■
______
CEREMONIEEL.
/ ak amp;
CEREMONIEEL
1 *3
d/J
TEN GEBRUIKE DER
LUSTERS DOMINICANESSEN
an^pe^afic
n. ca.ti3:-a.iii3sr^ seisteist.
Stoomdruk v. E. de Bont i Zoon. Kotterdnm.
fiJéi,
IMI» RIMI P E R MIT TIM ü S.
Uuisscn, iu festo SS. Rosarii, 7 Octobris 1888.
ƒgt;.. /l. van den ^lzen ,
Ord. Prwd. I\'rov.
1911*11191 A TU It.
Voorschoten, Die 17 Novemhris 1888.
Jvl, Bernsen,
lihr. Censor.
INHOUD.
EERSTE HOOFDSTIK.
Bladz.
Ue Kapel met toebehooren........................1
Akt. I. De Kapel............................1
„ II. Het kooi*..............2
„ JU. Over de pUatsen tier Zusters iu liet koor. ... 4
„ IV. Het altaar............................r
„ V. De benoodigdlieden voor liet Misoffer.....!)
„ VI. De kleur der kerkelijke gewaden......12
„ VII, De kaarsen..............13
„ VIII. De communiebank en de biechtstoel.....15
,, IX. De sacristie.............Ifi
„ X. Het orgel..............17
TWEEDE HOOFDSTUK.
De kerkelijke getijden.............IS
Art. I. De deelen, waaruit de getijden bestaan.....18
„ II. Over de wijze, waarop liet Officie gezegd wordt . 1!)
„ 111. Het beginnen van het Officie ......... 30
„ H. De wijze, waarop het invitatorium, de psalmen
en hymnen gezegd worden........22
„ V. De antiphouen, responsoria, verzen en lessen. . . 25
„ VI. De cominemoraties der Heiligen.......27
„ VII. De overige deelen van het Officie......29
„ VIII. Het eindigen van het Officie . .......31
„ IX. Het in- en uitgaan van het koor.......38
DERDE HOOFDSTUK.
JUadz.
Verschillendk bedieningen............35
Art. I. De Cautores..............35
„ II. De Zuster, die voorzit in liet koor......38
„ 11]. De Hebdomadaria............39
„ IV. De Zuster, die liet Officie verricht......42
„ V. De Versiculariae, Antiplionaria, Lectrix Chori, Acolieten en Cruciferaria..........44
„ VI. De Sacristine.............47
VIERDE HOOFDSTUK.
Verschillende oefeningen der Communiteit......50
Art. I. De gezongen H. Mis...........50
„ II. De gelezen H. Mis...........64
„ III. De H. Communie............64
„ IV. De uitstelling en de zegen van het Allerheiligste
Sacrament.............66
„ V. De uitstelling van Reliquieën........68
„ VI. De gebeden vóór en na tafel........69
„ VII. De processie na de Completen.......76
,, VIII. De getijden der overledenen........81
„ IX. De processie voor de overledenen.......85
„ X. Het kapittel der fouten..........81
VIJFDE HOOFDSTUK.
De buigingen.................92
Art. I. Algemeene bemerkingen..........92
„ II. De hoofdbuiging............93
„ 111. De middelbare buiging..........95
„ IV. De diepe buiging............97
„ V. De kniebuiging............99
„ VI. De prostratie of diep gebogen houding.....102
ZESDE HOOFDSTUK.
lUndz.
De plechtigheden dek inkleedjng of professie.....105
Art. I. Algemeene bemerkingen..........105
II. De inkleeding.............107
„ III. De eerste olquot; tijdelijke beloften.......113
„ IV. De groote of altijddurende beloften......122
„ V. Het einde der plechtigheden bij de inkleeding of
professie..............128
ZEVENDE HOOFDSTUK.
Bijzondere regels voor verschillende tijden en feestdagen door het jaar.............132
Art. 1. De Adventtijd.............132
II. Het Kerstfeest.............133
„ III. Het feest van Lichtmis..........13fi
„ TV. Van Septuagesima tot Witten Donderdag. . . .141
V. Witte Donderdag............150
VI. Goede Vrijdag.............161
,, VII. Paasei) zaterdag............170
.. VIII. Van Paschen tot het feest der H. Drievuldigheid. 183
,, IX. Van het feest der H. Drievuldigheid tot den Advent. 186
,, X. Het feest van alle Heiligen........188
XI. De gedachtenis aller geloovige Zielen.....189
ACHTSTE HOOFDSTUK.
11 kt toedienen der HH. sacramenten aan de zieken: de
plechtigheden dek beghafenis.........191
A. Vol (fens den dominicaanschen ■ rltnx.
Art. I. Toediening der gewone H. Communie aan een zieke. 191 .. 11. Toediening van de H. Communie als Teerspijze en
van het FT. Oliesel..........195
lUadz.
Aht. IIÏ. Dc gebeden voor de stervenden........202
IV. Ceremonieën na den dood en vóór de begrafenis. . 203 .. V. De begrafenis eener Zuster.........200
B. Volgens den rorneinschen ritus.
Akt. I. Toediening der gewone H. Communie aan een zieke. 217 II. Toediening van de H. Communie als Teerspijze en
liet H. Oliesel ... *........220
.. III. De gebeden voor de stervenden.......227
„ IV. Ceremonieën na den dood en vóór de begrafenis. . 227 „ V. De begrafenis eener Zuster.........228
T
CEREMONIEEL
TEN GEBRU1KE DER
ZUSTERS DOMINICANESSEN.
EERSTE HOOFDSTUK.
DE KAPEL MET TOEBEHOOREN.
AET. I.
D E KAPEL.
1. De zusters der Congregatie mogen in hare liuizen een Knpel hebben, waarin, met toe-stemmingvan den Diocesaan-Bisschop, de H. Mis opgedragen kan worden. Om het Allerheiligste Sacrament in die Kapel te mogen bewaren, wordt eene bijzondere vergunning gevorderd.
2. De Kapel worde bij voorkeur, waar de plaats liet toelaat, in de richting van het Westen naar het Oosten gebouwd, zoodat het Hoogaltaar naar het Oosten staat.
DE KAPEL MET TOEBEUOOREN.
Om de H. Mis in de Kapel te mogen lezen, moet zij ingewijd zijn door een Priester, die daartoe gemachtigd is.
De Zusters moeten bij het bouwen harer huizen, het doel harer inrichting in aanmerking nemen; de eenvoudigheid en armoede doen uitkomen, doch er mag eene uitzondering gemaakt worden betrekkelijk de Kapel, die rijker en meer versierd mag zijn, naarmate de inkomsten van het huis zulks toelaten.
3. Zij moeten een bijzondere zorg aanwenden, om de Kapel zindelijk en goed in orde te houden, en haar naar de hoedanigheid der feesten versieren.
De versiering behoort, ten minste wat het altaar betreft, reeds bij de eerste vespers van het feest gereed te zijn.
Boven de Kapel, en voornamelijk boven het altaar, mogen geene woon- noch slaapplaatsen zijn.
ART. 11.
H E ï KOOR.
4. Het koor is dat gedeelte der Kapel, waar het Officie door de Communiteit gebeden wordt. Het is verdeeld in twee deelen: het rechter- en het linkerkoor. De koorbanken worden, als het mogelijk is, in de lengte langs de zijmuren der Kapel en gewoonlijk vóór het altaar geplaatst. Wanneer het koor zich vóór het altaar bevindt, is het rechterkoor aan de Epistel- en het linker aan de Evangeliezijde;
2
\'
DE KAPEL MET TOEBEHOOUEN. 3
i, doch omgekeerd, wanneer het koor achter het
:e altaar is. De plaats in het rechterkoor, die
het verst verwijderd is van het altaar, is de ■r eerste, en die in het linkerkoor het verst ver-
g wijderd is van het altaar, de tweede plaats,
t- Het bordje, waarop Chorus staat, dient om
:t aan te duiden aan welken kant in die week het
n koor is. Zaterdags vóór den laatsten Zondag
n na Pinksteren, moet het in het linkerkoor hangen,
den volgenden Zaterdag vóór den eersten Zondag i, van den Advent in het rechterkoor, om daarna
, eiken Zaterdag vóór de vespers naar de andere
i. zijde verplaatst te worden.
it 5. De Priorin neemt de eerste plaats in van
n het rechterkoor, de-Suppriorin de eerste van het
linker, en de overige Zusters plaatsen zich naar t de hieronder voorgeschreven orde (7). In het
huis echter, waar de Algemeene Overste haar gewoon verblijf houdt, zit deze op de eerste plaats in het rechterkoor; de Priorin op de eerste plaats in het linkerkoor, enz. Bezoekt de Algemeene Overste andere huizen, dan neemt zij de plaats in van de Priorin, terwijl deze zich gedurende dien tijd plaatst naast de Sup-
i priorin in het linkerkoor.
t De Cantores behoort in het rechter- en de
i Ondercantores in het linkerkoor te zijn.
3 De Versicularise nemen plaats op het einde
t der banken, ten einde gemakkelijk in het midden
iquot; van het koor te kunnen komen, om de verzen
3 te zeggen.
; 0. Bij den ingang der Kapel hangt een
I
DE KAPEL MET T0EBEH0011EN.
wijwatersvaatje, hetwelk door de Zuster Kosteres elke week gereinigd en met nieuw wijwater voorzien moet worden.
AET. IIL
OVER DE PLAATSEN DER ZUSTERS IN HET KOOR.
7. In het koor, alsook in den refter, in het kapittel der fouten, in de processiën en bij andere oefeningen der Communiteit, hebben de Zusters de volgende orde der plaatsen:
1. De Algemeene Overste.
2. De Priorin van liet huis.
3. De gewezen Algemeene Oversten volgens professie.
4. De eerste Haadzuster der Congregatie en vervolgens de overige Raadzusters volgens den tijd harer eerste professie.
5. De Priorin van een ander huis, als er meerdere zijn, volgens den tijd der oprichting liarér huizen.
6. De Suppriorin van het huis.
7. De Novieenmeesteres.
8. De geprofeste Koorzusters volgens den tijd liarer eerste professie.
9. De niet-geprofeste Koorzusters volgens den tijd harer inkleeding.
10. De geprofeste Werkzusters naar den tijd harer eerste professie.
11. De niet-geprofeste Werkzusters volgens den tijd harer inkleeding.
8. Tijdens het kapittel der Congregatie, bij de keuze der Algemeene Overste, der Raadzusters en Definitricen is de volgende plaatsorde voorgeschreven ;
4
DE KAPEL MET TOEBEHOOREN. 5
1. De aftredende Algemeene Overste.
2. De gewezen Algemeene Oversten naar den tijd harer eerste professie.
3. De eerste Jlaadzuster der Congregatie en vervolgens de overige Raadzusters volgens den tijd liarer eerste professie.
4. De plaatselijke Priorinnen volgens den tijd der oprichting harer huizen.
5. De Novieenmeesteres.
6. De afgevaardigde Zusters volgens den tijd harer eerste professie.
Bovenstaande orde wordt alleen gevolgd in de kapittelkamer.
9. Na de keuze der buitengewone Raadzusters of Definitricen moet de volgende orde onderhouden worden:
1. De nieuw gekozen Algemeene Overste.
2. De eerste Raadzuster dor Congregratie en vervolgens de overige Raadzusters volgens den tijd harer eerste professie.
3. De buitengewone Raadzusters of Definitricen naar den tijd harer eerste professie.
Deze laatstgenoemde orde wordt onderhouden, zoolang de werkzaamheden van het kapittel duren, niet alleen in maar ook buiten de kapittel-kamer, zooals: in het koor, in den refter, enz., en overal, waar zij vereenigd met de Communiteit aanwezig zijn, nemen de leden van het kapittel de eerste plaats in , vóór al de leden der Communiteit, ook vóór de Priorin van het huis, zoo deze niet onder de leden van het kapittel mocht behooren.
DE KAPKL MET TOEBEHOOKEN.
ART. IV.
HET ALTAAR.
10. Het altaar, waarop de H. Mis gelezen wordt, moet van steen zijn, of ten minste een geconsacreerden altaarsteen bevatten, waarop de Hostie en de kelk geplaatst worden.
Deze steen moet geheel en het sepnlcrum der Reliquieën ongeschonden zijn; hij ligt een weinig hooger dan het vlak van het altaar, zoodat de Priester dien zonder moeite onderscheiden kan.
Op de mensa (tafel van het altaar) worden drie witte linnen dwalen gelegd, van welke de bovenste van weerskanten neerhangt tot bijna op den grond; de twee onderste zijn een weinig grooter dan de altaarsteen, dien zij geheel bedekken moeten.
De tombe van het altaar mag niet tot kast of bergplaats worden ingericht.
11. In het midden van het altaar, tusschen de kandelaars, staat een kruis met Christusbeeld, dat niet te klein mag zijn.
Bij uitstelling van het Allerheiligste Sacrament mag dit kruis weggenomen worden, onder de H. Mis met uitstelling is de aanwezigheid van een kruis wenschelijk, maar niet noodzakelijk.
Op het altaar staan minstens twee kandelaars met waskaarsen en aan den Epistelkant nog een andere met een waskaars; deze brandt van af het Sanctus tot na de Nuttiging, als een Pater Dominicaan de H. Mis leest.
6
DE KAPEL MET TOEBEHOOEEN.
Naast het tabernakel, doch niet op de mensa, staat een glas of kleine vaas met water en een vingerdoekje, om de vingers te wasschen, als de Priester de H. Communie heeft uitgereikt.
12. Tijdens de H. Mis mag er niets op de altaartafel staan, wat niet tot het H. Sacrificie behoort. Beelden, bloemen, Reliquieën of iets dergelijks, mogen nooit op het tabernakel of vóór de deur van het tabernakel staan, als daarin het Allerheiligste rust. Gedurende de H. Mis plaatse men dit alles tusschen de kandelaars. Buiten den tijd der H. Mis mag men echter bloemen en kaarsen op de mensa van het altaar plaatsen, doch nooit vóór de deur van het tabernakel.
13. De voorzijde van de tombe kan men met een antipendium (voorhangsel) versieren, dat met de kleur van het Officie dient overeen te stemmen, doch hetwelk bij voortdurende plechtige uitstelling van het H. Sacrament, b. v. tijdens het veertiguren-gebed, altijd wit moet zijn. Na alle kerkelijke diensten wordt de mensa met een kleed bedekt; stof en kleur van dit kleed zijn naar verkiezing.
14. Bezijden of achter het altaar, of in de sacristie, wordt een putje gemaakt, sacrarium of piscina geheeten, dat in den grond uitloopt, waarin het water gegoten wordt, dat gediend heeft, om de vingers des Priesters of andere gewijde voorwerpen te wasschen. Indien men dit sacrarium hier moeielijk kan maken, wijl b. v. de Kapel boven is, dan beware men het
7
DE KAPEL MET TOEBEHOOREN.
water, om het later op eene meer geschikte plaats in een putje te gieten, waar het in den grond wegzinkt. Ook dient er naast het altaar een tafeltje te staan, zoo hoog als de altaartafel, om daarop de ampnllen te plaatsen, als de H. Mis niet door een misdienaar kan gediend worden; echter zorge men, dat een misdienaar aanwezig zij. Op de trappen of aan den voet van het altaar, worden één of twee bellen geplaatst, waarmede bij de H. Mis, bij benedictie en bij andere plechtigheden het teeken gegeven wordt. (1)
15. In het tabernakel, waarin het Allerheiligste rust, mag men niets anders bewaren; alleen de luna, neergelegd in een klein doosje, beiden van zilver verguld, mag men in het tabernakel plaatsen, wanneer er de II. Hostie in bewaard wordt, die ter aanbidding wordt uitgesteld.
16. Als bij expositie het Allerheiligste boven het tabernakel geplaatst wordt, dan moet aldaar een baldakijn of troon aanwezig zijn, waarin of waaronder de remonstrans geplaatst kan worden. De remonstrans of ostensorium wordt gebezigd voor de plechtige expositie van het H. Sacrament. De H. Vaten, waarin geconsacreerde Hostiën zijn, moeten altijd rusten op een corporaal en altijd met een velum bedekt zijn.
8
17. Vóór het altaar, waar het H. Sacrament bewaard wordt, moet dag en nacht minstens
1
Het tabernakel moet inwendig van ijzer zijn en verder met wit bekleed.
DE KAPEL MET TOEBEHOOREN.
eene lamp branden van olijfolie of anders van plantenolie. Er mogen ook meer godslampen zijn; volgens gewoonte heeft men een oneven getal.
Wanneer het H. Sacrament van de eene plaats naar de andere gedragen wordt, gaat er altijd iemand voorop met een brandende kaars en een bel.
IS. Bij uitvaart- of rouwdiensten mag het altaar met zwart versierd worden, maar zonder voorstellingen of afbeeldingen van den dood en zonder witte krnisen op zwart doek. Het tabernakel mag nóóit met een zwart, doch als de kleuren van het officie zwart of paars zijn, wel met een wit of paars conopeum of voorhangsel bedekt worden.
ART. V.
DK BENOODIGDHEDEN VOOR HET MISOFFER.
19. De hostiën van ongedeesemd tarwebrood moeten zonder vlekken en scheuren en niet vochtig zijn, noch ouder dan hoogstens ééne maand.
De wijn. dienende voor de H. Mis, moet zuiver, helder en onbedorven zijn; troebel of zuur geworden, mag hij niet meer gebruikt worden.
20. De pateen van goud of verguld zilver, en de kelk, waarvan de cuppe van goud of ten minste van zilver en van binnen verguld
9
DB KAPEL MET TOEBEHOOKEN.
moet zijn, moeten, als zij nieuw of opnieuw verguld zijn, geconsacreerd worden.
De Priester kan ook een lepeltje gebruiken, om een weinig water bij den wijn te mengen.
De ampullen zijn van metaal of nog beter van glas, hierbij behoort een schaaltje en een vingerdoekje, waarmee de Priester de vingers onder de H. Mis afdroogt.
21. De corporaal, de pallas, waarmee de kelk gedekt wordt, en het kelkdoekje moeten van linnen of pellen, en altijd wit, rein en zindelijk zijn. De corporaals mogen niet met borduurwerk versierd zijn, een smalle zoom of rand is slechts geoorloofd. Zij mogen aan den uitersten rand van- voren, doch niet in het midden, van een kruisje voorzien zijn.
De pallas moet ten minste aan de beneden-zijde van wit linnen en mag alleen aan de bovenzijde bewerkt zijn, maar niet met figuren den dood voorstellende. Wanneer zij gébruikt zijn, moeten zij eerst door een Priester en dan door eene Zuster gewasschen worden; het water der eerste wassching wordt in het sacrarium gegoten. De bursa, waarin de corporaal ligt, wordt van binnen met zijde of linnen gevoerd, en van buiten met een kruisje versierd. De bursa en het velum van den kelk moeten in kleur met de kazuifel overeenstemmen.
22. Er zijn twee soorten van misgewaden. De eerste van wit linnen of pellen, de andere van zijde. Tot de eerste behooren de amict, die aan den voorkant in het midden met een
10
DE KAPEL MET TOEBEHOOREN. 11
iw kruisje geteekend is; de albe, die een rand van kant of borduurwerk mag hebben, welke echter
m, niet te breed mag zijn; de cingel, die gewoonlijk
sn. wit en van linnen, doch ook van zijde of wol
er en overeenkomend met de kleur van het feest
en mag zijn, en eindelijk de superplie met wijde
ïrs mouwen, die de Priester gebruikt bij het toedienen der HH. Sacramenten.
de Tot de tweede soort behooren de manipel en en stool, die van boven en aan de uiteinden en met een kruisje versierd zijn, de kazuifel, de et dalmatica voor den Diaken en Subdiaken, de of koorkap en eindelijk het humeraal of schouderen velum, dat gebruikt wordt bij de benedictie en et processie met het Allerheiligste.
Hierbij behoort ook het kelkvelum,
n- Deze laatste soort van Priestergewaden moet
le zijn van zijde, half zijde, goud- of zilverlaken,
n Het is niet geoorloofd, deze uit wol, katoen of
kt linnen of uit eene andere stof, die met glas is
m overtrokken, te vervaardigen.
3r 23. De amict, albe, manipel, stool en kazuifel,
m alsook de cingel, de corporaal, pallas en de drie
t, altaardwalen moeten gewijd zijn door een Bisschop
1, of door een Priester, daartoe gemachtigd. Deze
\'e paramenten verliezen de benedictie, als zij zoo
n zeer versleten zijn, dat zij voor hun doel niet meer bruikbaar zijn, en ook wanneer zij hun
i. eigenlijken vorm verloren hebben, dat is, zóó
quot;e uit elkander genomen of losgemaakt, dat zij in
t, dien staat niet meer aan hun doel beantwoorden,
n Bijgevolg moeten zij opnieuw gewijd worden.
1
DE KAPEL MET TOEBEHOOREN.
als er in eens een grooter deel bijgevoegd wordt dan het gedeelte, dat gewijd was. Het linnen en de overige paramenten mogen gebruikt worden om andere te verstellen, maar niet tot ongewijde doeleinden; wanneer zij niet meer bruikbaar zijn, worden zij verbrand. Kelkdoekjes, vingerdoekjes, superplies en kelkvelum, beurs en schouder-velum, behoeven niet gezegend te worden.
AET. YI.
DE KLEUR DER KERKELIJKE GEWADEN.
24. De kleuren der misgewaden, behoorende bij de tweede soort in n0. 22 aangegeven, zijn wit, rood, groen, paars of violet en zwart; zij staan eiken dag in het ■directorium met eene letter aangegeven; A beteekent wit; R rood; V groen; U paars; N zwart.
Deze kleuren moeten nauwkeurig onderhouden worden, gelijk het door het Officie of de Mis van den dag gevorderd wordt.
Gewaden van blauwe, gele of gouden kleur, of van eene andere kleur, doch die zoodanig met bloemen van verschillende kleur vermengd is, dat de hoofdkleur niet meer te herkennen is, zijn streng verboden. Goudlaken mag echter in plaats van roode, witte en groene kleur worden gebruikt. Op de kruisen en balken der kazuifels mag ook wel eenig borduurwerk in goud of kleuren worden aangebracht, mits de
12
DE KAPEL MET TOEBEHOOKEK.
grondstof de voorgeschreven kleur blijft behouden.
25. Bij het uitreiken der H. Communie buiten de H. Mis, gebruikt dc Priester een stool, in kleur overeenkomend met die van het Officie van den dag, maar nooit mag deze zwart zijn.
26. Voor de expositie of benedictie met het Allerheiligste, onmiddellijk na de H. Mis of na de Vespers, zoodat de Priester het altaar niet verlaat, wordt dezelfde kleur gebruikt als in de H. Mis of in de Vespers, uitgezonderd het humorale, dat altijd wit moet zijn.
Onder het Lof of bij de benedictie, die niet door de H. Mis of de Vespers zijn voorafgegaan, gebruikt men altijd de witte kleur. Bij een voortdurende expositie, b v. van het 40 uren-gebed, behooren de paramenten, ter versiering van het altaar dienende, wit te zijn.
27. De Priester gebruikt een paarse stool bij het biecht hooren, bij het toedienen van het H. Oliesel en bij de gebeden der stervenden.
ART. VII.
BK KA A J{ S E N.
28. Bij hooge feesten branden er 6 kaarsen op het altaar onder de gezongen H. Mis en gezongen Vespers en 4 onder de Completen, zoo er wegens de expositie van het Allerheiligste niet meer vereischt worden.
13
DE KAPEL MET TOEBEHOOKEN.
Op de feesten van dnplex of totum duplex, op de Zondagen, op de plechtige octaafdagen worden er niet meer dan 4 kaarsen in de gezongen H. Mis en gezongen Vespers en 2 in de Completen aangestoken. Op de feesten, die simplex en minder of daaraan gelijk zijn, branden zoowel in de gezongen li. Mis en Vespers alsook in de Completen slechts 2 kaarsen.
Op plechtige feestdagen mogen er ook meer dan 2 kaarsen worden aangestoken onder de H. Mis voor de Communiteit, al wordt zij niet gezongen. Op de feestdagen, waarop de Algemeene Overste in het koor voorzit,\' moeten er in de Completen van den voor-avond en ook in die van den feestdag zelf 4 kaarsen branden. Onder plechtige lijkdiensten en plechtige votieve Missen mogen er 4 of meer kaarsen branden volgens bestaand gebruik.
29. Onder stille H. Missen mogen er niet meer dan 2 kaarsen branden, tenzij een Bisschop de H. Mis leest. Wanneer een Pater Dominicaan de H. Mis leest, wordt van het S a n c t u s tot na de Nuttiging aan den Epistelkant altijd een afzonderlijke kaars aangestoken. Bij uitstelling van het Allerheiligste mogen er nooit minder dan G kaarsen branden; zelfs is het passend b:j plechtige voortdurende uitstelling 12 kaarsen aan te steken, doch hierin moet men zich voegen naar de voorschriften en goedgekeurde gebruiken van het Diocees.
Men steekt ook twee kaarsen aan op de kleine altaren, als de Priester bij gelegenheid van een
14
DE KAPEL MET TOEBEHOOREN. 15
ix, feest deze bewierookt, of als daar eene Reliquie
en is uitgesteld; ook ontsteekt men 2 kaarsen op
en het altaar, waar de H. Communie wordt uitgereikt,
ii- 30. Al deze kaarsen moeten van witte was
ex zijn, doch onder lijkdiensten en op Goeden
io- Vrijdag mag men ook kaarsen van gele was
jk gebruiken. Onder de H. Mis mogen op het altaar geene bougies of kaarsen, uit andere stof
er dan was vervaardigd, gebruikt worden. Wil
:1e men verlichting met bougies aanbrengen, dan
et plaatse men die achter of naast het altaar,
ie Buiten de H. Mis is het geoorloofd bij plechtige
ie feesten ook op de altaartafel waskaarsen of bougies
ie te plaatsen. Zij mogen echter nimmer vóór de
er deur van het tabernakel staan, waarin het Aller-
;n heiligste bewaard wordt,
is _
3t ART. VIII.
■p
H DE COMMUNIEBANK EN DE BIECHTSTOEL.
ia I
n 31. De communiebank wordt geplaatst vóór
g het hoogaltaar, op grooteren of kleineren afstand,
ir naar gelang de ruimte der Kapel het toelaat,
ij Zij scheidt de plaats der Zusters van het heilig-
ii dom of priesterkoor.
h 32. De biechtstoel behoort niet naast of dicht
e bij het altaar te staan, maar op eene meer verwijderde plaats der Kapel. Hij mag ook niet
e staan in de sacristie of op eene afgezonderde
i plaats. In noodzakelijkheid mag men buiten de
DK KAPEL MET TOEBEHOOREN.
kapel biecht hooren, mits de Zuster niet in het gezicht des Priesters gezeten zij. De biechtstoel worde zoo ingericht, dat de Zuster van den biechtvader gescheiden zij door een beschot met traliewerk, waarvan de openingen niet groot mogen zijn.
ART. IX.
IJ E SACRISTI E.
33. Bij de Kapel behoort eene sacristie, waarin de misgewaden bewaard worden, en de Priester zich aankleedt voor de H. Mis en andere kerkelijke diensten. Zij worde zoo doelmatig mogelijk ingericht en zindelijk gehouden.
34. In de sacristie behoort te zijn: een waterfonteintje met een handdoek aan weerszijde; een tafel, waarop de heilige gewaden worden gereed gelegd; een kruisbeeld; een wij-watersvaatje; een wijwatersemmer met kwast; een wierooksvat met scheepje en lepeltje. In de sacristie hangt een bordje, waarop de naam van den Bisschop, de oratio imperata en de patroon of titel der Kapel te lezen is. Ook dient er een lijst te hangen, waarop de dagen zijn aangegeven, wanneer men onder de H. Mis expositie met het Allerheiligste Sacrament mag houden, en eene andere lijst, waarop de tijdelijke en eeuwigdurende fundaties en de H. Missen staan opgeteekend, die het klooster jaarlijks moet laten opdragen.
16
DE KAPEL MET T0EBEH0011EN. 17
Wanneer de H. Olie aanwezig is, dan wordt die in een zilveren busje, dat vervat is in een bursa van paarse zijde, op een geschikte plaats in de sacristie bewaard. De H. Olie moet ieder jaar vernieuwd worden.
ART. X.
H ET O R G E I..
35. De Zusters mogen tot opluistering van den godsdienst in hare Kapel een orgel hebben, om den zang te begeleiden.
Op het orgel mag geen wereldsche muziek, of iets, wat niet kerkelijk is, gespeeld worden. Het orgel wordt onder de li. Mis niet gespeeld op de Zondagen van den Advent en de Zondagen van Septuagesima, als er op die Zondagen geen feest gevierd wordt; uitgezonderd zijn de derde Zondag van den Advent en de vierde Zondag van de Vasten.
In de Goede week wordt het orgel gespeeld op Witten Donderdag tot het einde van Gloria in excelsis en op Paasch-Zaterdag bij het begin van Gloria.
T WEED E H O O F D S T U X.
DE KERKELIJKE GETIJDEN.
ART. I.
DE DEELEN WAARUIT UE GETIJDEN BESTAAN.
36. De getijden, die de Koorzusters in het koor gezamenlijk moeten bidden, bestaan in het Officie .der H. Maagd Maria. Dit Officie is samengesteld uit zeven doelen. De Metten en Lauden; de vier kleine Uren, te weten: de Prime, Tertië, Sexte en None; de Vespers en Completen. Het moet volgens den ritus dei-Paters Predikheeren en in het Latijn gebeden worden.
Gedurende de drie laatste dagen der Goede week. Donderdag, Vrijdag en Zaterdag, vanaf de Metten van Donderdag tot en met de Nonen van Zaterdag, bidden de Zusters de door den Regel voorgeschreven Onze Vaders gezamenlijk in het koor.
37. De Metten en Lauden mogen daags te voren, van den tijd af, dat de zon dichter bij den ondergang dan bij den middag is, gebeden
DE KERKELIJKE GETIJDEN
worden, of men bidt die op den dag zelf vóór den middag. De kleine Uren worden altijd vóór den middag, de Vespers en Completen na den middag gebeden.
Buiten het koor dient men zich aan die orde te honden, zoo er geen wettige reden bestaat, om die te veranderen.
AET. II.
DE WIJZE WAAROP HET OFFICIE GEZEGD WORDT.
38. Het Officie in het koor moet godvruchtig, duidelijk en zonder verwarring gezegd worden; niet met te luide stem, noch ruw of scherp; op een gelijken, niet te hoogen, maar middel-matigen toon; niet te langzaam of slepend, maar ook niet te haastig, opdat de woorden goed uitgesproken worden. In het midden van ieder vers moet een pauze of rustpunt zijn; met een sterretje wordt in elk vers de plaats aangeduid, waar die pauze gehouden wordt.
Op Zon- en vooral op hooge feestdagen wordt er langzamer gekoreerd en met langere pauzen, doch nooit mag de laatste lettergreep getrokken of slepend worden uitgesproken.
Tusschen de verzen wordt niet gerust, doch het koor mag niet invallen, voordat het vers in het andere koor geëindigd is.
19
DE KEllKELIJKB GETIJDEN.
ART. III.
HET BEGINNEN VAN HET OFFICIE.
39. Zoodra het tweede teeken gegeven is, bidt men volgens een loffelijk gebruik, wanneer het H. Sacrament in de kapel tegenwoordig is, geknield de antiphoon; OSacrumconvivi um, die door de Priorin , Suppriorin of bij afwezigheid van beiden, door de Hebdomadaria begonnen wordt, met het vers: Panem de coelo prsestitisti eis, waarop het koor antwoordt; Omne delectameuturn in se ha-bentem, en de oratie: Deus qui nobis; het vers en de oratie wordt door de Priorin of door haar, die de antiphoon heeft begonnen gebedenDaarna bidt men vóór de Metten: Aperi Domine en Domine in unione; vóór de andere Uren zegt men alleen; Domine in unione.
40 De Metten, Lauden en Vespers beginnen altijd in het rechterkoor, uitgezonderd de Metten en Lauden op de Zondagen van den Advent, op die van Septuagesima tot Palmzondag, indien op die dagen geen feest gevierd wordt, en op Aschdag ; ook uitgezonderd de Metten, Lauden en Vespers op Zondag, Maandag, Dinsdag en Woensdag in de Goede week, dan beginnen zij daar, waar in die week Chorus hangt; de overige Uren begint men altijd aan dien kant, waar Chorus hangt. Daar, waar het Officie begint, wordt al datgene gezegd, wat door de
30
DE KERKELIJKE GETIJDEN.
Hebdomadaria gezegd moet worden ; daar wordt door de Cantores of Ondercantores het eerste vers ingezet van alle hymnen, van den eersten psalm van ieder Uur, ook van de Lauden, van het Te Deum, Ben edict us, Magnificat en Nunc d i m i 11 i s ; daar worden ook de antiphonen door de Antiphonaria gezegd.
41. Terwijl de Zusters naar het altaar gekeerd staan, zegt de Hebdomadaria, staande aan den kant, waar het Officie moet begonnen worden: Ave Maria gratia plena, Do minus tecum; en het geheele koor antwoordt: benedicta tu in mulieribus et benedict u s fr u c t u s ventris tuiJesus. Daarna bidt de Hebdomadaria vóór de Metten: D o m i n e labia mea aperies en het koor antwoordt: Et os meum annuntiabit laudem tuam. Vóór de Completen zegt de Hebdomadaria: Converte nos Deus salutaris noster, en het koor antwoordt: Et a ver te iram tuam a nobis. Daarna alsook bij het begin van elk ander Uur zegt de Hebdomadaria: Deus in adjutorium meum intende, en het koor : Do m ine ad adj u v an dum in,e fes tin a. Hierna zich keerende in de richting, waarin de koorbanken staan, zeggen alle Zusters samen: Gloria Patri, en maken een diepe buiging tot aan Sic ut er at, waaronder zij rechtop staande blijven. Op Aschdag in de Metten, Lauden en kleine Uren, en gedurende de Goede week van af de Metten van Maandag tot en met de None van Woensdag, wordt, in plaats
21
DB KERKELIJKE GETIJDEN.
van een diepe buiging, een prostratie gemaakt.
De buiging, waarvan hier en later meermalen gesproken wordt, maakt men in de richting, waarin men volgens de plaatsing der koorbanken, staat of zit, met het gezicht naar de andere zijde van liet koor of naar het altaar gekeerd.
42. De Hebdomadaria maakt een kruisteeken op het voorhoofd, den mond en de borst, terwijl zij zegt in de Metten: Do ra ine labia mea en in de Completen; Con ver te nos: hetzelfde kruisteeken wordt door de andere zusters gemaakt, terwijl zij antwoorden in de Metten: Et os men m, en in de Completen: Et a v e r t e. Een gewoon kruisteeken maakt de Hebdomadaria bij; Deus in adj utori u m; hetzelfde doen de anderen bij: D o m ine a d a d j u-v a ii d u in.
AET. IV.
DE WIJZE WAAROP HET INV1ÏATORIUM DE PSALMEN EN HYMNEN GEZEGD WORDEN.
43. Onder Si cut erat, bij het begin der Metten, komen de twee Versicularise naar het midden van het koor, om den Psalm Venite exultemus, te zeggen. Daar maken zij eerst een diepe buiging naar het altaar, wanneer het Allerheiligste in het tabernakel rust, anders slechts eene hoofdbuiging, en eene kniebuiging, als het H. Sacrament uitgesteld is. Deze bui-
DE KERKELIJKE GETIJDEN.
gingen worden telkens gemaakt, als zij vóór het altaar komen of terug gaan.
44. Zoodra liet ^eheele koor het Invitato-riuni, Regem Virginus JFilium, venite a dor emus, gezegd heeft, beginnen zij staande naast elkander met het gezicht naar het altaar, den Psal m Venite e x u 11 e m u s, en zeggen dien geheel met G1 o r i a Patri, en S i c u t er at, terwijl het koor tusschen ieder vers het Invitatorium of een gedeelte daarvan herhaalt. Na het derde vers Qu o n i a m i p s i u s, insgelijks na Gloria Patri en Sic ut er at, maken de VersicularisB een middelbare buiging naar elkander.
I\\a den psalm geëindigd te hebben, gaan zij, na de voorgeschreven buiging (43), naar hare plaats terug.
45. Terwijl het invitatorium met den psalm Venite exultemus gezegd wordt, staan de overige Zusters naar het altaar gekeerd; onder de woorden Venite ado re mus et proci-damus ante Deum knielen zij op twee knieën en onder Gloria Patri maken zij een middelbare buiging (41).
40. Op de Zondagen in den Advent, op die van af Septuagesima tot en met Palmzondag, indien op die dagen geen feest gevierd wordt, op Aschdag en Maandag, Dinsdag en Woensdag in de Goede week, zegt de Versicularia van het koor waar Chorus hangt den psalm Venite exultemus alleen , staande op hare plaats, en maakt alleen de buigingen na het vers
23
DE KEllKIiLIJKE GETIJDEN.
Quoniam ipsius est mare en na Gloria Patri.
47. In het koor, waar het Officie begonnen is, wordt de hymne ingezet door de Cantores of Ondercantores, of eene Zuster, die hare plaats vervangt; deze zegt de eerste helft der eerste strophe, de andere helft wordt door het koor, waar zij staat, voortgezet en de tweede strophe door het andere koor vervolgd.
48. De eerste psalm van ieder Uur wordt ingezet in het koor, waar liet Officie begonnen is, door de Cantoi\'es of Ondercantores of eene Zuster daartoe aangewezen. Deze Zuster zegt de eerste helft van het eerste vers, en het koor, waar zij staat, de tweede helft. Het tweede vers wordt door het andere koor gebeden en zoo wisselen beide koren elkander beurtelings af. In dat koor, waar Gloria Patri gezegd is, wordt de volgende psalm van hetzelfde Uur ingezet. Het koor, waar de psalm begint, blijft staan, het andere koor gaat zitten, zoodra de helft van het eerste vers door de Cantores of Ondercantores is ingezet; doch beide koren staan onder de drie laatste psalmen der Lauden. Psalm 62 en 66 in de Landen en ook de drie laatste psalmen der Lauden worden door één Gloria gesloten.
De lofzangen : Te Denm ]aud amus, B e-nedictus. Magnificat en Nunc dimi11is worden aangeheven in dat koor, waar het Officie is begonnen; ook onder deze lofzangen blijven beide koren staan: doch onder de eerste strophe
34
DB KEUKELIJKE GETIJDEN.
van Ave Maris stel la en onder het vers Te ergo q use sum us van den lofzang Te Deum knielen allen op twee knieën.
49. Op Aschdag en in de Goede week, op de Zondagen van den Advent en op de Zondagen van Septuagesima tot en met Palmzondag, als er op die dagen geen feest gevierd wordt, moet men Te Deum in de Metten weglaten; doch op de Zondagen van den Advent en van Septuagesima tot Palmzondag wordt daarvoor het laatste responsorium: Felix nam que tot aan het vers herhaald, (1)
ART. V.
DE ANTIPHONEN, RESPONSORIA, VERZEN EN LESSEN.
50. De antiphonen na de psalmen , na Magnificat en Ben edict us en bij de com-memoraties der Heiligen worden gezegd dooide Autiphonaria aan die zijde, waar het Uur van het Officie begonnen is. Het Sub tuum wordt door alle Zusters samen en wel geknield gebeden.
De Antiphoon ad Magnificat en ad Pene-die t u s wordt op een feest, dat t o t u m duplex is, verdubbeld, dat wil zeggen,, zij wordt
25
1
liet vers Sanctus, Sanctus, Sanctus, Do minus Deus Sa ba o tli, wordt op de volgende wijze gezegd:
Het eerste koor begint: Sanctus; liet andere koor vervolgt: Sanctus; waarna liet eerste koor liet overige van het vers zegt: Sanctus* D o m i n u s Deus S a b a o t li.
26 DE KERKELIJKE GETIJDEN.
tweemaal gezegd, eens vóór Magnificat en Be ii e d i c t u s en eens daarna.
Dit geschiedt alleen op het feest (niet onder de octaaf) in de eerste en tweede Vespers en in de Lauden.
51. T)e Antiphonaria zegt ook de responsoria na de lessen staande, terwijl de Zusters blijven zitten, die bij Gloria Patri opstaan en een middelbare buiging maken. De Antiphonaria maakt die buiging, na het geheele responsorium gezegd te hebben.
52. De verzen vóór de lessen, na de hymnen in Lauden, Vespers en Completen, de verzen in de commemoraties in de responsoria der kleine Uren en der Completen worden met een korte pauze in het midden van het vers, dooide beide Versicularise vóór het altaar gezegd (41) eii door het geheele koor beantwoord.
In de responsoria der kleine Uren en der Completen maken zij onmiddellijk na Gloria Patri een middelbare buiging naar elkander.
Op de Zondagen in den Advent en op die van af Septuagesima tot en met Palmzondag, indien op die dagen geen feest gevierd wordt en op Aschdag, worden al deze verzen en responsoria in de Metten, Lauden en de kleine Uren door de Versicularia, waar Chorus hangt, alleen gezegd, terwijl zij op hare plaats blijft staan en na Gloria Patri eene middelbare buiging maakt. Hetzelfde geschiedt in de Goede week in alle Uren van het Officie van Palmzondag af tot in de Completen van Woensdag.
DU KERKELIJKE GETIJDEN.
53. Terwijl liet koor Pater nostcr bidt, komt de Zuster, die de lessen moet lezen, in het midden van het koor; ua eene buiging gemaakt te hebben naar het Allerheiligste of het altaar, (43) wendt zij zich onder het maken van eene hoofdbuiging tot de Hebdomadaria en zegt: jube Domne bene die ere; onder deze benedictie maakt zij een middelbare buiging naar het altaar, en blijft onder het lezen der lessen naar het altaar gekeerd slaan, terwijl liet koor gezeten is. Zij sluit de les met: T u a n t e m. Do mine, miserere nostri en het koor antwoordt : Deo g r a t i a s. Onder Gloria P a t r i van het laatste responsorium maakt zij een middelbare buiging, en na vervolgens eene buiging tot het altaar gemaakt te hebben (43), keert zij naar hare plaats terug.
ART. VI.
DE COMMEMORATIES DER HEILIGEN.
54. In de Vespers en Lauden wordt dagelijks de commemoratie of memorie gehouden van den H. Vader Dominic us, van de H. Catharina van Senen, van de Heiligen der Orde, van alle Heiligen en voor den vrede, zooals in het getijdenboek is aangegeven. •
Volgens het gebruik der Conm-eo\'atie wordt
O O ^ O O
op een feestdag van een Heilige of Gelukzalige der Predikheeren-Orde een memorie van dien Heilige of Gelukzalige gehouden onmiddellijk
27
UE KERKELIJKE GETIJDEN.
na de memorie van de H. Catharina, in de eerste Vespers van elk feest en op den feestdag zelf, in de Lauden en tweede Vespers.
55. Elke memorie bestaat 1° uit een anti-phoon, die of wel aan het feest eigen is, of uit het C o m m u n e der Heiligen genomen wordt: 2° uit een vers, dat altijd is, O r a p r o n o bi s, Beate N. of Beat a N. en het antwoord Ut digni efficiamur promissionibus Christi. 3° uit eene oratie van den Heilige of Gelukzalige, wiens feest men viert.
50. In den Paaschtijd d. i. van af de eerste Vespers van Paschen tot aan de eerste Vespers van het feest der Allerheiligste Drievuldigheid, deze laatste niet mede gerekend, worden bijzondere antiphonen bij het C o m m u n e aangegeven; gedurende dien tijd voegt men Alleluia achter elke antiphoon en vers van het feest der Heiligen en Gelukzaligen, wier gedachtenis men viert. Dit moet verstaan worden alleen van de Commemoratie van de H Catharina van Senen en van dc Heiligen of Gelukzaligen der Orde, wier feest men op dien dag viert; doch bij de andere antiphonen of verzen van het Officie, of van andere commemoraties, wordt nooit Alleluia gevoegd, tenzij alleen bij de antiphoon ad Bene diet us in de Lauden en ad Magnificat in de Vespers.
57. Ook wordt gedurende de octaaf van de Heiligen (niet van de Gelukzaligen) der Predik-heeren-Orde dagelijks in de Vespers en Lauden eene memorie van dien Heilige gehouden. Men
38
DE KERKELIJKE GETIJDEN.
neemt die van den feestdag zelf van de Lauden en de tweede Vespers. Op den zevenden dag wordt echter altijd in de Yespers de Antiphoon iiit de eerste Vespers van het feest en op den achtsten dag in Je Lauden en de Vespers de antiphoon van de Lauden en de tweede Vespers van het feest gezegd.
58. Indien er meer memories gehouden worden, dan komt in de Vespers op de eerste plaats de memorie van den Heilige ot Gelukzalige, die den volgenden dag, op de tweede plaats van die op den dag zelf gevierd wordt; daarna van de octaaf of de octaven, te beginnen met de eerste. In de Lauden is altijd op de eerste plaats de memorie van den Heilige of Gelukzalige, die op dien dag gevierd wordt, daarna de memorie der octaven.
Op het feest van den H. Dominicus, van de H. Catharina van Senen en van alle Heiligen der Orde (9 Nov.) wordt hun gewone memorie weggelaten en de memorie van den feestdag gehouden.
ART. VIL
ÜE OVERIGE DEELEN VAN HET OFFJCIE.
59. Het Paternoster vóór de lessen wordt stil gebeden, onder diepe buiging tot aan E t ne nos in due as. Zich oprichtende, zegt de Hebdomadaria; Et ne nos in due as in ten-
29
DE KERKELIJKE GETIJDEN.
tationem; waarop het koor antwoordt: se cl libera nos a malo; zonder Amen.
De benedicties vóór de lessen, het vers vóór de Landen, alle kapittels, het Do mine exandi orationem meam , Ore m n s, de oraties, Bened ic amn s Domi n o bij het eindigen van ieder Uur, het A ve Ma r i a, waarmede ieder Uur begint en eindigt, worden met luide stem dooide Hebdomadaria ojezegd en door het koor
O O
beantwoord. Onder de eerste oratie in de Lauden en Vespers tot aan Per Christum en onder de oratie der kleine Uren en Completen tot aan Qui tecum maakt het koor een diepe buiging. Op Aschdag echter wordt daaronder een prostratie gemaakt in de Lauden en de kleine Uren; insgelijks tijdens de Goede week in alle Uren van het Otlicie, van af de Lauden van Maandag tot en met de None van Woensdag.
60. De Hebdomadaria staat naar het altaar gekeerd bij alles, wat zij alleen zegt, doch bij Et ne n os i n ducas in t entationem, en bij de benedicties blijft zij op de gewone wijze staan.
Wanneer zij de H.H. Namen van Jezus en Maria en dien van onzen H. Vader Dominions uitspreekt, maakt zij eene hoofdbuiging, alsook na het eindigen der verzen, kapittels, oraties enz.
01. Onder de antiphonen, verzen, kapittels, responsoria der kleine Uren, onder Do mine ex audi, Oremus, de oraties der commemo-raties in de Lauden en Vespers, B e n e d i c a m u s
30
1)E KERKELIJKE GETIJDEN.
Domino, Deo gratias, staan de Zusters op de gewone wijze in de richting door de plaatsing der banken aangegeven.
ART. quot;VIII.
HEÏ EINDIGEN VAN HET OFFICIE.
62. Wanneer na de laatste oratie Ave Maria gezegd is, en er geen ander Uur op volgt, zegt de Priorin, of bij hare afwezigheid de Suppriorin, en zoo deze ook afwezig mocht zijn, de Hebdomadaria met verstaanbare stem: Fidelium animse per misericordiani Dei requ ie scant in pace. En het geheele koor antwoordt staande: Amen. Daarna bidden de Zusters onder diepe buiging en in stilte het geheele Pater no ster. Nadat het teeken gegeven is, bidden zij geknield het Salve Regina en Pie Pater. De Cantores of Ondercantores aan de zijde, waar Chorus hangt, zegt het eerste woord S a 1 v e, waarna het overige door allen te zamen gebeden wordt. Dan staat de Hebdomadaria op, en naar het altaar gekeerd zegt zij de verzen Post par-tum: O ra pro po his : Piat p ax : D o mine e x a u d i en Ore m u s met de oraties : P r o t e g e Donline: Concede: Ecclesiae tnae enz. Na het laatste Amen wordt nog het geheele Pater noster geknield en in stilte gebeden, daarna het teeken gegeven, om heen te gaan.
31
DE KERKELIJK 10 GETIJDEN.
Aldus wordt elk Uur van liet Officie geëindigd, tenzij onmiddellijk een ander Uur volgt. In dit geval wordt na Ave M aria, wanneer het eene Uur eindigt, terstond het volgende begonnen met Deus in adjutorium. Na het laatste Uur zegt men dan: Fidel in m. Alleen de Completen maken hierop een uitzondering. Onder het Paternoster, onmiddellijk na Fid elium, wordt eene prostratie gemaakt, indien in het Uur, hetwelk geëindigd is, ook prostraties gemaakt zijn.
63. Na de Completen zegt men niet Ave Maria, maar zingt men onmiddellijk het Salve Regina, terwijl de Zusters in processie dooide Kapel trekken. Na het vers en de oratie wordt de antiphoon O lumen aangeheven, waarbij het vers en de oratie gevoegd worden. Alle Zusters, ook zij, die overigens van het koor gedispenseerd zijn, moeten deze processie bijwonen.
64. Uit bijzondere godsvrucht tot de H. Maagd, Patrones onzer 11. Orde, zal iederen Zaterdag na het Salve 11 e g i n a ook nog de Litanie der Allerheiligste Maagd met liet Proza: In viol at a gezongen worden.
65. Nadat de Zusters de Antiphoon 01 u m en geëindigd hebben en op hare plaatsen zijn teruggekeerd, zegt de Priorin, of die haar plaats vervangt: Fidelium animse, waarna allen Pater no ster en Credo voluit in stilte en onder diepe buiging bidden. Indien onder de Completen prostraties gemaakt zijn, dan worden
32
DE KE11K ELIJKE CfETIJDEN.
dit Pater n o s t e r en Credo ook in pro-stratie gebeden. Zoodra het teeken gegeven wordt, beginnen en bidden allen te gelijk, geknield en met luide stem : Sacrosanctae, waarna de Priorin of die hare plaats vervangt, zegt: Beata viscera Mariae Virginis, quae porta-verunt aeterni Patris Filium, en het koor antwoordt: Et beata ub era, quae lactaverunt Christum Dominum. Ten slotte bidt men nog in stilte een Pater No stelen Ave Maria voor den Paus en de H. Kerk. Hiermede is liet officie geëindigd.
AET. IX.
HET IN- EN UITGAAN VAN HET »KOOR.
66. Tusschen de twee teekens, die met de bel gegeven worden, of ten minste bij het begin van het tweede teeken , begeven de Zusters zich naar het koor, en gaan, na de voorgeschreven buiging (n. 43) gemaakt te hebben, op hare plaatsen nederknielen. Komt eene Zuster in het koor als het Otticie reeds begonnen is, dan knielt zij op haar plaats een oogenbhk neder, en vervolgt de getijden met de Zusters. Komt zij in het koor, als er juist een buiging gemaakt wordt, dan maakt zij ook die buiging mede en gaat dan naar hare plaats.
Indien Gloria Patri na den eersten psalm gezegd is, moet zij eerst in het midden van
3
33
DE KEUKELIJKE GETIJDEN.
het koor eene prostratie maken, totdat het teeken gegeven wordt om op te staan.
(57. Wanneer de Zusters samen uit het koor gaan , zoo ook uit het kapittel en \'s avonds uit den refter, en verder altijd, als zij niet processie-gewijze uittrekken, dan gaat eerst de Priorin, daarna de overige Zusters, volgens de aangegeven orde; daarentegen gaan de jongste voorop, als zij in processie trekken, b. v. als zij na tafel uit den refter naar de Kapel gaan.
Het is een godvruchtige gewoonte bij het in- of uitgaan van het koor, rnet wijwater een kruisteeken te maken.
68. Van Paschen tot Allerheiligen wordt de mantel binnen het klooster of in het koor niet gedragen, behalve bij de H. Communie. Des winters, cU i. van Allerheiligen tot Paschen, moeten de Zusters den mantel dragen in het koor en mogen dien ook elders gebruiken, behalve in den refter, (n. 181 en 188.)
34
DERDE H O O F D S T U K.
VKRSCHILLENDE BEDIENINGEN.
AET. I.
U E CAN T O M E S.
69. De Priorin stelt eene Cantores en Onder-cantores aan.
De voornaamste verplichting der Cantores is te zorgen, dat het Officie behoorlijk gezegd wordt, dat de zang en de rubrieken nauwkeurig worden uitgevoerd. Zij dient dus alles Ie voren na te zien, de Zusters te onderrichten, de onzekere punten, in overleg met de Priorin, te bepalen, opdat alles geregeld en zonder verwarring verricht worde.
Zij wijst te voren de Zusters aan voor de verschillende bedieningen, die er geregeld of hij bijzondere plechtigheden waargenomen moeten worden.
Iedere week maakt zij een lijstje (tabella), met de namen der Zusters, die de volgende week een officie in het koor hebben. Zij gaat hierin zonder aanzien van personen, naar een
VEUSCHILLENDE BEBIENINGEN.
zekere orde te werk, van welke orde zij echter om goede redenen in een bijzonder geval kan afwijken.
Tot Hebdomadaria en Lectrix Chori (Lezeres in \'t koor) benoemt zij alle Zusters, die niet uitgezonderd zijn in n. 74, van de oudste af te beginnen.
Tot Antiplionaria en Versicularia benoemt zij de jongere Zusters, behalve die in n. 74 zijn uitgezonderd, ook de Novicen, zoodra zij genoegzaam onderricht zijn in de rubrieken. Te beginnen bij de oudste volgt zij de orde dei-professie in \'t aanwijzen der Antiplionaria; tot Versicularia benoemt zij eene Zuster uit ieder koor, ook te beginnen bij de oudsten; diegene welke zit aan dien kant, waar Chorus hangt, is eerste Versicularia.
Deze tabe 11 a wordt eiken Zaterdag-middag in den refter afgelezen.
Men kan haar op de volgende wijze inrichten :
Hebdomadaria........Zuster N.
Lectrix Ckori........Zuster N.
Antiphouaria........Zuster N.
Ie Versicularia........Zuster N.
3G
2e Versicularia........Zuster N.
Vóór de feestdagen, waarop buitengewone plechtigheden plaats hebben, b. v. processie, of wanneer de HH. Sacramenten der stervenden moeten worden toegediend, draagt zij zorg, de Zusters en vooral haar, die een officie moeten waarnemen, bij tijds te waarschuwen en te onderrichten.
ViSRSCHILLENDE BEDIENINGEN.
De koorboeken worden door haar bewaard en in orde gebonden, en bij de godsdienstoefeningen rondgedeeld. Zij moet toezien, dat het bordje, waarop Chorns staat, iedere week des Zaterdags vóór de Vespers op zijn plaats gehangen wordt (n. 4). De plaats der Cantores is in het rechterkoor, die der Ondercantores in het linker.
70. Wanneer een fout tegen de rubriek begaan wordt, of wanneer men te snel of te langzaam of niet gelijk koreert of zingt, dan behoort in de eerste plaats de Cantores, en bij hare afwezigheid de Ondercantores dit te verbeteren. De Ondercantores is in alles ondergeschikt aan de Cantores; wanneer de Cantores in het koor aanwezig is, behoeft de Ondercantores slechts toe te zien, dat in het linkerkoor geen fouten begaan worden.
71. Over het officie der Cantores en Ondercantores wordt bij de behandeling der verschillende plechtigheden in het bijzonder gesproken; zie b. v. over het intoneeren der hymnen, psalmen en cantica n. 40, 47 en 48; over het zingen onder de H. Mis n. 87—96; over de gebeden vóór en na den maaltijd n. 101—107.
In het algemeen valt hier nog op te merken, dat, zoo dikwijls beide Cantoressen te zamen moeten zingen of intoneeren, zij in het midden van het koor staan, met het gezicht naar het altaar gekeerd: doch wanneer het zingen of intoneeren door één van beiden geschiedt, blijven zij op hare plaats in de koorbanken staan.
37
S8 VERSCHILLENDE BEDIENINGEN.
Wanneer het geheele koor zit, b. v. in het Officie der overledenen, behoeft de Cantores of de Ondercantores niet op te staan om te into-neeren.
ART. II.
DE ZUSTER, DIE VOORZIT IN HET KOOR.
72. De eerste plaats in het koor en bij andere oefeningen der Communiteit behoort aan de Priorin, en bij hare afwezigheid aan de Snp-priorin. Zijn deze beiden afwezig, dan wordt alles wat aan de Priorin toekomt, door de Hebdomadaria verricht. In geval de Priorin en de Suppriorin beiden uit het huis afwezig zijn, (zie Constitutiën n. 360) worden de functies der Priorin waargenomen door de Vicaria; de Hebdomadaria zegt dan slechts het Fidelium animae bij het eindigen van het Officie.
De Vicaria en Hebdomadaria veranderen echter in dit geval niet van plaats, doch blijven op de plaats, die haar volgens de orde van professie toekomt. Eene uitzondering maakt hierop de Vicaria, wanneer zij tijdens de afwezigheid der Priorin en Suppriorin het kapittel der fouten moet honden.
73. De Zuster, die voorzit heeft het volgende te doen:
VERSCHILLENDE BEDIENINGEN.
lo. Zoodra het tweede tecken gegeven is, begint zij de antiplioon: O sacrum, waarna de anderen meebidden. Zij zegt het vers ; Panem de ooelo en de oratie. Op dezeli\'de wijze begint zij A p e r i enDomine in union e.
2o. Zij geeft een teekeu om het Officie te beginnen.
3o. Bij het eindigen van het Officie zegt zij E i d e 1 i u m.
4o. Zij geeft het teeken van opstaan voor de Zusters, die in het koor, den refter of het kapittel eene prostratie moeten maken. Zij geeft het teeken na Pater N o s t c r om het Salve Regina te beginnen en ten laatste na het einde der gebeden, om gezamenlijk uit het koor weg te gaan.
5o. Zij bidt het voorbereidend- en het dankgebed vóór en na de meditatie.
60. In het kapittel der fouten zegt zij, eene hoofdbuiging makend : B e n e d i c i t e eu rechtopstaande het gebed ; B, e t r i b u e r e.
7o. Zij zegt; Adiutoriumop het einde van het kapittel en de collatie.
80. Zij bidt den psalm De profundis vóór tafel beurtelings met de andere Zusters, en eindelijk geeft zij in den refter de verschillende teekens, die daar gegeven moeten worden.
Nooit zal echter door de Vicaria of Hebdo-madaria tot liet geven der teekens vóór en na tafel de bel mogen gebruikt worden; dit is alleen aan de Priorin en in hare afwezigheid aan de Suppriorin voorbehouden.
ART. III.
DE I1EBDOMADA1UA.
74. Al de geprofeste Koorzusters moeten op hare beurt van de oudste af het Officie van Hebdomadaria waarnemen, behalve de Priorin,
39
VEBSCHILLENDE BEDIENINGEN.
de Suppriorin, de Novicen meesteres, de Can-tores en Ondercantores, en die wegens ouderdom of zwakte door de Priorin gedispenseerd zijn.
Het officie der Hebdomadaria begint \'s Zaterdags met de Vespers en eindigt den volgenden Zaterdag na de None.
De Hebdomadaria staat bij de Metten, Lauden en Vespers altijd in het rechterkoor, uitgezonderd op Aschdag, op de Zondagen van af Septuagesima tot en met. Palmzondag, op de Zondagen van den Advent en in de Goede week; dan staat zij, even als altijd bij de overige Uren van het Officie en bij het geheele Officie der overledenen, aan dien kant, waar Chorus hangt. Hierheen begeeft zij zich ook na de Metten en Vespers om de gebeden na het Salve Regina te bidden, die altijd aan die zijde, waar Chorus hangt, moeten gezegd worden.
75. Tot haar officie behoort :
lo. Na liet teeken, gegeven door de Priorin of de Zuster, die voorzit, het Officie te beginnen met Ave Maria, gratia plena, D o m i n u s teeum; Converte nos;DeusinadJnto-r i u m.
2o. Na het Pater n o s t e r, dat stil gebeden wordt vóór de lessen in het Officie der H. Maagd en der overledenen met luide stem te zeggen: E t n e n o s i n d u c a s.
3o. De benedictie te geven vóór de lessen en overal elders, -waar J u b e D o m n e gezegd wordt.
4o. Het vers te zeggen vóór de Lauden.
5a. De kapittels te lezen.
6o. Te zeggen D o m i n e e x a u d i o r a t i-o ii e m in e a m ; Ore m u s en de oratie of de oraties; daarna weder: Domiue exaudi; Pene-
40
VERSCHILLENDE BEDIENINGEN.
dicamus Domino; Ave Maria; of Re-quiesoant in pace in het Officie der overledenen.
7o. Bij hot einde der Uren de gebeden te bidden na Salve Regina; na de Completen de oratie te zingen, die dagelijks na Salve Regina en O lumen gezongen wordt, en des Zaterdags de oratie, die volgt na de Litanie der H. Maagd acliter het proza Invi olata.
So. De Zusters met wijwater te besproeien onder de processie na de Completen, terwijl zij geknield E j a Ergo zingen.
9o. De gebeden te zeggen bij het kapittel der fouten.
lOo. De tafel te zegenen en de verzen en gebeden zeggen vóór en na den maaltijd.
Ho. Eindelijk alle andere gebeden te bidden in gemeenschappelijke bijeenkomsten of oefeningen, tenzij er door de Overste eene andere voor aangewezen is.
76. De Hebdomadaria staat recht op hare plaats bij alles , wat zij als zoodanig alleen zegt of zingt, tenzij het tegendeel uitdrukkelijk wordt voorgeschreven. Zoodra zij geëindigd heeft, maakt zij eene hoofdbuiging.
De Hebdomadaria wendt zich naar het altaar, doch buiten het koor naar het kruisbeeld, onder het Ave Maria vóór en na de Uren; onder Concede nos; Domine labia mea; Deus i n a d j u t o r i u m; onder het lezen der kapittels; ondèr de oraties, zoowel in en na, als buiten het Officie; onder Dom ine ex audi en Bene dicamus Domino. Insgelijks bij de gebeden vóór en na tafel, behalve onder Mensae coelestis en Ad c o e n a m; ook wanneer zij na de collatie Adjutorium moet zeggen; bij het vers vóór de Lauden, het Requ i es ca n t in pace na het Officie der
41
VEESCHILLENDE BEDIENINGEN.
overledenen ; bij de verzen en oraties, waarmede de Uren gesloten worden.
De Hebdomadaria staat rechtop naar het tegenovergestelde koor, of in de richting der koorbanken, wanneer zij zegt; Et ne nos in-ducas; onder de benedictie vóór de lessen; in den refter bij Mensae coelestis, bij Ad c o e n a m ; en bij L a r g i t o r o m n i u m b o n o-rum vóór de collatie; in het kapittel der fouten onder de verzen en oraties; ook wanneer zij bij afwezigheid der Priorin en Suppriorin F i d e 1 i u m m oet zeggen.
Bij al het andere staat of zit zij even als de andere Zusters.
ART. IV.
DE ZUSTER, DIE HET OFFICIE VERRICHT.
77. Tot meerdere plechtigheid is het de gewoonte, dat de Priorin zelve of een andere Zuster op hoogere feesten het officie der Hebdomadaria •gedeeltelijk waarneemt, of met andere woorden, het Officie verricht.
Volgens gebruik wordt het Officie verricht door:
a. De Algemeene Overste, of bij hare afwezigheid door de Priorin, op de volgende feesten:
42
|
1. Kerstmis. 2. Driekoningen. 3. Lichtmis. 4. H. Thomas vau Aquine. |
5. H. Joseph. 6. Pasoheii. 7. H. Catharina van Senen. 8. O. H. Hemelvaart. |
VERSCHILLENDE BEDIENINGEN.
43
|
9. Pinksteren. 10. H. Sacramentsdag. 11. H. Vader Dominieus. 13. Maria\'s Hemelvaart. |
13. Maria\'s Geboorte. 14. Allerh. Rozenkrans. 15. Allerzielendag. 16. Onbevlekte Ontvangenis. |
En in het Officie der overledenen bij de begrafenis eener Zuster.
b. De Priorin, of bij hare afwezigheid dooide Suppriorin, op de volgende feesten:
1. 21\'e Kerstdag.
2. 240 Paasobdag.
3. 2lt;i0 Pinksterdag.
4. H. Drievuldigheid.
5. H. H. Petrus en Paulus.
6. Patroonheilige der stad.
7. H. Franeiscus v. Assisie.
10. H. Catharina v. Rieci.
11. 11. Vineentius Ferrerius.
12. H. Agnes de MoutePol.
13. H. Petrus van Veroua.
14. H. Pius V.
15. H. Antoninus.
16. H. Joannes van Gorcum.
17. H. Hyacinthus. 13. H. Rosa de Lima.
8. Allerheiligen.
•J. H. Raymundus.
c. De Suppriorin (of hij hare afwezigheid dooide Hebdomadaria, Op de volgende feesten:
|
17. H. Laurentius. 18. H. Joachim. 19. H. Aartsengel Michael. 20. H. Catharina, Mart. 21. H. Engclbevaarders. 22. HH. OnnoozeleKinderen. 23. H. Thomas, Apostel. 24. 11. Matbias , , 25. HH. Philipp. en Jacobus. 26. H. Matheus. 27. H. Simon en Judas. 28. H. Jacobus. 39. H. Bartbolomeus. 30. H. Andréas. 31. H. Joannes Evangelist. |
Translatie van den H. Thomas van Aquine.
» « if H. Catharina van Senen.
« « « H. Petrus van Verona.
» quot; « H. Vader Domiuieus.
1
Besnijdenis des Heeren.
2. H. Naam Jezus.
3. Feest van het H. Hart.
4. 3de Paasobdag.
5. 3de Pinksterdag.
6. Kruisverheffing.
7. Verloving der H. Maagd.
8. O. L. V. Boodschap.
9. Zeven smarten v. Maria.
10. Bezoeking der 11. Maagd.
VERSCHILLENDE BEDIENINGEN.
Door de Novicenmeestercs op het feest van den H. Ludovicus Bertr.
Door de Sacristine op het feest van Kerkwijding.
Door de Syndica op het feest van den H. Martinus van Tours.
De Priorin kan echter hierin verandering maken, en door een andere Zuster het Officie laten verrichten, vooral door een ieder op het feest van haar Patroonheilige.
78. De Zuster, die het Officie verricht, zegt in de le en 2e Vespers en in de Metten en Lauden van het feest alles, wat anders door de Hebdomadaria gezegd wordt. De verzen en de oraties na Salve Regina, waarmede het koor eindigt, worden echter, zooals gewoonlijk, door de tlebdoinadaria gebeden.
Ook neemt zij het Officie der Hebdomadaria waar bij de tafelgebeden, doch alleen des middags. Het vers en de oratie na de antiphoou R e c o r d a r e of na Regina c o e 1 i worden altijd door de Hebdomadaria gezegd.
AET. V.
J)E VERSICULARIAE , ANTIl\'HONARIA , LECTRIX CIIORI, ACOLIETEN EN CRÜCIFERARIA.
79. Welke Zusters tot het officie van Ver-sicularia, Antiphonaria en Lectrix Chori benoemd worden is reeds gezegd in n. 09.
44
V EIISC HILL EN D E BEDIENINGEN.
Uc Versiculariae zijn die twee Zusters, die worden aangewezen om den psalm V e n i t e ex nit emus, de verzen en de responsoria der kleine Uren en der Completen te zeggen. Hare plaats is in de eerste bank van ieder koor vooraan.
Haar officie is reeds vroeger beschreven in n. 43, 44, 46 en 52.
Ook moet de le Versicularia, dat is, die welke aan dien kant staat, waar Chorus hangt, in het Officium defunct or urn, alleen, staande op hare plaats, de verzen vóór de lessen zeggen, behalve op Allerzielendag; dan worden die verzen door beide Versiculariae in \'t midden van het koor o-ezeaxl.
De Ie Versicularia zegt ook iederen dag in den refter vóór de gebeden die het middag- en avondmaal voorafgaan (ante prandiuvn en ante coenam), zoodra het teeken door de Priorin of de Zuster, die voorzit, gegeven is; Bene-dicite. Terwijl zij Benedicite zegt, staat zij in \'t midden van den refter met het gezicht naar het kruisbeeld, en keert vervolgens, na ecne hoofdbuiging, op hare plaats terug. Het Bene die ite vóór de collatie op vastendagen wordt door de Lezeres van den refter gezegd.
80. De Antiphonaria staat altijd aan dien kant van het koor, waar het Officie begint. Wat zij te zeggen heeft in het officie is aangegeven in n. 50 en 51. In de getijden der overledenen worden alle antiphonen en responsoria door het geheele koor gezamenlijk gezegd.
81. De Lectrix Chori of Lezeres van het
45
VEUSCHILLEUDE BEDIENINGEN.
koor vervult haar officie zooals gezegd is inn. 53.
In het Officium defunctorum leest zij de lessen op dezelfde wijze, als in het Officie der H. Maagd. Zij komt onder het bidden van het Pater n o s t e r in het midden van het koor, maakt daar de gewone buiging (n. 43) en zoodra het koor geantwoord heeft : Sed libera n os a malo, en allen gezeten zijn, begint zij, zonder vooraf den zegen te vragen, onmiddellijk de les te lezen. Zij eindigt de lessen zonder Tu au tem, Do mine, miserere nostri. Wanneer na elke les het geheele koor het responsorium gezegd heeft, zegt de Lezeres alleen, nog in het midden van het koor staande, het vers van het responsorium, waarop het geheele koor met de repetitie antwoordt. Dit geschiedt bij al de lessen van de drie nocturnen. Nadat het koor de repetitie van het 3e en Gc responsorium heeft gezegd, keert zij telkens na de voorgeschreven buiging (n. 43) naar hare plaats terug. Bij het 9e responsorium zegt zij de drie verzen: Dies i 11 a, Tremens en Creator, en keert niet dan na de laatste repetitie op hare plaats terug.
In de Metten van Ascli-Woensdag, van Maandag, Dinsdag en Woensdag in de Goede week, maakt zij na de derde les, voordat zij naar hare plaats terugkeert, niet de gewone buiging, maar eene prostra tie.
82. Acolieten noemt men die Zusters, welke aangewezen zijn, om in de processies voorop te gaan met een kandelaar en brandende kaars in
46
VERSCHILLENDE BEDIENINGEN.
de hand. Zij zingen ook de verzen, die in de processie moeten gezongen worden. Dit officie kan het geschikste door de beide Versiculariae waargenomen worden.
83. De Cruciferaria is de Zuster, die in de processie een kruis draagt. Zij gaat voorop tusschen de twee Acolieten en maakt, wanneer zij het kruis draagt geene buigingen dan alleen met het hoofd. Waar de processie stil staat, wendt zij zich even als de Acolieten met het gezicht naar de Communiteit.
ART. VI.
DE SACRISTI N E.
84. Het officie van Sacristine wordt altijd aan eene Koorzuster toevertrouwd. Zij zorgt voort alle sieraden en voorwerpen, die tot de sacristie, de Kapel en het koor behooren, uitgezonderd de koorboeken, (n. 09.) De Sacristine heeft algemeen verlof, om de H. Vaten en gewijde voorwerpen aan te raken, zooals den kelk, de pateen, ciborie, luna, den pallas, corporale en de kelkdoekjes.
Zij wascht de corporaals, pallassen en kelkdoekjes , nadat zij eerst door een Priester gewasschen zijn ; dan mogen ook andere Zusters ze aanraken.
Zij moet de kaarsen, volgens het getal dooide rubrieken bepaald, op tijd aansteken en
47
VEliSCIlILLENDE BE DIENINGEN.
uitdooven. Zij zorgt dat de godslamp steeds brandt en op tijd schoon gemaakt wordt. Zij behoort het wij watersbakje iedere week te reinigen en van versch wijwater te voorzien. Zij moet de Kapel zindelijk honden en het altaar naar gelang der feesten versieren.
85. Vooral ten opzichte van het H. Sacrificie moet zij de grootste zorg aanwenden, dat er altijd hosties, zuivere wijn, helder water aanwezig zijn, en al datgene, wat er voor den H. Dienst vereischt wordt. Zij berekent het getal hosties, die er geconsacreerd moeten worden, opdat zij in den regel niet langer dan eene week in de ciborie blijven.
De sleutels van het tabernakel, van de Kapel en het kastje, waarin de H. Olie bewaard wordt, moeten niet bij haar, maar bij den Priester of Rector der Kapel bernsten.
8G. Zij moet een inventaris hebben van alle goederen, behoorende tot de Kapel en de sacristie; daarin teekent zij alle nieuwe sieraden op, die er bijkomen, met vermelding van den naam van den gever, zoo zij ten geschenke gegeven zijn. Eveneens teekent zij de namen op der weldoeners van de Kapel.
Ook teekent zij op den naam, leeftijd, professie-en sterfdag van overledene Zusters, alsmede de plaats, waar zij begraven zijn.
Het geld, dat zij ontvangt, moet zij voor de Priorin en het Concilie verantwoorden, en mag niets uitgeven, zonder toestemming dei-Priorin. Zij geeft het teeken voor het koor.
48
VERSCHILLENDE BEDIENINGEN.
de PI. Mis en andere godsdienstige oefeningen.
/00 het noodig is kan de Priorin eene Koor-of VVerkzuster als Ondersacristine aanstellen, om haar behulpzaam te zijn.
Wanneer er geen misdienaar is, zet zij wijn en water op het altaar, of op een tafeltje ter hoogte van het altaar. De Priester bedient zich zelf en eene Zuster antwoordt hem dan in de verte.
49
VIERDE HOOFDSTUK. verschillende; oefeningen der
communiteit.
ART. I.
DE GEZONGEN H. MI S.
87. Eenige algemeene bemerkingen mogen hier voorafgaan.
De gewoonte bestaat thans om den kerkelijken zang, voor zoover die door het koor, niet door den Priester of de assistenten wordt uitgevoerd, met het orgel te begeleiden. Hierover zegt het Provinciaal Bisschoppelijk Concilie van Utrecht het volgende:
„Naar de vermaning van het Caeremoniale Episcoponm /. 1. c. 28 mag het orgelspel de stemmen der zangers niet onderdrukken. Het moet deftig zijn in maat en tempo, kuiscb in melodie, geheel en al vrij van alle ijdel kunst-vertoon , en eindelijk volkomen overeenstemmend met de godsdienstoefening, die gehouden wordt.\'
Volgens de algemeene wetten der Kerk zijn er echter eenige gevallen, waarin het orgelspel
VEKSCHILLÜNÜE OEFENINGEN DER COMMUNITEIT. 51
niet is toegelaten. (Zie n. 35). Ook onder alle Requiem-Missen is liet orgelspel verboden, tenzij een tegenovergestelde gewoonte bestaat.
88. Mag het orgel bespeeld worden, clan mag men in het koor eenige gedeelten dei-gezangen van de H. Mis door het orgel laten aanvullen. Hetgeen echter door het orgelspel wordt aangevuld of vervangen, en dus floor het koor niet gezongen behoeft te worden, mag men daarom niet weglaten; dat moet door de Cantores of een andere Zuster, of ook wel door meerdere Zusters te gelijk, met duidelijke stem gereciteerd of gelezen worden. Bij ieder gezang, waarvan slechts een gedeelte mag gereciteerd worden, moet men altoos zingen het eerste vers, het laatste vers en die verzen, waaronder men een of andere buiging moet maken.
üe deelen der H. Mis, die op genoemde wijze door het orgelspel vervangen en door de Cantores gereciteerd mogen worden, zijn: de herhaling van den introitus of het officium; het tweede K y r i e, het eerste en derde C h r i s t e en het voorlaatste Kyrie; eenige verzen van het Gloria in excel sis, (n. 90); het graduale of responsorium, tie tractus, het Alleluia met bijbehoorend vers na den Epistel; het geheele offertorium; de woorden : p 1 e n i sunt c o e 1 i e 11 e r r a gloria t u a van liet S a n c t u s; het tweede Agnus Dei en de geheele coni-munio.
Alles wat door het orgel niet mag vervangen of aangevuld worden, moet door het koor in
52 VERSCHILLENDE OEFENINGEN DEIi. COMMUNITEIT.
zijn geheel gezongen worden. Moet dns liet orgel volgens de voorschriften der Kerk zwijgen , dan moet eigenlijk alles, zonder uitzondering, door het koor gezongen worden.
De bemerking, door den schrijver van het werkje: Beyels voor den koorzang gemaakt, ver-lieze men hier niet uit het oog. wIn sommige kerken en ook in sommige kloosters, waar men de liturgisch-mnzikale wetten van de Kerk stipt in acht neemt, reciteert men dikwijls eenige verzen van lange gradualen en tractnssen óók op dagen, waarop het orgel niet mag gespeeld worden. Het is ztïker beter, en meer in den geest der Kerk, in zulke gevallen eenige verzen te reciteeren dan ze weg te laten.quot;
Wanneer de H. Mis gezongen wordt door een Pater der Dominicaner-orde, dan zingt men alles, zooals in de zangboeken der Dominicanen wordt aangegeven; wordt zij ecliter gezongen door een anderen Priester, dan moeten de veranderlijke deelen der H. Mis: introïtus, graduale, tractus en Alleluia na den Epistel, offertorium en communio gezongen worden uit het Graduale Romanurn.
Het aanheffen (intoneeren) der gezangen in de H. Mis geschiedt op feestdagen, die als duplex of hooger gevierd worden, door de twee Cantoressen , die in het midden van het koor voor een lessenaar staan, waarna het geheele koor het gezang voortzet; de gezangen echter, die beurtelings door de beide koren gezongen worden , namelijk Kyrie, Gloria, S a n c t u s en
VJillSCHILLENDE OEFENINGEN DER COMMUNITEIT. 53
Agnus Dei worden eerst voortgezet door het rechter-, daarna door het linkerkoor, en zoo vervolgens; doch worden zij niet geheel gezongen , maar gedeeltelijk gereciteerd, dan wordt alles, wat gezongen wordt, door het geheele koor gezongen. Op Zondagen echter, waarop geen feest gevierd wordt, en op alle feesten, die minder dan duplex zijn, worden de gezangen aangeheven door de eene Cantores, van dien kant, waar Chorus hangt, en alsdan blijft zij op hare plaats staan; ook wordt op die dagen het Kyrie, Gloria, S a n c t u s en Agnus Dei, in geval zij geheel gezongen worden, eerst voortgezet door de Zusters van dien kant, waar Chorus hangt en daarna door het andere koor.
89. Des Zondags vóór de gezongen Mis, zingt men in het koor de antiphoon Asperges m e, die door de Cantores (n. 88) wordt aangeheven. De Cantores (n. 88) zingt het vers Miserere en Gloria Patri en het koor antwoordt: Et secundum en Si cut er at. Daarna wordt de antiphoon Asperges- me weder aangeheven en herhaald tot aan het vers. Deze herhaling moet altijd gezongen worden. Op Passie- en Palmzondag wordt het Gloria Patri vervangen door een tweede vers.
Gedurende den Paaschtijd wordt in plaats van Asperges m e gezongen: V i d i a q u a m, waarvan na Gloria Patri alleen het tweede gedeelte: E t o in nes herhaald wordt. Op Paasch-dag wordt hierbij het vers llaec dies; op
54 VEKSCHILLENDE OEFENINGEN DEE COMMUNITEIT.
Pinksterdag Emitte, op de andere Zondagen Confitemini gezongen.
De Znsters staan met het aangezicht naar elkander en maken eene hoofdbuiging en een krnisteeken, terwijl zij met wijwater besproeid worden. Onder Gloria Patri maken zij een middelbare buiging. De Zusters, die Gloria Patri voorzingen, blijven recht staan, doch onmiddellijk na Gloria Patri maken zij een middelbare buiging naar elkander toe. Wanneer een Cantores alleen voorzingt, doet zij dit ook rechtstaande, en maakt daarna op hare plaats een middelbare buiging. Na het Asperges me keeren de Zusters zich naar het altaar en antwoorden den Priester.
Volgens den Romeinschen ritus wordt het Asperges me door den Priester aan het altaar aangeheven. Gloria Patri wordt ook op Passie- en Palmzondag weggelaten, en na het vers Miserere wordt dan onmiddellijk A s]) er ges me herhaald. In den Paaschtijd wordt volgens den Romeinschen ritus Vidi aquam herhaald van het begin tot aan het vers en wordt van Paschen tot en met Pinksteren altijd het vers Confitemini gezongen.
(J0. Voordat de Priester aan het altaar komt, begint men den introitus of het officium te zingen. Volgens den Romeinschen ritus mag men echter den introitus niet beginnen vóór dat de Priester aan het altaar is en de H. Mis begint.
De introitus wordt op dezelfde wijze gezongen
VERSCHILLENDE OEFENINGEN DER COMMUNITEIT. 55
als het Asperges me. De Zusters staan naar elkander gekeerd en buigen bij Gloria Patri, gelijk in n. 89 gezegd is.
Op Passie- en Palmzondag en in de Goede week wordt Gloria Patri weggelaten en onmiddellijk na het vers het officium herhaald. De herhaling van het officium kan ook gereciteerd worden.
Het Kyrie wordt geïntoneerd en geheel of gedeeltelijk gezongen, zooals in n. 88 gezegd is. De Zusters blijven staan gelijk bij den introitus.
Terwijl de Priester het Gloria in excel sis aanheft, wendt zich het koor in de richting van het altaar, daarna staat het zooals vroeger; en het rechterkoor of wel het koor, waar Chorus hangt, volgens hetgeen in n. 88 gezegd is, begint het eerste vers; het andere koor zingt het tweede vers en zoo, afwisselend, ten einde toe.
Eenige verzen van het Gloria mogen echter gereciteerd worden en wel in dezer voege: onmiddellijk na de intonatie van den Priester zingt het geheele koor het eerste vers; het volgend vers wordt gereciteerd, en zoo wisselt men af, tot men aan een vers komt, waarbij men een buiging moet maken; zoo dikwijls men zulk vers ontmoet, zingt men het geheel, ook al is het onmiddellijk voorafgaande vers gezongen; het volgende reciteert men, en zoo wisselt men weer af. Het laatste wordt altijd gezongen, al zou ook het voorlaatste gezongen zijn.
91. Bij Dominus vo bis cum keeren zich allen naar het altaar en antwoorden: Et cum
56 VBESCHILLENDE OEFUNINGEN DER COMMUNITEIT.
spiritu tuo. Bij de eerste oratie keeren zij zich naar elkander en maken een diepe buiging, tot aan qui tecum of qui v i v i s; worden er meer oraties gezongen, dan keeren zij zich na de eerste oratie terstond weer naar het altaar, tot zij het laatste A m e n geantwoord hebben en gaan dan op hare plaats zitten. Mochten in de oraties, die na de eerste nog gezongen worden , de namen van Jezus, Maria of Dominicus voorkomen, dan keeren de Zusters, om de middelbare buiging te maken (n. 1.23) zich naar elkander toe.
Op Aschdag, op Maandag, Dinsdag en Woensdag in de Goede week wordt, in plaats van de diepe buiging, onder de eerste oratie een prostratie gemaakt, (n. 128).
Zoo dikwijls er hier of in \'t vervolg van zitten gesproken wordt, dan veronderstelt men, dat het Allerheiligste niet is uitgesteld; in \'t geval het Allerheiligste zou uitgesteld zijn, moeten de Zusters knielen, waar zij anders zouden zitten.
Onder den Epistel blijven zij zitten.
Van Drievuldigheids-Zondag tot Zaterdag voor Septuagesima wordt na den Epistel gezongen een responsorium of graduale met vers, dan tweemaal Alleluia niet vers, waarna Alleluia eenmaal herhaald wordt.
Van Zondag Septuagesima tot Paschen worden de Alleluia\'s met bijbehoorend vers weggelaten en in plaats daarvan wordt een tractus gezongen, die uit meerdere verzen bestaat.
Gedurende den Paaschtijd worden gezongen
VERSCHILLENDE OEFKNINGEN DEE COMMUNITEIT. 57
twee Alleluia\'s met een vers, een derde Alleluia met een tweede vers en daarna een vierde Alleluia.
Dit alles kan echter ook gelezen of gereciteerd worden op dagen, waarop men het orgel mag spelen. Op andere dagen moet eigenlijk alles worden gezongen, doch omdat dit ter oorzake van verschillende omstandigheden dikwijls als door de Zusters onuitvoerbaar kan beschouwd worden, moet men hier vooral de bemerking, in n. 88 gemaakt, niet uit het oog verliezen.
92. Hier volgt de wijze hoe die zangstukken na den Epistel, op Zondagen en op feesten, die ten minste den rang van simplex hebben, moeten gezongen worden. De dagen en feesten van minderen rang blijven hier buiten aanmerking.
( cm Drievtddiglieids-Zonday tot en met Zaterdag vóór Septuagesima:
Onmiddellijk na den Epistel heffen de twee Cantoressen het responsorium aan tot aan de dubbele streep; het koor vervolgt tot aan het vers. Het vers wordt door de twee Cantoressen begonnen en voortgezet tot aan de dubbele streep, waarna het vers door het geheele koor voleindigd wordt
Het Alleluia wordt door twee Zusters (1) aangeheven tot de dubbele streep, waarna het koor datzelfde Alleluia herhaalt, doch met bijvoeging van de neuma, dat is, de reeks
1
Op feesten, die duplex of van hoogeren rang zijn, kan liet Alleluia niet hetgeen volgt door vier Zusters gezongen worden.
58 VERSCHILLENDE OEFENINGEiS\' DER COMMUNITEIT.
noten op de laatste lettergreep. De voorzangeressen heffen vervolgens het vers aan tot aan de dubbele streep, waarna het koor voortgaat. Eindelijk herhalen de twee of vier Zusters het Alleluia tot aan de dubbele streep, waarbij het koor, zonder herhaling van het woord Alleluia, alleen de neuma voegt. Dit laatste Alleluia wordt echter weggelaten, wanneer er een Sequentia volgt; deze wordt onmiddellijk na het laatste vers gezongen en Alleluia volgt dan na de Sequentia, in den toon der Sequentia en zonder neuma.
Van Zonday Septmyesima tot en met Witten Donder day:
Het responsorium met bijbehoorend vers wordt gezongen zooals hiervoor gezegd is. De tractus wordt altijd in \'t midden van \'t koor gezongen door vier Zusters, die twee en twee beurtelings de verzen zingen tot aan de dubbele streep in \'t laatste vers, waar het koor invalt en het vers voleindigt. Op den tweeden Zondag van de Vasten zijn er twee tractussen, en wordt de eerste gezongen beurtelings door de beide koren.
Gedurende den PaascJdijd:
Twee Zusters heffen Alleluia aan tot aan de dubbele streep, waarop het koor dat Alleluia herhaalt, nu met bijvoeging van de neuma. Het daaropvolgend vers wordt door de twee Zusters aangeheven en na de dubbele streep door het koor voortgezet. Het derde Alleluia wordt door twee of vier Zusters gezongen tot
O O
aan de neuma. waarna de neuma, zonder her-
VEESCIIILLENDB OEFENINGEN DER COMMUNITEIT. 59
haling van Alleluia er door het hoor wordt bijgevoegd. Het nu volgend vers wordt door dezelfde Zusters aangeheven en door het koor na de dubbele streep voortgezet, waarop de voorzangeressen nog eens Alleluia zingen zonder nenma, welke neuma door het koor ten einde toe gezongen wordt.
93. Wanneer na den Epistel alles gelezen wordt, blijft het geheele koor zitten; indien er woorden in voorkomen waarbij men knielen moet, dan staat het koor even vóór die woorden op, knielt en gaat weder zitten. De Zuster of de Zusters, die lezen of reciteeren, blijven staan zoolang zij lezen of reciteeren.
De twee Cantoressen staan in \'t midden van \'t koor voor den lessenaar van het begin der H. Mis tot aan het einde; doch wanneer het koor moet zitten of knielen, gaan ook zij in de bank, ieder aan haar kant, zitten of knielen. Ook de Zusters, die na den Epistel vers of Alleluia voorzingen, komen daartoe in \'t midden van \'t koor staan. Buiten den Paasch-tijd staat het koor bij \'t zingen van Alleluia, gaat zitten bij het daaropvolgend vers, en staat weder op bij Alleluia.
In den Paaschtijd zit het koor terwijl de twee eerste Alleluia\'s met het eerste vers gezongen worden. Bij \'t derde Alleluia staat het koor op, gaat weder zitten bij het tweede vers en staat op bij \'t laatste Alleluia.
Onder \'t zingen van de Sequentia blijft het koor altijd staan.
60 VERSCHILLENDE OEFENINGEN DEK COMMUNITEIT.
De Sequentia wordt altijd geheel gezongen beurtelings door de twee Cantoressen en het geheele koor, zoodat de eerste strophe door de Cantoressen, de tweede door het koor gezongen wordt. Bij het slot wordt in denzelfden toon door allen Alleluia gezongen zonder neuraa. Dit Alleluia blijft achterwege onder Septuagesima en in lijkdiensten.
94. Indien er tijdruimte is tusschen het einde der gezangen na den Epistel en het begin van \'t Evangelie, dan gaan de Zusters zoolang zitten. Zij staan op bij D o m i n u s v o b i s c u m, keeren zich met het aangezicht naar \'t Evangelie en antwoorden den Priester. Terwijl zij antwoorden Gloria t i b i D o m i n e, maken zij met den duim een kruisje op voorhoofd, mond borst en daarna het gewone ki\'uisteeken. In diezelfde richting blijven zij staan, totdat de Priester het Credo heeft aangeheven of D o m i-n u s v o b i s c u m en Oremus heeft gezongen. Op het einde maken zij een gewoon kruisteeken.
Nadat door den Priester het Credo geïnto-neerd is, staan alle Zusters met het aangezicht naar elkander gekeerd. Als er een feestdag gevierd wordt, die duplex of van hoogeren rang is, wordt het Credo door de twee Cantoressen in \'t midden van \'t koor en door het geheele koor, telkens bij ieder vers afwisselend, gezongen. Op Zondagen, waarop geen feest gevierd wordt, en alle andere dagen van minderen rang, wordt het eerste vers aangeheven door de Can-tores of Ondercantores aan dien kant, waar
VERSCHILLENDE OEFENINGEN DER COMMUNITEIT. 61
Chorus hangt. Deze Cantores zingt dan het woord Patrem, het koor aan dien kant vervolgt het eerste vers, het andere koor het tweede vers en zoo beurtelings tot aan het einde.
Onder het geheele vers: Et incarnatus est de Spiritu Sancto ex Maria Vir-gine. Et homo factus est, knielen allen neder, behalve de Cantoressen, zoo zij in \'t midden van \'t koor staan; deze maken een kniebuiging nadat het vers gezongen is.
Onder de woorden: Qui cum Pat re et Fi 1 io simu 1 adoratur et cong 1 orifica-t u r maken allen een hoofdbuiging.
In het Credo mag niets door het orgel vervangen, niets gelezen of gereciteerd, maar moet alles gezongen worden.
Onder Do minus vobiscum en Oremus staan de Zusters naar het altaar, onder \'t zingen van \'t offertorium naar elkander gekeerd. Als het offertorium gezongen is, gaan zij zitten; wordt het gelezen, dan gaan zij zitten terstond na Oremus. Het offertorium mag geheel gelezen worden.
Bij \'t aanheffen van: Per omnia saecula s a e c u 1 o r u m richten de Zusters zich \' op en staan naar \'t altaar gekeerd tot aan Sanctus. Onder G rati as a ga mus Domino Deo no stro en de HH. Kamen Jezus en Maria, die voorkomen in de praefatie der H. Maagd, maken zij, zich naar elkander keerende, een middelbare buiging.
95. Het Sanctus wordt gezongen, zooals
62 VELSCHILLENDE 0EPEN1NGEN DEE COMMUNITEIT.
in n. 88 is aangegeven. De intonatie door de Cantores loopt tot de eerste dubbele streep; het tweede S a n c t u s wordt door het koor voortgezet op de wijze als daar gezegd is.
De Zusters staan naar elkander sekeerd en
o
maken een gewoon kruisteeken, terwijl zij de woorden Benedict us, qui v e n i t i n nomine Domini zingen.
Men mag; een gedeelte van het S a n c t u s
O O
lezen of reciteeren (n. 88). Veel schooner is liet echter en gemakkelijk uitvoerbaar het geheele Sanctus te zingen. Zon het Sanctus te lang duren, b. v. bij meerstemmige muziekmis-sen, dan kan men het B e n e d i c t u s zingen na de elevatie.
Zoodra het Sanctns gezongen is, knielen allen neder en maken een prostratie, op die dagen waarop zij is voorgeschreven, anders blijven zij geknield rechtop zitten en maken de prostratie na de opheffing van het H. Bloed. In \'t eerste geval blijven zij in prostratie tot aan Agnus Dei, in \'t laatste totdat de Priester Pater noster zingt. (n. 128).
Indien vóór de consecratie het B e n e d i c t u s niet gezongen is, dan staan de Zusters na de opheffing van den kelk op om het, te zingen. Ook is het toegelaten, dat men na de elevatie een of ander liturgisch gezang ter eere van het H. Sacrament zingt.
Men kan voor regel aannemen, dit op hoogere feesten, b. v. wanneer het H. Sacrament is uitgesteld , te zingen, echter zorge men dat de
VEllSCHILLENDE OEFENINGEN DEK COMMUNITEIT. 63
Priester bij Pater no ster niet behoeve te wachten.
Zoodra de Priester Pater no ster zingt, of anders zoodra het Agnus Dei door den Priester gezegd is, staan de Zusters op, zooals hiervóór gezegd is, en van dit oogenblik tot aan het einde der Mis staan zij met het aangezicht naar het altaar, behalve bij \'t zingen van Agnns Dei en van de communio en wanneer zij bnigen moeten onder \'t zingen der oratie\'s.
96. Het Agnns wordt aangeheven terstond nadat het door den Priester driemaal herhaald is, en gezongen volgens den regel in n. 88 aangegeven.
Het tweede Agnns Dei kan gelezen worden. Na Agnus Dei heft de Cantores de communio aan, welke het geheele koor voortzet. Zij kan ook geheel gelezen worden.
Wordt zij niet gezongen, dan kunnen de Zusters na Agnus Dei neerknielen tot aan D o m i n u s v o b i s c u m.
Rij de eerste postcommunio (oratie na de Communie) maken zij een diepe buiging, zooals in \'t begin der Mis bij de oraties gezegd is.
Na de oraties antwoorden zij: Amen; na B e n e d i c a m u s Domino of 11 e m i s s a est zingen zij: Deo g r a t i a s, en maken bij den zegen des Priesters een middelbare buiging en een gewoon kruisteeken.
Bij het begin en \'t einde van hot Evangelie maken zij dezelfde krnisteekens als bij het eerste
64 VERSCH11,LENDE OEFENINGEN DEK, COMMUNITEIT.
en bij Et verbum caro factum est knielen zij op beide knieën.
ART. II.
DE STILLE H. MIS.
97. Wanneer de Mis der Communiteit niet gezongen, maar slechts gelezen wordt, zitten de Zusters geknield van \'t begin tot het einde, behalve onder de beide Evangeliën, waarbij zij opstaan, en de kruisteekens maken en knielen als bij de gezongen Mis. Ook maken zij het teeken des kruises bij de laatste zegening des Priesters.. Zij maken ook dezelfde prostraties als onder de gezongen Mis, behalve bij de oraties.
ART. III.
D E 11. C O M M U N I E.
98. De dagen, waarop de Zusters moeten naderen tot dc li. Communie, zijn in de Constitutie bepaald.
Wanneer de Zusters te Communie gaan onder de H. Mis, doen zij na Pater no ster den mantel om, indien zij hein niet reeds dragen; buiten de H. Mis zorgen zij in tijds den mantel om te hebben.
Op een teeken , door dc Priorin gegeven, ver-
VERSCHILLENDE OEFENINGEN DEU COMMUNITEIT. 65
laten zij de banken en gaan in een, twee of meerdere rijen achter elkander zitten, zoovelen er daar plaats kunnen nemen, te beginnen met de oudsten. Alle Zusters, die zich daar niet kunnen plaatsen, blijven in de banken zitten, tot zoolang de anderen plaats hebben gemaakt.
Allen, die niet communiceeren, maken op hare plaats een prostratie van \'t oogenblik, dat de Priester het tabernakel opent, tot het weder gesloten wordt.
Als de Priester het H. Bloed genuttigd heeft, of, indien de li. Communie buiten de Mis plaats heeft, zoodra de Priester het tabernakel opent, maken allen een prostratie en bidden het Confiteor.
De Priester bidt: Misereatur en Abso-lutionem, op welke beide gebeden zij Amen antwoorden. Dan , zich oprichtende, blijven zij geknield, totdat de Priester driemaal Domine non sum dignus heeft herhaald. Vervolgens gaat de eerste rij naar de communiebank; de overigen blijven zitten, totdat het hare beurt wordt. \\ oordat zij echter op de communiebank nederknielen, maken zij een diepe buiging; dan zetten zij zich tegelijk neder en zoodra zij allen de H. Communie ontvangen hebben, staan zij te gelijk op, maken weder een diepe buiging cn gaan naar hare plaats. Vervolgens komt een tweede rij, die intusschen reeds is opgestaan, en nadert en verlaat de communiebank op dezelfde wijze als de eerste; en zoo verder, totdat allen gecommuniceerd hebben. Zij, die
GO VERSCHILLENDE OEFENINGEN DEB, COJOIDN1TEIT.
de H. Communie ontvangen hebben, blijven op hare plaats in prostratie neergeknield, tot zoolang de Priester het tabernakel weder gesloten heeft.
Indien men onder de H. Mis tot de H. Com-mimie genaderd is, legt men den mantel weder af bij \'t einde der Mis; doch zoo men de H. Communie ontvangen heeft buiten de H. Mis, dan legt men dien af vóór dat eene andere oefening begint.
ART. IV.
DE UITSTELLING EN DE ZEGEN VAN HET ALLERHEILIGSTE SACRAMENT.
99. Wijl er omtrent de gezangen bij de uitstelling van het Allerh. Sacrament of onder het Lof niels bepaalds is voorgeschreven, moet de Priorin of de Cantores alles regelen in overleg met den Priester en overeenkomstio; de verorde-ningen van liet Diocees, waarin de Zusters wonen. Onmiddellijk voor den Zegen of de Benedictie met het Allerheiligste moet altijd het T a n t u 111 ergo gezongen worden, met het vers Panem de coe 1 o, waarbij in den Paaschtijd en gedurende het octaaf van \'t H. Sacrament Alleluia gevoegd wordt, en de oratie Deus qui nobis.
Het vers Panem de coelo wordt door den Priester of door een der Cantoressen voorgezongen, het koor antwoordt: O nine del eet a-
VERSCHILLENDE OEFENINGEN DEK COMMUNITEIT. 67
men turn. Na de oratie antwoordt het koor: Amen.
Onder de Benedictie mag niets gezongen worden.
Onder alle gezangen van het Lof blijven de Zusters geknield; behalve onder Bon edict u s, Magnificat, ïe Deum en ReginaCoeli. Onder V e n e r e m u r c e r n u i en onder de Benedictie maken zij een prostratie.
Geene, dan latijnsche liturgische gezangen, mogen tijdens de uitstelling van het Allerh. Sacrament gezongen worden. Gezangen in de hollandsche taal mag men wel vóór of na, maar nimmer gedurende de uitstelling zingen.
Het is echter geoorloofd, wanneer het Allerh. Sacrament ter aanbidding is uitgesteld, andere dan liturgische gebeden, ook zelfs in de hollandsche taal, mits zij kerkelijk goedgekeurd zijn, luide voor te bidden.
Zoolang het Allerh. Sacrament ter aanbiddins
li o
is uitgesteld, mogen er geen Reliquieën op hetzelfde altaar uitgesteld worden. Gedurende de uitstelling moeten er altijd een of twee Zusters het H. Sacrament aanbidden. De Zusters zullen elkander dan bij beurten afwisselen, behalve tijdens het Officie of andere oefeningen der Communiteit.
Over de versiering van het altaar bij de uitstelling, over de kleur der gewaden, over het aantal kaarsen is het noodige reeds gezegd in n. 12, 13, 1G, 20, 29 en 30.
Om het H. Sacrament uit te stellen is de
68 VEKSCIIILLENDE OEÏENINGEN DEU COMMUNITEIT.
toestemming van den Bisschop van het Diocees noodzakelijk. Daarom moet men op de lijst, waarvan in n. 34 gesproken is, acht geven.
AET. V.
DE UITSTELLINO VAN RELIQUIEËN.
100. Geen Reliqnie mag openlijk vereerd of ter vereering uitgesteld worden, of zij moet door den Bisschop der plaats als echt erkend en verklaard zijn.
Als een Reliquie openlijk ter vereering wordt uitgesteld, moeten er minstens twee lampen of kaarsen bij branden.
Op het einde eener expositie van Reliqnieën van Heiligen, mag de Priester den zegen daarmede geven; indien de Reliqnie van\'tH. Kruis is uitgesteld, moet de zegen daarmede gegeven worden. Vóór den zegen kunnen de Reliqnieën door den Priester worden bewierookt en onder den zegen door den misdienaar; doch men bewierookt de Reliqnieën niet knielende, maar staande.
Onder den zegen met de Reliqnie mag er niets gezongen worden.
De Priester, die den zegen met de Reliqnie geeft, kan naar bestaand gebruik, of wel een zwarte stool met zwarte koorkap, of wel een paarse stool met paarse koorkap gebruiken.
VEESCUILLENDE OEFENINGEN DER, COMMUNITEIT. 09
ART. VI.
DE GEBEDEN VOOR EN NA TAFEL.
101. A. Op de dagen, waarop niet gevast wordt.
1°. Bij het middag maal.
Nadat door de Syndica het teeken met de klok gegeven is, gaan alle Zusters naar de plaats, waar zij hare handen moeten wasschen. Zoodra zij de banden gewasschen hebben, gaat iedereen, volgens orde van professie, vóór den ingang van den refter staan. De Priorin bidt den psalm De profundis beurtelings met de Communiteit, daarna A porta, D o m i n e ex audi, Oremus en de oratie Fidelium, Requiescant in pace en de Zusters antwoorden, zooals in het Manuale wordt aangegeven.
Dan gaat de Priorin alleen den refter binnen en geeft een kort teeken met de bel, waarop de Zusters twee aan twee, de jongsten voorop, binnenkomen. Als zij in het midden van den refter gekomen zijn, buigen zij eerbiedig het hoofd voor het kruis, dat zich boven de plaats der Priorin moet bevinden; vervolgens gaat een ieder vóór de tafels op hare plaats staan, met het gezicht naar elkander gekeerd. Zoodra de Priorin weder een teeken met de bel gesjeven heeft, komt de eerste Versicularia in het midden van den refter, zegt: Benedicite, maakteene hoofdbuiging naar het kruis en keert op hare plaats terug. Na Benedicite begint de Can-tores aan den kant, waar die week Chorus hangt, de antiphoon: O c u 1 i o in n i u m i u t e
70 VERSCHILLENDE OEFENINGEN DER COMMUNITEIT.
s p e r a n t, D o m i n e en het gelieele koor vervolgt : et tu das met G1 oria Patri, Sicut er at. Kyrie el ei son, Chris te el eis on. Kyrie el ei son. Onder Gloria Patri maakt men een middelbare buiging. Na het laatste Kyrie bidt men in stilte onder diepe buiging het Pater n os ter. Vervolgens zegt de Hebdomadaria of de Zuster, die het Officie verricht, rechtop staande, met het gezicht naar het kruisbeeld gekeerd : Et n e n os inducas en het koor, eveneens weder rechtstaande, doch met het gezicht naar elkander, antwoordt: Sed libera n o s a m a 1 o, waarop de Hebdomadaria, nog naar het kruis gekeerd, zegt: Oremus. Benedic, en de Zusters antwoorden: Amen.
Aan de Priorin en de Suppriorin is het voorbehouden in den refter de teekens met de bel te geven. Alleen de Priorin gaat den refter binnen vóór de Communiteit. Wanneer, bij afwezigheid van beiden, de Hebdomadaria of de Vicaria voorzit, geeft zij de teekens op een andere wijze en bij afwezigheid der Priorin gaat de Communiteit den refter binnen onmiddellijk na Requiescant in pace.
Overal waar in dit Artikel van de Cantores gesproken wordt, is die Cantores bedoeld, aan wier kant in het koor die week Chorus hangt. In den refter zitten en staan de Zusters in dezelfde orde, als in het koor. Aan den zelfden kant en op de zelfde plaats, waar zij in het koor zitten, zitten zij ook in den refter.
102. Zoodra de Zusters Amen geantwoord
VEE SCHILLENDE OEFENINGEN DER COMMUNITEIT. 71
hebben, komt de Lezeres der tafel in het midden van den refter en zegt, zich met eene hoofdbuiging tot de Hebdomadaria keerende: Jnbe, Domne, benedicere, waarop de Hebdomadaria, met het gezicht naar de overzijde en rechtstaande , zegt: M e n s a e c o e 1 e s t i s. De Zusters maken onder deze benedictie een middelbare buiging, antwoorden: A m e n, en zetten zich daarna aan tafel op hare plaats neder.
De Lezeres komt op de plaats, alwaar zij gedurende den maaltijd lezen moet en nadat alle Zusters gezeten zijn, leest zij, staande, eenige volzinnen nit den Regel of de Constitutiën. Vóór den maaltijd begint zij deze lezing altijd met den titel, op deze wijze: Regel voor de Broeders en Zusters van de derde Orde v a n d e n H. D o m i n i c u s; of ■ Constitutiën der Zusters Do m inica nesse n in Nederland; begint er een nieuwe paragraaf of een nieuw hoofdstuk, dan voegt zij er bij: Eerste of T w e e d e pa r a g r a af; Eerste of Tweede hoofdstuk; is men hierin reeds begonnen, dan voegt zij daarbij; vervolg. Na den maaltijd laat zij den geheelen titel weg.
Zoodra er een paar volzinnen gelezen zijn, geeft de Priorin een teeken met de bel; dan eerst beginnen de Zusters te eten, terwijl de Lezeres, in het midden van den refter zittende, gedurende den geheelen maaltijd met duidelijke stem uit een godvruchtig boek voorleest.
103. Is de maaltijd geëindigd, dan geeft de Priorin een teeken met de bel, waarop de
72 VERSCHILLENDE OEFENINGEN DEK COMMUNITEIT.
Lezeres opstaat en wederom eenige volzinnen uit den Regel of de Constitutiën leest, totdat de Priorin begint te bellen; dan staakt de Znster hare lezing met de woorden: T u a u t e m, D o m i n e, miserere n o s t r i, en de Zusters antwoorden : Deo g r a t i a s. De Priorin belt zoolang tot alle Zusters van hare plaatsen zijn opgestaan. De Zusters gaan dan weer op hare plaats vóór de tafel staan. Zoodra allen zich weer op hare plaats bevinden, begint de Cantores, op een teeken van de Priorin de antiphoon: ConfiteanturtibiDomineoraniaopera tua, waarop allen vervolgen: et sancti tui met Gloria Patri en Si cut erat, terwijl zij onder Gloria Patri een middelbare buiging maken.
Vervolgens zegt de Hebdomad aria, naar het kruisbeeld gekeerd; Agimus tibi, zonder voorafgaand Oremus (\'), en het koor antwoordt: Amen. Dan zet de Cantores den psalm Miserere in, dien de Zusters koors-gewijze vervolgen. Onder het bidden van dezen psalm begeven zich allen, twee aan twee, de jongsten voorop, naar de Kapel. (3) Na \'t eindigen van den psalm zegt het gehcele koor: Kyrie el ei son, Chris te el ei son, Kyrie
(1) Het woord Oremus voor Agimus tibi moet in het Manuale worden uitgelaten.
(2) Volgens een hier te lande bestaand gebruik kan men na het middagmaal op hooge feestdagen, in plaats van Miserere, den psalm Lauda te Dominuin omnesgentes bidden; wanneer dit geschiedt, gaat men niet naar de Kapel, voordat Pa ter noster na Fidelium sezesrd is.
VEBSCHILLENDE OEFENINGEN DER COMMUNITEIT. 73
e lei son en in stilte, onder diepe buiging: Pater n os ter. Hierna keert zich de Hebdo-madaria naar het altaar en zegt: Et ne nos en de verzen Disper sit enz., zooals zij in het Manuale volgen, tot aan Benedicamns Domino ingesloten, terwijl het koor op ieder vers antwoordt en onder Sit nomen Domini benedictum eene hoofdbuiging, onder Retri-buere eene diepe buiging maakt.
104. Na Deogratias bidden allen gezamenlijk de antiphoon Re cor dare; de Heb-domadaria zegt het vers en de oratie, die daarop volgen, het koor antwoordt gelijk het Manuale aangeeft en maakt een middelbare buiging als de naam van Maria in de oratie Protege genoemd wordt.
In den Paaschtijd, d. i. van Zaterdag voor Paschen tot en met Zaterdaa; vóór H. Drievul-digheids-Zondag, wordt, in plaats van Recor-dare, de antiphoon Re gin a coeli gebeden. Het geheele koor zegt de antiphoon Re gin a coeli; de Hebdomadaria het vers O ra pro nobis en de oratie G rati am; het koor antwoordt: Ut digni en Amen. Op het feest van O. H. Hemelvaart en de dagen, die volgen tot en met Zaterdag vóór het feest der H. Drievuldigheid , wordt in de antiphoon Re gin a coeli het woord Resurrexit veranderd in Jam as ce n di t. (1) Al het overige blijft onveranderd.
1
Hetzelfde geschiedt in de antiphoon Keg in a coeli, hehoo-rende bij de Vespers van het Officie der II. Maagd. Het Regina coeli echter, dat men in den Paaschtijd bidt in plaats van Angelus Domini blijft steeds onveranderd.
74 VERSCHILLENDK OEFENINGEN DEE COMMTNITEIT.
Na de oratie zegt de Priorin: .Fidelium animae; liet koor antwoordt: Amen en bidt daarna in stilte, onder diepe buiging, het geheele Pater no ster. Is dit geëindigd, dan aieeft de Priorin een teeken en allen knielen neder om het Allerheiligste Sacrament eenige oogen-blikken te aanbidden. Zoodra de Priorin weder een teeken geeft, begint de Cantores: Tantum ergo sacra m e n t u m v e n e r e m u r c e r n u i, waarna de Zusters, aan dien kant, waar Chorus hangt, vervolgen: et antiquum. De eerste strophe wordt floor haar voleindigd, de Zusters aan den anderen kant zeggen de tweede strophe: Genitori en de eerste antwoorden : Amen. De Priorin bidt het vers en de oratie, waarop het koor antwoordt en zoodra de Priorin na het laatste Amen het teeken geeft, verlaat men op do gewone wijze de Kapel, tenzij er eene andere oefening moet volgen.
Op Maandag, Dinsdag, Woensdag en Vrijdag in de Goede week wordt onder het Pater no ster na Fide Hum een prostratie gemaakt.
105. 2°. Bij het avondmaal.
Alles geschiedt op dezelfde wijze als bij het middagmaal, uitgezonderd:
1°. In plaats van de antiphoon Ocnli o m n i u m zegt de Cantores: E d e n t p a u p e r e s et saturabuntur, waarop het koor vervolgt: et laudabuut.
2°. In plaats van de benedictie Men sac coelestis zegt de Hebdomadaria: Ad co en am.
VEBSCHILLENDE OEFENINGEN DER COMMUNITEIT. 75
3°. In plaats van de antiphoon Confi-t e a n t u r t i b i zegt de Cantores: M e m o r i a m fecit mirabilinm snor urn, waarop allen vervolgen; misericors.
4°, In plaats van Agimus tibi gratias zegt de Hebdomadaria : B e n e d i c t n s D o-m i n n s.
5°. Na tafel gaat men niet naar de Kapel, maar bidt alle gebeden in den refter.
6(). Men bidt nooit de antiphoon R e c o r-d a r e of R e g in a c o e 1 i, noch het vers en de oratie, die daarop volgen ; maar zoodra het koor Deo gratias geantwoord heeft, zegt de Priorin: E i d e 1 i u m, waarna men Pater n o s t e r bidt, een hoofdbuiging naar het kruisbeeld maakt en den refter verlaat.
106. B. Op vastendagen.
1°. Bij het middagmaal.
Vóór tafel zegt men de antiphoon Edent pauperes, in plaats van Oculi omnium, en na tafel Memoriam, in plaats van Con-fiteantur. Al het overige geschiedt op dezelfde wijze, als bij het middagmaal op dagen, waarop niet gevast wordt.
107. 2°. 1 Bij de collatie.
Op het gegeven teeken met de klok gaan de Zusters den refter binnen en plaatsen zich vóór de tafels op de gewone wijze. Dan geeft de Priorin een teeken en de Lezeres der tafel komt in het midden van den refter en zest: Bene-d i c i t e, waarop de Hebdomadaria, rechtstaande, zegt: Largitor omninm. Onder deze zege-
76 VERSCHILLENDE OEFENINGEN DER COMMUNITEIT.
ning maken alle Zusters een middelbare buiging en antwoorden daarop: A m e n.
Vervolgens gaan allen op hare plaatsen aan tafel zitten, en door de Lezeres wordt vóór en na tafel uit den Regel of de Constitutiën gelezen en gedurende de collatie uit een godvruchtig boek, evenals bij het middagmaal.
Zoodra de Priorin het teeken gegeven heeft en de Lezeres eindigt met de woorden: T u autem, Domine, miserere nostri, staan de Zusters op, antwoorden: Deo gratias en gaan weder vóór de tafels op hare plaatsen staan. Dan zegt de Priorin, zich naar het kruisbeeld keerende; A d j u t o r i u m n o s t r u m in nomine Domini, allen antwoorden: Qui fecit coelum et terrain, maken een hoofdbuiging naar het kruisbeeld en verlaten den refter.
Volgens een bestaande gewoonte maakt men onder A dj u tor in m enz. een gewoon kruis-teeken.
Mocht er op een vastendag door de Overste in het vasten gedispenseerd zijn, dan zegt men toch de tafelgebeden evenals op andere vastendagen.
ART. VIT.
OVER DE PROCESSIE NA DE COMPLETEN.
108. lederen avond na de Completen, behalve Woensdag, Donderdag en Vrijdag in de Goede
VEUSCHILLENDE OEFENINGEN DEE COMMUNITEIT. 77
week, op welke dagen het Salve Regina na de Completen niet gebeden wordt, houdt men onder het zingen van de antiphoou S a 1 v e Regina processie. Deze processie moet onmiddellijk na de Completen volgen, en mag daarvan niet gescheiden worden. Zij geschiedt op de volgende wijze:
Vóór de Completen plaatst de Sacristine het wijwater met den kwast vóór de communiebank en twee kandelaars met kaarsen, die de Acolieten moeten dragen; tegen het einde der Completen worden de kaarsen aangestoken. Onder het Qui tecum der oratie van de Completen gaan de beide Acolieten aan weerszijde van de communiebank staan, waar de kandelaars geplaatst zijn, en blijven staan totdat de processie begint.
109. Onmiddellijk na Deo gratias knielt het koor neder en heft de Cantores, aan den kant waar Chorus hangt, staande het Salve aan. Op feestdagen, die duplex of van hooge-ren rang zijn, komen de twee Cantoressen in \'t midden van het koor en heffen daar, na een diepe buiging, staande, het Salve aan, waarna zij neerknielen, terwijl door de Zusters, aan den kant waar Chorus hangt, de antiphoon wordt voortgezet, welke vervolgens vers om vers beurtelings door de beide koren gezongen wordt, totdat op \'t einde bij de woorden dulcis Virgo Maria alle stemmen zich vereenigen. Na het woord Regina staan allen op om de processie te beginnen. De Acolieten trekken
78 VEESCHILLENUE OEFENINGEN DER COMMUNITEIT.
voorop va» de communiebank af verder de Kapel in, al naar gelang de geschiktheid der plaats in de Kapel het toelaat. Achter de Acolieten komen de overige Zusters. De jongsten gaan voorop, onmiddellijk achter de Acolieten. Twee en twee komen de Zusters van weerskanten in het midden voor het altaar, en maken een diepe buiging wanneer zij het altaar voorbij trekken. Indien het Allerh. Sacrament niet op het altaar rust, maken zij slechts eene hoofdbuiging, en wanneer het ter aanbidding is uitgesteld, dan knielen zij op een knie.
Op de plaats gekomen, waar de processie stil houdt, blijven zij staan met het aangezicht naar elkander gekeerd. Bij \'t begin van Eja ergo knielen allen neer met het gezicht naar het altaar, en blijven geknield tot en met ostende, waarna zij zich weder naar elkander wenden. Terwijl de Zusters Eja ergo zingen worden zij door de Hebdomadaria met wijwater besproeid. Eerst besproeit zij het rechter-, daarna het linkerkoor; indien de Alsem eene
7 O
Overste in het rechter-, de Priorin van het huis in het linkerkoor is, dan besproeit de Hebdomadaria eerst de Algemeene Overste, dan de Priorin, vervolgens het rechter-, eindelijk het linkerkoor. De Zusters maken het kruisteeken, terwijl zij met wijwater besproeid worden.
Bij den naam Maria, op \'t einde van het Salve en onder de oratie, maken allen een middelbare buiging, uitgezonderd de Hebdomadaria terwijl zij de oratie zingt.
VERSCHILT,ENDE OEFENINGEN DEIl COMMUNITEIT. 79
Is de antiphoon geëindigd, dan zingen de Acolieten het vers; Dignare me 1 au dare te, Virgo sacrata; het koor antwoordt Da mi hi virtu tem contra hostes tuos, en de Hebdomadaria zingt de oratie Concede.
]10. Heeft het koor Amen geantwoord na de oratie, dan heffen de beide Acolieten de antiphoon O lumen aan , die ook beurtelings dooide beide koren gezongen wordt. Het koor der week zingt ecclesiae, het andere koor het volgende vers, en zoo ten einde toe, tot zich beide koren vereenigen bij nos junge beatis.
Zoodra door de Acolieten O 1 u m e n is aangeheven , keeren de Zusters langs denzelfden weg in processie naar hare plaats terug en maken als vroeger een diepe buiging of een hoofdbuiging, of eene kniebuiging (n. 109) voor het altaar. De Acolieten echter, aan \'t altaar gekomen, blijven ieder aan een zijde bij de communiebank staan, terwijl de andere Zusters voorbijtrekken. Wanneer allen op hare plaats zijn teruggekeerd, wenden zij zich naar de Algemeene Overste of bij haar afwezigheid naar de Priorin van het huis en na eene hoofdbuiging staan zij weder met het aangezicht naar elkander. Is
O
echter noch de Algemeene Overste, noch de Priorin van het huis in het koor aanwezig, dan wordt deze hoofdbuiging niet gemaakt.
De Acolieten, nog voor het altaar staande, zingen onmiddellijk na de antiphoon het vers Or a pro nobis, terwijl allen eene hoofdbuiging maken bij den naam van den H. Vader
80 VERSCHILLENDE OEFENINGEN DER COMMUNITEIT.
Dominions; het koor antwoordt: Ut digni officiamur en de Hebdoraadaria zingt de oratie Concede quaesumus, onder welke allen, de Hebdomadaria uitgezonderd, een middelbare buiging maken, wanneer de naam van den H. Vader Dominicus genoemd wordt.
Na de oratie antwoordt het koor: Amen, waarop de Acolieten, na een diepe buiging voor \'t altaar, zich naar hare plaats begeven.
Hierna wordt het Officie geëindigd, gelijk in n. 65 gezegd is.
111. Des Zaterdags wordt nog terstond na de oratie, die het Salve Re gin a volgt, de Litanie der H. Maagd met het Inviolata gezongen. Twee Zusters, hiertoe door de Can-tores aangewezen, knielen op den ondersten trap van het altaar neder en zingen de Litanie voor, waarop het koor, dat gedurende de Litanie met het gezicht naar het altaar geknield blijft, tot zoolang de oratie gezongen is, antwoordt.
Na de Litanie, zonder vers en oratie, volgt onmiddellijk Inviolata, hetwelk door dezelfde Zusters en het koor om het andere vers gezongen wordt\', behalve het laatste vers, waarvar de twee Zusters de woorden O benign a zingen en het koor het overige vervolgt. Daarna zingen de twee Zusters het vers: or a pro nobis, waarop het koor antwoordt: Ut digni. Dan wordt door de Hebdomadaria de oratie Gratiam tuam gezongen; en nadat het koor
VERSCHILLENDE OEFENINGEN DEK COMMUNITEIT. 81
Amen heeft geantwoord, gaan de twee Zusters naar hare plaats en het O lumen wordt op gewone wijze aangeheven.
AEÏ. VIII.
DE GETIJDEN DER OVERLEDENEN.
112. Op de vier jaargetijden voor de overledenen, bij de begrafenis eener Zuster en op Allerzielendag wordt het groote Officie der overledenen door de Zusters gebeden.
Het geheele Officie bestaat uit de Vespers, de Metten, in drie Nocturnen verdeeld en de Lauden. De Vespers worden daags te voren, de Metten en Lauden vóór de li. Mis gezegd.
Het Officie begint aan den kant waar Chorus hangt; op Allerzielendag echter wordt het Officie begonnen in het rechterkoor.
Zonder voorafgaand P a t e r n o s t e r of D e u s in adjutorium of Domine, labia mea, begint men onmiddellijk den eersten psalm. Allen maken echter bij den aanvang der Vespers , Metten en Lauden het teeken des kruises.
Waar het Officie begonnen is wordt de eerste psalm der Vespers, Metten en Lauden ingezet, de tweede in het andere koor en zoo vervolgens beurtelings in de beide koren. Het Magnificat, de psalm Lauda anima mea, het Benedictus en de psalm Ue profundis na de Lauden
6
82 VERSCHILLENDE OEFENINGEN DER COMMUNITEIT.
worden ingezet aan dien kant, waar het Officie begonnen is.
Alle antiphonen worden door het geheele koor gezamenlijk gezegd.
De verzen vóór de lessen in de drie Noc-turnen zegt de le Versicularia alleen; op Allerzielendag echter worden zij door de heide Ver-sioularise in \'t midden van \'t koor gezegd.
113. Het geheele koor zegt de responsoria na dc lessen der drie Nocturnen tot aan het vers, hetwelk door de Lezeres (n. 81) gezegd wordt, waarop het geheele koor weder met de repetitie antwoordt.
Bij het negende responsorium zegt de Lezeres de drie verzen Dies i 11 a, Tremens en Creator; na Dies ilia antwoordt het koor Quando coeli movendi sunt et terra; na Tremens zegt het koor Dum veneris judicare saecu 1 um per ignem, en na Creator wordt het geheele responsorium Libera door het koor herhaald.
Op Allerzielendag wordt het negende responsorium gebeden met de verzen en repetities, die in het Manual e op bladzijde 245 worden aangegeven. Het koor bidt het responsorium Libera; de Lezeres zegt de verzen Dies illa, Tremens, Quid ego, Nunc Chris te en Creator. Het koor antwoordt Quando coeli, vervolgens D u m veneris, weder Quando coeli, nog eens D u m v e n e i i s en eindelijk het geheele responsorium Libera.
114. Bij het aanheffen van den eersten
VKUSCHILLENDE OEFENINGEN DEU COMMUNITEIT. 83
psalm der Vespers gaat het geheele koor zitten. Na den vijfden psalm staan allen op bij Requiem aetemam, welk vers altijd geheel gezegd wordt door het eene koor, waardoor het begonnen is. (1) Dan blijft men staan tot\'aan het einde der antiphoon na Magnificat.
Na deze antiphoon bidden allen in stilte, onder diepe buiging, het geheele Pater noster, waarna zij zich oprichten bij het teeken, dat gegeven wordt door de Zuster, die voorzit. Dan zegt men den psalm Lauda anima mea op zachteren en eenigszins lageren toon dan het overige van \'t Officie. Als deze geëindigd is bidt de Hebdomadaria A porta en Dom ine ex audi, het koor antwoordt Erue en Et. clamor, waarna door de Hebdomadaria de oraties gezegd worden.
Bij de vier jaargetijden en bij de uitvaart eener Zuster, zegt men drie oraties onder één Oremus en één slot. Bij de vierjaargetijden is de eerste oratie Deus indulgentiarum, de tweede Deus veniae, de derde Eide-lium. Bij den dood eener Zuster is de eerste oratie Quae sum us Dom ine, de tweede en derde blijven dezelfde. Op Allerzielendag wordt er slechts eene oratie gezegd, namelijk; Eidelium.
Na het slot der derde oratie, of indien er slechts eene gezegd wordt na de oratie E i d e-
1
Men zegt in liet Officie der overledenen altijd Requiem aeternam dona eis Domine. Et lux perpetua lueeat eis, ook al wordt liet sleclits voor één persoon gebeden. Buiten liet Officie en buiten de IT. Mis mag men dan ei in plaats van eis zeggen.
84 VERSCHILLENDE OEFENINGEN DER COMMUNITEIT.
1 i u ra, antwoordt het koor: Amen; de Heb-doraadaria zegt vervolgens; Re qui es cant in pace en nadat allen weder A m e n hebben geantwoord, besluit men de Vespers met Pater n o s t e r, dat onder diepe buiging geheel en in stilte gebeden wordt. Hiermede zijn de Vespers geëindigd. Het Salve Regina wordt niet gezegd.
115. Onder de Metten zitten de Zusters van \'t begin van den eersten psalm tot aan de antiphoon na den derden psalm, waaronder zij opstaan. Na hot antwoord op het vers vóór de Lessen maken zij een diepe buiging, bidden in stilte Pater no ster en wanneer de Hebdo-madaria zegt Et ne n o s richten zij zich op en antwoorden Sed libera. Dan gaan de Zusters zitten en de Lezeres leest de lessen , gelijk in n. 81 gezegd is. De Zusters blijven zitten wanneer de tweede Nocturne begint; deze, alsook de derde Nocturne, bidden zij op dezelfde wijze als de eerste, tot aan het vers Creator van het negende responsorium, waaronder allen opstaan en een hoofdbuiging maken bij Sanguine rede m i s t i.
Na de repetitie Libera maakt men het kruisteeken en begint onmiddellijk den eersten psalm der Lauden. Onder de Lauden zitten allen van \'t begin tot aan de antiphoon na het canticum: Ego dixi Onder deze antiphoon staan zij op. Dan volgen de drie psalmen ] 48, 149 en 150, welke gezamenlijk onder één Requiem a e te mam en ééne antiphoon ein-
VEESCHILLENDE OEFENINGEN DEU COMMUNITEIT. 85
digen. Vervolgens zegt men het canticnm; Benedictus met de antiphoon, waarna de Lauden geëindigd worden op dezelfde wijze, met dezelfde verzen en oraties als de Vespers, behalve dat de psalm Laud a a n i m a m e a vervangen wordt door den psalm De profundis, welke, evenals L a n d a a n i m a in e a op zachte-ren en lageren toon gezegd wordt. (n. 114).
Op Allerzielendag zit men in het Officie dei-overledenen niet, gelijk op andere dagen onder alle psalmen, maar zit beurtelings onder iederen psalm, nu het eene dan het andere koor. Onder den eersten psalm der Vespers, Metten en Lauden staat het koor, waar het Officie begint, terwijl het andere zit; onder den tweeden psalm zit het koor, waar het Officie begonnen is, terwijl het andere koor staat en zoo vervolgens.
Op de dagen, waarop men in het onmiddellijk voorafgaande Uur van \'t andere Officie de prostraties gemaakt heeft, worden zij ook gemaakt in het Officie der overledenen, namelijk na de antiphoon, die op het Magnificat en Benedict us volgt tot na de eerste der cliie oraties; en onder het Pater no ster na het Officie.
ART. IX.
DE PROCESSIE VOOR DE OVERLEDENEN.
HG. Iedere weck, uitgenomen de week van Paschen en Pinksteren, wordt na de H. Mis
86 VEllSCHILLENDE OEFENINGEN DEll COMMUNITEIT.
voor de overledenen, processie gehouden op dezelfde wijze en in dezelfde orde als onder het Salve Re gin a na de Completen. Er zijn echter geen acolieten bij, die voorop gaan.
Tegen het einde der H. Mis geeft de Sacristine een teeken met de bel, opdat ook de Zusters, die bij de H. Mis niet tegenwoordig waren, naar de Kapel komen.
Onmiddellijk na de H. Mis wordt door de Cantores van het koor, waar Chorus hangt, het responsorium Libera me aangeheven, en door het geheele koor voortgezet. Na den aanhef trekken de Zusters, de jongste voorop, naar het altaar en verder de Kapel in, waar zij stand houden, met liet aangezicht naar elkander gekeerd.
Dan begeven zich de twee Cantoressen naar het midden van het koor, vóór het altaar, en zingen de verzen Dies ill a en Tremens, waarop het geheele koor de repetitie Quando c o e 1 i en D u m veneris antwoordt.
Vervolgens zingen de Cantoressen Kyrie el e i s o n, het koor antwoordt Christeeleison en de Cantoressen herhalen Kyrie eleisou.
De Hebdomadaria op hare plaats staande, doch naar het altaar gekeerd, zingt; Pater no ster, hetwelk door allen in stilte, onder diepe buiging wordt gebeden. Vervolgens zingt de Hebdomadaria, naar \'t altaar gekeerd, de verzen Et ne nos, daarna A porta en Do-mine ex audi, die door het koor worden beantwoord. Daarna volgt Oremus met de oratie Deus veniae en Deus cujus mi se-
VERSCHILLENDE OEFENINGEN DER, COMMUNITEIT. 87
rati one, die beide door de Hebdomadaria onder eene conclusie of slot: per Christum Do milium nostrum gezongen worden. Het koor maakt onder de eerste oratie, bij den naam van Maria een middelbare buiging en antwoordt na de tweede oratie: Amen. Hierna zingt de Hebdomadaria: Requiescant in pace, en het koor: Amen.
117. De Cantores der week heft den psalm De profundis aan, waarvan het eerste vers door het koor, waarin hij is aangegeven wordt voortgezet; het tweede vers zingt het andere koor, en zoo vervolgens beurtelings ten einde toe. Zoodra deze psalm is aangeheven, keeren allen op dezelfde wijze als onder het Salve Re gin a naar hare plaats in het koor terug.
Gedurende acht dagen na den dood eener Zuster, wordt, na de dankgebeden van het middagmaal , in het Gesticht waar de Zuster overleden is, het Libera gezongen en de processie gehouden op de hiervoor beschreven wijze; doch dan wordt, in plaats van de oratie Deus, veniae largitor, de oratie Quae sum us, Do mine gezongen.
Na de Mis voor de overledenen op de vier jaargetijden der Orde, en na de Mis op\' Allerzielendag, wordt ook op dezelfde wijze de processie gehouden. Het Libera en de psalm D e p r o-fundis worden dan door de beide Cantoressen in \'t midden van het koor aangeheven. Deze zingen dan na het responsorium de volgende verzen: Dies i 11 a; Tremens; Quid ego;
88 VBKSCHILLEUDE OEFENINGEN DER COMMUNITEIT.
Nunc Ch riste en Creator. Het koor zingt de repetities: Quando coeli, daarna Dnm veneris, nog eens Quando cöelienDum veneris en eindelijk het gelieele responsorium Libera.
Op de vier jaargetijden is de eerste oratie: Deus indulgentiarum, de tweede: Deus, c u j u s m i s e r i c o r d i a e; op Allerzielendag is de eerste oratie: F i d e 1 i u m, de tweede: Deus, c u j u s m i s e r i c o r d i a e, welke beide oraties met één Oremus vóór de eerste en één slot na de tweede oraties gezongen worden.
ART. X.
HET KAPITTEL D E11 ECU TEN.
188. Zoodra het teekcn voor het kapittel der fouten gegeven is, komen alle Zusters te zamen in de kapittelkamer. Binnenkomend maken zij eene hoofdbuiging naar het kruisbeeld, plaatsen zich in twee koren, naar de gewone volgorde, en staan met het aangezicht naar elkander gekeerd.
De Priorin, of de Zuster, die het kapittel voorzit, staat in \'t midden vóór het kruisbeeld, met het gezicht naar de Communiteit, en zegt onder het maken eener hoofdbuiging: E e n o dicite. Daarop antwoorden alle Zusters, met een hoofdbuiging; Do min us, en allen gaan vervolgens zitten. Dan worden door de Priorin
VEESCHILLENDE OEFENINGEN DEll COMMUNITEIT. 89
in de gebeden der Zusters aanbevolen: de weldoeners, de personen, die gebeden verzocht hebben, de overledenen en wat verder de Priorin wil aanbevelen.
Vervolgens zegt de Priorin rechtstaande het gebed: Retribuere, zonder voorafgaand Ore-m us, terwijl de andere Zusters, opgestaan zijnde, onder dat gebed eene diepe buiging maken: daarna antwoorden zij: Amen.
Vervolgens wordt door de Cantores der week de psalm Ad te levavi aangeheven, die dooide Zusters koorsgewijze wordt voortgezet en geëindigd met Gloria Patri; hierna begint de andere Cantores den psalm Deprofundis, die met Requiem ae ter nam eindigt. Dan zeggen allen gezamenlijk: Kyrie e 1 e i s o n, Christ e el ei sou. Kyrie el ei son, en bid-
\' nJ 7
den onder diepe buiging in stilte: Pater no ster. De Hebdomadaria op hare plaats staande, naar het tegenovergestelde koor gekeerd, zegt: Et ne nos indue as, waarop allen weder rechtstaande antwoorden: Sed libera nos. De Hebdomadaria bidt de volgende verzen: Oremus pro Domino Papa, - Salvos f a c - R e-quiescant - Domine exaudi; de drie oraties: O m n i p o t e n s - P r a e t e n d e en Pidelium met voorafgaand Oremus; en onder één slot: Qui vivis et regnas per omnia saecula saeculorum. Na de verzen en oraties antwoorden allen volgens het Manuale.
In de eerste oratie wordt de naam van den
90 VERSCHILLENDE OEFENINGEN DEll COMMUNITEIT.
regeerenden Paus genoemd, waar de letter N. staat.
119. Na deze gebeden gaan de Zusters zitten en de Priorin zegt, wat zij tot verbetering en stichting der Communiteit meent te moeten aanmerken. Bij het einde dezer aanspraak worden de Novicen door de Priorin weggezonden, die zich op een anderen tijd afzonderlijk bij de Novicenmeesteres moeten beschuldigen.
Zoodra de Novicen zijn heengegaan, zegt de Priorin: ,/Dat zij, die zich schuldig kennen, haar prostratie maken.quot; Allen die zich aan een uitwendige fout tegen den Regel, de Constitutiën of de bijzondere bevelen der Oversten hebben schuldig gemaakt, maken alsdan een prostratie, totdat de Priorin een teeken geeft dat zij kunnen opstaan.
120. Zoodra allen weer op hare plaatsen gezeten zijn, beschuldigt ieder zich op hare beurt\'afzonderlijk van hare fouten. De jongste Zuster beschuldigt zich het eerst, daarna de anderen volgens rang van professie. De beschuldiging geschiedt in staande en nederige houding; is zij geëindigd dan maakt zij, die zich beschuldigd heeft een prostratie, en de Priorin vraagt na iedere beschuldiging, uitgezonderd wanneer de Suppriorin zich beschuldigd heeft, of iemand de Zuster van iets te procla-meeren heeft. De Priorin kan daarna ook zelf eenige aanmerking maken of een berisping geven, zij legt aan de Zuster een penitentie of boete op en geeft een teeken dat
VERSCHILLENDE OEFENINGEN DER COMMUNITEIT. 91
zij mag opstaan. Daarna beschuldigt zich de volgende.
Wanneer het gebruikelijk is, dat de Novicen zich in het algemeen kapittel beschuldigen, zeggen zij het eerst hare fouten en verlaten daarna gezamenlijk de kapittelkamer; vervolgens beschuldigen zich de geprofeste Zusters.
Nadat allen zich beschuldigd hebben, zegt de Priorin:Adjutorium nostrum in nomine Domini en allen antwoorden: Qui fecit coe 1 u m et terram. Dan maakt men eene hoofdbuiging naar het kruisbeeld en verlaat de kapittelkamer.
VIJFDE HOOFDSTUK.
OVER DE BUIGINGEN.
ART. I.
ALGEMEENE BEMERKINGEN.
121. De buigingen, die de Zusters moeten verrichten, zijn: de hoofdbuiging, de middelbare buiging, de kniebuiging en de prostratie.
De Zusters zijn verplicht al de haar voorgeschreven buigingen te maken, wanneer zij zich in een der huizen van de Congregatie bevinden. Daar buiten echter moeten zij slechts datgene onderhouden, wat door de algemeene wetten der Kerk of de bestaande gewoonte wordt voorgeschreven, zooals: het hoofd buigen bij het uitspreken der HH. Namen van Jezus, Maria en Dominicus, bij \'t naderen of voorbijgaan van een altaar waarop het H. Sacrament niet rust; op een knie buigen bij \'t naderen of verlaten van een altaar, waar het H. Sacrament rust; en op beide knieën buigen bij \'t naderen of verlaten van een altaar, waarop het H. Sacrament ter aanbidding is uitgesteld.
OVER DE BUIGINGEN.
Voor degenen, welke hare getijden buiten het koor bidden, zijn ook de buigingen, de hoofdbuiging alleen uitgezonderd, niet verplichtend.
ART. II.
UE HOOFDBUIGING.
122. De Hoofdbuiging geschiedt door een weinig het hoofd en het lichaam te buigen. Zij wordt gemaakt:
1°. Zoo dikwijls de HH. Namen van Jezus, Maria of Dominicus worden uitgesproken, zoowel in als buiten het koor.
2°. Als er melding gemaakt wordt van het dierbaar Bloed van O. tl. Jezus Christus; b. v. onder het zingen van het groote responsorium Libera me bij de woorden: Sanguine rede misti, en onder de Litanie van alle Heiligen bij Sanguine tuo redemptum.
3°. Wanneer men de getijden buiten het koor bidt, zoo dikwijls men zegt: Gloria Patri.
4°. Bij de woorden: Sit nomen Domini benedictum, die voorkomen onder de gebeden na tafel en in den psalm Laudate pueri; in de Vespers gaat men onder den psalm niet zitten, dan nadat deze woorden gezegd zijn.
50. Door de Zuster, die een psalm of hymne ingezet, of een kapittel, vers, antiphoon of iets anders in het koor gezegd heeft.
93
OVEU DE BUIGINGEN.
6°. Als de Zusters voor het midden van een altaar komen, -waarop het H. Sacrament niet rust, of daarvan weggaan, of dit voorbijgaan.
7°. Als men besproeid wordt met wijwater, of geknield den zegen eens Priesters ontvangt.
8°. Als men op beide knieën moet knielen voor het Allerheiligste Sacrament, dat ter aanbidding is uitgesteld.
9°. Voor het kruis, dat boven de plaats der Priorin hangt, als men vóór het eten den refter binnengaat of dien na het eten verlaat ; ook dooide Zuster, die vóór het middag- of avondmaal of vóór de collatie in het midden van den refter Benedicite zegt.
10°. Voor het kruis van de kapittelkamer, als men die binnen komt of verlaat, alsook door de Overste, die kapittel houdt, wanneer zij zegt: Benedicite, en door de Zusters, wanneer zij hierop antwoorden: Do minus.
11°. Na de processie van Salve Re gin a maakt eerst het rechter- en vervolgens het linkerkoor een hoofdbuiging naar de Priorin, als deze op hare plaats gekomen is.
12°. Door eene Zuster, wanneer zij hare Overste voorbijgaat, of als de Overste haar voorbijgaat, of iets oplegt. Ook moeten alle Zusters, wanneer zij in de Kapel of in den refter of elders aanwezig zijn, zoodra de Algemeene Overste of de Priorin binnenkomen, opstaan en het hoofd eerbiedig naar de Overste buigen. Indien zij eerst gezeten waren, gaan zij niet weder zitten, vooraleer de Overste gezeten is.
94
OVER DE BUIGINGEN.
Dezelfde regel geldt ook voor de Novicen ten opzichte van hare Meesteres, wanneer zij zich op het Noviciaat bevinden.
13°. Als men een kleedingstuk of iets anders ontvangt, waarbij men dan zegt: Bened ictus Deus.
14°. Door de Lezeres van het koor, wanneer zij vóór de lessen van de getijden der H. Maagd den zegen vraagt van de Hebdomadaria, en zich tot haar wendende, zegt: J n b e, Do m n e, be n e-rlicere. Hetzelfde doet ook de Lezeres der tafel.
15°. Onder de H. Mis, terwijl de woorden: Qui cum P a t r e e t F i 1 i o s i m u 1 a d o r at u r et congl orificatur, in het Credo gezongen worden.
AEÏ. III.
DE MIDDELBARE BUIGING.
123. De middelbare buiging geschiedt door het hoofd met het lichaam zoover te buigen, dat men de handen op de knieën kan laten rusten. Indien de koorbanken tegenover el kander geplaatst zijn, wordt deze buiging, zoo dikwijls zij door het geheele koor gemaakt wordt, altijd in de richting naar het tegenovergestelde koor gemaakt. Eveneens de diepe buiging, de kniebuiging en de prostratie.
De Zusters die gezeten zijn, en, bijvoorbeeld
95
OVER DE BUIGINGEN.
bij het einde van een psalm onder Gloria Patri, een middelbare buiging moeten maken, moeten opstaan vóórdat zij buigen.
Wanneer twee Zusters in het midden van het koor iets zeggen of zingen, waaronder het koor moet buigen, maken zij de buiging, nadat zij de woorden gezongen of gezegd hebben, en wel met het aangezicht naar elkander.
Zij wordt gemaakt:
10. Bij elk Gloria Patri, uitgezonderd hetgeen onmiddellijk na Deus in adjutorium volgt. Eerst na Spiritui S a n c t o richt men zich op.
2°. Bij de laatste strophe der hymnen en bij het vers B e n e d i c a m u s P a t r e m in het canticum Benedicite.
3°. Door de Versiculariae, die den psalm V e n i t e e x u 11 e m u s in het begin der Metten zeggen, na de laatste woorden van het vers Q u o n i a m i p s i u s est mare; eveneens na het einde van Sic ut era t.
4°. Door de Versiculariae in de kleine Uren en in de Completen van het Officie, zoodra zij Gloria Patri van het responsorium gezegd hebben.
5°. Door de antiphonaria onmiddellijk nadat zij het geheele derde responsorium in de Metten gezegd heeft.
6°. Terwijl door de Hebdomad aria de benedicties vóór de Lessen der Metten of in den refter vóór tafel gezegd worden.
7°. Zoo dikwijls in eene oratie de HH. Namen
96
OVER DB BUIGINGEN.
van Jezus, Maria of Dominicus voorkomen; ook bij den Naam van Maria in het Salve Regina.
8°. Onder de gezongen H. Mis bij Gloria Patri, in Asperges en in den introïtus; bij het zingen der volgende woorden in het Gloria i n e x c e 1 s i s; G r a t i a s a g 1 m u s t i b i, propter m a g n a m g 1 o r i a m t u a m; J e s u Chris te; suscipe d e p r ec a t i on em n os-tram; Jesu Chris te. Als de Priester vóór de praefatie zingt: G r a t i a s a g a m u s Domino Deo nostro. Bij de HH. Namen van Jezus en Maria, die voorkomen in de praefatie der H. Maagd. Zoo dikwijls in de eerste of laatste oraties de HH. Namen van Jezus, Maria of Dominicus gezongen worden. Eindelijk bij den zegen des Priesters, op het einde der gezongen H. Mis.
ART. IV.
DE DIEPE BUIGING.
124. De diepe buiging geschiedt door het hoofd met het lichaam zoo diep te buigen, dat men de ellebogen op de knieën boven het scapulier kan laten rusten. Zij wordt gemaakt:
1°. Door de Zusters, die in het koor komen of het verlaten, vóór het altaar, wanneer het Allerheiligste niet op het altaar rust.
2°. Door de Zusters, die in het koor of in de Kapel zijn, zoo dikwijls zij voor het altaar
7
97
98 OVER DE BUIGINGEN.
komen, waarop liet Allerheiligste in het tabernakel rust, of daarvan weggaan, of het voorbijgaan.
3°. Als Pater no ster in de getijden dei-overledenen, in het kapittel of bij de tafelgebeden gezegd wordt. Eveneens bij Pater noster onmiddellijk na Fidelium bij het einde der Uren en bij Credo aan het slot der Completen.
Zoo dikwijls er voorgeschreven wordt Pater noster in stilte te bidden, bidt men den geheelen Pater noster, wanneer E t n e n o s i n d u c a s in tentationem niet met luide stem door de Hebdomadaria gezegd wordt; en in dit geval blijft men in diepe buiging, totdat er een teeken door de Zuster, die voorzit, gegeven wordt. Volstt echter na Pater noster het vers Et ne nos inducas in tentationem, dan bidt men dien in stilte tot Si cut et nos cl imi11imus de bitoribus nostr i s ingesloten, en richt men zich op, zoodra de Hebdomadaria liet vers Et ne nos zegt.
4°. Bij het eerste Gloria Patri na Deus in adjutorium; men richt zich niet op dan na Spiritui Sancto.
5°. Bij de eerste oratie der Lauden en Vespers, waarna men zich opricht bij: Per Christum; ook bij de oratie na ieder ander Uur tot aan: Qui tecum.
6°. Na de laatste Les in de getijden der H. Maagd, door de Zuster die de Lessen gelezen heeft. (53). Deze buiging wordt altijd gemaakt in het Officie der H. Maagd, ook dan, wanneer het H. Sacrament niet op het altaar
OVER DE BUIGINGEN.
zou rusten. De buiging echter vóór de eerste Les in het Officie der H. Maagd en vóór en na de Lessen van eiken Nocturn in de getijden der overledenen maakt men volgens de algemeene regels.
7°. Gedurende de oratie Retribuere na tafel of in het kapittel.
8°. Onmiddellijk vóórdat men op de communiebank neerknielt om de H. Communie te ontvangen, en zoodra men opstaat om haar te verlaten.
9°. Onder de H. Mis, terwijl de Priester de eerste collecta en de eerste postcommunio zingt, tot aan: Qui tecum of Qui vivis.
ART. V.
U E KNIEBUIGING.
125. De kniebuiging geschiedt, door de rechterknie of wel beide knieën tot op den grond te buigen, terwijl het lichaam in een rechte houding blijft.
1°. Wanneer de Zusters in de Kapel of in het koor komen, en het Allerheiligste Sacrament op het altaar rust, maken zij eerst een diepe buiging en knielen daarna op één knie. Hetzelfde doen zij, wanneer zij de Kapel of het koor verlaten.
2°. Zonder voorafgaande diepe buiging knielen zij op beide knieën en buigen geknield eer-
99
OVER DE BUIGINGEN.
biedig het hoofd, wanneer zij in de Kapel of het koor komen of zich daaruit verwijderen, terwijl het H. Sacrament is uitgesteld, of terwijl de li. Communie wordt uitgedeeld; ook terwijl het H. Sacrament op Witten Donderdag na de processie tot aan de processie op Goeden Vrijdag in het tabernakel rust.
Het H. Sacrament, dat na de consecratie der H. Mis op het altaar tegenwoordig is, wordt niet beschouwd als ter aanbidding te zijn uitgesteld, maar wordt vereerd op dezelfde wijze, als wanneer het in het tabernakel rust.
3°. Wanneer de Zusters reeds in het koor of de Kapel aanwezig zijn en in de hiervoor onder n. 2 opgenoemde gevallen vóór het midden van het altaar komen of daarvan weggaan, of het voorbijkomen, dan knielen zij enkel op een knie, zonder andere buiging te maken.
4°, Allen, die van af de aanbidding van het kruis op Goeden Vrijdag tot aan het begin der H. Mis en op Paaschzaterdag het kruis van het altaar naderen, voorbijgaan of verlaten, knielen op een knie.
126. 5°. De Zusters knielen op beide knieën: wanneer in den psalm Ven it e exult emus, bij het begin der Metten, de woorden Venite adoremus et procidamus ante Deum gezegd worden;
eveneens bij het vers van den lofzang Te Deum: Te ergo quaesumus;
gedurende de eerste strophe der hymnen: Veni Creator en Ave maris steil a;
100
OVER DE BUIGINGEN.
onder het bidden of zingen der antiphoon: Snb tuum praesidium;
onder Salve Regina, Pie Pater en de verzen en oraties met het laatste Paternoster aan het slot der Uren;
bij het Salve na de Completen, terwijl de twee eerste woorden\' Salve Regina en de woorden E j a ergo a d v o c a t a tot en met
0 sten de gezongen worden;
onder het zingen van de Litanie der H. Maagd en het Proza: I n v i o 1 a t a en onder de Litanie van alle Heiligen;
terwijl O Sac ru m, Ap e r i en Do m in e
1 n u n i o n e vóór het Officie, en S a c r o s a n c-tae met het volgend Pater no ster en A v e Maria na het Officie gezegd worden.
0°. Gedurende eene uitstelling van het fl. Sacrament buiten do H. Mis blijven allen geknield zitten; ook onder alle gezangen van het lof, uitgezonderd onder Eenedictus, Magnificat, Te Deum en Regina coeli.
70. Onder de H. Mis knielt men op beide knieën: terwijl de woorden Salve S a n c t a Parens van den introitus in sommige Missen der II.
o
Maagd gezongen worden; als de Priester zingt: Electa m n s genua; als de Priester onder het Evangelie van Driekoningen zingt: E t p r o-c i d e n t e s a d o r a v e runten ra;
onder de woorden in het Evangelie van den PI. Joannes: Et verbum caro factum est;
terwijl in het Credo gezongen wordt: Et in car nat us est de Spiritu Sancto ex
101
OVER DE BUIGINGEN.
Maria Virgin c: et homo fact us est;
na het zingen van het Sanctus tot na de elevatie.
Over het knielen der Zusters onder de stille H. Mis vergelijke men u. 97.
ART. VI.
DE PROSTRATIE OP DIEP GEBOGEN/HOUDING.
127. De prostratie geschiedt door, na op beide knieën geknield te zijn, het hoofd en het lichaam diep te buigen. Zij wordt gemaakt;
1°. In de getijden der H. Maagd op Aschdag van af de Metten tot en met de None, en op Maandag, Dinsdag en Woensdag in de Goede week van af de Metten van Maandag tot en met do None van Woensdag, zoo dikwijls men anders een diepe buiging maakt; ookbijPater no ster en Credo onmiddellijk naFidelium. Onder Pater no ster echter vóór de Lessen wordt de gewone diepe buiging gemaakt.
2°. Indien op de dagen bij n. 1 opgenoemd de getijden der overledenen gezegd worden en in het onmiddellijk voorafgaande Uur prostraties gemaakt zijn, worden zij ook in de getijden dei-overledenen gemaakt, namelijk, na de antiphoon, die op het Magnificat en Benedictus volgt, tot na de eerste der drie oraties van de Lauden en de Vespers; en onder het Pater no ster na het Officie.
3°. Bij het laatste Pater noster na Fide-
102
OVEll DE BUIGINGEN.
lium der tafelgebeden op Maandag, Dinsdag, Woensdag en Vrijdag in de Goede week.
4°. Als eene Zuster in het koor komt, nadat Gloria Patri van den eersten psalm gezegd is. Komt men in liet koor nadat liet Officie reeds begonnen is, doch vóór Gloria Patri van den eersten psalm, dan kust men eerbiedig het scapulier.
5°. Bij het Confiteor vóór de generale Absolutie der fouten tegen den Regel en terwijl die Absolutie gegeven wordt.
0°. Terwijl het H. Sacrament wordt overgebracht of de zegen met het Allerheiligste gegeven wordt.
7°. Terwijl de H. Communie wordt uitgereikt, door allen, die niet communiceeren; door de Zusters, die communiceeren, onder het Confiteor tot na Indulgentiam en Absolutio-nem, en zoodra zij van de communiebank op hare plaats zijn teruggekeerd, tot zoolang het tabernakel niet gesloten is.
8°. Als dc woorden Veneremur cernui in Tantum ergo gezongen worden.
128. 9°. Door alle Zusters in het kapittel der fouten, wanneer de Overste zegt: /,Die zich schuldig kennenquot; enz., en door iedere Zuster, nadat zij zich beschuldigd heeft.
10°. Wanneer aan eene Zuster een ambt of bediening wordt opgelegd, of zij van dc Overste een berisping ontvangt.
1 2°. Door een ieder, die een formeel gebod van de Overste ontvangt.
O
103
OVER DE BUIGINGEN.
12°. Door eene Zuster, die in het koor of in den refter, met lezen, zingen, dienen of anderszins een aanmerkelijke fout begaan heeft.
Zoo die fout in het koor heeft plaats gehad, maakt men de prostratie in het midden van het koor, onmirldellijk nadat, bij het eindigen dei-Uren, door de Priorin Fidelium gezegd is. Is zij echter in den refter geschied, dan maakt men de prostratie in het midden van den refter zoodra de Zusters na tafel opgestaan zijn en naar hare plaats zijn teruggekeerd.
De Zusters, die in het koor kleinere fouten begaan, kussen terstond na de begane fout haar scapulier.
13°. Voor eene Zuster, die men grootelijks beleedigd heeft, tot zoolang die Zuster een tee-ken geeft om op te staan.
14°. In de H. Mis na de elevatie tot de Priester zingt: Pater no ster. Op Aschdag echter en op Maandag, Dinsdag en Woensdag in de Goede week maakt men een prostratie na het zingen van het geheele Sanctus tot aan Agnus Dei en onder de eerste oratie en de eerste postcommunio.
De prostratie onder n. 3, 4, 9, 10, 11 en 12 vermeld, wordt gemaakt tot zoolang dooide Zuster, die voorzit, een teeken gegeven wordt om op te staan.
104
ZESDE HOOFDSTUK.
DE PLECHTIGHEDKN DER INKLEEDING EN PROFESSIE.
ART. I.
ALGEMEENE BEMERKINGEN.
129. De inkleeding, de eerste en de groote professie hebben gewoonlijk plaats onmiddellijk na de H. Mis. Zoo de omstandigheden dit niet toelaten, kan de plechtigheid ook na de Vespers, na het lof of op een anderen tijd van den dag verricht worden.
Zij, die gekleed moeten worden of hare professie moeten doen, comnmniceeren dien dag vóór de andere Zusters, indien zij te gelijk met deze de H. Communie ontvangen.
Indien de Priester, die de plechtigheden verricht, een Pater der Predikheeren-orde is, is hij met zwarten mantel gekleed en draagt daarover een witte stool; een andere Priester gebruikt bij de inkleeding en de professie superplie en witte stool.
Als er meerdere Zusters te gelijk moeten
DE PLECHTIGHEDEN
gekleed worden of hare professie moeten doen, dan spreekt de Priester haar aan in het meervoud.
Ook bij de latijnsche gebeden gebruikt hij alsdan het meervond, zoo dikwijls dit wordt aangegeven. Terwijl de Priester aan ieder afzonderlijk cingel, rozenkrans, scapulier, enz. overgeeft, is het voldoende, dat de daarbij voorgeschreven woorden slechts eenmaal tot allen te gelijk gezegd worden. Is echter het getal dei-Postulanten niet te groot, dan kan de Priester de woorden bij ieder afzonderlijk uitspreken.
De Postulanten en de Zusters, die hare professie moeten doen, spreken altijd in het enkelvoud, gezamenlijk op denzelfden toon, een weinig langzaam en met kleine tusschenpoozen, om daardoor dezelfde woorden gelijktijdig te kunnen zeggen. Het formulier der professie wordt door ieder afzonderlijk gezegd.
130. , De Kosteres zorgt, dat alles wat voor de inkleeding of professie noodig is, reeds vóór het begin der plechtigheid gereed is. Het altaar moet behoorlijk versierd zijn, en zes kaarsen moeten daarop branden.
De Zusters in het koor staan tegenover elkander als er gezongen wordt; terwijl zij antwoorden keeren zij zich naar liet altaar. Terwijl de Postulanten gekleed worden en gedurende de professie zitten de Zusters in het koor.
De Zuster, die gekleed moet worden of hare professie moet doen, ontvangt vóór het begin der plechtigheid een brandende kaars in de hand. Tijdens de predikatie en zoo dikwijls zij de
106
DEll INKLEBDING EN PROFESSIE.
kaars niet in de hand kan honden, wordt deze op een kandelaar geplaatst.
Wanneer de inkleeding en het afleggen der tijdelijke en altijddurende beloften op denzelfden dag plaats hebben, dan geschiedt eerst de inkleeding, daarna worden de tijdelijke en ten laatste de groote beloften afgelegd. De Priester houdt dan slechts eenmaal een toespraak vóór de inkleeding en het Veni Creator wordt dan bij de eerste en bij de groote professie niet herhaald.
ART. II.
DE INKLEEDING.
131. Vóór de //. Mis of vóór het lof plaatst de Postulante zich op een bidbankje, midden in het koor. Zij draagt een witten sluier op het hoofd.
Na de II. Mis of na het lof knielt zij neder buiten de deur der Kapel en wordt van daar, zoodra de Priester bij het altaar is, door de Priorin en de Novicemneesteres binnen de Kapel en binnen de communiebank geleid, terwijl het koor de antiphoon O lumen zingt.
Dan knielt zij neder, het hoofd eerbiedig gebogen. De Priester zit op het plat der altaar-treden in een leuningstoel, wendt zich tot de Postulante en zegt:
107
DE PLECHTIGHEDEN
Wat vraagt gij?
Zij antwoordt:
Gods barmhartigheid en de uwe.
Hierna kan de Priester een korte aanspraak houden. Is deze geëindigd, dan zegt hij:
Mijne dochter, gij hebt Gods barmhartigheid gevraagd en de onze. Gods barmhartigheid kunnen wij u niet geven; wij zijn echter overtuigd, dat gij die reeds ontvangen hebt, wijl gij een volmaakten staat, dien van het religieuse leven, verkiest. Doch wij zijn bereid u onze barmhartigheid te verleenen door u als Novice onder dc kinderen van den H. Dominicus in deze Congregatie op te nemen. Maar hebt gij liet voornemen om de drie beloften van Armoede, Zuiverheid en Gehoorzaamheid en de Regels en Gonst)tutiën van deze Congregatie, waarin gij verlangt te worden opgenomen, volgens uw vermogen te onderhouden?
De Postulante antwoordt :
Ja, Eerwaarde Vader, met de genade van God. De Priester zegt vervolgens:
Dominus, qui incepit ipse perficiat.
En het geheele koor antwoordt:
Amen.
132. Dan knielt de Priester op de laagste trede van het altaar en heft het Veni Creator aan. Het koor vervolgt den lofzang.
Daarna zingt de Priester de volgende verzen en de oredie, waarop het koor antwoordt. Or. Eimtte Spiritum tuum et creabüntur. ft. Et renovabis faciem terrae.
108
DER INKLEEDING EN PROFESSIE.
f. Salvara fac anclllam tuam.
of Salvas fac anclllas tuas.
R-. Deus meus sperantem (sperantes) in te.
y. Dóminus vobiscum.
R. Et cum splritu tuo.
Oremus.
Deus, qui corda fidelium sancti Spuitus illus-tratióne doemsti: da nobis in eodem Spiritu recta sapere, et de ejus semper consolatióne gaudére.
Praeténde, Dóraiue, famulae tuae (famulabus tuis) déxteram coeléstis auxüii; ut te toto corde perqmrat (perqmrant), et quae digue póstulat assequatur (postulant assequantur). Per Christum Dóminum nostrum.
R-. Amen.
Vervolgens bestijgt de Priester weder het altaar en keert zich met het gezicht naar de Postulante. Deze, geleid door de Priorin en de Novicenmeesteres, knielt neder op de onderste trede van het altaar. Men neemt haar den witten sluier en de wereldsche sieraden af, terwijl de Priester haar toespreekt:
Mijne dochter, de Heer verwijdere uit uw hart de ijdelheid der wereld, waaraan gij bij het H. Doopsel verzaakt hebt.
De Postulante antwoordt: Amen.
133. De Kosteres geeft nu achtereenvolgens de geestelijke kleederen aan den Priester.
De Priorin ontvangt de kleederen uit de handen van den Priester, en, bijgestaan door de
109
DB PLECHTIGHEDEN
Novicenmeesteres, bekleedt zij daarmede de Postulante.
Bij het geven der witte tunica zegt de Priester: De Heer bekleede u met de kleederen dei-zaligheid; bewaar ze door de kracht zijner genade zuiver en onbevlekt, opdat gij daardoor waardig word et eenmaal in witte kleederen te wandelen met Jezus Christus in het rijk der hemelen. De Postulante antwoordt: Amen.
Terwijl hij den cingel geeft, zegt de Priester: De Heer omgorde u met den band der rechtvaardigheid en den gordel der zuiverheid, opdat gij daardoor de verscheidenheden dezer wereld in de liefde tot God alleen moogt vereenigen, en de wederspannige hartstochten onder het juk der rede en de heerschappij van den goddelijken wil in bedwang moogt houden.
ft. Amen.
Bij het geven van den rozenkrans, zegt de Priester:
Ontvang dezen rozenkrans, een kostbaar erfdeel door den H. Dominicus aan zijne kinderen gelaten; dat hij voor u een gezegend wapen zij, om te zegepralen over u zelve, de wereld en de hel.
ft. Amen.
Het scapulier gevende, zegt de Priester: Ontvang, mijne dochter, het scapulier onzer heilige Orde, liet voornaamste gedeelte onzer kleeding in de Orde der Predikheeren, uit den Hemel ontvangen van de Allerheiligste Maagd Maria als een onderpand harer moederlijke liefde
110
DEli INKLEEDINO EN PROFESSIE.
jegens ons, onder wier vleugelen en mantel dit u een schaduw zal wezen tegen de hitte, en in den dood een middel tot versterking en verdediging tegen alle gevaren, zoowel naar het lichaam als naar de ziel.
R-. Amen.
Den mantel gevende, zegt de Priester:
Ontvang dezen zwarten mantel der nederigheid , opdat het goed werk, heden door u verricht, niet voor n verloren ga en gij u zelve niet ten verderve zijt; hij zal u leeren, de sieraden der deugd en den glans der onschuld tegen het bederf van den hoogmoed te beveilio-en.
o o o
Weet dan, dat alle schoonheid van de dochter des konings inwendig is, opdat, indien uwe heiligheid zich uitwendig te zeer mocht toonen, de listige vijand het offer uwer boetvaardigheid niet wegroove, en gij na het tijdelijke loon van den lof der menschen te hebben ontvangen, niet ledig voor God verschijnt en de glorie dei-eeuwige zaligheid verliest.
R. Amen.
Terwijl de Priester den sluier geeft, zegt hij:
Dewijl eene vrouw, met ongesluierd hoofd biddende of van goddelijke dingen sprekende, haar hoofd schande aandoet, daarom bieden wij u dezen sluier aan, opdat hij voor u een teek en zij van heiligheid, ingetogenheid en zedigheid, een wapen voor de menschen, en een altijddurende herinnering aan de Christelijke dienstbaarheid. Zorg hem zoo te dragen, dot gij uwe ziel, welke gij heden aan Christus onder de
Ill
DE PLECHTIGHEDEN
wetten der boetvaardigheid grootmoedig hebt toegewijd, vlekkeloos inoogt bewaren.
R. Amen.
134. Middelerwijl de sluier met den hoofdband o]) het hoofd der Postulante bevestigd wordt, zingen de Zusters het responsorium R e g-n u m in u n d i, hetwelk in het Processionarium te vinden is.
Bij \'t einde van het responsorium, zet de Priester een hloemenhrans op het hoofd der Postulante, zeggende:
Mijne dochter, in de wereld werdt gij genoemd N. N., voortaan zal uw naam zijn: Zuster N.
De Postulante antwoordt: Deo gratias.
Zoo er meerdere Postulanten zijn, wordt aan ieder van haar afzonderlijk op dezelfde wijze een naam gegeven.
Vervolgens zegt de Priester, zittende:
Volgens uw verlangen hebben wij u het kleed van den H. Dominicus gegeven. Maar aangezien het mogelijk is, dat liet religieuse leven u niet behaagt, of dat gij niet behaagt aan deze religieusen, geven wij u, overeenkomstig de besluiten der H. Kerkvergadering van Trente en de Constitutiën dezer Congregatie, een geheel jaar Noviciaat, opdat gij gedurende dien proeftijd het religieuse leven kunt leeren kennen, en ook de Zusters nader met u bekend kunnen worden. Tracht het juk des Heeren met liefde en edelmoedigheid te dragen en aan uwe Oversten evenals aan God te gehoorzamen.
112
DER INKLEEDING EN PROFESSIE.
Dan treedt de Postulante naderbij om de stool van den Priester te kussen.
Worden er na de Meeding yeene Zusters geprofest, dan heft de Priester, aan den voet des altaars staande, den lofzang Te Deum aan, en eindigen de plechtigheden zooals in n. 141 wordt aangegeven.
ART. III.
DE EERSTE OF TIJDELIJKE BELOFTEN.
135. De Priester plaatst zich op het plat der altaart reden in een leuningstoel en de Zuster, die hare professie moet doen, komt tot binnen de communiebank, knielt daar voor het altaar neder en buigt eerbiedig het hoofd.
De Priester zegt:
Wat vraagt gij ?
De Zuster antwoordt:
Gods barmhartigheid en de uwe.
Hierna kan de Priester een korte aanspraak houden. Dan volgt het Veni Creator met de verzot en oraties zooals bij de inkleeding. n. 132. Vervolgens herneemt hij:
Mijne dochter, gij vraagt Gods barmhartigheid en de onze. Gods barmhartigheid kunnen wij u niet geven; wij zijn echter overtuigd, dat gij die reeds ontvangen hebt. Doch wij zijn bereid u onze barmhartigheid te verleenen, door u tot de professie toe te laten. Maar hebt gij
113
DE PLECHTIGHEDEN
vast besloten gedurende drie jaren de Regels en Constitutiën der Congregatie, waarin gij opgenomen zijt, te onderhouden?
De Zuster antwoordt:
Ja, Eerwaarde Vader, met de genade van God.
De Priester zegt:
Hebt gij besloten de belofte van Armoede te onderhouden, door u te ontdoen van de liefde voor de aardsche goederen, om edelmoedig den Zoon Gods te volgen, die in armoede is geboren , die arm geleefd heeft, en die beroofd van alles op een kruis gestorven is?
De Zuster antwoordt:
Ja, Eerwaarde Vader, met de genade van God.
De Priester zegt:
Hebt gij besloten de belofte van Zuiverheid te onderhonden, door over uwe zinnen te waken, hier een engelenleven te leiden, uw vleesch te versterven en u zelve nauwkeurig naar de kloosterregels te voegen ?
Zij antwoordt:
Ja, Eerwaarde Vader, met de genade van God.
Nogmaals zegt de Priester:
Hebt gij eindelijk besloten de belofte van Gehoorzaamheid te onderhonden, door aan u zelve te verzaken en niet meer uw eigen wil, maar den H. wil Gods te volgen, die u dooide leiding en de bevelen uwer Oversten wordt kenbaar gemaakt?
De Zuster antwoordt :
Ja, Eerwaarde Vader, met de genade van God.
Dan zegt de Priester:
114.
DER INKLEEDING EN PROFESSIE.
Roep dan Gods genade en barmhartigheid in, om in zijne tegenwoordigheid de driejarige beloften af te leggen, in den vorm en op de wijze, als zij verklaard worden in den Regel en de Constitutiën der Congregatie, die u opgenomen heeft.
De Zuster, d le hare beloften moet afleg (jen richt zich op en hielt met luider stem het volgende gebed:
Versterk mij. Heer, God van Israël, en luister in dit nur naar de woorden van mijnen mond; richt mijne bevende ziel op, gelijk Gij beloofd hebt, opdat ik volbrenge, hetgeen ik mij heb voorgenomen, in de hoop dit door U te zullen vermogen.
De Priester herneemt.
Schep moed en wees sterk, hoop op den Heer, en doe wat goed is, om in \'t vertrouwen uws harten alles op te otteren met blijdschap, want God verlaat niet, die op Hem hopen, en in u, zijne dienares, zal Hij de inzichten zijner barmhartigheid vervullen.
136. Hierna legt de Priester het boel- der Constitutiën geopend in zijne handen, en de Zuster, voo)\' zijne voeten ojj den trap des altaars neergeknield, legt hare rechterhand op het boek de)1 Constitutiën en houdt een brandende kaars in hare linkerhand. Dan legt men op hare rechterhand het formulier der tijdelijke beloften, hetwelk door haar met heldere en verstaanbare stem gelezen wordt:
115
DE PLECHTIGHEDEN
JEZUS, MARIA, JOZEF, DOMINICUS.
Ter eere van den almaclitigen God, den Vader, den Zoon en den Heiligen Geest en van de Heilige Maagd Maria en van den Heiligen Dominicus doe ik, Zuster N. N. professie voor U, N. N., hiertoe wettig gemachtigd, in de tegenwoordigheid van U, N. N., Algemeene Overste dezer Congregatie, (of: van U, N. N.)
Priorin van het Novicenhuis te......., in
de plaats van N. N., Algemeene Overste dezer Congregatie), dat ik voortaan wil leven volgens den Regel en de levenswijze van de Broeders en Zusters der Derde Orde van Boetvaardigheid van den Heiligen Dominicus; en doe belofte van Armoede, Zuiverheid en Gelioorzaamheid, volgens de Constitutiën dezer Congregatie van de Heilige Catharina van Senen.
Terwijl de Zuster aan de voeten van den Priester de beloften aflegt, knielt de Algemeene Overste op de trappen des altaars aan hare zijde neder.
Na het uitspreken der beloften, ontvangt de Zuster den vredekus van de Algemeene Overste, de Priorin en de Novicenmeesteres.
Hierna legt de Priorin het voorgedeelte van het scapulier op het hoofd der Zuster en de Priester zegent het op deze wijze:
116
DER INKLEEDING EN PROFESSIE.
f. Osténde nobis, Dómine, misericórdiam tuam.
R-. Et salutare tuum da nobis.
ü. Dóniimis vobiscum.
ft. Et cum splritu tuo.
Oremus.
Dómine Jesu Christe, qui tégiraen nostrae mortalitatis induere dignatus es, obsecramus iraménsne largitatis tuae abundantiam, ut hoe genus vestimentórum, quod sancti Patres ad innocéntiae et humilitatis indicium ferre sanxe-runt, ita bene ^ dicere dignéris, ut quae hoc iisa füerit, (usae füerint), te induere mereatur (mereantur) Christum Dóminum nostrum, ft. Amen.
De Priester besproeit het scapulier met wijwater. De Priorin hangt het voorgedeelte weder naar beneden, waarna de Priester den sluier zegent, dien de Kosteres hem op een blad aanbiedt.
Adjutórium nostrum in nomine Domini, ft. Qui fecit coelum et terrain.
Dóminus vobiscum.
ft. Et cum sphitu tuo.
O R E 51 u s.
Caput omnium fidélium Deus, et totius corporis Salvator, hoc operiméntum velaminis, quod famula tua (famulae tuae), propter tuum tuaeque Beatlssimae Genitricis semper Virginis Mariae amórem, suo capiti impositüra est (impositürae sunt), tua déxtera béne ^ die, et hoc quod
117
DE PLECHTIGHEDEN
per illucl mystice clatur intelligi, taa semper custódia córpore et animo incontaminato custódiat (custódiant), ut, quando ad perpétuarn sanctórum remuneratiónem vénerit (vénerint), cum prudén-tibus et ipsa (ipsae) virgmibus praeparata (prae-paratae) te perducénte, ad perpétuae felicitatis miptias intrare mereatur (mereantur). Per Christum Dóminum nostrum.
ft. Amen.
Hierna besproeit de Priester den sluier met wijwater en geeft hem aan de Zuster, zeyyende: Ontvang, mijne dochter, dezen sluier, bied hem zonder smet aan voor de vierschaar van onzen Heer Jezus Christus, voor wien alle knie zich buigt, van die in den hemel, op de aarde en onder de aarde zijn.
De Zuster antwoordt: Amen.
137. Terwijl de niet-gezegende sluier van het hoofd der Zuster weggenomen en de gezegende op haar hoofd bevestigd wordt, zingt het koorde drie volgende antiphonen uit het Processio-narium :
Pósuit signum in faciem meam, ut nullum, praeter eum, amatórem admittam.
Ipsi sum desponsata, cui Angeli sérviunt, cujus pulchritüdinem sol et luna mirantur.
Induit me Dóminus cyclade auro texta, et imménsis monilibus oraavit me.
Vervolgens zegent de Priester den ring, alen men hem op een blaadje voorhoudt.
f. Adjutórium nostrum in nómine Dómini. ft. Qui fecit coelum et terrain.
118
DEK INKLEEDING EN PllOEESSIE.
Sit nomen Dómini benediclum. H-. Ex hoc nunc et usque in saeculum. f. Dóminus vobiscum.
R. Et cum splritu tuo.
Oremus.
Creator, conservator et salvator géneris hu-mani, datórque gratiae spiritualis, benedictiónem tuam super hunc annulum (hos annulos) immitte, ut quae eum (eos) gestaverit (gestaverint), coe-lésti virtüte tidem integram, spem firmam et charitatem perpétuam per intercessiónem Beatae Mariae semper Virginis, Regmae virginuin téneat (téneant), et sicut sponsa (sponsae) Jesu Christi, castitatis emlssae votum inviolate custódiat (custo-diant) atque in puritate mentis et corporis Agnum sine macula sequatur (sequantur) in vita, ut cum illo post mortem jierpétua jucunditate per-fruatur (perfruantur). Per Christum Dóminnm nostrum.
ft. Amen.
Dan hesjpfoeit de Priester den rhuj met wij water, en dee/d hem aan den vinger der rechterhand der Zuster, zeyyende:
Ik verbind u met Jezus Christus, den Zoon van den Hemelschen Vader, die u naar ziel en lichaam vlekkeloos beware, opdat gij de Bruid van Jezus zijn moogt en genoemd worden; indien gij Hem getrouw blijft op aarde, zult gij door Hem gekroond worden in den Hemel. De Zuster antwoordt: Amen.
119
DE PLECHÏIGHKIJüN
De Priester geeft haar een kruisbeeld in de hand en zegt:
Het zij verre van u, mijne dochter, in iets anders te roemen, dan in liet kruis van onzen Heer Jezus Christus. Dit zij een fakkel voor uwe voeten en een licht op uwe wegen. Het zij voor u een bundel van mirre, die voortdurend op uw hart blijftjvastgehecht. Volg dit ware beeld van boetvaardigheid, want zoo moet gij lijden met Christus, om met Christus de glorie des Vaders te kunnen ingaan in de eeuwen der eeuwen.
Zij antwoordt: Amen.
Hierna geeft de Priester het boek der Consti-tutiën aan de Zuster, zeggende:
Ontvang dit boek van den Regel en de Con-stitutiën tot herinnering aan de beloften, die gij heden hebt afgelegd. Weet, dat het u door de Engelen in het laatste oordeel zal voorgehouden worden, tot uwe glorie en geruststelling, indien gij zijne voorschriften hebt nageleefd; maar tot wanhoop en schande voor u, zoo gij die hebt verwaarloosd en overtreden.
Met het kruisbeeld en het Regelboek in de hand richt de Zuster zich op en zegt:
Ontvang mij, Heer, volgens uw woord, en ik zal leven; en maak mij niet beschaamd in mijne verwachting.
Waarop het geheele koor antwoordt: U geschiede volgens het verlangen uws harten; en do Heer bevestige uw besluit.
Nu wordt haar door den Priester een hloe-
120
DER. INKLEEDING EN PROFESSIE.
menkrans op het hoofd geplaatst; de Zuster kust het onderste gedeelte van de stool des Priesters en keert naar hare plaats terug.
Indien er geen plechtige beloften afgelegd worden, volgt het Te Deum, en wordt de plechtigheid geëindigd, zooals in n. 141 gezegd wordt.
] 38. Wanneer terzelfder tijd meerdere Zusters hare professie doen, dan keert de eerste Zuster onmiddellijk na het uitspreken van het formulier der beloften naar hare plaats terug, en knielen de volgende, een voor een, voor de voeten van den Priester, om evenals de eerste de woorden har er professie uit te spreken. Nadat de laatste teruggekeerd is, worden de scapulieren en de sluiers van allen te gelijk gewijd, terwijl allen op hare plaats geknield blijven.
Na het wijden der sluiers, knielt ieder weder op hare beurt voor den Priester neer, om den sluier te ontvangen.
Zoodra de laatste naar hare plaats is teruggekeerd worden de ringen van allen tegelijk gewijd.
Na de wijding der ringen kond de eerste weer voor den Priester neder knielen, ontvangt achtereenvolgens den ring, het kruis, het Regelboek, spreekt de woorden: Ontvang mij. Heer, enz., ontvangt den bloemenkrans, kust de stool 3n keert dan naar hare plaats terug-; waarna de overigen op hare beurt voor den Priester neder-knielen.
121
DE PLECHTIGHEDEN
ART. IV.
1)K GROOTE OP ALTIJDDURENDE BELOFTEN.
139. De Priester aan den voet des altaars staande zingt uit het Processionarium:
Veni, sponsa Christi.
De Zuster, die de altijddurende beloften moet afleggen, op een hidstoel achter in de kapel of in de Icoorhanlcen gezeten, staat op, en knielt achter in de Kapel tusschen de Priorin en de Novicenmeesteres neder. De Priorin en de No-vicenmeesteres hl ij ren naast haar staan.
De Priester beidimt de trappen van het altaar en herhaalt de woorden:
Veni, sponsa Clivisti.
De Zuster staat op en knielt een weinig verder midden in de Kapel, geleid door de Priorin en de Novicenmeesteres.
Ten derdenmale zingt de Priester:
Veni, sponsa Christi.
De Priester plaatst zich in een leuningstoel op het plat der aUaartreden en het geheele koor vervolgt de antiphoon :
Accipe corónam quam tibi Dóminus pracpa-ravit in aeternnm.
Zoodra de Priester ten derdenmale Veni, sponsa Christi gezongen heeft, staat de Zuster op en knielt , begeleid door de Priorin en de Novicenmeesteres, voor den voet des altaars neder. Na het eindigen der antiphoon buigt zij het hoofd en de Priester zegt :
Wat vraagt gij?
122
DER INKLEEDING EN PROFESSIE.
Zij antwoordt:
Gods barmhartigheid en de uwe.
Hierna kan de Priester een korte toespraak houden, waarna de lofzang Veni Creator met de verzen en oraties gezongen wordt, evenals hij de inkleeding. n. 132.
Vervolgens zegt de Priester:
Mijne dochter, gij hebt Gods barmhartigheid gevraagd en de onze. Gods barmhartigheid kunnen wij u niet geven; wij zijn echter overtuigd, dat gij die reeds ontvangen hebt. Doch wij zijn bereid u onze barmhartigheid te ver-leenen, door u tot de altijddurende beloften toe te laten. Maar hebt gij vast besloten geheel uw leven de Rebels en Constitutiën der Consrre-
O O
gatie waarin gij opgenomen zijt en vooral de drie beloften van Armoede, Gehoorzaamheid en Zuiverheid te onderhouden?
De Zuster antwoordt :
Ja, Eerwaarde Vader, met de genade van God.
De Priester zegt vervolgens:
Dóminus, qui incoepit, ipse perficiat.
En het geheele koor antwoordt :
Anion.
Hierna legt de Priester het boek der Con-stitutiën geopend in zijne handen, en de Zuster voor zijne voeten op den trap des altaars neergeknield, legt hare rechterhand op het hoek der Constitutiën en houdt een brandende kaars in de linkerhand. Dan leest zij met heldere en verstaanbare stem het formulier der altijddurende beloften, hetwelk op hare rechterhand gelegd
123
de plechtigheden
wordt. De Algemeene Overste zit, terwijl de Zuster de beloften uitspreekt, ter zijde van de Zuster geknield.
Dit formulier is volkomen gelijk aan dat der eerste professie, uitgezonderd de ivoorden: „tot aan den dood,quot; welke aan het einde daaraan worden toegevoegd. Hierna, ontvangt de Zuster den vredekus van de Algemeene Overste, de Priorin en de Novicenmeesteres, en de Priester zet haar eene doornenkroon op het hoofd.
140. Vervolgens knielt de Zuster op hare plaats neder en de Priester, tot haar gekeerd, leest of zingt staande de volgende verzen en zegeningen, waarop het koor antwoordt.
ir. Audi, filia, et vide, et inclma aurem tuam. ft. Et obliviscere pópuluni tuum, et dommx.
patris tui.
f- Et concupiscet rex decórem tuum. ft. Quóniam ipse est Dominus Deus tuus. V. Ipse illüminet óculos tuos, ue umquam
abdórmias in morte.
ft. Nequando dicat inimicus tuus: praevalui
advérsus eam.
v. Dómine, exaudi oratiónem meain.
ft. Et clamor mens ad te veniat.
Dómiuus vobiscum.
ft. Et cum spiritu tuo
O li e m u s.
Dómiuus Jesus Christus sit tibi (vobis) adjü-tor et protector, atque omnium factórum tuórum fvestrórum) adjütor.
124
UEll INKI/EEDINCi EN PllOFESSIE.
R-. Amen.
Et Deus pietatis ac misericórdiae det tibi (vobis) oorrectiónem peccaniinum, et concédat locum poeniténtiae: tribuat tibi (vobis) digne acta mala deflére, gaudiaque vitae perénnis afflu-énter obtinére. Per Christum Dominum nostrum.
R-. Amen.
Oremus.
Dóminus Jesns Christus apud te (vos) sit, ut te (vos) deféndat.
R. Amen.
Post te (vos) sit, ut te (vos) custódiat.
R. Amen.
Intra te (vos) sit, ut te (vos) dedücat.
R. Amen.
Super te (vos) sit, ut te (vos) benedicat: Qui cum Patre et Spiritu Saucto vivit et regnat per omnia saecula saeculórum.
R. Amen.
O R E J) u s.
Benedicat te (vos) Deus coeli.
R. Amen.
Adjuvet te (vos) Christus Filins Dei.
R. Amen.
Corpus tuum (vestrura) in servitio suo custo-diri et conservari faciat.
R. Amen.
Gratiam suam ad proféctum animae tuae (vestrae) juste augeat.
R. Amen.
125
DE PLECHTIGHEDEN
Ab omni malo te (vos) liberet.
ft. Amen.
Déxtera sua te (vos) defendat.
ft. Amen,
Qui sanctos suos semper adjuvat ipse te (vos) adjuvare et conservare dignétur. Qui cum Patre et Spiritu Sancto vivit et regnat per omnia saecida saeculórum.
ft. Amen.
o ee mus.
Benedicat te (vos) Deus Pater.
ft. Amen.
Sanet te (vos) Filius Dei.
ft. Amen.
lllüminet te (vos) Spiritus Sanctus.
ft. Amen.
Corpus tuum (vestrum) custódiat.
ft. Amen.
Animam tuam (vestram) salvet.
ft. Amen.
Cor tuum (vestrum) irradiet.
ft. Amen.
Sensum tuum (vestrum) dirigat et ad supér-nam veritatera perdücat. Qui in Trinitate perfecta vivit et regnat per omnia saecula saeculórum. ft. Amen.
O e e m u s.
Bene ^ dicat te (vos) Deus Pater, qui in prin-eipio cuncta creavit.
ft. Amen.
126
DER INKLEEDING EN PROFESSIE.
Eenc ^ dicat tc (vos) Deus Filius, qui dc supérnis sédibus nobis Salvator descéndit, et crucem subire non recusavit.
R- Amen.
Bene ^ dicat te (vos) Spiritus Sanctus, qui in similitüdinem columbae requiévit in Christo. ft. Amen.
I])se te (vos) in Trinitate sanctiticet, et custó-diat omnibus diébus vitae tuae (vestrae), quem ventürum expectamus ad judicium. Qui cum Patre et Spiritu Sancto vivit et regnat per ómnia saecula saeculórum.
ft. Amen.
O R E 51 u s.
Propitiétur Dóminus cunctis infirmitatibus tuis (vestris), et sanet omnes languóres tuos (vestros); redimat dc intéritu vitamtuam (vestram), et corróboret ac sanet in bonis desiderium tuum (vestrum). Qui in Trinitate perfecta vivit et regnat per ómnia saecula saeculórum.
ft. Amen.
Hierna zingt het hoor uit het Processionarium: Amo Christum, in cujus, enz.
Bij \'t einde van het responsorium zingt de Priester de volgende verzen en oratie, waarop het koor antwoordt.
i\'. Salvam fac anclllam tuam qf Salvas fac
ancillas tuas.
ft. Deus mens, sperantem (sperantes) in te. f. Mitte ei (eis), üómine, auxllium de sancto. ft. Et de Sion tuére eam (eas).
127
DE PLECHTIGHEDEN
.iff. Do mine, exaudi oratiónem meam.
ft. Et clamor mens ad te véniat.
Dominus vobiscum.
ft. Et cum spiritii tuo.
Oremus.
Famulam tnam (famulas tuas), Dóraine, custó-dia tuae müniat pietatis, et continéntiae sanctae propositum, quod te inspirante suscépit (susce-permit), te protegénte illaesum custódiat/\'custó-diant). Per Christum Dóminum nostrum. R-. Amen.
Eindelijk strekt de Priester zegenend zijne hand uit over de Zuster, terwijl hij zingt:
Bene dictio Dei oinnipotentis Patris et Filii et Spiritus Sancti, per intercessiónem Beati Patris Dominici et Seraphicae Matris Catharinae, de-scéndat super te (vos) et maneat semper, ft. Amen.
Dan staat de Zuster op, knielt voor den Priester neer en kust het uiteinde der stool. Hierna volgt het Te Deum.
ART. V.
het einde der plecht ig h ed kn bij de inkleedinü of professie.
141. Aan den voet des altaars staande, heft de Priester den lofzang ï e 1) e u m 1 a u-damns aan, die door de Cantoressen en het
128
DER ITJKLEEDING EN PROFESSIE.
koor wordt voortgezet. Ook kan hij door den Priester en het koor gezongen worden.
Onder dezen lofzang ontvangen diegenen, die gekleed of geprofest zijn, den vredekus van alle aanwezige Zusters, eerst van haar, die in het rechterkoor, daarna van haar die in het linkerkoor staan. Beginnende hij de oudsten in het rechterkoor, gaan de nieuw ingekleeden de Zusters een voor een voorhij; na de ingekleeden volgen de geprofesten.
Na den lofzang zingt de Priester het volgend vers met de oraties, waarop het koor ant-woordt.
v. Benedicannis Patrem et Filium cum Sancto Spivitu.
ft. Laudemus et superexaltémns enm in saecula.
O li EMUS.
Deus, cujus misericórdiac non est numerus et bunitatis infinitus est thesaurus, tuae piïssi-mae majestati pro col lat is nobis donis gratias agimns, tuam semper cleméntiam exorantes, ut qui peténtibus postulata concédis, eósdem non doserens ad praemia futura disponas.
Indien er iemand is gekleed, voegt de Priester e)\' hij:
Deus, qui famulam tuam (famulas tuas) a saeculi vauitate convérsam (convérsas) ad bravmin supérnae vocatiónis accéndis, gratiam ei (eis) qua in te persevéret (persevérent) infünde; ut quod, te donante, nunc incoepit (incoepérunt),
9
129
DB PLECHTIGHUDJSN
te eódeui auxiliante, jugiter in sequéntibus valeat (valeant) adimplere.
Indien de volgende oredie niet gezegd nwi\'dt, voegf hij er hij: Per Christum Dominum nostrum.
R-, Amen.
Indien er iemand geprofest is, voegt hij er hij:
Deus, qui renuntiautibus saecnlo mansiónes in coelo praeparas, dilata cor famulae tuae (famularum tuanun) coeléstibus bonis, et sic concórdet vita illius (illarum) cum poeniténtiae nomine, ut ejus (earum) proféssio semper sen-tiatur in ópere. Per Christum Dóminum nostrum.
R-. Amen.
X. Adjutórium nostrum in nómine Domini.
R. Qui fecit coelnm et terrain.
142. Wanneer de plechtigheid met den zegen van hei Allerheiligste besloten wordt, begeeft de Priester zich vóór of onder of na het zingen van het Te Deum laud am us naar de Sacristie en na zich met amict, superplie, witte stool en nutte koorkap gekleed te hebben, stelt hij het Allerheiligste in Ostensorio op den troon.
Na het vers Adjutórium worden dan de twee volgende antiphonen achter elkander door het koor gezongen: Sub tuum praesidium en Pie Pater Do min ice, die men in het Processionarium vinden kan. Daarna zingt de Priester de verzen en oraties en het koor antwoordt.
Hr. Post partum, Virgo , inviohita permansisti.
R. Dei Génitrix, intercede pro nobis.
f. Qra pro nobis, beate Pater Doramice.
R. Ut digni efficiamur promissiónibus Christi.
DER INKLEEDING UN PllOWSSSIE. 131
O R E 31 U S.
Protege, Dóniine, famulos tuos subsidiis, pacis, et Beatae Mariae semper Virginis patro-ciniis couficléntes, a cunctis hóstibus redde secüros.
Concede quaesumus, onunpotens Deus, ut qui peccatórum nostrórum póndere prémimur, Beati Dommici Confessóris tui Patris nosti\'i patro-clnio sublevémur. Per Christum Dóminum nostrum.
R. Ameu.
\\rervol(jens zingt het hoor Tantum ergo en G e u i t o r i.
Hierna rohjt :
f. Panem de coelo praestitisti eis. T. P.
Alleluia.
R-. Ouuie delectaméntum in se habéntem.
T. P. Alleluia.
O R, E M ü S.
Deus, qui nobis sub Sacramento mmibili passi(5nis tuae memóriam reliqiusti; tribue, quaesumus; ita nos Corporis et Sanguinis tui sacra mystéria veueruri, ut redemptionis tuae fructum in nobis jugiter sentianius. Qui vivis et regnas per omnia saeeula saeculórum.
R. Amen.
Z E V E N 1) E H O O E I) S T II K.
BIJZONDERK RKGELS VOOR VERSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN DOOR HET JAAR.
ART. I.
D E A D V E N T T IJ D.
143. Het bordje, waarop Chorus staat, hangt men vóór de Vespers van Zaterdag vóór den\' eersten Zondag van den Advent in het rechtei\' koor. (n. 4.)
In het Officie der H. Maagd wordt de lofzang Te Deura Landamns weggelaten inde Metten van al de Zondagen gedurende den Advent, indien op die Zondagen geen feest gevierd wordt. In de plaats van dien lofzang herhaalt de Antiphonaria het laatste responsorium Felix nam que tot aan het vers.
In plaats van de antiphoon ad Benedictns: O gloriosa wordt dagelijks van af de Metten vóór den eersten Zondag van den Advent tot in de Metten der vigilie vóór Kerstmis de antiphoon Spiritus Sanctus gezegd; en van af de tweede Vespers op den eersten Zondag van den
r¥mgt;--
VBKSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN. 133
Advent tot en met de Vespers daags voor de vigilie van Kerstmis, zegt men ad Magnifi-c a t de antiphoon : O v i r go v i r gi n n m in ])laats van Sancta Maria.
Gedurende dien zelfden tijd zegt men in de Metten, alsook in de Tertië van af den eersten Zondag van den Advent tot op den vigilie-dag voor Kerstmis de oratie Dens, qui de beatae in plaats van Concede nos.
Men inerke hierbij op, dat de oratie Deus, qui de beatae in de Tertië moet eindigen met het lange slot en wel op deze wijze:
Per eumdem Dominum nostrum Je sum Christum, Ei Hum tun in; qui tecum vivit et regnat in imitate Spiritus Sancti Dens, per omnia saecula saeculoru in.
R. Amen.
Over het beginnen der Metten en Landen leze men n. 40; over de verzen en responsoria der kleine Uren n. 52; over het orgelspel n. 35.
De Kosteres plaatse nimmer bloemen op het altaar, wanneer de kleur der altaar- en priestergewaden paars is.
ART. 11.
II E T K E R S T ]•\' EES T.
144. In de Vespers van het Officie der H, Maagd, die het Kerstfeest voorafgaan, tot
VEI!SCHILLENDE TIJDEN EN FEKSTDAGEN.
iu de tweede Vespers van Maria-LicMmis wordt; in plaats van de antiphoon ad Magnificat: Sancta Maria de antiphoon O ad mi ra bi le gezegd; insgelijks wordt in de Metten op het Kerstfeest tot in de Metten van Maria-Lichtmis ad Ben edict us de antiphoon G e n u it p u er-pera in plaats van O Gloriosa gezegd. Ook zegt men gedurende dezen tijd tot in de Metten, Tertië en Vespers op het feest van Maria-Lichtmis, in plaats van de oratie Concede n o s, de oratie Deus, qui salutis, welke in de Tertië eindigt met het lange slot, namelijk: auctorem vitae suscipero, Dominum nostrum Je su m Christ urii, F ilium tuum: qui tecum vivit et re gnat in unit ate Spiritus Sancti Deus, per omnia saecula saec ul or u ra.
R-. Amen.
Vóór de H. Mis op den eersten Kerstdag-plaatse de Kosteres op het altaar een vaasje, hetwelk dienen moet, om in de eerste en tweede Mis den wijn, of het water en den wijn der ablutie na de Coinniunie des Priesters te bewaren.
Indien de Priester drie hostiën vóór de eerste H. Mis mede naar het altaar neemt, moet aldaar een doosje aanwezig zijn, waarin zij kunnen worden neergelegd. ■Men kan echter ook op het verlangen van den Priester, vóór de tweede en derde li. Mis telkens een nieuwe hostie aanbrensren.
O
145. De Kosteres moet zorg dragen dat de
o O
misdienaars onderricht worden omtrent de wijze
134
VERSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
van wijn en water schenken in de drie HH. Missen.
Indien een Pater Dominicaan de H. Mis leest, brengt dc misdienaar vóór de eerste 11. Mis wijn en water aan naar gewoonte.
Bij de Communie der eerste Mis schenkt hij den Priester eerst enkel wijn in het vaasje. Daarna wacht hij met wijn en water in de hand, en biedt den Priester, evenals anders vóór de H. Mis, eerst de wijnampul, vervolgens het water aan en zegt bij \'t aanbieden van het water: Benedicite.
Bij het begin der tweede Mis wordt geen wijn of water geschonken. Bij de Communie der tweede Mis doet de misdienaar evenals onder dc eerste Mis.
Ook bij het begin der derde Mis schenkt hij geen water of wijn. Bij de Communie der derde Mis schenkt hij den Priester, zoodra deze hem met den kelk nadert, wijn en water op de vingers.
Het wasschen der vingers bij dc offerande geschiedt in alle Missen zoonis gewoonlijk.
Indien een ander Priester, die niet van de Predikheeren-Orde is, de II. Mis leest, wordt bij dc offerande in de eerste, tweede en\'derde Mis wijn cn water geschonken naar gewoonte.
Bij de Communie in de eerste en tweede Mis schenkt hij wijn en water op de vingers van den Priester in het vaasje.
Bij de Communie in de derde Mis schenkt de misdienaar, volgens gewoonte, eerst wijn in dc kelk, daarna wijn cn water.
135
VERSCHILLENDK TIJDEN EN FEliSTD.VGEN.
In de derde Mis op liet feest van Kerstmis en in de Mis op de feesten van den H. Stephanus en van den li. Apostel Joannes wordt na den Epistel door de Cantoressen en liet koor de Seqnentia Laetabundus gezongen. Indien echter de Mis door een seculier Priester wordt opgedragen, wordt deze Seqnentia niet gezongen.
ART. UT.
H E T F E E S T V A N J, I C J1 T MIS,
op den \'2 Februari.
140. Op het feest van Maria-Lichtmis wordt voor het laatst in de Metten de antiphoon G e n u i t p u e r p e r a, in de tweede Vespers de antiphoon O ad mi ra bi le, in de Metten, Tertië en tweede Vespers de oratie De vis, qui s a 1 u t i s gezegd. Na dit feest tot en met Woensdag in de Goede week zegt men in de Metten en de Vespers dagelijks weder de gewone anti-phonen, ad Benedictus de antiphoon: O gloriosa en ad Magnificat de antiphoon; Sancta Maria. In de Metten Tertië en Vespers wordt de oratie Concede gezegd.
Vóór de H. Mis op het feest van Maria-Lichtmis en, indien dit feest op een Zondag valt, na het Asperges, worden de kaarsen gewijd. De Kosteres plaatst de kaarsen op een tafeltje aan den Epistelkant nabij het altaar.
13(5
VE11SCH1LLKNÜE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
minstens zooveel in getal als er Zusters in liet koor aanwezig zijn.
De Priester bekleedt zich met een amict, albe, cingel, witte stool en koorkap. Bij cle wijding der kaarsen staat de Priester aan den Epistelknnt op het altaar; de Zusters staan rechtop en onder de oratie naar het altaar gekeerd. Zij antwoorden allen na Do min us v obi scum en na de oratie. Bij het einde der oratie geeft de misdienaar den wij waterskwast aan den Priester.
147. Dan neemt de misdienaar een dei-gewijde kaarsen en legt die in het midden op de mensa des altaars neder. Vervolgens knielt de Priester in het midden van het suppedaneum des altaars op beide knieën en neemt, aldus geknield, de gewijde kaars van het altaar,
Terwijl de Priester de kaars van het altaar neemt, intoneeren de beide Cantoressen, die in het midden van het koor staan, de antiphoon Lümen, die door het koor wordt voortgezet. De verzen, die daarop volgen: Nunc d i rn i t-t i s ; Quia v i d e r u n t; Q u o d p a r a s t i; Gloria en S i c u t e r a t worden door beide Cantoressen tot aan de dubbele streep, het overige gedeelte van ieder vers wordt door het koor gezongen. Ka elk vers intoneeren de Cantoressen telkens de antiphoon Lumen, die dan weder door het koor voleindigd wordt.
Middelerwijl worden door de Kosteres de gewijde kaarsen rondgedeeld. Zij geeft eerst een kaars aan de misdienaars , daarna aan de Zusters in het rechterkoor, beginnende bij de oudste.
137
138 VERSCHILLENUE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
vervolgens op dezelfde wijze aan de Zusters van het linkerkoor.
De kaarsen worden eerst na de nitdeeling ontstoken.
148. \' Nadat Lumen voor de laatste maal herhaald is, kan men naar goedvinden van den Priester processie houden ook buiten de Kapel door het Klooster, üe Can tores bepaalt dan, in ovei\'leg met den Priester en de Priorin, den weg, dien men volgen zal. T)e processie wordt gerangschikt op de volgende wijze: Voorop gaat een misdienaar of Zuster, die met den wijwaterskwast den grond besproeit; dan volgen twee misdienaars, ieder een knars dragende: na deze een misdienaar of een Zuster met het processiekrnis en eindelijk de Zusters twee aan twee, de jongste voorop; achter de Zusters volgt de Priester; nllen dragen de gewijde kaars.
Zoodra de Priester zich omkeert en de processie begint, herten de Cantoressen de antiphöon Ave aan, die door allen wordt voortgezet. Als de tijd het toelaat, worden ook de andere anti-phonen, die in het Processionarium volgen, of eenige daarvan, gezongen. Wanneer de processie geëindigd en de amiphoon gezongen is, zingen de twee Versiculariae het vers: Postpartum, waarop het koor antwoordt: Dei Genitrix. Daarna zingt de Priester de oratie Erudi.
Wordt echter de processie niet gehouden, dan zingt men onmiddellijk na de laatste herhaling van Lumen het vers en de oratie.
Na de oratie begeeft zich de Priester met de
VERSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN. l-quot;j9
misdienaars naar de sacristie en maakt zich gereed voor de li. Mis. De Zusters houden de brandende kaarsen in de hand tot aan de offerande der H. Mis.
De Mis wordt gezongen op de gewone wijze. Na den Epistel wordt de Sequentia L a e t a b u n-dus gezongen, indien het feest vóór Septuagesima valt.
De misdienaars gaan den Priester voor naar het altaar en dragen de gewijde kaars in de hand: bij het altaar gekomen, plaatsen zij haar ergens aan de zijde des altaars op een kandelaar.
De Priester laat zijne kaars in de sacristie, wijl hij den kelk naar het altaar dragen moet.
149. Na de offerande, onmiddellijk vóór de gewone vingerwassching, worden de kaarsen aan den Priester geofferd. De misdienaars nemen hnnne kaars van den kandelaar, knielen een voor een neder op den hoogsten trap des altaars en geven de kaars aan den Priester. Terwijl zij rle kaars geven, kussen zij de hand des Priesters.
De eerste misdienaar begeeft zich, zoodra hij de kaars aan den Priester geofferd heeft, aan
O \'
de rechterzijde des Priesters en neemt cle geofferde kaarsen uit de hand van den Priester aan, blaast do kaarsen uit en legt ze op het tafeltje neder. De andere misdienaars zijn hem daarin behulpzaam, nadat zij op hunne beurt hunne kaars geofferd hebben. Zoodra de laatste misdienaar zijne kaars geofferd heeft, daalt de Priester van het altaar af en staat vóór de
140 VEHSCHILLENDB TIJDEN EN FEESTDAGEN.
communiebank, waarvan de Kosteres het communiekleed reeds van te voren verwijderd heeft.
De Zusters knielen een voor een op de com-muniebank neder en offeren hare kaarsen aan den Priester, doch zij kussen de hand des Priesters niet. De oudste Zusters offeren het eerst, na haar volgen de jongere.
Nadat allen hare kaars geofferd hebben, keert de Priester op het altaar terug, en wascht volgens gewoonte aan den Epistel kant de vingers.
150. Indien een seculier Priester de wijding der kaarsen verricht, dan wordt bij de wijding de paarse kleur gebruikt; de kleur der misgewaden is echter wit, tenzij het. feest van Maria Lichtmis op een der Zondagen, die de paarse kleur vereischen, vallen zou.
Bij ■ de wijding wordt dan ook het wierookvat gebruikt.
Men ontvangt de gewijde kaarsen van den Priester. Eerst knielen de misdienaars op het altaar, en kussen de hand des Priesters, terwijl zij de kaars ontvangen. Een der misdienaars geeft de kaarsen een voor een aan den Priester.
De Zusters knielen op hare beurt neder op de communiebank, maar kussen de hand des Priesters niet.
Als de Priester na de uitdeeling der kaarsen zingt: F1 e c t a m u s genua, antwoordt het koor: Leva te.
W ordt er processie gehouden, dan zingt de Priester vóór de processie: P r o c e d a m u s i n
VERSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN. 141
pace, waarop allen antwoorden: in uomine Chris ti. Amen.
De processie wordt geregeld op dezelfde wijze, als boven gezegd is, maar in de plaats van den misdienaar met den wij waterskwast. die nn niet gebruikt wordt, gaat de misdienaar met het wierookvat voorop.
Onder de processie zingt men de antiphonen volgens den roineinschen ritus. Na de processie wordt het vers met de oratie niet gezongen.
Men houdt de kaarsen in de hand onder het zingen van het Evangelie en bij de consecratie tot bij de Communie. Bij de offerande worden geen kaarsen geofferd.
De Sequentia Laetabundus wordt nooit gezongen.
ART. IV.
VAN SEPTÜAOESIMA TOT WITTEN DONDERDAG.
151. Op de Zondagen van Septuagesima tot en met Palmzondag, op Aschdag en in de Goede week wordt het orgel in de II. Mis niet gespeeld, zoo er op de Zondagen geen feest gevierd wordt. Uitgezonderd is echter de vierde Zondag van de Vasten, waarop het orgelspel niet verboden is.
In de Vespers van het Officie der H. Maagd op Zaterdag vóór Septuagesima wordt voor het laatst Alleluia gezegd; in de Completen, die
142 VERSCHILLKNDK TIJ IJEN EN FEESTDAGEN.
daarop volgen eu in alle Uren van het Otticie tot en met de Completen op Woensdag in de Goede week wordt Alleluia weggelaten en in plaats daarvan wordt hij het begin van ieder Uur gezegd: Lans t i b i, U o m i n e, R e x aeternae g 1 or ia e.
In de H. Mis wordt ook het Alleluia na den Epistel weggelaten en in plaats daarvan de tractus gezongen of gereciteerd.
Over het beginnen der Metten, Lauden eu Vespers vergelijke men n. 40 ; over het weglaten van den lofzang Te üeum n. 49; over de prostraties in het Officie n. 41 en n. 59; over de prostratie na de tafelgebeden n. J .27; over den psalm Venite exult emus op Aschdag en in de Goede week n. 46; over de wijze, waarop de responsoria der kleine Uren en de verzen gezegd worden n. 52; over de prostratie na Fidelium n. (gt;2 en n. 65; over de prostratie onder de H. Mis u. 91 en 95.
152. Op Aschwoensdag plaatst de Kosteres vóór de II. Mis een blaadje met zuivere en droge asch op het altaar aan de Epistelzijde. Deze asch moet gemaakt worden door het verbranden van palmtakken, die in het vorig jaar op Palmzondag gezegend zijn. Zij plaatst ook in de nabijheid het wijwatersvat met den kwast, die bij de inzegening der asch door den misdienaar aan den Priester gegeven wordt.
153. Vóór de H. Mis worden de Psalmi poenitentiales door liet koor gezegd.
De Zusters zitten geknield tegenover elkander
.y/--- ■■■ -a - ■rv. v.-K-\'.- - ■ ■ ■ -
VERSCHILLENDK TIJDEN EN FEEST DA G EN. 148
in liet koor. Indien de Priester bij het begin der Psalmi poenitentiales aanwezig is, dan zegt hij, staande aan den voet des altaars, de woorden: Ne re mi nis ca ris, waarna hij zich op de trappen des altaars nederbuigt. Is echter de Priester niet aanwezig, dan worden de woorden Ne reminiscaris gezegd door de Zuster die voorzit. De Cantores aan den kant, waar Chorus hangt, begint onmiddellijk daarna: Domine, ne in furore tuo arguas me, waarna het koor aan dien kant het eerste vers van den psalm voortzet , die door de beide koren beurtelings wordt vervolgd en eindigt met Gloria Patri. Op gelijke wijze worden de andere psalmen gezegd. De Cantores van het koor, hetwelk Gl oria Patri gezegd heeft, heft den daaropvolgenden psalm aan. Alle psalmen eindigen met Gloria Patri. Naden laatsten psalm zegt het geheele koor gezamenlijk de geheele antiphoon : N e reminiscaris.
Na de antiphoon maken de Zusters eene prostratie en zeggen allen te gelijk: Kyrie el ei sou; Chris te el eis on; Kyrie elei-s o n. De Priester zegt staande : P a t e r n o s t e r en de Zusters bidden het Pater no ster in stilte; bij het einde daarvan zegt. de Priester de volgende verzen, waarop de Zusters antwoorden :
v. Et n e n o s i n d ü c a s in te n t a t i ó n e m. ft. Sed libera nos a malo.
v. Salvos fac servos tuos.
R-. Deus mens sperantes in te.
VERSCHII.LENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
ü. Mitte eis, Do mine, auxilium de
sa net o.
R-. Et de Si on tuére eos.
Est o eis, Dom ine, turris fortitü-dinis.
ft. A facie inimici.
v. Domiiie, exaudi oratiónem nieam. ft. Et clamor mens ad te veniat. V. Dom inns vobiscum.
ft. Et cnm spiritu tno.
Na de oratie antwoorden allen: Amen. Dan volgt de absolutie, waarop allen weder antwoorden: Amen.
De Zusters, die tot het einde der absolutie in diep gebogen houding geknield zaten, staan op en keeren zich met het aangezicht naar het altaar, terwijl de asch door den Priester gewijd wordt.
De Priester, die alleen de plechtigheid verricht, staat bij de wijding der asch op het altaar aan den Epistelkant. Bij Dominus vobiscum en de oratie antwoorden de Zusters.
154. Zoodra de asch door den Priester gezegend is, knielen eerst de misdienaars op den trap des altaars neder en ontvangen de asch op het voorhoofd. Daarna komen eerst de oudste, vervolgens de jongere Zusters neerknielen op de communiebank, waarvan het communiekleed te voren verwijderd is. Bij het komen en heengaan maken zij de gewone buiging voor het altaar. Zoodra zij de asch op het voorhoofd ontvangen hebben, keeren zij naar hare plaats
144
VERSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN. 145
terug. Onder de uitdeel ing der asch kan men de antiphonen zingen, die in het Processiona-rium staan, namelijk; Ex audi; Inter vest i-b u 1 u m en I m m u t e m u r.
De gewijde asch, die na de uitdeeling overblijft, wordt door de Kosteres in het sacrarium geworpen.
De Priester keert na de uitdeeling der asch naar het altaar terug, zegt het vers O sten de met Dominus vobiscum en de oratie Co n-cede. Na het vers antwoorden de Zusters: Et sal u tare tuum da nobis; na Do minus vobiscum en na de oratie antwoorden zij volgens gewoonte. Daarna gaat de Priester naar de sacristie, wascht zijne handen en begeeft zich weder naar het altaar om de H. Mis te beginnen.
155. Indien een seculier Priester de asch zegent en uitdeelt, dan wordt het wierookvat gebruikt bij de wijding. Worden dan de antiphonen gezongen, dan zingt men E x a u d i niet onder de uitdeeling der asch, maar reeds vóórdat de wijding begint. Ook zegt de Priester niet het vers Ostende na de uitdeelins:. Ook heeft in dit geval de absolutie na de Psalmi poenitentiales niet plaats; echter worden de Psalmi poenitentiales door de Zusters vóór de wijding der asch gezegd.
Vóór de eerste oratie onder de li. Mis zegt de Priester: EI eet a mus genua, de misdienaar antwoordt: Levate; dit geschiedt ook op Maandag, Dinsdag en Woensdag in de Co ede week.
in
] JU VKIiSCllII.r.EXDE TIJDEN ICN l\'EESTDAGEN.
Door een seculier Priester wordt Fleeta-mus genua niet o;ezeo;d.
O O O
156. Zaterdag vóór Passiezondag, vóór den middag, bedekt de Kosteres alle kruis-en heiligenbeelden der Kapel. De beelden, die op den muur of het altaar geschilderd zijn, alsook de kruiswegr-afbeeldingen behoeven niet bedekt te
O O
worden. De beelden der Heiligen, die op het altaar geplaatst zijn, worden, zoo mogelijk, weggenomen, of zoo dit niet kan geschieden, gelijk de overige in de Kapel, bedekt. Om ze te bedekken gebruikt men een doek van paarse kleur, hetwelk niet doorschijnend is, maar de beelden waarlijk voor het oog verbergt. De voorschriften der Kerk zijn daaromtrent streng, zoo zelfs, dat, welk feest er op dezen Zaterdag of in den loop der veertien volgende dagen ook gevierd wordt, zelfs van
O O O ^ 7 ^
den H. Jozef of den Titel- of Patroonheilige, bet beeld van dien Heilige bedekt blijven moet.
In het Asperges vóór de Mis op Passie-en Palmzondag wordt Gloria Patri weggelaten en in plaats daarvan het vers Et secundum gezongen, n. 81.
Op Passie- en Palmzondag en in de Goede week wordt in den introitus of het officium bij het begin der Mis het Gloria Patri weggelaten , doch in plaats daarvan wordt niets gezongen, n. 90.
157. Op Palmzondag plaatst de Kosteres vóór de H. Mis op een tafeltje nabij de Epistel-
VlillSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
zijde een korfje met palmtakken; ook plaatst zij in de nabijheid het wijwatersvat met kwast.
De Priester bekleedt zich vóór het, Asperges niet amict, albe, cingel, witte manipel, stool en koorkap.
Eerst wordt het Asperges gezongen. Daarna beklimt de Priester het altaar, staat aan den Epistelkant en zegent de palmtakken. De Zusters antwoorden: Et cum spiritu tuo en Amen.
Na de oratie geeft de misdienaar den wijwa-terskwast aan den Priester. Zoodra de palmtakken met wijwater besproeid zijn, legt de misdienaar een der gewijde palmtakken midden op de mensa van het altaar. De Priester knielt met beide knieën midden op het suppe-daneum des altaars en neemt, aldus geknield, den palmtak in de hand.
Terwijl de Priester den palmtak van het altaar neemt, intoneert de Cantores der week: Pueri Hebraeorum t client es, welke antiphoon van af de dubbele streep tot het einde door het koor wordt voortgezet. Daarna intoneert zij de antiphoon; Pueri Hebraeorum vestimenta, die op gelijke wijze gezongen wordt. Onder het zingen dezer antiphonen deelt de Kosteres de palmtakken uit, eerst aan de misdienaars, dan aan de Zusters in het rechterkoor, en vervolgens aan die van het linkerkoor, in beide koren bij de oudste beginnende.
158. Nadat beide antiphonen gezongen zijn, zingt of leest de Priester, altijd staande aan
147
148 VERSCHILLENDK TIJDEN EX FEESTDAGEN.
den Epistelkant van liet altaar, het Evangelie: C u m a p p r o p i n q u a s s e t. In geen geval wordt het missaal bij het begin van het Evangelie bewierookt, indien de Priester alleen, zonder Diaak of Subdiaak, de plechtigheid verricht.
Na het Evangelie kan men, met goedvinden van den Priester, processie houden. Zij geschiedt op dezelfde wijze als op het feest van Maria-Lichtmis. Iedereen draagt den palmtak in de hand. Het kruis der processie is niet met een doek bedekt. Bij het einde der processie, of indien de processie niet gehouden wordt, na het Evangelie, zingen de twee Versiculariaehet vers De ore 1 e o u i s, waarop het koor antwoordt: Et a corni bus. De Priester zingt de oratie O in n i p o t e n s, het koor antwoordt: Amen.
Daarna keert de Priester naar de sacristie terug. Het koor zingt den introitus en de Mis begint volgens gewoonte.
159. Indien een seculier Priester de wijding der palmtakken verricht, is de kleur der priesterlijke gewaden paars.
Na het Asperges zingt men dan onmiddellijk de antiphoon li o s an n a uit het Romeinsche Graduale. Men antwoordt vervolgens bij het Evangelie, bij de praefatie en de oraties, indien zij door den Priester gezongen worden. Na de praefatie zegt men Sanctus.
Na de vijfde oratie der wijding doet de Priester wierook in het wierookvat, besproeit
VERSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
daarna de palmtakken met wijwater en be-wierookt ze.
Vervolgens legt de misdienaar een palmtak midden op de mensa van het altaar. Dan geschiedt dc uitdeeling der palmtakken. De misdienaars knielen, ieder op zijne beurt, neder op den trap des altaars en ontvangen een palmtak. Een der misdienaars staat den Priester ter zijde en geeft hem dc palmtakken een voor een over.
]NTa de misdienaars ontvangen de Zusters, die een voor een op de communiebank knielen, ieder een palmtak. Alleen de misdienaars kussen de hand des Priesters, terwijl zij den palmtak ontvanscen.
Indien er processie gehouden wordt, bindt de Kosteres een gewijden palmtak aan het boveneinde van het processiekruis. Dit kruis moet met een paars doek bedekt zijn.
Zoodra de Priester zich omkeert om de processie te beginnen, zingt hij; Procedamus in pace, het koor antwoordt: in nomine Christi. Amen. Onder de processie zingt men de antiphonen volgens het Romeinsche Hituale.
1(50. Terwijl het Evangelie der Passie gelezen wordt onder de II. .Mis, blijven de Zusters staan naar het altaar gekeeld, en maken na de woorden e m i s i t Spirit u m een prostratie, zoolang de Priester geknield blijft. Vóór en na het Evangelie wordt geen kruisteeken gemaakt.
149
150 VELSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
Op deze wijze blijven de Zusters ook staan, terwijl Dinsdag en Woensdag het Passie-Evangelie gelezen wordt.
ART. V.
W 1 T T E 1) O N ]) E 11 1) A G.
161. Woensdag na den middag worden de Vespers en Completen gezegd met de gewone buigingen, zonder prostraties.
De Hebdomadaria besproeit de Zusters met wijwater onder het canticnm Nunc dimittis. Vóór het canticnm begeeft zij zich midden in het koor en besproeit de Zusters op de gewone wijze; de Zusters blijven op hare plaats staan. De Completen eindigen met Ave Maria, gelijk de andere Uren.
IIet Salve R e g i n a en het O 1 u men worden na de Completen niet gezongen of gezegd, maar onmiddellijk na Ave Maria zegt de Priorin: F i d e li u m, dan bidt men P a t e r no ster en Credo en Sacrosanct ae met Pater en Ave, volgens gewoonte.
]NTa de Completen van Woensdag wordt het Officie der H. Maagd in het koor niet meer gebeden tot aan de eerste Vespers van Paschen. Van af de Metten van Donderdag tot en met de None van Zaterdag zeggen de Zusters gezamenlijk in \'t koor de door den Regel voorgeschreven Onze V aders.
VEUSCHILLENUE TIJDEN EX FEESTDAGEN.
De Kosteres zorge Woensdag-avond alle wij-watersvaten der Kapel te ledigen, daar gedurende de volgende dagen geen wijwater in de Kapel aanwezig mag zijn. Eerst na de Mis van Zaterdag worden zij weder met wijwater gevuld.
Binnen de Kapel wordt op een geschikte-en passende plaats een altaar of troon gereed gemaakt, waarheen op Witten Donderdag het 11. Sacrament wordt overgebracht. Dit altaar, het H. Graf genoemd, wordt met tapijten, bloemen en lichten versierd; ten minste moeten er zes kandelaars met witte waskaarsen aanwezig zijn. Te midden daarvan wordt op eene verhevenheid een capsnla of urna (een kastje of tabernakel) geplaatst, waarin het IT. Sacrament kan geborgen worden. Deze capsula moet van een behoorlijk slot voorzien zijn. Van binnen moet zij met witte zijde worden bekleed, en op den bodem een corporaal liggen uitgespreid. Ook op dit altaar legt men een corporaal neder, waarop de Priester bij het einde der processie het 11. Sacrament kunne plaatsen.
Beelden of Reliquiën van Heiligen, of van het heilig Kruis of van werktuigen van het Lijden, een kruisbeeld of voorwerpen, welke rouw of droefheid over het Lijden te kennen geven, mogen daar niet aanwezig zijn.
Het altaar, waarop de H. Mis gelezen wordt, moet ook feestelijk versierd zijn; tot dat einde mag men ook bloemen tnsschen de kandelaars plaatsen. Des morgens vóór de H. Mis op
151
152 VEH SCHILLEN DE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
AVittcn Donderdag neemt de Kosteres het paarse doek van het kruis, dat op het altaar staat, waar de H. Mis moet gelezen worden, en bedekt dat kruis met een wit doek; de andere kruisen en beelden der Kapel blijven met paars doek bedekt.
102. De Kosteres draagt zorg, dat alles, wat voor de H. Mis en de processie noodigis, gereed zij, namelijk: wit feestgewaad voor den Priester onder de H. Mis; — superplies voor de misdienaars, die ten minste drie in getal behooren te zijn; — twee groote hosties voor den Priester: —- behalve den kelk met toebe-hooren voor de 11. Mis, nog een andere kelk met pateen, pallas en wit velum; een wit schoudertrelum voor de processie; — een pro-cessiekruis, bedekt met paars doek; — kaarsen voor de Zusters tijdens de processie; — wierookvat en scheepje voor de processie; — een paar kussens op de trappen des altaars, waarop de Priester moet nederbuigen, indien hij bij de Psalmi poenitentiales tegenwoordig is.
Vóór de H. Mis worden de Psalmi poenitentiales door het koor gezegd, op gelijke wijze als op Aschwoensdag. De psalmen worden echter gezegd zonder Gloria Patri; de Cantores van het koor, hetwelk het voorlaatste vers van iederen psalm gezegd heeft, heft den daarop-volgenden psalm aan.
Na de antiphoon maken de Zusters een prostratie tot aan het einde der absolutie, zeggen: Kyrie el ei son, bidden het Pater
VERSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
ii os ter en antwoorden den Priester, zoonls in ii. 153 is aangegeven.
O O
1()8. Daarna beginnen de Zusters liet offi-cimn of den introitus der H. Mis, waaronder het orgel gespeeld wordt, tot bij liet einde van den lofzang Gloria in ex ce 1 sis.
De geheele Mis wordt gezongen evenals op een feest, hetwelk totum duplex is.
Zoodra het Gloria in ex cel sis door den Priester is aangeheven, wordt er door den misdienaar gebeld, totdat de geheele lofzang door het koor gezongen is. Na het Gloria in e x c e 1 s i s mag noch bel noch orgel meer gehoord worden tot aan het Gloria in excelsis op Paaschzaterdag. Voor de verdere teekens onder de H. Mis, voor de andere oefeningen der communiteit, en het Angelus Domini of cl e Engel des H e e r e n gebruikt men een ratel.
Zoodra het Agnus Dei door den Priester gezegd is, plaatst de Kosteres den kelk, die voor de expositie moet gebruikt worden, met pateen, pallas, en wit velum op het altaar aan de Epistelzijde.
Na de Communie des Priesters commimicee-ren de Zusters, op de wijze in n. 98 beschreven.
Zoodra allen gecommuniceerd hebben zingt men terstond de comumnio der Mis; na de coinmunio geeft de Kosteres de kaarsen aan de Zusters voor de processie, welke bij \'t einde der Mis ontstoken worden; ook moeten de
153
154 VERSCHILLET?DE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
kaarsen bij den expositietroon vóór liet einde der H. Mis ontstoken zijn.
104. Ka liet laatste Evangelie der Mis komt de Priester beneden aan den voet des altaars, bewierookt het Allerheiligste Sacrament, en hangt met behulp der misdienaars een wit velum over zijne schouders, beklimt weder het altaar, neemt den kelk met het Allerheiligste Sacrament in zijne handen, plaatst daarop de ciborie met de kleine hosties, bedekt alles met het velum en keert zich daarna om met het gezicht naar de Zusters.
Dan heft de Cantores de hymne Pan ge lingua aan , die door de Zusters wordt voortgezet , en de processie naar het altaar der expositie begint op de volgende wijze;
Voorop gaan twee misdienaars, die elk een kandelaar niet brandende kaars in de hand houden, C1) midden tusschen hen , of zoo de plaats dit niet toelaat, onmiddellijk achter hen, gaat een misdienaar of een Ziister, die het kruis draagt , hetwelk met paars doek bedekt is. Het kruis wordt altijd zoo gedragen , dat het gezicht van het Christusbeeld vooruit ziet, en niet achteruit naar de Zusters gekeerd is. Na hen volgen de Zusters twee aan twee, de jongste voorop, allen met een brandende kaars in de hand. Eindelijk volgt een misdienaar met het wierookvat, voortdurend het H. Sacrament bewieroo-
(1) Gedurende de processie op Witten Donderdag en Goeden Vrijdag behoeven de misdienaars geen ratel te gebruiken.
VELSCHILLENDE TIJDEN KN FEESTDAGEN. ] 55
kende, dat door den Priester, die de processie sluit, gedragen wordt. De processie wordt gehouden , naar gelang de geschiktheid der plaats het toelaat, maar niet buiten de Kapel.
Aan de plaats gekomen, waar het H. Sacrament moet bewaard worden, begeven zich de misdienaars ieder aan eenen kant van den troon of het altaar; die het kruis draagt plaatst zich een weinig ter zijde, en alle Zusters maken plaats om den Priester met het Allerheiligste te laten voorbijgaan. Allen knielen terstond in de nabijheid van den troon neder; degene, die het kruis draagt, blijft altijd staan. Geknield zet men de hymne P a n g e ling u a voort.
Voordat de capsula of het tabernakel gesloten wordt, bewierookt de Priester aan den voet des altaars het H. Sacrament. Na de hymne, die geheel srezongen wordt, zingen twee Zusters,
o O o ~
de beide Versiculariae der week, het vers Pane m de c o e 1 o p r a e s t i t i s t i eis, en allen antwoorden : Omne de 1 ectamentnm in se habentem. INa de oratie antwoordt men: Amen.
Zoodra de Priester met de misdienaars naaide sacristie terugkeert, dooft men de kaars uit, die men in de hand heeft, en de Zuster, die het kruis gedragen heeft, plaatst het in de nabijheid van het altaar, waar het H. Sacrament rust.
Bij het H. Graf blijven tot na de processie op Goeden Vrijdag minstens zes kaarsen branden.
Buiten den tijd der oefeningen, door de
VERSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
Zusters gezamenlijk in de Kapel te houden, blijven er voortdurend, ook gedurende den nacht, twee Zusters aanwezig, die op hare plaats in de koorbanken zittende, het II. Sacrament aanbidden. De Cantores, in overleg met de Priorin, verdeelt de uren der aanbidding, kondigt de namen der Zusters en het uur waarop ieder aanbidden moet af, opdat alles geregeld geschiede.
165. Zoodra de Priester do misgewaden in de sacristie heeft afgelegd, begeeft hij zich, zonder superplie of stool of eeuig ander kerkelijk gewaad, met de misdienaars naar de Kapel om het altaar te ontblooteu. De altaardwalen, alle versierselen en andere voorwerpen worden daarvan weggenomen en door de misdienaars in de sacristie gebracht. Alleen het kruisbeeld wordt op het altaar gelaten.
Indien de Priester het altaar niet mocht ontblooteu, dan moet dit door de Zuster Kosteres geschieden. De Kosteres neemt ook, zoodra de Priester het altaar ontbloot heeft, het tapijt van de trappen des altaars, en het communie-kleed van de communiebank weg, en verandert het witte bekleedsel van het kruis des altaars in een paars.
In de tafelgebeden wordt op Witten Donderdag en Goeden Vrijdag weggelaten de psalm De pro fun dis met vers en oratie, en de Zusters begeven zich na de vingerwassching onmiddellijk naar den refter. Ook wordt weggelaten het Gloria Patri met Si cut erat, de antiphoon Recordare met vers en oratie
156
VEltSCHII.LENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN. 157
en het vers Fidelium vóór het laatste Pa ter n o s t e r.
16{). Na den middag wordt op een geschikt uur het altaar door den Priester afgewasschen. De Kosteres legge in de sacristie gereed: een amict met albe en cingel, paarse stool en manipel. Op het altaar plaatse zij een ampul met water, een ampul met wijn, een palmtak en een handdoek.
Indien er misdienaars aanwezig zijn , gaan zij, gekleed met superplie, ieder een kandelaar met brandende kaars dragende, den Priester voor naar het altaar.
Zoodra de Priester aan het altaar gekomen is, begint de Cantores der weck het responsorium In monte 01 i ve t i uit het Processionarium, en het geheele koor zingt het geheele responsorium met het vers en met de herhaling.
Onmiddellijk na de herhaling van het responsorium zingt men, zoodra de Cantores ze heeft aangeheven, de antiphoon van den Titel- of Patroonheilige der Kapel. Vervolgens zingen de twee Versiculariae der week het vers, waarop het koor antwoordt. Ook wanneer de Priester de oratie gezonsen heeft, antwoordt menAmen.
167. Zoodra de Priester zich met de misdienaars verwijderd heeft, gaan alle Zusters, op het teeken door de Priorin gegeven, naar de kapittelkamer terug, waar de plechtigheid der voetwassching plaats heeft, üe Syndica zorge, dat vóór dien tijd alles aanwezig is, wat tot die plechtigheid vereischt wordt, namelijk; twee
VEllSCHILLENÜE TIJ DEN EN FEESTDAGEN.
waschbekkens met twee schenkkannen, eenigszins lauw water in de schenkkannen, eenige handdoeken om de handen af te drogen, een wit linnen voorschoot voor de Priorin en een voor de Suppriorin, een bekken of emmer oin het gebruikte water in te gieten.
Wanneer allen gezeten zijn, leest de Priorin, of een andere Zuster, uit de bijbelsche geschiedenis het verhaal der voetwassching voor. Daarna legt zij en de twee Zusters, die haar moeten bijstaan, den mantel af. De Priorin bekleedt zich met het linnen voorschoot en zegt, staande en naar het kruisbeeld gekeerd, zonder voorafgaand Oremus de oratie: Actiones nostras, volgens het Processionarium, en het koor antwoordt: Amen.
Vervolgens heft de Cantores de antiphoon Dominus Je sus aan, die door allen wordt voortgezet tot aan het vers; het vers Deus m i s e-r e a t u r zingt de Cantores en het koor vervolgt ill n mi net, waarna weder door de Cantores wordt aangeheven: Dominus, en de geheele antiphoon tot aan hel vers weder door het kooi\' 2:ezons:en wordt.
Op gelijke wijze zingt het koor de volgende nntiphonen, altijd, zoodra de vorige geëindigd is, de volgende beginnende , en men blijft zoolang zingen, totdat, na de voetwassching der Zusters, de voeten en handen der Priorin ge-wasschen zijn.
Na de oratie A c t i o n es nostras ontdoen de Zusters zich van hare schoenen en kousen
158
VBKSCiLILLENDE TIJ DKN EN FEESTDAGEN.
en begint de Priorin de voeten der Zusters te wasschen, eerst van haar, die in het rechterkoor, daarna van haar, die in het linkerkoor zitten. In ieder koov begint zij bij de oudste, en eindigt bij de jongste. Twee Zusters, daartoe door de Cantores aangewezen, staan haar ter zijde; de eerste gaat voorop met het waschbekken en plaatst dit onder de voeten der Zuster, de andere volgt de Priorin inet de schenkkan en giet het water over de voeten; de Priorin wascht de voeten niet hare hand, droogt ze af met het linnen voorschoot en kust vervolgens beide voeten. De Zuster, wier voeten gewasschen zijn, trekt terstond hare kousen en schoenen weder aan.
1(38. Zoodra de Priorin de voeten van allen gewasschen heeft, wascht zij, bijgestaan door dezelfde twee Zusters, in dezelfde volgorde de handen der Zusters op deze wijze; eene Zuster gaat haar voorop en houdt liet waschbekken onder de handen der Zusters, de Priorin heeft de schenkkan in de hand en stort het water over de handen uit en de andere Zuster volgt met eenen handdoek, waaraan men de handen afdroogt.
Heeft de Priorin de handen van allen gewasschen, dan legt zij het linnen voorschoot af, doet den mantel om, en zet zich neder in \'t midden der kapittelkamer. T)e \'twee Zusters, die haar hebben bijgestaan, doen ook hare mantels weder aan, plaatsen zich naast haar, ieder aan een kant, en trekken, evenals de
159
1G0 VEUSCHILLBNUE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
Priorin, hare schoenen uit. Intusschen heeft de Suppriorin haren mantel afgelegd en zich met een linnen voorschoot bekleed. Twee andere Zusters, aangewezen door de Cantores, leggen ook hare mantels af, om de Suppriorin bij te staan. Deze wascht de voeten der Priorin en daarna der twee andere Zusters, die de Priorin bijgestaan hebben, op de zelfde wijze als boven gezegd is. Nadat de voeten gewasschen zijn, worden ook de handen op bovenvermelde wijze gewasschen.
Terwijl de voeten en handen der Priorin en der twee andere Zusters gewassclien worden, staan de overige Zusters met het gezicht naar elkander gekeerd en zingen de antiphoon, waarmede zij begonnen zijn, ten einde, waarna zij ophouden te zingen.
De Priorin heeft intusschen, evenals de twee andere Zusters, hare kousen en schoenen weder aangetrokken, en zoodra men de antiphoon geëindigd heeft, zegt zij, op hare plaats rechtopstaande , de oratie A d e s t o D o m i n e; waarna men, eene hoofdbuiging makende naar het kruisbeeld, zich verwijdert. De Syndica doet alles wat voor de voetwassching gediend heeft opruimen.
Indien de Communiteit zoo talrijk is, dat de Priorin niet gevoegelijk de voeten aller Zusters kan wasschen, kan zij zich bepalen bij het rechterkoor en het linkerkoor aan de Suppriorin overlaten. Een derde Zuster moet alsdan, door twee anderen geholpen, de voeten en handen
VE11SCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
wasschen der Priorin, der Suppriorin en der vier Zusters, die haar geholpen hebben.
Wanneer de Algemeene Overste de plechtigheid verricht, dan doet zij, hetgeen voor de Priorin is voorgeschreven, en de Priorin vervult dan de plaats der Suppriorin.
ART. VI.
GOED K V li IJ n A G.
109. Vóór de plechtigheden beginnen, zorge de Kosteres, dat in de sacristie gereed zij: amict, albe, cingel, zwarte manipel, stool en kazuifel: alsook de kelk met lepeltje, pateen, pallas, zwart velum en beurs met corporaal; ingelijks het wierookvat met vuur en scheepje, witte waskaarsen voor de Zusters in de processie, superplies en twee kandelaars met kaarsen voor de misdienaars. Ook bereidt zij in de sacristie of op een andere geschikte plaats een tabernakel, waarheen na de plechtigheden het H. Sacrament kan overgebracht worden om daar te rusten tot Zaterdag. Dit tabernakel moet van een goed slot voorzien zijn en een corporaal daarin worden uitgespreid.
Het altaar bedekt zij, onmiddellijk vóór de plechtigheden met de gewone altaardwalen. Op het altaar plaatst zij zes kandelaars met kaarsen, die tijdens de plechtigheden moeten branden; den lessenaar met het missaal, en naast het
li
161
162 VERSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
tabernakel een kruis met paars doek bedekt; canonborden zijn niet aanwezig en op de trappen des altaars ligt geen bekleedsel. Op het altaar van liet H. Graf legt zij een corporaal, den sleutel der capsula en in de nabijheid het witte schoudervelum. Vóór den trap der communiebank spreidt zij een kleed of tapijt uit en legt daarop een kussen, waarop later het kruis ter aanbidding wordt neergelegd. Kleed en kussen
O O O
dienen van paarse kleur te zijn.
170. De misdienaars gaan den Priester voor naar het altaar, doch hebben geen kaarsen in de hand.
Zoodra de Priester, aan het altaar gekomen, de eerste les begint te lezen, gaan de Zusters zitten; onder de oratie, die daarop volgt, staan zij met het gezicht naar het altaar gekeerd, en maken een middelbare buiging naar den tegen-overgestelden kant van het koor bij den naam Jezus. Na de oratie, alsook na de oraties, welke later volgen, antwoordt het koor: Amen.
Indien de oratie door den Priester niet gezongen, maar gelezen wordt, blijven zij zitten; ook onder de volgende les zitten zij tot aan het Evangelie der Passie. Dan staan zij op en blijven naar het altaar gekeerd staan. Bij de woorden t r a d i d i t s p i r i t u m maken zij een pros\':ra-tie, tot de Priester de Passie voortzet. Rij het begin of het einde der Passie maakt men geen kruisteekens.
Na de Passie zingt de Priester de oraties. De Zusters blijven staan met het gezicht naar
VERSCHILLENDli TIJDEN EN FEESTDAGEN.
het altanr; bij den Naam Jezus maken zij een middelbare buiging en knielen op beide knieën, naar de overzijde van het koor, wanneer de Priester zingt: Flectamns genua.
De Zusters antwoorden telkens, terwijl zij opstaan: Lev ate.
171. Na de oraties legt de Priester de kazuifel af, die door de Kosteres in de sacristie gebracht wordt. Dan neemt de Priester het kruisbeeld en zingt of leest het vers Popule m e u s. Zoodra hij het vers geëindigd heeft zingen twee Zusters, in liet midden van het koor staande: Agios, o Th cos. Zoo dikwijls zij het woord Agios zingen, knielen zij op beide knieën, en staan telkens weder op bij o Theos, bij Isch yros, en bij Athanatos el ei son yin as. Hierna zingt het geheele koor: Sanctus Deus. Men knielt telkens bij het woord Sanc-t u s en staat weder op bij Deus, bij F o r t i s en bij et im mor talis, miserere nol) is. Maar het koor knielt niet bij Agios, wanneer dit door de twee Zusters gezongen wordt, en deze laatste knielen niet, terwijl liet koor San c-tus zingt.
163
Zoodra het koor geëindigd heeft, zingt of leest de Priester: Quia eduxi, waarna de twee Zusters weder Agios, o Theos zingen en het koor Weder Sanctus Deus herhaalt, en allen knielen en staan op, op dezelfde wijze als de eerste maal.
(O De wijze, waarop dit moet gezongen worden, is te vinden in liet Processionarium, editie van 18/3, op bladzijde 468.
VUllSCKILLENDE TI.IDEN KN FEESTDAGEN.
Nadat de woorden miserere nobis door het koor gezongen zijn, zingt of leest de Priester: Quid ultra. Na dit vers wordt ten derde male Agios, o T li e o s en S a n c t u s Deus gezongen, met dezelfde kniebuigingen, als de eerste en de tweede maal geschied is.
Gedurende het zingen dezer drie verzen met Agios en Sanctus staan de beide koren met het gezicht naar elkander gekeerd.
172. Zoodra de Priester het kruis geheel heeft ontbloot, heft hij de antiphoon Ecce lignum aan, die door het koor wordt voleindigd, zoodat de Cantores het woord Crue is en het koor in quo, en hetgeen volgt, tot aan het einde zingt. Onder de woorden E c c e 1 i g-uum knielen alle Zusters neer en maken een prostratie ; terwijl de Cantores zingt C r u c i s staan zij op.
Is de antiphoon geëindigd, dan wordt het kruis door den Priester op de plaats waar het vereerd moet worden nedergelegd, waarna de Priester naar de sacristie gaat en zijne schoenen en kousen uittrekt. Intusschen trekken ook de misdienaars en de Zusters in het koor allen de schoenen uit.
Daarna geschiedt de aanbidding van het kruis op de volgende wijze:
De Priester knielt op eenigen afstand van het kruis op beide knieën neder en buigt het hoofd naar het kruis. Dan staat hij op, gaat eenige stappen verder, knielt weder en buigt het hoofd. Hij staat weder op, nadert het kruis,
164
VELSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN. 165
buigt zich diep neder en kust rle voeten van het kruisbeeld. Vervolgens begeeft hij zich naar het altaar om de antiphonen en de hymne te lezen. Na den Priester volgen de misdienaars en na hen de Zusters, eerst de oudste , daarna de jongere Zusters. Allen aanbidden het kruis op dezelfde wijze, als waarop het door den Priester vereerd is. Men knielt de eerste maal neder, op het oogenblik dat degene, die voorgaat, in het midden knielt, en men knielt neder in het midden, terwijl degene, die voorgaat, neder-knielt bij het kruis.
Zoodra de Priester in de Kapel komt om het kruis te aanbidden, begint men in het kooide antiphoon ï u a m c r u c e m te zingen , waarna de antiphonen Crucem tuam en A do re mus, en de hymnus Crux fidelis gezongen worden. De antiphonen worden aangeheven door de Cantores en door het koor voortgezet.
De eerste strophe der hymnus zingt de Cantores , liet koor de tweede en zoo vervolgens beurtelings tot aan het einde. Men zorge, dat niet alle Zusters tegelijk hare plaats verlaten om het kruis te aanbidden, opdat het gezang niet onderbroken worde.
173. Nadat het kruis door allen vereerd is, neemt de Priester het opnieuw in zijne handen en zoodra de hymnus gezongen is, heft hij de antiphoon Super omnia aan. Onder de woorden Super o m n i a knielen de Zusters en maken een prostra tie; zij staan op terwijl alleen de
166 VERSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
Cantores 1 i g n a c e cl r o r u m zingt en zetten de antiphoon voort van af tu sola tot aan het einde. Daarna knielen zij weder neer en blijven in diepe buiging geknield, terwijl de Priester de oratie Respice zingt. Na de oratie staan zij op.
Indien het kruis op de plaats der aanbidding liggen kan, zonder een beletsel te zijn voor de processie, dan wordt het na de oratie Respice door den Priester daarheen erebracht. Mocht
O
het echter de processie in den weg liggen, dan geeft de Priester het kruis aan de Kosteres, die het op eene geschikte plaats neerzet, vóór de processie het kleed en het kussen wegneemt, en na atioop der plechtigheden het kruis weder op het kussen en het kleed nederlegt, waar het dan tot den avond blijft liggen.
De Priester begeeft zich met de misdienaars naar de sacristie, trekt zijne kousen en schoenen aan, bekleedt zich met de kazuifel, en komt, voorafgegaan door de misdienaars, die de kandelaars met niet ontstoken kaarsen dragen, en door een misdienaar met het wierookvat, met den kelk in de hand, aan het altaar. On middellij k begint hij de H. Mis op de gewone wijze.
Intusschen heeft de Kosteres, of een andere Zuster, de kaarsen voor de processie aan de Zusters rondgedeeld.
174. Zoodra de Priester Adjutorium nostrum gezegd heeft, begint de processie.
Men volgt denzelfden weg naar het H. Graf, dien men gisteren gevolgd heeft. Voorop gaat
VE11SCHILLENDE TIJDEN EN TEESTDAGEN.
de misdienaar met het wierookvat, daarna de misdienaar of de Zuster, die het kruis moet dragen; dan volgen de twee misdienaars met hun kandelaars en kaarsen, na hen de Zusters twee en twee, de jongste voorop, allen een kaars, die nog niet ontstoken is, dragende. T)e Priester sluit de processie.
Bij het H. Graf gekomen, knielen allen neder, de Priester knielt in het midden der misdienaars vóór het H. Sacrament. Hij bewierookt het tabernakel, ontvangt het witte schou-dervelum, en opent daarna de capsula.
Intusschen ontdoet de Kosteres het kruis der processie van het paarse bekleedsel, geeft het aan den misdienaar, die het dragen moet en zorgt, dat de kaarsen der Zusters ontstoken worden.
Als de Priester zich met het H. Sacrament in de hand heeft omgekeerd, heft de Cantores het T a n t u m ergo aan en het koor zingt de geheele strophe. G e n i t o r i wordt niet gezongen, doch na Sensuum defectui, begint de Cantores de hymne Vex ill a Regis, die door het koor wordt voortgezet; iedere strophe wordt opnieuw door de Cantores aangeheven. ,
Bij het begin van Vex ill a Regis keert de processie naar het altaar terug en volgt denzelfden weg, waarlangs zij gekomen is. De misdienaar met het wierookvat gaat nu onmiddellijk vóór den Priester, om het H. Sacrament te be-wierooken; de overigen gaan in dezelfde orde, als boven gezegd is.
167
168 VERSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
175. Bij het al laar genaderd, knielen alle Zusters in de nabijheid van het altaar, doch niet binnen de communiebank neder, en maken eene diepe buiging, terwijl de Priester haar voorbijgaat. De kaarsen houden zij in de hand tot na de Communie, en antwoorden den Priester na Pater n o s t e r en Per o m n i a s a e c u 1 a saeculorum.
Zoodra de Priester het H. Sacrament op het altaar geplaatst heeft, legt hij het schoudervelum af, hetwelk een der misdienaars aanneemt en op de communiebank neerlegt. Een andere misdienaar draagt het missaal van de Epistelzijde naaide Evangeliezijde, en gaat daarna met beide ampullen naar de Epistelzijde, om evenals bij het begin van iedere Mis, wijn en water ts schenken. Hij zegt echter geen Benedicite.
Daarna komt de misdienaar met wierookvat en scheepje op het altaar ter rechterzijde van den Priester, biedt hem eerst het scheepje aan, vervolgens het wierookvat. Terwijl de Priester het H. Sacrament bewierookt, verwijdert zich de misdienaar van het altaar, en ontvangt het wierookvat weder uit de handen des Priesters.
Dan nadert terstond een andere misdienaar met schenkblad, waterampul en vingerdoekje, om volgens gewoonte de vingers van den Priester te wasschen.
Na de nuttiging neemt de misdienaar de beide ampullen en zoodra de Priester aan de Epistelzijde komt, giet hij wijn en water op de vingers van den Priester boven den kelk,
VERSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN. 1 Ö!)
waarna hij de ampullen weder op de gewone plaats zet
De Zusters dooven hare kaarsen uit. Het missaal wordt niet meer omgedragen, maar zoodra de Priester van het altaar afdaalt, om de ciborie met het H Sacrament naar de Sacristie over te brengen, gaan de misdienaars met kandelaar en brandende kaars voorop.
Daarna keeren zij nog met den Priester naar het altaar terug. De Priester neemt den kelk en allen verlaten het altaar en de Kapel.
De Kosteres zorgt dat er olie brandt bij het tabernakel waarin het H. Sacrament rust. Zij dooft na afloop der plechtigheden de kaarsen in de Kapel uit, ontbloot het altaar, zoodat daarop niets aanwezig is dan het kruis, van hetwelk zij het paarse doek wegneemt. Ook ontdekt zij alle andere kruisen en beelden der Kapel. Zij verwijdert den troon van het H. Graf en de bloemen en versierselen, die daarbij gebruikt zijn.
Allen, die van af de aanbidding van het kruis op Goeden Vrijdag tot aan het begin der H. Mis op Paaschzaterdag, het kruis van het altaar naderen, voorbijgaan of verlaten, knielen op een knie.
Dezen middag, tijdens het middagmaal, en dezen avond, tijdens de collatie, hebben de Zusters in den refter den mantel om.
170 VERSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
AET. YII.
1\' A A S C H ZATE R D A G.
176. Des morgens vóór de plechtigheden wordt het altaar door de Kosteres met de altaardwalen bedekt en feestelijk versierd; zij plaatst op het altaar zes kandelaars met witte waskaarsen , canonborden, lessenaar en alles wat er verder voor de H. Mis noodig is.
In de sacristie legt zij gereed: amict, albe, cingel en wit priestergewaad voor de H. Mis; een witte koorkap; kelk met toebehooren; superplies en twee kandelaars met kaarsen voor de misdienaars; — scheepje en wierookvat om gebruikt te worden bij het Magnificat na de Communie der Mis.
In het midden van het presbyterium of priesterkoor, aan de Evangeliezijde, plaatst zijeenen staanden lessenaar, het voorgedeelte naar het altaar gekeerd; ter rechterzijde van dezen lessenaar plaatst zij de paaschkaars.
De paaschkaars moet geheel van witte was en van bijzondere grootte zijn. Elk jaar behoort zij vernieuwd of zoo verwerkt te worden, dat de zegening van het vorig jaar verloren gaat; gebeurt dit niet, dan moet ten minste het deel dat er wordt bijgevoegd grooter zijn dan het overgeblevene. Er moeten vijf openingen in zijn, om er de wierookkorrels in te steken; deze openingen moeten boven en naast elkander zijn in den vorm van een kruis.
VERSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
Op een tafeltje, in het presbyterium rechts van het altaar tegen den muur geplaatst, legt de Kosteres een kleine rechte (geen driearraige) kaars neder met eenige lucifers, daarbij eenig wasdraad; ook zet zij daarop de godslamp, van olie en een nieuwe pit voorzien, maar niet ontstoken, en een komfoor met vuur, een schaaltje met vijf wierookkorrels, die in de paaschkaars moeten gestoken worden en het wijwatersvat met kwast.
177. De misdienaars, ieder hun kandelaar met niet ontstoken kaarsen dragende, gaan den Priester voor naar het altaar. Aan den voet des altaars gekomen, zetten zij hunnen kandelaar op den trap neder en een van hen, degene die aan de rechterhand van den Priester staat, geeft het missaal aan den Priester, neemt daarna het komfoor met vuur en houdt dit, aan de rechterzijde des Priesters staande, in zijne handen ; de andere misdienaar neemt den wijwaters-kwast en plaatst zich ook aan de rechterzijde des Priesters.
Nadat de Priester het vuur met wijwater besproeid heft, legt de misdienaar den wijwa-terskwast weder op het tafeltje, neemt de kaars, die op het tafeltje ligt, met een lucifer en geeft deze aan den Priester, door wien de kleine kaars met het gewijde vuur wordt aangestoken. Daarna wordt het vuur op een\'tafeltje gezet, waar het blijft staan tot na de wijding der paaschkaars.
Dan neemt een der misdienaars het schaaltje
171
172 YE1ÏSCKILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
inet de vijf wierookkorrels, de andere neemt de kleine brandende kaars met het wasdraad, en beiden plaatsen zich naast den Priester bij den lessenaar, deze aan de rechter, gene aan de linkerzijde.
178. Bij de zegening der paaschkaars, antwoorden de Zusters evenals bij de praefatie der H. Mis.
Na de woorden : e t c u r v a t i m p e r i a neemt de priester een der wierrookkorrels en steekt dien in de paaschkaars; ook steekt hij zelf de vier andere er in, wanneer de misdienaar dit niet gevoegelijk doen kan.
Na de woorden: rutilans ignis a cc en-dit, neemt de Priester zelfde kleine brandende kaars en ontsteekt daarmede, zoo noodig met behulp van het wasdraad, de paaschkaars.
Daarna ontsteken de misdienaars met dezelfde kleine kaars of met het wasdraad, aan de kleine kaars ontstoken, hunne kaarsen op den kandelaar.
Vervolgens geven zij de kleine kaars aan de Kosteres, die zoodra de Priester gezongen heeft: pretiosae hujus 1 ampadis, daarmede de godslamp ontsteekt, alsook de kaarsen van het altaar, die tot nog toe niet ontstoken waren.
Na Per e u m d e m T) o m i n u m .... p e r omnia s a e c u 1 a s a e c u 1 o r n m antwoordt het koor: A m e n.
Daarna nemen de misdienaars hunne kandelaars en gaan met den Priester naar de sacristie, waar de Priester de koorkap aflegt en zich bekleedt met de kazuifel.
VERSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
Indien er meer dan twee misdienaars mochten aanwezig zijn, dan honden de twee, die de kandelaars dragen, deze in de hand van het begin tot het einde, terwijl de anderen dan het vuur, de kleine kaars en de wierrookkorrels vasthouden.
Zoodra de Priester zich verwijderd heeft, neemt de Kosteres den staanden lessenaar weg, zet de brandende paaschkaars aan de Evangeliezijde des altaars, verwijdert het vuur en wat er meer op het tafeltje aanwezig was en legt het missaal op het altaar.
179. Daarna begeeft de Priester zich met de misdienaars naar het altaar, en leest, opliet altaar aan de Epistelzijde staande, de lessen, de oraties en de Litanie van alle heiligen. Terwijl de Priester de Litanie leest, behoort een der misdienaars , aan zijne rechterzijde staande, te antwoorden.
Onder de lessen zitten de Zusters, bij de vijf oraties staan zij naar het altaar gekeerd, maken een middelbare buiding in de richting
• • , ^ O
naar net andere koor bij den Zoeten Naam in het slot der oraties, waarna zij telkens Amen antwoorden. Worden echter de oraties door den Priester niet gezongen, maar gelezen, dan blijven de Zusters ook onder de oraties zitten.
Zoodra de vijfde oratie gezongen of gelezen wordt, begeven zich twee Zusters, daartoe dooide Cantores aangewezen, in het midden van liet koor en onmiddellijk na de vijfde oratie zingen beide de Litanie van alle heiligen voor,
173
174 VERSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
waarop het geheele koor antwoordt. Bij Sancte Pater Dominice, hetwelk tweemaal gezongen wordt, verheft- men de stem een quart of een quint hooger.
Onder de Litanie staan allen met het gezicht naar het altaar gekeerd.
180. Na het derde Agnus Dei begeven zich de Zusters, die de Litanie voorgezongen hebben, naar hare plaats en de Cantores dei-week, op hare plaats in de koorbanken staande, heft het Kyrie eleison der H. Mis op den paaschtoon (in fono paschali) aan. Na het Kyrie intoneert de Priester: Gloria in e x c e 1 s i s. Dan leggen de Zusters den mantel af en vervolgen den lofzano;. Het Gloria en
o O
de verdere gezangen worden gezongen gelijk op een feest , dat duplex is. Ook het intoneeren der gezangen geschiedt evenals op een feest, dat duplex is. (n. 88). Onmiddellijk nadat Gloria in ex cel sis door den Priester geïn-toneerd is, begint men het orgel te spelen, hetwelk tot dan toe gezwegen heeft. Ook de misdienaars beginnen te bellen, waarmede zij voortgaan tot bij het einde van den lofzang.
Indien na den Epistel het Alleluia met vers en tractus gezongen wordt, dan zingen de twee Cantoressen in \'t midden van het koor Alleluia, waarna het koor de neuma, dat is; de notenreeks die op de letter a staat, vervolgt; daarna zingen de Cantoressen het vers Con fit emini; na het vers Con fit emini zingen twee andere Zusters, die ook in \'t midden van het koor
VERSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
komen, den tractus Laud ate; na Land ate zingen de twee eerste Q u o n i a m tot aan de dubbele streep, waarop het koor het laatste gedeelte van het vers eindigt. Alleluia wordt slechts eenmaal gezongen vóór Confi-temini. Onder Alleluia met het neuma staan allen : onder Confitemini, Laudate en Quoniam tot en met in aeternum zitten de Zusters in het koor. Op dezen dag wordt er noch Credo, noch offertorium, noch communio gezongen of gezegd. Sanctns en Agnus Dei zingt men op de gewone wijze.
18f. Na het Agnus Dei en de Communie des Priesters beginnen de Cantoressen: Alleluia en het geheele koor vervolgt: Alleluia, Alleluia. Dan weder zingen de Cantoressen: Laudate Dominum omnes gentes, waarna het rechterkoor vervolgt: laudate enm omnes populi. Plet linkerkoor zingt het tweede vers van den psalm; het rechterkoor: Gloria Patri en het linkerkoor: Sicut erat. Daarna heften de Cantoressen weder aan: Alleluia, en het koor vervolgt; Alleluia, Alleluia.
Vervolgens intoneert of de Priester of de beide Cantoressen de antipboon Vespere, die door het geheele koor wordt voortgezet. Onmiddellijk na de antiphoon beffen de Cantoressen het Magnificat aan. Het eerste vers wordt door het rechterkoor voleindigd, het tweede vers zingt het linkerkoor, de overige verzen worden beurtelings door beide koren gezongen. Na Sicut erat intoneeren de Cantoressen ten tweeden male
175
17() VERSCHILLEN UK TIJDEN EN FEESTDAGEN.
de antiphoon Vespere, die weder door het ge-heele koor wordt voortgezet en voleindigd. Onder
O O
het Magnificat wordt het altaar door den Priester bewierookt.
Na het Magnificat en de antiphoon zingt de Priester: Dominus vobiscum en eindigt de H. Mis op de gewone wijze.
Bij 11 e m i s s a est en Deo g r a t i a s voegt men tweemaal Alleluia tot aan den volgenden Zaterdag.
Na de H. Mis brengt de Priester het H. Sacrament weder in de Kapel.
Van heden af tot aan de tweede Vespers van Allerheiligen wordt de mantel in het klooster of in de Kapel niet gedragen, dan wanneer de Zusters communiceeren, tijdens de processie met het Allerheiligste Sacrament en bij de uitvaart eener Zuster.
De paaschkaars blijft op dezen dag branden tot aan het einde der Completen. Op het Paaschfeest brandt zij bij de Metten, bij de Prime, Tertië, Sex te, None, A\'espers, Completen en onder de H. Mis. Op de volgende dagen van het octaaf, tot en met den volgenden Zondag, brandt zij onder de li. Mis en onder de Vespers. Daarna, tot op het feest van O. Fl. Hemelvaart, brandt zij iederen dag gedurende de H. Mis. Op het feest van O. H. Hemelvaart brandt zij onder de eerste Vespers, de Completen, de Metten, Prime, Tertië, Sexte en onder de H. Mis. Daarna wordt zij verwijderd.
De Zusters bidden op Paaschzaterdag de door
VEllSCHILLKNDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
den Regel voorgeschreven Onze Vaders tot en met de None. Na den middag beginnen zij met de Vespers weder het Officie der H. Maagd te bidden.
1S2. Indien de plechtigheden op de drie laatste dagen der Goede week door een Priester volgens den Romeinschen ritus verricht worden, dan moeten de Zusters acht geven op de volgende punten, waarin de Romeinsche ritus van den Dominicaanschen ritus verschilt.
Ój) Witten Donderdag.
In de processie wordt de ciborie met de kleine Hosties door den Priester niet medegenomen naar het H. Graf, maar eerst na de processie brengt de Priester haar of wel naar het H. Graf, of wel naar een andere plaats buiten de Kapel, b.v. naar de sacristie. De misdienaars gaan dan voorop met de kaars in de hand. Indien de ciborie naar de sacristie of een andere plaats wordt overgebracht, zorge de Kosteres aldaar een tabernakel gereed te maken en een- lamp bij het II. Sacrament te doen branden.
De Priester gebruikt bij het ontblooten van het altaar een paarse stool.
Het altaar wordt des namiddags niet afge-wasschen.
Op Goeden Vrijdag.
Vóór het begin der plechtigheden legt de Kosteres een kussen neder op den trap des altaars.
177
178 VEllSCHILLENUE TIJDEN EN FEKSÏDAGEN.
Zoodra de Priester ligt neergebogen op de trappen des altaars , neemt de Kosteres de groote mappa en spreidt die met behulp eener andere Zuster over het altaar. Daarna zet zij den lessenaar met het missaal op het altaar.
Agios o Theos en Sanctus Deus worden niet gezongen.
Bij de ontblooting van het kruis zingt de Priester driemaal: Ecce lignum Cru cis, waarna het koor telkens vervolgt: in quo salus m u n d i p e p e n d i t; v e n i t e a d o r e m u s. Onder v e n i t e a d o r e m u s knielen de Zusters op beide knieën.
De antiphonen Tuam Crucem, Crucetn tuam en Adoremus, de hymnus Crux f i d e 1 i s en de antiphoon Super omnia worden niet gezongen.
Ook zingt men geen T a n t u m ergo vóór het begin der processie.
De woorden der hymnus Vexilla regis komen niet geheel overeen met die van den Dominicaanschen ritus; men volge den Romein-schen ritus in het zingen.
Indien de ciborie gisteren in het H. Graf geplaatst is, gaat de Priester heden, na afloop der plechtigheden, de ciborie overbrengen naaide sacristie. De misdienaars gaan dan voorop met eene kaars.
Op Paaschzaterdag.
Het altaar mag vóór de plechtigheden wel bedekt en de kandelaren daarop geplaatst wor-
VERSCHILLENDK TIJDEN EN FEESTDAGEN. 179
den, maar bloemen en sieraden worden eerst bij het einde der Litanie aangebracht.
In de sacristie legt de Kosteres behalve het witte priestergewaad voor de H. Mis ook nog een paarse manipel, stool en kazuifel gereed.
De witte koorkap wordt niet gebruikt; en de misdienaars dragen geen kaarsen, doch een hunner draagt het processiekruis.
Naast het altaar aan de Evangeliezijde wordt een kandelaar geplaatst, om daarop later den rietstok met de driearmige kaars te zetten.
De paaschkaars staat aan den Evangeliekant naast het altaar.quot;
Een staanden lessenaar zet men in het midden van het presbyterium.
Op een tafeltje, aan den Epistelkant tegen den muur geplaatst, zet men de godslamp met nieuwe pit en olie; daarbij legt men eenig wasdraad.
Buiten den hoofdingang der Kapel, recht er voor, of wel achter in de Kapel plaatst de Kosteres een tafeltje, bedekt met een witten doek, en daarop een lessenaar met het missaal, een schaaltje met vijf wierookkorrels, die in de paaschkaars moeten gestoken worden ; het wijwatersvat met kwast; een ledig wierookvat met gevuld scheepje; een kandelaar met een kleine waskaars; eenig wasdraad met enkele lucifers; een witte manipel en een witte diakenstool; een komfoor met gedoofde kolen; een vuursteen met toebehooren om nieuw vuur te maken en een vuurtang; eindelijk in de nabijheid een rietstok en op den rietstok een drie-
ISO VERSCHIUJSNDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
armige kaars; deze rietstok behoort met bloemen of groen loof versierd te zijn.
De Priester komt eerst aan den hoofdingang der Kapel; voorafgegaan door een misdienaar, die het processiekruis draagt en twee of drie andere misdienaars.
De misdienaar met het kruis gaat vóór de tafel staan, aan den tegenovergestelden kant van den Priester.
Zoodra de Priester het vuur gezegend heeft, legt een der misdienaars het vuur, dat in het komfoor door den Priester ontstoken is, met de vuurtang in het wierookvat, neemt het scheepje en biedt dit den Priester aan, die wierook in het wierookvat doet; een andere misdienaar biedt den Priester den wij waterskwast aan.
Als de Priester het paarse gewaad afgelegd en zich met het witte bekleed heeft, steekt hij of een der misdienaars de kleine rechte kaars met het nieuwe vuur aan, houdt die in zijne hand, en een ander of dezelfde neemt het schaaltje met de wierookkorrels.
Dan gaan allen de Kapel binnen. Binnen gekomen, blijven zij staan en de Priester steekt een der drie pitten van de driearmige kaars aan.
Zoo dikwijls de Priester knielt ,, knielen ock de misdienaars met hem.
De Priester zingt: Lumen Christi en het koor antwoordt: Deo gratias.
Een weinig verder in de Kapel gegaan zijnde, steekt de Priester de tweede pit aan, en ten
VERSCHILLENDE TIJDEN KN 1\'EESTÜAGEN.
tweeden male zingt hij: Lumen Christi, waarop het koor insgelijks antwoordt: Deo g rati as.
Eindelijk gaan allen tot voor het altaar, waaide derde pit aangestoken en ten derden male Lumen Christi en Deo g r a t i a s gezongen wordt.
De kleine kaars wordt nu door den misdienaar op het tafeltje geplaatst; een ander misdienaar haalt het missaal en legt het op den staanden lessenaar; een derde ontvangt de brandende drie-armige kaars van den Priester en houdt haar in zijne hand.
]STu plaatsen allen zich ter zijde van den Priester, in dezelfde richting als deze; de misdienaar met het kruis, en de andere met het wierookvat aan de rechterzijde, de misdienaar met het schaaltje der wierookkorrels en de andere met de driearmige kaars aan de linkerzijde.
Eerst wordt het missaal bewierrookt en dan wordt het Exultet door den Priester gezongen.
Bij de woorden: Curvat imperia worden de wierrookkorrels door den Priester in de paaschkaars gestoken; daarna plaatst de misdienaar het schaaltje op de tafel en neemt het wasdraad in zijn hand.
Bij r u t i 1 a n s ignis a c c e n d i t ontsteekt de Priester de paaschkaars met de driearmige kaars.
Bij a p i s m a ter e d n x i t ontsteekt de misdienaar het wasdraad aan de driearmige kaars en gaat daarmede de godslamp ontsteken.
181
182 VERSCHILLKNDK TIJDEN EN FEESTDAGEN.
Zoodra de Priester liet missaal sluit, zet de misdienaar de driearmige kaars op den kandelaar aan de Evangeliezijde, waar zij blijft branden tot aan het einde der H. Mis; na de H. Mis wordt zij weggenomen.
Allen keeren nu naar de sacristie terug.
De Priester legt de witte manipel en stool af en bekleedt zich met paarse manipel, stool en kazuifel.
Voorafgaan door de misdienaars, die nu niets te dragen hebben, gaat hij naar het altaar, waarop intusschen door de Kosteres de lessenaar met het missaal aan de Epistelzijde is neergezet.
Daar leest de Priester de profetieën met de oraties. Na F1 e c t a ra u s genua antwoorden de Zusters: Lev ate, doch indien het niet gezongen maar gelezen wordt, antwoorden de misdienaars; evenzoo na de oraties.
Hierna daalt de Priester van de trappen des altaars af en legt de kazuifel en den manipel af, die door de Kosteres in de sacristie worden gebracht.
Dan wordt door den Priester de Litanie van alle heiligen gezegd of gezongen; in beide gevallen antwoorden alle Zusters. Ook kan de Litanie, volgens het verlangen van den Priester, door twee Zusters in het midden van het koor worden voorgezongen; dan bidt de Priester de Litanie beurtelings met de misdienaars.
Onder de Litanie, bij P e c c a t o r e s, worden de kaarsen op het altaar door de Kosteres ontstoken, en bloemen op het altaar geplaatst.
VERSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN. 183
Men herinnere zich, dat de Litanie van den Roraeinschen ritus verschilt van die volgens den Dominicaan schen.
Daarna gaat de Priester naar de sacristie, om de paarse gewaden af te leggen en zich te bekleeden met het witte misgewaad.
De H. Mis begint zooals gewoonlijk. De Cantores heft bij het begin der H. Mis het Kyrie aan.
Na den Epistel zingt de Priester driemaal Alleluia; de Zusters herhalen telkens Alleluia in den zelfden toon, waarin de Priester gezongen heeft.
ART. VIII.
VAN 1\' A S C H E N ï O T H E T K E EST DEK H. DRIEVULDIGHEID.
183. In de Vespers en in de Completen, en verder gedurende het geheele jaar in alle Uren van het Officie, zegt men weder Alleluia na Gloria Patri en niet meer Laus tibi, Domine, rex aeternae gloriae.
De Paaschtijd brengt geene veranderingen in het Officie der H. Maagd; men voegt derhalve nooit Alleluia achter de verzen of antiphonen; alleen de antiphoon ad Benedictus en ad Magnificat, die aan den Paaschtijd eigen zijn, worden met Alleluia gezegd; ook zegt men Alleluia achter de antiphoon en het vers
184 VERSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
der Gedachtenis van de H. Catharina van Senen en der Gedachtenis van een feest der Orde in de Vespers en in de Metten, van af de eerste Vespers van Paschen tot aan de Metten, daa,s;s voor het feest der TT. Drievuldigheid.
Gedurende den Paaschtijd, dat is, van af de Vespers op Paaschzaterdag tot aan de eerste Vespers van het feest der TI. Drievuldigheid, deze laatste Vespers echter niet medegerekend, bidt men in de Metten ad Benedictus, de antiphoom Beata ü ei Genitrix en in de Vespers ad Magnificat de antiphoon: Regina coeli.
184. Men voegt Alleluia achter het Salve na de Completen en achter O lumen en de verzen, die daarna gezongen worden; insgelijks achter Tn viol at a en het daaropvolgende vers. Bij het Salve, Pie Pater en de verzen, waarmede de andere Uren van het Officie eindigen , wordt geen Alleluia gezegd. Ook voegt men geen Alleluia bij het O sacrum en het vers, hetwelk gezegd wordt zoodra men in de Kapel komt, of bij het vers Pane in de coelo na de tafelgebeden; ook niet bij de gebeden vóór en na tafel, uitgenomen bij de antiphoon Regina coeli en het vers O r a pro nobis, die men gedurende den Paaschtijd zegi in plaats van Recordare en Post partum; ook niet bij de gebeden in het Kapittel der fouten; ook niet bij de antiphoon Veni sancte Spiritus en het vers Emitte vóór de meditatie.
Bij de antiphonen en verzen, die onder het
VERSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN. 185
lof gezongen worden, voegt men Alleluia. Eindelijk als algemeene regel stelle men vast, clat Alleluia nooit bij een antiphoon of vers gezegd wordt, tenzij het uitdrukkelijk in het Manuale of elders wordt aangegeven. Achter een hymnus wordt nooit Alleluia gezegd.
185. In de plaats van Asperges zingt men op alle Zondagen tot en met Pinksteren: Vidi aquam. Op Paaschdag wordt daarbij het vers Haec dies gezongen; op de volgende Zondagen het vers Confitemini en op Pinksterzondag het vers Emitte. Na Gloria Patri wordt Vidi aquam niet geheel herhaald, maar slechts van af Et\'omnes. n. 89.
Onder de H. Mis wordt op Paaschdag, en Maandag en Dinsdag in de Paaschweek na den Epistel de Sequentia Vi c t i m a e p a s c h a 1 i gezongen.
Volgens den Romeinschen ritus zingt men deze Sequentia ook op de volgende dagen der Paaschweek tot en met Zaterdag.
In de Paaschweek wordt het Libera voor de overledenen niet gezongen.
186. In de eerste Vespers van O. H. Hemelvaart verandert men het woord resurrexit, voorkomende in de antiphoon Regina coeli in het Officie der H. Maagd, in jam ascendit. Op deze wijze wordt Regina ook gezegd in de Vespers der volgende dagen, tot en met Vrijdag vóór het feest der H. Drievuldigheid. Ook wordt het Regina coeli op deze wijze gezegd bij de gebeden na het middagmaal op
186 VEUSCHILLKNDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
lederen dag van O. H. Hemelvaart tot en met Zaterdag vóór het feest der H. Drievuldigheid. Het Re gin a coeli, dat men van af Zaterdagmiddag vóór Paschen tot en met Zaterdag-middag vóór H. Drievuldigheid bidt, in plaats van Angelus Domini, blijft steeds onveranderd.
Na de H Mis op het feest van O. H. Hemelvaart, wordt de paaschkaars verwijderd.
Op den len, 2en en 3en Pinksterdag zingt men na den Epistel der H. Mis de Sequentia Veni Sancte Spiritus. Volgens den Romeinschen ritus wordt deze Sequentia tot en met den volgenden Zaterdag gezongen.
In de Pinksterweek wordt het Libera voor de overledenen niet gezongen.
De Paaschtijd eindigt met de None op Zaterdag na Pinksteren. Echter bidt men ten twaalf ure in plaats van Angelus Domini, en bij de gebeden na het middagmaal nog het R e g i n a coeli.
AKT. IX.
VAN HET FEEST DER H. DRIEVULDIGHEID TOT DEN ADVENT.
187. Van af de Vespers op Zaterdag vóór het feest der H. Drievuldigheid tot en met de Vespers op Zaterdag vóór den eersten Zondag van den Advent, worden in de Vespers en in de Lauden van het Officie der H. Maagd weder
VBESCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
de gewone antiphonen gezegd. In de Lauden zegt men ad Benedictus: O g 1 oriosa; in de Vespers ad Magnificat zegt men: Sancta Maria.
Op het feest van het Allerheiligste Sacrament en op al de dagen van het octaaf, indien op die dagen geen ander feest gevierd wordt, zingt men na den Epistel der H. Mis, de Sequentia Laud a Sion. Men voegt op dit feest en gedurende het octaaf Alleluia achter de verzen van het H. Sacrament, die in het lof gezongen worden.
Indien men tijdens dit octaaf of op een anderen dag in het jaar, met toestemming van den Ordinarius processie mag houden met het Allerheiligste Sacrament, in of ook wel buiten de Kapel, dan regelt men deze processie op dezelfde wijze als bij de Processie op Witten Donderdag aangegeven is. Onder de processie zingt men dan de hymne P a n g e lingua, of een andere hymne, of een antiphoon van het H. Sacrament.
In de week, die den eersten Zondag van den Advent voorafgaat, moet het bordje, waarop Chorus staat, aan den linkerkant van het koor hangen, ook al zou het de voorgaande\' week daar reeds gehangen hebben.
187
188 VERSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
ART. X.
HKT FEEST VAN ALLE HEILIGEN.
/1 November.]
188. Zoodra op den namiddag van dit feest de Vespers van het Officie der H. Maagd met de slotgebeden: F i d e 1 i u m , Pater n o s t e r, Salve, enz. geëindigd zijn, bekleeden zich de Zusters in de Kapel met den mantel; en onmiddellijk daarna, op het teek en, gegeven door de Zuster, die voorzit, intoneert de Cantores aan den rechterkant van het koor de Vespers van het Officium defunctorum. Deze Vespers worden gezegd op de wijze, beschreven inn. 112—115.
Indien het feest van alle Heiligen op Zaterdag valt, dan geschiedt dit niet op het feest, maar op den Zondag, die daarop volgt.
Van af de Vespers van het Officium defunctorum tot aan Zaterdag vóór Paschen hebben de Zusters den mantel om, tijdens alle oefeningen, die door de Zusters gezamenlijk in de Kapel verricht worden, zooals de H. Mis, meditatie, Officie, rozenhoedje, lof, enz.; uitgezonderd is alleen de korte adoratie bij het einde der gebeden na het middagmaal. Indien echter na het middagmaal onmiddellijk een andere oefening begint, b.v. de Vespers van het Officie, dan doet men vóór die oefening eerst den mantel om.
In de oefeningen der Communiteit die plaats hebben in het klooster buiten de Kapel, b.v. het kapittel der fouten, enz. wordt de mantel
VEKSCHILLBNIJE TIJDEN EN FEESTDAGEN. 189
nooit gedragen; slechts is hiervan uitgezonderd de voetwassching op Witten Donderdag, het middagmaal en de collatie in den refter op Goeden Vrijdag en de plechtigheid der begrafenis eener Zuster.
ART. XL
DE GEDACHTENIS DER GELOOVIGE ZIELEN.
/2 November].
189. Vóór de H. Mis worden de Mettenen Lauden van het Officium defunctorum gezegd, op de wijze, in n. 112 aangegeven.
Het intoneeren der gezangen in de H. Mis geschiedt, evenals op een feest, dat als duplex gevierd wordt. (n. 88).
Na het vers Te de eet van den introitus of het officium, wordt het geheele officium herhaald tot en met luceat eis.
Na den Epistel zingt men het responsorium Requiem a e t e r n a m, evenals in n. 92 gezegd is; doch in plaats van het vers Animae zingt men het vers In memoria.
Na het vers wordt de tractus Absolve gezongen naar de wijze in n. 92 beschreven. De tractus wordt gevolgd door de Sequentia, die op de gewone manier gezongen wordt. (n. 93).
Het offertorium wordt aangeheven door twee Cantoressen en tot aan het vers voortgezet door
190 VBKSCHILLENDE TIJDEN EN FEESTDAGEN.
het koor; het vers wordt geïntoneerd door de twee Cantoressen, die het eerste woord: Hostias zingen, het koor zingt het overige gedeelte; na het vers intoneeren de Cantoressen de repetitie: Quam olim en het koor voleindigt: Abrahae promisisti et semini ejus.
De wijze waarop het koor den Priester antwoordt in de praefatie verschilt van de gewone wijze.
De gezangen in de Mis der overledenen moeten geheel gezongen en mogen niet gedeeltelijk of geheel gereciteerd of gelezen worden; slechts is het geoorloofd eenige strophen van de Seqnen-tia wes: te laten.
Na de H. Mis geschiedt de processie op de wijze in n. 116 aangegeven.
De Priester kan na de Mis aan het altaar blijven; dan legt hij de kazuifel af en hangt de koorkap om; hij zingt dan de oraties na de processie.
ACHTSTE H O O F D S T U X.
HKT TOEDIKNEN DER HH. SACRAMENTEN AAN DE ZIEKEN; DE PLECHTIGHEDEN DER BEGRAFENIS.
A. Volgens den dominicaanschen ritus.
ART. I.
TOEDIENING DER GEWONE H. COMMUNIE AAN EEN ZIEKE.
190. Wanneer een zieke Zuster buiten de Kapel de H. Communie moet ontvangen, wordt eerst de cel of kamer, waar zij is, behoorlijk in orde gebracht. Men plaatst daarin een tafel met een wit linnen doek bedekt, en zet daarop een kruisbeeld tusschen twee brandende waskaarsen. Op de tafel moet nog aanwezig zijn een corporaal, een vingerdoekje en een glas met een weinig water, niet meer dan de zieke in één keer kan innemen. Ook legt men daarop het Dominicaansche Processionarium. Het is ook passend, eenige bloemen ter versiering aan te brengen. Indien de zieke in zittende houding
192 HET TOEDIENEN DER HH. SACRAMENTEN.
de H. Communie ontvangt, legt men vóór de H. Communie een wit linnen doek op hare handen; indien zij echter nederligt, legt men dien op hare borst.
191. De Priester gebruikt een superplie, Avitte stool en wit schoudervelum.
Wanneer de Priester met het H Sacrament zich naar de zieke begeeft, gaan vier Zusters voor hem uit, namelijk: voorop gaat eene Zuster met wijwatersvat en kwast, ten minste indien deze in de kamer der zieke niet reeds aanwezig zijn; achter haar een andere met de bel, waarmede zij voortdurend een teeken geeft; dan volgen twee Zusters, beide met een brandende kaars in de hand, eindelijk volgt de Priester met het Allerheiligste.
De Zusters, die den Priester ontmoeten, maken een prostratie, terwijl het H. Sacrament voorbijgaat.
192. De Kamer der zieke binnengaande, zegt de Priester:
Pax huic dómui.
Waarop alle aanwezige Zusters antwoorden:
Et ómnibus habitantibus in ea.
Dan plaatst de Priester de ciborie op den corporaal, legt het schoudervelum af, dat door eene Zuster aangenomen en op een behoorlijke plaats nedergelegd wordt en besproeit vervolgens de zieke en de kamer met wijwater.
De Zusters, die aanwezig zijn, knielen eerbiedig neder en antwoorden den Priester op de gebeden, die hij vóór en na de Communie zegt.
het toedienen dee hll. sacramenten. 19^
193. Zoodra de ciborie op den corporaal geplaatst en de zieke met wijwater besproeid is, bidt de Priester beurtelings met de Zusters:
f. Salvamfac ancillam tuam.
R-. Deus meus, sperantem in te.
f. Mi11e ei, Dómine, anxi 1 ium de s a n c t o.
R. EtdeSiontuére earn.
ir. Nihil proficiat inimicus in ea.
R. Et filius i n i q u i t a t i s non a p p ó n a t nocére ei.
f. Es to ei, ü óm ine, turris forti tü-d i n i s.
R. A facie inimici.
• v. D 6 ra i n e, e x a u d i o r a t i ó n e ra m e a m.
ft. Et clamor meus ad te véniat.
V. Dó minus vo bi scum.
ft. Et cum spiritu tuo.
O r e m u s.
Deus, infirm itatis hum ana e, etc.
Per Christum D óm i nu in nostrum.
R. Amen.
Hierna bidden de aanwezige Zusters het Confiteor volgens dorainicaanschen ritus, en antwoorden volgens gewoonte bij Misera a-tu r, enz.
194. Nadat de Priester de H. Communie aan de zieke gegeven heeft, wascht hij zijne vingers en zegt D o ra i n u s v o b i s c u m met een oratie, waarop de Zusters antwoorden.
Indien er uoq- heilige Hosties in de ciborie
o o
het toedienen deü, mh. sacramenten.
overblijven, geeft een der Zusters het schouder-velum weder aan den Priester, die het omhangt, het H. Sacrament neemt en daarmede, zonder iets daarbij te zeggen, de zieke zegent, waarna de Zusters met den Priester naar de Kapel teruggaan, op dezelfde wijze als zij gekomen zijn.
In de Knpel teruggekeerd, knielen de Zusters eerbiedig neder en antwoorden den Priester bij de volgende gebeden.
Panem de coelo praestitisti eis.
ft. Omne delectaméntum in se ha-bén t e m.
f. I) ó m i n u s v o b i s c u m.
B:. Et cum spiritu tuo.
Oremus.
Deus, qui nobis etc., per oin nia sae-cula sa ecu lór um.
R-. Amen.
In den Paaschtijd wordt geen Alleluia bij doze gebeden gevoegd.
Hierna geeft de Priester den zegen met het II. Sacrament aan de aanwezigen en plaatst het vervolgens in het tabernakel.
Zoodra de Priester met het H. Sacrament de zieke verlaten heeft, geeft een der nog aanwezige Zusters het water, waarin de Priester zijne vingers gewasschen heeft, aan de zieke te drinken.
194
HUT TOEDIENEN DEK, HH. SACRAMENTEN.
ART. II.
TOEDIENING VAN DE H. COMMUNIE ALS TEERSPIJZE EN VAN HET H. OLIESEL.
195. De Kosteres zorge, dat in de kamer der zieke alles gereed zij, wat in n. 190 aangegeven is. Bovendien moet daar aanwezig zijn een paarse stool; een schaaltje met zes vlokjes of stukjes watten; een schaaltje niet, eenige stukjes tarwebrood, waarmede de Priester na de zalving de vingers moet reinigen; behalve het glas water, waarin de Priester zijne vingers wascht na het toedienen der H. Communie, nog een ander glas of bekken met water, alsmede een handdoek; om alle moeielijkheid in het overbrengen van de H. Olie te vermijden, kan de Priester, alvorens zich met de heilige gewaden te klecden, deze naar de kamer van de zieke brengen en op de (afel plaatsen.
196. Zoodra de Priester zich met superplie, witte stool en wit schoudervelum bekleed heeft, wordt het Allerheiligste in processie naar de kamer der zieke gedragen. A\'oorop gaat een Zuster met de bel, haar volgt een andere met wijwatersvat en kwast en eene, die een kruis draagt. Achter het kruis volgt de geheele Communiteit, uitgezonderd de Zusters, die ter verzorging bij de zieke blijven moeten; allen dragen een brandende kaars en volgen twee aan twee, de jongsten voorop. De Priester met het H. Sacrament sluit de processie. Bij de zieken-
195
190 HET TOEDIENEN DER HH. SACRAMENTEN.
kamer gekomen gaan de drie eerste Zusters binnen, indien er namelijk ruimte genoeg in de kamer is; de overigen scheiden zich in twee rijen, knielen neder, buigen diep ter aarde en laten het Allerheiligste midden door de rijen voorbijgaan. Dan gaan zij de kamer allen of gedeeltelijk binnen, al naar de ruimte der plaats toelaat en blijven eerbiedig geknield, totdat zij de boetpsalmen moeten beginnen.
Dan wordt de H. Communie toegediend op dezelfde wijze als in n. 192 en 198 gezegd is, uitgezonderd het volgende.
197. Na de oratie Deus, infirmitatis en vóór dat men het Confiteor bidt, vraagt de zieke, op verzoek des Priesters, aan hare medezusters vergiffenis voor de fouten, die zij ten haren opzichte begaan heeft en de ergernis, die zij mocht gegeven hebben; de Priester belooft haar vervolgens, in naam der Zusters, dat alles haar kwijtgescholden wordt.
Kan de zieke niet of moeielijk spreken, dan geeft zij haar spijt te kennen, door ootmoedig op hare borst te kloppen.
Is de zieke de Priorin zelve, dan vragen de Zusters ook haar vergiffenis voor hetgeen zij tegen haar misdaan hebben, en de Priorin, of de Priester in haar naam, verzekert haar, dat alles vergeven is.
Vervolgens bidt men Confiteor, enz. en nadat de Priester driemaal het Do mine non sum dignus herhaald heeft, vraagt hij aan de zieke, de II. Hostie opheffende: Gelooft
HET TOEDIENEN DER HH. SACRAMENTEN. 1(J7
gij dat deze is de Christus, de Zaligmaker der wereld? De zieke antwoordt: Ik geloof het. Daarna ontvangt zij de H. Communie.
198. Zoodra de Priester de vingers gewas-schen en de oratie Ex audi gezegd heeft, legt hij de witte stool af en bekleedt zich met de paarse stool, om het H. Oliesel toe te dienen.
Zonder Pax h u i c domui te zeggen of de zieke met wijwater te besproeien, begint hij onmiddellijk met Dom inns v obi scum en de oratie D o m i n e D e u s, waarop de Zusters antwoorden.
Na de oratie wordt niet weder door de zieke vergiffenis gevraagd, dewijl dit bij de voorafgaande Communie reeds geschied is, maar de Zusters bidden weder het Confiteor en ant-woorden na M i s e r e a t u r en A b s o 1 u t i o n e m. Daarna neemt de Priester een kruisbeeld en biedt het de zieke aan, die het eerbiedig kust en het daarna den Priester teruggeeft.
O O
199. Dan heft de Priester de antiphoon I n t r e t oratio aan en onmiddellijk daarop den Psalm: Dom ine, n e in furore t uo ar guas m e. De Zusters staan bij het aanheffen van den psalm op en bidden nu koorsgewijs de zeven boetpsalmen, op zachteren toon dan gewoonlijk. Het rechterkoor voleindigt het eerste vers, het linkerkoor zegt het tweede vers, en zoo beurtelings tot het einde van den psalm. Na iederen psalm zegt men Gloria Patri. De Cantores van het koor, dat Gloria Patri zegt, heft
] 98 HKT TOEDIENEN DER HH. SACRAMENTEN.
het eerste vers van den volgenden psalm weer aan. Na Gloria Patri van den laatsten psalm zeggen allen tegelijk de antiphoon; Intret oratio mea in conspéctntuo: inclina aurem tnam ad preces nostras, Dó mine.
Deze antiphoon staat in het Manuale op bladz. 194. De antiphoon Ne reminiscaris, die anders gewoonlijk op de boetpsalmen volgt, wordt bij deze gelegenheid niet gezegd.
200. Intusschen, zoodra de Zusters de boetpsalmen begonnen zijn, verricht de Priester de heilige zalvingen, bijgestaan door een der Zusters. De Priester droogt zelf de gezalfde ledematen met de vlokjes watten af. Als de heilige zalvingen geschied zijn, wrijft hij zijne vingers met het brood, wascht ze met het water en droogt ze met den handdoek.
201. Nadat de Zusters de boetpsalmen en de antiphoon Int ret oratio geëindigd hebben, bidt de Priester op verstaanbaren toon het Pater n o s t e r; de Zusters bidden het zacht mede Daarna zegt de Priester en antwoorden de Zusters:
i\'. Salvam fac ancillam tnam.
R- Deus m e u s, sper a n t e m in te.
i. Mitte ei, Do mine, aux ilium de s a n c t o.
K-. Et de Sion tuére eam.
V. Nihil proficiat inimicus in ea.
H\'. E t f i 1 i u s i n i q u i t a t is n o n a p ]) 6 nat nocére ei.
HET TOEDIENEN DEK 11H. SACRAMENTEN.
V. Esto ei, Dó mi ne, turris fur tit n-d i n i s.
R-. A facie inimici.
iï. Dómine, exaudi oratiónem mea m.
R-. Et c] amor m eus ad te véniat.
V. Dó in in us v obi scum.
R. Et cum spiritu tuo.
Hierna volgen verscheidene oraties. Na iedere oratie antwoorden de Zusters: Amen.
:2ü2. Vervolgens kan de Priester, indien liem de macht verleend is, of den aflaat van den Rozenkrans, of den aflaat van den pauselijken zegen volgens de formula van Benedictus XIV aan de zieke geven. In dit geval moet op een teek en des Priesters op nieuw het Confiteor door een der Zusters c-ezefjd worden en wel
O O
voor den pauselijken zegen volgens romeinschen ritus.
Na dit alles zegt de Priester Do min us v o b i s c ii m met de oratie E x a u d i n o s; de Zusters antwoorden als gewoonlijk. Dan wordt de zieke door den Priester met wijwater besproeid.
208, Eindelijk legt de Priester de paarse stool af, bekleedt zich weder met de witte, hangt het schoudervelum om, geeft den zegen met de ciborie aan de zieke en gaan allen naar de Kapel, in dezelfde orde waarin zij gekomen zijn. In de Kapel teruggekeerd knielen allen neder en antwoorden bij de verzen en de oratie, zooals in n. 1-94 gezegd is.
Een der Zusters geeft het water, waarin de
2(JU HET TOEDIENEN DEE, HH. SACRAMENTEN.
Priester zijne vingers na de Communie gcwas-schen heeft, aan de zieke te drinken. Indien de zieke het water niet gebruiken kan, werpt men het in het sacrarinm of putje.
Het water, waarin de Priester zijne vingers gewasschen heeft na de heilige zalvingen, wordt in het sacrarium geworpen. Het brood en de gebruikte vlokjes watten worden verbrand en de asch wordt insgelijks in het sacrarium geworpen.
204. Indien het H. Oliesel niet onmiddellijk na de H. Teerspijze, maar op een anderen tijd wordt toegediend, houdt men het volgende in het oog:
Bij het toedienen der H. Communie of Teerspijze bereide men in de kamer der zieke slechts datgene, wat tot de H. Communie vereischt wordt.
Verder volgt men de orde in n. 19G en 1!j7 aangegeven.
INadat de Zuster de H. Communie ontvangen en de Priester zijne vingers gewasschen en D o m i n u s v o b i s c u m met de oratie E x a u d i n o s gezegd heeft, volgt onmiddellijk, hetgeen in n. 194 voorgeschreven is
205. Bij de toediening van het H. Oliesel bereide men in de kamer der zieke een tafel met een wit linnen doek bedekt, daarop een kruisbeeld tusschen twee brandende waskaarsen, voorts een schaaltje met zes stukjes of vlokjes watten, een schaaltje met eenige stukjes tarwebrood , een bekken of das met water en een
MET TOEDIENEN DEll HH. SACRAMENTEN. 201
handdoek; eindelijk nog het Dominicaansche Processionariuni.
De Priester bekleedt zich in de sacristie met superplie en paarse stool, neemt de H. Olie in de hand en begeeft zich, voorafgegaan door eene Zuster, die het wijwatersvat met kwast draagt, naar de zieke; de geheele Communiteit volgt achter den Priester, twee aan twee, terwijl de oudsten vooropgaan.
De Priester bij de zieke binnenkomende, zegt: Pax huic domui, de Zusters antwoorden : Et omnibus habitantibus in ea. Daarna ontvangt de Priester den wij waterskwast en besproeit de zieke.
Dan zegt de Priester D o m i n u s v o b i s c u m en de oratie Do mine Deus, waarop de Communiteit antwoordt.
Vervolgens vraagt de zieke op verzoek des Priesters vergiffenis, zooals in n. 197 gezegd is.
De Zusters bidden daarop het Confiteor, de Priester geeft aan de Zuster het kruisbeeld te kussen en heft de antiphoon Int ret oratio aan met den psalm D o m i n e, n e in furor e tuo arguas me, waarna alles volgt, zooals in n. 199, 300, 201 en 202 is gezegd.
Na de oratie Ex audi nos besproeit de Priester de zieke met wijwater en keert, voorafgegaan door de Zuster met het wijwatersvat, naar de sacristie terug. De Communiteit gaat niet in processie met den Priester.
20(). In de kamer der zieke plaatst men na het toedienen der heilige Sacramenten het
202 HET TOEDIENEN ÜEll H.H. SACRAMENTEN.
kruisbeeld op een tafel, zoorlat cle zieke het gemakkelijk zien kan. Ook moet daar aanwezig zijn wijwater met een palmtakje, waarmede men van tijd tot tijd de zieke besproeie en een gewijde waskaars voor den doodstrijd. Ook zorgt de Cantores dat alle Processionaria, die in het Huis zijn, op eene geschikte plaats berusten, om bij de gebeden der stervenden en na den dood der Zuster gebruikt te kunnen worden.
Zoo dikwijls de Priester de zieke Zuster bezoekt, kan hij de gebeden verrichten, die op bladz. 194 in het Mammie staan en andere gebeden, die in zijn Brevier gevonden worden, vooral ook de Oratio de S. Vincentio Ferrerio, welke de H. Ludovicus bij de zieken gewoon was te bidden.
ART. III.
DE GEBEDEN VOOR DE STERVENDEN.
207. Als de Zuster haar einde schijnt te naderen, worden alle Zusters door een teeken bijeen geroepen. Allen komen terstond naar de kamer der zieke. Mocht men bezig zijn in het koor met bidden van het Brevier, dan blijven eenigen, door de Priorin aangewezen, achter om het Uur, waarmede men bezig was, te voleindigen; de anderen begeven zich naar de zieke.
208. Daar gekomen, knielen allen neder. Aanstonds begint de Priester, of zoo deze niet
HET TOEDIENEN UER HH. SACRAMENTEN. 20O
aanwezig is, de Priorin of een andere Zuster de Litanie der Heiligen, op bladz. 196 in het Manuale; de Zusters antwoorden. De Priester kleedt zich met een paarse stool, of zoo hij geen habijt draagt, met superplie en paarse stool.
Na de oratie Omnipotens intoneert de Cantores of een andere Zuster het Salve Re gina, hetwelk met halfluide stem door allen tot het einde wordt voortgezet.
Indien de Zuster nog leeft en bij kennis is, kan men haar eenige schietgebeden voorzeggen, de HH. Namen laten uitspreken en de acten van geloof, hoop, liefde en berouw met haar bidden; duurt de doodstrijd nog voort, zoo kan men gezamenlijk een rozenhoedje bidden.
Zoodra de Priester ziet, dat de dood nabij is, onderbreekt hij de bovengemelde gebeden en leest het Profi cis cere en wat verder in het Processionarinm volgt. De Zusters gaan intus-schen voort met zacht voorde stervenden te bidden.
Mocht de doodstrijd nog langer aanhouden, dan kan men nog eenige gebeden naar verkiezing verrichten.
ART. IV.
CEREMONIEËN NA DEN J)000 EN VOOK DE BKOKAl\'ENIS.
2Ü(J. Zoodra de Zuster den geest gegeven heeft, bidt de Priester met een zwarte stool.
202 HET TOEDlJiNKN ÜE11 HH. SACRAMENTEN.
kruisbeeld op een tafel, zoodat de zieke het gemakkelijk zien kan. Ook moet daar aanwezig zijn wijwater met een palmtakje, waarmede men van tijd tot tijd de zieke besproeie en een gewijde waskaars voor den doodstrijd. Ook zorgt de Cantores dat alle Processionaria, die in het Huis zijn, op eene geschikte plaats berusten, om bij de gebeden der stervenden en na den dood der Zuster gebruikt te kunnen worden.
Zoo dikwijls de Priester de zieke Zuster bezoekt, kan hij de gebeden verrichten, die op bladz. 194 in het Manuale staan en andere gebeden, die in zijn Brevier gevonden worden, vooral ook de Oratio de IS. Vincentio Ferrerio, welke de H. Ludovicus bij de zieken gewoon was te bidden.
ART. III.
DE GEBEDEN VOOR DE STERVENDEN.
207. Als de Zuster haar einde schijnt te naderen, worden alle Zusters door een teeken bijeen geroepen. Allen komen terstond naar de kamer der zieke. Mocht men bezig zijn in het koor met bidden van het Brevier, dan blijven eenigen, door de Priorin aangewezen, achter om het Uur, waarmede men bezig was, te voleindigen; de anderen begeven zich naar de zieke.
208. Daar gekomen, knielen allen neder. Aanstonds begint de Priester, of zoo deze niet
HET TOEDIENEN DER HH. SACRAMENTEN. 20O
aanwezig is, de Priorin of een andere Zuster de Litanie der Heiligen, op bladz. 196 in het Manuale; de Zusters antwoorden. De Priester kleedt zich met een paarse stool, of zoo hij geen habijt draagt, met superplie en paarse stool.
Na de oratie Omnipotens intoneert de Cantores of een andere Zuster het Salve Re gin a, hetwelk met halfluide stem door allen tot het einde wordt voortgezet.
Indien de Zuster nog leeft en bij kennis is, kan men haar eenige schietgebeden voorzeggen, de HH. Namen laten uitspreken en de acten van geloof, hoop, liefde en berouw met haar bidden; duurt de doodstrijd nog voort, zoo kan men gezamenlijk een rozenhoedje bidden.
Zoodra de Priester ziet, dat de dood nabij is, onderbreekt hij de bovengemelde gebeden en leest het Proficiscere en wat verder iu het Processionarium volgt. De Zusters gaan intus-schen voort met zacht voorde stervenden te bidden.
Mocht de doodstrijd nog langer aanhouden, dan kan men nog eenige gebeden naar verkiezing verrichten.
ART. IV.
CKKEMON1EËN NA OEN DOOO EN VÓÓli DE BliOKAFENJS.
20Ü. Zoodra de Zuster deu e-eest gegeven
o o C
heeft, bidt de Priester met een zwarte stool.
204 HET TOEDIENEN DER HH. SACRAMENTEN.
en bij zijn afwezigheid de Priorin of een andere Zuster, te gelijk met de gelieele Communiteit het responsorium Subvenite met de verzen en herhalingen. Dan zeggen allen te gelijk : Kyrie el ei son enz., waarna men in stilte Pater no ster bidt. Men antwoordt vervolgens den Priester bij de verzen en oraties gelijk in het Manuale, bladz. 203 en verder in het Processionarium, uitgave van Sanvito, bladz. 259 en volgende wordt aangegeven.
210. Na de oratie Misericordiam zegt de Priester of de Priorin: Suscipiat en in-toneert onmiddellijk daarna den psalm In exitu Israel de Aegypto, die beurtelings door beide koren wordt voortgezet. Na dien psalm, dien men eindigt met Requiem ae ter nam dona ei, Dom ine : Et lux perpetua luceat ei, bidden allen te gelijk de antiphoon Suscipiat.
Dan zegt de Priester of de Priorin de oraties Omnipotens en Diri vulneris; allen bidden vervolgens Pater n os ter en antwoorden bij de verzen en oraties, die in het Processionarium volgen.
De vijf psalmen, die het Processionarium tusschen de oratie Omnipotens en D i r i vulneris aangeeft , laat men achterwege, omdat die door de Zusters niet gevoegelijk kunnen gezegd worden.
211. Nu verlaat men de kamer, waar de gestorvene ligt. Eenige Zusters, door de Priorin aangewezen, reinigen en kleeden het lichaam
HET TOEDIENEN DER HH. SACRAMENTEN. 205
der gestorvene. Men kleedt haar in het volledig religieuse habijt, met kousen, schoenen, met den mantel en den sluier. Den sluier hangt men niet over het aangezicht, maar laat hem opgeheven. De handen liggen op de borst gevouwen; in de handen geeft men haar een kruisbeeld en haren rozenkrans.
Men laat een eenvoudige, doch betamelijke kist vervaardigen, waarin het lichaam gelegd wordt, voor dat het naar de Kapel gebracht wordt.
Op het deksel der kist moet een kruis getee-kend zijn. Over het deksel wordt bij de begrafenis een zwart kleed uitgespreid.
Daags voor de begrafenis, of zoo dit om eenige reden niet geschieden kan, op den dag der begrafenis vóór de uitvaart, wordt het lichaam naar de Kapel overgebracht.
212. Zoodra de geheele Communiteit op een gegeven teeken bij het lijk vereenigd is, doet de Priester, indien hij aanwezig is, een zwarte stool over den mantel, of, indien hij geen religieus habijt draagt, kleedt hij zich met superplie en stool. Hij besproeit eerst met wijwater het lijk, hetwelk hij vervolgens bewierookt. Daarna bidt hij D o m i n u s v o b i s c u m met de oratie S u s c i p e. (Processionarium , Df delatione corporis Fratris de fundi ad ecclesiam. Uitgave van Sanvito, bladz. 260.)
Vervolgens schaart zich de Communiteit in processie. Voorop gaat een Zuster met wijwaters-vat en kwast, achter haar een Zuster met
HET TOEDIENEN DER. 11H. SACRAMENTEN.
wierookvat en scheepje, dan volgen twee Acolieten , ieder een brandende kaars op een kandelaar dragende, midden tusschen de twee Acolieten of onmiddellijk achter haar gaat een Zuster, het kruisbeeld dragende. Na het kruis volgt de Communiteit, twee aan twee, eerst de jongere Zusters en dan de oudere. Achter de Communiteit volgt de Priester en eindelijk de lijkbaar, gedragen door vier of zes Zusters.
213. De Cantores heft. het responsorium Libera me aan, hetwelk door de Communiteit wordt voortgezet.
Zingende zet men zich in beweging en trekt in de aangegeven orde naar de Kapel. Hier verdeelt zich de Communiteit in twee rijen, ver genoeg uit elkander, zoodat de lijkbaar in het midden staan kan. Het lijk wordt zoo geplaatst, dat de voeten naar het altaar gekeerd zijn. Aan het voeteinde van het lijk plaatsen zich de Zusters met het wierookvat en met het wijwater, beide naast elkander, met den rug naar het altaar. Aan het hoofdeinde van het lijk staan de twee Acolieten, met het gezicht naar het altaar; tusschen haar wordt het kruis in een vaststaand voetstuk geplaatst; het gezicht van het kruisbeeld keert men naar het altaar.
Achter het kruis staat de Priester.
Terwijl het Libera me wordt voortgezet en de verzen door de Cantoressen, de herhalingen door het koor gezongen worden, staan allen, uitgezonderd de bovengenoemde, aan beide zijden van het lijk, met het gezicht naar elkander;
20«
HET TOEDIENEN DER HH. SACRAMENTEN. 207
ook de Cantoressen blijven op hare plaats staan. Men zingt ook de verzen Quid ego, Nunc C h r i s t e en C r e a t o r.
214. Zoodra het Libera me geëindigd is, zingt de Priester A porta inferi, Dominus v o b i s c u m en de oratie Q u a e s u m u s , Do m ine, die achter de Vespers van het Officium defunctorum te vinden is, pro femina defunda.
De oratie I n c 1 i n a wordt niet gezongen. De Zusters antwoorden op de verzen en de oratie.
Indien de Priester bij deze overbrenging niet tegenwoordig is, dan besproeit de Priorin het lijk met wijwater; doch zij bewierookt het niet.
Zij zegt dezelfde verzen en oraties, die anders de Priester zegt, doch in plaats vanDominus vo bi scum zegt zij: Do mine, ex audi oration em meam.
Na de oratie Qua esumus. Do mine. zet men het wijwatersvat aan het voeteneinde en de brandende kaarsen aan het hoofdeinde naast het kruis neder en allen verwijderen zich in stilte. De Kosteres kan, in overleg met de Priorin , aan beide kanten van de lijkbaar meerdere kaarsen laten branden.
215. Van af den dood eener Zuster tot aan hare begrafenis moeten er voortdurend, dag en nacht, twee Zusters in de Kapel den rozenkrans voor de rust haver ziel blijven bidden.
Dit gebed wordt alleen onderbroken, wanneer de li. Mis gelezen of het Officie door de Communiteit gezegd wordt. De Cantores zorgt, dat de Zusters elkander naar eene vastgestelde
208 HEÏ TOEDIENEN DEll HH. SACRAMENTEN.
orde aflossen. In de Huizen echter, waar slechts een klein getal Zusters is, kan dit rozenkransgebed geheel of gedeeltelijk nagelaten worden, üeze gebeden gelden echter niet ter voldoening aan de verplichting, die aan iedere Zuster dooide. Constitutie, n. 51, wordt opgelegd.
216. Daags voor de begrafenis worden in den namiddag de Vespers van het Officie der overledenen in het koor gezegd. Op den dag-der begrafenis, vóór de H. Mis, worden de geheele Metten en Lauden gezegd op de wijze, vroeger in n. 112—115 aangegeven. De Priorin zelve, of de Algemeene Overste, indien zij aanwezig is, verricht het Officie.
Na de Lauden van het Officie der overledenen , wordt in de Kapel door den Rector van het Hnis een li. Mis van Requiem gezongen, ten minste indien de begrafenis niet moet plaats hebben op een dag, waarop geen Mis van Requiem gezongen mag worden. Men raadplege hierover den Priester.
De Mis wordt gezongen evenals op feesten, die duplex zijn. Het responsorium na den Epistel is Si ambulem, de tractus Sic ut eer wis; ook wordt de Sequentia Dies irae gezongen.
HJST TOEDIENEN DER HH. SACRAMENTEN. 209
ART. V.
DE BEGRAFENIS EENEE, ZUSTER.
217. De Priorin zorgt, dat er een behoorlijk aantal geschikte mannen aanwezig zijn, die het lijk van uit de Kapel naar buiten en verder naar de begraafplaats kunnen dragen.
De Kosteres bereidt voor den Priester een zwarte koorkap, indien deze aanwezig is; mochten er een Diaak en een Subdiaak assisteeren, dan moeten zij gekleed zijn evenals de Priester met amict, albe, cingel en zwarten manipel; de Diaak draagt daarenboven een zwarte stool, en beide kleeden zich met zwarte dalmatiek, indien men ze heeft. Ook moeten aanwezig zijn wierookvat met scheepje en wijwatersvat met kwast.
De twee brandende kaarsen met kandelaars voor de Acolieten en het kruis staan reeds aan het hoofdeinde van het lijk.
218. De Cantores zorgt dat er vier geschikte misdienaars aanwezig zijn, een voor het wierookvat, een voor het wijwatersvat en twee voor de kandelaars. Indien er geen Subdiaak assisteert, moet er nog een misdienaar zijn, die het kruis draagt, zoodra dit noodig is. Kan het gewenschte aantal misdienaars niet gevonden worden, dan wijst zij eenige Zusters aan, die hunne plaats innemen.
Zij tracht zooveel Processionaria te krijgen, als mogelijk is; een daarvan geeft zij aan den
u
210 HET TOEDIENEN DEll HH. SACRAMENTEN.
Priester en een aan den Diaak, de overige deelt zij rond aan de Zusters, vooral aan diegene, die in den zang het meest geoefend zijn.
219. Gewoonlijk geschiedt de begrafenis onmiddellijk na de H. Mis; zij kan echter ook op een anderen tijd plaats hebben.
De Communiteit vereenigt zich rondom de lijkbaar, of staat in de koorbanken met het aangezicht naar elkander gekeerd.
De Priester plaatst zich aan het hoofdeinde van het lijk achter het kruis; de Diaak en een der Acolieten aan zijne rechter-, de Subdiaak en de andere Acoliet aan zijne linkerzijde. De misdienaars met het wierookvat en het wijwater begeven zich aan het voeteneinde, met het gezicht naar den Priester. Wanneer de Priester het lijk met wijwater besproeit of bewierookt, gaan allen een weinig achteruit om hem plaats te geven.
220. De Priester begint zonder Dominus v o b i s c u m of O r e m u s de oratie Non i n t r e s. Allen antwoorden: Amen.
Daarna beginnen beide Cantoressen, terwijl zij, zoowel nu als later, op hare plaats bij de andere Zusters staan, het responsorium Subve-nite. Het geheele koor vervolgt het responsorium tot aan het vers, hetwelk door beide Cantoressen geheel gezongen wordt, waarna het koor In conspectu herhaalt. Na de herhaling zingen de Cantoressen: Kyrie el ei sou, en het koor: Christe eleison met Kyrie e 1 e i s o n.
HET TOEDIENEN DEll HH. SACRAMENTEN. 211
Zoodra het responsorium Subvenite is aangeheven, biedt de misdienaar den wij waterskwast aan den Priester of aan den Diaak, indien deze aanwezig is, aan; en zoodra het lijk besproeid is, komt de andere misdienaar met wierookvat en scheepje bij den Priester of den Diaak.
Na het laatste Kyrie zingt de Priester de oratie De vis, cni omnia. Allen antwoorden : Amen.
221. Terstond daarop heffen de Cantoressen het responsorium Antequam nascerer aan, dat met vers en herhaling gezongen wordt, evenals het eerste.
Na de herhaling zingen de Cantoressen weder: Kyrie e 1 e i s o n en het koor: C h r i s t e e 1 e i s o n met Kyrie el ei son.
Onder het responsorium A n t e q u a m n a-s eer er wordt het lijk weder besproeid en bewierookt, evenals onder het eerste.
Dan zingt de Priester de oratie Fac, quae-sumus, daarna Pater no ster, hetwelk allen in stilte bidden, vervolgens de verzen A porta, D o m i n u s v o b i s c u m met oratie I n c 1 i n a, waarop het koor antwoordt.
222. Als de oratie Inclina geëindigd is,
O O \'
wordt het lijk opgenomen door diegenen, die daartoe bestemd zijn, en naar de begraafplaats gebracht.
Indien het Klooster een eigen begraafplaats in de nabijheid heeft, worden de verdere gebeden gezegd en de plechtigheden verricht, gelijk zal worden aangegeven. Moet echter het lijk
2] 2 HliT TOEDIENEN DKlt. HH. SACRAMENTEN.
op de algemeene begraafplaats worden ter aarde besteld, zoodat de Communiteit het niet kan vergezellen, dan gaat de Priester met de misdienaars alleen naar het kerkhof en verricht daar de gewone gebeden; terwijl de Communiteit na de verwijdering van het lijk de volgende gebeden en de gezangen in de Kapel verricht. Hetgeen anders door den Priester wordt gezegd, wordt in dit laatste geval door de Priorin of de Algemeene Overste gezegd.
223. Na de oratie In cl in a wordt dus het lijk door de dragers opgenomen en gaat men in processie naar het kerkhof. Voorop gaat de misdienaar met wijwater; na hem volgt de misdienaar met het wierookvat; dan volgen de Acolieten met den Subdiaak, of een ander, die het. kruis draagt, in hun midden; na hen volgt de Communiteit, twee aan twee, de jongeren vóór de ouderen; achter de Communiteit volgt de Diaak met den Priester, de dragers met het lijk sluiten de processie.
Indien het mogelijk is, wordt van het begin dezer processie tot het einde der begrafenis de klok geluid.
224. Zoodra de processie zich in beweging stelt, zegt de Priester: A p e r i t e en de Cantoressen heffen den psalm 117 aan: Confitemini Domino quoniam bonus. Dezen psalm zingt men in twee koren op de daarbij aangegeven wijze; men bemerk e echter, dat, wanneer in het eerste of in het tweede gedeelte van een vers de laatste lettergreep een eenlettergrepig
HET TOEDIENEN DER HH. SACRAMENTEN. 213
woord of een hebreeuwsche naam, b. v. Aaron is, de derde lettergreep, van achteren geteld, op de noot mi, de tweede op re en de laatste op fa gezongen wordt, zoodat men dan het eerste of het tweede gedeelte van zulk vers eindigt met mi, re, fa. Den psalm eindigt men met Requiem a e t e r n a m d o n a ei, Domine; et lux perpetua luceat ei; waarna allen tegelijk de geheele antiphoon A per it e zeggen.
Indien men bij het einde van den psalm nog niet aan het graf gekomen is, kan men dien nog geheel of gedeeltelijk herhalen.
225. Aan het graf gekomen, plaatst de Priester met den Diaak en de twee misdienaars met wierookvat en wijwater zich aan het hoofdeinde. De Snbdiaak met de twee Acolieten staan aan het voeteneinde.
De lijkbaar wordt naast het graf neergezet, maar nog niet daarin neergelaten. De Communiteit schaart zich rondom het graf, naar gelang de ruimte der plaats het toelaat.
Na het einde van den psalm zegt de Priester de oratie Piae recordationis. Allen ant-antwoorden Amen.
Daarna zegt de Priester: I n g r e d i a r, en de Cantores heft den psalm 41 aan: Quemad-modum desiderat cervus ad fontes aqua-rum. Deze psalm wordt op de gewone wijze door twee koren gezegd en geëindigd met Requiem aeternam don a ei. Na den psalm zeggen allen te gelijk de geheele anti-
21 l HET TOEDIENEN DER HH. SACRAMENTEN.
phoon Ingrediar, en de Priester zegt vervolgens de oratie Obsecramus, waarop allen antwoorden.
22(1 Na de oratie Obsecramus zegt de Priester: Haec re qui es en de Cantores heft den psalm 131 aan: Memento, Domme, David, die weder op den gewonen toon door beide koren gezegd wordt.
Intusschen besproeit de Priester bij het begin van den psalm eerst de lijkbaar en vervolgens het graf, waarna hij ook beiden bewierookt.
De misdienaars geven den wij waterskwast en het wierookvat met scheepje aan den Diaak of den Priester.
Nadat het lijk en het graf bewierookt is, wordt de kist in het graf neergelaten, maar nog niet met aarde bedekt.
Zoodra de psalm met Requiem a a t e r n a m do na ei geëindigd is, zeggen allen te zamen de geheele antiphoon Haec re qui es, waarna de Priester de oratie Deus, a pud quem zegt en allen antwoorden: Amen.
Na deze oratie zegt de Priester: De terra plasm ast i me en de Cantores begint den psalm 138: Do mine, probasti me etcog-no vis ti me, die evenals de twee voorgaan den op den gewonen toon door beide koren wordt voortgezet.
Bij het begin van den psalm werpt de Priester eenige aarde op de kist, waarna het graf dooide daartoe aangewezen personen met aarde gevuld wordt.
HET TOEDIENEN DEE HH. SACRAMENTEN. 215
Als men clen psalm met Requiem aeter-nam dona ei geëindigd heeft, zeggen allen te zamen de geheele antiphoon De terra plas-m a s t i m e.
227. Daarna zegt de Priester de oratie Oremus, Fratres met de andere oraties, die in het Processionarium volgen.
De vier oraties Deus, vitae —• Deus, qui hum ana rum — Deus, qui j u s t i s — Temeritatis, kunnen, naar de omstandigheden het eischen, worden overgeslagen. De Zusters antwoorden na iedere oratie: Amen.
228. Na de oratie Debitum wordt dooide Cantores de antiphoon Clementissime aangeheven; het geheele koor zingt de antiphoon tot en met i n t r o d u c u n t; dan zingen beide Cantoressen ; Ut, dum corpusculum pn 1 -veri traditur, waarna het overige gedeelte door het koor gezongen wordt en terwijl de laatste woorden gezongen worden : D o m i n e, miserere super peccatrice, knielen allen op beide knieën neder.
Zoodra de antiphoon geëindigd is, staan allen weder op en antwoorden den Priester, die de verzen A porta — D o m i n u s v o b i s c u m en twee oraties zegt.
229. Vervolgens begint de Cantores den psalm Miserere, die gezongen wordt op de wijze, waarop de psalm Confitemini gezongen is. Het gezegde over de eenlettergrepige woorden en hebreeuwsche namen, als Si on, Jerusalem, geldt ook hier. De psalm Mi se-
2] 6 HET TOEDIENEN DET!, HH. S A C11 AM ENTEN.
re re staat in het Processionarium, uitgave van Sanvito, op bladz. 342.
Zoodra de psalm Miserere is aangeheven, trekt men in processie naar de Kapel terug. De processie rangschikt zich in dezelfde orde, waarin men gekomen is.
In de Kapel begeeft een ieder zich naar hare plaats in het koor, en blijft daar geknield in prostratie tot aan het einde.
De Priester met de bedienaren knielt aan den voet des altaars neder en nadat de psalm Miserere met Requiem aeternam dona ei geëindigd is, bidden allen in stilte Pater n o s t e r; de Priester zegt vervolgens eenige verzen met de oratie Absolve en Requiescant in pace, waarop allen antwoorden, daarna nog eens het geheele Pater n os ter bidden en, zoodra dit ten einde is, met den Priester opstaan. Hiermede zijn de begrafenisplechtigheden geëindigd.
Gedurende acht dagen na de begrafenis eener Zuster, wordt, zoodra men na maaltijd de dankgebeden verricht heeft, door de Communiteit het Libera me op het graf der Zuster of in de Kapel gezongen, n. 117.
HET TOEDIENEN DER HH. SACRAMENTEN, 217
li. Volgens den romeinschen ritus.
ART. I.
TOEDIENING DER GEWONE H. COMMUNIE AAN EEN ZIEKE.
230. Wanneer een zieke Zuster buiten de Kapel de H. Communie moet ontvangen, wordt eerst de cel of kamer, waar zij is, behoorlijk in orde gebracht. Men plaatst daarin een tafel met een wit linnen doek bedekt, en zet daarop een kruisbeeld tusschen twee brandende kaarsen. Op de tafel moet nog aanwezig zijn een corpo-raal, een vingerdoekje en een glas met een weinig water, niet meer dan de zieke in één keer kan innemen. Ook legt men daarop het Rituale Romanum. Het is ook passend, eenige bloemen ter versiering aan te brengen. Indien de zieke in zittende houding de H. Communie ontvangt, legt men vóór de H. Communie een wit linnen doek op hare handen; indien zij echter nederligt, legt men dien op hare borst.
231. De Priester gebruikt een superplie, witte stool en wit schoudervelum. • Wanneer de Priester zich met het H. Sacrament naar de zieke begeeft, gaan vier Zusters voor hem uit, namelijk: voorop gaat eene Zuster met wijwa-tersvat en kwast, ten minste indien deze in de kamer der zieke niet reeds aanwezig zijn; achter haar een andere met de bel, waarmede zij voortdurend een teeken geeft; dan volgen twee
218 HEX TOKDIENEN BEK HH. SACRAMENTEN.
Zusters, beide met een brandende kaars in de hand, eindelijk volgt de Priester met het Allerheiligste.
De Zusters, die den Priester ontmoeten, maken een prostratie, terwijl het H. Sacrament voorbijgaat.
232. De kamer der zieke binnengaande, zegt de Priester: •
Pax huic dómui.
Waarop alle aanwezige Zusters antwoorden:
Et omnibus habitantibus in ea.
Dan plaatst de Priester de ciborie op den corporaal, legt het schoudervelum af, dat door eene Zuster aangenomen en op een behoorlijke plaats nedergelegd wordt en besproeit vervolgens de zieke en de kamer met wijwater. De Zusters, die aanwezig zijn, knielen eerbiedig neder en antwoorden den Priester op de gebeden , die hij vóór en na de Communie zegt.
Zoodra de Priester de zieke en de kamer met wijwater besproeid heeft, bidt hij, beurtelings met de Zusters, de volgende gebeden:
f. Adjutórium nostrum in nómine Dó mini.
R-. Qui fecit coelum et terrain.
f. D ó m i n e, e x a u d i o r a t i 6 n e m m earn.
R-. Et clamor mens ad te veniat.
V. Dóminus vo bi scum.
R-. Et cum spiritn tuo.
O R É JI ü S.
Ex audi nes, etc.
HEX TOEDIENEN DE 11 HH. SACRAMENTEN. 2 ] 1)
Per Christum Dóminum nostrum.
R:. A m e n.
233. Hierna bidden de aanwezige Zusters het Confiteor volgens den romeinschen ritus:
Confiteor Deo omnipoténti, bedtae Mariae semper Virgini, beato Michaéli Archdngelo, bedto Jodnni Baptistae, sa net is Apóstolis Petro et Paulo, omnibus sanctis, et tibi, Pater: quia peccdvi nimis cogitatióne, verbo et ópere, rnea culpa, rnea culpa, mea mdxima culpa; ideo precor bedtam Markim semper Virginem, bedtum Michaélem Archdngelum, bedtum Jodnnem Bap-tlstam, sanctos Apóstolos Pet rum et Paulum, omnes Sanctos, et te, Pater, or are pro me ad Dóminum Deum nostrum.
Men antwoordt volgens gewoonte bij Mise-reatur, enz.
234. Nadat de Priester de H. Communie aan dc zieke gegeven heeft, wascht hij zijne vingers en zegt D o m i n u s v o b i s c u m met een oratie, waarop de Zusters antwoorden.
Indien er nog heilige Hosties in de ciborie overblijven, geeft een der Zusters liet schoudervelum weder aan den Priester, die het omhangt, het H. Sacrament neemt en daarmede, zonder iets daarbij te zeggen, de zieke zegent, waarna de Zusters met den Priester naar de Kapel teruggaan op dezelfde wijze, als zij gekomen zijn.
In de Kapel teruggekeerd, knielen de Zusters eerbiedig neder en antwoorden den Priester bij de volgende gebeden;
f. Panem dc coelo praestitisti eis.
230 HET TOEDIENEN DER HH. SACRAMENTEN.
R. Omne del eet amentum in se ha-bén tem.
i\'. Dóminus vobiscum.
R-. Et cum spiritu tuo.
Oremus.
Deus, qui nobis........per omnia
saecula s accu lorum.
ft. Amen.
In den paaschtijd wordt bij deze verzen geen Alleluia gevoegd.
Hierna geeft de Priester den zegen met het H. Sacrament aan de aanwezigen en plaatst het vervolgens in het tabernakel.
Zoodra de Priester met het IJ. Sacrament de zieke verlaten heeft, geeft een der nog aanwezige Zusters het water, waarin de Priester ziine vingers gewasscheu heeft, aan de zieke te drinken.
ART. II.
TOEDIENING VAN DE H. COMMUNIE A3.S TEERSPIJZE EN VAN HET H. OLIESEL.
235. Indien de H. Teerspijze en het H. Oliesel te gelijkertijd worden toegediend, bereide de Kosteres in de kamer der zieke hetgeen in n. 230 opgegeven is. Bovendien moet daar aanwezig zijn een paarse stool; een schaaltje met zes vlokjes of stukjes watten; een schaaltje
MET TOEDIENEN DER HIT. SACRAMENTEN. 221
met eenige stukjes tarwebrood, waarmede de Priester na de zalving de vingers kan reinigen; behalve liet glas, waarin de Priester zijne vingers wascht na bet toedienen der H. Communie, nog een ander glas of bekken met water, alsmede een handdoek. Ook kan de Priester, alvorens zich met de heilige gewaden te kleeden, de H. Olie naar de kamer der zieke brengen en op de tafel plaatsen.
236. Zoodra de Priester zich met superplie, witte stool en wit schoudervelum bekleed heeft, wordt het Allerheiligste in processie naar de kamer der zieke gedragen. Voorop gaat een Zuster met de bel, haar volgt een andere met wijwatersvat en kwast en eene, die een kruis draagt. Achter het kruis volgt de geheele Communiteit, uitgezonderd de Zusters, die ter verzorging bij de zieke blijven moeten; allen dragen een brandende kaars en volgen twee en twee, de jongsten voorop. De Priester met het H. Sacrament sluit de processie. Bij de ziekenkamer gekomen gaan de drie eerste Zusters binnen, indien er namelijk ruimte genoeg in de kamer is; de overigen scheiden zich in twee rijen, knielen neder, buigen diep ter aarde en laten het Allerheiligste midden door de rijen voorbijgaan. Dan gaan zij de kamer allen of gedeeltelijk binnen, al naar de ruimte der plaats toelaat en blijven eerbiedig geknield zitten.
Vervolgens wordt de H. Teerspijze toegediend, op dezelfde wijze als in n. 232 en 233 gezegd is, uitgezonderd alleen, dat de Priester zegt:
223 HET TOEDIENEN DEll HH. SACRAMENTEN.
A c c i p e, s o r o r, viaticum, in plaats van Corpus Domini nostri.
(Jok het vragen om vero-ifl\'enis wordt nage-
O o O
laten.
237. Zoodra de Priester de vingers gcwas-schen en de oratie 1) o m i n e s a n c t e gezegd heeft, legt hij de witte stool af en bekleedt zich met de paarse stool, om het H. Oliesel toe te dienen.
De Priester zegt niet Pax huic domui, wijl dit reeds gezegd is vóór de H. Communie, maar biedt terstond de zieke een kruisbeeld aan, die het eerbiedig kust en den Priester teruggeeft. Hij besproeit noch de zieke, noch de aanwezigen met wijwater, maar begint, nadat de Zuster het kruis gekust heeft:
O
V. Adjutórium nostrum in nómine D o m i n i.
R-. Qui fecit coelum et terrain.
v. Dó minus vo bi scum.
R. Et cum spiritu tuo.
O u É m u s,
waarna drie oraties volgen. De Zusters antwoorden den Priester.
Na deze oraties bidt de zieke, of een der Zusters in haar naam, het Confiteor in het hollandsch, hetwelk alleen hier in het bollandsch mag gebeden worden, op deze wijze:
Ik belijd aan den almacJdigen God, de heilige Maria altijd Maagd, den heiligen Aartsengel Michael, den heiligen Joannes den Dooper, de
HEÏ TOEDIENEN DEI! HH. SACRAMENTKN,
heilige Apostelen Petnis en Paulas, alle Heiligen, en u Vader, dat ik zeer gezondigd heb door gedachte, woord en werk: door mijne schuld, door mijne schuld, door mijne grootste schuld. Daarom smeek ik de heilige Maria altijd Maagd, den heiligen Aartsengel Michael, den heiligen Joannes den Dooper, de heilige Apostelen Petrus en Paulus, alle Heiligen, en u Vader, voor mij tot den Heer onzen God te hidden.
Vervolgens zegt de Priester Mi sereatur en Indulgentiam, waarop de Zusters volgens gewoonte antwoorden.
238. Daarna worden de Psalmi poenitentiales door de Zusters gezegd, op gelijke wijze, als in n. 199 is beschreven. Doch niet de Priester maar de Cantores heft de antiphoon en den eersten psalm aan, en in plaats van de antiphoon I n t r e t oratio, wordt de gewone antiphoon Ne r e m i n i s c a r i s gezegd. Ook zegt men de boetpsalmen niet staande maar geknield.
Intusschen, zoodra de Zusters de boetpsalmen begonnen zijn, zegt de Priester het gebed In nomine P a t r i s en verricht de heilige zalvingen, hierin door een der Zusters bijgestaan. De Priester droogt zelf de gezalfde ledematen met de vlokjes watten af. Als de heilige zalvingen geschied zijn, wrijft hij zijne vingers met het brood, wascht ze met het water, en droogt ze met den handdoek af.
339. Nadat de Priester zijne handen gereinigd heeft, worden er eenige verzen en oraties gezegd. Indien de Priester hiermede wacht
23-3
224 het toedtenbn dek. hh. sacramenten.
|
tot aan het einde der boetpsalmen, dan antwoorden de Zusters als volgt: Kyrie eléison. Christe eléison. Kyrie eléison. Pater noster. Het Pater noster bidden allen in stilte | ||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
O u k m u s.
«
Hierna volgen drie oraties, waarop de Zusters antwoorden: A m e n.
Vervolgens kan de Priester, indien hem de macht verleend is, of wel den aflaat van den Rozenkrans, of\' den aflaat van den pauselijken zegen volgens de formula van Benedictus XI\\
HET TO KI HUN\'KM DHR Mil. SACRA MKNTEN. 225
aan de zieke geven. In dit geval bidt een der Znsters, op een teeken des Priesters, het C o n-fiteor volgens romeinschen ritus.
240. Eindelijk legt de Priester de paarse stool af, bekleedt zich weder met de witte, hangt het schoudervelum om, geeft den zegen met de ciborie aan de zieke en allen gaan naar de Kapel in dezelfde orde, waarin zij gekomen zijn. Tn de Kapel teruggekeerd knielen allen neder en antwoorden den Priester bij de verzen en oratie, zooals in n. 194 gezegd is. Met het water, de vlokjes watten en het brood handelt men, zooals in n. 203 wordt voorgeschreven.
241. Indien het H. Oliesel niet onmiddellijk na de H. Teerspijze, maar op een anderen tijd wordt toegediend, houdt men het volgende in het oog:
Bij het toedienen der H. Teerspijze houdt men zich aan de ceremonieën, die voor de toe-dienins; der sjewone H. Communie aan een zieke
O o
in n. 230—234 voorgeschreven zijn.
Voor het toedienen van het H. Oliesel bereide men in de kamer der zieke een tafel met een wit linnen doek bedekt, daarop een kruisbeeld tusschen twee brandende waskaarsen, voorts een schaaltje met zes vlokjes watten, een schaaltje met eenige stukjes tarwebrood, een bekken of glas met water en een handdoek, eindelijk nog het Rituale Romanum.
De Priester bekleedt zich in de sacristie met superplie en paarse stool, neemt de H. Olie in de hand en begeefc zich, voorafgegaan door
15
220 het toedienen der nu. sacramenten.
eene Zuster, die het wij waters vat met kwast draagt, naar de zieke: de gdieele Communiteit volgt achter den Priester, twee aan twee, terwijl de oudsten vooropgaan.
.242. De Priester bij de zieke binnenkomende, zegt: P a x h u i c d ó mui; de Zusters antwoorden : E t ó m n i b u s h a b i t a n t i b u sine a. Daarna biedt de Priester de zieke een kruisbeeld aan, die het eerbiedig kust en den Priester teruggeeft. Vervolgens ontvangt hij den wijwa-terskwast, waarmede hij de zieke en de omstaan-ders besproeit. Dan zegt de Priester de volgende verzen en oraties, waarop de Zusters antwoorden.
Adjutórium nostrum in nómine D ó m i u i.
R- Qui fecit coeluin et terrain.
v. Dó minus voblscnm.
R-. Et cum spiritu tuo.
O li, É u s,
waarna drie oraties volgen.
Na deze oraties bidt de zieke, of eene dei-Zusters in haar naam, het Confiteor in het Hollandsch, op de wijze in n. 2:i7 aangegeven.
Men antwoordt den Priester naar gewoonte bij Misereatur en Indulgentiam.
Dan volgt, hetgeen in n. 238 en 239 is voorgeschreven, waarna de Priester met de Zuster, die het wijwatersvat draagt, naar de sacristie terugkeert.
HET TOEDIENEN DER HH. SACRAMENTEN.
ART. III.
DE GEBEDEN VOOR DE STERVENDEN.
243. Alles wat in n. 207 en 208 hieromtrent bepaald is, wordt ook hier nauwkeurig onderhouden.
Indien de Priester aanwezig is, bidt men met hem de Litanie der Heiligen volgens romeinschen ritus. Onmiddellijk na het laatste Kyrie eléison der Litanie zingt men dan het Salve Regina, terwijl de Priester intusschen de gebeden voor de stervenden voortzet.
ART. IV.
CEREMONIEËN NA DEN DOOD EN VOOR DE BEGRAFENIS.
244. Men volgt in alles do voorschriften in n. 209—-216 gegeven.
Op den dag der begrafenis wordt vóór het begin der H. Mis bij de lijkbaar het responsorium Subvenite gezongen volgens het Rituale Romanum. De Cantores intoneert het responsorium en zingt de verzen Suscipiat en Requiem, de herhalingen zingt het geheele koor.
De H. Mis wordt gezongen volgens den romeinschen ritus uit het Graduale Romanum. Het responsorium of graduale na den Epistel
227
228 HET TOED I EN ION DE 11 11II. SACllA MUNTEN.
is Requiem met het vers In memoria. Ook bij de communio wordt het vers Requiem gevoegd en cum sanctis nog eens herhaald.
A.ET. V.
DE BEGRAFENIS EENER ZUSTER.
245. De Priorin zorgt, dat er een behoorlijk aantal geschikte mannen aanwezig zij, die het lijk van uit de Kapel naar buiten en verder naar de begraafplaats kunnen dragen.
De Kosteres bereidt voor den Priester een zwarte koorkap, indien deze aanwezig is; mochten er een Diaak en een Subdiaak assisteeren, dan moeten zij gekleed zijn evenals de Priester met amict, albe, cingel en zwarten manipel; de Diaak draagt daarenboven een zwarte stool, en beiden kleeden zich met zwarte dalmatiek, indien men ze heeft. Ook moeten aanwezig zijn wierookvat met scheepje, wijwatersvat met kwast, twee brandende kaarsen met kandelaars voor de Acolieten en het kruis.
Er moeten, zoo mogelijk, vier misdienaars aanwezig zijn, een voor het wierookvat, een voor het wijwatersvat, twee voor de kandelaars. Indien er geen Subdiaak assisteert, moet er nog een misdienaar zijn, die het kruis draagt. Bij gebrek aan misdienaars vervullen eenige Zusters hunne plaats.
De Cantores tracht zooveel exemplaren van
HET TOEDIENEN ÜEll HH. SACRAMENTEN.
het Rituale Romanum, als mogelijk is, te verkrijgen, want hieruit moeten de gezangen gezongen worden.
De Communiteit vereenigt zich rondom de lijkbaar, of staat in de koorbanken met het aangezicht naar elkander gekeerd.
246. Zoodra de Mis geëindigd is, begeeft zich de Priester met de bedienaars naar de lijkbaar.
Voorop gaat de Subdiaak of een ander, die het kruis draagt, met twee Acolieten, die brandende kaarsen dragen; deze plaatsen zich aan het hoofdeinde van het lijk, de Subdiaak plaatst zich midden tusschen de Acolieten. Daarna volgen de misdienaars met wierookvat en wijwatersvat en eindelijk de Diaak en de Priester; deze plaatsen zich aan het voeteneinde van het lijk, de Priester in het midden tegenover het kruis, de Diaak naast hem, en de twee misdienaars aan beide zijden.
De Priester zegt eerst de oratie Non int res, waarop allen antwoorden: Amen.
Daarna heffen beide Cantoressen het responsorium Libera me aan, dat door het koor wordt voortgezet tot aan het eerste vers. Dan zingen de Cantoressen de drie verzen Tremens, Dies en Requiem; na het eerste vers herhaalt het koor: Quando tot aan Duin veneris; na het tweede vers herhaalt het koor: D u m veneris j u d i c a r e s a e c u 1 u ra per i g n e m en na het derde vers wordt bet geheele responsorium herhaald.
229
28(I HET TOEDIENEN DEK HU. SACUAMENTEN.
Na de laatste herhaling zingen de Cantoressen : Kyrie el ei son en het Koor vervolgt: C h r i s t e e 1 e i s o n en Kyrie e 1 e i s o n.
Allen bidden nu met den Priester in stilte het Pater noster. Onder het Pater noster wordt het lijk eerst besproeid, daarna bewierookt; de misdienaars geven den Priester of den Diaak den wijwaterskwast en bieden hem wierookvat en scheepje aan.
247. Vei\'volgens zingt de Priester en antwoorden de Zusters:
f. Et ne nos inducas in tentatiónem.
R-. Sed libera nos a male.
f. A porta inferi.
ft. Erue, Dó mine, an imam ejus.
f. Requiéscat in pace.
ft. Amen.
1) ó m i n e, e x a u d i o r a t i ó n e m m e a m.
ft. Et clamor mens ad te véniat.
f. Dóminusvobisc u m.
ft. Et cum spiritu tuo.
011 e m u s.
Deus, cui proprium......
Per Christum Dóminum nostrum, ft. Amen.
248. Indien het Klooster een eigen begraafplaats in de nabijheid heeft, dan worden de verdere gebeden gezegd en de plechtigheden verricht, gelijk zal worden aangegeven. Moet echter het lijk op de algemeene begraafplaats worden ter aarde besteld, zoodat de Cornmuni-
HET TOEDIENJKN DER HH. SACRAMENTEN. 281
teit het niet kan vergezellen, dan gaat de Priester, nadat de antiphoon In pa ra di sum gezongen is, met de misdienaars alleen naar het kerkhof en verricht daar de overige plechtigheden; de Communiteit verricht dan, na de verwijdering van het lijk de overige gebeden, terwijl de Priorin of de Algemeene Overste datgene zegt, wat anders door den Priester gezegd wordt.
249. Na de oratie Deus, cui proprium wordt het lijk door de dragers opgenomen en gaat men in processie naar het kerkhof. Voorop gaan de misdienaars met wijwatersvat en wierookvat, dan volgen de Acolieten niet den Subdiaak of een ander, die het kruis draagt, in hun midden; achter het kruis gaan de geestelijken, die de begrafenis mochten hijwonen, dan komt de Priester met de Diaak, daarna volgen de dragers met het lijk en achter het lijk de Communiteit, twee aan twee, de oudsten voorop.
Zoodra de processie zich in beweging stelt, heffen de Cantoressen de antiphoon In pa ra-dis uni aan, die vervolgens door allen tezamen gezongen wordt.
Aan het graf gekomen, plaatst de Priester met den Diaak en de twee misdienaars met wierookvat en wijwater zich aan het voeteneinde; de Subdiaak plaatst zich tusschen de twee Acolieten aan het hoofdeinde.
Het lijk wordt naast het graf neergezet en vervolgens daarin nedergelaten, maar nog niet met aarde bedekt. De Communiteit schaart zich rondom het graf, naar de ruimte der plaats toelaat.
232 het toedienen dek hh. saceamekten.
In het Bisdom van Haarlem wordt het lijk, zoodra het in het graf geplaatst is, besproeid met wijwater; daarna ontvangt de Priester het kruis en teekent daarmede drie kruisen op de kist; vervolgens biedt men hem een schop of spade aan, waarmede hij driemaal eenige aarde op de kist werpt. Dit alles wordt echter in andere Bisdommen weggelaten.
250. De Priester zegt nu: Ego sum, en de Cantores begint het canticum Ben edict us Dom in us Deus Israel, hetwelk door allen koorsgewijs gezegd of gezongen wordt, waarover men te voren den Priester raadpleegt. Na het canticum , dat met Requiem a e t e r n a m d o n a ei gesloten wordt, zegt of zingt men de geheel e antiphoon Ego sum, die door de Cantores kan worden aangeheven.
Na de antiphoon zegt de Priester: Kyrie eleison en Pater n os ter, hetwelk allen in stilte bidden. Onder het Pater no ster wordt het lijk met wijwater besproeid. Dan worden de verzen gezegd, die in n. 247 zijn aangegeven. Na die verzen volgt:
O rem u s.
Fac, quaesumus.......
Per Christum Dóminum nostrum.
R. Amen.
f. Requiem a eter nam do na ei, Dó-m i n e.
ft. Et lux perpétua I n coat ei.
H/. Re qui é scat in pace.
11 KT T0KD1ENEN I)E1{. UIT. SACRAMENTEN. 233
H-. A m e u.
Anima ejus, et a n i m a e ó m 11 i u m fidélium defunctórum per misericór-diam Dei requiéscant in pace.
ft. Amen.
Vervolgens wordt het graf met aarde gevuld en allen keeren in processie naar de Kapel terug, in die orde, waarin men gekomen is.
Terugkeerende bidt men, zoodra de Priester heeft gezegd; Si iniquitates, koorsgewijs den psalm De profundi s en eindigt dien met Requiem a e t e rn a m d o n a ei s. Na den psalm zeggen allen de antiphoon Si ini-quitates observaveris, Domine ; Do-mine, q u i s s u s t i n e b i t. De Priester begeeft zich met dff dienaren naar de sacristie en de plechtigheden zijn geëindigd.