IIS,
ZIJNE STICHTINGEN EN ZIJNE WERKEN,
EENE STUDIE Naar aanleiding van het Vijftiende Eeuwfeest
DOOR
ALB. VAN li o o 1.1 E N.
TWEEDE
Crewyziiile en veel Yerineerilerile DrnL
Kerkelijk Goedgekeurd.
ÜTREClfT,
WKD. J. R. VAN ROS SUM. 1887.
G. oct.
200
ZIJM STICHTINGEN EN ZIJNE WERKEN,
EENE STUDIE Naar aanleiding van het Vijftiende Eeuwfeest
door
A L B. VAN E O O IJ E N.
TWEEDE
Gewüzigtle en veel Vermeerderde Ml
Kerkelijk Goedgekeurd.
;**( } \'■ \\
m
---
Utrecht,
Wed. ƒ. R. VAN KÜSSUM. 1887.
v
IMPRIMATUR.
Maarsen, 7 Novembr. 1887.
J. G. H. C. ESSINK,
Lihr. Cens.
Stoomdruk van F. \\V. van de Weijek, L\'trecht.
VOORBERICHT.
Verleden jaar mocht een boekje het licht zien, getiteld; „De Plechtige Inwijding der Nieuwe St.-Monicakerk, bijkerk der St.-Augustinusparochie te Utrecht, artikels-gewijze reeds grootendeels verschenen in Het Centrumquot;. Daarin kwamen ook eenige Geschiedkundige Bijzonderheden voor van de Augustijner-Eremietenorde. * Het tegenwoordige jaar gaf gereede aanleiding tot eene tweede, gewijzigde, en veel vermeerderde uitgave. Bij gelegenheid toch van het Vijftiende Eeuwfeest des H. Augustinus, verschenen in hetzelfde dagblad eenige artikelen, die ook waren bestemd voor eene afzonderlijke uitgave, en met het vroegere boekje min of meer een afgerond geheel vormden.
De schrijver hoopt bescheidenlijk, met die uitgave der beide vereenigde studiën, en ook met die wijziging en vermeerdering der vroegere, den geeerden Lezers een genoegen te zullen doen.
Eveneens met de volgende rangschikking:
In de eerste plaats de studie naar aanleiding van het Eeuwfeest, hoezeer zij ook het laatst moge zijn vervaardigd. Zij behandelt in hoofdzaak de twee Ordestichtingen en de Geschrevene Werken des H. Kerkvaders. Deze Werken worden volledig, en met bronnen, opgegeven; en gedeeltelijk aangehaald en besproken; terwijl vooraf ook van de tweede Stichting, die der Reguliere Kanunniken, alsmede van de andere volgers des Augustijnschen Regels, eene volledige opgave is bezorgd.
Terzelfder plaatse wordt voor de eerste Stichting, die
der Augustijner-Eremieten, naar de vroegere studie verwezen , welke thans in haar geheel, om letterkundige redenen, de tweede plaats heeft ingenomen. Indertijd had zij blijkbaar haar ontstaan te danken aan de inwijding der nieuwe St.-Monicakerk met bijbehoorend klooster; en, naar het scheen, mocht deze eigenaardigheid ook nu niet worden weggenomen, hoeveel er in andere opzichten moge zijn gewijzigd; alleen de eigenlijke verhandeling over de kerkwijding zelve kon thans gevoeglijker als ééne der Bijlagen dienen. Voor laatstbedoelde studie komt alzoo deze volgorde: De Nieuwe Bijkerk der Parochie vau den H. Augustinus te Utrecht (voor dit en het volgende gedeelte gelieve men in aanmerking te nemen, dat het al vóór de kerkwijding was verschenen); De Augustijner--Orde (Eenige Geschiedkundige Bijzonderheden); Bijlage I, De Augustijner-Orde in Noord-Nederland; Bijlage II, Tijdkundig Overzicht van de geschiedenis der Utrechtsche Statie; Bijlage III, Over de Plechtigheid der Kerkwijding; Bijlage IV, Aanteekeningen van gemengden inhoud.
Utrecht, Feestdag van den H. Augustinus 1887.
DE ïï. AÏÏamp;USTIFUS,
Zijne Stichtingen en Zijne Werken.
I.
Het jaar 18871 waarin zoovele merkwaardige ge-dachtenisfeesten worden gevierd, is ook het vijftienhonderdste sedert de treffende bekeering van den grooten Kerkleeraar van het Westen, den H. Augustinus, Bisschop van Hippo.
Dit allerheuglijkste feit werd in het voorjaar plechtig herdacht door de algemeene Christenheid, en bijzonder in de kloosters en de kerken van de Eerw. Paters Augustijnen en de Reguliere Kanunniken. Bij die herdenking werd de Heilige meer ten toonbeeld gesteld als Bekeerling, en zijn handel en wandel als opwekking en aanmoediging tot,bekeering.
Wij voor ons mogen meenen, dat het in dit zeldzame Jubeljaar ook tot onze roeping behoort, althans eenige bescheidene regelen aan die belangrijke wereldgebeurtenis te wijden, doch daarbij meer den invloed na te gaan, dien de groote Heilige op de latere eeuwen voortdurend heeft geoefend. Die invloed toch is eene der voorname redenen, waarom het feit dier Bekeering ook in onzen tijd een allerheuglijkst is en tot het einde der dagen zal blijven. Om bijzondere redenen kozen wij voor de vervulling onzer taak ongeveer het tijdstip van het jaarlijksche St.-Augustinusfeest, dat wordt gevierd den acht en twintigsten Augustus.
Kan die voortdurende invloed op de latere eeu-
6
wen voornamelijk uitschijnen uit Augustinus\'Stichtingen en uit zijn Geschrevene Werken, hij zou slechts ten deele worden beseft, indien niet voorafging eene voldoende kennis van den invloed, op den eigen tijd geoefend. Bij de uitwerking van ons plan zullen wij dus dat tweevoudige oogpunt in aanmerking nemen. Zij het ook in korte trekken, en als in het voorbijgaan, kunnen wij daarbij toch tevens de aandacht vestigen op de Bekeering zelve.
Den dertienden November van het jaar driehonderd vier en vijftig werd Aurelius Augustinus geboren te Tagaste, een stadje in de nabijheid van Hippo in Numidië; Tagaste het tegenwoordige «Souk-Arrasquot;, Hippo het tegenwoordige „Bonaquot; in Algiers. Zijn vader, de decurio of staatsraad Patricius, was heiden; zijne moeder, de beroemde H. Monica, christen. Als christelijke vrouw en moeder een toonbeeld voor de gansche wereld en voor alle volgende tijden 1
Van de prilste jeugd af, trachtte de teedere moeder de christelijke deugden te planten in het hart van den dierbaren zoon. Met dit doel liet zij hem ook vroegtijdig opnemen onder het getal der catechumenen. Wel liet het toenmalige gebruik niet toe, dat Augustinus uit deze klasse van voorbereiding spoedig overging tot het uitverkoren getal der gedoopten. Maar de zaden, door de godvruchtige moeder in die licht ontvankelijke en edele kinderziel gestrooid, gingen nimmer geheel verloren, zelfs niet in de dagen van afdwaling en uitspatting. En ook in die rampzalige dagen bleef de moeder hem vermanen, hem zoeken, hem liefhebben, voor hem bidden, voor hem schreien; en het woord van haar bisschoppelijken raadsman bleef niet onvervuld: »Een zoon van zooveel tranen [en gebeden] kan niet verloren gaanquot;.
7
Patricius, die den waren God nog niet kende, die daarbij trotsch en gramstorig en niet onbesproken van zeden was, ontwaarde in zijn\' zoon de schitterende gaven van geest en gemoed, en koesterde slechts deze ééne zorg: hem bekwaam te maken voor eene roemvolle loopbaan in de wereld. Roekeloos liet hij het kind weggaan naar het heiden-sche gymnasium te Madaura. \'t Had destijds eenigen naam; doch de christelijke godsdienst werd er veracht, de heidensche levenswijze geëerd, de hoogmoed gevleid, de zedeloosheid bevorderd. Op zestienjarigen leeftijd was de jongeling er volleerd in de schoolkennis en — in de boosheid.
Omstreeks dien tijd stierf de vader. Hij smaakte nog het buitengewone geluk, door de gebeden dei-bezorgde moeder tot het ware Geloof te zijn bekeerd. Op den zoon scheen toen het treffende geval weinig indruk te maken.
Hij sleet een jaar van verderfelijken lediggang, en toog vervolgens naar Carthago, om aan de hooge school dier stad de kroon te zetten, het is waar, op zijn schitterende studiën, maar ook op zijn schandelijke ondeugden van hoogmoed en van zinnelijkheid. Augusfcinus — wij moeten het helaas! bevestigen — viel diep, in een\' afgrond. Door de zinnelijkheid, in de afschuwelijkste zonden; door den hoogmoed, eerst in de onzinnige ketterij der Manicheërs, en verder in de volslagenste twijfelzucht der Academici. Ketter bleef hij van zijn negentiende jaar ongeveer tot zijn acht en twintigste, twijfelaar nog slechts korten tijd daarna, daar hij zich allengs, en meer en meer, tot de hulpbronnen wendde, uit welke de genade der bekeering voor hem zou opwellen. De laatste twee jaren voor zijne bekeering waren meer een tijdperk van strijd, van hevigen strijd tusschen de werking der Genade eenerzijds
8
en die der zonde en der gewoonte en van het men-schelijk opzicht anderzijds.
Mogen wij de schuld van Augustinus bij zijn diepen val niet verbloemen, wij moeten toch deels overwegen, dat de genade zijner bekeering daardoor des te meer uitschitterde als een buitengewoon wonder Gods, deels erkennen dat eenige verzachtende omstandigheden niet met stilzwijgen zijn voorbij te gaan. Vooreerst behooren wij te noemen den heidenschen tijd en de heidensche omgeving, waarin de jongeling leefde. Geheel het staatsbestuur en geheel het onderwijs waren van het heidensche vergif doortrokken. Vervolgens het gemengde huwelijk der ouders, waardoor het zelfs aan eene moeder als de H. Monica niet vrijstond, haar dierbaar kind naar de beginselen der ware deugd groot te brengen. Beschouwt men verder de misplaatste voorliefde van Patricius voor zijn talentvol kind, zijne eenige zucht om hem een eervolle loopbaan in de wereld te verzekeren, dan is het minder te verwonderen, dat de hoogmoedige, hoezeer hoogst geleerde en welsprekende Augustinus te Carthago, te Rome, te Milaan, slechts streefde om de schitterendste redenaar der wereld te worden, om een Hortensius, een Cicero, een Isocrates, een Demosthenes te evenaren, liefst te overtreffen. Wij hebben overigens nog in aanmerking te nemen in de schooljaren de slechte makkers, de gevaarlijke lezing, de verderfelijke schouwburg voorstellingen. Eindelijk mogen wij niet te gering achten de huichelachtige deugd en de trouwelooze pogingen der Manicheesche sectarissen, om een\' jongeling als Augustinus, met zooveel begaafdheden naar geest en gemoed, in hun helsche strikken te lokken en verward te houden.
Zijn wonderdadige bekeering had Augustinus naast
9
God te danken aan de gebeden en de tranen zijner voorbeeldige en heilige moeder; aan de indrukwekkende deugd en welsprekendheid van den H. Am-brosius, den beroemden Aartsbisschop van Milaan; en aan de stille medewerking van diens toenma-ligen medehelper en lateren opvolger, den nede-rigen en heiligen priester Simplicianus. Bijzondere hulpmiddelen waren: de studie van de geschiedenis der menschheid en van de wijsgeerige school van Plato, en vooral die van de boeken der H. Schriftuur en van de Brieven des grooten be-keerlings, den H. Apostel Paulus. Verder, volgens Franciscus de Sales, Augustinus\' oprechtheid, zijn eergevoel, de verhevenheid van verstand en de teederheid van gemoed, de liefde tot de waarheid, en een zeker schaamtegevoel, dat hem steeds bijbleef, in weerwil van zijne schijnbare onbeschaamdheid. Ook de bekeering en de dood van zijn dierbaarsten vriend. Voegen wij er nog bij, dat Augustinus allengs nederiger begon te denken over zich zeiven en zijn eigene krachten, en steeds met meer eenvoud te bidden tot den Almachtigen Schepper van het Heelal, den Oorsprong en de Bron van alle goed.
De gelukkige en buitengewone Bekeerling ontving het H. Doopsel op Paaschzaterdag, den vijf en twintigsten April van het jaar driehonderd zeven en tachtig, uit de eigen hand van den eerbied-waardigen Aartsbisschop Ambrosius.
II.
Na deze reiniging en veredeling der ziel, begaf de nieuwe christen zich met Alipius en eenige andere vrienden in de geestelijke afzondering, en
10
sleet er de dagen in de beoefening der heldhaftigste deugden en in de studie der hoogste wetenschappen , vooral de gewijde. Daardoor werd hij èn kloosterling èn ordestichter tevens.
Weldra uitverkoren tot de waardigheid van priester en die van bisschop van Hippo, achtte hij het den plicht der dankbaarheid , de H. Kerk, waarin hij voor ziel en lichaam het ware geluk had gevonden, te beminnen, te beschermen en te verdedigen. Hij, de gelauwerde der Afrikaansche hoogeschool en de Romeinsche leeraar van den Keizerlijken stoel der welsprekendheid, beschouwde zich van nn voortaan, gelijk hij zelf schrijft, als den door God aangestelden Advocaat der Kerk, om met de meeste nederigheid, maar ook met den meesten ijver en uit al de krachten van ziel en lichaam , hare rechten te verdedigen, hare eer te verbreiden, haar weldadige, bovennatuurlijke werking te helpen bevorderen. Van toen af, het veertigste jaar, begon dan ook het glanstijdperk zijns levens. De rechte man op de rechte plaats, blijkbaar het uitverkoren werktuig der Goddelijke Voorzienigheid, een tweede Paulus! In wonderbare samenstem-ming waren bij hem vereenigd; levendige en vurige verbeelding, en buitengemeen diep en scherpzinnig verstand; innige teederheid des gemoeds, en helderheid en juistheid van oordeel; zeldzame goedheid en milddadigheid van hart, en niet minder zeldzame geest- en wilskracht; onuitputtelijke rijkdom van denkbeelden, en weinig overtroffen redenaarstalent; volledige wetenschap voor zijn\' tijd, en rijpe ondervinding en wereldkennis. En dat alles bezield, geadeld, verheven door het licht en de kracht van het Christelijk geloof en de onverteerbare vlam der Christelijke liefde!
Geen wonder dan ook, dat hij de lichtzuil werd
11
der zijne, en der volgende eeuwen. Was Hieronymus de geleerdste, vooral in de Oostersche taalkunde, Augustinus was de meest begaafde, de meest uitmuntende. misschien de meest begenadigde van alle Westersehe Kerkvaderen. In het bijzonder raakte zijne wetenschap de godgeleerdheid, de gewijde en ongewijde geschiedenis^ de Grieksche en Romeinsche letterkunde en wijsbegeerte. Het schitterendste gedenkstuk hiervan is het meesterwerk De Civitate Dei.
Den rijken schat nu van kennis en wetenschap, de wonderbare gaven van natuur en genade, in al zijne volgende levensjaren, wendde hij aan, enkel en uitsluitend, tot den dienst der Goddelijke Waarheid en tot het tijdelijk en eeuwig heil der in ellende verzonkene menschheid.
Eerste en voornaamste zorg daartoe was en bleef steeds: met Gods hulp zelf een nederig en liefdevol kind Gods te zijn in geheel zijn levenswandel, en tevens een zuiver toonbeeld voor geestelijkheid en volk. Had hij als priester het kloosterleven voorgezet, als bisschop moest hij het klooster verlaten. Maar zijn paleis richtte hij nu zoo zedig en zoo vroom mogelijk in, en om de veranderde omstandigheden schreef hij een nieuwen leefregel voor, waarnaar hij en zijne medehelpers als in een klooster leefden. Ook in dezen zin werd hij ordestichter.
Geene vrouw mocht zijn woonhuis binnentreden; nimmer sprak hij haar alleen; zelfs niet zijne eigene zuster. Een toonbeeld was hij bij uitstek in de beoefening der christelijke liefde en milddadigheid. Binnenshuis wijdde hij zijne lange dagen aan gebed en studie, aan de vervulling zijner ambtsplichten, en aan het schrijven zijner talrijke en voortreffelijke geschriften; buitenshuis, aan de werken van barmhartigheid, de ambtsreizen, de prediking, de openbare redetwisten, de bisschoppelijke Conciliën. Zijne
12
buitengewone geleerdheid, zijn verbazend redenaars-1 talent, zijne schier wonderbare gevormheid als! godgeleerde, zijne hooge geestdrift voor de Goddelijke waarheid en voor de Goddelijke Stichting, de Kerk, zijne rustelooze en onbaatzuchtige bedrijvigheid tot hare verdediging en verheerlijking, zijn heilige levenswandel, al die zeldzame gaven, inéén persoon vereenigd, wezen hem weldra en geheel natuurlijk aan als het geëerbiedigde hoofd der Afri-kaansche Bisschoppen, als hun middelpunt, hun lichtbaak, hun raadsman, hun woordvoerder, hun voor strijder.
Het zou ons te ver voeren, wilden wij die veelomvattende werkzaamheid in alle deelen uitvoerig schetsen; het moge voldoende zijn, enkele hoofdlijnen te trekken.
Voor alles zette hij zijnen strijd voort tegen de Manicheërs, wier leer hij door en door had leeren kennen en waardeeren. Hij bestreed openlijk hun\' hoofdman Faustus, en bracht nog twee anderen hunner meest geziene voorgangers, Secundinus en Felix, tot stilzwijgen en tot de erkenning hunner dwaling. Zelfs mocht hij de vreugde smaken, dat Felix in den schoot der ware Moederkerk terugkeerde. Vervolgens richtte hij zijne geestelijke wapenen tegen de Pris-cillianen in Spanje, een soort van Manicheërs; en eveneens tegen den aanhang van Marcion te Carthago. Deze Marcion stond de oude geheimzinnige bas-taardleer der Gnostieken voor.
Weldra werd onzen strijdheld eene nog veel zwaardere taak op de schouders gelegd, de geestelijke overwinning van het Donatismus. Aanvankelijk te Carthago als eene scheuring ontstaan, werd het weldra eene gevaarlijke ketterij, die de gansche kerk van Afrika dreigde te verwoesten. In dit werelddeel telden de Donatisten reeds meer dan vierhonderd
13
aars-|bisschoppen onder hunne aanhangers; hadden inde alslmeeste steden, ook in Hippo, de overhand;droegen ïde-Iden Katholieken een vinnigen haat toe; en pleegden ■ de lop hunne woeste zwerftochten de ergerlijkste ge-\'ig- Iwelddaden en ongerechtigheden. Met de latere ijn I llahomedanen stemden zij ook hierin overeen: dat én | zij in waanzinnige dweepzucht reikhalsden naar wat ;el I zij noemden den marteldood; doch zij spaarden i- I daarbij, veel minder dan het hunne, het leven hunner n | tegenstanders. Moord stichtten zij en brand I Priesters n I en kerken werden bij voorkeur getroffen 1 Vrouwen | en kinderen niet gespaard! Was dè,t dan de Hei-| lige Godsdienst? Voer de geest der hel niet door | hunne aderen? Moest daartegen niet een Kruistocht I worden gepredikt ? De getrouwe bisschoppen, Augus-| tinus aan het hoofd, riepen de hulp in van keizer | Constantijn , die een leger uitzond en de wilde horden i bedwong in het jaar vierhonderd en elf. Alsnu wist 1 onze Heilige de kettersche bisschoppen te bewegen J tot een openbare samenkomst en onderhandeling met de katholieke. Boven allen schitterde hij uit, en behaalde voor de Christelijke Waarheid eene glansrijke zegepraal. Zeer vele Donatisten keerden j tot de ware Kerk terug. En mocht de strijd nog | niet geheel zijn geëindigd, Augustinus zag hem allengs geheel verminderen. Zedelijk was de ketterij van stonden aan overwonnen.
Van nog grooter belang mag worden genoemd zijn strijd tegen het Pelagianismus. Door de Goddelijke Voorzienigheid was hij zichtbaar aangewezen, om ook die gevaarlijke ketterij met meesterhand te overwinnen. Pelagius, een Britsch monnik, was met zijn\' aanhanger Celestius in het jaar vierhonderd negen naar Rome gereisd, om zich over zijne leerstellingen te verantwoorden. Toen echter in het volgende jaar Rome door Alarik werd veroverd,
■
li
vluchtte hij over zee, en verspreidde zijne dwaal- | leeringen in Palestina en in Afrika. Verderfelijke | aan dwaalleer! Zij raakte niet een enkel punt, maar de 1 Q geheele leer van het Christendom, de grondslagen | gee van de gansohe Christelijke Godgeleerdheid. Augus- 1 tinus leverde er tot zijnen dood een onvermoeiden | strijd tegen, eerst tegen de beide stichters, toen I fei tegen bisschop Juliaan van Eclanum in Beneden- | Italië, eindelijk tegen de Semi-Pelagianen. Voor- | treffelijk beslechtte hij den hevigen strijd, en grond- 1 a vestte de aangerande leerstellingen, ook uit een j, wetenschappelijk oogpunt, voor alle volgende ge- f j slachten. — »lk zou het woord moeten opnemen I ] tegen u (de Pelagianen); maar de groote Augustinus | deed dat reeds, en daarom zal ik zwijgen.daar het noo- | deloos is, hout naar het bosch of water naar de zee te dragen.quot; Deze/woorden van den grooten Kerkvader l Ambrosius, Augustinus\' heiligen leermeester, achtten wij te merkwaardig, om hier niet te worden vermeld. I
Middelerwijl gevoelde onze strijder zich genoopt, en vond ook nog den tijd en de gelegenheid, om het christendom krachtdadig te verdedigen tegen de heidenen zijner eeuw. De aanvang der groote volks- | verhuizingen, de verwoesting van Italië door de | Gothen, de verovering van Rome door Alarik, hadden 1 de gemoederen weder sterk opgewonden en bitter | gestemd. Luide klaagden de heidenen den christe-lijken godsdienst aan als de oorzaak der ongehoorde rampen, die over Rome en het Romeinsche rijk heen togen, Augustinus nu achtte het zijne taak, die verkeerde voorstelling ten schande te maken, en de ware oorzaken van het verval der Romeinsche macht in het juiste licht te stellen. Hij mocht hierin uitmuntend slagen door zijn grootste en beroemdste werk, het reeds genoemde standaardwerk De Civitate Dei, aan lietwelk hij dertien jaren van
15
zijn verdienstelijk leven arbeidde. Wij hopen er aan het slot dezer studie nader op terug te komen.
Onder deze niet minder rustelooze dan krachtige geestelijke werkzaamheden en kampstrijden, was hij allengs — helaas, nog te vroeg! — het einde zijner levensdagen genaderd; toch zou hij nog vele droefenissen moeten beleven, alvorens in den Hemel het loon zijner tallooze goede werken te erlangen.
Bonifacius, de landvoogd van Afrika, bedrogen als hij was door Aëtius, achtte zich door het Ro-meinsche Hof gekrenkt, en nam te kwader ure het heillooze besluit, om zich door opstand tegen het Keizerlijk gezag te handhaven en te zijner verdediging de Ariaansche Wandalen onder den beruchten Genserik uit Spanje te hulp te roepen. Dit geschiedde in de laatste helft van het jaar vierhonderd acht en twintig. De woeste benden steken de zee over. En reeds het volgende jaar hebben zij de kusten van het Afrikaansche wingewest in bezit genomen. Dood en verwoesting kenmerken alom hunne voetstappen. Nu heeft Augustinus de altaren en de haardsteden ook nog tegen die Arianen te verdedigen. Hij dienst niet terug. Is hij reeds hoogbejaard en gebogen onder de vermoeienissen van den langen levensstrijd en den druk der treurige tijdsomstandigheden, nog staat hij manmoedig op tot een openbaren redetwist met den Ariaanschen bisschop Maximinus van Cesarea in Mauritanië. Daarna richt hij nog drie geschriften tegen de kettersche geweldenaars. In het eene geeft hij den redetwist met Maximinus in het licht, in het andere bestrijdt hij onversaagd de dwaling van denzelfden tegenstander. Dit tweede is eene leerrijke verhandeling over de Eenheid van Wezen in de Drie Goddelijke Personen en over de onderlinge betrekking van dezen tot elkander.
16
Het derde is gekant tegen eene verspreide Ariaan-sche redevoering. Punt voor punt wederlegt hij de valsche leer, en bewijst uit de Schriftuur en de Kerkvaders de Godheid van Christus, het Woord des Vaders.
De ellendige verwoestingen der kettersche Wandalen vermocht de heldhaftige grijsaard er helaas! niet mede in haren loop te stuiten. De landen werden geteisterd, de steden veroverd, zelfs Hippo, de bisschoppelijke stad, belegerd. Andere kerkvoogden waren gevlucht, Augustinus bleef.
Intusschen, arbeid en kommer van allerlei aard hadden den voorbeeldigen herder van zijne krachten beroofd, en weldra werd hij aan het laatste ziekbed vastgekluisterd. Den acht en twintigsten Augustus van het jaar vierhonderd dertig, juist of nagenoeg juist vier en veertig jaren na den heiligen Genadedag in den tuin te Milaan, gaf hij zijne groote en echoone ziel in de handen zijns Scheppers weder. — »Gij hebt ons voor ü gemaakt, ö Heer, en ons hart is onrustig, totdat het rust vinde in ü 1quot;
De invloedrijke leeraar en leider der volkeren stierf arm. Zijn eenige schat waren zijne boeken, die hij las of schreef ter eere Gods en tot welzijn der Maatschappij. Als door een wonder werden zij gespaard bij den brand, door de Wandalen gesticht.
\'tWas in het zes en zeventigste jaar van zijn leven , de derde maand van de belegering der stad. Vier en zeventig jaren mocht zijn heilig gebeente blijven rusten i n de kerk van den H. Stephanus te Hippo, doch kon er toen niet langer gevrijwaard blijven tegen de heiligschennende daden der Wandelen. Onder leiding van den H. Fulgentius,,/den Augustinus van zijn tijdquot;, werden de dierbare overblijfselen door eenige verbannen bisschoppen de zee overgebracht, naar het eiland Sardinië, waar zij twee eeuwen later, met geheel het land, in de macht vielen van de
17
Saracenen. Zij werden echter zelfs door dezen geëerbiedigd. Hoewel tegen zeer hoogen prijs, mocht Luitprand, koning der Longobarden, in het jaar zevenhonderd tien het geluk smaken, den kostbaren schat van de zonen der Halve Maan vrij te koopen en hem eene waardige schuilplaats te geven, eerst te Genua, en vervolgens te Pavia, in de kerk van den H. Petrus met den Gouden Hemel, door den koning zeiven gebouwd. De Benedictijnen verheugden zich in haar bezit tot het jaar twaalfhonderd twee en twintig, toen Paus Honorius III er de Reguliere Kanunniken in plaatste; eene eeuw en vijf jaar later voegde Johannes XXII hun de Augustijner-Eremieten toe; en tot onzen tijd bleef het gemeenschappelijk bezit bijquot; de zonen van Augustinus\' twee verschillende stichtingen gehandhaafd. Nog rusten de heilige overblijfselen in het wereldberoemde reliekenschrijn derzelfde kerk, terwijl de stad, nu vijf en veertig jaar geleden, het gedeelte van den rechterarm ten geschenke heeft gegeven aan Hippo, de bevoorrechte plaats, waarde beroemde heilige zoo verdienstelijk den bisschoppelijken herdersstaf heeft gevoerd. Evenals op Sardinië en te Genua, liet God ook te Pavia voortdurend vele wonderen toe, door de machtige voorbede van den grooten, op den Afrikaanschen bodem gevormden Wereldheilige.
III.
Mochten wij in de vorige bladzijden eene beknopte schets geven van Augustinus\' leven, en daarbij den grooten invloed herdenken, dien hij op zijn eigenen tijd heeft geoefend, bij nadere overweging zal men ook reeds daarin den invloed hebben erkend, welken de latere eeuwen dien grooten wereldheilige mogen dank weten.
IS
Augustinus toch is blijkbaar een treffend en leerzaam voorbeeld voor de afgedwaalden, om zich op den heilzamen weg der bekeering terug te begeven; voor de rechtvaardigen, om zich met Gods huipop dien goeden weg staande te houden. De talrijke wonderen, op zijne voorbede gewrocht, blijven hunnerzijds steeds een waarborg, dat hij zijn nederigen vereerders met bovennatuurlijke hulp zal ter zijde staan. De omstandigheden, die tot zijn verschrik-kelijken val medewerkten, moeten verder eene gegronde vrees inboezemen tegen het nieuwe heidendom , waardoor ook het moderne staatsleven is vergiftigd, eene gegronde vrees evenzeer tegen de gemengde huwelijken, hetgodsdienstlooze onderwijs, den omgang met slechte makkers, de gevaarlijke lezing, de onvoorzichtige liefde voor uitspanning en schouwburgvoorstelling; eene gegronde vrees bovendien tegen de verdachte vereenigingen en de verfoeilijke geheime genootschappen. De wellustelingen hebben van hem te leeren, dat zij, aan zich zeiven overgelaten, eindigen in den afschuwe-lijksten afgrond; de hoogmoedigen — in de ellendigste zelfaanbidding. De onverschillige, hooghartige, eergierige, geldzuchtige vaders moeten zich spiegelen aan de treurige ondervinding, door Patricius opgedaan. De gebeden en de tranen der H. Monica blijven voortdurend eene opwekking voor de deugdzame moeders, om nimmer te wanhopen, en steeds te zuchten en te smeeken voor de bekeering van het kind, dat dartelt op den rand des afgronds. Nog is Augustinus een treffend en leerzaam voorbeeld, hoe men zich in de studie en de oefening der christelijke waarheid en deugd moet begeven, en ieder naar vermogen de zaak Gods en de zaak der Kerk als de hoofdzaak behartigen;—hoe daarbij nederigheid en liefdadigheid en godsvrucht aan de
19
glansrijkste daden en kundigheden en levensomstandigheden standvastig moeten gepaard gaan.
Beschouwt men hem in de voornaamste bedrijven zijner uitwendige werkzaamheid, ook dan schittert hij meer en meer voor het starend oog als een toonbeeld aller eeuwen. Ziet hem in zijn uitmuntenden strijd tegen de Manicheërsl Is het niet, ff wij hem in volle wapenrusting zien optreden tegen de sectarissen van onzen tijd? Ja, zoo merkt te recht een lofredenaar van den Heilige aan, \') wij begrijpen des te beter de woorden van Paus Leo XIII, als hij er op wijst, hoe de leiders van het moderne ongeloof »zich op allerlei wijzen zoeken te verbergen onder een valschen schijn en onder denzelfden dekmantel der huichelarij als weleer de .Manicheërsquot; en hoe zij *zich verschuilen onder het masker van vrienden der lelterkunde en weienschap.quot; Ziet den strijd tegen de Donatisten! Zij beweerden, dat de Katholieke Kerk had opgehouden de Ware Kerk van Christus te zijn, omdat zij met de grootste lankmoedigheid de zondaars in haar midden liet als het onkruid tusschen de tarwe! Herkennen wij daarin niet de vele vereenigingen van scheurmakers en ketters, die door alle eeuwen heen ongeveer dezelfde bewering opdreuflen? Herkennen wij eveneens niet in de Pelagianen de naturalistische en materialistische drogredenaars van onzen tijd? Zoo dezen als genen loochenen de erfzonde en Christus\' noodwendig Middelaarschap, en beweren dat de mensch uit eigen kracht het eeuwig heil, het gelukzalig einddoel kan bereiken 1 Den modernen heidenen verder kunnen wij toeroepen: Leest de boeken van het heerlijke werk De Civitaie Dei, die
\') Wijlen mijn cordiale vriend M. Kallen, seder kort als priester overleden. (Vgl. De Studiën I. 1884.)
20
classieke Apologie des Christendoms, en gij zult evenals uw voorgangers uit de vijfde eeuw tot betere gedachten komen. En wat eindelijk te zeggen van de moderne Christusloochenaars, die nog met toog en bef den kansel durven te betreden, en een gruwel zijn, zelfs in het oog der trouw geloovige Protestanten! Zelfs dezen mogen hun toeroepen; Beroept gij ten minste u niet meer op Augustinus, want gij zijt als de Arianen!
Dusdanig is de invloed, door Augustinus\' handel en wandel zijdelings althans geoefend, zelfs nog op onzen eigenen tijd. Doch wij behooren ook den meer rechtstreekschen invloed na te gaan, en daartoe onze bijzondere aandacht te vestigen op zijne Stichquot; tingen en zijne Geschrevene Werken.
Naar wij reeds opmerkten, had Augustinus na zijne bekeering vele uitmuntende vrienden en leerlingen, en ook in de latere eeuwen steeds getrouwe volgelingen. Daardoor werd hij ook als Ordestichter in zijne twee groote stichtingen vereeuwigd en op voortreffelijke wijze in zijne deugden en werkzaamheden nagevolgd.
Het vorige jaar gaf ons aanleiding om meer uitvoerig te wijzen op de Kluizenaars- of Eremieten-vereenigingen, op de in 1256 gevestigde en later zoo beroemd geworden bedelorde der Augustijner-Ere-mieten, op de Augustinessen, en op de Leden van den Derden Regel, allen vereenigd onder den titel van Orde der Eremieten van den H. Augustinus. De verschillende daarover geschrevene artikelen zijn toen verzameld in een boekje met het opschrift van de iNieuwe St.-Monicakerk.quot; Wij meenen thans, voor dit gedeelte der te behandelen stof, naar die verzameling te moeten verwijzen. \')
gt;) Zij is nu onmiddelijk achter deze studie opnieuw in het licht gegeven. Men gelieve dienaangaande te vergelijken: het Voorbericht.
21
De tweede stichting daarentegen, die der Reguliere Koorheeren of Kanunniken van den H. Augustinus, moet in deze nieuwe studie een weinig nader worden vermeld. Wij kunnen daaraan dan toevoegen eene meer volledige opgave van de geschiedkundig meest bekende Vereenigingen, die den Regel van den H. Augustinus aannamen, zonder tot eene dei-twee bijzondere stichtingen te behooren.
IV.
De Reguliere Kanunniken van den H. Augustinus zijn Kanunniken, die den Regel van den H. Augustinus volgen.
In den loop der tijden heeft de naam Kanunnik een verschillende beteekenis ontvangen. Voor ons onderwerp moeten wij dus onderscheid maken.
Kanunnik heeten, onder anderen, de Hoog-Eerw. leden der tegenwoordige Bisschoppelijke Kapittels. In dien zin zijn zij vooral bekend in de Bisschoppelijke verblijfplaatsen, waar die Kapittels gewoonlijk iedere maand vergaderen.
In meer vroegen tijd waren kanunnik de wereldlijke geestelijken, die eene prove of prebende, lijfrente of kerkelijk inkomen, uit de stichtingen eener domkerk bezaten, daarnaar ook koor-, dom- of stiftsheeren genoemd. In dezen zin is de titel van kanunnik of kanunnikes, opmerkelijk genoeg, zelfs bij de Protestanten blijven voortbestaan, dewijl de ,/Hervormersquot; de inkomsten dier stichtingen gaarne bleven genieten, ook al arbeidden zij daarvoor óf in \'t geheel niet, öf geheel in strijd met de bedoeling der oorspronkelijke stichters.
Alle geleerden leiden het woord kanunnik van het
2
22
Latijnsche canon af, dat regel, vorm, toonbeeld beteekent. Sommigen verstaan er door: de maat of hoeveelheid van de toelage, welke den geestelijken bedienaren op geregelde tijden voor hun levensonderhoud werd verstrekt. Anderen hechten er den zin aan van cataloog, canonbord, naamlijst; zoodat alle geestelijken, die als zoodanig waren ingeschreven, canonikaal waren.
De meest toepasselijke verklaring schijnen echter zij te geven, die het woord in verband brengen met de canons der Conciliën. In dezen zin waren oorspronkelijk al de geestelijken kanunnik, die in hun kerkelijke bediening getrouw de voorschriften der Conciliën opvolgden.
Meer bijzonder onderscheidde men de Reguliere kanunniken. Het waren priesters, of tot het priesterschap bestemde godgeleerden, die geene eigenlijke kluizenaars of kloosterlingen waren, maar toch samenleefden volgens één en denzelfden regel, goedgekeurd door het hoogste kerkelijk gezag.
Gelijk van de Augustijner-Kluizenaars- of Klooster vereenigingen, naar wij reeds boven zagen, zoo is de H. Augustinus ook de\' Stichter van de Reguliere Priestersvereenigingen. Bosius, in zijn werk De Signis Eccles., drukt dit in de volgende bewoordingen zeer juist uit: //De H. Augustinus, door een Goddelijke voorlichting geleid, heeft een\' leefregel voorgeschreven aan de Priesters, die, op het voorbeeld der monniken of kloosterlingen, geheel uit vrije beweging wilden samenleven en geene bijzondere, maar gemeenschappelijke eigendommen bezitten.quot;
Reeds had Augustinus\' beminde leermeester, de H. Ambrosius, een zoodanige regeling in zijne kerk te Milaan ingevoerd. Maar zij schijnt niet duurzaam te zijn geweest, wegens de jammerlijke bal-
23
lingschap, welke die voortreffelijke kerkleeraar in driehonderd vijf en vijftig moest ondergaan, wijl hij standvastig weigerde, de veroordeeling van den grooten H. Athanasius te onderschrijven.
Ook de H. Eusebius, bisschop van Vercelli, stichtte een dergelijke vereeniging, doch voerde er meer rechtstreeks den kloosterlijken staat in, wat althans in de eerste duizend jaren bij de Reguliere Kanunniken niet het geval was.
Indien wij dus bij de vraag blijven, die nu is te behandelen, dan moeten wij den H. Augustinus be. schouwen als den stichter der Reguliere-Priesters-vereenigingen.
Vinden de kloosterlingen van den H. Augustinus, de Augustijner-Eremieten, die natuurlijk ook priester kunnen zijn, hun kloosterlijken regel afgeleid uit den bekenden 109den Brief, de Reguliere Priesters ontleenen den hunnen, naar eenigen meenen, aan de twee verhandelingen van den grooten Heilige, die door den H. Petrus Damianus daartoe worden aangehaald, onder den titel van De Moribus Clericorum //Over de zeden der Geestelijkenquot;. In ieder geval, ook den regel dier Regulieren schoeide de beroemde kerkleeraar op het Evangelische voorbeeld der Apostelen en de canons der Conciliën. Later echter, gelijk wij straks kunnen zien, werd algemeen als de Regel voorgeschreven en aangenomen de bedoelde 109de Brief, de 211de jin de groote Benedictijner-uitgave.
Reguliere Kanunniken, en ook Kanunnikessen, bestonden er reeds in vele stiften over geheel Europa, zonder dat zij nog ,van den H. Augustinusquot; werden genoemd. Het meest bekend waren destijds, die van den H. Chrodegang en die van Amalarius.
Eerstgenoemde, Bisschop van Metz, putte in zeven-
24
honderd twee en veertig eenen regel uit de heilige canons, de werken der Kerkvaders, en de voorschriften van den H. Benedictus. Uit de werken van de HH. Hieronymus, Cyprianus, Athanasiusen Cesarius, naar het bevel van Lodewijk den Vromen, vervaardigde Amalarlus een anderen regel, die in achthonderd zestien door het Concilie van Aken werd goedgekeurd.
Een paar eeuwen daarna,, spoorde de H. Petrus Damianus de Pausen Nicolaas II en Alexander II ijverig aan, voor de zaak der Reguliere Kanunniken twee Conciliën te beleggen, het eene in duizend negen en vijftig, het andere vier jaren later. Aldaar werd bevolen, dat zij voortaan allen de levenswijze zouden volgen, welke door den H. Augustinus aan zijn reguliere priesters was voorgeschreven.
Beslister nog sprak Paus Innocentius II, op het tweede Concilie van Lateranen,in elfhonderd negen en dertig. Daar werd bepaald de meergenoemde 109de brief als leefregel vastgesteld voor alle Reguliere Kanunniken; — zij zouden voortaan tevens de plechtige H. Geloften afleggen en Reguliere Kanunniken van den H. Augustinus heeten. Juist twee eeuwen later voegde Paus Benedictus XII de bekende vier en zestig Artikelen als ^Constitutiequot; aan den Regel toe. Vooral sedert deze twee tijdstippen verspreidde de glans der Reguliere-Kanun-nlkenorden, als die der schoonste zonnestralen, zich over de gansche Westersche Kerk.
Ziedaar in het kort den loop, ook van de alge-meene geschiedenis der Reguliere Kanunniken. Na die zakelijke uiteenzetting van de feiten, behoeven wij ons niet te mengen in de twistvragen van sommige geleerden, die uitvoerig willen bewijzen: óf dat alleen de Reguliere Kanunniken zonen van den H. Augustinus mogen heeten, of dat zij ouder zijn
25
dan andere reguliere-priestersvereenigingen, èf ouder dan de Kloosterlingen van den H. Augustinus, óf ouder zelfs dan de Kloosterlingen in. het algemeen. Wie meer aan zaken dan aan namen hecht, zal zich liever verwijderd houden van het terrein dier spitsvondigheden.
Wat de Kanunnikessen betreft, haar oorsprong schijnt niet hooger te moeten worden opgevoerd dan tot het einde der achtste eeuw. Zij komen het eerst ter sprake in den zeven en veertigsten canon van het Concilie van Frankfort, gehouden tijdens Karei den Grooten in zevenhonderd vier en negentig; en eveneens in eene algemeene vergadering van kloosteroversten, acht jaren later door denzelfden Keizer te Aken belegd. Wederom elf jaar later, werd een afzonderlijke regel voor haar vastgesteld op het Concilie van Chalons-sur-Saóne. \'t Was evenwel slechts een gedeeltelijke Regel, daar in het algemeen verwezen werd naar dien van den H. Benedictus. Het Concilie van Mainz , terzelfder tijd gehouden, schreef in zijn dertienden canon voor, dat de Godgewijde maagden, die niet den Regel van den H. Benedictus volgden, volkomen naar de canonieke voorschriften moesten leven. De regel van Amalarius, te Aken goedgekeurd, was evenzeer voor de kanunnikessen als voor de kanunniken bestemd.
Waarschijnlijk is het, dat de Kanunnikessen eerst in de twaalfde eeuw, sedert het tweede Concilie van Lateranen, den Regel van den H. Augustinus omhelsden, geput uit den 109en Brief. Krachtiger nog werd de verplichting van dezen Regel bevestigd op het Concilie van Rheims, negen jaar nadien gehouden onder Paus Eugenius III. Sommige vrouwelijke vereenigingen omhelsden ook de strengere constitutiën, voor de Kanunniken geschreven, bijzonder die van Benedictns XII. Het verdienste-
ilige aor-ken s en en, : in ten
26
Canu mtsti ,e v( ^öor anï maal toeg aam 0 ziel
v !kel
•Ou
Wij vangen aan met de Kanunniken van den Al- ^ lerh. Verlosser van Lateranen. Het schijnt, dat zij ^ reeds omstreeks de helft der vijfde eeuw, onder ^13 Paus Leo I, te Rome werden gesticht door Gelasius leerling van den H. Augustinus. Duizend jaren later ondergingen zij een gunstige hervorming onder den Eerbiedwaardigen Pater Barthelemy Columma.
Niet alleen in Italië, maar ook daarbuiten, zooals in Polen en Moravië, schaarden zich vele kloosters onder hunne banier. Ook de zooeven vermelde Kanunnikessen van denzelfden naam.
De Kanunniken van den H. Chrodegang, en die van Amalarius, werden reeds boven besproken, voldoende voor ons doel. Er moet echter bij worden opgemerkt, dat de Regels, door die dienaren Gods geschreven , meer bepaald bestemd waren voor be _ staande vereenigingen van kanunniken of kanunnikessen, en als eene strengere levenswijze werden omhelsd. Dit geschiedde niet uitsluitend te Metz en te Aken, maar op onderscheidene plaatsen van Duitsehland, Frankrijk en Italië.
De H. Rufus, althans naar luid van de overlevering, was de zoon van Simon van Cyrenen en de eerste bisschop van Avignon. Dat de Reguliere
lijkst in dit opzicht maakten zich de Kanunnikessen van den Allerh. Verlosser van Lateranen.
Na deze algemeene beschouwingen, mogen wij naar het doel onzer studie eene opsomming laten volgen van de Reguliere Kanunniken en Kanun-r nikessen, die in de kerkelijke geschiedenis het meest op den voorgrond zijn getreden, evenwel zonder aan de volgorde eene bepaalde waarde te hechten.
27
kanunniken der Vereeniging van den H. Rufashun mtstaan aan dien Heilige zouden danken, schijnt ie ver gezocht. De zaak is, dat juist eene eeuw cöór het tweede Lateraansche Concilie een viertal kanunniken uit Avignon, die naar hoogere volmaaktheid streefden, een naburige kerk erlangden, toegewijd aan den H. Rufus, en van daar uit een aanzienlijke nieuwe Vereeniging vormden.
Om kort te gaan: op dergelijke wijze hebben zich ook gevormd in 1050 de Reguliere Kanunni-ken der Vereeniging van den H. Laurentius van Oulx in Dauphiné; de Vereeniging van den Berg Sint Vigius te Arras, en van St. Aubert in Kame-rijk, beide in 1066 onder den invloed van den H. Luitbertus; die van den H. Mauritus te Agaune in Zwitserland omstreeks 1150; die van den H. Johannes der Wijngaarden te Soissons in 1076; die van den H. Antonius van Viennois in Dauphiné in 1297, als hospitaalbroeders reeds ontstaan in 1095; die van het H. Graf, omstreeks 1100 te Jerusalem onder Godfried van Bouillon en Boudewijn I; die van Sint Victor te Parijs in 1113; die van het H. Kruis te Coïmbra in 1131; die van den H. Geest, omstreeks 1198 te Montpellier in Frankrijk, en in het hospitaal „In Sassidquot; te Rome; die van O. L. Vrouw de Metro, ook genaamd: van de Penitentie der Martelaren, in Polen genaamd: van Sint Marcus, en aldaar met zekerheid bekend als ontstaan omstreeks 1250; die van Sint Petrus de Monte Corbulo in Italië onder Alexander VI, en die van Sint Cos-mas bij Tours in Frankrijk, laatstgenoemde afgestamd van de kloosterlingen van Marmoutiers, waarschijnlijk omstreeks de twaalfde eeuw; die van Sint Jan Baptist de Coventry in Engeland, onderworpen aan de orde van den H. Benedictus, omstreeks de twaalfde eeuw; die van den H. Gilbertus te
ïssen
wij-aten lun eest ider ten.
28
Simpringham in Engeland, in het midden dei-twaalfde eeuw; die van de H. Maagd Brigitta, om streeks het midden der vijfde eeuw in Ierland; die van Sint Jacob met den Degen te Compostella in Spanje, in 1170; die van Sint Jacob van denGroo-ten Weg van Luques in Frankrijk, afhankelijk van de Hospitaalridders van dien naam in Italië, omstreeks de dertiende eeuw; die van den H. Marcus te Mantua in 1194; die van den H. Geest te Venetië, in 1484 ontstaan uit de Augustijner-Eremietenorde; die van den Allerh. Verlosser, genaamd van Bologna, nabij Sienna in Italië, in 1408 ontstaan uit dezelfde orde, onder den Eerbiedw. Pater Stephanus Cioni van Sienna; die van Onzen Verlosser in Lotharingen in Luneville in 1623.
De Kanunniken van het H. Graf waren aanvankelijk seculieren, doch werden in 1114 regulieren. Later breidden zij hunne Kloosters in Europa zelve uit, en bestuurden ook vrouwenkloosters van dien naam. De Ridders van het H. Graf blijven van hen. te onderscheiden.
Er schijnen ook Reguliere Kanunniken te hebben bestaan, genaamd //Associé\'squot; van de Vereeniging van den H. Geest; als hun stichter wordt vermeld Jean Herbet uit Lotharingen in 1588. \'t Is onbekend, of zij betrekking hadden met die van Montpellier of met die van Venetië.
Verwant aan de Kanunniken van Sint Petrus de Monte Corbulo waren die der Scholieren van Boulogne in Frankrijk, waarschijnlijk ontstaan omstreeks de twaalfde eeuw.
De orde der H. Brigitta van Ierland is niet te verwarren met die der H. Brigitta van Zweden. Deze was eene Zweedsche prinses, gene eene eenvoudige lersche maagd. Zij en haar eerste gezellinnen ontvingen den sluier uit de handen van St. Mel, bisschop
he ïare prol wow geve lijkt BriÉ hoe ben I
29
n het land van Meat, leerling van den H. Patricius. 3are voornaamste verblijfplaats was Kildar, oor-ipronkelijk een landgoed, \'t Werd later om hare wonderdaden zóó beroemd, dat er eene stad werd gevormd, aanzienlijk genoeg, om er denbisschoppe-lijken metropolitaanszetel over te brengen. — De Brigittijnen van Zweden waren geene Kanunniken, hoezeer zij den regel van den H. Augustinus hebben omhelsd.
De Kanunniken van St. Jacob met den Degen
de
ia, I waren de geestelijke bedienaren der Ridderorde van
dien naam. Zij bedienden eveneens de gelijknamige vrouwenkloosters, aan hunnen regel onderworpen.
Verwant aan de Vereeniging van Sint Jacob van Luques was die der Brugmakers.
Die van Onzen Verlosser in Lotharingen was eene Vereeniging van Reguliere Kanunniken, hervormd door Pierre Fourier, den ijverigen ordestichter en herder van Matainoourt. Zijn bloedverwant en ziels-bestierder was de Jezuïet Jean Fourier.
Men verwissele Fourier niet met Faure. Charles Faure, geboren te Luciennes bij Parijs, was de stichter van de Reguliere Kanunniken der Vereeniging van Frankrijk, gemeenlijk genaamd: //van Sinte Genovevaquot;, en gesticht omstreeks het begin der zeventiende eeuw. Door haar herleefden in geestelijken bloei de Reguliere Kanunniken der abdij van St. Vincent de Senlis, die aldaar reeds in 1050 werden gevestigd door Anna, gemalin van Hendrik I en moeder van Philippe I, twee koningen van Frankrijk. Met die nieuwe Vereeniging werden zeven andere verbonden: die van /?Du Val-des-Eco-liersquot;, ontstaan in het begin der dertiende eeuw ; die van St. Jan van Chartres, in het jaar 1097; die van St. Denis van Rheims, omstreeks de helft der elfde eeuw; die van St. Lo van Rouaan in den tijd
dei-om ; die a in \'00-van gt;na-cus tie, ie;
30
der Noormannen; die van de „Deux Amansquot;, ten tijde van Gregorius van Tours; die van St. Martin d\'Epernay, in het begin der twaafde eeuw; die van de Kathedraal van üsez, in de vijfde eeuw.
Nog een ander beroemd hervormer van de canonieke orde, die in veel vroegeren tijd leefde, behoort hier afzonderlijk te worden vermeld. Wij bedoelen den Gelukz. Ivo van Chartres, geboren in het midden der elfde eeuw te Beauvais. In 1078 was hij de eerste abt van het klooster van St. Quentin te Beauvais. Vele andere Kanunnikenkloosters stelden zich onder zijne strengere regeltucht. Veertien jaren later werd hij door den Paus benoemd tot bisschop van Chartres. Hij was ook de stichter der abdij Sint Jan van Chartres.
Omstreeks het einde derzelfde eeuw, tijdens de onlusten, door Hendrik IV tegen den Godsdienst verwekt, stichtte de ijverige Manegold van Lutem-bach de Reguliere Kanunniken van Marbach in den Elzas, en eveneens Heldemar van Doornik de godvruchtige vereeniging van Arouasië in Artois. Van laatstgenoemde was derde overste Gervasius. Hij nam den titel aan van abt, en wordt beschouwd als de stichter van de Reguliere Kanunniken der Vereeniging van Arouasië.
In Engeland worden de Reguliere Kanunniken gerekend te dagteekenen van het begin der twaalfde eeuw, toen zij eerst in Clocester en vervolgens te Londen hun\' werkkring kozen. In 1519 meende Kardinaal de Volsey, aartsbisschop van York en staatsminister van Hendrik VIII, een strengeren regel te moeten voorschrijven. Daar gelaten, of deze wenschelijk ware, werd hij echter niet ingevoerd wegens de jammerlijke scheuring, van welke die Kardinaal zelf de aanleiding was door zijne verderfelijke raadgeving aan den boosaardigen koning.
31
Tijdens die scheuring werden ook van de Reguliere Kanunniken de meeste kloosters hetzij verwoest, hetzij vervreemd, zoowel in Schotland en Ierland, als in Engeland. Wij kunnen bij deze gelegenheid nog opmerken, dat zulks in de Protestantsche landen omstreeks dien tijd bijna overal het geval was, gelijk in de Katholiek gebleven landen tijdens de Fransche Revolutie. Met een enkel woord willen wij hier deze zoogenaamde * Hervormersquot;, in waarheid geweldenaars, in vergelijking brengen met de welgezinde hervormers, die, gelijk wij in deze studie gedeeltelijk zien, in heiligen ijver de wapenrusting Gods hebben aangegord. Dezen stichten, bevestigen, verheffen, bouwen op; genen breken af, ontheiligen, ver--vreeraden, verwoesten, vernietigen.
Het Hospitaal van Roncevaux in het Koninkrijk van Navarre werd reeds door Karei den Grooten gesticht. Het schijnt dat eerst in 1131 de Reguliere Kanunniken het hebben betrokken, de leerlingen van den H. Johannes van het Hospitaal der Brandnetels in den woestijn der Ocabergen.
Die van Roncevaux kozen hunnen prior uit de Reguliere Kanunniken der Kathedraal van Pampeluna, en erkenden van dezen de meerderheid. Laatstbe-doelden waren te Pampeluna reeds gevestigd in 1087 door Petrus, bisschop van die plaats, en door den Koning Don Sanchez.
De Kloosterlingen van de H. Drievuldigheid, de Trinitarièrs, hebben een bijzonderen Regel. Toch worden zij door vele geschiedschrijvers tot de zonen van den H. Augustinus gerekend, door eenigen zelfs tot de Reguliere Kanunniken. Wij behooren hen dus te vermelden. Hunne orde werd gesticht in 1198 door twee Heiligen, Johannes de Hatha en Felix de Valois, te Chatillon en te Cerfroy, in het diocees van Meaux. Haar bijzonder doel is de bevrijding
32
der gevangenen, die zuchten onder de dwingelandij der Ongeloovigen, waarom zij ook wordt genoemd „van de Bevrijding der Gevangenenquot;. In Frankrijkltuur heeten zij ook Mathurins. Twee eerbiedwaardige kluizenaars, Julien de Nantonville van Chartres en Claude Aleph van Parijs, uit de kluis St. Michael bij Pontoise, werden in 1578 uitverkoren, om de orde der Trinitariërs op voortreffelijke wijze te hervormen. Omstreeks denzelfden tijd werd in Spanje door Jan Baptist der Onbevlekte Ontvangenis eene afdeeling gevormd van Ongeschoeide Trinitariërs; in Frankrijk eveneens in 1622 door den Eerbiedw. Dienaar Gods Hieronymus Halies van het H. Sacrament. De Trinitariërs stichtten eene derde orde voor leeken, en bestuurden ook de vrouwenkloosters, die den regel hadden genomen, hetzij van de gewone orde, hetzij van die der Ongeschoeiden.
De Reguliere Kanunniken van de Hervorming der Cancellade-fontein dankten hun\' oorsprong aan Augustijner-Eremieten, \'t Was in het begin der twaalfde eeuw, te Perigneux in Frankrijk. In 1623 ondergingen zij een nieuwe gunstige hervorming onder Alain de Solminiach, bisschop van Cahors, leerling van den Jezuïet Gaudier.
Die der Hervorming van Bourgachard in Normandië schijnen als zoodanig omstreeks 1685 hun ontstaan te hebben gedankt aan Jean Moulin, prior van Saint Cyr de Friardel in het bisdom van Lisieux.
De Reguliere Kanunnikessen der Vereeniging van O. L. Vrouw werden gevormd door meergenoemden Pierre Fourier, en bevestigd door de Eerbiedw.
Alix le Clerc, eerste moeder-overste dier Orde, in 1597 te Poussey en Mataincourt. Alix was geboren te Remiremont, een stadje van Lotharingen, den tweeden Februari 1576.
Naar wij reeds hier en daar konden aanstippen^
?arei) ichül\'
p.ls e [werd kenc klee al g huii I
vol de he bi
33
landi paren er onder de Kanunnikenvereenigingen ver-\'Jemd ehillende, die vrouwenkloosters en gasthuizen be-krijfcituurden, ja, niet zelden de verpleging der zieken rdigeMs eigene levenstaak uitoefenden. Dikwijls echter :s en porden gasthuisnonnen tot de Kanunnikessen gere-haêl kend, ofschoon zij met dezen slechts in uiterlijke i de jkleeding eene bijzondere overeenkomst hadden. Voor-i te\'\'al geschiedde zulks in Frankrijk, b.v. in hetGods-,nje | huis te Parijs, later het gasthuis der H. Catharina. »ne En hiermede is onze bescheidene opsomming bijna irs; voltooid. Rest nog de vermelding van de Norbertijnen, w. de Kruisheeren en de kloosterlingen van Windes-a- heim. Wij behielden haar voor het laatst, als meer sr bijzonder van belang voor ons dierbaar Vaderland.
ie ; _
e
VI.
Weinig tijds na de vestiging van twee beroemde orden in Frankrijk, die der Kartuizers in Dauphiné, I en der Cisterciënsers in Bourgondië, had het land van Champagne het geluk, den H. Norbertus te begroeten als den stichter van de Reguliere Kanunniken der Premonstreit. Deze nieuwe Paulus grondvestte zijne orde in het jaar 1119, onder de regeering van Paus Calixtus II en Koning Lodewijk den Dikken. Haar eerste klooster hier te lande was Mariën-weerd aan de Linge, onder het tegenwoordige Beesd, gebouwd door Herman van Cnyk, ten zoen van den onridderlijken doodslag op Graaf Floris I. Ongeveer terzelfder tijd verrees de beroemde abdij der H. Maagd te Middelburg. De voornaamste waren verder die van Pijnakker en van Bern. De eerste, Coningsveld genaamd, werd gebouwd in 1255. Die van Bern, in het land van Heusden, door den bekenden Fulco van Bern; zij werd later overge-
34
plaatst in de nabijheid van Heeswijk bij Vechel. De H. Norbertus, ook Van Gennep geheeten, naar do Limburgsche stad van dien naam, werd geboren in 1082 in het naburige Xanten.
De Premonstratessen of Witte Vrouwen hadden eveneens hier te lande vele kloosters; onder andere; de bekende Witte-Vrouwenabdij te Utrecht in de Ridderschapsstraat, ontstaan in de tweede helft der dertiende eeuw. —
De orde der Kruisheeren is gesticht in 1211 door Theodorus, den zoon van Baron van Celles, in het bisdom van Luik. De edele jonkman was in 1188 als Kruisvaarder naar het H. Land getogen onder zijnen Bisschop Radulf, aan welk feit de naam van Kruisdrager of Kruisheer waarschijnlijk zijnen oorsprong heeft te danken. De stichting verspreidde zich het meest in Frankrijk en in Nederland.
Het eerste klooster in ons vaderland werd gevestigd te Asperen in 1418. Verder een te Hoorn, Schiedam, Woudrichem, Franeker, Goes, Sint- Anna-land, Culemborg, \'s-Hertogenbosch, Venloo, Roermond en Maastricht.
In deze landstreken werken de Kruisheeren nog te St. Agatha bij Kuik en te Uden, en te Maaseijk en te Diest, twee Belgische plaatsen, nabij deHol-landsche grenzen.
Bij de overweldiging van \'s-Bosch door Frederik Hendrik, gingen zij van daar naar Schijndel, vervolgens naar Ravestein, en eindelijk naar Uden, waar zij de bediening verkregen der oude kapel van O. L. Vrouw onder de Linde. Het St.-Agathaklooster ontvingen zij in 1371 van Diedrich van Veurne. Drie malen door de Staatschen er uitgedreven, mochten zij het eindelijk tegen een jaarlijksche cijnspacht weder betrekken, en in 1862 erin slagen, om althans het kloostergebouw in vollen eigendom van het Rijk
35
terug te bekomen, zij het ook tegen vergoeding van eene geldsom. Van het rechtsgeding over de bijbe-hoorende landgoederen ligt de geschiedenis nog versch in ieders geheugen.
Kruisheeren, reguliere kanunniken, waren er ook in Italië en Boheme. Zij schijnen daar echter onafhankelijk van de Nederlandsche te zijn ontstaan. Die van Italië bestonden zeker al vóór het midden der twaalfde eeuw.
Die van Boheme mogen hun\' oorsprong danken aan de Gelukz. Agnes van Boheme, omstreeks het jaar 1235. Zij breidden zich uit over Polen en Mora-vië, en bestaan in die landstreek nog in kleine getale. Ter onderscheiding van de andere Kruisheeren dragen zij op het overkleed eene ster onder het kruis. —
Gerardus Grotius uit Deventer stichtte omstreeks 1370 de »Broeders van het Gemeene Levenquot;, vrome leekebroeders, die afstand deden van bijzonderen eigendom, en arbeidden aan de opvoeding der jeugd en het bewaren en overbrengen van de werken uit de geleerde oudheid. Enkelen hunner konden worden verheven tot de waardigheid van priester.
Broeder Gerardus is ook te erkennen als de stichter der Reguliere Kanunniken van Windesheim, welke stichting hij ontwierp en voorbereidde, doch wegens den vroegtijdigen dood niet kon ten uitvoer brengen. Dit bleef voorbehouden aan zijnen opvolger, Floris Radewijnszoon. Het eerste kanunnikenklooster werd gebouwd in 1386, te Windesheim bij Zwolle, het tegenwoordige Winsum. Kn spoedig verwierf het zulk eene vermaardheid, dat de Ver-eeniging er haar naam aan ontleende. Vele oude Kloosters van Reguliere Kanunniken voegden zich onder dien naam, vele nieuwe werden gesticht. Men zag er verrijzen te Arnhem, Blocker bij Hoorn, Zwijndrecht, Zwolle, Leiderdorp, Brielle, Zalt-Bom-
36
mei, Sneek, Bergum bij Leeuwarden, Eindhoven, Kaarden, Haarlem.
In het klooster van Zwolle leefde de voorbeeldige Thomas a Kempis. In dat van Brielle was in 1572 alleen nog de Kloosterschuur gespaard; zij had echter de treurige eer, de schouwplaats te zijn van de terechtstellingquot; der H. H. Martelaren van Gorkum, bij welke ook de Reguliere Kanunniken het geluk hebben vertegenwoordigers te tellen. Op dien gewijden grond is thans eene kerk gebouwd, om door de voorspraak derzelfde Martelaren Gode eerherstel te geven voor de euveldaden der verblinde kerkvervolgers en den voortdurenden zegen des Hemels af te smeeken over het land onzer vaderen, de Vereenigde Nederlanden!
Eene belangrijke afdeeling, die haren hoofdzetel te Delft had, was die van Sion. Zij werd evenwel reeds in 1451 van Windesheim onafhankelijk verklaard.
Eene der voornaamste oorzaken van de uitbreiding der Vereeniging van Windesheim was de aansluiting aan haar van de Vereenigingen van Groenendaal in Belgisch Brabant en van Neuss bij Keulen.
In Frankrijk stamde van ons Windesheim af de Vereeniging van Ghateau-Landon.
De Broeders van het Gemeene Leven hadden ook een huis te Munster, te Keulen, en te Wezel. Met goedkeuring van Paus Eugenius IV verbonden deze drie zich in 1439 tot eene Vereeniging van Reguliere Kanunniken onderden titel van Springende Fontein. —
Alvorens dit hoofdstuk te eindigen, moeten wij nog eene vroegere belofte vervullen en eene meer volledige opgave verschaffen van de Godsdienstige Vereenigingen, die den Regel van den H. Augustinus hebben omhelsd.
Wij noemen: de Ridders van Rhodes of Maltha
37
of van St. Jan van Jerusalem; die der Teutonisohe orde; de Hospitaalridders van Anbrac in Frankrijk; de kloosterlingen der Penitentie van J. C.; de Orde van Artige bij Sint Leonard in Frankrijk; de Gasthuisnonnen van het Godshuis te Parijs; de zusters Haudriettes, later genaamd die van O. L. Vrouw Hemelvaart, te Parijs; de Orde van den H. Domi-nicus; die van den H. Rozenkrans; de Ridders van het Geloof van J. C., en van het Kruis van den H. Petrus Martelaar; die van het Kruis van J. O. en van St. Dominicus; die van O. L. Vrouw der Overwinning; de Orde van O. L. Vrouw van Barmhartigheid voor de bevrijding der gevangenen; de Servieten; de Orde der Eremieten van den H. Paulus Kluizenaar; de Orde der Lijfeigenen van de H. Maagd, Moeder van J. C.,ook Wit-mantels genaamd; de Bethlehemieten of Sterdragers; de Orde der Penitentie van de H. Magdelena; de Hospitaalridders van O. L. Vrouw della Scala te Siena; die der Liefdadigheid van O L. Vrouw; de Alexianen of Cellieten; de Jesuaten van den H. Hieronymus; de Eremieten van den H. Hieronymus of de Hieronymieten; de Orde van den Zaligmaker, gewoonlijk genaamd Brigittijnen, naar de H. Birgitta van Zweden; de Orde der Vrijwillige Armen; de Orde van Sint Barnabas, vereenigd met die van Sint Ambrosius ad nemus; de Militaire Orde van Sint George; de Theatijnen; de Barnabieten; de Orde der Engelinnen en der Guastalienen; de Reguliere Priesters van den goeden Jesus; de Orde van den H. Johannes de Deo; de Hospitaalbroeders van Sint Hippolytus; de Ursu-lienen; de Reguliere Priesters van St, Mayeul; de Priesters der Christelijke Leering; de Reguliere Priesters van O. L. Vrouw van Lucques; de Reguliere Priesters, dienaren der zieken; de Reguliere Priesters Minderbroeders; die der armen van de H. Maagd en
3
3S
der godsdienstige scholen; de Eremieten van O. L. Vrouw van Gronzaga, en die van Sint Jan Baptist der Penitentie; de Augustinessen van Sinte Catharina der Lijnbaan, en der Vier Gekroonde Heiligen te Rome; de Orde der Anunciaden of Hemelingen; de Orde van O. L. Vrouw Visitatie; de Dochters van O. L. Vrouw Presentatie; de Philippienen, en de Dochters der Zeven smarten; de Orde van O. L. Vrouw der Toevlucht; de Gasthuisnonnen der Liefdadigheid van O. L. Vrouw; die van Loches; de Orde van het Menschgeworden Woord; die van O. L. Vrouw van Barmhartigheid; die van O. L. Vrouw van Liefdadigheid; de Gasthuisnonnen van den H. Josef; de Ziekenverpleegsters van de Sociëteit van Sint Josef; de Orde van de Eeuwigdurende Aanbidding van het Allerh. Sacrament; de Dames Religieuzen van het Koninklijk Paleis van den H. Lodewijk te Saint Cyr bij Versailles; de Ridders der Orde van de Roemrijke Maagd Maria; de Militaire Orde van Sint Jan en Sint Thomas; die van het Hermelijn en van de Korenaar in Bretagne. — Lucques was eene stad en republiek in Italië, in het hertogdom van Toscane. Ofschoon het eerdergenoemde Luques ook in Italië ligt, weten wij toch niet of het dezelfde plaats is. — Met eenige klem is nog onlangs de meening geuit, dat de Guilielmieten den Regel volgen van den H. Augustinus, ja, haast even zelfstandige zonen van dien H. Ordestichter zouden zijn als de Eremieten of de Kanunniken. Doch wij meenen, dat zij den H. Benedictus volgden en in het bekende jaar 1256 door den bekenden Alexander IV daarin bevestigd werden. — Verder zouden nog verschillende Godsdienstige Vereenigingen zijn te noemen, die in de jongste tijden zich onder de Banier van den H. Augustinus hebben geschaard. Wij bepalen ons evenwel tot de algemeene herinnering aan het
39
Pauselijk Decreet, volgens hetwelk alle nieuwe Kloostervereenigingen, die niet met uitdrukkelijke Pauselijke Goedkeuring een eigenen Regel of dien eener andere bestaande Orde mogen volgen, den Kegel van den H. Augustinus moeten naleven, getrokken uit den bekenden 109den brief.
Eindelijk, hoezeer het niet rechtstreeks tot ons onderwerp behoort, kunnen wij hier niet nalaten te herinneren aan het groote Bekeeringswerk der laatste jaren, genaamd de Afrilcaansche Missiën, dat onder de bijzondere Bescherming is gesteld van den H. Augustinus en de H. Monica.
VII.
Augustinus leeft na vijftien volle eeuwen nog altijd voort door de genade zijner hemelsche voorbede, door de kracht van zijn heilig voorbeeld, door de werkzaamheden zijner vrome stichtingen, door de voorschriften van zijn beroemden Regel, door den invloed zijner geschrevene werken.
Dezen invloed, dien der geschriften, hebben wij reeds ten deele nagegaan, en moeten wij thans iets meer van nabij beschouwen.
Vormden zijne wijsgeerige werken den grondslag voor de beroemde christelijke Wijsbegeerte, zijne godgeleerde vestigden dien der onovertroffen School van het Westen. Als voornaamste getuigen hiervoor verhieven zich in den loop der eeuwen Petrus Lombard us, de stichter der beroemde Scholastiek, die zijne stellingen aan Augustinus\' werken ontleende, en Thomas van Aquinen, de Engel der School, de wonderbare Heilige en Geleerde, die Augustinus\' beginselen overnam en uitwerkte, en zich op zijn gezag steunde. Gaarne getuigde deze Engelachtige
40
Leeraar: //Was Augustinus niet, dan was ook Thomas niet.quot;
In andere woorden: Augustinus\' groote verdienste voor zijne eeuw en alle volgende is deze: de Advocaat, gelijk hij zich zelf noemt, de Advocaat te zijn geweest der Christelijke Waarheid en der Christelijke Kerk, en zulks door zijne werken voortdurend te blijven, en tevens niet alleen de Christelijke Wijsbegeerte gegrondvest, maar bovendien de Godgeleerde studiën der Westersche Kerk tot een stelselmatig en afgerond geheel gevormd, en haar van zijn verheven en heiligen geest doordrongen te hebben. Ook als Schriftuur-verklaarder is en blijft Augustinus, na Hieronymus, de grootste Kerkvader van de Westersche Kerk.
Zijn invloed blijkt ook nog in een geheel ander opzicht. De tijdsomstandigheden, de strekking van verschillende en verderfelijke sekten, gaven aanleiding dat een voornaam deel zijner vele werken was gewijd aan de zoogenaamde „controversequot;, dat is: aan de twistredenen of strijdvragen der geleerden, inzonderheid op het gebied van den godsdienst. Dewijl zij nu meenden, eensdeels zich te kunnen verschuilen onder zijn gezag, andersdeels eenige wapenen bij hem te kunnen vinden voor hunne valsche leerstellingen, hebben de meest beruchte ketters en scheurmakers zich op Augustinus\' werken trachten te beroepen. Zoo b. v. — om slechts enkelen der latere eeuwen te noemen — de Gallische. Priester Lucidus en de Geneefsche Vader Calvijn voor hun volstrekte Praedestinatie-theorie, en de zoogenaamde Hervormer Luther voor zijne dwaalleer over de Erfzonde en de volledige onvrijheid van den wil; zoo eveneens, — om nog een bijzondere toepassing te maken op ons Vaderland — de Jansenisten voor hunne dwaalleer over de onweder-staanbaarheid der Genade!
41
00k De ontwikkelde Katholieken zullen hierbij in hun oordeel niet aarzelen.
Maar de minder ontwikkelde, vooral onze anders-i^\'O- i gezinde broeders, kunnen allicht in hunne eerbiedige Z1J11 gevoelens een zekeren schok ondervinden. Wat j^e moeten zij nu doen? Wat bedenken? Dit, dat Augustinus\' leer — op zijn zachtst uitgedrukt — hun eenzijdig is voorgesteld.
De groote Kerkvader had te strijden met lijnrecht tegenovergestelde dwaalleeringen. Zoo b. v. moest hij tegen de Manicheërs de vrijheid en de zelfstandige werking van den wil verdedigen, tegen de Pelagianen daarentegen de noodzakelijkheid en de eigene werkzaamheid der Genade. Bij dezen werd natuurlijkerwijze de nadruk gelegd op bepaalde leerstukken, bij genen op tegenovergestelde. Nu was het voor de verschillende dwaalleeraars der volgende tijden zoo bijster moeilijk niet, om eenige losse stellingen afzonderlijk voor te houden, er nóg meer nadruk op te leggen dan was gelegd, veel meer dan was bedoeld, en ze zoodoende zelfs tot grondslagen te nemen, dusgenaamde grondslagen, voor geheel nieuwe en ten onrechte opgebouwde leerstelsels. Zij vergaten echter, hun\' volgelingen er bij te zeggen, dat bij Augustinus\' leer nauwkeurig moet worden gelet op den tijd en de aanleiding van zijne werken; en dat de afzonderlijke stellingen, door vergelijking met andere van tegenovergestelden aard en met zijne geheele en volledige Godgeleerdheid, nader moeten worden verklaard en zoo de vereischte toelichting en overeenstemming ontvangen. Zij vergaten mede te deelen, wat Augustinus uitdrukkelijk zegt, dat men niet het eene moet aandringen, het andere ontkennen, („ne aliud urgeatur, aliud negeturquot;).
Vooral ook vergaten zij te verkondigen, dat Augustinus steeds bevreesd was, om eigene meeningen
42
voor de Christelijke waarheden aan te zien en te doen doorgaan; steeds bereid, om zijn eigene oor-deelen aan het oordeel van de Kerk en Christus\' Zichtbaren Plaatsvervanger te onderwerpen; steeds beslist, om de zaak voor uitgemaakt te houden ala Rome had gesproken („Roma locutaquot;).
Buitendien behoeft het niet te worden verheeld, dat Augustinus reeds werken schreef, spoedig na zijne bekeering. Hoe voortreffelijk deze ook mochten zijn, in de meeste opzichten, zij konden toch lichtelijk iets hebben geleden, hetzij van de nog minder groote volledigheid zijner wijsgeerige en Godgeleerde studiën, hetzij van[zijne vroegere dwaal-leeringen. Zoo verklaart hij zelve van één zijner werken „De immortalitate animaë\', dat het tegen zijn\' wil was uitgegeven, voordat het nauwkeuriger was omgewerkt; en van een ander over den Brief aan de Romeinen, dat hij destijds nog niet juist genoeg was doorgedrongen in de steeds wel nimmer geheel doordringbare leer over de Genade. Boven alles behoort men bij elke studie van Augustinus\' talrijke en uitgebreide werken te letten op zijn voorbeeldig werk, genaamd Retractationes, „Herroepingenquot;, in het jaar vierhonderd zeven twintig, dus drie jaar vóór zijnen dood uitgegeven. Daarin somt hij vier en negentig van zijne werken op, geeft er de vereischte toelichtingen en verbeteringen voor aan de hand, en onderwerpt alle aan het oordeel en de goedkeuring van het zichtbaar Opperhoofd der Kerk, van Petrus\' Opvolger op den Stoel van Rome. Grootste zorg en eenigste verlangen daarbij was: dat zijne leer algeheel in trouwe overeenstemming zoude zijn met de leer der eenige, ware. Apostolische, Algemeene Kerk van Christus.
In dien zin hebben dan ook, door alle eeuwen heen, de Pausen, de Conciliën, en de gezaghebbende
i3
Kerkelijke leeraars — waarlijk een ander gezag dan dat der oproerige hoofden 1 — de vele en veelomvattende werken van den H. Augustinus met onderscheid des geestes beoordeeld, en de leerstellingen van dien niet minder ootmoediger, dan verhevenen geleerde en heilige, in het juiste licht beschouwd en voor uitnemend rechtzinnig en in hooge eere gehouden. Het kan goed zijn, in dit opzicht te verwijzen naar de Vindiciae Augmtinianae van P. M. Henrico de Noris, en naar „De Drie Verhandelingenquot;, ter verdediging van onzen beminden Heilige in het Fransch geschreven door P. Merlin S. J. (Vgl. Migne D. 47, blz. 371—882 en 885—1114). Ook is hierbij te vergelijken de eerste, en geenszins de minst voortreffelijke Levensbeschrijving van den H. Augustinus door den H. Possidius. Deze was leerling en gedurende veertig jaren boezemvriend des grooten Heiligen. Zelf bisschop gewijd, twee jaren na zijn beminden meester, stond hij eindelijk dezen persoonlijk bij in diens laatste levensdagen. Hij schreef de geschiedenis eenvoudig, maar treffend, en voegde er een beknopte inhoudsopgave bij van alle werken , verhandelingen en brieven des kerkleeraars. (Vgl. Migne D. 46. bl. 5 enz.; D. 32 bl. 33—66.)
Den invloed , door Augustinus op de eeuwen geoefend, zal hij het diepst gevoelen, die de tallooze werken des beroemden Bekeerlings het naarstigst heeft gelezen en het ernstigst overwogen.
Hoe gaarne zouden wij de waarheid van dit gezegde door allen. althans door vele wetenschappelijk ontwikkelden, bij ervaring bevestigd zien! Hoe gaarne zouden wij, voor onze lezers ten minste, met volle grepen putten in dien rijken schat van godsdienst, geleerdheid, menschenkennis, en kunsten schoonheidszin ! Evenwel moeten wij ons matigen ,
44
en met nog slechts enkele aanhalingen tevreden stellen.
Vooraf echter, en ook met hetzelfde inzicht, kunnen wij niet wederstaan aan de goede verzoeking om ten minste een beknopt overzicht, eene soort van inhoudstafel te geven van Augustinus* talrijke, geleerde, schoone en godvruchtige werken. Dit althans moge volledig wezen! Het kan zijn nut hebben in dezen tijd van microscoop- en snijkamer-geleerdheid! De degelijke werken over ware wijsbegeerte en godgeleerdheid zijn baarblijkelijk alleen den geheugenrijken bibliothecarissen der groote boekerijen, en dan maar bij namen bekend, en worden daar gemeenlijk slechts in de afdeelin-gen aangetroffen, omdat zij er van de middeleeuw sche verzamelaren zijn //overgenomenquot;. De geleerden en letterkundigen der latere tijden, geestverwanten dier goede verzamelaren, zijn er in \'t algemeen volkomen onbekend. Onze eenvoudige leiddraad nu moge, althans voor eenige onwetend gehouden beter-gezinden, de aanleiding zijn, om in de oude folianten het licht der waarheid, als kostbaar edelgesteente in de opgedolven aarde, te zien glinsteren en weerschijnen. Eene aanwijzing van andere bronnen kan voor hetzelfde doel wenschelijk heeten. Wij spreken daarover te bekwamer plaatse.
Voor anderen moge die leiddraad een flauw denkbeeld geven van Augustinus\' reusachtigen arbeid en van zijn weldadigen invloed op de eeuwen!
VIII.
Ofschoon sommige werken tot meer dan ééne klasse zouden zijn te brengen, kunnen wij toch gevoeglijk de volgende indeeling behouden. Twee
45
mogen afzonderlijk worden genoemd: het werk De recensione librorum, ,Van het overzicht der Geschrevene werkenquot; of de Retraclationes, reeds boven besproken , en de Con/essiones, hierna te vermelden.
I. Wijsgeerige Werken:
Adversus Academicos, „Tegen de Academiciquot;, drie boeken (in 386 geschreven) tegen de valsche stelling , dat niets met zekerheid kan worden geweten ; Ce Vila Beata, ^Over het gelukzalige levenquot; (386); De Or dine, ,Over de Ordequot; (386), twee boeken; Soliloquia, //Alleensprakenquot; (omstr. 386), twee boeken, wijsgeerig werk en tevens stichtend gebedenboek; De immortalitate animae , „Over de onsterfelijkheid der zielquot;; De quantitate animae, //Over de hoegrootheid der zielquot; (388), over de vragen: vanwaar, hoedanig en hoe groot de ziel zij; De Magistro, „Over den Leermeesterquot; (omstr. 388), nl. over het woord, en diens aard en kracht; De Musica, ,Over de muziekquot; (omstr. 389), zes boeken.
Voor hier, en voor het vervolg, vestigen wij de bijzondere aandacht op de groote verscheidenheid in Augustinus\' werken, op zijn algemeene ontwikkeling en uitgebreide welgevormdheid. Hij wijdde zich daarbij ook niet altijd aan hooge zaken en diepe geheimen. Om dit te doen zien, geven wij een enkel woord ten beste over de twee werken De Ordine en De JIusicd. In het eerste boek der Muziek behandelt hij deze in het algemeen; in de vier volgende: de maat der lettergrepen, de klankmaat, den versbouw, en de toonmeting; in het zesde: de muziek mag slechts middel zijn om den geest te stemmen tot een hemelsche harmonie met God. In de beide boeken over de Orde: de Spraakkunst, de Redeneerkunde, de Redekunde, de Muziek en Dichtkunde, en de Sterrekunde, —voor zijn\'tijd alles meesterlijk.
— Geheel door eigen studie, aldus lezen wij in
46
de Benedictijner-Uitgave, loste hij de moeilijkste vraagstukken op der hooge wiskunde, en ontdekte hij voor zich de wetten der harmonie in de muziek.
II. Godgeleerde Werken:
A. De Dogmatische (leerstellige):
De vera Religione, »Over den waren Godsdienstquot; \'390), beantwoordt tegen de Manicheërs de vraag: Waar is de echte Godsdienst? — het degelijke werk heet met recht: //eene Wijsbegeerte van den Godsdienstquot;; De fide rerum quae non videntur, //Over het geloof aan de dingen, die niet worden gezienquot; (omstr. 400); Liber de Fide et Symholo, //Een boek over het Geloof en de Geloofsbelijdenis der Apostelenquot; (omstr. 393), eene zeer grondige en juiste verhandeling voor de nieuwgedoopten; Enchiridion ad Laurentium, ,Handboek voor Laurentiusquot; (421), een ^gulden boekjequot; over het Geloof, de Hoop en de Liefde; De arjono christi.ano, //Over den Christe-lijken strijdquot; (396), ongeveer hetzelfde als het Handboek, doch in eenvoudiger stijl geschreven; De fide et operibus, ,Over het Geloof en de Werkenquot; (413),— het geloof alleen, zonder de goede werken, baat niets ter zaligheid; De Trinitafe, «Over de H. Drieëenheidquot; (400—416), vijftien boeken, een der diepzinnigste werken over het Ondoorgrondelijke Geheim; De Resurrectione mortuorum, ,Over de opstanding der doodenquot;, twee verhandelingen over de Verrijzenis des Vleesches en den toesta.id na deze.
B. De Dogmalisch-apologetische, d. i. leerstellige ver-dedingsschriften, tegen het heiden-en het jodendom:
De Civitate Dei, „Over de Stad Godsquot;, twee en twintig boeken, volgens belofte hierna te vermelden; De divinalione daemonum, «Over de waarzeggerijen door middel van de duivelenquot; (tusschen 406 en 414); Tractatus adversus Judaeos, ,Verhandeling tegen de Jodenquot;, waarin Gods rechtvaardig-
47
heid wordt aangetoond in de verwerping dier natie. — Over hetzelfde onderwerp wordt gehandeld in een\' der Brieven, den 196sten bij Migne.
C. Dogmatisch Polemische, leerstellige twistredenen of strijdschriften tegen de scheurmakers en de ketters: Als inleiding kan beschouwd worden zijn werk De haeresibus ad Quodoultdeum, waarin hij alle Ketterijen, van Simon den Toovenaar tot Pelagius, acht en tachtig in getal, deugdelijk onder handen neemt. Hij schreef het in 42S of 429, op verzoek van den diaken te Carthago. Vervolgens:
c) Tegen de Manicheërs en hunne geestverwanten in Spanje, de Priscillianen:
Liber de utilitate credendi, »Over het nut van te geloovenquot;\' (omstr. 391), tegen de zoogenaamde «-alleen--zaligmakendequot; Wetenschap; De morihus ecclesiae catholicae et de morihus Manichaeorum, //Over de zeden der Kath. Kerk en over die der Manicheërsquot; (388), twee zeer leerrijke boeken; De genesi contra Manichaeos, »Over het Boek der Scheppingquot; (389), twee boeken; Liher contra Adamantum, „Een boek tegen Adamantusquot; (omstr. 394), — dat het Oude Testament het Nieuwe niet tegenspreekt; Contra Faustum Manichaeum, ,Tegen den Voorganger Faus-tusquot; (omstr. 400), bevat de twistredenen van Augus-tinus, in 383 tegen dien steunpilaar der Manicheërs gevoerd, welke twistredenen leidden tot zijn gelukkige uittreding uit de sekte, — ieder der drie en dertig boeken bevat een afzonderlijke dwaling dier boosaardige en gevaarlijke ketterij; Liher contra Epistel am quam dicunt fundamenti, »Een boek tegen het zoogenaamde Grondbeginsel der Manicheërsquot;; De Actis cum Felice Manichaeo, ,Over de verhandelingen met den Manicheër Felixquot; (404), twee boeken, — die aanzienlijke leeraar werd er door tot het christendom bekeerd; Liher de naturó honi, jEen
48
boek over den aard van het Goedequot; (omstr. 404); Liher de duahus animabus, »Een boek over de tweel zielen der Manicheërsquot; (omstr. 390), en over denl oorsprong van het Booze; Acta sive disputatio conira 1 Fortunatum Manichaeum, »De verhandelingen of del redetwist met Fortunatusquot; (392); De libero arhilrio, 1 »Over de vrije wilskeuzequot; (3S8—395) — deze drie] boeken zijn in den vorm van gesprekken met zijn I dierbaren vriend, den H. Alipius, en, in weerwil van de vele verhevene, afgetrokkene , en moeilijke I vragen, zeer bevattelijk geschreven — zij behooren echter tot degenen, die door den H. Schrijver zeiven op enkele punten zijn herroepen; iiber conira Secuw-dinum, „Een boek tegen Seeundinusquot; (omstr. 405), een zeer uitmuntend werk, geschreven om zijne uittreding uit de sekte volkomen te rechtvaardigen; Contra adversarium legis et prophetanim, „Tegen een\' tegenstander der Wet en der Profetenquot; (420), twee boeken tegen de Priscilliaansche dwaalleer: „De God der Joden en de Oorspronkelijke ingever van het Oude Testament is de „booze godquot; Contra Priscillianistas et Orirjenistas, „Tegen de volgelingen van Priscillianus en van Origenesquot; (415), waarin o. a. de theorieën der Praeexistentie en der Restitutie worden wederlegd.
b) Tegen de Donatisten:
Psalmus in partem Donati, „Een Psalm tegen de partij van Donatusquot;, ook Abeccdarius genaamd, in 393 voor het volk in verzen geschreven, om de leer van Donatus te verklaren en te wederleggen; Contra Permeneani Epistolam, „Tegen Permenianus\'brielquot;, drie boeken, van 400 tot 402 uitgegeven; Contra literas Petiliniani, „Tegen het schrijven van Petilia-nusquot;, drie boeken, omstreeks denzelfden tijd vervaardigd; Contra Cresconium, vier boeken, omstreeks 406 gericht „tegen Cresconiusquot;, die Petilianus\'partij
IP\'
49
had opgenomen; De baptismo, „Over het Doopselquot; (omstr. 400), zeven boeken, die een degelijke en volledige verhandeling over het leerstuk geven; De unico baptismo contra Petilianum, „Over het ééne Doopselquot;, bevestigt tegen Petilianus de leer, dat men door het H. Doopsel niet in eene sekte, maar in de Kerk van Christus wordt opgenomen; Epistola ad Catholicos contra Donatistas sive de unitate ecclesiae, „Brief aan de Katholiekenquot;, handelt «over de eenheid der Kerkquot;, over de vraag of de Kerk van Christus bij hen of bij de Donatisten is; Breviculus coUationis cum Donatistis, „Kort overzicht van de verhandeling met de Donatistenquot;, — deze onderhandeling had met gunstig gevolg plaats in 411 te Carthago; Liber ad Donatistas post collationem, „Een boek voor de Donatisten na de onderhandelingquot;, vermaant de afgedwaald en, zich niet meer van den waren Schaapsstal te laten afhouden; Sermo ad Cae-sareënsis ecclesiae plebem, „Redevoering tot het volk der Kerk van Cesareaquot;, en Liber de yestis cum Emerito, ,Een boek over de verhandelingen met Emeritusquot; , den Donatistischen bisschop van Cesarea in Mauritanië; Contra Gaudentium, „Tegen Gaudentiusquot;, twee boeken, omstreeks 420 geschreven, o, a. om de strenge wet des Keizers tegen de Donatisten te verdedigen.
De twee werken, betreffende het bisdom van Cesarea, gaf Augustinus in 418 uit, nadat hij naar die plaats een vergeefsche reis had gedaan, wegens den onwil van dien ketterschen bisschop, om zich metde Vergadering van Carthago te vereenigen. Opmerking verdient hierbij nog, dat een tiental jaren later Maximinus, de opvolger van Eremitus, Ariaansch bisschop werd. Men ziet er uit, hoe ook in de vroegste tijden dergelijke lieden de huik naar den wind hingen.
c) Tegen de Pelagianen ;
De anima et ejus origine, «Over de ziel en haren
50
oorsprongquot;, vier boeken in 410 of 420 uitgegeven tegen den vroegeren Donaüst, thans Pelagiaan, Vin-centius Victor; De peccatorum meritis el remissione „over de gevolgen en de vergeving der zonden: ook genaamd : „Drie boeken aan Marcellinus, over het doopsel der kinderenquot;; De spiritu etlüerd, „Over den geest en de letterquot;, aan denzelfden landvoogd Marcellinus, — niet de letter, maar de geest, de| eer Genade Gods, geeft de vervulling der wet; Denatura et gratia, „Over de Natuur en de Genadequot;, een belangrijk boek, in 418 aan het werk De Natura van Pelagius tegenovergesteld, in hetwelk de hoofddenkbeelden der Pelagiaansche dwaalleer waren uiteengezet; De perfectione justitiae hominis, „Over de volkomenheid der rechtvaardigheid in den menschquot;, tegen Celestius, die beweerde dat de mensch door eigene kracht geheel volmaakt kan leven; De gestis Pelagii, „Over de verhandelingen betreffende Pelagiusquot;, waarmede Augustinus in 417 aan Aurelius, bisschop van Carthago, de geschiedenis mededeelt der Synode van Diospolis in Palestina (415), alsmede de door Orosius overgebrachte verhandelingen dier Synode, — ook op geschiedkundig gebied een zeer belangrijk werk; De gratia Christi etpeccato originali, „Over de Genade van Christus en de erfzonde (418),
twee deugdelijke boeken tegen Pelagius en Celestius; De nuptiis et concupiscentid, „Over het huwelijk en de begeerlijkheidquot; (419), eene verdediging van zijne leerstellingen, in twee boeken gewijd aan Valerius; Contra duas epistolas Pelagianorum, „Tegen twee brieven van de Pelagianenquot;, vier degelijke boeken, omstreeks 420 aan Paus Bonifacius gericht; Contra Julianum Pelagianum, „Tegen den Pelagiaanschen Julianusquot;, bisschop van Eclanum in Beneden-ltalië, een geleerd, doch hoogmoedig man, — zes uitmuntende boeken, omstreeks 421 geschreven; Opus imper-
fectu\'
looid De gese
lijn
boe too
51
vjfectum contra Julianum Pelagianum, „Het onvol-jlooide werk tegen den Felagiaanschen Julianusquot;.
De dwaalleeraar had weder acht boeken tegen-Igeschreven. Auguatinus wederlegde ook deze in [zijn twee laatste levensjaren op schitterende wijze, f boek tegen boek; doch kon slechts het zesde vol-■ tooid krijgen, daar de dood hem op het veld van eer uit het leven wegnam.
d) Tegen de Semi-Pelaginnen:
Liber de gratia et libero arhitrio, «Een boek over de genade en de vrije wilskeuzequot; in 427 , tegen de half dwalende monniken van Adrumetum, aan de Oostkust van Afrika; tegen dezelfde monniken en hunnen abt Valentinua was ook gericht: Decorrep-lione et gratia, «Over de terechtwijzing en de genadequot; , in deze stof het beroemdste werkje van Augus-tinus, en bij voorkeur »Het gulden boekjequot; genaamd; De praedeslinatione sanctorum, jOver de voorbeschikking der Heiligenquot;; De dona perseveran-tiae, //Over de gave der Eindvolhardingquot; , een zeer belangrijk werk, dat ook wel »Het tweede Boek over de Predestinatieleerquot; wordt genoemd.
Beide boeken schreef hij tegen het einde van zijn arbeidzaam en verdienstelijk leven. Het eerste, «Over de voorbeschikking der Heiligenquot;, op verzoek van Prosperus en Hilarius. \'t Was hoofdzakelijk gericht tegen de half dwalende monniken van Marseille en hunnen overste Cassianus. Ook de aanvang van het Geloof, aldus luidt de korte inhoud, geschiedt niet zonder de genade; — de wil is vrij, om ook hierin aan de genade te wederstaan of te beantwoorden.
e) Tegen de Arianen:
Drie boeken, boven reeds naar eisch behandeld in onze tweede afdeeling.
53
X
D. Exegetische werken of Schriftuurverklaringen.
Als inleiding of handleiding voor deze belangrijke werken mag worden beschouwd; Be doctrina Christiana, //Over de Christelijke leerquot; (397—427), vier kostbare boeken over de leer en de toepassing en over de uitlegkunde.
Verder voor het Oude Testament:
Lïber imper fectus de genesi ad liter am, ,/Een onvoltooid boek over de Schepping, naar de letterquot;, d. i. tekst voor tekst (omst. 393); De genesi ad lite-ram, *Over de Schepping, naar de letterquot;, twaalf boeken , van 401 tot 415 geschreven , en zeer belangrijk , ook op het gebied der natuurkunde; Locuti-onum in heptateuchum libri VII, «.Zeven boeken over uitdrukkingen in den Heptateuchquot; (omstr. 419), d.i. over zeldzame uitdrukkingen in de zeven eerste boeken der H. Schrift; Quaestionum in heptateuchum libri septem, ,/Zeven boeken over vragen in den Heptateuchquot; (omstr. 419), zeer voortreffelijke verklaringen van moeilijke plaatsen; Annotationes in Joh, ,Aanteekeningen op het boek Jobquot; (omstr. 400); Enarrationés in psalmos 150, //Verklaringen van de 150 Psalmenquot;, een onschatbaar werk.
Voor het Nieuwe Testament:
De consensu Evangel is tarum, „Over de overeenstemming tusschen de vier Evangelistenquot; (omstr. 400), vier boeken, den grooten meester overwaardig; Quaestionum Erangeliorwn libri 11, „Twee boeken over vraagpunten van de Evangeliënquot; (400), meer bepaald die van Mattheus en Lucas; De sermone Domini in monte , „Over de Bergrede des Heerenquot;, naar Mattheus, twee boeken, omstreeks 393 geschreven , die een uitmuntend kort begrip bevatten van de geheele christelijke zedeleer; Tractatus in Johan-
53
nis Evangelium, ,Verhandelingen over het Evangelie van Johannesquot;, honderd vier en twintig in getal; en Tractatus in Epistolam Johannis,» Verhandelingen over den Brief van Johannesquot; , tien in getal, alle omstreeks 416 geschreven, zeer voortreffelijk;Expositio quarundam (84) propositionum ex Epistola ad Romanos, #Verklaring van eenige (84) plaatsen uit Jen Brief aan de Romeinenquot;, omstreeks 394 geschreven en verbeterd in de bekende Relractationes; Epistolae ad Romanos expositio inchoata, „Aangevangen verklaring van den Brief aan de Romeinenquot;, slechts tot het zevende vers strekkende (394); Expositio Epistolae ad Galatas, „Uiteenzetting van den Brief aan de Galatenquot;, volledig en voortreffelijk, (394) — In de verhandeling over Johannes is opmerkelijk Augustinus\' leer over de Menschwording van Christus, lijnrecht tegen de latere dwaalleer van Nestorius. Maar men weet, trad deze aartsketter eerst openlijk op omstreeks het tijdstip van Augustinus\' heiligen dood.
Alvorens verder te gaan, behooren wij hier drie werken te vermelden van gemengden inhoud:
De diversis quaestionibus octoginta tribus, „Over drie en tachtig verschillende vraagstukkenquot; (388); De diversis quaestionibus ad Simplicianum, «Over verschillende vraagpunten, aan Simplicianus gerichtquot;, aan zijn geestelijken vader te Milaan, twee boeken (397); De octo Dulcitii quaestionibus, //Over acht vraagpunten van Uulcitiusquot;, den tribuun van Afrika (422 of 425).
E. Moraal, Zedekundige werken:
De conjugiis adult er inis ad Pollentium, «Over de ontrouwe echtverbintenissen, aan Pollentiusquot;, twee deugdelijke boeken, omstreeks 419 geschreven; De curd gerenda, pro mortuis, //Over de zorg, voor de gestorvenen te dragenquot;, in 421 gewijd aan Paulinus, bisschop van Kola; — deze twee eerstgenoemde werken kunnen ook tot de leerstellige worden
4
54
gerekend; De scripturd sacra speculum, ,De Spiegel naar de H. Schriftuurquot; (427); fe menrfacio, «Over den Leugenquot; (394); Contra mendacium, „Tegen den Leugenquot; (420), aan Consentius, een Spaansch schrijver, gewijd, — dit laatste gericht tegen de Priscillianen; De patientid, ^Over het Geduldquot; (omstr. 418); De continentia, «Over de Onthoudingquot; (omstr. 395); De bono conjugali, »Over de natuur van het Christelijk huwelijkquot; (omstr. 400), een uitmuntend werk, in deze stof misschien het uitrauntendste van alle werken der Kerkvaders; De sanctd virginitate, »Overde heilige Maagdelijkheidquot; (omstr. 400); De bono viduila-tis, „Over het goede van den weduwlijken staatquot;, omstreeks 414 in den vorm van eenen brief geschreven aan de weduwe SaXmna.-, De opere monachorum, ,Over den arbeid der Kluizenaarsquot;, omstreeks 400, op verzoek van Aurelius, bisschop van Carthago geschreven. — Ook den handenarbeid schrijft hij hun voor.
Meer tot de Pastoraal, i. tot het Herderlijk Onderricht, behoort;
De catechizandis rudibus, „Over den Catechismus voor de beginnelingenquot;, vervaardigd omstreeks 400. op verzoek van Deogratias, diaken te Carthago, — eene voortdurend hooggeschatte handleiding.
III. Redevoeringen:
Het getal der als echt erkende overschrijdt nog de vierhonderd. In de uitgave der Benedictijnen worden zij als volgt gerangschikt:
1—183, over de Schriften van het Oude en JJieuwe Testament; 184—272, naar den tijd van het Kerkelijk Jaar, b. v. over Kerstmis, Driekoningen, enz.; 273 — 340, over de Heiligen; 341—363, over verschillende onderwerpen, leerstellige, zedekundige, of gelegen-heidsonderwerpen.
De overige redevoeringen werden uitgegeven door Michael Denis (Weenen, 1792), Octavius Fraja-Fran-
55
cipane {Rome, 1819), en Caillau (Parijs, 18é2). (Vgl. Migne D. 38, 39 en 46;.
Augustinus was groot redenaar, tnet buitengewone redenaarsgaven. Zijn verheven ambt leidde hem er toe, om voornamelijk Leerredenen uit te spreken.
IV. Brieven:
Als echt erkend zijn er tweehonderd achttien van hem, en twee en vijftig aan hem. Natuurlijk is maar het kleinste getal overgebleven. Die bewaard zijn, werden van zijne bekeering tot zijnen dood geschreven, over verschillende onderwerpen. Zij hebben overeenkomst met die van den H. Hieronymus. Beide Kerkvaders waren de Lichtkolommen en de Vraagbaken van hun\' tijd. ,Nergens —aldus de bevoegde beoordeelaar Ebert — nergens komt duidelijker dan in deze brieven aan het licht: de buitengewone beteekenis, welke Augustinus reeds had voor zijn eigenen tijd. Hij schijnt de geheele Kerk te beheerschen en den vooruitgaanden geest des tijds te leiden.quot;
X,
Tellen wij al de aangehaalde schriften tezamen, dan komen wij tot deze slotsom:
Zes en negentig werken, verdeeld in tweehonderd negen en vijftig boeken; ruim vierhonderd redevoeringen; tweehonderd achttien brieven.
Gewis, die cijfers spreken duidelijk. Twee omstandigheden moeten er bij in het oog worden gehouden: vooreerst, dat Augustinus nog zoovele andere werkzaamheden vervulde; vervolgens, dat hij vijftien eeuwen vroeger leefde dan wij, en dus onvergelijkbaar minder bronnen had. Bij aandachtige beschouwing van dien reuzenarbeid, zal het menigen betweter onzer verlichte eeuw voorzeker wel duizelen!
56
Wij durven hier te herinneren aan de feesten, welke voor enkele jaren werden gevierd, toen Hendrik Conscience de honderdste maal een romantisch verhaal had uitgegeven. Men weet het, wij zouden de laatsten zijn, om in het algemeen iets op dien letterkundigen roem af te dingen. Maar wat dan te zeggen van den machtigen, kerkdijken, wetenschappe-lijken en letterkundigen Schrijver en Redenaar, Aurelius Augustinus?
Wij spraken boven geenszins van de talrijke als onecht erkende, en evenmin van de vele twijfelachtige werken. Alleen moeten wij opmerken, dat er behalve de bovengenoemde, nog niet weinige zijn, die verloren zijn gegaan. Ze staan vermeld öf in de bekende Ketractationes óf in de Levensgeschiedenis door Possidius.
Van de volgende vier wordt het verlies het meest betreurd:
De naturd Pulchri, „Over de natuur van het Schoonequot; (omstr. 380);
Lib er contra Hilarium, «Een boek tegen Hilariusquot; over het zingen van de Psalmen aan het altaar;
Liber probationum et testimoniorum contra Dona-tistas. „Een boek over de bewijsvoeringen en de getuigenissen tegen de Donatistenquot;.
Expositio epistolae Jacobi, „Uiteenzetting van den Brief van Jacobusquot;.
Wij wezen reeds op de wenschelijkheid, om nog eenige bronnen aan te duiden voor de studie, zoowel van Augustinus\' geschrevene werken, als van zijne levensgeschiedenis. Moge de aanwijzing wel voor het doel geschikt, maar voor de lezing minder bloemrijk worden geacht, men bedenke, dat bij het vlechten van een schoonen lauwerkrans ook gewone bladeren dienen om den glans der bloemen te
57
verhoogen. Dichtspraak ter zijde gelaten, een feit is het, dat ons denkbeeld van onzen Feestheilige wordt verhoogd, indien wij zoo vele en zoo uitnemende mannen, door alle eeuwen heen, voor zijn leven en zijn werken de pen zien opnemen. Alleen moeten wij hier nog aanmerken, dat onze aanwijzing slechts eene gedeeltelijke is.
De eerste volledige uitgave van Augustinus\' werken is die van Ameebach te Bazel 1506 (11 T. fol.), dan die van Erasmus te Bazel 1529 (10 T. fol.), meermaals uitgegeven te Bazel en Venetië, en weder verbeterd door de Theologen van Leuven te Antwerpen 1577 (11 T. fol.), welke laatste uitgave herhaaldelijk is hernieuwd te Parijs, Keulen en Geneve. Daarbij komen twee aanvullingsdeelen van Hieron. Vigneeids, Parijs 1654. Verreweg de voortreffelijkste is de groote uitgave, ondernomen door de Maurinische Benedictijnen Blampin en Coustant en andere, te Parijs 1679—1700 (UT. fol.) en meermalen daarna; later nog vermeerderd en verbeterd door Thebeponus C. (d. i. Clericus), te Antwerpen 1703 (11 T. fol., en 1 T. fol. supplem.). Te Venetië 1797—1807 (18 T. 4°.). Te Parijs bij gatrme 1836—1839 (11 T. 4°.). Verder de uitgave van Migke 1845 (11 T. 4°.). In den Cursus Patrolog. van laatstgenoemde (ser. lat.) T. 32—47. Ook in de Uitgelezen Verzameling van Gaillau en Guillon, (Parijs 1829 en volg.) T. 108—147; hoewel zonder wetenschappelijke toevoegsels, is deze uitgave toch goed en fraai afgewerkt, en met eenige onuitgege-vene redevoeringen verrijkt. Verder vergelijke men nog: de nieuwe uitgave van Venetië 1833—1851; Possidius, vita Sancti Augustini; Prosperus, opera, vooral het chronicon; Ambkosiüs, opera; Hiero-nymus, opera, vooral Bpistolae en Dialogus ad versus Pelagianos; Gennadius , de viris illustribus, caput
58
38; de Bollandistek; Bloipin amp; Coustant, prolegomena; Migne, prolegomena; Kloth, Der H. Kir-chenvater Augustinus, Aken 18é0, 2 Dln.; Bindemann, H. Augustinus, Berlijn en Leipzig 1844—1S69, 3 Dln.! m. Podjotjlat, Histoire de St. Augustin, sa vie; ses oeuvres, son siècle, influence de son génie, o. a. 1845; Histoire de Saint Auyustin .... d\'après ses écrits et l\'édition des Bénédictins, par Une chanoinesse reguliere de l\'Ordre de Saint Augnstin, 2 dln. Brussel en Parijs 1886; Butler, Verhandeling over de Geschriften van den H. Augustinus; Hermant, Geschiedenis van den H. Augustinus; Dorner, Augustinus, zijn theologisch stelsel en zijne godsdienst-philosophie, Berlijn 1873; Teuïfel, Geschiedenis der Letteren, 3de uitgave, bl. 1038—1045; Tillemont, Mémoires pour l\'histoire de l\'Eglise, Deel XIII; Ceillier, Deel XI en XII (2de uitg. Deel IX); Nirschl, Patrologie amp; Patristik 1883, Deel II bl. 433 — 485; Ritter, Gesch. der Christl. Philosophie, Deel II bl. 153—343; Stöokl, Gesch. der Philosophie, Mainz 1870, bl. 341—496; Htjber o. a. bl. 233—315; Ebert o. a. bl. 203—243; Ferraz, De la Psychologie de St. Augustin, Paris 1862 en 1869; Gaxgauf, die Meta-physische Philosophie des H. Augustinus, Augsburg 1852; J. Storz, die Philosophie des H. Aug., Freiburg 1882; Haefner, Grundliniën, Mainz 1882, tweede deel; Carl vou Endebt, der Gottesbeweis, Freiburg 1869; Schütz, Divum Augustinum non esse onlolo-rjum, Monast. 1867; Gangatif, die Speculative Lehre, Augsb. 1866; Goens, De Civitate Dei, Amsterdam 1838; Roux, de Aur. Augustino, Leiden 1838; Wör-tek, Freiburg 1856 en 1866; Franz Klaskn, Freiburg 1882; Schwane, Munster 1869; Baltzkr, Weenen 1871; Nicol. Clausen, Havniae 1827; Gams , Kerkelijke Geschiedenis van Spanje; Haas, Tubingen 1861; Colincamp , Parijs 1848; Wilden , Schaffhausen,
59
1864; Ernst , Freiburg 1871; Baunard , Histoire de Saint Ambroise; Boügaud , Histoire de Sainte Monique; Bruno Sauvé, Tiers-Ordre, Paris 1684; Bere-zius Benedictinus, Dissertationes Ecclesiasticae His-paniae, Salamanca 1688; Hist, dei Ordres, edition Coignard , Paris; Heliot, Histoire des Ordres; Nicol. Cbuskniüs , Monasticon Augustinianum; Joseph. Pam-philitjs. Chronic. Eremit. S. Aug.; Thorn. Herbeba, Alphab. Augustin.; Jaan Marquez, Origen. deloa frayles Ermitanos de la orden, de S. August.; Pietro Uelcampo, Hist, general.; Luigi Torelli, Secoli Agostin.; Bossuet, Ocuvres completes III, Oraison funèhre de la princesse Palatine, Ouvrage contre Uichard Simon , Defense de la Tradition et des Saints Pères 111, IV, etc.; Fenélon, Dialogues sur VElo-quence, etc.; Massillon , Discours sur la Yerité (in Epiphaniam) etc.; Fléchier , Panégyrique de St Augustin; Pethabca, Epist. XXII; Mgr. Clément (bisschop van Hippo en Constantine), Herderlijke Brief over den H. Augustinus ; Mgr. Gillard , Lettre Pastorale, Bóne , 17 Octobre 1880; Belzunce (bisschop van Marseille), de la Grace et du Libre Arbitre (1740); Dr. Kohrbacher, Hist, universelle de VEglise, tome 7, 10 etc; M. Godeau , Vie de St. Augustin; Lantert, Postrema Saerula Sex Religionis Augusti-nianae, Proleg., Tolentini 1858; Morigia , Hist, de toutes les Religions; Kommer , die Kalholicitat nach dera H. Augustin., Breslau 1873; Ginzbl, des H. Augustin. Lehre von der Kirche; Tiibing. theolog. Quartalschrift, 1849; Petbus Damianüs, opuscul. 28. — Andere merkwaardige bronnen worden aangewezen bij Chevalier.
XI.
Na het vluchtige overzicht van Augustinus\' ge-
60
schrevene werken , hebben wij nog enkele aanhalingen daaruit ten beste te geven, alvorens onze taak als voltooid te kunnen beschouwen. Wij volgen daarbij in hoofdzaak de studie van Kirschl, welke wij ook op andere punten hebben geraadpleegd. Die voltooiing moge eene gepaste worden genoemd. Moesten wij een dichterlijke of welsprekende lofrede houden op den grooten Kerkvader, die eigenlijk verre boven gewone loftuitingen verheven is, dan zouden wij de schoone wendingen en beelden der dicht-of der redekunde kunnen te hulp roepen. Thans evenwel, nu onze arbeid van bescheidener aard is, nu wij in losse trekken slechts eene Üauwe schets hebben te geven van den beroemden Bekeerling, van den waren held zijner eeuw, van den grooten Leer-en Zede-meester der volgende eeuwen, kunnen wij geen waardiger einde nemen, dan enkele zijner hier nog niet medegedeelde uitspraken, die ook in onzen tijd nog van bijzondere toepassing zijn, aan de vrome aandacht der trouwe vereerderen voor te houden. Zoo ooit, dan is het bij Augustinus waar, dat zijne werken zijn een Momentum aere perennius, ,een Gedenkteeken, duurzamer dan metaalquot;! Van den bouwmeester eener beroemde Engelsche Kathedraal verhaalt men, dat hem zijne laatste rustplaats In dat eigen kerkgebouw werd gegeven, met het eenvoudige grafschrift: Ambulator, si monumentum quaeris, circumspice, »Wandelaar, indien gij een gedenkteeken zoekt, zie rondom u heen Iquot; — Hebben wij de werken van Augustinus, of althans eene flauwe schets er van, vóór of rondom ons liggen, dan kunnen wij, met nog veel meer recht, die spreuk toepassen op ons zeiven en op dien grooten Meester der eeuwen: Wandelaar, indien gij een gedenkteeken zoekt, zie dan rondom u heen!
Over het Geheim der H. Drieëenheid lezen wij
61
o.a. in De Christelijke Leer en in den 170siere Brief-, ,De Drie [Goddelijke Personen] -hebben dezelfde eeuwigheid, dezelfde overanderlljkheid, dezelfde
Majesteit, dezelfde Macht.....Deze Drieënheid heeft
ééne en dezelfde natuur en zelfstandigheid; en deze is niet kleiner in de enkele [personen] dan in alle drie, niet grooter in alle dan in de enkele, maar even groot in den Vader alleen of in den Zoon alleen, als in den Vader en den Zoon tezamen; en even groot in den H. Geest alleen, als in den Vader
en den Zoon en den H. Geest te zamen..... En
alle deze [drie Personen] zijn noch door vermenging één, noch door scheiding drie; maar drie, ofschoon zij één zijn, en één, ofschoon zij drie zijn.quot;
Over het Geheim der H. Menschwording:
j/Xoo is de Zoon Gods, J. C., God zoowel als mensch. God vóór allen tijd, menschin dezen onzen
tijd..... Een Zoon Gods en tevens ook een Zoon
des menschen [der H. Moedermaagd]; een menschen-zoon en tevens ook een Godszoon; niet twee zonen Gods, de God en de mensch, maar één zoon Gods: God zonder aanvang, mensch met een bepaalden
aanvang, onze Heer J. C...... Gelijk namelijk de
mensch eene redelijke ziel en een vleeschelijk lichaam is. zoo is de ééne Christus God en mensch; en daarom is Christus: God, eene redelijke ziel,en
een vleeschelijk lichaam..... Maar dezen alle zijn
niet twee of drie, maar de ééne Christus..... Alzoo
is Christus één persoon van een tweevoudige zelfstandigheid, wijl Hij zoowel God is, alsook mensch.quot; (Vgl. Enchiridion •, In Joan.; Contra Maximin.)
Over de H. Moedermaagd:
«Maagd bij de ontvangenis, maagd bij de geboorte,
steeds en voortdurend maagd..... Vieren wij alzoo
den dag, waarop Maria den Heiland heeft ter wereld gebracht, de gehuwde den Schepper van het huwelijk
62
de maagd den Koning der Maagden..... Want aan
de H. Moeder ontroofde de almachtige Zoon, die haar tot moeder verkoos, geenszins de maagdelijkheid
door Zijne geboorte.....Wat is wonderbaarder?.....
Hij is voortgebracht door haar, die Hij zelf heeft geschapen; Hij heeft haar de vruchtbaarheid verleend. en de ongereptheid niet gestoord..... Wie
begrijpt deze nieuwe, ongewone, eenige nieuwheid in de wereld, die ongeloofelijk is en geloofelijk werd , die door de gansche wereld ongeloofelijker-wijze wordt geloofd.quot; (Vgl. De cathegiz. rud.; Sermo 188, 189, 190).
Over de H. Kerk:
irVVij moeten vasthouden aan den Christelljken Godsdienst en aan de gemeenschap met die Kerk, welke de Algemeene is, en de Algemeene, de Katholieke, wordt genoemd, niet alleen door hare kinderen,
maar zelfs door al hare vijanden.....Velerlei is het,
wat mij in den schoot der Kerk met alle recht gebonden houdt. Mij houdt daarin de eenstemmigheid der volkeren en der wereldrijken; mij houdt daarin het Gezag, dat met wonderdaden is aangevangen;..... mij houdt daarin de opvolging der
bisschoppen, van den zetel der Apostelen af..... tot
de bisschoppen van den tegenwoordigen tijd; mij houdt daarin zelfs haar naam van algemeene, katholieke,..... zoodanige..... dat geen ketter, op de
vraag naar de Katholieke Kerk,.....zijne eigene
daarvoor durft aan te wijzen..... De Kerk treedt
voor allen duidelijk en zichtbaar op......de Stad,
die op den berg is gebouwd, kan niet verborgen
blijven..... Zij is, dus schrijft ook de H. Cyprianus,
van het Licht des Heeren doorstroomd; hare lichtstralen verspreiden zich over den wereldbol; hare twijgen , in volle vruchtbaarheid, strekken zich uit over de gansche aarde.....tot de uiterste grenzen..•
63
De Kerk zelve is de heilige, de ééne, de ware Kerk; de algemeene, katholieke Kerk. Strijden kan Zij,
maarniet in den strijd worden ten ondergebracht.....
De poorten der hel zullen haar niet overweldigen.....
Het heil kan de mensch niet vinden, tenzij in de Algemeene Kerk. Buiten de katholieke Kerk kan hij alles hebben, uitgenomen het heil; hij kan eere
hebben, hij kan een Sacrament hebben,.....maar
nergens dan in de katholieke Kerk het heil.....Zoo
hebben diegenen den heiligen Geest niet, die buiten de Kerk zijn..... In hem [Petrus] is het Primaatschap over de Apostelen..... In de Roomsche Kerk
bestaat voortdurend dat primaatschap des Apostoli-schen Stoels, op welken Petrus heeft gezeteld, en op welken heden ten dage Anastasius [quot;Leo XIII]
zetelt.....Wat verlangt gij [Julianus van Eclanum]
nog een onderzoek, daar dit reeds bij den Apostoli-
schen Stoel is geschied?..... Causa finila est, de
zaak is daarmede uitlquot; (Vgl. De vera relig-. Lib. contr. cp. fundam.; Contra Crescon; Sermo de Sym-bolo; Enarr. in psalm. 101; Sermo II: Sermo ad Caesareens.; Ep, ■185; De baptismo; Sermo 295; Ep. 43; Op. imperf; Sermo 131.)
Over het H. Doopsel:
»Wat is het Doopsel van Christus? Een bad in het water met het woord. Neem het water weg, het is geen doopsel; neem het woord weg, het is geen doopsel... . Deze [Christus] is het, die in
den H. Geest doopt..... Het doopsel des Heeren
is zooals de Heer; en dus is het doopsel des Heeren
goddelijk, wijl de Heer God is..... Het water alzoo
voltooit uiterlijk het sacrament der Genade, de werkende Geest Innerlijk het heilwerk der Genade, maakt den band der schuld los, stelt weder op zijne plaats het goede der natuur, is in den éénen Christus eene wedergeboorte voor den mensch, die geboren
64
werd uit den éénen Adam..... In het Doopsel worden
wel alle zonden afgewasschen, maar de erge gevolgen
der vleeschelijke begeerlijkheden blijven toch over.....
Zelve echter is deze begeerlijkheid in de wedergeborenen geene zonde, wanneer men met haar niet
tot de ongeoorloofde werken instemt..... Ze wordt
zonde genoemd,......hetzij omdat ze door de zonde is
ontstaan, hetzij omdat ze zich in den lust tot zondigen
waarneembaar maakt..... Zij blijft intusschen in
de gedoopten tot strijd.....Het is ontwijfelbaar te
gelooven, dat dezen [de kleine kinderen] niet op eene andere wijze [dan door het Doopsel] in Christus het
leven kunnen erlangen..... De ziel des Apostaats
[Afvalligen], zelfs wanneer het Geloof is verloren, verliest niet het Sacrament [het uitwendig merk-teeken] des Geloofs, hetwelk zij in het bad der wedergeboorte heeft ontvangen.quot; (Vgl. In Joan, tract.-, Ep. 98; Contra Julian.; De nupt. et conctip.; Contra duas ep. Pelag.; De perc. merit, et remiss.; Ep. 166 ; De anima et ejus orig.)
Over de H. Eucharistie als Altaarsacrament:
» .... Want Christus droeg zich in Zijne handen, als Hij, Zijn lichaam aanbiedend, sprak: Dit is Mijn lichaam. — Hij toch droeg dat lichaam in Zijne
handen.....Wij ontvangen.....den Godmensch J. C.,
den Middelaar tusschen God en den mensch, die ons Zijn vleesch tot spijs en Zijn bloed tot drank
geeft..... Niet alleen zondigen wij niet, wanneer
wij Hem [onder de gedaanten van brood en van wijn] aanbidden, maar wij zondigen, wanneer wij Hem
niet aanbidden..... Dat brood, wat gij op het
altaar ziet, geheiligd door het Woord Gods [dei-Consecratie], is het lichaam van Christus. Die kelk of liever wat die kelk inhoudt, geheiligd door het Woord Gods, ia het bloed van Christus.quot; (Vgl-Enar. in ps. 33; serrn. I, II; Contra advers, leg. et
65
prophet.; Enarr. in ps. 98; Senn. 227; Vgl. ook Ceilliee T. XLI, p. 575—590)
Over dezelfde als Altaaroffer:
;,Daar [bij Melchisedech] werd het eerst openbaar het Offer, dat thans door den Christen over den
ganschen aardbodem aan God wordt opgedragen.....
alle dagen,..... het Offer van Zijn H. Lichaam en
Bloed,.....hernieuwing.....en afbeelding tevens.....
van het H. Kruisoffer.....Wie zou het lichaam van
Christus mogen opofferen, tenzij voor dezulken, die ledematen van Christus zijn?.....quot;Welke der priesters, die op de grafplaatsen der H. Martelaren aan het altaar stonden, heeft ooit gebeden : Wij offeren aan u, ó Petrus, of Paulus, of Cyprianus ! — Wat geofferd wordt, dat wordt aan God geofferd, die de martelaren heeft gekroond.quot; (Vgl. De civ, Dei; Ep. 198; Conlr. Faust.; De div. quaest. 83; De anima ejusq. orig.)
Over Weduwen en Weezen:
«Diegenen onder ons, welke meer met aardsche goederen bedeeld zijn, geven, indien zij willen, zooveel als het hun goeddunkt. Hunne gaven worden nedergelegd in de handen des bisschops, die er zich van bedient om in de nooden te voorzien van weduwen en weezen......want de bisschop is de verzorger
van alle behoeftigen.quot;
Over de sekte der Manicheërs:
„Ik hield mij overtuigd, dat het beter waste ge-looven aan de ^Wetenschapquot; dan aan het gezag, en viel in de handen van zekere lieden, die het licht, wat onze oogen treft, als iets oneindigs, iets goddelijks , iets aanbiddenswaardigs beschouwen. Niet, dat ik de waarheid hunner beweringen inzage of met dezen instemde; maar ik verbeeldde mij, dat zij onder dien geheimzinnigen sluier iets groots hielden verborgen, wat zij mij eenmaal zouden ontdekken !....
66
Indien wij in de strikken der Manicheërs werden verward, dan geschiedde dit alleen, naar gij weet, dewijl zij ons verzekerden, dat zij, zonder het gezag te volgen, hunne leerlingen tot God voerden, en hen, door de zuivere reden alleen, van alle dwaling bevrijdden. Hoe was het mogelijk, dat ik hen volgde en naar hen bleef luisteren, negen jaren lang, met versmading van den godsdienst, dien mijne ouders mij als kind in het hart hadden geprent? Het was omdat zij ons voorhielden, dat wij ons door bijgeloovigheden schrik lieten aanjagen en het juk des Geloofs op de schouders namen vóór het onderzoek der Rede, terwijl zij daarentegen geene instemming eischten, dan nadat door een nauwkeurig onderzoek de waarheid in het volle daglicht ware gesteld. Wie, die nog jong is en dorst naar waarheid, zou niet worden verleid door zulke schoone beloften? Vooral hij, die in de spitsvondige redetwisten der school veel ijdelen zelfwaan en dwaze bedilzucht heeft opgedaan 1 In deze stemming nu troffen zij mij destijds aan. Ik verlangde te drinken uit de bron van zuivere waarheid, die zij hadden beloofd, en beschouwde al het overige als kinder-gesnap. Desniettemin sloot ik mij nimmer geheel bij hen aan , doch stelde mij tevreden met den graad van .toehoorderquot;, zonder mijne zaken en mijne toekomst te willen prijsgeven. Dit kwam, wijl ik bespeurde, dat zij rijker waren aan woorden om de leer van anderen af te breken, dan aan bewijzen
om de hunne te staven..... Ik vond in hem [hun
voorganger Faustus] eenen man van een zach t karak ter met een liefelijk stemgeluid, die het gewone Mani-cheesche liedje met meer bevalligheid dan anderen wist voor te dragen. Maar wat kon de innemendheid des wijnschenkers dienen, terwijl hij mij niets had aan te bieden dan een ledigen, hoezeer kostbaren
67
beker?quot;..... (Lib. de vita beatd]. Proem.; De uiilitale
credendi 1; Contra Faustum).
Over de H. Schrift en de Overlevering:
»Gelooft, dat het boek, genaamd van Sint Mat-theus, dezen Evangelist werkelijk tot schrijver heeft; immers de Kerk, die dit boek heeft ontvangen in den eigen tijd, toen St. Mattheus leefde in het vleesch, heeft het sedert trouw bewaard, in eene niet onderbroken opvolging, tot het tijdstip dat wij beleven.quot;
rik bevestig uwe liefde [aldus aan den H. Hiero-nymus], dat ik heb geleerd, eenig en alleen dien boeken der Schriften, welke thans de canonieke worden genoemd, eene zoodanige eer en hoogachting te wijden dat ik rotsvast geloove: geen hunner schrijvers is ergens in eene dwaling vervallen. En wanneer ik in deze Schriften op iets moge stuiten, dat met de Waarheid in tegenspraak schijnt te zijn, dan ben ik slechts hierover in twijfel: of misschien het afschrift gebrekkig zij, of de vertaler het oorspronkelijke niet nauwkeurig hebbe wedergegeven, dan wel of ik
zelf de zaak in het geheel niet versta..... Want
al datgene, wat wij overeenkomstig Zijnen [Christus*] wil over Zijne daden en woorden moeten lezen, dat beval Hij hun [den leerlingen], die om zoo te
spreken Zijne handen waren, te schrijven.....Wat
de geheele Kerk naleeft, en niet door de Conciliën is uitgesproken, maar toch altijd en algemeen is nageleefd, daarvan gelooft men met volle recht, dat het door het Apostolische Gezag is overgeleverd
geworden..... Ik zou het Evangelie niet gelooven,
indien mij het Gezag der Kerk daartoe niet noopte.quot; (Vgl. Contra Faustum; Ep. 82; De consensu Eoang.; De civ. Dei-, De doctr. Christ,; De baptismo; Contra ep. fundam.)
Over de Aprocieve boeken (door de Kerk niet erkende bijbelboeken):
68
„Wat betreft de overige mannen, die getracht of gewaagd hebben, sommige dingen over het leven van Onzen Heer en van de Apostelen te schrijven, zij waren reeds in den tijd, waarin zij leefden, niet van die aanmerking, dat de Kerk hun ooit geloot en vertrouwen schonk of hunnen schriften eene plaats verleende in de gezagvolle Canons der Gewijde Boeken. En Zij handelde zoo ten hunnen opzichte, niet slechts omdat zij geen enkelen waarborg aanboden, waardoor hunnegeloofwaardigheidzóugewet-tigd zijn, maar ook omdat zij in hunne schriften valschelijk sommige dingen hebben ingevoegd, die worden veroordeeld door de gezonde leer, door den algemeenen en Apostolischen regel van het Geloofquot;.
— Let wel, zegt Eergier, Augustinus beschouwt hier het Evangelie slechts in de hoedanigheid van gewoon boek [afgescheiden van de werkelijke Goddelijke ingeving], een boek dat wordt toegeschreven aan een bepaald zekeren schrijver, die, naar men beslist weet, in een bepaald zekeren tijd heeft geleefd; hij beschouwt hier de Kerk slechts als eene gewoon menschelijke maatschappij, [afgescheiden van hare Goddelijke stichting], eene maatschappij, die is aangevangen in een bepaald zekeren tijd, die een bepaald zekere leer belijdt, die is bestuurd door bekende mannen, en die voortdurend [innerlijk] moet worden onderricht aangaande haar eigene leer en den oorsprong harer rechtstitels. (Diet. Theolog. Art. Evang.)
— Houden wij ons, aldus Mgr. Rijkers, houden wij ons aan den H. Augustinus! Roemrijk leefde hij in een groot deel der vierde en der vijfde eeuw; geheel vervuld was hij van de groote overlevering van het verledene; hij is dus bevoegd rechter. Die bewonderaar van Plato en van Cicero, dat genie wat het hunne overtrof, en wat er slechts in slaagde de
69
waarheid te achterhalen na een\' strijd op leven en dood met zijne eigene meeningen en zijne eigene inborst, hij zegt niets of hij weet het, hij bevestigt niets of hij ziet het; en in al de christelijke vraag_ punten ziet hij veel beter en veel verder, dan de schrijvers van (het ongeloovige Fransche tijdschrift) La Liberté de penser en van het oude en het jonge protestantsche Duitschland! {Le Christ et Les auteurs des quatre Evangiles devant la critique moderne par J. Ch. Rijkers, pastoor-deken te Wijck—Maastricht.)
— Aan Augustinus, aldus Paus Martinus V, aan Augustinus danken wij het, dat wij den wijsgeeren niet meer hunne wijsheid hebben te benijden, den redenaars niet meer hunne welsprekendheid; wij behoeven niet meer het doordringende verstand van Aristoteles, de overredende bekoorlijkheid van Plato, de voorzichtigheid van Varro, den ernst van Socrates, het gezag van Pythagoras, de scherpzinnigheid van Empedoclesl.....Hij alleen vertegenwoordigt het aangeboren talent en de aangeworven geleerdheid \'/an al de Kerkvadersl Wie zou ooit den godsdienst willen verdedigen onder een ander hoofd dan Augustinus?quot; (Oratio de translatione S. Monicae.)
— Maar boven allen, aldus Paus Leo XIII, schijnt de palm te moeten worden toegekend aan Sint Augustinus. Machtig genie als hij is, ten diepste doorgedrongen in alle goddelijke en menschelijke wetenschappen, gewapend met een alles overheer-schend geloof en met eene niet minder groote geleerdheid, heeft hij onwankelbaar gestreden tegen al de dwalingen van zijnen tijd. Inderdaad, welk leerstuk der wijsbegeerte heeft hij niet aangeraakt gt; niet doorgrond? Hetzij hij den geloovigen de hoogste geheimen van het Geloof ontdekte, terwijl hij ze
5
70
verdedigde tegen de woedende aanvallen zijner tegenstanders! Hetzij hij de verdichtselen der Academici en der Manicheërs in het niet deed verzinken, en tevens de grondslagen legde en verzekerde van de menschelijke wetenschap! Hetzij hij de aanleiding, den oorsprong en de oorzaken naspoorde van de rampen, onder wier gewicht het menschdom gebukt ging!
„Met welk eene verhevenheid en eene diepte heeft hij gehandeld over de engelen, de ziel, den men-schelijken geest, den wil, de vrije wilskeuze, den godsdienst, het gelukzalige leven, den tijd en de eeuwigheid!quot; (Encyclica Aelerni Pair is „De Insti-tutione Philosophiaequot; 4 Aug. 1879.)
XII.
Wij beloofden, nog eenige nadere bijzonderheden mede te deelen over de twee schoonste en beroemdste werken van den groeten Bekeerling en Kerkvader: Con/essiones en De Civitate Dei. Aanvankelijk was onze bedoeling om, in overeenstemming met het vorige hoofdstuk en als vervolg daarvan, eenige uitvoerige aanhalingen te geven. Doch wegens de beperkte plaatsruimte moeten wij dat plan laten rusten, en ons voornamelijk bepalen tot den zake-lijken inhoud. Wij vertrouwen intusschen, dat deze eene passende besluiting zal mogen zijn van onze bescheidene studie.
De Confessiones of Belijdenissen zijn dertien boeken, die een eigene levensbeschrijving bevatten van zijne kindsheid tot omstreeks het jaar vierhonderd; eene levensbeschrijving, geheel eenig in hare soort. De H. Schrijver belijdtquot; er, in oprecht berouw en nederige zelfbeschuldiging, voor God en de menschen.
71
geheel zijn in- en uitwendig leven met al zijne misslagen en groote afdwalingen, alsook de bange zielestrijden, door welke Gods Oneindige Voorzienigheid hem tot het ware geluk heeft geleid. Die bekentenissen worden afgewisseld met gebeden, dankbetuigingen, lofprijzingen, en overwegingen van de eigenschappen Gods, in onmiddellijke samenspraak met God. De drie laatste boeken bevatten meer uitsluitend godvruchtige, en daaronder zeer diepzinnige overwegingen over de Schepping, van het begin tot den Goddelijken rustdag. Het geschrift is een zeer schoon en troostend en verheffend Over-wegingsboek, niet slechts in zalvenden stijl, maar ook in gekuischte , sierlijke, meesterlijke taal vervaardigd. Het is in alle nieuwere talen meermaals overgebracht. Bijzonder echter mogen wij wijzen op het werk van Ch. Claib, La jeunesse de Saint Augustin d\'après ses Confessions (Parijs, H. Oudin), vooral geschreven voor jonge lieden. De drie laatste boeken, en eenige andere hoofdstukken, zijn voor de doelmatigheid weggelaten, zonder dat hierdoor de levensgeschiedenis wordt onderbroken. Het werk van Claib is in verschillende hoofdstakken verdeeld, voor elk eene korte inleiding tot gemakkelijker en vruchtbaarder lezing. De vertaling zelve is trouw en met de meeste zorg geschied, dus ook zeer gekuischt en sierlijk. Zij is, aldus de schrijver, ««bestemd voor allen, maar bijzonder voor jongelieden. Is iemand afgedwaald, hij kan er zien, langs
welken weg.....het goede pad is terug te vinden.
Heeft iemand het onschatbare voorrecht, het kwade slechts bij naam te kennen, hij zal er leeren, zich zeiven te mistrouwen, en te volharden tot den einde toequot;.
Eene der redenen, die den grooten Bekeerling tot de openbaarmaking der Belijdenissen bewogen.
73
deelt hij zelf mede in het tweede boek der Retrac-tationes. Augustinus wilde namelijk zich zeiven persoonlijk opwekken tot dankbaarheid jegens God, en daartoe tevens zijne vrienden en zijne broeders bewegen, bijzonder door de beschouwing van de oneindige barmhartigheid zijns Goddelijken Verlossers.\' De andere hoofdreden wordt door Possidins vermeld. De voorname gedachte, zegt hij, die Augustinus\' edele ziel vervulde , toen hij voor de oogen der nakomelingschap de geschiedrollen zijner afdwalingen ontvouwde, was om zich zoo diep mogelijk te vernederen en bij zijne lezers een niet minder ongunstigen dunk te vestigen dan hij zelf over zich koesterde.
Daar het ware nederigheid was . die hem aandreef, is hij door zijne Belijdenissen slechts in de algemeene achting gestegen, te meer, daar vooral het laatste gedeelte, dat in diepte en verhevenheid van wijsbegeerte slechts door De Stad Gods wordt geëvenaard, hem ook naar gewoon menschelijke opvatting een zeldzamen graad van roem heeft doen verwerven. Bossuet o. a. beschouwde het als eene eer, die werken grondig te overwegen en voortdurend te raadplegen. Hij koos hen als model voor de schoonste voortbrengselen zijns geestes, bijzonder voor Discours sur VHisloire Uniuerselle en Elevation sur les A/yslères. De ,Adelaar van Meauxquot; noemt den geliefden Meester: „Adelaar der Kerkvadersquot;, fLeeraar der Leerarenquot;, ,Onvergelijkelijke Godgeleerdequot;, (.Apostel der Genadequot;.
„Nimmerquot;, aldus Poujoulat, „zijn de oneindigheid Gods en de afgrond der menschelijke ellende met meer doordringendheid en kracht doorzocht dan in De Belijdenissen, waarin tevens de doorzichtige schoonheid der taal steeds in overeenstemming is met de grootschheid der denkbeelden. De vlucht
73
des Afrikaansohen Adelaars bereikt somwijlen zulk eene verhevenheid, dat wij haar slechts met eene soort van duizeling volgen; zij voert ons op tot berghoogten, waar men van ontzetting plat ter aarde valt als bij de nadering van de Majesteit Gods.quot;
In verband met het algemeene plan onzer studie ontleenen wij hier slechts de volgende korte aanhalingen :
»6 God, Gij zijt het, die mij, buiten mijn weten, naar üwen dienaar Ambrosius heenzondt, om mij te
verlichten en tot U terug te voeren.....den voor-
treffelijken verkondiger van Gods Woord, dien ik als een\' \\ader vereer.quot; Aanvankelijk „gevoelde ik genegenheid voor hem, niet als voor eenen leeraar, die mij de waarheid zou leeren kennen, — immers ik wanhoopte er volkomen aan, de waarheid in de Kerk te zullen vinden —, maar als voor iemand,
die mij met ware welwillendheid bejegende.....
Langzamerhand echter begonnen, met de schoone woorden die mij behaagden, ook de zaken, die ik verwaarloosde, in mijn geest en gemoed door te dringen; dezen kon ik niet van genen scheiden; terwijl ik mijn hart opende, om zijne welsprekendheid te genieten, ging er ook de waarheid binnen; althans trapsgewijze, begon ik, van hetgeen hij zeide, ook de juistheid in te zien.quot;
»Zij [de H. Monica] verdubbelde haar gebeden en haar tranen; U, 6 Bron van barmhartigheid, smeekte zij, mijne bevrijding te verhaasten en de duisternissen van mijn\' geest te verlichten. Bij elke gelegenheid ging zij getrouw ter kerke, waar zij als aan de lippen hing van den H. Ambrosius, vol dorst naar de bron van levend water, die ten eeuwigen leven springt.quot;.....
//Vlucht de schouwtooneelen, mijne dierbaren, vlucht de schouwburgen, de schandelijke verblijf-
74
plaatsen van den duivel; vreest, dat de geest des
kwaads u in zijne strikken verwarrel..... Die
schouwburgen zijn het bederf der zeden; men leert er de ongebondenheid, men hoort er de schandelijkheden, men ziet er de tooneelen, die voor de deugd
allernoodlottigst moeten zijn.quot;.....
„Alles, wat mij in verrukking bracht bij de lezing der wijsgeerige werken [bijzonder van Plato], vond ik terug in de Brieven van den H. Paulus, en bovendien leerde ik in dezen de waarde en de uitwerking kennen van Uwe Genade, ó mijn God, opdat degene, wien Gij de Gave Uwer Wijsheid schenkt, er zich niet op kunne beroemen als op een eigen goed, maar belijde dat hij haar van U ontvangt evenzeer als de kracht om zich te genezen van de zwakheden, die hem beletten Uwe zoetheden
te genieten Iquot;.....
„(t Waarheid, ó Waarheid, hoezeer haakte en zuchtte ik naar u, uit het diepste mijner ziel, uit al hare krachten , zelfs in den tijd, toen die menschen [de Manicheërs] rondom mij gerucht maakten met uwen naam, die in hunne boeken en op hunne lippen slechts een holle klank was. Steeds werd ik begeeriger om mij geheel van u te vervallen, en steeds tooverden zij in uwe plaats niets dan lichtende schijnbeelden voor mijne oogen. Maar gij alleen, 6 Waarheid, gij waart het, die ik zocht.
Naar u hongerde en dorstte ik!quot;.....
t- ö Mijn God, ik belijd ö mijne dwalingen, U, die zich over mij ontfermde toen ik haar nog niet beleed. Met zware inspanning en als buiten adem zocht ik ü, in mijne behoefte aan Waarheid. Daar ik echter nog niet was verlicht, zocht ik U elders en zeer verre, terwijl Gij innerlijker in mijne zielteg en-
woordig zijt dan het innerlijkste wat zij bezit!quot;.....
„Wee der ziele, de overmoedige, die U, ó Heer,
75
meent te kunnen verlaten en iets beters te vinden 1 Hoe zij zich keere en wende, alles is haar tegen 1 In U alleen is rust!quot;.....
„Zullen wij het langer dulden? Gij hebt het gehoord!.....De eenvoudigen en ongeletterden staan
op, en veroveren het koninkrijk des hemels; en wij, met onze geleerdheid, blijven kruipen in het
slijk onzer driften I.....Hoe lang, ó Heer, hoe lang
zal Uw toorn op mij drukken?..... Hoe lang zal
het nog zoo blijven? Morgen, en wederom morgen! Waarom niet heden, waarom niet op dit eigen oogenblik?quot;.....
»Neem en lees, neem en lees!quot;..... „Vermijdt
de buitensporigheden in eten en drinken, leeft niet in ontucht en onkuischheid, niet in twist of nijd; maar doet den Heere J. C. aan, en verzorgt het vleesch niet zóó, dat gij het opwekket tot de zondige
begeerlijkheden!quot;..... «Neemt aan: den zwakke in
het geloof!quot;.....
De Civilate Dei, «Over de Stad Godsquot;, is een der belangrijkste, zoo niet het belangrijkste van Augus-tinus\' werken, een der belangrijkste ook van alle landen en eeuwen. De aanleiding tot de vervaardiging deelden wij reeds mede. De Gothen hadden Italië verwoest, hun koning Alarik zelfs Rome veroverd. De heidensche Romeinen klaagden weder. Wat meer is, en te verwachten was, — zij vernieuwden de oude beschuldigingen : Het Christendom was het, dat de schuld droeg van deze en andere volksrampen , want de oude goden, die Rome en het Rijk groot en machtig hadden gemaakt, waren verlaten en daarom vertoornd! Hunnerzijds werden ook de katholieke Romeinen ontmoedigd: zij gingen gebukt onder de rampen van het vaderland en tevens onder den druk der valsche beschuldigingen. Augus-
76
tinus, de groote Afrikaansche bekeerling, de edele zoon van het Romeinsche wingewest, de voortreffelijke Romeinsche burger, de gevierde leeraar der Romeinsche en Milaansche leerstoelen, de vurige Christen, de uitverkoren Kerkvader, de Advocaat der Kerk, de Scipio van zijn tijd en op zijn gebied, liet zich door zijne vele ambtsbezigheden en binnen-landsche strijdvoeringen niet afschrikken van die nieuwe soort van wereldstrijd: de valsche beschuldigingen der heidenen af te wijzen en de christelijke waarheid te doen schitteren in al haar verheven kracht tot verlichting en vertroosting; — eene nieuwe tweevoudige levenstaak, waaraan hij dertien van zijn beste levensjaren arbeidde. In twee en twintig boeken zag die geestelijke arbeid achtereenvolgens het licht, het laatste verscheen vier jaren voor zijn roemrijk verscheiden.
In de eerste tien boeken toont onze geestelijke strijdheld middaghelder aan, dat de grootheid van Rome in geen verband staat met de goden: dezen hebben niets tot die grootheid bijgebracht, en kunnen er niets toe bijbrengen, daar zij óf gewone afgestorvenen óf geheel verdichte persoonlijkheden zijn; — het veelgodendom is niet nuttig, veel minder nog noodzakelijk, voor de gelukzaligheid aan deze of gene zijde des grafs. In overeenstemming met de Romeinsche overleveringen worden die geopperde stellingen bewezen, vooreerst uit de Geschiedenis, sedert den val van Troje tot den tijd van Christus, en vervolgens uit het wezen van het heiden- of godendom zelf. Voor dit laatste doel levert hij een grondige studie van de heidensche godenleer, zooals die naar Varro werd gevolgd, en in verband daarmede — van het wezen der heidensche offers en andere afgodische gebruiken, en evenzeer van de verschillende wijsgeerige stelsels, die op den
77
heidenschen godsdienst betrekking hebben, bijzonder de Nieuwe Platonische richting. Stuk voor stuk vallen die heidensche leerstellingen voor de kracht zijner scherpzinnige en oordeelkundige geestes wapen en.
Vervolgens gaat de Gewijde Schrijver over tot het Tweede deel. Daarin treedt hij meer opbouwend te voorschijn, plaatst namelijk den stelligen christe-lijken godsdienst aan den gewaanden godendienst tegenover. In korte woorden is het gronddenkbeeld dier tweede verhandeling aldus samen te vatten: De Christelijke Kerk het Rijk Gods. Vandaar de titel Stad Gods. Dit Godsrijk toont hij in de volle ontwikkeling, zooals die in de gansche geschiedenis kenbaar is, en vergelijkt het telkens met het rijk van den Vorst der wereld. En daarin vindt hij aanleiding, om de christelijke leer volledig te schetsen en als de Stad Gods op den Berg Sion boven de wolken te doen uitschitteren.
Hij vangt aan met de gezonde wijsbegeerte, die uit het wezen en de orde der dingen tot een Almachtigen Schepper en Meester besluit, en met de Heilige Schriftuur en de Overlevering, die de bronnen zijn van de Goddelijke Openbaring. In dit licht wordt gehandeld over God, de Schepping en de Engelen, over den aard, de bestemming en den val der Engelen. Met hunne schepping begint het Rijk Gods, met hunnen val het Rijk Satans. Dan wordt in overweging genomen de schepping van den mensch, diens gelukzalige toestand in het Paradijs, diens rampzalige val in de zonde, en de oorsprong der zonde. Door deze is ook de menschheid gesplitst in twee rijken: het rijk van den Hemelschen Vredevorst en het rijk van den aardschen Wereldvorst, het hemelsche rijk der kinderen Gods, het wereldsche rijk der kinderen van Gramschap, het rijk der liefde tot God en der verachting van zich zeiven.
78
en het rijk der liefde tot zich zeiven en der verachting van God, de Stad Gods en de Stad Satans. Op aarde zijn de twee eerste vertegenwoordigers Abel en Kaïn; en hunne opvolgers leven voort, gelijk de wereldgeschiedenis leert, door geheel het Joden- en het heidendom, tol Christus, den waren en eenigen Middelaar.
Ten laatste doorschouwt de christelijke denker de uitspraken van Sibillen, Profeten en Apostelen, en die van den Goddelijken Messias, en teekent de geschiedenis der Toekomst, de ontwikkeling der twee Rijken, tot de vervulling der tijden en het eindge-richt der wereld. De Stad Satans en de Stad Gods, nu vermengd en als saamgesmolten, zullen voorgoed worden gescheiden op den Jongsten Dag. Zoolang zij den aanhoudenden strijd voeren, de eene voor de boosheid, de andere voor de rechtvaardigheid, moet gene worden geduld, deze met alle kracht gezocht.
Het geleerde en vrome werk is hier onmerkbaar als overgegaan in een verheven treurspel, met de blijde en zegevierende bekroning van het lijden. De beide laatste boeken zijn als de twee slottooneelen, waarin de verworpelingen der Hel worden geschilderd met hun waarlijk noodlottige straffen, de uitverkorenen des Hemels met hun waarlijk gelukzalige belooning. Machtig is de indruk! Wij begrijpen dat een Dante, een Vondel, een Milton, bij de vervaardiging van hunne schoonste tafereelen, hunne gouden pennen doopten in de eenige kleuren van den Meester!
«■Bij de verschijning van dit wonderbare werkt, zegt Bongaud, sprong de Kerk van Afrika, ja, de gansche katholieke Kerk van blijdschap op, en werd vervoerd van enthousiasme. Tot dan toe, in zijne werken over de H. Drieëenheid, de Erfzonde en
79
dergelijke, had Augustinus voorgangers gehad, die, al evenaarden zij hem niet, hem toch den weg hadden gewezen. Thans echter was alles nieuw I Geene christelijke pen had nog voor de Kerk zulk een monumentaal boek geschreven!quot;
Wij noemden de Stad Gods reeds Augustinus\' meesterwerk, zijn standaardwerk, een der belangrijkste van alle landen en eeuwen, de classieke Apologie des Christendoms, het gedenkteeken, duurzamer dan metaal, zijn grootste en beroemdste werk» het merkwaardigste leerstellige verdedigingsschrift tegen het heiden- en het jodendom, de schoonste verdediging en lofrede voor het Christendom, zijne Pleitrede voor de Kerk, het sprekendste gedenkstuk van zijn meesterschap in de Christelijke Volmaaktheid, in de Godgeleerdheid, in de Gewijde en Ongewijde Geschiedenis, in de Grieksche en Romein-sche Letterkunde en Wijsbegeerte. Welke lezer, die bevoegd is en onbevooroordeeld, zal durven uitmaken, wat méér zij te bewonderen : de verhevenheid van opvatting, de veelomvattendheid van stof, de scherpzinnigheid van gedachte, de juistheid van oordeel, de edel- en teederheid van gevoel, de schoonheid van voorstelling, de eenheid en verscheidenheid in het plan, de nauwkeurigheid en natuurlijkheid van schildering, de bevalligheid van stijl en taal! Wie zal er eene rijkere bron in vinden en overvloediger schatten uit putten, de godgeleerde voor de verdediging der christelijke waarheid, de wijsgeer voor de verklaring der oude wetenschap, de geschiedkundige voor de beoordeeling der volledige wereldgeschiedenis, de kunstminnaar voor de schoonheidmatige schildering, de stijlkundige voor de fijne en uitgelezene vormen en wendingen van taal- en van zinsdeelen, de oudheidkundige voor de kennis der oude wereld, de denker eindelijk voor
80
de eenig ware levensbeschouwing 1 Hij, die denker vindt er zich geplaatst als op een reuzengebergte, aan de grensscheiding tusschen twee werelden. Links slaat hij den onbevangen blik in het ondergaande heidendom, het rijk Satans; rechts in het oprijzende christendom, het rijk Gods. Van zijn verheven standpunt schouwt hij in het verledene en het toekomende, in het tijdelijke en het eeuwige, in het booze en het goede; het gansche bedrijf der Godheid en der menschheid, van hemel en van aarde, van den oorsprong tot de eindbestemming, van het begin tot de vervulling, leest hij in gouden letteren, alles in het licht der Goddelijke Openbaring. Dat lazen de denkers aller eeuwen. Dat lazen en herlazen, met de meeste voorliefde, de grootste en verhevenste stervelingen, mannen als een Karei de Groote, een Lodewijk de Heilige, een Gelasius, een Paulns Oro-sius, een Fulgentius, een Gregorius de Zevende, een Willibrordus, een Bonifacius, een Carolus Boromaeus, een Franciscus van Assisië, een Nor-bertus, een Dominicus, een Bernardus, een Bona-ventura, een Thomas van Aquinen, een Thomas a Villanova, een Thomas a Kempis, een Ignatius, een Franciscus Xaverius, een Franciscus Borgias, een Petrus Canisius, een Franciscus de Sales, een Vincentius a Paulo, een Alphonsus de Ligorio, een Alphonsus de Orosco, een Aegidius Romanus, een Pius V, een Pius VII, een Pius IX, een Leo XIII, mannen van gezag, van deugd en geleerdheid en vermogen, mannen, wier heilige eerbied voor den Beroemden Bekeerling eene onverwelkbare en door de eeuwen durende eerekroon is, schooner dan kostbaar edelgesteente. Eenigszins wordt er in weerkaatst de glans van het Goddelijke Licht, de schoonheid der Hemelsche Stad Gods.
Leo XIII, in zijne onsterfelijke Encykliek Immor-
\' 9 I
ilJ
H
p
■
81
tale Dei over de Christelijke Inrichting der Staten, verklaart dat deze is geschoeid op het onsterfelijke werk van Augustinns, de »Stad Godsquot;.
Moge die Christelijke Inrichting steeds meer en meer worden verwezenlijkt, tot het heil der mensch-heid! Moge steeds een minder getal van verblinde wereldlingen tot hun eigene rampzaligheid ervaren, dat, al weigeren zij halsstarrig dien te erkennen en te ondervinden, Augustinus de Bekeerling, mèt de Kerk van Christus, tot de gelukzaligheid van het menschdom, zijn wonderdadigen invloed zal oefenen, door alle eeuwen, tot de voleindiging der tijdenl
DE HEWE BIJKERK
DER
Paroehie van den H. AÜGÜST1NUS te Otreehl
Ouderen van dagen kunnen zich herinneren, hoe de leden der aloude en beroemde Augustijner-orde, die na tijden van geweld in Utrecht mochten optreden om hun geestelijke weldaden aan de Stichte-naars mede te deelen, aanvankelijk hunne standplaats hadden gekozen op dat punt der stad, waar zich het door ouderdom en geschiedenis eerbiedwaardige Jeruzalemklooster bevond, doch later een ruime nieuwe kerk stichtten op de Oude Gracht nabij de Catharijne- en Weerdpoorten, om daardoor in de behoeften te voorzien van een volkrijk deel — wij mogen er bijvoegen: van een volksgedeelte der grijze Bisschopsstad. Het goede, aldaar en bij name in het laatstbedoelde door hen teweeggebracht, is in zijn geheelen omvang alleen Gode bekend, en kan overigens, niet slechts door de geestelijke, maar ook door de burgerlijke overheid der stad het best worden beoordeeld.
Jongeren van dagen kunnen ook medespreken over de sterke uitbreiding der stad, die in het laatste vierdedeel der eeuw door iedereen was waar te nemen. Een der gewone gevolgen daarvan was de uitbreiding van het getal der katholieken, die in de parochie van St, Augustinns toch reeds in groote menigte
83
waren vertegenwoordigd. Die uitbreiding, ja, die overvolheid in genoemde parochie kon men in de laatste jaren gewaarworden, niet alleen bij buitengewone feesten en gelegenheden, maar ook eiken Zondagmorgen, vooral in den zomertijd. Hoezeer alsdan ieder uur eene godsdienstoefening wordt gehouden, die nagenoeg het volle uur moet duren, en daardoor geen gezonde dampkring in het kerkgebouw wordt veroorzaakt, is dit gewoonlijk zóó met kerkgangers gevuld, dat honderden kinderen — om slechts iets te noemen — honderden kinderen, die den leeftijd van verplicht kerkbezoek al hebben bereikt, achter in de kerk tusschen dicht opeen-gedrongene volwassenen moeten blijven staan, en dus mogen geacht worden zoo goed als niet. of althans niet naar behooren bij de godsdienstige plechtigheid tegenwoordig te zijn.
Algemeen werd dan ook sinds lang de behoefte gevoeld aan eene tweede of bijkerk, ten behoeve der groote Augustinusparochie, en het plan tot de stichting daarvan met levendige toejuichingen begroet. Deze instemming bleek wel het duidelijkst uit de vrome bereidvaardigheid, waarmede niet slechts de parochianen, van den rijksten tot den armsten, maar ook vele andere katholieke stad-en landgenooten hun vrijwillige giften schonken, en hun bepaalde vaste toezeggingen voor de toekomst gaven, giften en toezeggingen, door welke de ijverige herder der parochie, ofschoon aanvankelijk geheel zonder geldelijke middelen voor de in meer dan één opzicht gewichtige onderneming, deze onder Gods besten zegen met moed en ijver kon beginnen en reeds gedeeltelijk tot een goed einde brengen.
Vroeger beschreven wij de plechtigheid der steen-legging, door Z. D. H. Mgr. P. M, Snickers den vierden
Mei van het vorige jaar in persoon verricht. En thans, nu kerk en klooster in voldoende mate en voorspoedig zijn voltooid, zal den elfden der volgende maand door denzelfden beminden hoogwaar-digen aartsbisschop de plechtige inwijding plaats hebben.
Terwijl wij van deze voorloopig nog slechts mede-deelen, dat zij ook zal worden opgeluisterd door eene feestpreek van den gevierden gewijden redenaar, onzen achtingswaardigen stadgenoot, den Zeer-Eerw. Heer P. M. van Es, en beloven dat wij zoo nauwkeurig mogelijk eene beschrijving van dat feest zullen geven, meenen wij voorshands onzen lezers in verschillende afdeelingen een genoegen te zullen bewijzen, door naar aanleiding van de nieuwe stichting der Bijkerk eenige geschiedkundige bijzonderheden over de beroemde Augustijner-orde mede te deelen, en tevens en in de eerste plaats eene uitvoerige schets te leveren van het waarlijk schoone nieuwe kerkgebouw.
Vooraf, en als slot van dit eerste artikeltje, zij nog opgemerkt, dat onder den zooeven genoemden voorspoed der voltooiing ook het vrijblijven is te verstaan van alle ongelukken, groote en kleine. Zeker een zeldzaam getuigenis bij de gevaarlijke werken, welke met een bouw, als dien der nieuwe kerk, zoo veelvuldig voorkomen. Wij mogen dat geluk voornamelijk toeschrijven aan de vele gebeden en misoffers, die tot dat einde zijn opgedragen, en ditmaal door Gods Voorzienigheid op bijzonder zichtbare wijze verhoord. En naar onze bescheidene meening mag hierin ook een vertroostend voorbeeld worden erkend door al de weldoeners der nieuwe onderneming, voor wier heil ook op echt christelijke wijze gebeden en misoffers aan den Almachtige en Algoede worden opgedragen.
85
Beschrijving der Kerk.
De onderstelling is niet gewaagd, dat het den lezer dezer regelen zal gaan als den schrijver, dat namelijk reeds bij ons eerste binnentreden de nieuwe kerk eene gewaarwording van verrassing en verbazing wekt. Wij meenden op een achterafje een rechtlijnig hulpkerkje te zullen vinden; en wij vinden aan een nette straat en bij een ruim singel, in het volle van de stad, op een flinke opene ruimte, een vrij groote kerk, die bovendien zeer schoon is, zeer indrukwekkend, kunstig ontworpen, kundig uitgevoerd, deugdelijk gebouwd, en sierlijk afgewerkt. Geen kathedraal, geen Dom, het is waar; maar dit was noch geëischt, noch gewenscht.
Zij is gebouwd door de heeren Struijcken en De Bont te Utrecht, onder leiding van den architect, den heer E. I. Margry te Rotterdam.
Door de groote binnendeur in den tempel getreden, zien wij al spoedig den eerbiedwaardigen en veel-beteekenenden hoofdvorm van het gebouw, dien van een kruis, een Latijnsch kruis ; spoedig eveneens bespeuren wij, dat de bouw der kerk, in de richting van de kruisarmen en van het priesterkoor, een groote ruimte veroorzaakt, door welke het mogelijk is geworden dat, in weerwil van de bestaande kolommen, de meeste kerkbezoekers een vrij uitzicht hebben op de altaren en den predikstoel. Intus-schen wordt dit ook bevorderd door het zooveel mogelijk beperkte getal der kolommen, achttien kleinere en vier hoofdkolommen.
De lengte van het kruis, die wordt gemeten van den achtergevel van het priesterkoor door den hoofd- of middelbeuk of het schip der kerk heen, bedraagt buitenwaarts vijf en vijftig Nederlandsche el, waarin echter de lengte of diepte van den toren begrepen is; de
6
86
lengte of breedte der transepten of der kruisarmen — gelijkerwijze acht en twintig meter. Het kruis bestaat uit lage kolommen en bij de snijpunten van hoofdbeuk met kruisarmen uit de vier hoofdkolommen, en verder uit de travées der door die kolommen gedragen bovenkerk. Zooals men weet, wordt door eene travée hier verstaan: het oppetvlak tusschen twee kolommen, en hooger op tusschen de veiiengingslijnen dier kolommen of de pilasters, van den vloer tot de zoldering.
Wij mogen niet langer nalaten te zeggen, dat de stijl van den ganschen bouw de zoogenaamde Vroeg--Goihiek is, die der dertiende eeuw, met toepassing evenwel van den Rondboog-stijl. De Vroeg-Gothiek is terstond merkbaar; o. a. in alle verdeelingen van den bouw en in alle zoogenaamde constructieve onderdeelen, zooals de kolommen, de triforia-nissen en andere dergelijke profileeringen. De Rondboog is streng doorgevoerd in de bogen der zoldering en der gewelven; in de bogen over en boven kolommen, beuken, nissen, vensters; en in de vensters zei ven, zoowel als in de rosaces of rosetten.
De Bovenkerk wordt overwelfd door eene houten bezoldering, vervaardigd volgens de Vroeg-Gothiek, voorzien van roosters tot luchtverversching, en onderspannen door centers of kapspanten, die zoo zijn uitgetimmerd dat zij het voorkomen hebben van fraaie bogen en, in het zoogenaamde kruis, van kruisbogen-Het gewelf boven het eigenlijke priesterkoor of boven de apsis des hoofdbeuks is echter van steen, evenals die der na te noemen zijkapellen en zijbeuken.
Deze zijbeuken, die lager zijn, sluiten zich aan tegen den hoofdbeuk en om zoo te zeggen ook tegen de uiteinden der kruis- of dwarsarmen. Zij zijn namelijk ter wederzijde van deze transepten omgebouwd, en hunne eind-travées met de sluitgevel der transep-
87
ten of met de eindgevels der kruisarmen in rechte lijn aangebouwd. Bovendien vormen zij aan ieder der twee koorzijden twee kapellen, zoodat, te beginnen bij hunne ombouwing en te eindigen bij het Priesterkoor, de geheele breedte acht en twintig el blijft, terwijl de Kerk aan hare achterzijde, met de zijbeuken mede, tien el minder in breedte beslaat. Een en ander maakt in die kruisarmen eene buitengewone ruimte en als eene kerk op zich zelve, waardoor het groote voordeel wordt genoten, dat men op de meeste zitplaatsen het boven reeds aangeduide onbelemmerde uitzicht heeft.
Van de bedoelde vier zijkapellen zijn de twee binnenste, die aan het hoogkoor grenzen, veelhoekig, terwijl de twee uiterste zijn afgesloten door vlakke sluit- of achtergevels. Met het hoofdaltaar mede, is er in het geheel de gelegenheid aangewezen voor vijf altaren.
Ongeveer gelijkmatig over de oppervlakte der kerk verdeeld, zijn er acht biechtstoelen in de zijgevels gebouwd, twee in het midden van iederen zijbeuk, en twee eveneens in iederen sluitgevel der kruisarmen of transeptgevel.
De Kerk mag gezegd worden geheel gebouwd te zijn van Nederlandschen baksteen, die zoo binnen als buiten voor het meerendeel zichtbaar is gelaten. Evenwel is er oordeelkundig afgewisseld metgroef-steen, voor die onderdeelen namelijk, wier vervaardiging in groefsteen noodzakelijk, of in baksteen gebrekkig is. Deugdelijkheid en doelmatigheid zijn alzoo niet opgeofferd aan overdreven zucht en blind drijven voor het uitsluitend gebruik van nationale grondstoffen. Ook in dezen tak van handel en nijverheid, gelijk in alle andere, en gelijk in elke andere zaak, blijft het waarheid dat het overdrevene schaadt, de overdreven ijver voor het beschermings-
88
stelsel natuurlijk niet uitgezonderd. Wij zijn overigens in overeenstemming, zelfs met de bouwmeesters der middeleeuwen. Ook dozen maakten gebruik van buitenlandschen groefsteen, en dat ondanks de veel grootere moeilijkheden, aan het toenmalige vervoer verbonden I En wie zal ernstig durven ontkennen, dat juist de toepassing van den groefsteen tusschen den baksteen aan al onze Oud-Hollandsche baksteenen gebouwen dat eigenaardige kenmerk geeft, zonder hetwelk men zich niet alleen wegens de eenkleurigheid, maar ook wegens de eentonigheid zou hebben te vervelen!
Doch men oordeele zelf in onze nieuwe kerk.
Zie hare binnenzijde. Ook hier is de baksteen voor het meerendeel zichtbaar, en daardoor in hooge eere gelaten. Maar behaagt u de afwisseling met groefsteen niet werkelijk? En keurt gij zelfs de pleistering niet goed van sommige onderdeden, als nissen en andere aanvullingen? Zij zijn weliswaar later veelkleurig te beschilderen, doch werken reeds nu samen, om de eigenlijke inrichtig van den bouw, dat is; het geheele opgaande stelsel van kolommen, pilasters, bogen, kortom al de elkander opvolgende travées met bijkomende versieringen, èn duidelijker èn krachtiger èn schooner te doen uitkomen.
Men zou dan ook, zelfs voor die gepleisterde deelen, dan baksteen volkomen kunnen missen.
Maar eene geheel uiterste dwaasheid zou het wezen, aan de buitenzijde der Kerk de voordeelen van den groefsteen te willen opofferen. Men lette slechts op de dorpels, de gevelpunten, de dakgoten; en vooral ook op de afdekkingen , die van de conter-forten bij voorbeeld. En om ons eens bij de dakgoten te bepalen, — met het oog op de deugdelijkheid, zooals tegen inwatering, zal wel niemand bij zulk een groot gebouw de hardsteenen dakgoot willen verach-
89
ten, terwijl er tevens een eenvormige doorloopende bovenrand aan het gebouw door wordt teweeggebracht, wiens sierlijkheid wel aan nienaand zal mishagen.
Nu wij toch eenmaal buiten zijn, zullen wij er eene wijle blijven en eens langzaam om de Kerk heen wandelen.
Naar wij reeds boven te iennen gaven, vormt de nieuwe kerk niet slechts in-, maar ook uitwendig een fraai geheel en maakt een aangenamen indruk. De afwisseling van hoogen hoofdbeuk en lagere zijbeuken, door ranke leiendaken bedekt, de sierlijke vormen van vensters en rosetten, de bevallige con-terforten, de schilderachtige uitstekken en torentjes, beheerscht door den grooten toren , houden de oogen onafgebroken geboeid.
De kerk is gebouwd op een geheel vrije ruimte, de voorgevel of het torenfront gericht Noordwaarts naar den Heerenweg, die niet alleen een godsdienstig en schoonheidkundig voorrecht, maar ook de aanleiding tot een stoffelijk voordeel in de nieuwe stichting heeft erlangd. De toren is ongeveer tien meter van de straat verwijderd, waardoor een waardig voorplein wordt gevormd, tot welks voltooiing men later, door de verwisseling namelijk van nog een paar woonhuisjes, welwillend en zonderoverdreven eischen , vertrouwen wij , zal gelleven mede te werken.
Het plein wordt van de straat gescheiden door een fraai ijzeren hek, in den stijl der kerk, en met drie verschillende ingangen tegenover de drie deugdelijke en fraaie buitendeuren, één groote middel- en twee kleinere zijdeuren. Verder zijn er in de uitgebouwde zijbeuk-armen, bij de transepten , nog twee ingangen gemaakt, welke rechtstreeks toegang verleenen tot het groote middelruim. Een maatregel, die voor drukke gelegenheden verstandig.
90
en in onverhoopte oogenblikken van gevaar veilig moet worden genoemd.
Tusschen de groote buiten- en binnendeur bevindt zich het raime en sierlijke portaal onder den toren.
Deze, de groote toren, die in het midden van den voorgevel verrijst en in grondvlak een vierkant is, gaat ter hoogte van de nok der middelkap in een achthoek over. De overgang wordt geleidelijk en als onmerkbaar gevormd door vier slanke ronde hoektorentjes, wier spitsen zich geheel vrij van den hoofdtoren ontwikkelen.
Overigens, indien de Kerk een sieraad is voor de straat en hare omgeving, de toren mag het niet minder worden geacht voor de gansche stad.
Het groote bovenkruis van den hoofdtoren bereikt eene hoogte van een en zestig el boven den beganen grond, en de nok der hoofdkap eene van twintig. Vooraan, op het kruispunt van die kap, rijst nog een kleiner, een zoogenaamd Angelustorentje, ter hoogte van omstreeks drie en dertig el.
Links van den hoofdtoren sluit zich een ander, een kleiner aan, waarin de wenteltrappen, die voeren naar zangkoor, klokkenzolder, kappen, en naar het bovengedeelte van den hoofdtoren zeiven.
Aan den uithoek van den voorgevel van den linkerzijbeuk sluit zich eveneens nog een veelhoekig uitgebouwd kapelletje aan , dat is bestemd voor doopkapel.
Wat de «beglazingquot; betreft, — een vakkundigen term, — gelijk de geheele Kerk uitmunt door bevallige evenredigheid, zoo is ook het glaswerk daarmede in overeenstemming. En daarenboven wordt het daglicht, hoewel zacht getemperd, toch in zeer voldoende sterkte door de vensters en de rozen doorgelaten.
91
De zachte tempering van het licht geschiedt door zoogenaamd kathedraalglas, dat tevens door de zorgen van den architect in vele schoone tinten en volgens fraaie meetkundige teekeningen is samengevoegd.
Door de bijzondere mildheid van eenige vrome schenkers is het priesterkoor reeds nu. voorzien van drie vensters met gebrand glas, waarin afbeeldingen zijn voorgesteld uit het leven van de H. Monica, de beroemde moeder van den H. Augustinus. — Gelijk men weet, is al bij de Eerste-steenlegging de H. Monica tot bijzondere Patrones der nieuwe Augustijnenkerk onder algemeene toejuichingen gekozen en gehuldigd.
Genoemde drie glasschilderingen zijn uitgevoerd in de gunstig bekende werkplaatsen van de heeren Stalins en Janssens te Antwerpen.
De aanvulling van den afsluitboog tusschen het houten gewelf en het Priesterkoor, van den „Triomfboogquot; diis, prijkt met een zinrijke voorstelling van den Triomfeerenden Christus, omringd door eenen stoet van aanbiddende Heiligen, waarbij eenige engelen in het luchtruim zweven.
Ook het plafond of houten gewelf der kerk, dat namelijk van hoofdbeuk en kruisarmen, alsmede de achtergrond van de zandsteenen-ornamenten der zangkoor-balustrade, zijn reeds nu door den decoratie-schilder afgewerkt. De kleuren zijn rijk en fraai, de teekening karaktervol; en er is trouw rekening gehouden zoowel met de samenstelling van hout, als met den algemeenen stijl der kerk. — Wij zien er een voorteeken en een waarborg in, hoe deugdelijk en sierlijk, kortom hoe waarlijk kunstvol en de verhevenheid der plaats waardig, met Gods hulp later de geheele Kerk veelkleurig zal worden geschilderd.
92
Het hier vermelde fijne schilderwerk is alles uitgevoerd naar de teekeningen van den architect.
Door de gunst van bijzondere ijveraars mogen wij er ons ook reeds nu over verheugen, dat de kapi-teelen der meeste kerkkolommen en de corbeaux der pilasters met passend loofwerk zijn gebeeldhouwd.
Overigens bevinden er zich nog weinig of geen eigenlijke sieraden in den nieuwen tempel; zelfs de noodige biechtstoelen kunnen alleen voor noodhulp dienen, daar hunne fronten voorloopig maar van gewoon hout en niet in overeenstemming met den algemeenen kerkstijl zijn vervaardigd. Ook de andere aanwezige meubelen, als altaar, communiebank, predikstoel, zijn slechts tijdelijk, doch zullen met de vrijgevigheid en de samenwerking der Katholieken — naar wij hopen, reeds spoedigI — door andere den tempel waardige en aan den stijl beantwoordende stukken worden vervangen. -— Zeer voldoende stoelen en banken zijn op die wijze al voor een gedeelte verkregen \').
Het zal wel geen betoog behoeven, dat, indien blijkbaar alle zorg is aangewend om naar vermogen een deugdelijk en sierlijk Godsgebouw te stichten, zulks in de eerste plaats is geschied om eere te geven aan den Schepper en Verlosser, en in de tweede plaats, schier ,aan de eerste gelijkquot;, om zinnebeeldig voor te stellen de deugden, die vooral in de kerk worden geleerd en beoefend en ons op onzen ge-heelen levenswandel moeten versieren, totdat wij in de Eeuwige Schoonheid zijn overgegaan.
Een woord van lof en van dank moet ten slotte worden gewijd aan den ijverigen zieleherder en zijn
\') Thans ook reeds andere schoone versieringen en gewaden. En vooral twee prachtige zijaltaren, van de H. Maagd en van den H. Antonius, \'t laatste op uitdrukkelijk verlangen van de milde geefster.
93
ijverige medehelpers, aan de milddadige Katholieken die den spoedigen grootschen bouw en de verdere onderneming hebben mogelijk gemaakt en blijven mogelijk maken, en aan allen die voorbeeldig tot het welslagen van den bouw hebben medegewerkt.
Wij hadden in deze verhandeling ook nog de nieuwgebouwde pastorie kunnen beschrijven; doch deels uit gebrek aan verdere plaatsruimte ditmaal, deels omdat die pastorie voornamelijk tot klooster is ingericht, meenden wij beter te kunnen wachten tot de volgende verhandeling, waarin wij overeenkomstig onze belofte over de lofwaardige bedienaren der nieuwe kerk, te weten over de Zeer Eerw. Paters Augustijnen, eenige geschiedkundige mededeelingen zullen ten beste geven.
DE AUGIISTIMR-ÖRDE.
(Eenige G-esehiedkundige Bijzonderheden.)
Naar aanleiding van de plechtig in te wijden nieuwe Kerk der St.-Augustinusparochie, beloofden wij eenige geschiedkundige mededeelingen over hare verdienatelijke bedienaren.
Wilden wij ons in die mededeelingen uitsluitend bepalen bij de geschiedenis der ütrechtsche stichtingen, ook dan reeds zouden wij een niet minder uitvoerig dan belangrijk verhaal kunnen samenstellen, en daarbij eene zeer gepaste taak vervullen — aangezien de ütrechtsche geschiedenis voortaan eene nog veel hoogere en algemeenere waarde erlangt. Immers onze grijze Bisschopsstad zal voortaan ook den eeretitei mogen dragen van bakermat van de Nederlandsche afdeeling der Augustijner--orde, terwijl tot dusverre die afdeeling geen zelfstandige, maar alleen de onderhoorige was eener buitenlandsche. Moge ook al voorloopig het bestuur der Nederlandsche met dat der Belgische afdeeling gemeenschappelijk blijven, de zelfstandigheid is intusschen voldoende verzekerd. Met-dat-al zullen wij hier. naar de beschikbare plaatsruimte, over de ütrechtsche stichtingen slechts een vluchtig woord mogen schrijven, deels omdat wij in verband hiermede nog eene beknopte schets van de nieuwe Pastorie met noviciaat aan onze Lezers verschuldigd zijn, deels omdat de algemeene geschiedenis der
95
beroemde Groote Augustijner-orde van een al te groot overwicht is, om er bij deze gelegenheid niet een zoo ruim getal regels aan te wijden als maar eenigszins is te vinden. —
Door verschillende groote vervolgingen ontstond in den eersten tijd der Hervorming ook hier te lande een nijpend gebrek aan R. K. Priesters. Eenige ordesgeestelijken, die reeds te voren uit de Noordelijke streken waren verbannen, vermeerderd met anderen uit Brabantsche kloosters, haastten zich om diensvolgens terug te keeren en desnoods het leven te wagen voor het zielenheil der zwaar beproefde Katholieken. Gelukkig werden zij ook weldra door de gewestelijke regeeringen, althans oogluikender-wijze toegelaten.
In die omstandigheden werden door den Hoogeerw. Pater Michael Paludanus, »Prior Provincialis Provin-ciae Flandro-Belgicaequot;, de eerste Augustijner-Eremieten aan de Katholieken van het Sticht ter hulp gezonden. Zij schijnen aanvankelijk in de hoofdstad twee statiën te hebben gehad, beide opgericht in of omstreeks het jaar 1636. De pastoor der eene, Theodoras de Roij, stierf hier ter stede omstreeks de helft van Juli 1679.
In het voorbijgaan merken wij hierbij op, dat de Utrechtsche Augustijner-Parochie gevolgelijk dit jaan behalve de Kerkwijding, ook een jubelfeest viert, haar vijftigste lustrum, het tweehonderd en vijftigste jaar van haar bestaan hier te Utrecht.
Van de thans nog bestaande, in 1636 opgerichte statie, was eerste pastoor of missionaris de Eerw. Pater Leonardus Brems (Breans?), overleden te Brussel in Juni 16é8. Aanvankelijk werden de H. Diensten verricht op den zolder van een huisje in de Jerusalemsteeg. Eerst de vijfde pastoor der statie, Johannes Mattheï, in het jaar 1690, vermocht eenige
96
huizen in hetzelfde straatje aan te koopen en tot eene waardiger kerk met pastorie uit te breiden en om te vormen. Gedeeltelijk was de plaats daarvoor reeds aangekocht door Pastoor Van Hove.
Onder den zevenden pastoor, Lucas van Crom-brugche, in de jaren zeventienhonderd vier- en vijf en zestig, verschenen wederom plakkaten der regeering, die aan de geestelijke ambtsvervullingen der ordespriesters, en daardoor ook aan die der wereldspriesters, even droevige als ernstige hinderpalen stelden. Wel mocht de naaste opvolger. Pater Ludovicus Loods, nog op ondergeschikte wijze blijven voortwerken; maar bij zijnen dood, in 1780, meende de toenmalige Provinciaal der Orde, Jacobus Vollaerd, de handen van het Sticht te moeten terugtrekken. De kerk met woning in de Jerusalemsteeg, hoewel voortaan door een\' wereldsgeestelijke bediend, bleef intusschen het wettig en onvervreemdbaar eigendom der Belgische Provincie.
Na zeer veel moeilijkheden, hoewel in betrekkelijk korten tijd, op St.-Petruadag van 179é, onder den Provinciaal Johannes Petrus Van de Winkel, mocht de Eerw. Pater Joannes Franciscus Josephus De Carnoncle allengs weder met meer vrijheid de geestelijke bedieningen hier ter stede komen uitoefenen, en eindelijk het volgende jaar, op Zondag na Driekoningen, weder den eersten openbaren plechtigen Hoogdienst met gepaste redevoering onder algemeenc deelneming vieren. Behalve Z. D. H. Mgr. Caesar Brancodoro (Brancadoro?) Apostolischen Nuntius, en den Hoog-Eerw. Aartspriester H. Berendsen te Maarsen en andere geestelijken, hadden tot die gunstige wending veel bijgedragen de volgende achtingswaardige Utrechtsche burgers, wier namen in eere moge blijven: Martinus Ouwers, J. en G. Van Cruijsselbergen, Pieter De Vrees, O. Weijman,
97
en de overige regenten van het R. K. Kinderhuis; verder Jan Jacob Kruijder, Alberta Soestbergen, H. Brouwer, B. Mars veld t, L. De Jager, J. Angelier, H. Sprang, H. en J. L. Meijland, J. Van Soestbergen, W. De Vrees, F. De Kruijf, G. Vermeulen, J. Elsendoorn, L. Meijer, Thomas Van Leek, G. Van Veenendaal, W. Van Blaricom, W. Van Kossem, H. Vrolijk, H. Van de Bilot, Jan Vreeswijk, A. Cas-telijn, H. Middeldorp, J. C. Kruijs, J. Vreijenstein, L. Rijnstraal; gelijk later bij andere gelegenheden zich bijzonder onderscheidden de heeren Dr. Van Beest, Paulus De Vrees, Mr. Jan Willem Hendrik Bosch, Hermanns Van Meurs en Petrus Van Nie-kerken, en de dames Aletta en Elisabeth Van Wijk.
De verdienstelijke en algemeen geëerde Pater De Carnoncle, die onder meer ook het voorrecht had de Catharijnekerk voor de Katholieken terug te verwerven, stierf alhier den 15 October 1815 aan den typhus. Opvolger was de Eerw. Pater Guiliel-mus Stas.
Ofschoon de nieuwe Herder er al spoedig op bedacht was, eene nieuwe kerk te bouwen in de omgeving van de Catharijne- en Weerd-barrièren, die van alle kerken vèr verwijderd lagen, mocht hij daarin toch niet vóór het jaar 1837 slagen, en moest hij zich voorloopig tevredenstellen met de verbouwing en verandering van het oude Jerusalemsteegs-kerkje in de bekende Willibrorduskerk aan de Heerenstraat.
De Eerw. wereldsgeestelijken, die aanvankelijk in de plaats der Paters het Jerusalemsteegskerkje hadden bediend, doch omstreeks de komst van Pater De Carnoncle de bekende Heerenstraatskerk — vóór weinige jaren nog eene hooggeachte Jezuïetenkerk — voorgoed hadden betrokken, maakten van deze, bij de verhuizing van Pater Stas naar de
98
Oude Gracht, eene hulpkerk en van de genoemde Willibrorduskerk de hoofdkerk.
De verdere geschiedenis der Augustijnenkerk ligt te versch in ieders geheugen, om er hier uitvoeriger vermelding van te maken.
Gelijk wij opmerkten, stonden de Nederlandsche kloosters onder het rechtstreeksch beheer van de Flandro-Belgische Provincie, en in het nauwste verband er mede. Dat dit vooral in de staatkundige troebelen der laatste tijden, en bij de natuurlijke of kunstmatige teergevoeligheid der twee nog pas van elkander afgescheidene natiën, hoe langer hoe meer een groot ongerief werd, laat zich lichtelijk begrijpen. Om hier voorloopig reeds in te gemoet te komen, werden de hoogere studiën der Nederlandsche Paters meestendeels in het verre buitenland gedaan, in Rome of aan de Beijersche universiteit te Wiirzburg. Doch evenmin als in het staatkundig afgescheiden België, was dit verblijf in den verren vreemde bijzonder geschikt om de jeugdige levieten in hunne neiging voor den regel van Augustinu» aan te moedigen, — tenzij men eene buitengewone roeping gevoelde voor het missionarisleven in over-zeesche gewesten.
Het was alzoo eene wijze gedachte en eene verdienstelijke daad van den tegenwoordigen Pastoor der ütrechtsche Augustijnenparochie, den Zeer Eerw. Heer J. Van Eert, om ter gelegenheid van den bouw der nieuwe bijkerk, onder goedkeuring van het Roomsche Oppergezag, de daarbij behoorende pastorie tevens in te richten tot voorloopig noviciaat voor de Nederlandsche afdeeling der Augustijner-orde.
Van deze pastorie zijn wij onzen Lezers nog eene beschrijving schuldig, die evenwel slechts kort moge zijn.
Het gebouw strekt zich over een oppervlak van
99
vierhonderd vierkante meters achter de nieuwe kerk uit, en sluit zich onmiddelijk bij het priesterkoor en de zijkapellen aan. Het bestaat uit drie verdiepingen, waarvan die aan de straat voornamelijk als pastorie, de middelste voor de Paters, de hoogste voor de novicen is ingericht. Beneden heeft men de sacristie, de spreek- en koffiekamers, en voorts de jBinnenslotquot; gelegen vertrekken voor refter, recreatiezaal, keuken, enz. Binnen Slot, dat is: niet voor vrouwen toegankelijk, zijn ook de twee bovenverdiepingen, behalve een klein geheel afgescheiden gedeelte, hetwelk door een afzonderlijken trap slechts in verbinding staat met het benedengedeelte dat niet hinnemlot en dus voor ieder toegankelijk is. In de bovenverdiepingen hinnemlot bevinden zich, behalve de vereischte woonkamers, de kapel voor koor en voor zieken, de ziekenzaal, de bibliotheek, de leerzalen, enz.; genoemde kapel heeft ook uitzicht in de kerk. Ook de ziekenzaal heeft door eene opening gemeenschap met eene algemeene spreekkamer, zoodat daar de vrouwelijke familiebetrekkingen den ziek geworden kloosterling kunnen zien en spreken.
Bij den ingang van het huis is in den muur gemetseld eene in tichelsteentjes gebrande, zeer fraaie afbeelding van den H. Augustinus aan het Zeestrand, welke afbeelding bij het begin van den bouw achter het behang in den muur van een af te breken woon-huisje is gevonden. De overlevering wil, dat dit huisje vroeger eene kosterswoning was, en dat deze behoorde bij een voormalig St.-Martinusklooster, hetwelk zich daar ter plaatse zou. hebben bevonden.
De eerste „Prior et Rector Ecclesiae\'\' van het nieuwgebouwde klooster is de algemeen hooggeachte Pater F. H. Leeners, sinds lange jaren kapelaan der St.-Augustinuskerk alhier.
100
Doch het wordt tijd, dat wij de ons opgelegde taak vervullen en nog enkele bijzonderheden vermelden uit de meer algemeene geschiedenis der eerbiedwaardige Augustijner-orde.
Veel is er geschreven en gesproken over den ouderdom, den oorsprong, en den omvang der Orde van de Augustijner-monniken of -kloosterlingen. Gelijk alom. zoo heeft men ook hier, bij den overvloed der meeningen, het eerst te waken tegen begripsverwarring of onjuiste voorstelling; en daartoe is het ook hier noodzakelijk, bijzonder noodzakelijk,
dat men de personen en zaken en toestanden kalm en duidelijk onderscheide, en zich minder hechte aan den klank der namen dan aan het wezen der dingen.
Allen zullen eenstemmig aannemen, dat de H. Augustinus de Evangelische raden beoefende, een volger was van den levensstaat dien men den kloosterlijken kan noemen, stichter was van meer dan ééne geestelijke orde, en op de voortplanting van het kloosterlijke leven in Afrika, en daardoor in Europa en de gansche wereld, zulk een sterken invloed oefende, dat Hij daarvan, en bijzonder van dat in Afrika, met recht als de stichter mag worden beschouwd.
Op het oogenblik, dat wij deze regelen schrijven, hebben wij voor ons liggen de afbeelding van den Heilige, zooals hij is voorgesteld op eene schilderij, die zich bevindt in de sacristie van St. Jan van Lateranen te Rome. Terwijl hij schrijft, staat een Christusbeeld vóór hem, en uit de geopende zijdewonde daalt een straal van licht of genade in zijn eigen hart neder. En hij is gekleed — en dit is het waarop wij hier voornamelijk de aandacht vestigen — hij is gekleed in eene volledige monnikspij. Wel een bewijs, dat het althans geene gewaagde stelling is.
101
den heiligen Bisschop, den koning der Latijnsche kerkvaders, tot het getal der monniken te rekenen.
Al zeer spoedig na zijne bekeering en zijn H. Doopsel, deed de H. Augustinus afstand van al zijne goederen en volgde, naar eigen getuigenis, den Evangelischen raad: ,Ga, en verkoop al wat gij hebt en geef het den armen, en gij zult een schat in den hemel bezitten, en verder: kom en volg mij.quot;
Spoedig ook volgden velen, waaronder geleerden en heiligen, het voorbeeld van den grooten man, en onderwierpen zich niet slechts aan de regels, maar ook aan het gezag van den beroemden bekeerling, die daardoor èn kloosterling èn ordestichter was, en het bleef, ook toen hij later Bisschop van Hippo werd. Het was te Tagaste en in het jaar 388, dat die stichting een feit werd.
Veertig jaren later staken de Wandalen over naar Afrika en verspreidden er langen tijd hunne verwoestingen. Een der vreeselijke, maar door God geleide uitwerkselen was, dat vele volgelingen van den H. Augustinus hunne kloosters in Afrika vernield zagen en over zee trokken om ze in Europa te zien herleven. Men vergelijke hierover Baronius.
Nu rijst deze vraag: In welk verband staan die eerste volgelingen tot de latere of tegenwoordige?
Om haar eenigszins te beantwoorden, heeft men vooraf te onderscheiden tusschen de Reguliere Kanunniken van den II. Augustinus en de Augustijner-- Eremieten, die allen leven naar de geestelijke regelen, getrokken uit de werken van den beroemden Kerkvader, in welk opzicht vooral vermaard is de 109de brief. Deze, de Slide in de groote Benedictijner-Uitgave, werd in het jaar 423 gericht aan het vrouwenklooster, dat door hem was gesticht te Hippo.
7
102
De Reguliere Kanunniken kunnen voor ons doel en wegens de beperkte plaatsruimte ditmaal buiten bespreking blijven. Wij handelen alzoo uitsluitend over de Augustijner-Eremieten, tot welke ook de bedienaren der nieuwe St.-Monicakerk behooren.
Laatstbedoelden, met al hunne vertakkingen, vormen tegenwoordig de derde, volgens anderen de vierde van de beroemde vijf Bedelorden. Voornamelijk onderscheidt men bij hen drie afdeelingen: De Geschoeide Augustijner-Eremieten, de Barrevoe/er--Augustijnen, en de Tertiarissen-van den H. Augustinus.
Van de vijfde tot de dertiende eeuw hadden zich in Europa vele zoogenaamde , Kluizenaars- of Ere-mietenvereenigingenquot; gevormd, die den „Regel van Augustinusquot; volgden. Het is moeielijk uit te maken, in hoever zij alle den H. Augustinus als eigenlijken stichter mochten beschouwen. Van sommigen harer is het meer dan waarschijnlijk, dat zij geheel onafhankelijke inrichtingen waren en geheel eigene stichters huldigden, al behoorden dezen dan ook tot de Afrikaansche ballingen zeiven. Een feit is het, dat niet al die vereenigingen overeenstemden in leefregels, en zelfs niet in habijt. Ja, eenige droegen zulk een eigenaardig karakter, dat zij eerst in de dertiende eeuw, onder Innocentius IV, den Regel van Augustinus aannamen: — dit was het geval o. a. bij twee der voornaamste Vereenigingen, die van Toscane en die der Jan-Bonieten.
Deze laatste was de oudste der vereenigingen, welke zich weldra bij de groote Orde zouden aansluiten; zij werd gesticht door den Gelukz. Johannes Bonus,\'geboren te Mantua in 1168. Die van Toscane ontvingen den Regel van Augustinus in 1243. Van de overige Vereenigingen noemen wij hier nog de Brictiniërs, de Zakbroeders, die van den Gelukz. Johannes der Grot, die van Vallersuta, die van den
103
H. Blasius van Fano, die van Sint Benedictus de Montefabnlo, die van den Palmentoren, die van Sinte Maria van Murceto, die van Sint Jacob de Molinio of Montlio, en die van Loupyavo bij Luques.— De Brictiniërs werden vernoemd naar hunne eerste woonplaats Briotini, in de provincie van Ancona onder Gregorius IX; zij heetten ook: die van Ancona; Herrera en andere schrijvers meenen, dat zij aanvankelijk niet werden onderscheiden van de Jan--Bonieten. De Zakbroeders, ook genaamd ,van de Penitentie van J. C.quot;, zouden slechts gedeeltelijk tot de groote Orde overgaan; een ander gedeelte mocht geheel zelfstandig blijven bestaan, doch stierf allengs uit, nadat nog eenigen dezer zelfstandigen hunne vroegere broeders in genoemde Orde waren gevolgd.
Op het voorbeeld van Innocentius IV, zijn onmid-delijken voorganger, ging Alexander IV, van 1254, het begin zijner regeering af, met het ernstige plan om, die vele afzonderlijke orden of afdeelingen van orden tot ééne groote orde te vereenigen, met één regel, en onder één Generaal-Overste. Twee jaren later mocht hij daarin slagen, toen op zijne stem de oversten der verschillende vereenigingen te Rome waren bijeengekomen in het klooster Sania Maria del Populo. Den éénen Regel van den H. Augustinus, met welken allen zich volkomen vereenigden, vergezelde voor de Groote Orde tevens nog deze Pauselijke verordening: dat bij de kluizenaren voortaan wel de naam van Eremieten zou behouden blijven, doch de hoedanigheid van kluizenaar in die van gewoon kloosterling overgaan. Als habijt bleef streng en algemeen voorgeschreven: een wolachtig overkleed van zwarte kleur, omsloten door een\' zwart lederen riem. Eerst in 1287, onder den Generaal Clemens d\'Auximas, werden de eerste
104
Constitutien der nieuwe Groote Orde in het algemeen Kapittel van Florence onderzocht en goedgekeurd, en drie jaar daarna in dat van Ratisbonne bevestigd. Veel later, in 1575, werden er eenige wijzigingen in gebracht, en in 1580 eenige nieuwe constitutiën aan toegevoegd, die door Paus Gregorius XIII werden onderzocht en goedgekeurd.
Eenige jaren vroeger, in 1567, onder PausPius V, was de Augustijner-orde tot het getal van de groote Bedelorden verheven, waartoe, naar men weet, ook behooren de Dominicanen, de Minderbroeders, de Carmelieten, en de Servieten.
Sinds 1256, het jaar harer wording, werd de nieuwe Augustijner-orde onderverdeeld in vier groote provinciën, onder even zoovele Provincialen, nl. van Frankrijk, Duitschland, Spanje en Italië. De Nederlandsche kloosters werden aanvankelijk tot de Duitsche Provincie gerekend.
Intusschen hadden er in de volgende eeuwen verschillende veranderingen plaats. Gelijk bij de zonen van den H. Franciscus minder en meer strenge afdeelingen werden gevormd, onder goedkeuring van den Paus van Rome, zoo ook in de Augustijner-orde. De strengste was die der Barreooeter-Augustijnen, welke in Spanje ontstonden en tot stichter hadden den Eerbiedw. Pater Thomas a Jesu, geboren te Lissabon in 1520. — In de Duitsche Provincie vormde zich zelfs eene afdeeling, die met goedkeuring van Rome een\' eigen Generaal-Overste had.
De eerste afdeeling, welke zich aldus ontwikkelde, was die van Illiceto, gevormd door den Generaal--Overste Ptolomeus van Venetië in 1385. Vervolgens werd omstreeks denzelfden tijd de Vereeniging van Sint Jan de Carbonnière in Napels gesticht door Simon van Cremona en Christiaan Franco; in 1419 die van Perousië door den Generaal-Overste Augus-
105
tinus van Rome; in 1430 of acht jaren later, die van Lombardië door Johannes Rochus Porzii van Pavia, Jan van Kovarra en Gregorius van Cremona; in 1430, die van Delia Claustra door Juan d\'Alarcon; in 1436, die van Monte-Ortono door Simon de Came-rino; in 1470 of drie jaren later, die van Gennes door Baptist Poggi; in 1492, die van La Pouille door Felix de Corsano; in 1493, die van Saksen in Duitschland door Simon Lindmer en Andreas Froles; in 1503, die van Calabrië Oisterior en Ulterior door Franciscus de Zampana; in 1530, die der Colorieten door Bernard de Rogliano; omstreeks 1580, die van Centorbi op Sicilië door Andreas del Guasto; in 1593, die van Bourges door Etienne Rabache en Roger Girard.
Die van Gennes, ook genaamd van O. L. Vrouw van Troost, waren aanvankelijk ongeschoeid. — Die van Saksen bedoelden wij als degene, welke een\' eigen Generaal-Overste had. Omstreeks het begin der zestiende eeuw geraakte zij in volkomene onafhankelijkheid van de groote Orde ; doch daarvoor onderwierp Paus Julianus II haar aan de gehoorzaamheid van eenige wereldlijke kerkvoogden, o. a. van den Deken van Colmar en den Proost van Sinte Margaretha. Eene zekere vereeniging trachtte zij echter te behouden met die van Lombardië. Maar den vijftienden Maart 1506 scheidde de Paus haar geheel af. Deze bijzonderheden achtten wij veel-beteekenend genoeg, om hier meer opzettelijk te worden vermeld. Wij willen er nog bijvoegen, dat verschillende Saksische kloosterlingen op voorbeeldige wijze standvastig bleven in het Geloof, tijdens de ongelukkige beroeringen die weldra volgden. In dit opzicht mogen vooral worden genoemd de Generaal-Overste Johannes Staupitz en de Professor Bartholomeus van üsinghem. — In
106
1505 ontdeed die van Delia Caustra zich van dezen titel en werd in vier provinciën onder het gewone bestuur van den Generaal der Orde gebracht: Toledo, Salamanca, Burgos en Sevilla. —Andreas, de stichter der Centorbi, stierf in 1627; ongeveer eene eeuw later werden zijne stoffelijke overblijfselen nog geheel onbedorven teruggevonden. — De Vereeniging der Colorieten was in den aanvang eene onafhankelijke; in 1591 omhelsde zij den Regel van Augus-stinus, en legde de plechtige Geloften af; in 1600 kwam zij geheel onder het bestuur van den Generaal der groote Orde. — De Vereeniging van Dalmatië schijnt ontstaan te zijn in 1511.
Door deze en andere minder en meer strenge afdeelingen breidde de Augustijner-Eremietenorde zich zoozeer uit, dat in het Algemeene Kapittel van 1620 te Rome vijfhonderd stemgerechtigden waren bijeengekomen. In weerwil van de vele verwoestingen, door de Hervorming veroorzaakt, bestonden er in de eerste helft der achttiende eeuw twee en veertig provinciën, onder welk getal nog niet begrepen waren de vicarie van Moravië en dievanlndië, noch de verschillende andere Vereenigingen, die door vicarissen-generaal werden bestuurd, noch de Ongeschoeiden van Spanje, Italië, Duitschland en Frankrijk,
Hoewel sommige geschiedschrijvers als eersten stichter der Ongeschoeide of Barrevoeter-Augustijnen Lodewijk van Leon hebben genoemd, komt deze eer toch toe, gelijk wij reeds opmerkten, aan den Eerbiedw. Pater Thomas a Jesu. Deze voorbeeldige Dienaar Gods, was leerling van Lodewijk de Mon-toya , den vicaris-generaal der Orde in Spanje en Portugal. Men kent het treffend einde van zijn drie-en-vijftigjarig leven. Met Koning Don Sebas-tiaan als aalmoezenier naar Afrika overgestoken,
107
werd hij daar, na de nederlaag van het christenleger, door de Mahomedanen gevangen genomen en in de boeien der slavernij geklonken. Verschrikkelijk waren de folteringen, waarmede zijn wreede meester het geloof des standvastigen belijders onophoudelijk trachtte aan het wankelen te brengen. Toen later zijne landgenooten kwamen onderhandelen over de bevrijding, verlangde en verkreeg hij als eene gunst, dat hij in het ballingsoord bij voortduring aan het zielenheil der arme slaven zou mogen arbeiden. Voorzeker werd hij in dit heilige levenseinde gesterkt door zijne liefde tot den grooten Stichter zijner Orde, den niet minder nederigen dan grooten Afrikaanschen Bekeerling! Eerst na Thomas\' gelukzaligen dood werd de vorming der Barrevoeter-Augustijnenorde een feit, en wel in Spanje in 1588 , onder Paus Sixtus V en Koning Philips II. Zij werd in 1592 overgeplant in Italië , en van hier uit in 1596 in Frankrijk en in 1626 in Duitschland. In Italië door Andreas Diaz; in Frankrijk door Franyois Amet en Mathieu de Sainte Franfoise; in Duitschland door of onder Keizer Ferdinand III.
Ziedaar in het kort den loop van de algemeene geschiedenis der Augustijner-Eremieten. Bedriegen wij ons niet, dan zal het door den kalmen lezer het eenvoudigst worden geacht, den oorsprong dier beroemde kloosterorde terug te brengen tot de groote vereeniging onder Alexander IV in het jaar 1256. Al te bezwaarlijk toch schijnt een grondig onderzoek te zijn, om met zekerheid vast te stellen, in hoeverre één of meer vereenigingen, die in de groote Orde traden, rechtstreeks tot de oorspronkelijke stichting van Augustinus behoorden of niet behoorden. Moge het anderzijds al waar zijn, dat eenige Augustijner-Eremieten der eerste tijden niet alleen
108
den naam, maar ook de daad hadden van het kluizenaarsleven, en dus geene eigenlijke kloosterorde vormden, er is daarmede nog niet bewezen, dat anderen niet tevens als kloosterlingen samenleefden, althans op de manier der tegenwoordige Kartuizers. Indien verder menige vereenigiïig van de bovenbedoelden , zelfs al volgde zij te voren den Regel van Augustinus, toch in den beginne geheel onafhankelijk was ontstaan en zeker geene afstammelinge mocht heeten van de eigene stichting des grooten Kerkvaders, dan is daarmede wederom niet bewezen, dat er in \'t geheel geene kloostervereeniging bestond, die, gelijk later de Groote Orde, den eeretitel van Augustijner-Eremieten had behouden, en tevens rechtstreeks was afgestamd van de eerste kloosterstichting des Afrikaanschen Heiligen. Waarschijnlijk is het, dat ééne of meer dezer vereenigingen bestonden vóór den tijd der Groote Vereeniging; dat zij van Augustinus\' eerste stichting afstamden; dat zij kloosterlingen waren; dat zij tevens den naam hadden van Eremieten, en misschien min of meer ook nog de daad; dat Paus Alexander volgens hunne inrichting, wellicht na deze eenigszins te hebben gewijzigd, de Nieuwe Groote Orde vormde; en dat andere Vereenigingen, die minder aan den H. Augustinus waren verwantschapt, door denzelfden Paus werden genoopt, om mede tot die Groote Vereeniging toe te treden onder den titel van Augustijner-Eremieten. Hetzelfde zal misschien later eenmaal plaats hebben bij de vele congregatiën van Broeders, die onderwijs geven. Maar, wanneer nu al deze verschillende congregatiën, — onderstelt het eens! — mèt de Vereeniging van de Broeders der Christelijke Scholen, en onder dezen zelfden naam, zouden verbonden zijn, zou daarmede dan het feit zijn te niet gedaan, dat er vóór die Groote Ver-
109
eeniging reeds eene zoodanige had bestaan? De zalig te verklaren La Salie zou zich tegen die redeneering niet weinig en niet ten onrechte hebben verzet! Zoo mogen wij ook aannemen van de Augustijner-Eremietenorde. Deze titel zal toch wel niet louter een eeretitel zijn! Daarvoor wijst hij te duidelijk op Augustinus\' eerste kloosterstichting. En zeker zal hij ook wel niet louter gegeven zijn. omdat de de Nieuwe Groote Orde den Regel van Augustinus volgde! Immers in dat geval zouden zoovele andere orden, die denzelfden regel hebben omhelsd, ook denzelfden naam kunnen voeren! Alvorens de Re-guliere-Priestersvereeningen te stichten, heeft de H. Augustinus kloosterlingen gevormd, minstens in één klooster. Omstreeks dien tijd zonderden eenigen hunner zich geheel of bij tusschenpoozen af, om een kluizenaarsleven te leiden. Vermoedelijk ge. schiedde dit reeds in Augustinus\' tijd; daarop schijnen zijne woorden betrekking te hebben; ,Zij sluiten zich levend op, in een voortdurend en godvruchtig gebedquot;. Nemen wij nu aan, dat deze kluizenaars of eremieten, onder wettige goedkeuring, zich aanvankelijk voorgoed of tijdelijk afzonderden; later echter, hetzij in Afrika hetzij in Europa, met den naam van Eremieten, weder het gewone leven van Augustinus\' kloosterlingen omhelsden; nog later misschien een meer beschouwend met een meer werkzaam kloosterleven verwisselden; mogen zij dan niet met recht afstammelingen blijven heeten van den Afrikaanschen Ordestichter? Dan, het is niet ons doel, dit te bewijzen, \'t Is alleen, om op te komen tegen de soms nog al kras uitgesprokene bewering, dat de Augustijner-Eremieten yeene afstam, melingen zouden zijn van Augustinus\' eigene kloosterstichting!
Als toelichting voor onze redeneering wenschen
no
wij hier nog slechts de aandacht te vestigen op één voorbeeld. De H. Patricias, de beroemde Apostel van Ierland, stierf reeds in het jaar 464, dus kort na den groeten Kerkvader en Ordestichter. Die H. Geloofsverkondiger nu staat in het brevier der Augustijner-Eremieten sinds onheuglijke tijden vermeld als hun ordegenoot, als kloosterling en kloosterhoofd hunner Orde.
Van den vroegsten tijd af, en reeds bij het leven van den H. Augustinus, waren er vrome dienaressen Gods, die den Regel van Augustinus beoefenden. Hoewel niet allen in vereeniging zijn met het opperste gezag van den Generaal-Overste der Augustijnen, mogen zij toch onder den algemeenen naam van Avgustinessen worden aangeduid De volgenden harer Vereenigingen hebben zich in de kerkelijke geschiedenis het meest bekend gemaakt. Die van het Maagdenklooster te Venetië, in 1177 gesticht door Paus Alexander III, toen hij in de Dogestad den keizer Frederik Barbarossa van den banvloek kwam ontheffen. Die van Dordrecht in Nederland; hare leden heetten ook „nonnen van Sinte Agnesquot;, wegens de nabijheid van eene kerk, welke aan die Heilige was toegewijd en gesticht in 1491 door Ridder Gerard Heemskerk, raadsheer van hertog Jan van Beijeren. Die van Champeau, te Doornik, werd gevormd in 1424 door Petrus de Champion. In dezelfde stad waren in het midden der dertiende eeuw reeds ontstaan de gasthuisnonnen van Sint Andreas. Die van de H. Martha werden in 1561 gevormd te Rome in het klooster van dien naam; \'t was aanvankelijk door den H. Ignatius van Loyola gebouwd voor de gevallene vrouwen, welke echter op dat tijdstip waren overgegaan in het klooster van de H. Magdalena. — Ongeschoeide of barrevoeter-Augustinessen heeten vooreerst die
Ill
der Visitatie of der H. Elisabeth, vervolgens die der Recollecten, beide in Spanje; en verder die van San Christoval in Spaansch Alcoy, en die van Portugal. Alleen de twee laatste Vereeni-gingen kunnen eigenlijk ongeschoeide worden genoemd, daar de leden der beide eerste nimmer barrevoets gingen. Die der Visitatie werd gesticht door Alfonso d\'Orozco en Johanna Velasquez in 1589. Die der Recollecten door de Eerbiedw. Moeder Mariana van Sint Josef in 1603, onder Koning Philips II en diens echtgenoote Maria van Oostenrijk; — vooral beroemd was haar klooster der Menschwording van den Zaligmaker der Wereld te Madrid. Die van San Christoval had den regel en het habijt der orde van den H. Augustinus, doch de constitutiën van de H. Theresia, hervormster der ongeschoeide Carmelitessen; zij dankte hare tichting in 1597 aan Don Juan de Ribeira, patriarch van Antiochië. Die van Portugal erkent als hare stichtster Koningin Louisa, gemalin van Koning Juan IV, te Lissabon in 1663.
De Tertiarissen van den H. Augustinus of de Augustijnen van den derden Regel, evenals die der Franciscanen en der Dominicanen, zijn vrome personen, mannen en vrouwen, gehuwden en onge-huwden, welke zich door eenige beloften en regelen tot een meer dan gewoon godvruchtig leven verbinden, onder het opperbestuur van den Generaal der Orde, en daardoor ook aan de voorrechten en verdiensten dier orde deelachtig worden. Eene eereplaats onder hen wordt ingenomen door de Gasthuisnonnen, genaamd van de Vereeniging van den H. Thomas a Villanova. Zij werden gesticht door den ijverigen dienaar Gods Ange le Proust, en beschermd door diens evenbeeld Louis Cha-boisseau, beiden Augustijner-Eremieten, zeer geëerd
112
in Bretagne. Eerstgenoemde kwam op het denkbeeld van die stichting, bij gelegenheid van de Heiligverklaring van Thomas a Villanova in 1659 door Alexander VIL
In de jongste tijden heeft de groote Augustijner--orde vele verliezen ondergaan. Zoo werden er tijdens de Fransche Omwenteling al de kloosters in Frankrijk, de meeste in België, en vele in Duitschland en Italië vernield. Die van Duitschland hadden ook talrijke vervolgingen en verwoestingen te lijden, sedert de verwereldlijking der geestelijke keurvor-tendommen aldaar, waarbij zich in 1875 nog de vervolging in Hannover kwam voegen. In 1860 verloor de Orde hare stichtingen in Mexico, en vier jaren later die van Russisch-Polen. In Spanje werden zij, in 1820, door de ongodsdienstig gezinde Cortes opgeheven. In Nederland eindelijk gingen vele kloosters ten gronde in den eersten tijd der Hervorming.
Anderzijds had de Orde in de tegenwoordige eeuw verblijdende aanwinsten, bijzonder onder de Augusti-nessen. Zoo sloten zich bij de groote Augustijner--familie aan: De Dochteren Sions, in 1843 gesticht door Ratisbonne; de Zusters Vum armen Kindlein Jesu, vijf jaar later te Aken ontstaan; Les FilLes da la Croix te Luik, die haar oorsprong danken aan den Kanunnik Habets en aan de vrome vrouw Johanna Haze; de beroemde Petites Soeurs des Pau-vres, in 1840 gevormd te St. Malo door den abbé Le Failleur. — Genoemde zusters//Vom armen Kindlein Jesuquot; hebben sinds de kerkvervolging in Pruisen een belangrijk moederhuis gebouwd hier te lande, te Simpelveld in Limburg.
Over de tegenwoordige inrichting der Orde kunnen wij het volgende mededeelen. Heeft eene provincie minder dan drie kloosters, dan ontvangt
113
zij van den Prior Generalis of Generaal-Overste een algeraeenen overste, mst den titel van commis-sarius generalis, zooveel als de zaakgelastigde van den Generaal; zulk een commissarius wordt niet gekozen, maar slechts aan den Prior generalis voorgesteld door de stemgerechtigde ordeleden der provincie; of alleen door den aftredenden titularis, indien deze zijn ambt nederlegt. Telt eene provincie drie of meer kloosters, dan wordt door eene vergadering van leden, die een hoogen post in de provincie bekleeden, een overste gekozen met den titel van provinciaal, behondens de goedkeuring van den Prior generalis. Alle waardigheidsbeklee-ders moeten om de drie jaren aftreden, en rekening en verantwoording afleggen voor het alsdan vergaderde provinciaal kapittel, waarin zij worden herbenoemd of door nieuwe vervangen. In de eerstgenoemde provincie echter, waar nl. een commissaris aan het hoofd staat, geschieden in elk klooster de keuzen van prior en anderen op de volgende wijze: Ter bekleeding van iedere waardigheid stelt ae Prior generalis een drietal voor, waaruit het klooster eenen titularis moet kiezen; bij staking van stemmen benoemt de Generaal-Overste er zelf eenen. Deze, de Generaal-Overste, die te Rome verblijf houdt, wordt op den bepaalden tijd gekozen door een algemeen kapittel, samengesteld uit stemgerechtigde afgevaardigden der provinciën, behoudens de goedkeuring van den algemeenen Vader der Geloovigen.
De SSste Generaal, Paulas Micallef, S. Th. Dr., werd gekozen in 1855. Onder diens Generalaat werd het eerste Algemeene Kapittel gehouden in 1859, op het Pinksterfeest. Z. H. Paus Pius IX besliste terzelfder tijd, dat de Algemeene Kapittels en de Generaalskeuzen voortaan zouden gehouden
114
worden om de twaalf jaren. Dezelfde Generaal werd in dat eerste Kapittel bevestigd; tevens werd er, gelijk bij de andere Orden, gehandeld over de uitgave van nieuwe constitutiën, zaken betreffende als het Brevier en dergelijke; doch zij kwam tot dusverre nog niet tot stand, wegens de «goddelooze en ongehoorde vervolgingquot;, die tegen de algemeene Kerk in Italië is ondernomen. Generaal Micallef werd in 1865 tot bisschop benoemd, en legde daarom de waardigheid van het Generalaat neder. Als opvolger werd in een Algemeen Kapittel gekozen Joannes Belluomini, die in 1881 om ziekte afstand deed en vier jaren later overleed. Wegens de overweldiging van Rome door het Piëmonteesche gouvernement, werd de nieuwe generaal in 1881 rechtstreeks door Leo XIII aangesteld: nl. Pacificus A. Neno, destijds provinciaal in Amerika. Op last van Z. H. den Paus is de tegenwoordige titel niet prior, maar commissarius; de volledige titel: Reverendissimus
Pater Magister.....Commissarius Generalis totius Or-
dinis. Waarschijnlijk staat deze buitengewone titel in verhouding tot de buitengewone verkiezingswijze.
Sommigen hebben de dwaasheid begaan, de Augus-tijner-orde al te hard te vallen over eenige inwendige verdeeldheden, die nu en dan, en hier en daar, zich openbaarden, alsook over de omkeering van een\' harer volgelingen in een\'aartsketter, namelijk Luther.
Dan, waar werden al niet menschelijke zwakheden aangetroffen? Vooral in eene orde, die eenmaal tot twee duizend kloosters met dertig duizend kloosterlingen telde, behalve nog driehonderd vrouwenconventen, die onder hunne leiding stonden, kloosters, welke wel één oppersten algemeenen overste huldigden, maar met Pauselijke toelating soms geheel verschillende kenmerken aannamen. Veeleer
115
mag het der orde als eene verdienste worden aangemerkt, dat zij zoo vele en zoo verschillende be-standdeelen in zulk een schoon geheel wist te brengen en te behoudeu. Overigens behoort men de zaken wèl te kennen en goed te onderscheiden. Zie b. v. de orde der Arme Katholieken. In hun al te grooten ijver verdienden zij ernstige berispingen, waaraan zij later nederig gehoor gaven. Nu wachte men zich, die berispingen op de rekening der Augustijner-orde over te brengen, in welke de Arme Katholieken, — na hunne nederige onderwerping —, waarschijnlijk op \'s Pausen bevel en zeker met Deszelfs hooge goedkeuring, geheel en voorgoed werden ingelijfd. — Wat den aartsketter betreft, indien hij voor de Orde meer dan een voorwerp van droefheid, indien hij voor haar ook een blaam zoude zijn, dan zou hij zulk eveneens wezen voor de algemeene Christenheid 1 Kortom, dan zou een Judas ook een blaam moeten zijn voor de elf getrouwe Apostelen!
Er zal wel niemand onder onze lezers worden gevonden, die verlangt dat wij bij benadering het goede schatten, wat in den loop der eeuwen, en over de gansche wereld, door de verdienstelijke Augustijner-orde bij hare talrijke opvolgende leden en bij de tallooze voortdurend aan haar toevertrouwde geloovigen is teweeggebracht. Maar ook uitwendig heeft zij geschitterd en eene parel aan de Kroon der Kerk gevormd. Vermelden wij hieromtrent nog eenige bijzonderheden, beknopt, overeenkomstig onze beperkte plaatsruimte.
De Orde, en dit is voorzeker het voornaamste,de orde kweekte vele Heiligen en Zaligen. Zoo, om slechts eenigen onder de duizenden te noemen, Nico-laas van Tolentijn, Joannes a Faeundo, Thomas a Villanova, Clara van Montefalco, Alphonsus de
116
Orosco, Juliana van Luik, de bevoorrechte Catharina van Emmerik, en zoovele anderen, onder welke niet te vergeten de Martelaren van Japan. Ontelbaar zijn verder de Prelaten en Geleerden, in den boezem der Orde gevormd. Wij noemen hier slechts Aegidius Colonna, Gregorius van Rimini, Angelus Rocca, (stichter der Augustijner-Bibliotheek „Angelicaquot; te Rome), Gnuphrius Panvini van Verona, Chris-tiaan Lupus van Uperen, en de Kardinalen Henricus Norisius van Verona, Bonaventura van Padua, Gilles van Viterbo, Seripandus en Petrochinus. In den laatsten tijd zagen wij o. a. nog benoemen den Kardinaal Martinelli. Ook voor het eenvoudige schoolwezen maakte de Orde zich beroemd, en niet minder voor de Missiën —zooals op de Philippijnsche eilanden, in Mexico en Peru, in Japan en in de Indien.
Nog mag niet onvermeld blijven, dat de gewichtige post van ,Koster der Pauselijke Kapelquot;, anders; ,Pastoor van het Vatikaanquot;, reeds sinds 1287 voortdurend, en sinds Paus Alexander VI (1497) voor immer aan een Pater Augustijn wordt toevertrouwd; — de titularis is gewoonlijk tevens bisschop i. p. i., of draagt althans de Prelaatskleeding. Sinds twee eeuwen is ook een Pater Augustijn, tegenwoordig Mgr. Marinelli, onafgebroken de biechtvader van Z. H. den Paus geweest.
Evenals de orde vroeger twee leerstoelen bezat aan de Universiteit te Leuven, zoo heeft zij nog steeds een vasten zetel aan de Romeinsche Sapienza en een vaste plaats als consultor in de Romeinsche Congregatie der Ritussen.
Mogen deze vaders, die zich voor Kerk en Maatschappij verdienstelijk en beroemd hebben gemaakt, ook in het nieuwe Utrechtsche klooster over waardige opvolgers vinden!
BIJLAGE 1.
De Augustper-Orde in Noord-Nsderland.
Behalve de afdeeling van Saksen, telde de groote Duitsche provincie der Augustijner-Eremietenorde nog andere voorname, gelijk wij reeds boven aanmerkten. Zeiden wij daar tevens, dat de Nederlandsche aanvankelijk werd gerekend tot de Duitsche, dan is daardoor te verstaan de Keulsch-Belgische provincie (Coioniensis Belgica), eene zeer bloeiende, die omstreeks het begin der veertiende eeuw was ontsproten uit Duitsche en Fransche afdeelingen. De vele Termini en Terminaris-huizen niet medegerekend, klom het getal der kloosters tot over de vijftig, gedeeltelijk in de Duitsche en de Fransche grensstreken, grootendeels echter in de Ver-eenigde Nederlanden. In eene aanteekening van het jaar 1625 vinden wij, dat aan 19 kloosters Latijnsche scholen waren verbonden, alwaar door 172 prefecten en professoren onderwijs werd gegeven, en ontvangen door 2244 leerlingen.
De provincia Coioniensis Belgica werd in 1679 onder den provinciaal Christianus Lupus in tweeën gesplitst: de Belgische met dertig, de Keulsche met vijftien kloosters. In 1682 werd de Belgische weder verdeeld in de Belgica en de Gallo-Belgica; aanleiding hiertoe gaf de Koning van Frankrijk, die niet wilde toestaan dat de Fransche Augustijnen naar België gingen om het Kapittel bij te wonen. Nogmaals, maar onwettig, scheidde keizer Jozef de Belgica in tweeën: de Flandro-Belgische
8
118
en de Luiksche. Dit geschiedde in 1782. Van de Flandro--Belgische is het voornaamste klooster dat van den H. Stephanus te Gent. \'tWas hier, dat ook de Holland-sche zendelingen sedert 1830 hun noviciaat en hunne studiën volbrachten; hetzelfde werd in 1864 ook bepaald voor de zendelingen van Ierland en Amerika. Sedert 1875 echter was het noviciaat der Nederlanders, behalve te Rome en te Gent, ook geoorloofd te Würzburg en te Münnerstadt in Beijeren. Het Gentsche klooster dag-teekent van het jaar 1295, toen het werd gesticht door de adelijke familie der Borluuten, meer bepaald door Gereimus Borluut. Eene uitvoerige en zeer verdienstelijke studie is er aan gewij d door Karei Keelhoff (Gent 1864).
Binnen de palen van het tegenwoordige Nederlandsche grondgebied telde de Orde vóór den tijd der Hervorming zes bloeiende kloosters, te Maastricht, Dordrecht, Middelburg, Appingedam, Haarlem en Enkhuizen, doch moest hen in dien rampzaligen tijd alle zien verdwijnen. Alleen Maastricht werd voor het vaderland behouden , totdat in 1795 de Fransche revolutie ook daar de treurige rol der Wandalen kwam vervullen.
De Hollandsche kloosterlingen namen de wijk naar Maastricht en naar België; doch, gelijk later de Maas-trichtsche, mochten ook zij er gedeeltelijk in slagen, om onder allerlei vermommingen, zelfs die van zeelieden en soldaten, den beproefden Noordnederlandschen Geloofs-genooten als missionarissen de zoozeer gewenschte hulp te verschaffen.
Voor die zes kloosters ontleenen wij hier eenige bijzonderheden, o. a. aan Hofdijk\'s „Kloosterorden in Nederlandquot;, een fraai werk, dat minder door vooroordeelen heeft geleden dan die der overige andersdenkende schrijvers, en wel niet in alle, maar toch in vele opzichten werkelijk „historisch onderzocht en geschetstquot; mag worden betiteld. Voor Maastricht evenwel maken wij dankbaar gebruik van een opstel, door den geleerden oudheidkun-
119
dige, den Z. E. Heer A. Van Lommei, het vorige jaar geplaatst in liet Kerstnummer van Het Centrum en De Volkscourant. Z. E. beloofde toen ook van de overige kloosters eene uitvoerigere beschrijving, doch kon wegens verzwakte gezondheid die belofte nog niet gestand doen. Ook omdat deze laatste minder aangename reden dan gelukkig nog zal zijn vervallen, hopen wij dat de belangrijke opstellen spoedig zullen worden vervolgd.
In eene onuitgegevene beschrijving van zijn Leuvensch klooster, zegt de Augustijner-priester J. Rivius, dat het Maastrichtsche klooster reeds een aanvang nam vóór het Pausschap van Alexander IV, derhalve vóór de vorming der Groote Orde. Er bestaat een Pauselijk stuk van den achtsten December 1271, waarin Gregorius X o. a. de vrijheden bevestigt, welke door zijne voorgangers aan het Maastrichtsche klooster waren verleend. — Naar de overlevering luidt, waren al vóór 1254 eenige kluizenaars, die aan den Rijn woonden, binnen de stad gekomen en op de oude Vischmarkt, bij de St.-Everts-kapel, als Augustijner-Eremieten gevestigd. Weldra betrokken zij een ruimer verblijf in de Bokstraat aan den voet der Maasbrug, alwaar omstreeks 1291 eene kerk werd gebouwd, ter vrome herinnering aan de ramp, bij welke tweehonderd menschen door de ingestorte Maasbrug waren verdronken. In 1428 werd er eene kapel bijgebouwd ter eere van het H. Bloed, met een altaar van Sint Pieter; terwijl er omstreeks 1474 het gilde van Sint Sebastiaan werd gesticht. In dit eigen jaar kwam het klooster onder het onmiddelijk bestuur van den Generaal der Orde. In 1586 vroegen de kloosterlingen verlof, om te mogen overgaan naar de kapel van Sinte Maria--ten-Oevere, het oudste kerkgebouw der stad, in dezelfde straat gelegen. Het werd hun toegestaan, tevens met toevoeging van eene aangrenzende woning met omliggend kerkhof; doch zij konden niet vóór 1609 met de verbouwing aanvangen. Eerst in 1661 was de prachtige
120
nieuwe kerk voltooid; den zeven en twintigsten Mei werd zij ingewijd, ter eere van de Heiligen Maria, Augustinus en Hubertus, door den Provinciaal der Minderbroeders--conventueelen, I. A. Blavier, die van 1654 tot 1699, het jaar van zijnen dood, wijbisschop van Luik was. De Kerk bestaat uit ééne beuk, waarin drie altaren met kronkelende kolommen, welke altaren indertijd het koor der kloosterlingen afscheidden van het schip der kerk, en versierd waren met drie meesterstukken van het penseel van L. Quelin. In den fraaien voorgevel ziet men nog het wapen van Hendrik van Amstenraed, commandeur der Duitsche ridderorde „de Oude Bitsenquot;, evenals zijne voorgangers een voorbeeldig weldoener van kerken en kloosters. Overigens waren de Kapittelheeren, de Overheid, ja, de gansche bevolking van Maastricht den Paters Augustijnen door woord en daad steeds bijzonder genegen. Den vijfden September 1622 werd door dezen eene Latijnsche school geopend. — Reeds in 1275 ontsproot uit het Maastrichtsche klooster een nieuw te Aken, dat ook aldaar veel goeds bewerkte; eveneens eenige Terminaris-huizen, die zich vooral in de zeventiende eeuw voor het onderwijs bijzonder verdienstelijk maakten. Bijzonder verdienstelijk maakten zich de Maastrichtsche Paters ook nog op een ander, een niet minder moeielijk gebied, namelijk in den dienst der pestlijders; — tusschen 1679 en \'82 werden zij allen, zonder uitzondering, de een na den ander, het slachtoffer van dien liefdedienst, en vonden op dat slagveld den eervollen heldendood. Naar wij reeds opmerkten, kwamen in 1795 de Republikeinen kerk en klooster sluiten en plunderen, en de kloosterlingen op straat zetten! Sommigen dezer werden niet alleen tot de ballingschap verwezen, maar zelfs in den kerker geworpen; eenigen echter werden oogluikenderwijze voor den dienst der andere parochiën toegelaten, te Maastricht of in andere plaatsen van het voormalige bisdom van Roermond; enkele dier parochiën begroetten
121
lien later als herders der gemeente. Kerk en klooster werden aanvankelijk in bergplaatsen van hooi en stroo herschapen! Na 1825 werd er school in gehouden. Eerst algemeen onderwijs, teekenonderricht en stadsarmenschool. In den laatsten tijd zijn er deels gewone burgerwoningen gebouwd, deels een Ursulienenklooster. — Ook het Maas-trichtsche Augustijnenklooster leverde vele beroemde mannen aan de Orde en de Kerk. Wij vermelden: Hermanus de Galopia, prior; Lambertus Van der Horst, prior en professor; Nicolaus Crusenius; Willem Wijnants; en Lambertus Navareus. Deze baccalaureus in de H. Godgeleerdheid stierf in 1633 in den dienst der pestlijders. Wijnants en Crusenius waren beiden Maastrichtenaars en Schrijvers van naam. De eerste, ook baccalaureus in de theologie, was achtereenvolgens prior, secretaris der provincie, en provinciaal. Crusenius, broeder van den vijfden aartsbisschop van Mechelen, bekleedde verschillende waardigheden zijner orde met den meesten lof, niet slechts in Nederland, maar ook elders, bijzonder in Duitschland, ja, zelfs te Rome. Uit een stuk van den tienden November 1629 blijkt, dat hij destijds te Weenen vertoefde bij Ferdinand II, wiens raadsheer en geschiedschrijver hij was. Onder de vele verdienstelijke werken, die van zijne hand verschenen, behoort ook het Monasticon Augusü-nianum (in folio), dat handelt tot 1621, en te Munchen werd uitgegeven in 1623.
liet Dordsche Klooster, volgens eenigen in 1375, volgens anderen in 1283 of 1311 gesticht, werd eerst omstreeks 1325 voltooid. Het werd in 1572 opgeheven, toen in de Synodestad de „eerste vrije vergaderingquot; werd gehouden der Staten van Holland en West-Friesland. De laatste prior, Joannes Crabbe, werd twee jaren in den kerker gehouden, en vond bij zijne bevrijding het klooster beroofd van kloosterlingen en bezet door andersdenkenden.
Het Middelburgsche werd gesticht in 1292 of \'96, doch spoedig daarna herbouwd wegens den verschrikke-
123
lijken brand, die omstreeks 1300 de stad teisterde. In 1374 verkreeg het eene buitengewone vermaardheid door eene wonderdadige H. Hostie. Juist twee eeuwen later werden de kloosterlingen door de Staatschen verdreven. Het gebouw bestaat nog in het Schuttershof van Sint Sebastiaan. De laatste prior was Nicolaus Tielis.
In de overzeesche provinciën schijnen de Augustijner--Eremieten zich alleen te hebben gevestigd in de Ommelanden , te Appingedam. Opgericht in 1311, werd het klooster in 1562 geheel gesloopt. Keelhoff spreekt nog van een klooster te Damme bij Groningen, van 1394 tot 1572. Waarschijnlijk is dit eene andere lezing, eene meer of minder nauwkeurige, van Appingedam.
Het Haarlemsche werd gebouwd in 1489 of \'90, doch eerst drie jaren later betrokken, nadat de kloosterlingen eene overeenkomst hadden getroffen met het St.--Jacobsgilde. Zoodra Haarlem de partij van den Prins koos, in 1574. werd het klooster opgeheven; volgens anderen reeds in 1572. Ken gedeelte is later nog gered voor R. K. Weeshuis, en draagt nog altijd den naam van Sint Jacob. De laatste prior was Arnoldus Olivier, een beroemd prediker; twee jaren moest hij zich schuilhouden, en kwam eerst in het einde van 1574 behouden te Maastricht.
Omstreeks denzelfden tijd als het Haarlemsche, volgens anderen echter reeds in het midden der vijftiende eeuw, werd het Enkhuizensche klooster gesticht. In 1572 door de Hervorming opgeheven, en later in het Nieuwe Weeshuis omgevormd, werd het in 1820 gesloopt.
Naar eene enkele opgave, heelt er ook nog een Augustijnenklooster te Zierikzee bestaan, met eene nabijgelegene kapel; doch in de plaatselijke geschiedkundige handschriften wordt er geene melding van gemaakt. Misschien was het slechts eene statie.
Verder had de Orde hier statiën te Amsterdam, Bodegraven , Breda, Groningen, \'s-Hertogenbosch , Nieuwen-dam, Nijmegen en Utrecht. Alle werden zij opgericht.
123
waarschijnlijk eerst na den aanvang der Hervorming. Behalve te Utrecht en te Amsterdam, is ook te Nieuwen-lt;lam de statie tegenwoordig eene parochie geworden. Voor beide laatstgenoemde plaatsen volge hier nog in enkele regelen een beknopt tijdkundig overzicht.
Amsterdam had eertijds twee statiën. Het eerst noemen wij Den Posthoorn, waarvan wij Joannes Brants omstreeks de helft der zeventiende eeuw als stichter vermeld vinden. Thans in de Haarlemmerstraat gelegen, stond, zij eerst op de Prinsen- bij de Brouwersgracht, en ging aldaar aan den Clerus saecularis over. In 1687 openden de paters eene Latijnsche school; \'t is niet bekend, aan welke der beide statiën zij meer bijzonder verbonden was.
De andere statie, ook De Star genaamd, wier pastorie zich vroeger op de Raamgracht bevond, staat thans als parochiekerk op het Rusland. Wij kunnen van hare herders de volgende naamlijst geven: Petrus Parmentier (1686—1681). Joannes Uit ten Eekhout (1681—1682); Jacobus Wilmaert (1682—1689); Ferdi-nandus De Post (1689—1698); Thomas Debaut (1698— 1713); Franciscus Munnixhove (1713—1786); Petrus Van Putthem (1786—1738); Joannes Erckens (1746—1747); Joannes Doetzerberg (1747—1748); Hubertus Van Schooien (1748—1763); Hnbertus Verbiest (1764—1774); Jacobus De Grauw (1774— 1780); Theodorus Lambertus Spoor (1780—1786); Josephus Cuijpers (1786—1796); Henricus Kleijn (1796—1814); Augustinus Naudts (1814 - 1834); Joannes Liborius Benedictus Vrees (elders: Frees) (1835— 1860). — Tusschen 1738 en \'46, een tijdperk van zeven jaren, was de kerk gesloten. Het tweede jaartal, dat zich achter lederen naam bevindt, mag in het algemeen worden aangemerkt als het sterfjaar. Van de pastoors Wilmaert en Naudts beduidt het echter het jaar van vertrek naar elders, terwijl pastoor Doetzerberg in het bedoelde jaar afstand deed. De nagedachtenis der beide laatste herders is nog bij het levende geslacht in hooge eere.
124
Pastoor Naudts was sedert den dood van den laatste provinciaal, Joannes Van de Winckel, 23 Augustus 1811, Commissaris-generaal der Orde voor Holland en België en Overste of Prefect der Missie. Keelhoff schrijft, dat hij die waardigheid bekleedde tot 1835; doch dit jaartal schijnt eene drukfout te zijn. Immers, hij voegt er zelf bij, dat H. Stappershoef de opvolger was. Nu is het bekend, dat deze het hooge ambt eerst in 1843 aanvaardde, gelijk het ook bekend is, dat pater Naudts nog in 1842 pastoor Stas aanstelde als Vicarius der Nederlandsche Missie. Pastoor Naudts was geboren te Wachtebeke 1761, geprofest en priester gewijd te Gent in 1786 en \'87. Al vóór 1811 was hij missionaris te Amsterdam, na professor geweest te zijn in het klooster te Gent, en prefect in dat van Roesselaere. In 1834 werd hij door den Generaal benoemd tot prior van het klooster en pastoor van de kerk te Gent. Het klooster, dat door brand was vernield, had hij in \'39, toen hij zijn ontslag nam, grootendeels hersteld. Daarna verbleef hij te Utrecht, alwaar hij 1 September 1844 overleed, om het loon voor zijn verdienstelijk leven in den Hemel te erlangen. — De naam van zijnen opvolger te Amsterdam, pastoor Vrees, is nog in de harten geschreven als die van een bijzonder vriend der armen. Hij was de eerste stichter van armenscholen te Amsterdam. Die eerste school bestaat nog in de Nes. —De tegenwoordige pastoor, sedert 1860, is Wilhelmus Ambrosius Hoorneman, geboren 1818, priester gewijd 1841. —
Te Nieuwendam vinden wij omstreeks 1783 eenen pastoor Hasweg (elders: Hatweg). Zijn opvolger, Fran-ciscus De Deurwaerder, bouwde in 1798 de nu nog bestaande houten kerk. G. De Goijer was pastoor van 1801 tot 1826; Stevens (elders: Steven), van 1826 tot 1835, wereldsgeestelijke, bouwde de nog bestaande pastorie in \'27; Pastoor Fik, wereldsgeestelijke, nam de parochie waar van 1835 tot 1838, en leeft nog
125
als rustend geestelijke te Lisse bij Leiden. H. Stappers-hoef (1838—1848) heeft door spaarzaamheid en beleid aan kerk en pastorie een veilig bestaan verzekerd, een werk, waarvan ook voor een goed. deel de eer toekomt aan eene vrome christin mejuffrouw Hasseveld van Amsterdam. Pastoor Lefring arbeidde van 1848 tot 1876 ; zijn vijf-en-twintigjarig pastoorschap werd zoowel door Protestanten als door Roomschen met bijzondere geestdrift gevierd. Bonaventura Narens (1876—1882), geboren te Ronse in België, was lange jaren kapelaan (onderpastoor) te Gent, Utrecht en Amsterdam. In Utrecht is hij nog-bekend als ijverig prediker, ook iederen Zondag in de namiddagkerk. Dat hij te Amsterdam, waar hij ook in het Fransch preekte, de algemeene achting en liefde won, bewezen de vele en rijke geschenken bij zijne benoeming tot pastoor. Na een herderlijken arbeid van zes jaren werd zijne deugd door eene ernstige ziekte beproefd, zóódanig dat die arbeid hem te zwaar werd. Voor zooveel de krachten het nog veroorloven, staat hij zijnen ordebroeders nog steeds gaarne ter zijde. Pastoor J. Van Sleeuwen (sedert 1883) heeft persoonlijk in het bisdom van Haarlem giften ingezameld voor een waardig nieuw kerkje met pastorie, en hoopt den bouw weldra eenen aanvang te zien nemen, volgens de teekening van den bekenden architect A. Tepe.
Wat de Augustinessen betreft, wij noemden vroeger reeds die van Dordrecht of de ,;nonnen van Sinte Agnesquot;. Hofdijk noemt haar niet. En Van Lommel verklaarde ergens; geen spoor te hebben ontdekt van Eremitessen-kloosters hier te lande. Naar wij echter lezen in de „Ofdns Monastiquesquot; (edition-Coignard 1715, Paris) worden de nonnen van Sinte Agnes door Bonani en Schoonbeek niet tot de kanunnikessen, maar tot de gewone Augustinessen gerekend. Werd de kerk van Sinte Agnes in 1491 gesticht, het klooster dier nonnen reeds in 1326. Eene Noorsche dame, met eenige ge
126
zellinnen, kwam zich daar aan God toewijden, door plechtige geloften en onder den regel van den H. Augus-tinus. Zij droegen een wit habijt, met scapulier van dezelfde kleur, en eene geplooide halskraag in stede van den gewonen halsdoek. De zwarte wijle viel een weinig lager dan de schouders. Ook deze kloosterlingen vonden hunnen ondergang in de ongelukkige Hervorming.
Hofdijk erkent ook nog de Augustinessen van Weert. Het klooster Mariënwijngaard, thans Marifinhart, gelegen in de Maasstraat, werd in 1442 voor haar gesticht en tot 1797 voor haar behouden. De Brigitinessen kochten in 1843 het oostelijk, en zeven jaar later ook het westelijk gedeelte. De fraaie ruime kerk bestaat niet meer.
Behalve de jongste nederzetting te Simpelveld in Limburg , leven hier te lande nog als Augustinessen erkende kloosterlingen te Deursen, Ravestein en St.-Oedenrode.
De beide kloosters te Deursen en te Ravestein, twee nabij elkander gelegene plaatsen in Noord-Brabant, moeten wel worden onderscheiden, maar zijn toch nauwverwant. Het eerste is het moederhuis, waarvan het laatste eene afdeeling, een filiaal, een dochterhuis kan heeten, of hoe men eene dergelijke nederzetting ook noemt. Dat van Deursen, welks ouderdom minstens anderhalve eeuw is, telt tegenwoordig één en twintig leden; dat van Ravestein, waarschijnlijk slechts twee en veertig jaar oud, twee en twintig leden; van het eerste worden de zusters voor zooveel noodig naar het tweede gezonden, nadat daarvoor de toestemming is gegeven door den bisschop. Het schijnt, dat ook deze Augustinessen tegenwoordig niet in rechtstreeksche verbinding staan met den Generaal-Overste. In de laatste veertig jaren zijn te Deursen twee moeder-oversten overleden; de derde is afgetreden; de vierde, die nog in bediening is, heet Zuster Maria Angela; zij worden met meerderheid van stemmen door de koorzusters gekozen. Het is niet met zekerheid bekend dat andere Augusti-
127
nessenkloosters in Nederland met dat van Deursen verwantschap hebben. Vroeger eigendom, thans domeingoed, heeft het veel te lijden gehad van de Fransche revolutie!
Deze vriendelijke verschijning gaf op hare beurt, misschien wel tot schadeloosstelling, de aanleiding tot het stichten van het klooster te St.-Oedenrode! Den 13den November toch van het jaar 1796, volgens anderen van 1794, werden de Augustinessen van Mariëndaal te Diest in België met geweld verjaagd! Vijf a zeven jaren werden zij door eenige vrome weldoeners onder dak genomen, totdat zij in 1801 heimelijk eene gemeenschappelijke huurwoning betrokken te St.-Oedenrode in Noord-Brabant, waar zij door hare onbekendheid gespaard bleven van den vernietigingsmaatregel in 1812. Het oorspronkelijke klooster te Diest was gesticht in 1422 door Joannes Van Heijnsberg, bisschop van Luik. Zij zijn thans ten getale van vijf en veertig, en staan met geene andere kloosters in rechtstreeksche verbinding, noch zenden zusters naar elders. Evenmin als die van Deursen, leven zij rechtstreeks onder de gehoorzaamheid van den Generaal-Overste, maar onmiddelijk onder die van den bisschop van \'s-Bosch. Onder voorzitterschap van dezen of diens afgevaardigde, wordt de moeder--overste gekozen uit de geprofeste koorzusters, welke keuze alle drie jaren moet worden vernieuwd, zóó nochtans, dat dezelfde persoon weder herkiesbaar is. Het slot in het klooster wordt streng in acht genomen. Nadat de zusters aanvankelijk eene kostschool hadden opgericht, wijdden zij zich later weder meer uitsluitend aan de gewone werken van liefdadigheid, en aan de voortdurende oefeningen van boetvaardigheid en van gebed, voor den bloei der Kerk en. het waarachtig heil van het nieuwe Vaderland.
BIJLAGE II.
Tydkundig Overzieht vaa de GBseliiedenis der Utpeehtsehe Statie.
Theodorus De Roij was de zoon van een aanzienlijk Utrechtsch burger, die zich bij de stedelijke overheid verdienstelijk had gemaakt. Zij liet daarom den jeugdigen priester oogluikend toe. Althans reeds in 1635 was hij er als missionaris werkzaam, en ging hiermede voort tot het jaar van zijnen dood, den Uden (l/den? 21sten?) Juli 1679, het 82ste van zijn leven. Geprofest te Aken in 1621, priester gewijd twee jaren later.
De Nederlandsche Augustijner-Missie was eerst den 23stcn April 1635 door Rome gevormd. Michaêl Paludanus, provinciaal der Keulsch-Belgische provincie, tevens eerste prefect der Hollandsche missie, zond in 1636 Leonardus Brems (elders: Breuns), van het klooster van Brussel, als primarius missionarius naar Utrecht. Deze ijverige herder, wiens dood men reeds twaalf jaren later had te betreuren, wordt aangemerkt als de stichter der Utrechtsche statie. Het is niet duidelijk, of pater De Roij eene eigene statie of een afzonderlijk bedehuis bediende, dan wel zich, van stonden aan, onder het onmiddelijk bestuur van pater Brems had gesteld. Uit de verschillende lezingen zou men kunnen opmaken, dat hij in de eerste jaren werkelijk nog een atzonderlijk bedehuis had, doch later arbeidde in de statie en onder het bestuur van pastoor Brems en van diens drie naaste opvolgers.
De eerste dezer. Petrus De Vos, overleed den 19óen
129
Februari 1658. Hij was geboren te Schiedam, geprofest te Diest.
De volgende, Joannes Van Wam el, keerde vijfjaren later naar zijn Antwerpsch klooster terug.
In het begin van 1663 werd Hieronymus Van Hove {elders: Horion) de vierde pastoor. Na vier jaar werkzaam te zijn geweest in De7i Posthoorn te Amsterdam bij Joannes Brants, bleef hij nu als herder in zijne geboortestad werkzaam tot den dag van zijnen dood, 17 Juni (21 Januari?) 1689, ongeveer zeventig jaar oud. Hij was priester gewijd in 1645 , geprofest te Mechelen in 1639 of \'40. Van zijne hand is de Latijnsche brief over het overlijden van pater De Roij.
Joannes Zenith (elders: Zennith) was sedert 1 September 1688, het begin der ziekte, de medehelper of plaatsbekleeder van pastoor Van Hove; doch den zestienden dag na diens overlijden keerde hij naar zijn Brusselsch klooster terug, alwaar hij stierf den éden Februari 1695. Hij was geboren 1631, geprofest 1650 of \'51, priester gewijd 1656, tweemaal prior te Diest.
In Juli 1689 werd benoemd Joannes Matthei (elders: Mathei), uit het klooster van Bree. In het begin van zijn bestuur werd het kerkje in de Jerusalemsteeg gebouwd. Hij overleed in Februari 1720.
Van dezen tijd tot den 24s\'en Augustus bleef de statie gesloten. Joannes De MüNCK opende haar weder, en bediende haar tot 16 December 1747, toen hij overleed. Hij was geboren en geprofest te Mechelen.
Onmiddelijke opvolger werd Lucas Van Crombrug-ghen (elders: Van Crombrugghe) , die reeds den 4den October 1742 als socius communis naar de Missie was gezonden. In 1766 telde zijne kerk ruim duizend communicanten. Geboren te Gent 11 December 1713, geprofest 22 October 1737, priester gewijd 31 Mei 1738, overleden 12 (13) October 1777. In zijn Gentsch klooster wordt hij als bijzondere weldoener herdacht.
130
Ludovicus Loots (elders: Loods of Loodts) , uit het Hooster van Herenthals, volgde zijn vroegeren pastoor in waardigheid op, met oogluiking van de regeering. Zijne statie telde twee duizend ledematen. Maar bij zijn spoedigen dood, 10 Februari 1780, ontstond er een tus-schentijdperk, waarin als missionaris achtereenvolgens optraden de pastoors J. Van Engelen en A. Van Tellingen (elders: Teilegen), beiden wereldsgeestelijke.
Joannes Franciscus Josephus De Carnoncle, geboren en geprofest te Enghien , kwam in 1794 de plaats der vroegere ordebroeders weder innemen, en werkte er tot het jaar van zijnen dood in 1815. Om zijne deugd, zijne geleerdheid en zijn aangenamen omgang was de buitengewone Dienaar Gods bij iedereen geëerd en bemind, zelfs bij de stedelijke overheid. Ook bij Koning Lodewijk (1806—1810) en bij Keizer Napoleon (1810— 1813), wier „adjunct-aalmoezenierquot; hij was bij hun verblijf hier ter stede. Van Koning Lodewijk wordt hij zelfs de „hofkapelaanquot; genoemd (van 1806 tot 1 Juli 1810). De fraaie doopvont der tegenwoordige parochiekerk ontving hij uit de Koninklijke kapel ten geschenke. Gedurende eenige jaren had hij als medehelper pater Hilde-brand Verhoeckx, die in 1808 pastoor werd benoemd te Groningen.
Ook Guilielmus Stas was sedert 21 Juni 1808 medehelper van pastoor De Carnoncle, terwijl hij intusschen van 12 October 1810 tot 17 Augustus 1813 pastoor te Buren was geweest. Daags na het overlijden van zijnen voorganger werd hij diens waardige opvolger. De nieuwe Willibrorduskerk, welke hij in de Heerenstraat stichtte, werd den 4den September 1822 gewijd door Mgr. Aloysius Camberlani, vice-superior der Hollandsche Zending, ter zijde gestaan o. a. door den Aartspriester G. Van Nooij. Om goede redenen bouwde pastoor Stas weder eenegroo-tere nieuwe Kerk op het terrein der voormalige Domp-selaarspoort aan de Oude Gracht, welke kerk den 10den
131
September 1840 plechtig werd ingewijd. Aldaar vestigden zich thans de Paters Augustijnen voorgoed. Driejaren later nam de nederige en beminde herder zijn ontslag, doch bleef nog een tiental jaren in den geestelijken wijngaard werkzaam. Door den Commissaris-generaal, Augustinus Naudts, werd hij in 1842 aangesteld als Vicarius der Kederlandsche missie. De laatste drie jaren van zijn verdienstelijk leven bewaarde hij geheel en al de afzondering en bracht den tijd door in een voortdurend gebed. Hij stierf in geur van heiligheid den 8sten Februari 1857. Hij was geboren 38 April 1771 te Schuerhoven bij St. Truijen, geprofest te Leuven 4 October 1792, priester gewijd te Antwerpen 14 Juni 1794. Van 18 Augustus 1796 tot 21 of 29 Juni 1818 was hij assistent in het gasthuisklooster te Leuven.
Paulus Franciscus Stephanus Bütot, reeds te voren medehelper, werd in 1843 pastoor, doch nam na vijf jaren zijn ontslag. Geboren te Gouda 26 December 1794, overleed hij te Mook 31 October 1855. Hij was geprofest en priester gewijd te Rome. Den 14den Februari 1842 werd hem als medehelper toegevoegd Wilhelmus Jacobus Van den Wijnboom, die den 25stcn Augustus van het vorige jaar was geprofest, — een algemeen geacht en bemind man.
Den 7den November 1848 werd pastoor te Utrecht Henricus Stappershoef en bleef het tot den dag van zijnen dood aan de cholera, den 30iten Juni 1866. Geboren te Culemborg 23 Maart 1794,\'ingekleed, geprofest en priester gewijd te Rome in 1818, \'19 en \'20, was hij van 1820 tot 1834 kapelaan te Gent; subprior van het klooster aldaar, en medehersteller der Orde in België en Nederland, van 5 Mei 1834 tot 16 Maart 1836. Vervolgens kapelaan te Amsterdam tot 24 Augustus 1838, en verder tien jaren pastoor te Nieuwendam. Van 31 Januari 1843 tot 13 Juni 1859 was hij tevens commissaris-generaal der Flandro-Belgische provincie en overste
132
der Zendingen, in welke waardigheid hij werd opgevolgd door Benignus de Jaeger, die als zoodanig nog heden ten dage verblijf houdt te Gent. Onder zijn bestuur zijn o. a. de drie prachtige altaren in de parochiekerk gekomen. Steeds bleef hij ijveren voor den bloei der Orde in België en in Nederland.
Anastasius Antonius Jorritsma volgde als pastoor op, in Juli 1866, doch nam in September 1871 om voortdurende ongesteldheid zijn ontslag. Eenige jaren verbleef hij tot herstel van gezondheid te Uden, doch overleed aldaar den 13den Maart 1878. Hij was geboren te Sneek, den Isien April 1812, als eenige zoon van Holquisius Josephus Jorritsma en Alida Bloemen; priester gewijd te Gent en gezonden naar Nieuwendam 21 September 1844, verplaatst naar Utrecht 1848. Hij vervaardigde o. a. een handschrift over de Utrechtsche statie, aan hetwelk wij vele bijzonderheden hebben ontleend.
J. Van Sleeuwen was hier pastoor van 1871 tot 1882 en bekleedde sedert dien tijd dezelfde waardigheid te Nieuwendam. Geboren te Boekei bij Gemert 5 Juli 1837, geprofest en priester gewijd te Gent in 1863 en\'64. Van dezen tijd af was hij kapelaan geweest te Utrecht.
J. Van Eert, pastoor sedert 1882, tevens sinds 1880 Prefect der Orde voor de Hollandsche Missie. Geboren te Vechel 15 Augustus 1839, geprofest en priester gewijd te Gent in 1869, en sedert kapelaan te Amsterdam.
F. H. Leeners, geboren te Amsterdam 26 Juni 1830, geprofest te Gent 22 December 1853, en aldaar priester gewijd juist een jaar later. Aanvankelijk kapelaan te Amsterdam, was hij zulks lange jaren hier te Utrecht, en intusschen drie jaren novicenmeester in het klooster te Gent. Hij is de eerste ^Prior et Rector ecclesiaequot; der nieuwe St.-Monicakerk met bijbehoorend klooster. Een bezoek, in Augustus 1887 aan dit klooster gebracht door den HoogEerw. Pater Generaal Pacificus A. Neno, heeft veel tot de gewenschte bevestiging bijgebracht.
133
Vele kapelanen en assistenten werkten onder de vijf laatste pastoors mede in den vruchtbaren geestelijken Wijngaard. —
Verschillende schrijvers, o. a. Antonius Matthaeus (uitgave 1703), deelen mede, dat het Utrechtsche convent der Zakbroeders tot de Orde der Franciscanen-minderbroeders behoorde. Klooster met kerk stond op de Oude Gracht, ongeveer ter plaatse van het tegenwoordige pro-testantsche weeshuis, „den huize Zcudenbaickquot;, aan de Weesbrug. Volgens Pauselijke beschikking gingen die Zakbroeders in 1290 over tot de Reguliere Kanunniken van den H. Augustinus, en wel in afhankelijkheid van den proost van Bethlehem te Deutichem. In 1454 kwam het Utrechtsche convent rechtstreeks onder het beheer van Windesheim, zegt Hofdijk, ofschoon hij elders van het Deutichemsche Bethlehem verklaart, dat het zelfstandig bleef, en met het Kapittel van Neuss, waaronder het stond, niet wilde medegaan, toen dit in 1430 zich bij Windesheim aansloot. In de zestiende eeuw werd het bedoelde klooster door de hervormers genomen en gedeeltelijk tot weeshuis ingericht. — Gelet op dien overgang tot de Reguliere Kanunniken en op de algemeene geschiedenis der Zakbroeders in de dertiende eeuw — boven maakte ik melding van die geschiedenis —, mocht er twijfel rijzen, of die kloosterlingen wel Franciscanen waren. In dien twijfel zocht ik, en vond een gezag in Joannes Lindebornius („fiti DevenUrsche Episcopaatquot;, uitgave 1670). Deze schrijver noemt die Zakbroeders „van de Penitentie van J. C.quot;, en voegt er ten overvloede bij, dat zij een soort van Eremieten waren. Voor zoover dezen nu, hetzij vóór hetzij na de Groote Vereeniging van 1356, tot de Augustijner-Eremieten zouden hebben behoord, zouden de missionarissen Theodoras de Roy en Leonardus Brems al tijdens de Middeleeuwen in de grijze bisschopsstad voorgangers hebben gehad.
Er was boven sprake van „de bekende Heerenstraats-kerk — vóór weinige jaren nog eene hooggeachte Jesuïetenkerk.quot; — Bij het overlijden van Pater Van der Leepel, heeft men Pater Van Dijk daaruit „doen vertrekkenquot;. „Nominative eigenaarquot; was Willem Reijkse, en na diens dood Jan Carel Reijkse, zijn zoon. Pastoor Adolphus van Tellingen, opvolger van Joannes van Engelen, den lateren pastoor van Mijdrecht, verkreeg ten laatste van dien nominatieven eigenaar, alsmede van de stedelijke regeering, dat hij die kerk mocht betrekken. Hij verbouwde en vergrootte haar, met het doel om het Jerusalemsteegskerkje „overbodigquot; te maken. —- Sedert
9
134
den bouw der nieuwe Willibrorduskerk in de Minderbroederstraat, is zij gesloten, en bevindt zich op haar gebied het St.-Gregoriusgesticht met het Aartsb. Museum.
Omtrent de Jerusalemsteeg, waarin het eerste Augustijnenkerkje is gevestigd geweest, of liever omtrent het oude Jerusalemklooster, dat zich op die hoogte heeft bevonden, zou ik gaarne nog het volgende te berde brengen. In 1419, onder bisschop Frederik, werd een klooster gesticht van kanunnikessen, „moniales Si. Au-gustiniquot;; in het vijfde jaar van zijn bestaan ging het tot de orde van Windesheim over. Het lag in de voorstad, buiten de Weerdpoort, „beneden die Weerde, Westwaertquot;, in de parochie van Sint Jacob. Wegens den onrustigen tijd werd het in 1513 binnen de veste overgeplaatst, bij de Gaasbeeksche steeg, in het huis Nijenrode, „besijden St. Peter in den Regenboghe, in der husinge ende hofstede van outs geheten die herberghe van Nieuwenrodequot; zegt het Bestuur der Stad in de verhuizingsoorkonde van 28 Januari 1513. Het klooster, dat in „die Weerdequot; reeds Jerusalemklooster heette, behield dien naam ook in de stad. En Antonius Matthaeus wil zelfs, dat de naam Jerusalemsteeg van dien tijd af dagteekent, niet eerder. Dit schijnt echter minder gemakkelijk te rijmen met eene andere zijner mededeelingen: dat namelijk reeds in het einde der dertiende eeuw een klooster van Reguliere Kanunniken bestond op de Nieuwe Gracht bij het Paushuize, óók ,Jerusalemkloosterquot; genaamd. Naarmen weet, bevindt zich de,Jerusalemsteegquot; nog altijd op de Nieuwe Gracht bij het Paushuize. — Ten slotte: Bedriegt mijn geheugen mij niet, dan is er omstreeks denzelfden tijd nog sprake van een St.-Agnes-klooster van Reguliere Kanunnikessen, in de parochie van St. Nicolaas, op de hoogte der tegenwoordige Agnietenstraat.
BIJLAGE III.
Over de Pleehtigheid der- Keritwyding.
De meermaals genoemde nieuwe St.-Monicakerk, met bijbehoorend klooster, werd ingewijd den elfden Augustus 1886. Van die voorname plechtigheid schreven wij destijds een uitvoeriger verslag voor ons (bovengenoemd) dagblad en een beknopter voor de overige bladen. Dit laatste moge hier voldoende worden geacht, na te zijn aangevuld met enkele bijzonderheden, en gevolgd (naar toezegging) door de bekende korte handleiding.
Nu heden eindelijk de dag der Plechtige Inwijding was aangebroken, — onder algemeen vreugdebetoon, vooral in de parochie en in de nabijheid der twee kerken — , ving Mgr. de Aartsbisschop, P. M. Snickers, te zeven ure de plechtigheden aan, welke eerst om half twee met de pontificale H. Mis eindigden. Het was voorzeker eene opofferende taak voor den doorluchtigen grijzen Kerkvoogd. Eene talrijke schare van geestelijken stond afwisselend ter zijde bij de wijdingsplechtigheden en bij die der H. Mis. Wij onderscheidden nagenoeg alle geestelijken der stad en der naburige gemeenten, nagenoeg alle priesters en theologanten die toen of eertijds leden waren der feestvierende parochie, vele paters bovendien uit Amsterdam, Nieuwendam en Gent, en verder verschillende bevriende geestelijken uit andere plaatsen. Bij de wijding waren diaken en subdiaken pastoor ?. I. Hogen-boom en kapelaan H. S. Ohl (twee vroegere parochianen); bij de H. Mis de pastoors W. A. Hoorneman (van
136
Amsterdam) en H. I. A. Peters (plebaan), terwijl bij den bisschoppelijken troon stonden de pastoors H. B. Kok (deken) en H. I. Stiphout (de herder der vroegere en tegenwoordige Willibrorduskerk), en Mgr. H. I. Smidt (vicaris-generaal) presbyter-assistens was.
Eene eereplaats werd ingenomen door het Kerkbestuur. Het heeft zooveel goede zorg gedragen voor de nieuwe stichting van kerk en klooster, dat het betamelijk mag worden geacht, de namen voor het nageslacht op te teekenen: Pastoor J. Van Eert (voorzitter), Mr. W. J. M. Bosch, M. A. Van Niekerken, C. W. De Groot en B. A. Verheul.
De feestpredikant, pater M. Van Es, prior van het Dominicanenklooster, betoogde dat de stichting en inwijding der nieuwe kerk eene weldaad was voor de parochie en voor de stad. Eveneens die van het nieuwe klooster, daar de priester in het klooster de weldadige leer des Goddelijken Heilands op de volmaaktste wijze èn zelf beoefent èn anderen mededeelt. De belangrijke gewijde redevoering maakte een diepen indruk op het talrijke gehoor, waaronder ook de Burgemeester der stad Utrecht zich op vereerende uitnoodiging had gevoegd.
En hiermede kunnen wij nu overgaan tot de volgende beschrijving, gelijk zij in de eerste uitgave, die vóór den eigenlijken feestdag het licht moest zien, op hooger verlangen werd ten beste gegeven onder den titel van „Korte Handleiding bij de Plechtigheid der Kerkwijdingquot;.
Reeds den dag vóór de Kerkwijding worden door den Hoogepriester en de verdere dienstdoende Geestelijkheid . behalve de voorbereidende maatregelen en werkzaamheden, vele oefeningen van godsvrucht verricht, als vasten en bidden, welke oefeningen ook den eenvoudigen geloovigen ten zeerste zijn aanbevolen.
Op den dag zeiven komt de prelaat vroegtijdig in de i.ieuwe kerk, onderzoekt haar, en verlaat haar dan weder, na bevolen te hebben dat een ieder er uitga, behalve één diaken, en dat de buitendeuren gesloten worden.
137
Buiten gekomen, bidden allen de zeven Boetpsalmen, waarna de Bisschop bij de hoofddeuren de eigenlijke plechtigheden aanvangt met de Antiphone: „Sta ons bij, eenige, almachtige God, Vader en Zoon en Heilige Geest!quot; Daarop volgt de gezongen litanie van alle Heiligen, de wijding van het water en de besproeiing daarmede van de buitenmuren der kerk. Deze omgang wordt tot driemaal herhaald, terwijl tusschen eiken keer de Bisschop vóór de hoofddeur der kerk stilstaat, er met den staf tegen aanklopt, en den schoonen lofzang aanheft: Attollite portas, principes. Nu wordt met denzelfden • staf het kruisteeken op den ingang gemaakt, de hoofddeur geopend, en de kerk binnengetreden door de dienstdoende Geestelijkheid, de zangers en den werkman die den altaarsteen moet inmetselen; alle andere aanwezigen , geestelijken zoowel als leeken, blijven buiten de kerk, die weder gesloten wordt. Onder het zingen van eenige gezangen, zooals de Veni Creator en de Lofzang van Zacharias, teekent de Bisschop met den staf het Grieksche en het Latijnscfie alphabet in twee rijen van gestrooide asch, welke diagonaalsgewijze zijn gevormd tusschen de voornaamste vier hoekpunten der kerk. Vervolgens worden wederom, onder bezwering van de kwade geesten, op plechtige wijze zout en water gewijd. En na nog eenmaal tot de hoofddeur te zijn teruggekeerd en er kruisteekenen op te hebben gemaakt, begeeft de Bisschop zich weder tot het altaar en vangt de wijding daarvan aan. Onder het zingen van de aandoenlijke lofzangen Judica me en Miserere mei, wordt het altaar zevenmaal rondgegaan en met gewijd water besproeid. Eveneens de kerk driemaal rondgegaan, en de muren gewijd, onder het zingen van de lofzangen Laetaius sum in his, In Ecclesiis benedicite, Dieet Domino; en de vloer, onder dat van de Antiphonen: „Mijn huis is een huis des gé bedsquot; enz. Na eene heerlijke prefatie gaat men naar de plaats, waar de reliquieën voorloopig zijn bewaard, en draagt men deze buiten de kerk rond.
Het mag eene goede gedachte worden geacht, die Prefatie nagenoeg in haar geheel mede te deelen:
„In waarheid, het is waardig en rechtvaardig, billijk en heilzaam , dat wij U altijd en overal dank brengen, Heilige Heer, Almachtige Vader, Eeuwige God! Sta ons bij in onze gebeden, sta ons bij in de H. Sacramenten, sta ook Uw vromen dienaren bij in hunne werkzaamheden, en ons die Uwe barmhartigheid inroepen! Dale ook Uw Heilige Geest, de zevenvormige, die overvloeit van den rijkdom der genade, in deze Uwe Kerk neder, welke wij, onwaardigen, inwijden onder aanroeping van Uw\' H. Naam, en ter eere van het H. Kruis, aan het-
138
welk Uw met U in eeuwigheid gelijke Zoon, onze Heer J. C., voor de verlossing der wereld zich gewaardigd heeft te lijden , en ter gedachtenis mede aan Uwe Heilige Monica! Opdat, zoo dikwijls in dit Godshuis Uw H. Naam zal worden aangeroepen , degenen, die U aanroepen , bij U, ó goedertieren Heer, hunne gebeden mogen verhoord vinden.
„6 Gelukzalige en heilige Drieëenheid, die alles en allen zuiver en rein en vol schoonheid maakt! ó Gelukzalige Majesteit Gods, die alle gezamenlijke wezens tot hunne volmaking brengt, alle in stand houdt, alle ten goede leidt I ó Gelukzalige en heilige Macht Gods, die alles heiligt, alles met zegeningen, alles met geestelijke rijkdommen overlaadt! ó Heilige God der Heiligen, met een nederig en vroom gebed smeeken wij U, wil door middel van ons nederig dienstbetoon, ter eere van het heilige en allerroemvolste kruis, en ter gedachtenis aan Uw Heilige Monica, deze Uwe Kerk genadiglijk zuiveren, zegenen en wijden, door den onuitputtelijken overvloed van Uwe heiligmaking! Dat ook hier de Priesters U huideen dankoffers brengen ! Dat hier het geloovige volk zijne beloften vervulle! Dat hier de lasten van de zondaren worden weggenomen, en de gevallen geloovigen weder op het goede pad gebracht! Dat verder in deze Uwe woning, wij smeeken het U, ó Heer, door de genade van den H. Geest de zieken gezond worden, de zwakken versterkt, de kreupelen genezen, de melaatschen gezuiverd, de blinden verlicht, en de duivelen uitgeworpen!...quot;
Het oogenblik is intusschen gekomen, dat de Bisschop zich buiten tegen de kerkdeur op eenen zetel plaatst en het volk toespreekt over den eerbied en de andere verplichtingen die wij de nieuw-ingewijde kerk verschuldigd zijn; zoo b. v. de verplichting, om naar vermogen bij te dragen tot het onderhoud van het Godshuis en van de geestelijke bedienaren. De aartsdiaken leest daaromtrent twee decreten voor van het Concilie van Trente. Vervolgens spreekt de Bisschop tot hen, die de kerk hebben gesticht, gebouwd, begiftigd en om hare inwijding verzocht; Hij gelast gebeden voor hen, en maakt hen deelachtig aan al de goede werken, welke in de kerk zullen geschieden.
De Bisschop staat op, maakt met het gewijde chrisma een kruisteeken op de kerkdeur, en gaat den stoet van de geestelijken en thans ook van de daartoe gemachtigde leeken voor, om in plechtige processie de reliquieën de kerk binnen te brengen tot de plaats van het altaar. De altaartombe wordt met chrisma gewijd, en daarna het doosje met de reliquieën, benevens andere herinneringsteekenen, er in geborgen.
139
De tombe wordt met den altaarsteen dichtgemetseld, en ook deze met chrisma gezalfd. En het geheele altaar wordt nog herhaaldelijk met chrisma en gewijde olie ingezegend, alles onder het zingen van lofgezangen en het uitspreken van gebeden.
Een enkel dezer worde hier nog medegedeeld.
Na de inwrijving van de geheele altaartafel met gewijde olie, zingt het koor de Antiphone: „Ziedaar de geur van mijn\' zoon, als de geur van een vollen akker, die door den Heer is gezegend; mijn God schenke U wasdom, als aan het strand der zee; en Hij schenke U den zegen van den dauw des hemels!quot; Daarop volgt Psalm 86, Zijne grondslagen zijn op de heilige bergen, aan het einde waarvan de Bisschop, in staande houding, en met den mijter op het hoofd, het volgende gebed uitspreekt: „Op dezen steen, zeer geliefde broeders, is de olie der heilige zalving uitgegoten, en wij bidden onzen Heer, dat Hij, om er de wenschen en de offeranden van zijn volk op te ontvangen, hem zegene en wijde; en dat, wat door ons is gezalfd, in Zijnen naam zij gezalfd! Dat hij er de verlangens van ons, Zijn volk, ontvange! Dat wij er onze offers der verzoening op brengen, en zoo zeiven mogen verdienen. God als onzen Verzoener te behouden! Door J. C. onzen Heer, die met Hem en den H. Geest leeft en heerscht, God in de eeuwen der eeuwen. Amen.
Vervolgens gaat de Bisschop de kerk rond en zalft op dezelfde wijze de twaalf kruisen, welke op de binnenzijde der kerkmuren zijn geschilderd. Bij het altaar teruggekomen, voltooit Hij hiervan de wijding.
Nu worden nog de nieuwe benoodigdheden en sieraden van kerk en altaar gewijd, waarna de pontificale H. Mis wordt gezongen, en besloten met de aankondiging van de aflaten, welke den aanwezigen bij de Kerkwijding worden toegestaan.
. BIJLAGE IV.
Aanteekeningen van gfemengden inhoud.
Nadat de vorige bladzijden reeds ter perse waren gelegd , ontving ik, door de goede zorgen der Eerw. paters Augustijnen alhier, nog eenige gegevens, welke aanleiding zijn tot deze vierde Bijlage en er deels de stof toe leveren. Ook op andere punten mijner studie hadden zij mij verscheidene nuttige wenken gegeven. Gaarne erken ik dit dankbaar. Gaarne betuig ik om gelijke reden ook mijne erkentelijkheid aan den bekenden Z. E. geschied- en letterkundige H. J. Allard.
A. Eene lijst van de Prefecten of Oversten der Missie.
Hoezeer de meesten dezer oversten tevens provinciaal waren, kan deze lijst toch niet worden gelijk gesteld met die der provincialen in het algemeen, en is zij dus in dit opzicht nieuw.
1. Michael Paludanus (Van den Broecke) Gentenaar,
S. Theol. Dr., gekozen te Doornik . . . 1635
2. Ignatius Dijckerius (De Dijckere) Gentenaar,
Th. Dr.; te Gent.........1652
3. Petrus Damasus De Coninck (elders: De
Honinck) Leuvenaar, Th. Dr.; te Luik . 1655
4. Petrus De Vos (van \'t Gentsche klooster; niet
de pastoor van Utrecht) Th. Dr.; te Brussel 1666
5. Petrus Parmentier (de pastoor van Amster
dam) , van \'t Gentsche klooster .... 1673
6. Joannes Smits (elders: Smidts), van \'t Ant-
werpsch klooster; te Leuven 1678
141
7. Jacobus Willemaert, van\'t Brugsche klooster;
te Antwerpen...........1681
8......Bosserius (elders: Basserius) . . . 1684
9. Joannes Smits (2« maal), gekozen te Gent
(9 Mei 1688). .......... 1689
10. Jacobus Willemaert (2e mamp;ïd) tham provinciaal 1691
11. Mauritius Poelman (Puelman?) Gentenaar, ge
kozen te Hoei..........1695
12. Guilielmus Wijnants, Maastrichtenaar, ge
kozen te Brussel . . . omstr......1697
13. Guilielmus Wijnants, (Schijnt voor drie jaren
te zijn herkozen) omstr........1697
14. Philippus Tak (elders: Tax), van \'t Brusselsch
klooster.............1700
15. Emmanuel Ballexo, van \'t Gentsche klooster,
gekozen te Thienen........1704
16. Bernardus Mathia , (elders : Matthys), van
\'t klooster te Bree; te Mechelen .... 1707
17. Philippus Tak (2e maal), te Gent gekozen , 1709
18. Petrus Van Acker, Gentenaar, gekozen te
Brussel.............1712
19. Jacobus Van Bossuijt, van \'t klooster te
Enghien , Th. Dr.; te Antwerpen . . . 1715
20. Ph. Tak (3e maal), te Leuven gekozen . . 1718
21. Gerardus d\'Herbé..........1720
22. Ph. Tak (4e maal), thans ««/Provinciaal . 1722
23. Nicolaus Van der Reijdt (elders: v. d. Heijdt);
te Enghien...........1727
24. Petrus Van Acker (2= maal), te Gent ge
kozen .............1730
25. Gerardus Melijn, Dr. Th., van \'t Antwerp-
sche klooster; te Mechelen......1732
26. Nicolaus Van der Reijdt (2= maal), van
\'t Hasseltsche klooster; te Leuven . . . 1735
27. Balduinus De Housta, van \'t klooster te
Enghien; gekozen te Mechelen .... 1741
142
28. Thomas Du Boy, van het Dendermondsche
klooster; gekozen te Brussel.....1744
29. Lambertus de Hodeige (elders: Hordeige);
gekozen te Leuven.........1747
30. B. De Housta (2= maal), gekozen te Enghien. 1750
31. Th. Du Boy (2lt;= maal), gekozen te Mechelen. 1753
32. L. De Hodeige (2e maal), Luikenaar, gekozen
te Dendermonde..........1756
33. Antonius Loods (elders: Loodts), van\'t kloos
ter te Herenthals; te Leuven.....1762
34. Dominicus Laurijs (elders: Laureys), Ant
werpenaar; te Mechelen.......1765
35. Martinus Wouters, Maastrichtenaar, gekozen
te Antwerpen..........1768
36. Jacobus Vollaerd (elders: Vollaert), Gente
naar, gekozen te Brussel......1771
37. Josephus Jacobs, Brusselaar, gekozen te Leuven 1774
38. Philippus Van der Male (elders; v. d. Maele),
van Enghien; te Mechelen......1777
89. L. De Hodeige (8e maal), thans mV/provinciaal 1780
40. Balduinus Hosselaer, van Enghien , gekozen
te Gent.............1781
41. Joannes Van de Winckel (elders: Van (de)
Winkel), gekozen te Gent. Dr. Th. . . 1793 Parmentier (5), Bosserius (8) en D\'Herbé (21) waren niet provinciaal, althans niet volgens Keelhoff\'s lijst, ofschoon ik de twee laatstgenoemden elders als provincialen vermeld vind. — Voor D\'Herbé vind ik Gerardus Herbé. — Antonius Loods was tijdgenoot van Ludovicus Loods. — Niet onwaarschijnlijk acht ik het, dat de provinciaal Ferdinandus Achte (1790—1793) tevens ook Prefect was. — Verder volgden als Prefecten op: de P. P. Naudts, Stappershoef, De Jaeger, Van Eert. — Aangaande de volkomene juistheid der lijst is eenige twijfel geopperd, omdat er eene akte bestaat van 11 Mei 1778, waarbij Jacobus Vollaert (36) tot praefectus missi-
143
onum benoemd is. Nu vind ik in Keelhoff, dat die grootwaardigheidbekleeder 10 Mei 1778 tot provinciaal werd benoemd en, naar is aan te nemen, tevens tot prefect (2e maal). — Verder is aan te nemen, dat de nieuwe provinciaal het prefectschap overdroeg op Hodeige (39), en is dan de geheele moeielijkheid opgelost. — De Prefecten werden in het algemeen, evenals de provincialen, om de drie jaren benoemd of herbenoemd. De waardigheid werd gegeven onder de volgende voorwaarde: „Ita tamen, ut iisdem (facultatibus) nullo modo uti possit extra fines suae praefecturae, et nisi postquam Dno vicario Apos-tolico Hollandiae se praesentaverit et ab eodem licentiam in scriptis ac in calce earumdem facultatum pro suo arbitrio obtinuerit eas exercendi, et sub omnimoda deinceps ejusdem vicarii Apostolici jurisdictione subjaceatquot;. —
B. In een\' brief van Pastoor Vrees, gedagteekend 18 Juni 1849, leest men o. a. het volgende: „De eene (statie te Utrecht) is opgericht in 1636; de andere ook omtrent dien tijd, maar heeft niet langer bestaan dan tot 1679.quot; Men mag hieruit afleiden, dat Theodorus De Roy, die in dat jaar overleed, werkelijk eene eigene statie bediende, en alzoo slechts ondergeschikt was aan den primarius missionarius als zoodanig. Daarop hebben misschien ook betrekking deze woorden uit den bekenden 1 .atijnschen brief: „Maar onder het prefectschap van Ignatius De Dijckere ontving hij van den Doorl. Heer Apostolischen Vicarius de machtiging tot het uitoefenen van alle herderlijke bedieningen, en werd hij dus in den vollen zin missionarius.quot; — Ook Jorritsma, in het vermelde handschrift, gebruikt deze stellige woorden: _____
althans er waren twee Missionarii, die ieder hun eigen Domicilium haddenquot;.
C. Er bestaat een onderteekend stuk, gedagteekend 14 Februari 1765, waarbij de Prior Provincialis Laurijs „den Roomschen priester, Bernardus Hasweg , geboortig van Amsterdamquot;, afvaardigt naar den Raad van Staten
144
te Horen (Hoorn), opdat hij door hen „zou worden erkend ende mogen voortgaen in zijne kerkelijke diensten als Pastoor te Nieuwendam, in de plaats van den overleden Paulus van der Meeren, ook Roomsch priester.quot; — Verder vind ik nog in Keelhoff melding gemaakt van Martin us van Aultere, uit het klooster te Gent, geboren 1657 , geprofest 1677 , priester gewijd 1681, overleden 9 October 1694. Hij was baccalaureus, professor der wijsbegeerte te Gent, der godgeleerdheid in de abdij der Reguliere Kanunniken van Corsendonck, en subprior te Maastricht. In deze laatste stad stond hij bekend als vroom priester en gevierd redenaar. Op last van den Generaal-overste ging hij als missionaris naar Nieuwendam. Hij was bezig met daar eene kerk en woning te laten bouwen, toen hij aan eene kortstondige ziekte bij de paters te Amsterdam overleed. Nog spreekt Keelhoff van Franciscus Van der Meeren, als missionaris gestorven te Nieuwendam 5 Februari 1765, te Gent geboren, geprofest, en priester gewijd in 1711, \'31 en \'35. Misschien is het verschil tusschen Franciscus en Paulus te zoeken in den familienaam en den kloosternaam.
D. Volgens Keelhoff was de jeugdige, maar geleerde en ij verige priester, Ludovicus Mattheessens ook pastoor te Amsterdam, maar dan klaarblijkelijk in Den Posthoorn, daar destijds pastoor Munnixhove in de andere statie was. Geboren te Mechelen 1697, geprofest te Gent 1717, priester gewijd 1720, professor te Gent in Letteren en Wijsbegeerte, overleden 2 Juni 1734 bij eene missie te Maastricht, midden in eene preek over de Gaven van den H. Geest. — Pastoor Van Putthem was te Amsterdam te voren reeds 32 jaar een ijverig missionaris geweest. Te Gent geboren, geprofest, en priester gewijd in 1684, 1704 en \'08. Overleden 7 December 1738, door iedereen bemind en beweend. — Pastoor De Grauw (elders: De Graauw), was eenige jaren professor geweest te Gent, en aldaar geprofest en priester gewijd in 1756 en \'58.
145
Te Amsterdam geboren 1734, overleden 18 October 1780. —
E. Te Groningen arbeidde gedurende zestien jaren, en stierf den 7dcn September 1701, de beroemde professor en prediker Carolus De Backere, van het Gentsche klooster, S. Theol. Doctor te Rome, geboren 1632, geprofest 1652, priester gewijd 1657. — Te Bodegraven stierf den 7lt;len Augustus 1724 als pastoor Hierónymus Van Damme, van het klooster te Gent, geboren 1669, geprofest 1688, priester gewijd 1693; eveneens den Isten Februari 1767 Joannes Van Branteghem, geboren, geprofest en priester -gewijd in 1689, 1708 en \'13, te Gent.
F. Ook de tegenwoordige parochie van Buitenveldert (gemeente Nieuwer-Amstel) , bij Amsterdam, is eertijds ■eene statie geweest der Eerw. Paters Augustijnen.
G. \'t Is de vraag, in hoever de naam „Flandro-- Belgischequot; provincie van het jaar 1782 dagteekent of na •dien tijd met juistheid is gebruikt. Immers in een tamelijk officiéél handschrift, dat evenwel in onze eeuw is geschreven, vind ik van Michael Paludanus, die in veel vroegeren tijd regeerde (1634—\'37), dus in den tijd van de provincia Coloniensis-Belgica, de volgende titulee-ring aangeteekend: „Prior Provincialis Provinciae Flandro--Belgicae, et Missionum per federatas Belgii Provincias praefectus Apostolicusquot; (Provinciaal der Flandro-Belgische provincie, en Apostolisch Prefect der Missiën in de Vereenigde Nederlandsche Wingewesten.)
H. Het jaar 504, vier en zeventig jaren na het heilig afsterven, is aangenomen als dat van de overbrenging der Relieken naar Sardiniü. Door anderen wordt het jaar 486 of 495 of 505 opgegeven. Daar nu vrij algemeen wordt aangenomen, dat de overbrenging geschiedde onder Trasamond (497—524), zijn de twee vroegstejaar-getallen niet aannemelijk. Misschien echter heeft het stoffelijk overschot slechts tot dien tijd in de Stephanus-kerk genist en is het later elders bewaard. Sommigen
146
schrijven, dat die Wandaalsche Koning de bisschoppen afvaardigde, om de H. Overblijfselen naar Europa over te brengen. Doch dewijl het van hem niet wordt weersproken, dat hij een hevige vervolger der Katholieken was en o. a. tweehonderd twintig bisschoppen uit zijn roofgebied verbande, is het waarschijnlijker dat de kostbare schat geheel tegen zijnen zin door de ballingen is medegenomen. Fulgentius, die aan hun hoofd stond, was bisschop van Ruspa. Gesproten uit eene patricische familie van Carthago, had hij het Ordekleed van den H. Augustinus aangenomen. Zijn feestdag wordt in de Augustijner-orde gevierd den negentienden Januari.
I. De H.H. Martelaren van Gorkum , Reguliere Kanunniken, zijn: Joannes van Oosterwijk, Jacobus Lacopius van Oudenaerde, en Adrianus van Hilvarenbeek. Beide laatstgenoemden waren van de Orde van Premonstreit; eerstgenoemde — Reguliere Kanunnik van het klooster te Brielle, hetzelfde dat de schouwplaats was der marteling. Dat klooster heette Rugge, en was toegewijd aan de H. Elisabeth.
J. Werd te bekwamer plaatse verwezen naar de schoone bladzijden, over Augustinus\' bekeering geschreven door den Eerw. Heer M. Kallen, een gelijk bewijs van waardeering — een gering bewijs — is ook nog te brengen aan »Ecn Heuglijk Paaschfeest, bladzijden uit het leven van een groot Bekeerling, door J. R. Van der Lansquot;\' eene Paaschvertelling in de Kath. Illustratie (14 jaarg. 1881 n°. 31 en 32, bl. 242 en 243, en bl. 251 tot 256). In overeenstemming met den titel, is de belangrijke stof, naar den trant van een romantisch verhaal en den boeien-den stijl des talentvollen Schrijvers, nagenoeg in iederen regel schoon en treffend uitgewerkt.
K. Over enkele Noordnederlandsche bijzonderheden, de Augustijner-Orde betreffende, moge nog het een en ander worden ontleend aan Lanteri.
„De Eerw. Joannes Van der Geest, uit eene aanzien-
147
]ijke Belgische familie gesproten......muntte uit door
geleerdheid en heiligheid. In het jaar 1374 bezorgde hij zijn Leuvensch klooster een zeer kostbaren schat, t. w. eene H. Hostie, die zichtbaar in vleesch was veranderd , toen een misdadig persoon haar in niet nuch-teren toestand had willen nuttigen. Hij had haar medegebracht uit Middelburg, de hoofdstad van Zeeland, die destijds in het geestelijke afhankelijk was van den Aartsbisschop van Keulen. Hij was van dezen de zielsbe-stierder. Door een nieuw wonder was de H. Hostie in twee deelen gescheiden; het tweede gedeelte werd door hem naar Keulen overgebracht.quot; Uit deze mededeeling zou men mogen afleiden, dat pater V. d. Geest in het Middelburgsche klooster werkzaam was; en vooral ook, (ofschoon zulks moeilijker te begrijpen is), dat de H. Hostie daar niet is gebleven, zelfs niet een gedeelte.
„Petrus Schenkelius, de zoon van Anton ius, den beroemden geneeskundige, was lid der Orde van de Augus-tijner-Eremieten. Hij weid geboren te \'s-Hage in het jaar O. H. 1604, en muntte uit door buitengewone geleerdheid. Men wist overigens niet, wat méér te bewonderen : zijn vluggen geest, zijne vloeiende taal, of zijne even beminnelijke als zuivere zeden. Hij was zeer bekwaam in de beide letteren en een uitstekend verkondiger van Gods woord. Te Spiers was hij prior van zijne ordebroeders. Twee zijner werken zijn [vooral bekend] : Directorium juridicum \\Juris Poniificii] en Fx-planatio terminorum in Franc. Tol, to orcurrtntium [Antw. 1638]. Aldus lezen wij in Athenae Belgicae van Franc Swertius. Door Jo. Fr. Foppens wordt hij geroemd als godvreezend man, beroemd prediker, en Doctor in de
H, Godgeleerdheid..... Andere geschriften zijn: Eluci-
dationes locorum difficiliorum Senecae et Horatii; Conciojtes dominicales, tom. 2 [Antw. 1657] \\ Philomela mystica, sive canticum „Bevedicitequot; explanatum, et raris acjucundis historiis instructum [Brussel 1660, in 12°].quot; — Volgens
148
Keelhoff werd hij geboren in 1594, geprofest te Gent in 1616, priester gewijd in 1619, en overleed hij teMechelen in 1675. Ruim veertig jaar was hij prediker.
„Bonaventura Moors^ Hollander, beroemd prediker, gaf in 1713 in druk een uitmuntend Latijnsch werk: lux evan-gelizaniium e sacris pratsertim litteris, M. Augustini alio-rnmqu! Patrum testimoniis refulgens in omnes totius anni Dominicas. Verder: De catechismus der Calvinisten, in het Vlaamsch 1698; Eenige werken tegen sommige ketters, hoofdzakelijk ter verdediging van het leerstuk over het Vagevuur, in het Hollandsch; Meditationes in pas-sionem Dni nostri J. C., en andere.quot;
,Joannes De Hollander, Belg van geboorte, leefde in de zeventiende eeuw, en was missionaris te Groningen. Als gedenkteeken van zijnen ijver liet hij een boek na met het opschrift: Doctrina Christiana bene credendi, vivendi, et moriendi. Hij wordt door Nicolaus De Tom-beur geprezen in diens Provincia Belgica Augustiniana.quot;
„Petrus De Vos, gesproten uit eene aanzienlijke Hol-landsche familie, was een man, uitstekend door godsvrucht, zeden en geleerdheid, die alleen leefde voor den hemel, het koor en de kloostercel. Meermaals was hij prior, en ook provinciaal, en gedurende twaalf jaren Overste der Hollandsche missie. Hij ging tot een beter leven over in 1678, het 73ste jaar van zijn leven. O. a. beoordeelde hij de gezamenlijke werken van Jeremias Drexelius S. J., en liet hen in 1643 herdrukken, 3 tom. in fol. Vgl. J. F. Foppens.quot; Volgens Keelhoff werd hij geboren en overleed hij te Gent in de jaren 1602 en 1678, zoodat hij 76 jaar oud zou zijn geworden. Te Gent ingekleed en geprofest in 1622 en \'23, priester gewijd in 1629. Hij was prior te Antwerpen, Gent, Yperen, en weder te Gent. Provinciaal 1661—1664. Nog twee broeders volgden hem in de Orde. Zij waren vermaagschapt aan de edele familie Borluut. Het is niet bekend, of de tweede Utrechtsche pastoor een dier
149
broeders was. Dat hij ook Petrus wordt genoemd, kan zijnen grond vinden in het verschil tusschen klooster-en familienaam. Dat hij te Schiedam is geboren, en te Diest geprofest, doet natuurlijk aan de vraag niets af.
Verder mogen nog de volgende bijzonderheden worden ontleend aan Keelhoff. Alle betreffen zij leden van het Gentsche Klooster.
P. Fulgentius Stevins eindigde zijne dagen als missionaris te Amsterdam 8 Juli 1710, in den leeftijd van 55 jaren, waarvan 36 als kloosterling en 30 als priester. Hij was definitor der Belgische provincie geweest.
P. Adolphus Laegeman, geboren te Amsterdam, alwaar hij een tijd lang missionaris was, overleed 29 Nov. 1750, 55 jaar oud, 36 als kloosterling, 33 als priester.
Broeder Hilarius Van Grootenhuijse, geboren te Amsterdam , overleed 21 Juli 1776, in den ouderdom van 73 jaren, waarvan hij er 43 in het klooster doorbracht. Hij wordt geroemd als een bekwaam en ijverig beeldhouwer. De meeste zijner kunstwerken zijn bij den ongelukkigen brand van 1838 verloren gegaan; o. a. het hoogaltaar, het orgel, de predikstoel, de kloostertrappen, de broederschapslijsten, enz.
De Amsterdamsche pastoor J. De Grauw was ook Amsterdammer van geboorte, en overleed in zijne standplaats den 18den October 1780, in den leeftijd van 46 jaren, waarvan 24 als kloosterling en 22 als priester. Hij was ook eenige jaren professor geweest in zijn Gentsch klooster.
P. Mattheus Alexander Frackers, geboren te Breda, werd 62 jaren oud, waarvan 29 als kloosterling, en 25 als priester. Hij was de laatste , die vóór de gewelddadige „suppressiequot;, in het Gentsche klooster overleed, den 8sten Juli 1796.
P. Adrianus De Wilde, geboren te Heusden in 1729, werd geprofest in 1751 en twee jaren later priester gewijd. Hij was de laatste subprior te Gent in den tijd
10
148
Keelhoff werd hij geboren in 1594, geprofest te Gent in 1616, priester gewijd in 1619, en overleed hij te Mechelen in 1675. Ruim veertig jaar was hij prediker.
„Bonaventura MoorSj Hollander, beroemd prediker, gaf in 1712 in druk een uitmuntend Latijnsch werk: lux evan-gelhaniium e sacris praesertim litteris, M. Augusiini alio-nnnqui Patrum testimoniis refulgens in omnes totius anni Dominicas. Verder: De catechismus der Calvinisten, in het Vlaamsch 1698; Eenige werken tegen sommige ketters, hoofdzakelijk ter verdediging van het leerstuk over het Vagevuur, in het Hollandsch; Meditationes in pas-sionem Dni nostri y. C., en andere.quot;
.Joannes De Hollander, Belg van geboorte, leefde in de zeventiende eeuw, en was missionaris te Groningen. Als gedenkteeken van zijnen ijver liet hij een boek na met het opschrift: Doctrina Christiana bene credendi, vivendi, et moriendi. Hij wordt door Nicolaus De Tom-beur geprezen in diens Provincia Belgica Augustiniana.quot;
„Petrus De Vos, gesproten uit eene aanzienlijke Hol-landsche familie, was een man, uitstekend door godsvrucht, zeden en geleerdheid, die alleen leefde voor den hemel, het koor en de kloostercel. Meermaals was hij prior, en ook provinciaal, en gedurende twaalf jaren Overste der Hollandsche missie. Hij ging tot een beter leven over in 1678, het 73ste jaar van zijn leven. O. a. beoordeelde hij de gezamenlijke werken van Jeremias Drexelius S. J., en liet hen in 1643 herdrukken, 2 torn. in fol. Vgl. J. F. Foppens.quot; Volgens Keelhoff werd hij geboren en overleed hij te Gent in de jaren 1602 en 1678, zoodat hij 76 jaar oud zou zijn geworden. Te Gent ingekleed en geprofest in 1622 en \'23, priester gewijd in 1629. Hij was prior te Antwerpen, Gent, Yperen, en weder te Gent. Provinciaal 1661—1664, Nog twee broeders volgden hem in de Orde. Zij waren vermaagschapt aan de edele familie Borluut. Het is niet bekend, of de tweede Utrechtsche pastoor een dier
149
broeders was. Dat hij ook Petrus wordt genoemd, kan zijnen grond vinden in het verschil tusschen klooster-en familienaam. Dat hij te Schiedam is geboren, en te Diest geprofest, doet natuurlijk aan de vraag niets af.
Verder mogen nog de volgende bijzonderheden worden ontleend aan Keelhoff. Alle betreffen zij leden van het Gentsche Klooster.
P. Fulgentius Stevins eindigde zijne dagen als missionaris te Amsterdam 8 Juli 1710, in den leeftijd van 55 jaren, waarvan 36 als kloosterling en 30 als priester. Hij was definitor der Belgische provincie geweest.
P. Adolphus Laegeman, geboren te Amsterdam, alwaar hij een tijd lang missionaris was, overleed 29 Nov. 1750, 55 jaar oud, 36 als kloosterling, 33 als priester.
Broeder Hilarius Van Grootenhuijse, geboren te Amsterdam , overleed 21 Juli 1776, in den ouderdom van 73 jaren, waarvan hij er 43 in het klooster doorbracht. Hij wordt geroemd als een bekwaam en ijverig beeldhouwer. De meeste zijner kunstwerken zijn bij den ongelukkigen brand van 1838 verloren gegaan; o. a. het hoogaltaar, het orgel, de predikstoel, de kloostertrappen, de broederschapslijsten, enz.
De Amsterdamsche pastoor J. De Grauw was ook Amsterdammer van geboorte, en overleed in zijne standplaats den ISden October 1780, in den leeftijd van 46 jaren, waarvan 24 als kloosterling en 22 als priester. Hij was ook eenige jaren professor geweest in zijn Gentsch klooster.
P. Mattheus Alexander Frackers, geboren te Breda, werd 62 jaren oud, waarvan 29 als kloosterling, en 25 als priester. Hij was de laatste , die vóór de gewelddadige „suppressiequot;, in het Gentsche klooster overleed, den Ssten Juli 1796.
P. Adrianus De Wilde, geboren te Heusden in 1729, werd geprofest in 1751 en twee jaren later priester gewijd. Hij was de laatste subprior te Gent in den tijd
10
150
vóór de suppressie. Na door de Fransche revolutiehelden te zijn gevangengenomen , eindigde hij zijn aardsch leven in ballingschap in 1798.
P. Joannes Baptista De Waele, geboren te Gent, stierf als missionaris te Amsterdam 11 April 1800, 43 jaar oud, waarvan 18 als priester en als kloosterling.
Broeder Petrus Steenhoff, eigen broeder van wijlen Mgr. Steenhoff, was onderkoster der Gentsche kerk en maakte zich zeer verdienstelijk door de bewerking van sierlijke kerkgewaden. Hij was een Godvree-zend kloosterling, en door zijne zachte inborst allen welgevallig. Tot herstel van gezondheid werd hij naar zijne ouders gezonden, in zijne geboorteplaats Utrecht, doch verwisselde er het tijdelijke met het eeuwige den 29sten Juli 1858, in den ouderdom van 38 jaren, waarvan 12 als kloosterling.
L. Lanteri, die de Augustijner-Orde slechts beschrijft sedert het jaar 1256 en minder gewicht hecht aan de vraag of er vóór dien tijd reeds Augustijner-Eremieten waren, acht dit toch eene zekerheid voor vier vereeni-gingen in Italië, nl. die van Insubria (Transpadaansch Gallië), Thuscia (Toscane), Picenum (Ancona, t. w. de Palmentoren) en Napels (de Montefollio); en evenzeer voor de Hispano-Lusitanische Vereeniging (Spanje en Portugal), en voor de Gallo-Anglikaansche (Frankrijk, Engeland, Schotland en Ierland). Verder rekent hij tot de Augustijner-Eremieten ook de vijf Guilielmietenvereeni-gingen, ofschoon hij erkent dat dezen door sommigen tot de Benedictijnen worden gerekend. Die van S. Guilielmus de Urbeveteri, zegt hij, hebben in 1288 werkelijk den Benedictijnschen regel overgenomen. De andere vier waren die van Sint Guilielmus in Toscane, die van De monte Fa ba li in Umbrie, en die van Duitschland en van Frankrijk. Genoemde elf vereenigingen, zoo gaat hij voort, •waren vóór 1256 de stamvereenigingen, waarbij in dat jaar werden gevoegd de Jan-Bonieten en de Brictini, en
151
later de Arme Katholieken, behalve nog vele afzonderlijke Eremietenkloosters in Europa en Azië. De Guilielmieten echter kregen nog in hetzelfde jaar verlof, om eene afzonderlijke Orde te zijn, al gingen ook eenige hunner kloosters tot de Groote Vereeniging over.
Het door Lanteri zeker geachte gevoelen wordt volgens Keelhoff bevestigd o. a. door het bestaan van Augustijner--Eremietenkloosters in de provincie Keulen en door verschillende Pauselijke Bullen. Die kloosterstichtingen zijn: Mariëndaal (759), Rhode (1042), Keulen (1162), Aken (1200), Hasselt (vóór 1236), Leuven (1236), Mechelen (1242), Brugge (1250) en Enghien (1254). De Pauselijke bullen zijn die van: Bonifacius III (607), Gregorius II (729), Leo III (796), Benedictus III (858), Joannes XII (960), Gregorius V (998), Joannes XVI (1003), Paschalis II (1101) en Anastasius IV (1154). Overigens wordt in deze stof nader verwezen tot Le Drou, Crusenius, Ossinger, Mantelius, Lupus, Pauli, Naevius, Elssius en D\'Ayneff, en naar de handschriften van De Tombeur, die voor dezelfde stof 85 schrijvers der Orde aanhaalt.
M. Lanteri rekent tot de leden der Augustijner--Eremietenorde o. a. de volgende heiligen: Gelasius Afer (Paus), Fulgentius, Possidius, Prosper Aquitanus, Alipius, Nebridius, Evodius, Navigius, (eigen broeder van S. Augustinus en trouwe reisgezel der H. Monica), Paulus Orosius, Gaudiosus en Agnellus en Adrianus (drie stichters der Napelsche Vereeniging), Primasius, de martelaren Martinianus en Saturianus (met hunne broeders), Patri-cius (Apostel van Ierland), Columbanus, Antonius martelaar, en Guilielmus Aquitanus.
N. Aangaande de Reg. Kanunniken vergelijke men ook Th. Ig. Welvaarts, vooral Abdij van Postel, Retcsel, Corsendonk, Postel, Premonslreit en Arendonk.
O. Bewust of onbewust, in welbegrepen zin is iedereen kind des tijds. Ieder ondervindt den bijzonderen invloed van den tijd, waarin hij leeft. Het eigenaardige
152
kenmerk nu van onzen tijd is dit: de strijd tusschen arme en rijke, volk en adel, kleine en groote. Een streven om de verhouding tusschen die standen te regelen. De welgezinden streven daarbij naar het herstel van de goede verhouding, van de ware Maatschappelijke orde.
De goedgunstige Lezer zal zich herinneren, hoe mijne voltooide studie over Sint Augustinus, over Zijne Stichtingen en Zijne Werken, hare aanleiding vond in de nadere ontwikkeling der Nederlandsche Augustijner-Orde, in de oprichting der nieuwe kloosterkerk met noviciaat, in de viering van het Vijftiende Eeuwfeest, in de overweging van den invloed, dien de Groote Bekeerling voortdurend heeft geoefend door zijn handel en wandel, door zijn voorbeeld en voorbede, door zijne geschrevene Werken, en niet het minst door zijne twee groote Ordestichtingen. In hoeverre nu kan dit alles gestempeld zijn door het eigenaardige kenmerk van onzen tijd? Deze vraag drong zich met meer kracht aan mij op, na de lezing van „ De Sociale Roeping der Christelijke Liefdadigheidquot;, eene verhandeling van den Wel Eerw. Heer P. B. Bruin, in de tweede aflevering van den loopenden jaargang der Studiën. En ik achtte het eene nuttige daad, alsnog mijne studie te bekronen met de mededeeling Van de beschouwingen over het kloosterwezen, welke daarin voorkomen; en eveneens, en tot nadere toelichting van de gestelde vraag , vooraf een beknopt overzicht te geven van de geheele verhandeling. De goedgunstige Lezer zelve moge hierover nader oordeelen.
(I) Wat beteekent: Sociale roeping der christelijke liefdadigheid ? (Wezen , oorzaken en redenen, aard).
De leden der menschelijke Maatschappij moeten ook werken voor het algemeene welzijn, en kunnen dit slechts door de naastenliefde. Deze is dus de voornaamste sociale (Maatschappelijke) deugd. Alzoo niets anti-socialer (on-maatschappelijker) dan het egoïsme (de overdreven zorg voor zijn eigen goed). Die naastenliefde moet worden beoefend door den arme jegens den rijke, en door den rijke jegens den arme. Laatstbedoelde, die van den rijke
153
jegens den arme, heet liefdadigheid, en is hier en thans het onderwerp der bespreking. Niet in haar geheelen omvang, doch voor zooveel betreft hare Sociale A\'ofping, hare inwerking op de Maatschappij. Zóó schoon is die liefdadigheid, dat zelfs de vijanden der Christelijke Liefdadigheid een namaaksel, „de moderne philanthropiequot; , in de plaats willen stellen. Vele modernen, o. a. Mr. Quack (vgl. De Gids Juli \'86) beschouwen haar als eene uiting dei-rechtvaardigheid , als een soort van wettige overeenkomst tusschen den arme, die diensten moet bewijzen , en den rijke , die daarvoor moet geven. Doch dit is eene dwaling. De liefdadigheid is eenvoudig eene uiting der liefde, waardoor men vrijwillig, doch onbaatzuchtig te hulp komt.
„De armen hebt gij altijd bij u.quot; Dit Goddelijk woord zal ten allen tijde door de ondervinding worden bevestigd. Aan zich zeiven overgelaten , vervallen de armen in het pauperisme, d. i. in eene ellendige armoede die zij niet weten te verdragen. Daarvoor is het eenige tegenwicht de liefdadigheid, en dat wel, gelijk straks is te zien, de christelijke liefdadigheid. Deze dus is het eenige redmiddel der groote Maatschappelijke kwaal.
De eigendom is door God ingesteld tot welzijn der gansche Maatschappij, als haar stoffelijke grondslag. Ieder heeft recht op bezit, althans van de onontbeerlijkste levensmiddelen. Maar de arme mag niet nemen , mag alleen den nood te kennen geven. Gevolgelijk — wil dit alles geen hersenschim zijn — is de rijke verplicht , om vrijwillig naar vermogen te geven tot leniging van den nood. M. a w. Ongelijkheid zal altijd bestaan. De liefdadigheid is er echter, niet om haar weg te nemen, doch minder voelbaar, minder pijnlijk te maken. Daartoe is noodig , maar niet voldoende, de zedelijke en godsdienstige troost. Ook een stoffelijk middel is noodig, nl. de christelijk geschonken en christelijk ontvangen aalmoes. Vooral noodig in den tijd, dien wij beleven. Evenzeer, als tijdens het oude heidendom, toen de christelijke Kerkvaderen zoo buitengewoon sterk aanspoorden tot de redding van de Maatschappij door middel van de aalmoes. Er moet een zeker „communismequot; bestaan, eene zekere gemeenschap van goederen; de rijke moet den rijkdom bewaren en gebruiken, niet alleen voor zich zeiven, maar ook om vrijwillig en naar vermogen aalmoezen te geven; in dien zin moet hij ook voor zich zeiven het gebruik matigen, en aldus in de armoede deelen. Waar deze waarheid niet wordt gehuldigd , daar volgt noodwendig het verderfelijke „Socialismequot;, dat haar zeer goed inziet, doch evenals den naam verkeerd toepast en met vele andere dwalingen vermengt. Waar zij wel wordt gehuldigd, daar is de rijke het beeld en de vertegen-
154
woordiger der Goddelijke Voorzienigheid. Maar dit is alleen te vinden in het christelijk stelsel.
(II) Op welke wijze is de liefdadigheid te beoefenen en de Maatschappij te redden ?
Algemeene regelen, bij het geven van aalmoezen, zijn deze: liever te barmhartig, dan te onbarmhartig te zijn; niet aan luiaards of onwilligen te geven; wel aan de velen, die niet of niet genoeg kunnen arbeiden; bij voorkeur aan naastbestaanden ; dus ook bij voorkeur aan eigene werklieden of onderhoorigen. — „Een kind is aan zijne ouders meer liefde verschuldigd dan eenen vreemde. Een vriend zullen wij eerder gerieven dan een onbekende. Volgens deze onomstootbare wet moeten wij eerder arme bloedverwanten dan arme vrienden bedenken, arme vrienden eerder dan onbekenden..... In een christelijk bestuurd huis behooren de inwonende dienstboden bij het
gezin..... In eene industriëele inrichting bestaan de
arbeiders den patroon nader dan andere lieden van denzelfden stand; het is zijn volk. Met hem vormen zij eene maatschappij, waarvan hij het gezag is, zij de onderdanen. Niet eene democratische maatschappij, die hen recht
schenkt op kapitaal, op winsten of op bestuur; maar.....
eene maatschappij, door Perin zoo teekenend genoemd de familie indwtrielle,... En al stort de patroon schatten in de algemeene armenkas, zoo hij zijne arbeiders verwaarloost, hen bij ziekte, ongevallen of ouderdom zonder meer gedaan geeft, beoefent hij niet naar behooren de liefdadigheid.quot;
Dan met deze stoffelijke aalmoes is de zaak nog niet in orde, de overeenstemming tusschen arme en rijke nog niet verkregen. Ook de geestelijke aalmoes is noodig. Voor deze bestaan de volgende vereischten; onderwijs, naar omstandigheden uitgebreid, maar vooral niet zonder ware godsdienstige opvoeding; oefening van natuurlijke deugden, als arbeidzaamheid en spaarzaamheid, maar bovenal van zedelijke en godsdienstige deugden; even noodwendig ook ware godsdienstzin bij den rijke , die de aalmoes geeft; armenbezoek; geest van offer; geest van liefde. — Voor het „armenbezoekquot; behooren ten minste eenige rijken zich te leenen. De andere rijken moeten de armenbezoekers en de goede weldadigheids-vereenigingen naar vermogen steunen. —- De „geest van liefdequot; is kort en bondig: die van liefde tot den Zaligmaker der wereld. „ Wie den Heere J. C. niet bemint, hij zij uitgeworpen!quot; Dit is en blijft het eeuwig ware woord. Christus nu heeft de armen in zijne plaats gesteld. Dus hebben wij de armen te beminnen, hen liefdedaden te bewijzen. Anders wordt de orde gestoord, ten vloek der Maatschappij. — Besluiten: Eenzijdig, om geen
155
ander woord te gebruiken, is het streven van Mr. Ker-dijk\'s Sociaal Weekbladquot;, waarbij „zedelijke verbetering en beschaving van den armequot; enkel en alleen wordt gezocht in het onderwijs, (lees: in het godsdienstlooze of ongodsdienstige of onchristelijke onderwijs). Wreed is het spel der Socialistenquot;, die tot haat tegen den rijke ophitsen en daardoor de armoede ondragelijk maken, en bovendien de aalmoes in een verdacht en valsch licht plaatsen en zoo het groote Maatschappelijke redmiddel schier machteloos maken. Enz.
(III) Is buiten het Christendom de liefdadigheid niet mogelijk?
Vele ongeloovigen doen veel goeds. „De ziel is van nature christelijkquot;, zeide reeds Tertulliaan. En overigens is de liefdadigheid ook een eisch der Natuurwet. De ongeloovigen intusschen hebben slechts een gewoon natuurlijk medelijden, en dat nog wel: ondanks hunne beginselen. Streng doorgevoerd, zijn deze doodend voor de liefdadigheid; zij zijn immers in strijd met den waren godsdienst. De eenig ware liefdadigheid, ontsproten uit den christelijken godsdienstzin, vordert offervaardigheid, offer van tijd, van genoegen, van zich zeiven; zij leeft in den dienst der armen. De beginselen daarentegen van het moderne ongeloof zijn: rationalisme (hoogmoedige aanbidding van eigen rede) en materialisme (zucht naar zingenot). De hoogmoedige wil groot wezen, wil gediend worden; de genotzuchtige is onbekwaam tot zelfopoffering. Een middel, dat beiden schakeeringen van ongeloovigen toelacht, is de weelde. Maar de arme, die haar ziet en geniet, wordt zelf weelderig. De ondervinding bewijst het.
Vele goede gebruiken van het moderne ongeloof zijn overgenomen of nagevolgd van het christendom. Zoo de liefdadigheidsinstellingen. Doch de Maatschappelijke orde wordt er niet mede hersteld, daar er de geest der ware liefde ontbreekt. Getuige o. a. de verwereldlijking der gasthuizen in Frankrijk.
Nog een ander punt is hier in \'tkort te bespreken, waarbij het gelegde toepasselijk is: £x tcngue leonem, „Aan den klauw is het wilde beest te herkennenquot;. De nadenkende lezer zal er ééne der meer bijzondere redenen in vinden voor hulde aan het kloosterwezen. En de bekende monnikenhatende betweters zullen er voor zich zeiven en voor hunne geestverwanten eene reden van diepe beschaming in moeten vinden. Het punt betreft het ijveren der moderne ongeloovigen voor de zoogenaamde Malthusiaansche leer, om op onnatuurlijke wijze de overbevolking der armen tegen te gaan. Die leer dient echter slechts om de persoonlijke en de Maatschappelijke toestan-
156
den nog ellendiger dan ellendig te maken. De klachten worden steeds bitterder, de wanhoop steeds dreigender.
(IV) Waar wordt de liefdadigheid het eigenlijkst, het algemeenst, en het voortreffelijkst beoefend?
Voortreffelijk wordt de ware liefdadigheid beoefend door de Katholieke Kerk. Verderfelijk alzoo en onmaatschappelijk is het. Haar in dien zegenrijken arbeid te bemoeielijken.
Die voortreffelijke beoefening is bijzonder gebleken in de kloosters.
De Staat heeft die taak willen overnemen, doch is daarin natuurlijk niet geslaagd. Hier gelijk elders, is de taak des Staats, de bijzondere krachten te beschermen, aan te moedigen, en aan te vullen waar zij te kort schieten. De liefdadigheid van bijzondere personen en ver-eenigingen en van hunne aangewezene leidster, de Kerk, is en blijft hoofdzaak. De Nederlandsche armenwet van 1854 is in het algemeen goed te noemen, en heeft dan ook gunstige gevolgen gehad.
Aan de werken van liefdadigheid neemt de gansche Katholieke Kerk deel. Niet slechts de Priesters. Ook de Leeken. Vooral de Vincentiusvereeniging. Deze bewijst onschatbaar veel goeds aan de armen op stoffelijk gebied^ en nog meer op zedelijk gebied. Buiten de Kath. Kerk, voornamelijk bij de goedgeloovige Protestanten, kan de liefdadigheid wel vruchtbaar zijn; doch zij is dit dan slechts in zooverre als onbewust min of meer wordt gehandeld in den , geest van den katholieken Godsdienst. De armenzorg der Kath. Kerk is het ideaal, het verhevene model. De natuurlijke reden is: dat de beginselen der liefdadigheid dezelfde zijn als die van het katholieke leven, nl. liefde en offer. Van het gebod der liefde zegt de Goddelijke Stichter der Kerk: Dit is Mijn gebod. Nergens werkt de liefdadigheid met zooveel kracht als in de Kath. Kerk. Zoozeer, dat haar wordt verweten , overdreven liefdadig te zijn. Maar dit verwijt is geheel ongegrond. De Kerk betoogt mèt de Apostelen de noodzakelijkheid en den plicht van den arbeid, en huldigt krachtdadig Paulus\' regel: „Zoo iemand niet wil werken, moet hij niet eten.quot; — „Vandaar dat de Kerk overal de armen , die kunnen maar niet willen arbeiden, van de liefdadigheid wil uitgesloten zien. Uitdrukkelijke voorschriften hieromtrent zijn te vinden in de regels voorde armenverzorging bij de oude kloosterorden.quot;
„Ziedaar de schatten der Kerk!quot; zeide de H. Martelaar Laurentius. Heerlijk woord, dat den eerbied en de liefde uitdrukt van de Kerk voor de armen! Ware eens de christelijke geest overal doorgedrongen! Wij zouden niet voor de „sociale quaestiequot; staan. —
157
En hiermede is het beknopte overzicht gegeven. Het kon niet beknopter, wilde het belang der belangrijke verhandeling eenigszins uitkomen. Men vergelijke overigens nog eene volgende verhandeling, in de derde aflevering van De Studiën, waarin door denzelfden schrijver voortreffelijk word uiteengezet de Oorsprong van den Bijzonderen Eigendom. Moge nu voor het bekende doel nog de toegezegde aanhaling volgen van de beschouwingen over het kloosterwezen 1 Men herinnere zich daarbij, dat zij de toelichting zijn van de boven kort aangeduide redeneering: De eigenlijkste en voortreffelijkste beoefening der ware liefdadigheid is die der Kath. Kerk. maar de toonbeelden, de brandpunten, de bijzondere inrichtingen zijn daartoe in de Kath. Kerk de Kloosters. Het besluit ligt voorhanden. Alleen merke men er bij op, dat de Kloosters hier slechts worden beschouwd in betrekking tot hunne armenzorg, tot hunne leniging van den lichamelijken en den geestelijken nood der armen. Niet b. v. in betrekking tot hunne vorming van Geloofsverkondigers of tot hunne beoefening en bevordering van kunsten en wetenschappen.
„Eenmaal was Europa bezield door het katholieke levensbeginsel. Toen was het als overdekt door kloosters en stichtingen, waarvan er vele, dank aan de vrijgevigheid der geloovigen, rijke inkomsten bezaten. Wat zijn die kloosters met hunne rijkdommen zwart gemaakt! Wat is men welsprekend geweest over ingeslopen misbruiken ! Velen kennen den middeleeuwschen monnik niet anders dan als een type van iemand, die een lui en weelderig leven leidt. Eene dwaasheid zou het zijn, in strijd met de geschiedenis, het bestaan van misbruiken te willen loochenen. En wie een enkelen blik geslagen heeft in de natuur des menschen. zal zich veeleer verwonderen ze niet in grooter getale aan te treffen. Maar misbruiken zijn geen argument tegen eene zaak, tenzij deze als vanzelf er toe leidt; en het is zeker, dat de kloostergeest er ver af is, misbruiken voort te brengen. Weet ge, waartoe die rijkdom diende? Om armenzorg uit te oefenen op uitgebreide schaal. Want de kloosters waren de toevluchtsoorden der armen. Godsdienstige gebouwen, kloosters, tempels, die de eeuwen konden
158
trotseeren, verrezen en gingen zonder schuldenlast, dikwijls rijk gefundeerd aan het nageslacht over. Gaarne schonk de christelijke vrijgevigheid schatten weg tot luister van Gods huis en tot onderhoud der religieuzen, niet juist met het doel om aan werkeloozen werk te verschaffen; maar omdat zij wist, dat die gelden den armen ten goede kwamen. Want men kan bijna zeggen, dat de kloosterlingen en de armen in goederengemeenschap leefden, waarbij gewoonlijk de laatsten het beste deel ontvingen. Aan die monumenten van christelijke offervaardigheid hebben latere eeuwen de schennende hand geslagen onder voorwendsel van misbruiken te bestrijden, niet ongelijk aan iemand, die om een rupsennest te vernietigen den vruchtbaren boom zelf met wortel en tak uitroeit. Zoo werden die vrome stichtingen aan hare oorspronkelijke bestemming onttrokken. In plaats van den nood te lenigen der armen, werden zij aangewend om de schulden te delgen van verkwistende rijken.....
„Nog gaan er dikwijls stemmen op tegen den rijkdom der kloosters, tegen de zoogenaamde goederen in de doode hand. alsof zij voor de maatschappij verloren waren. „Waarom dat niet liever geschonken aan de armen?quot; vraagt Judas en zijne nakomelingen. Maar van dat geslacht hebben de armen nooit voordeel genoten. Bij dien gewraakten rijkdom voeren de armen niet kwaad; het waren veeleer de goederen der armen. En zou op die wijze de Maatschappij er niet veel meer nut van gehad hebben, dan van de opeengestapelde kapitalen der naamlooze vennootschappen? „Als er ooit bezitters geweest zijn, die men niet slechts met woorden, maar ook door daden op de schitterendste wijze heeft erkend, dat zij het sociaal karakter van den eigendom tot zijn recht deden komen, dan zijn het de kloosters.quot; (Weisz. Apologie des Christenthums,) „Deze bezittingen der kloosters waren het bolwerk der oude, gezonde maatschappelijke orde,quot; zegt de beruchte Marx in „Das Kap it al.\'quot; De dagelijksche spijziging aan de kloosters van honderden armen, het huisbezoek der kloosterlingen om de ware van de valsche armen te onderscheiden en aalmoezen uit te reiken naar behoefte, de verstandigste en onbekrompenste verzorging der behoeftigen in hun stoffelijken nood, dat is nog het minste, wat de kloosterlijke liefdadigheid verrichtte. Rijker en heilzamer waren hare geestelijke aalmoezen. Het kwam niet bij hen op, de armoede te verbannen; maar zij verstonden het, de armen in het dragen er van te steunen door de liefde. Daarom namen zij de oorzaken van het pauperisme weg, maar zochten die, waar zij altijd liggen, op zedelijk gebied. Zij leerden den arme arbeiden en
159
gaven daarvan zelf het voorbeeld; en zoo voldeed hunne liefdadigheid ten volle aan hare sociale roeping.
„In de 19de eeuw schijnt de bedelmonnik iets van een anachronisme te hebben. Onze beschaafde lui voelen een zekeren afschuw voor hem. Aan de bestaande armen hebben zij reeds meer dan genoeg, wat moeten er nog vrijwillige armen bijkomen? Wac nut stichten zij? Is de benaming te hard van parasieten der maatschappij ? — Lacordaire dacht er anders over. „De sociale quaestie kan alleen door den Capucijn worden opgelost,quot; zeide hij. Want waarlijk hun sociale invloed is machtig, al heeft hij geen schittering in de oogen der wereld. De vrijwillige armoede, dat geheel eigenaardige sieraad der katholieke Kerk, plaatst degenen, die haar omhelzen, als tusschen-personen tusschen de uiterste standen der maatschappij. Dikwijls zoons van aanzienlijke ouders prediken zij door hun voorbeeld aan de rijken, dat zij zich niet ongeregeld aan hunne schatten moeten hechten, aan de armen, dat zij met hunne armoede tevreden moeten zijn. Door de armoede vrijwillig tot hun deel te kiezen, nemen zij de niet vrijwillige armen tot hunne broeders aan, met wie zij de giften deelen, die zij zelf ontvingen. De onbaatzuchtige liefde, waarmede zij dit doen, vergemakkelijkt voor den rijke de liefdadigheid en schenkt aan hunne aalmoes een hoogst zedelijken invloed op den arme. Niet ingenomen door zorg voor eigen huisgezin, noch gedrukt door den last van geld en goed, geven zij zich met volkomen toewijding van. hun ganschen persoon over aan het geluk van anderen. Bij de grooten toegang hebbend om hunne waardigheid, van de kleinen het vertrouwen genietend om hunne armoede, herstellen zij den band tusschen die twee standen. Het woord van Lacordaire bevat dus wel waarheid. Welnu die vrijwillige armoede is alleen mogelijk in de katholieke Kerk,
„Meer verschooning voor het oordeel onzer eeuw vinden de congregaties, uitsluitend voor liefdewerken ingesteld. Men moet ook maar een enkelen keer een hospitaal, een krankzinnigengesticht, een huis voor verlaten kinderen, of iets dergelijks hebben bezocht om te erkennen , dat daar de liefde en de offervaardigheid opgevoerd zijn tot heldhaftigheid. Wie zijn die heldinnen, die dag en nacht haar gansche leven lang de zieken en armen verzorgen en hun de walglijkste diensten bewijzen; en dat zonder dank te vragen, zonder zelfs haar naam bekend te maken ? Het zijn geen personen, die nergens elders terecht kunnen; maar juist de edelste krachten der maatschappij, dikwijls de fijnst opgevoede jongedochters, die van natuur af-keerig zijn van het gezicht der menschelijke ellenden; maagden, die van de wereld alles hadden kunnen ge-
160
nieten, maar die zich bij het ziekbed der armen gelukkig voelen. Wanneer buiten de katholieke Kerk iemand opstaat in alles gelijk aan eene liefdezuster , dan wordt haar naam wereldkundig gemaakt, en zij verdient inderdaad ieders hulde. Maar in de Kerk is het niet een of ander individu , maar is het een stand, waartoe duizenden toetreden, veelal na overwinning van allerlei moeilijkheden. Men kan de liefdezusters verdrijven , maar vervangen niet De Protestanten doen edelmoedige pogingen om de katholieke Kerk hierin na te doen. En grooten lof verdienen hunne diakonessen en zooveel andere waarlijk liefdadige personen onder onze andersdenkende medechristenen. In hun arbeid is het christendom te herkennen. Daarom werken zij niet tevergeefs. En hoe meer liefde en opoffering hunne liefdadigheid kenmerkt, des te vruchtbaarder en heilzamer zal zij zijn voor de maatschappij. Met dat al zijn echter die diakonessen onze liefdezusters niet, blijft die instelling eene nabootsing. In de beoefening der liefdadigheid is de katholieke Kerk niet te evenaren.
„Wij [de schrijver der Studiën] kunnen aan de verzoeking niet weerstaan eene bladzijde over te schrijven uit het voortreffelijk werk van Mgr. von Ketteler. Did Arbeiterfrage und das Christenthum. ,.„De onuitputtelijke middelen van armenverzorging, die in alle deelen der wereld verzameld zijn, evenals de tallooze ziekenhuizen, armenhuizen, gestichten voor oude en gebrekkige lieden, zijn ondernomen en gesticht door de christelijke liefde en door den geest van het christendom. Op deze christelijke kapitalen en christelijke stichtingen teert ook nu nog onze eeuw, al heeft zij er ook den oorsprong van vergeten, het beheer daarvan aan de Kerk onttrokken en het daarentegen aan vijanden van het christendom en de Kerk in handen gegeven. Het is eene lievelingsbezigheid der heerschende partij van het liberalisme, al die ontzaglijke geldmiddelen, welke de Kerk in Europa voor armenverzorging verzameld heeft, meer en meer van haar af te nemen en iedere herinnering aan hun oorsprong uit te wisschen. Slechts in één opzicht blijven zij onafscheidelijk met de Kerk en het chistendom verbonden , namelijk met betrekking tot de kracht, die ze in het leven riep. Het voorchristelijke heidendom kende geen inrichtingen voor den arbeider, die niet meer tot werken in staat is; men liet hem in ellende vergaan. Waar echter het moderne heidendom zulke inrichtingen geschapen heeft, daar ontving het den stoot daartoe van het christendom. Zijn eigen geest vermag het niet, of slechts onder bijzondere omstandigheden, in enkele gevallen, in zekeren zin om het^christendom concurrentie aan
161
te doen. Zoo zal het ook in de toekomst blijven. De ware verzorging voor den afgewerkten arbeider zal altijd van de Kerk uitgaan en van diegenen, die in de Kerk en van Christus den geest der ware naastenliefde ontvangen hebben. Wee den tot werken ongeschikten arbeider, als het mogelijk ware den invloed van het christendom en van de Kerk te vernietigen! Hij zou weldra weder in dien jammervollen toestand zijn, waarin hij zich vóór het christendom in de gansche heidensche wereld bevonden heeft.
„„Het christendom zorgt echter voor den afgewerkten arbeider niet alleen door stichting van armenfondsen en allerlei armeninrichtingen, maar in het bijzonder ook daardoor, dat het door de kracht zijner bovennatuurlijke liefde menschen beweegt zichzelf, hun leven, al hunne krachten aan den dienst der arme arbeiders in die inrichtingen te wijden. Veel gewichtiger dan de opneming van hulpelooze arbeiders in zulke huizen is voor hen de behandeling en verpleging, die zij daar vinden. Daar zijn slechts twee doeleinden mogelijk, welke zij , die de verpleging in zieken-, armen- en invalidenhuizen op zich nemen, op het oog kunnen hebben. De eenen beschouwen de aanstelling en de werkzaamheden in zulke inrichtingen als een kostwinning. De nederige diensten komen in dit geval neer op dienstboden, die zich in bedoelde huizen met hetzelfde inzicht verhuren als in andere dienstbare betrekkingen en die voor loon hun dienstwerk verrichten. Dewijl nu het werk in die huizen veelal uiterst zwaar, walglijk en dikwijls met alle natuurlijk gevoel strijdig is, zoo is het noodzakelijk gevolg, dat de beste dienstboden de voorkeur geven aan den veel meer opbrengeriden en aangenamer dienst bij goede welgestelde families; zoodat die inrichtingen het dikwijls met de slechtste en ongeschiktste loondienaars en loon-dienaressen doen moeten. De nadeelige gevolgen van dezen toestand heeft dan de arme arbeider te dragen. — De anderen wijden zich aan dezen dienst toe, niet om het loon, maar om de christelijke liefde. Zij hooren grooten-deels in een stand thuis, die hen van den aftobbenden arbeid van dienstboden vrijhield; zij kiezen echter vrijwillig dezen arbeid en juist in zulke omstandigheden, waaraan andere dienstboden zich onttrekken, om de hoogste beweegredenen, die een mensch leiden kunnen, uit de onbaatzuchtigste christelijke liefde, die in den arm-sten, hulpbehoevendsten arbeider een medebroeder en broeder van Jezus Christus erkent en bemint. Het ligt voor de hand en behoeft geen verder betoog, welk een invloed zulk eene gezindheid op de gansche behandeling der hulpbehoevenden moet uitoefenen in vergelijking met
162
die verpleging, welke alleen van loondienaressen uitgaat. Deze soort van verzorging der arme arbeiders kent echter alleen en uitsluitend het christendom en wel het ware christendom, dat in het geloof aan den Zoon Gods zijn voedsel en zijn goddelijke kracht heeft. Het humanisme kan de christenlijke naastenliefde met betrekking tot aalmoezen en tot oprichting van armengestichten tot zekere hoogte nadoen; maar de naastenliefde, krachtens welke de mensch zichzelf met zijn eigen leven aan den armen arbeider als dienstbode aanbiedt, als het ware de knecht wordt van den armen, kranken knecht, deze staat er op eene onbereikbare hoogte boven. De Kerk heeft ten allen tijde en ook in onze dagen tallooze ledematen in alle deelen der wereld, die, gesproten uit de hoogere standen, vrijwillig zich tot dienstknechten en dienstmaagden gemaakt hebben van den hulpbehoevenden arbeidersstand, en hun gansche leven dag en nacht aan dit zware beroep toewijden. Zij kan er elk oogenblik duizenden oproepen en noemen, die zoo den arbeidersstand dienen, terwijl alle krachtsinspanningen der humaniteit van de gansche wereld bij elkaar genomen nog niet aan één mensch de kracht der liefde tot zulk een levenswijze hebben ingestort, niet één broeder van barmhartigheid, niet één liefdezuster hebben voortgebracht. Zij kunnen den arbeider alleen den loondienaar en de loondienares aanbieden.quot;quot;
L. D. M.
INHOUD.
Bladz,
Voorbericht (Plan der Studie).......3
De H. Atiausiinus, Zijne Stichtingen en Zijne Werken 5
(I) Inleiding (Plan van dit deel). — Augustinus\' jeugd, aanleidingen tot zijnen val en tot zijne bekeering. — (II) Hij wordt kloosterling, ordestichter, priester, bisschop. — Invloed door zijne werkzaamheden, voorbeeld en voorbede. — (III) Invloed door zijn voorbeeld (vervolg); invloed door zijne twee Ordestichtingen, die der Augustijner-Orde en die der Reguliere Kanunniken. — (IV) Over de Reg. Kanunniken en Kanunnikessen in het algemeen, en over die van den H. Augustinus in het bijzonder. —
(V) Verschillende Vereenigingen van Rag. Kanunniken en Kanunnikessen, hoofdzakelijk in Europa. —
(VI) Over die van Nederland (Norbertijnen, Kruis-heeren . Windesheimers). Invloed van Augustinus\' Kloosterregel (o. a. bij Dominicanen, Servieten. Hieronymieten, Brigittijnen , Theatijnen, Barnabie-ten, de Orde van den H. Joannes de Deo, ürsulienen, de Orde van O. L. Vr. Visitatie, die van O. L. Vr. Presentatie, die van de Eeuwigdurende Aanbidding, enz.) — (VII) Invloed van Augustinus\' Geschrevene Werken in het algemeen. — Over het beroep van ketters en scheurmakers (Lucidus, Calvijn, Luther, de Jansenisten) op die Werken. - (VIII) Over die Werken in het bijzonder. Wijsgeerige; Godgeleerde (leerstellige; leerstellige verdedigingsschriften ; leerstellige twistredenen tegen de Manicheërs en de Pris-cillianen, tegen de Donatisten, tegen de Pelagianen, tegen de Semi-Pelagianen, tegen de Arianen). — (IX) Godgeleerde (vervolg): Verklaringen van het Oude en Nieuwe Testament; Zedekundige werken; Pastoraal. — Redevoeringen. — Brieven. — (X) Aantal der werken; verlorene. — Bronnen voor de werken, alsmede voor de Levensgeschiedenis. —
164
Bladz.
(XI) Aanhalingen uit de Werken; over de H. Drieeenheid , de H. Menschwording, de H. Moedermaagd, de H. Kerk, het H. Doopsel, de H. Eucharistie, de Weduwen en Weezen, de Manicheêrs, de H. Schrift en Overlevering , de Apocrieve boeken. — Getuigenissen van Eergier, Mgr. Rijkers, Martinus V, Leo XIII. — (XII) Bijzondere verhandelingen over De Belijdenissen en De Stad Gods.
De Nieuwe Bijkerk der Parochie van den //. Augus-tinus te Utrecht.............82
Aanleiding tot het stichten der Kloosterkerk met Noviciaat. — Plan van dit deel. — Beschrijving der Kerk.
De Augustijmr-Orde (Geschiedk, bijzonderheden) . 94
Over de Utrechtsche Stichtingen. De tegenwoordige parochie, eerst statie in de Jerusalemsteeg, toen in de Heerenstraat, later op de Oude Gracht (de Paters De Carnoncle en Stas). Het vroegere en tegenwoordige Noviciaat. Nieuwe bijkerk met Noviciaat en Studiehuis. — Meer algemeene geschiedenis der Augustijner-Orde. Augustinus kloosterling en ordestichter. Verband tusschen de tegenwoordige Augustijnen en de eerste AfrikaanscheVereenigingen. Vóór 1256. Na 1256. De Barrevoeter-Augustijnen. Redeneering over den oorsprong der Orde. De H. Patricius Augustijn. -- Augustinessen. — De Derde Regel.— Verliezen , vooral in vorige eeuwen. — Aanwinsten vooral in deze eeuw o. a. Filles de la Croix en Zusterkens der Armen. — Over de tegenwoordige inrichting der Orde, keuzen van Oversten. — Tegenwerpingen. — Roem der Orde; Heiligen en Zaligen; Geleerden en grootwaardigheidbekleeders.
Bijlage 1. De Augustijner-Orde in Noord- Nederland 117
Kloosters te Maastricht, Dordrecht, Middelburg, Appingedam, Haarlem, Enkhuizen, Zierikzee. Statiën te Amsterdam, Bodegraven, Breda, Groningen, \'s-Bosch, Nieuwendam, Nijmegen en Utrecht. Bijzonderheden over Amsterdam (De Posthoorn, de Star) en over Nieuwendam. — Augustinessen te Dordrecht, Simpelveld, Deursen, Ravestein en St.-Oedenrode.
Bijlage 11. Tijdkundig overzicht van de Geschiedenis der Utrechtsche Statie.........128
De Pastoors: De Roy, Brems, De Vos, Van Wamel, Van Hove, Zenith, Matthei. DeMunck, Van Crom-brugghen, Loots, De Carnoncle, Stas, Butot, Stappers-hoef, Jorritsma, Van Sleeuwen, Van Eert.—De Ver-eeniging der Zakbroeders of der Penitentie van J. C. —
165
Bhidz.
De „Heerenstraatskerkquot;. — Twee Jerusalemkloos-ters en de Jerusalerasteeg. — Het St.-Agnesklooster.
Bijlage III. Over de Plechtigheid der Kerkwijding. 135
Bijlage IV. Aanteekeriingenvan gemsngden inhoud. 140
Lijst van de Oversten der Missie; hunne waardigheid. — Over de tweede Utrechtsche Statie. — Augustijner-Statie te Nieuwendam vóór 1765 en vóór 1700. — Pastoors te Amsterdam, Groningen en Bodegraven. — Augustijner-Statie te Buitenveldert. — Over den naam Flandro-Belgische Provincie. — Over den tijd der overbrenging van Augustinus\' H. Relieken. — H. Martelaren van Gorkum, Reguliere Kanunniken. — Nog twee geschriften over Augustinus\' Bekeering. — Nog eenige Noordnederlandsche Ordeleden: Van der Geest, Schenkelius, Moors, De Hollander, Petrus De Vos, Stevins, Laegeman, Van Grootenhuyse, De Grauw , Frackers, De Wilde, De Waele, Steenhoff. — De Augustijnen vóór 1256 — Oudste heiligen der Augustijner-Orde.— Welvaarts. — Over de Kloosters als bronnen van christelijke liefdadigheid en daardoor van het eenige geneesmiddel der tegenwoordige Maatschappelijke kwaal.
VERBETERINGEN.
Men gelieve te lezen: (BI. \'J midden) Ook de treffende schoonheid van den Ambrosiaanschen kerkzang, en bijzonder de bekeering en (BI. 12 wonderbare gevormdheid (BI. 14 »/.) [de Pelagianen] (BI. 15 m.) Hij deinst niet terug. (BI. 16 onder) daden der Wandalen (BI. 17 b.) Zij werden zelfs door dezen geëerbiedigd. (BI. 19 o) sedert kort (BI. 20. i.) trouwgeloovige (BI. 27 lt;5.) van den berg Sint Eligius te Arras, en van St. Aubert in (BI. 27 m.) van den H. Mauritius (BI. 28 m.) te Lune-ville (BI. 35 w.) in kleinen getale (BI. 43 o.) met beide handen grijpen in dien (BI. 49 f.) met de Vergadering (BI. 49 o.) de opvolger van Emeritus (BI. 52 i.) IX. (BI. 54 m.) d. i. tot (BI. 59 o.) Kirche, (Tübing. theol. Quartalschrift, 1849) (BI. 00 m.) Momimentum aere peren-mus (BI. 61 o.) van het huwelijk, (BI. 71»\'.) geschreven voor jongelieden (BI. 74 o.) mijne ziel tegenwoordig (BI. 78 o.) wonderbare werk, (BI. SO i.) Hij, die denker, (BI. 86 o.) met de sluitgevels der (BI 96 o.) op den vijfden Zondag na Driekoningen (BI. 96 o.) in eere mogen blijven : (BI. 97 i.) H. en J. en J. L. Meijland (BI. 97 i.) G. Van Rossem (BI. 98 i.) uitvoeriger melding van te maken (BI. 101 o.) of de tegenwoordige? (BI. 106 o.) Dienaar Gods was (BI. 107 i-) gevangengenomen (BI. 108 ??J.) dat hare leden kloosterlingen waren; (BI. jll 6.) Alleen de leden der twee (BI. 111 i.) daar die der beide (BI. 111 /gt;■) De Orde der Visitatie werd (BI. 111 ot.) hare stichting (BI. 113 »«.) waardigheidbeklee-ders (BI. 115 m.) dan zou hij zulks eveneens (BI. 115 o.) de Orde kweekte (BI. 116 6.) de Prelaten en de Geleerden (BI. 120 b. en elders) de kerk bestaat [niet de Kerk] (BI. 124 b.) van den laatsten (BI. 129 o.) (elders; Van Crombrugghe of Van Crombrugge) , (BI. 132 »«.) J.
Van Eert......te Gent in 1868 (BI. 133 o.) wasjan
Carel Reijkse, en na diens dood Willem Reijkse , zijn zoon. (BI. 139 ff*.) Dat Hij er de verlangens (BI. 140 m.) tevens provincialen waren (BI. 155 o.) kloosterwezen en aan het celibaat (BI. 164 o.) te Dordrecht, Weert,