-ocr page 1-

■ S

D E

ARBEIDSWET

OP EENVOUDIGE WIJZE BESPKOKEN

WERKGEVERS, WERKLIEDEN, OUDERS, VOOGDEN en hen, die, dooi? hun betrekking geroepen zijn, voor de naleving van de Wet te waken,

door

L. G. YERHÉE.

\'3-GRAYENHASE. GEBR. BELINFANTE.

-ocr page 2-

L. oct.

3657

-ocr page 3-

/i/J\'

D E

AR B E I DSWET

;; V \\

OP EENVOUDIGE WIJZE BESPROKEN

WERKGEVERS, WERKLIEDEN, OUDERS, VOOGDEN en hen, die, door h.un betrekking geroepen zijn, voor de naleving van de Wet te waken,

L. G. Y E R H E E.

\'a-GEAVEKHAGE. GEBR. BELINFANT

- 18 8 9. -

BIBLIOTHEEK DER

RIJKSUNIVERSITEIT

UTRECHT. / 2-i-—--


-ocr page 4-

Staltquot; i

Gedrukt bij Gebe. Belinfante, voorh.: A. D. Schinkel.

-ocr page 5-

EEN PAAR WOORDEN VOORAF.

Den eersten dag van het jaar 1890, treedt de arheiderswe! in ■werking. Het is onontbeerlijk, dat patroons, werklieden, ouders, voogden en zij die op de richtige naleving van de wet moeten toezien, daarmede zich vóó*- dien datum, vertrouwd maken.

Maar, wij lezen de drooge wetten zoo ongaarne en begrijpen die niet immer!

Ik heb daarom getracht, zoo eenvoudig mogelijk, de.-wet te bespreken, in de bladzijden, die U hierachter zult aantreffen.

Mocht de zéér ruime verspreiding van dit geschriftje, mij bewijzen, dat ik mijn doel bereikte, dan zal ik dankbaar zijn. Het zij aan allen, die met de wet te doen krijgen, ook aan de hoofden van de Politie en Marechaussee beleefd aanbevolen.

L. a. V.

SCHEVENINGEN,

Augustus 1889.

-ocr page 6-

DE ARBEIDSWET.

„O P R O E P I N Gquot;.

„H. H. patroons in de gemeente X., worden uitgenoodigd tot eene „bijeenkomst in het Logement „de Gronden Zonquot; op Woensdag den „24 Jnli 1889, des avonds ten 7K ure.

Onderwerp van bespreking:

„De Arbeidswet quot;

Deze aankondiging, las ik, toen ik de bedoelde gemeente bezocht.

Flink, dacht ik, dat is een goede zaak, zóó zal de wet, die aan het meerendeel nog geheel onbekend is, eerst tot de patroons, en daarna tot de werklieden doordringen, en zoodoende zal ieder leeren wat hem te doen en te laten staat.

Ik besloot te vragen, die bijeenkomst te mogen bijwonen, en begaf mij daartoe naar een van de voornaamste werkgevers in die gemeente, die gereedelijk mijn vriendelijk verzoek toestond.

Op den aangedniden avond, ging ik, in afwachting van hetgeen ik zou hooren, naar „de Gouden Zonquot;, het voornaamste logement in het groote dorp X. en vond daar een 30tal belanghebbende werkbazen, bijeen.

Xadat men het zich, zooals het gelukkig op onze plattelandsplaatsen nog geschiedt, gemakkelijk had gemaakt, en een sigaar door de aanwezigen was opgestoken, sprak de oudste werkgever, de heer Q., aan wien èn door zijn positie van voorname patroon, èn als oudste in jaren, het voorzitterschap van de bijeenkomst toekwam, de verzamelden aldus aan:

„Mijne Heeren Patroons!

„Uit de oproeping, die hier en daar in onze goede gemeente is „aangeplakt, hebt U kunnen ontwaren, wat de reden van deze onze „bijeenkomst is. Het doet mij genoegen, dat alle patroons aan die „oproeping hebben gehoor gegeven; de zaak toch, gaat ons allen aan „niet alleen, maar wij die zaken drijven, en meer of minder onderge-„schikten hebben, behooren in de allereerste plaats te zorgen, dat wij „volkomen op de hoogte zijn van de verplichtingen, die de wet van „5 Mei 1889, Staatsblad n0. 48, houdende bepalingen tot het tegen-..gaan van overmatigen en gevaarlijken arbeid van jeugdige personen „en van vrouwenquot;, ons oplegt.

-ocr page 7-

5

„Ik wil u wel bekennen, dat ik op dit oogenblik, ofschoon ik de „bedoelde wet, zooals die in het Staatsblad is opgenomen, reeds twee-„malen heb overgelezen, nog niet veel wijzer ben geworden. W ij „mannen van zaken zijn beter tehuis in ons bedrijf, dan in het lezen „en verstaan van wetten. Ik geloof, dat gij allen dit met mij eens „zult zijn (Applaus).

„Ik heb u daarom een voorstel te doen, doch, vóór dat ik daartoe „overga, wensch ik te vragen, wie van IT het woord verlangt.quot;

Een der aanwezigen staat op, en verzoekt het woord.

„Wat ik te zeggen heb, Mijnheer Q. is, slechts weinig maar wel-„gemeend. Ik geloof in den geest van de hier aanwezigen te spreken, „wanneer ik getuig, dat uw denkbeeld om ons patroons alhier voor „dit inderdaad zeer gewichtig onderwerp te zamen te roepen, aller „waardeering verdient, en dat wij, wat betreft de behandeling van „deze aangelegenheid, ons volkomen onderwerpen aan uwen practischen „geest en flinke manier van zaken doen, die u al zooveel jaren tot „eer verstrekt in onze gemeente en daarbuiten.

„Wij zijn verlangend uw voorstel te vernemen.quot; (Langdurig applaus.)

„Welnu dan, mijne geachte mede-patroons! ik dank u voor uwe „welwillendheid, ten mijnen opzichte. Ik stel u voor den bekwamen „advocaat, Mr. L., nittenoodigen, voor ons een duidelijke en begrijpe-„liike voordracht over de arheidsivet te komen houden en noodig n „allen uit, uwe werklieden, die evenveel belang hebben liij de zaak „als wij, tot deze bijeenkomst te verzoeken, zoo zij daartoe geneigd „zijn en opgewektheid gevoelen.quot;

En ziet lezers! zóó werd besloten.

Een acht dagen daarna trad de advocaat Mr. L. j.iit de naburige stad, voor een zeer talrijk gezelschap op. Patroons,, werklieden, vrouwen en belangstellenden, allen hadden gaarne van de nitnoodiging gebruik gemaakt en in de groote kolfbaan van „de Gouden Zonquot; was geeu plaatsje onbezet. Ik was er natuurlijk ook, en daardoor beu ik in de gelegenheid, voor u allen, die deze samenkomst niet hebt kunnen bijwonen, te vertellen, wat Mr. L. over de wet sprak. Ik zal nu zwijgen en hem aan het woord laten.

„Mijn waarde toehoorders en vrienden, patroons, werklieden en „belangstellenden !

„Het is mij een genoegen, dezen avond alhier in uw midden te „zijn. Ik ben voor u geen onbekende, en daarom zal mij, de inderdaad „niet gemakkelijke taak, minder bezwaarlijk vallen. Kecht gaarne heb „ik voldaan aan de vereerende vraag, mij geworden, om u allen „betrekkelijk de arbeidswet, op eenvoudige manier, zonder omhaal van „veel woorden en zonder een opsomming en voorlezing van uit den „aard droge wetsartikelen, voor te lichten. Ik vraag u daarom uw „aandachtig gehoor en zal er naar trachten, zoo duidelijk mogelijk „te zijn.quot;

„De wet van 1S74 op den kinderarbeid is u allen bekend. Ka de „enquête, die van Regeeringswege, betrekkelijk de arbeidsquaestie en

-ocr page 8-

6

„het misbruik, dat hier en daar van de krachten van werklieden „werd gemaakt, was gehouden, en zaken aan het licht had gebracht, „die, inderdaad in een beschaafde maatschappij, allerminst tehuis he-„hooren, bleek zonneklaar, dat die wet van 1874, onvoldoende was, „en door een betere en meer uitgebreide, moest worden vervangen. Dit „begreep in de eerste plaats, onze kundige en energieke Minister van „Justitie, Zijne Excellentie Jhr. Mr. Ruys van Beerenbroek, die, als „lang te Maastricht gewoond hebbende, en zelf, ijverig lid der Staats-„commissie van enquête destijds, geheel op de hoogte was van wat „fabrieksarbeid is. En ziet al spoedig bereikte de Staten-Greneraal „een ontwerp-wet, dat den 5 Mei van dit jaar, door onzen geeer-„biedigden Koning bekrachtigd, tot Wet verheven is.

„Lof en dank, breng ik daarvoor hier van deze plaats, aan Zijne „Excellentie, ook uit uw naam, werklieden, hier aanwezig. Heb ik het „mis mijn vrienden, dat gij daarmede instemt ? (Applaus.)

In de eerste plaats heeft de Wet te bepalen wal onder arbeid verstaan wordt. Dit heeft zij ook gedaan door te verklaren, onder arbeid verstaat deze Wet alle werkzaamheden in of\' voor eenii/ bedrijf.

ïoch zijn er ook nitzonderingen zooals de werkzaamheden, in of voor de bedrijven van landbouw, tuinbouw, boschbouw, veehouderij of veenderij, èn werkzaamheden buiten fabrieken en werkplaatsen in of voor het bedrijf, bij wien der/ene die ze. verricht inwoont, voor zoover die werkzaamheden ook buiten eeniy bedrijf in eene huishouding of stalling plegen voor te komen.\'

Dienstboden, stalknechts, melkmeiden enz. vallen dus onder deze bepaling niet. Het is natuurlijk onmogelijk voor mij, toehoorders, alle beroepen optenoemen, die wel of niet tot de uitzonderingen in de wet bedoeld, behooren, bovendien, zal daaromtrent nog wel verschil van gevoelen rijzen, en zal in zekere gevallen de beslissing van den rechter noodzakelijk zijn. Een ieder gebruike het gezond verstand; (art. 1).

Jn de tweede plaats heeft de Wet gezegd, wat met fabrieken, en werkplaatsen wordt bedoeld, nl. alle zoowel open als besloten ruimten, waar in of voor eenig bedrijf pleegt gewerkt te worden aan het vervaardigen, veranderen, herstellen, versieren, afwerken of op andere wijze tot verkoop of gebruik geschikt maken van voorwerpen of stoffen, öf waar in of voor eenig bedrijf voorwerpen of stoffen een daartoe strekkende bewerking plegen te ondergaan. Deze bepaling is zeer ruim en sluit dus alles bijna in zich, van af de timmermanswerkplaats, tot die van de modenaaisters, die wij Nederlanders zoo onhollandsch mogelijk noemen „atelierquot; en „modistequot;.

Ook hier denke een ieder na, of zijn bedrijf geschiedt in een werkplaats zooals de Wet die bedoelt. Stelt bijv. dat een schoenlapper werkt in dezelfde kamer of vertrek waarin hij en zijn gezin, wonen, slapen enz., dan is dit een werkplaats, vallende onder de termen van de Wet. Het vlot van een leerlooier, — een open ruimte — evenzoo. Een schuit of schip is geen werkplaats, uit zich zelf, maar wanneer er bijv. een vaartuig

-ocr page 9-

7

voortdurend op dezelfde plaats ligt en er wordt stokvisch op gebeukt, matten gevlochten, aanhoudend koffie gebrand, haring gekaakt, ingezouten en ingekuipt enz. dan wel. Ook de open ruimte, waarop de specie voor pannen of steenen wordt gereed gemaakt, netten geboet, zeilen geverfd, visch in een „vischtuiuquot; gesneden, geweekt en behandeld, is een werkplaats als door de Wet bedoeld. Het is van mij niet te verwachten, ook hier meer voorbeelden aantegeven, een ieder in zijn bedrijf denke dan ook door of hij onder de wet valt of niet en het kan niet genoeg aangeraden worden bij twijfel te informeeren.

De wetgever heeft ook hier uitzonderingen toegelaten, en wel voor keukens en soortgelijke inrichtingen waar spijzen en dranken voor onmiddellijk verbruik, bereid worden, benevens voor apotheken.

Dit was onontbeerlijk. Denk er u eens in, mijne vrienden, dat gij op reis zijnde en laat ergens aankomende, misschien wel na middernacht, geen eten of drinken meer zoude kunnen bekomen, omdat er niet mag gewerkt worden. Het kan niet anders of des nachts en Zondags, moet in gaarkeukens of keukens gewerkt worden, ook door vrouwen. Onze maatschappelijke inrichting zou in de war geraken. Vandaar, uitzondering in de Wet. Ook voor de apotheken. Over het onontbeerlijke van nacht- en Zondagswerk daar, zal ik wel niet behoeven uitteweiden. Elk onzer heeft zeker in zijn leven reeds in droevige omstandigheden verkeerd, die „bij nacht en ontijquot; de hul]) van den apotheker onontbeerlijk maakten (art. 2).

Vroeger verbood de Wet — nl. die van 1874, die 1 Januari a.s. vervalt — kinderen beneden 12 jaren in dienst te nemen of te hebben. Ook dit verandert met dien datum.

Het is dan verboden een kind beneden 12 jarmi arbeid te doen verrichten (art. 3). Dat is veel beter. Herhaaldelijk werd de Wet voorheen ontdoken, en was het dikwerf onmogelijk uittemaken, of het kind in dienst genomen was — en dat te meer, wanneer zij, die geroepen waren op de richtige naleving van deze bepaling het oog te houden, te doen kregen met hardvochtige, lieden, die er geen gewetenszaak van maakten de overtreding te plegen óf er hun kinderen voor beschikbaar te stellen, en wien het niets aanging, of zulk een kind voor het geheele volgende leven was geknakt, en lichamelijk bedorven. Misleiding was aan de orde van den dag. En daarom, mijn waarde aanwezigen, is het een geluk, dat de Wet thans deze bepaling heeft veranderd en verscherpt.

Aan den Koning is de macht gelaten bij de Wet, om op grond van de gevaren voor de gezondheid of het leven, welke zekere soorten van arbeid, hetzij in het algemeen, hetzij bij niet inachtneming van zekere voorwaarden, door de wijze waarop zij verricht worden, of door de verwerkt wordende stoften, opleveren voor een persoon, beneden zestien jaren èn voor een vrouw in fabrieken en werkplaatsen onvoorwaardelijk of voorwaardelijk, te verbieden. (Art. 4.)

-ocr page 10-

8

Hier heeft de wetgever het oog gehad op dien arbeid, waarbij gevaarlijke, ontplofbare, vergiftige stoffen en zaken moeten worden gebruikt of verwerkt, of wel machines noodig zijn, die — wij weten het allen, eerstens zijn jongelieden roekeloos, ten tweede maakt de omgang met een dagelijks gevaar het niet minder — ongelukken kunnen veroorzaken. Ook de verrichtingen van kunstenmakers (acrobaten) vallen onder dit artikel.

Het is natuurlijk, dat ik slechts hier en daar, in algemeene termen, een enkel voorbeeld kan aanhalen. Ons samenzijn zou zóó langdurig worden, wanneer ik alle voorbeelden en uitzonderingen bij de beraadslagingen in de Tweede Kamer van de Staten-Oieneraal te berde gebracht, zou opsommen, dat het u allen zou gaan vervelen en Ie uitgebreid worden.

Thans komen wij aan den duur van den arbeid. De wet zegt, dat het verboden is, den arbeid van een persoon benaclen zestien jaren of van een rrouw, in fabrieken en werkplaatsen vroeger te doen aanvangen dan des nc/ilends ten ö uren, of later te doen eindigen, dan te 7 uren des\' namiddags. Het aantal uren, waarin zij werk verrichten, mag niet meer dan e/f per etmaal (d. i. 24 uren), bedragen. (Art. 5). . f

Ook hier heeft de Koning de macht, hetzij in het algemeen, hetzij voor bepaalde gemeenten, te vergunnen, den arbeid van personen beneden 16 jaren, en van vrouwen op andere dan de daar straks door mij genoemde uren te doen aanvangen en te doen eindigen, onder zoodanige voorwaarden als noodig zullen blijken. Maar ook dim, mag het aantal werkuren beslist niet meer dan elf per etmaal bedragen.

Voor personen beneden veertien jaren of vrouwen, mag in dnt ijei-al, de arbeid niet vroeger aanvangen dan te vijf\' uren des ochtends en niet later eindigen dan te tien uren des avonds.

Verder bepaalt de Wet, dat in bijzondere omstamUyheclen, de Commissaris des Konings in de provinciën de bevoegdheid hebben schriftelijk te vergunnen, om, in daarin te noemen fabrieken of werkplaatsen, den arbeid van personen beneden zestien jaren, en van vrouwen r/e-dio-ende niet langer dan zes achtereenvolgende werkdagen, óf om den anderen dat), niet langer dan gedurende 14 dagen, hoogstens 2 uren vroeger te doen aanvangen, óf hoogstens 2 uren later te doen eindigen, óf wel één uur vroeger te doen aanvangen en één uur later te doen eindigen, dan in de wet (art. 5) bepaald of door den Koning is vergund, maar dan raag het aantal uren, gedurende welke die arbeid wordt verricht niet. meer dan 13 per etmaal bedragen, en voor personen beneden veertien jaren en vrouwen, niet vroeger beginnen dan te 5 uren des ochtends en niet later eindigen dan te 10 uren des avonds.

Zijn er gevallen, welke spoed vereischen, dan is de Burgemeester van de gemeente bevoegd, gelijke vergunning te verleenen, doch niet langer dan voor twee achtereenvolgende werkdagen.

Hij moet dan, binnen 24 uren, daarvan bericht zenden aan \'s Ko-

-ocr page 11-

9

nings Commissaris in de provincie, en deze is dan weder bevoegd, zoo noodig, die vergunning te verlengen tot :es achtereenvolgende werkdagen.

Het is natuurlijk dat zulke vergunningen niet mondeling maar schriftelijk worden gevraagd.

Vit behoeft niet op zef/el Ie ciescliieclert; de beschikkingen daarop zijn ook geheel kosteloos, wat betreft zegel en registratierechten. Schriji\'-loon zullen de gemeentebesturen echter wel heffen, ten bate van de gemeentekas, doch dit is luttel.

Heeft een fabriek of werkplaats een daarin besproken vergunning, dan geldt geen nieuwe, alvorens sedert het afioopen van de vorige, voor dezelfde klassen van personen, d. z. personen beneden zestien en veertien jaren, vrouwen enz. (bijv. de drukkers van katoentjes en niel de wevers op dezelfde fabriek; een zekere soort werklieden in een chocoladefabriek enz.), — nchl dagen tenminste zijn verloopen, tenz^ de .Minister die de Wet uitvoert — zulks eerder vergunt.

De werkuren kunnen dus, voor de volwassen werklieden gesteld worden, zooals dit het beste uitkomt niet liet beroep of werk.

Waar in de quot;Wet gesproken is, van personen beneden den 1Ü, en 14-jarigen leeftijd, zult gij, mijne toehoorders wel begrijpen, dat daarmede bedoeld is boven 12 jaren, niet waar ? Ik raad u aan vriendelijke hoorders, indachtig te zijn op hetgeen ik aan het slot (art. 22) hieromtrent zal vermelden.

Wanneer een persoon beneden 10 jaren, of een vrouw arbeidt, in een fabriek of werkplaats, dan is hij die arbeid doet verrichten, gehouden te zorgen, dat er tenminste een rusttijd is van een uur tusschen elf uren des vóór- en drie uren des, namiddags; — maar, voor bepaalde fabrieken en werkplaatsen, kan door den Minister, met de uitvoering van de Wet, belast, of vanwege hem, onder zoodanige voorwaarden als noodig zullen blijken te zijn, wijziging of vermindering van dien rusttijd worden toegestaan, maar zóó, dat dan het aantal werkuren, voor die personen niet worde vergroot.

Gedurende de rusttijd mogen geen vrouwen en geen personen beneden de 16 jaren blijven, in de besloten plaats, waar alsdan arbeid wordt verricht.

Hij die den arbeid doet verrichten, is gehouden daarvoor zorg te dragen (art. (5). Dit moet ik U ernstig op het hart drukken. In het schoftuur mag alzoo door hen ook geen werk worden gedaan.

Nu zult gij, waarde toehoorders mij toevoegen: „hoe moet dit nu, „wanneer die werkplaats tevens is een woonvertrekquot;? (rij hebt daar „straks gezegd, dat de woonkamer van een schoenlapper, wanneer hij „daarin werkt, is een werkplaats in den zin der Wet.quot;

Welnu, ik antwoord 1\', gij hebt niet alleen goed geluisterd naar hetgeen ik TT mocht zeggen, maar ge hebt ook recht. Ik zal U het uitleggen. Wanneer in zulk ecu woonvertrek, onverschillig welk werk er in den regel gedaan wordt, of zooals de Wet het noemt „pleegt te geschiedenquot;, iemand, jongens en meisjes, beneden 10 jaren, of vrouwen,

-ocr page 12-

10

arbeid doet verrichten op de gewone uren en aiel gedurende den tijd voor de middagrust bestemd, dan mogen zij daar wel blijven, mits, er dan ook maar den woonvertrek teven* plaats waar een bedrijf wordt uitgeoefend, aanwezig is —, maar werken in dien tijd niet, stellig niet.

Zoo langzamerhand komen wij nu aan den arbeid op Zondag.

In fabrieken en werkplaatsen is het verboden een persoon beneden I tl jaren of een vrouw op Zondag arbeid te doen verrichten.

Voor hen, die tot een kerkgenootschap behooren, dat den weke-lijkschen rustdag niet op Zondag viert, treedt in de plaats van dit verbod dat om hen arbeid te doen verrichten in fabrieken en werkplaatsen in het etmaal, door hun kerkgenootschap, als wekelijksche rustdag aangenomen; maar dan moeten zij aan het hoofd of den bestuurder van het bedrijf of de onderneming — (hier is, hetgeen wij in het gewone leven noemen „de zaakquot;, bedoeld) — hun verlangen te kennen hebben gegeven, om in ilat etmaal geen arbeid te verrichten. Dit moet dan achter hun naam, op de lijst, — waarvan ik u nader zal spreken, — vermeld staan.

Ook hier is aan den Koning de macht geschonken voor bepaalde bedrijven, te vergunnen, de werkuren te veranderen. Zooals ik u reeds zeide bij de gevallen, die ik besprak (Art. 5), en wel om vpor mannelijke personen tusschen 14 en 1(5 jaren, den arbeid dan op den Zondag te doen voortduren tot uiterlijk te zes uren des voormiddags.

Voor het geval dat in een fabriek de stoomketel moet hersteld of gereinigd worden, en daarbij de hulp van een jongen, beneden de 16 jaren, onontbeerlijk is, d. w. z. als de stoomketel zóó klein is dat alléén een jongen, en niet een volwassen persoon, «r in kan, dan alléén en anders niet, kan de burgemeester van de gemeente waarin de fabriek is gelegen, daartoe schriftelijk voor een bepaalden Zondag verlof verkenen (art. 7).

Natuurlijk is het, dat dit ook weder — op ongezegeld papier — schriftelijk moet worden aangevraagd.

Thans komen wij aan een bepaling, die de menschenliefde uit de pen van den wetgever deed vloeien, en die gij allen, patroons, werklieden, moeders, hier aanwezig, zeer stellig zult goedkeuren en naar uw zin vinden.

In de Wet dan, staat:

Het is verboden een vrouw arbeid te doen verrichten in fabrieken en werkplaatsen, binnen vier weken na hare bevalling. (Art. 8.)

Heb ik verkeerd gezien, toen ik zeide, dat die bepaling naar uw smaak zou zijn ? (Applaus).

Ziet vrienden! ik wist het wél. \'t Is een artikel in de Wet dat m. i. terecht is neergeschreven.

Wanneer een persoon beneden zestien jaren, of een vrouw in de werkuren aangetrotfen wordt op een besloten plaats waar arbeid

-ocr page 13-

11

wordt verricht, die niet tevens een woonvertrek is, en wanneer een persoon beneden zestien jaren aangetroffen wordt aan boord van een vaartuig, dat niet bestemd is tot het vervoer van reizigers en aan boord waarvan die persoon niet woont, wordt die geacht aldaar zelf arbeid te verrichten, tenzij het ter/endeel blijke. (Art. 9.)

Dit artikel is ten bate van de controle op den arbeid, van personen beneden 16 jaren, gemaakt.

En nu patroons, komt een bepaling die meer bijzonder U aangaat; de Wet zegt nl.:

Het hoofd of\' de bestuurder van een bedrijf of een onderneming, waarin of waarvoor een persoon beneden zestien jaren arbeid verricht in fabrieken en werkplaatsen, moet in het hezit zijn van een kaart houdende opgave van den naam, vooiivimen, het jaar, den daif en de plaats van fieboorle van dien persoon, van den naam en de icoon-plaats van het hoofd des gezins waarbij, of, van het gesticht waarin die persoon inwoont èn van het hoofll óf den bestuurder van het bedrijf of de onlt;lernemin(j. Deze is verplicht die kaart aan de ambtenaren — waarvan ik U straks zal spreken — op aanvrage te vertoonen.

Die kaarten — welke het Rijk kosteloos aan gemeentebesturen verstrekt — zijn ingericht naar een door den Koning vasttestellen model, geteekend en afgegeven door of vanwege den Burgemeester der gemeente, binnen welke ziilk een jeugdig persoon arbeid zal verrichten.

Kosteloos worden die afgegeven en ook kosteloos de geboorte-extracten, noodig voor de invulling.

Nadat zulk een persoon niet meer bij een werkgever, hierboven bedoeld, werkt, zendt de betrokken bestuurder of het hoofd (patroon zal ik hem maar noemen) de bedoelde kaart binnen 2 X 24 uren terug aan den Burgemeester, door wien of namens wien, die is afgegeven, na daarop den dag van opneming (aan het werk gaan) en van ontslag, te hebben vermeld. (Art. 10).

Indien nu een persoon beneden de 16 jaren ergens wil gaan werken, zorgt hij vooraf — kosteloos — een\' geboorteoriefje te halen, en geeft dit aan den werkgever voor de invulling van de kaart. De jeugdige persoon kan dit zelf op het stadhuis of raadhuis van zijn geboorteplaats halen; het is niet noodig vaders, moeders of voogden, dat gij dit zelf voor uw kinderen of pupillen doet en daarvoor verzuimt. Ik herhaal nog eens, hef kost u niets. En vreemde werklieden zijn er zelden onder de 16 jaren, dat is een uitzondering. In den regel hebben zij dan wel een pas of ander papier, waaruit het noodige blijkt.

De volgende bepaling is ook voor U werkgevers, gemaakt, en wel: het hoofd of de bestuurder van een bedrijf of een onderneming, waarin of waarvoor een persoon beneden 16 jaren of een vrouw arbeid verricht in fabrieken en werkplaatsen, is verplicht te zorgen dat in zijn fabriek of werkplaats, op een plaats waar arbeid wordt verricht

-ocr page 14-

12

(— dus bijv. nicl in het kantoor, bergplaats, enz. —), steeds op een zichtbare wijze is opgehangen, een door hem onderteekende en voor of vanwege den burgemeester gewaarmerkte lyst, vermeldende de namen en voornamen van dien persoon — (hier is bedoeld degenen beneden |(! jaren) — of die vrouw, en voor ieder in het bijzonder den aanvang en het einde van den werktijd, de werkuren, en het etmaal bestemd tot wekelijksehen rustdag.

Het hoofd of de bestuurder van een bedrijf of een onderneming is verplicht te zorgen, dat een afschrift of uittreksel van de hierboven bedoelde lijst steeds op een zichtbare plaats is opgehangen in elk arbeidslokaal, daartoe door of vanwege den Minister met de uitvoering van de wet belast, aangewezen — (art. 11).

De bedoeling vrienden, van deze bepaling is, het gemak en het zekere van de controle door de ambtenaren te bevorderen.

Dit is, omdat bijv. in locaal it werkt J., K. en B en in locaal b Z., (t. en S., allen beneden Ki jaar of vrouwen en dan daardoor terstond \'kan blijken, wie in elk arbeidslokaal werkt.

De Koning kan bij algemeenen maatregel van bestuur, vrijstelling verleenen van.de verplichting om op de bedoelde lijsten de werkuren te vermelden.

Zij, die voor hun zaak daaraan onontbeerlijke behoefte hebben, moeten dit natuurlijk — per ongezegcld adres — aanvragen en daarbij de redenen vermelden, die hen tot dit verzoek noopten. Het spreekt van zelve, dat men zulke vrijstellende vergunningen alléén vraagt en ook alléén verkrijgt, wanneer dit bepaald dringend noodzakelijk is.

En vraagt gij mij nu, waarom moet die lijst door den burgemeester zijn gewaarmerkt, dan kan ik U, mijn waarde toehoorders, er op antwoorden : De wet is gemaakt tegen de kwaden en niet tegen de goeden. Wanneer een slechte arbeidgever zich om de Wet niet wilde bekommeren en haar zou willen ontduiken, zou hij immers 2 lijsten kuunen maken en die naar gelang van goeddunken en omstandigheden, kunnen ophangen ! Dan, zou er, al hing er een lijst, méér dan elf uren gewerkt kunnen worden door hen die dit volgens de Wet niet mogen, en bovendien dan werd de controle, wat men in ons gewone leven noemt, een wassen neus.

Wanneer gij wijzigingen in de lijst van dat jeugdige of vrouwen-personeel moet maken, zijt gij gehouden, voor de waarmerking, telkens te zorgen. De zuivere bedoeling is, dat allen die—daartoe in de termen vallen, — alzoo de personen beneden 16 jaren en de vrouwen — en in het arbeidslokaal zijn, ook steeds op de lijst zijn vermeld, op de wijze zooals is voorgeschreven.

Thans komen wij aan het toezicht. Onder do bevelen van den Minister met de uitvoering van de Wet belast, wordt het toezicht op die uitvoering opgedragen aan ten hoogste drie, door den Koning te benoemen. Inspecteurs, wier werkkring en bevoegdheid door Hem bij algemeenen maatregel van bestuur, worden geregeld (art. 12).

-ocr page 15-

Ik behoef wel niet te verzekeren, ilat deze aanstellingen meL tic uiterste zorgen zullen worden gewikt en gewogen en daartoe menseh-lievende, zaakkundige personen zullen worden benoemd.

Het is te hopen, dat de werklieden in hoofdzaak, en ook de patroons vertrouwen zullen opvatten in die inspecteurs; dit zal voor een rich-tige en gewenschte controle en uitvoering van de Wet van het hoogste belang zijn. Hopen wij, dat die heeren allerwege steun en welwillendheid zullen oudervinden, want ziet:

De hoofden en bestuurders van bedrijven en ondernemingen en de daarin werkzame personen zijn verplicht aan den bevoegden inspecteur (d. i. hier de inspecteur onder wiens ressort „de zaakquot; behoort,) des-verlangd, inlichtingen te geven omtrent zaken en feiten, de naleving van deze wet betreffende (art. 13).

Aan de inspecteurs is het verboden, middellijk of onmiddellijk deel te nemen aan bedrijven of ondernemingen aan fabrieks- of ambachtsnijverheid (art. 14).

Dit bedoelt, dat geen der inspecteurs zooals wij het noemen „geld in zulk een zaakquot; mag hebben en geen aandeelhouder, ergens in mag zijn, waarop deze. Wet toepasselijk is, noch hier te lande noch in het buitenland.

Overkomt aan een persoon — de leeftijd doet er niets toe —- iu een fabriek of werkplaats ter zake van den, in dat bedrijf dier onderneming verrichten arbeid een ongeluk, dan is het hoofd of de bestuurder van dat bedrijf of die onderneming die in een fabriek of werkplaats arbeid doet verrichten verplicht, telkens binnen 2 X -4* uren, daarvan schriftelijk kennis te geven aan den Burgemeester van de gemeente, waar het ongeluk plaats had. Is echter de zaak van zoo weinig betee-kenis, dat binnen dien termijn van 2 X 24 uren, de persoon, die bet ongeluk trof, den arbeid heeft hervat, dan behoeft die kennisgeving niet te geschieden.

De vnt-m waarin deze kennisgeving moet worden gedaan, wordt door den Minister, met de uitvoering van de Wet belast, vastgesteld. Gij ziet dus, patroons, dat een gewoon briefje niet voldoende is.

De Burgemeester van zijn kant, deelt binnen 24 uren nadat by die kennisgeving ontvangen heeft deze mede aan den inspecteur, dien het aangaat.

Tot den plicht van den Burgemeester behoort, dat hij een onderzoek instelt naar de oorzaken en gevolgen van het ongeluk en hij den uitslag daarvan weder mededeelt aan den betrokken inspecteur (art. 15). Xatuurlijk zal dc Burgemeester niet zelf dat onderzoek leiden, maar het aan een ander ambtenaar opdragen. Dit zal de taak van de politie wel worden.

Meent deze inspecteur de zaak nader te moeten onderzoeken, hij is er toe bevoegd.

-ocr page 16-

14

Tot toelichting moet ik U nog een paar woorden zeggen over deze bepaling. Gij heot goed gehoord, dat bedoeld is een ongeluk, is een jabrick of werkplaats voorgekomen. Neemt nu aan, dat een schilders-knecht uw huis verft, en hij heeft het ongeluk bijv. met een ladder omver te vallen en zich te kwetsen, dan is zijn baas of patroon niet verplicht de bedoelde kennisgeving te doen, want het ongeluk had immers bviten de werkplaats of fabriek plaats. In dit geval weet gij, dat immer de politie een onderzoek doet, teneinde na te gaan of het eigen onvoorzichtigheid, schuld of roekeloosheid is, dan wel of de man door toedoen van een ander is gevallen.

Over sommigen administratieven arbeid door den inspecteur te verrichten, zal ik zwijgen, dit heeft voor geen uwer belang.

Ook over de straffen door de Wet bepaald wil ik niet spreken, ik zou te uitgebreid worden en hopen wij, dat geen uwer daar mede kennis maakt en dat kan, hij goeden ivil, zéér goed. Laat ik u alleen zeggen, dat de straffen vrij zwaar zijn.

\'Wel wensch ik met U te spreken over hen, die met het opsporen van de overtredingen van de Wet en van de bepalingen van den alge-meenen maatregel van bestuur, overeenkomstig artt. 4, 5 of 7 der Wet uitgevaardigd, en van de voorwaarden waaronder wijziging of vermindering van den rusttijd overeenkomstig het 2e lid van art. 6\' der Wet is toegestaan, zijn belast. Zij zijn :

1quot;. de directeuren, commissarissen van politie en de waterschouten;

2quot;. de officieren, onderofficieren en manschappen der maréchaussée ;

3°. alle ambtenaren van Kijks- en Gemeentepolitie;

4». de burgemeester, of degenen, die hem vervangen, doch alleen in de gemeenten waar geen Commissarissen van politie zijn;

5°. de kantonrechters;

G0. de ambtenaren van het Openbaar Ministerie, doch niet die bij de kantongerechten ;

7°. de veld- en boschwachters;

8quot;. allo andere beambten in zaken by bijzondere wetten en wettige verordeningen aan hunne waakzaamheid toevertrouwd ;

9°. de inspecteurs, waarvan ik u reeds sprak.

Enkele bijzonderheden, over het toezicht op Rijkswerkplaatsen enz., dat slechts aan andere personen dan de bovenbedoelde is opgedragen, zal ik maar zwijgen. (Art. 18.) ^

De ambtenaren, die ik hierboven opnoemde, hebben toegang tot alle plaatsen waar arbeid verricht wordt of pleegt verricht te worden, met uitzondering van de Kijkswerkplaatsen enz. Daar evenwel hebben ook de inspecteurs toegang.

De veld- en boschwachters, de beambten der maréchaussée, niet zijnde hulpofficieren van Justitie, (dit zijn de officieren en onderofficieren der maréchaussé wel) en de ambtenaren van Rijks- en gemeentepolitie beneden den rang van Commissaris, behoeven daartoe, voor

-ocr page 17-

15

zoover hun den toegang niet uit anderen hoofde vrijstaat, een schriftelijken, bijzonderen, last van den burgemeester of van den kantonrechter.

Deze lastgeving. Patroons, blijft geldig voor een zeker tijdperk, voor dezelfde werkplaats of fabriek, bedenkt dat. (rij hebt het recht er naar te vragen in een voorkomend geval.

Wordt de toegang aan die opgenoemde ambtenaren, —• zegt de wet verder — geweigerd, dan verschaffen zij zich dien, desnoods met inroeping van den sterken arm. Hopen wij intusschen, dat dit nooit voorkomen mag.

In plaatsen waar arbeid wordt verricht of pleegt verricht te worden, die tevens woningen of alleen door een woning toegankelijk zijn, treden zij — d. z. de bedoelde ambtenaren — tegen den wil van den bewoner niet binnen, dan op vertoon van een schriftelijken, bijzonderen last van den burgemeester of van den kantonrechter. Van dit binnentreden wordt door hen procesverbaal opgemaakt en binnen 2 X 24 uren aan dengene, in wiens .wening is binnengetreden, in afschrift medegedeeld. (Art. lil.)

De door mij daar straks opgenoemde ambtenaren en beambten zijn verplicht tot geheimhouding van hetgeen hun in plaatsen waar arbeid wordt verricht of pleegt verricht te worden, omtrent het daar uitgeoefend bedrijf is bekend geworden, voor zoover het niet in strijd is met de bepalingen van de Wet die wij tezamen bespreken, of van een andere Wet.

Hij, die opzettelijk de hem opgelegde geheimhouding schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes maanden of geldboete van ten hoogste zes honderd gulden, met of zopder ontzetting van het recht om ambten te bekleeden; en hij, lt;aan wiens schuld schending van die geheimhouding te wijten is, met gevangenisstraf van ten hoogste drie maanden of geldboete van ten hoogste drie honderd gulden.

Alléén op klachte van het hoofd of den bestuurder van het bedrijf of de onderneming, heeft vervolging plaats, (Art. 20.)

Gij ziet, ook hier is de Wet allesbehalve toegeeflijk. Zwijgen, dooide ambtenaren met het toezicht belast, is dus de boodschap.

Gedurende de twee eerste jaren na het in werking treden van de Wet, dus tot 1 Januari 1892, gelden niet het voorschrift van het 2e lid van artikel 5, flat voor personen heneden 14 jaren of vrouwen, en dat van het 3e lid van genoemd artikel, dat voor vrouwelijke personen van eiken leeftijd het begin van den arbeid niet vroeger dan ten 5 uren des voormiddags en het einde niet later dan te 10 uren des avonds mag worden gesteld. (Art. 22.)

Tot dit tijdstip blijft de nachtelijke arbeid voor vrouwen en personen van den genoemden leeftijd dus geoorloofd. De patroons, die nu nog nachtarbeid door hen laten verrichten, zullen dus een middel

-ocr page 18-

16

moeten beramen, ten einde na dien tijd aan dien arbeid een einde te maken en dezen tijd- kunnen zij beschouwen als een tijdperk van overgang.

Op arbeid in of voor liet schippers- of visschersbedrijf, aan hoard van vaartuigen verricht, zijn niet toepasselijk :

Art. 5. (Werkuren voor jongens beneden 16 jaar);

Art. li (de rusttijd tusschen 11 voor- en 3 uur namiddags);

Art. 7 (arbeid op Zondag). Slechts in zeer enkele en noodige gevallen wordt op Zondag gearbeid. Dit mijn toehoorders, is u bekend.

Art. 9. (Het verblijf in de werkplaats in het rust-uur);

Art. 10. (Dit betreft de kaart waarvan ik n reeds te voren sprak);

Art. 11. (De lijst van de vrouwen of personen Beneden de 16jaar);

Art. 15. Dit betreft de kennisgeving bij ongelukkeu binnen de werkplaats of fabriek en eindelijk voor zooveel betreft aan boord wonende kinderen of /m/uWm van den schipper, art. 3 (het arbeid .doen verrichten door een kind beneden de 12 jaren). (Art. 23.)

(iij weet, waarde vrienden, wat pupillen zyn, nl. minderjarigen, die onder voogdij staan, en, claur zij aan hoord wonen, staan zij dus onder de voortdurende hoede en zorg van den schipper.

Op arbeid, verricht in of voor een bedrijf, in de eigen woning van het hoofd of den bestuurder daarvan, die het aldaar zonder hulp van anderen dan zijn echtgenoot, bloed- of aanverwanten, tot den vierden graad ingesloten, en pupillen uitoefent, zijn de artikelen 10 en 11 niet toepasselijk.

De Wet is mede niet van toepassing op arbeid, in ambachtsscholen, vakscholen, Rijks-opvoedingsgestichten, werkinrichtingen en gevangenissen, noch op werkzaamheden in militairen dienst verricht.

.,En zietdaar mijn waarde toehoorders, wij zijn ten einde. Ik dank „ü voor uw geduldig gehoor en mag zeker den wensch wel uitspreken, „dat ik hoop en verwacht dat deze Wet een zegen zij voor allen die „onder haar bereik vallen. Ik noodig eiken werkman uit, met hart „en hand te willen medewerken om die Wet, goed, eerlijk en deugdelijk „te doen toepassen. Ik heb gezegd.quot;

Tot zoover Mr. L., mijn waarde lezers en lezeressen. Ik hoop, dat ik duidelijk was, \'k heb er althans naar getracht, en dat ik, al is het maar een weinigje, heb mogen bijdragen om de heilzame et bekend te doen worden bij allen dien het aangaat, opdat zij goede vruchten moge afwerpen.

-ocr page 19-