i
AO.
rquot;~r _„r
\'r\'i.f
AMSTERDAM,
Ui T GA V K van A. RÓSSING 1 8 8 0.
CTT
;,v\'. ■ ——
T. oct.
-/ ê * / 3 3*7 /
JAC. T. GREIN
LONDEN,
Ellende en Weelde.
Johnsen de Opiumschuiver. In de „Jolige Zeeman.quot;
Home! Sweet Home!
Arm druppeltje.
De Wisselwachter.
Theems Idyllen. Millie, enz.
AMSTERDAM, Üilgave van A. RÖSS1NG, 1 8 8 9.
Aan
Mijne Moeder Mevrouw Frances Grein te
Parijs
met de betuiging mijner innige
VLEÊRMUIS-TOCHTJES DOOR LONDEN,
i.
JOHNSEN DE OPIUMSCHUIVER.
\'t Was niet op \'t Rütli, noch minder in \'t jaar Onzes Heeren 1307.
Toch sloegen drie mannen de handen ineen, zwoeren houw en trouw, en beloofden de taak, die ze op zich genomen hadden, te volvoeren, trots alle mogelijke hindernissen en perikeltjes, die ze ontmoeten zouden.
\'t Was een vreedzame coalitie, die daar gesmeed werd, in een gezellig salonnetje, waar \'t knappend haardvuur het ondernemend drietal van buiten verwarmde , terwijl de onvermijdelijke brandy en soda voor den binnenkant zorgde : \'t Besluit viel om de verborgenheden van Londen te gaan doorsnuffelen.
1
2
Mijn twee vrienden en bondgenooten waren frères en compagnons met de heilige Hermandad, geen nood, we zouden behoorlijk geëscorteerd ons nachtelijk strooptochtje ondernemen.
Dus Donderdag dan! We moeten er geen gras over laten groeien.
Allright! Donderdag!
Een man .... een man.
Paf! daar klapten drie handslagen.
Schwamm drüber! galmden drie kelen.
De zaak was bezegeld.
* *
*
Een stevig souper in de maag, geen waarde behalve een handvol schellingen in de zakken eener voor de gelegenheid uitverkoren oude pantalon, een versleten jasje aan, en een oude flambard op, aldus toegerust verlieten we de fabriek mijner vrienden te Bethnal Green in \'t hartje van het ooster gedeelte der stad.
Klokslag tien uur werden we opgewacht door een po-litie-agent in burgerkleeding, en na nog een hartverster-kingje, togen we naar de „fijne buurtquot;.
Naarmate we langs de donkere, vuile, slibberige straten schoven, begon onze nieuwsgierigheid te groeien, we zagen kind noch kraai, enkel huizen, \'t een al onooge-lijker dan \'t ander, in het flauwe schijnsel der lantaarns, dwaallichtjes in die zee van donkerheid.
Hoe is \'t? vroeg een onzer ietwat ongeduldig.
Ginds aan den hoek der straat wachten ons nog twee
JOHNSEN DE OPIUMSCHUIVER.
detectives! zei de agent. Ziet ge dien ouden ? dat is de baas van de beruchte Ratcliff Highway, daar is geen krot zoo gemeen, of \'t staat voor hem open, geen boef, hoe gevaarlijk ook, durft hem aan, en hij is de eenige die bij arrestaties door Jan Rap en zijn maat wordt terzij gestaan.
We begroetten de heeren, joviale welopgevoede mannen, die gaarne onder \'t marcheeren verhaaltjes uit hun praktijk ten beste gaven.
De stegen werden nauwer, de bestratingen slechter, de weinige gestalten die we tegenkwamen geheimzinniger.
Een enkele in lompen gehulde arme duivel mompelde het woord „Gentlemenquot; plus een vloek tusschen zijn tanden , een enkel halfdronken vrouwspersoon sprak ons aan, doch toog ijlings verder als ze den ouden detective herkende.
Verder was \'t stil.
Voor een bouwvallige spelonk, achter wier half ruiten-looze vensters zich \'t schijnsel eener lamp op kersroode gordijntjes afspiegelde, stonden we stil.
Dat was een echt dievenhol, begon de nestor, een asyl voor al \'t schorremorrie, dat door de politie werd achterna gezeten. Daar boven aan dat raam zat \'s avonds altijd een kerel op de loer, hij had een eind koord in zijn hand dat op vernuftige wijs met de deur in verbinding stond, zoodra een stuk wild, zoo noemen wij de achtervolgden, voor \'t huis stond, en door een tik op de deur ingang begeerde, dan trok de wachter aan zijn touw, de deur vloog open en sloot zich als een muizenval achter den vluchteling. Eenmaal binnen waren ze
3
JOHNSEN DE OPIUMSCHUIVER.
veilig, want \'t huis staat in gemeenschap met een paar achterstraten , waar zelfs de politie moeielijk binnendringt.
Maar \'k h^b ze gesnapt! \'k zelf verkleedde me als boef d. w. z. zoo haveloos als maar mogelijk, tikte op de deur, en sneed op \'t oogenblik dat ze openging het touw door en toen was het mechanisme voor een avond onbruikbaar. Ik bleef in de buurt op de loer en, als de vogel aan de kooi pikte, werd hij in plaats van in de kooi gelaten, in de knip mijner handboeien gevangen en naar Nro: zeker getransporteerd, \'k Heb die luidjes die poets zoo dikwijls gebakken, dat ze eindelijk den strijd tegen me opgaven en die gemeene dieven-bak is nu een zoo — zoo fatsoenlijke slaapsteê geworden.
,,Nu oppassen hoor!\'\' heette het een eindje verder, en we werden door een reeks van enge gangetjes geleid, die ons eindelijk naar een slop voerde, waar een paar ellendige huisjes stonden.
Voor een ervan hielden we stil.
„Klop, klop! Wie daar? klonk \'t van binnen?quot;
„Goed volk, mr. X en 5 gasten.quot;
„Kom maar boven Iquot;
Een vriendelijke invitatie voorwaar, maar niet zoo heel makkelijk aan te nemen, daar was een trap, zoo steil, zoo bouwvallig, zoo afgeloopen, dat we op elke treê de kostelijkste gelegenheid hadden gratis onzen nek te breken.
„Mr. Johnsen, mr. Johnsen!quot; riep de oude.
„Come in Sir, come in Iquot;
En we stonden in een dier kamers, zooals ze in Sins\' werkje, „How the poor livequot;, zoo meesterlijk zijn getee-
4
JOHNSEN DE OPIUMSCHUIVER.
kend. De muren kaal en gescheurd, de vloer vol reten, bevend en steunend onder het gewicht onzer lichamen ; in den poveren haard één enkel kooltje; \'t bed een ruwe stellage uit planken met een strooien matras , zonder een enkele deken; twee stoelen zonder zitting en eindelijk , o, zeldzaam contrast , een soort van rustbed , heel veel lijkend op een vierkante tafel, en bedekt met een mat uit indisch riet; twee krissen , die vreedzaam aan den muur hingen , voltooiden het ameublement der woning van:
„Johnsen de Opiumschuiver\'\'.
,,Good Evening, heeren, neem plaats!quot; en niet zonder grandezza wees de op zijn rustbed liggende man ons naar de wrakke stoelen.
\'t Was een eigenaardig gezicht, den gebronsden, ouden Chinees te zien zwelgen in \'t genot zijner „Tchibouk.quot; ■ Geen vleesch bedekte meer zijn vooruitstekende kaken, zijn niet onregelmatige gelaatstrekken verrieden door den buitengemeene fietsen blik zijner oogen aanstonds de verdelgende kracht van het vergif, zijn kleine, leerachtige handen morrelden met een draadje in de pijp , die maar niet aan den rooker wilde gehoorzamen. En wat een rookerij!
Op een schaaltje stond een potje met opium, waaruit Johnsen herhaaldelijk een klompje pikte om het boven het lampje, dat voor hem stond, het eenige licht in \'t vertrekje, tot een balletje te smelten
Daarna duwde hij \'t in zijn pijp ; die pijp is in een paar woorden te beschrijven , verbeeld u een dwarsfluit,
5
JOHNSEN DE OPIUMSCHUIVER.
waarop in \'t midden een houten bakje , de pijpenkop, is bevestigd, dat is de geheele Tchibouk.
Opium brandt niet als tabak. Als het klompje in den kop is geduwd, legt de rooker de pijp over het lampje, verhit het opium, en neemt het dunste einde — n. b. van den omvang van een gulden — in den mond. Hij zuigt dan met alle kracht en met een geraas, dat aan onze pijpen herinnert als ze niet behoorlijk zijn schoongemaakt, en slikt den damp naar binnen. Na een halve minuut ongeveer, blaast hij den rook uit, en dan is er in een oogenblik een verpestende lucht in het kamertje.
Na eiken trek moet de pijp gereinigd, en opnieuw gevuld \\yorden, en die lastige, langzame bewerking duurt voort totdat de rooker eindelijk bewusteloos wordt, aan \'t phantaseeren raakt en in slaap valt.
• Gevaarlijk is deze slaaf van een hartstocht, die zelfs een oorlog op haar geweten had, niet, hij is nu voortdurend reeds in een staat van geestverdooving, die hem de lust tot „amokquot;-maken beneemt, maar jaren geleden was \'t een lastige patroon. De oude detective wist daarvan meê te spreken.
„Wil je ook eens trekken?quot; vroeg hij, ga je gang, \'tis lekker.
„Dank u feestelijk, hoor, maar waar ben je nu eigenlijk vandaan , mister Johnsen.quot;
En daar ontlaadde zich een redevloed in \'t Chineesch, dat mijn ooren tuitten, Yang-tse-Kjang was al wat ik kon verstaan , dus ik vermoed dat die vriend uit dien kant van het Hemelsche rijk komt.
6
JOHNSEN DE OPIUMSCHUIVER.
We bleven nog even zitten, vernamen nog, dat John-sen zijn opium in de city als balletjes, die veel van cacao weg hebben , koopt, en toen hij mat begon te worden en onsamenhangende brokken Chineesch en Engelsch begon te wauwelen , gingen we , na een paar schelling geofferd te hebben , waarvoor we geen „dankjequot; kregen, heen , zelf wat benauwd door den verpestenden dwalm.
Niet zonder gevaar kropen we de trap af en vonden de gebraden-vischlucht die over St. Georges waait, verkwikkend in vergelijking met die daar binnen.
„En wat doet de vrijer voor de kost ? Dokwerker zeker?quot;
„Mis hoor,quot; zei onze leidsman , „hij renteniert en rookt opium.quot;
„Hij renteniert? Een rentenier in zulk een ellende?quot;
„Ja , hij moet nog al een duitje hebben, die doos daar naast hem , je hebt haar wel gezien , bevat zijn buit.quot;
„Er zijn toch zonderlinge kapitalisten dacht ik, en \'t opium rooken is me ook al zoo\'n rare „Sportquot;.quot;
7
II.
IN „DE JOLIGE ZEEMANquot;
Er heerschte een zekere uniformiteit in die achterbuurten van Londen, althans op onzen weg van Johnsen\'s opiumkit naar de Ratcliff Highway, trof \'t me, dat alle huizen naar \'t zelfde model gebouwd , alle ruiten op dezelfde manier gebroken en gestopt waren, en alle schooiers er uitzagen , alsof allen de kinderen ééner moeder waren.
Een der stegen was half neêrgehaald : men moest hier radicaal te werk gaan ; Albert Mews was op den duur zulk een schuilplaats voor allerhand schuim der boevenwereld geworden , daar werden in de krotten, waarvan nu nog slechts de fondamenten staan, zooveel misdadige plannen gesmeed, zooveel gestolen goed en stelende menschen verborgen , dat de politie den district-meesters eindelijk voorstelde het broeinest maar voor den grond te werpen. Dat hielp; waar vroeger geplunderd en geheeld werd,
IN „DE JOLIGE ZEEMAN.quot;
kan men nu, als men ten minste niet al te chique gekleed is, gerust doorloopen.
Aan den hoek van Ratcliff Highway , vroeger de beruchtste , gevaarlijkste straat der Metropolis, waar \'t die-ven- en moordhandwerk op de open straat bloeide, totdat door de beroemde „cat o\' nine tailsquot; aan al die ongerechtigheden een einde gemaakt werd, staat een vrij groot, goed gebouwd huis. \'t Is een lodging-huis van de goed-koope soort, St. Georges Chambers genaamd. De arme duivel, die over dag een four-penny-bit kon machtig worden, vindt hier een krib en een deken, om zijn lichaam uit te rusten , en een warmenden haard om zijn verstijfde leden te ontdooien; bezit de logeer-gast echter 6 pence , dan wacht hem \'s morgens de heerlijkheid van een dampende kop koffie, en \'s avonds voor \'t naar-bed-gaan een slok thee als slaapmutsje.
Bij \'t binnentreden in den gang lezen we „vrouwen, honden en sterke drank worden niet toegelatenquot; , dat is nu wel niet heel flatteus voor de dames, die deze buurt frequenteeren, maar voor orde en zedelijkheid is \'t gewis aan te bevelen.
In den gang reeds, wachten ons een paar vreemdsoortige figuren die ons op gedempten toon om een nachtverblijf vragen , een verzoek , dat we ons haasten te weigeren, daar we anders gevaar loopen de geheele bende op onzen hals te krijgen.
In de groote huiskamer, zitten op ruwe banken aan lange tafels, die in rechte lijnen voor een groot open kolenvuur zijn geplaatst, zeventig mannen van eiken leef-
9
IN „DE JOLIGE ZEE IAK.\'
tijd, sommigen verorberen een boterham met een sneê kaas , anderen nemen verstolen een slok uit een blikken flesch, die gewis geen Pompenheimer bevat, in een hoekje spelen er een paar kaart, waarbij \'t niet al te rustig noch al te eerlijk toegaat.
Toen \'k gelegenheid had mijn blik te laten dwalen langs al die havelooze gestalten, schrikte ik onwillekeurig een oogenblik.
Welk een tronies!
Daar was gelijk mijn leidsman zei: de geboren inbreker, geen vreeselijk mensch , maar een van die idioten-wezens met groote achterhoofden, vooruitstekenden wipneus , opgeworpen lippen en een dierlijken grijnslach om den dikken mond, dan ook de notorische twistzoeker, een treffend contrast met zijn collega boosdoener; deze had donker haar , terwijl dat van den anderen blond was , dikke wenkbrauwen . scherpe oogen, en een paar knuisten als mokers.
Toonbare gelaatstrekken heb \'k te vergeefs gezocht, misdaad en zonde hadden al deze gezichten gebrandmerkt , \'t menschdom bereikte in deze schepsels zijn grens.
Een oogenblik dacht \'k eraan me langs de enge trap die naar het slaapvertrek leidt, naar boven te werken, maar \'k moest mijn voornemen laten varen , want daar waaide me een stiklucht tegen , die me haast onpasselijk maakte. . . daar was de atmospheer bij Johnsen nog balsamiek tegen.
Ons volgende station was een „Jenever-Paleisquot;; voor de deur lag een dronken sinjeur te dutten en zijn ge-
IO
IN „DE JOLIGE ZEEMAN.quot;
snork paarde zich allerzonderlingst aan de muzikaletonen , die telkenmale wanneer de kroegdeur werd opgeworpen, hoorbaar werden.
Hier moeten we wezen; dit is de ,Jolly Sailorquot;,\'t Lon-densche Mabile (zaliger) riep de detective.
Men ontving ons aan de toonbank , die zich van geen harer zusters onderscheidde, met de ons toekomende eer , men had het alras in de gaten dat eenige „Swellsquot; de politie hadden omgekocht ze rond te leiden.
We waren allen verbaasd achter de kleine bar-kamer een ruime danszaal te zien , waar een vijf-en-tvvintig-tal paren naar de wijs van een reuzen-orchestrion rondzweefden.
Alle naties waren hier broederlijk vereenigd, veel Noren, Duitschers, Amerikanen, Grieken en Hollanders ... vooral van \'t schoone geslacht zonder tal.
Ik was al gauw intiem met den waard, de type van een duitsch soldaat met een kort stekelig snorretje; \'t was een gezellig klein ventje , klein maar dapper en met een paar armen die alleen op zicht al eerbied inboezemden.
\'t Verheugde dien man te hooren, dat ik dadelijk in hem een Duitsch onderofficier herkende, en hij vertelde me met trots, dat hij een Hannoveraan was, in 1864 de Duppeler Schansen meê was opgeklauterd en na \'66 , toen Hannover door Pruisen was opgeslokt, naar Londen was gereisd om zijn geluk te zoeken.
En hij was geslaagd, „zie je , eerst heb ik hier wat „rondgekellnerdquot; en dat gaf niet veel, maar uit de Penny\'s werden shillingen, daarbij trouwde \'k een meisje met een Pond of watquot; zei hij, wijzende op een fatsoenlijke
II
IN „DE JOLIGE ZEEMAN.quot;
vrouw achter de toonbank, „en nu, zie je, nu zit \'k hier goed in.quot;
„Is dit lokaal dan je eigendom ?quot;
„Nu , of \'t, en kijk me dit orchestrion eens aan .... een prachtige Imhof (Sr Mückle; tusschen twee haakjes — daarvoor heb ik negen honderd blanke guinjes (f 11340.—) op tafel geleid, en elke pijp van \'t ding is mijn eigen.quot;
„Maar zeg nu eensquot;, hernam ik weêr, „had een flinke kerel als jij nu niet wat beters kunnen kiezen dan baas in een danshuis te zijn ?quot;
„Och, wat zal \'k je zeggenquot;, luidde\'t antwoord , „wat dat volk daar is, dat raakt me niet, maar ik, zie je, — dat „zie-jequot; was zijn stopwoord — ik ben een fatsoenlijk man en als er in mijn huis een , \'t zij vrouw of man , zich in daden — in woorden komt het er minder op aan — onfatsoenlijk gedraagt, dan leer ik \'t hem of haar gauw waar de timmerman de ruimte heeft gelaten. Wil u een potje bier ?quot;
„Zeker, voor m\'n geld!quot;
„Noorsch of Engelsch?quot;
„Norske Oei ? Zeker in Londen gebrouwd ?quot;
„Geschaftsgeheimniss!quot;
Intusschen was de knecht met mijn vrienden aan \'t praten, en nog wel Hollandsch , ik voegde me bij \'t groepje en vernam op mijn vraag , dat hij een echte Amsterdammer was.
„Zoo vriend en wat heb jij in Holland uitgevoerd ? \'
„Van alles!quot;
12
IN „DE JOLIGE ZEEMAN.quot; 13
„Hm, jij bent een fideele snijder, wat heb je daar op je borst? Waarachtig een goud tientje, jij hebt ze zeker op \'t droge als jij ze op de borst kunt dragen, ik heb ze nog niet eens in mijn portemonnaie.quot;
„Nou, maar \'k heb m\'n koning ook lief, en \'k heb hem tien jaar trouw gediend.quot;
„Waar!quot;
„In „Uitertquot; bij de Trompetters, dat waren je nog tijden.quot;
„Gaat \'t je dan nu slecht ?quot;
„Dat niet, maar \'k heb vrouw en kinders en veel monden verlangen veel voedsel.quot;
„En verdien je nog al ?quot;
„Dat schikt, zeêlui zijn royale klanten,quot;
Onder de „damesquot; was onze komst niet onopgemerkt gebleven, van alle kanten kwamen ze ons omringen, enkelen gaven zich voor Hollandsche jonkvrouwen uit , anderen beweerden ook uit Noord-Nederland te zijn, maar verrieden door hun Vlaamschen tongval hun herkomst uit de buurt van Antwerpen.
„Ick benne-k-ick ock een Ollandskhequot; , zei er een me vertrouwelijk op de schouders kloppend.
„Zoe, zai-de Gy dat.... Noe , maer ick ben er geen, ick bin ven Antwerpenquot; — (zei \'k, om haar te snappen)
„Daer benne-k-ick just ook vandaen. Antwerpen in Holland!quot; De dame was gewis van vóór \'t jaar dertig... nu haar uitzien logenstrafte dat ook niet.
Men brak te onzer eer met de etiquette, wij schonken
IN „DE JOLIGE ZEEMAN.quot;
cognac en de vrouwen noodigden ons ten dans, een onderscheiding, die we met alle erkentelijkheid van de hand wezen, we wilden voor geen geld de jaloezie der zeêlui opwekken en ook liever de physionomien der schoonen eens bekijken.
Ze droegen alle kleuren van den regeboog, d\' een zeegroen, een hemels-blauw — \'t gezicht was geenszins dat van een Engel — een kersrood, een enkele sloop er onder door, die erger dan schamel was. gekleed.
Vroeger werd in de „Zeemanquot; alléén baltoilet gedragen, c. w. z. de dames moesten „de rigueurquot; gedecolleteerd zijn , doch dit gaf aanleiding tot zooveel stuitende tafreelen dat de Lord Chamberlain vóór twee jaar de „Vergunningquot; slechts vernieuwde op voorwaarde, dat het vrouwelijk publiek met „hooge halzenquot; zoü verschijnen.
Een goede voorwaarde !
Want wat zijn \'t, de wezens, die hier hun treurig bestaan trachten op te vroolijken door orgelmuziek en dans , geen vrouwen meer, die eerenaam komt haar eigenlijk niet meer toe, niet de loten van het fijnvoelend, teerminnend geslacht, dat ons het leven, onze zusters , onze wederhelften schenkt, neen , ontaarde schepsels, te lui en te ontzenuwd om te werken, slechts nog in staat ten prooi te dienen voor de wellust van zeelieden , wier geestelijke beschaving niet hooger is dan de hare.
Men kan zich allicht een korte poos vermaken met de gebaren dier verdoolden aan te zien, doch de reactie openbaart zich als we dit gezelschap den rug toegekeerd hebben des te sterker; dan denken we met walging aan
14
IN „DE JOLIGE ZEEMAN.quot;
15
den afgrijselijk diepen afgrond , waarin zulke ongelukkigen die evenals wij toch ook menschen zijn, gestort worden, en keeren met een dankbaar hart terug in den kring onzer lieven , die, goddank, vreemd zijn aan en niets weten van het bestaan harer beklagenswaardige zusters in de „slumsquot; van de Wereldstad.
III.
GEDULD.
Gij kent wel, Amsterdamsche lezer, dat juist niet aristocratisch danslokaal in de Nes, dat in de wandeling een weinig vleienden, doch gewis in verband met de gevolgen, die te vaak bezoek aan zulke gelegenheden met zich sleept, een gansch verdoemenswaardigen naam kreeg.
Zulk een balzaal, evenals de Amsterdamsche collega op de eerste étage van een kroeg gelegen, vond ik te Londen een paar deuren verder dan de in mijn vorig opstel beschreven „Zeemans taveerne.quot;
Alle instellingen van genoemd kaliber zijn zoo nauw aan elkaar verwant, ze hebben zulk een gelijkend karakter , dat \'k , na er een besproken te hebben , gewis er niet nog eens over behoefde te beginnen , ware \'t niet dat \'k er een ontmoeting had , die me trof
Een paar haaltjes met de pen beschrijven \'t lokaal.
GEDULD.
\'t Is een ruim, tamelijk naakt vertrek; op een klein gaanderijtje, dat ongeveer gelijkvloers met den grond ligt en door een balastrade is afgescheiden, toeteren drie magere muzikanten op wier gezicht honger is te lezen, een hunner bovendien met een onbeschrijfelijke uitdrukking van gemeenheid in zijn trekken, op ontstemde hoorns, terwijl een povere vedelaar, door een naargeestig gekras op zijn speeltuig het beetje harmonie, dat tusschen het trompettend triumviraat nog schijnt te heerschen, geheel vernielt. Links , vlak tegenover de straatzij , staat \'t buffet waarop met gouden letters is geschreven: „Fumeriesa de la Habanaquot;, een motto , dat door een der detectives, die zijn kunde van \'t Spaansch eens even wilde luchten, vertaald werd door; Rooktabak van Havanna (hij kende natuurlijk \'t fransche woord: funaer en leidde zijn uitlegging heel leuk daarvan af) , maar door de gezellige , dikke vrouw , die achter de toonbank Nektar en Ambrozijn van twijfelachtige kwaliteit in halve-liter glazen schonk, aanstonds verduidelijkt werd door de mededeeling, dat de eigenaar van dit lokaal Don Juan de la Fumeriesa heette en zijn wieg onder den lachenden hemel van \'t Eldorado der rookers gestaan had.
Niet gansch in overeenstemming met den edelen naam van den gastvrijen Spanjool, was \'t gezelschap, dat zijn huis de eer van zijn bezoek aandeed.
De zeêlui, die met eenige vrouwspersonen aan de kleine tafels een afschuwelijk vitriool, hier Brandy genaamd , zaten te slurpen, waren allen types der laagste volksklasse, lieden, die zich moeite gaven, nu, zoolang
2
I?
GEDULD.
de drank nog niet naar hun bovenste verdieping gestegen was, een eenigszins belachelijk , onnatuurlijk fatsoen te bewaren , maar wier tronies men slechts even behoefde te begluren om te weten, dat straks, als \'t uur wat gevorderd was , een vonk , een woord , het kruidvat eener met moeite betoonde ruwheid kon doen springen.
Slechts een der aanwezigen was onze belangstelling waard, \'t was een meisje, een kind nog, dat, naar haar uiterlijk te oordeelen misschien niet meer dan achttien lente\'s — voor haar waren \'t echter eerder ruwe herfstseizoenen , gelijk \'k later hoorde — telde.
Mooi, kon men haar, strict genomen niet noemen , daartoe was haar gestalte nog te kinderachtig — onvolkomen , en verried haar gezicht te zeer den nog niet gansch voltooiden overgang van \'t kind naar de vrouw.
Maar iets ongemeen bevalligs was over \'t gansche wezentje uitgespreid.
In haar groote , diepe , zwarte kijkers, wier glans door een geheimzinnig waas van melancholie als omfloerst was, las men een hoofdstuk uit haar korte en toch al zoo droeve levensgeschiedenis, ze had blijkbaar veel geleden en behoorde stellig niet in die lage sfeeren thuis.
Dat zeide ook haar kleeding , \'t coquette barretje met een fraaie roode pluim dat op haar aanvallige blonde lokjes troonde, dat wel gefatsoeneerd en met pels gegarneerde manteltje over het kleedje van zwart barège, dat — gelijk de mode eens gebood — aan \'t voeteneind in tallooze plooien was gelegd ; dat sierlijke , heele kleine voetje , zoo klein als men \'t te Londen zelden ziet, want
i8
GEDULD.
de dames zijn hier gewoon op „grooten voetquot; te leven — dit is onbeleefd misschien, maar waar! — omhuld door een niet minder bevallig Parijsch goud-leêr-laarsje; dat geheel verschilde, te veel van de overige omgeving als dat men haar er toe rekenen mocht.
Daar was een mysterie ! dat eenzame kind , dat geheel alleen, door niemand opgelet, door geen ziel aangesproken , op een bank zat, voor zich uitstaarde en geen deel of aanstoot scheen te nemen , noch aan de luidruchtige grappen, noch aan de onkiesche uitingen van sommigen onder het gezelschap , intrigeerde me , \'k moest er meer van weten.
Met een hoffelijkheid , die in deze omgeving op zijn minst genomen vreemd was, en gesteund door een zekere vrijmoedigheid, die men zich durft aanmatigen als men in \'t gewone leven niet geheel van \'t „Glück bei Frauenquot; is verstoken, trad \'k op haar toe en vroeg haar waarom ze zoó teruggetrokken, zoo stil, zoo peinzend was. Aan deze vraag, paarde \'k, dat leert men al gauw in Engeland , het verzoek „to have a drink with me.quot;
\'k Liep echter een leelijk blauwtje ! ze keek me even aan , knikte van „neenquot; en wendde het hoofd af... doof voor alle vragen , die \'k nog tot haar zou durven richten.
•quot;k Zou jokken , als \'k beweerde , dat \'k niet bloosde; er zijn van die kleine échecs, die u in eigen kring misschien ijskoud laten , maar u \'t bloed naar de wangen jagen, zoodra ge ze lijdt in tegenwoordigheid van hen, die ge maatschappelijk uw minderen acht.
Nog bleef me echter een kans, te weten te komen
19
GEDULD.
wat me prikkelde , \'k dacht aan de kasteleines en knoopte fluks een gesprek met haar aan, dat \'k natuurlijk met druivennat oversausde.
„\'k Weet eigenlijk niets omtrent haar, zei mevrouw Don Juanquot; \') \'k weet niet waar ze vandaan is en hoe ze hier komt. Engelsch is ze niet, want als ze spreekt — en dit gebeurt niet dikwijls, alléén om een glas „sodaquot; te bestellen, hoort men aan haar uitspraak den Duitschen tongval; maar dit heb \'k met veel moeite in de buurt weten op te vangen : ze is van goeden kom-af, hield van een jongen , viel, en ontliep het vaderlijk huis , om hem te zoeken. Nu schijnt \'t, dat ze gehoord heeft dat hij , die allesbehalve van huis-uit haar gelijke moet zijn, op \'t oogenblik te Londen in \'t Zeemanskwartier — of aan de Dokken — vertoefde, en nu trekt ze avond op avond door de Highway, van \'t eene huis naar \'t andere zonder met iemand te spreken of zich te laten tracteeren , zit uren alleen in een hoek zich altoos vleiend met de hoop haar hartedief te zullen ontmoeten. Ze is een van die zoekende vrouwen, die in dit staddeel bij tientallen te vinden zijn, die leven, God weet waarvan, die altoos zoeken , zoeken, zelden of nimmer vinden en eindelijk als de laatste penning op is, net zoo worden als die vrouwen, die ge daar rondom ziet.quot;
20
Arm schepsel, dacht ik, arme Paria , in \'t lichaam van een kind, torst ge de zorgen van een grijsaard !
\') (\'k Kuisch liaar taal natuurlijk I)
IV.
EEN OASE IN DE WOESTIJN.
Als \'t scheepsvolk den slechten naam heeft verworven, ruw, lichtzinnig en achteloos te zijn, dan heeft het dien niet alleen aan zich zelf, maar grootendeels te wijten aan de landratten, waarmee het, als het na een lange reis een haven binnenloopt, te doen heeft.
Dan worden die stoere kerels, die wind noch storm vreezen, maar bang zijn voor de tafel van vermenigvuldiging als een kind voor den boêman, van alle kanten belegerd, afgezet, — „gesnedenquot; zegt men gewoonlijk — en geplunderd.
Kamers, die nog niet eens den titel „hokquot; verdienen, worden hun in \'t East-End tegen Salonprijzen verhuurd , men zet hun spijzen voor, waarvoor de hond zijn neus zou optrekken, men levert ze over aan de streken van liederlijke vrouwen, keert hun zakken als ze de deur uit zijn, en is daar nog niet eens meê tevreden, want ge-
EEN OASE IN DE WOESTIJN.
woonlijk weten de brave slaapsteê-houders het zoó te plooien, dat Jan-Maat bij zijn vertrek niet alléén het laatste goudvinkje offeren, maar buitendien artikelen van waarde , kleéren , technische werktuigen , ja , wat niet, als pand achterlaten moet.
Maar waarom wagen zich de zeelui dan in zulke roovershollen , waarom zoeken ze geen fatsoenlijk, wei-befaamd hotel op, of kampeeren ze zich niet in het Zeemanshuis, dat te Londen evengoed zal bestaan als te Amsterdam ! ?
Zeer zeker bestaat er een en wel een model van een „homequot;, een Oase in die Woestijn in wier midden het ligt — \'k zal jer straks meer van zeggen — maar ondanks of misschien juist wegens het bestaan van zulk een Asyl, kruipen de matrozen liever in \'t smerigst dieven-kotje; de zeeman, die voor anker ligt, verlangt nu eenmaal vrijheid! vrijheid! en niets dan vrijheid! hij wil doen wat hij wil, zijn geld gebruiken zooals hij wil, kortom niemands raad volgen en door niemand gecontroleerd worden, daarbij moet hij in de buurt der dokken blijven, waar natuurlijk geen \'fatsoenlijk logement te vinden is.
Nu zou men denken, dat toen in 1830 de edelmoedige kapitein Elliott het plan vormde een zeemanshuis te stichten in \'t hartje van de dok-buurt, in Wellstreet, hetwelk dan ook werkelijk in 1S35 geopend werd, elk matroos zich haastte zijn intrek te nemen in dat vriendelijk gebouw, waar voor zijn comfort in den ruimsten zin van \'t woord gezorgd was ; doch, gek, niet waar? en dezelfde aversie die zich steeds bij \'t volk openbaart als er van
22
EEN OASE IN DE WOESTIJN.
een „Gestichtquot; sprake is, bemachtigde zich ook van de matrozen, ze meenden dat men ze in het Huis aan strenge regelen zoü binden, dat men ze zoü thuishouden — of bij te late thuiskomst buitensluiten — praatjes van allerlei inhoud deden de rondte en .... de „Slumsquot;\', de slaapsteden, bloeiden meer dan ooit. Toch heeft het „Sailors Homequot; zijn doel niet gemist, in de halve eeuw die sinds zijn stichting verliep, beherbergde het 376,929 mannen van alle natiën, (waaronder 2777 Hollanders! een kleine schaar dus) en toonde zich levenskrachtig genoeg om een filiaal te Gravesend te openen , die zich mede flink ontwikkelt.
De voordeelen, die den verstandigen zeeman in dat „Te Huisquot; wachten, zijn legio. Als hij den voet aan land zet, staat een nette hotel-omnibus klaar, die hem naar Wellstreet brengt, daar kan hij , als hij op zwart zaad zit, aanstonds geld tot een bedrag van f 12.— krijgen, benevens nieuwe kleéren, en allerhande kleinere artikelen, die hij in \'t dagelijksch leven noodig heeft.
Om hem niet te ontwennen aan den eigenaardigen bouw van \'t schip en van zijn kooi, hebben de slaapzalen , die rechts en links aan de groote receptie-, rook-en biljartkamer aan den ingang grenzen, den vorm van een scheepskajuit.
De aanblik dier vijf doorloopende met ijzeren trappen verbonden gaanderijen met de tallooze tot de kooien leidende deurtjes is allergrappigst, zoo zelfs, dat mijn begeleiders en ik eenstemmig uitriepen; „Waarvoor dient dat opleidingsschip ?quot;
23
EEN OASE IN DE WOESTIJN.
We werden echter aanstonds wijzer; de oude vriendelijke portier, die ons een en ander liet zien, opende een kamertje en daar zagen we een net slaapvertrek, gemeubeld met een goed bed met spring-veêren matras, twee wollen dekens en een „Plaid,quot; een rek voor de bagage, een stoel en een plankje voor \'t horloge.
Dat zag er al erg gemoedelijk uit, te meer daar men ons verzekerde, dat alles, „perfectly cleanquot; was; maar nog keuriger waren de waschkamers, die zich aan \'t einde van eiken gang bevinden.
In groote , tuimelbare , marmeren bekken , mondden twee kraantjes (alles systeem: Jenkins), één voor koud en één voor warm water , boven elke kom hangt een spiegel, en in een verschot aan een wiel een groote handdoek, die een paar maal daags verwisseld wordt.
Op diezelfde verdieping ligt de badkamer (20 ets. per bad), het kleêrenmagazijn , de kapperswinkel en de bank.
\'k Heb al gezegd, dat die bank voorschotten geeft, doch ze doet ook \'t tegendeel, en neemt \'s zeemans spaarpenningen in bewaring, hij kan dan daarvan zooveel opeischen als hij juist noodig heeft, maar als het wat te bar wordt, en de directeur \'t in de gaten krijgt dat de pekbroek wat al te hard van stal loopt, dan steekt hij den waarschuwenden wijsvinger op en zegt: Hoor eens kameraad, jij gooit het de ramen uit, daar heb je noü een Pond, maar dan is \'t ook uit hoor! er moet een appeltje voor den dorst overblijven! En de vrager zal dan misschien nog wat smeeken en mopperen , maar toch ten slotte de wijze voorzorg van den heer
24
EEN OASE IN DE WOESTIJN.
F. Balding — een naam die men onthouden moest — prijzen als hij bij \'t vertrek nog een paar blanke goudstukken in zijn zakken hoort klinken.
Een ruime trap voert ons naar den eetzaal, waar de lange groote tafels op den aanval van een paar honderd gasten wachtten; de wanden van dit vertrek zijn behangen met de beeltenissen van de directeurs en bestuursleden , die sinds 1830 de teugels van het bewind voerden , altegaar marine-officieren van hoogen rang en oud-kapiteins der handelsvloot.
Het diner dat om 1 uur, uit: soep, vleesch, groente, aardappelen en bier; om 5.30 (z.g. afternoon tea) uit: vleesch , visch, boterhammen, thee en eindelijk om.9 uur uit: een stevig souper met een ander menu dan des middags bestaat, mag niet langer dan 20 minuten duren , en terwijl de spijzen rondgediend worden, doen een of twee heeren van het bestuur een inspectie-reis door de zaal om te zien of alles naar wensch is, en niet een der eters klachten heeft; dit nu komt nooit voor, de meeste zeelui laten zelfs bij hun vertrek een klein „aandenkenquot; ten bewijze van hunne erkentelijkheid.
Zoo is dan ook op het vloertje, dat de eerste verdieping van de trap naar de tweede scheidt, een soort uitstalkast geplaatst waar een kunstig geknutseld scheepje, een fraaie korvet, een opgezette albatros , een assegaai, een vreemdsoortig kleedingstuk of i. d. getuigenis afleggen van \'t belang , dat velen dier goedhartige matrozen in de zegenrijke inrichting stellen.
\'k Mag ook niet verzuimen het standbeeldje van kap-
2S
EEN OASE IN DE WOESTIJN.
tein Elliot te vermelden , die van dit trappenhoofd zijn geheel werk overziet; en het geschenk der overleden Czarin van Rusland , een prachtige Aneroid-barometer.
Tegenover de eetzaal ligt de Bibliotheek, waar een welvoorziene verzameling boeken de leeslust van de „huisdierenquot; onder de gasten tracht te bevredigen. Kleine rookkamers, waar kaart en schaak gespeeld mag worden, sluiten zich aan de leeszaal aan,
\'s Woendags wordt in de slaapzaal der officieren, wier kajuitjes nog wat sierlijker zijn dan die der matrozen, gewoonlijk een tooneelvoorstelling afgewisseld door voordrachten van muziekstukken, liederen en verzen gegeven. Dan spelen eenige deftige jongelui om de zeelui te vermaken een of andere aardige klucht op het kleine, doch zeer doelmatige tooneeltje en \'t is een lust te zien , hoe die, meestal op ander vermaak verzotte mannen, genieten en de moeite die men zich om hunnentwille geeft, beloonen.
Leergierigen vinden in de Zeevaart-school die aan de kerk verbonden is gelegenheid zich voor te bereiden op de examens voor hoogeren rang , dan ze bekleeden ; voornamelijk Astronomie en de theorie van \'t zeemanswezen worden er voortreffelijk onderwezen.
Eiken morgen houdt de kapelaan van het „Homequot; het ochtendgebed , maar niemand wordt gedwongen er aan deel te nemen of de wekelijksche Godsdienstoefeningen in het naast het hoofdgebouw verrezen kerkje bij te wonen.
Vrijheid heerscht dus in deze instelling in de ruimste mate.
20
EEN OASE IN DE WOESTIJN.
Als nu en dan, en dat gebeurt wel, een gast het Home verlaat zonder zijn vertering te kunnen betalen, dan staat het hem vrij het minst onmisbare van zijn goed als pand achter te laten; het wordt dan goed bewaard en hem, na ontvangst van het verschuldigde vrachtvrij nagezonden.
Fooien , die geesel der hotels , bestaan hier niet, elk bediende, die er een zou aannemen , stelt zich aan\'t gevaar bloot terstond ontslagen te worden.
En voor al die gemakken , die zorgvuldige verpleging , die huiselijkheid betaalt de varensgast slechts f9.— de officier of kapitein f 11.— per week.
Zijn \'t nu niet dwazen die zich liever door een roof-zuchtigen bloedzuiger in de woestijn van de Dokken.laten plunderen dan deze Oase op te zoeken ?
Vooral als ze daar een raadsman, zoo beleefd, zoo vriendelijk , zoo ervaren als de heer F. Balding vinden, die het Gebouw als een „homequot; en de inwoners als zijn kinderen beschouwt?
Mochten toch alle zeevaarders , die deze regelen te lezen bekomen , er toe besluiten bij hun bezoek aan Londen in Wellstreet hun tenten op te slaan en een scherfje er toe bijdragen , datquot; deze instelling , die, als alles in Engeland , geheel door privaat-middelen en schenkingen leeft, binnen kort dubbel zoo groot worde als ze in de eerste halve eeuw van haar bestaan was, en het woeker- en roofsysteem der „Zeemansmelkersquot; in zijn kiem verstikt worde.
27
V.
HOME! SWEET HOME!
Als \'k ooit het bezit van een liefhebbend ouderen-paar , dat aan het kind de weldaad eener zorgvuldige opvoeding, den jongeling den onwaardeerbaren schat eener verstandige, vrijzinnige leiding schonk, met dankbaarheid heb herdacht, als \'k ooit tot het besef gekomen ben , hoe rijk men is als men een „homequot; bezit, waar gemak en rust het bestaan, en de liefderijke zorg der huisvrouw en moeder den geest na een dag vol werks verkwikken, dan was \'t toen \'k gisteren met een vriendenschaar bij onze zwerftochtjes door de Londensche ellende het gebouw verliet, waar den haveloozen een dak , den hongerigen een bete broods wordt geschonken in ruil voor zijn handenarbeid.
\'t Was Zaterdagavond op slag van achten, toen we in allerijl de Thomas Street (E C) insloegen om een bezoek te brengen aan de „Casual Wardquot; het „Gelegenheidskwartierquot; van \'t schuim der wereldstad.
HOME ! SWEET HOME !
Juist viel de klepel der nab ij zijnde kerkklok om \'t uur van gehoorzaamheid, de onverbiddelijke sluiting van het asyl te verkondigen, toen we ingang begeerden.
Men bekeek ons. raadpleegde den voogd en liet ons in het gebouw , dat door zijn somber uiterlijk — \'t is precies een commissariaat van politie — reeds scheen te voorspellen wat ons daarbinnen wachtte.
Tegelijk met ons kwamen twee gasten aan, d\' een een zeebonk naar zijn uiterlijk te oordeelen, d\' ander een dier in flarden gehulde schepsels, wier bestaan ons steeds de vraag : Hoe, leven ze ? ontlokt, wier schuwe blik zegt, dat hun leven gewis niet vreedzaam en kalm als een beekje door zijn beddingen is gevloeid.
In de wachtkamer, een langwerpig vertrek met ruwe banken, namen de hulpzoekenden plaats en wij begonnen onzen tocht door het gebouw.
Een gevangenis kan er niet droefgeestiger, niet pijnlijk zindelijker uitzien dan dit „home.quot;
Steen, ijskoude, grijze muren grijnzen u aan, zware deuren met even gewichtige grendels, beschrijven welsprekender dan woorden , waar we vertoeven en wie hier de gewone gasten zijn.
Aan de spreekkamer sluit zich het badzaaltje.
De kuipen zijn doelmatig bijna sierlijk uit gepleister-den steen gebouwd en met een houten rand omgeven; in \'t midden, aan de rugzijde, is een scheepsbezem aangebracht bestemd om degeen onder de inwoners, wiens hoofd — \'t zij met uw verlof gezegd — niet zuiver is, terdege af te boenen.
29
HOME ! SWEET HOME !
Wie in dit huis nachtrust zoekt, is verplicht zich vooraf in een bad van 190 te reinigen; zijn kleeren worden in dien tijd onderzocht, als \'t noodig is uitgestoomd , met een nummer voorzien en in een afzonderlijk vertrek bewaard, totdat de eigenaar verklaart het huis te willen verlaten, want de Ward heeft even als in gevangenis en werkhuis een eigen uniform.
In de keuken wordt het eten volgens het nieuwe systeem door stoom bereid, de ketel die hiervoor dient is van aanzienlijke grootte.
Vleesch wordt hier niet voorgezet; de bewoners krijgen \'s morgens een half pond grauw brood benevens water en meelpap, voor \'t middagmaal een flinke portie Suet-Pudding , (een mengsel van gest, meel, vet en melk) en \'s avonds andermaal de pap, die hier „Gruelquot; genoemd wordt.
Borden , vorken en messen zijn een onbekende weelde, in de keuken staat op lange schragen een rel blikken napjes, elk voorzien van een houten lepel, waarin het eten wordt rondgedeeld.
Er stond juist een pot pap klaar, en \'k kon de lust niet weêrstaan de aanprijzende uitnoodiging van den directeur aan te nemen ; iet of wat beschroomd doopte \'k den mij toegestoken lepel in de melkwitte soep nam een hapje, toen .... een hap.
\'t Smaakte waarlijk niet kwaad, en al was het kostje door gemis aan zout of suiker wel wat flauw, voor iemand die misschien in geen etmaal eten heeft geproefd, moest dit, naar men zeide, uit fijn Schotsch tarwemeel
3°
HOME ! SWEET HOME !
bereidde maal, al even appetijtelijk zijn als voor ons, bedorven kinderen van het lot , een dinertje in Café Royal of in \'t Criterion.
\'t Was voor ons een zonderling contrast van de keuken in de werkplaats te treden , het herinnerde ons er aan hoe hard gezwoegd moet worden zelfs om een eenvoudig maal te verdienen.
In die drie kale vertrekken, twee voor de mannen en een voor de vrouwen lagen dikke scheepstouwen op den grond.
Daaruit dekt de „Wardquot; zijn kosten.
De mannen die hier toevlucht zoeken , moeten ieder per dag 4 Eng, Ponden, de vrouwen 2 Pond touw tot werk plukken.
Een schrikkelijke arbeid , dat „piek Oakumquot;, zóó hard, dat men \'t in de tuchthuizen de plaats van den tredmolen heeft doen vervangen.
Als men één dag dit werk heeft verricht, waarbij geen andere hulpwerktuigen dan een gebogen spijker om de dikke strengen vaneen te scheuren, en de tien vingers dienen, dan worden de handen ontveld, bloederig en ijselijk pijnlijk; en dat duurt dagen, totdat eindelijk de huid zich aan het geteerde en gepikte touw begint te gewennen.
Men kan nagaan hoe enorm de kwantiteit werk is, die hier voor een slaapsteê en een maal wordt vereischt, als men weet, dat in de gevangenis een nieuweling \'t in \'t-begin niet verder kan brengen dan tot het verwerken van 6—8 onsen (1 P. — 16 ons) bij een werktijd van tien uren \'s daags.
31
HOME ! SWEET HOME !
De Directeur vertelde ons dan ook in vertrouwen, dat het met het wegen van \'t afgeleverd werk zoo nauw niet wordt genomen , als de man maar gedurig bezig is en zijn tijd niet verbeuzeld of verpraat, komt \'t er niet op aan hoeveel hij heeft gedaan, \'t werk wordt dan eenvoudig voor volwichtig aangenomen.
Maar is de bewoner lui en ongewillig, dan kan hij voor de verwaarloozing zijner plicht met een week, ja zelfs een maand dwangarbeid boeten.
Het aldus verwerkte touw kost der gemeente met inbegrip van huisvesting en voeding der verpleegden i penny per pond, en brengt gemiddeld een en een halve penny op, zoodat de „Wardquot;, als hij goed is bezet, zonder subsidie kan bestaan.
Voordat het werk verkoopbaar is wordt het door de verpleegden in kaasvormige koeken geperst, als een vat met hoepels beslagen en in een klein vertrekje, zoo hecht en gesloten als gold het kleinodiën te bewaren, opgeborgen.
Zondags wordt in de werkplaats een godsdienstoefening gehouden , waaraan alle verpleegden moeten deelnemen; na dien tijd hebben de vrouwen in haar gedeelte, de mannen in \'t hunne vrij-af; een treurige vrijheid ! want gespeeld mag er niet worden, rooken is verboden, wie tabak of lucifer bij zich heeft, moet die op straffe terstond afgeven, en \'t eenige wat hen te doen staat is. •, . praten of lezen.
En hoeveel onder die rampzaligen zijn er niet, die niet eens het alphabet geleerd hebben?
32
HOME ! SWEET HOME !
Enkele bevoorrechten der bewoners worden ook aan \'t houtzagen per machine gezet, maar daar deze arbeid wat al te makkelijk schijnt te zijn, wordt ze als een soort van uitzondering beschouwd wijl \'t Bestuur vreest dat de verpleegden het „Homequot; anders wat al te .... „homelyquot; zouden vinden.
Gelijkvloers met de keuken en de werkkamers loopen ook de Latrine\'s — allen zeer zindelijk gehouden en terdege gedesinfecteerd — en het ketelhuis, van waaruit het geheele gebouw door heete lucht verwarmd wordt.
Het buizennet, dat hier mondt, loopt ook door de slaapzalen der mannen op de eerste en der vrouwen op de tweede verdieping.
\'t Was als waren we in een Morgue, toen we\' die lange, smalle, kille, door een paar flikkerende gasvlammen in een schemerlicht gedompelde hal betraden en de twee rijen uit touw gevlochten hangmatten die deels aan de muur deels aan de steenen vloer aan ijzeren staven bevestigd waren, zagen.
Die hangende loopers, want dat leken ze te zijn, waren bedden, die in lompen gehulde , onbewegelijke gestalten ... . menschen, menschen evenals wij.
Ze hoorden ons niet komen, want de goede Morpheus, die onpartijdigste onder de Goden, die voortreffelijke trooster had ze onder zijn beschermende vlerken genomen , en liet hen wellicht droomen, dat ze in weelde baadden en dat hun werkelijk leven .... een droom was.
Maar, toch niet, onder de dunne dekentjes die hun zijn toebedeeld, en ondanks hun daagsche kleeding welke
3
33
HOME ! SWEET HOME !
zij hier niet behoeven af te leggen , liggen ze ineengekrompen , bibberend van de koü , die zelfs de verwarming trotseerd en in de steenen wanden en vloeren een welkome proseliet vindt.
En in \'t vrouwenvertrek — dat we niet mochten zien, omdat het reglement zulks op goede gronden verbiedt — is \'t al niet comfortabeler.
„De dames, die wij herbergen, zei de Directeur met een grimlach, ze eischen geen galanterie meer, wat ze vragen is rust, en, voegde ik er bij, vergetelheid voor een handvol uren.
De man knikte bevestigend. „AVie hier komt, ging hij voort, toen we allen diep getroffen en onder den indruk der treurige omgeving den gang bereikten en onze nieuwsgierigheid op proef gesteld zagen, door de lijst der „Huisordequot;, „wie hier komt heeft niets in de wereld, geen dak, geen spijs, geen geld, en heeft hij \'t laatste, dan is onze deur voor hem gesloten , of tracht hij \'t te verbergen en wordt het later gevonden, dan gaat het tuchthuis voor hem open om hem een maand op staatskosten huisvesting te schenken.
„Toen het armbestuur deze inrichting opende was de intentie een schuilplaats te verleenen aan hen, die zooals men dikwijls hoort, geen plaats hebben om hun hoofd neör te leggen; wie geld heeft kunnen we hier niet gebruiken, hij ga naar slaap-huizen en Logementen , ons gesticht wil slechts arbeid aan liefdadigheid verbinden.quot;
„Maar,quot; zei een onzer zeer terecht, „waarom toch staat
34
home! sweet home!
er een maand „hard labourquot; op het bezit van geld als men hier toevlucht komt zoéken ?quot;
„En waaromkaatste vlug de andere , „zijn er zooveel lui die de gevangenis boven de „guldenquot; vrijheid verkiezen?quot;
„Eu nu, heeren, verzoek \'k u, in \'t dagboek te zetten wie me de eer van een bezoek aandeed heette het toen we ons aangordden den Directeur een zilvere sporen achterlatenden handdruk tot afscheid te geven.
Er ontstond een edele wedstrijd onder ons, sommigen vonden \'t alleraardigst zich te vereeuwigen, anderen vonden er met de der Hollandsche natie eigene „pruderiequot; bezwaren tegen hun handteekening onder die van d\' eersten den besten vagebond te zetten.
Vier mijner vrienden en ik waren minder preutsch uitgevallen dan gene; en als ge, lezer, soms eens in de „Casual Wardquot; mocht komen, zult ge als „gastenquot; zien aangeteekend, vier deftige hollandsche jongelieden met den Londenschen Correspondent van \'t Handelsblad aan \'t hoofd — schoon ze \'t Goddank niet behoefden te doen omdat ze „hardquot; en haveloos waren.
We hebben een leering uit het bezoek dezer inrichting meêgenomen, we zijn tot de slotsom gekomen, die, hoe weinig opwekkend zulk een tocht ook moge stemmen en hoe onaantrekkelijk de „Casual Wardquot; ook moge zijn, ons noopt een dusdanige stichting van harte te waardeeren ; \'t is deze : dat niemand in de Wereldstad, zelfs de armste der armsten een leege maag of een gebroken lichaam behoeft rond te slepen, dat niemand in
35
home! sweet home!
de vrije lucht of onder de steenen bogen van London Bridge zijn moede hoofd behoeft neêr te werpen, of ■verleid moet worden diefstal te plegen om \'t geld voor een nachtrust en een maal te vinden.
Wie de handen uit de mouw wil steken, wie den arbeid niet schuwt, zal in den Ward vinden , iets wat hij op straat steeds te vergeefs zal zoeken, een „homequot;, hoe primitief \'t ook zij.
En dit is voorwaar een groote weldaad voor den noodlijdende en een groote geruststelling voor elkeen, dien de ellende zijner naasten met deernis vervult.
36
„MILLIE.quot;
Londensche Schets.
Londen wordt terecht een wereld genoemd.
Even als de aarde, is ook de monsterstad in twee groote hemispheren gedeeld:
\'t Oosten , de bakermat van handel, nijverheid en — let op de tegenstelling — ellende zoo diep , zoo ingekankerd , zoo ongeneeslijk, dat elke poging haar te lenigen slechts \'t gevolg heeft, dat we ervaren hoeveel grooter de onreinheid in dien Augiasstal is, dan we vermoeden.
\'t Westen van Londen met Noord en Zuid en voorsteden , tot één geheel versmeltend; de zetel van comfort , gemakzucht en weelde. Als water en olie in den bol der nachtlamp ligt \'t Oosten en Westen bijeen.
Daar is een Aequator in de wereldstad die zelden wordt gepasseerd. De Oosterling, zwaar als \'t water , durft zich niet onder de gepolijste voorname Westerlin-
MILLIE.quot;
gen mengen; slechts nood drijft hem van tijd tot tijd over de linie.
En de Westerlingen? Ze schuwen die enge straten , de daar hangende, kwalijk riekende dampen en uitwasemingen , de ongewasschen menschenkinderen van \'t Oosten , als de watervrees. Raken ze in dat stadsgedeelte verzeild, dan vluchten ze met spoed, nauwelijks omziende , want wie met pek omgaat....
Juist daarom is \'t wel der moeite waard eens koers te zetten naar die Oostelijke gewesten; ze te doorkruisen met het schetsboek in de hand en het potlood, gereed, achter \'t oor.
Voor hem die zien kan en wil; die ooren heeft om te hooren en verstand om op te merken , zal één dag in \'t Oosten meer studiën opleveren , meer indrukken geven dan maanden , doorgebracht in \'t Sybaritische Westen.
Ik althans heb nooit zooveel romantische episoden gehoord, zooveel poëtische indrukken ontvangen, als toen ik alleen , met mijn potlood en gedachten, door het Oosten van Londen dwaalde.
In \'t Noord-Oosten ligt Noël-Park; denk u echter geen park, want \'t is eenvoudig een straat met weinige boo-men omzoomd.
Huisjes van 5 pd. st. 1= 60 gulden \'s jaars zijn geen Escurialen; maar hoe nederig, hoe klein en kunstloos ook, zindelijk zijn ze en de zon verheugt zich, spelende met die blanke puien, en glinsterende ruiten. Zij heeft schik in de naarstige werklui, wier brave huismoeders
38
„MILLIE.quot;
boender en paplepel met onovertroffen meesterschap zwaaien, en lacht vroolijk tegen dat eenvoudige men-schensoort, waarvoor leven gelijkluidend is met werken en werken synoniem moet zijn met genoegen.
In die huisjes wonen , als men ze zóo noemen mag , de kolonisten van The Artisans Dwelling-Society ; wilde men ze beschrijven men zou kunnen volstaan met te zeggen : zij werden geboren, ze werkten en ze werden naar \'t kerkhof gebracht.
Die lieden kennen nauwelijks het Westen; zij weten niet wat hun luxe is , gelukkig hebben ze er meestal geen verlangen naar; ze kunnen er buiten.
Hun leven is de eentonigheid zelf; hun behoeften tot op een minimum teruggebracht.
No. 73. Mrs. Ward Charwoman.
\'n Schoonmaakster ! Nederig beroep , hard werk, kleine verdiensten.
Ja, toen Mister Ward nog leefde, toen bij nog daken dekte, ja! toen had ze \'t goed, het brave oudje met haar zilverlokken, die ondeugend achter om het eenvoudige mutsje heen „kiekeboequot; spelen en aan het gerimpelde gezicht iets jeugdigs geven.
Maar op een zonrdgen morgen , toen alles vroolijk aan \'t werk was, had men Ward dood naar huis gedragen, en onder de rubriek ongevallen in de krant stond r „Een leidekker gedood door den val van een dakquot; .... Met dien dag waren de uren eener bescheiden zorgeloosheid voorbij; armoê klopte aan de deur; moeder en dochter
39
„MILLIE.quot;
hielden die echter gesloten; haar arbeid deed er den grendel voor.
Beide vrouwen werkten als om strijd; de oude schrobde vloeren of klopte stoelen en bedden uit en Millie, het liefelijke blonde kind met die hemelblauwe oogen , die merkwaardig fijne taille , dat kenmerk der Britsche vrouw, deed niet minder haar best. Haar lieve handjes maakten , wat de heldere oogen zagen. Ze werkte dag en nacht en weldra waren Millies hoedjes en kleedjes gezocht door bijna alle arbeidsters, als ze des Zondags kerkwaarts togen.
* *
*
\'t Was een engel van schoonheid, van reinheid , van vrouwelijkheid , die Millie.
. Gij Westendsche kasplantjes, met uw blos, niet op uw wang getooverd door den gloed der zon , maar door de producten van Rimmel ofPinaud, met uw wenkbrauwen, geteekend met noir d\'ivoire superfin, met uw zwaarmoedig starende oogen , wier pupil haar grootte en glans aan atropine dankt, wat zijt ge toch leelijk in vergelijking met dit natuurkind, dat nimmer een kapper aan haar lokken of blanketsel op haar wangen had gevoeld; wat zijt ge onnoozel, ondanks al de zorg en de duizenden aan de vorming van uw geest en lichaam verspild.
Zie die Niobe met dat ééne kind! — Zie die dochter met haar moeder.... de schoonmaakster. Zie! zie! hoe zij, de kranke, daar in den rieten leuningstoel vertroetelt en koestert, hoe haar gezicht bange zorg voor de gezondheid dier oude, goede moeder teekent.
4°
„MILLIE.quot;
„\'k Zal voor u naar \'t Hospitaal gaan, moedertje vleide ze, „\'k zal het drankje gaan halen; Kom! Kom!quot; voegde ze er bij toen de moeder \'t hoofd schudde, „geen tegenspraak , hoor ! van avond nog ga \'k er heen.quot;
„Maar kind, in \'t Westenquot; zei de moeder verschrikt „daar ben je immers nooit geweest; je weet niet hoe gevaarlijk het daar is voor een meisje.quot;
„Gevaarlijk!quot; lachte Millie, — er zijn enkele meisjes met een leeftijd van zeventien lentes en de kuischheid van een wicht van zeventien maanden. — „Gevaarlijk! Wat is gevaarlijk? Denkt u dat \'k bang ben voor de boomen van Hyde Park of dat ze me zullen stelen? Nu maar mij houden ze niet lang; ik eet veel te veel, ha! ha! ha.quot;
De moeder dacht het hare. Wel stribbelde ze nog tegen , maar de pijnlijke krampen in haar maag werden heviger en maanden haar aan om \'s dokters voorschrift, het bekende Pepton-praeparaat uit het Middlesex-hos-pitaal te laten halen , niet in den wind te slaan.
„Ik ga nu , moeder ,quot; zei Millie , „anders wordt \'t zoo laat.quot; Zij stond op, wierp haar eenvoudig manteltje over de schouders , zette een klein „ondeugendquot; stroohoedje op het hoofd en drukte een hartelijken kus op de lippen der zieke.
„Dag kind! dag meid! kom gauw terugzei moeder, zuchtend, toen zij \'t meisje zag vertrekken.
Millies hartje klopte van verwachting en zenuwachtigheid.
Piccadilly! Zij had het nooit gezien; er zooveel van gehoord, zoo weinig van het gehoorde begrepen en ze
41
„MILLIE.quot;
was vol verwachting van \'t geen ze zou aanschouwen.
Daar snorde de trein Charing-Cross binnen. Een menigte menschen verdrong zich naar de tourniquets , en krioelde weldra door elkander in \'t electrisch licht, dat boven van het stationsgebouw afstraalt.
Millie zag rond, nog eens rond en geloofde hare oogen niet.
\'t Gewoel der honderde kris en kras dooreenhollende cabs, en der wandelaars, het geschreeuw der krantenjongens , de vloeken der nijdige cab-koetsiers, die elkaar als gewoonlijk in de wielen reden , de volgepropte omnibussen , kortom, het vreemde mengelmoes, dat het bloed vormt, hetwelk door Londen\'s hartader vloeit, beklemde haar. Zij voelde zich zooals ieder vreemdeling in de wereldstad: een druppel in den Oceaan.
Wat haar \'t meest verwarde en verbaasde was de groote menigte vrouwen die in opgepronkte kleeding, lachende en uittartende blikken om zich heen werpend, haar omstuwde.
Zij begreep niet recht wat die dames eigentlijk bedoelden met haar wulpsche lonken, vriendelijke glimlachjes en wonderlijke gebaren. Zij verstond niet wat den voortsnellende mannen in \'t oor werd gebeten, maar ze gevoelde instinctmatig, dat hier een doel werd nagejaagd dat indruischte tegen de begrippen der meest alledaagsche zedelijkheid. Ze had nooit zoo iets gezien , nimmer van zoo iets gehoord, en zij werd er op eigenaardige wijze door bevangen, toen ze oplette hoe de blikken van mannen en vrouwen elkaar kruisten. Hoe
42
„MILLIE.quot;
uit het oog des mans een bliksem schoot, die met zijn hitte de gansche vrouwelijke gestalte scheen te omhullen, hoe die blik werd opgevangen met die vreemde verandering van gelaatstrekken, die ge bij elke hetaere kunt gadeslaan, en die naast hartstocht, hebzucht uitdrukt.
Wat het eenvoudige kind uit de afgelegen voorstad tot dusver was ontgaan, trof haar nu op eens: er zijn mannen en vrouwen die elkaar zoeken om andere redenen dan vriendschap alleen.
Voort! ijlde ze , zoo snel ze kon en bemerkte niet, dat haar landelijke schoonheid , trots \'t schamele kleedje , reeds de aandacht had getrokken van een rondslenterenden „swel.quot;
\'t Was een jong mensch , die haar op de hielen volgde. • Een dier vrouwenkenners die steeds naar afwisseling in hun liefdesavonturen snakken en geen vrouwenrok ongemoeid kunnen laten voorbijgaan , zonder met arendsblik te onderzoeken of het der moeite waard is, om er werk van te maken.
Onwillekeurig moest zij hem aanzien , toen hij naast haar kwam loopen , als zij den pas versnelde.
Wat wilde hij van haar? — wat beduidde dat toch , dat hij haar telkens veelbeteekenend aanzag?
Hoe vreemd , zij moest hem , of zij wilde of niet, ook aanzien; \'t was haar alsot zij niet anders kon, alsof zijn blik den haren magnetisch aantrok.
Sir Henry Flirter was , wat men een „charmeurquot; gelieft te noemen — iemand met een paar oogen die, op bevel van den eigenaar , beurtelings verliefd , smachtend , diep
43
„MILLIE.quot;
terneergeslagen, vurig of ijskoud van uitdrukking konden zijn. Een fijnbesneden aristocratisch gelaat met een sierlijk gekruld kneveltje , dat ondeugend op de bovenlip balanceerde, en een blauwen schijn om wangen en kin, gaven hem een uiterlijk, dat volgens zijne eigene meening, voor vrouwen, onweêrstaanbaar was. Bovendien bezat hij een zekere aangeboren onbeschaamdheid, een gevaarlijke handigheid , die hem met hetzelfde gemak den marqué zoowel als den niais of jeune-premier, tegenover vrouwen deed spelen.
Welbespraakt, met een fluweelige tong en geestig, wist hij , boudweg, over de ernstigste problemen van \'t leven te redeneeren met een vuur, dat hij aan de boeken , die hij gelezen had, ontleende. Zijn hartstocht was als buskruit — vonk — knal. — rook! Bestendigheid was een woord dat voor hem niet bestond; vandaar ook dat hij nimmer een blijvende liaison had kunnen aan-knoopen; hij was geen man om een vrouw op den duur te boeien.
Trippelend op zijn verlakte schoentjes, ietwat opgeblazen in zijn witte das en zijn nonchalant over de schouders geworpen demi-saison, \'t lorgnet in \'t oog geklemd , naderde hij Millie meer en meer.
Hij sprak haar aan. Zijn eerste woorden verloren zich in den wind; ze waren ook al te banaal geweest om krachtig genoeg gezegd te zijn. Toen legde hij plotseling zijn arm in den hare en fluisterde: „Waarheen zoo laat en zoo gauw , lieveling . ..
Zij was als met stomheid geslagen door zooveel over-
44
„MILLIE.quot;
moed , ze zei geen enkel woord , maar schichtig sprongen haar oogappels naar de zijde waar hij liep en dompelden den indringer van top tot teen in een zee van verachting en woede.
Doch hij was op zijn gemak bij zulke tournooien van minne; \'t was hem nog maar zelden gebeurd dat de tegenpartij hem uit den zadel lichtte. Hij zette haar den blik betaald met andere maat. — „Heerlijke schoonheid , eenig, aanbiddelijk wezen, stoot me niet van je , want ik bezweer je , al ken ik je maar een paar minuten , ik ben dol verliefd op je. Zoo\'n meisje als jij heb ik altijd in mijn droomen gezien; jij bent het ideaal dat ik mij altijd voor oogen heb gesteld — nu ontmoet ik het plotseling; \'t wordt werkelijkheid voor mij — jij moet mijn vrouw worden.quot;
Al die woorden werden ondersteund door vurige blikken en een vaster druk van zijn hand op haar arm, zoodat zij dien niet uit den zijne kon los maken.
Ondanks haarzelve klemde zich haar blik aan zijn oogen, gloeiend van schaamte en opgewondenheid. Vlammend vloog een roode blos over haar gelaat en hals, want plotseling gevoelde zij in haar binnenste toch iets ontwaken , wat zij tot dusverre nog niet kende — en eensklaps gaf zij zichzelve, zonder \'t eigenlijk te weten , een critique-instantanée over zijn persoon.
Zij moest erkennen: nog nimmer had iemand zulk eene spontanen indruk op haar gemoed teweeg gebracht. Zij vond hem belangwekkend, knap; zij voelde zijn geestelijk overwicht en — ze zweeg, hep langzamer en
45
„MILLIE.quot;
beefde over al haar leden. Er was haar ook nog nimmer zoo iets overkomen.
„Laat me los, asjeblieftquot;, zei ze weifelend, maar de pogingen die zij deed om haar arm te bevrijden, waren zwak.
Gewonnen spel! dacht Sir Henry en in den geest zag hij reeds een nieuwe tropee naast zijn vroegere veroveringen. In een oogwenk overzag hij den toestand , wist en gevoelde, dat hij terrein won; dat zijn persoonlijkheid het meisje als \'t ware mesmeriseerde.
Handig en zeker , met kalme berekening , maar schijnbaar — gloeiend van hartstocht, omstrikte hij haar argeloos gemoed met een stroom van welsprekende argumenten en drogredenen, theorieën over liefde op den eersten blik , zielvervvantschap , leven en trouw.
Onwillekeurig sleepte hij haar mede; zij begon antwoord te geven , zelfs zwakjes te debatteeren.
Onnoozele, eenvoudige natuurkinderlijke ziel als zij was, vergat zij èn door zijn gesprek èn door zijn tegenwoordigheid zoowel als door het geheel ongewone van de omgeving waarin zij geplaatst was, voor een oogenblik alles; zij liep werktuigelijk voort, waarheen wist zij zelve niet.
„Kom lieve ! laat ons hier even ingaan, we zijn allebei moe; een oogenblik rusten hè ?quot; en Sir Henry geleidde haar langzaam tot op de stoep van een café. Verblindend straalde \'t licht uit de vensters en met verwonderde oogen keek Millie, eerst het café, toen haar geleider aan.
46
„MILLIE.quot;
„— Kom mijn engel, één oogenblikje maar, dan breng ik je verder — waar moest je eigentlijk heen ?quot;
Die vraag, die vijf eenvoudige woorden, brachten Millie plotseling tot de werkelijkheid terug.
— Waar moest zij heen ? O God! Zij vergat het immers bijna. „Arme moeder, lieve arme moeder!quot; zei ze onhoorbaar in zich zelve , en met één ruk had zij zich van Sir Henry\'s arm bevrijd.
„Ga weg! — weg ! — weg !quot; riep zij luid — en toen de jongman nog een poging deed om haar arm op nieuw te grijpen gilde zij luid: „Laat mij los of ik roep om hulpquot; en als een gejaagde hinde vlood zij heen, al sneller en sneller, tot ze hem niet meer zag, dien duivel, die haar bijna had doen vergeten dat daar, in dat kleine kamertje , in \'t Oosteind , een kranke moeder naar den laafdrank smachtte, dien zij moest halen. Ze stond een oogeblik stil, ademloos, hijgend, met kloppend hart, bonzende slapen en gloeiende wangen. De oogen brandden haar in \'t hoofd; zij duizelde toen zij er aan dacht, hoe moeder met angst de terugkomst van haar kind verbeidde; hoe voor de arme zieke minuten tot eeuwigheden werden.
Waar was zij ? Ze wist het niet, maar zij gevoelde zich weer vrij, haar hart sloeg rustiger; ze dacht weer geregeld en — daar stond immers een policeman. Goddank ! hij kon haar den weg aanduiden naar \'t hospitaal.
Eenige oogenblikken later ging zij met vasten tred verder....
Toen Sir Henry zoo eensklaps alleen bleef staan, en
47
„MILLIE.quot;
zag hoe zijn buit hem ontsnapte, rekte hij zijn hals een paar maal uit om Millie zoo ver mogelijk na te zien — vloekte, alles behalve aristocratisch en pruttelde : „Dat is een verduivelde meid; ze verlakt mij!quot; Hij draaide op de hielen van zijn balschoenen rond en stond daardoor voor een cocottetje, dat hem lachend aankeek, als wilde zij zeggen : „Dat is mis geweest!\'\'
„Lach jij?quot; vroeg hij : „Och ja je hebt gelijk — \'tis ook eigentlijk om te lachen — kom kind! ga meê, we staan hier juist voor \'t Alhambraquot; en met een min of meer spotachtige buiging bood hij haar zijn arm. Aan \'t bureau nam hij twee tickets voor den promenoir en toen zij den schouwburg binnentraden zei hij cynisch : „je begrijpt het niet dat ik met jou ga hè ? — ik ook niet, maar ga binnen ; ik ben van avond tot elke dwaasheid in staat.\'\'
En Millie ?
De angst gaf vleugels aan haar voeten. Vijf minuten vóór de sluiting bereikte zij het hospitaal en toen zij den klopper op de poortdeur liet vallen, herademde zij.
Na eenig wachten kreeg Millie het drankje en toen zij weer buiten kwam , stormde het en de regen plaste in stroomen neêr.... maar, voort! voort! moest zij , anders zou ze den laatsten trein niet meer bereiken.
Drijfnat, de gouden lokken verwilderd om de slapen, de pols gejaagd door haast, opwinding en een gevoel van ontevredenheid over zich zelve, bereikte zij een half uur na middernacht de ouderlijke woning.
48
„MILLIE.quot;
Moeder zat daar bij \'t nachtlicht, met rood geschreide oogen. Zij had bittere, bange uren doorworsteld want zij kende de wereld; zij wachtte.... en vreesde voor haar kind.
„Ben jij \'t Millie ?quot; riep ze haar tegemoet.
„Ja moeder; hier is \'t drankjequot; zei ze gejaagd en toen ze in die oude oogen een stil verwijt las over haa^ late tehuiskomst , wierp zij zich aan moeders borst en weende hartstochtelijk.
Met beide handen omvatte de oude vrouw het blonde hoofd van haar kind, zag lang in die blauwe oogen en lachte haar toen gerustgesteld toe, want zij las er niets in dan reinheid en onschuld.
Onder snikken en tranen vertelde Millie wat haar gebeurd was; niets verzweeg zij, zelfs niet wat zij een oogenblik had gevoeld en gedacht toen Sir Henry\'s arm den haren drukte.
Toen boog de moeder haar hoofd over Millie\'s lokken , kuste ze en sloeg de oogen biddend omhoog, terwijl zij dacht; „Heer 1 ik dank U, dat mijn kind slechts gestruikeld isquot; ....
1886.
49
4
NAAR BUITEN !
Als gij , bewoners van het vasteland , den feestelijken tijd des jaars tegemoet gaat, dan hoort men u dagen van te voren zeggen : We gaan naar buiten. We ontvluchten de duffe stadslucht, den stank en de stof. Maar wat roept ge eigenlijk over stof, stank en dergelijke liefelijkheden!
Weet gij wat stof, wat stank is?
Ge verbeeldt u \'t te weten , als uw piano en buffetten met een laagje grijze stof versierd zijn; als uw grachten een onaangenamen geur uitwasemen; maar \'t is werkelijk niet de moeite waard, om er dus over te klagen.
Kom eens in Londen, bezoek eens een City-office, een kantoor, zie hoe \'t door de gesloten ramen heen op mijn papier sneeuwt, neen , sneeuwt is \'t woord niet, zie hoe \'t „roetquot; op mijn papier, hoe boord en manchet weldra zwarte vlokjes vertoonen, hoe walmende schoor-
NAAR BUITEN! 51
steenen een verstikkende lucht door de kamers verspreiden , hoe een vuilgele mist de straten in een onbehagelijk schemerlicht hult en alles u aanspoort om te werken , te werken, ten einde zoo spoedig mogelijk naar buiten te kunnen ijlen , waar, inderdaad, de ademhalingswerktuigen zich gemakkelijker bewegen, dan in de op allerlei wijs verpeste lucht der City.
Men kan \'t den Londenaar, zelfs den onbemiddelden, niet euvel duiden , dat hij op zon- en feestdagen mijlen en mijlen ver spoort om eens te genieten, \'tzij in de heerlijke dreven van Brighton of aan de oevers van de Noordzee.
Weken na Paschen, het feest dat gansch Londen naar Country en Seashore doet stroomen , zijn de spoorwegstations beplakt met aankondigingen van pleiziertreinen en als de feestdagen eindelijk daar zijn, vooral de Bank-holiday , Paaschmaandag, dan vertoonen de honderdvijftig Londensche stations het beeld eener volksverhuizing in \'t klein.
Trein op trein doorklieft in alle richtingen het land en uit al die wagenrijen lachen u de vroolijke gezichten tegen van menschen, die gisteren en morgen misschien gebukt gaan onder zorgen en lasten, maar voor één dag Schiller\'s woord in hun vaandel geschreven hebben ;
Morgen können wir\'s nicht mehr,
Darum lasst uns heute leben.
Voor mij heeft in deze gure lentedagen, nu de boomen nauwelijks bloesems dragen, de velden kaal zijn, de zee
T
NAAR BUITEN !
meer aantrekkelijkheid dan een tocht naar de „Countryquot; . \'k besloot derhalve me per pleiziertrein naar Hastings te begeven , waar \'t warmer is dan binnenslands en ondanks het schrale weder reeds honderden verblijf houden om een luchtkuur te gebruiken.
Die pleiziertreinen zijn bijster goedkoop ; voor/\'3 neemt men een retour derde klasse en krijgt met een knipoog en een sigaar aan den conducteur, een plaats in de eerste of tweede klasse.
Qualiteit en quantiteit van \'t reisgezelschap staan dan ook in geen geëvenredigde verhouding ; mijn tochtgenooten waren , behalve een collega journalist, louter Zondags-heeren , die \'t erg druk hadden over wedrennenen, roei-wedstrijden , die ze ... . niet bijgewoond hadden , maar niettemin scherper beoordeelden dan de meest bevoegde ooggetuigen.
De trein deed over den weg, die gewoonlijk twee uur sporens is, drie en een half uur; van tijd tot tijd bleven we eens een kwartiertje of een half uurtje staan , maar dat neemt niet weg , dat de tocht niet al te vervelend was, daar de schilderachtige tafereeltjes die zich aan de beide zijden van den weg ontrolden , voor \'t wachten ruimschoots schadeloos stellen.
Daar is b. v. Chislehurst, de plaats vol herinnering aan Napoleon III, IV en Eugènie , een plaats, die als het ware geschapen is om gevallen potentaten hun grootheid , bedroefde moeders haar smart te doen vergeten. Alles ademt rust en vrede in het liefelijk, in een vallei gelegen plaatsje; links van Londen uit gerekend, liggen
52
NAAR BUITEN !
lachende villatjes en tuinen , rechts het kerkje waar Napoleon rust, de huizen van \'t dorp en een groep boschjes , die de plaats in een groen lijstje kleeden; — verder beginnen de heuvels te wassen, krijtrotsen herinneren aan \'t witte Albion ; de trein suist door tunnels, waaronder van buitengemeene lengte, — eindelijk ligt het terrein voor ons waar Willem de Veroveraar zijn zegevierende banier plantte. Reeds in de verte hoort men \'t ruischen der zee, als men Hastings nadert, een duinrei verbergt haar een korte poos van \'t oog , totdat ze zich plotseling als een zilverwitte vlakte voor ons vertoont en een onbeschrijfelijk schoonen aanblik levert
Hastings is een aanzienlijk stadje; het telt tienduizend inwoners, heeft regelmatig gebouwde straten, een,, Westendquot; dat menig fraaie villa aanwijst, een park , Hydepark genaamd, dat in schoonheid en ruimte het Vondelpark evenaart.
In dat punt bevindt zich een staalbron , die door velen wordt bezocht en zoodoende Hastings niet alléén tot zeebadplaats, maar ook tot Brunnen-kurort verheft.
Het strand is zeer smal; aan \'t noordeinde der stad loopt een flinke steenen dam langs de zee, aan \'t oosten en westen verheffen zich klippen\', die \'t land tegen de aanvallen der golven beschermen.
Het bestijgen der klippen gaat met eenige moeite gepaard, de hoogte is tamelijk steil en vooral na regenvlagen zoo glibberig, dat men slechts noode het evenwicht kan bewaren.
Maar de moeite wordt ook beloond, als men daar
53
NAAR BUITEN\'.
boven staat en aan de voeten , die onafzienbare beurtelings blauw, grijs, groen en zilver gekleurde golvenvlakte en terzijde de hoogroode hutten, de vroolijk dampende schoorsteenen , de klippen aan de overzijde , den dam met zijn dwergachtige wandelaars beschouwt, — dan gaat het hart open.
Wie aan \'t woelige leven op het havenhoofd de voorkeur geeft boven het natuurschoon, wandele langs de met honderden badgasten en inwoners bezette banken , die met kwistige hand op de kade verspreid zijn.
Maar voorzichtig! de zee is indringend , ze klotst met geweld tegen de steenen , die haar trotseerden en voordat ge er om denkt, hebt ge het water over uw kleeren.
Als het schuim over de leuning spat en de philosophisch in zee starende kijkers herdoopt, dan is het gejuich eindeloos , de heeren lachen , de dames gillen , galant is een cavalier met zijn zakdoek bij de hand, om \'t zijden kleedje eener schoone af te drogen, de schalk , alsof hij niet weet dat een zakdoek hier niets anders kan uitrichten dan .... een kennismaking aanknoopen.
Want flirtation teelt hier weliger dan ooit, ze wordt nog aangewakkerd door een troep muzikanten, — musickband zooals men ze hier noemt, -— die zoo valsch mogelijk allerlei minneliederen ten beste geeft, die door jong en oud nageneuried wordt.
In een koffiehuis, dat zich op een vooruitstekend balkon bevindt, hebben kunstenaars hun tenten opgeslagen , bevallige misses met goudblonde kort geschoren haren, twijfelachtige sopraanstemmen en rappe, de hor-
54
NAAR BUITEN
lepijp voortreffelijk dansende voetjes; of duettisten wier fort is dat ze niet kunnen zingen , maar des te beter op den grond rond ravotten, beijveren zich om strijd de gunst der menigte te veroveren.
En dat gelukt hun maar al te goed , want hoe gebrekkig de kunstuitingen die men hier te hooren krijgt, ook zijn, hoe valsch de zang, hoe kreupel de versjes ook klinken , mits Gladstone en Granville maar in \'t ootje genomen worden , dan juicht de menigte en ,\'t moet gezegd worden, de schoone stad doet voor Londen niet onder, een café-chantant is hier, in tegenstelling met Nederland , een geoorloofde en geliefkoosde uitspanning.
Velen maken ook gebruik van de gelegenheid om met. een zeilscheepje een tochtje in zee te maken.
De grootste pret heerscht als \'t vaartuigje dat op \'t land ligt, te water gelaten wordt, als de laatste bout weggeslagen wordt en de voorsteven zich sneller en sneller begint te bewegen , totdat hij eindelijk diep in den vloed gedompeld is , een golf omhoog werpt, die de helft der bemanning een stortbad doet genieten, dan kent de uitgelaten vreugde der geïmproviseerde zeelui geen palen, ze wuiven met hoeden en zakdoeken , zwaaien hun stokken en regenschermen door de lucht en heffen juichkreten aan , die aan \'t krijgsgebrul der oude Germanen herinneren.
Tegen half zeven begint de terugtocht, het stoomros brengt een lange rij wagens, die weldra bezet zijn door de verzadigde pleizierreizigers.
Dan begint het gevrij van de tallooze paren, die te
55
NAAR BUITEN!
zamen uittogen ; elke spoorwegwaggon herinnert aan het Raum ist in der kleinsten Hütte ,
Fllr ein zartlich liebend Paar,
er wordt gevrijd en gekust, daar worden verbintenissen voor \'t leven en meer vergankelijke gesloten , kortom, zulk een tochtje naar de seaside, beslaat in menig levensboek een interessante, meestal heldere pagina.
En als men dan na vier uren sporens weêr in de millioenenstad terugkeert, gestaald en opnieu w gesterkt voor \'t verdubbelde werk , dat na twee dagen dolce far niente allen wacht, dan rust op de meesten slechts nog een dubbele taak, een zoete en een bittere.
De eerste, sweet-heart thuis te brengen, verwekt niet anders dan zoete herinneringen, de andere — meer realistische — de beurs na te kijken , valt doorgaans mee, want hoe duur Londen ook zij, een tochtje naar de seaside weegt ruimschoots op tegen de luttele uitgaaf van plus minus f 6 , alles incluis.
DE PROMENADE-CONCERTEN.
Eenige jaren geleden kwam de pachter van den Covent Garden-schouwburg op een vernuftigen inval. Er is een jaargetijde , waarin de schouwburgen geen bezoekers trekken. De Londenaars gaan nu eenmaal in September en October niet naar de opera. Wordt er gespeeld, dan moet het winterseizoen weer dienen om het geleden verlies in te halen, maar wordt er niet gespeeld , dan ligt de schouwburg brak als een dood kapitaal, als een mijn die geld verslindt maar niets oplevert. Zoo kwam de directeur op het denkbeel om de banken en stoelen van \'t parterre en de stalles weg te laten nemen, het tooneel met de zaal gelijk te maken, en in het midden dier ruime vlakte een tribune te plaatsen, waarop weldra een voortreffelijk orkest verscheen; de verleidelijke tonen eener wals lokten toeschouwers en hoorders; de faam deed het hare om te verspreiden , hoe aardig het is om
DE PROMENADE-CONCERTEN.
in een helder verlichte schouwburgzaal rond te wandelen, terwijl de muziek beurtelings klassieke en luchtige wijzen ten gehoore brengt. Zoo had binnen korten tijd het publiek smaak gevonden in de concerten die men kortweg de Promenade noemde.
Het publiek waardeerde de goede bedoeling, en het droefgeestig „waarheen?quot;, dat zoo vaak in de zomermaand met verveling uit den mond der Londenaars wordt gehoord , verdween — men stroomde naar Covent-garden, waar men voor één shilling — werkelijk een kleinigheid voor een Londensch amusement — den ganschen avond meer pret had, dan voor een pond in de comedie. Zelfs de deftige standen begroetten de nieuwe verschijning met ingenomenheid, want ook zij die geen lust hadden om zich onder de wandelaars en hoorders te mengen , konden gemakkelijk in een loge plaats nemen , waar zij het zonderling gewoel aan hun voeten konden gadeslaan en toch de muziek konden genieten. Alle partijen waren dus tevreden , niet het minst de directie van den schouwburg , die dan ook maar aanstonds besloot de promenadeconcert-bron van September tot na kerstmis te doen vloeien.
De concerten zeiven zijn van uitstekend gehalte. Het orkest bestaande uit een deel der vaste artisten der opera, is ten volle berekend voor zijn taak en vertolkt zoowel het ernstige als het vroolijkere gedeelte van het programma even uitmuntend. De leider , de heer Crowe, is een populaire figuur; hij componeert elk jaar een pièce de resistance, een „Gesangswalzerquot; , die door een
DE PROMENADE-CONCERTEN.
koor van knapen en meisjes onder begeleiding van de instrumenten wordt gezongen. In 1884 trof hij de keus al bijzonder goed met zijn ,,See Sawquot;, een deuntje, dat misschien niet veel muzikale waarde heeft, maar door gansch Londen door alle straatorgels en straatjongens wordt nagezongen en stellig lang zal leven. Crowe\'s jongste compositie „Fairie Voicesquot; is een allerliefst dans-motief, dat misschien het stuk „See Sawquot; niet uit den volksmond zal verdringen, maar toch een grooten indruk op de hoorders maakt.
Reeds draagt dus de promenade een eigenaardig karakter , ze is de bakermat van een nieuwe wals, die eng verbonden blijft met de „topicsquot;, die elk seizoen heeft aan te wijzen. Maar hierbij laat de heer Thomas , die in Covent-garden den schepter zwaait, het niet; hij wil dat deze concerten ook den jongen Engelschen componisten en der nationale muziek ten goede komen , en looft derhalve een prijs van/\'300 uit, voor den Engelsch-man , Schot of Ier, die met October den besten nationalen marsch voor de concerten weet te schrijven. Natuurlijk werd. deze tijding door de toonkunstenaars met ingenomenheid gehoord , niet alleen om de premie, maar vooral omdat de uitvoering eencr compositie in Covent-garden zeer veel waard is.
Behalve Crowe\'s wals wordt voorloopig zeer toegejuicht de lieve fantaisie uit Sullivan\'s Mikado, die nu al bijna 300 keeren voor stampvolle zalen is vertoond, en de verschillende soli voor zang , waarvoor bekende artisten uit alle landen hun medewerking verleenen. Het gezicht
59
DE PROMENADE-CONCERTEN.
van de schouwburgzaal op een concertavond is alleraardigst. Het electrisch licht, dat het gas heeft verdreven , hult het sterk vergulde gebouw met zijn hemelsblauwe decoratiën en rood fluweelen loges in een vroolijk zacht licht, \'t Publiek, dat wandelt, is bont dooreen gemengd en bestaat uit de meest verschillende bestand-deelen. Opgepronkte dames en heeren wandelen naast oude vrijsters en het eenvoudig burgermannetje in eenigs-zins schamele kleeding , met een rond hoedje op het hoofd en een buiten-model parapluie in de hand.
Hoe uiteenloopend echter de menschen mogen zijn die hier bijeenkomen, \'t vermaak dat alle aanwezigen in de concerten scheppen , is even groot, en dit is voldoende om Covent-Garden geduren de drie maanden avond aan avond te doen wemelen van vroolijke wandelende heeren en dames.
6o
MODERNE KRUISVAARDERS.
Op Zaterdag 4 Juli 1885 , verscheen in de Pall Mali Gazette een kort bericht, „waarin de gewone lezers van dat dagblad verwittigd werden van de aanstaande openbaarmaking eener reeks verslagen omtrent de verregaande ontaarding van de zedelijkheid der Londenaars.quot;
Rekening houdende met het licht ontvankelijk en niet minder kwetsbaar kieschheidsgevoel zijner landgenooten , waarschuwde het blad een deel van zijn lezerskring met klem om de lectuur maar voor een viertal dagen te staken , daar er zaken aan \'t licht gebracht zouden worden , die de Britsche natie zouden doen blozen en ongetwijfeld vele preutschen met afgrijzen voor de P. M. G. en haar redactie zouden vervullen. Maar hoe gaat het wanneer een vrucht verboden wordt? Nog waren de persen in Northumberlandstreet op den 6den Juli niet tot stilstand gekomen, of er verdrong zich reeds een tal
MODERNE KRUISVAARDERS.
van honderden tellende menigte voor het redactie-bureau der Gazette.
De lezers, die Zaterdag duizenden telden, groeiden ras aan tot honderdduizenden. Dag en nacht zwoegde het raderwerk om aan de van heinde en verre samen-stroomende bestellingen te voldoen; de nummers, waarin Londen, als een modern Babyion, als een poel van onzedelijkheid en verdierlijking werd afgemaald , waarin bewijzen worden geleverd, zóó zeker gestaafd, dat zelfs de grootste twijfelaar aan de waarheid der onthullingen moest gelooven, werden als verslonden door de menigte en bekwamen in weinig tijds een waarde, die zelfs den prijs voor een driemaandelijksch abonnement verre overtrof.
Niet nieuwsgierigheid alléén dreef gansch Engeland om de hand uit te steken naar het blad, dat nog onlangs — ten onrechte — beschuldigd werd met de Russen te heulen , maar een noodkreet doorklonk het vereenigd koninkrijk van oost naar west, door noord en zuid. Stom van verbazing, ontzetting en woede staarden de millioenen, wier leven rein was, op de zwarte letters, die een eindelooze lijst van aanklachten, van smartkreten en schanddaden verkondigden. Vrouweneer en vrouwendeugd ; de onschuld van het kind, ze golden dan niets meer in het land, waar het vloeken afgrijzen en de goddeloosheid afkeer verwekte; de natie, die er steeds op uit is om zich een brevet van eerbaarheid te geven, ze was dus niets dan een ellendige huichelaarster, die onder het kleed der welvoegelijkheid allerlei misdrijven
02
MODERNE KRUISVAARDERS.
durfde begaan — zoo zuchtten allen, in wier borst nog een vonkje eerbaarheid en eergevoel gloorde. En aan die overwegingen paarde zich bij talloozen een gevoel van bewondering voor den man, die onverschrokken in een strijdperk had durven treden , waarin hij tien tegen een, zoo niet het leven, dan toch zijn eer kon laten.
De heer Stead , zoo heet de wakkere ridder , die als in oude tijden alles op \'t spel heeft gezet om de geschonden eer van Brittanje\'s vrouwen te wreken, is ongedeerd uit de worsteling te voorschijn getreden. Zijn tegenstanders bukten onder de macht zijner bewonderaars en al zijn zelfs de laatste, waaronder ook ik mij schaar, het niet eens over den vorm, waarin hij zijn onthullingen kleedde , onloochenbaar is het feit, dat hij den eersten stoot heeft gegeven aan de beweging, die in \'t vervolg goede vruchten zal afwerpen.
Toen de Pall Mall Gazette haar lange acte van beschuldiging eindelijk had ten einde gebracht, en de ontsteltenis van het eerste oogenblik had plaats gemaakt voor kalm overleg en beraad : welk gebruik men van het ge-lezene kon maken, kwamen in elke stad, in elk dorp , ja zelfs in de minste gehuchten mannen bijeen , die het volk wezen op de wonde plekken in de maatschappij en in de wetgeving. Overal werden vergaderingen belegd, de zwakke sekse zelve sprong in de bres om te protesteeren tegen den oorsprong van al het kwaad, de wet, die een meisje op haar vijftiende jaar verantwoordelijk stelde voor haar zedelijk gedrag, en zoo slaagde men om een eerste zegepraal te behalen: het
63
moderne kruisvaarders
Parlement bepaalde bij een aanvulling der „strafwetquot;,
dat eerst op zestien-jarigen leeftijd een meisje rijp genoemd
kan worden om voor haar deugd te waken.
Doch hiermeê was wel iets, maar niet genoeg verkregen.
Men eischte meer. Het achttiende of, zoo men \'t verkrijgen kon, het een-en-twintigste levensjaar wenschte men als het verantwoordelijkheidstijdperk te zien vaststellen en tevens een vereeniging in \'t leven te roepen, die den zwaren plicht wilde op zich nemen om voor de
vrouwelijke jeugd te waken.
Langs den gewonen weg, door middel van de pers, was dit niet te verkrijgen, daar de meeste bladen, wier meening als lood in de schaal pleegt te vallen, te PaU Mall Gazette in den steek lieten en zij zelf ondanks hare groote verspreiding, niet pleegt gelezen te worden door hen, wier dochters bijna uitsluitend de slachtoffers van zedelijke misdrijven zijn: den minderen man. Daar-nam men een ander afdoend middel te hulp: de
om
demonstratie.
Ten tweeden male onder de leiding van te Pall Mali Gazette, verrees een comité, dat de toebereidselen voor een bijeenkomst in St. Jameshall en voor een reuzenver-o-adering in het Londensche Hyde Park maakte. 0 Van alle kanten stroomden aanhangers bijeen. Honderden, waaronder aanzienlijke namen, verleenden hun invloed om de demonstratie te doen slagen en toen de 22ste Augustus aanbrak, wist men met zekerheid dat het Hyde-Park een beweging zou zien, die m de laatste jaren althans ongeëvenaard was. De Pall Mall doopte
64
MODERNE KRUISVAARDERS.
haar ganschen veldtocht „een nieuwe kruisvaart,quot; en voorwaar, ze koos een goeden naam.
Klokslag twee uur begon \'t gisteren in Londens ingewanden te woelen. In alle districten wapperden de vaandels der politieke en particuliere vereenigingen door de lucht en alras was om elke banier een groep mannen en vrouwen geschaard, die zich gedrongen gevoelden om mee naar het park te trekken en door hun tegenwoordigheid hun gevoelens te toonen. Het was een grootsch gezicht, dien menschendrom gade te slaan die onophoudelijk het strijdperk binnendrong. Van Piccadilly tot Hyde-park, een weg van 15 minuten gaans, zag men een onafzienbare rij van manifestanten, allen geleid door vaandels en muziekcorpsen, naar het park trekken.
Alle verkeer was gestremd; omnibussen en rijtuigen vormden een bij HydePark-Corner onontwarbaar kluwen dat slechts door de albedwingende hand der voortreffelijk georganiseerde politie afdeelingen kon doorgehakt worden. Om 5 uur zou de vergadering een aanvang nemen en het volk van elf geïmproviseerde tribunes door redenaars van allerlei stand toegesproken worden; maar nog tegen zes uur kronkelde de lange slang der nog altoos toevloeiende menigte en maatschappijen zich langs de parkpaden.
\'t Is onmogelijk te gaan becijferen, hoeveel hoofden daar bijeen waren, toen eindelijk het gewoel tot stilstand kwam. Zeg ik vijftigduizend dan schat ik stellig te laag, zeg ik het dubbele, dan overdrijf ik allicht; laat me
65
66 moderne kruisvaarders.
dus volstaan met de vage mededeelmg, dat de bewuste
Anti-Bier-belastingsmeeting, die ook al een p aa s vei-dient onder de drukste vergaderingen m het Park, slech een oploopje was in vergelijking met deze b.]eenkomst Het is daarom ook niet mogelijk om na te gaan, ^ daar overal het woord voerden en wat men sprak; laat mij slechts enkele namen aanstippen die velen kenne .
Als sprekers traden op: de heer Stead, redacteur der F M., Broadhurst, M. P., lord Lymmgton, Rev Johnsor, Michael Davitt, kolonel Babington. en van de tribune no. ii: de wederhelft van John Bright, miss Bradley
mrs. Summerville.
\'t Spreekt van zelf dat bij zulk een veelsoortige bijeenkomst veel wordt gezegd, dat de toets der cntie niet kan doorstaan, dat enkelen zelfs politieke gevoelens
(zelfs anarchistische) in de discussie mengen, doch dit
verdient in allen gevalle gezegd te worden, erheersch allerwege orde en allen, die het woord namen, waren
bezield met ijver voor de zaak. . , , „hv
Om half zeven werd de volgende driedubbele motie onder fanfaren-geschetter en eindelooze bijvalsbetuigingen verkondigd: .. i
i Het Londensche volk uit hierdoor zijn schaamte en
verontwaardiging over de zedelijke misdrijven , die m haar
midden plaats grijpen. , ,
2. De vergadering zweert, dat zij bij de overheid zal
aandringen om streng de hand te houden aan de „stra-
wetquot; en alle pogingen zal ondersteunen, welke voor de
bescherming van jonge meisjes noodig geacht worden.
MODERNE KRUISVAARDERS.
3. Het is de plicht van alle eerzame onderdanen de maatschappelijke en zedelijke gebreken, waaruit de wandaden jegens jonge meisjes voortspruiten, onverschrokken te bekampen, ten einde daaraan voorgoed een einde te maken.
Hierna ging de vergadering uiteen, over wier samenstelling ik nog een paar woorden hier wensch aan te knoopen.
De kern bestond ook hier, als steeds hij Londensche demonstraties, uit de lagere volksklasse. Wat hen naar de manifestatieplaats drijft, is een drieledige oorzaak.
In de eerste plaats en vooral: het doel, dat nu meer manifestanten dan gewoonlijk uitlokte , omdat de quaestie bijna uitsluitend de dochters van den minderen man raakt: ten tweede de aangeboren neiging van de Engelschen om met veel overleg een optocht te vormen, waarbij elke vereeniging in \'t algemeen en elk lid in \'t bijzonder praal ten toon kan spreiden; het meerendeel der leden toch is getooid met sjerpen en bandelieren , sommigen met eere-teekens, en allen wandelen met graagte onder het vereeni-gingsvaandel en achter een geïmproviseerd muziekkorps; eindelijk de zucht van vele werklieden om te hooren praten; deze laatste drijfveer werkt op sommige gemoederen zoo machtig , dat een oplettend en regelmatig wandelaar des Zondags in het Hydepark telkens en telkens dezelfde gezichten kan erkennen.
Ook aanzienlijken bevonden zich in het hartje der vergadering ; er waren equipages met dames en heeren uit de voornaamste standen, die zich alle moeite gaven om de
67
moderne kruisvaarders.
gesproken woorden op te vangen; enkele officieren van
hoogen rang deden als ceremoniemeesters of commissarissen van orde dienst. Jongelui van goeden huize fungeerden als uitvoerend comité, in één woord het Londensche volk was in al zijn rangen , van onderen naar boven , vertegenwoordigd en ook de geestelijkheid bleef niet achter.
Aan kenmerkende opschriften was geen gebrek, evenmin aan eigenaardige tafereeltjes. Op een wagen zaten acht wit-gekleede meisjes onder een vlagdoek dat het volgende opschrift droeg ; „Wee den vervolgers der onschuld, we wenschen dat der onschuld gerechtigheid geschiede.\'
Hier trok een tweetal fiksche paarden een zwaarbeladen Jan Pleizier of kruide een polderjongen een collega op een handkar. Daar kwam een viertal in een tilbury aanzetten waaraan zich, toen de hengst wat al te dartel
begon te worden, twaalf manifestanten gingen hangen om het paard te leeren , hoe een levende Westinghouse werkt. Ginds worden kistjes met fleschjes gemberbier en manden met hazelnoten aangebracht om dorstige keelen en half-hongerige magen te bevredigen. Anarchisten maakten van de gelegenheid gebruik om hun blad De Anarchist, sociaal-democraten om hun orgaan Justice of De Sociaaldemocraat aan den man te brengen. Schreeuwende venters leurden met rozenrood afschuwelijk bedrukte z.g. offici-eele programma\'s , waarin nog eens een allersmakelijkst staaltje van de onzedelijkheid in sommige Engelsche steden , en een wenk aan ouders en dochters gegeven werd. Grappenmakers — en die zijn steeds zeer talrijk bij zulke gelegenheden — wisten groepjes om zich heen te verza-
68
MODERNE KRUISVAARDERS
melen en parodieën op geliefkoosde café-chantantliedjes te kraaien , verliefde zieltjes hadden de groene zoden uitgekozen om eens ter dege te minnekozen, krijgshaftig kijkende „bobbiesquot;, politie-agenten, liepen heel tevreden rond, omdat ze, tegen hun verwachting, nergens het stokje of de greep der hand behoefden in \'t werk te stellen ; reporters, eindelijk , vlogen van den eenen kant naar den andere om in hun langwerpige notitieboekjes te stenographiëeren , wat zij hoorden — of soms ook meenden te hooren , want de wind was slecht gehumeerd en dreef de geluiden de verkeerde richting uit.
Zóó was het aanzien ongeveer van den modernen kruistocht , waar geen droppel bloeds werd vergoten, geen kwaad woord werd gehoord. Vergelijk dit eens met de tijden van koning Richard Leeuwenhart, en laat dan eens iemand beweren .... dat we niet zijn vooruit gegaan ! dat in die goede oude tijd de menschen zooveel bedaarder, zooveel verstandiger , zooveel vredelievenden waren !.. . .
1885.
69
DE LORD-MAYORSDAG.
(1885).
I.
HET AMBT.
De negende November van elk jaar , de dag waarop de Lord Mayor het bestuur over de City van Londen aanvaardt , is de treffende bevestiging der bewering, dat geen natie ter wereld zoo slaafs de overlevering volgt, als de Engelsche. Die Novembermiddag maakt den indruk op den toeschouwer, alsof hij plotseling aan de negentiende eeuw ontrukt, verplaatst wordt naar de middeleeuwen, in den tijd der ridders, den bloeitijd der gilden, de tijden toen koningschap en magistraat met een Unster omgeven waren, welke de pracht der tegenwoordige staats-feesten geheel in de schaduw stelt. Wanneer men op 9 November den stoet ziet, die langs de City naar \'t koninklijk paleis van Westminster trekken zal , moet men zich verbazen over het reusachtig anachronisme , dat te Londen vertoond wordt en aanstonds zal de vraag rijzen ;
DE LORD-MAYORSDAG.
waartoe die praal, dat vertoon, dat mengelmoes van strenge waardigheid en potsierlijke kermislucht!
Een beschouwing over het: ontstaan van den lord Mayors-dag zal wellicht een eenigszins voldoend antwoord geven.
De stichter van Engeland was ook de vader van het lord Mayorsambt; hij was oorspronkelijk een ambtenaar, door Willem den Veroveraar na den slag bij Hastings , aangesteld , ten einde over het belastingswezen in Londen te waken. Later verkreeg de burgerij het recht om zelf een Lord-Mayor te kiezen , en allengs werd het gebruikelijk , daartoe een koopman aan te wijzen , die als \'t ware in zijn persoon het belang der City omvatte.
De keuze door het volk gedaan, was niet geldig voordat de Koning, daartoe terzij gestaan door den aartskanselier , zijn „exequaturquot; er aan gehecht had; en die koninklijke beslissing is de reden van den optocht naar het koninklijk paleis. Westminster heeft sinds jaren geen koning binnen zijn muren gezien , de bevestiging of investituur vindt derhalve plaats door den kanselier, den op-persten-rechter , in wiens handen de lord-mayor den ambtseed aflegt. Laatstgenoemde houdt echter in het nieuwe gerechtshof (Law Court) verblijf; de plechtigheid vindt dan ook daar plaats, terwijl de rest van den „Ommegangquot; geen ander doel heeft dan de kijklustige menigte te bevredigen.
De verkiezing wordt op deze wijze voltrokken : de Gilden der City vaardigen een aantal Livery-men — zoo genoemd wegens hun uniform — af, die telkenmale op 29 September in St. Michiel, in de Gement-Hall verga-
71
72
DE LORD-MAYORSDAG.
deren. De heraut leest de namen der Aldermen (schepenen) voor , onder weglating van hen , die , of reeds Mayors waren, of de waardigheid van Sheriff nog met bekleed hebben. Gewoonlijk worden de twee oudste schepenen door hand-opsteken gekozen. Een week later beslissen de Aldermen , wie naar \'t recht der ancienmteit de uitverkorene is. De geheele omhaal is dus slechts een wassen neus , want gansch Londen zal u b. v. dit jaar op 9 November al weten te vertellen, wie in 18S6, als de dood hem niet wegmaait, Lord Mayor zal wezen. Door de verkiezing words een ex-zeepzieder of kruidenier ineens een groot man, zijne daden en woorden wekken de algemeene bewondering, wat hij zegt en doet wordt in de bladen op de bekende Engelsche wijs in „leadersquot;
van één tot anderhalve kolom uitgesponnen; inéén woord
de meest onbeduidende man ontvangt door het mayoraat tevens alle deugden , alle waardigheid en de wijsheid van Salomo!
De Lord Mayor verandert niet alléén van binnen maar ook van buiten; gisteren nog reed hij m de hansom of in een bescheiden „fourwheelerquot;, — erger dan onze vigilant! -heden zit hij gedoken in een gulden koets met kostbare hengsten bespannen , met deftige lakeien op den bok , met voorrijders om zijne komst te verkondigen. Zijn hofstoet doet voor dien der koningin niet onder , hij heeft zijn eigen geestelijke, zijn zwaard- en wapendrager, zijn „voorrijderquot;, kamerheeren en een heraut, te zamen ongeveer twintig personen , die allen „heerenquot; zijn en zich op hun beurt weer laten bedienen door een zwerm van gedienstige
DE LORD-MAYORSDAG.
geesten van beiderlei kunne. Zijn toilet is naar gelang van de beteekenis der dagen , zwarte of paarsche zijde, scliarlakenkleurig laken , of rood fluweel. Op werkdagen draagt hij een eenvoudigen degen maar des Zondags siert een kostbaar met juweelen bezet zwaard zijn zijde en omklemt zijn vuist somtijds een gouden schepter. vijf voet lang, dien koningin Elisabeth aan de City schonk.
Is \'t wonder , dat zooveel uiterlijke praal den mayor naar het hoofd stijgt en hij met kinderachtige stijfhoofdigheid op de uitoefening van al zijn rechten vaststaat ? Een zijner rechten is b.v. dat hij bij alle gelegenheden in de City den voorrang , zelfs boven prinsen van den bloede heeft en zoo gebeurde het dan bij Nelson\'s begrafenis , dat de toenmalige Mayor , toen de stoet Temple-bar bereikte, er op stond, zijn plaats die tot dusver achter het hof geweest was met de allereerste te verruilen !
Met die rechten rusten echter op den Mayor ook plichten en al zijn ook de tijden voorbij , toen de Mayor in burgeroorlogen een factor van zooveel belang was, dat in zijn hand soms het geheele heil des lands lag, zoo heeft hij toch nog zeer veel invloed , dien hij echter hoofdzakelijk gebruikt om de oude , soms dwaze voorrechten der City te handhaven, ofschoon zij een schromelijk onrecht zijn tegen de overige vier millioen Londenaars, die niet in de City wonen
De Lord-Mayor is tevens voorzitter van den Raad der Schepenen , en der overige raadsleden ; hij is de opperste rechter in de City en hoofd der Theemsadministratie, en lid van alle regeeringscommissies voor Londen; hij lega-
73
74
DE LORD-MAYORSDAG,
liseert alle documenten, oefent het amht van vrederechter in Southwark uit en is hoofd der politie in Mansmnhouse^ Men eischt van hem dat hij, als ergens in de wereld nood geleden wordt, terstond hulp-comité\'s opnchte, hij is voorzitter bü de vergaderingen der Gilden , heeft het recht bij de aanvaarding van het koningschap de eerste by eenkomst van den Staatsraad bij te wonen is „hof-schenkerquot; en dan heeft hij nog tallooze baantjes , als commissaris van scholen , kerken , hospitalen , stichtingen , zoodat hij , als hij zijn plicht stipt wil waarnemen , den ge-heelen dag bezig zou moeten zijn. Men ziet dus, dat de ex-likeurstoker of zeepzieder hier in staat wordt geacht alles en nog wat te weten en te besturen.
De City is steeds bekend geweest voor haar gastvrijheid, ja, kwade tongen beweren, dat de gilden alleen nog maar bestaan om maaltijden te houden - en het spreekt, dat
de Mayor bij al die feestelijkheden die daaruit voortspruiten de\'eerste is. Als een gekroond hoofd, een veldheer, een heros der wetenschap of kunst Londen bezoekt, dan ziet men alras aan den zij-ingang van Mansion-House, even als hij ons, een tentje verrijzen, d. w. z ens een banket op til. Is de gevierde een prins of een man die Engeland\'s dankbaarheid in hooge mate verdient, c an vindt het diner in Guild-Hall plaats en betalen de gilden , maar elk ander wordt op \'s Mayors kosten in Mansion-house onthaald. Napoleon III, Victoria Eugenie , de sultan Abdul Asis, de Shah, Alexander II, hebben allen aan den disch der gilden in Guild-hall gedineerd, en .... onvermijdelijk in Engeland „gespeecht.
DE LORD-MAYORSDAG.
In Mansion-house wordt steeds open tafel gehouden , en men verwacht, dat er minstens een a tweemaal per week een diner plaats vindt , waartoe naar een bepaalde rangregeling alle hooggeplaatste mannen , te beginnen met ministers, aanzitten.
Dames zijn bij zulke feestgelagen uitgesloten, maar om deze ook een pretje te gunnen, geeft de maj\'ores jaarlijks een paar bals , waartoe de vrouwen en dochters der City-Corypheên worden genoodigd.
De weelde en rijkdom bij die malen tentoongespreid is zeer groot, de spijzen zijn allen even keurig en de tafels torsen een schat van gouden en zilveren schotels , die alléén een goudmijn vertegenwoordigen. Zij behooren echter allen aan de gilden, die ze door bijzondere wachten nacht en dag doen bewaken.
Het grootste feest vindt a.s. Maandag (9 Nov.) in Guid-hall plaats, en hiervan draagt de Mayor de kosten alleen; dan bewegen zich in de heerlijke , met bloemen getooide zalen een duizendtal personen , die allen een plaats aan den disch vinden; dan straalt Guid-Hall in het helderst licht van gasvlammen , electrische lampen en in den glans, die het goud en zilver op de tafels om zich heen verspreidt.
De ministers in ambtsgewaad , officieren in uniform , gepruikte rechters in hun scharlakenroode talaren en baretten , kerkelijke dignitarissen in hun ornaat, elk ambtenaar in zijn costuum , verhoogen den luister van den aanblik. De tafels zijn zoo lang — het zij als merkwaardigheid medegedeeld — dat de spijzen , voordat ze de laatste vleugels bereiken, reeds koud zijn!
75
DE LORD-MAYORSDAG.
Aan het dessert houdt o, a. de premier een lange politieke rede , die vroeger toongevend was , thans meer als eene formaliteit beschouwd wordt. Achter een kamerschut zit de Mayores met haar eeredames naar de toasten te luisteren, die door de gasten, de Mayor vooraan, ingesteld worden. De Mayores, schoon nooit aan de banketten tegenwoordig, is overigens een onmisbare persoonlijkheid in Mansion-house , en wil het toeval, dat de Mayor een oude — waarlijk oude vrijer is , dan moet hij een vrouwelijk bloedverwant tot mederegentes benoemen.
Schoon de Mayor een salaris van 10.000 p. st heeft, kan hij daarmeê geenszins uitkomen. Zoon jaartje kost hem minstens 15.000 p. st. uit zijn eigen beurs en daar al de fraaiigheid voor zooveel geld slechts 365 dagen duurt, zoo komt het zeer zelden voor, dat een Lord Mayor zich de herkiezing laat welgevallen. Het sop is weléen, maar niet nog een kooltje waard!
76
ir.
DE OPTOCHT.
Reeds Zaterdagavond was men hier overal druk bezig om de huizen te versieren en vlaggen uit te steken om der stad een sierlijk aanzien te geven , maar wat men tevens deed , was alle hekken met planken te betimmeren, — ten einde de klauteraars en haantjes de voorsten alle kans op een gevaarlijk plaatjes te ontnemen, — de vensters te barricadeeren om de glazenmakers niet al te veel te laten verdienen , de fonteinen te omheinen om de kranen voor vernielzucht te bewaren ; want dit zij gezegd, de lord mayors-dag is niet alleen een feestdag maar ook een soort van kermis.
\'t Is mistig weêr , de City is in haar feestgewaad en met de Engelsche kleuren getooid. Op straat heerscht geen gedrang , neen , daarvoor is het te vol, één einde-looze massa van levende wezens , groot en klein is zoo ineengehaspeld, dat men geen lid verroeren, laat staan
de optocht.
een pas voorwaarts kan doen. Wie durft beweren de juiste beteekenis van het woord gedrang te kennen, vergist zich, zoolang hij niet een Londenschen Lord Mayors-dag heeft meêgemaakt; alle verkeer is gestremd, de omnibussen kunnen voor- noch achterwaarts, machteloos staan de koetsiers tegenover het volk dat hen met een glimlach op den koop toe plaagt. De cabs, anders vlug als vlinders verliezen zich in de menigte , de loopers der banken, slaan een blik ten hemel, ze weten geen raad, hoe zich er door te wringen, ze kunnen slechts een ding doen en dat is, opletten, dat geen zakkenroller — die November de oogstmaand noemt — hem zijn waardvolle portefeuille ontstele.
Daar is eindelijk de stoet.
Voorop trekt een detachement politie te paard en een
handvol artillerie; daarachter een compagnie Schotten met
hun schilderachtige kleedij en flinke bloote kuiten, een troepje brandweermannen, die allen één of meer men-schenlevens gered hebben , de brandweer-afgevaardigden uit alle provinciën, en het gild der gouddraadwerkers
met hun vaandels en banieren.
Dan een allegorisch-historische zegekar tot verheerlijking van het goudsmidsvak ; deze bestaat uit drie wagens,
de eerste met de werktuigen van het handwerk, de tweede
met een miniatuur-weverij en toepasselijke schilden, een derde met heerlijke weefsels in goud en zilver.
En zoo gaat het voort, banieren zonder tal; de machinisten met al hun toestellen , de tinnegieters - geen po-_ in het gewaad van koning Eduard IV\'s regee-
78
DE OPTOCHT.
ring, de garen- en bandwevers, de leerjongens, de jongens van den Engelschen Wassenaer, „deExmouthquot;, de leden der Court of assistance , de aldermen , sheriffs en City-dignitarissen; de zegekar der kunst met haar tro-pheeën en wapens , de vruchten der leerindustrie in smaakvolle groepeering , de pijpers van de Schotsche garde die onlangs uit Soudan terugkwamen. Of die dapperen ook toegejuicht werden !
Nu volgen de personen , en verdubbelt de geestdrift; daar is de staatskaros met vier paarden bespannen , die Sheriff Evans draagt, de rijtuigen der Aldermen, die nog niet tot het sheriff-ambt geroepen werden; de vroegere lord mayor, thans weer Alderman, sir R. N. Fowler en de Lady Ma^^oress in haar verguld rijtuig , omgeven door haar feestelijk getooide eeredames, de maarschalk der City te paard, het gansche diénstpersoneel van den Lord-mayor in liverei, en eindelijk , de held van den dag. Al-derman Staples , de lord-mayor , een eerwaarde oude heer, met grauwen baard en energieke trekken. Hij rijdt in een antiek gouden rijtuig, dat van binnen met fluweel is gedrapeerd, en is omstuwd door hellebardieren, huzaren en voorrijders; zes witte hengsten trekken het voertuig en om den uitverkorene in zijne gansche waardigheid te toonen, is hij begeleid van zijn schildknaap, zijn zwaarddrager en zijn kapelaan.
Huzaren van het 7 de regiment besluiten den stoet en dragen zorg, dat de nieuwe burgervader enkel de lusten en niet de lasten van de geestdrift zijner gemeente-kin-deren ondervinde.
79
DE OPTOCHT.
Het is onmogelijk om al de heerlijke costumes, de smaakvolle groepeeringen, de onbeschrijfelijke praal in dien ganschen stoet tentoongespreid, geheel te beschrijven. Laat mij slechts zeggen, dat ik dien optocht schoon en merkwaardig vond, daar het geheel met evenveel smaak als orde was ineengezet.
De stoet trekt thans voort door de City naar het gerechtshof____ Ik ijl naar huis om me in mijn „full
dressquot; te werpen; want het is haast tijd voor het dinei in Guild-Hall
8o
WELSPREKENDE CIJFERS.
(1887.)
De Londensche Alderman , wiens vriendschap en invloed reeds zoo menige deur voor mij ontsloot, waaraan ik anders gewis tevergeefs geklopt zoü hebben , stelde mij onlangs in staat eenige voorname Londensche gevangenissen te bezoeken en zoodoende mijn kennis van \'t En-gelsche strafstelsel te vermeerderen.
Op een dier tochten gaf de gouverneur van het gesticht me zijn geleide en beantwoordde mijn veelvuldige kris en kras dooreenloopencle vragen even welwillend als uitvoerig.
De slotsom dier heuschheid van zijn kant was een weinig vleiend oordeel van mijn kant over het gevangeniswezen.
Zonder er doekjes om te winden, verklaarde ik, dat de barbaarsche behandeling der gevangenen , die niet eens een fatsoenlijke rustplaats voor den nacht hebben,
ö
WELSPREKENDE CIJFERS.
maar op een bed van planken, zonder matrassen en met een houten dwarsplank als hoofdkussen , hun moede door tredmolen en touw-plukkerij afgematte lichamen aan nieuwe pijnigingen moeten prijsgeven, die slechts eens per week vleesch en gewoonlijk slechts haverdegortpap of een verfoeilijk gerecht „Suet-Puddingquot; als voedsel krijgen ; die circa 14 uren daags hard werk moeten verrichten en daardoor behalve met hun vrijheid ook nog met hun gezondheid voor hun — soms geringe — zonden boeten ; ik verklaarde dat zulk een mishandeling van den naaste — al is hij een boosdoener — der bekende grootmoedigheid en menschelijkheid der Engelsche natie, wier roem zal blijven dat ze een einde maakte aan de slavernij, onwaardig is.
Met een half spottend , half meewarig glimlachje luisterde mijn leidsman naar mijn betoog , dat, onnoodig er op te wijzen , met vuur werd uitgesproken. Hij liet me kalmpjes uitspreken en vroeg toen met Britsche bedaardheid , op denzelfden toon waarop een ander zegt: Heb je veel kennissen in Londen. „Heeft u \'t gezelschap der Engelsche boevenwereld wel eens gefrequenteerd?quot;
\'k Antwoordde , dat me de eer nog niet te beurt gevallen was officieel in die colerie geïntroduceerd te worden __wel had ik officieus eenige voorname typen van
de Londensche „steel-allsquot; en „knockdownsquot; leeren ken-nen — namelijk toen ik indertijd met eenige detectives „vleermuistochtjesquot; door \'t nachtelijk Oosten deed. Doch verder reikte mijn kennis niet.
„Dat dacht ik al, hernam de gouverneur , want als u
82
WELSPREKENDE CIJFERS.
wist dat de Engelsche „ruffianquot; (boef) een schepsel is, dat niet vatbaar is voor rede, voor mildheid en vermaning , maar dat hij het genus mensch verlaagt tot den staat van \'t redeloos dier, en enkel door twee groote machten geïmponeerd wordt — die we ook op beesten doen gelden , — ruwe behandeling en lichamelijke tuchtiging , als u eens eenige tienden van uw leven gesleten had te midden van de „ledematen, die de maatschappij als rot heeft afgehouwenquot; en van zich geworpen — zoudt ge het met mij eens zijn, dat \'t niet aangaat voor onze misdadigers paleizen op te zetten gelijk gij \'t in Holland doet (\'k vind — schoof hij er tusschen in — de cellulaire gevangenis te Amsterdam het model eener welgeorgani-seerde strafplaats), en hun comforts te laten genieten, alsof ze in een hotel en niet in een verbanningsoord gelogeerd waren. We zouden weldra met onze recidivisten geen weg meer weten en de misdaad, die helaas toch al welig genoeg tiert, zou alras afmetingen aannemen, die onze weekhartigheid tot een vloek voor de maatschappij zouden stempelen. En vergeet ook niet, dat het pauperisme de zuster is der misdaad, en dat duizenden armen liever eerlijk blijven, honger lijden of in\'t werkhuis gaan, dan een poos door diefstal een prinselijk leven te leiden, omdat ze weten dat „hard labourquot; erger is dan honger en dat prison without hard-labour gelijk staat met: honger,quot;
Aldus werden mijne woorden ontzenuwd en ook de bewijzen voor zijn bewering legde de gouverneur me onder de oogen.
83
WELSPREKENDE CIJFERS.
Hij voerde me naar zijn stil, sober ingericht werkvertrek en legde eenige staten voor me neer, die eerlang aan de geheele pers medegedeeld zouden worden.
„Men schimpt wel op de statistiek , mijnheer , maar \'k blijf er bij , cijfers spreken de waarheid, lees dit!quot; — en nu zag \'k niet zonder verwondering, dat de misdaden van belang in Groot-Brittanië afnemen.
In het lustrum van 1859 — 1864 bedroeg het aantal tot dwangarbeid veroordeelde personen circa 2800. Van 1869 —1874: 1622 per jaar, van 1879—1884: 1427 per jaar, van Maart 1884—Maart 1886 : 1027 per jaar, en hierbij mag men niet vergeten dat de bevolking van 1864—1886 met 7,000,000 zielen toenam.
Onder die 1027 veroordeelden in 85 86 hadden 708, dus ca. 70 pCt. de bank der beschuldiging voor \'t eerst betreden , terwijl de misdaden die zij bedreven aldus in hoofdzaak geclassificeerd kunnen worden : Diefstal en heling 219 gevallen, inbraak 83, vergrijp tegen de zeden 74, mishandeling 48, moord 25 (tegen 38 in 1884/84), roof gepleegd op personen („robbery with violencequot;, te straffen met tuchthuis en onvoorwaardelijk met geeselslagen met de „cat of nine tailsquot;) 26 tegen 106 in 1884 en gemiddeld 82 in 1881/84. Men ziet dus dat voornamelijk de groote misdrijven — gelukkig! — kolossaal hebben afgenomen ; dat vrees voor \'t ophangen en de grooter afschuw nog voor de geeselstraf de hoofdfactoren dier welkome verschijnselen zijn.
De bevolking der gevangenissen bedroeg in 1885/6 8386 personen, waaronder 821 vrouwen; en 3344 perso-
84
WELSPREKENDE CIJFERS.
nen, welke een veroordeeling tot 5 jaar tuchthuis (het laagste strafcijfer in Engeland na twee jaar dwangarbeid) ondergingen.
Misdaad en leeftijd staan in de volgende verhouding tot elkaar: het misdadigers-contingent onder mannen wordt geleverd door hen die tusschen 25 en 34 jaar oud zijn, terwijl bij vrouwen de jaren van 33 tot 44 de gevaarlijkste schijnen.
Het misdadigersgild kostte den Staat: £299,876, waarvan afgaan £ 164,271 als profijt op het door de veroordeelden geleverde werk , zoodat het werkelijk cijfer slechts £ 134,462 bedraagt, m a. w. £ 16.2.9 per-persoon. Hierin is begrepen het salaris van het personeel der gevangenissen , dat in de 12 gestichten te zamen 1500 hoofden bedraagt. De werkzaamheden die door de „convicts1\' verricht worden , komen den Staat ook nog in andere dan geldelijke opzichten ten goede, zoo werd bijv. de haven te Dover, het fort te Portland en te Chatham, het arsenaal te Luton geheel door hen gebouwd.
De Mij. tot ondersteuning van ontslagen gevangenen werkt steeds met meer succès; van de 1815 ontslagenen werden 1256 (76 vrouwen) aan een eerlijke broodwinning geholpen.
Klinkt dat laatste niet als een klok ? en pleit \'t niet vóór het groote, edelmoedige hart van John Buil ?
En nu nog een opmerking , mijnheer , om u te overtuigen, dat de Staat niel gansch gevoelloos is voor misdadigers , die ééns zondigen door verleiding en die, na hun straf ondergaan te hebben weder nuttige menschen
85
WELSPREKENDE CIJFERS.
beloven te worden. Ook wij hebben ingericht wat gij lieden de „Pistolequot; noemt — Star Class heet \'t hier. Wel veroorloven we den gevangene dier klasse niet schapenboutjes en puddingen op zijn kosten uit restaurants te laten komen , maar we schenken hem grooter genot, we zonderen hem af van het schuim , van de boeven van professie, en we zetten hem aan lichter werk in een omgeving van schepsels evenals hij, wier zwakke voet uitgleed, wier enkels verzwikt doch niet gebroken werden.
Daarop lichtte de portier de zware grendels van de sloten , de grauwe deuren kraakten en steunden; achter me lag het gebouw, dat ik later nog eens nader zal beschrijven.
Ik was vrij---- en wijzer ook. Maar den op dien
dag volgenden nacht, droomde ik slechts van cellen en van cijfers , die met hun groote monden verkondigden „de wereld wordt beter.quot; Dit zij zoo!
86
BRIGHTON.
John Bull was een type .... en zijn spruiten zijn typesquot; en zullen \'t blijven.
Oorspronkelijk en eigenaardig zijn de Engelschen ; er aan te tornen is nutteloos , er over te lachen overmoed ; want wat beteekent de opinie van één schepsel tegenover die van 40,000,000 zielen , die er zich op beroemen al wat de raenschen op het vasteland doen andersom te verrichten en per saldo bewijzen dat het omgekeerde zijn tegenvoeter niet alléén evenaart, maar ook overtreft.
Ne craignez rien, Madame .... ik zal u niet op paradoxen onthalen.
Dat in \'t zuiden van Frankrijk enkele badplaatsen in \'t gure najaar hoogtijd vieren , klinkt niet vreemd ....
veeleer natuurlijk____hoe zuidelijker, hoe warmer; maar
dat op twee uur sporens van \'t kille, koude, mistige Novemberachtige Londen , de room der Engelsche aristo-
BRIGHTON.
cratie in open landauers en luchtige costuumpjes langs het zeestrand rolt en drentelt, dat klinkt ons , schutsheeren van \'t zomerlijk, doch ^afschaffersquot; van\'t winterlijk Sche-veningen en Zandvoort, allerkomiekst in de ooren.
Welk verstandig mensch gaat in dit seizoen nu naar \'t strand, en dan nog wel in open rijtuig, \'t Heeft er inderdaad iets van, alsof men zijn lachende buren opzettelijk aan uitbundige ontijdige vroolijkheid wil gewennen.
Zoo redeneeren wij, voorzichtige bewoners van \'t land der natte voeten en der overschoenen.
Hier denkt men er anders over; de frissche, droge koü, gedroogd door een lustigen westenwind, zegt John, staalt de spieren, reinigt de longen, jaagt het bloed door de aderen en toovert een blos op waswitte wangen .... en dan gluurt hij in zijn beurs of er nog een half pondje in glinstert, en als de gulden beeltenis van H. M. hem bemoedigend tegenlacht, stapt hij \'s Zondagsmorgens in de gedrapeerde derde klasse van de Brighton Railway en stoomt door de immer groene malsche weiden van het rijke Zuid-Engeland , door de rotsige bergwanden, die zich weinig mijlen van het vlakke Londen reeds verheffen , maar bet fashionable Brighton, waar hij, nog onder den indruk van den voorspoed, die bij elke schrede zijn oog bekoort , zijn Britsch gemoed van rechtmatigen trots doet zwellen , plotseling voor het groote panorama staat, dat, schier eenig in zijn soort, de beide groote mogendheden: „natuur en kunstquot; op één onmetelijk doek te zamen brengt.
Brighton — Helder-oord zouden wij op zijn Hollandsch zeggen — die naam is geen ij dele klank, geen benaming,
88
BRIGHTON.
enkel gekozen, nu ja , omdat \'t kind toch een naam moet hebben, neen, \'t is de karakteriseering van dit heerlijk plekje in een enkel woord : „Brightquot; .... helder , staat de zon daar aan den blauwen , door lichte , spierwitte wolkjes bevallig omzoomden hemel, als Londen zucht in zijn nevelachtig rouwkleed ; helder strekt zich de gewelfde zilveren spiegel der Noordzee uit voor het smalle rotsachtige strand ; helder spat het blanke schuim der golven tegen de kunstige balustrade van den „pierquot;, waar honderden zich zeiven en anderen laten begluren, en honderden , over de borstwering geleund, hun blik zenden naar de branding , die met haar eeuwig „Einerleiquot; van komen en gaan zelfs den meest prozaïschen sterveling een oogenblik tot dichter vormt en zelfs het nuchterste wezen voor hoogere gevoelens vatbaar maakt.
En zelfs wanneer men den blik afwendt van de zee en beschouwt, wat menschenhand hier heeft gewrocht, wijkt dat dichterlijk gevoel niet.
Op de breede strandvlakte van Scheveningen , Zand-voort en de Duitsche badplaatsen treedt het vertier van het publiek , de rij der badhuizen en hotels op den achtergrond , de laatste zijn zelfs soms tamelijk ver van het strand verwijderd.
Niet zoo in Brighton; links, rechts, voor u , achter u , zoekt ge naar een rustpunt; te vergeefs! ge zij t omstuwd door een bont doch ordelijk chaos van menschen, huizen en equipages, die elk oogenblik opnieuw uw aandacht vordert.
Langs de kade, die in een rij- en wandelweg is ver-
89
BRIGHTON.
deekl en in vorm aan de Champs Elysées doet denken , verhefifen zich de hotels, de clubs, degarnis; boven alles uit steekt het „Grand Hotelquot; met zijn zeven verdiepingen en in schril contrast met de meestal uit gelen steen opgetrokken gebouwen , de conservatieve club , dat kleine , roode , gothische hoekhuis , dat, hoe klein het ook zij , £ 40,000 gekost heeft.
De Grieksche stijl heeft de bovenhand, die strenge rechte lijnen, die zuilengangen en de voorpuien, die sobere gevels , die gansche trant is bijna te eenvoudig , te ernstig voor een badplaats, waar luxe en overdaad zóó met elkaar verbroederd zijn als te Brighton.
Maar de bouwmeester, die deze werken verrichtte, trad niet zonder overleg in \'t voetspoor der klassieken; bij een ernstig aangezicht past een statig kleed , -en juist die stemmigheid van den bouwstijl tegenover de fiere majesteit van den Oceaan is \'t, die den vreemdeling te Brighton zoo innig treft.
Wat was \'t gelukkig dat de sybaritische koning George IV zijn „Pavillionquot; — in de wandeling „George\'s Follyquot; genaamd — niet aan de boorden der zee kon laten opbouwen. Nu ligt de keurige , doch aan een Turkschen harem herinnerende „Kursaalquot; met zijn reusachtige lees-en danszalen achteraf in een Park, in \'t midden der stad, en is daar niet misplaatst; maar verbeeld u , dat naast die klassieke eenvoud eens de muzelmansche grilligheid, met zijn halve manen en zijn koepels, gestaan had — gelijk George het wilde, maar wegens plaatsgebrek niet kon — \'t ware heiligschennis geweest en nimmer zou
9°
BRIGHTON.
Brighton de faam veroverd hebben, die \'t nu geniet „st^dishquot; te zijn.
O, \'t is zoo „stylish\'\', zoo „fashionablequot;. Nu, terwijl het seizoen in volle glorie straalt, is de badplaats, waar de millioenen elkaar rakelings voorbijloopen , de ,,Bazarquot;, de „Journal des modesquot; voor het geheele prachtlievende Albion.
Dames , ik, een man , een barbaar in modezaken, \'k heb gewatertand , bij al het vernuft dat dame „Modequot; hier tentoonspreidde.... Wat zoudt gij wel gedaan hebben in mijne plaats, gij, priesteressen van \'t bevallige, \'t schoone , \'t bekoorlijke ?
Uw vraag te beschrijven , wat me bekoorde, moet ik met een „non possumusquot; beantwoorden ■— helaas, een\' nijdig lot onthield me de gave, een bevoegd beoordeelaar en reporter van uw kleedij te zijn.
Doch dit trof me : peluche is hooge mode, voornamelijk lichte kleuren; zilverblauw , kersrood , lichtgrijs en violet voor mantilles. In japonnen schijnt elke modiste haar eigen smaak te volgen , want schoon efifen patronen met weinig volans de bovenhand hebben , ontdekte ik , dat de allervoornaamsten onder de dames ook weêr een weinigje aan de „roccocoquot; — teekening in fluweel en haut relief op zijden grond , offeren. Brusselsche kant — echt of valsch, ik kan \'t niet zeggen — schijnt zeer in zwang te zijn in de garneering van den „Ueberwurfquot; . . . en in de hoedjes — formaat: \'t Fransche dakhoedje, zooals de dames \'t hier noemen — speelt helpaarsch en hoogrood een eerste rol.
91
BRIGHTON.
\'t Haar wordt in den hals hoog opgekamd gedragen , behalve door de dames , die nog steeds gebukt gaan onder de dwaasheid hun heerlijken dos te hebben afgesneden , om d. la garcon — dus heel kort — te voorschijn te treden , een caprice , die ze nu duur aan den kapper betalen , want, vergeef de openhartigheid, de meeste dier tienvuldig om het achterhoofd gewonden vlechten zijn... onecht.
Oscar Wilde\'s „aestheticsquot; hebben nog vele aanhangsters, en de „dress-improver neemt nog altijd in omvang toe.quot;
Waar moet dit heen .... Als we schreven 1140 in steê van 1886, zou \'k zeggen „een nieuwe editie van „die Wei-ber Von Weinsbergquot; is te wachten.
Doch ik wordt al te „brightquot; in mijn vertoog. Wijt het niet aan mij, ik zet slechts te boek wat ik zag en bewonderde te .... Brighton.
92
EEN ROOKCONCERT.
Er bestaat wel geen land ter aarde waar de vormen en manieren in de maatschappelijke samenleving zóó in acht genomen worden als in Engeland, nergens is het woord heer, gentleman, die eigenaardige samenvatting van goeden smaak, deftige houding en welwillendheid, zulk een klinkende en veelzeggende eeretitel, maar ook nergens zult ge naast de hoogste inachtneming der vormen, zooveel sans gêne, zooveel genot vinden.
Treffender illustratie van dit contrast, dan door de beschrijving van een smoking-concert, zooals er elk jaar een viertal in Princes\' Hall, Piccadilly, gegeven worden is moeilijk te vinden.
Ik zal trachten den indruk weêr te geven, dien de bijwoning van zulk een concert op mij maakte.
Vooraf een enkel woord over het ontstaan dier muzikale bijeenkomsten.
EEN EOOKCONCERI.
Voor een jaar of vijf geleden vormden eenige jonge muziekliefhebbers het plan een dilettanten-orkest op te richten. Men bepaalde het aantal der medewerkenden op loo en liet slechts hen ter deelneming toe, die \'t in \'t bespelen van een of ander instrument tot zekere hoogte gebracht hadden.
Die werkende leden betaalden i guinea per jaar en slaagden er weldra in een vrij aanzienlijk aantal honoraire leden om zich heen te vergaderen, die tegen 2 guinees per jaar als hoorders wenschten op te treden.
Het plan kwam den prins van Wales en zijn broeder, den hertog van Edinburg ter oore, en de een, een groot muziekliefhebber, verklaarde zich bereid het presidium der vereeniging te aanvaarden, terwijl de andere koninklijke hoogheid, die een hartstochtelijk beoefenaar van het vioolspel is, er geen kwaad in zag, als medewerker de jonge zaak te steunen.
Sedert bepaalt de prins van Wales in het winterseizoen de concert-avonden, en neemt zijn broeder als ijverig lid, aan de repetitiën deel, die eiken Dinsdag plaats vinden.
De beide prinsen zijn er ten zeerste op gesteld, dat het gezellig samenzijn in geenen deele door de aanwezigheid van de doorluchtigste onderdanen des rijks gesteund worde, zij wenschen dat op deze heerenavondjes geen onderscheid besta tusschen de standen onderling, allen zijn hier gelijk; de eenige, die hier den toon aangeeft, is vrouw Musica.
Men verschijnt wel is waar in full dress, zwart gerokt en wit gedast, maar dit stijve feestgewaad verliest alras zijn min gemoedelijk karakter als men in \'t coquette con-
94
EEN ROOKCONCERT.
certzaaltje rondziet en louter vroolijke praters, allen dampend dat het een aard heeft, aanschouwt, en onder de aanwezigen het vriendelijke bolronde gelaat van Engeland\'s aanstaanden Koning weet te ontdekken, die kalmpjes de rookwolkjes zijner sigaar voor zich heen blaast, of zich achterover in zijn zetel werpt om door een zijner vrienden, ze zijn talloos, een nieuwtje te hooren vertellen.
\'s Prinsen zoon is gewapend met een groote meerschuim-pijp , ten deele doorgerookt, die door zijn meester angstvallig wordt gadegeslagen om als het ware, in den rook-stroom , die zijn sigaar ontwelt, gedompeld te worden , ten einde een nog dieper bruine kleur aan te nemen. Op \'t orkest zit drievierden van de uitvoerenden te dampen, de hertog, eerste viool, rookt cigarette op cigarette , de muziek-directeur Georg Monts, houdt in de rechterhand zijn diregeerstok, in de andere zijn Havanah; onder \'t diregeeren doen beiden dienst, de een om de linker-, de ander om de rechterzij in de maat te houden.
\'t Programma is voor alle standen ingericht; naast eerbiedwekkende namen, als Beethoven, Haendel, Auber, Gounod , ontmoeten we er den zangerigen , helaas zooeven ontslapen , abt, den pathetischen Goldberg en luchtige componisten als Monuisko en Roth, wier marschen, evenals de ietwat vreemdsoortige balletmuziek van Mackenzie , vóóral de minder muzikaal ontwikkelde hoorders bekoren.
Toen no. 5 van \'t programma aan de orde was: Het „Largoquot; van Haendel, werd de over \'t algemeen nogal onrustige zaal plotseling stil, men verbeidde het glanspunt
95
EEN ROOKCONCERT.
van den avond: een solo van den hertog van Edinburg. \'t Zou oneerbiedig zijn, \'s Hertogs spel, die uit loutere liefhebberij zijn medewerking verleent, en zonder twijfel oorzaak is dat deze smoking-concerts zoo buitengewoon goed bezocht worden, te critiseeren. Dit volsta: de Hertog is een echte dilettant, hij mint zijn instrument en zijne kunst met hart en ziel, maar hem ontbreekt die eenige gave, waarop alleen musici van hooge beteekenis kunnen bogen , zijn instrument te doen zingen. De tonen die hij aan de vedel ontlokt klinken niet onaangenaam, maar ze sterven vlugjes af, maken geen diepen indruk.
quot;t Applaus was grenzenloos , zoo zelfs dat Z. H. er door besloot, zijn solo te herhalen, tot niet geringe vreugde zijner vereerders
Beethoven\'s Leonora , met veel schakeering en hoogst verdienstelijk uitgevoerd, besloot de eerste afdeeling; \'t publiek kon \'t slot haast niet afwachten; daar beneden stonden flink bezette bars gereed om den aanval van een troep drinklustige belegeraars af te wachten.
Hier toonde zich het Engelsch karakter weêr eens ter dege , als er iets te drinken valt, raakt de anders min of meer phlegmatieke Engelschman uit zijn plooi, met koortsachtige haast stormt hij naar \'t buffet, en rust niet eer voordat hij door dringen en stooten zijn glas brandy of toddy, of liever nog een flesch van elke soort, veroverd heeft.
\'k Kon een glimlach niet onderdrukken, toen \'k dien lofwaardigen ijver zag , waarmeê, nadat de geest gevoed was, ook om het lichaam werd gedacht, \'k verzeker u
96
EEN ROOKCONCERT.
na de pauze was \'t buffet een lijkenveld, niet één volle flesch overleefde den veldslag. Toen een signaal den wederaanvang van \'t concert aankondigde , had \'k ook tijd me te laten inlichten omtrent merkwaardige personen die zich , behalve de genoemde, in de zaal bevonden; daar was the right Hon. Knight, twee jaar geleden lord-mayor van Londen , een imposante kop , die door een zwaren grijzen baard nog indrukwekkender werd; Toole, de bekende acteur-directeur, zeer gezien bij de koninklijke familie, maar als mime geen bijzonder licht; sir Arthur Sullivan , de gelukkige componist, die aan zijn muzikaal talent niet alleen zijn schild maar ook zijn inkomen te danken heeftquot;, dat op pl. m. £ 5000 per operette geschat wordt: op \'t oogenblik speelt het Savoy-theatre er weer een, de „Mikadoquot;, een allerdolste klucht, die avond aan avond goud in de kas en menschen naar den schouwburg doet stroomen. Sullivan is een kleine, zeer gesoigneerde gentleman, hij heeft scherpe bruine oogen , een sierlijk gefriseerd hoofd , dat op sommige plekken het zwart met grijs en ... . vleeschkleur verwisseld heeft, en een paar kleine bakkebaardjes, die het kleine geniale mannetje buitengemeen goed kleeden. Dan was er nog een George Lewis, de beroemde advocaat, wiens hoog voorhootd en geestige oogen onmiddellijk verraden , dat die man meer dan een gewoon sterveling is; hij draagt altoos een monocle , maar de wereld zegt, dat de groote pleiter , met dat ééne hulp-oog meer ziet dan anderen met twee brillen. De prins schijnt veel van hem te houden, ze zaten allerfamilaarst zamen te praten, over de Fransche
7
97
EEN ROOKCONCERT.
ministerieele crisis naar men zei, een thema , waaraan op den avond van \'t concert, behalve die ingewijden , geen raensch dacht, omdat er onder \'t publiek nog niets van was uitgelekt. Ten slotte wachtte ons eene verrassing. Professor Joachim, die ons publiek door zijn heerlijk spel in verrukking brengt, was ongemerkt in de zaal gekomen , en door den prins van Wales bijster hartelijk ontvangen; langen tijd spraken de beide vorsten samen, ten slotte zegepraalde de wereldlijke macht over die der tonen; onder daverend gejuich verkondigde Mounts, de dirigent dat Joachim op \'s Hertogs viool iets ten beste zou geven, terwijl Sullivan zich bereid verklaarde hem op de piano te begeleiden. Men koos een symphonie van Beethoven; bevoegder muziekbeoordeelaars dan ik kunnen het heerlijke duo naar waarde schatten, als leek moet ik me bepalen bij de min of meer banale omschrijving , dat zijn spel tot in !t diepst onzer ziel drong en dit smoking-concert tot een onvergetelijken kunstavond stempelde.
Trouwens ook zonder Joachim is een smoking-concert een dier gezellige bijeenkomsten, die we ook gaarne op \'t vasteland zouden zien invoeren.
En niets wat den vorst hechter aan zijn volk verbindt, dan zijn streven zich bij het volk bemind te maken, door ook deel te nemen aan zijn edelste vermaken.
1885.
98
HET LEGER DES HEILS.
Hare Excellentie , Mevrouw Generaal Booth , heeft mij de eer aangedaan , mij uit te noodigen de inwijding der nieuwe vergaderplaats van het leger des heils {the Salvation Army) bij te wonen.
\'k Ben haar dies grooten dank verschuldigd , want waarlijk, \'k heb me bij die inwijdingspartij voortreffelijk vermaakt ,. ... neen .... \'t is ondeugend te zeggen vermaakt , als het \'t ziclsheil van duizenden en duizenden heilsofficieren van beiderlei kunne geldt; \'k heb me dus niet vermaakt, maar \'k werd gesticht.
Reusachtige plakkaten , rood gekleurd, want de heele armee heeft tot devies: „Bloed en Oorlogquot;, lokten duizenden naar Edgware Road, waar zich vlak tegenover het metropolitan station een eenvoudig bijna smakeloos gebouw uit gelen baksteen , de tempel der Salvation Army, verheft.
HET LEGER DES HEILS.
We treden binnen; de zaal is geheél vierkant, omlijst door een groote galerij en aan \'t noordeinde begrensd door een tribune, waar de muziekcorpsen van het leger, de vleugel-adjudanten, de generale staf, en enkele bevoorrechte , waarschijnlijk bijzonder milde leden plaats vinden.
Het spreekgestoelte is een eenvoudig keukentafeltje, met een rood kleed behangen, waarop als eenig sieraad een waterkaraf en drinkglas staan.
Wij perslui zitten aan een houten toonbank, waarin gebrand staat, dat de „refreshmentsquot; door een mij onbekende firma zijn geleverd.
Van mijn bevoorrecht hoekje neem ik aan, dat in plaats van 2300 man , die in \'t gebouw kunnen plaats vinden, p..,m, 4000 mannen en vrouwen zijn binnengedrongen , waarvan de helft pro deo op de galerij samengeperst en de rest tegen betaling van 1 shilling in \'t ruim op banken geplaatst is.
De galerij is omgeven door een bloedrooden krans, waarin spreukjes als deze zijn geplaatst, achter elkadr, elk door een kruis gescheiden: „Salvation or damnation Prepare to meet God -(- Jesus is mighty to save -j-Seek God now -j- God is my salvation are You saved?
God First -}- Death is coming! -|- after death judgement -f Heaven or hell Choose!quot;
\'k Moet zeggen , dat de lectuur dier kernachtige woorden me een weinig deed griezelen; of de andere toehoorders , allen broeders in den Heere \'t zelfde voelden, weet \'k niet, maar de stemming was zeer.... stemmig.
100
HET LEGER DES HEILS.
De schalmeien beginnen te schetteren, mevrouw Booth, vleugel-adjudant juffrouw Booth , vleugel-adjudant jongeheer Booth en Booth senior, hoofdbestuurders , treden binnen.
Mevrouw Booth was niet leelijk in haar goeden tijd , en is nu een deftige matrone , wat mager , en herinnert aan een eerzame Duitsche huismoeder uit den kleinen burgerstand. Zij draagt evenals alle officieren der armee een blauw serge-costuum, stroohoed en als eenig onder-scheidingsteeken aan het boordje van haar kleed een gouden wapen met de insignes der armee. Er is iets flinks in \'t optreden der vrouw, iets mannelijks zou ik zeggen; ze weet wat ze wil, dat zult ge straks hooren.
Miss Booth is een dier dames , die Zola zoo voortreffelijk weet te beschrijven , lees in Au B.onheur des dames maar eens de beschrijving van Campardon\'s boezemvriendin en ge hebt een goede voorstelling van haar uiterlijk.
Zij is jong, en toch oud , mooi en ook niet mooi; haar magere handen en mager gelaat staan niet in verhouding tot haar fraaie armen , de welige blonde lokken en haar vriendelijke blauwe oogen, die , als ze althans haar geëmancipeerden knijpbril afzet, zoo vroolijk de wereld ingluren , dat men wel zou willen vragen: „Zus , zijt ge nu wereldsch of Salvationist.\'1 \'k Geloof dat de lieve miss op een bal geen kwaad figuur zou maken en in de wereld, de vroolijke wereld, alras zou opfleuren.
Papa Booth is een Yankee-type, stevig, groot, goedig;
IOI
HET LEGER DES HEILS.
hij draagt een grooten grijzen baard die zijn gezicht iets waardigs verleent.
De zoon is een tenger ventje met zwarten baard en knevel, ik kan niets martiaals in hem ontdekken. Hij is in zekeren zin de regisseur van \'t gezelschap; in zijn oor steekt een groote trompet, (mijnheer is doof) waarin de generaal , mevrouw, gedurig haar bevelen toetert. Onder het spel der muziekanten begint de gemeente uit een bloedrood boekje lied 7 te zingen:
Oh , for a heart to praise my God ,
A Heart from sin set free,
A heart that always feels the blood So freely spilt for me
getoonzet op een motief aan een oude opera comique ontleend.
Aanstonds volgt het gebed door een der officieren, dat beantwoord wordt door miss Booth, die voor de gelegenheid met haar bovenlijf over het geïmproviseerde spreekgestoelte heenhangt en na het „amenquot;, dat van alle kanten wordt beantwoordt, zich gedwongen voelt nog een strofe uit lied 7, met een soprano-falset-stem voor te dragen.
Ditmaal wordt zij slechts door een piano en één viool begeleid om \'t effect te verhoogen en haar stem te doen uitkomen, \'t Publiek vindt dit orkest echter niet compleet genoeg, het mist de groote trom en remplaceert die door een applaus op de maat van\'t lied, zoodat een fraai harmonisch geheel tot stand gebracht wordt; dat in
102
HET LEGER DES HEILS.
de wildste muziek der Hongaarsche Pustha haar weêrga tevergeefs zocht. Eindelijk schonk mevrouw Booth een glas water in, m. a. w., begon zij haar speech, \'k Heb dien opgevangen, ten deele althans, en schrijf dien neêr. \'t Is der moeite waard.
„Broeders en zusters, zegt de spreekster, Broeders en Zusters !
„Ik grondvest mijn aanspraak op\'t Evangelie Johanni; kapittel II, Vers 18: „En de zeven Engelen bazuinden rond, hij zal regeeren altijd en altijd.quot;
Och Heer! zegt de spreekster, kunnen we \'t niet met minder dan \'t leven van zeven bazuinen af?
\'k Hoor daar een der reporters zeggen, gelooft ge , dat het nog lang zal duren voordat Jezus\' koninkrijk op aarde zal zijn.
Ik geloof \'t ook , want ik heb gevreesd , dat de bijbel vooralsnog hier slechts gelach zal verwekken.
En hier niet alléén , zelfs in \'t Parlement. Wat een heerlijke plaats zou de aarde zijn als Christus er regeerde. Kennen jullie zoo\'n plaats? (men roept: Neen).
Neen! zoolang \'t Parlement voortgaat met te bepalen dat de Staat voor jonge meisjes te waken heeft tot haar 15de in plaats van tot haar 16de jaar , zoolang zal de Heer overal verdreven worden , maar de zegepraal komt toch eens!
Hierop berust onze triomf! op den Bijbel! (de spreekster slaat met de vuist op het heilige boek).
En weet ge hoe een koninkrijk in den Heer zou zijn?
Er zou vrede , liefde , geloof heerschen; er zouden ge-
HET LEGER DES HEILS.
rechtshoven in plaats van ongerechtshoven zijn. (\'k Dacht aan Schiller in Wallenstein; Das Deutsche Reich wird Deutsche Arm), ge zult met nieuwe karakters verrijkt worden, m. a. w. uw zonden zullen weggevaagd , uw lijden zal verzacht worden!
Vrede!
Geen oorlog zou er heerschen , geen gelegenheids-diplomatische vroomheid , geen schaamte.
\'t Zou Heerlijk zijn! (Geschreeuw! Yes, Yes, Amen! Amen!) Mevrouw Booth vindt dien bijval niet krachtig genoeg.
Waarom gilt gij niet? (men gilt!) Gijlieden vindt het beeld schoon, maar onmogelijk? (No! No!)
Neen niet onmogelijk, moeielijk ja, niet onmogelijk!
Welnu, breng God in de oude wereld terug en dan zal alles terecht komen.
Er zijn lieden, die beweren , dat de Heer in persoon zal regeeren.
\'t Kan mij niet schelen hoe Hij regeert, als Hij maar regeert, \'t kan me niet schelen in welke gedaante Hij komt, als Hij maar komt!
Hij heeft zich altijd bereid getoond een medewerker te zijn van iedereen.
\'t Is derhalve ieders plicht Hem te verzoeken om met Hem meê te werken.
De eenige weg om het doel te bereiken is: Vecht.
Vecht! flink , onversaagd.
Wat zou er in Afrika gebeurd zijn als we er een handvol lui heen gezonden hadden, om met de Araberen een praatje
I04
HET LEGER DES HEILS.
te houden, of om hun bijbeltjes aan te bieden? Ze zouden ons uitgelachen hebben!
Wij vielen op de Afrikaanders neer met millioenen ponden en duizenden soldaten; we vochten.
Dat is werken!
Denkt niet, dat ge volkeren met glacé handschoenen kunt beheeren.
Als ge \'t zoo aanlegt zullen ze onbekeerd blijven als te voren.
Vecht!
Niet met vleeschelijke maar met geestelijke wapens.
O , Heer, wanneer zullen we dit leeren , wanneer zult ge neêrdalen , om de paleizen te vernietigen , die de zonde herbergen ?
\'t Is een harde last (zij veegt de zweetdruppels van haar voorhoofd af).
Bezoekt arme jongens en meisjes, vergeef hun als de Heer! (Rumoer! Spr, zegt: wees zoo goed om bedaard te blijven, ik ben zoo meteen klaar!)
Elk christen moet een soldaat wezen, niet een dier schijnheiligen, die angstvallig uitzien van welken kant de wind blaast en hun hoed afnemen voor iemand die een gentleman , een squire , is. Hij moet geen soldaat zijn, die alleen te velde trekt onder voorwaarde, dat hij heelhuids thuis kome , of onder voorwaarde , dat men hem bij dit of dat regiment plaatse.
Neen zulke soldaten willen we niet!
Hier ben ik , zooals ik ben , beveel, waarvoor en waarheen ge wilt.
IOC,
HET LEGER DES HEILS.
Zulke soldaten willen we hebben.
Helden, wier daden ge in boeken leest en waarvan ge naderhand zegt: Hè, zulk een held zou ik willen zijn !
Welnu , wees zulk een held!
Pauze!
\'k Geloof dat ze 10,000,000 pond gegeven hebben, \'k weet het getal niet precies , om 10,000,000 te dooden. Gesteld dat die allen gedood werden, dan blijven er nog 1400,000,000 (de bevolking der wereld is volgens mevr. B. 1500 millioen !) ongeloovigen over!
Wat helpen dan die tien millioen? Mijn zoon vertelde me van een Indischen prins, die zijn juweelen verkocht, en de opbrengst £ 1300 aan Vistoria zond voor den oorlog.
Dat \'s mooi, hé ?
Deedt gij lieden ook aldus?
Indien ge aldus deedt, dan zou Indië spoedig bekeerd zijn. Onze broeder Tucker gaf \'t goede voorbeeld. Hij ging er heen en bekeerde.
Maar wij hebben geen duiten om u er heen te zenden, ja, konden we met bloed betalen! maar bloed alléén doet \'t hem niet, we hebben beide noodig! Geld en Bloed !
Maar \'k moet eindigen !
Tracht geld te krijgen! Oefen dwang op uw kennissen , misschien krijgen we \'t gouvernement op onze zijde , misschien slagen we erin „Salvationquot; in plaats van kartetsen naar Indië te sturen.
Dan zullen we „Salvationquot; in plaats van „Damnationquot; hebben.
io6
HET LEGER DES HEILS.
Als de Hottentutten gered en bekeerd konden worden, zouden we Hottentotten worden , Chineezen zelfs als het moet, \'t doet er immers niets toe of een wezen zijn staart in den nek of in den rug draagt.
Meer geld moeten we hebben , om dat te bereiken ; daarom komt allen over de brug , gij daarboven in de Galerij ook, gij kunt allen recruten der armee zijn, wij moeten mannen en vrouwen hebben , geen dames en hee-ren. Maar geld ! dat is van noode. Goud en zilver heb \'k niet, maar wat ik heb , dat geef ik.
Derhalve geef ook gijlieden ,!
Zie de menigte , zie hoe we elkeen gastvrij opnemen, zie dit gebouw, we hebben £ 1200 deficit, geef ons een flinke , klinkende offerande !
De hemel zegene u er voor !quot;
Na deze roerende , buitengemeen samenhangende en doeltreffende toespraak , gingen de Diaconie-zakjes rond , en begon het corps lied 32 aan te heffen ; allen stonden op , duizende bloedroode zakdoeken vlogen in de hoogte en wuifden door de lucht, een juichzang doorklonk het gebouw en toen \'t amen verdoofd was , gingen allen om \'t hardst naar het „sousterrainquot;, waar krentebrood en thee de hongerige en dorstige zielen laafden en spijsden.
Mevrouw Booth , haar gd en haar kroost weenden van vreugd over zooveel bijval. Ik spoedde me heen om deze merkwaardige zitting te boek te stellen. Nogmaals, ik ben mevrouw Booth grooten dank verschuldigd, \'t Was een merkwaardige toespraak.
HET HEDENDAAGSCH ENG. TOONEEL.
Een studie in Vogelvlucht 1888.
I.
De reiziger, die Engeland voor \'t eerst gedurende korten tijd bezoekt — komt gewoonlijk huiswaarts met een koffer vol ironie en spotternij over de zwakheden en aartsvaderlijke inrichtingen der Eilanders.
Doch slechts op één punt ontaardt zijn relaas doorgaans in woordenrijke ergernis ... \'t is dan als men hem vraagt hoe \'t te Londen met \'t tooneel is gesteld.
„Tooneelquot; — luidt schamper \'t antwoord, dat \'k zelf honderd keer heb aangehoord — tooneel ? Poppenkasterij, bedoelt ge, wat weten die lui van tooneelspelen, de timmerman en de behanger zijn de acteurs, de spelers verknoeien hun tijd met zotteklap en kloppartijtjes, of als ze een drama vertolken, met nagebootsten moord, doodslag en snorkende tooneeltaal; de vrouwen zoeken\'t ideaal der dramatische emotie in ontbloote halzen en door \'t tricot realistisch afgeteekende kuiten. Van \'t stuk begrijpt geen
HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL. I09
mensch iets, en wil ook niemand iets begrijpen.... en per saldo gaat men naar huis met het idéé ten minste een vervelenden Londenschen winteravond op deftige wijs om \'t leven gebracht te hebben ....
Hoe onjuist en lichtvaardig zulk een oordeel is, zal \'k in de volgende bladen trachten te staven — merkwaardig echter is \'t, en \'k wil \'t met nadruk betoonen, dat zelfs vreemdelingen wier bezadigdheid aan geen enkelen twijfel onderhevig is , al even ongunstig oordeelen als zij , die steeds \'t voorbeeld volgen van den Franschman, die op een regenachtigen dag te Dover aan wal stapte, slechts een enkelen sterveling tegenkwam , wiens kruin met rossig haar begroeid was , en aanstonds naar huis schreef; In Engeland regent \'t altijd en zijn bewoners hebben rood haar....
\'t Motief hiervoor is inderdaad licht te vinden.
Komt ge als vreemde in een Engelsche familie, dan frappeert \'t u terstond, dat na de gewone praatjes over weêr en hoe vaart u , de volgende kwestie aan de orde is : Was u onlangs in de comedie? En wat heeft u gezien... De Engelschman spreekt echter meer over de comedie , dan hij er van weet. zijn oordeel is meestal een echo van de bladen , want hij zelf is een trage schouwburgbezoeker , en als hij over \'t tooneel redekavelt, doet hij quot;t eerder . wijl \'t nu eenmaal „fashionablequot; is over den schouwburg te praten , dan uit belangstelling, of ervaring.
De conversatie concentreert zich dan op een stuk, dat eenige honderd keeren gegeven , bij naam door iedereen gekend door een enkele zelfs, „in effigiequot; gezien is.
IIO HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL.
Nu is \'t wel waar dat een scherpzinnig beoordeelaar al spoedig uitvindt, hoe weinig zijn gezelschap op de hoogte is van het behandelde thema en hoe ver men in de „dra-wing-roomquot; komt door als een kakatoe op te zeggen, wat de tooneelcritiek in de krant heeft gedicteerd.
Dit neemt echter niet weg , dat ge althans één wenk uit die conversatie ter harte neemt en wel deze: Dat mooie stuk moet ik ook zien .... Londen verlaten , dat niet gezien, staat gelijk met Rome enzoovoorts.
Men gaat dus naar de comedie en ziet de „farce en vogue,quot; Och heer! wat teleurstelling, oude grappen opnieuw aangekleed, versleten woordspelingen in nieuwe zinnetjes gewrongen.
Toch lacht men . . . tranen rollen over de wangen .. . dan wordt men boos op zich zelf, raast over den waanzinnigen nonsens die \'t volk ter veredeling en ter aankweeking van smaak en aesthetisch gevoel met huichelachtige ernstigheid wordt voorgezet en zweert geen voet meer over den drempel te zetten van schouwburgen waar de kunst zoo hemeltergend wordt verzaakt.
En verrijkt met zulke ervaringen keert men terug naar zijn penaten en breekt den staf over hetzelfde tooneel, dat een Shakespeare, een Sheridan, en twee Byrons baarde. (Lord Byron en H. J. Byron, de blijspeldichter).
II.
\'k Heb reeds terloops aangetoond wie de hoofdschuldigen zijn van de slechte faam die \'t Engelsch tooneel in \'t Buitenland heeft verworven.
HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL. III
In Frankrijk is \'t tooneel en al wat tot het tooneel behoort één groot „enfant gdtéquot;, Sarcey telt meer lezers dan Lemoinne de politicus, een première in de schouwburgen van den eersten en tweeden rang is grooter gebeurtenis dan de val van een ministerie , een actrice had vooral onder Napoleon III meer invloed op \'t wielwerk der Staatsmachine, dan een bureauchef aan den Quai d\'Orsay.
Hier is \'t gansch anders, \'t Tooneel is\'t uitspanningsoord der middelklasse na \'t dagwerk en de permanente tentoonstelling van den „haut chic.quot; De voorname burgerij gaat zelden naar den schouwburg , maar spreekt er veel over omdat het zoo de mode is.
Het „tout Paris des premièresquot; zit in stalles en loges en bestaat uit de starren der kunstwereld en der toonaangevende beautés, \'t „tout Londres des premièresquot; is (met uitzondering van de gedwongen bezoekers : de critici) opeengepakt in de „pit.quot; (ons parterre) — een veelzeggende benaming — en telt winkelbedienden en juffrouwen, eenzame handwerkers en pleizierzuchtige kantoorklerken onder zijn trouwe bezoekers.
De Parijzenaar betaalt bankbiljetten voor een fauteuil de première; de Engelschman belegert \'s middags om twee uur met een sandwich en een flesch gewapend de pit-entrance van den schouwburg en wacht geduldig in weêr en wind totdat om half acht de poorten van \'t Paradijs eindelijk geopend worden en zijn dringend gevolg een strijd om leven en dood aanvangt om \'t eerste plaatsje aan \'t loket te veroveren , want voor \'t parterre kan men hier geen plaatsen bespreken.
112 HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL.
Dat \'t publiek de richting van het repertoire min of meer bepaalt spreekt van zelf.
En zoo is \'t natuurlijk, dat de directeurs meestal die stukken kiezen, welke voor den smaak van zijn klanten geschikt zijn.
De „Pittitesquot; geven, evenals \'t volk, ten onzent, de voorkeur aan stukken die „veel waar voor weinig geld biedenquot; d. w. z. ze willen lachen , schreien, geprikkeld worden, bewonderen; hun ideaal is \'t melodrama met zijn kaleidoskopische incidenten: moord, diefstal, spoorwegongelukken , schipbreuken e. t q.
De bezoekers der hoogere rangen zijn minder begeerig en verlangen slechts , na een fijn diner, licht en prettig te digereeren, ze willen lachen.
quot;Vandaar \'t drakengebroed , dat zich met duizelingwekkende snelheid vermeerdert , de zinnelooze kluchten, die \'t marionettenspel den loef af te steken trachten, de legioenen van waardelooze operetten , welke door inheemsche componisten van den tweeden rang uit de beste werken van Strauss, Lecocq, Millöcker en Planquette worden geroofd en saamgeflanst, de pieces cl femmes, pantomimes genoemd, een klasse van dramatische gewrochten, die met alle regelen der tooneelspeel- en tooneelschrijfkunst, met het gezond verstand en den meest alledaagschen humor, met de grondbeginselen van verfijnden smaak, ja zelfs met de in Engeland steeds als schild ge(inis)bruikte zedelijkheid den spot drijven.
Van daar .... dat we geen tragedie-dichters hebben, dat onze acteurs de verzen van Shakespeare niet meer
HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL. 113
zeggen kunnen , dat Faust in \'t Lycseum niets meer dan een „Ausstattungs- en Cassensttlckquot; geworden is, dat de oorspronkelijke „comédie de salon et des moeursquot; zich nog in een groei-periode bevindt, die niet ten onrechte met het „tandjesmaken en leeren loopenquot; der kinderen vergeleken is.
III.
Dat het peil der Engelsche tooneel-literatuur over \'t algemeen zoo laag staat heeft nog een andere reden dan de onverschilligheid der hoogere standen.
De kritiek , zoowel die der dagbladen als der periodieke geschriften is onwillekeurig verslapt. Slechts zelden spreekt ze den banvloek over een stuk uit en als ze \'t doet tracht ze de pil zooveel mogelijk te vergulden door den schrijver te troosten met „hoop op de toekomstquot; en een „blik in \'t donker verleden.quot;
Schraler troost is niet denkbaar, want elkeen , die met de historie der moderne tooneelliteratuur hier te lande ook maar eenigszins bekend is , weet hoe treurig \'t sinds 1870 met de vaderlandsche producten gesteld was.
Toen Robertson, wiens „Caste-Comediesquot; een flauwe, geangliseerde nabootsing der Fransche saloncomedies waren , stierf, en ook Byron, de hooggevierde kluchtspelschrijver heenging, was de vroolijke Muse nagenoeg geheel verlaten, terwijl de ernstige zelfs nu nog zoekt naar een dichter die aan het talent te karakteriseeren, gelijk een Shakespeare, de tooneelkennis paart van een Dumas père.
8
114 HET NEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL.
Al wat tusschen 1870 en 1880 behalve door Byron , op \'t gebied der „comediequot; gepraesteerd is , verdween al even ras als \'t werd geboren , dezelfde ontaarding die wij in Duitschland gadeslaan, sedert Moser en Rosen aan \'t woord zijn , heeft ook hier plaats gegrepen , doch in erger , in ergerlijke mate.
Een Duitsche „Witzquot; staat nog altijd in zeker verband met echten humor, al is \'t ook erg losjes , maar een Engelsche „Punquot; (Calembourg), die meestal slechts door verminking der taal en uitspraak ontstaat, is zulk een treurig, walgelijk voortbrengsel eener uitgeputte komieke ader, en daarbij zulk een goedkoop voortbrengsel, — daar iedereen naar hartelust kan „punnenquot;, — dat zijn aanwezigheid in de tooneeldialogen een ware marteling voor een kunstzinnig auditorium is.
Om te bewijzen hoe Engelschen zelf over dergelijke woordspelingen oordeelen haal ik aan wat een der hoofdcritici over Burnand\'s bewerking van „la Doctoressequot; zeide: B. heeft het „esprit gauloisquot; uit het stuk verwijderd — mij wel, te veel peper is niet goed voor \'t Engelsch publiek , en er zijn eigen zout, zijn beruchte puns in-gestrooid. Ach! had hij \'t maar gelaten , want \'t zout is laf en de peper had ten minste aroma.
Over \'t genre dat naast de „punquot; den echten humor moest vervangen, over de burlesk — zwijg ik geheel, \'t is dolhuis-proza en telkenmale als de kritiek geroepen is haar oordeel te vellen over dergelijke pruducten , maakt ze zich er af met een „non possumusquot;, geen mensch kan zulken klinklaren onzin in beknopten vorm gieten.
HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL. 115
Geen wonder, dat bij zulk volslagen gebrek aan degelijk werk alle ernstige kritiek ophoudt, ja zelfs belachelijk schijnt. Wat bleef de critici anders over dan zich te beperken tot een banaal schermen met goed- of afkeurende adjectieven, tot kleurlooze en dorre inhoudsopgaven en een korte karakteriseering van de ontvangst van werk en schrijver door \'t publiek.
Toegevendheid was een hoofdvereischte voor de kunstrechters uit dat decennium, d. w. z. als ze Engelsche stukken behandelden , — terwijl ze de werken van vreemden als Sardou en Augier vaak ontmantelden als waren het de eerste zwakke proeven van jongelui, die \'t too-neel nog in \'t geheel niet kenden.
Jammer genoeg is de dagbladkritiek ondanks de verbetering der tooneel-literatuur sedert 1880 , grootendeels op hetzelfde niveau staan gebleven, en zijn \'t alleen enkele maandschriften als „the Theatrequot;, en weekbladen als „the Stagequot; en „the Dramatic Reviewquot;, die de stukken werkelijk au serieux nemen en op welke wijze dan nog!
quot;Want let wel, dat vluchtige catalogusachtige opsommen van deugden en gebreken , gelijk \'t in de verval-periode werd in practijk gebracht, heeft krachtige wortels geschoten, ook thans nog is de kritiek „instantanéequot; eerder reporters-werk, dan een zorgvuldig onderzoek met het ontleedmes , dan een analyse , waarin de karakters en dialogen van een drama aan de leer der evolutie worden getoetst.
Er heerscht met één woord volslagen gebrek aan motiveering voor een prijzend of laakend oordeel — en
Il6 HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL.
voornamelijk als afgekeurd wordt, wordt den schrijver nimmer getoond hoe hij zijn thema had moeten behandelen om \'t te doen slagen als dramatisch geheel.
Wat Sarcey te veel heeft, \'t pedante-paedagogische element in de „Chroniquequot;, hebben onze dagbladschrijvers helaas te weinig of in \'t geheel niet.
Zij maaien en oogsten wel, maar ze gaan niet met hun tijd meê en hun werktuigen zijn dezelfden die in de grijze oudheid met ruwe hand uit ruweren stof gehouwen werden.
Sarcey, dien men te Parijs leest, omdat men zich voor \'t tooneel interesseert en omdat hij een geestig schoolmeester is , wordt hier door allen als geleerde autoriteit gehuldigd en met voorliefde aangehaald ter staving van een uitspraak.
Wel een bewijs, dat de kritiek zelf doordrongen is van haar tekortkomingen — schoon niemand tot dusver den moed gehad heeft, Sarcey\'s methode hierheen over te planten uit vrees geen enkel stuk te kunnen prijzen.
En toch zou een onder w ij zend kriticus hier wonderen kunnen verrichten en als een dramaturgische Messias verwelkomd en ingevolgd worden!
IV.
Neemt de pers haar rechterlijke taak met te groote mildheid waar — niet aldus de staat.
Het drama staat in Engeland onder \'t voogdijschap van den Lord Chamberlain (thans Lord Latham), die het als Censor met de ijzeren roede (the iron rod) regeert.
HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TCONEEL. 11\'/
De oorsprong der Censuur is hier evenals in Frankrijk en Duitschland eeuwenoud ; ze werd gesticht door koning Hendrik de achtsie onder invloed der geestelijkheid en haar voorzitter droeg den titel ,,master jocorum , revoel-lorum et mascorum.quot;
De conflicten tusschen kerk en tooneel waren eindeloos en werden meestal ten voordeele der eerste beslist. In 1546 b.v. werd in \'t geheele rijk \'t opvoeren van tooneel-stukken verboden , omdat de richting in strijd was met de ideën der geestelijkheid.
Naarmate de gewetensvrijheid baanbrak, veranderde het wezen der Censuur.
Thans is ze slechts de hoedster der publieke moraliteit; liberaal in al wat de politiek betreft, zoo zelfs dat ze er zich niet tegen verzet als een auteur de bewindvoerders des lands of zelfs de leden van \'t vorstenhuis Èl faire neemt, trekt ze met onbarmhartige gestrengheid te velde tegen al wat indruischt tegen den eerbied voor den godsdienst en de beginselen der goede zeden.
Haar werkkring is makkelijk te omschrijven.
Het stuk , dat ter vertooning is geaccepteerd , wordt door den tooneeldirecteur aan den Lord Chamberlain ingezonden met een „feequot; van f 12.60 per bedrijf.
De Censor is geroepen, \'t stuk door te lezen (hij doet dit natuurlijk nooit zelf), te keuren, te schrappen wat hem afkeurenswaardig toeschijnt, of zelfs de opvoering te verbieden, als de moreele strekking niet met zijn moraliteitscode overeenkomt — daarna stuurt hij \'t manuscript met de motiveering van zijn oordeel terug en
Il8 HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL.
kan de opvoering, als de „licencequot; (vergunning) gegund is terstond plaats vinden.
Die taak hoe eenvoudig ze ook schijne, is met een groote moeielijkheid verbonden , ze eischt: konsekwentie, wegen met gelijke schalen.
En die moeielijkheid is de klip, waaraan het Censorsambt herhaaldelijk strandt, waardoor het onpopulair, belachelijk geworden is.
Sedert \'t romantisme moest zwichten voor \'t verlangen naar minder fictie en meer werkelijkheid (realiteit) op de planken, heeft \'t drama van zelf andere wegen ingeslagen; de tegenwoordige acteurs kunnen niet volstaan met de schepping van ideale wezens, wij verlangen van hen, dat ze ons menschen toonen , menschen denkend en voelend als wij , menschen bezield met mensche-lijke ondeugden , met menschelijke driften, menschelijke lusten.
De Comédie de Moeurs vond hierin haar ontstaan.
Kon nu \'t Engelsch tooneel teeren op de producten van eigen bodem , op de hyperromantische draakjes van een Jones , een Sims , een Meritt of op de onnoozele , onmogelijke kluchtjes van Derrick, Thome en buitenlanders , als Moser, Rosen , Schönthan, Benedix , ja zelfs op de pseudo-klassieken van Sydney Grundy en Wills dan ware \'t ambt des Censors betrekkelijk een sinecure , want onze dramaturgen , die de politiek van den Censor van A tot Z kennen , wachten zich wel iets te schrijven , wat ongehuwde dochters en zusters niet hooren mogen — en als ze een enkele maal de grens overschrij-
HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TGONEEL. 119
den en de Lord Chamberlain een oogje toekneep onder de lectuur zooals bij Grundy\'s Clito en onlangs bij Me-ritts Pleasure, dan is de pers terstond gereed om de be-leedigde zedelijkheid te wreken.
De vijand, die bestreden wordt, is \'t Fransche drama.
In plaats van Sardou , Augier, Dumas fils c. s. eenvoudig te verbieden, laat men hun werken liever bederven.
Eerst neemt de adaptor (bewerker) ze onderhanden en maakt ze pasklaar voor \'t Engelsch tooneel, d. w. z. hij localiseert, tempert den Esprit Gaulois, vervangt netelige tooneelen door (meestal) minder gewaagde situaties van eigen vinding , herschept de karakters (voornamelijk de vrouwelijke) zoodat een immoreel stuk a prima vista, slechts „risquéquot; wordt.
Doch dan komt de Censor. Hij hakt er gansch anders op los. Maitresses moeten fatsoenlijke vrouwen , onechte kinderen geëcht, echtbreeksters boetvaardige Mag-dalena\'s worden. Al wat aanleiding geeft tot „doublé entendrequot; moet verdwijnen — al naar \'t hem goeddunkt
Uitstekend!
Maar.... de konsekwentie. Men staat „la Dame aux Cameliasquot; toe , maar weigert „Divorconse.quot; — Men speelt „Nos intimes\'\' en verguist „la petite Marquisequot;. — „Trois femmes pour un Mari\'\' gaat door, „les Lionnes pau-vresquot; niet.
En zoo zou \'k duizend bewijzen kunnen aanhalen van de anomalien der Censuur.
120 HET HEDEXDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL.
Wat de Censuur zedelijk vindt in „la Dame aux Ca-meliasquot; als hij ,,les Lionnesquot; onzedelijk noemt, weet niemand , en waarom men „Divonjonsquot; hier in \'t Fransch toelaat als men \'t in het Engelsch weigert, is grooter raadsel.
Of dacht de Censor, dat \'t publiek dat naar den Fran-schen schouwburg te Londen gaat, minder kieskeurig is, dan dat der Engelsche ? . ..
De slotsom is , dat de Censuur een caricatuur blijft, zoolang ze niet te voorschijn treedt met een behoorlijk geregeld programma.
Zooals \'t thans is, staan de auteurs aan de willekeur bloot van een enkel persoon en dat die persoon bevoegd is heeft hij niet bewezen — \'t tegendeel wel.
Maar wie kan dan ook van één man vergen , dat hij rechtvaardig zal wezen als men hem voor \'t pobleem stelt de duizende tooneelwerken door te lezen die in een land als dit, jaarlijks worden opgevoerd.
Een menschenleven is daartoe niet toereikend en op den armen Lord Chamberlain drukken nog gansch andere lasten dan de bewaking van \'t drama.
Dat men hem met de eerste blijve belasten. Dat men de laatste toevertrouwe (als de Censuur al een noodzakelijk kwaad is) aan een comité van bekwame Heden, tooneelschrijvers en critici, die beter weten, wat het volk wel en niet mag hooren en zien, dan de Lord Chamberlain, van wien ondeugende tongen beweren, dat hij enkele schouwburgen van buiten maar geen enkelen van binnen kent.
HET IIEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL 121
V.
Er bestaat in Engeland geen enkel vast tooneelgezel-schap ; contracten van langen duur behooren tot de groote zeldzaamheden , alleen de heer Irving, de directeur-acteur van het Lyceum-theater heeft met enkele zijner beste leden verdragen gesloten omdat zij als het ware onmisbaar zijn voor het repertoir van zijn schouwburg, en omdat het publiek zekere rollen door geen ander vervuld te zien wenscht.
De term van een contract is gewoonlijk afhankelijk van het aantal opvoeringen die een stuk beleeft.
Valt een stuk, dan staat der directie bij speciale clausule het recht toe , al zijn spelers terstond te ontslaan , in elk geval, zelfs al blijft een stuk jaren lang op \'t repertoir (wat met de melodrama\'s van Sims in \'t Adelphi gewoonlijk het geval is) hebben beide partijen , de directie zoowel als de acteur, de bevoegdheid het contract wederzijds op te zeggen; het minimum der „noticequot; loopt over 8 dagen; in gevallen van onmiddellijk ontslag van de zijde der directie moet zij minstens een week traktement uitbetalen.
Die ongezonde toestand, dat onzeker bestaan in de tooneelspelerscarrière hier te lande vindt zijn oorsprong in de totale onverschilligheid van den staat jegens het tooneel.
Er bestaan koninklijke schouwburgen bij de vleet, doch de titel is hol en er is niets anders aan dit teeken van koninklijke gunst verbonden , dan een brevet en \'t recht \'t wapen met het woord „royalquot; op gevel en programma te plakken.
122 HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL.
Subsidies bestaan niet, althans niet in de bij ons gebruikelijke vorm, soms neemt de koningin een loge in de ,,Royalquot; theaters , doch hare majesteit is een spaarzame huismoeder en het abonnementsgeld , dat zij betaalt, is niet hooger dan dat van een gewoon sterveling.
Wel is waar is de aankondiging van een bezoek der koninklijke familie een goede reclame, een garantie van een goed bezette zaal — in den regel verschijnen de doorluchtige gasten echter a l\'improviste, zoodat ook dit buitenkansje de kas der directie weinig inbrengt.
Een schouwburg is dus in Engeland een gewone handels-onderneming , soms zelfs een artistieke gril van den een of anderen tooneelzieken Lord , die dan de teugels van \'t bewind aan teere vrouwenhanden overlaat, terwijl hijzelf op den achtergrond blijft en voor de geregelde betaling van het gezelschap, de leveranciers en den „lesseequot; zorgt.
De „lesseequot; — dit woord eischt toelichting — d. w. z. de eigenaar van het gebouw die de „licencequot; verkregen heeft om een schouwburg te exploiteeren , heeft met het management (directie) meerendeels niets te maken , hij verhuurt zijn roerende en onroerende goederen voor een zekere periode aan den directeur en verpandt daarmee als \'t ware zijn recht den schouwburg te bespelen; in enkele gevallen is de lessee zelf „managerquot; {zooals Irving in \'t Lyceum , Gatti in \'t Adelphi e. a.); soms is de schouwburg het eigendom eener buurt (Parish), daar zulk een gebouw altoos als een goede geldbelegging wordt beschouwd ; dan ook , is zelfs de lessee de eigenaar van den
HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL. I23
schouwburg niet, doch slechts een lasthebber zijner comit-tenten voor welke hij als rechtspersoon optreedt.
Een handelsonderneming, zei \'k zooeven, en daarmeê is \'t groote woord er uit, de verklaring gegeven, waarom het tooneel zoolang ten prooi geweest is aan dramatische handwerkers in plaats van beheerscht te zijn door kunstzinnige dramaturgen.
Rugsteunt een staat het tooneel met behulp der vleesch-potten van Egypte, als in Frankrijk, Italië, Duitschland , dan heeft de directie zich tevens te houden aan de reglementen van het „cahier de chargesquot;, ze heeft plichten te vervullen , een zeker aantal oorspronkelijke, klassieke en nieuwe stukken op te voeren , voor een behoorlijke bezetting der emplooien zorg te dragen — in één woord de belangen van het nationale drama (hier is \'t drama niet n a t i o n a a 1) te behartigen; is echter de directeur als hier, vrij man, onafhankelijk in al zijn doen en laten , voor zoover \'t niet indruischt tegen de wetten der censuur , dan behoeft hij zich om niets anders te bekreunen dan zijn eigen belang , zijn leus is : „Je prends mon bien ou je le trouvequot; en of ze al tot veredeling of verval der kunst leide , — mits ze slechts , als elke handelsindustrie-zaak ertoe diene , geld op te leveren — is een kwestie die hem slechts zelden benauwt.
De meeste schouwburgen hebben dan ook tot dusver weinig gedaan om het diep gezonken drama te verheffen, onder de vier-en-twintig die dagelijks te Louden hunne deuren openwerpen, voeden drievierde hun repertoire met spektakelstukken, onbeduidende operetten, laffe kluch-
124 het hedendaagsch engelsch toonkel.
ten , van nieuwe auteurs ja, maar van auteurs die nog steeds onder de smeerkaars werken en \'t borduursel van Penelope afrafelen om \'t origineel patroon opnieuw nog ietwat gebrekkiger te kunnen ineenvlechten dan \'t oorspronkelijk was.
Die auteurs , \'k noem de trits , die aan \'t hoofd staat en wier stukken vaak in drie schouwburgen tegelijk gegeven worden, de heerenSims, Pettit, Jones, verdienen gouden bergen met den roof gepleegd aan werken van ontslapen en lang vergeten dramaturgen , die in hun tijd geëerd en gevierd waren , doch wier tijd voorbij is, al is de smaak van het publiek helaas ook onveranderd gebleven
Er zijn echter, goddank, ook nog directeuren, die met het klatergoud uit de oude doos niets te maken willen hebben , die \'t weren , die hun taak opvatten als een zending van „Gottesgnaden \', die Shakespeare in eere houden, Goethe naar Engeland brengen, Sheridan doen herleven, nieuwe talenten voor \'t voetlicht roepen.
Het Lyceum — het Engelsch „Thé At re Francaisquot; — staat aan \'t hoofd dier kleine groep ; zijn Shakespeare-opvoeringen , zijn Faust, zijn Olivia (the Vicar of Wakefield), zijn „Juif Polonaisquot; zijn gebeurtenissen, too-neelgeschiedkundige fondamenten , die als wereldberoemd slechts terloops aangestipt behoeven te worden ; de tweede plaats ken \'k toe aan \'t „Court-theatrequot; (thans in herbouw) welks directeuren, de heeren Clayton en Cecil den lof verdienen in Arthur W. Pinero een jong blijspeldichter aangekweekt te hebben (zijn werken zal ik
HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL. 125
straks nader bespreken) dien , als hij voortgaat zich te ontwikkelen als tot dusver, het nageslacht den humorist van het decennium zal noemen.
De derde komt onder zeker voorbehoud den heer Wilson Barrett toe , wiens naam tot voor weinige maanden nog verbonden was met het „Princess\'s theatrequot;, doch die thans wegens afloop van zijn huur-contract naar elders (\'t Globe theatre) moest verhuizen.
Wilson Barrett, schoon hij in de „Silver Kingquot; en stukken van soortgelijk allooi, stellig geen plaats onder de kunstminnende directeuren zou verdienen , heeft echter . door aanmoediging van moderne, (pseudo-) klassieke drama\'s (Sydney Grundy), waarin hij de hootdrol vervult, ertoe bijgedragen, dat deze ernstige tak der tooneellite-ratuur ten minste niet geheel in vergetelheid en verval raakt, en al kan men hem niet vrijpleiten van te veel aan het monteeren der opvoeringen besteed te hebben ten koste van het spel, zijn verdiensten als directeur en acteur zijn groot en onmiskenbaar. De rij wordt eindelijk besloten door \'t Savoy, het home der Sullivan ope-retten en door \'t „Prince of Wales theatrequot; (tot 1886 Prince\'s) waar twee nieuwe dioskuren de librettist B. C. Stephenson en de toondichter Alfred Cellier in „Dorothyquot; den grondsteen eener nationale komische opera gelegd hebben, die zich van \'t werk van Sullivan door \'t betere gehalte der muziek onderscheidt.
Al de overige schouwburgen leven van de hand in den mond, bij hen voert \'t „bloed en donderquot; drama den scepter naast onzinnige kluchten en nog dwazer pantomi-
120 hex hedendaagsch engelsch tooneel.
mes, leggen zij bij toeval de hand op een tooneelstuk van werkelijke waarde, dan kan men het als een onver-verwacht buitenkansje beschouwen — als een gebraden duif, die den naar mammon jagenden directeur in den mond is gevlogen,
VI.
\'t Kom thans tot den nervus rerum dezer hoofdstukken , de karakteriseering der schrijvers, die \'t heden-daagsch tooneel in t land van Shakespeare beheerschen.
\'t Tijdvak, waarover deze studie handelt, loopt van 1882—87, d. w. z. van \'t einde der verval-periode van \'t Engelsche drama tot den huidigen dag; \'k zal daarom noch van Sheridan, noch van H. J. Bvron , den blijspeldichter , breedvoerig gewagen, twee sterren die , hoe ongunstig \'t nageslacht ook over de werken van den laat-sten moge oordeelen , te midden van de duisternis , die hen omgaf, helderder straalden, dan zoo vele machtigere planeten in dramatische sfeeren, waar immer licht heerscht, zooals in Frankrijk.
H. J. Byron. — Mijn vriend, de welbekende criticus W. Archer, schrijver van twee merkwaardige boeken over het tooneel (The dramatists of today (1882) en About the theatre (1887) is de eerste geweest onder wiens fijn ontleedmes de letterkundige nalatenschap van den auteur van „our boys\'\' in haar werkelijke , zeer geringe waarde is getoond. Archer heeft, zonder veel omhaal beweren, dat Byron, dien men als humorist prees, inderdaad slechts een komiek van lageren rang was , een schrijver steunend
HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL. I27
op „situations-komikquot;, wiens dialoog getoetst aan de werkelijkheid ijl en flauw bleek , doch dien \'t publiek vergoodde faute de grives ....
Intusschen is Byron\'s roem nog geenszins aan \'t tanen, want al heeft menig schrijver hem ten voorbeeld genomen, meer dan één hem geëvenaard, overtroffen in zijn eigenaardig genre is hij nog niet, weêr een bewijs, dat de reien der blijspeldichters nog zeer dun zijn.
Sheridan. — En wat Sheridan betreft, aan zijn roem heeft de tand des tijds nog niet geknaagd. Als een Titan staat zijn naam midden onder \'t heir der voorwaarts strevende schrijversbent. Alle kolossen steken de „Rivalsquot;, „the Criticquot;, „the School for scandalquot; uit boven het gfos der werken, die met hen trachten te wedij veren , die jonger zijn aan jaren, doch nimmer den ouderdom zullen bereiken , waarop Sheridan\'s spelen reeds mogen bogen en nog bogen zullen.
Elk deel der bovengenoemde trits werd bij zijn geboorte als meesterstuk geprezen en ofschoon lustrum na lustrum over hun hoofden is heengegaan, hun eeretitel hebben ze behouden.
Wie der tegenwoordige auteurs zal zulk een roem op zijn grafsteen beitelen?
VII.
Laat ons de revue eens passeeren, in alphabetische niet in chronologische orde — noch ons baseeren op de climax van tragedie tot klucht.
Want o, wilde ik trachten den ballast dien elk onzer
128 HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL.
auteurs op zijn kerfstok heeft, te ziften en te plaatsen in \'t dramatisch vak, waarin \'t behoort, mijn taak zou eindeloos zijn.
Immers \'t talent der auteurs van dit land is even veelzijdig als vruchtbaar. Zij schrijven van alles, vandaag een drama, morgen een klucht, ja zelfs een pantomime als \'t gevorderd wordt, doch één tak van \'t drama durven ze niet te bewerken — de tragedie heeft feitelijk geen enkelen aanhanger, tenzij men de jeugdige:
C. Graves. Miss Clotilde Graves, die een poos geleden met een Egj\'ptische tragedie „Nitocrisquot; een hoogst verdienstelijk werk voor een eersteling , voor \'t voetlicht trad , als de modernste opvolgster van Shakespeare durft stempelen. En over de pseudo-tragedie van Sydney Grundy spreek ik straks
R. Buchanan. — Aan \'t hoofd van \'t legioen staat — par droit d\'al-phabête niet de naissance of de conquóte — de heer Rob Buchanan, de Schotsche bard en welbekende novelist. De heer Buchanan heeft veel gewerkt voor \'t too-neel in de laatste jaren, in poëzie en proza, en zijn werken vinden veel aftrek Of \'k ze daarom mag ? Neen stellig niet. De schrijver zoekt zijn heil in \'t melodrama van de luidruchtigste soort, hij oversaust ze nu en dan met historische gebeurtenissen , met quasi-sociale vraagstukken , met comédie de moeurs elementen , doch \'t resultaat blijft in de meeste gevallen ver beneden\'schrijvers bedoeling. Al zijn stukken (The nine day\'s Queen, a Sailor amp; his Lass, Alone in London, the Blue bells of Scotland, Fascination) spreiden zeer veel pretentie ten
HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL. 129
toon , ze roepen alle middelen der tegenwoordige „art scènique\'\' te hulp, ze zijn breed opgezet, toonen nu en dan een stukje oprecht realisme, doch de indruk is meestal ongunstig; de auteur schrijft er op los, hij is een slechte tooneelkenner , hij heeft de optiek van \'t voetlicht nooit bestudeerd en laat zijn creaturen meestal boekentaal spreken; zijn humor is „elephantienquot; — gelijk een onzer beste critici zeide — \'t is de „cockneyquot; zotteklap van den oosteinder overgeplant in den mond van een „gentleman.quot; Iets beter is zijn voorlaatste blijspel „Sophiaquot;, getrokken uit Fieldings novelle „Tom Jonesquot;. Ware \'t schrijvers eigen werk, onze hulde zou onverdeeld zijn. Doch hij had een uitmuntend model; een dialoog , wiens weêrga in de moderne roman-literatuur schier te vinden is, wel wat „crüquot;, maar dat was \'t kenmerk der 18-eeuwsche roman-schrijvers en licht te veranderen; Buchanan heeft zich in de bewerking van dit stuk als een handig werkman betoond, die iets goeds leveren kan als hij wil en niet te veel achter den „mammonquot; heen zit. \'t Stuk trok en werd 500 keer gespeeld; terwijl zijne slechte stukken niet meer dan 50 maal gingen.
Had dit niet een wenk, een les voor den schrijver moeten wezen. Helaas \'t heeft niet veel gebaat, de Blue Bells of Scotland en Fascination, zijne allerlaatste werken , zijn weer — sit venia verbo — abominabel.
Burnaxd. — De heer Burnand, de redacteur van „Punchquot; is de gepatenteerde parodist der decade; hij is een geestig schrijver , soms wat would-be, en belust op Calembourgs, en zijn carricaturen van Dora (Stage Dora), Claudian
\'J
130 het hedendaagsch engelsch tooneel.
(Paw Claudian), Theodora (The\'Odora), Faust (Fast and Loose), hebben menigeen een gullen lach ontlokt; die stukjes bestaan uit louter onzin; maar de geparodieerde tooneelen zijn zulke welgeteekende „chargesquot; van \'t oorspronkelijk; zijn markames, zijn zoo wel geslaagd en vroolijk, dat ze een plaatsje verdienen naast de gedichten onzer „Braga.quot;
Als oorspronkelijk auteur heeft Burnand weinig geluk; zijn beste werk is „the Colonelquot;. Zijn op Fransche leest geschroeid tooneelspel „Just in Timequot; bracht het tegenovergestelde teweeg van \'t geen beoogd werd. Er werden tranen vergoten, ja, doch de schrijver wilde doen schreien van emotie en men weende van .... vroolijkheid en uitgelaten spotzucht.
VIII.
Conway. — Volledigheidshalve mag Hugh Conway (ps van Fred Fargus gest. 1866) hier niet worden vergeten. Als novellist is hij op de beide halfronden welbekend , immers zijn „Called Backquot; het sensatie-novelletje, dat zijn naam vestigde heeft in Engeland een debiet van 360.000 exempl. gehad en is, hoe pover \'t ook moge wezen als kunstwerk, in 23 talen overgezet. Dat zulk een werk ten prooi moest vallen aan de „adaptationcrazequot; spreekt van zelf en zoo werd dan Called Back en later ook „Dark Daysquot; het tweede welbekende werk van Conway door den hr. J, Comyns Carr voor \'t tooneel bewerkt.
Carr. — „Called Backquot; een stuk, geschoeid op de leest van Dennery\'s „Twee Weezenquot;, bracht door de origi-
HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL. 131
naliteit der intrige, door \'t spel der acteurs een grooten indruk teweeg, niet minder „Dark Daysquot; dat een too-neel bevatte (the trialscene) van groote dramatische kracht. De heer Carr slaagde er echter evenmin in als de heer Conway, de schetsmatig geteekende karakters den „soufflé de la vie humainequot; in te blazen, en daar ook de bouw der stukken geen spoor van een origineele opvatting verried, kon de critiek niet anders dan den staf breken over beide drama\'s, welke honderde malen werden gespeeld, maar zeker niet tot veredeling van den kunstsmaak hebben bijgedragen.
De heer Carr schreef sedert eenige aardige kluchtjes zonder eenige beteekenis — eendags-vliegen luchtig opgezet — luchtig neêrgeworpen.
Raleigh amp; — Toen de heeren Carton en Raleigh in 1885 met Carton, hun blijspel „The great pink pearlquot; voor \'t eerst voor \'t voetlicht traden , heette \'t algemeen , dat men een uitmuntend blijspel en ook twee geestige schrijvers rijker geworden was; de G. P. P. was inderdaad een aller-kluchtigst stukje, de intrige was nieuw, de dialoog snelde als een vonk door de bedrijven, grappige incidenten waren legio in \'t bijwerk. Maar in weerwil daarvan pakte het stuk niet erg — d. w. z. de toeloop was niet groot — en \'t gevolg ervan was, dat de schrijvers zich voortaan op \'t melodrama gingen toeleggen dat beter betaalt en.... minder inspanning kost. En zoo kwamen ze dan in den herfst van dit jaar met hun „Pointsmanquot; (de Wisselwachter) voor den dag, een moord en brandstuk met zeven lijken, spoorwegongelukken en wat niet al.
HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL.
Toch verried ook dit prul, dat de schrijvers geest bezitten , sommige tooneelen zijn goed geschreven, maar \'t is moeielijk te zeggen wat oorspronkelijk is van den tekst en wat gestolen , want ik ontdekte sedert dat de geheele opzet ontleend is aan ,,le Reverbèrequot; van Thi-boust, een vuurspuwende draak van \'t jaar 60.
Zoo schrijft men oorspronkelijke drama\'s — in Engeland.
Derrick. — De heer Derrick heeft eens in zijn leven een inval gehad — die inval heette „Confusionquot; in welk blijspel een baby en een hond de hoofdrol speelden — redenen te over om 1400 voorstellingen te beleven. Me dunkt Nederl. lezers hebben wel eens iets over dit stuk gehoord.
Sedert meent de hr. Derrick, dat baby\'s en honden, de alpha- en omega der dramatische kunst vormen en schrijft hij z.g. blijspelen met meer dan één baby en meer dan één hond , maar \'t publiek heeft zijn theorie gelogenstraft en zijn laatste werken „Twinsquot; en „Plebe-jansquot; zijn ter nauwernood aan schimp en schande ontsnapt toen ze voor \'t eerst werden opgevoerd om daarna terstond ad acta gelegd te worden.
S. Grundy. — Zes drama\'s — van alle rangen — in vier jaar , ziedaar de vrucht van Sidney Grundy\'s arbeid.
Zijn operette\'s (2) vielen als baksteenen , zijn drama\'s viel beter lot ten deel.
„Rachelquot; aldus is zijn voornaamste werk getiteld, was geschreven voor Genevieve Ward, een welbekende En-gelsche actrice, en al scheen het geheele weefsel er op geborduurd om één karakter te doen uitblinken, men
I32
HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL. 133
kan toch niet ontkennen, dat Grundy zijn zaak handiger heeft aangevat, dan b.v. Sardou in Fedora ofLaTosca. De verdeeling der incidenten was zeer gelijkmatig, de ineenzetting uiterst vernuftig , en vertoonde niet \'t geheele stuk sporen eener al te slaafsche navolging der Sardou—■ Dumas school, men zou \'t drama een voortreffelijk oorspronkelijk werk kunnen noemen.
Jammer genoeg voor Grundy, wiens talent als char-penteur en als dichter groot is, is zijn neiging voor Fransche modellen een onoverkomelijke struikelblok voor zijn oorspronkelijkheid; hij heeft als dramaticus geen bepaalde persoonlijkheid, geen overtuiging, nu eens helt hij over tot Scribe , dan weer tot Sardou—Dumas, en in zijn tragedies (Clito) tot Ponsard , wiens pseudo-klas-sieke , langdradige karakters, door Grundy op\'t Engelsch tooneel zijn overgeplant.
Sommigen noemen Grundy, den classicus der Periode, — ten onrechte naar mij voorkomt, zijn helden , levend in de dagen van \'t oude Rome, spreken de taal onzer eeuw, verkondigen de ideen onzer tijdgenooten, zijn in der daad moderne Engelschen, gestoken in Romeinsche pakjes , Carnevals figuren, die hun rollen heel goed hebben geleerd, maar toch hun ware gestalte en karakter nimmer kunnen verloochenen.
Ondanks al de schaduwzijden van Grundy\'s werk komt hem de lof toe , de eenige tooneelspelschrijver te zijn onder de moderne Engelschen, die zoowel \'t rijk der planken als dat der taal autocratisch maar met vernuft en fijn gevoel weet te beheerschen.
134 het hedendaagsch engelsch ïooneel.
IX.
A. Harris amp; — De heeren Augustus Harris en Henry Herman , twee
H. Herman. namen, die vaak op de programma\'s te lezen zijn, kunnen er niet op bogen de dramatische literatuur verrijkt te hebben.
De eerste, directeur van het Drury Lane Theatre, eertijds de zetel van het klassieke drama, is een der handigste ■ tooneelmeesters in de wereld , de jaarlijksche pantomine\'s in Drury Lane, en de opening van het Win ter-seizoen in September met een melodrama a grand spectacle zijn gebeurtenissen van beteekenis in Londen, dan toch wordt op het tooneel een weelde van decors, van costumes, van betooverende effecten ter schouw gesteld, die in smaak en kostbaarheid haar weêrgd niet vindt; uit een zuiver dramatisch oogpunt verdienen deze kunst-nijverheidtentoonstellingen op het podium echter geen lof, want al dat vertoon, dat bestrikkend gewemel van kleuren en vormen bestaat slechts ten koste van het stuk; in een drama van hooge waarde duldt het publiek geen uitgebreide afdwalingen ten behoeve van den decorateur; de toeschouwer van zulke werken verlangt in hoofdzaak te hooren, te voelen, niet te zien; wie echter naar Drury Lane gaat bekreunt zich minder om den tekst dan wel om de „showquot;, en \'t allerminste melodrama wordt voldoende geacht, mits \'t vijf bedrijven of 10 tafreelen telle, zoodat de noodige changements a vue er hunne plaats in vinden.
het hedendaagsch engelsch tooneel. 135
De heer Harris, die zich graag een auteur noemt, gelijk uit zijn Barnumiaansche reclames blijkt, heeft — zegt hij — de meeste Drury melodrama\'s in samenwerking met Jones, Meritt of Herman geschreven , maar of dit „schrijvenquot; .wel letterlijk te verstaan is , betwijfel ik ten sterkste, althans in al de werken , waarop zijn naam prijkt, herken ik den stijl zijner medewerkers, de zijne is tot dusver voor mij en anderen.... de steen der wijzen.
Iets dergelijks geldt van Herman; hij schreef de Silver-King, zoo heette \'t indertijd met H. A. Jones en Wilson Barrett en nu komt \'t uit dat Jones alleen de auteur van het werk is en dat H. slechts enkele aanwijzingen voor de ineenzetting van het stuk gaf.
Alweêr een netelige kwestie! maar dit is gewis, Herman\'s eigen producten ,,the Fay of Fire en ,,the Golden Bandzijn niet veel zaaks en leefden slechts door advertenties en vrij biljetten. Overigens is Herman een talentvol journalist en heeft, voor een Duitscher , de taal wel onder de knie.
H. A. Jones. — Ik noemde zooeven H. A. Jones een der vruchtbaarste auteurs en tevens een der eerste in de phalanx.
Jones kent zijn tooneel, zijn taal, zijn publiek, hij kent ook — wat al te goed zegt men — de literatuur van Duitsch-land en Frankrijk. Vandaar dat zijn oorspronkelijkheid steeds hevig bevochten wordt.
Doch minder kitteloorig dan Sardou, en minder tuk op glorie dan op aardsch slijk, trekt onze auteur zich van alle aantijgingen niets aan, hij laat de critici kib-
136 HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL.
beien; hij laat zijn achtervolgers „Houdt den diefquot; gillen en als \'t wat al te bar wordt roept hij zelf mêe „Houdt den dief\' — wel wetend dat hij en niemand anders de dief is.
Intusschen vult hij zijn schatkist, ziet zijn spelen opvoeren , kent zijn prijzen en produceert. Hooge waarde kent men zijn werk niet toe; hij is \'t best in zijn „leversquot; (A bed of Roses), soms gelukkig in een Comedie de Salon , altoos grof maar handig in zijn melodrama\'s (Silver-King ; Hoodman blind; Saints and Sinners) maar al zijn stukken bezitten in hooge mate de gave \'t pubiiek bezig te houden, en op het rechte oogenblik een tooneeleffect te doen plaats grijpen.
De heer Jones beweert een zekere geloofsbelijdenis als auteur te hebben, en hij heeft die belijdenis zelfs in de provincie in z. g. „conversationsquot; gecolporteerd, zoo is o. a. een zijner hoofdbeginselen „avoid theboisterous melodramaquot; m. a. w. „vermijdt het moord en brandstukquot; en ziet, de woorden waren hem nog niet van de lippen gegleden of men voerde in \'t Princess Theatre zijn „Noble Vagabondquot; ten tooneele, een drama zóó snorkend in taal en teekening, dat het als het ware een opzettelijke satyre op \'schrijvers kunst-edict scheen te zijn! Geen wonder dat de critiek den heer Jones wantrouwt als hij van \'t spreekgestoelte dramatische tien Geboden proclameert!
— De Jury der dramatische literatuur zal den heer Paul Meritt op denzelfden rang plaatsen als dhr. Jones, — schoon, geloof ik, beide heeren die in een strijd om het vaderschap van Jone\'s laatste stuk, „Hearts of hearts,quot;
HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH ÏOONEEL. 137
elkaar met modder bespatten — daartegen wel zullen protesteeren. Meritt heeft namelijk met Jones de grootste kennis der tooneeltechniek in alle deelen gemeen; hij begon in \'t East End in lage schouwburgen met wonderlijke „Rührstücke,quot; (minstens 50), die bij \'t ruwe volkje in de achterbuurten zeer in den smaak vielen; Fortuna was hem gunstig en toen in een bijzonder slecht seizoen een Westeindsche kunsttempel eens omzag naar een auteur, die een stevig melodrama tot stijving van de kas zou kunnen leveren, viel de keus op Meritt.
Sedert is hij ,,ein gemachter Mann,quot; met de kunst neemt hij \'t niet nauw, hij timmert stukken in elkaar uit ruw , onbehouwen materiaal, gebruikt vaak oude planken voor zijn werk, maar weet met zijn werktuigen zoo handig om te springen, dat het gewrocht een goed vertoon maakt, vooral als \'t met de glinsterende verf van een weelderig decoratief is bestreken.
Wat Peijpers voor \'t Nederlandsch Tooneel jarenlang is geweest, is Meritt voor sommige Londensche schouwburgen : als de zaken bloeien speelt men andere stukken, maar als de kas laag water vertoont gebruikt men Meritt als loods.
„Toch gaat die vergelijking niet geheel op hoor \'k u zeggen! Immers. . . .
Meritt is rijk en in Holland verdient een tooneelschrij-ver te veel om te sterven en te weinig om te leven. . . wil U zeggen. Toegegeven, maar ik vergelijk slechts de schrijfwijze en niet de honoraria, \'teerste gaat\'t publiek, \'t laatste slechts de schrijvers zelf aan.
138 HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL.
X.
PiNERo. De geestigste onder alle Engelsche tooneeldichters is W. A. P i n e r o. Wat Gondinet voor Parijs is , tracht Pinero voor Londen te zijn; hij amuseert het publiek ten koste van zijn zwakheden; zijne stukken zijn als het ware spiegels, bezie ze en ge ziet uzelve . iet of wat overdreven misschien, wat beklad met laagjes spot en jokkernij, maar, daar is geen twijfel aan , \'t is uw beeld, dat de blijspeldichter u voorhoudt, uw beeld of althans een gedeelte ervan. Met andere woorden Pinero bezit de gave men-schen te teekenen ; of die menschen nu te zaam een wereld vormen, waarin bezadigdheid en degelijkheid de hoofdeigenschappen zijn, laat ik in \'t midden , in elk geval zijn hun handelingen van dien aard , dat haar natuurlijkheid ons treft. Vandaar dan dat Pinero groote triumphen behaalt en groote nederlagen heeft geleden ; dat hij jarenlang als grappenmaker is aangezien; dat men minder begaafde auteurs vèr boven hem heeft geplaatst Eilieve, \'t is niet iedereens taak de waarheid omtrent zich zelf gaarne te willen aanhooren — en Pinero zegt ons de waarheid soms in scherpe taal.
Als dialogist is hij eenig in dit land, de gesprekken door hem opgeteekend tintelen van geest en vernuft, van vlugheid; lange periodes haat hij, alles glijdt, evenals bij Labiche, van een leien dakje.
Falen zijne stukken, wat, gelijk ik reeds zeide, nog al eens gebeurt, dan blijft er gewoonlijk nog zooveel te prijzen, men heeft zooveel echten humor geproefd, zulke
het hedendaagsch en\'gelsch tooneel. 139
meesterlijke typen leeren kennen, dat men de voorkeur geeft aan Pinero\'s gevallen blijspelen boven de met succes bekroonde van andere auteurs.
Dit berust natuurlijk op \'t feit dat P. tendenzstukken schrijft, dat hij op \'t tooneel te velde trekt tegen zwakheden van enkele personen en van het geheele volk — zooals b. v. in „Dandy Dickquot; tegen \'t wedden op paarden ; — tegen stokpaardjes van de schoone sekse (The hobby-horse); tegen misbruiken in de kleeding der staatsbeambten (Lords en Commons); om kort te gaan tegen alle publieke en intieme gebreken, die het Engelsch karakter en zijn scheppingen aankleven.
\'t Zwakst in Pinero\'s stukken is altijd de intrige, \'t best zijn dialoog; maar zijn karakteriseering is doorgaans\'even treffend en puntig als de gezegden die hij zijn personen in den mond legt.
Zijn stukken tellen bij tientallen, de meest bekende zijn de „Magistratequot; , „Schoolmistressquot; , „Dandy Dickquot; , voortreffelijke kluchten , die doen vermoeden, dat Pinero met eere de plaats zal bekleeden , die indertijd door H. J. Byron (de blijspeldichter) was geusurpeerd.
Farnie, librettisten als Farnie en Paulton, als Stephenson noem Paulton amp; slechts omdat ze de opvoeringen van „La Mascottequot; Stephenson. of ^es c)oc|ies ^[g Cornevillequot; in \'t Engelsch hebben mogelijk gemaakt. Groote lichten zijn die schrijvers niet, maar enkelen hebben moeielijke vertalingen handig klaargespeeld, wat op zich zelf een verdienste is.
Tennyson. Lord Tennyson onder de tooneeldichters te rekenen, zou gelijkstaan met een beleediging van den „Poet Laureate.quot;
140 HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL
Zijn ongelukkige „Promise of Mayquot; viel in \'t Lyseum met zulk een geweldigen bons, dat men de première in de wandeling „the historical first nightquot; noemt. Wat van \'s dichters gedrukt maar niet gespeeld treurspel „Becketquot; op \'t tooneel terecht zou komen, is moeielijk te zeggen, Tennyson zelf echter is openhartig genoeg te bekennen , dat \'t in zijn tegenwoordigen vorm niet aan de eischen van het tooneel voldoet.
Merivale, Terloops en buiten het alfabet verdienen vermelding
I\'etïitt amp; (jg heeren Herm. Merivale en Pettitt, die beiden Wills.
verscheiden flinke melodrama\'s voor \'t groote publiek hebben geschreven; Wills, die op \'t vaste land \'t best bekend is als de vertaler van „Faustquot;, Goethe\'s onvolprezen meesterstuk, dat hier in \'t Lyseum als spektakelstuk met ongehoorde pracht is vertoond en in de letterkundige wereld een stoim deed ontsteken, omdat Wills, tenville van de zedelijkheid, de verleiding van Gretchen met een trouwbelofte liet gepaard gaan. De vertaling is overigens banaal en de schoonheden van \'t oorspronkelijke , de karakteristieke „Sentenzenquot;, die geheel de beschaafde wereld van buiten kent, hebben zoo niet alles, dan toch de kernachtige kortheid en eigenaardigen vorm verloren.
Sims. Behalve W. S. Gilbert, dien \'k afzonderlijk zal bespreken , blijft thans nog G. R. Sims, de voorspoedigste en populairste Engelsche tooneelschrijver ter voltooiing van deze korte portretgalerij over.
De heer Sims doet van alles; hij schrijft novellen en sonnetten ; hij is de wekelijksche chroniqueur van de „Re-
HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL. 141
fereequot; een blad dat hij zelf heeft gesticht en waarin hij onder \'t pseudoniem „Dagonet\'\' zijn reputatie heeft gemaakt; zijn naam prijkt in alle jaarboekjes en almanakken ; hij heeft de wereld in alle richtingen doorkruist en spreekt de Duitsche en Fransche talen even goed als ware hij aan de Seine of Spree in plaats van te Londen geboren»
Zijn genre is nauw verwant aan dat van Justus van Maurik , hij is de volkskenner „par excellencequot; en daar hij Londen tot in de achterste achterhoeken heeft door-vorscht (getuige zijn wel wat te idealistisch gekleurde schetsboek „How the poor livequot;) bezit hij in hooge mate de gave het leven van den minderen man op \'t too.neel weer te geven. Zijn eerste stukken „Crutch en Toothpickquot;; „Romany Ryequot;; „the Lights of Londenquot; behelzen voortreffelijke schetsen uit drlt Londen, \'t welk de deftige bewoner van het Westend als een nieuw werelddeel beschouwt ; als letterkundige drama\'s staan die werken misschien niet hoog; als volksstukken zijn ze onovertroffen en hebben veel goeds gebaard, want ze hebben de aandacht van het publiek op de lijdende , zwoegende, verlaten wereld van het Oosten gevestigd en veel bijgedragen tot de stichting van liefdadige genootschappen , werkmans-vereenigingen , scholen enz.
Ware Sims hiermee tevreden geweest, immers zijn volksstukken gaven hem een vorstelijk inkomen, — 20.000 p. st. per jaar zegt men, — verschaften hem populariteit, eer en waardeering, zijn plaats onder de dramaturgen dezer eeuw zou een zeer hooge gebleven zijn.
142 HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL.
Maar, ongelukkig genoeg, heeft de heer Sims een verkeerd „Excelsiorquot; in zijn wapen gegrift, wil nautische drama\'s schrijven , spektakelstukken fabriceeren , in een woord den stijl van Bouchardy , Barrière, Bourgeois nabootsen en daarin schieten \'s heeren Sims krachten jammerlijk te kort (waarbij komt dat Sims eigen genre toch nog veel hooger staat dan dat van genoemde Franschen). Zijn laatste stukken „Harbour Lights\'\' en „The Golden Ladder\' zijn wanproducten , als het ware impotente pogingen van een schoolknaap om meestertje te willen spelen. Bij gebrek aan originaliteit lapt hij zijn stukken uit oude „trucsquot; in elkaar, verzwaart de op zich zelf reeds zwaar beladen intriges met kijkkastvertooningen als: schipbreuken, gevechten etc. en slaat de wenken der critiek, die hem op den goeden weg terug tracht te brengen, in den wind. \'t Gevoig hiervan is dat de auteur zich uitput zonder bruikbaar werk te leveren, dat hij, verblind door \'t goud dat door alles wat den naam „Simsquot; in den boeg voert, wordt aangetrokken, het terrein, waarop hij meester was, zijn terrein „le Ventre de Londresquot; door nieuwelingen ziet veroveren , wier werk, zonder twijfel binnen korten tijd, \'t zijne geheel zal verdringen.
XI.
W.S. Gilbert De heer W. S. Gilbert bekleedt een eigenaardige bizon-dere plaats in de Engelsche tooneelliteratuur — ze zij hem derhalve ook hier gegund.
Het buitenland kent Gilbert alleen als librettist en als
HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL. 143
zoodanig slechts sedert de bekende D\'Ctyly Carte Operette-Company het vaste land heeft bezocht. Of vreemden, die \'t Engelsche land en Engelsche zeden door lectuur of door korte persoonlijke kennismaking ten halve hebben doorgrond, in staat zijn den eigenaardigenhumor, waarvan „de Mikado,quot; „de Pinafore„Patiencequot; en de zeven andere met den componist Sillivan geschreven „extravaganza\'squot; overvloeien, ten volle kunnen vatten, is een vraag die ik niet wil trachten te beantwoorden.
Aangenomen echter dat de Vastelander bij machte is die werken door dezelfde bril te beschouwen als de En-gelschman, dan behoef ik den lezer niet te vermoeien met een langdurige omschrijving van Gilbert\'s talent en kan stilstaan met de karakteriseering ervan door een enkel woord.
Gilbert is de satyricus van het moderne Engeland, en het feit, dat hij thans na een loopbaan van ruim 20 jaar nog aan het hoofd staat der Engelsche blijspeldichters zonder zijn troon te zien beklimmen door een even talentvol opvolger, bewijst dat in hem niet alleen de gave van oorspronkelijkheid in bizondere mate is vereenigd, maar dat helaas de Engelsche natie , in dit tijdperk althans, niet uitmunt door die bizondere scherpte des geestes, die voor de voortbrenging van dergelijke satires wordt geeischt.
Ik bedoel hiermeê niet, dat er geen satires geschreven worden hier te lande — integendeel, er worden er te veel geschreven, maar de quantiteit en de kwaliteit loopen alles behalve paralel.
Gilbert\'s grootste verdienste èn als blijspeldichter, èn
144 het hedendaagsch engelsch tooneel.
als librettist is, dat hij grove waarheden weet te zeggen, geheele klieken aan de kaak te stellen, de regeering te bespotten, zonder ooit ruw of gemeen (lees: vulgair) te worden.
Er loopt een cynisch draadje door al zijn werken — maar nooit kwetst het cynische de goede zeden of\'t persoonlijk eergevoel zijner slachtoffers.
Men moge Meilhac en Halevy die onder de buitenlanders Gilbert\'s naaste literaire bloedverwanten zijn, geestiger noemen , er moge meer van die fransche „verve endiabléequot; in hun geschriften zijn, dan in Gilbert\'s libretti, de laatste overtreft hen echter in de middelen die hij tot bereiking van zijn doel te hulp neemt.
De fransche librettisten schrijven voor niet al teklein-zeerige ooren van een volwassen publiek. — Gilbert\'s proza is de onschuldige humor van een onbedorven gemoed, die bij het publiek , \'t zij dat het uit kinderen of uit groote menschen besta, denzelfden gullen lach der aller onschuldigste vreugde opwekt.
Gilbert heeft nog een andere groote eigenschap, hij heeft een bizonder scherp oog voor de logica van de woorden en daden der menschelijke natuur, hij heeft die gave treffend bewezen in zijn blijspel „The Palace of Truthquot; waarin hij met „die conventionellen Luegen der Mensch-heitquot; zooals Max Nordau zich uitdrukt, onbarmhartig den draak steekt. Hij laat de verschillende karakters hun eigen „ikquot; in hun gesprekken ontleden, zonder de teekening in\'t minst te chargeeren, \'t zijn louter kleine stukjes , fijn gesneden en scherp gemarkeerd, die in dit satyren-spel
HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL. 145
de would-be mensch tegenover zijne ware natuur stelt.
Wie dit voortreffelijk werk heeft gelezen, kent Gilbert\'s kracht geheel, al zijn andere stukken waaronder „Engagedquot;, „Sweetheartsquot; en ook de mislukte proeve van de Faust-legende van haar aureool te ontdoen en als een alle-daagsche „comedie de moeursquot; op de planken te brengen zijn in meerdere of in mindere mate op „the Palace of Truthquot; gegrondvest.
Men zegt wel eens dat men in Gounod\'s latere opera\'s altoos echo\'s van Faust meent te hooren; \'t zelfde kan men ook op Gilbert toepassen — het systeem waarop „the Palace of Truthquot; is gebaseerd straalt in al zijn overige pennevruchten door.
Uit een technisch oogpunt zijn Gilbert\'s drama\'s geen modellen, ze drijven te veel op den dialoog en zijn doorgaans arm aan intrige; zijn karakters, juist omdat ze zoo rijk zijn aan scherpe trekken, vormen geen aaneengesloten geheel — \'t zijn fragmenten; zijn verzen (de meesten zijner werken o. a. het beroemde Pygmalion) munten uit door bouw en als rijmer is Gilbert de onovertreffelijke autoriteit in Engeland; maar het dichterlijk gehalte zijner poesie is niet groot, zijn beelden verheffen zich zelden boven het alledaagsche.
Dat Gilbert door \'t Engelsch publiek op de handen wordt gedragen, dat zijn werken door alle klassen der maatschappij niet alleen met graagte worden gehoord, maar ook gelezen, is verklaarbaar — er is behoefte aan vernuft op \'t Engelsch Tooneel. En Gilbert bezit meer dan vernuft , hij bezit het goddelijk talent, dat alléén door \'t fran-
10
146 HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL.
sche woord kan weêrgegeven worden : „espritquot; — en waar ter wereld worden de „gens d\'espritquot; niet op een voetstuk geplaatst ?
XII.
De taak, die \'k me had gesteld, is hiermeê volbracht; dat ik de muziek, schoon ook een machtige factor in de annalen van het Engelsch Tooneel buiten bespreking liet, is daaraan te wijten dat ik me gulweg als leek beschouw op dit gebied der kunst en ook omdat ik \'t tooneel in dit land enkel van een letterkundig standpunt wenschte te beschouwen.
Had ik verder willen gaan, dan zou ik ook de scheppingen der voornaamste acteurs aan een critiek moeten onderwerpen en ik geloof niet dat dit onderwerp voor Nederlandsche lezers van genoegzaam belang is om het in breede te bespreken, de meeste kuntenaars toch, die hier een zekere beroemdheid genieten , zijn in \'t buitenland onbekend , de Engelsche taal, wier profeten zij zijn, is immers nog niet de heerscheresse van de geheele beschaafde wereld, als \'t Fransch, schoon zij \'t wellicht in den loop der tijden worden zal. En Engelsche tooneel-spelers wagen \'t slechts bij uitzondering zich in den vreemde in hun eigen taal te doen hooren.
Mag ik me ten slotte veroorloven mijn waarnemingen, die na een verblijf van vier jaren hier te lande uit persoonlijke ervaring, niet uit boekenwijsheid, zijn geput in weinig woorden te zaam te vatten, zoo is mijn slotsom deze;
Het Engelsche Tooneel is in de laatste jaren met reuzen-
HET HEDENDAAGSCH ENGELSCH TOONEEL, 147
schreden vooruitgegaan; er zijn schrijvers opgetreden die den grondsteen gelegd hebben voor een moderne Engel-sche tooneelletterkunde, waarvan het nageslacht met lof zal gewagen.
Onder de jongere auteurs vooral, beginnen talenten te ontluiken die een schoone toekomst in \'t verschiet teekenen, — er is echter dringend behoefte aan een schouwburg , waar jonge schrijvers zonder aanzien des persoons en par droit de conquête alléén hun werken voor \'t voetlicht kunnen brengen.
Zoolang echter ook hier te lande de kunstdoodende leus geldt „Kunst is geen regeeringszaakquot;, en \'t tooneel in handen blijft van directeurs, bij wie de kas hoofd-en de kunst bijzaak blijft, zoolang zal de verwezenlijking van het streven : \'t Engelsch tooneel op dezelfde hoogte te brengen als \'t Fransche en \'tDuitsche, tot het rijk der „pia votaquot; behooren.
ARTHUR FREDERICS.
We schreven\'t jaar onzes Heeren... wel, omstreeks i860.
Tegen d\' avondstond op een kouden lentedag toen de rillende Londenaars zich achter \'t hoeksken van den haard verscholen en slechts enkelen nolens volens \'t gure weêr trotseerden, stapten twee knapen, kleuters van elf en twaalf jaar, met korte broekjes, gegespte hessen en bolle petten, hand aan hand over de groote London Bridge naar het spoorwegstation der London Brighton amp; South Coast Mij. en toen men hun daar vroeg: „waarheen gaat de reis, mannekens?quot; antwoordde de oudste, een olijke blondkop , trotsch : „Naar de overzij! Naar Calais,quot; De Portiers lachten, de knapen bereikten het loket en terwijl d\' een krek met den neus over de toonbank : „Two Third to Calais!quot; uitriep, stond d\' ander op den uitkijk .... want de twee vriendjes waren van huis en school weggeloopen.
ARTHUR FREDERICS.
En juist wilde de biljeteur de kaartjes stempelen, toen een groote zware hand zich op den schouder van den jongen reiziger legde en een basstem hem in \'t oor toeterde : „Wat moet dat Arthur ?quot;
Daar zaten ze in \'t net, die vlugge visschen! Maar Arthur was kordaat en, alles behalve van zijn stuk gebracht , door vader\'s bulderende stem en zijn bliksem-schietende oogen, antwoordde de knaap : „We gaan naar Calais om als teekenmeester onzen kost te verdienen.quot;
\'tls onnoodig te zeggen, dat de jongens niet naar Calais gingen, maar dat ze, toen de vader hun kleine met teekentoestellen gevulde koffers geïnspecteerd had, elk een pak slaag ontvingen en in plaats van \'t Kanaal-over, \'t bed-in gezonden werden.
De held van dit verhaaltje is thans een der beste teekenaars en illustrateurs van Engeland, en toen Arthur Frederics van zijn mislukte Robinsonnade vertelde, kon hij niet nalaten zijn zaligen papa nogmaals hartelijk te danken voor dat welverdiend pak slaag. Want, dat incident besliste zijn toekomst.
De vader, een streng doch verlicht man, zond den jeugdigen Apelles\' zoon naar de Gouvernements-Kunst-schóol, waar zijn talent zich zóó gelukkig ontwikkelde , dat hij reeds op 14-iarigen leeftijd een medaille „voor teekenenquot; thuis bracht.
Zestien jaar oud klom de jeugdige kunstenaar in den zadel voor den levensrit.
Hij begon zijn stift aan kerkelijke onderwerpen te wijden en verdiende hiermeê zijn eerste honorarium; doch zon-
149
150 ARTHUR FREDERICS.
derling contrast, \'t tooneel behaagde den knaap meer dan de kerk en dra liet hij zijn teekenwerk gedeeltelijk varen om zich op de planken te bewegen. Hij verkreeg een engagement aan de Opera Comique en was weldra thuis in \'t rijk der misterieên, dat met zijn kleurige costumes en zijn goudbrokaat \'t desideratum is van zooveel levendige phantasieën.
De „ecclesiastiekquot; streek allengs de vlag voor Thalia; toen in 1874 de Londensche schouwburgen de kerstmis pantomines voorbereidden, blonken het decoratief en de costumes van het Surrey-Theater, waar de beroemde familie Payne voor \'t laatste optrad, boven allen uit; ze waren geteekend door Arthur Frederics.
Wat Blumenthal van den laster zegt (zie „die Grosse Glockequot;) die als sneeuwbal begint en als lawine eindigt, geldt ook van \'t succes , de schouwburgen begonnen hun aandacht aan dat jonge talent te wijden en men droeg hem op de costumes te ontwerpen voor stukken als : „Nell Gwynnequot; en „Lalla Rookhquot;, die aan zijn potlood en penseel niet het kleinste deel van hun populariteit te danken hebben.
De Lord Mayors-processie uit De Drury Lane Pantomime „Dick Whittingtonquot; (1884) wier schitterende pracht in alle Europeesche bladen is besproken, is een der gelukkigste werken van Frederics voor \'t tooneel. „Punchquot; noemde dien schets „Most ingeniousquot; — en Londen hechtte zijn zegel aan dit verdict.
Als acteur behaalde Frederics menig succes, maar ach! in \'t midden zijner carrière trof hem een pijl en gewond
ARTHUR FREDERICS.
moest hij de planken vaarwel zeggen, Amor, de looze, de onbarmhartige, koppelde zijn hart aan een allerliefste blondine en herschiep den vroolijken kunstenaar als met tooverslag in een model echtgenoot. (1876)
Met dat al was Frederics echter nog niet, wat hij nu is, namelijk een illustrateur van den eersten rang. \'t Toeval speelde ook hier weêr de eerste viool. Op 4 Juli 1880 brandde het Holborn Duke Theatre totaal af; Frederics, die een groot wandelaar en „dolquot; op \'t kleureffect van branden is, kwam op een zijner tochten aan de puinhopen voorbij, wierp fluks een schets in zijn boek, krauwde zich een minuut achter \'t oor om te overpeinzen, wat hij wel met die teekening kon uitvoeren, en ijlde toen spoorslags naar de „Illustrated Sporting en Dramatic Newsquot; om zijn werk aan te bieden.
De poging overtrof alle verwachtingen. Men nam niet alleen zijn eersteling aan , maar hield den zoo gelukkig gevangen witten raaf stevig vast en wist hem voor vijf jaar te houden. (1880/84)
En \'t was weêr een brand die hem in de armen van het „Illustr. London Newsquot; voerde.
Toen in 1885 het eerste Japanneesche dorp te London in lichter laaie stond, kon men Frederics midden in de vlammen zien staan en terwijl zijn artistieke kruin slechts door een parapluie tegen een regen van vonken en water beschermd werd , tooverde zijn rappe hand een afbeelding van \'t onheil op \'t papier, welke 24 uur later, tot verbazing van heel London, reeds in \'t „111. London Newsquot; gedrukt verscheen!
ARTHUR FREDERICS.
Sedert 1880 brengt elk nummer der ook in Nederland welbekende bladen , als : „111. London News , Sporting en Dramatic Newsquot;, „St. Stephens Revuequot;, „Lifequot;, en „The Journalistquot;, — j\' en passé et.... beaucoup! —een teekening van Frederics, \'t zij over den een of ander „Topicquot;, \'t zij over een première op de planken, die steeds zijn troetelkind bleven.
Door zijn vlugge conceptie, zijn meesterlijke weergave van situaties, zijn keurige teekening in de détails, zijn „Marsquot; evenarende figuren van vrouwelijke types, is Frederics een der populairste en meest begaafde illustra-teurs in Engeland; maar ook in \'t buitenland is, zooal misschien niet zijn naam — helaas, wie neemt notitie van den teekenaar als men platen bewondert ? — zijn talent hoog gewaardeerd, elk Hollander, die zijn kostelijke en frappant gelijkende schets van de Amsterdamsche Tentoonstelling in \'83 gezien heeft (111. Sporting en Dramatic News) zal \'t met mij eens zijn, dat deze kunstbroeder van Doré, niet alleen een teekenaar, maar „every inch an artistquot; is.
152
ARM DRUPPELTJE!
Uit het leven te Londen.
Toen \'k te Londen mijn tenten opsloeg — dat is nu al een paar jaar geleden — legde \'k een mijner eerste bezoeken af bij een oom van mij, een nog jong vrijgezel, die de reuzenstad evengoed door en door kent als :t binnenste van zijn beurs.
„Wel, jongelief, riep me de joviale „hagestolzquot; toe, wat zeg je nu van mijn Londen! ben je niet betooverd, verbluft, stom van verbazing over dat eeuwige leven op dit plekje der aarde, over onzen handel, onze sporen en instellingen ....
\'k Kon ooms enthousiasme niet geheel deelen. \'k Was verbluft ja , onthutst over \'t rumoer om me heen, over die sombere City met haar grijze gebouwen, even grijs als \'t hemeldoek, dat hier te vergeefs op een stukadoor schijnt te wachten.
ARM DRUPPELTJE!
„Ja,, oom, zei \'k, \'t is groot. . . . machtig — enorm, al wat u maar wil, maar \'t is mij een beetje tc groot, die afstanden, dat geraas, die akelige mist, dat op- en neerhollen van menschen die je niet kennen en je schijnen te willen omverloopen , als je niet oppast, dat altegaar maakt, dat ik me verloren voel, dat ik — neen , lacht u nu niet — soms Heimweh heb.
Groene jongen , schertste de andere; Amsterdam niet waar, dat is je Elderado, je één en alles , omdat iedereen er je kende en jij iedereen kende, maar hier, vent, zul je er aan moeten gewennen , dat een mensch maar een druppeltje in den Oceaan is, en wat dat zegt zul je eerst begrijpen als je nagaat dat de Oceaan nooit de golven telt, die op zijn boezem huppelen en springen — hoe kan je dan verlangen dat de golven notitie zullen nemen van elk druppeltje dat zich bij hen aansluit en zich dra verliest in \'t schuim en geraas der watermassa. Neem dat aan van mij, vriend, \'t is afgezaagd, \'k geef het toe — maar \'t is een altoos nieuwe waarheid, als je haar maar weet te doorgronden en inziet, dat het druppeltje in de golf — de golf in de zee moet leeren zijn eigen weg te vinden, dan zal je op den duur ook wel van Londen gaan houden, al kost het je moeite.
Ooms woorden stemden me tot nadenken.
Toen \'k op mijn kamer terugkwam — \'k was destijds koppig genoeg ü la continentale te willen leven en \'t boarding house te verafschuwen, ook al een dwaling — mijmerde ik verdrietig over mijn lot.
Daar zat \'k nu : arm druppeltje —■ ik met mijn Am-
154
ARM DRUPPELTJE!
sterdamsche ideeën, ik die als alle Amsterdammers gewoon geweest was bij \'t slenteren langs de straat alle vijf minuten minstens éen kennis te ontmoeten ; die precies geweten had hoe \'t met de geldzaken van Y. of met de affaires de coeur van mevrouw Z. geschapen was ....
En hier, niets van dat alles, kind noch kraai, geen kat die naar me omzag.... arm druppeltje in den Oceaan.
Doctor Tijd, die raad weet voor ieders zielepijn, liet ook mij niet in den steek; hij sprak me moed in , beloofde me dat \'k gewend zou raken aan \'t Londensche leven en diende me ten slotte \'t beste allerlei troostmiddelen toe, den raad eens omtezien naar anderen die zich niet alleen verloren wanen, maar die verloren zijn in den Londenschen Oceaan.
\'k Heb dat gedaan , me er wel bij bevonden en nu dat \'k geheel genezen ben, me zelfs Engelsch gevoel te midden van de Engelschen, wil \'k u \'t kort en onver-dicht , treurig verhaal meedeelen van een druppel, dien een vriend van mij uit den Oceaan trachtte op te vangen , doch .... hierover later.
* *
*
Een Novemberavond — koud, vochtig, mistig; \'t onmisbaar onveranderlijk décor van \'t wintersch Londen Wij — mijn vriend Ravensberg , een Duitscher , bij mij te gast, en ik — stonden aan de Criterion-bar en dienden onze keel het laatste oliesel toe.
\'t Was bij half een — \'t klokje van gehoorzaamheid.
155
ARM DRUPPELTJE!
De warme whisky geurde en dampte nog in ons glas — daar ging plotseling \'t licht uit, om de klapdeur gluurde de helm van een politie-agent die met een diepe bas zijn monotoon „Time pleasequot; bromde. De glazen werden haastig geledigd, met kletterend geraas op de toonbank neêrgebonsd, vijf minuten later stonden we op straat en vroegen elkaar met weemoedige ironie : „wat nu ?quot;
Ja wat nu! Wat kan men een vreemdeling te Londen om 1.30 ante meridiem aanbieden.
De stad is dood, of de bewoners slapen; die niet slapen.... arme duivels ze hebben misschien geen dak of oefenen in den nacht een bezigheid uit die \'t daglicht schuwt.
Naar huis ! commandeerde ik — langs Regent street, als „les nuits de Londresquot; je kunnen boeien .... \'t is niet veel zaaks echter!
„Tch bin dabei!\'\' luidde \'t echt Duitsche antwoord.
En we kuierden, flaneerend als geroutineerde boulevardiers langs de uitgestorven, donkere straat.
Geen ziel kwam ons tegen en vriend Ravensberg begon \'t mooi vervelend te worden.
Hier ist ja nichts los! Berlin:. ..
O, daar had je de poppen aan \'t dansen. „Berlinquot; was op \'t tapijt en de speech die volgde kan ieder die onze Duitsche buren kent zich best voorstellen.
Onder \'t gepraat hadden we niet gemerkt dat een dametje ons tegemoet kwam — eerst toen ze ons met een :
„Guten Abend, schoner Mann!\'\' begroette werd onze aandacht op haar gevestigd.
ARM DRUPPELTJE !
Gilt es mir oder gilt es dir.... declameerde hij.
Och, wij mannen zijn zoo ijdel—zelfs voor een valsch vleierij tje van een gevallen vrouw zijn wij vatbaar, soms naijverig op elkaar!
\'t Gold hem .... en hij scheen behagen te scheppen in \'t net gekleed persoontje , dat aan zijn zij trippelde, zich door zoeten kout en lieflijken lach als een Engeltje uit Eden trachtte voor te doen.
„Alter...quot; duwde Ravensberg me toe, „Charmantes Ding — früher schon gesehen, kenn\' die Stimm!quot;
„Glttckauf!... antwoordde ik, maar \'k dacht: — Bei Nacht sind alle Katzen grau.
Hun conversatie moest al zeer interessant zijn, want ik liep er bij, alsof ik er niet bij behoorde.
Ergens aan den hoek van een straat, stonden we stil, \'t meisje lichtte zich op haar teenen en fluisterde mijn vriend iets toe. Hij keek me aan en zei weêr : Ich kenn\' die Stimmquot;.
We bogen in een zijstraatje, in \'t midden glinsterde een lantaarn door \'t grauw-geel nevelgaas.
We naderden \'t licht, een stralenbundel hulde\'t gelaat der vrouw in helderen glans.
„Herr Gott!quot; gilde Ravensberg. „Sie, Hermine!quot;
„Herr Ravensberg!quot; antwoordde zij flauw.
Een woordenstrijd, een discussie, waarvan \'k ter nau-wernood iets verstond, ontspon zich bliksemsnel.
\'k Vatte dat hier de „donnéequot; tot een drama voor me was blootgelegd.
„Air Street 17... Morgen also... „was al wat\'k wist
157
ARM DRUPPELTJE !
op te vangen.... toen greep Ravensberg me bij den arm .... „Een cab ....quot; riep hij, „gauw een cab ... ik vroeg een uitlegging....
„Later — een cab!quot; was \'t antwoord en beide holden we als bezeten over de straat.
Ons zoeken was kortstondig ~ spoedig daagde een dier vlugge gevaarten op en toen we gezeten waren en de koetsier vroeg : „waarheen, Sir. .. .quot; riep Ravensberg mismoedig, korzelig: „Telegraph!quot;
„Telegraph! om halftwee \'s nachts wat beteekent dat:quot;\' vroeg ik.
„Later .... waar is een telegraaf?quot;
„Rijd naar Charing-Cross,quot; beval ik.
En terwijl het rijtuigje over \'t asphalt snorde vertelde Ravensberg in afgebroken zinnen:
„Dat meisje is gevallen.... maar ze is niet slecht.... ze is een Duitsche uit Bannen .... haar vader is er Stadt-rath en katoenspinner .... uitstekende familie .... \'k heb er aan huis verkeerd — veel met haar gedanst — o, wat was ze lief, mooi, knap.... ik heb van haar gehouden .,.
„Schrikkelijk, verder!quot; zeide ik.
„Ze had een broertje.. .. aardige jongen, die les ontving van een gouverneur. — Zoo\'nLump, zoo\'nboef... kranige vent overigens, wat \'t uiterlijk betreft. Begrijp je de rest?quot;
Nog niet geheel....
„Ze raakten verliefd op elkaar . . . hij wilde haar trouwen... de vader weigerde en gelijk had hij, \'t was
ARM DRUPPELTJE!
geen partij ... Noth bricht Eisen, de schurk beproefde met haar te vluchten ... hij had middelen, zei hij — en hier te Londen zou hij dra een goede betrekking vinden en haar trouwen... Zij geloofde en verliet haar familie .. een paar weken waren genotrijk, ze hadden elkaar immers lief en de echt zou hen dra voor altijd aan elkander hechten . .. maar toen zij op een verbintenis aandrong, zocht hij uitvluchten, werd ruw . . . verdween .., der schone Wahn war entzwei gerissen . .. daar zat zij zonder brood, zonder geld, naar huis terug durfde ze niet... twee wegen lagen open, \'t werkhuis, want handwerk kon ze niet krijgen, hoe hard ze er ook naar zocht of de . .. schande. Ze koos \'t laatste ... de honger dwong haar er toe ...quot;
„Charing Cross, Sir!quot; riep de koetsier door het raampje. We stapten uit en telegraph eerden den ouden heer naar Barmen , dat zijn dochter gevonden was en dat we van hem als vader verwachtten dat hij haar, al was zij diep gezonken , liefderijk opnemen en vergiffenis schenken zoü.
De vader, een man van eer, bleef \'t antwoord niet schuldig. „Ich kommequot;, luidde zijn telegram \'s anderen daags, — 24 uur later was hij hier.
Och, hoe verheugden we ons, toen we met zijn drieën naar Air Street reden, om de verloren dochter naar \'t ouderlijk huis terug te voeren, wat al beloften deden we niet, toen de vader ons smeekte nimmer te verklappen hoe we zijn dochter hadden gevonden, hoe trachtte ik bij voorbaat de in vreugde vergeten smart van \'t wederzien in warme kleuren te schetsen !
ARM DRUPPELTJE!
Helaas !.. .. toen we aan 17 Air Street aanklopten , berichtte de dienstbode op onze vraag naar de vrouw ! Heengegaan ..., zonder adres achter te laten.
Daar stonden we alle drie.... versteend, verpletterd.
Er restte éen middel om haar te vinden: de politie — dat nooit, zwoer de vader, en gebroken naar lichaam en ziel keerde hij huiswaarts.
Ravensberg vergezelde hem.
„Beloof me, me te schrijven, als ge haar ooit weêr tegenkomtquot;, zei hij, toen we elkadr de hand tot afscheid drukten.
„Beloof hetquot;, bad de oude heer, met tranen in de oogen.
\'k Deed het.
Een jaar snelde voorbij ....
Veertien dagen geleden , toen \'k met mijn schetsboek naar de Guildhallpolice-court ging om studies uit het volksleven te boetseeren, werd \'k plotseling getroffen door \'t noemen van een naam die me bekend voorkwam.
De vrouw — want het was een vrouw — verscheen; de aanklacht luidde: dronkenschap en onzedelijk gedrag — tiende maal.
Dat ongelukkige wezen herkende mij niet.... ik haar wel... \'t was de dochter van den industrieel uit Barmen.
„Veertien dagen dwangarbeid — zonder optie eener boete!quot; zei de voorzitter — „onder alle liederlijke vrouwen, die Londen bezoedelen, ben jij de liederlijkste!quot;
De veroordeelde grimlachte ... was zij nog een vrouw ?
Dat wijf.... zei de voorzittende Alderman, toen \'k hem later over de ongelukkige sprak, dat wijf—eindigt
i6o
arm druppeltje!
nog eens in \'t tuchthuis, nu is ze nog maar aan den drank .... maar g\'j weet even goed als ik waartoe de drank leidt....
Behoef \'k u te zeggen dat \'k mijn belofte niet hield?,..
Arm druppeltje! verzwolgen door den vreeselijken Oceaan....
Londen , 26 Oct. \'87.
i6i
11
IDOLATRIE.
Ich liebe Euch, mich reizt Eure schone Gestalt und geht Ihr nicht willig, so branch ich Gewalt.... en toen het beroemde negental lachte over den zoon van Merkuur en Vulkaan, die het het verst gebracht had van alle volken in handel en nijverheid, maar wiens smaak eerder op het degelijke dan op het schoone gericht was, toen de immer jeugdige jonkvrouwen zich aan zijn ietwat linksche liefkozingen trachten te onttrekken, greep John in de wijde zakken van zijn pantalon, een gulden lichtstraal verblindde de patronessen der kunst, haar tegenstand was gebroken, ze lieten zich ontvoeren naar het Koninkrijk der Eilanden, werden er gehuisvest in kostbare paleizen, door iedereen, soms ten onrechte, gevleid en bewonderd, met schatten overladen.
De Engelschen hadden hun zin, de kunst was door het geld gekocht; en de Muzen hadden den haren; zij
IDOLATRIE.
morden wel eens over den geringen schoonheidszin harer leerlingen , over de averechtsche wijze , waarop hare lessen ten nutte gemaakt werden, maar.... \'t goud deed haar zwijgen, het ontrimpelde terstond heur voorhoofd, als de fronsende wenkbrauwen een booze luim voorspelden.
En zoo werkte men samen, men was \'t vaak oneens, maar och , hoe gaat \'t in de wereld tusschen lieden die geassocieerd zijn; men tracht \'t eens te worden, er wordt van beide kanten toegegeven, door de vingers gezien , geschipperd en de buitenwereld verbeeldt zich, dat de vennooten steeds één hart en één ziel zijn.
Dat denkt ook de vreemdeling als hij Engeland betreedt en de samenwerking van John Buil en de Muzen gadeslaat, die tallooze rei van kunststempels, die musea, die schouwburgen , die tentoonstellingen van beeldende kunsten, die reeks van concerten, op wier programma de roemruchtigste namen prijken, die stroom van nieuw uitkomende boeken , die zich onophoudelijk dagelijks door de kolommen van dagbladen kronkelt, die kunstaankondigingen , die elk spoorwegstation overstroomen, dat ge-meng van alle mogelijke kunstvoortbrengselen , het doet hem duizelen, hij verstomt voor den hoogen kunstzin en smaak dezer natie.
Doch de droom is van korten duur, straks begeleidt een vriend hem naar het Rijksmuseum van schildeiijen , naar de „National Gallery.quot; Zie vriend, roept de En-gelschman uit, zie en geniet.
En de andere wil genieten, maar wat ontwaart hij ? De kostbaarste schilderijen zijn achter glas verborgen, de
163
IDOLATRIE.
lichtstralen breken zich aan de gladde oppervlakte, \'tgan-sche kunstwerk vertoont zich in een valsch licht.
Wel? vraagt de Engelschman.
Een schouderophalen is \'t antwoord .... Dat glas ....
Is om stof te weren.
En het gezicht te belemmeren !
Hoe nu, belemmeren? Dat glas geeft leven aan\'t schilderij en maakt dat de penseelstreken minder zichtbaar zijn.
O zoo, zucht de reiziger, maar hij zegt tot zich zelve : o, heilige eenvoud !
Men nadert de schilderijen van den beroemden Turner; \'t zijn landschappen, sommige afgewerkt tot in de kleinste details, treffende nabootsingen der natuur, daarnaast een paneel, beklad met een vormlooze verflap.
Dat is zeker het „chaosquot;, of de aarde na den Zondvloed.
Mensch, roept John Buil uit, mensch, maar ben je dan met blindheid geslagen, durf je den roem van Engeland aldus te beschimpen, den spot te drijven met het schoonste landschap, dat ooit in olieverf is geschilderd. Zie je dan niet die heerlijke bosschen, dat beekje, dat frissche groen?
Ja, het heeft wel iets van groen.. . . van groente.
Barbaar !____ Nu , Goddank dat er nog vijf-en-dertig
millioen menschen zijn, die Turner\'s laatste meesterschep-pingen naar waarde weten te schatten, die eenstemmig dit landschap natuur noemen . ..
Men zweeg, maar de reiziger liet het er niet bij , hij rustte niet, voordat hij de overtuiging had erlangd , of men hier te doen had met echt kunstgevoel of de naaping van het publiek, dat, als één groot man roept: Allah
164
IDOLATRIE.
is groot, nagalmt: Ja, Allah is groot, — schoon ze niet eens weten wie A lah was en wat de uitroep beteekende.
Ziehier wat onze reiziger vernam. Turner was op \'t laatst van zijn leven halfblind , alles kreeg in zijn oog een andere gedaante dan het werkelijk had. Een gevolg hiervan was o. a., dat hij zijn schilderijen naar zijn meening even fraai op het doek wierp als voorheen, terwijl hij feitelijk slechts wanstaltige lijnen en figuren penseelde. Zijn roem werd er echter niet door geschaad, Allah was en bleef groot. Men voelde het onderscheid, wilde het niet merken en dacht er niet verder over na.
Maar zie, daar kwam na Turner\'s dood degroote oogheelkundige Liebreich naar Londen; hij zag de schilderijen en slaagde erin lenzen te laten slijpen, die feitelijk aantoonden wat ik over Turner\'s gezichtsvermogen zeide. Door de lens schenen Turner\'s wanstaltige schilderijen even fraai als de anderen.
Den vijf-en-dertig millioen Engelschen was dus duidelijk bewezen , dat ze in hun dwaze bewondering slechts geofferd hadden aan de zucht tot napraterij, en dat voor elk gezond oog de schilderijen niets anders konden vormen dan een kleurensop.
Maar wie gelooft dat die gevoelige blamage verbetering te weeg heeft gebracht, dwaalt. Wees een man van naam en roep morgen; Allah is groot, op mijn woord, zij zullen \'t u allen naschreeuwen, al zijn ze in hun ziel overtuigd , dat Allah .... heel klein is.
165
KUNST IN DE „DRAWING-ROOMquot;.
„We verbasterenquot; hoert men wel eens zeggen, alles gaat den kreeftengang en als \'t zoo voortgaat, zal er van een déluge après nous niet eens meer sprake kunnen zijn , wijl het strafgericht in plaats van over onze nakomelingen, over ons zelf zal gehouden worden.
\'t Zijn meestal bejaarde lieden, die aldus spreken , en ons gaarne het geloof willen opdringen , dat in hun tijd en vroeger , de wereld bewoond werd door een Engelenheir.
Nu, de geschiedenis weet dat beter en \'t is dan ook daarom dat we ons gewoonlijk noch laten bang maken door de klachten der oudjes , noch door de verschijnselen van achteruitgang, die nu en dan als hoofden eener walgingwekkende hydra, grijnzen.
We koesteren ons liever in \'t zonnetje van den vooruitgang , dat ons bij elke schrede toelacht, vooral op sociaal gebied; als we nu terugdenken aan de dagen der K e m-
KUNST IN DE „DRAWING-ROOM.quot; 167
n a t e, aan dien middeleeuwschen nacht, toen het schoone geslacht gedoemd was zich dood te vervelen achter de bonte vensters van de (VVith-)drawingroom, terwijl de mannen zich verkneuterden bij wijngelagen en dobbelspel.
Neen , dan prijs \'k onze dagen die den damessalon — wij zeggen wat burgerlijker „huiskamerquot; — tot het toppunt van gezelligheid maakten; de verbastering van het woord withdrawing-room (withdraw, zich terugtrekken) en den korteren naam laten we ons van harte welgevallen, want we weten heel goed, dat nu eenmaal het ongedwongen verkeer tusschen de schoonen en de sterken ons sociaal leven zoo veel prettiger en ook zooveel meer verfijnd heeft gemaakt. (De meening van vrouwenhaters laat \'k natuurlijk buiten rekening !)
\'k Zal niet zeggen , dat het leven in de drawing-room niet de gebreken zijner deugden met zich voert, vooral hier in Engeland moet ge u , om u in gemengd gezelschap van ladies en gentlemen te kunnen bewegen, menige kleine opoffering getroosten, ge moet uw gemakzucht laten varen voor de etiquette die hier nu eenmaal onverbiddelijk is, ge moet u gewennen met geduld banale praatjes over weêr, gezondheid en comedies aan te hooren, niet alléén, maar er ook aan deel nemen, ge moet eindelijk ook als de natuur u met een zwak — o, heel zwak soms! — rhetorisch of muzikaal talentje gezegend heeft, dat nachtpitje laten glinsteren als ware het een electrisch licht, ge moet, om \'t saam te vatten, uw eigen Ik op den achtec-grond duwen en dat van anderen tot het uwe maken.
Zie b. v. als uw gastvrouw zegt:
KUNST IN DE „DRAWING-ROOM.\',
\'t Is mooi weer vandaag.
Antwoord dan nooit: Dat kan \'k niet vinden, of: vind u ? maar zeg om \'t gesprek gaande te houden ?
O ja, heel mooi, maar \'k geloof dat we regen krijgen!
Waarop zij weer zal zeggen :
Och, zou u denken, \'t heeft immers gisteren pas geregend.
Ah, ja, herneemt ge, maar zie, eergisteren was\'tnog droog en er hangen zware wolken in de lucht (die gij noch iemand ziet, maar alleen meenen te zien). Dat is etiquette.
Verveel u ook niet, als \'t zoo treft, dat mevrouw haar „at homequot; heeft, en juffrouw X, Y, Z, en meneer A, B en C allen met hetzelfde praatje komen binnenwaaien.
Men moet in de drawing-room in alles van zessen klaar wezen, zeg in Godsnaam niet, als er van een comedie sprake is, dat ge \'t stuk niet kent of niet gezien hebt, stapel liever de brokjes, die van een vluchtige lectuur der tooneelcritiek in de „Timesquot; zijn overgebleven, opeen, en praat, met boud geluk meê, alsof ge er alles van wist.
Dan bewijst ge homme du monde te zijn.
En als straks de thee gedronken is en de koekjes op zijn, en men zich aangordt aan de muzen te offeren, \'t zij vocaal, instrumentaal, of declamatorisch , leg dan toch uw voorhoofd niet in kritische plooien, luister, verfoei zachtjes , maar .... bewonder luide.
Dat is soms moeielijk en \'k heb eens weken pijn aan mijn lip gehad wegens het volgend voorval , dat me elk oogenblik tot een moeielijk verbeten schaterlach wilde drijven.
i68
KUNST IN DE „DRAWING-ROOM.quot;
Reeds hadden we de genotvolle voordracht eener bleeke maagd achter den rug, die met tranenafpersend pathos de avontuurlijke geschiedenis van een dikken poedel met een smal blauw lint had gedeclameerd, reeds had \'k ook aan een zangster den premier prix de conservatoire voorspeld , daar ze met een heerlijk valsche mezzo-sopraan een Italiaansch lied „Carissimaquot; op hartroerende wijze had uitgegalmd; eindelijk had \'k zelf de jonge dames menig vriendelijk lonkje afgestolen door een felle poëtische bestrijding van den ondeugenden humorist der „Fliegende Blatterquot;, die in arren moede het dichterwoord durfde paro-diêeren in :
Ehret die Frauen , sie flechten und weben Irdische Rosen ins himmlische Leben.
Maar dat alles was slechts klatergoud tegen het zielverheffend kunstgenot, dat ons wachtte.
Daar kwam , laat in den avond , kapitein Jekyll aankloppen , kapitein Jekyll, de zes en een halve voet hooge Adonis der dames , de rhetoricus , die Dante naar den kroon stak , de man, die aanstonds de harten aller oude
vrijsters stal, omdat____nu ja____ omdat zijn vrouw van
hem was weggeloopen en hem met negen kinderen (te jong om het verlies te beseffen H had laten zitten.
Met ongeloofelijke handigheid n zonder een zweem van verveling te verraden , doorworstelde de kapitein de mooi-weêr en comedie-praatjes , ja , hij ging zelfs zoover , in wetenschappelijke détails omtrent de hoofdverkoudheid van een der „jongèrequot; dames te treden , toen een , eerst ge-
169
fluisterd, gegiebeld, toen hardop geroepen: „Toe, meneer Jekyll, declameer eens watquot;, een welgevallig lachje op zijn martiale lippen tooverde. Met edelen zwier rees hij op, ontlastte een werktafeltje van alle daarop staande voorwerpen , plaatste het midden in de kamer en zette er een stoel naast; toen nam hij het woord en zei: „Dames en heeren quot;
Bij dat „dames en heerenquot; weerklonk een welgevallig „Oh, héquot; door \'t vertrek.
Dames en heeren, \'k zal zoo vrij zijn de „Dagger Scenequot; uit „Macbethquot; voor te dragen .... but I shall want a little drink, m\'am , voegde hij er bij, op den Adamsappel wijzend.
Stout ? vroeg mevrouw.
Oh, all right! never mind.
Een steenen kannetje en een kristallen bokaal werd op het tafeltje neêrgezet, meneer zette een voet artistiek op den stoel, legde de hand in de linker borstzij en van stapel liep \'t fragment.
Eerst ging \'t goed. De redestroom bruiste met rede-rijkerachtig geraas van zijne lippen, hij geraakte in vuur, m e n was verloren in de bekoring van Shakespeare\'s verzen. \'t Was bepaald heel mooi....
Plotseling zweeg de spreker, wreef zijn keel, ledigde de kan in \'t glas, nam bliksemsnel een flinke teug en voort ging \'t.
Mijn lachspieren kriebelden al... . ik merkte iets !
En juist op \'t oogenblik, dat de climax bereikt was en Lady Macbeth aan haar zwakke wederhelft haar met bloed
KUNST IN DE „DRAWING-ROOM.quot; lyi
bevlekte handen toonde , wreef de spreker andermaal zijn keel, nam \'t glas weêr op, ledigde het nu in twee teugen en zette zich toen doodbedaard neêr — let wel, te midden eener climax— zeggende „ja, \'t spijt me, ladies en gentlemen, maar verder kan ik \'t niet.... \'t Is ook zoo langquot;, voegde hij er naïef bij.
Men riep „bravoquot;, applaudiseerde, vond het goddelijk, ja, een dame vond het juist pikant om midden in een stuk af te breken .... Dit geeft iets te denken !
Mijn lippen bloedden, van de moeite die \'k had ze in
toom te houden____Ja, waarlijk, zulk een applaus, zulk
een voordracht, en vooral zoo\'n glas Stout erbij, \'t geeft iets te denken !
Wat de oude vrijster dacht, weet \'k niet, maar mij speelde door \'t hoofd :
Bescheidenheit is eine Zier,
Doch kommt man weiter ohne i h r ! !
vooral als de muzen den draak steken met haar aanbidding in de „drawing-room !quot;
THEEMS-IDYLLEN.
De schaduwzijden van het Londenfche leven zijn legio, geen vreemdeling, die ooit in de wereldstad vertoefde, heeft verzuimd ze in \'t relaas zijner reisavonturen met flinke verfklodders uit te schilderen.
Maar wat men wel eens over \'t hoofd ziet, dat zijn de lichtpuntjesdie zich op \'t paneel van het prozaïsche, materieele leven in de grootste handelsstad ter wereld , vertoonen.
Daar is het vooral het „sans géne\'\' in de samenleving, dat nooit genoeg volprezen kan worden ; niemand vraagt u hier, wat ge verdient , in welke straat ge woont, wat uw papa doet, men beschouwt slechts de persoon en als die persoon welopgevoed , een „gentlemanquot;, een man van eer is, dan vallen aanstonds de muren, die het gulle karakter van den schijnbaar zoo moeielijk toegankelijken Engelschman omringen en ge zijt aanstonds overal wel-
THEEMS-IDYLLEN.
kom — „hail fellow , well metquot; zooals de term luidt.
Daar is \'t luchtige , gezellige wonen in sierlijke, uiterst practisch ingerichtte villa\'s op een kwartier afstands per spoor van de stoffige City.
Daar is de vroege Zaterdag, die den kantoorklerk veroorlooft \'s middags tusschen 2 en 4 uur de gulden vrijheid in volle teugen te genieten — daar is, onder zooveel meer, dat ik nu niet kan opsommen, het onverge-lijkelijkê leven op de Theems.
Ja \'t leven op de Theems is uniek!
Als ge moe, warm en lusteloos de trap van uw Citykantoor zijt afgeklauterd, naar \'t spoorwegstation hebt gedraafd en een half uur in de niet altoos even mollige derde klasse door elkaar zijt geschud, totdat ge het doel uwer reis, — \'t liefelijke Surbiton hebt bereikt; als ge dan schielijk den zwarten jas en hoogen dop , met een flanellen broek, dito hemd en pet hebt verruild, fluks naar quot;t boothuis zijt gesneld om uw bootje zeewaardig te maken , en eindelijk over de ijachtaardige golfjes van den groenen stroom heenglijdt — zie, dan bekijkt ge \'t leven met geheel andere oogen dan te voren.
Vergeten is dan de City! vergeten de hitte! vergeten (tenzij ge een Croeses zijt) de dagelijksche strijd om \'t aardsche slijk ! in uw boot op de rivier zijt gij heer en meester, kapitalist en aristocraat, \'t is liberté fraternité overal en \'s Zondags is ook égalité heerscheres , want de rijke koopman van Lombardstreet is vaak de waterbuur van (H) Arriet en (H) Any , die van Whitechapel naar Surbiton zijn gespoord om eens te gaan spelevaren.
173
THEEMS-IDYLLEN.
\'t Panorama dat aan beide zijden der Theems is ontrold , wekt geen oogenblik de gedachte, dat ginds in de verte in de reuzenstad met haar 4^ millioen inwoners , met haar kolendamp en haar stofwolken ontzachlijk wordt gezwelgd, maar ook ontzachlijk wordt geleden — hier is alles vredig, sappig-groene boschaadjes, een weelderige keur van geurige veldbloemen omlijsten den waterspiegel , een dunne rookwolk, die zich door \'t gebla-dert heenbaant, verraadt de nabijheid van het lustkas-teel Hampton Court, een dier massieve monumenten uit de gulden eeuw der Engelsche historie, waarmeê de naam van onzen Stadhouder Willem III zoo innig is verknocht ; dan weêr verrijst plotseling, als ware het er heen-getooverd, een eilandje midden uit het water en ontwaart het zoekende oog een rei van tentjes, zoo primitief als mogelijk opgetrokken, die aan Robinson Crusoë doen denken.
Toch zijn \'t geen nomaden, die hier, de civilisatie ten spijt, hun kamp hebben opgeslagen , ook geen armen , die door nood gedreven in de zomermaanden op de Theemseilandjes hun toevfucht zoeken , integendeel, \'t is een troepje rijke, excentrieke knapen, die op avonturen belust (faute de grives . ..) het leven in de „Wild-Westquot; in miniatuur nabootsen, en zich er schijnbaar wel bij bevinden , want al zit een van hen het gescheurde zeildoek van zijn tent met een enorme naald en een groven draad te stoppen , dat het water hem langs de slapen gudst, en al zaagt een ander brandhout, als gold het een werkhuistaak te verrichten, de champagneglazen met hun
174
THEEMS-IDYLLEN.
parelenden inhoud, de lustige liederen, die uit de borst galmen , bewijzen, dat de heeren niet alleen met goed humeur en een stalen gestel, maar ook nog met een zware beurs gezegend zijn , zoodat ze hun would-be harde leven wel dragelijk kunnen maken.
Niet ver van het kasteel heeft de Primrose-Club in de St. James\'sstraat haar rivier-filiale, een nette villa, waar de leden uitstekend voor den innerlijken mensch kunnen zorgen , met een goede aanlegplaats en een heerlijk zitje aan de rivier.
\'s Zondags viert men daar hoogtijd, dan komen de leden in dichte drommen opzetten , velen vergezeld van hunne dames, die er in hun mousseline en kanten japonnetjes allerliefst uitzien en in de zee van groen , \'die haar omringt, aan de boschgodinnen in de sprookjes van Papa Grimm doen denken.
Te zeggen dat enkel verlangen naar natuurschoon , naar koeltjes en roeitochtjes, de reden van dit druk bezoek is, zou een leugentje om bestwil wezen, er schuilt meer achter. Zondag in Engeland, is wat wij continentalen noemen een doode dag, men behoort dan naar de kerk , weer naar de kerk , en ten derde male naar de kerk te gaan, en alle aardsche pretjes op een stokje te zetten.
Maar — ziet ge — zelfs met den hemel kan men \'t wel op een akkoordje gooien , en al zou \'t nu in strijd met wet en geweten zijn , publieke vermakelijkheden op Zondag open te stellen , er is wel een mouw aan te passen — zonder te zondigen.
175
THEEMS-IDYLLEN.
Dit doet men aldus; muziek maken , zegt de Codex Moralis Anglicus , is geen pret maken (dat is zoo klaar als een klontje) ook mag men muziek maken als het maar niet onder kerktijd is en het concert geen officieel karakter draagt; er wordt dus door de club (een privaatonderneming) een muziekkorps besteld, dat zich in den tuin laat hooren (de tuin is ook privaat).
De leden , vooral de schoonere helft, vinden dat „dolquot; pleizierig zoo\'n concert te hooren en toch den sabbath niet te schenden, en de niet-leden ... nu (\'t is wel privaat , maar verbiedt muziek esns de grenzen der Club te overschrijden !) die hebben niet minder schik in \'t gra-tis-tractementje en aanstonds liggen er honderde en hon-derde booten voor de Club vol met publiek, dat naar \'t privaatconcert komt luisteren.
Ik moet toegeven, dat \'t programma geheel overeenstemt met de rustige rust van den Zondag, \'t begint met Strauss, eindigt met „II revriendraquot; en in \'t midden is er een Rondo van Waldteufel — altegaar componisten die zooal geen volgelingen van Bach en Handel, dan toch het recht hebben zich hun collega\'s te noemen.
Ik voor mij ben met deze moderne kerkmuziek trouwens zeer ingenomen, en voelde me Zondag, toen ik in een luierstoel liggend, in de eene hand een sigaar, in de andere een „lemon-squashquot;, den schoonen blauwen hemel bestudeerde, terwijl het orkest de „Blaue Donauquot; speelde, al bijzonder gesticht.
Als no. 12 — finis coronat opus — is afgespeeld verdwijnen de vrome luisteraars al even vlug als ze kwamen;
176
THEEMS-IDYLLEN.
177
intusschen is \'t gaan schemeren en heeft de gouden lichtbol haar grijze nachtjapon aangeschoten, de bootjes doorklieven \'t water, men spoedt zich naar huis, en terwijl de roeiers weêr bedrijvig de spaan hanteeren, zit achter in \'t bootje de stuurman naast de stuurvrouw, met zijn arm om haar middel — om \'t roer beter te kunnen regeeren , zegt hij; — hij zegt misschien nog wel meer , en dat in een taal, die minder moeielijk te leeren is dan Volapuk en door de geheele wereld wordt gesproken , want van tijd tot tijd wordt het gedruisch der duikende en rijzende riemen begeleid door \'t geluid van Amors pijlen, die langs de lippen van het sturende paar snorren....
12
DE WISSEL WACHTER.
\'t Groote nevelgordijn hing over Londen; de torens, de huizen , de menschen verloren zich in de grauwzwarte plooien van \'t mistige doek , op welks vormloos dessin slechts de armzalige flonkerlichtjes der straatlantaarns, kleine lichte sterretjes tooverden. Alles was gedemoraliseerd , de weinige voetgangers dwaalden als herderlooze schapen door de straten , zochten de kruisingen, misten ze, ontstaken wasjes om met behulp van die lichtverspreiders tastend en innerlijk morrend opnieuw een uitweg in de eindelooze, altoos gelijkkleurige woestijn, te zoeken; geen rijtuig mengde zijn knarsend geratel in de doffe ploffen der voetgangers op de asphalt-bestrating der voetpaden of de wanordelijk dooreengegooide keien op den middenweg; de treinen liepen langzamer dan de magerste huurknol; langs de rails teekenden de lekkende, helroode vlammen van open kolenbekken fantastische figuren in de duisternis, van tijd tot tijd wekte de knal,
DE WISSELWACHTER.
bonzend als een revolverschot, van een onderaardsch nevelsignaal, bij vreesachtige zieltjes de herinnering aan vroegere gruwelen der Fenians.
Een vuil slijk van sneeuw en motregen riezelde neêr op de glibberige straten, \'t vroor en de weinige passagiers , die met mij op \'t perron van \'t tochtig stationnetje te Chelsea , op een trein speculeerden , stampvoetten deels van nijdigheid, deels omdat de koü de knokkels hunner toonen deed verstijven.
In \'t hokje van den wisselwachter brandde helder licht, de man glom in \'t gedwarrel der stralen van \'t gaslicht en van den rossigen gloed der kolen in den open haard.
„Geen toegangquot; stond op de deur — bah , \'t was koud, daar binnen snorde de haard, \'k brak \'t verbod.
„G\'navond vriend ?quot;
,,Kom binnen , Sir , koud hé ?
„Of \'t! en die mist, \'t is om dol te worden. Je hebt er toch niets tegen ....quot;
„O , u bedoelt vanwege de verboden toegang. Ga gerust je gang. Waarop wacht u?quot;
„De 10.44!quot;
„10,44 • • • • noü, dat zal nog een uurtje duren.quot;
Ik bood hem mijn koker .... hij aarzelde. „Om meê naar huis te nemen?quot; vroeg hij.
„Goed, één hier en één thuis ? All right.quot;
„We mogen niet rooken hier.quot;
„Wat kost het ?quot;
„Dadelijk ontslag en een klein praatje met den vrederechter.quot;
179
l8o DE WISSELWACHTER.
„Als ze komen, heb ik gerookt.quot;
De man vroeg me om een lucifer.
We praatten, zooals men in Engeland praat. Tien minuten over \'t weêr, vijf over Gladstone, een kwartier over een echtscheidingsprocedure en een poos over de spoorwegmaatschappij , die haar lui 18 uur laat werken en 6 uur slapen en het abc der menschlievendheid nog moet leeren.
\'k Ontdooide; \'t vuur en mijn ulster herschiepen me en \'k philosopheerde in mezelf over het genot straks een lekker, warm bed te vinden, terwijl honderden in deze wereld in miniatuur ten prooi waren aan regen , sneeuw en vorst.
Pang ! Pang ! knalde \'t signaal buiten, \'k keek op mijn klok, 11.15 maar dat is mijn trein en met een haastig „Good night, old boy\' sprong \'k naar de deur.
„Waar gaat u naar toe ?quot;
„Wel, naar mijn trein , „.. wacht hier heb je de Eve-ning Standard en \'t kerstmisnummer van Truth.... dat zal je tijd wat korten; ik ken ze van buiten.
En \'k lichtte de klink !
„Haast u zoo niet, meneer! Je hebt den tijd, —\'tis je beurt niet.... en om Gods wil pak die papieren bij je ... . neen, dank u , u bent heel vriendelijk , maar niet voor mij .... dat niet.quot;
„Is de vent gek ? Ben je te trotsch ?....quot;
„Trotsch ? .. . neen meneer ... maar de verzoeking ...quot;
„Verzoeking? Een dagblad en Truth \'tvroolijke, ondeugende , geestige blad van Labouchère, verzoeking ?
DE WISSELWACHTEK.
Er zijn sophistische epiciers — dat weet ik —maar een wisselwachter ? . . ..
Ik begon den man te peilen. Politiek____ neen , hij
had niets tegen de bladen , was een Unionist-Liberaal , en las Daily-News zoowel als Standard met hetzelfde onverschillige gevoel.... Stijl ? Groote goón , als de wisselwachters ook al over stijl beginnen.... Religieuse richting ? Komaan , daar houdt Standard noch Truth zich meê op.
„Maar wat dan ?quot;
„Kom, oude jongen, spreek, waarom lust je niet? Hebben ze jou bij \'t déraillement te Beckenham te pakken gehad ? Heb je er van langs gekregen ?quot;
„Ik had er niets meê te doen ! zei hij dof.... Goddank !quot;
„Wat dan?quot;
„Ik lees niet meer in dienst.quot;
„En waarom niet?quot;
„Omdat \'t me bijna mijn brood gekost had.quot;
Die man interesseerde me .... hij zei die laatste woorden met zooveel overtuiging, vastheid en zelfverloochening dat ik coüte que coüte er \'t fijne van weten moest.
Hij wilde \'t niet zeggen. „Wat kan\'t u schelen?quot; zei hij.
Maar \'k stond pal ....
„Nou in Godsnaam dan .... wacht, even dat wisseltje verzetten, \'t is voor Victoria trein No. 197 .... \'t had al de 212 moeten wezen.quot;
En hij vertelde :
„\'tWas een nachtje als vandaag; geen hand kon je voor
DE WISSELWACHTER.
oogen zien, de heele boel was in de war; buiten brandde \'t vuur en de signalen knapten alsof de vijand op \'t Parlement zat te mikken, \'k Had \'t niet druk, om \'t uur een trein en de uren kropen als slakken, waarachtig ik zat te soezen en me te vervelen. Eindelijk ging de deur open, daar kwam een heer, net alsu, hield een praatje, stak een sigaar op en las een boek naast den haard. Hij scheen aan \'t eind te zijn want plotseling sloeg hij \'t dicht en zei, dat is „all right.quot; Ik vroeg niets, maar keek en toen zei hij , wat voer je uit.
„Niets! Ik verveel me.quot;
„Hoü je van lezen ?\'\'
„Ik houd er van, maar heb ik geen geld om boeken te koopen.
„Lees dat dan en amuseer je. Bonsoir.quot;
Hij gaf me de goedkoope editie van Florence Montgomery\'s „Misunderstood.quot;
Ik begon. — \'t Ging over kinderen .... dat is mijn stokpaardje .... ik heb zelf twee heerlijke jongens , een bengel van 11 en een engeltje van zeven. Gunst, zei \'k, toen ik las hoe die rakker van een Humphey zijn broertje Miles altijd wil overhalen om kattekwaad uit te voeren, toen dacht ik aan mijn eigen jongens, Jack die altijd op straat loopt en de kippen van mijn buurman plaagt, — Harrie , die maar meêloopt omdat Jack anders zegt dat Harrie bang is voor den haan. Ik was het boek zoowat half door.... toen ging dat belletje; nou ! \'t was wel interessant, maar ik hoorde \'t belletje toch . .. trein 183 kwam behouden binnen, \'k Was weêr voor een uurtje
182
DE WISSELWACHTER.
183
mijn eigen heer .... en \'t duurde niet lang of \'k dacht meer aan Humphey en Miles dan aan de wissels, die op bediening wachtten. — Hé, wat was dat mooi. — „Kent u \'t boek? Ik knikte...quot; Toen die arme Humphey in de sloot viel en met gebroken ruggegraat naar huis gedragen werd , toen dat zwakke broertje ongedeerd naast de baar wandelde, toen had juffrouw Montgomery me heelemaal beet.... en ik besloot Jack eens flink af te ranselen als ie weêr bij den buurman peren ging stelen -— ransel is toch voor jongens geen kwaad en al doet \'t me zeer ze te slaan, als de lieve Heer ze daardoor gehoorzaam maakt, dan is dat die pijn wel waard. Een fiksche knal van buiten schrikte me uit mijn lectuur, toen \'k juist aan \'t hoofdstuk van Humphrey\'s ziekte gekomen was.... half suf keek ik zonder te weten waarom naar mijnbeHen.., Hemelsche vader daar had je \'t.. .. No. 184 was al lang van de andere zij gewaarschuwd; de trein van Brixton moest kruisen en de wissel wras niet verzet.... de volgende niet gewaarschuwd... een ongeluk onvermijdelijk, \'k Werd half bezeten .... ik keek de bel na !.... ze was misschien niet overgegan .... jawèl — \'t nummer stond er. Eruit ! Eruit! gilde \'k in doodsangst, maar waarvoor ? \'t Was te laat, ze moesten botsen. — Meneer, wat ik in dat oogenblik geleden heb kan je niet beseffen ik zag me zelf al in de gevangenis , veroordeeld tot vijf jaar tuchthuis , ik zag mijn vrouw drijven in de rivier ginds bij London Bridge , waar ze allemaal afspringen als ze wanhopig zijn, ik zag mijn kinderen, mijn teêre Harrie, mijn jolige Jack, in \'t werkhuis.... en dat alles omdat
DE WISSELWACHTER.
ik mijn plicht had verzuimd.... omdat ik gelezen had terwijl ik werken moest. Ik pakte de roode ... de noodvlag — alsof \'t wat helpen kon in dat vervloekte mist-weêr, \'k vloog naar buiten.... \'k zag niets en zwaaide de vlag! raidden op de rails , op \'t gevaar af zelf door de twee locomotieven verbrijzeld te worden. En ik zwaai, —■ en ik zwaai, en ik wacht, en ik denk aan vrouw en
kind____ en ik hoor niets. De stilte maakt me wakker.
Ik kijk weer naar links .... pik zwart . .. niets ... geen toon ! Rechts eerst niets.... toen twee gele vurige stippen .... en weêr zweef ik in duizend angsten .... daar nadert 184 .... God zij me genadig .... ik luister en luister .... geen kik.... alleen maar die gele, gele stippen .... ik ga ze te gemoet — niets! . ... maar wat is dat dan .... ik zie een zwart lichaam .... \'t groeit.... \'t wordt grooter en grooter.... \'t is de machine.... Goeie God ze staat stil!... . Gekheid \'k ben dronken. — Neen , ze staat stil!... . Halloh , driver !,... Well ? Is daar een trein ? „Stommert! roept de andere, kon je dat niet zien ? Waarom sta je daar ?quot;
Lees \'tspoorwegreglement! You donkey! Eén knal! — Stilstaan! — Twee knallen .... doorrijden!
Maar \'t had tweemaal moeten knallen!
Never mind , \'t knalde maar eens!
\'k Onderzoek \'t signaal.... er was een wonder gebeurd , de tweede patroon wTas niet afgegaan, \'t had gekitst.
Achteruit Joe, voor den duivel !
Waarom ?
De wissel is niet in orde .... \'t signaal heeft gekitst.
184
DE WISSELWACHTER.
Damned.... vloekte Joe en stoomde achteruit, \'k Hoorde \'t maar half, verplaatste mijn wissel en viel in mijn hokje neêr op mijn knieën , \'t was alsof ik pas weêr geboren , alsof ik niet meer dezelfde was. Ik verheugde me weêr op mijn „homequot; en in plaats van de nare gevangenismuren zag \'k onze bescheiden kersttafel met mijn lieve vrouw, de kinderen, de gans en de plumpudding — en ik zwoer nooit meer te zullen lezen in mijn hokje —• heb ik niet gelijk ?
Tingelingeling! rinkelde \'t belletje.
Dat is de 10.44 meneer — die is voor u.... — deze keer vergeet ik \'t belletje niet meer meneer! lachte hij . . . Haast u en „a merry Christmas.quot;
Zijn verhaal had me getroffen en \'k stak hem de hand toe voordat \'k ging.... Hoe heet-je vroeg \'k hem snel. Smith ! als \'t u interesseert!
En je woont?
Mile-End Road 295 ! ... .
Dank-je! Pleizierige kerstmis.... Goede nacht.
Brrr . . . wat was \'t koud toen \'k in mijn trein stapte.
* *
%
\'k Vertelde het avontuur \'s anderen daags op mijn club .... en besloot mijn verhaal met de woorden .. . . Ge kent „les batailles de la viequot; niet waar ? .. .
Men vond , dat Smith de wisselwachter gestreden had ! Goed! laten we dan zijn armée versterken, — dat garandeert toekomstigen vrede.
185
de wisselwachter.
Ik schoof een schoteltje vooruit.... Voor de kalkoen ! riep ik.... de shillingen antwoordden.
Voor de plumpudding.... riep een vriend en weer tingelden de zilverstukken in een tweede open offerbus! * *
*
P.S. „Men zegtdat Smith op kerstmorgen anno 1887, een flksche, gepluimde kalkoen en een zware plumpudding ontving, benevens een enveloppe met een £ 5 \'s bankbillet onder \'t motto : „misunderstoodquot; , . . Verkeerd begrepen. Maar men zegt ook dat Smith na de ontvangst dier heerlijkheden, vrouw en kinderen eens flink pakte met de woorden: Understood ... \'k Heb \'t begrepen ...
Londen, 12/1 \'87.
i86
DE ZWANEZAKG.
[Oorspronkelijk in het Engelsch geschreven.)
Hij was maar een arme muzikant.
O , zoo arm!. ..
Eene vrouw, drie kinderen, het oudste vier jaar, het jongste niet meer nog dan een zuigeling: en dertig shillings per week om vijf hongerige monden te sluiten, vijf matte hoofden een dak boven zich te geven , vijf lichamen te kleeden .... en om belastingen en armengelden te betalen.
Armengelden ! „Ik moet bijdragen voor de armen zoo overdacht hij dikwijls zijn eigen rampzalig lot, „en God weet, dat ik zelf zoo arm ben.quot;
En wanneer de betaaldag aanbrak, en hij de ellendige trap afdraafde , die in het Wereld-theater naar het kantoor van den kashouder leidde, en in zijn hand de groote en kleine goudstukken woog, dan vergat hij — door het goud verblind! —voor een oogenblik zijne armoede, hij vergat, dat zijn huisgezin vijf personen telde, dat een
DE ZWANEZANG.
week zeven dagen heeft, dat vijf maal zeven vijf en dertig is , en dat tien stuivers daags per hoofd voor woning , voedsel en kleederen gelijkstaat met niets!
Dit alles vergat hij , en liep den dichtstbijzijnden kruidenierswinkel binnen, om den halven souverein in te wisselen tegen zilvergeld en eene groote bus corned-beef; „dat zal haar genoegen doenquot; dacht hij dan, en zag haar in zijne verbeelding reeds lachen , en de armen om zijn hals slaan om hem te kussen.
En één glimlach van hare lippen wischte dagen van ellende voor hem uit.
Hij was arm , ja , maar hij bezat een goede , teedere en spaarzame vrouw , die flink de handen uit de mouwen stak : dat was een kapitaal; en verder had hij zijne viool, een oude en kostbare Amati, het laatste, dat van vroegere heerlijkheid getuigde. Zijn rijke grootvader had haar in zijn vrijen tijd bespeeld, en zij was het eenige erfstuk, dat hij uit de handen van zijn stervenden vader ontving.
„Dit is al wat ik bezit, beminde Percy; het overige is verslonden door mijnequot; .... speculaties , wilde de oude man zeggen .... maar in die allerlaatste ure kon de arme ongelukkige man , wiens ziel op den drempel der eeuwigheid stond, de zelfbeschuldiging niet over zijne lippen brengen .... „door mijne zakenquot; zeide hij : „neem het. .. het is een talisman.quot;
Daarna sprak Percy\'s vader niet meer , maar zijne verstijvende vingers gleden voor de laatste maal over de snaren , en deden G- trillen, wier volle en zware toon de uitvaart luidde van een menschelijk leven.
DE ZWANEZANG.
Toen Percy alleen zat in de sombere kamer, naast het bed van den doode , en in zijne handen de levenlooze vingers klemde van zijn besten vriend , tegelijk met den eenigen schat, diea hij op aarde bezat , terwijl zijne heete tranen de starende oogen van zijns vaders lijk bevochtigden , zwoer hij , dat hij en zijne viool , zijn talisman , nimmer scheiden zouden : dat hij , moest hem ook het ergste gebeuren, liever dag-in, dag-uit zonder eten zou doorbrengen, dan zijns vaders laatste en éenigste gift aan andere handen toe te vertrouwen.
Jaren lang had hij zijn eed gehouden.
De viool, de dierbare oude viool, had hem door alle ellende en zwarigheid geholpen.... het deed wonderen, dat oude instrument, het was alsof de zuivere tonen , die het zong , iederen orkestmeester betooverden , want Percy was nooit zonder plaats. Zijne verdiensten waren somtijds zeer schraal, dat is zeker, maar in de dagen, dat hij als vrijgezel leefde , troostte hij er zich mede, dat eene kleinigheid beter is dan volstrekt niets.
Toen hij de goede en onbesproken koriste huwde, die de zoete melodieën zijner Amati op hem hadden doen verlieven , werd de oude viool opgeroepen om het huwelijk met Mendelssohn\'s Bruiloftsmarsch in te wijden; en, vreemd, op dien vreugdedag, terwijl de edele muziek weerklonk, vulden zich vele oogen met tranen.
Was dat een voorteeken ?
Sinds dien tijd hing de viool op de eereplaats in de voorkamer , maar tweemaal daags werd zij van den wand
189
DE ZWANEZANG.
genomen en in haars meester armen geliefkoosd: \'s morgens wanneer hij naar de repetitie ging en \'s avonds wanneer hij spelen moest 0111 onverschillige schouwburgbezoekers te vermaken.
Jaren verliepen; waar er twee waren kwam een derde, een vierde en een vijfde.
Ieder kind werd met blijdschap en dankbaarheid begroet en — bracht zijn last van zorgen en worstelingen mede.
De Talisman waakte nog!
Nimmer was ei overvloed — altijd brood. Er waren drukkende bezwaren — maar nooit benauwend gebrek.
De belofte was bijna vergeten — waarom zou zij ook vermeld zijn geworden ? Het bestaan der viool had nimmer in gevaar verkeerd: ja, Percy\'s vrouw wist zelfs niets van \'t geen er voorgevallen was aan het sterfbed zijns vaders. Waarom vertelde hij\'t niet? Waarom moest zij\'t eerst te weten komen, toen het te laat was.... Waarom?....
Eens op een Zaterdag, toen Percy als gewoonlijk in den schouwburg aan het kantoor van den kashouder klopte , vond hij de deur gesloten , maar in het halfduister, dat op de trap heerschte , zag hij, dat een biljet op de deur was vastgehecht, en las :... . „de uitbetaling der salarissen zal de volgende week plaats vinden.quot; Hij stond versteld .... wel waren hem geruchten ter oore gekomen dat het Wereld-theater in moeilijkheden verkeerde.... maar tot nu toe was alles regelmatig betaald geworden . . . er bestond geen dringend gevaar.... bestuurders van
190
DE ZWANEZANG.
schouwburgen zijn meermalen gedwongen de betalingen uit te stellen.
Hij leende een pond van een ambtsbroeder, evenals hij een arme duivel, maar ongehuwd : bracht hem thuis, maar zeide niets.
Maar toen er geenerlei verklaring volgde , toen de reeds eenigszins verbitterde muzikanten den volgenden Zaterdag opnieuw zonder een stuiver naar huis werden gezonden, en zelfs nauw hoop meer voedden, kwam het tot de noodlottige ontknooping : zij verzamelden zich voor de laatste maal binnen de orkestruimte, vroegen na het eerste bedrijf om hun geld, en toen de bestuurder verklaarde , dat hunne vorderingen behoorlijk zouden1 worden onderzocht, maar dat de kas ledig was , weigerden zij verderen dienst, pakten hunne speeltuigen in, en maakten het publiek met den staat van zaken bekend.
Den volgenden Maandag was een grooter biljet tegen den muur van den schouwburg aangeslagen .... De bestuurder ging failliet.
Het onheil greep om zich heen .... en zelts Percy\'s talisman schoot tekort. Alle plaatsen zijn heden ten dage overbezet en voor veertig buiten betrekking geraakte muzikanten is het vinden van nieuwe plaatsing niet gemakkelijk.
Percy zocht en zocht.... hij liep van het eene einde der stad naar het andere .... bood aan voor één ellen-digen souverein per week te spelen — voor drie shillin-gen daags .... vergeefs. „Wij hebben betere aanbiedingen was overal het antwoord.
En ontmoedigd, met een gebroken hart, keerde hij
191
DE ZWANEZANG.
terug naar zijn tehuis, waar twee kinderen om brood kreten, en het derde de laatste krachten aan het vermagerde lichaam eener hongerige vrouw onttrok.
De viool hing aan den wand; bewegingloos, droevig, even alsof zij verlangde naar de lief koozingen van haren eigenaar.
Vervaldag ! De huur moest betaald worden .... vier pond ! AVaar zou hij ze vandaan halen ? .. . . zulk een kapitaal! vier pond, terwijl er geen stuiver in huis was; nu de bakker weigerde brood te leveren .... indien niet eerst het achterstallige werd afbetaald, en de slager reeds had gedagvaard.
„Is de huisbaas hier geweest ?quot; vroeg hij nauw hoorbaar , na op een nieuwen tocht vruchteloos naar werk te hebben rondgezien.
„Vandaag, en morgen hebben wij de uitdragersquot;, antwoordde zijne vrouw.
„Hebt gij wat eten medegebracht ?quot; schreeuwde de kleine George.
Het was hem, als werden gloeiende dolken in zijn hart gedreven,
„Percy , om Godswil , geef ons iets te eten .... Ik kan niets meer doen , het laatste deeltje kracht heeft mij verlaten. Hebt gij niets, dat gij verkoopen kunt ?quot;
Niets ! het vertrek was reeds naakt genoeg : het eene voorwerp na het andere had zijn weg gevonden naar den winkel van den pandjesbaas.
De viool was het laatste stuk van waarde .... en de deurwaarders zouden haar morgen in beslag nemen.
192
DE ZWANEZANG,
„Niets !quot; hervatte zij : „dan uwe viool, Percy ; ik weet dat het hard is, maar verkoop uwe viool om uwe kinderen en mij te redden. Misschien kan met de opbrengst alles afgedaan worden.
„Ik kan het niet doen , ik kan niet.quot;
„Gij kunt het niet ? Kunt gij het niet, als uwe vrouw ziek is en uwe kinderen omkomen .... Man, is dat uwe liefde ?quot;
„Verkoop de viool, paquot; herhaalde het oudste kind, maar het begreep niet, wat het zeide.
„Ik kan niet.quot;
„Ik smeek u , haar te verkoopen!quot; riep zij uit, „hier zie naar dit kind ging zij voort, en toonde hem haar zuigeling; „zie naar mij,quot; en hij schrikte van haar arme, ziekelijke blikken en ontdane gelaatstrekken.
„Ik zal gehoorzamen ,quot; gaf hij ten antwoord, „God vergeve mij,quot; en hij rukte de viool van den muur, kuste zijne vrouw en kinderen vurig, en stormde de trappen af.
Hij trad een muziekwinkel binnen. „Wilt gij eene viool koopen, mijnheer? Een echte Amati, gewaarborgd ?quot;
De eigenaar van den winkel nam den schamel geklee-den kerel, die vóór hem stond, op, zag hem in zijn droevig gelaat, en zeide:
„Gij hebt een Amati ?.., laat me eens zien.quot;
Hij keek. „Kunt ge spelen?quot;
„Ja.quot;
„Nu , strijk dan eens op.quot;
„Wat ?quot;
„Dat komt er niet op aan.quot;
193
DE ZWANEZANG.
De strijkstok zweefde een oogenblik boven de snaren, dan raakte hij ze aan , en de Bruiloftsmarsch van Men-delsshohn , dezelfde die hij op den gelukkigsten dag zijns levens gespeeld had, overtuigde den kenner, dat alleen een Amati zulke tonen kon voortbrengen.
Nimmer had Percy met zooveel uitdrukking gespeeld, zijne viool zong de melodie, en zong haar zoo teeder, dat de muziekhandelaar hem deed ophouden en vol geestdrift zeide : „Ik wil u aanstonds vijftig pond geven , indien gij mij dit instrument laten wilt.... ik zal er u een ontvangstbewijs voor geven en 200 pond later — binnen de maand.quot;
„Ik kan het niet verlaten .... niet verkoopen.quot;
„Waarom boodt gij het dan te koop aan ?quot; zeide de ander gramstorig.
„Waarom?quot; hij zag zijn ellendig tehuis ... . hij hoorde de kreten zijner stervende kinderen, zag de tranen zijner vrouw ....
„Neem hetquot; zeide hij; voor de laatste maal drukte hij het kostbare instrument aan de borst en.... de eed was gebroken.
Percy kwam dien avond niet thuis.... maar op een reeds vrij gevorderd uur ontving zijne vrouw een brief, inhoudende tien Engelsche Banknoten, eene quitantie , en deze woorden : — „Dierbare , de viool is verkocht. Ik heb aan het sterfbed mijns vaders gezworen , het nimmer te doen. Mijn eed is gebroken, mijn eer verloren. Ik ben een meineedige, en kan het gewicht mijner misdaad niet dragen. Dank God, gij zijt gered. Heb mij
194
de zwanezang.
liet en leer uwe kinderen de nagedachtenis huns vaders te eeren. Kus ze allen voor mij. Vergeef mij, zooals God mij zal vergeven. Uw liefhebbende maar onwaardige echtgenoot.quot;
Den volgenden morgen wierp de Theems het lijk uit van een man. Het werd herkend als dat van Percy.
Een onderzoek werd ingesteld, en de uitspraak luidde: zelfmoord in een aanval van waanzin.
Denkt gij aan wat dit drama voorafgaat, wanneer gij de koude zakelijke berichten in uw morgenblad naleest ? Krimpt uw hart ooit saam met medelijden voor den armen zondaar, die door eene nieuwe misdaad zijne tekortkomingen zoekt te boeten ; voor de weduwe, die hulpeloos daar staat, en de weezen , die den dood huns vaders beweenen, niet omdat zij het gewicht van hun verlies gevoelen, maar omdat rondom hen ieder schreit, en de lijkbaar hun schrik inboezemt ? . .. .
Vertaling van B. van Heyningen.