-ocr page 1-

BIBLIOTHEEK DER RIJKSUNIVERSITEIT TE UTRECHT 1929

Verzameling tooneelstukken utt de nalatenschap van

Prot Dr. J. te WINKEL

-ocr page 2-
-ocr page 3-

Jufvrouw |erklaas. j

DRAMA IN VIJF BEDRIJVEN OF NEGEN TAFEREELEN

H..J. SCHIMMEL.

, AMSTERDAM — J, C. LOMAN JR.

1885.

___;__,_______^ ■_________________________^|||

I t I I .1.1 lui 1 ■ 1 1 ■ I II .1 I :i I I i : t 1 .1 i • 1. I i I i I. I • .1 t j 1 UI • ^ I I « a 1 ■ I I I 4 1 I I I 1 I\'I-1 I iii\'i it\'ll I i\'iiiiril iii

Prijs 75 Cents. 1

-ocr page 4-
-ocr page 5-

JUFVROUW SERKLAAS.

drama

™ v,JK bedrijvex 01NEriEN TAraiiEE^

DOOR

J. SCHIMMEL

AMSTERDAM, j- c. l o m a n Jr

1885.

bibliotheek der RIJKSUNIVERSITEIT utrecht.

-ocr page 6-

PERSONEN.

Isabella, Aartshertogin, Soevereine der Zuidelijke Nederlanden.

Markies de Bedmar, haar minister.

Fernando, zijn Secretaris.

Ambrosiüs Spinola, Ojtperbevelhebber.

Alfred van Maldeghem, Officier.

Jufvrouw Serklaas.

Adèle, Gravin at\' Hauterive, pnjille der Hertogin.

Donna Gloriosa, hare Goevernante.

Sire de Valckenaere.

Flip van Oüdenaerde, koopman in boter en kaas.

Machteld, zijii vrouw.

Graaf Vilain.

Hertog van Aerschot.

Een Hopman.

Een Paadje.

Graaf van Aremberg.

Prins van Chimay.

Vlaamsche Edelen.

De handeling valt voor te Brussel in 1625.

-ocr page 7-

EERSTE BEDRIJF. EERSTE TAFEREEL.

£en receptiezaal aan het hof der Aartshertogin Isabella van Oostenrijk te Brussel. Op den achtergrond een vleugeldeur, ter zijde een deur die toegang geeft tot het Kabinet har er Hoogheid. Bij het opgaan der gordijn zijn verschillende dames in een halven cirkel tegenover de zijdeur gezeten. Op de eerste ri/, het naast aan den voorgrond moeten drie stoelen open worden gelaten ; al de andere zijn bezet. De heeren zijn in onderscheidene groepen verdeeld, en met elkaar in druk gesprek. 01) de?t voorgrond bevinden zich de hertog van aerschot, de prins van chimay, de heer van aremberg, de graaf vilain; meer op den achtergrond de heer van maldeghem als krijgsman gekleed, blauw met een roode sjerp. Allen dragen de Spaansche kleeding van 1620/25.

EERSTE TOONEEL.

De vleugeldeuren op den achtergrond worden geopend, donna glori-osa adèle d\' hauterive aan de hand houdende treden binnen. De eerste is als een Spaansche Duenna gekleed, de tweede draagt mede een kleed van Spaansche snede, dat buitengewoon rijk, ja opgeschikt is.

Donna Gloriosa treedt zonder ie mant te groeten tot op het midden van het tooneel en maakt dan twee diepe stijve buigingen, eene voor de dames en eene voor de heeren. Adèle groet rechts en links vriendelijk, houdt zich op bij eene der dames, maar wordt door Donna Gloriosa bij de hand genomen en. voortgeleid naar de ledig gebleven stoelen op den voorgrond. Terwijl dit gebeurt is de heer van Maldeghem mede naar voren getreden.

vilain, fluisterend tot van Maldeghem.

De rijkste erfgename van Braband en Vlaanderen !

{De Gravin d\' Hauterive zet zich neder op den tweeden stoel van

f

-ocr page 8-

jufvrouw serki.aas.

den toeschouwer gerekend, de eerste blijft ledig; zij laat de oogen over de verzamelde dames gaan.)

donna gloriosa.

Uwe Excellentie vergete niet, dat de etikette aan minderjarigen verbiedt om de oogen nieuwsgierig in het rond te slaan.

adèle, laat haar waaier vallen, die door van Maldeghem wordt opgeraapt.

Ik dank u zeer {beiden onderhouden zich fluisterend). {De vleugeldeuren worden opengeworpen. Algemeene beweging onder de gasten die den binnentredende gadeslaan, terwijl zij voor hem ruimte maken. Nieviaiti groet.)

TWEEDE TOONEEL.

De vorig en ; sire de valckenaere, geheel in het zwart gekleed. De barret draagt zelfs een zwarte -pluim. Een man van 50 jaar, streng, barsch, maar deftig uiterlijk : grijs haar, diepe rimpels. Hij treedt de rijen door zonder iemant te groeten, en zet zich neder op den opengebleven stoel, dien donna Gloriosa hem naast Adèle aanwijst.,

van maldeghem. hem gdslaande, zacht.

Hij zet zich neer naast haar! (hem naderend) Uwe Edelheid schijnt krijgsman te zijn, te oordeelen naar het zwaard dat zij draagt.

de valckenaere, koud.

Ik dank u voor uwe belangstelling, jonkman! Ge verlangt zeker ook mijn naam te kennen ? Vraag dien aan den deurwaarder.

van maldeghem, toornig.

Die toon ! .. .

{De Graaf Vilain neemt hem onder den arm en voert hem ter zijde.)

de valckenaere tot Adèle.

Ik moet u de beste groeten overbrengen van den markies, die onder de gewichtigste bezigheden met de zorg van een vader aan u denkt.

adèle, koud beleefd.

Gij hebt u zelf daarvan kunnen overtuigen, toen het huis d\' Hau-terive de eer had u en Zijn Excellenetie te ontvangen.

4

-ocr page 9-

jufvrouw serki.aas.

aerschot, de Valeke?:aere op den schouder tikkend en hem wenkende oJgt; ie sta an ^ kond hoffelijk.

Ik wilde mij het genoegen geven u iets te vragen.

de valckenaere, blijvende zitten.

Ik ben gereed te hooren.

aerschot, hem hooghartig beschouwende.

Kan het mogelijk zijn, Heer, dat -wij reeds de eer hebben gehad u voor eenigen tijd in Brussel te zien?

de valckenaere.

Ik ben vroeger voor een korte poos in Brussel geweest.

AERSCHOT.

En Brussel heeft u niet kunnen boeien ?

de valckenaere.

Ik hou veel van reizen.

AERSCHOT.

Hebt ge ook in Italië gereisd?

de valckenaere.

Ja. Ik hield mij geruimen tijd in de omstreken van Florence op, in het kerspel Ascetra. De natuur vertoont er zich in haar grootste weelde. Heerlijke akkers van rijpend graan strekten zich voor mij uit, en onder een priëel van myrthe en laurier zag ik eens een man, die een beroemden naam droeg, bijna even zoo beroemd als die van Uwe Excellentie. Het was Galilei; hij was blind en doof geworden. Hij had stellingen gepredikt, die door andere menschen werden veroordeeld. En daarvoor heeft hij moeten boeten! Een scherp kontrast vormden die weelderige natuur en die verminkte mensch!

aerschot, zich buigend.

Ik dank u voor uw aangenaam onderhoud. {Hij gaat heen en voegt zich bij de anderen, die hem vragend aanzien.) Een zonderling man ! Een groot misdadiger of een krankzinnige, Heeren !

DERDE TOONEEL.

De zijdeur wordt geopend. Twee paadjes in licht blauw met zilver komen binnen en plaatsen zich aan weerszijden van de deur. De grootmeester met een witten staf, die zich daar ook plaatst. isa-

5

-ocr page 10-

jufvrouw serklaas.

bella van oostenrijk, prachtig gekleed^ Spaansch kostuum, een-vrouw van 50 jaar, treedt binnen, gevolgd door den markies van bedmar, een grijzaart, met gebogen hoofd, zich steunend op een stok, en ambrosius spinola in bevalligen en prachtigen krijgsmansdos~

De dames rijzen op en buigen even als de he er en. Isabella beand-woordt den groet en blijft op den middengrond staan.

isabella.

Het heeft Onzer Koninklijke Hoogheid goedgedacht Don Ambro-sius Spinola ter belooning der aan ons bewezen diensten te benoemen tot Opperbevelhebber onzer legers en hem alzoo met al het gezach te bekleeden, dat door wijlen onzen dierbaren Gemaal te velde werd gevoerd.

{Allen buigen. De Markies van Bedmar neemt Spinolaas hand en drukt die.)

spinola, zich voor Bedmar buigend, bijtend.

Ik dank Uwe Excellentie. {Hij nadert de Aartshertogin, buigt een knie voor haar neder en kust de hem toegestoken hand.)

isabella.

Ambrosius Spinola, de lieve Heiligen mogen u geleiden zoo dik-^ werf gij optrekt tegen de muitende Noordelijke Provinciën !

(ZJ treedt de rijen langs, door Spinola en Bedmar gevolgd, en onderhoudt zich met eenige dames.)

de markies, tot Aremberg, fluisterend.

Ik wensch u eens spoedig te zien. Het Goeverneurschap van Bergen is opengevallen. Een inboorling moet daarmeê begunstigd worden. (Aremberg buigt diep, waarna de Markies Isabella inhaalt.)

isabella, Adele naderend, met warmte.

Gij ziet bleek, mijn kind! Ik hoop toch, Senora, (zich tot Dowia Gloriosa wendende) dat gij mijne dochter de frissche lucht niet onthoudt.

donna gloriosa, buigend.

Uwe Hoogheid zou zoo iets van mij kunnen onderstellen? Toen ik de eer genoot wijlen Hare Hoogheid Clara, Eugenia . . .

isabella.

Ik herinner mij dat.

de markies, Spinola voor bijschuivend en Isabella de Valckenaere voorstellend.

Mijnheer de Valckenaere, over wien Uwe Hoogheid mij laatst onderhield !

6

-ocr page 11-

jufvrouw serki.aas.

isabella.

Ik ben verheugd u te ontmoeten, mijnheer, na uwe lange afwezigheid. Zijne Excellentie zal u nader onze intenties mededeelen. Ik bedoel uw geluk. (Zich tot Adèle keerend.) Mijn kind, mijnheer de Valckenaere zal straks u naar huis geleiden.

adèle, verschrokken.

Uwe Hoogheid wil .. . ?

isabella, tot allen.

Gelieft u te verzamelen in de muziekzaal. Tot straks !

van maldeghem, gCSMOOrd,

H ij of i k zal vallen.

aremberg.

Geene dwaasheid. De Markies meent het wel met u.

van maldeghem, hevig.

Ook g ij hebt u laten blinddoeken ! (Hij gaat haastig heen. Al de gasten vertrekken.}

VIERDE TOONEEL.

isabella en de markies.

isabella, zich afgemat nederwerpende oj) een leunstoel.

Och, of ik mij geheel onttrekken mocht aan de waereld! de markies, oJgt; zijn stok geleund, haar scherp aanziende.

En de Zuidelijke Provinciën, aan uwe zorg toevertrouwd, wat zou er van worden ? Wie zou die Nederlanden beter kunnen bewaren dan gij, Heilige, in het kleed eener Vorstin?

isabella.

Niet alzoo. Markies! Mijn tekortkomingen zijn vele. Ik stel mij voor, in plaats van 6 mij 7 uren iederen dag Go de te wijden en het getal armen dat ik bedeel te verdubbelen.

de markie?.

Vergeet echter niet, dat van u niet zoo zeer gevraagd wordt te bidden als wel te werken.

isabella.

Doe ik dat dan niet ?

7

-ocr page 12-

8

DE MARKIES.

Is Uwe Hoogheid thands genegen zich aan de belangen harer onderdanen te wijden.

ISABELLA.

Hebt ge dringende zaken ?

DE MARKIES.

De Goeverneur van Bergen is gestorven.

ISABELLA.

God zij zijner ziele genadig !

DE MARKIES.

Amen ! Wie wil Uwe Hoogheid in zijne plaats benoemen ?

ISABELLA.

Laat Spinola de keuze.

DE MARKIES.

Ditmaal geloof ik niet dat hij goed zou kiezen. Hij zou een vreemdeling voordragen.

ISABELLA.

En gij?

DE MARKIES.

Een inboorling: den heer van Aremberg.

ISABELLA.

Spinolaas vijand! Ik stel als Goeverneur van Bergen den heer van Maldeghem aan ; hij is een inboorling: ik handel alzoo naar uw wensch . . .

DE MARKIES.

Zeker een goede keuze! Van Maldeghem voedt zich met de kruimels, die er van Graaf Vilains tafel vallen. Met het Goevernement van Bergen is meermalen een Aerschot, een Chimay bekleed geweest en het zou thands aan een avonturier weggeschonken worden. Ik zal mijn schrijver de aanstelling doen opmaken. Naar mijn inzien zou veeleer een Aremberg .. .

ISABELLA.

Leid mij een oogenblik het doolhof uwer politiek in! Ik vermoed dat gij beoogt wat ik beoog, dat gij de vernietiging der Republiek wilt.

DE MARKIES.

De onderwerping der Geünieerde Gewesten is mijn innigst streven. Wij zullen misschien een groot leger, maar zeker veel goud behoeven. Van Spanje is voor het oogenblik niets te hopen.

-ocr page 13-

JUFVROÜVV SEKKLAAS.

Wij moeten alzoo den inboorling om bijstand vragen. Vindt Uwe Hoogheid het dan niet verstandig dat men eenige der luidste vorderingen inwillige, den hoogen adel te vriend houde en daardoor de landzaten inneme ? Hebt ge alsnog bezwaar tegen de benoeming van den heer van Aremberg ?

ISABELLA.

Ontbiê den heer van Aremberg. Als altoos roem ik uw doorzicht en prijs ik mij, uw raad gevolgd te hebben. Maar wat dat aangaat hebt ge u niet over mij te beklagen. Heb ik bij de receptie mede uwe aanwijzing niet gevolgd en de Valckenaere een gunst toegestaan, die ik den Hertog van Aerschot zelfs zou hebben geweigerd ?

DE MARKIES.

Het zal het reeds bestaand vermoeden dat de Valckenaere door u voor de gravin bestemd is niet weinig voedsel geven.

ISABELLA.

Wat dwaasheid!

DE MARKIES.

Ik geloof, dat al de Edelen voor hunne zonen op de Gravin rekenen.

ISABELLA.

Ik heb meenen te bespeuren dat Don üsorio da Silva haar niet onverschillig is. Is dit zoo, dan volge zij de inspraak van haar hart, en vermijd ik de afgunst van den inlandschen adel op te wekken.

DE MARKIES.

Door uwe pupille met een vreemde te doen huwen ?

ISABELLA.

Een vreemde ! Gij hebt een toon voor dat woord, waar ik geen naam voor weet. Een vreemde! Maar i k ben ook een vreemde, ook g ij, ook S p i n o 1 a, ook mijne vertrouwdste dienaren .. .

DE MARKIES.

Juist omdat ge een vreemdelinge zijt moet ge de vreemden niet ondersteunen.

(SABELLA.

Maar wien hebt gij dan voor haar bestemd?

DE MARKIES, zich tot haar buigend.

De Valckenaere, Uwe Hoogheid!

ISABELLA.

Nooit Markies !

9

-ocr page 14-

JUFVROUW SERKLAAS.

DE MARKIES.

/

M ag ik weten waarom ?

ISABELLA, driftig heen en weder loopenae.

Waarom ? Het is onmogelijk dat die man mijn Adèle huwt.

DE MARKIES.

Ook niet als ze dit zelve wenscht ?

ISABELLA.

Maar die man ..,

DE MARKIES.

Is m ij n werktuig.

ISABELLA.

Nooit. Geen woord meer daar over, Markies !

DE MARKIES.

Het doet mij leed, dat ge niet evenveel macht hebt over gesprokene als nog te spreken woorden.

ISABELLA.

Wat meent ge?

DE MARKIES.

Uwe Hoogheid neemt te recht innig deel in het geluk harer pu-pille; maar mag zij het doen ten nadeele van anderen ? Zij heeft bij elke gelegenheid en vooral bij de laatste receptie de Valckenaere met in het oog loopende onderscheiding behandeld; zij heeft hem straks zelfs tot geleider der Gravin aangewezen; zij heeft hem doen gelooven aan nog meer. Heeft Uwe Hoogheid dus niet gespeeld met het hart van een man, terwijl zij dat van hare pupille, en misschien nog wel ongevraagd, bewaren wou ?

ISABELLA.

Maar waarom bevond zich die man ook juist naast Adèle ? Wie maakte hem zoo stout ?

DE MARKIES.

Uwe Hoogheid denke eens goed na! De Valckenaere heeft met zijn verleden gebroken. Hij is gevloekt geworden door zijn vorige broeders en indien hij ook door ons verlaten werd, dan zou hij, met zijn hartstochtelijk karakter, tot iets vreeselijks kunnen komen, misschien tot een zelfmoord . . . Op wiens hoofd zou die misdaad neerkomen? op wiens hoofd. Uwe Hoogheid?

IO

-ocr page 15-

jufvrouw serklaas.

isabella.

Maar dat is vreeselijk. quot;Waar ik mij wende verval ik in doodzonde.

de markies.

Geen schuld kleeft op u, als gij hem de hand der Gravin schenkt.

isabella.

Maar de adel zal woedend zijn, nu een vreemde ...

de markies.

Een vreemde ? Is hij geen Nederlander van geslachte tot geslachte ?

isabella, in wanhooJ)%

Wat moet ik doen ? Wat moet ik doen ?

de markies.

T oegeven.

isabella.

Ik zwicht alleen als Adèle zelve dien man tot haar echtgenoot begeert.

de markies.

Het is wel.

. {Een paadje komt binnen?)

de paadje.

Jufvrouw Serklaas verzoekt Uwe Hoogheid een oogenblik gehoor.

isabella, wrevelig.

Wie is die vrouw ? {zachter) Is het ook een bedeelde mijner parochie?

de markies, glimlachend.

Dat geloof ik niet. Naar ik hoor is het een zendelinge der Ver-eenigde Provinciën. Uwe Hoogheid moet haar van vroeger kennen, uit den tijd van de sluiting van het Twaalfjarig Bestand.

isabella.

Ik herinner mij dat niet. Zij zal toen zeker geen groote rol hebben gespeeld.

de markies. .

In Holland oordeelt men anders, volgens den haar toegelegden titel van koppelaarster van het Bestand. Zij zal echter tot de laagste soort van intriganten behooren en kan evenwel bij de Hoogmogende Heeren hoog aangeschreven staan.

-ocr page 16-

jufvrouw serklaas.

isabella.

Hoogmogende Heeren! Spaar mij dien titel, Markies! {tot den paadje) Laat die vrouw binnenkomen.

VIJFDE TOONEEL.

De vorigen, jufvrouw serklaas, stemmig en burgerlijk gekleed ;

40 a 45 jaren oud. Hoewel eenvoudig is zij toch rijk gekleed;

haar halssnoer is van goud, een juweel en ring prijkt aan haar

vinger.

isabella, koud voornaam.

Mevrouw Serklaas, naar ik verneem.

serklaas, diej» buigend.

In den Haag Jufvrouw Serklaas {een stoel nemende en die op drie of vier schreden va?i Isabella voortschuivende). Mag ik de vrijheid nemen te gaan zitten ? De jicht noodzaakt mij er toe. Uwe Hoogheid weet misschien niet wat die jicht voor een kwaal is {zich het heupbeen wrijvende\'), O ! . . . neem mij niet kwalijk . .. een lichte aanval! Ik heb het stellig aan de reis te danken.

isabella, die mede is gaan zitten; de Markies leunt achter haar op den rug van den stoel.

Maar waarom uw kamer in den Haag dan verlaten? Doch dit zijn zaken, waarin we ons niet mogen mengen.

serklaas.

Ik wou dat Uwe Hoogheid het deed. Ik zou evenwel bang voor teleurstelling wezen. Mijne zaken zijn zoo burgerlijk; dat past ook in mijn kring, waar de hoogste een burgerman is. Hoe geheel anders is het hier! Hier ontmoet men namen die bij de kruistochten al namen waren ; hier ontmoet men kasteelen en paleizen, die bijna waggelen van eerwaardige oudheid. Uwe Hoogheid herinnert zich mijn persoon misschien wel als zij aan het jaar negen denkt.

isabella.

Volstrekt niet. Waart gij toen in het gevolg van den Fransetien of Engelschen gezant ?

serklaas.

Als kamerjufvrouw? Ik verzeker Uwe Hoogheid dat, schoon mijn

12

-ocr page 17-

JUFVROUW SliRKLAAS.

vrome moeder mij ook den weg in haar keuken leerde, zij mij nooit in de kundigheden van een kamerjufvrouw heeft ingewijd. O . . die jicht!

isabella.

Geloof toch niet, dat ik u heb willen kwetsen, mevrouw !

serklaas.

Bij ons zijn er weinig mevrouwen. Slechts de prinses van Oranje draagt dezen titel. Uwe Hoogheid zal wel nooit kunnen kwetsen, daarvoor is zij te veel.. . Uwe Hoogheid.

Isabella, vriendelijk.

Gij vleisterl Maar vertel mij nu het doel uwer komst.

de markies, in zich zeiven.

Zonderling wezen !

serklaas.

Ik was blij voor eenigen tijd mijn moeras te kunnen verlaten. De grond trilt er van het heen en weêr rijden der kanonnen, die, naar ik vrees, toch in den grond zullen zakken.

ue markies, belangstellend.

Zoo !

serklaas.

Het is een weeke grond, die voor den vreemdeling evenwel gevaarlijker is dan voor den inboorling onaangenaam. Wij kennen de houdbare plekken. Excellentie! .. De oorlog is toch vreeselijk, en indien ik Souverein ware, ik zou hem doen eindigen.

de markies.

Hare Hoogheid zou het doen, indien zij de Heeren Staten der Geuniëerde Provinciën ware.

serklaas.

Uwe Excellentie kent dan de Heeren Staten ? Ja, de Heeren neigen geloof ik tot vrede.

isabella.

Waarom vragen zij die niet?

serklaas.

Uwe Hoogheid schijnt de Heeren Staten nog niet te kennen. Zij vragen bijna nooit iets; zij weigeren zelfs als er iets wordt aange-

13

-ocr page 18-

JUFVROUW SERKLAAS.

boden, zoo als bijv. toen de Aartshertog, Uw zalige man, hun den vrede voorstelde.

ISABELLA.

Ja, wij stelden vrede voor, indien men onderwerping beloofde.

SERKLAAS.

Onderwerping ? Aan Uwe Hoogheid ? Ik geloof dat men er niets tegen zou hebben. Maar achter Uwe Hoogheid staat iemant anders ..

ISABELLA.

Wie dan ?

SERKLAAS.

Vlak achter u de Markies en wat verder Zijn Spaansche Majesteit.

DE MARKIES.

En achter Uwe Hoogmogenden, zoo als de kooplui zich noemen, staat een afgeleefd man, altijd starende op een bloedvlek, een tee-ken van den krijg en van de misdaad: staat Maurits van Nassau.

SERKLAAS, het dijbeen wrijvend.

Ja, de Stadhouder is het zwaard der Republiek en een zwaard dat niet gaarne de scheê opzoekt.

ISABELLA.

Men zegt dat het zwaard oud en verroest is.

SERKLAAS.

Wie zegt dat ?

ISABELLA.

De bevelhebber mijner legers, die dikwijls tegenover uw Stadhouder stond en daarbij geen enkelen lauwer verloor.

SERKLAAS.

Spinola is een groot man, en hij weet zelf dat hij het is. Kan ik hem spoedig zien. Hij is immers hier?

ISABELLA.

Ja.

DE MARKIES.

Dat wil zeggen voor \'t oogenblik.

SERKLAAS.

Uwe Excellentie is voorzichtig.

14

-ocr page 19-

jufvrouw serklaas. 15

de markies.

In dezelfde mate als Maurits van Nassau, die, naar ik hoor, nog altijd in den Haag is.

serklaas.

Uwe Excellentie is verkeerd onderricht; de Prins is in het kamp bij Arnhem.

de markies, in zich zeiven.

Babbelaarster!

serklaas.

Maar om op ons gesprek van straks terug te komen. Hunne Hoog-mogenden verklaren zich bereid een vredesvoorslag te ontvangen.

de markies.

Zij hebben geen recht dien te verwachten; zij kunnen er een doen.

isabella.

Juist; wij geven den Staten vrijheid een vredesvoorslag te doen. Middelerwijl beschouwen wij u als onze gast en zullen wij de noo-dige bevelen geven, opdat het u, tijdens uw verblijf alhier, aan niet? ontbreke.

de paadje, op den drempel.

Don Ambrosius Spinola.

isabella, den Markies aanziende.

Verzoek Zijne Excellentie binnen te komen.

ZESDE TOONEEL.

De vorigen. spinola.

spinola, met verwondering yufvrouw Serklaas beschouwend.

Ik had gewenscht. ..

serklaas. .

Ik ga vertrekken, mijnheer! Het verheugt mij zoo lang te zijn blijven zitten; daardoor heb ik een der grootste soldaten van onzen tijd gezien. Ik betuig er u bovendien mijn dank voor, dat ge mij zoo\'n volmaakt ridder tot geleider hebt gegeven. Mijn groeten aan

-ocr page 20-

JUFVROUW SERKLAAS.

den heer van Maldeghem, dien ik veel geluk toewensch met zijne liefde.

ISABELLA.

Zijn liefde ?

SERKLAAS.

Ik heb een goed gehoor. De Jonker wilde bij het ingaan der poort mij wat graag overdoen aan een ander officier, daar hij er prijs op stelde het huis eener dame op een gezet uur voorbij te gaan. Uwe Hoogheid, ik heb de eer uwe onderdanige dienaresse te zijn I Mijnheer de Markies, mag ik uw arm tot aan de voorzaal ? het gaan valt mij zoo moeielijk.

[De Markies biedt haar zijn arm en brengt haar heen, beiden fluisteren terwijl zij vertrekkend)

SPINOLA.

Dat is zeker wel de zonderlingste vrouw die ik ooit ontmoette.

ISABELLA.

Zij scheen in last te hebben ons vrede te vragen.

DE MARKIES.

Wees gegroet, Senor! Die vrouw belette mij het vroeger te doen. Zij schijnt de gewoonte te hebben zich meester van het gesprek te maken.

SPINOLA.

Hetgeen Uwe Excellentie hindert.

DE MARKIES.

Tenzij de spreker zich zoo beleefd en schrander toone als Uwe Excellentie.

SPINOLA.

En even openhartig, niet waar? Ik betwijfel echter of Uwe Excellentie de welwillendheid jegens mij wel zoo verre zou drijven als jegens de zendelinge, die door u als geleijonker is weggevoerd . .

DE MARKIES,

En die door ü de gelegenheid kreeg hier te komen.

SPINOLA.

Ja, van Maldeghem deed een dwaze streek. Een zijner bekenden, een officier in Staatschen dienst, verzocht hem een vrijgeleide voor een dame; van Maldeghem vroeg het mij; ik had geen reden het te weigeren. Mag ik Uwe Hoogheid verzoeken zich bezig te houden met de beschouwing van mijn plan van aanval?

i6

-ocr page 21-

JUFVROUW SER KLAAS.

ISABELLA.

Wij belooven het u. Wij houden het reeds voor uitstekend. — Waarlijk, een held te velde als gij maakt Isabella sterk en [zich tot den Markies keerend) ook een denkend hoofd als Uwe Excellentie in onzen Raad . . .

DE MARKIES.

Uwe Hoogheid weet toch altijd de weegschaal in evenwicht te houden, {tot Spin old) Gunt ge mij uw geleide?

SPINOLA.

Ik wilde Hare Hoogheid nu juist. . .

DE MARKIES.

De vesper begint en Hare Hoogheid zal niet gestoord willen worden in hare devotie.

ISABELLA.

De Markies heeft gelijk.

SPINOLA.

Vooraf nog éen verzoek! Het Goevernement van Bergen is opengevallen. Ik zeide Don Osorio da Silva dit ambt toe.

ISABELLA, in verwarring.

Waarom u niet vroeger aangemeld, wakkere vriend ? ïk heb reeds een ander benoemd.

SPINOLA.

Benoeriid, wien ?

ISABELLA.

Den heer van Aremberg.

SPINOLA.

De Markies zal hem dit straks op de receptie in het oor hebben gefluisterd. Ik zag hem zoo recht vriendelijk met dien dwarsdrijven-den Vlaming spreken. Ik kon niet vermoeden, dat het eene belee-diging gold, die mij weder werd toegedacht. De Markies heeft niet gedraald mijne onmacht in haar blinkend kleed ten toon te stellen. Ik draag den bevelhebbersstaf, maar men verzuimt niet mij een narrenkap daarbij te geven. Bij God en Zijn Heiligen, ik verdraag dit niet langer!

ISABELLA.

17

Wij zullen in ons gebed u gedenken, door om deemoed te bidden voor het al te trotsche hart! Wij groeten u. {Zij gaat heen; heiden huigen.)

ö.

2

-ocr page 22-

jufvrouw serklaas.

de markies tot Spinola.

Ik zou u mijn geleide geven evenals Jufvrouw Serklaas, indien gij het mij vragen wildet evenals zij het deed.

spinola.

Een vergiftigde slang zijt ge ! ^woedend snel/ hij heen.)

de markies, hem nastarend.

Een vlugge renner, die het toch niet van den strompelenden ouden man zal winnen! (langzaam gaat hij naar den achtergrond, terwijl de gordijn valt.)

TWEEDE TAFEREEL.

EERSTE TOO NE EL.

Een kamer in het klooster quot;Jericho te Brussel, hoogst eenvoudig gemeubeld. Aan een schrijftafel met papieren bedekt zit de markies de bedmar, die hier het afgeleefde, dat hem in het eerste tafereel kenmerkte, heeft afgelegd.

de markies, een der papieren opnetnend.

Een bezwaarschrift van den adel tegen Spinola, onderteekend dooide aanzienlijkste geslachten ! Hij trekt altijd vreemdelingen voor, zoo heet het. Een afschrift hiervan wordt aan Zijne Majesteit gezonden. De soldaat staat op een gladde baan. Een aardige naam van die Jufvrouw voor den Opperbevelhebber! {Een ander papier opnemend) Spinolaas krijgsplan! Hij wil Breda belegeren, {jta een oogenblik peinzens) Toch moet die stad niet te gauw vallen. Wij zullen er voor zorgen, {er wordt geklopt) Binnen !

fernando, een bleek, mager man, schamel gekleed: de stof kostbaar, maar versleten; aandienend.

Donna Gloriosa! {na een buiging vertrekt hij.)

i8

-ocr page 23-

JUFVROUW SERKLAAS.

TWEEDE TOONEEL.

De vorige, donna GLORIOSA, die een diepe nijging maakt en dan stokstijf blijft staan.

DE MARKIES.

De lieve Heiligen mogen met u zijn, vrouw !

DONNA GLORIOSA.

Uwe Excellentie ontbood mij . .. ?

DE MARKIES.

Vordert Sire de Valckenaere wat in de achting uwer Gravin ?

DONNA GLORIOSA.

Hij staat hoog bij haar aangeschreven.

DE MARKIES.

Het u toegezegde snoer dubloenen kan dus spoedig verdiend zijn. Alzoo gewent zich het juffertje ten laatste aan het denkbeeld van haar vrijheid met een heer gemaal te deel en.

DONNA GLORIOSA.

Dat niet, Excellentie! Zij vereert de Valckenaere. Bij ons zou dit genoeg zijn voor een Grandezza om een keuze te doen . ..

DE MARKIES.

Ik begrijp u. Hier is men minder verstandig en vooral het juffertje met hare overrijke verbeelding en week gevoel. Zij vereert hem, maar zij moet hem liefhebben. Gij moet zorgen dat zij het doet. DONNA GLORIOSA.

Maar, Excellentie, hoe kan een bedaagde vrouw . . . ?

DE MARKIES.

Bedaagde vrouwen moeten alles kunnen, anders zijn ze niet waard te leven. Gij hebt het nog maar niet goed aangelegd.

DONNA GLORIOSA.

Maar als er eens een andere reden bestond . .! Als ze eens een ander beminde!

DE MARKIES.

Onmogelijk.

DONNA GLORIOSA,

Toch i s het zoo.

19

-ocr page 24-

f

20 jufvrouw serklaas.

de markies.

Hebt ge dat ontdekt ?

donna gl.oriosa.

Het trok lang reeds mijn aandacht, dat Adèle zich tegen den middag altijd naar de groote kamer begaf, die op de straat de la Madeleine uitzag. Vroeger beviel haar de tuin in dit jaargetij altijd beter. Ik gunde \'t het kind om aan het raam te zitten, hoewel het geen pas gaf dat zij het zonder mij zou doen, waarom ik van tijd tot tijd naast haar plaats nam. Er waren verschillende ruiters die voorbij reden ....

de markies.

Wie waagde de oogen naar haar op te heffen ?

donna gloriosa.

Allen, zoodat ik niemant beschuldigen kan. Ze schenen al gewoon te zijn het gezicht der Gravin daar te zien, want de eerste keer dat i k in plaats van het kind daar ging zitten, was er een algemeene beweging onder de troep Geuzen. Ze laten toch geen gelegenheid voorbijgaan, die Noormannen, om hun nijd over onze afkomst te toonen !

de markies.

. Kn Adèle ... Ze lachte ?

donna gloriosa.

Ze bloosde, vooral\' toen een der onbeschaamdsten het waagde mi\\ te blijven aanzien.

de markies.

Wie was dat ?

donna gloriosa.

De ridmeester Van Maldeghem, geloof ik !

de markies, peinzend.

De Haagsche Juffer heette hem verliefd, {luid) Verder f

donna gloriosa.

Gisteravond bezocht de Valckenaere haar weder. Ze was stugger dan ooit jegens hem.

de markies.

Stugger dan ooit ? Maar dan was zij het vroeger ook, hoewel minder. En straks verzekerdet gij mij het tegendeel. Vrouw, zoo ge mij bedriegt, het zou u heugen ! Verder.

donna gloriosa.

Toen hij vertrokken was en ik onbemerkt terugkwam, na hem uit-

-ocr page 25-

21

geleide gedaan te hebben, zag ik haar ijlings een briefjen in haar schrijf kassette sluiten; toen ik zeker was dat zij sliep nam ik het uit haar kassette. Het was van een zekeren Alfred.

de markies.

Wat hield het in ?

donna glokiosa,

Schandelijk, schandelijk! Die Alfred vroeg tegen morgenavond een onderhoud onder vier oogen te harent. Het bleek, dat hij haar meermalen gesproken had.

de markies, streng.

En dit alles zoudt gij verzwegen hebben, indien ik u niet had gedwongen te spreken.

donna gloriosa.

Uwe Excellentie legge mij slechts een boete op, maar sta mij dan toe de weerbarstige en onkiesche juffer achter slot en grendel te bewaken.

de markies.

Niets van dit alles. Gij hebt haar niets doen merken? Welnu, gc rept daarvan geen woord. Ge zorgt, dat de groote zaal morgen gereed zij tot het ontvangen van eenige gasten, maar past er op, dat dit geschiede zonder dat de Gravin er iets van verneemt. Tegen het vallen van den avond geeft gij voor aan het Hof te zijn geroepen, maar in plaats daarvan gaat gij naar de groote zaal, waar gij eenige gasten zult ontvangen, die zich daar zullen bevinden. Van de stipte uitvoering dezer voorschriften hangt mijn vergiffenis af. Een woord van mij en ge wordt naar Madrid teruggezonden, waar ge in een klooster zult kunnen toonen, dat ge de armen en zieken beter kunt bewaken dan eene Vlaamsche Jonkvrouw. Gij kunt gaan. {Donna Gloriosa gaat onder diepe buigingen heen.)

Hij zoekt eenigen tijd in de papieren. Vervolgens fiuit hij, Fernando komt binnen*

Breng den heer van Aremberg zijn aanstelling als Gouverneur van Bergen.

fernando,

Don Osorio en Sire de Valckenaere vragen gehoor.

de markies.

Laat den laatste binnen. De Nederlanders gaan van daag voor.

{Fernando af,)

-ocr page 26-

jufvrouw serklaas.

DERDE TOONEEL.

De vorige, de valckenaere, gekleed als vroeger; hij maakt een diepe buiging,

de markies.

Ga zitten, mijn vriend, want ik heb u veel mede te deelen.

de valckenaere.

Ik hoop, dat het de zaak zal betreffen die mijn geheele ziel vervult, de markies.

quot;t Zal nu ruim drie jaren geleden zijn, dat ge in Brussel aankwaamt. Toen ge voor het eerst aan gindsche deur aanklopte was het avond. Het stormde en regende: de pluim van uw baret was geknakt, uw wambuis doorweekt. Geen bediende volgde u, geen vriend wachtte u, geen naam behoorde u.

de valckenaere,

Waarom die herinnering ? Is het om mij tot toorn aan te zetten, tegen hem, die mij in dien toestand bracht ?

de markies.

Ik heb u mijn steun verzekerd; ik heb u een glorievolle toekomst vóorgespiegeld, indien ge met uw verleden wildet breken; ge hebt dit gedaan. Zoo het u moeite heeft gekost, ik heb u den last verlicht. Ik wilde u een .nieuwe gedaante doen aannemen, daarom heb ik u doen reizen. Toen ik dat voldoende dacht heb ik u terug doen komen. Uwe gelaatstrekken waren veranderd; als vreemdeling zijt ge teruggekeerd. Toen heb ik u een nieuwe baret, een nieuw kleed gegeven ; toen heb ik u een nieuwen naam geschonken, die reeds nu niet onbehagelijk klinkt,

de valckenaere.

Doet hij dat ? Ik heb dien ook duur gekocht, voor dien mijns vaders.

de markies.

Hoeveel geldt wel een naam, die de ronde heeft gedaan over een schavot en door een beulsmond is uitgesproken ?

de valckfnaere, woedend.

Markies de Bedmar, geene beleedigingen van dien aard! Om u zelfs wille, neem u in acht !

de markies, zijn schouder ophalend.

Kind!.., Ik herinnerde u alleen wat ik voor u geweest ben. Weet ge wel waarom ik het was ?

22

-ocr page 27-

jufvrouw serklaas.

de valckenaere, bitter.

Uit belang.

de markies.

Jaj SÜ ZÜ^ bruikbaar.

de valckenaere.

Welnu, gebruik mij! Waarom draalt ge dan zoo lang, en laat ge mij in ledigheid verteren, even als het ijzer door den roest ?

de markies.

Weldra wordt ge tot den arbeid geroepen. Ik zal u echter eerst nog eenigen tijd onder bloemen begraven. Mijnheer de Valckenaere, ik heb een vrouw voor u uitgekozen, die ik in staat zou zijn u te benijden, indien ik een dertigtal jaren jonger was.

de valckenaere, gesmoord.

Ik ben gehuwd.

de markies.-

Gij waart het.

de valckenaere.

Voor mijn geweten ben ik het nog.

de markies.

Voor uw geweten ? Het is goed een teder geweten te bezitten, man ! Uw verleden is mij een waarborg, dat gij al een heel teder geweten hebt. {de Valckenaere huivert) Uw vroeger huwelijk is door Zijne Heiligheid ontbonden. Gij zijt alzoo vrij de gravin d\' Hauterive te huwen.

de valckenaere, in hartstocht.

Nooit, nooit, ik k a n niet.

de markies.

Gij zult de gravin d\' Hauterive huwen.

de valckenaere, opstaande. «

Nooit. Ben ik een werktuig, dat men in beweging kan brengen zoo als men wil ?

de markies, koud.

De Valckenaere, reik mij het paket .papieren dat op dien stoel ligt! {de Valckenaere blijft staan, als hoorde hij V niet; bevelend) reik mij dat paket aan, de Valckenaere! {deze gehoorzaamt schoorvoetend). En nu deel ik u mede, dat u het harde lot is beschoren de rijkste erfgename van Braband te huwen en daardoor plaats te nemen onder de edelste geslachten dezer Provincies.

23

-ocr page 28-

jufvrouw serklaas.

de valckenaere, mat.

Waarom ? Uw gangen zijn zoo duister. Van het oogenblik dat ik hier kwam hebt ge mij met weldaden overladen. Ik wil nog geloo-ven dat het weldaden waren. Gij hebt mij met weelde omringd ; waarom deedt gij dit alles ?

de markies.

Het zal blijken als het de tijd daarvoor is. Dwaas hoofd, denkt ge dat ik mijne plannen u op de lippen wil leggen, opdat morgen gants Brussel ze kenne ?

de valckenaere.

Gelooft ge dan zoo weinig aan mijne kracht?

de markies.

Ik geloof aan ■ uw kracht, zelfs aan uw reuzenkracht; maar ik geloof nog meer aan de mijne.

de valckenaere.

Maar dit is tyrannij.

de markies.

In \'t geheel niet; gij kunt gaan waar heen ge wilt. Meld mij slechts hoe uw reispas moet luiden, en ik zal die doen opmaken. Vergeet evenwel niet, aan deze zijde van de grenzen uw barel. wambuis en hozen en ook uw naam achter te laten, want die bc-hooren mij.

de valckenaere, in ivanhooj), gesmoord.

Wel oogst ik wat ik heb gezaaid, ik, ellendige!

de markies.

Ge zegt ? . . . Dat ge u onderwerpt; gij zegt, dat ge de gravin d\' Hauterive zult huwen. Gij doet wel.

de valckenaere, des Markies hand vallende.

O ik bid u, de tijd der liefde is voor mij voorbij. Ik kan slechts haten, ik kan niet meer liefhebben.

de markies, hel hoofd schuddende.

Zoo oud en toch nog zóo jong! Zou men niet zeggen, dat ge pas achttien jaren teldet en nog dweepen kondet met haat en met liefde ? Haat en liefde . . ! Is het niet of het hel of hemel voor u is en hel zijn slechts woorden. Haat wie u hindert, heb lief wie u helpt ! Jonge grijzaart, oude jonkman, arme dweeper !

de valckenaere, bitier.

G ij moet wel gelukkig zijn !

24

-ocr page 29-

JUFVROUW SERKLAAS.

de markies, hoog.

Uns gesprek is ten einde. Tk wacht u morgen avond te tien ure. in het hotel d\'Hauterive, waar ge uw bruid uit m ij n e hand zult ontvangen.

de valckenaere. neder knielend,

Ik bid u, laat af!

de markies.

Daar nadert iemant. Sta op, de Valckenaere I Tot morgenavond ..! of de Nederlanden bieden u langer geen schuilplaats aan !

[ De Valckenaere is opgestaan, ziet den Markies aan, maar gaat heen 7in deze door een gebiedenden wenk het beu el herhaalt?)

VIERDE TOONEEL.

de markies, later fernando.

de markies, alleen.

Ik moet iemant hebben, met een naam. met een groot vermogen en geheel van mij afhankelijk; en dat alles kan ik in hem vinden, [het hem toegereikt fiaket openend) Uit de Baronnie van Breda, in cijferschrift! Eindelijk, eindelijk! Ik kan de worp wagen.

fernando, die behoedzaam is binnen getreden.

De Raad van State wacht Uwe Excellentie.

de markies.

Goed, goed. Ik kom. {Fernando wenkende nader te komen.) Ge gaat een brief schrijven aan Zijne Majesteit over het bezwaarschrift van den Vlaamschen adel. Verdedig Spinola, maar pleit hem niet vrij. Noem hem een groot man in Madrid maar de steen des aanstoots hier te lande bij de Vlaamsche ezels ! Ge gaat naar Jufvrouw Serklaas, en meldt dat ik haar morgen ochtend kom bezoeken. Een vertrouwde bode naar Achterbrouck, in de Baronnie van Breda, met honderd kroonen ! Een uitnoodiging aan den Prins d\' Espinay, den Hertog van Aer-schot, den Prins de Chimay, en van Aremberg, oi)i morgenavond op de receptie te komen, in het hotel d\' Hauterive! Ook aan den graaf Vilain. Neen! dien niet, vooral niet; en dan, en dan ... maar breng dit eerst in orde ; uw salaris wordt verhoogd met vijf en twintig Brabandsche daalders! Aan bet werk, Fernando! (zich de handen vergenoegd wrijvend) Aan het werk, mijn vriend!

fernando, stijf zich buigend.

Uwe Excellentie schijnt in een goede luim. {de Markies gaat heen) Vijf en twintig daalders verhooging! Vijf en twintig, en zeven kinderen met een vrouw in dit gure land !

(De gordijn valt,)

25

-ocr page 30-

TWEEDE BEDRIJF. DERDE TAFEREEL.

EERSTE TOONEEL.

De huiskamer bij Flip van Oudenaerde, kooiman in boter en kaas.

Vensters, die het uitzicht geven op de straat, zeer eenvoudig gemeubeld. machteld, de vrouw van F lij), ojgt; den achtergrond bij een

wieg waar zij be hag elijk inziet. jufvrouw serklaas staat mede

over haar rug daarin ie kijken. Later flip van OUDENaerde.

serklaas.

Een flinke kleuter !

machteld.

Ja, flink, hé ! quot;Waarlijk, jufvrouw Lijsbeth, je zoudt zoo\'n jongen waard wezen, maar wat zeg ik ? je zoudt geen tijd hebben hem aan te zien.

serklaas.

Stil, stil, beste Machteld ! Het heeft zoo niet mogen wezen. Daar komt je man, vroolijk als altijd. (Tot Flip)) Ik zeg, Meester, datje jongen een wonder is, en sprekend op je zal gaan lijken. Wat nieuws daar buiten ?

flip.

Nieuws ? het is het oude : de armen bedelen en de rijken geven feesten.

serklaas.

Feesten ? Is er hier iets bijzonders te doen ?

flip.

Van avond, merk ik, in het hotel d\'Hauterive. Ik bedien het huis.

-ocr page 31-

JUFVROUW SERKLAAS.

De hofmeester kwam straks in den winkel en bestelde mij een heel achtste. Het zal van avond dus wat gebaks geven.

SERKLAAS.

Het hotel Hauterive. Waar ligt dat ?

FLIP.

In de Madeleine. Men ziet dat ge hier nog vreemd zijt. Al de jonge edelen zijn verliefd op het kind, dat in dat hotel woont. Maar niet éen van hen zal den buit wegvoeren, want men zegt, dat ze bestemd is voor een prins, die hier in vreemde veêren huist.

SERKLAAS.

En wie is dat dan ?

FLIP.

Hij noemt zich de Valckenaere, zoo als de hofmeester mij vertelde. Hij moet schatrijk wezen maar somber..! o zoo somber! Hij gaat altijd in het zwart, heelemaal in het zwart. Hij moet het kind dikwijls opzoeken en dat maakt alle officieren wanhopig, die haar huis bij de parade voorbij trekken.

SERKLAAS.

Zoo, zoo! de Valckenaere? Een prins in vreemde veêren! Wel, wel! En er is feest van avond in het hotel d\' Hauterive! En de officieren zijn allen verliefd en trekken daar voorbij. Wel, wel! En de juffer is zeker heel mooi?

FLIP.

Hare Genade de Gravin, dat geloof ik; maar letten we nu op onze eigen zaken. Ik wou graag een partij Delftsche opdoen als de prijs me aanstaat.

SERKLAAS.

Zoo als ik al zei: vijf stuivers, en het is omdat ik je ken. Het zout is bovenmatig duur.

FLIP.

\'t Is te hoog, — \'t is te hoog.

SERKLAAS.

Nu dan, vier en half en geen penning minder I Je wilt mijn verlies toch niet ? ?t Is of er een pest is onder het melkvee. Waarlijk, meester, vier en een half is schande koop. Sla gauw toe of ik gun de partij aan van Everdinghe, die me vier. stuivers vijf duiten bood.

FLIP, zich achter de oor en krabbend, en zijn vrouw aanziende, fluisterend.

We geven haar nog al vrij logies! {luid). Het is waarachtig te veel, juffer!

27

-ocr page 32-

JUFVROUW SERKLAAS.

serklaas.

Als je niet gauw toeslaat, meester, is het vier duiten meer. Wat hebben we voor een voorjaar gehad ? Guur weer, regen en geen gras! Holland heeft ondergestaan.

FLIP,

In Godsnaam dan ! Zend me honderd achtsten.

SERKLAAS.

Zoo als je wilt. Ik ben er evenwel niet verlegen meê.

FLIP.

Neen, juffer, dat begrijp ik: je doet er me een pleizier meê.

SERKLAAS

Juist. En wil je ook wat specerijen hebben ? Cayenne peper of Ceylonsche kaneel ?

FLIP.

Dankje, juffer! Je pakhuis moet goed voorzien wezen.

SERKLAAS, roepend*

Truiken, haal me mijn huik en mijn regenkleed; ik moet uit.

MACHTELD.

Wel, lieve juffer, het is zoo heet dat de spreeuwen haast uit de boomen vallen !

SERKLAAS.

Juist, ddt lijkt me. Het zou nog beter wezen als de eksters het deden; ik hou veel van de beesten die men kan leeren praten.

FLIP.

Laat ik je een karos gaan bestellen.

SERKLAAS.

Voor mij ? Denk je dat ik Hare Hoogheid ben of een van de Brabandsche Excellenties ? Een karos, meester ? Dat kost geld en onnoodig geld!

FLIP.

Als ik gister bijna onder den voet was geloopen zou ik van daag gaan rijden. Ja, dat was me een geval! Een jong edelman heeft je toen gered, niet waar ?

SERKLaas, in de laatste oogenblikken is zij voor een venster gaan staan.

Daar gaat hij ! Ik moet hem nog bedanken, {in de deur roepend) Truiken, ga den edelman, die daar voorbij gaat, eens spoedig achterna, den ridmeester meen ik, gauw, gauw! Zeg hem dat er hier iemant is die hem wacht.

28

-ocr page 33-

jufvrouw perklaas.

TWEEDE TO ONE EL.

Dc vorigen, fernando.

Fernando, diep buigende.

Heb ik de eer jufter Serklaas te zien? Zijne Excellentie de Markies de Bedmar wenscht bij Uwe genade zijne opwachting te komen maken.

serklaas.

Dat is machtig beleefd van Zijne Excellentie! Ik wou juist hem gaan opzoeken. Maar ik kan begrijpen dat Zijne Excellentie mij liever hier ziet dan bij hem. Vrindlief, ik volg een oud-hollandsche gewoonte. [Jiem een rol dukaten in de hand stoppende) Wie een goede tijding brengt, heeft recht op een belooning.

flip, zacht.

Heilige Jozef! Het zijn dukaten! Alles goudgeld!... \'t Is een raar wijf!

fernando, weifelend.

Ik weet niet of ik zulk een vorstelijk geschenk...!

(Bi/ de laatste moorden is van Maldeghem binnengetreden, Fernando maakt een buiging en vertrekt.)

DERDE TOON EEL.

De vorigen, van maldeghem,

serklaas.

Welkom, welkom, jonge vriend !

van maldeghem, Stug,

Het doet mij leed een zoo belangrijk gesprek als ge zeker voer-det met den schrijver van den Markies . ..

serklaas.

\'t Had niets om het lijf. Zijne Excellentie liet bij mij belet vragen.

van maldeghem.

En ge hebt dat voor hem zeker niet ?

serklaas.

Wel neen, evenmin als voor u, dien ik eigenlijk dwingen moest

29

-ocr page 34-

JUFVROUW SERKLAAS.

hier te komen. Ik dank u het behoud van mijn leven en ik heb u nog niet kunnen verzekeren hoe lief ge me geworden zijt.

VAN MALDEGHEM.

Veel eer! Maar ik verdien geen dank. Ik zag u vallen in het gedrang en zonder te weten wie ge waart, heb ik u opgetild.

SERKLAAS tol Flip en Machteld.

Ik zal wel een oogenblik op den kleuter passen, hoor! (teV/i?» a/) Hoe het ook zij, ge hebt een goede daad gedaan en ik dank je hartelijk voor mijn leven. Al telt men ook 55 jaar en voelt men de jicht in heup en gewricht en heeft men man noch. kind om hel vuur wat op te stoken en het baai te warmen, toch is het leven zoet.

VAN MALDEGHEM, gedwongen.

Ik ben blij u weder in zoo\'n vergenoegde stemming te zien ; ge zult me veroorloven . . . ?

SERKLAAS.

Gij hebt veel haast; maar het is uw plicht en dien volgt men licht, als de neiging er niet meê in strijd is. Als ik een tooverfee ware en ik wou een regiment zonder ridmeester laten optrekken, dan zou ik wel weten welk een gedaante ik moest aannemen.

VAN MALDEGHEM.

Ik begrijp u niet ... {onrustig om zich heen ziende) Ik moet gaan.

SERKLAAS.

Ga dan, vriendlief! Groet Gravin d\' Hauterive.

VAN MALDEGHEM.

Ik heb niet de eer de Gravin te kennen.

SERKLAAS.

Niet? Ge houdt zeker meer van den oorlog dan van de waarheid.

VAN MALDEGHEM.

Jammer dat ik mij den tijd niet mag gunnen mij te verdedigen. Ik heb haast.

SERKLAAS.

Gij zijt bang dat men u bij mij zou zien.

VAN MALDEGHEM.

Waarom het u te verbergen ? Ik heb om uwentwille een strenge berisping ontvangen van een man, dien ik hoogacht.

SERKLAAS.

Om mijnentwil ? Ik wist niet dat ik zoo veel beteekende.

-ocr page 35-

jufvrouw serklaas.

van maldeghem, Scherjb.

Er zijn ambten, juffer, die weinig aanspraak op achting en toch wel recht op ontzach geven.

serklaas.

En welke ambten zouden dat kunnen zijn, mijn vriend!

van maldeghem.

Bij voorbeeld, dat van spion, juffer.

serklaas.

Wel, wel, wat slaat g ij mij hoog aan ? of liever h ij, die u een berisping deed ondergaan en dien gij hoog acht? Dat is zeker de Markies.

van maldeghem.

Ik heb niet de eer den Markies te spreken.

serklaas.

Evenmin als Hare genade de Gravin ?

van maldeghem.

Ik hou voor mij zeiven te veel van vrijheid, om u die niet te gunnen in het denken en het vragen. Gun mij evenwel wederkeerig de vrijheid van niet te denken of niet te antwoorden als ik dat verkies. Ik wensch u behouden te-huis-komst, juffer. . Serklaas ! zoo als ik meen, noemt ge \'u zoo.

serklaas.

Vóór ik thuis ben zal ik u nog wel eens ontmoet hebben.

van maldeghem.

Ik twijfel er aan, daar ik weldra naar het leger zal vertrekken.

serklaas.

Ik ontmoet u zeker.. . aan het hotel d\'Hauterive; misschien nog wel van avond .. .

van maldeghem, diep getroffen. \'

Van avond? Hoe werd u bekend...?

serklaas.

Dat is m ij n geheim, jonkman ! Zie mij niet zoo vreeselijk aan alsof ik een musketier van Prins Maurits ware.

van maldeghem.

Maar hoe weet ge dit ? Wilt ge goud, zeg slechts hoeveel, en al moet ik er mijn wapenrok en mijn paard voor verkoopen, ge zult het hebben.

3^

-ocr page 36-

32

SERKI.AAS, in zich zelve.

Daar zit wat achter, [luid) Behou beiden en zie de rijkste erfge name dezer landen nog er bij te krijgen, ik zal je met tegenstaan. Of denkt ge, dat ik haar den zwarten ridder zou gunnen 7

VAN MALDEGHEM.

(iij vermoedt dat de Markies haar bestemt... ^

SERKLAAS.

Ik vermoed niets; maar ga nu heen, jonkman, uw plicht roept u elders. Het is niet goed dat men u naast mij zie, want hij, dien ge hoogacht en die u zoo streng berispt. . .

VAN MALDEGHEM.

Senor Spinola moge het mijnenthalve doen.

SERKLAAS, zacht.

Dus was het Spinola.

VAN MALDEGHEM.

Thands staan er andere belangen op het spel. Het is niet slechts m ij n geheim wat ge weet; het is dat eener vrouw.

SERKLAAS,

■ Die ge lief hebt; ik begrijp alles zeer goed; maar er slaat niets op het spel.

VAN MALDEGHEM.

Beantwoord mij slechts ééne vraag : hebt gij de Duenna gesproken, Donna Gloriosa?

SERKI.AAS.

Ik heb haar nooit gezien.

VAN MALDEGHEM.

Ook nooit gesproken?

SERKLAAS.

Wonderlijke vraag! Ik heb haar nooit gezien of gesproken, verstaat ge mij nu ?

VAN MALDEGHEM.

Maar hoe weet ge dan . . . ?

SERKLAAS.

Wat moet ik weten 7

VAN MALDEGHEM.

Dat ik hoop heb haar te zien, — misschien voor liet laatst.. , alleen te zien.

-ocr page 37-

jufvrouw serklaas.

serklaas, Zdcht.

Alleen! (luid) Vriendlief, ik heb oogen en hersenen; de laatste werken uit wat de eerste zien. Ga maar voort, ik zal u helpenden dat nog wel zonder belooning; is dat nu niet edel van een spion? Maar nu heb ik ook een vraag te doen : Is de zwarte ridder o ok genoodigd ?

van maldeghem.

Genoodigd\'? Genoodigd ? (in zich zeiven) Dwaas, die ik ben, zij weet niets en hoorde mij uit I {met minachting) Gij, die van alles zoo goed onderricht zijt, behoeft bij mij zeker geen berichten in te winnen. Ik wensch u heil, juffer Serklaas ! {hij snelt heen.)

VIERDE TOONEEL.

serklaas, alleen.

serklaas, zich in een stoel neervlijend.

Dat woordtjen : genoodigd, bracht een zonderlingen indruk te weeg. Hij zal haar alleen spreken ! In het geheim dus ! En hij vindt het vreemd dat er iemant genoodigd is. {zich behagelijk de dij wrijvend) Een liefdesintrige! Ik ben ten minste wat op \'t spoor ! Als er maar leven en beweging om mij heen komt, anders val ik nog in slaap.

VIJFDE TOONEEL.

De vorige, flip van OUDENAERDE met de muts in de hand, den markies de bedmar met de diepste buigingen binnenleidende.

de markies.

Laat mijn karos over een half uur terug komen. {Flip buigt diep en gaat heen,)

serklaas, die middelerwijl is opgestaan, diep nijgende. Wat eer!

de markies, haar wenkende te gaan zitten.

Blijf zitten, ik zal je voorbeeld volgen, {zijn stoel bij den haren plaatsend, vertrouwelijk} Ik kom vertrouwelijk bij u praten.

serklaas.

Juist, vertrouwelijk ; dat heb ik het liefst.

33

3

-ocr page 38-

JUFVROUW SERKLAAS.

DE MARKIES.

Je laatste woorden waren geloof ik : ik ben geheel tot uw dienst. Ik moet evenwel onderstellen, dat ge de reis niet zult ondernomen hebben alleen om m ij te dienen.

SERKLAAS.

Door Uwe Excellentie te dienen dien ik ook de Heeren Staten.

DE MARKIES, eenigzins ongeduldig.

Neem het den ouden man niet kwalijk, als hij u niet begrijpt. Zoo ik mij wel herinner, hebt ge mij, toen ik u uitgeleide deed, er van gesproken mij een zeker krijgsplan te willen mededeelen. Moet ik dit rangschikken onder de diensten, die ge Uw Heeren Staten bewijzen wilt ?

SERKLAAS.

Misschien wel. {de Markies schudt wrevelig met het hoofd.) Uwe Excellentie kent onze twisten. We zijn inwendig verzwakt.

DE MARKIES.

Toen ge tegenover Hare Hoogheid stondt hebt ge uw geloof aan de kracht der Geünieerde Provincies niet verborgen.

SERKLAAS.

Och, ik hield het fatsoen van mijn land op in \'t bijzijn van vreemden.

DE MARKIES.

Waaruit ik moet afleiden dat i k geen vreemde ben, daar ge tegenover mij dat fatsoen niet langer bewaart ?

SERKLAAS.

Neen. niet daarom spreek ik hier vrij, (tó dijbeen wrijvend) maar omdat ik de eer heb alleen tegenover Uwe Excellentie neêr te zitten, en een er eigenlijk geen is. {de Markies ziet haar strak aan) Ik beken dat we inwendig zwak zijn door onze verdeeldheid. Och, Uwe Excellentie weet wel wie er vooral aanleiding toe geeft!

DE MARKIES.

Maurits van Nassau. Ge kunt namen noemen. Waarom die voorzichtigheid, daar een er eigenlijk geen is volgens uw eigen bekentenis?

SERKLAAS.

Welnu, ja, Maurits van Nassau.

DE MARKIES.

En ge kant u tegen zijne partij aan ?

34

-ocr page 39-

JUFVROUW SERKLAAS.

SERKLAAS.

l^iet ik, zwakke vrouw, maar de Heeren Staten. Ik zal openhartig met Uwe Excellentie spreken. Men verlangt de macht van den Stadhouder te verkleinen, en kan dat alleen door vrede te sluiten. Men wil de gezindheid Harer Hoogheid echter vooraf polsen en daarom kom ik hier, ik, die tóch reeds in ongenade ben bij Maurits van Nassau, niet alleen omdat ik een oude vrouw ben met leelijke rimpels — en Maurits, \'t is bekend, haat alle oude vrouwen — maar ook, omdat ik mij bemoeid heb met het Twaalfjarig Bestand, waar hij tegen was, om dezelfde reden, die hem tegen eiken vrede doet zijn. Het ligt dus in het plan mijner meesters, den veldtocht voor Maurits niet al te roemrijk te doen zijn.

DE MARKIES.

Juist, juist, ga voort. Jufvrouw Serklaas !

SERKLAAS.

De Heeren Staten oordeelden voldoende hun doel te zullen bereiken door den Stadhouder geen versterking te geven, zoodat het leger niet talrijker zou zijn dan dat van Mijnheer Spinola. Bij ons wordt Spinola door sommigen Maurits\' meester genoemd.

DE MARKIES, onverschillig,

Spinola is een groot man.

SERKLAAS.

Hij voelt zelf dat hij het is, even als onze Stadhouder. Mij dunkt, dat hij evenmin iemant naast zich kan dulden als onze Stadhouder. Gelukkig, alzoo dat Uwe Excellentie bóven hem staat.

DE MARKIES.

We loopen gevaar af te dwalen; ter zake alzoo!

SERKLAAS.

Uwe Excellentie moet kunnen raden wat mijne bedoeling is; ik vertrouw nooit op de kansen van den oorlog; ik ben maar een oude burgervrouw, maar ik heb ondervinding. Maurits zou Spinola eens kunnen verslaan; het is meer gebeurd. Daarom is het goed het welslagen van den Stadhouder onmogelijk te maken, door u mede te deelen wat hij voornemens is te doen. Hij is op het oogen-blik ...

DE MARKIES.

Niet in het kamp bij Arnhem, zoo als ge me gister zeidet.

35

SKRKLAAS.

Niet meer is hij daar. Hij is thands in de Baronnie van Breda.

-ocr page 40-

JUFVROUW SERKLAAS.

DE MARKIES, driftig.

Dat weet ik.

SERKLAAS.

Ik moet zeggen, dat Uwe Excellentie goed gediend wordt. Maar ge bezit ook mijnheer Spinola, die een valkenblik heeft.

DE MARKIES.

Mijnheer Spinola kent alleen den weg dien hij zelf moet inslaan. SERKLAAS.

Dus ligt de weg dien h ij zal moeten inslaan niet in de Baron-nie van Breda ?

DE MARKIES.

Ge zijt snel in uwe gevolgtrekkingen.

SERKLAAS.

Ge bestrijdt ze niet r

DE MARKIES.

Op een dergelijke vraag geeft men geen andwoord. GewütMau-rits van Nassau tegenwerken, ik niet minder en Senor Spinola handelt dienovereenkomstig op mijn last. (langzaam) Wij bedoelen juist het Huis van Nassau te treffen en niet zoo zeer de Geünieerde Provincies.

SERKLAAS.

Maar zal dat kunnen ? Beider belangen heeten éen.

DE MARKIES.

Schrandere vrouw! Heeft het huis Nassau geen eigen bezittingen ? SERKLAAS.

Bij voorbeeld Breda ? (kleine Jgt;a«ze) Ei ! Ei!

DE MARKIES.

Wat is het krijgsplan van M aurits ?

SERKLAAS.

Een aanslag op And werpen.

DE MARKIES.

Gij schertst.

SERKLAAS.

Ik ben heel ernstig.

DE MARKIES.

Op Andwerpen ? Maar als dit waar is kan het hem zijn geheele leger kosten nu ik gewaarschuwd ben. Gij hadt dit kunnen weten en toch hebt gij gesproken, Ik geloof u niet !

36

-ocr page 41-

jufvrouw serklaas.

serklaas.

Uwe Excellentie gelooft geen Heiligen of ze moeten mirakelen doen.

de markies.

De vergelijking is, geloof ik, al heel slecht gekozen.

serklaas.

Was mijn mededeeling dan straks niet juist, dat Maurits zich in de Baronnie bevond ?

de markies.

Ge doet mij de mededeeling aangaande Andwerpen, die niet noodzakelijk voortvloeit uit uw verlangen om des Stadhouders macht te verkleinen, zeker uit tedere vriendschap voor mij ? Waarlijk, ik verklaar mij uw plotselinge genegenheid niet, hoezeer ik die ook waardeer!

serklaas.

Misschien is mijn vriendschapsbetoon zoo heel belangeloos niet, en vraag ik wel eene goede belooning.

de markies.

Die u niet geweigerd zal worden. Wilt ge haar in specie of wissels?

serklaas.

Indien ik zoo\'n belooning verzoek zal het zeker in klinkende munt wezen. Mijn goede moeder zou veertig jaren vroeger zeker in mijn plaats goederen uit de Indiën Zijner Majesteit hebben gevraagd, maar daar w ij die Indiën nu bezitten . ..

de markies, geeuwend.

Wat beteekent Frederik Hendrik ten uwent?

serklaas, hem even aanziende, onverschillig.

Hij is een goed man.

de markies.

Dus kan hij zijn broeder niet vervangen ?\'

serklaas.

Zijn broeder is het zwaard der Provincies en als dit zinkt moe ■er veel zinken.

de markies.

Onderstel, dat het gezonken is, welke vrede vragen de opgestane gewesten ?

serklaas.

Uwe Excellentie hebbe de goedheid mij schriftelijk de voorwaarden op te geven, waarop Hare Hoogheid thands den vrede aan-

37

-ocr page 42-

jufvrouw serklaas.

biedt; daarna zal ik afreizen en een degelijker gezant zal zich van wege de Heeren Staten aanmelden.

de markies.

Dus was dit uw eenige last ?

serklaas.

Twijfelt Uwe Excellentie er aan? [de Markies ziei haar strak aan; zij staat den blik door) Vóór mijn vertrek wilde ik evenwel van de goedheid Harer Hoogheid gebruik maken en het merkwaardige van • Brussel bezichtigen. Mag ik daarom een vrijgeleide of hoe ge zoo n ding noemt?

de markies.

Het zal u gegeven worden

serklaas.

Ik heb nog éen verzoek, het is voor mijn geleider, voor den heer van Maldeghem. Hij bemint de gravin d\' Hauterive en ik heb beloofd hem bij u te ondersteunen.

de markies, gedwongen.

Hij kon geen krachtiger steun gevonden hebben.

serklaas.

Ik wenschte zijn lief ook wel eens te ontmoeten.

de markies.

Wie is dat ?

serklaas.

Och kom. Uwe Excellentie zou dat niet weten. De Gravin d\' Hauterive.

de markies.

Als de gelegenheid zich daarvoor opdoet. . .

serklaas.

Ts er niet spoedig zoo\'n gelegenheid ?

de markies.

Ik twijfel er aan, daar de recepties ten Hove zeldzaam zijn.

serklaas.

Maar zou ik haar niet in haar eigen hotel kunnen ontmoeten ?

de markies.

Indien daar spoedig een receptie ware ....

serklaas.

Dus zal er niet spoedig eene zijn ?

-ocr page 43-

jufvrouw serklaas.

de markies.

Ik weet het niet. De pupil van Haar Hoogheid volgt alleen de geboden van deze.

serklaas.

Maar daar Hare Hoogheid de pupil is Uwer Excellentie...

de markies, JlOOg.

Jufvrouw Serklaas, of hoe ge heeten moogt, dergelijke gezegden zijn beleedigend voor mijne Souvereine.

serklaas.

Ook voor U ? Anders loop ik geen gevaar.

{De markies staat oj) en iverj^t een wreveligen blik op kaar.)

flip, in de deur.

De karos Zijner Excellentie.

serklaas.

Zal Uwe Excellentie niet vergeten, dat ik de voorwaarden Harer Hoogheid verwacht, waarna .. .

de markies.

Gij zult afreizen.

serklaas.

Uwe Excellentie is wel goed mij daaraan te helpen herinneren. Ik hoop Uwe Excellentie spoedig weder te zien.

de markies.

Dat zal mij een waar genoegen zijn. (beiden buige?? voor elkaar, maar zeer stijf; de Markies vertrekt?)

serklaas, nadenkend.

Wat heb ik al zoo gezegd ? Juist, juist. Weer sprak hij van Prins Maurits ... Ik geloof niet dat hij uit mij wijs zal worden, {roepend) Truiken, mijn regenkleed! {Ze loopt naar een zijdeur?)

De gordij?i valt.

VIERDE TAFEREEL.

EERSTE TOONEEL.

Ken weelderig gestoffeerd kabinet in het hotel d\' Hauterive. Aan éene zijde ramen, die ondersteld worden op een tuin tiit te zien. Opeen.

39

-ocr page 44-

jufvrouw serklaas.

divan ligt ADÈle d\' hauterive in een houding, die de hoogste verveling aanduidt; ze houdt een bloem in de hand waarmèe ze speelt; op een tafel in hare nabijheid: een koperen kooi met papegaai; aan het raam zit donna gloriosa

ADÈLE.

Donna Gloriosa, ik wil alleen zijn!

donna gloriosa, Statig.

Het is het uur voor een rid of een wandeling in den hof; het is geenzins de tijd om u alleen te laten {71a een poze, waar 171 Adèle de bloem wegwerpt en met de papegaai speelt). Ik zie evenwel, dat Uwe Excellentie niet geheel wel is; ik mag daarom in zulke omstandigheden afwijken van het bestaande voorschrift en heb de eer Uwe Excellentie te groeten. {Zij staat op en gaat fia een buiging naar de deur.)

ADÈLE.

Ik wil den heelen avond alleen zijn. Zijne Excellentie heeft, zooals ge weet, bepaald, dat dit kabinet mijn speelplaats zou zijn, waar ik doen kan wat ik verkies, evenals mijn lorre 111 de kooi. {Gloriosa, diep nijgende, vertrekt; het is schemerdonker geworden. Onrustig het vertrek op en neer gaande?) Waarom mij ook gedwongen ? Waarom mij ook als in een kerker opgesloten ? Zou het een misdaad zijn als de gevangene, zoo hij niet door de deur ontvluchten kan, het door het venster poogt te doen? {Men hoort beweging aan de zijde van het openstaand raam. Zij legt de hand op het hart,)

TWEEDETOONEEL.

De vorige. van maldeghem door het venster binnenkomende.

van maldeghem.

Adèle!

adèle, zacht.

Om Gods wil, zacht! Het is niet goed dat ik \'t u heb toegestaan . . . ! Alfred, ga terug!

van maldeghem, de knie voor haar buigende, en haar hand kussende.

Zoudt ge mij dan een laatst vaarwel weigeren ? Men zal mij spoedig naar het leger zenden; men zal mij wellicht in de voorste gelederen plaatsen om mij spoedig het Paradijs te doen beërven, en

40

-ocr page 45-

JUFVROUW SERKLAAS.

ge zoudt mij het eenig gelukkig uur willen ontrooven, dat mij misschien nog rest? Dat zou wreed zijn, Adèle ! {hij drukt haar hand en slaat den arm om haar heen).

adèle.

Maar zoo men ons verraste, Alfred! Ik ben zoo angstig! Een voorgevoel misschien !

van maldeghem.

Niemant veimoedt ons samenzijn. Laat mij dit oogenblik gebruiken! Wie weet of ik u ooit weder zal mogen ontmoeten!

adèle.

Gij zinspeelt nogmaals op een donkere toekomst? Spinola is u toch genegen.

van maldeghem.

Spinola is hier geen meester, de Markies is het. Kent gij den Markies ?

adèle.

Hij is streng, maar rechtvaardig. Waarlijk, de Markies wou voor mij altoos een vader zijn.

van maldeghem.

Een vader ? Ja, zoo lang gij zijne plannen dient, zoo lang ge zijn werktuig kunt zijn; en dat zijt ge, op welke wijze is me onbekend; maar ik leid uit alles af, dat ge het zijt. Wie kan ook zijn berekeningen volgen? Hij heeft een doel, dat hij door u bereiken zal7 misschien eerst over jaren, maar hij zal het bereiken. Ik vrees hem 1 Hij bestemt u voor een ander, voor de Valckenaere.

adèle.

Ik vermoed het.

van maldeghem, haar kussende.

Adèle! {het is duister geworden) Gij moet met den Markies spreken en hem zeggen dat gij de Valckenaere niet huwen kunt.

adèle.

Waar denkt ge aan? Ik zou opstaan tegen zijn gezach? Neen. neen, dat durf ik niet.

van maldeghem.

Maar welk een raadselachtige invloed oefent dat wandelend skelet dan toch uit? {door het venster vallen eenige lichtstralen naar binnen.)

adèle, daarop wijzende^ verschrokken.

Zie, wat is dat? {beiden treden naar het venster.)

4^

-ocr page 46-

jufvrouw serklaas.

van maldeghem.

Ziet gij daar in den hof, onder dit venster, de Valckenaere en donna Gloriosa? En die anderen! Waart ge vergeten, dat er van avond receptie ten uw ent was ?

adèle, angstig.

Ik wist van niets! De geheele adel schijnt hier te zijn. En Donna Gloriosa die mij daarvan niets meldde! Alfred, laat mij alleen! Wat zou het zijn als men u hier aantrof?

van maldeghem, haar kussend.

Liefste, vaarwel dan! {hij treedt naar het venster, gesmoord) Adèle, ik kan niet langs dezen weg terug! Die Duenna en die Zwarte duivel ! \'t Is of zij eeuwig daar de wacht houden !

adèle.

Indien men mij den hof verspert, dan zal ik beproeven of ik nog meesteresse ben in eenig ander gedeelte van mijn huis. Volg mij, Alfred ! {Zij gaat naar de deur op den achtergrond^ wil die openen maar vindt die gesloten) Groote God . ..! ik ben verloren j {voetstappen naderen).

van maldeghem.

Adèle, gij moet alleen zijn als men hier komt; ik ontsnap door het venster.

adèle.

Gij kunt het kabinet der Gravin d\' Hauterive niet op die wijze verlaten; maar al kondet gij het ook, gij zult het niet doen! (de deur wordt opengesloten^ Alfred treedt naar den achtergrond bij Het venster, de hand op het gevest van zijn zwaard.)

DERDE TOONEEL.

De vorig en. de markies, gevolgd door zijn schrijver Fernando, die een waskaars draagt en op den drempel staan blijft.

de markies, zonder op van Maldeghetn acht te geven.

Ik had van Donna Gloriosa vernomen dat ge onpasselijk waart, mijn kind ! Hoe prachtig ook het feest zij dat ge van avond geeft, het derft zijn grootste sieraad als g ij daaraan ontbreekt. Ik had u willen verrassen, mijn kind !

adèle,

En Uwe Excellentie verrast mij werkelijk.

42

-ocr page 47-

JUFVROUW SERKLAAS.

de markies.

Fernando, sluit dat venster! {hij ziet van Maldeghem, /naar doet het niet blijken.) Zet het licht hier neer; gij kunt wachten in het voorvertrek. {Fernando gehoorzaamt en vertrekt) {vriendelijk) Ik vernam van Donna Gloriosa dat ge alleen woudt blijven. Hebt ge de hulp van een doctor of van een priester noodig? Is het een ziekte van het lichaam of van de ziel ?

ADÈLE.

Misschien beiden j maar vergeef mij de opmerking, dat, hoezeer ik ook altijd dank zegge voor een verrassing, deze mij minder aangenaam is in mijn eigen huis. Hoewel nog slechts een kind, weet ik gaarne wat daar omgaat.

de markies, zich eenigzins uit zijn gebogen houding opheffende^ streng.

Een kind behoort zich gaarne aan de leiding van meer bejaarden en ervarenen toe te vertrouwen.

ADÈle, fier.

Het voegt mij niet, mij met Uwe Excellentie in een woordenstrijd te wagen. Jk meen evenwel het recht te hebben rekenschap te vragen van hetgeen hier geschiedt. Gij hebt, zonder mij daarvan te verwittigen, over het eigendom mijns vaders beschikt; gij hebt een feest aangericht, waar ik het recht had de eerste genoodigde te zijn of, beter nog, waar ik in de plaats van den Graaf d\' Hauterive mijne gasten had moeten ontvangen. Uwe Excellentie heeft niet gehandeld, zoo als zij had behooren te doen.

de markies, oJgt; snerpenden toon.

Al ware dat zoo, het zou u voegen te zwijgen en uw voogd niet te vertoornen door onbehoorlijke klachten, {zachter) Maar neen, niet alzoo wil ik mijn weerbarstig kind tegentreden, daar dit kind wellicht door booze ophitsing voor de eerste maal weerbarstig is. Donna Gloriosa heeft naar ik merk goed kunnen zwijgen/beter dan ik vermoedde. Ik mag haar daarvan waarlijk geen verwijt maken, maar wel, dat zij mij niet vroeg genoeg van uwe onpasselijkheid heeft onderricht. Ik zal u reden geven mijner handelwijze; zet u naast mij neer, Adèle! [beiden gaan zitten). Gij hebt zeker opgemerkt, want uit uw kabinet kunt gij een blik in den hof slaan, dat dit feest prachtiger is dan er ooit een in uw hotel gegeven werd. Het is ook een feestdag voor uw Geslacht. Gij kent het heldenfeit van uw vader, dat van daag verjaart ? Uw vader nam deel aan de belegering van Andwer-pen, toen die stad door de Geuzen bezet was. Bij een uitval heeft hij door zijne scherpzinnigheid en dapperheid den vijand terug geslagen. In deze tijden, waarin van de Nederlanders zulke groote

43

-ocr page 48-

jufvrouw serklaas.

offers moeten gevraagd worden, vond ik het gepast om de heldendaad van een der edelsten hunner te gedenken, en daardoor den Adel aan te sporen hem na te volgen. Ik word vervelend, niet waar, mijn kind ? nu ik u een blik laat slaan in mijne staatkunde. Ik bedoelde wel het algemeen belang door deze daad te gedenken, maar tevens een lauwer te hechten aan het hoofd van uw vader.

adèle, geroerd.

En ik waagde u te verdenken ! Och, vergeet dit! Mijn dappere vader!

de markies.

Is deze dag reeds belangrijk voor uw Huis, Hare Hoogheid wenscht dien nog belangrijker te maken. Zij wenscht uw Geslacht dezen dag een nieuw leven te geven. Er bestaan geen mannelijke afstammelingen der Hauterives; gij zijt de eenige telg. Welnu, Hare Hoogheid heeft onder de schranderste en uitstekendste bewoners van Brussel een echtgenoot voor u gekozen, een echtgenoot, die uw Geslacht zóo waardeert, dat hij verzocht heeft uw naam te mogen aannemen.

van maldeghem, de vuisten ballende: zacht.

En nog te moeten zwijgen!

adèle.

Uwe Excellentie wil toch niet mijn tijdelijk en eeuwig verderf?

de markies.

Wat is dat, Adèle? Weder ongehoorzaam?

adèle.

Verg mij alles ! Verg dat ik afstand doe van mijn naam, van mijn rijkdom : ik zal gehoorzamen. Maar huwen met dien man ... 1 Uwe Excellentie verge mij dat niet!

de markies.

Adèle, gij weet eigenlijk zelve niet wat gij wilt! Gij hebt Sire de Valckenaere met in het oog loopende achting bejegend. Er was geen receptie of hij was naast u gezeten; bovendien, hoe dikwerf hebt gij hem ten uwent ontvangen !

adèle.

Ik bukte voor dwang.

de markies.

Gij hebt uwe Voogdesse en mij doen gelooven, dat ge Sire de Valckenaere tot uw echtgenoot verkozen hadt. Hare Hoogheid en ik gaven hem ons woord.

44

-ocr page 49-

jufvrouw serklaas.

adele.

Dat had niet gegeven mogen worden.

de markies.

Zegt g ij dit, die de oorzaak zijt dat het gegeven werd ?

adele.

Dat is niet zoo.

de markies, streng.

Ik zeg u, dat het zoo is, dwaas, wispelturig kind ! Gij zult van avond met hem verloofd worden, ten aanschouwe van den gantschen adel van Brussel. Volg mij, Adèle! (hi/ staat op, maar zij blijft zitten). Droog uwe tranen! Wij verliezen daardoor tijd; want nu moet Donna Gloriosa haar rozewater gebruiken, om uw roode oogleden te verfrisschen.

adèle, opstaande, na inwendigen strijd.

Neen! Ik heb slechts Alfred van Maldeghem lief, hem alleen!

van maldeghem, naar haar toeijlend,

Adèle, ik dank u, innig beminde! Gij hebt mijn tong ontboeid; thands mag ik spreken I

de markies, gebiedend.

Adèle, gij zult met mij gaan of ge zult genoodzaakt zijn den adel van Brussel hier te ontvangen. Fernando! {deze verschijnt op den drempel.) Gij hebt alsnog de keuze, Gravinne d\' Hauterive ! {Adèle staat als versteend.)

van maldeghem, zich voor haar plaatsend.

Maar dit is schandelijk^ dit is laaghartig. Dat zal ni et geschieden I de markies.

Gravin d\' Hauterive, gij gedenkt dezen dag den roem van uw doorluchtig Geslacht. Ik wil uw vlekkeloozen naam redden; n u kan ik dat nog, straks niet meer.

adèle.

Heilige God, doe mij sterven!

van maldeghem, ziedend van toorn tot den Markies.

Het ware goed zoo de kleur van uw aangezicht die van uw wambuis evenaarde, ge zoudt dan rood kunnen worden van schaamte, zonder dat men het merkte.

de markies, zich in zijn volle lengte opheffend.

Jonkman^ uw leven staat op het spel I

45

-ocr page 50-

jufvrouw serklaas.

VAN MALDEGHEM.

Alsof ik dat niet wist van het oogenblik, dat ge op dezen drempel waart verschenen door omkooping van dienstbaren of verval-sching van sleutels ! O. men heeft u nog nooit de waarheid durven zeggen in het aangezicht, Markies de Bedmar, maar gij zult die van mij hooren! Gij draagt het kleed van een edelman, maar dat van een lakei zou u beter voegen! En zulk een heet zich onzen meester, verscheurt onze privilegies, rooft ons onze vrijheid, vernietigt ons vaderland, maakt ons onderhoorig aan den vreemde !

ADÈLE.

Alfred, Alfred, niet alzoo !

de markies.

Laat hem spreken! Bij werkelijken toorn openbaart men het best zijn charakter. Adèle, bij de nagedachtenis uws vaders, roep ik u tot uw plicht terug! Wat ü aangaat, jonkman, ik vergeef u den groven schimp. Gij kunt mij niet kwetsen. Hebt ge de Gravin d\' Haute-rive lief, zoo bid haar mijn raad te volgen ! Z ij kan nooit de uwe zijn, en moet in een klooster haar misstap boeten, indien ge wilt dat die openbaar worde. Heer van Maldeghem, gij lijkt op uw vader, en die, hoewel een muitende onderdaan, was edelman, {na ein kleine paiizè) Fernando, licht ons voor! {JiiJ biedt Adèle den arm, dien zij niet aanneemt.)

van maldeghem, voor haai\' een knie buigend, snikkend haai\' hand kussend.

Adèle, vaarwel voor eeuwig! {hij ijlt heen door de geopende deur op den achtergrond.)

adèle, de hand leggend in den arm van den Markies, overspannen bedaard.

Gij hebt overwonnen. Markies! {Zij gaan heen; bij open gordijn verandert hel tooneel.)

VIJFDE TAFEREEL.

EERSTE TOONEEL.

jEen kloostercel, waarin zich verscheiden wapentuig bevindt. Een hellebardier op den achtergrond als wacht. Het is het klooster Jericho waarin de Markies de Bedmar mede woont. Deze cel behoort echter

46

-ocr page 51-

jufvouvv serklaas.

bij het hoofdkwartier van Sj)inola. jufvrouw serklaas treedt met moeite binnen, achtervolgd door een hopman.

de hopman, barsch.

Senor Spinola zal straks komen.

serklaas, Zacht.

Best, Heer hopman! Doe mij nog een gunst, en vraag den Heer van Maldeghem, dien ik met andere officieren bij de wacht zag, mij even hier te woord te staan.

de hopman.

Zijne Edelheid heeft geen tijd.

serklaas.

Tóch, wel, vriend! Zeg hem dat het een dame betreft die ik ken. Geloof me Zijn Edelheid zal wel komen, {de hopman wil gaan.) Nog éen verzoek. Hoe kan ik hier het best in de vertrekken komen Zijner Excellentie den Markies, die ook al in dit klooster woont. Zeker uit vriendschap voor den opperbevelhebber, he ?

de hopman, oj) een zijdeur wijzende.

Het kantoor of hoe men \'t heet van den Markies is hier naast. Hebt ge nu nóg iets ?

serklaas.

Ik dank je; vergeet vooral Heer van Maldeghem niet.

de hopman, heengaande tusschen de tanden.

Neen, heks !

TWEEDE TO O NE EL.

jufvrouw serklaas, alleen:

serklaas.

Tk kom nu overal makkelijk! In den karos Rarer Hoogheid! De Markies wil \'t nu eenmaal zoo ! Ik in zoo\'n vergulde kast ! Als mijn zalige grootmoeder of de Schout, bij wien zij diende, eens kon opzien!

47

-ocr page 52-

jufvrouw serklaas.

DERDE TOONEEL.

De vorige, van maldeghem.

van maldeghem, haastig binnentredende maat\' teleurgesteld stilstaand,

Riept gij mij? (strak) Wat verlangt gij?

serklaas.

Kunt ge \'t niet raden ? Ge weet dat ik hoop had, u gister avond te ontmoeten. Ik merkte dat ge voornemens waart naar het bewuste hotel te gaan en ik heb u te vergeefs gezocht.

van maldeghem, bijtend.

Hebt ge mij werkelijk gezocht ? Van waar toch die telkens weder-keerende belangstelling ?

serklaas.

Ben ik het u niet verplicht dat ik mij hier bevind ?

van maldeghem, hevig.

Dank God veeleer, als ge heelhuids hier weêr van daan komt.

serklaas, belangstellend.

Wat meent ge ?\' Ja, ik heb reeds zoo wat gevaar geroken. Ik ben op het oogenblik gehuisvest in het paleis Harer Hoogheid, maar op de derde verdieping. Ik heb een lakei en een paadje Harer Hoogheid, die me overal bijblijven, juist alsof ze mij oppasten en me bespiedden.

van maldeghem, bijtend.

Dit moet voor u zeer lastig wezen.

serklaas, gemeenzaam.

Och, goede vriend, ge leeft nog onder den indruk van hetgeen men u -ran mij verhaalde. Misschien ware het beter geweest als ge mij gister voor iets anders als een spion gehouden hadt; wellicht ware dan veel niet gebeurd van wat gebeurd is.

van maldeghem, opvliegend.

Wat is er dan gebeurd? Wat weet gij, sluwe vrouw?

serklaas.

Ik weet, dat ge gister avond niet in het hotel d\' Hauterive zijt verschenen.

van maldeghem.

Vrouw, gij weet meer dan ge zeggen wilt! Spreek zonder omwegen ! Alles is thands voorbij. Ik heb afstand van haar gedaan.

48

-ocr page 53-

JUFVROUW SERKLAAS.

SERKLAAS.

Gekheid, dat gaat maar zóo niet! En dat deedt ge gister avond? Dus waart ge gister avond? Ik begrijp het; dat was alzoo de onpasselijkheid der Gravin.

VAN MALDEGHEM, woedend.

Gij wist het niet? Gij hoort mij dus weêr uit? Met welk recht dringt ge u in mijne zaken? Bemoei u slechts met de uwe toch... d i e staan hachelijk genoeg.

SERKLAAS.

Met welk recht ik in uw zaken dring ? het is het recht dat de vriendschap geeft. Komaan, Jonker, geen moed verloren, alsof schip en lading weg waren ! Ts het geen gunstig teek en, dat de verloving met de Valckenaere gister avond niet plaats heeft gehad ?

VAN MALDEGHEM, levendig.

Heeft zij niet plaats gehad ?

SERKLAAS.

De Valckenaere verliet vóór de plechtigheid de zaal.

VAN MALDEGHEM.

En waarom deed hij dat ?

SERKLAAS.

Omdat ik hem een paar woorden in het oor fluisterde, die hem het verleden herinnerden, en hij heeft geen genoegelijk verleden.

VAN MALDEGHEM.

Deedt g ij dat ? K o n d e t gij dat doen ? Gij kent hem en hebt macht over hem ?

SERKLAAS.

We zijn oude bekenden, maar. Goddank, geene familie. Ik heb voor een oogenblik macht over hem gehad ; misschien later nooit meer ; maar ik heb dat éene oogenblik tot uw voordeel goed besteed.

VAN MALDEGHEM.

Edele vrouw !

SERKLAAS.

Stil, stil! Straks was het: sluwe Vrouw en nu dadelijk: edele! Ge zijt nog in een doolhof, waar ge alleen voetstaps kunt voortgaan, als ge ten minste niet verdwalen wilt.

VAN MALDEGHEM.

Zeg mij den waren naam van dien man, om te weten of ik mijn degen met den zijnen kan kruisen I

49

4

-ocr page 54-

SERKLAAS.

Volstrekt niet, dolleman ! — Dacht ik niet dat er zoo iets gaande was ! Ik zeg u niets en ik vraag u veel. Vertrouwt ge mij ?

VAN MALDEGHEM.

Zou ik niet, na zulk een bewijs van vriendschap jegens mij en mijne arme Adèle ?

SERKLAAS.

Welnu, wat viel er gister avond achter de schermen in het hotel d\' Hauterive voor ?

VAN MALDEGHEM, weifelend.

Gij vraagt mij. . . ? (haar strak aanziende) Het zij. Ik had een geheim onderhoud met Adèle.

SERKLAAS.

Hoe kon dit een geheim onderhoud zijn ?

VAN MALDEGHEM.

Door de nabijheid der hotels Vilain en Hauterive. Ik kom veel in het eerste; de tuin grenst aan dien van de Hauterive; zóo begon de kennismaking. . . .

SERKLAAS.

En werd zij voortgezet; begrepen ! Verder.

VAN MALDEGHEM.

Ik vroeg Adèle een mondgesprek door een briefjen, dat ik zelf haar door het traliewerk toestak. Ik kwam op het afgesproken uur en vond haar alleen. Het geheim moet echter den Markies verraden zijn geworden. Deze had den geheelen Adel met uitzondering, let wel, van den Graaf Vilain genoodigd. Het bleef mij verborgen juist omdat deze niet gevraagd was. Toen de avond gevallen was zag ik den tuin gevuld met gasten en onder het venster de Valckenaere de wacht houden. Weldra kwam de Markies. En toen, kunt gij \'t niet raden ? De toeleg was, schandelijk ! Om haar bij weigering te schandvlekken door mij aan de genoodigden in haar kabinet te doen zien!

SERKLAAS.

Ei, ei ! En was de Markies alleen toen hij binnenkwam ?

VAN MALDEGHEM.

Hij bracht zijn tweede ik meè, zijn geheimschrijver.

SERKLAAS.

Dien mageren uitgehongerden stakkert in dat kale zwarte wambuis ? En de goevernante was zeker ook in het geheim ?

-ocr page 55-

5i

VAN MALDEGHEM.

Zeker, die is de echo van den Markies. O, de toeleg was schandelijk, schandelijk!

SERKLAAS.

Als ik alles wel naga dan schijnt het toch wel een aanslag met voorbedachten rade. Ik heb meelij met u en uw lief. Wat hadt ge willen doen als ge mij niet gesproken hadt ?

VAN MALDEGHEM.

Ik had gevraagd terstond naar het leger te mogen vertrekken. Ik had den dood gezocht.

SERKLAAS.

Ge hadt er den markies een groot genoegen meê gedaan. Ik zou hem echter liever willen plagen door te blijven leven. Maar zoo men u eens beveelt op te trekken, wat dan?

VAN MALDEGHEM.

Weigeren k a n ik niet, w i 1 ik niet.

SERKLAAS.

Maar gehoorzamen evenmin ; gij moet u ziek houden tot zoo lang het noodig is. Zoo als ik u zei, woon ik thands in het paleis Harer Hoogheid, waar ge mij niet kunt komen bezoeken. Doe uw brieven bezorgen aan Flips van Oudenaerde in de Verwerstraat, met verzoek ze mij zelf te komen brengen. Gij woont . . . ?

VAN MALDEGHEM.

In de straat Madeleine. . . .

SERKLAAS.

Doe de gangen van de Valckenaere bespieden en laat het mij weten als hij Brussel verlaat.

VAN MALDEGHEM.

Zou hij Brussel verlaten? Maar dan zou hij mij het veld vrij geven. Hij doet het zeker niet.

SERKLAAS.\'

Ik hou het er voor, dat hij het wél zal doen, en dan . . . zullen wij het spel beginnen. Maar éene vraag ! Wilt ge mij blindelings volgen? Ik verg geen vertrouwen; gij moet het mij aanbieden.

VAN MALDEGHEM.

Ik gehoorzaam u blindelings.

-ocr page 56-

JUFVROUW SER KLAAS.

VIERDE TO ON EEL.

De vorige/2, SPINOLA.

SPINOLA. de wenkbrauwett fronsend tot van Maldeghem

Ik wist niet dat gij u in zulk aangenaam gezelschap bevondt.

SERKLAAS.

Wel aangenaam, Excellentie ! We zijn oude kennissen. De jonker heeft mij de gelegenheid verschaft hierheen te komen en Uwe Excellentie te ontmoeten.

SPINOLA, tot van Maldeghem.

Wij zien elkaar in het kamp terug. Ik heb u een aangename tijding mede te deelen. Van morgen werd mij het bevelschrift Harer Hoogheid ter hand gesteld, waarbij gij tot Kolonel wordt bevorderd .... bij het regiment mijnwerkers. Uwe diensten worden beloond. Naar ik verneem ontmoet Mevrouw ....

SERKLAAS.

Jufvrouw ....

SPINOLA, ongeduldig.

Welnu, dan jufvrouw Serklaas, den Markies dikwijls. Ge schijnt met den heer van Maldeghem ingenomen en hebt daar zeker uwe redenen voor. Zijt ge mij voorgekomen en hebt ge den jonkman de blijde boodschap reeds medegedeeld ?

SERKLAAS.

Ik wist natuurlijk niets van die benoeming.

SPINOLA, tot van Maldeghem, met nadruk.

Men belooft u een glansrijke toekomst. Ik kreeg in last u in de gelegenheid te stellen u te onderscheiden.

SERKLAAS.

Me dunkt dat hem dat als m ij n w e r k e r niet moeielijk zal vallen. Zoo\'n mijnwerker staat immers altijd vooraan. Nu, goede reis! Ik mag niet hopen, dat ge slaagt; want het zou Prins Maurits een schoone stad kosten. Breda is evenwel sterk.

SPINOLA, van Maldeghem met de vonkelende oogen als ondervragende.

Ook ik zie u spoedig generaal of... voor een krijgsraad.

52

-ocr page 57-

JUFVROUW SERKLAAS. 53

VAN MALDEGHEM.

Niet alzoo, heer! (Söinolaas hand vattend) Ik begrijp wat Uwe Excellentie bedoelt. Bij mijn eer, ik zei die vrouw niets !

SPINOLA.

Het is wel, het is wel. Wat zoudt ge haar ook gezegd kunnen hebben ? Wat weet ge ? Ga uw bevelen ontvangen en trek af.

VAN MALDEGHEM, zich blligeJlde.

Ik zal mij gereed maken. Na dit bewijs van de genade Harer Hoogheid behoor ik mijn Souvereine alleen.

SERKLAAS, he?n naroepend.

Vaarwel! Ik twijfel er volstrekt niet aan: je wordt generaal of een 1 ij k. En het laatste zeker het eerst! {Van Maldeghem houdt bij die woorden een 0ogenblik op; hij ziet Serklaas strak aan, knikt haar toe en vertrekt?)

VIJFDE TO ON EEL.

SERKLAAS en SPINOLA.

SERKLAAS.

Een flinke jonkman, dien de Markies wat graag in den Hemel had !

SPINOLA.

Wat hebt ge mij te zeggen ?

SERKLAAS.

Ik kwam eigenlijk hier om Uwe Excellentie te verzoeken al haar invloed ten gunste van den vrede aan te wenden.

SPINOLA, toornig.

Drijft ge den spot met mij ? Zie om u heen\' en leid er uit af of ik voor vrede of voor oorlog gestemd ben.

SERKLAAS.

Als ik daarnaar oordeelen moest dan zijt ge voor den oorlog ! Maar men is niet altijd wat men schijnt.

SPINOLA.

Ge spreekt daar een treffende waarheid uit; het komt mij echter vreemd voor, die van uwe lippen te hooren.

SERKLAAS.

Waarom ?

-ocr page 58-

jufvrouw serklaas.

spi no la.

Zoudt gij zelve het andwoord niet welen te geven ?

sicrklaas.

Ik wil u niet begrijpen, om uw naam van wellevend mensch niet in de waagschaal te stellen.

spinola, zacht.

Heks! {luid) Is het sluiten van den vrede het eenig doel van uw komst, dan kunt ge wel terug gaan.

serklaas.

Waarom zijt ge zoo voor den oorlog ?

spinola.

Ik vermeen u geen rekenschap schuldig te zijn, en al ware ik het ook, ik zou u op uw grooten landgenoot Prins Maurits wijzen, die bij het Bestand . . .

serklaas.

Van geen vrede wilde hooren, omdat de oorlog alleen zijn macht kon verhoogen. Uwe Excellentie zal toch niet verlangen, dat ik .le vergelijking hier volkomen toepasse ?

spinola, ter zijde.

Vervloekt wijf! (luid) Wat verlangen de Staten ?

serklaas.

Natuurlijk, eenige waarborgen.

spinola.

Waarborgen, nu de Republiek ligt te zieltogen !

serklaas.

Zoo erg is het nog niet. We eten altijd nog boter op ons brood en hebben nog altijd messen om het door te snijden. En dan, gaat het hier zoo voordeelig ? Het is waar, hier is eendracht, die bij ons ontbreekt; hier is de Markies de boezemvriend Uwer Excellentie.

spinola.

Heeft de Markies, met wien ge zeer bevriend schijnt, u dit verzekerd ?

serklaas.

Ik met den Markies bevriend, die niets doet dan mij met halve beloften in slaap te wiegen ? Openhartig gezegd, daarom kom ik bij u, bij wien men edeler hoedanigheden dan list en sluwheid gewoon is aan te treffen.

54

-ocr page 59-

JUFVROUW SERKLAAS.

SPIN OLA, glimlachend.

En ge dacht mij voor den vrede gestemd ?

SERKLAAS.

Ja, omdat de Markies er tegen is.

SPINOLA.

Hij tegen den vrede? Hij, die slechts verliezen kan bij den oorlog?

SERKLAAS.

Verliezen, omdat Uwe Excellentie er bij winnen kan? Geloof dat niet! De Markies neemt zijn maatregelen zóo goed, dat Uwe Excellentie bij den oorlog niet veel zal winnen.

SPINOLA.

Gij meent ?

SERKLAAS.

Ge gaat Breda belegeren, maar zult de stad wel voorzien vinden.

SPINOLA.

quot;Wie heeft u dat sprookjen verhaald ?

SERKLAAS.

De Markies, en die houdt gewoonlijk niet veel van sprookjens.

SPINOLAj uitbarstend.

Bij God en zijne Heiligen, hij zal het mij betalen ! Dat gaat te ver. Te heulen met den vijand!

SERKLAAS.

Tk ben de zijne, niet de uwe, Excellentie!

SPINOLA, in toorn het vertrek op en neer loopend.

Ik begrijp hem, ik doorzie hem! {stilstaande) Juffer Serklaas, een belang verbindt ons. Valt de. Markies, dan sluiten wij den vrede Het is dus ook uw belang dat hij valt. Ik vernam veel van uw geslepenheid. Hoor mij I De Staten van Braband hebben een beklag over mij bij den Markies ingediend ; dat beklag is zeker door hem naar Madrid opgezonden. Is dit zoo, dan heeft hij er een brief bij gedaan. Zoek den brief of een afschrift daarvan mij in handen te spelen, en dan, bij mijn riddereer, zal ik u in uw streven naar vrede ondersteunen, wilt ge ?

SERKLAAS.

Ik zou bijna het onmogelijke willen beproeven om uwe hulp te verdienen ; maar beloof mij terstond een wederdienst. Bezorg mij, zoodra ik u die missive ter hand zal hebben gesteld, een vrijgeleide naar den Haag, en laat mijn gids niet weer van Maldeghem zijn,

55

-ocr page 60-

jufvrouw sekklaas.

die reeds eens de gunst van den Markies daarmee verspeeld heeft, maar de Valckenaere.

spi no la, achterdochtig.

Hoe komt ge aan dien man? Ge kent hem?

serklaas.

Ik hel) hem in Brussel eens ontmoet. Zou hij niet meer hier wezen ?

spinola.

Hij staat niet onder mijne bevelen. De Markies nam hem onder zijn speciaal kommandement.

serklaas.

Maar waar ligt zijn regiment, dat naar ik hoor geheel zwart is, evenals hij?

spinola.

In Andwerpen. Het verwondert mij, dat ge juist dien man tot uw leidsman uitkiest.

serklaas.

Hij staat in hooge gunst bij den Markies en op reis houdt men gewoonlijk van praten; ge ziet dat ik jegens u openhartig ben.

spinola.

Ik hoop het,

serklaas.

Ge zult liet w e t e n, zoodra ik u de verlangde papieren in handen heb gespeeld.

SPINOLA, tot den hopman, die binnentreedt.

Ik kom, ik kom. (tot Serklaas) Vaarwel !

serklaas, hem de hand toestekend, die hij even aanraakt.

We geven den vrede aan de Vereenigde Nederlanden.

spinola, vertrekkende.

Zeker, zeker. De Hopman zal u naar uw karos brengen.

ZESDE TO ON EEL.

serklaas en de HOPMaN.

serklaas, tot dezen.

Het is niet noodig, vriendlief! Ga liever gehoor voor me vragen bij den Markies. Gij kent beter dan ik den weg door dit klooster, {de rIoJgt;-

56

-ocr page 61-

57

man buigt en verlrekl door een zijdeur), [yroo/ijk) Ik ben er, ik ben er; de Valckenaere, de landverrader, staat onder de bevelen van den Markies. Zijn regiment ligt te Andwerpen. Als ik nu maar dien brief kan machtig worden. Het zou aardig wezen als de Markies en Spi-nola eens goed aan \'t vechten kwamen ! In troebel water is \'t goed visschen!

ZEVENDE TO O NE EL.

De voi\'igen. fernando.

feb. nando.

Het spijt mij u niet te kunnen toelaten; Zijne Excellentie heeft bezoek.

ser klaas.

Zoo. Wie is er ? Kom aan, dat zal toch geen geheim zijn.

fern an do, fluisterend.

Sire de Valckenaere !

ser k laas.

Die komt nog al dikwijls, niet waar r Wie is hij toch ? Waar komt hij van daan ?

fernando, bedeesd.

Ik weet het niet. Ik bid u hier te wachten, want ik geloof dat Zijne Excellentie daar juist fluit.

ser klaas.

Ik hoor niets. Zeg me, goede vriend, bevalt je tegenwoordig ambt je goed ?

fernando.

Goed.

serklaas.

Toch niet heel goed ? Maar ik kan het mij denken. Een man van uw schranderheid nog maar geheimschrijver !

fernando, beleedigd.

Het ambt is gewichtiger dan ge denkt.

serklaas.

Ik geloof het graag. Maar is het inkomen daaraan gecvenredigd ?

fernando.

Ik kreeg nog onlangs verhooging.

-ocr page 62-

JUFVROUW SERKLAA.S.

SERKI.AAS.

Ja, de Markies zal u weten te waardeeren. Hoeveel bedraagt je inkomen wel ?

fernando.

Excellentie !

serklaas

Biecht eens trouw op.

fernando.

Ik heb twee honderd Brabandsche daalders. Het is meer dan genoeg voor mij.

serklaas.

Staat ge dan alleen op de waereld ?

fernando.

Ik heb een vrouw en zeven kinderen.

SERKLAAS.

Twee honderd daalders en een vrouw met zeven kinderen ! En dan schrijver te zijn Zijner Excellentie! Een man die bekend staat als een uitnemend verstand ! En dan nog maar twee honderd daalders ! Weet ge wel, vriendlief, dat een lakei van onzen Prins Maurits meer heeft.

fernando, gekwetst.

Ik ben ook geen \'lakei. Ik bekleed een ambt van eer en vertrouwen.

serklaas

Bedenk u eens goed ; was het in u gestelde vertrouwen, altoos eervol? Bij voorbeeld op den avond in het hotel d\'Hau-terive . . .

Fernando, verschrokken.

(Jij weet... ?

serklaas.

Hoor eens, vriendlief! ik ben in staat je een dienst te bewijzen, als je er mij óok een doet.

fernando.

Als het niet strijdt met den eed aan Zijne Excellentie gedaan. . . .

serklaas.

je meester, bedoelt ge, die je honger laat lijden. Ik wil doen wat je meester vergeet; ik wil wat vleesch en wat bier op je tafel brengen ; i k wil dat doen en je hebt voor m ij geen geheimen te bewaren. Luister, Fernando : {zich tol hem over buigende?) dertig dukaten, als ge mij den brief geeft op last Zijner Excellentie geschreven, bij het beklag der Staten van Braband.

-ocr page 63-

jufvrouw ser klaas.

fernando.

Neen, ik mag dat stuk niet geven.

serklaas.

Dus het bestaat. Zie, hoe ge je verraadt. Je wilt geen dertig dukaten verdienen . . . ?

fernando.

Neen, ik mag niet; dring niet verder ! Het kostte mij mijn ambt, zoo ik het deed.

serklaas.

Volstrekt niet; want de brief zal nooit uit mijn handen gaan. Je weifelt nog ? Zoo ik boosaardig van nature ware, dan zou ik je kwaad kunnen doen. Ik zou Zijne Excellentie, bijvoorbeeld, kunnen laten merken dat ik door u van het bestaan van dien brief ware onderricht.

fernando.

Gij hebt het van anderen kunnen vernemen.

serklaas.

Voorzeker, maar ik zou kunnen voorgeven het van u vernomen te hebben, en daarvoor zou eenige grond bestaan. Bij onze eerste ontmoeting hebt ge mijn klein geschenk niet geweigerd en alzoo eenige verplichting aan mij gemaakt. Ik, die hier vreemdeling ben en weinig met de overheid verkeer, kan mij met veel schijn van waarheid op u beroepen, dien ik ken, en die den brief zelf geschreven heeft; men zou mij gelooven en wat zou uw lot dan zijn ? Ik zal het u zeggen : gij zoudt vooreerst mijn veertig dukaten missen. . .

fernando.

Veertig ?

serklaas.

Zei ik dat ? Ik meende dertig, maar nu ik het gezegd heb, blijft het veertig. Ik draag ze bij mij. {ze laat hem een tasch vol goud zien.)

Fernando, gesmoord, zich afkeerende.

Ik geloof dat Zijne Excellentie mij roept.

SERKLAAS.

Het is niet zoo ; maar als ik u gelijk gaf dan zoudt ge mij verlaten en armer zijn dan over eenige oogenblikken. Want je neemt het goud aan dat ik in de hand houd, niet waar? Je kunt zeker rekenen. Welnu, je geeft mij dien brief; die komt nooit uit mijn handen; daarvoor krijgt ge veertig dukaten, en mocht er eenig nadeel voor u uit voortvloeien, wat niet te verwachten is, dan neem ik u naar Holland meè, waar men een bruikbaar mensch heel goed weet te gebruiken.

59

-ocr page 64-

jufvrouw skrklaas.

donna. gloriosa.

Hij moest van ochtend naar het leger vertrokken zijn ; hij kon zich niet in den zadel houden . . .

adelk,

Heer in den hemel ! Spoedig mijn karos!

T W E E D E T O O N E E I..

De vorigcn. df. vai.ckenaere.

donna glortosa, hem een stoel naast Adèle aanbiedend.

Mag ik u dezen stoel aanbieden ?

de valckenaere.

Als de Gravin het mij vergunt.

adèi.e.

Gij zijt wel beleefd jegens de minderjarige. Gij vraagt mij vergunning voor iels wat ik niet zou kunnen weigeren; gij zijt zeer beleefd.

de valckenaere.

Ik weet niet waaraan ik die terechtwijzing verdiend heb; zoo ik ooit de plichten heb kunnen vergeten, die mij jegens u zijn opgelegd . . . !

adèi.e.

Gij spreekt als slachtoffer, Heer de Val eken aere! Wilt ge mijn medelijden opwekken ?

de valckenaere.

Ik wenschte u alléén te spreken, Gravin ! {Hij wenkt Gloriosa heen te gaan, die daaraan wil gehoorzamen.)

adèle, tof Gloriosa.

Ik verzoek u te blijven. De Markies stelt te veel belang in de woorden Zijner Edelheid om mij niet te doen verlangen naar een getuige bij ons onderhoud. Ik mocht de woorden van Sire de Val-ckenaere eens vergeten of onjuist overbrengen. {Een bliksem straal is zichtbaar door het venster.)

de valckenaere, gesmoord.

Gravin, waarmede heb ik uwe minachting verdiend ■ Haat mij, gij hebt er wellicht reden toe, maar minacht mij niet. Neen, ik verdien dat niet!

62

-ocr page 65-

jukvroinv ser ki, a as.

adèle, op anderen loon.

Ik minacht u niet, Heer de Valckenaere ! Donna Gloriosa.. . {zij wenkt haar te vertrekkend)

de valckenaere, kare hand vattend.

Ik dank u voor dit bewijs van vertrouwen, {de hand loslatend.) Neen^ neen, ik wil geen vertrouwen van u.

adèi.e.

Ge waart gisteravond . ..

de valckenaere, de oogen neerslaande*

In dit hotel ; ik was er opontboden.

adèle.

En wie doet u thands weder hier verschijnen ?

de valckenaere.

Dezelfde die mij gister avond opontbood, {een kleine Jtanze.) De Markies zeide dat ik u vaarwel moest zeggen voor ik op reis ging.

adèle, verrast.

Ge vertrekt ?

de valckenaere, bitter.

De Markies vermoedde, dat ge mij te veel bewijzen van deelneming hadt gegeven om zonder afscheid van u te vertrekken. Gij weet wat hij verder wenscht: een hechte band moet ons verbinden.

adèle.

Ik vernam het bevel Zijner Excellentie.

de valckenaere.

Gij hebt gelijk, een bevel is er noodig om u tot mij te brengen. Gij zijt jong en ik ben oud, oud vóór den tijd ! Neen, die verbintenis mag niet plaats hebben. Het leven mag zich niet huwen aan den dood. Gij vraagt liefde, ik niet meer. Ik vraag slechts wraak ! {een helle lichtstraal en hevige donder, de Valckenaere wendt zich af en bedekt zich het gelaat met de handen.)

Ik zag u nooit zoo. Ik heb altoos gedacht dat uw verleden donker was, maar toch niet zóo zwart. Heer de Valckenaere, kan ik, zwakke vrouw, iets voor u doen ?

de valckenaere.

Gij betuigt mij uw deelneming nu gij van mij verstaat dat onze verbintenis geen plaats mag hebben, [bitter) Ik waardeer dat I

-ocr page 66-

jufvrouw ser klaas.

fernando, bevend.

Wacht mij hier, Excellentie! yhij vertrekt haastig.)

serklaas, alleen.

Het spijt mij dat ik het moet doen. De stumpert! Maar ik zal voor hem zorgen. O Markies, schrandere staatsman, ge schijnt nog niet te weten wat de eenvoudigste koopman weet, dat men alleen met trouwe dienaars kan werken en dat men, om ze trouw te maken, ze voor \'t minst in staat moet stellen, brood voor vrouw en kinderen te verdienen.

fernando, naar haar toesluipend.

Daar hebt ge den brief. Ge zult mij niet verraden ?

serklaas.

Ge schijnt voor de eerste maal een dergelijke konlidentieele me-dedeeling te doen. Ge zijt een voorbeeld voor alle griffiers. Ik zal u hunne Groot-Edel Mogenden aanbevelen.

fernando.

Ja, dat is het best; want hier blijven kan ik niet. Als Zijne Excellentie mij aanziet met die flikkerende oogen, dan zinken mij de knieën onder het lijf weg. (daar klinkt een Jluitjen) Hoor, hij roept!

serklaas, hem op den schouder kloppend.

Moed gevat, vriend! (herhaaldelijk gejluit) Zeg niets van mijn bezoek. Ga nu! (Fernóndo vertrekt; in de handen lurijvend) De lont valt in het kruit of ik heb het mis !

6o

-ocr page 67-

DERDE BEDRIJF.

ZESDE TAFEREEL.

E E R S T E TOO N E E L.

Het kabinet van de gravin d\' mautekive. Hel is schemeravond. Zij ligt oJgt; een divan neder, het hoofd oj) de hand rustende, in gepeins. donna. oloriosa zit op eenigen afstand. Bij het opgaan der gordijn kucht zij om de aandacht van Adèle tot zich te trekken en loopt het vertrek een wijle weifelend rond.

donna gluriosa.

Wil Uwe Excellentie zich ook verluchten ?

adèle.

De etikette verbiedt het.

donna gloriosa, vleiend.

Uwe gezondheid is meer. [Adèle heft even het hoofd op e)i ziet haar scherp aan.) Excellentie, vergeef mij dat ik gisteravond verzuimd heb bij u te blijven, wat de etikette had gevorderd.

adèle.

Vertrek of zwijg!

donna gloriosa, \'na een pauze.

Hij is ziek, naar ik vernomen heb.

adèle, levendig.

Alfred! Ziek, misschien ernstig?

-ocr page 68-

jufvrouw s kr klaas.

donna. gloriosa.

Hij moest van ochtend naar het leger vertrokken zijn ; hij kon zich niet in den zadel houden . . .

adèlk.

Heer in den hemel ! Spoedig mijn karos!

T W E E D E T O O N E E L.

De vorigen. dk valckenakre.

donna gloriosa, hein een stoel naast Adèlc aanbiedeitd.

Mag ik u dezen stoel aanbieden ?

de valckenakre.

Als de Gravin het mij vergunt.

a dele.

Gij zijt wel beleefd jegens de minderjarige. Gij vraagt mij vergunning voor iels wat ik niet zou kunnen weigeren; gij zijt zeer beleefd.

de valckenaere.

Ik weet niet waaraan ik die terechtwijzing verdiend heb; zoo ik ooit de plichten heb kunnen vergeten, die mij jegens u zijn opgelegd . . . !

adèle.

Gij spreekt als slachtoffer, Heer de Valckenaere! Will ge mijn medelijden opwekken ?

de valckenaere.

Ik wenschte u alléén te spreken, Gravin ! {Hij wenkt Gloriosa heen te gaan, die daaraan zuil gehoorzamen.)

adèle, tot Gloriosa.

Ik verzoek u te blijven. De Markies stelt te veel belang in de woorden Zijner Edelheid om mij niet te doen verlangen naar een getuige bij ons onderhoud. Ik mocht de woorden van Sire de Valckenaere eens vergeten of onjuist overbrengen. {Een bliksemstraal is zichtbaar door het venster.)

de valckenaere, gesmoord.

Gravin, waarmede heb ik uwe minachting verdiend ? Haat mij, gij hebt er wellicht reden toe, maar minacht mij niet. Neen, ik verdien dat niet!

-ocr page 69-

63

adele, op anderen toon.

Ik minacht u niet, Heer de Valckenaere ! Donna Gloriosa.. . {zij wenkt haar te vertrekkend)

de valckenaere, hare hand vattend.

Ik dank u voor dit bewijs van vertrouwen, {de hand loslatend.) Neen, neen, ik wil geen vertrouwen van u.

adele.

Oe waart gisteravond . ..

de valckenaere, de oogen neerslaande.

In dit hotel; ik was er opontboden.

adèle.

En wie doet u thands weder hier verschijnen ?

de valckenaere.

Dezelfde die mij gister avond opontbood, {een kleine Jgt;auze.) De Markies zeide dat ik u vaarwel moest zeggen voor ik op reis ging.

adèle, ver?\'ast.

Ge vertrekt ?

de valckenaere, bitter.

De Markies vermoedde, dat ge mij te veel bewijzen van deelneming hadt gegeven om zonder afscheid van u le vertrekken. Gij weet wat hij verder wenscht: een hechte band moet ons verbinden.

adèle.

Ik vernam het bevel Zijner Excellentie.

de valckenaere.

Gij hebt gelijk, een bevel is er noodig om u tot mij te brengen. Gij zijt jong en ik ben oud, oud vóór den tijd! Neen, die verbintenis mag niet plaats hebben. Het leven mag zich niet huwen aan den dood. Gij vraagt liefde, ik niet meer. Ik vraag slechts wraak ! {een helle lichtstraal en hevige donder^ de Valckenaere wendt zich af en bedekt zich het gelaat met de handen.)

adèle.

Ik zag u nooit zoo. Ik heb altoos gedacht dat uw verleden donker was, maar toch niet zóo zwart. \' Heer de Valckenaere, kan ik, zwakke vrouw, iets voor u doen ?

de valckenaere.

Gij betuigt mij uw deelneming nu gij van mij verstaat dat onze verbintenis geen plaats mag hebben, {bitter) Ik waardeer dat!

-ocr page 70-

jufvrouw sf.rkf.aa s.

aüèle.

Ta, die verbintenis k a n niet plaats hebben,

de valckf.nakre, ill hartstocht.

Omdat gij een ander bemint. . . een knaap . .. !

adklè, hoorj.

Verg ik te veel, als ik eisch dat ge mijne keuze eerbiedigt?

de valckenaere.

Het is wel. Poog gij Hare Hoogheid tc verbidden dat zij hare toestemming weigere! De Markies wil dat het gesloten worde. Gister avond reeds had de verloving moeten geschieden.

adèle.

Waarom is zij dan niet geschied ?

de valckenaere.

Omdat een oude vrouw, een paddestoel onder het veldkruid, mij toeriep: „Walburg van Marnix zal weldra hier zijn!quot; en die Walburg is . . . mijne vrouw.

adèle, verschrikt.

Gij zijt gehuwd en men dwingt u een ander huwelijk aan te gaan! In welk een poel van schande wil men mij stooten !

de valckenaere.

Ja, een poel van schande ! Maar wat ik u zeide billijkt dien uitroep nog niet. Walburg van Marnix heet mijne vrouw niet meer, sinds mijn overgang tot uwe Kerk. Die vrouw was boos; zij verliet mij in het ongeluk; dat was boos, niet waar ? Maar ik dwaal af van mijn doel. Ik wilde u zeggen waarom onze verbintenis niet mag gesloten worden, waarom gij moet weigeren, {de bliksemstralen en flauwe doftder sla gen wisselen elkaar af.) Zet u neder in dien stoel. Doe het uit voorzorg; gij mocht bezwijmen bij het treurtooneel, dat ik u ga voorstellen. Mijn vader was 72 jaar en hoog gezien in zijn vaderland. Hij werd onthalsd, door beulshanden onthalsd, en hij was 72 jaar. Hij was grijs geworden in de dienst van den Staat. Toen hij naar het schavot trad, deed hij het, op een kruk geleund. Hij liet een weduwe na en twee zonen. De oudste was ik. Ik zwoer wraak. Ik stond naar het leven van hem, dien ik nog altijd voor zijn moordenaar houd ; ik smeedde een komplot met mijn jongeren broeder. Het mislukte en die jongere broeder werd gegrepen, er ook onthalsd. H ij was nog niet oud, nog niet vergrijsd en afgeleefd ! Hij was de steun zijner oude moeder, de liefde zijner brave echtgenoote. Zijn dood was m ij n schuld. Mijn broeder viel docr mij . . , neen, hij viel door hem, die tevens de moordenaar mijns vaders is. God, wraak !

64

-ocr page 71-

jufvrouw serklaas.

a dele.

Afgrijselijk. Ge zijl dus. .. ?

de valckenaere.

Noem dien naam niet! Dien zal ik nimmer weer dragen. Ik zal mij een nieuwen verwerven ! Waar dwaal ik heen ? Waarom zou ik mij een naam verwerven? Wie zou dien met mij dragen ? Zij, die het moest, heeft mij verlaten in den nood. O, zij heeft mij nooit lief gehad ; zij haatte mij altoos zoo als ik haar thands haat.

adele.

Arme man !

de valckenaere.

Gij houdt woord; gij geeft medelijden! Zelfs niet het hart eener vrouw bezit ik! Zelfs niet dat wat ik begeerde, het uwe, Adèle ! . . Vergeef mij, ik ijl, mijn hoofd, mijn hoofd!

adèle, koud.

Wilt ge dat ik hulp roepe ? Dit onderhoud pijnigt mij. Waarom hel te verlengen ?

de valckenaere, zich plotseling herstellende, koud en strak.

Ik heb u dit onderhoud gevraagd op bevel van den Markies. Hij wilde, dat ik u voorbereiden zou op onze aanstaande vereeniging en ik heb u daarentegen willen overtuigen dat zij onmogelijk is. Ik mag onderstellen, dat ik mijn doel heb bereikt en u kracht heb gegeven om den Markies tegen te staan. Doet gij dit niet, dan moet ik hem gehoorzamen en u rampzalig maken. Vaarwel, Gravin d\'Hauterive!

adèle, Jlauw, zich van hem af keer end.

Vaarwel !

DERDE TO O NE EL.

De vorigen. de markies, op den stok leunend en met moeite voortkomend.

de markies, vroolijk.

Ik vind u clan bij elkadr!

adèle. na eenige weifeling, bedeesde Om voor altoos elkadr vaarwel te zeggen.

65

5

-ocr page 72-

jufvrouw serki.aas.

de markies.

Gelief wat luider te spreken: ik versta u niet! {Adè/e zwijgt) De Valckenaere, gij blijft nog eenige oogenblikken na de verloving hier. Ik heb u iets gewichtigs te zeggen, iets gewichtigs wat den bruidegom genoegen zal doen.

de valckenaere.

Excellentie, bij al wat heilig is, laat mij van hier gaan! De Gravin d\' Hauterive kan nooit mijn vrouw worden!

de markies.

Heeft zij u dat gezegd ?

de valckenaere.

Ja, niet alleen zij, maar ook ik heb dat gezegd.

de markies.

Van Adèle kan ik mij dat denken ; zij is een kind; van\' u minder, gij moest een man zijn. Daar gij nu echter ook een kind toont te wezen, zal ik u ook als zoodanig behandelen. (//ij Jluit, De achterdeur wordt geopend. Donna Gloriosa, de Intendant. Fernando en verschillende bedienden van het hotel der Hauterives treden binnen en scharen zich oJgt; den achtergrond. Dc bedienden zetten eenige kande-labres op de tafels en verlichten het tot dusverre duistere vertrek. De donder gromt in dc verte?)

de markies, op luiden en vasten toon.

Gravin d\' Hauterive, ik heb uwe onderhoorigen hier doen komen, om u in hunne tegenwoordigheid af te vragen of gij Heer de Valckenaere, hier mede tegenwoordig, aanneemt als uw aanstaanden Heer en Gemaal ? (opgt; haar toetredend en haar hand nemend, fluisterend.) U wacht het zwarte kleed der boetelinge en het wapenschild uws vaders een vlek, zoo ge weigert, {luid) Ik heb u verstaan. Gravin d\' Hauterive! Heer de Valckenaere, nader, ontvang uw bruid uit mijn hand ! {de Valckenaere weifelt, maar een blik van den Markies doet hem nader treden; fluisterend) Wat wilt ge zijn ; een bedelaar of de eerste edele der Nederlanden? {hij val zijn hand en legt die in die van Adèlc) Heer de Valckenaere, Hare Hoogheid beeft het goedgedacht het vorstelijk geslacht der Hauterives in u een nieuw leven te schenken en u, na van uw reis teruggekeerd te zijn, te vergunnen, u te noemen: Graaf d\'Hauterive.

adèle, het gebogen hoofd fier opheffende en den Markies smadelijk aanziende.

Uwe Excellentie bewijst mijn Geslacht veel eer!

{de Valckenaere bedekt zich het gelaat met de eene hand,)

66

-ocr page 73-

jufvrouw serklaas.

de markies.

Heer de Valckenaere, wilt ge de goedheid hebben uwe bruid aan de hoede van Donna Gloriosa toe te vertrouwen ? Het onweder schijnt haar wat geschokt te hebben, {de Valckenaere gehoorzaamt en geleic-t Adèle naar Donna Gloriosa, die haar te gemoet komt en heen-■voert. De overige vertrekken op een wenk van den Markies?)

VIERDE TOO EEL.

de markies, de valckenaere.

de markies, zet zich neder.

Nader ! Nóg dichter ; daar staat ge goed. {na hem een oogenblik in stilte beschouwd te hebben.\') Ik heb u eer en rijkdom beloofd indien ge gehoorzaam waart; geef ik u beiden niet ?

de valckenaere, somber.

Tot welken prijs!

de markies.

Uwe verbintenis met deze vrouw is noodig voor het heil dezer Landen. Gij moest het waardig worden, opperbevelhebber van de legers Harer Hoogheid te zijn.

de valckenaere.

Ik ? . . . en Spinola . . . ?

de markies.

De Nederlanden zijn voor hem en mij te klein. Ik zocht naar een schranderen kop dien ik maken kon wat hij is. Dat zijt gij. Maar luister. Gij moet uw sporen verdienen ! Spinola is nog niet gevallen; het is ook nog daarvoor de tijd niet. Inmiddels wil ik uw arm en uw hoofd gebruiken. Uw regiment ligt te Andwerpen en is met opzet afgescheiden gehouden van Spinolaas leger. Gij gaat daarheen, verdeelt uwe troepen, die gij een vermomming laat aantrekken, in kleine benden, en trekt in alle stilte op naar de Baronny van Breda. Het doel uwer zending is {fluisterend) Maurits van Nassau, die slechts met een kleine bedekking te Rozendaal ligt, op te lichten en dood of levend hier heen te brengen.

de valckenaere, in vervoering.

Ha, eindelijk! {bedaarder) Weet ge de juiste plaats waar Maurits ligt?

de markies.

In het dorp Achterbroeck moet ge u tot den herbergier van het

67

-ocr page 74-

jufvrouw serklaas.

Zwaantje vervoegen ; mijn spion uit Rozendaal wacht u daar en is van alles onderricht. Van een, hoewel niet zeer geloofwaardige, zijde heb ik vernomen, dat Maurits een aanslag op Andwerpen in den zin heeft. Hoe dit ook zij, Maurits zal niet doelloos te Rozendaal liggen, terwijl het gros van het Staatsche leger elders staat. Daarom raad ik u de uiterste voorzichtigheid aan. Ik voorzie dat de wegen onveilig zullen zijn . ..

de valckenaere.

Voorzichtig zal ik zijn. Ik dank u voor het vertrouwen dat ge in mij stelt.

de markies.

Mijn karos en mijn schrijver wachten u. Fernando zal u tot buiten Brussel brengen ; ddar vindt ge uw paard. Ik heb er voor gezorgd» dat ge uw geheim bewaart en vooral dat ge die Haagsche vrouw niet weder ontmoet. — Maar wien hebt ge medegebracht toen ge hier kwaamt ? Toen ik straks afstapte, zag ik aan de trap van het hotel, een man in het donker wegschuilen.

de valckenaere.

D i e heeft mij reeds achtervolgd toen ik hierheen kwam. Wie het is, weet ik niet.

de markies, peinzend.

Zonderling ! Alles doet mij gelooven dat een spoedig vertrek noo-dig is. (hij fluit, Fernando verschijnt oj) den drempel; tot dezen) Doe zooals u is bevolen. Vaarwel, de Valckenaere!

{de Valckenaere vertrekt na een knie gebogen en de hem toegestoken hand gekust te hebben. Verandering van too neet met open gordijn?)

VIJFDE TOONEEL.

liet vertrek van Jufvrouw serklaas in het paleis der Aartshertogin. Zeer eenvoudig gemeubeld, een paadje gaat het tooneel over en klopt aan een zijdeur waar serklaas uittreedt, terwijl hij haar iets toefluistert. Later flip.

serklaas.

Goed, manneken I Laat hem maar binnen komen.

{de paadje leidt Flip va?i Oudenaerde binnen en vertrekt?)

flip, fluisterend.

Een vreemde edelman is bij me aan huis geweest. Hij wou zijn

68

-ocr page 75-

jufvrouw serklaas.

naam niet zeggen, maar verzocht mij u dadelijk te gaan opzoeken met de boodschap : hij is vertrokken.

serklaas.

Niet heel duidelijk, wakkere Flip ! Wanneer is die edelman bij je geweest ?

flip.

\'t Zal zoo wat half tien geweest zijn.

serklaas.

En nu al de boodschap! Dat \'s vlug. Als ik in mijn eigen huis ware, dan zou ik je een roemer Rijnwijn aanbieden. Maar ik ben hier in het paleis Ilarer Hoogheid ! Het ziet er niet rijk uit, hé, maar ik woon ook op de derde verdieping. Ik ben de gast van Haar Hoogheid of liever van den Markies. Wil je me wel een karos met twee fiksche paarden bestellen ?

flip.

Zoo laat ? En in een karos !

serklaas.

Ja, ja, ik in o e t er nu een hebben, hoor!

ZESDE TO ONE EL.

De vorigen, de markies, later fernando en de paadje.

de markies, thancis niet gebogen maar recht opgaande.

Wie is die man ?

serklaas.

Ik drijf handel met hem in boter en kaas, en ook in waren uit den Oost. Uwe Excellentie wenscht mij zeker over dringende zaken te spreken.

de markies.

Juist!

serklaas\'.

Sta mij vooraf nog eenige woorden met Meester van Oudenaerde toe l Zooals gezeid is, Flip, krijgt ge de stroop tegen éen stuiver acht penningen; mijn groeie aan vrouw Aegte en zoen de kleuters! Dag, meester! (van Oudenaerde knikt beschroomd, buigt zich herhaaldelijk voor den Markies en gaat heen.)

69

-ocr page 76-

70 jufvrouw serklaas.

de markies.

Ge schijnt uw dag wel besteed te hebben. Ik maak mij bij al uwe vermoeienissen beangst voor uwe gezondheid. Als ge eens ziek werdt, hoe zou het dan met de vredesonderhandelingen gaan?

serklaas.

Wat doet Uwe Excellentie aan al te groote vermoeienissen van mijne zijde denken? Toch niet mijn onderhandelingen met van Oude-naerde over de stroop ?

de markies, op snerpenden toon.

Was dat uw eenige onderhandeling? Bedenk u eens goed! Hebt gij den leunstoel, waarin ge thands zoo behagelijk rust, den geheelen dag niet verlaten ?

serklaas.

Uwe Excellentie zal dit wel beter weten; zij wordt daarvoor te goed gediend.

de markies.

Dat is zoo. Gij hebt Don Spinola bezocht en daarna mijn Schrijver. Hare Hoogheid meende, dat dergelijke bezoeken in weinig verband met de onderhandelingen konden staan; ik ben het met Hare Hoogheid volkomen eens.

serklaas.

En toch stonden al die bezoeken in verband met het doel mijner komst alhier. Ik verzocht Spinolaas bemiddeling en wilde toen Uwe Excellentie gaan spreken, maar ze was met een ander in besogne.

de markies.

Juist en weet ge met wien ? Met Sire de Valckenaere. Stond uw komst in het hotel d\' Hauterive, waar gij niet gewacht of gewenscht werdt, ook in verband met de onderhandeling ?

serklaas.

Neen; ik kwam er alleen uit nieuwsgierigheid. Tot mijn verwondering zag ik daar een ouden bekende.

de markies.

Dien ge eenige aangename woorden in het oor fluisterdet, welke evenwel een logen inhielden.

serklaas.

Ik merkte later dat ik onwillekeurig eene onwaarheid verteld had.

de markies, hevig.

Onwillekeurig? Als ge nieuwsgierig naar dien vreemdeling waart geweest, waarom mij dan niet naar hem gevraagd ?

-ocr page 77-

jufvrouw serklaas.

serklaas.

Omdat ik bemerkte dat ge liefst niet over dien man wenschtet te spreken.

de markies, toornig.

Beminnelijke bescheidenheid! {oprijzend) Gij zult voorzeker ook wel een reden weten aan te voeren, waarom gij Spinola gesproken hebt van Breda. Gij hebt gezegd dat ik u dat had medegedeeld . . ! Ge zijt een giftige adder, die men vertrapt of. .. op andere wijze onschadelijk maakt. Gij bezit geenerlei officieel charakter en zijt alzoo in mijne macht. Wij zullen blijven onderhandelen over den vrede, maar van nu aan zijt ge gevangene in dit paleis en buiten allen toegang gesteld. Met Meester van Oudenaerde zult ge alzoo niet meer kunnen onderhandelen over.... de stroop.

een paadje, binnentredende.

*

Er wacht een karos voor Jufvrouw Serklaas op het voorplein.

de markies.

Die kan terug keeren. Jonker, gij laat van dit oogenblik niemant meer tot Hare Edelheid toe als mijn Schrijver, {de paadje af.)

serklaas geeft teekenen van den grootsten angst en buigt het hoofd; bedeesd.

Uwe Excellentie straft een oogenblik van te groote openhartigquot; heid wel streng.

de markies, snijdend.

Van openhartigheid? Zeg liever van onbeschaamdheid. Het masker is u van het gelaat gelicht. Ik wist reeds lang dat ge er een droegt, maar het was mij nog onbekend of het wel de moeite waard was het u af te rukken. Ik ken u thands, valsche vrouw, die ik echter fijner dacht in het bedrog !

serklaas, gebogen.

Uwe Excellentie is wel hard tegen mij, oude vrouw ! Bestaat er wel zonde zonder den wil daartoe ? Ik verklaar u plechtig, dat ik bij Don Spinola kwam, om diens bemiddeling bij de vredesonderhandeling in te roepen. Ik vermoedde, dat de krijgsman daartoe niet zeer genegen zou zijn, indien ik hem niet in den waan konde brengen, dat zijne plannen bij mij en .alzoo bij de Heeren Staten bekend waren. Ik handelde tegenover Uwe Excellentie evenzoo, toen ik haar de voornemens van Prins Maurits deed kennen. Ik heb misschien, ja zeker, niet schrander gehandeld; vergeet echter niet, dat ik een vrouw ben, die gewoon is meer met vrouwen om te gaan dan met Staatslieden als Uwe Excellentie. Ik boet het met eene ge-

71

-ocr page 78-

jufvrouw serklaas.

vangenis; maar ik geef u in bedenking of het niet beter ware mij terug te zenden daar ik voorzie toch het vertrouwen hier verloren te hebben.

de markies.

Daarin hebt gij gelijk; toch acht ik het beter dat gij vooralsnog hier blijft. Gij bekent alzoo schuld ? Gij hebt met Spinola lang gesproken. Alleen over de onderhandeling ?

serklaas.

Don Spinola ontveinsde niet zijn haat jegens u en toen ik hem het tegendeel wilde betoogen, doelde hij op een brief, die Uwe Excellentie aan den Koning van Spanje moet hebben geschreven.

de markies.

Werkelijk ? Sprak h ij jegens u van het bestaan van zulk een brief, of deedt g ij het hem ?

serklaas.

Ik? Hoe zou ik daarvan iets geweten hebben? Ik beloofde Spinola wel om berichten in te winnen; ik beloofde meer dan ik kon nakomen; maar Spinola moest mij gunstig worden; daarop ging ik naar u dien ik evenwel niet kon spreken. Ik kwam bij uw Schrijver en kwam op de gedachte om bij hem onderzoek te doen.

de markies.

En?

serklaas.

Ik had het evengoed u kunnen vragen.

de markies, in zich zeiven.

En van waar weet Spinola dan toch . . . ? Het is mij een raadsel!

serklaas.

Nog éen woord. Heb ik mijn berouw beleden, ik wil het ook toonen. Ik ken den Heer van Maldeghem ....

de markies.

Dat weet ik; stel uwe bekentenissen tot morgen of overmorgen uit; ik zal dan misschien meer tijd hebben om te luisteren. {Jiij is gereed te vertrekkend)

serklaas.

De Heer van Maldeghem bemint uwe pupil.

de markies.

Oud nieuws!

serklaas.

Hij is ziek geworden. Weet Uwe Excellentie wel waarom ? Hij

72

-ocr page 79-

jufvrouw serklaas.

is hier gebleven terwijl het leger optrok, om de Gravin d\' Haute-rive te ontvoeren.

de markies.

Adèle ontvoeren ? Wat kinderstreek!

serklaas.

Indien ze mislukt is het een kinderstreek, indien ze slaagt en hij het meisjen op het grondgebied der Republiek overbrengt, is hel meer dan een kinderstreek.

de markies.

Maar het kan niet gelukken.

serklaas.

Heeft zij den jongeling dan niet lief? {de Markies ziet haar strak aan.) Ge gelooft mij niet? Is \'t mijn voordeel u te bedriegen of uw vertrouwen te herwinnen, wat ik maar alleen kan door u voor een hinderlaag te waarschuwen ?

de markies, in zich zeiven.

Een schaking !

serklaas.

Ge kunt zeker geen vendel hellebardiers om haar hotel legeren, maar haar misschien wel in het diepste geheim naar een klooster in den omtrek laten voeren, waar zij verblijven kan tot aan de vol -trekking van het door u bepaalde huwelijk.

de markies.

Ik heb uwe m e d e d e e 1 i n g aangehoord, maar ik behoef nog niet uw raad. Gij zijt toch een trouwe vriendin. Gij steldet belang in den Heer van Maldeghem: gij t o o n t het! {met een blik van de diepste verachting wendt hij zich af)

serklaas.

Voor ge vertrekt nog éene vraag: weet ge dat ik handel drijf. .? de markies, spottend,

In stroop.

serklaas.

En ook nog in andere artikelen. Daarvoor kan soms een boodschapper noodig wezen. Mag ik daarom den paadje, die mij reeds ettelijke dagen bedient, gebruiken ?

de markies, haar aanziende.

Neen.

serklaas.

quot;Wij zijn aan elkaar gewoon geraakt; hij is een vlugge jongen.

73

-ocr page 80-

jufvrouw serklaas.

de markies.

Zoo. Mijn Schrijver zal uw brieven bezorgen. Ik waarschuw u van te voren : hij zal al uw brieven vóór de bezorging mij ver-toonen.

serklaas.

Ik zal nimmer iets schrijven wat ge niet zult mogen lezen, {zij buigt deemoedig; met een trotschen blik gaat hij heen) (alleen; opspringende) De Valckenaere is weg, zeker naar Andwerpen en vervolgens naar ... ik kan het begrijpen! Van Maldeghem moet hem achterna ! {zij zet zich neder en schrijjt\') Vriend van Maldeghem ! Ik heb uw boodschap ontvangen ; de Valckenaere is naar de Hol-landsche grenzen. Weet ge waarom ? Om zijn buit in veiligheid te brengen. Hij heeft uw lief ontvoerd! Vlieg hem na! (driftig door het vertrek looiende) Ah, Markies, ge zijt er nog niet! Ge kunt nog wel in den kuil vallen, dien ge voor mij hebt gegraven. Ge zijt reeds begonnen mij te gelooven. Ik merkte \'t; die schaking kwam u zoo onwaarschijnlijk niet voor. Als ge nu zelf het meisjen maar gaat wegstoppen! Zijn eigen Schrijver krijg ik tot boodschapper. Niet onaardig! En dan moet ik Hare Hoogheid zien te spreken. Heer in den hemel, juist n u gevangen ! (ze ziet in den hoek der kamer een koord hangen; zij trekt er aan en men hoort een zware schel overgaan ï)

de paadje komt naar binnen ijlen.

Wat deert, Je Edelheid? (spottend) Begint de rust Je Edelheid al te vervelen ?

serklaas.

Neen, de rust niet, maar wel de ledigheid. Ge zijt in dienst Ha-rer Hoogheid, manneken ?

de paadje, gebelgd.

Ik heb de eer een paadje Harer Hoogheid te zijn en mij te noemen Jonker Charles d\' Argincourt.

serklaas.

Dat doet me veel genoegen. Ge hebt een vrome meesteresse. Ik zag Hare Hoogheid eens in het Broodhuis werkzaam voor de armen. Ze deelde kleêren, zelf gemaakte kleêren aan de armen uit. Vraag Hare Hoogheid mij in staat te stellen haar in het christelijk werk te helpen. Zeg dat ik gewoon ben mijn kleêren zelf te makenen dat ik thands veel vrijen tijd heb. Hare Hoogheid zal mij dit niet weigeren. {De deur wordt geopend en Fernando treedt schuchter binnen. Hij wil, den paadje ziende, teruggaan maar Serklaas roept hem.)

serklaas.

Wilt ge mij spreken ? H ij mag toch wel binnen komen ?

74

-ocr page 81-

jufvrouw serklaas.

de paadje.

Ik heb bevel ontvangen niemant als Don Fernando tot u toe te laten. Ik zal Hare Hoogheid uw wensch voordragen, {niet denzelfden sfiottenden glimlach) Wel te rusten, jufvrouw Serklaas ! (depaadje af.)

serklaas,

Ge komt als geroepen.

Fernando, beangst,

ik kom hier in doodangst. Er is een hevige twist gerezen tus-schen den Markies en Don Spinola over dien brief. Ik geloof, dat Zijne Excellentie iets vermoedt. Hij zag mij straks zoo donker aan. Gij hebt uwe plechtige belofte verbroken en mij rampzalig gemaakt, vrouw en kinderen rampzalig gemaakt; want wel verre van mij meê te kunnen nemen naar uw land, zit gij hier gevangen.

serklaas.

Hebt ge nu heelemaal uitgejammerd, vriend? [Een papier uit haar zak halend) Zie, hier is het papier dat ge mij gegeven hebt; het is nog niet uit mijn tasch van daan geweest.

fernando.

Geef het mij terug, ik bid het u.

serklaas.

Waarom ? De Markies zal er niets van te weten komen, ten zij ge dit mocht willen ; ook beloof ik u die papieren eenmaal, misschien wel heel spoedig, terug te zullen geven, zonder dat ik alsdan teruggave zal vragen van de dukaten, die ge daarvoor ontvangen hebt. Als ik u thands de papieren teruggaf, zou ik het geld ook terug moeten vragen. Zoudt ge \'t mij kunnen geven ? {hij buigt het hoofd) Kom, spreken wij van iets anders ! Dit punt is veel te kiesch en kwetst uw fijn gevoel. Hier hebt ge twee brieven voor Meester Flip van Oudenaerde in de Verwerstraat: de eene, die niet gezegeld is, laat gij uw meester lezen, de andere, zooals gij ziet van een zegel voorzien^ niet.

fernando.

Maar ik mag geen brieven bezorgen dan die door Zijn Excellentie gelezen zijn.

serklaas.

Gij hebt een teêr geweten. Welnu, gij zult den open brief aan Zijne Excellentie vertoonen; gij voldoet dus aan uwe verplichting jegens hem ten halve; jegens mij hebt ge echter ook verplichting, dat weet ge; mij voldoet ge dus voor de andere helft. Het is wei-

75

-ocr page 82-

jufvrouw serklaas.

de markies.

Zoo. Mijn Schrijver zal uw brieven bezorgen. Ik waarschuw u van te voren : hij zal al uw brieven voor de bezorging mij ver-toonen.

serklaas.

Ik zal nimmer iets schrijven wat ge niet zult mogen lezen, (zt/\' buigt deemoedig; met een trotschen blik gaat hij heen) (alleen; opspringende) De Valckenaere is weg, zeker naar Andwerpen en vervolgens naar ... ik kan het begrijpen ! Van Maldeghem moet hem achterna ! {zij zet zich neder en schrijft \') Vriend van Maldeghem ! Ik heb uw boodschap ontvangen ; de Valckenaere is naar de Hol-landsche grenzen. Weet ge waarom ? Om zijn buit in veiligheid te brengen. Hij heeft uw lief ontvoerd! Vlieg hem na! (driftig door het vertrek looiende) Ah, Markies, ge zijt er nog niet! Ge kunt nog wel in den kuil vallen, dien ge voor mij hebt gegraven. Ge zijt reeds begonnen mij te gelooven. Ik merkte \'t; die schaking kwam u zoo onwaarschijnlijk niet voor. Als ge nu zelf het meisjen maar gaat wegstoppen ! Zijn eigen Schrijver krijg ik tot boodschapper. Niet onaardig! En dan moet ik Hare Hoogheid zien te spreken. Heer in den hemel, juist n u gevangen ! (ze ziet 771 den hoek der ka7ner een koord hangen; zij trekt er aan en men hoort een zware schel overgaan.)

de paadje komt naar binnen ijlen.

Wat deert, Je Edelheid? (spottend) Begint de rust Je Edelheid al te vervelen ?

serklaas.

Neen, de rust niet, maar wel de ledigheid. Ge zijt in dienst Ha-rer Hoogheid, manneken ?

de paadje, gebelgd.

Ik heb de eer een paadje Harer Hoogheid te zijn en mij te noemen Jonker Charles d\' Argincourt.

serklaas.

Dat doet me veel genoegen. Ge hebt een vrome meesteresse. Ik zag Hare Hoogheid eens in het Broodhuis werkzaam voor de armen. Ze deelde kleêren, zelf gemaakte kleêren aan de armen uit. Vraag Hare Hoogheid mij in staat te stellen haar in het christelijk werk te helpen. Zeg dat ik gewoon ben mijn kleêren zelf te makenen dat ik thands veel vrijen tijd heb. Hare Hoogheid zal mij dit niet weigeren. (De deur wordt geopend en Fernando treedt schuchter binnen. Hij wily den paadje ziendegt; teruggaan maar Serklaas roept hem.)

serklaas.

Wilt ge mij spreken ? H ij mag toch wel binnen komen ?

74

-ocr page 83-

JUFVROUW SERKLAAS.

DE PAADJE.

Ik heb bevel ontvangen niemant als Don Fernando tot u toe te laten. Ik zal Hare Hoogheid uw wensch voordragen, {met denzelfden spottendeii glimlach) Wel te rusten, jufvrouw Serklaas ! (depaadje af)

SERKLAAS.

Ge komt als geroepen.

Fernando, beangst.

Ik kom hier in doodangst. Er is een hevige twist gerezen tus-schen den Markies en Don Spinola over dien brief. Ik geloof, dat Zijne Excellentie iets vermoedt. Hij zag mij straks zoo donker aan. Gij hebt uwe plechtige belofte verbroken en mij rampzalig gemaakt, vrouw en kinderen rampzalig gemaakt; want wel verre van mij meê te kunnen nemen naar uw land, zit gij hier gevangen.

SERKLAAS.

Hebt ge nu heelemaal uitgejammerd, vriend? {Een papier uit haar zak halend) Zie, hier is het papier dat ge mij gegeven hebt; het is nog niet uit mijn tasch van daan geweest.

FERNANDO.

Geef het mij terug, ik bid het u.

SERKLAAS.

Waarom ? De Markies zal er niets van te weten komen, ten zij ge dit mocht willen; ook beloof ik u die papieren eenmaal, misschien wel heel spoedig, terug te zullen geven, zonder dat ik alsdan teruggave zal vragen van de dukaten, die ge daarvoor ontvangen hebt. Als ik u thands de papieren teruggaf, zou ik het geld ook terug moeten vragen. Zoudt ge \'t mij kunnen geven ? {hij buigt het hoofd) Kom, spreken wij van iets anders ! Dit punt is veel te kiesch en kwetst uw fijn gevoel. Hier hebt ge twee brieven voor Meester Flip van Oudenaerde in de Verwerstraat: de eene, die niet gezegeld is, laat gij uw meester lezen, de andere, zooals gij ziet van een zegel voorzien^ niet.

FERNANDO.

Maar ik mag geen brieven bezorgen dan die door Zijn Excellentie gelezen zijn.

SERKLAAS.

Gij hebt een teêr geweten. Welnu, gij zult den open brief aan Zijne Excellentie vertoonen ; gij voldoet dus aan uwe verplichting jegens hem ten halve; jegens mij hebt ge echter ook verplichting, dat weet ge; mij voldoet ge dus voor de andere helft. Het is wei-

75

-ocr page 84-

JUFVROUW SERKLAAS.

nigen gegeven om te doen wat gij vermoogt en twee heeren tegelijk te dienen.

FERNANDO.

Maar gij zult niet voor niet dien brief geschreven en verzegeld hebben en zoo Zijn Excellentie onderzoek doet en bemerkt dat Uwe Edelheid, hoewel gevangen . ..

SERKLAAS.

Juist, dan moet hij denken dat ik een helper heb gehad. Stel u gerust: uwe eerlijkheid is boven twijfel verheven. Ik zelve zorgde daarvoor. Zijne Excellentie zal nog eer denken aan mijn verbond met den Booze dan met u.

FERNANDO.

Maar dat maakt het verraad mij zoo moeielijk. Juist dat vertrouwen !

SERKLAAS.

En die zorg van Zijne Excellentie voor u en de uwen, niet waar? Geloof me, ge waagt niet zoo veel met aan mijn verzoek te voldoen als met het te weigeren. Als ge mijn vriend niet wilt zijn, die mij naar Holland vergezellen zal, dan wordt ge mijn vijand, die ik hier waarschijnlijk in boeien zal achterlaten.

FERNANDO.

Gij dwingt mij, ik ben in uwe macht. Geef mij de beide brieven, of neen, er is nog een ander middel. . . Geef mij den eenen brief, die open is en zeg mij den inhoud van den verzegelden. Boodschappen over te brengen is mij niet verboden.

SERKLAAS.

Ge hebt een teêr geweten, zooals ik straks zei. Er is maar éen klein bezwaar tegen uw voorstel : g ij zoudt dan weten wat er in dien brief staat, en dit behoeft ook niet. Daar hebt ge de beide brieven; volvoer mijn last en u wacht een goede belooning. Zijne Excellentie loopt geen het minste gevaar; ik moet u dat nog zeggen om uw teêr geweten gerust te stellen! Vaarwel, meester! {hij neevit zwijgend de brieven aan, verbergt ze en gaat met gebogen hoofd heen.)

76

-ocr page 85-

VIERDE BEDRIJF.

ZEVENDE TAFEREEL.

EERSTE TOONEEL.

Een vertrek der Aartshertogin, isabella treedt op; twee dames achter haar en de paadje, die een pak papieren draagt. Zij zet zich neder aan een tafel en laat zich de papieren geven ; de dames en de paadje verwijderen zich na drie diepe buigingen,

isabella, het pak papieren overziende.

Welk een berg! In wal aardsche beslommeringen moet ik mij begeven ! {een brief opnemende\') Beklag van den Markies tegen Spi-nola! (beangst) Ik kan beide niet missen. Spinola is een trouwe vriend, de Markies een goed dienaar! Dienaar? Wat zou er van mij worden zonder den Markies ? (de papieren overziende) Wie zou dat alles voor mij lezen? Zoo ik een van beiden moet missen zal Spinola het wel dienen te zijn. Neen, Spinola is een groot veldheer en de Markies is het niet. Zoo de oorlog voortduurt, hoe dan juist hem te missen? Zoo het eens vrede kon worden! De Republiek w i 1 vrede, {een paadje treedt binnen.) Wat wilt ge ?

de paadje.

De Gravin d\' Hauterive vraagt gehoor.

isabella.

Laat haar binnenkomen.

de paadje.

Ook heb ik Uwe Hoogheid een verzoek over te brengen van Jufvrouw Serklaas.

isabella.

De zendelinge . . . ? Het is waar : mijn gast!

-ocr page 86-

jufvrouw serki.aas.

de paadje.

Zij zoekt bezigheid en vraagt Uwe Hoogheid behulpzaam te mogen zijn in het maken van kleêren voor de armen uit de Parochie Uwer Hoogheid.

isabella.

Goede vrouw ! Ik zal haar verzoek in overweging nemen. Lei thands de Gravin binnen, {de paadje vertrekt) Dat ik dat vrouwtjen zoo lang vergeten kon !

TWEEDE T OONEEL.

De vorig en. adèle.

adèle.

Indien ik Uwe Hoogheid niet stoor .. .

isabella.

Doe mij die cijfers en letters vergeten, mijn kind ! Kom dicht bij mij zitten. Het is of ge grooter zijt geworden en wel wat somber er uit ziet! Gij zijt nog jong: gij moogt nog vroolijk zijn.

adèle.

Vroolijk? En ik ben een weeze, alleen op de waereld.

isabella.

Alleen ? Ben ik dan niet naast u, of telt ge mij voor een vreemde ?

adèle.

Neen, gij zijt mij altijd een moeder geweest, een goede moeder. ..

isabella.

Wat hebt gij in de laatste dagen gedaan? wat hebt ge gedacht? waarmeê hebt ge uw tijd doorgebracht? Gij moet mij niets verzwijgen.

adèle, zacht.

Och, of ik arm ware !

isabella.

Hoe nu! Bezondig u niet, mijne dochter. Gij hebt overvloed waar zoo vele anderen gebrek lijden, gij hebt. .. .

adèle.

Wat is overvloed aan de zij soms van een man, dien men haat, dien men vreest? quot;Wij adellijken zijn immers niet eens vrij in de keuze van een echtgenoot ?

78

-ocr page 87-

jufvrouw serklaas.

isabella.

Hoe ge overdrijft! Zijt ge daarin niet vrij ? Bovendien, al gelden soms redenen van Staat meer dan hartstochtelijke liefde, is alle geluk dan onmogelijk ? Was uwe vrome moeder niet gelukkig met uw Heer vader?

adèle.

Waren mijne ouders w e i k e 1 ij k gelukkig ?

ISABELLA.

Van waar die vraag?

ADÈLE.

Herinneringen mijner jeugd .... en dan die beeltenissen in de groote zaal! Lijkt het portret van mijn vader ?

isabella.

Ja; vreemd dat ge er aan twijfelt!

adèle.

Vindt Uwe Hoogheid niet dat dit portret op een nog levend edelman gelijkt?

isabella.

Op wien?

adèle.

Op .... Sire de Valckenaere.

isabella.

Uw bruidegom ... (verlegen) ten minste zoo Zijne Excellentie niet verkeerd heeft gezien.

adèle.

Mijn bruidegom? Dus is het waar?

isabella.

Gij hebt hem niet lief? Beken het maar, lief kind, en bij de majesteit van mijn geslacht, gij zult hem niet huwen ! Droog uwe tranen, gij zijt geheel vrij in uw keuze. Bemint gij iemant uit lage-ren stand : ik zal hem adelen. Zeg mij, wien hebt ge lief?

adèle.

Ik kan niet spreken ; ik durf niet. Zijne Excellentie heeft mij verboden , , .

isabella, geraakt.

Maar Zijne Excellentie is hier niet de meester, (oprijzend en driftig heen en weêr loopend). Dacht ik het niet, dat hij weêr in het spel was! Gravin d\'Hauterive, ik gebied u te spreken! Ik wil het. adèle, voor haar neder knielend.

Ik bid Uwe Hoogheid mij toe te staan op reis te gaan.

isabella.

Op reis? {haar strak aanstarende). Gij wilt u verwijderen? Gij

79

-ocr page 88-

jufvrouw serklaas.

slaat de oogen neer? Gravin d\'Hauterive, zijt gij... schuldig?

adèle, opstaande en de tranen droogende, beleedigd.

Welk een smaad! . . . Is het dan zoo vreemd, dat een Jonkvrouw van mijn rang een deel van de waereld wil zien; dat zij moede is van het bleeke groen en het fletsche blauw van Braband; dat zij de ijstoppen wil bewonderen van de Pyreneën en op de bergen wat sneller wil ademhalen en in de valleien wil uitrusten ? Ik verveel me hier! Ik haak naar verandering .. . Sta het mij toe ! Sta liet mij toe !

isabella, in de hoogste spanning.

Zoete Jezus, het kind is krankzinnig!

DERDE TO O NE EL.

De vorigen, de markies oJgt; den staf geleund.

isabella, op Adèle wijzende, toornig.

Wat hebt ge dit kind mij verboden te zeggen ? Gij hebt u verstout over dit kind te heerschen als over uw eigendom ! Ik zeg u, dat dit een einde zal nemen. Senor, ik roep u tot verantwoording, en, bij onzen God en Heiland, gij zult gestraft worden, indien gij schuldig wordt bevonden, al zijt gij ook Grande van Spanje, al zijt gij ook een grijzaart!

de markies, bedaard.

Mag ik mijn misdaad kennen?

isabella, plotseling bedaard.

Senor, gij kendet onzen wil ten opzichte onzer pupil. Gij wist, dat we haar vrij lieten in de keuze van een gemaal ; dat wij haar nooit zouden dwingen . . .

de markies.

Dat is zoo. En heb ik haar gedwongen?

isabella.

(iij loochent, dat ge haar geboden hebt Sire de Valckenaere te huwen dien zij haat?

de markies.

Heeft de Gravin gezegd dat ik haar dat geboden heb?

adèle.

Neen, neen, ik heb dat niet gezegd ; ten minste ik wilde dat niet zeggen. Wat ik gezegd heb weet ik niet meer; maar neen, ik herinner mij niet dat gezegd te hebben. Ik bad Hare Hoogheid verlof lot het doen eener reize. Uwe Excellentie ondersteune mijne bede!

8o

-ocr page 89-

jufvrouw serklaas.

de markies.

Een reis ? (in zich zelveri) Serklaas sprak waarheid, {luid.} Met verlof Uwer Hoogheid wensch ik eenige vragen te richten tot de Gravin, voor dat deze vertrekt. Ik vermoed, dat men mij beticht heeft van ongeoorloofde handelingen. Gravin d\' Hauterive, heb ik u ooit geboden de Valckenaere te huwen ?

a dele.

Excellentie !

de markies.

Spreek vrij uit, mijn kind ! En dan zal ik ook vrij uit spreken om mij te verdedigen.

ADÈLE.

Neen . . . neen, gij geboodt mij niet hem te huwen.

de markies.

Het is alzoo uw vrije keuze wat gants Brussel uwe keuze noemt? Gij neemt Sire de Valckenaere tot uw echtgenoot aan ?

ADÈLE.

O God, het is vreeselijk ! Ik. .. neem hem aan !

ISABELLA.

Wij weten thands genoeg. Hoe denkt \'ge over haar verzoek, Markies ?

DE MARKIES.

Misschien zou een tijdelijk verblijf in een klooster, waar niet de strengste tucht heerscht, maar waar een vermoeide ziel . . .

ISABELLA.

Gij hebt de wonde gepeild en poogt haar als een goed meester le heelen. Adèle, wij vergunnen u tijdelijk uw intrek te nemen in een klooster, in dat van St. Clara. Vindt Uwe Excellentie niet goed, dat het dat klooster zij ? (de Markies buigt toestemmend.) (tot Adèle, streng) Maak u gereed daar heen te gaan !

adele, in zich zeiven.

Daar zal hij mij ten minste niet kunnen bezoeken, (luid) Hetzij, Uwe Hoogheid. Wanneer moet ik gaan ?

Isabella, den Markies\' aanziende.

Binnen weinige dagen.

DE MARKIES.

Zou het niet beter zijn: dadelijk? Indien de Gravin eerst nog in haar hotel terug komt, dan worden Donna Gloriosa of de andere

6

8l

-ocr page 90-

jufvrouw serklaas.

bedienden in deze zaak gemoeid. Ware het niet beter voor te geven, dat de Gravin voor eenigen tijd een bloedverwante in Henegouwen ging bezoeken ?

adèle.

Ik wenschte vóór mijn vertrek Jufvrouw Serklaas even te spreken. Zij heeft, naar ik hoor, veel belangstelling in mij getoond, getuige haar bezoek te mijnent. Zij woont in het paleis Uwer Hoogheid en alzoo zal de tocht daarheen mij wel niet geweigerd worden.

de markies, in zich zeiven.

Ook zij begint te intrigeeren.

isabella.

Dat verzoek sta ik volgaarne toe. Het schijnt toch eene goede vrouw te zijn, die juffer !

de markies.

Mag ik de Gravin een geleide geven in den dienstdoenden paadje ? {in zich zeiven) D i e heeft goede ooren ! (//are Hoogheid knikt toestemmend; hij fluit; de paadje verschijnt) Gelei de Gravin naar Jufvrouw Serklaas, en vervolgens in mijn karos naar het klooster van St. Clara, {fluisterend) Gij blijft in het vertrek.

{Adèle neemt gedwongen afscheid van /sabella, buigt zich diejgt; voor den Markies en gaat heen.)

VIERDE TOONEEL.

isabella en de markies.

de markies.

Uwe Hoogheid heeft den ouden dienaar woorden toegesproken, die zijn hairen zouden doen vergrijzen, zoo zij het al niet waren. Ik meen te bespeuren, dat ik uw vertrouwen niet meer bezit.

isabella.

Gij bezit mijn vertrouwen wel.

de markies.

Dan waren die woorden nog harder; want dan waren ze onverdiend.

isabella.

Ik beken het: een oogenblik van drift heeft me vervoerd. Ik be-

82

-ocr page 91-

jufvrouw ser klaas.

ken schuld. Ik vraag u verschooning. {zi/\'n hand vattend) Kunt gij mij cle harde onverdiende woorden vergeven ?

DE MARKIES.

Geheel, Uwe Hoogheid! Oodmoed en berouw delgen alle schuld voor God en Zijne Heiligen, hoeveel meer voor de menschen, voor een nederig dienaar als i k ben. Uwe Hoogheid heeft mij verzekerd dat ik haar vertrouwen bezit : ik mag daarvan een bewijs vragen. Heeft zij het besluit tot aanwerving van krijgsvolk geteekend ?

isabella,

Daar ligt het. Is dat het verlangde bewijs ?

de markies.

Nog iets. Ik smeek u in het belang des Konings en dezer Landen bij Zijne Majesteit aan te dringen op de terugroeping van den Opperbevelhebber.

isabella.

Gij eischt. . . . ?

dé markies.

Ik smeek.

isabella.

Maar Spinola is de eenige, die Maurits van Nassau kan weerstaan.

de markies.

Ik verklein geenzins zijn veldheerstalent, maar heb een ander gevonden, die, hoewel tot heden minder befaamd dan Spinola. op dezen de geschiktheid tot gehoorzamen vooruit heeft.

isabella.

Wie is dat ?

de markies.

Sire de Valckenaere.

isabella.

Vertrouwt gij dien man ?

de markies.

Hij behoort mij geheel en al. Hij is op dit oogenblik naar de Baronnie van Breda, om Maurits van Nassau op te lichten en dood of levend hier te brengen. Ik ben zeker dat hij zal slagen en dat Uwe Hoogheid den hoogmoedigen Stadhouder in banden aan Uwe voeten zal zien.

Isabella, verbaasd.

Was dat uw geheim ?

de markies.

Ja. Gij zult alsnu het doel begrepen hebben dat ik sedert maanden heb beoogd. Uwe Hoogheid zal spoedig geroepen worden hare

83

-ocr page 92-

jufvrouw serkl.aas.

plechtige intrede in \'s Hage te doen, ten minste zoo zij niet te veel verknocht is aan éen persoon .. . aan Spinola.

isabella.

{fierï) Het trotsche Amsterdam mij te zien huldigen ! .. . {schuchter.) Maar ik zie niet in, dat Spinola . . . zulk een zegepraal verhinderen zou. Veelmeer zou ik denken, dat een groot en dapper krijgsman .. .

de markies, streng. .

Waar Spinola heerscht, kan ik niet raden en 1 e i d e n. Uwe Hoogheid kent thands m ij n plan. Zij kieze tusschen Spinola en mij.

isabella.

Als ik een van u beide missen m o e t, dan . „. begrijp ik dat. . . h ij het moet zijn. [zij laat haar hoofd oj) de borst hangen.) de markies, haar zegevierend beschouwend, in zich zeiven.

Eindelijk overwonnen ! [luid) Ik ga den brief, waarin Spinola zijn ontslag wordt aangekondigd, opmaken. Ik zal er voor zorgen, dat die heel beleefd worde gesteld, (//i/ vertrekt?)

VIJFDE TO ON EEL.

isabella, dan een paadje, later serklaas.

isabella.

Waarom kunnen die twee mannen het nooit eens met elkaar -zijn en word ik genoodzaakt een keus te doen ? O, die regeerings-zor-gen ! . . . De eenzaamheid pijnigt mij. Ik verveel me ... ik moet me met andere zaken bezig houden om deze te vergeten! {zij schelt; tot den paadje.) Laat het goede mensch, dat kleeren voor mijn armen wil maken, hier komen.

de paadje.

Ze is al in de nabijheid. Zij drong er zoo op aan bij Uwe Hoogheid aangediend te worden . . . (Juffer Serklaas treedt binnen.)

isabella.

Van harte welkom ! Gij moet het mij vergeven, dat ik u in mijn eigen woning vergeten kon. Dat de Markies, die anders nooit iets vergeet, mij niet aan u heeft doen denken !

serklaas.

Ik weet niet of Zijne Excellentie dat zoo geheel en al zonder opzet deed. Vergeten was ik door hem ten minste niet

84

-ocr page 93-

JUFVROUW SERKLAAS.

ISABELLA.

Heeft hij dan met u onderhandeld? Hij zeide mij steeds, dat gij, altijd voorgevende te willen onderhandelen, de onderhandeling zelve telkens hebt verschoven.

SERKLAAS.

Als de Markies had gezeid dat hij dit gedaan had, was hij dichter bij de waarheid geweest. Wat zoo\'n hooge man toch alles durft verdraaien! Uwe Hoogheid ziet mij bij die woorden achterdochtig aan? Hoe heeft Uwe Hoogheid mij wel beoordeeld?

ISABELLA.

Gij wilt het weten ? Ik heb u in den beginne wel wat geminacht als een boersche vrouw, die ten onrechte door de burgers in Holland met een gewichtige kommissie was belast. Later ben ik van opinie veranderd en leerde ik u kennen als een verspiedster, die de krachten onzer Provincies kwam opnemen . . . {goedig, en haar een stoel wijzend) maar ik geloof dat niet meer. Vreemd, dat de Markies zich zoo zeer in u vergiste!

SERKLAAS.

Uwe Hoogheid beschouwt mij nog als een verspiedster.

ISABELLA.

Neen. En ten bewijze daarvan verzoek ik u mij dikwijls te komen bezoeken.

SERKLAAS.

Graag; als de Markies het maar wil hebben.

ISABELLA, gebelgd.

De Markies behoeft u dat verlof niet te geven, als i k het u geef.

SERKLAAS.

Toch wel! Uwe Hoogheid wist blijkbaar niets van mijne gevangenschap in haar eigen paleis en de Markies waagde het toch mij op te sluiten.

ISABELLA.

U op te sluiten ! Dat was . .! Maar Zij ne Excellentie had voorzeker daarvoor zijne goede redenen.

SERKLAAS.

Als Uwe Hoogheid dit niet altoos en in alle zaken dacht, dan zou Zijne Excellentie niet zoo zeer Zijne Excellentie, maar Uwe Hoogheid zou zeker meer Uwe Hoogheid zijn.

ISABELLA, hoog.

Jufvrouw Serklaas! [zij staat op en staat een oogenblik in gepeins.)

SERKLAAS.

Toch moet ik erkennen, dat de Markies erg scherp ziet. Hij

85

-ocr page 94-

jufvrouw serklaas.

heeft mij Uwe Hoogheid als een verspiedster doen kennen, niet waar-De man had gelijk. Ik ben er een.

ISABELLA.

Hoe? Gij zegt het zelvquot; ? Was alles van uw zijde clan goochelspel ?

serklaas.

Ik was een verspiedster, tegenover den Markies. Ik bemerkte te veel van zijn booze plannen met de jeugdige Gravin.

isabella.

Booze plannen ?

serklaas.

Het verbaast u misschien dat ik de jonge Gravin ken? Beter ken ik nog haar minnaar !

isabella.

Wie is dat, naar uwe meening ?

serklaas.

De Heer van Maldeghem.

isabella.

Dat is niet zoo. Adèle was hier; ik heb het haar afgevraagd.

serklaas.

En zij heeft niets gezegd? Dat was natuurlijk, want het arme kind vreesde den Markies.

isabella.

Ze stond tegenover mij, die hare moeder ben en tevens hare Souvereine.

serklaas.

Maar ook tegenover Zijne Excellentie die. .. . Zijne Excellentie is.

Isabella, half voor zich.

Vermoedt dan ieder, dat die man.. . . ?

serklaas.

Uwe Hoogheid beheerscht ? Ja, dat doet ieder. Ik zie met genoegen, dat ge zelv\' het thands ook vermoedt. Voor menige kwaal is genezing als ze maar eerst bekend is.

isabella.

En gij wist dat van Maldeghem haar beminde ? En de Markies vermoedde, dat gij dat wist en heeft u daarom in mijn paleis doen gevangen zetten? Hij wilde u beletten met mij le spreken. ... en huisvestte u in mijn paleis ? Welk een sprookjen !

serklaas.

Waarom niet ? {scherp\') Weet gij dan altijd wat in uw paleis

86

-ocr page 95-

jufvrouw serklaas.

omgaat? {zachter) Ik zat ettelijke dagen daar gevangen enge wist het niet. Ook moest mij belet worden niet alleen U, maar ook den Heer van Maldeghem te spreken. De Gravin kwam mij straks bezoeken, maar het was in het bijzijn van een paadje. Zij ging toen op reis naar Henegouwen.

ISABELLA.

Neen, naar het klooster van St. Clara hier ter stede. Ik begrijp thands de angsten van het lieve kind. Zij durfde niet spreken tegenover dien ijzeren man, hoe ik daartoe ook aanspoorde ! Maar wie gelooft ook aan m ij 11 macht. . . ?

SERKLAAS.

Wie ? Wel ik !

isabella, treurig het hoofd schuddend.

Ik vrees dien man en heb hem noodig. Ik kan hem niet weder-staan.

SERKLAAS.

Is \'t ooit beproefd ? Vrouwen kunnen veel, als ze \'t maar vast willen en \'t handig aanleggen. Neem de proef maar eens ! Beveel, dat de Gravin en de Heer van Maldeghem in uwe tegenwoordigheid worden gebracht en dat de Markies zelf hun beiden aankondige dat zij vereenigd zullen worden! De Markies zal gehoorzamen. Wil Uwe Hoogheid v r ij worden ?

isabella.

Vrij ? (Jialf luid) Maar Sire de Valckenaere heeft recht op eene belooning.

serklaas.

Heeft die man zich dan zoo verdienstelijk gemaakt, dat het lieve kind, dat Ge nog wel Uw dochter noemt, de munt moet zijn waar-meè die man betaald wordt ? (Isabella ziet haar streng aan) Maar dit zijn mijne zaken niet. Uwe Hoogheid zoekt een uitvlucht voor zich zelve om den strijd te ontvlieden. Zonder strijd echter geen zegepraal. Maar de strijd zal niet hevig wezen. Zie den Markies maar eens ferm in de oogen !

ZESDE TO O NE EL.

De deur ojgt; den achtergrond wordt geopend. de markies treedt langzaam met stekenden tred binnen; hij vest ter sluips de oogen oj) de beide vrouzven. Isabella trilt en houdt zich aan een stoel vast. serklaas blijft haar strak aanstaren.

87

-ocr page 96-

jufvrouw ser klaas.

{Serklaas nijgt diep voor hem, hetgeen hij met een lichten hoofdknik beantwoordt^)

de markies.

Uwe Hoogheid heeft zich zeker bezig gehouden met het heil harer onderdanen en met de voorslagen der Republiek, zoo waardig in Jufvrouw Serklaas vertegenwoordigd ?

Isabella, zich opheffende, hoog.

Ik had u nimmer vrijheid gegeven, Senor, om mijn paleis tot een gevangenis te maken.

serklaas, in zich zeiven.

Ze begint veel te hoog.

de markies, koud.

Het is waar, ik heb Juffer Serklaas buiten toegang gesteld en daarbij vergeten Uwe Hoogheid daarvan mededeeling te doen. Tk wist, dat Uwe Hoogheid bekend was met al de moeielijkheden, die Jufvrouw Serklaas binnen Brussel te weeg heeft gebracht.

isabella.

Wij weten alleen, dat gij onzen last verkeerd hebt uitgevoerd. Wij willen daarom, kan het zijn, onzen wil duidelijker openbaren. Wij wenschen, dat gij de dikwerf gestaakte onderhandeling met de Staten voortzet en Jufvrouw Serklaas, die wij van dit oogenblik af algeheele vrijheid verleenen, een voorstel doet tot het sluiten van den vrede.

de markies.

Uwe Hoogheid gelieve mij vooraf een gehoor onder vier oogen toe te staan.

isabella

Jufvrouw Serklaas, die mij den vrede heeft doen liefhebben, mag u hooren.

de markies, streng.

Het kan niet geschieden in tegenwoordigheid dezer vrouw.

serklaas.

Dan zal ik gaan, en Zijne Excellentie gehoorzamen.

isabella.

Wij wenschen gehoorzaamd te worden.

de markies, na beide vrouiaen een oogenblik te hebben aangezien.

Ik onderwerp mij, maar stel mij geenzins aansprakelijk voor de gevolgen. Uwe Hoogheid weet van den toeleg. ..

88

-ocr page 97-

jufvrouw serklaas.

isabella.

Wij wenschen dien uitgesteld.

de markies.

Dat is onmogelijk, want de toeleg i s geschied.

{Serklaas heeft in de laatste oogenblikken met beide ooi\'en geluisterd. Zij geeft ter sluik teekenen van ontroering. De Markies ziet haar een oogenblik van ter zijde aan)

isabella.

Geschied ! En ... . ? {zij weerhoudt zich, Serklaas aanziende.} DE MARKIES.

Op het o ogenblik dat de bevelen Uwer Hoogheid zouden worden uitgevoerd, heeft een Uwer officieren, zonder daartoe gelast te zijn, zich in den strijd gemengd, en alles omvergeworpen wat Uwe Hoogheid zoo kunstig had opgebouwd. {Serklaas schept adem.)

isabella, haastig.

Wij spreken daarover later.

de markies.

Ik moet thands wel ongehoorzaam zijn. De schuldige officier Uwer Hoogheid heet.... Alfred, Heer van Maldeghem.

isabella.

Van Maldeghem! Wij willen dat hij streng gestraft worde !

serklaas.

Ik bemerk, dat mijn langer verblijf onbescheiden zou zijn. [zi/ wil vertrekken?)

de Markies, haar terughoudende.

Er is niets onbescheidens in of veel! Is het laatste waar, dan ware uw vertrek reeds vroeger noodzakelijk geweest. Gij stelt belang in den Heer van Maldeghem, dus blijf! Ik gaf Spinola bevel den Heer van Maldeghem op te sporen en, bij aanhouding, dadelijk hierheen te zenden. Mijne voorspelling omtrent dien jonkman is bewaarheid. Ik vermoed, dat hij door eene uit de opgestane Gewesten in het Noorden, eene, die goed op de hoogte was van wat hier voorviel, is omgekocht.

isabella.

Wie het deed, boete daarvoor !

dk markies.

Er schuilt nog veel duisters in deze zaak. Bij het optrekken van het leger meldde de Heer van Maldeghem zich ziek. Plotseling vertrekt

-ocr page 98-

hij echter en dat juist in de richting, die een zeker iemant in het diepste geheim genomen had. Er moeten spionnen schuilen aan het hof Uwer Hoogheid. Denkt Juffer Serklaas, die in dergelijke zaken scherp ziet, ook zoo niet ?

serklaas, tot Isabella.

Is het mij geoorloofd te spreken? (deze knikt) Ik geloof te mogen aannemen, dat de Markies geen reden heeft, om veel goeds te ge-looven van den Heer van Maldeghem. Ik wil niet verzwijgen, dat ik begrijp wie die iemant was, waar de Markies straks van sprak. Het was Sire de Valckenaere, de mededinger van den Heer van Maldeghem. De haat van die twee is alzoo verklaarbaar. De een zal den ander wellicht uit achterdocht achtervolgd hebben ; een eerlijk tweegevecht zal ontstaan zijn en de jonkman zal zijn begunstigden medeminnaar hebben overwonnen. Is die misdaad zoo groot ? Velt Uwe Hoogheid een even hard vonnis als de Markies en beveelt zij dat de jonkman als een misdadiger, misschien wel geketend, hier naar toe worde gebracht?

isabella.

Gij kunt den jonkman te streng beoordeeld hebben, Markies!

serklaas.

Waarschijnlijk zou de genomen maatregel minder streng zijn geweest, indien Uwe Hoogheid vooraf ware geraadpleegd geworden.

isabella.

Waarom deedt gij dat niet. Markies?

DE MARKIES.

De grootste spoed werd vereischt, wilde ik den schuldige niet laten ontsnappen.

serklaas.

Indien de Griffier der Staten van Holland iets dergelijks tot den Voorzitter zeide, dan zou hem gevraagd worden of hij dacht, dat het Hoofd der Staten zoo traag in het besluiten was.

Isabella, den Afar kies, die een o ogenblik siddert, toornig aanziende.

Zoodra de Heer van Maldeghem hier is gebracht willen wij terstond daarvan kennis bekomen. Uwe Excellentie verstaat me?

de markies, buigend.

Volkomen. Toen ik hier heen kwam is mij gemeld, dat van Maldeghem in het kamp van Spinola is gevangen genomen en naar Brussel op weg is. Ik gelastte hem dadelijk hier te brengen.

-ocr page 99-

jufvrouw serklaas.

serklaas.

Uwe Hoogheid vergunne mij thands te vertrekken! Ik voorzie, dat hier verder Staatsaangelegenheden zullen behandeld worden, waarin ik mij niet mag mengen.

de markies, bijtend.

Juffer Serklaas schijnt thands haast te hebben.

Isabella, fluisterend.

Blijf naast mij, goede juffer !

serklaas, evenzoo%

Ik kom zoo spoedig mogelijk terug, (luid) Uwe Hoogheid begrijpt, dat mijne handelszaken bij een vijfdaagsche gevangenis hebben moeten lijden, {zich voor den Markies buigend) Toch moet ik u dank zeggen voor het mij alhier gegeven onderkomen. De rust heeft me erg veel goed gedaan, (zij wil vertrekken, de deur wordt geopend.)

een paadje.

Een gevangene is hier gebracht onder een bedekking van ruiters. (Serklaas verdwijnt.}

de markies.

Ha, zij verdwijnt! Zij mag de stad niet verlaten !

isabella.

Geeft ge m ij bevelen. Markies ?

de markies, de vuist ballend, ter zijde.

Geslagen, en nog wel door haar!

isabella.

Breng den gevangene hier! (de paadje af.) Gij kunt den jonkman verhooren in mijne tegenwoordigheid. Gij doet alsof ik hier niet ware. [zi/ gaat met den rug naar hem toegekeerd in een leunstoel met hoogen rug aan het venster zitten.\')

ZEVENDE TOON EEL.

De vorigen. van maldeghem, wachtende op den achtergrond. de markies.

Jonkman, wat dreef u aan Sire de Valckenaere te vermoorden ?

9\'

-ocr page 100-

jufvrouw serklaas.

van maldeghem, fier.

Vermoorden is niet het woord.

de markies.

Als men iemant aanvalt vóór hij zich verdedigen kan en hem doodt dan is het een moord. Gij merkt, dat ik van het gebeulde goed onderricht ben.

van maldeghem.

De Valckenaere, hoe daartoe ook getergd, wilde zich niet ver-weeren, maar mij gevangen doen nemen, toen hij met zijne vermomde knechten op de heide bij Achterhrouck lag.

de markies.

Hij had daartoe het recht. Gij waart een officier, die bij uw vaandel hoorde en niet op die plaats; hij een trouw onderdaan, die daarquot; had post gevat op last Harer Hoogheid.

van maldeghem.

Zeg liever op uw last. Het scheen toch. dat de Valckenaere was uitgegaan om een daad te verrichten, die het daglicht niet zien mocht. de markies, met waardigheid.

Uw taal getuigt dat ge niets meer van het leven te hopen hebt. Gelooft ge dan, dat de Gravin d\' Hauterive tegelijk met de Valckenaere verslagen is ?

van maldeghem.

Ik kan uit uwe woorden afleiden dat ge weet waar de Gravin zich bevindt! Gij erkent dus zelf, dat de ontvoering met uw medeweten plaats had.

de markies.

Een ontvoering? Dacht gij dat de Gravin ontvoerd was 7 Misschien wel door de Valckenaere 7 Ongelukkige, wat hebt ge gedaan. Gij hebt de zaak Uwer Souvereine verraden zonder te weten wat ge deedt! Gij zijt een werktuig geweest.. ! Wat licht gaat mij op . \\\\ie heeft u in den waan gebracht dat er een ontvoering plaats had .

van maldeghem, ontzet.

Had zij dan niet plaats 7

de markies.

De Gravin d\' Hauterive bevindt zich op haar eigen verlangen in het klooster van Sint Clara.

van maldeghem.

De Valckenaere was dus . . . . ?

92

-ocr page 101-

jufvrouw ser klaas.

de markies.

In dienst Harer Hoogheid, die hem een gewichtigen last had opgedragen. Wie bracht u op het dwaalspoor ? Ge zwijgt ? Welnu, ik zal het u zeggen. Dat deed Juffer Serklaas, voor wie ge herhaaldelijk zijt gewaarschuwd; Juffer Serklaas, de zendelinge van de Staten der opgestane Provincies, die de zaak harer meesters maar al te goed heeft gediend door u naar de Baronnie van Breda te zenden. Zonder u ware Prins Maurits dit oogenblik in onze macht geweest! (t/öt* Maldeghem buigt het hoofd) Wie heeft u de logenachtige boodschap gebracht ? Z ij zat gevangen.

van maldeghem.

De bode, die mij den brief bracht, is niet herkend; het was donker. de markies.

Een brief? Hebt ge dien bewaard?

van maldeghem.

Hier is hij !

de markies, in zich zeiven.

Nu heb ik haar voor goed. {luid) Dus z ij heeft u in den val gelokt.

Isabella, uit haren stoel oprijzende.

Heb ik dan een slang gekoesterd ! Wat een bedriegster ! Nooit wil ik haar terug zien. {pan Maldeghem buigt zich zwijgend voor Isabella) Zij vertrekke dadelijk naar Holland !

de markies.

Wij zullen wellicht nog meer ontdekken als zij hier blijft. Ik zou in overweging geven haar in den vervolge beweging en intrige onmogelijk te maken. Dan straft men haar het best. Men geve haar levenslang een verblijf in een vesting.

ISABELLA.

Hoe. ..? Ik zal mij beraden. Markies! Doe haar voor \'s hands buiten toegang stellen in mijn paleis.

de markies, fluit.

Uwe Hoogheid bekrachtigt door dit besluit mijn vroegere handelwijze, die evenwel zoo hevig werd veroordeeld.

isabella, deemoedig.

Ik had ongelijk.

de markies, tot den binnenkomenden paadje.

Waar is Jufvrouw Serklaas ?

93

-ocr page 102-

jufvrouw serklaas.

de paadje.

Zij is in een karos Harer Hoogheid uitgereden !. Ik geloof naaide Ver werstraat.

isabella.

Laat haar dadelijk achtervolgen en haar in haar vertrek terug brengen, (rfe paadje af) Heer van Maldeghem, tree nader!

van maldeghem, voor Isabella neder knielend.

Ik beken mij schuldig, Uwe Hoogheid! Het berouw verteert mijn ziel. Ik heb de inblazingen van mijn hartstocht gevolgd.

isabella.

Sta op, Heer van Maldeghem ! Gij bedoeldet een eerlijk tweegevecht. Wij gelooven niet aan verraad van uwe zijde.

de markies.

Uwe Hoogheid wil gerechtigheid voor allen, voor kleinen en groo-ten, voor adel en burger? Hoe zou Uwe Hoogheid wenschen, dat er gehandeld werd met een gewoon Hopman, die zich gedragen had als de Heer van Maldeghem? Zij zou beginnen met hem naar een krijgsraad te verwijzen.

isabella, zuchtend.

Het zij zoo!

de markies, Jluit, daarop tot den paadje.

De Hoofdman der lijfwacht.

{De hoofdmbn met een wacht helle bar diers verschijnt.) de markies, op den jonkman wijzende.

Uw gevangene!

94

-ocr page 103-

VIJFDE BEDRIJF. ACHTSTE TAFEREEL.

EERSTE TO O NE EL.

Vertrek in het paleis, jufvrouw SERKI.aaS komt binnen. Het regenkleed of den arm. Daarna DE markies.

serklaaS, vroolijk.

Zie zoo, dat is gedaan ! Als ik den karos Haier Hoogheid niet gehad had, zou ik er niet door zijn gekomen, (zij vlijt ziek behage-lijk in een leunstoel uit.) Dat rust!

de markies, haastig binnenkomende.

En rust hebt ge noodig.

SERKI.AAS.

Wat ongedachte eer ! Ge komt zeker met een goede tijding, want ge ziet er als verjongd uit. Is Prins Maurits eindelijk toch nog gevat ?

DE MARKIES.

Ge moogt u vroolijk maken over onze nederlaag, want g ij hebt die ons toegebracht. Gij zijt een scherp verstand, een vrouw, die evenals de laster ergens zonder spoor verschijnt, maar met achterlating van de diepste sporen weder verder gaat. Ge zijt een soort van tooveres, die men vreest... en v e r b r a n d t.

serklaas.

Als ik u eens even trouw afschilderde, hoe zoudt g ij er dan wel uitzien ? Gij zijt een fijn staatsman, die maar éen doel voor oogen heeft, éen grootsch en lofwaardig doel, namelijk ; de grootheid

-ocr page 104-

jufvrouw ser klaas.

van zich zeiven; een staatsman, die de waereld van onzen lieven Meer behandelt, alsof zij voor hem alleen geschapen ware! W ij zijn toch een aardig paar! Ik ben een tooveres, die verbrand moest worden en Uwe Excellentie is de man, die, naar mijn oordeel, het vuur het best zou kunnen stoken.

de markies, mét verkropten toorn, heesch.

Ik hoop u dat te kunnen bewijzen. Uwe streken hebben uit en ik heb het genoegen u dit mede te deelen. Gij zijt van dit oogenblik af in dit vertrek gevangen.

serklaas, HtS,

Hoe nu ? Speelt ge een kinderspel met mij ? Ik zal Hare Hoogheid rekenschap vragen van deze handelwijze.

de markies.

De schildwacht zal u niet laten doorgaan. Hare Hoogheid wenscht u niet weder te zien en wenscht u voor eenige jaren in de vesting Bergen verblijf te geven. Het is daar een hooge grond en een fijne lucht : alzoo goed voor uw jichtkwaal.

serklaas, driftig.

Maar waarvan beticht men mij dan ?

de markies.

Ik zal het u zeggen en u daardoor in de gelegenheid stellen weeleen logen te bedenken. Gij hebt mij in den waan gebracht, toen gij berouw veinsdet, dat de Gravin d\' Hauterive gevaar liep ontvoerd te worden. Deze logen vondt ge noodig, om de Gravin haar hotel te doen verlaten, waarna gij van Maldeghem kondet doen gelooven aan eene ontvoering door de Valckenaere.

serklaas.

Juist, sla dat maar over! De Valckenaere of om zijn rechten naam te noemen Willem van Oldenbarneveld, moest Maurits van Nassau oplichten; dat is belet geworden en daarvandaan uw toorn. Ik begrijp alles heel goed en de Heer van Maldeghem zal nu in Brussel zijn aangekomen en bekend hebben, dat ik hem Oldenbarneveld heb doen achtervolgen en Hare Hoogheid heeft daarin van mijne zijde verraad gezien, omdat ik een helschen aanslag tegen den groo-ten Veldheer van mijn vaderland heb verijdeld . . .

de markies.

Juist, alles juist! Hare Hoogheid gelooft na dit alles niet meer, dat gij met het doel om vrede te sluiten hier heen zijt gekomen. Uw eenig doel was de Valckenaere op te sporen en hem te dwars-boomen.

96

-ocr page 105-

JUFVROUW SERKLAAS.

SERKLAAS.

Juist.

DE MARKIES.

Gij bekent het. Gij wilt dat schriftelijk doen ?

SERKLAAS.

Waarom niet ? Maar wacht een oogenblik ; er zal nog meer te schrijven zijn ; alles kan dan in een moeite doorgaan.

DE MARKIES.

Gij wordt bereidwillig, Juffer Serklaas!

SERKLAAS.

Gij wordt vriendelijk en hebt zeker nog meer te vragen, Markies !

DE MARKIES.

Goed geraden. Ge waart buiten toegang gesteld; toen de Valcke-naere vertrok; hoe hebt ge alzoo van Maldeghem kunnen waarschuwen?

SERKLAAS.

Gij hebt mij zelf een boodschapper gegeven.

DE MARKIES.

Wie dan ?

SERKLAAS.

Gij zult hem er niet voor straffen ?

DE MARKIES.

Lichamelijk niet.

SERKLAAS.

Dus geestelijk wel? Een fijne onderscheiding! Welnu, mijn bode was uw eigen Schrijver.

DE MARKIES.

Ongeloofelijk, ongeloofelijk !

SERKLAAS.

Ja, het is bijna niet te gelooven, maar het is toch zoo. Uw Schrijver liet ge bijna naast u verhongeren, en de man wist al uw geheimen, voerde uw korrespondentie, schreef de brieven over uw waarden vriend Spinola naar Madrid ; dat was onverstandig, om niet te zeggen: dom ! (de Markies siaart haar aan) Markies, wij zullen nu ook eens afrekenen! Plet wordt tijd, want het dient wel te geschieden, eer ik naar de vesting ga. Door een hinderlaag, een struikroo-ver waardig, een verrader van zijn vaderland aan een vrouw te helpen ; een lief kind te bedreigen met de schande en onteering, om haar tot uw wil te dwingen en haar voor haar leven ongelukkig te maken, door haar aan een man te koppelen dien zij haatte en haar

97

7

-ocr page 106-

JUFVROUW SERKLAAS.

van een jongeling te verwijderen, dien zij lief had...! Oude man, ik zou niet graag in uw schoenen willen staan ! Ik ben maar een burgervrouw, die erkent niet altijd het rechte pad geloopen te hebben, ofschoon zij tot haar verontschuldiging zou kunnen bijbrengen, dat zij op den rechten weg u en uws gelijken niet achterhaald zou hebben, maar ik zou toch niet in staat zijn geweest te doen wat gij hebt kunnen doen.

DE MARKIES, de vuist ballend.

Vrouw, denk dat uw toekomst in mijn handen is i Durft ge mij honen ?

SERKLAAS.

Men kan u dus nog kwetsen door u te verhalen wat ge gedaan hebt. Dat valt mij meê.

DE MARKIES.

Gij hebt door omkooping mijn trouwen dienaar doen vallen ; gij hebt hem ongelukkig gemaakt! Gij hebt u in mijne geheimen gedrongen ! Uwe nieuwsgierigheid zal u noodlottig zijn. Gij zult uwe Fro-vincies nimmer terug zien.

SERKLAAS.

Dat is nog zoo zeker niet. Het wordt tijd dat ik geheel openhartig met u spreek. Ik heb u den tijd gelaten om het kwaad, door u verricht, weder goed te maken. Gij hebt het niet willen doen; welnu, gij zult het nu moeten doen. Naar uw wrok te oordeelen. zal üldenbarneveld gesneuveld zijn. Over hem hebben wij dus niet meer te spreken ; maar van Maldeghem zult ge bij Hare Hoogheid ondersteunen.

DE MARKIES.

Je bazelt.

SERKLAAS,

Misschien niet. Doet gij het niet, dan zal Hare Hoogheid weten hoe gij de Gravin d\' Hauterive tot een huwelijk hebt willen dwingen. Zij noch van Maldeghem wisten zich van den getuige meester te maken, die achter u in het kabinet der Gravin had post gevat. Dien getuige, uw Schrijver, kan ik doen spreken, en de woorden die van Maldeghem en de Gravin zullen uiten, krijgen dan kracht. Ook de goevernante, in de engte gedreven, zal tot bekentenis komen. Zoudt ge meenen, dat Hare Hoogheid nog twijfelen kan of het wilde om u te sparen? Zoo blind zult ge in uw hoogmoed tcch niet wezen. Ik heb maar éen uur met haar gesproken en toen was ze reeds van uwe voogdij verlost. Ook Spinqla zal een woordtjen meê spreken; en wat hij te zeggen heeft, zal ook niet in uw voordeel wezen. Doet ge dus niet wat ik zeg, dan zult ge worden teruggezonden naar Spanje : een heele reis voor zoo\'n gebrekkelijk oud man !

98

-ocr page 107-

jufvrouw ser klaas.

de markies.

Hebt ge eindelijk uitgesproken ? {zijn stoel dichter naar den haren schikkend en met zijn hand de hare krampachtig drukkend) Er zal niets gebeuren van hetgeen ge u voorstelt. Ge zult aan niemant kunnen vertellen, wat ge mij verteld hebt. Begrijpt ge mij? Goede nacht, Juffer Serklaas! {hij verwijdert zich langzaam?)

serklaas.

Ge maakt mij niet bang. Dacht ge dan, dat ik niet voorzien kon door welk eenvoudig middel gij mijn mond zoudt kunnen snoeren ? Ik heb van het uur vrijheid, dat me gelaten is, een nuttig gebruik gemaakt. Voor alles is gezorgd, hoor! Het getuigenis van Fernando is schriftelijk opgemaakt. Daarbij is het authentiek afschrift gevoegd, door u zeiven geparafeerd, van den brief over Spinola naar Madrid gezonden. Deze stukken zijn in vertrouwde handen en zullen te acht ure der Aartshertogin ter hand gesteld worden, indien ik zelve geen tegenbevel geve. Hoe laat is het nu, Markies ? Ik denk, zoo wat bij zessen. Gij hebt niet veel tijd meer !

de marKies, doodsbleek geworden, zich met de handen aan een stoel klennnend, gesmoord.

Ellendige! {iia een pauze) De reden, waarom ik tegen het huwelijk van den heer van Maldeghem ben, bestaat niet meer. Ik zal Hare Hoogheid pogen te bewegen . . .

serklaas, opstaande.

Juist. Verder zult ge Fernando een ander en voordeeliger ambt bezorgen. Ik bezit een reispas; maar gij zult mij door uwe dienaren tot over de grenzen laten begeleiden. Gij doet mij straks naar Hare Hoogheid gaan en ontbiedt daar den heer van Maldeghem.

de markies.

Hij moet voor een Krijgsraad terecht staan.

serklaas.

Hebt ge \'t in mijn afwezigheid zóo ver gebracht ! Gij zijt toch krachtig in uw haat, maar zult bewijzen het in uw vriendschap eveneens te wezen. Ik verwacht den heer van Maldeghem en u bij Hare Hoogheid.

de markies, heengaande.

Het is wel! Het is wel I

serklaas.

Nog iets! Adèle komt mij bezoeken. Doe de wacht van voor mijn kamerdeur verdwijnen. Tot straks! {de Markies gaat heen door de deur op den achtergrond) De oude zondaar! Ik heb heilig nogmeêlijmet hem gekregen !

-ocr page 108-

jufvrouw serklaas.

NEGENDE TAFEREEL.

EERSTE TOONEEL.

De grooie receptiezaal van hef ie bedrijf, serklaas en adèle treden binnen.

a dele.

Nu, beste jufter, hebt ge mij een goede tijding te brengen, zooals ge beloofdet ?

serklaas.

Kind, kind, laat mij tot mijn asem komen ! Of ik u een goede tijding breng! Van Maldeghem is weer hier.

adèle.

Gelukkig, gelukkig!

serklaas.

Maar zit in de gevangenis om den aanval op Oldenbarneveld.

adèle.

Heer in den Hemel !

serklaas.

Die jeugd, die jeugd ! Geen waterlanders, meisken ! Alles, alles komt te recht.

adèle.

Alles, en de Markies ?

serklaas.

Is zacht als een lam en verlangt niets liever dan uw huwelijk. adèle.

Onmogelijk.

serklaas.

En als Hare Hoogheid het beveelt....

adèle.

Hij is de meester.

serklaas.

Ja, vroeger; maar nu niet meer. Let op, Adèle, gij wordt de mees-teresse Harer Hoogheid, die een vriend of vriendin behoeft en altijd zwak genoeg is om vriend of vriendin tot haar meerdere te maken.

adèle.

Spreek zoo niet van haar, die mijn moeder is.

I0O

-ocr page 109-

JUFVROUW SERKLAAS.

SERKLAAS.

Juist, juist; gij hebt verstand en daarbij een goed hart; gij zult de plaats van den Markies innemen.

TWEEDE TOONEEL.

De vorigen. Isabella door een zijdeur binnentredende.

ISABELLA, tot Adèle.

Wat deed u de heilige afzondering verlaten ? En dat juist dezen avond nu ik mijn naamdag vier en den adel te mijnent moet ontvangen!

ADÈLE.

Jufvrouw Serklaas deed mij roepen.

ISABELLA.

Hoe nu ! Wij dachten dat Zijne Excellentie u onze intenties had medegedeeld.

SERKLAAS.

Hij heeft die goedheid gehad.

ISABELLA.

In welk geval ons uw hierzijn . . . Wij schijnen in dit paleis niet meer gehoorzaamd te worden. Wij deden een wacht voor uw deur plaatsen.

SERKLAAS.

Er was geen wacht te zien, toen ik met uw pupil hierheen ging. ISABELLA.

Onmogelijk !

SERKLAAS.

Het moest onmogelijk zijn, indien het in het huishouden Uwer Hoogheid toeging zooals het behoorde.

ISABELLA.

Vermetele!

ADÈLE.

Ik bid Uwe Hoogheid Jufier Serklaas niet zoo streng te behandelen. ISABELLA.,.

Hebt ook gij u laten blinddoeken, Adèle? Zij, wier belangen gij bepleit, stiet van Maldeghem in den kerker.

ADÈLE.

Mijn God! Neen, dat kan niet zijn!

lol

-ocr page 110-

JUFVROUW SERKLAAS.

ISABELLA.

Zij deed van Maldeghem gelooven, dat Sire de Valckenaere, onze trouwe dienaar, ü ontvoerd had.

SERKLAAS.

Ik heb Uwe Hoogheid wel anders hoeren spreken ! Och, de Markies is zeker aan het praten geweest! Ieder ketter heeft zijn letter zegt het spreekwoord en zoo is het ook hier. Maar heeft de Markies, die Uwe Hoogheid zeker zeer veel vertelde, daarbij ook verteld dat de Valckenaere werkelijk aan een schaking dacht, maar daarin verhinderd is geworden door omstandigheden buiten hem?

ISABELLA.

Hoe? Ik geloof u niet.

SERKLAAS.

De Markies zal het Uwe Hoogheid bevestigen. Dan zal Uwe Hoogheid het wel moeten gelooven.

i s a B F ll a , wrevelig.

Moeten gelooven? (vriendelijk) Adèle, gij bemint Heer van Maldeghem? Deze vrouw, die nu uwe vriendin schijnt, meldde het mij ten minste.

adèle, blozend.

Zij sprak waarheid.

ISABELLA.

Welnu, hij zal uw echtgenoot zijn, wie er zich ook tegen aan-kante ! {met het oog op Serklaas) Wij willen toonen dat wij onzen eigen wil hebben en dat het gevaarlijk is dien te weerstreven. .

ADÈLE.

Heb dank, heb dank, beste goede moeder! (Serklaas bij de hand nemende?) Gun ook een goed woord aan deze, die mij tegenover den. Markies beschermd heeft.

SERKLAAS.

De Markies schijnt met zijn halve waarheden welsprekend geweest te zijn; maar ik kan mij dat denken. Niemant spreekt meer overtuigend, dan waar hij het doet uit zelfsbehoud.

isabella.

Zelfsbehoud ?

SERKLAAS.

Wel zeker! Mijnheer de Markies bemerkte heel goed, dat Uwe Hoogheid zich niet meer verkoos te krommen onder zijn plak.

isabella.

Vrouw, ge hebt een manier van spreken ... 1

i02

-ocr page 111-

jufvrouw serklaas. io3

serklaas.

De beste geneesmiddelen zijn meest bitter. ]k hoor, dunkt me, den voetstap van den Markies. Herinner u ons laatste gesprek! Hij buigt als Uwe Hoogheid hem maar flink aanziet.

DERDE TOONEEL.

De vorig en, de markies.

ISABELLA.

Wij hebben het goed gedacht onze pupil uit te huwelijken aan den man harer keuze ; Heer van Maldeghem.

serklaas.

Die zeker reeds al uit zijn gevangenis ontslagen zal wezen.

de markies.

Wat Uwe Hoogheid besluit zal wijs en goed zijn, en daar de Gravin t h a n d s haar keuze verklaart . . .

isabella, haastig.

Uwe Excellentie stemt toe. . . ?

de markies.

Altoos waar Uwe Hoogheid het beveelt.

isabella.

Het verwondert mij toch niet weinig, daar gij nog niet lang geleden de beschuldiger waart van den Heer van Maldeghem.

serklaas.

Het zal Zijne Excellentie eerst bij nader onderzoek gebleken zijn, dat het plan tot ontvoering van Adèle werkelijk bestaan heeft.

isabella.

Wat zegt Uwe Excellentie daarop ? (alle zien hem aan?)

de markies.

De goede Juffer zegt de waarheid. Een achtergebleven bediende van de Valckenaere, dien ik straks in verhoor nam, heeft mij alles verhaald. Heer van Maldeghem heeft zich schuldig gemaakt aan plichtverzuim, maar zijn liefde verblindde hem. Ik deed hem ontslaan. Hij wacht in de antichambre bij den Adel, die Uwe Hoogheid hun opwachting komt maken.

-ocr page 112-

jufvrouw serklaas.

serklaas.

Zou het niet kiesch zijn, als de Markies, die den Heer van Mal-deghem, onwillens zeker, heeft doen lijden, hem ook het eerst zijn geluk aankondigde en hem binnenleidde ?

isabella.

Werkelijk, een goede gedachte ! [iot den Markies.) Uwe Excellentie verneemt ons verlangen ? (de Markies buigt e?i wil vertrekken.)

serklaas.

De Markies heeft mij laatst gesproken van zijn Schrijver, wiens lot hij verbeteren wilde. Mag ik Zijne Excellentie dit herinneren ?

de markies.

Ik zal Hare Hoogheid daarover onderhouden.

serklaas.

Thands, thands, beste Markies! Gij maakt dit oogenblik zoo vele gelukkigen.

de markies.

Bij den Raad van State...

isabella.

Wij vereenigen ons met uwe voordracht, (de Markies af.) [naar Serklaas toetredende en haar de hand reikend.) Wij hebben nog een aangenamen plicht te vervullen. Het is: onze gast in hare eer te herstellen en haar onze verontschuldiging aan te bieden voor den argwaan, waaraan zij een oogenblik heeft bloot gestaan.

serklaas.

Uwe Hoogheid geeft mij mijne gemoedsrust terug ! (7 zware klokslagen?)

VIERDE TO O NE EL.

De vorigen. De Hofmaarschalk met witten staf; paadjes, edellieden en vrouwen, die door Isabella ontvangen worden, van maldeghem, met den markies.

isabella.

Wij danken u voor de ons aangeboden wenschen en hebben het geluk u eene mededeeling te doen, welke dezen feestdag voor ons in waarde nog verhoogt. Het heeft ons goed gedacht onze toestemming te verleenen, tot het huwelijk van Adèle, Gravin d\' Hauterive met Alfred, Heer van Maldeghem !

I04

-ocr page 113-

jufvrouw sekklaab.

van maldeghem.

Hoor ik wel ?

isabella, tot Adèle.

Mijn kind^ volg mij ! {zij vat Adèles hand en voert haar tot oJgt; Jut midden van het tooneel; de Markies doet hetzelfde met van Maldeghem.) van maldeghem, uitgelaten.

Mij wordt genade voor recht geschonken!

isabella.

Stil, stil! Stel uwe bruid aan den Adel voor! {beide gaan de rijen langzaam door.)

de markies, tot Serklaas op den voorgrond.

Ik ben u veel verplicht, vrouw! Gij hebt mij van Spinola verlost, door hem aan te hitsen tot het doen eener dwaasheid. Hij heeft zijn ontslag zelf gevraagd.

serklaas.

Ik ben hartelijk blij, dat ge er zoo overdenkt. Voor het eerst van mijn leven heb ik dan iets gedaan wat beide partijen genoegen doet. Geloof me, de Heeren Staten zullen het ook goed vinden dal Spinola heengaat. Ik zal voor u eene belooning vragen aan Hare Hoogheid. Bij ons geeft men dukaten en gouden ketenen, hier geloof ik titels en ridderorden. Wilt ge een kruis ?

de markies, tot Isabella die hein nadert.

Jufvrouw Serklaas behoeft nadere instrukties. Vindt Uwe Hoogheid goed, dat ze die in den Haag gaat vragen ?

isabella.

Gij wilt onze gast verwijderen ?

serklaas,

In het belang van de verdere onderhandeling zal ik spoedig dienen af te reizen. Ik ben vermoeid. Uwe Hoogheid sta mij toe naar mijn vertrekken te gaan! (zich tot den Markies buigend) Het is mij een hooge eer geweest Uwe Excellentie te hebben mogen leeren kennen, en zoo Uwe Excellentie ooit den Haag mocht komen bezoeken, vergete zij vooral mijne woonplaats niet: op den Kneuterdijk. {beide buigen diep; de gordijn valt.)

IO5

-ocr page 114-

AANTEEKENINGEN

OP HET DRAMA : JUFVROUW SERKLAAS.

Mijn roman de Haagsche Joffer, in 1856 naar ik vermeen in het licht verschenen^ was veel gelezen. Het werk had misschien eenige artistieke verdiensten, maar zeker geen historische. Bakhuyzen v. d. Brink achtte het niet beneden zich, zijn blik tot op mijn roman te doen nederdalen en met zijn reuzenklauw mijn papierenkind van een te scheuren. Hij maakte het met mij wel niet zoo erg als in der tijd met zekeren kapellaan van der Horst, dien hij blijkens het voorbericht, aan zijn kritiek toegevoegd, meende afgemaakt te hebben, maar met wiens lijk hij, om zeker van zijn zege te zijn, nog eens was gaan „sollen/\' Hij verklaarde alleen, dat mijn roman geenerlei verdiensté bezat en dat de handelende figuren geen menschen maar mannequins waren, die ik naar welgevallen alle houdingen — scheeve natuurlijk!— deed aannemen. Ik geloof dat hij voor een goed deel gelijk had, maar toch ook voor een goed deel ongelijk. De groote „Opperrechterquot; heeft nimmer oog gehad voor de verdiensten eener fijn gesponnen intrige, eener levendige en puntige dialoog, eener aanschouwelijke voorstelling; het groote publiek daarentegen wel. Van daar dat zoo menig werk, door Bakhuyzen v. d. Brink afgekeurd, een taai leven heeft geleid, en zijn eigen novelles — hij heeft op dat gebied wel eens als liefhebber gevrijbuit — nooit vele teekenen van leven hebben getoond.

Toch wil ik erkennen, dat mijne personen meer tooneelfiguren waren dan menschen van vleesch en bloed en dat men bij het nagaan der handeling wel eens bedenkelijk het hoofd moest schudden en meesmuilen : misschien goed gevonden, misschien niet ontbloot van vernuft, maar . . . onwaar.

Ik meen mij te herinneren, dat ik in die dagen nog een vereerder was van den tooneelschrijver Scribe; dat ik mij verkneukelde van genot bij de voorstelling van zijn „Bertram en Raton of de kunst van zamenzwerenquot; en opgetogen was van verrukking bij die van zijn tooneelspel: „de Laster.quot; Ook in die stukken was intrige, vinding, di-

-ocr page 115-

A A N T EE K E M N G EN.

aloog te bewonderen, maar vond het reflekteerend verstand gebrek aan innerlijk leven, en toeval in plaats van noodzakelijkheid. Ik geloof^ dat ik toen alleen oog had voor de lichtzijden van den populairen tooneelschrijver, en niet voor diens schaduwzijden; en dat deze gene overtreffen, kan worden afgeleid uit het feit, dat de eens zoo algemeen gehuldigde en bewonderde dramatist nu reeds verouderd wordt genoemd en den toeschouwer bij wijlen doet geeuwen.

Begrijpelijk is het, dat de roman, waarvan de samenstelling aan den invloed van een tooneelschrijver mag worden toegeschreven, de stof bood voor een tooneelstuk. Herhaaldelijk heb ik zelf, zoo dikwerf ik mij geroepen achtte kritiek uit te oefenen, den staf gebroken over romanverhanselingen. Wel mag worden toegegeven dat het epische kunstgenre: de roman, nauw verwant is aan het dra-matiesche: het tooneelspel; beide hebben denzelfden grondslag: de handeling. Maar in den roman is het middel, waardoor de handeling tot onze waarneming komt, het verhaal; in het tooneelspel, de voorstelling; in den roman beweegt zich de auteur te midden zijner kompozitie, in het tooneelspel mag hij zich nergens vertoonen en mag hij zelfs niet de regisseur zijn, die, hoewel onzichtbaar voor het publiek, toch een waakzaam oog over alles laat gaan en alles bestuurt. Houdt de romanschrijver dit in het oog, dan kan hij zeer zeker, zonder te kort te doen aan gezonde aesthe-tiesche eischen, de stof voor een tooneelarbeid aan zijn roman ont-leenen en behoeft hij zich niet te storen aan de afkeuring der meestal jeugdige doktrinairen in de aesthetische kritiek, die elk tooneelstuk reeds veroordeelen, omdat het aan een roman is ontleend. Dergelijke kritiek is ten onzent genoeg bekend. Ze berust op eenige schoolsche regelen, niet door eigen nadenken proefhoudend bevonden maar gedachteloos nagevolgd, omdat ze een nieuw vertoon van strengheid en dus van achtbare degelijkheid bijzetten aan den wijden tabbert, die de rankheid en slankheid ofte wel verdachte bochten en krommingen van zoo menige kritizeerende persoonlijkheid bedekken en verbergen moet.

Waar echter de schrijver de eischen van verhaal en van voorstelling in elkadr laat vloeien* waar hij ze zelfs verwart; waar hij te veel een nieuwen arbeid schuwt en meer dan de handeling en de charakters die hem dragen, aan den roman voor zijn tooneelspel ontleent; waar hij de geheele daad, die de roman op zijn zooveel breeder doek gemakkelijk en geleidelijk kan ontwikkelen, samen wil dringen op het zooveel smallere van het tooneelstuk; waar hij de toelichting, welke de romanschrijver kan en mag geven als hij zelf het woord neemt, de handelende personen in zijn tooneelstuk haastig en blijkbaar zonder dat de toestand het gebiedend vordert, in den mond legt, daar doet hij een berispelijk werk; daar weeft hij geen nieuw bevallig gewaad, maar naait hij eenige veelkleurige lappen tot een pak sadm, dat slechts een harlekijn voegt, en

IO7

-ocr page 116-

IDS AANTEEKENINGEN.

slechts de bewonderaars van harlekijn — er zijn er echter duizenden van die soort ! — bevredigt.

Toen ik besloot uit mijn roman een tooneelstuk te trekken, getroostte ik mij wel niet den moeitevollen arbeid, waarop ik straks doelde, maar geloof ik toch niet alleen eenige bonte lappen van het bestaande gewaad te hebben afgescheurd, om die zonder ze pasklaar te maken of te letten op patroon of kleurschakeering, weer aan elkaar te hechten. Ik behoefde dan ook maar weinig aan het bestaande gewaad te veranderen om het geschikt te maken voor het nieuwe emplooi. Mijn roman toch was eigenlijk reeds een tooneelspel, zoodat ik weinig tijds behoefde voor eene herschepping. Toch scheen ik de verandwoordelijkheid voor deze niet openlijk te hebben willen aanvaarden, daar het handschrift wel de bewerking vermeldde naar mijn roman, maar niet den naam van den bewerker.

J. Eduard de Vries was niet langer direkteur van den Stadsschouwburg. De stedelijke kommissarissen -- van Lennep plach te zeggen dat het een eigenaardigheid was van het toenmalig Stedelijk Bestuur, er steeds personen voor te benoemen die er geen geschiktheid voor hadden — hadden een ander in zijn plaats voorgedragen, aan wien de gunning dan ook geschiedde. Mijne verhouding tot den afgetreden en naar Frascati verhuisden direkteur was nooit zeer vertrouwelijk geweest en had, nadat ik mijn drama Joan Woutersz. aan de Zuid Hollandsche tooneelisten had afgestaan en door dezen zelfs in van Liers theater had doen geven, een bijna vijandelijk cha-rakter aangenomen. Luide werd mij ondankbaarheid verweten. Men had mijn eersteling opgevoerd; men had dat gedaan tegen den raad in van de meest bevoegde deskundigen en zich de ij dele moeite en de geldelijke opofferingen daaruit voortvloeiende getroost, en zag mijn stukken, die wel eenig succes hadden of ten minste schenen te hebben — niemant minder dan J. Eduard de Vries geloofde aan echt goud, al werd hel oog ook bijna verblind door de schittering van het metaal dat er op leek — aan andere direkties toevertrouwd. Hij misgunde dat waarlijk aan de andere direkties niet, zoo werd mij wei eens bij gelegenheid verzekerd, want hij wou blijven betalen en aan „hooge kunstquot; — merkwaardig, hoe zonderling direktoriale lippen bij deze woorden dikwijls zich kunnen bewegen!—deden er al heel weinigen, van het betalend publiek bijna niet éen, maar hij vond het toch niet erg dankbaar, enz enz. Zulke fijn scherpe zetten hadden mijn gemoed moeten doen openen voor een vroolijke scherts, in plaats van voor wrevel en ergernis. Maar ik had ook me-nige grieve, die het peil der beschaving en de daaruit voortvloeiende waardeering der Letterkunde, toen ter tijde in de tooneelwaereld zeer nauwkeurig aanduidde. Het heette een genadige gift, indien de schrijver, wiens werk was opgevoerd, een bewijs van vrijen toegang voor een jaar ontving. Toen ik het verkreeg achtte ik het nog een goede — en ze was de eenige — belooning voor den ver-

-ocr page 117-

AANTEEKENINGEX.

richtten arbeid. Weldra bleek mij echter, dat die gift, tegenover mij ten minste, bijna waardeloos werd gemaakt. Zoodra het de opvoering betrof van eenig belangrijk stuk of van de opera, die weldra mede het grootste deel der Hollandsche speelavonden innam, werden de vrije toegangen, waarvan de bewijzen de kleur droegen van mijn diploma en die mijner geestverwanten, buiten gesloten. Van het standpunt van de Vries, die alleen aannemer van publieke vermakelijkheden wilde en ook misschien moest zijn, was tegen dien maatregel weinig in te brengen; alleen werd er de meening der literaire kringen door versterkt, dat men aan zulk een aannemer geen subsidie uit de Gemeentekas behoorde te verstrekken of — nog radikaler ! — het beheer van een Stadsschouwburg niet moest toevertrouwen. Misschien dat handelingen, als ik hier maar ter loops aanstip, ook hebben medegewerkt tot het aftreden van de Vries, wien ik die handelingen of de straks aangehaalde scherpe zetten echter nooit zeer hoog heb aangerekend. Dit getuigt de opvoering van „Schuld en Boete.\' Die opvoering bracht een toenadering te weeg, welke hare beste uiting vond in mijne aanbieding van het stuk, dat ik in deze regelen gedenk.

Toen men kennis maakte met den inhoud verkeerde de vroegere verhouding geheel en werd wat van de zijde der direktie mij voorkwam apathie te zijn, sympathie van de meest pozitieve soort. Mevr. de wed. Engelman, toen, naar ik meen, nog niet Mevr. de Vries, vond de rol van Juffer Serklaas voor haar begeerlijk, en ik had die voor haar bestemd. Zij had zich eenmaal opgeofferd toen zij de rol van Maria Tudor in mijn „Twee Tudorsquot; speelde; zij werd er voor beloond, toen ze de rol van Juffer Serklaas verkreeg, terwijl de schrijver tot geenerlei opoffering werd verplicht. Waarlijk niet! Zelden heeft Mevr. Engelman op kwistiger wijze de gaven, die haar de natuur geschonken had, of die zij door studie en ervaring had verworven, doen huldigen, als in de rol van Juffer Serklaas. Zij gaf een type, zooals er in die dagen maar zelden gegeven werd; zij gaf meer dan de schrijver zich gedacht had; zij gaf puntigheid en eenvoud ; zij was ernstig en sober; zij was éen met het charakter dat zij voor te stellen had. De toen levenden, ook zij die steeds aan haar gaven hadden geloofd, betreurden terwijl zij toejuichten, dat zulk een artieste slechts zoo zelden gelegenheid was gegeven naar den aard harer gaven op te treden en zich te ontwikkelen tot de eerste co7Jiédienne van het nationaal tooneel.

J. Eduard de Vries, wien niemant scherpzinnigheid en kennis van zijn publiek kon ontzeggen, wist zeer goéd wat hij deed, toen hij de eerste opvoering deed plaats hebben in den door hem gekochten Schouwburg op het Vreeburg te Utrecht. Het was 19 Februari \'57 toen ik derwaards reisde, vergezeld van den eenig overgeblevene dei-oude garde, die den bloeitijd van het Amsterdamsch tooneel zich nog herinneren kon, het voorbijgaan er van betreurde, maar toch den

IO9

-ocr page 118-

AANTEEKENINOEN.

Schouwburg van ganscher harte trouw was gebleven. Hij was dezelfde, die bij de voorstelling van „Twee Tudorsquot; van sympathie voor den jongen auteur blijk had gegeven. Hij was een beminnelijk man met een erg knorrig gezicht, steeds mopperend goeddoende en meestal brommende liefhebbende. Ik gedenk hem nog in liefde, en acht het nóg een voorrecht, dat hij tot zijn einde mij een vriend heeft willen zijn, en nog wel een vriend, die mij de aanwijzing mijner vele fouten en gebreken nooit onthield !

Wij dineerden aan de table d\'hote in het hotel Bellevue, waar vele studenten mede aanzaten. Het dien avond le geven stuk werd door de jongelui besproken. Wat het behelzen zou? Men wist het niet, maar stelde er zich niet veel van voor. De donkere oogen mijns medgezels schoten vuur; maar hij bleef gelukkig zwijgen en vroeg mij met een diepe basstem of ik van Boergonje hield, ,,\'t Zal nog zoo slecht niet zijn!quot; hoorde ik weer roepen, ,,\'t Is van Hofdijk.quot; „Neen, van Schimmel; \'t is ten minste uit diens roman getrokken,quot; hernam een ander. „Schimmel? wat is er dat voor een?quot; werd van een andere zijde geschreeuwd. Mijn vriendelijke medgezel drong mij juist den Boergonjer te proeven, waarvan hij me een glas had ingeschonken. „Waarlijk, heel goed, voor zoo\'n table (fhote. Dat eens, maar ik kom hier nooit weer ! Een ordelooze boel! En zou je werkelijk gelooven, dat ze de rol goed zal spelen ? Ik kan \'t niet denken. Ze kunnen tegenwoordig niets ... Ze lezen r.iet eens meer, de jongelui van onzen tijd .. . ! Laten we maar opstaan ; onze flesch kunnen we wel ergens anders leeg drinken — \'t is hier om een beroerte te krijgen , . . van de warmte meen ik!quot;

De goede brombeer! Ik begreep wel hoeveel kieschheid onder al dat grommen verborgen lag.

Het werd avond en tijd om naar den Schouwburg te gaan, Toen wij er aankwamen waren alle plaatsen bezet, zelfs de voor ons bewaarde, zoodat eerst na veel moeite ons ergens een klein hoekjen werd aangewezen. De banken voor de studenten bewaard waren overvol, de andere rangen als overladen. Mijn brombeer drukte mij de hand met een blik, waarin mij toescheen de betuiging te liggen : „ze willen toch nog komen !quot; spoedig gevolgd door de woorden: „ t Is een schande dat ze ons zoo wegstoppen, \'t is of we pakgoed zijn!quot;

Wat stiklucht! En dan die aartsslechte Boergonjers!

Het stuk scheen mij eindeloos toe, al had ik ook oogenblikken van genot door het onverbeterlijk spel der hoofdpersone en van Veltman, die den ouden staatsman, Markies de Bedmar. uitmuntend voorstelde, ware het ook dat het verraderstintjen, hem uit het melodrama bijgebleven, zeer goed had gemist kunnen worden. Maar de anderen, die hem en haar ter zijde stonden! Die Vlaamsche edellieden, zelfs Prinsen, in het Leidsche-Pleinsch-Amsterdamsch, \'twas om van te grillen ! Daarbij trof het mij, dat de dialogen gerekt waren en er in plaats van het noodige gesproken, over veel wat overbodig was

I IO

-ocr page 119-

AANTEEKENINGEN.

geredeneerd werd. Ik had reeds gekapt, maar er moest nog veel meer besnoeid worden. „Wat hebben ze een tijd noodig om ons te doen weten wat wij te weten hebben!\' De tegenwoordige tooneellui, ze kunnen niet eens meer vlug spreken!quot; hoorde ik mijn medgezel brommen. „Maar daar is de schrijver ook schuld aan !quot; beet hij mij in \'t oor, toen \'t eerste applaudissement werd gehoord. Ja, ja, ik begrijp u, fluisterde ik haastig. Ik begreep nog veel meer dan de trouwe goede man mij had gezegd of zeggen wilde.

Ik verlangde naar het einde. Het kwam; toch bracht het mij geen behagelijke rust en verkwikkelijke koelte, maar wel een pijnlijk oogen-blik, zóo pijnlijk als ik er sedert maar weinig heb doorgebracht.

Ik had den weg naar het tooneel gezocht en gevonden. Ik wilde de hoofdpersone en hem, die haar waardig ter zijde had gestaan, mijne erkentelijkheid betuigen. Ik vond al de vertooners in een halven cirkel op het tooneel geschaard, voelde de forsche greep van \'s direkteurs vingeren om mijn pols en zag mij eensklaps in\'t midden van den cirkel naast de hoofdpersone. Het scherm ging op ..! Een ovatie ! Reusachtige boeketten werden aangeboden, een groote, in den vorm van een pompoen, mij in de hand geduwd. Het bleef er nog niet bij ! Daar kwam nog een gedicht! Prachtig, prachtig ! Maar .. . overweldigend ! Ik gunde dat, en zoo mogelijk nog meer, aan de uitvoerende artiesten, vooral aan de talentvolle hoofdpersone, voor wie ik geen bloemruiker te schoon geschikt, te liefelijk geurende achtte, maar ik gevoelde mij . . . verlegen met een triumf, waarvan ik altijd de konceptie in de direktiekamer had gezocht en gevonden.

Goddank, daar viel het scherm neèr! Ik repte mij van daar en waagde niet mijn medgezel aan te zien ; ik was bang voor zijn sar-kastiesch lachjen ; maar het oor kon ik toch niet sluiten en ik hoorde uit zijn mond: „dat hadt ge me niet gezeid, dat ge meè zoudt spelen.quot;

Had ik toen slechts geweten wat mij eerst later werd verteld, dat de beroemdste van Utrechts professoren, een man, wiens naam in gants Europa met eerbied wordt genoemd, de hand in deze ovatie gehad had. Wat hem er toe bewogen heeft, begrijp ik in het tegenwoordige oogenblik nog niet. Een hulde aan mij kon van zulk een zijde de bedoeling niet geweest zijn. Daarvoor stond ik niet hoog genoeg. Niettemin heeft de erkentelijkheid sedert mijne hooge achting en mijn eerbied voor dien Vorst der wetenschap getint en blijf ik het een voorrecht achten bij hem bekend te zijn gebleven.

Omstreeks een maand later werd het stuk in Amstels veste gegeven, maar verkort en besnoeid. Mevróuw Engelman oogstte steeds versche lauweren. De tooneelkritiek dier dagen putte haar woordenschat uit in hare veelzijdige loftuitingen over het talent der eerste artieste. Zij verdiende \'t en bleef het verdienen tot aan den avond van haar afscheid van haar artistiek leven. Zij koos toch dit stuk voor haar laatste optreden.

-ocr page 120-

112

Ken reeks van jaren sliep het rustig, onder het stof van den too-neelbibliotheek; maar het werd tot een nieuw leven gewekt door Mevrouw Kleine. Ik wil geene vergelijking maken tusschen beide artiesten; beiden hebben Bakhuyzen van den Brinks beweren, dat de Haagsche Joffer nooit had moeten verschijnen, gelogenstraft. Maar hoe gelukkig beide vrouwen ook in hare vertolking zijn geweest, toch konden zij het stuk geen populariteit bezorgen. De gewone bezoekers der lagere rangen ontbreken steeds als het gespeeld wordt en die der andere zijn niet talrijk genoeg om meer dan een enkele voorstelling voor de direktoriale kas wenscheüjk te maken.

Wat is de reden daarvan ? De gebrekkige samenstelling of de eenzijdigheid van den inhoud, eene eenzijdigheid welke alleen aan het koude verstand het woord laat? Misschien wel beide.

Febr. quot;85.

-ocr page 121-
-ocr page 122-

Bij den ondergeteekeude zijn de eerste afleveringen verschenen eener geheel nieuwe volledige uitgave van H. J. SCHIMMEL\'S dramatische werken, waarin ook zijne nog niet verschenen tooneelstukken zullen worden opgenomen. Zij zal bovendien vermeerderd worden met de tot dusverre niet afzonderlijk verschenen dramatische fragmenten van denzelfden auteur.

Ieder stuk in deze nieuwe uitgave wordt gevolgd door eene toelichting, betreffende de omstandigheden, waaronder ne opvoering heeft plaats gehad. Op deze wijze wenscht de dichter eene bijdrage te leveren tot eene nog te schrijven geschiedenis van het Nederlandsch Tooneel en der Rederijkerskamers der dertig laatste jaren.

Men kan het werk ontvangen in 19 maandelijksche afleveringen\' a 40 cents, of in 3 deelen (elk van ongeveer 600 bladzijden) a ƒ2,50 (gebonden ƒ2,90).

De\' reeds verschenen vijf afleveringen bevatten;

Twee Tudors.

Gondebald.

Joan Woutersz.

Giovanni di Procida.

Oranje en Nederland.

J. C. LOMANr Je.

Snelpersdruk van II. (\'. A. Thieml: te Nijmegen.

1

-ocr page 123-