-ocr page 1-

N MDEKLA NDSC1IE

KLASSIEKEN,

U I T G EGEVE X

EN MET A A. NT EEK EN1N GE N VOORZIEN

DOOIt

Dr. EELCO VERWIJS.

f1

i.

VONDEL\'S LEEUWENDALERS.

I\'ERDE. IIEIi/JEKn: DEUK, BEZORGD DfHiI!

Prof. J. VERDAM.

L E E U \\V A R D E r ;, HUGO SÜIITNG \'

-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-

VONDELS

LEEUWENDALERS,

LANTSPEL,

MET EENE INLEIDING EN AANTEEKENINGEN VOOHZ1EN

DOOR

Dk. eelco verwijs.

DERDE, HERZIENE UITGAVE, BEZORGD DOOR

Dr. J. VERDAM,

IIooggt;eraar le Amsterdam.

LEEUWARDEN,

HUGO SURINGAE. 1 8 8 5.

-ocr page 6-

PAX OPTIMA RERUM.

Ten gevolge van de uitbreiding, die in deze nieuwe uitgave de Aanteekeningen aan den voet der bladzijden hebben ondergaan, sluit de bladwijzer in dl. IV der Ndl. Klassieken niet meer op dit deeltje. Bij een eventueelen herdruk van dat nommer der Klassieken zal dit gebrek worden verholpen, doch daar de tijd, waarop dit zal plaats hebben, nog niet met zekerheid kan worden bepaald, volgt hier voor het gemak van hen, die deze uitgave bij hunne studie gebruiken, een kort overzicht van de verhouding der blad-?4jden van deze uitgave, met die, waarop do cijfers in den bladwijzer betrekking hebben.

zijn geworden 1— 16.

Bladz. 1— 13

V

90—112. 113—129.

14— 31 (le bedrijf) so ta zo™

, S4— 72 (3e „ , 73- 91 (4e , , 92—106 (5e

Jt

-ocr page 7-

INLEIDING.

„Een landspel,quot; denkt misschien menig lezer, die de zoetigheden van den zoetelijken Florian in deze soort van geschriften kent, „een landspel met al zijne lafie overgevoeligheid en water-en-melkachtige sopperigheid:\'waartoe aan jongelieden, wien men smaak en liefde voor de vaderlandsche poëzie moet inboezemen, een landspel, een herdersdicht opgedischt?quot;

Gewis- een slecht begin , vooral in eone eeuw, nu de hartstocht voor de werkelijkheid meer en meer in de kunst begint door te dringen.

En men denkt onwillekeurig aan enkele zalen en zaaltjes uit de vorige eeuw, toen onze aanzienlijken aan de heerschende mode offerden, en hunne wanden stoffeerden met allerliefste en aller onnatuurlijkste „Schafereienquot;, waarop nuffige herdertjes- en dito herderinnetjes in een even nuffige natuur met elkaar beuzelen en minnekoozen, en allersnoeperigst lachen, en die toen „allerliefstquot; werden gevonden.

Doch aan die Arcadische natuurtooneelen ontbrak alle natuurlijkheid, en het pleit niet voor den smaak onzer

-ocr page 8-

IV

voorouders, dat zij aan de gelikte stukken der Fransche school van Watteau en zijne volgers boven de stoute en forsche schilderschool uit de XVlIde eeuw de voorkeur gaven.

Dat gekunstelde en onnatuurlijke is altijd eenigermate eigen geweest aan het landspel der nieuwere schrijvers en dichters, uit de Italiaansche school van Guarini en Tasso door Hooft te onzent overgebracht; men denkc aan Hooft\'s Granida en de tooneelstukken van Krul; aan Gats en de Arcadia van Heemskerk; door een tal van andere Arcadia\'s gevolgd; doch van de onnatuurlijkheid en jammerlijke overdrevenheid, die onze verfranschte Hollanders uit de XVHI\'e eeuw er aan gaven, was do XVII^e eeuw nog vrij, en het landspel „de Leeuwendalersquot; is eveneens vrij van vele der fouten, die het genre later ontsierden.

Vondel\'s landspel is onder zijne hand geheel vader-landsch, inheemsch geworden: de handelende personen, het-landschap, de beelden zijn zuiver Nederlandsch, ja, herinneren ons vaak door hunne platheid aan do genre-stukjes van een Jan Steen, Brouwer en anderen, al heet dan ook het stuk in Arcadië te spelen.

Doch wat was wel de reden, dat de treurspeldichter Vondel Melpomene, de Muze met de hooge brozen, voor een wijl ontrouw werd, en in den dienst trad van Thalia, zooals hij zoo geestig in zijn voorzang heeft beschreven ?

\'t. Was algemeene vreugde in Nederland, toen den 30 Januari 1648 1) de vrede van Munster werd gesloten. Holland en niet het minst de Regeering der stad Amsterdam had er krachtig toe medegewerkt om den vrede tot stand te helpen brengen. De rijke koopstad, die dage-

\') Er zijn reeds twee uitgaven der LeeuwendalersYa,n 164:1. Zie Bihliotheca Vondeliana, door Mr. A. de Vries (1884, Amsterdam), bi. 17. Vgl. Catalogus der Vondeltentoonstelling, bl. 28, en dl. 2, bl. 56 der Bijdragen van mijn vriend Penon, aan wiens welwillendheid ik voor deze nieuwe uitgave allerlei verbeteringen en toevoegselen dank.

-ocr page 9-

V

lijks in bloei en aanzien toenam, en wier wereldhandel belemmerd werd door den oorlogstoestand, al werd de oorlog zelf dan ook in de laatste jaren zonder veel krachtsontwikkeling van beide zijden gevoerd, was dien strijd sinds lang moede. De haat, dien de eerste vrijheidshelden uit den tachtigjarigen oorlog tegen den Spanjaard hadden gekoesterd, was lang bekoeld, ja tot onverschilligheid geworden. De woeste, maar van geestdrift gloeiende Geus was allengs tot een kalmen Nederlander geworden , die bovenal zijne zaken liefhad, en niets liever verlangde dan een eervollen vrede , welke hem in staat zou stellen zijne stoffelijke welvaart door stoute handelsondernemingen te vergrooten.

Spanje, dat door het wanbestuur zijner vorsten hoe langer hoe meer de vorige grootheid verloor, hield op, eene mogendheid van den eersten rang te zijn, en verviel allengs tot onbeduidendheid. Frankrijk daarentegen was\' langzamerhand door het wijze bestuur van Hendrik IV, wiens staatkunde ook de Kardinaal de Richelieu volgde , in macht en aanzien gestegen, en had als het ware de plaats van Spanje ingenomen. De eerzuchtige blik van „son Eminence rouge.quot; was steeds naar hooger gericht, en loerde vooral op de vele en uitgebreide erflanden der Spaansche kroon, inzonderheid op de Zuidelijke Nederlanden, die, hoezeer in bloei en welvaart achteruitgegaan , toch altijd nog eene begeerlijke prooi en voor Frankrijks grootheid eene haast onmisbare bezitting waren.

De staatkunde van Frederik Hendrik was vooral in het laatst zijns levens zeer Franschgezind geweest, en van den eerzuchtigen Willem II, die naar lauweren haakte en ongaarne aan den krijg een einde zoude zien, kon men wel niets anders verwachten. Sterker en sterker begon dan ook het wantrouwen tegen den Franschen bondgenoot te worden, en door de latere gebeurtenissen is bewezen, dat die vrees niet ongegrond was.

Groot was dus de zegepraal voor Amsterdam, toen do vrede werd gesloten, en niemand was er zeker, die zich met de Amsterdamsche overheid inniger en hartelijker

-ocr page 10-

VI —

verheugde dan Vondel, die, volgens de geestige uitdrukking van Van Lennep ^, voor de Regeering zijner woonstad „bijna even veel eerbied koesterde als voor den Paus.quot; In twee Lierzangen aan de Amsterdamsche Vredevaders stortte zich Vondel\'s dankbaar hart uit, en de stoutste droomen voor Amsterdams toekomstige welvaart vloeiden uit zijne pen 1);

„Neering, leggende op haer sterven,

Springt ten bedde uit, en ontluickt Met dat zy de teervlam ruiekt.

Bouwt nu zolders boven zolders.

Legh de kelders in tiras;

Spaer noch kranen, noch windas;

Legh verdroncke weide in polders;

Mael het Haerleinsch meir tot lant,

Nu de vette teerton brant.quot;

Dat zulk eene gebeurtenis niet zonder eene reeks van feesten kon voorbijgaan, behoeft wel niet vermeld te worden. De verschillende feestelijkheden te dezer gelegenheid gevierd, een vermakelijk staaltje van den smaak dier dagen, zijn door Van Lennep op recht boeiende wijze verhaald 2) en wij bevelen een ieder aan Vondel\'s keurigen biograaf zelf ter hand te nemen. Kortelijk dee-len wij er het een en ander van mede:

Den 5 Juni werd te Amsterdam de afkondiging van den vrede luisterrijk gevierd. Op den Dam hadden achttien vertooningen, geheel in den trant dier dagen, op drie aldaar opgeslagen tooneelen plaats. Coster, de directeur van den Stadsschouwburg, bijgestaan door den dichterlijken glazenmaker Jan Vos en den jongen Gerard Brandt, hadden zich met het in orde brengen dier vertooningen belast. Jan Vos had voor zijne toeschouwers de allegorie

1

T. a. pl. 586.

2

T. a. pl. 587—88. Zie ook Olijfkrans der Vreede, door de doorluchtigs te geesten en geleerdste mannen deezes tijds gevlochten, Amst. 1649, bl. 175-283.

-ocr page 11-

VII

te baat genomen, en de door hem ontworpen voorstellingen waren b.v.: het gewapend Europa; het bezweren van don Vrede; Amsterdam, dat het meest daartoe had bijgedragen; terwijl Brandt den strijd der Batavieren tegen de Bomeinen in verschillende episodes als thema had gekozen, om de ontworsteling aan het Spaansche juk te verheerlijken.

Een zestal vertooningen 1) was gevloeid uit het geestige, maar ondeugende brein van Dr. Samuel Coster, en, zegt Van Lennep, „zoo de schalksche arts daarbij een proef had willen nemen, hoe verre de bekendheid van Heeren Bnrgemeesteren met de oude geschiedenis wel ging, en tot welke hoogte zij zich zouden laten mystificeeren, dan was hem zijn opzet wel gelukt.quot; Men oordeele slechts:

De eerste vertooning stelde onder de gedaante van Amphion, op het geluid zijner snaren Thebe stichtende, Willem I, den grondlegger onzer republiek, voor. De tweede was Numa Pompilius, den godsdienst der Bomeinen regelende, en daarmede werd Maurits, de strijd-haftige Maurits, bedoeld. Grooter parodie konGoster,de aartsvijand der rechtzinnige predikanten, wel niet bedenken. Fabius Maximus, de Draler, „qni cunctando restituit rem,\'\'\'\' moest in de derde vertooning Frederik Hendrik voorstellen, en of er niet een klein angeltje school onder het gras, kon haast niet betwijfeld worden. Vrij hatelijk was ook de afbeelding van Willem 11 in de gedaante van den Vredevorst Augustus, met het motto van Seneca: ,Fax una Trmmphis innumeris potior.quot; Met den honderdoogigen Argus werden in de vijfde vertooning de Heeren Staten als „wakende sorgdragers1\' aangeduid ; en. in de zesde, waar men Mars geboeid, en aan Vulcaan het wapensmeden verboden zag, kwam nog iets, dat den Burgemeesteren alleraangenaamst moet geweest zijn en hun de overige hatelijkheden door de vingers deed zien: het afdanken van het krijgsvolk, later

1

Zes andere waren van Gr. Brandt; zes van Jan Vos; zes van A. Boelens.

-ocr page 12-

vin —

de oorzaak van de bittere twisten tusschen Amsterdam en den Prins. Daarbij was het volgende bijschrift gevoegd:

„Dat zich de woeste mensoh tot werken weer begeeve ,

Want dat hy denke van de Bedel-zak te leven,

\'t Zal mis zijn. Hier is drank en spijs te koop om zweet:

Voor die \'t zoo niet en lust is \'t Rasphuis al gereed.quot;

Doch aan het beschaafde publiek zal zeker de opvoering van het Landspel „de Leeuwendalersop den Stadsschouwburg beter hebben voldaan, want „hoewel maar een gelegenheidsgedicht,quot; is dit tooneelstuk zeker een der beste en voor opvoering het meest geschikte, die Vondel ooit heeft geschreven.

Doch waarom ontvloeide aan de pen van Vondel bij eene gelegenheid als deze niets anders dan een Landspel; waarom werd door den Prins onzer dichteren geen for-scher toon aangeslagen; waarom werden geen waardiger personen ten tooneele gevoerd, dan herders uit het idyllische Arcadië ?

Gelijk bekend is, was Vondel eenige jaren vroeger (1639), na lang er toe overgeheld te hebben, openlijk tot de Katholieke Kerk overgegaan l). De opstand van ketters tegen een der oudste zonen der alleen zaligmakende Moederkerk kon dus op geene instemming bij hem meer rekenen, en de strijd tegen het „goddelijk rechtquot; van den wettigen landsheer moest hem nu toeschijnen een vertrappen der heiligste rechten, hoezeer hij van dien vrijheidskrijg de schoonste vruchten zag.

Dat hem de partij der kerkelijke rechtzinnigen — en geen wónder! — een afschuw was, getuige zoo menige bittere satyre, en zijn pleit voor Oldenbarneveld in den Palamedes; dat hij daarmede ook den haat verbond voor muitelingen tegen het wettig gezag, getuige zijn treurspel „Maria Stuartquot;, waarin hij zijne gloeiende verontwaardiging tegen de Puriteinsche Rondkoppen, de

11 De redenen van dien overgang vindt men breedvoerig uiteengezet in Van Lennep\'s Vondel 3, 620—25 en 4, 1—3.

-ocr page 13-

IX

moordenaars van Karei I, had lucht gegeven; en dat die weerzin niet alleen tegen de oproerlingen van „Over merequot; zich richtte, maar ook evenzeer tegen de helden uit onzen opstand, vooral tegen den Zwijger, getuige zijn later treurspel „Luciferquot;, in welks hoofdpersoon hij, hoewel onder een niet zoo gemakkelijk op te lichten sluier, het vermetele verzet van Prins Willem tegen het wettig gezag schilderde

Onmogelijk ware het hem dus geweest, in een drama muiters als Willem I, Egmond, Marnix en anderen te doen optreden als weldoeners, aan wie men staatkundige en gewetens-vrijheid verschuldigd was; en toch verwachtte men van den dichter der Zegezangen een blijden toon bij de algemeene feestvreugde. En Vondel deelde in de blijdschap en het geluk zijner stadgenooten ten volle: ook hij wilde de stem zijns harten, ook hij wilde jubelende vreugdetonen weerklank doen vinden bij een ieder,, wel niet om de bevochten onafhankelijkheid, wel niet om de zuur verkregen gewetensvrijheid; maar hij juichte om het ophouden van de rampen des oorlogs, in den heerlijken vrede en de zegeningen, welke deze alom zou verspreiden; om den krachtigen bloei, dien men nu voor het vaderland van de toekomst mocht venvachten.

Zulk eeno algemeene blijdschap mocht hij niet door wanklanken ontstemmen; bij deze heuglijke gebeurtenis mocht hij niet zijne overtuiging uiten op godsdienstig en staatkundig gebied, hoe weinig hij dit anders ook schroomde; daartoe was het hart van onzen dichter te edel en te rein. Ook hadden vroegere ervaringen den zestigjarigen man grootere voorzichtigheid geleerd. Behoorde hetgeen na de uitgave van den Palamedes geschied was, reeds tot een meer verwijderd tijdperk in des dich-

-ocr page 14-

X —

Iers leven (1G25), de harde les, welke hij anderhalfjaar vroeger had ontvangen na het verschijnen van zijn Maria Stuart *) , lag nog versch in zijn geheugen. Zijn lierdicht op \'t Eeuwgety der Heilige Stede t\' Amsterdam, zijne sa-menlezing uit De Groot\'s geschriften , bekend onder den naam van Grotius\' Testament, zijn krachtig uitgesproken instemming met de Engelsche Cavaliers, zijn doorhalen der Puriteinen , hadden hem veel vijanden bezorgd , en den heftigen , hartstochtelijken man vele „lamme steekei-dichten en krabbelingenquot; van zijne tegenstanders op den hals gehaald 1). Omzichtigheid was dus thans boven alles noodig, en hoe weinig die eigenschap ook in \'s dichters karakter lag , ditmaal zou hij ze in toepassing brengen. In de Opdracht aan zijnen vriend en beschermer Michiel Le Blon 2) laat hij duidelijk de vrees doorschemeren, dat, terwijl „honighbyen uit deze bloemen niet dan ho-nigh en nektar zuigenquot; zullen , een of andere „spinne-kopquot; er „venijn uit mocht trecken3).quot;

Daarom was het, dat in den Stads-schouwburg slechts herders en dorpelingen uit het idyllische Arcadië de saam-gestroomde menigte eenige uren genot moesten verschaffen; daarom was het\', dat het stuk, dat Vondel ter gelegen-heit van het sluiten van den Munsterschen Vrede schreef, onder den nederigen titel van een „Landspelquot; verscheen. Het veld der historie was voor hem al te gevaarlijk; hij moest dus wel tot het rijk der verbeelding zijne toevlucht nemen. Bekend met den Aminta van Tasso, met den Pastor fida van Guarini, al kon hij niet de zan-

1

T, a. pl. 62-74.

2

Vondel was zeer bevriend met de peheele familie Le Blon , zooals herhaaldelijk uit zijne gedichten blijkt. Michiel Le Blon was een Hollander van geboorte, met eene Hollandsche vrouw gehuwd, en zeer in gunst bij den Zweedsohen Rijkskanselier Axel Oxenstierna. Door bemiddeling van Le Blon ontving onze dichter van Koningin Christina een gouden keten , waaraan bevestigd was een medaillon met hare beeltenis, welke hem door de kinderen van Le Blon op een feestmaal werd omgehangen. Zie over des dichters betrekkingen met hem. dl. 8, 184, 280; 4, 397 vlgg.; 6 , 98 vlg; 7, 141 vlg.

3

Zie Opdracht, 4, en vgl. aid. 5.

-ocr page 15-

XI

gerigheid en taalmuziek van het oorspronkelijke genieten, al moest hij zich met eene vertaling behelpen , had hij voorbeelden , waarnaar hij zich richten kon. 1).

Het ligt buiten ons bestek hier verder de vergelijking der beide gedichten door te zetten , en te onderzoeken, Avelke trekken onze dichter aan zijn Italiaanschen voorganger heeft ontleend , in hoeverre hij bij dezen achter is gebleven , of waar hij zijn eigen weg is gegaan. Kor-telijk slechts willen wij nagaan, hoe Vondel zich van zijne taak heeft gekweten.

Toen „Melpomens Treurpoëet in Taelleies dienstquot; trad, kon hij de wieken van zijn dichterlijk vernuft vrijelijk uitslaan. Als treurspeldichter was hij gemeenlijk te veel aan zijne stof gebonden, vooral als zijne stukken aan den Bijbel waren ontleend. Zijn eerbied voor de H. Schrift legde hem knellende boeien aan , daar hij zich niet de geringste afwijking van het bijbelverhaal durfde veroorloven , ook waar de gang der gebeurtenissen in strijd was met de Aristotelische eenheden , die hij stipt in acht nam. Door zijne gehoorzaamheid aan die tooneelwétten

1

Zie over den Italiaansolien oorsprong der Leeuwendalers, waarin vooral Guarini wordt nagevolgd. Van Helten, in Tijdschrift 2, 61 vlgg., vergeleken met Ten Brink, Het landspel van Joost van den Vondel, in den Gids van 1864, 4, 102—186 en Alberdingk Thym, Vondel als dramatisch dichter en meer bizonder over zijn Leemvenda-lers in den Gids van 1879, bl. 311—845; alsmede A. S. Kok, Vondel in eenige van zijn Vrouwenkarakters, bl. 44; Jonckbloet, Gesch. d. Ned. Lett.3, 4, 250, waar tevena er op gewezen wordt, dat het denkbeeld om eene Italiaansche pastorale op vaderlandsche toestanden toepasselijk te maken, door Vondel, met enkele namen (Heereman en Vrederijk) en wijzigingen van het Italiaansche stuk (do satyr, die het meisje wilde onteeren, is bij hem een boer), ontleend is aan Rodenburg\'s Trouwen Batavier. Het stuk van Guarini was reeds vroeger in het Ndl. vertaald door Mr. Govert van derEembd. onder den titel: Den getrouwen Herder uyt Arnadien. Overgestelt uyt de Italiaense in de Fransche sprake. Door Baptista Guarini, ende nu uyt de Franse in Neder-duyts vertaeldt (Haerlem, Vincent Casteleyn, 1618). Zie over van der Eembd, Jonckbloet, Gesch.3, 3, 190 en 217. Aan Vondel heeft weder Andreas Gryphius het hoofddenkbeeld ontleend van zijn tooneelstuk Die gelichte Dornrose; zie Dr. R. A. Kollewijn, Ueber den einfluss der Holl. dramas auf A■ Gryphius, 48 vlgg.

-ocr page 16-

XII

werd , om een treffend voorbeeld te noemen, de dramatische gang in den Jephtha geheel opgeofferd

Hier bewoog Vondel zich op het vrije gebied der fantasie , hier behoefde hij zich door niets de handen te laten binden; zijne karakters kon hij scheppen uit zijn dichterlijk brein, hoewel hij ook hier niet wilde afwijken van het vaste type der idylleherders en -herderinnen.

Adelaert, de pleegzoon van Lantskroon, „die \'t woort van Spanje houdtquot;, is bestemd de held van het stuk te zijn: de naam drukt reeds uit, welke rol de dichter voor hem heeft bestemd. Edelmoedig, dapper, versierd met alle ridderlijke deugden, is hij, als het lot hem tot zoenoffer aanwijst, ten volle bereid zich aan den vertoornden God op te offeren. Met kalmte en bedaardheid gaat hij den zoendood te gemoet. Doch van waar die bereidvaardigheid, die blijdschap, om ten nutte van\'t gemeenebest zijn leven te laten? Het leven is hem onverschillig geworden , hij is het moede na het tooneel met Hageroos, die „naer geen min (wil) luisterenquot;; hij is bereid te sterven, als „onbeloont van fiere Hageroosquot;. Geen hooger beginsel leidt hem hier alzoo; hij wil eenvoudig sterven, omdat het leven hem een last is, nu hij door de aangebeden Hageroos wordt versmaad. Adelaert is te zeer de verliefde herder, de pastor fido, en moge Vondel hem al met vele deugden hebben willen toerusten, in zijne handelingen toont hij te groote verliefde weekelijkheid. Zijne verliefdheid is de spil, waarom alles draait, en Hageroos zelve ergert het eenigermate, dat een jongeling uit zoo edel geslacht zoo „verblint lafhartig en feederquot; zich kan vernederen, om eene maagd, wier ouders onbekend zijn, „na te janckenquot; (vs. 352 vlgg.). Deze overdrijving, die ons eenigszins koel maakt voor Adelaerts karakter, moet zeker aan des dichters leeftijd geweten worden. Het is niet meer de bruischende jongeling, dien het vuur van den hartstocht verslindt, die slechts in eigen boezem

1) Zie Vondel\'s bezwaren in het uitvoerige Berecht voor dit stuk, 8, 11 vlgg.

-ocr page 17-

— Xllf

heeft te tasten om eenc gloeiende liefde te kunnen schilderen , doch het is de krachtvolle grijsaard die hier spreekt, voor wien, hoe wakker en kloek ook overigens, de tijd der liefde voorbij is. Hare weelde moge ook hij eens in haren vollen omvang gekend hebben, doch een veertigtal jaren zijn sinds dat levenstijdperk over zijn hoofd heengegaan. Adelaert is eene schepping zijner dichterlijke verbeelding, niet een beeld van zijn eigen ik.

Het karakter van Hageroos is intusschen bij den dichter uitstekend geslaagd. Hageroos is als hare gezusters, de idyllische herderinnen, preutsch en maagdelijk fier. De jacht is haar lust en leven : van de liefde is zij af-keerig ; tegenover de hartstochtelijke verklaringen van den verliefden jongeling toont ze niets dan koelheid, ja zelfs stugheid, zoodat ze zelfs na hare redding den boog weigert , dien Adelaert haar aanbiedt (vs. 1295 vlgg.). Doch die koelheid is slechts schijnbaar, ze moet hare liefde voor den jongeling verbergen , wiens moed , bij hare redding getoond , het ijs om haar hart heeft ontdooid. Doch moge do fiere jonkvrouw al verteederd zijn, en voor Adelaert niet geheel ongevoelig blijven , zij tracht dit gevoel te verstikken ;

Z\'ontveinst haer minne , en weet zich wonderlijck te wacMen \'),

zooals de Rei van haar getuigt. Zij is zijner onwaardig, zoolang het geheim harer geboorte niet is opgelost, zoolang zij niet meer is dan de verlatene vondeling, die door hare liefde den edelgeboren Adelaert zou vernederen; want, zegt zij 1):

Gelijokheit paert zich best en vreedzaem bij malkandere.

Zij is te fier om eene liefde aan te nemen , waardoor Adelaert zou „verkleinen (zijn) geslacht en \'s vaders naem

1

2; Vs. 398.

-ocr page 18-

XIV

en deught 1).quot; Doch is eenmaal het leven van den teerbeminden jongeling in gevaar, dan weerhoudt haar geen maagdelijke schroom, om voor die liefde uit te komen.

Reeds in het eerste Bedrijf wordt door Wouter het orakel medegedeeld , dat eerst dan het onheil van hel fel geteisterde land zou worden afgewend , „wanneer de wildeboogh zou micken naer zijn {Pans) hart.quot; Een donker voorgevoel zegt ons reeds , dat de oude Kommerijn de duisternis zal helpen opklaren , en nadat wij gedurende de eerste bedrijven steeds meer en meer in spanning worden gebracht, volgt eindelijk aan het eind van \'t stuk de herkenning, op uitstekende wijze geschilderd.

Wij wijzen nog op de levendige tooneelen tusschen do huislieden Warner en Govaert, waarin Vondel recht plastisch , doch misschien niet zonder wat ondeugende bij--bedoelingen, het volk schildert, voor hetwelk de vrede niet de optima res was, daar het meende in troebel water het best te kunnen visschen. Tegenover hen treden de beide Heemraden op, de welgezinde en bezadigde partij in den lande, die niets liever willen, dan aan de rampen des krijgs een spoedig einde te zien. Eenigszins in een nevel gehuld zijn de beide figuren der Landsheeren. Was het opzet van den dichter, dat hij bij hunne karakterschildering die figuren als op den achtergrond plaatste, om zoodoende het gevaar te ontloopen in politieke toespelingen te vervallen? Schroomde hij er voor, een te helder licht op Landskroon te doen vallen?

Ondanks de vele schoonheden, ook in de bijzonderheden, in ons Landspel, mogen we niet voorbijzien, dat Vondel ook hier meermalen in de fout van platheid is vervallen. Nu eens zoekt de dichter zijn Hollandsch landschap zoo getrouw mogelijk te schetsen, en brengt kleuren en ver- ^ sierselen aan, die wij gaarne zouden missen. Dan eens

1

Vs. 452.

-ocr page 19-

XV

slaan de verliefde uitingen van Adelaert over tot smakeloosheid, als b. v., waar hij zegt1):

Veranderde \'t geluck my heden in een\' hont.

Patrijs, of snellen Laes, ick vloogh u in den mont;

of waar hij over zijne onbeantwoorde liefde spreekt op de volgende wijze *):

De meit ontlast het vee zijn uijers, stijf gespannen Van zoete melck en room, wel tweemaal alle daegh : En ick, die , dagh op dagh, u mijn ellende klaegh ,

Wort nimmermeer ontlast van \'tjuck der minnezorgen;

of waar hij bij de opsomming der bekoorlijkheden van Hageroos zelfs de tulpenmanie en de beroemde keizers-tulp er bij te pas brengt2). Min gelukkig is het ook, waar Adelaert, ,onbeloond van fiere Hageroosquot;, haar nochtans wil blijven minnen,

Veel meer dan eenigh haen het puick van al zijn hinnen, Besehut door zijnen beek, en pen, en spore, en poot.

De haan is zeker geen juist beeld van trouwe liefde , en de verdere uitwerking van de vergelijking niet bijzonder fraai. Doch moge ook al hier en daar een vlekje Von-del\'s Landspel ontsieren, daartegenover staan vele schoonheden , die wij wel niet zullen behoeven aan te wijzen 3).

Hoezeer nu Vondel van alle inmenging van staatkunde vrij wilde blijven, kon het toch wel niet anders, of zijne overtuiging moest hier en daar doorschemeren, gelijk zij dit dan ook doet, daar de edelste rollen zijn toegedacht

1

Vs. 391 vlg.

2

Vs. 525 vlgg.; vgl. ook vs. 252: O weide, o boterkarn! Zie voor het oordeel van Jan Vos over de Leeuwendalers bij V. Lennep, Vondel 5, 691 en Penon, Bijdr. 2, 55 vlg.; van G. Brandt in de uitgave züner Ged. (1649), bl. 270.

3

Zie jonckbloet, Geseh. 4, 258 vlgg.

-ocr page 20-

XVI —

aan de Zuidzijde, die de Zuidelijke, den Koning getrouw gebleven Nederlanden vertegenwoordigen. Adelaert toch, de held van het stuk, behoort tot de Zuidzijde als voedsterzoon van Lantskroon, die „\'t woort van Spanjequot; houdt. Deze is voor Vondel de rechte heer, die dan ook in \'t laatste tdoneel, waar de Noordzijde tot eene Vrijheid op zich zelf wordt verklaard , dit als een gift doet voorkomen, die door de vrije gunst van den Landsheer wordt verleend. Aan zijne zijde staat Heereman, de Heemraet der Zuidzijde, zooals de naam het aanduidt, de voorstander van den Vorst, getrouw gebleven aan zijnen Heer; terwijl Volckaert de Staten vertegenwoordigt, aan wie door Vondel de opperheerschappij stilzwijgend wordt toegekend , daar de persoon van Grooten Vrerick geheel op den achtergrond wordt geschoven. Doch vooral komt Vondel\'s voorliefde voor de Spaansche zaak uit in de ongunstige schildering van Warner, bijzonder in het tooneel tusschen Warner en Volckaert (vs. 929 vlgg.), waar de baatzucht van den Hollandschen koopman, die in den oorlog een rijke goudmijn vond, met scherpe trekken is geschetst. Verg. vs. 745—751

Van Lennep meent ook eene afkeuring van het beginsel van den opstand in vs. 600—602 te zien, en is dit door den dichter werkelijk bedoeld, dan was de toespeling toch te onduidelijk om iemand te hinderen.

Doch mocht Vondel als Katholiek de zaak van het zoogenoemd „goddelijk rechtquot;, het legithniteitsbeginsel, verdedigen; Avas hij dit als zoon der Kerk verplicht, hij bleef toch ■ bovenal Nederlander : zijn hart klopte te warm

1) Naar aanleiding van deze plaatsen zegt Jonckbloet, t. a. pl., hl. 263: „Dit staaltje ia genoegzaam om te doen zien, waar \'adichters sympathie is. De Katholieke Zuidzij trekt zijn hart. Het Noorden wordt met eene vrij wat zwarte kool geteekend. Geen woord van de opofferingen, die men zich daar gestroost, van de verdrukking, die men verduurd had; geen zweem van sympathie , zelfs niet voor de politieke zijde der kwestie. De verhevenste, edelaardigste gevoelens komen aan de Zuidzij voor; en geen wonder, Adelaert ie de pleegzoon van Lantskroon, den rechtmatig gekroonden Heer dezer landen: een edele aard is alleen het erfdeel van wie eerbied heeft voor de Majesteit van den Spaanschen Monarch.quot;

-ocr page 21-

XVII

voor het land zijner inwoning, om verraad aan dat vaderland te plegen. Welke dan ook zijne geheime neigingen waren, toch kon hij zich innig verheugen over de voor ons land zoo heuglijke gebeurtenis, en gaarne bracht hij het zijne er toe bij , om haar luister bij te zetten: zijne ingenomenheid toch wordt reeds dadelijk kenbaar door het motto: Fax Optima liertan.

Het stuk werd na de afkondiging van het vredesverdrag vijf malen kort na elkander vertoond (7, 11, 14 Mei en 2 en 23 Juli 1648 Daarna verdween het van het tooneel en is, zoover bekend is, nooit weer opgevoerd tot het jaar 1879 toe. Doch op den oden Maart van dat jaar, toen de tweehonderdste verjaardag van Vondels dood plechtig werd herdacht, is de Leeuwendalers onder grooten bijval op den Amsterdamschen Schouwburg vertoond, dank zij hun, die zich met de regeling dier gedachtenisviering hadden belast 1). Het was eene zeer gelukkige gedachte , dit stuk , dat voor eene opvoering in onze dagen nog alleszins geschikt bleek te zijn, weder in eere te brengen, doch evenmin als in Vondels

1

Vgl. het geschrift van Joh. Dyserinck, Vondels sterfdag herdacht. De heer Alberdingk Thijm, die den eersten stoot tot de opvoering gegeven had, gaf bij die gelegenheid eene uitgave der Leeuwendalers, ingericht voor het nieuwere Schouwtooneel. Naar deze bewerking , waarin slechts weinige wijzigingen en veranderingen zijn aangebracht, heeft de opvoering op den Amsterdamschen Schouwburg plaats gehad. De Heer Thijm heeft aan die uitgave toegevoegd een tweede deeltje, waarin nog enkele wijzigingen van den tekst worden voorgesteld , alsook gegeven wordt een „Volledig overzicht van de Tooneelschikking, de kostumeering enz., gelijk een en ander bij de beide voorstellingen op den Stadsschouwburg te Amsterdam in acht genomen isquot; (Amsterdam, Van Langenhuysen 1879). Ook vindt men daarin de opgave van de wijze, waarop de rollen waren verdeeld. Op het bij de opvoering uitgedeelde oud-hollandsche rol-verdeelingsbriefje stond ook het volgende versie van Vondel (VT. Len-nep 3, 320):

Geen kind den Schouwburg lastigh sjj.

Tabakspijp , bierkan, snoepery

Noch geenerley baldadigheyd.

Wie anders doet, word uitgeleyd.

-ocr page 22-

XVIII —

tijd bleef het stak op de rol; het werd na den 5den Maart nog eenmaal, eenige dagen later, vertoond, en daarna niet meer. Doch hetzij het stuk weder op de rol zal komen of niet, wij, die bij de opvoering tegen-woordig waren, waardeerden het voorrecht, haar te kunnen bijwonen, daar zij ons het vele schoons in het landspel, dat men reeds bij de lezing geniet, nog duidelijker voor oogen stelde, en ons met onze gedachten zoo levendig verplaatste bij den grooten man, aan wiens buitengewone eigenschappen op het standbeeld, dat onze stad in het naar hem genoemde park versiert, zulk een diep gevoelde hulde is gebracht

1) Zie Van Lennep, Vondel 12, bl. 712; Beets, Verscheidcnh. 6 , bl. 6 vlgg. Het is wellicht niet ongepast, hier tevens in herinnering te brengen, dat datzelfde voetstuk van het standbeeld, waarop dat trefiende inschrift prijkt (helaas door den tand des tijds en de ongunst van het klimaat gedeeltelijk onleesbaar geworden!) bij gelegenheid der zoo even genoemde gedachtenisviering verrijkt werd met eene metalen krans, in tegenwoordigheid van eene talrijke schare belangstellenden, die zich daartoe in plechtigen optocht naar het standbeeld hadden begeven, en van wier gevoel bij die gelegenheid de Heer Hofdijk de tolk was.

-ocr page 23-

DEN HEERE

MICH1EL LE BLON,

AGENT DEK KEOONE EN KONIKGINNE VAN ZWEDEN

BY DK DOORLUCHT IG3TE

MAJESTEIT VAN GEOOT BEITANJE.

M Y N Heek,

Dichters zijn niet deurgaens zuleke ongeluckige Waarzeggers, of men ziet zomtijts; oock buiten alle hope, gebeuren het geen zy een goede wijl te vore spelden 1J. Dat getuight ons de pro-fecy des Stroomgodts van de Maze, die, eenige jaren geleden 2), den Hollanderen dit voorzong :

Zoo wort met vier het eeuwigh vier f/ehluschf :

Zoo vreet de vlam des hemels taeie roe 3) :

En HBNRICK houdt de heirham van August,

En sluit de poort van gruwlijclc oorloogh toe 4).

Dees vrolijcke dagh, dees goude dagh is ten lange leste eens opgegaen. Wj^ hooren de zilvere vredetrompet den Vrede inblazen 5). \' Wy beleven het geenwe naulix gelooven, namelijck

1

Tc, vore, te voren, behoorende bij een goede wijl. — Spéllen. voorspellen, verkondigen. Vgl. onze uitdr. dat spelt niet veel goeds, en het bnw. 0Ji7iCi7 sp e 11 e nd. Zie ook No ach, vs. 667: den nadruck van zijn spelling, d. i. voorspelling.

2

In 1632. quot;

3

De tuchtroede des hemels wordt taai genoemd, omdat ze zoo lang het volk had gekastijd. Vgl. Roach 961: Der waterroede, een eeu bykans te weeck geleght.

4

Frederik Hendrik betreedt denzelfden weg als Augustus en doet evenals deze de poort van Janus sluiten. De verzen zijn uit de Stedekroon van Frederik Hendrik (uitg. V. Lennep 3, 155). Over het onz. geslacht van oorlog, zie N. KI. II, 49, 3 enz.

5

Inblazen, door trompetgeschal het begin van iets aankondigen; ook Leeuwend. 197. Zoo ook Vondel 5, 229: „Men blies met de trompet d\'ingestelde spelen in.quot; Verg. de uitdrukking: de kermis inluiden.

leeuwendalers. 1

-ocr page 24-

2

het gewenscMe einde des eeuwigen oorloglis, die den ganschen weereltkloot met zich omtrock, en in een geduurige bloetkoortse en onraste hielt. Prins Veedebyck Henbick heeft zijnen naem met de daet, en alle zijne oorloghstriomfen, en laurieren met eenen eenigen Vredetriomf, en den gezegenden olijftack ge-kroont , en ons den Vrede, zijnen lesten adem, tot een geliickigh testament nagelaten. Hierom magh de Hollantsche Melcker ), in de schaduwe des beuokebooms gedoken, den hemel en hem wel ter eere zingen 1) \'■

0 Matelief 2), ick hou gewis, een Godl,

Een Godtheit, holp ons aen dit vrecdzaem lot.

lek teil hem ooch opoff\'ren mijn gedachten,

En lam en vaers, het piu\'cJ\' dei\' kudde, slachten;

Dewijl luj my laet weiden zoo gerust,

En spelen wat mijn hert hegeert, en lust.

Wij mosten dan mede op het spoor van Virgilius (die in \'t geruste bezit van zijn hoeve en lantgoet herstelt, Augustus aldus met Herderszangen eerde) den Hoogen mogenden 3) Heeren Staten, d\'assche van den Nassauschen Vredehelt, uit Keizerlijcken stamme , Willem , zijnen eenigen zone , Prince van Oranje, en onze Burgemeesteren, die getrouwe Vredevaderen, dit Lant-spel toespelen, het welck wy uwe E. opdragen, die een rechtschapen Neêrlanders aert, uit den bloeienden welstant der Nederlanderen niet dan blyschap kunt scheppen, en wiens on-bloedigh ampt eigentlijck bestaet in Vrede tusschen drie en vier Kroonen 4) aen te voeden en t\'onderhouden , en Koningkrijcken door zachte zijde banden van vrientschap en eendraght onder-

1

Vertaling der bekende woorden van Tityrns in Virg. aucolica, Eel. 1, vs. C vlgg.: O Meliboee, deus nobis haeo otia fecit, eet. Verg. Vondel 5, 687 en 8, 141, waar twee verschillende vertalingen van den geheelen herderskout voorkomen.

2

Lieve maat, lieve makker. , . ,

3

Verkeerd voor Hoogmogenden. Hoog- toch is bi]w., dat met het bnw. eene samenstelling vormt. Zie over derg. vergissingen de aant. op Verwijs\' Bloemt. \'■?,, bl. 200 vlg.

4

De drie kronen is eene benaming voor Crroot-ürittanme; zie Voorhout, vs. 660 aant. De „vier kronenquot; is Zweden (Zweden, Finland Livland en Esthland met Ingermanland, en Pommeren)._ Üiders wordt Zweden als „het rijk van drie kronenquot; bestempeld; zie V on-del 4, 403, 179.

-ocr page 25-

3

lingii te verbinden. Heerlijcke pallaizen zijn zelfs Koningen en hun Gezanten en Agenten zoo aengenaem niet, of het lust hun zomtijts , ten platten lande , by simpele herders en ackerluiden , zich te vermeiden ^1), en hoffelijcke grootsheit \'en pracht voor kleenheit en eenvouwigheit te verwisselen. Ghy naemt , om u zomtijts van gewightige bekommeringen wat t\'ontlasten , altijt geenen lust2) in historischilderyen van Vorsten, Vorstelijcke personaedjen , en trotse hofgebouwen , maer oock dickwils in kunstige lantschappen , dorpen , en gehuchten , van boeren en herderen bewoont; en zaeght \'er met genoegen zelfs de Goden uit den hemel , in de gedaente van sterflijcke menschen , den stockouden Filemon en Baucis, onder hun rieten dack vergasten , hun schamele hut in eenen rijcken tempel, hen beide in boomen veranderen. Hierom durven wy den Heer Agent te vrypostiger3) ditmael aen den boerendisch noodigeu , cp na-tuurlijck veltgewas, in teene \'j korfkens, houte nappen , en aerdewerpk aengerecht. Uwe goetrontheit en rustigheit4) zal ons open hart aenzien , dat zich en anderen op dit gezegende vredefeest wenscht, uit danckbaerheit voor zulck een onuit-sprekelijcke deught 5) en hemelsche weldaet, te verquicken, en in het groen spelen te voeren \') , zonder gal h), zonder erghwaen, zonder de helderheit van dien schoonen zomerschen zonneschijn , en dat zuivere hemelblaeuw met een allerminste neveltje te rimpelen en misverwen 0). Honighbyen zullen uit deze bloemen

1

Hem vermeyen en meyen, zich vermaken. Zie De Jager, Versch. Ü38. Het woordt komt van mei-, cle meimaand. De spelling vermeiden is dus verkeerd, doch reeds oud; zij komt al voor Esmo-reit vs. 42b. Zie de aant. in Verwijs\' Bloeml. 3\'-, 212. — lloff\'elijclce grootsheit, hoofsche weelde.

2

Wij zouden tbans zeggen: Gij hadt «i\'ei altijd lust, gij scheptet niet altijd vermaak, daar de ontkenning bij het bijw. behoort, niet bij het znw. Altyt(s) geenen bet. in het mnl. volstrekt geen. Zie Mnl. Wdb. op altijt en altoos, en N. KL II, 34. 1. -

3

Vrijpostig, vrijmoedig, zonder de ongunstige bijbeteekenis van thans. Zie vs. 685.

4

Welwillendheid, goedhartigheid. Zie Kil., en Oudem., IFcZfc. op Breder o.

5

Deught, goed, weldaad. Zie Wdb. op Bredero. Het mnl. doget heeft dezelfde beteekenis.

-ocr page 26-

4

niet dan lionigli en nektar zuigen. Indien by ongeval een spinnekop hier venijn uit trecke ; het komt by haren aert, niet by de bloem toe *). De Voorredenaer zal het wit van dit werck ontvouwen. Wie hier te diep in verzinckt, en neuswüs, in alle personaedjen , vaerzen en woorden , geheimenissen 1) zoeckt, zalze\'r niet visschen. Wy hebben slechts eenige verwen en geuren , die ons voornemen dienen konden , uitgezocht, en onder een gemengt, en het beloop van oorloge en vredehandel aldus in het klein ten ruighsten ontworpen 2) , om alle hate-lijckheit te schuwen ; anders had men de bloem van deze ver-zieringe *) netter op de zaeck zelf konnen passen. D\'aeloutheit \'getuight nergens dat de Heidenen Pan, maer wel Diane, men-schen opofferden. Evenwel brengen wij Pan op het tooneel; eensdeels dewijl de veerijckheit der Nederlanden een Veegodt-heit vereischt ; anderdeels om iet grooters aen te wijzen , \'t welk van het Heidendom door dien zeldtzamen afgodt uitge-beeldt wert. Want die vervloeokte afgodery, en het menigh-vouwigh verdeelen van het enckele en eenige Wezen der Godt-heit in ontelbare bygoden , ter zijde gestelt3) , zoo schilderde Pan haer wat groots en waerachtighs voor d\'oogen. Pan is in het Grieksch AL 4) gezeit, en de natuurwijze Heidenen wouden door zijn beelt de geheele Natuur, of liever de Godtheid, die zich in alle schepselen uitstort, uitbeelden. Zijn bovenste deel vertoont den hemel; zijn onderlijf en ruige bocksvoeten , het aertrijck met zijn ruighte , en bosschaedjen , en boomen , en steenklippen. De roode troni\') betekent het vier, dat om

1

Geheimenissen, eig. geheimen\', vgl. vs. 697. Elders bet. het mysteriën, verhor genheden, als in den titel Altaer geheimenissen. Hier heeft het de bet. vun geheime bedoelingen, bijbedoelingen, toespelingen.

2

Wij hebben er een ruwe schets, een ruw ontwerp van gemaakt. Vgl. den titel Bitigh Bewerp der Redenkaveling.

3

Die afgoderij ter zijde gestelt, absolute uitdrukking. Zie Tijdschrift 2, 188 vlgg.

4

Pan beteekent niet al, maar weidegod -, uit gr. paoon, van den stam PA, voeden, dien men o.a. ziet in lat.pascere, fr.paitre-, ndl. pleisteren (mnl. peisteren).

-ocr page 27-

hooge zweeft: de horens op het voorhooft, de maan : de lange baert, de zon met hare stralen : de gespickelde huit om het lijf geslagen , de starren : de gekringkelde 1) wichelstock in d\'eene hant, het ronde jaer, \'t welck zijn begin aen het einde knoopt: het speeltuigh van zeven ongelijcke fluiten aen een gekleeft, de zeven dwaelstarreh en het goddelijck muzijck der overeenstemmende hemelklooten 2). Zy wouden met Pan het zelve zeggen , dat Anchises geest tegen Eneas zeide:

Een innevloeiend Geest voedt hemel, aarde en zee , Be klaere zon en maen, en alle starren meè.

Een eeniyh geest, gestort door \'s iceerelts lijf en leden, Beweeght dit groot gevaert, van hoven lot beneden i).

In zulck eenen zin, en niet anders moet men vatten deze woorden van eenen anderen Poeet :

Al wat ghy ziet. in \'t lang en hreê,

Is Godt, het zij dan lucht, of zee\'\').

D\'allerootmoedighste en wijste Filosoof. die in den derden hemel, ja in den Paradijze 3) , ter schole voer , pooghde zelf den bygeloovigen Atheneren den waerachtigen Godt, in wien wy leven en zweven, levendigh in te boezemen 6j door het opschrift van hun eigen altaer, den onbekekden godt toegewijdt 1). Het zal den Agent gelieven onze onnozele 4) tooneelschildery

1

Van kring komen kringelen en krinkelen als frequentatieven. Zeer fraai bezigt Van Lennep het eerste in zijne Paradijsroos:

Het riet kringelt weg voor zijn vlammengeschroei. Gekringkelt bet. dus krom, gebogen, in den vorm van een kring of cirkel. — Gespickelt komt in fig. opvatting voor Vondel 2, 671: „gespickélt met wat logensclnjns.quot;

2

D. i. de harmonie der sferen, door Van Lennep in zijn Klaasje Zevenster geparodieerd.

3

6J Inboezemen, inprenten, op het hart drukken. De zin is: Pau-lus trachtte hun een levendig besef te geven van den waren God, door hen te wijzen op hun eigen opschrift.

4

Onnoozel, onschuldig, onschadelijk fvan mnl. nosen, lat. noeere, benadeelen). De beteekenis van onwijs voor onnoozel is eerst later opgekomen, doch ligt voor de hand.

-ocr page 28-

6

aldus of andersins een luttel te helpen ontschuldigen, nu wy, naer den aert der weelige Poëzy en hare vryheit, onder de schors van een verziersel , toeleggen 1), otn jeught en burgerye by deze gelegenheit vermakelijek te stichten , niemant t\'ont-stichten, met dit Lantspel, dat niet te plat en plomp van toon moet vallen, nochte hooger dan zijn behoorlijcke maet rijzen , en welcks onbebloet2) tooneel doorgaans vast en stil staet3): gelijck het Spel oock niet bloot3) behoorde te wezen van gezonde leeringen en zeden , en die beide van outs her gepreze eigendommen 4), de Herkennisse en den Overgangk G), hier van zwarieheit en verlegenheit in blyschap en geluck, het welck uwe E. in zijn doorluchtigh Agentschap toegewenscht wort van

Uwe E. dienstschuldigen JOOSÏ VAN DEN VONDEL.

1

Toeleggen, thans het er op toeleggen. Dergelijke leelijke omslachtige uitdrukkingen hebben wij meer. Zoo b. v. er op na houden, innl. nahouden-, erop tegen hebben, er is iets van aan; daar van daan, mnl. danen; er van door gaan, in de 17de eeuw door gaan ( Warenar meermalen); er op aanstaan, in de 17de eeuw aenstaan (Leeuwend. vs. 417); het er voor houden, mnl. houden; zich aan iets gelegen laten liggen-, enz.

2

D. i. de wet van eenheid van tijd en plaats is in acht genomen. Verg. Berecht voor den Jeptha (8, 13): „Ons tooneel staet hier doorgaens onverwrickt en vast, voor het hof te Masfe in Ga-laad; eene uitsteeckeade opmerekinge, waerop Euripides in zijne volwrochte Fenisse zonderling gelet heeft.quot; V. is steeds zeer zorgvuldig in het naleven van Aristoteles\' tooneelwet, gelijk hier weder blijkt, en in het Berecht op het aangehaalde stuk ten duidelijkste door hem ontvouwd is. Hij noemt de „schickelijcke t\'zamenstellinge der bedrijvenquot; „de ziel des treurspels, dat zonder deze niet recht-maetigh kan bestaen, schoon \'er manhaftige uitspraeck, nochte zeden, nochte spreucken ontbreecken.quot; Vgl. Jonckbloet, tiesch.3, 4, 213.

3

Bloot van, zonder, ontbloot van. Zoo ook in \'t mnl.

4

Eigendom, eigenschap, eigenaardigheid, kenmerk.

-ocr page 29-

INHOUDT.

Toen de Leeuwendalers , door vrede en voorspoet verwaent en baldadig geworden , op de feestspelen van vee- en jaghtgodt Pan de groote lantmaeltijt hielden , gebeurde het, datze, al be-schoncken , en droncken , van woorden tot vuisten, en messen quamen. Waerandier \'), Helt genoemt , om zijn sterckheit, en vromicheit1), een zoon des Woudtgodts ; en Duinrijok , een zoon van Pan, zich midden onder het gevecht werpende , om onheil te verhoeden , en hevigen 2) te scheiden , lieten \'er onno-zelijck hun leven. Woudt- en Veegoden hierom gestoort, plaegh-den het lantschap , dat sedert noit rust hadde : want Zuidtgy en Noortzy bleven door haet en nijt gedeelt, en beschadigden, en quetsten elckandere dagelijcks ; de Zuijdtzijde onder Lants-kroon ; de Noortzijde onder Volckaert, en zijn Medeheemraden 3). Godelieve , Waerandiers weduwe, was op haer mans lijck overleden , en had eenen zoon nagelaten , Adelaert genoemt , dien Lantskroon aennam , en opvoedde. Vredegunt, Duinrijcks zwangere weduwe, wert gedwongen met Kommerijn , wiens man onnozelijck neergeleit was, in duin 4) te vluchten , gelijck meer andere vrouwen; daerze van een schoone dochter beviel, en op

1

Vromicheit, dapperheid. Vroom was oudtijds dapper, Jdoek, sterk, en is eerst later tot de beteekenis van braaf\', godsdienstig gekomen.

2

Hevigen, hartstochtelijken, lieden die op elkander verbitterd zijn. Niet hevig heeft thans deze beteekenis, maar, althans eene die er na aan verwant is, heftig.

3

Heemraad, raad van het heem, landraad (fri. hiem, hd. heim-ath, eng. home). Heem leeft nog in Heemstede, inlieemsch enz. Heemraad, hier ongeveer in de bet. van burgemeester, is thans geworden benaming van een lid van een waterschapsbestuur.

4

Verouderd voor in het duin. Verg. in zee, in huis, naar stad, op stroom, in bed, enz.

-ocr page 30-

haer verscheiden leggende 1), Kommerijn, wiens 2) borsten zy gezogen hadde , haren merckring gaf, en belofte van haer nam , datze het kint, alzoo zy voor vergift vreesde (want men uit boosheit Duinrijcks bleet zocht te vernielen) zoude onbekent op Heemraet Volckaerts werf te vondeling leggen , en deszelfs herkomste twintigh jaren verbergen. Aldus wert dit kint, met een bloetroos op den arm geboren, in de hage gevonden, Hage-roos hier naer geheten , en Grooten Vrerick overgelevert, die het zorghvuldigh opvoedde. Kommerijn uit haer armoetje 3j geschupt, en hier langer geen heil te gemoet ziende, vertrock naer een vreemt gewest, daerze zich armelijck en eerlijck behelp 4). Verschelde voorspoken van aenstaende zwaricheden, en een vreesselijcke staertstar voor haer vertreck opkomende , en de lantzaten dreigende , beweegden hen raedt te vragen by Velleede , Priesterin en Waerzeghster van Pan , die jaerlijcks eenen jongeling , ten gezetten dage wettigh by keur en lot ge-trocken , eischte , om tot een zoenoffer der gequetste Godtheit gestelt te wei-den ten doele des Wildemans , hun van Pan opgezonden 5) ; en hoewel men ondertusschen dickwijls by Velleede om een uitkomst aenhielt ; \'ij troosteze niet dan met dubbel-zinnigh antwoort. Na twintigh jaren keerde Kommerijn, oudt en arm , weder , op het verschijnen van Vredegunt, haer radende den schuilhoeck der ballingschappe , oock door tweedraght en oproer gesteurt, te verlaten , en het vaderlant en d\'oude buurt te bezoecken , daerze heur geluck zou vinden. Zy quam\'er dan juist ten zeiven daghe , dat het bloedigh lot op Adelaert viel, en hy na veele moeite ten doele des Wildemans gestelt wert. Hageroos uit minne , en door Adelaerts langduurige gedienstig-heit bewogen [te meer , alzoo hy haer, elfen te voren op de jaght, des schoffeerders 6) handen ontweldighde] boodt zich aen

1

D. i. op sterven liggende. Over do zeer gewone verwarring van liggen en leggen, zie N.Kl. II, 17, 4; III, 11, 7 enz.

2

Wiens. Wiens en diens {wies en dies) werden vroeger als betr. vnw. gebruikt, van alle geslachten en getallen, evenals fr. dont en en. Zie voorbeelden Segh. v. Jerusalem, bl. 183.

3

Armoetje, nog gemeenzaam gebruikt voor schamele inboedel. Vonde) gebruikt hier twee schilderachtige woorden, die ieder nog bezigt wanneer hij spreekt, doch die uit de schrijftaal verbannen zijn.

4

Ueholp. Voor den vorm vgl. holp, bl. 2, reg. 11.

5

Schoffeerder, onteerder. Schoffeeren, mnl. sconficren, ofr. des-

-ocr page 31-

9

voor hem te sterven: maer Pan verschenen , schutte dien scheut \') en schortte 1) het offer , niet zonder een duistere uits\'pfaeck , waer over d\'omstanders verbaest stonden. Kommerijn, op dit gerucht aenkomende, en hoorende den naem van Vredegunt noemen , geraeckte in gespreek met hun , broght de gelegen-heit\') der geboorte van Hageroos aen den dagh, en wert voor liaer getrouwicheit beloont. Toen zagh men den dagh door het orakel2), sloot het huwelijck van Adelaert en Hageroos , beide uit Ackergoden gesproten ; en vereenighde en verzoende in dit paer Zuidtzijde en Noortzijde. Lantskroon kende 3) de Soort-zijde van Leeuwendael voor een Vrtheit 0) op zich zelve. Men verwelkomde en omhelsde malkandere van wederzijde4), en hier op ging de bruiloft in.

1

Schorten, opschorten , uitstellen.

2

D. i. men zag licht in het orakel, begreep het.

3

Vrijheit, vrij rechtsgebied, fr. franchise, vooral gezegd van het grondgebied eener stad buiten de poorten, waar de stads vrijheden en rechten van kracht zijn, b. v. goederen gelegen binnen de vrijheid van Gouda; de vrijheid oi\' het Vrije van Brugge.

4

Thans verkferdelijk ran v eerszijden, gelijk ook van iceers-kanten. Vgl. vs. 700, 724, 731, 734, en lie.in I, 293: In loedersiden van der bare.

-ocr page 32-

P E R S 0 N A E D J E N.

KOMMERYN , Vredegunts minnemoeder. BLINDE WOUTER , Roeper, en bode. X - ■:f ADELAERT , Lantskroons voesterkint.

A-vvwi IIAGEROOS , Groote Vrericks voesterkint. Rey van Leewendaleus.

HEEREMAN , Heemraedt van de Zuidtzijde. VOLCKAERT , Heemraedt van de Noortzijde.

Heerschappen. Huismans.

LANTSKROON , VRERICK , WARNER ,

GOVAERT, J

VELLEEDE , Priesterin en Waerzeggerln van Pan.

De Wildeman.

PAN , Vee- en jaglitgodt.

Het tooneel vertoont Leeuwendael. De Rey bestaet uit Leeu wandalers.

-ocr page 33-

T O O K 1! E D E S A E E.

Schoon nu alle personaedjen Eee staen , om op dees ^1) stellaedjen , Op dit groene speeltooneel,

In dit boere s) lantprieel,

5 Uit te komen, en uw ooren Haere rol te laten hooren ;

Noch zent my Taelleie 2/) hier Eerst vooruit ft is haer manier] Om onze Aemsteliiymf te groeten , 10 En met reden te gemoeten *) ;

Want zy niet begrijpt , noch weet Hoe Melpomens Treurpoëet, In Taelleies dienst getreden ,

Dorpen kiest voor groote steden ; 15 Mangelt3) al de pracht van \'t hof Voorquot; een stulp, en ackerstof; Leiendack voor riete daken ;

Tabberts , die van purper blaecken 4) , Voor een ruwe huismans \') py; 20 Koningklijcke leckerny

1

Dees stellaedjen, enkv. Stéllaedje(n) was in Vondels tijd vrou-welijk. Zie Hoogstraten 513.

2

Thalia, de muze van blijspel en het herdersdicht; Melpomene, die van het treurspel. — Noch, nochtans, toch, zooals zoo vaak in de 17de eeuw.

3

Mangelen, ruilen, verwisselen. Zie Ned. Wdb. op O m m a n-gelen.

4

Blaecken, in de thans niet meer gebruikelijke beteekenis van schitteren. Zie Mnl. Wdh. 1, 1284.

-ocr page 34-

12

Voor wat melcks , en roggekorsten : Koningen en rijcke Vorsten

Voor een\' lantman, slecht ^ genoegli; Scepters voor een scliup en ploegh ; 25 Kroonen , trots om op te roemen ,

Voor een krans van boterbloemen ; Treurzang voor een boereliet Op een fluit, of herdersriet-Goelijke Aemsteljoffer 1), luister , 30 Zaeghtghe Apollo niet zoo duister 2) Schuilen in een\' herdersrock ,

Met een\' hazelaeren stock ,

En een\' staf de schapen drijven ?

Lees dan wat al d\'Ouden schrijven. 35 Zaeghtghe Paris , en Adoon ,

Elck een Koningskint en zoon,

Niet op \'t velt de harten winnen Van hun Nymfen en Godinnen ?

\'k Gaef den Dichter ongelijck. 40 „Maer de stadt is nu te rijck 3) Om een Lantspel te begapen 4)

En een dorp vol herdersknapen. Herdersspelen , het is nacht fijquot;.

1

Goelijk, lief, schoon, bekoorlijk. Zie 499, 1192 en Warenar, vs. 232, en vgl. eng. goodly, vandaar vergoelijken, d. i. verschoonen. — Joffer, saamgetrokken uit joncfer. Ver, eene afkorting uit vrouw. als mnl. her uit here, werd vóór een eigennaam of eene persoonsverbeelding gebruikt, als Ver Aleit, Ver Hovescede.

2

Vs. 30—38 is de voorwaardelijke zin , waarvan vs. 39 de hoofdzin is. Ik zou den dichter ongelijk geven, zoo gij bij de ouden niet gezien hadt, hoe Apollo (bij koning Admetus) de schapen weidde, enz.

3

Dit is het antwoord der Auisteljoffer , door welke V. den roem en den luister zijner woonstad laat verkondigen.

4

Begapen, met open mond zitten kijken naar iets. Het mnl. hegapen heeft andere beteekenissen. Zie Mnl. Wdb. 1, 693.

-ocr page 35-

1oo

O

Roept de Heere- en Keizersgracht 45 „Wegh met herderinne , en boeren. Legh ons marmersteene vloeren ,

Treek de gevels hemelhoogli:

Trots van buiten in het oogli.

Bouw de zalen trots van binnen. 50 Dat een storreraleêr de spinnen 1j Daer bestorme , reis op reis.

Kleet den wandt van \'t graftpallais 2) In tapijt : ontzie geen kosten.

Dat de schoorsteen met zijn posten *,) 55 Vry van louter marmer glimm\'.

Dat de stoep by trappen klimm\' 3), Als een troon , en kunst van leunen ÖJ Onzen Adel ondersteunen.

Dat de rijckdom , vol ontzagli \'), 60 Door een ysre tralie 4) lacli\', En beschimpe een\' kermiskinckel, Die hier ki-aem en poppewinckel Komt bekijcken uit het groen ; En verbaest om \'t nieuw fatsoen , 65 Stockstijf staet en gaept daer buiten, En vergeet zijn\' mont te sluiten.quot; , Zacht Mej offer , niet te prat0):

1

De zalen moesten zóó hoog zijn, dat een stormladder noodig zou zijn, om er de spinnewebben uit te verwijderen.

2

Graft van graven, thans gracht. Zoo ook van koopen : Icoft , nu kocht-, kluft en klucht; hethd.sanft, ons zacht) lufl en lucht enz.

3

Bij trappen klimm\'. De uitdr. is niet zeer duidelijk of juist. De bedoeling is: dat er stoepen gebouwd worden met even zoo vele treden als om een troon te bestijgen.

4

De benedenramen der huizen waren doorgaans tegen het inbreken met ijzeren tralies voorzien, waardoor men alles begluurde, wat er op straat voorviel. Verg. N. KI. VII, 185, op Tralye.

-ocr page 36-

14

Amsterdam is tot een stadt Uit de groene zo gewassen ,

70 Uit liaer veen , en vissehersplassen.

Laeck den huisman 1) niet te veel.

Rome roept met luider s) keel:

\'k Haelde voortijts met genoegen Burgemeesters 3) van de ploegen ;

75 Die in dorp en acker school,

Klom op \'t gouden Kapitool.

Hooptghe , als Rome, noch wat verders ?,

Danck den hemel: danck uw Herders ,

Grootes Vremck 4), Vooght van \'t lant: 80 Danck der landen rechte 6) hant ,

Ons Stadthuis met al zijn Heeren ,

Die het zwijn des oorloghs keeren ,

Dat de weerelt ommewroet,

Zat en dol van menschenbloet.

85 Maer wie zal de paiskroon 0) spannen Onder ons doorluchte mannen,

Vredevaders , nimmer moe ?

Zinghze prijs en eere toe.

^Noem nu elck een\' lantbeschermer,

\'JO JSVaert een beeldt van gout, marmer , j By \'t gekroonde Wapenkruis \'),

Midden voor ons nieuw stadthuis;

Dat gebouwt op die pylaren 8),

kend.—Hier begint weder de V oorredenaar Clat-gr.nrologus) te spreken.

1) Zie bl. 11, vs 5.

2) Sterke verbuiging van het bnw. als in met luider stem, ter elfder ure, van ganscher harte, zaliger gedachtenis, in aller vjC, enz.

3) De gewone vertaling van consules, een purisme, waarvan vooral Hooft een groot voorstander was.

4) Frederik Hendrik, nog in leven, toen Vondel zijn stuk schreef (1647). Zie bl. IV, noot. — Voogt, vgl. vs. 439 en 1002.

5) Hechte hant. Wij kunnen nog slechts mei een naamval dei-sterke verbuiging (gen. of dat.) zeggen: réchter, Unieer hand. Zoo ook middernacht; vgl. eng. midnight en ons mid-dag.

6) Paiskroon, vredekroon. Wie zal zich de kroon mogen aanbinden {spannen), de kroon spannen, den hoogsten lof behalen voor het bewerken van den vrede? Niet één van allen, maar allen te 7, am en moeten zij bezongen worden (vs. 89). — Ze, in vs. 88, grammatisch onjuist; er moet een 3de nv. staan, nl. hun.

7) Zinspeling op de kruisen in het wapen van Amsterdam,

8) Die pylaren, dat ontelbaar aantal palen, dat wij er in den

-ocr page 37-

15

D\'eeuwigheit, ontelbre jaren \') , 95 Kan verduuren , zonder last,

Schoon de Nijt hier tegens bast.

Laet de Dichter dan geleiden Door de Nederlantsche weiden

Met een Lantspel deze vreught1) ; 100 Dat u toone , hoe de Deught Zoo van hooge als lage Heeren Haere rol in boereldeeren ,

Uitvoer\' met een boeretael;

Hoe dit kleine Leeuwendael 105 Durf 2) heel Neerlant overschreeuwen , Dat met wapenen , vol leeuwen 3), [Nu getoomt , en mack , en tam] Brullende te velde quam.

Lantskroon houde \'t woort s) van Spanje. 110 Vrekick ga hier voor Oranje;

Heereman van genen kant 0) ,

Volckaert hier, voor Staet van \'tlant, Dat gereten aen twee deelen ,

Zuidt- en Noortzy hoort krakeelen. 115 Zie eens hoe een Wildeman

1

ü. i.: Laat de dichter deze vreugdebedrijven fover den vrede) dan door de Nederlanden geleiden, er in voorgaan met een Landspel.

2

U) Durf, oorspronkelijke vorm van den Öden pers. van durven, dat een praeterito-praesens is.

3

Leeuwendaal mocht met Nederland, dat om de Leeuwen in zijn wapen ook Leeuwendaal kon genoemd worden, mededingen, op ééne lijn worden gesteld. Oversclireemven zal hier wel beteeke-nen een toon aanslaan minstens zoo hoog als een ander doet.

-ocr page 38-

16

U wat groots verbeelden kan 1), En den oorloogli weet te schilderen , Daer de menschen door verwilderen, En alle ackers , wilt en woest, 120 Maejen eenen jarameroegst 2).

Zie wat Wildaert 3) u kan dwingen, Die de bloem der Jongelingen Jaerlicks eischt , en helt op helt Deerlijck 4) schiet, en nedervelt , 125 Eer in \'t loof van Haeghsche 5) linden Wy door Godt een uitkomst vinden , Die partyen, korts zoo schuw, In een paer te gader huw\'.

Leen dan leerzaem ons uw zinnen , 130 Want men gaet de rol 0) beginnen; Looptze op uw genoegen af \'), Danck den Dichter, dieze gaf.quot;

1

Verheelden, afbeelden, vertoonen.

2

Een oogst van jammeren. — Bij maaien is het woord oogst zeer juist gebruikb. Men stelle zich de uitdrukking voor: eene zee van rampen maaien! Oegst (spr. oest: woest) hier concreet in den zin van een tal van. Oest, oegst komen meer voor voor oogst (uit Augustus). Zie Oudem. 5, 5 vlg. en vs. 724.

3

Hetzelfde als Wildeman, de persoonsverbeelding van de Woede des oorlogs. Wat, wat voor een , welk een afschuweliike Wildeman. Over dit gebruik van wat ook bij ml. en vr. woorden, zie Cost. Mal, vs. 87, Aant.

4

Deerlijcl:, op eene deerniswaardige wijze, tot onze smart.

5

De rol, het stuk zelf. Zoo vindt men bij V. ook de treurrol.

-ocr page 39-

HET EERSTE BEDRIJF.

KOMMERYN, BLINDE WOUTER.

K O M M E R Y N.

Ter goeder ure toont de klaere morgenstrael,

Een veurbo van de zon , my :t oude Leeuwen dael 1) , 135 Het vleok van mijn geboorte,^en zijn beplante wallen; Waer langs de versohe2) beeck zaclitzinnigli komt gevallen , De zandige oevers scliaeft, en Zuydt- en JSToortzy deelt; Terwijl een morgenlucht in \'t boomloof ruischt, en speelt. Hier rijst de Leeuwenbrugli, en ginder breit de linden 3), 140 Waer onder my ter sluick mijn vryer wist te vinden , Zijn bevende armen uit, en is aireede krom , En gemehjck *) , als ick , van lioogen ouderdom.

Aen deze zijde plagli de koe van room te zwellen ; Aen d\'andre \'t weeligh ooft, en pruimen , en moerellen 4).

1

Leemcendael. Ei^. is dit de 3de nv. van Leeimcndal, zooals het zou moeten luiden; doch bij pln.ahsnamen is meermalen de %le nv. lste_iiz._g:eTCO£damp;n. Zoo b. v. in Bloemendaal, Bergendaal, fleilujcrlce (eig. op den heiligen heuvel), Den Haag, Ben Bosch, Den Briel, enz. — Ter goeder ure, zie vs. 1014.

2

Versch, frisch, waarmede het één in oorsprong is. — Kami gevallen, zie vs. 164, 481, 089.

3

3_) Linden-, de goede vorm is linde. Deze boom was steeds de g-eliefkoosde boom voor minnenden, gelijk uit de oude volkspoëzie genoegzaam blijkt. Zie Hoft\'mann von Fallersleben\'s Horac Belg. II, xoi. Ook heette de linde in de middeleeuwen der minnen hoorn. Zie Mnl. Wdb. op boo m.

4

_De dichter duidt hiermede het verschil van land in Noorden Zuid-Nederland aan. Moerel, morel, misschien door bijgedachte (hd. anlehnung) aan moerbei (quasi kleine moerbei) ontstaan uit ama-xeUe., wrange vrucht. Zie Noord en Zuid 6, 163. Het fr. moreUe heeft andere beteekenissen. Vgl. 1231: moerbay of morellen.

LEEUWENDALERS. 2

-ocr page 40-

18

145 lek zie de lantkappel1) des Veegodts in \'t verschiet,

En \'t schamel2) dack des Godts, gedeckt met mosch en riet, Daer \'t volck om zegen bidt. Ick zie ons boerehuizen, En hoore , zoo my dunckt, van veer de baren bruizen. Ter goeder ure broght ick \'t hier al steenende aen3), 150 In \'t kriecken 4) van den dagli, op ^t kraejen van den haen , Die vast den huisman weckt, en duizent nachtegalen , Gewoon hun\' wilden zangk te leeren aen de dalen O goede Vader Pan , ghy zegenaer van \'t vee ,

Mijn komst mishage u niet, in mijn geboorteste , 155 Den zeilsteen van mijn hart, zoo krachtelijck bewogen 5). Heeft Vredegunt my hier in deze streeck getogen 6) , Zoo stierme voort te recht met dezen krommen stock , Waer op ick leun en steun: verdelgh den bittren wrock, En wortel van \'t krackeel, indien het noch blijf duuren, .160 En legh een-quot; bant van vrede om zulcke nageburen 7). — Maer luister ; wat bediet dat ysselijck getoet 0) ,

Gevolght van iemants stem en galm , die my gemoet8) ? ^ Hoe vat ick deze leus9), en onbrekende reden?

1

Vondel schrijft nu eens kappel, dan weder kapel. Ook laut-Itappél komt meer bij hem voor, nl. vs. 624, 976 en Vondel 5, 610, 145, 666, 1869; 66S, 1922 e. e. Zoo schrijft hij ook soms rappier, pappier, panned. Vgl. ons alleen, wanneer en allom (bij Huygens).

2

Schamel (van schamen) beteekende oorspronkelijk schaamachtig, en vandaar iemand, die zich van schaamte verschuilt, dus arm en nederig; thans op zaken toegepast, armelijk. De schrijfwijze mosch voor mos is niet juist. Zie WeigantT, 25. Wtb. op moos; E. Müller, Eng. Wih. op m o s s.

3

Stenen, waarvan een wisselvorm is steunen, even als lenen en leunen. —Het ergens aenbrenghen, ergens komen. Wij zeggen evenzoo: het er goed afbrengen.

4

Kriecken, voor griccken, wisselvorm van gr aken, d. i. grauwen, van gra, grauw. Zie T. en Letth. 3, 151. Vgl. Ueke en iake, d. i. bloedzuiger, Tijdschr. 2, 199.

5

Bewogen, 4de nv. onz., behoorende bij hart.

6

Getrokken, gelokt. Van tien, trekken; hd. Ziehen.

7

Zulcke nageburen. Vondel meent „menschen die zulke naë (wij kunnen dit eig. niet meer schrijven, maar men hoort het nog wel zeggen; vgl. hd. nalte) buren zijn, die zoo dichtbij elkander wonen.quot;

8

Gemoeten, te gemoet komen , tegenklinken. Zie vs. 10.

9

Het hoorngeblaas was eene leus, een herkennings-, d.i. een oproepingsteeken, t. w. voor de Leeuwendalers. — Onbekendereden, vreemde taal, zonderling signaal.

-ocr page 41-

19

Men wort door vragen wijs : hier komt hy aengetreden. 165 Verstout u , Kommerijn, en vraegli hem naer bescheit.

w o u ï E E,

Ghy Leeuwendalers, rijst; de zoendagh , langh beschreit, Het gruwlijck jaergety verdaeght \') u om te loten. De Wildeman heeft noch zijn pijlen niet verschoten : Hy eischt den Jongeling , tot b^ete 2) van ■\'t geschil. 170 Ghy Leeuwendalers , op : gehoorzaemt \'s hemels wil.

K O M M E It Y N.

Ay Roeper, wat bediet 3) dit blazen van den horen , Dit roepen voor de zon ? wat komt my hier ter ooren ? Wat eischt dit jaergety \'\') ? wat wil „de W i 1 d e m a nquot;, „De Jongelingquot; en \'t geen ick niet begrijpen kan V

w OUTER. _ \'fit-.-\'\'

175 O bestemoer, ghy zijt te grijs en out1) van dagen, Om naer de jammeren van Leeuwendael te vragen: Al \'t omgelegen lant gewaeght van \'t ongeval,

Dat jaren heeft geduurt, en eeuwigh duuren zal,

Ten zy de Woudtgodt zelf, of vader Fan dit keere. 180 Wy vigren 0) dezen dagh, dit feest, geen\' mensch ter eere, Noch reuckloos 2), maer door last, ja Godtheên tot een\' zoen , „ En offren haer een\' man , om erger te verhoên.

1) Niet in de tegenwoordige beteekenis van uitstellen, maar van dagvaarden , tot den (gerechts)^ a y oproepen.

2) Boete in de oorspr. beteekenis van herstel, goedmaking, ook middel tot herstel. Ygl. vs. 188, en hnet, vs. TülO e. e.

3) Bedieden, beduiden, met dezelfde klankwisseling als bij ïiecfere en lui, diet (volk) en Duit soli; kiesch en kuisch. Bedieden is eigen-

\' .co«aiu;efl^a.1_,vei^^ Zie Mnl.

1

Vieren, oorspr. rusten, afgeleid van lat. feriari: van feriae, hd. feiertag.

2

Eeuckloos , roekeloos, d. i. zonder reden , zoo maar , of gelijk wij zeggen uit een open reden. Eu is klankwisseling (umlaut) van oe. Van roecken, d. i. zich bekommeren, hd. ruclwn (in geruhen), eng. reek. Zie E. Muller, Eng. Wth. 2, 285.

-ocr page 42-

20

Het Leeuwendaelsch krakeel was reede1) hoogh geloopen, Eu d\'aerde had het bloet der Ackergoóu gezopen, 185 Wanneer Velleede 2) ons riedt met haren eigen mont , Voor dezen Wildeman , dien vader Pan ons zondt, Een\' Jongelingk , by keure en lotinge uitgekoren , Te stellen , tot een wit en boete van Gods toren. Wy zagen twintighmael den bloessem aen den boom 3), 190 Dat hier de zode dreef in eenen rooden stroom Van dit onnozel bloet, uit hoogen noot vergoten ; En sedert heeft ons ramp de Godtlieit noit verdroten. Ghy zult, eer noch de zon de westkim raecken kan , Ee jaerlijcksche olfergaef zien offeren aen Pan , 195 En dien rampzaligen , van \'s Wilden pijl getroffen En Wildemans geweer 4) , ter aerde hooren ploffen, jgk blaze met den dagh aldus het hooghtijt in5).\' Men vraeght d\'Orakels vast, en \'s lants Waerzeggerin , Door welck een middel best dees roe werde afgebeden ; 200 Maer zy vertroost ons slechts met dubbelzinnigheden : „Dat Pan genezen zal de langgeproefde smart,

Wanneer de wilde hoogh hem micke 6) naer zijn hart.quot; Wy zien dien tijt te moet \'), en tellen dagh en uren , Te lang , och arm , vergeefs.

K O 51 gt;1 E K Y N.

En blijft die twist noch duren ? 205 Wat Wildeman is dit, die dus hel lantsohap quelt ?

W O ü T E K.

Een gruwzaem boschgedroght: hy houdt zich op het velt, In bosch, in duin, aen strant; en leeft by raeuwe kruiden,

1

Reede, ah-eede , reeds. Zoo ook vs. 346 en 351. Vs. 141 gebruikt Voncifil aireede.

2

Velleede, de naam der Druïdische priesteres en waarzegster, uit de geschiedenis der Batavieren bekend.

3

D. i.: gedurende twintig jaren. — Boete, vs. 188; zie vs. 169.

4

Geweer, wapen in \'t algemeen, van roeren.

5

Wilde hoogh. de boog des Wildemans. — De voor ons hier ongebruikelijke subjunctief is uit het voorwaardelijke wanneer te verklaren. Verg. vs. 209.

-ocr page 43-

21

En dorre wortelen , dan Noortwaert, dan ten Zuiden \') , Waer hem een buy , in \'t brein gestegen , lienedrijf. 210 Een holle boom is \'s nachts zijn slaepstal, en verblijf. Men zagh hem onder dack, gebouwt met menschenhanden, Noit rusten. Hy erkaeuwt 1) de boomschors met de tanden , En valt op d\'aerde plat voorover met zijn borst, En slorrept plassen uit , tot lessing 2) van den dorst. 215 Wanneer de zee begint het avontvier te dooven ,

Dan leunt hy op zijn\' rugh , en roockt , gehjck een oven, En ronckt, dat koe noch kalf kan rusten hier ontrent. De menschen loopen voor 3) , wanneer hy loopt en rent, Noch sneller dan een paert. De vrijsters rgt;) ziet hy garen , 220 En lachtze minlijck toe , die anders van bedaren

Noch vrientschap weet, en grimt gestadigh even nors 4). Zijn grof gebeente is ruigh bewassen met een schors. De handen , vingers , voet en teen gelijcken wortelen.

Zijn eicke hielen treên de kaien zelfs te mortelen 5). 225 Hy wandelt barevoets , en spoelt de voeten niet.

De baert is groen , als gras : de locken schijnen riet; En biezen onder een , en lieten zich noit kemmen , Of scheeren, noch met stride, of lint en hairsnoer temmen.

1

Erlcaeuwen, herkauwen. Een afzonderlijk suffix her heeft in \'t genn. niet bestaan. Het is in oorsprong één niet er, got. us, d. i. uit. Vgl. ons herinneren met hd. erinnern. Het mnl. edercamcen mag ons niet verleiden tot bet aannemen van een praefix. eder waaruit (h)er zou zijn samengetrokken. Edercauwen is ontstaan door het voorbeeld van ede-rleken. dat men beschouwde als eder-icken-, vgl. ohd. ita-riihjan; mhd. iteriicken, itrücken, van it-, got. id- in idveit, hoon, verwijt; mnl. edwyt, ndl. et- in liniaal, etgroen. Zie Tijdschr. 1, 304 en noot.

2

Lessing, juist ware lessching. Lesschen is het grondwoord van hlusschen. Zie Mnl. Wdb. op blusscen. Vgl. vs. 383 en 945, en vooral 848; Wy lesschen den brant.

3

Voorloopen, voortloopen, wegloopen.

4

Nors, oorsprong onbekend. Kil. beweert, dat het van «oorsc/t afkomt (dus als de Noren). Merkwaardig is, dat reeds in den mnl. Limborch de vorm nQfts voorkomt (VI, 1100). Vgl. vs. 447.

5

Mortel, puin, gruis. Morzjden luidde oudtijds mortelen. Van lat. mortarium. een mengsel~van~zand en kalk, cement, ^ie Wei-gand, Zgt;. Wtb. 2, 138. Vandaar vermorzelen. Zie De Vries, War. 183. — Kai, Amst. dialect voor kei.

-ocr page 44-

22

Hy spalckt twee ui ons 1) op, en geeft u een gezicht, 230 Gelijck door een lantaerne een kaers by avontlicht 2).

Een bondel pijlen, boogh, en knodts verstreckta) zijn wapen , Die wappren 3) aen den boom, waarin hy \'s nachts gaet slapen. Maer zeghme „ bestemoêr , indien men \'t weten magh , Wat jaeght u hier, zoo vreemt, in uwen ouden dagh, 235 In dit geplaeght gewest? Wie zijtghe, die zorghvuldigh 4) Naer onze ellende vraeght? Ghy zijt geen antwoort schuldigh, Doch meltme niettemin uw\' naem , en uit wat oort Ghy eenzaem herwaert koomt; maer spoedigh: ick moet voort.

K O M M E E Y N.

^ O lantsdcnecht5), schroom niet eens\') te vragen naer wat zaecken

240 Het u believe , en \'t geen my vry stae aen te raecken. Mijn naem is Kommerijn 6) , dit lant mijn vaderlant. Ick zocht uit dezen twist, aen eenen andren kant, Nootdruftigheit en rust, gestooten uit mijn ei^en 7) ; !*gt;■ En teegh8) den Rijn op, toen de staertstar ons quam dreigen,

245 Gelijck een roode roede , en menigh vrouwmensch vloot Om \'t Leeuwendaelsch gevecht, in bittren baerens noot. Nu oproer my verbiet by vreemde oock stil te leven , Zoo koom ick dus uit noot den Eijnstroom afgedreven , En zoek mijn avontuur , en oude kennis hier 9).

é

V

lUJc

1

Uie, oog-, verg. eng. eye, deensch öie. Ooge, met wisseling van g en j, in de volkstaal ooje. kreeg door invloed der j den umlaut: öje, euje, waaruit uie. Het mv. uiens als hoogtens, geherg-tens enz.

2

De vergelijking komt mij niet zeer duidelijk voor. Wat is „een kaers by avontlichtquot;? En welken indruk wordt die veron-

^ dersteld te weeg te brengen?

3

4j Wapperen, slingeren, bengelen. Zie De Jager, i\'Veg. 1, 703 vlgg.

4

Zorghvuldigh, nauwkeurig, met zooveel belangstelling.

5

Lantsknecht, d. i. landsknecht (niet lanbknecht), jongeling, borst. Zie vs. 938 en vooral vs. 720.

6

Kommerijn. Zie vs. 203.

7

Eigen. znw. ml., eigendom-, zoo meermalen in het mnl.

8

Teeg is van tij gen ^ zeggen. Het rnoest zijn toog, van tien, trekken, dat thans ook. tijgen geworden is. Een zeer gewone fout in de 17de eeuw.

9

Avontuur, geluk. — Oude kennis, bekende streek.

-ocr page 45-

23

250 O knaep . mijn ouderdom viel zuur , en staetme dier Indien ick mijn fortuin u levendigli zou melden.

O weide , o boterkarn 1) , o kampen , klavervelden , gt; Weest hartelijck gegroet: zijt anderwerf gegroet, Wel eer gezegent lant, en vleuk : mijn weerkomst moet 2) 255 Mijn lantsliên tot geen\' last, en my tot rust gedijen.

W OUTER.

Indien mijn korte tijt het eenighzins kost 3) lyen ,

\'k Had lust uw avontuur wat breeder te verstaen , Nu jaeght mijn ampt my voort, en dwingt my om te gaen. Ghy Leeuwendalers rijst: de Zoendagh is geboren : 260 Op , op, en treckt het lot; verzoent der Goden toren.

K O M M E R Y iV.

Wat hoor ick hier al nieuws, och och, maer luttel goets! O Kommerijn , moest ghy , na zoo veel tegenspoets En kommers 4) en verdriets , noch hooren d\'ongelucken, Die uw geboorteplaets en Leeuwendalers drucken ? 2G5 Waer heeft u d\'ouderdom ten leste toe gespaert,

Daer menigh quot;) zoo gerust, zoo stil ten grave vaert ? Tot noch toe hebtghe dan vergeefs met uw gebeden Geworstelt, en om hulp met vader Pan gestreden ; Naerdien hy \'t vleck bezwaert met zulck een\' wreeden eisch, 270 En zich niet zoenen laet dan och door menschevleisch. Afgrijslijck zoenaltaer ! ick ben mijn hoop ten ende , Ten zy de hemel \'t radt van \'s lants fortuine wende , En zette ons lantschap weêr in zijnen eersten staet,

Verlost van nijt en twist, en bittren burenhaet.

--

1) De boterkarn bederft den pathetischen regel.

2) Moet, moge. Zoo ook in \'t mnl. bij wensehen (den optatief).

3) Van konnen, kunnen, waren twee verschillende vormen van het imperf.: leende, dat wederom tot Itop, en kgnste (uit *kondde, of gevormd uit den 2den pers. enkv., die in de latere middeleeuwen op ste uitging) dat tot kost werd.

4) Bij het kiezen vaifden naam Kommerijn heeft Vondel misschien aan kommer gedacht, doch de oorsprong der benaming is anders. Koij\\m$rirn komt van fr. commère, d. i. doopmoeder, peet, neetemoei. In den Lippijn heet zij Gommére. Zie Bloeml. 32 bl. 215. Zoo komt in \'t mnl. herhaaldelijk/letnb\'w of voor peeivarfer, dat dus het ml. van Kommerijn is. Zie Aiol-f\'ragm. 503.

5) Menigh,, menigeen. Zoo ook mnl. Thans wordt menig niet meer ais zelfstandig vnw. gebruikt. Vondel 2, 3^0: de wijze mond die menigh met verwond\'ren hoorde. Vgl. ook elk en elkeen, ieder en iedereen.

-ocr page 46-

24

275 My schrickt1) voor dezen dagh.Wat moet een menscli beleven!

, Wat uitkomst zal ons Pan in zoo veel jammers geven ! Maer kijck eens, wie komt hier met zulck een blijde vlaegh 8) In \'t aenzicht? \'k Wil hem gaen beluistren uit dees haegb.

ADELAERT. HAGEEOOS.

A D B L A F. K T.

O scboone zon , ghy rijst wel schoon 280 En heerlijck uit den oostertroon 2) ,

En treckt tot u al \'s weerelts oogen ;

Maer met een krachtiger vermogen Verrijst mijn zon , die opgeweckt *) ,

Zoo vele harten tot zich treckt, 285 En waerdiger is aengebeden 0)

Van al wat ademt hier beneden.

\'k Verwachtze nu , schier afgepijnt 3) :

Hoewelze slechts voor andren schijnt,

En niet voor my ,■ wanneerze uit jagen , 290 In niemant minder schept behagen

Dan in een\' minnaer , die zoo trouw ,

Zijn zinnen hing aen zulck een vrouw,

En# in een\' doolhof van gedachten Om haer verdwaelt geheele nachten , 295 Geheele dagen , op het spoor ,

Daer hyze vont, en stracks verloor :

1

Zoo ook Vondel 10, 547: Helaes, my schrickt alree voor \'t opgaen van \'t geschal. Het onpers. gebruik van schrikken met den dat. is ongewoon, en naar dcljöï^otikelipré beEeëEèntg\'niet ver-dëcTigbnar. Ohd. scrican, screccan, bet,eekent opspringen, en vandaar van vrees, van schrik opspringen, hang zijn. Zie Kii. en Weigand, Wth. 2, 636. Vgl. omgekeerd ik walg voor mi) walgt, ik dorst, honger, voor mij dorst, hongert-, ik heug (bij Hooft) voor mij heugt; ■ik Just uit mij lust-, eng. I like uit ü likes me; vlaamsch ik geluk (= ik slaag) uit het gelukt mij, ir. je réussis. Zie ook Warenar, op vs. 1480: mijn veriavght nae de kraemvrouw,

2

Troon, mnl. trone, uitspansel, firmament, hemel.

3

Afgepijnt, deelw. van zich af pijnen. Zie Ndl. Wdb,

-ocr page 47-

25

Gelijck een hart \'), dat, niet te Tangen, Den jager pijnight met verlangen.

Ick zieze , en wilze aen dezen kant 300 Al stil verwachten. Zy houdt stant,

Voor ons kappelle , als jagers plegen ,

En groet den Godt, op hoop van zegen ;

Dewijl, zoo vroegh voor zonneschijn ,

De deuren noch gesloten zijn.

305 Zie Hazepoot 2) van blyschap springen.

Zy heft haer stem op om te zingen ,

En zal gewis den voglezangk Ontsteken aen dien zoeten klanck 3).

HAGEKOOS.

Nu ren de hazepooten ,

310 Mijn trouwe hazewint ,

Door duin en over slooten

Voorby 4) , en grijp gezwint Dees hinde , die geen honden Grijpen konden.

A I) E L A E E T.

315 Mijn nuchtre 0) Hageroos, die met den dageraet,

Belust op koelen dauw , zoo geurigh open gaet, En \'t velt een\' geur verleent, die alles kan verquicken ; Hoe wensche ick u ten dienst iet oirbaers \'O te beschikken. Behaeght het u , dat ick den hont by \'t leizeel \') ley , 320 Of hazen/onderscheppe , of \'t vlugge wilt verbey ,

-—- \' s~tj. _ brrL J Cu -O „

1) Hart, hert; zie vs. 406.

2) Naam vun den jachthond van Hageroos, om zijn snelheid aldns genoenid, tevens met bijgedachte aan hazeicind, d. i. hazehond. Windhond is eig. eene tautologie.

3) Ontsteken aen, gaande maken door. De vogels zouden als door het, vuur van haren zang aangestoken worden en mede hun lied aanheffen.

_4) Voorby rennen, in snelle vaart voorbijloopen. Hier zijn natuurlijk de hazepooten pooten van hazen.

5) Niet in de tegenwoordige beteekenis, maar in die van met den dag, den uchtend opgestaan, matineus; Kil. nuchter, matutinus. Over den oorsprong zie Voorhout, vs. 344 aant.

6) Oirhaer. nuttig. — SeschicJcen, tot stand brengen, verrichten,

7) Zeel, hd. seil, touw. Leizeel, jachtterm voor het touw, waaraan men de hónden vasthoudt tot men het wild opstoot. Leizecl verbasterde later tot leifisel ~.en leits. Zie Huyd. Proeve 1, 456.

-ocr page 48-

26

8

En keere in zijnen loop , of uwen boogli help\' dragen \'? A

Gewaerdigh 1) my die gunst, dat iok u onder \'t jagen Magh dienen, of daer gliy wat adems schept in \'t groen.

II A G B r o o s.

Een minder dienaer kan het Hageroos wel doen.

325 Neen Adelaert , ick ben om niemants dienst verlegen ,

En minst met u gedient. Ick ken genoegh de wegen ,

En holen , daer de haes zich heimelijck onthoudt2).

ADEL A E KT. ^ 4^-^

Alleen en onverzelt te jagen , is \'t niet stout ?

; Wie weet wat Saters , hier en daer \', in duin en kuilen , quot; 830 In heggen , ruighte , en riet, zich bergen, en verschuilenï Wat schoonheit blijft in velt en wouden onbeloert ?

Hoe dickwils wort een maeght van Boschgoön aenggjyjoert 3), Mishandelt, en gesleurt in duistere speloncken ?

Wie \'t vier te dicht genaeckt, verzengt zich aen de voncken , 835 Of brandt zich in de vlam : men koom\' het niet te na.

II A G E n O Ü s.

Ick leedt in \'t jagen noit de minste schimp , of scha :

\'t Is veiliger dan oit: en quaem my iet t\' ontmoeten ,

Mistrouwen blijft mijn borgh3) : \'k verlaet my op mijn voeten.

ADELAERT.

Maer d\'eerbaerheit vereischt gezelschap op de jaght.

HAGEROOS.

840 Dat vinde ick aen mijn\' hont, mijn troost, mijn trouwe

[wacht 4).

ADELAERT.

Een hont, die redejiloos 0) slechts bijten kan, en bassen ?

Ilia/,

w

1

Geicaerdigen, toestaan. Zoo ook vs. 1942. Vgl. ons zich veraar digen , het over zich verkrijgen. — Daer, vs. 323, d. i. terwijl.

2

Aensnoeren, aan het snoer, aan \'t lijntje krijgen, het best te vertalen met het tegenwoordige aanklampen, aanranden. Zie Ned. U Wdb. 1, 328.

3

Wantrouwen in hen, die ik ontmoet, is de beste borg voor mijne veiligheid.

4

Wacht, vs. 340, in de 17de eeuw vrouwelijk, ook als het een ml. persoon uitdrukt Zie Hoogstraten, bl. 596 vlg., en voor meer dgl. epicoena, Tijdschr. 4, 214.

-ocr page 49-

27

HAGEBOOS.

Twee eigenschappen , die ons dienen . honden passen.

.ADELAERT.

Geluckigh dier hebt ghy met haer de jaght gemeen \') ! ^

f l- \'.

HAGEROOS. /-

Indien u \'t jagen lust, sla voort 1), en jaech alleen.

ADELAEBT.

345 Helaes! ick jaegh vergeefs , en vang alleen de schimmen.

HAGEBOOS.

Ghy raeskalt, als ghy plaght. De zon is reede3) aen \'t klimmen.

Zie daer hoe zy den top van bosch en boom vergult.

De tijt verbiet dien kout. Ghy leertme vast gedult,

Met eenen 2) dezen hont. Ay , zie hem \'t leizeel trecken. 850 Hy janckt van vierigheit, en wenscht zijn padt te recken 3).

ADELAEBT.

Ick hoop niet dat u reede een luttel kouts verveelt.

HAGEBOOS.

\'t Is wonder dat een zoon , gewonnen en geteelt an Godtheên , zoo verblint lafhartig blijve , en teder 4),

Zich zelve tegens my zoo klein kenne , en verneder\',

1

quot;SèêJe, alreeds, alrëëcTëquot;, alree. Zie bij vs. 18-3.

2

Met eeyien, en tevens, en te gelijk. Dit en werd in de 17de eeuw vaak niet uitgedrukt. Vgl. Vondel 6, 661: in te wyen de hoogh-tijdt van \'t Stadthuis . met een de jaermerekt; 5, 457: die naer \'sanders hart durf steken, met eenen naer heur kroon. Doch vgl.

aid. bl. 471: ontslaetse, en al het rijck met eenen van die zorgen,

3

De bedoeling is niet: „de ruimte , waarin hij zich bewegen kon,

grooter te makenquot;, maar op den loop gaan, (er van) doorgaan. Zie Gijsljr. vs. 294: „hoe men \'t vechten socht, sy saegen niet eens om, en rechten vast hun pad , van dooden schrick beseten.quot; Zoo ook zijn weg, zijn voetspoor, zijne reis recken (Huyd. Proeve 2, loO en 131 noot), d. i. snel a/leggen. Merkwaardig ia dat dit zelfde uitgedrukt wordt door *t lat. cqrfTpere (viam), d. i. eig. samenvatten, dus het tegengestelde van recken. Hekken schijnt hier alsook in andere uitdr. een synon. van strekken te zijn, nl. de beenen. Vgl. de uitdr. in gestrekt en draf. Dit gebruik vereischt nog nadere opheldering.

4

6} Teder, overgevoelig, sentimenteel.

-ocr page 50-

28

355 En najajicke eene maeght, die maegh noch ijjoeder kent1): Een maeght, die dagelicks door woudt en -ffeide rent, En meer behagen schept in hazen , en konijnen , In dootsche wildernisse , en zandige woestijnen ,

Dan in de tronien 2j van al de jonge jeught,

360 Die zich ten reie schickt, en noemt de min een deught Van \'s levens lentebloem , en schept vermaeck in verven Van lip en wang , die ras verbleecken , en versterven. Ay Adelaert, my deert uw dwaes en blint bejagh. Verander van beraet 3) , zoo raet u helpen magh. 365 Bestee den tijt voortaen in nutter oeffeningen ,

Of zie naer uws gelijck ; of zoeck by jongelingen Gezelschap hier en daer. Beschry 3) een brieschend paert, Dat geene weerga hebbe in snelheit, vlught, en vaertö), En ren om strijt door \'t velt; öf win den prijs met schieten : 370 Of kaets en kolf om prijs: of zwem door breede vlieten.: Of luchtigh met een pols gesprongen over hegh En slooten : of den kloot geschoten 0) by den wegh. Dit past een\' helt, een\' borst\'), die vroom is, en rechtschapen. Dit voeght een\' man , als ghy , en welgebore knapen. 3?5 Een vrijster achteraen te loopen door het stof.

En noch 4) zoo laegh te zien , verdient geen krans van lol\'. Verschoon uw fiere jeught: betoom uw bijstre zinnen 0) :

1

Najanclcen, jankend achterna loopen, als een hond. Zoo ook Vondel 8, 176: dat by my luidt najanck\', dnl van -vee. Yerg. janken en moesjanhen bij Oudemans, W db. op Bredero, 159,232. Men lette op de stafrijmen maegh noch moeder, woudt enaceide, kaets en kolf \'.

2

Beïdst. plan, besluftr\'quot;ITil beraet, deliberatnm consilium.

3

Beschrijden, bestijgen. Vgl. Vondel 2, 077 en Mnl. Wdb. 0]gt; heseriden. Waarom er de conj. /icWie staat, is niet duidelijk.

4

Noch, bovendien, daarbij. Hageroos was eene vondeling.

-ocr page 51-

29

My deert uw tijtverlies, daer niet en r) valt te winnen. adelaert.

Oeli, of ghy wanrheit spraeckt, en deernis kreeght met my : 080 Ten minste zoude ick noch aen uwe slincke 1) zy,

Of achter op uw spoor , langs heggen , boomen , vlieten , Door duin en dal, uw\' troost en schaduwe genieten : Of lesschen uwen dorst met water , als kristal,

Geschept uit beeck , of bron , in een gezoncken dal2) : 385 Of, daer ghy nederhuckte 3). een bedt van bloemen spreien , En decken, daerghe sliept, uw hooft met groene meien s) : Of wiegen u in slaep , met mijne Duitsche fluit: Of huwenze aen uw keelr\') , een goddelijck geluit, J-G™ Dat duizenden verruckt, die in de boomen hangen , 390 Of luisteren in \'t riet, van uw muzijck gevangen. Veranderde \'t geluck my heden in een\' hont,

Patrijs, of snellen haes , ick vloogh u in den mont; Ick woude u al het mijne, en lijf en ziel en leven Ootmoedigh tot een buit en roof ten beste geven \').

ii a G e r o o s.

395 Niet hooger s), Adelaert: ghy houdt noch streeck noch maet.

1

Slinclc, linksch, thans zelden meer gebruikt, dan in slinksche streken. Vgl. Hooft, N. Hist. 171: het sliriksch (d. i. liet zwaard), dat zy in schee op zyde draaghen. Zoo nog in Ev. Gezang 1: de nlinke en rechte (nl. hand).

2

Gesonekm, diep inzinkend, deelw. bnw. van zinken. Zoo zegt Maerlant, Nat. BI. 11, 1622, dat een paard moet hebben „ghetonken lange siden.quot; Verg. het vlaamsche zonk, diepte of laagte tusschen twee heuveltjes (VI. Idiot. 892), dat Van Beers bezigt in Levensb. 101: uit een zonk van den heuvel.

3

Hucken en hurken, gaan zitten, worden door elkander gebruikt. Zoo Coster, Ithis, 1: Hurckt Nyinphe by my neer-, en Poot 1, 317: Hier zweeg de maegt en hulite met haer leden in \'t groen van Pin-dus neêr. Verg. Huyd. Proeve 3, \'276.

-ocr page 52-

30

Wat is \'er , dat zicli niet van vryers zeggen laet ? Ay , spaer dien roof 1) voor u, of liever voor een andere. Gelijckheit paert zicli best en vreedzaem by malkandere.

A P E L A E R T.

Gelijckheit niet van goet en staet, maer van gemoedt; 400 Gelijckheit van gemoedt best vrede en vrientschap voedt: Waer deze ontbreeckt, moet vrede en vrientschap oock

[ontbreken ;

Waer buiten ick noch goet, noch bloet, noch afkomst reken. De vrede en vrientschap houdt de weerelt in den bant2). De hemel drijft pp haer : de bare kust het strant, 405 De zee omhelst de duin , de duiven treckebecken , Het dartel klimop klimt\'/ en hart en hinde lecken Elckandere , op \'t nauzijck van een\' gelijoken aert. De hemel met zijn bruit, het aertrijck , dus gepaert In liefde en eendraght, wint ons maght*) van groente en telgen, 410 Terwijlze gratigh 3) is met zon en dauw te zwelgen.

Mijn lieve Hageroos , mijn dauw , mijn lentevuur ,

Woudt ghy u spiegelen aen d\'edele natuur ,

Gelijckghe met de zon u spiegelt in de beecken;

Ick zagh een zon van troost voor my de nevels breecken, 415 Die nu uw aengezicht beroeren, vlaegh op vlaegh 4), Zoo menighmael ick u vergeefs om oorlof 5) vraegh , En aensta om wat gunst en voordeel te genieten, Tot loon van trouwe min. Het zou6) u eens verdrieten: Dat ick geketent sleip die zware minneboey , 420 Gedurigh quijne, en treure, en nimmer groey\', noch bloey\',

1

Sparen, bewaren; zie Voorhout, vs. 324. —• Eoof, terugslag op vs. 394: buit en roof.

2

Duin, door Vondel vr. gebruikt. Zoo ook vs. 696 en Vondel 11, 399: Klim vooruit de duin op. Verg. 2, 302, 65. — In den volgenden regel is bij Iclimt de eig. onmisbare toevoeging tegen een eik op weggelaten.

3

Gratigh met, gretig op, begeerig naar.

4

C) Vlaegh. Zie vs. 277.

5

Oorlof, verlof, vergunning. — Aensta. Zie bl. 6, aant. 1.

6

Zullen, hd. sollen, moeten.

-ocr page 53-

31

Gelijck vertreden groen, of gras op muur , en pannen. De meit ontlast het vee zijn uiers , stijf gespannen 1) Van zoete melck en room , wel tweemael alle daegh ;

En ick , die, dagh op dagh , u mijn ellende klaegh , 425 Wort nimmermeer ontlast van \'t juck der minnezorgen.

H A G E It O O S.

Het zy ghy \'s avonts kermt, of opzingt2) met den morgen , Ghy houdt al eenen toon , en gaet den zeiven gangk. Zoo schept de koeckoeck lust in zijnen ouden zangk. Men leitme, dagh op dagh , en kermt en klaeght aen d\'ooren. 430 Ga zoeek een , die het lust uw jammerklaght te hooren. Ick houde u niet3), noch acht my zulcke diensten waert, Noch reken-Het voor dienst, daF ghy u zelf bezwaert. Ick zoeck geen bloem of roos te plucken op uw\' doren.

ADELAEET.

Ghy noopt4) met weigeren mijn liefde noch met sporen.

H A G E E O O S.

435 Verzoeckme niets, op dat u niets geweigert wert 5).

A D E L A E n ï.

\'k Verzoeck slechts artseny tot troost van mijne smert.

H A G E E O O S.

Ghy zoeckt verkeert een kruit, dat elders liefst wil spruiten,

A D E L A E R ï.

De min beheerscht mijn hart : wie kan de minne stuiten, In \'t heetste van haer jaght ? Ick ben my zelf geen vooght6}.

H A G E E 0 O S.

440 En wat belet u toch te doen wat ghy vermooght,

En wilt, en wenscht ?

1

Zie over vs. 422—25, Inl. bl. XIIl. — Alle daegh. uit alle dage fvs. 725), ace. plur. Vandaar het biiw. alledaaqs en het bnw. alle-daagsch.

2

Opzingen, al zingend beginnen.

3

Men vuile aan: zulcke diensten waert.

4

Nopen, eig. raken, stoeten, steken, en vandaar aansporen, opwekken. In \'t mnl. veelal van paarden gebruikt; sijn ors met sporen nopen. [Lsp. Gloss.). Vgl. ons nopens (voor nopends), d. i, rakende, aangaande, betreffende.

5

Wert, d. i. wordt. Vgl. vs. 1888, en Vondel 2, 147; 3, 267.

6

Vooght, heer, meester. Mij zelf, 4de nv. (oorspr. 2de nv.), I afh. van vooght. Ook hier heeft, als zoo vaak, de 4de nv. den \' 2den vervangen.

-ocr page 54-

32

A D E L A E R T.

Wat \'s dat ?

H A G E K O O S.

Een andre te beminnen.

adelaert.

Verplant dien ouden boom ; verzet mijn jonge zinnén.

II A G e r o o s.

Uw vader , door de kracht, die liem de hemel gaf , Verwrickte en ruckte een eick van haren wortel af; 445 Vertilde een\' molesteen ; en dreef vol viers , vol torens , Een gildos \') , dat hy plofte ; en wrong een\' stier de horens Uit zijnen norssen kop \') , en won den naem van Helt, Daer niemant voor de vuist 1) hem wachten dorst in :t velt: En zoudt ghy aen een maeght, een weeskint, u verhangen 2) V 450 Om my, een slechte maeght, met bleecke en dootsche wangen Gaen bucken naer het graf, in \'t hartje van uw jeught ? Verkleinen uw geslacht, en \'s vaders naem, en deught ? Ay Adelaert, ghy zult zoo wijs zijn , en bedaren Van deze razerny.

ADELAERT.

Wanneer de wilde baren 455 Niet langer tegens strant en hooge duinen slaen , De leeuwrick zode en gras , de nachtegael de blaên , De koe de klaver schuwe 3) , en \'t knijn de diepe holen ; Wanneer de Noortstar verre in \'t Zuiden om ga dolen ,

1

Voor de vuist, onvoorbereid, ongewapend, niet in staat van tegenweer zijnde.

2

Verhangen, nog krachtiger dan verslingeren, daar verhangen den dood na zich sleept, terwijl men bij verslingeren weer los kan komen. Verg. Vondel, Noah 390:

Te reuckeloos verhanghtghe uw ziel aen schoone vrouwen. Coornhert, Od. 406:

Tis dan fijn datse weygerende dus lang heeft ghewacht, Om een vreemde te soecken, en haer daer aen te verhangen.

3

476. — Knijn, in de volkstaal uit konijn samengetrokken.

-ocr page 55-

33

De winter sneeuw en ys, de zomer zaet ontbeer\' , 460 Dan neemt de min van my , mijn hart van u zijn\' keer.

H A G E K O O S.

Mijn Hazepoot wil voort: hy ruckt liet zeel aan flarden.

ADELAERT.

Vergun my eerst een\' kus.

HAGEROOS.

Hoe qualijck kunt gy \'t harden \')!

ADELAERT.

Och Hageroos, een\' geur van uwen rooden mont, Een luchtje van uw ziel, mijn roos , mijn morgenstont, 4C5 Verquick1) mijn\' flaeuwen geest, gelijck de wint de kruiden.

HAGEUOOS.

Ick ga , en hope , eer \'t licht ons toestrale uit den Zuiden , Te keeren met een hinde , en vetten buit gelaén.

ADELAERT.

Zoo moet ick noch zoo lang in uwe stralen braên,

Oock daer 2) het dichte loof, óf dack van riete hutten ■quot; 470 Het schaep , dat lommer zoeckt, kan decken, en beschutten , Voor \'t steken van de zon, die op den middagh schijnt, En inzwelght al het nat, waer na de weide quiint ?

Neen zeker, Adelaert: het velt staet voor u open: Het staet u vry op \'t spoor van uw vriendin te loopen ; 475 Te volgen hare vlught, als Hazepoot den haes ; v. Te wachten op haer leus*), als zy den horen blaes\'. Dat geit heur na 3) : z\'is nu al wijt vooruit gevlogen.

KOMMERYN. ADELAERT.

K O M M E R ï N.

Hou stant, o jonge helt, eu dienme uit mededogen Ten minste met een woort of twee, een enckel woort.

1

Verquicken, eig. levend maken, doen opleven. Verg. mnl. guic, klein vee, en kwikzilver, d. i. levend zilver; eng. quick, vlug.

2

^55 Daer, terwijl; hier hoewel.

3

LEEUWENDALERS. 3

-ocr page 56-

34

ADELAERT.

480 Wel moeder, wat \'s uw vraegh? wat zoecktghy?ick moet voort.

K O M M E R Y N.

Ick koom hier vreemt gegaen, en liadt u wat te vragen. Wat dochter is het, die daer huiten loopt uit jagen ? Het schijnt of ghyze kent, en zomtijts onderhoudt

ADELAERT.

Ick kenze maer te wel: een kennis die my rouwt, 485 En eeuwigh rouwen zal, zoo d\'onderlinge kuntschap 3) Niet verder ga , en zy verstookt geen nader vruntschap Wil houden met een ziel, die haer zoo trouw bemint. En woudtghe weten wie de vader van dit kint, En moeder zy ? Zy weet van vader noch van moeder. 490 De Groote Vrerick wert haer trooster en behoeder , En voedeze eerlijck 3) op : men noemtze Hageroos : Hoe schoon de morgenstont, hoe schoon oock d\'avont bloos\', Zy hoeft noch avontstont noch morgenstont te wijeken. Wanneerze in onze beeck zich toie , en ga bekijeken , 495 En spiegelen , dan zietze alleen 4) heur wederga.

k o m m E u Y N.

Zoo hoor ick ö) , z\'is een wees.

A D E L A E K T.

Alle eere waerdigh, ja. Ghy zoeckt met vragen slechts haer afkomst te beschamen, Een zaeck vernoeght G) mijn\' geest: zy paert twee gaven

[t\'zamen.

—-

haar na,quot; Zoo ook Vondel 3, 793: Dat j/eH naer Hebron toe.-Terg. hd.: „hier (jilt es laufensquot;, hier komt het op loopen aan. Zie vooral Ned. Wdb. op g e 1 d e n.

1) Onderhouden, bezighouden door gesprekken, zich met iemand onderhouden. Zie Vondel 5, 371 en Ned. Wdb., kol. 1359.

2) Kuntschap, kondschap, kennis. Thans nog slechts in gebruik in de uitdr. op kondschap uitgaan.

3) Eerlijck, deftig, fatsoenlijk. Vgl. Mnl. eerlike leven, en nog heden: iemand een eerlijke begrafenis bezorgen.

4) De bedoeling is: dan alleen ziet zij. Deze fout in de -woordschikking wordt meer gemaakt: Vgl. Ècang. Gez. 20: „God kent alleen het naaste padquot;, voor: God alleen kent.

5) Zoo hoor ick, naar ik hoor, is zij eene wees?

6) Vernoegen, d. i. nenoeqen doen, aangenaam stemmen. Vgl. vs. 805 en Vondel 2, 319.

-ocr page 57-

35

De goelijdcheit1), en cleuglit: ick schel het d\'afkomst quijt3) : 500 Het zy Mer meê hoe \'t wil: quot;cITesThou uw rust. De tijt Ontdeckt het al.

K O MM E K Y N.

Ja wel, ick zie my zelve bijster ,

En blint en stom. Hoe vrijt ghy zulck een slechte 3) vrijster, Een onbekende wees ? ghy schijnt te braef4) van aert.

ADELAEKT.

Ay moeder, laeckze niet: z\'is my zoo lief en waert,

505 Als eenige Vorstin in vorstelijcke hoven.

Ick hoefde 5) een goirde tong om al haer deught te loven.

K O 51 51 E II Y N.

Het minnende oogh bedrieght, en schat ook \'tleelijck schoon6).

ADELAEKT.

Ay, spreeck zoo reuckloos7) niet: dat gaet mijn eer, mijn kroon. Ja Venus kroon te na, en Venus roozetacken 8).

510 Heur gaven zagh men noit door nijt of opspraeck vlacken. Al wieze ziet, bemintze oock tegens zijnen dajjck 9).

1) Goelijcliheit, schoonheid. Zoo ook Hooft, Tac. 226: „Haare moeder, hebbende de vrouwen haarder eeuwe in goelykheit te booven gegaan.quot; Zie Vondel 8, 110 aant., en boven bij vs. 29.

2) Schel, voor scheld. Dc weglating der d is uit de assimilatie van de d aan de l te verklaren. Verg. N. KL VI, 82, 5. — Moet men wellicht lezen: „ick schel haer d\'afkomst quijtquot;, d. i. ik schenk haar de (hooge) afkomst\'? Eau, Proeve van Aant. 03, oppert de _ vraag of ook misschien de uitdrukking Het kwijtschelden aan iemanfi üCJets zou kunnen beteekenen: Ben persoon^f\'de zaak niet tellen, laten gaan, laten^ loopen (zie overlï\'ét vnw. het bij ww. den Bladw.

op de Klassieken). Dan zou afkomst in den oden nv. staan. Vs. 1512 pleit voor deze opvatting. Vgi Vondel 1, 77, 851:\'Om d\'ander goden straf t\'ontslaen en maken quijt.

3) Slecht, eenvoudig, gering. Zie bl. 12 aant. 1.

54) Hoeven, behoeven.

ijji) Braaf, flink.

6) Vgl. het Mnl. spreekwoord: Men en sach noit leliic lief (Xraiö. J. ■ XI, 776).

■ 7) Iteuekloos, roekeloos, onnadenkend. Vgl. vs. 181.

8f-:.;,Vems roozetacken, krans. Do kroon en krans van Venus drukkéa te samen de attributen van de godin der liefde uit, die door de woorden van K. worden aangerand; dus wordt Venus zelvo daardoor gesmaad.

9) Danck, afgeleid van denzelfden stam als dinken en denken, beteekent meening, en bij uitbreiding veil. Ver» KL II, 109, 4 en Huyd. op Stoke, Dl. 2, bl. 221.

-ocr page 58-

36

Zv houdt met eenen wenck zoo meniorh oo^li in dwangk

V-T H-O . « -« - s * 4. .

Als haei\' belonckt. De felste en vreesselyckste stieren Bedaeren in \'t gevecht, waer zy voorby komt zwieren. 515 De boterbloem verguit de weide op haren tredt.

De stroom gevoelt een\' gloet in \'t koelste van zijn bedt. Wat zou men van den mont al zeltzaemheên vertellen ? Een moerbay, rijp van pas, geen moerbay, twee morellen. Wat zou men.roemen van dat levendige git , 520 Of liever van de kool , die onder \'t voorhooft zit,

En gloeit my al te heet ? wat zou men van de vlechten , Zoo geel en eêl, als gout en barrensteene hechten 1) , Verhalen , daer mijn hert en ziel zich in verstrickt ?

k o m m e r y n.

Ick hoor, ghy hebt de bloem van \'t lantschap uitgeplekt.

adelaekt.

525 Ja wel te recht de bloem ; men praetme van geen tulpen , ƒ : \' , Noch van Augustus zelf2). Geen parlemoere schulpen

Zijn schooner dan dit vleesch. Zy hangt van melck en bloet Te 3) wondei\'lijck aen een. Maer zwijgh : de horen toet. Wat suf ick langer hier? men hoort den horen blazen. 580 Ick volgh mijn Hageroos, gelijck heur bont de hazen.

[auelaert «ƒ.]

kommer y n.

Het heughtme, hoe weleer mijn Koeman, als een leeuw, My nabrulde, in mijn jeught: nu treur ick, arme weeuw , En ga met eenen voet, of liever met drie beenen In \'t graf; zoo krimpt de tijt al lachende, of met steenen \'). 535 Hy gafme dwers 4) bescheit, al vraeghde ick zonder ergh.

1

Hecht, gesp, vooral die waarmede de mantel werd bijeengehouden.

2

3j Te wonderlijck, d. i. zeer w. Vgl. onze uitdr. niet al te wel, d. i. niet zeer wel. — De horen, nl. die van Hageroos, niet die van Wouter.

3

Zoo gaat de tijd voort, hetzij onder vreugde (lachen), hetzij onder verdriet (stenen, zuchten).

4

209 vlg.

-ocr page 59-

o7

\'t Is beter dat men dit een oude kennis vergil\' ^1), En omzoeck\', wie noch leef, wie doot zy , en begraven. Hoe brengh ick noch dit sch\'p behouden in de haven ?

Waer blijft dit oude wijf? heur oogen vallen toe 540 Van onlust : \'t lichaem is van \'t lange reizen moe.

Waer ga ick in een schure , of hoibergh , of in heggen Best rusten dezen dagh ? geen eten gaet voor \'t leggen 2). Hoe slaeptme \'t hart in \'t lijf! Nu went uw\' tragen tret Naer dezen huisman toe : de vaeck is \'t zachtste bedt.

REY VAN LEEUWENDALERS.

K E E E;

545 Wat sleipt een staertstar al ellenden En jammer na 8) !

Als Goden zulck een\' voorbo zenden ,

Dan dient men dra Dees springkaêr naer te speuren*), J* ■ ■ • v-f 550 Te mercken uit ■ »-

W at bron het spruit,

Dat vleck en volck zal treuren.

T E G E N K E E R.

Wy zagenze , als een roode roede , u.

Ten Westen staen 555 Van \'t Oosten 3) ; als een zwaert, dat bloedde , En halve maen ,

Dit lantschap dreigen , uit ons teken , Den Steenbok van Den vader Pan ,

560 Vergramt op deze streken.

1

Vergen, vragen; thans eischen. Zie över vergen, dat één in oorsprong is met vragen, al is het reeds in het ohd, een ander ■woord, Kluge op fragen.

2

Er is geen eten, dat boven slapen gaat. Fr. Qu\\ dort dinp..

3

De komeet stond van het Oosten naar het Westen. Verg. aant. 3, en vs. 582.

-ocr page 60-

38

Iv £ £ Tl .

De zee scheen mede ons ramp te voelen

En uit den bant Gesprongen , \'t yoorspoock aen te spoelen. Een walvisch strant. 565 De waterblazers , zijn gezellen ,

Aen \'t blazen luit ,

Met open snuit 1) ,

Daer zanden hem bewellen

TEGEN KBEH.

Wy loopen vast naer vrouw Velleede 570 Om troost : zy spelt2),

Maer geeft geen uitkomst op ons bede.

Ons vleck en velt Blijft qugnen : vee , geboomte en menschen , Een ieder klaeght, 575 Een ieder vraeght,

Maer sterreft onder \'t wenschen.

1

11 In den gedrongen lyrischen stijl is het ww. in vs. o60 weggelaten. Verg! met de laatste verzen Hooft, N. H. 546: ,Des nachts voor den inval . . . quaamen, ter Heyde een zeedorp in Zuydthol-landt, dertien oft veertien walvisschen zoo dicht onder t landt gezwommen, dat \'er een aan strandt klemde. D\'andere, om hem te verlossen, bliezen kraft van ivaater ter snuyt uit . . . . Ueeze zeldzaamheden, als hediedtzéls van genaakende ontsteltemssen, stonden den volke droeflyk voor; en noch bet het verschynen eener yslyke komeete oft staartstarre, die, geplant in den vijttienden graadt des Steenboks, haare roede uitliet Wes\'e naa \'t Ooste strekte. Zou V. deze plaats niet voor oogen gezweefd hebben i

2

8) Spellen, voorspellen. Zie hl. 1, aant. 1.

-ocr page 61-

HET TWEEDE BEDRIJF.

11 ■ —;--

JA. gt;J-1maJ5Wv HEEREMAN. VOLCICAERT. REY.

HEEBEMAN.

De maen , na middernacht, een poos met eenen nevel Betrocken , en vermomt 1) , quot;bescheen daer na den gevel Van onze lantkappel, veel blijder danze plagh , 580 En schiep uit eenen nacht (\'t is vreemt) een\' klaren dagh. De nachtixil, vledermuis , en nachtrave 2), uit hun nesten Gevlogen , langh voor da.gh , begaven zich ten westen 3) , En kozen piepende de zee , en \'t zandigh strant.

Het vee rees t\'effens 4) op. Het dorre en drooge lant , 585 Dat eene wijl de lucht om regen scheen te prachen 5) , « Zach groener , en begost 6) de melckmeit aen te lachen. Wat dit bediet, versta een wijzer , die het hooft Op zulcke tekens slijpt T) , en gaerne wort gelooft

1

Vermomt, gesluierd, aan het oog onttroyven.

2

Nachtrave, een soort nachtvogel; eene uitsoort. Zie Nat. BI. 111, 2809: Nocticorax in Latijn mach in Dietsche een nachtraven sijn ende es ene maniere van uien.

3

Ten leesten, naar het westen: zie vs. 551. — Voor dagh, zonder lidw., als in onze uitdr. vnor dag en dame.

4

1quot; effens, tevens, te gelijk, op hetzelfde oogenblik.

5

Prachen, dringend verzoeken , bedelen. Zoo ook Vondel 10, 34:

Lantloopers vlammen op een aelemoes te prachen. Beaumont 39:

Dewyl do gheen\', die met my lacchen,

Luy , ledich , over straet, gaen pracchen.

Zie Huyd. Proeve 2 , 110 vlgg. en verg. Ned. Wdh. op Afprachen.

6

Van beginnen was het regelm. sterke imperf. began of begon. I)ooh ook vindt men begoride en begamte (eig. praet. van het ww. begonnen •, zie Mril. Wdb.), en uit het laatste ontstond begost, evenals kost uit konste.

-ocr page 62-

40

lt;*■ In zijne wichelkunst: wy slaen \'er naer in \'t hondert \') , 590 En eeren \'t geen met recht de schrandersten verwondert. Het zy dan wat liet wil, liet brenge ons heil in \'t lant, Byzonder dezen dagli; nu Pan den wraeckboogli spant, En daghvaert al liet dorp om \'t offer te bereiden.

VOLCICAEKT.

Het volck vergaêrt, om hier den Heemraet te verbeiden. 595 Wat grimmelt \'er een drang van inenschen onder een , Zoo man , als wijf, en maeght, en knecht1), en groot en kleen, En oudt, en jongk. Wat raet? Hoe stillenwe die zwarmen? De mannen morren vast: de vrouwen hoort men kermen. O vader Pan , versterck den Heemraet met gedult; 600 D\'onwetende gemeente ontzagh zich noit liaer schuit En misdaet op den hals der Heerschappen te laden. Zy volght haer onbescheit 3), en laet zich naulijcks raden. Dit buldrende onweer waeit hier jaerlijcks op de kust, En steurt, een maent vooruit, de Eaden in hun rust: 605 Maer gaenwe niettemin haer minnelijck gemoeten. De burgery genaeckt, gereet om ons te groeten.

R E Y.

Welbore 2) mannen , Pan behoede u lang gezont: Wy wenschen \'t uit ons harte , en uiten \'t met den mont.

HEER E M A N. ^

Ghy vrome burgers , lang moet vader Pan u spaeren , 610 En haelen uw geluck in top met uwe jaeren : Ons jammert u te zien zoo jammerlijck gestelt.

1

Onbescheit, onverstand. Zoo ook vs. 1289. JSesc7ietde»i had oudtijds eene veel ruimere beteekenis dan thans. Het was oorspronkelijk onderscheiden. schiften ■ en vandaar ook met juiste onderscheiding he-oordeelen, imvijzen, lesl^sen enz. Zie Mnl. Wdh. op besceideh.

2

Wélhoren man, weTgeboren, vrijgeboren man, in tegenstelling tot den dienstman, en alzoo de titel van alle vrijen.

-ocr page 63-

41

De koeien eten gras en klaver , langs het velt 1) ;

Ghy eet uw eigen hart, beknelt gelijek met hoepen *r Van stael, zoo menighwerf de Zoendagh , uitgeroepen , 615 Den Heemraet roept te hoop, op dat hy wijsheit schaff\', En langkzaem zich berade , om d\'opgeleide straf Te schieten 2) naer hun maght, of imgiers te verminderen ; Het welck men noit voorheen kost3) keeren, noch verhinderen. Betrouw ons \'t beste toe : men handelt hier ter steê 620 Niet ruw , en onbedacht: het kost ons kindren mee.

Hier geit noch goet, noch bloet, ncch haet, noch gunst,

[noch voordeel, , De hoofden staen gelijek: cfo blin^p strijekt het oordeel4).- :

K E Y.

Welbore mannen , ghy spreeckt redelijck en wel. Beschuldighden wy u , zoo most de lantkappel,

625 Waer uit men \'t lot verwacht, met boosheit zich besmetten, Als ghy de lotbus laet voor vrouw Velleede zetten , Die eenen naem uit twee beslote ceêlen 5) treckt,

En noemt hem , die ten zoen des grammen Veegodts streckt, Voor \'t Leeuwendaelsch gewest. Neen mannen, wy betrouwen 630 U beter toe. Het volck , dat zich geneert G) met bouwen En karnen , past een hart zoo rein , als melck eu room , Geen erghwaen ; neen by Pan , wy achten u te vroom.

Daer schort het niet, dat wy van daegh u komen moeien. Wy gaen met koeien om , maer slaghten 6) paert noch koeien , 635 Die achteruit slaen, en hun voér met voeten treên.

Wy zijn met Heemraets keur en loting wel te vreên ,

1

Eene niet zeer dichterlijke vergelijking. Eten in den volg. regel beteekent verteren. — Gelijek, als het ware. — Hoep, hoepel. Zie Oudemans 3, l3§; Hoogstraten 205.

2

Schutten, af keer en, stuiten. — Immers, althans; mnl. emmer, d. i. in elk geval.

3

Kost; zie vs. 256 en 718.

4

De Itlinde, d. i. de blinde godin, het noodlot.

5

Generen [zich], zich onderhouden, in zijn kost voorzien; hd. ndhren, en nog over in ons nering. Het is het got. nnnnsinn^ causatief van ganiscyi, ons genezen. De r heeft in weerwil van de j, de s verdrongen, als in leer en, got. Impjan. Vgl. ook Franck, Mnl. Gramm. § 100. ^

6

Slaghten, gelijken, aarden, overeenkomen in geslachts-eigenaardigheden; van denzelfden stam als geslacht en sing, soort. Zie ook Mnl. Wdh. op a e n s 1 a oh t.

-ocr page 64-

42

En komen slechts, gep^prt1) door \'t huilen , en het schreeuwen Van :t vrouwvolck, als ghy ziet, ons wyven , en ons weeuwen, • En oude besten , elk voor ander dus belaên 2) ; 640 De vrijster om een\' knecht, de moêr om \'t kint begaen, De zuster om den broêr . de peten om haer neven 3). Wy bidden , stelt de keur , en uwe stem te geven Tot loting , uit, tot dat de zon de middaghlijn Vergulde , en loop\' voorby , en uit den zuiden schijn\'. G45 Men heeft dan tijts genoegh om \'t offer te bereien , Te zuivren aan de beeck , te kranssen , te beschreien. Ay mannen , doet zoo veel ons vrouwluy tot gerijf4). Al die hier huilen , rijt de doot van angst door \'t lijf.

II E E B E M A N.

\'t Is reden dat bet bloet zijn eigen bloet beklage , 050 De moeder voor haer kint, haer vleesch, oock zorge drage, Niet min dan eenigh dier, of vogel voor het jong. De koe bemint het kalf ^ en lickt het met de tong : De merrie , in de weide en stal, het weeligh veulen.

rJ*quot;

De zwaluw aest 5) het nest, en vaert\' er mede uit speulen: 655 En wat maecft d\'oievaêr fij van \'t hooge nest al werck ?

1) Porren, aanzetten, opwekken.

2) Best, verkorting van beste moeder, waarnaast beste vadzr (hestc-raar) oorspr. ^grootvader en grootmoeder.J. Best was eig. gemeenslachtig, doch werd langzamerhand alleen op vrouwen toegepast, in de beteekenis van oude vrouw. Men moet dus eigenlijk schrijven hestie. niet hesje, en best, nietfcas; doch vgl. kersmis en kersfeest voor leerst-. — Elck voor ander, thans zouden wij zoggen: voor elkander.

3) De peet, peter, is de geestelijke vader, die het kind ten doop houdt, en tot het kind als in een soort van bloedverwantschap wordt gerekend te staan.

4) Gerijf\', de oude oorspronkelijke spelling van gerief. Nog heden luidt het tegenovergestelde van gerieven in de spreektaal ont-r ij ven, iemand een ondienst doen. De spelling met ie is evenwel al zeer oud; het znw. komt in \'t mnl. reeds voor, zoowel gerief gespeld, als gerijf. Kil. kent slechts de spelling met ie. Bij Zuster Hadewijch vindt men herhaalde malen het ww. (jienmi gespeld. Verwant zijn ook de mnl. woorden rise, rivelike en gëvlvc (ons grif).

5) Asen, voeden, spijzen, van aas voorzien; in het Mnl. in die beteekenis zeer bekend, thansquot; slëcEtf in cTfë van op aas uitgaan. Vgl. Vondel 2, 571: eer den Geest, die \'t hert met seldsame in-spraeck a est.

6) Door V. verkeerdelijk als een saamgetrokken vorm beschouwd uit ooievader. Ooievaar, odebaer, nnd. adebcir, ohd. odebero, d. i. (jelukaanbfenger, hetzelfde als het Geldersche 1quot; quot;quot; r.

-ocr page 65-

43

Toen over 1) menigli jaer liet oosteint van ons kerck Verbrandde , zagli men zelf hoe d\'ouden, zoo bewogen , Dan nit, dan in den roock, rontom de jongen vlogen , En troosten hun gebrost, het kale en naeckte kroost; 660 Dat piepte vast om hulp : maer als \'er langer2) troost Noch redding quam, en :t stroo in lichten brant geraeokte, Zoo vlogen vaêr en moêr op \'t nest, dat brande, en kraeckte, En lieten zich tot asch verbarnen 3) met hun nest. 1 Natuurlijck doet het al, wat leven teelt, zijn best 665 Om d\'afkomst4) ga te slaen , te helpen , te behoeden. Al zweert ons niemant dit , wy kunnen \'t wel bevroeden : Een mensch is block noch steen; veel minder vaêr, en moêr.

R E Y.

De Heemraet vat het recht, als mannen , wien het roer Van deze Vryheit past te houden 0) , en te stuuren , 670 Zoo lang ghy Heereman en Volckaert elck zijn buuren Verdadight , kan ons dorp noch overende staen.

VOLCKAERT.

Maer \'t is geen noot 5), datze al zoo bijster zijn belaên.: Het lot geit een\' alleen , en nimmermeer ons allen.

1

Over, voor, als nog in verschillende Nedevlandsche tongvallen.

2

Langer, onjuist. Vondel heeft aan deze twee denkbeelden te gelijk gedacht: „als er langer geen hoop wasquot;, en „als er troost noch redding quamquot;, of ,als er langer troost (hoop, vertrouwen) ivas noch er redding quam.quot;

3

Verbarnen, verbranden. Hamen wordt thans alleen nog overdrachtelijk gebezigd, ah in het hamen der gevaren. — Zie over ooievaars op kerken en het hier medegedeelde verhaal Martinet, Katech. d. Natuur, 6de druk, dl. 2, bl. 199. Het feit had in 1536 te Delft plaats. Vgl. het gedicht van S. J. van den Bergh, De Eiber van Delft (V. Vloten, Bloeml. XIXde eeuw, dl. 2, bl. 424, 2de druk).

4

Afkomst, kroost, en bij uitbreiding, nakomelingschap. Zie Ned. Wdb.

5

Geen noot, geen noodzaak, niet noodig.

-ocr page 66-

44

KEY.

Een quot;ieder zorglit ^ dat dit zijn bloet te beurt moglit vallen. 675 Eer \'t lot bekent is , vreest een ieder wien het geit.

VOLCKAERT.

Waer toe de keur van \'t lot dan langer uitgestelt ? Het lotrecht ga zijn\' gangk, zoo raeckt men uit dit vreezen.

KEY.

Geen huisman is zoo wijs, die weet wat dit magh wezen: Ons vrouwvolck heeft te nacht vervaerelijck 1j gedroomt.

HEEREMAN,

G80 Het vrouwvolck is by nacht wel tienmael meer beschroomt Dan over dagh. Des nachts verdubblen en verslimmen De zorgen. D\'avontzon verlengt de zwarte schimmen. Maer laet ons hooren : waer komt dit gedroom op uit ?

KEY.

\'k Geloof Velleede zou niet raên wat dit beduit.

685 Met oorlof, dat wy dus vrypostigh 2) \'t hart uitschudden. Een groene weerwolf*) greep een lam uit al de kudden, En sleipte \'t by de keel al bloênde langs den wegh; Dit droomde Duif, en hoe, ter zijde uit eene hegh , Een bock , zoo root als vier, hem quam op \'t lijf gesprongen, 690 Dat hy dien roof terstont most slaecken 3), en gedwongen, Verandert scheen van aert, ja macker dan een lam. Ons Maghtelt zagh den vloet noch hooger dan de Dam; En toenze kreet, als of de zeesluis door wou breken ,

1

Van mnl. vare, vreea, komt vervaarlijk, vreesverwekkend, verschrikkelijk, en vervaard, bevreesd. Ook gevaar en ongeveer zijn van denzelfden stam.

2

Vrypostigh, vrijmoedig. Het woord had in de 17de eeuw nog niet de ongunstige bet. van thans. De oorsprong van het woord is onbekend. Vgl. bl. 3, aant. 3. — Oorlof. Zie vs. 416.

3

ten slaken. Slaken, eng. tn sfarft van het bnw. s|aj, eng, slack, los.

-ocr page 67-

45

Zoo viel liet water kort 1) , en hielt zijn oude streken, ck 695 Maer Elsbuur zagli óns dorp belanden op een wrack A en d allernaeste duin. Een dorre tuineick sprack Bescheideliick , en broght in \'t licht geheimenissen Van wonderlijck belang , die Godtschalek niet zou gissen , Noch Waermont, die by nacht, gelijck de katten , ziet. 700 Twee stammen, verseh geplant aen weêrzy van den vliet, Vereenighden van zelf, voor Lutgers slapende oogen , En werden met een schorv.bekleet, en overtogen. Ick zwijgh van andren praet, het luide zot, of vroet 2) ; De wijven zien wat nieuws uit droomen te gemoet. 705 Zy hopen op geluck , en dat de kans kan keeren.

H E E B E M A N.

Wy wenschen \'t oock. De hoop op beter kan niet deeren. Wy zullen met de keur heel langzaem gaen te werek. Een ieder brenge vast geschenken naer de kerek , **

En bidde dat het naer ons wenschen uit magh vallen.

KEY.

710 Dat geef, dat gunne ons Pan, behoeder van de stallen. VOLCKAEET.

Hier komen Lantskroon zelf en Groote Vrerick aen ; Die beide moeten eerst elckandere verstaen ,

En polssen 3), eerwe noch op \'t wichtigh stuck vergaren.

HEEREMAN.

\'t Valt mackelijeker vee dan menschen te bewaren :

715 Men stuur\' het hoe men wil, wie stuurt het elck te pas? Nu gaenwe , Volckert: \'k wou wel dat het avont was.

LANTSKROON. VEERICK.

L A N T S K K O O N.

De noot verdaghvaert0) ons in \'t jaer maer eens te zamen.

1

Kort, plotseling. Gelijk men ziet, wordt Leeuwendaal hier door den dichter met Amsterdam vereenzelvigd.

2

Vroet, wijs Vandaar vroedvrouw, sage femme, en vroedschap.

3

Polssen, bi eig. iem. den pols voelen; 6f juister nog peilen, als ^

-ocr page 68-

46

v k e It I c k.

Ick wensclie , kost het zijn, iet heilzaems te beramen.

l a n t s k r o o n.

Ick mede : ons onheil heeft nu lang genoegh geduurt , 720 En menigh jeughdigh horst \') dit met den hals bezuurt. Het zaet van tweedraght teelt zoo wrange en bittre vruchten.

v r e k i c k.

Zoo gaet het, daer de buur zijn\' buurman niet magh luchten1). l a n t s k r o o n.

\'k Vervloeck het al wat zaet van twist en tweedraght zaeit. v R ERIC K.

Men heeft van wederzijde een\' oegst 3) van ramp gemaeit, 725 En meer dan eens in \'tjaer; men maeit het alle dage.

l a x t s k r o o n.

Men kent den vrede best, na\'et voelen van die plage. Wat middel om aen rust te raecken onderling ?

v b e u i c k.

Indien uw Zuidtzijde eerst ons Noortzijde onderging 2).

l a n t s kroon.

Maer niemant weet van schuit, en schuift het op een ander.

1

Oegst, wisselvorm van oogst. Verg. vs. 120 en N. KI. IV, 15,1.

2

Iemand ondergaen (klemtoon op het ww.), voor iemand bukken, zich onder hem of zijne macht begeven. Zie Ned. Wdh., kol. 1306. Nog bij Conscience vindt men deze thans verouderde beteekenis. Van Vloten verklaart het als polsen, ondertasten. Vgl. vs. 1626. De volgende regel is dan evenwel zoo goed niet te verklaren.

-ocr page 69-

47

V R E E I C K.

730 Zoo blijft men overhoop krackeelen met malkander.

LANTSKKOON.

Van weêrzy wort vereischt een scheitsman van \'t geschil, v R E r i c K.

Het scheiden valt zeer licht, daer ieder luistren wil.

LANTSKEOON.

Men most elckanderen al \'t oude leet vergeven , En reppen niet van \'t gene aen weêrzy wert misdreven, 735 Wat eens gedaen is , kan men nimmermeer ontdoen \').

m

V E E E I C IC.

Yerstont een ieder dit, wy raeckten aen den zoen. LANTSKEOON.

Noch staet ons echter scherp te luistren wat het lot zeit. v B E e i c K.

Eerst onderling verzoent, en echter ~) met de Godtheit.

LANTSKEOON.

Ghy spreekt zeer wel: de mensch verzoen\' zich eerst met

[mensch ^),

v e E e i c K.

740 Mijn naem is rijck van vrê: \'t is vrede al wat ick wensch. LANTSKEOON.

Miju naem de kroon des lants: ick help den lantvrê kroonen, v E E e i c K.

Och , wenschtenze al om pais, en vrede 1) , die hier woonen i

1

Pais en vrede, twee woorden bij V. meer samengevoegd. Verg, vs. 751; bet laatste vs. van ons Lant\'spel, en Vondel 1, 239:

De Tongh baert twist en krijgh, do Tongh baert peys en vrede. Pais kan door worden weergegeven. Vgl. vs. 403: Vrede

en vrientschap. Keeds Maerlant, 717^). Mart. 1, 615 verbindt do woorden pays ende vrede.

-ocr page 70-

48

-L

L A K T S K R O O N.

Mijn Heemraet Heereman wensclit liartelijck om vreê.

V K E R I C K.

Mijn Heemraet Volckert wenscht uit al zijn hart dit meè.

L A N T S K K O O N.

745 De vroomsten \') onder ons zijn oook tot pais genegen.

V U E R I C K.

De slimsten ~) onder ons versteuren zulck een\' zegen.

LANTSKROON.

De slimsten onder ons zijn van geen beter aert.

V R E 111 O K.

De baetzucht treckt genot uit \'s anders qualijckvaert 1gt;.

LANTSKROON.

Men banne d\'eige liefde , om eenmael te beginnen.

V R E R I C K.

750 Zoo most men om \'t genot zijn nabuur niet beminnen; Maer koopen pais en vrede, oock met zijn eige scha.

LANTSKROON.

Wy mercken liet gebreck ; maer \'t heelen komt te spa. \'t Gebreeckt aen vreedzaembeit: dit kruit wil qualijck wassen , Dewijl men sloft op \'t wièn van \'t onkruit wel te passen. 755 Een ieder past *) met vlijt zijn nabuurs hof te wiên , In \'s anders wooning gae)((eu t\'huis niet naeu te zien ; Dies leggen huizen 2) wilt en woest, en zonder zeden, v R E r i c K.

Het domme en stomme vee gehoorzaamt eer de reden.

1

8) Qualijckvaert, het tegenovergestelde van ivelvaart. Zoo ook in \'t mnl. Zie Hooft, Mengélw. 28: ,kundschap van de wel- ot nuaalijkvaart nws heerenquot;, en Oudem. 3 , 590. Zoo ook Sacr. v. d. ft. 48: In smenschen qualycvaert zy oit verbaden. Ue onb. wrjs qualijcoaren komt als znw. voor, Ned. Proza 155 (tegenover icelvaert); 159; Franc. 10357.

2

D. i. liggen, eene thans nog gewone vergissing. Over eene andere beteekenis der uitdr. zie bij vs. 842.

-ocr page 71-

49

Men leidt het zonder toom , en drijft het zonder stock. 760 Het vecht wel onderling, maer voedert \') geenen wrock : Het nut 1) gemeene weide , en zal geen\' maeker pramen 2) : Genaeckt de wreeds wolf, het steeckt de hoorens t\'zamen: Zoo heeft het in \'t aeTr|f^n S te vyant, of te vrient. Verstont dit Leeuwendaol, het wert \'er van gedient.

LANTSKKOON.

765 \'t Is kunst zijn eigen nut en nadeel recht te kennen.

V U E K I C K.

De schade leer\' den mensch, die traegh tot deught kan wennen. Een ezel stoot maer eens zich aen den zeiven steen ; De mensch wel zevenmael, en denckt niet om zijn been.

LANTSKKOON.

De reuckelooze voel\' zijn jammer dan in \'t ende.

V E E K I C K.

770 Zoo vaeren menighten ten grave in hun ellende.

LANTSKKOON.

Zy wijten het zich zelfs , die niet te raden zijn.

V K E R I C K.

Met reden , want zy zelfs zijn oirzaeck van hun pijn , Oock dat onschuldigen om zulck een woestheit lijden, Met recht beklagens waert, in onze ondanekbre quot;) tijden. ■%, LANTSKKOON.

775 Ondanckbaer wel te recht voor veel genoten goet,

In pais , die neering baerde , en weelde , en overvloet;

1

Nutten, hd. nützen, gebruiken, thans nagenoeg verouderd en vervangen door nuttigen, doch dit wordt slechts van spijzen gebruikt,

2

Pramen, drukken, bezwaren, kwellen. Verg. Beaumont 162:

AU wie ons trots, of nijdich, plaecht en praemt.

Zie Wdh. op Bredero; Van Hasselt op Kil.

-ocr page 72-

50

Die baerden hoovaerdy , verwaent, en trots , en smadigli ^1): ^ Zoo quam de tweedraght voort, te byster en baldadigh 2) , In \'t midden van liet feest, geviert ten roem van Pan. 780 Men ater , en verdronck de zinnen in de kan,

Zoo dat men tot gevecht en messen quam , van woorden.

v E e 11 i c K.

Hoe bulderde in dien storm het Zuiden tegens\'t Noorden if

l a n t s k k o o n.

Den stereken Waerandier en Duinrijck stont dat dier 3).

v k e r i c k.

Geluckigh voeren zy uit dat krackeel van hier.

l a n t s k k o o n.

785 quot;Wel eerelijck , maer voor. bun vrouwen ongeluckigh. v r e it i o k.

De hemel zette om ben zijn aenzicbt droef en druckigb 4), En bleef veel dagen staen in die bedruckte ploy.

De koey vergat het gras : bet paert zijn voêr en boy. Het bosch verschoot zijn groen: de boom vergat te groeien. 790 Hoe zagh \'er \'t vleck toen uit, dat heerlijck plagh te bloeien, Gelijck een wijngertranck , die langs den gevel klimt ? Hoe is de weerelt voort, gelijck de munt, verslimt 5) ?

1

Smadigh, verachtend, laag op anderen neerziende.

2

Ral in de beteekenis van slecht, nog over in de samenstellingen haloorig en balsturig. Verg. olid, balo, verderf. Franck draagt

zijn Jitym. Wdb. eene andere afleiding vooi^Vdoch die is onbe-^ wezen. Het schijnt raailzaam, voorloopig bij de oude afleiding te / blijven.

3

ii) Dier staen, duur te staan komen. Door dat de caesuur achter Duinrijck valt. is er geen rijm in het vers. De aanmerking van Van Lennep tegen dezen regel vervalt dus.

4

Druckigh, bedrukt. Verg. Vondel 2, 743:

Maer wat of ons dees bood voor tijding brengen sal?

Hy sieter druckigh wt en houd al hijgend stal.

Vgl. ook 2, 605. Voor droef, zie 3, 129.

5

rs wel geen sprake zijn. Zie over de zaak zelve, P. Paulus, Verklaring der Unie 2, 212 vlg.

-ocr page 73-

51

L A N\' T S K K O O

Hoe wortze dagelijcks, van schalck1) en slim, noch slimmer?

T R E R I C K.

Ten zy een Godt dit keere , ons onheil redt zich nimmer.

I. A N T S K K O O N,

795 Wie zelf zijn handen rept , die wort van Godt geredt.

V R E R I C K.

Het slimste is , dat de twist al heeft zijn ploy gezet.

L A N T S K R O O N.

Men wanhoop\' niet : de tijt verandert de gemoeden 2).

V U E R I C K.

\'t Waer lang geschiet, vergat de wrock de wraeck 8) te voeden.

L A X T S K R O O N.

Ick ra voor eerst , dat elck den andren willigh wijck\', 800 En meerder minder niet om baet verongelijck\',

Zoo kost rechtvaerdigheit den vrede haest gemoeten 3).

V R E R I C K.

Och quaemze, en stroiden wy olijven voor haer voeten ! Ick zaegh dit oude vleck vergroot, en uitgeleit.

LANTS KROON.

Wat raat, nu ons de keur 6) aireede is aengezeit ? 805 Wou Pan zich met een\' bock of witten ram vernoegen.

1

_1) Het znw. schalk beteekende oorspr. knecht, zooals nog blijkt uit de samenstellingen Godschalk, maarschalk, eigenlijk knecht dei-paarden, later benaming der aanzienlijkste legerbediening, ensene-schalk, fr. sénéchal, d. i. *smiscalk, oudste dienaar, intendant. Het hiervan gevormde bnw. is schalksch, eigenlijk slaafsch, doch evenals dorper en vilain allengs tot de beteekenis van gemeen, laag, slecht, overgegaan, en in minder steri-:e opvatting ondeugend. Doclï

ook schalk wordt als bnw., vooral bij dichters, veelvuldig gebruikt, en wordt bij Kil. reeds als bnw. opgegeven.

2

Gemoed, heeft thans uitsluitend in het mv. gemoederen, als hd. gemüther.

3

Gemoeten, ontmoeten, aantreffen, vinden, de komst voorbereiden.

-ocr page 74-

52

V K E R I C K.

Al eisolite hy een kudde , ick riedt dat wyze sloegen \').

LANTSKROON.

Zou \'t oock geraden zijn te zien of \'t kon volstaen ? v k e u i c k.

En quam dat avontuur dan avmclits 1J te beslaen ? LANTSKROON.

Men gaf dan tijts :!) genoegh het geen wy hem beloofden.

V 11 E R I C K.

810 En trof de wilde knodts2) dan \'t volck, en al de hoofden?

LANTSKROON.

Het was om beters wil een stoute kans gewaeght.

v r e u i c K.

\'t Is haest3) gewaeght, dat lang en eeuwigh wordt beklaeght.

LANTSKROON.

Men moght zich liever eerst bevragen G) by Velleede. v r e u i c K.

De Priesterin van Pan zou staen op d\'oude zede 4).

LANTSKROON.

815 Vermagh een Godtheit niet te scheiden van haer recht ?

1

Van ave, af, en rechts, dus het tegenovergestelde van rechts, en bij uitbreiding verkeerd. Zie Mnl. H\'(lb. 1, 497. Zoo vindt men in \'t mnl. ook de woorden aveaomt en avegovstich {aid. 486 vlg.); ook aefgonstich (1, 60). In verschillende talen vindt men den overgang van beteekenis van recht tot goed, links tot slecht. — Beslaen, afloopen, uitvallen. Zie Oudemans 1, 590. Vandaar de nitdr. zijn ieslag krijgen, beslist worden.

2

Knodts, thans knots geschreven; zie Grondbeg. der spelling § 99. — Het deelw. gewaeght in den volgenden regel is praedicaat, het staat in kracht met den inf. gelijk.

3

^ ^ 5) Haest, haastig, spoedig, hier te spoedig, te gauw.

4

Zede, gebruik. ïe recht wordt het enkelv. zede weer in onze schrijftaal ingevoerd. Er is geen enkele reden, om zich er van te onthouden.

-ocr page 75-

53

V R E B I C K.

De meester laet zich niet bedillen 1) van den knecht.

LANTSKROON.

De Godtheit kan en magh den schuldigen wel sparen, v B E b i c K.

Wanneer haer dit behaegh\', dan zal zy \'t openbaren.

LANTSKROON.

Maer \'t wachten valt te lang: men stort vast jeughdigh bloet. v R E b i c K.

820 quot;Wat middel voor dit quaet, of liever noodigh goet?

LANTSKBOON.

Ick raem \'er naer 2), en wensch dat wy een middel vonden, v B e b i c K.

De tijt is kort: wy staen aen dezen dagh gebonden Wel stip 3); de Eoeper heeft ons lang te keur gedaeght, En \'t gansche lant rontom van \'s volcks gekerm gewaeght. 825 Het volck verzuimt*) zijn vee, en heeft noch hart, noch zinnen.

LANTSKROON.

Wat baet gekerm, indien het kermen niet kan winnen ? v B E r i c K.

Gekerm heeft menighmael der Goden wrock verzacht.

LANTSKBOON.

Maer in geen twintigh jaer: zy luistren naer geen klaght: Met deernis hoort de mensch het blaten van de lammeren!

V R E R I O K.

880 Onnoosle dieren , och , men moet zich uwer jammeren quot;).

LANTSKROON.

Men vindt oock menschen , die niet min onnoosel zijn.

1

Bedillen-, zie vs. 1041.

2

Ramen naar iets, eig. een raam naar iets doen, op iets mikken, en bij uitbreiding er naar gissen, er op peinzen.

3

Stip, thans stipt. Verg. N. KI. IV, 60, 2.

-ocr page 76-

54

v ii e e 1 c k.

Onnooslen in der daet, omiooselen in schijn.

lantskroon.

De schijn bedrieght \'er veel, en is gewoon te liegen.

V R E R I C K.

De schijn kan menigh mensch , doch nimmer Godt bedriegen.

LANTSKROON.

835 Hoe menigh zeilt den schijn en schaemte en eer voorby.

v R e r i c k .

Dat leert d\'ervarenheit 1) aen uwe en mijne zy. De schapen laten zich van stof en vuilnis wassen ;

Daer \'t zwijn zich mest in slijck en modderige plassen. De menschen aerden elck naer een byzonder dier. 840 Wie op de troni mei-ckt, bekent het aen den zuder 2) , Oock dickwils aen \'t geluit, en zoo verschelde klancken.

L ANTSKROO N.

My dunckt ick hoor geluit: sta vast: het wil\'er wancken 3). Hier komen Warenar en Govert naer ons toe.

\'t Zal best zijn datwe gaen ; ick ben dit buldren moe. 845 De Heemraet komt met hun , die magh hun klaghten hooren.

v r E r i c r.

Vergeefs de rust gezocht : ick geef den moedt verloren 3).

1

Ervarenlieit, ervaring, ondervinding. Verg. vs. 1645 en N. KL III, 19, 8.

2

Het wil \'er ivancken. er zal wat te koop zi)n\' er dreigt iets kwaads, het zal er spannen. Wariken., eig. op het punt zijn te vallen. Verg. Vondel Ö. 671: „Wat wanckt er wederom?quot; d.i. wat scheelt er aan? — Willen staat als eng. ivül hier en meermalen in de 17de .eeuw in de beteekenis zullen- In denzelfden zin als het wil er wancken gebruikt men in ds 17de eeuw de vreemde uitdr. er tvil een huis leggen (Oudem. 3, 183; vgl. vs. 757).

3

Verloren geeen , opgeven, het tegenovergestelde van gerconnen geven. In de Middeleeuwen gaf de rechter aan de eene partij de zaak gewonnen, en aan de andere verloren. Zoo b.v. meermalen in de Bechtsbronnen van loeiden. Doch feitelijk zijn voor ons de beide uitdr. gelijkbeteekenend geworden, daar thans de partij zelf verondersteld wordt iets (aan de andere) gewonnen te geren.

-ocr page 77-

VOLCKAERT. HEEREMAN. WARNER. GOVERT.

V O L C K A E K T.

d\'Een bouwt, en d\'ander breeckt: wat hoop van vrede is liier?

H E E H E M A N.

Wy lesschen 1) vast den brant : een ander blaest in\'t vier. ^

—^

VOLCKAERT. J*

Men viert den ofi\'erdagh met buldren en met razen.

W A B N E R.

850 De knechts verguizen \') nu de meesters , en de bazen : Dat tuight dees arme haen , met zijn\' gebroken jooot.

G o v E K ï.

En wat getuight dit lam ? ick vischte \'t uit de sloot ,

Daer Warnaers dogh het joegh. Wat kan een lam verbeurenquot;)?

Zoo \'t niet verdroncketi waer, ick zou het feest meTTsteuren 855 Om zulck een kleinicheit : maer ieder moeit zijn scha2). Die hont bast nacht en dagh zoo_ vee als menschen na : Hy bijtze oock wel in \'t been, en komïze al stil bestoken.

W A R N E R.

En had mijn haen zijn\' poot by ongeval gebroken ,

Ick trooste \'t my : maer nu komt Goverts knecht zoo wijt 3), 860 Dat hy moedtwillighlijck een\' eicken kneppel smijt

In \'t hondert 0), in den hoop, daer al de hoenders pieken De boeckweite op mijn werf. Zijn dit geen fraeie sticken ? De kneppel treft den haen , die tuimelt ginder heen.

Men loopt naer Rokam zien , en ziet \'er hoe zijn been 865 By \'t lijf, gelijck een sletT), blijft hangen. Wie kan \'theelen?

1

Lesschen. Zie vs. 214.

2

Ieder (acc.) moeit zijn scha, ieder wordt doorzijn eigen schade bewogen, ieder komt voor zijn eigen schade op.

3

Hij komt zoo wijt, hij gaat zoo ver.

-ocr page 78-

56

Nu krijt al \'t huisgezin , en steeckt wel vijftien keelen

En kloeken ^ t\'effens op. Op zulck een buurgerucht

Nam Goverts knecht by tijts , huis uit, huis in, do vlught.

Het was hem oock geraên.

H E E R E M A N.

\'t Is lang genoegh gekeven. 870 Laet Govert hem een\' haen gewilligh wedergeven.

Men vechte om geenen haen , om geen verdroncken lam.

w A R N E K.

O Rookam, och , hoe hangt uw dubble kroon en kam

Zoo slap, gelijck uw baert. Wie kan dees scha vergoeden ?

Waer vindt men uws gelijck? Neen Govert, ghy zult bloeden: 875 Die moedtwil is te groot.

GOVERT.

En wie vergoedt mijn lam ?

WARNER.

Men wijte een\' dollen dogh dat dit om \'t leven quam.

VOLCKAEKT.

De meester van den dogh moet zelf de schuit vergelden.

WARNER.

Wie weigert hem een lam ? Maer zelden, al te zelden ,

Zagh iemant zulck een\' haen , als Rookam , in ons vleck. 880 Wat haen , hoe bits hy was , boot hem vergeefs den beek 1) ?

Wie was niet doof of blint, die zich in \'t perek liet hooren ?

Waer vocht ooit haen zoo trots, metslaghpen, beek, en sporen?

Al stack hy op zijn aêm 2), al quam langs \'t lijf het bloet

1

D. i. daagde hem vergeefs ten strijde uit. Zeer aardig bezigt V. hier de uitdr. den hek Heden, voor het hoofd bieden omdat de strijd tusschen hanen met den bek geschiedt.

2

De uitdrukking is niet helder. Is zij den adem opsteken of steken op zijn adem ? De waarschijnlijkste verklaring is de eerste. Opsteken zou kunnen beteekenen opkroppen, van welke bet. Oudem. (6, 457) in de figuurlijke opvatting een voorbeeld geeft. Dan zou de bedoeling zijn al was hij ook huiten adem, doodsbenauwd.

-ocr page 79-

57

Gedropen van Let liooft, noch hielt de kamper 1) moedt, 885 Dat \'s vyants veder stoof: dan stont hy als een muurwerck, Hoe trots was hy van gangk! Wat droegh die gast een uurwerck In zijnen kop ! Hoe ficks , hoe klaer en helder plagh Hy lant en dorp rontom te wecken voor den dagh Bezie zijn pluimen vry^ die roode en goude veeren. 890 O Rookam, wie dit ziet, die moet zich uwes deeren2). ? g o v e 11 t.

Ghy zwijght nu wat al schade ons Zuidtzy heeft geleên.

Haer honighkorven zijn de kappen afgesneên,

En om wat honighs ging de gansche stock 3) verloren.

■WARNER.

Ghy liet uw\' waterhont ons vogelkoien stooren 895 Om eenen teelingk t), en verjoeght de gansche vlught. Zoo wort de koy geschent 3): de vogel schuwt dees luchti

g o v e k t.

Ghy houwt van hoven neêr, dat boom en stam verwatert G)j En uitgaet: is \'t niet fraey ? dan lacht men, dat het schatert.

w a e n e r.

Ghy licht een anders fuick , en zinckt haer in de kil \'), 900 Of vischt in \'s buurmans sloot en wateringe al stil.

g o v e R t.

Ghy zet by schemering \'t verlaet 4) al heimlijck open,

1

Kamper, vechter, vechtersbaas. Zoo ook Vondel 3, 10. — Muurwerck-, uurwerck, dubbelrijra. Zie vs. 737.

2

Stock, bijenkorf, misschien ook eene reeks bijeengeplaatste bijenkorven ; Kil. stook der biën, vetus Boll. j. b i e k o r f. — Waterhüfid, vs. 894, poedel; hond, afgericht om waterwild ta halen. Kil. waeterhond, canis aquations, canis villosus.

3

1gt;. i. „üij houwt onbesuisd en schuins van boven neer bjj het kappen van hakhout, waardoor spleten in het hout ontstaan en het water in de stammen doordringt, die daardoor verrotten.quot; Vgl. Kau, Proeve v. Aant. bl. 63 vlg. — Uitgaen, eig. uiteenvallen, splijten.

4

Verlaet, sluis, van verlaten. Verg. de uitdrukkingen oZie tef laten, ze afgieten; wijn verlaten, dien in een ander vat overgieten.

-ocr page 80-

58

. Tf-itEn laet een\' brq^Jven vloet in velt en ackers loopen, ■fie ffo 11\'#gt;•.■* Die quijnen jaeren lang, vergeven door dien wrock.

V,- A R N E B.

Hoe dickwils tastte uw lierck wel over in ons block1)?

G O V E R T.

905 Grhy tast wel achter om ~) naer iemants scbaer, en kouter,

Of draeght ons koren van den molen: wie is stouter ?

W A B N E li.

Gliy melckt een anders koe, by klaren lichten dagh :

Dat bleeck niet lang geleèn, toen Melcker quam op slagh 2).

g o v B R T.

lek wist dien buit zoo stil by avont niet te morssen 3) , 910 Als Grijp, die \'s nachts wel durf4) op \'t velt ons gervenfi)

[dorssen.

W A E N Ë E.

Had Gijs don springhengst korts den staert niet afgeknipt

Om \'t paertshair? evenwel is hy \'t gévaer ontslipt.

G o v E E ï.

Wie stack den driescht \') in brant? wie queet zich lest

[zoo wacker,

1

D. i. „Hoe dikwijls deed uw hark een greep in ons hooiland?quot; — Bloeit is een door een heining of sloot afgesloten akker. Zoo ook in \'t mnd. Zie Kil. block-lands; Huygens Hofwijck (uitg. Pantheon) bl. 34: Geeft my een hloclcje land, een eiland als een vnyst; bl. 27: Daer lagh een broekje vets (nl. lands), daer lagh een bloclje magers; en vgl Mul. Wdh. op bloc. Blokland is als plaatsnaam i\'og heden bekend.

2

8) Op slagh, juist toen de zaak voorviel.

3

Morsen, oudtijds verbergen, bedelclien, en vandaar ontfutselen, ontstelen, wegmoffelen, vooral bij het kaartspelen voor het zoek maken eener kaart gebruikt. Zie tal van voorbeelden bij De Vries, War. 155.

4

Durf, zie vs. 105.

-ocr page 81-

59

En wierp by doncker nacht dat onkruit in den acker ?

WARN K K.

915 Wie groef ons knijnshol op? wie dorst ons watering

Vergeven, dat men niet dan doode vissollen ving?

g o v E R T.

Wie zagh ter middernaclit, wanneer de mensclien droomen,

Die naclitrave 1) Eerijcks ooft afschudden van de hoornen ?

W A E N E K.

Waer vont men oit in \'t lant een visschers maet zoo kloek, 920 Dat hy op \'t lant een\' haen kon visschen met een hoeck ?

G o v E R ï.

Niet waer? die, toen het sneeu2) aen boom en tak bleef hangen,

De duiven op het voèr kon met zijn slaghnet 3) vangen ?

H E E R E M A N.

Waer toe dit bits verwijt? de tweedraght groeit en wast

In top, terwijl men kijft, en bast en wederbast4). 925 Dees droeve dagh gebiet den buretwist te staecken.

Door schelden zal men traegh tot eenigheit geraken.

VOLCKAEB T.

Dat \'s recht: oock is het hier geen tijt van lang te staen:

Men zal terstont te kercke, en dan te keuré gaen.

WARNER. VOLCKAERT.

W A R ÜT E K.

De Heemraet hoor\' my eerst: ick heb een woord te spreken.

1

Met naclitrave (hier ficf. in den zin van nachtdief), worden verschillende vogels aangeduid, zoowel eene soort raaf (lat. nycti-corax), als vleermuis, doch vooral nachtuil. Vgl. va. 581; Hor. Bely. 7 , 19: strix, naclitrave, vledermuys; Hd. nachtrabe; rand. nachtraven-, mhd. nahtrabe, nahtraben, nachtni). Nat. BI. III, 2810: Een nachtraven es maniere van uien. Vad. Mus. 2, 443: 10 ben worden als een nachtraven in den huse (P.s1. 102, 6, lat. nycticorax, in onze vert. steenuil). Ruusb. 2, 207 wordt hij Jupere of nachtravel geheeten: zie Kil. op juyper, juper.

2

Bij Vondel zoowel onz. als mann. gebruikt, b. v, II, 650: „En \'i sneeu der blancke borst door gloed aen \'t smelten raeckt;quot; IV, 333: -Zoo zuiver als het sneeuw oit van den hemel viel.quot; Thans wordt het slechts in overdrachtelijken zin onz. gebruikt, als het sneeuw der slapen, of der jaren, voor ivitte haren. Vgl. vs. 1108.

3

Slagnet, striknet (Evany. Gez. 81), knipnet, een net aan een knip of strik verbonden (?). Slay zelf heeft de bet. van strik, knip (Kil.).

4

Wederhassen, tegenblaffen, het bassen met bassen beantwoorden.

-ocr page 82-

60

VOLCKAERT.

930 Wat zoecktghe rust, of twist, en altijt wint te breken1)?

Zoo raeckt men niet gelijck ; zoo wort geen dorp geredt.

WARNER.

Dat onrecht dient hem eerst met recht betaelt gezet.

Hoe roept men dus om vrede ? ick kan den vrede missen.

Het spreeckwoort zeit: in troebel water is \'t goet visschen: 935 Want geen krackeel zoo klein, men2) haelt \'er voordeel uit.

Waer slagen vallen, valt gemeenelijck goê buit.

VOLCKAERT.

Zoo woudtghe om eige baet den pais wel eeuwigh derven,

Al zou \'er jaer op jaer een lantst3) of tien om sterven ?

WARNER.

Men sterft maer eens. Wie sterft, dien is zijn kost gekocht4).

VOLCKAERT.

940 O zotte Warner, zwijgh: wat spreeckt ghy onbedocht!

Zou een, om by \'t verdriet van velen wel te varen.

En om een buick vol broots, zoo menigh man bezwaren?

Dat leert de reden niet: de domste koe van \'t lant,

1

Wintbrelcen, wind maken, lawaai maken. Bekend is nog het spreekwoord: Veelsprekers, windbrekers. — Gelijck raken, in het gelijk komen, tot eenstemmigheid, eendracht geraken.

2

Men, d. i. men en, gelijk in \'t mnl. Later is voor dit en de constructie met of in de plaats gekomen. Daar tusschen staat de

Eeriode, dat men of en en beide gebruikte. Zie Ned. Wdh. op of. \'at men in Vondels tijd nog voelde dat men eig. men en was, is niet zeker. Vgl. Hofwijck (uitg. Pantheon), bl. 88, reg. 8 en 9; Oogentroost (uitg. 1672) ,\'bl. 276, reg. 22—24.

3

Lantst, knaap, borst, bij Starter 414 e. e. ook langst geschreven. Men vindt ook lansje en lansert in dezelfde beteekenis (Wdb. op Bredero). Het wordt gewoonlijk verklaard als verbasterd uit lansknecht, eigenlijk krijgsknecht met de lans gewapend, bij uitbreiding krijgsman in het algemeen. Lanst werd later zooveel als kameraad, vriend, in den mond van een meisje bijna gelijkstaande met jonkman, vrijer. Waarschijnlijker is, dat het ontstaan is uit landsknecht, d. i. hetzelfde als landsman, gelijkstaande met mon pays, en ma payse. Dit woord is ook door Vondel bedoeld vs. 239, waar hij het lantsknecht spelt. Doch zou lanst niet nog veeleer eene verkorting zi]n van lant set e of lantsate\'i Ook in het nind. wordt dit woord tot lanste verkort (Lübben 3 , 625). Lantknecht bestaat ook in \'t mnd., doch met de bet. van gerechtsdienaar (aid. 623). — Over de uitdr. een lanst of tien, zie Ndl. Wdb. op of.

4

Iemand den kost koopen, hem eene plaats in een hofje of liefdadig gesticht en daarbij tevens den kost koopen, overdrachtelijk voor „hem voorgoed bezorgen.quot;

-ocr page 83-

61

Indienze spreken kon, gebruickte meer verstant.

945 Zoo zal men langkzaetn \'tvier van ons krackeelen lessen1). Wat is \'er bloets gestort, en vleisch gekerft2) met messen! Hoe menigh bmicker lants3) vervochten by den dronck, Verzopen in \'t gê\'lagh! quot;Wat heeft dit out en jongk , En man en wijf beklaeght! Hoe zag men zooveel hinders 950 Versterven jaer op jaer van d\'oudren op hun kinders ! De mannen eerst, en dan de wijven hantgemeen , Plokhairen *) vaèr en zoon , de vrienden onder een ! Wat hoorde \'t een geslacht het ander niet verwijten, En spuwen in \'t gezicht, met krabben , slaen , en bijten ! 955 En houdt ghy Warner noch dit kluwen in de war ? Zoo gaf men u te recht den naem van Warenar B).

w A R N E E,

Men vindt \'er meer dan ick, die passen wat te hebben. Een ieder vlamt op winst. De spinne spint haer webben Om winst: om winning vlieght de by naer beemt en bosch. 960 Om loutre winning zit de vliegh op koey en ros.

Om winning zweetenze al, de kleinen , en de grooten. Om winst piekt d\'oievaer de kickers uit de slooten.

1

Lessen, zie vs. 383 en 848.

2

Bruicker, eig. hruikweer, stuk land. Zoo ook Berkhey, N. II. 9, 13: „Zoo dat meest alle bruikers in die streeken . . . tusschen welgeregelde kleine aarde dijkaadjen en lommerrijke beplantingen inleggen.quot; Bruikweer is eig. gepachte hoeve, in tegenstelling van den eigendom, en bij uitbreiding de bezitting, het land zelf. Were of ware komt in \'t nml. veel voor in de bet. hoeve oïgrondeigendom. Zie V. d. Bergh, Mnl. Geogr. bl. 269, en Mnl. Wdb. op b rune were. — Vervechten, een in \'t mnl. zeer gewoon woord voor als boete voor eene vechtpartij moeten betalen. Zoo b.v. ZVl. Bijdr. 5, 150: dat gheen coopmanscnape zijns heeren goed verdobbelen en mach no met gheenrande andre spele noch mesdaet verbueren mach no vervechten. Zoo ook Oorkb. 2, 337 e. e. Zoo leest men herhaalde malen van vervochtene boeten, b. v. Oudste Hechten v. Amst. 5 en 17; Stadb. v. Gr on. IV, 5.

-ocr page 84-

62

Om winning loopt cle kat uit muizen in liet velt.

Als ick \'er vet by wordt, wat roert ■\') my wien het geit.

VOLCKAERT.

965 Ick rade u, hou gemack; men zal den haen vergoeden. En zoo ghy ons bestaet 1) een nieu krackeel te broeden , Men stelt u lichtelijck ten spiegel van \'t gemeen.

w A R N E E.

En breng ick Leeuwendael noch lieden op de been , Het wil de Heerschappen en al den Heemraet heugen 2). 970 Laet zien wat Warner kan : laet zien wat zy vermengen. Daer gaet de pocher heen ó Rookam , arme haen , \'k Wil Govert noch van daegh het been in stucken slaen.

EEY VAN LEEUWENDALERS.

K E E n.

Brengt vrolijck pijnloof, groene meien:

Brengt kaes, en boter , geel als gout:

975 Brengt room, en bloemen uit de weien, Ter Lantkappelle , om Pan gebouwt.

Komt herwaert: komt hem nader :

Vereert nu zuivel, bloem , en tack ,

En looft den goeden Vader :

980 Begroet hem, dien het heiligh dack Beschut voor wint, en regen.

Hy gunne ons zijnen zegen.

TEGEN KEEK.

O bocksvoet, geitoor , fluitevinder ,

Gespickelt met uw lossevel 3) ;

985 Ghy wispelstaert 4) dan hier , dan ginder ;

1

Bestaan, het wagen, zich vermetente; zie 3Inl. Wdb. op besta en. Ons is cle 3de nv. van den belanghebbenden persoon, bij een krackeel broeden.

2

Willen, zullen, evenals het eng. to will. Zie vs. 842.

3

Los, cle eigenlijke Nederlandsohe benaming jan clen lynx. Wij zouden liever zeggen: ,met uw gespickelt lossevel.quot; Vgl. bl. 5, reg. 2.

4

Wixpelstaarten en kwispelstaarten, zijn twee wisselvormen, uit : het frequent, icispelen of kwispelen, heen en weer bewegen, en staart.

Verg. ons wel en hd. quelle; walm en kwalm, hd. qualm; gewelde boter en gekwelde boter, ring en kring. In \'t oudgerm. hebben van derg. dubbelvormen twee vormen naast elkaar bestaan, de ééne met, de andere zonder keelletter [li). Men moet dus niet spreken van eene prothetische k.

-ocr page 85-

63

Ghy langebaert, zoo zoet1) op spel

Van dunne rieten , zeven Aen een gekleeft; uw horens staan Op \'t voorhooft, spits en even , 990 Gelijck een boogh , of halve maen :

Root aenzicht , die uw hairen Bevlecht met pijnboomblaren.

KEEK.

Verdiende ghy by d\'eerste Goden Een achtste plaets , en most de Nijl 995 Zich buigen onder uw geboden 2) ;

Hielt out Athenen uwen stijl 3);

Most Eome uw feesten vièren 3) ; Begrijptghe \'t wezen van Natuur, Zoo veel gestamde dieren J1\'! , 1000 De lucht, het water, aerde, en vuur; En zijt ghy \'t al in allen 0) , O Vooght van jaght en stallen;

1

Zoet op, hetzelfde als zot op, (lol op. Zie Vondel 4, 53: zoet op toverkunst; op tafelroof, op moorden; 79: zoet op \'t blaeclcen,

zich in den brand verlustigende: en Huyd. Proeve S, 207 en Register.

2

Stijl, eeredienst; eig. synon. van trant. Verg. Vondel 4, 595. Pan was in Athene in hooge vereering wegens de hulp den Athe-ners in den slag bij Marathon verleend, waar hij den vijand een plotselingen schrik aanjoeg. Zie Herodotus, boek 6, 105.

3

T. w. f e Lupercaliën, door Euander uit Arcadië naar Rome overgebracht, een reinigingsfeest in Februari ter eere van Lupercus,

eene met den Griekschen Pan identische godheid. Zie Ovid. Fast* II, 271, 381.

-ocr page 86-

64

TEGEN KEER.

Zoo blusch den brant der lantgescliillen ;

Vereenigli Zuidt- en Noorderzy :

1005 En zijtghe met een\' bock te stillen,

Ja heele kudden; eisch liet vry.

Ontslaze , die u eeren ,

Van \'t heillooze offer, van dit bloet.

En is het lot te keeren,

1010 Ontlast ons: eiscli een zachter boet1),

Ons vee, geen vleesch van menschen; Het ooghmerck van ons wenschen.^/

1

Ook in \'t ranl. (als in andere genn. talen) komt boet voor naast boete, met een ander geslacht. Zie Mnl. Wdh. op boet, en vs. 1689: offerboet.

-ocr page 87-

HET DERDE BEDRIJF.

HAGEROOS. REY.

H A G E R O O S.

Het diende nader niet1): ick was alree beknipt,

Maer ben, ter goeder tijt 2) , den schender nog ontslipt.

E E Y.

1015 Wat zegbtghe, Hageroos? wie droegh zoo luttel kennis3), Dat hy een zuiverheit, zoo wit als sneeu, met schennis En schande smetten wou, zoo reuckloos *), en ontzint ?

HAGEROOS.

Ick weet niet wie het was, of wat hem had verblint. Hy quam my stil aen boort, en speelde vast den stommen, 1020 Om door stilzwijgentheit zijn boosheit te vermommen , Een boosheit, die gewis haer straf gevoelen zal;

Want niemant schimp\' met Pan: hy ziet ons over al, In hol, en achter duin 4), in ruighte, en onder hagen. R E Y.

Zoo gaet het haer, die op het zoenfeest loopt uit jagen,

1

D. i.: Het had niet verder moeten komen; liet zou niet goed zijn areweest, als het verder gekomen was. — Dienen, goed zijn, wenscheliik zijn, is nog heden in gebruik.

2

V) Tèr \'göeaer tijd, juist bij tijds. Zie vs. 133.

3

Kennis dragen, zich ontzien. Kennis bet. hier eig. beschaving, fatsoen. Zie vs. 1573.

4

Achter duin, in de duinen. Achter, met den 3den nv., komt veelvuldig in het mnl. en ook nog ISi\' de ItJe en Ï7e eeuw als plaatsbepaling voor, als achter lande, dooi- het land heen, achter straten, over of langs de straat, enz. Zie Ned. Wdb. 1, 636, 5).

LEEUWENDALERS. 5

-ocr page 88-

66

1025 ^Alleen , en onverzelt; nu alle de gemeent,

Bekommert en beducht, al hangends hoofts \') , beweent D\'onzekerheit der keure , en \'t zekre lot van \'t outer 1). De Heemraet gaet te keur, verdaeght2) van blinden Wouter: En scheptghe noch vermaeck injaght, en wilt, en duin? ii a g e n o o s.

1030 lek zoeck mijn eige niet, maer Leeuwendaels fortuin. En had een hinde op \'t spoor, met meining3), na het vangen , Haer voor \'t gemeene best in ons kappel te hangen ; Of Pan, hier door vermorwt, een vrolijcke uitkomst gaf!

key.

Vergeefme dan dat ick onwetende u bestraftquot;\' : 1035 O deeghjjjckheitquot;), g^y zijt wel waerdigh, datze u dancken. Een ander zit en slijt den dagh met ydel jancken ; Ghy slaet de bant aen \'t werek: een ander kijft en tiert, En steurt zijn buurmans rust; ghy draeght 4) u vroom ,

[en viert

Het feest in eenzaemheit, en zonder tijt te spillen, 1040 Verzoeckt \'j door offerhande en hinden Godt te stillen, ■ï* Vergeefme dat ick u bedilde, zonder slot5).

\'k Geloof geen sterflijck mensch behoedde u, maer een Godt, Van wien ghy zekerlijck uw afkomst wel mooght rekenen6), Naerdienze zich ontdeckt door geen 7) onwisse tekenen.

1

Van het lat. al tare komt zoowel de vorm altaar als outer, beide met toon verspringing. Zie daarover Ferguut, Gloss, op evélic. In het mv. hoort men nog wel altaren (zoo b. v. in de berijming van Psalm 84, vs. 2). De vorm outer heeft het gewaad van een in-heemsch woord aangetrokken, door de gewone verandering van al in om. Vgl. kouter (ploegland) uit cultura (ook met toonverspnnglng gevormd) en houier (mes) uit culterT ~

2

Zie vs. 167.

3

Meining, vs. 1031; ook vs. 1542.

4

Dragen, gedragen.

5

Slot, reden. In dezelfde beteekenis nog over in de spreekwijze zonder slot noch zin. Zie Warenar, va, 303.

6

Toespeling op de ontknooping in het 5de bedrjjf.

7

Geen, beter ware niet, daar alleen het begrip onwis er door bepaald wordt. Het is eene fout, die ook thans nog vaak wordt gemaakt.

-ocr page 89-

67

1045 Dat hy u langer spaer\', die boven zit aen \'t roer.

Laet hoeren hoe het ging, en wat u wedervoer.

h a (} e e o o s.

Ick wist het leger, daer een hagelwitte hinde,

In dichte ruighte en riet, dat \'s jagers oogh verblinde, Zich dagelijcks onthielt; dies teegh \'j ick derrewaert, 1050 Maer vont het ledigh nest. Mijn winthont, heet van aert, Was toghtigh 1) om het wilt in :t wilde na te sporen, En kreegTï verlof, en stoof door zant, en hegh, en doren. En kreupelboseh in duin, en snuffelde overal.

Zoo miste ick hem daer na, en hoorde geen geschal. 1055 Mijn yver voerde my terwijl naer waterplassen,

Daer, aen den voet van duin, de beeck begint te wassen, En door de biezen ruischt. Hier viel ick plat ter neêr 2), En zagh, na eene poos, de hinde, die van veer Allengs genaeckte, en scheen heur hart te willen laven. 1060 Ick loofde flucks aen Pan dat puick der offergaven; En had den pijl al ficks 3) op mijne pees gezet,

Zoo dra de hinde quam, en lobberde 4) in dit wedt. Maer onder \'t micken komt een onverlaete), een schenner. O Godtheit van de jaght, alweter, hartekenner, 1065 Bescherm mijn zuiverheit, en geef getuighenis

Hoe Hageroos zich droegh , hoe zy \'t ontworstelt is.

e e y.

Ontstel u niet; hy zal den Eechter niet ontsluipen.

1

Toghtigh, vurig, begeerig, van tien (wjj tijgen), toog, getogen, trekken, dua er als het ware met kracht naar getrokken, hartstochtelijk.

2

Om te beter het wild te kunnen beloeren.

3

Ficks, fik», flink, vast, van fr. fixe; lat, firtis.

4

HoÜVeren, plassen en ploeteren ifTEet water. Verg. V. 11, 423:

hy plompt in \'t water van de bron En lohherende klapt met holle en platte palmen Der handen op zijn borst.

Zie Hnyd. Proeve 2, 128, en verg. Ned. Wdij. op Omlohberen.

-ocr page 90-

Nu wisch de tranen af, die langs uw kaecken druipen, \'k Verlang 1) hoe dit verging. !k Geloof ghy bleeft beschut 1070 Door uw onnozelheit, uw toeverlaet, en stut.

De deught behoeft geweer, noch boogh, noch pijl, noch

[wachter.

H A G e k o o s.

Hoe beeft mijn hart van angst! hy quam my op van achter, Gelijck een looze vos een velthoen grijpt, wel stijf. Hy sloegh met alle maght zijn armen om mijn lijf, 1075 Noch vaster dan het veil3) een eicke kan omvatten;

En ick, om \'t allereêlste\' en waertste van mijn schatten, Mijn eerbaerheit, in noot te bergen, nam al heel Mijn toevlught tot mijn stem, en stack een kloek3), en keel Zoo luide en schricklijck op, datze over hegh, en tuinen4) 1080 Ging wentelen in zee, door d\'omgelegen\' duinen.

Op zulck een\' luiden kreet liep Adelaert hem in 6) , En greep dien onverlaet by \'t hair, by kop , en kin , Dat hy gedwongen wiert my bange maeght te slaecken G):

1) Verlangen, benieuwd zijn, verlangen te weten. Zoo ook vs. 1590.

2) Veil, klimop. Verg. Vondel 5. 04: „Getloogh dat dit«rfZzich om uw hooft .... kringkelo.quot; Het woord wordt bij Diefenb. Gloss. Lat.-Germ. op edera niet gevonden. Het zal dus wel geen germ, woord zijn. Kil. heeft veyle, hedera. Vanwaar is het woord? Is het waar, dat het klimop aanduidde, dat ergens wijn te koop was? Kil. heeft „herba venale vinum indicans.quot; Of zuigt hg dit uit zijn duim ? Bild. Geslachtslijst zegt het Kil. na. Of ia veil misschien het fr. voile, lat. velum, in de bet. voorhangsel \'i Vgl. voor de verschillende benamingen van het klimop, Dodonaeus, Crnydtboech, bl. 680.

3) Zie vs. 867. — Bergen, vs. 1077, redden. Zie vs. 1590.

4) Tuin, hd. zaun, hier in de oorspr. beteekenis van omheining, nog overig in omtuinen en Hollanclsche tuin, de teenen omheining, waarin op de munten tijdens de Republiek de leeuw stond. Vgl. ook Teertuinen, Houttuinen, namen van plaatsen te Amsterdam. De latere beteekenis van hof, gaarde is een voorbeeld van de figuur, die men in \'t Ndl. kan noemen inhoud voor grenzen (lat. contentum pro continent e).

5) Iemand inloopen, op iemand afkomen , eigenlijk iemand looiende inhalen. Zoo ook inrijden, d. i. rijdende inhalen (Hooft, N. H. 277). Vgl. Hooft, Gei. 1, 168:

Dat geesjen met geen lijf veriaeden ,

Kan harten en hinden, al vlieden se snel,

Inloopen wel.

6) Zie vs. 690.

-ocr page 91-

09

En ick, zoo dootsch en wit om \'t hooft, gelijck een laken , 1085 Begafme herwaert aen , al omziende , en beducht

Hoe \'t Adelaert vergingk, na mijn verbaesde 1) vlught.

H E Y.

O eerbre !!) jongelingk , men zal u eeuwigh roemen , En vlechten krans op krans van bladeren, en bloemen , Met maeghdevingeren gelezen , en gepluckt.

1090 Gby lijdt niet dat de deught en schoonheit wort verdruckt. Een Godtheit heeft van daegh n heerlijck begenadight, Beschoncken met dien prijs, dat ghy een Maeght verda-

[dight\'j.

Hoe voeght u zulck een lof, gelijck een pijnloofkrans Onze Opperpriesterin ! De roos verliest haer glans 1095 En geuren, maer uw lof zal nimmermeer versterven.

HAGEKOOS.

Hy moet\' verdienden loon 2) naer zijne deught verwerven.

B E Y.

Dat loonen staet aen u: dat hebt ghy in uw maght.

HAGEKOOS.

Mijn maght is wonder kleen. Die heusche vryer ^ acht öeen loon: hy volght de deught van zelf, alleen uit reden.

E E Y.

1100 Hy volght oock Hageroos met zuchten, en gebeden, Gelijck de schaduw \'t lijf. Hy volght u waerghe gaet, Des middaeghs , \'s avonts spade , en met den dageraet. Dat weten zon en maen , en oock de morgenstarre.,A, Hy volght u in het dorp , en by de straet, en verre

1

Verbaest, buiten zich zelf, nerhouwereerd (mnl. verhabeert). Verbaesde vlucht, de vlucht van iemand, die buiten zich zeifis.

2

Verdienden loon. Loon was in \'tmnl. in den regel ml., soms onz.; zoo ook in \'t hd. Zie b. v. Rein I, 1799: Alsulken loon, als si sgn waert.

-ocr page 92-

70

1105 Van lionck 1), wanneerglie jaeght, en stuift door \'t guile

[zant 2).

Vergeit nu eens zijn deuglit, en bie hem mont, en hant.

n a o e r o o s.

Gliy paert den zomertijt met onze winterbuien ,

De lely met het sneeu 3), ons Noorden met dat Zuien. \'t Verdrietme dat hy my dus naloopt, vroegh en spa.

k E T.

1110 Hoe qualijck quam het u van dezen dagh te sta! HAGEKOOS.

Het quam te stade of niet, ick achtme des4) onwaerdigh. Hy houde zich gerust, en voor een rijcker vaerdigh. Hy zoecke een van bekent en overout geslacht.

Zoo lang als d\'overbuur zijn\' overbuur veracht, 1115 En dwers vall\'5), kan geen min en liefde op beide kleven.

R E Y.

Hy vrijde u voor de dootG): misgunt ghy hem het leven ?

HAGEROOS.

Neen zeker: dat hy leve, en bloeie hondert jaer.

1

Honk, om., woonplaats, huis. Zie Magaz. v. Ned. Taallc. 4, 121. Honk is eig. het einde van eene bepaalde baan, lat. meta, en vooral bij kinderspelen in gebruik , als ook in de uitdr. «an/JSwfc, van huis, riet thuis, ook iveg, als vs. 1735. De afleiding is niet bekend. Zie vooral Epkema op Gijsb. Japicx, bl. 112 op hon cke; Koolman, Ofri. Wtb. 2, 116 op hunk; De Jager, l^rcq. 1,998vlg.

2

Gul, week , zacht; gul zand , waarin men diep inzinkt; gulle brij , dunne brij. Als zedelijke eigenschap openhartig, daar in een week hart licht is in te dringen; ook onbekrompen, mild (van een persoon). Zie Koolman , Ofri. Wtb. 1, 705. Het woord is waarachijn-lijk verwant met gulle, bij Kil. moeras, draaikolk, en met hd.grille, meststof, aalt. Mul, in dezelfde beteekenis, van zand gebruikt, is verwant met molde, moude. stof.

3

31 Verg. vs. 92T.

4

Des, 2de nv. van het aanw. vnw. (die), dat, afhangende van omvaardig.

5

Divers vallen, onvriendelijk bejegenen. Vgl hard vallen, lastig vallen. Vallen is hier slechts eene wijziging van het begrip zyn. Vgl. ook ons ww. dwarjdryven, en vs. 535.

-ocr page 93-

71

R E Y.

Misloonde \'j knaep, hoe valt u \'t minnejack zoo zwaer, Gelijck het ros den ploegh door vetten klay 2) te trecken! 1120 Ghy ziet vol hartewee de duiven treckebecken ,

En elcke wederga genegen tot heur ga.

De beeckzwaen bruist vol viers het witte wijfke na , En strengelt hals om hals : zy weet van wederkussen, Daer \'t kille water zelf haer\' gloet niet weet te blussen ; 1125 En ghy, getrouwe knecht, beschermer van haer eer.

Verwacht van Hageroos geen\' troost noch vrientschap weêr, O winterroos, te scherp gewapent met uw\' doren.

HAGEKOOS.

Hy schuw\' den dorenstruick.

R E Y.

Hou op zijn min met sporen Te noopenXj . dagh op dagh , door \'t afslaen van een bet\';. 1130 lek zie heïn van een duin noch plompen steil in zee. Of worgen aen een peesv of van een eicke ploffen , Of van zijn\' eigen pijl, en eigen hant getroffen. Ay Hageroos , ay , schut 4) zijn ongeval, gelijck Hy u beschutte , eer ghy te vallen quaemt in \'t slijek.

HAGEROOS.

1135 lek ga in ons kappel my zelve danckbaer toonen , En zal het Adelaert , zoo dra hy koom\', beloonen Met danckbaerheit, gelijck een eerbaer hart betaemt, En een van kleine maght.

__un

1) Mislonen, iemand slecht beloonen, hem ondankbaar behandelen. Het woord moet ook in \'t mnl. bestaan hebben, blijkens het bij Hadewijch (1. 120, 25) voorkomende znw. meslone (Troest ende meslone in enen persoen, data wesen van der minnen smake), doch is zeldzaam. Ook in \'t mhd., mnd. en hd. schijnt het woord niet voor te komen.

2) Klay, hier ml., thans vr. Vondel gebruikt het woord meestal vr., doch soms onz. (Iluyd. Froeve 1, 152; Hoogstraten 247), doch dat het woord ook als ml. bij hem voorkomt, schijnt tot heden niet opgemerkt. Ook het hd. Mei is ml., vr. en onz. Zie Grimm , Wtb. 5, 1064.

3) Zie vs. 434. — Worgen aen een pees, vs. 1130, zich aan een touw verhangen. Worgen is hier intr. Vgl. Oudem. 7, 975. — Pees, oen snoer, stevig koord. Vgl. Hoogstraten 394.

4) Zie bl. 9, reg. 1.

-ocr page 94-

72

KEY.

Zy vint zicli zelf beschaemt Om zijn getrouwicheit. Ick zagh haer wangen blozen. 1140 My docht de minne doock in lommer van die roozen 1).

Hoe kan een edel hart, tot alle deught bereit, X Vergelden zulk een trou met wederwgerdigheit 2) ? Z\'ontveinst haer minne , en weet zich wonderlijck te

[wachten 3) ;

Maer \'tmist ons4), zienwe niet het pit van haer gedachten.

X

AÜELAERT. EEY.

A D E L A E K T.

1145 Wie joegh ter weerelt oit geluckiger dau ick?

11 E Y.

O jongelingk , ghy zijt nu wonder in uw Schick.

Ick heb :t verslagh al wech.

A D E L A E E T.

Van wie ?

E E Y.

Van uw vriendinne.

1

D. i. de min was in de schaduw dier rozen weggedoken, er was eenig gevoel van liefde voor A. in dien blos te onderkennen.

2

WederiMerdlgheit, niet in den zin van tegenspoed, maar van tegenzin, weerzin. Verg. vs. 2142; Oudemans, Wdb. op Hooft en Né(l. Bisf.—quot;fedv—Verwijs) bl. 15: een zorghlijke weederwaerdigheit en verwydering. Wederwaardig, hd. widerwdrtig, komt van tender d. i. tegen, en truardig. van waart of waarts, d. i. gekeerd, gewend. Wederwaardig is dus tegen iemand gekêerd, of iemand tegen de borst stuitende, tegen iemands zin, lat. adversus. Ons ivederwaar-digheden, tegenspoed, komt overeen met lat, res adversae. Het tegenovergestelde is meewaardig, ons meewarig, d. i. meegaand, vriendelijk; thans medelijdend. Kil. heeft de beide vormen meewer-digh en meewaerigh.

3

Zich wachten , zich inhouden, eig. zich hewaken, zich hetoomen. Wonderlijck, wonderwel, op verwonderlijke wijze. Vgl. vs. 698 en wonder, vs. 1146.

4

\'Tmist ons. wij zouden het mis hebben, wij zouden ons zeer vergissen, het (d. i. de waarheid) ontgaat ons. De onpers. constructie van missen komt al in \'t mnl. voor, b. v. Velth. IV, 59, 52: Dus misten daer des zegen, ontging hem daar de zege. Zie vs. 275 a.ant.

-ocr page 95-

73

a d e l a E r t.

Och, waerze mijn vriendin! Hoe gloeit mijn hart van minne. Noch vieriger dan oit!

b e r.

Waerom ?

adelaert.

Ick hoorde , en zagh 1150 Haer eerbaerheit, en deught, daer zy ter aerde lagh , En kreet, en spoogh, en beet dien schender, dien schof*

[feerder\')

In \'t aenzicht; maer vergeefs, had Pan haer geen ver-

[weerder

Gezonden ; had ick haer niet daetelijck 1) ontzet.

Waer is zy ?

r e y.

Ter kappelle , en stort \'er haer gebedt 1155 Voor Pan, en heeft belooft uw trouwe daet te kroonen.

adelaert.

Zoo hoop ick in het hart, dat edel hart, te woonen. Wat tijding brengtghe my, zoo snel op \'t ongezienst *) ! \'k Geloof het geen ghy zeght. Hoe kan in \'t ende een dienst Na vele diensten eens een vrijsters hart bewegen ! 1160 Och Adelaert, ghy liept, door hagel, sneeu, en regen, Niet ydel noch vergeefs uw Venus achter aen :

Een uur betaelt het al.

r e y. ^

Nu blijf een luttel staen :

Versteur haer aendacht2) niet: verwachtze hier ter stede.

1

DaetelMck. Sommige uitgangen hebben de neiging den alot-consonant van den stam te verscherpen. Zoo vooral de uitgangen -Hik en -nis, b. v. in begrafenis, ontsteltenis, ontstentenis, hachelijk, heuglijk (spr. heuojjelijk) enz.-Zie Van llelten , Klinkers en Medekl 115. In de 17de eeuw vindt men ook entelijk, datelijk en nootelyk ( Voorhout 15), en de mv. gewaten en cieraten. Zie Vo\'orhout, 318 Aant.

2

Aendacht, vrome overpeinzing, hd. andacht. Vgl. vs. 11681 d\'aendachtige. In dezeiT^mwians quot;verouderd en als een germanisme te beschouwen. Zie Ned. Wdb. 1, 91 en Mnl. Wdh. 1, 85.

-ocr page 96-

74

A n E L A E R T.

Hoe springt dit dier: sta stil. lek breng haer\' jaghtliont

[mede.

tlG5 Hy janckt om zijn bazin1) , en misteze al een wijl. Ay lieve , hou hem wat: \'k wil achter eenen stijl Aen ons kappeldeur gaen verschuilen 2) in het duister, Op dat ick heimelijck d\'aendachtige beluister\',

En mercke op heur gelaet: de minne maecktme stout. R E Y.

1170 Ga heen; maer geen kappel noch outer wert gebouwt Op dat een vryer daer zijn vrijster zou beloncken. \'k Vergeef het hem nochtans : hy is van liefde droncken , En raeskalt in dien droom : men naem het anders vremt. Dat hy , terwijl het dorp de namen telt, en stemt 1175 Tot loting, op de jaght zijn harteblat 3) ging vinden, Wiens *) ooghmerck hoogher ziet, en liever Pan met hinden Dan menschenbloet verzoent. Bezie hem eens; hoe stijf, Hoe stockstijf gaept de knecht! Kan niemant aen een wijf Geraecken, zonder dus door \'t velt te loopen brullen, 1180 Gelijck een wilde bors 4) ? het hair met spogh te krullen5) ? Te huilen als een hont ? ick nam \'er liever geen, Al schonck men my de keur uit al het boereveen. Zy hoeven \'t jawoort niet zoo byster foverloven \').

Mijn min is vier, noch kool: men hoeftze niet te dooven; 1185 Al pratenze dat Pan, in Oostlant 6), by een\' vliet,

1

Bazin , meesteres , vr. van haas, doch niet in den ongunstigen zin, dien men er thans aan hecht.

2

Hier enz. gebruikt in den zin van icegschtiilen. zich versclmileii.

3

Harteblat, hartelief, hd. herzhlatt, „Bliittcheii in der Herzpolle (dem mittleren nnentfalteten clicken Öprosse) an Gewachsen; ge-liebte Personquot;, Kaltschmidt, Wtb.

4

(lont. Zie Segh. v. Jherusalem, Nalezing, en bl. 8, vs. 1: Komtuerijn, wiens borsten.

5

Bors, beer. Verg. V. 3 , 89 :

Verbolgen borstenze uyt, als borssen aen hun keten. Zie Oudemans, Wdb. op Bredero.

6) Een smakeloos denkbeeld. \'uk

6

Oostlant, Arcadië, waar de nymf Syrinx, die Pan vervolgde, door Gea in riet werd veranderd. Zie Vondel 11, 330, vs. 846 vlgg.

-ocr page 97-

75

Zijn malliclieden zocht, en naerpeurde 1) in het riet:

Dat hy , om d\'oude maen by avbnt te begorden 2),

Ging mommen 3), als een bock, ja zelf een bock most worden; Indien men \'t zeggen magh, daer \'t niemant ziet, en hoort. 1190 Wel vryer, wel hoe dus? heeft zy uw oogh bekoort?

A D E L A E R T.

Bekoort? ja wel te recht: nu worde ick eerst gevoelijck *). ALsroolt menze al in een 4), geen schoonheit is zoo goelijck, Zoo degelijck als zy. Wat heb ick daer gezien !

Een beelt van zuiver sneeu, met neêrgeboge knien, 1195 Noch witter dan het vel, waer meê zich Pan bekleedde.

KEY.

En schepte ghy geen\' troost uit haer oprechte bede ?

ADELAEBT.

Ja honigh , want zy badt: o Pan, beloon het hem ,

Die my te hulpe quam op mijne heesche stem.

Hoe kan zoo groot een deught 5) by my haer\' geur vergeten!, i-c, 1200 Bescherm hem, nu de Eaet te keure is neergezeten.

1

Naerpeuren, achtervolgen, vervolgen, naloopen. Peuren ia trékken, gaan. Verg. Vondel 11, 413:

De brullende leeuwin, die \'t velt van vee berooft,

Wou, na het lesschen van den dorst, weêr boschwaert peuren. Zie nog Oudemans, Wdh. op Bredero en op Hooft.

2

Begorden, bevruchten, bezwangeren; een woord bij onze blijspeldichters veel gebruikt. Zie Wdb. op Bredero. Zeer gewoon is het deelw. begort d. i. zwanger, b. v. V. 3, 29:

De Donau, uw afkeerigh broeder.

Nam oostwaert op sip.\' snellen loop, Ghy noordwaert, toen een\' selve moeder,

Begort van regen, ys en sneeu,

U baerde voor soo menigh eeuw.

Begorden, samenhangende met gordel, evenals het fr. ceindre, en-ceindre, vanwaar enceinte, zwanger, met ceinture. Zie Mnl. Wdb. op begort. In de gedaante van een witten bok zocht Pan Luna te bekooren. Verg. Vondel 8, 246 (Virg. Geary. 111, 391). Vs. 1189 beduidt, dat de vorige regels wel zachtjes gezegd mochten worden, daar zij als heiligschennis konden worden opgevat.

3

Mommen gaen, zich vermommen. Zie Huyd. Proeve 1, 475.

4

Al, d. i. al vereenigde men de schoonheid van alle meisjes.

5

Zie bl. 3, aant. 6. Vergeten, verliezen, kwijt raken. Vergeten is eig. het tegenovergestelde van * get en, eng. to get, verkrijgen.

Vergeten in bepaalde opvatting is uit het geheugen yerffópn.

-ocr page 98-

76

BET.

Zoo gaet het vast, gliy spant alleen de kroon in \'t hart ?

A D E L A B R T.

Alleen, en anders geen. De bruit is mijn. Ick tart1) Zoo menigh jongman , als by dochters oit verkeerde. Geen dochter vieriger oit Godt en d\'ouders eerde 1205 Als zy, gewis een spruit van goddelijck geslacht2).

Och , wist men eens wie haer ter weerelt heeft gebraght; Al schijnenze uit het k^Qost 3J haer moeders aert te gissen. K E y.

Een dochter, zoo als zy , kan licht de moeder missen.

ADELAERT.

By vlagen met gedult, tot dat d\'onkundigheit, 1210 Van haer geboorterecht, dat noch verholen leit ,

Allengs haer in den krop en in het hooft koom\' schieten: Dan zitze, en smilt *), als sneeu: dan gietze heele vlieten Langs haere wangen neêr : dan berstze in klaghten uit; Dan slaet de wedergalm in duin en flal geluit 4) , 1215 En helpt konijn, en haes, en jaght5), en wilt op hollen : • Dan huiltze \') d\'oogen uit, wel root en dick gezwollen.

1

Tarten, voor torten (Kil.), is van tort (innl.), d. i. trots, hetwelk een hd. vorm is. Tarten is dus hetzelfde als trotseer en. Zie Mnl. Ged. (uitg. d. Snellaert), bl. 727 vlg.

2

Alweder eene toespelinc; op de OI)tknoopinc^

3

Kroost, de gelaatstrekken. Zie Hooft, Ged. 1, 146;

dat ghij, blijde moeder, baerde En mij ter wereldt bracht een vrucht schoon van aenschijn Waer in men lagh uw kroost gedommelt onder \'t mijn.

Zoo ook Henric d. Gr. 20 en in de voorbeelden bij Ondem., Bijdr. 3, 561; Iluyd., Proeve 1, 316; Uitleg};. Wdh. 2, 178. Wat wij ,gelaatkunde, physionomiequot; noemen, heette in de 17de eeuw h\'oost-kunde (Oudem. t. a. p.). Het kroost in den tegenwoordigen zin wordt dus alzoo genoemd als het „levende beeldquot;, het evenbeeld der ouders.

4

Geluit slaen. Zoo ook Warenar 972.

5

Jaght en wilt, beide in collectieven zin op te vatten. Jaght, de dieren waarop gejaagd wordt. Vgl. fr. venaison, wildbraad, van lat. venatio(ne), d. i. Jacht.

-ocr page 99-

77

Dan (luncktme schijnt die zon door eenen regenboogh. En ick , in ruigtte en riet gedoken , schroom om hoogh Te zien , en d\'eenzaemheit van mijn Princes te steuren. 1220 O moeder, roeptze dan, ick zie uw lijf verscheuren

Van eenen wreeden wolf; u uitgaen 1), zonder troost; 01 verre van uw vrucht, om hulp noch uitzien, Oost En West; of in een graft verdrincken, en versmooren. Dan smijtze uitzinnigh uit 2) al wat haer komt te voren. 1225 Dan denck ick: zagh de zon wel oit zoo vroom een kint, Een weoskint, dat zoo teêr zijn moeder noch bemint, En niet vergeten kan ?

EE Y.

Wat noot is\'t ? Groote Vrerijck 3), Een Heerschap zoo geacht, zoo lantrijck, en zoo veerijck, Bemintze zoo , gelijck den appel van zijn oogh.

ADBLAEKT.

1230 Ja wie bemintze niet? wie zet haer deught te hoog 4)quot;?. Zy verfde noit haer wang met moerbay , of morellen. Zy looght 5) noch bleickt geen hair. Zy zoeckt geen jongge-

[zellen.

Zy schuwt de ledigheit, al even kloeck , en kuisch ,

1

Uitgaen, sterven; vgl. vs. 898 en 1489. Kil. emori, animam finire, vita discedere. Vandaar het znw. uitgang {uutgane), dat vroeger do bet. had van dood. Zie Vquot;. Hasselt op Kil. 823 en Weiland, Wdh. 5, 262.

2

Uitsmijten, wegjagen; Kil. expellere, excutere. Van de intr. \' opvatting wegvliegen vindt men een voorbeeld, Oudem. 7, 1G4.

3

Dubbelrijm; zie bij vs. 885; en vgl. 1963.

4

D. i. wie heeft een te hoog denkbeeld, hoe kan men een to boog denkbeeld hebben van hare hoedanigheden? In den volgendenquot; regel neemt V. aan, dat men zich in het idyllische Arcadië reeds blankette.

5

Door H. wordt de poudre de Chypre bedoeld. Verg. N. KI. III. 16, 16; 30, 9.

-ocr page 100-

78

Het zyze jaege in duin, of neerzitt\' binnen \'s huis, 1235 En overpeinze al stil wie alles kan besturen1).

Dat tuiglit het huisgezin : dat tuigen al de buren. 0 Hageroos, uw vier ontvonckt mijn ziel, als stroo 2).

r e y.

Vat aen, daer is de hont, haer jaghtknaep, die zoo noo Gebonden gaet, als ghy wel gaerne gingt gebonden 1240 Aen \'t hairsnoer van een wijf. Zy heele uw zoete wonden : lok ga vernemen, wien de keur hebbe uitgepickt.

adelaebt.

lek volgh , zoo ras als hier mijn zaecken zijn beschickt. HAGEROOS. ADELAERT.

HAGEROOS.

Zijt ghy dat, Adelaert ? o Koning van de helden , Hoe kan ick uwe deught, uw vromicheit vergelden, 1245 Die minder ben van staet, en slecht, en min gezien? \'t Is billijck dat ick dit naer mijne maght verdiep\' 3J. Gebruickme t\'uwen dienst, uw leven langh , in eere.

adelaebt.

Ghy , Schoonste , bietme meer dan ick op *) u begeere , Of oit verdienen kost. Wie zou een maeght in noot 1250 Verraden? dat waer schande. Ick breng u Hazepoot: Hy springt en janckt om u , van blyschap en verlangen. ii a g e b o o s.

Koom B) hier, mijn toeverlaet: koom herwaert: kus mijn

[wangen ,

Mijn lippen , mont, en hant: dat ick u strijcke, en streel\'.

1) D. i. Wie alles op aarde regelt en bestuurt.

2) Poëzie en proza bijeengevoegd!

3) Verdienen, weer inverdienen als het ware; dus hier synon. van vergelden.

4) Op u hegere, wij: van n legeer of verlang. Ojt_ was in \'t mnl. het gewone voorz. om de betrekking tnsfchen eene werking eh een persoon aan te duiden. Zie Lsp. Gloss, op op.

5J Koom, eig. onjuiste vorm van den imper. voor kom, daar tomen een st. ww. is, en koom dus niet voor kome staat. Doch oven onregelmatig zijn eigenlijk eet van eten (mnl. et)-, neem van nemen (mnl. nem); breek van breken (mnl. hree), enz. Bij komen zijn ■wii toevallig in het rechte spoor gebleven.

I , S quot;

-ocr page 101-

En afwissch\' stof, en zweet. Geen molsvel, geen fluweel 1255 Is zachter dan dit vel. Hebt ghy uw vrou ^ gevonden ? Waer staecktghe , toen ick riep ?

A D E L A E E T.

Greluckigh zijn de honden : Zy worden zelfs ge vrijt, gelickt, gestreelt, gekust.

II A G E B O O S.

Wat zeght ghy , Adelaert ?

A D E L A E R ï.

Ick zegh, het is een lust Te zien met welck een gunst en liefde oock stomme dieren 1260 Den mensch bejegenen, en, die hun weldoen, vieren1): Noch schelt de domme mensch de dieren redeloos.

11 A G e e o o s.

De dieren zijn getrou, de menschen overboos : Dat zaeghtghe, daer ick lagh verlegen, en verlaten. Wat dochter wandelt vry op vrye heerestraten 2) , 1265 Zoo zulck een boosheit niet gestraft wort naer den eiscli. Wy wachtten u een wijl, en keecken reis op reis Bekommert om. Hoe zijt ghy endelijck gevaren ? Een schrickelijcke kreet quam dringen door de blaren , En baerde een nieuwe vrees : mijn voeten werden vlugh.

ADELAEET.

1270 Ick vleugelde 3) dien gast de handen op den rugh ,

1

Viejen. ëWën ,\' op prijs stellen. De oorspr. beteekenis was rusten, zwli ontspannen. Zie vs. 180. — Noch, nochtans, toch. Vffl. vs. 1307.

2

Langs \'s heeren straten, zeggen wij, voor op den openbaren weg. Doch dit is eene volksetymologie. Heerstraat (heerestraat) en heerweg (heereweg) is eig. een legerweg, van /teer (heir)-, hd. /jgcr-strasze (niet herrstrasze). Kil. heere.nstraete, o.a. via mui-taris, via publica. Zie Grimm, Wth. 44, 761.

3

Vleugelen, binden, knevelen. Verg. Vondel 4, 468; Gevleugelt en in ketenen geslagen. Een beeld, ontleend aan het vogeljagen. Een vogel vleugelen is hem vleugellam maken, dus van een mensch hem de armen (die men ook wel eens vlerken noemt) binden-, hd. einen vogel flügeln, hem in den vleugel schieten. Kil.ia

4

Vrouw, hier in de oorspr. beteekenis van meesteres gebruikt. Het mannelijk woord van denzelfden stam, dat heer, meester, be-teekent, is nog over in vroondiensten, vroongeld, vroonvisschery enr. en in het hd. frohnleichnmn .quot;cl. iTTfët licKaam des Heeren.

-ocr page 102-

80

En trapte liem op \'t hart. Uw liont quam aengesprongen Op dat benaut geschrey. Had ick hem niet bedwongen, Hy had den booswicht voort verscheurt, gelijck een wilt 1j. hAgeroos.

Mijn toeverlaet, mijn troost, mijn boogh, mijn pijl, mijn

[schilt,

1275 Mijn Hazepoot, hebt ghy mijn ongelijck gewroken?

adelaert.

Het scheen als of de hont uw tranen had geroken, Uw kuischeit, en gekerm. Hy beet met zijnen mont In \'t zant, in dezen boogh, dien hy\'er liggen vont.

ADELAERT.

De booswicht zong gena 2). Ick di-eef hem voor my henen , 1280 En ondervraeghde vast : waer op hy zich met weenen Ontschuldighde , hoe min den mensch zoo wijt vervoert. Hy bad aen \'t Braessemmeirs) uw schoonheit korts beloert, Toen ghy met Zwaentje, daer ter jaght, u wiescht en

[baedde;

Hy, juist van \'t spoor gedwaelt, hier aenquam, tot zijn

[schade,

1285 En door de biezen zagh, by klare middaghzon ,

Uw schoonheit, die de zon in top verletten kon *), En sedert in zijn brein zoo diep een voetstap plantte , Dat zich zijn achterdocht 3) vergeefs hier tegens kantte ,

1

Een wilt, een stuk wild.

2

Genade zingen, om genade bidden. Zoo ook Vondel, Geboorte-Idock {2, 550), va.-GGO: De Spanjaerd singt genade, en looft vast maght van geld. De eigenlijke beteekenis van zingen is lezen: vandaar bij uitbreiding met zelcërèn TTreun opzeggen, als vaak\'bij het prevelen van gebeden geschiedt, en verder hidden. Verg. het mnl. tesen in den zin van hidden.

3

als zij in top staat, zou kunnen hinderen, of {indien men dit de zon doen kon) in de schaduw stellen. H.\'s schoonheid is schitterender dan de middagzon. — Het gebruik van voetstap bij iets zoo ideaals als schoonheid is onvoorwaardelijk af te keuren.

-ocr page 103-

81

En uitgeborsten was tot zulek een onbescheit.

ii a g e e o o s.

1290 Heel fraey.

a d e l a e r t.

Hy kermde, en kreet: de min heeft my verleit; Beschaam mijn ouders niet, verdien ick dit te boeten. Verschoon een\' mensch: een paert met alle vier zijn voeten Kan struickelen 1). Zoo kreegh ick deernis met zijn smart, En bont hem d\'armen los.

h a g e k o o s.

Wel edel is uw hart. 1295 \'k Vergeef het hem, zoo rein2) als of het noit geschiedde.

adelaert.

Dien ouden kluitboogh 3) nam ick hem, en brenge en biede U dien, op datghe my hier eeuwigh by gedenckt.

hageeoos.

Ick ben te vrede , dat ghy dit een ander schenckt.

adelaert. ^

Ick bidde u , laet dien boogli in uw slaepkamer *) hangen. h a g e r o o s.

1300 \'t Was mijn gewoonte noit van iemant iet t\'ontfangen.

ADELAERT.

Ick bidde u , weiger my zoo klein een vrientschap niet. ii a g e r o o s.

Ghy zijt een grooter waert. Het oogh, dat alles ziet,

1

Min of meer comische toevoeging: een mensch heeft twee beenen minder dan een paard, en zelfs een paard struikelt wel eens, hoeveel te eer dan een mensch! Noch heden zegt men: „Het beste paard struikelt wel eensquot;, en „Een paard met vier voeten struikelt wel eens, ik zwijg van een mensch, die maar tweevoeten heeftquot; (Harrebomee, Spreekwdb. 2, 162).

2

Verg. Vondel 6, 68, in het Grafschrift op een musch :

Zy vreesde kluitboogh, spat, noch knip.

Bij Halma wordt kluitboog verklaard door: boog om kluiten of keyen mede te schieten.

-ocr page 104-

82

Q,

S

^ Grondeert1) mijn hart, en weet hoe zeer ick u bezinne 2).

adelaert.

Zoo toon ten minste blijck van ongeveinsde minne 1305 Te mywaert; bleeok mijntrou , zoo trou als gout, in noot.

h a g b e o o s.

Al lengde ick uwen tijt door mijn verhaeste doot,

Noch bleef uw goude deught en weldaet onvergouden \'j.

adelaekt.

Ick zie men zoecktme slechts aen \'t lange touw 3) te houden.

hageeoos.

O borst, ghy houdt u zelf: ga hene, waer \'t u lust.

a d e l a e e t.

1310 Dat li|tghe niet4). Helaes, ter weerelt wort geen rust

Noch troost, noch laefenis voor mijne quael gevonden.

Des avonts rust het wilt in nest, en hol: de honden

Gaen rusten , na de jaght, in \'t hoek; het vee op stal;

De vogels in geboomte en heggen over al:

1315 Maer Adelaert, ocharm, magh rust noch lust gebeuren fi).

n a g e e o o s.

\'k Heb lust by wijlen \'t wilt zijn rust in duin te steuren ,

Met brack , en hazewint ; by wijlen met een\' valck y Te vliegen \') over quot;\'t velt; daer hy, doortrapt 5) en schalck ,

1

Groncleeren, peilen, doorgronden. Vgl. voor de vorming hal-v eer en, voeteeren, hoeleeren, waardeeren, kleineeren enz.

2

Bezinnen, zw. ww., liefhebben. Hooft, N. 11. 907, zegt van Willem I: „Opgevoedt ... in de kaamer des Kaizars, die hem van zijn\' eerste jeughd af zeer bezint had.quot; In de 17de eeuw komt het wvs zeer veel voor; eig. bet. het zijn zinnen op iemand zetten. Zie Oudem. 1, 588. Wel te onderscheiden van het st. ww. besinnen, vanwaar onbezonnen.

3

Wij zeggen aan het lijntje houden, of aan [op) het sleeptouiv houden.

4

D. i. dat kunt ge niet raeenen!

5

Deurtrapt, in de hoogste mate sluw of listig. Zie Warenar 101: deurtrapt slim. Kil. deur trap te, deurtoghen, deur-

-ocr page 105-

83

De vogels in haer vlught versteure, en weet te grijpen; 1320 Maer ree ten dans te staen , op al wat vryers pijgen 1), Vermaecktme niet. Hebt ghy wat stemraighs 2) in den zin , Zoo breng wat stemmighs voort: ick luister naergeenrniquot; ^

A D E Ti A E K T.

Een molock 3) houdt de kars voor musschen onbedorven : Een ÏÏömjpTbie verjaeght de snoepers uit de korven :

1325 Een koeckoeck broet een anders eiers uit:

Zoo vinde ick \'t ledigh nest: een ander strijckt den buit. ■Zoo heb ick deze roos vergeefs in \'t bijster weder Beschut. Wat baet het hoe zich Adelaert verneder\',

Haer diene, dagh en nacht, en gaslae , en behoé?

1330 Zy luickt voor andren op, en sluit den boezem toe

Voor zijn gedienstigheit. Ick wil die grijnzen 6) schuwen, En eenzaem, diep in duin , van \'t wijvenaenzicht gruwen;

trocken boeve, induratus et tritus in astutia. Alle drie de woorden bevatten het beeld van het vermengen van de eene stof (meest eene vloeistof) met de andere. Bij doortrapt komt dan nog het begrip, dat dit mengen met de voeten geschiedt.

1) Pijpen, fluiten, op de herdersfluit voordreunen. Vgl. onze uitdr. naar iemands pijpen (inf.) dansen.

2) Stemmig, deftig, zedig, eig. stijf. Van denzelfden stam als stam. Zie Vondel 1, 350 en vgl. Weigand, U. Wtb. 2, 793 vlg.

3) Moloclc, vogelverschrikker, ook molik, naar het bekende afgodsbeeld, den MfllnpVi aldus genoemd.\' Zie War en ar, vs. 1221. Dit is althans de gewone afleiding. Doch het zou mij niet verwonderen indien die mettertijd naar een museum van oudheden verhuisde, immers reeds in net Leidsche Keurboek van 1508 k pint het woord voor, en wel in den vorm moelick (met oe): ,Soe soude si mit eon kint van stroo of een moeliclc in horen arme een nur lanck opten blaeuwen stien gesloten staen.quot; Het schijnt mij toe, dat de oorsprong eer in het fr. mQide, vorm, model, moet worden gezocht.

4) Neslc, ook nesch, dwaas, mal. Zoo ook War. vs. 1413:

Men zal ongs veur nesh houwen, veur ien paer malle bloên.

Zie Kil.: nes, nesch, nat, iceék. Zoo spreekt men nog hier en daar van nesche eieren, d. i. iceéke, zachte. Op den geest overgebracht duidde het iemand met weeke, zwakke hersenen aan. Vandaar neskébol, weekhoofd, domoor. Hetgeen Vondel hier van den koekoek zegt, is onjuist, immers de koekoek laat zijne eieren juist door andere vogels uitbroeden. Vgl. fr. cocu, d. i. \\amp;i. coccyx, koekoek, V benaming van den bedrogen echtgenoot. Het woord, dat door Kil. verklaard wordt als identisch met hd. nass, door Bild. met lat. nescius, is hetzelfde als got. zacht.

5) Grijnzen, hatelijke, onaangename, en dus gehate gezichten.

-ocr page 106-

84

Vermijdenze , als eeu slang, verguit en glat van vel. \'t Verdriet my in den gloet van zulok een schoone hel 1335 Te jammeren van pijne; of \'t water op de lippen Te vangen , daer liet eb ^ de tonge ga ontglippen ; Of bleeck en afgevast te zien den leckren disch ,

Dewijl het nuttigen den tant verboden is1) ;

Of zulck een boomloos vat met water op te vullen. 1340 lek wil, gelijck een stier , door woudt en weide brullen. Maer raeze ick oock van minne? o al te wuljosche 2) jeucht, Betrouw geen vrouwvolck meer: zy loonen niemants deught.

WOUTER. ADELAERT.

W O U T E R.

Waer vint men Adelaert ? my dunckt ick hoor hem spreken.

A D E L A E E T.

Wel Wouter, hebtghe blint 3) in mijn fortuin gekeken? 1345 Wat brengtghe goets? Hoe na 4) is \'t vonnis nu gevelt?

1

Vs. 1335-8 bevatten eene toespeling op Tantalus, die om zijn gebrek aan eerbied voor de goden door hen met deze eeuwigdurende tergende kwelling werd gestraft. Vandaar dat tantalisatie de uitdrukking geworden is voor de grootst mogelijke terging. Vs. 1339 is eene toespeling op de insgelijks uit de mythologie bekende dochters van Danaus, of Danaïden. Een Danaiden-werlc, het vullen van een bodemloos vat, is daardoor de uitdr. geworden van een nutteloos werk, waaraan geen einde komt.

2

Wulpsch, dartel, doch niet in ongunstigen zin.

3

Wouter was blind. Verg. vs. 1304,

4

„Hoe na: zoo staat er in al de uitgaven. Ik was een oogenblik

feneigd om na als een drukfout voor nu aan te merken; doch ik

eb terstond die gissing verworpen, eensdeels omdat er dan achter \'t woord een vraagteeken of althans een komma had moeten gevonden worden, anderdeels omdat wjj reeds nu in den voorgaanden regel hebben. Ik geloof, dat wij na zeer goed kunnen laten staan, en den zin aldus verklaren: „Zal het recht, hoe nabij wij het tijdstip zijn, waarop er aan voldaan moet worden, om uwentwille of\' enz.?quot; Ik noemde deze verklaring, aan wier juistheid ik twijfelde,

-ocr page 107-

85

WOUTER.

Ja wel, hoe praet ick dit? De namen zijn getelt.

A D E L A E B T.

Zegh op, hoe ging het toe ? \'k Vei-lang het lot te weten.

Hoe nu ? hoe dus ? my dunckt, ghy ziet alree bekreten.

Nu huil niet, slechte bloet: het sterven is ons lot. 1350 Een mensch is stof, en breeckt, gelijck een aerde pot.

WOUTER.

Men kan een broke pot noch wel te zamen smeeren ,

Maer menschen niet. Ay my, kost ick dit jammer keeren.

A D E L A E R T.

Laet hooren hoe het ging : of viel het lot op it ? w OUTER.

Wat zal ick praten? angst maeckt blinden Wouter schuw. 1355 De Heemraet had een wijl gekeven, dat het roockte ,

En \'t bloet van wederzy, gelijck een ketel, koockte ,

Wanneer men ging te keur ; het was oock tijt te gaen^

En Lantskroon zette zich met Vrerick boven aen.

De stemmen gingen om by beurte, en broghten t\'zamen 1360 Van weêrzy twalef uit, dat \'s vierentwintigh namen.

Men tekende de rol, al was quot;t met wederzin

Van elcke zy : toen riep men blinden Wouter in,

Die most uit al den hoop twee cyferletters noemen.

in de eerste uitgave „zeer gewrongenquot;, zonder er eene betere voor in de plaats te kunnen geven. Ran in zijne Proeve van Aanteelceningen op de Treurspelen van Vondel, bl. 64, vestigde de aandacht op deze plaats en verwierp ook Van Lennep\'s verklaring als onaannemelijk. Hij vervolgt: „Onberispelijk is de constructie wanneer men, met Van Vloten „hoe naquot; in den zin van „in hoe verrequot; met de woorden „zal \'t recht zijn gang niet kunnen krjjgenquot; verbindt; maar logisch strookt dit „hoe naquot;_met deze negatieve uitdrukking niet. Het komt mij waarschijnlijker voor, dat wel de uitdrukking „Hoe nu?quot;, die V. elders (vgl. vs. 1348) gebruikt, als in Salomon (5, 726) vs. 781, en (5, 730) vs. 903, om een reden van welluidendheid is uitgesloten, maar toch het vraagteeken is uitgevallen. „Hoe na?quot; kan beteekenen: „hoe na zult gij ons, of het recht komen? hoe ver durft gij wel gaan?quot; in dien zin als in Edipus (8, 702) vs. 816, staat: „Quam ick — uw\' stoel te na?quot; Vondel heeft meer zulke elliptische vragen, als „Hoe dus?quot;, Salomon (5, 745) vs. 1375; „Hoe dan?quot;, Feniciaensche (11, 143) vs. 1028; hier, vs. 1348; die, wanneer zjj niet meer in gebruik zijn, iets vreemds hebben, als

-ocr page 108-

86

lek wreef mijn handen vast, en morde al stil: gansch

[bloemen \'j,

1365 Dit kost geen koe, noch kalf: het kost\'er menschevleisch.

Het Heerschap graeude 1) vast, en porde reis op reis.

Wat zou men doen? Ghy weet ick ben gezworen bode ,

En roeper van ons dorp. In zulck een versche zode 2)

1

Grauwen, snauwen, norsch spreken.

2

B) Zode, zoo, van zieden, thans vooral in het verkleinwoord zoodje of in den vorm zooi bekend; eigenlijk een kooksel, of wat te gelijk gekookt wordt, en bij uitbreiding hoop , troep. Zode, eng. sod, is het met de spade afgestoken stuk van een grasland^ en van een geheel anderen stam.

-ocr page 109-

87

Van vierentwintigli maets te grabbelen zoo los , 1370 Zoo reuckloos naer een paer: het is geen bot of pos

ADELAERT.

Laat hooren vvien gliy koost, het zy dan pos, of snoecken; Wie \'t wezen magh of niet: ick ben niet veer te zoecken. w o u T E B.

Met oorlof, brave borst, ick noemde drie en tien , En badt terstont gena. Daer kost een blinde zien 1375 Wie om zijn hooft bestorf. Hoe mompelden de monden , De mannen om de banck ? Ick wart terstont gezonden Om Hartman, daer hy zat, en praatte by zijn moêr. Daer lagh een huis, gelijck een hoisehuur 1); al de vloer Bezat van \'t naaste bloat, van vrienden, volck, en buren. 1380 Op \'t huilen loeiden stracks de stallen, en de schuren, En weiden om het huis. De zuster hallef doot,

Viel Hartman om den hals , die kreet: het doet geen noot: Gaan Hartman is zoo weeck , dat hy om \'t lot zou zwijmen. Toen quam\'er Maetelief, en Kaas , en lange Tytnen. 1385 Zijn oude 3) vryster Baers die keeck onaertigh 2) bang, De tranen biggelden 0) , als knickers , op de wang. v Hy zoandeze eens , an riep: ghy blijft geen weduw zitten. O schoonheid, zoo ick sterf, verklaanna met de gitten 3) , Die in uw aenzicht staan; „ick min u, by mijn ziel.quot;

A D E L A Ê R T.

1390 \'k Varlaiigme_ doot\') : maer zegh waer \'t ander lot op viel.

1

Oud, d. i. om wie hij lang gevrijd had.

2

Onaertigh, versterkingswoord : zeer, bijzonder. Zie Bredero, KI. van Symen, 3:

lek weet mijn goetje ongneertieh en wongder wel te bewaren. Zie vooral Ned. Wdb., kol. 89S.

3

Git, gitzwart oog. Vgl. vs. 519.

-ocr page 110-

88

W OUTER.

Verlang zoo niet: het wil 1) u tijts genoegh bedroeven.

ADELAEET.

Nu blinde knecht, zegh op: waer toe dit lange toeven ?

WOUTER.

De naem , daer \'t lot op viel, is u te lief en waert, Misschien uw beste vrient.

ADELAERT.

Al was het Adelaert, 1395 lek ben het lot getroost2), en kan het leven missen.

WOUTER.

Wat noot is \'t dat men \'t noemt\' ? ghy kunt het zellef gissen.

ADELAERT.

Zoo hoop ick dezen dagh te sterven met den krans.

WOUTER.

Ghy moet met Hartman voort gaen loten om de kans. Ick daegh u uit den naem des Heemraets en hun allen. 1400 De Zuidt- en Noortzy vreest op wien het lot wil vallen.

A D E L A E R T.

Geluckige Adelaert, schep moedt: ghy zult altoos Niet3) zuchten, onbeloont van fiere Hageroos,

Die uwen dienst versmaet, en zultze nochtans minnen, Veel meer dan eenigh haen het puick van al zijn hinnen , 1405 Beschut door zijnen beck, en pen, en spore, en poot *). De waere liefde is taey , en overduurt de doot. Behaeghde \'t haer uit gunst mijti\' krans te helpen strengelen, En onder elcke bloem een\' druppel daeuws te mengelen, Die langs haer wangen druipe; ick storref waert benijt4). 1410 Nu \'tlot des doots getart: zy wachten: het is tijt.

Een ander trille, en beve , en hoor\' van \'t sterven noode: Ick hoor geen blijder maere , en volgh van zelf den bode.

1

Wil, zal. Zie vs. 843. — Tijts genoegh, zie vs. 809.

2

Ik hen het lot getroost, ik zou in mijn lot berusten. De 4de nv. het lot staat voor een 2den, als ook b. v. in de uitdr. ik ben het leven moe. Be mnl. uitdr. was hem des getroosten, zich schikken in iets. ........

3

Altoos niet, hier niet altijd. Vgl. bl. 3, aant. 2.

4

Waert hen-ijt, benijdenswaardig. Zie over deze ellipt. uitdr. voor waert benijt (zw. vervoegd) te worden, vs. 285.

-ocr page 111-

89

KEY VAN LEEUWENDALERS.

KEER.

O zorghelijcke lotery ,

Wie van die beide treckt zich vry ? 1415 Hier schuilen doot en leven In eene zelve bus al stil.

Het lot magh vallen hoe het wil;

Een karei moet \'er kleven^1).

De Zuidtzy bidt voor Adelaert:

1420 De Noordtzijde acht haer\' Hartman waert 2), Hoe \'t valle , \'t valt oneven 3).

TEGENKEEB.

Het bloet van beide is ongelijck:

Maer \'t blinde lot zal arm noch rijck,

Noch hoogh noch laegh verschoonen. 1425 Het bloet der Goden sneuvelde oock,

Toen al ons vreught verdween, als roock 4).

O Wout- en Veegodts zonen,

Uw deught blijft eeuwigh buiten \'t graf: Uw naem neemt toe , en nimmer af: 1430 Geen winter schent uw kroonen.

TOEKEER.

De nederlaegh van Waerandier, En Duinrijcks jammer hebben ;t vier

Van \'s hemels wraeck ontsteken. Hoe maecktze \'t Leeuwendael zoo bang ? 1435 Och Ackergoden , och , hoe lang Zult ghy uw zonen wreken ?

1

Kleven, blijven hangen, het leven laten. Verg. Vondel 5, 407: „Nu begint het bloet van gramschap te zieden: de stoutste harten moeten \'er kleven.quot; Zie nog Oudemans, Wdb. op Hooft 151.

2

Waert achten, iemand op prijs stellen; vs. 1420 bet. dus; de wenschen en beden der Noordzijde zijn voor H.

3

8) Oneven, ongelijk, te onpas. Vgl. de mnl. uitdr. even comen.

d. i. te pas komen, uitkomen. cUj- . usvud-,

4

T. w. bij den dood van Dumrijck en Waerandier. Zie Inhoudt en vs. 1480 vlgg.

-ocr page 112-

HET TIERDE BEDRIJF.

WOUTER. VELLEEDE. VRERICK. ADELAERT. VOLCKAERT. V

W O U T E E.

Ghy lotgebroeders, die de lotbus elck by \'t ooi-Gevat liebt, Adelaert en Hartman , ick ga voor,

Dies volght: de Heemraet volge ; en, na den Heemraet, beide 1440 De Heerschappen , ter steê, daer \'t bittre lot n scheide ^). Nu staet gelijck, en zet de gotide lotbus zacht Op dezen drievoet neêr, voor ons kappelle , en wacht Op uwe knien de komst van Priesterin Velleede , Die iiltijt spreeckt met Pan: hy waert 1) in deze stede. 1445 Als zy de derde reis den offerhoren hoort,

Zult ghy haer zien in \'t wit verschijnen in de poort, En flucks, na d\'uitspraeck, stil en stom naer binnen

[deizen 3).

Verbeitze een\' oogenblick met zuivere gepeizen , En steurt d\'orakels niet door woorden, of gebaer; 1450 Zy neemt niet slof en traegh het out kappelampt2) waer, En zal, gelijckze plagh , verschenen , ons ontdecken Des Veegodts wil en eisch , en \'t lot rechtvaerdigh trecken.

VELLEEDE.

Het lot eischt Adelaert: men offre hem aen Pan.

v R e k i c k .

Vertreck niet, Lantskroon, blijf: vertreck niet, Heereman.

1

S) Deizen, deinzen, terugwijken. De n is uitgevallen blijkens onl. ihmsan [I\'s. 70, 13), evenals in pelzen, yoor peinzen, fr. penser.

2

Soppelamjit. Zie vs. 1491,

-ocr page 113-

91

1455 Gelioorzaemt quot;t lieiligh lot: verdraeglit het lot geduldigli. Waer looptghe zoo verbaest ? O jongeling, beschuldigli, Bezwaar geen sterflijck mensch: de Godtheit kiest u uit, En wil datghe op uw borst dit jaerlijcks onweer stuit.

Eijs op : ontschuldigli 1) ons: bet lot heeft u gekoren.

A D E L A E B T.

1460 lek achtme heden eerst ter goeder tijt geboren ,

En schatte zulck een doot wel duizent dooden waert. Wie in de bloem der jeught aldus ten grave vaert, Bestulpt met geenen zerek al t\'effens zijn gebeente , En naem 2), die op de tong des lants, by zijn gemeente , 1465 Gedurigh3) leeft en zweeft, ja t\'elkens weder groent, Gelrjck een jonge telgh. Wat wacht men dan? verzoent Den hemel door mijn bloet, dat keere uw ongelucken. Zoo zal ick zelf mijn borst en boezem openrucken ,

En pal staen , als een pael; mijn aengezicht geen verf, 1470\'JJé\'quot;lindeboom zijn kleur verschieten, daer ick sterf4).

VOL CKAEET.

Van twintigh daelde geen zoo welgemoedt ter zielen. . De Doot joech andren voor: ghy volght haer op de hielen , Zoo vrolijck, ofze u leidde op eeq^ bruiloftsfeest. Men twijfelt wie van bey het meeste schrickt en vreest. 1475 De Doot is stout, en trots: ghy tartze, en zijt noch stouter.

v K E r i c K.

Welaen dan, volgh , \'t is tijt, het spoor van blinden Wouter, En voegh u tusschen beide , als \'t immers 5) wezen moet. »\' Hoe raeckt onze offerwijze op eenen betren voet \')?

1

Ontschuldigh ons, werp op ons de schuld niet; zeg ons, dat gij uw droevig lot niet wijt aan ons.

2

D. i. Hij, die zoo gestorven is, bedekt niet te gelijk niet zjjn gebeente zijn naam, die zal blijven leven. Voor bestulpen, vgl. Vondel 2, 128:

Geen graf hestulpt zijn faem. Hij heldert met den tijdt.

3

Gedurigh, voortdurend, gestadige. Zie Ned. Wdb. op gedurig en aanhoudend.

4

Ik zal niet verbleeken bij mijn dood, evenmin als de lindeboom van kleur veranderen zal. Uit geen vuile men in vs. 1470 niet of noch aan.

5

Immers, mnl. emmer, d. i. in elk geval, onvermijdelijk.

-ocr page 114-

92

HEEREMAN. LANTSKROON.

H E E n E M A N.

Helaes ! wat ongeluck , wat rampspoet komt u over ?

LANTSKROON.

1480 Zoo treft de blixemstrael de leste telgli en lover Van onzen lauwerboom, den stereken Waerandier,

Uit \'s Woutgodts struick geteelt , gesproten. Nu is hier Geen tack noch telgh van Wout- en Veegodt meer voor-

[handen,

By alle ons wetenschap ^ : want geen der ommelanden 1485 Oit tael of teken broght, waer Duiiyijcks weduw bleef, Die zwanger van een vrucht, haer huis met hope steef 1), Dat \'s Veegodts afkomst noch in hare vrucht zou bloeien, Gelijck een willigh plagh aen onze beeck te groeien. Zoo gaet in \'t endt de boom met zijnen wortel uit 2). 1490 Wat raet ? dees loting is geen menschelijck besluit.

Wie durf zich tegens Godt en zijn kappelampt*) zetten?

H E E R E M A N.

^ Het ga zoo \'t wil, zoo \'t kan: ghy moet dien scheut be-

[ letten 3).

LANTSKROON.

Wat middel om dien ree gespannen boogh t\'ontgaen ?

1

Stijven, bevestigen, versterken, wordt in overdrachtelijken zin thans zwak gebruikt; doch sterk in den eigenlijken zin van linnen stijven, door stijfsel vastheid er aan geven.

2

vooral Hoogstraten 473 op schoot, en 467 op scheut, en vgl. vs. 1529: scheutvrij, ons schootvrij en buiten schoot.

3

Scheut, schot, nog over in schimpscheut, iemand een scheut

-ocr page 115-

93 ^

II E E E E 31 A N.

Ick hoop ons Zuidtzy zal tot uitstel noch verstaen

L A N T S K E O O N.

1495 De Noortzy nimmermeer: oock heeft de G-odt der wouden, Noch Pan, noch Wildeman noit boete quijtgeschouden 1j. Al stilde men het dorp, ghy stilt den Wilden niet.

H E E E E M A N.

Ghy weet wel hoe hy lacht, wanneer hy maeghden ziet.

LANTSKKOON.

Wat vordert 2) dit? hier heeft geen dochter in te zeggen. 1500 Die schutter zal den boogh en knods niet nederleggen , Om \'t loncken van een maeght: hy is te woest en wilt.

H E E E E H A N.

Hy zal \'t verzeker doen.

LANTSKEOON.

Ghy spreeckt te rijck en milt 3).

H E E E E M A N.

Ay Heerschap , laet my slechts al heimelijck betyen 4).

LANTSKEOON.

Ga hene , neem een proef. Het schijnen razeryen. 1505 Mijn hoop verdwijnt in roock. O edelaerdigh bloet, Heb ick u voor een pijl zorghvuldigh opgevoedt,

Gelijck mijn\' eigen zoon ? Wat baten al mijn zorgen ? Ontzincktghe \'s avonts my in \'t schoonste van uw\' morgen ?

HAGEEOOS. HEEREMAN.

II A G E E O O S.

Ellendige Adelaert, hoe treft het lot uw hooft! 1510 Beschermer van mijn eer, wat avontuurc\') berooft

1

Schelden had vroeger in den verl. tijd schout, oor.-pr. scalt, mv. scouden, in het deelw. geschonden, met overgang van ol in ou. Vgl. ook vs. 499 en 1512.

2

Vorderen, baten, helpen. Zoo ook vs. 1609.

3

D. i. gij spreekt te stout, te veel alsof gij heer en meester zijt, alsof gij er alleen in te zeggen hebt.

4

Betijen, betten, begaan. Zie Mnl. Wdh. op be tien.

-ocr page 116-

94

My heden van uw hulpe , en trouwe, versch gebleken ? Het lot schelt suffers 1) quijt. De deughdën en gebreken Zijn even waert by Pan, die geene kennis draeght 2) : Al roept men dat de deught den Goden zoo behaeght. 1515 O vryers , houdt uw rust, al hoortghe maeghden schreien, In duin , op \'t eenzaem velt, of wilde woeste heien ; En werpt u om geen maeght in \'t uiterste gevaer; Men loont u averechts. Nu zult ghy op een baer Den dooden Adelaert, te jammerlijck doorschoten, 1520 Zien dragen naer zijn huis, en alle lijckgenooten 3)

Zien kermen , zonder maet4), ojd dat ontijdigh lijck , Daer Lantskroon zit en treurt, bemorst van stof en slijck. Zoo treft een Noortsche buy den roem van alle hoven , Den bloessem , die den boom een\' rijckdom dorst beloven. 1525 Zoo bijt een ongedierte een wijnranck , datze quijnt:

Zoo stickt de mist een bloem, dat al haer geur verdwijnt.

heebeman.

O Hageroos , \'t is waer , ghy toont uw gunst met klagen , Maer ydel. Had men \'t hart een schoone kans te wagen , lek zaegh hem ongequetst en scheutvry voor dat punt 5). 1530 Genees6) den vromen helt: bepïoef eens wat ghy kunt.

ii a g b k o o s.^quot;

Ghy raest: hoe kan ick hem in zulck een\' schijn 6) genezen ? My dunckt ghy schimpt s) met my : ook schijnt het aen uw

[wezen.

1

Suffer, flauwhartige, lafaard, lummel. Zoo ook Vondel 2, 497:

De suffert gants verwjift hem in de lenden steeckt. Kwijtschelden, laten loopen. Vgl^ts. 499.

2

Geen kennis dragen, niets*6ntzien, zich om niets bekommeren. Zie vs. 1015.

3

De lijkgenooten, de vierentwintig jongelingen, twaalf van de noord- en twaalf van de zuidzijde, waaruit van ieder deel één door het lot werd aangewezen. Deze beiden moesten dan te zamen loten, wie als zoenoffer voor Pan vallen zou.

4

Zonder maet, bovenmatig, hartstochtelijk.

5

Genezen, redden, behouden.

6

Schijn, toestand. Zoo ook Hooft, N. H. 407: „ziende deezen gevangen in zoo deerlijk een\' schijnquot;, en Vondel 5, 450:

terwijl ghy laeght in dien bedroefden schijn,

Op d\'oevers van de doot.

-ocr page 117-

95

Doch \'t is geen schimpens tijt: men neem\' geen tijtverdrjjf Uit \'s anders ongeluck : dit nootlot eischt zijn lijf.

h e e r e m a If.

1535 Geloofme zonder schimp , ick wenschte hem t\'ontzetten.

h a g e b o o s.

Al quaem hier Herkules, hy kost dit niet beletten.

h e e r e m a n.

Hier hoeft geen Herkules , maer eer een Circe toe.

ii a g e r o o s.

De Wildeman is schalck : hoe zou dit toegaen ? hoe ?

ii e e r e m a n.

De schoonheit nam wel eer een schalcker gast1) gevangen.

hageroos.

1540 Ay Heemraet, zwijgh : ghy zoeckt my slechts met roode

[wangen

Van hier te jagen ; zwijgh: ick hoor u met verdriet.

ii e e r e m a n.

Ick hidde u luister eerst : ghy vat mijn meining 2) niet. Men wil uw eerbaerheit bevlecken , noch beschamen Met zaecken, die noch maeght noch eerbre vrou betamen. 1545 Betrou ons beter toe, en neem den voorslagh in 3) : Mishaeght het u , zoo volgh dan vry uw\' eigen zin.

HAGEROOS.

Laet hooren hoe ghy meent een\' wolf in slaep te wiegen.

heereman.

Ulysses kost wel eer den Grieckschen Reus bedriegen , En aen den ramsbuick vast, ontsloop dat bloedigh hol. 1550 De blinde tastte slechts den rugge , migh van wol,

En docht niet om den gast, die hangende aen de vloeken

1

Gast, in kleur overeenkomende met ons kerel, vgit. Zie Ndl. en Mnl. Wdb. op gast, en vgl. vs. 1557 en 1270. In niet on-gunstigen staat het vs. 1551, nl. in dien van vreemdeling.

2

Meining. Zie vs. 1031. Ook in het mnl. -was meining een zeer gewone vorm; zoo b. v. Brah. Yeesten VI, 2051: „die sijn meininghe seide.\'\'

3

Innemen, in overweging nemen, of ontvangen, aannemen. Kil.: accipere, admittere.

-ocr page 118-

96

Uit \'s menschevreters muil beliendigli wert getrocken.

h a g e r o o s.

Geliick 1) den Wildeman by geenen blindeman.

h e e e e m a n.

Te loozer is de vont, die hem beguighlen 2) kan, 1555 Die scherp en helder ziet uit alle bey zijn oogen.

De boschgalm heeft zelf Pan met haer geluit bedrogen 3). Ga hene , ga verschalck dien onbesuisden gast.

ii a g e r o o s.

Indien het mooghlijck zy , vooral ooek buiten last Van eere en zuiverheit, my waerder dan mijn leven. 1560 Zegh op, \'k verlang i) wat list ghy listigh weet te weven In dees verlegenheit.

h e e r e m a n.

De list gaet boven maght.

Het vrouwvolck ringeloort 5) en knevelt mannekracht.

* t

Een schoonheit, opgepronckt met aengename treken, Bleef zelden in \'t begin van haren aenslagh steecken. 1565 Verzuim niet, zeven sterck. zoo daetlijck heen te gaen En treek uw bruiloftskleet en beste rocken aen ,

D\'een geel, en d\'ander root, of goutgeel, als de doiers, Of blaeuw , als korenblaeuw, of paers, of noch wat moiers. Dan bint de vlechten op met lint, dat gout verdooft. 1570 Een zilvre riem om \'tlijf; een roozekrans om \'t hooft: De kralen om den hals: een verschgepluckte ruicker Van bloemen in de hant: een doos met lecker suicker G)

1) Gelijken, vergelijken.

2) Beguighlen, begekken, bedriegen, misleiden. Zie De Jager, Frec[. 1, 182 en Kluge op g a u k 1 e r.

3) Dit doelt op de liefde van Pan voor de nymf Echo, die hem verschalkte. — Over onbesuisd zie het belangrijk artikel in \'t Ndl. Wtb.

4) \'K verlang, ik ben benieuwd, verlang te weten. Zoo ook vs. 1069.

6) Ringeloor en, van ringelen,\' dwingen, eigenlijk met een ring beteugelen, en oor; eigenlijk van dieren, die men met een ring in het oor leidt waarheen men wil. Zie Cats 1, 204:

Prinsen,

Geducht by al het volck, en deftigh van bedrijf,

Maer in haer eygen huys geringell van een w ij t\'. C) Suicker, suikergebak, bonbon.

-ocr page 119-

97

Beveel een andre maeglit: een flescli met Eijnsclien wijn1) , Een\' korf met glazen, rein en klaer van kristallijn , 1575 Een lietboeek en een fluit aen anderen te dragen 2).

Gemoet hem dus in \'t boscli. Ghy zoudt een\' Godt behagen , Bekooren onverziens , in \'t heetste van zijn jaght. My dunckt ick zie hem staen: hy huilt van pijne, en lacht. De knods , de boogh , de pijl begint den Eeus t\'ontzijgen. 1580 Hy noodight u in \'t groen. Ghy zult hem binnen krijgen, Eontom belegeren, verovren met een\' lonck ,

En brengen glas op glas ; daer zoete dronck op dronck , En fluit en boschgezang zijn zinnen zoo betover\' ,

Dat hy in uwen schoot, of slaeprigh achter over , 1585 Zich zelf in \'t gras vergete , en zijn gety verslaep\'.

Hy rijze \'s morgens vry, en rispe 3), en geeuwe , en gaep\', Maer verge ons niemants bloet, als \'t zoenfeest zy verstreken ,

En d\'eischer van dien eisch het gantsche jaer versteken *). Zoo berght ghy Adelaert, dat Lantskroon zelf u verght. 1590 Ay , bergh den helt zijn lijf: hy heeft uw eer geberght 4) : Zoo zal het groene woudt, de vogel in de hagen , 1 Gansch Leeuwendael, en elck van uwe deught gewagen.

11 A G E n O 0 s.

Ick kocht dien jongen helt zijn leven met mijn doot.

1

Vondel laat hier een meisje zirh optooien als men in Arcadië

niet zou verwachten; ook de versnaperingen, die nier genoemd •

worden, Rijnwijn (in de 17de eeuw Bynsche wijn; vfjl. ons bnw. quot;s. rinscli) en suikergebak, passen niet best in het idyllische Arcadië, evenmin als het ,lietboeckquot;, in vs. 1575.

2

Dit vers hangt mede af van het in vs. 1573 voorkomende beveel.

3

Bispcn, oprispen, vooral ten gevolge van onmatig gebruik van spijs en drank. De aant. op Huygens, Cost. Mal enz., bi. 91, vs. 9 (soo ripst hy), dient gewijzigd. Jtipsen was de met het oud-germ. overeenkomstige vorm, niet rispen. Nog heden zegt men ripsen in Limburg.

4

LEEUWENDALERS. 7

-ocr page 120-

98

Maer wacht u , zoo my dit, gelijck het kost, ontschoot1): 1595 De helt bleef ongeredt, en ick , in smaet, en scliande , Zou ongeacht by elck , geschonden achter lande s)

Gaen dolen: neen , ick ben den schender pas ontgaen , En wil zoo reuckeloos my zelve niet verraên.

Die raet is vol gevaers : ick zie geen\' troost voorhanden2^.

HEEBEMAN.

1600 Zy height zich des *) : ick bijt van boosheit op mijn tanden. De vryers zijn te heet; de vi-ysters veel te koel. Hy liep zich doot, en zy blijft zitten op haer\' stoel.

ft\'

VOLCKAEET. VRERICK.

VOLCKAEKT.

Wat raet met Lantskroon nu\'? dat Heerschap valt ons tegen.

VRERICK.

Wy zyn gewisselijck om zijn fortuin verlegen 3). 1605 Indien ons Hageroos dit lot te beurte viel ,

My dunckt de wilde boogh zou eer mijn eige ziel Doorschieten , en mijn hart dat scherpe punt 6) gevoelen.

VOLCKAERT.

De mensch is stock noch block: maer kan dit tegenwoelen\') Iet vorderen 4) ? ghy weet het vonnis leit gevelt.

1

D. i.: Bedenk eens, zoo mij dit, gelijk gebeuren kon, mislukte. Zich wachten, oppassen, opletten, bedenken. Eene andere bet. zie TS. 1143.

2

Voorhanden, zie vs. 1483.

3

Punt. vaak onz. gebruikt, als Vondel 6, 536: Thet punt der . . . . naelden.quot; Zie vs. 1529; Hoogstraten, Geslachtslijst op pnnt; Huyd. Proeve 2, 63.

4

Forderen, zie vs. 1492.

-ocr page 121-

99

v k e e i c k.

1610 Zy weten \'toock, en best de vader, wien liet geit.

volckaert.

Geen vader, maer een vooght, en slechts een voestervader.

v b e r i c k.

Geloofme vry , geen kint ging oit zijn oudren nader Aen \'t hart, als my dees spruit, mijn lieve Hageroos. Het opvoên wortelt diep van langer hant \')• lek koos 1615 Geen eigen kint voor dit: zoo treft my \'t mededoogen. Ick houze ruim zoo waert als d\'appels van mijn oogen, En voel by my hoe \'t hart van Lantskroon zy gestelt; Het hart, een naeuw begrijp s) , en al te klein een velt Voor zulcke vyanden 1): de noot aen d\'eene zijde, 1620 De liefde aen d\'andre zy. Hier gaet een sterek getijde *).

VOLCKAERT.

De liefde moet in \'t endt toch luistren naer den noot.

v r e r t c k.

Zoo licht niet: neen zy lydt en waeght eerst stoot op stoot.

volckaert.

Ean hobbelt2) het gemoet te langer hene en weder, v r e r i c k.

Een boom valt nimmermeer met oenen slagh ter neder 6j.

1

Voor zulke vyanden, voor twee zoo groote tegenstrijdigheden als nooddwang en liefde. Vgl. vs. 160.

2

Ter neder. Zie Tijdschrift 2, 135. Tegen het daar aangevoerde (ter neder verbasterd uit daarneder) is in te brengen, dat ook andere adv. met te verbonden worden, b. v. ten onder, te boven, te binnen, te buiten. Daar naast ter neder ook te neder voorkomt, zal men wellicht moeten aannemen dat de beide uitdr. te{r) neder (vgl. mnl. ter dael en te dael, Mnl. Wdb. op dal) en daarneder naast elkaar hebben bestaan. Vgl. ook Mnl. Wdb. op daerneder. Het spreekwoord komt reeds in \'t mnl. voor. Vgl. Limborch VI, 732: Niet en valt die boem ten iersten slaghe.

-ocr page 122-

100

VOLCKAEBT.

1625 Hoe gaet men hem dan best met Idem van woorden aen *) ?

v R B R i c K.

Men moet hem minnelijck met reden ondergaen 1).

VOLCKAERT.

Heeft reden oock de maght hem over stach te werpen 2) ? v B E r i c K.

Zoo dra niet: neen, men dientze allengs 3) wat meer te

[scherpen.

VOLCKAEB T.

Hy voert zijn tegenreên, het loop\' dan hoogh of leegh.

V II E R I O K.

1630 Men wicke in redens scliael wiens reden zwaerder weegh\'.

VOLCKAEK T.

Indien hy , als de tong van deze schael, wou luisteren.

V R E R I O K.

Hoe zou, hoe kan hy \'t recht van \'t billiick lot verduisteren?

VOLCKAERT.

Maer een benevelt brein en 4) luistert nergens na.

1

Iemand ondergaan met reden, iemands st(-nn wegnemen door redeneering en zoo hem tot andere gedachten brengen , hem trachten over te halen, te oveneden. Zoo ook Vondel 3, 833:

Die jongman is te kuisch en liet zich noit gezeggen, Hoe minnelijck mevrouw hem onderyinck en badt.

Zie Ned. Wdh., kol. 1306 vlg., alsook de aant. op vs. 728.

2

De stag (vr.) is het staande touw, dienende om een mast te steunen en\'te beletten achterover te slaan. De spreekwijze: iejncmrf over stag werpen bet. iemand van zijn stuk brengen, hem of zijne redeneering omverwerpen. Bij Vondel 2, 606 vindt men de nitdr. over s t a e g h werpen (uit stage); hd. das stag {stages). Ook noorach, deensch, zweedsch stag. Zie Weigand, D. Wth. 2, 791, en VanLen-nep, Zeemanswdb. op stag.

3

Allengs, niet uit lang, maar uit al e e n kine, d. i. een voor een, langzamerhand; vgl. vs. 1638. Zie Ned. Wdb. op allengs. Een is in \'t mnl. ook bijw. niet de bet. eens. Ook \\3 allengskens niet gemaakt van allengs, maar omgekeerd. Zoo is almacht gevormd uit almachtig, baldadd (17de eeuw) mt baldadig, bomvval uit bouwvallig, martelen uit martelaar.

4

En, de oudtijds voor het werkwoord gevoegde negatie, die, even als nog in het Fr., dubbel was: ne — pas, en —niet, b.v. „ik en hoorde hem niet.quot; Nog zegt men hier en daar: dat ik het niet

-ocr page 123-

101

y r e r i c k.

In \'t eerste niet; liet hoort noclitans , al hoort het spa.

tolckaert.

1635 Wel Heerschap, het wort tijt: wy dienen werck te spoeden1).

v k b r i c k.

Laet my begaen , en schuw hardtneckigheit te voeden Door eenigh dreigement, of scheltwoort, fel en bits. Wie zacht een diün beklimt; genaeckt allengs het spits 2).

VEEEICK. LANTSKROON. VOLCKAERT. HEEREMAN.

v r e r i c k.

Velleedes uitspraeck klonck zoo luidt, gelijck een donder 1640 In d\'ooren van het volck ; het geef dan niemant wonder 3), Dat ghy verslagen zit om uwen Adelaert:

Want voesterkinders zijn den voestervadren wa^rt; Te meer , zoo deught en geest en gunst *), hun aengeboren ^ En ingeschapen , oogh en hart en zin bekooren :

1645 Dit leert d\'evvaerenheit den mensch , van hant tot hant 4). De huisman mint veel meer zijn opgeqüeeckte plant , En die hy meste en snoeide om weeligh op te komen , Dan aengekochten gront, bezet met oude boomen ; Byzonder als zy tiere en voortbreng\' zulck een ooft, 1650 Dat alle boomgaerts tart6)., en strijckt de kroon van \'t hooft.

1

Werck spoeden, het werk bespoedigen, zich haasten. Zoo ook Vondel 11, 212:

mijne driften Bestonden niemant oit te raeden werck te spoên In een\' onzekre zaeck.

2

Spits. onz. als punt. Nog over in de uitdr. het spits afbijten. (vg). Ndl. Wdh. op afbijten). In de hier gebezigde opvatting fop, kruin is spits thans ml.

3

De uitdr. het geeft mij wonder, het geeft mij vreemd, d. i. het verwondert mij zijn in de spreektaal hier en daar nog in gebruik, b. v. te Leiden.

4

Tarten, zie vs. 1202.

-ocr page 124-

98

Maer wacht u , zoo my dit, gelijck het kost, ontschoot1): 1595 De helt bleef ongeredt, en ick, in smaet, en scïiande , Zou ongeacht by elck , geschonden achter lande 2)

Gaen dolen: neen , ick ben den schender pas ontgaen , En wil zoo reuckeloos my zelve niet verraên.

Die raet is vol gevaers ; ick zie geen\' troost voorhanden3^.

11 E E R E M A N.

1600 Zy belght zich des \'): ick bijt van boosheit op mijn tanden. De vryers zijn te heet: de vrysters veel te koel.

Hy liep zich doot, en zy blijft zitten op haer\' stoel.

/y

VOLCKAEET. VEERICK.

v o l c K A e k r.

Wat raet met Lantskroon nu\'? dat Heerschap valt ons tegen, v r e r i c k.

Wy zyn gewisselijck om zijn fortuin verlegen 4). 1605 Indien ons Hageroos dit lot te beurte viel ,

My dunckt de wilde boogh zou eer mijn eige ziel Doorschieten , en mijn hart dat scherpe punt 6) gevoelen.

VOLCKABBT.

De mensch is stock noch block: maer kan dit tegenwoelen\') Iet vorderen 5) ? ghy weet het vonnis leit gevelt.

1

D. i.: Bedenk eens, zoo mij dit, gelijk gebeuren kon, mislukte. Zich wachten, oppassen, opletten, bedenken. Eene andere bet. zie vs. 1143.

2

Achter lande, zie vs. 1023.

3

Voorhanden, zie vs. 1483.

4

Punt. vaak onz. gebruikt, als Vondel 6, 536: rhet punt der . . . . naelden.quot; Zie va. 1529; Hoogstraten, Geslachtslijst op punt; Huyd. Proeve 2, 63.

5

Vorderen, zie vs. 1492.

-ocr page 125-

99

v e e k I c k.

1610 Zy weten \'toock, en best de vader, wien liet geit.

volckaeet.

Geen vader, maer een vooght, en sleclits een voestervader.

v b e e i c k.

Geloofme vry , geen kint ging oit zijn oudren nader A en \'t hart, als my dees spruit. mijn lieve Hageroos. Het opvoên wortelt diep van langer hant \'). Ick koos 1615 Geen eigen kint voor dit: zoo treft my \'t mededoogen. Ick houze ruim zoo waert als d\'appels van mijn oogen, En voel by my hoe \'t hart van Lantskroon zy gestelt; Het hart, een naeuw begrijp 2) , en al te klein een velt Voor zulcke vyanden 3): de noot aen d\'eene zijde, 1620 De liefde aen d\'andre zy. Hier gaet een sterek getiide 4).

volckaeet.

De liefde moet in \'t endt toch luistren naer den noot.

v e e e i c k.

Zoo licht niet: neen zy lijdt en waeght eerst stoot op stoot.

volckaeet.

Dan hobbelt B) het gemoet te langer hene en weder, v e e e i c k.

Een boom valt nimmermeer met oenen slagh ter neder 6).

1) Van langer hant, op den langen duur. Verg. voor de verbuiging vs. 72.

2) Begrijp, beperkte ruimte, kring. Zie Oudemans, Bijdr. 1,405.

3) Voor zulke vyanden, voor twee zoo groote tegenstrijdigheden als nooddwang en liefde. Vgl. vs. 160.

4) Hier gaet een sterk getijde, hier is een hevige vloed, d. i. een zware strijd. Vgl. vs. 1834.

5) Hobbelen, dobberen, in tweestrijd zijn. Vgl. De Jager, Freq. 1, 221.

6) Ter neder. Zie Tijdschrift 2, 135. Tegen het daar aangevoerde [ter neder verbasterd uit daarneder) is in te brengen, dat ook andere adv. met te verbonden worden, b. v. ten onder, te boven, te binnen, te buiten. Daar naast ter neder ook te neder voorkomt, zal men ■wellicht moeten aannemen dat de beide uitdr. te(r) neder (vgl. mnl. ter dael en te dad, Mnl. Wdh. op dal) en daarneder naast elkaar hebben bestaan. Vgl. ook Mnl. Wdb. op daerneder. Het spreekwoord komt reeds in \'t mnl. voor. Vgl. Linthorch VI, 732: Niet en valt die boem ten iersten slaghe.

-ocr page 126-

100

VOLCKAERT.

1625 Hoe gaet men hem dan best met Idem van woorden am 1) V

V B E R I C K.

Men moet hem minnelijck met reden ondergaen 2).

VOLCKAERT.

Heeft reden oock de maght hem over stach te werpen 3) ?

V R E R I C K.

Zoo dra niet: neen, men dientze allengs 4) wat meer te

[scherpen.

VOLCKAERT.

Hy voert zijn tegenreên, het loop\' dan hoogh of leegh.

V R E R I O K.

1630 Men wicke in redens schael wiens reden zwaerder weegh\'.

V O L C K A E R T.

Indien hy , als de tong van deze schael, wou luisteren, v R E r i c IC.

Hoe zou, hoe kan hy \'t recht van \'t hillijck lot verduisteren?

V O L C K A E R T.

Maer een benevelt brein en quot;) luistert nergens na.

1

Aengaen, aan boord komen, aantasten. Zie Ndl. Wd. op aangaan, en Ned. KI. II, 44, aant. 6, en bl. 96, aant. 1.

2

Iemand ondergaan met reden, iemands stpun wegnemen door redeneering en zoo hem tot andere gedachten brengen , hem trachten over te halen, te oveneden. Zoo ook Vondel 3, ^33:

Die jongman is te kuisch en liet zich noit gezeggen, Hoe minnelijck mevrouw hem ondereinde en badt.

Zie Ned. M\'dh., kol. 1306 vlg., alsook de aant. op vs. 728.

3

De stag (vr.) is het staande touw, dienende om een mast te steunen en quot;te beletten achterover te slaan. De spreekwijze: «mand over stag werpen bet. iemand van zyn stuk brengen, hem of zijne redeneering omverwerpen. Bij Vondel 2, 606 vindt men de uitdr. over s t a e g h werpen (uit stage); hd. das stag (stages). Üok noorsch, deensch, zweedsch stag. Zie Weigand, I). Wtb. 2, 791, enVanLen-nep, Zeemanswdb. op stag.

4

Allengs, niet uit lang, maar uit al een kine, d. i. een voor een, langzamerhand; vgl. vs. 1638. Zie Ned. Wdb. op allengs. Een is in \'t mnl. ook bijw. met de bet. eens. Ook is aUengskens niet gemaakt van allengs, maar omgekeerd. Zoo is almacht gevormd uit almachtig, baldadd (17de eeuw) uit baldadig, bouwval uit houwvallig, martelen uit martelaar.

-ocr page 127-

101

V B E R I C K.

In \'t eerste niet; het hoort nochtans , al hoort het spa.

V O L C K A E R T.

1635 Wel Heerschap, het wort tijt: wy dienen werck te spoeden1).

v K E r i c K.

Laet my hegaen , en schuw hardtneckigheit te voeden Door eenigh dreigement, of scheltwoort, fel en bits. Wie zacht een duin beklimt, genaeckt allengs het spits 2).

VRERICK. LANTSKROON. VOLCKAERT. HEEREMAN.

Y R E R I C K.

Velleedes uitspraeck klonek zoo luidt, gelijck een donder 1640 In d\'ooren van het volck ; het geef dan niemant wonder 3), Dat ghy verslagen zit om uwen Adelaert:

Want voesterkinders zijn den voestervadren waert;

Te meer , zoo deught en geest en gunst4), hun aengeboren ^ En ingeschapen , oogh en hart en zin bekooren :

1645 Dit leert d\'ervaerenheit den mensch , van bant tot hant ^). lt; De huisman mint veel meer zijn opgequeeckte plant ,

En die hy meste en snoeide om weeligh op te komen , Dan aengekochten gront, bezet met oude hoornen ;

Byzonder als zy tiere en voortbreng\' zulck een ooft, 1650 Dat alle booingaerts tart5)., en strijckt de kroon van \'t hooft.

1

Werck. spoeden, het werk bespoedigen, zich haasten. Zoo ook Vondel 11, 212:

mijne driften Bestonden niemant oit te raeden werck te spoên In een\' onzekre zaeck.

2

Spits. onz. als punt. Nog over in de uitdr. het spits afbijten. (vgl. Ndl. Wdh. op afbijten). In de hier gebezigde opvatting fop, kruin is spits thans ml.

3

De uitdr. het geeft mij wonder, het geeft mij vreemd, d. i. het verwondert mij zijn in de spreektaal hier en daar nog in gebruik, b. v. te Leiden.

4

Gunst, aangenaamheid van manieren , welgevalligheid, gracie.

5

Tarten, zie vs. 1202.

-ocr page 128-

102

Zoo hangen \\vy ons hart aen \'t geen wy zellefs bouwen.

En zou een woeste bijl dien stam ter neder houwen ;

Zy ging eerst door ons hart dan door dien jongen stam

L A N T S K R O O N.

Indien uw Hageroos dit onheil overquam ,

1655 Ghy zout dit hartewee wel levendigh gevoelen. ~ \'t Valt mackelijck zijn vlack in \'s anders bloet te spoelen.

Men voelt zijn eigen eerst\', een anders weedom lest.

Een vreemden 1) oordeelt vreemt, een vader allerbest.

V R E R I C K.

Wy strijden niet: ick heb mijn sterckheit niet te roemen2). 1660 Mijn dochter en uw zoon zijn uitgeleze bloemen;

Hoewel men zijn geslacht , en niet haer ouders , kent;

Al schijntze ons ongemeen. Ick hoopte uw abele *) ent

Te zetten op mijn hout: nu schijnt my dit t\'ontschieten.

Zoo loopt ons hoop in \'t riet : en wy, ocharm , genieten 1665 Den bloessem , niet de vrucht, van \'t lang gehoopte goet.

I LANTSKROON.

Ick vat dit vonnis niet: dees bloedige uitspraeck moet

Wat anders in den zin dan in den klanck beduiden.

\'I volckaert.

Wel Heerschap, vat ghy niet de woorden zoo die luiden3)\'?

2 II E E R E M A N.

Leert ghy het Heerschap dan der Goden spraeck verstaen ?

1

De n is om den opvolgenden klinker achter het woord gevoegd.

2

D. i. wij hebben geen strijd, en ik behoef mij dus niet te beroemen op mijne kracht, wij zullen ons niet met elkander meten of vergelijken.

3

Zoo die luiden, gelijk zij luiden.

-ocr page 129-

103

V R E K I C K.

1G70 Nu Heemraên , luistert toe , en hoort ons reden aen.

VOLOKAEBT.

Zal Heereman my nu der Goden spraeck vertolcken ?

V E E IS I C K.

De Godtheit scliuilt in bosch , in wateren , en wolcken : Indien het anders waer\', men had geen tolck van doen. Velleede weet en leert hoe iemant Crodt verzoen\'.

LAKTSKBOON.

1675 Velleede leert het ons , indienwe dit begrijpen 1).

V R E B 1 C K.

Men hoeft, daer klaerheit is, de herssens niet te slijpen2). De woorden brengen \'t meê : de woorden leggen klaer. Doch zoo ghy middel ziet, hem (zonder lantgevaer En plagen op den hals van \'t arme volck te halen) 1680 Te redden; wijs het aan. Men kan maer eens 3) verdwalen In zulck een wightigh stuk. Ghy hoort den eisch van \'t lot.

LANTSKKOON.

lok hoor den eisch of niet. Is Godt nu tegens Godt 4) ?

V U E E I C K.

Geensins: geen Godtheit sprack noch oit zich zelve tegen.

L A N T S K U O O X.

\'t Is dan noodzaeckelijck hier anders meê gelegen.

v B E u I c K.

1685 Geef reden van dat woort; indien ick \'t vatten zal.

L A N T s K B O O N.

Eischt Pan een\' ram , of bock , of stier uit onzen stal ?

V U E K I C K.

Hy eischt ons Adelaert, dat bitter 6) valt te zwelgen.

1

D. i. als wij maar goed begrijpen op welke wijze.

2

De herssens slijpen, zie vs. 588.

3

Maer eens. Men kan zich in zulk een gewichtige zaak wel eens vergissen. Dat maer eens hier de bet. zon hebben van slechts eenmaal, komt mij onwaarschijnlijk voor. Doch voorbeelden van maer eens in de bet. wel eens\'kan ik niet bijbrengen. Vgl. intus-schen vs. 239 en de Aant., en de 17de-eeuwsche interjectie maer, maer! die met ons wél, wel! gelijkstaat (Voorhout 38, e. e.).

4

Daar hij iemand als oft\'er eischt, die zelf van goddelijke al-komst ia. Zie vs. 1690.

-ocr page 130-

104

l a n t ,8 k r o o n.

Hy eischt dan \'t bloet vanHelt, die schoot geen andre telgen1), v k e it i c K.

Wat raet ? wie verreght Pan een andere offerboet 2) ?

l a n t s k r o o n.

1690 Hy eischt dan \'s Woudtsgodts neef3), ten zoen van\'s vader.s

[bloet V

t r e r i c k.

Wat sterflijck mensch kan G-ode of durf hem wetten stellen V

lantskroon.

Een ongevoelijck 4) mensch kan licht een oordeel vellen, v u e r i c k.

Ick oordeel niet, maer spreeck Velleedes oordeel na.

LANTSKROON.

Zoo schut men met mijn ramp een algemeene scha. v r £ r i c K.

1695 \'t Gemeen heeft deze scha nu twintigh jaer gedragen.

LANTSKROON.

De bloessem van ons zijde is zevenmael geslagen.

v r e r i c k.

Het lot viel twalefmael de Noortzy fel te beurt5).

l a n t s k k o o n.

Dit achtste weeght veel meer dan al wat ghy betreurt, v r e r i c k .

Men houde ons buiten schuit: dat lot was hem bescj^pren6).

1

Telgen schieten, kroost voortbrengen.

2

Offerboet, d. i. een boete, in een offer bestaande, hier vr. Zie voor boet. vs. 1010 en voor verqen. vs. 171quot;J. Het woord komt ook voor vs. 2110 in de bet. offerhande, en Jephta (Vondel 8, 49): ick . . . ben Grode een- offerboet. De zin is: Wie kan van Pan eischen, dat hij zich op eene andere wijze zal laten verzoenen.

3

Neef, kleinzoon. Vgl. ons naneef, en zie Vondel 2 , 232:

Ick (Hecuba, de moeder van Oector, den vader van Astyanax) most . . Mijn\' dochter Polyxeen, mijn\' neef Astyanax Sien sneuvelen door \'t stael.

4

Ongevoelijck, zie vs. 1191.

5

Fel te beurt rallen, hard aantasten, zich aan iemand op eene onaangename wijze doen gevoelen. Te beurt valkn. werd vroeger ook van ongewenschte gebeurtenissen gebruikt. Vgl. gebeuren, vs. 1315.

6

\'6) Beschoren, een vorm van het zw. ww. bescheren. d. i. toedee-len, beschikken (van het noodlot). Het moest dus eigenlijk iesefteert zijn, gelijk het hd. ook zegt. Zie vs. 1923.

-ocr page 131-

105

lANTSKKOON.

1700 lek heb hem hierom niet tot mijnen zoon verkoren.

v r E r i C k.

Al sneuvelt ^1) hy, \\vy staen in tal noch ongelijck.

LANTSKKOON.

Het scheelt slechts vier; uw zijde is ruim zoo volleckrijck2). Dees eenige overtreft alle anderen in waerde.

v r E r i c K.

Hier geit geen waerde of bloet, of wie hem won , en baerde.

lantskkoon.

1705 Hervat de keur nog eens.

v r e r i c k.

Beschimp het recht van Godt. Dat lijdt de Noortzy niet: zy houdt zich vast aen \'t lot.

h e e r e m A n.

Het dient haer nu 3) : zy dorst het eertijts tegenstreven.

volckaert.

Toen viel het ongelijck : zy most het nochtans geven *).

h e e r e 31 a n.

Zy keeck oock bang genoegh.

v olckaert.

Maer banger niet dan ghy.

v r e k i c k.

1710 Nu Heemraet, houdt gemack . en rust van wederzy.

lantskroon.

Men zal de Godtheit eer quot;) door zulck een offer tergen.

1

Sneuvelen, freq. van sneven, vallen (snaf, «jesneven). Thans alleen van den dood op het slagveld gebruikt. Zie Huyd. Proeve. 3, 137 vlgg.

2

Volleckrijck, zie vs. 1816.

3

Iemand dienen, als onpers. ww., iemand van pas komen, in zijn kraam te pas komen.

-ocr page 132-

106

T R E K I C K.

Zoo most de Godtheit zelf ons niet dit offer vergen 1).

l a n t s k 11 o o n.

Zoo most men godlijck bloet niet hangen aen de keur2,). V li e u i c K.

Uit keurkrackeel ontstont dan licht een erger scheur.

l a n ï s k r o o n.

1715 Het ga zoo \'t kan , zoo \'t wil: men moet zich noch beraden, v R E II i c K.

Hoe lang beraên? men moet het offer niet verspaden3).

lantskeoon.

Men stelle een\' onverlaet \') of booswicht in zijn stee. v R E 11 i c K.

Dat brengt het lantgebruick noch zoenrecht geensins meê.

l a n t s k r o o n.

Verander het gebruick : de noot verkeert de zeden, v u e u i c k.

1720 Men is uit hoogen noot tot dit altaer getreden.

l a n t s k k o o n.

Wanneer geneest ons Pan van zulck een lange smert ? v e e e i c K.

Zoo dra de wilde boogh hem micke naer zijn hart 4).

LANTSKEOON.

Velleede spelde dit vergeefs een ry van jaren.

1

Vergen, ook vs. 1689. Vergen, verwant met vragen (reeds in liet ohd. bestonden fergon en frayén naast elkaar), regeerde vroeger een dubbelen acc. (of een dat. van den pers. en een acc. der zaak, dit is niet uit te maken).

2

Hangen, trans.: laten afhangen, blootstellen aan de onzekere kans van het lot. Zie vs. 1764.

3

Verspaden, vertragen, uitstellen, hd. verspciten (sich-), zich verlaten, vanwaar verspatung •, van spade, laat, hd. spat, got. speds, Weigand, D. Wtb. 2, 751. Zie Hooft, Ned. H. 916: Dat de kloeke weere zijnes zoons hem in \'t zwichten van Antwerpen wel een half jaar verspaait had.

4

Zie vs. 201 vlg.

-ocr page 133-

107

T r. E R I C K.

Te zijner tijt zal Pan verzachten , en bedaren.

L A N T S K K O O N.

1725 En ondertussclien komt dees lantplaegh om mijn zoon.

quot;V K E K I C K.

En om meer anderen. Zoo wort men ramp gewoon.

VOLCKAEBT.

Ja Heerscliap recht, zoo leert een lantheer meê gevoelen Hoe dit een lantman 1) smert.

H E E K E M A N.

Ghy zoeckt uw moet te koelen 2) Met schimpen op den Heer. Wat quelt ons Volckert nu!

VOLCKAER T.

1730 Wat quelt ons Heereman! Hoe na zal \'t recht3), om u Of \'t Heerschap hier van daegh zijn\' gang niet konnen

[krijgen V

V 11 E 11 I C K.

Terwijl men handelt, laet, ay laet den Heemraet zwijgen, Of spreken met hescheit : men geef de reden plaets. Ghy waert, voor \'t lantgeschil , van outs getrouwe maets. 1735 Al ging de vreê van honck 4), zy kan noch weder komen: Zy groeit wel weder aen , als afgehouwe hoornen. Wat my belangt D), ick zie de vruchten van den twist,

1

Lantman, ingezetene, onderdaen. Vgl. lantsltnecM, vs. 239.

2

Moet koelen, de eenige uitdrukking, waarin moet de in \'t mnl. gewone beteekenis toorn, gramschim, behouden heeft. — Wat quelt ons, wat geven wij om V. *

3

Zie vooral de uitvoerige aa.nt. op vs. 1343 over dergelijke elliptische vragen in de 17de eeuw, als hoe dus, hoe nu toe, hoe dan toe. Vgl. Warenar 1446: hoe dat-. 1018, 1224: hoe zoo-, ons hoe zoo. hoe dat zon. De oorsprong dor uitdr. hoe na is nog niet geheel opgehelderd; denkelijk zal na een bijw. zijn met de bet. ow/eneer (nabi)). Van Vloten ziet in na een büw met de bet. van {in) hoever.

4

Zie vs. 1105.

-ocr page 134-

108

En boe men in den twist van weêrzy zich vergist, En door \'t vergissen elck om eige schuit moet bloeden. 1740 Nu dient men noch by tijts het quaetste te verhoeden , Op dat geen boozer lucht zich in dees pleitkoorts meng\', En Zuidt- en ïfoortzy beide om hals en have breng\' 1) : £ Dies laet ons elck met raat en daet den oirbaer ramen 2).

lastskuoo n\'.

Verschoont mijn\' zoon , en brengt van wederzy te zamen 1745 Wat voort tot pais , en vrede 3), en rust gedyen kan. Ick geef mijn stem aen u.

v R e r I c K.

Gehoorzaem vader Pan ; Wy zullen morgen vroegh van \'t ander gaen beginnen. Wie andren winnen wil, moet eerst zich zelf verwinnen. De kudde volght den ram gewilligh op zijn spoor. 1750 Getroost u Adelaert 4) , en geef het recht gehoor.

l a n t s ic u o o n.

Wat baet nu al mijn zorgh, zoo menigh jaer gedragen? Ik rechte een\' winthont af, en worgh hem voor het jagen. Ick vockte een veulen aen , en jaegh het in zijn doot. Ick leerde een\' schoonen valck, en drenck 5) hem in de sloot.

1

Brengen om iets, berooven van, doen verliezen. Zie NcU.Wdh. op om, üde Art. Ook het hd. heeft in derg. uitdrukkingen mhi (er kam um sein geld); daaruit blijkt, dunkt mij, dat wij hier het gewone voorz. om hebben, en dat men dus zijn toevlucht niet behoeft te nemen tot het aannemen van een ander woord om = hd. ohne. Hoe dan dit om te verklaren H, is niet zeker: gewoonlijk neemt men een ellips aan (ev kam um sein geld, nl. zu zahlen). Gewoon is de mnl. uitdr. die waers om tien pont, d. i. die verbeurde 10pond.

2

D. i. het nut, het voordeel beramen. — Oirbaer, ml. znw.; hd. nrbar, onz.; mhd. urbor, vr. Zie Weigand, 1). Wtb. \'2, 981, en vgl. boven vs. 318.

3

Pais en vrede, zie vs. 742, 2128 en 2152.

4

Getroost u Adelaert, berust in het lot van Adelaert, schikt er u in, hem te moeten missen. Zie vs. 1395.

5

Drenken als causatief van drinken is eigenlijk doen drinken, doch wordt ook in den zin van verdrinken gebruikt, b.v. Bredero, Moortje, bl. 51 :

Die soo menighen Spangert hier op een kamp en daer op een

[kant van een sloot Gheduwt hebt en (jedrenekt, en sloecht en stacktse doot. Vgl. eng. drench en het verwante drown. Als intrans. voor verdrinken, gebruikt Vondel het 3, 124, 34:

\'t Een smoort in roock, het ander drenckt in putten.

-ocr page 135-

109

1755 Neen Adelaert, mijn zoon, ick geef u zoo niet over.

Ick ly niet, dat men my beguichele 1) , en betover\'.

Hack beucken af tot brant: legh rijsboscb op liet vier : Hou eiok en elzen om: — verschoon den lauwerier ; Verschoon het eeuwigh groen : laet ander loof vervvelcken! 1760 Ick voedde hem niet op om koe of schaep te melcken; Een kudde of ossendrift te drijven langs den wegh ; Of braem en bes om loon te lezen op een hegh ;

Maer naer den eisch des struicks, waeruit liy is gesproten; Geensins om zulc.k een\' schat te hangen aen dit loten. 17G5 Indien de boogh hem trof, wie heelde oit zulck een smert? My dunckt die droethcit viel my, als een steen, op \'t hart. Men sla wat anders voor: men kreuck\'2) dit bloedigh oordeel. gt;lt; Geen vonnis leit zoo vlack, of godTïjck bloet heeft voordeel3). ^

WOUTER. LANTSKROON. VREEICK.

W O U T E E.

Och Heerschappen , staet by : och Heemraet, staet ons by: 1770 De Zuidtzijde is in roer, en al de Noorder zy.

Men graeft de paden op : de huisman raept vast steenen. De meester en de knecht, het dorp is op de beenen. De wijven huilen vast. De koe, het kalf, al \'t vee Dat bulckt en blaetze na. Ick huil mijn hart in twee. 1775 De jongers*) komen voort met voreken, schup , en haecken , x Met zeTssen4), stock en tang : een ieder past5) te raecken. De zonnewagen hangt en helt al steil en schuin Voor over in de zee, geen hantbreet boven duin.

1

Zie vs. 1554.

2

Kreuken, hier overdrachtelijk in de beteekenis van iets uit zijn plooi, uit zijn verband brenjren, bij uitbreidiuquot;: vernietiacn. Zie Uitlegk. Wdb. op Hooft.

3

D. i.: Geen vonnis is zoo rechtvaardig (eig. glad, effen), of goddeljjk bloet moet „een schreefje voorquot; hebben, iets vooruit hebben. Zie over deze bet. vaa voordeel, Warenar, vs. 703, en de Aant. aid.

4

Zeissen, enkv., later door verkeerde opvatting zeis geworden. \\gl. ui voor uien, baak en baken, wolk, raaf\'en de aant. op vs. 1063.

5

Passen, er voor zorgen, zijn best doen. Zie vs. 755.

-ocr page 136-

110

L A N T S K E O O N.

Wat vraeght gliy naer de zon ? laet ros en wagen rollen, w o u T E R.

1780 Och Heerschap, zinkt de zon, zoo raeckt hetlantaen\'thollen. Men wacht den Wildeman : hy stapt al brullende aen : Hy weet van dit krackeel. Wie kan hem tegenstaan ? Hy ruckt de boomen uit met aerde, en stronck, en wortel. Verrascht hy Leeuwendael, hy trapt het vleck te mortel1), 1785 Of zet het al in brant wat heint is of ontrent2).

Och, komt de Wildeman, zoo loopt het op een endt. De maeghden staen gereet om Adelaert te leien, Te wasschen in de beek , te kranssen , te beschreien ; Zy wachten slechts op \'t woord : och mannen , geef het woort.

V K E R I C K.

1790 Nu Heerschap, kort beraet: men wil ons fel aen boort 3). Ay, geef u zeiven toch , om beters wil, gevangen. LANTSKROON.

Och Adelaert, mijn zoon. Zoo ga het. lot zijn gangen4). REY VAN LEEUWENDALERS.

K E E R.

Nu volgh ons volgens \'t lantgebruick ,

Helaes ! een hardt gelagh 5) ;

1795 Wy gaen met becken , krans en kruick

1

Te mortel, zie vs. 224. Verrascht, de juiste schrijfwijze van ons verrassen. Vgl. hrl. überrasehen.

2

Heint of ontrent, nabij of ver, dit moet het althans beteekenen, doch eig. bet. heinde (eig. hende) en omtrent hetzelfde. Hen(t) of omtrent wordt nogquot; gehoord. Heinde (adverbiale datief van hand, dus hij de hand) komt ook voor in de uitdr. om heinde en om hij. Vgl. Vondel 4. 86, 1153: al wat hier ohi Iteind was of ontrent. Zie Warenar vs. 839, en de Aant. aid. en Huyd. Proeve 3, 216.

3

Men wil ons fel aen hoort, nl. komen, d. i. men zal ons fel gaan bestooken. aantasten, als wij het sein niet geven.

4

Zijn gangen gaen, zijn gang gaan, zijn loop hebben. Hetmv. komt in de 17de eeuw in deze uitdr. meer voor: zoo b. v. Wester-baen 1, 26: \'t Vryen moet syn gangen gaen. Zie Ndl. Wdb. kol. 226.

5

Gelag, ook van liggen, doch in de fig. opvatting van gelegen zijn. Vandaar dat gelag de bet. heeft gekregen van lotsbeschikking, lot, toestand. Vgl. hd. lage, en zie Ndl. Wdb. op gelag (2lt;le Art.).

-ocr page 137-

Ill

U naer de zuiverplaets geleien ,

En zuivren , kranssen en beschreien.

Toen Oostwey 1) , onder dan de dagh , Gtestarrent, zon en maen 2) ,

1800 De zon zagh ondergaen,

En d\'eerste reis voor over rollen 3) ,

Geraeckte al \'t lantschap aen het liollen :

Het klonck met schup en tang Op beckens , en keeck bang :

1805 Het huilde en kermde : o smart,

O keer dien gouden kloot.

Hoe valt ons d\'oude nacht op \'t hart Voor eeuwigh ! schut den noot.

Die lamp te derven , is een doet 4).

TEGENKEEE.

1810 Out Oostwey, droef in slaep geschreit, Ontwaeckte \'s morgens vroegh Met vreught uit zijn onnozelheit;

Toen d\'uchtend , voor den zonnewagen ,

Die naere grijnzen 5) quam verjagen , ^ 1815 De luclifTlillengs wat blijder loegh 6) , En \'t volleck \') uit de wey ,

1

„Arkadienquot; volgens de kanUeekeiiing in de oude uitgaven, Vgl. vs. 1185, waar het Oostlant genoemd wordt.

2

De bewoners van Arcadie hielden zich voor het oudste der Grieksche volken en noemden zich TiqoaO.tjvoi,, d. i. ouder dan dc maan. Zie Ovid. Fast. Lib. II, 289.

3

D. i. als het ware voorover storten in de zee (bij het ondergaan)^

4

Waaraan V. deze mythe ontleend heeft, is mij niet bekend.

5

Lachen was vroeger sterk, gelijk het deelw. (jelachen nog bewijst. Ook loech wordt nog gebruikt bij dichters en in Zuid-Neder-

■ land.

-ocr page 138-

112

Den doier van het ey Der weerelt, of de schijf der schijven 1) Zoo schoon verguit zagh boven drijvea , 1820 Gelijckze \'s avonts zonck.

Maer och , dees heldre vonck Voor eeuwigh uitgedooft,

Met eenen kouden steen ,

Ons van die hope en troost berooft. 1825 Het graf verwacht het been 2) :

De geest zal waren 3) hier beneèn.

1

Schijf der schijven, eene uitdrukkingswijze aan het hebreeuw-Hche spraakgebruik ontleend, zoo b.v.: o God der Goden, het boel: der boeken (de bijbel), de dag der dagen (de groote dag); zoo bet. idler treurspelen treurspel (het treurspel bij uitnemendheid); de schijf der schyven: de groote of sohoone schijf, de zonneschijf. In ons gewoon spraakgebruik doorgedrongen, bet. eene dgl. uitdr. aarts-. — Zoo spreken wij van een bok der bokken, een uil der uilen, een engel der engelen, enz.

2

Het been, het gebeente.

3

Waren, blijyen, blijven zweven; hd. wahren. In dezen zin slechts van onstotfelijke zaken in gebruik, gelijk ook rondwaren.

-ocr page 139-

HET VIJFDE BEDRIJF.

LANTSKKOOK ADELAERT. VEEEICK.

L A N T S K K O O N.

Wy naecken :1) d\'offerplaets : lielaes , men kan niet spader. Mijn waarde zoon , vergeef, vergeef liet uwen vader, Die , als zijn eigen kint , u opvoedde in zijn huis ,

1830 Dat hy , geperst door noot, en schricklijck lantgedruis,

Het onverzoenbaer recht des Zoendaghs niet kan schorten. ^ Godtvruchtigheit verbiet de Godtheit te verkorten 1): Medoogenheit gebiet dat ick uw leven spaer\'.

Wat voelt mijn geest een\' strijt! o wreet verzoenaltaer, 1835 O zode, durftghe 2) wel het bloet der Goden lecken ,

Daer lindeschaduwen oock spin en padden decken ?

En zal dit heiligh root besprengklen \'t groene bedt, Dat noit met zulck een bloet gevlackt wert, en besmet ? Wat raet, mijn kint ? De zon van uwe jeught aen \'t blincken . 1840 En naulix opgegaan, begint in \'t gras te zincken ,

Als d\'andre zon in duin: maer dees keert morgen weêr; Het licht van uwe jeught en jongkheit nimmermeer.

ADELAERT.

Mijn vader , langer niet mijn vader in dit leven ,

Ghy hebt uw eigendom de Godtheit zelf gegeven ,

1

De Godheid verkorten, haar te kort te doen, hare rechten verkorten. — Schorten, opschorten, tegenhouden.

2

Durft, hier reeds de tegenwoordig algemeene vorm, waarnaast ook in dit stuk meermalen durf en derf voorkomt. Zoo b. v. vs. 105, e. e.

LEEUWENDALERS. 8

-ocr page 140-

114

1845 En ick my zeiven ganscli vereert ^ aen \'t algemeen; Benijme niet dien krans , een lot, dat ieder een Niet toevalt. Laetme gaen den schutter zelf verrassen. Eechtscliapen karei past1) op dootshooft noch grimmassen3) Van grijns of schors 2) des doots, die kinders hier vervaert. 1850 Geluckigh sterft hy , die zijn doot met eere paert.

v R E e i c k.

Nu hoor ick Waerandier noch leven in den zone , En ken hem in zijn kroost 3). Dat vader Pan u kroone, Die uwen vader volght in moedigheit en deught. \'k Geloof zijn assche springt en huppelt nu van vreught; 1855 Indien de beenders noch, in hun geruste stoelen 6) ,

Zich moeien met ons lot, en iet van \'t weereltsch voelen. Hy scheidde met dit woort, van Koenraets arm gestut: „Ick leefde minst voor my , en sterf om \'s anders nut.quot; Ga hene , groet dien helt: vertel hem d\'ongelucken , 1860 Die , na zijn ongeluck , niet lieten ons te drucken.

lantskroon.

Mijn zoon , indien u noch iet weereltsch quelt, en smart,

1

Grimas, van fr. grimace, en dit van \'t germaansch, is eigen-lijk een vertrokken gezicïïl. Vgl. ags. grima, masker, mom (Diez 2, 139). V. schrijft grimmas, daar hij het in verband brengt met het ww. grimmen, d. i. dreigende blikken werpen. Zoo ook 8, 517. Grimmassen zal hier wel beteekenen beuzelingen als.

2

Schors, overdrachtelijk ook voor het uiterlijk, de gedaante, het omhulsel. Zoo werd het ook van het menschelijk lichaam gebruikt. Verg. Vondel 9, 435:

terwijl de schors van \'t lijf de ziel belet Dees klaerheit in haer kracht t\' aenschouwen zonder smet. Verg. Huyd. Proeve 2, 441. — Grijns, het „mombakkes\'\', het nare leelijke gezicht. Vgl. voor het woord mombakkes, Hooft, Schijnh. (uitg. Pantheon) bl. 77: de droomen gaen voor mom met een hacken, dat nae de waerheit geconterfeit is, maer in der daet sijn \'t valsche logenen. — Vervaert, zie vs. 679.

3

In hun geruste stoelen, in de verblijfplaats hunner rust.

-ocr page 141-

115

Ontdeck my voor het leste al wat \'er leit op \'t hart. De Hemel blijve op ons in eeuwigheit verbolgen ,

Indien wy uw verzoeck en jongsten wil niet volgen 1).

A D E L A E E T.

1865 lek heb een bede op 2) u , en twijfel -quot;er niet aen Zy wort gewilligb. van u beide toegestaen Aen een\', die gaerne sterft, en vrolijcker zal sterven , Indien hy na zijn doot \'t beloofde magh verwerven, v K e R i c K.

De lantkappel, de beeck , de lindeboom, de lucht, 1870 Het velt, het stomme vee, de vogel in zijn vlught Getuigen van uw bede , en \'t geen wy u beloven.

L A N T S K R O O N.

De donder sla het ooft met vlaegh op vlaegh van boven ; De hagel sla met kracht den bloessem op den boom , Houdt elck van ons u dit niet eerelijck en vroom.

v r e k i c K.

1875 De koe ga grazeloos 3) en dor en mager quijnen ; \'

De vogel schuwe ons lucht; de duin 4) verjaegh de knijnen ; De visscher vange en visch\' gedurigh 5) achter \'t net; Indien men dezen eedt niet nakome , als een wet.

ADELAERT.

Houdt op, ick ben gerust, en zonder eedt te vrede. 1880 Uw woort is my genoegh : ook wil ick met geen bede , Die hooger dan de maght, en boven reden ga ,

Belasten eenig mensch , noch moeien tot zijn scha. Ghy , vader , weet het wel, en d\'omgelege dorpen En duinen , hoe ick \'t oogh zoo vierigh had geworpen 1885 Op schoone Hageroos ; hoe d\'ongelegen tijt 6)

1

Vólgen, inwilligen, opvolgen, gevolg geven aan.

2

Op u, tot u. Zie vs. 1248 en 1890, en Warenar, vs. 1191 en de Aant. aid.

3

Grazeloos, zonder gras. Vgl. grazig, grazen.

4

Duin, vr. als vs. 405.

5

Ongelegen tijd, ongeschikte tijd, de ti\'eurige tgdsomstandig-heden. Thans nog slechts in gebruik in de uitdr. op ongelegen tijden (b. v. in De üenestet, de Humorist). --

-ocr page 142-

116

En twist my dit geluck misgunt hebbe en benijt. Zy blijve niettemin onschuldigb , onbesproken.

De min is keuv , geen dwang. Het vverde1) niet gewroken Aen iemant , die mijn woort ter quader trouwe hiel 2). 1890 \'k Verzoeck alleen op n , indien bet zoo geviel,

Dat deze sclioone bloem oock maeght quaem t\'overlijden , (Zy leve na mijn doot) gby woudt mijn grafstee wijden Met zulck een zuiver lijck , en onder eenen zerck Haer zincken 3) in mijn graf, met dit gedicht, en merck : 1895 „Hier sluimert Hageroos, by Adelaert gezoncken :

Haer koudt gebeente kan zijn assche noch ontvoncken.quot;

L A N T S K n O O N.

Ick zweer, zoo dat gebeure , en hou het voor gewis , Een staetsi zal haer lijck , gelijekze waerdigh is , Gebeuren 4) , langs den wegb , bestroit met groene meien , 1900 En palm en lauwerier ; ick zelf de baer geleien, En volgen hangends hoofts , en storten overluit Mijn\' zegen over uwe en hare beenders uit.

v R E R i c K.

Eenieder wil5) zijn gunst aen zulck een staetsi schencken ; Geen huisman dan zijn vee in sloot of beke drencken ; 1905 Geen koe zal haren mont eens zetten aen het gras ;

Dat treure , als of zijn groen verflenst 6) verstorven was. Men zal uw\' zerck rontom beplanten met cypressen, En wenschen datze in \'t graf uw minnevier magh lesschen \').

1

Werde, praesens conj. van werden, wart, worden, geworden (mnl.). Zie Franck, Mul. Gramm. § 141.

2

D. i. die mijne woorden niet hield voor oprecht gemeend. Quade trouw wordt bij ons in een slechter bet. gebruikt. — Hiel voor hiell, uit hield geassimileerd.

3

Zinken. Het st. ww. zinken had in de 17de eeuw ook de bet. van het caus. zenken, dat in het hd. het gewone woord geworden is, doch in \'t ndl. in onbruik geraakt. Vgl. Vondel 6, 281:

Een gruwelijcke orkaen wil plotsling n bevallen. En zincken in een poel, en afgront, zonder gront.

4

Gebeuren, zie vs. 1315. — Meien, zie vs. 386.

5

Wil, zal. Zie vs. 842 en 1391.

6

Verflenst en verslenst (uitg. Alb. Thijm) zijn beide goed; de bet. is dezelfde, doch de vormen hebben natuurlijk niets met elkaar te maken, evenmin als slenter en flenter, die ook hetzelfde betee-kenen. Verflensen is thans uitsluitend in gebruik; zie De Jager, Freq. 2, 112; daarentegen verslensen in de ITde eeuw gewoner (aid. 522 vlg.).

-ocr page 143-

117

ADELAEMT.

Mijn vader , laet ick u omhelzen met een\' kus.

1ANTSKKOON.

1910 Mijn zoon , dat geene doot d\'oprechte liefde blussch\', Waermede ick u , een wees , uit vaderlijck ontfarmen , Ontfing in mijnen schoot, en druckte met deze armen Zoo hartlijck aen mijn hart, het welck benauwt, alree Dien wilden pij] gevoelt. O smert ! o hartewee !

A D E L A E R T.

1915 De goden loonen u al \'t goet , aen my bewezen;

Schep moedt: reohtschapenheit behoort geen\' pijl te vreezen.

V E E R I C K.

Dat ick u mede omarme , o roem van Leeuwendael! Ga rustigh hene : sta zoo pal, gelijck een pael. Uw vromicheit ^ zal doot, en boogh , en pijl vervaren.

ad elaebt.

1920 Dat u de Goden lang tot nut der menschen sparen. Ontslame : laet ick my vernedren s) op mijn kniën , En voor de lantkappel noch d\'uiterste eere biên De Godtheit, die my wacht ten offer , haer beschoren 1). O vader Pan, ben ick uit \'s Woudtgodts stam geboren , 1925 En eerde ick altijt vroom de Godtheên van de jaght, Van acker, bosch , en vee , en wat men heiligh acht, Zoo laet u door mijn doot voor \'t lest genadigh stillen : Verbie zulck offeren , dit jaerlijcks menschespillen ; Een bloetwet al te zwaer. Vermorwt u\'s volcks geklagh , 1930 Zoo geef dat Leeuwendael eens adem scheppen magh. Hier op neem \'t offer aen , dat wy u heden schencken. v R e r i c K.

\'t Gaet wel, de Godtheit schijnt u gunstigh toe te wencken.

1

Bescheren, toedeelen, Hd. hescheren, bescherte, besehert, wordt in het NL verkeerdelijk sterk vervoegd. Ohd. piscerian, piscerita. Het is een van scheren, snijden, afgeleid ww. Verg. Grimm, 1). Wtb. 1, 1563; T. en Lettb. 2, 55 vlgg., en boven vs. 1699.

-ocr page 144-

118

ADELAEET.

Nu entlijck ree gestaen voor \'t outer van den boom. Waer blijft de Wildeman ? ick wacht bem, dat by koom\'. 1935 Ay, vader Lantskroon, ay, wat keert gy \'thooft ter zijde? Wat schroomt ghy bet geluck, dat my fortuin benijdde \'), En weigerde al te lang , t\'aenschouwen ? Keer u om. Zoo tart mijn hart den pijl , en heet bem wellekom. De Wildeman genaeckt: zijn schreden zijn niet verre. 1940 Ick zaegh mijn heil voltoit, zoo nu mijn morgenstarre, Mijn lieve Hageroos hier tegenwoordigh stont,

En my gewaerdigbde 1) mijn\' geest met haeren mont Te vangen, als de ziel ter hartwonde uit zal vaeren, Noch root en warm van bleet, vanbloet,hetwelckickgaeren 1945 Ten beaten geve, indien ick in haer gunste sterf.

WILDEMAN.

Hier is de Wildeman, de Lantplaegh , bet bederf Der wr^velmyeijiigfip 3), die d\'Ackergoón onteeren. Hy liet zicb van geen\' Reus noch Herkules braveeren , Van Moor, noch Polyfeem , noch hallef man en paert *) , 1950 Noch menschevreters , die afgrijslijk wilt van aert.

Gebogen voor zijn\' boogb en knodts , zich laten binden. Hy groeit in menschejaght, en rooven , en verslinden, En stapt waer bem de wraeck der Goden henedrijft. Het geit nu Leeuwendael, dat noch krackeelen blijft. 1955 Waeracbtigh dat \'s bet wit, bet welck ons past te raecken. Sta vast, dit borenpunt2) zal door de ribben kraecken. Daer leit het quasjtigb3) hout, ons knodts, zoo lang in \'t gras. Nu stijgh dien heuvel op; en mick, en schiet hem ras. Welaen, mijn fixe boogb, ghy hebtme noit bez^eeken\') ;

1

Wrevelmoedig. misdadig. Vsrl. lid. frevier, frecehnut, en Grimm. Wtb. 4, 171 vlgg.\'

2

D. i.: de pijl met hoornen punt. Zie voor het onz. geslacht yamp;npunt, vs. 1579 en 1607.

3

Quastigh, met kwasten, eesten of noesten bezet. Veror. Uit-leglc. Wdh. op Hooft 3, 198.

-ocr page 145-

119

1960 Mijn wollefspees, te taey in \'t recken om te breecken , Gedoogh dat ick u spann\' veel stijver dan voorheen. Nu op den nagel eerst de scherpheit van het been Des pijls aldus geproeft: het noodighste moet voorgaen. Nu aengeleit; sta vast: sta vast, dat zal \'er doorgaen.

HAGEROOS. ADELAERT. VRERICK. WILDEMAN.

HAGEEOOS.

1965 Maer allereerst door my. De Wilde treff\' mijn hart ,

Dat mvent halve 1) koen den strengen moortboogh tart. Mijn lief, mijn Adelaert, omhels my eens voor \'t leste : Uw trouw verplichtte my: nu geef ick :t lijf ten beste , En trede in uwe plaets. Wat toeft de Wildeman ? 1970 Geen schooner wit dan dit. Dat hy den moortboogh spann\' En aenlegge op mijn borst. Schiet toe, schiet toe, ghy rover.

ADELAERT.

Och Hageroos , mijn bloem , mijn troost, wat komt u over?

V E E K I C K.

Wat razerny is dit ? wat dolheit komt u aan 2) ? Vertreck, ick ly het niet.

HAGEEOOS.

Hoe kan ick schooner staen ? 1975 Zoo moet een lief haer lief beschutten, en beschermen. Zoo sterfze , wel getroost en vrolijck , in liefs armen.

ADELAEET.

3^

Ghy sterven ? neen gewis. Dat ghy uw leven spilt, \' Voor \'t mijn, en uwe borst my diene voor een\' schilt^; Ick ly het niet.: vertreck, vertreck, mijn uitverkoren. 1980 De Goden eischen my, ten zoen van hunnen toren.

1

Uioent halve, om uwent wil. Zie Kluge, Elym. Wth. op h a 1 b, h a 1 b e n.

2

Komt u acn, in denzelfden zin als elders yaet u aen. Zie JYcll. Wdb. op aangaan, en vgl. Vondel 8, 270: „Wat dolheit qnam u aen.quot;

-ocr page 146-

120

ii a g e b o o S.

quot;*■ De Goden wraecken 1) my , zoo \'t offer hun mishaeglit.

v r e b i c k.

Hier wort een jongelingk vereischt, en geene maeght.

hageboos.

Welaen, zoo laet een pijl dan twee gelieven paren , En recht door mijne borst in \'s minners boezem varen , 1985 En hechten hart aen hart, en lijf aen lijf te hoop 2). Zoo paren minnaers best: men leit geen\' vaster knoop.

wildeman.

Dat gelt dan man en wyf: ick zweer het by den Vader, v B e b i c K.

Vertreck, mijn kint, liy schiet, hy schiet u bey te gader. ii A g e b o o s.

Schiet toe, ghy Wildeman, schiet toe; schiet toe : geen noot. 1990 Al wie uit liefde sterft, die sterft de zoetste doot.

adelaebt.

Hou op , o Wildeman. O Hageroos, mijn leven.

HAGEBOOS.

Doorschiet mijn\' boezem eerst.

WILDEMAN.

Ghy zult \'er beide kleven 3). Ick ken noch maeght, noch knecht, wie achter staet, óf voor. De boogh en pijl zijn blint. Dat kost *), dat gaet\' er door.

1

Wraecken, als onwaardig verwerpen, versmaden. Nog over in de spreekwijze; de getuigen wraken, en van denzelfden stam als wrak en wreken, dViV vervolgen Verg. N. KI. I[, 104, en zie Bredere, KI. v. e. lluysw. 1;

sy wraken het speek om wat govts of om wat knoopen. *

2

Kleven, blijven, zie vs. 1418.

-ocr page 147-

121

PAN. .

1995 Hou op, o Wildeman : gehoorzaem ons geboden:

Ontspan den wilden boogh; nu mickt ghy naer ons hart. Het huwlijck van een paer, geteelt uit Ackergoden, Vereenigh\' Leeuwendael, na zoo veel twist en smert.

VSERICK. LASTSKROON.

v e e e i c k.

Gelooft zy vader Pan, bezorger van ons allen.

2000 Hoe staet de Wildeman ? de moedt begint te vallen:

Hy treckt de scliouders op , en schudt zijn hooft, noch warm Van toren. Hy bedaert, en schort1) met zijnen arm En ocksel vast de knodts , en deist 2) , niet zonder stenen. Zoo druipt een snfferts) af, die tusschen zijne beenen 2005 Den staert vast intreckt. als een dogh, hem veel te sterck, By d\'ooren heeft gesclmdt 3), gebeten uit het perck.

lantskroon.

Gelooft zy vader Pan , bezorger van ons allen.

Men offre hem geen koe, noch kalf, maer heele stallen. Hy toomt den Wildeman, verschoont het vrome bloet, 2010 Uit \'s Woudtgodts struick geteelt. O Leeuwendael, schep

[moedt.

v r e e i c k.

Maer zie dit vrolijck paer elckandere nu kussen, En vryen, mont aen mont: wy hangen ondertusschen Om d\'uitspraeck van Godt Pan in twijfel. Hoe? wat is Het hart van Pan\'? wie melt ons dees geheimenis4)? 2015 Wat paer, uit Ackergoón, en goddelijcken bloede,

1

Schorten, ondersteunen. Verg. Vondel 3, 856:

Ghy, Joffers, leit mevrouw naer binnen ....

De Joffers schorten haer. Schep moed, schep moed, mijn leven.

Hoe lastigh valt de gangk: ay, ziet de beenen be?en.

Zie nog Oudemans, Wdb. op Hooft.

2

Zie vs. 1447.

3

Verkeerde constructie van V., die hem bij heeft gesclmdt had moeten herhalen, daar hem in het vorige vs. de 3de nv. is, terwjjl hier de 4de werd vereischt.

4

kelen tusschen \'t vr. en onz. geslacht.

-ocr page 148-

122

Vereenight Leeuwendael ? naerdien men noit bevroedde Waer Vredegunt belandde, of van een kint gelagh \') ; Het eenigh, daer de hoop van Duinrijcks stam op zagh. \'k Geloof Velleede zou \'t Orakel niet ontvouwen.

KOMMERYN. VOLCKAERT. VEERICK. LANTSKROON.

K O M M E B T N.

2020 lek koom ter goeder tijt uit andere landouwen s), Naerdien ick spreken hoor van onze Vredegunt.

VOLCKAERT.

Wat zeglitghe , bestemoer ?

KOMMER Y N.

Met oorlof , Heemraet, kunt Gliy my berichten of de vondeling mag leven\'? Is Volckaert niet uw naam ?

VOLCKAERT.

Het zy zoo; dat \'s om \'t even 1). - 2025 Wat leit u aen mijn\' naem ? men noemtme*zoo van outs.

KOMMERYN.

My dunckt ick kende u eer, en ken u noch, Godt woud\'s 2). Berichtme toch van \'tkint, dat iemant in quot;dequot; heggen , Op uwe hofstede, eer3) te vondeling liet leggen.

1

v~0m \'t even, hetzelfde. Om drukt hier verwisseling uit. De uitdr. staat gelijk met even om even. Zie Ned. Wdb. op om, kol. 137.

2

Godt woud\'s, eigenlijk: God beschikke het, doch in Vondel\'s tijd niet veel meer dan een uitroep, gelijkstaande met waarachtig, bij God! Wouden, hd. watten, vanwaar geteeld, beteekent macht oefenen, besturen, en regeerde den 2den nv. Verg. Vondel, 1, 209:

Den vleyer Damocles Pluymstrijcker die uytsteket, En nimmermeer {God wouds!) in \'s Princen hof gebreket.

3

Eer, vroeger, weleer.

-ocr page 149-

123

, /

V R E E I C K.

Hoe moeder ? kent gliy dat ? en zijn gele^enheit *) , 2030 Of schort het u in \'t hooft ?

K O M M E K Y N.

Geen mensch kan u bescheit Van zijn geboortelot, en staet, en ondren geven Als ick.

v R E k i c K.

Hoe komtghe hier ?

K O M M E E Y N.

Den Eijnstroom quot;) afgedreven , i Uit eenen hoeck, daer oock de tweedraght op de been,

De rust versteurt3) ; en \'s nachts my Vredegunt verscheen, 2035 En riep: vertreck, eer u hier nieuwe ellenden drucken. Bezoeck ons out gewest *) , het zal u daer gelucken. Hoe heeft my d\'ouderdom verandert, en mijn buurt ?

VOLCKAERT.

\'k Yertrou de hemel heeft haer herwaert aen 5) gestuurt. Ick ken dit aengezicht: ick bidde u hoortze spreken. LANTSKROON.

2040 Heeft iemant van ons vleck arghlistigh dit besjgjsen6) V Zie voor u \'), bestemoer , en stel ons niet te Teur Met logentael, of droom : ghy staet hier voor de deur Der lantkappelle , en kunt de Godtheit niet bedriegen.

1) Gelegenheit, toestand, wat er met het kind gebeurd is, hoe het er mede gelegen is. Vgl. vs. 2052.

2) Den Mijnstroom afdrijven, onz. ww. met een 4den nv. Zie daarover Ned. Wdb. op afdalen en a f d r ij v e n, de Aanm.

3) Dit doelt op de onlusten en wanorde in Duitsohland tijdens den derUirJarigen oorlog. De toespeling is, evenals de Eijnstroom, vs. 2032 (vgLvsT\' 2ÏÏ) 7 in Arcadië raispTaatst.

4) Geicest, van den stam van icesen, d. i. oorspr, wonen. Gewest, x is collectief, en bet. eene verzamelTng, vereeniging van woonplaat-sen, woonsteden. ~

quot; 5) \'Herwaert aen, hierheen. Vgl. vs. 1085.

6) Bestehen, beteekent overleggen, en wordt veelal in een slechten 7,in gebruikt. Bestéken, eigenlijk afpalen, overdrachtelijk heramen , heimelijk ontwerpen. Zoo De Decker 1, 45:

Waer heeft men oit gehoort van zoo vervloeckte treken, Als strax die fyne man gesmeedt heeft en hesteken.

7) Voor zich zien, op zijne hoede zijn, zich in acht nemen.

ÉM

-ocr page 150-

124

K 0 M M B R Y U.

Laet andren vry haer tong verhuren om te liegen , Te beuzelen by \'t volck , dat gaarne wordt gestreelt: \'t Is mijn gewoonte niet; hoezeer ick ben misdeelt Van \'t avontuur , dat my, van have en man versteken , Zoo lang heeft omgesolt 1) in onbekende streken.

V R E R I C K.

Ghy geeft uw zeggen schijn van waerheit, en van reen; Maer komt uw rede niet in alles overeen ,

Zoo wil het haperen2) : men zal uw woorden wegen. Hoe is uw naem ? Hoe is \'t met uw fortuin gelegen ?

2045

€-tgt;- ^

2050

K O M M E R Y N.

Mijn eigen rechte naem is Kommerijn , en stemt Geheel met mijn fortuin 3). Ick ben hier niet zoo vremt . 2055 Of wiert \'er opgevoedt, gewonnen en geboren.

\'k Heb bey mijn ouders vroegh, ocharm te vroegh! verloren. Het Leeuwendaelsch krackeel stont my te bijster duur, Het kostte goet en bloet, en leerde een weeu boe zuur Men aen zijn\' nootdruft 4) raeckt, daer luttel valt te winnen. -2060 Ick zworf in ballingschap rontom, en kloeck aen \'t spinnen5), ^ Beholpme in eerbaerheit alleen , en onherfrouwt.

V R E R I C K.

Zy zworf van deur tot deur, en komt hier arm en out, En brouwt 6) , om wat genots, de waerheit met de leugen. Heugt u van ons krackeel \') ?

1

Omsollen, rusteloos heen en weer drijven, doen zwerven. Zie Ned. Wdb., kol. 557. — Avontuur, lot.

2

D. i. „Dan ziet het er slecht voor u uit, dan zal het u slecht bekomen.quot; Vgl. vs. 84\'^: het wil er vmncken. Haperen hei. eigenlijk blijven steken, het tegenovergestelde dus van goed afloopen.

3

Kommerijn, zie vs. 263, Aant.

4

Nootdruft, eigenlijk nooddorft, mnl. nootdorst hd. nothdurft, samengesteld uit nood en drup \'wad dorven, behoeven, beteekent dus datgene wat tot onderhoud van het leven noodig is.

5

Bondom, beter ware rond of om. Met rondom wordt een ww. niet samengesteld. Hetzelfde geldt van het door Huygens gebruikte doorheen. Zie Cluyswerck 542. — Kloeck acn, knap in. Aen bet. ten opzichte van, wat betreft. Vgl. b. v. arm, rijk aan of in iets.

6

Brouwen, vermengen, opdisschen.

-ocr page 151-

125

K O M ai E B Y N.

Wie kan dit beter heugen 2065 Dan my, die \'t eeuwigh smert, dat dit krackeel ontstack , Gelijck een vuile pest, en sloegh van dack in dack , Noch feller dan een brant, onmogelijck te blusschen ? Men raeckte kantgemeen: de vroomste schoot \'er tusschen, Die stercke Waerandier; (hy kreegh den naem van Helt 2070 Niet ydel, noch vergeefs) en Duinrijck zocht gewelt

Te schytten, aen zijn zijde, en misverstant te scheiden ; Maer1) lieten \'er den hals , dat menighten beschreiden. D\'oprechte Godelief2) verscheidde op dit gerucht, En Lantskroon nam het kint: maer Duinrijcks weeu

[bevrucht ,

2075 Ontvloot benaeuwt dien moort, en quam uit noot, in heggen En duin , van eene vrucht, een dochter , te geleggen 3). Ick vlughtte aen hare zijde , en tuige u waerze bleef, v K E k i c K.

Hoe hietze \') ?

K O M M E K Y N.

Vredegunt.

V K E E I C K.

Dat Pan het u vergeef : Getuightghe nu een zaeck , wel twintigh ja-er geleden ?

K O M M E K Y N.

2080 Ay Heerschap, steur u niet: dit heeftal meê zijn reden.

V O L C K A E Tï T.

Zijt ghy met Vredegunt uit Leeuwendael gevlught ?

K O M M E R Y N.

Zoo waerlijck helpme Pan. Ick berghde 3) zelf haer vrucht, Toen zy in duin beviel, en storf met deze woorden : „O minnemoer 6) , de haet zal zoecken te vermoorden

1

Wij zouden het ondw. heiden of zij moeten uitdrukken.

2

Eig. geliggen. Zie vs. 2017.

3

Minnemoer, eig. liefdemoeder, moeder die een liefdedienst bewijst (een kind zoogt), tegenover de werkeljjke moeder; verkort

-ocr page 152-

126

2085 Door lagen of vergift de hoop van Duinrrjeks struick, Dit arm onnozel wicht; dies wil ick dat het duick\', En schuile twintigh jaer, bedeckt voor vrient en mage.quot; Dit zwoer ick haer , en ley het kint in uwe hage Te vondeling, heel vroegh, op eenen morgenstont. v E E r i c K.

2090 Ghy zorghde voor de vrucht, en niet voor Vredegont ?

K O M M E R Y N.

Die storf: ick hebze in duin en onder \'t zant hegraven, En vliedende \') den twist, verkoos een stille haven. Wat zou men doen ? Ick schuwde ons lantplaegh, vol gevaers, En \'t vleck, daer Koeman, och mijn man, gelijck een haers, 2095 Gekerft wiert met een mes , van Vechter, die smoordroncken. Hem neêrley, daer hy zat, zoo stil, en niet beschonken. Och Koeman, och, hoe dick heb ik een\' man ontweit 1), Mijn scliorteldoecken 2) nat, mijn oogen uitgeschreit ? Waer vont men oit een weeu, zoo stil, en droef van harte , 2100 Als uwe Kommerijn, vol kommer , en vol smerte ?

L A N T S K K O O N.

Maer wat verzekert ons van zulck een vondeling ?

K O JI M E R Y N.

De bloetroos op den arm, en Duinrijcks merrekring , Die Vredegunt my schonck, om eeuwigh te bewaren : Nu komt hy wel te pas.

V E E RI C K.

Laet zien dien ring.

1

Iemand (ace.) ontzeggen, hem weigeren, van de hand wijzen, bedanken. — Het mnl. iemand (dat.) ontseggen bet. daarentegen iemand den vrede opzeggenk\'èn oorlog verklaren-, vandaar een ontsegbrief.

2

Schortel doek of schort, voorschoot. Verg. eng. shirt.

-ocr page 153-

127

K O M M E R Y N.

Zeer garen 1).

volckaert.

2105 Wat zienwe? Duinrijks merck, een knijn in duin, een

[knijn 2).

Dit komt op waerheit uit: hier liegt geen valsclie schijn; \'t Verhael hangt hecht aen een : hier mangelt3) niet

[een schakel.

v K E k i c k.

Nu kan ick Pan verstaen , en zie door zijn orakel Den klaren dagh4). Dit paer, uit Woudt- en Veegodts Moet; 2110 Ontslaet ons Leeuwendael van jaerlijksche ofï\'erboet5). Dees Maeght is \'t hart van Pan, haer grootvaêr, en behoeder.

LANTSKROON.

Koom6) herwaert, dochter, kooni, omhels uw tweede moeder, Omhels nu Kommenjn , en onderstutze in noot. Z\'ontvouwt ons uw geboorte, en berghde u in haer\' schoot. 2115 Men hylicke \') Adelaert en Hageroos te gader.

Ick stel my heden in6), gelijck een Vredevader,

Op dat men haet en nijt, als in een graf, bedelf. De Noortzy blijf voortaen een Vryheit 7) op zich zelf, Zijn\' Heemraet onderdaen. Dat Volckaert daer regeere 2120 Ten beste van het volck, en twist en onheil keere. Malkandren nu omhelst, en tot een vredepant Gezegent, en begroet, verwelkomt, hant aen hant :

1

Zie bij vs. 1816.

2

Knijn. Dezen vorm vinden wij ook elders bij Vondel. Vgl. vs. 457 en Vondel 2, 552, 703: de duyn van Knijnen woelt.

3

Mangelen, gemist worden, ontbreken, hd. mayigdli. Nog be-kend^ia de verouderde uitdr. bij mangel van. Vgl. De Jager, Freq.

4

Zie bl. 9, aant. 4.

5

Koom. De thans nog wel gebruikelijke vorm van den imper.; historisch juist is kom, doch bij alle andere sterke ww. hebben wr) dezen regelmatigen vorm opgegeven; met dezen taaltoestand is dus koom in overeenstemming.

6

Zich instellen, de rij openen, voorgaan. Het hd. sich einstellen heeft de nauw verwante bet. van beginnen. Vgl. ons: „de winter set vroeg in.quot;

7

Vryheit. Zie bl. 9, aant. 6.

-ocr page 154-

128

Dit paer geluck gewenscht, het bruiloftsliet gezongen, En met een rondendans eens in de boght gesprongen , 2125 Ter eere van den Vrede, en onzen vader Pan,

Die in verlegenheit zijn kinders redden kan , Hen zegent. na den vloeck, en op der vromen bede , Door lanttwist baent den wegh tot rust, en Pais , en

[Vrede 1).

KEY VAN LEEUWENDALERS.

\'t Is bruiloft in de wejde 2j ; 2130 \'t Is bruiloft op liet lant. Nu danst om deze beide ,

En huppelt hant aen hant, Om Hageroos en Adelaert,

Door ongeveinsde min gepaert, 2135 Door reine liefde en trouw vergaart3 j. O zoete zachte bant.

De Zuidt- en Noortzy paren

Zich in dit paer te hoop 4). De tweedraght is vervaren: 2140 Men leit een\' vasten knoop.

Men weet van lantkrackeel, noch nijt,

1

Pais en vrede. Vgl. vs. 742 en 1745.

2

Vgl. met deze regels, Vondel 2, 551 (Geboorteklock), 671:

\'t Is bruiloft in de wey; \'t is boter tot den boom De koe is klaverkiesch; de hemel druppelt room.

3

Vergaren, vereenigen, vooral door den band van het huwelijk. Bredero, Aend. Liet-boeck, bl. 16:

Want eer u sinnen vielen,

Besloot de Heer u beyden te vergaren.

Verg. Huyd. Proeve, 2, 185.

4

Te hoop. Zie bij vs. 1985. Hier zijn de woorden vrij wel overtollig.

-ocr page 155-

129

Van wederwaerdiglieit 1) , noch spijt : Men zoent, omarmt, liemint en vrijt , De Twist is op de loop.

2145 Wy zien de huisliêu blijde , En vrolijck, nu alree Vol hoops van wederzijde Krioelen onder \'t vee. De Heemraet leit den Haet aen toom. 2150 De koeien geven melck en room. Het is al boter tot den boöm 2). Men zingt al Pais en Vue.

PAIS en VRE.

9

1

WedencaercligheU, weerzin, afkeer, vijandelijke gezindheid. Zie vs. 1142.

2

Onze voorouders ontleenden een menigte spreekwoorden aan een hunner eerste bronnen van bestaan, de zuivelbereiding. Vgl. Harrebomée, Spreékicclh. 1, 82 vlgg. Aan het denkbeeld vettigheid verbond men dat van voorspoed, geluk; dit spreekwoord wil zeggen: „Het is alles voorspoed en weelde, gelijk een vat gevuld met melk, die zoo vet is, dat er zelfs nog op den bodem van het vat boterdeelen gevonden wordenquot;. De uitdrukking botertje tot den boom is nog bekend.

-ocr page 156-
-ocr page 157-
-ocr page 158-
-ocr page 159-
-ocr page 160-

um

V . _ ________.-y-- ■l~-^—quot;:r- .\'quot;X----- \'- -y-VT- -5,. - . *■

• . - \'V . \' ; \'\'

*. ; quot; ï^gt; v% \' - J\' ï\'-J^ ;*v, NEDERLAM DSCHE KLASSIEKEN,

L\' I T O R G E V E X •

EN MEl\' AANTEEKENINGEN VOORZIEN

door

. \' dk. emjco verwij?

\'e#n verschenen:

Vonders LeeiiW-eadalers, Lantspel. Derde, he^iene

druk, bezorgd door Prof. J. Verdam .... . j,J5: f

Episodes uit Hooft\'s NederlandscLe historiën.

Tweede druk,, herzien door K. van der Zijde . . . - 0,90

Const. Huygens\' Gostelick mal en Voorhout.

Tweede, met liet Cluyswerck vermeerderde, ;

druk, bezorgd door Prof. J. Vkudaji. ..... - j . 10

Van de „modeprentquot; door v. d. Kellen, bij den eersten druk gevoegd, zgn nog eenige exemplaren verkrijgbaar a 20 ets.

Brandt\'s Leven van Vondel . . . ... . - 1,10 \'

Tondel\'s Batavische gebroeders of onderdruckte -0:

vryheit. ... . . . ■ . ... . . - 0,85

■ Bredoro\'s Spaansche Brabander . . .. . - tfil; . irooft\'s \'V: re-nar, uitgegeven door Prof. J. Veed.

Middeleeuwsclie Poëzie:

Dit is tspèï vanden Heiligen Sacraineni .■ van^l^^ Nyeuwervaert . ... . . . . . , f i ,1(^1 ,

Ah- Imnd^Èinff hy de heoefening onzer letterlui, dé:,

, Dr, Jan ten Schets eener geschieden dor Ne

lt; derlandsche IctTérkünde , llt; --3e afleyeiiog . /\' 2,55

-ocr page 161-

Vmi deze

NEDERLAKDSCHE KLASSIEKEN,

ü i t G E G Ë V E N

m MEV AANTEEKENINGEN VOORZIEN

VOOR

Du. EMjCO VER WIJ?

£amp;n verschenen:

Tondel\',s Lecawe.idalers, Lantspel. Derde, hc^iene

druk, bpzoi\'g-l \'loor Prof. J. Verdam..... j,J5

Episodes uit Hooit s Nederlandsche historiën.

Tweede druk, herzien door K. van der Zi.ide ... - 0,90

Const. Huygens\' Gostelick mal cn Voorhout.

Tweede, met liet C1 u y s w er ck vermeerderde,

druk, bezorgd door Prof. J. Verdam. . . . . . - j.10

Van de „modeprentquot; door v. d. Kellen, bij den eersten druk gevoegd, zijn nog eenige exemplaren verkrijgbaar a \'20 ets.

Brandt\'s Leven van Vondel.......-1,10

Vondel\'s Batavische gebroeders of onderdruckte

vryheit.............. 0,85

Bredcro\'s Spaansche Brabander .... - 1 j:lt; lt;

ifooft\'s quot;V, re -nar, uitgegeven door Prof. J. Verd. 1,—

Middeleemvsclie Poëzie:

Dit is tspel vanden Heiligen Sa cram en\'. vaiider\', Nyeuworvaert ......... f 1,10:

Ah htmdleamp;lhuj hij de heoefening onzer letierlcu. de:

Dr. Jan ten Eri\'pk, Schets eener geschieden der Nt derlandsche lottérkunde , l1\'—3c aflevering . f 2,55