-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-
-ocr page 4-
-ocr page 5-
-ocr page 6-
-ocr page 7-

VERZAMELING

VAKquot;

PRACTISCHE STOFFEN.

-ocr page 8-
-ocr page 9-

VERZAMELING

voor den

KANSEL;

ten gebrüike dek

EERW. GEESTELIJKHEID,

door

den Ew. Heer J. NUIJTS, R. K. Pr.

eerste deel.

Bib\'.Ll.. ok IIINDERBROEDERS ------ WEERT.

\'s bosch—zwolle, W. VAN GULICK. 1889.

-ocr page 10-

GEDKUKÏ IN DE ST PAULUSVEREENIGING TE MAASTRICHT.

-ocr page 11-

IMPRIMATUR.

Eueaemtodae, 12 Decemhek. 1888.

P. MAIS1 NEKS,

S. Theol. Doet, et Prof., Librornm Censor,

-ocr page 12-
-ocr page 13-

Niet zonder aarzeling en dan na rijp heraatl, hen ik er toe overgegaan mijne onderrichtingen en preeken het licht te doen zien. Immers er bestaan in onze taal zoovele werken die dezelfde stof behandelen, er verschijnen bijna dagelijks zoowel in hel bin -nen- als buitenland tal van nieuwe hulpbronnen, die ten doel hebben den kanselredenaar vóór te lichten en hem zijne taak zooveel mogelijk te vergemakkelijken. Ja, men heeft het hem zoo gemakkelijk gemaakt, dat hij na eenmaal zijn onderwerp te hebben vastgesteld, de verdeeling der stof, de keuze der bewijsgronden, de Schriftuurplaatsen, ophelderingen, vergelijkingen en voorbeelden reeds kant en klaar vindt voordat hij zijne preek gaat bewerken ; zoodat hij dank aan genoemde hulpbronnen, in écu uur tijds een arbeid verricht, waartoe hij anders dagen had moeten besteden. Dit alles in aanmerking genomen, mag het overbodig en doelloos heeten, bij zoovele bestaande werken op het gebied der kanselwelsprekendheid, er nog een nieuw te willen bijvoegen. Ja, in zekeren zin zou dat waar zijn, bijaldien de bestaande werken volkomen aan een ieders smaak en eisch voldeden en onder elk opzicht deugdelijk en zakelijk waren. Er valt evenwel onder dit oogpunt nog veel te verbeteren en aan te vullen. Bijna alle kanselvoordrachten in onze taal hébben dit met elkander gemeen, dat zij en niet eenvoudig genoeg geschreven en niet practisch genoeg bewerkt zijn. Dat tweevoudig gebrek heb

-ocr page 14-

ik getracht te verbeteren door de uitgave van een werk, waarin de eenvoudigheid van gedachten, de klaarheid van bewijsvoering, de natuurlijkheid van indeeling en de bij uitstek practische bewerking der stoffen op den voorgrond staan. Gemakshalve plaats ik aan het hoofd van elke preek den beknopten inhoud der stof, zoodat de lezer in een enkelen oogopslag, de indeeling der stof in punten, alsmede alle bewijsgronden in eens overziet. Het ge-heele werk zal doorvlochten wezen van toepasselijke voorbeelden en stichtende geschiedenissen; in een woord geene zorg zal gespaard worden om het werk aan ieders verwachting te doen beantwoorden. Mocht ik er in slagen door deze uitgave de taak van den kanselredenaar eenigermate te verlichten en zijn arbeid wat te vergemakkelijken, dan acht ik mijne moeite rijk beloond.

De ScnniJVEH.

-ocr page 15-

I REEKS.

Uoel en einden van «len menscili. —Olirjüilelijlie boetvaanliglieitl.

Over de Zaligheld.

Wij moeten :

I. Ernstig aan onze zaligheid denken.

II. Vurig er naar verlangen.

III. Ijverig er aan arbeiden.

Haec est voluntas Dei: Sanctificatio,, vestra. Dit is Gods wil: uwe hei, liging. (I. Thess. 4. 3.)

Wanneer ik dezen morgen mijn blik laat gaan over die talrijke schaar van geloovigen, die hier vergaderd is, dan herinner ik mij onwillekeurig aan een feit .dat ons in het evangelie wordt medegedeeld; namelijk aan de beroemde bergpredicatie die onze Zaligmaker weleer op een berg, niet ver van het meer Genesareth hield, tot eene talrijke schaar van men-sohen. De Zaligmaker hield in de bergpredikatie zijne toehoorders voor, de leer des eeuwigen levens en maakte door middel van verschillende gelijkenissen (vogelen des hemels, bloemen des velds) hun opmerkzaam op de belangen hunner eeuwige zaligheid. Ziedaar wat ook ik dezen morgen mij tot taak heb opgelegd. Ik ga heden u voorhouden het groot werk

-ocr page 16-

— 2 —

uwor eeuwige zaligheid, een werk dat voor ons allen van liet grootst belang ia, waarop wij voortdurend bedacht moesten zijn, waaraan wij al onze zorg moesten wijden , waartoe wij al onze pogingen moesten aanwenden en dat door velen zoo lichtvaardig beoordeeld, zoo zorgeloos over bet boofd wordt gezien. Ik wil u dezen morgen eens duidelijk doen zien, wat gij doen moet om met vrucht het werk uwer zaligheid te behartigen. — Wie zalig wil worden moet;

I. Ernstig daaraan denken.

II. Vurig daarnaar verlangen.

Hf. Ijverig daaraan arbeiden. —

Een verstandig en voorzichtig man, die eene zaak van belang gaat ondernemen, zal vooreerst ernstig nadenken en peinzen over de middelen die hij moet aanwenden ten einde wel te slagen. Een bouwmeester zal zich te voren een plan ontwerpen.. . een schilder eene ruwe schets ... een veldheer een plan van operatie. — Zoo moet ook een christen doen die belang stolt in zijne eeuwige zaligheid. Weinigen echter doen dat, — allen zijn voorzichtig, beangstigd en bezorgd, wanneer het hunne tijdelijke belangen geldt; weinigen echter brengen die bezorgdheid over op de belangen hunner eeuwige zaligheid. Wat is men .niet in de weer om fortuin te maken, hoe bezorgd is men voor zijn goeden naam, voor zijne gezondheid, ja wat tijd verliest men niet met zondige gedachten en inbeeldingen en aan het werk zijner zaligheid denkt niemand. „Nullus est qui reeogitet corde.quot; (Jer. 12. 11.) De meeste menschen zijn gelijk aan sommige visschen, die men nooit op den spiegel van het water ziet, maar die altijd op den bodom zwem. men, in bet slijk kruipen. — Wie niet denkt aan de zaak zijner zaligheid is een dwaas, zegt de ET. Ber-

T

-ocr page 17-

nardinus : „salutis imtnemores sunt quasi stnlti.quot; — Het verschil tusschen dwazen en verstandigen bestaat hierin, dat gene altijd hun oog gevestigd houden op stoffelijke en aardsche zaken, zij geven slechts acht op den glans der rijkdommen, op de glorie der aardsche grootheden, op de aantrekkelijkheid der vleesche-lijke lusten, in één woord, hunne oogen overschrijden niet de grenzen dezer aarde ; „oculi stultorum in fini-bus terrae.quot; De verstandigen daarentegen beschouwen en overwegen met de oogen des geloofs het onstoffelijke en eeuwige, de goedheid van God, de glorie

der heiligen , de schoonheid der deugd..... Zoo

deed de koninklijke profeet David, die te midden der aangelegenheden van het staatsbestuur, de wet van God tot stof zijner overweging nam: „lex tua meditatie mea estquot;; zoo deed een H. Hieronymus die het gewoel van Rome verliet, om in de eenzaamheid der woestijn de belangen zijner zaligheid te overwegen, — de H. Petras Celestinus die den pauselijken troon voor eene kloostercel verwisselde , — de H. Franciscus Borgia die bij het zien van het lijk van keizerin Isabella de wereld verliet — en waarom ? Om des te gemakkelijker en vrijer hunne eeuwige belangen te kunnen overwegen. Zoo handelden de heiligen, zoo moest ook gij eoniger-mate doen. Zonder juist de wereld te verlaten, kondet gij van tijd tot tijd eenige oogenblikken besteden om uwe eeuwige belangen te overwegen. Zij die hunne eeuwige zaligheid uit het oog verliezen zijn niet slechts dwazen maar nog rampzaligen. Zij kunnen immers niet zalig worden tenzij zij aan hunne zaligheid arbeiden, en zij kunnen daaraan niet arbeiden, indien zij niet ernstig overwegen de middelen die zij moeten bezigen om zalig te worden. Al wie dus niet ernstig nadenkt,

-ocr page 18-

kan niet zalig worden, maar zal verloren gaan. „Quia nullus intelligit et aeternum peribunt.quot; (Job. 4. 20).

O hoe droevig zal het wezen voor velen wanneer zij den rand der eeuwigheid genaderd zullen zijn, waaraan zij tijdens hun leven zoo weinig gedacht hebben ! Dit overkwam een Filips III koning v. Spanje, die tijdens zijn leven zich al te zeer door de verstrooiingen van het hof had laten medesleepen, zich door de vleiereien der hovelingen te zeer had laten verblinden en te weinig aan zijne ziel en zaligheid gedacht had. „Ach ! riep hij weenend uit, wat zou ik gelukkig sterven zoo ik geen koning geweest ware, maar mijn leven gesleten had in de eenzaamheid, in den dienst van God. Dergelijke klacht zal ook over de lippen komen van menig christen op zijn sterfbed. „Ach ! riep een hoveling uit van Koning Frans I op zijn sterfbed, ik heb bij mijn leven zooveel riemen papier volgeschreven ten dienste van mijn koning, zooveel tijd gesleten in wereldsche zaken en daarentegen zoo bitter weinig gedacht aan de belangen mijner ziel en zaligheidquot;. Zondaren, die zelden of nooit denkt.... ik bid u overweegt eens ernstig de zaak uwer eeuwige zaligheid. Denkt eens van tijd tot tijd aan deze twee woorden, die de H. Theresia aan hare zusters ter overweging voorstelde : Eene ziel! eene eeuwigheid! d. w. z : ik heb eene ziel en indien ik haar verlies is alles verloren en mijne ziel eenmaal verloren blijft eeuwig verloren. „Periisse semel, aeternum est.quot; Maar ook gij rechtvaardigen! die daar zoo onbezorgd zoo lauw voortleeft, vernieuwt eens uwen ijver en denkt ook gij eens ernstig na. .. want wie bij zijn leven weinig nadenkt.... loopt groot gevaar zijne zaligheid te missen.

II. Ernstig nadenken... is de eerste stap om er te

-ocr page 19-

komen, maar men moet ook een tweede stap doen, namelijk : vurig daarnaar verlangen. Evenals er maar weinigen zijn die ernstig aan hunne zaligheid denken, zoo zijn er ook maar weinigen die er vurig naar verlangen. Onderstelt, ik vroeg een ieder van u, zelfs den grootsten zondaar der parochie : zoudt gij gaarne zalig worden ? Niets vuriger dan dat, zou het antwoord wezen. Ja, ik wil het gelooven, zoolang gij eene preek bijwoont die u treft, zoolang gij neergeknield zijt aan de voeten van den biechtvader, zoolang gij aan een zwaar ziekbed ligt vastgekluisterd, zoolang gij u bevindt aan het sterfbed van een vriend of bloedverwant. O ja, dan zegt gij : „Moriatur anima mea morte justorumquot;. Doch dat verlangen is meestal een ijdel verlangen. Imn.ers, men wil wel zalig worden, zegt de H. Alphonsus, maar men wil niet besluiten de middelen te nemen die daartoe leiden, zooals het gebed de H. H. Sacramenten, het beoefenen der deugden, de vlucht der zonden, het vermijden der gelegenheden en gevaren, het bestrijden der driften. . . . Wie dus zalig wil worden zonder de middelen lt;e gebruiken die daartoe leiden, wil het onmogelijke; hij is gelijk aan iemand die naar Eome zou willen gaan zonder den voet te verzetten , aan een hongerige, die zijnen honger zou willen stillen maar toch geen voedsel wil nemen, aan een schipbreukeling die zijn leven zou willen redden maar daartoe geene pogingen doet. Zoo doen ook vele christenen die wel willen zalig worden maar . . . Veronderstelt eens dat een koning dezer aarde zonder eenig eigen belang, al wat mogelijk was deed om een armen bedelaar gelukkig te maken; zou dan diebedelaar niet een ondankbare zijn, indienhij die gunst des konings verstiet. Nu J. C. heeft al het mogelijke gedaan om u in de toekomst een eeuwig geluk te bezorgen. Van

-ocr page 20-

af het eerste oogenblik zijner menschwording dorstte Hij naar de zaligheid der mensohen. Hij doorliep dorpen, vlekken, steden om zielen te winnen. Hij deinsde niet terug voor versmadingen, verguizingen, vervolgingen, ja zelfs niet voor eenen schandelijken dood. Ja, stervend aan het kruis vergat Hij zijn lijden en riep uit: „Sitioquot; : Ik heb dorst, naar de zaligheid der menschen. Dit deed den H. Bernardus zeggen: „Domine 1 plus te orueiat sitis nostree salutis , quam crux tua. Heer gij wordt meer gepijnigd door den dorst naar onze zaligheid, dan door de folteringen des kruises.quot; Welk belang verder had Jesus?... Niet het minste, Hij zou even gelukkig zijn of er velen of weinigen zalig worden. Onze zaligheid is niet zijne, maar onze zaak. Ziedaar, zeker eene krachtige beweegreden voor ons om vurig naar onze zaligheid te verlangen. Dat verlangen echter moet nog vuriger wezen, indien wij een blik worpen op de eeawige gelukzaligheid zelve, op de goederen des hemels. — \'s Menschen hart wordt getrokken tot alles wat de zinnon streelt. Voor een schoon, een heerlijk gezicht zal men uren, dagen, maanden reizen , — voor eene tentoonstelling te bezichtigen zal men geene offers sparen, en toch wat is dat alles in vergelijking van den hemel en van hot oneindig geluk dat ons daar wacht. Het geluk dat ons daar wacht, zegt de H. Augustinus, is zoo groot dat wij om daaraan deelachtig te worden bereid mooter, zijn als het noodig ware, al het lijden dezer wereld en alle folteringen der hel te verduren. „Nooit heeft oog gezien noch oor gehoordquot; . . . Dwaas dus zij die zoo weinig naar den hemel verlangen ; want niets is er, dat moer ons hart bevredigen kan. Christenen voedt en versterkt steeds in u het verlangen naar den hemel, het zal u voeren tot een derden en laatsten stap, namelijk :

-ocr page 21-

III. ijverig aan uwe zaligheid te arbeiden.

Maar wat moeten wij dan doen om zalig te woiden? Twee zaken; 1) Fac bonum. Doe het goed. Wat beteekent dat ? Dat beteekent, dat God van u geene mirakelen, noch buitcsngewone zaken vordert, maar eenvoudig de onderhouding zijner geboden , die der H. Kerk en vooral de naleving van de plichten van uwen staat, Grod vraagt van u christelijke echt-genooten onderlinge trouw, liefde en behulpzaamheid, — van u huisvaders en huismoeders, zorg voor en waakzaamheid over uwe kinderen, — van u jongelingen en jonge dochters , do vlucht der zonde, der gevaarlijke gelegenheden, de bestrijding uwer driften, een kuische en zuivere levenswandel, — van u kinderen, eerbied, gehoorzaamheid en liefde jegens uwe ouders; in één woord van een ieder de plichten aan iederen levensstaat eigen. Nu, evenals meer wegen tot één doel leiden, zoo leidt ook elke levensstaat ten hemel; de eene zekerder en gemakkelijker nochtans dan do andere. Voor eene H, Lidwina was de weg ten hemel een ziekbed van 30 jaren. De gelukzalige Labre moest den hemel koopen met zijn leven lang te bedelen en van aalmoezen te leven. Eene H. Blondina dienstmaagd.... door den huisarbeid. En de H. Joseph, de bruidegom van Maria, wat was hij anders dan een eenvoudig timmerman ? Ja, Jesus zelf was even aangenaam aan God, al den tijd dien hij verborgen doorbracht in den winkel van zijn voedstervader, dan later toen Hij wonderen en mirakelen verrichtte. Christenen, alles wat gij doet hoe klein, gering en nietig, is verdienstelijk voor den hemel, zoo het maar geschiedt met eene zuivere meening. Zeer juist zegt daarom de H. Alphonsus, dat de heiligheid bestaat in de aaneenschakeling van kleine

-ocr page 22-

zaken. O! hoe troostvol is de gedachte: voor het weinige wat ik doe, geeft (iod mij den hemel; immers Hij zegt; „Euge serve bone et Melis quia super pauoaquot; ... quot;Wie aan zijne zaligheid arbeidt hier op aarde, doet eene dubbele winst, namelijk hij leidt een tevreden en rustig leven en hem wacht hiernamaals een eeuwig leven. Maar omgekeerd wie.... ondergaat een dubbel verlies; een rampzalig leven : „non est pax impiis,quot; — en eene nog veel rampzaligere eeuwigheid. Christenen kiest, doch weet dat uwe keus beslissend is.

2) Dedina a raalo: Vlucht de zonde. Wie eene doodzonde bedrijft sluit een verdrag met den duivel en zegt; wat zult gij mij geven indien ik u mijne ziel overgeef V Een kortstondig vermaak, een stuk gold, een weinig ijdele eer; de] koop wordt gesloten bij het leven en de aflevering der ziel geschiedt bij den dood. Al wie dus ernstig wil gaan arbeiden aan het werk zijner zaligheid, moet van nu af beginnen de doodzonde te vluchten ; dus geene godslasteringen of oneerbare gesprekken, geen zonden van onkuischheid of dronkenschap meer; want wie dc zonde niet wil laten, toont eene groote onverschilligheid voor het werk zijner eeuwige zaligheid. Vlucht verder de gevaren en gelegenheden tot zonde; den omgang met dien bedorven kameraad, de verkeering met dien on-

kuischen jongeling----want wie het gevaar bemint,

zal er in omkomen. Vlucht ook de vrijwillige dage-lijksche zonden, kleine leugens, kwaadspreken, afge-keerdheid ;... want wie ontrouw is in het kleine zal ook langzamerhand \'in het groote ontrouw worden. Welaan dan Christenen, eens ernstig de hand aan het werk geslagen. Eens ernstig aan het werk uwer zaligheid gaan denken. De H. Philippus Neri onder-

-ocr page 23-

hield zich op zekeren dag met een jongeling van veel talent, Francisous Zazzera gehceten, die zich naam zocht te maken in de wereld en sprak tot hem: Goeden moed mijn zoon, gij zult u aanzien verwerven, goed advocaat worden, vervolgens prelaat, misschien nog kardinaal, ja wie weet paus ; maar dan ... maar dan... . Ga, zeide hij, en denk eens na over die twee laatste woorden. De jongeling ging heen, dacht na over die twee woorden; ^en dan .... en dan ...quot; zeide der wereld vaarwel, omhelsde het kloosterleven en stierf als een heilige. Doet evenals hij en zegt tot u zeiven: ik zal het misschien ver brengen in de wereld, rijk trouwen, veel geld verdienen ; maar dan... En ook die gedachte zal u aanzetten om ten minste van nu af wat ernstiger aan het werk uwer zaligheid te gaan denken.

Gij moet er ook vurig naar gaan verlangen. Dwazen ! die naar niets verlangt dan naar geld, eer en grootheid, zingenot.. .. gij verlangt zaken, die even spoedig verdwijnen als komen. Zegt mij eens wat blijft er nog over van de glorie van een Salomon, van de schatten van een Croesus, van de weelde van den rijken vrek ? „Transieruntquot;. Waar zijn nu die zegepralen van een Caesar en Napoleon, waar is nu dat rijk van een Alexander den Groote, de kracht van een Samson, de schoonheid van een Absalon V Waar zijn zij nu die koningen en vorsten, die weleer zoo veel van zich hebben doen spreken V „Transierunt omnia ilia tamquam umbraquot;\'. Gij moet verlangen naar zaken die bestendig en onvergankelijk zijn, die niet voorbijgaan.

Eindelijk ijverig er aan arbeiden. Maar bedenkt wel dat het werk uwer zaligheid voor u een persoonlijke arbeid, uwe eigen zaak is. Tijdelijke zaken zijn niet uwe eigen zaken, maar die van anderen.

-ocr page 24-

— 10 —

Een geneesheer besteedt zijne kunst voor het welzijn van anderen, oen advokaat zijne kennis en wetenschap voor zijne elionten, gij vaders en moeders werkt meer voor u.ve kinderen dan voor u zeiven. Het werk echter uwer eeuwige zaligheid is uw eigen werk. Ik kan wel door mijn woord u den weg des hemels toonen ; maar gij moet dien bewandelen, ik kan wel voor u bidden; maar gij moet quot;handelen; anderen kunnen uwe akkers en velden bebouwen en gij de vruchten daarvan trekken ; maaru-we zaligheid bewerken dat moet gij zelf doen. Welaan dan Chr. eens ijverig begonnen eens edelmoedig aangevangen, eens een hechten grondslag gelegd waarop gij kunt voortbouwen en tot uwen dood volharden : „Esto fidelis usque ad mortem et dabo tibi coronam vitae.\'\' (II Tim. 2. 10.)

-ocr page 25-

Over de Ziel.

I, Kostbaarheid der ziel.

II. Hoe moeten wij aau haro zaligheid arbeiden ?

Custodi temctipsum et animam tuam sollicite. Waak zorgvuldig over u zeiven en over uwe ziel. (Deuter. 4. 9.)

Wanneer men zijn oog laat gaan over de wereld bespeurt men de grootst mogelijke bedrijvigheid ; overal inspanning, handel, nijverheid, geldspeculatie, winstbejag ; ieder zoekt in zijnen stand vooruit te komen, de koopman ... de man van studie ... de soldaat... do geringe man, de arbeider... nu, ik wil dat ook niet volstrekt afkeuren, bijaldien men zich maar niet uitsluitend tot het tijdelijke bepaalt. Maar wat is het geval ? Wanneer men den grooten hoop menschen nauwkeurig gadeslaat, heeft het alleszins den schijn) alsof zij buiten hunne tijdelijke, geene andere belangen te behartigen hadden. En toch Chr. er zijn goederen eener hoogere orde, die namelijk onzer ziel, buiten welke er niets grooters, verhevcners, noch kost-baarders is. Wat baat het den mensch, zegt de H. Augustinus, kennis en begrip te hebben van alle dingen, bijaldien hij de kennis van zich zeiven en van zijne ziel verwaarloost! Waartoe noodig den afstand van zon en sterren, de uitgestrektheid en diepte der zee te bewonderen ; keer in u zeiven, o mensch 1 be-

-ocr page 26-

schouw uwe ziel en gij zult zien dat er niets schooners en bewonderenswaardigers is dan zij. Chr. wij moeten onze ziel redden, want wij hebben er slechts ééne, en indien wij haar redden, hebben wij ons fortuin gemaakt voor de ganscho eeuwigheid ; maar zoo wij haar verliezen, zijn wij ongelukkig en rampzalig eveneens voor eene gansche eeuwigheid. Het komt er dus op aan onze ziel zalig te maken.

I. Kostbaar bijgevolg en van groote waarde is onze ziel.

II. En is zij kostbaar, dan moeten wij ook geene moeite sparen om baar zalig te maken. Ziedaar een tweevoudig punt dat ik u heden ter overweging ga voorstellen.

I. Kostbaarheid der ziel. Kostbaar is eene zaak, die van den kant van haren maker veel verstand, beleid en doorzicht vordert. Om hemel en aarde te scheppen was het verstand noodig van eenen almach tigen en alwijzen God die door een enkel woord; „Fiatquot; alles uit het niet te voorschijn riep. Eveneens om den menseh te schoppen, begaafd met eene redelijke ziel, werd het verstand ... maar daartoe was een enkel woord niot voldoende; neen, daartoe trad als het ware de H. Drievuldigheid in gemeenschappelijk overleg; „Faciamns hominemquot; ... En waarom? Omdat de mensch moest wezen het meesterstuk der schepping, begaafd met eene ziel waarin God zijn beeld wilde afdrukken. Hij wilde haar namelijk venijken met verstand, geheugen en wil. De waarde onzer ziel blijkt dus vooreerst uit hare afkomst; zij is van god-delijken oorsprong, naar Gods beeld geschapen; zij heeft God den Vader tot vader — God den Zoon tot broeder — Go d den H. Geest tot bruidegom,— Maria tot moeder — een engel tot geleider, — een heilige tot beseher-

-ocr page 27-

— 13 -

mer en daarom mocht de H. Clemens van Alexandrië met recht den mensch wegens zijne ziel noemen : eene hemelsohe plant, die hare wortelen heeft in den hemel. Men berekent ook wel eens de kostbaarheid van een wezen naar zijne behoeften ; want hoe volmaakter dat wezen is, des te grooter zijn zijne behoeften. Stellen wij eens eene vergelijking tusschen de behoeften van ons lichaam en die van onze ziel en wij zullen zien .. .

1. Ons lichaam heeft behoefte aan kleederen en waaruit bestaan die ? Grootendeels uit dierenvach-ten en voortbrengselen van plantaardigen of dierlijken oorsprong. Ook onze ziel heeft behoefte aan een kleed en welk is dat ? Jesus Christus zelf. „Induimini Dominum J. C quot; (Rom. 13) en op eene andere plaats : „quicumque onim in Christo baptizati estis, Christum induistis.quot; (Gal. 3, 27). Het kleed dus onzer ziel is Christus, of duidelijker de heiligmakende genade ; berekent nu daaruit hare waarde.

2. Voedsel. Een weinig groen van het veld, eene bete broods, het vleesch van dieren, een dronk water, is toereikend voor ons lichaam om te leven. En wat behoeft onze ziel ? Het vleesch en bloed van Christus zelf. Geen ander voedsel kan haar verzadigen, haar doen leven. „Amen, amen dico vobis: nisi manducaveri-tis carnem filii hominis et biberitis ejus sanguinem non babebitis vitam in vobis. (Joa. 6. 54).

3. Ons lichaam moet hebben een onderkomen, eene woning. Een eenvoudig metselaar is in staat hetzelve eene geriefelijke huisvesting te verschaffen. Eene stroohut ware reeds voldoende; want ons lichaam zal zich eenmaal wel moeten tevreden stellen met wat minder, namelijk ; met een hoekje grond van een paar ellen in \'t vierkant tot graf. En onze ziel ? Zij vordert een paleis dat de grootste bouwmeester

-ocr page 28-

— Ié

der wereld haar niet kaa bezorgen, eene woning door geen mensohenliand, maar door de hand van God zeiven gemaakt, namelijk den hemel. J. C. heeft zich in persoon met den bouw onzer hemelache woon belast, „Vado parare vobia loeumquot;. (Joa. 14. 2)

4. Ons lichaam heeft nog behoefte aan leven, tot deszelfs instandhouding Zestig, zeventig hoogstens tachtig jaren en ons lichaam is versleten en daalt ten grave Onze ziel daarentegen vordert een eeuwigdurend leven. En geen wonder, haar oorsprong is van Grod, goddelijk is haar beeld; dus ook haar duur moet goddelijk d. i. eeuwig wezen.

Kostbaar dus is onze ziel wegens haren oorsprong, hare gelijkenis en hare behoeften. Terecht leert dan ook de fL Thomas, dat de bekeering van de ziel eens zondaars, een moeilijker maar tevens een grooter en verhevener werk is dan de schepping der wereld. Wanneer de gansche aarde, zegt een schrijver, in goud veranderde en al dat goud besteed werd om paleizen te bouwen, dan zouden die nog niet waardig zijn om te dienen tot voetbank voor Gods troon; terwijl eene enkele ziel in staat van genade tot verblijf dient van God in de H. Communie. Terecht dus mocht David uitroepen. „Minuisti eum paulo minus ab an-gelis.quot;—Ja, eenigermate zelfs boven de engelen.— Gij hebt den mensch meer liefgehad dan de engelen. Gij hebt den mensch vrijgekocht, niet de engelen. Lucifer en zijne mede-engelen stonden op tegen God en oogenblikkelijk ondergingen zij de straf voor hun verzet. Ook de mensch stond op, viel in zonde, verloor zijne ziel; doch voor hem werd een losprijs betaald. „Empti estis pretio magno.quot; (I. Cor. 6. 20.) Geen mensch ter wereld, geen engel was in staat dien te geven. Dien losprijs kon alleen J. C. ons

-ocr page 29-

— 15 -

bezorgen ten koste van zijn bloed; onze ziel is dus evenveel waard als Jesus\' bloed- Leg in eene weegschaal, eenerzijds Jesus\' bloed en anderzijds eene ziel vrijgekocht door Jeaus\' bloed en beide zullen even. wicht maken. Chr. keert nu ee.is in u zeiven en vraagt u af, hoe heb ik tot dusverre mijne ziel gewaardeerd?

Velen zullen bekennen: wij hebben haar minder geacht dan een wellustig vermaak, een stuk geld, eene booze lust en voldoening : want daarvoor hebben

wij haar prijs gegeven; anderen..... haar niet

genoeg op prijs gesteld. — Hoe het zij, alles kan hersteld worden. „Pro omnibus mortuus est Christus.quot; (II. Cor. 5. 16.) „Vult omnes homines salvos fieri.quot; (Tim. 2. 4) quot;Welaan dan eens ernstig begonnen. Doch hoe moet gij aan de zaligheid uwer ziel arbeiden ?

II. Wie zijne ziel wil zalig maken, moet den arbeid, dien hij daaraan besteedt, beschouwen als zijn eersten en voornaamsten plicht d. w. z. de belangen zijner ziel moeten de eerste plaats innemen. Wat doet iemand die voor zaken op reis gaat ? Hij slaat weinig acht op personen, zaken, plaatsen, — oog en hart zijn gevestigd op de plaats zijner bestemming. Zoo ook moet gij het tijdelijke niet verwaarloozen, maar het eeuwige boven alles behartigen. „Quterite primUm regnum Dei.quot; (Matth. 6. 33.) Ondervraagt eens de heiligen hoe zij aan het werk hunner zaligheid arbeidden. De H. Patriarchen van het O. V. woonden in tenten, vandaag hier, morgen elders; zij beschouwden zich als vreemdelingen, als reizigers op aarde. „Non habemus hic manentem eivitatem.quot; ... Wat heeft zoovele kloosterlingen bewogen alles te verlaten ? Niets anders dan om meer uitsluitend aan de zaligheid hunner ziel te arbeiden. Hoevelen zijn verblind op dat punt; bij hen nemen de plezieren en vermaken de eerste plaats in en de

-ocr page 30-

— 16 -

heiliging hunner ziel is bijzaak. Deze loopen groot gevaar hunne ziel te verliezen; want wat waar is met betrekking tot een aardschen schat, is ook waar met betrekking tot den schat onzer ziel. Zorgeloosheid en gebrek aan waakzaamheid brengen een aardschen schat in gevaar, eveneens den schat onzer ziel.

Die arbeid moet verder krachtig, werkdadig zijn ; d. w. z. men moet met een vasten en krachtigen wil bezield zijn. De H. Thomas werd op zekeren dag ondervraagd door zijne zuster, die wilde weten wat zij doen moest om hare ziel zalig te maken. — Volendo, was het antwoord ; d. w. z. door krachtig en werkdadig te willen; want die krachtige wil zal tevens de middelen daartoe aan de hand geven. Allen willen zalig worden ; maar weinige de middelen daartoe aanwenden; zij zijn gelijk aan iemand die rijk wil worden zonder zich moeite te geven, — geleerd zonder te studeeren. Wie met een krachtigen wil bezield is, zal vooreerst de zonde vluchten.... hij zal daarenboven goede werken verrichten, deugden beoefenen, zijne driften bestrijden; want dat is eene volstrekte vereischte. Een soldaat die wil overwinnen, moet niet slechts de slagen afwenden, maar ook slagen toebrengen ; zoo ook de christen moet niet slechts de zonde vluchten maar nog de deugd beoefenen, strijden en vechten. „Eegnum coelorum vim patitur et violenti rapiunt illud.\'. (Matth. 11. 12.) Dat begrepen de heiligen ; o. a. een H. Paulus. „Ik arbeidde, ik werkte opdat Christus mocht verheerlijkt worden door mijn leven of door mijnen dood.quot; (Philipp. 1, 20.) „Ik beschouwde het lijden van dezen tijd als van geen gewicht, tegenover de toekomstige heerlijkheid die in ons geopenbaard zal worden.quot; (Rom. 8. 20.) Ik kastijd mijn lichaam en maak het dienstbaar.

-ocr page 31-

17 —

(I. Cor. 9. 27.) Ik leed in alles verdrukking; maar werd niet beklemd, ik werd twijfelmoedig; maar niet wanhopend, vervolgd; maar niet verlaten, terneer-geworpen ; maar niet omgebracht.quot; (II. Cor. 4. 8 9.) Ik heb zwaren arbeid doorstaan, ik ben in den kerker geweest, heb aan kastijding en dood blootgestaan, ben gegeeseld en gesteenigd geworden, heb schipbreuk geleden, gevaren van allerlei aard doorgestaan, honger, dorst, koude, ontblooting geledenquot;. Ziedaar hoe Paulus die woorden verstond ; „met kracht aan de zaligheid zijner ziel arbeiden.quot;

Die arbeid moet met voorzichtigheid gepaard gaan. De voorzichtigheid is het oog, de stuurman der ziel, die al hare bewegingen en handelingen regelt. (H. Thomas). Ontneemt den stuurman aan een schip ; het zal gevaar loopen op klippen en rotsen verbrijzeld te worden ; ontneemt aan de ziel hare geleidster de voorzichtigheid, ook zij.... op klippen en gevaren der wereld. . .. Hoe bitter beklaagde zich niet David over een onvoorzichtigen oogslag! En gij, raadpleegt eens de ondervinding. Moet ook gij u niet beklagen over een onvoorzichtigen oogslag... . woord, over eene verkeering zonder beraadslaging ondernomen? Een voorzichtig man, zegt de H. Bernardus, doet nooit iets zonder drie zaken overwogen te hebben ; An lieeat : is die handeling geoorloofd, — an deceat; is zij wel betamelijk en passend, — an expediat: is zij mij nuttig en voordeelig ? Chr. doet ook zoo in al uwe handelingen.

Eindelijk met volharding, d. w. z. tot aan den dood. Van hoevelen mag men zeggen : „Hic homo coepit aedificare, et non potuit consummare.quot; (Luc. 14. 30.) Hoevelen begonnen goed tijdens eene missie, leefden kuiseh en zuiver in de kinderjaren ; koevele zondaren

2

-ocr page 32-

— IS —

zijn opgestaan ; maar hebben niet volhard. Wie begon beter dan Saul, doch .... verloor den troon en misschien zijne ziel. En Salomon en Judas en zoovele anderen. „Coepisse multorum est, ad culmen pervenisse paucorum. (H. Hieronymus). „En toch alleen hij, die ten einde toe volhard zal hebben, zal zalig wezen.quot;

Ik sluit Chr. met deze beteekenisvolle woorden: „Omnia si perdas, animam servare memento.quot; Gij kunt uw fortuin, uwe gezondheid, uwe eer en faam verliezen, maar ook weer terug bekomen; maar uwe ziel eens verloren, blijft verloren. Een koning van Frankrijk vroeg aan paus Eugenius eene gunst, die deze volgens geweten niet mocht geven en ontving ten antwoord : „Sire! hadde ik twee zielen, ik waagde er eene voor u, doch ik heb er maar ééue en mag die niet wagenquot;. Zegt ook zoo : Ik heb maar ééne ziel en die moet ik zalig maken; arbeidt er aan met ijver, met kracht, met voorzichtigheid, maar vooral met volharding, want: „Qui perseveraverit in finem, hic salvus erit.\'\' (Matth. 10. 22.)

-ocr page 33-

Boetvaardigheid

I. Noodzakelijkheid der Boetvaardigheid :

1. Voor den zondaar.

2. Voor den rechtvaardige.

II. Eigenschappen der Boetvaardigheid. Zij moet wezen :

1. Oogenblikkelijk.

2. Gestreng.

3. Standvastig.

Poenitentiam agite. Doet boetvaardigheid. (Matth. 3. 2.)

Achttien eeuwen geleden, leefde in de woestijn van Judea een heilig boetprediker met name Johannes. Hij droeg een kleed van kemelshaar en een lederen gordel om de lendenen, zijne levenswijze beantwoordde aan zijne kleeding ; want zijn voedsel bestond uit sprinkhanen en wilden honing. Hij ontving van God bevel om in Israël op te treden en de menschen tot boetvaardigheid op te wekken. De korte inhoud zijner prediking was : „doet boetvaardigheid, want het rijk der hemelen is nab:j.quot; Wie aan zijn woord geloofde en zich wilde bekeeren, moest zijne zonden belijden en zich laten doopen en gaf daarmede te kennen dat hij een nieuw leven van boetvaardigheid wilde beginnen.

Die taak van den H. Johannes, hebben wij priesters der nieuwe wet overgenomen. Ons heeft God gelast, het werk van zijnen heiligen Voorlooper voort te zet-

-ocr page 34-

ten, met ook u christenen, de boetvaardigheid te prediken. Ook ik roep u heden met dien heiligen boetgezant toe : „doet boetvaardigheid, want het rijk der hemelen is nabij.quot; De hemel vour den zondaar gesloten, kan slechts langs ééne deur geopend worden, die der boetvaardigheid. De handelwijze van God jegens den boetvaardigén zondaar is dezelfde, als die van den H. Joannes ten opzichte der joden. God let minder op de bedreven zonden dan op de goede gesteltenis van den zondaar: „al waren uwe zonden, zegt Hij, rood als scharlaken, zij zullen witter worden dan sneeuw.quot; Om u te stemmen tot gevoelens van boetvaardigheid, wil ik u eens doen zien :

I. De noodzakelijkheid der boetvaardigheid, zoo voor rechtvaardigen als zondaars.

II. De eigenschappen die uwe boetvaardigheid moet hebben, om vruchten van zaligheid te dragen.

I. Noodzakelijkheid der boetvaardigheid voor den zondaar. De deugd van boetvaardigheid is een berouw, een leedwezen des harten over de bedreven zonden, zegt de H. Ambrosius, zij is de hervorming van een zondig leven, doet den mensch sterven zonder hem te dooden, sterven aan de zonde, aan zijne driften en hartstochten. Zij sluit dus in zich drie zaken: de vlucht der zonde, het berouw over de zonde, de voldoening voor de zonde. Zoodanig was de boetvaardigheid van Petrus, die tot driemaal toe zij oen goddelijken Meester verloochende. „Exivitquot;, hij ging uit, hetzij uit vrees voor zijne zwakheid, hetzij uit schaamte; „flevit amare , hij weende bitter; ja volgens de overlevering, deed hij zijn leven lang boetvaardigheid over zijne zonde. Evenzoo de koning David: „Peccatum meura contra me est semperquot;. Zoo ook Adam, die \'JOO jaren lang boetvaardigheid deed. Zoo moet ook uwe boetvaardig-

-ocr page 35-

heid zijn; ja gij zijt nog veel meer dan zij tot boetvaardigheid gehouden. Petrus, David en Adam deden boete voor eene enkele zonde. En gij, raadpleegt eens uw hart; gij hebt niet eenmaal, maar duizende malen gezondigd, in de kinderjaren ... jeugd ... verkeering ; ... zij deden boete voor eene enkele soort van zonde, gij hebt misschien alle soorten van zonden op uw geweten : zonden van onkuisohheid, overspel, onrechtvaardigheid ...; elke zonde nu eischt voldoening en die voldoening moet geëvenredigd zijn aan het getal en de zwaarte uwer zonden. Dus er bestaat voor u volstrekte noodzakelijkheid tot boetedoening. Ik zeg ; volstrekte noodzakelijkheid. Immers wat is de zondaar? Een mensch, zegt Tertulianus, geschapen voor de boetvaardigheid. Hebt gij dus gezondigd, dan blijft u niets over dan uwe zonden te beweenen, te berouwen, u te vernederen voor God, uwe driften te bestrijden, uwe lusten te beteugelen, uw vleesch te kastijden, van gedrag te veranderen; in één woord slachtoffer te worden der boetvaardigheid. „Omdat gij het gewild hebt, riep David uit, heb ik den harden weg der boetvaardigheid betreden.quot; De H. Hieronymus vergelijkt de boetvaardigheid met eene reddingsplank, waaraan de schipbreukeling zich vastklampt tot behoud van zijn leven. De boetvaardigheid, zegt hij, is eene tweede reddingsplank na de schipbreuk ; eene eerste reddingsplank werd ons toegeworpen bij onze geboorte, toen wij schipbreuk leden aan de erfzonde, namelijk : het H. Doopsel; maar zoudt gij in den loop van uw leven andermaal schipbreuk lijden, zoudt gij nog in doodzonde vallen ; dan blijft u nog één doch niet meer dan één reddingsmiddel over, namelijk de boetvaardigheid. Zegt niet: „durns est bic sermoquot; ;.. die taal is hard, neen, vooral niet als men denkt aan de straffen der

-ocr page 36-

— 22 —

hel, die men verdiend heeft. Zoo zult gij niet spreken op uw sterfbed. De laatste woorden van een H. Aloi-sius v. Gonzaga, wiens leven eene voortdurende boete geweest was, waren dezeEene zaak bedroeft mij, dat ik niet meer boete gedaan heb.quot; En de H. Petrus v. Alcantara wiens boetedoeningen u zouden doen huiveren, riep uit op zijn sterfbed; „O felixpoeniten-tiaquot; ! Gezegende boetvaardigheid! gij zijt het die mij het sterven zoet maakt. — In alle geval er zijn slechts twee wegen die ten hemel voeren; die der onschuld en der boetvaardigheid; er zijn in den hemel niet meer dan twee klassen van Heiligen: onsohuldi-gen en boetelingen ; onboetvaardige zondaars vinden er geen toegang; want de hemel is bij uitstek hot verblijf der Heiligen. Zondaars, noemt dus uw besluit. God roept u toe bij monde van den profeet Jeremias : „Convertimini ad me revertentes, et sanabo aversiones tuas.quot; Maar is de boetvaardigheid dan enkel noodzakelijk voor den zondaar? Neen, ook voor den rechtvaardige ; om in de genade en vriendschap Gods te volharden. Christenen, gij die u bevindt in staat van genade, ook gij moet boete doen ; gij behoudt immers altijd nog eeue groote neiging tot het kwaad, uwe driften, booze lusten, uwe natuurlijke zwakheid brengen uwe volharding in gevaar en de volharding volgens den H. Alphonsus, is eene genade die wij voortdurend verdienen moeten door gebed, goede werken en versterving; in één woord door boetvaardigheid. Boetvaardigheid dus is er noodig om te volharden. Gij zult zoolang volharden in de genade, zegt de H. Augustinus, als gij volhardt in de boetvaardigheid. De H. Paulus vóór zijne bekeering een groot zondaar, werd daarna volkomen gerechtvaardigd, en niettemin gelijk hij zelf verklaart aan de geloovigen

-ocr page 37-

~ 23 —

van Corinthe, liet hij niet na zijn lichaam te kastijden en onder bedwang te houden, en waarom ? hij was toch gerechtvaardigd, in staat van genade; ja maar hij wist dat de volharding eene genade is, die men door boetvaardigheid verdienen moet. Zoo deed ook de H. Hieronymus in de grot v. Betlehem, de H, Simon de Stiliet op eene kolom en tal van anderen. Eene andere reden nog verplicht ons tot boetvaardigheid, namelijk ; Onze titel van christen, Het christendom is gebouwd op de boetvaardigheid en versterving. Een christen is een leerling van Christus, die zijn leven moet inrichten naar dat van zijn goddelijken Leermeester en Verlosser. Nu, wat was het leven van Christus ? „Tota vita Christi, fuit crux et martyrium.quot; (S. Angustinus). Hij deed boete in den schoot zijner moeder . . . stal van Betlehem . .. Egypte ... in den winkel van zijn voedstervader, Hij leed honger en dorst, armoede en gebrek, versmading en verguizing in zijn openbaar leven en besloot zijn boetvaardig leven door den dood aan het kruis. quot;Wij nu zijn de leerlingen , de dienstknechten van Christus. De dienstknecht nu is niet beter dan de meester, dus.. . Hoe weinig echter wordt die waarheid begrepen; vandaar dat het getal boetelingen zoo klein en dat der zondaars zoo groot is. Hoe kan het anders, behebt als men is met zoovele vooroordeelen! Boetvaardigheid hoort te huis in de kloosters, zegt men. En toch zegt Christus tot iedereen: „Nisi poenitentiam egeritis omnes similiter peribitis.quot; (Luc 13. 5.) De Biecht maakt de boetvaardigheid overbodig. Ja, door eene goede biecht worden de eeuwige straffen kwijtgescholden ; maar tot eene goede biecht wordt vereischt de geest van boetvaardigheid; ja zegt een Heilige, onderstel dat een engel uit den hemel daalde en mij

-ocr page 38-

— 24 —

van de boetvaardigheid ontsloeg, ik zou hem niet ge-looven. Boete is dus noodzakelijk voor zondaars en rechtvaardigen ; dus voor allen. —

II. Het is niet voldoende eenvoudig boetvaardigheid te doen; die boetvaardigheid moet vruchten dragen : „facite dignos fructus pcenitentiaequot; ; vruchten van haat en afschuw der zonde, verbetering des levens ;.... daartoe zijn drie zaken noodig. Be boetvaardigheid moet zijn :

1) Oogenblikkelijk, zonder uitstel.

2) Gestreng en volkomen.

3) Standvastig.

Zij moet zijn: 1) Oogenblikkelijk, d. i. zonder uitstel. Wat zoudt gij zeggen van iemand, die u geld schuldig is en 10, 20, 30 jaren wacht om u te betalen? gij zoudt verontwaardigd zijn. Evenzoo God over hen, die immer en altijd hunne boetvaardigheid uitstellen. Ik weet wel, gij ontmoet hinderpalen ; gij moet verouderde gewoonten afleggen . .. naaste gelegenheden.. . zondige verkeering ... verzoening ... aanzienlijke restitutie .. . voegt daarbij de onstuimigheid uwer driften, het menschelijk opzicht; verder de gedachte alleen aan boete doet u huiveren; \'t is waar, doch hier valt niet te beraadslagen, maar te handelen. Een zieke, die altijd uitstelt de voorgeschreven geneesmiddelen te gebruiken zal onfeilbaar sterven; ook de zondaar die aanhoudend zijne bekeering uitstelt zal onfeilbaar verloren gaan. Wat zou er gebeurd zijn met David, hadde hij verzuimd naar de roepstem van den profeet te luisteren die hem tot boetvaardigheid uitnoodigde? wat met Petrus, hadde hij Jesns ontvlucht? wat met Magdalena^adde zij zich niet vernederd en zich niet aan Jesus\' voeten neergeworpen ? in plaats van boetelingen waren zij misschien verworpelingen geworden.

-ocr page 39-

Die mogelijkheid bestaat ook voor u; dus geen oogen-blik uitstel.

2) Gestreng, d. w. z. geëvenredigd aan de grootte en menigte uwer zonden. Hebt gij zware zonden bedreven, groote ergernis gegeven, onbuisohheid, overspel bedreven, — vloeken, onmatigheid, grove onrechtvaardigheid, heiligschennissen ;. .. dan vordert Grod strenge boetvaardigheid. „Poenitentia, minor crimine non sitquot;. Hebt gij geleefd in zondige gewoonten... kostte wat het wil die afleggen, dat leven van ergernis herstellen door stichting en goed voorbeeld, dat leven van dronkenschap, door matigheid en soberheid ... van ijdel-heid en hoogmoed, door ingetogenheid en zedigheid . . . van vermaken en zondige plezieren, door onthouding en kuischheid . . . van onverschilligheid en verwaarloo-zing uwer plichten, dooreen leven van gebed en godsvrucht. Ziedaar eene boetvaardigheid,evenredig aan uwe zonden. Zoo dachten er over eene H. Maria van Egypte, eene H. Margaretha van Cortona, die na een zondig leven, zulke strenge boetvaardigheid gedaan hebben. Vraag ik te veel?, luistert dan eens wat de Kerk vroeg in de eerste eeuwen van haar bestaan, van openbare zondaren. Zij verbood hun den toegang der kerk, de bijwoning der H. Mis, de deelneming aan de H.H. Sacramenten, legde hun op tal van openbare boetplegingen op en dat duurde soms jaren langen niet zelden om eene enkele zware doodzonde. Al vordert zij dit thans niet meer, zij ontslaat u toch niet van de boetvaardigheid. God, zegt Tertulianus, verhoudt zich tot den zondaar, gelijk een schuldeischer tot zijn schuldenaar. Als iemand u zijne schuld komt voldoen, geeft gij acht of de som wel voltallig en het geld wel echt zij. Nu, onze zonden zijn schulden bij God, en de boetvaardigheid is het geld, waarmede wij ze moeten aflossen. Nu, God

-ocr page 40-

2(i

geeft acht of onze bootvaai dighoid wel evenredig is aan onze zonden. En om die evonrcdiglieid daar te stellen, moeten wij ons verstand, ons hart, onze zintuigeni onze ledematen, die werktuigen geweest zijn van zonde, bezigen als werktuigen van boetvaardigheid. Ziedaar waarin volgens den Apostel eene geëvenredigde boetvaardigheid bestaat.

3) Standvastig, d. i. geheel ons leven tot aan onzen dood. Het leven van een christen moet eene voortdurende boete zijn, zegt het concilie van Trcnte. Dit heeft J. C. het toonbeeld zoowel van boetelingen als van onschuldigen ons door woord en voorbeeld geleerd. Hij oefende boetvaardigheid van af den schoot zijner moeder, tot aan het kruis. Dat zien wij ook in de Heiligen. Nergens vinden wij dat een Petrus, een Matthaeus, eene Magdalena, hunne boetvaardigheid onderbroken hebben. Zoomoet ook gij doen, gij moet evenals David üw geheel leven lang uwe zonden beweenen.

Zondaren die mij hoort, verstoot niet, bid ik u, deze opwekking tot boetvaardigheid; bekeert u. God biodt u daartoe zijne genade aan, misschien wel de laatste. En gij rechtvaardigen, die wel is waar geene volstrekte bekeering behoeft, gij verdient misschien toch wel het verwijt van den H. Joannes tot de gemeente van Ephese : „caritatem tuam primam reliquisti....quot; besteedt den tijd, dien God u geeft, om ... Kortom wie gij zijt of niet, doet allen boetvaardigheid; zegt met den verloren zoon; „Surgam et ibo ad patrem.quot; En God zal u, onaangezien uwe zonden, als een liefdevolle vader ontvangen; u het verloren kleed der onschuld terugbezorgen, u doen aanzitten aan zijne tafel, u spijzigen ... en er zal vreugde zijn in den hemel over den terugkeer des zondaars en van den flauwen christen; vreugde op aarde in uwe harten en wel

-ocr page 41-

eene vreugde, die gij in jaren niet gesmaakt hebt en die vreugde zal wezen het begin eener eeuwige vreugde, indien gij tot aan uwen dood het pad der boetvaardigheid endcr deugd zult betreden hebben. Amen.—

-ocr page 42-

— 2fi -

geeft acht of ouzo bootvaai dighcid wel evenredig is aan onze zonden. En om die evenredigheid daar te stellen, moeten wij ons verstand, ons hart, onze zintuigem onze ledematen, die werktuigen geweest zijn Van zonde, bezigen als werktuigen van boetvaardigheid. Ziedaar waarin volgens don Apostel eene geëvenredigde boetvaardigheid bestaat.

3) Standvastig, d. i. geheel ons leven tot aan onzen dood. Het leven van een christen moet eene voortdurende boete zijn, zegt het concilie van Trente. Dit heeft J. C. het toonbeeld zoowel van boetelingen als van onschuldigen ons door woord en voorbeeld geleerd. Hij oefende boetvaardigheid van af den schoot zijner moeder, tot aan het kruis. Dat zien wij ook in de Heiligen. Nergens vinden wij dat een Petrus, een Matthaeus, eene Magdalena, hunne boetvaardigheid onderbroken hebben. Zoomoet ook gij doen, gij moet evenals David uw geheel leven lang uwe zonden beweenen.

Zondaren die mij hoort, verstoot niet, bid ik u, deze opwekking tot boetvaardigheid; bekeert u. God biedt u daartoe zijne genade aan, misschien wel de laatste. En gij rechtvaardigen, die wel is waar geene volstrekte bekeering behoeft, gij verdient misschien toch wel het verwijt van den H. Joannes tot de gemeente van Ephese : „caritatem tuam primam reliquisti....quot; besteedt den tijd, dien God u geeft, om ... Kortom wie gij zijt of niet, doet allen boetvaardigheid; zegt met den verloren zoon: „Surgam et ibo ad patrem.quot; En God zal u, onaangezien uwe zonden, als een liefdevolle vader ontvangen; u het verloren kleed der onschuld terugbezorgen, u doen aanzitten aan zijne tafel, u spijzigen ... en er zal vreugde zijn in den hemel over den terugkeer des zondaars en van den flauwen christen; vreugde op aarde in uwe harten en wel

-ocr page 43-

eene vreugde, die gij in jaren niet gesmaakt hebt en die vreugde zal wezen het begin eener eeuwige vreugde, indien gij tot aan uwen dood het pad der boetvaardigheid en der deugd zult betreden hebben. Amen.—

-ocr page 44-

Onilcrriclitiugen over tie Dieclit.

i.

H. Sacrament der Biecht.

I. Goddelijkheid der Biecht.

II. Noodzakelijkheid „ „

III. Voordeelen der ,,

Quorum remiseritis peccata, remittun-tur eis. Wier zonden gij vergeven zult hebben, worden hun vergeven. (Joa. 20, 23.)

Wanneer in de wereld eene misdaad gepleegd wordt, dan doet het gerecht onderzoek naar den schuldige; wordt hij ontdekt dan wordt hij gegrepen, voor de rechtbank gebracht en ondervraagd. Bekent hij schuld, dan wordt hij veroordeeld; zoo niet vrij gesproken en ontslagen. — Ook in de Kerk van J. C. is eene rechtbank gevestigd met rechters en schuldigen, namelijk ; het H. Sacrament der Biecht. Tussohen beide rechtbanken bestaat eene groote overeenkomst, maar ook een groot verschil. Schuldbekentenis voor de burgerlijke rechtbank vordert veroordeeling; in de Biecht daarentegen kwijtschelding. — Wie schuld ontkent en er zijn geene voldoende bewijzen aanwezig, wordt voor de rechtbank vrijgesproken; in de Biecht echter veroordeeld. Dit geeft reeds eenig begrip van de natuur der Biecht. Een zoo gewichtig onderwerp echter vor-

-ocr page 45-

— 29 —

dert eene breedvoerigere verklaring, te meer daar van eene goede Biecht oneindig veel afhangt ■. het geluk van den mensch, de vrede der ziel, de rust des gewetens, ja onze eeuwige zaligheid. Daarom ga ik u met betrekking tot de Biecht, eene drievoudige vraag oplossen.

I. Van waar komt de Biecht\'?

II. Is het noodzakelijk te biechten ?

UT. Welke zijn de voordeelen der Biecht; met andere woorden, ik wil u spreken over de Goddelijkheid, Noodzakelijkheid en de Voordeelen der Biecht.

I. Goddelijkheid der Biecht. De Biecht is geene men-schelijke maar goddelijke instelling. Niet de paus, de bisschoppen, priesters, — niet een vorst of koning der aarde, maar God zelf heeft haar ingesteld in de Kerk, haar toevertrouwd aan de apostelen en deze hebben haar uitgeoefend en overgedragen aan hunne opvolgers. Maar kon J. C. die macht verleenen aan de apostelen en ons tot de Biecht verplichten ? Dwaas, ja goddeloos dit te loochenen, zelfs te betwijfelen. De doodzonde toch is eene beleediging God aangedaan en kan alleen door den beleedigden persoon, dus door God vergeven worden. God nu kan ons naar believen vergeven of niet, en is Hij daartoe genegen, dan kan Hij de vergeving van zekere voorwaarden doen afhangen. Nu, wij weten dat God genegen is ... op voorwaarde dat wij ze biechten ; bijgevolg de vergeving der zonden is mogelijk dooide Biecht. Inderdaad J. C. heeft aan zijne Kerk de sleutels gegeven van het rijk der hemelen, zeggende : „al wat gij gebonden zult hebben op aarde ... „ En alsof dit nog niet voldoende geweest ware, heeft Hij die machts-mededeeling na zijne verrijzenis andermaal willen bevestigen. „Ontvangt den H. Geest, wier zonden ...quot; Zoo ontving de leerende Kerk: de paus, de bisschoppen en priesters de macht om de zonden te vergeven. Die

-ocr page 46-

— 30 —

macht echter mag niet blindelings of naar willekeur ; maar moet met voorzichtigheid, oordeel en kennis uitgeoefend worden. J. C, wil dit en moet dit noodzakelijk willen. Dus om iemand zijne zonden te vergeven, moet de priester eerst weten of iemand werkelijk, in geweten schuldig is. Om een zieke te genezen, moet men eerst de ziekte kennen, om een gebouw te ondersteunen . .. eerst het zwakke punt zoeken; dus om de zonden te vergeven, haar eerst loeren kennen. En hoe ? Door de bekentenis van den schuldige. De priester kan dat niet weten, door inzage des gewetens, door openbaring van Grod, maar door de Biecht; dus J. C. door de macht te geven om de zonden te vergeven, heeft het H, Sacrament der Biecht ingesteld. J. C. heeft nog de vergeving der zonden afhankelijk gemaakt van een oprecht leedwezen, hetgeen beteekent een leedwezen evenredig aan het getal en de zwaarte der zonden. Hoe kan de priester dat anders weten dan door de Biecht en bekentenis van den schuldige. De macht door God aan zijne Kerk gegeven is eene tweevoudige macht: te binden en te ontbinden; de priesters zijn dus gewetensrechters, hun oordeel is een rechterlijk vonnis ; zij zijn in geweten verplicht hun vonnis te toetsen aan de wetten der rechtvaardigheid en billijkheid. Het valt somtijds hard in plaats van te ontbinden te moeten binden ; maar do priester moet handelen volgens de hem verleende macht. Gij ziet uit de H. Schrift en uit de rede, dat de Biecht geene menschelijke maar goddelijke instelling is, door J. C, aan zijne Kerk gegeven.

11. Is het ook noodzakelijk zijne zonden te biechten om er vergiffenis van te bekomen ? Ja, God immers heeft de vergeving der zonden afhankelijk gemaakt van derzelver belijdenis. Maar is er dan geen ander

-ocr page 47-

middel ter vergeving ; b.v: vasten, bidden, aalmoezen geven, enz. ? Neen, want bestond dat, wie zou zich dan nog zoo diep vernederen... ? Dan zou niemand meer gaan biechten en werd de macht door J. C. aan zijne Kerk verleend nutteloos, ja belachelijk. Waartoe iemand den sleutel eener deur gegeven, als hij door eene andere deur kan binnenkomen ! quot;Waartoe de Biecht als er nog een ander middel bestaat ter vergeving! De priester is behalve rechter ook nog geneesheer der zielen, zooals de H. H. Vaders zeggen. Een geneesheer nu moet eerst de ziekte kennen alvorens te handelen. Hoe kan hij geneesmiddelen en een levensregel voorschrijven, alvorens den patient ondervraagd te hebben en door hem ingelicht te zijn. De zonde verder verdient kastijding en straf; nu wordt wel de schulden eeuwige straf kwijtgescholden ; maar toch moet de biechtvader eene zekere boete opleggen evenredig aan het getal, de soort en zwaarte der zonden, — en hoe is dat mogelijk zonder de Biecht ? Een niet minder duidelijk bewijs voor de noodzakelijkheid der Biecht ligt in de overlevering, die leert dat de Biecht in de Kerk altijd bestaan heeft. En zoo lees ik : ]) dat de bisschoppen niet meer bij macht zijnde om alleen de geloovigen te biechten, tot hen kloosterlingen en monniken zonden ; 2) dat de priesters gewoon waren in de Mis voor hunne biechtelingen te bidden ; 3) dat de regelen der Kerk aan sommige klassen van menschen voorschreven op bepaalden tijd te biechten ; 4) de H.H. Vaders spreken uitdrukkelijk over de Biecht en hare noodige vereisohten. Goddeloos en dwaas is dus de bewering van Calvijn en van tal van ongeloovigen van onzen tijd, dat de Biecht vóór de 13e eeuw niet bestond, maar ingevoerd werd onder Innocentius III op het concilie van Lateranen in 1216.

-ocr page 48-

— 32 —

Neen, daar werd slechts vastgesteld, aangezien de verslapping in de tucht der Kerk, de verplichting om minstens eenmaal \'sjaars te biechten. Alle eeuwen der Kerk leveren bewijzen voor het bestaan der Biecht. In de 12e, 11e en 10e eeuw zien wij een H. Bernardus, Anselmus en een üldarik bisschop van Augsburg, duidelijk spreken over de Biecht. In de 9e 8e en 7e eeuw worden een Hildebrand, een H. Martinus en eenH. Ansbertus aangegeven als biechtvaders van Karei den Groote, Karei Martel en Diederik I. In de Ge, 5e, 4e eeuw treden een H. Joannes Climacus, Chrijsosto-mus en Ambrosius op, ter verdediging van de Biecht. In de 3e en 2e eeuw een Origines en Tertulianus, ja een H. Clemens, leerling en opvolger van den H. Petrus, zegt: „ laat ons nu onze zonden biechten, want in het andere leven kan dit niet meer geschieden.quot; Eindelijk komen de apostelen. De H. Joan. (1. 9.) en Jacobus (4. 16.) bevelen de biecht aan ; ja de Handelingen der apostelen zeggen dat de Geloovigen aan de voeten der apostelen kwamen biechten. — Nog heden bij de Nestorianen, Armenianen, Cophten en Jacobieten bestaat de Biecht. Ongeloovigen als Voltaire en Gibbon, protestantanten als Luther en Leibnitz spreken of van de noodzakelijkheid of van de voordeelen der Biecht. Schilderingen, aangebracht op uitholingen in de catacomben te Rome gevonden, toonen aan dat die uitholingen dienden in het begin der Kerk tot biechtstoelen. Ziedaar meer bewijzen dan noodig voor de goddelijkheid en noodzakelijkheid der Biecht. Doch ik spreek tot katholieken; voor u is voldoende do uitspraak der Kerk. Zij leert bij monde van het concilie van Trente : „Indien iemand loochent dat het H. Sacrament der Biecht eene goddelijke instelling is, noodzakelijk ter zaligheid; of zoo iemand beweert dat

-ocr page 49-

- 33

de wijze waarop men biecht, namelijk in het geheim aan den priester, strijdig is met de instelling en het gebod van Christus en dus eene monsohelijke instelling ; hij zij gedoemd.quot;

UT. Voordeelen der Biecht. Zij is een der schoonste gedenkstukken van Gods barmhartigheid. Evenals het H. Sacrament des Altaars het wonder is zijner almacht en liefde, zoo is de Biecht het wonder zijner barmhartigheid. 1) Zij herstelt het verledene ; zij wischt alle zonden uit en geneest als de wonder-olie alle wonden der ziel. fladdet gij broedermoord begaan als Cain, overspel en moord als David, heiligschennis als Judas, ja Godsmoord als de joden; waren uwe zonden talrijker dan de bladeven der boomen, de haren van,uw hoofd, de zandkorrels aan het strand; J. C. heeft zijne Kerk de macht verleend, die allen te vergeven. De biecht neemt niet alleen do zonden weg ; maar maakt nog de ziel toegankelijk voor het ontvangen der heiligmakende genade en doet herleven do verloren verdiensten. 2) Verzekert do toekomst; geeft sterkte en kracht in de bekoringen en gevaren en behoedt tegen herval in de zonde. Christenen , komt in deze dagen eens ondervinden wat ik u over de voordeelen eener goede biecht gezegd heb ; bereidt n voor tot eene oprechte en rouwmoedige biecht, komt u neerwerpen . . . niet om een vonnis van veroordee-ling, maar eene uitspraak van kwijtschelding te hoo-ren; die u den verloren vrede zal terugbezorgen in het bezit stellen der heiligmakende genade en vriendschap met God, eene biecht die u versterken zal voor de toekomst, en voor u zal wezen een onderpand des eeuwigen levens. Amen.

3

-ocr page 50-

II.

Goedheid van God in het H. Sacrament der Biecht.

I. Volkomen vergiffenil (Ue God verleent:

1) Vergeeft alle bedreven zonden.

A:) Bewijzen. B:) Onderstelling.

2) Vergeeft ons telkens bij elke goede biecht. A:) Bewijs uit de rede. B:) IT. Schrift.

II. Gemakkelijke voorwaarden.

1) In het algemeen ; Berouw, Belijdenis, Voldoening

2) Belijdenis der zonden in \'t bijzonder.

A;) Aan een enkel mensch.

B:) Een enkele maal.

C;) Op eene zoo gemakkelijke wijze,

I):) Onder \'t grootste geheim.

III. Uitwerkselen der vergeving.

1) Heiligmakende genade met hare gevolgen.

2) Vrede en Blijdschap.

A:) Blijdschap v. d. biechteling. B:) » » God.

C:) » » » priester.

D:) gt; » het huisgezin.

-ocr page 51-

Qui confessus fuerit (peccata sua) et reliquerit ea, misericordiam conse-quetur.Wie zijne zonden beleden en vermeden zal hebben, zal barmhartigheid verwerven. (Prov. 28. 13.)

De Biecht is een wonderbaar Sacrament waarin (iod zoo duidelijk zijne eigenschappen openbaart. En wel vooreerst; zijne rechtvaardigheid. God vordert van den zondaar een oneindig herstel met het oog op de oneindige majesteit Gods die beleedigd is door de zonde. Zij vordert nog een volkomen herstel van den kant des zondaars. Nn, in de Biecht geeft de zondaar eene oneindige voldoening, dewijl hij zich toeeigent de oneindige verdiensten van J. C ; ... maar ook een volkomen herstel van het kwaad, immers hij heeft gezondigd met het hart, met den mond en met de daad. In de Biecht herstelt hij zijne fout met het hart, door het berouw,- met den mond, door de belijdenis,-met de daad door de voldoening; de drie dee-len der Biecht, waaraan J. C. door de verdiensten van zijn bloed eene oneindige waarde heeft verbonden en de schuld der zonde aan Gods rechtvaardigheid heeft betaald. Verder zijne wijsheid. Dit erkennen zelfs de protestanten. Luistert eens wat Leibnitz in de 17e eeuw zeide : „Men kan niet ontkennen, dat die instelling de goddelijke wijsheid waardig is ; er is niets schooner en voortreffelijker in den christelijken godsdienst. De noodzakelijkheid der Biecht houdt velen terug van het kwaad en biedt grooten troost aan hen die misdaan hebben. Voor mij, ik beschouw een vroom, ernstig en voorzichtig biechtvader als het groote middel waarvan God zich bedient voor het heil der zielen.quot; Evenzoo redeneeren de ongeloovigen o. a. Voltaire. En te recht, want de gedachte : „ik moet het biechtenquot;

-ocr page 52-

belet millioenen zonden ; vandaar dat iemand die slecht wil leven de Biecht vaarwel zegt. De Biecht is alzoo een wonder van Grods wijsheid ; maar vooral zij is ook nog een wonder zijner goedheid. Zij is bij uitnemendheid het Sacrament van barmhartigheid. Beschouwen wij in deze onderrichting hoe God daarin zijne barmhartigheid toont:

I. Door de volheid der kwijtschelding die Hij verleent.

II. Door de gemakkelijke voorwaarden die Hij vordert.

III. Door de heilzame uitwerkselen die daaruit voortspruiten.

I. Volheid der vergiffenis. Waarin bestaat die? In de vergeving van alle bedreven zonden, telken male als men eene goede biecht spreekt.

1) Ik zeg vooreerst: in de vergeving van alle bedreven zonden, na bet H. Doopsel begaan. A;) J. C. schonk den H. Petrus, het Hoofd zijner Kerk, de volle macht om den hemel te openen en te sluiten, zeggende : „Ik zal u de sleutels geven van Let rijk der hemelen , al wat gij gebonden zult hebben op aardequot; . . . In dier voege sprak hij ook tot de andere apostelen gezamenlijk bij het instellen der Biecht; „Ontvangt den H. Geest, wier zonden ..Die macht blijft voortbestaan in de Kerk en alle priesters kunnen wettig daarmede worden bekleed. Uit de aangehaalde woorden blijkt dat Christus geene zonden uitzondert.. . Vandaar dat in de eerste eeuwen der Kerk de Montanis-ten gedoemd werden, die leerden dat voor sommige zonden geene vergiffenis mogelijk is. B:) Maar zal mij een groot zondaar zeggen: Ik heb alle mogelijke zonden van ontucht bedreven, tal van onrechtvaardigheden begaan, moord en doodslag, ja uit wanhoop de handen aan mij zeiven meenen te slaan ; ik ben ver-

-ocr page 53-

— 37 - \\

dor een afvallige een heiligschenner,... Is er nog vergiftenis voor mij V Ja, al hatldet gij op uw geweten de zonden der gansehe wereld, dan nog ... en wel door eene goede generale biecht over uwe zonden te spreken. Maar zoo ik nu na vergiffenis bekomen te hebben andermaal God mooht beleedigen ? Dan nog, ja telken male kunt gij op Gods barmhartigheid rekenen, zoo dikwijls gij eene goede biecht spreekt. A :) God is bereid . .. want Hij is barmhartiger dan wij. Bijgevolg kan Hij ons niet bevelen barmhartiger te zijn dan Hij. Hij nu beveelt ons den evenmensch altijd te vergeven; „Heer, hoe dikwijls moet ik mijnen broeder, die tegen mij misdaan heeft vergeven, vroeg Petrus aan Jesus ? Tot zevenmaalquot;? En Jesus antwoordde : „ik zeg u niet zevenmaal maar zeven en zeventig zevenmaal, d- i. altijd.quot; En zou Jesus dan minder barmhartig kunnen wezen, dan Hij ons beveelt te zijn. Neen, Hij vergeeft ons telkenmale als wij berouw toonen. B :) Ziehier overigens wat Hij zegt tot don profeet Ezechiel: „Ik zweer bij mij zeiven : ik wil den dood des zondaars niet; maar dat hij zich bekeere en leve.\'1 — „Op welken dag de goddelooze zich ook bekeere, zal zijne goddeloosheid hem niet schadenquot;. Welke onmetelijke goedheid van de zijde Gods I Hij vergeeft ons al onze zonden, zoo dikwijls wij daarover boetvaardigheid doen ; de goedertierend-ste menschen vergeven slechts enkele malen; God vergeeft altoos.

II. En welke voorwaarden stelt hij ter vergeving? zijn zij zwaar en hard ? Levenslang vasten, weenen, waken, eenzaamheid . . ? Neen, dat vraagt God enkel van sommige Heiligen ; maar niet van iedereen. Wat dan ? Dat de zondaar zijne zonden biechte met oprechtheid, leedwezen en den wil om de boete te

-ocr page 54-

_ 38 —

volbrengen hem opgelegd. Het is voldoende dat hij eene goede biecht spreke, berouwvol zijne zonde belijde aan een enkel menseh, een enkele maal, op de gemakkelijkste wijze, onder het grootste geheim.

Hij moet vooreerst berouw hebben over ... en besloten zijn om... \'t Is duidelijk dat Godnietkan vergeven dengene^ die geen berouw heeft over zijne zonden en besloten zou zijn bij de eerste gelegenheid op nieuw te zondigen, zonder den minsten weerstand. — Ziedaar eene eerste voorwaarde, duidelijk genoeg uit haar zelve.

2) Hij moet verder zijne zonden oprecht belijden. Die belijdenis kost eenerzijds aan den mensch;doch gaat tevens vergezeld van omstandigheden die haar vergemakkelijken. Immers aan wien moet gij biechten V Aan een engel, een Heilige? Neen, aan ccn mensch evenals gij, uit slijk, vleeseh en bloed evenals gij, geneigd tot het kwaad, aan een mensch in staat ze zelf te bedrijven, aan een priester genomen midden uit het volk, zooals de A-postel zegt, gestemd tot medelijden, omdat hij zelf van zwakheden omringd is. Dien priester moogt gij kiezen onder duizenden naar willekeur j gij moogt u wenden tot hem die u het meest vertrouwen inboezemt. Ja, wat meer is, die priester is bekleed met eigenschappen die ongemeen tot vertrouwen opwekken; hij is immers vader, geneesheer en rechter. Vader: hij bekleedt de plaats van den Vader der baimhartigheden. Dit belijdt gij zelf in de voorbiecht Ik belijd voor God almauh tig.... en voor u vader, plaatsbekleeder Gods.quot; Ja, de biechtvader is een zachtzinnig vader , eerder gestemd tot medelijden dan verontwaardiging tegen den zondaar ; het beeld van den vader des verloren zoons. Geneesheer ; hij kent alle ziekten, is vol ondervinding

-ocr page 55-

— 39 -

en gewoon de afzichtelijkste wonden te zien. Dus geen schaamte noch vrees. Hij zal ze met medelijden beschouwen, verbinden en genezen, met naar het voorbeeld van den Samaritaan er olie en wijn over uit te storten ; hij zal de gerechtigheid door de barmhartigheid verzachten. Moet hij u eene terechtwijzing doen of een offer vragen, dat zal altoos geschieden met zachtheid. Doch gij moot hem noodzakelijk uwe ziekte openbaren in oprechtheid, openhartigheid en nederigheid ; want hoe kan hij genezen wat hij niet kent en gij hem verbergt f Rechter : ja maar een rechter van barmhartigheid, niet om te veroordeelen maar vrij te spreken. Hij kent slechts ééne uitspraak ; die van vergeving. Immers, wat zegt hij tot u in den biechtstoel ? „Dat God almachtig zich uwer erbarme, u de kwijtschelding uwer zonden verleene.... Dat de Heer J. C. u ontsla ; ik uit kracht van het gezag waarmede Hij mij bekleed heeft, ontsla u van uwe zonden. In den naam des Vaders....quot; Grij ziet, alles in den biechtvader stemt tot vertrouwen. Maar hoe dikwijls zijt gij gehouden uwe zonden te belijden? Niet meer dan eenmaal. Immers de vergiffenis u door den priester geschonken, is bekrachtigd geworden in den hemel door J. C. zelf. De zonde eenmaal vergeven door eene goede biecht, blijft vergeven. Dus onnoodig telkenmale in uwe gewone biecht uwe vorige zonden te herhalen, evenmin de zonden in eene generale biecht beleden. Onnoodig aan uwen gewonen biechtvader te herhalen wat gij aan een vreemden gebiecht hebt; zelfs niet in het uur des doods de zonden die gij vroeger goed gebiecht hebt. Ik zeg goed gebiecht; want hebt gij slecht gebiecht; onoprecht cn zonder leedwezen, dan.... Buiten dit geval geen verplichting om vroegere biechten te herhalen, \'t Kan evenwel soms dienstig en

-ocr page 56-

— 40

voordeelig zijn eene generale biecht te doen bij gelegenheid der Eerste H. Communie. .. huwelijk.... missie .... sterfbed, liet is ook zeer goed voor vrome mensohen die niets dan dagelijksche fouten te biechten hebben, eene zware zonde van het vorig leven er bij te voegen en daarover berouw te verwekken. Zij kunnen zeggen : Ik beschuldig mij nog in het algemeen van alle zonden van mijn leven, bijzonder van de zonden tegen deze of gene deugd. Zoo heeft men altijd stof tot absolutie en berouw, noodzakelijk tot elke biecht. Hoe moet gij uwe zonden belijden ? Op de gemakkelijkste en eenvoudigste wijze. Gij zijt gehouden alleen de zekere doodzonden te biechten, die gij u na een behoorlijk onderzoek van geweten herinnert. Wat de dagelijksche betreft.... niet noodzakelijk doch raadzaam. Daarom moeten vrome mensehen zich niet ongerust maken over het gewetensonderzoek, over dc voU komenheid der biecht; al beleden zij ook geene enkele dagelijksche zonde, maar slechts zonden van het vroeger leven, hunne biecht zou goed wezen. Wat nu de twijfelachtige doodzonden betreft, leert de H. Alphonsus, dat men niet gehouden is die te biechten, vooral zij die voortdurend leven in de genade Gods; deze kunnen genoegzaam zeker zijn dat hun twijfel ongegrond is ; hetzelfde valt te zeggen voor angstige en hevig bekoorde zielen ; hadden zij werkelijk toegestemd, zij zouden niet twijfelen maar zeker zijn. Anderen daarentegen, die lichter in doodzonde vallen, doen beter die te biechten, tot grootere geruststelling ; maar nog eens, men is daartoe niet volstrekt gehouden. Maar is het nu noodig van elke zonde eene geschiedenis te maken\'? Neen, en ook niet passend. Voldoende, in korte woorden te zeggen tegen welke deugd of welk gebod gij gezondigd hebt, door gedach-

-ocr page 57-

— 41 —

ten, begeerten woorden, werken, — alleen of met anderen. Hebt gij met anderen gezondigd, dan uitdrukken de soort van persoon. Ook zeggen, in zoover gij u herinnert, het getal van uwe zonden ;— afzonderlijke gevallen of zondige gewoonten. Valt u een of ander moeilijk, zeg het den biechtvader, hij zal u helpen. Om uwe zonden behoorlijk te biechten moet gij ze kennen en dus uw geweten onderzoeken, niet angstig ; maar kalm en bedaard. Dat onderzoek moet evenredig zijn aan de mate van uw onderricht en aan den tijd sedert welken gij niet meer gebiecht hebt, dus langer of korter.... Eene laatste omstandigheid die uwe biecht vergemakkelijkt, is dat gij ze belijdt onder het grootste geheim. Dus niet verplicht uwen naam te noemen, noch dien uwer medeplichtigen. De biechtvader hoeft geen recht dat te weten en het is hem verboden dat to vragen. Hij is daarenboven ge-houdon tot het stipste geheim; de wet der natuur, van God en van de Kerk binden zijne tong en beletten hem de geringste zonde te openbaren, die hij gehoord heeft. Uwe zonden worden begraven in eene eeuwige vergetelheid; ja weldra zullen zij vergeten zijn door den biechtvader zeiven, die zooveel andere dergelijke zonden moet hooren. De zonden die gij goed zult gebiecht hebben, zullen ook volgens de grootste godsgeleerden niet geopenbaard worden in het laatste oordeel ; Grod openbaart van zijne uitverkorenen enkel hun berouw. Dus het beste middel om uwe zonden te verbergen, is ze oprecht te biechten.

O hoe licht en gemakkelijk zijn de voorwaarden die (iod den zondaar stelt ter vergeving! Doch laat ons eindelijk ook eens zien:

III. De uitwerkselen ecner goede biecht 1) God schenkt den zondaar terug de heiligmakende genade, met alle

-ocr page 58-

— 42 —

gaven en rechten, alsmeile met al de vreugde die daarmede gepaard gaat. O welke verandering in den boet-vaardigen zondaar, zoodra de priester de absolutie uitspreekt. Aanstonds wordt do duivel uit die ziel verdreven, de H. Geest treedt er in terug en de drie personen der H. Drievuldigheid vestigen er hun verblijf in.

Alle geestelijke schatten der ziel: de heiligraakende genade ... worden haar teruggeschonken. De goddelijke liefde, de ingestorte deugden, de gaven van den H. Geest versieren haar. Terzelfder tijd opent zich de hemel en de zondaar bekomt zijne verloren rechten daarop terug. Tevens wordt de hel gesloten- en mag de ziel uitroepen met den koninklijken profeet; „Mi-sericordia tua magna est super me et eruisti animam meam ex inferno inferiori.quot; (Ps. 85. 13) De eeuwige straf wordt haar kwijtgescholden en de tijdelijke straf geheel of gedeeltelijk, naar gelang de gesteltenissen van het hart. Eindelijk zendt de biechtvader den biechteling weg met dezelfde woorden die J. C. sprak tot de berouwvolle Maria Magdalena, toen Hij haar hare zonden vergaf: „Vade in pace.quot; (Luc, 7 50).

2) De vrede, dien de wereld niet geven kan, wordt het aandeel v. d. boetvaardigen zondaar ; een vrede, die volgens den H. Paulus, alle gevoel te boven gaat, een vrede die door den H. Geest vergeleken wordt bij een voortdurend feestmaal. Ach hoe dikwijls riep hij weleer uit met den koning David Redde mihi laetitiam salutaris tui.quot; (Ps. 50. 14) „Auditui meo da-bis gaudium et laetitiam et exsultabunt ossa humi-liata.quot; — Welnu , hij ziet zijn wenseh vervuld worden bij het hooren van deze woorden; „Ik ontsla u van uwe zonden.\'\' Zijne ziel en zijn aangezicht hernemen hunne kalmte, in vervoering roept hij uit; .,£xsultabo et laetabor in misericordia tua.\'\'(Ps. 30. 8)

-ocr page 59-

Die vreugde verheft hem in zijn eigen oog en geeft hem moed en kracht, om in het vervolg niet meer in de zonde te hervallen. Die vreugde deelt zich mode aan den hemel, aan de engelen en heiligen ; ja God zelf juicht, immers Hij zegt dat er meer vreugde zal zijn in den hemel over de bekeering van één zondaar dan over de volharding van negen en negentig rechtvaardigen. Die vreugde deelt zich verder mede aan het hart van den priester, die dien zondaar met (rod verzoend hoeft. Weest overtuigd Chr. dat wij nooit gelukkiger zijn, dan wanneer wij do genade firods kunnen terugschenken a in een berouwvol zondaar. Die vreugde eindelijk deelt zich mede aan den kring van zijn huisgezin. Zijne ouders verheugen zich, voortaan zal hij hen niet meer bedroeven door zijne weerspannigheden, maar hen troosten door zijn goed gedrag; zijne vrouw verheugt zich, hij heeft haul- zoo vaak doen weenen door zijne ontrouw, onmatigheid en verkwisting, voortaan zal hij kuisch, matig en spaarzaam zijn. Zijne kinderen zijn blijde; vader bedroefde hen zoo vaak door zijne ongodsdienstigheid en zijn slecht voorbeeld ; voortaan zal hij voor hen wezen een minzaam en teeder vader. Ziedaar de uitwerkselen eener goede biecht. — Had ik dus niet recht bij het begin dezer preek uit te roepen ; „quam magna misericordia Domini et propitiatio illius con-vertentibus ad se.quot; (Eccli. I 7. 28).

Moed dus en vertrouwen bij de overweging van de oneindige goedheid Gods, die Hij ons toont in het H. Sacrament (\'er Biecht. Hoe groot en talrijk uwe zonden ook mochten zijn. God kan en wil ze u vergeven. Zegt hem evenals David : „Miserere mei Deus secundum magnamquot; . . . En de Heer zal u vergiftenis schenken. Spreekt steeds eene goede biecht, eene op-

-ocr page 60-

— 44 -

rechte, berouwvolle biecht; daarna zult gij de heerlijke vruchten smaken der rechtvaardigmakiug; gij zult do zoetheden proeven der goddelijke barmhartigheid. Hij zal uw hart met eene onuitsprekelijke vreugde vervullen. En die vreugde zal nog slechts een llauwe voorsmaak zijn van eene andere vreugde, die üod u zal schenken in het ander leven wanneer hij tot u zal zeggen : „Treedt binnen in de vreugde uws Ileerenquot;. (Matth. 25. 21)

-ocr page 61-

111.

Generale Biecht.

I. Hare Noodzakelijkheid:

1) Hij gebrek aan genoegzame kennis der Geloofspunten

2) » » » berouw en voornemen.

3) » » » oprechtheid en volledigheid.

IT. H are Gemakkelijkheid.

III. Geluk en Tevredenheid die zij bezorgt.

Recogitabo tibi omnes annos meos, in amaritudine animee mea;. Ik wil mijn gansch leven voor u in cle bitterheid mijner ziel gedenken. (Isai. 38. 15.)

In het jaar 1G1G bevond zich de H. Vincentius a Paulo in Pioardië, op het landgoed der prinses de Gondi, bij wio hij als huiskapelaan dienst deed. Op zekeren dag wordt hij geroepen bij eenen stervende, die algemeen als deugdzaam bekend stond, om diens biecht te hooren. Op verzoek van den stervende en tot diens meerdere geruststelling, liet hij hem eeue generale biecht afleggen en ziet bij elke gelegenheid die zich later voordeed, bekende de zieke: „Hadde ik geene generale biecht gedaan, zoo ware ik verloren gegaan, want uit eene dwaze en ingebeelde vrees had ik in vorige biechten verscheidene doodzonden verzwegen.quot; Dit geval en nog tal van dergelijke gevallen, deden den Heilige inzien, hoe noodzakelijk en

-ocr page 62-

— 46 -

voordeelig het soms is eene generale biecht af te leggen. En inderdaad eene generale biecht herstelt het verledene, stelt ons gerust met betrekking tot het tegenwoordige en beveiligt ons voor de toeko mst. Eene biecht die dit drievoudig doel beoogt is eene buitengewone, eene generale biecht, die hierin bestaat dat men de zonden herhaalt van zijn gansch leven, of enkel van een gedeelte des levens. (E. 11. Communie — huwelijk — laatste Missie — Jubile — laatste generale biecht — laatste goede biecht). Zulke generale biecht kan zijn, dikwijls : 1. zeer nuttig en heilzaam, b. v. voor hen, die een volmaakter leven willen gaan leiden, of bij gelegenheid van hun huwelijk — Missie — Jubile. — 2. Verderfelijk en nadeelig voor angstvallige menschen. 3. Soms noodzakelijk. Over die noodzakelijkheid kom ik u spreken ; ik wil u doen zien in hoeverre, wanneer en voor wie zij noodzakelijk is. Onderwerp van het grootst gewicht ; dus eens goed toeluisteren.

Het zijn veelal de braafste en voorbeeldigste menschen, die eene generale biecht willen doen ; voor hen is zij evenwel niet noodzakelijk. Voor wie dan ? Voor hen die weten en overtuigd zijn, dat zij eene slechte biecht gedaan en die niet hersteld hebben Voor dezulken is zij noodzakelijk op verbeuring des hemels, op straffe der hel. Eene slechte biecht staat gelijk met een huis dat slecht gebouwd is ; zulk een huis moet afgebroken en herbouwd worden; met een ongeldig contract of testament, dat tot niets anders dient dan om verbrand te worden. Eene biecht nu kan op drie wijzen slecht, ongeldig, van geene waarde zijn.

1) Bij gebrek aan kennis van de grondwaarheden des Greloofs. Dit geval komt niet veelvuldig voor slechts bij menschen van de grootste onwetendheid

-ocr page 63-

— 47 —

en nalatigheid, die niet kennen de punten uit noodzakelijkheid des middels en des gebods; daarenboven zooals de H. Alphonsus zegt, bij menschen die uit grove nalatigheid en verzuimenis zelfs geen algemeen begrip zouden hebben van het Onze Vader en Wees gegroet, van de artikelen des geloofs, van de geboden van God en der H, Kerk, van de Sacramenten die voor allen noodzakelijk zijn; zooals het Doopsel, de Biecht, het H. Sacrament des Altaars en eindelijk van die Sacramenten, die men zich voorbereidt te ontvangen, Zulke menschen doen eene slechte biecht. Bemerkt echter dat tot eene slechte biecht bij gebrek aan kennis, eene uiterste onwetendheid en hoogst schuldige nalatigheid vereischt wordt.

2) Bij gebrek aan berouw en een vast voornemen om zich te beteren. Zulke slechte biechten zijn veel-vuldigor Meent riet dat alle biechten goed zijn, waarin men niets verzwijgt en alles biecht. Neen, er zijn menschen die alles biechten en toch slecht biechten, bij gebrek aan berouw en een vast voornemen. Ik wil u niet oordeelen; oordeelt u zeiven. Zijt gij nooit met zonden van onkuischheid biechten gegaan , zonder het voornemen gehad te hebben van u te beteren, of zonder een ernstig voornemen, enkel met eene bloote begeerte? Vier klassen van menschen spreken doorgaans bij gebrek aan berouw en vast voornemen ongeldige biechten : A :) Zij die leven in eene vrijwijllige naaste gelegenheid van zware zonden ; b. v. in eene zondige verkeering die men gemakkelijk afbreken kan, in een slechten dienst, een bedor. ven kameraad die u tot vloeken en dronkenschap verleidt. Dat zijn doorgaans allen vrijwillige naaste gelegenheden tot zware zonden. Indien iemand nu in deze omstandigheden biechten gaat en niet het vast

-ocr page 64-

voornemen, den oprecliten wil heeft die naaste gelegenheid te vermijden doet hij eene ongeldige biecht ; al gelukt het hem ook door een geveinsd berouw en voornemen de absolutie van den biechtvader te erlangen. B :) Zij die eene gewoonte hebben aangenomen van zware zonden ; als vloeken, dronkenschap, onkuisch-heid, waarin zij na elke biecht hervallen ; die niets of bijna niets doen om zich te beteren, die telken male, met dezelfde gemakkelijkheid, in dezelfde zonde en nagenoeg in hetzelfde aantal zonden hervallen. Dezulken zijn gelijk aan een slechten boom, die jaren achtereen geen vruchten meer gedragen heeft en waaruit men besluiten mag dat hij ook voor de toekomst onvruchtbaar zijn zal. Hetzelfde mag men zeggen van zulke monschenj aan wie berouw en voornemen ontbreekt, wijl zij na elke biecht hervallen. C :) Zij die den naaste in zijne tijdelijke goederen benadeeld hebben door diefstal, schulden die nog onvoldaan zijn, die anderen vrijwillige schade hebben toegebracht, bedrogen in contracten, in koop én verkoop, in testamenten.... Die schade moet metterdaad her steld worden of zoo men oogenblikkelijk niet bij machte is, moet men ten minste den vasten wil hebben dit zoodra mogelijk te doen; zonder herstel metterdaad of met den wil geen vergiffenis, geen berouw; dus het is niet genoeg de onrechtvaardigheid te biechten ; maar men moet die ook herstellen, zoo niet,, geene goede biecht. D ;) Zij die zwaren haat en wrok dragen, den naaste kwaad wenschen, lasteren en kwaadspreken, hem zijne reputatie benemen, of tot grooto ergernis met hem in zware vijandschap leven. God meet hen uit met dezelfde maat waarmede zij ande ren toemeten ; ja al mocht ook al de biechvader de absolutie geven, zij is nul en van geener waarde bij gebrek aan berouw en een vast voornemen.

-ocr page 65-

3). Ongeldig ia ten laatste de Biecht, bij gebrek aan volledigheid. Door eene volledige biecht verstaat men eene zoodanige, waarin besloten zijn alle zware zonden, die men zich na de laatste geldige biecht herinnert, met bijvoeging van getal en omstandigheden. Eene onvolledige biecht is ongeldig en wel uit twee oorzaken. A : Uit verregaande lichtzinnigheid en nalatigheid in het gewetensonderzoek. liet gewetensonderzoek is noodzakelijk tot eene goede biecht. Om eene schuld te betalen moet men stuk voor stuk tellen ; eveneens om zijne schuld te betalen bij God. Brave menscheu behoeven op dat punt niet ongerust te zijn ; maar zondaren die slechts zelden biechten, mogen dat punt wel ter harte nemen, willen zij uit schuldige nalatigheid niet vele zonden over het hoofd zien en aldus eene slechte biecht spreken. B : Bij gebrek aan rechtzinnigheid. Die onoprechtheid ontspruit uit schaamte en vrees, soms ook uit loutere boosheid. Men verzwijgt vrijwillig uit vrees of schaamte zekere zware zonden; b. v. van onkuisehheid; de soort der zonde, men beschuldigt zich in het algemeen, gezondigd te hebben tegen een of ander gebod, b. v. tegen het 2C of 6° gebod ; men verzwijgt de omstandigheden die de zonde van soort doen veranderen, b. v. men beschuldigt zich van de zonde van onkuisehheid, zonder te zeggen of die in- of uitwendig was, met een gehuwd of ongehuwd persoon ; men verzwijgt het getal dor zonde ; men spreekt van slechte gedachten en het waren slechte werken ; men verzuimt uit te drukken of men gezondigd heeft alleen of met anderen ; men spreekt opzettelijk zacht, onduidelijk, vlug . . . Ziedaar de handelwijze van velen. Zij spreken slechte biechten en om die te herstellen daartoe wordt eene generale biecht gevorderd. Velen huiveren bij de gedachte

-ocr page 66-

— 50 —

aan eene generale biecht, als lastig en onmogelijk. Inbeelding anders niets. Gij moet:

A: Afleggen alle vrees en schaamte. De biechtvader kent alle bestaande en denkbare zonden, gelijk een geneesheer alle soorten van ziekten; hij zal veideru niet verstoeten en bekijven, maar u met open armen ontvangen j in vele gevallen zelfs kent de biechtvader den biochtelirig nog niet. B: Daarenboven de generale biecht zelve is zoo gemakkelijk. — Eerst vurig bidden, om het noodige licht te erlangen van den H. Geest, ten einde zijne zonden te kennen. Vervolgens stelt men het gewetersonderzoek in ; men gaat na hoe dikwijls per dag, per week, per maand, per jaar, men deze of gene zonde bedreven heeft; daarna, verwekt men een goed berouw en maakt het vasl. voornemen. .. eindelijk treedt men den biechtstoel in en biecht eerst de zware, daarna de lichtere zonden. De biechtvader daarboven zal u helpen, u ondervragen.... Zulke generale biecht duurt niet langer dan een kwartier uurs. Is dat nog te moeilijk? Welaan, treedt dan den biechtstoel in en zegt; Ik ben een groot zondaar, ik weet niet waar te beginnen, hoe het aan te leggen. De biechtvader zal wel raad weten en u tevreden stellen.

III. Eene generale biecht eindelijk is voor u eene bron van troost en geluk. Zij bezorgt u den vrede en de gerustheid des gewetens en is zij eenmaal voltrokken, dan is alle knaging bedaard. Een zware steen is van uw hart genomen, gij zijt op nieuw vriend, ja kind van God geworden. Meer vreugde zal er zijn in den hemel over één zondaar die boetvaardigheid

doet, dan over____Hoe gelukkig is een zieke die weer

hersteld is, een ter dood veroordeelde die genade heeft gekregen, hoe gelukkig waren eene Magdalena, de

-ocr page 67-

— 51 —

Samaritaansche vrouw, de overspelige vrouw, Petrus,

de goede moordenaar.....na vergiffenis hunner zonden

bekomen te hebben. Chr. gij hebt wel eens in den zomer de lucht betrokken gezien, een onweder zien opkomen en ten gevolge daarvan algemeen angst en vrees zien onstaan; ziedaar het beeld eener ziel vóór de generale biecht. Het onweer is nauwelijks voorbij of het wordt helder, een regenboog vertoont zich, men herleeft; ziedaar de staat der ziel na de generale biecht.

Eene missie, jubilé.....staat gelijk met een feest

in cene parochie; wanneer een feest ophanden is moet alles schoongemaakt en gereinigd worden. Laten wij tijdens deze dagen hetzelfde doen voor onze ziel. .. . Misschien zal de duivel u zeggen. Wat gaat de biechtvader van u denken V Dat gij geen engelen zijt maar. .. .; dat de weg ten hemel een moeilijke weg is ; dat Heiligen gevallen zijn, zooals David, Salomon, Petrus, Adam en Eva,.... dat hij zelf kan vallen en nog dieper dan gij. Beschouwt deze missie als ecne groote genade, maakt er een goed gebruik van om uwe zaligheid te verzekeren, u een goeden dood te bezorgen en den hemel te verdienen, Amen.

-ocr page 68-

IV.

Volledigheid der Biecht.

I. Volledigheid der belijdenis.

1) Alle zonden, (zonder uitzondering.)

2) Zonden, (geene deugden.)

3) Doodzonden, (ten minste.)

4) Eigen zonden.

5) Beledene, nog niet vergevene zouden, ü) Getal.

7) Soort.

8) Noodzakelijke omstandigheden.

11. Gemakkelijkheid, manier der belijdenis.

Quorum remiseritis peccata remiltun-tur eis, ct quorum retinueritis re-tenta sunt. Wier zonden gij vergeven zult, dien worden zij vergeven, en wier (zonden) gij zult houden, dien zijn zij gehouden. (Joan. 20* 23.)

Het H. Sacrament der Biecht is evenals de andere Sacramenten, van goddelijke instelling ; „Wier zonden gij vergeven zult hebben...Uit deze woorden der instelling blijkt, dat de bediening van dit Sacrament eene rechterlijke machts-uitoefeniug is en vergezeld moet gaan van de zijde des priesters die als rechter optreedt, van verstand, voorzichtigheid en oordeel.

-ocr page 69-

Te dien einde moet de priester het geweten van den zondaar kennen. En hoe komt hij tot die kennis \'i Niet door inzage des gewetens.. .. niet door openbaring Gods.... maar door de belijdenis van den schuldige. Dus de belijdenis is volstrekt noodzakelijk. Dus J. C. met het H. Sacrament der Biecht in te stellen, heeft tevens voorgeschreven de belijdenis zijner zonden aan den priester. De belijdenis is dan ook altijd in de Kerk gehouden voor het eenig middel tot vergeving der zonden, na het Doopsel bedreven. Ook het Concilie v. Trente veroordeelt hen die zouden beweren, dat de belijdenis aan den priester eene uitvinding is der Kerk en het voldoende is zijne zonden te belijden voor God. Gij ziet dat de belijdenis der zonden eene volstrekte vereisehte is, op straffe van niet vergeving, op straffe der hel. Zij is eene van de hoofdvereischten der Biecht en dewijl daarvan grootendeels afhangt de geldigheid der biecht, ga ik u daarover spreken en u leeren in deze onderrichting ;

I. Hoedanig die belijdenis moet wezen.

II. Manier om ze goed te verrichten.

I. De belijdenis der zonden moet wezen volkomen, d. w. z : insluiten ten minste alle zware zonden, die men zich na de laatste geldige biecht herinnert en nog niet vergeven zijn, er bijvoegende het getal, de soort en de noodige omstandigheden der zonden. Men kon dus vragen : Welke zonden moet men biechten \'i wat verstaat men door soort en getal ? wat door de noodige omstandigheden ? Men moet biechten ;

1) Alle zonden in het algemeen en iedere zonde in het bijzonder; want het Concilie van Trente zegt:quot; Zoo de biechteling het getal, de soort en noodige omstandigheden der zonden niet mocht belijden, dan moet de biechtvader hem ondervragen.quot; Evenzoo het Concilie van Lateranen.

-ocr page 70-

— 64 —

2) Zijne zonden; niet zijne deugden ; dus niet zeggen ; ik heb niet gevloekt.... dat hoort niet tot de biecht, dat zijn geene zonden.

3) ten minste alle zware zonden. Wat de dage/ijk-sche betreft, het is niet volstrekt noodzakelijk die te biechten, maar nuttig en raadzaam, vooral de vrijwillige en belangrijke; deels om des te gemakkelijker er vergiffenis van te bekomen, deels om onzen toestand beter te doen kennen. Wat de twijfelachtige doodzonden betreft, ook deze is het raadzaam te biechten, tot grootere geruststelling en tevens om het gevaar van ongeldige bieöhten te voorkomen.

4) zijne eigene zonden ; niet die van anderen, dus de vrouw moet niet biechten de zonden van den man en omgekeerd, de meester niet die zijner onderhoori-gen, een haatdrager niet die van zijn vijand. Er zijn echter zonden door anderen bedreven, die gij moet biechten, omdat gij zo uit plicht of staat hadt kunnen en moeten beletten, zonden die in zekeren zin uwe eigen zonden worden, om de deelneming daartoe op een of andere wijze verleend. En zoo b. v. zorgelooze ouders moeten zich beschuldigen over de zonden hunner kinderen, meesters over die hunner onderhoorigen ; herbergiers,.....Op negen manieren kan men deelnemen aan de zonden van anderen. 1) door bevelen; b. v. zondags te arbeiden, 2) aanraden : b. v. een onrechtvaar dig proces. 3) in te stemmen ; zijne stem geven tot verkeerde zaken. 4) beschermen : iemand die een of an der kwaad bedreven heeft en hem aldus stijven. 5) prijzen. 6) mededeelen. 7) niet straffen : zijne on-derhoorigen. 8) niet beletten : vloeken ..... van den kant der dienstboden. 9) niet overdragen.

5) De zonden die reeds heieden, maar nog niet vergeven zijn. Dit geschiedt bij heiligschennende biechten

-ocr page 71-

- 55 -

en dan is het niet genoeg enkel de verzw egene, maar uok de beledene zonden te biechten.

ü) Tot de volledigheid der biecht behoort ook dat men aangeve het geial en wel het juiste als men dit weet, zoo niet dan zoekt men het juiste getal zooveel mogelijk bij benadering te schatten, er bijvoegende min of meer en zoo b. v. is het niet genoeg te zeggen ; ik heb gevloekt, gezworen, oneerbare taal gesproken ; maar men moet het getal er bijvoegen. Voor twee zaken behoort men zich te wachten. A :) Voor verkleining van het getal; dat is bedrog en eene merkelijke versleining zou de biecht ongeldig maken ; die dat doen. willen minder schuldig schijnen dan zij zijn, B:) Voor vergrooting van het getal. Anderen, goed gestemd, doch een weinig angstvallig van geweten rekenen altijd met ronde cijfers, vergrooten met opzet het getal hunner zonden, onder voorwendsel dat het beter is te veel te zeggen dan tc weinig- Ook is het raadzaam bij sommige zonden b. v. bij haat, vijandschap, wrok, den tijd uit te drukken.

7) Verder nog aangeven de soort der zonde d. i. elke zonde noemen hij haren naam, die haar onderscheidt van elke andere. Dus niet genoeg te zeggen: ik heb eene zware zonde bedreven, ik heb gezondigd tegen het 2. 3. 6. gebod, want men kan op verschillende wijzen misdoen tegen één en hetzelfde gebod. b. v. tegen het 2e door vloeken en valschen eed zweren, twee zonden van verschillende soort. Ook is het niet genoeg te zeggen : ik heb alles gedaan behalve gemoord en gebrand ; of ik ben 4 jaar in dienst geweest en heb als soldaat geleefd. —

8) Eindelijk nog de noodige omstandigheden. Ik zeg : de noodige, dus geene onnoodige; b, v. geschiedenissen en vertelsels, nuttelooze verklaringen en omwe-

-ocr page 72-

— 56 —

gen,- geene namen noemen en passende uitdrukkingen gebruiken. Door noodige omstandigheden worden verstaan ; A ;) die de soort der zonde veranderen. B :) Die van eene dagelijksche cene doodzonde maken.

Deze omstandigheden zijn begrepen in het volgend versje :

Quis ? Onkuischheid bedreven, met een gehuwd of ongehuwd persoon, bloedverwant enz.

Quid. ? Gestolen. quot;Wat? hoeveel? op welke wijze? eene gewijde zaak of niet? eenpaar centen of guldens? In het geheim of met geweld. ?

Ubi ? Onkuischheid in de kerk, kerkhof of elders.—

Quihus auxiliis ? Een goed werk verricht met slechte middelen, eene aalmoes met gestolen geld.

Cur ? Goede of onverschillige middelen met een slecht inzicht en doel, b. v. eene ladder gebruiken, een huis bezoeken, waartoe ? Ook zeggen als men van plan is geweest iets te doen, doch daarin verhinderd is geworden.

Quomodo ? Hoe, op welke wijze? Wetende dat het zonde was of niet; groote schade aangericht uit haat, wrok, of bij ongeluk ?

Quando ? Vleesch gegeten op een verboden dag of niet. Dat zijn allen noodige omstandigheden, die de soort van zonde veranderen, of van eene dagelijksche eene doodzonde maken en moeten dus uitgedrukt worden tot de volledigheid, der Bieeht. Met betrekking tot de volledigheid, nog eene tweevoudige vraag, Wat moet hij doen, die zich schaamt eene noodige omstandigheid, oj eene zonde te biechten ? Hij overwege wat hij doen gaat, eene heiligschennis. . . . hij overwege dat het beter is zijne zonde in het geheim aan den priester te openbaren, dan in het oordeel publiek beschaamd gemaakt te worden. Kiest dus tusschen eene publieke

-ocr page 73-

— 57 —

beschaming, of de belijdenis uwer zonden, aan een enkelen priester, aan een trnnsch die. ... Wat moet men doen als men in de hiecht iets heeft iveggelaten dat men verplicht was te zeggen ? Is dat gescliied zonder uwe schuld, dan kan, maar moet men het ook in de volgende biecht insluiten; want alhoewel vergeven. . . . Herinnert gij u nog eene doodzonde vóór de Communie, dan nog te voren biechten als dit zonder groot bezwaar kan geschieden, zoo niet dan behoeft men daarom de Commnnie niet achter te laten; want daardoor dat eene zonde terugkeert in het geheugen, keert ze nog niet terug in het hart. Heeft men echter eene zonde uit schaamte weggelaten, dan wordt eene generale biecht vereischt.

II. Gemakkelijkheid en manier der belijdenis. Maar zal iemand mij zeggen : als dat zoo is, dan is eene goede biecht moeilijk, ja onmogelijk ; ik ben niet genoeg onderwezen, ik heb geen moed genoeg, het zou mij meer dan 14 dagen tijd kosten! Neen, God vraagt van u niet het onmogelijke. Doet uw best en God en de biechtvader zullen het overige doen. Bidt eerst goed om licht, onderzoekt daarna uw geweten, gaat na de 10 geboden Gods, de 5 geboden der H. Kerk, de hoofdzonden, de Sacramenten, de plichten van uwen staat; hebt gij in zondige gewoonten en gelegenheden geleefd, onderzoekt, dan hoelang? hoe dikwijls gezondigd, per jaar, maand, week, dag?... .Verzoekt, verder de hulp van den biechtvader. Be hoofdzaak is een goede wil en openhartigheid. Ja, bovenal openhartigheid ; hoeve-Ie zielen gaan niet verloren bij gebrek aan openhartigheid ! Be H. Alphonsus verhaalt op gezag van een vermaard schrijver, een schrikkelijk voorbeeld van eene onoprechte biecht. Er leefde in zekere stad eene vrouw, die om haar deugdzaam leven bij ieder-

-ocr page 74-

een, zelfs bij den bisschop, als eene heilige geboekt stond. Zij had het ongeluk op zekeren dag behagen te nemen in eene onkuisehe gedachte en daar het slechts eene zoude van gedachte was, beeldde zij zich in, dat zij die niet behoefde te bieoliten ; haar geweten echter zeide het tegendeel. De schaamte maakte haar stom, zelfs op haar sterfbed. Zij stierf en de bisschop haar biechtvader, liet haar in zijne kapel begraven, \'s Anderendaags zag hij boven aarde een lichaam liggen te midden van een vuur. Hij vroeg er do beteekenis van. „Ik ben verdoemd om de verzwegen zonde,quot; ontving hij ten antwoord. Vree-s el ijk voorbeeld! .. , doet er uw voordeel mede, want hot is beter eene kleine beschaming te lijden met zijne zonden te belijden, dan voor eeuwig verloren te gaan.

-ocr page 75-

V.

Over liet verzwijgen der zonden in de Biecht.

Men verzwijgt zijne zonden :

!. Door nalatigheid in liet gewetensonderzoek, ii. „ gebrek min oprechtheid.

1) Wie verzwijgen doorgaans hunne zonden ?

2) Welke zonden verzwijgt men?

3) Hoe verzwijgt men zijne zonden ?

4) Waarom ?

A.) Uit schaamte;

13) .. vrees.

5) Wat moet men doen als men zijne zonden heelt verzwegen.

Ne confundaris confiteri pèccata lua. Wees niet beschaamd uwe zonden te belijden. (Eccli. 4, 31.

Wij hubben gezien, dat de doodzonde een kwaad is van oneindige booslieid èn wegens de beleediging Gods èn oin do rampen die zij nasleept. Nu, voor grooto rampen bestaan ook kraclitige hulpmiddelen. J. C. heeft aan zijne Kerk zulk een middel gegeven voor de zonde, namelijk de Biecht. Inderdaad, \'t is een punt van ons Geloof, dat de Biecht alle zouden vergeeft na bet Doopsel begaan, hoe zwaar en talrijk deze ook

-ocr page 76-

— (JU —

wezen mogen. De Biecht is dus een krachtdadig, een alvermogend geneesmiddel. Maar het moet goed worden aangewend, anders wordt hei een gif en doodt de ziel in plaats van haar te genezen. Neen \'t is niet genoeg zijne zonden biechten, men moet goed biechten. Welke zijn nu de vereischten eener goede Biecht ? Eene eerste vereischte is : de belijdenis moet wezen volkomen, oprecht ; dus alle bedreven nog niet kwijtgescholden doodzonden, met bijvoeging van de soort, het getal en de noodige omstandigheden. Aan oprechtheid wordt veel te kort gebleven ; vandaar zoo vele slechte biechten. Beter niet, dan slecht biechten. Over het verzwijgen in de Biecht wil ik u eens spreken, — hoe dit geschiedt en hoe plichtig men zich maakt, door dat te doen.

Men blijft te kort aan oprechtheid tot eene goede biecht vereischt:

I. Boor verzuim van een behoorlijk gewetensonderzoek. Er zijn menschen die in gewoonte leven van zonden van onkuischheid, dronkenschap, vloeken,.... die zelden meer dan eens in bet jaar biechten en dan nog hoe? die zich weinig of niet voorbereiden, die van de straat of herberg den biechtstoel ingaan. Duidelijk dat dezulken zich plichtig maken aan verregaande nalatigheid in het gewetensonderzoek en wetens en willens zich blootstellen aan het waarschijnlijk gevaar, vele doodzonden niet te biechten. Deze mogen met grond twijfelen aan de geldigheid hunner vroegere biechten, en doen goed met den biechtvader daarover eens te spreken.

II. Maar men blijft ook nog te kort aan .... wanneer men zijne zonden niet durft biechten, namelijk zonden, die men zeker weet dat doodzonden zijn. Een gruwel zoo te handelen ; wie dat doet krijgt geen vergiffenis van.... maar begaat nog eene nieuwe zware

-ocr page 77-

zonde van heiligschennis, vergramt God op het oogen-blik dat Hij bereid is ons te vergeven en verlaat den biechtstoel schuldiger dan hij er intrad.

1.) Wie verzwijgen doorgaans hunne zonden ?

Vooreerst kinderen en vrouwen, uit eene natuurlijke

en aangeboren vrees; ook jongelingen en mannen. Zijn het groote zondaren die . . .\'? Neen, juist het tegendeel, deze hebben erin den regel geen belang bij.... Wie dan? Menschen die doorgaans geregeld leven, bidden, biechten .... maar die in een oogenblik van zwakheid vallen en schamen hunne zonde te biechten, uit vrees van hunnen goeden naam te verliezen bij den biechtvader.

2.) Welke zonden worden doorgaans verzwegen?

Zonden van onzuiverheid als kind, alleen of met anderen bedreven, uit vrees van niet toegelaten te worden tot de eerste H. Communie, — zonden bedreven tijdens de verkeering, uit vrees van die verkeering te moeten staken, of omdat de biechtvader een al te slechten dunk zou opvatten van de nieuw getrouwden, — tijdens het huwelijk door overspel;... tegen de rechtvaardigheid, door kleine diefstallen gedaan aan ouders, die men ten onrechte als zware zonden beschouwde, of wel groote diefstallen die men niet durfde biechten, uit vrees van gedwongen te worden tot schadeherstel. De zonden eindelijk die men verzwijgt, zijn dezulken die men vroeger reeds verzwegen heeft en nog telkens uitstelt te biechten.

3. Maar hoe, op welke wijze verzwijgt men zijne zonden ?

Vooreerst door ze volstrekt niet te biechten, of door met opzet zeer zacht en zeer vlug te spreken, of ook met niet oprecht te antwoorden op de vragen van den biechtvader. Men verzwijgt zijne zouden dooide soort der zonden te veranderen ; men biecht on-

-ocr page 78-

kuische gedachten en \'t waren werken; met vrijwillig het getal te verkleinen: men besclinldigt zich van vijfmaal en het is tienmaal gebeurd ; met eene omstandigheid achter te laten, die de zonde van soort verandert: men biecht met eene vrouwspersoon gezondigd te hebben, doch voegt er niet bij dat het eene getrouwde, dus eene zonde van overspel was; wanneer men de zwaarte eener zonde merkelijk vermindert: men biecht 5 oenten gestolen te hebben en het waren er 50. Men verzwijgt eindelijk wanneer men de zonden vroeger verzwegen wel biecht; maar

ze wil laten doorgaan als na de laatste biecht bedreven.

Doch nu niet aanstonds u ongerust gemaakt. Opdat de verzwijging eener zonde of omstandigheid, werkelijk doodzonde zij, is het noodig dat men wist dat die zonde zeker doodzonde en zeker bedreven was, — dat men duidelijk kende de verplichting om het getal, de soort en die omstandigheid uit te drukken, — dat de verzwijging vrijwillig geweest zij; want door eenvoudig iets te vergeten, begaat men geen heiligschennis; de vergeten zonde wordt vergeven met de anderen en men behoeft niets anders te doen dan in de eerstvolgende biecht die zonde te belijden.

4. Waarom verzwijgt men zijne zonden in de biecht?

Uit vrees of uit schaamte. Ik zal u eens doen zien, hoe onredelijk die schaamte en vrees zijn. Ik geef toe dat de zonde iets schandelijks is, maar

dat is nog geen reden..... immers hoe zwaarder

eene ziekte is, des te meer moet men zich spoeden haar aan den geneesheer bekend te maken. Uwe zonden zijn afschuwelijk, gij hadt u moeten schamen ze te bedrijven, maarniet ze te biechten; die bekentenis is eene akte van deugd. Zijne zonden te biechten is

-ocr page 79-

- (i3 —

ze te ontkennen eerder dan zo te bekennen ; daardoor toont men dat men ze verfoeit. De biecht is eene vernedering enkel in onze verbeelding; in zich daarentegen iets roemvols, een edelmoedig herstel van het bedre/en kwaad. Zegt mij eens of eene H. Magdalena, een H. Augustinus en anderen de achting der menschen veiloren hebben met openlijk hunne zonden te belijden. Neen, die oprechte bekentenis is een hunner schoonste eerctitels; de gansche Kerk prijst hen daarom. \'T is waar, zal iemand zoggen, docli ik vind geene gepaste wijze om mij uit te drukken. O dat bezwaar is licht te verhelpen ; maak eenvoudig den biechtvader uwe verlegenheid bekend; hij zal u de woorden op de tong leggen. Is er wel iets eenvoudiger dan dat? Een ander zal zoggen : Ik vrees dat de biechtvader verbaasd zal staan, dat hij nog nooit zoo iets gehoord heeft, dat hij mij zal bekijven en minachten. Dwaze inbeelding ! Meent gij dat de biechtvader geen zedeleer gestudeerd heeft of voor het eerst biecht hoort ? Hij kent veel meer zonden dan gij, gij zult hem niets nieuws loeren, hij zal volstrekt niet verwonderd staan over de zonde die gij moet biechten, diezelfde zonde heeft hij misschien reeds honderde malen verareven. Hij zal u ook niet bekijven ; hij is bezield met dezelfde gevoelens als J. C. wiens plaats hij bekleedt, hij zal u ontvangen evenals J. C. de Samaritaansche vrouw en Maria Magdalena ontving, evenals de goede herder het verloren schaap; evenals de vader van den verloren Zoon zijn berouwhebbend kind. Gij behoeft ook niet bang te zijn dat de biechtvader uw geheim ontdekke, hij moet eerder sterven dan de geringste zonde openbaren. Gij kent de geschiedenis van den H. Joannes Nepomu-

-ocr page 80-

— 64 —

oenus met W enoeslav, koning van Boheme......

God doet een voortdurend mirakel om het gelieim der biecht te bewaren. Sedert IS eeuwen is er nog geen priester geweest die het geheim der biecht geschonden heeft.

5. Wat moet men doen om de slechte biechten te herstellen, die ongeldig geweest zijn wegens het verzwijgen van zonden? Is het genoeg enkel de verzwegene zonden te biechten\'? Neen, maar tevens ook alle doodzonden na de laatste geldige biecht bedreven; want niet eene is vergeven. Maar dat is onmogelijk: ik ben vijftig jaar oud en heb van mijne jeugd af verzwegen ! Niets is zoo eenvoudig, met een weinig goeden wil. Uwe zonden zijn geweest bijzondere gevallen of gewoonten Zijn het bijzondere gevallen, dan kunt gij licht het juiste of ongeveer het juiste getal aangeven. Zijn het zon. dige gewoonten, dan is het voldoende te zeggen, den tijd hoelang men daarin geleefd heeft; hoe dikwijls per maand, week dag ; . . . op die wijze kan men in weinige woorden tallooze zonden biechten. De biechtvader daarenboven zal u helpen ; zeg hem maar dat gij eene generale biecht wensc\'it te doen. En nu Chr. blijft er u nu nog eene enkele reden over om uwe zonden te verzwijgen, of om door eene generale biecht uwe heiligschennende biechten te herstellen. Immers neen ; alle bezwaren zijn dwaze inbeeldingen, dio de duivel u ingeeft. Mocht gij evenwel nog een zekeren weerzin gevoelen om. . ,. herinnert u dan het woord van Jesus ; „Nihil est opertum quod non revelabitur, neque absconditum quod non soietur.quot; (Luc. 12. 2.) Als gij ze niet belijdt voor den priester in den biechtstoel, zal J. C. in den laatsten oordeelsdag, gezeten op zijn rechterstoel, ze openbaren aan de gansche wereld. Chr. ter liefde Gods vraag ik u ; Is het niet

-ocr page 81-

veel beter uwe zonden te biechten aan een enkel monsob, zwak en zondig evenals gij, dan te moeten zien, dat diezelfde zonden eens geopenbaard zullen worden aan alle engelen en heiligen des hemels, aan alle menschen, aan uwe vrienden, aan den biechtvader, dien gij thans wilt bedriegen ! Is bet niet veel verkieselijker ze thans te belijden in het geheim en te booren zeggen : „Ik ontsla u van uwe zonden, ga in vrede dan deze andere woorden : „Gaat weg van mij, vervloekten.quot; . .. Ziehier nog een middel en wol een onfeilbaar middel om alle schaamte en vrees te overwinnen. Wendt u namelijk tot Maria, de troosteres der bedrukten, de toevlucht der zondaars. De H. Alphonsus verhaalt in de Heerlijkheden van Maria, dat een man in Duitschland het ongeluk had in eene zware zonde te vallen; bij was dermate beschaamd, dat hij niet kon besluiten zijne zonden te biechten ; maar kon ook tevens de knaging des gewetens niet verdragen. Hij besloot zich te verdrinken; doch op weg zijnde, bleef hij stil staan en bad Grod, bem zijne zonde ta vergeven zonder ze te biechten en koerde vervolgens naar huis terug. Op zekeren dag terwijl hij sliep, voelde hij zich op den schouder kloppen en hoorde eene stem die hem zeide : Ga biechten. Hij begeeft zich \'s morgens vroeg naar de kerk, maar heeft den moed niet om te biechten. Den volgenden nacht hoort hij andermaal die stem, gaat op nieuw naar do kerk, maar gevoelt een zoo grooten weerzin dat hij liever wil sterven, dan biechten. Alvorens echter huiswaarts te keeren, wil hij zich eerst aanbevelen aan Maria ; hij knielt neder, bidt een oogenblik, staat op en is gansch veranderd; bij laat een biechtvader roepen, spreekt eene oprechte, rouwmoedige biecht, vergezeld van een vloed van tranen en legde

-ocr page 82-

later het getuigenis af, dat hij na de biecht eene zoo groote vreugde smaakte, alsot hem het grootst geluk der wereld ten deel gevallen ware. Welaan, gij allen die evenals die man beschaamd mocht wezen om uwe zonden te biechten, wendt u evenals hij tot Maria en ook gij zult dezelfde gunst bekomen die hij bekwam en hetzelfde geluk smaken dat hij smaakte. Amen.

-ocr page 83-

VI.

Berouw.

I Natuur van het Berouw.

1) Volmaakt berouw,

2) Onvolmaakt berouw.

II Noodzakelijkheid van het Berouw.

1) Noodzakelijkheid des middels,

2) Noodzakelijkheid des gebods.

3) Noodzakelijkheid des Sacraments. UI Eigenschappen van het Berouw.

1) Inwendig,

2) Algemeen,

3) Bovenal,

4) Bovennatuurlijk.

IV Middelen om een goed berouw te verwekken.

1) Inkeer in zich zeiven,

2) Gebed.

Scindite corda vestra. Scheurt uwe harten. (Joel 2. 13.)

Onder alle middelen, door Grod aan de Kerk gegeven tot heiliging van den mensch, zijn er geene zoo krachtig, zoo voortreffelijk, als de HH. Sacramenten. Allen, gelijk het Concilie van Trente zegt, werken op een of andere wijze mede tot heiliging van den mensch. Sommigen brengen onmiddelijk de reehtvaardigma-king voort, zooals het Doopsel; anderen vermeerderen.

-ocr page 84-

— 68 -

bekrachtigen of versterken die, zooals de Sacramenten der levenden: anderen eindelijk dienen om den mensch, van het pad der rechtvaardigheid afgeweken, daarop weer terug te brengen, zooals de Biecht: ,,Per quae (sacramenta) omnis vera justitia vel incipit, vel ooepta augetur , vel amissa reparatur.quot; (Trid. S. VII.) Van de zeven HH. Sacramenten is de Biecht zoo niet het waardigste, toch een der noodzakelijkste sacramenten. De Biecht is evenals het Doopsel, voor velen de deur des hemels. Zij is als een verzachtende balsem, eene volmaakte bevrediging van het geschokt geweten. Heeft men goed gebiecht, zoo voelt men zich verlicht en versterkt; men voelt zich bezield met nieuwen moed en vertrouwen, om de gevaren te trotsee-ren en de hinderpalen te overwinnen, die de beoefening der deugd in den weg staan. Omdat het dus voor u van het, grootst, belang is eene goede biecht te spreken, gaan wij achtereenvolgens in eenige onderrichtingen leeren, de vereischten die daartoe noodig zijn. En wel vandaag gaan wij behandelen de eerste of hoofdvereischte : het Berouw, dat door het Concilie van Trente onder de vereischten eener goede Biecht, op de eerste plaats gesteld wordt.

I. Natuur van het Berouw. Het berouw, is volgens het Concilie van Trente, eene droefheid der ziel en een afschuw van de bedreven zonde, vereenigd met het voornemen om niet meer te zondigen. Het ziet dus terug op het verledene en strekt zich uit in de toekomst. Het berouw kan tweeerlei zijn : het volmaakt en onvolmaakt berouw. Een volmaakt berouw is dat, hetgeen voortkomt uit eene volmaakte liefde tot God ; d. i. als wij de zonde meer haten dan eenig ander kwaad en wel omdat zij God het hoogste goed belee-digt. Een onvolmaakt berouw is dat, hetwelk voort-

-ocr page 85-

— 69 —

komt uit eene andere bovennatuurlijke beweegreden ; b. v ; afschuwelijkheid der zonde, hel, hemel.. Het verschil tussohen beide laat zich het best begrijpen door het voorbeeld van twee kindereu, die hunnen vader beleedigd hebben. Beide zijn bedroefd over hunnen misslag. Het een omdat het zijn vader die zoo goed en beminnelijk is vergramd heeft; het ander echter betreurt zijne fout, met het oog op de straf die het verdiend heeft. Dit voorbeeld laat ons eeni-germate zien het verschil tusschen een volmaakt en onvolmaakt berouw.

II. Noodzakelijkheid van het Berouw, Het berouw is noodzakelijk tot eene goede Biecht, ten minste een onvolmaakt berouw en wel dermate, dat het door niets en in geen geval kan vervangen worden ; noch door gebed, vasten, aalmoezen, boete, bedevaarten ;... Het berouw is volstrekt noodzakelijk tot eene goede biecht. Iets kan noodzakelijk zijn onder een drievoudig oogpunt : 1) uit noodzakelijkheid des middels. Voor eene i- reis naar deze of gene stad, is de weg die daarheen leidt

een noodzakelijk middel, eene volstrekte vereischte; eten, drinken, slapen zijn noodzakelijke middelen om te leven; nu het berouw is noodzakelijk, als middel om vergiffenis te bekomen zijner zonden en wel dermate dat het door niets kan vervangen worden, door geen gebed .... God vergeeft nooit zonder berouw en kan ook niet vergeven, uit hoofde zijner rechtvaardigheid en heiligheid; dat zegt ons ook het gezond ver-1 stand: kan wel een vader zijn zoon, een koning zijn

onderdaan vergeven zonder berouw; nu evenmin God,-Het berouw integendeel, mits hat volmaakt zij en gevoegd bij de begeerte om te biechten, kan al het overige vervangen; het gewetensonderzoek, de belijdenis penitentie .... iemand wordt door eene beroerte ge-

i

-ocr page 86-

— 70 —

troffen, valt in \'t water, in \'t vuur... hij verwekke eene akte van volmaakt berouw en ontvangt oogen-blikkelijk de vergiffenis zijner zonden. Integendeel iemand sterft voorzien met de laatste H. H. sacramenten, doch zonder berouw, hij is verloren .. .

2); Het berouw is verder noodzakelijk uit noodzakelijkheid des gebods. Immers de Zaligmaker zegt ; „Zoo gij geene boetvaardigheid doet over uwe zonden, zult gij allen omkomen.quot;

3). Het berouw is eindelijk noodzakelijk tot hot wezen van het Sacrament. De Biecht, evenals elk ander Sacrament, bestaat: uit stof en vorm. Het berouw gevoegd bij de belijdenis en voldoening, maakt volgens het Concilie van Trente de stof uit van het Sacrament der Biecht. Ontneemt dus aan de Biecht het berouw, gij ontneemt haar de stof en de biecht als Sacrament is onbestaanbaar. Het Berouw is het leven, de ziel van het Sacrament der Biecht. De Biecht zonder berouw is als een boom zonder sappen, als een lichaam zonder ziel. Een lijk is ontdaan van kracht en beweging, het verwekt afschuw en ijzing, het dient tot niets meer dan tot vermaak en spijs der wormen en is schadelijk voor anderen ; zoo is ook eene slechte biecht krachteloos en zonder uitwerking, zij is een voorwerp van afschuw in Gods oog en dient tot vermaak der duivelen....

III* Eigenschappen van het Berouw. Het bsrouw is als eene kostbare munt waarmede wij de vergiffenis onzer zonden, de vriendschap Gods, den hemel kunnen terugkoopen. Nu eene kostbare, eene gouden munt moet vier eigenschappen hebben; Zij moet zuiver, echt van specie zijn, hetgeen men erkent niet aan den uitwen-digen schijn, maar aan haar inwendig gehalte ; geheel, dus niet gebroken,noch gesnoeid;zij moet \'skonings beeld

-ocr page 87-

— 71 —

dragen en moet door hare stof en haren vorm, alle andere munten van mindere waarde overtreffen. Het Berouw nu dat een gouder. munt is, waarmede .... moet dezelfde eigenschappen hebben :

Het moet wezen : 1). Inwendig; het moet voortkomen uit het hart, niet enkel liggen op de lippen ; maar in het hart. Het Berouw is eeno droefheid der ziel, niet des lichaams ; het moet dus gezocht worden in het hart, niet enkel in de gebedenboeken. Wie is de schuldige? ons hait, onze ziel. Ons lichaam is slechts het werktuig dor zonde. „Uit het hart, (niet uit het lichaam) zegt Christus, komen voort slechte gedachten, ontucht, overspel, diefstal . ..quot; Ons lichaam staat tot de zonde, als het penseel van den schilder tot een schilderstuk. Het penseel is een werktuig in de hand des schilders; doch de schilder is het die . Ons lichaam is het werktuig, dat onze wil bezigt om te zondigen. Dus onze wil, onze ziel, als zijnde de schuldige moet het berouw opwekken. Het geneesmiddel moet aangebracht worden op de wonde; het berouw moet voortkomen uit het hait; dus het moet, inwendig wezen.

2). Algemeen d. i. het moet zich uitstrekken, ten minste over alle nog niet vergeven doodzonden. „Bekeert u en doet boetvaardigheid over al uwe ongerechtigheden.quot; (Ezech. 18.3) Het Berouw mag dus geene enkele zonde uitsluiten. Het gezond verstand zegt ons dit. Een kind heeft zijn vader tweemaal beleedigd ; het heeft enkel berouw over de laatste beleediging. Het berouw is niet algemeen, dus geen vergiffenis. De doodzonde is gelijk aan eenedoodelijke wonde ; eene enkele doode-lijke wond is genoeg ons te doen sterven ; zoo ook is eene enkele doodzonde.... Hetzij men gebonden is met één of drie koorden, men is en blijft gebonden. Het berouw moet dus algemeen zijn, het zich uitstrekken ten

-ocr page 88-

minste over alle doodzonden ; want zondert men cenc enkele uit, dan wordt geene van allen vergeven ; want de eene doodzonde wordt niet vergeven zonder do andere. Zoude dit hot geval zijn, dan zou men tegelijk levend en dood, vriend en vijand van God kunnen zijn. \'t Is eehter niet noodig over elke doodzonde in\'t bijzonder een aktevan berouw te verwekken; genoeg over allen zoo bekenden als onbekenden, in het algemeen een akte van berouw te verwekken.

3. liovenal d. w. z; dat wij de doodzonde moeten baton, niet enkel als een wezenlijk, maar als het grootste kwaad, meer dan eenig ander kwaad, dat ons overkomen kan. Wij moeten besloten zijn met de hulp Gods, voor geenen prijs ter wereld, Hem door eene doodzonde te willen belsedigen. Waarom ? Omdat de doodzonde het grootste kwaad is, dat de •grootste straf verdient, waardoor men de schoonste kroon verliest, eene beleediging ten opzichte van den besten der vaders, van God. Opdat het berouw bovenal groot zij, is het niet noodig dat het gevoeliger zij dan elke andere smart of verlies b. v. van vader en moeder. Neen, dat gevoel is een natuurlijk en uitwendig gevoel, dat doorgaans afhangt van een ieders karakter. Men kan zeer bedroefd zijn zonder dit uiterlijk te toonen; immers de hevigste droefheid is niet altijd de gevoeligste en zoo kan het gebeuren dat bij den dood van een kind, de moeder weent en de vader niet; alhoewel deze even bedroefd, ja nog bedroefder kan zijn dan de moeder. Ja, die ondervinding leert, dat iemand die uitermate bedroefd is niet weent, maar stom en sprakeloos is.

4. Bovennatuurlijk Leteekeut; dat het berouw moet komen van God, het moet wezen om God.God is de belee-digde persoon ; dus de beweegreden van liet berouw

-ocr page 89-

— 73 -

moet wezen de beleediging God aangedaan. Men moet goed hot natuurlijk van het bovennatuurlijk berouw onderscheiden; het eeno komt voort uit eene natuurlijke, het andere uit eene bovennatuurlijke beweegreden. Een dronkaard heeft berouw, omdat hij zijne gezondheid en fortuin heeft verloren; een meisje betreurt haren val, omdat zij hare eer en reputatie verbeurd heeft; beide hebben een natuurlijk berouw. Saül betreurde zijne ongehoorzaamheid jegens God, toen Samuel hem aankondigde dat God hem verworpen en hem zijn troon ontnomen had ; „Ik heb gezondigd, zoo sprak hij, omdat ik het gebod van God overtreden heb.?\' Maar \'t kon niet helpen, zijn berouw was een natuurlijk berouw. Bovennatuurlijk daarentegen is het berouw, wanneer men de zonde betreurt, omdat men God hot hoogste goed beleedigd, zijne genade verloren, den hemel verbeurd, de hel of hot vagevuur verdiend heeft. Een zoodanig berouw was dat van Adam en Eva na hunnen val, dat van den H. Petrus, van David, van Magdalena. Zoodanig moet ook het uwe wezen om vergiffenis uwer zonden te verkrijgen. Zulk berouw echter kunnen wij niet uit ons zeiven hebben ; want al wat bovennatuurlijk is ligt buiten ons bereik ; het moet dus komen van God. En God zal ons dat niet weigeren te geven, als wij daartoe pogingen aanwenden en de middelen in het werk stellen.

IV. Middelen. 1. Inkeer in zich zeiven. Gij moet nadenken over de afschuwelijkheid der zonde, de straffen die gij daardoor verdiend, do goedheid Gods die gij zoo zwaar beleedigd hebt. Gij moet eenen drievoudigen blik werpen A :) naar boven : den hemel verloren. B) naar beneden; de hel verdiend. Een blik op het kruis: Jesus Christus door de zonde

-ocr page 90-

_ 74 —

gekruisigd. De H. Carolus Borromaeus eene generale biecht willende spreken, beklom oenen berg, waarop zich verschillende tafereelen bevonden uit het lijden van den Verlosser, om door de overweging van het lijden zich tot berouw en leedwezen op te wokken. De H. Thomas plaatste zich in den geest voor de deur der hel en verbeeldde zich dan het gejammer en gekerm te hooren der verdoemden en sprak tot zich zeiven ; Hetzelfde lot heb ook ik verdiend.

2) Gebed. „Keert u tot mij, zegt God, en Ik zal mij tot u keeren.quot; Ja keert u tot God door het gebed en Hij zal u de genade verleenen van een goed berouw. Jezus keert zich tot iederen zondaar, die van goeden wil is ; dat wil zeggen die Hem bid om een oprecht berouw. Dus bidden tot God om een goed berouw, u wenden tot Maria de toevlucht der zondaars. Zij heeft zoovele ongelukkigen geholpen, zij zal ook u helpen, zij zal u de genade bekomen van een waar berouw; in die gesteldheid zult gij uwe zonden belijden, vergiftenis daarover bekomen, met God verzoend worden,zijne vriendschap terug erlangen en op den weg der deugd volharden tot aan uwen dood. Amen.

-ocr page 91-

VIL

Voornemen

]. Noodzakelijkheid van het. Voornemen. II. Hoedanigheden „ „ „

1) Oprecht.

2) Vast en Krachtig.

3) Algemeen.

4) Werkdadig.

Juravi cl statui custodire judicia justi-tiac tuae. Ik heb gezworen en vast besloten, uwe gerechte voorschrif ten te onderhouden. (I\'s. 118. 106).

In onze onderrichting over het berouw, hebben wij gezien dat het berouw twee zaken insluit: het leedwezen over de bedreven zonden en den vasten wil om voortaan niet meer te zondigen. Beiden zijn volstrekt noodzakelijk tot een goed berouw. Dat het leedwezen noodzakelijk is hebben wij reeds gezien; dezelfde bewijzen gelden ook voor het goed voornemen. Het goed voornemen is noodzakelijk uit noodzakelijkheid des middels, des g^bods en des sacraments. Onmogelijk berouw te hebben over zijne zonden, zonder tevens den ernstigen wil te hebben om niet meer te

-ocr page 92-

— 70 —

zondigen. Ik neem con kind dat zijn vader beleedigd

heeft; het gevoelt berouw......maar is niet van

plan zijn vader beterschap to beloven; het berouw van dat kind is als het ware eene bespotting,

en de vader zal zich wel wachten..... Evenmin

vergeeft God, zoo het berouw niet den ernstigen wil insluit Hom niet meer te beleedigen; ja God kan niet vergeven, zegt de H. Thomas, omdat zijne rechtvaardigheid en heiligheid zich er tegen verzetten. De H. H. Vaders noemen de Biecht een tweede doopsel, een nieuw verbond, eene overeenkomst en verdrag tusschen God en den mensch; dat verdrag nu is geldig bijaldien beiden de vastgestelde voorwaarden onderhouden, maar houdt op van kracht te zijn, zoodra door een van beiden de voorwaarden geschonden worden. Het goed voornemen nu is van de zijde des menschen eene noodzakelijke voorwaarde tot de geldigheid der Biecht; ontbreekt het, dan is de Biecht ongeldig. Van het goed voornemen hangt dus de geldigheid der Biecht af. Laten wij ons daarvan eens goed overtuigen en de eigenschappen nagaan die het goed voornemen hebben moet. Het moet wezen; I. Oprecht d. w. z. van harte gemeend; dus het moet komen uit het hart, uit den wil; dus een voornemen enkel op de lippen, enkel bestaande in woorden, is geen oprecht voornemen; wie zoo biechten gaat is een huichelaar, bedriegt den biechtvader of liever zich zeiven; want de absolutie op die wijze verkregen is van geene waarde. De H. Joannes Chrysostomus vergelijkt zulke menschen met comedianten die op het tooneel eene geveinsde rol spelen, droevig of vroolik naar gelang den aard van het stuk ; alles is onnatuurlijk en gemaakt. Hetzelfde heeft plaats in den biechtstoel met hen, aan wie het goed voornemen ontbreekt.

-ocr page 93-

1

— 77 -

Zij schijnen bedroefd te zijn, zullen zoo noodig weenen, doen de schoonste beloften ; maar in hun hart is niets gemeend daarvan ; de vaste wil, het goed voornemen ontbreekt hun. Dezelfde Kerkvader vergelijkt hen nog met gemaskerden die men met vastenavond langs de straten ziet loopen, die hun gelaat met een masker van papier bedekken; in één woord zich anders voordoen als zij zijn, Hoevelen zijn eveneens gemaskerd in den biechtstoel; zij doen de schoonste beloften, zij zullen die verkeering afbreken, dien dienst verlaten, dat huis, die herberg vermijden; maar hun voornemen licht enkel op de lippen, niet in het hart; een bewijs daarvan ia dat zij aanstonds weder hervallen en telkens met dezelfde zonden terugkeeren. Dezulken kunnen welde absolutie afpersen, maar niet de vergiffenis hunner zonden erlangen. Ik onderstel dat iemand die u herhaalde malen bedrogen heeft u eenen dienst komt vragen, gij zult dien weigeren, denkende dat gij reeds zoo dikwijls bedrogen zijt geworden ; eveneens handelt God mot hen die Hem zoo dikwijls in de biecht de schoonste beloften gedaan, maar hun woord niet gehouden hebben.

11. Vast: d. w. z. men moet vast besloten zijn niet meer te zondigen, onaangezien de hinderpalen, gevaren, gelegenheden die men mocht ontmoeten; het is dus niet genoeg dat men de begeerte, het verlangen, het plan heeft de zonde te vermijden, dat men eenen zwakken wil toont, dat men zekere walging gevoelt van het kwaad; neen dat alles is voldoende om ons te misleiden, niet om ons te rechtvaardigen. Een huis dat stevig gebouwd, een boom die diep in den grond is geworteld, kunnen weerstand bieden aan . .. Zoo ook zal iemand die in de Hiecht een vast en krachtig voornemen aanbrengt, weerstand bieden aan .. . Men moet niet zeggen : ik

I

-ocr page 94-

zou die verkeering wel willen afbreken, ik hoop sterk genoeg te zijn om;. . dat is weinig of niets gezegd ; maar men moet zeggen: ik zal, koste wat het wil mij beteren; mijn besluit is genomen, Wat is dereden dat bij velen het goed voornemen zoo zwak is ? Eene zekere besluiteloosheid, eene soort van vrees voor ingebeelde moeilijkheden. Te recht roept de H. Alphon-sus uit, dat tengevolge dier besluiteloosheden en zwakke wilspogingen, de hel vervuld is met verdoemden ; want een zwakke wil staat gelijk mot onwil. Een jongeling wiens gedrag veel te wensehen overliet, wekte de bezorgdheid op van den H. Bernardus, die geene moeite spaarde om hem tot inkeer te brengen; de jongeling verslaafd als hij was aan de zonde, gaf voor dat het hem onmogelijk was zich te beteren. Onthoud u drie dagen van de zonde, zeide de H. Bernardus, ter eere van de drie personen der Allerh. Drievuldigheid en kom daarna terug. De jongeling kwam terug en had zich goed gehouden. Moed, mijn vriend ! hernam de Heilige; nog eens drie dagen ter eere van uwen H. Engelbewaarder. De jongeling ging heen en kwam na drie dagen weer terug, hij was evenmin hervallen. Nu weet ik door ondervinding, sprak hij, dat indien men maar vast en ernstig besloten is, men standvastig kan blijven met de hulp Gods.

III. Algemeen, d. w. z. het moet zich uitstrekken over alle doodzonden, zoowel over de bedrevene, als over die welke men in het vervolg nog zou kunnen bedrijven. Op de algemeenheid van het goed voornemen behoort men bijzonder acht te geven, omdat men zijne lievelingszonde niet zelden over het hoofd ziet; daarvan te scheiden valt doorgaans zeer zwaar en zou het goed voornemen zich tot deze niet uitstrekken, de Biecht zou ongeldig zijn. Wat is er noodig om een

-ocr page 95-

lt;1

- 79 —

gevangene, met drie zwai\'e ketenen gebonden te verlossen ? Dat men hem bevrijde niet van één, maar van drie ketenen. Zoo ook wil de zondaar verlost worden van de boeien der zonden, dan moet zijn voornemen algemeen zijn. Een goed gebouwd schip gaat soms ten gronde door een gaatje in het ruim, zoo ook is eene Biecht waaraan niets ontbreekt dan de algemeenheid van het goed voornemen eene slechte Biecht. Het goed voornemen om algemeen te zijn, moet zich uitstrekken ten minste over alle zware zonden cn heeft men niets dan dagelijksche zonden te biechten, dan wordt er vereischt tot de geldigheid der Biecht, dat men zich ernstig voorneme om ten minste de betreurde en beleden dagelijksche zonden, of eene soort er van te vermijden.

IV Krachtdadig; dat zal het wezen wanneer men den ernstigen wil heeft niet slechts om elke zware zonde, maar tevens ook de gevaren en gelegenheden tot zonde te vermijden en de middelen te gebruiken, ten einde in het gemaakt voornemen te volharden. Een zieke diquot; ernstig naar genezing verlangt, moet zich van verboden spijs onthouden en de voorgeschreven geneesmiddelen gebruiken. Wie een beroep wil aanleeren moet zich daartoe moeite geven; eveneens wie in zijn good voornemen wil volharden, moet de middelen daartoe aanwenden, En wel op de eerste plaats de gevaren en gelegenheden tot zonde vermijden. Wie enkel de zonde en niet de gevaren van zonde zou willen vluchten, bewijst dat zijn afschuw van de zonde niet ernstig gemeend is ; want wie het gevaar bemint zal er in omkomen. Hetzelfde is toepasselijk op de gelegenheden tot zonde. Het niet verlaten dei-naaste gelegenheid en het niet vermijden der zonde is één en dezelfde zaak. Want de mensch is doorgaans

J

-ocr page 96-

— 80

in zulke gelegenheid zeer zwak, de hartstochten zijn zoo hevig, de verleiding is zoo groot dat de herval meer dan waarschijnlijk is. Daarom was God bij de joden, die door afgoderij gezondigd hadden niet tevreden met hunnen terugkeer tot den waren God; zij moasten nog de afgodsbeelden verwijderen. Eveneens is God niet tevreden met het voornemen om enkel de zonde te vermijden, maar met het voornemen om daarenboven de gevaren en gelegenheden tot zonde te vluchten. Ten laatste wordt nog vereischt dat men de middelen bezige ter volharding, namelijk; een vurig gebed, het dagelijksch onderzoek des gewetens, het aanhooren van Gods woord en vooral het dikwijls ontvangen der HH. Sacramenten. Ziedaar Chr. u aangetoond de noodzakelijkheid en de eigenschappen van het goed voornemen. Op zekeren dag, kort na eene missie, ontmoette een meisje eenen jongeling, die voor haar eene naaste gelegenheid geweest was van vele en zware zonden. Zij ging zonder op te zien voorbij. Hoe ! wat zijt gij trotsch geworden, wat zijt gij veranderd f Ja, ik ben God zij dank veranderd, gij hebt mij ongelukkig genoeg gemaa.kt. Doch indien gij u niet bekeerd hebt, ondanks de biecht die gij gesproken hebt, zooveel te erger voor u. Ziedaar Chr. de vrucht van een oprecht berouw en krachtdadig voornemen, dat bestand is tegen gevaren en verleiding ; zoo moot het voornemen wezen om geldig te zijn. -quot;t Is waar, \'t kost moeite, vooral voor hen die in zondige gewoonten leven, een krachtdadig voornemen te maken om zich te beteren ; doch met een sterken wil komt men alles te boven en is eenmaal de eerste stap gedaan dan volgt het overige van zelf. Een oud soldaat, vloeker van gewoonte, die bij elk woord eene godslastering voegde, vroeg

-ocr page 97-

— Sl

aan zeker heer eene ondersteuning. Deze stiet hem van zich af, zeggende : „Aan een vloeker geef ik niet.quot; Ach! mijnheer, ik zou mij zoo gaarne beteren van ... maar ik kan het niet. Beproef het eens met ernst; zie dit goudstuk geef ik u, als gij vandaag niet vloekt. De vloeker nam het voorstel aan. Hij moest nu den heer begeleiden en deze bracht hem langs verscheidene kazernen waar zijne oude makkers hem allerlei spotnamen toewierpen en hem tot vloeken ophitsten. Te vergeefs, hij bleef stom tot den avond, kreeg het goudstuk, terwijl hem verdere ondersteuning beloofd werd, zoo hij volhardde, Die zondaar van gewoonte beterde zich inderdaad, in den beginne wellicht om een tijdelijk gewin, doch later om hoogere beweegredenen. En nu vraag ik u Chr; indien een stuk geld zooveel vermocht, wat zal dan niet de gedachte aan eene he-melsohe kroon, voor u eene vermogende beweegreden wezen, om u tot een krachtdadig voornemen op te wekken, zonder het welk geene vergiftenis ... want niet zij die telkens hervallen, maar die tot het einde volharden, zullen zalig worden. Amen.

6

-ocr page 98-

De Verloren Zoon,

of Val en Opstanding van den zondaar.

I. Val van den Verloren Zoon.

1) Hij verlaat liet onderlijk huis.

2) Zijne ongebondenheden.

3) Zijne rampen.

II. Terugkeer van den Verloren Zoon.

1) Hij keert in zich zeiven.

2) Maakt een vast voornemen.

3) Brengt dit ten uitvoer.

Filius meus mortuus erat et revixit, perierat et inventus est. Mijn zoon was dood en hij herleefde, hij was verloren en is weergevonden (Luc. 15. 24).

Zeker man had twee zonen. De jongste, lichtzinnig, onbezonnen, wispelturig van aard, vroeg zijnen vader zijn deel, hetgeen deze hem met weerzin gaf. En nauwelijks was hij in het bezit daarvan, of hij vertrok buiten \'s lands, naar een vergelegen gewest en daar ver ■ kwisttehij geld en goed in overdaad, En toen hij alles had opgemaakt, ontstond er hongersnood in dat gewest en hij begon gebrek te lijden. Door den nood gedwongen, verhuurde hij zich als knecht op eene pachthoeve,

-ocr page 99-

— 83 —

waar hij gebezigd werd om de zwijnen te hoeden. En

hij wensohte zijn honger te stillen met...... doch

niemand gaf hem dat. Toen kwam hij tot inkeer, erkende zijne schuld en besloot naar zijnen vader terug te keeren. En zie, hij stond op en ging op weg. Reeds in de verte zag aijn vader hem aankomen, hij werd tot medelijden bewogen, liep hem te gemoet, viel hem om den hals en kustte hem. De zoon viel zijn vader te voet en erkende rouwmoedig zijne schuld. Doch de vader liet hem niet uitspreken, nam hem op en herstelde hem in zijne vorige rechten; hij richtte ook een luistervollen maaltijd aan, zeggende : Laat ons feestvieren; want deze mijn zoon was dood en is weer levend geworden, hij was verloren en is wedergevon-den. Ziedaar de zoo bemoedigende parabel van den Verloren Zoon; ieder onzer leest daarin zijne eigen geschiedenis. Een ieder onzer moet zeggen : Ik was eertijds, ja ben misschien nog een verloren zoon, afgedwaald uit het huis mijns vaders, uit do vriendschap ttods, ik heb rondgedoold in een verafgelegen gewest, ver van den hemel mijn vaderland, ik heb mijn erfdeel verkwist in overdaad en ongebondenheid, ik heb weken, maanden, jaren in zouden geleefd. Tot zoover is gezegde parabel op een ieder onzer toepasselijk. Maar Chr; gij die gedeeld kelit in zijnen val, hebt gij hem ook nagevolgd in zijne opstanding? Zoo niet, wat heeft u weerhouden ? De menigte de zwaarte uwer zonden, de twijfel aan Gods barmhartigheid ? Welnu de geschiedenis van den Verloren Zoon leert u, hoe schuldig, hoe diep gevallen gij ook mocht zijn, dat Gods barmhartigheid grenzeloos, oneindig is. Hiervan ga ik u overtuigen, met u de parabel des Verlorenen Zoons in al hare omstandigheden te verklaren.

1. Diepe val vau den Verloren Zoon. Zeker man had

-ocr page 100-

twee zonen. Die man stelt God voor, die bij voorkeur onder het beeld van een vader des huisgezins wil beteekend worden; liever dan Heer, Meester en Gebieder, omdat de naam van Vader beter zijne voortreffelijke eigenschappen ; zijne vaderlijke liefde, goedheid en barmhartigheid jegens den mensch uitdrukt. Een man had twee zonen. VVaarom is hier slechts spraak van twee, dewijl God toch Vader is van ontelbare kinderen? Ja, maar allen kunnen tot twee klassen worden teruggebracht ; die der rechtvaardigen, aangeduid door den oudsten zoon der parabel en die dei-zondaren, door den jongsten of den verloren zoon. Drie tijdperken omvatten het losbandig leven van den Verloren Zoon. Drie tijdperken omvatten eveneens het schuldig leven van den zondaar.

Eerste tijdperk. Hij vraagt zijn deel en verlaat het ouderlijk huis. Ziedaar het beeld van den mensch, die van rechtvaardig, zondaar wordt. „Vader geef mij het deel dat mij toekomt.quot; Welke uitzinnige vraag in den mond van een jongeling, die alles had wat hij verlangen kon! Vanwaar toch die dwaze vraag? Hij was inde lente zijns levens, in de jaren der jeugd; hij was de speelbal zijner driften, eenerzijds getrokken door de stem des gewetens die hem de deugd voorhield, anderzijds geblakerd door het vuur der driften, die hem tot zonde opwekten. De driften behouden de overhand, hij gaat tot zijn vader en vraagt zijn deel. Zoo gaat het ook met den mensch die in zonde valt. Het begin van elke zonde is de hoogmoed. Voor den hoogmoedige is het vaderlijk gezag van God een last. In zijn hoogmoed zegt hij: „Ik ben geen kind meer om.... ik ben meester van mijn hart, van mijne gedachten en handelingen, ik wil daarover beschikken, zij zijn mijn erfdeel dat mij rechtens toekomt.quot; De vader alhoewel met

-ocr page 101-

— 85 -

weerzin geeft hom zijn deel. Eveneens doet God met de menschec, zijne kinderen. Hij geeft Imn rede en verstand, een hart om te beminnen ; kortom de heerlijkste gaven in de orde der natuur en der genade; maar tevens een vrijen wil om daarover naar believen te beschikken. Weinige dagen waren den Verloren Zoon voldoende om zijn vertrek te regelen. Weinig tijds ook is er noodig om van rechtvaardig, zondaar te worden. Trotsch op zijn erfdeel verlaat de Verloren Zoon zijn ouderlijke woning, ondanks de zoete herinneringen daaraan verbonden en de tranen van een diepbedroefdenj troosteloozen vader. Treffende overeenkomst met den zondaar; ook hij verlaat het huis van God zijnen Vader, waarin hij herboren werd door het Doopsel, aan welks tafel hij zoo dikwijls aanzat, waar hij zoo dikwijls vergiffenis erlangde zijner zonden; dat huis met zooveel zoete herinneringen is voor hem een vreemd huis geworden. En waar gaat hij heen? Verre van huis, naar een verafgelegen gewest, namelijk ver van den hemel zijn vaderland, dat hem wachtte, naar de zondige wereld, waarover de Satan gebied voert, naar de wereld die terecht eene ver verwijderde landstreek genoemd wordt, om den grooten afstand tusschen haar, het rijk van Satan en den hemel, het Kijk van God.Waarlijk Chr; de rechtvaardige, zondaar geworden, leeft in eene gansuh andere wereld, waar geloof, hoop en liefde, de levenslucht des rechtvaardigen niet meer ingeademd worden. Het geloof, in dat zondig hart zoo niet uitgedoofd, is toch krachteloos geworden, de hoop is verdwenen en de liefde heeft plaats gemaakt voor eene bittere vijandschap met God. Doch laat ons verder gaan.

Tweede tijdperk. Beschouwen wij den Verloren Zoon in zijne uitspattingen ; bet beeld van den mensch in staat van doodzonde. De Verloren Zoon haakte aan-

-ocr page 102-

vankelijk sleolits naar een weinig vrijheid, hij wilde niet rondzwerven, hij had het oog gevestigd op eene ver verwijderde, dooh bepaalde landsl reek. Doch te vergeefs ; eenmaal meester zijner vrijheid, werd hij de speelbal zijner driften ; de oene drift was nauwelijks bevredigd of eene tweede, derde eisehte voldoening, totdat hij in het slijk van allerlei ongebondenheden verzonken lag. Bemerkt, dat do H. Lucas uit een zeker schaamtegevoel, de opsomming verzwijgt der ongebondenheden van den Verloren Zoon en enkel zegt dat hij in weelde .en zingenot leefde: „vivendo luxuriosequot;;— ook ik wil niet beschrijven hoe diep een zondaar vallen kan. De zonde staat nooit alleen, na eene eerste komt eene tweede, derde zonde ; de zondaar valt dieper en dieper, immers telkens wordt de zucht tot zondigen grooter; de zonde wordt eene tweede natuur, totdat men ten laatste de slaaf der zonde geworden is. De eerste zonde was eene zonde van gedachte, de tweede van begeerte, verder zondigt men door werken, met zich zeiven, met anderen, met verwanten, met het redelooze vee ; totdat men van mensch niets meer overhoudt, dan den blooten naam. De eerste val was een val van zwakheid, de tweede een val van hartstocht, van gewoonte, van loutere boosheid, totdat men ten laatste neerploft inden afgrond der hel. Wat ik zeg leert de ondervinding. Het duurde niet lang of do Verloren Zoon had zijn erfdeel gansch verkwist; immers weinige jaren, maanden of weken zijn voldoende om de schatrijkste fortuinenten gronde te richten. Weinig tijds is er van noode ook voor den zondaar om zijn erfdeel te verkwisten. Enkele jaren of maanden in zonde doorgebracht,— en zijn geloofis verstikt, zijne hoop vervlogen, de liefde dood, zijn geweten verhard als een steen, hij is tot in merg en been bedorven, ja niet zelden draagt

-ocr page 103-

- 87 —

zijn liohaam de sporen der zonde ; \'t is als een levend geraamte dat liij met moeite voortsleept.

Derde tijdperk. Zijne rampen. Nadat de Verloren Zoon alles verkwist liad, ontstond er een hongersnood in dat gewest. Ook hij begon gebrek te lijden. Zoo gaat het ook met den zondaar. Voor hem komt ook een tijd van gebrek, wanneer hij zijn erfdeel verkwist heeft, d. i. wanneer hij ziet dat zijn geloof, zijne hoop en liefde uitgedoofd, zijne geestelijke en stoffelijke krachten uitgeput zijn ; dan gebeurt het soms dat de zondaar door een straal der genade verlicht, eene onverklaarbare, doch waarachtige behoeft^ in zijn hart gevoelt. En welke behoefte? De behoefte aan God ! De mensch toch, hoe diep gevallen en bedorven, gevoelt toch immer dat niets ter wereld in staat is zijn hart ten volle te verzadigen dan God. Hij wil die behoefte bevredigen. Maar hoe? Gelijk de Verloren Zoon, die in plaats van tot zijnen vader terug tequot; keeren, zich bij een inwoner dier streek als knecht verhuurde. De zondaar ook zoekt uitkomst, doch in plaats van gehoor te geven aan de stem des gewetens, luistert hij naar de stem zijner driften, hij verhuurt zich als dienstknecht aan den duivel. Evenals de Verloren Zoon door zijn meester werd gebezigd om de zwijnen te hoeden, zoo wordt niet zelden de zondaar als slaat des duivels tot de laagste doeleinden gebezigd, namelijk om anderen te verleiden en te bederven. Ziedaar de Verloren Zoon op het toppunt der ellende. Wat bleef hem nog over? Een oude, troostelooze vader die hem nog niet vergeten had. Ik weet zeker; niemand uwer is zoo diep gevallen als de Verloren Zoon ; voor hem was redding, ook voor u is redding. Maar welke redding dan ? Ook gij hebt nog een troosteloozen vader daarboven in den hemel, die u niet vergeten heeft. Hebt gij dus den Verloren Zoon

-ocr page 104-

— 88 —

nagevolgd in zijn val; volgt hem dan ook na in zijn terugkeer.

II. ü den terugkeer verhalen van den Verloren Zoon naar zijnen vader, is niets anders dan u den weg leeren voor uwen terugkeer tot God. Be eerste stap dien de Verloren Zoon met dat doel deed, was ;

1.) De inkeer in zieh zei ven. Zoolang hij in weelde leefde en alles naar hartewensoh ging, kwam zelfs de gedachte om terug te keeren niet eens bij hem op; doch nauwelijks was de nood aan den man en gevoelde hij zijne diepe ellende, of de gedachte aan zijnen vader rees bij hem op. Hetzelfde geschiedt met den zondaar. Zoolang hij voorspoed heeft denkt hij niet aan God; doch zoodra wordt hij niet met rampen en tegenspoed bezocht, of ook bij hem komt de gedachte op om in de genade van God terug te keeren. „Helaas ! sprak de Verloren Zoon, hoeveel dienstknechten zijn in het huis mijns vaders, die overvloed aan brood hebben, terwijl ik van honger verga! Ziedaar ook de eerste gewaarwording, de eerste kreet cener zondige ziel, die door de genade getroffen wordt. Kunt gij het niet van u zeiven getuigen ? Is het u nimmer gebeurd te midden van uw zondig leven, dat gij oogenblikken hadt van kalmte, een blik wierpt in uw binnenste en uitriept : O ! hoe gelukkig de jaren die ik in onschuld sleet! O hoe tevreden gevoelde ik mij in het huis van God, hoe zalig was mij het aanhooren van Gods woord, hoe gelukkig als ik aan de voeten des priesters neergeknield, de kwijtschelding mijner zonden erlangde en aanzitten mocht aan de H. Tafel. En nu begraven onder den last der zonden, heb ik dat alles verbeurd. Koevele dienstknechten d. i. hoeveel rechtvaardige en deugdzame menschen genieten dat alles, terwijl ik van gebrek verga! Ziedaar de eerste stap tot be

-ocr page 105-

— 89 —

keering; met den Verloren Zoon inkeeren in zich zeiven. De gedachte aan de ouderlijke woning bracht hem tot een tweeden.

2.) Hij neemt het besluit tot terugkeer. Tot nu toe was hij bedroefd en terneergeslagen en geen wonder, nadat hij door een terugblik op zich zeiven, de diepte van zijn val had gepeild. Maar wat baatte het hem zijn val te peilen, zijn toestand in te zien, zoo hij tevens geen middelen beraamde om van dien val op te staan. Neen, hij bepaalt zich niet tot gevoelens en gewaarwordingen, hij neemt zijn besluit: „Ik zal opstaan; „surgam.quot; Eu van toen af werd hij kalm en bedaard. Zoo is het ook voor den zondaar niet genoeg de diepte van zijn val te peilen, neen, ook hij moet tot een besluit komen en zeggen : „Surgam.quot; Ik zal opstaan uit die zonden van onkuischheid en dronkenschap, uit die zondige verkeering, uit die gewoonte en gelegenheid tot zonde. En waarheen moet gij gaan ? Vraag het den Verloren Zoon. „lbo ad patrem.quot; Zeker tot uwen vader tot God. God in weerwil uwer zonden heeft niet opgehouden uw Vader te zijn, niemand beter dau Hij verdient den naam van Vader. „Nemo tam Pater quam Deus.quot; Hij haat de zonde, doch bemint den zondaar. En wat zult gij Hem zeggen ? Evenals de Verloren Zoon. „Pater, peccavi,quot; met andere woorden : eene nederige en oprechte sckuld-bekentenis, zonder u te verontschuldigen noch uwe schuld te verkleinen; maar daarenboven nog naar het voorbeeld van den Verloren Zoon eene volkomen schuldbekentenis ; hij stelde zich niet te vreden met enkel te zeggen : „peccavi,quot; maar hij voegt er-bij ; „in coe-lum et coram te,quot; tegen den hemel en tegen u; namelijk tegen God mijn schepper; en tegen u mijn vader ; zoo moet ook de zondaar eene volkomen schuld-

-ocr page 106-

bekentenis afleggen van de zonden bedreven tegen God, den evenmensch en zich zelven. Ton laatste moet die schuldbekentenis rouwmoedig wezen : „Ik ben niet waardig uw zoon genoemd te worden; dock neem mij aan als een uwer dienstknechten.quot; Zoo moet ook een berouwhebbend zondaar spreken. Ik maak geen aanspraak op vroegere rechten, ik vraag u sleebta vergiffenis en genade, ik vraag niet den titel van zoon, maar dien van dienstknecht, ik ben tot dusver de dienstkneobt geweest des duivels, ik wil voortaan uw dienstknecht wezen. Islog een laatste stap voor den Verloren Zoon, en de verzoening tus-schen vader en zoon is voltrokken; zoo ook voor den zondaar en hij is in de vriendschap met God hersteld. En welk is die stap ?

3.) De uitvoering van zijn besluit. Tusschen de opvatting en de uitvoering van zijn besluit was nog een groote afstand. De weg naar de ouderlijke woning was lang en moeilijk, zijn hart was vol angst en vrees en daarbij voegde zich nog het menschelijk opzicht. Niets echter kon hem weerhouden, hij begeeft zich op weg, hij gaat niet stapvoets ; neen, hij loopt om des te spoediger bij vader te zijn. En ziet, zijn vader die hem reeds van verre bespeurd had, komt hem te gemoet en spaart hem zoo doende een deel van den weg. Ook de boetvaardige zondaar heeft tal van moeilijkheden te overwinnen in zijnen terugkeer tot God. Ook hem schijnt de weg lang en moeilijk, ook zijn hart is vol angst en vrees voor God, ook hij wcrdt gekweld door het menschelijk opzicht, dat hem zegt ; wat zullen de monschen, uwe vroegere kameraden zeggen; zij zullen n bespotten en voor dwaas houden. Een weinig edelmoedigheid en wilskracht, en gij komt alles te boven. Uw Vader in den hemel immers ziet

-ocr page 107-

u reods van verre, Hij wil u ook een deel van den weg sparen, Hij komt u te gemoet met zijne voorkomende genade, ondersteunt u met zijne dadelijke genade, en houdt voor u gereed zijne beiligmakende genade. Ten slotte blijft niets meer over dan dat de Verloren Zoon zijn vader te voet valle. En dat zou geschied zijn, hadde de vader hem niet aanstonds omhelsd en aan zijn hart gedrukt. De zoon wil spreken, vergiffenis vragen; doch droefheid en vreugde beklemmen zijne stem. Maar het is ook niet, noodig, vader en zoon verstaan elkander met het hart. De vader was ook diep getroffen, geen woord van verwijt komt over zijne lippen; integendeel de uiterste ellende van zijn zoon ziende, omhangt hij hem met een nieuw kleed, dat der heiligmakende genade, steekt hem een ring aan den vinger als onderpand van een nieuw verbond, geeft hem schoenen aan de voeten opdat hij voortaan den voet niet meer zou kwetsen op den weg der zonde en des verderfs, hij richt een luistervollen maaltijd aan, roept buren en vrienden bijeen, want er moet feest zijn ; „mijn zoon toch was dood en hij herleefde, was verloren, en is wederge-^onden.quot; Niet minder treffend is het oogenblik waarop de verzoening plaats heeft tussohen God en den zondaar, aan den voeten van den priester in het H. Sacrament der Biecht. O, het is zoo zoet voor den priester de hand te mogen oiheffen en aan een ho rouwhebbend zondaar, ondanks de menigte en zwaarte zijner zonden, uit naam van God kwijtschelding te verleenen, hem met het kleed dor heiligmakende genade te omhangen, voor hem een maaltijd aan te richten van Jesus\' goddelijk vleesch en bloed; want ook hij was dood en hij herleeft, hij was verloren en is wedergevonden. Helaas 1 Chr. wij zijn allen, gij en

-ocr page 108-

— 92 —

ik verloren kinderen geweest; wij zijn het ouderlijk huis ontvlucht om den weg der zonde en des verderfs te bewandelen. En wat is ons lot geweest ? Hebben wij gevonden wat wij zochten ? O ! neen. Immers onrust en verdriet, schaamte, wellicht schande is ons aandeel geweest; doch God zij dank wij hebben den Verloren Zoou wel is waar gevolgd in zijne ongeregeldheden en zonden, maar ook in zijn terugkeer. O ! mogen die woorden van den vader des Verloren Zoons ook op ieder onzer toepasselijk zijn : Hij was dood, maar is levend geworden; verloren maar teruggevonden, Maar helaas ! het is mogelijk dat er onder mijne hoorders zich nog een verloren zoon bevind. Geen moed verloren, het is nog tijd. God is nog immer uw Va,-der, wacht u nog immer af, Hij acht zich gelukkig evenals een uardseh koning aan een ter dood veroordeelde genade te verleenen; ach geef hem daartoe gelegenheid, gun die vreugde aan engelen en heiligen, schenk dien troost aan uwen herder, bezorg die voldoening aan uwen vader en moeder en wat zal het gevolg daarvan wezen? Er zal eene onuitspreke vreugde wezen in uw eigen hart, vreugde hier op aarde, maar bovenal vreugde in den hemel. God immers zegt zelf; „Er zal meer blijdschap wezen in den hemel over één zondaar die boetvaardigheid doet, dan over de volharding van negen en negentig rechtvaardigen. Amen.

-ocr page 109-

Barmhartigheid Gods.

I. God wacht den zondaar met geduld.

1) Teksten der H. Selirift.

2) Geduld van God ten allen tijde met de zondaars.

3) Geduld van God met een ieder van ons.

A) In de verschillende tijdperken van ons leven.

B) Parabel van den dorren vijgenboom.

C) Waar en hoe geduldig Jesus ons wacht.

II. God roept en zoekt den zondaar met teederheid.

1) Handelwijze van David met Absalon.

2) God toont nog grooter bezorgdheid voor den zondaar.

A) Menschwording en arbeid van J. Ch.

B) Goedheid van Jesus voor de zondaren.

C) Dood van Jesus voor de zondaren.

3) Middelen die Jesus gebruikt om de zondaren te

roepen..

A) Voorbeelden. B) Eigen ondervinding.

III. God ontvangt den zondaar met vreugde.

1) Parabel van den Verloren Zoon.

2) Toepassing.

A) Ongeluk van den zondaar die zich van God verwijdert.

2) Vreugde van God bij den terugkeer des zondaars.

Confitemini Domino quoniam bonus, quoniam in aeternum misericordia ejus.

Looft den Heer, want Hij is goed, en Zijne barmhartigheid is eeuwig van duur. (Ps. 135. 1.)

-ocr page 110-

God bezit alle volmaaktheden in oneindige mate.

Hij is oneindig goed, wijs, schoon, rechtvaardig.....

en niettemin noodigt de koninklijke profeet David ona uit hovenal zijne barmhartigheid te loven. „Confltemini Domino qnoniam. . . hij bezigt die woorden bij herhaling in zijne psalmen, ja soms meermalen in een en denzelfden psalm ; kortom alle psalmen vormen vereenigd één lofzang, Gods barmhartigheid ter eer. En waarom prijst David bovenal de barmhartigheid van God ? Omdat hij zelf bij ondervinding Gods barmhartigheid heeft ondervonden. Ilij gaat zoo ver God de barmhartigheid in persoon te noemen ; „Deus uieus, mise-rioordia mea.quot; (Ps. 58. 11.) Bemoedigend voor ons die allen zondaren zijn en dus behoefte hebben aan vergeving. Ja, wij allen om ons vertrouwen staande te houden, moeten ons dikwijls herinneren, hoezeer God medelijden heeft met onze ellenden en hoe vurig Hij verlangt ons te vergeven, zoodra wij berouw toonen over onze zonden. Laat ons dus ter eere van God en tot ons aller troost do barmhartigheid Gods eens overwegen. God openbaart allen zijne barmhartigheid, maar vooral den zondaar :

I. Door het gtdidd waarmede Hij hem afwacht.

II. De teederheid waarmede Hij hem opzoekt.

III. De vreugde waarmede Hij hem terugvindt.

[. Ik zeg vooreerst; dat God den zondaar afwacht met een onuitputbaar geduld. Eene heilige ziel was dermate getroffen bij de overweging van Gods lankmoedigheid dat zij hem ter eer een tempel wilde bouwen.

1) Wij lezen in de H. Schrift, dat de Heer geduldig, lankmoedig en barmhartig is. (Ps. 144; 8. 102, 8,) En op eene andore plaats ; „Heer ! gij hebt medelijden met alle menschen en neemt don schijn aan alsof gij

-ocr page 111-

hunne zonden niet zaagt, in afwachting dat zij tot inkeer komenquot;. (Sap. II, 23.) „O ! hoe goed, hoe zacht is uw geest in alle dingen; Gij verbetert hen die afdwalen, berispt hen met geduld over hunne zonden, opdat zij hunne boosheid verlaten en in u Heer! gelooven.quot; Wilt gij bewijzen voor dat eindeloos geduld van God; raadpleegt dan eens de geschiedenis der wereld.

2) Herinnert u onze eerste ouders. Door het eten der verboden vrucht overtraden zij grovelijk Gods gebod ; zij verdienden van den hemel uitgesloten en tot de hel veroordeeld te worden. En toch God stelt zich tevreden hen te verwijderen uit het aardsch paradijs, belooft hun een Verlosser en schenkt hun een lang leven om hunne zonden te beweenen en uit te boeten. — Herinnert u Caïn. Hij doodde zijn broeder Abel en was de eerste moordenaar op aarde. Hij verdiende zijn gruwel met het leven te boeten, doch God spaart hem het leven en drukte op zijn voorhoofd een teeken dat eerbied wekte, opdat niemand hem zou dooden. Herinnert u den zondvloed. De aarde was dermate mot gruwelen overdekt, dat God zich verplicht zag haar te verdelgen. Om echter de mensehen tijd ter bekeering te geven, beval hij Noë, honderd jaren te arbeiden aan den bouw der ark en hadden zij van gedrag veranderd. God zou den zondvloed niet overgezonden hebben, — Herinnert u het joodsche volk. Hoeveel wonderen verrichtte God ten zijnen gunste, hoe vaak vergaf hij aan zijn ondankbaar volk hunne gruwelen en zonden, wat al gunsten en weldaden verleende Hij hun, die zij miskenden en ver-stietten. Hij zond tot hen profeten, die zij vervolgden en doodden. Hij zond hun ten laatste den beloofden Messias, dien zij aan een kruis genageld, deden ster-

-ocr page 112-

ven. En toch Grod heeft dat volk niet gansoh uitgeroeid, noch verstooten. Sedert 18 eeuwen doet Hij hen voortbestaan. Hij geeft hun eeuwen lang tijd tot bekeering; ja de H. Paulus verzekert dat de joden aan het einde der eeuwen zich bij menigte zullen bekeeren. Eindelijk, hoeveel geduld heeft God niet in onze dagen met zoovele ongeloovigen en goddeloozen, die hem belasteren, vervolgen en vervloeken in den persoon zijner bedienaren en priesters. En toch God verdraagt dat alles met een grenzeloos geduld. En waarom ? Dat is een geheim zijner grenzelooze barmhartigheid. Dooh waartoe noodig zoo ver bewijzen te gaan zoeken van Gods barmhartigheid ; treedt in u zeiven en gij zult u overtuigen hoe geduldig en lankmoedig de Heer is.

A) Arme zondaars gaat eens terug naar de jaren uwer kindsohheid. Gij hadt zulke brave ouders die zoo zorgvuldig over u waakten. En niettemin leerdet gij de zonde kennen van slechte speelmakkers, die u bedierven. „Tantillus puer et tantus peccator.quot; En hebt gij in die jaren uwe zonden wel durven biechten ? Hebt gij ze wel gebiecht bij uwe eerste H. Communie ? Neen; — nu dan bedreeft gij toen reeds heiligschennis. En niettemin, God heeft u verdragen en niet gestraft. — Gij zijt de jongelingsjaren ingetreden en uwe zonden werden nog talrijker. Gij hebt gezondigd door gedachten, begeerten, woorden en werken, met u zeiven en anderen. Gezondigd door ontucht, godslastering, dronkenschap,.... Hoeveel zielen bedorven en verleid! En God heeft u met geduld verdragen. Zelfs op rijperen leeftijd, in uw huwelijk hebt gij uw zondig leven niet onderbroken. Tot op den huidigen dag nog leeft gij misschien in zonde. En God wacht nog steeds op u om u barmhartigheid te

-ocr page 113-

bewijzen. „Expectat Dominus, ut misereatur vestri.quot; (Isai. 30. lis.)

B) God handelt met u evenals de tuinman van het Evangelie met den dorren vijgeboom. (Luc. 13. G9J De eigenaar gaf last hem\' om te houwen, doch de tuinman zeide ; Wacht nog een jaar, ik ga rondom den boom spitten en hem bemesten, misschien zal hij dan vruchten dragen. Zijt ook gij niet een onvruchtbare vijgeboom ? Gods gerechtigheid eischt dat gij wordt omgehouwen, maar zijne barmhartigheid spreekt ten uwen gunste : Laten wij dien mensch leven, misschien zal hij van gedrag veranderen, Hoe lang reeds laat gij God op u wachten en toch is en blijft Hij steeds bereid u te vergeven.

C) Hij wacht op u aan het kruis, waaraan Hij uit lieide tot u is vastgenageld, zijne armen uitgestrekt om u te omhelzen, zijn hoofd gebogen om u den vredekus te geven, zijn hart geopend om u te ontvangen. Hij wacht op u in den biechtstoel, waar Hij bereid is u te vergeven, onaangezicn de menigte en

zwaarte uwer zonden. „Ego te absolvo.....quot; Jesus

Christus wacht u in het tabernakel zijner liefde, in dien kerker van liefde, op dien troon van barmhartigheid, waar Hij tot iederen zondaar zegt: „Kom tot Mij die belast en beladen zijt......quot;

II. God wacht niet slechts den zondaar met geduld; maar Hij roept hem daarenboven met de meeste tee-derheid. Hoe schuldig de mensch ook zij, hij is toch altijd een schepsel, een kind Gods. Nu, een goed vader kan niet ongevoelig zijn voor het verlies van zijn zoon, hoe ondankbaar die ook zij; maar hij zal doen wat hij kan om het leven van zijn kind te redden en komt het te sterven, dan is hij ontroostbaar.

1) Koning David door zijn zoon Absolon van den

-ocr page 114-

troon gestooten, behield toch voor hem al de teeder-heid van een vader. Voor de veiligheid van zijn leven ziet David zich gedwongen tegen hem te velde te trekken. Maar welke bezorgdheid ! Hij beval officieren en soldaten het leven van zijn zoon te sparen. Ondanks die voorzorg sneuvelde Absalon; David was overwinnaar, maar ongevoelig voor zijne zegepraal. Hij weende en bracht door zijn gejammer het gansche kamp in ontroering. „O mijn zoon, mijn dierbare zoon, helaas! wie zal mij het leven ontnemen, om het u weder te geven! Gave God dat ik in uwe plaats gestorven ware !quot;

2) Diezelfde gevoelens van teederheid koestert ook God voor eiken zondaar, ja Hij bemint ons meer dan David zijn zoon Absalon. Mijn zoon, zoo schijnt Hij tot den zondaar te zeggen, mijn dierbare zoon, zie ik wil sterven, om u het leven weder te geven.

A) Die woorden uit Davids mond bracht God in werkelijkheid ten uitvoer. Hij daalde neder uit den hemel en werd mensch, om den zondigen mensch te zoeken en zalig te maken. „Venit enim Filius hominis quaerere et salvum facere quod perierat.quot; (quot;Luc. 19. 10.) Non enim veni vocare justos sed peccatores. „(Matth.quot; 9, 13.)

B) Hij doorreist de steden en dorpen van Judea om zijne verdwaalde kinderen te zoeken en te be-keeren. In zijne predikingen vergelijkt Hij zich met den goeden Herder, die een zijner schapen verloren hebbende, de gansche kudde aan haar lot overlaat om dat ééne schaap te zoeken. Hij vergelijkt zich nog met eene vrouw die een stuk geld verloren hebbende, het huis veegt,..... Hoe bedroefd was Jesus

niet op zekeren dag bij den aanblik der stad Jerusalem en bij de gedachte aan de straffen die haar

-ocr page 115-

- 99 —

boven het hoofd hingen..... (Matth. 23, 37.) Hij

onderhield zich zóó gaarne met de zondaren, dat men Hem verweet de vriend der zondaren te zijn. — „Het zijn niet de gezonden, maar de zieken, zeide Hij, die den geneesheer behoeven\'quot;. Hij bekeerde twee publi-kanen Zaoheus en Levi, ja verbond hen aan zich-Maria Magdalena,.... (Luc. 7, 36.) De overspelige vrouw,.... (Joa. 8, 3.)

C) Ziedaar met hoeveel goedheid Jesus de grootste zondaars behandelt. Eindelijk brengt Hij zijn leven ter verlossing van den zondaar en sterft aan een kruis. Stervende bidt Hij nog voor zijne beulen:

„Vader, vergeef het hun.....quot; Op het punt van den

geest te geven belooft Hij nog den goeden moordenaar het Paradijs; „Heden nog zult gij met mij zijn.. .

3) En alhoewel Hij thans troont in den hemel aan de rechterhand zijns Vaders, gaat Hij niettemin voort de zondaren te roepen en op te zoeken. Sommigen roept Hij door middel van oen goed boek, zooals don H, Augustinus. Deze, sedert lang door de genade achtervolgd, bevond zich op zekeren dag in den tuin zijner woning en hoorde eene stem die hem toeriep: „Tolle lege, tolle lege.quot; Hij nam de brieven van den apostel Paulus ter hand en las bij toeval dezen tekst uit den brief aan de Romeinen : „De dag der eeuwigheid nadert, leggen wij dus af de werken der duisternis en omhangen wij ons

met de wapenen des lichts.....quot; (Rom. 13, 13.) Die

woorden waren voor hem een spoorslag ter bekeering. Evenzoo de beroemde schrijver La Harpe ; deze bevond zich in 1789 tijdens de Fransehe revolutie in de gevangenis. Men stelde hem ter hand de Navolging van Christus, waaruit hij deze woorden las; „Ecce adsum, quia invocasti me.quot; Dat was genoeg

-ocr page 116-

- 100 —

hem tot het geloof terug te voeren en te bekeeren. Anderen roept God, door de medeplichtigen hunner zonden met den dood te straffen. Op die wijze riep Hij de H. Margaretha van Cortona tot bekeering. Anderen met hen op eene gansoh bijzondere wijze aan een groot gevaar te doen ontsnappen, zoo o. a, de jeugdige abt de Raneé, die ten tijde van Lode-wijk XIV leefde en zich meer als een groot heer in de wereld, dan als een vroom geestelijke gedroeg. Op jaoht trof hem een kogel in de volle borst, doch stuitte af op den knop zijner] weitasch: „Mijn God! riep hij uit, waar zou thans mijne ziel wezen, zoo die kogel mij een vingerbreed meer ter zijde getroffen hadquot;. Hij kwam tot inkeer, ondernam de hervorming van La Trappe, waarvan hij abt was en werd de stichter der Trappisten. Nog anderen kwamen tot inkeer door het aanhooren van Gods woord. Ik heb hooren spreken van een missionaris, die onder de preek den draad zijner gedachten verloor en niets deed dan hetzelfde herhalen, om tijd tot nadenken te hebben. „De verdoemden, zeide hij, zullen beladen worden met den haat van God, ja het voorwerp, het slachtoffer worden van Gods haat. Ach! hoe verschrikkelijk de haat van God... .quot; Die woorden „haat van Godquot;, troffen dermate eenen zondaar, dat hij na de preek bij den missionaris ging biechten en zeide : Ik wil mij met God verzoenen en zijnen haat niot ia-loopen.

B) Hoe dikwijls heeft God ook ten uwen opzichte deze of geene middelen gebruikt, om u tot inkeer te brengen, Nu eens stortte Hij bitterheid uit over al uwe vermaken, dan weder zond Hij u over de knaging des gewetens, of trof Hij uw hart bij het zien van een kruis- of Mariabeeld. Denkt maar eens na

-ocr page 117-

en gij zult meer dan een bewijs vinden van Gods barmhartigheid ten uwen opzichte.

III. God wacht, roept en zoekt niet slechts den zondaar, maar ontvangt hem tevens met eene onuitsprekelijke vreugde, zoodra hij tot inkeer komt.

1) Ik kan u dat niet beter aantoonen, dan door de parabel van den Verloren Zoon, waarin God ons openbaart de teederheid van zijn goddelijk hart voor de zondaren. Zeker man had twee zonen .... (Luc. 15. 12—32.)

2) Ziedaar de geschiedenis van iederen zondaar die zich bekeert. Men ziet daarin het ongeluk eener ziel; die zich van God verwijdert en de vreugde die God smaakt bij den terugkeer van zijn schuldig kind.

A) Arme jongeling, hij verveelt zich in het ouderlijke huis, de waakzaamheid zijns vaders strekt hem tot last, de gehoorzaamheid knelt hem, hij wil vrij zijn en over zijn erfdeel beschikken. Hij vraagt dus zijn deel en reist naar een verwijderd land, waar hij alles in ongebondenheid verkwist. Ziedaar ook de handelwijze van den zondaar. Hij verveelt zich in den dienst van God, de wet van God knelt hem, hij verwijdert zich dus van Hem om naar zijn eigen zin te leven, hij gaat naar een vreemd land, dat der zonde, waar de duivel heerscht, die hem in de schandelijkste slavernij dompelt, hem dwingt de varkens te hoeden ; dat is zijne zinnelijke lusten te bevredigen. En vind hij nu wat hij zoekt ? Neen, evenals de Verloren Zoon vind hij niets dan ellende, vernedering en beschaming. Hij heeft spoedig verkwist alle goederen der natuur en der genade, zijn hemelsch erfdeel is verloren en hij ziet zich tot de diepste ellende gebracht ; want de wellust die het instinct der dieren bevredigt, is niet in staat eene onsterfelijke ziel te

-ocr page 118-

— 102 -

verzadigen. Hij gevoelt dus een onverzadigbaren honger. Zijn ongeluk doet liem in zich zeiven keeren, hij herinnert zich aan zijn vroeger geluk in den dienst van God: „Surgam, et ibo ad patrem.quot; Ik zal opstaan, en tot den priester gaan, den plaatsbekleeder van God. Ik zal hem zeggen : „Pater, peceaviquot;. Ik zal mijne zonden oprepht biechten, niets verbergen, allo zonden biechten hoe schandelijk en talrijk zij ook zijn.—Ik zal ze berouwvol biechten: „Peceavi in coelum, et contra te.quot; Ik heb gezondigd tegen den hemel en tegen, u die de oneindige goedheid zijt, die mij naar uw beeld geschapen en vrijgekocht hebt door uw bloed, geheiligd door uwe genade. ïegen u die mij van eeuwigheid bemind hebt. Ik heb u beleediad in uw aanschijn, onder uw oog, op de onbeschaamdste wijze. Ik verdien niet meer uw zoon, uw kind genoemd te worden ; „fac me sicut unum de mercenariis tuis.quot;

B) God, die het binnenste des harten ziet, is getuige van de goede gesteltenis der ziel. Hij schrikt niet terug voor den afzichtelijken staat dier ziel, zijn vaderlijk hart is getroffen bij het zien der ellende van zijn schuldig kind; aanstonds toont hij medelijden en liefde, Hij gaat aan die, ziel teruggeven al wat zij verloren heeft. Spoedig ! zoo spreekt Hij tot de engelen, bekleedt haar met het kleed van vroeger, steekt een ring aan haren vinger en brengt schoeisel voor hare voeten. Ja, zondaar zoodra gij u bekeert zal God u zuiveren in de wateren der boetvaardigheid, u omhangen met het kleed der heiligmakende genake, u teruggeven al uwe rechten op den hemel, aan \'uwen vinger steken den ring van een eeuwig verbond, uwe voeten schoeien ; dat wil zegden uwe wankelende schreden op den weg zijner geboden versterken. God zal geheel het hemelsch hof bijeenroe-

-ocr page 119-

— 103 —

pen om deel te nemen aan zijne vreugde; Hij zal tot de engelen en heiligen zeggen; Laat ons feest

vieren en ons verblijden ; want deze mijn zoon.....

Dat feestmaal dat God aanricht om uwen gelukkigen terugkeer te vieren, is de maaltijd der II. Communie; waarop God u voorzet niet het vetgemeste kalf, maar het vleeseh en bloed van zijn eigen zoon. Hoeveel heeft

dat feestmaal niet gekost aan God en aan J. C.....

Hoe kostbaar, hoe zoet is dat maal, dat uw hemelscha Vader bereid heeft om uwen terugkeer te vieren.— Chr; ik roep a nogmaals toe alvorens te eindigen met den schrijver van het boek Ecolesiastious : „Quam magna misericordia Domini et propitiatio illius conver-tentibus ad se.quot; Zegt met David in vervoering van vreugde : „Magnificat anima mea Dominum, et omnia quae intra me sunt nomini saneto ejus.quot; Hij heeft u gered van den dood. Hij zal u in zijne oneindige barmhartigheid kronen. De Heer is goed en medelijdend, vol geduld en barmhartigheid. Hij heeft ons niet behandeld gelijk wij verdiend hadden door onze zonden. Hij heeft ons niet gestraft volgens de grootte onzer ongerechtigheden. Zegent dus den Heer, gij engelen des hemels, werken Gods looft Hem allen en gij mijne ziel! prijst Hem op alle plaatsen van zijn koninkrijk. (Ps. 102.) En gij zondige zielen, die thans nog zoudt wezen in do ongenade Gods, ik smeek u, misbruikt zijne barmhartigheid niet om Hem nog meer te beleedigen; onkuisohaards staakt uw zondig leven, staakt die zondige verkeering, houdt op met vloeken en God te lasteren; want door de goedheid Gods te verstoo-ten, stelt gij u in gevaar te vallen onder do slagen zijner gerechtigheid. Ik vraag het u zondaars ! wacht God u niet reeds sedert lang, immer bereid u te vergeven. Hoe dikwijls en op hoevelerlei wijzen heeft Hij u

-ocr page 120-

— 104 —

niet geroepen tot boetvaardigheid en altijd zijt gij doof gebleven voor zijne stem ; Hij zoekt en achtervolgt u en gij ontvluoht Hem. Ach ! heden ten minste nu Hij krachtiger dan ooit zijne stem doet hooren, moogt gij uw hart niet sluiten. God verlangt vurig uwen terugkeer, uwe bekeering. Indien gij terugkeert tot Hem, zal Hij u met eene onbeschrijtelijke vreugde ontvangen en geheel het paradijs zal zich met Hem verheugen. Ik smeek u derhalve, berooft het hart van God toch niet van een geluk, zoo groot, zoo belangloos, Berooft u zeiven niet van den zoeten troost, waarmede Hij de berouwvolle zielen verrijkt; maar keert weder tot dien goeden Vader, werpt u in Zijne armen die Hij zoo teedervol tot u uitstrekt. Hij zal ii volkomen vergiffenis schenken en zoo gij stand houdt in uwe bekeering, zult gij eens met eene menigte. heilige boetelingen in den hemel, de oneindige barmhartigheden Gods mogen bezingen. Amen,

-ocr page 121-

II REEKS.

IOcMi«%i{|re Waarheden.

Doodzonde.

Do doodzonde besluit in zich,

1) Eene oneindige boosheid.

2) Een voorbeeldeloozen opstand.

3) Eene grove ondankbaarheid.

Scito et vide, quia malum et aniaium est, dereliquisse te Dominum Deum tuum. Igt;edenk eo zie, hoe bitter en rampvol het is, zijnen Heer en God verlaten te hebben. (Jerem. II. lü).

Er zijn iii de wereld van nabij beschouwd vele rampen en onheilen; oorlog, besmettelijke ziekten, hongersnood, overstroomingen;.... maar onder al die rampen zoo verscheiden en veelsoortig, is er geene zoo verschrikkelijk in hare natuur, zoo noodlottig in hare gevolgen, als de doodzonde. Neemt een oorlog, die duizenden levens wegmaait, eene besmettelijke ziekte die in elk huisgezin haar slachtoffer kiest, een hongersnood, die gansche gewesten ontvolkt; neemt de dood zelve die den mensch op eenmaal van het

-ocr page 122-

- 106 —

leven en van zijne goederen berooft; dat zijn allen zeker zware rampen; de doodzonde echter is veel zwaarder. De doodzonde is eigenlijk gezegd de eenige ramp op aarde; alle overige rampen zijn slechts betrekkelijke, want zij kunnen niet zelden weldaden zijn. De doodzonde echter is uit haren aard het eenig en volstrekt kwaad, zij is een gruwel voor öod en de bron van alle straffen en ellenden waaronder hot mensohdom gebukt gaat. Zesduizend jaren reeds heeft God de doodzonde bestreden, straffen afgezonden van allerlei soort om haar te tuchtigen, Hij heeft zijne profeten en patriarchen in het O. V. gelast om door raadgevingen, beloften en bedreigingen de men-schen van de doodzonde af te schrikken, Hij heeft zijn eenigen Zoon gezonden om den mensch van het juk der zonde te bevrijden. En wat heeft dat alles gebaat? Noch de dood van den Verlosser, noch de arbeid der apostelen, noch bet bloed der martelaren, noch de kracht der Sacramenten, noch de verdiensten der heiligen, noch de belooningen des hemels, noch do straffen der hel; niets ter wereld is in staat de doodzonde weg te nemen, uit te roeien Ik ontmoet haar op alle plaatsen, tot zelfs hier in de kerk .... heiligschennende biechten en communiën. .. . ik vind haar in alle standen; onder armen en rijken; op eiken leeftijd. Overal vind ik menschen die den aanbiddo-lijken naam Gods lasteren, de geboden van God en van de Kerk met voeten treden ; overal vind ik slaven der ontucht, die niet zelden het grootste deel huns levens in zonde doorbrengen en groot gevaar loopen voor eeuwig verloren te gaan. En van waar bij de meeste menschen zulke verblindheid ? Dewijl zij niet denken aan de afschuwelijke boosheid, die de doodzonde in zich besluit. Ziedaar do reden van dat on-

-ocr page 123-

noemelijk getal doodzonden, die iederen dag in de wereld bedreven worden. O arme, diep beklagenswaardige zondaren, luistert eens goed toe dezen avond en tracht eens te begrijpen den zin mijner tekstwoorden : „Soito et vide.....quot;

Inderdaad de doodzonde is;

1) Een kwaad van eene oneindige boosheid ;

2) Zij besluit in zieh een voorbeeldeloozen opstand ;

3) Eene allerzwaarste ondankbaarheid.

I. De doodzonde is een kwaad van oneindige boosheid.

Ik noem de doodzonde op de eerste plaats een kwaad van eene oneindige boosheid. De doodzonde immers is de versmading, de verachting van het oneindig wezen; de boosheid dus der zonde is oneindig. Op niets stelt God zoo hoogen prijs als op zijn gezag en de zondaar veracht en versmaadt het gezag van God. Zoo dikwijls God van zich zelf melding maakt, of de H. Schrift God noemt, geschiedt dit doorgaans met den naam van Heer en Meester: „Haec dioit Dominus. Dicit Dominus omnipotens... quot; Belooft Hij zijn volk bescherming, of bedreigt Hij de goddeloozen met straf, dan bevestigt Hij altijd zijne woorden met de uitdrukking ; „Et scietis, quia ego sum Dominus.quot; En hoe groot is de Heer onze God? Vraagt het eens aan de grootste geleerden : aan een H. Thomas, aan een H. Augustinus;. .. klimt hooger en vraagt het aan de engelen des hemels, die Hem van aanschijn tot aanschijn aanschouwen .... vraagt het aan Maria, zoo nauw verwant aan de drie personen der Allerheiligste Drievuldigheid; allen zullen u een afdoend antwoord schuldig blijven. God is zoo groot dat Hij met niets kan vergeleken worden. Zeg ik dat Hij verre overtreft, alles wat zich op aarde en in den

-ocr page 124-

— 108 —

hemel bevind, dan doe ik Hem onrecht aan, zegt de H. Ambrosius; omdat ik Hem vergelijk met zijue werken; „Domino, si te omnibus majorem dixero, in-juriose te tuis operibus comparavi.quot; De wijsgeer Si-monides ondervraagd zijnde over het wezen en de volmaaktheden Gods, vroeg drie dagen tijd tot nadenken. Welke vermetelheid! drie dagen tijd vragen tot nadenken ; terwijl voor de Cherubijnen en Sera-phijnen de gansehe eeuwigheid te kort is, teneinde te kunnen begrijpen hoe groot God de Heer is. Beschouwt verder eens zijne macht. Oneindig groot in zijn wezen is Hij ook almachtig in zijne werken. Willen en doen is bij Hem hetzelfde. Wil Hij de wereld met al wat zij bevat verplaatsen, of eene andere wereld, millioenen malen grooter en schooner dan de tegenwoordige scheppen, een enkel woord uit zijnen mond is daartoe voldoende ; „Verbo Domini coeli firmati sunt.quot; (Ps. 32. (j.) Wilde Hij de wereld vernietigen, een wenk ware voldoende en de aarde zonk terug in het niet: „Potest universum mundum uno nutu delere.quot; (II. Mach. 8, 18.) Overweegt men verder zijne schatten en rijkdommen ; Hij heeft alles in bezit en niet ééne zaak van noode: „Tu Domine universorum, qui nullius indiges.quot; (Ibid. 14 35.) Aan schouwt zijnen luister en majesteit, telt de engelen die zijn troon omringen en gij zult uitroepen met den profeet Daniel: .„Millia millium ministrabant ei et decies millies centena millia assistebant ei.quot; (Dan. 7, 10.) Hij mag terecht van zich zeiven zeggen ; „Ego Dominus et non est alter.quot; (Isai. 45, 6.) Alle wezens nu, zoo in den hemel als op aarde brengen voortdurend hulde aan de opperheerschappij van God. Sedert 6000 jaar verlicht de zon geregeld eiken dag de aarde; de maan en sterren verlichten ons bij nacht;

-ocr page 125-

de aarde brengt geregeld jaarlijks hare schatting op in vruchten en granen ; de zee eerbiedigt de grenzen haar aangewezen; elk wezen van af het volmaakste tot het nietigste en onbeduidendste, brengt op zijne manier hulde aan Grod. Zoudt gij nu kunnen gelooven dat het mogelijk is, dat er onder die ontelbare wezens één is dat aan Grod zijne hulde weigert, dat zich gerechtig acht aan Gods bevelen te vvederstaan. Ja, Chr. één wezen maakt uitzondering op den algemeenen regel en dat wezen is de mensch. De mensch het meest door God bevoorrecht, met rede en verstand begaafd, heeft de vermetelheid zich tegen God te verzetten. Hem door de doodzonde te beleedigen. Welk een smaad, welk eene verachting, roept hier de H. Ber-nardus uit; „Tam terribilem majestatem, audet vilis pul-visculus irritarequot;. Aan eene zoo ontzaggelijke majesteit durft een nietige zandkorrel zich vergrijpen. Hij durft in zijne vermetelheid en in zijn hoogmoed tegen den Almachtige zijnen arm opheffen en tegen God macht gebruiken: „Tetendit adversus Deum manum suam et contra Omnipotentem roboratus est.quot; (Job. 15, 25) Wat ik hier zeg is geen overdrijving. Want, wat is de doodzonde ? De dood-zonde, zegt de H. Alphon-sus, is eene vrijwillige en volkomen overtreding van de wet Gods. Eene doodzonde bedrijven is vrijwillig het tegendeel doen van hetgeen God gebiedt; wat meer is iets doen wat God uitdrukkelijk en ten strengste verbiedt. En dewijl die oneer en smaad op een oneindigen God terecht komt, mag de doodzonde genoemd worden een kwaad van eene oneindige boosheid.

II. Do doodzonde is echter niet slechts eene oneer en schande die men God aandoet, niet slechts eene ongehoorzaamheid en overtreding van zijn gebod; zij sluit daarenboven in zich eene ongehoorde wederspan-

-ocr page 126-

nigheid, een formeel verzet tegen God. De mensch die eene doodzonde bedrijft is niets meer noch minder dan een opstandeling, een oproerling tegen God. Opstaan tegen den koning wordt onder de grootste misdaden gerekend en aangeduid onder den naam van hoog verraad, majesteitschennis ; eene misdaad waaraan de doodstraf verbonden is. De mensch die zondigt, ook hij staat op tegen zijnen wettigen Heer en Meester, pleegt hoog verraad tegen God ; doch de opstand van den mensch tegen God is veel schandelijker dan die van een onderdaan tegen zijnen koning. Luistert eens hoe God bij monde van den profeet JÓSmT den zondaar toespreekt. „Gij hebt o mensch ! mijn juk afgeschud, gij hebt mijne banden verbroken en gij hebt mij toegevoegd : ik dien u niet. Dixisti nou serviam.quot; Ja, ongelukkige zondaar, telkenmale dat gij eene doodzonde bedreeft, hebt gij tot God gezegd: „Non serviam.quot; God heeft u opgelegd de zon- en feestdagen te heiligen en gij hebt Hem geantwoord : „Non serviam,\'\' met die dagen te ontheiligen door dronkenschap en losbandigheid. Verder-, gij zult den naam van den Heer uwen God niet ijdel gebruiken en gij hebt gezegd : „Non serviam,quot; met dien aanbiddelijke naam te vloeken en te lasteren. Jongeling en jonge dochter, gij zult geen onkuischheid doen. „Non moechaberis,quot; geene zondige verkeering onderhouden, in geene gelegenheid tot zonde u begeven. „Non serviam.quot; Dat meisje waarmede ik verkeer, is mij meer waard dan uw verbod; mijne oogen, ooren en tong, mijne verbeelding en mijn hart, moeten hunne vrijheid hebben, mijne lusten wil ik bevredigen. Kinderen, zegt God, „honora patrem tuum et matrem tuam.quot; Neen, zegt die weerspannige zoon, die oneerbiedige jonge dochter: vader en moeder hebben mij niets te bevelen. „Non serviam.quot; Ouders,

-ocr page 127-

— Ill —

zegt God, waakt zorgvuldig over uwe kinderen. Neen dat doen wij niet, zij zijn groot genoeg om te weten, wat zij doen en laten moeten. Misschien zal iemand mij zeggen: Ik heb nimmer tot God zulke taal gevoerd. Ik heb wel is waar gezondigd, Gods naam gelasterd, aan dronkenschap aan ontucht mij zeiven plichtig gemaakt; maar enkel uit zelfvoldoening, overwonnen door de hevigheid mijner driften, doch nooit zou ik tot God hebben durven zeggen; Non serviam.quot; Luistert eens, gij die zoo spreekt, wat de H. Gregorius u anhwoordt; Dixisti non verbis, sed moribus. Gij hebt zoo niet met woorden, ten minste door uw gedrag en handelwijze ±ot God gezegd, dat gij Hem niet verkiest te dienen. Wat zoudt gij zeggen van een dienstknecht of dienstmaagd, aan wie gij een of ander gebod oplegt en die wel is waar niet met woorden tot u zou durven zoggen: ik verkies dat niet te doen ; maar die stilzwijgend het tegenovergestelde zou doen van hetgeen gij beveelt. Gij zoudt zoggen : die dienstknecht is een weerspanneling, ik had liever dat hij er openlijk voor uit kwam mij niet te willeu gehoorzamen. Nu evenals die dienstknecht handelt ten opzichte van zijn meester, zoo handelt de zondaar ten opzichte van God; hij weigert zoo niet met woorden, ten minste metterdaad gehoorzaamheid aan God. De opstand van den zondaar tegen God wordt nog verzwaard door bijkomende omstandigheden. Vooreerst \'t is een opstand van een nietigen aardworm tegen eene oneindige Majesteit. Absalon was in opstand tegen zijn -vader David ; \'t was een opstand van een prins tegen een koning ; een onderdaan maakt revolutie tegen zijn wettig vorst, \'t is een mensch die opstaat tegen een ander mensch; de mensch echter die eene doodzonde bedrijft, staat op tegen zijnen God, zijn

-ocr page 128-

— 112 -

schepper, zijn Heer en Meester, die het in zijne macht heeft op hetzelfde oogenblik dat hij Hem beleedigt tot stof te vernietigen; ja, wat meer is met ziel en lichaam neer te ploffen in de hel. Wee u verinetele, die in vergelijking met God minder zijt dan een

zandkorrel.....minder dan een aardworm..... dan

een verdord blad,.... een handvol stof en asoh, het toekomstig voedsel der wormen; gij durft door de zonde u meten met God. Uit u zeiven zijt gij niets, hebt gij niets, weet gij niets. Gij zijt zoo nietig en ellendig, dat de H. Paulus niet kan begrijpen waarom God zioh niet schaamt, zich onze God te heeten: „Non confunditur vocari Deus eorum,quot; en niettemin gij durft opstaan tegen God en door de doodzonde Hem verachten en onteeren. Hem verguizen en bespotten. O ongelukkige zondaar, waart gij ten minste in staat u aan het oog van God te onttrekken op het oogenblik dat gij zondigt. Dat kunt gij niet, overal zondigt gij in de tegenwoordigheid van God en ook die omstandigheid verzwaart uw opstand tegen God. Jongeling en jongedochter, die om uwe vuile lusten te voldoen, het oog der menschen ontvlucht en de eenzaamheid opzoekt, gij zeidet misschien tot elkander op die eenzame plaats, in dien stal of schuur ; niemand ziet ons hier : „nemo nos videt,quot; — gij zeidet tot elkander toen gij u bevondt op dien afgelegen weg ; niemand zal langs dien weg gaan ; of in die gesloten kamer, waar gij uren lang met elkander hebt doorgebracht: „parietes operient me,quot; de deur is gesloten; of toen gij dien avond laat van de kermis kwaamt: „tenebrae circumdant me,quot; ik behoef niet te vreezen dat iemand ons ziet; „nemo circumspicit quem vereer.quot; Maar gij hebt u bedrogen. Geen mensch, geen sterveling wel is waar heeft uwe boosheden gezien; maar Gods oog,

k.

-ocr page 129-

klaarder en helderder dan het licht der zon is doorgedrongen in die kamer, in dien duisteren stal. Hij zag u, o jongeling, toen gij met dat meisje zondigdet, waar ter plaatse dan ook; Hij was getuige van die wulpsohe oogslagen, van die zinnelijke omhelzingen en kussen, van die schaamtelooze betastingen en aanrakingen ; wat meer is, zijn Alziend oog is doorgedrongen tot in de verborgenste schuilhoeken van uwen geest, in de diepste plooien van uw hart en heeft daar gelezen al die oneerbare gedachten, al die schandelijke begeerten, al die onkuische gevoelens, die in u zijn omgegaan. Hij heeft al die zonden aangeteekend in het boek des levens en Hij zal ze in het laatste oordeel tot uwe beschaming aan de gansche wereld bekend maken ; Hij zal tot u zeggen: „gij hebt gezondigd in mijne tegenwoordigheid; fecisti malum in conspectu meo.quot; Welke beschaming, welke schande 1

En waarom dan toch, Christenen, beleedigt de zondaar zoo afschuwelijk zijnen Heer en God? Wat verdient hij er mede ? Luistert eens naar het gezegde van God en oordeelt dan zelf over de verregaande boosheid der doodzonde.quot; „Zij hebben mij beleedigd, zegt God, voor een handvol gerst, voor een stuk brood; violabant me propter pugillum hordei, et fragmentum panis (Ezech. 13. 19) met andere woorden : voor eene nietigheid, voor eene kleinigheid. Wat verdient de zondaar met eene doodzonde te bedrij ven ? Veronderstelt dat gij met eene enkele zonde te bedrijven, alle rampen, ziekten en ellenden der wereld kondet wegnemen, alle zielen kondet verlossen uit het vagevuur, ja alle verdoemden bevrijden uit de hel; dan nog moest gij zeggen : neen, \'t is beter dat do wereld gebukt ga onder den druk van rampen, dat de zielen lijden in het vagevuur en de verdoem-

-ocr page 130-

- 114 —

den branden in tie hel, dan God door cene zonde te vergrammen. En waarom beleedigt de zondaar zijnen God ? Voor een schandelijk vermaak, dat een oogen-blik slechts duurt, voor een stuk geld, voor een glas bier offert hij niet zelden op zijn geweten, zijne ziel, zijne zaligheid, den hemel. Hij neemt de weegschaal in de hand, logt in de eene schaal zijne ziel, den hemel, het bloed van J. C. en in de andere de zonde en hij roept uit: Weg met mijne ziel, weg met God, weg met den hemel; ik verkies de zonde ! Mag God zich dus niet met recht beklagen over den zondaar en hem toespreken : Rampzalige ! waarmede hebt gij mij vergeleken, waarmede hebt gij mij gelijkgesteld! „Cui comparasti me et cui assimilasti me.\'\'—

Het onbegrijpelijkste echter van alles is, dat de mensch in doodzonde gevallen, nog zoo rustig en onbezorgd voorleeft, alsof hem niets wedervaren ware. Adam na zijn val verborg zich uit schaamte, angst en vrees tus-schen het geboomte van het paradijs. En gij leeft daar voort dagen, weken, maanden lang in zonde, alsof gij niets te vreezen hadt. Weet gij dan niet dat gij aan den rand staat van een peilloozen afgrond, den afgrond der hel, waarin gij elk oogenblik kunt worden neergestort! Weet gij dan niet dat uw leven aan een zijden draad hangt, die ieder oogenblik kan doorgesneden worden; gij kunt elk oogenblik van den dag getroffen worden door eene beroerte, door den bliksem, door het mes van een vijand, door den slag van een paard, aan tafel, onder het werk, te bed ; ... hoe kunt gij dan zoo gerust en onbekommerd in zonde voortleven ? Schaamteloos zijt gij met zoo rustig in de zonde voort te leven; doch daarenboven vermetel, gij die zonden op zonden stapelt, die do gelegenheden tot zonde opzoekt, eene zondige vriend-

-ocr page 131-

— 115 -

schap, eene ongeoorloofde verkeering niet afbreekt, een slechten dienst niet verlaat en zoodoende voortdurend in nieuwe zonden valt. Weet gij wel dat gij G-od tergt, zijn geduld op de proef stelt en aldus Hem dwingt u vroeg of laat voorbeeldig te straffen. Koning David viel slechts eenmaal in zware zonde, Petrus verloochende slechts eenmaal zijnen goddelij-ken Meester en beiden achtten het niet te veel hun leven lang dien val te beweenen en te treuren en gij in uwe vermetelheid, in plaats van uwe zonde te beweenen, gaat voort God met nieuwe zonden te vergrammen, Welke vermetelheid, welke onbeschaamdheid ! Meent echter niet dat de zondaar hiermede het toppunt der boosheid bereikt heeft; ik wil aannemen dat er zondaars gevonden worden die na hunnen val rustig voortleven alsof er niets geschied ware, ia die zonde op zonde stapelen ; maar wat ik niet begrijpen kan is, dat er zondaren gevonden worden die zich openlijk op hunne zonden beroemen. Zij gaan groot op hunne onmatigheid en dronkenschap, zij roemen er op bij deze of gelegenheid zooveel gedronken te hebben, zij vertellen openlijk in gezelschappen en onder kameraden dat zij huizen van ontucht en gemeene herbergen bezocht, dat zij eene jonge dochter tot zonde, ja tot haar ongeluk gebracht hebben, dat zij den evenmensch bedrogen, den biechtvader in de biecht misleid hebben. Hoe! gij zijt beschaamd aan den biechtvader in het geheim uwe zonden te belijden en gij zfjt niet beschaamd, diezelfde gruwelen openlijk aan uwe kameraden bekend te maken O rampzalige! beroem u niet op uwe schande, zooals. de apostel Paulus zegt, in zijn brief aan de geloo-vigen van Philippen ; (III. 19) „Si est tlbi delictum, noli denudarequot;. Bewaar uwe schande voor u zeiven ; want gij toont dat gij geen geweten, geen schaamte

-ocr page 132-

— 116 -

noch fatsoen, geen doorzicht noch verstand hebt. Niet minder boosaardig eindelijk zijt gij, dieniet tevreden zijt zelf slecht te zijn; maar ook anderen nog zoekt te bederven en tot zonde te verleiden; met andere woorden: gij ergernis gevende zondaars, gij bedorven jongeling, die in de herberg een kameraad tot dronkenschap aanzet, die eene jonge dochter tot onkuisch-heid overhaalt, gij meester of zoon des huizes, die eene dienstmaagd dwingt uwe booze lusten in te volgen, gij getrouwde man of vrouw, die met jongelingen of jonge-dochters over zaken spreekt, die u van schaamte moesten doen blozen; weet dat gij anderen brengt tot val in de zonde , ja misschien de schuld zijt van hunne eeuwige verdoemenis. Zondaars en zondaressen die mij hoort, ik bid u, denkt toch eens ernstig na over den rampzaligen staat waarin gij u bevindt. Gij zijt opgestaan tegen eenen God van oneindige majesteit, gij hebt gezondigd in zijne tegenwoordigheid, gij hebt uwe ziel verkocht aan den duivel voor een kortstondig vermaak, gij hebt tot op den dag van heden zorgeloos in uwe zonde voortgeleefd, gij hebt zonden op zonden gestapeld , gij hebt u schaamteloos beroemd op uwe gruwelen, zoo menige ziel tot zonde verleid. En is dat alles ? Neen;

III. De doodzonde besluit nog in zich , eene ongehoorde ondankbaarheid jegens God onzen besten weldoener. Zijnen weldoener vergeten, de genoten gunsten en weldaden niet meer willen indachtig zijn, is zeker een bewijs van een laag, van een ondankbaar hart. Maar wat zoudt gij zeggen van iemand die daarenboven zijnen weldoener nog zou verachten en versmaden, die hem kwaad voor goed zou vergelden, die hem zou beleedigen , op het oogenblik dat zijn weldoener gereed staat hem met gunsten te overladen, ja die zijne

-ocr page 133-

weldaden zou gebruiken om hem te smaden en te ont-eeren. Dat alles is bestaanbaar, zulke ondankbare menselien worden er aangetroffen, doch zelden. En tooh Chr; de ondankbaarheid kan nog een stap verder gaan. 13e grootste ondankbaarheid zou wezen, zoo iemand zijnen weldoener naar het leven stond 1 Is dat mogelijk? Ja, zulke monsters treft men ook aan, doch hoogst zelden ; b. v. een ontaarde zoon die zijnen vader, aan wien hij alles verschuldigd is, zou willen vermoorden. Zooals gij ziet, de ondankbaarheid heeft vele trappen en al die trappen doorloopt de zondaar. Ja, de mensch die door do doodzonde God zijn grootsten weldoener beleedigt, is een ondankbare. Zeg mij eens zondaar, wat God al niet voor u gedaan heeft! Kunt gij de genoten weldaden ik zeg niet tellen, maar ten naastenbij benaderen. Gij waart nog niet geboren en reeds beminde u God. De wereld bestond nog niet en reeds dacht Hij aan u. Die onsterfelijke ziel met hare vermogens, dat lichaam met zijne fijne zintuigen, zijn het maaksel zijner handen. De kleederen die gij draagt, het huis dat gij bewoont, de spijzen die gij gebruikt, al wat u omringt, al wat gij bezit en wat gij zijt, dat alles komt van God. De gansche monsch bestaat uit eene samenvoeging van Gods weldaden. En dat alles is nog weinig van beteekenis, in vergelijking met datgene wat God gedaan heeft voor uwe ziel. Hij heeft u geroepen tot zijne Kerk, boven millioenen anderen die leven en sterven in dwaling en ongeloof. Door het H. Doopsel zijt gij geworden kinderen Gods en erfgenamen des homels. En welk onnoemelijk getal genaden hebt gij genoten na uw H. Doopsel 1 Hoe dikwijls heeft God u niet gevoed door de H, Communie , verlicht door zijn woord, verlost van zoovele bekoringen, bevrijd van zooveel gevaren , gewasschen van zoovele

-ocr page 134-

— 118 —

zonden. En wat wacht u in de toekomst ? Aanschouwt dien schoonen hemel, Hij heeft dien geschapen voor u, daar zullen al uwe begeerten vervuld, al uwe verlangens voldaan, al uwe wenschen bevredigd wezen. Maar waartoe noodig u Gods weldaden op te sommen ; gij zoudt veeleer de sterren kunnen tellen aan den hemel en de zandkorrels aan het strand der zee, dan de weldaden opsommen , waarmede God u begiftigd heeft. Terecht uus mag God u toevoegen Quid ultra debui facere ?quot; Wat had ik nog meer voor u kunnen doen, dan ik gedaan heb V En wat hadt gij op uwe beurt moeten doen uit erkentelijkheid voor zooveel weldaden. Toen de duivel, de wereld en uwe driften u aanzochten tot zonde , hadt gij het voorbeeld moeten volgen van den H. Polycarpus bisschop van Smyrna. De Heiiige bevond zich voor den dwingeland, die hem J. C. wilde doen verzaken. Hij stak zijn eerbiedwaardig hoofd, dooiden ouderdom vergrijsd in de hoogte, zijne oogen waren bevochtigd met tranen en hij sprak : Hoe zou ik een zoo goeden Meester kunnen verzaken ! Zie reeds meer dan 80 jaren ben ik in zijn dienst en al dien tijd heeft Hij mij niets dan goed gedaan! Hem verzaken? Neen, dat nimmer en voor geen prijs. Zoo ook hadt gij moeten spreken tot den duivel, tijdens de bekoring ; Hem verzaken\'? neen, dat nimmer !... Helaasl al haddet gij uw leven lang niet meer dan ééne doodzonde bedreven, dan waart gij nog de ondankbaarste mensch ter wereld. Immers gij hebt God uwen Vader, uwen schepper, uwen weldoener vergeten. „Oblitus es creatoris tui.quot; Gij hebt Hem vergeten, ja miskend en veracht, gij hebt u aangesteld als een snoode zoon, ten opzichte van den besten der vaders.

Doch zondaars, gij zijt in uwe ondankbaarheid nog verder gegaan; gij hebt niet slechts uwen weldoener

-ocr page 135-

— 119 —

vergeten en miskeiul. gij hebt nog de genoten weldaden misbruikt om Hem te beleedigon en te bedroeven. Ik veronderstel, gij geeft een bedelaar op straat eene aalmoes en dat geld besteedt hij om brandstoffen te koopen, ten einde uw huis in brand te steken. Zoo iets is ongehoord in de wereld. En toch zoo gedraagt zich de zondaar tegenover God ; hij misbruikt trods weldaden om.... Wat zoudt gij zeggen van dien doofstomme, die door een mirakel van Jesus het gehoor en de spraak terugbekwam, zoo diezelfde man zijne tong ging misbruiken om den Zaligmaker te lasteren en te vervloekenV En toeh zoo doet de zondaar die zijne tong, welke een geschenk Gods is, misbruikt tot godslastering en oneerbare gesprekken. Wat zoudt gij zeggen van dien lamme door Jesus genezen, als die man zijne hand die vroeger lam, nu genezen is, misbruikt hadde om Jesus in zijn bitter lijden met roeden te geeselen. Zoo doet gij, wanneer gij uwe handen, die een geschenk Gods zijn, misbruikt tot ontucht en onrechtvaardigheid. Helaas! alle weldaden Gods koert gij tegen Hem; uw verstand om aan het kwaad te denken, uw hart om daarin zondige begeerten te vormen, uwe oogen tot het werpen van onkuische blikken, uwe ooren tot het luisteren naar kwaadspreken en onzedige taal, uwe tong tot vloeken en onkuische gesprekken, uwe handen en mond tot oneerbare aanrakingen en kussen, uw invloed om anderen tot zonde te verleiden, uwe schoonheid, krachten, gezondheid, uw leven, in één woord alle gaven Gods keert gij tegen God, uwen grootsten weldoener. O mijn God! hadt gij dat verdiend van ons, na zoovele licfdebewijzen en gunsten! En toeh Chr; de zondaar kan nog een stap verder gaan in zijne ondankbaarheid. De H. Bernardus zegt, dat de dood-

-ocr page 136-

zonde dermate strijdig is met God, dat zoo God kon sterven, de doodzonde Hem het leven zon benemen : „Peccatum quantum in se est, Deum peiimit.quot; Inderdaad de zondaar wenschte dat de zonde geen kwaad ware, om vrij en ongehinderd te kunnen zondigen; dat God niet heilig ware om de zonde te kunnen toelaten, niet alomtegenwoordig om de zonde niet te zien, niet oneindig rechtvaardig, om ze niet te moeten straffen. In één woord hij wenschte dat God geen God ware; want hij zou niet God wezen, ware Hij niet oneindig heilig, machtig en rechtvaardig. De zondaar doet dus een moordaanslag op God; hij is een trou-welooze, een Godsmoordenaar, bevlekt met het bloed van J. C. Door de doozonde vernieuwt hij al de smarten van zijn bitter lijden. Telken male dat gij eene doodzonde bedrijft, kruisigt gij op nieuw J. C; „rursum crucifigentes sibimetipsis filium Dei.quot; Nu begrijp ik waarom de H. H. Vaders zeggen, dat eene doodzonde God meer bedroeft, dan alle goede werken der schepselen Hem vreugde verschaffen. Alle eerbewijzingen der engelen, al de arbeid der apostelen, alle folteringen der martelaren, alle verdiensten van de Allerh. Maagd Maria zelve, wegen zoo zwaar niet in de weegschaal van Gods rechtvaardigheid, als eene enkele doodzonde. Nu begrijp ik ook waarom de Heiligen zulk een afschuw hadden van de zonde. Ik wenschte liever, riep de H. Anselmus uit, in een vijver te springen van vuur en vlammen en de gansche eeuwigheid daarin te blijven, dan eene enkele doodzonde te bedrijven. Nu begrijp ik waarom sommige Heiligen om eene enkele zonde uit te wisschen, hun leven lang hebben doorgebracht in de strengste boetvaardigheid en zoovele anderen ten einde de zonde te vermijden, alles verlaten en in de eenzaamheid zich

-ocr page 137-

— 121 —

hebben afgezonderd. Nu begrijp ik eindelijk waarom God soms gansche gezinnon en parochiën, gansche landen en volkeren straft om de zonde van een enkele, ot van slechts weinigen. Achan, zoo verhaalt ons de 11. Schrift, had zich ondanks het verbod van God iets toegeeigend , waarover Hij zijn vloek had uitgesproken en de Heer vertoornde zich tegen het geheele volk van Israel en was niet eerder te bedaren, dan nadat de schuldige zijne straf ontvangen en levend gesteenigd was. De doodzonde is dus niet, zooals de wereld zegt, eene beuzelarij, eene kleinigheid ; maar een monster van boosheid, eene ongehoorde ondankbaarheid jegens God. En nu Chr; gaat eens na hoe dikwijls gij dat monsterachtig kwaad bedreven hebt: gij kunt misschien gemakkelijker de uren uws levens en de haren van uw hoofd, dan de zonden optellen die gij in uw leven bedreven hebt. Moogt gij niet zeggen met den H. Augustinus: „Tantillus puer et tantus peccatorquot; ; hoeveel zonden reeds vóór de eerste Communie, hoeveel na de eerste Communie, hoeveel in de jongelingsjaren, tijdens de verkeering, in hot huwelijk, in den weduwenstaat, in uwen ouderdom,-hoeveel zonden van onkuischheid, zonden van den geest, zonden van bot liart, zonden met de oogen .... ooron .... tong.... mond; hoeveel zonden bij u zeiven en met anderen. quot;Wat een berg van zonden, wat een zee van gruwelen. „Non intres in judicium cum servo tuo, Dominequot;. Ach ETeere Jesus 1 barmhartigheid met die zondaars en zondaressen hier in de kerk tegenwoordig; zij zijn getroffen, zij verlangen zich te bekeeren. Keert dus in u zeiven, begint van nu af aan uwe zonden te beweenen; neemt daartoe tot voorbeeld dat van den berouwvollen publikaan van het Evangelie, die in den tempel van Jerusalem

-ocr page 138-

aan God de vergiffenis zijner zonden kwam vragen. Hij wierp zich neder onder in den tempel, durfde zijne oogen niet opslaan, klopte ul zuchtende en wee-nende op zijne borst, zeggende : Heer heb medelijden met mij die een arm zondaar ben! (-rij zijt even schuldig, ja misschien nog schuldiger dan die publi-kaan, ook gij bevindt u evenals hij in den tempel des Heeren; gij echter moogt vrij uwe oogen opslaan. Aanschouwt dat beeld van uwen gekruisigden Verlosser; beziet dat hoofd met doornen gekroond en zegt: dat is mijn werk, dat heb ik gedaan door zoovele zondige gedachten .... die doorboorde handen en voeten: dat is mijn werk, dat heb ik gedaan door .... die geopende zijde ... In èén woord wekt u op tot gevoelens van berouw en leedwezen over uwe zonden, spreekt eene goede biecht en God zal zich uwer ontfermen, niettegenstaande de menigte en zwaarte uwer zonden ; want: „bij den Heer is barmhartigheid en overvloedige verlossing.quot; Amen.

-ocr page 139-

Doodzonde. (Straffen.)

I. Straf der zonde in de engelen.

1) Toestand der engelen vóór hun val;

A) Natuur der engelen,

B) Woon „ „

C) Bestemming,, „

D) Hoofd „ „

2) Zonde der engelen.

A) Aard dier zonde,

B) Vergezellende omstandigheden.

3) Straf der zonde van de engelen.

A) Spoedige uitvoering en grootte der straf. B) An dere omstandigheden. C) G evoelens van berouw. II. Straf der zonde in den mensch.

1) Toestand en val van den eersten mensch.

A) Zijne glorie en geluk,

B) Aard zijner zonde,

C) Zijne zonde vergeleken bij de onze.

2) Straf van den eersten mensch.

A) Strafvonnis over hem en zijne nakomelingen uit gesproken.

B) De mensch gestraft door de gausche natuur. a :) door de dieren, b :) elementen,

C) In zijn lichaam :

a :) Begeerlijkheid, li:) dood en andere rampen.

D) In zijne ziel.

a:) verstand; ö:) hart; c :J terugblik.

III. Straf der zonde in den Persoon v. «7. C.

1) Noodzakelijkheid eener algemeeno en eindelooze vol doening.

A) Het bloed van dieren was onvoldoende.

B) Eveneens het bloed van menschen.

C) Er wordt vereischt een goddelijk bloed.

2) Bloedig offer van J. C.-

-ocr page 140-

— 124 —

Vae nobis quia peccavimus. Wee ons dewijl wij cezondiKcl hebben! (Thren. 5. 16.)

Men leest in de Kerkelijke Gresehiedenis, dat de H. Joannes Chrysostomus patriarch van Constantinopel, door zijne apostolische vrijmoedigheid zich den toorn op den hals gehaald had van Keizer Theodosius. Op zekeren dag sprak gezegde vorst in toorn ontstoken, tot zijne hovelingen ; wat moet ik doen om mij te wreken op dien onheschaamden bisschop? Wat is uw gevoelen ? De eene zeide ; Zend hem ver weg in balliag-schap, zoodat gij hem nimmer meer terug ziet. Een tweede : ontneem hem al zijne goederen. Een derde; werp hem met ketenen beladen in den kerker. Een vierde : doe hem sterven en bevrijd ons van hem door den dood. Maar een vijfde veel verstandiger zeide: Gij bedriegt u allen ; dat is niet het middel om u op hem te wreken. Te vergeefs zendt gij hem in ballingschap, want de gansche aarde is zijn vaderland; te vergeefs ontneemt gij hem zijne goederen, want zij behooren aan de armente vergeefs werpt gij hem in de gevangenis, hij zal zijne boeien kussente vergeefs brengt gij hem om het leven, want gij opent hem den hemel. Tracht hem over te halen tot zonde. Ik ken dien man, hij vreest niets zoozeer dan de zonde; „unum timet Chrysostomus ; peccatum.quot; Ja Chr. de Heiligen vreesden niets dan de zonde. En hoe komt het dan dat de meeste menschen alles vreezen behalve de zonde ? Zij vreezen de minste ongesteldheid en zij achten voor niets de zonde, die de bron is van alle rampen. Helaas ! roept de H. Augustinus uit, de mensch verliest een stuk vee en hij heeft geen rust meer.

-ocr page 141-

— 126 —

hij verliest zijn God door du doodzonde en hij bekommert er zich niet om. Van waar zulke verblindheid en ongevoeligheid? Omdat niemand in zich zei ven keert en niet nadenkt over het kwaad dor zonde en de gevolgen die zij na zich sleept. Om u voor die verblindheid te behoeden, of om u misschien daaruit te verlossen, gaan wij eens ernstig overwegen al de zwaarte der doodzonde en wel door de overweging der straffen, die God over de doodzonde afzend. Want dewijl (iod oneindig rechtvaardig is en de zonde niet zwaarder straft dan zij verdient, zoo kan men over de grootte der zonden oordeelen door de gestrengheid der straffen die Hij over haar afzend. Wij gaan dus zien hoe God weleer de zonde heeft gestraft in de engelen, in den eersten mensch en in den persoon v. J. C; die door zijn bitter lijden de zonden der wereld heeft willen uitboeten.

I. Zien wij eerst hoe vreeselijk God de zonde strafte in de engelen. Om dat goed te begrijpen, moeten wij nagaan den toestand der engelen vóór hun val — hun val in zonde — hunne straf.

1) Wat waren de engelen vóór hun val ?

A.) Zuivere geesten, vrij van de banden van een sterfelijk lichaam, levende afbeeldsels der volmaaktheden Gods, de eerstelingen, de meesterstukken der schepping; „principium viarum Domini.quot; (Job. 4.14) Het waren wezens met het fijnste verstand begaafd, toegerust met eene volmaakte kennis van alle dingen, met een hart en wil zoo onschuldig en vlekkeloos, dat het altijd gericht was tot God. En waar was hunne woon ?

B.) In den hemel, waar zij wel is waar God nog niet van aanschijn tot aanschijn aanschouwden, maar den tijd doorbrachten met aan Hem te denken en

-ocr page 142-

— 126 -

Hem te beminnen. Hun paleis was het hemelscli Jerusalem, gebouwd, zegt de H. Joannes, uit het zui-vcste goud en gelijk aan het schitterendst kristal, deszelfs fondamenten zijn versierd met de kostbaarste edelgesteenten; hare 12 poorten zijn 12 paarlen. — Die hemelsche stad behoeft niet verlicht te worden door zon noch maan, want de glorie Gods beschijnt haar. (Apoc. 21, 11—23).

C.) En wat was do toekomstige bestemming dier zalige geesten? Zij moesten eene oogenblikkelijke beproeving doorstaan en daarna zou God zich aan hen in zijne volle glorie openbaren ; zij zouden gezeten zijn gedurende de gansche eeuwigheid aan den voet van Gods troon, zich uitsluitend bezig houden met Hom te aanschouwen, te beminnen en te bezitten.

D.) Wie was eindelijk het hoofd, de aanvoerder der engelen ? Lucifer, de prins van het hemelsoh hof, wiens volmaaktheden door den II. Geest bij den profeet Ezechiël beschreven worden: „Gij waart, zoo spreekt God tot Lucifer, mijn beeld,, de afdruk, het zegel mijner gelijkenis, gij waart vervuld met wijsheid en voortreffelijk schoon. Uw kleed was versierd met allerlei edelgesteenten en het goud was niet gespaard om uwen luister te verhoogen. Ik heb u gesteld op den heiligen berg Gods en gij hebt gewandeld te midden van de kostbaarste edelgesteenten, waarmede gij waart opgetooid. Gij waart volmaakt in uwe wegen op den dag uwer schepping en gij zijt in dien gelukkigen staat gebleven, totdat de ongerechtigheid in u gevonden is geworden.quot; (Ezech. 28, 12.) Zoo waren Lucifer en zijne engelen vóór hunnen val.

2) Die verheven geesten waren in het bezit hunner vrijheid en dat was hun ongeluk. God had hun een vrijen wil gegeven om té kunnen verdienen, doch zij

-ocr page 143-

— 127 —

misbruikten dien tot hun verderf. Volgons den H. Bonaventura en anderen, lieten zij zich verblinden door den glans hunner grootheid en hunne zonde was een schuldig welbehagen, eene soort van aanbidding van hen zeiven. Volgens den H. Thomas, had God hun veropenbaard do toekomstigo grootheid van J. C. en hun bevolen den Godtnensoh te huldigen; dit weigerden zij, zij kwamen in opstand togen God, onder aanvoering van Lucifer die het eerst de vaan dos oproers opstak, zich tot mededinger Gods durfde verklaren en het dorde deel dor engelen medesloepte in zijn val.

B) Gaat eens na Chr; een voor een, alle omstandig heden van de zonde der engelen, om er de boosheid van te loeren kennen en vergelijkt die eens met de omstandigheden uwer eigen zonden. De zonde der engelen was eene zonde van hoogmoed of van verzet tegen God. ,.Gij hebt mijn juk afgeworpen, gij hebt mijne banden verbroken en gezegd: Ik zal u niet dienen.quot; (Oer. 2, 20.) Chr; is dat ook niet hot kenmerk uwer zonden ; wat zijn zij anders dan een opstand tegen God I De zonde der engelen werd bedreven in den hemel: ..Trotseho geest, roept God bij monde van zijn proioet, Lucifer toe; gij waart te midden van da wellusten van het paradijs en \'t is daar dat gij gezondigd hebt. In deliciis paradisi fuisti.. .. et peccasti.quot; (Ezesh. 28. 13—16.) En gij Chr; geplaatst in eon hemel op aarde, in het land der Heiligen, in de Kerk van J. C. hoe dikwijls zijt gij niet in zonde gevallen ! De engelen zondigden in het helderste licht, met volle kennis ; „Gij waart vol kennis, vervolgt de profeet, volmaakt in schoonheid en niettemin hebt gij gezondigd; plenus decore et sapientia et peccasti.quot; (Ezech. 28, 12. 16.) En gij

-ocr page 144-

— 128 —

Chr; hebt ook gij niet gezondigd te midden van liet helderste licht der genade ! De engelen zondigden na tal van weldaden van God genoten te hebben : „Gij waart, zoo zegt God verder, het zegel mijner gelijkenis, gij schitterdet met den glans van alle kostbare gesteenten en niettemin hebt gij gezondigd: „tu

signacalum similitudinis..... omnis lapis pretiosus

operimentum tuum et peocasti.quot; En gij Chr ; bedeeld mot zoovele weldaden der natuur en der genade, ook gij hebt gezondigd, gij hebt uwen weldoener belee-digd door het misbruik dat gij gemaakt hebt van zijne weldaden zeiven. Eindelijk, de zonde der engelen was eene zonde van ergernis. „Ziehier die ontzettend groote draak, roept de H. Joannes uit, in het boek der Openbaringen, doelende op Lucifer; hij sleept het derde deel van de sterren des hemels mede in zijn val.quot; (Apoc. 12. 3. 4.) En gij zondaars en zondaressen, gij godslasteraars en dronkaards, gij vuile taalsprekers en onkuische jongelingen, gij lichtzinnige, ergernisgevende jonge dochters, hoeveel zielen hebt gij niet door woord en daad, maar vooral door uw slecht voorbeeld ten val gebracht, ja misschien verdoemd 1

3) Er was geene tijdruimte tusschen den val der engelen en hunne straf. Gods wraak trof hen sneller dan de bliksem: „Ik zag Satan, zegt O. H. J.C. zelf, uit den hemel vallen, gelijk een bliksemstraal.quot; (Luc. 10. 18.) De weerspannige engelen werden neergeploft uit de hoogte der hemelen in den afgrond der hel en \'t is daar te midden der vlammen, dat zij gedurende de gansche eeuwigheid voor de zonde van een oogenblik zullen boeten. Luistert, hoe God voortgaat de gevallen engelen toe te spreken : „üw hart heeft zich verheven in uwen luister, Ik heb u neergeploft

-ocr page 145-

ter aarde, gij liebt de heiligheid van den staat, waarin ik u gesteld heb onteerd, daarom zal ik uit uw midden een vuur doon opstijgen, dat u zal verteeren. Al degenen die u zien, zullen door verwondering worden getroffen, gij zijt ternggebraeht tot niets en gij znlt nooit meer wezen wat gij geweest zijtquot;. (Ezeeh. 28. 17, 18, J9.) Welke ijselijke ommekeer Chr; in de gevallen engelen; hoe zijn zij veranderd in geheel hun wezen ! In hun geest geen enkele gedachte meer tenzij voor het kwaad, in hun wil geon enkele begeerte meer, tenzij voor de zonde. Welke verandering met betrekking tot hunne woon; zij hebben geen ander paleis meer dan de hel. Welke verandering in hunne bediening: zij houden zieh met niets anders bezig, dan met zielen te verdoemen en to folteren. Welke verandering in hunne bestemming : hun lot is het vuur der hel en wol voor eene eindelooze eeuwigheid. O huiveringwekkende val! „hoe zijt gij toch uit den hemel gevallen, gij Lucifer, die als eene schitterende ster opkomt met den dageraad ; Quomodo eecidisti de coelo. Lucifer, qui mane oriebaris.quot; Uw hoogmoed heeft u ter helle gesleept. Chr: laat ons sidderen voor ons zeiven. Indien de engelen aldus behandeld zijn geworden, wat zal er dan met den mensch geschieden !

B) Chr ; denkt eens ernstig na over die verschrikkelijke wrake Gods. Zijne rechtvaardigheid slaat geen acht op het groot getal zondaren ; de gevallen engelen waren niet bij millioenen to tellen en evenwel de straf bleef niet uit. Stelt u dus niet gerust met het oog op hot groot getal dergenen die zondigen evenals gij. Zijne rechtvaardigheid sloeg geen acht op do waardigheid en verhevenheid dor engelen. Stelt u dus niet gerust met het oog op den rang dien gij in Kerk of Staat bekleedt. Zijne rechtvaardigheid

9

-ocr page 146-

— 130 —

slaat geen acht op de diensten, die de engelen in zijne vriendschap teruggekeerd, Hetn hadden kunnen bewijzen. Stelt u dus niet gerust met het oog op uwe talenten en op de diensten, die gij J. C. en den godsdienst zoudt kunnen betoenen. Zijne rechtvaardigheid sloeg geen acht op de plaats, die de gevallen engelen tot dusverre in zijne vriendschap en in zijn hart bekleed hadden. Stelt n dus niet gerust met het oog op de vroegere barmhartigheid Gods ten uwen opzichte. Zijne rechtvaardigheid eindelijk sloeg zonder medelijden en hot gold hier nog wel de eerste zonde der engelen, eene enkele zonde, eene zonde van gedachte ; wat zal het dan wezen met u, die met den profeet kunt zeggen : „mijne zonden verheffen zich tot boven mijn hoofd.quot; (Ps. 37. 5.) Wat zal het dan wezen met u, die gezondigd hebt niet slechts door gedachten ; maar door woorden en werken! Ach Chr; slaat bij do overweging van de schrikkelijke straf dor gevallen engelen, een terugblik op u zeiven en treedt in gevoelens van nederigheid, berouw en leedwezen, die een groot Heilige, een uitstekend Kerkleeraar u in den mond legt: „O mijn God ! Gij hebt in mijne ziel uw beeld afgedrukt en ik heb dat beeld vervangen door dat van den duivel. Ja, ik zie dat ik zelfs afschuwelijker ben dan Lucifer. Geen pijl dor goddelijke gerechtigheid was nog neergekomen, toen de hoogmoed zijn luister bezoedelde ; terwijl ik gezondigd heb na herhaalde malen van de straf der zonde getuige te zijn geweest. Hij is niet meer dan eenmaal in uwe genade geplaatst geweest, terwijl ik ontelbare malen in uwe genade hersteld ben geworden. Hij heeft zich verzet tegen dongene, die hem het leven gegeven heeft en ik ben in verzet gekomen tegen Hom, die mij niet slechts het leven gegeven, maar zelfs wedergegeven heeft. Hij

-ocr page 147-

blijft voor eeuwig gebukt onder den vloek die tegen bom is uitgesproken, en ik, altijd nog zondaar, ik sta voor de barmhartigheid van Grod, die mij tot bekeering uitnoodigt. Beiden hebben wij gezondigd tegen God; maar hij heeft een God beleedigd, die hem niet beeft opgezocht, terwijl ik een God vergramd heb, die gestorven is om mij vrij te koopen.quot;

II. Wij hebben gezien, boe streng God de zonde strafte in de engelen. Laat ons verder eens nagaan, hoe God de zonde strafte in den eersten mensch.

A) Gesehapen naar het beeld van God, verrijkt met alle gaven der natuur en der genade, bestemd voor een eeuwig geluk, was Adam geplaatst in bet aardsch paradijs. God schonk hem daarenboven eene vrouw, die in allo voorrechten van haren man deelde. God schiep onze eerste ouders in den staat van heiligheid en onschuld. Hij had bun verstand verrijkt met hot helderste licht. (Eccli. 17. G) Hij had hun hart verviild met rechtschapenheid en wijsheid. Hij gaf hun het gebied over hunne driften, hunne zintuigen en hun lichaam, het gebied over alle redelooze schepselen. (Eccli. 17. 3, 4.) Adam en Eva waren vrij van verdriet cn van alle ellenden , die thans het menschdom drukken. God had hen geplaatst in een oord van wellust. I)e aarde schonk hun van zelve overvloed van alles, wat noodzakelijk of nuttig was voor bun bestaan. Zij bracht van zelve bloemen, planten, boomen, vruchten voort, aangenaam voor het oog, heerlijk voor den smaak. De boom des levens bood hun de vrucht der onsterfelijkheid, die hen vrijwaarde voor den dood en in hen eene altijddurende jeugd onderhield. Na eenigen tijd van beproeving in het aardsch paradijs te hebben doorgebracht, zouden Adam on Eva met ziel en lichaam in den hemel zijn opgenomen, om van aanschijn tot aanschijn het opperste

-ocr page 148-

_ 132 -

Groetl te aansohoviwen en eeuwig te genieten. O mijn God 1 wat was de monseli groot en gelukkig in de dagen zijner onschuld! „Gij hadt hem slechts een weinig beneden de engelen gesteld, hem omringd met eer en glorie,hem gesteld boven de werken uwer handen.\' (Ps. 8. 6. 7.) Waarom heeft de mensch zijn geluk, zijne grootheid miskend, waarom heeft hij uwe rechten en zijne plichten vergeten ?

B) God had Adam vergund, van alle vruchten des paradijzes te eten ; maar hem verboden de vrucht aan te raken van den boom van goed en kwaad. Mij eischte van den eersten mensch gehoorzaamheid als huldebewijs en wel op straffe des doods : „Eet niet, zoo sprak Hij tot hen , van de vrucht van den boom van goed en kwaad ; want zoodra gij er van gegeten zult hebben, zult gij sterven.quot; (Gen. 2.17.) Adam gehoorzaamde niet. De ge • vallen engel, Satan, afgunstig op het geluk en de glo:ie van den eersten mensch, kwam Eva bekoren en nam de gedaante aan eener slang. Door don duivel verleid, beproefde Eva op hare beurt Adam te verleiden, die door welgevallen voor zijne vrouw, zich liet overhalen. De vrouw door den duivel bekoord, zegt de H. Schrift, zag dat de verboden vrucht goed moest wezen om te eten, zij was immers schoon en heerlijk voor het oog; zij at er van, gaf er ook van aan Adam te eten, die er eveneens van at.\'quot; (Gen. 3. G.) De erfzonde was bedreven, de straf volgde van nabij. Nauwelijks hadden onze eerste ouders van de verboden vrucht gegeten, of hunne oogen gingen open, zij erkenden hunne fout, zij zagen den staat van verlaging, waartoe de zonde hen gebracht had en zij gingen van schaamte zich verbergen tusschen het struikgewas van het paradijs.

C Gaat eens aandachtig na de eigenschappen dier eerste zonde en gij zult in den val onzer eerste ou-

-ocr page 149-

— 133 —

ders terugvinden do geschiedenis van uwen eigen val in zonde. Hunne zonde droeg hot kenmerk der onvoorzichtigheid. Eva luistert naar de trouwelooze taal van Satan ; Adam geeft gehoor aan de vleierij zijner vrouw. Eu gij, waardoor hebt gij u laten overhalen tot zonde V Was het niet eveneens door eene verleiding, door eene bekoring , waarnaar gij onvoorzichtig geluisterd hebt. De zonde onzer eerste ouders droeg verder het kenmerk dor zinnelijkheid. De schoonheid der verboden vrucht verleidde hen: „Vidit quod esset bonum ad vescendum et pulchrum oculis.quot; En gij, bijna al uwe zonden ten minste de zwaarste, wat zijn het anders geweest dan zonden der zinnen ! Do zonde van Adam en Eva droeg verder het kenmerk der lafheid. Met een zoo helder verstand en een zoo rechtschapen hart, met een geweten zoo feeder en fijngevoelig, was het voor Adam zoo gemakkelijk geweest trouw te blijven. En gij, gevormd door den godsdienst, door eene christelijke opvoeding, wat kracht vondt gij niet tegen de zonde in uw geloof, in uw geweten, in uw hart, waarin de genade zulke voortreffelijke neigingen had neergelegd. De zonde van Adam droeg het kenmerk van verachting van God. Niets weerhield Adam; noch de goedheid van God, die van zijnen kant hem mot weldaden omringde, nooh het gezag van God, waarvan zijne rede zoo openlijk de rechten verkondigde, noch zijne rechtvaardigheid, wier bedreigingen zoo streng, zoo vreeselijk waren. Ook gij, toen gij zondigdet, hebt geen aeht geslagen op de weldaden, rechten en bedreigingen van God. Zij droeg eindelijk het kenmerk der verblindheid, Onze eerste ouders geloofden aan de taal van den bekoorder en niet aan het woord van God. Op het woord van Satan beeldden zij zich in, dat zij niet zouden sterven; maar

-ocr page 150-

— 134 —

Goeie gelijk zouden zijn. En hunne oogen gingen niet eerder open, dan nadat do zonde bedreven was. Is dat niet een trouw beeld uwer eigen verblindheid V lu het begin der bekoring zocht gij u zeiven te misleiden, door allerlei dwaze redeneeringen opzichtens de rechtvaardigheid en barmhartigheid van God. Gij beelddet u in dat de zonde niet een zoo groot kwaad was, dat God al te goed is om u te straffen. En is het niet waar dat nwe verblindheid niet eerder verdween en uwe oogen niet eerder open gingen, dan nadat de zonde bedreven was.

2) Chr; wij hebben de zonde van Adam gezien; zien wij ook eens de straf die er op volgde. De stem van God liet zich hooren als een donderslag ; „Adam waar zijt gijquot; ? Hij vroeg hen rekenschap van hun gedrag, overwoog hunne zonde en sprak vervolgens een vonnis uit, dat nog ten huldigen dage op al hunne nazaten rust. Hij zeide tot Eva: „Verzwaren zal ik de weeën uwer zwangerschap; in smart zult gij kinderen baren, gij zult onder het gezag staan van den man en hij zal uw heer wezen.quot; Vervolgens sprak Hij tot Adam: „Om uwe zonden zij de aarde gevloekt; onder zwaren arbeid zult gij uit haar uw voedsel trekken zoolang gij leeft, distelen en doornen zal zij ti voortbrengen, in hot zweet uws aansc\'nijns zult gij uw brood eten, totdat gij wederkeert tot de aarde waarvan gij gemaakt zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeeren.quot; God joeg vervolgens Adam uit het paradijs en plaatste aan den ingang van hetzelve een Cherubijn met een vlammend zwaard, om hem te beletten het paradijs weder te betreden. Welke straf Chr ! hoe verschrikkelijk, maar tevens hoe rechtvaardig! Nauwelijks was Adam in verzet gekomen tegen God, of de geheele natuur

-ocr page 151-

kwam in verzet tegen hem. üogenblikkeJijk spannen de vier elementen samen tegen den zondigen mensch, om hunnen beleedigden Schepper te wreken. (Sap. 5. 21.)

A) de aarde weigert om voortaan uit haar zelve den mensch hare voortbrengselen te leveren, \'t Is niet dan door inspanning en ai\'beid, dat de mensch er voortaan zijn bestaan uit zal trekken. Van tijd tot tijd zal zij beven tot op hare grondslagen, huizen omverwerpen, ja gansehe steden met hare inwoners onder puin begraven. Een ander maal zal zij haren schoot openen en vlammen spuwen. Het vuur des hemels treedt in verbintenis met dat der aarde. De zon blakert en schroeit den mensch in den zomer, in den winter onttrekt zij hem hare warmte en geeit hem prijs aan de felste koude. De bliksem slaat van tijd tot tijd neder en doodt menschen en dieren. De hagel verwoest zijne velden, het water overstroomt zijne landei\'ijen, stormen en orkanen vernielen zijne woning, ontwortelen boomen, doen schepen vergaan.

B) De dieren voegen zich bij de elementen, om den schuldigen mensch te straffen. Eene menigte insecten en vogelen komen zijnen oogst vernielen, de wilde dieren spannen hem hinderlagen, berooven hem van zijn vee, vallen hem aan en verscheuren hem. De mensch ziet zich dus gestraft over de gansehe uitgestrektheid van zijn gebied; gestraft door zijn eigen onderdanen, die tegen hem in verzet zijn gekomen. Ongelukkige kinderen van Adam! erfgenamen zijner zonde en zijner straf, wij mogen wel uitroepen met den profeet : „vae nobis quia peccavimus !quot;

C) Doch ziedaar nog slechts het minste gedeelte zijner straf. Hij wordt niet slechts gestraft door den invloed van buiten ; hij ziet zich ook gestraft in zijn eigen wezen. En wel vooreerst in zijn lichaam; zijn

-ocr page 152-

licliaam wordt beheerscht door de begeerlijkheid ; zijn vieesch komt in verzet togen den geest; verzet veel schandelijker, veel noodlottiger, dan dat der rede-looze natuur tegen den mensoh. J)e begeerlijkheid wekt in hem op een lastige en aanhoudende strijd tegen hein zeiven ;\'t is van dien stiijd dat de Apostel spreekt, als hij zegt: „Ik voel in mijne leden eene wet, tegenovergesteld aan de wet van den geest; eene wet die mij aanzet het tegenovergestelde te doen van hetgeen mijne rede goedkeurt, eene wet die mij ketent en boeit aan do zonde.quot; (Rom. 7, 23.) \'t Is die inwendige en aanhoudende strijd , die den Apostel al zuchtend deed uitroepen : „Ongelukkige die ik ben, wie zal mij bevrijden van dat lichaam des doods.quot; (Ibid. 24.) Ja Chr. ons ellendig lichaam is waarlijk een lichaam des doods, omdat hot ons blootstelt aan de zonde, aan den geestelijken en den eeuwigen dood. \'t Is ook een lichaam des doods, omdat het zelf onderworpen is aan den stoffelijken dood. De H. Joannes zegt ons in het boek dor Openbaringen, dat hij eene vreeselijke stom hoorde die riep ; „Kom en zie.quot; En aanstonds zag hij een geheimzinnig ruiter verschijnen, op een vaal paard gezeten. Die ruiter heette „doodquot; en de hel volgde hem. En Ood gat hem hei gebied over de vier wereld-deelen, om de menschen te doen sterven door bet zwaard, door den honger, door wilde dieren en door alle andere middelen van verdelging. Die vreeselijke ruiter is de algemeene uitvoerder der goddelijke wraak. De dood, zegt de li. Paulus, heerscht over de gansche aarde sedert de zonde van Adam, hij heerscht over alle nakomelingen van den eersten mensoh, zelfs over hen die nooit eene dadelijke zonde bedreven hebben.quot; (Rom. 5. 14.) Sneller dan de bliksem.

-ocr page 153-

verplaatst bij zich in één oogslag van liet eene tot het andere einde der wereld en slaat zonder medelijden iedereen met zijne scherpe zeis; hij maait beurtelings weg alle menschen, overeenkomstig het bevel hem door God gegeven ; in zijne omgeving staat de pest, de oorlog en hongersnood, overal verspreidt bij angst, schrik en rouw; terwijl de hel altijd gereed is de slachtoffers van den slaanden engel te verslinden : „ Vae nobis quia peccavimus.quot; Met boevele rampen treft de dood en haar gevolg niet deze droevige en ellendige aarde \'? Hier ziet men eene stad ontvolkt worden door eene besmettelijke ziekte, hare bewoners sterven dagelijks weg bij honderden en duizenden, de hospitalen kunnen de zieken niet meer bergen, de kerkhoven zijn te klein om de lijken te bevatten. De rijken ontvluchten de stad om aan den dood te ontsnappen. Er blijven geene meer over dan armen, zieken, steivenden en eenige weinige personen om de zieken te verzorgen. En wat kan men niet zeggen van zooveel andere ziekten die het menschdom folteren; van zooveel moeilijke en pijnlijke baringen, waarbij eene moeder hot leven schenkt aan haar kind ten koste van het hare, of\' van zoovele kinderen die dood geboren worden, verstoken van het Doopsel en van het bezit van God. Een tweede bondgenoot van den dood is de hongersnood. Stelt u voor eene streek door dien geesel geteisterd. De meest gewone voedingstoffen komen te ontbreken, terwijl de meest walgelijke levensmiddelen tot boogen prijs stijgen, de rijken kunnen nauwelijks leven, geheele troepen van uitgehongerden dwalen rond over de velden om wat voedsel te vinden, zij woelen den grond om met hunne nagelen, om er eenige wortelen uit te trekken, zij betwisten elkander de lijken van half vergane dieren en zij die niets vin-

-ocr page 154-

- 138 —

den om hunnen honger te stillen, vallen van uitputting neder ter aarde en sterven te midden dor wegen, zonder dat iemand er aan denkt hen te begraven. Maar be-schonwt ook eens een land bezocht door den oorlog. Wat al bloed wordt er vergoten in de gevechten, wat al duizenden zielen worden binnen eenigeuren tijd neergestort in de hel, terwijl tal van huisgezinnen in rouw worden gedompeld. .. Ach ! Chr; wat al rampen en ellenden baart de dood en zijn gevolg : ziekten , oorlog en hongersnood. Konden wij alle tr inen bijeenverzamelen, die van het begin der wereld gestort zijn, zij zouden stroo-men vormen ; kon men al het bloed bijeenbrengen sedert dien tijd vergoten, het zou eene zee wezen ; kon men alle beenderen en doodshoofden vergaderen die over de gansche wereld verspreid zijn, zij zouden bergen vormen. Welnu die stroomen van tranen, die zeeën bloeds, die bergen van doodsbeenderen, zijn de straffen der zonde van Adam; want de dood met al zijne verwoestingen is de soldij der zonde, zegt de Apostel. (Rom. 6. 23).

D) Eindelijk werd de mensch gestraft, niet enkel in zijn lichaam door de begeerlijkheid en den dood; maar hij werd ook nog gestraft in zijne ziel. a) In zijn verstand; door dwaling , twijfel en onwetendheid. In welke diepe, dwaling en duisternis lag de wereld niet begraven vóór de komst van J. C.! Was er wel ééne dwaasheid, ééne ongerijmdheid, die niet geleerd werd door de zoogenaamde wijzen van het heidendom. De menschen aanbaden stomme beelden, dieren en planten. Alles was God; God alleen uitgenomen. Welnu, al die dwalingen van het heidendom zijn een gevolg van de erfzonde. Vervolgens, hoeveel onwetenheid in ons verstand ! Wij zijn verplicht de schoonste jaren, de eerste helft van ons leven te besteden, om die on wetendheid te verdrijven. Wij kennen niets zonder het

-ocr page 155-

— ]39 —

geleerd te hebben ; elke wetenschap en kunst, elk handwerk moet door studie , door inspanning aangeleerd worden, b) De mensch wordt nog gestraft in zijn hart. Hij behield niet meer dan eene zwakke neiging tot het goed, terwijl hij eene sterke aandrift voelde voor het kwaad. Zijn hart werd de speelbal, of liever het slachtoffer van lage driften, de prooi van duizenden begeerten, die voortdurend opstijgen en nimmer bevredigd zijn. Zijn geweten werd gekweld door allerlei ongerustheden en knagingen. Ziedaar Chr; de vreeselijke straf der erfzonde, de straf van eene enkele doodzonde. Die straf nu is den mensch toegevoegd door een God, oneindig rechtvaardig, die niet zwaarder straft dan het misdrijf vordert.Oordeelt dus uit de grootte en gestrengheid der straf over de afschuwelijkheid der zonde. En toch wordt de zonde voor eene nietigheid gehouden ; zij wordt zonder knaging bedreven en men denkt er niet aan haar door boetvaardigheid uit te wisschen. c) Laat ons Chr; deze beschouwing eindigen met een terugblik op ons zeiven ; vergelijkt eens de zonde van Adam met uwe eigen persoonlijke zonden. Van de zijde van Adam is hot eene enkele zonde, eene zonde bedreven, voordat onze stamvader de ondervinding had opgedaan van de goddelijke gerechtigheid, eene zonde waarover hij aanstonds berouw had en die hij negen eeuwen lang beboette. En van uwe zijde V Ach niet ééne maar tallooze zonden, zonden bedreven in eene natuur door J. C. geheiligd; zonden die gij misschien nooit hebt uitgeboet en waarover gij slechts een zwak berouw gevoelt. O mijn God ! wat heb ik niet te vree-zen van uwe gerechtigheid ; want wie is in staat de grootte te beseffen van uwen toorn, wie kan de uitgestrektheid meten uwer gramschap 1

III. quot;Wij hebben tot dusverre gezien hoe God de

-ocr page 156-

— 140 -

zonde strafte in do engelen en in den inensch. Er blijft ons nog over te zien, hoe Hij haar strafte inden persoon van zijnen Eenigen Zoon.

1) Onze eerste ouders met te eten van de verboden vrueht, sleepten al hunne nakomelingen mede in hunne zonde en in hun ongeluk. Het gansehe mensohdom had in en door Adam gezondigd, bet was schuldig aan eene groote misdaad en beladen met den vloek van God. A) Do mensohen erkenden schuld, zij zagen in hoe geducht God in zijnen toorn het menschdom strafte, en begrepen tevens de noodzakelijkheid Hem te bevredigen. Daarom hebben zij door allo eeuwen hoen bloedige offers opgedragen, om hunne zonden to boboeten; want de zonde kan niet kwijtgescholden worden, zegt do H. Paulus, zonder storting van bloed ; „Sine sanguinis effusione non fit remissio.quot; (Hebr. 9. 22.) Maar welk bloed werd er gevorderd tot uitwisscbing der zonden ? Dat van dieren ? Neen, zegt do Apostel, hot was onmogelijk dat het bloed van bokken en stieren do zonden uitwiesch : „impossibile est, sanguincm hircorum et taurorum auferre peccata.quot; (Hebr. 10. 4.) Sedert 4000 jaren werd het bloed van slacbtdieren bij stroomen vergoten; maar al dat bloed kon den toorn Gods niet bevredigen; „bolocautomata pro peccato non tibi plaouerunt.quot; (Ibid. 6). H) De Goddelijke roclitvaardiglieid eischte een edeler en krachtiger bloed, dan dat van dieren, En welk dan V Het bloed van menschen ? Neon; sedert den moord van Abel, word de aarde als overstroomd door mensehenbloed. Hoevolen millioenon menschen vielen onder het zwaard der Perzen, Grieken en Komeinen ? Volgons het getuigenis der oude schrijvers, waren de oorlogen van vroeger voel moorddadiger dan thans; in sommige veldslagen bleven er

-ocr page 157-

tot 100.000 op het slagveld, zoodat hot bloed de aar. de doorweekte en de wateren kleurde. O mijn God ! waren die stroomen bloeds niet voldoende om de zonden uit te wissclien. ? Neen, al dat bloed was niet in staat eene enkele doodzonde weg te nemen. Welk bloed werd er dan vereisclit ?

C) Ach! een bloed dat luider riep dan dat van Abel; een Goddelijk bloed. De rechtvaardigheid Gods eischte eene algemeene voldoening, dewijl alle men-schen gezondigd hadden en eene oneindige voldoening, omdat de beleediging God aangedaan oneindig was, met het oog op de majesteit van God, die beleedigd was. Haar kon hot geheele mensohdom om de erfzonde uit te boeten, zich wel aan de rechtvaardigheid Gods ten offer brengen\'? En veronderstelt van ja; dan zou nog die algemeene voldoening krachteloos geweest zijn, dewijl zij niet oneindig was.

2) Welnu die algemeene oneindige voldoening, onmogelijk voor de mensehen en door Gods rechtvaardigheid geeischt, zou God, gedreven door eene bovenmatige liefje voor de mensehen, ons zelf geven. A.) De Zoon van God ziende dat het mensohdom onvermijdelijk ten verderve ging, nam het besluit óm voor hen aan de gerechtiglieid van zijn Vader te voldoen. Doch dewijl Hij, in zooverre Hij God was, die voldoening niet kon geven, nam Hij de menschelijke natuur aan, vereenigdo die in zijn persoon met de goddelijke natuur en daalde neder op aarde. Op aarde komende, zeide Hij tot zijn Vader : „Gij hebt slachtoffers en offeranden verworpen, maar gij hebt mij een lichaam bereid. Gij hebt de zoenoffers, die de mensehen u aanboden tot uitdelging hunner zonden niet aanvaard. Toen heb ik gezegd : Ziedaar ik ben bereid, om uwen wil te volbrengen en mij zeiven ten

-ocr page 158-

— 142 —

offer te brengen aan uwe gerechtigheid.\'\' (Hebr. 10. 5) De Hemelache Vader nam het edelmoedig offer van zijn zoon aan, Hij belaadde den onsclmldigen Jesus met de zonden van alle mensohen : „posuit in eo iniquitatem omnium nostrum(Isai. 53) en Hij leverde den Godmenseh over als slaelitoffer aan zijne gerechtigheid, om voor onze zonden te boeten. B) Na 33 jaren in vernedering en smarten geleefd te hebben, ziet J. C. eindelijiv het uur naderen, waarop Kij zijn groot offer brengen moet. Ziet zijn goddelijk bloed stroomen in den hof van Olijven, dat bloedig zweet dat de kleederen van den Zaligmaker bevochtigde en op aarde afdroop. Aanschouwt Hem in het rechthuis van Pilatus ; ziet zijn Goddelijk bloed dat daar stroomde bij de geeseling en dat goddelijk vleesoh dat bij stukken onder de geeselslagen afviel. Aanschouwt zijn bloed, dat bij de doornenkroning let hoofd van den Zaligmaker bevochtigde, zijn aan gezicht besproeide, oogen en mond vulde. Aanschouwt op den kruisweg die bloedige voetstappen, die overal den weg van den lijdenden Zaligmaker aanduidden. Aanschouwt, hoe op den Kalvarieberg, de beulen Jesus\' handen en voeten doorboren en aldus nieuwe bronnen van bloed openen. Het goddelijk slachtoffer eindelijk uitgeput van lijden, sterft op het altaar des kruises, te midden der wreedste folteringen. Hot groot offer is volbracht: „Consummatum est.quot; Toen opende een soldaat met zijne lans de zijde van Jesus en trok uit zijn hart den laatsten droppel bloed. C:) O! Chr ; welke ijselijke en wreede doodstraf. Welk misdrijf heeft Jesus dan bedreven,dat Hij zoo onmensche-lijk veel moet lijden V Vraagt hot aan Judas die Hem verraden heeft, hij zal u wanhopig antwoorden ; „ik heb gezondigd met het bloed van den Rechtvaardige

-ocr page 159-

— 143 —

af te leveren: „peocavi, tradens sanguinetn justum.quot; (Matth. 27. 4.) Vraag\'t het aan Pilatus die Hem ter dood veroordeelde, wat Hij misdaan lieeit; hij zal u tot vijfmaal toe antwoorden: „ik vind geen schuld in dien man: ego, nullam in eo invenio eausam.quot; (Joan. 18. 38). Voordat hij Jesus vonnisde, wiesch hij zijne handen voor het volk en zeide; „Ik ben onschuldig aan het bloed van dien Rechtvaardige ; In-nocens ego sum a sanguine justi hujusquot;. (Matth. 27. 24.) Ondervraagt de engelen des hemels ; zij zullen n antwoorden al zingende : „Heilig ! heilig ! heilig is de Heer, de God der heerscharen.quot; (Apoc. 4. 8.) Ondervraagt eindelijk den Hemelsohen Vader zelf; waarom hebt gij toegelaten, dat uw eenige, uw welbeminde zoon, tot een zoo wreeden, een zoo schandelijken dood veroordeeld werd? Waarom zie ik Hem geheel bebloed en verscheurd, onder de slagen uwer gerechtigheid V En God de Vader zal u antwoorden, bij monde van den profeet Isaias: „Ik heb mijn zoon geslagen, ter oorzake van den gruwel van mijn volk : Propter scelus populi mei percussi eum.quot; (Isa. 53) Ach ! de zonde moet dus een gruwelijk, een oneindig kwaad zijn, dewijl een God die de rechtvaardigheid zelve is, om haar uit te wisschen eene oneindige voldoening vordert, namelijk het offer van zijn eigen zoon. Helaas 1 indien de Hemelsche Vader zijn eigen zoon niet gespaard heeft, alhoewel hij slechts den schijn van zondaar bad en ofschoon Hij zich slechts als borg gesteld had voor de zonde der menschen ; wat zal er dan van ons geworden, van ons, verachtelijke slaven, schuldig aan zoovele zonden ! „Indien men aldus handelt met het groene hout, wat zal er dan met het dorre geschieden.quot; (Luc. 23. 31) Chr ! wat is meer eigen om ons te doordringen met af-

-ocr page 160-

- 144

schuw voor de zonde ; wat is beter ia staat ons hart te vervullen met oene diepe droefheid, dan het gezicht van den Zoon Gods, voor ons den kruisdood sterver de. O hemel! de zoon van God stortt aan het kruisvoer onze zonden, op last van zijn Vader. De hel bij dat gezicht ijst, de natuur schijnt uit haar verband gerukt, een God sterft aan het kruis voor de zonde. Ik geloof dat, en toch gevoel ik noch droefheid over de bedreven zonden, noch afschuw voor de zonde in de toekomst. quot;Wat zog ik? Ik zondig nog, ik kruisig opnieuw in mij den Zoon van God; wat belet u nog mij te treffen? Mijne ziel! zie uwen Jesus, Rij sterft aan het kruis. Hij sterft niet slechts om de zonde van Adam uit te boeten; maar ook uwo persoonlijke zonden. Hij sterft en gij zijt het die eenc moordende hand aan Hem slaat. Gij ziet hom en smelt niet weg in tranen. Bij zijn dood werd de zon verduisterd, de rotsen spleten, de heidenen zelve stegen den Kal-varieberg af, kloppen op hunne borst en gij alleen blijf ongevoelig ! De graven gingen open, de gordijn dos tempels scheurde, de gansche natuur ontstelde, en gij alleen zondaar, zijt niet bewogen, gij alleen wiens hart harder is dan steen, gij ziet mot drooge oogen uwen Verlosser aan het kruis geklonken en stervende in onbeschrijfelijke smarten. Ja, gij durft zelfs door uwe zonden dat akelig tooneel vernieuwen. Ach ! mocht toch eens mijn hart door droefheid getroffen in tranen uitbarsten, om de grootte en menigte mijner zonden te bewoenen. O Jesus! aan het kruis gehecht, duld dat ik aan uwe voeten neergeknield, u mijne droefheid betuige on dat ik doordrongen van afschuw wegens de oneindige boosheid der zonde, eerder ophoude te leven dan ophoude dezelve te bewoenen. Lam Gods, dat uitwischt de zonden der wereld ! ik

-ocr page 161-

— 145 —

smeek u vergeef mij al mijne zonden en heb medelijden met mij. Pas op mij toe, de verdiensten van uw kostbaar bloed, geef mij uwe vriendschap weder en laat niet toe dat ik u in het vervolg nog ooit beleedige. Amen.

10

-ocr page 162-

Doodzonde in hare geestelijke uitwerkselen. (Lijk.)

I. Ongevoeligheid.

1) Eene ziel in staat van doodzonde wordt door niets geroerd,

2) Zij ziet niets,

3) Zij hoort niets :

a) noch de bevelen van God,

b) „ „ uitnoodigingen zijner genade.

Geduld v. J. C. Lijden van J. C. Verstooten genaden.

II. Onbewegelijkheid.

1) De zondaar is stom :

a) wanneer hij moet bidden,

b) „ „ „ biechten.

2) Hij is aan handen en voeten gebonden,

a) Hij is slaaf van den duivel en zijner kwade gewoonten,

b) Niet in staat een bovennatuurlijk werk te verrichten.

III. Naaktheid.

1) De zondige ziel ontbloot van hare schoonheid,

2) Ontbloot van alle gaven der genade,

3) Beroofd van hare rechten op den hemel.

TV. Bederf.

1) Bederf van het verstand,

2) j) jj »j hart,

Z) Knagende worm des gewetens.

V. Stank.

1) Zij verspreidt een afschuwelijken stank:

a) door hare woorden,

b) „ „ manieren.

-ocr page 163-

— 147

Lazarus mortuus est.Lazarus is dood. (Joan. 11. 14.)

Wie uwer kent niet de geschiedenis van Lazarus, den broeder van Martha en Maria, den boezemvriend van Jesus. Lazarus, bij wien Jesus zoo gaarne vertoefde, werd ziek en stierf. Jesus van de ziekte van Lazarus onderricht, begaf zich naar Bethanië en zeide tot zijne discipelen; „Lazarus onze vriend slaapt, ik ga hem opwekken.quot; Maar onderweg zeide Hij hun openlijk: „Lazarus is dood; doch laat ons niettemin naar Bethanië gaan.quot; Jesus kwam te Bethanië en ziet. Lazarus lag reeds vier dagen in het graf. Groote droefheid in het huis van den overledene !quot; Heer! waart gij hier geweest, spraken beurtelings Martha en Maria tot Jesus, onze broeder zou niet gestorven zijn. Jesus zag hen wee-nen en sprak; „Waar hebt gij hem neergelegd?quot; En zij antwoordden! „Kom en zie.quot; Ook Jesus begon te weenen en do joden dit ziende, zeiden; Ziet hoezeer Hij hem liefhad. Jesus bereikte inmiddels het graf. Het was eene opening, in de rots uitgehouwen en gesloten met een zwaren steen. Neemt dien steen weg, zeide Jesus. Heer! sprak Martha, hij zal een kwaden reuk verspreiden; want hij ligt reeds sedert vier dagen in het graf. Chr. laat ons zelf dien steen wegschuiven en treden wij in den geest die sombere grafstede binnen. Ontwaart gij niet de doodslucht, ziet gij niet in de schaduw dat lijk in doeken gewikkeld en prijs gegeven aan de ontbinding en het bederf ? Welnu, dat lijk is het schrikkelijk afbeeldsel eener ziel in staat van doodzonde. Ja, eene arme ziel, die do dagelijksche zonde gering achtte en die na lang g.skwijnd te hebben eindelijk in doodzonde valt, is

-ocr page 164-

— J.48 —

flood in de oogen van God; want evenals bij den dood do ziel^zioh verwijdert van het lichaam, zegt de H. Augustinus, zoo ook verwijdert zich God van eene ziel in staat van doodzonde. Iemand die in staat van doodzonde zich bevindtjgaat, ziet en spreekt; men meent dat hij leeft; ja naar het lichaam, doch helaas! zijne ziel is dood voor God. Het edelste deel van zijn wezen is zonder leven, het huis staat nog overeind ; maar hij die hot bewoonde is er niet meer in. Chr. welk verschil is er tusschen een dood lichaam, een lijk en eene ziel in staat van doodzonde. Een lijk is gevoelloos, bewegingloos,van alles ontbloot,ten prooigegeven aauhet bederf en verspreidt een kwaden reuk. Welnu, gevoelen bewegingloosheid, bederf en stank, ziedaar eveneens de droevige eigenschappen eener ziel die dood is voor do genade. Komt dus Chr. en ziet:quot; Veni et vide,quot; Komt in de grafstede van Bethanië, bij het lijk van Lazarus den treurigen staat aanschouwen eener ziel in staat van doodzonde. Doch laat ons eerst het light afsmee-ken van den H. Geest door de tusschenkomst van Maria.

I. Aanschouwt Chr. hot lijk van Lazarus; het ligt daar koud en gevoelloos uitgestrekt in het graf. Het wordt geroerd noch door de tranen zijner vrienden, noch door het gekerm zijner beide zusters, noch door de droefheid van Jesus, die hem zoo liefhad. Zijne oogen zijn gesloten ; hij ziet niets meer, noch de duisternis van het akelig graf, noch de stralen der zon, die de grafstede binnendringen. Zijne ooren zijn gesloten, hij hoort niets meer, noch de teedere stem des Zaligmakers, noch de klaagtonen der omstaanders.

1) Treurig beeld eener ziel in staat van doodzonde ! De adem des H. Geestes heeft opgehouden haar te bezielen, het vuur der liefde verwarmt haar niet meer, die ziel blijft ongevoelig voor het verdriet van een

-ocr page 165-

- 149 —

vader, van eene moeder, die sedert geruimen tijd misschien reeds haar wangedrag en zondig leven betreuren; ongevoelig voor de smart van haren herder en ziel-bestierder, die haren geestelijken dood bevveenen. Zij blijft ongevoelig voor de liefde van een God, die haar van eeuwigheid bemind beeft, van een God die baar uit het niet heeft getrokken, van een God die ter liefde van haar nedergedaald is uit den hemel en menaeh geworden in een stal, die in armoede en vernedering geleefd heeft, die gestorven is aan een kruis. Zij blijft ongevoelig voor de tranen die Jesus over haar gestort heeft; ongevoelig voor de klachten van dien goeden God, die hemel en aarde tot getuigen roept zijner droefheid: „Hemelen! luistert, roept Hij uit en gij aarde leent het oor. Tk heb kinderen gevoed, ik heb hen me1; eer overladen en zij hebben mij veracht De redelooze dieren zijn erkentelijk jegens hunne weldoeners; de os kent zijn meester, de muilezel kent de hand van die hem voedt; maar Israel heeft mij niet gekend, bet heeft mijne weldaden, mijne liefde vergoten.quot; Die ondankbare ziel is gevoelloos voor alle weldaden van God ; alles wat zij heeft en is, heeft zij van God ontvangen en zij bedient zich van alle gaven Gods om Hem te beleedigen. Zij doet als een arme die een aalmoes ontvangen heeft van een rijke en met dat geld een dolk koopt, om zijn weldoener te dooden.

2) Die schuldige ziel ligt begraven in de dais ternis en in de schaduw des doods, evenals een lijk in het somber graf. Zij ziet niets meer. Zij ziet niet meer het verschrikkelijke van haren toestand, zij ziet niet dat zij gedompeld ligt in de diepste duisternis. Zij ziet niet de stralen der goddelijke barmhartigheid, dat zachte licht dat God haar toezendt in zijne goed-

-ocr page 166-

— 150 —

heid om haar in haren treurigen toestand te verlichten en haar tot Hem terug te voeren. Zij ziet ook niet de bliksemstralen van Gods gerechtigheid, zij ziet niet meer de eeuwige waarheden , wier heldere schijn den rechtvaardige schrik aanjaagt en hem in het goede terug houdt. Zij ziet niet den dood die haar boven het hoofd zweeft en haar elk oogenblik dreigt van het lichaam te scheiden en voor het oordeel Gods te dagen. Zij ziet niet meer do hel met haren afgrond van vuur onder hare voeten geopend. Zij ziet niet meer voor haar het onmetelijk veld der eeuwigheid.

3). Die schuldigde ziel eindelijk hoort niets meer. Zij is doof voor de stem van God en zijne bevelen a. :) De Engelen volbrengen met eene ongeloofelijke snelheid alles wat God hen beveelt, de Heiligen trachten in alles den wil van God te volvoeren, de duivelen zeiven beven voor de stem van God. ToenJ. C hier op aarde was, gehoorzaamden Hem die trotsche geesten. Zij verlieten op zijn bevel oogcnblikkelijk de lichamen der bezetenen. Verder alle redelooze wezens zijn onderworpen aan God ; de zon gaat iederen dag nauwkeurig op en onder, de maan ondanks al hare afwisselingen gehoorzaamt aan vaste wetten, de jaargetijden volgen regelmatig hunnen loop, de bliksem treft op het oogenblik zelf dat God het gebiedt, de aarde bedekt zich elk jaar met groen, bloemen en vruchten, de dieren volgen onveranderlijk hot instinct door God hun gegeven, de zee eerbiedigt het strand dat God haar heeft aangewezen , zeggende; tot hiertoe en niet verder. Maar de zondige ziel weigert God te gehoorzamen. Zij weigert zich te onderwerpen aan haren Schepper en brengt aldus verwarring in de overeenstemming der natuur. God spreekt haar toe met ernst en gezag : Ik ben de Heer uw God, Mij zult gij aanbidden, Mij alleen. Niet

-ocr page 167-

— 151 —

den duivel niet de wereld, niet uwe driften, maar Mij alleen. Jongelingen en jonge dochters ! weet dat gij eerbaar en kuisch moet leven, de zonde en de gelegenheden tot zonde moet vluchten, uwe ouders en oversten moet gehoorzamen ; ik beveel u dat uit kracht van het 4e en 6e gebod. Ouders 1 weet dat gij uwe kinderen het voorbeeld moet geven van godsvrucht, het voorbeeld van een veelvuldig gebruik der H.H. Sacramenten; want gaan zij door uwe schuld verloren, dan zal ik u rekenschap vragen van hunne zielen. Weet, dat gij verder uwe kinderen moet bewaken, elke gelegenheid tot zonde van hen verwijderen, uit uw huis bannen alle personen die door al te vrije gesprekken of door een lichtzinnig gedrag hen zouden ontstichten. Weet, dat gij uwe kinderen moet verbeteren en straften, wanneer zij misdoen. Christelijke echt-genooten ! weet dat gij tot elkander eene onschendbare trouw moet bewaren ; gij moet vermijden niet sleehts elke handeling, maar ook elke gedachte en begeerte, alles in één woord wat strijdig is met de zuiverheid des huwelijks. Ziedaar eenige geboden die God geeft; maar de zondige ziel blijft doof voor die goddelijke geboden, die zij overtreedt zoo vaak zij wil. b :) Zij luistert evenmin naar de treffende uitnoodigin-gen der genade, naar dat teeder aanbod dat Jesus haar doet, om haar het geestelijk leven terug te schenken. Mijn zoon! mijne dochter i zoo zegt Hij, op weemoedigen toon ; tot hoelang zult gij in zonde, in uwe schuldige vermaken leven. Hij zegt tot haar al wee-nende : ,Jerusalem ! Jerusalem ! hoe dikwijls heb ik verlangd uwe kinderen bijeen te verzamelen, gelijk eene hen hare kuikens verzamelt onder hare vleugelen en gij hebt het niet gewild.quot; (Matth. 23,37.) O zondaar ! het is reeds sedert lang dat gij mij vergeten

-ocr page 168-

— 1B2 —

hebt, Ik daarentegen heb u niet vergeten, gij zweeft voortdurend voor mijne oogen en te midden uwer ongebondenheden omringt u voortdurend mijne barmhartigheid, ten einde gelegenheid te vinden in uw hart terug te keeren. Gij zijt wel is waar een voorwerp van verachting, doch ik niettemin heb u lief. Gij hebt Mij uw Schepper, uw Vriend, uw Vader uw Verlosser verlaten ; doch ik ben nog immer bereid u in mijne armen te ontvangen en aan mijn hart te drukken. Zondaar, aanschouw eens verder het lijden dat een God voor u verduurd heeft, aanschouw eens de moeite die Hij zich gegeven heeft, om uw hart te winnen. Zijn hoofd is met doornen gekroond, zijne haren, zijn aangezicht, oogen en mond zijn met bloed bedekt; aanschouw die handen en voeten met nagelen doorboord, dat hart uit liefde tot u geopend. Aanschouw dat lichaam gansch verscheurd en bebloed, het is slechts ééne wond van het hoofd tot de voeten. Zeg mij . o zondaar ! wat heb ik voor u kunnen doen, wat ik niet gedaan heb I Wat heb ik voor u kunnen lijden, wat ik niet geleden heb ! Helaas Chr. hoe groot is toch de ongevoeligheid eener ziel in staat van doodzonde. Zij wordt door niets meer geroerd. Zij ziet en hoort niet meer; zij is een lijk.

II. Zij is niet slechts een gevoelloos, maar ook een bewegingloos lijk. Aanschouwt het lijk van Lazarus ; zijne loodkleurige lippen vertoonen niet meer de minste beweging, zijne handen zijn samengedrukt, zijne tong is stom. Al zijne ledematen zijn stijf en onbewege lijk, zijne handen en voeten zijn met windselen gebonden: „ligatus manus et pedes institis.quot; (Joan. 11.44.)

1) Ach die onbewegelijkheid, hoe ijselijk ook in voor stelling, is nog niets in vergelijking van de onbewe-gelijkheid eener ziel instaat van doodzonde, a;) Haar

-ocr page 169-

— 163 —

moud is gesloten voor het gebed, de bron waarlangs alle genaden toevloeien, do onmisbare voorwaarde van voortgang in het goe J. Indien de zondaar maar wilde bidden, dan zou Grod hem aanstonds de hulp verleenen zijner genade. J. C. zou tot hem zeggen, wat Petrus zeide tot den lamme; „Surge et ambula.quot; Maar neen, hij wil niet bidden, hij gevoelt voor het gebed niets dan walging, ja verachting misschien. Zijne tong blijft dus onbewegelijk, ja stom wanneer er spraak is om God te loven en zijne genaden af te smeeken, b) Zij blijft stom ook wanneer zij hare zonden moet belijden aan den biechtvader, vooral sommige schandelijke verborgen zonden, die niemand vermoedt en die de tong niet durft belijden, uit vrees van de achting te verliezen van den biechtvader. Zondaar of zondares, er zijn misschien reeds jaren vervlogen dat gij uw noodlottig geheim voor u zei ven bewaart, dat gij stom blijft in den biechtstoel. Gij, man of vrouw, zijt gij niet stom, sedert de zonde van overspel die gij bedreven hebt? Zijt gij niet stom sedert gij tegen de heiligheid van het huwelijk gezondigd hebt ? Zijt gij niet stom van af uwe jeugd, vanaf uwe intrede in do wereld, of wel van af den tijd dat gij eene verkeering aangingt. Zijt gij niet stom misschien van af uwe kinderjaren. Is er geene zonde meer in uw hart, die gij niet hebt durven biechten bij gelegenheid uwer eerste H. Communie. Verkeert gij niet in het geval van den doofstomme, van wien spraak is in het Evan gelie en die in dien treurigen staat verkeerde van af zijne kindschheid. 2) Helaas ! niet alleen zijne tong is bewegingloos, maar ook zijne handen en voeten zijn gebonden door de banden zijner kwade gewoonten, door de banden van den duivel, hij is slaaf der zonde, slaaf van Satan, a) De menscb in staat van genade, is vrij

-ocr page 170-

— 154 —

in zijne bewegingen ; want „waar cle geest van God zich bevindt, zegt de H. Paulus, daar is ook de ware vrijheid;quot; (II, Cor. 3.17). Kostbare vrijheid, die J. O. ons door zijn bloed verworven heeft, (Gal. 4. 31.) heilige vrijheid, bestaande in een volkomen vrijdom van elk ander juk behalve dat van God, roeruvolle vrijheid, die men niet verliezen kan zonder zich te verlagen , bestendige vrijheid waarvan geene macht op aarde ons berooven kan. Alwie daarentegen in zonde leeft, is slaaf en wel slaaf der zonde, zooals de H. Joannes zegt; (Joa. 8. 34.) ja wat meer is, hij is verkocht aan de zonde , volgens do krachtige uitdrukking van den H. Paulus ; „venumdatus sub peccato ;quot; (Rom. 7. 14.) de duivel is zijn meester, zijn dwingeland, die lederen dag zijne boeien meer en meer toeknelt. Alles in hem is verslaafd aan den duivel, aan Satan : de vermogens zijner ziel, de zintuigen van zijn lichaam, zijne talenten, fortuin, enz. In dien rampzaligen staat doet do zondaar somtijds pogingen om tot God terug te kee-ren ; pogingen tot bidden, biechten, eene of andere kwade gewoonte te verbreken , deze of gene gelegenheid tot zonde te vermijden. Doch de duivel laat het niet toe. Do duivel behandelt zijne slaven, gelijk de hoofdman van het Evangelie zijne soldaten : Ik zeg tot hem: ga en hij gaat; tot een ander ; kom, en hij komt. En tot mijn dienstknecht; Doe dit en hij doet het. (Luc. 7. 8.) Evenzoo doet de duivel : hij zegt tot den onge-lukkigen zondaar : „Affer, afferbreng aan, breng aan de voldoening van die drift, van die zonde. En altijd wordt hij gehoorzaamd. Is hot eindelijk niet do geschiedenis uwer eigen slavernij die de H. Augustinus bescarijfti wanneer hij ons afschildert zijn eigen zondig leven, Ik slaakte zuchten, zoo zegt bij, geketend als ik was niet met vreemde boeien, maar met de boeien van mijn

-ocr page 171-

— 155 -

eigen wil. De vijand mijner ziel bad zich meester gemaakt van mijn eigor wil, hij had er een keten van gemaakt, waarmede h\'j mij aan de aarde gekluisterd hield, b) O welke noodlottige, welke schandelijke slavernij ! welke schrikkelijke gehechtheid aan het kwaad. Daarenboven welke onmacht om bet goed te doen! Want weet het wel, wie in doodzonde leeft, is onbekwaam om de geringste bovennatuurlijke handeling te verrichten. Al den tijd, dien hij verwijderd leeft van God, is een verloren tijd, verloren voor de eeuwigheid. Al zijne goede werken zijn natuurlijke werken en voeren hem geen stap dichter bij den hemel; hij blijft bewegingloos op den weg der zaligheid. Geeft al uwe goederen in aalmoezen weg, omhelst de strengste boetvaardigheid, vast voortdurend op water en brood, bekeert als gij kunt de ganschc wereld , levert uw lichaam over aan het vuur, de H. Paulus niettemin verzekert u, dat alles vruchteloos is voor den hemel, indien er eene enkele doodzonde in uw hart schuilt, indien gij niet de liefde, de genade van God bezit. (1 Cor. 13.) Welk onmetelijk verlies! Hebt gij 10. 20. 30 jaren in doodzonde geleefd , dan zijn 10. 20. 30 jaren voor altijd verloren en niet één goed werk dat gij gedurende dien tijd verricht hebt, staat aangeteekend in het boek des levens.

III. Chr. dalen wij nog dieper neder in den afgrond waai\'in de zondaar zich bevindt, die dood is voor de genade. Werpen wij nogmaals een blik op het lijk van Lazarus. Het ontzielde lichaam van dien jongeling is ontdaan van al zijne schoonheid; dat aangezicht, die handen zijn loodkleurig, de oogen zijn ingevallen in de oogkassen, alle ledematen zijn ontvleescht en vermagerd. Lazarus , die volgens de overlevering een rijk man was, is nu ontbloot van al die rijke kleederen die

-ocr page 172-

hem weleer bedekten ; een somber doodskleed, ziedaar alles wat men hem gelaten heeft; hij is ter wereld gekomen en heeft haar verlaten van alles ontdaan. (Job. 21.) Lazarus is beroofd van alles wat hij bezat op aarde; de dood heeft hem verdreven uit het huis dat hij bewoonde en hij heeft geene andere woning meer dan een treurig graf: „solum mihi snperest sepul-chrum quot; (Job. 1 7. 1) Welnu,de naaktheid,de ontblooting van alle zaken, is ook het treurig aandeel eener ziel in staat van doodzonde.

1) Die ziel is beroofd van al hare schoonheid. O! wat was zij schoon vóór de zonde. Geschapen naar het beeld van God, de ongeschapen schoonheid, gewasschen in het bloed van J. C. bezat zij geen enkele vlek noch smet, zij was als een zuiver kristal, dat alle trekken der goddelijke schoonheid, alle stralen van de Zon der Gerechtigheid terugkaatste; zij was als eene glinsterende ster, eene lelie van zuiverheid, eene roos van liefde. Zij was zoo heerlijk schoon, dat zij do aandacht trok van geheel het hemelsch hof, het hart van God zeiven in verrukking bracht , die haar deze teedere woorden toevoegde : „quam pulchra es amica mea, quam pulchra es.quot; (Cant. 1 14.) Eene ziel in staat van genade vertoont een zoo heerlijk gezicht, dat de H. Ca-tharina van Siëna, die door openbaring van God ei eene mocht zien, van genot meende te sterven. Die ziel nu bedrijft eene doodzonde en ziet, oogenblikkelijk wordt zij van al hare schoonheid beroofd Et egressus est a filia Sion omnis decorejus.quot; (Thren 1. 6.) Zij is ja nog een beeld van God, maar vreeselijk geschandvlekt, zij gelijkt eerder den duivel dan God; zij heeft al haren glans verloren, hare leliën en rozen zijn verwelkt, zij is bedekt met slijk en vuilnis. O wat droevige verandering ! wat treurig schouwspel!

-ocr page 173-

— 157 —

2) Die ziel verder is beroofd van al hare gaven, van alle versierselen der genade, beroofd van het koninklijk gewaad, waarmede zij bekleed was als dochter van den Koning der Koningen, beroofd van al hare kostbaarheden,van al hare geestelijke rijkdommen en verdiensten. Zij had misschien reeds vele schatten bijeenvergaderd, vele verdiensten voor den hemel gewonnen. Wat al gebeden enaal-noeze^wat al overwinningen en boetwer-ken, wat al akten van geloof, hoop en liefde, van geduld, van overgeving aan den wil van God. Welnu, al die rijkdommen zijn haar ontnomen. Ondanks al hare vroegere deugd, verdient zij zelfs niet meer de laatste plaats in den hemel, zij verdient enkel het vuur der hel. «Indien de rechtvaardige, zegt God door den mond van den profet-t Ezechiel, zich van de rechtvaardigheid afwendt en ongerechtigheid pleegt, zal ik al zijne goede werken niet meer indachtig zijn.» (Ezech. 18.24) Die verdiensten evenwel zijn niet vernietigd, zij zijn niet voor altijd verloren. Zij worden aan de ziel teruggeschonken wanneer zij zioh bekeert, wanneer zij de zonde verlaten en eene goede biecht gesproken zal hebben; middelerwijl echter dienen al die verdiensten haar tot niets. „Waarmede moetik u dan vergelijken ongelukkige ziel? Cui comparabo te vel eui assitnilabo te filia Jerusalem ?quot; Aan een wijnstok beladen met vruchten, die op eenmaal door den storm wordt verwoest; aan een tempel die op eenmaal in puin valt, aan een schip dat beladen met schatten, door den storm uiteengeslagen wordt , aan een heerlijk monument, dat door het vuur in de asch wordt gelegd.

3) Die ziel ontdaan van al hare verdiensten, wordt eindelijk nog beroofd van al hare rechten op den hemel. Sterft zij in zonde, nimmer zal zij God aanschouwen , nimmer zal zij binnengaan in het hemelsch Je-

-ocr page 174-

- 158 —

rusalem, die rijke stad, gebouwd uit goud en kostbare gesteenten. Nimmer zal zij zien die bewonderenswaardige stad, prijkende met kunststukken, die nooit men-sohen oog hier op aarde aanschouwd heeft, die stad die weergalmt van gezangen en melodiën, welk nog nooit menschen oor hier op aarde gehoord heeft. Nooit zal zij zien die gelukzalige stad, waar geen dood, geen rouw, geen tranen, geen droefheid meer bestaat; maar waar men niets hoort dan triomf-en jubelkreten. Nooit zal zij zien die glorierijke stad, wier burgers allen koningen zijn, zegt de H. Augustinus; „quot eives, tot reges.quot; Nooit zal zij zien die glansrijke stad, waar het nooit nacht is, maar waar de Zon der Gerechtigheid zelve hare uitverkorenen bestraalt met al den luister barer glorie. En waar gaat zij dan heen, die arme ziel 1 verre van God, verre van den hemel ? Helaas ! zij gaat naar een oord van pijnen, naar een oord van onrust en wanorde, van duisternis, naar een oven van vuur , door den toorn Gods ontstoken, naar een oord waar men niets hoort dan geween en geknars der tanden.

IV. Kan men aan den rampzaligen toestand eener ziel in staat van doodzonde nog wel iets toevoegen V Ja, ongevoelig en bewegingloos in het goed, van alles ontbloot, is zij verder evenals een lijk ten prooi aan het afzichtelijkst bederf. Hoe voortreffelijker eene zaak is, des te afzichtelijker wordt zij wanneer zij de prooi wordt der ontbinding; „Corruptio optimi pessima.quot; Eene vergane plant, eene rotte vrucht verwekt reeds walging, een dier in staat van ontbinding is nog veel walgelijker, het lichaam van den menseh ten prooi aan de ontbinding des grafs, is zoo afzichtelijk mogelijk. Maar wie is in staat den toestand te schetsen eener ziel, besmeurd, bedorven door de doodzonde ? in zoo-

-ocr page 175-

— 159 —

verre de ziel het lichaam overtreft, in zooverre gaat ook het bederf eener ziel, het bederf des lichaams te boven.

1) Helaas I dat verstand zoo verheven, bestemd om God te kennen, zijne heilige wet te overwegen , aan den hemel te denken ; dat verstand geschapen om eenmaal van aanschijn tot aanschijn de eeuwige waarheid te aanschouwen, is bedorven door vrijwillige twijfels tegen het geloof, door wellustige gedachten, door oneerbare voorstellingen, waarin het zich vrijwillig ophoudt. Dat bederf van den geest wordt nog vermeerderd door losbandige gesprekken, die men met vermaak aanhoort, waaraan men deelneemt.

2) Vervolgens dat hart zoo edel, zoo groot, dat hart bestemd om te branden van liefde tot God, dat hart bestemd om de onuitsprekelijke vreugden des hemels te smaken , dat hart keiaas! wordt aangestoken, bedorven door een onzuiver vuur, door het vuur der schan delijkste driften en laagste voldoeningen ; het neemt zijn behagen in datgene wat God verfoeit, en het verfoeit datgene wat God liefheeft.

3) En te midden van dat bederf, van die vuilnis van geest en hart, aast de knagende worm des gewetens. Ik zeide in het begin, dat de zondaar ongevoelig is voor alle uitnoodigingen der genade, voor alle bedreigingen van God ; maar het is niet dan langzamerhand, door eéne lange gewoonte van zonden, dat hij in die gevoelloosheid valt. Voordat de zondaar in het kwaad verhard is, wordt hij overal achtervolgd door zijn geweten dat hem tevens dient tot getuige , rechter en beul; het beschuldigt, veroordeelt en pijnigt hem , zegt de H. Bernardus ipsa testis , judex et tortor est; accusat, judicat, erueiat.quot; Nu eens wordt hij vervolgd door de knaging des gewetens te midden zijner

-ocr page 176-

- 160 -

drukste bezigheden, evenals David ; of wel te midden van plezieren en uitspanningen, zooals Balthaaar ; somtijds te midden der pijnen en smarten eener ziekte , zooals Antioehus en bijna altijd in de eenzaamheid en de afzondering, zooals Caïn. Sommigen verwijt zij dat plezier van een oogenblik, dat gekocht werd ten koste van een zoolang naberouw, anderen stelt zij voor al de bitterheid der zonde, dezen verwijt zij onophoudelijk de boosheid hunner zonden en hunne ondankbaarheid, genen doet zij zien het zwaard van Gods gerechtigheid boven hunne hoofden opgehangen, zij doet hen kreten hooren van wraak, zij stoort hun slaap door ijselijke droombeelden. Zondige ziel, roept de H. Au-gustinus uit, wat zijt ongelukkig en beklagenswaardig, indien uw geweten u aldus vervolgt; maar nog rampzaliger zoudt gij wezen, zoo uw geweten u met rust liet; want een zondig geweten Is het zekerste bewijs van den toorn Gods.

V. Het laatste uitwerksel der doodzonde in eene ziel, dat natuurlijk volgt uit het bederf, is de kwade geur die zij verspreidt: de stank. Bespeurt gij niet Chr. in de grafspelonk van Bethanië de walgelijke doodslucht van het lijk van Lazarus, die sedert vier dagen in het graf ligt. Nu, een bedorven een zondig mensch, verspreidt eveneens rondom zich eene doodslucht, namelijk de besmetting van het kwaad, van de zonde.

1) Zij geeft aanstoot door haar ongodsdienstige gesprekken , de twijfels die zij heeft tegen het Geloof openbaren zich in hare woorden. Het is niet zeldzaam menschen aan te treffen, die zelfs in tegenwoordigheid hunner kinderen, gesprekken houden tegen godsdienst en geloof. Het is nog niet lang geleden dat eene dienstmaagd eenen kleinen knaap, die aan hare zorg was

-ocr page 177-

toevertrouwd iets onbetamelijks ziende verrichten, hem daarover berispte, zeggende dat slechte kinderen naar de hel gaan. En de kleine jongen gaf haar onbeschoft ten antwoord: Dat is niet waar; want Mama heeft gezegd dat er geene hel bestaat. Het is ook niet zeldzaam personen zonder den minsten eerbied, ja zelfs met verachting te hooren spreken over heilige zaken, over ceremoniën der Kerk, over biecht, paus, bisschoppen, priesters en kloosterlingen. — Worden er ook niet personen gevonden zelfs in den deftigen stand, die buitengewoon los zijn in hunne gesprekken, ja niet zelden voor de oneerbaarste taal niet terugdeinzen. Ik weet wel al die laagheden worden op bedekte, dubbelzinnige manier, bij wijze van spotternij en aardigheid gezegd en in de fatsoenlijkste bewoordingen; maar in den grond der zaak zijn dusdanige gesprekken niets anders dan de uitdrukking eener lage drift, zij zijn des te gevaarlijker naarmate zij geestiger en bedekter zijn, omdat men er zich alsdan minder voor schaamt en zij ook minder afschuw wekken. Men-schen die zulke gesprekken houden, openbaren met den mond het bederf van hun hart, want; waar het hart vol van is loopt de mond van over. Slechte gesprekken zijn als de bedorven adem van een tijphus-lijder, die aanstekelijk en niet, zelden doodelijk is.

2) Eene ziel in staat van doodzonde verspreidt nog rondom zich eene doodslucht, door al hare manieren ; door oneerbare blikken, onbetamelijke bondingen, door aanstootelijke kleederdracht en door duizend andere middelen meer, door den duivel uitgevonden om het vuur der hartstochten te doen ontvlammen. Eene ziel in staat van doodzonde veispreidt, zeg ik, eene doodslucht en de stank harer zonden maakt haar tot een voorwerp van afschuw voor de rechtvaardigen. Wan-

U

-ocr page 178-

— U)2 —

neer de H. Philippus Nerius tot eene ziel moest spreken in staat van doodzonde, werd hij op bovennatuurlijke wijze daarvan onderricht, door den stank dien hij waarnam. Ook de H. Catharina vau Siëna erkende aan datzelfde teeken, de zielen in staat van doodzonde. De toestand hunner ziel maakt hen ook tot een voorwerp van afsehuw voor de oogen van hun engelbewaarder, wiens tegenwoordigheid zij zoo dikwijls bedroeven, ja dwingen uit schaamte het gelaat met de vleugelen te bedekken. De toestand hunner ziel wekt walging op bij God, hunne ergernissen roepen zijnen toorn af; want wee de wereld, roept J. C. uit, wee de wereld, ter oorzake harer ergernissen ! Wee hem die ergernis geeft; het ware beter voor hem, dat men hem een molensteen om den hals bond en in de diepte der zee wierp. Helaas! Chr. hoe afschuwelijk is de toestand eener ziel in staat van doodzonde, hoe vreeselijk is die geestelijke dood, die ons niet een stoffelijk leven, een leven van eenige jaren ontrakt, maar een onvergankelijk een eeuwig leven. Ik ben overtuigd dat J. C. bij het gezicht eener ziel in staat van doodzonde nog veel meer bewogen is, dan bij het gezicht van het lijk van zijn vriend Lazarus. Mij dunkt, ik zie Hem ontsteld worden en weenen. Ja, Chr; Jesus weent. Hij weent bitter over het lot dier ziel. Ziet hoezeer Hij haar liefhad ; „Ecce quomodo amabat eam.quot; Die ziel zoo schandelijk bezoedelü, had Hij zoo heerlijk schoon geschapen. Hij had haar gemaakt naar zijn beeld en gelijkenis. Hij had haar gewassehen in zijn kostbaar bloed. Hij had haar ver rijkt met zelf ai\'m te worden, voor haar te lijden en te sterven, Hij had haar geschonken alle verdiensten van zijn lijden, voor haar in gereedheid gebracht eene eeuwige kroon en eene plaats in zijn eigen Rijk.

-ocr page 179-

Die onzuivere ziel had Hij geheiliajd door haar te vervullen met zijnen Geest, haar te bekleeden met alle christelijke deugden, met alle vruchten van den H. Geest. Chr; oordeelt nu na zooveel genoten weldaden, hoezeer Jesus die ziel liefhad. Chr; zoo gij het ongeluk hadt thans in doodzonde te wezen, weet dan dat Jesus uwen dood beweent; maar ook gij moogt weenen en uw rampzalig lot betreuren. Hebt gij daarentegen het geluk te leven in staat van genade, betreurt dan uwe vroegere zonden, betreurt die dagen, maanden, jaren misschien, die gij in den dood der üonde hebt doorgebracht. Zucht evenals Martha en Maria over het lot van een of ander lid uwer familie, over het lot van een vader, van een broeder, van een echtgenoot, van een zoon, die misschien in het graf ligt der doodzonde. Bidt Jesus, bidt vurig hem het leven terug te schenken. En is misschien uwe eigen ziel dood, bidt Hem, haar dan op te wekken. Ja er is een groot mirakel der genade noodig om eene ziel in staat van doodzonde op te wekken, grooter dan de opwekking van Lazarus. Luistert naar het einde van het Evangelie-verhaal. Men wentelde den steen af die het graf sloot. Jesus hief de oogen ten hemel. „Mijn vader! zoo sprak Hij, ik dank u dat gij mij verhoord hebt.quot; Vervolgens riep Hij met luide stem; „Lazarus kom uit het graf: Lazare veni foras.quot; En aanstonds richtte de doode zich overeind, aan handen en voeten gebonden. Maakt hem los, zeide Jesus en laat hem vrij heengaan. Ach Chr; ook J. Ch. alleen kan eveneens eene ziel opwekken die dood is voor de genade. Hij alleen kan haar doen opstaan uit het graf der zonde, met haar toe te roepen: „Veni foras.quot; Nu dat mirakel is gemakkelijk, zeer gemakkelijk voor Jesus, dewijl hij almachtig is. Moed dus ; al haddet gij tot dusverre

-ocr page 180-

— 164 -

ook altijd in doodzonde geleefd, Jesus kan u gemakkelijk ten leven doen verrijzen ; want Hij is de verrijzenis en het leven. Hoedanig ook uwe zonden zijn, indien gij ze biecht met oprechtheid en leedwezen, dan zal J. C. zeggen tot den biechtvader, wien hij alle macht gegeven heeft om te binden en te ontbinden: maak die ziel los van de banden der zonde en laat haar in vrede gaan. Moed dus zondaar, sta op uit het graf! Ja sta op onder de dooden en J. C. de Zon der (gerechtigheid zal u beschijnen met het heldere licht der genade. Geloof aan zijne macht, vertrouw op zijne goedheid, bid Hem en gij zult niet eeuwig sterven; maar gij zult leven, leven hier op aarde door het leven der genade en hiernamaals door het leven der glorie. Amen.

-ocr page 181-

De zonde van den Christen.

De zoude is «les te grooter in den Christen :

1) Omdat zij voortspruit uit ecu meer bedorven wil;

2) Omdat zij bevat eene veel grootere ondankbaarheid ;

3) „ „ „ „ ongehoorde trouweloosheid.

Clama, ne cesses, quasi tuba exalta vocem tuam ct annuntia populo meo scelera eorum. Roep, en laat niet na te roepen ; verhef uwe stem als den klank eener trompet, en maak mijn volk zijne gruwelen bekend. (Isai. 58. 1.)

Aldus Geliefden, sprak God weleer tot den profeet Isaias , toen Hij hem zond tot do joden, om aan dat ondankbaar volk zijne gruwelen te verwijten en hetzelve op te wekken tot boete. Israël was het uitgelezen volk Gods. Hij zelf had het onderwezen en zijne wet gegeven, Hij had het bij voortduring beschermd en met gunsten overladen. Hij had met hen een nauw verbond aangegaan: „Gij zult voortaan mijn volk wezen had Ilij gezegd en Ik zal op eene bijzondere wijze uw God zijn.quot; Gij ziet, God had recht om van zijn volk veel grootere trouw te verwachten dan van andere volkeren. Vandaar dat wij zien in de H. Schrift, dat God voor de zonden van zijn volk veel gevoeliger

-ocr page 182-

was, dan voor die van elk ander volk en te dien einde meermalen zijne profeten zond, om aan zijn volk zijne gruwelen te verwijten. En toch wat was het joodselie volk in vergelijking van het christen volk ? Wat beduidden al die voorrechten, gunsten en gaven, wat beduidde dat verbond met hen aangegaan ; dat alles was niets meer dan eene schaduw, eene afbeelding van hetgeen Hij eenmaal doen zou voor u zijne kinderen, kinderen dor Katholieke Kerk. God behandelde de joden, als een rechtschapen meester zijne onderdanen behandelt , u echter behandelt Hij gelijk een teeder vader zijne kinderen. En niettemin heerscht in uw midden, gelijk bij de joden de zonde. Hier heerschen godslasteringen en oneerbare gesprekken, laster en kwaadspreken, dronkenschap en ontucht; in één woord tal van gruwelen. Ziedaar de reden waarom God ons de woorden in den mond heeft gelegd van zijnen prof eet: „Clama ne cesses.quot; Ik gehoorzaam aan het bevel van God en ik kom u aantoonen hoe diep zij gevallen zijn, die sedert de Missie hunne kwade gewoonten hernomen en op nieuw de slaven der zonde geworden zijn. Toen zeiden wij u; verlaat de zonde; want God is uw meester, uw grootste weldoener; vandaag roep ik u toe ; „treurt, beweent bitter uwe zonden; want gij hebt gezondigd niettegenstaande gij Christenen en Katholieken zijt- Grooter, oneindig afschuwelijker is de zonde in een Christen, dan in ieder ander mensch ter wereld. Ziedaar de waarheid waarvan ik u dezen avond wensch te oveituigen. Moeder des Verlossers, onze zonden hebben u zooveel tranen doen storten. Geef dat wij eens goed de boosheid der zonde mogen lee-ren kennen, opdat God ons genadig zij en wij beschut mogen worden tegen verderen val.

1 Oneindig afschuwelijk is de zonde in een christen ;

-ocr page 183-

- 167 -

omdat zij voortspruit uit een meer bedorven wil. Gij kunt (tOi! niet genoeg danken Chr; voor uwe roeping tot het ware geloof. Een Katholiek ontvangt van Grod meer dan overvloedigs genaden, om don weg des hemels te bewandelen en meer dan voldoende hulp om dien eenmaal binnen te treden. Vandaar dan ook dat een Katholiek zich schuldiger maakt wanneer hij zondigt, dan ieder ander mensch. Een Katholiek-is veel schuldiger, omdat hij beter weet wat hij doet als hij zondigt en omdat hij krachtiger ondersteund wordt, om het goed te doen en de zonde te vluchten. Ik veronderstel dat gij twee dienstboden hebt; beidon verbiedt gij uitdrukkelijk een of andere zaak. Den een herhaalt gij dat verbod meerdere malen, in de duidelijkste bewoordingen, gij maakt hem tevens bekend met de straf die hem wacht, indien hij uw verbod niet eerbiedigt. Den anderen daarentegen houdt gij dat verbod slechts eenmaal voor en wel op eene bedekte wijze, terwijl gij nauwelijks de straf aanraakt, die gij op de overtreding gesteld hebt. Beiden overtreden uw gebod. Maar wie van beiden is de schuldigste ? Natuurlijk de eerste, omdat hij beter wist hoezeer hij u bedroefde met uw gebod te overtreden en tevens omdat hij beter kende de gevolgen waaraan hij zich blootstelde. Een meester zend twee knechts maar eene ver afgelegen stad, voor eene gewichtige zaak. Den een geeft hij een paard om er hoen te rijden, hij toont hem den kortsten en ge-makkelijksten weg, verschaft hem volop provisie en geld voor de reis De andere moet tevoet gaan, hij heeft een langen, afmattenden weg te maken en ontvangt nauwelijks het noodige onderhoud voor de reis. Beiden worden hun meester ontrouw ; de weg zeggen zij is te lang, zij keereii halverwege terug. Wie der twee toont hier den slechtsten wil. Hij, niet waar, wien de reis het gemak-

-ocr page 184-

kelijkst gemaakt, was. Welnu, wie wordt hier verstaan door dien dienstbode die het meest gewaarschuwd werd en door dien knecht die het meest onderstand genoten had ? Niemand anders dan gij Chr; die van God meer licht en grootere genaden bekomen hebt dan andere menschen. Gij hebt van God meer licht ontvangen dan niet-katholieken, gij zijt bijgevolg schuldiger dan zij wanneer gij zondigt. Zonder twijfel zij bedroeven het hart van God, wanneer zij zondigen; want zij hebben ten minste eenig licht, namelijk dat der natuurlijke rede, maar dat licht is zoo gering dat men met den koning David mag zeggen ; „Zij schieten hunne pijlen at in het duister: Sagittant in obscuro,quot; Van hen mag men zeggen, wat de Zaligmaker aan het kruis zeide van zijne beulen : „Zij weten niet wat zij doen : Nesciunt quid faciunt,quot; Maar mag men dat ook zeggen van u Christenen ? Gij had nauwelijks het gebruik uwer rede en reeds ontvingt gij licht door de lessen en vermaningen uwer ouders en door de onderrichtingen in kerk en school; reeds vóór uwe eerste H. Communie kendet gij beter dan de grootste geleerden onder de heidenen God, dien gij dienen, de plichten die gij tegenover Hem vervullen moest en de belooningen en straffen waarover Hij beschikken kan. Dat licht heeft bij het klimmen uwer jaren immer meer en meer toegenomen. Van u kan men zeggen, wat Jesus tot zijne leerlingen zeide: „U is het gegeven te kennen de geheimen van God; Vobis datum est nosse mysteria Dei.quot; Hoe dikwijls o man, heeft men u niet gezegd, hoe heilig en eerbiedwaardig de naam is van God, dien gij vloekt en lastert. Hoe dikwijls heeft men u niet gewaarschuwd voor de straffen die hem wachten, die des zondags vrijwillig de H. Mis verzuimt en zonder noodzakelijkheid de vastenwet overtreedt, Heeft men u

-ocr page 185-

— 169 -

niet meermalen gezegd, Christelijke ouders, dat gij waken moest over uwe kinderen en hun een goed voorbeeld geven , dat gij rekenschap zult moeten geven van hunne zielen. Kinderen, heeft men u niet voortdurend gezegd , dat gij aan uwo ouders eerbied , gehoorzaamheid en liefde verschuldigd zijt, vermits zij voor u de plaats van God bekleeden. Hoe dikwijls hebt gij niet moeten hooren jongelingen en jonge dochters, dat de zonde van ontucht, die ongeoorloofde verkeering tot verderf leiden uwer rust en eer, tot verderf van uw geloof en tot verdoemenis uwer zielen. Heeft men u niet onophoudelijk herhaald Chr ; dat dronkaards , onrechtvaardigen , overspelers en heiligschenners , het Rijk der Hemelen niet zullen binnengaan. Gij weet wat gij doet wanneer gij zondigt. De H. Paulus mocht zeggen, dat hij niet wist wat hij deed, toen hij vóór zijne bekeering de christenen vervolgde ; maar gij kunt die verontschuldiging niet aanvoeren. Gij zondigt te midden van het helderste licht, gij zijt dus onverschoonbaar. Te vergeefs beroept gij u op uwe zwakheid en op gebrek aan hulp. Dat beroep is zelfs nog niet geldig voor oen heiden, veel minder voor een Christen; want God wil de zaligheid van alle menschen en geeft hun tevens voldoende genade en hulp om die te bewerken. En toch Chr. wat beteekenen die hulp en genaden, die God aan heidenen en nietgeloovigen schenkt om hunne zaligheid te bewerken, in vergelijking van de gunsten en genaden waarmede hij u verrijkt, met het oog op nwe eeuwige zaligheid. Zij hebben niet evenals gij een geestelijken leidsman om hen mot raad en daad te steunen, zij hebben niet evenals gij het voorbeeld der Heiligen en dat der deugdzame menschen om hun den weg des hemels te toonen. Zij bezitten niet in hun

-ocr page 186-

midden dien goeden Jezus, die liier in onze tabernakelen rust, immer bereid u al die genaden te ver-leenen, die gij Hem komtviagon. God beeft voor ben niet evenals voor u dat goddelijk gastmaal bereid van zijn eigen vleeseb en bloed, waarin wij kracht putten tegen de aanvallen onzer vijanden. God heeft niet tot ben, evenals tot u missionarissen gezonden om ben uit te noodigen ter bekeering. O ! indien de inwoners van Tyrus en Sidon dezelfde genaden ontvangen hadden als gij, zij zouden strenge boetvaardigheid gedaan hebben. Indien de arme wilden van Afrika door God zoo rijk bedeeld waren als gij, hoe vurig zouden zij Hem niet dienen ! En gij Chr. wat doet gij ? ondanks al die genoten weldaden, ondanks die bijzondere voorliefde Gods jegens u, moet Hij dagelijks getuige zijn van uwe godslasteringen en zonden van onknisehheid, van zoovele oneerbare gesprekken, misschien van heiligschennissen waaraan gij u plichtig maakt in het ontvangen der HM. Sacramenten. O snoode ondankbaarheid ! Laat het mij u zeggen ; een bekeerd heiden zou u beschamen. Luistert eens wat een missionaris wedervoer in Amerika Hij had een wilden volksstam bekeerd en na hen gedoopt en voldoende onderricht te hebben, verliet hij hen. Een jaar later kwam hij terug om te zien hoe zij het maakten en hen tevens deelachtig te maken aan de H. Communie. Hij houdt tot hen eene onderrichting, waarin hij non opwekt tot het spreken eener goede biecht. Nauwelijks had hij geeindigd, of een eerbiedwaardig grijsaard i het hoofd van den stam, staat op. Pater, zoo vraagt hij, welke zonden moeten wij biechten. De zonden die gij sedert uw Doopsel bedreven hebt, was het antwoord. Daarop begon de grijsaard bitter te weenen. Mijn God! zoo riep hij uit, kan men dan nog zondi-

-ocr page 187-

— 171 —

gen na eenmaal gedoopt te zijn? Wat zou die grijsaard wei gezegd hebben, bij het gezicht van zoovele schandelijke vermaken, zondige verkeeringen, gods lasteringen en onrechtvaardigheden, waaraan gij u plichtig maakt. Zulke boosheid, een zoo diep bedorv ei; wil, had ik niet durven veronderstellen, zou hij gezegd hebben, in menschen die leven te midden van het licht en die zoovele middelen hebben om hunne za ligheid te bewerken.

II Groot is de zonde in een Christen, omdat zij in zich besluit de zwartste ondankbaarheid. Ieder mensch die zondigt is ondankbaar jegens God. Hij toch miskent grovelijk zijn schepper en misbruikt diens gaven om zijnen grootsten weldoener te beleedigen. Dat is waar voor ieder mensch die zondigt, hij zij Christen of heiden. Maar veel ondankbaarder is de christen. Ziet eens wat kostbare gaven en weldaden hij misbruikt, met wat bittere sraait hij bet hart van God vervult. God heeft hem tot zijn kind gemaakt en hij stelt zich aan als zijn vijand. God heeft hem zoo nauw vereenigd met J. C, en hij om zijne driften te bevredigen, ontheiligt op de ongehoordste wijze dien god-delijken Verlosser. Is dat niet het toppunt der ondankbaarheid, Gods genaden zoo te misbruiken! Toen gij Christen werd door het H. Doopsel, heeft God uwe zielen gewasschen, gezuiverd, geheiligd. Hij heeft ze deelgenooten gemaakt zijner Godheid met in haar te storten do liefde, de heiligmakende genade, zijn eigen Geest. Gij zijt begiftigd geworden, zegt Paulus, met den geest van God , dientengevolge heeft Hij u aangenomen tot zijne kinderenen moogt gij Hem roemen met den naam van Vader : „In quo clamamus : abba Pater.quot; Ziet eens, zegt nog de H. Joannes, hoezeer de Hemelsche Vader u heeft liefgehad; Hij heeft niet

-ocr page 188-

— 172 —

slechts gewild dat gij zijne kinderen genoemd werdt, maar dat gij in werkelijkheid zijne kinderen zoudt wezen: „ut filii Dei nominemur et simus.quot; Hoe groot is dus uwe waardigheid, o christen mensch I En wat heeft Giod bewogen u zoozeer te bevoorrechten ? Niets dan loutere liefde heeft Hem bewogen u onder millioenen andere menschen te roepen tot het geloof en voor te beschikken tot den hemel. En wat vraagt God van u, voor dat alles? Uw hart, uwe wederliefde. Hij wil dat gij Hem dient in heiligheid en gerechtigheid: „In sanetitate et justitia.quot; Hij wil in één woord, dat gij heilig zoudt wezen. Vandaar dat de H. Paulus in zijne brieven, aan de eerste geloovigen den naam gaf van heiligen. En ziedaar de naam, dien men ook aan u christenen moest kunnen geven. Maar helaas ! welk bedroevend schouwspel voor God. Hij ziet zijne kinderen zich overgeven aan ontucht, dronkenschap, onrechtvaardigheid en godslastering. O wat smart voor het hart van God! Toen Cesar te Rome te midden van den senaat door zijne vijanden met dolksteken doorboord werd, zag hij al stervende te midden der moordenaars, zijn zoon Brutus, dien hij met zooveel weldaden overladen en immer zoo feeder had .liefgehad, Uiterst gevoelig wegens die snoode ondankbaarheid, hield hij niet op tot stervens toe te herhalen : „En ook gij, Brutus, mijn zoon! „En gij o christen! boort gij niet de klacht van God ? Te midden zijner vijanden die Hem beleedigen en door hunne zonden vergrammen, ziet Hij u zijn kind, dat gezicht grieft en bedroeft Hem ten zeerste. En ook gij, mijn kind ! zoo roept Hij al klagende uit, ook gij handelt evenals zij, die mij niet kennen; ook gij lastert mijnen aanbiddelijken naam, gij spreekt tegen mijne Kerk en priesters, ook gij geeft u over aan dronken-

-ocr page 189-

- 173 —

schap en wellust. Ik had u aangenomea tot kind, ik heb u verlicht door mijne leer; u gevoed door mijne Sacramenten en gij vau uwen kant, gij veracht mij ; „filios enutrivi et exaltavi, ipsi autem spreverunt me.quot; Dat heidenen en ongeloovigen mij vervloeken, dat verdraag ik met geduld; maar dat gij, mijn kind, mij vervolgt, dat verscheurt mijn hart. Doch Gel.; gij hebt nog niet gezien al het hatelijke der ondankbaarheid, dat er gelegen is in de zonde van den Christen. Hij wischt niet slechts uit in zioh het karakter van kind Gods, maar hij ontheiligt nog daarenboven door iedere doodzonde den aanbiddelijken persoon van J. C , met wien hij verbonden is door het H. Doopsel. Chr ; zoo roept u den H. Augustinus toe, weest verbaasd en geeft u over aan vreugde, gij zijt andere Christussen geworden; „admiramini, gaudete ; Christi facti estis.quot; En inderdaad door het H. Doopsel toch, zoo leert ons de H. Paulus, zijt gij met J. C. bekleed geworden, gij zijt geworden zijne ledematen, vleesch van zijn vleesch, bloed van zijn bloed. J. C; is uw leven. Dus niet meer gij, die leeft, maar J. C. leeft in u. Wat doet gij nu Chr; wanneer gij zondigt ? Gij ontheiligt J. C. in uw persoon, gij werpt Hem in het slijk uwer zonden en ongerechtigheden. Gij bezigt de oogen van J. C. tot het werpen van oneerbare oogslagen, zijne ooren tot het luisteren naar onkuisehe gesprekken, zijne tong tot het spreken van vuile taal, zijne handen tot het bedrijven der afschuwelijkste zonden, zijne voeten tot het zoeken naar gelegenheden tot zonde. — Groote God! welk een gruwel! welke ontheiliging 1 wat grove ondankbaarheid 1 Maar weet gij dan niet, zegt de Apostel, dat gij u zeiven niet meer meester zijt, gij behoort toe aan J. C, die u voor een oneindig grooten prijs heeft vrijgekocht:

-ocr page 190-

174 —

„Empti estis pretio magno.quot; Gij zouclt niet gaarne verliezen, wat gij ten koste van goud en zilver gekocht hebt; maar zou J. C. dan wel kunnen dulden dat gij onteerdet, wat Hij ten koste van zijn dierbaar bloed gekocht heeft. Indien gij derhalve wilt zondigen, gij Chr; zoekt dan andere ledematen ; want die gij nu hebt, hooren toe aan J. C ; die ze gekocht heeft door zijn dierbaar bloed. Indien gij u wilt schuldig maken aan oneerbare aanrakingen, zoekt dan andere handen; want uwe handen behooren toe aan J. C; die ze gekocht heeft door de bloedige wonden zijner handen, met nagelen doorboord. Indien gij u nog wilt begeven in die zondige gelegenheden en bijeenkomsten ; zoekt dan andere voeten, want uwe voeten behooren aan J. C; die ze gekocht heeft, door de hevige pijnen, welke Hij in zijne doorboorde voeten geleden heeft aan het kruis. Indien gij uwe tong nog wilt misbruiken tot het spreken van vuile taal, van lasteren eu vloeken; zoekt dan eene andere tong, want de tong die gij hebt behoort niet u, maarj. C; die ze gekocht heelt met de bittere gal, waarmede Hij in zijnen dorst aan het kruis gelaafd werd. Indien gij nog wilt beminnen dien persoon, die u zoo vaak verleid en tot zonde heeft overgehaald, zoekt dan een ander hart; want het hart dat gij in u draagt, behoort niet u, maar J. C ; die het gekocht heeft door die diepe wonden die Hij in zijn goddelijk hart, door den lanssteek bekomen heeft. In één woord zoo gij wilt volharden in uwe zonden, zoekt dan een ander lichaam, eene andere ziel, want beiden, uw lichaam en uwe ziel behooren toe aan J. C. O ! mijn zoon, mijne dochter, zoo mag J, C, n toespreken, u die ik heb vrijgekocht en geheiligd, die ik zoo nauw aan mij verbonden heb ; weet gij wel dat gij

-ocr page 191-

— 175 -

u van mij bedient, om te zondigen ; „Sorvire me fecistis pecoatis vestris.quot; Acb 1 niet op die wijze behandelen mij de heidenen, want ik heb mij niet met hen vereenigd gelijk met u. Ik heb hen niet naar ziel en lichaam geheiligd evenals u. Grij mishandelt mij grover, gij bedroeft mij moer dan de Joden, die mij ter dood gebracht hebben. Bittere maar toch verdiende verwijtingen , niet waar 1 Inderdaad aldus te zondigen, is zondigen met eene onuitsprekelijke boosheid, met eene grove ondankbaarheid en ik voeg er nog bij ten laatste :

III. De christen die zondigt, bedrijft eene ongehoorde trouweloosheid. Neen, ik ken geene grootere trouweloosheid dan die van een zondig Christen. Hij toch maakt misbruik van het vertrouwen, dat God in hem gesteld heeft en verkwist de kostbare schatten, die God hem in handen gegeven had, hij maakt gemeene zaak met de vijanden, die hij gezworen had te bestrijden en spant zamon met hen tegen het leven van God, die hem gered en verlost hoeft.

1) Geene tong vermag ooit te zeggen hoe vertrouwelijk en edelmoedig God geweest is jegens een ieder van ons. In het H. Doopsel bekleedde Hij u met de heiligmakende genade, Hij schonk u zijnen Geest, die in uw hart als in zijn tempel kwam wonen. Door het H. Sacrament des Vormsels deelde hij u mede eene goddelijke kracht en sterkte. Tolken male dat J. C. door de H. Communie uwe ziel binnentrad, verrijkte hij u mot allerlei hemelsche genaden. O wat edelmoedig vertrouwen van de zijde van God jegens u! En waarom toch heeft God u zulke kostbare genaden willen toevertrouwen, tenzij opdat gij ze zoudt aanwenden om met behulp daarvan uw eeuwig heil te bewerken. En wolk gebruik maakt gij van

-ocr page 192-

— 176 —

die schatten, wanneer gij u overgeeft aan zonde ? Grij verkwist ze, gij werpt ze weg en waarom ? Om aan een vriend, een kameraad te behagen, om uwen hoogmoed, nijd en kwaadaardigheid te bevredigen, om een weinig geld te verdienen, om eene vuile drift te voldoen. Om wille daarvan ontbloot gij uwe ziel, met haar te berooven van de heiligmakende genade, die al hare schoonheid uitmaakte. Het is alsof gij zeidet tot den H. Geest; Ga weg, ik heb uw licht, uw raad, uwe kracht, uwe vreugde niet van noode: „Recede a nobis, scientiam viarum tuarum nolumusquot; Deswege brengt gij ten offer en de deugden die gij verworven, de verdiensten die gij bijeenverzameld en de schatten waarmede God u verrijkt heeft. Op die wijze nu de rijkdommen verkwisten, die God u in handen gegeven had, is dat niet misbruik maken van vertrouwen jegens God? Is dat niet eene ongehoorde trouweloosheid ?

2) Maar het is nog niet alles. Wïen gehoorzaamt gij, wanneer gij uwe ziel van al die schatten van genaden ontdoet? quot;Wien geeft gij u over wanneer gij door de zonde u losrukt uit de armen van J_ C.! Wien kiest gij tot bondgenoot? Is het niet den satan? Ja, hem gehoorzaamt gij wanneer gij toegeeft aan de bekoringen, zijne werken verricht gij indien gij toestemt in de zonde. Tot hem gaat gij over wanneer gij God den rug keert. Een soldaat, die na trouwgezworen te hebben aan zijn koning, zijn vaandel verlaat en zich bij den vijand aansluit is een verrader, een trouwe-looze. En gij, soldaten van Christus, hoe dikwijls hebt gij Hem niet trouw gezworen! Men heeft het gedaan voor u bij gelegenheid van uw H. Doopsel en later hebt gij in persoon die belofte bekrachtigd. Gij hebt trouw beloofd op den dag uwer eerste H. Communie, later nog bij eene of andere missie, toen riept gij uit

-ocr page 193-

met den koninklijken profeet: „Ik heb gezworen en ben vast besloten uwe geboden getrouw te gaan naleven : Juravi et statui custodire judicia justitiae tuae.quot; En ondanks zoovele plechtige beloften zie ik u nu geschaard in de gelederen der zondaars, die met opgeheven arm tegen God ten strijde trekken ; „Inten-dit adversus Deum brachium suum.quot; Ik hoor u God lasteren evenals zij, oneerbare taal spreken evenals zij. In plaats van te strijden onder de banier van J.C. maakt gij gemeene zaak met hen, die zijnen godsdienst bestrijden ; gij overtreedt schaamteloos zoowel de geboden van God als die der H. Kerk ; gij lastert misschien nog daarenboven de Kerk en hare bedienaren; kortom gij spant samen met hen die het Rijk Gods op aarde willen vernietigen. Helaas ! Gel, de publieke meening veroordeelt en de burgerlijke wetten straffen gestreng diegenen , die hun vaandel verlaten , hun eed breken , hun vaderland verraden. Zegt mij eens, kan men wel streng genoeg veroordeelen en voorbeeldig genoeg straffen de trouweloosheid dier christenen, die het vaandel verlaten van den Koning van hemel en aarde, die hunne heiligste verbintenissen verbreken, die verraad plegen jegens God en zijn H. Evangelie!

3) Maar wat zult gij zeggen als ik er ten slotte nog bijvoeg dat de trouweloosheid van den Christen, die eene doodzonde bedrijft, zoo ver gaat van samen te spannen met de vijanden van J. C., om hem te doen sterven. En toch dat is de waarheid. De H. Paulus zelf verzekert het ons. Zij kruisigen op nieuw, zoo zegt hij , den Zoon Gods en overladen Hem met smaad. (Hebr. 6.) Ja, zij kruisigen Hem, zij doen Hem sterven in hun eigen hart, door het zwaard der zonde en in de harten van anderen door ergernis en aanstoot. Wie is in staat te zeggen hoe goddeloos zulke

12

-ocr page 194-

handelwijze is! Het is eene trouweloosheid, die hen den dolk in de hand geeft, om dien in het hart van den besten der vaders te stooten. Een jeugdig vorst, erfgenaam van een machtig koning, kwam op zekeren dag voorbij een afzichtelijk bol waarin tal van booswichten op hunne manier feest hielden. Hij hoort hunne woeste kreten en luidruchtige gezangen en voelt zich getrokken om in hunne uitspattingen te deelen. Hij gaat binnen en ziet al die booswichten verbleeken van schrik, meenende dathij gekomen was met eene gewapende macht, om hen gevangen te nemen en geducht te straffen. Maar hoe groot was hunne verbazing, toen hij hen als eene gunst vroeg, om eene plaats bij hen aan tafel. De hoofdman der bende nam nu het woord op en zeide : Ik stem toe in uw verzoek, behoudens eenige voorwaarden. Vooreerst gij moet u ontdoen van die kostbare kleederen, en evenals wij u met eenigc lompen tevreden stellen. Daarenboven moet gij schriftelijk afstand doen van al wat gij bezit en later nog te verwachten hebt, van uw recht op don troon, van al uwe titels en eindelijk nog verzaken aan uwen vader. De rampzalige prins hoort die afschuwelijke taal met kalmte aan en geeftzijne toestemming.En in een oogwenk is hij in een bandiet herschapen en teekent het stuk waarin hij afstand doet van al zijne bezittingen. Bravo ! riep nu de hoofdman uit, vermits gij nu aan uwen vader verzaakt hebt, zoo neem ik u aan tot mijn zoon en erfgenaam. Stemt gij daarin toe ? Zeer gaarne was het antwoord en hij wierp zich in de armen van den booswicht. Vermits gij nu mijn zoon geworden zijt, hernam deze, zoo moet gij ook mijne belangen behartigen. Wij zijn hier bijeen om den ondergang uws vaders te beramen. Zweer dus op den dolk dien ik in de hand houd , dat gij met ons tegen het leven van

-ocr page 195-

uwoii vader zult samenspannen. Dat zweer ik. Welaan ! zit dan aan mijne rechterhand en neem deel aan ons feest. Wat beteekent die geschiedenis , Gel; wat beduidt die prins, wat beteekenen die samenzweerders ï Die booswichten, die samenzweerders beteekenen de duivelen. En gij Chr ; die doodzonden bedrijft, gij stelt dien prins voor. (xij rampzalige, die iederen dag godslasteringen en oneerbare gesprekken uitbraakt; gij vader des huisgezins die overgegeven aan den drank,vrouw en kinderen zooveel droefheid veroorzaakt; gij moeder die aan uwe dochter al te veel vrijheid schenkt en daardoor haar tijdelijk en eeuwig verderf in de hand werkt; gij jongeling die ondanks alle beloften uwen biechtvader gedaan, die zondige verkeering andermaal hervat hebt. Ja zondaars ! gij stelt dien rampzaligen prins voor , gij die toegevende aan de inblazingen van den satan, afstand gedaan hebt van uwe kostbaarste goederen, gij die om te kunnen zondigen verzaakt hebt aan God uwen Vader en aan den hemel, uw erfdeel. Gij, die met de vijanden van J. C. samengespannen en zijn kostbaar bloed met voeten getreden hebt. O 1 wat zoudt gij te beklagen zijn, zoo gij uw gedrag uiet ver-beterdet! Op u zou neerkomen de vervloeking door den H. Paulus uitgesproken tegen hen, die ontrouw worden aan de beloften, die zij God gedaan hebben. Zij verdienen, zoo zegt hij, verworpen te worden, omdat zij hunne eerste trouw gebroken hebben; „habentes damnationem, quia primam fidem irritaveruntquot;. God behoede u voor eene dusdanige ramp. Gel. Koert in u zeiven, gij die gezondigd hebt ondanks zoovele verlichtingen en buitengewone genaden. Houdt op met ondankbaarheid te overladen dien oneindig goeden Vader, die u tot zijne kinderen heeft aangenomen. Bedroeft niet langer meer dat uiterst gevoelig hart

-ocr page 196-

— 180 -

van J. C. dat gij door uwe zonden zoo dikwijls ontheiligd hebt. Breekt af alle gemeonschap met de vijanden van God, zegt vaarwel aan slechte gezelschappen, aan slechte verkeeringen, aan zondige vermaken. Keert terug, keert spoedig terug, Chr. tot uwen Ile-melschen Vader 1 Hij verwacht u met ongeduld. Hij is nog bereid u te vergeven. Ondanks uwe overgroote boosheid, ondankbaarheid en trouweloosheid, is Hij bereid u weer te geven alle goederen die gij door uwe zonden verloren hebt en u met nieuwe bewijzen zijner liefde te overladen. O God van oneindige goedheid, ja wij keeren terug tot U. Wij hebben begrepen, Heer 1 hoe grovelijk wij ons schuldig gemaakt hebben. Erbarming o Heer! erbarming ! Erbarming voor zoovele godslasteringen,.... erbarming voor zoovele zonden, die ons den naam van Christen onwaardig gemaakt hebben. Ach ! mochten wij ! onze zonden met onze tranen uitwisschen. Neem ten minste aan o Heer 1 de verzuchtingen onzer berouwhebbende harten. Wij beloven U in het vervolg de zonde te vermijden, wij werpen ons neder voor het tabernakel van Jezus onzen Verlosser en wij smeeken Hem medelijden mot ons te hebben, volgens den overvloed zijner barmhartigheden ; „Miserere mei Deus. .

-ocr page 197-

Uitstel van Bekeering.

Zijne bekeering uitstellen is een gewaagde zaak ;

I Onzeker of\' men later daartoe nog tijd heeft,

II „ „ God ons daartoe de genade schenkt,

III „ „ men daartoe den wil zal hebben.

Non tardes converti ad Dominum et ne difteras de die ia dietn. Toef niet u te bekeeren tot den Heer en stel niet uit van dag tot dag. (Eccli. 5: 8.)

Moe nauwgezetter meu is om aan de stem Gods gehoor te geven, des te overvloediger zegeningen zal men inoogsten; maar niet minder waar is het, dat hoe trager en nalatiger men op dit punt is, men zich ook aan des te noodlottiger gevolgen blootstelt. Dit is even waar in het tijdelijke als in het geestelijke. Vandaar wanneer ik denk aan het antwoord dat wij ontvangen van sommigen Christenen die wij ter be-bekeering lütnoodigen, meen ik telkens hot rampzalig gezegde te hooren van Archaias, landvoogd van Thebe, wiens treurigen dood de gesehiedsehrijver Plutarolms ons mededeelt. Tal van Thebaansebe jongelingen smeedden eene samenzwering togen zijn leven en stonden op het punt bun plan ten uitvoer te brengen, toen een trouw onderdaan des landvoogds, hem alles

-ocr page 198-

— 182 —

bekend maakte. Men is van plan, zoo schreef hij hem, van avond uw paleis binnen te dringen, u vast te grijpen en te dooden. Deze brief werd aan Archaias des avonds, toen hij aan tafel zat ter hand gesteld. Hij las hem, legde hem ter zijde en vervolgde zijn maal, zeggende ; „Ernstige zaken stel ik uit tot morgen.quot; De maaltijd was nog niet geëindigd, of zijn paleis werd overrompeld en de landvoogd vermoord. Hoe noemt gij de handelwijze van dien landvoogd ¥ Onvoorzichtig, dwaas, niet waar ? En toch, ziedaar de handelwijs van vele christenen onder u. Hunne zonden stellen hen bloot aan den eeuwigen dood; J. C. de trouwe vriend hunner zielen waarschuwt hen, èn door de stem huns gewetens èn door de stem van him herder èn door die van hun biechtvader. En zij , wat geven zij ten antwoord ? Zij zeggen even als Archaias : „tot later, alle gewichtige zaken,quot; later zal ik mij bekeeren, later zal ik mijne slechte biechten herstellen, mijna zondige gewoonten afleggen.... Wat beduidt zulke taal ? O ! Gel. ik beef en sidder wanneer ik sommige menschen aldus hoor spreken ; de rede en het geloof zeggen mij beiden ; het is zeer waarschijnlijk, bijna zeker dat gij u nooit bekeeren zult. Van die gewichtige waarheid die door de dagelijksche ondervinding bevestigd wordt, wenschte ik u \'heden eens te overtuigen en ik zal mij gelukkig, ja duizendmaal gelukkig achten, indien ik er in slaag u het besluit te doen nemen, u nu tijdens deze dagen van barmhartigheid en genade te bekeeren. Moge de Allerh. Maagd Maria, de Moeder van Grod, de toevlucht der zondaars, u deze groote genade verwerven. Ave Maria.

Gij hebt geloof, gij gelooft aan een ander leven, aan een leven van eeuwige vreugde en aan een leven van eeuwige pijn ; gij gelooft dat zonder eene ware be-

-ocr page 199-

keering, dit laatste uw deel zijn zal eu daarom zegt gij, ik zal mij bekeeren. Gij hebt volkomen gelijk; ja gij moet u bekeeren, want uwe ziel te verliezen is een onherstelbare ramp. Nog eens gij spreekt verstandig wanneer gij zegt ; ik zal mij bekeeren ; maar onverstandig, dwaas, roekeloos zou uwe taal worden, indien gij bij deze woorden : „ik zal mij bekeerenquot; bijvoegdet; „later.quot; Dat enkel woord is een hoogst roekeloos woord en zet uwe ziel en zaligheid op het spel. Wanneer gij zegt ; „later,quot; rekent gij op drie zaken, die op zijn minst genomen, zeer onzeker zijn. Immers om zich te bekeeren en wel later, zijn er drie zaken noodig: tijd om zich te kunnen bekeeren, de genade van God en eindelijk de goede wil om zich te bekeeren. Ziedaar waarop gij rekent wanneer gij zegt; „ik zal mij later bekeeren.quot; Maar luistert eens goed; de tijd waarop gij rekent is zeer onzeker; — de genade ter bekeering moet van God komen en God is niet gehouden u die te geven ; — eindelijk de goede wil zal u later hoogst waaisohijnlijk ontbreken. Dat drievoudig punt ga ik u eens bewijzen, en daarna zult gij mij zeggen, wie van ons gelijk heeft; gij die zegt: „ik zal mij later bekeeren,quot; — of ik die u zeg , dat zulke bekeering zeer onzeker, zoo niet onmogelijk is.

I. Niets, zegt de H. Augustinus, is den menseh tijdens zijn leven zoo noodzakelijk als do tijd. Maar is er wel iets ter wereld waarvan wij minder meester zijn, dan van den tijd. Immers de verleden tijd is voorbijgesneld als een droom , hij bestaat niet meer ; ondanks al uwe pogingen, met al uw geld vermoogt gij nog niet eene enkele seconde van uw leven terug te roepen. Neen, het verleden is voorbij, het behoort u niet meer toe. Ook do toekomst is niet in uwe macht ;

-ocr page 200-

- 184 —

niemand toch belooft u dat gij morgen, na eene maand, na een jaar nog leven zult. Vóór 6000 jaar bestond reeds de wereld, uw bestaan ecbter dagteekent slechts van een kort aantal jaren. Waarom zijt gij niet vroeger ter wereld gekomen ? Omdat het verleden u niet toebehoorde. Na 100 jaren rust gij allen in het graf, wat gij ook doet om uw leven te verlengen. En waarom ? Omdat de toekomst u evenmin toebehoort. Alleen de tegenwoordige tijd is in uwe macht, daarover kunt gij beschikken, daarvan kunt gij u bedienen om den hemel te winnen en de hel te ontgaan. Maar de tegenwoordige tijd waarvan gij meester zijt, ontsnapt u ieder oogenblik. Hij beheerscht, veroudert, verslijt u, hij verkort uw leven en brengt u iederen dag eenen stap dichter bij het graf. liet oogenblik waarop ik spreek is voor velen het laatste huns levens; dat kan ook voor u het geval zijn. Wie toch verzekert u van den dag van morgen ? Niemand. Duizenden menschen die vandaag nog leven zijn morgen reeds dood; ook gij kunt tot dat getal behooren. Gij zegt, zoo schreef de Apostel Jacobus; wij zullen naar deze of gene stad gaan, daar een jaar vertoeven, er handel drijven en geld winnen. Maar zijt gij dan zeker van den dag van morgen ? Uw leven is als een rook die opstijgt en verdwijnt. Zegt dus niet, zoo vervolgt de Apostel, wij zullen morgen dit of dat doen, zonder er bij te voegen : „als het God belieft.quot; En gij zoudt ten spijt van God durven zeggen ; Ik zal mij later bekeeren. Wat wilt gij met dat woordje: „laterquot; zeggen ? Binnen een uur ? Dwaasheid, want dat uur behoort u niet toe. Binnen een dag ? Nog grootere dwaasheid ; binnen 20 jaren ; op mijn sterfbed. O uitzinnige mensch, die zoo spreekt, de dood staat gereed met de zeis

-ocr page 201-

boven uw hoofd, zij kan u ieder oogenblik treffen, zij zal u misschien treffen op het oogonblik waarop gij spreekt van later. — Waarop steunt gij toch, gij die meent nog lang genoeg te zullen levea, om u later te bekeeren ? Ik ben jong, zoo zegt gij, daarenboven sterk en gezond, ik kan nog tal van jaren leven. Dat is eene dwaling, de dagelijksche ondervinding leert het u. De dood toch kiest hare slachtoffers bij voorkeur onder de jeugd. De helft der men-schen sterft gemiddeld voor het 19e jaar. Jongelingen van 16 en 17 jaar, tot welke helft zult gij behooren V gij weet het niet. Het 3/4 deel der menschen sterft vóór hun GO jaar. Gij man, die uwe bekeering voortdurend opschuift, zijt gij zeker tot het Vj deel te behooren dergenen, die hun G0C jaar bereiken. Gij weet het niet. „Numerus mensium ejus apud te est,quot; riep de H. man Job met recht uit; — getal door God vastgesteld, dat door niemand overschreden kan worden. Gij zijt sterk en gezond, zegt gij ; maar ik vraag u, moet gij om te sterven dan eerst ziek worden. De dood kan u treffen van alle zijden. Doodsgevaar bestaat er in het voedsel, in de spijzen die gij neemt; hoevelen sterven niet door vergif ? Doodsgevaar in het vuur dat u verwarmt; eene kleine onvoorzichtigheid is in staat u levend te verbranden. Doodsgevaar in den arbeid dien gij verricht ; hoevelen worden er niet gedood door den slag van een paard, onder de wielen van een wagen ; hoevelen door de raderen, eener machine in fabrieken en werlsplaatsen. Doodsgevaar in de lucht die gij inademt; eene smetstof in de lucht is in staat u binnen weinige uren grafwaarts te voeren. Doodsgevaren ontmoet gij zoo dikwijls gij op reis gaat; de onoplettendheid van een enkel spoorwegbeambte, kan aan honderden reizigers het leven kosten. Gij zijt sterk,

-ocr page 202-

186 -

Kegt gij en juist daarom hebt gij te vreezen, evenals zoovele anderen door. eene beroerte getroffen te worden. Eene vrouw spoorde op zekeren dag baren man aan om zich te bekeeren en zeide tot hem, dat men ieder oogenblik sterven kan. Hij sloeg op zijne borst en sprak : daar zit minstens nog 20 jaren leven in en op hetzelfde oogenblik viel hij dood aan de voeten zijner vrouw. Zulke feiten zijn niet zeldzaam ; versohillenden onder u misschien zijn er getuigen van geweest en in weerwil daarvan zoudt gij nog durven zeggen; later zal ik mij bekeeren, terwijl misschien de dag van morgen de uwe niet meer is. Gij spreekt immer van later; ja dat later zult gij beleven, maar misschien ook niet; in alle geval op een : „misschienquot; waagt gij het heil uwer onsterfelijke ziel. Is dat niet dwaas en onverstandig ? Zoudt gij met een zwak bootje, zonder zeilen, zonder roer, zonder leeftocht u durven wagen op den oceaan, zeggende ; mischien zal ik behouden ergens in eene haven aanlanden. Veronderstelt; gij kondet van daag 100.000 gulden verdienen, maar morgen misschien niet meer; waart gij dan niet dwaas, indien gij zeidet: ik wacht tot morgen, tot over eene maand, een jaar; misschien heb ik dan nog kans. Welk antwoord zoudt gij geven aan een onbekende, die u 1000 gulden kwam vragen , zeggende : ik zal ze u later teruggeven. Gij zoudt zeggen ; op dat later kan ik geen staat maken en weigeren. En Satan komt u zeggen : geef\' mij uwe deugd, lever mij over uwe ziel en gij geeft hem wat bij vraagt, bij u zeiven zeggende: misschien kan ik later alles terug bekomen. Is dat niet dwaasheid en uitzinnigheidV Maar zegt gij; God is goed. Hij zal mij wel den tijd ter bekeering geven. Ja zeker, God is goed; maar zijne goedheid slaat niet over tot zwakheid. God is goed, maar ook rechtvaardig; Hij is

-ocr page 203-

— 187 -

bereid u vandaag te vergeven, maar morgen misschien niet meer. Hij waarschuwt u in de H. Schrift van niet te rekenen op den dag van morgen : „Ne glorieris in diem crastinum.quot; Evenals de visch met den hengel en de vogel met het net gevangen wordt, zoo zegt Hij elders, zoo wordt de mensoh gevangen op den kwaden dag, wanneer de dood hem onverwachts overvalt. O hoeveel zondaren, die te veel op Gods goedheid rekenden zijn in de hel ; ook zij zeiden : God is goed, ik zal mij later hekeeren en dat later hebben zij nimmer beleefd. O gij die zoo spreekt, op u kan bewaarheid worden de parabel van den vijgenboom des Evangelies. Zeker man had een vijgenboom geplant en kwam ter geschikter tijd om er vruchten van te plukken; doch vond er geone. En hij sprak tot zijnen opzichter : sedert drie jaren reeds wacht ik op vruchten van mijnen vijgenboom , doch vind er geene; snijd hem dus af, want hij is den grond niet waard waarop hij staat. Zou God ook tot veler uwer niet kunnen zeggen: sedert 3, 10, 20 jaren, ja nog meer misschien, verwacht ik vruchten van bc-koering, doch vind er geene. En wee u indien Hij er bijvoegde : snijd af den levensdraad van dien jongeling, van dat meisje, van dien man, van die vrouw. Zij zijn den grond niet waard dien zij betreden. Kortom de eerste zaak waarop gij rekent wanneer gij zegt; „ik zal mij later bekeeren,quot; namelijk den tijd, is eene hoogst onzekere twijfelachtige zaak.

II Maar veronderstelt dat God u den tijd schenkt ter bekeering. Dat is nog niet genoeg. Er wordt ten tweede nog vereischt: de genade Gods. Eene bekeeiing nu is eene ware verrijzenis en verrijzen uit eigen kracht kimt gij niet. Uit u zeiven, zegt de H. Pau-lus, zijt gij niet in staat eene enkele goede en ver-

-ocr page 204-

- 188 —

dienstelijke gedachte te vormen ; daartoe reeds wordt gevorderd de genade Gods. Indien tot eene goede ga-dachte reeds de genade van God vereischt wordt, welke genade is er dan noodig om eene oude zondige gewoonte af te leggen, om zijne gansohe levenswijze te veranderen; in één woord om zich te bekeeren. Daartoe is noodig eene krachtdadige, eene buitengewone genade, die zegeviert over uw verstand, uw hart, over geheel u zeiven. Op zulk eene genade nu rekent gij, wanneer gij zegt ; „ik zal mij later bekeeren1quot; Maar wie heeft u zulke genade toegezegd ? God ? Neen ... God wel is waar wil de zaligheid van alle menschen en geeft daarom aan iederen mensch juist zooveel genaden, als hij noodig heeft om zijne zaligheid te bewerken. Die krachtige, die buitengewone genade echter, zonder welke gij u niet bekeeren zult, op die genade kunt gij niet rekenen. God is niet verplicht ze u te geven en zal ze u waarschijnlijk ook niet verkenen. Luistert, ik ga u dat bewijzen.

1) Wat doet hij die zijne bekeering tot later uitstelt? Hij sluit vrijwillig zijne oogen voor het licht, waarmede God hem bestraalt. Hij sluit zijne oogen voor de stem Gods die hem roept. Hij biedt weerstand aan alle hemelsche uitnoodigingen. Zoo leeft hij voort ge-ruimen tijd, soms jaren en jaren. Herhaalde malen zegt God tot hem : „Bekeer u/\' En hij antwoordt: ik wil niet, ik zal later eens zien. Is het dus niet biliijk, dat God ten laatste zich minder genegen gevoelt, aan dien mensch die buitengewone krachtdadige genade te verleenen ter bekeering. Luistert eens, hoe God in de H, Schrift dien hardnekkigen zondaar toespreekt : Ik heb u geroepen, minzaam uitgenoodigd ter bekeering en gij hebt niet naar mij willen luisteren ; „Vocavi et renuistis.\'\' Ik heb u de hand aange-

-ocr page 205-

— 189 —

boden om a op te heffen en gij hebt uwe oogcn van mij afgewend: „Extendi manum et non fuit qui aspiceret.quot;Ik heb zoowel door beloften als bedreigingen gepoogd u tot inkeer te brengen; ik heb u gewezen op den hemel, ik heb u ook bedreigd met de hel; maar gij hebt mij ■ ne raadgevingeh versmaad en met mijne bedreigingen gespot; „Despexistis consilium meum et increpatio-nes meas neglexistis.quot; Weet echter dat mijne beurt ook eenmaal komen zal. Wanneer voor u het beslissend uur, het uur van sterven zal geslagen zijn, dan ook zal ik met u lachen en spotten: „ego quoque in interitu vestro ridebo et subsannabo.quot; Ja, zoo spreekt de Heer, dan eerst zullen zij tot mij roepen; maar om hunnen langdurigen wederstand zal Ik niet naar hen luisteren: „Tune in-vocabunt me et non exaudiamquot;; zij zullen ontwaken uit hunnen zondenslaap, zij zullen de oogen openen om mij te zoeken, maar zij zullen mij niet meer vinden: „Exurgent et non invenient me. Zij zullen de vruchten huns levens plukken, zij zullen maaien wat zij gezaaid hebben, zij zullen ontvangen volgens hunne werken. Dan zal ik zeggen; dat zij sterven zooals zij geleefd hebben, dat zij sterven zonder de genade, als verworpelingen: „Comedentfructus vitae suaequot; Over schrikkelijke, doch rechtvaardige straf; want heeft men tijdens zijn leven de genade der bekeering voortdurend verstoeten, dan verdient men, dat men er ook van verstooten worde bij zijnen dood.

2) Overigens wat wil men daarmede zeggen: ik zal mij later bekeeren ! Dat wil zeggen dat gij uw leven in twee deelen wilt splitsen en dat het kleinste, het onbeduidendste deel, goed genoeg is voor God. Gij redeneert aldus: Ik wil eerst geruimen tijd de wereld dienen, mijne driften involgen, de schoonste jaren mijns

-ocr page 206-

— 190 -

levens in zonde doorbrengen, dan eerst wanneer ik aan de wereld, aan mijne driften, aan satan, het beste deel gegeven zal hebben, zal ik aan God geven wat er nog overblijft; een hart namelijk door de zonde volslagen bedorven, ik zal de zonde vluchten dan eerst, wanneer het mij onmogelijk zal zijn nog te zondigen, ik zal verzaken aan de wereld dan eerst, wanneer de wereld mij niet meer zal willen en dewijl God, om mij den hemel te geven van mij vordert dat ik Hem be-ininne, zoo wil ik Hem ook eensdaags beminnen; maar ik weet nog niet wanneer. Meent gij Gel. dat God niet vertoornd is over zulk gedrag! Meent gij dat God nog gezind is zijne kostbaarste genaden voor u te bewaren, om ze u te geven wanneer het u in den zin komt ze van Hem aan te nemen. Bedriegt u niet; God laat zich niet bespotten:quot; Deus non irridetur.quot; Wee u ! zoo zegt Hij, bij monde van zijnen profeet, wee u ! die mij durft verachten; gij zult ook op uwe beurt veracht worden:quot; Vae qui spernis, nonne et ipse sperneris.quot; Wanneer de tijd gekomen zal zijn waarop gij eindelijk iets zoudt willen doen om de hel te ontwijken, dan zal God u zeggen gelijk weleer tot de Joden: Ik versmaad dien dienst dien gij mij gedwongen bewijzen wilt. Uwe eerbewijzingen zijn mij tot last en Ik vervloek u facta es mihi maledicta; laboravi sus-tinens.quot;

3) Weest niet verwonderd Chr. dat God zulke vree-selijke bedreigingen uit tegen hen die hunne bekeering uitstellen. Helaas! met altijd te zondigen en te zeggen; later zal ik mij bekeeren, kwetst gij het hart van God op de gevoeligste plaats. Als een oneindig feeder en liefdevolle Vader, duldt Hij stilzwijgend uwe be-leedigingen en juist omdat Hij ze duldt gaat gij voort Hem te beleedigen, d. i, ; gij stelt uit u te bekeeren,

-ocr page 207-

- 191 -

omdat Grod goed is. Zegt mij eens, indien God gewoon was de zonde onmiddelijk nadat zij bedreven is te straffen , zoudt gij dan nog in uwe gruwelen en zonden blijven voortleven ? Immers neon; gij zoudt zoodra mogelijk u met Hem traehten te verzoenen, om zijne wraak te ontloopen. Maar nu, omdat God geduldig is en u tijd tot boetvaardigheid geeft, gaat gij voort in zonde te leven. Gij veracht, zegt de H, Pau-lus, de schatten zijner goedheid, lankmoedigheid en geduldigheid. Maar wee u, zoo gaat de .Apostel voort, door uwe verstoktheid en onboetvaardigheid, haalt gij u op den hals de wraak van den grooten dag zijner gramschap. Luistert eens hoe weleer Jesus de Joden toesprak , die evenals gij weigerden aan zijne goddelijke uitnoodigingen gehoor te geven; Ik roep u sedert zoo lang, zoo zeide Hij tot hen op zekeren dag ; Ik noodig u uit ter bekeering en gij wilt niet naar mij luisteren. Ik bied u mijne genade aan en gij verkiest er geen gebruik van te maken. Maar mijne goedheid zal een einde hebben. Eenmaal zult gij mij zoeken : „quaeretis mequot; ; maar het zal te laat wezen. Het uur mijner wraak zal geslagen zijn, gij zult mij niet meer vinden: „Et non invenietis.quot; Gij zult in uwe zonden sterven : „In peccato vestro moriemini.quot; Ziedaar eene straf, waarmede God u thans bedreigt, evenals weleer de joden. Zegt dus niet meer Gel; dat gij met uwe bekeering uit te stellen kunt rekenen op de genade van God. ISfeen, uit alles wat wij gehoord hebben blijkt, dat God niet gehouden is u die krachtdadige en buitengewone genade te veiieenen, die gij tot uwe bekeering noodig hebt; maar Hij ze u daarentegen hoogst waarschijnlijk zal weigeren, omdat gij door nw gedrag u die onwaardig maakt.

Ill, Eindelijk, ik wil nog aannemen, dat God in zijne

-ocr page 208-

— 192 —

eindoloozo barmhartigheid u niet slechts den noodigen tijd, maar ook die buitengewone krachtdadige genade geeft ter bekeering. Is dat voldoende\'? Neen ; er is nog een derde vereischto en \'t is vooral die vereischte die ik vrees dat u later ontbreken zal, namelijk: de goede wil. Op dit oogenblik ontbreekt u de goede wil om u te bekeeren, maar ook later zal die u hoogst waarschijnlijk eveneens ontbreken. Dat ga ik u bewijzen.— Waarom stelt men uit eene goede biecht te spreken en ziek te bekeeren? Bijna allen zien optogen de moeilijkheden, die zij meenen dat daaraan verbonden zijn. Eene generale biecht van zooveel jaren herwaarts, eene verouderde gewoonte van dronkenschap, godslastering en ontucht, ziedaar evenzoovelc bezwaren waartegen men opziet. Indien gij echter thans u niet bekeert om de moeilijkheden die gij u voorspiegelt, zult gij later nog veel minder u bekeeren ; want dan zullen de moeilijkheden nog veel grooter zijn. Gij, die uwe bekeering uitstelt, uithoofde der moeilijkheden daaraan verbonden, gij doet als iemand die zegt: \'t Is te moeilijk die vonk uit te dooven, ik zal wachten totdat het een groote brand geworden is; te moeilijk dat boompje uit te rukken , ik zal wachten totdat het een groote boom geworden is. Gij deinst nu terug voor de moeilijkheden, maar wat zal het later wezen , wanneer het aantal zonden merkelijk gestegen en het geloof in uw hart merkelijk verzwakt zal zijn; wanneer de slechte gewoonten krachtiger, de driften heviger, het hart ongevoeliger, de knaging des gewetens bijna uitgedoofd zal zijn! En ondanks dat alles u later bekeeren; neen, dat is bijna onmogelijk. Immers wat wordt er ter bekeering vereischt? Is het genoeg onkel te biechten, zijne zonden aan den biechtvader te belijden en van hem de

-ocr page 209-

— 193 —

absolutie te ontvangen ? O neen, was dat genoeg, dan zou ik voor uwe ziel zoo bevreesd nog niet zijn. Ik zou kunnen denken: uw dood zal niet plotselijk wezen, gij zult nog tijd hebben om te biechten, om de absolutie te ontvangen en de zaak is in orde. Maar Gel; door bekeering versta ik geheel iets anders. Zich bekeeren is niet eene bloote formaliteit; zich bekeeren wil zeggen; oprecht de zonden verfoeien die men bedreven heeft en vast besloten zijn voor niets ter wereld God nog ooit door eene doodzonde te beleedi-gen, zich bekeeren wil vorder nog zeggen; den wil hebben om het bedreven onrecht te herstellen, die zondige verkeering af\' te breken, die slechte gewoonte af te leggen; in één woord zich geheel, en al veranderen en verbeteren. Gelooft gij nu Gel; dat zulke verandering in u plaats zal hebben op een gegeven oogenblik en vooral tijdens de ziekte, die uwen dood vooraf zal gaan ? Zegt mij eens; wanneer gij door eene hevige hoofd- of tandpijn overvallen wordt, voelt gij u dan nog wel genegen om iets ernstigs te ondernemen? Wat zal het dan niet wezen te midden der hevigste smarten, in den staat van zwakte en uitputting, waarin gij in uwe laatste ziekte zult verkeeren. Zult ge dan wel genegen of in staat zijn, een goed berouw en leedwezen te verwekken? Hoe zult ge alsdan die bovennatuurlijke waarheden begrijpen, waaraan gij tijdens uw leven zoo weinig gedacht hebt? Hoe is het mogelijk zich alsdan op een enkel oogenblik los te maken van begrippen en opvattingen, die men 10, 20, 30 jaren lang gevoed heeft. Dat alles is zeer twijfelachtig. Wilt gij weten hoe zulke ongelukkige menschen op hun sterfbed biechten? Men zal een priester roepen, wanneer de zieke reeds tamelijk verzwakt en uitgeput is. Als alles wel gaat, zult ge eene

13

-ocr page 210-

194 —

of andere uwer zonden belijden, zonder u om de overige zonden veel te bekreunen. De priester zal u een of andere vraag stellen; docb uit vrees van u te vermoeien zal hij u spoedig vermanen om een akte van berouw te verwekken. Gij zult die akte met den mond bidden, maar de hevigheid der pijnen zullen u beletten aan den zin der woorden te denken. De priester zal u de absolutie geven, na u eene kleine penitentie te hebben opgelegd en alles is gedaan. Groote God! moet dat eene bekeering heeten, eene bekeering waarop men tijdens het leven rekende, toen men zeide; later zal ik my bekeeren; eene bekeering die een zondig leven van 10. 20. 30 jaren moet herstellen! Zondaars, welk denkbeeld hebt gij dan van de rechtvaardigheid Gods, wanneer ge meent dat zulke bekeering in staat is Hem te bevredigen? Ja, ik weet het, in de wereld zegt men: die man die zoo geruimen tijd een goddeloos leven geleid heeft, heeft vóór zijnen dood gebiecht, heeft de H. Communie genoten en is aldus gestorven; zijn dood is zoo schoon geweest. Schoon ja, dat is mogelijk, maar is zijn dood ook een goede dood geweest ? Een sohoone dood is niet altijd een goede dood; de goede dood alleen kan ons zalig maken. Zij nu die op die wijze sterven, sterven zij een goeden dood ? Beleden ze in oprechtheid al hunne zonden, voedden zij in hun hart. een waar berouw en leedwezen ? Ja, dan zou men hun dood nog een goeden dood mogen heeten ; die gesteltenissen nu vorderen een goeden wil en \'t is juist die goede wil die doorgaans ontbreekt. Ziet maar eens hoeveel zondaars er gevonden worden, die op hun sterfbed de schoonste beloften doen, de beste gesteltenissen vertoonen en die buiten verwachting van hun sterfbed opstaan , de gezondheid herkrijgen en weer den ouden slenter volgen als tevoren; het

-ocr page 211-

worden weder dezelfde dronkaards, vloekers en on-kuisoliaarda als tevoren; wat beteekenden nu die schoone beloften, die zij deden op hun sterfbed! Er bestaat gegronde reden, aan de oprechtheid dier toenmalige bekeering te twijfelen. Neen, Gel., beeldt u niet te veel in van die sterfgevallen, die door de wereld ook al voor schoon mochten gehouden worden. Gelooft liever aan het woord van den H. Augustinug. „Men sterft zooals men geleefd heeft. Qualis vita, finis itaquot;; een gezegde dat door de ondervinding maar al te zeer gestaafd wordt. Onder al de groote zondaars, waarvan de H. Schrift melding maakt, zegt de H. Augustinus, is er niet meer dan één wiens bekeering zij ons mededeelt in het uur des doods. Het is de dood des goeden moordenaars, die zeker zoovele genaden nog niet ontvangen had als gij. Ja, de ondervinding van 6000 jaren is daar om u te overtuigen, dat men over het algemeen gesproken sterft zooals men geleefd heeft; dat de wil dezelfde blijft en dat de zondaars, al ontvangen ze ook de HH. Sacramenten, volharden in de verkeerde gevoelens en neigingen, die zij tijdens hun leven gehad hebben. Hoe dikwijls hoort men van dronkaards, die kort vóór hunnen dood nog sterken drank vroegen, onkuischaards, die op hun sterfbed hunne lusten nog involgden en zondigden, floevele christenen zijn niet gestorven die in hunne wanhoop beleden, dat hunne laatste biecht, evenals alle voorgaande biechten heiligschennend was. Neen, de wil van den mensch blijft doorgaans dezelfde op het einde zijns levens. O ! wat treurige tijding is de tijding des doods, voor hem die tijdens zijn leven zelden of nooit aan sterven gedacht heeft! De dood, het oordeel, de hel, de tallooze zonden die hij bedreven, de zondige gewoonten waaraan hij was vastge-

-ocr page 212-

- 196 —

kluisterd, de goederen waarvan hij afstand gaat doen, zijne verwanten en vrienden dio hij moet verlaten ; alles ontstelt, verontrust, pijnigt en schokt hem. En te midden dier inwendige ontsteltenis, treedt vertwijfeling en wanhoop te voorschijn. Een jongeling die sedert jaren niet meer gebiecht had, lag te Brussel op sterven. Zijn broeder was een priester gaan roepen en kwam maar niet terug. De moeder zat aan het sterfbed van haar zoon. Deze voelde den dood meer en meer naderen en vroeg van tijd tot tijd aan zijne moeder of de priester nog niet haast kwam. Ten laatste voelende dat het oogenblik van sterven daar was, nam hij de hand zijner moeder zeggende; „wanneer men God verlaat tijdens het leven, dan verlaat Hij ook ons bij onzen dood.quot; En nauwelijks had hij dit gezegd of hij gaf den geest. O vreeselijke dood Gel; de dood der wanhoop! En toch die dood is dikwijls het aandeel van hen, die hunne bekeering tot op hun sterfbed verschoven hebben. Zonder twijfel, zij bedriegen zich wanneer zij meenen door God volkomen verlaten te worden. God verlaat niemand volkomen. Al geeft Hij ook al niet de genade der bekeering, Hij laat ons ten minste over de genade om te kunnen bidden en indien de grootste zondaars der wereld maar wilden bidden om de genade der bekeering, zij zouden haar bekomen. Maar de stervende zondaar denkt niet aan bidden. Hij, die vroeger zoo stellig zeide: ik zal mij bekeeren bij mijnen dood, hij luistert nu naar Satan die hem zegt; alles is verloren. Zijne zonden schijnen hem te talrijk toe, eene goede biecht onmogelijk, de tijd al te kort, zijne krachten te zeer uitgeput, de goddelijke rechtvaardigheid al te zeer vertoornd ƒ hij biecht wel is waar, maar slechts in schijn om zijne familie niet te bedroeven. De biechtvader die

-ocr page 213-

- 197 —

hem bijstaat is niet zonder reden voor zijne ziel bezorgd. Hij geeft hem de heilzaamste en treffendste vermaningen; maar hij ziet dat de stervende ongevoelig blijft. Hij hoort hem wel is waar zuchten en snikken ; maar hij weet niet of dat voortkomt uit berouw dan wel uit wanhoop Hij ziet hem een blik werpen op het kruisbeeld ; maar hij weet niet of dat een blik van liefde of wel van haat is. Hij geeft hem de absolutie, maar de priester beeft, beducht als hij is voor eene nieuwe en laatste heiligschennis. Hij troost wel is waar bij zijn vertrek de familie van den stervende, zijne H. bediening immers verbiedt hem de vrees te openbaren die zijn hart bezielt; hij troost, zog ik de familie, maar hij stiert tegelijkertijd aan God dit gebed op: Heere Jesus! bewaar mij en ieder ander mensch voor eenen dusdanigen dood. Ditzelfde gebed richt ik ook voor u tot God. O God van oneindige barmhartigheid, bewaar ons voor eene zoo groote ramp. Neen, wij willen onze bekeering niet meer tot later uitstellen. Van stonde af aangeven wij gehoor aan de stem uwer liefde, die ons sedert zoo ge-ruimen tijd reeds uitnoodigt. Wij zijn bedroefd u be-leedigd te hebben, die de oneindige goedheid zelve zijt 1 Wij zullen zoo spoedig mogelijk eene rouwmoedige biecht spreken en wij zullen toonen door ons gedrag, dat onze bekeering waarachtig, edelmoedig en standvastig geweest is ; eene bekeering die ons met God verzoent en ons weder recht geeft op den hemel. Amen,

-ocr page 214-

Over den Dood.

Do versclirikkeJijkhcid gu akeligheid van den dood, bewezen door de verwoeatingen die hij aanricht.

Pulvis es et in pulverem reverteris. Gij zijt stof en tot stof zult gij wederkeeren. (Gen. 3. 19.)

Er heeft in do wereld eene gebeurtenis, een feit plaats, dat aan iedereen bekend is en niettemin velen vreemd schijnt te zijn; een feit waarvan wij ieder oogenblik getuigen zijn ; ik zeg ieder oogenblik, inderdaad ; want het herhaalt zich ongeveer 80 tot 100.00U maal eiken dag over de gansohe uitgestrektheid der aarde. Dat feit, zoo alledaagsch, zoo gewoon en tevens zoo vreemd en zonderling, is de grenspaal van \'s men-schen leven hier op aarde, is de dood. Bij iedere ademhaling, bij eiken polsslag, in elke seconde sterft er een mensch op aarde. O wat een aantal sterfgevallen eiken dag, elke maand, ieder jaar; wat een massa lijken sedert 6000 jaren, sedert het begin der wereld. De aarde is niets anders dan een onmetelijke dooden-akker, een onafzienbaar kerkhof. Chr., wij mogen zonder overdrijving zeggen, dat wij gaan en staan, dat wij wandelen op de asch onzer natuurgenooten, die zich vermengd heeft met het stof der aarde. Alles wat ons omringt herinnert ons aan den dood ; alles

-ocr page 215-

bijgevolg moest ons doen denken aan den dood en tot opwekking dienen om door gebed en een christelijke n levenswandel, ons tot den dood voor te bereiden. Maar helaas ! niets ia er waaraan men zoo weinig denkt als aan den dood. De dood treft onze zintuigen, onze verbeelding, maar niet onze harten. De dood moge beter dan de welsprekendste missionaris, de ijdel-heid der dingen, de vergankelijkheid der aardsohe goederen prediken; men luistert er niet naar. Chr. gij vooral die zoo zelden denkt aan den dood, wilt heden bid ik u, eens aandachtig toeluisteren; ik ga u spreken over den dood , ik ga u den dood schilderen in al zijne verschrikkelijkheid en akeligheid, ik ga u namelijk aantoonen: hoe akelig, hoe verschrikkelijk de dood is, wegens de verwoestingen die hij aanricht, de bittere teleurstellingen die hij teweegbrengt, de volslagen onthechting die hij bewerkstelligt, Keeren wij ons eerst tot Maria, de patrones van een goeden dood en smeeken wij Haar om de genade, van heden ons stervensuur zoo te mogen overwegen, dat wij het geluk mogen hebben, eenmaal eenen zaligen dood te sterven. Ave Maria.

De dood bezit de kunst, zich behendig te verbergen en zich spoedig te doen vergeten. Hij klopt aan een huis, eischt een offer, stort eene gansche familie in rouw en droefheid; maar het duurt niet lang of alles is weer vergeten; de zaken gaan weldra weer haren geregelden gang, de ledige plaats is weer aangevuld of wordt onopgemerkt voorbij gezien, de overledene is ras vergeten. Chr. wij zijn gewoon de heerschappij van den dood te beperken tot hot kerkhof dat hier bezijden de kerk ligt; tot de doodskist die gij daar grafwaarts ziet dragen; tot dat doodsbed waarop een lijk ligt uitgestrekt. Neen, de dood voert heerschappij

-ocr page 216-

— 200 —

in onze onmiddelijke nabijheid, zij volgt ons op elke onzer schreden; al wat ons omringt, al wat wij zien, al wat wij betasten, al onze levensverrichtingen verkondigen , prediken, ja verhaasten onzen dood. Hoe heet de bouwmeester die het plan ontworpen heeft dezer kerk, de werklieden die er aan gearbeid hebben ? Zij dragen den naam van dooden. Hun leven is vergeten, hunne nagedachtenis, hun naam is verloren geraakt in de vergetelheid des grafs. Wie heeft die banken, die stoelen gemaakt waarop gij zit ? Zijn naam is verloren, is dood. Hoevolen hebben op die plaatsen gezeten, waar gij thans zit, die in eeuwigheid hun voet in deze kerk niet meer zullen zetten, zij zijn verdwenen gelijk de bladeren van de boomen in den herfst, gelijk het groen der velden in den winter, gelijk een rook die opstijgt en verdwijnt. Wie denkt nog aan hen, wie spreekt nog van hen ? Nog eenige jaren Chr. en ook gij en ook ik, wij zullen van deze aarde verdwijnen, onze namen zullen vergeten, onze plaatsen door anderen ingenomen zijn. Straks als gij de kerk verlaat en den weg inslaat naar uwe woning, bedenkt dan eens, dat duizenden dienzelfden weg begaan hebben evenals gij, die allen reeds gevallen zijn onder de zeis des doods. Dat huis dat gij bewoont, tenzij het misschien nog nieuw is, van wien hebt gij het gekocht of geerfd ? Van iemand die misschien reeds lang dood is. Die tuinen, weiden, velden, wien hebben zij toebehoord ? Aan een ganseh geslacht van dooden. Die meubelen , schilderijen , kasten, ... gij hebt ze gekocht van personen, die reeds lang dood zijn ; de kamer waarin gij slaapt, hoe dikwijls is zij niet betreden geworden door den dood; alles gelijk gij ziet, waarmede wij in betrekking staan, herinnert ons aan de verwoestingen des doods; alles zegt ons dat ook

-ocr page 217-

— 201 —

wij eenmaal sterven zullen : „Morieris et tuwant de schijn dezer wereld gaat voorbij. „Praeterit enim figura hujus mundiquot; Chr; slaat eens een blik op u zeiven, beschouwt eens uwen levensloop en in u, in uw lichaam, zult gij de sporen vinden der verwoesting, die de dood in u heeft aangericht. Ik vraag aan dien jongeling, aan dat meisje? Hoe oud zijt gij? Ik ben nog jong is het antwoord; ik ben nauwelijks 18 jaren. Wat wil dat zeggen? Dat er 18 jaren van uw leven voorbij zijn gesneld; dat de dood, de verwoestende dood u 18 jaren ontnomen heeft. En gij, mijn vriend ! vraag ik aan dien man, in den avond zijns levens; hoe oud zijt gij ? Ik ben 70 jaren. Dat wil zeggen, dat uwe kindschbeid, uw jeugd, uw rijpe leeftijd door den dood u ontnomen zijn ; dat gij reeds voortsukkelt naar het graf en gij denkt wellicht nog niet aan het uur van sterven. Gij zijt 60, 70 jaren oud en reeds begint uw gezicht te verduisteren, uw gelaat te rimpelen, uw haren te vergrijzen en uit te vallen, uwe krachten beginnen te verminderen, uw lichaam begint te verouderen en te verzwakken, nog een weinig tijds en het valt in duigen. De dood betast u reeds, is u op de hielen en houdt zich gereed zijne hand aan u te slaan, Chr. wilt gij u overtuigen welke verwoestingen de dood aanricht; gaat dan jongelingen, gaat dan grijsaards, roept de H. Augustinus u toe, naar de graven uwer vaderen ; daar zult gij lee-ren wat het zeggen wil: sterven, afscheid nemen van allen die u dierbaar zijn, afstand doen voor eeuwig van alle goederen en bezittingen; „Ite juvenes, ite senes ad sepulehra patrum vestrorum.quot; Die tal-looze graven zeggen u vooreerst, dat gij eenmaal afstand zult doen van uwe tijdelijke goederen, van uw huis, van uw geld en uwe bezittingen. Hebt gij

-ocr page 218-

— 202 -

veel, veel zal u ontnomen worden; hebt gij weinig, ook van dat weinige zult gij nog afstand moeten doen. En wat zal u overblijven ? Een doodshemd om u te dekken, vier planken om uw lichaam te omsluiten; tot woning zult gij ontvangen eene doodskist, tot grondbezit een plekje van het kerkhof, tot kamer een akelig graf bevloerd met doodsbeenderen. Wat zeg ik ? Dat graf zelf zal u niet in eigendom toebehooren ; na verloop van eenige jaren, wanneer uw lichaam ontbonden en uw gebeente vergaan zal zijn, zult gij uw graf moeten inruimen voor een ander ; tot kleed zult gij ontvangen eene massa wormen, die u als met een mantel zullen bedekken. Ziedaar Chr. wat er van uwe goederen en bezittingen, van uw geld en goed, van uw lichaam geworden zal. En toch wegens die goederen, zoo gering in waarde, wanneer men ze beschouwt volgens hunne werkelijkheid, zijn er zoo velen die zich verdoemen en verloren gaan, O chr., vreesde ik niet uwe teergevoeligheid te kwetsen, dan leidde ik u naar het kerkhof, daar zou ik een doodshoofd opgraven, hetzelve in de hand nemen en dan de vraag stellen ; van wien is die schedel, dien ik in de hand houd? van een rijke of van een arme, van een geleerde of ongeleerde, van een priester of leek , van een zalige of een verdoemde? Ik zou geen hoorbaar antwoord ontvangen. Neen. Maar het zou mij stilzwijgend zeggen ; „Hodie mihi, eras tibiquot;. Heden is het mijne beurt, morgen zal het de uwe wezen. Wee u! die thans, evenals ik weleer, zoo weinig denkt aan den dood, die geheel en al verslonden zijt in aardsehe beslommeringen, die de belangen uwer ziel aan die van uw lichaam ten offer brengt; weldra , misschien morgen, misschien nog dezen nacht zult gij evenals ik van alles beroofd, met voeten getreden en vergeten

-ocr page 219-

— 203 —

worden. En zoo gij niet als ijverige christenen geleefd hebt, zult gij evenals ik verloren gaan. Ziedaar chr. hoe spoedig alles voorbijgaat en hoe weinig men medeneemt naar het graf. De dood berooft ons van onze goederen, hij verbreekt verder nog de banden des bloeds en die der vriendschap. Uwe erfgenamen zullen uwe nalatenschap onder elkander betwisten, zij zullen met het oog op hun deel, zich gelukwenschen u overleefd te hebben; ja God weet het, zij zullen uwe nagedachtenis belasteren en verguizen, omdat hun persoonlijk aandeel van de algemeene erfenis, zoo groot, zoo aanzienlijk niet is als zij gehoopt hadden, — en zoo de erflater tijdens zijn leven eenig en alleen voor het tijdelijke bezorgd is geweest, zich om zijne ziel en zaligheid niet bekreund heeft, dan zullen zijne bezittingen bij zijnen dood in drie deelen verdeeld woeden : zijn lichaam is voor de wormen, zijne goederen voor de erfgenamen, zijne ziel voor den duivel. De dood rukt ouders van hunne kinderen, broeders van zusters, man van vrouw en omgekeerd. Ouders, uwe kinderen zullen u eenigen tijd lang beweenen, maar die tranen zullen spoedig zijn opgedroogd, want er is geen wonde of zij wordt geheeld. De dood scheidt u verder nog van kennissen en vrienden, die u zullen volgen tot aan het graf, daarna wordt gij vergeten alsof gij nimmer bestaan had. Chr, wanneer wij zullen sterven, dan zal men met ons doen, gelijk wij dagelijks zien doen met anderen. Men zal voor ons de doodsklok luiden en de een zal den anderen vragen ; Wie is er dood ? Voor wien wordt de doodsklok geluid ? Voor dien man ; maar hij was reeds oud en afgeleefd, voor dien jongeling , dat meisje, wie had dat kunnen denken? Vóór acht dagen was er nog geen spoor vao ziekte te ontdekken. Daarna weet

-ocr page 220-

ieder iets van den overledene te zeggen, deze iets goeds, gene iets slechts, velen zijn tevreden, sommigen bedroefd, de meesten echter zijn onverschillig en trekken zich de zaak niet aan; kort daarna spreekt en denkt men niet meer aan u. In tegenwoordigheid van familie en naaste bloedverwanten, zal men zich wachten den naam des overledenen uit te spreken, uit vrees van de droefheid te vernieuwen en de nog niet gansch gesloten wonde te heropenen. En in de kamer, waar de zieke het bezoek ontvangen heeft van den geneesheer, van den priester, van J. C.; waar hij den laatsten snik gegeven heeft;, in die kamer zal men eenige maanden na den dood weer lachen en schertsen, weer lustig zijn evenals tevoren en de ziel des overledenen waar zal zij zich bevinden ? In den hemel of in de hel ? Daar bekommert men zich niet over, daar denkt men niet aan. Bijal dien ik u eens durfde brengen bij het graf van iemand dien gij weleer teeder bemind hebt, dan zoudt gij een zichtbaar bewijs vinden hoe verwoestend de dood te werk gaat. In dat graf ligt een ijskoud lichaam met ingevallen, uitgedoofde oogen, met een bleek loodkeu-rig gelaat; aanschouwt die handen, die armen die u zoo dikmaals omhelsd hebben, dat hart dat u zoo teeder beminde, dat u geheel en al was toegedaan, dat hart klopt niet meer, die oogen zien niet meer, die ooren hooren niet meer. Ziedaar een bewijs, hoe verwoestend de dood te werk gaat. Chr.; gij weent, wanneer de dood in uw huis binnen komt, gij weent, wanneer de dood u een dierbaar ofier vraagt; weent, rechtmatig zijn die tranen. Jesus zelfs weende bij het graf van zijn vriend Lazarus; neen, het geloof verbiedt u niet te weenen, maar weent niet evenals zij die geene hoop hebben, alsof met den dood alles

-ocr page 221-

— 206 —

ophield; neen, wij weten door het geloof dat de dood eone scheiding, eene tijdelijke scheiding teweeg brengt, dat wij allen wel is waar zullen sterven, maar tevens ook verrijzen, om elkander in een ander, wij hopen in een beter leven terug te zien. Neen, sterven is geen ramp, geen onheil; niemand ter wereld kan den dood ontsnappen, de dood is eene onvermijdelijke noodzakelijkheid geworden sedert de zonde. Maar eene ramp, een onheil is hot te sterven in staat van doodzonde ; wie in staat van doodzonde sterft, sterft eenen tweevoudigen dood; den tijdelijken en den eeuwigen dood. Dwaas en uitzinnig is hij, die al ware het maar een uur in staat van doodzonde doorbrengt, omdat de dood hem elk oogenblik treffen kan en niemand een minuut zeker is van zijn leven. Niets Chr. is zekerder en tegelijk onzekerder dan de dood; d. w. z. zeker is het dat wij eenmaal sterven zullen, maar onzeker wanneer; onzeker of gij zult sterven in de jeugd, op rijpen leeftijd, of op hoogen ouderdom; de dood slaat geen acht op leeftijd, gezondheid en lichaamskrachten ; hij behoeft slechts weinige dagen, ja nog minder om hot sterkste gestel te ondermijnen. Eenige jaren geleden, tijdens hot heerschen der vreeselijke choleraziekte hier te lande, verliet een jongeling van een krachtig gestel, des avonds met eenige makkers een slecht huis ; hij 1 achtte en spotte met de ziekte, de ongelukkige, hij had ze reeds onder de leden, want \'s morgens reeds was hij een lijk. Onzeker hoe gij zult sterven? Eenen natuurlijken ot onnatuurlijken dood. Hoeveel menschen in onze dagen sterven een onnatuurlijken, een gewelddadigen dood ! Er gaat geen dag voorbij, of de dagbladen maken melding van huiveringwekkende sterfgevallen; hier valt een ongelukkige onder bet mes van een sluipmoordenaar, daar

-ocr page 222-

— 206 —

heeft men liet lijk opgevischt van een drenkeling, deze vindt den dood door een val, gene wordt onder het rad van een wagen, onder de hoeven der paarden verplettei\'d. Verder vreeselijke spoorwegongelukken, instortingen en mijnontploffingen, waarbij somtijds honderden menschen het leven verliezen, zijn aan de orde van den dag. Hoe velen sterven aan eene beroerte, aan eene hartkwaal; zij zijn oogenblikkelijk gezond en oogenblikkelijk dood. Doch dat alles heeft weinig te beduiden ; voor den braven en deugdzamen christen komt het er niet op aan, of hij vandaag sterft of morgen, na verloop van 10 dagen of eerst van 10 jaren, omringd van bloedverwanten en vrienden, of wel verlaten en in een vreemd land; of hij een natuurlijken of geweldigen dood sterft; of hij sterft aan eene ziekte of van ouderdom; dat alles moet u vrij onverschillig zijn; het komt er slechts op aan dat gij sterft in de liefde en genade Gods. Maar ook dat is onzeker, niemand weet of hij sterven zal \'-in de genade Gods als een uitverkorene, of wel in staat van doodzonde, als een verworpeling. Zondaren, die u in staat van doodzonde bevindt siddert en beeft; want de dood kan u ieder oogenblik treffen. Waakt, zegt God ; want gij kent dag noch uur; houdt u gereed, want de Zoon des menschen zal komen, wanneer gij er het minst aan denkt. De waarheid dier woorden wordt gestaafd door de ondervinding. De dood mag men zeggen komt altijd onverwachts ; hij zelfs die een lang ziekbed heeft, die den dood als het ware stap voor stap ziet naderen, wordt nog verrast; hij sterft op een oogenblik waarop hij er niet aan denkt. Zondaren, zijt gij bereid om te sterven ? Zoo gij vaandag niet bereid zijt, zult gij het dan morgen wezen? Maar daarenboven wie verzekert u, dat gij den dag van morgen

-ocr page 223-

— 207 —

nog beleven zult ? Ik weet wel, plotselijke sterfgevallen komen niet veelvuldig voor, maar zij hebben toch plaats en evenals zij anderen treffen, kunnen zij ook u treffen; in alle geval zich in staat van doodzonde bevinden en in dien staat weken, maanden, ja soms jaren voortleven, is eene gewaagde zaak, die voor velen noodlottig geweest is, voor hen namelijk die door den dood verrast, den tijd niet hadden om met de laatste H.H. Sacramenten voorzien te worden. Maar ik onderstel dat gij den tijd zult hebben de laatste H.H. Sacramenten te ontvangen; levert dat eene volkomen geruststelling voor de toekomst ? Iemand, die na zijn gansoh leven in zonden te hebben doorgebracht, op zijn sterfbed den priester ontbiedt, die hem de HH. Sacramenten toedient, mag in de meening der menschen een zaligen dood sterven; maar is zulk een dood ook zalig in de oogen van God ? Wij mogen Gods oordeelen niet vooruitloopen, maar dit in alle geval is zeker, dat de dood die volgt op een leven vol zonden en ongerechtigheid, alles behalve geruststellend is en dat de priester niet dan met angst en vrees, aan zulk een zondaar de laatste IIH. Sacramenten toedient. Wilt gij een zaligen dood sterven, bereidt u dan daartoe voor door een boetvaardig leven, door waakzaamheid en gebed. Chr,, ik heb u gesproken over den dood, over eene waarheid die u en mij, die ons allen aangaat, maar waaraan zoo weinig gedacht wordt; over eene waarheid, die men altijd ver van zijnen geest wil verwijderen. Voor den zondaar, geheel en al in zingenot verloren, gekluisterd aan de goederen dezer wereld, is de gedachte des doods eene bittere gedachte. : „Amara est homini, pacem habenti in substantiis suisquot;,— en voor den rechtvaardige is de gedachte des

-ocr page 224-

— 208 —

doods ten minste eene ongewone gedachte; aan alles denkt men, over alles spreekt men; maar zelden of nooit denkt of spreekt men over den dood. En toch, niets is zoo heilzaam, zoo voordeelig, zich nu en dan eens te herinneren dat men stof is en eenmaal tot stof zal wederkeeren. Niets maakt meer indruk, zich nu en dan eens voor oogen te stellen de vreeselijke verwoestingen die de dood aanricht; die overweging zal ons van het aardsche, of ten minste zeker van de zonde onthechten; de zekerheid des doods zal u stemmen tot onverschilligheid voor alles wat vergankelijk is en u doen uitroepen met den Wijzen Man ; „IJdelheid der ijdelheden en alles hier op aarde is ijdelheid,quot; de onzekerheid daarentegen van het uur uws doods, zal u aansporen om waakzaam te zijn en u gereed te houden. Wanneer men den dood beschouwt met de oogen des geloofs dan heeft hij niets akeligs noch verschrikkelijks; hij rukt ons wel is waar weg uit de wereld, maar ook de wereld zelve is vergankelijk en onbestendig, zij gaat voorbij ; „praeterit enim figura hujus mundiquot; hij stort ons wel is waar van het toppunt van eer en glorie in de vergetelheid van het graf; hij maakt ons van schatrijk doodarm, maar ook eer en glorie, goederen en fortuin zijn vergankelijk ; zij zijn gelijk aan een rook die verdwijnt, aan een schip dat de golven doorklieft, een oogenblik zichtbaar is en daarna uit het oog verloren, ja geen spoor meer van zich achterlaat. Kortom de dood zal ons alles ontnemen, ons als een diefvan alles berooven, zonder op onze gebeden en op onze smeekingen acht te slaan : ééne zaak echter is er die hij ons niet ontnemen kan, namelijk: God en zijne liefde; want de liefde is sterker dan de dood. Wij kunnen al het overige ontberen, zoo wij slechts de liefde bezitten en bewaren ; want in de liefde ligt besloten de hoop op eene gelukzalige eeuwigheid. Amen.

-ocr page 225-

Over den Dood

I Niets is zekerder dan do dood ;

Het Doodvormis tegen ons uitgesproken, is:

1) Algemeen in zijne toepassing,

2) Onherroepelijk in zijne gestrengheid,

3) Beslissend in zijne gevolgen.

II Onzekerheid der omstandigheden van onzen dood ;

1) Onzekerheid van het uur des doods :

A) Wij kunnen sterven op eiken leeftijd,

B) » » onverwachts,

C) » » » ten allen tijde.

2) Onzekerheid der plaats waar wij sterven zullen ;

3) » » wijze waarop » » » :

A) Onzeker welke soort van dood ons treffen zal,

B) » of wij goed of slecht sterven zullen.

Memorare novissima tua et in ae-ternum non peccabis. Gedenk uwe uitersten en gij zult in eeuwigheid niet zondigen. (Eccli. 7. 40.)

De H. Apostel Joannes zegt ons in het Boek der Openbaringen dat hij eens eene stem hoorde gelijk aan den donder, die hem toeriep Kom en zie. Veni et vide.quot; En aanstonds zag hij een geheimzinnig ruiter verschijnen, gezeten op een vaal paard. Die rui-

14

-ocr page 226-

— 210 —

ter was de Dood en de hel volgde hem. En God gaf hem macht over de vier wereldstreken, om de men-sohen te doen sterven door den honger, door het zwaard, door de pest en door wilde dieren. (Apoc. 6. 8.) Dat gezicht van den H. Joannes is het beeld eener treurige werkelijkheid. De H. Joannes zag den dood gezeten op een paard, omdat hij de gansche wereld doorloopt met eene vreeselijke snelheid, gelijk aan die van den bliksem. Hij verplaatst zich in een oogwenk van het eene tot het andere uiteinde der wereld, hij treft zonder medelijden allen die God hem aanwijst en verspreidt overal op zijnen doortocht on-steltenis en rouw. De menschen hebben er eenen ont-zettenden angst voor, zij vluchten den dood op allerlei wijze, zij sluiten de oogen om hem niet te zien, zij verstrooien zich om er niet aan te denken. Maar waartoe dient het ? Te vergeefs ontvluchten zij zijn aanschijn, te vergeefs bannen zij hem uit hunnen geest; al mochten zij ook al den dood vergeten, de dood zal hen niet vergeten, hij zal hen niettemin treffen vroeg of laat; eens zullen zij vallen onder zijne scherpe zeis. Het dient ons dus tot niets Chr. de gedachte aan den dood uit onzen geest te bannen. Integendeel het is ons zeer nuttig en heilzaam aan den dood te denken. God zelf leert ons dat in de H. Schrift; „Gedenk uwe uitersten, zegt de H. Geest en gij zult in eeuwigheid niet zondigen.quot; Ach laat ons niet vreezen den dood te aanschouwen, dewijl de gedachte daaraan zoo heilzaam, is voor onze ziel, zij zal ons de zonde doen vluchten en den hemel doen bereiken. Ik doe dus ook u die stem hooren die de apostel Joannes vernam ; „Kom en zie : Veni et vide.quot; Komt den dood aanschouwen ; komt en ziet zijne volkomene zekerheid, alsmede de vreeselijke geheimen die den dood omhullen; komt u herinneren

-ocr page 227-

— 211 —

dat niets zekerder is dan de dood; maar ook niets onzekerder dan de onastandighoden die hom vergezellen. Ziedaar de twee grcote waarheden, die heden de stof onzer overweging zullen zijn.

I. Vooreerst Chr. niets is zekerder dan de dood. liet is zeker dat wij sterven zullen. Het doodvonnis is tegen ons allen uitgesproken,quot; Statutum est homi-nibus semel mori.quot; (Hebr. 9. 27.) Dat doodvonnis is :

1) Algemeen in zijne toepassing. A.) De wet van don dood kent geene uitzondering. Paus en bisschoppen sterven evenals de eenvoudige geloovigen. Vorsten, koningen en keizers sterven evenals hunne onderdanen ; rijken sterven zoowel als armen , geleerden zoowel als ongeleerden, goeden zoowel als slechten, mannen en vrouwen, kinderen, jongelieden en grijsaards, allen zijn veroordeeld om te sterven. B.) Hoe lang ook iemands leven zij, toch zal de dood er een einde aan maken ; want wie is er, vraagt de H. Geest, die leeft en die den dood niet zien zal. (Ps. 88. 49.) Niemand is er, zegt Hij, die altijd zal leven: „Nemo est qui semper vivat.quot; (Ecel. 9. 4) Adam leefde 930 jaren en is gestorven. Seth leefde 912 jaren en . . . Enos 905 jaren . . . Noe 9B0 jaren . . . Mathusalem leefde zelfs 969 jaren en toch is hij gestorven. Hij is gestorven. Ziedaar wat men zegt van alle menschen die ooit geleefd hebben , wat men zeggen zal van een ieder van ons en van allen die na ons komenzullentotheteinde der wereld ; „in omnes homines mors pertransiit.quot; C.) De toekomst is voor ons onzeker; niemand weet wat ons lot zal zijn noch in dit, noch in het ander leven; eene zaak slechts is zeker : dat wij sterven zullen. Ik veronderstel eens dat eene moeder mot haar kind op den arm mij vraagt: Wat zal het lot van dit kind wezen ? Zal het kort of lang loven ? Moeder, dat weet ik niet-

-ocr page 228-

— 212 —

Zal het rijk of arm, gelukkig of ongelukkig, goed of slecht, zalig of verdoemd wezen ? Nog eens dat weet ik niet. Maar zal het sterven? Ja, het zal sterven; want het is menscli en alle menschen moeten eenmaal sterven ; „Statutum est hominibus semel mori.quot; Ach Chr! als de toekomst onzeker is en wij slechts van ééne zaak volkomen zeker zijn, namelijk dat wij moeten sterven, waarom dan zoovele plannen gemaakt die nooit uitgevoerd zullen worden, waarom ons niet ernstig bezig gehouden met eene gebeurtenis die wij zeker beleven zullen, waarom niet gedacht aan den dood ! quot;Waarom ons daartoe niet voorbereid door een goed leven! Waarom niet alle dagen onzes levens geleerd goed te sterven, door het vluchten der zonde en het beoefenen der deugd I

2) Ons doodvonnis is verder ook onherroepelijk in zijne gestrengheid. Chr. al wat gij doet om uw leven te bewaren is te vergeefs. Gij moogt voorzorgen nemen zooveel gij wilt, u op alle mogelijke wijzen vieren , alle buitensporigheden vermijden, bij ziekte de knapste geneesheeren ontbieden, de kostbaarste geneesmiddelen nemen, alle bronnen der kunst en voorzichtigheid uit putten; zeker is het dat gij aan de gestrengheid van den dood niet ontsnappen zult. De dag zal komen waarop gij sterven zult. En als gij aan eene ziekte zult sterven, zult gij eens te bed gaan liggen om niet meer op.te staan. Spoedig zal uw toestand verergeren, uwe krachten zullen afnemen en men zal u zeggen , dat het tijd is om orde te stellen op uwe zaken, afstand te doen van alles wat gij hier op aarde bezit, te beschikken over uwe goederen ten gunste van anderen. Gij zult dan uw testament moeten maken en tot den notaris zeggen: Ik laat mijn huis aan . . . dat stuk grond aan......die som aan.....

-ocr page 229-

— 213 —

die rente aan .... Maar hoe V gij houdt niets over, gij schenkt alles weg. Ja, alles en er blijft u niets meer over. Dat huia dat gij zoo geriefelijk, zoo aangenaam vondt zult gij moeten verlaten, de dood zal er u tegen wil en dank uit verdrijven en er zal u geene andere woning meer overblijven dan een somber graf : „Solum mihi superest sepulchrum.quot; Die velden die gij bebouwd en met zooveel zweet bevochtigd hebt, zullen door den dood u ontnomen worden en geen voet grond zal u meer overblijven. Dat geld dat gij met zooveel zorg bijeengebracht hebt, waaraan gij zoo gehecht geweest zijt, zal u door den dood tot den laatsten cent ontnomen worden. Ja, de dood zal u van uwe goederen berooven, gij zijt naakt op deze wereld gekomen, naakt zult gij haar ook verlaten. Ach Chr; waartoe zal het u dienen in het uur des doods rijk geweest te zijn, dewijl gij alles zult moeten achterlaten. Is het niet dwaas u zooveel moeite te geven om tijdelijke goederen te verwerven, goederen die gij ieder oogenblik kunt verliezen en u zoo weinig te bekommeren om hemel-sche goederen te verzamelen, die de dood u niet vermag te ontrukken. Is het vooral niet dwaas u te verrijken door oneerlijke middelen. Waartoe zal het onrechtvaardig verkregen goed in het uur des doods u dienen ? Helaas 1 het is een beul die het geweten van den stervende zal pijnigen, een beul die u misschien zal bekoren in wanhoop te sterven. De H. Al-phonsus verhaalt in zijne onderrichtingen over de tien Geboden, dat een man die zijn fortuin door onrechtvaardigheid verworven had, op het punt zijnde te sterven, een notaris liet roepen en zijn testament maakte in dezen vorm ; „Ik vermaak mijne ziel aan den duivel,quot; De omstaanders verwonderd, riepen uit:

-ocr page 230-

- 214 —

Arme man, hij is reeds buiten kennis. Neen, neen, hernam de zieke, ik weet zeer goed wat ik zeg; notaris schrijf: Ik laat mijne ziel aan den duivel, om haar naar de hel te voeren ter oorzake der onrechtvaardigheden die ik bedreven heb ; ik vermaak aan den duivel de ziel van mijne vrouw, die niet opgehouden heeft mij tot onrechtvaardigheid aan te zetten, ten einde hare ijilelheid te kunnen voldoen. Ik vermaak aan den duivel de zielen mijner kinderen, voor wier opvoeding ik mij verdoemd heb door onrechtvaardigheid. En onder het uitspreken dier verschrikkelijke woorden gaf hij den geest. Chr ; indien gij onrechtvaardig goed bezit, smeek ik u in het belang uwer ziel, wacht niet tot het uur des doods om het te herstellen; maar haast u het thans weer te geven aan zijn rechtmatigen bezitter, ontdoet er u van voordat de dood het u ontneemt; want sterft gij met die onrechtvaardigheid op het geweten, waar zal uwe ziel dan heengaan ? Ach ! hoe streng is het doodvonnis tegen ons uitgesproken. Het berooft ons met geweld van onze tijdelijke goederen; het scheidt ons daarenboven van onze bloedverwanten en vrienden, het ontrukt ons aan hunne genegenheid en liefde. Verbeeld u dat gij ligt uitgestrekt op uw sterfbed, er blijven u maar eenige oogonblikken te leven meer over, gij houdt of liever men houdt in uwe hand de gewijde kaars, K.en geeft u het kruisbeeld te kussen, de priester bidt aan uwe zijde de gebeden der stervenden, uwe bloedverwanten, kinderen en vrienden omringen uw bed. Eenigen houden stilzwijgend de oogen op u gevestigd, anderen doen het vertrek weergalmen van hun gesnik en geween. Nu, hen allen moet gij verlaten. O wreede scheiding! „Siccino separat amara mors.quot; (I. Keg. 15. 32). Gij gaat dan een laatsten zegen geven aan uwe

-ocr page 231-

— 215 —

kinderen, gij gaat een laatst vaarwel zeggen aan allen die gij hier op aarde liebt liefgehad. Ik spreek slechts van personen die uwe liefde waardig zijn geweest. Maar er zullen missehien ook anderen geweest zijn aan wie gij uw hart geschonken hebt, voor wie gij uw fortuin, uwe gezondheid, uw lichaam, uwe ziel opgeofferd hebt. Waar zullen zij dan wezen die lage medeplichtigen uwer zonden ? Ach! zij zullen zich niet bekommeren over uwen dood, zij zullen er mede spotten en tijdens uwe ziekte hebben zij misschien reeds nieuwe betrekkingen aangeknoopt. Ach Chr! waarom maakt gij toch zooveel werk van de vriendschap der menschen ? Waarom stelt gij uw hart open voor schuldige driften en zondige liefde? Wat vermogen in het uur des doods te doen voor u, zij die gij hier op aarde hebt liefgehad. Hunne droefheid en tranen zullen uw leven geene minuut verlengen. \'Het is ook mogelijk dat allen die gij bemind hebt niet zullen weenen, het is mogelijk dat er onder hen ondankbaren zijn die zich over uwen dood zullen verheugen met het oog op de erfenis. Nog eens dus, waarom zooveel werk gemaakt van de valsche vriendschap der menschen en waarom acht gij zoo weinig de oprechte, getrouwe en standvastige vriendschap van God, de vriendschap van J. C. die alleen in staat is in uw laatste uur u te troosten. Ach nemen wij tot vriend J. C. die ons niet zal verlaten wanneer niemamd meer ons zal kunnen helpen ; J. C. die onzen doodstrijd zal verzachten, onzen laatsten snik opvangen en onze ziel inleiden in de gelukzalige eeuwigheid. Scheiding van goederen, scheiding van bloedverwanten en vrienden, scheiding ook van het lichaam bewerkt de dood. Ons lichaam zal prijs gegeven worden aan de verrotting, aan de ontbinding

-ocr page 232-

— 216 -

van het graf. Zoodra gij dood zult zijn, zal men voor u de doodsklok luiden, die klok die gij zoo dikwijls den dood van anderen hebt hooren bekend maken, zal dan uwen dood verkondigen, Men zal tot elkander zeggen : Die man is dood, wat een slag voor vrouw en kinderen ! Eenige uren later zal men uw lijk wasschen en tussehen vier kaarsen ten toon stellen in eene donkere kamer. Al uwe ledematen zullen ijskoud, stijf en onbewegelijk zijn, terwijl uwe handen door middel van een koord bijeen gebonden een kruisbeeld zullen vasthouden tussehen de vermagerde vingeren. Eenige vrome zielen zullen in stilte bij uw lijk komen bidden en na eenige oogenblikken weer heengaan na een weinig wijwater over uw lijk gesprenkeld te hebben, (rij zijt nog geen twee dagen dood of uw lichaam begint reeds een kwaden reuk te verspreiden. Men is gedwongen het uit het huis te verwijderen, men wikkelt het in een eenvoudig doodskleed, het wordt neergelegd op een weinig stroo in eene doodskist en het wordt vervolgens naar de kerk gedragen. Na de lijkmis wordt gij naar het kerkhof gebracht en in het graf neergelaten ; de omstaanders hooren het gedruisch der koorden die men van onder de kist terugtrekt, alsmede den somberen klank der schop aarde die de priester op uwe doodskist werpt; eindelijk verwijdert zich iedereen treurig, terwijl de doodgraver na verloop van een kwartier uurs uw lijk zes voet onder den grond begraven heeft, liet akelig gezicht van een lijk bewerkte de bekeering van een losbandig jongeling, die ten tijde van den H. Gregorius leefde. De Heilige geleidde dien jongeling naar het kerkhof, waar de persoon begraven lag die het voorwerp geweest was zijner hartstochtelijke drift; hij liet het graf openen en de jongeling

-ocr page 233-

— 217 —

de ondragelijke lucht gewaar wordende, die dat lijk afgaf en het afschuwelijk overschot ziende eener vergane schoonheid waaraan hij zijne ziel ten offer had gebracht, keerde in zich zelf en veranderde van leven. — Het was ook bij het gezicht van het lijk van haren minnaar, dat de H. Margareta van Cortona aan haar zondig leven vaarwel zeide en eene groote Heilige werd. Dierbare jeugd, maak een goed gebruik van de les die de dood u geeft. Jongelingen, laat u niet verleiden door den kortstondigen glans eener aardsche schoonheid, die evenals de bloem des velds \'s morgens ontluikt en \'s avonds weer verwelkt is. En gij jonge dochters, trekt geen ijdelheid uit lichamelijke bevalligheid en maakt er geen misbruik van om zielen te verdoemen. Herinnert u dat gij stofzijt en tot stof zult wederkeeren; herinnert u wat de H. Man Job zeide: „Ik heb gezegd tot de verrotting: gij zijt mijne moeder en tot de wormen gij zijt mijne broeders en zusters.quot; Ja Chr. het doodvonnis tegen ons geveld, zal ons lichaam prijs geven aan de ontbinding van het graf en niemand onzer zal daaraan ontsnappen ; want dat vonnis is onverbiddelijk in zijne gestrengheid.

3) Het is eindelijk beslissend in zijne gevolgen; want God heeft vastgesteld dat wij slechts eenmaal zullen sterven. „Statutum est hominibus semel mori.quot; En onze gansche eeuwigheid hangt af van het oogen-blik van onzen dood. „De boom blijft liggen, zegt de H. Geest, ter plaatse waar hij valt: Si ceoiderit lignum ad austrnm aut ad aquilonem, in quocumque loco ceciderit, ibi erit,quot; (Eccl. 11.3). De dood treft ons maar eenmaal met hare zeis ; treft zij ons in staat van doodzonde, dan vallen wij ter linkerzijde namelijk in de hel en daar zullen wij eeuwig blijven, daar zullen

-ocr page 234-

— 218 —

wij weenen, knarsetanden en branden in alle eeuwigheid. Maar integendeel treft de dood ons in staat van genade, dan vallen wij ter i-echterzij de, dan gaan wij naar den hemel en wij zullen de gansohe eeuwigheid door gelukkig en verzadigd zijn. Chr. denkt er wel aan, wij sterven niet meer dan eenmal: „Semel mori.quot; Konden wij tweemaal sterven en stierven wij de eerste maal slecht, dan konden wij die ramp herstellen met de tweede maal goed te sterven; maar neen: „Statutum est hominibus semel mori.quot; En dat besluit dat onzen dood vaststelt, zal tegelijkertijd en zonder beroep ook ons eeuwig lot vaststellen. Want vermits wij noodzakelijk moeten sterven en niet meer dan eenmaal, zullen wij goed of slecht sterven ; er bestaat geen midden en naar gelang wij- goed of slecht zullen sterven, zullen wij eeuwig gelukkig of ongelukkig zijn. Ach Chr. dewijl wij slechts eenmaal sterven en onze gansche eeuwigheid afhangt van onzen dood, laat ons dan alles aanwenden , alle ofiers brengen teneinde ons voor te bereiden tot eenen goeden dood. Maken wij een goed gebruik van het groote middel van zaligheid, dat God ons op het oogenbHk geeft. Tot dusverre hebben wij beschouwd de zekerheid des doods, wij hebben overwogen het vreeselijk vonnis over ons uitgesproken ; dat ieder mensoh zal sterven en met meer dan eenmaal. ,Statutum est hominibus semel mori.\'\' Ach hoe vreeselijk is dat doodvonnis : algemeen in zijne toepassing, onverbiddelijk in zijne gestrengheid, beslissend in zijne gevolgen! Maar tegelijkertijd dat de gedachte aan de zekerheid van den dood heilzaam is om ons van de schijngoederen dezer aarde te onthechten, ons de zonde te doen vermijden en ons met meer ijver aan het groote werk onzer zaligheid te doen arbeiden; tegelijkertijd is die gedachte

-ocr page 235-

— 219 —

onder een ander oogpunt beschouwd nog veel heilzamer , namelijk de onzekerheid van den dood; laat ons dus ook eens nagaan do vreeselijke geheimen die hom omringen, de onzekerheid der omstandigheden die hom vergezellen; want niets is heter in staat ons voor de zonde te behoeden, of ons daaruit te verlossen dan die onzekerheid!

II. Welk is dan het eerste geheim van den dood?

Ij De onzekerheid van het uur des doods. „Nesoitis diem neque horam.quot; (Matth. 23. 13)

A.) Gij kunt op eiken leeftijd sterven. Onder uzijn er die zich verlaten op hunne jeugd en meen en dat zij eerst op hoogen leeftijd zullen sterven. Maar zij kunnen zich bedriegen. Zegt mij eens ; Zijn het enkel ouden die sterven\'? Zijn het ook niet jongelieden en kindoren ? Hoeveel vruchten vallen van den boom voordat zij rijp zijn en hoeveel menschen sterven er voordat zij den volwassen leeftijd bereikt hebben ? L)at is licht te weten. Ziet het sterfregister eens in en gij zult zien dat er meer jonge dan oude lieden sterven. Het lichaam toeh is in de jeugd zoo teeder en broos, er is zoo weinig toe noodig het te sloopen. Green wonder dus dat de helft der menschen sterft voor het SOquot;1 jaar. En gij volwassen mannen steunt niet op awe krachten, het zijn niet enkel zieken en afgeleefden die sterven, maar ook gezonden en sterken. De dood doet als do maaier die zoowel de rechtopstaande als gebogen, zoowel de volle als ledige aren afmaait. Hij maait alles weg met zijne zeis, oud en jong, zwak en sterk. Eindelijk gij ouden van dagen , gij moogt nog frisch en gezond zijn ; steunt niet te veel op uwe krachten, want het zijn doorgaans de gezondste grijsaards die plotselijk sterven. Dat leert de ondervinding el-ken dag.

-ocr page 236-

— 220 —

B.) Wanneer zult gij sterven? „Nescitis . ...quot; Ja, J. C. waarschuwt u dat gij onverwachts zult sterven : „qua hora non putatis filius hominis veniet.\'\' (Lue. 12. 40.) Jongelingen en jonge dochters , zult ge niet verrast worden door den dood te midden uwer vermaken , op een bal of danspartij; het zou niet de eerste maal wezen dat dit geschiedde. Gij kunt gevangen worden door den dood gelijk de visch aan den angel, gelijk de vogel in het net. „Sicut pisces ca-piuntur hamo et sicut aves laqueo comprehenduntur.\'\' (Eccl. 9. 12.) Ziet den visch hoe vroolijk hij dartelt in het water; terwijl hij zich vrij waant voor alle gevaar, bijt hij aan het aas en wordt aan den angel gevangen. Ziet den vogel zingen en fladderen in het bosoh j hij springt van tak tot tak, hij wil zijn voedsel nemen en ziet hij vindt zich verstrikt in het net. Jongelieden, ziedaar uw beeld ; gij lacht, gij vermaakt u, gij danst en springt; maar kan de dood u niet verrassen ? En gij huisvaders, kunt ook gij niet verrast worden door den dood, op een oogenblik dat gij er volstrekt niet aan denkt. „Qua hora non putatis.quot; Op het oogenblik waarop gij uw fortuin vermeerderd, uwe kinderen zult geplaatst hebben, op het oogenblik waarop gij van plan zijt een weinig te gaan rusten en de vruchten van uwen arbeid wilt smaken. Kan u niet het lot treffen van dien man van wien het Evangelie spreekt, die eenen heerlijken oogst gewonnen had en tot zich zeiven zeide : Wat zal ik doen? want mijne schuur is niet groot genoeg om mijnen oogst te hergen, Ik zal de oude schuur omverhalen en eene grootere bouwen en daarin zal ik dan mijnen oogst bergen. Ik zal provisie en rijkdommen hebben voor verscheidene jaren, daarna ga ik uitrusten en genoege-lijk leven. Maar God zeide tot hem: Dwaas, waartoe

-ocr page 237-

- 221 -

dienen al dieschoone plannen! Dezen nacht nog eisch in uwe ziel van u weder: „Stulte, hac noote animam tuam repetent a te.quot; (Luc. 12. 16 — 20.)

C.) Wanneer zult gij sterven. Grij weet het niet; want gij kunt elk oogenblik sterven. Zal het niet dit jaar wezen? Ik weet er niets van , maar het is mogelijk. Er sterven jaarlijks in deze parochie ongeveer .... menschen. Zal het dit jaar uwe beurt niet zijn? Zult gij deze maand, tijdens deze missie niet sterven ? Ik weet er niets van, maar het kan gebeuren. Er wordt bijna nooit missie gegeven in eene tamelijk groote plaats of men bracht tijdens dezelve een of meer lijken naar het kerkhof\'. Zult gij dezen nacht niet sterven? Er sterven eiken nacht 40.000 menschen op aarde, kunt ook gij niet van dat getal zijn? Zal ik zelf het niet wezen? Niemand kan mij van het tegendeel verzekeren. In 1860 preekte een pater Jesuit in de kerk der Benedictijnen te Termonde. Op zekeren avond had hij gepreekt over den dood. \'s Anderendaags wil men hem wekken ; hij geeft geen antwoord, men treedt de kamer binnen , hij was dood.... Zult gij misschien niet sterven tijdens deze preek ? Het kan gebeuren, In 1850 preekte een pater Redemptorist in de kathedraal van Antwerpen over den dood. „Het is zeker, riep hij uit, het is zeker Chr. dat wij allen sterven zullen en dat wij na den dood zullen verschijnen voor den rechterstoel van Godbij die woorden viel eene vrouw dood neer in de kerk! Wanneer zult gij sterven ? Grij weet er niets van. Gij kent dag noch uur. „Nescitis diem neque horam.quot; Schrikkelijk geheim! Ja de dood kan u overvallen op eiken leeftijd, onverwachts, ieder oogenblik; weest dus op uwe hoede, houdt u gereed: „Vigilate,quot; waakt; want gij weet niet op welk uur de Heer zal komen. Chr., zijt gij

-ocr page 238-

- 222 -

bereid om thans te sterven; zoo neen, bereidt u dan daartoe tijdens de Missie en veracht niet de bedreigingen van den dood en de vermaning van God.

2) Doch ziehier een tweede geheim van den dood. De onzekerheid der plaats waar wij sterven zullen.

Waar zult gij sterven? Zal het wezen in de kerk, terwijl gij bidt, of in den biechtstoel als gij uwe biecht spreekt? Dat gebeurde eenige jaren geleden met eene jonge dochter in eene kerk te Brussel. De priester bemerkende dat zij niet meer sprak en in den biechtstoel als ineengezakt was, stond op, schoof de gordijn weg en zag een lijk. Waar zult gij sterven ? Misschien op straat. Eenige jaren geleden ontmoette de Eerw. Heer kapelaan van zekere parochie den geneesheer der plaats op straat. Goeden dag! doctor, zeide hij. hem de hand reikende. En op hetzelfde oogenblik valt de doctor neder, hij was dood voordat de kapelaan den tijd had hem de absolutie te geven. En die man leefde verwijderd van God en godsdienst en had ook geen missie willen houden, ondanks alle uit-noodigingen van de geestelijkheid der plaats. Waar zult gij sterven ? Misschien aan tafel. Eenigen tijd geleden zat een vader met zijne dochter aan tafel en gebruikte het middagmaal. Op het oogenblik dat hy zijn glas toereikt om het te doen vullen, ontsnapt hem het glas uit de hand, hij valt met het hoofd op tafel en was dood. Waar zult gij sterven ? Misschien in de herberg, op hot oogenblik dat gij vloekt of met Kerk en godsdienst spot. In 1863 toen Paus Pius IX den kerkdijken ban had uitgesproken tegen hen, die medegewerkt hadden aan den roof der Kerkelijke Staten, bevond zich in een café te Turijn een goddelooze, die dat bericht vernemende opstond, zijn glas aan de lip-

-ocr page 239-

- 223 —

pen bracht en zeide ; Ik drink den wijn der pauselijke excommunicatie. Nauwelijks had hij die woorden gesproken of hij valt dood, als door den bliksem getroffen. Waar zult gij sterven ? Misschien bij het verlaten der herberg, verhit door den drank. Hoevele dronkaards sterven niet dagelijks een rampzaligen dood ! Deze verdrinkt, gene valt van eene hoogte, een ander wordt door een wagen overreden, of door den spoortrein vermorzeld. Waar zult gij sterven ?Misschien bij uwen terugkeer van eeue nachtelijke uitspatting. Te Roubaix in het Noorden van Frankrijk, keerden twee jongelingen \'s avonds arm aan arm terug van eene slemppartij. Eensklaps laat een der twee zijnen kameraad los en valt op den grond. De ander meende eerst dat het maar eene scherts was; maar ziende

dat hij zich niet beweegt, schudt en betast hij hem.....

hij was dood. Doodelijk verschrikt keert hij in allerijl naar huis, krijgt de koorts, gaat naar bed en sterft zelf verloop van eenige dagen zonder Sacramenten. Een jongeling had in zekere stad in België de vas-tenavonddagen doorgebracht en keerde na afloop daarvan per rijtuig naar huis terug. Het rijtuig houdt onderweg stil voor eene herberg, waar de jongeling gewoon was aan te leggen. Maar niemand stapt er uit. De herbergier verwonderd gaat zien, opent het portier en vindt een lijk. Waar zult gij sterven? Misschien wel in een slecht huig. Een jongeling trad voor de eerste maal in zekere stad een publiek huis binnen. Hij valt daar in zonde, verlaat het huis en valt dood op den drempel neder. Waar zult gij sterven \'i Misschien te bed, op het oogenblik zelf dat gij zondigt. In 1852 werd er eene missie gegeven in een stadje van België. Er woonde daar een jonkman, die in zonde leefde met zijne dienstmaagd en van geen

-ocr page 240-

- 224 —

missie wilde hooren. Eenige dagen na de missie ziet men hem \'s morgens niet naar beneden komen, men meende dat hij nog sliep. Zijn bediende gaat hem wekken^ klopt herhaalde malen aan de deur, maar krijgt geen antwoord; ten laatste gaat hij naar binnen en wat ziet hij ? Hij ziet zijn meester en diens medeplichtige dood te bed liggen, getroffen op het oogenblik zelf dat zij zondigden ; zijn gelaat was afschuwelijk om te zien, het schuim stond op den mond, zijne oogen puilden uit de oogkassen, zijne haren stonden overeind. De knecht buiten zich zeiven van ontsteltenis begint te roepen, verscheidene personen komen toegesneld en konden zich met eigen oogen overtuigen van de vreeselijke straf Gods. Beider begrafenis had plaats zonder de minste kerkelijke plechtigheid, zij werden als twee honden in den grond gestopt. De dood kan ons dus op elke plaats verrassen ; niemand weet waar hij sterven zal. Daaruit volgt dat zoo gij voorzichtig zijn wilt, gij u overal op den dood moet verwachten, dewijl hij u overal treffen kan, Indien in de eenzaamheid eene bekoring u overvalt, of wel zoo gij u bevindt in een gevaar of eene gelegenheid tot zonde, herinnert u dan dat de dood u overal bedreigt en die gedachte zal u voor de zonde bewaren. Ziehier eindelijk een derde geheim van den dood.

3) De onzekerheid der wijze waarop, of liever hoe men sterven zal. Hoe zult gij sterven ? Gij weet er niets van, want de dood kan u treffen op duizenderlei wijze, wij zijn broozer dan glas; eene kleinigheid is genoeg ons het leven te benemen, wij zijn omringd van gevaren van allerlei soort. Zult gij aan eene ziekte sterven ? Aan welke ? De geleerde Plinius telde in zijn tijd 300 doodelijke ziekten en de joden beter ervaren in

-ocr page 241-

- 225

de geneeskunde telden er 900 op. Ziedaar dus reeds 900 verschillende wijzen waarop de dood u treffen kan.Zult gij misschien een gewelddadigen dood sterven ? Het is wel mogelijk, want hoeveel duizenden toevallen kunnen u het leven niet benomen. Men vindt dagelijks in de nieuwsbladen eene gansche lijst van ongewone sterfgevallen. Alle elementen verder bedreigen ons leven. Het water kan u het leven benemen, Hoeveel menschen vinden niet den dood in het water ? Nu eens schaatsenrijders die door het ijs vallen en verdrinken, zeelieden die schipbreuk lijden, ongelukkigen die bij eene overstrooming omkomen, dronkaards die in een kanaal, rivier of gracht te recht komen. De aarde kan u ook doen sterven, zij kan zich openen onder uwe voeten en u verzwelgen, zij kan schadelijke gassen ontwikkelen, die in staat zijn u te vergiftigen. Ook de lucht kan u doen sterven, zij kan u komen te ontbreken en u verstikken ; de wind kan een steen, eene dakpan, een balk op u doen neerkomen, of wel u onder een boom, muur of huis verpletteren. Eindelijk het vuur kan u doen sterven; hoevele menschen komen om bij brand, hoevelen door een geweer- of pistoolschot ; sommigen door den bliksem, anderen door eene ontploffing van kruit en mijngas, anderen eindelijk worden verpletterd op de rails van den spoorweg. De dieren voegen zich bij de elementen om ons leven te bedreigen. Ik spreek nog niet van verscheurende of giftige dieren die hier niet worden gevonden, maar slechts van huisdieren. Zegt mij eens kunt gij niet gedood worden door den slag van een paard ? Kunt gij niet door een hollend paard dat ge berijdt, worden meegesleept en een doodelijken val doen\'i1 Kunt gijniet door een wagen of kar overreden worden\'? Kunt gij ook niet door den stoot van een stier, of door den

15

-ocr page 242-

— 226 —

beet van een dollen hond gedood worden f Nog eens hoe zult gij sterven ? Zult gij sterven met of zonder Sacramenten ? Gij weet er niets van. Zult gij goed of slecht sterven, in staat van genade of van zonde ? Grod alleen weet dit met zekerheid. Evenwel gij ook kunt dit eenigermate weten; want de H. Augustinus verzekert, dat de mensch sterft zooals hij geleefd heeft! „Qualis vita, finis ita.quot; Dat gezegde van den H. Augustinus kan ik u bewijzen door een paar voorbeelden, die ik uit den mond van een bekend missionaris vernomen heb. Den 28 November 1863 predikte hij het 40-uren gebed in een plaatsje op de grenzen van Frankrijk. Terzelfder tijd had er in een naburige parochie eene missie plaats. In die parochie nu was eene jonge dochter, die de gansche parochie ergerde door haar schandelijk gedrag; zij had omgang met een jongeling, even slecht als zij. Eenige harer vriendinnen vroegen haar of zij van plan was missie te houden. Neen, zeide zij ; ik ben niet van plan kwe zei te worden. Ik wil genieten van de jaren mijner jeugd, later zal ik er eens aan denken mij te bekee-ren. Arm meisje! zij rekende er op nog lang te leven en zij was den dood zoo kort nabij. Den laatsten dag-der missie, terwijl een ieder in de parochie door eene goede biecht zich met God verzoend had, vond men haar dood, zonder bediening gestorven. Het gerucht liep dat zij zich door vergif had omgebracht; want haar lichaam droeg de sporen van eenen onnatuurlij-ken dood. De pastoor zich willende overtuigen of hij haar de kerkelijke begrafenis kon verleenen of niet, ontbiedt den geneesheer. Deze verklaarde dat de ongelukkige zich zelf niet had willen te kort doen ; maar gestorven was omdat zij de vrucht harer zonde had zoeken te vernietigen. Zij was dus gestorven zonder

-ocr page 243-

— 227 —

Sacramenten en versolieen voor den rechterstoel G-ods met duizenden zonden van ontucht, alsmede met een moord op haar geweten. Drie dagen later had er in de naburige plaats, waar de missionaris zelf het 40-urengebed preekte een plotselijk sterfgeval plaats; maar zeer verschillend van het eerste. Een gepension-neerd ambtenaar, een voorbeeldig grijsaard had met de grootste stichting de oefeningen van het 40-uren-gebed bijgewoond. Na de Communie had men hem nog den kruisweg zien doen. Vervolgens keert hij naar huis terug, vraagt zijn ontbijt en valt op het oogen-blik zelf dood ter aarde neder. Ziedaar twee treffende feiten, in tijd van drie dagen, in twee verschillende parochiën, op een kwartier afstands van elkaar voorgevallen ! Zij bewijzen duidelijk dat men sterft zooals men geleefd heeft. De jonge dochter leefde in zonde en stierf in zonde; de grijsaard leefde vroom en godvreezend en sterft na eene goede biecht en eene H. Communie, als een uitverkorene. Indien men dus sterft, Chr. zooals men geleefd heeft, bereidt u dan tot eenen goeden dood door een deugdzaam leven en legt thans daarvan den grondslag door het nemen van het vaste besluit u te beteren van uwe kwade gewoonten van onkuischheid, van godslastering en dronkenschap, door het voornemen te maken af te breken met die zondige verkeering, met die gelegenheden tot zonde. Chr. laat ons uit het gehoorde besluiten, dat de gedachte aan den dood uiterst heilzaam is, dat de zekerheid van den dood verschrikkelijk en de onzekerheid der omstandigheden die hem vergezellen, allerkrachtigst is om ons de zonde te doen vermijden. Ach, indien men dikwijls aan den dood dacht, namelijk dat men zeker eens moet sterven en dat men ten allen tijde, op elke plaats, op duizenderlei wijze door

-ocr page 244-

— 228 —

den dood kan verrast worden , zou men dan wel ooit eene doodzonde durven bedrijven ? En had men het ongeluk er eene te bedrijven, zou men dan wel naar bed durven gaan zonder zich eerst door eene goede biecht met God verzoend te hebben ? Zoudt gij wel een kwartier uars in de vijandschap van God durven doorbrengen ? Denkt dus dikwijls aan den dood Chr., en gij zult nooit meer zondigen. „Memorare novissima tua et in aeternum non peccabis quot; Gedenk uwe uitersten : ach stonden die woorden boven uwe deuren en haardsteden geschreven; dan zou men nooit aanstoot in uw huis, nooit zonden onder uwe dienstboden en kinderen aantreffen. Dan zou nooit uwe dochter in huis zich alleen met haren minnaar bevinden, zij zou nooit bij avond den jongeling tot aan de deur uitgeleiden en zich met hem in de duisternis onderhouden. Gedenk uwe uitersten: Gave God dat die woorden gedurende den nacht in vurige letters te lezen waren op uwe slaapstede, dan zoudt gij van de duisternis des nachts niet misbruik maken om te te zondigen. Gedenk uwe uitersten : ik wenschte die woorden te lezen de op uithangborden der herbergen, dan zou men daar niet tot laat in den avond en in den nacht vertoeven, dan zou men zich daar niet aan den drank te buiten gaan, dan zouden de herbergiers niet meer te drinken geven aan hen die reeds bijna dronken zijn. Dan zou men daar geene vloeken, ongodsdienstige en oneerbare gesprekken, geen vuile liedjes meer hooren; eene jonge dochter zou er den voet niet meer inzetten en er zouden geene bedriegerijen en onrechtvaardigheden meer plaats hebben. Gedenk uwe uitersten ; ik wenschte dat die woorden te lezen waren boven alle biechtstoelen ; want dan zouden er geene slechte biechten meer gesproken worden, men

-ocr page 245-

— 229 —

zou al zijne zonden, zelfs de meeat onteerende biechten. Altijd zou men berouw hebben over zijne zonden, alsmede het goed voornemen zich van zijne kwade gewoonten te beteren, alle doellooze en zondige verkeeringen af te breken, alle slechte vermaken en gevaren tot zonde te vluchten. Gedenk uwe uitersten: gave God eindelijk dat men ook die woorden kon lezen op de communiebank; dan zou men zoo aanstonds na de communie niet uit de kerk gaan, maar wat erger is, er zouden zooveel heiligschennissen niet gepleegd worden. Denkt dus aan den dood Chr., denkt er aan tijdens uw leven en gij zult niet meer zondigen ; denkt er aan tijdens de missie, ten einde uwe bedreven zonden te herstellen en orde te stellen op de zaken uws gewetens door het spreken eener goede biecht. Ja treedt tijdens deze dagen van barmhartigheid in gevoelens van boetvaardigheid en leedwezen, beweent uwe zomlen, verfoeit ze; want weet wel dat de dood met al hare afgrijselijkheden de soldij is der zonde : „Stipendia peccati mors.quot; Laat ona dus tot God zeggen in al de bitterheid onzes harten. „Vergiffenis mijn God ! vergiffenis voor zooveel zonden, waardoor wij uwe oneindige goedheid vergramd hebben, voor zooveel zonden die uw zoo minnend vaderhart bedroefd hebben. Wij hebben er een waar berouw over en willen ze voortaan niet meer bedrijven. Heer! aanschouw onze droefheid en vergeef ons : „Paree Domine, paree populo tuo.quot; En dewijl de zonde van onzen eersten vader ons allen veroordeeld heeft om te sterven, aanvaarden wij den dood tot straf en boete onzer zonden. Doch laat niet toe o God I dat onze dood gevolgd worde door een tweeden dood, duizendmaal verschrikkelijker; laat niet toe dat onze dood gevolgd worde door den eeuwigen dood ; geef integendeel dat

-ocr page 246-

— 230 —

de dood ons bare tot een nieuw leven, tot het eeuwig leven, geef dat na dit ballingschap de dood ons inleide in ons waarachtig vaderland, in het land der levenden. Amen.\'\'

-ocr page 247-

INHOUD

I Reeks.

Doel en einde van den mensoh. — Christelijke Boetvaardigheid.

I Over de Zaligheid.........

II Over de Ziel...........

UI Boetvaardigheid..........

Onderrichtingen over de Biecht.

IV H. Sacrament der Biecht......

V Goedheid van God in het H. Sacrament der

Biecht............

VI Generale Biecht..........

VII Volledigheid der Biecht.......

VIII Over het verzwijgen der zonden in de Biecht.

IX Berouw.............

X Voornemen...........

XI De Verloren Zoon, of val en opstanding van

den zondaar..........

XII Barmhartigheid Gods.......

-ocr page 248-

IKHOUD.

II Reeks.

Eeuwige Waarheden.

niz.

XIII Doodzonde............

KIV Doodzonde (Straffen)........I23

XV Doodzonde in hare geestelijke uitwerkselen

(Lijk)...........146

XVI De zonde van den Christen.....165

XVII Uitstel van Bekeering.......181

II

XVIII Over den dood..........198

EINDE VAN HET EERSTE DEEL,

-ocr page 249-
-ocr page 250-
-ocr page 251-
-ocr page 252-
-ocr page 253-

quot;■ \' --—-------

---

/

• ■

\\ -iÜ

I\' gt;

m r

-gt;) ■. \' jf1

_ ) „„ ■

quot; \' \'

;gt;

• ; ■

7\' ■

V .. ,;

\'■x : ■ L

\' V. v

■O \'- V:

: ■■ K

\'

v

xr.

\\

• Ï 4 »gt;

/

.r,

■/ • v »• ;

^ \\ .. C

gt; , ■

! gt; \' . . /

\' i

• \'

/ J- .. ) ■ •.

,

\\ /\':

•. , j.

: - x \' ( / \'

;•

\' -si

^ , -j_