blijven of ook overwinteren, opdat gij mij moogt geleiden waar ik zal henen-reizen.

7 Want ik wil u nu niet zien in \'t voorbijgaan, maar ik hoop eenigen tijd bij u te blijven, indien het de Heere zal toelaten.

8 Maar ik zal te Efeze blijven tot den Pinkstercto/y.

9 Want mij is eene groote en krachtige deur geopend, en daar zijn vele tegenstanders.

10 Zoo nu Timetheüskomt, ziet dat hij buiten vreeze bij u zij ; want hij werkt het werk des Heeren gelijk als ik.

11 Dat hem de.n niemand verachte, maar geleidt hem in vrede, opdat hij tot mij kome; want ik verwacht hem met de broederen.

12 En wat aangaat Apollos den broeder, ik heb hem zeer gebeden dat hij met de broederen tot u komen zoude; maar het was gan-schelijk zijn wil niet dat hij nu zoude komen; doch hij zal komen wanneer het hem welgelegen zal zijn.

13 Waakt, staat in het geloof, houdt u mannelijk, zijt sterk.

14 Dat alle uwe dingen in do liefde geschieden,

15 En ik bid u, broeders, gij kent het huis van Stefanas, dat het is de eersteling van Achaje, en dat zij zichzelven den heiligen ten dienste hebt en geschikt,

16 dat gij ook u aan de zooda-nigen onderwerpt, en aan een iegelijk die medewerkt en arbeidt.

17 \'En ik verblijd mij over de aankomst van Stefanas en Fortu-natus en Achaïcus; want deze hebben vervuld \'tgeen my aan u ontbrak.

18 Want zij hebben mijnen geest


-ocr page 1275-

^ CORINT

verkwikt, en ook don uwen. Erkent dan de zoodanlgen.

19 U groeten de gemeenten van Azië. U groeten zeer in den Hecre Aquila en Priseilla, met do gemeente die te hunnen huize is.

20 U groeten alle de broeders. Groet elkander met eenen heiligen kus.

HIKRS 1. 221

21 De groetenis met mijne hand, van Paulus.

22 Indien iemand den Heere Jezus Christus niet liefheeft, die zij, eene vervloeking: Maranatha.

\'23 De genade des Heeren Jezus Christus zij met u.

24 Mijne liefde zij met u allen in Christus Jezus. Amen.


DE TWEEDE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS

CORINT HIER S.

HOOFDSTUK 1.

Paulus, een Apostel van Jezus Christus door den wille Gods, cn Timotheüs, de broeder, aan de gemeente Gods die te Corintheis, met alle de heiligen die in geheel Achaje zijn.

2 Genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus.

3 Geloofd zij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, de Vader der barmhartigheden en de God aller vertroosting,

4 die ons vertroost in alle onze verdrukking, opdat wij zouden kunnen vertroosten degenen die in allerlei verdrukking zijn, dooi de vertroosting met welke wijzei ven van God vertroost worden.

5 Want gelijk het lijden van Christus overvloedig is in ons, alzoo is ook door Christus onze vertroosting overvloedig.

C Doch hetzij dat wij verdrukt worden, het is tot uwe vertroosting en zaligheid, die gewrocht wordt in de lijdzaamheid van hetzelfde lijden \'t welk wij óók lijden; hetzij dat wij vertroost worden, het is tot uwe vertroostingen zaligheid;

7 en onze hoop van u is vast , als die weten dat gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden, gy ook alzóó gemeenschap hebt aan de vertroosting.

8 Want wij willen niet, broeders, dat gij onwetende zijt van onze verdrukking die ons in Azië overkomen is , dat wij uitnemend zeer bezwaard zijn geweest boven onze macht, alzoo dat wij zeer in twijfel waren ook van het leven.

9 Ja, wij hadden al zeiven in onszei ven het vonnis des doods, opdat wij niet op onszelven vertrouwen zouden, maar op God die de dooden opwekt;\'

10 die ons uit zoo grooten dood verlost heeft en nog verlost; op welken wij hopen dat hij ons ook nog verlossen zal:

11 alzoo gijlieden ook medear-beidt voor ons door het gebed, opdat over de gave door vele personen aan ons te weeg gebracht, ook voor ons dankzegging door velen gedaan worde.

12 Want onze roem is deze,


-ocr page 1276-

2 CORINTHIËRS 2,

222

namelijk de getuigenis onzer consciëntie , dat wij in eenvoudigheid en oprechtheid Gods, niet in vleeschelijke wijsheid, maar in de genade Gods, in de wereld verkeerd hebben, en allermeest bij ulieden.

13 Want wij schrijven u geene andere dingen dan die gij kent of ook erkent; en ik hoop dat gij ze ook tot den einde toe erkennen zult;

14 gelijkerwijs gij ook ten deele ons erkend hebt dat wij uw roem zijn, gelijk gij ook de onze zijt in den dag des Heeren Jezus.

15 En op dit betrouwen wilde ik te voren tot u komen, opdat gij eene tweede genade zoudt hebben,

16 en door uwe stad naar Macedonië gaan, en wederom van Macedonië tot u komen, en van ulieden naar Judéa geleid worden.

17 Als ik dan dit voorgenomen heb, heb ik ook lichtvaardigheid gebruikt? Of neem ik naar het vleesch voor hetgeen ik voorneem, opdat bij mij zoude wezen ja ja, en neen neen?

18 Doch God is getrouw, dat ons woord \'twelk tot u is geschied niet is geweest ja en neen ;

19 want de Zone Gods Jezus Christus, die onder u door ons is gepredikt, namelijk door mij en Silvanus en Timotheüs, was niet •ja en neen, maar is geweest ja in hem.

20 Want zoovele beloften Gods als er zijn, die zijn in hem ja, en zijn in hem amen, Gode tot heerlijkheid door ons.

21 Maar die ons met u bevestigt in Christus, en die ons gezalfd heeft, is God;

22 die ons ook heeft verzegeld, en het onderpand des Geestes in onze harten gegeven.

23 Doch ik roep God aan tot een getuige over mijne ziel, dat ik om u te sparen nog te Corinthe niet ben gekomen.

24 Niet dat wij heerschappij voeren over uw geloof, maar wij zijn medewerkers uwer iDlijdschap; want gij staat door het geloof.

HOOFDSTUK 2.

Maar ik heb dit bij mijzelven

voorgenomen, dat ik niet wederom in droefheid tot u komen zoude, al

2 Want indien ik ulieden be- tu droef, wie is het toch die mij zal dc vroolijk maken, dan degene die van pl mij bedroefd is geworden?

3 En dit heb ik u geschreven, re opdat ik daar komende niet zoude zi droefheid hebben van degenen van Vquot; welke ik moest verblijd worden; vertrouwende van u allen, dat d mijne blijdschap u aller blijd- n schap is. v

4 Want ik heb ulieden uit vele verdrukking en benauwdheid des \\ harten met vele tranen geschreven, r niet opdat gij zoudt bedroefd wor- a den, maar opdat gij de liefde zoudt 1 verstaan die ik overvloediglijk tot lt; u heb.

5 Doch indien iemand bedroefd heeft, die heeft niet mij bedroefd, maar ten deele (opdat ik hem niet bezware) ulieden allen.

6 Den zoodanige is deze bestraffing genoeg, die van velen rje-schiea is.

7 Alzoo dat gij daarentegen hem liever moet vergeven en vertroos-ten, opdat de zoodanige door al te overvloedige droefheid niet eenigs-zins worde verslonden.

8 Daarom bid ik u dat gij de liefde aan hem bevestigt.

9 Want daartoe heb ik ook geschreven, opdat ik uwe beproeving mocht verstaan, of gij in alles gehoorzaam zijt.

10 Dien gij nu iets vergeeft, dien vercfeef ik óók; want zoo ik ook iets vergeven heb , dien ik vergeven heb, heb ik het vergeven om uwentwille, voor het aangezicht van Christus, opdat de satan over ons geen voordeel krijge.

11 Want zijne gedachten zijn ons niet onbekend.

12 Voorts als ik te Troas kwam om het Evangelie van Christus te prediken, en als mij eene deur geopend was in den Heere, zoo heb ik geen rust gehad voor mijnen geest, omdat :.k Titus mijnen broeder niet vond;

13 maar afscheid van hen genomen hebbende, vertrok ik naar Macedonië.

14 En Gode zij dank, die ons


-ocr page 1277-

2 CORINTHIERS 3, 4.

223

allen lijd doel triomfeeren in Chris- j lus, en den reuk zijner kennisse door ons openbaar rnaakl in alle plaalsen.

15 Want wij zijn Godc een goede reuk van Christus, in degenen die zalig worden en in degenen die verloren gaan.

16 Dezen wel een reuk des doods ten doode, maar genen een reuk des levens ten leven. En wie is tot deze dingen bekwaam?

17 Want wij dragen niet, gelijk velen, het Woord Gods te koop; maar als uit oprechtheid, maar als uit God, in de tegenwoordigheid Gods, spreken wij het in Christus.

HOOFDSTUK 3.

Beginnen wij onszelven wederom u aan te prijzen? Of behoeven wij ook, gelijk sommigen, brieven van voorschrijving aan u, of brieven van voorschrijving van u?

2 Gijlieden zijt onze brief, geschreven in onze harten, bekend en gelezen van alle menschen,

3 als die openbaar zijt geworden dat gij een brief van Christus zijt, en door onzen dienst bereid, die geschreven is niet met inkt maar door den Geest des levenden Gods, niet in steenen tafelen maar in vleeschen tafelen des harten.

4 En zoodanig een vertrouwen hebben wij door Christus bij God.

5 Niet dat wij van onszelven bekwaam zijn iets te denken als uit onszelven; maar on ze bekwaamheid is uit God;

6 die ons ook bekwaam gemaakt heeft om te zijn dienaars des nieuwen Testaments, niet der letter maar des Geestes; want de-letter doodt, maar de Geest maakt levend.

7 En indien de bediening des doods, in letters bestaande en in steenen ingedrukt, in heerlijkheid is geweest, alzoo dat de kinderen Israëls het aangezicht van Mozes niet konden sterk aanzien om de heerlijkheid zijns aangezichts, die te niet gedaan zoude worden,

8 hoe zal niet veel meer de bediening des Geestes in heerlijkheid zijn!

9 Want indien de bediening der verdoemenis heerlijkheid geweest is, veel meer is de bediening der rechtvaardigheid overvloedig in heerlijkheid.

10 Want ook het verheerlijkte is zelfs niet verheerlijkt in dezen deele, ten aanzien van deze uitnemende heerlijkheid.

11 Want indien hetgeen te niet gedaan wordt in heerlijkheid was, veelmeer is hetgeen blijft in heerlijkheid.

12 Dewijl wij dan zoodanige hope hebben, zoo gebruiken wij vele vrijmoedigheid in \'t spreken,

13 en doen niet gelijkerwijs Mozes, die een deksel op zijn aangezicht leide, opdat de kinderen Israëls niet zouden sterk zien op het einde desgenen dat te niet gedaan wordt.

14 Maar hunne zinnen zijn verhard geworden. Want tot op den day van heden blijft hetzelfde deksel in het lezen des ouden Testaments, zonder ontdekt te worden, hetwelk door Christus te niet gedaan wordt.

15 Maar tot den huidigen dag toe, wanneer Mozes gelezen wordt, ligt een deksel op hun hart;

lü doch zoo wanneer het tot den Heere zal bekeerd zijn, zoo wordt het deksel weggenomen.

17 De Heere nu is de Geest; en waar de Geest des Heeren is, aldaar is vrijheid.

18 En wij allen met ongedekten aangezichte de heerlijkheid des Heeren als in eenen spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.

HOOFDSTUK 4.

Daarom dewijl wij deze bediening hebben, naar de barmhartigheid die ons geschied is, zoo vertragen wij niet,

2 maar wij hebben verworpen de bedekselen der schande, niet wandelende in arglistigheid, noch het woord Gods vervalschende, maar door openbaring der waarheid onszelven aangenaam makende


-ocr page 1278-

^4

bij alle conscientiën der menschen, in de tegenwoordigheid Gods.

3 Doch indien ook ons Evangelie bedekt is, zoo is het bedekt in degenen die verloren gaan:

4 in dewelke de god dezer eeuw de zinnen verblind heeft, namelijk der ongeloovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is.

5 Want wij prediken niet ons-zelven , maar Christus Jezus den Heere, en onszelven , dat wij uwe dienaren zijn om Jezus wille.

6 Want God die gezegd heeft dat het licht uit de duisternis zoude schijnen, is degene die in onze harten geschenen heeft, om te rjeven verlichting van de kennis dor heerlijkheid Gods in het aangezicht van Jezus Christus.

7 Maar wij hebben dezen schat in aarden vaten, opdat de uitnemendheid der kracht zij Godes en niet Uit ons:

8 als die in alles verdrukt worden doch niet benauwd, twijfelmoedig doch niet mismoedig,

9 vervolgd doch niet daarin verlaten; nedergeworpen doch niet verdorven;

10 altijd de dooding des Heeren Jezus in het lichaam omdragende, opdat, ook het leven van Jezus in ons lichaam zoude geopenbaard worden.

11 Want wij die leven worden altijd in den dood overgegeven om Jezus wille, opdat ook het leven van Jezus in ons sterfelijk vleesch zoude geopenbaard worden.

12 Zoo dan de dood werkt wel in ons, maar het leven in ulieden.

13 Dewijl wij nu denzelfden Geest des gelodfs hebben, gelijk er geschreven is: Ik heb geloofd, daarom heb ik gesprokeü, zoo gelooven wij ook, daarom spreken wij ook,

14 wetende dat hij die den Heere Jezus opgewekt heeft, ook ons door Jezus zal opwekken en met ulieden daar zal stellen.

15 Want alle deze dingen zijn om uwentwille, opdat de vermenigvuldigde genade door de dankzegging van velen overvloedig worde ter heerlijkheid Gods.

16 Daarom vertragen wij niet} maar hoewel onze uitwendige mensch verdorven wordt, zoo wordt nog tans de inwendige vernieuwd van dag tot dag.

17 Want onze lichte verdrukking, die zeer haast voorbijr/errrt, werkt ons een gansch zeer uitnemend eeuwig gewicht der heerlijkheid;

18 dewijl wij niet aanmerken de dingen die men ziet, maar de dingen die men niet ziet; want do dingen die men ziet zijn tijdelijk, maar de dingen die men niet ziet zijn eeuwig.

HOOFDSTUK 5.

Want wij weten dat zoo ons aardsche huis dezes tabernakels gebroken wordt, wij een gebouw van God hebben, een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig, in de hemelen.

2 Want ook in dezen zuchten wij, verlangende met onze woonstede die uit den hemel is overkleed te worden

3 zoo wij ook bekleed en niet naakt zullen gevonden worden.

4 Want ook wij die in dezen tabernakel zijn, zuchten bezwaard zijnde; nademaal wij niet willen ontkleed maar overkleed worden, opdat het sterfelijke van het leven verslonden worde.

5 Die ons nu tot ditzelve bereid heeft is God, die ons ook het onderpand des (Jeestes gegeven heeft.

6 Wij hebben dan altijd goeden moed, en weten dat wij inwonende in het lichaam, u\'twonen van den Heere;

7 (want wij wandelen door geloof en niet door aanschouwen.)

8 Maar wij hebben goeden moed, en hebben mee? behagen om uit het lichaam uit te wonen en bij den Heere in te wonen.

O Daarom zijn wij ook zeer be-geerig, hetzij inwonende hetzij uitwonende, om hem welbehagelijk te zijn.

10 Want wij allen moeten geopenbaard worden voor den rechterstoel van Christus, opdat een iegelijk wegdrage hetgeen door

het lichaam geschiedt, naar dat hij

2 CORINfHIËMS


-ocr page 1279-

2 CORINTH IERS 6.

gedaan heeft, hetzij goed hetzij kwaad.

11 Wij dan wetende den schrik des Heeren, bewegen de menschen tot het geloof, en zijn Gode openbaar geworden; doch ik hoop ook in uwe conscientiën geopenbaard te zijn.

12\' Want wij prijzen onszelven u niet wederom aan, maar wij geven u oorzaak van roem over ons, opdat gij stof zoudt hebben tegen degenen die in het aangezicht roemen en niet in het hart.

13 Want hetzij dat wij uitzinnig zijn, wij zijn het Gode; hetzij dal wii gematigd van zinnen ziin, wij zijn het ulieden.

14 Want de liefde van Christus dringt ons:

15 als die dit oordeelen, dat indien één voor allen gestorven is, zij dan allen gestorven zijn. En hij is voor allen gestorven, opdat \'degenen die leven niet meer zichzelven zouden leven, maar dien, die voor hen gestorven en opgewekt is.

16 Zoo dan wij kennen van nu aan niemand naar het vleesch; en indien wij ook Christus naar het vleesch gekend hebben, nogtans kennen wij hem nu niet meer naar het vleesch.

17 Zoo dan indien iemand in Christus is, die is een nieuw schepsel: het oude is voorbijgegaan, zie, het is alles nieuw géworden.

18 En alle deze dingen zijn uit God, die ons met zichzelven verzoend heeft door Jezus Christus, en ons de bediening der verzoening gegeven heeft.

19 Want God was in Christus de wereld met zichzelven verzoenende , hunne zonden hun niet toerekenende, en heeft het Woord der verzoening in ons gelegd.

20 Zoo zijn wij dan gezanten van Christus wege, alsof God door ons bade: wij bidden van Christus wege, laat u met God verzoenen.

21 Want dien die geen zonde gekend heeft, heeft hij zonde voor ons gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in hem.

HOOFDSTUK 0.

En wij als medearbeidende bidden h ook, dat gij de genade Gods niet tevergeefs moogt ontvangen hebben.

2 Want hij zegt: In den aange-namen tijd heb ik u verhoord, en in den dag der zaligheid heb ik u geholpen: zie, nu is het de welaangename tijd, zie, nu is het de dag der zaligheid.

3 Wij geven geenen aanstoot in eenig ding, opdat de bediening niet gelasterd worde;

4 maar wij als dienaars Gods maken onszelven in alles aangenaam, in veel verdraagzaamheid, in verdrukkingen, in nooden, in benauwdheden,

5 in slagen, in gevangenissen, in beroerten, in arbeid, in waken, in vasten,

ü in reinheid, in kennis , in lankmoedigheid , in goedertierenheid, in den Heiligen Geest, in ongeveinsde liefde,

7 in het woord der waarheid, in de kracht Gods; door de wapenen der gerechtigheid aan de rech-ter- en aan de linkem/de,

8 door eer en oneer, door kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders en nogtans waarachtigen,

9 als onbekenden en nogtans bekend, als stervende en zie wij leven, als getuchtigd en niet gedood,

10 als droevig zijnde doch altijd blijde, als armen doch velen rijk makende, als niets hebbende én nogtans alles bezittende..

11 Onze mond is opengedaan tegen u, o Corinthiërs, ons hart is uitgebreid.

12 Gij zijt niet nauw in ons, maar gij zijt nauw in uwe ingewanden.

13 Nu, on dezelfde vergelding te doen, (ik spreek als tot mijne kinderen), zoo wordt gij óók uitgebreid.

14 Trekt niet een ander juk aan met de ongeloovigen. Want wat deelgenootschap heeft de gerechtigheid met de ongerechtigheid, en wat gemeenschap heeft het licht met de duisternis?


-ocr page 1280-

2 CORINTHIËRS 7, 8.

226

15 En wat samenstemming heeft Christus met Belial, of wat deel heeft de geloovige met den onge-loovige ?

16 Of wat samenvoeging heeft de Tempel Gods met de afgoden? Want gij zijt de tempel des levenden Gods, gelijkerwijs God gezegd heeft: Ik zal in henquot; wonen en ik zal onder hen wandelen , en ik zal hun God zijn, en zij zullen mij een volk zijn.

17 Daarom gaat uit het midden van hen en scheidt u af, zegt de Heere, en raakt niet aan hetgeen onrein is, en ik zal ulieden aannemen.

18 En ik zal u tot een Vader zijn, en gij zult mij tot zonen en dbchteren zijn, zegt de Heere, de Almachtige.

HOOFDSTUK 7.

Dewijl wij dan deze beloften hebben , geliefden, laat ons ons-zelven reinigen van alle besmetting dos vleesches en des geestes, voleindigende de heiligmaking in de vreeze Gods.

2 Geeft ons plaats: wij hebben niemand verongelijkt, wij hebben niemand verdorven, wij hebben bij niemand ons voordeel gezocht.

3 Ik zeg dit niet tot uwe veroordeeling. Want ik heb te voren gezegd dat gij in onze harten zijt, om te zamen te sterven en te za-men te leven.

4 Ik heb veel vrijmoedigheid in het spreken tegen u, ik heb veel roem over u; ik ben vervuld met vertroosting, ik ben zeer overvloedig van blijdschap in al onze verdrukking.

5 Want ook als wij in Macedonië gekomen zijn, zoo heeft ons vleesch geene rust gehad, maar wij waren in alles verdrukt; van buiten was strijd, van binnen vreeze.

6 Doch God, die de nederigen vertroost, heeft ons getroost door de komst van Titus.

7 En niet alleen door zijne komst, maar ook door de vertroosting met welke hij over u vertroost is geweest, als hij ons verhaalde uw verlangen, uw kermen, uwen ijver

voor mij; alzoo dat ik te meer verblijd ben geweest. ^

8 Want hoewel ik u in den zend- g brief bedroefd heb, het berouwt mij niet, hoewel het mij berouwd $ heeft; want ik zie dat die zend- s brief, hoewel voor eenen kleinen T tijd, u bedroefd heeft.

9 Nu verblijde ik mij, niet omdat gij bedroefd zijt geweest, maar ( omdat gij bedroefd zijt geweest £ tot bekeèring. Want gij zijt bedroefd geweest naar God, zoodat ^ gii in geen ding schade van ons r geleden hebt. }

10 Want de droefheid naar God ( werkt eene onberouwelijke bekeering tot zaligheid, maar de droef- \' beid der wereld werkt den dood. .

11 Want zie, dit, dat gij naar | God zijt bedroefd geworden, hoe groote naarstigheid heeft het in u gewrocht, ja verantwoording, ja onlust, ja vreeze, ja verlangen, ja ijver, ja wraak: in alles hebt gij uzelven bewezen rein te zijn in deze zaak.

12 Hoewel ik dan aan u geschreven heb, dat is niet om diens wil die onrecht gedaan had, noch om diens wil wier. onrecht gedaan was, maar opdat onze vlijtigheid voor n bij u zoude openbaar worden, in dè tegenwoordigheid Gods.

13 Daarom zijn wij vertroost geworden over uwe vertroosting; en zijn nog overvloediger verblijd geworden over de blijdschap van Titus, omdat zijn geest van u allen verkwikt is geworden.

14 Want indien ik iets bij hem over u geroemd heb, zoo ben ik niet beschaamd geworden; maar gelijk wij alles met waarheid tot u gesproken hebben, alzóó is ook onze roem, dien ik bij Titus geroemd heb, waarheid geworden.

15 En zijne innerlijke bewegingen zijn te overvloediger jegens u , als hij u aller gehoorzaamheid overdenkt, hoe gij hem met vreeze en beven hebt ontvangen.

16 Ik verblijd mij dan dat ik in alles van u vertrouwen mag hebben.

HOOFDSTUK 8.

Voorts maken wij u bekend,


-ocr page 1281-

2 CORINTHIERS 9.

227

broeders, de genade Gods die in de gemeenten van Macedonië gegeven is:

2 dat in vele beproeving der verdrukking de overvloed hunner blijdschap en hunne zeer diepe armoede overvloedig geweest is tot den rijkdom hunner goeddadigheid.

3 Want zij zijn naar vermogen (ik betuig het), ja, boven vermogen gewillig geweest,

4 ons met vele vermaning biddende, dat wij wilden aannemen de gave en de gemeenschap dezer bediening die voor de heiligen geschiedt;

5 en deden niet alleen gelijk wij gehoopt hadden, maar gaven zichzelven eerst aan den Heere en daarna aan ons, door den wil van God.

P Alzoo dat wij Tit us vermaanden , dat gelijk hij te voren begonnen had, hij bok alzóó nog deze gave bij u voleinden zoude.

7 Zoo dan gelijk gij in alles overvloedig zijt, in geloof en in woord en in de kennis en in alle naarstigheid, en in uwe liefde tot ons, ziet dat gij ook in deze gave overvloedig zijt.

8 Ik zeg dit niet als gebiedende , maar als door de naarstigheid van anderen ook de oprechtheid üwer liefde beproevende.

9 Want gij weet de genade onzes Heeren Jezus Christus, dat hij om uwentwille is arm geworden, daar hij rijk was, opdat gij door zijne armoede zoudt rijk worden.

10 En ik zeg in dezen mijne meening. Want dit is u oorbaar, als die niet alleen het doen maar ook het willen van over een jaar te voren hebt begonnen.

11 Maar nu voleindigt ook liet doen, opdat gelijk als er geweest is de volvaardigheid des gemoeds om te willen, er ook alzóó zij het voleindigen uit hetgene dat gij hebt.

12 Want indien te voren de volvaardigheid des gemoeds daar is, zoo is iemand aangenaam naar hetgeen dat hij heeft: niet naar hetgeen dat hij niet heeft.

13 Want dit zeg ik niet opdat anderen zouden verlichting hebben, en gij verdrukking:

■e- :

Vil ;

14 maar opdat uit gelijkheid, in dezen tegenwoordigen tijd, uw overvloed zij om hun gebrek te vervullen] opdat ook hun overvloed zij om uw gebrek te vervullen , opdat er gelijkheid worde.

15 Gelijk geschreven is: Die veel verzameld had, had niet over, en die weinig verzameld had, had niet te weinig.

16 Doch Gode zij dank, die dezelfde naarstigheid voor u in het hart van Titus gegeven heeft,

17 dat hij de vermaning heeft aangenomen, en zeer naarstig zijnde gewillig tot u gereisd is.

18 En wij hebben ook met hem gezonden den broeder die lof heeft in het Evangelie door alle de gemeenten.

19 En dat niet alleen, maar hij is ook van de gemeenten verkoren, om met ons te reizen met deze gave, die van ons bediend wordt tot de heerlijkheid des Heeren zeiven en de volvaardigheid uws gemoeds:

20 dit verhoedende, dat ons niemand moge lasteren in dezen overvloed die van ons wordt bediend:

21 als die bezorgen hetgeen eerlijk is, niet alleen voor den Heere maar ook voor de menschen.

22 Wij hebben ook met hen gezonden onzen broeder, welken wij in vele dingen dikwijls beproefd hebben dat hij naarstig is, en nu veel naarstiger door het groot vertrouwen dat hij heeft tot ulieden.

23 Hetzij dan Titus, hij is mijn metgezel en medearbeider bij u; hetzij onze broeders, zij zijn afgezanten der gemeenten en een eere van Christus.

24 Bewijst dan aan hen de bewijzing uwer liefde en onzes roems van u, ook voor het aangezicht der gemeenten.

HOOFDSTUK 9.

Want van de bediening die voor de heiligen fjeschiedt is het mij onnoodig aan u te schrijven.

2 Want ik weet de volvaardigheid uws gemoeds, van welke ik roem over u bij de Macedoniërs,


-ocr page 1282-

2 GORINTHIËRS 10.

228

dat Acbaje van over een jaar bereid is geweest, en de ijver van u begonnen heeft er velen opgewekt.

3 Maar ik heb deze broeders gezonden, opdat onze roem dien wij over u hebben niet zoude ijdel gemaakt worden in dezen deele, opdat (gelijk ik gezegd heb) gij bereid moogt zijn,

4 en dat niet mogelijk zoo de Macedoniërs met mij kwamen en u onbereid vonden, wij (opdat wij niet zeggen gij) beschaamd worden in dezen vasten grond des roemens.

5 Ik heb dan noodig geacht deze broeders te vermanen , dat zij eerst tot u zouden komen, en voorbereiden uwen te voren aan-gedienden zegen; opdat die gereed zij alzoo als een zegen, en niet als eenc vrekheid.

G En dit zeg ik, die spaarzame-lijk zaait zal ook spaarzamelijk maaien, en die in zegeningen zaait zal ook in zegeningen maaien.

7 Een iegelijk doe gelijk hij in zijn harte voorneemt, niet quot;uit droefheid of uit nooddwang. Want God heeft een blij moedigen gever lief.

8 En God is machtig alle genade te doen overvloedig zijn in u, opdat gij in alles allen tijd alle genoegzaamheid hebbende, tot alle goed werk overvloedig moogt zijn.

9 Gelijk er geschreven is: Hij heeft gestrooid, hij heeft den armen gegeven, zijné gerechtigheid blijft in der eeuwigheid.

10 Doch die het zaad den zaaier verleent, die verleene ook brood tot spijze, en vermenigvuldige uw zaaisel en vermeerdere de vruchten uwer gerechtigheid;

41 dat gij in alles rijk wordt tot alle goeddadigheid, welke door ons werkt dankzegging tot God.

12 quot;Want de bediening van dezen dienst vervult niet alleen het gebrek der heiligen, maar is ook overvloedig door vele dankzeggingen tot God;

13 dewijl zij door de beproeving dezer bediening God verheerlijken over de onderwerping uwer belijdenis onder het Evangelie van

Christus, en over de goeddadigheid der mededeeling aan hen en aan allen;

14 en door hun gebed voor u, welke naar u verlangen, om de uitnemende genade Gods over u.

15 Doch Gode zij dank voor zijne onuitsprekelijke gave.

HOOFDSTUK 10.

Voorts ik Paulus zelf bid u door de zachtmoedigheid en goedertierenheid van Christus, die tegenwoordig zijnde wel gering ben onder u, maar afwezend stout ben tegen u;

2 ik bid dan, dat ik tegenwoordig zijnde niet stout mng zijn met die vrijmoedigheid, waarmede ik geacht word stoutelijk gehandeld te hebben tegen sommigen, die ons achten alsof wij naar het vleesch wandelden.

3 Want wandelende in het vleesch voeren wij den krijg niet naar het vleesch;

4 want de wapenen onzes krijgs zijn niet vleeschelijk, maar krachtig door God lot neder werping dér sterkten.

5 Dewijl wij de overleggingen terneder werpen, en alle hoogte die zich verheft tegen de kennisse Gods, en alle gedachte gevangen leiden tot de gehoorzaamheid van Christus,

6 en gereed hebben hetgeen dient om te wreken alle ongehoorzaamheid , wanneer uwe gehoorzaamheid zal vervuld zijn.

7 Ziet gij aan dat voor oogen is? Indien iemand bij zichzelven betrouwt dat hij van Christus is, die denke dit wederom uit zichzelven , dat galijkerwijs hij van Christus is , alzuó wij -óók van Christus zijn.

8 Want ind\'en ik ook iets overvloediger zoude roemen van onze macht, welke de Heere ons gegeven heeft tot stichting, en niet tot uwe nederwerping, zoo zal ik niet beschaamd worden:

9 opdat ik niet zoude schijnen alsof ik u door de brieven wilde verschrikken.

10 Want de brieven (zeggen zij)


-ocr page 1283-

2 GORINTHIERS 11.

229

zijn wel gewichtig en krachtig, maar de tegenwoordigheid des lichaams is zwak en de rede is verachtelijk.

11 Dezulke bedenke dit, dat hoe-danigen wij zijn in het woord door brieven als wij afwezig zijn, wij ook zoodanigen zijn in de daad als wij tegenwoordig zijn.

12 Want wij durven onszelven niet rekenen of vergelijken met sommigen die zichzelven prijzen ; maar dezen verstaan niet dat zij zichzelven meten en zichzelven met zichzelven vergelijken.

13 Doch wij zullen niet roemen buiten de maat; maar daarin dat wij naar de maat des regels, welke maat God ons toegedeeld heeft, ook lot u toe zijn gekomen.

14 Want wij strekken onszelven niet te wijd uit, als die tot u niet zouden komen; want wij zijn ook gekomen tot u toe, in het Evangelie van Christus;

15 niet roemende buiten de maat in anderer arbeid, maar hebbende hoop, als uw geloof zal gewassen zijn , dat wij onder ulieden over-vloediglijk zullen vergroot worden naar onzen regel,

1G om het Évangelie le verkondigen in de plaatsen die aan gene zijde van u uclefjen zijn; niet om te roemen in eens anders regel over hetgeen afrende bereid is.

17 Doch wie roemt, die roeme in den Heere;

18 want niet die zichzelven prijst, maar dien de Heere prijst, die is beproefd.

HOOFDSTUK 11.

Och of gij mij een weinig verdroogt in de onwijsheid; ja, ook verdraagt mij.

2 Want ik ben ijverig over u met eenen ijver Gods. Want ik heb ulieden toebereid, om a a/s eene reine maagd aan écnen man voor te stellen, namelijk aan Christus;

3 doch ik vreeze dat eenigszins gelijk de slang Eva door hare arglistigheid bedrogen heeft, alzóó uwe zinnen bedorven worden, nrn a f te /rij/je» van de eenvoudigheid die in Christus is.

4 Want indien degene die komt oenen anderen Jezus predikte, dien wij niet gepredikt hebben, of indien gij eenen anderen Geest ont-vingt, dien gij niet hebt ontvangen, cf een ander Evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, zoo verdroogt gij hem met recht.

5 Want ik acht dat ik nergens in minder ben geweest dan de uitnemendste Apostelen.

6 En indien ik ook onbedreven ben in woorden, nogtans ben ik het niet in wetenschap; maar alleszins zijn wij in alle dingen onder u openbaar geworden.

7 Heb ik zonde gedaan, als ik rnijzelven vernederd heb opdat gij zoudt verhoogd worden, overmits ik u het Evangelie Gods om niet verkondigd heb?

8 Ik heb andere gemeenten beroofd, bezolding wm/mw nemende om u te bedienen; en als ik bij u tegenwoordig was en gebrek had, ben ik niemand lastig gevallen.

I) Want mijn gebrek hebben de broeders vervuld die van Macedonië kwamen; en ik heb rnijzelven in alles gehouden zonder u te bezwaren, en zal mij noy alzoo houden.

10 De waarheid van Christus is in mij , dat deze roem in de gewesten van Achaje aan mij niet zal verhinderd worden.

11 Waarom ? Is het omdat ik u niet liefheb ? God weet het.

12 Maar dat ik doe, dat zal ik nog doen, om de oorzaak af te snijden dengenen die oorzaak hch-ben willen, opdat zij in ?t geen zij roemen bevonden mochten worden gelijk als wij.

13 Want zulke valsche Apostelen zijn bedriegelijke arbeiders, zich veranderende in Apostelen van Christus.

14 En hot is geen wonder; want de satan zelf verandert zich in eenen Engel des lichts.

15 Zoo is het dan niets groots indien ook zijne dienaars zich veranderen als 1 varen ze dienaars der gerechtigheid; van welke het einde zal zijn naar hunne werken.

1G ik zeg wederom, dat niemand


-ocr page 1284-

2 GORINTHIERS 12.

230

meene dat ik onwijs ben; doch zoo niet, neemt mij dan aan als eenen onwijze, opdat ik óók een weinig mag roemen.

17 üat ik spreek, spreek ik niet naar den Heere, maar als in onwijsheid, in dezen vasten grond des roemens.

18 Dewijl velen roemen naar het vleesch, zoo zal ik óók roemen.

19 Want gij verdraagt gaarne de onwijzen , dewijl gij wijs zijt.

20 Want gij verdraagt het zoo u iemand dienstbaar maakt, zoo

iemand opeet, zoo iemand van u neemt, zoo zich iemand verheft, zoo u iemand in het aangezicht slaat.

21 Ik zeg dit naar oneer, alsof wij zwak waren geweest; maar waarin iemand stout is, (ik spreek in onwijsheid), daarin ben ik óók stout.

22 Zijn zij Hebreërs? Ik ook. Zijn zij Israöliten? Ik ook. Zijn zij het geslacht Abrahams? Ik ook.

23 Zijn zij dienaars van Christus? (ik spreek onwijs zijnde:) ik ben boven hen : in arbeid overvloediger, in slagen uitnemender, in gevangenissen overvloediger, in amp;oodiSrjevaar menigmaal.

24 Van de Joden heb ik veertig slagen min één vijfmaal ontvangen.

25 Driemaal ben ik met roeden gegeeseld geweest, ééns ben ik gesteenigd, driemaal heb ik schipbreuk geleden, een ganschen nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht.

26 In \'t reizen menigmaal in gevaren van rivieren, in gevaren van moordenaars, in gevaren van mijn geslacht, in gevaren van de heidenen, in gevaren in de stad, in gevaren in de woestijn, in gevaren op de zee, in gevaren onder de valsche broeders;

27 in arbeid en moeite, in waken menigmaal, in honger en dorst, in vasten menigmaal, in koude en naaktheid.

28 Behalve de dingen die van buiten zijn overvalt mij dagelijks de zorg van alle de gemeenten.

29 Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie wordt er geërgerd, dat ik niet brande ?

30 Indien men moet roemen, zoo zal ik roemen de dingen mijner zwakheid.

31 De God en Vader onzes Hee-ren Jezus Christus , die geprezen is in der eeuwigheid, weet dat ik niet lieg.

32 De Stadhouder van den Koning Aretas in Damascus bezette de stad der Damasceners, willende mij vangen.

33 En ik werd door een venster in eene mand over den muur nedergelaten, en ontvlood zijnen handen.

HOOFDSTUK 12.

Te roemen is mij waarlijk niet oorbaar. Want ik zal komen tot gezichten en openbaringen des Heeren.

2 Ik ken eenen mensch in Christus, vóór veertien jaren, (of het geschied zij in het lichaam weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet. God weet het), dat de zoodanige opgetrokken is geweest tot in den derden hemel;

3 en ik ken een zoodanig mensch, (of het in het lichaam of buiten het lichaam geschied zij weet ik niet. God weet het),

4 dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs, en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die het een mensch niet geoorloofd is te spreken.

5 Van den zoodanige zal ik roemen, doch van mijzelven zal ik niet roemen dan in mijne zwakheden.

6 Want zoo ik roemen wil, ik zal niet onwijs zijn; want ik zal de waarheid zeggen; maar ik houd daarvan af opdat niemand van mij denke boven hetgeen hij ziet dat ik ben, of dat hij uit mij hoort.

7 En opdat .k mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zoude verheffea, zoo is mij gegeven een scherpe doorn in het vleesch , namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zoude, opdat ik mij niet zoude verheffen.

8 Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zoude wijken.

9 Mij

voi lie-op; mi


-ocr page 1285-

2 CORINTHIËRS 13

231

9 En hij heeft tot mij gezegd: [ Mijne genade is u genoeg; want | mijne kracht wordt in zwakheid volbracht. Zoo zal ik dan veel liever roemen in mijne zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone.

10 Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden , in nooden, in vervolgingen , in benauwdheden, om Christus wille; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig.

11 Ik ben roemende onwijs geworden: gij hebt mij genoodzaakt; want ik behoorde van u geprezen te zijn; want ik ben in geen ding minder geweest dan de uitne-mendste Apostelen, hoewel ik niets ben.

12 De merkteekenen van een Apostel zijn onder u betoond in alle lijdzaamheid, met teekenen en wonderen en krachten.

13 Want wat is er waarin gij minder geweest zijt dan de andere gemeenten, anders dan dat ik zelf u niet lastig ben geweest? Vergeeft mij dit ongelijk.

14 Zie, ik ben ten derden male gereed om tot u te komen , en zal u niet lastig zijn; want ik zoek niet het uwe maar u; want de kinderen moeten niet schatten vergaderen voor de ouders , maar de ouders voor de kinderen.

15 En ik zal zeer gaarne de kosten doen, en voor uwe zielen te koste gegeven worden; hoewel ik u overvloediger beminnende minder bemind word.

16 Doch het zij zoo: ik heb u niet bezwaard, maar alzoo ik listig was, heb ik u met bedrog gevangen.

17 Heb ik door iemand dergenen die ik tot u gezonden heb van u mijn voordeel gezocht ?

18 Ik heb Titus gebeden, en den broeder medegezonden: heeft ook Titus van u zijn voordeel gezocht ? Hebben wij niet in denzelfden geest gewandeld? Hebben wij niet gewandeld in dezelfde voetstappen?

19 Meent gij wederom dat wij ons bij u verontschuldigen? Wij spreken in de tegenwoordigheid

Gods in Christus; en dit alles, geliefden, tot uwe stichting.

20 Want ik vreeze , dat als ik gekomen zal zijn, ik u niet eenigs-zins zal vinden zoodanigen als ik wil, en dat ik van u zal gevonden worden zoodanig als gij niet wilt; dat daar eenigszins zijn twisten, nijdigheden, toorn, gekijf, achterklap , oorblazingen, opgeblazenheden, beroerten.

21 Opdat wederom als ik zal gekomen zijn, mijn God mij niet vernedere bij u, en ik rouw hebbe over velen die te voren gezondigd hebben, en die zich niet bekeerd zullen hebben van de onreinigheid en hoererij en ontuchtigheid die zij gedaan hebben.

HOOFDSTUK 13.

Dit is de derde maal dat ik tot u kom: in den mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan.

2 Ik heb het te voren gezegd, en zeg het te voren als tegenwoordig zijnde de tweede maal, en ik schrijf het nu afwezendaan degenen die te voren gezondigd hebben, en aan alle de anderen, dat zoo ik wederkom, ik hen niet zal sparen;

3 dewijl gij zoekt eene proeve van Christus die in mij spreekt, welke in u niet zwak is, maar krachtig is onder u.

4 Want hoewel hij gekruist is door zwakheid, zoo leeft hij nog-tans door de kracht Gods; want ook wij zijn zwak in hem, maar zullen met hem leven door de kracht Gods in u.

5 Onderzoekt uzelven of gij in het geloof zijt, beproeft uzelvên. Of kent gij uzelven niet, dat Jezus Christus in u is? tenzij dat gij eenigszins verwerpelijk zijt.

6 Doch ik hoop dat gij zult verstaan dat wij niet verwerpelijk zijn.

7 En ik wensch van God dat gij geen kwaad doet; niet opdat wij beproefd zouden bevonden worden, maar opdat gij het goede zoudt doen en wij als verwerpelijk zouden zijn.

\' 8 Want wij vermogen niets tegen


-ocr page 1286-

IERS \'1.

Gr AL AT

232

de waarheid, maar voor de\'waarheid.

9 Want wij verblijden ons wanneer wij zwak zijn en gij sterk zijt; en wij wenschen ook dit, namelijk uwe volmaking.

10 Daarom schrijf ik afwezend deze dingen, opdat ik niet tegenwoordig zijnde gestrengheid zoude gebruiken, naar de macht, die mij de Heere gegeven heeft tot opbouwing en niet tot neder werping.

11 Voorts, broeders, zijt blijde, wordt volmaakt, zijt getroost, zijt eensgezind\', leeft in vrede: en de God der liefde en des vredes zal met u zijn.

12 Groet elkander met eenen heiligen kus. U groeten alle de heiligen.

13 De genade des Heeren Jezus Christus en de liefde Gods en do gemeenschap des Heiligen Geestes zij met u allen. Amen.


DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS

AAft IJ 13

GALATIËR S.

HOOFDSTUK J.

Paulus, een Apostel (gevoepen niet van menschen, noch door een mensch, maar door Jezus Christus , en God den Vader die hem uit de dooden opgewekt heeft),

2 en alle de broeders die met mij zijn, aan de gemeenten van Galatie:

3 genade zij u en vrede van God den Vader en onzen Heere Jezus Christus;

4 die zichzelven gegeven heeft voor onze zonden, opdat hij ons trekken zoude uit deze tegenwoordige booze wereld, naar den wil onzes Gods en Vaders,

5 denwelken zij do heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.

6 Ik verwonder mij, dat gij zoo haast wijkende van dengenen die u in de\' genade van Christus geroepen heeft, overgebracht wordt tot een ander Evangelie,

7 daar er geen ander is; maar daar zijn sommigen die u ontroeren en het Evangelie van Christus willen verkeeren.

8 Doch al ware het ook dat wij, of een Engel uit den hemel u een Evangelie verkondigde buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt.

9 Gelijk wij te voren gezegd hebben, zoo zeg ik ook nu wederom : indien u iemand een Evangelie verkondigt buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt.

10 Want predik ik nu de menschen of God? Of zoek ik menschen te behagen? Want indien ik nog menschen behaagde, zoo ware ik geen dienstknecht van Christus.

11 Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar den mensch.

12 Want ik heb ook hetzelve niet van een mensch ontvangen noch geleerl, maar door de openbaring van Jezus Christus.

13 Want gij hebt mijnen omgang gehoord die eertijds in het Jodendom was, dat ik uitnemend zeer de gemeente Gods vervolgde en dezelve verwoestte,


-ocr page 1287-

GALATIERS 2.

233

14 en ctai ik in het Jodendom toe-jnam boven velen van mijnen ouderdom in mijn geslacht, zijnde overvloediglijk ijverig voor mijne [vaderlijke inzettingen.

15 Maar wanneer het Gode behaagd heeft, die mij vin mijn moeders lijf aan afgezonderd heel t, en geroepen door zijne genade,

16 zijnen Zoon in mij te openbaren, opdat ik denzei ven door het Evangelie onder de heidenen zoude verkondigen, zoo ben ik terstond niet te rade gegaan met vleesch en bloed,

17 en ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem tot degenen die vóór mij Apostelen waren, maar ik ging henen naar Arable, en keerde wederom naar Damascus.

18 Daarna kwam ik na drie jaren weder te Jeruzalem om Petrus te bezoeken, en ik bleef bij hem vijftien dagen,

19 en zag geenen anderen van de Apostelen dan Jacobus den broeder des Heeren.

20 Hetgeen nu dat ik u schrijf, zie, ik yetuig voor God dat \'ik niet lieg.

21 Daarna ben ik gekomen in de gewesten van Syrië en van Cilicië.

22 En ik was van aangezicht onbekend aan de gemeenten in Judéa, die in Christus zijn.

23 Maar zij hadden alleenlijk gehoord dat men zeide: Degene die ons eertijds vervolgde verkondigt nu het geloof \'t welk hij eertifds verwoestte.

24 En zij verheerlijkten God in mij.

HOOFDSTUK 2.

Daarna ben ik, na veertien jaren, wederom naar Jeruzalem opgegaan met Barnabas, ook Titus medegenomen hebbende.

2 En ik ging op door eene openbaring, en stelde hun het Evangelie voor dat ik predik, onder de heidenen, en in \'tbijzonder dengenen die in achting waren, opdat ik niet soms tevergeefs zoude loopen of geloopen hebben.

3 Maar ook Titus die met mij wns, een Griek zijnde, werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden.

ij do, ost, 3de : ecles

men ï de

ïzus i de stcs

4 En dat om der ingekropen valsche broederen wille, die van terzijde ingekomen waren om te verspieden onze vrijheid die wij in Christus Jezus hebben, opdat zij ons zouden tot dienstbaarheid brengen,

5 denwelken wij ook niet een uur zijn geweken met onderwerping, opdat de waarheid des Evangelies bij u zoude verblijven.

(gt; En van degenen die geacht waren wat te zijn, hoedanigen zij eertijds waren verschilt mij niet: God neemt den persoon des menschen niet aan; want die geacht waren hebben mij niets toegebracht.

7 Maar daarentegen als zij zagen dat mij het Evangelie der voorhuid toebetrouwd was , gelijk aan Petrus dat der besnijdenis;

8 (want die in Petrus krachtig-lijk werkte tot het Apostelschap der besnijdenis, die werkte ook krachtiglijk in mij onder de heidenen).

9 En als Jacobus en Cefas en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn , de genade die mij gegeven was bekenden, gaven zij mij en Barnabas de rechter/mnd der gemeenschap, opdat wij tot de heidenen en zij tot de besnijdenis zouden rjaan.

10 Alleenlijk dat wij de armen zouden gedenken, hetwelk ik mij ook benaarstigd heb te doen.

11 En toen Petrus te Antiochiö gekomen was, wederstond ik hem in het aangezicht, omdat hij te bestraffen was.

12 Want eer sommigen van Jacobus gekomen waren, at hij mede met de heidenen; maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en scheidde zichzelven af, vreezende degenen die uit de besnijdenis waren.

13 En ook de andere Joden veinsden met hem; aboo dat ook Barnabas mede afgetrokken werd door hunne veinzing. .

14 Maar als ik zag dat zij niet recht wandelden naar de waarheid des Evangelies, zeide ik tot Pc-


-ocr page 1288-

IËRS 3.

234

GALAT

trus in aller tegenwoordigheid : Indien gij die een Jood zijt naar heidensche wijze leeft, en niet naar Joodsche wijze, waarom noodzaakt gij de heidenen naar de Joodsche wijze te leven?

15 Wij zijn van nature Joden, en niet zondaars uit de heidenen;

16 doch wetende dat demensch niet gerechtvaardigd wordt uit de werken der wet, maar door het geloof van Jezus Christus, zoo hebben wij ook in Christus Jezus geloofd , opdat wij zouden gerechtvaardigd worden uit het geloof van Christus en niet uit de werken der wet; daarom dat uit de werken der wet geen vleesch zal gerechtvaardigd worden.

17 Maar indien wij, die in Christus zoeken gerechtvaardigd te worden , ook zeiven zondaars bevonden worden, is dan Christus een dienaar der zonde? Dat zij verre.

18 Want indien ik hetgeen ik afgebroken heb wederom opbouw, zoo stel ik mijzelven tot een overtreder.

19 Want ik ben door de wet dei-wet gestorven, opdat ik Gode leven zoude.

20 Ik ben met Christus gekruist; en ik leef, doch niet meer ik, maar Christus leeft in mij; en hetgeen ik nu in het vleesch leef, dat leef ik door het geloof des Zoons Gods, die mij liefgehad heeft en zichzelven voor mij overgegeven heeft.

21 Ik doe de genade Gods niet te niet. Want indien de rechtvaardigheid door de wet is, zoo is dan Christus tevergeefs gestorven.

HOOFDSTUK 3.

O gij uitzinnige Galatiërs, wie heelt u betooverd, dat gij der waarheid niet zoudt gehoorzaam zijn, denwelken Jezus Christus voor de oogen te voren geschilderd is geweest, onder u gekruist zijnde?

2 Dit alleen wil ik vanuleeren, hebt gij den Geest ontvangen uit de werken der wet of uit de prediking des geloofs?

8 Zijt gij zóó uitzinnig ? Daar gij met den Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met net vleesch ?

4 Hebt gij zóóveel tevergeefs geleden? indien ook maar tevergeefs !

5 Die u dan den Geest verleent en krachten onder u werkt, doet hij dat uit de werken der wet of uit de prediking des geloofs?

6 Gelijkerwijs Abraham Gode geloofd heeft, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend.

7 Zoo verstaat gij dan, dat degenen die uit het geloof zijn Abrahams kinderen zijn.

8 En de Schrift te voren ziende dat God de heidenen uit het geloof zoude rechtvaardigen, heeft te voren aan Abraham het Evangelie verkondigd, zeggende: In u zullen alle de volkeren gezegend worden.

9 Zoo dan die uit het geloof zijn worden gezegend met den geloovigen Abraham.

1U Want zoovelen als er uit de werken der wei. zijn, die zijn onder den vloek; want daar is geschreven : Vervloekt is een iegelijk die niet blijft in al hetgeen geschreven is in het boek der wet, om dat te doen.

11 En dat niemand door de wet gerechtvaardigd wordt voor God, is openbaar; want de rechtvaardige zal uit het geloof leven.

12 Doch de wet is niet uit het geloof, maar de mensch die deze dingen doet zal door dezelve leven.

13 Christus heeft ons verlost van den vloek der wet, een vloek geworden zijnde voor ons; want daar is geschreven: Vervloekt is een iegelijk die aan het hout hangt.

14 Opdat de segening Abrahams tot de heidenen komen zoude in Christus Jezus, en opdat wij de belofte des Seestes verkrijgen zouden door het geloof.

15 Broeders, ik spreek naar den mensch: zelfs eens menschen verbond dat bevestigd is doet niemand te niet, of niemand doet daartoe.

16 Nu zoo zi; n de beloftenissen tot Abraham en*zijn zaad gesproken. Hij zegt niet: En den zaden , als


-ocr page 1289-

GALATIERS 4.

235

van velen; maar als vanéén: En uwen zade, hetwelk is Christus. \'

17 En dit zeg ik: Het verbond, dat te voren van God bevestigd is op Christus, wordt door de wet, die na vierhonderd en dertig jaren gekomen is , niet krachteloos gemaakt om de beloftenis te niet te doen.

18 Want indien de erfenis uit de wet is, zoo is ze niet meer uit de beloftenis; maar God heeft ze Abraham door de beloftenis genadiglijk gegeven.

19 Waartoe is dan de wet ? Zij is om der overtredingen wille daarbij gesteld, totdat het zaad zoude gekomen zijn, dien het beloofd was; en zij is door de Engelen besteld in de hand des middelaars.

20 En de middelaar is nietmicl-delaar van éénen, maar God is één.

21 Is dan de wet tegen de beloftenissen Gods? Dat zij verre. Want indien daar eene wet gegeven ware die machtig was levend te maken, zoo zoude waarlijk de rechtvaardigheid uit de wet zijn.

22 Maar de Schrift heeft het alles onder de zonde besloten, opdat de belofte uit het geloof van Jezus . Christus den geloovigen zoude gegeven worden.

23 Doch eer het geloof kwam waren wij onder de wet in bewaring gesteld, en zijn besloten geweest tot op het geloof dat geopenbaard zoude worden.

24 Zoo dan, de wet is onze tuchtmeester geweest tot Christus, opdat wij uit het geloof zouden gerechtvaardigd worden;

25 maar als het geloof gekomen is, zoo zijn wij niet meer onder den tuchtmeester.

26 Want gij zijt allen kinderen Gods door het geloof in Christus Jezus.

27 Want zoovelen als gij in Christus gedoopt zijt, hebt gij Christus aangedaan.

28 Daarin is noch Jood noch Griek, daarin is noch dienstbare noch vrije, daarin is geen man en vrouw. Want gij allen zijt één in Christus Jezus.

29 En indien gij van Christus zijt, zoo zijt gij quot;dan Abrahams zaad, en naar de beloftenis erfgenamen.

HOOFDSTUK 4.

Doch ik zeg zoo langen tijd als de erfgenaam een kind is, zoo verschilt hij niets van een dienstknecht , hoewel hij een heer is van alles,

2 maar hij is onder voogden en verzorgers, tot den tijd van den vader te voren gesteldl

3 Alzóó wij ook toen wij kinderen waren, zoo waren wij dienstbaar gemaakt onder de eerste beginselen der wereld;

4 maar wanneer de volheid des tijds gekomen is, heeft God zijnen Zoon uitgezonden, geworden uit eene vrouw, geworden onder de wet,

5 opdat hij degenen die onder de wet waren verlossen zoude, en opdat wij de aanneming tot kinderen verkrijgen zouden.

6 En overmits gij kinderen zijt, zoo heeft God den Geest zijns Zoons uitgezonden in uwe harten, die roept: Abba, Vader!

7 Zoo dan gij zijt niet meer een dienstknecht maar een zoon; en indien gij een zoon zijt, zoo zijt gij ook een erfgenaam Gods door Christus.

8 Maar toen als gij God niet kendet, diendet gij degenen die van nature geen Goden zijn;

9 en nu als gij God kent, ja, veel meer van God gekend zijt, hoe keert gij u wederom tot de zwakke en arme eerste beginselen, welke gij wederom van voren aan wilt dienen?

10 Gij onderhoudt dagen, en maanden, en tijden, en jaren.

11 Ik vrees voor u, dat ik soms tevergeefs aan u gearbeid heb.

12 Weest gij als ik, want ook ik ben als gij; broeders, ik bid u: gij hebt mij geen ongelijk gedaan.

13 En gij weet dat ik u door zwakheid des vleesches het Evangelie de eerste maal verkondigd heb ,

14 en mijne verzoeking die in


-ocr page 1290-

GAL A TIERS 5.

230

mijn vlcesch gcschiedde hebt gij niet veracht noch verfoeid, maar gij naamt mij aan als cenen Engel Gods, ja, als Christus Jezus.

15 Welke was dan uwe geluk-achting? Want ik geef u getuigenis , dat gij , zoo het mogelijk ware, uwe oogen zoudt uitgegraven en mij gegeven hebben.

16 Ben ik dan uw vijand geworden , u de waarheid zeggende?

17 Zij ijveren niet recht over u , maar zij willen ons uitsluiten, opdat gij over hen zoudt ijveren.

18 Doch in het goede allen tijd te ijveren is goed , en niet alleenlijk als ik bij u tegenwoordig ben ;

19 mijne kinderkens, die ik wederom arbeide te baren, totdat Christus eene gestalte in u krijge.

20 Doch ik wilde dat ik nu tegenwoordig bij u ware, en mijne stem mocht veranderen; want ik ben in twijfel over u.

21 Zegt mij, gij die onder de wet wilt zijn, quot;hoort gij de wet niet?

22 Want daar is geschreven, dat Abraham twee zonen had, éénen uit de dienstmaagd en éénen uit de vrije.

23 Maar gene die uit de dienstmaagd was, is naar het vleesch geboren geweest; doch deze die uit de vrije was, door de beloftenis.

24 Hetwelk dingen zijn die andere beduiding hebben. Want deze zijn de tw ee,verbonden: het ééne van den berg Sinaï, tot dienstbaarheid barende, hetwelk is Hagar.

25 Want dit, namelijk Hagar, is Sinaï, een berg in Arabic, en komt overéén met Jeruzalem dat nu is, en dienstbaar is met hare kinderen.

20 Maar Jeruzalem dat boven is, dat is vrij, hetwelk is onzer aller moeder.

27 Want daar is geschreven: Wees vroolijk, gij onvruchtbare die niet baart; breek uit en roep, gij die geen barensnood hebt; want de kinderen der eenzame zijn veel meer dan dergene die den man heeft.

28 Maar wij, broeders, zijn kinderen der belofte, als Isaak was.

29 Doch gelijkerwijs toen die naar het vleesch geboren was dengene vervolgde die naar den geest (je-horen ivas, alzóó ook nu.

30 Maar wat zegt do Schrift? Werp de dienstmaagd uit en haren zoon; want de zoon der dienstmaagd zal geenszins erven met den zoon der vrije.

31 Zoo dan, broeders, wij zijn niet kinderen der dienstmaagd maar der vrije.

HOOFDSTUK u.

Staat dan in de vrijheid met welke ons Christus vrijgemaakt heeft, en wordt niet wederom met het juk der dienstbaarheid bevangen.

2 Zie, ik Paulus zeg u, zoo gij u laat besnijden, dat Christus u niets nut zal zijn;

3 en ik betuig wederom aan een iegelijk mensch die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de geheele wet te doen.

4 Christus is u ijdel geworden, die door de wet gerechtvaardigd wilt worden: gij zijt van de genade vervallen.

5 Want wij verwachten door den Geest uit het geloof de hope der rechtvaardigheid.

G Want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis eenige kracht, noch voorhuid, maar het geloof door de liefde werkende.

7 Gij liept wel: wie heeft u verhinderd der waarheid gehoorzaam te zijn?

8 Dit gevoelen is niet uit hem die u roept.

9 Een weinig zuurdeesem verzuurt het geheele deeg.

10 Ik vertrouw van u in den Heere, dat gij niets anders zult gevoelen; maar die u ontroert zal het oordeel dragen, wie hij ook zij.

11 Maar ik, broeders, indien ik nog de besnijdenis predik, waarom word ik nog vervolgd? Zoo is dan de ergernis des kruises vernietigd.

12 Och of zij ook afgesneden wierden die u onrustig maken.

13 Want jij zijt tot vrijheid geroepen, broeders; alleenlijk (je-hruikt de vrijheid niet tot eene oorzaak voor\'het vleesch, maar dient elkander door de liefde.

14 Want de geheele wet wordt in één woord vervuld, namelijk


-ocr page 1291-

G A L A T I E R S 0.

237

In dit: Gij zult uwen naaste liefhebben gelijk uzelven.

45 Maar indien gij elkander bijt en vereet, ziet toe dat gij van elkander niet verteerd wordt.

16 En ik zeg, wandelt door den Geest, en volbrengt de begeerlijkheid des vleesches niet.

17 \'Want het vleesch begeert tegen den Geest, en de Geest tegen het vleesch; en deze staan tegen elkander, alzoo dat gij niet doet hetgeen gij wildet.

18 Maar indien gij door den Geest geleid wordt, zoo zijt gij niet onder de wet.

19 De werken des vleesches nu zijn openbaar: welke zijn overspel, hoererij, onreinigheid,\' ontuchtigheid,

20 afgoderij, venijngeving, vijandschappen, twisten, afgunstigheden, toorn, gekijf, tweedracht, ketterijen ,

21 nijd, moord, dronkenschap-pen, brasserijen, en dergelijke; van dewelke ik u te voren zeg, gelijk ik ook te voren gezegd heb , dat die zulke dingen doen het Koninkrijk Gods niet zullen beërven.

22 Maar de vrucht des Geestes is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, goedertierenheid, goedheid , geloof, zachtmoedigheid, matigheid.

23 Tegen de zoodanigen is de wet niet.

24 Maar die van Christus zijn, hebben het vleesch gekruist met de bewegingen en begeerlijkheden.

25 Indien wij door den Geest leven, zoo laat ons ook door den Geest wandelen.

26 Laat ons niet zijn zoekers vun ijdele eer, elkander tergende, elkander benijdende.

HOOFDSTUK G.

Broeders, indien ook een mensch overvallen ware door eenige misdaad, gij die geestelijk zijt, brengt den zoodanige te recht met den geest der zachtmoedigheid: ziende op uzelven, opdat ook gij niet verzocht wordt.

2 Draagt elkanders lasten , en vervult alzóo de wet van Christus.

3 Want zoo iemand meent iels te zijn daar hij niets is, die bedriegt zichzelven in ztjn g-emoed.

4 Maar een iegelijk bcproeve zijn eigen werk; en alsdan zal hij aan zichzelven alleen roem hebben, en niet aan een ander.

5 Want een iegelijk zal zijn eigen pak dragen.

0 En die onderwezen wordt in het woord deele mede van alle goederen dengenen die /urm onderwijst.

7 Dwaalt niet. God laat zich niet bespotten. Want zoo wat de mensch zaait, dat zal hij ook maaien.

8 Want die in zijn eigen, vleesch zaait zal uit het vleesch verderfenis maaien, maar die in den geest zaait zal uit den g-eest het eeuwige leven maaien.

9 Doch laat ons goed doende niet vertragen; want te zijner tijd zullen wij maaien, zoo wij niet verslappen.

10 Zoo dan terwijl wij tijd hebben, laat ons goed doen aan allen, maar meest aan de huisgenooten des geloofs.

\'II Ziet hoe grooten brief ii. u geschreven heb met mijne hand.

12 Alle degenen die een schoon gelaat willen toonen naar het vleesch, die noodzaken u Ijesneden te worden, alleenlijk opdat zij vanwege het kruis van Christus niet zouden vervolgd worden.

13 Want ook zij zei ven die besneden worden houden de wet niet; maar zij willen dat ^ij besneden wordt, opdat zij iri uw vleesch roemen zouden.

14 Maar het zij verre van mij dat ik zoude roemen anders dan in het kruis onzes Heeren Jezus Christus, door welken de wereld mij gekruisigd is, en ik der wereld,

15 want in Christus Jezus heeft noch besnijdenis eenige kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel.

16 En zoovelen als er naar dezen regel zullen wandelen, over dezel-ven zat zijn vrede en barmhartigheid, en over het Israël Gods.

17 Voorts niemand doe mij moeite aan; want ik draag de liüeekenen des Heeren Jezus in mijn lichaam.

18 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met uwen geest, broeders. Amen.


-ocr page 1292-

EFEZIËRS 1.

DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAÜLUS

AAN DE

EFEZIËRS.

238

HOOFDSTUK 1.

Paulus, een Apostel van Jezus Christus door den wil Gods, aan de heiligen die te Efeze zijn en geloovigen in Christus Jezus.

2 Genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus.

3 Gezegend zij de God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.

4 Gelijk hij ons uitverkoren heeft in hem vóór de grondlegging der wereld , opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor hem in de liefde,

5 die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen door Jezus Christus in zichzelven, naar het welbehagen van zijnen wil,

6 tot prijs der heerlijkhèid zijner genade door welke hij ons begenadigd heeft in den Geliefde,

7 in welken wij hebben de verlossing door zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom zijner genade,

8 met welke bij overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzichtigheid,

9 ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van zijnen wil, naar zijn welbehagen, \'t welk hij voorgenomen had in zichzelven,

10 om in de bedeeling van de volheid der tijden wederom alles tot één te vergaderen in Christus, beide dat in den hemel is en dat op de aarde is,

11 in hem in welken wij .9^ een -erfdeel geworden zijn, wÜ quot;ie

voren verordineerd ware5*?. na^r het voornemen desgenen aquot;e dingen werkt naar den rAacl van zijnen wil, ..

12 opdat wij zouden zijn PriJ® zijner heerlijkheid, wij dj® eerst in Christus gehoopt hebbe?11*

13 In welken ook gij zijh na(lat gij het woord der waarheid».n^^®quot; lijk het Evangelie uwer za\'1.?quot;01quot;» gehoord hebt; in welken SU ook\' nadat gij gelooid hebt, zij^Y®1\'26quot; geld geworden met den Peill£gt;en Geest der belofte;

14 die het onderpand is Van °nze erfenis tot de verkregene

sing, tot prijs zijner heer^i^quot;.61,*

15 Daarom ook ik gehoc,rlt;^\'ie^quot; bende het geloof in derf Jezus dat onder u is, en de lietae tot alle de heiligen,

16 houd niet op voor u

ken, gedenkende uwer irl miJne gebeden,

17 opdat de God oiues Heeren Jezus Christus, de Vader dP1\' quot;e®rquot; lijkheid, u gfeve den Ge^8** ei\' wijsheid en der openbaring m zlJne kennis,

18 namelijk verlichte oog\'en uws verstands opdat gij moogt weten welke zij de hoop van zijn®.roe\' ping, en welke de rijkdom, Z1J van de heerlijkheid zijner erfenP m de heiligen;

19 en welke de uitnemend^ grootheid zijner kracht zij aun Pns gelooven, naar de werkiP^ ^61\' sterkte zijner macht,


-ocr page 1293-

EFEZIËRS 2, 3.

239

20 die hij gewrocht heeft in Christus, als hij hem uit de dooden heeft opgewekt en hem heeft gezet tot zijne rechter/iancZ in den hemel,

21 ver boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij, en allen naam die genaamd wordt niet alleen in deze wereld maar ook in de toekomende,

22 en heeft alle dingen zijnen voeten onderworpen, en heeft hem der gemeente gegeven tot een hoofd boven alle dingen,

23 welke zijn lichaam is, cn de vervulling desgenen die alles in allen vervult.

HOOFDSTUK 2.

En u heeft hij mede levend gemaakt, daar gij dood waart door de misdaden en de zonden,

2 in welke gij eertijds gewandeld hebt, naar de eeuw dezer wereld, naar den overste van de macht der lucht, van den geest die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid.

3 Onder dewelke ook wij allen eertijds verkeerd hebben in de begeerlijkheden onzes vleesches, doendequot; den wil des vleesches en der gedachten, en wij.waren van nature kinderen des toorns gelijk ook de anderen.

4 Maar God, die rijk is in barmhartigheid, door zijne groote liefde, waarmede hij ons liefgehad heeft,

5 ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft ons levend gemaakt met Christus, (uit genade zijt gij zalig geworden),

6 en heeft ons mede opgewekt, en heeft ons medegezet in den hemel in Christus Jezus,

7 opdat hij zoude betoonen in de toekomende eeuwen den uitne-menden rijkdom zijner genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus.

8 Want uit genade zijt gij zalig geworden door het geloof, en dat niet uit u, het is Gods gave:

9 niet uit de werken, opdat niemand roeme.

10 Want wij zijn zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft opdat wij in dezelve zouden wandelen.

11 Daarom gedemkt, dat gij die eertijds heidenen waart in het vleesch, en die vo orhuid genaamd werdt van degenen die genaamd zijn besnijdenis in het vleesch, die met handen geschiedt,

12 dat gij in lt;iien tijd waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Esraëls en vreemdelingen van de verbonden der belofte . geene hoop hebbende en zonder God in de wereld.

-J3 Maar nu in Christus Jezus gij, die eertijds -verre waart, zijt nabij geworden door het bloed van Christus. .

14 Want hij is onze vrede, die deze beide één gemaakt heeft, en den middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende,

15 heeft hij de vijandschap in zijn vleesch tenie~tgemaakt, nwiYie-lijU de wet der geboden in inzettingen besfa«n(f e, opdat hij die twee in zichzelven tot éénen mouwen mensch zoucke scheppen, vrede makende,

16 en opdat l^ij die beiden met God zoude in ééii licbaam verzoenen door het kruais, de vijandschap aan hetzelve gebood hebbende.

17 En komende heeft hij door het Evangelie VM-ede verkondigd u die verre waart en dien die nabij waren. , ,

18 Want dooir hem hebben wij beiden den toegang door éénen Geest tot den Vader.

19 Zoo zijt g:ij dan niet meer vreemdelingen enbij woners, maar medeburgers der heiligen enhuis-genooten Gods,

20 gebouwd op het fundament der Apostelen en Profeten, waarvan Jezus Christus is de uiterste hoeksteen,

21 op welken tiet geheele gebouw, bekwamelijk samiengevoegd zijnde, opwast tot eenon heiligen Tempel in den Heere,

22 op welken ook gij medege-bouwd wordt quot;tot eene woonstede Gods in den Geest.

HOOF DSTUK 3.

Om deze oorzaak hoi ikPaulus


-ocr page 1294-

240

do gevangene van Christus Jczfs voor ii die heidenen zij t:

2 indien gij maar gehoord he),jt van de bedoeling der genade Go(^s die nnj gegeven is aan u, i r?\'!1 ,mÜ door oponbaririo

lieelt bekend gemaakt deze verbo1\'quot; genheid, (gelijk ik met weinig® ivoordeu te voren geschreven heP\' i waaraan gij dit lezende kur^ bemerken mijne wetenschap i11 deze verborgenheid van Christus?»

o welke- in andere eeuwen de\'1 kinderen der menschen niet is bekend gemaakt, gelijk ze nu is geopenbaard aan zijne heilig/3 Apostelen en Profeten door deP Geest:

^ dat de heidenen ziji1

medeerfgenamen, en van hetzelfde lichaam, en mededeelgenootei1 zrjner belofte in Christus doorheb Evangelie,

7 waarvan ik een dienaar ge-\' worden bon naar de gave der ge-\' nade Gods, die mij gegeven is nao Ar-6 werking zijner kracht.

o Mij den allerminste van allö de heiligen is deze genade gegeven om onder de heidenen door het Evangelie te verkondigen denonna-speurlijken rijkdom van Christus, ■3 en allen te verlichten, dat ze moe jen verstaan welke de gemeenschap der verborgenheid zij , die van aüe eeuwen verborgen is geweest in God, welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus.

\'10 Opdat nu door de gemeente bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel de veelvuldige wijsheid Gods,

11 naar het eeuwig voornemen dat hij gemaakt heeft in Christus Jezus onzen Heere,

12 in denwelken wij hebben de vrijmoedigheid en den toegang met vertrouwen, door het geloof aan hem.

13 Daarom bid ik dat gij niet vertraagt in mijne verdrukkingen V001\' u, \'t welk is uwe heerlijkheid.

14 Om deze oorzaak buig ik mijne knieën tot den Vader onzes Hoeren Jezus Christus,

15 uit welken nl het geslacht in

de hemelen en op de aarde ge-rtaamd wordt,

ló opdat hij u geve, naar den J\'Ukdom zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door zlJnen Geest in den inwendigen meusch,

. 1quot;? opdat Christus door het geloof in iiwe harten wone, en gij in de

Jc geworteld en gegrond zijt;

1q opdat gij ten volle kondet be-gwjben met alle de heiligen, welke do breedte en lengte en diepteen hoogte zij,

19 en bekennen de liefde van ^\',l\'tstus die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle do volheid Gods.

20 Mem nu die machtig is meer dan overvloedig te doen boven al wat wij bidden of denken, naar de kracht die in ons werkt,

21 hem zecj ik zij de heerlijkheid in de gemeente door Christus Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid. Amen.

HOOFDSTUK 4.

Zoo bidde ik u dan, ik de gevangene in den Heere, dat gij wandelt waardiglijk der roeping met Welke gij geroepen zijt,

2 niet alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met lankmoe-digheij, verdragende elkander in liefde 1

3 u henaarstigende te behouden de eenigheid des Geestes door den band. des vredes.

4 Eén lichaam is het en één Geest, gelijkerwijs gij ook geroe-pen zijt tot ééne hoop uwer roeping;

a éijn Heere, één geloof, één doop;

6 c($n God en Vader van allen, die daar is boven allen en door allen cn in u allen.

7 Maar aan elk van ons is de genade gegeven naar de mate der gave van Christus.

8 Daarom zegt hij : Als hij opgevaren ig jn de hoogte, heeft hij de gevangenis gevangen genomen, en hectft don menschen gaven gegeven.

9 Nu dit: Hij is opgevaren, wat is het, dan dat hij ook eerst is

EFEjSIËfis 4.


-ocr page 1295-

EFEZIERS 5.

241

nedergedaald in de benedenste deelen der aarde?

10 Die nedergedaald is, is dezelfde ook die opgevaren is ver boven alle de hemelen, opdat hij alle dingen vervullen zoude.

11 En dezelve heelt gegeven sommigen tot Apostelen, en sommigen tot Profeten, en sommigen tot Evangelisten, en sommigen lot Herders en Leeraars,

12 tot de volmaking der heiligen tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus.

13 Totdat wij allen zullen komen tot de eenigheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, tot eenen volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus ;

14 opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer , door de bedriegerij der menschen, door arglistigheid om listiglijk tot dwaling te brengen,

15 maar de waarheid betrachtende in liefde , alleszins zouden opwassen in hem die het hoofd is, namelijk Christus,

16 uit weiken het geheele lichaam, bekwamelijk te zamen gevoegd en te zamen vastgemaakt zijnde door alle voegselen der toebrenging, naar de werking van ieder deel in zijne mate, den wasdom des lichaams bekomt, tot zijns zelfs opbouwing in de liefde.

17 Ik zeg dan dit en betuig het in den Heere, dat gij niet meer wandelt gelijk als de andere heidenen wandelen in deijdelheid huns gemoeds;

18 verduisterd in het verstand, vervreemd zijnde van het leven Gods , door de onwetendheid die in hen is, door de verharding huns harten,

19 welke ongevoelig geworden zijnde, zichzelven hebben overgegeven tot ontuchtigheid, om alle onreinigheid gieriglijk te bedrijven.

20 Doch gij hebt Christus alzóó niet geleerd,

21 indien gij maar hem gehoord hebt en door hem geleerd zijt, gelijk de waarheid in Jezus is;

ge-

den met looi* s:cn

oof de

Ljt;

be-Ike en

can en ,ot

er al

ar

22 te weten dat gij zoudt afleggen , aangaande de vorige wandeling , den ouden mensch die verdorven wordt door de begeerlijkheden der verleiding,

23 en dat gij zoudt vernieuwd worden in den geest u ws gemoeds,

24 en den nieuwen mensch aandoen, die naar Godgeschapen is in ware rechtvaardigheid en heiligheid.

25 Daarom legt af de leugen, en spreek t de waarheid een iegelijk met zijnen naaste; want wij zijn elkanders leden.

26 Wordt toornig en zondigt niet: de zon ga niet onder over uwe toornigheid,

27 en geeft den duivel geene plaats.

28 Die gestolen heeft stele niet meer, maar arbeide liever, werkende wat goed is met de handen, opdat hij hebbe mede te deelen dengenen , die nood heeft.

29 Geen vuile rede ga uit uwen mond, maar zoo er eenige goede rede is tot nuttige stichting, opdat zij genade geve dien die ze hooren.

30 En bedroeft den Heiligen Geest Gods niet, door welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing.

31 Alle bitterheid en toornigheid en gramschap en geroep en lastering zij van u geweerd, met alle boosheid.

32 Maar zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander, gelijkerwijs ook God in Christus ulieden vergeven heeft.

HOOFDSTUK 5.

Zijt dan navolgers Gods, als geliefde kinderen;

2 en wandelt in de liefde, gelij-kerwijs ook Christus ons liefgehad heeft en zichzelven voor ons heeft overgegeven tot een offerande en een slachtoffer, Gode tot eenen welriekenden reuk.

3 Maar laat hoererij en alle onreinigheid of gierigheid onder u ook niet genaamd worden, gclij-kerwijs het den heiligen betaamt;


-ocr page 1296-

ËRS 6.

EFEZI

242

4 noch oneerbaarheid, noch zot geklap, of gekkernij , welke niet betamen, maar veelmeer dankzegging.

5 Want dit weet gij , dat geen hoereerder, of onreine, of gierigaard , die een afgodendienaar is , erfenis heeft in het Koninkrijk van Christus en van God.

6 Dat u niemand verleide met ijdele woorden; want om deze dingen komt de toorn Gods over de kinderen der ongehoorzaamheid.

7 Zoo zijt dan hunne medege-nooten niet.

8 Want gij waart eertijds duisternis, maar nu zijt gij licht in den Heere: wandelt als kinderen des .lichts,

9 (want de vrucht des Geestes is in alle goedigheid en rechtvaardigheid en waarheid),

10 beproevende wat den Heere welbehagelijk zij.

11 En hebt geen gemeenschap met de onvruchtbare werken der duisternis, maar bestraft ze ook veeleer.

12 Want hetgeen heimelijk van hen geschiedt is schandelijk ook te zeggen.

13 Maar alle deze dingen van het licht bestraft zijnde worden openbaar; want al wat openbaar maakt is licht.

14 Daarom zegt hij: Ontwaak gij die slaapt en sta op uit de dooden, en Christus zal over u lichten.

15 Ziet dan hoe gij voorzichtiglijk wandelt, niet als on wij zen maar als wijzen,

16 den tijd uitkoopende, dewijl de dagen boos zijn.

17 Daarom zijt nietonverstandig, maar verstaat welke de wil des Heeren zij.

18 En wordt niet dronken van wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest,

19 sprekende onder elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liedekens, zingende en psalmende den Heere in uw hart,

20 dankende altijd over alle dingen God en den Vader in den naam onzes Heeren Jezus Christus,

21 elkander onderdanig zijnde in de vreeze Gods.

22 Gij vrouwen, weest uwen eigen mannen onderdanig, gelijk den Heere ;

23 want de man is het hoofd der vrouw, gelijk ook Christus het hoofd der gemeente is; en hij is de behouder des lichaams.

24 Daarom gelijk de gemeente Christus onderdanig is, alzóó ook de vrouwen haren eigen mannen in alles.

25 Gij mannen, hebt uwe eigene vrouwen lief, gelijk ook Christus de gemeente liefgehad heeft en zichzelven voor haar heeft overgegeven ,

26 opdat hij ze heiligen zoude, haar gereinigd hebbende met het bad des waters door het Woord;

27 opdat hij ze zichzelven zoude heerlijk voorstellen, eene gemeente die geen vlek of rimpel heeft of iets dergelijks, maar dat zij zoude heilig zijn en onberispelijk.

28 Alzóó zijn de mannen schuldig hunne eigene vrouwen lief te hebben gelijk hunne eigene lichamen. Die zijne eigene vrouw liefheeft , die heeft zichzelven lief.

29 Want niemand heeft ooit zijn eigen vleesch gehaat, maar hij voedt het en onderhoudt het, gelijker wijs ook de Heere de gemeente.

30 Want wij zijn leden zijns lichaams, van zijn vleesch en van zijn been.

31 Daarom zal een mensch zijn vader en moeder verlaten en zal zijne vrouw aanhangen, en die twee zullen tot één vleesch wezen.

32 Deze verborgenheid is groot, doch ik zeg dit ziende op Christus en op de gemeente.

33 Zoo dan ook gijlieden elk in \'tbijzonder, een iegelijk hebbe zijn eigen vrouw alzóó lief als zichzelven; en de vrouw zie dat zij den man vreeze.

HOOFDSTUK 6.

Gij kinderen, zijt uwen ouders gehoorzaam in den Heere; want dat is recht.

2 Eer uwen vader en uwe moeder, (hetwelk het eerste gebod is met een belofte),


-ocr page 1297-

ËRS 6.

243

EFEZI

3 opdat het u wol ga en dat gij lang leeft op aarde.

4 En gij vaders, verwekt uwe kinderen niet tot toorn, maar voedt ze op in de leering en vermaning des Heeren.

5 Gij dienstknechten, zijt gehoorzaam uwen heeren naar het vleesch, met vreeze en beven, in eenvoudigheid uws harten, gelijk als aan Christus,

6 niet naar oogendienst als men-schenhehagers, maar als dienstknechten van Christus, doende den wil Gods van harte,

7 dienende met goedwilligheid den Heere en niet de menschen;

8 wetende dat zoo wat goed een iegelijk gedaan zal hebben, hij dat van den Heere zal ontvangen, hetzij dienstknecht hetzij vrije.

ö\'En gij heeren, doet hetzelfde bij hen, nalatende de dreiging, als die weet dat ook uw eigen Heere in de hemelen is, en dat er geene aanneming des persoons bij \'hem is.

10 Voorts mijne broeders, wordt krachtig in den Heere en in de sterkte zijner macht.

11 Doet aan de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt staan tegen de listige omleidingen des duivels.

12 Want wij hebben den strijd niet tegen vleesch en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht.

13 Daarom neemt aan de geheele wapenrusting Gods, opdat gij kunt wederstaan in den boozen dag, en alles verricht hebbende staande blijven.

14 Staat dan uwe lendenen omgord hebbende met de waarheid, en aangedaan hebbende het borstwapen der gerechtigheid,

15 en de voeten geschoeid hebbende met bereidheid van het Evangelie des vredes;

16 bovenal aangenomen hebbende het schild des geloofs, met hetwelk gij alle de vurige pijlen des boozen zult kunnen uitblusschen.

17 En neemt den helm der zaligheid, en het zwaard des Geestes, \'t welk is Gods Woord ;

18 met alle bidding en smeeking biddende te allen tijde in den geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurigheid en smeeking voor alle de heiligen,

19 en voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in de opening mijns monds met vrijmoedigheid om de verborgenheid des Evangelies bekend te maken;

20 waarover ik een gezant ben in een keten; opdat ik in hetzelve vrij moediglijk mag spreken gelijk mij betaamt te spreken.

21 En opdat ook gij moogt weten hetgeen mij aangaat en wat ik doe, dat alles zal u Tychicus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar in den Heere, bekend maken;

22 denwelken ik te dien einde tot u gezonden heb, opdat gij onze zaKen zoudt weten en hij uwe harten zoude vertroosten.

23 Vrede zij den broederen en liefde met geloof, van God den Vader en den Heere Jezus Christus.

24 De genade zij met alle degenen die onzen Heere Jezus Christus liefhebben in onverderfelijkheid., Amen.


-ocr page 1298-

244 in LIP P E N Z E N 1.

DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAÜLUS

AAN DE

FILIPPENZEK

HOOFDSTUK 1.

Paulus cn Timotheüs, dienstknechten van Jezus Christus, aan alle de heiligen in Christus Jezus die te Filippi zijn , met de Opzieners en Diakenen:

2 genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus.

3 Ik dank mijnen God zoo dikwijls als ik uwer gedenk,

4 (altijd in al mijn gelDed voor u allen met blijdschap quot;t gebed doende),

5 over uwe gemeenschap aan het Evangelie, van den eersten dag af tot nu toe:

ö dit vertrouwende, dat hij die in u een goed werk begonnen heeft, dat voleindigen zal tot op den dag van Jezus Christus;

7 gelijk het bij mij recht is dat ik van u allen dit gevoel, omdat ik in mijn harte houd dat gij, beide in mijne banden en in mijne verantwoording en bevestiging des Evangelies , gij allen zey ik mijner genade mede deelachtig zijt.

8 Want God is mijn getuige, hoe zeer ik begeerig ben naar u allen met innerlijke bewegingen van Jezus Christus.

9 En dit bid ik God, dat uwe liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen,

10 opdat gij beproeft de dingen die daarvan verschillen: opdat gij oprecht zijt en zonder aanstoot te geven, tot den dag van Christus,

11 vervuld met de vruchten der gerechtigheid die door Jezus Christus zijn, tot heerlijkheid en prijs van God.

12 En ik wil dat gij weet, broeders, dat hetgeen aan mij is geschied meer tot bevordering des Evangelies gekomen is;

13 alzoo dal mijne banden in Christus openbaar geworden zijn in rt gansche Rechthuis en aan aile anderen,

14 en dat het meevendeel der broederen in den Heere, door mijne banden vertrouwen gekregen hebbende, overvloediger het Woord onbevreesd durven spreken.

15 Sommigen prediken ook wel Christus door nijd en twist, maar sommigen ook door goedwilligheid.

16 Genen verkondigen wel Christus uit twisting niet zuiver, mee-nende aan mijne banden verdrukking toe te brengen;

17 doch dezen uit liefde, dewijl zij weten dat ik tot verantwoording des Evangelies gezet ben.

18 quot;VVat dan? Nogtans wordt Christus op allerlei wijze, hetzij onder een deksel hetzij in waarheid , verkondigd, en daarin verblijd ik mij., ja, ik zal mij ook verblijden.

19 Want ik weet dat dit mij ter zaligheid gedijen zal door uw gebed en toebrenging des Geestes van Jezus Christus,

20 volgens mijne ernstige verwachting en hoop, dat ik in geene zaak zal beschaamd worden, maar dat in alle vrijmoedigheid, gelijk


-ocr page 1299-

FILIPPENZEN 2.

2/i5

altijd alzoo ook nu, Christus zal groot gemaakt worden in mijn lichaam, hetzij door het leven hetzij door den \'dood.

21 Want het leven is mij Christus, en het sterven is mij gewin.

22 Maar of te leven in het vleesch, hetzelve mij oorbaar zij , en wat ik verkiezen zal, weet quot;ik niet.

23 Want ik word van deze twee gedrongen, hebbende begeerte om ontbonden te worden en met Christus te zijn; want (lat is zeer verre het beste;

24 maar in het vleesch te blijven is noodiger om uwentwille.

25 En dit vertrouw en weet ik, dat ik zal blijven en met u allen zal verblijven tot uwe bevordering en blijdschap des geloofs ;

26 opdat uw roem in Christus Jezus overvloedig zij aan mij, door mijne tegenwoordigheid wederom bij u.

quot;27 Alleenlijk wandelt waardiglijk het Evangelie van Christus, opdat hetzij ik kome en u zie, hetzij ik afwezig ben, ik van uwe zaken mag hooren, dat gij staat in éénen geest, met één gemoed gezamenlijk strijdende door het geloof des Evangelies;

28 en dat gij in geen ding verschrikt wordtquot; van degenen die tegenstaan: hetwelk hun wel een bewijs is des verderfs, maar ü der zaligheid, en dat van God.

29 Want u is uit genade gegeven in de zake van Christus , niet alleen in hem te gelooven maar ook voor hem te lijden,

30 denzelfden strijd hebbende , hoedanigen gij in mij gezien hebt en nu in mij hoort.

HOOFDSTUK 2.

Indien er dan eenige vertroosting is in Christus, indien er eenige troost is der liefde, indien er eenige gemeenschap is des Geestes, indien er eenige innerlijke bewegingen en ontfermingen zijn,

2 zoo vervult mijne blijdschap, dat gij moogt eensgezind zijn, dezelfde liefde hebbende, van één gemoed en van één gevoelen zijnde.

3 Doet geen ding door twisting of ijdele eero, maar door ootmoedigheid ach te de één den ander uitnemender dan zich zei ven.

4 Een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is.

5 Want dat gevoelen zij in u \'twelk ook in Christus Jezus was,

0 die in de gestaltenis Gods zijnde geenen roof geacht heeft Gode evengelijk te zijn,

7 maar heeft zichzelven vernietigd , de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den menschen gelijk geworden ;

8 en in gedaante gevonden als een mensen, heeft hij zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises.

9 Daarom heeft hem ook God uitermate verhoogd, en heeft hem eenen naam gegeven welkeboven allen naam is,

10 opdat in den naam van Jezus zich zoude buigen alle knie der-genen , die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn,

11 en alle tong zoude belijden dat Jezus Christus de Heere is tot heerlijkheid Gods des Vaders.

12 Alzoo dan, mijne geliefden , gelijk gij altijd gehoorzaam geweest zijt, niét als in mijne tegenwoordigheid alleen maar veelmeer nu in mijn afwezen, werkt uws zelfs zaligheid met vreeze en beven;

13 want het is God die in u werkt beide het willen en het werken, naar zijn welbehagen.

14 Doet alle dingen zonder mur-mureeren en tegenspreken,

15 opdat gij moogt onberispelijk en oprecht zijn, kinderen Gods zijnde, onstrailelijk in \'tmidden van een krom en verdraaid geslacht, onder welke gij schijnt als lichten in de wereld;

16 voorhoudende het Woord des levens, mij tot eenen roem tegen den dag van Christus, dat ik niet tevergeefs heb geloopen noch tevergeefs gearbeid.

17 Ja, indien ik ook tot • een drankoffer geofferd word over de


-ocr page 1300-

FILÏPPENZ EN 3.

246

offerande en bediening uws ge-loofs, zoo verblijd ik mij en verblijd mij met u allen,

18 en om datzelfde verblijdt gij u óók, en verblijdt u ook met mij.

19 En ik hoop in den Heere Jezus, Timotheüs haast tot u te zenden, opdat ik óók welgemoed mag zijn als ik uwe zaken zal verstaan hebben.

20 Want ik heb niemand die even alzoo gemoed is, dewelke oprechtelijk uwe zaken zal bezorgen.

21 Want zij zoeken allen het hunne, niet hetgeen van Christus Jezus is.

22 En gij weet zijne beproeving, dat hij, als een kind z/yncn vader, met mij gediend heeft \'in het Evangelie.

23 Ik hoop dan wel dezen van stonde aan te zenden zoo haast als ik in mijne zaken zal voorzien hebben;

24 doch ik vertrouw in den Heere, dat ik ook zelf haast tot u komen zal.

25 Maar ik heb noodig geacht tot u te zenden Epafroditus, mijnen broeder en medearbeider en medestrijder, en uwen afgezondene en bedienaar mijner nooddruft,

26 dewijl hij zeer begeerig was naar u allen, en zeer beangst was, omdat gij gehoord hadt dat hij krank was.

27 En hij is ook krank geweest tot nabij den dood; maar God heeft zich zijner ontfermd, en niet alleen zijner, maar ook mijner, opdat ik niet droefheid op droefheid zoude hebben.

28 Zoo heb ik dan hem te spoediger gezonden, opdat gij hem ziende wederom u zoudt verblijden , en ik te minder zoude droevig zijn.

29 Ontvangt hem dan in den Heere met alle blijdschap, en houdt dezulken in waarde.

30 Want om het werk van Christus was hij tot nabij den dood gekomen, zijn leven niet achtende, opdat hij het gebrek uwer bediening aan mij vervullen zoude.

HOOFDSTUK 3.

Voorts, mijne broeders, verblijdt u in den Heere. Dezelfde dingen aan u te schrijven is mij niet verdrietig, en het is u zeker.

2 Ziet op de honden, ziet op de kwade arbeiders, ziet op de versnijding.

3 Want wij zijn de besnijding, wij die God in den Geest dienen, en in Christus Jezus roemen, en niet in het vleesch betrouwen;

4 hoewel ik heb dat ik ook in het vleesch betrouwen mocht. Indien iemand anders meent te betrouwen in het vleesch, ik nog meer,

5 besneden ten achtsten dage, uit hot geslacht Israels, van den stam Benjamin, een Hebreëruit de Hebreërs, naar de wet een Farizeër,

6 naar den ijver een vervolger der gemeente, naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk.

7 Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus wille schade geacht.

8 Ja gewis, ik acht ook alle dingen schade te zijn om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus mijnen Heere, om wiens wille ik alle die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen ,

9 en in hem gevonden worde niet hebbende mijne rechtvaardigheid, die uit de wet is, maar die door het geloof van Christus is , namelijk de rechtvaardigheid die uit God is door het geloof;

10 opdat ik hem kenne, en de kracht zijner opstanding, en de gemeenschap zijns lijdens, zijnen dood gelijkvormig wordende:

11 of ik eenigszins moge komen tot de wederopstanding der dooden.

12 Niet dat ik het aireede gekregen heb of aireede volmaakt ben; maar ik jaag daarnaar of ik het ook grijpen mocht. waartoe ik van Christus Jezus ook gegrepen ben.

13 Broeders, ik acht niet dat ik zelf het gegrepen heb.


-ocr page 1301-

FILIPPE NZEN 4.

247

14 Maar één ding doe ik, vergetende hetgeen dat achter is, en strekkende mij tot hetgeen dat vóór is, jaag ik naar het wit tot den prijs der roeping Gods , die van boven is in Christus Jezus.

15 Zoovelen dan als wij volmaakt zijn, laat ons dit gevoelen; en indien gij iets anderszins gevoelt, ook dat zal u God openbaren.

16 Doch daar wij toe gekomen zijn, laat ons daarin naar denzelfden regel wandelen, laat ons hetzelfde gevoelen.

17 Weest mede mijne navolgers, broeders, en merkt op degenen die alzóó wandelen gelijk gij ons tot een voorbeeld hebt.

18 Want velen wandelen anders, van dewelke ik u dikwijls gezegd heb en nu ook weenênde zeg, dat ze vijanden des kruises van Christus zijn,

19 welker einde is het verderf, welker God is de buik, en welker heerlijkheid is in hunne schande , dewelke aardsche dingen bedenken.

20 Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus,

21 die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde aan zijn heerlijk lichaam, naar de werking waardoor hij ook alle dingen zich-zelven kan onderwerpen.

HOOFDSTUK 4.

Zoo dan, mijne geliefde en zeer gewenschte broeders, mijne blijdschap en kroon, staat alzóó inden Heere, geliefden.

2 Ik vermaan Euodia en ik vermaan Syntyché, dat zij eensgezind zijn\' in den Heere.

3 En ik bid ook u, gij mijn oprechte metgezel, wees deze vróuwen behulpzaam, die met mij gestreden hebben In het Evangelie , ook met Clemens en mijne andere medearbeiders, welker namen zijn in het boek des levens.

4 Verblijdt u in den Heere allen lijd; wederom zeg ik, verblijdt u.

quot; 5 Uwe bescheidenheid zij allen menschen bekend. De Heere is nabij.

6 Weest in geen ding bezorgd, maar laat uwe begeerten in alles door bidden en smeeken , met dankzegging, bekend worden bij God.

7 En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uwe harten en uwe zinnen bewaren in Christus Jezus.

8 Voorts, broeders, al wat waarachtig is, al wat eerlijk is, al wat rechtvaardig is, al wat rein is, al wat liefelijk is, al wat wel luidt, zoo daar eenige deugd is en zoo daar eenige lof is, bedenkt dat.

9 Hetgeen gij ook geleerd en ontvangen en gehoord en in mij gezien hebt, doet dat: en de God des vredes zal met u zijn.

10 En ik ben grootelijks verblijd geweest in den Heere, dat gij nu eenmaal wederom verwakkerd zijl om aan mij te gedenken; waaraan gij ook gedacht hebt, maar gij hebt de gelegenheid niet gehad.

11 Niet dat ik dit zeg vanwege gebrek; want ik heb geleerd vergenoegd te zijn in \'tgeen ik ben,

12 en ik weet vernederd te worden, ik weet ook overvloed te hebben ; alleszins en in alles ben ik onderwezen, beide verzadigd te zijn en honger te lijden, beide overvloed te hebben en gebrek te lijden.

quot;13 Ik vermag alle dingen door Christus die mij kracht geeft.

14 Nogtans hebt gij wel gedaan dat gij met mijne verdrukking gemeenschap gehad hebtquot;.

15 En ook gij Filippenzen, weet dat in het begin des Evangelies, toen ik van Macedonië vertrokken ben, geene gemeente mij iets medegedeeld heeft tot rekening van uitgaaf en ontvangst, dan gij alleen.

16 Want ook in Thessalom\'ca hebt gij mij eenmaal en andermaal gezonden tot mijne nooddruft.

17 Niet dat ik de gave zoek, maar ik zoek de vrucht die overvloedig is tot uwe rekening.

18 Maar ik heb alles ontvangen, 1 en ik heb overvloed; ik ben ver-


-ocr page 1302-

248 G O L O S S

vuld geworden als ik van Epafro-di\'tus ontvangen heb dat van u gezonden tuas, als een welrieken-\'den reuk, eene aangename offerande, Gode welbehagelijk.

19 Doch mijn God zal naar zijnen \' rijkdom vervullen al uwe nooddruft, in heerlijkheid door Christus Jezus.

20 Onzen God nu en Vader zij

ENZEN i.

de heerlijkheid in alle eeuwigheid, Amen.

21 Groet alle heiligen in Christus Jezus. U groeten de broeders die met mij zijn. jge

22 Alle de heiligen groeten u jen en meest die van het huis des en

Keizers zijn.

23 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen. Amen.


DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULÜS

AAJJ DE

COLOSSENZEK

HOOFDSTUK 1.

Paulus, een Apostel van Jezus Christus door den wil Gods en Timotheüs de broeder,

2 aan de heilige en geloovige broederen in Christus die te Co-losse zijn: genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus.

3 Wij danken den God en Vader onzes Heeren Jezus Christus, altijd voor u biddende;

4 alzoo wij van uw geloof in Christus Jezus gehoord hebben, en van de liefde die gij hebt tot alle heiligen,

5 om de hope die u weggelegd is in de hemelen, van welke gij te voren gehoord hebt door het woord der waarheid, namelijk des Evangelies;

(5 hetwelk tot u gekomen is, gelijk ook in de geheele wereld; en het brengt vruchten voort, gelijk ook onder u, van dien dag af dat gij het gehoord hebt en de genade Gods in waarheid bekend hebt:

7 gelijk gij ook geleerd hebt van Eparras onzen geliefden mededienstknecht, dewelke een getrouw dienaar van Christus is voor u,

8 die ons ook verklaard heeft uwe liefde in den Geest.

9 Waarom ook wij, van dien dag af dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor u te bidden en te begeeren, dat gij moogt vervuld worden met de kennis van zijnen wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand,

10 opdat gij moogt wandelen waardiglijk den Heere tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennisse Gods;

11 met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte zijner heerlijkheid, to. alle lijdzaamheid en lankmoedigheid. met blijdschap;

12 dankende den Vader, die ons bekwaam gemaakt heeft om deel te hebben ?.n de erve\' der heiligen in het licht;

13 die ons getrokken heeft uit de macht der duisternis, en overgezet heeft in het Koninkrijk van den Zoon zijner liefde,

14 in denwelken wij de verlossing hebben door zijn bloed, name\' Hjl: de vergeving der zonden.


-ocr page 1303-

GÖLOSSENZËN 2*

249

45 dewelke het beeld is des onzienlijken Gods, de eerstgebo-ene aller creature.

1G Want door hem zijn alle dingen geschapen die in de hemelen i u, en die op de aarde zijn, die zienlijk des en die onzienlijk zijn, hetzij tronen , hetzij heerschappijen, hetzij overheden , hetzij machten: alle dingen zijn door hem en tot hem geschapen;

17 en hij is vóór alle dingen, en alle dingen bestaan te zamen door hem.

: 18 En hij is het hoofd des jlichaams, namelijk der gemeente, hij die het begin is, de eerstgeborene uit de dooden, opdat hij in allen do eerste zoude zijn.

19 Want het is des Yadcrs welbehagen geweest, dat in hem al de volheid wonen zoude;

20 en dat hij door hem vrede gemaakt hebbende door het bloed

\' zijns kruises, door hem zeg ik alle 5 dingen verzoenen zoude tot zich-! zeiven, hetzij de dingen die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn.

21 En hij heeft u die eertijds • vervreemd waart, en vijanden door

het verstand in de booze werken, nu ook verzoend

22 in het lichaam zijns vleesches door den dood, opdat hij u zoude heilig en onberispelijk en onbe-schuldiglijk vóór zich stellen:

23 indien gij maar blijft in \'t geloof gefundeerd en vast, en niet bewogen wordt van de hope des Evangelies dat gij gehoord hebt, hetwelk gepredikt is onder al de creature die onder den hemel is; van \'t welk ik Paulus een dienaar geworden ben;

24 die mij nu verblijd in mijn lijden voor u, en vervul in mijn vleesch de overblijfselen der verdrukkingen van Christus voor zijn lichaam, \'t welk is de gemeente;

25 welker dienaar ik geworden ben naar de bedeeling Clods, die mij gegeven is aan u om te vervullen het Woord Gods:

20 namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan zijne heiligen,

leid,

ins-lers

.

27 aan wie God heeft Willen bekend maken, welke zij de rijkdom der heerlijkheid dezer verborgenheid onder de heidenen, welke is Christus onder u, de hope der heerlijkheid;

28 denwelken wij verkondigen, vermanende een iegelijk mensch cn loerende een iegel\'jk mensch in alle wijsheid, opdat wij een iegelijk mensch volmaakt zouden stellen in Christus Jezus:

29 waartoe ik ook arbeide, strijdende naar zijne werking die in mij werkt met kracht.

HOOFDSTUK 2.

Want ik wil dat gij weet hoe grooten strijd ik voor u heb, en voor degenen die te Laodicéa zijn, en zoovelen als er mijn aangezicht in het vleesch niet hebben gezien,

2 opdat hunne harten vertroost mogen worden, en zij te zamen gevoegd zijn in de liefde, en dot tot allen rijkdom der volle verzekerdheid des verstands, tot kennis der verborgenheid van God en den Vader, cn van Christus,

3 in denwelken alle de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn.

4 En dit zeg ik opdat niet iemand u misleide met beweegredenen die eenen schijn hebben.

5 Want hoewel ik met het vleesch van ie ben, nogtans ben ik met den geest bij u, mij verblijdende en ziende uwe goede ordening en de vastheid uws geloofs in Christus.

6 Gelijk gij dan Christus Jezus den Heere hebt aangenomen, wandelt alzóó in hem,

7 geworteld en opgebouwd in hem, en bevestigd in het geloof, gelijkerwijs gij geleerd zijt, overvloedig zijnde in hetzelve met dankzegging.

8 Ziet toe dat niemand u als eenen roof vervoere door de filosofie en ijdele verleiding, naar de overlevering der menschen, naar de eerste beginselen der wereld, en niet naar Christus.

9 Want in hem woont al de volheid der Godheid lichamelijk;

10 en gij zijt in hem volmaakt,


-ocr page 1304-

GO LOS SEN ZEN 3.

250

die het Hoofd is van allo overheid en macht;

11 in welken gij ook besneden zijt met eene besnijdenis, die zonder handen geschiedt, in het uittrekken van het lichaam der zonden des vleesches, door de besnijdenis van Christus:

12 zijnde met hem begraven in den doop, in welken gij ook met hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, die hem uit de dooden opgewekt heeft.

13 En hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden en in de voorhuid uws vleesches, mede levend gemaakt met hem, alle uwe misdaden u vergevende;

14 uitgewischt hebbende het handschrift dat tegen ons was, in inzettingen bestaande, \'t welk zeg ik eenigerwijze tegen ons was, en heeft dat uit het midden weggenomen, hetzelve aan het kruis genageld hebbende:

15 en de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft hij die in \'t openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd.

16 Dat u dan niemand oordeele in spijs of in drank, of in het stuk des feestdags of der nieuwe maan of der sabbaten.

17 Welke zijn eene schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus.

18 Dat dan niemand u over-heersche naar zijnen wil in nederigheid en dienst der Engelen, intredende in \'t geen hij niet gezien heeft, tevergeefs opgeblazen zijnde door het verstand zijns vleesches,

19 en het hoofd niet behoudende, uit hetwelk het geheele lichaam, door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en te zamen gevoegd zijnde, opwast met Godde-lijken wasdom.

20 Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij , alsof gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast,

21 namelijk: Haak niet, en smaak niet, en roer niet aan?

22 welke dingen alle verderven door het gebruik, ingevoerd naar

de geboden en leeringen der men-schen;

23 dewelke wel hebben eene sc/tynrede van wijsheid in eigen-willigen f/octedienst, en nederigheid, en in het lichaam niet te sparen, doch zijn niet in eenige waarde, maar tot verzadiging des vleesches.

HOOFDSTUK 3.

Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoo zoekt de dingen die boven zijn, waar Christus is zittende aan de rechter/iand Gods:

2 bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn.

3 Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.

4 Wanneer nu Christus zal geopenbaard zijn, die ons leven is, dan zult ook gij met hem geopenbaard worden in heerlijkheid.

5 Doodt dan uwe leden die op de aarde zijn , namelijk hoererij , onreinigheid, schandelijke beweging , kwade begeerlijkheid, en 5t( de gierigheid , welke \'is afgodendienst. o

6 Om welke de toorn Gods komt (d over de kinderen der ongehoor- ! zaamheid; U

7 in dewelke ook gij eertijds -v hebt gewandeld, toen gij in dezelve leefdet.

8 Maar nu, legt ook gij dit alles af, namelijk gramschap, toornigheid , kwaadheid, lastering, vuil spreken uit uwen mond.

9 Liegt niet tegen elkander, dewijl gij uitgedaan hebt den ouden mensch met zijne werken,

10 en aangedaan hebt den nieuwen menscl , die vernieuwd wordt tot kennis, naar het evenbeeld desgenen dia hem geschapen heeft;

11 waarin niet is Griek en Jood, besnijdenis en voorhuid, barbaar en Scyth, dienstknecht en vrije, maar Christus is alles en in allen.

12 Zoo doet dan aan, als uitverkorenen Gods, heiligen en beminden , de innerlijke bewegingen der barmhartigheid, goedertierenheid, ootmoedigheid, zachtmoedigheid, lankmoedigheid:

13 verdragende elkander en ver-

m

d(

b


-ocr page 1305-

GOLOSSENZEN 4.

251

evende de één den ander, zoo \'emand tegen iemand cenige dachte heeft; gelijkerwijs als Christus u vergeven heeft, doet iok gij alzoo.

14 En boven dit alles, doet aan ie liefde, dewelke is de band der volmaaktheid.

15 En de vrede Gods heersche n uwe harten, tot welken gij ook geroepen zijt in één lichaam; en weest dankbaar.

16 Het Woord van Christus wone ijkelijk in u, in alle wijsheid;

leert en vermaant elkander met psalmen en lofzangen en geestelijke liedekens, zingende den Hcere met aangenaamheid in uw hart.

17 En al wat gij doet met woorden of met werken, doeïhetalles in den naam des Hoeren Jezus, dankende God en den Vader door hem.

18 Gij vrouwen, zijt uwen eigen mannen onderdanig, gelijk het betaamt in den Heere.

19 Gij mannen, hebt uwe vrouwen lief, en wordt niet verbitterd

ïri tegen haar.

20 Gij kinderen, zijt uwen ouders gehoorzaam in alles, want \'dat is den Heere welbehagelijk.

i\'- _ 21 Gij vaders, tergt uwe kinderen niet, opdat zij niet moedeloos \'s worden.

22 Gij dienstknechten, zijt in alles gehoorzaam uwen heeren naar het vleesch, niet met oogendiensten als menschenbehag\'ers, maar met eenvoudigheid des harten, vreezende God.

23 En al wat gij doet, doet dat van harte als den Heere en niet den menschen,

24 wetende dat gij van den Heere zult ontvangen de vergelding der erfenis; want gij dient den Heere Christus.

25 Maar wie onrecht doet, die zal het onrecht dragen dat hij gedaan heeft, en er is geene aanneming des persoons.

HOOFDSTUK 4.

Gij heeren , doet uiven dienstknechten recht ongelijk, wetende dat ook gij eenen Heere hebt in de hemelen.

tus

2 Houdt sterk aan in het gebed, en waakt in \'t zelve met dankzegging ;

3 biddende metéén ook voor ons, dat God ons de deur des Woords opene, om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke ik ook gebonden ben,

4 opdat ik dezelve mag openbaren gelijk ik moet spreken.

5 Wandelt met wijsheid bij degenen die buiten zijn, den bekwamen tijd uitkoopende.

G Uw woord zij altijd in aangenaamheid , met zout besprengd, opdat gij moogt weten hoe gij een iegelijk moet antwoorden.

7 Alle mijne zaken zal u bekend maken Tychicus, de geliefde broeder en getrouwe dienaar en mededienstknecht in den Heere,

H denwelken ik tot hetzelfde einde tot u gezonden heb, opdat hij uwe zaken wete en uwe harten vertrooste;

9 met Onésimus dongetrouwen en geliefden broeder, dewelke uit de uwen is; zij zullen u alles bekend maken, dat hier is.

10 U groet Aristarchus mijn medegevangene, en Marcus de neef van Barnabas , (aangaande welken gij bevelen ontvangen hebt: zoo liij totukomt, ontvangt hem),

11 en Jezus, gezegd Justus, welke uit de besnijdenis zijn: deze alleen zijn mijne medearbeiders in het Koninkrijk Gods, die mij eene vertroosting geweest zijn.

12 U groet Epafras die uit de uwen is, een dienstknecht van Christus altijd strijdende voor u in de gebeden, opdat\' gij staan moogt volmaakt en volkomen in al den wil Gods.

13 Want ik geef hem getuigenis dat hij grooten ijver heeft over u en degenen die in Laodicéa zijn en degenen die in Hierapolis zijn.

14 U groet Lucas de medicijnmeester, de geliefde, en Demas.

15 Groet de broederen die in Laodicéa zijn, en Nymfas, en de gemeente die in zijn huis is.

16 En wanneer deze zendbrief van u zal gelezen zijn, maakt dat die ook in de gemeente der Lao-


-ocr page 1306-

1 TI-IES SALONICENZEN 1, 2.

dicenzen gelezen worde, en dat ook gij dien leest die uit Laodicéa geschreven is.

17 En zegt aan Archippus: Zie op de bediening die gij aangenomen hebt in den Heere, dat gi die vervult.

18 De groetenis met mijne hand van Paulus. Gedenkt mijne banden De genade zij met u. Amen,

•aai dii


DE EERSTE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS

THESSA LOITIOENZEN.

HOOFDSTUK 1.

Paulus en Silvanus cn Timo-theüs aan de gemeente der Thes-salonicenzen, welke is in God den Vader en den Heere Jezus Christus: genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus.

2 Wij danken God altijd over u allen, uwer gedachtig \'zijnde in onze gebeden;

3 zonder ophouden gedenkende het werk uws geloofs, en den arbeid der liefde^ en de verdraagzaamheid der hope op onzen Heere Jezus Christus, voor onzen God en Vader;

4 wetende , geliefde broeders , uwe verkiezing van God.

5 Want ons Evangelie is onder u niet alleen in woorden geweest, maar ook in kracht, en in den Heiligen Geest, en in vele verzekerdheid gelijk gij weet hoeda-nigen wij onder u geweest zijn om uwentwille.

6 En gij zijt onze navolgers geworden en des Heeren, het Woord aangenomen hebbende in vele verdrukking, met blijdschap des Heiligen Geestes,

7 olzoo dat gij voorbeelden geworden zijt allen den geloovigen in Macedonië en Achaje.

8 Want van u is het Woord des Heeren ruchtbaar geworden niet

alleen in Macedonië en Achaje, maar ook in alle plaatsen is uw geloof dat gij op God hebt uitgegaan , zoodat wij niet van noode hebben iets daarvan te spreken. 2

9 Want zijzelven verkondigen ( van ons, hoedanigen ingang wij tot

u hebben, en hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om den levenden cn waarachtigen God te dienen,

10 en zijnen Zoon uit de hemelen te verwachton, denwelken hij uit de dooden opgewekt heeft, name-lijk Jezus, die ons verlost van den toekomenden toorn.

HOOFDSTUK 2.

Want gij weet zeiven, broeders, onzen ingang tot u, dat die niet ij del is geweest;

2 maar hoewel wij te voren geleden hadden, en ook ons smaad-heid aangedaan was, gelijk gij weet, te Filippi, zoo hebben wij nog tans vrijmoedigheid gebruikt in onzen God, om het Evangelie Gods tot u te spreken in veel strijd.

3 Want onze vermaning is niet geweest uit verleiding, noch uit onreinigheid, noch met bedrog;

4 maar gelijk wij van God beproefd zijn geweest, dat ons het Evangelie zoude toebetrouwd worden, alzóó spreken wij, niet als


-ocr page 1307-

- menschen behagende, maar Gode, die onze harten beproeft.

5 Want wij hebben nooit met pluimstrijkende woorden omgegaan, gelijk gij weet, noch met lemV/ bedeksel van gierigheid. God is getuige,

G noch zoekende eer uit menschen, noch van u noch van anderen ; hoewel wij u tot last konden zijn als Christus Apostelen;

7 maar wij zijn vriendelijk geweest in \'t midden van u , gelijk als een voedster hare kinderen koestert;

8 alzóó wij tot u zeer genegen zijnde, hebben u gaarne willen mededeelen niet alleen het Evangelie Gods, maar ook onze eigene zielen, daarom dat gij ons lief geworden waart.

9 Want gij gedenkt, broeders, onzen arbeid en moeite; want nacht en dag werkende, opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij het Evangelie Gods onder u gepredikt.

10 Gij zijt getuigen en God, hoe heiliglijk \'en rechtvaardiglijk en onberispelijk wij u die gelooft geweest zijn:

11 gelijk gij weet, hoe wij een iegelijk van u, ais een vader zijne kinderen, vermaanden en vertroostten ,

12 en betuigden dat gij zoudt wandelen waardiglijk Gode, die u roept tot zijn Koninkrijk en heerlijkheid.

13 Daarom danken wij ook God zonder ophouden, dat als gij het Woord der prediking Gods van ons ontvangen hebt, gij dat aangenomen hebt niet als der mèn-schen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord, dat ook werkt in u die gelooft.

14 Want gij, broeders, zijt navolgers geworden der gemeenten Gods die in Judéa zijn in Christus Jezus; dewijl ook gij hetzelfde geleden hebt van uwe eigene medeburgers, gelijk als zij van de Joden;

15 welke ook gedood hebben den Heere Jezus en hunne eigene Profeten, en ons hebben vervolgd, en Gode niet behagen, en allen menschen tegen zijn;

t gi

FS

253

16 en ons verhinderen te spreken tot de heidenen, dat zij zalig mochten worden; opdat zij altijd hunne zonden vervullen zouden. En de toorn is over hen gekomen tot het einde.

17 Maar wij, broeders, van u beroofd geweest zijnde voor een kleine wijle tijds, naar het aangezicht , niet naar het hart, hebben ons te overvloediger benaarstigd om uw aangezicht te zien, met groote begeerte.

18 Daarom hebben wij tot u willen komen (immers ik Paulus) eenmaal en andermaal, maar de satan heeft het ons belet.

10 Want welke is onze hoop of blijdschap of kroon des roems? Zijt gij die ook niet, voor onzen Heere Jezus Christus in zijne toekomst?

20 Want gij zijt onze heerlijkheid en blijdschap.

HOOFDSTUK 3.

Daarom deze befjeerto niet langer kunnende verdragen, hebben wij gaarne te Athene willen alléén gelaten worden,

2 en hebben gezonden Timotheüs, onzen broeder, en Gods dienaar, en onzen medearbeider in het Evangelie van Christus, om u te versterken en u te vermanen aangaande uw geloof;

3 opdat niemand bewogen worde in deze verdrukkingen; want gij weet zeiven dat wij hiertoe gesteld zijn.

\' 4 Want ook toen wij bij u waren, voorzeiden wij u dat wij zouden verdrukt worden, gelijk ook geschied is, en gij weet quot;het.

5 Daarom ook deze begeerte niet langer kunnende verdragen, heb ik hem gezonden om uw geloof te verstaan; of niet misschien do verzoeker u zoude verzocht hebben en onze arbeid ijdel zoude wezen.

0 Maar als Timotheüs nu van ulieden tot ons gekomen was, en ons de goede boodschap gebracht had van uw geloof en liefde, en dat gij altijd goede gedachtenis van ons hebt, zeer begeerig zijnde om ons te zien, gelijk wij ook om ulieden:

1 THESSALONIGENZEN 3.


-ocr page 1308-

1 THESSALONICENZEN

5.

254

7 zoo zijn wij daarom, broeders, over u in al onze verdrukking en nood vertroost geworden door uw geloof;

8 want nu leven wij, indien gij vasfstaat in den Heere.

9 Want wat dankzegging kunnen wij Gode tot vergelding wedergeven voor u, vanwege al de blijdschap waarmede wij ons om uwentwille verblijden voor onzen God,

10 nacht en dag zeer overvloedig-lijk biddende om uw aangezicht te mogen zien, en te volmaken hetgeen aan uw .geloof ontbreekt.

11 Doch onze God en Vader zelf en onze Heere Jezus Christus richte onzen weg tot u.

12 En de Heere vermeerdere u en make u overvloedig in de liefde jegens elkander en jegens allen, gelijk wij ook zijn jegens u;

13 opdat hij uwe harten ver-sterke om onberispelijk te zijn in heiligmaking voor onzen God en Vader, in de toekomst onzes Hee-ren Jezus Christus met alle zijne heiligen.

HOOFDSTUK 4.

Voorts dan, broeders, wij bidden en vermanen u in den Heere Jezus, gelijk gij van ons ontvangen hebt hoe gij moet wandelen en Gode behagen, dat gij daarin meer overvloedig wordt.

2 Want gij weet wat bevelen wij u gegeven hebben door den Heere Jezus.

3 Want dit is de wil Gods, uwe heiligmaking: dat gij u onthoudt van de hoererij,

4 dat een iegelijk van u wete zijn vat te bezitten in heiligmaking en eere,

5 niet in kwade beweging der begeerlijkheid, gelijk als de heidenen die God niet kennen.

6 Dat niemand zijnen broeder vertrede noch bedrlege in zijne handeling; want de Heere is quot;een wreker over dit alles, gelijk wij u ook te voren gezegd en betuigd hebben.

7 Want God heeft ons niet geroepen tot onreinigheid, maar tot heiligmaking.

8 Zoo dan wie dit verwerpt, die verwerpt geen mensch, maar God, die ook zijnen Heiligen Geest in ons heeft gegeven.

9 Van de broederlijke liefde nu hebt gij niet van noode dat ik u schrijve, want. gij zeiven zijt van God geleerd om elkander lief te hebben.

10 Want gij doet ook hetzelve aan alle de broederen die in geheel Macedonië zijn. Maar wij vermanen u, broeders, dat gij meer overvloedig wordt,

11 en dat gij u benaarstigt stil te zijn en uwe eigene dingen te doenquot;, en te werken met uwe eigene handen, gelijk wij u bevolen hebben;

12 opdat gij eerlijk wandelt bij degenen die buiten zijn, en geen ding van noode hebt.

13 Doch, broeders, ik wil niet dat gij onwetende zijt van degenen die ontslapen zijn, opdat gij niet bedroefd zijt gelijk als de anderen, die geene hope hebben.

14 Want indien wij gelooven dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzóó zal ook God degenen die ontslapen zijn in Jezus weder-brengen met hem.

15 Want dat zeggen wij u door het Woord des Heeren, dat wij die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen vóórkomen degenen die ontslapen zijn.

16 Want de Heere zelf zal met een geroep, met de stem des Archangels en met de bazuin Gods, nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn zullen eerst opstaan;

17 daarna wij die levend over gebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, de lucht; en alzoo zullen wij altijd met den Heere wezen.

18 Zoo dan vertroost \'elkander met deze woorden.

HOOFDSTUK 5.

Maar van de tijden en de gelegenheden, broeders, hebt gij niet van noode dat men u schrijve.

2 Want gij weet zeiven zeer wel.


-ocr page 1309-

2 THESSALONICENZEN 1.

255

dat de dag des Heeren alzóó zal komen gelijk een dief in den nacht.

3 Want wanneer zij zullen zeggen: Het is vrede en zonder gevaar, dan zal een haastig verderf hen overkomen, gelijk de barensnood eene bevruchte vrouw, en zij zullen het geenszins ontvlieden.

4 Maar gij , broeders, gij zijt niet in duisternis, dat u die dag als een dief zoude bevangen.

5 Gij zijt allen kinderen des lichts en kinderen desdags, wij zijn niet des nachts noch der duisternis.

C Zoo laat ons dan niet slapen gelijk als de anderen, maar laat ons waken en nuchteren zijn.

7 Want die slapen, slapen des nachts, en die dronken zijn, zijn des nachts dronken.

8 Maar wij die des dags zijn, laat ons nuchteren zijn, aangedaan hebbende het borstwapen des ge-loots en der liefde, en tot een helm de hoop der zaligheid.

9 Want God heeft ons niet gesteld tot toorn, maar tot verkrijging der zaligheid door onzen Heere Jezus Christus,

10 die voor ons gestorven is, opdat wij, \'t zij dat wij waken \'t zij dat wij slapen, te zamen met hem leven zouden.

11 Daarom vermaant elkander, en sticht de één den ander, gelijk gij ook doet.

12 Én wij bidden u, broeders , erkent degenen die onder u arbeiden en uwe voorstanders zijn in den Heere en u vermanen,

13 en acht ze zeer veel in liefde, om huns werks wille. Zijt vreedzaam onder elkander.

14 En wij bidden u, broeders, vermaant de ongeregelden, vertroost de kleinmoedigen, ondersteunt de zwakken, zijt lankmoedig jegens allen.

15 Ziet dat niemand kwaad voor kwaad iemand vergelde, maar jaagt allen tijd het goede na, zoo jegens elkander als jegens allen.

10 Verblijdt u te allen tijd.

17 Bidt zonder ophouden.

18 Dankt God in alles; want dit is de wil Gods in Christus Jezus over u.

19 Bluscht den Geest niet uit.

20 Veracht de Profetiën niet.

21 Beproeft alle dingen: behoudt het goede.

22 Onthoudt u van allen schijn des kwaads.

23 En de God des vredes zelf heilige u geheel en al, en uw geheel oprechte geest en ziel en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst onzes Heeren Jezus Christus.quot;

24 Hij die u roept is getrouw, die het ook doen zal.

25 Broeders, bidt voor ons.

26 Groet alle de broeders met eenen heiligen kus.

27 Ik bezweer ulieden bij den Heere, dat deze zendbrief allen den heiligen broederen gelezen worde.

28 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met ulieden. Amen.


DE TWEEDE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAÜLUS

THESSALONICENZEN.

HOOFDSTUK 1,

Paulus en Silvanus en Timotheüs aan de gemeente der Thessaloni-cenzen, welke is in God onzen

Vader en den Heere Jezus Christus

2 genade zij u en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus.


-ocr page 1310-

250

3 Wij moeten God allen tijd danken over u, broeders, gelijk billijk is, omdat uw geloof zeer wast, en dat de liefde van een iegelijk van u allen jegens elkander overvloedig wordt,

4 alzoo dat wijzelven van u roemen in de gemeenten Gods, over uw lijdzaamheid en geloof in alle uwe vervolgingen en verdrukkingen die gij verdraagt.

5 Een bewijs van Gods rechtvaardig oordeel, opdat gij waardig geacht wordt het Koninkrijk Gods voor hetwelk gij ook lijdt;

6 alzoo het recht is bij God, verdrukking te vergelden dengenen die u verdrukken,

7 en u die verdrukt wordt verkwikking met ons; in de openbaring des Heeren Jezus van den hemel met de Engelen zijner kracht,

8 met vlammend vuur wraak doende over degenen die God niet kennen, en over degenen die het Evangelie onzes Heeren Jezus Christus niet gehoorzaam zijn;

9 dewelken -zullen lot straf lijden het eeuwig verderf van het aangezicht des Heeren en van de heerlijkheid zijner sterkte,

10 wanneer hij zal gekomen zijn om verheerlijkt te worden in zijne heiligen, en wonderbaar te worden in allen die gelooven (overmits onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in dien dag.

11 Waarom wij ook altijd bidden voor u, dat onze God u waardig achte der roeping, en vervulle al het welbehagen zijner goedheid, en het werk des geloofs met kracht;

12 opdat de naam onzes Heeren Jezus Christus verheerlijkt worde in u, en gij in hem, naar de genade van onzen God en den Heere Jezus Christus.

HOOFDSTUK 2.

En wij bidden u, broeders, door de toekomst onzes Heeren Jezus Christus en onze toevergadering tot hem ,

2 dat gij niet haastelijk bewogen wordt van verstand, of verschrikt, noch door geest, noch door woord, noch door zendbrief als van ons geschreven, alsof de dag van Christus aanstaando, ware.

3 Dat u niemand verleide in eenigerlei wijs; want die komt niet tenzij dat eerst de afval gekomen zij, en dat geopenbaard zij de mensch der zonde, de zoon des verderfs,

4 die zich tegenstelt en verheft boven al wat God genaamd] of God geëerd wordt, alzoo dat hij in den Tempel Gods als een God zal zitten , zichzelven vertoonende dat hij Gód is.

5 Gedenkt gij niet dat ik nog bij u zijnde u deze dingen gezegd heb?

6 En nu wat hem wederhoudt weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen lijd.

7 Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt aireede gewrocht; alleenlijk die hem nu wederhoudt, die zal hem weder-honden totdat hij uit het midden zal lueggedaan worden;

8 en\'alsdan zal de ongerechtige geopenbaard worden, denwelken de Heere verdoen zal door den geest zijns monds, en te niet maken door de verschijning zijner toekomst,

9 hem zeg ik wiens toekomst is naar de werking des satans, in alle kracht en teekenen en wonderen der leugen,

10 en in alle verleiding der onrechtvaardigheid in degenen die verloren gaan, daarom dat zij de liefde der waarheid niet aangenomen hebben om zalig te worden.

11 En daarom zal God hun zenden eene kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden gelooven;

12 opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebber, gehad in de ongerechtigheid.

13 Maar wij zijn schuldig altijd God te danken over u, broeders, die van den Heere bemind zijt, dat God u van den beginne verkoren heeft tot zaligheid, in heiligmaking des Geestes en geloof der waarheid;

14 waartoe hij u geroepen heeft door ons Evangelie, tot verkrijging

2 thessalonicenzen 5.


-ocr page 1311-

er heerlijkheid onzes Heeren 1 ezus Christus.

15 Zoo dan, broeders, staat vast, I n houdt de inzettingen die u ge-eerd zijn, hetzij door ons woord ietzij door onzen zendbrief: ■

16 en onze Heere Jezus Christus elf, en onze God en Vader die ms heeft liefgehad, en gegeven leeft eene eeuwige vertroosting en oede hope in genade ,

17 vertrooste uwe harten, en rersterke u in alle goed woord m werk.

HOOFDSTUK 3.

Voorts, broeders, bidt voor ons, jpdat het woord des Heeren zijnen oop hebbe . en verheerlijkt worde elijk ook bij u,

2 en opdat wij mogen verlost worden van de ongeschikte en booze menschen; want het geloof is niet aller.

3 Maar de Heere is getrouw, die u zal versterken en bewaren van den booze.

4 En wij vertrouwen van u in den Heere, dat gij hetgeen wij u bevelen ook doet èn doen zult.

5 Doch de Heere richte uwe harten tot de liefde Gods en tot de lijdzaamheid van Christus.

Ö En wij bevelen u, broeders, in den naam onzes Heeren Jezus Christus, dat gij u onttrekt aan een iegelijk broeder die ongeregeld wandelt, en niet naar de inzetting die hij van ons ontvangen heeft.

7 Want gijzelven weet hoe men ons behoort na te volgen; want wij hebben ons niet ongeregeld gedragen onder u;

Jag

8 en wij hebben geen brood bij iemand gegeten voor niet, maai* in arbeid en moeite, nacht en dag werkende, opdat. wij niet iemand van u zouden lastig zijn:

9 niet dat wij de macht niet hebben, maar opdat wij onszelven u geven zouden tot een voorbeeld om ons na te volgen.

10 Want ook toen wij bij u waren , hebben wij u dit bevolen, dat zoo iemand niet wil werken, hij ook niet etc.

11 Want wij hooren dat sommigen onder u ongeregeld wandelen, niet werkende maar ijdele dingen doende.

12 Doch de zoodanigen bevelen en vermanen wij door onzen Heere Jezus Christus , dat zij met stilheid werkende hun eigen brood eten.

13 En gij, broeders, vertraagt niet in goed te doen.

14 Maar indien iemand ons woord, door dezen brief yeschre-ven, niet gehoorzaam is, teekent dien, en vermengt u niet met hem, opdat hij beschaamd worde;

15 en houdt hem niet als eenen vijand, maar vermaant hem als eenen broeder.

lö De Heere nu des vredes zelf geve u vrede te allen tijd in allerlei wijze. De Heere zij met u allen.

17 De groetenis met mijne hand van Paulus; hetwelk is een teeken in iederen zendbrief: alzóó schrijf ik.

18 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen. Amen.

1 THESSALONICENZÈN 3. 1 TIMOTHEÜS 1. 257


DE EERSTE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS

AAN

T 1 M O T H E Ü S.

HOOFDSTUK 1.

Paulus, een Apostel van Jezus Christus, naar hot hevel van God

onzen Zaligmaker, en den Heere Jezus Christus die onze hope is, 2 aan Timotheus mijnen oprechten zoon ia het geloof: genado , ü


-ocr page 1312-

1 TIMOTHEUS 2.

2quot;8

barmhartigheid, vrede zij u van (Jod onzen Vader en Christus Jezus onzen Heere.

3 Gelijk ik u vermaand heb dat gij te Efeze zoudt blijven, als ik naar Macedonië reisde, zoo vermaan il: het u nofi, opdat gij sommigen beveelt geene andere leer te leeren;

4 noch zich te begeven tol labelen en oneindige geslachtrekeningen, welke meer twistvrdgen voortbrengen dan stichting Gods die in het geloof is.

5 Maar het einde des gebods is liefde uit een rein hart en uit eene goede conscientie en wY een ongeveinsd geloof,

0 waarvan sommigen afgeweken zijnde, hebben zich gewend tot ijdelspreking;

7 willende leeraars der wet zijn, niet verstaande noch wat zij zeggen, noch wat zij bevestigen.

8 Doch wij weten dat de wet goed is, zoo iemand die wettelijk gebruikt,

ü en hij dit weet, dat den rechtvaardige de wot niet is gezet, maar den ongerechtigen en den halsstarrigen, den goddeloozen en den zondaren, den onheiligen en den ongoddelijken, den vadermoorders en den moedermoorders, den doodslagers,

10 den hoereerders, dien die bij mannen liggen, den menschen-dieven, den leugenaars, den mein-eedigen, en zoo er iets anders tegen de gezonde leer is,

11 naar het Evangelie der heerlijkheid des zaligen Gods, dat mij tóebetrouwd is.

12 En ik dank hem die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus onzen Heere, dat hij mij getrouw geacht heeft, mij ih de bediening gesteld hebbende,

13 die te voren een godslasteraar was en een vervolger en een verdrukker; maar mij is barmhartigheid geschied, dewijl ik het onwetend gedaan heb in mijne ongeloovigheid;

14 doch de genade onzes Heeren is zeer overvloedig geweest, met geloof en liefde die daar is in Christus Jezus.

15 Dit is een getrouw woord er alle aanneming waardig, da Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig tc maken, van welke ik de voor naamste ben;

lü maar daarom is mij harm hartigheid geschied, opdat Jezus lt; Ihristus in mij, die de voornaamstf ben, al zijne lankmoedigheid zoude betoenen, tot een voorbeeld dergenen die in hem gelooven zullen ten eeuwigen leven.

17 Den Koning nu der eeuwen den onverderfelijken, den onzien-lijken, den alleen wijzen God, zij eere en heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.\'

18 Dit gebod beveel ik u, mijn zoon Timotheüs, dat gij naar de Profetieën die over u voorafgegaan zijn, in dezel ve dsn goeden strijd strijdt,

19 houdende het geloof, en een goede conscientie; welke sommigen verstoeten he.obende, in het geloof schipbreuk geleden hebben :

20 onder welke is Hymenéüs en Alexander, die ik den satan overgegeven heb, opdat zij zouden leeren niet meer te lasteren.

HOOFDSTUK 2.

Ik vermaan dan vóór alle dingen, dat er gedaan worden smeekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen voor alle menschen,

2 voor Koningen en allen die in hoogheid zijn, opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid.

3 Want dat is goed en aangenaam voor God onzen Zaligmaker,

4 welke vil dat alle menschen zalig worden en tot kennisse dei-waarheid kemen.

5 Want daar is één God, daar is ook één Middelaar Gods en der menschen, de mensch Christus Jezus ,

G die zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, zijnde de getuigenis te zijner tijd;

7 waartoe ik gesteld ben een Prediker en Apostel, (ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet), een leeraar der heidenen in geloof en waarheid.


-ocr page 1313-

8 Ik wil dan dat de mannen bidden in alle plaatsen, opheffende heilige handen, zonder toorn en twisting.

9 Desgelijks ook dat de vrouwen in een eerbaar gewaad met schaamte en matigheid zichzelven versieren, niet in vlechtingen des haars, of goud, of parelen, of kostelijke kleeding,

10 maar (\'twelk den vrouwen betaamt die de godvruchtigheid belijden) door goede werken.

11 Eene vrouw late zich leeren in stilheid, in alle onderdanigheid.

12 Doch ik laat de vrouw niet toe dat ze leere, noch over den man heersche, maar wil dat ze in stilheid zij.

13 Want Adam is eerst gemaakt, daarna Eva;

14 en Adam is niet verleid geworden, maar de vrouw verleid zijnde is in overtreding geweest.

15 Doch zij zal zalig worden in kinderen te baren, zoo zij blijft in geloof en liefde en heiligmaking met matigheid.

HOOFDSTUK 3.

Dit is een getrouw woord: zoo iemand tot eens Opzieners ambt last heeft, die begeerteen treffelijk werk.

2 Een Opziener dan moet onberispelijk zijn, ééner vrouwe man, wakker, matig, eerbaar , gaarne herbergende, bekwaam om te leeren;

3 niet geneigd tot den wijn, geen smijter, geen vuilgewinzoe-ker, maar bescheiden, geen vechter , niet geldgierig;

4 die zijn eigen huis wèl regeert, zijne kinderen in onderdanigheid houdende met alle stemmigheid;

5 (want zoo iemand zijn eigen huis niet weet te regeeren, hoe zal hij voor de gemeente Gods zorg dragen?)

6 geen nieuweling, opdat hij niet opgeblazen worde en in het oordeel des duivels valle.

7 En hij moet ook een goede getuigenis hebben van degenen die buiten zijn, opdat hij niet valle in smaadheid en in den strik des duivels.

259

8 De Diakenen insgelijks moefen eerbaar zijn, niet tweetongig, niet die zich tot veel wijn begeven, geen vuilgewinzoekers;

9 houdende de verborgenheid des geloofs in eene reine conscientie.

10 En dat deze ook eerst beproefd worden, en dat ze daarna dienen, zoo zij onbestraffelijk zijn.

11 De vrouwen insgelijks moeten eerbaar zijn, geen lasteraarsters, wakker, getrouw in alles.

12 Dat de Diakenen ééner vrouwe mannen zijn, die h unne kinderen en hunne eigene huizen wèl regeeren.

13 Want die wèl gediend hebben verkrijgen zichzelven eenen goeden opgang en vele vrijmoedigheid in hut geloof, hetwelk is in Christus Jezus.

14 Deze dingen schrijf ik u, hopende zeer haast tot u te komen;

15 maar zoo ik vertoef, opdat gij moogt weten hoe men in het Huis Gods moet verkeeren, hetwelk is de gemeente des levenden Gods, een pilaar en vastigheid der waarheid.

1G En buiten allen twijfel, de verborgenheid der godzaligheid is groot: God is geopenbaard inliet vleesch, is gerechtvaardigd in den Geest, is gezien van de Engelen, is gepredikt onder de heidenen, is geloofd in de wereld, is opgenomen in heerlijkheid.

HOOFDSTUK 4.

Doch de Geest zegt duidelijk, dat in de laatste tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, zich begevende tot verleidende geesten en leeringen der duivelen,

2 door geveinsdheid der leugensprekers, hebbende hunne eigene conscientie als met een brandijzer toegeschroeid;

3 verbiedende te huwen , gebie\' dende van spijzen te onthouden die God geschapen heeft tot nuttiging met dankzegging, voor de geioovigen en die de waarheid hebben bekend.

4 Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde.

5 Want het wordt geheiligd door

1 TI M O T H E U S 3,4.


-ocr page 1314-

1 TI MOTHEUS

260

bed W00r^ en ^oor het ge-

6 Als gij deze\' dingen den broe-V00rstelt, zoo zult gij een goed dienaar van Jezus Christus zijn, opgevoed in de woorden dos ff: u. 011 ciel\' goede leer welke 8U achtervolgd hebt.

pn ™,Har-yer.wei? de ongoddelijke en oudwijfsche fabelen ; en oefen Uzelyen tot godzaligheid.

s \\\\ ant de lichamelijke oefening ,„i- . .Ye!nie nut. maar de god-lioi\'f !? IS, tot \'^1\'0 dingen nut, hebbende de belofte des tesen-woordigen en des toekomenden levens.

9 Dit is een getrouw woord en flllc aanneming waardi0-.

10 Want hiertoe arbeiden wij ook en worden gesmaad, omdat, wij gehoopt hebben op den levenden God, die een behouder is aller menschen, maar allermeest cier geloovigen.

-lo BT?vee^ c,eze dingen en leer ze. 1- Niemand verachte uwe jonkheid; maar wee? een voorbeeld der geloovigen in het woord, in wandel, in liefde, in den geest, m gebof, in reinigheid.

13 Houd adn in rt lezen, in \'t vermanen, in \'t leeren, totdat ik kom.

14 Verzuim de gave niet die in u is, die u gegeven is door de Pro-tetie met oplegging der handen ües_ Ouderlmgschaps.

15 Bedenk deze dingen , wees hierin bezig, opdat uw toenemen openbaar zij in alles.

10 Heb acht op uzelven en op de leer, volhard in dezen. Want dat doende zult gij èn uzelven behouden en die u hooren.

HOOFDSTUK 5.

Bestraf eenen ouden man niet hardelijk, maar vermaan hem ais eenen vader, de jonge als broeders ,

2 de oude vrouwen als moeders, de jonge als zusters in alle reinigheid.

3 Eer de weduwen die waarlijk weduwen zijn.

deren heeft of kindskinderen, dat die leeren eerst aan hun eigen huis godzaligheid te oefenen , en den voorouderen wedervergelding te doen; w.mt dit is goed onaangenaam voor God.

5 Die nu waarlijk weduwe is en alléén gelaten , die hoopt op God, en blijft in smeekingen en gebeden nacht en dag.

6 Maar die haren wellust volgt, die is levende gestorven.

7 En beveel dit, opdat zij onbe» rispelijk zijn.

8 Doch zoo iemand de zijnen en voornamelijk zijne huisgenoo-ten niet verzorgt, die heeft hot geloof verloochend, en is erger dan een ongeloovige.

9 Dat eene weduwe gekozen worde niet minder dan van zestig jaren, welke ééns mans vrouw geweest is,

10 getuigenis hebbende van goede werken, zoo j:ij kinderen opgevoed heeft, zoo zij gaarne heeft geherbergd, zoo zij der heiligen voeten heeft gcwasschen, zoo zij den verdrukten genoegzame hulpe gedaan heeft, /.oo zij alle goed werk nagetrachi. heeft.

11 Maar neem de jonge weduwen niet aan; want als zij weelderig geworden zijn tegen Christus, zoo willen zij huwen,

12 hebbende haar oordeel, omdat zij haar eerste geloof hebben te niet gedaan.

13 En metéén ook leeren zij ledig omgaan bij de huizen, en zijn niet alleen ledig, maar ook klapachtig en ijdele dingen doende, sprekende hetgeen niet betaamt.

14 Ik wil dan dat de jonge ive-duwe.n huwen, kinderen telen, het huis regeeren, geen oorzaak van lastering aan de wederpartij geven.

15 Want eenigen hebben zich aireede afgewend achter den satan.

16 Zoo eenig geloovig man of geloovige vrouw weduwen heeft, dat die haar genoegzame hulpe doe, en dat de gemeente niet bezwaard worde, opdat zij aan degenen die waarlijk weduwen zijn genoegzame hulpe doen mag.

17 Dat de Ouderlingen die wel

ê quot;\\T X f U€\\ L U*_/ V_/ IA11 IJ 01 i *-41\' VY *--*4

a Maar zoo eenige weduwe kin-1 regeeren dubbele eer waardig ge-


-ocr page 1315-

IIEÜS G.

261

1 TI M O T

acht worden, voornamelijk die arbeiden in het woord en de leer.

18 Want de Schrift zegt: Eenen dorschenden os zult gij niet muilbanden. En: De arbeider is zijn loon waardig.

19 Neem tegen eenen Ouderling geene beschuldiging aan, anders dan onder twee of drie getuigen.

20 Bestraf die zondigen in tegenwoordigheid van allen, opdat ook de anderen vreeze mogen hebben.

21 Ik betuig voor God en den Heere Jezus Christus en de uitverkoren Engelen, dat gij deze dingen onderhoudt zonder vooroordeel, niets doende naar toegenegenheid.

22 Leg niemand haastelijk de handen op, en heb geen gemeenschap aan anderer zonden. Bewaar uzelven rein.

23 Drink niet langer water alleen, maar gebruik een weinig wijn. om uwe maag en uwe menigvuldige zwakheden.

24 Van sommige menschen zijn de zonden te voren openbaar, en gaan vooraf tot hunne veroordeeling, en in sommigen ook volgen zij na.

25 Desgelijks ook de goede werken zijn te voren openbaar, en daar het anders mede gelegen is, kunnen niet verborgen worden.

HOOFDSTUK 0.

De dienstknechten , zoovelen als er onder het juk zijn, zullen hunne heeren alle eere waardig achten, cpdat de naam Uods en de leer niet gelasterd worde.

2 En die geloovige heeren hebben, zullen ze niet verachten, omdat ze broeders zijn, maar zullen ze te meer dienen, omdat zij geloovig en geliefd zijn , als die dezer weldaad mede deelachtig zijn. Leer en vermaan deze dingen.

3 Indien iemand eene andere\'leer leert, en niet overéénkomt met de gezonde woorden onzes Heeren Jezus Christus, en met de leer die naar de godzaligheid is,

4 die is opgeblazen en weet niets, maar hij raast omtrent ïtmsïvragen en woordenstrijd; uit welke komt nijd, twist, lasteringen, kwade bedenkingen,

5 verkeerde krakeelingen van menschen, die een verdorven versland hebben, en van de waarheid beroofd zijn, meenende dat de godzaligheid een gewin zij. Wijk af van dezulken.

6 Doch de godzaligheid is een groot gewin met vergenoeging.

7 Want wij hebben niets in de wereld gebracht: het is openbaar dat wij ook niet kunnen iets daaruit dragen,

8 maar als wij voedsel en deksel hebben, wij zullen daarmede vergenoegd zijn.

9 Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking en in den strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de menschen doen verzinken in verderf en ondergang.

10 Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad: tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, eh hebben zichzelven met veie smarten doorstoken.

11 Maar gij, o mensche Gods, vlied deze dingen, en jaag naar gerechtigheid, godzaligheid, geloof, liefde, lijdzaamheid, zachtmoedigheid.

12 Strijd den goeden strijd des geloofs, grijp naar het eeuwige leven, tot hetwelk gij ook geroepen zijt, en de goede belijdenis beleden hebt voor vele getuigen.

13 ik beveel u voor God die alle ding levend maakt, en voor Christus Jezus die onder Pontius Pilatus de goede belijdenis betuigd heeft,

14 dat gij dit gebod houdt, onbevlekt en onberispelijk, tot op de verschijning onzes Heeren Jezus Christus;

15 welke te zijner tijd vertoo-nen zal de zalige en alleen machtige Heere, de Koning der Koningen en Heere der heeren,

16 die alleen onsterfelijkheid heeft, en een ontoegankelijk licht bewoont, denwelkeu geenmensch gezien heeft, noch zien kan; welken zij eere en eeuwige kracht. Amen.

17 Beveel den rijken in deze


-ocr page 1316-

2 TIMOTHEUS 1.

262

tegenwoordige wereld dat zij niet hoogmoedig zijn,noch/mnnehoop stellen op de ongestadigheid des rijkdoms, maar op den levenden God die ons alle dingen rijkelijk verleent om te genieten;

18 dat zij weldadig zijn, rijk worden in goede werken, gaarne mededeelende zijn en gemeenzaam ;

19 leggende zichzelven weg tot eenen schat een goed fundament tegen het toekomende, opdat zi; het eeuwige leven verkrijgen mogen.

20 O Timotheüs, bewaar hel pand u toebetrouwd, eenen afkeer hebbende van het ongoddelijk ijdel roepen, en van de tegenstel lingen der valschelijk genaamde quot;quot; wetenschap;

21 dewelke sommigen voorgevende , zijn van het geloof afgeweken. De genade zij metu. Amen.


DE TWEEDE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS

T I M O T H E U S.

HOOFDSTUK 1.

Paulus, een Apostel van Jezus Christus door den wil Gods, naar de belofte des levens, dat in Christus Jezus is,

2 aan Timotheüs mijnen geliefden zoon: genade, barmhartigheid, vrede zij u van God den Vader en Christus Jezus onzen Heere.

3 Ik dank God, dien ik diene van mijne voorouderen aan in een reine conscientie, gelijk ik zonder ophouden uwer gedachtig ben in mijne gebeden nacht en dag,

4 zeer begeerig zijnde om u te zien, als ik gedenk aan uwe tranen, opdat ik moge met blijdschap vervuld worden,

5 als ik mij in gedachtenis breng het ongeveinsd geloof dat in u is, hetwelk eerst gewoond heeft in uwe grootmoeder Loïs en uwe moeder Eunice, en ik ben verzekerd dat het ook in u woont.

6 Om welke oorzaak ik u indachtig maak, dat gij opwekt de gave Gods, die in u is door de oplegging mijner handen.

7 Want God heeft ons niet gegeven eenen geest der vreesachtigheid, maar der kracht en der liefde en der gematigdheid.

8 Schaam u dan niet der getuigenis onzes Heeren, noch mijns, die zijn gevangene ben; maar lijd verdrukkingen met het Evangelie naar de kracht Gods,

9 die ons heeft zalig gemaakt en geroepen met eenc heilige roeping, niet naar onze werken, maar naar zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus vóór de tijden der eeuwen,

10 doch nu geopenbaard is door de verschijning onzes Zaligmakers Jezus Christus, die den dood heeft te niet gedaan, en het leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht door het Evangelie.

11 Waartoe ik gesteld ben een Prediker en een Apostel en een Leeraar der heidenen;

12 om welke oorzaak ik ook deze dingen lijde, maar ik word niet beschaamd; want ik weet wien ik geloofd heb, en ik ben verzekerd dat hij machtig is mijn pand bij hem weggelegd te bewaren tot dien dag.


-ocr page 1317-

2 T1M0THEUS 2.

263

13 Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in geloof en liefde die in Christus Jezus is:

14 bewaar het goede pand dat it toebetrouwd is, door den Heiligen Geest die in ons woont.

15 Gij weet dit, dat allen die in Azië zijn zich van mij afgewend hebben, onder dewelke is Fygellus en Hermogenes.

16 De Ileere geve den huize van Onesiforus barmhartigheid; want hij heeft mij dikwijls verkwikt, en heeft zich mijner keten niet geschaamd.

17 Maar als hij te Home gekomen was, heeft hij mij zeer naar-stiglijk gezocht, en heeft mij gevonden.

18 De Heere geve hein dat hij barmhartigheid vinde bij den Heere in dien dag; en hoeveel hij mij te Efeze gediend heeft weet gij zeer wel.

HOOFDSTUK 2.

Gij dan, mijn zoon, word gesterkt in de genade die in Christus Jezus is;

2 en hetgeen gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, betrouw dat aan getrouwe menschen, welke bekwaam zullen zijn om ook anderen te leeren.

3 Gij dan lijd verdrukkingen, als een goed krijgsknecht van Jezus Christus.

4 Niemand die in den krijg dient wordt ingewikkeld in de handelingen des leeftochts, opdat hij dien moge behagen die hem tot den krijg aangenomen heeft.

5 En indien ook iemand strijdt, die wordt niet gekroond zoo hij niet wettelijk heeft gestreden.

6 De landman als hij arbeidt, moet alzoo het eerst de vruchten genieten.

7 Merk hetgeen ik zeg; doch de Heere geve u verstand in alle dingen.

8 Houd in gedachtenis dat Jezus Christus uit de dooden is opgewekt, welke is uit denzade Davids, naar mijn Evangelie,

9 om hetwelk ik verdrukkingen lijd tot de banden toe als een kwaaddoener, maar het Woord Gods is niet gebonden.

10 Daarom verdraag ik alles om de uitverkorenen, opdat ook zij de zaligheid zouden verkrijgen die in Christus Jezus is, met eeuwige heerlijkheid.

11 Dit is een getrouw woord: want indien wij met hem gestorven zijn, zoo zullen wij ook met hem leven;

12 indien wij verdragen, wij zullen ook met hem heerschen; indien wij hem verloochenen, hij zal ons óók verloochenen;

13 indien wij ontrouw zijn, hij blijft getrouw; hij kan zichzelven niet verloochenen.

14 Breng deze dingen in gedachtenis , en betuig voor den Heere dat zij geen woordenstrijd voeren, \'t ivelk tot geen ding nut is dan tot verkeering der toehoorders.

15 Benaarstig u om uzelven Gode beproefd voor te stellen, als een arbeider die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid récht snijdt.

16 Maar stel u tegen het ongoddelijk ijdel roepen; want zij zullen in meerder goddeloosheid toenemen ,

17 en hun woord zal voorteten gelijk de kanker; onder welke is Hymenéüs en Filétus,

18 die van de waarheid zijn afgeweken, zeggende dat de opstanding aireede geschied is, en ver-keeren het geloof van sommigen.

19 Evenwel het vaste fundament Gods staat, hebbende dit zegel: De Heere kent degenen , die de zijnen zijn, en: Een iegelijk die den naam van Christus noemt sta af van ongerechtigheid.

20 Doch in een groot huis zijn niet alleen gouden en zilveren vaten, maar ook houten en aarden vaten, en sommigen ter eere, maar sommigen ter oneere.

21 Indien dan iemand zichzelven van deze reinigt, die zal een vat zijn ter eere, geheiligd en bekwaam tot gebruik des Ileeren, tot alle goed werk toebereid.

22 Maar vlied de begeerlijkheden der jonkheid, en jaag naar rechtvaardigheid, geloof, liefde, vr\'ede


-ocr page 1318-

2 TIM O ïHEUS 3, 4.

264

met degenen die den Heere aanroepen uit een rein hart.

23 En verwerp de vragen die dwaas en zonder leering zijn, wetende dat ze twistingen voortbrengen ;

24 en een dienstknecht des Hee-ren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te leeren, en die de kwaden kan verdragen;

25 met zachtmoedigheid onderwijzende degenen die tegenstaan, of hun God te eeniger tijd bekeering gave tot erkentenis der waarheid,

26 en zij wederom ontwaken mochten uit den strik des duivels, onder welken zij gevangen waren tot zijnen wil.

HOOFDSTUK 3.

En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.

2 Want de menschen zullen zijn eigenlievend, geldgierig, laatdunkend, hoovaardig, lasteraars, den ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig,

3 zonder natuurlijke liefde,onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed, zonder liefde tot de goeden,

4 verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods,

5 hebbende eene gedaante van

§odzaligheid, maar die de kracht erzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van dezen.odzaligheid, maar die de kracht erzelve verloochend hebben. Heb ook een afkeer van dezen.

6 Want van dezen zijn het die in de huizen insluipen, en nemen de Vrouwkens gevangen die met zonden beladen zijn en door menigerlei begeerlijkheden gedreven worden,

7 vrouwhens, die altiid leeren en nimmermeer tot kennis der waarheid kunnen komen.

8 Gelijker wijs nu Jannes en Jambres Mozes tegenstonden, alzóó staan ook dezen de waarheid tegen, menschen verdorven zijnde van verstand, verwerpelijk aangaande het geloof.

9 Maar zij zullen niet meer toenemen; want hunne uitzinnigheid zal allen openbaar worden, gelijk ook die van gene geworden is.

10 Maar gij hebt achtervolgd mijne leer, wijze van doen, voor nemen, geloof, lankmoedigheid liefde, lijdzaamheid,

11 mijne vervolgingen, mijn lijden, zooals mij overkomen is in Antiochië, in Iconium en in Lystra: hoedanige vervolgingen ik geleden heb, en de Heere heeft mij uit alle verlost.

12 En ook allen die godzaliglijk willen leven in Christus Jezus, die zullen vervolgd worden.

13 Doch de booze menschen en bedriegers zullen tot erger voortgaan, verleidende en wordende verleid.

14 Maar blijf gij in hetgeen gij geleerd hebt en waarvan u verzekering gedaan is, wetende van wien gij het geleerd hebt,

15 en dat gij van kinds af dc heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid,quot; door het geloof hetwelk in Christus Jezus is.

16 Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot leering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing die in de rechtvaardigheid is;

17 opdat de mensche Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaakt toegerust.

HOOFDSTUK 4.

Ik betuig dan voor God en den Heere Jezus Christus, die de levenden en dooden oordeelen zal in zijne verschijning en in zijn Koninkrijk:

2 predik het Woord; houd aan tijdiglijk, ontijdiglijk; wederleg, bestraf, vermaan in alle lankmoedigheid en leer.

3 Want daar zal een tijd zijn, wanneer zij ie gezonde leer niet zullen verdragen; maar kittelachtig zijnde van gehoor, zullen zij zichzelven leeraars opgaren naar hunne eigene begeerlijkheden,

4 en zullen hun gehoor van de waarheid afwenden, en zullen zich keeren tot fabelen.

5 Maar gij wees wakker in alles, lijd verdrukkingen; doe het werk van een Evangelist; maak dat men van uwen dienst ten volle verzekerd zij.


-ocr page 1319-

TITUS 1

265

6 Want ik word nu tot een drankoffer geofferd, en de tijd mijner ontbinding is aanstaande.

7 Ik heb den goeden strijd gestreden, ik heb den loop geëindigd, ik heb het geloof behouden.

8 Voorts is mij weggelegd de kroon der rechtvaardigheid, welke de Heere, de rechtvaardige Rechter, mij in dien dag geven zal, cn niet alleen mij, maar ook allen die zijno verschijning liefgehad hebben.

Benaarstig u haastelijk tot mij te komen.

10 Want Deraas heeft mij verlaten , hebbende de tegenwoordige wereld liefgekregen, en is naar Thessalom\'ca gereisd, Grescens naar Galatië , Titus naar Dalmatië.

11 Lucas is alleen met mij. Neem Marcus mede en breng/iem met u; want hij is mij zeer nut tot den dienst.

12 Maar Tychicus heb ik naar Efeze gezonden.

18 Breng den reismantel mede, dien ik teTroasbij Carpus gelaten heb, als gij komt, en de boeken, inzonderheid de perkamenten.

14 Alexander de kopersmid heeft mij veel kwaad betoond: de Heere

ver gel de hem naar zijne werken.

15 Van welken wacht gij u óók; want h\\} heeft onze woorden zeer tegengestaan.

10 In mijne eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Het worde hun niét toegerekend.

17 Maar de Heere heeft mij bijgestaan en heeft mij bekrachtigd , opdat men door mij ten volle zoude verzekerd zijn van de prediking , en alle beidenen dezelve zouden hooren; en ik ben uit den muil des leeuws verlost.

18 En de Heere zal mij verlossen van alle boos werk , en bewaren tot zijn hemelsch Koninkrijk. Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.

19 Groet Pi-isca en Aquila en het huis van Onesiforus.

20 Erastus is te Gorinthe gebleven , en Trofimus heb ik te Miléte krank gelaten.

21 Benaarstig u om vóór den winter te komen. U groet Eubülus, en Pudens, en Linus, en Claudia, en alle de broeders.

22 De Heere Jezus Christus zij met uwen geest. De genade zij met ulieden. Amen.


DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULÜS

T I T TT 8.

HOOFDSTUK 1.

Paulus , een dienstknecht Gods en een Apostel van Jezus Christus naar het geloof der uitverkorenen Gods, en de kennis der waarheid die naar de godzaligheid is, 2 in de hope des eeuwigen levens, welke God, die niet liegen kan, beloofd heeft vóór de tijden der eeuwen, maar geopenbaard heeft te zijner tijd,

3 namelijk zijn Woord , door de prediking die mij toebetrouwd is, naar het bevel Gods onzes Zaligmakers, aan Titus wt/nm oprechten zoon naar het gemeen geloof:


-ocr page 1320-

TITUS 2.

206

4 genade, barmhartigheid, vrede zij xi van God den Vader en den Heere Jezus Christus onzen Zaligmaker.

5 Om die oorzaak heb ik u in Creta gelaten, opdat gij hetgeen dat nog ontbrak voorts zoudt terechtbrengen, en dat gij van stad tot stad zoudt Ouderlingen stellen, gelijk ik u bevolen heb:

6 indien iemand onberispelijk is, ééner vrouwe man, geloovige kinderen hebbende, die niet te beschuldigen zijn van overdadigheid, noch ongehoorzaam zijn.

7 Want een Opziener moet onberispelijk zijn, als een huisverzorger Gods, niet eigenzinnig, niet geneigd tot toornigheid, niet geneigd tot den wijn, geen smijter, geen vuilgevvinzoeker:

8 maar die gaarne herbergt, die de goeden liefheeft, matig, rechtvaardig, heilig, kuisch;

9 die vasthoudt aan het getrouwe Woord, dat naar de leer is, opdat hij machtig zij beide om te vermanen door de gezonde leer en om de tegensprekers te wederleggen.

10 Want daar zijn ook vele ongeregelden, ijdelheidsprekers, en verleiders van zinnen, inzonderheid die uit de besnijdenis zijn,

11 welken men moet den mond stoppen; die geheele huizen ver-keeren, leerende wat niet behoort om vuil gewins wille.

12 Een uit hen, zijnde hun eigen Profeet, heeft gezegd: De Cretenzen zijn altijd leugenachtig, kwade beesten, luie buiken.

13 Deze getuigenis is waar. Daarom bestraf ze scherpelijk, opdat zij gezond mogen zijn inliet geloof,

14 en zich niet begeven tot Joodsche fabelen en geboden der menschen die zich van de waarheid afkoeren.

15 Alle dingen zijn wel rein den reinen, maar den bevlekten en ongeloovigen is geen ding rein, maar beide hun verstand en consciëntie zijn bevlekt.

16 Zij belijden dat ze God kennen, maar zij verloochenen hem met de werken, alzoo zij afschuwelijk

zijn en ongehoorzaam en tot alle Vc goed werk ongeschikt. v-e

HOOFDSTUK 2. cn

re

Doch gij , spreek hetgeen de gezonde leer betaamt: tK

2 dat de oude mannen nuchter m zijn, stemmig, voorzichtig, gezond in \'t geloof, in de liefde,

in de lijdzaamheid.

3 De oude vrouwen insgelijks , hï dat zij in hare dracht zijn gelijk cU den heiligen betaamt, dat ze geen ck lasteraarsters zijn, zich niet tot veel wijn begevende, maar leera- v( ressen quot;zijn van het goede; zi

4 opdat zij de jonge vromoen zè leeren voorzichtig te zijn, hare mannen lief te hebben, hare kin- oi deren lief te hebben , n:

5 matig te zijn, kuisch te zijn, h het huis te bewaren, goed te zijn, n haren eigen mannen onderdanig te c\\ zijn; opdat het Woord Gods niet gelasterd worde.

6 Vermaan de jong,e mannen e: insgelijks dat zij matig zijn. v

7 Betoon uzelven in alles een voorbeeld van goede werken; n betoon in de Iser onvervalscht- d heid, deftigheid , oprechtheid, k

8 het Woord gezond en onver- d werpelijk, opdat degeen die daar- y tegen is beschaamd worde en niets kwaads hebbe van ulieden te jj zeggen. c

9 Vermaan de dienstknechten, dat zij hunnen eigen heeren onder- _ danig zijn, dat ze in alles welbe-hagelijk zijn, niet tegensprekende;

10 niet onttrekkende, maaralle goede trouw bewijzende; opdat zij de leer var. God onzen Zaligmaker in alles mogen versieren.

11 Want de zaligmakende genade Gods is verschenen allen menschen,

12 en onderwijst ons, dat wij de goddeloosheid en de wereldschê begeerlijkheden verzakende, ma-tiglijk eu rechtvaardiglijk en god- \' zaliglijk leven zouden in deze tegenwoordige wereld,

13 verwachtende de zalige hope 1 en verschijning der heerlijkheid i van den grooten God en onzen i Zaligmaker Jezus Christus,

14 die zichzelvcn voor ons gege-


-ocr page 1321-

TITUS 3. FILÉMON.

207

ven heeft, opdat hij ons zoude verlossen van alle ongerechtigheid, en zichzelven een eigen volk zoude

einigen, ijverig in goede werken.

15 Spreek dit, en vermaan en bestral met allen ernst. Dat niemand u verachte.

HOOFDSTUK 3.

Vermaan hen dat zij den overheden en machten onderdanig zijn, dat ze daaraan gehoorzaam zijn, dat ze tot alle goed werk bereid zijn;

2 dat ze niemand lasteren, geen vechters zijn, maar bescheiden zijn, alle zachtmoedigheid bewijzende jegens alle menschen.

3 Want ook wij waren eertijds onwijs, ongehoorzaam, dwalende, menigerlei begeerlijkheden en wellusten dienende, in boosheid en nijdigheid levende, hatelijk zijnde en elkander hatende;

4 maar wanneer de goedertierenheid van God onzen Zaligmaker en zijne liefde tot de menschen verschenen is,

5 heeft hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid die wij gedaan hadden, maar naar zijne barmhartigheid, door het bad der wedergeboorte en vernieuwing des Heiligen Geestes,

6 denwelken hij over ons rijkelijk heeft uitgegoten\' door Jezus Christus onzen Zaligmaker;

7 opdat wij gerechtvaardigd zijnde door zijne genade, erfgenamen zouden worden naar de hope des eeuwigen levens.

8 Dit is een getrouw woord, en deze dingen wil ik dat gij ernstig-lijk bevestigt, opdat degenen die aan God gelooven zorg dragen om goede werken voor te staan. Deze dingen zijn het, die goed en nuttig zijn den menschen.

\'9 Maar wedersta de dwaze vragen en geslachtrekeningen en twistingen en strijdvoeringen over de wet; want zij zijn onnut en ijdel.

10 Verwerp eenen ketterschen mensch na de eerste en tweede vermaning,

11 wetende dat de zoodanige verkeerd is en zondigt, zijnde bij zichzelven veroordeeld.

12 Als ik Artemas tot u zal zenden of Tychicus, zoo benaar-stig u tot mij te komen te Nico-polis , want aldaar heb ik voorgenomen te overwinteren.

13 Geleid Zenas, den Wetgeleerde, en Apollos zorgvuldiglijk, opdat hun niets ontbreke.

14 En dat ook de onzen leeren goede werken voor te staan tot noodig gebruik, opdat zij niet onvruchtbaar zijn.

15 Die met mij zijn groeten u allen. Groet ze die ons liefhebben in het geloof. De genade zij met u allen. Amen.


DE BRIEF VAN DEN APOSTEL PAULUS

FILÉ M O N.

Paulus, een gevangene van Christus Jezus , en Timothëus de broeder , aan Filémon den geliefde, en onzen medearbeider,

2 en aan Appia de geliefde, en aan Archippus onzen medestrijder, en aan de gemeente die te uwen huize is :

3 genade zij ulieden en vrede van God onzen Vader en den Heere Jezus Christus.

4 Ik dank mijnen God, uwer


-ocr page 1322-

HEBREE KS 1.

2ü8

altijd gedachtig zijnde in mijne gebeden,

5 alzoo ik hoor uwe liefde en geloof, hetwelk gij hebt aan den Heere Jezus en jegens alle de heiligen;

(i opdat de gemeenschap uws geloofs krachtig worde in de bekendmaking van alle goed, \'twelk in ulieden is door Christus Jezus.

7 Want wij hebben groote vreugde en vertroosting over uwe liefde, dat de ingewanden der heiligen verkwikt zijn geworden door u, broeder.

8 Daarom hoewel ik groote vrijmoedigheid heb in Christus om u te bevelen hetgeen betamelijk is,

9 zoo bid ik nogtans liever door de liefde, daar ik zoodanig een ben, te weten Paulus, een oud man, en nu ook een gevangene van Jezus Christus;

10 ik bid u dan voor mijnen zoon, denwelken ik in mijne banden heb geteeld, namelijk ünésimus;

11 die eertijds u onnut was, maar nu u eh mij zeer nuttig; denwelken ik wedergezonden heb.

12 Doch gij, neem hem , dat is mijne ingewanden, weder aan;

13 denwelken ik wel had willen bij mij behouden, opdat hij mij voor u dienen zoude in de banden des Evangelies;

14 maar ik heb zonder uw goedvinden niets willen doen, opdat uwe goeddadigheid niet zoude zijn als naar bedwang, maar naar vrijwilligheid.

15 Want veellicht is hij daarom voor eenen kleinen tijd van u gescheiden geweest, opdat gij hem eeuwig zoudt weder hebben:

16 nu voortaan niet als eenen dienstknecht, maar meer dan een dienstknecht, namelijk een geliefden broeder, inzonderheid mij , hoeveel meer dan u, beide in het vleesch en in den Heere.

17 Indien gij mij dan houdt voor een metgezel, zoo neem hem aan gelijk als mij.

18 En indien hij u iets verongelijkt heeft of schuldig is, reken dat mij toe.

19 Ik Paulus heb het geschreven met deze mijne hand: ik zal het betalen; opdat ik u niet zegge dat gij ook uzelven mij daartoe schuldig zijt.

20 Ja, broeder, laat mij uwer hierin genieten in den Heere; verkwik mijne ingewanden in den Heere.

21 Ik heb aan u geschreven vertrouwende op uwe gehoorzaamheid, en ik weet dat gij doen zult ook boven hetgeen ik zeg.

22 En bereid mij ook tegelijk eene herberg; want ik hoop dat ik door uwe gebeden ulieden zal geschonken worden.

23 U groeten Epafras mijn medegevangene in Christus Jezus,

24 Marcus, Aristarchus, Demas, Lucas, mijne medearbeiders.

25 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met uwen geest. Amen.


1)E BRIEF VAN DE

AAiN

H E 13 11

[ APOSTEL PAULUS

DE

EEK Ö.


HOOFDSTUK 1.

God voortijds veelmaal en op velerlei wijs tot de vaderen gesproken hebbende door de Profeten , heeft in deze laatste dagen tot ons gesproken door den Zoon,

2 welken hij gesteld heeft tot een erfgenaam van alles; door welken hij ook de woreld gemaakt heeft.

3 Dewelke alzoo hij is het af-


-ocr page 1323-

11 EB REEKS 2.

201)

schijnsel zijner heerlijkheid, en het uitgedrukte beeld zijner zeli-standigheid, en alle dingen draagt door het woord zijner kracht, nadat bij de reinigmaking onzer zonden door zichzelven teweeggebracht heeft, is gezeten aan de rechleritan^ der Majesteit in de hoogste hemelen,

4 zooveel treifelijker geworden dan de Engelen, als hij uitnemen-der naam boven hen geërfd heeft.

5 Want lot wien van de Engelen heeft hij ooit gezegd: Gij zijtmijn Zoon, heden heb ik u gegenereerd? En wederom: Ik zal hem lot een Vader zijn en hij zal mij lot een Zoon zijn?

ü En als hij wederom den eerstgeborene inbrengt in de wereld, zegt hij: En dat alle Engelen Gods hem aanbidden.

7 En tot de Engelen zegt hij wel: Die zijne Engelen maakt geesten, en zijne dienaars eene vlam des vuurs;

8 maar tot den Zoon zeut hij: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid; de schepter uws Ko-ninkrijks is een rechte schepter;

9 gij hebt rechtvaardigheid liefgehad en ongerechtigheid gehaat: daarom heeft u, o God, uw God gezalfd met olie der vreugde boven uwe medegenoolen.

10 En: Gij Heere hebt in den beginne de aarde gegrond, en de hemelen zijn werken uwer handen:

11 dezelven zullen vergaan , maar gij blijft altijd; en zij zullen allen als een kleed verouden,

12 en als een dekkleed zult gij ze inéénrollen, en zij zullen veranderd worden ; maar gij zijt dezelfde , en uwe jaren zullen niet ophouden.

13 En tot welken der Engelen heeft hij ooit gezegd: Zit aan mijne rechter/?a/id, totdat ik uwe vijanden zal gezet hebben tot een voetbank uwer voeten ?

14 Zijn ze niet allen gedienstige geeslen, die tot dienst uitgezonden worden om dergenen wille die de zaligheid beërven zullen?

HOOFDSTUK 2.

Daarom moeien wij ons te meer houden aan heigeen vuu una ge-hoord is, opdat wij niet te eeniger tijd doorvloeien.

2 Want indien het woord door de Engelen gesproken vast is geweest, en alle overtreding en ongehoorzaamheid rechtvaardige vergelding ontvangen heeft,

3 hoe zullen wij ontvlieden, indien wij op zóó groote zaligheid geen acht nemen? Dewelke begonnen zijnde verkondigd te worden door den Heere, aan ons bevestigd is geworden van degenen die hein gehoord hebben,

4 God bovendien medegetuigGnde door teekenen en wonderen en menigerlei krachten, en bedeelingen des Heiligen Geestes naaizij nen wil.

5 Want hij heeft aan de Engelen niet onderworpen de toekomende wereld, van welke wij spreken.

(i Maar daar heeft iemand ergens betuigd, zeggende: Wat is de mensch dat gij fijner gedenkt, of des menschen Zoon dat gij hem bezoekt!

7 Gij hebt hem een weinig minder gemaakt dan de Engelen, met heerlijkheid en eere hebt gij hem gekroond, en gij hebt hem gesteld over de werken uwer handen.

8 Alle dingen hebt gij onder zijne voeten onderworpen. Want daarin dat hij hem alle dingen heeft onderworpen, heeft hij niets uitgelaten dat hem niet onderworpen zij; doch nu zien wij nog niet dat hem alle dingen onderworpen zijn.

9 Maar wij zien Jezus met heerlijkheid en eere gekroond, die een weinig minder dan de Engelen geworden was, vanwege het lijden des doods, opdat hij door de genade Gods voor allen den dood smaken zoude.

10 Want het betaamde hem, om welken alle dingen zijn en door welken alle dingen zijn, dat hij vele kinderen tot de heerlijkheid leidende, den oversten Leidsman hunner zaligheid door lijden zoude heiligen.

11 Want èn hij die heiligt èn zij die geheiligd worden zijn allen uit één; om welke oorzaak hij zich niet schaamt hen broeders te noemen,


-ocr page 1324-

HEBREERS 3.

270

12 zeggende: Ik zal uwen naam mijnen broederen verkondigen, in het midden der gemeente zal ik u lofzingen;

13 en wederom: Ik zal mijn betrouwen op hem stellen; en wederom: Zie daar, ik en de kinderen die mij God gegeven heeft.

14 Overmits dan de kinderen des vleesches en bloeds deelachtig zijn, zoo is hij ook desgelijks der-zelven deelachtig geworden, opdat hij door den dood te niet doen zoude dengenen die het geweld des doods had, dat is den duivel,

15 en verlossen zoude alle degenen die met vreeze des doods door al hun leven der dienstbaarheid onderworpen waren.

16 Want waarlijk hij neemt de Engelen niet aan, maar hij neemt het zaad Abrahams aan.

17 Waarom hij in alles den broederen moest gelijk worden, opdat hij een barmhartig en een getrouw Hoogepriester zoude zijn in de dingen die bij God te doen waren, om de zonden des volks te verzoenen.

18 Want in hetgeen hij zelfver-zocht zijnde geleden heeft kan hij degenen die verzocht worden te hulp komen.

HOOFDSTUK 3.

Hierom, heilige broeders, die der hemelsche roeping deelachtig zijt, aanmerkt den Apostel en Hoogepriester onzer belijdenis Christus Jezus,

2 die getrouw is dengenen die hem gesteld heeft, gelijk ook Mozes in geheel zijn huis was;

3 want deze is zooveel meerder heerlijkheid waardig geacht dan Mozes, als degeen die het huis gebouwd heeft meerder eere heeft dan het huis.

4 Want ieder huis wordt van iemand gebouwd, maar die dit allés gebouwd heeft is God.

5 En Mozes is wel getrouw geweest in geheel zijn huis als een dienaar, tot getuigenis der dingen die daarna gesproken zouden worden,

C maar Christus als de Zoon over zijn eigen huis, wiens huis wij zijn, indien wij maar de vrijmoedigheid en den roem der hoop tot den einde toe vasthouden.

7 Daarom gelijk de Heilige Geest zegt: Heden indien gij zijne stemme hoort,

8 zoo verhardt uwe harten niet, gelijk het geschied is in de verbittering ten dage der verzoeking in de woestijn,

9 alwaar mij uwe vaderen verzocht hebben; zij hebben mij beproefd, en hebben mijne werken gezien, veertig jaren lang.

10 Daarom was ik vertoornd over dat geslacht, en sprak: Altijd dwalen zij met het hart, en zij hebben mijne wegen niet gekend.

11 Zoo heb ik dan gezworen in mijnen toorn: Indien zij in mijne rust zullen ingaan!

12 Ziet toe, broeders, dat niet te eeniger tijd in iemand van u zij een boos orgeloovig hart, om af te wijken van den levenden God;

13 maar vermaant elkander te allen dage, zoolang als het heden genaamd wordt, opdat niet iemand uit u verhard worde door de verleiding der zonde.

14 Want wij zijn Christus deelachtig geworden, zoo wij namelijk het beginsel van dezen vasten grond tot den einde toe vast behouden ,

15 terwijl daar gezegd wordt: Heden indien gij zijne stemme hoort, zoo verhardt uwe harten niet, gelijk in de verbittering ye-sehied is.

10 Want sommigen als zij die gehoord haddei, hebben/icm verbitterd, doch niet allen die uit Egypte door Mozes uitgegaan zijn.

17 Over welke nu is hij vertoornd geweest veertig jaren? Was het niet over degenen die gezondigd hadden, welker lichamen gevallen zijn in de woestijn?

18 En welken heeft hij gezworen dat zij in zijne rust niet zouden ingaan, anders dan dengenen die ongehoorzaam geweest waren?

19 En wij zien dat zij niet hebben kunnen ingaan vanwege hun ongeloof.


-ocr page 1325-

HEBREERS

271

HOOFDSTUK 4.

Laat ons dan vreezen, dat niet ,e eeaiger tijd de belofte van in iijne rust in te gaan nagelaten ;ijnde,iemand van usehijneachter-jebleven te zijn.

2 Want ook ons is het Evangelie verkondigd, gelijk als hun; maar iet Woerd der prediking deed hun ?een nut, dewijl het met het ge-oof niet gemengd was in degenen [lie het gehoord hebben.

3 Want wij die geloofd hebben jaan in de rust, gelijk hij gezegd leeft: Zoo heb ik dan gezworen n mijnen toorn: Indien zij zullen ngaan in mijne rust! hoewel zijne werken van de grondlegging dei-wereld af al volbracht waren.

4 Want hij heeft ergens van den zevenden dag aldus gesproken: En God heeft op den zevenden dag van alle zijne werken gerust.

5 En in deze plaats wederom: Indien zij in mijne rust zullen ingaan!

6 Dewijl dan blijft, dat sommigen in die rust ingaan, en degenen wien het Evangelie het eerst verkondigd was niet ingegaan zijn vanwege de ongehoorzaamheid,

7 zoo bepaalt hij wederom een zekeren dag, namelijk heden, door David zeggende zoo langen tijd daarna (gelijkerwijs gezegd is): Heden indien gij zijne stemme hoort, zoo verhardt uwe harten niet.

8 Want indien Je7.us hen in de rust gebracht heeft, zoo had hij daarna niet gesproken van eenen anderen dag.

9 Er blijft dan eene ruste over voor het volk Gods.

10 Want die ingegaan is in zijne rust, die heeft zelf óók van zijne werken gerust, gelijk God van de zijne.

11 Laat ons dan ons benaarstigen om in die rust in te gaan, opdat niet iemand in hetzelfde exempel der ongeloovigheid valle.

12 Want het Woord Gods is levend en krachtig, en scherpsnijdender dan eenig tweesnijdend zwaard, en gaat dóór lot de verdeeling der ziele en des geestes, en der samenvoeg.selen en des mergs, en is een oordeeler der gedachten en der overleggingen des harten,

13 en daar is geen schepsel onzichtbaar voor hem, maar alle dingen zijn naakt en geopend voor de oogen desgenen met welken wij te doen hebben.

14 Dewijl wij dan eenen grooten Hoogepriester hebben, die door de hemelen doorgegaan is, namelijk Jezus den Zoon Gods, zoo laat ons deze belijdenis vasthouden.

Want wij hebben geenen Hoogepriester die niet kan medelijden hebben met onze zwakheden, maar die in alle dingen gelijk als wij is verzocht geweest, doch zonder zonde.

16 Laat ons dan met vrijmoedigheid toegaan tot den troon der genade, opdat wij barmhartigheid mogen verkrijgen, en genade vinden om geholpen te worden ter bekwamer tijd.

HOOFDSTUK 5.

Want alle Hoogepriester uit de menschen genomen, wordt gesteld voor de menschen in de zaken die bij God te doen zijn, opdat hij offere gaven en slachtofferen voor de zonden;

2 die behoorlijk medelijden kan hebben met de onwetenden en dwalenden, overmits hij ook zelf met zwakheid omvangen is.

3 En om dier zwakheid wille moet hij, gelijk voor het volk, alzóó ook voor zichzelven offeren voor de zonden.

4 En niemand neemt zichzelven die eere aan, maar die van God geroepen wordt, gelijkerwijs als Aaron.

5 Alzóó ook Christus heeft zichzelven niet verheerlijkt om Hoogepriester te worden, maar die tot hem gesproken heeft: Gij zijtmijn Zoon, heden heb ik u gegenereerd.

6 Gelijk hij ook op eene andere plaats zegt: Gij zijt Priester in eeuwigheid naar de ordening Mel-chizódeks

7 Die in de dagen zijns vleesches gebeden en smeekingen tot den-gene, die hem uit den dood kon verlossen, met sterke roeping en


-ocr page 1326-

HEBREËRS G.

272

tranen, geofferd hebbende, en verhoord zijnde uit de vrees,

8 hoewel hij de Zoon was nog~ tans gehoorzaamheid geleerd heeft uit hetgeen bij heeft geleden,

9 en geheiligd zijnde, is hij allen die hem gehoorzaam zijn eene oorzaak der eeuwige zaligheid geworden ,

10 en is van God genaamd een Hoogepriesler naar de ordening Melchizédeks.

11 Van denwelken wij hebben vele dingen, en zwaar om te verklaren. te zeggen; dewijl gij traag om te hooren geworden zijt.

12 Want gij, daar gij leeraars behoordet te zijn vanwege den tijd, hebt wederom van noode dat men u leere welke de eerste beginselen zijn der woorden Gods; en g\'j zijt geworden als die melk van noode hebben en niet vaste spijs.

13 Want een iegelijk die der melk deelachtig is, die is onervaren in het Woord der gerechtigheid , want hij is een kind.

14 Maar der volmaakten is de vaste spijs , die door de gewoonte de zinnen geoefend hebben tot onderscheiding beide des goeds on des kwaads.

HOOFDSTUK G.

Daarom nalatende het beginsel der leer van Christus, laat ons tot de volmaaktheid voortvaren , niet wederom leggende het fundament van de bekeering van doode werken, en van het geloof in God,

2 van de leer der doopen, en van de oplegging der handen, en van de opstanding der dooden, en van het eeuwig oordeel.

3 En dit zullen wij ook doen, indien God het toelaat.

4 Want het is onmogelijk, degenen die ééns verlicht geweest zijn, en de hemelsche gave gesmaakt hebben, en des Heiligen Geestes deelachtig geworden zijn,

5 en gesmaakt hebben het goede Woord Gods en de krachten der toekomende eeuw,

6 en afvallig worden, die zegeje ilc wederom te vernieuwen tot bekeering, als welke zichz3lven den Zoon Gods wederom kruisigen en openlijk te schande maken.

7 Want de aarde die den regen menigmaal op haar komende indrinkt , en bekwaam kruid voortbrengt voor degenen, door welke zij ook gebouwd wordt, die ontvangt zegen van God,

S maar die doornen en Jistelen draagt, die is verwerpelijk en nabij de vervloeking, welker einde is tót verbranding.

9 Maar, geliefden, wij verzekeren ons aangaande u betere dingen, en met de zaligheid gevoegd, hoewel wij alzóó spreken.

10 Want God is niet onrechtvaardig, dat hij uw werk zoude vergeten, en den arbeid der liefde die gij aan zijnen naam bewezen hebt, quot;als die oe heiligen gediend hebt en nog dient.

11 Maar wij begeeren, dat een iegelijk van u dezelfde naarstigheid bewijze tot de volle verzekerdheid der hope, tot-den einde toe;

12 opdat gij ,iiet traag wordt, maar navolgers zijt dergenen die door geloof en lankmoedigheid de beloftenissen beërven.

13 Want als God Abraham de belofte deed, dewijl hij bij niemand die meerder was had te zweren, zoo zwoer hij bij zich-zelven ,

14 zeggende: Waarlijk, zegenende zal ik u zegenen, en vermenigvuldigende zal ik u vermenigvuldigen,

15 En alzóó lankmoediglijk verwacht hebbende, heeft hij de beloften verkregen.

16 Want de menschen zweren wel bij den meerdere dan zij zijn, en do quot;eed tot bevestiging is den-zelven een einde van alle tegen* spreking,

17 waarin God willende den erfgenamen der be.oftenis overvloedig-lijker bewijzen de onveranderlijkheid zijns raids, is met eenen eed daartusschen gekomen;

18 opdat wij door twee onveranderlijke dingen, in welke het onmogelijk is dat God liege, eene sterke vertroosting zouden hebben,


-ocr page 1327-

H E B R E Ë R S 7.

273

ivij namelijk die de toevlucht genomen hebben om de voorgestelde hope vast te houden;

19 welke wij hebben als een anker der ziel, 51welk zeker en vast is , en ingaat in het binnenste des voorhangsels,

20 waar de voorlooper voor ons is ingegaan , ndmelijk Jezus, naar de ordening Melchizédeks een Hoo-gepriester geworden zijnde in der eeuwigheid,

HOOFDSTUK 7.

Want deze Melchizédek was Koning van Salem, een Priester des allerhoogsten Gods, die Abraham tegemoet ging als hij wederkeerde van het verslaan der Koningen, en hem zegende;

2 aan welken ook Abraham van alles de tiende deelde: die vooreerst overgezet wordt Koning der gerechtigheid, en daarna ook was een Koning van Salem, \'t welk is een Koning des vredes;

3 zonder vader, zonder moeder, zonder geslachtrekening, noch begin der dagen noch einde des levens hebbende; maar den Zone Gods gelijk geworden zijnde, blijft een Priester in eeuwigheid.

4 Aanmerkt nu hoe groot deze geweest is, aan denwelken ook Abraham de Patriarch tiende gegeven heeft uit den buit.

5 En die uit de kinderen van Levi het Priesterschap ontvangen, hebben wel bevel om tiende te nemen van het volk naar de wet, dat is van hunne broederen, hoewel die uit de lendenen Abrahams voortgekomen zijn,

6 maar hij die zijne geslachtrekening uit hen niet heeft, die heeft van Abraham tiende genomen , en hem die de beloftenissen had heeft hij gezegend.

7 Nu zonder eenig tegenspreken , hetgeen minder is wordt gezegend van hetgeen meerder is.

8 En hier nemen wel tienden de menschen die sterven, maar aldaar neemt ze die van welken getuigd wordt dat hij leeft.

9 En om zoo te spreken, ook Levi, die tienden neemt, heeft door Abraham tiende gegeven;

•10 want hij was nog in delendenen des vaders, als hem Melchizédek tegemoet ging.

11 Indien dan nu de volkomenheid door het levitische Priester-schop ware, (want onder hetzelve heeft het volk de wet ontvangen), wat nood was het nog, dat een ander Priester naar de ordening Melchizédeks zoude opstaan, en die niet zoude gezegd worden te zijn naar de ordening Aarons ?

12 Want het Priesterschap veranderd zijnde, zoo geschiedt er ook noodzakelijk verandering der wet.

13 Want hij, op wien deze dingen gezegd worden, behoort tot een anderen stam, van welken niemand zich tot het altaar begeven heeft.

14 Want het is openbaar dat onze Heere uit Juda gesproten is, op welken stam Mozes niets gesproken heeft van het Priesterschap.

15 En dit is nog veel meer openbaar, zoo er naar de gelijkenis van Melchizédek een ander Priester opstaat,

16 die dit niet naar de wet des vleeschelijken gebods is geworden, maar naar de kracht des onver-gankelijken levens. _ „

17 Want hij getuigt: Gij zijt Priester in der eeuwigheid naar de ordening Melchizédeks.

18 Want de vernietiging van het voorgaande gebod geschiedt om deszelfs zwakheids en onpro-fijtelijkheids wille;

19 want de wet heeft geen ding volmaakt, maar de aanleiding van eene betere hoop, door welke wij tot God genaken.

20 En voor zooveel het niet zonder eedzwering is geschied, (want génen zijn wel zonder eedzwering Priesters geworden,

21 maar déze met eedzwering door dien, die tot hem gezegd heeft: De Heere heeft gezworen, en het zal hem niet berouwen : Gij zijt Priester in eeuwigheid naar de ordening Melchizédeks).

22 Van een zooveel beter Verbond is Jezus borg geworden.

23 En géne zijn wel vele Pries-


-ocr page 1328-

274 H E B R E

ters geworden, omdat zij door den dood verhinderd werden altijd te blijven;

24 maar déze, omdat hij in eeuwigheid blijft, heeft een onvergankelijk Priesterschap,

25 waarom hij ook volkomen kan zalig maken degenen die door hem tot God gaan; alzoo hij altijd leeft om voor hen te bidden.

20 Want zoodanig een Ilooge-priester betaamde ons, heilig, onnoozel, onbesmet, afgescheiden van de zondaren, en hooger dan de hemelen geworden;

27 Dien het niet alle dagen noo-dig was, gelijk den Hoogepriesters, eerst voor zijne eigene zonden slachtofferen op te offeren, daarna voor de zonden des volks; want dat heeft hij éénmaal gedaan, als hij zichzelven opgeofferd heeft.

\'28 Want de wet stelt tot Hoogepriesters menschen die zwakheid hebben; maar het woord der eedzwering, die na de wet is gevolfjd, slelt den Zoon die in der eeuwigheid geheiligd is.

HOOFDSTUK 8.

De hoofdsom nu der dingen waarvan wij spreken is, dat wij hebben zoodanigen Hoogepriester, die gezeten is aan de rechter/iand van den troon der Majesteit in de hemelen,

2 een bedienaar des heiligdoms, en des waren Tabernakels, welken de Heere heeft opgericht, en geen mensch.

3 Want een iegelijk Hoogepriester wordt gesteld om gaven en slachtofferen te offeren; waarom het noodzakelijk was dat ook deze iets had, dat hij zoude offeren.

4 Want indien hij op aarde ware, zoo zoude hij zelfs geen Priester zijn, terwijl daar Priesters zijn, die naar de wet gaven offeren;

5 welke het vóórbeeld en de schaduw der hemelsche dingen dienen, gelijk Mozes door Goddelijke aanspraak vermaand was, ais hij den Tabernakel volmaken zoude. Want zie, zegt hij, dat gij het alles maakt naar de afbeel-

CRS 8, 9.

ding, die u op den berg getoond is.

6 En nu heeft hij zooveel uit-nemender bediening gekregen, als hij ook eens beteren Verbonds Middelaar is , \'t welk in betere beloftenissen bevestigd is.

7 Want indien dat eerste Ver-hond onberispelijk geweest ware, zoo zoude voor het tweede geene plaats gezocht zijn geweest.

8 Want hen berispende zegt hij tot hen: Zie, de dagen komen, spreekt de Heere, en ik zal over het huis Israëls en over het huis van Juda een nieuw Verbond oprichten ,

9 niet naar het Verbond dat ik met hunne vaderen gemaakt heb ten dage als ik hen bij de hand nam om hen uit Egypteland te leiden; want zij zijn in dat mijn verbond niet gebleven, en ik héb op hen niet geacht, zegt de Heere.

10 Want dit is het Verbond dat ik met het huis Israëls maken zal na die dagen, zegt de Heere: ik zal mijne wetten in hun verstand geven, en in hunne harten zal ik die inschrijven; en ik zal hun tot een God zijn en zij zullen mij tot een volk zijn.

dl En zij zullen niet Iseren een iegelijk zijnen naaste en een iegelijk zijnen broeder, zeggende: Ken den Heere; want zij zullen mij allen kennen, van den kleine onderhen tot den groote onder hen;

12 want ik zal hunne ongerechtigheden genadig zijn, en hunne zonden en hunne overtredingen zal ik geenszins meer gedenken.

13 Als hij zegt: Een nieuw Verbond, zoo heeft hij het eerste oud gemaakt: wat nu oud gemaakt is en veroudert, is nabij de verdwijning.

HOOFDSTUK 9.

Zoo had dan wel ook het eerste Verbond rechten des f/odsdienstes, en het wereldlijk heiligdom.

2 Want de Tabernakel was toebereid, namelijk de eerste, in welken was de kandelaar en de tafel en de toonbrooden, welke genaamd wordt het heilige;

3 maar achter het tweede voor-


-ocr page 1329-

HEBREËRS 9.

275

hangscl was de Tabernakel genaamd het heilige der heiligen,

4 hebbende een gouden wierookvat, en de Arke des verbonds alom met goud overdekt, in welke was de gouden kruik daar het manna in was, en de staf Aarons die gebloeid had, en de tafelen des verbonds.

5 En boven over deze Ark waren de cherubs der heerlijkheid, die het verzoendeksel beschaduwden : van welke dingen wij nu van stuk tot stuk niet zullen zeggen.

6 Deze dingen nu aldus toebereid zijnde, zoo gingen wel de Priesters in den eersten Tabernakel te allen tijde om de grodsdiensten te volbrengen ;

7 maar in den tweeden Tabernakel ging alleen de Hoogepriestcr éénmaal des jaars, niet zonder bloed, hetwelk hij offerde voor zichzelven en voor des volks misdaden,

8 waarmede de Heilige Geest dit beduidde, dat de weg des heiligdoms nog niet openbaar gemaakt was zoolang de eerste Tabernakel nog stand had,

9 welke was eene afbeelding voor dien tegenwoordigen tijd, in welken gaven en slachtofferen geofferd werden, die dengenen die den dienst pleegde niet konden heiligen naar de conscienlie,

10 bestaande alleen in spijzen, en dranken, en verscheiden was-schingen, en rechtvaardigmakin-gen des vleesches, tot op den tijd der verbetering opgelegd.

11 Maar Christus de Hoogepries-ter der toekomende goederen gekomen zijnde, is door den meerderen en volmaakteren Tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van dit maaksel,

12 noch door het bloed der bokken en kalveren maar door zijn eigen bloed, éénmaal ingegaan in het heiligdom, eene eeuwige verlossing teweeggebracht hebbende.

13 Want indien het bloed der stieren en bokken, en de asch der jonge koe besprengende de onrei-nen, hen heiligt tot de reinigheid des vleesches:

14 hoeveel te meer zal het bloed van Christus, die door den eeuwigen Geest zichzelven Gode onstraf-felijk opgeofferd heeft, uwe consciëntie reinigen van doode werken, om den levenden God te dienen.

15 En daarom is hij de Middelaar des nieuwen Testaments , opdat, de dood daartiisschen gekomen zijnde tot verzoening der overtredingen die onder het eerste Testament waren, degenen die geroepen zijn de beloftenis der eeuwige erve ontvangen zouden.

16 Want waar een testament is, daar is het noodzaak dat de dood des testamentmakers tusschen-kome,

17 want een testament is vast in de dooden, dewijl het nog geen kracht heeft wanneer de testamentmaker leeft:

18 waarom ook het eerste niet zonder bloed is ingewijd.

19 Want als alle de geboden naar de wet van Mozes tot al het volk uitgesproken waren, nam hij het bloed der kalveren en bokken, met water en purperen wol en hysop, besprengende beide het boek zelf en al het volk,

20 zeggende: Dit is het bloed des Testaments \'twelk God aan ulieden heeft geboden.

21 En hij besprengde desgelijks ook den Tabernakel en alle de vaten van den dienst met het bloed.

22 En alle dingen worden bijna door bloed gereinigd naar de wet, en zonder bloedstorting geschiedt geene vergeving.

23 Zoo was het dan noodzaak, dat wel de vóórbeeldingen der dingen die in de hemelen zijn door deze dingen gereinigd werden, maar de hemelsche dingen zeiven door beter offeranden dan deze.

24 Want Christus is niet ingegaan in het heiligdom dat met handen gemaakt is, \'t welk is een tegenbeeld van het ware, maar in den hemel zeiven, om nu te verschijnen voor het aangezicht Gods voor ons.

25 Noch ook opdat hij zichzelven dikwijls zoude opofferen, gelijk de Hoogepriester alle jaren in het


-ocr page 1330-

ËHS 10.

27ü

H E B K E

heiligdom ingaat met vreemd bloed;

2(3 (anders had hij dikwijls moeten lijden van de grondlegging der wereld af); maar nu is hij éénmaal in de voleinding der eeuwen geopenbaard, om de zonde te niet te doen door zijns zelfs offerande.

27 En gelijk het den menschen gezet is éénmaal te sterven, en daarna het oordeel,

28 alzóó ook Christus, éénmaal geofferd zijnde om veler zonden weg te nemen, zal ten anderen male zonder zonde gezien worden van degenen die hem verwachten tot zaligheid.

HOOFDSTUK 10.

Want de wet, hebbende eene schaduw der toekomende goederen, niet het beeld zelf der zaken, kan met dezelfde offeranden, die zij alle jaren gedurig opofferen nimmermeer heiligen degenen die daar toegaan:

2 anderszins zouden zij opgehouden hebben geofferd te worden, omdat degenen die den dienst pleegden geen conscientie meer zouden hebben der zonden, éénmaal gereinigd geweest zijnde,

3 maar nu geschiedt in dezelve alle jaren weder gedachtenis der zonden.

4 Want het is onmogelijk dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme.

5 Daarom komende inde wereld zegt hij: Slachtoffer en offerande hebt gij niet gewild, maar gij hebt mij het lichaam toebereid;

ü brandofferen en o/)\'er voor de zonde hebben u niet behaagd:

7 toen sprak ik: Zie, ik kom (in het begin des boeksisvan mij geschreven) om uwen wil te doen, o God.

8 Als hij te voren gezegd had: Slachtoffer en offerande en brandoffers en offer voor de zonde hebt gij niet gewild, noch hebben u behaagd, (dewelke naar de wet geofferd worden),

9 toen sprak hij: Zie, ik kom om uwen wil te doen, o God. Hij neemt het eerste weg, om het tweede te stellen.

10 In welken wil wij geheiligd zijn door de offerande des lichaams van Jezus Christus éénmaal lt;jc-schied.

11 En een iegelijk Priester stond wel alle dagen dienende, en dezelfde slachtofferen dikwijls offerende, die de zonden nimmermeer kunnen wegnemen;

12 maar deze, één slachtoffer voor de zonden geofferd hebbende, is in eeuwigheid gezeten aan de rechter/iand Gods,

13 voorts verwachtende totdat zijne vijanden gesteld worden tot een voetbank zijner voeten.

14 Want met ééne offerande heeft hij in eeuwigheid volmaakt degenen die geheiligd worden.

15 En de Heilige Geest getuigt het ons óók.

16 Want nadat hij te voren gezegd had: Dit is het Verbond dat ik met hen maken zul na die dagen, zegt de Heere: ik zal mijne wetten geven in hunne harten, en ik zal die inschrijven in hunne verstanden ;

17 en hunner zonde i en hunner ongerechtigheden zal ik geenszins meer gedenken.

18 Waar nu vergeving derzeive is, daar is geene offerande meer voor de zonde.

19 Dewijl wij dan, broeders, vrijmoedigheid hebben om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus,

20 op eenen verschen en levenden weg , welken hij ons ingewijd heeft door liet voorhangsel, dat is door zijn vleesch,

21 en dewijl to ij hebben eenen grooten Priester over het Huis Gods,

22 zoo laat ons toegaan met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs, onze harten gereinigd zijnde van de kwade conscientie, en het lichaam ge-wasschen zijnde met rein v/ater;

23 laat ons de onwankelbare belijdenis der hoop vasthouden; (want die het beloofd heeft is getrouw);

24 en laat ons op elkander acht nemen, tot opscherping der liefde en der goede werken;


-ocr page 1331-

HEBREËRS 11.

277

25 en laat ons onze onderlinge bijéénkomst niet nalaten, gelijk sommigen de gewoonte hebben, maar elkander vermanen: en dat zooveel te meer als gij ziet dat de dag nadert.

2ö Want zoo wij willens zondigen, nadat wij de kennis der waarheid ontvangen hebben, zoo blijft daar geen slachtoffer meer over voor de zonden,

27 maar eene schrikkelijke verwachting des oordeels, en hitte des vuurs, dat de tegenstanders zal verslinden.

28 Als iemand de wet van Mozes heeft te niet gedaan, die sterft zonder barmhartigheid onder twee of drie getuigen:

29 hoeveel te zwaarder straf, meent gij, zal hij waardig geacht worden, die den Zoon Gods vertreden heeft, en het bloed des Testaments onrein geacht heeft, waardoor hij geheiligd was. en den Geest der genade smaadheid heeft aangedaan?

30 Want wij kennen hem die gezegd heeft: Mijne is de wrake, ik zal het vergelden, spreekt de Heere. En wederom: De Heere zal zijn volk oordeelen.

31 Vreeselijk is het te vallen in do handen des levenden Gods.

32 Doch gedenkt der vorige dagen, in dewelke nadat gij verlicht zijt geweest, gij veel strijd des lijdens hebt verdragen,

33 ten deele als gij door smaadheden en verdrukkingen een schouwspel geworden zijt, en ten deele als gij gemeenschap gehad hebt met degenen die alzoo behandeld werden.

34 Want gij hebt ook over mijne banden medelijden gehad, en de rooving uwer goederen met blijdschap aangenomen, wetende dat gij hebt in uzelven een beter en blijvend goed in de hemelen.

35 Werpt dan uwe vrijmoedigheid niet weg, welke eene groote vergelding des loons heeft.

36 Want gij hebt lijdzaamheid van noode, opdat gij den wil van God gedaan hebbende, de beloftenis moogt wegdragen.

37 Want nog een zeer weinig tijds, cn hij die te komen staat zal komen en niet vertoeven.

38 Maar de rechtvaardige zal uit den geloove leven; en zoo iemand zich onttrekt, mijne ziel heeft in hem geen behagen.

39 Maar wij zijn niet van degenen die zich onttrekken ten ver-derve, maar van degenen die ge-looven tot behoudenis der ziel.

HOOFDSTUK 11.

Het geloof nu is een vaste grond der dingen die men hoopt, cn een bewijs der zaken die men niet ziet.

2 Want door hetzelve hebben de ouden getuigenis bekomen.

3 Door het geloof verslaan wij dat de wereld door het Woord Gods is toebereid, alzoo dat de dingen die men ziet niet geworden zijn uit dingen die gezien worden.

4 Door het geloof heeft Abel eene meerdere offerande Gode geofferd dan Kain, door hetwelk hij getuigenis bekomen heeft dat hij rechtvaardig was, alzoo God over zijne gaven getuigenis gaf; en door dat geloof spreekt hij nog nadat hij gestorven is.

5 Door het geloof is Henoch weggenomen geweest, opdat hij den dood niet zoude zien, en hij werd niet gevonden, daarom dat God hem weggenomen had. Want vóór zijne wegneming heeft hij getuigenis gehad dat hij Gode behaagde.

G Maar zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen. Want die tot God komt, moet £gt;elooven dat hij is, en een belooner is dergenen die hem zoeken.

7 Door het geloof heeft Noach, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde aangaande de dingen die nog niet gezien werden, cn bevreesd geworden zijnde, de ark toebereid tot behoudenis van zijn huisgezin; door welke ark hij de wereld heeft veroordeeld, en is geworden een erfgenaam derrechtvaardigheid die naar het geloof is.

8 Door het geloof is Abraham geroepen zijnde gehoorzaam geweest, om uit te gaan naar de plaats, die hij tot een erfdeel onl-


-ocr page 1332-

HEBREËRS H.

278

vangen zoude, en hij is uitgegaan niet wetende waar hij komen zoude.

9 Door het geloof is hij een inwoner geweest in het land der belofte als in een vreemd land%, en heeft in tabernakelen gewoond, met Isaak en Jakob die mede-erfgenamen waren derzelfde belofte,

10 want hij verwachtte de stad die fundamenten heeft, welker kunstenaar en bouwmeester God is.

11 Door het geloof heeft ook Sara zelve kracht ontvangen om zaad te geven, en boven den tijd haars ouderdoms heeft zij gebaard, overmits zij hem getrouw heeft geacht die het beloofd liad.

12 Daarom zijn ook van éénen, en dat van eenen verstorvene, zoo-velen in menigte geboren als de sterren des hemels, en als het zand dat aan den oever der zee is, hetwelk ontelbaar is.

13 Deze allen zijn in het geloof gestorven, de beloften niet verkregen hebbende, maar hebben dezelven van verre gezien en geloofd en omhelsd, en hebben beleden dat zij gasten en vreemdelingen op de aarde waren.

14 Want die zulke dingen zeggen, betoenen klaarlijk dat zij een vaderland zoeken.

15 En indien zij aan dat vaderland gedacht hadden van \'t welk zij uitgegaan waren, zij zouden tijd gehad hebben om weder te keeren;

16 maar nu zijn zij begeerig naar een beter, \' dat is naar het hemelsche. Daarom schaamt zich God hunner niet, om hun God genaamd te worden; want hij had hun eene stad bereid.

17 Door het geloof heeft Abraham , als hij verzocht werd, Isaak geofferd, en hij die de beloften ontvangen had heeft zijnen eenig-geborene geofferd,

18 (tot denwelken gezegd was: In Isaak zal u het zaad genaamd worden), overleggende dat God machtig was hem ook uit de doo-den te verwekken;

19 waaruit hij hem ook bij gelijkenis wedergekregen heeft.

20 Door het geloof heeft Isaak zijne zonen Jakob en Ezau gezegend aangaande toekomende dingen.

21 Door het geloof heeft Jakob stervende een iegelijk der /enen •lozefs gezegend, en quot;heeft aangebeden, leunende op het opperste van zijnen staf.

22 Door het geloof heeft Jozef stervende gemeld van den uitgang der kinderen Israels, en heeft bevel gegeven van zijn gebeente.

23 Door het geloof werd Mozes toen hij geboren was drie maanden lang van zijne ouders verborgen, overmits zij zagen dat het kindeken schoon was; en zij vreesden het gebod des Konings niet.

24 Door het geloof heeft Mozes, nu groot geworden zijnde, geweigerd een zoon van Farao\'s dochter genavmd te worden;

25 verkiezende liever met het volk Gods kwalijk behandeld te worden, dan voor eenen tijd de genieting der zonde te hebben,

26 achtende de versmaadheid van Christus meerderen rijkdom te zijn dan de schatten in Egypte; want hij zag op de vergelding des loons.

27 Door het geloof heeft hij Egypte verlaten, niet vreezende den toorn des Konings, want hij hield zich vast als ziende den Onzienlijke.

28 Door het geloof heeft hij het Pascha uitgericht, en de bespren-ging des bloeds, opdat de ver-derver der eerstgeborenen hen niet raken zoude.

29 Door het geloof zijn zij de Roede zee doorgegaan als door het droge; hetwelk de Egyptenaars óók beproevende, zijn. verdronken.

30 Door het geloof zijn de muren van Jericho gevallen, als ze tot zeven dagen toe omringd waren geweest.

31 Door het geloof is Rachab de hoer niet omgekomen met de onge-hoorzamen, als zij de verspieders met vrede had ontvangen.

32 En wat zal ik nog meer zeggen? Want de tijd zal mij ontbreken, zoude ik verhalen van Gideon, en Barak, en Simson, en Jefta, en David, en Samuël, en de Profeten;


-ocr page 1333-

ËRS 12.

H E B R E

279

33 welke door het geloof koninkrijken hebben overwonnen, gerechtigheid geoefend, de beloftenissen verkregen, de muilen der leeuwen toegestopt,

34 de kracht des vuurs hebben uitgebluscht, de scherpte des zwaards zijn ontvloden, uit zwakheid krachten hebben gekregen, in den krijg sterk geworden zijn, heirlegers der vreemden op de vlucht hebben gebracht;

35 de vrouwen hebben hare dooden uit dc opstanding wedör-gekregen; en anderen zijn uitgerekt geworden, de aanr/ehoden verlossing niet aannemende, opdat zij eene betere opstanding verkrijgen zouden,

36 en anderen hebben bespottingen en geeselingen geleden, en ook banden en gevangenis,

37 zijn ge-teenigd geworden, in stukken gezaagd, verzocht, door het zwaard ter dood gebracht, hebben gewandeld in schaapsvellen en in gei tonvellen; verlaten, verdrukt, kwalijk behandeld zijnde,

quot;38 (welker de wereld niet waardig was), hebben in woestijnen gedoold en op bergen en in spelonken en in de holen der aarde.

39 En deze allen hebbende door het geloof getuigenis gehad, hebben de belofte niet verkregen,

40 alzoo God wat beters over ons voorzien had, opdat zij zonder ons niet zouden volmaakt worden.

HOOFDSTUK 12.

Daarom dan ook, alzoo wij zoo groot eene wolk der getuigen rondom ons hebben liggende, l.aat ons afleggen allen last en de zonde die ons lichtelijk omringt, en laat ons met lijdzaamheid loopen de loopbaan die ons voorgesteld is,

2 ziende op den oversten Leidsman en Voleinder des gcloofs Jezus, dewelke voor de vreugde, die hem voorgesteld was, het kruis heeft verdragen en schande veracht, en is gezeten aan de rech-terhand des troons Gods.

3 Want aanmerkt dezen, die zoodanig een tegenspreken van cjc zondaren tegen zich heeft vei dragen, opdat gij niet verflauwt en bezwijkt in uwe zielen.

4 Gij hebt nog ten bloede toe niet tegengestaan, strijdende tegen de zonde;

5 en gij hebt vergeten de vermaning , die tot u als tot zonen spreekt: Mijn zoon, acht niet klein de kastijding des Heeren, en bezwijk niet als gij van hem bestraft wordt.

G Want dien de Heere liefheeft kastijdt hij, en hij geeselt een iegelijken zoon dien hij aanneemt.

7 Indien gij de kastijding verdraagt, zoo gedraagt zich God jegens u als zonen; (want wat zoon is er dien de vader niet kastijdt?)

8 maar indien gij zonder kastijding zijt, welker allen deelachtig zijn geworden, zoo zijt gij dan bastaarden en niet zonen.

9 Voorts, wij hebben de vaders onzes vleesches wel tot kastijders gehad, en wij ontzagen ze: zullen wij dan niet veel meer den Vader der geesten onderworpen zijn, en leven?

10 Want génen hebben ons wel voor een korten tijd naar dat het hun goeddncht gekastijd; maar déze kastijdt ons tot ons nut, opdat wij zijner heiligheid zouden deelachtig worden.

11 En alle kastijding, als die tegenwoordig is, schijnt geene zaak van vreugde maar van droefheid te zijn; doch daarna geeft zij van zich eene vreedzame vrucht der gerechtigheid dengenen die door dezelve geoefend zijn.

12 Daarom richt weder op de trage handen en de slappe knieën,

13 en maakt rechte paden voor uwe voeten, opdat hetgeen kreupel is niet verdraaid worde, maar dat het veel meer genezen worde.

11 Jaagt den vrede na met allen, en de heiligmaking, zonder welke niermmd den Heere zien zal:

15 toeziende dat niet iemand ver-achtere van de genade Gods; dat niet eenige wortel der bitterheid opwaarts spruitende, beroerte make, en door dezelve velen ont-. remigd worden.


-ocr page 1334-

HEBREËRS 13.

280

16 Dat niet iemand zii een hoereerder, of een onheilige gelijk Esau, die om ééne spijze het recht van zijne eerstgeboorte weggaf.

17 Want gij weet, dat hij ook daarna de zegening willende be-erven, verworpen werd; want hij vond geene plaats des berouws, hoewel hij dezelve met tranen zocht.

18 Want gij zijt niet gekomen tot den tastelijkèn berg, en liet brandende vuur, en donkerheid, en duisternis, en onweder,

19 en tot het geklank der bazuin, en de stem der woorden, welke die ze hoorden, baden dat het woord tot hen niet meer zoude gedaan worden.

20 (Want zij konden niet dragen hetgeen daar geboden werd: Indien ook een gedierte den berg aanraakt, het zal gesteenigd of met een pijl doorschoten worden,

21 En Mozes, zóó vreeselijk was het gezicht, zeide: Ik ben zeer bevreesd en bevende);

22 maar gij zijt gekomen tot den berg Sion en de stad des levenden Gods, tot het hemelsche Jeruzalem en de vele duizenden der Engelen,

23 tot de algemeene vergadering en de gemeente der eerstgeborenen, die in de hemelen opgeschreven zijn, en tot God den Rechter over allen, en de geesten der volmaakte rechtvaardigen,

24 en tot den Middelaar des nieuwen Testaments Jezus, en het bloed der besprenging, dat betere dingen spreekt dan Abel.

25 Ziet toe dat gij dien die spreekt niet verwerpt; want indien dezen niet zijn ontvloden, die dengene verwierpen, welke op aarde Goddelijke antwoorden gaf, veel meer zuilen wij niet ontvlieden, zoo wij ons van dien afkeeren die van de hemelen is;

26 wiens stem toen de aarde bewoog, maar nu heeft hij verkondigd, zeggende: Nog éénmaal zal ik bewegen niet alleen de aarde maar ook den hemel

27 En dit woord: Nog éénmaal, wijst aan de verandering der bewegelijke dingen als welke gemaakt waren; opdat blijven zouden de dingen die niet bewegelijk zijn.

28 Daarom alzoo wij een onbewegelijk Koninkrijk ontvangen, Iaat ons do genade jws/houden, door dewelke wij welbehagelijk God mogen dienen, met eerbied en godvruchtigheid.

29 Want onze God is een verterend vuur.

HOOFDSTUK 13.

Dat de broederlijke liefde blijve.

2 Vergeet de herbergzaamheid niet; want hierdoor hebben sommigen onwetend Engelen geherbergd.

3 Gedenkt der gevangenen, alsof gij mede-gevangen waart, en dergenen die kwalijk behandeld worden, alsof gij ook zei ven in \'t lichaam kwalijk behandeld waart.

4 Het huwelijk is eerlijk onder allen, en het bed onbevlekt; maar hoereerders en overspelers zal God oordeelen.

5 Uw wandel zij zonder geldgierigheid, en zijt vergenoegd met het tegenwoordige; want hij heeft gezegd: Ik zal u niet begeven en ik zal u niet verlaten.

6 Zoodat wij vrij moediglijk durven zeggen: De Heere is mij een helper, en ik zal niet vreezen wat mij een mensch zal doen.

7 Gedenkt uwer voorgangeren, die u het Woord Gods gesproken hebben; en volgt hun geloof na, aanschouwende de uitkomst hunner wandeling.

8 Jezus Christus is gisteren en heden dezelfde en in der eeuwigheid.

9 Wordt niet omgevoerd met verscheiden en vreemde leeringen; want het is goed dat het hart gesterkt worde door genade, niet door spijzen, door welke geen nuttigheid bekomen hebben diecter-m gewandeld hebben.

10 Wij hebben een altaar, van hetwelk geen macht hebben te eten die den Tabernakel dienen.

11 Want welker dieren bloed voor de zonde gedragen werd in het heiligdom door den Hooge-


-ocr page 1335-

JACOBUS 1.

281

priester, derzelver lichamen werden verbrand buiten de legerplaats.

12 Daarom heeft ook Jezus, opdat hij door zijn eigen bloed het volk zoude heiligen, buiten de poort geleden.

13 Zoo laat ons dan tot hem uitgaan buiten de legerplaats, zijne smaadheid dragende.

14 Want wij hebben hier geen blijvende stad, maar wij zoeken de toekomende.

15 Laat ons dan door hem altijd Gode opofferen eene offerande des lofs, dat is, de vrucht der lippen die zijnen naam belijden.

16 En vergeet de weldadigheid en de mededeelzaamheid niet; want aan zoodanige offeranden heeft God een welbehagen.

17 Zijt uwen voorgangeren gehoorzaam en zijt hun onderdanig; want zij waken voor uwe zielen , als die rekenschap geven zullen: opdat zij dat doen mogen met vreugde, en niet al zuchtende; want dat is u niet nuttig.

18 Bidt voor ons; want wij vertrouwen dat wij eene goede consciëntie hebben, als die in alles eerlijk willen wandelen.

19 En ik bid u te meer dat gij dit doet, opdat ik te eerder ulieden moge wedergegeven worden.

20 De God nu des vredes, die den grooten Herder der schapen door het bloed des eeuwigen Testaments uit de dooden heeft weder-gebracht, namelijk onzen Heere Jezus Christus,

21 die volmake u in alle goed werk, opdat gij zijnen wil moogt doen: werkende in u hetgeen voor hem welbehagelijk is door Jezus Christus, denwelke zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.

22 Doch ik bid u, broeders, verdraagt het woord dezer vermaning ; want ik heb u in \'t kort geschreven.

23 Weet dat de broeder Timo-theüs losgelaten is, met welken (zoo hij haast komt) ik u zal zien.

24 Groet alle uwe voorgangeren en alle de heiligen. (J groeten die van Italië zijn.

25 De genade zij met u allen. Amen.


DE ALGEMEENB BRIEF

APOSTEL JACOBUS.

HOOFDSTUK l.

Jacobus, een dienstknecht Gods en des Heeren Jezus Christus, aan de twaalf stammen die in de verstrooiing zijn, zaligheid.

2 Acht het voor groote vreugde, mijne broeders, wanneer gij in velerlei verzoekingen valt,

3 wetende dat de beproeving uws geloofs lijdzaamheid werkt.

4 Doch de lijdzaamheid hebbe een volmaakt werk, opdat gij moogt volmaakt zijn en geheel oprecht, ir. geen ding gebrekkelijk.

5 En indien iemand van u wijs1-beid ontbreekt, dat hij ze van God begeere, die een iegelijk mildelijk geeft, en niet verwijt: en zij zal hem gegeven worden.

6 Maar dat hij ze begeere in geloof, niet twijfelende; want die twijfelt is eene bare der zee gelijk, die van den wind gedreven en op- en neergeworpen wordt.

7 Want die mcnsch meene niet


-ocr page 1336-

BUS 2.

282

JACO

dat hij iets ontvangen zal van den Heere.

8 Een dubbelhartig man is ongestadig in alle zijne wegen.

ü Maar de broeder die nederig is roeme in zijne hoogheid,

10 en de rijke in zijne vernedering, want hij zal als eene bloem van het gras voorbijgaan.

11 Want do zon is opgegaan met de hilte, en heeft het gras dor gemaakt, en zijne bloem is afgevallen , en de schoone gedaante baars aanschijns is vergaan: alzóó zal ook de rijke in zijne wegen verwelken.

12 Zalig is de man die verzoeking verdraagt; want als hij beproefd zal geweest zijn, zoo zal hij de kroon des levens ontvangenquot;, welke de Heere beloofd heeft dengenen die hem liefhebben.

13 Niemand als hij verzocht wordt zegge: Ik word van God verzocht; want God kan niet verzocht worden met het kwade, en hij zelf verzoekt niemand.

14 Maar een iegelijk wordt verzocht als hij van zijne eigene begeerlijkheid afgetrokken en verlokt wordt.

15 Daarna de begeerlijkheid ontvangen hebbende baart zonde, en de zonde voleindigd zijnde baart den dood.

16 Dwaalt niet, mijne geliefde broeders.

17 Alle goede gave en alle volmaakte gift is van boven, van den Vader der lichten afkomende, bij welken geene verandering is of schaduw van omkeering.

18 Naar zijnen wil heeft hij ons gebaard door het Woord der waarheid, opdat wij zouden zijn als eerstelingen zijner schepselen.

19 Zoo dan, mijne geliefde broeders, een iegelijk mensch zij rasch om te hooren, traag om te spreken , traag tot toorn.

20 Want de toorn des mans werkt Gods gerechtigheid niet.

21 Daarom afgelegd hebbende alle vuilheid en overvloed van boosheid, ontvangt met zachtmoedigheid het woord dat in u geplant wordt, \'twelk uwe zielen kan zalig maken.

22 En zijt daders des woords, en niet alleen hoorders, uzelven met valsche overlegging bedriegende.

23 Want zoo iemand een hoorder is des woords, en niet een dader, die is een man gelijk, welke zijn aangeboren aangezicht bemerkt in eenen spiegel.

24 Want hij heeft zichzelven bemerkt, en is weggegaan, en heeft terstond vergeten hoedanig hij was.

25 Maar die inziet in de volmaakte wet die der vrijheid is, en daarbij blijft, deze geen ver-getelijk hoorder geworden zijnde, maar een dader des werks, deze zeg il: zal gelukzalig zijn in dit zijn doen.

quot;26 Indien iemand onder u dunkt dat hij godsdienstig is, en hij zijne tong niet in toom houdt, maar zijn hart verleidt, dezes godsdienst is ijdel.

27 De zuivere en onbevlekte godsdienst voor God en den Vader is deze: weezen cn weduwen bezoeken in hunne verdrukking, cn zichzelven onbesmet bewaren van de wereld.

HOOFDSTUK 2.

Mijne broeders, hebt niet het geloof onzes Heeren Jezus Christus, des Heeren der heerlijkheid, met aanneming des persoons.

2 Want zoo in uwe vergadering kwam een man met eenen gouden ring aan den vinger, in eene sierlijke kleeding, en daar kwam ook een arm man in met eene slechte kleeding:

3 en gij zoudt aanzien dengenen die de sierlijke kleeding draagt, en tot hem quot;zeggen: Zit gij hier op eene eervolle plaats, en zoudt zeggen tot den arme: Sta gij dadr, of zit hier onder mijne voetbank:

4 hebt gij dan niet in uzelven een onderscheid gemaakt, en zijt rechters geworden van kwade overleggingen ?

5 Hoort, mijne geliefde broeders, heeft God niet uitverkoren de armen dezer wereld, om rijk te zijn in \'t geloof, en erfgenamen


-ocr page 1337-

JACOBUS 3.

283

des koninkrijks \'twelk hij belooft dengenen die hem liefhebben?

6 Maar gij hebt den arme oneer aangedaan. Overweldigen u niet de rijken, en trekken ze u niet voor de rechterstoelen?

7 Lasteren zij niet den goeden naam die over u aangeroepen is?

8 Indien gij dan de koninklijke wet volbrengt, naar de Schrift: Gij zult uwen naaste liefhebben als uzelven, zoo doet gij wel;

9 maar indien gij den persoon aanneemt, zoo doet gij zonde en wordt van de wet bestraft als overtreders.

10 Want wie de geheele wet zal houden, en in één zal struikelen , die is schuldig geworden aan alle.

11 Want die gezegd heeft: Gij zult geen overspel doen , die heeft •ook gezegd: Gij zult niet dooden. Indien gij nu geen overspel zult doen, maar zult dooden, zoo zijt gij een overtreder der wet geworden.

12 Spreekt alzóó en doet alzóó, als die door de wet der vrijheid zult geoordeeld worden.

13 Want een onbarmhartig oordeel zal fiaan over dengenen die geene barmhartigheid gedaan heeft; en de barmhartigheid roemt tegen het oordeel.

14 Wat nuttigheid is het, mijne broeders, indien iemand zegt dat hij het geloof heeft, en heeft de werken niet? Kan dat geloof hem zalig maken?

15 Indien er nu een broeder of zuster naakt zouden zijn, en gebrek zouden hebben aan dagelijksch voedsel,

16 en iemand van u tot hen zoude zeggen; Gaat henen in vrede, wordt warm en wordt verzadigd, en gijlieden zoudt hun niet geven de nooddruft des lichaams, wat nuttigheid is dat?

17 Alzóó ook het geloof, indien het de werken niet heeft, is bij zichzelf dood.

18 Maar, zal iemand zeggen, gij hebt het geloof, en ik heb de werken. Toon mij uw geloof uit uwe werken, en ik zal u uit mijne werken mijn geloof toonen.

19 Gij gelooft dat God een éénig God is; gij doet wèl: de duivelen gelooven het ook, en zij sidderen.

20 Maar wilt gij weten, o ij del mensch, dat het geloof zonder de werken dood is?

21 Abraham onze vader, is hij niet uit de werken gerechtvaardigd, als hij Isaak zijnen zoon geofferd heeft op het altaar?

22 Ziet gij wel dat het geloof medegewerkt heeft met zijne werken, en het geloof volmaakt is geweest uit de werken?

23 En de Schrift is vervuld geworden, die daar zegt: En Abraham geloofde God, en het is hem tot rechtvaardigheid gerekend, en hij is een vriend Gods genaamd geweest.

24 Ziet gij dan nu dat een mensch uit de werken gerechtvaardigd wordt, en niet alleenlijk uit het geloof?

25 En desgelijks ook Rachab de hoer, is zij niet uit de werken gerechtvaardigd geweest, als zij de gezondenen heeft ontvangen, en door eenen anderen weg uitgelaten?

20 Want gelijk het lichaam zonder geest dood is, alzóó is ook het geloof zonder do werken dood.

HOOFDSTUK 3.

Zijt niet vele meesters, mijne broeders, wetende dat wij te meerder oordeel zuilen ontvangen.

2 Want wij struikelen allen in vele. Indien iemand in woorden niet struikelt, die is een volmaakt man, machtig om ook het geheele lichaam in den toom te houden.

3 Zie, wij leggen den paarden toornen in quot;de monden, opdat zij ons zouden gehoorzamen, en wij leiden daarmede hun geheele lichaam om;

4 zie ook de schepen, hoewel ze zoo groot zijn en van harde winden gedreven, zij worden omgewend van een zeer klein roer, waarhenen ook de begeerte des stuurders wil:

5 alzóó is ook de tong een klein lid, en roemt nogtans groote dingen. Zie, een klein vuur, hoe grooten hoop hout het aansteekt.


-ocr page 1338-

B U S 4.

284

J A CO

6 De tong is óók een vuur, een wereld der ongerechtigheid: alzóó is de tong onder onze leden gesteld, welke het geheele lichaam besmet, en ontsteekt het rad onzer geboorte , en wordt ontstoken van de hel.

7 Want alle natuur beide der wilde dieren en der vogelen, beide der kruipende en der zeedieren, wordt getemd en is getemd geweest van de menschelijke natuur;

8 maar de tong kan geen mensch temmen. Zij is een onbedwingelijk kwaad, vol van doodelijk venijn.

9 Door haar loven wij God en den Vader; en door haai^vervloeken wij de menschen die naar de gelijkenis Gods gemaakt zijn.

10 Uit denzelfden mond komt voort zegening en vervloeking. Dit moet, mijne broeders, alzoo niet geschieden.

11 Welt ook een fontein uit eene zelfde ader het zoet en het bitter?

12 Kan ook, mijne broeders, een vijgeboom olijven voortbrengen: of een wijnstok vijgen? Alzóó kan geen fontein zout en zoet water voortbrengen.

13 Wie is wijs en verstandig onder u? Die bewijze uit zijnen goeden wandel zijne werken, in zachtmoedige wijsheid.

14 Maar indien gij bitteren nijd en twistgierigheid hebt in uw hart, zoo roemt en liegt niet tegen de waarheid.

15 Deze is de wijsheid niet die van boven afkomt, maar is aardsch, natuurlijk, duivelsch.

10 Want waar nijd en twistgierigheid is, aldaar is verwarring en alle booze handel.

17 Maar de wijsheid die van boven is, die is ten eerste zuiver, daarna vreedzaam, bescheiden, ge-zeggelijk, vol van barmhartigheid en van goede vruchten, niet partijdig oordeelende, en ongeveinsd.

18 En de vrucht der rechtvaardigheid wordt in vrede gezaaid voor degenen die vrede maken.

HOOFDSTUK 4.

Van waar komen krijgen en vechterijen onder u? Komen ze niet hiervan, namelijk uit uwe wellusten die in uwe leden strijd voeren ?

2 Gij begeert, en hebt niet; gij benijdt en ijvert naar dingen, en kunt ze niet krijgen; gij vecht en voert krijg, doch gij hebt niet, omdat gij niet bidt.

3 Gij bidt, en gij ontvangt niet, omdat gij kwalijk bidt, opdat gij het in uwe wellusten doorbrengen zoudt.

4 Overspelers en overspeelsters, weet gij niet dat de vriendschap der wereld een vijandschap Gods is? Zoo wie dan een vriend der wereld wil zijn, die wordt een vijand Gods gesteld.

5 Of meent gij dat de Schrift tevergeefs zegt: De Geest die in ons woont, heeft die lust tot nijdigheid?

6 Ja, hij geeft meerdere genade.* Daarom zegt de Schrift: God wederstaat do hoovar.rdigen, maar den nederigen geeft hij genade.

7 Zoo onderwerpt u dan Gode; wederstaat den duivel, en hij zal van u vlieden.

8 Naakt tot God, en hij zal tot u naken. Reinigt df handen gij zondaars, en zuivert de harten gij dubbelhartigen.

9 Gedraagt u als ellendigon en treurt en weent; uw lachen worde veranderd in treuren, en uwe blijdschap in bedroefdheid.

10 Vernedert u voov den Heere, en hij zal u verhoogen.

11 quot;Broeders, spreekt niet kwa* lijk van elkander. Die van zijnen broeder kwalijk spreekt en zijnen broeder oordeelt, die spreekt kwalijk van de we\': en oordeelt de wet. Indien gij nu de wet oordeelt, zoo zijt gij geen dader der wet, maar een rechter.

12 Daar is een éénig Wetgever, die behouden kan en verderven, doch wie zijt gij, die een ander oordeelt?

13 Welaan nu gij die daar zegt: Wij zullen heden of morgen naar zulk eene stad reizen, en aldaar een jaar doorbrengen, en koopmanschap drijven en winst doen,

14 gij die niet weet wat morgen geschieden zal\', want hoedanig is


-ocr page 1339-

JACOBUS 5.

285

uw leven? Want het is een damp, die voor een weinig tijds gezien wordt en daarna verdwijnt.

15 In plaats dat gij zoudt zeggen : Indien de Heere wil en wij leven zullen, zoo zullen wij dit of dat doen.

16 Maar nu roemt gij in uwen hoogmoed: alle zoodanige roem is boos.

17 Wie dan weet goed te doen cn niet doet, dien is het zonde.

HOOFDSTUK 5.

Welaan nu gij rijken, weent en huilt over uwo ellendigheden die over u komen.

2 Uw rijkdom is verrot, en uwe kleederen zijn van de motten gegeten geworden;

3 uw goud en zilver is verroest, en hun roest, zal u zijn tot eene getuigenis, en zal uw vleesch als een vuur verleren; gij hebt schatten vergaderd in de laatste dagen.

4 Zie, het loon der werklieden die uwe landen gemaaid hebben, \'t welk van u verkort is, roept, en het geschrei dergenen die geoogst hebben is gekomen tot in de ooren des Heeren Zebaoth.

5 Gij hebt weelderig geleefd op de aarde, en wellusten gevolgd; gij hebt uwe harten gevoed als in een dag der slachting.

6 Gij hebt veroordeeld, gij hebt jedood den rechtvaardige, en hij wederstaat u niet.

7 Zoo zijt danInnkmoedig, broeders, tot de toekomst des Heeren. Zie, de landman verwacht de kostelijke vrucht des lands, lankmoedig zijnde over dezelve, totdat het den vroegen en den spaden regen zal hebben ontvangen.

8 Weest gij óók lankmoedig, versterkt uwe harten, want de toekomst des Heeren genaakt.

9 Zucht niet tegen elkander, broeders, opdat gij niet veroordeeld wordt: zie, de Rechter staat voor de deur.

10 Mijne broeders, neemt tot een exempel des lijdens en der lankmoedigheid de Profeten, die in den naam dos Heeren gesproken hebben.

11 Zie, wij houden ze gelukzalig die verdragen; gij hebt de verdraagzaamheid Jobs gehoord, en gij hebt het einde des Heeren gezien , dat de Heere zeer barmhartig is en een ontfermer.

12 Doch vóór alle dingen, mijne broeders, zweert niet, noch bij den hemel, noch bij de aarde, noch eenigen anderen eed; maar uw Ja zij ja, en het neen neen, opdat gij in geen oordeel valt.

13 Is iemand onder u in lijden, dat hij bidde. Is iemand goedsmoeds, dat hij psalmzinge.

14 Is iemand krank onder u, dat h j tot zich roepe de Ouderlingen der gemeente, en dat zij over hem bidden, hem zalvende met olie in den naam des Heeren :

15 en het gebed des geloofs zal den zieke behouden, en de Heere zal hem oprichten , en zoo hij zonden gedaan zal hebben, hét zal hem vergeven worden.

16 Belijdt elkander de misdaden, en bidt voor elkander, opdat gij gezond wordt. Een krachtig gebed des rechtvaardigen vermag veel.

17 Eh\'a was een mensch van gelijke bewegingen als wij, en hij bad een gebed dat het niet zoude regenen, en het regende niet op de aarde in drie jaren en zes maanden.

18 En hij bad wederom, en de hemel gaf regen, en de aarde bracht hare vrucht voort.

19 Broeders, indien iemand onder u van de waarheid is afgedwaald, en hem iemand bekeert,

20 die wete, dat degene die eenen zondaar van de dwaling zijns wegs bekeert, eene ziel van den dood zal behouden, en menigte der zonden zal bedekken.


-ocr page 1340-

1 PETRUS 1.

DE EERSTE ALGEMEENE BRIEF ;

i

VAN DEN

I

APOSTEL P E T K U S.

286

HOOFDSTUK 1.

Petrus, een Apostel van Jezus Christus, den vreemdelingen verstrooid in Pontus, Galatië, Gap-padocië, Azië en Bithynië,

2 den uitverkorenen naar de voorkennis Gods des Vaders, in de heiligmaking des Geestes, tot gehoorzaamheid en besprenging des bloeds van Jezus Christus: genade en vrede zij u vermenigvuldigd.

3 Geloofd zij de God en Vader onzes Hoeren Jezus Christus, die naar zijne groote barmhartigheid ons heeft v^edergeboren tot eene levende hope, door de opstanding van Jezus Christus uitdedooden,

4 tot eene onverderfelijke en onbe-vlekkelijke en onverwelkelijke erfenis, dié in do hemelen bewaard is voor u,

5 die in de kracht Gods bewaard wordt door het geloof, tot de zaligheid , die bereid is om geopenbaard te worden in den laatsten tijd.

6 In welken gij u verheugt, nu een weinig tijds (zoo het noodig is) bedroefd zijnde door menigerlei verzoekingen;

7 opdat de beproeving uws ge-loofs, die veel kostelijker is dan des gouds, hetwelk vergaat en door het vuur beproefd wordt, bevonden worde te zijn tot lof en eer en heerlijkheid, in de openbaring van Jezus Christus;

8 denwelken gij niet gezien hebt en nog tans lief hebt; in denwelken gij nu, hoewel hem niet ziende, maar geloovende, u verheugt met eene onuitsprekelijke en heerlijke vreugde,

9 verkrijgende het einde uws geloofs, namelijk de zaligheid dei-zielen.

10 Van welke zaligheid ondervraagd en onderzocht hebben dc Profeten, die geprofeteerd hebben van de genade aan u yeschied,

11 onderzoekende op welken of hoedanigen tijd de Geest van Christus, die iii hen was, beduidde en te voren getuigde het lijden dat op Christus komen zoude, ew de heerlijkheid daarna volgende,

12 denwelken geopenbaard is, dat zij niet zichzelven maar ons bedienden deze dingen, die u nu aangediend zijn door degenen, die u het Evangelie verkondigd hebben door den Heiligen Geest ^ die van den hemel gezonden is\'; in welke dingen de Engelen begeerig zijn in te zien.

13 Daarom opschortende de lendenen uws verstands, en nuchte-ren zijnde, hoopt volkomenlijk op de genade die u toegebracht wordt in de openbaring van Jezus Christus.

14 Als gehoorzame kinderen wordt niet gelijkvormig aan de begeerlijkheden die te voren in uwe onwetendheid waren.

15 Maar gelijk hij die u geroepen heeft heilig is. zoo wordt ook gijzelven heilig in al uwen wandel,

16 daarom dat er geschreven is; Zijt heilig, want ik ben heilig.

\'17 En indien gi^ tot eenen Vader aanroept dengenen die zonder aanneming des perscons oordeelt naar eens iegelijks werk, zoo wandelt in vreeze den tijd uwer inwoning;

18 wetende dat gij niet door vergankelijke dingen, zilver of goud, verlost zijt uit uwe ijdele wandeling, die u van de vaderen overgeleverd is,

19 maar door het dierbaar bloed van Christus, als eens onbestraf-felijken en onbevlekten lams;


-ocr page 1341-

1 PETRUS 2.

287

20 dewelke wel vóórgekond is geweest vóór de grondlegging dei-wereld, maar geopenbaard is in deze laatste tijden om uwentwille,

21 die gij door hem gelooft in God, welke hem opgewekt heeft uit de dooden, en hem heerlijkheid gegeven heeft, opdat uw geloof en hoop op Clod zijn zoude.

22 Hebbende dan uwe zielen gereinigd in de gehoorzaamheid der waarheid, door den Geest, tot ongeveinsde broederlijke liefde, zoo hebt elkander vuriglijk lief uit een rein hart;

23 gij die wedergeboren zijt ,niet uit vergankelijk maar uit onvergankelijk zaad, door het levende en eeuwig blijvende Woord Gods.

24 Want alle vleesch is als gras, en alle heerlijkheid des mensehen is als eene bloem van het gras. Het gras is verdord en zijne bloem is afgevallen;

25 maar het Woord des Heeren blijft in der eeuwigheid. En dit is het woord dat onder u verkondigd is.

HOOFDSTUK 2.

Zoo legt dan af alle kwaadheid en alle bedrog en geveinsdheid en nijdigheid en alle achterklappingen;

2 en als nieuwgeboren kinder-kens zijt zeer begeerig naar de redelijke ónvervalschte melk, opdat gij door dezelve moogtopwassen;

\'3 indien gij anders gesmaakt hebt dat de Heere goedertieren is.

4 Tot welken komende nis tot eenen levenden steen, van de mensehen wel verworpen maar bij God uitverkoren c.n dierbaar,

5 zoo wordt gij ook zeiven als levende steenen gebouwd tot een geestelijk huis, tot een heilig Priesterdom, om geestelijke offeranden op te offeren, die Gode aangenaam zijn door Jezus Christus.

6 Daarom is ook vervat in de Schrift: Zie, ik leg in Sioneenen uitersten hoeksteen, die uitverkoren en dierbaar is; en die in hem gelooft zal niet beschaamd worden.

7 U dan die gelooft is hij dierbaar; maar den ongehoorzamen wordt gezegd: De steen, dien de bouwlieden verworpen hebben, deze is geworden tot een hoofd des hoeks, en een steen des aanstoots, cn eene rots der ergernis;

8 dengenen namelijk die zich aan het woord stooten , ongehoorzaam zijnde, waartoe zij ook gezet zijn.

9 Maar gij zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk Priesterdom, een heilig volk, een verkregen volk, opdat gij zoudt verkondigen de deugden desgenen die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht,

10 gij die eertijds geen volk waart, maar nu Gods volk zijt; die eertijds niet ontfermd waart, maar nu ontfermd zijt geworden.

11 Geliefden, ik vermaan u als inwoners en vreemdelingen, dat gij u onthoudt van de vleeschelijke begeerlijkheden , welke krijg voeren tegen de ziel;

12 en houdt uwen wandel eerlijk onder de heidenen, opdat in \'tgeen zij kwalijk van u spreken als van kwaaddoeners, zij uit de goede werken die zij in u zien God verheerlijken mogen in den dag der bezoeking.

13 Zijt dan aller menschelijke ordening onderdanig om des Heeren wil, hetzij den Koning, als de opperste macht hebbende,

14 hetzij den Stadhouderen, als die va» hem gezonden worden tot straf wel der kwaaddoeners , maar tot prijs dergenen die goed doen.

15 Want alzóó is het de wil Gods , dat gij weldoende den mond stopt aan de onwetendheid der dwaze mensehen;

18 als vrijen, cn niet de vrijheid hebbende tot een deksel der quot;boosheid, maar als dienstknechten Gods.

17 Eert een iegelijk; hebt, de broederschap lief; vreest God; eert den Koning.

18 Gij huisknechten, zijt met alle vreeze onderdanig den heeren, niet alleen den goeden en beschei-denen, maar ook den harden.

19 Want dat is genade, indien iemand om de conscientie voor God zwarigheid verdraagt, lijdende fen onrechte.


-ocr page 1342-

i PETRUS 3.

288

20 Want wat lof is het, indien gij verdraagt als gij zondigt en daarover geslagen wordt? Maar indien gij verdraagt als gij wèl doet en daarover lijdt, dat is genade bij God.

21 Want hiertoe zijt gij geroepen, dewijl ook Christus voor ons geleden heeft ons een exempel nalatende, opdat gij zijne voetstappen zoudt navolgen,

22 die geen zonde gedaan heeft, en daar is geen bedrog in zijnen mond gevonden,

23 die als hij gescholden werd niet wederschoid, en als hij leed niet dreigde, maar gaf het over aan dien die recht vaardiglij k oordeelt,

24 die zelf onze zonden in zijn lichaam gedragen heeft op het hout, opdat wij den zonden afgestorven zijnde, der gerechtigheid leven zouden; door wiens striemen gij genezen zijt.

25 Want gij waart als dwalende schapen, maar gij zijt nu bekeerd tot den Herder en Opziener uwer zielen.

HOOFDSTUK 3.

Desgelijks gij vrouwen, zijt uwen eigen mannen onderdanig, opdat ook zoo eenigen den Woorde ongehoorzaam zijn , zij door den wandel der vrouwen zonder woord mogen gewonnen worden,

2 als zij zullen ingezien hebben uwen kuischen wandel in vreeze.

3 Welker versiersel zij, niet hetgeen uiterlijk is, bestaande in het vlechten des haars, en omhangen van goud, of van kleederen aan te trekken,

4 maar de verborgen mensch des harten, in het onverderfelijk versiersel van eenen zachtmoedi-gen en stillen geest, die kostelijk is voor God.

5 W ant alzóó versierden zichzelven eertijds ook de heilige vrouwen, die op God hoopten, en waren haren eigen mannen onderdanig;

6 gelijk Sara Abraham gehoorzaam is geweest, hem noemende heer, welker dochters gij geworden zijt, als gij weldoet, en niet vreest voor eenige verschrikking.

7 Gij mannen insgelijks, woont bij haar met verstand, aan het vrouwelijke vat als het zwakste eere gevende, als die ook medeerfgenamen der genade des levens met haar zijt, opdat uwe gebeden niet verhinderd worden.

8 En eindelijk, zijt allen eensgezind, medelijdend, de broeders liefhebbende, met innerlijke barmhartigheid bewogen, vriendelijk;

9 vergeldt niet kwaad voor kwaad, of schelden voor schelden, maar zegent daarentegen; wetende dat gij daartoe geroepen zijt, opdat gij zegening zoudt beërven.

10 Want wie het leven wil liefhebben, en goede dagen zien, die stille zijne tong van het kwaad, en zijne lippen dat ze geen bedrog spreken;

11 die wijke af van het kwade, en doe het goede; die zoeke vrede en jage denzelven na.

12 Want de oogen des Heeren zijn over de rechtvaardigen, en zijne ooren tot hun gebed; maar het aangezicht des Heeren is tegen degenen die kwaad doen.

13 En wie is het die u kwaad doen zal, indien gij navolgers zijt van het goede?

14 Maar indien gij ook lijdt om der gerechtigheid wille, zoo zijt gij zalig; en vreest niet uit vreeze van hen, en wordt niet ontroerd;

15 maar heiligt God den Heere in uwe harten; en zijt altijd bereid tot verantwoording aan een iegelijk die u rekenschap afeischtvan de hope, die in u is, met zachtmoedigheid en vreeze.

16 En hebteene goede conscientie, opdat in \'t geen zij kwalijk van u spreken als van kwaaddoeners, zij beschaamd mogen worden die uwen goeden wandel in Christus lasteren.

17 Want het s beter dat gij weldoende (indien het de wil Gods wil) lijdt, dan kwaad doende.

18 Want Christus heeft ook ééns voor de zonden geleden , hij rechtvaardig voor de onrecht vaardigen, opdat hij ons tot God zoude brengen; die wel is gedood in het vleesch, maar levend gemaakt door den Geest.


-ocr page 1343-

1 PETRUS 4.

19 In denwelken hij ook henen-gegaan zijnde den geesten die in de gevangenis zijn gepredikt heeft,

20 die eertijds ongehoorzaam waren, wanneer de lankmoedigheid Gods eenmaal verwachtte in de dagen van Noach, als de ark toebereid werd, waarin weinige (dat is acht) zielen behouden werden door het water.

21 Waarvan het tegenbeeld de doop ons nu ook behoudt, niel die een aflegging is der vuiligheid des lichaams, maar die eene vraag is eener goede consciëntie tot God, door de opstanding van Jezus Christus;

22 welke is aan de rechter/iand Gods, opgevaren ten hemel, de Engelen en machten en krachten hem onderdanig gemaakt zijnde.

HOOFDSTUK 4.

Dewijl dan Christus voor ons in het vleesch geleden heeft, zoo wapent gij u ook met dezelfde gedachte, namelijk dat wie in het vleesch geleden heeft, die heeft opgehouden van de zonde,

2 om nu niet meer naar de begeerlijkheden der menschen maar naar den wil Gods den tijd die overig is in het vleesch televen.

3 Want het is ons genoeg, dat wij den voorgaanden tijd des levens der heidenen wil volbracht hebben, en gewandeld hebben in ontuchtigheden , begeerlijkheden , wijnzuiperijen, brasserijen, drin-kerijen en gruwelijke afgoderijen,

4 waarin /.ij zich vreemd houden! als gij niet medeloopt tot dezelfde uitgieting der overdadigheid, en u lasteren;

5 dewelke zullen rekenschap geven dengene die bereid staat om te oordeelen de levenden en de dooden.

6 Want daartoe is ook den dooden het Evangelie verkondigd geworden, opdat zij wel zouden geoordeeld worden naar den mensch in het vleesch, maar leven zouden naar God in den geest.

7 En het einde aller dingen is nabij: zijt dan nuchteren, en waakt in quot;de gebeden.

8\' Maar vooral hebt vurige liefde to\'; elkander; want de liefde zal menigte van zonden bedekken.

Zijt herbergzaam jegens elkander, zonder murmureeren.

\'10 Ken iegelijk gelijk hij gave ontvangen heeft, alzóó bediene hij dezelven aan den ander, als goede uitdeelers der menigerlei genade Gods.

11 Indien iemand spreekt, die spreke als de woorden Gods; indien iemand dient die diene als uit kracht die God verleent; opdat God in allen geprezen worde door Jezus Christus, welken toekomt do heerlijkheid en de kracht in allo eeuwigheid. Amen.

12 Geliefden, houdt u niet vreemd over de hitte der verdrukking onder u, die u geschiedt tot verzoeking, alsof u iets vreemds overkwame,

13 maar gelijk gij gemeenschap hebt aan het lijden van Christus. cdzoo verblijdt u: opdat gij ook in de openbaring zijner heerlijkheid u moogt verblijden en verheugen.

14 Indien gij gesmaad wordt om den naam van Christus, zoo zijt gij zalig: want de Geest der heerlijkheid en de Geest Gods rust op u. Wat hen aangaat, hij wordt wel gelasterd, maar wat u aangaat, hij wordt verheerlijkt.

15 Doch dat niemand van u lijde als een doodslager, of dief, of kwaaddoener, of als een die zich met eens anders doen bemoeit ;

16 maar indien iemand lijdt vis een Christen, die schame zich niet, maar verheerlijke God in dezen deele.

17 Want het is de tijd dat het oordeel beginne van het Huis Gods; en indien het eerst van ons begint, welk zal het einde zijn dergenen die het Evangelie Gods ongehoorzaam zijn?

18 En indien de rechtvaardige nauwelijks zalig wordt, waar zal de goddelooze en zondaar verschijnen?

19 Zoo dan ook die lijden naar den wil Gods, dat zij hunne zielen hem als den getrouwen Schepper bevelen met wèl doen.


10

-ocr page 1344-

2 PETRUS 1.

200

1 PETRUS 5.

HOOFDSTUK 5.

De Ouderlingen die onder u zijn vermaan ik, die een medeouderling en getuiize des lijdens van Christus ben, en deelachtig der heerlijkheid die geopenbaard zal worden:

2 weidt de kudde Gods die onder u is, hebbende opzicht daarover niet uit bedwang maar gewillig-lijk, noch om vuil gewin maar met een vol vaardig gemoed,

3 noch als heerschappij voerende over het erfdeel des Heer en, maar als voorbeelden der kudde geworden zijnde.

4 En als de overste Herder verschenen zal zijn, zoo zult gij de onverwelkelijke kroon der heerlijkheid behalen.

5 Desgelijks gij jongen, zijtden ouden onderdanig; en zijt allen elkander onderdanig; zijt met de ootmoedigheid bekleed; want God wederstaat de hoovaardigen, maar den neoerigen geeft hij genade.

0 Vernedert u dan onder de krachtige hand Gods, opdat hij u verhooge te zijner tijd.

7 Werpt al uwe bekommernis op hem, want hij zorgt voor u.

8 Zijt nuchteren en waakt; want uwe tegenpartij de duivel gaat om als een brieschende leeuw, zoekende wien hij zoude mogen verslinden,

9 denwelken wederstaat, vast zijnde in het geloof, wetende dat hetzelfde lijden aan uwe broederschap die in de wereld is volbracht wordt.

10 De God nu aller genade, die ons geroepen heeft tot zijne eeuwige heerlijkheid in Christus Jezus, nadat wij een weinig tijds zullen geleden hebben, dezelve volmake, bevestige, versterke en fundeere ulieden.

11 Hem zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid. Amen.

12 Door Silvanus die u een getrouw broeder is, zoo ik acht, heb ik met weinige woorden geschreven, vermanende en betuigende dat deze is de waarachtige genade Gods, in welke gij staat.

13 U groet de mede-uitverkoren fiemeetile die in Babylon is, en Marcus mijn zoon.

14 Groet elkander met eenen kus der liefde. Vrede zij u allen die in Christus Jezus zijt. Amen.


DE TWEEDE .ALGEMEENE BRIEF

VAj^ DEN

A P O S T E L P E T K U S.

HOOFDSTUK 1.

Simeon Petrus, een dienstknecht en Apostel van Jezus Christus aan degenen die even dierbaar geloof met ons verkregen hebben, door de rechtvaardigheid onzes Gods en Zaligmakers Jezus Christus:

2 genade en vrede zij u vermenigvuldigd door de kennis Gods en van Jezus onzen Heerc,

3 gelijk ons zijne Goddelijke kracht alles wat lót het leven en de godzaligheid behoort geschonken heeft, door de kennis desgenen die ons geroepen heeft tot heerlijkheid on deugd;

4 door welke ons de grootste en dierbare beloften geschonken zijn, opdat gij door dezelve der Goddelijke natuur deelachtig zoudt worden, nadat gij ontvloden zijt het verderf dat in de wereld \'is door de begeerlijkheid.

5 En gij tot netzclve ook alle naarstigheid toebrengende, voegt bij uw geloof deugd, en bij de deugd kennis,

6 en bij de kennis matigheid, en bij de matigheid lijdzaamheid,


-ocr page 1345-

RUS 2.

291

2 PET

en bij de lijdzaamheid godzaligheid,

7 en bij de godzaligheid broederlijke liefde, en bij de broederlijke liefde liefde jegens allen.

8 Want zoo deze dingen bij u zijn en in u overvloedig zijn, zij zullen ii niet ledig noch onvruchtbaar laten in de kennis onzes Heeren Jezus Christus.

9 Want bij welken deze dingen niet zijn, die is blind, van verre niet ziende, hebbende vergeten de reiniging zijner vorige zonden.

10 Daarom, broeders, benaar-stigt u te meer om uwe roeping en verkiezing vast te maken; want dat doende zult gij nimmermeer struikelen.

11 Want alzóó zal u rijkelijk toegevoegd worden de ingang in het eeuwig Koninkrijk onzes Heeren en Zaligmakers Jezus Christus.

12 Daarom zal ik niet verzuimen u altijd daarvan te verma-

Inen, hoewel gij het weet en in Jde tegenwoordige waarheid versterkt zijt.

13 En ik acht het recht te zijn, quot;ioolang ik in dezen tabernakel

■m, dat ik u opwekke door vermaning;

14 alzoo ik weet dat de aflegging \' ijns tabernakels haast zijn zal,

ijker wijs ook onze Heerc Jezus hristus mij heeft geopenbaard.

15 Doch ik zal ook naarstigheid oen bij alle gelegenheid, dat gij a mijnen uitgang van deze dingen edachtenis moogt hebben.

16 Want wij zijn geen kunstig-jk verdichte fabelen nagevolgd, Is wij u bekend gemaakt hebben e kracht en toekomst onzes Hee-

, en Jezus Christus, maar wij zijn anschouwers geweest van zijne •lajesteit.

17 Want hij heeft van God den /ader eer en heerlijkheid ont-

■ vangen, als zoodanig eene stem an de hoogwaardige heerlijkheid :ot hem gebracht werd: Deze is nijn geliefde Zoon, in denwelken k mijn welbehagen heb.

18 En deze stem hebben wij gehoord , als zij van den hemel gebracht is geweest, toen wij met hem op den heiligen berg waren.

10 En wij hebben het profetische Woord dat zeer vast is, en gij doet wel dat gij daarop acht heDt, als op een licht schijnende in eene duistere plaats, totdat de dag aanlichte, en de morgenster opga in uwe harten.

20 Dit eerst wetende dat geen Profetie der Schrift is van eigen uitlegging;

21 want de Profetie is voortijds niet voortgebracht door den wil eens menschen, maar de heilige menschen Gods, van den Heiligen Geest gedreven zijnde, hebben re gesproken.

HOOFDSTUK 2.

En daar zijn ook valsche Profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valsche leeraars zijn zullen, die verderfelijke ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook den Heere, die hen gekocht heeft verloochenende, en een haastig verderf over zichzelven brengende ;

2 en velen zullen hunne verder-fenissen navolgen , door welke de weg der waarheid zal gelasterd worden; . , .,

3 en zij zullen door gierigheid, met gemaakte woorden, van u een koopmanschap maken ; over welke het oordeel sedert lang niet ledig is, en hun verderf sluimert niet.

4 Want indien God de Engelen die gezondigd hebben niet gespaard heeft, maar die in de hel geworpen hebbende overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden;

5 en de oude wereld niet heeft gespaard, maar Noach den prediker dpr gerechtigheid zijn achttal bewaard heeft, als hij den zondvloed over de wereld der god-deloozen heeft gebracht;

6 en de steden van Sodom en Gomorra tot asch verbrandende met omkeering veroordeeld heeft, en tot een exempel gezet dengenen die goddelnoslijk zouden leven;

7 en den rechtvaardigen Lot, die vermoeid was van den ontuch-ligen wandel der gruwelijke menschen, daaruit verlost heeft:

8 (want deze rechtvaardige man


-ocr page 1346-

2 PETRUS 3.

292

wonende onder lien, heeft, dag op dag zijne rechtvaardige ziele gekweld door hel zien en hooren van hunne ongerechtige werken):

9 zoo weet de Heero de godzaligen uit de verzoeking te verlossen, en de onrechtvaardigen te bewaren tot den dag des oordeels om gestraft te worden,

10 maar allermeest degenen die naar het vleesch in onreine be-geerlijkhekl wandelen, en de heerschappij verachten: die stout zijn, zichzelven behagen, en die \'de heerlijkheden niet schromen te lasteren;\'

11 daar de Engelen, in sterkte en kracht meerder zijnde, geen lasterlijk oordeel tegen haar voor den Heere voortbrengen.

12 Maar dezen, als onredelijke dieren, die de natuur volgen en voortgebracht zijn om gevangen en gedood te worden, dewijl zij lasteren hetgeen zij niet verstaan, zullen in hunne verdorvenheid verdorven worden,

13 en zullen verkrijgen het loon der ongerechtigheid, als die de dagelijksche weelde hun vermaak achten, zijnde vlekken en smetten, en zijn weelderig in hunne bedriegerijen, als zij in de maaltijden met u zijn;

14 hebbende de oogen vol overspel en die niet ophouden van zondigen; verlokkende de onvaste zielen, hebbende het hart geoefend in gierigheid, kinderen der vervloeking ;

15 die den rechten weg verlaten hebbende, zijn verdwaald, en volgen den weg van Bileam den zoon Beors, die het loon der ongerechtigheid liefgehad heeft-

16 maar hij heeft de bestraffing zijner ongerechtigheid gehad; ivant het jukdragentle stomme dier, sprekende met menschenstem, heeft des Profeten dwaasheid verhinderd.

17 Deze zijn waterlooze fonteinen, wolken van een draaiwind gedreven, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.

18 Want zij, zeer opgeblazene ij delheid sprekende, verlokken door de begeerlijkheden des vlee-sches en door ontuchtigheden degenen die waarlijk ontvloden waren van degenen die in dwaling wandelen ;

19 belovende hun vrijheid, daar zij/.elven dienstknechten zijn der verdorvenheid; want van wien iemand overwonnen is, dien is hij ook tot een dienstknecht gemaakt.

20 Want indien zij, nadat ze door de kennis des Heeren en Zaligmakers Jezus Christus de besmettingen der wereld ontvloden zijn, en in dezelve wederom ingewikkeld zijnde, van dezelve overwonnen worden, zoo is hun het laatste erger geworden dan het eerste.

21 Want het ware hun beter dat zij den weg der gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij dien gekend hebbende. zich weder afkoeren van het heilig gebod dat hun overgegeven was.

22 Maar hun is overkomen hetgeen met een waar spreekwoord gezegd, wordt: De hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel, en do gewasschei zeug tot de wenteling in het slijk.

HOOFDSTUK 3.

Dezen tweeden zendbrief, geliefden, schrijf ik nu aan u, in welke heide ik \'door vermaning uw oprecht gemoed opwek,

2 opdat gij gedachtig zijt aan de woorden dié van de heilige Profeten te voren gesproken zijn, en aan ons gebod, die des Heeren en Zaligmakers Apostelen zijn:

3 dit eerst wetende, dat in \'t laatste der dagen spotters komen zullen, die naar hunne eigene begeerlijkheden zullen wandelen,

4 en zeggen: Waar is de belofte zijner toekomst? want van dien dnq dat de vaderen ontslapen zijn blijven alle dingen alzóó gelijk van het begin der schepping.

5 Want willens is dit hun onbekend, dat door het Woord Gods de hemelen van overlang geweest zijn. en de aarde uit het wateren in het water bestaande,

G door welke de wereld die toen was, met het water van den zond vloed bedekt zijnde, vergaan is.


-ocr page 1347-

2 P E T R IT S \'ó. 1 JOHANNES i.

293

7 Maar de hemelen die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde Woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels en der verderving der goddelooze nienschen.

8 Doch deze ééne zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat één dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag.

9 De Heere vertraagt de belofte niet, (gelijk eenigen daf traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende dat eenigen verloten gaan, maar dat ze allen tot bekeering komen.

10 Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruisch zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken die daarin zijn zullen verbranden.

11 Dewijl dan deze dingen alle vergaan, hoedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid ;

12 verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen door vuur ontstoken zijnde zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten.

13 Maar wij verwachten, naar zijne belofte, nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont.

14 Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, benaarstigt u dat gij onbevlekt en onbestraffelijk van hem bevonden moogt worden in vrede;

15 en acht de lankmoedigheid onzes Hoeren voor zaligheid, ge-lij kerwijs ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid die hem gegeven is, ulieden geschreven heeft,

1(5 gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke sommige dingen zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mcnschen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften tot hun eigen verderf.

17 Gij dan, geliefden, zulks voren wetende, wacht u dat gij niet door de verleiding der gruwelijkste menschen mede afgerukt wordt, en uitvalt van uwe vastigheid;

18 maar wast op in de genade en kennis onzes Heeren en Zaligmakers Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, beide nu en h* den dag der eeuwigheid. Amen.


DE EERSTE ALGE MEE NE BRIEF

A P O S T E L J O H A N N E S.

HOOFDSTUK 1.

Hetgeen van den beginne was. hetgeen wij gehooid hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze oogen, \'hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens: 2 (want het leven is geopenbaard, en wij hebben het gezien, en wij getuigen en verkondigen ulieden dat eeuwige leven, \'t welk bij den Vader was en ons is geopenbaard): 3 hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader en met zijnen Zoon Jezus Christus.


-ocr page 1348-

292

wonende onder hen, heeft, dag op dag zijne rechtvaardige ziele gekweld door het zien en hooren van hunne ongerechtige werken):

9 zoo weet de Heere de godzaligen uit de verzoeking to verlossen, en de onrechtvaardigen te bewaren tot, den dag des oordeels om gestraft to worden,

40 maar allermeest degenen die naar het vleescli in onreine begeerlijkheid wandelen, en de heerschappij verachten: die stout zijn, zichzelven behagen, en die de heerlijkheden niet schromen te lasteren;\'

11 daar de Engelen, in sterkte en kracht meerder zijnde, geen lasterlijk oordeel tegen haar voor den Heere voortbrengen.

12 Maar dezen, als onredelijke dieren, die de natuur volgen en voortgebracht zijn om gevangen en gedood te worden. dewijl zij lasteren hetgeen zij niet verstaan, zullen in hunne verdorvenheid verdorven worden,

13 en zullen verkrijgen het loon der ongerechtigheid, als die de dagelijksche weelde hun vermaak achten, zijnde vlekken en smetten, en zijn weelderig in hunne bedriegerijen, als zij in do maaltijden met u zijn;

14 hebbende de oogen vol overspel en die niet ophouden van zondigen; verlokkende de onvaste zielen, hebbende het hart geoefend in gierigheid, kinderen der vervloeking ;

15 die den rechten weg verlaten hebbende, zijn verdwaald, en volgen den weg van Bileam den zoon Beors, die het loon der ongerechtigheid liefgehad heeft-;

16 maar hij heeft de bestraffing zijner ongerechtigheid gehad; tvant het jukdragende stomme dier, sprekende met menschenstem, heeft des Profeten dwaasheid verhinderd.

17 Deze zijn waterlooze fonteinen, wolken van een draaiwind gedreven, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.

18 Want zij, zeer opgeblazene ijdelheid sprekende, verlokken door de begeerlijkheden des vlee-sches en door ontuchtigheden degenen die waarlijk ontvloden waren van degenen die in dwaling wandelen ;

19 belovende hun vrijheid, daar zij/-elven dienstknechten zijn dei-verdorvenheid ; want van wien iemand overwonnen is, dien is hij ook tot een dienstknecht gemaakt.

20 Want indien zij, nadat ze door de kennis des lleeren en Zaligmakers Jezus Christus de besmettingen der wereld ontvloden zijn, en in dezelve wederom ingewikkeld zijnde, van dezelve overwonnen worden, zoo is hun het laatste erger geworden dan het eerste.

21 Want het ware hun beter dat zij den weg der gerechtigheid niet gekend hadden, dan dat zij dien gekend hebbende, zich weder afkoeren van het heilig gebod dat hun overgegeven was.

22 Maar hun is overkomen hetgeen met een waar spreekwoord gezegd, wordt: D3 hond is wedergekeerd tot zijn eigen uitbraaksel, en de gewasschen zeug tot de wenteling in het slijk.

HOOFDSTUK 3.

Dezen tweeden zendbrief, geliefden, schrijf ik nu aan u, in welke heide ik door vermaning uw oprecht gemoed opwsk,

2 opdat gij gedachtig zijt aan de woorden dié van de heilige Profeten te voren gesproken zijn, en aan ons gebod, die des Heeren en Zaligmakers Apostelen zijn:

3 dit eerst wetende, dat in \'t laatste der dagen spotters komen zullen, die naar hunne eigene begeerlijkheden zullon wandelen,

4 en zeggen: Waar is de belofte zijner toekomst? want van dien dnq dat de vaderen ontslapen zijn blijven alle ciingen alzóó gelijk van het begin der schepping.

5 Want willens is dit hun onbekend, dat door het Woord Gods de hemelen van overlang geweest zijn, en de aarde uit het water en in het water bestaande,

G door welke de wereld die toen was, met het water van den zond vloed bedekt zijnde, vergaan is.

2 PETRUS 3.


-ocr page 1349-

2 PETRUS \'ó. 1 JOHANNES 1.

293

7 Maar de hemelen die nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde Woord als een schat weggelegd, en worden ten vure bewaard tegen den dag des oordeels en der verderving der goddelooze menschen.

8 Doch deze ééne zaak zij u niet onbekend, geliefden, dat één dag bij den Heere is als duizend jaren, en duizend jaren als één dag.

9 De Heere vertraagt de belofte niet, (gelijk eenigen dotf traagheid achten), maar is lankmoedig over ons, niet willende dat eenigen verloren gaan, maar dat ze allen tot bekeering komen.

10 Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in den nacht, in welken de hemelen met een gedruisch zullen voorbijgaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en de aarde en de werken die daarin zijn zullen verbranden.

11 Dewijl dan deze dingen alle vergaan, noedanigen behoort gij te zijn in heiligen wandel en godzaligheid ;

12 verwachtende en haastende tot de toekomst van den dag Gods, in welken de hemelen door vuur ontstoken zijnde zullen vergaan, en de elementen brandende zullen versmelten.

13 Maar wij verwachten, naar zijne belofte, nieuwe hemelen en eene nieuwe aarde, in dewelke gerechtigheid woont.

14 Daarom, geliefden, verwachtende deze dingen, benaarstigt u dat gij onbevlekt en onbestraffdlijk van hem bevonden moogt worden in vrede;

15 en acht de lankmoedigheid onzes Hoeren voor zaligheid, ge-lijkerwijs ook onze geliefde broeder Paulus, naar de wijsheid die hem gegeven is, ulieden geschreven heeft,

1(3 gelijk ook in alle zendbrieven, daarin van deze dingen sprekende; in welke sommige dingen zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mónschen verdraaien, gelijk ook de andere Schriften tot iiun eigen verderf.

17 Gij dan, geliefden, zulks te voren wetende, wacht u dat gij niet door de verleiding der gru-welijkste menschen mede afgerukt wordt, en uitvalt van uwe vastigheid;

18 maar wast op in de genade en kennis onzes Heeren en Zaligmakers Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid, beide nu en ir. den dag der eeuwigheid. Amen.


DE EERSTE ALGE MEE NE BRIEF

VAN DEN

A ros T E L J O H A N N E S.

HOOFDSTUK 1.

Hetgeen van den beginne was, hetgeen wij gehoord hebben, hetgeen wij gezien hebben met onze oogen, \'hetgeen wij aanschouwd hebben en onze handen getast hebben van het Woord des levens: 2 (want het leven is geopenbaard, en wij hebben het gezien, en wij getuigen en verkondigen ulieden dat eeuwige leven , \'t welk bij den Vader was en ons is geopenbaard): 3 hetgeen wij dan gezien en gehoord hebben, dat verkondigen wij u, opdat ook gij met ons gemeenschap zoudt hebben, en deze onze gemeenschap ook zij met den Vader en met zijnen Zoon Jezus Christus.


-ocr page 1350-

1 JOHANNES 2.

294

4 En deze dingen schrijven wij u, opdat uwe blijdschap vervuld zij.

5 En dit is de verkondiging die wij van hem ge\':oord hebben en wij u verkondigen, dat God een licht is en gansch gcene duisternis in hem is.

6 Indien wij zeggen dat wij gemeenschap met hem hebben, en wij in de duisternis wandelen, zoo liegen wij en doen de waarheid niet,

7 maar indien wij in het licht wandelen, gelijk hij in het licht is, zoo hebben wij gemeenschap met elkander, en het bloed van Jezus Christus zijnen Zoon reinigt ons van alle zonde.

8 Indien wij zeggen dat wij geene zonde hebben, zoo verleiden wij onszelven en de waarheid is in ons niet.

9 Indien wij onze zonden belijden, hij is getrouw en rechtvaardig, dat hij ons de zonden vergeve en ons reinige van alle ongerechtigheid.

10 Indien wij zeggen dat wij niet gezondigd hebben, zoo maken wij hem tot een leugenaar en zijn woord is niet in ons.

HOOFDSTUK 2.

Mijne kinderkens, ik schrijf u deze dingen opdat gij niet zondigt. En indien iemand gezondigd heeft, wij hebben eenen Voorspraak bij den Vader, Jezus Christus den rechtvaardige.

2 En hij is eene verzoening voor onze zonden, en niet alleen voor de onze, maar ook voor de zonden der geheele wereld.

3 En hieraan kennen wij dat wij hem gekend hebben, zoo wij zijne geboden bewaren.

4 Die daar zegt: Ik ken hem, en zijne geboden niet bewaart, die is een leugenaar, en in dien is de waarheid niet;

5 maar zoo wie zijn woord bewaart, in dien is waarlijk de liefde Gods volmaakt geworden. Hieraan kennen wij dat wij in hem zijn.

G Die zegt dat hij in hem blijft, die moet ook zelf alzóó wandelen gelijk hij gewandeld heeft.

7 Rroeders, ik schrijf u geen nieuw gebod, maar een oud gebod, dat gij van den beginne gehad hebt. Dit oude gebod is het woord dat gij van den beginne gehoord hebt.

8 Wederom schrijf ik u een nieuw gebod: hetgeen waarachtig is in hem, zij ook in u luaarachtig] want de duisternis gaat voorbij en het waarachtige licht schijnt nu.

9 Die zegt dat hij in het licht is, en zijnen broederhaat, die is in de duisternis tot nog toe.

10 Die zijnen broeder liefheeft blijft in het quot;licht, en geene ergernis is in hem,

11 maar die zijnen broeder haat, is in de duisternis en wandelt in de duisternis, en weet nietwaar hij henengaat; want de duisternis heeft zijne oogen verblind.

12 Ik schrijf u, kinderkens, want de zonden zijn u vergeven om zijns naams wille.

13 ik schrijf u, vaders, want gij hebt hem gekend die van den beginne is. Ik schrijf u, jongelingen, want gij hebt den booze overwonnen. Ik schrijf u, kinderen , want gij hebt den Vader gekend.

14 Ik heb u geschreven , vaders, want gij hebt hem gekend die van den beginne is. Ik heb u geschreven, jongelingen, want gij zijt sterk, en het Woord Gods blijft in u, en gij hebt den booze overwonnen.

15 Hebt de wereld niet lief noch \'tgeen inde wereld is: zoo iemand de\' wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem.

1G Want al wat in de wereld is, namelijk de begeerlijkheid des vleesches en de begeerlijkheid der oogen en de grootschheid des levens, is niet uit den Vader, maar is uit de wereld.

17 En de wereld gaat voorbij en hare begeerlijkheid, maar die den wil Gods doet blijft in der eeuwigheid.

18 Kinderkens , het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt dat de Antichrist komt, zoo zijn ook nu vele Antichristen geworden; waaruit wij kennen dat het de laatste ure is.


-ocr page 1351-

1 JOHANNES 3.

295

10 Zij zijn uit ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zoo zouden zij met ons gebleven zijn; maar dit is geschied opdat ze zouden openbaar worden dat ze niet allen uit ons zijn.

20 Doch gij hebt de zalving van den Heilige, en gij weet alle dingen.

21 Ik heb u niet geschreven omdat gij de waarheid niet weet, maar omdat gij die weet, en omdat geen leugen uit de waarheid is.

22 Wie is de leugenaar, dan die loochent dat Jezus is de Christus? Deze is de Antichrist, die den Vader en den Zoon loochent.

23 Een iegelijk die den Zoon loochent, heeft ook den Vader niet.

24 Hetgeen gijlieden dan van den beginne gehoord hebt, dat blijve in u. Indien in u blijft wat gij van den beginne gehoord hebt, zoo zult gij ook in den Zoon en in den Vader blijven.

25 En dit is de belofte die hij ons beloofd heeft, namelijk het eeuwige leven.

23 Dit heb ik u geschreven van degenen die u verleiden.

27 En de zalving die gijlieden van hem ontvangen hebt, blijft in u, en gij hebt niet van noode dat iemand u leere; maar gelijk dezelfde zalving u leert van alle dingen, zoo is zij ook waarachtig en is geen leugen; en gelijk zij u geleerd heeft, zoo zult gij in hem blijven.

28 En nu kinderkens, blijft in i«ein, opdat wanneer hij zal geopenbaard zijn, wij vrijmoedigheid hebben, en wij van hem niet beschaamd gemaakt worden in zijne toekomst.

29 Indien gij weet dat hij rechtvaardig is, zoo weet gij dat een iegelijk die de rechtvaardigheid doet uit hem geboren is.

HOOFDSTUK 3.

Ziet hoe groote liefde ons de Vader gegeven heeft, namelijk dat wij kinderen Gods genaamd zouden worden. Daarom kent ons de wereld niet, omdat zij hem niet kent.

2 Geliefden, nu zijn wij kinderen

Gods, en het is nog niet geopenbaard wat wij zijn zullen; maar wij weten dat als hij zal geopenbaard zijn, wij hem zullen gelijk wezen; want wij zullen hem zien gelijk hij is.

3 En een iegelijk die deze hoop op hem heeft, die reinigt zich-zelven, gelijk hij rein is.

4 Een iegelijk die de zonde doet, die doet ook de ongerechtigheid ; want de zonde is de ongerechtigheid.

5 En gij weet dat hij geopenbaard is opdat hij onze zonden zoude wegnemen, en geen zonde is in hem.

6 Een iegelijk die in hem blijft, die zondigt niet; een iegelijk die zondigt, die heeft hem niet gezien en heeft hem niet gekend.

7 Kinderkens, dat u niemand verleide. Die de rechtvaardigheid doet, die is lechtvaardig, gelijk hij rechtvaardig is.

8 Die de zonde doet is uit den duivel, want de duivel zondigt van den beginne. Hiertoe is de Zoon Gods geopenbaard, opdat hij de werken des duivels verbreken zoude.

9 Een iegelijk die uit God geboren is, die doet de zonde niet; want zijn zaad blijft in hem , en hij kan niet zondigen; want hij is uit God geboren.

10 Hierin zijn do kinderen Gods en de kinderen des duivels openbaar. Een iegelijk die de rechtvaardigheid niet doet, die is niet uit God, en die zijnen broeder niet liefheeft.

11 Want dit is de verkondiging die gij van den beginne gehoord hebt, dat wij elkander zouden liefhebben.

12 Niet gelijk Kain, die uit den booze was en zijnen broeder doodsloeg; en om wat oorzaak sloeg hij hem dood? Omdat zijne werken boos waren, en zijns broeders rechtvaardig.

13 Verwondert u niet, mijne broeders , zoo u de wereld haat.

14 Wij weten dat wij overgegaan zijn uit den dood in het leven, dewijl wij de broeders liefhebben. Die zijnen broeder niet liefheeft, blijft in den dood.


-ocr page 1352-

290

15 Een iegelijk die zijnen broc-der haat is een doodslager, en gij weet dat geen doodslager het eeuwige leven heeft in hem blijvende.

16 Hieraan hebben wij de liefde gekend, dat hij zijn leven voor ons gesteld heeft; en wij zijn schuldig voor de broeders het leven te stellen.

17 Zoo wie nu het goed der wereld heeft, en ziet zijnen broeder gebrek hebben, en sluit zijn hart toe voor hem, hoe blijft de liefde Gods in hem?

18 Mijne kiuderkens, laat ons niet liefhebben met het woord noch met de tong, maar met de daad en waarheid.

19 En hieraan kennen wij dat wij uit de waarheid zijn, en wij zullen onze harten verzekeren voor hem.

20 Want indien ons hart ons veroordeelt. God is meerder dan ons hart, en hij kent alle dingen.

21 Geliefden, indien ons hart ons niet veroordeelt, zoo hebben wij vrijmoedigheid tot God,

22 en zoo wat wij bidden, ontvangen wij van hem, dewijl wij zijne geboden bewaren en doen hetgeen behagelijk is voor hem.

23 En dit is zijn gebod, dat wij gelooven in den naam zijns Zoons Jezus Christus, en elkander liefhebben, gelijk hij ons een gebod gegeven heeft.

24 En die zijne geboden bewaart, blijft in hem, en hij in denzelven. En hieraan kennen wij dat hij in ons blijft, namelijk uit den Geest dien hij ons gegeven heeft.

HOOFDSTUK 4. Geliefden, gelooft niet eenen iegelijken geest, maar beproeft de geesten of zij uit God zijn; ■want vele valsche Profeten zijn uitgegaan in de wereld.

2 Hieraan kent gij den Geest Gods: alle geest die belijdt dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God;

3 en alle geest die niet belijdt dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is, die is uit God niet; maar dit is de geest van den

Antichrist,welken geest gij gehoord hebt dat komen zal, en is nu aireede in de wereld.

4 Kinderkens, gij zijt uit God, en hebt hen overwonnen; want hij is meerder die in u is, dan die in de wereld is.

5 Zij zijn uit de wereld: daarom spreken zij uit de wereld, en de wereld hoort hen.

G Wij zijn uit God. Die God kent hoort ons, die uit God niet is hoort ons niet. Hieruit kennen wij den geest der waarheid en den geest der dwaling.

7 Geliefden, laat ons elkander liefhebben, want de liefde is uit God, en een iegelijk die liefheeft is uit God geboren en kent God.

8 Die niet liefheeft, die heeft God niet gekend, want God is liefde.

9 Hierin is de liefde Gods jegens ons geopenbaard, dat God zijnen eeniggeboren Zoon gezonden heeft in de wereld, opdat wij zouden leven door hem.

10 Hierin is de liefde, niet dat wij God liefgehad hebben, maar dat hij ons lief heeft gehad, en zijnen Zoon gezonden heeft tot eelve verzoening voor onze zonden.

11 Geliefden, indien God ons alzóó liof heeft gehad, zoo zijn ook wij schuldig elkander lief te hebben.

12 Niemand heeft ooit God aanschouwd : indien wij elkander liefhebben, zoo blijft God in ons, en zijne liefde is in ons volmaakt.

13 Hieraan kennen wij dat wij in hem blijven, en hij in ons, omdat hij ons van zijnen Geest gegeven heeft.

14 En wij hebben Jt aanschouwd en getuigen, dat de Vader zijnen Zoon gezonden heeft tot eenen Zaligmaker der wereld.

15 Zoo wie beieden zal hebben dat Jezus de Zoon Gods is, God bliift in hem en hij in God.

16 En wij hebben gekend en geloofd de liefde die God tot ons heeft. God is liefde, en die in de liefde blijft, ede blijft in God en God in hem.

17 Hierin is de liefde bij ons volmaakt, opdat wij vrijmoedig-

1 JOHANNES 4.


-ocr page 1353-

1 JOHANNES 5.

297

heid mogen hebben in den dag des oordeels, namelijk dat gelijk hij is, wij óók zijn in deze wereld.

18 Daar is iri de liefde geen vrees, maar de volmaakte liefde drijft de vrees buiten: want de vrees heeft pijn, en die vreest is niet volmaaktquot; in de liefde.

19 Wij hebben hem lief, omdat hij ons eerst liefgehad heeft.

20 Indien iemand zegt: Ik heb God lief, en zijnen broeder haat, die is een leugenaar: want die zijnen broeder niet liefheeft, dien hij gezien heeft,hoe kan hij God liefhebben dien hij niet gezien heeft?

21 En dit rrebod hebben wij van hem, namelijk dat die God liefheeft, ook zijnen broeder liefhebbe.

HOOFDSTUK 5.

Een iegelijk die gelooft dat Jezus is de Christus, die is uit God geboren; en een iegelijk die liefheeft dengenen die geboren heeft, die heeft ook lief dengenen die uit hem geboren is.

2 Hieraan kennen wij dat wij de kinderen Gods liefhebben, wanneer wij God liefhebben en zijne geboden bewaren.

3 Want dit is de liefde Gods, dat wij zijne geboden bewaren. En zijne geboden zijn niet zwaar.

quot; 4 Want al wat uit God geboren is overwint de wereld; en dit is de overwinning die de wereld overwint, namelijk ons geloof.

5 Wie is het die de wereld overwint, dan die gelooft dat Jezus is de Zoon Gods?

6 Deze is het die gekomen is door water en bloed, namelijk Jezus de Christus: niet door het water alleen, maar door het water en het bloed. En de Geest is het die getuigt dat de geest de waarheid is.

7 Want drie zijn er die getuigen in den hemel: de Vader, het Woord, en de Heilige Geest; en deze drie zijn óén.

8 En drie zijn er die getuigen op de aarde: de Geest, en het water, en het bloed; en die drie zijn tot één.

9 Indien wij de getuigenis der menschen aannemen, de getuigenis Gods is meerder; want dit is de getuigenis Gods, welke hij van zijnen Zoon getuigd heeft.

10 Die in den Zoon Gods gelooft, heeft de getuigenis in zichzelven; die God niet gelooft, heeft hem tot een leugenaar gemaakt, dewijl hij nie: geloofd heeft de getuigenis die God getuigd heeft van zijnen Zoon.

11 En dit is de getuigenis, namelijk dat God ons het eeuwige leven gegeven heeft; en dit leven is in zijnen Zoon.

12 Die den Zoon heeft, die heeft het leven; die den Zoon Gods niet heeft, die heeft het leven niet.

13 Deze dingen heb ik u geschreven, die gelooft in den naam des Zoons Gods, opdat gij weet dat gij het eeuwige leven hebt, en opdat gij gelooft in den naam des Zoons Gods.

14 En dit is de vrijmoedigheid die wij tot hem hebben, dat zoo wij iets bidden naar zijnen wil, hij ons verhoort.

15 En indien wij weten dat hij ons verhoort, wat wij ook bidden, zoo weten wij dat wij de beden verkrijgen die wij van hem gebeden hebben.

10 Indien iemand zijnen broeder ziot zondigen eene zonde niet toquot;; dun dood, die zal God bidden, en hij zal hem het leven geven, dengenen zef/ ik die zondigen niet tot den dood. Er is eene zonde tot den dood: voor die zonde zeg ik niet dat hij zal bidden.

17 Alle ongerechtigheid is zonde, en daar is zonde niet tot den dood.

18 Wij weten, dat een iegelijk die uit God geboren is niet zondigt; maar die uit God geboren is bewaart zichzelven, en de booze vat hem niet.

19 Wij weten dat wij uit God zijn, en dat de geheele wereld ligt in het booze.

20 Doch wij welen dat de Zoon Gods gekomen is, en ons het verstand gegeven heeft dat wij den Waarachtige kennen; en wij zijn in den Waarachtige, namelijk in zijnen Zoon Jezus Christus: deze is de waarachtige God en het eeuwige leven.

21 Kinderkens, bewaart uzelven van de afgoden. Amen.


-ocr page 1354-

2 JOHANNES. 3 JOHANNES.

DE TWEEDE BRIEF

VAN DEN

A P O S T E L J O H A N N E S.

298

Dc Ouderling aan de uitverkorene vrouw en aan hare kinderen, die ik in waarheid liefheb, en niet alleen ik, maar ook allen die de waarheid gekend hebben,

2 om der waarheid wille die in ons blijft, en met ons zal zijn in eeuwigheid:

3 genade, barmhartigheid, vrede zij met ulieden van God den Vader en van den Heere Jezus Christus, den Zoon des Vaders, in waarheid en liefde.

4 Ik ben zeer verblijd geweest, dat ik van uwe kinderen gevonden heb, c.ie in de waarheid wandelen, gelijk wij een gebod ontvangen hebben van den Vader.

5 En nu bid ik u, uitverkorene vrouw, niet als u schrijvende een nieuw gebod, maar \'t geen wij gehad hebben van den beginne, namelijk dat wij elkander liefhebben.

G En dit is de liefde, dat wij wandelen naar zijne geboden. Dit is het gebod, gelijk gijlieden van den beginne gehoord hebt, dat gij in hetzelve zoudt wandelen.

7 Want daar zijn vele verleiders in de wereld gekomen, die niet belijden dat Jezus (Christus in het vleesch gekomen is. Deze is de verleider en de Antichrist.

8 Ziet toe voor uzelven, dat wij niet verliezen \'tgeen wij gearbeid hebben, maar een vol loon mogen ontvangen.

9 Een iegelijk die overtreedt en niet blijft in de leer van Christus, die heeft God niet; die in de leer van Christus blijft, deze heeft beide den Vader en den Zoon.

10 Indien iemand tot ulieden komt en deze leer niet brengt, ontvangt hem niet in huis, en zegt tot hem niet: Wees gegroet.

11 Want die tot hem zegt: Wees gegroet, die heeft gemeenschap aan zijne booze werken.

12 Ik heb veel aan ulieden te schrijven, doch ik heb niet gewild door papier en inkt; maar ik hoop tot ulieden te komen en mond tot mond met u te spreken, opdat onze blijdschap volkomen moge zijn.

13 U groeten de kinderen van uwe zuster de uitverkorene. Amen.


DE DERDE BRIEF

VAN DEN

A F O 8 T E L J O H A N N E S.

De Ouderling aan den geliefden Gajus, welken ik in waarheid liefheb.

2 Geliefde, vóór alle dingen wensch ik dat gij welvaart en gezond zijt, gelijk uwe ziele welvaart.

3 Want ik ben zeer verblijd ge-


-ocr page 1355-

3 JOHANNES. JUDAS.

299

weest, als de broeders kwamen en getuigden van uwe waarheid, gelijk gij in de waarheid wandelt.

4 Ik heb geen meerdere blijdschap dan hierin, dat ik hoor dat mijne kinderen in de waarheid wandelen.

5 Geliefde, gij doet trouwelijk in al hetgeen gij doet aan de broederen en aan de vreemdelingen,

6 die getuigd hebben van uwe liefde, in de tegenwoordigheid der gemeente; welken indien gij geleide doet, gelijk het Gode waardig is, zoo zult gij wèl doen.

7 Want zij zijn voor zijnen naam uitgegaan, niets nemende van de heidenen.

8 Wij dan zijn schuldig de zoo-danigen te ontvangen, opdat wij medearbeiders mogen worden der waarheid.

9 Ik heb aan de gemeente geschreven; maar Diotrefès, die onder hen zoekt de eerste te zijn, neemt ons niet aan.

10 Daarom, indien ik kom, zoo zal ik in gedachtenis brengen zijne werken die hij doet, met booze woorden snaterende tegen ons; en hiermede niet vergenoegd zijnde, zoo ontvangt hij zelfde broeders niet, en verhindert degenen die het willen doen, en werpt ze uit de gemeente.

11 Geliefde , volg het kwade niet na, maar het goede. Die goed doet is uit God , maar die kwaad doet heeft God niet gezien.

12 Aan Demetrius wordt getuigenis gegeven van allen, en van de waarheid zelve; en wij getuigen óók, en gij weet dat onze getuigenis waarachtig is.

13 Ik had veel te schrijven, maar ik wil u niet schrijven met inkt en pen;

14 maar ik hoop u haast te zien, en wij zullen mond tot mond spreken.

15 Vrede zij u. De vrienden groeten u. Groet de vrienden met name.


DE ALGEMEENE BRIEF

APOSTEL JUDAS.

Judas, een dienstknecht van j Jezus Christus, en broeder van\' Jacobus, aan de geroepenen die 1 door God den Vader geheiligd zijn, en door Jezus Christus bewaard :

2 barmhartigheid en vrede en liefde zij tt vermenigvuldigd.

3 Geliefden, alzoc ik alle naarstigheid doe om u te schrijven van de gemeene zaligheid, zoo heb ik noodzaak gehad aan u te schrijven, en u te vermanen dat gij strijdt voor het geloof, dat eenmaal den heiligen overgeleverd is.

4 Want daar zijn sommige men-schen ingeslopen, die eertijds tot dit oordeel te voren opgeschreven zijn, goddeloozen, die de genade onzes Gods veranderen in ontuchtigheid, en den éénigen Heerscher God en onzen Heere Je^us Christus verloochenen.

5 Maar ik wil u indachtig maken, als die dit eenmaal weet, dat de Heere het volk uit Egypteland verlost hebbende, wederom degenen die niet geloofden verdorven heeft.

6 En de Engelen die hun beginsel niet bewaard hebben, maar hun eigen woonstede verlaten hebben, heeft hij tot het oordeel des


-ocr page 1356-

300 \' J UI

grooten dags met eeuwige banden onder de duisternis bewaard.

7 Gelijk Sodom eti Go mor ra en de steden rondom dezelve, die op gelijke wijze als deze gehoereerd hebben, en ander vieesch zijn nagegaan, tot een exempel voorgesteld zijn, dragende de straf des eeuwigen vuurs.

8 Desgelijks evenwel ook dezen in slaap gebracht zijnde, verontreinigen het vieesch, en verwerpen de heerschappij , en lasteren de heerlijkheden.

9 Maar Michaël de Archangel, toen hij met den duivel twistte , en handelde van het lichaam van Mozes, durfde geen oordeel van lastering tegen hem voortbrengen , maar zeide: De Heere be-stratfe u.

10 Maar deze \'t geen zij met weten , dat lasteren zij; en \'t geen zij natuurlijk, als de onredelijke dieren, weten, in \'t zelve verderven zij zich.

11 Wee hun; want zij zijn den weg Kains ingegaan, en door de verleiding van het loon Bileams zijn zij henengestort, en zijn dooide tegenspreking Korachs vergaan.

12 Deze zijn vlekken in uwe liefdemaaltijden, en als zij met u ter maaltijd zijn, weiden zij zich-zelven zonder vrees; zij zijn water-looze wolken, die van de vvinden omgedreven worden; zij zijn als boomen in het afgaan van den herfst, onvruchtbaar, tweemaal verstorven, en ontworteld;

13 wilde baren der zee, hun eigen schande opschuimende; dwalende sterren, denwelken de donkerheid der duisternis in der eeuwigheid bewaard wordt.

14 En van dezen heeft ook Henoch, de zevende van Adam, geprofeteerd, zeggende: Zie, de Heere is gekomen met zijne vele duizenden heiligen,

• AS.

15 om gericht te houden tegen allen, en te straffen alle godde-loozen onder hen, vanwege alle hunne goddelooze werken die zij goddelooshjk gedaan hebben, en vanwege alle de harde woorden die de goddelooze zondaars tegen hem gesproken hebben.

16 Dezen zijn murmureerders, klagers over \'hunnen staat, wandelende naar hunne begeerlijkheden , en hun mond spreekt zeer opgeblazene dingen, verwonderende zich over de personen om des voordeels wille.

17 Maar, geliefden , gedenkt gij der woorden die voorzegd zijn van de Apostelen onzes Heeren Jezus Christus:

18 dat zij u gezegd hebben, dat er in den laatsten tijd spotters zullen zijn, die naar hunne goddelooze begeerlijkheden wandelen zullen.

IV» Deze zijn het die zichzelven afscheiden, natuurlijke mcnschen, den Geest niet hebbende.

20 Maar, geliefden, bouwt gij uzelven op uw sllerheiligst geloof, biddende in den Heiligen Geest;

21 bewaart uzelven in de liefde Gods, verwachtende de barmhartigheid onzes Heeren Jezus Christus ten eeuwigei leven.

22 En ontfermt u wel over eenigen , onderscheid makende;

23 maar behoudt anderen door vrees, en grijpt ze uit het vuur; en haat ook den rok die van het vieesch bevlekt is.

24 Hem nu die machtig is u van struikelen te bewaren, en onstraf-felijk te stellen voor zijne heerlijkheid in vreugde ,

25 den alleen wijzen God onzen Zaligmaker, zij heerlijkheid en majesteit, kracht en macht, beide nu en in alle eeuwigheid. Amen.


-ocr page 1357-

OPENBARING 1.

301

DE O P E N B A li I N G

JOHANNES;

HOOFDSTUK 1.

De openbaring van Jezus Christus, die God hem gegeven heeft, om zijnen dienstknechten te toonen de dingen die haast geschieden moeten; en die hij door zijnen Engel gezonden en zijnen dienstknecht Johannes te kennen gegeven heeft:

2 dewelke het Woord Gods betuigd heeft, en de getuigenis van Jezus Christus, en al wat hij gezien heeft.

3 Zalig is hij die leest en zijn zij die hooren do woorden dezer Profetie , en die bewaren hetgeen in dezelve geschreven is; want de tijd is nabij.

4 Johannes aan de zeven gemeenten «lie in Azië zijn : genade zij u en vrede van hem die is, en die was, en die komen zal, en van de zeven Geesten die vóór zijnen troon zijn,

5 en van Jezus Christus, die de getrouwe getuige is, de eerstgeborene uit de dooden , en de Overste van de Koningen der aarde. Hem die ons heeft liefgehad en ons van onze zonden gewasschen heeft in zijn bloed,

6 en die ons gemaakt heeft toJ. Koningen en Priesters Gode en zijnen Vader, hem zey ik zij de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwighc.id. Amen.

7 Zie, hij komt met de wolken , en alle oog zal hem zien, ook degenen die hem doorstoken hebben: en alle geslachten der aarde zullen over hem rouw bedrijven; ja, amen.

S Ik ben de Alfa en de Omega, het begin en het einde, zegt de Heere, die is. en die was, en die komen zal, dé Almachtige.

!) Ik Johannes, die ook uw broeder ben en medegenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en in de lijdzaamheid van Jezus Christus, was op het eiland genaamd Patmos, om het Woord Gods en om de getuigenis van Jezus Christus.

■10 En ik was in den geest op den dag des Hecren, e.. ik hoorde achter mij eeue groote stem als cener bazuin,

11 zeggende: Ik ben de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste; en: Hetgeen gij■ ziet, schrijt d t in een boek, en zend het aan de zeven gemeenten die in Azië zijn, namelijk naar Efeze, en naar Smyrna, en naar Pergamus, en naar ThyaU\'ra, en naarSardes, en naar Filadelfia, en naar Laodicéa.

12 En ik keerde mij om, om te zien de stem , die met mij gesproken had; en mij omgekeerd hebbende zag ik zeven gouden kandelaren ,

13 en in het midden van de zeven kandelaren eenen, den Zoon des menschen gelijk zijnde, bekleed met een lang kleed tot de voeten, en omgord aan de borsten met eenen gouden gordel;

14 en zijn hoofd en haar was


-ocr page 1358-

OPENBARING 2.

302

wit gelijk als witte wol, gelijk sneeuw, en zijne oogen gelijk eene vlam vuurs;

15 en zijne voeten waren blinkend koper gelijk, en gloeiden als in eenen oven; en zijne stem als eene stem van vele wateren.

16 En hij had zeven sterren in zijne rechterhand; en uit zijnen mond ging een tweesnijdend scherp zwaard; en zijn aangezicht was gelijk de zon schijnt in hare kracht.

17 En toen ik hem zag viel ik als dood aan zijne voeten; en hij leide zijne rechter/icmtZ op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; ik hen de eerste en de laatste;

18 en die leef, en ik ben dood geweest; en zie, ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En ik heb de sleutels der hel en des doods.

19 Schrijf hetgeen gij gezien hebt, en hetgeen is, en hetgeen geschieden zal na dezen:

20 de verborgenheid der zeven sterren die gij gezien hebt in mijne rechter/icmrf, en de zeven gouden kandelaren. De zeven sterren zijn de Engelen der zeven gemeenten, en de zeven kandelaren, die gij gezien hebt, zijn de zeven gemeenten.

HOOFDSTUK 2.

Schrijf aan den Engel der gemeente van Efeze: Dit zegt hij die de zeven sterren in zijne rechter-hand houdt, die in het midden der zeven gouden kandelaren wandelt:

2 Ik weet uwe werken, en uwen arbeid, en uwe lijdzaamheid, en dat gij de kwaden niet kunt verdragen, en dat gij beproefd hebt degenen die voorgeven dat zij Apostelen zijn , en zij zijn het niet, en hebt ze leugenaars bevonden;

3 en gij hebt verdragen en hebt geduld, en gij hebt om mijns naams wille gearbeid, en zijt niet moede geworden.

4 Maar ik heb tegen u, dat gij uwe eerste liefde hebt verlaten.

5 Gedenk dan waarvan gij uitgevallen zijt, en bekeer u, en doe de eerste werken; en zoo niet, ik zal u haastelijk frykomen, en zal uwen kandelaar van zijne plaats

weren, indien gij u niet bekeert

(3 Maar dit hebt gij, dat gij de werken der Nicolaiten haat, welke ik óók haat.

7 Die ooren heeft, diehoorewat de Geest tot de gemeenten zegt, Die overwint, ik zal hem geven te eten van den boom des levens die in het midden van het paradijs Gods is.

8 En schrijf aan den Engel der gemeente van die van Smyrna Dit zegt de eerste en de laatste, die dood geweest is en weder levend is geworden:

0 Ik weet uwe werken, en verdrukking, en armoede, (doch gij zijt rijk), en de lastering dergenen die zeggen dat ze Joden zijn en zijn \'t niet, maar zijn eene Synagoge des satans.

10 Vrees geen der dingen die d gij lijden zult. Zie, de duivel zal I eenigen van ulieden in de gevan- ï genis werpen, opdat gij verzocht r wordt, en gij zult eene verdruk- z king hebben van tien dagen. Wees getrouw tot den dood, en ik zal r u geven de kroon des levens. 1

11 Die ooren heeft, die hoore i wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint zal van den ( tweeden dood niet beschadigd wor- i den. ;

12 En schrijf aan den Engel der gemeente die in Pergamus is: Dit zegt hij die het tweesnijdend scherp zwaard heeft;

13 Ik weet uwe werken, en waar gij woont, namelijk daar de troon des satans is; en gij houdt mijnen naam, en hebt mijn geloof niet verloochend, ook in die dagen, in welke Antipas mijn getrouwe getuige was, welke gedood is bij ulieden daar de satan woont.

14 Maar ik heb eenige weinige dingen tegen u, dat gij aldaar hebt, die de lee -ing Bileams houden, die Ba.ak leerde den kinderen Israels een aanstoot voor te werpen, opdat ze zouden afgoden-offer e\'.en en hoereeren.

15 A l zóó hebt ook gij die de leering der Nicolaiten houden, hetwelk ik haat.

16 Bekeer u; en zoo niet, ik zal u haastelijk bijkomen, en zal tegen

Ier

nij 1

wa zet ge ve; eei ke


-ocr page 1359-

OPENBARING 3.

303

len krijg voeren met het zwaard nijns nionds.

17 Die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt. Die overwint, ik zal hem geven te eten van het manna dat verborgen is , en ik zal hem geven eenen witten keursteen, en op den keursteen eenen nieuwen naam geschreven, welken niemand kent dan die hem ontvangt.

18 En. schrijf aan den Engel der gemeente te Thyatira: Dit zegt de Zoon Gods, die\'zijne oogen heeft als eene vlam vuurs, en zijne voeten zijn blinkend koper gelijk:

19 Ik weet uwe werken, en liefde, en dienst, en geloof, en uwe lijdzaamheid, en uwe werken , en dat de laatste meer zijn fian de eerste.

; 20 Maar ik heb eeniye weinige die (dingen tegen u, dat gij de vrouw zal Izébel, die zichzelve zegt eene in-. Profetes te zijn, laat leeren en ïht mijne dienstknechten verleiden dat ik- ze hoereeren en afgodenolfcr eten. ïes 21 En ik heb haar tijd gegeven sal opdat zij zich zouden bèkeeren van hare hoererij, en zij heeft zich re ; niet bekeerd.

en 22 Zie, ik werp haar te bed, en 3n die met haar overspel bedrijven , gt;r- in groote verdrukking, zoo zij zich niet bekeeren van hunne wérken, er 23 En hare kinderen zal ik door )it den dood ombrengen, en alle de i\'p gemeenten zullen weten dat ik het ben die nieren en harten onder-ir zoek. En ik zal ulieden geven een n iegelijk naar uwe werken, n 24 Doch ik zeg tot ulieden, en 3t tot de anderen die te Thyatira zijn, n zoo velen als er deze leer niet heb-ï- ben, en die diepten des satans ij niet gekend hebben, gelijk zij zeggen : Ik zal u geenen anderen last e opleggen.

r 25 Maar hetgeen gij hebt, houdt dat totdat ik zal komen.

26 En die overwint en die mijne 3 werken tot den einde toe bewaart, ik zal hem macht geven over de heidenen,

i 27 en hij zal ze hoeden met eenen ijzeren staf; zij zullen als pottenbakkersvaten vermorzeld worden, [ gelijk ook ik van mijnen Vader i ontvangen heb.

eert ij de elke

wal

:egt

Jven

ïns

idijs

der na:

5te.

der

er-gij a en en

28 En ik zal hem de morgenster geven.

29 Die ooren heeft, die hoore wr.t de Geest tot de gemeenten zegt.

HOOFDSTUK 3.

En schrijf aan den Engel der gemeente die te Sardes is: Dit zegt die de zeven Geesten Gods heeft, en de zeven sterren: Ik weet uwe werken, dat gij den naam hebt dat gij leeft, en gij zijt dood.

2 Wees wakende, en versterk het overige dat sterven zoude; want ik heb uwe werken niet vol gevonden voor God.

3 Gedenk dan hoe gij het ontvangen en gehoord hebt, en bewaar het, en bekeer u. Indien gij dan niet waakt, zoo zal ik over u komen als een dief, en gij zult niet weten op wat ure ik over u komen zal.

4 Doch gij hebt eenifje weinige namen ook te Sardes, die hunne kleederen niet bevlekt hebben, en zij zullen met mij wandelen in witte kleederen, overmits zij het waardig zijn.

5 Die overwint, die zal bekleei worden met witte kleederen; en ik zal zijnen naam geenszins uitdoen uit het boek des levens, en ik zal zijnen naam belijden voor mijnen Vader en voor zijne Engelen.

C Die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt.

7 En schrijf aan den Engel der gemeente die in Filadelfia is: Dit zegt de Heilige, de Waarachtige, die den sleutel Davids heeft, die opent en niemand sluit, en hij sluit en niemand opent;

8 Ik weet uwe werken; zie, ik heb eene geopende deur voor u gegeven , en niemand kan die sluiten ; want gij hebt kleine kracht, en gij hebt mijn Woord bewaard en hebt mijnen naam niet verloochend.

9 Zie, ik geef u eenigen uit de Synagoge des satans, dergenen die zeggen dat ze Joden zijn, en zijn het niet, maar liegen; zie, ik zal maken dat zij zullen komen en


-ocr page 1360-

OPENBARING 4.

304

aanbidden voor uwe voeten, en bekennen dat ik u liefheb.

10 Omdat gij het woord mijner lijdzaamheid bewaard hebt, zoo zal ik ook u bewaren uit de ure der verzoeking, die over de ge-heele wereld komen zal, om te verzoeken die op de aarde wonen.

11 Zie, ik kom haastelijk; houd dat gij hebt, opdat niemand uwe kroon neme.

12 Die overwint, ik zal hem maken tot eenen pilaar in den Tempel mijns Gods, en hij zal niet meer daar uitgaan; en ik zal op hem schrijven den naam mijns Gods, en den naam der stad mijns Gods, namelijk van het nieuwe Jeruzalem dat uit den hernel van mijnen God afdaalt, en ook mijnen nieuwen naam.

13 Die ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt.

14 En schrijf aan den Engel van de gemeente der Laodicenzen: Dit zegt de Amen, de trouwe en waarachtige Getuige, het Begin der schepning Gods:

15 Ik weet uwe werken, dat gij noch koud zijt noch heet: och of gij koud waart of heet!

16 Zoo dan omdat gij lauw zijt, en noch koud noch heet, ik zal u uit mijnen mond spuwen.

17 Want gij zegt: Ik ben rijk, en verrijkt geworden, en heb geens dings gebrek; en gij weet niet dat gij zijt ellendig en jammerlijk, en arm en blind en naakt.

18 Ik raad u dat gij van mij koopt goud, beproefd komende uit het vuur, opdat gij rijk moogt worden; en witte kleederen, opdat gij moogt bekleed worden en de schande uwer naaktheid niet geopenbaard worde; en zalf uwe oogen met oogenzalf, opdat gij zien moogt.

19 Zoo wie ik liefheb, die bestraf en kastijd ik: wees dan ijverig en bekeer u.

20 Zie, ik sta aan de deur en ik klop: indien iemand mijne stem zal hooren en de deur opendoen, ik zal tot hem inkomen, en ik zal met hem avondmaal houden, en hij met mij.

21 Die overwint, ik zal hem geven met mij te zitten in mijnen troon, gelijk als ik overwonnen heb en ben gezeten met mijnen Vader in zijnen troon.

22 Wie ooren heeft, die hoore wat de Geest tot de gemeenten zegt.

HOOFDSTUK 4.

Na dezen zag ik, en zie, eene deur was geopend in den hemel: en de eerste stem, die ik gehoord had als eener bazuin met mij sprekende, zeide: Kom hierop, en ik zal u toorien hetgeen na dezen geschieden moet.

2 En terstond werd ik in den geest; en zie, daar was een troon gezet in den hemel, en er zat een op den troon.

3 En die daarop zat, was in \'t aanzien den steen jaspis ensar-dius gelijk; en een regenboog was rondom den troon, in \'t aanzien den steen smaragdus gelijk.

4 En rondom den troon waren vierentwintig tronen; en op de tronen zag ik de vierentwintig Ouderlingen zittende, bekleed met witte kleederen, en zij hadden gouden kronen op hunne hoofden.

5 En van den troon gingen uit bliksemen en donderslagen en stemmen: en zeven vurige lampen waren brandende vóór den troon, welke zijn de zeven Geesten Gods.

6 En vóór den troon was eene glazen zee, kristal gelijk. En in het midden des troons en rondom den troon vier dieren, zijnde vol oogen van voren en van achteren.

7 En het eerste dier was eenen leeuw gelijk, en het tweede dier een kalf gelijk, en het derde dier had het aangezicht als een mensch, en het vierde dier was eenen vliegenden arend gelijk.

8 En de vier dieren hadden elk voor zichzelf zes vleugelen rondom, en warer. van binnen vol oogen; en zij hebben geen rust dag en nacht, zeggende: Heilig, heilig, heilig is de Heere God, de Almachtige, d e was en die is en die komen zal.

9 En wanneer de dieren heerlijkheid en eer en dankzegging


-ocr page 1361-

O P E N B A

ven g\'0 ven hem die op den troon zat, )on die in alle eftuwigheid leeft,

en 10 zoo vielen de vierentwintig • ia Ouderlingen vóór hem die op den troon zat, en aanbaden hem die ore leeft in alle eeuwigheid, en wier-ten pen hunne kronen vóór den troon, zeggende:

11 Gij, Heere, zijt waardig te ontvangen de heerlijkheid en de ne eer en de kracht; want gij hebt jl- alle dingen geschapen, en door rd uwen wil zijn zij, en zijn ze ge-iij schapen.

P gt; HOOFDSTUK 5.

En ik zag in de rechter/mncZ )n desgenen die op den troon zat een »n boek, beschreven van binnen en •n van buiten, verzegeld met zeven zegelen.

n 2 En ik zag eenen sterken Engel, [•- uitroepende met eenegrootestem: .s Wie is waardig het boek te openen n en zijne zegelen open te breken?

3 Èn niemand in den hemel, n noch op de aarde, noch onder de e aarde, kon het boek openen noch r hetzelve inzien.

t 4 En ik weende zeer, dat niemand waardig gevonden was om dat boek te openen en te lezen, noch hetzelve in te zien.

5 En een van de Ouderlingen zeide tot mij: Ween niet; zie, de Leeuw die uit den stam Juda is, de wortel Davids, heeft overwonnen , om het boek te openen, en zijne zeven zegelen open te breken.

G En ik zag, en zie, in het midden van den troon en van de vier dieren en in het midden van de Ouderlingen een Lam staande als geslacht, hebbende zeven hoornen en zeven oogen, dewelke zijn de zeven Geesten Gods, die uitgezonden zijn in alle landen.

7 En het kwam, en heeft het boek genomen uit de rechter/mnd desgenen, die op den troon zat.

8 En als het dat boek genomen had, vielen de vier dieren en de vierentwintig Ouderlingen voor het Lam neder, hebbende elk citers en gouden fiolen, zijnde vol reukwerk, welke zijn de gebeden der heiligen.

9 En zij zongen een nieuw lied.

U N G 5, 6. 305

zeggende*. Gij zijt waardig dat boek te nemen en zijne zegelen te openen; want gij zijt geslacht, en heb: ons Gode gekocht met u\\V bloed, uit alle geslacht en taaien volk en natie;

10 en gij hebt ons onzen God gemaakt tot Koningen en Prieste-ren, en wij zullen als Koningen heerschen op de aarde.

11 En ik zag, en ik hoorde eene stem veler Engelen rondom den troon en de dieren en de Ouderlingen. en hun getal was tiendui-zendmaal tienduizenden en duizendmaal duizenden,

12 zeggende met eene groote stem: Het Lam dat geslacht is, is waardig te ontvangen de kracht en rijkdom en wijsheid en sterkte en eer en heerlijkheid en dankzegging.

13 En alle schepsel dat in den hemel is, en op de aarde, en onder de aarde, en die in de zee zijn, en alles wat in dezelve is, hoorde ik zeggen: Hem die op den troon zit en het Lam zij de dankzegging en de eer en de heerlijkheid en de kracht in alle eeuwigheid.

14 En de vier dieren zeiden : Amen. En de vierentwintig Ouderlingen vielen neder en aanbaden dengenen die leeft in alle eeuwigheid.

HOOFDSTUK 6.

En ik zag, toen het Lam één van de zegelen geopend had, en ik hoorde één uit de vier dieren zeggen, als eene stem van eenen donderslag: Kom en zie. ;

2 En ik zag, en zie, een wit paard, en die daarop zat had eenen boog, en hem is eene kroon gegeven, en hij ging uit overwinnende, en opdat hij overwonne.-

3 En toen het het tweede zegel geopend had, hoorde ik het tweede dier zeggen : Kom en zie.

4 En een ander paard ging uit, dat rood was; en dien die daarop zat werd macht gegeven den vrede te nemen van de aarde, en dat zij elkander zouden dooden; en hem werd een groot zwaard gegeven.

5 En toen het het derde zegel geopend had, hoorde ik het derde


-ocr page 1362-

OPENBARING 7.

30G

dier zeggen: Kom en zie. En ik zag, en zie, een zwart paard, en die daarop zat had eene weegschaal in zijne hand.

6 En ik hoorde eene stem in het midden van de vier dieren , die zeide : Een maatje tarwe voor eenen penning, en drie maatjes gerst voor eenen penning; en beschadig de olie en den wijn niet.

7 En toen het het vierde zegel geopend had, hoorde ik eene stem van het vierde dier, die zeide: Kom en zie.

8 En ik zag, en zie , een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood, en de hel volgde hem na; en hun werd macht gegeven om te doodentot het vierde deel der aarde toe, met zwaard cn met honger en met den dood en door de wilde beesten der aarde.

9 En toen het het vijfde zegel geopend had, zag ik onder het altaar de zielen dergenen die gedood waren om het Woord Gods en om de getuigenis die zij hadden.

10 En zij riepen met groote stem, zeggende: Hoe lang, o heilige en waarachtige Heerscher, oordeelt en wreekt gij ons bloed niet van degenen die op de aarde wonen?

11 En aan een iegelijk werden lange witte kleederen gegeven, en hun werd gezegfl dat zij nog eenen kleinen tijd rusten zouden, totdat ook hunne mededienstknechten en hunne broeders zouden vervuld zijn. die gedood zouden worden gelijk als zij.

12 En ik zag toen het het zesde zegel geopend had, en zie, er werd eene groote aardbeving; en de zon werd zwart als een haren zak, en de maan werd als bloed,

13 en de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijne onrijpe vijgen afwerpt, als hij van quot;eenen grooten ■wind geschud wordt.

14 En de hemel is wegge weken, als een boek dat toegerold wordt; en alle bergen en eilanden zijn bewogen uit hunne plaatsen.

15 En de Koningen der aarde, en de grooten, en de rijken, ea de oversten over duizend, en de machtigen, en alle dienstknechten.

en alle vrijen, verborgen zich- gl

zeiven in de spelonken en in de k(

steenrotsen der bergen , er

10 en zeiden tot de iDergen en dc

tot de steenrotsen: Valt öp ons, A

en verbergt ons van het aange- et

zicht desgenen die op den troon h; zit, en van den toorn des Lams;

17 want de groote dag zijns toorns si

is gekomen, en wie kan bestaan? o:

HOOFDSTUK 7.

En na dezen zag ik vier Engelen i\' staan op de vier hoeken der aar- C de, houdende de vier winden der g aarde, opdat geen wind zoude l waaien op de aarde, noch op de zee, noch tegen eenigen boom. t

2 En ik zag eenen anderen En- lt; gel opkomen van den opgang der 1 zon, hebbende het zegel des levenden Gods ; en hij riep met eene groote stem tot de vier Engelen, ; welken macht gegeven was de aarde en de zee te beschadigen,

3 zeggende: Beschadigt de aarde niet, noch de zee, noch de boo-men, totdat wij de dienstknechten onzes Gods zullen verzegeld hebben aan hunne voorhoofden.

4 En ik hoorde het getal dergenen die verzegeld waren: hon-derdvierenveertigduizend waren verzegeld uit alle geslachten der kinderen Israels.

5 Uit het geslacht Juda waren twaalfduizend verzegeld; uit het geslacht Ruben waren twaalfduizend verzegeld; uil het geslacht Gad waren twaalfduizend verzegeld;

G uit het geslacht Aser waren twaalfduizend verzegeld; uit het geslacht Naftali waren twaalfduizend verzegeld; uit het geslacht Manasse waren twaalfduizend verzegeld ;

7 uit het geslacht Simeon waren twaalfduizend verzegeld; uit het geslacht Levi waren twaalfduizend verzegeld; uit het geslacht Is-saschar waren twaalfduizend verzegeld ;

8 uit het geslacht Zebulon waren twaalfduizend verzegeld; uitliet geslacht Jozef waren twaalfduizend verzegeld; uit het geslacht Benjamin waren twaalfduizend verzegeld.

9 Na dezen zag ik, en zie, eene


-ocr page 1363-

OPENBARING 8.

307

grooto schare, die niemand tellen kon, uit alle natie en geslachten en volken en talen, staande vóór den troon en vóór het. Lam, bekleed zijnde met lange witte kleederen, en vdilmtakken waren in hunne handen.

10 En zij riepen met groote stem, zeggende: De zaligheid zij onzen God die op den troon zit, en het Lam.

11 En alle de Engelen stonden rondom den troon en rondom de Ouderlingen en de vier dieren, en vielen vóór den troon neder op hun aangezicht, en aanbaden God,

12 zeggende: Amen. De lof en de heerlijkheid en de wijsheid en de dankzegging en de eer en de kracht en de sterkte zij onzen God in alle eeuwigheid. Amen.

13 En een uit de Ouderlingen antwoordde, zeggende tot mij: Dezen, die bekleed zijn met de lange witte kleederen, wie zijn zij en van waar zijn ze gekomen?

14 En ik sprak tot hem: Mecre, gij weet het. En hij zeide tot mij: Deze zijn het die uit de groote verdrukking komen; en zij hebben hunne lange kleederen gewasschen en hebben hunne lange kleederen wit gemaakt in het bloed des Lams.

15 Daarom zijn zij vóór den troon Gods, en dienen hem dag en nacht in zijnen Tempel; en die op den troon zit zal hen overschaduwen.

16 Zij zullen niet meer hongeren en zullen niet meer dorsten, en de zon zal op hen niet vallen noch eenige hitte.

17 Want het Lam dat in \'t midden des troons is zal ze weiden, en zal hun een Leidsman zijn tot levende fonteinen der wateren; en God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen.

HOOFDSTUK 8. En toen het het zevende zegel geopend had, werd er een stilzwijgen in den hemel, omtrent van een half uur.

2 En ik zag de zeven Engelen die vosr God stonden, en hun werden zeven bazuinen gegeven.

3 En er kwam een andere Engel, en stond aan het altaar, hebbende een gouden wierookvat; en hem werd veel reukwerk gegeven, opdat hij \'t met de gebeden aller heiligen zoude leggen op liet gouden altaar dat vóór den troon is.

4 En de rook des rcukwerks met de gebeden der heiligen ging op van de hand des Engels vóór God.

5 En de Engel nam het wierookvat, en vulde dat met het vuur des altaars, en wierp het op de aarde; en er geschiedden stemmen en donderslagen en bliksemen en aardbeving.

6 En de zeven Engelen, die de zeven bazuinen hadden, bereidden zich om te bazuinen.

7 En de eerste Engel heeft gebazuind, en daar is geworden hagel en vuur, gemengd met bloed, en zij zijn op de aaide geworpen: en het derde deel der hoornen is verbrand, en al het groene gras is verbrand.

8 En de tweede Engel heeft gebazuind, en daar werd iets, als een groote berg van vuur brandende, in de zee geworpen: en het derde deel der zee is bloed geworden.

9 En het derde deel der schepselen in de zee die leven hebben is gestorven, en het derde deel der schepen is vergaan.

10 En de derde Engel heeft gebazuind, en daar is eene groote ster, brandende als een fakkel, gevallen uit den hemel, en is gevallen op het derde deel der rivieren en op de fonteinen der wateren.

11 En de naam der ster wordt genaamd alsem; en het derde deel der wateren werd tot alsem , en vele menschen zijn gestorven van de wateren, want zij waren bitter geworden.

12 En de vierde Engel heeft gebazuind, en het derde deel der zon werd geslagen, en het derde deel der maan, en het derde deel der sterren; opdat het derde deel derzeive zoude verduisterd worden, en dat het derde deel van den dag niet zoude lichten, en van den nacht desgelijks.

13 En ik zag, en ik hoorde eencn


-ocr page 1364-

OPENBARINGr 9.

308

Engel vliegen in \'t midden des hemels, zeggende met groote stem: Wee, wee, wee dengenen die op de aarde wonen, van wege de overige stemmen dei-bazuin der drie Engelen die nog bazuinen zullen.

HOOFDSTUK 9.

En de vijfde Engel heeft gebazuind, en ik zag eenester gevallen uit den hemel op de aarde, en haar werd gegeven de sleutel van den put des afgronds.

2 En zij heeft den put des afgronds geopend; en daar is rook opgegaan uit den put, als rook eens grooten ovens; en de zonen de lucht is verduisterd geworden van den rook des puts.

3 En uit den rook kwamen sprinkhanen op de aarde, en hun werd macht gegeven gelijk de schorpioenen der aarde macht hebben.

4 En hun werd gezegd, dat zij het gras der aarde niet zouden beschadigen, noch eenigegroente, noch eenigen boom , dan de men-schen alleen die het zegel Gods aan hunne voorhoofden niet hebben.

5 En hun werd wac/if gegeven, niet dat zij ze zouden dooden, maar dat zij zouden van hen gepijnigd worden vijf maanden; en hunne pijniging was als de pijniging van een schorpioen wanneer hij een mensch gestoken heeft.

6 En in die dagen zullen de menschen den dood zoeken en zullen dien niet vinden, en zij zullen begeeren te sterven en de dood zal van hen vlieden.

7 En de gedaanten der sprinkhanen waren den paarden gelijk die tot den oorlog bereid zijn; en op hunne hoofden waren als kronen het goud gelijk; en hunne aangezichten als aangezichten van menschen.

8 En zij hadden haar als haar der vrouwen; en hunne tanden waren als tanden der leeuwen.

9 En zij hadden borstwapenen als ijzeren borstwapenen; en het gedruisch hunner vleugelen was als een gedruisch der wagenen, wanneer vele paarden naar den afg strijd loopen. no(

10 En zij hadden staarten den ^ schorpioenen gelijk, en daar waren ^ angels in hunne staarten; en Va; hunne • macht was de menschen va te beschadigen vijf maanden. hu

11 En zij hadtien over zich tot eenen Koning den engel des afgronds: zijn naam was in \'tHe-breeuwsch Abaddon, en in de Ei Grieksche taal had hij den naam di Apollyon. er

12 Het ééne wee is weggegaan: h( zie, daar komen nog twee weeën amp; na dezen. p;

13 En de zesde Engel heeft gebazuind , en ik hoorde ééne stem b uit de vier hoornen des gouden Zi altaars dat vóór God was, e

14 zeggende tot den zesden Engel die de bazuin had: Ontbind de s vier Engelen die gebonden zijn e bij de groote rivier den Eufraat. t

15 En de vier Engelen zijn ont- g bonden geworden, welke bereid waren tegen de ure en dag en ] maand en jaar, opdat zij het derde ; deel der menschen zouden dooden. (

16 En het getal van de heirlegers der ruiterij was tweemaal tienduizenden der tienduizenden: en ik hoorde hun ge .al.

17 En ik zag alzóó de paarden in dit gezicht, en die daarop zaten hebbende vurige en hemelsblauwe en sulferverwige borstwapenen; en de hoofden der paarden waren als hoofden van leeuwen, en uit hunne monden ging uit vuur en rook en sulfer.

18 Door deze drie werd het derde deel der menschen gedood, namelijk door het vuur en dooiden rook en doorliet sulfer dat uit hunne monden uitging.

19 Want hunne macht is In 1 hunnen mond en in hunne staarten. Want hunne staarten zijn den l slangen gelijk, en hebben hoofden, en beschadigen met dezelve.

20 En de overige menschen, die niet gedood zijn door deze plagen, hebben zich niet bekeerd van de werken hunner handen, dat zij niet zouden aanbidden de duivelen, en de gouden en zilveren en koperen en steenen en houten


-ocr page 1365-

afgoden, die noch zien kunnen, noch hooren , noch wandelen;

21 en hebben zich ook niet bekeerd van hunne doodslagen, noch van hunne venijngevingen, noch van hunne hoererij, noch van hunne dieverijen.

HOOFDSTUK 10.

En ik zag eenen anderen sterken Engel afkomende van den hemel, die bekleed was met eene wolk, en een regenboog was boven zijn hoofd, en zijn aangezicht was als de zon, en zijne voeten waren als pilaren van vuur.

2 En hij had in zijne hand een boeksken dat geopend was; en hij zette zijnen rechtervoet op de zee, en den linker op de aarde.

3 En hij riep met eene groote stem, gelijkerwijs een leeuw brult; en als hij geroepen had, spraken de zeven donderslagen hunne stemmen.

4 En toen de zeven donderslagen hunne stemmen gesproken hadden, zoo zoude ik ze geschreven hebben; en ik hoorde eene stem uit den hemel, die totmijzeide: Verzegel hetgeen de zeven donderslagen gesproken hebben, en schrijf dat niet.

5 En de Engel, dien ik zag staan op de zee en op de aarde, hief zijne hand op naar den hemel,

6 en hij zwoer bij dien die leeft in alle eeuwigheid, die den hemel geschapen heeft en hetgeen daarin is, en de aarde en hetgeen daarin is, en de zee en hetgeen daarin is, dat daar geen tijd meer zal zijn;

7 maar in de dagen der stem des zevenden Engels, wanneer hij bazuinen zal, zoo zal de verborgenheid Gods vervuld worden , gelijk hij zijnen dienstknechten den Profeten verkondigd heeft.

8 En de stem, die ik gehoord had uit den hemel, sprak wederom met mij en zeidc: Ga henen, neem het boeksken dat geopend en in de hand des Engels is, die op de zee en op de aarde staat.

9 En ik ging henen tot den Engel, zeggende tot hem: Geef mij dat boeksken. En hij zeide

300

tot mij: Neem dat en eet het op; en het zal uwen buik bitter maken, maar in uwen mond zal het zoet zijn als honig.

10 En ik nam dat boeksken uit de l and des Engels , en ik at dat op; en het was in mijnen mond zoet als honig, en als ik het gegeten had werd mijn buik bitter.

11 En hij zeide tot mij : Gij moet wederom profeteeren voor vele volken en natiën en talen en Koningen.

HOOFDSTUK 11.

En mij werd een rietstok gegeven, eene mee/roede gelijk; en de Engel stond en zeide: Sta op, en meet den Tempel Gods, en het altaar, en degenen die daarin aanbidden.

2 En laat den voorhof uit, die van buiten den Tempel is, en meet dien niet; want hij is den heidenen gegeven, en zij zullen de heilige stad vertreden tweeënveertig maanden.

3 En ik zal mynen twee getuigen macht geven, en zij zullen profeteeren duizend tweehonderd zestig dagen, met zakken bekleed.

4 Dezen zijn de twee olijf hoornen en do twee kandelaren, die vóór den God der aarde staan.

5 En zoo iemand die wil beschadigen, een vuur zal uit hun-non mond uilgaan en zal hunne vijanden verslinden; en zoo iemand hen wil beschadigen, die moet alzóó gedood worden.

6 Dezen hebben macht den hemel te sluiten, opdat er geen regen regene in de dagen hunner profeteering; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te verkeeren, en de aarde te slaan met allerlei plaag, zoo menigmaal als zij zullen willen.

7 En als zij hunne getuigenis zullen geëindigd hebben, zal het beest dat uit den afgrond opkomt hun krijg aandoen, en het zal ze overwinnen en zal ze dooden.

8 En hunne doode lichamen len liggen op de straat der groote stad, die geestelijk genoemd wordt Sodom en Egypte, alwaar ook onze Ileere gekruist is.

OPENBAIUNG 10, 11.


-ocr page 1366-

310 OPENED

f) En de menschen uit de volken en geslachten en talen en natiën zullen hunne doode lichamen zien drie dagen en eenen halven, en zullen niet toelaten dat hunne doode lichamen in graven gelegd worden.

10 En die op de aarde wonen, die zullen verblijd zijn over hen, en zullen vreugde bedrijven, en zullen elkander geschenken zenden, omdat deze twee Profeten degenen die op de aarde wonen gepijnigd hadden.

11 En na die drie dagen en eenen halven is een geest des levens uit God in hen gegaan, en zij stonden op hunne voeten, en daar is groote vrees gevallen op degenen die hen aanschouwden.

12 En zij hoorden eene groote stem uit den hemel, die tot hen zeide: Komt herwaarts op. En zij voeren op naar den hemel in de wolk, en hunne vijanden aanschouwden ze.

13 En in die ure geschiedde eene groote aardbeving, en het tiende deel der stad is gevallen, en daar zij n in de aardbeving gedood zevenduizend namen van menschen, en de overigen zijn zeer bevreesd geworden en hebben den God des hemels heerlijkheid gegeven.

14 Het tweede wee is weggegaan : zie, het derde wee komt haast.

15 En de zevende Engel heeft gebazuind, en daar geschiedden groote stemmen in den hemel, zeggende: De koninkrijken der wereld zijn geworden onzes Heeren en van zijnen Christus, en hij zal als Koning heerschen in alle eeuwigheid.

16 En de vierentwintig Ouderlingen, die vóór God zitten op hunne tronen, vielen neder op hunne aangezichten en aanbaden God,

17 zeggende: Wij danken u , Heere God almachtig, die is, en die was, en die komen zal, dat gij uwe groote kracht hebt aangenomen en ais Koning hebt ge-heerscht;

18 en de volkeren waren toornig geworden, en uw toorn is geko-

ARING 12.

men, en do tijd dei- dooden om K

geoordeeld te worden, en om het ,nr

loon te geven aan uwe dienst- ,\'1

knechten de Profeten en de hei- \'L ligen en degenen die uwen naam vreezen, de kleinen en de grooten, . en om te verderven degenen die

de aarde verdierven. \'

19 En de Tempel Gods in den H\': hemel is geopend geworden, en JL

de Arke zijns verbonds is gezien w in zijnen Tempel, endaar werden 1 bliksemen en stemmen en don- q derslagen en aardbeving en groote hagel.

HOOFDSTUK 12. n

En daar werd een groot teeken r gezien in den hemel, namelijk e eene vrouw bekleed met de zon, en de maan was oader hare voeten, \\ en op haar hoofd eene kroon van -lt; twaalf sterren;

2 en zij was zwanger, en riep, \' barensnood hebbende, en zijnde

in pijn om te baren.

3 En er werd een ander teeken gezien in den hemel en zie, daar was een groote roode draak, hebbende zeven hoofden en tien hoornen , en op zijne hoofden zeven koninklijke hoeden.

4 En zijn staart trok het derde deel der sterren des hemels, en wierp die op de aarde. En de draak stond vóór de vrouw die baren zoude, opdat hij haar kind zoude verslinden wanneer zij het zoude gebaard hebben.

5 En zij baarde eenen manne-1Üken zoon, die alle de heidenen zoude hoeden met een ijzeren roede; en haar kind werd weggerukt tot God en zijnen troon.

6 En de vrouw vluchtte in de woestijn, alwaar zij eene plaats had haar van God bereid, opdat zij ze aldaar zouden voeden duizend^ tweehonderd zestig dagen.

7 En daar werd krijg in den hemel: Michaël en zijne Engelen krijgden tegen den draak, en de draak krijgde óók en zijne engelen.

8 En zij hebben niets vermocht, en hunne plaats is niet meer gevonden in den hemel.

9 En de groote draak is gewor-


-ocr page 1367-

OPENBARING 13.

311

ien, namelijk de oude slang, wel-:e genaamd wordt duivel en sa-tanas, die de geheele wereld verleidt, hij is zerj ik geworpen op de aarde, en zijne engelen zijn met hem geworpen.

10 En ik hoorde eene groote stem, zeggende in den hemel: Nu is de zaligheid en de kracht en het koninkrijk geworden onzes Gods, en de macht van zijnen Christus; want de verklager onzer broederen, die hen verklaagde voor onzen God dag en nacht, is nederge-worpen,

11 en zij hebben hem overwonnen door het bloed des Lams en door het woord hunner getuigenis, en zij hebben hun leven niet liefgehad tot den dood toe.

12 Hierom bedrijft vreugde, gij hemelen en gij die daarin woont. Wee dengenen die de aarde en de zee bewonen; want de duivel is tot u afgekomen , en heeft grootcn toorn, wetende dat hij eenenkleinen tijd heeft.

13 Ên toen de draak zag dat hij op de aarde geworpen was, zoo heeft hij de vrouw vervolgd die het jongsken gebaard had.

14 En aan de vrouw zijn gegeven twee vleugelen eens grooten arends, opdat zij zoude vliegen in de woestijn, in hare plaats, alwaar zij gevoed wordt een tijden tijden en eenen halven tijd, buiten het gezicht der slang.

15 En de slang wierp uit haren mond achter de vrouw water als eene rivier, opdat hij haar door de rivier zoude doen wegvoeren.

16 En de aarde kwam de vrouw Ie hulp, en de aarde opende haren mond en verzwolg de rivier welke de draak uit zijnen mond had geworpen.

17 En de draak vergrimde op de vrouw, en ging henen om krijg te voeren tegen de overigen van haar geslacht, die de geboden Gods bewaren en de getuigenis van Jezus Christus hebben.

18 En ik stond op het zand der zee.

HOOFDSTUK 13.

En ik zag uit de zee een beest opkomen, hebbendo zeven hoofden en tien hoornen, en op zijne hoornen waren tien koninklijke hoeden, en op zijne hoofden was een naam van godslastering.

2 En het beest dat ik zag was eenen pardel gelijk, en zijne voeten als dc voeten eens beers, en zijn mond als de mond eens leeuws. En de draak gaf hem zijne kracht en zijnen troon en groote macht.

3 En ik zag één van zijne hoofden als tot den dood gewond , en zijne doodelijke wond werd genezen; en de geheele aarde verwonderde zich achter het beest.

4 En zij aanbaden den draak , die het beest macht gegeven had, en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is dit beest gelijk? Wie kan krijg voeren tegen hetzelve ?

5 En aan hetzelve werd een mond gegeven om groote dingen en r/od.vlasteringen te spreken, en aan hetzelve werd macht gegeven om zulks te doen tweeënveertig maanden.

(i En het opende zijnen mond tot lastering tegen God, om zijnen naam te lasteren , en zijnen Tabernakel , en die in den hemel wonen.

7 En hetzelve werd macht gegeven om den heiligen krijg aan te doen. en om die te overwinnen ; en hetzelve werd macht gegeven over alle geslacht en taal en volk.

8 En allen die op de aarde wonen zullen hetzelve aanbidden, welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens des Lams dat geslacht is, van de grondlegging der wereld.

9 Indien iemand ooren heeft, die hoore.

10 Indien iemand in cle gevangenis leidt, die gaat zelf in de gevangenis; indien iemand met het zwaard zal dooden, die moet zelf met het zwaard gedood worden. Hier is de lijdzaamheid en het geloof der heiligen.

11 En ik zag een ander beest uit dc aarde opkomen, en het had twee hoornen, des lams hoornen gelijk, en het sprak als dc draak.


-ocr page 1368-

312 O P E N B A

12 En het oefent al de macht van \'t eerste beest in tegenwoordigheid van hetzelve, en het maakt dat de aarde en die daarin wonen het eerste beest aanbidden, welks doodelijke wond genezen was.

13 En het doet groote teekenen, zoodat het ook vuur uit den hemel doet afkomen op de aarde vóór de mensehen,

14 en verleidt degenen die op de aarde wonen, door de teekenen die hetzelve te doen gegeven zijn in de tegenwoordigheid van het beest, zeggende tot degenen die op de aaide wonen, dat zij voor het beest, dat de wond des z waards had en weder leefde, een beeld zouden maken.

15 En hetzelve werd macht gegeven om het beeld van het beest eenen geest te geven, opdut het beeld van het beest ook zoude spreken, en maken dat allen die het beeld van het beest niet zouden aanbidden gedood zouden worden.

1G En het maakt dat het aan allen, kleinen en grooten, en rijken en armen, en vrijen en dienstknechten , een merkteeken geeft aan hunne rechterhand of aan hunne voorhoofden ,

17 en dat niemand mag koopen of verkoopen dan die dat merkteeken heeft, of den naam van het beest, of liet getal zijns naams.

18 Hier is de wijsheid; die het verstand heeft berekene het getal van het beest; want het is een getal eens mensehen, en zijn getal is zeshonderd zesenzestig.

HOOFDSTUK 14.

En ik zag, en zie, het Lam stond op den berg Sion, en met hem honderdvierenveertigduizend hebbende den naam zijns Vaders geschreven aan hunne voorhoofden.

2 En ik hoorde eene stem uit den hemel, als eene stem veler wateren en als eene stem van een grooten donderslag. En ik hoorde eene stem van citerspelers, spelende op hunne citers;

3 en zij zongen als een nieuw gezang vóór den troon en vóór de

RIN G 14.

vier dieren en de Ouderlingen, en niemand kon dat gezang leeren dan tjc de honderdvierenveertigduizend, , die van de aarde gekocht waren. *

4 Dezen zijn het die met vrou- ^ wen niet bevlekt zijn, want zij zijn maagden. Dezen zijn het die ( het Lam volgen waar het ook e henengaat. Dezen zijn gekocht uit

de mensehen, tot eerstelingen gJc voor God en het Lam. |c

5 En in hunnen mond is geen bedrog gevonden, want zij zijn uj onberispelijk vóór den troon Gods. e(

6 En ik zag eenen anderen ^ Engel, vliegende in het midden s; des hemels, en hij had het eeuwig t( Evangelie , om te verkondigen aan ^ degenen die op de aarde wonen, Q en aan alle natie en geslacht en ® taal en volk, 2

7 zeggende met eene groote stem: Vreest God en geeft hem heerlijkheid; want de ure zijns 1 oordeels is gekomen ; en aanbidt j hem die den hemel en de aarde

en de zee en de fonteinen der wateren gemaakt heeft.

8 En daar is een andere Engel gevolgd, zeggende: Zij is gevallen. zij is gevallen, Babylon die groote stad, omdat zij uit den wijn des toorns harer hoererij alle volken heeft gedrenkt.

9 En een derde. Engel is hen gevolgd, zeggende met eene groote stem: Indien iemand het beest aanbidt en zijn beeld, en ontvangt het merk teelten aan zijn voorhoofd of aan zijne hand.

10 die zal óók drinken uit den wijn van don toorn Gods, die ongemengd ingeschonken is in den drinkbeker zijns toorns; en hij zal gepijnigd worden met vuur en sulfer voor de heilige Engelen en voor het Lam.

11 En de rook van hunne pijniging gaat op in alle eeuwigheid, en zij hebben geene rust dag en nacht, die he. beest aanbidden en zijn beeld, en zoo iemand het merkteeken zijns naams ontvangt.

12 Hier is de lijdzaamheid der heiligen; hier zijn ze die de ge- 1 boden Gods bewaren en het geloof van Jezus.

18 En ik hoorde eene stem uit


-ocr page 1369-

OPENBARING 15, 16.

313

denhemel, die totmij zeide: Schrijf: Zalig zijn de dooden die in den Heere sterven, van nu aan. Ja, zegt de Geest, opdat zij rusten mogen van hunnen arbeid; en hunne werken volgen met ben.

14 En ik zag, en zie, een witte wolk, en op de wolk was een gezeten, des menschen Zoon gelijk, hebbende op zijn hoofd een gouden kroon en in zijne hand een scherpe sikkel.

15 En een andere Engel kwam uit den Tempel, roepende met eene groote stem tot dengenen die op de wolk zat: Zend uwe sikkel en maai; want de ure om te maaien is voor u gekomen, dewijl de oogst der aarde is rijp geworden.

16 En die op de wolk zat, zond zijne sikkel op de aarde, en de aarde werd gemaaid.

17 En een andere Engel kwam uit den Tempel die in den hemel is, hebbende ook zelf eene scherpe sikkel.

18 En een andere Engel kwam uit van het altaar, die macht had over het vuur, en hij riep met een groot geroep tot dengenen die do scherpe sikkel had, zeggende: Zend uwe scherpe sikkel en snijd af de druiventakken van den wijngaard der aarde, want zijne druiven zijn rijp.

19 En de Engel zónd zijne sikkel op de aarde, en sneed de druiven af van den wijngaard der aarde, en wierp ze in den grooten wijnpersbak van den toorn Gods.

20 En de wijnpersbak werd buiten de stad getreden, en daar is bloed uit den wijnpersbak gekomen , tot aan dé toornen der paarden , duizend zeshonderd stadiën ver.

HOOFDSTUK 15.

En ik zag een ander groot en wonderlijk teeken in den hemel, namelijk zeven Engelen hebbende de zeven laatste plagen; want in deze is de toorn Gods geëindigd.

2 En ik zag als een glazen zee met vuur gemengd; en die de overwinning hadden van het beest en van zijn beeld, en yan zijn merkteeken en van het getal zijns naams, welke stonden * aan de glazen zee, hebbende de citers Gods.

3 En zij zongen het gezang van Mozes den dienstknecht Gods, en hei gezang des Lams, zeggende: Groot en wonderlijk zijn uwe werken, Heere, gij almachtige God; rechtvaardig en waarachtig zijn uwe wegen, gij Koning der heiligen.

4 Wie zoude u niet vreezen, Heere, en uwen naam niet verheerlijken? Want gij zijt alleen heilig; want alle volkeren zullen komen en vóór u aanbidden; want uwe oordeelen zijn openbaar geworden.

5 En na dezen zag ik, en zie, de Tempel van den Tabernakel der getuigenis in den hemel werd geopend,

6 en de zeven Engelen die de zeven plagen hadden, kwamen uit den Tempel, bekleed met rein en blinkend lijnwaad, en omgord om de borst met gouden gordels.

7 En een van de vier dieren gaf den zeven Engelen zeven gouden fiolen, vol van den toorn Gods die in alle eeuwigheid leeft.

8 En de Tempel werd vervuld met rook uit de heerlijkheid Gods en uit zijne kracht; en niemand kon in den Tempel ingaan, totdat de zeven plagen der zeven Engelen geëindigd waren.

HOOFDSTUK 16.

En ik hoorde eene groote stem uit den Tempel, zeggende tot de zeven Engelen: Gaat henen en giet de zeven fiolen van den toorn Gods uit op de aarde.

2 En de eerste ging henen en goot zijne fiool uit op de aarde: en daar werd een kwaad en boos ge-zweer aan de menschen, die het merkteeken van bet beest hadden en die zijn beeld aanbaden.

3 En de tweede Engel goot zijne fiool uit in de zee: en zij werd bloed als eens dooden, en alle levende ziel is gestorven in de zee.

4 En de derde Engel goot zijne fiool uit in de rivieren en in de


-ocr page 1370-

OPENBARING 17.

314

fonteineji der wateren; en de wateren werden bloed.

5 En ik hoorde den Engel der wateren zeggen; Gij zijt rechtvaardig Heere, die is en die was en die zijn zal, dat gij dit geoordeeld hebt;

G dewijl zij het bloed der heiligen en der Profeten vergoten hebben, zoo hebt gij hun ook bloed te drinken gegeven; want zij zijn het waardig.

7 En ik hoorde eenen anderen van het altaar zeggen: Ja, Heere, gij almachtige God, uwe oordeelen zijn waarachtig en rechtvaardig.

8 En de vierde Engel goot zijne fiool uit op de zon: en haar is macht gegeven de menschen te verhitten door vuur,

9 en de menschen werden verhit met groote hitte, en lasterden den naam LJods, die macht heeft over deze plagen, cn zij bekeerden zich niet om hem heerlijkheid te geven.

lü En de vijfde Engel goot zijne liool uit op den troon van het beest: en zijn rijk is verduisterd geworden, en zij kauwden hunne tongen van pijn,

11 en zij lasterden den God des hemels vanwege hunne pijnen en vanwege hunne zweren, en zij bekeerden zich niet van hunne werken.

12 En de zesde Engel goot zijne liool uit op de groote rivier den Eufraat: en zijn water is uitgedroogd, opdat bereid zoude worden de weg d\'-r Koningen, die van den opgang der zon komen zullen.

13 En ik zag uit den mond des draaks en uit den mond van het beest en uit den mond van den valschen Profeet drie onreine geesten gaan, den vorschen gelijk;

14 want het zijn geesten der duivelen, en zij doen teekenen, welke uitgaan tot de Koningen der aarde, en der geheele wereld, om die te vergaderen tot den krijg van dien grooten dag des almach-tigen Gods.

15 Zie, ik kom als een dief. Zalig is hij die waakt en zijne kleederen bewaart, opdat hij niet naakt wan-dele, cn men zijne schaamte niet zie.

16 En zij hebben ze vergaderd in de plaats welke in \'tHebreeuwsch genaamd wordt Armageddon.

17 En de zevende Engel goot zijne fiool uit in de lucht: en er kwam eene groote stem uit den Tempel des hemels, van den troon zeggende: Het is geschied.

18 En daar geschiedden stemmen en donderslagen en bliksemen, cn daar geschiedde eene groote aardbeving, hoedanige niet is geschied van dat de menschen op de aarde geweest zijn, namelijk eene zoodanige aardbeving enzóó groot.

19 En de groote stad is in drie deelen gescheurd, en de steden der heidenen zijn gevallen. En het groote Babylon is gedacht geworden voor God, om haar te geven den drinkbeker van den wijn des toorns zijner gramschap.

20 En alle eiland is gevloden,l\'/ en de bergen zijn niet gevonden. 1

21 En een groote hagel elk als I, een talent zwaar, viel neder uit\' den hemel op ie menschen; en de menschen lasterden God vanwege de plaag des hagels, want deszelfs plaag was zeer groot.

HOOFDSTUK 17.

En een uit de zeven Engelen die de zeven fiolen hadden kwam cn sprak met mij, en zeide lot mij: Kom herwaarts, ik zal u toonen het oordcel der groote hoer, die zit op vele wateren;

2 met welke de Koningen der aarde gehoereerd hebben, en die de aarde bewonen zijn dronken geworden van den wijn harer hoererij.

3 En hij bracht mij weg in eene woestijn, in den geest: en ik zag eene vrouw zittende op een scharlakenrood beest, dat vol was van namen der grocZslastering, en zeven hoofden had en tien hoornen.

4 En de vrouw was bekleed met purper en scharlaken, en versierd met goud en kostelijk gesteente en parelen, en had in hare hand eenen gouden drinkbeker, vol van gruwelen en van onreinigheid harer hoererij.

5 En op haar voorhoofd was een naam geschreven, namelijk: Ver-

3ori do

G ken en Jez ik 2

1 VVi


-ocr page 1371-

OPENBARING 18.

315

)orgenheid, het groote Babyion, de moeder der hoererijen en der gruwelen der aarde.

6 En ik zag dat de vrouw duon-ken was van het bloed der heiligen en van het bloed der getuigen van Jezus. En ik verwonderde mij als ik ze zag, met groote verwondering.

7 En de Engel zeide tot mij: Waarom verwondert gij u? Ik zal u zeggen de verborgenheid van de vrouw en van het beest dat haar draagt, \'twelk do zeven hoofden heelt en de tien hoornen.

8 Het beest dat gij gezien hebt, was en is niet, en het zal opkomen uit den afgrond, en ten ver-derve gaan; en die op de aarde wonen (welker namen niet zijn geschreven in het boek des levens van de grondlegging der wereld) zullen verwonderd zijn, ziende het beest dat was en niet is, hoewel het is.

9 Hier is \'tverstand dat wijsheid heeft. De zeven hoofden zijn zeven bergen op welke de vrouw zit.

10 En het zij n ook ze ven Koningen: de vijf zijn gevallen, en de één is, de ander is nog niet gekomen, en wanneer hij zal gekomen zijn, moet hij een weinig tijcis blijven.

11 En het beest dat was en niet is, die is ook de achtste Koning, en is uit de zeven, cn gaat ten verderve.

12 En de tien hoornen die gij gezien hebt, zijn tien Koningen, die het koninkrijk nog niet hebben ontvangen, maar als Koningen macht ontvangen op ééne ure met het beest.

13 Dezen hebben ééoerlei meening, en zullen hunne kracht en macht aan het beest overgeven.

14 Dezen zullen tegen het Lam krijgen, en het Lam zal zo overwinnen, (want het is een Heere der heeren en een Koning der Koningen), en die met hein zijn, de geroepenen en uitverkorenen en

eloovigen.

15 En hij zeide tot mij: De wateren die gij gezien hebt, daar de hoer zit, zijn volken en scharen en natiën en tongen.

16 En de tien hoornen die gij gezien hebt op het beest, die zullen de hoer haten, en zullen ze woest maken en naakt, en zij zullen haar vleesch eten, en zullen ze met vuur verbranden.

17 Want God heeft/mn in hunne harten gegeven, dat zij zijne meening doen, en dat zij éénerlei meening doen, en dat zij hun koninkrijk aan het beest geven, totdat de woorden Gods voleindigd zullen zijn.

18 En de vrouw die gij gezien hebt, is de groote stad die het koninkrijk heeft over de Koningen der aarde.

HOOFDSTUK 18.

En na dezen zag ik eenen anderen Engel afkomen uit den hemel, hebbende groote macht, en de aarde is verlicht geworden van zijne heerlijkheid.

\'2 En hij riep krachtiglijk met eene groote stem , zeggende: Zij is gevallen, zij is gevallen de groote stad Babylon, en is geworden eene woonstede der duivelen, en eene bewaarplaats van alle onreine geesten, en eene bewaarplaats van alle onrein en hatelijk gevogelte.

3 Dewijl uit den wijn des toorns barer hoererij alle volkeren gedronken hebben, en de Koningen der aarde met haar gehoereerd hebben, en de kooplieden der aarde rijk zijn geworden uit de kracht harer weelde.

4 En ik hoorde eene andere stem uit den hemel, zeggende: Gaat uit van haar, mijn volk. opdat gij aan hare zonden geen gemeenschap hebt, en opdat gij van hare plagen niet ontvangt.

5 Want hare zonden zijn de ééne op de andere gevolgd tot den hemel toe, en God is harer ongerechtigheden gedachtig geworden.

6 Vergeldt haar gelijk als zij ulieden vergolden heeft, en verdubbelt haar dubbel naar hare werken; in den drinkbeker waarin zij geschonken heeft, schenkt haar dubbel.

7 Zooveel als zij zichzelve verheerlijkt heeft en weelde gehad heeft, zoo groote pijniging en rouw doet haar aan. Want zij


-ocr page 1372-

OPENBARING 40.

316

zegt in haar haft; Ik zit als eene Koningin, en ben geene weduw, en zal geen rouw zien.

8 Daarom zuilen hare plagen op éénen dag komen, namelijk dood en rouw en honger, en zij zal met vuur verbrand worden; want sterk is de Heere God die haar oordeelt.

9 En de Koningen der aarde, die met haar gehoereerd en weelde gehad hebben, zullen ze beweenen en rouw over haar bedrijven, wanneer zij den rook haars brands zullen zien,

10 van verre staande uit vrees van hare pijniging, zeggende: Wee, wee, de groote stad Babyion. de sterke stad, want uw oordeel is in ééne ure gekomen.

11 En de kooplieden der aarde zullen weenen en rouw maken over haar, omdat niemand hunne waar meer koopt:

12 waar van goud en van zilver en van kostelijk gesteente en van parelen, en van fijn lijnwaad en van purper en van zijde en van scharlaken, en allerlei welriekend hout, en allerlei ivoren vaten, en allerlei vaten van het kostelijkste hout, en van koper en van ijzer en van marmersteen,

13 en kaneel en reukwerk en welriekende zalf en wierook, en wijn en olie, en meelbloem en tarwe, en lastbeesten en schapen; en van paarden en van koetswagens, en van lichamen, en de zielen der menschcn.

14 En de vrucht der begeerlijkheid uwer ziel is van u weggegaan, en al wat lekker en wat heerlijk was is van u weggegaan, en gij zult dat niet meer vinden.

15 De kooplieden dezer dingen, die rijk geworden waren van haar, zullen van verre staan uit vrees van hare pijniging, weenende en rouw makende,

16 en zeggende: Wee, wee, de groote stad, die bekleed was met fijn lijnwaad en purper en scharlaken, en versierd met goud en met kostelijk gesteente en met parelen; want in één uur is zoo groote rijkdom verwoest.

17 En alle stuurlieden , en al het volk op de schepen, en bootsgezellen, en alien die ter zee handelen, stonden van verre,

18 en riepen, ziende den rook van haren brand, en zeggende; Wat stad was deze groote stad gelijk?

19 En zij wierpen stof op hunne hoofden , en riepen, weenende en rouw bedrijvende, zeggende: Wee, wee, de groote stad, in dewelke allen die schepen in e zee hadden, van hare kostelijkheid rijk geworden zijn; want zij is in één uur verwoest geworden.

20 Bedrijf vreugde over haar gij hemel, en gij heilige Apostelen en gij Profeten, want God heeft uw oordeel aan haar geoordeeld.

21 Kn een sterke Engel hief oenen

steen op als een grooten molensteen, en wierp dien in de zee, zeggende: Aldus zal de groote stad Babyion met geweld geworpen worden, en zal niet meer worden gevonden.

22 En de stem der citerspelers en der zangers en der fluitspelers en der bazuinblazers zal niet meer in u gehoord worden; en geen kunstenaar van eenige kunst zal meer in u gevonden worden, en geen geluid des molens zal in u meer gehoord worden.

23 En het licht der kaars zal in u niet meer schijnen; en de stem eens bruidegoms en eener bruid zal in u niet meer gehoord worden; want uwe kooplieden waren de grooten der aarde, want dooi- uwe tooverij zijn alle volken verleid geweest.

24 En in dezelve is gevonden het bloed der Profeten en der heiligen en aller dergenen die gedood zijn op de aarde.

HOOFDSTUK 19.

En na dezen hoorde ik als eene groote stem eeier groote schare in den hemel, zeggende: Halleluja, de zaligheid en de heerlijkheid en de eere en de kracht zij den Heere onzen God.

2 Want zijae óordeelen zijn waarachtig en rechtvaardig, dewijl hij de groote hoer geoordeeld heeft, die de aarde verdorven heeft met hare hoererij, en hij het bloed


-ocr page 1373-

RING 20.

317

OPENBA

zijner dienaren van hare hand gewroken heeft.

3 En zij zeiden ten tweeden male: Halleluja. En haar rook gaat op in alle eeuwigheid.

4 En de vierentwintig Ouderlingen en de vier dieren vielen neder en aanbaden God die op den troon zat, zeggende : Amen. Halleluja!

5 En ecne stem kwam uit den troon, zeggende: Looft onzen God, gij alle zijne dienstknechten en gij die hem vreest, beide klein en groot.

6 En ik hoorde als eene stem eener groote schare en als eene stem veler wateren en als eene stem van sterke donderslagen, zeggende: Halleluja; want de Heere, de almachtige God, heeft als Koning geheerscht.

7 Laat ons blijde zijn en vreugde bedrijven, en hem de heerlijkheid geven; want de bruiloft des Lams is gekomen, en zijne vrouw heeft zichzelve bereid.

8 En haar is gegeven dat zij bekleed worde met rein en blinkend fijn lijnwaad; want dit fijn lijnwaad zijn de rechtvaardigma-kingen der heiligen.

0 En hij zeide tot mij: Schrijf: Zalig zijn ze die geroepen zijn tot het Avondmaal van de bruiloft des. Lams. En hij zeide tot mij: Deze zijn de waarachtige woorden Gods.

10 En ik viel neder voor zijne voeten om hem te aanbidden, en hij zeide tot mij: Zie dat gij dat niet doet; ik ben uw mededienstknecht , en uwer broederen die de getuigenis van Jezus hebben: aanbid God. Want de getuigenis van Jezus is de geest der Profetie.

11 En ik zag den hemel geopend: en zie, een wit paard, en die op hetzelve zat was genaamd Getrouw en Waarachtig, en hij oordeelt en voert krijg in gerechtigheid.

12 En zijne oogen waren als een vlam vuurs, en op zijn hoofd waren vele koninklijke hoeden; en hij had eenen naam geschreven, dien niemand wist dan hij zelf.

13 En hij was bekleed met een kleed dat met bloed geverwd was; en zijn naam wordt genaamd het Wo\'jrd Gods.

14 En deheirlegers in denhemel volgden hem op witte paarden , gekleed met wit en rein fijn lijnwaad.

15 En uit zijnen mond ging een scherp zwaard, opdat hij daarmede de heidenen slaan zoude. En hij zal ze hoeden met een ijzeren roede; en hij treedt den wjnpers-bak van den wijn des toorns en der gramschap des almachligen Gods.

1G En hij heeft op zijn kleed en op zijne dij dezen naam geschreven : Tvoning der Koningen en Heer der heeren.

17 En ik zag eenen Engel staande in de zon; en hij riep met eene groote ptem, zeggende tot alle de vogelen, die in \'t midden des hemels vlogen: Komt herwaarts en vergadert u tot het avondmaal des groeten Gods,

18 opdat gij eet het vleesch der Koningen, en het vleesch der oversten over duizend, en het vleesch der sterken, en het vleesch der paarden en dergenen die daarop zitten, en het vleesch van alle vrijen en dienstknechten, en kleinen en groeten.

19 En ik zag het beest en de Koningen der aarde en hunne heirlegers vergaderd om krijg te voeren tegen hem, die op het paard zat, en tegen zijn heirleger.

20 En het beest werd gegrepen, en met hetzelve de valsche Profeet, die de teekenen in de tegenwoordigheid van hetzelve gedaan had, door welke hij verleid had die het merkteeken van het beest ontvangen hadden, en die deszelfs beeld aanbaden. Deze twee zijn levend geworpen in den poel des vuurs die met sulfer brandt.

21 En de overigen werden gedood mot het zwaard desgenen die op het paard zat, \'t welk uit zijnen mond ging; en alle de vogelen werden verzadigd van hun vleesch.

HOOFDSTUK 20.

En ik zag eenen Engel afkomen uit den hemel, hebbende den


-ocr page 1374-

O P E N B A

RING 21.

318

sleutel des afgronds en eene groote keten in zijne hand;

2 en hij greep den draak, de oude slang, welke is de duivel en satanas, en bond hem duizend jaren.

3 En wierp hem in den afgrond, en sloot hem daarin , en verzegelde dien boven hem, opdat hij de volkeren niet meer verleiden zoude, totdat de duizend jaren zouden geëindigd zijn. En daarna moet hij eenen kleinen tijd ontbonden worden.

4 En ik zag tronen, en zij zaten op dezelve; en het oordeel werd hun gegeven; en ik zarj de zielen dergenen die onthoofd waren om de getuigenis van Jezus, en om het woord Gods, en die het beest en deszelfs beeld niet aangebeden hadden, en die het merk-teeken niet ontvangen hadden aan hun voorhoofd en aan hunne hand; en zij leefden en heerschten als Koningen met Christus de duizend jaren.

5 Maar de overigen der dooden werden niet weder levend, totdat de duizend jaren geëindigd waren. Deze is de eerste opstanding.

6 Zalig en heilig is hij die deel heeft in de eerste opstanding; over deze heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen Priesters van God en \'Christus zijn, en zij zullen met hem als Koningen hëerschen duizend jaren.

7 En wanneer de duizend jaren zullen geëindigd zijn, zal de satan uit zijne gevangenis ontbonden worden,

8 en hij zal uitgaan om de volken te verleiden die in de vier hoeken der aarde zijn, Gog en Magog, om hen le vergaderen tot den krijg; welker getal is als het zand aan de zee.

9 En zij zijn opgekomen op de breedte der aarde, en omringden de legerplaats der heiligen en de geliefde stad; en daar kwam vuur neder van God uit den hemel, en heeft ze verslonden.

10 En de duivel die hen verleidde werd geworpen in den poel van vuur en sulfer, alwaar het beest en de valscho Profeet is;

en zij zullen gepijnigd worden dag en nacht in alle eeuwigheid.

11 En ik zag eenen grooten witten troon, en dengenen die daarop zat, van wiens aangezicht de aarde en de hemel wegvlood, en geene plaats is voor die gevonden.

12 En ik zag de dooden, klein en groot, staande voor God; en de boeken werden geopend; en een ander boek werd geopend, dat des levens is; en de dooden werden geoordeeld uit hetgeen in de boeken geschreven was, naar hunne werken.

13 En de zee gaf de dooden die in haar waren; en de dood en de hel gaven de dooden die in hen waren, en zij werden geoordeeld een iegelijk naar zijne werken.

14 En de dood en de hel werden geworpen in den poel des vuurs: dit is de tweede dood.

15 En zoo iemand niet gevonden werd geschreven in het boek des levens, die werd geworpen in den poel des vuurs.

HOOFDSTUK 21.

En ik zag eenen nieuwen hemel en eene nieuwe aarde; want de eerste hemel en de eerste aarde was voorbijgegaan, en de zee was niet meer.

2 En ik Johannes zag de heilige stad, het nieuwe Jeruzalem, nederdalende van God uit den hemel, toebereid als eene bruid die voor haren man versierd is.

3 En ik hoorde eene groote stem uit den hemel, zeggende: Zie, de Tabernakel Gods isbijdemen-schen, en hij zal bij heri wonen, en zij zullen zijn volk zijn, en God zelf zal bij hén en hun God zijn.

4 En God zal alle tranen van hunne oogen afwisschen, en de dood zal niet meer zijn, noch rouw, noch gek rijt, noch moeite zal meer zijn; want de eerste dingen zijn weggegaan.

5 En die op den troon zat zeide: Zie, ik maak alle dingen nieuw. En hij zeide tot mij: Schrijf; want deze woorden zijn waarachtig en getrouw.

6 En hij sprak tot mij: Het is


-ocr page 1375-

OPENBARING 22.

319

geschied. Ik ben de Alfa en de Omega, liet begin en het einde. Ik zal den dorstige geven uit de fontein van het water des levens voor niet.

7 Die overwint zal alles beërven, en ik zal hem een God zijn en hij zal mij een zoon zijn.

8 Maar den vreesachtigen, en ongeloovigen, en gruwelijken, en doodslagers, en hoereerders, en toovénaars, en afgodendienaars, en al den leugenaars, is hun deel in den poel die brandt van vuur en sulfer; \'twelk is de tweede dood.

9 En tot mij kwam een van de zeven Engelen die de zeven fiolen hadden, welke waren vol geweest van de zeven laatste plagen, en sprak met mij, zeggende: Kom herwaarts, ik zal u toonen de bruid, de vrouw des Lams.

10 En hij voerde mij weg in den geest op eenen groeten en hoogen berg, en hij toonde mij degroote stad, het heilige Jeruzalem, nederdalende uit den hemel van God;

11 en zij had do heerlijkheid Gods , en haar licht was den aller-kostelijksten steen gelijk, namelijk als de steen jaspis, blinkende gelijk kristal.

12 En zij had eenen grooten en hoogen rnuur, en had twaalf poorten , en in de poorten twaalf Engelen,, en namen daarop geschreven welke zijn de namen van de twaalf geslachten der kinderen Israels.

het Oosten waren drie van hot Noorden drie van het Zuiden drie van het Westen drie

13 Van poorten; poorten; poorten; poorten.

14 En

de muur der stad twaalf fundamenten, en in dezelve de namen der twaalf Apostelen des Lams.

15 En hij die met mij sprak had een gouden rietstok, opdat hij de stad zoude meten, en hare poorten, on haren muur.

16 En de stad lag vierkant, en hare lengle was zoo groot als hare breedte; en hij mat dr? stad met den rietstok op twaalfduizend stadiën, do lengte en de breedte

had

en de hoogte derzeive waren even-gelijk.

17 En hij mat haren muur op honderdvierenveertig ellen, naar de maat eens menschen, welke des Engels was.

18 En het gebouw van haren muur waStjaspis; en de stadwas zuiver goud, zijnde zuiver glas gelijk.

19 En de fundamenten van den muur der stad waren met allerlei kostelijk gesteente versierd. Het eerste fundament was jaspis, het tweede saffier, het derde chalcedon, het vierde smaragdus ,

20 het vijfde sardónyx, het zesde sardius, het zevende chrysolieth, het achtste beryl, het negende topaas, het tiende chrysopraas, het elfde hyacinth, het twaalfde amethyst.

21 En de twaalf poorten waren twaalf parelen: iedere poort was uit ééne parel; en de straat der stad was zuiver goud, gelijk doorschijnend glas.

22 En ik zag geenen Tempel in dezelve; want de Heere de almachtige God is haar Tempel, en het Lam.

23 En de stad behoeft de zon en de maan niet, dat zij in dezelve zouden schijnen; want de heerlijkheid Gods heeft ze verlicht, en het Lam is hare kaars.

24 En de volkeren die zalig worden, zullen in haar licht wandelen; en de Koningen der aarde brengen hunne heerlijkheid en cere in dezelve,

25 en hare poorten zullen niet gesloten worden des daags; want aldaar zal geen nacht zijn;

26 en zij zullen de heerlijkheid en de eere der volkeren daarin brengen.

27 En in haar zal niet inkomen iets dat ontreinigt en gruwelijkheid doet en leugen spreekt; maar die geschreven zijn in het boek des levens des Lams.

HOOFDSTUK 22.

En hij toonde mij eene zuiver© rivier van het water des levens, klaar als kristal, voortkomende uit den troon Gods en dés Lams.


-ocr page 1376-

320 O P E N B A

2 In \'tmidden van hare straat, en op de ééne en de andere ziide der rivier, was de boom des levens, voortbrengende twaalf vruchten, van maand tot maand gevende zijne vrucht; en de bladeren des booms waren tot genezing der heidenen.

3 En geene vervloeking zal er meer tegen iemand zijn. En de troon Gods en des Lams zal daarin zijn, en zijne dienstknechten zullen hem dienen;

4 en zullen zijn aangezicht zien, en zijn naam zal op hunne voorhoofden zijn.

5 En aldaar zal geen nacht zijn, en zij zullen geen kaars noch licht der zon van noode hebben;want de Heere God verlicht ze, en zij zullen als Koningen heerschen in alle eeuwigheid.

6 En hij zeide tot mij: Deze woorden zijn getrouw en waarachtig; en de Heere, de God der heilige Profeten, heeft zijnen Engel gezonden, om zijnen dienstknechten te toonen hetgeen haast moet geschieden.

7 Zie, ik kom haastelijk. Zalig is hij die de woorden der Profetie dezes boeks bewaart.

8 En ik Johannes ben degene, die deze dingen gezien en gehoord heb. En toen ik ze gehoord en gezien had, viel ik neder om te aanbidden voor de voeten des Engels die mij deze dingen toonde.

9 En hij zeide tot mij : Zie dat gij het niét doet: want ik ben uw medetiienstknecht, en uwer broederen de Profeten, en dergenen die de woorden dezes boeks bewaren : aanbid God.

10 En hij zeide tot mij : Verzegel de woorden der Profetie dezes boeks niet; want de tijd is nabij.

11 Die onrecht doet, dat hij nog onrecht doe; en die vuil is, dat hij nog vuil worde; en die recht-

RING22. |

vaardig is, dat hij nog gerechtvaardigd worde; en die heilig is, dat hij nog geheiligd worde.

12 Én zie, ik kom haastelijk, en mijn loon is met mij, c quot; iegelijk te vergelden, gelijken werk zal zijn.

13 Ik ben de Alfa en de OKiega, het begin en het einde, de -quot;rste en de laatste.

14 Zalig zijn ze die zijne geboden doen, opdat hunne macht zij ■ aan den boom des levens, en zij door de poorten mogen ingaan in | de stad.

15 Maar builen zullen zijn de honden, en de toovenaars, en de 1 hoereerders ,. en de doodslagers , | en de afgodendienaars, en een . iegelijk die de leugen liefheeften ! doet. ^

16 Ik Jezus heb mijnen Engel gezonden, om ulieden deze dingen te getuigen in de gemeenten. Ik ben de wortel en het geslacht Davids, de blinkende morgenster.

17 En de Geest en de Bruid zeggen: Kom. En die het hoort zegge: Kom. En die dorst heeft kome; en die wil, neme het water des levens om niet.

18 Want ik betuig aan een iegelijk die de woerden der Profetie dezes boeks hoort: Indien iemand tot deze dingen toedoet. God zal over hem toedoen de plagen die in dit boek geschreven zijn;

19 en indien iemand afdoet van de woorden des boeks dezer Profetie, God zal zijn deel afdoen uit het boek des levens, en uit de heilige stad, en uit hetgeen in dit boek geschreven is.

20 Die deze dingen getuigt, zegt: Ja, ik kom haastelijk. Amen. Ja, kom Heere Jezus.

21 De genade onzes Heeren Jezus Christus zij met u allen. Amen.


EINDE DES NIEUWEN TESTAMENTS.

si

-ocr page 1377-

■ - . ■ i

.

-

c

-3 ■ \' • \' .

Je |

5. ■

3n .1 3n |

vgt;;;.;UVv gt; :;;rv ;. ■ - j//

,

-

\' \' v \' , -••\'■■ quot;V ~:r

• \' • •• • v • . ^

■ - v ■ -.gt; ■

.

SS-,- \'.;- V. : \'t; , : . \' -

y--.^ ; ■ - 1 , \' \'

, v ■ ■ ■ ■ ■■■■: i-1.quot; . ^

.... \' ■:

________

-ocr page 1378-
-ocr page 1379-