-ocr page 1-
-ocr page 2-
-ocr page 3-

-----

If\'

. ■-^

ï

f

. / (*.\'

\' ■. 1

•I J \'

- -M

■lt;i ■

I

.

- /-■

. r-quot;

.

.

gt; s

-y. t

-• -

,; ,-r ^

/■ L-1\' $

, \'? 1 s

-4

JL

quot; - -V,

_:__

_

-ocr page 4-
-ocr page 5-

■A fe

.

I

-ocr page 6-
-ocr page 7-

VERZAMELING

VAN

PfUCTISCHE STöFfEII ïölll! DEK ÜKSEl.

-ocr page 8-

GEDEUKT IN DE ST. PAULUSVEREENIGINO TE MAASTRICHT.

-ocr page 9-

VM ^ Mn.-yc

VERZAMELING

CHESTOFFEN

voor den

KANSEL;

ten gebruike der

EERW. GEESTELIJKHEID,

den Ew. [Heer J. NUIJTS, R. K. Pr.

tweede deel.

Bib:;-\' ak MINDERBROEDERS WEERT.

\'s-Boscb—Zwolle,

W. VAN GULICK. 1889.

-ocr page 10-

IMPRIMATUR.

Euraemundae, 6 Februarii 188ö.

P. MANNENS, S. Iheol. Doct.et Prof. Lihror. Cens.

-ocr page 11-

Bijzonder Oordeel.

I Verschijning voor Gods rechterstoel:

1) Doodstrijd, Verschijning van het schepsel voor zijn Schepper;

2) Verschijning van den schuldige voor zijn rechter;

3) Plaats dier verschijning.

F1 Onderzoek,

1) De rechter tevens getuige,

2) Stof van het onderzoek :

A) Kwaad bedreven,

a) tegen God,

b) „ den naaste,

c) „ ons zelven.

B) Goed verzuimd, zonden bedreven ;

C) Genaden misbruikt:

a) genaden ontvangen door de Sacramenten,

b) andere genaden- missie.

3) Geen verdedigers - veel beschuldigers.

XII Vonnis.

1) Afwachting v. h. vonnis,

2) Vorm „ „ - „ ,

3) Gevolgen „ „ „

Statutum est hominibus semel mori, post hoe autem judicium. Het is den mensehen vastgesteld éénmaal te sterven en daarna het oordeel. Hebr. IX. 27.)

1

-ocr page 12-

Men leest in het leven van den H. Bruno, dat een doctor aan de hoogeschool van Parijs kwam te sterven. Men bracht het lijk naar de kerk van O. L. V. waar de begrafenis-plechtigheid moest plaats hebben en men begon het officie der overledenen te zingen. Toen de zangers gekomen waren aan deze woorden der vierde les ; „Responde mihi; antwoord mij,quot; richtte eensklaps de doode zich overeind en sprak met luide stem; „Justo judicio Dei accusatus sum : Door een rechtvaardig oordeel Gods ben ik beschuldigd geworden.quot; Vervolgens legde de doode zich weer neder. Bij dat schouwspel werd iedereen met angst bevangen, het officie werd gestaakt en men vluchtte uit de kerk. Na een korte poos werd de plechtigheid weer hervat; doch zie andermaal richtte het lijk zich overeind en riep uit; „Justo judicio Dei judicatus sum; Door een rechtvaardig oordeel Gods ben ik geoordeeld geworden.quot; En het lijk zakte weer neder in de kist. En na eenigen tijd richtte de doode zich ten derden male overeind en liet deze vreeselijke woorden hooren : „Justo judicio Dei condemnatus sum; door een rechtvaardig oordeel Gods ben ik gevonnisd geworden.quot; Alles dus eindigt niet bij den dood. Ons lichaam uit stof gemaakt, zal tot stof wederkeeren; maar onze ziel is onsterfelijk en zal het lichaam overleven. En op hetzelfde ongenblik dat zij het lichaam verlaat, zal zij verschijnen voor haren rechter om geoordeeld te worden. Dat oordeel dat aanstonds na den dood plaats heeft, is even zeker als de dood zelf; beiden dood en oordeel zijn in één en hetzelfde besluit begrepen ; „Statutum est hominibus semel mori, post hoe autem judicium.-\' Het is dus even zeker dat gij geoordeeld zult worden, als dat het zeker is dat gij sterven zult. Nu, dat vreeselijk oordeel gaan wij heden

-ocr page 13-

overwegen. De H. Augustinus met alle Godgeleerden zegt ons, dat het bijzonder oordeel geschieden zal in een enkelen oogwenk en op eene ontastbare wijze. Doch om u van dat oordeel eene duidelijke voorstelling te geven, gaan wij ons verbeelden dat het bijzonder oordeel plaats heeft voor den rechterstoel van God, gelijk een proces voor de burgerlijke rechtbank. In elk proces onderscheidt men drie dingen ; de verschijning voor den rechter, het onderzoek der zaak en de uitspraak van het vonnis. Deze drie punten gaan wij toepassen op het bijzonder oordeel, dat aanstonds na den dood plaats heeft en dat voor een ieder onzer onvermijdelijk is. Vragen wij eerst den zegen van Maria voor deze gewichtige preek. Ave Maria.

I Verbeeldt u Chr, dat gij op uw sterfbed ligt. Er blijft u slechts een ademtocht meer over. Uwe oogen verduisterd, onderscheiden zelfs niet meer de doodskaars noch het kruisbeeld dat men u voorhoudt , uwe ooren hooren niet meer de vermaningen van den priester, noch het geween en gesnik van uwe bloedverwanten en vrienden, noch het tikken der klok die weldra uw laatste uur zal slaan. Gij zijt ongevoelig geworden voor alle dingen der wereld. Gij zijt geheel en al onder den indruk van dien vreese-lijken strijd tussohen leven en dood, van dien ver-schrikkelijken doodstrijd, die de scheiding tussohen ziel en lichaam zal vergezellen. De angsten die u bekruipen openbaren zieh door eene gebroken ademhaling, een pijnlijk ratelen beklemt uwe borst, het koude doodzweet druipt van uw voorhoofd op uwe blee-ke en vermagerde wangen, de engel des doods gewapend met het zwaard, zweeft boven uw hoofd en wacht naar het oogenblik, waarop God hem zal bevelen den draad van uw leven door te snijden. Het nood-

-ocr page 14-

lottig oogenblik is daar. God doet zijne stem hooren : „Tempus non erit amplius: Er is geen tijd meer.quot; (Apoc. 10. 6.) De tijd is geeindigd, de engel des doods slaat zijn slag, uwe ziel treedt de eeuwigheid binnen en bevindt zich voor het aanschijn van God. De gansche wereld is voor u verdwenen; fortuin, grootheid, genoegens, bloedverwanten, vrienden; alles is verdwenen gelijk een droom. Uwe ziel behoort niet meer tot deze wereld, zij bevindt zich niet meer in den tijd, zij is in de eeuwigheid en van af den drempel der eeuwigheid is zij alleen met God alleen; zij bevindt zich alleen voor haren Schepper.

1). Ziedaar, gij bevindt u alleen voor dien al-machtigen God, die door een enkel woord hemel en aarde uit het niet getrokken heeft, voor dien eeuwigen God, die was, die is en die zijn zal, voor wien alle eeuwen zijn als de dag van gisteren die voorbij is. Ziedaar dan u gedompeld en als verloren in de onmetelijkheid Gods, waarin onze gansche wereld, ja duizenden werelden grooter dan de onze, zich verliezen als stofdeeltjes in de ruimte. Gij bevindt u alleen onder het oog van dien driewerf Heiligen God, onder dat oog schitterender dan de zon, onder dat alziend oog, dat uit de hoogte dor hemelen doordringt tot op den bodem der zee en de ingewanden der aarde; onder dat onderzoekend oog dat harten en nieren peilt, onder dat zoo zuiver oog, dat de minste vlekken in de ziel waarneemt. Daar staat gij in de tegenwoordigheid dier oneindige Majesteit, voor wie alle vorsten der aarde minder zijn dan een druppel water, voor wie Cherubijnen en Serafijnen als verblind, het gelaat met de vleugelen bedekken en de Machten des hemels van vrees en eerbied sidderen en beven. En wie zijt gij dan om u daar gansch alleen staande te

-ocr page 15-

- 5 —

houden onder het gewicht der goddelijke Majesteit ? Ach ! gij zijt niets dan een zwak schepsel, een wezen van één dag, een blad dat door den wind wordt voortgestuwd, eene bloem die \'s morgens ontluikt en \'s avonds verwelkt; voor God zijt gij een niet: „Substantia mea tanquam nihilum ante te,quot; (Ps. 38. 6.) Wat zeg ik? Voor het aanschijn Gods zijt gij nog minder dan het niet; want de zonde is erger dan het niet en gij zijt in zonde ontvangen en geboren, gij hebt in zonde geleefd, gij zijt misschien in zonde gestorven.

2). Bij het verlaten dezer wereld zal uwe ziel dus niet alleen huiveren omdat zij zich bevindt als schepsel voor haren Schepper, zij zal sidderen en beven omdat zij zich bevindt als schuldige voor haren rechter. En wie is die rechter voor wien gij verschijnen zult? \'t Is Jesus Christus. Maar \'t is niet meer die Jesus in de krib, die om uwe liefde te winnen en uw vertrouwen op te wekken, de gedaante heeft aangenomen van een kindje, dat beeft en schreit van koude op een handvol stroo in een stal. Het is niet meer die Jesus van Calvarië, die van at zijn kruis u de armen uitstrekt om u te omhelzen en u te vergeven. • Het is niet meer die Jesus in zijn H. Sacrament, die van af den troon zijner liefde, van uit zijn tabernakel dag en nacht u wachtte, om u met genaden te overladen en zich aan u tot voedsel tc geven. Neen, op den drempel der eeuwigheid is J. C. niet meer gezeten op een troon van liefde, maar hij zit op zijnen rechterstoel en houdt de bliksems zijner wraak in handen. De tijd der barmhartigheid is voorbij en heeft plaats gemaakt voor dien der gerechtigheid. Hoe barmhai tiger Jesus tijdens uw leven u behandeld heeft, des te strenger zal Hij voor u wezen na uwen

-ocr page 16-

dood. Gij zult mij alsdan noemen zegt Hij zonder barmhartigheid; „voca nomen ejus sine miserioordia.quot; (Ose. 1. 6,) Ach ongelukkige zondaar, hoe zult gij do tegenwoordigheid van dien vreeselijken rechter kunnen verdragen ? Hoe groot was niet de ontsteltenis der zonen van Jacob, toen zij voor den landvoogd van Egijp-te verschenen, die hun levee in zijne hand hield en van af zijnen troon tot hen zeide : „Ik ben Joseph uw broeder dien gij verkocht hebt in Egijpte; ik ben Joseph, wiens kleed gij gedoopt hebt in het bloed van een geitenhok, om mijn vader te doen gelooven dat ik door een wild dier verslonden was.quot; Ik vraag u, hoe groot zal niet de ontsteltenis wezen van den zondaar, wanneer de opperste rechter in den vollen luister zij-aer majesteit en macht tot hem zal zeggen : „Ik ben Jesus; Ego sum Jesus.quot; Ik ben die Jesus dien gij door uwe zonden aan den duivel verkocht hebt, dien gij met hoon en smaad overladen, dien gij gekruisigd hebt, wiens Goddelijk vleesch en bloed gij door uwe heiligschennissen met voeten getreden hebt.

3) Ach hoe verschrikkelijk zal die ontmoeting zijn tusschen het schepsel en zijn Schepper, den schuldige en zijn rechter. Maar waar zal die ontmoeting plaat hebben ? Zij zal geschieden op hetzelfde oogen-blik en terzelfder plaats waar gij den laatsten snik gegeven hebt; want God is overal. Hij heeft geene bijzondere plaats noodig om ons te oordeelen ; de ziel behoeft geen langen weg te maken om zijnen rechterstoel te bereiken. Neen, J. C. zal u oordeelen daar waar gij zult sterven. Hij wacht u overal, bij alle uitgangen des levens. Sterft gij in de kerk , in de kerk zult gij geoordeeld worden. Op straat, op straat zult gij .... in de herberg, in de herberg zult.... op een bal, concert, kermis, daar zult gij ... in een slecht huis

-ocr page 17-

daar.... sterf gij in uw huis, in uw huis .... in dat huis waar misschien de medeplichtige is uwer zonden ; sterft gij in uw kamer, op uw bed. daar zult gij .... in die kamer, op dat bed , de stomme getuigen van zooveel zonden. Verblinde zondaars, gij moogt u verstrooien zooveel gij wilt, de dood zal u toch weten te vinden cn God wacht u overal voor zijnen rechterstoel. Leeft dus voort in zonden van onkuischheid. „Qui in sordibus est, sordescat adhuc,quot; (Apoc. 22.11.) (ia voort met te leven niet als christen, maar als heiden, niet als mensch maar als dier; maar weet dat gij na uwen dood in de handen zult vallen van den levenden God. Waar toch zoudt gij heenvluchten om u te onttrekken aan den toorn van God ? Indien uwe ziel opklimt ten hemel, daar vindt zij God; daalt zij neder tot in het diepst der hel, ook daar zal zij Hem vinden ; vlucht zij henen naar de uiterste grenzen der aarde, zij kan God niet ontgaan ; want God is onmetelijk. Hij is overal, dus overal vindt uwe schuldige ziel haren rechter, wiens schikwekkende tegenwoordigheid zij zal moeten verdragen en voor wien zij het strengste onderzoek zal moeten doorstaan.

II. Hier op aarde leeft de zondaar in voortdurende verstrooiing, ter oorzake zijner bezigheden en vermaken ; hij vergramt God zonder dat hij het bijna weet, hij houdt geen rekening met zijne zonden. Doch zondaar, weet dat zoo gij ook al geen acht slaat op uwe zonden, er toch iemand is die nauwkeurig daarvan rekening houdt. Ja, er is een onzichtbaar oog dat alles ziet, een onzichtbaar oor dat alles hoort, eene onzichtbare hand die alles aanteekent. Ongelukkige, gij zocht de eenzaamheid tot het bedrijven der afschuwelijkste werken, doch gij waart niet alleen, God was daar; gij hebt dus gezondigd onder het oog

-ocr page 18-

van God. (rij zocht de duisternis en meendet dat niemand u zag ; maar God zag u, want de duisterste nacht is voor Hem als de helderste dag; gij meendet jongeling, dat die onkuische taal die gij spraakt tot dat meisje door niemand gehoord werd, gij bedroogt u, God heeft alles gehoord. Gij meendet nog dat die zondige gedachten en begeerten waarin gij toestem-det, in uw hart verborgen lagen ; doch gij bedroogt u, het scherpziend oog van God doordringt harten en nieren. Ja God heeft aLes gezien, alles gehoord, alles aangeteekend. Hij is getuige geweest van al uwe gedachten en begeerten, woorden, oogslagen en werken ; Hij zal uw rechter wezen, Hij zal u onderzoeken. Onmogelijk Hem te bedriegen of iets te verbergen.

2.) Wanneer de Opperste Rechter op zijnen rechterstoel gezeten zal zijn , zal Hij het boek des oordeels openen, waarin vervat zijn de stukken van ona proces. „Liber scriptas proferetur , in quo totum continetur.quot; God heeft in dat boek aangeteekend al het kwaad dat gij bedreven hebt , al het goed dat gij verzuimd of slecht verricht, en alle genaden die gij misbruikt hebt- Welnu, gij zult over dat alles met de grootste nauwkeurigheid onderzocht worden. „Quidquid latet apparebit, nil inultum remanebit.quot; Behalve het boek van uw geweten zal J, C. voor uw oog nog openen het boek des Evangelies. Ziedaar mijne wet zal hij zeggen, die u gebood het kwaad te vluchten en Hot goed te doen. Ik had u verplichtingen voorgeschreven jegens mij, jegens uwen naaste en u zei ven; hoe hebt gij die vervuld ?

A.) Ik had u bevolen mij te beminnen bovenal, mij te aanbidden en te dienen, mij aan te roepen, mijnen H. Naam te eerbiedigen , zon- en feestdagen te heiligen , de vasten te onderhouden. diegenen te eeren

-ocr page 19-

die mijne plaats bekleeden. En gij , wat hebt gij gedaan ? Grij hebt ellendige schepselen meer bemind dan mij, niet mij maar den duivel, uwe driften hebt gij gediend en aanbeden , mij hebt gij gehaat , gij hebt mij niet gebeden, gij hebt mijnen H. Naam gelasterd, mijne dienaren bespot.

B.) Ik had u bevolen uwen naaste te beminnen gelijk u zeiven en wat hebt gij gedaan ? Ilaatdrager, gij hebt uwen evenmensoh gehaat, wrok tegen hem gedragen, u op hem gewroken op de laagste wijze. Onrechtvaardige, gij hebt den evenmensoh zijn goed ontroofd door allerlei oneerlijke middelen en bedrog. Kwaadspreker en lasteraar , gij hebt den evenmensoh onrechtvaardig zijne eer benomen. Ergernisgever, gij hebt de ziel van uwen evenmensoh gedood, gij hebt baar gedood door uwe oneerbare woorden, uw slecht voorbeeld ; welnu geef mij die zielen terug die gij mij ontrukt hebt, die zielen die ik had vrijgekocht ten koste van mijn bloed. Zorgelooze vader, schuldige moeder, gij hebt niet de minste zorg gedragen voor de opvoeding uwer kinderen, gij hebt hen niet bewaakt, maar hen alle vrijheid gegeven tot het kwaad. Ondankbare zoon, ontaarde dochter, gij hebt uwe ouders bedroefd, misschien hun leven, verkort. —

C.) Ik had u ook gezegd eerbied to hebben voor u zelvtn, en wat hebt gij gedaan V Uwe ziel naar het beeld mijns vaders geschapen, vrijgekocht door mijn bloed, geheiligd door den H. Geest, hebt gij besmeurd door allerlei oneerbare gedachten en begeerten. Uw lichaam dat de tempel was van den H. Geest, hebt gij onteerd door de zonde van ontucht en dronkenschap. Gij hebt tegen mij misbruikt alle gaven die ik u geschonken, alle talenten die ik u verleend had. Ongelukkige wat hebt gij gedaan !

-ocr page 20-

— 10 —

B.) Maar ik had u niet slechts verboden kwaad te plegen, ik had u ook bevolen goed te doen. Waar zijn uwe goede werken? Waar zijn uwe gebeden — uwe biechten en communiën — uwe werken van boetvaardigheid V Waar zijn uw vasten — uwe aalmoezen — het goed voorbeeld en den goeden raad dien gij gegeven hebt V Welk goed hebt gij gedaan ? Helaas ! bijna niets. Ik heb in het boek van uw geweten bijna geen enkele akte van deugd kunnen opteekenen. En nog onder die akten die uiterlijk goed schenen, hoe-velen zijn er niet bij die slecht waren, om de verkeerde meening waarmede zij verricht werden.

C.) Gij waart zwak, \'t is waar ; uit u zeiven kondet gij het kwaad niet vermijden noch het goed doen; maar ik heb u de almachtige hulp mijner genade aangeboden. Die hulp hebt gij verstooten. Welaan, geef mij rekenschap van alle genaden die gij misbruikt hebt rekenschap ; vooreerst;

a.) Van het misbruik dat gij gemaakt hebt van de Sacramenten: „Redde rationem.quot; Rekenschap van de genaden ontvangen in het Doopsel. Hoe hebt gij staande gehouden den titel van kind Gods en der Kerk in het Doopsel ontvangen ? Waar is het kleed der onschuld waarmede ik u getooid heb, hoe hebt gij uwe doopgeloften gehouden ? Helaas! wat zullen wij antwoorden op die vragen ? Geef rekenschap verder van al uwe biechten. Hoe menigmaal zijt gij niet te kort gebleven aan oprechtheid, berouw en goed voornemen ! Geef rekenschap van ui uwe Communiën ; van al die Communiën zonder voorbereiding noch dankzegging, van al die communiën in staat van doodzonde. Geef rekenschap van de wijze waarop gij het H. Sacrament der Huwelijks ontvangen hebt. Helaas! hebt gij u daartoe niet voorbereid door eene zondige ver-

-ocr page 21-

— 11 —

keering? zijt gij niet getrouwd in staat van doodzonde, omdat gij die schandelijke zonden niet durfdet biechten. Geef mij rekenschap van dat alles. Rekenschap van de laatste H.H. Sacramenten, die gij ontvangen hebt. Hebt gij ze niet ontvangen zonder de vereischte gesteltenissen, in staat van doodzonde ? Welaan, geef mij rekenschap van bet misbruik van zoovele genaden.

b.) Eekensobap ook van alle andere genaden die ik u verleend heb, van zoovele nitnoodigingen tot boet-vaai\'digheid, van zoovele waarschuwingen die ik n gegeven heb met het overzenden van ziekten en sterfgevallen. „Redde rationem.quot; Geef rekenschap van de missie die ik u bezorgd heb in het jaar .... Ach Chr. hoe vreeselijk, hoe nauwkeurig, hoe streng zal de rekenschap wezen, die wij bij onzen dood zullen moeten afleggen voor den rechterstoel van J. C.! De gedachte aan die rekenschap deed zelfs de Heiligen sidderen. quot;Waar ga ik mij verbergen, riep de H. Man Job uit, wanneer de Heer zal opstaan om mij te oor-deelen ! Als de gelukzalige Ludovicus de Ponte daaraan dacht, beving hem zulke angst dat de kamer waarin hij zich bevond trilde. Ach, indien de rechtvaardigen nauwelijks gespaard zullen worden, wat zal er dan van de zondaars geworden !

3.) Welk een verschrikkelijke toestand! Alléén te staan, beladen met zonden in de tegenwoordigheid van den driewerf Heiligen God, die getuige geweest is van alles. Alléén te staan voor den oppersten rechter; zonder verschooning, zonder verdediging. Want wie zou u verdedigen? Niet uwe bloedverwanten , vrienden, beschermers; want zij kunnen u niet volgen naar de eeuwigheid; ook niet uw Engelbewaarder, want gij zijt niet meer onder zijne

-ocr page 22-

hoede; hij zal gedwongen wezen te bekennen dat al zijne zorgen aan u besteed , vruchteloos zijn geweest ; ook niet de Allerh. Maagd Maria, de Moeder der barmhartigheid, de voorspreekster der grootste zondaars; want de tijd der barmhartigheid is voorbij en de tijd der gerechtigheid, der wraak is gekomen en Maria is niet meer bij machte uwe zaak te bepleiten. Niemand dus zult gij hebben om u te verdedigen, maar wel velen die u zullen beschuldigen. De duivel zal gerechtigheid tegen u eischen. Hoe ! zal hij zeggen, ik ben ter helle gedoemd om eene enkele zonde van gedachte en zou die ziel dan niet behooren verdoemd te worden, na een leven gansch doorgebracht in zonde ! Die ziel behoort mij rechtens toe, zij heeft mij vrijwillig tot haren meester gekozen, zij heeft mij voortdurend gediend, ik eisch haar op ; geef mij haar i1 Verder de ongelukkige slachtoffers uwer ergernissen, de zielen uwer medeplichtigen, die gij verdoemd hebt door uw slecht voorbeeld, zullen wraak roepen tegen u. Heer! zullen zij zeggen, hij is het die ons verdoemd heeft, het is billijk dat hij ons lot deele. Uwe zonden zeiven, zegt de H. Bernardus, zullen de stem tegen u verheffen. quot;Wij zijn uwe werken, zullen zij zeggen, wij verlaten u niet. Rampzalige zondaar, zie daar staat gij voor een verbolgen rechter, niemand verdedigt u, iedereen beschuldigt u. Welk vonnis staat u te wachten ? Dat gaan wij zien in ons laatste punt.

HI Chr. wij kunnen ons geen denkbeeld vormen van den angst eener zondige ziel, die voor den rechterstoel van God haar vonnis van verdoeming afwacht. Verbeeldt u een toestand zoo verschrikkelijk als gij wilt, nooit zal hij den toestand nabij komen, waarin die ziel zich bevindt.

-ocr page 23-

I Laat mij u eens verhalen dat verschrikkelijk too-neel, dat de H. Schrift ons in het boek Daniël mede -deelt. Koning Balthazar, omringd van zijn hof smaakte het genot van een luistervollen maaltijd en verkeerde in volslagen staat van dronkenschap. In dien toestand liet hij de gouden en zilveren vaten, die zijn vader Nabu-chodonosor uit den tempel van Jerusalem geroofd had op tafel brengen en begon met zijne hovelingen uit die gewijde vaten te drinken. Terwijl hij die heiligschennis bedreef, zie daar vertoont zich op eenmaal eene geheimzinnige hand, die op de muur der feestzaal, recht tegenover den koning, in vurige letters iets neerschreef. Balthasar zag duidelijk de vingers der hand die schreef. Toen veranderde hij van gelaat; sombere gedachten bekropen zijn geest, hij begon over al zijne leden te beven en beval dat men aanstonds waarzeggers en wichelaars zou binnenleiden. Maar geen hunner kon hem de beteekenis van dat geheimzinnig schrift verklaren, Toen werd Daniël geroepen, die den koning beloofde hem dat raadsel op te lossen. Balthazar vol angst en vrees luistert. Toen zeide Daniël tot hem. Dat opschrift behelst deze drie woorden ; Mane, Thecel, Phares. En zie hier de beteekenis ; Mane: God heeft de dagen uwer regeering geteld en uw rijk is ten einde. Thecel ; Grij zijt gewogen in de weegschaal en te licht bevonden. Phares: Uw rijk gaat verdeeld en overgedragen worden aan de Meden en Perzen. Wat moet niet de schrik geweest zijn die den goddeloozen Balthazar beving, toen hij die sombere voorzegging hoorde, dat vonnis van God. En toch de angst van dien schuldigen koning is nog niets in vergelijking van de ontzettende angst, die den zondaar bevangen, zal voor den rechterstoel van God. Hij ziet boven zijn hoofd zijnen vertoornden rechter ;

-ocr page 24-

— 14 —

aan zijne voeten de hel, aan zijne rechterzijde den duivel die hem opeischt, aan zijne linker de slachtoffers zijner ergernissen die om wraak roepen, in zijn geweten zijne zonden die tegen hem getuigen en in dien schrikkelijken toestand wacht hij de uitspraak, het onherroepelijk vonnis af, dat over leven of dood, dat over zijn eeuwig lot beslissen zal. Helaas I hij begint op het gelaat van don oppersten rechter het vonnis zijner veroordeeling te onderscheiden, weldra kan hij er niet meer aan twijfelen; al zijne werken zijn gewogen geworden in de weegschaal der goddelijke gerechtigheid en zijne weinige goede werken zijn te licht bevonden. Het zwaar gewicht zijner zonden doet de weegschaal overslaan naar de zijde dei-hel. Arme zondaar, hij ziet zich uitgesloten van den hemel, verloren, verdoemd!

2) J, C. eindelijk zal het hem nog duidelijker doen kennen, wanneer hij hem die vreeselijke woorden zal toevoegen; Ga weg van mij, verdoemde ziel; Discede a me, maledicte. Ik breek voor altoos elke vereeniging met u. Ga weg van mij, die u geschapen heb naar mijn beeld en die u bestemd had om eenmaal mijn eigen geluk te deelen. Ga weg van mij , die u heb vrijgekocht ten koste van al mijn bloed, die voor u de liefde zoo ver heb gedreven van mensch te worden, voor u te lijden te sterven en die niets anders heb kunnen winnen dan uw haat. Aanschouw dat kruis roodgeverwd met mijn bloed, aanschouw de wonden mijner handen en voeten. Het is dus te vergeefs dat het bloed van een God voor u gestroomd heeft tot den laatsten druppelErgo gratis Christus mortuus est!quot; (Gal. 2.21) Ga weg van mij, die u zoo lang verdragen heb en zoo geduldig uwe ondankbaarheden en beleedigingen geleden heb. Ik hoopte dat gij door zoo\'

-ocr page 25-

veel goedheid getroffen , tot mij zoudt teruggekeerd zijn. Doch neen, gij hebt u verhard in de boosheid. Welaan, thans verstoot ik u ook op mijne beurt. Ongelukkige, gij hebt de vervloeking gewild, gij hebt haar verkozen boven mijne zegeningen, gij hebt haar verkoren tot uw erfdeel; dat zij dus eeuwig op u ruste. Wees vervloekt, ga weg van mij naar het verblijf der eeuwige pijnen, naar de plaats van grenze-looze folteringen, waar de smart geen einde heeft, waar het vuur dat altijd brandt nooit verteeren zal, waar een onsterfelijke worm altijd knaagt en nooit verteert, waar men zelts den troost mist van te kunnen hopen te sterven. Discede a me, in ignem aeter-num. \'t Was niet voor u dat die vuurpoel geschapen was, maar voor den gevallen engel, voor den duivel. Maar gij hebt de zijde des duivels gekozen, gij hebt u met Satan tegen mij verbonden, \'t is dus billijk dat gij deelt in zijne straf: „discede in ignem aeter-num, qui paratus est diabolo et angelis ejus.quot;

3) Bij het hooren dier vreeselijke woorden barst die rampzalige los in jammerklachten en wanhoopskreten. Maar hoe Heer ? roept zij uit, ik zie uw aanschijn voor de eerste maal, en ik moet daarop uwen toorn lezen, ik hoor voor de eerste maal uwe stem en het is om mijn eeuwig vonnis te vernemen ! Helaas, ik bevind mij dan voor immer van uw aanschijn verstoeten ! Nooit, nooit zal ik uwe schoonheid aanschouwen, nooit den hemel zien! Vaarwel schoone hemel, ik heb u voor eeuwig verloren ! Vaai wel Engelen en Heiligen van het Paradijs. Vaarwel Maria! gij zijt niet meer mijne moeder. Ach ongelukkige die ik ben, ik heb den hemel, God, alles, mij zeiven verloren en wel door eigen schuld en voor de gansche eeuwigheid Vervloekt de dag waarop ik geboren ben , vervloekt

-ocr page 26-

— 16 —

mijne ouders die mij het leven gegeven hebben en die mij zoo slecht hebben opgevoed, vervloekt de medeplichtigen mijner zonden. — Vervloekt, .... zij heeft het woord in den mond om God te vervloeken; maar de stem van Gods gerechtigheid doet als een donderslag zich hooren, alle zonden welke die ziel ooit bedreven en nooit uitgeboet heeft vallen op haar neder als een regen van vuur, de duivel valt op haar aan met eene bloeddorstige woede, gelijk de tijger op zijn prooi; de zielen die zij verdoemd heeft werpen zich ook op haar als razende honden, om hunne wraak te koelen. De hel gaat open. J. C. werpt zijn bliksem uit- en de zondige ziel wordt neergestort in den peilloozen afgrond, in den eeuwigen afgrond der hel.

Ongelukkige zondaar! Zijn lichaam uitgestrekt op het bed heeft nog niet zijne warmte afgelegd, ouders en vrienden vragen elkander : Is hij wel dood ? En de ziel brandt reeds in den afgrond der hel. De priester zegt, terwijl hij de gebeden der stervenden eindigt: Heer geef hem de eeuwige rust; hij ruste in vrede: „Requiescat in pace.quot; En reeds ligt de ziel te branden in de hel. Nadat de familie zich van het overlijden vergewist heeft, vangen zij aan te weenen en te treuren en hij de ongelukkige, razend van wanhoop raast en tiertmet de duivelen in den afgrond der hel.

Nu Chr. ik zeg tot een ieder van u uit naam van God: zoo gij thans eene enkele doodzonde op uwe ziel hebt en gij komt in dien treurigen toestand te sterven, dan wacht u bij uwen dood hetzelfde lot als dat van die ziel die wij zoo even gezien hebben. Gij moogt doen wat gij wilt, maar het oordeel Gods zult gij niet ontgaan en dat oordeel kan u elk oogenblik

-ocr page 27-

treffen ; want ieder oogenblik kunt gij sterven. Ach, indien het oordeel Grods onvermijdelijk is, doet dan uw best opdat het eenmaal voor u gunstig weze. Voorkomt deszelfs gestrengheid dcor eene oprechte boetvaardigheid , door eene goede biecht. Doet u zeiven recht en God zal u barmhartig wezen. „Ante judicium, para justitiam tibi.quot; (Eccl. 18. 19.) Onderzoekt u zeiven gestreng en God zul u met goedheid oordeelen. Veroordeelt zelf uw schuldig gedrag en God zal u niet veroordeelen Vertoont u voor den rechterstoel der barmhartigheid, om daar de vergiffenis uwer zonden te erlangen en God zal u niet veroordeelen voor de rechtbank zijner gerechtigheid.

Op dit oogenblik zelf dat ik tot u spreek, bevinden wij ons in de kerk, in tegenwoordigheid van J. C. die ons eenmaal zal oordeelen. Maar Hij is thans niet gezeten op een troon van gerechtigheid, maar van barmhartigheid om ons al onze zonden te vergeven ! Werpen wij ons dus neder voor J. C. aan den voet van het H. tabernakel; zet u allen op de knieën om van Jesus vergiffenis af te smeeken. „Ach Heere Jesus! gij ziet misschien in dit gehoor vele menschen, die niet in staat zouden wezen op dit oogenblik voor de rechtbank uwer gerechtigheid te verschijnen, want zij bevinden zich helaas in staat van doodzonde. Ach Heer! ik bid u, treed niet in het oordeel met één onder hen. „Non intres in judicium cum servo tuo Do mine.quot; (Ps. 142, 2) Treed niet in het oordeel met dien vader des huisgezins, die door zijn slecht voorbeeld zijne kinderen tot aanstoot dient; treed niet in het oordeel met die huismoeder , die hare kinderen alle vrijheid geeft tot kwaad; treed niet in het oordeel met dien jongeling i wiens geweten besmeurt is met zoovele zonden van on-

-ocr page 28-

— 18 —

tucht en dronkenschap ; treed niet in het oordeel met die jonge dochter, die aan zoovele heiligschennissen schuldig is; treed niet in het oordeel met dat kind, dat alhoewel nog jong, maar reeds zoo schuldig is. Ach goede Jesus ! houd in de slagen uwer gerechtigheid, spaar al deze menschen, spaar dit volk voor hetwelk gij al uw bloed vergoten hebt. „Paree Domine, paree populo tuo.\'\' Wees o God, uwe eeuwige, uwe eindelooze barmhartigheid indachtig, aanvaard ons berouw, gij die nimmer een berouwvol en ootmoedig hart versmaadt. Ja Heer, het berouwt ons uit den grond onzes harten u beleedigd te hebben, onze zonden zijn ons leed , omdat zij ons den hemel hebben doen verliezen en de hel verdienen ; maar nog veel meer omdat zij a vergramd hebben, die de eindelooze goedheid zelve zijt. Wij nemen op dit oogenblik het besluit die vervloekte zonden te vermijden, de gelegenheden tot zonde te schuwen en voortaan deugdzamer te leven. Amen.quot;

-ocr page 29-

Laatste Oordeel.

De laatste dag des oordeels is: I De dag van Gods Macht en Grootheid, II „ „ „ „ Wijsheid, III „ „ „ „ Gerechtigheid.

Videbunt Filium hominis venientem in nubibus coeli, cura virtute mul-ta et majestate. Zij zullen den Zoon des menschen zien komen op de wolken des hemels, met groote kracht en heerlijkheid. (Matth. 24. 30).

Toen J. C. die woorden sprak, stond Hij voor de rechtbank van Caiphas. Die goddelooze lioogepriester had Hem gezegd : Ik bezweer u bij don levenden God, ons te zeggen of gij de Zoon Gods zijt? En Jesus gaf hem ten antwoord ; Ja, ik ben het en Hij voegde er tevens de woorden bij die ik zoo even gezegd heb. \'t Was alsof Hij had willen zeggen : Ja, ik ben waarachtig de Zoon Gods, ik sta op dit oogenblik voor uwe rechtbank, vervolgd en beschuldigd; het staat u vrij mij te bespotten en te verguizen, maar weet wel

-ocr page 30-

— 20 —

dat eenmaal ook mijne beurt zal komen. Dan zult gij mij zien komen op de wolken des hemels met groote macht en heerlijkheid om de wereld te oordeelen. Nog immer duurt die toestand voort, nog immer wordt Jesus vervolgd en veracht in de wereld, vervolgd vooral in zijne Kerk, in zijne leerlingen. Maar eenmaal zal de dag door J. C. voorspeld aanbreken, dag van rampen en ellenden, dag van gramschap en wraak, dag door de profeten voorspeld, door het Evangelie beschreven, door de apostelen verkondigd, dag waaraan wij ons herinneren als wij zeggen : „Ik geloof in J. C; die zal komen oordeelen de levenden en de dooden.quot;

Ja, er zal op het einde der wereld een algemeen oordeel plaats hebben. Dat vordert Gods gerechtigheid, zoowel ten opzichte der zondaars als der rechtvaardigen. Immers wat zien wij gebeuren in de wereld ? Doorgaans zien wij de boozen zegevieren, zij worden geprezen en toegejuicht, zij genieten voorspoed, geluk en vreugde. De braven daarentegen worden vervolgd en vernederd , zij worden voorbijgezien en overal uitgesloten. Is dat niet eene groote wanorde? Ja, de zondaars moeten eenmaal in het openbaar vernederd, de rechtvaardigen daarentegen verheerlijkt worden; op die wijze zal eenmaal die wanorde hersteld worden. De zondaars miskennen Gods grootheid en macht, vermits zij weigeren zich aan zijne geboden te onderwerpen ; zij verachten zijne wijsheid onrechtvaardigheid, doordien zij zich overgeven aan de zonde, alsof zij voor God hunne gruwelen konden verbergen en alsof God den wil niet had hea te straffen. En ziedaar waarom de oordeelsdag moet wezen;

I De dag van Gods Grootheid en Macht ,

II „ „ „ „ Wijsheid,

III „ „ „ „ Gerechtigheid.

-ocr page 31-

0 Maria! help ons nu door uwe machtige voorspraak, opdat wij op dien grooten oordeelsdag waardig bevonden worden, niet om de straffen der goddelijke rechtvaardigheid te ondergaan, maar aan de belooningen zijner eindelooze barmhartigheid deelachtig te worden. Wees gegroet Maria.....

1 Hemel en aarde verkondigen de macht en grootheid Gods ; alleen de zondaar weigert die te erkennen. Hij staat op tegen God, veracht zijne wetten en geboden en maakt misbruik van de gaven Gods om zijnen Heer en Meester te beleedigen. God laat hem begaan en verduurt alles met geduld ; want zijn dag, de dag des oordeels is nog niet daar. Dan zal Hij nog eenmaal zijne macht openbaren en den zondaar dwingen die te erkennen. Die groote dag, de dag der goddelijke wraak zal aangekondigd worden door vreeselijke plagen. Pest en hongersnood zullen de aarde ontvolken,- oorlogen barbaarscher en bloediger dan er ooit gevoerd zijn zullen er geleverd worden. De Antichrist zal tegen de christenen de gruwzaamste vervolging ondernemen, het bloed zal bij stroomen de aarde drenken. En die ijselijke rampen zullen nog slechts de voorloopers zijn van den dag van Gods wraak -Bij het aanbreken van dien dag zal de zon hare lis kracht verliezen en de aarde in duisternis wikkelen, cle maan zal rood worden als bloed, de sterren aan het uitspansel in haren omloop gestuit, zullen elkander op hare banen ontmoeten, elkander vernietigen en op aarde vallen. Geen ander licht dan dat van den bliksem zal de aarde beschijnen. Het gerommel van den donder zal de aarde doen beven. De bergen zullen instorten, de rivieren zullen buiten hare oevers treden, de zee zal hare dijken verbreken en de mensehen, zegt de H. Geest, zullen van vrees en

-ocr page 32-

angst verdorren en verdrogen. Te midden dier volslagen verwoesting, dier algemeene ontsteltenis, zal God een ontzaggelijken vuurstroom op aarde afzenden, die alles verbranden en verteren zal. De wereld is binnen weinige oogenblikken herschapen in een onmetelijken vuurbol, dien al het water der zee niet vermag te blussehen. Al die kostbare monumenten door den hoogmoed der menschen opgericht, al die schatten door de begeerlijkheid bijeengebracht, al die zeldzame meubelen door de weelde uitgevonden, alle schoonheden en rijkdommen, alle pracht en ijdelheid der wereld zal verdwijnen en van alles wat de mensch bemind en nagejaagd heeft ten koste zijner onsterfelijke ziel, blijft niet het minste spoor meer over. lie gansche aarde is door het vuur vernield, zij is met asch bedekt en op die asch meen ik deze vier woorden te lezen: „God alleen is groot.quot; Hierbij echter bepaalt zich nog niet de grootheid en almacht Gods. Hij heeft tot nu toe zijne grootheid getoond met te verdelgen en te vernietigen. Hij gaat nu ook zijne macht toonen met weder op te wekken en te verlevendigen. Werpt eens, Geloovigen, in den geest een blik op de aarde, door het vuur des hemels vernield en verteerd. Onder de asch die de aarde bedekt, rusten duizenden geslachten, die van het begin der wereld af elkander geregeld hebben opgevolgd. Zij die weleer zooveel van zich deden spreken, liggen daar tot een handvol stof en asch vergaan. Het is stil, doodstil op aarde en geen wonder; al wat leven had is verdwenen. Maar ziet, op eenmaal wordt die diepe stilte onderbroken. De stem van den engel des oordeels doet zich hooren: „Dooden staat op en komt ten oordeel.quot; En ziet, in dat stof, in die asch komt beweging ; het verheft zich omhoog, het scheidt zich

-ocr page 33-

— 23 —

vaneen en brengt millioenen lijken te voorschijn, die de aarde tot nu toe in haren schoot verborgen hield. Terzelfder tijd ook opent zich hemel en hel. De zielen der uitverkorenen dalen neder uit den hemel, terwijl de zielen der verdoemden opdagen uit de hel. Maar welk groot verschil bespeur ik tusschen beiden ! Beschouwt eens de lichamen der uitverkorenen. Hoe schoon, hoe glorievol, zij overtreffen in glans de zon! Met welke vreugde vereenigen zich die uitverkoren zielen met hare lichamen. Kom, zoo roepen zij uit, kom gezegend lichaam, gij waart weleer de trouwe gezel van mijn arbeid, van mijne boete en verstervingen, van mijne goede werken. Ja, ik heb u weleer veel doen lijden, ik heb u vele pleizieren moeten onttrekken, wij hebben gezamenlijk in boetvaardigheid en versterving geleefd. Maar dat alles is voorbij; voortaan geene tranen, geen arbeid, geene boetvaardigheid, geene versterving meer; want wij gaan voor eeuwig bezit nemen van de vreugde des hemels. Doch beschouwt ook eens de lichamen der verdoemden. O ! wat afschuwelijk gezicht, wat zijn zij afzichtelijk. Zij zijn zwaar, duister, zonder vorm, walgelijk en verspreiden eene lucht, verpestender dan die van een lijk in staat van ontbinding. En met dat walgelijk lichaam moet die verdoemde ziel zich nu weer vereenigen. Afgrijzen en schrik bevangt de ziel bij het gezicht van dat vervloekt lichaam. O afschuwelijk monster van een lichaam, zoo roept de ziel uit, voor u heb ik mij verdoemd, ter wille van u heb ik mij gewenteld in het slijk der ontucht en mij overgegeven aan de gewoonte van den drank. En nu gaat gij de geheele eeuwigheid door mijne smarten, mijn lijden verdubbelen. De ongelukkige ziel, zij deinst terug, zij wil zich verwijderen, zij wil alleen zich neerploffen in

-ocr page 34-

den afgrond der hel; maar Gods almacht houdt haar tegen. Zij is gedwongen zich te vereenigen met dat afschuwelijk en walgelijk lichaam, dat zij verafschuwt en vervloekt. Maar ziedaar nog slechts het begin van hare schande en van haar lijden Alle menschen zijn verrezen, alle volkeren zijn op de been. In een oogwenk, zooals de H. Paulus zegt, zijn zij opgestaan uit het stof. De engel des oordeels doet zich andermaal hoo-ren: „Populi, populi, in valle concisionis ; Volkeren , voorwaarts naar het dal des oordeels.quot; O, wat zouden de verdoemden zich gaarne aan die oproeping onttrekken. Maar er bestaat geen mogelijkheid, de almacht Gods stuwt hen voorwaarts naar het dal van Josaphat. Daar moeten alle menschen samenkomen zonder eenig onderscheid. In het dal van Josaphat onderscheidt men geen koningen, geen grooten, geen rijken meer. God alleen is nog groot op dien dag. Hij alleen is Heer en Meester. Hij brengt door zijne almacht in minder dan een oogenblik tijds het gansche menschdom in het dal des oordeels bijeen. Nu eerst Gel. gaat zich Gods grootheid in al haren luister vertoonen. Terwijl nu het gansche menschdom bijeen is, terwijl eenerzijds de rechtvaardigen de lucht van vreugdekreten doen weergalmen en de verdoemden ^in hunne vertwijfeling razen en tieren, gaat op eenmaal de hemel open en verschijnt J. C. de opperste rechter. Hij daalt neder te midden van den glans van het helderste licht, met groote macht en heerlijkheid. Millioenen engelen en hemelsche geesten omstuwen Hem. Neen, \'t is nu niet meer de dag zijner vernedering en zwakheid, \'t is de groote dag zijner glorie en macht. Eenerzijds ziet men in den hemel het verheerlijkt kruis van den Verlosser en anderzijds Jesus\' Moeder, de Koningin des hemels en der aarde, maar die van nu af

-ocr page 35-

aan ophoudt haar ambt uit te oefenen van moeder der barmhartigheid. Wat vreugde en gejuich onder de rechtvaardigen I Ziedaar dien Jesus, dien zij zoo vurig bemind en trouw gediend hebben, dien Jesua voor wien zij zooveel geleden hebben van de zijde der zondaars, Hij is het die hen geholpen en gesteund heeft door zijne genade en die nu met hen zijne glorie en zijn geluk komt deelen. Maar van den anderen kant, wat wanhoop en vertwijfeling brengt het gezicht van den oppersten rechter niet te weeg onder de verdoemden. Hij is die Jesus, dien zij verguisd en gelasterd, vervolgd en met voeten getreden hebben; zij hebben Hem miskend en ziet hoe Hij schittert van glorie en majesteit. De verdoemden zouden willen vluchten, zij wenschten vernietigd te kunnen worden, zij roepen uit: „bergen valt op ons, verbergt, bedekt ons,quot; maar alles is te vergeefs. Zij zijn gedwongen Gods grootheid en macht te aanschouwen, te erkennen en te bewonderen en zij moeten bekennen, dat alle aardsche grootheid en macht onbeduidend is. Zij zijn getuigen geweest van G-ods grootheid, zij gaan ook getuigen wezen zijner wijsheid, zij gaan de slachtoffers worden zijner oneindig strenge gerechtigheid.

II Wat veeltijds den zondaar te midden zijner gruwelen nog aanzet en stijft, is de gedachte dat niemand hem ziet. Hij vergeet, of tracht te vergeten dat God alles weet en dat aan zijn alziend oog niets ontsnapt. Maar op den grooten oordeelsdag gaat God ten uitvoer brengen de bedreigingen, die Hij uitgesproken heeft door zijne profeten. „Gij hebt gemeend, zal Hij zeggen tot den zondaar, dat ik gelijk ben aan u en dat ik uwe zonden niet zie; doch gij bedriegt u, ik zal ze bekend maken op den grooten dag en ik zal u met schaamte bedekken, zooals gij verdient: „Arguam

-ocr page 36-

— 26 -

te et statuam contra faciem tuam.quot; Op den dag des oordeels zal Gods oneindige wijsheid in al haren glans schitteren. J. C. de rechter over levenden en dooden zal dan gezeten zijn op eenen troon van glorie, rondom Hem staan ontelbare legioenen engelen en vóór Hem bevinden zich alle menschen die ooit geleefd hebben. De goddelijke Herder kent zijne schapen, in zijne oneindige wijsheid onderscheidt Hij diegenen die uitverkoren en ook die verworpen dienen te worden. Zoodra Hij gezeten is op zijn troon, beveelt Hij zijne engelen de rechtvaardigen van de zondaars te scheiden: „tune exibunt angeli et separabunt malos de medio justorum.quot; En aanstonds brengen de engelen dit bevel ten uitvoer. Ziet hoe zij heensnellen, de zondaars verwijderen uit het midden der rechtvaardigen ; de rechtvaardigen aan de rechter-, de zondaren aan de linkerzijde scharen. Hoort gij die kreten van wanhoop ? O hoe wreed valt die scheiding! Te dien tijde, zegt de Evangelist Mattheus, zal de een worden opgenomen om deel te hebben aan de bemelsche belooningen, de andere daarentegen zal worden achtergelaten om de eeuwige pijnen der hel te verduren: „Unus assumetur, et alter relinquetur;quot; de een wordt gerangschikt aan de rechter- de ander aan de linkerzijde, de een onder de schapen, de ander onder de bokken. Uit dit of dat land staan sommige rechts, anderen links; uit een of andere parochie zijn eenigen onder het getal der uitverkorenen, anderen onder dat der verworpelingen. Ja uit een en dezelfde familie staan eenigen in de rij der rechtvaardigen, anderen in die der verdoemden : „Unus assumetur ....quot; De koning wordt gescheiden van zijne onderdanen, de kudde van haren herder, de man van zijne vrouw, een broeder van zijne zuster, eene moeder van hare kinderen. „Unus assumetur .,.O welke

-ocr page 37-

verwarring, welk akelig schouwspel! Er heeft eene scheiding plaats tusschen personen.die in eeuwigheid el kander niet meer zien zullen ; „unus assumetnr ... Voor den hemel zijn bestemd al degenen die tot het einde huns levens God getrouw gebleven of zich oprecht tot Hem bekeerd hebben. Voor de hel alle vijanden van God, alle duivelen, alle goddeloozen, onge-loovigen, godslasteraars, dronkaards, moordenaars, dieven, heiligschenners. Voor de hel alle onkuischaards, verleiders en overspelers. Voor de hel alle onrechtvaardige kooplieden, alle slechte herbergiers, slechte ouders, slechte kinderen, slechte dienstboden, slechte echtgenooten. Voor de hol alle kwaadsprekers, alle onteerders van den zondag, alle vijanden der Kerk! Alle vijanden van God worden ter linkerzijde gesteld, de rechtvaardigen alleen blijven staan ter rechterzijde. En gij Gel. aan welke zijde zult gij eenmaal gerangschikt worden ? Dat hangt af van u, naargelang gij uwen God trouw blijft of niet. O, welk een troost, als ik mocht zeggen : wij allen die hier aanwezig zijn, wij zullen eenmaal staan aan de rechterhand van J. C. Ja, daar zal uw plaats zijn deugdzaam jongeling, die kuisch blijft te midden der zondige wereld, die van tijd tot tijd nadert tot de HH. Sacramenten, die slechte kameraden vermijdt en het menschelijk opzicht met voeten treedt. — Daar zal men u vinden jonge dochter, die vroom leeft, die J. C. bemint en uw hart niet schenkt aan de ijdelheid der wereld, noch aan zondige en gevaarlijke vermakelijkheden. Ook gij christelijke huismoeder, die uwe kinderen deugdzaam opvoedt en met geduld de kruisjes des levens draagt ; in één woord gij allen, die ieder volgens uwen staat God liefhebt en dient, gij allen zult in den oordeelsdag staan aan de rechterhand van J. C. Maar van

-ocr page 38-

den anderen kant welke schande, welke schaamte voor de verdoemden, die ter linkerzijde geschaard, een blik zullen werpen op die missionarissen, die biechtvaders en priesters, op al die trouwe vrienden, die hen zoo diktnaals vermaand en wier raadgevingen zij immer versmaad hebben. Welk hartverscheurend schouwspel voor die verdoemden, een vader, eene moeder kinderen, echtgenoot of vrouw, aan wie zij zooveel droefheid veroorzaakt hebben, te zien staan aan de rechterhand van J. C. Ja, dan zullen zij uitroepen: wij dwazen, wij hebben hen weleer veracht en bespot, wij hebben hunne raadgevingen in den wind geslagen, hunne voorbeelden niet opgevolgd: „Hi sunt quos habuimus aliquando in derisum.quot; Wij uitzin-nigen, zoo zullen zij jammeren, wij hebben hen voor dwaas gehouden omdat zij niet leefden evenals wij en geen gebruik maakten van hunne vrijheid en van de plezieren der wereld. „Nos insensati, vitam illorum aestimabamus insaniam.quot; Wij zeiden: wat winnen zij er mede te leven, gelijk zij doen. Er is geen hemel noch hel, hunne vrees is kleingeestig, hunne hoop ijdel. „Et finem illorum sine ho-nore.quot; O, wat hebben wij ons bedrogen; zij zijn gelukkig, wij rampzalig ! „Ergo erravimus.quot;

2) Niet in die scheiding slechts tusschen rechtvaardigen en zondaars straalt Grods wijsheid door, veel meer nog gaan wij haar bewonderen in ieder menseh in het bijzonder. Grod gaat de geheimen der duisternis bekend maken. „Illuminabit abscondita tenebra-rum.quot; Alle zonden en gruwelen in het geheim, in de eenzaamheid bedreven, gaan aan de gansche wereld bekend gemaakt worden. Jongeling en jonge dochter, gij zijt beschaamd uwe geheime zonden aan den biechtvader bekend te maken; maar wat zal het we-

-ocr page 39-

— 29 -

zen op dan grooten oordeelsdag! Veronderstelt, dat God mij die verborgen zonden eens deed kennen en mij beval die luide hier in de kerk te openbaren ; veronderstelt dat ik u bij uwen naam noemde en zeide : op dien dag, dat uur, die plaats hebt gij dezen of genen gruwel bedreven; gij zoudtvan schaamte meenen te sterven Maar wat zal het dan niet wezen op den dag des oordeels^ wanneer God in den glans zijner alwetend - en wijsheid uw geweten zal bestralen en al uwe zonden, zelfs de geheimste en verborgenste in het helderste daglicht zal stellen. God zal de gruwelen van den zondaar op zijn voorhoofd schrijven. Hij zal hem, zegt de H. Hieronijmus, in dien staat aan de gansche wereld vertoonen, zeggende; Ziedaar den mensch en zijne werken : „Ecce homo et opera ejus.quot; Ziedaar dien man, die brave en deugdzame menschen smaadde, die met hel, geloof en sacramenten spotte, die zijnen evenmensch bedroog, die zich verrijkte ten koste van anderen, die in zonden leefde van ontucht en overspel.quot; Ecce homo et opera ejus.quot; Ziedaar dien jongeling; hij spotte met priesters en brave menschen; van af zijne kindsheid leefde hij in ontucht en heiligschennissen, door zijne oneerbare taal bedierf hij de anderen, tal van personen des anderen geslachts vielen als slachtoffers zijner driften, hij bestal zijne ouders en meesters om zijne lusten te kunnen voldoen. „Ecce homo et opera ejus.quot; Ziedaar die jonge dochter, die wanneer men haar eene zondige verkeering, eene gevaarlijke vermakelijkheid verbood, zeide : daar steekt geen kwaad in; telt eens op die onkuische begeerten die oneerbare werken, die zij gepleegd heeft. Zij gaf zich over aan de schandelijkste eischen der bedorven-ste jongelingen. „Ecce homo et opera ejus.quot; Ziedaar die vrouw, die haren man en haren biechtvader bedroog.

-ocr page 40-

— 30 —

Zij heeft verzwegen hare zonden van overspel en al die gruwelen die haar huwelijk zijn vooraf gegaan. „Ecce homo et opera ejus.quot; Ziedaar dan de zondaar ontmaskerd voor de gansohe wereld, gedwongen om voor de oogen van allen terecht te staan. Nu kan iedereen in hem beschouwen wat God weleer alleen in hem zag. O, hij zou wenschen te sterven van schaamte en schande 1 Daarna zullen allen, zondaars en rechtvaardigen hunne stem verheffen, om ieder op zijne manier Gods wijsheid te verkondigen. Dan zullen de rechtvaardigen met den bittersten spot de zondaars overladen. Zij zullen hen bespotten en zeggen: Ziedaar nu dien man, die tijdens zijn leven God niet noodig meende te hebben.quot; Ecce homo qui non posuit Deum adjutorem suum.quot; En de zondaars? Luistert eens Gel. hoe die rampzaligen in hunne wanhoop Gods wijsheid verkondigen. Luistert eens hoe bitter zij elkander hunne gruwelen verwijtenl Gij rampzaligejonge-ling, zal dat meisje zeggen; gij zijt het die mij het kwaad geleerd hebt, uwe schandelijke aanzoekingen hebben mij de zonde doen bedrijven. Zonder u ware ik kuisch en eerbaar gebleven. Vervloekt zij de dag, waarop ik u heb leeren kennen. Gij lage verleider! zal een jongeling zeggen tot een slechten vriend; gij zijt het die mijn hart bedorven hebt. Uwe oneerbare en goddelooze gesprekken hebben mij geloof en zeden doen verliezen. Vervloekt zij uwe tong het werktuig mijns verderfs. Rampzalige moeder, zal eene dochter zeggen, uwe al te groote toegevendheid is de schuld mijner verdoemenis. Waarom hebt gij mij die gevaarlijke vermakelijkheden, die eenzame verkeering toe gestaan? Gij had verstandiger moeten zijn dan ik, Vervloekt zij de schoot die mij gedragen heeft, vervloekt de dag waarop ik geboren benl Ellendige va-

-ocr page 41-

— ai

der, zal die zoon zeggen, gij had mij den weg der deugd moeten toonen en gij hebt mij door uw slecht voorbeeld, door uwe godslasteringen en dronkenschap op den weg der hel gebracht. O slechte man, zal die vrouw zeggen, gij hebt van het H. Sacrament des Huwelijks een strik gemaakt om mijne ziel te verdoemen. O monster, ik heb gezondigd om u te behagen. Wij hadden beiden ons moeten heiligen en wij zijn nu beiden verloren door elkanders schuld. Helaas, Grel. welke bittere verwijtingen, welke schromelijke verwenschin-gen! O akelige verlatenheid van den zondaar I Hij staat daar alleen, om die onuitsprekelijke smart te dragen die hem terneerdrukt. Vroeger vond hij steun in de deelgenooten zijner ongebondenheden en nu wordt hij door allen veracht. Vroeger meende hij Godswijsheid te bedriegen en nu staat hij daar zooals hij is, voor het oog van iedereen ontmaskerd. Hij gruwt van zich zeiven, zoozeer is hij beschaamd en die beschaming die hem foltert, is nog niets in vergelijking van het vreeselijk vonnis dat hij nu gaat vernemen.

Ill De dag des oordeels Grel. is bij uitnemendheid de dag van Gods gerechtigheid. Dan zal de rechtvaardige geene beproevingen en de zondaar geene genietingen meer te verwachten hebben. Dan zal God een ieder vergelden volgens zijne werken. Dat zal het einde wezen van den grooten dag, de ontknooping van het akelig schouwspel, dat ik u in deze preek ontvouwd heb. Wanneer nu de gewetens, de harten van alle menschen openbaar zullen gemaakt zijn, dan zal de goddelijke rechter opstaan en zich wenden tot de uitverkorenen. Hij zal hun toonen zijn gelaat vol goedheid en zachtmoedigheid.quot; Komt, zoo zal Hij hun zeggen, komt gezegenden mijns Vaders, bezit het Rijk dat voor u bereid is van af het begin der wereld.quot; Welke

-ocr page 42-

zoete uitnoodiging! Wat al troost, vrengde en genot ligt er opgesloten in dat woordKomt.quot; Komt, niet meer om boetvaardigheid te doen, niet meer om te arbeiden en te lijden, neen de tijd der beproeving is voorbij en gij zijt trouw en standvastig gebleven. Ziedaar waarom ik u noem:quot; Gezegenden.quot; Wees gezegend van de zijde dier ziel, die de aarde verlaten heett verrijkt met mijne genade, vanwege dat hart waarin mijne liefde gewoond heeft. Wees gezegend vanwege die tong die mij zoo dikwijls verheerlijkt heeft in het gebed , vanwege die oogen die zich zoo dikmaals hemelwaarts richtten, vanwege die handen die voor mij gearbeid hebben. „Komt gezegenden mijns Vaders, bezit het Rijk dat voor u bereid is.quot; Daar zal n niets ontbreken, daar zullen uwe veilangens volkomen voldaan zijn, daar zult gij deelen in mijn geluk en in mijne glorie gedurende degansche eeuwigheid. O Gel. hoe hartelijk zullen de uitverkorenen alsdan elkander gelukwenschen dat zij God getrouw gebleven zijn. Doch aanschouwt ook eens de verdoemden. Ziet, zij zyn als onbewegelijk en stom van smart, zij hebben de oogen gekeerd naar beneden, naar den grond, dien zij met hunne tranen besproeien. Nu wendt de rechter zich tot hen en met eene stem die de wereld doet beven, spreekt Hij deze woorden, de vreeselijkste, de afgrijselijkste, die ooit gehoord zijn :„Discedite a me, maledicti, in ignem aeternum. Gaat weg van mij, vervloekten in het eeuwig vuur.quot; Gaat weg van mij. Gij wildet niet met mij te doen hebben op aarde, ik op mijne beurt wil u niet in den hemel. Ik verbreek voor immer de banden die er tot dusverre bestaan hebben tusachen den schepper en zijn schepsel. Gaat weg van mij, die u weleer beminde, maar die u nu haat; die u schiep,

-ocr page 43-

— 33 —

voor den hemel, maar die mij nu gedwongen zie u te veroordeelen tot de hel. Voor u heb ik mijn kostbaar bloed vergoten en gij hebt mijn bloed nutteloos ge maakt; ik heb u willen bekeeren, doch gij hebt willen volharden in uwe zonden; ik heb u mijne genade en vriendschap aangeboden en gij hebt ze niet gewild, mijne barmhartigheid en gij hebt ze versmaad. Ik heb u willen zegenen en gij hebt mij gedwongen u te vervloeken.„Gaat weg van mij,vervloekten.quot; O vree-selijk woord, gesproken door den mond van een God. Op het oogenblik dat Hij dat woord uitspreekt, wordt het herhaald in den hemel en in de hel, terwijl alle echo\'s der aarde herhalen: Vervloekten, vervloekten, vervloekten 1 Zij zijn gevloekt in hunne ziel, die voor eeuwig besmeurd zal zijn met de walgelijke smet der doodzonde, zij zijn gevloekt in hun hart, waarin zetelt een onverzoenbare haat tegen God ; gevloekt in hun lichaam, dat weleer het werktuig was der zonde. Gaat weg van mij, vervloekten. En waarheen, o Heer? „In ignem aeternum. In het eeuwig vuur.quot; In het vuur om voor eeuwig te branden, In het vuur om voor eeuwig te kermen en te jammeren; in het vuur om voor eeuwig te lijden en nimmer te sterven, om voor eeuwig de slachtoffers te wezen der goddelijke gerechtigheid.quot; Discedite a me, maledicti, in ignem aeternum.quot; Nadat hij tot de verdoemden dat vervaarlijk en onherroepelijk vonnis heeft uitgesproken, werpt de goddelijke rechter op hen nog een laatsten blik vol verontwaardiging en wendt vervolgens zijne oogen voor immer van hen af. Daarop verdrijft hij de duisternissen die zijn gelaat bedekten en vertoont zich aan de uitverkorenen in al den glans zijner glorie. Een kreet van vreugde en lof verheft zich uit het midden dier gelukzalige schare; „Justus es Domine et rectum ju-

3

-ocr page 44-

- 34 —

dicium tuum. Rechtvaardig zijt gij Heer, zoo jubelen zij en billijk is uw oordeelwaarna zij den eeuwig-durenden lofzang hunner erkentelijkheid aanheffen. Aan Gods gerechtigheid is nu voldoening gegeven; zijne wijsheid heeft geschitterd in al haren glans, zijne almacht is gehuldigd door al zijne schepselen. Nu gaat de hemel open, de goddelijke rechter stijgt op ten hemel, vergezeld van Maria zijne lieve moeder, van alle koren der engelen en omstuwd door eene ontelbare menigte uitverkorenen , die voor de eerste maal met hunne lichamelijke oogen de verrukkelijke schoonheden gaan bewonderen van het hemelsch Jerusalem. Dan eerst zullen de verdoemden in staat zijn de diepte van hun verderf te peilen. Zij meenen in den hemel te zien die heerlijke tronen, die zij geroepen waren eenmaal te bekleeden en zij zien diegenen verdwijnen die hem derwaarts zochten te geleiden; dien Jesus die door zijn kostbaar bloed hun den hemel gekocht had , Maria de moeder der barmhartigheid, die zich immer bereid toonde vergeving voor hen af te smeeken, die Heiligen en Engelen die hen zouden beschermd hebben, indien zij slechts gewild hadden. Zij herkennen onder de uitverkorenen hunne verwanten en vrienden en vol wanhoop roepen zij hun een laatst, een pijnlijk vaarwel toe.— Vaarwel ouders, die ons zoo dikwijls gesmeekt hebt met tranen in de oogen, dat wij toch medelijden zouden hebben met onze ziel. Vaarwel geliefde vrouw, met wie ik zoo lange jaren geleefd heb ; voor eeuwig vaarwel. Vaarwel broeders en zusters; hadde ik geleefd evenals gij, ik zou met u gelukkig wezen. Vaarwel herder mijner ziel, uwe vermaningen en raadgevingen zijn mij voortaan nutteloos. Vaarwel schoone hemel, gij zult mijn deel niet wezen. De hel is ons erfdeel, voor ons niets meer dan folteringen en pijnen, tra-

rr

-ocr page 45-

— 35 —

nen, wroeging en wanhoop. En dat in eeuwigheid ! En zij voelen de aarde onder hunne voeten beven ;de aarde opent zich, de vlammen omringen hen, zij ploffen neer in den afgrond in de grootste wanorde, de een op den ander , zij vloeken, huilen en kermen totdat de aarde haren schoot toesluit om dien in eeuwigheid niet meer te openen. In eeuwigheid zal daar geween en geknars der tanden zijn. quot;Wat dunkt u Gel. van dat oogenblik \'i Arme zondaar, waaraan denkt gij op dezen stond. Ga u aanstonds nederwerpen voor het tabernakel, waar uw toekomstige rechter voor het oogenblik verblijft houdt, vraag Hem aan welke zijde gij gerangschikt zult worden op den grooten oordeelsdag. Klop op uwe borst, stort tranen van berouw en smeek J. C. u barmhartig te willen zijn. O Heere Jesus ! die barmhartigheid vraag ik voor mijne toehoorders en voor mij. Wij hebben uwe geboden overtreden, wij hebben verdiend door het gewicht uwer almacht verplet te worden. Wij hebben uwe wijsheid miskend, wij hebben verdiend met schaamte overdekt te worden, wij hebben uwe gramschap, uwen toorn getart, wij hebben verdiend voor eeuwig verworpen te worden; maar wij verfoeien onze bedreven zonden en smeeken u om vergeving. „Donum fac remissionis, ante diem rationis.quot; Wij durven zulks verhopen. Heer. Wij gelooven immers aan uw woord. Gij wilt niet, zoo zegt gij, den dood des zondaars, maar dat hij zich bekeere en leve. O Jesus, maak dan dat de arme zondaars zich bekee-ren, dat zij vaarwel zeggen aan de ontucht onrechtvaardigheid en godslasteringen,dat zij zoodra mogelijk eene nederige en oprechte biecht spreken en dat zij na zoolang gezucht te hebben onder het juk der zonde, eindelijk leven in uwe vriendschap en in uwe genade; „sed ut convertatur et vivat.quot; Geef dat zij met

-ocr page 46-

— 36 —

u vereenigd leven zoolang zij hier op aarde zijn, ver-eenigd met u op den grooten oordeelsdag en in alle eeuwigheid met u vereenigd in den hemel. Amen.

-ocr page 47-

Over de Hel.

De Hel beschouwd als de verzamelplaats der uitgezochtste pijnen, als het folteringsoord van Gods onverbiddelijke Rechtvaardigheid, als de pijnbank bij uitnemendheid der goddelijke Gestrengheid en Wraak.

Horrendum est incidere in manus Dei viventis. Vreeselijk is het te vallen in de handen van den levenden God.

(Hebr. 10. 31.)

In het leven van den H. Leonardus a Porto Mau-ritio leest men, dat die heilige missionaris, na op zekeren avond eene indrukwekkende preek gehouden te hebben, te midden der duisternis huiswaarts keerde. Nauwelijks had hij eenige schreden gedaan, of het scheen hem toe dat hij gevolgd werd door iemand die onophoudelijk zuchte en bitter weende. Wat scheelt er aan mijn vriend, aldus sprak de Heilige den onbekende toe ? Vader, zoo gaf de vreemdeling hem ten antwoord, ik ben een groot zondaar. Onder uwe preek ben ik in den geest neergedaald ter hel en ben daar getuige geweest van een vreeselijk en onbeschrijfelijk schouwspel. Neen, ik wil voor geen prijs ter wereld mij verdoemen, ik wil van leven veranderen en wel zonder uitstel, ik wenschte daarom dezen avond

-ocr page 48-

— 38 —

nog eene generale biecht te spreken. Maar mijn vriend, zoo sprak de Heilige, ik ben zoo vermoeid en afgemat, wees zoo goed en wao.lit tot morgen vroeg. Maar mijn vader, zoo hernam de zondaar, ik moest dezen nacht, beladen met zonden als ik ben, eens sterven. De Heilige, door medelijden getroffen omhelst dien armen zondaar, keert terug naar de kerk, hoort zijne biecht en verzoent hem met Grod. Die man, zooals ik gezegd heb, was in den geest neergedaald ter hel, gedurende de preek van den H. Leonardus. Ziedaar zijn geluk, want zegt de H. Philippus Nerius, wie gedurende zijn leven, ten minste in den geest niet nederdaalt in de hel, loopt gevaar eenmaal in werkelijkheid daarin geworpen te worden. Chr. die raad is verstandig, laat ons hem ter harte nemen. Dalen wij eens vrijwillig dezen avond neer in de hel, opdat wij ons het ongeluk besparen eenmaal gedwongen, tegen onzen wil, met ziel en lichaam er in neergeworpen te worden. Sprak ik dezen avond tot ongeloovigen, dan zou ik hun bewijzen dat er eene hel bestaat, dat zij noodzakelijk bestaan moet, dat haar bestaan eeuwigdurend is ; maar ik spreek tot katholieken, tot geloovigen, die deze waarheden vastelijk gelooven. Ik heb mij daarom voorgenomen u dezen avond eens een tafereel op te hangen van de hel, n eens voor oogen te stellen alles wat de hel vreeselijks en verschrikkelijks heeft; met andere woorden ; ik ga u de hel voorstellen als de verzamelplaats der uitgezochtste en vreeselijkste pijnen, — als het folteringsoord van Gods onverbiddelijke rechtvaardigheid, — als de pijnbank bij uitnemendheid der goddelijke gestrengheid en wraak. Ave Maria.

Hier in de wereld zien wij de burgerlijke en rechterlijke macht beschikkenover dwangmiddelen en straffen. Nu eens wordt een schuldige tot ballingschap,dan weder

-ocr page 49-

tot den kerker, somtijds tot de doodstraf veroordeeld en dat moet zoo wezen, ter bewaring der orde, tot instandhouding der burgerlijke maatschappij. Maar er zijn ook misdrijven die niet tot het rechtsgebied behooren van den wereldlijken rechter, die hier op aarde straffeloos worden voorbijgezien, misdrijven welker straf wordt uitgesteld, doch geenszins vergeten en die des te ge-strenger en geduohter zal zijn, naarmate de strafuitvoering langer wordt opgeschoven; ik bedoel Chr. de doodzonde. De doodzonde behoort tot het rechtsgebied van God. God nu, zooals gij weet, is oneindig mild in zijne belooningen, maar tevens oneindig streng in zijne bestraffingen. Hij heeft zijne almacht uitgeput om zijne uitverkorenen in den hemel te beloonen, maar Hij heeft niet minder zijne almacht uitgeput om de verdoemden in de hel naar verdienste te pijnigen en te folteren. De hel, gelijk ik reeds gezegd heb, is bij uitnemendheid de pijnbank Gods. Immers op de eerste plaats zijn de verdoemden in de hel voor eeuwig verstoken van het aanschijn Gods. Ziedaar de eerste en zwaarste straf voor een verdoemde. Verschrikkelijk oogenblik voor eene verdoemde ziel, aanstonds na den dood dat vreeselijk en onherroepelijk vonnis te moeten hooren, uit den mond van haren goddelijken rechter : ,.Ga weg van mij vervloekte ziel in het eeuwig vuur. Gij zult in eeuwigheid mijn aangezicht niet aanschouwen ; Non videbitis faciem meam.quot; ( Gen. 43. 3.) Hier op aarde valt het soms zoo hard aan eene vrouw van haren man, aan een kind van zijne ouders, aan een vriend voor korten tijd van zijnen vriend gescheiden te zijn ; dagen schijnen maanden, maanden schijnen jaren toe en toch die aardsche scheiding kan niet in vergelijking komen met die eener ziel, die voor eeuwig van haren God gescheiden is. Te vergeefs stelt zich

-ocr page 50-

— 40 —

de ziel de vraag: Zou God misschien na 100. 1000 100,000 jaren zijn vonnis niet wijzigen ? Maar daar klinkt haar op eenmaal in de ooren: „Juravit Domi-nus.quot; De Heer heeft uwe verdoemenis gezworen en wat Hij gezworen heeft staat vast. Te vergeefs vleit de verdoemde\' zich met de hoop, dat God vroeg of laat aan zijn bestaan een einde zal maken; te vergeefs zegt de H. Bernardus, roept hij tot God om te mogen sterven, de dood kan hem niet treffen, het einde begint altijd op nieuw, zegt de H. Gregorius. Finis semper incipit. O vreeselijke foltering voor die ziel de gedachte, dat zij in eeuwigheid Gods aanschijn niet genieten zal. Gedurende haar leven, verzonken als zij lag in de zonde, achtte zij niet het verlies van God; maar nu van alles onthecht beseft zij, maar te laat. helaas, wat het zeggen wil voor eeuwig van God gescheiden te zijn. Nu eerst, zegt de koninklijke profeet, zal de verdoemde duidelijk inzien dat God hem geschapen had voor den hemel, voor een eeuwigdurend geluk.quot; Videbit,quot; Hij zal in toorn ontvlammen tegen zich zeiven, omdat hij vrijwillig en door eigenschuld dat opperste goed verbeurd heeft: „Dentibus suis fre-met et tabeseet.quot; Hij zal inzien die verdoemde, dat J. C. gestorven is om hem vrij te koopen, hij zal knarsetanden van woede, den prijs van dat goddelijk bloed verspild te hebben. Hij zal in zijne verbeelding zien, die ontelbare genaden waarmede God hem in zijn leven begiftigd heeft, die Biechten en Communiën die hij misbruikt, of heiligschennend ontvangen heeft en hij zal zijn als razend van woede, omdat hij die middelen ter zaligheid heeft doen dienen tot zijne eeuwige verdoemenis. O welke pijnlijke gewaarwording voor een verdoemde de gedachte, dat hij God en den hemel verloren heeft en wel ter wille van beuzelarijen

-ocr page 51-

en nietigheden. Ziedaar Chr. de eerste loitering, die de verdoemden lijden in de hel; de eeuwige berooving van het goddelijk aanschijn en de uitsluiting uit den hemel. Dat verlies nu van den hemel en van God is voor den verdoemde zoo pijnlijk, dat de H. Joannes Chrysostomus verzekert, dat alle andere tormenten der hel niets en onbeduidend zijn, in vergelijking met het verlies van God. Doch Chr. gaan we in onze verbeelding eens eene schrede verder in de hel en wat zien we daar ? Eene onafzienbare zee van rampen, zegt de H. Joannes Chrysostomus : „Pelagus impertran-sibilis,quot; of volgens den H. Joannes : eene uitges.rekte zee der goddelijke gramschap en wraak. En in die onmetelijke zee van vuur en zwavel, in die pijnigingsplaats bij uitnemendheid, vindt de verdoemde volstrekt niets wat zijn lot eenigszins kan verzachten; geene rijkdommen meer, geene eer en achting, geene plezieren en vermaken, geene vrijheid, geen vreugde, geen geluk, geen troost, geen licht, geen hoop, geen liefde, geen rust, geen genade, geen God; maar alles integendeel wat den verdoemde maar kan folteren en pijnigen. Treedt eens een winkel, eene werkplaats, b. v. die van een timmerman binnen; daar vindt ge schaven, zagen, beitels, hamers, honderden werktuigen, die elk voor zich tot een bepaald gebruik dienen ; maar die allen te zamen tot een gemeenschappelijk doel strekken. Zoo ook in de hel. In de hel zijn duizenden en duizenden folteringen, die elk in het bijzonder op eene of andere manier den verdoemde pijnigen, maar die allen gezamenlijk dienen tot één gemeenschappelijk doel : den verdoemde namelijk te martelen. In die zee van smarten, zonder bodem, zonder stranden, in dien onderaardschen kerker, die van alle kanten besloten is, heeracht vooreerst eene eeuwig.

-ocr page 52-

durende, dikke duisternis. In eeuwigheid, zegt God, bij monde van den koninklijken profeet^ zullen de verdoemden het licht niet aanschouwen; „In aeternum non videbit lumen.quot; (Ps. 48. 20). De zondaar, de god-delooze zocht gedurende zijn leven de duisternis, de verborgene en duistere plaatsen en schuilhoeken, om zoodoende naar willekeur zijne driften en hartstochten te kunnen bevredigen, hij schuwde het licht; in de hel zal hij vinden wat hij zocht bij zijn leven : eene eeuwigdurende, akelige duisternis. De hel, het verblijf der duivelen is een rijk van duisternis.- De verdoemde die tijdens zijn leven enkel op zingenot bedacht was, die een afkeer had van alles wat naar boetvaardigheid en versterving geleek, die zoo trotsch was op zijne vrijheid en onafhankelijkheid, vindt zich bij zijne komst in de hel eensklaps met zware, vurige, onverbreekbare ketenen beladen. Een flauw afbeeldsel dier pijniging zien we in de straf der galeien. Zij, die hier op aarde tot de galeien veroordeeld worden, zijn door een en dezelfde keten met elkander verbonden en kunnen gaan, staan noch liggen, zonder diezelfde beweging aati hunne ongelukkige lotgenooten mede te deelen. In de hel zijn eveneens de verdoemden aan een en dezelfde keten verbonden ; „Una catena erant omnes colligati.quot; (Sap. 17. 17). Wanneer een verdoemde zich beweegt, bewegen zich tevens alle anderen ; vandaar Chr. een oorverdoovend, vreeselijk, aanhoudend ge-druisch, veroorzaakt door de ketenen, waarmede dat onnoemelijk getal verdoemden en duivelen beladen zijn. Bij die vreeselijke duisternissen en zware ketenen, voegen zich nog andere pijnen. Een brandende dorst zal de tong der verdoemden verzengen. „Ik zal hun den gal van draken en het gif van slangen te drinken geven,quot; zegt God. De rijke vrek, zooals het

-ocr page 53-

— 43 —

Evangelie verhaalt, vroeg in de hel aan Abraham, door de bemiddeling van Lazarus, een druppel water om zijnen brandenden dorst te lesschen. En hij ontving ten antwoord: Neen, gij leefdet op aarde in zingenot en overdaad, het is billijk dat gij hier in de hel den beker van Gods toorn en gramschap tot den bodem toe ledigt. Bij dien dorst zal zich voegen een onuitstaanbare honger; „Nutrimentum ejus ignis et ligna multa.quot; Ik zal hun vuur en brandhout te eten geven, zegt God. Wat is er pijnlijker en onuitstaanbaarder hier op aarde, dan honger en dorst te lijden. En als eene kortstondige ontbering van voedsel reeds zoo hard valt; wat zal het dan wezen in de hel, waar nimmer een kruimel brood, noch een druppel water den verdoemde zal gegeven worden: „Crueiabuntur, die ao nocte in saecula saeeulorum.quot; Bij dat alles komt nog de knagende worm des gewetens ; die worm, zegt de H. Bernardus, is de herinnering aan het ver-ledene, die worm heeft zich in het hart van den verdoemde genesteld reeds tijdens zijn leven, hij is geboren uit de zonde ; tijdens het leven reeds knaagde hij, maar de zondaar vermocht die knaging eenigermate te veidooven door de plezieren en genoegens der wereld, door zijne buitensporig- en ongebondenheden ; maar in de hel is hij gedwongen in weerwil van zich zeiven, dien worm , die zonder ophouden aan zijn hart knaagt te gevoelen, O wat ben ik dwaas geweest , zal die verdoemde uitroepen , dat ik mijn kortstondig leven in zingenot en zonde heb gesleten ! Ik heb tijdens mijn leven met God en godsdienst gespot, ik heb de geheimen van den godsdienst met verachting behandeld, ik heb brave en deugdzame mensch-en beschimpt en geminacht, ach hadde ik beter geluisterd naar de vermaningen mijner ouders, hadde ik mij

-ocr page 54-

laten bewegen door de tranen en smeekingen van vrouw en kinderen. Waar zijn nu de vrienden die mij weleerzoo vleiden, wat baten mij nu die rijkdommen die wellicht voor mij eene aanleidende oorzaak geweest zijn van mijn verderf.die feestmalen, uitspanningen en gezelschappen! Ach, het is te laat, ik heb den tijd der goddelijke barmhartigheid misbruikt, alle hoop is vervlogen en ik heb niets dan eene eindelooze rampzalige eeuwigheid in het verschiet. Ziedaar Chr. de taal van een verdoemde, die gefolterd wordt door den knagenden worm des gewetens. Te recht noemt daarom de H. Geest de hel, eene plaats van haat, woede en razernij. Daar hoort men vreeselijke jammer- en wanhoopskreten, een ijzingwekkend geknars der tanden, hemeltergende godslasteringen en verwenschingen , een verschrikkelijk gehuil en gekerm. In één woord, de hel is het middelpunt van alle rampen, eene verzamelplaats van alle pijnen. Toen God de wereld schiep, verzamelde Hij al de wateren in één uitgestrekten vergaarbak; ziedaar de zee en toen God de hel schiep, vergaderde Hij als het ware alle mogelijke pijnen, alle denkbeeldige folteringen, in een uitgestrekten peilloozen afgrond. Ziedaar de hel 1 Doch Chr. wij zijn nog niet ten einde met de opsomming van al de gruwelen en alschuwe-lijkheden der hel. Wij hebben de verdoemden zien gepijnigd worden door eene akelige duisternis, door on-verbreekbare ketenen, door eenen brandenden dorst en smachtenden honger en eindelijk door den knagenden worm des geweten. Maar zou nu die verdoemde geen troost mogen verwachten van zijne lotgenooten , van zijne medeverdoemden ? Hij ziet rond, maar ach, welke teleurstelling ! Spottende, voegen de duivelen hem deze woorden toe: „Et tu vulneratus es sieut etnos !quot; Ziet ook gij zijt gewond evenals wij, gij zijt aan ons ge-

-ocr page 55-

lijk geworden : „nostri similis eflectus es.quot; Gij hebt naar ons weleer geluisterd, toen wij u zeiden : Geniet dat zinnelijk vermaak, voldoe die drift, verrijk u met het goed van anderen. Gij hebt naar ons geluisterd, gij hebt uw loon gehad op aarde, deel ook nu in ons lot; drink evenals wij aan den kelk van vuur en zwavel, aan den beker van Gods toorn en wraak. De verdoemde was de dienstknecht des duivels tijdens zijn leven, hij wordt nog zijn slaaf in de hel. Niet slechts van de duivelen , maar ook van de andere verworpelingen moet de verdoemde bitteren spot hooren. Daar ontmoet die ziel hare vroegere vrienden en makkers, de medeplichtigen harer uitspattingen, ongebondenheden en zonden. Die vrienden zijn nu hare beulen, die haar met bittere verwijtingen en verwen-schingen zullen overladen. Daar ontmoet een verdoemde vader zijn zoon. Ongelukkige vader, zoo zegt die zoon, gij zijt de schuld van mijn verderf, gij die door uw slecht voorbeeld mij zoo dikwijls ontsticht hebt, gij die uitsluitend voor mijne tijdelijke belangen gezorgd en mijne geestelijke belangen, die mijner ziel verwaarloosd hebt; gij zijt de bewerker van mijn rampzalig lot; ik vervloek u en zal u eeuwig vervloeken. Daar ontmoet eene dochter hare verdoemde moeder. Rampzalige moeder, zoo spreekt die dochter, ach, had-det gij mij nimmer het daglicht laten aanschouwen, gij hebt mij doen geboren worden voor de hel, gij hebt de eerste indrukken der ijdelheid in mijn hart neergelegd, gij hebt mijnen hoogmoed gestijfd, mijne behaagzucht geprikkeld, gij hebt mij tegen uw geweten in alles toegegeven ; uwe zorgeloosheid en toegevendheid zijn de schuld mijner verdoemenis. Wees vooreenwig vervloekt evenals ik! Daar zal een losbandig jongeling het slachtoffer aantreffen zijner verleiding. Rampzalige

-ocr page 56-

verleider , zal zij zeggen, wreede beul, gij hebt mij mijne onschuld, mijne kuischheid, mijne eer, mijne kroon, mijne ziel, mijnen God ontroofd ; gij zijt de schuld mijner verdoemenis, gij hebt mij vervolgd tijdens mijn leven, ik zal u vervolgen hier in de hel, met u voor eeuwig te vervloeken en te verwensohen, Gij ziet Chr. dat het lot van een verdoemde in de hel verschrikkelijk is. De H. Bernardus sidderde en beefde wanneer hij dacht aan de hel. De H. Hieronymus, gevraagd zijnde waarom hij zulke strenge boetplegingen verrichtte , gaf ten antwoord : omdat ik sidder voor de hel. Maar hoe is het dan mogelijk aan de hel te ge-looven en voort te leven ia zonde zonder de minste ongerustheid, zonder de minste poging te doen tot bekeering. Zulke menschen, zegt een Heilige, beschouw ik als groote goddeloozen of als krankzinnigen. En toch wat ik tot dusver van de hel gezegd heb, is nog slechts eene flauwe schaduw van datgene wat de hel in werkelijkheid is. Om de hel te kunnea begrijpen, zou men moeten kunnen oegrijpen wat de doodzonde is. De zonde is eene beleediging en eene beleediging is des te grooter, naar gelang den persoon dien men belee-digt,hooger in waardigheid gesteld is. Zwaar is de beleediging die men een hoog geplaatst persoon in de wereld aandoet, nog zwaarder wanneer het een koning, een priester, een bisschop, den Paus is, dien men belee-digt. Door de doodzonde nu wordt God beleedigt, die oneindig is; de doodzonde dus is van eene oneindige boosheid en verdient bijgevolg eene oneindige straf; vandaar dat de pijnen der hel zoo niet oneindig, waarvoor de mensch niet vatbaar is, ten minste uiterst zwaai\', onbegrijpelijk hevig moeten zijn. De gedachte aan de hel zooals gij ziet, geeft overvloedige stof tot nadenken; vooral zij wier geweten met doodzonden

-ocr page 57-

besmeurd is, mogen gerust tot zich zeiven zeggen : indien ik kom te sterven in den toestand waarin ik mij op het oogenblik bevind, dan wachten mij al die opgesomde pijnen en tormenten. Ja, ongelukkige zondaar en nog veel meer. Alle die opgesomde pijnen en folteringen der hel, worden nog verscherpt en verhoogd door een onuitblusohbaar eeuwig vuur. Ja, in de hel is vuur en wel een waarachtig, werkelijk vuur. Ik weet wel daar worden er gevonden, die het vuur der hel in eene zinnebeeldige beteekenis verstaan willen; maar de woorden van den Zaligmaker: „gaat weg van mij vervloekten in het eeuwig vuur,quot; zijn al te duidelijk om niet een waarachtig, een werkelijk vuur in de hel aan te nemen. En hoedanig is dat vuur. Is het gelijk aan het vuur dat men hier op aarde aantreft ? O neen, het is duizendmaal pijnlijker en heviger. Ons vuur op aarde is een weldadig vuur, het is een geschenk van Gods goedheid en liefde, het dient om ons te verlichten en te verwarmen, om onze spijzen te bereiden .... Maar het vuur der hel is geschapen door God, enkel en alleen om de verdoemden te pijnigen. Ons vuur, zegt de H. Augustinus, is in vergelijking met dat der hel, als een vuur dat op papier is afgebeeld, in vergelijking met een werkelijk vuur. En toch ons vuur hier op aarde is reeds zoo verschrikkelijk en pijnlijk. quot;Wie heeft den moed zijnen vinger, slechts een oogenblik in de vlam eener kaars te houden , zonder de hevigste en ondragelijkste pij • nen te gevoelen ? Hoe pijnlijk moet dan niet wezen het vuur der hel! In dien vreeselijken vuuroven zullen de verdoemden neergeploft worden met ziel en lichaam. Evenals een visch van alle zijden door het water en de vogel door dampkringslucht omringd wordt, zoo worden de verdoemden van alle zijden

-ocr page 58-

omringd door het vuur; wat meer is, dat vuur dringt hun lichaam binnen tot in merg en been, tot in het diepst van hun wezen het treft eindelijk de ziel en hare vermogens: het verstand, waarin weleer het vuur der onkuisehheid brandde; het hart dat weleer verzengd werd door het vuur der driften en hartstochten, zal geblakerd en verbrand worden door een ander vuur, het vuur van Gods gerechtigheid en wraak. Het vuur der hel is, gelijk ik gezegd heb, een werkelijk vuur. Het ia op de tweede plaats nog een wonderdadig vuur. Het brandt zonder dat men het behoeft te voeden, het behoudt altijd ziine oorspronkelijke kracht en hevigheid en eindelijk het brandt zonder te verteren. Chr. verbeeldt u een onboetvaardig zondaar te zien sterven. Zijn ontzield lichaam ligt nog op het sterfbeden zijne ziel heeft reeds haar vonnis moeten hooren: Weg van mij, vervloekte ziel, in het eeuwig vuur. En nauwelijks is haar vonnis gestreken, ot reeds ligt zij neergeploft in den vreeselijken vuurpoel der hel. Alles wat haar omringt is vuur; vuur is de vloer waarop zij staat, vuur is het gewelf waaronder zij zich bevindt, vuur zijn de muren die haar insluiten, vuur is de deur die zich achter haar gesloten heeft en die nimmer meer geopend zal worden. Al wat zij ziet en voelt, wat zij inademt en smaakt is vuur en zwavel. Daar, in daï ijselijk vuur, zwemt de verdoemde ziel als een viscb in het water en evenals een arme schipbreukeling door de baren der zee, zoo wordt die ziel been en weer geslingerd door golven van vuur en vlammen; daar kermt en zucht zij van den morgen tot den avond en van den avond tot den morgen : „Crucior in hac flammaquot; Ach, hoe hevig pijnigen mij die vlammen, foltert mij dat vuur 1 En te midden

-ocr page 59-

van dat akelig gekerm en gehuil is er niemand die zich over die ziel ontfermt; integendeel de duivelen zijn er op uit om het lijden dier ziel nog te vermeerderen en te verscherpen. Hoeveel vuur, zegt de duivel, moet ik leggen op die zondige ooren, op die wellustige oogen, op die heiligschennende tong, op dat ijdel hoofd, op die zinnelijke handen, op dat onkuisoh geweten, op dat bedorven hart ? „Quantum in delioiis fuit, tantum date ei tormentum et luctum.quot; (Apoc. 18. 7.) Naarmate die ziel zich meer gebaad heeft in wellust en zonde, in die mate, zegt God, zult gij haar pijnigen en martelen. Ware de hel zooals ik haar kom te beschrijven, zeker zij zou reeds in staat zijn ons te doen huiveren en van schrik te verstijven, maar toch zij ware nog dragelijk en uitstaanbaar; maar daar is ééne omstandigheid, die gevoegd bij alle beschreven pijnen en folteringen, op de hel het kenmerk stelt van Gods oneindige gestrengheid en wraak. Namelijk, op de deur der hel staat in vurige letters een woord geschreven van drie lettergrepen ; daar staat te lezen het woord: „eeuwigheid.quot; Tot nu toe was de hel hoe verschrikkelijk ook, nog dragelijk ; zij liet immers nog bestaan de hoop; maar die wordt nu door het woord eeuwigheid uitgewischt. O Chr. hoe huiveringwekkend, hoe schrikkelijk is de gedachte aan die rampzalige eeuwigheid. Immer lijden, nimmer rust, noch verzachting. Immer en nimmer, ziedaar de twee sleutelen, de twee grendelen der eeuwigdurende hel. Verbeeldt u Chr. een ontzaggelijk groot uurwerk, waarvan de wijzer noch vóór- noch achteruit gaat, maar altijd hetzelfde uur aanwijst. Zulk een denkbeeldig uurwerk bevindt zich in de hel. Op die klok werpen de verdoemden herhaaldelijk hunne blikken en vragen zich af, hoe laat het mag zijn ? En altijd

4

-ocr page 60-

geeft de wijzer het uur aan der eeuwigheid, \'t Is ongeveer 19 eeuwen geleden dat de rampzalige Judas in de hel werd gestort. En die 19 eeuwen, vergeleken bij de eeuwigheid , zijn minder dan een druppel water vergeleken bij den onmetelijken oceaan. Voor Judas is het, alsof de hel heden eerst begon. Wanneer God tot Judas of tot een anderen verdoemde zeide : alle 1000 jaren moogt gij een traan storten tot boeting uwer zonden en wanneer dat aantal tranen dermate aangewassen zal zijn, dat zij in staat zijn de gansohe aarde te overstroomen, dan zal ik mij over u ontfermen en u uit de hel verlossen. Die onderstelling echter zal nimmer verwezenlijkt worden; want God heeft verklaard bij monde van den profeet Isaias, dat Hij zich over de verdoemden in eeuwigheid niet ontfermen zal. O God, hoe is het mogelijk dat er menschen gevonden worden die aan de eeuwigheid gelooven, menschen die overtuigd zijn van de verschrikkelijkheid der hellepijnen en die desniettegenstaande in zonde blijven voortleven ! Maar weet gij dan niet ongelukkigen, dat uw vonnis reeds geveld is en dat er niets anders noodig is dan de dood om het te voltrekken! De dood nu kan u ieder eogenblik treffen, de mensch is geen oogenblik zeker van zijn leven. Ten bewijze daarvan die plotselijke sterfgevallen, waarvan wij dagelijks getuigen zijn. O Chr. wilt u niet bedriegen, God is lankmoedig en geduldig; niettemin doet Hij nu en dan op eene tastbare wijze zijne gestrengheid en wraak doorstralen; als namelijk de maat der zonden vol is. Maar wat doe ik o mijn God; mijne toehoorders tot wanhoop en vertwijfeling stemmen ? Neen, Chr. dat zij verre van mij. Ik heb u dezen avond in den geest in de hel willen leiden, ik heb u die schrikkelijke pijnen en folterin-

-ocr page 61-

gen der hel willen afschilderen, ik heb u dat rampzalig lot der verdoemden willen voorstellen, met geen ander doel, dan om u van den weg der zonde en bijgevolg van dien der hel af te voeren. God noodigt u dezen avond door mijnen mond uit tot boetvaardigheid en bekeering. Ja, Hij zal zich gelukkig achten u den kus van vrede en vergeving op de lippen te mogen drukken, Maria, de toevlucht der zondaars, staat gereed u hare diensten te bewijzen; gij van uwen kant hebt niets anders te doen, dan door een vurig gebed uw hart tot berouw en leedwezen te stommen en in oprechtheid den biechtvader uwe zonden te belijden ; zoodoende zal het vonnis der vervloeking, dat gij door uwe zonden verdiend hebt worden weggenomen, de deur des hemels zal u geopend worden en bijaldien gij volhard zult hebben tot het einde, zal u in den hemel het loon worden toegevoegd, dat God voor den boetvaardigen zondaar heeft weggelegd. Amen.

-ocr page 62-

Rampzalige Eeuwigheid.

Inleiding l) Gedachte aan de eeuwigheid heilzaam.

2) Verdeeling der preek.

3) Aanroeping van Maria.

Betoog. I) Eeuwigheid is zeker.

1) Bewijzen uit het Geloof:

A.) Schrift. B.) Overlevering.

2) Bewijzen uit de rede :

A.) Uit de natuur van God,

B.) „ „ der zonde,

C) den toestand der verdoemden,

D) het getuigenis „ heidenen.

II Eeuwigheid is onveranderlijk.

1) Bewijzen :

A.) Overlevering. B) Schrift.

2) Gestrengheid dier eigenschap :

A.) Verdoemden lijden immer dezelfde pijnen, B) Weten dat zij „ lijden zullen.

III Eeuwigheid zonder einde.

1) Bewijzen :

A.) Verdoemden kunnen niet sterven,

B) „ de hel niet verlaten,

C) Hunne pijnen zijn zonder einde.

2) Denkbeeld van den duur der eeuwigheid.

Ibunt hi in supplicium aeternum Deze zullen gaan in de eeuwige straffen. (Matth. 25. 40.)

-ocr page 63-

— 53 _

Onder alle waarheden van ons H. G-eloof, is er geene zoo schrikkelijk ter overweging, maar ook geene zoo heilzaam voor onze ziel, dan de gedachte aan de eeuwigheid en vooral aan de rampzalige eeuwigheid. De H. Augustinus noemt haar ; de groote gedachte : „magna cogitatio.quot; Die gedachte heeft eene menigte zondaren tot bekeering gebracht. P. Avila bracht eene dame zeer wereldsgezind en ijdeltot God terug, door haar deze twee woorden te doen overwegen: „Immer, nimmer.quot; \'t Is diezelfde gedachte aan de eeuwigheid, die zooveel Heiligen heeft voortgebracht. Ferdinand III koning van Castilie leefde te midden van het zingenot van het hof en van de verstrooiingen der wereld en leidde niettemin een deugdzaam en voorbeeldig leven. En waaraan had hij dat te danken ? Hij had met gouden letteren op de muren van zijn woonvertrek deze woorden doen plaatsen ; „Annos aeternos in mente ha-bui.quot; Ik heb steeds voor den geest de jaren der eeuwigheid. Gezeten op zijn troon, meende hij eene stem te hooren, die hem toeriep : Ferdinand, denk aan de eeuwigheid. Te midden zijner krijgsbedrijven en oorlogen, meende hij diezelfde stem te hooren : Ferdinand denk aan de eeuwigheid. Te midden zijner uitspanningen en feestmalen, overal en altijd hoorde hij eene stem die hem toeriep : Denk aan de eeuwigheid. Voortdurend dacht hij dan ook aan de eeuwigheid, „annos aeternos in mente habui,quot; — en dank aan die gedachte leefde en stierf hij als een Heilige. O mocht ik altijd bij u wezen, ik zou u immer toeroepen ; Denkt aan de eeuwigheid en ik zou zeker zijn van uwe eeuwige zaligheid. Doch daar dit onmogelijk is, ga ik trachten ten minste gedurende deze preek, de groote gedachte aan de eeuwigheid en wel die der rampzalige eeuwig heid diep in uwen geest te prenten. Ik ga u aantoonen dat er eene eeuwigheidbestaat, die

-ocr page 64-

— 54 —

I. zeker,

II. onveranderlijk,

III. eindeloos is. O Maria ....

I. Zeker. Het is een leerstuk van ons Geloof, dat er eene rampzalige eeuwigheid bestaat; immers de 4e Kerkvergadering van Lateranen zegt uitdrukkelijk, dat de verdoemden te zamen met de duivelen eeuwig gestraft zullen worden ■ „Recipient cum diabolo poe-nam perpetuam.quot; Dit schrikwekkend leerstuk is gegrond op het woord zelf van God, die niet bedriegen kan, noch bedrogen kan worden. De H. Schrift bevestigt op tal van plaatsen het bestaan der rampzalige eeuwigheid. Gij hebt mijne tekstwoorden gehoord: de verdoemden, zoo zegt J. C- zullen gaan in het eeuwig vuur. (Matth. 25. 46.) Zij zullen daartoe veroordeeld worden door dit schrikkelijk vonnis : „Gaat weg van mij vervloekten, in het eeuwig vuur.quot; De Zaligmaker zegt op eene andere plaats, dat de verdoemden zullen branden als stroo in het vuur, dat nimmer uitgedoofd zal worden. (Luc. 3.17.) Hij zegt nog dat de knagende worm des gewetens, die de verdoemden pijnigt, niet zal sterven en dat het vuur dat hen verslindt, niet uitgedoofd zal worden, (Mare. 9. 43, 45, 47.) De Zaligmaker herhaalt tot driemaal toe deze woorden in één hoofdstuk van het Evangelie van den H. Marcus. De apostelen drukken zich uit evenals hun goddelijke Meester: „de verdoemden, zoo zegt de H. Paulus, zullen gestraft worden met een eeuwigen dood.quot; (II. Thess. 1. 9.) Wij lezen in het Boek der Openbaringen van den H. Joannes, dat de verdoemden gefolterd zullen worden dag en nacht, in alle eeuwen der eeuwen. (Apoc. 20. 10.) De rook van het vuur waarin zij gepijnigd worden, zal uit de hel opstijgen in alle eeuwigheid. (Ibid. 14. 11.) De leeraars der Kerk zijn

-ocr page 65-

het allen eens over het bestaan der rampzalige eeuwigheid en zij drukken zich zoo duidelijk uit, dat de goddeloozen niet meer dan één enkelen tekst kunnen opwerpen van den H. Hieronymus, die op zich zelf genomen in hun voordeel is ; maar waarin die groote Kerkleeraar, zooals blijkt uit den samenhang, niet van de hel, maar van het vagevuur spreekt. Overigens op tal van plaatsen leert de H. Hieronymus de eeuwige straffen der hel. De hel is dus eeuwig, het Geloof leert het ons; J. C. en de Kerk verplichten ons dit te gelooven en wij kunnen er niet aan twijfelen zonder in ketterij te vallen. Maar ook nog de rede zegt ons dat er eene rampzalige eeuwigheid bestaat. Om ons daarvan te overtuigen, behoeven wij eenvoudig maar na te gaan de natuur van God, den aard der zonde en den toestand der verdoemden.

De hel is eeuwig, wanneer men haar beschouwt met betrekking tot God. God toch is oneindig in al zijne volmaaktheden. Dus even goed als Hij oneindig is in barmhartigheid, is Hij ook oneindig in rechtvaardigheid. Indien Hij, zegt Tertulianus, de rechtvaardigen beloont met eene eeuwigdurende vreugde, moet Hij ook de verdoemden kastijden met eene eeuwigdurende straf. Zeggen, dat de eeuwige duur der hel strijdig is met Gods goedheid, is onrecht doen aan zijne andere volmaaktheden. Dat is loochenen zijne waarachtigheid, dat is God beschuldigen van leugen en bedrog, dewijl Hij in de H. Schrift op zoo menige plaats getuigt, dat de straffen der verdoemden eeuwig zijn. Dat is loochenen zijne wijsheid. Eene eindige straf toch is onvoldoende ter bekrachtiging van de wet Gods. Ware de hel niet eeuwig, dan zouden de men-schen haar niet meer vreezen dan het vagevuur en nog

-ocr page 66-

— 56 —

veel meer dan nu, aan alle buitensporigheden zich overgeven. Verder, waren de straffen die onze zonden verdiend hebben niet eeuwig, waartoe was bet dan noodig, dat God zijnen eenigen zoon overleverde aan den dood om ze uit te wisschen ? Waarom moest Jesus dan mensoh worden, lijden en sterven ? Dan bestond er geen verhouding tusschen de waarde van het offer en de verkregen genade. Ware het bloed van J. C. wel noodig geweest om een vuur te blusschen, dat mettertijd van zelf zou uitgedoofd zijn. Indien de zonde, zegt de H. Bernardus, ons niet een eeuwigen dood verdiend had, zou nimmer de Zoon Gods gestorven zijn om onze zonden uit te wisschen. De eeuwigheid der hel loochenen, is loochenen de rechtvaardigheid Gods; is zeggen dat God eens in den hemel zal opnemen de goddeloozen, die Hem hun gansch leven beleedigd en gevloekt hebben; is zeggen dat de vervolgers der Kerk, eenmaal tezamen met de H. martelaren die zij gedood hebben, in den hemel zullen heer-schen. In één woord, de eeuwigheid der hel loochenen, is God zelf loochenen ; want God is oneindig volmaakt, waarachtig, wijs, rechtvaardig ; of Hij is het niet. En zegt niet dat de eeuwige dunr der hel onvereenigbaar is met de oneindige goedheid Gods ; want God is het niet die den zondaar verdoemt, maar de zondaar verdoemt

zich zeiven : „Nolo mortem..... Perditio tua Israël.quot;

(Osee. 13. 9.) Verder, de natuur der doodzonde eischt dat de hel eeuwig zij. De doodzonde, zegt de H. Thomas, is van eene oneindige boosheid en vordert dus eene oneindige straf; oneindig in gestrengheid of oneindig in duur. De zondaar nu uit zijne natuur ia eindig, riet in staat om eene straf te verduren, oneindig in gestrengheid; bij moet dus eene straf ondergaan eindeloos in duur, eene eeuwige straf. Men hoort

-ocr page 67-

— 57 -

wel eens zeggen: Hoe ? zou God, die oneindig rechtvaardig is , de zonde die maar een oogenblik duurt, meteene eeuwige straf beboeten ? Waarom niet f Moet de zwaarte der zonde dan berekend worden naar den tijd dien men besteedt om haar te bedrijven ? Immers neen; maar naar de boosheid die zij in zich besluit. Hoeveel tijd is er noodig om iemand te vermoorden? Een oogenblik. En toch past de burgerlijke wet de zwaarste straf toe op moord. Waarom ? Omdat moord eene uiterste boosheid in zich besluit. Elke doodzonde nu besluit in zich eene oneindige boosheid en wel onder een drievoudig opzicht. Vooreerst met betrekking tot de Groddelijke Majesteit die zij beleedigt. Inderdaad, de grootte eener beleediging hangt af van de waardigheid van den persoon die beleedigd wordt. De beleediging een koning aangedaan, is veel grooter dan die, welke een onderdaan ontvangt. Dus ook de beleediging God aangedaan, is oneindig veel grooter dan die van den mach-tigsten koning. Want God is de Koning der koningen. Hij is oneindig in majesteit; vandaar dat de zonde tegen Hem bedreven, eene beleediging van eene oneindige boosheid is. Zij is het nog, wanneer men in aanmerking neemt de nietigheid ^an den zondaar; want de grootte eener beleediging hangt ook af van de nietigheid van hem die haar aandoet. Nu, wat is de mensch in vergelijking met God ? En toch die nietige aardworm heeft de stoutheid zijn Schepper, weldoener en vader te beleedigen. De mensch in vergelijking met God is oneindig nietig; de beleediging bijgevolg die hij God aandoet, is van eene oneindige boosheid. Zij is eindelijk van eene oneindige boosheid, indien men haar beschouwt in haar zelve ; want de grootte eener beleediging hangt nog at van de verachting waarmede men den beleedigden persoon behandelt. De zonde

-ocr page 68-

— 58 —

nu besluit in zich eene eindelooze verachting der Goddelijke Majesteit. Het is eene handeling van den wil, waardoor de menach zich geheel van God scheidt, om zich tot de schepselen te keeren. Est aversio a Deo et conversio ad creaturam. (S. Thom.) De zonde stelt alzoo het nietig schepsel boven den oneindigen Schepper. De doodzonde daarenboven veracht, treedt met voeten het bloed van J. C., dat eene oneindige waarde heeft. Waarom zou God dus niet eene eeuwige straf toepassen op eene beleediging die oneindig is in haar zelve! De rede geeft ons nog een derde bewijs voor de eeuwigheid der hel, genomen uit den toestand der verdoemden. Gij moet wel weten Gel. dat de verdoemden in de hel verhard zijn in het kwaad, dat zij niet in staat zijn berouw te toonen, dat zij onophoudelijk het verlangen hebben om te zondigen, zooals de H. Hieronymus zegt; zoodat hunne zonden ook altijddurend zijn en God in weerwil zijner eindelooze barmhartigheid, zich ter wille zijner heilig- en rechtvaardigheid gedwongen ziet, hen immer, hen eeuwig te straffen. De toorn Gods, zegt Tertulianus, rust eeuwig op hen, die eeuwig zondigen. Hier op aarde vindt de zondaar altijd gelegenheid tot bekeering, zoo hij wil. God houdt altijd den schoot zijner barmhartigheid open; J. C. noodigt altijd den zondaar uit tot inkeer. Maar in de hel is het anders. De verdoemden willen en kunnen zich niet meer bekeeren ; in de hel bestaat geen boetvaardigheid, geen genade, geen vergiffenis, geen barmhartigheid, geen verlossing meer: „In inferno nulla est redemptio.quot; Ja, de eeuwigheid der helsche pijnen is zoo overeenstemmend met de rede, dat de heidenen zelfs in hunne fabelen haar erkennen. Hoe is het dan mogelijk dat er christenen gevonden worden die daaraan twijfelen

-ocr page 69-

— 59 —

zij die er de zekerheid van hebben niet slechts door de rede, maar door het Geloof. De eeuwigheid der hel is dus zeker; — maar zij is daarenboven nog onveranderlijk, dat gaan wij zien in ons tweede punt.

II. De eeuwigheid is onveranderlijk. Men kan haar noemen met den H. Augustinus: een toestand die altijd dezelfde is ; „in se, sine fine est.quot; In de eeuwigheid, zegt die H. Kerkleeraar, vindt men niets dan onveranderlijkheid, in den tijd daarentegen niets dan afwisseling en verandering. Het vonnis tegen de verdoemden uitgesproken, blijft altijd hetzelfde. Het woord van God, zegt de H. Groest, blijft in eeuwigheid: „Verbum Domini manet in aeternum.quot; Dat vonnis staat geschreven op de zuilen der hel, zegt de H. Joannes Chrysostomus en het zal nimmer herroepen worden. In de eeuwigheid kent men niet de minste verandering, zegt de H. Cyprianus, omdat de wil der verdoemden altijd dezelfde blijft. Omdat hun wil verhard is in het kwaad, is het ook billijk dat zij bevestigd, verhard zijn in de straf. Bijgevolg de duisternis die hen omringt is altijd dezelfde, het vuur dat hen verslindt altijd hetzelfde, hot gehuil en gejammer, het knarsen der tanden altijd hetzelfde, hun honger en dorst, hun lijden altijd hetzelfde, de knagende worm des gewetens, de wanhoop die hen verscheurt, de berooving van God, de vloek van God waaronder zij gebukt gaan, zijn altijd hetzelfde.Alle uitdrukkingen waarvan do H. Schrift zich bedient, sprekende van de hel en van de pijnen der verdoemden, duiden een onveranderlijken, een standvastigen toestand aan. De hel wordt genoemd ; Een huis, eene woning; „infernus, domus mea est.quot; (Job. 17. 13.) Wie uwer, vraagt de profeet Isaias, kan wonen in een verslindend vuur, in de eeuwige vlammen ? (33. 14.)

-ocr page 70-

_ 60 -

De hel wordt genoemd een kerker, waar de verdoemden aan ketenen liggen, onbewegelijk in hunne tormenten. (II, Pet. 2. 4.) De hel wordt genoemd een graf, waarin de boozen levend begraven liggen ; de rijke vrek, zegt de H. Schrift, stierf en werd begraven in de hel. (Luc. 16. 22.) Zij wordt geheeten eene pers, waaronder de verdoemden als verpletterd liggen gelijk druiven, onder den druk van Gods toorn. (Apoc. 19. 15.) De straffen der hel worden vergeleken bij een rad dat altijd om zich zelf draait, dat altijd in beweging is zonder ooit van plaats te veranderen. Ook de verdoemden lijden altijd zonder verandering te zien in hun toestand. De hel wordt nog genoemd door de H. Schrift, een poel van vuur en zwavel; (Apoc. 20. 9) het groot meer van Gods toorn. Wat beteekent die vreeselijke vergelijking\'? Zij beteekent, dat de straffen die God op aarde overzendt aan de zondaren, voorbij snellen evenals het water der rivieren, maar dat de folteringen der verdoemden onbewegelijk zijn evenals het water der meren. Helaas, een verdoemde brandt in dien poel van vuur en hij zal daar blijven branden zonder de minste tusschenpoozing. Duizend maal zal de zon op-en ondergaan, duizendmaal zal de maan van gestalte veranderen en nog zal de verdoemde branden in de hel. Duizenden malen zullen de jaargetijden elkander afwisselen en zal de aarde haar kleed veranderen. Honderden malen zullen nieuwe vorstenhuizen verrijzen en te niet gaan, de aarde zal tal van geslachten in haren schoot verbergen, de levenden zullen in de plaats treden der dooden en al die veranderingen zullen zich herhalen tot aan het einde der wereld; maar in den toestand der verdoemden zal nog geen verandering gekomen zijn. Hemel en aarde zullen voorbijgaan, maar de pijnen der ver-

-ocr page 71-

doemden zullen dezelfde blijven. De H. Schrift vergelijkt nog de verdoemden in de hel met een steen, die op den bodem der zee wordt neergeploft. De H. Joannes zegt in het Boek der Openbaringen, dat hij een engel zag, die een steen, groot als een molensteen in de hoogte hief en dien in zee wierp, uitroepende : „aldus ook zal het groote Babijlon in den afgrond worden neergeploft en men zal het niet meer terug vinden.\'\' (Apoo. 18. 21,) Ja, mijne Gel. de verdoemden zullen onbewegelijk wezen in den afgrond der hel evenals die steen op den bodem der zee : „fiant im-mobiles quasi lapis.quot; (Exod. 15, 16.) Evenals Pharao en zijn leger, zullen de verdoemden als eene massa lood in de hel worden neergestort: „Submersi sunt quasi plumbum in aquis vehementibus.quot; (ibid. 10.) De H. Geest vergelijkt nog den mensch op het oogenblik van zijnen dood meteen boom, die door den houthakker wordt omgehouwen en die rechts of links valt, maar liggen blijft zooals hij valt: „si ceciderit lignum ad austrum aut ad aquilonem, in quocumque loco ceciderit ibi erit.quot; (Eccli. 11. 17) Helaas, mijne Gel. zoo iemand van ons op het oogenblik van zijnen dood, aan do linkerzijde valt van zijnen rechter, indien hij tot de hel veroordeeld wordt, zal hij daar immer blijven. Het tooneel dezer wereld zal veranderen, de geslachten zullen elkander verdringen en de verdoemde zal altijd in de hel blijven, onder het gewicht van den vloek Gods. Hebt gij ooit ernstig nagedacht, wat die onveranderlijke toestand der verdoemden in de hel in zicli verschrikkelijks heeft ? In dit leven zoo kort, zou de geringste pijn ondragelijk worden, zoo zij immer aanhield. Zoo gij dag en nacht den steek eener speld, of de aanwezigheid van een zandkorrel in uw oog moest verduren, welke foltering zou dat niet

-ocr page 72-

— 62 -

wezen 1 Wat zal het dan niet wezen voor een verdoemde, de ongehoordste folteringen in de hel te moeten verduren en dat niut gedurende het zoo korte tijdstip van \'s mensohen leven, maar gedurende de gansche eeuwigheid. Wat meer is, de vermaken zelfs die gij zoo hartstochtelijk najaagt, indien zij het gansche leven aanhielden,zouden ten laatste tot verveling, tot walging overgaan, \'t Is zeker aantrekkelijk te eten en te drinken, te slapen, te praten, te wandelen .... Maar als gij immer moest wandelen, immer spreken, altijd eten en drinken, dan zouden die zaken ten laatste u doodelijk vervelen. Dit is eene gedachte van den H. Augustinus. Inderdaad, er is niets vervelender, niets doodender dan de eentoonigheid. Indien nu de vermaken en genoegens, indien de rust zelve op den duur ondragelijk wordt, wat moet het dan wezen in de hel, waar men omringd is, niet van genoegens en vermaken, maar van de ijselijkste folteringen ; niet gedurende eenige uren of jaren, maar gedurende de gansche eeuwigheid, zonder zelfs den troost te smaken, zijne pijnen met anderen te kunnen verwisselen. Men leest in het leven der H. Lidwina, dat zij door die gedachte een goddelooze bekeerde, die met God en hel spotte. Zoo gij den moed hebt, aldus sprak zij tot hem, om gedurende éénen nacht slechts, onbewegelijk te blijven liggen in een veerenbed, omringd van bloemen en kostbare reukwerken, dar. beloof ik u, dat ik u voortaan door mijne verwijtingen niet meer lastig zal vallen. De jongeling nam lachende dat zonderling voorstel aan en beproefde het uit te voeren. Na verloop van 3 of 4 uren gevoelde hij zich reeds zoo vermoeid en onwel, alsof hij op de pijnbank gelegen had. Hij deed zich niettemin nog een uur lang geweld aan. Ten laatste echter werd de onbe-

-ocr page 73-

— 63 —

wegelijkheid, waartoe hij zich gedwongen had zoo ondragelijk, dat hij den moed verloor en zich gewonnen gaf. Nu kwam hij tot inkeer en zeide: Rampzalige die ik ben, indien ik blijf leven zooals ik tot nu toe geleefd heb, dan ga ik naar de hel. Daar zal ik onbewegelijk neerliggen op een bed van vuur, niet èén nacht maar de gansche eeuwigheid. Die gedachte trof hem, hij ging biechten en bekeerde zich. Ach arme zondaars, die ik hier onder mijn gehoor heb, neemt ook gij eens dezelfde pioef. Beproeft eens dezen avond, of gij in staat zijt een nacht lang onbewegelijk, in een gemakkelijken leuningstoel door te brengen. Neen, niemand uwer doorstaat die proef. Welnu, zoo gij niet van leven verandert, staat u nog geheel iets anders te wachten. Gij stelt u bloot voor eeuwig verloren te gaan. Als gij in den vuuroven der hel wordt neergeploft, zult gij daar blijven, als vastgenageld aan gloeiende kolen, zonder de minste verzachting. Wat de verdoemden in de hel nog het meest pijnigt is, dat zij weten dat zij immer dezelfde folteringen zullen lijden. Zij kunnen niet zeggen : wie weet of er eens in mijn toestand geen verandering zal komen! Neen, voor hen bestaat niet meer de minste hoop op verzachting. Zij verduren dus niet slechts hunne pijn van elk oogenblik, maar zij verduren elk oogenblik de pijn der eeuwigheid ; omdat zij gedwongen zijn te bekennen: al wat wij nu lijden, zullen wij lijden in eeuwigheid. Zij dragen elk oogenblik, zegt ïertulianus , het gansche gewicht der eeuwigheid. „Pondus aeternitatis sustinent.quot; Ten einde beter die gedachte te begrijpen, kan men de rampzalige eeuwigheid vergelijken met een grooten metalen bol, die op een effen vlak ligt. Die bol raakt dat vlak slechts even aan en toch rust hij daarop

-ocr page 74-

— 64 —

met geheel zijn gewicht. Zoo is het ook met de rampzalige eeuwigheid; zij raakt den verdoemde slechts met het tegenwoordig oogenblik aan en tegelijkertijd weegt zij geheel en al op hem en doet hem tevens al het gewicht zijner tegenwoordige en toekomende pijnen gevoelen. En hoe dat ? Omdat de verdoemde de zekerheid heeft, dat zijn lijden eeuwig zal duren. Hij ziet, de rampzalige, dat zijn doemvonnis eeuwig is en hij ziet dat hij in eeuwigheid duisternis, ontbering, honger en dorst, knaging, woede, wanhoop zal verduren ; hij vereenigt voortdurend in zijnen geest het tegenwoordige met de toekomst en lijdt zoo ieder oogenblik eene eeuwigheid van alle denkbare folteringen. De rampzalige eeuwigheid is dus niet slechts zeker, maar nog onveranderlijk, bestendig dezelfde en eindelijk is zij ;

UI. Zonder einde. De pijnen der hel zouden kunnen eindigen, hetzij door den dood der verdoemden, hetzij door het verlaten der hel, hetzij door staking van hun lijden. Doch geene dezer onderstellingen zal verwezenlijkt worden. Hun lijden is dus eeuwig en zonder einde.

Ik zeg vooreerst dat de verdoemden niet kunnen sterven, omdat God hen onsterfelijk geschapen heeft: „Deus creavit hominem inexterminabilem.quot; (Sap. 2. 23.) Men moet in den mensch een tweevoudig leven onderscheiden : het natuurlijk en het bovennatuurlijk leven, hetgeen bestaat in de vereeniging met God. De verdoemden die voor altijd gescheiden, beroofd en gevloekt zijn van God, hebben voor altijd het bovennatuurlijk leven verloren; zij ondergaan eenen eeuwigen dood. Maar dewijl zij altijd voortbestaan uit kracht van hun natuurlijk leven ; moet men zeggen dat zij eenen eeuwigen dood leven, dat zij ieder

-ocr page 75-

oogenblik wegsterven , zonder ooit op te houden te leven. De ongelukkigen, zegt de H. Augustinus, blijven in den eeuwigen dood, zonder ooit te kunnen sterven. Welke foltering ! quot;Wat de zondaren op aarde het meest vreezen is de natuurlijke dood; in de hel daarentegen wenschen zij niets vuriger dan te mogen sterven, om aldus een einde gemaakt te zien aan hunnen bovennatuurlijken, eeuwigen dood. Zij zoeken den dood, zegt de H. Joannes en vinden dien niet, zij verlangen te sterven en de dood vlucht verre van hen: „Et in diebus illis quaerent homines mortem et non invenient, desiderabunt mori et fugiet mors ab eis.quot; (Apoc. 9. 6.) Arme verdoemden, zij leven voortdurend in doodsangst, maar de dood zelf kan hen niet treffen. De eerste dood, zegt de H. Augustinus, ontrukt om zoo te zeggen de ziel aan het lichaam des zondaars, die niet sterven wil; de tweede, de eeuwige dood houdt terug in het lichaam de ziel, die wenschte te sterven. Prima mors animam nolentem pellit de corpore, seeunda mors no-lentem tenet in corpore. David zegt, dat de dood zal grazen als het ware op de verdoemden : „Mors depas-cet eos.quot; CPs. 48) De kardinaal Hugo dezen tekst verklarende zegt, dat het schaap al grazende het gras afknaagt en den wortel laat steken. Het gras daardoor sterft niet, maar wast aanhoudend weer aan. Evenzoo doet de dood, hij knaagt en pijnigt aanhoudend de verdoemden; maar hij laat hun het leven, den wortel als het ware hunner pijnen. De foltering der verdoemden is nog zonder einde, omdat het hun nimmer mogelijk zal zijn de hel te verlaten. Wie eenmaal de hel intreedt, zal haar in eeuwigheid niet meer verlaten. Men kan ter helle nederdalen, zegt Eusebius, maar er uit opstijgen niet: descensus erit, ascensus non erit. Bij die gedachte riep David uit; O mijn God maak

-ocr page 76-

toch dat de eeuwige afgrond mij niet inzwelge en dat de opening van den helsohen put zich niet over mij sluite, quot;Wee! de onboetvaardige zondaars , roept de H. Caesarius van Arles uit, zij treden de eeuwigheid binnen zonder haar gekend te hebben, maar wat nog veel verschrikkelijker is, zij treden de eeuwigheid binnen en zullen haar nooit meer verlaten. De poort der hel ontsluit zich voor hem die haar binnentreedt, maar nauwelijks is hij binnen, of zij sluit zich voor eeuwig achter hem en God zelf bewaart de sleutels er van. „Habeo claves mortis et inferni.quot; (Apoc. 1.15.) Ja, de verdoemden zijn opgesloten in c\'e hel als in een somberen kerker, of liever als in een graf, waaruit zij nimmer zullen opstaan. Ik weet niet Gel. of gij ooit hebt nagedacht over het vreeselijk lot van iemand die levend begraven wordt. Zeno, keizer van Constantinopcl, ondervond dit. Hij viel op zekeren dag in een diepen en langdurigen doodslaap. Men meende dat hij dood was en hij werd begraven. Zoodra hij uit zijn doodslaap ontwaakte, zag hij zich door duisternissen omringd. Hij strekt zijne handen uit en raakt niets anders dan den kouden grafsteen. Helaas, zoo meen ik hem te hooren roepen, ben ik wakker of slaap ik nog? Is dit een droom of eene werkelijkheid ? Neen, er valt niet meer aan te twijfelen, ik ben levend begraven. Waar is mijn paleis? Waar Constantinopel? Waar mijne lijfwacht ? Wie heeft mij het licht, het keizerrijk ontnomen ? Soldaten, bedienden, vrienden komt mij te hulp; \'t is uw keizer, uw meester die u roept. Niemand antwoordt hem. Hij zucht, hij weent, hij kermt, hij huilt, hij verscheurt zijn lichaam met zijne tanden, tij bonst zijn hoofd tegen den grafsteen. Te hulp, te hulp, zoo roept hij uit! Redt mij toch uit dat graf! Hij werd niet gehoord. Eenigen tijd later moest men het

-ocr page 77-

- 67 —

graf openen en men vond het lijk van den ongeluk-kigen keizer in een versohrikkelijken toestand; hij was van honger en wanhoop gestorven, nadat hij het vleesch van zijne armen had afgeknaagd. Dat voorbeeld uit de geschiedenis doet u huiveren, mijne Gel. En toch het beklagenswaardig lot van keizer Zeno, is nog niets in vergelijking met dat wat een verdoemde ondervindt, die in de hel valt. Hij verlaat de wereld, waar hij te midden der genietingen leefde, hij valt van een zacht bed in de folteringen, in het vuur, in de duisternis der hel, waarin hij levend begraven wordt: „Sepultus est in inferno.quot; Ontsteld en verschrikt van zich zoo op eenmaal verplaatst te zien in de rampzalige eeuwigheid, die hij niet kende en bij zijn leven niet vreesde, ontwaakt hij als uit een diepen doodslaap, hij opent de oogen, hij overziet zijn lot, hij ziet zich begraven in de hel, hij barst los in bittere weeklachten. Helaas, roept hij uit, waar ben ik ? waar is de wereld f waar is de hemel? waar is het licht?Ouders, bloedverwanten en vrienden, waar zijt gij ? Te hulp, te hulp. Erbarmt u mijner ! Maar niemand antwoordt hem. De ongelukkige wordt razend van wanhoop, hij weent, hij jammert, hij huilt en vloekt. Maar alles te vergeefs. Niemand hoort hem , niemand kan hem helpen. God alleen heeft den sleutel der hel in handen. Hij houdt de deur gesloten en zal haar in eeuwigheid niet openen. Nimmer zal hij zich laten verteederen door het geroep en de tranen der verdoemden. De pijnen der verdoemden eindelijk zijn eeuwig, omdat hun lijden nimmer zal eindigen. De knagende worm des gewetens die hen foltert sterft nimmer en het vuur waarin zij branden wordt nimmer uitgedoofd, zegt J. C. „Vermis .... Maar hoe is dat mogelijk ? Hoe is het vuur der hel in staat zijne slachtoffers altijd te branden,

-ocr page 78-

zonder hen ooit te verteren. Door een wonder van G-ods almacht. Tertulianus leert dat het vuur der hel door eene bovennatuurlijke kracht die het bezit, zijne slachtoffers tegen vernietiging bewaart. Habet ex ipsa natura ejus, divina scilicet, subministrationem incor-ruptionis. Dat goddelijk vuur, zegt de H. Bernardus, verteert zijn prooi, ten einde haar te bewaren; ignis ibi consumit, ut semper reservet. J. C. zelf verzekert ons in het Evangelie, dat de verdoemden in de hel evenals vleesch zullen ingezouten worden : „Omnis enim igne salietur.quot; Dit beteekent, dat evenals het zout de eigenschap heeft om vleesch tegen bederf te bewaren, zoo ook het vuur van Gods gerechtigheid, tegelijkertijd dat het de verdoemden pijnigt, tevens de eigenschap bezit evenals het zout, hen in het leven te bewaren. De lichamen der verdoemden zijn dus lijdelijk, maar onverteerbaar, zij gevoelen den brand van het vuur der hel, maar kunnen er niet door verteerd worden.

Ziedaar u meer dan voldoende aangetoond, dat de folteringen der hel eindeloos, eeuwig zijn. Laat ons ten slotte eens beproeven ons eenig denkbeeld te vormen van den eindeloozen duur der rampzalige eeuwigheid. Ik zeg eenig denkbeeld, omdat volgens het getuigenis der Kerkleeraars, wij den duur der eeuwigheid niet begrijpen, niet uitdrukken kunnen. quot;Wanneer de mensch, zegt de H. Gregorius, van de eeuwigheid spreekt, gelijkt hij aan een blinde die van het licht spreekt. Inderdaad, hier beneden zien wij niets dan wat stoffelijk en vergankelijk is; hoe zouden wij dan kunnen begrijpen iets wat eeuwig is I Den duur der eeuwigheid willen verklaren, staat gelijk met iets wat grenzeloos is te willen meten, wat ontelbaar is te willen tellen. De eeuwigheid kent geen tijd, zegt Tertulianus ; de tijd toch bestaat uit eene opeenvolging van

-ocr page 79-

- 69

oogenblikken en vormt een verleden, toekomenden en tegenwoordigen tijd. Alle eeuwen, die verloopen zijn van Adam af en die nog verloopen zullen tot aan het einde der wereld, zijn als een regendruppel vergeleken bij de oceaan, zegt de H. Augustinus. Hij gaat nog verder en zegt: de duur van alle eeuwen te za-men genomen , beteekent niet slechts weinig , maar is volstrekt niets, in vergelijking met de eeuwigheid, die geen eindj heeft. Die H. Kerkleeraar noemt kinderspelen, alle pogingen die men zou willen beproeven om den duur der eeuwigheid uit te drukken, door een duur van tijd, door een getal eeuwen; want wat wij ook zeggen, het raakt nog niet de eeuwigheid. God alleen, zegt die groote Kerkvader, wiens verstand eindeloos is, kan den eindeloozen duur der eeuwigheid begrijpen en wanneer wij lezen in de H. Schrift, dat de pijnen der hel eeuwig zijn, moeten wij ze trachten te vermijden dan wel ze trachten te begrijpen. Laat ons evenwel beproeven door middel van beelden en onderstellingen, ons eenigermate een flauw denkbeeld te vormen der eeuwigheid. Stelt eens ; de aarde werd andermaal door den zondvloed overstroomd en elk duizendste jaar kwam een vogeltje , een druppel water drinken aan die ontzaggelijke watermassa. Hoeveel tijd zou er verloopen, eer de laatste druppel verdwenen was ? En toch na verloop van al dien tijd, zou de eeuwigheid nog pas begonnen zijn. Telt het aantal waterdruppels van den oceaan en verbeeldt u zooveel oceanen als er waterdruppels zijn, telt vervolgens die milliarden druppels bijeen, in die ontelbare oceanen vervat; dat onnoemelijk getal is nog niets in vergelijking met de eeuwigheid. Verbeeldt u den hemel, het uitspansel, als zijnde een onmetelijk perkament; verbeeldt u vervolgens dat alle vo-

-ocr page 80-

— 70 -

gelen hunne pennen afslaan om te schrijven, dat al het water der zee in inkt veranderde en dat alle engelen achtereenvolgens dat perkament met cijfers beschreven ; zou dan de som van die milliarden getallen, den duur der hel nabijkomen ? Neen, de eeuwigheid zou nog aan haar begin zijn. Veronderstelt dat God bij den ingang der hel een engel plaatst, die tot de verdoemden zegt; Ik breng u eene blijde tijding. God heeft besloten u genadig te zijn. Hij is voornemens eenmaal het vuur der hel te blusschen. Hij gaat oen berg van zand opwerpen, zoo groot als de wereld, elk duizendste jaar zal hij een enkelen zandkorrel er van afnemen en zoodra de laatste zandkorrel zal verdwenen zijn, zal uw lijden een einde nemen. O, indien zulke tijding den verdoemden geboodschapt werd, zon de hel geen hel meer wezen; men zou in de hel geene vervloekingen, geene wanhoop, geene woede meer aantreffen; dat alles zou plaats maken voor jubel- en vreugdekreten. Maar, groote God! inbeelding anders niets; nimmer zal zoo iets plaats hebben, de duur der hel is eeuwig, eeuwig! O rampzalige eeuwigheid ! O nimmer, dat altoos begint, o nimmer, dat nooit eindigt. O eeuwigheid, wanneer ik u overweeg, verstijft mijn bloed in mijne aderen, mijn verstand raakt verward, mijne verbeelding wordt ontsteld. O eeuwigheid, wanneer ik van u spreek, verdroogt mijne tong van vrees en angst. Neen, o neen, ik ben niet in staat u te begrijpen. Alle woorden, alle vergelijkingen zijn te zwak om uwen eindeloozen duur uit te drukken. Dierb. Chr. ik eindig deze schrikwekkende preek, maar ik bid God, dat Hij ze diep in uw aller geest en hart moge drukken. Ik bid God, u voortdurend te willen herinneren aan deze drie woorden : de eeuwigheid is zeker, onveranderlijk, eindeloos.

-ocr page 81-

Vergeet nimmer dat dit zoo kortstondig leven gevolgd moet worden door de eeuwigheid. En indien gij den kostbaren tijd, dien God u gegeven heeft slecht besteed zult hebben, indien gij voortgaat God te be-beleedigen, zal uw leven gevolgd worden door eene rampzalige eeuwigheid van pijnen en lijden. Helaas, zoo gij het ongeluk mocht hebben verloren te gaan ; wanneer dan ua verloop van jaren of eeuwen, uwe familie uitgestorven zal zijn, wanneer de monumenten die thans de aarde bedekken verdwenen zullen zijn, wanneer het heelal tot asoh teruggebracht, wanneer hemel en aarde niet meer zijn zullen, wanneer gij eindelijk millioenen jaren in de hel gebrand zult hebben, hoe zullen dan de weinige jaren uws levens u toeschijnen ? Eene groote stad van verre beschouwd, gelijkt op een dorp en hoe verder men er zich van verwijdert, des te kleiner komt zij ons voor, totdat zij ten laatste geheel en al uit het gezicht verdwijnt. Welke herinnering blijft u nog over van de jaren uwer kindsheid, uwer jeugd? Zij zijn als een droom, niet waar ? Hoe zullen dan na millioenen jaren van folteringen in de hel, de zonden u toeschijnen waardoor gij de hel verdiend hebt; uwe godslasteringen, uwe slechte biechten en heiligschennende communiën, uwe wulpschheden en ongerechtigheden I Hoe zal na verloop van eeuwenlange folteringen eene kortstondige voldoening uwer lusten u voorkomen! Ach, denkt er wel aan, de voldoening die de zonde u verschaft duurt maar een oogenblik, de straf daarentegen duurt eeuwig : „Momeutaneum quod delectat, aeternum quod crucialquot; Zeg mij eens zoudt gij er mee instemmen, om voor een enkelen dag van plezier en genot, 20 tot 30 jaren in een somberen kerker te moeten zuchten? Indien de hel 100 jaren, wat zeg ik indien

-ocr page 82-

zij 2 of 3 jaren duurde; zou het dan geene groote dwaasheid zijn, om voor een oogenblik van genot zich voor 2 of 3 jaren tot de hel te doen veroordeelen ï Maar er is hier geen spraak van jaren noch eeuwen; maar van eene eeuwige, rampzalige eeuwigheid. Vangt dan van nu af aan voor den hemel te arbeiden, zuivert uwe ziel door eene oprechte en rouwmoedige biecht, versiert haar met deugden en verdiensten, vlucht de zonde en de gelegenheid tot zonde, bidt in de bekoringen, nadert dikwijls tot de HH. Sacramenten en uw leven zal deugdzaam, uw dood hoopvol, uwe eeuwigheid glorievol wezen. Amen.

-ocr page 83-

Over den Hemel.

Niets is beter in staat ons op te wekken tot het goed dan de hoop op den hemel, waar wij zullen smaken een volmaakt en eeuwig geluk.

1 Volmaakt geluk.

1) De aardsche goederen kunnen ons niet volkomen gelukkig maken, ods zelfs geene gedachte doen vormen van den hemel. Salomon.

2) In den hemel zullen wij volkomen gelukkig zijn. Daar zullen wij God, het oneindig Goed genieten, die ons naar ziel en lichaam zal bevredigen.

A.) Onze ziel;

a.) ons verstand zal zich verlustigen in de eeuwige waarheid,

b.) ons hart zal zich verzadigen aan het oneindig goed,

c.) ons geheugen zal vol wezen van de aangenaamste herinneringen.

B.) Ons lichaam:

a.) onze oogen zullen bekoord worden:

bij het gezicht van de wonderen des hemels, „ „ „ „ ,, Engelen en Heiligen, „ „ „ „ 5, Maria,

„ „ „ „ „ H. Menschheid v. Jesus.

b.) onze ooren zullen verrukt wezen:

door het gezang der Eugelen en Heiligen, door de liefelijke woorden van J. C.

c.) onze reuk zal gestreeld worden door hemelsche geuren,

d.) onze smaak verzadigd door de zoetste geneugten,

e.) ons gevoel geprikkeld door de aangenaamste gewaarwordingen.

-ocr page 84-

— 74 —

II Eeuwig geluk.

1) De aardsche goederen zijn vergankelijk en bezorgen ons slechts een aardsch geluk ;

a.) Genoegens.

b.) Gezondheid, krachten, huiselijk geluk ;

c.) Eer en glorie.

2) In den hemel treden wij in \'t bezit van een eeuwig koninkrijk;

a.) de Heiligen die sedert eeuwen gestorven zijn, hebben tot nu toe geregeerd en zullen regeeren in eeuwigheid.

b.) ook wij zullen regeeren tot aan het einde der wereld en getuigen zijn van haren ondergang.

c.) blijven regeeren in eeuwigheid.

Inclinavi cor meum, ad facicndas justificationes tuas .. . propter rc-tributionem. Ik heb mijn hart geneigd tot de volbrenging uwer bevelen, om de vergelding. (Ps. 118. 113.)

Koning David, dierbare Gel. hield zicli staande in de onderhoading van Gods geboden, door de hoop op de eeuwige belooning. En niet zonder reden. quot;Want niets geeft ons meer moed te midden van onzen arbeid en inspanning, dan de hoop op eene toekomstige belooning. Waarom getroost zich de arbeider zooveel vermoeienis, met van den morgen tot den avond te zwoegen ? Om zijn dagloon. Waarom getroost zich de landman zoo menigen zweetdruppel bij het bebouwen van zijnen akker ? Met de hoop op eenen overvloedigen oogst. Waarom blijft de handelsman soms dagen en weken op zijn kantoor gezeten V Met het oog op winst. Waarom stelt de soldaat zoo koelbloedig zijn leven

-ocr page 85-

— 75 —

in gevaar op het slagveld? Met het oog op eene belooning, een eerekruis, ot bevordering in rang. O, Chr. indien de hoop op een klein dagloon, op een middelmatigen oogst, eeae geringe winst, voldoende is om u uw gansch leven lang te doen zwoegen en af te matten, indien een metalen eerekruis voldoende is voor den soldaat, om hem gevaren en dood te doen trotseeren, zou dan de hoop op den hemel voor u niet voldoende zijn, om u de wet, de geboden van Gud te doen verhullen! Want wat is de hemel ? Een koninkrijk, waar God ons eene eeuwige belooning heeft weggelegd. Ja, in den hemel zullen wij smaken :

I Een volkomen,

II Een eeuwig geluk.

0 Maria, deur des hemeb, alvorens te beginnen roepen wij uwe machtige voorspraak in. Bid voor ons, opdat wij bij het scheiden uit dit leven, door uwe bemiddeling geholpen, mogen binnentreden in het verblijf van het opperst en eeuwigdurend geluk. Amen.

1 Ik zeg vooreerst dat men in den hemel een volmaakt geluk smaakt. Welk denkbeeld vormt gij u doorgaans van het geluk ? Verbeeldt gij u niet dat het bestaat in den overvloed van alle soorten van goederen ; als rijkdommen, eer , genoegens en verkeert gij niut in den waan, dat de grooten der wereld, de koningen der aarde, die al die goederen bezitten, volmaakt gelukkig zijn ? Daarom zegt gij, te kennen willende geven, hoe gelukkig iemand is: Hij is zoo tevreden als een prins. Maar laat ons eens zien, of de koningen der aarde ook werkelijk zoo gelukkig zijn en of hun geluk vergeleken kan worden bij dat des hemels 1 Wij kunnen ons van den koninklijken luister geen beter denkbeeld vormen, dan tot voorbeeld te nemen koning Salomon. Salomon overtrof in macht, wijsheid

-ocr page 86-

- 76 —

en verstand alle koningen der aarde. Zijn gebied strekte zich uit over de Rijken gelegen tussohen den Euphraat, tot aan de grenzen van Egypte; de volkeren en koningen die hem cijns betaalden, waren talrijk als de zandkorrels aan het strand der zee. God had hem daarenboven eene tot dusverre ongehoorde kennis gegeven , tegelijk met een hart zoo uitgestrekt als de oceaan. Salomon overtrof dan ook in kennis en wijsheid alle geleerden van het Oosten. Hij kende al de geheimen der wijzen, alle wonderen der natuur ; van af den ceder op den Libanon, tot de nederige hijsopplant in de holte der muren. De gansche wereld verlangde hem te zien; koningen en volkeren stroomden tot hem, om uit zijnen mond de verhevenste wijsheid te vernemen. Behalve de belastingen die hij trok uit zijn eigen Rijk, waarover 12 opzichters gesteld waren, bracht men nog ieder jaar tot Salomon 666 talenten goud; een bedrag van ongeveer 46.000.000 franken. Hij ontving daarenboven nog ten geschenke, gouden en zilveren vaten, kostbare stoffen, meubelen, wapenen, reukwerken en de schoonste paarden uit Egypte en Syrië. Hij bezat 40.000 trek- en 12000 rijpaarden, die over de verschillende deelen van zijn Rijk verspreid waren. Hij had verder ontelbare kudden ossen en schapen. Zijne schepen zeilden alle diie jaren om de straat van Gibraltar en stevenden naar de verst verwijderde streken van het westen, om daar goud, zilver, elpenbeen, alsmede de zeldzaamste en kostbaarste voorwerpen te gaan halen. Salomon besteedde 13 jaren om zich een wonderschoon paleis te bouwen, waartoe niets anders dan marmer, cederhout, goud en zilver gebruikt werd. Dat paleis was omgeven door majestueuae gangen en galerijen. De koninklijke troon, die vrij hoog was, rustte op 5 trappen; hij bestond geheel uit goad

-ocr page 87-

en ivoor, op de uiteinden der treden waren met den fijnsten smaak leeuwen gebeiteld; nooit zag men een zoo fijn meesterstuk als dien troon van Salomon. Hij bouwde ook voor zijne gemalin, de dochter namelijk van koning Pharao, een tweede paleis, dat geheel uit cederhout en marmer bestond. Van buiten prijkte het met prachtige kolommen en van binnen schitterde het van goud en edelgesteenten, draperiën, tapijten, schilderstukken, die allen met den fijnsten smaak waren aangebracht. De koning bouwde nog een zomerpaleis, het paleis van den Libanon genaamd ; ter oorzake van de ontzaggelijke hoeveelheid cederhout die er toe gebezigd werd; want ten tijde van koning Salomon waren de fijnste houtsoorten zoo algemeen als de ahorn- en denneboomen in de vlakten van Palestina. In het paleis van den Libanon werden bewaard 500 schilden, uit het fijnste goud vervaardigd en al het vaatwerk dat voor de tafel gebruikt werd, bestond uit het fijnste goud. Het zilver had destijds geen waarde ; want het was te Jerusalem even overvloedig als de steenen op den weg. Rondom dit paleis lag een uitgestrekt park met de zeldzaamste boomen beplant, die de heerlijkste schaduw afwierpen. In dat park waren aanwezig alle soorten van dieren en zeldzame vogelen; het was doorsneden met uitgestrekte visch-vijvers en werd afgekoeld door tal van fonteinen. De drie koninklijke paleizen bevatten ruime zalen, waar Salomon dagelijks kostbare maaltijden hield. Zijne hofhouding was zoo talrijk, dat men dagelijks voor zijne tafel 30 ossen en 100 schapen noodig had, het wild er nietbijgerekend. Voor het brood en de gebakken had men 90 maten meel van noode. De fijnste wijnen in gouden karaffen besloten, werden als water weggeschonken. Gansche troepen zangers en muzikanten verlustigden

-ocr page 88-

- 78 —

dagelijks het hof aan tafel Do koningin van Saba , die van Salomons wijsheid had hooren spreken, kwam uit Arabie naar Jerusalem, vergezeld van een talrijken hofstoet. Zij bood den koning kostbare geschenken aan; o. a. 120 talenten goud, een bedrag van 8.000.000 franken; daarenboven kostbare edelgesteenten en reukwerken in zoo groote mate, dat men er nog nimmer te Jerusalem zooveel gezien had. Nadat zij zich overtuigd had van Je wijsheid des konings, nadat zij den luister zijner paleizen, de kostbaarheid zijner maaltijden; in één woord al zijne grootheid en macht bewonderd had, sprak die groote koningin als buiten haar zelve van verbazing tot den koning; „Ik kon niet gelooven alles wat men zeide van uwe wijsheid en rijkdommen ; maar nu zie ik met eigen oogen, dat men mij de helft daarvan nog niet heeft medegedeeld. Gelukkig zij, die voortdurend uwe tegenwoordigheid genieten en de wijsheid uwer gesprekken mogen hooren. En gezegend zij de Heer, uw God, die u met eene eeuwige liefde bemint en u op den troon van Israel geplaatst heeft.quot;

Kunt gij u nog eea grootsoher denkbeeld maken van een aardsch koninkrijk, dierb. Gel. dan dat van koning Salomon 1 Kunt gij in uwe verbeelding meer geluk, meer genot bijeenbrengen ? Immers neen. En meent gij nu dat Salomon volkomen gelukkig was te midden van al dien overvloed ? Luistert eens naar zijne eigen woorden: Ik baadde mij in rijkdommen, ik zwom in genietingen, ik weigerde niets aan mijne oogen van al wat zij verlangden, ik heb mijn hart opengesteld voor alle geneugten, ik meende geluk te vinden en ik lieb te midden van dat alles niets anders gevonden, dan ijdelheid en kwelling des geestes.quot; IJdelheid der ijdelheden en alles is ijdelheid „Vanitas

-ocr page 89-

- 79 —

vanitatum et omnia vanitas. \'\' (Ecel. 1. 2.) Ja, alle goederen der aarde zijn niets dan ijdelheid en kunnen de onmetelijke begeerten van ons hart niet bevredigen, omdat de aarde voor ons niets meer is dan een ballingsoord, waar alles onvolmaakt en met bitterheid vermengd is. Wij gevoelen, dat wij door God gemaakt zijn voor den hemel ons vaderland, waar alleen het ware goduk te vinden is, zonder bitterheid vermengd en dat in staat is ons volkomen te bevredigen. Neen , alle koninkrijken der aarde zijn niet in staat ons een denkbeeld te geven van het hemelseh koninkrijk. Alle goederen der wereld kunnen niet in vergelijking treden met de goederen des hemels. In vergelijking met die onuitsprekelijke goederen, is alle kennis van Salomon onwetendheid, al zijne wijsheid dwaasheid, al zijne genietingen bitterheid, al zijne rijkdommen armoede, al zijne grootheid beuzelarij. Waarin bestaan dan die onvergelijkelijke goederen , die ons zijn weggelegd in den hemel? In den hemel zullen wij bezitten God zelf, die in zich alle denkbare goederen besluit:quot; Ik zelf zegt God, zal uw overgroot loon zijn.quot; (Gen 15. 1.) In den hemel zullen wij vereenigd met God, alle denkbare genietingen smaken, wij zullen deelen inde rijkdommen Gods, wij zullen ons als ver liezen in de onuitsprekelijke vreugden Gods, wij zullen heerschen met God, wij zullen zijn troon, zijn koninkrijk met Hem deelen. In den hemel zal onze ziel en al hare vermogens, ons lichaam en al zijne zintuigen verzadigd en volkomen bevredigd worden. Vooreerst ons verstand zal volkomen verzadigd worden. Hier op aarde is het nimmer voldaan. Wij mogen ons afmatten en uitputten door studie, wij mogen voortdurend nieuwe kennissen opdoen ; ons verstand is nimmer verzadigd. Inderdaad hoe meer men weet, des te

-ocr page 90-

- 80 -

meer wil men weten en des te meer zietmendat men niets weet, in vergelijking van wat men weten kan. En vanwaar nu ontstaat in ons verstand die onlesclibare dorst naar waarheid? Hij ontstaat, doordien ons verstand, geschapen zijnde om eenmaal de eindelooze waarheid te aanschouwen, zich niet tevreden kan stellen met die enkele waarheden, die men door studie opdoet. En toch hier op aarde reeds is niets zoeter dan de ontdekking van de kleinste waarheid, de oplossing van een of ander vraagstuk. De wijsgeer Archimedes vond op zekeren dag toen hij een bad nam, de oplossing van een vraagstuk, waarnaar hij lang gezocht had en aanstonds stond hij op ter nauwernood gekleed en buiten zich zeiven van vreugde, doorliep hij de straten van Syracuse, onophoudelijk uitroepende : Ik heb het gevonden, ik heb het gevonden. Indien die wijsgeer zulke groote vreugde smaakte bij de ontdekking eener kleine waarheid, wat zal het dan wezen met ons verstand, wanneer het eenmaal in den hemel zonder sluier de waarheid zelve zal mogen aanschouwen! Gij treurt thans misschien Chr. zoo weinig verstand, zoo weinig kennis te bezitten ; maar indien gij eenmaal in den hemel komt, dan zult gij eenvoudige vrouw, gij arme daglooner, meer kennis bezitten dan de grootste geleerde, meer wijsheid dan Salomon en die kennis zult gij opdoen zonder inspanning noch arbeid, eenvoudig door de bloote aanschouwing der eeuwige waarheid. In den hemel zal uw verstand vrij zijn van alle onwetendheid, van alle onzekerheid en gissing en het zal volkomen vervuld worden door het bezit der oneindige waarheid. — Ons hart ook zal volkomen verzadigd worden xn den hemel. Ons hart is onmetelijk als de oceaan, het koestert grenzelooze begeerten. En wat begeert

-ocr page 91-

— 81 —

het dan ? Het dorst naar schoonheid, goedheid en liefde. De begeerten echter van ons hart kunnen niet voldaan worden door aardschs schoonheid, goedheid en liefde alleen ; maar door de oneindige schoonheid, goedheid en liefde ; in één woord, God alléén is in staat ons hart te verzadigen. O ! welk een blijde stond zal het wezen wanneer ons hart, na vruchteloos hier op aarde zijn geluk gezocht te hebben, zich ter ruste zal mogen leggen in den schoot van Grod ; wanneer het al die wonderen zijner Goddelijke schoonheid zal genieten, zich als verliezen in den afgrond zijner goedheid en barmhartigheid; wanneer het zal branden in de vlammen zijner liefde. Wij kunnen ons geen denkbeeld maken van de genietingen, die de uitverkorenen zullen smaken, want nog nooit, zegt de Apostel, heeft \'s menschen hart hier op aarde gevoeld, de vreugden die God bereid heeft voor hen die Hem beminnen (I Cor. 2. 9). In den Hemel zullen alle verlangens van ons hart voldaan wezen, omdat wij God het hoogste goed zullen bezitten ; in den Hemel zal geen vrees ons hart meer kwellen ; zorg, kommer en verdriet zullen het niet meer genaken, omdat de hemel eene plaats van on-verstoorbaren vrede en rust is. Ook ons geheugen zal zijn deel hebben aan het geluk des hemels; het zal vervuld wezen met de zoetste herinneringen. Wij zullen ons met vreugde herinneren aan alle rampen die wij doorstaan, aan alle smarten die wij geleden hebben, aan alle goede werken die wij verricht, aan alle bekoringen die wij overwonnen hebben. In den hemel is aan al ons lijden, aan al onze beproevingen een einde gemaakt en er blijft ons niets meer van over, dan eene eeuwige glorie, een onvergankelijk geluk. In den hemel zullen wij ons wel is waar herinneren aan de zonden die God in zijne barmhartigheid ons vergeven heeft,

6

-ocr page 92-

- 82 -

aan de zonden die ons naar de hel zouden gesleept hebben, indien God zich onzer niet erbarmd had. Wij zullen ons herinneren aan alle genoten gunsten, aan alle weldaden Gods ten onzen opzichte en wij zullen niet ophouden zijne oneindige barmhartigheid te bezingen : „Misericordias Domini in aeternum cantabo.quot; Alle vermogens onzer ziel, zooals gij ziet, zullen in den hemel volkomen voldaan zijn ; maar ook ons lichaam dat tot werktuig gediend heeft aan onze ziel in het verrichten van goede werken, ons lichaam dat met de ziel gedeeld heeft in haar lijden en hare beproevingen, zal ook zijn loon ontvangen. Op den dag der algemeene verrijzenis zal het met onze ziel ver-eenigd worden, om met haar te deelen in hare glorie en heerlijkheid. Alle zintuigen van ons lichaam zullen in den hemel volkomen bevredigd worden. Hier op aarde, zegt Salomon, is er niets wat in staat is onze oogen te verzadigen : „Non saturatur oeulus visu.quot; En toch bij den aanblik van al de schoonheden des Heel-als, voelen wij behoefte om met den Psalmist uit te roepen: „Quam mirabilia sunt opera tua Domine.quot; Wij kunnen niet zonder bewondering aanschouwen, die trotscbe bergen en frissche dalen, die rijke velden die onzen aardbol bedekken, die dieren van allerlei soort die de wereld bevolken, dat liefelijk groen, die bloemen en vruchten die ons verlokken; wij staren met verbazing op die onmetelijke uitgestrektheid der zee en op dat grenzelooze uitspansel des hemels, dat boven ons hoofd is gespannen. En indien nu de natuur, alhoewel door de erfzonde ontsierd, niettemin zoo schoon is; hoe schoon moet zij dan niet geweest-zijn op het oogenblik dat zij uit de hand des Scheppers te voorschijn trad, hoe goddelijk schoon in het aardsch paradijs! Wat moet er niet omgegaan zijn

-ocr page 93-

- 83 -

in het hart van Adam, toen hij voor het eerst een blik wierp op de natuur. En toch, wat is het aardsch paradijs in vergelijking van het Paradijs des Hemels ? Wat de ballingschap is in vergelijking van het vaderland 1 In den hemel zullen wij schoonheden aanschouwen, die nimmer menschen oog hier op aarde gezien heeft; schoonheden die ons oog volkomen zullen bevredigen. Wat zullen wij verder stof tot bewondering hebben bij het gezicht van de bewoners des hemels, bij het gezicht van de Heiligen die daar met J. C. heerschen en die allen koningen zijn, zegt de H. Augustinns : „quot cives tot reges.quot; Wonderschoon voorzeker was het lichaam van den eersten mensch in het paradijs. En toch die schoonheid is niets in vergelijking van die, waarmede de lichamen der Heiligen in den hemel eenmaal zullen schitteren. Wij kunnen ons geen denkbeeld maken van de glorie waarmede de lichamen der uitverkorenen zullen omstraald zijn, De H. Joannes zegt in het boek der Openbaringen, dat hij op zekeren dag een engel mocht zien in menschelijke gedaante, in een verheerlijkt lichaam en dat gezicht trof hem dermate, dat hij zich ter aarde wierp om hem te aanbidden ; zoodat de engel hem opmerkzaam maakte, hem geene goddelijke eer te bewijzen, vermits hij geen God, maar slechts de dienaar Gods was. Indien nu de Engelen en Heiligen in den hemel reeds zoo wonderschoon zijn, hoe schoon moet dan niet wezen de Koningin des hemels zelve, de onbevlekte maagd en moeder Gods Maria ! Reeds hier op aarde had God over zijne moeder zooveel schoonheid enj bevalligheid uitgespreid, dat Dionysius de Areopagiter die haar met eigen oogen mocht zien toen hij nog heiden was, haar voor eene godheid hield. Was Maria reeds zoo schoon hier op aarde, oneindig schooner nog is zij in den hemel, De H. Geest zelf

-ocr page 94-

is verrukt over de onuitsprekelijke bekoorlijkheden zijner Bruid en wijdt haar ter eere een gansch boek toe der H. Schrift, om haren lof te bezingen : „wat zijt gij schoon, zoo spreekt Hij haar toe, in het boek der Gezangen, mijne welbeminde, wat zijt gij schoon 1 ja geheel schoon zijt gij, en niet de minste vlek is in u. Gij zijt schitterend als de dageraad, schoon als de maan, glansrijk als de zon.quot; Wat zullen wij eindelijk zeggen dierbare Gel. van de onovertrefbare schoonheid, van de onuitsprekelijke glorie, waarmede J. C. als Godmensoh zal schitteren; J. C. in wien alle volmaaktheden der Godheid zichtbaar zich afspiegelen ; „Imago Dei invisibilisquot;. De H. Petrus, mochteenoogen-blik op den Thabor, een straaltje der glorie zien van den Zoon Gods, hij zag zijn gelaat schitterend als de zon en zijne kleederen fonkelend wit als de sneeuw en hij riep uit in verrukking van vreugde; O, welk genot hier te zijn ! laat ons hier drie tenten opslaan !(Matth. ] 7.4 ) Maar wij, wij zullen duizendmaal gelukkiger zijn dan Petrus, wanneer wij eenmaal op den Heiligen Berg, namelijk in den hemel, den Zoon Gods zullen mogen aanschouwen ia al den glans en luister zijner glorie. Schept moed Chr. naar het voorbeeld van Job, bij de gedachte aan onze toekomstige verrijzenis, wanneer wij met de oogen des lichaams onzen goddelijken Verlosser zullen aanschouwen. Laat ons met Job zeggen: „Ik geloof dat mijn Verlosser leeft, dat ik op den jongsten dag op zal staan uit het graf, om op nieuw met mijn vleesch bekleed te worden en in dat vleesch zal ik mijn God en Verlosser aanschouwen. Ja, ik zal Hem zien met eigen oogen en die hoop is mij een schat, dien ik in het binnenste van mijn hart bewaar.quot; (Job. 19. 27). Ook onze ooren zullen in den hemel ten volle voldaan worden. Hier op aarde, zegt Salomon, ia er geen geluid, geen toon, die

-ocr page 95-

— 85 —

ona oor volkomen voldoet: „Non saturatur oculus visu, nee auris auditu impletur.quot; Overigens, gezangen en liederen passen weinig voor ballingen als wij zijn. Zoolang wij hier op aarde rondzwerven, zijn wij evenals weleer de Israelieten gezeten aan de oevers van Ba-bylons stroomen, wij treuren en jammeren evenals zij bij de gedachte aan ons vaderland, bij de gedachte aan den hemel. Wij hebben onze harpen opgehangen aan de treurwilgen van den oever, wij hebben onze gezangen gestaakt; want hoe zouden wij Sions liederen zingen op vreemden bodem, in ballingschap ! (Ps. 136.) Maar in den hemel, in ons vaderland, daar zullen wij zingen Grode ter eer een nieuw lied, daar zullen wij onze stemmen vereenigen met die der engelen, daar zullen wij tonen en akkoorden hooren, zooals er nog nimmer op aarde gehoord zijn. Men leest in het leven van den H. Franciscus v. Assisie, dat een engel op eene viool, hem een enkelen toon liet hooren en het geluid dat hij voortbracht was zoo liefelijk, dat Franciscus van genot meende te sterven. Wat zal het dan wezen, wanneer wij in den hemel niet één maar millioenen Engelen en Heiligen in koren, den lof van God zullen hooren zingen; wat zal het wezen als wij de stem van Maria zullen hooren, vereenigd met die van millioenen maagden, om de glorie van den Allerhoogste te bezingen. In den hemel zullen wij ook de stem hooren van J. C. zelf, de stem van Hem, die de maker is van alle melodiën zoowel op aarde als in den hemel. Ja, dan zal voor ons vervuld worden de wensch van de Bruid des Hooglieds laat uwe stem, o mijn Welbeminde in mijne ooren klinken ; want uwe stem heeft eene zoetheid zonder weerga ,.spreek en op het geluid uwer stem zal mijn hart als wegsmelten van genot en liefde.quot; (B. 6.) En wat zal de bruidegom onzer zielen

-ocr page 96-

ons zeggen ? Hij zal tot ons zeggen : „Komt, gezegen-den mijns Vaders en neemt bezit van het Rijk, dat u bereid is van af het begin der wereld.quot; Sta op mijne welbeminde, want de droeve winter van uw leven is voorbij, de storm der bekoringen is bedaard, kom en smaak nu in het] vaderland eene eeuwige lente. Zie, uwe droefheid is nu veranderd in vreugde, kom en droog uwe tranen af, heerseh met mij in alle eeuwigheid in mijn koninkrijk, waarvan ik u deelgenoot maak. O dierb. Gel. hoe zoet zullen die woorden klinken in onze ooren, hoe aangenaam in één woord zal ons gehoor gestreeld worden door de gezangen des hemels. Maar weet tevens ook, dat indien gij verlangt in den hemel eenmaal uwe stem te voegen bij die der Engelen en Heiligen, gij hier op aarde uwe_ stem niet moogt bezigen tot het zingen van oneerbare liedjes, dan moogt gij uwe tong niet leenen tot het houden van onkuisohe gesprekken. Verlangt gij eenmaal in den hemel de zoete melodiën te hooren der Engelen en Heiligen, de stem te vernemen van J. C. dan moet gij hier op aarde uw oor sluiten voor alle gesprekken, strijdig met het geloof en met de eerbaarheid. In den hemel zal ook de reuk voldaan worden ; hij zal gestreeld worden door hemelsche geuren. In den hemel zullen wij inademen de fijnste geuren ; den nardusgeur der nederigheid, den leliegeur der kuischheid, den rozengeur der goddelijke liefde. In den hemel zal ook onze smaak bevredigd worden. Geen honger noch dorst zal ons meer kwellen ; maar wij zullen ons laven met den wijn der goddelijke vertroostingen en ons verzadigen met de vruchten onzer deugden en verdiensten. Wij zullen ons evenals de Bruid der Gezangen nederzetten in^de schaduw van onzen welbeminden Verlosser, in de schaduw van den boom des levens en wij zullen ons voeden met

-ocr page 97-

- 87 —

zijne heerlijke vruchten, vruchten van onsterfelijkheid, die hij voortdurend zal voortbrengen : „Satiabor cum apparuerit gloria tua.quot; Ziedaar, op welke wijze God diegenen zal voeden en laven, die tijdens hun leven de matigheid beoefend hebben, zij die in het gebruik van drank zich niet te buiter: gegaan en die stipt de onthouding en de vasten, door de Kerk voorgeschreven, zullen nageleefd hebben. Eindelijk ons gevoel zal in den hemel ook op eigenaardige wijze gestreeld worden. De hitte van den zomer zal ons niet meer verschroeien en de koude van den winter zal onze ledematen niet meer verstijven. Wij zullen in den hemel genieten eene temperatuur, duizendmaal aangenamer dan die der lente, aangenamer dan die verkwikkende frischheid na een malschen zomerregen , aangenamer dan de schaduw der bosschen in het heetste van den zomer ; want de hemel is eene plaats van verversching, van licht en vrede. Op die wijze zal God hen beloonen, die hier op aarde de hitte der kwade begeerlijkheid zullen bestreden, die kuisch zullen geleefd hebben ; terwijl zij die hunne driften niet bestreden, die het vuur hunner hartstochten niet gebluscht zullen hebben en in hunne zonden gestorven zijn, voor eeuwig in het vuur der hel zullen branden. In den hemel dus Chr. zal onze ziel en ons lichaam volkomen bevredigd, voldaan, verzadigd zijn ; omdat God die ons geschapen heeft, in zijne oneindige wijsheid weet wat er noodig is om ons volkomen tevreden te stellen ; omdat God die alles kan en vermag, zijne almacht zal uitputten om ons met geluk te overladen. Maar wat zal de kroon zetten op ons geluk ? Dat niemand er ons van zal kunnen berooven, dat niemand ons in het bezit daarvan zal kunnen storen; met andere woorden , dat ons geluk eeuwig zal zijn.

-ocr page 98-

II. De goederen dezer wereld, zooals wij gezien hebben, zijn volgens het getuigenis van Salomon niets dan ij delheid en kwelling des geestes; omdat zij niet in staat zijn ons hart te verzadigen. Die wijze koning voegt er bij ; dat de goederen der aarde niets dan ijdelheid zijn, omdat zij kortstondig en vergankelijk zijn : „vidi in omnibus vanitatem et afflictionem ani-mi et nihil permanere sub sole.quot; (Eccl. 2. 11.) Inderdaad, indien gij op dit oogenblik eene bloeiende gezondheid geniet, kunnen toch duizenden ziekten ieder oogenblik die gezondheid verwoesten ; hebt gij fortuin, een onvoorzien toeval kan u hetzelve ontnemen; hebt gij vrouw en kinderen die uwe vreugde en geluk hier op aarde uitmaken, de dood kan er u eiken dag van solieiden. Eindelijk, zoo gij eenig geluk en voorspoed hier op aarde geniet, zijt gij gelijk aan een reiziger, die beladen met een schat, een bosch moet doortrekken, waarin struikroovers zich ophouden; die reiziger heeft geen genot van zijn schat, omdat hij met vrees bevangen is, ieder oogenblik er van beroofd te zullen worden. De koningen en vorsten zijn onder dat opzicht niet gelukkiger dan hunne onderdanen. Ik lees in de oude geschiedenis, dat een zekere Damocles, een laag vleier van Dyonisius den dwingeland , zich voortdurend bezig hield met de rijkdommen, de pracht en vooral de goedheid van dien vorst te prijzen en te verheffen. Dyonisius wilde op zekeren dag hem doen begrijpen, wat toch wel het geluk van een koning was. Hij noodigt Damocles ten maaltijd, geeft last hem met het koninklijk purper te omhangen, hem als koning te dienen; maar hij liet tevens boven den troon waarop Damocles gezeten was, een bloot zwaard ophangen dat aan een paardenhaar was vastgemaakt. En nu vraag ik u Chr. kon Damocles, ziende dat zijn

-ocr page 99-

— 89 —

leven aan een paardenhaar hing, kon hij wel gemeten van dat vorstelijk maal, dat hem was voorgediend ? Ongetwijfeld neen. Welnu, alle rijken en gelukkigen der wereld, alle koningen der aarde verkeeren in hetzelfde geval; de dood hangt hun voortdurend boven \'t hoofd en dreigt ieder oogenblik den draad huns levens door te snij -den en hen van hunne rijkdommen, genoegens en koninkrijken te berooven. In alle geval, de grootste vorsten regeerden slechts weinige jaren op aarde. Salomon regeerde 40 jaren, Alexander de Groote 12 jaren, Constan-tijn de Groote 13 jaren. Karei de Groote 46 jaren, Lodewijk XIV 54 jaren. Napoleon 17 jaren; daarna zijn zij gestorven en al hunne glorie is verdwenen. Wat heeft Salomon, zoo vraag ik u, nu nog behouden van al zijne kennis en wetenschap ? Is hij niet gBStorven evenals de minste en geringste zijner onderdanen ? Wat heeft hij nu nog van al zijne rijkdommen en genoegens ? De genietingen hebben zijn hart verweekt. Salomon is in zedeloosheid en afgoderij gevallen ; zoodat men met grond twijfelt aan zijne zaligheid, zegt de H. Hieronymus.— Wat blijft er nog over aan Alexander den groote, van al zijne glorie, van al zijne overwinningen en veroveringen ? De Heilige Antonius verhaalt, dat bij den dood van dien grooten veroveraar, een wijsgeer uitriep ; ziedaar nu den man, die gisteren nog geheel de aarde met voeten trad en vandaag wordt hij onder de aarde begraven ; gisteren was de gansohe wereld niet in staat hem te bevredigen en vandaag moet hij zich met eenige voeten grond vergenoegen ; gisteren voerde hij in triomf zijne legers rond over de aarde en vandaag wordt hij door eenige dragers grafwaarts gebracht! Wat heeft Augustus, wat hebben zooveel andere Romeinsche keizers overgehouden van al die vleierijen, waarvan zij tijdens hun leven het voorwerp waren, van

-ocr page 100-

— go

al die goddelijke eer die men hun bewezen heeft ? Wat is er bij den dood geworden van die goden van één dag ? Zij hebben ingeoogst den vloek der volkeren, in plaats van de vereering en aanbidding, die men hun tijdens het leven bewees. Zij hebben geen ander paleis meer dan een somber graf, geen ander purper dan een doodskleed, geen ander gezelschap dan de wormen. Wat hebben verder Constantijn en Karei de G-roote medegenomen naar het graf ? Niets dan de goede werken die zij verricht en de zorgen die zij besteed hebben, om de Kerkte verdedigen. Wat heeft Lodewijk XIV overgehouden na eene regeering van 54 jaren, gekenmerkt door zooveel overwinningen , glorie en grootheid. Nauwelijks was hij overleden, of zijn lijk blijft 3 dagen lang eenzaam en verlaten liggen op een paradebed te Versailles, vervolgens overgebracht naar de abdij van St. Denis, de begraafplaats van Frankrijks koningen, terwijl tijdens de groote fransche revolutie, de asoh van al die groote vorsten aan den wind werd prijs gegeven. Wat blijft er nog over aan Elisabeth, koningin van Engeland, van eene regeering van 40 jaren ; zij durfde eens zeggen, die goddelooze vorstin : dat men mij 40jaren laat regeeren en ik sta mijn recht op den hemel at. En nu, zij heeft juist 40 jaren geregeerd, op den dag af en daarna is zij neergestort van haren troon in het diepst der hel, tenzij God haar misschien barmhartig is geweest. Napoleon I heeft de heele wereld vervuld van zijn wapenfeiten , hij heeft alle vorsten van Europa aan zijne voeten geknield gezien. Maar ziet, hij sloeg de hand aan den plaatsbekleeder van J. C. en aanstonds wordt hij op zijne beurt van God geslagen. Hij wordt van zijn troon gestooten, van alles beroofd en ziet zich gedwongen zijn leven te gaan eindigen op de eenzame rots van St. Helena. De luister en groot-

-ocr page 101-

held van de koningen dezer aarde is dus, zooala gij ziet, kortstondig en vergankelijk. Zal het ook zoo wezen met de koningen des hemels, met de uitverkorenen ? Neen, Chr. de uitverkorenen in den hemel, zooals J. C. zelf zegt, zijn gezeten op den troon van God, wiens Rijk geen einde zal hebben : „cujus regni non erit finis.quot; \'t Is reeds meer dan 18 eeuwen dat de apostelen , die 12 arme visschers, door J. C. gekozen om zijn Evangelie te prediken, in den hemel tronen. Van af het toppunt hunner glorie, hebben zij den troon van Nero hun vervolger zien ineenstorten, zij hebben eene menigte keizers elkander\'_beurtelings zien opvolgen, hen een oogenblik op het tooneel der wereld zien schitteren en vervolgens zien nederzinken in het graf ; terwijl zij apostelen van J. C., evenals zoovele zon-nen in den hemel schitteren; zij heerschen en zullen blijven heerschen met hun Groddelijken Meester in eeuwigheid ; „regnabunt in saeculum saeculi.quot; Het is reeds 10 eeuwen geleden, dat de H. Willebrordus en Bo-nifacius, die het christendom hier te lande geplant hebben in den hemel zijn; zij hebben reeds 3 vorstenhuizen elkander op den troon van Duitschland en 5 op den troon van Frankrijk zien opvolgen. In die 10 eeuwen zijn reeds tal van vorstenhuizen met al hunne grootheid en glorie verdwenen, terwijl het Rijk der Heiligen in den hemel zal duren, zoolang Grod God zal zijn, dat is eeuwig. Het is reeds 300 jaar geleden, dat een H. Ignatius, een H. Franciscus Xaverius in den hemel zetelen. Van af dien troon van glorie zijn zij toeschouwers geweest van tal van gebeurtenissen, zij hebben de revolutiën aanschouwd, die in den loop dezer eeuw de wereld bewogen hebben, zij hebben alle tronen van Europa zien wankelen, zij hebben aan tal van koningen den schepter zien ontvallen, zij hebben

-ocr page 102-

- 92 —

gezien hoe in Europa in 300 jaren tijds nagenoeg alles veranderd is ; maar zij, zij zijn onwankelbaar gebleven op hun troon van glorie ; zij houden nog immer den schepter in de hand, hunne kroon schittert nog immer met denzelfden glans en luister, zij leven en heerschen met Hem die leeft en heerscht in alle eeuwen der eeuwen : „Regnabunt in saecula saeculo-rum.quot; En wij Chr. indien wij, zooals ik hoop, het geluk zullen hebben zalig te worden, dan zullen wij ook gezeten zijn op een troon van glorie daarboven in den hemel, wij zullen getuigen zijn van alle omwentelingen die de wereld nog moet beleven tot aan het einde der tijden. Ja, wij zullen vooral getuigen zijn van den ondergang der wereld op den laatsten oordeelsdag. Wij zullen de zon aan onze voeten zien verduisteren, terwijl de glans van onze glorie niet in het minst zal lijden, de sterren als gestoord in haren loop zullen uit den hemel schijnen te vallen, terwijl wij ongestoord en rustig zullen blijven in den schoot van God; de aarde zal door een vloed van vuur overstroomd worden, de zee zal al bruisende hare stranden overschrijden, de menschen op aarde zullen van angst en schrik verstijven ; maar onze vrede zal niet gebroken, onze vreugde niet gestoord worden; want geene enkele ramp, smart, angst en vrees vermogen door te dringen in het verblijf der Gelukzaligen : „Non accedet ad te malum et flagellum non appropinquabit tabernaculo tuo.quot; En wanneer de engelen Gods door het geschal der trompet het teeken zullen gegeven hebben der algemeene verrijzenis, dan zullen onze zielen zich gaan vereenigen met onze lichamen; onze lichamen zullen dan glansrijk zijn als de zon, vlug en snel als de gedachten van onzen geest, ijl als de fijnste lucht, onsterfelijk en onlijdelijk. Wanneer J. C. verschijnen zal op

-ocr page 103-

— ga

de wolken des hemels om levenden en dooden te oor-deelen, behoeven wij niet te vreezen van veroordeeld te worden; want de opperste rechter zal onzen naam niet uitwisschen uit het boek des levens ; „qui vicerit . . . non delebo nomen ejus de libro vitae het laatste oordeel zal onze zegepraal zijn. J. C. zal onzen naam met eer vermelden. Hij zal zich op ons beroemen bij zijnen Vader en bij de Engelen, wij zullen met Hem plaats nemen om de volkeren te oordeelen, wij zullen getuigen zijn van de onbeschrijfelijke verwarring der goddeloozen en der zondaren , die eenmaal met ons den spot gedreven hebben, wij zullen aanschouwen de diepe vernedering van de vijanden der Kerk, die ons vervolgd hebben. Eindelijk, zoodra wij met J. C. de verdoemden tot den eeuwigen dood zullen veroordeeld hebben , zoodra zij in het vuur der hel zullen zijn neergestort, dan zullen wij met Jesus in triomf den hemel binnentreden, ons lichaam zal deelen in de glorie en heerlijkheid onzer ziel, wij zullen voortgaan te zamen met Grod te heerschen , zijnen lof te bezingen ; Hem, het opperste goed te genieten, wij zullen ons als verliezen in de beschouwing zijner oneindige volmaaktheden, wij zullen ons baden in den oceaan zijner onuitsprekelijke vreugden en dat voor de gansche eeuwigheid. Wij zullen in den hemel het geluk genieten dat Grod zelf geniet en dat geluk alhoewel altijd even oud, zal ons altijd even nieuw toeschijnen, als op het eerste oogenblik onzer intrede in den hemel. Altijd zullen wij naar dat geluk verlangen en altijd zullen wij het bekomen, wij zullen altijd voldaan en altijd verlangend zijn, altijd hongerig en altijd verzadigd ; want de verlangens der Grelukzaligen besluiten in zich noch leed noch smart en hunne vreugde baart geen verveling noch tegenzin. O Chr. het is onmogelijk hier

-ocr page 104-

op aarde het geluk der uitverkorenen in den hemel te begrijpen, wij zullen het niet eerder begrijpen, dan als wij het in persoon zullen geaieten. Laat ons echter eens beproeven door eenige vergelijkingen u daarvan een klein, een flauw denkbeeld te geven. Verheft eens uwe oogen ten hemel op eene helderen winteravond ; telt eens, zoo gij kunt, die milliarden sterren die daar aan het uitspansel flikkeren, — en toch wanneer er zooveel jaren verloopen zullen wezen als er sterren flikkeren aau den hemel, zult gij nog even gelukkig, even tevreden zijn. Verplaatst u aan het strand der zee en bij het gezicht harer onmetelijke uitgestrektheid, oordeelt dan eens over het oneindig getal zandkorrels en waterdruppels, die zij bevat en nu wanneer er zooveel jaren verloopen zullen zijn, als er zandkorrels en regendruppels zijn in den oceaan, zult gij nog even zalig, even voldaan zijn. Begeeft u eens in een uitgestrekt bosch. Hoeveel bladeren hangen daar niet aan de boomen. En nu, wanneer er zooveel millioenen eeuwen voorbij zullen zijn als er bladeren zijn aan alle boomen der aarde, zult gij nog even gelukkig zijn: „Justi autem in perpetuum vivent.\'\' Laat ons nog verder gaan. Veronderstelt eens, wat evenwel onmogelijk is, dat een engel telkens wanneer er een millioen jaren vervlogen zijn, eene enkele ster des hemels telt; hoeveel tijd zou hij dan niet noodig hebben om al die sterren des hemels te tellen ? En toch als hij ze allen zou geteld hebben en wanneer het hemelgewelf al zijn luister en glans zou afgelegd hebben, zullen de uitverkorenen nog met denzelfden glans schitteren gedurende de gansche eeuwigheid: „Ful-gebunt sicutstellaeinperpetuas aeternitates.quot; Verbeeldt u een berg van zand, zoo groot als de aarde en veronderstelt dat men alle duizend jaren een enkelen zandkor-

-ocr page 105-

rel van dien berg afneemt, hoeveel millioenen eeuwen moeten dan niet verloopen, eer die gansche berg verdwenen zal zijn? En toch, wanneer menden laat-sten zandkorrel zal weggenomen hebben, dan zal het geluk der uitverkorenen nog even nieuw wezen alsof het pas begonnen ware. Hoeveel menschen hebben niet geleefd op aarde, sedert het begin der wereld. En nu, telt eens te zamen de jaren van al de menschen die tot nu toe geleefd hebben en nog leven zullen. En zou nu die oneindige som ons den duur kunnen voorstellen van het gelukzalig leven van een enkel uitverkorene ? Neen, zelfs niet in de verste verte; want J. C. geeft aan zijne uitverkorenen een eeuwig leven : „Ego vitam aeternam do eis quot; (Jo. 10. 28). Dierbare Gel\', ik vraag u nu ten slotte, of de heerlijke belooning die God u heeft weggelegd in den hemel, of de hoop op een gelukzalig, op een eeuwig koninkrijk niet voldoende is , om ons geduld, onzen moed staande te houden in den dienst van God ? En staat die oneindige belooning niet ver boven alles wat wij doen moeten om haar te verwerven. God beloont een luttel arbeid met eene eeuwige rust, een weinig ontbering met eene eeuwigheid van overvloed, een oogenblik van droefheid en verveling met eene eindelooze vreugde, eene kleine vernedering met eene altijddurende glorie, een oogenblik van lijden met eene eeuwigheid van genot: „Momentaneum et leve tribulationis nostrae, supra modum in sublimitate, aeternum gloriae pondus operatur in nobis.quot; (II Cor. 4. 17) Hoe groot ook de heldenmoed der Heiligen geweest is, zij hebben toch nog weinig gedaan om den hemel te verdienen. Weinig hebben de kluizenaars gedaan, die alles verlieten ; bezittingen, ouders en vrienden, om hun leven te gaan slijten in de woestijn; weinig deden zelfs de

-ocr page 106-

— 96 -

martelaren, die de zwaarste folteringen verduurden , ja hun leven voor J. C. ten offer brachten; want alle lijden van dit leven is niet ia staat ons de glorie des hemels te doen verdienen, indien God ze ons niet beloofd en J. C. zijne verdiensten niet bij de onzen gevoegd had: „Non sunt eondignae passiones hujus temporis, ad futuram gloriam quae revelabitur in nobis\'\'. Geduld dus Ghr ; verdraagt met onderwerping de beproevingen die God u overzendt: armoede, ziekte, verachting, laster, verdriet, verveling, bekoringen; want de tijd der beproevingt duurt zoo kort, weldra verandert onze droefheid in vreugde, terwijl de doornen die ons nu prikken, rozen van ontsterfelijkheid voortbrengen. Geduld ; de schoone hemel is boven onze hoofden geopend , reeds wachten ons de Heiligen. Maria wacht ons, terwijl J. C. reeds de kroon in de hand houdt, die eenmaal ons hoofd zal sieren. Moed dus om uwe sleshte gewoonten te overwinnen, moed om die zondige verkeering af te breken, moed om op te staan als gij gevallen zijt, moed om uwe zonden oprecht te belijden, moed om het menachelijk opzicht te overwinnen, moed in één woord om tot uwen dood te volharden in de vervulling uwer plichten van vader, zoon en echtgenoot. Indien gij dien moed bezit, dan moogt gij met den H. Paulus zeggen op het einde uws levens : Ik heb moedig den strijd des Heeren gestreden, ik heb mijne loopbaan geeindigd , ik heb het geloof bewaard. Er blijft mij niets meer over dan de kroon te ontvangen der gerechtigheid, die God mij beloofd heeft. Amen.

-ocr page 107-

me REEKS.

Beletselen en Gevaren ter Zaligheid. Naaste Gelegenheid tot zonde.

I Bepaling en verdeeling der gelegenheid tot zonde :

1) Verwijderde en naaste gelegenheid,

2) On vrijwillige,-vrij willige „

II Verplichting van de vrijwillige naaste gelegenheid tot

zonde te vermijden :

1) De zondaar moet haar vluchten, teneinde de vergiffenis zijner zonden te bekomen;

A.) Stem der rede,

B.) „ „ Kerk,

C.) Besluit.

2) Om zich voor herval te behoeden:

A.) Stem van God,

B.) „ der rede,

C.) „ „ ondervinding.

III Voornaamste gelegenheden tot zonde :

1) De Herbergen.

2) „ Slechte lezingen.

3) „ Danspartijen.

4) „ Avondpartijen.

5) „ Verkeeringen.

7

-ocr page 108-

— 98 —

Si oculus tuus dexter scandalizet te erue eum, et projice abs te. Als uw rechteroog u ergert, ruk het uit en werp het weg, (Marc. IX. 42.)

De H. Leonardus a Porto Mauritio verhaalt, dat op zekere plaats waar eene missie gegeven werd, zich eene vrouw bevond , die sedert geruimen tijd duidelijke teekenen gaf dat zij beaeten was door den duivel. Zij woonde niettemin evenals de anderen de oefeningen der missie bij en scheen gansch kalm te wezen. Maar ziet; midden in de missie, onder de preek over het vluchten der gelegenheden tot zonde, stond de vrouw op eenmaal van hare plaats op en zich tot den missionaris keerende, riep zij hem toe ; \'t is genoeg, genoeg. Deze ontstelde niet; maar wetende met wien hij te doen had, antwoordt moedig aan den duivel, die door den mond der bezetene sprak : Hoe ellendige, gij durft zoo vermetel zijn mij te onderbreken ; mij , die de bedienaar van God ben! quot;Welnu, ik beveel u uit naam van God mij de waarheid te zeggen. Ik heb in de eerste dagen die onderwerpen behandeld, die het meest geschikt zijn om de zielen te bekeeren, ik heb gepredikt over dood, oordeel en hel, ik ben opgekomen tegen de doodzonde en bijzonder tegen de onkuisch-heid, die het grootste deel der mensohen in uwe macht doet vallen en gij hebt niets gezegd. Waarom roept gij mij thans toe : \'t is genoeg; thans nu ik preek tegen de gelegenheden tot zonde? Toen reet zich de bezetene de haren uit het hoofd, verbleekte, beefde en deed daardoor zien dat hare tong tot werktuig diende van den duivel. Vervolgens zeide zij met weerzin : „Ik roep u toe : \'t is genoeg ; omdat wanneer men zich

-ocr page 109-

- 99 -

blootstelt aan de gelegenheid tot zonde, ik zielen oogst voor de hel, terwijl gij die daartegen uwe stem laat hooren, geheel mijnen oogst vernietigt. Nu Chr. die preek, waarvoor de duivel zich zoo bevreesd maakt, maar die zoo heilzaam is voor uwe zielen, kom ik u dezen avond voorhouden. Ik hoop zoodoende den duivel, den vijand onzer zaligheid, te doen knarsetanden en hem eene menigte zielen te ontrukken. Luistert dus eens met aandacht naar die gewichtige stof. Om ons onderwerp degelijk en met orde te behandelen, ga ik u vooreerst zeggen wat men door gelegenheid tot zonde verstaat, vervolgens u bewijzen de noodzakelijkheid van de vrijwillige naaste gelegenheid tot doodzonde te vluchten en eindelijk u opmerkzaam maken op de voornaamste gelegenheden tot zonde die zich voordoen. Ach Maria, gij zijt zonder zonde ontvangen , gij zijt onbevlekt en toch gij vluchttet tijdens uw leven zelfs de schaduw van alle gevaar tot zonde. Ach , doe ons eens goed begrijpen, aan ons die zoo zwak, zoo geneigd tot het kwaad zijn, de noodzakelijkheid om de naaste gelegenheid tot doodzonde te mijden en verkrijg ons daarenboven de kracht, om alle die vervloekte gelegenheden met behulp uwer genade te

vluchten. Ave.....

I. Vooreerst Chr. wat verstaat men door eene naaste gelegenheid tot zonde ? Daardoor verstaat men elke liitwendige omstandigheid, die tot zonde leidt. En zoo b. v. een gezelschap, eene plaats, eene vriend-schap,verkeering, vermakelijkheid, lezing, een dienst die u in zonde doen vallen, zijn voor u even zoovele gelegenheden tot zonde. Men onderscheidt verschillende soorten van gelegenheden tot zonde. Vooreerst de verwijderde en de naaste gelegenheid. De verwijderde gelegenheid is die waarin men zelden zondigt; de naaste gelegenheid

-ocr page 110-

— 100 —

die waarin men veeltijds zondigt. Ziehier een paar voorbeelden. Ik onderstel dat een jongeling verkeert met eene jonge dochter. Alhoewel hij doorgaans in zijne bijeenkomsten met dat meisje niet zondigt, gebeurt het toch ook alhoewel zelden, dat hij zich eene schuldige gemeenzaamheid jegens haar veroorlooft; dan is die verkeering voor hem eene verwijderde gelegenheid, dewijl hij zich dikwijls in die gelegenheid bevindt zonder te vallen; zouden echter die schuldige vrijheden zich dikwijls herhalen , dan zou die verkeering voor hem eene naaste gelegenheid tot zonde van ontucht worden.Eveneens wanneer een knecht of meid, een of andermaal bij toeval mocht gezondigd hebben met een persoon des huizes waar zij wonen, dan is die dienst voor hen eene verwijderde gelegenheid tot zonde van onkuischheid; maar zondigen zij dikwijls, dan is die dienst eene naaste gelegenheid. Een jongeling en een meisje keeren bij laten avond huiswaarts van eene naburige kermis en vallen doorgaans met elkander in zonde van onkuischheid ; welnu , dan zijn die avondloopjes voor hen eene naaste gelegenheid tot zonde. Ik onderstel nog een man, die in deze of gene herberg komt, in dit of dat gezelschap, tot laat in den avond daar blijft, zich. dikwijls aan den drank te buitengaat, of wel zondags \'smorgens in plaats van recht naar de kerk te gaan, eerst naar de herberg gaat en dientengevolge doorgaans te laat in de Mis komt; dan is die herberg voor hem eene naaste gelegenheid tot zonde van dronkenschap en Misverzuim. Behalve de verwijderde en de naaste gelegenheid, onderscheidt men nog de onvrijwillige en vrijwillige gelegenheid. Zij is onvrijwillig of noodzakelijk , wanneer men haar niet verwijderen kan zonder groot bezwaar; b. v.

-ocr page 111-

- 101 -

zonder groot opzien te baren , of zonder zich bloot te stellen aan levensgevaar, of aan het verlies zijner reputatie of fortuin. De gelegenheid is vrijwillig, wanneer men haar vermijden kan zonder groot bezwaar. Ziehier de gewone gevallen der vrijwillige gelegenheid. Eene zondige verkeering die niet ten doel heeft een aanslaand huwelijk, is eene vrijwillige gelegenheid tot zonde. Waarom V Omdat men zulke verkeering gemakkelijk kan afbreken, \'t Is slechts eene onzuivere liefde die u aan de verkeering bindt. Verder nog eenzame plaatsen, avondwandelingen, geheime bijeenkomsten tusschen jonge lieden van beiderlei geslacht, al waren zij zelfs reeds verloofd, zijn vrijwillige gelegenheden tot zonde; want zij kunnen in den regel niets anders ten doel hebben dan het kwaad, zij zijn noch noodzakelijk, noch nuttig, noch passend en kunnen gemakkelijk vermeden worden. Eene dienstmaagd woont in een slechten dienst, dien zij zonder groot bezwaar kan verlaten, Welnu, die dienst is voor haar eene vrijwillige gelegenheid tot zonde; want niets houdt haar terug in dat huis dan de gehechtheid aan het kwaad, of misschien eene kleine verdienste. Ik geloof Chr. u genoegzaam te hebben doen begrijpen, wat men door vrijwillige naaste gelegenheid tot zonde verstaat, \'t Is dezulke, waarin men dikwijls zondigt en die men zonder veel moeite kan vermijden. Dit vooropgesteld, zeg ik: dat de zondaar verplicht is de vrijwillige naaste gelegenheid tot zonde te vermijden. Hij is daartoe verplicht, wil hij vergiffenis zijner zonden bekomen en zich voor herval in de zonde behoeden.

II. Ik zeg vooreerst: hij is daartoe verplicht, wil hij vergiffenis zijner zonden bekomen. Luistert eens wat God door den mond zijner Kerk, door den

-ocr page 112-

— 102 —

mond van zijnen plaatsbekleeder hier op aarde zegt. Paus Innocentius XI. spreekt den banvloek uit over hem, die zou durven beweren dat de biechtvader een zondaar kan ontslaan, die in eene naaste gelegenheid tot zonde leeft, welke hij kan, maar niet wil verlaten. Een meester b. v. behoudt in zijnen dienst eene persoon, met wie hij dikwijls zondigt. Hij kan haar wegzenden, maar wil het niet, ter oorzake der zondige genegenheid die hij haar toedraagt, of wel ter oorzake van eene of andere kleine moeielijk-heid, die hem zulke verwijdering zou kosten. Welnu, al wie nu zou durven beweren , dat zoo iemand eene goede biecht spreekt en door den biechtvader ontslagen kan worden, zonder die dienstmaagd te verwijderen , wordt door den banvloek getroffen. Een jongeling en eene jonge dochter verkeeren zonder de meening te hebben van te trouwen en dikwijls zondigen zij zwaar in die verkeering. Zij kunnen die verkeering afbreken; want niets houdt hen daarvan terug tenzij hunne schuldige drift ; maar zij willen dat niet doen. Al wie nu zou durven beweren dat die jongeling en jonge dochter, in zulke gesteltenis geholpen kunnen worden, is veroordeeld en gedoemd.

Iemand leest slechte schriften, die hem zeer nadeelig zijn; een ander is voortdurend dronken, dewijl hij te laat in de herberg blijft; een derde houdt omgang met slechte makkers, die hem tot allerlei buitensporigheden verleiden. Zij kunnen die lezing, die makkers vaarwel zeggen, vroeger de herberg verlaten; maar willen het niet doen. Indien ik nu durfde zeggen, dat die personen in de biecht geholpen kunnen worden, niettegenstaande zij weigeren de gelegenheid tot zonde te verlaten, zou ik veroordeeld, gedoemd wezen.

Maar waarom toch verklaart de Kerk, dat hij die

-ocr page 113-

de vrijwillige naaste gelegenheid tot zonde niet wil verlaten, in de Biecht niet geholpen kan worden. Het gezond verstand, de natuurlijke rede zégt ons dat: Het is duidelijk dat wij om vergiffenis van onze zonden te bekomen, de doodzonde moeten haten en de genegenheid tot de doodzonde moeten afleggen; •want zoolang wij de doodzonde liefhebben, beminnen wij datgene wat God bovenmate verfoeit; wij beminnen datgene waardoor God een oneindige smaad wordt aangedaan en er kan bijgevolg geen verzoening tot stand komen tussohen God en ons. Hij nu, die in de vrijwillige naaste gelegenheid tot zonde blijft leven, ot daartoe terugkeert, heeft zijne zonde lief. Waarom? Omdat hij de oorzaak dier zonde liefheeft en haar opzoekt. Inderdaad, het gezond verstand zegt ons: al wie de oorzaak wil, wil ook het uitwerksel, hetgeen hij voorziet dat uit die oorzaak zal volgen; qui vult eausam, vult efieotum, ex causa praevisum. Het verstand zegt ons ook, dat al wie eene zaak verafschuwt, eveneens de oorzaak verafschuwt die daartoe aanleiding geeft. De dieren zeiven vluchten uit instinct, de oorzaak van datgene wat zij vreezen en verafschuwen, Een paard stoot zich niet tweemaal aan denzelfden steen, een hond keèrt niet andermaal terug naar een huis, waar hij geslagen is geworden; een vogel laat zich niet tweemaal vangen in denzelfden strik. Ons verstand, zoo ver boven het instinct der dieren verheven, zegt het ons niet, dat wij om een kwaad Ie vermijden, de oorzaak moeten vluchten d!e daartoe aanleiding geeft ? Wie bang is te verdrinken, zorge dat hij niet te dicht bij het water komt. Wie bang is zich te branden, blijve van het vuur. Wie bang is zich te bevuilen , neme zich in acht voor het slijk. Wie bang is om ziek te worden,

-ocr page 114-

— 104 —

vermijde de koude, de vochtigheid, den tocht en ont-houde zich van alle spijzen die hem kunnen schaden. Waarom vlucht dan ook de zondaar niet de gelegenheid tot zonde ? Ach, het komt omdat hij de zonde niet vreest en niet verafschuwt, maar haar liefheeft. Hij blijft bijgevolg vijand van God en zoolang hij de oorzaak zijner zonde niet vlucht, is er voor hem geene vergiffenis mogelijk. Wat volgt daaruit ? Daar volgt uit, dat indien gij om de absolutie machtig te worden den biechtvader bedrogen hebt, met hem val-schelijk te beloven dat gij de naaste gelegenheid zoudt vluchten, terwijl gij met het hart besloten waart dat niet te doen; daaruit volgt zeg ik, dat in zulk geval de absolutie, die gij in die slechte gesteltenis ontvangen hebt, van nul en geener waarde bij God is. Integendeel, zij heeft u plichtig gemaakt aan eene nieuwe zonde, erger dan alle anderen ; zij heeft uw geweten bezwaard met eene heiligschexmis. De priester moge ook 100 maal tot u zeggen: ik ontsla u van uwe zonden; God heeft die vrijspraak niet bekrachtigd; maar Hij heeft van uit de hoogte des hemels 100 maal tot u gezegd : „En ik, ik vervloek u. De biechtvader kan u van alle mogelijke zonden ontslaan , bijaldien gij berouw daarover hebt en besloten zijt u te beteren en de gelegenheden te vluchten. Maar de paus zelf, met de sleutels van den H. Petrus in de hand, kau hem niet vrijspreken die de vrijwillige naaste gelegenheid tot zonde niet wil verlaten. Hebt gij derhalve tot dusverre in de vrijwillige naaste gelegenheid tot doodzonde geleefd, dan moet gij door eene goede generale Biecht de slechte biechten herstellen, die gij in dien staat gedaan hebt. Ik vermeen u voldoende te hebben overtuigd, dat de zondaar gehouden is de gelegenheid tot zonde te

-ocr page 115-

vermijden, indien hij vergiffenis daarvan wil bekomen. En ik voee; er bij , dat hij daartoe verplicht is om zich voor herval in de zonde te behoeden.

Dat zegt ons vooreerst de stem van God. Hij zegt ons, bij monde van den Wijzen Man : „Wie het gevaar bemint; zal er in omkomen. Qui amat perioulum, peribit in illo.quot; (Eccli. 3. 27.) Ja, niets is zoo zeker dan dat. Wie het gevaar bemint, d, i. wie vrijwillig de gelegenheid tot zonde opzoekt, zal erin omkomen. Waarom ? Omdat God de hulp zijner genade weigert aan hem die zich roekeloos aan het gevaar blootstelt; aan hem die ondanks het verbod van God zich zeiven in gevaar stelt. Nu, het is een punt des Geloofs, dat wij verstoken van de goddelijke genade, de zonde niet kunnen vermijden. Bijgevolg, wie de gelegenheid niet vermijdt, wel verre van ontslagen te worden van zijne zonden, kan niet andeis dan zonde op zonde stapelen en eindelijk eeuwig verloren gaan. God zegt ons nog in het Evangelie : Indien uwe rechterhand, voet of oog u ergert, snijdt dan die hand, dien voet af, rukt dat oog uit en werpt het ver van u; want het is beter het Rijk der Hemelen in te treden met één enkele hand en voet, met één oog, dan met twee handen, voeten en oogen geworpen te worden in het eeuwig vuur. (Marc. IX. 42.-49.) Ziehier de betee-kenis dier woorden: Laat de persoon of zaak, die voor u eene gelegenheid tot zonde is, u even dierbaarzijn als uwe rechterhand, uw rechtervoet, of oog ; gij moet u evenwel van die persoon of zaak ontdoen ; want het is beter, met het oog op den hemel, alles prijs te geven, dan in den afgrond der hel te worden neergestort. Gij ziet; J. C. geeft ons de keus, de gelegenheid tot zonde verlaten, of in het eeuwig vuur der hel geworpen te worden. En waarom is er geen middelweg

-ocr page 116-

- 106 —

tuasehen de vlucht der gelegenheid tot zonde en de hel ? Omdat hij die in de gelegenheid blijft, noodzakelijk van zonde in zonde, van den eenen afgrond in den anderen en eindelijk in de hel moet vallen. Van twee zaken dus ééne; gij moet dat slecht gezelschap, die zondige verkeering, die vermakelijkheid, die lezing ten offer brengen; of wel genoegen nemen in uwe ziel te verdoemen. De rede voegt hare stem bij die van (iod, bij die der Kerk, om u te overtuigen van de noodzakelijkheid, om de gelegenheid tot zonde te vluchten, indien gij u voor herval wilt behoeden. De rede zegt ons , dat dezelfde oorzaak altijd dezelfde gevolgen heeft en dat er geen ander middel is, om de gevolgen tegen te gaan , dan de oorzaak weg te nemen. Een landbouwer ziet, dat zijn akker door de mollen vernield wordt. Wat moet hij doen om dat te beletten ? Is het genoeg, dat hij de molshoopen verwijdert en den grond effen maakt? Neen, dat is geen afdoende maatregel, dat zal hem niets helpen; hij moet de mollen vangen en dooden. Doet hij dat niet, dan is het duidelijk dat zij zullen voortgaan hun vernielingswerk voort te zetten. Eene huisvrouw bij den schoonmaak van haar huis , ziet alle hoeken van de kamer met spinnenwebben bezet. Is het nu genoeg dat zij eenvoudig de spinnewebben verwijdert; moet zij ook de spinnen zeiven niet dooden ? Zoo niet, dan zijn binnen een paar dagen de hoeken weder met spinnenwebben bezet. Eveneens is het met den zondaar. Indien hij de naaste gelegenheid tot zonde niet verwijdert, kan hij gaan biechten zoo hij wil, de zonde evenwel zal in zijn hart blijven. De naaste gelegenheid is als een mol die uwe ziel verwoest, \'t is een afzichtelijke spin die uw hart besmet. Gij moet haar volstrekt vernietigen; want zoo niet dan

-ocr page 117-

— 107 —

zal uw geweten altijd met zonden besmeurd zijn ; want dezelfde oorzaak brengt altijd dezelfde gevolgen voort. Eindelijk de stem der ondervinding komt de stem van God en die Kerk bekrachtigen en doet u zien, dat de zondaar om zich voor herval in de zonde te behoeden, de naaste gelegenheid tot zonde moet vluchten. Eene lange ondervinding doet zien, hoe waar het spreekwoord is : De gelegenheid maakt den dief. De H. Leonardus a Porto Mauritio verhaalt, dat een mandie inzondeleefde, tijdens eene missie door de genade getroffen werd. Hij nam het vast besluit zich te be-keeren en besloot eene goede generale biecht te spreken. Hij onderzocht met zorg zijn geweten, schreef zijne zonden op en ging op weg naar de kerk. Om in de kerk te komen, moest hij voorbij het huis gaan waar zijne medeplichtige woonde. Hij had het ongeluk dat huis in te gaan, aan die vrouw een laatst vaarwel te zeggen en haar aan te sporen zich eveneens te be-keeren. quot;Wat gebeurt er? Wel verre van die vrouw te bekeeren, werd hij opnieuw door haar verleid, doordien hij zich blootstelde aan de gelegenheid; hij herviel in de zonde en bij het verlaten van het huis werd hij door eenen medeminnaar die hem aan de deur wachtte, door een dolksteek gedood. Hij stierf oogenblikkelijk zonder den tijd te hebben om te biechten. In plaats van naar de kerk te gaan ten einde van zijne zonden gezuiverd te worden, ging hij naar de hel, zijn geweten met eene nieuwe doodzonde beladende. Dezelfde Heilige, spreekt ook van een misdadiger, die in handen viel van het gerecht en ter dood veroordeeld werd. Die man had geleetd in een verboden omgang; want de onzuiverheid is de onafscheidbare gezellin van alle misdaden. God echter schonk hem de genade zich voor te bereiden tot den

-ocr page 118-

— 108 —

dood door het spreken eener goede biecht. Terwijl men hem naar het schavot leidde, kwam hij voorbij het huis waar de medeplichtige zijner zonden woonde. In plaats van ingetogen zijn weg te vervolgen, had hij de onvoorzichtigheid de oogen op te slaan. Hij zag die vrouw en met haar te bezien , stemt hij toe in eene zondige begeerte, zoodat hij vóór de onthoofding noodig had om nog eenmaal te biechten. Ziedaar nu een man met het hoofd reeds onder de bijl, met het kruisbeeld voor zijne oogen, met een priester aan zijne zijde, die hem goede gedachten ingeeft, een man zoo dicht bij den dood, die in zonde valt tengevolge van een enkelen onvoorzichtigen oogslag. Waartoe noodig zoo ver naar voorbeelden te zoeken. Raadpleegt Chr. uwe eigen ondervinding. Waarom zijt gij altijd in dezelfde zonden hervallen , ondanks de beste voornemens 1 Omdat gij de gelegenheid tot zonde niet geschuwd hebt. Zeg mij eens jongeling, jonge dochter, wanneer zijt gij in uwe schandelijke buitensporigheden hervallen ? Was het niet toen gij die vroegere verkeering weder hebt aangeknoopt, die de biechtvader u gelast had af te breken. Was het niet toen gij alleen waart met elkander in die gesloten kamer, of \'s avonds bij den terugkeer van die kermis. Gij, die de droevige gewoonte hebt aangenomen van den drank, wanneer zijt gij in dronkenschap hervallen, ondanks al uwe goede voornemens? Was het niet toen gij tot \' avonds , j a \'s nachts in de herberg bleeft? Godslasteraars en vuile taalsprekers, wat heeft u wederom in uwe zonden doen terugvallen ? Was het niet toen gij u in gezelschap bevondt van deze of gene personen, die door hun voorbeeld of door hunne tegenwoordigheid u aanzetteden om te vloeken en onkuisehe taal te spreken. Gij hebt het

-ocr page 119-

— 109 —

dus begrepen Ch ; do zondaar is volstrekt gehouden de vrijwillige naaste gelegenheid tot zonde te vermijden. Hij is daartoe gehouden, wil hij vergiffenis zijner zonden erlangen en zich voor herval in zonde behoeden.

IIL Laat ons thans eens zien, welke de voornaamste gelegenheden tot zonde zijn die gij schuwen moet; of liever laat ons eens zien, wat men denken moet van sommige zaken, die dikwijls eene gelegenheid zijn van tal van zonden. Spreken wij eerst over; De herbergen. Meent niet, dat ik de herbergen in het algemeen, zonder onderscheid veroordeel. Neen, er is niets tegen van tijd tot tijd, in behoorlijk gezelschap, eene fatsoenlijke herberg te bezoeken. Dat is eene gepaste uitspanning. Ik wil dus niet zeggen dat alle herbergen, altijd en voor iedereen eene gelegenheid tot zonde zijn. Maar ik zeg dat er herbergen zijn, die in zekere omstandigheden en voor zekere personen, eene gelegenheid tot zonde zijn tegen het Geloof en tegen de zeden. De herbergen zijn dikwijls broeinesten van ongeloof. Daar hoort men niet zelden gesprekken tegen den godsdienst, tegen de Kerk, tegen een of ander punt van het Geloof, tegen geestelijken en priesters. En wat zijn het doorgaans voor menschen, die zulke taal voeren? Domme menschen, die weinig of geen studie gemaakt, geen kennis hebben ; ongodsdienstige menschen, die hunne plichten van Christen zorgeloos of in het geheel niet vervullen; zedelooze menschen die uitwendig fatsoenlijk, inwendig verdierlijkt zijn. Helaas ! daar zijn er, die naar hunne gesprekken luisteren, er min of meer aan gelooven en langzamerhand den eerbied voor den priester, de liefde voor den godsdienst verliezen. Chr. zet nimmer den voet in zulke herbergen, waar on-, godsdienstige taal gesproken en toegelaten wordt, zij

-ocr page 120-

- no -

zijn eene gelegenheid tot zonde. Dikwijls ook in de herbergen, in de hitte van den drank, van het spel en van den twist, hoort men godslasteringen uiten tegen Grod, godslasteringen welke iedereen die een weinig godsdienst bezit, doen sidderen en ijzen. In sommige streken van ons land vindt men in de herbergen tegen den muur een opschrift hangen, waarop te lezen staat: Hier wordt niet gevloekt. Gave God dat die woorden ook te lezen waren in alle herbergen dezer gemeente, of liever dat zij gegrift stonden in de harten van allen, die de herberg bezoeken. Chr. hebt een afschuw van de godslastering, duldt niet dat men in uwe tegenwoordigheid, in uw gezelschap God vervloeke, schuwt de godslasteraars en de herbergen waar zij gewoon zijn heen te gaan ; zoo niet, dan verliest gij langzamerhand den afschuw voor het vloeken en wordt zelf godslasteraars. Herbergiers, gij die in uwe herbergen het vloeken toelaat, gij trekt tot straf over uw huis, den vloek van God af. De herbergen zijn ook dikwijls eene gelegenheid van Misverzuim; in plaats van recht naar de kerk te gaan gaat men eerst de herberg in, men praat en drinkt en komt te laat in de Mis. Anderen komen op tijd, maar verlaten de kerk zoodra de preek begint, gaan naar de herberg en keeren somtijds niet eerder in de kerk terug, dan wanneer de Mis reeds ver gevorderd is; ja er zijn er die volstrekt niet meer terugkeeren en zoo zijn do herbergen somtijds eene gele genheid dat men de Mis verzuimt, alsmede het aanhooren van Gods woord. Schuldig voorzeker zijn zij, die wegens de herberg gedeeltelijk of geheel de Mis verzuimen, alsmede zij die de preek niet bijwonen ; maar veel schuldiger zijn de herbergiers die hen opnemen en die om wille van een paar stuivers, aan die on-

-ocr page 121-

— Ill —

verschillige christenen de gelegenheid verschaffen, de prediking van Gods woord te schuwen en hunne ziel te verdoemen. Ach bestond overal de christelijke gewoonte om tijdens de kerkelijke diensten de herbergen gesloten te houden. De herbergen zijn daarenboven somtijds kweekscholen van onzedelijkheid.Zijgeven vooreerst gelegenheid tot dronkenschap; vooral wanneer men zich daar tot laat in den avond en in den nacht ophoudt. Zeker, men mag in fatsoenlijk gezelschap, in eene ordelijke herberg een bepaalden tijd doorbrengen; maar daar tot 11, 12 uren en nog later te blijven, is een grof misbruik, dat de dronkenschap bevordert en het ongeluk van vele huisgezinnen te weeg brengt. Ik behoef niet te zeggen wat er voorvalt, wanneer een vader des huisgezins laat in den avond, verhit door den drank naar huis keert. Wat een ongeluk voor eene vrouw zulk eenen man, voor kinderen zulk een vader te hebben ! Welk slecht voorbeeld, welk een aanstoot voor de buurt ! En wat is de oorzaak van al die wanorden ? Dat zijn die herbergeni of liever die herbergiers, die hunne huizen niet op tijd sluiten en te drinken geven aan hen die reeds veel te veel hebben. Welnu, al de tranen, al de vervloekingen van zoovele ongelukkige vrouwen, al die rampen in het huishouden, al die zonden, die het gevolg zijn der dronkenschap , komen neer op het hoofd der herbergiers. Wilt gij de verantwoordelijkheid van u afwerpen, sluit dan op een behoorlijk uur uw huis en geeft geen drank meer aan hen, die reeds te veel hebben. De herbergen zijn ook dikwijls eene gelegenheid tot zonde van onkuischheid. En wanneer ? Wanneer herbergiers hun huis leenen tot het houden van verdachte bijeenkomsten, wanneer de herbergiers-vrouw, hare dochters of meid, zich zeiven niet genoeg

-ocr page 122-

- 112 -

eerbiedigen, met oneerbare woorden lachen die men hun toevoegt, daarop antwoorden en allerlei onpassende gemeenzaamheden veroorloven. Wanneer men zich in die herbergen onpassende dansen veroorlooft, die tot allerlei kwaad aanleiding geven, wanneer men in de herberg vuilen praat verkoopt en gemeene liedjes zingt. Wanneer jonge dochters zich daar met jongelingen aan tafel zetten. Nooit mag een fatsoenlijk meisje eene herberg ingaan; hare tegenwoordigheid alleen geeft reeds aanleiding tot slechte gesprekken en andere wanorden. Een meisje dat naar de herberg gaat, toont dat zij geen schaamtegevoel, geen fatsoen heeft en verdient verachting. Chr. nog eens ; ik veroordeel de herbergen niet in het algemeen en zonder onderscheid; maar ik zeg, dat de herbergen in zekere omstandigheden en voor zekere personen, eene vrijwillige naaste gelegenheid zijn tot zonden tegen het geloof en de zedelijkheid. Stappen wij van de herbergen over naar eene andere gelegenheid tot zonde; namelijk tot de slechte lezingen. Niets is zoo algemeen in onze dagen als de slechte geschriften. Zij verschijnen onder alle namen, onder alle vormen. Nu, slechte geschriften, doen vooreerst het geloof verliezen. Tal van boeken en dagbladen in onze dagen zijn uiterst goddeloos. Lasteringen tegen de geestelijkheid, verachting van het kerkelijk gezag, vervalsching der geschiedenis, bespotting van de ceremoniën der Kerk en van alles wat heilig is: ziedaar de gewone inhoud van die slechte geschriften. Sommigen vertoonen openlijk hunne goddeloosheid ; anderen bedekt, doch allen streven er naar u afvallig te maken van het geloof, van dien kostbaren schat, die J. C. ons door zijnen dood verdiend heeft, dien de Apostelen door hunnen arbeid en zweet

-ocr page 123-

verspreid, dien de martelaren met hun bloed bezegeld hebben, dien schat dien gij als een kostbaar pand van uwe voorouders geerfd hebt en die u gelukkig moet maken in dit en in het ander leven. Chr. neemt u in acht voor slechte schriften en dagbladen. Herbergiers, bant uit uwe huizen dagbladen, waarin Godsdienst en Kerk gehoond en verguisd worden.Sleehte geschriften leveren niet slechts gevaar op voor het Geloof, maar ook voor de goede zeden. In de meeste onzer moderne romans wordt ] de Christelijke zedeleer op de schandelijkste wijze met voeten getreden. De laagste driften, de verregaandste ongebondenheden worden daarin gerechtvaardigd, ja onder de schoonste kleuren geschilderd; onkuischheid, overspel... worden daarin aantrekkelijk gemaakt. Onmogelijk kuisch te blijven, indien men zulke geschriften leest. Een slecht boek is de gevaarlijkste van alle verleiders. £en slecht boek is een listige verleider; het wordt geschreven door een man van talent, die de kunst verstaat zielen te bederven en die de verbeelding, den stijl, alles te hulp roept, om zijn werk belangwekkend te maken en de nieuwsgierigheid te prikkelen, \'t Is een schaamteloos verleider, die niet weet te blozen, die voor niets stilstaat en die in het hart zijner lezers tot den laatsten druppel uitgiet van het onzuiver venijn waarmede het zijne vervuld is. \'t Is eindelijk een bestendige verleider. Immers een slecht boek ligt altijd voor de hand, zijne verderfelijke leer staat uitgedrukt op papier, men kan het lezen en herlezen als men wil, men kan het uren en dagen lang overwegen.En wat heeft dat tengevolge ? Dat men allen afschuw verliest voor het kwaad, in beoefening brengt wat men gelezen heeft en ten slotte de speelbal wordt der laagste driften. De Kerk heeft dus wel reden, de slechte boeken te ver-

8

-ocr page 124-

— 114 —

bieden; ja wat meer is, zij verbiedt dat men ze beware, verkoope , leene, of anderen in handen stelle. Chr. schuwt eene slechte en lichtzinnige lectuur, als een uwer gevaarlijkste vijanden.

De derde zaak waarvoor ik u wil waarschuwen, is het dansen. De dansen zijn op zich zeiven niet slecht, maar gaan doorgaans vergezeld van omstandigheden, die haar uiterst gevaarlijk, ja niet zelden zondig maken, \'t Is in dien zin dat de H, Franciscus van Sales, de zachtste en toegevendste van alle Heiligen, in zijne „Inleiding tot het Godvruchtig Leven,quot; zegt: De dansen zijn evenals de paddestoelen; de besten deugen nog niet. En bemerkt, dat de Heilige in zijn boek spreekt tot men-schen, die in de stad wonen, tot personen van aanzienlijken stand, die doorgaans in taal en manieren zeer omzichtig zijn. Hij spreekt van de dansen van zijnen tijd, die veel ernstiger en zediger waren dan die van onzen tijd. En toch keurt hij ze af, veroordeelt ze. De besten, zegt hij, deugen nog niet. Wat zou de Heilige gezegd hebben van onze dorpsdansen, waarin men zich veel meer vrijheid veroorlooft in woorden en manieren dan in die der steden? Wat zou hij gezegd hebben van onze moderne dansen, die zoo min zedig zijn en waarvan men zoo licht misbruik kan maken. Ach, Chr. gelooft mij, de dansen zijn de feesten van den duivel en eene gelegenheid tot zonde voor vele personen. Ziet gij niet dat zij die wat deugd en godsvrucht hebben, zich daarvan verwijderd houden en dat het meestal ijdele en lichtzinnige personen zijn,die er gebruik van maken. Dierbare jeugd, wilt gij uwe onschuld bewaren, of u voor herval in de zonde behoeden, schuw dan het dansen. En meent niet jonge dochters , dat gij daardoor uwe toekomst bederft. Neen, men heeft altijd gezien, dat meisjes die van wereldsche

-ocr page 125-

— 116 —

vermakelijkheden zicli afhielden, later de beate partij, de eervolste huwelijken aangegaan hebben. En integendeel dezulken, die van alles profiteerden, die overal bijwaren, zagen zich later bitter te leurge-ateld en in hare verwachting bedrogen. Dansen echter wordt nog veel gevaarlijker, wanneer men daar heengaat van omliggende dorpen. Want het naar huis keeren bij laten avond of bij nacht, is bijna altijd eene naaste gelegenheid tot doodzonde. Weest eens oprecht en zegt mij eens; of het niet was toen gij \'s avonds van eene naburige kermis naar hnis keerdet, dat gij in zware zonde zijt gevallen. De ondervinding leert dat het uitgaan bij laten avond, de oorzaak is van bijna alle ongebondenheden der jeugd, \'t Is daarom dat eene jonge dochter nooit naar eene vermakelijkheid mag gaan in een naburig dorp, tenzij in gezelschap van hare ouders of van een bejaarde persoon ; dus niet met een jongeling, zelfs niet met eene zuster of vriendin; omdat zulk gezelschap voor haar geen veilig onderpand is. Behalve het dansen, bestaan er op sommige plaatsen nog andere soorten van vermakelijkheden, niet minder gevaarlijk dan de reeds genoemde. Dat zijn zoogenaamde avondpartijtjes, waar personen van beiderlei geslacht elkander ontmoeten. JJeestal hoort men daar gesprekken, zingt men daar liedjes, vermaakt men zich met spelen, veroorlooft men zich vrijheiden, die in fatsoenlijke kringen niet geduld mogen worden. En de terugkeer naar huis bij laten avond, die [een gevolg daarvan is, is nog veel gevaarlijker. Het ia duidelijk Chr. dat dusdanige avondpartijen niet mogen geduld worden. Het zijn bijna altijd naaste gelegenheden tot zonde. Eindelijk kom ik tot een punt van het hoogste gewicht , tot eene zaak van het grootst belang voor

-ocr page 126-

- 116 -

de jeugd; d. w. z. tot de verkeeringen. Gij zijt ongetwijfeld nieuwsgierig te weten, hoe wij daarover oordeelen en denken. Welnu, wij oordeelen daarover, gelijk daarover geoordeeld hebben alle Heiligen, al degenen die eenige ondervinding hebben van de zwakheid van s\'mensohen hart, gelijk daarover oordeelen alle verstandige ouders en zelfs alle jongelieden, die oprecht willen zijn. Hoe oordeelen zij dan daarover ? Zij oordeelen, dat die nauwe en hartstochtelijke betrekkingen tusschen jonge lieden van beiderlei geslacht, uiterst gevaarlijk zijn en aanleiding geven tot ontelbare zonden. Misschien maakt gij mij de opmerking: Wat gij daar zegt, is van toepassing op slechte en bedorven menschen ; maar welk gevaar bestaat er voor een fatsoenlijk jongeling, om met een fatsoenlijk meisje te verkeeren ? Ik antwoord u met den gelukzaligen Jordanus: Aarde op zich zelf is goed en eveneens water; maar mengt beiden onder elkander en gij krijgt slijk. Eveneens die jongeling is goed, zoolang hij omgaat met zijne vrienden; die jonge dochter is braaf, tot zoolang zij bij baars gelijken blijft ; doch geef dien jongeling de vrijheid om met dat meisje te verkeeren. Wat zal er gebeuren ? Aanvankelijk misschien zal hunne verkeering onschuldig wezen, maar ten laatste, indien zij niet de grootste voorzorgen nemen, zal hunne ziel bezoedeld worden met het slijk der zonde. Maar wilt gij ons dan elke verkeering verbieden ? Neen, maar ik onderscheid twee soorten van verkeeringen: verkeeringen, die het huwelijk ten doel hebben en verkeeringen die niet het huwelijk ten doel hebben. Verkeeringen die niet het huwelijk ten doel hebben zijn verboden. Waarom f Ondat het nooit geoorloofd is, zonder reden zich aan het gevaar van zonde bloot te stellen. Nu, verkeeringen zonder de meening

-ocr page 127-

- 117 —

van te huwen zijn doelloos en beoogen alleen de voldoening der driften; zij mogen dus niet toegelaten worden. Mogen dus niet verkeeren ; eene jonge dochler die niet van plan is te huwen, ten einde hare bejaarde ouders te verzorgen; een jongeling die bij gebrek aan middelen van bestaan, in de onmogelijkheid is van te trouwen, een soldaat of beambte, wien de toelating van te trouwen geweigerd wordt; in één woord al dezulken die niet kunnen of niet willen trouwen. Verkeeringen die niet dan na largen tijd tot een huwelijk kunnen leiden, zijn eveneens verboden. Immers, om elkander te leeren kennen met het oog op het huwelijk, zijn geen jaren en jaren van noode. Het is dus niet geoorloofd op den leeftijd van zestien of zeventien jaren te beginnen te verkeeren ; wanneer men van zin is op den leeftijd van 25 of 30 jaren eerst te trouwen. Die langdurige verkeeringen zijn een der grootste misbruiken die men aantreft en zijn doorgaans eene onafgebroken reeks van zonden. Het is dus noodzakelijk dat gij die langdurige verkeeringen afbreekt. Zijt gij nog te jong om te trouwen, breekt dan die verkeering at. Hebt gij daarentegen den leeftijd; besluit dan hetzij tot het huwelijk, hetzij tot eene tijdelijke staking der verkeering. Laat ons echter ook eens spreken over verkeeringen, die een aanstaand huwelijk ten doel hebben. Die verkeeeingen zijn gevaarlijk, maar min of meer noodzakelijk en onder zekere voorwaarden geoorloofd. Die voorwaarden bestaan in het nemen van voorzorgsmaatregelen. En welke zijn die i1 Vooreerst, men moet overtollige en langdurige bezoeken vermijden, men mag daarenboven niet alleen verkeeren, maar altijd in het bijzijn van een lid des huisgezins. Vandaar dat de jongeling \'s avonds niet bij het meisje mag blijven, wanneer hare ouders naar bed zijn; het is ook

-ocr page 128-

- 118 —

niet geoorloofd, dat het meisje \'s avonds haren minnaar begeleidt tot aan de deur en daar met hem blijft staan praten. Zij mogen ook niet onder hen beiden alleen de kermissen der naburige plaatsen gaan bijwonen en vooral niet alleen met elkander terugkeeren. Zij mogen eindelijk zich geene enkele vrijheid of gemeenzaamheid veroorloven en moeten zich wel overtuigd houden, dat noch de roepen en de ondertrouw, noch het burgerlijk huwelijk hen onder dat opzicht iets meer toestaan en de zwaarte der zonden, dio zij mochten bedrijven verminderen. Weet liet we!, dierbare jeugd, het huwelijk is een verheven Sacrament; men moet zich daartoe voorbereiden door een vroom en deugdzaam leven en niet door een zondigen omgang. Wilt gij dat God uwen echt zegene ; wilt gij gelukkig zijn in uw huwelijk , weest kuisch tijdens de verkeering. Waarom treft men zoovele ongelukkige huwelijken aan ? Omdat er zoovele zondige verkeeringen plaats hebben.

Chr. het wordt tijd deze onderrichting te sluiten. Ik heb u duidelijk de verplichting aangetoond die gij hebt, om elke vrijwillige naaste gelegenheid tot doodzonde te vermijden. Ik heb u doen zien de onmogelijkheid die er bestaat vergiffenis uwer zonden te erlangen , indien gij niet vast besloten zijt dusdanige gelegenheden te schuwen. Geen biechtvader kan iemand van zijne zonden ontslaan, die in eene vrijwillige naaste gelegenheid tot zonde zich bevindt en niet vast besloten is haar te vermijden. Zegt niet: dat is bovenmatige gestreng- en hardvochtigheid. Neen. Wat zoudt gij zeggen van een vader, die om zijn kind niet te bedroeven, het een mes zou toevertrouwen, op gevaar af dat dat kind zich ernstig verwonde ? Wilt zoudt gij zeggen vaa een geneesheer, die om een zieke niet te bedroeven, hem deze of gene spijs waarvan hij houdt, maar die hem den

-ocr page 129-

— 119 —

dood kon berokkenen, niet zou verbieden ? Gij zoudt zeggen : die vader, die geneesheer miskennen hunnen plicht, door eene al te groote toegevendheid te gebruiken. Welnu Chr. indien de biechtvader u in de gelegenheid tot zonde liet leven, dan zou hij zich ten u-wen opzichte gedragen als een ontaard vader, als een slecht geneesheer, als een gewetenloos priester; hij zou u aan den eeuwigen dood blootstellen. Wanneer er spraak is van gelegenheid tot zonde, dan is toegevendheid wreedheid en gestrengheid liefde. Indien de biechtvader dus streng is op dat punt, is dit enkel omdat hij uwe zielen liefheeft. Maar zult gij zeggen: het valt hard de gelegenheid tot zonde te verlaten. Het valt hard aan die slechte lezing, aan dat zondig vermaak, aan die doellooze verkeering vaarwel te zeggen. Niets is meer waar Chr ; dat valt hard aan de natuur, dat is zelfs onmogelijk voor uwe eigene krachten. Maar met den bijstand van God worden de zwaarste offers licht. Dien almachtigen bijstand zult gij onfeilbaar bekomen door het gebed en vooral door het aanroepen van Maria, van die machtige Maagd, die de steun der zwakken is. Bidt dus Maria en ik verzeker u, zij zal u de kracht bekomen, om aan alle gelegenheden tot zonde vaarwel te zeggen en den hemel te bereiken, die beloofd is aan hen die zich geweld zullen hebben aangedaan: „Regnum coelorum vim patitur et violenti rapiant illud.quot; (Matth. 1\'. 12.)

-ocr page 130-

Over de Verkeeringen.

I Wanneer kan en mag men verkeeren?

II Waar moet men verkeeren ?

III Hoe moet men verkeeren ?

Filii Sanctorum sumus et non pos-sumus ita conjungi sicut gentes, quae ignorant Deum. Wij zijn de kinderen der Heiligen en mogen ons niet in den echt verbinden op de wijze der heidenen, die God niet kennen. (Tobias. 8. 5.)

Het is een punt van ons H. Geloof, dat God de zaligheid wil van alle menschen. „Vult omnes homines salvos fieri.quot; Vandaar, dat ook J. C. voor alle menschen gestorven is. Nu, om ons zalig te maken, leidt God iederen mensch langs een bijzonderen weg en die weg is de staat des levens ; de staat des levens dus is voor ons de weg tot den hemel. Het is derhalve van het grootst gewicht dat men zijnen levensstaat kenne; want zou men zich door zijne schuld hierin vergissen, dan zou men zich blootstellen van op het dwaalspoor te geraken, of met andere woorden ; zijnen levensstaat te missen is gevaar loopea den weg tot den hemel te ver

-ocr page 131-

liezen. Vandaar dat de H. Alphonsus niet aarzelt te zeggen, dat al wie zijn levensstaat mist, groot gevaar loopt voor zijne eeuwige zaligheid. Evenals nu verschillende wegen tot hetzelfde doel leiden, zoo leidt ook elke levensstaat tot den hemel; de een gemakkelijker en veiliger, de andere moeilijker en minder veilig ; de eene levensstaat is verdienst- en eervoller, de andere daarentegen minder eer- en verdienstvol. Ondanks die verscheidenheid echter van levensstaten, kan men gevoegelijk allen tot twee terugbrengen; 1) De ongehuwde staat. 2) De staat des huwelijks. De eerste, de ongehuwde staat is de verhevenste, de waardigste. De H. Paulus, in zijn brief aan de Corinthiërs, stelt den ongehuwden boven den gehuwden staat, om de vele voordeelen daaraan verbonden. De ongehuwde staat is echter slechts voor weinigen bestemd, de meesten uwer zijn geroepen tot den staat des huwelijks. Het is daarom dat ik gemeend heb u eens over dien levensstaat te moeten spreken, of liever over de voorbereiding tot het huwelijk, over de verkeering, waarover velen zoo lichtvaardig oordeelen, die voor velen een tijdperk van zonde en ongerechtigheid, ja niet zelden de oorzaak van hunnen tijdelijken en eeuwigen ondergang is. Ik ga u met betrekking tot de verkeering eene drievoudige vraag voorstellen.

I. Wanneer kan en mag men verkeeren ?

II. Waar moet men verkeeren ?

III. Hoe moet men verkeeren ? — Jongelingen en jongedoebters, die eenmaal den huwelijken staat zult aanvaarden, maar ook gij ouders, die voor uwe kinderen aansprakelijk zijt, luistert eens wat ik u ga zeggen. Vooraleer ik overga tot de beantwoording der gestelde vragen, moet ik eerst verklaren, wat men door eene

-ocr page 132-

— 122 —

verkeering, zooals zij hier te lande plaats heeft, verstaan moet. Eene verkeering, is eene min of meer noodzakelijke voorbereiding tot het huwelijk. Ik zeg min of meer noodzakelijk; immers het gewicht van den stap die men wil doen vordert, dat men elkander leert kennen, elkanders aard en karakter, neigingen en gevoelens; [het is dus noodzakelijk dat men van tijd tot tijd bijeenkome, dat men tot elkander in betrekking sta. Dat ligt in den aard der zaak zelve. De meerdere of mindere noodzakelijkheid echter der verkeering belet niet, dat de tijd der verkeering een hoogst gevaarlijke tijd is. Alle omstandigheden loo-pen zamen, om het tijdperk der verkeering tot het gevaarlijkste tijdperk van \'s menschen leven te maken. Samenkomst van twee personen, van twee personen van verschillend geslacht, doorgaans in den bloei des levens; dus wanneer de driften het hevigst, de bekoringen het veelvuldigst zijn, tusschen twee personen die elkander hartstochtelijk beminnen, verder de talrijke bezoeken, de bewijzen van liefde die men elkander geeft; deze en nog honderd andere omstandigheden geven duidelijk genoeg te verstaan, hoe gevaarlijk de verkeeringen zijn. Zijn dus de verkeeringen eenerzijds min of meer noodzakelijk, uit hoofde van het gewicht der zaak; de gevaren van den anderen kant die er aan verbonden zijn, vorderen voorzorgen en de grootste omzichtigheid, zooala gij zien zult in den loop der onderrichting. Dit vooropgesteld zijnde, ga ik over tot de beantwoording mijner eerste vraag.

1 Wanneer kan en mag men verkeeren ? Alleen dan wanneer men door God tot het huwelijk geroepen is. Bemerkt wel die woorden. Het staat u niet vrij den staat te omhelzen dien gijverkiest. Jongelingen en jonge dochters, gij moogt niet kiezen volgens de inspraken

-ocr page 133-

uwer driften , maar gij moet uwe keus regelen naar den wil van God. God bemooit zich wel degelijk met de keuze van uwen levensstaat. Een huisvader kan onder zijne kinderen het werk, een koning onder zijne onderdanen posten en ambten, een veldheer kan onder zijne soldaten zijne orders verdeelen zooals hij verkiest. Maar eene zaak van zoo groot gewicht als de keus van een levensstaat, die over tijd en eeuwigheid beslist, heeft God zich voorbehouden. Dus niet gij, niut uwe ouders, maar God bestemt voor u uwen le-veiisstaat. Huizen en rijkdommen geven de ouders; maar eene bravo vrouw geeft de hemel. Eliëzer, de dienstknecht van Abraham, werd door zijn meester uitgezonden, om voor zijn zoon Isaac eene vrouw te kiezen. Doch Eliëzer wendde zich tot het gebed en bad God, hem in die keuze behulpzaam te willen zijn. Nu, God deed dan ook werkelijk aan Eliëzer kennen, dat hij Rebecca tot huisvrouw van Isaac bestemd had. Op dezelfde wijze nagenoeg handelde God ten opzichte van den jongen Tobias. Door middel van den Engel Raphael liet Hij hem weten, dat Hij hem Sara tot huisvrouw had toegedacht. Dus nog eens; men mag niet verkeeron tenzij men door God tot het huwelijk geroepen is; want de verkeering is eene voorbereiding tot het huwelijk. Alhoewel God nu niet in persoon, of door middel van een engel, u zijn wil zal openbaren evenals aan Isaac en Tobias; zijn er toch teekenen, waaruit men veilig kan opmaken of men tot den huwelijken staat geroepen is. Deze zijn o. a;

1) Als gij u tot den huwelijken staat getrokken gevoelt, daartoe neiging en lust hebt ; dus niet verkeeron vermaakshalve, alleen om het plezier, zonder dat men lust gevoelt tot het huwelijk.

— 2) Als gij dengepasten leeftijd hebt; namelijk ten

-ocr page 134-

— 124 —

volle in staat zijt, de verplichtingen aan den huwelijken staat verbonden te begrijpen en tevens kracht genoeg bezit om de zaken van het huishouden behoorlijk waar te nemen. In den regel mag men zeggen, heeft dat niet plaats vóór de 20 jaar ; dus verkeeringen tusschen kinderen van 15, 16, 17 jaar mogen niet geduld worden.

3) Als gij wederzijds de vereisohte hoedanigheden hebt; dus geene verkeering met soldaten, ambtenaren en dergelijke, tenzij zij vergunning hebben om te huwen, niet met familieleden, want dergelijke huwelijken worden door de Kerk verboden en brengen ook zelden zegen / aan; geene verkeeringen met protestanten en andersdenkenden, om het gevaar van verleiding en afval van x het geloof; niet met dronkaards en onkuischaards ; want zulke verkeeringen leiden inden regel tot ongelukkige huwelijken; geene verkeering tusschen personen die in hetzelfde huis bijeenwonen, dewijl er alsdan groot gevaar, ja doorgaans eene naaste gelegenheid tot zonde bestaat, — geene verkeeringen , ten minste in den regel, tusschen personen die in stand en fortuin veel van elkander verschillen; ook in dit geval bestaat er doorgaans groot gevaar tot zonde; een meisje b. v. van minderen stand en minder fortuin , zal zich gemakkelijk door een rijken jongeling tot zonde laten verleiden , — ook niet tegen den redelijken wil van vader en moeder; want indien de ouders er op tegen zijn, tracht men niet zelden door middel der zonde de toestemming af te dwingen en om zijn fatsoen te bewaren, het huwelijk noodzakelijk te maken, — einde-\' lijk geene verkeering, wanneer er geen vooruitzicht bestaat op een aanstaand huwelijk ; verkeeringen die langer dan twee jaar duren , zijn in den regel af te keuren; omdat de lange duur de onderlinge vertrouwelijkheid vermeerdert en de oorzaak is van vele zonden.

-ocr page 135-

— 125 —

4) Eindelijk, men mag slechts verkeeren met één persoon. Een meisje dat zich ophoudt met 3, 4 personen, toont dat zij weinig fatsoen en schaamtegevoel bezit. Die zoo verkeeren hebben niet het huwelijk op het oog, maar de voldoening hunner lusten. Zoodanige verkeering is geen voorbereiding tot het huwelijk, maar een publiek schandaal in eene parochie. Die zoo verkeeren kunnen geen absolutie ontvangen, of moeten hunne levenswijze vaarwel zeggen. Jongelingen en jonge dochters, knoopt nooit eene verkeering aan, zonder eerst uwe biechtvader en uwe ouders geraadpleegd te hebben,

II. Waar mag men verkeeren? Die vraag is gemakkelijk te beantwoorden. Men mag verkeeren op elke plaats waar God maar niet beleedigd wordt. Op zich zelf genomen is dus geene enkele plaats voor de verkeering nitgesloten. Er zijn echter plaatsen, die wegens bijkomende omstandigheden hoogst gevaarlijk zijn en waar men dus niet verkeeren mag. Tot die verboden plaatsen behooren vooreerst de herbergen. Jonge dochter, laat u nooit overhalen om met uwen minnaar eene herberg in te gaan; een fatsoenlijk meisje is in de herberg niet op hare plaats; oogen en ooren vinden er menigen steen des aanstoots, men zal u onthalen om u des te gemakkelijker te kunnen verleiden en wie kan mij verzekeren, dat gij na s\'avonds huiswaarts gebracht te zijn , uwe ziel niet met doodzonden besmeurd hebt. Verder plaatsen waar men niet verkeeren mag, zijn alle eenzame plaatsen ; dus niet alléén in gesloten kamers en vertrekken, niet op afgelegen plaatsen, waar men overeengekomen is elkander op bepaalden tijd en uur te ontmoeten; niet in wandeldreven en op eenzame wegen, niet bij laten avond aan de deur des huizes, niet

-ocr page 136-

- 126 —

aan het open venster, terwijl de een binnen, de andere buiten is, niet in stallen, schuren en op zolders, niet in bosschen akkers en weiden ; in één woord niet op zulke plaatsen waar gij buiten toezicht zijt van ouders en huisgenooten. O, konden die muren der kamer waar gij uren en uren met elkander in de eenzaamheid hebt doorgebracht, konden die stomme tafels en stoelen van dat vertrek, waar gij eenzaam gezeten hebt eens spreken ; o, wat al zonden en gruwelen zouden er aan het daglicht komen ! Gij bedroogt u echter toen gij meen-det dat gij alleen waart; neen, God is getuige geweest van die oneerbare gedachten, verlangens en gevoelens, die er in u plaats hadden. God heeft ze gezien die oneerbare oogslagen en gebaren, die schaamtelooze liefkozingen en omhelzingen, die onkuische aanrake-ningen, die gij wederzijds hebt toegelaten : „Vidit et judioabit.quot; God heeft dat alles gezien en zal in den laatsten dag des oordeels ten aanhoore der gansche wereld, die geheime zonden openbaren. Zegt mij eens, waarom zoekt gij toch voortdurend alleen te zijn, buiten toezicht van anderen ? „Bona conscientia nullius fugit oculos.quot; Iemand die een goed geweten heeft, schuwt niet andermans oogen. Het was om vrijer te zijn, om naar hartelust uwe hartstochten te kunnen bevredigen, dat gij de eenzaamheid en de duisternis opzocht.quot; Qui male facit odit lucem.quot; Alwie kwaad in den zin heeft, schuwt het licht, zegt de Hquot;. Geest. Zegt mij eens wat zoudt gij denken van twee personen, die afgezonderd van anderen, zich hier en daar ophouden? Die hebben iets kwaads in den zin, zoudt gij denken ; zoo oordeelt gij, zoo oordeelt ook de wereld, hoe bedorven zij overigens ook is. Dus nog eens: eenzame verkeeringen hoedanig ook, zijn verboden. Ouders, waakt over uwe kinderen wanneer zij verkeeren, laat hen

-ocr page 137-

— 127 —

nooit alleen, veroorlooft nimmer dat uwe dochters alleen uitgaan om kermissen te gaan bijwonen, om feestjes en uitspanningen te gaan genieten ; weest niet te gemakkelijk om toe te staan dat uwe dochters al te vaak de stad bezoeken om daar inkoopen te doen, of met den avond verre boodschappen verrichten. Dat kunnen even zoovele gelegenheden tot zonde zijn. Tijdens de verkeering kunnen de ouders geen zorg genoeg besteden. Vuur en stroo moet men niet neven elkander leggen , zegt de H. Alphonsus, vooral als de duivel het vuur aanblaast. Aarde op zich zelf genomen is goed, en ook water is goed; maar mengt beiden met elkander en gij krijgt slijk. Mijne dochter, zult gij zeggen, ia goed, deugdzaam en braaf, en de jongeling met wien zij verkeert eveneens; ik geloof het gaarne, maar ik zeg op mijne beurt; veroorlooft gij hun te veel vrijheid, laat gij hen aan hun zeiven over, het zullen van engelen die zij waren duivelen worden. .Raadpleegt eens ouders op dit punt uwe eigen ondervinding en zegt mij dan of ik niet waarheid spreek.

III. Eindelijk, hoe moet men verkeeren?

In eer en deugd. Dat wil zeggen volgens de wereld ; dat het u vrijstaat alles te doen, bijaldien gij maar niet tot schande komt. Doch volgens het H. Geloof beteekeneu die woorden : „in eer en deugd,quot; dat gij den tijd der verkeering vrij van zonde moet doorbrengen. Meent niet dat gedurende den tijd der verkeering u iets meer geoorloofd is dan aan anderen. Dat de jongeling niet zegge : dit of dat is geen zonde. Alles is zonde wat geschiedt met vrijwillig behagen in onkuisch-heid. Zoolang gij niet getrouwd zijt, is u niets geoorloofd wat in strijd is met de H. deugd van kuischheid ; dus ook niet tijdens de roepen, in de ondertrouw, na het burgerlijk huwelijk. Wilt gij later gelukkige

-ocr page 138-

- 128 —

dagen slijten in het huwelijk, brengt dan den tijd der verkeering in eer en deugd door. Grij staat verwonderd dat men in onze dagen zoovele ongelukkige huwelijken, zoovele rampen in de familiën aantreft; huisgezinnen b. v. waar man en vrouw voortdurend in onmin met elkander leven, waar de kinderen tot spijt en verdriet hunner ouders dienen, waar de zaken

achteruit gaan.......; niet zelden zijn het straffen

die God overzendt voor de zonden in de jaren der verkeering bedreven. Luistert eens naar de vermaning , die de engel Raphael den jongen Tobias gaf, die op het punt stond met Sara, Raguels dochter in het huwelijk te treden. „Luister naar mij, zoo sprak de engel eu ik zal u zeggen over wie de booze geest macht heeft. Zij namelijk die zoo in\' den echt treden , dat zij God uit hunne gedachten verbannen en slechts toegeven aan hunne lusten, evenals redelooze dieren die geen versti nd hebben : over dezulken heeft de duivel machtquot;J Neemt ook gij die vermaning ter harte, indien gij wilt dat de duivel later quot;over u geen macht hebbe , brengt den tijd der verkeering door in eer en deugd. Te dien\' einde beveel ik u vooral drie zaken aan :

1) Neemt tijdens de verkeering wijze voorzorgsmaatregelen , die ons H. Geloof, uw gezond verstand, uw biechtvader u aan de hand geven; vermijdt vooral eenzame verkeeringen; veroorlooft u geene vertrouwelijkheden, die het vuur der wellust kunnen doen ontbranden; houdt\'maat in de] bezoeken die gij elkander brengt en zorgt tevens, dat die bezoeken niet al te lang duren; \'tijdens de verkeering kaa men niet voorzichtig genoegquot; zijn, omdat de duivel altijd in uw midden\' is om het ]vuur der wellust aan te blazen.

2) Een tweede middel is: een vurig en hartelijk gebed. Als er\'een | tijd in uw leven is, waarop gij

-ocr page 139-

behoefte hebt aan gebed, dan is het ten tijde der verkeering, als gij een levensstaat moet kiezen en dus eene bijzondere verlichting des Hemels noodig hebt; weest dus getrouw in het verrichten van uw morgenen avondgebed, in het bidden van den rozenkrans, in het bijwonen der H. Mis....

3) Eindelijk een laatst doch krachtig middel, is het veelvuldig naderen tot de H. H Sacramenten. Immers de Biecht en de Communie zijn krachtige middelen om het vuur des hartstochten te temperen. Niet ten onrechte wordt daarom de H. Communie genoemd : panis fortium, het brood der sterken; een wijn die maagden voortbrengt. De maandelijksche Communie is zeer aan te bevelen aan hen die verkeeren, zij zal u sterken en steunen, u voor zonden behoeden en maken dat gij den gevaarlijken tijd der verkeermg in eer en deugd doorbrengt. Jongelingen en jonge dochters, ziedaar een paar wenken van het grootste gewicht; drukt ze diep in uwe harten ; maar vooral brengt ze in beoefening; want niet alleen uw tijdelijk, maar ook uw eeuwig welzijn hangt er van af. Amen,

9

-ocr page 140-

Oneerbare Gesprekken.

Oneerbare gesprekken;

I. Overladen met schande dengene die ze spreekt :

1) Daardoor onteert de menseh zijne natuur en afkomst,

2) Toont dat hij een bedorven hart bezit,

3) „ „ „ „ boosaardig „ „ ,

4) Omdat znlke gesprekken schandelijk zijn in zich.

5) Onteert de menseh zijne tong ;

A) Verijdelt hare bestemming,

B) Bevlekt hare heiligheid.

II. Ondermijnen in anderen het gevoel van eerbaarheid ;

1) Zij leeren anderen het kwaad.

2) Ontnemen alle vrees voor het kwaad.

Omnis sermo malus ex ore vestro non procedat. Geen slechte taal kome uit uwen mond (Eph. IV. 29.)

Chr; wanneer men zijn oog laat gaan over alles wat ons omringt en bedenkt, dat God dat alles heeft geschapen voor^ zijnequot; eigen eer en glorie en tevens ten behoeve van den menseh, dan wordt men gestemd tot dankbaarheid, bewondering en liefde jegens God; dat gevoel echter van bewondering wordt vermengd met een gevoel van droefheid, wanneer men denkt

-ocr page 141-

— 131 -

aan het misbruik, dat door den mensch van die gaven gemaakt wordt. Dat er mensohen gevonden worden die Gods gaven misbruiken, is eene daadzaak en dat misbruik is des te schandelijker, naarmate die gaven edeler en kostbaarder zijn. Over dat misbruik van Gods gaven wenschte ik u te spreken en wel over het misbruik dat de mensch maakt van zijn tong. De tong, de tolk der ziel, de spiegel des harten, ia eene zeer kostbare gave Gods, zij is uitsluitend het eigendom van den redelijken mensch, hem door God gegeven om Hem te aanbidden en te loven. De mensch nu misbruikt haar om zijnen God te lasteren en te vloeken, den evenmensch in zijne eer te krenken en taal te spreken die geen heiden, veel minder een christen betaamt. En \'t is juist op dit laatste punt dat ik uwe aandacht wil vestigen: op dubbelzinnige, oneerbare gesprekken , die een gruwel zijn voor God, eene schande voor den mensch, eene pest voor de maatschappij, een bederf voor de zielen. O Chr. mocht ik u een zaligen afschrik inboezemen voor dat kwaad, zoo algemeen in de wereld en u eens duidelijk doen zien , welke verderfelijke gevolgen zulke gesprekken na zich slepen. Dienvolgens ga ik u doen zien :

I. Dat dubbelzinnige en oneerbare taal, eene waarachtige schande is, voor dengene die haar spreekt.

II. Eene onberekenbare schade berokkent aan den-gene die ze aanhoort.

I. quot;Wie slechte taal spreekt, overlaadt zich zelf met schande. Onder alle goederen die de mensch bezit, is de goede naam zoo niet het kostbaarste goed, ten minste een goed waaraan hij bijzonder gehecht is. Arm te zijn is dragelijk; want men kan arm zijn en toch geacht worden; evenzoo ongeleerd te zijn; maar zynen goeden naam verloren te hebben is on-

-ocr page 142-

— 132 —

dragelijk; vergalt het leven, voert soms den mensch tot waanzin en zelfmoord, is de grootste schande die iemand in kan loopon. Deze nu wordt verloren op velerlei wijze. Door dronkenschap, onrechtvaardigheid, ongodsdienstigheid, verliest men meer of min zijn goeden naam, — het hatelijkste echter wat men van iemand kan zeggen, is ; dat hij een onkuischaard is. Niets is zoo hatelijk, zoo walgelijk als een onkuisch mensch; de wereld, hoe bedorven overigens, verafschuwt dat kwaad. En terecht; daardoor toch onteert de mensch zijne natuur en afkomst en stelt zich op ééne lijn met het redelooze vee. De onkuischaard wordt vergeleken door den H. Petrus, met een hond, die terugkeert tot zijn uitbraaksel (II. Petr. II. 22.); bij een zwijn dat zich wentelt in het slijk. Dit past niet slechts op hem die onkuisch-heid bedrijft; maar ook op hem die onkuische taal spreekt; hij toont immers dat hij een onkuisch hart in zich ronddraagt; want waar het hart vol van is, zegt Christus, loopt de mond van over. (Luc. 6. 45.) Indien volgens den H. Augustinus, een oneerbare oogslag een kenteeken is van een oneerbaar hart: „Im-pudicus oculus, impudici cordis nuntius estmag men dit met nog veel meer recht zeggen van een onkuische tong. „Quale cor quis habet, talia verba loquitur,quot; zegt de H. Chrysostomus. Een koopman spreekt gaarne over handel en geldzaken, een reiziger over.... een soldaat over .... een geleerde over .... de Heiligen over God en goddelijke zaken; maar een onkuischaard wiens hart bedorven is , spreekt gaarne en bij voorkeur over oneerbare\' zaken. Hij, die in herbergen en bijeenkomsten, soms uren lang onkuische taal spreekt, toont dat hij een onkuisch hart bezit; evenzoo hij die onder den arbeid, in huis of op het veld,

-ocr page 143-

— 133 —

vuile en gemeene sprookjes en vertelsels opdisoht, die er op uit is op alles wat men zegt, dubbelzinnige en vuile toepassingen te maken, toont dat niet slechts zijne tong, maar ook zijn hart bedorven is. De vuile taalspreker toont verder Jat hij niet slechts een bedorven, maar ook een boosaardig hart bezit. Immers, hij beoogt niet zoozeer zelfvoldoening, dan wel anderen te bederven. In alle geval, onkuische gesprekken strekken andeion tot aanstoot, zijn eene gelegenheid van vele doodzonden en voeren velen ter hel. De onkuische taalspreker, zegt de H. Paulus, verspreidt een geur, die doodelijk is voor anderen. „Odor mortis in mortem.quot; (II Cor. 2. 16.) Hij verpest door zijne vuile tong, al degenen met wie hij in aanraking komt. Hij is een moordenaar van zielen. Ja, onbeschaamde jongeling , die bij vrienden en kameraden oneerbare taal spreekt, gij zijt de moordenaar van de ziel van uwen broeder. Gij gehuwde man en vrouw, die u niet schaamt, ten aanhoore van kinderen of ongehuwden over huwelijkszaken te spreken, gij zijt moordenaars van zielen ; omdat gij het bederf van uw hart in de harten van anderen uitstort. De vuile taalspreker overlaadt zich nog met schande, omdat zijne gesprekken schandelijk zijn uit haren aard of natuur. Oneerbare gesprekken, gelijk het woord zelf zegt, hebben de on-kuischheid tot voorwerp en de onkuischheid is eene schande, een gruwel voor God. Onkuischheid, zegt de H. Paulus, mag zelfs onder de Christenen nog niet genoemd worden. (Eph. 5. 3.) De onkuischaard, zegt de H. Eucherius, verschilt niet van het redeloos vee; evenals dit stelt hij zijn grootst vermaak in de bevrediging zijner vleeschelijke lusten, hij stelt zijnen roem in het schandelijkste wat denkbaar is, zooals de H. Paulus zegt; „gloria in confusione ipsorum.quot; (Eph.

-ocr page 144-

— 134 —

3. 19.) De onkuiscliaards, zegt de H. Clemens van Ale-xandrië, scheppen behagen in hunne afschuwelijkheden, gelijk de wormen in een vuilnisriool. Niet enkel de H. Schrift en de Vaders, de heidensche wijsgeeren zeiven, schandvlekken dien gruwel 1 De wellust, zegt Seneca, behoort tot het gebied, niet van den mensch maar van het vee : „voluptas non hominis, sed pecoria bo-num est.quot; De ontucht is zoo schandelijk, dat zelfs de booze wereld de slachtoffers dier zonde veracht en een verleider der onschuld, van liefde doorgaans tot afschuw en walging overslaat ten opzichte van de medeplichtige zijner zonde. Die schande nu treft niet slechts dengene die onkuischheid bedrijft,maar ook die onkuische taal spreekt; omdat het voorwerp van beiden hetzelfde is. Ik ga nog verder. Wie oneerbare gesprekken voert, onteert zijne tong op tweevoudige wijze:

1) Hij verijdelt de bestemming zijner tong. „Argentum electum, lingua justi,quot; zegt de H. Geest. Het zilver toch kenmerkt zich door een grooten glans en helderheid ; zoo ook de tong, omdat zij moet wezen de tolk der ziel en \'s menschen ziel door haren glans en schoonheid, het beeld is van God. Het zilver kenmerkt zich nog door hard- en degelijkheid, door een liefelijken klank; eigenschappen die ook aan de tong toekomen. Zij is een werktuig, zegt de H. Chrysosto-mus, dat wij bezigen om te spreken met God, Hem te aanbidden en te loven. Zij is een middelaar tusschen God en de menschen, vestigt vrede op aarde, vereenigt de menschen door den band der liefde, vervult de harten met goddelijke genaden en zoetheid; in één woord is een kostbaar geschenk van God. Wie nu zijne tong bezigt tot oneerbare gesprekken, misbruikt haar op de schandelijkste wijze; omdat hij hare bestemming verijdelt, met haar te bezigen om God te beleedigen en

-ocr page 145-

— 136 -

te vergrammen, Nog meer; door oneerbare gesprekken te honden:

2) Bevlekt de menseh de heiligheid zijner tong. De tong van den christen immers, is heilig en gewijd door de H. Communie ... De H. Kerk nu wil, dat alle voorwerpen die onmiddelijk in aanraking komen met de H. Hostie gewijd zouden worden; b. v. de vingeren van den priester, kelk, pateen, ciborie, monstrans ... Worden nu deze zaken tot andere doeleinden gebruikt, dan onteert men ze ; dus ook de christen die zijne tong, waarop J. C. moet rusten, tot vuile taal misbruikt. Koning Antiochus, roofde de gewijde vaten uit den tempel van Jerusalem en bezigde die tot zwelgerij en dronkenschap. God echter strafte voorbeeldig die heiligschennis. Een christen echter die oneerbare taal spreekt, maakt zich onder zeker opzicht nog schuldiger, omdat zijne tong heiliger is dan de vaten der O. W. en het misbruik daarvan grooter is dan dat van Antiochus. Zijn onkuischc gesprekken niet schandelijk, waarom kost het u dan zooveel die te biechten ? Gij bekent dus zelf dat zij schandelijk zijn ; maar daarenboven nog schadelijk voor anderen.

II. Zij ondermijnen in anderen het gevoel van eerbaarheid en wel op eene tweevoudige wijze :

1) Doordien zij het kwaad aan anderen leeren. Hoe komt het, dat kinderen nauwelijks de kinderschoenen ontwassen, reeds zoo rijp zijn in het kwaad, reeda zoo veel kennen? Dat hebben zij gehoord of geleerd van speel- en schoolkameraden, van knecht of meid in huis. Jongeling, of jonge dochter, hoe hebt gij het kwaad leeren kennen ? Uit u zeiven ? Neen, gij hebt het van anderen geleerd. Terecht, zegt de H. Cyrillus, dat dubbelzinnige en oneerbare gesprekken, tot \'s men-schen hart aanlokkelijk spreken; „dulciter vocat,quot; er

-ocr page 146-

- 13G —

zoetjes binnendringen : „suaviter intrat,quot; het doodelijk wonden : „lethaliter oocupatquot; en het eindelijk onherstelbaar verwoesten : „irreraediabiliter totum devastat.quot; Inderdaad, een enkel oneerbaar woord ia soms genoeg-om een tot dusver onschuldig hart volkomen te be derven en voor tijd en eeuwigheid ongelukkig te maken. Onkuische gesprekken leeren niet slechts het kwaad ; maar daarenboven:

2) Ontnemen aan de ziel alle vrees en afschuw voor het kwaad. Dit gebeurt vooral door het veelvuldig houden van slechte gesprekken; dan verliest men allengskens allen afschuw voor het kwaad; men wordt er gemeenzaam mede. quot;Wie voor het eerst eene slang ziet, siddert en huivert; wie haar voor de tweede, derde maal, dagelijks ziet, verliest allen afschuw daarvan. Hetzelfde heeft plaats met slechte gesprekken. Wie voor het eerst slechte taal hoort, wordt schaamrood, ontwaart een gevoel van afschuw; allengskens verdwijnt die afschuw, men wordt niet meer schaamrood, men luistert er naar met gretigheid, men lacht en spot er mede, men begint mede te spreken en men bederft anderen op dezelfde wijze als men zelf bedorven is. Ik sidder en beef, wanneer ik denk aan de verantwoordelijkheid die zich de vuile taalspreker op den hals haalt. Christus zegt, dat Hij u, zondaren, rekenschap zal vragen van elk nutteloos woord en indien die rekenschap reeds zoo gestreng zal wezen, wat zal het dan niet zijn, wanneer Hij u in het oordeel zal ondervragen, hoeveel zielen gij verleid en bedorven, ja misschien verdoemd hebt; zielen die in de vlammen der hel u eeuwig zullen vervloeken en uwe eigene verdoemenis vorderen. Ik beklaag een godslasteraar en dronkaard, om de schade die zij toebrengen aan hunne eigen ziel; maar behalve door erger-

-ocr page 147-

— 137 —

nis, schaden zij niemand dan hun zeiven. Maar wie slechte taal spreekt, schaadt zich zelf en anderen en wel onfeilbaar. Eene enkele vonk die op droog stroo valt, verwekt een ontzaggelijken brand; zoo ook een enkel oneerbaar woord vat vuur en vlam in het hart. Niets toch is meer ontvlambaar voor het vuur der on-kuischheid dan het menschelijk hart, door de erfzonde bedorven en sedert immer geneigd tot het kwaad, bestookt door driften en hartstochten, aangevallen door beliuringen en dat eenmaal gevallen zoo moeilijk weer opstaat. Een druppel gif in de maag ondermijnt het gansche gestel; zoo ook een enkel oneerbaar woord in het hart binnengedrongen, ondermijnt den ganschen geestelijken mensch. Thomas de Cantimpré verhaalt het volgend gansch droevig voorbeeld. Een zijner medeleerlingen, om zijne deugd alom geacht, had het ongeluk op zekeren dag, in gezelschap te zijn van eenige bedorven jongelingen, die onkuische taal spraken, hetgeen op het hart van dien jongeling zulk een nood-lottigen indruk maakte, dat hij weldra door het kwaad voorbeeld verleid en bedorven werd en zich aan de schandelijkste zonden overgaf. Eens keerde hij na den ganschen dag in ongebondenheid te hebben doorgebracht naar huis, viel in eene ziekte en verkeerde weldra in doodsgevaar. Alles werd in het werk gesteld om hem te doen biechten. Doch te vergeefs. Eindelijk breekt hij los in een oorverdoovend geschreeuw; Wee mijn verleider, roept hij uit, wee hem! Ik zie de hel geopend, het is gedaan met mij ! En dit zeggende gaf hij den geest.Ziedaar een voorbeeld ten bewijze,welkenoodlottige gevolgen oneerbare woorden na zich slepen. O ongelukkige zondaren, die u plichtigmaakt aan het spreken van oneerbare taal, misschien dp gewoonte daarvan hebt aangenomen, begrijpt gij nu welk kwaad gij sticht ?

-ocr page 148-

- 138 —

Gij schaadt u zeiven, overlaadt u met schande en werkt mede aan de verdoemenis van anderen. Te vergeefs zoekt gij u te verontschuldigen : Ik meende het zoo kwaad niet, het was maar uit scherts, daar waren geene kinderen aanwezig, wij waren onder ons getrouwden ; het doet niets ter zake ; oneerbare gesprekken zijn en blijven onder alle opzichten verboden. En gij die in de gelegenheid zijt dikwijls zulke taal te moeten aanhooren; vlucht, bid ik u, zooveel mogelijk zulke gezelschappen; want, zegt de H. Thomas, de mensch wordt gelijk aan diegenen met wie hij verkeert. „Talis erit, qualis est conversatie qaa utitur.quot; Breek af o jongeling, de vriendschap met dien kameraad, dia oneerbare taal spreekt en gij jonge dochter, de verkeering met dien jongeling, die .. . En zijt gij in een gezelschap, waaruit gij u niet goed verwijderen kunt, behartig dan de vermaning van den EL Geest: „Sepi aures tuas spinis.quot; .. d. w. z. sluit uwe ooren ; geef er geen acht op ; ja nog beter, geef openlijk uwe afkeuring te kennen, op een of andere wijze. Zoo handelde in zijne jeugd een H. Bernardinus van Siëna, die zoodra men .... van schaamte bloosde; een H. Stanislaus Kostka, die bij dergelijke gelegenheid in onmacht viel; een H. Edmond, die den rug keerde en heenging. Handelt ook gij zoo Chr. en past ieder op uzelventoede vermaning, die een engel gaf aan den H. Arsenius: „Euge,quot; vlucht slechte gezelschappen, vrienden , gesprekken ...quot; „tacequot; zwijgt; „quiescequot; en voor het overige weest gerust; want hij die zijne tong bewaart, zegt de quot;Wijze Man, bewaart zijne ziel: „qui custodit os suum, custodit animam suam.\' (Prov. 13. 3.)

-ocr page 149-

Godslastering

T. De Godslasteraar vervloekt God :

1) op de onbescliaamdste wijze,

2) „ „ ondankbaarste „

3) „ „ nuttelooste „

II. God vloekt den godslasteraar :

1) In dit leven,

2) Bij den dood en in eeuwigheid.

III. Weerlegging van opwerpingen en middelen om zich van het vloeken te beteren.

Vae genti pcccatrici.... blasphe-maverunt [ Sanctum Israël. Wee de zondige natie .... zij hebben den Heilige Israels gelasterd. (Isa. 1. 4.)

Er is Chr. eene zonde, zoo zwaar, zoo afschuwelijk, dat de H. Schrift haar zelden of nooit bij haren naam noemt; alsof zij vreesde ons oor te kwetsen bij het noemen van dien gruwel. Die zonde is de godslastering. De H. Geest noemt haar: „loquela contraria mortiquot; (Eccli. 23. 15.) Een woord des doods ; d. w. z;dat den dood veroorzaakt of verdient; bijgevolg dat in een christen mond geen plaats mag vinden. Ziedaar ook de reden, waarom de H. Geest elders bij wijze van tegenstelling, godslasteringen en vervloe-

-ocr page 150-

- no —

kingen, zegeningen noemt. Zoo wordt gezegd van Naboth, die God en den koning gevloekt had : „Be-nedixit Naboth Deum et regemquot;j (III. Reg. 21. 15.) De Schrift, zooals gij ziet, spreekt op bedekte wijze en waarom ? Om ons te leeren hoe afschuwelijk de godslastering is. Ach, hoe is het denkbaar; de H. Schrift neemt zoovele voorzorgen . .. terwijl zoovele christenen voor de godslastering niet den minsten afschuw hebben ; daar zijn er die geen volzin kunnen zeggen zonder te vloeken, die in drift, gramschap, ongeduld, tegen menschen en vee godslasteringen uitbraken ; ja niet zelden het vloeken beschouwen als een bewijs van geestkracht. Ongelukkigen, gij wilt God vervloeken en gij weet misschien niet, dat die vloek op uw eigen hoofd terugkomt: „Homo, qui maledixerit Deum, por-tabit peccatum suum.quot; (Lev. 25. 15.) Chr, gelieft eens goed toe te luisteren, vooral gij godslasteraars , opdat.... maar ook gij brave Chr., opdat gij met eene zalige vrees.....

I. Wat is God lasteren en vloeken ? Een woord of gezegde, onteerend en smadelijk voor God. „Est con-tumeliosa in Deum locutio.quot; Er zijn twee soorten van godslasteringen : van loutere boosheid en van ongeduld. Door de eerste versta ik de beleedigingen .... die de goddeloozen, ongeloovigen , ketters , tegen God, tegen J. C. de Kerk, den Paus uiten en waarvan de slechte boeken en couranten in onzen tijd opgevuld zijn. Zij zeggen dat er geen God, geen ander leven, geen hel bestaat.... Welnu, al degenen die deze of soortelijke taal uiten, lasteren God, bedrijven zware zonde. Ook gesprekken tegen Kerk en Geloof, in herbergen........ zijn God lasterende gesprekken.

Behalve deze, zijn er nog andere godslasteringen, namelijk van ongeduld. Daaraan maken zij zich plich-

-ocr page 151-

— 141 -

tig, die in beproevingen.....tegen God morren en

Hem van onrechtvaardigheid beschuldigen. Ook vindt men menschen, die zoodra zij driftig worden allerlei verwenschingen en vloeken op de tong hebben. Sluiten deze niets beleedigonds in voor God, dan zijn het geene godslasteringen. Doch er zijn er, die werkelijk vloeken en God lasteren. Zij vervloeken God, zijnen H. Naam, zij uiten woorden, beleedigend voor God, zij vloeken en lasteren God. \'t Is van deze soort van godslasteringen dat ik wil spreken en u doen zien, dat zij ter helle voeren; want God vervloekt degenen die Hem vervloeken. Ja, de godslasteraar verdient de hel; omdat hij met God te vervloeken, tegen Hem zondigt op de onbeschaamdste en ondankbaarste wijze, zonder eenig nut of voordeel. — Ik zeg vooreerst; hij zondigt op de onbeschaamdste wijze. Immers hij randt onmiddelijk God aan, zooals de Athanasius zegt; „qui blasphemat, contra Deitatem agit;quot; hij wapent zich in zijnen hoogmoed tegen den Almachtige. (Job. 15. 25.) Wie de andere geboden Gods overtreedt, veracht alleen zijne wet; maar wie vloekt, beleedigt den Naam, den persoon zelf van God; hij begaat majesteitschennis. Wie zijnen evenmensch beleedigt, besteelt, mishandelt, of doodt; beleedigt in hem het beeld van God ; maar de godslasteraar randt God in persoon aan, door zijnen H. Naam te vloeken. Vandaar dat de H. H, Hieronymus, Chrysostomus ... eenparig zeggen, dat geene zonde zwaarder is dan de godslastering. Hoe dat? De godslasleraar vloekt den naam van God, zoo bewonderenswaardig over de gansche aarde, gelijk de koninklijke profeet zegt; hij vloekt dien aanbiddelijken Naam, die alom gezegend moet wezen; dien machtigen Naam, uit kracht waarvan de Heiligen wonderen verrichten: „In den

-ocr page 152-

naam van J. C.; zeide Petrus tot den lamme ; sta op en wandel; — dien kraohtdadigon Naam, uit kracht waarvan (rod ons al zijne genaden mededeelt; want alle Sacramenten worden toegediend in den naam .... dien ontzagwekkenden Naam, die hel en duivelen doet beven ; dien troostvollen Naam ; dien Naam van hoop, onder wiens aanroeping onze ziel van deze wereld moet vertrekken; „Vertrek christen ziel van deze wereld, in den Naam.... Een Engelsch protestant, de geleerde Newton, ontblootte zich uit eerbied, telken male dat hij den naam van (iod uitsprak of hoorde uitspreken en wij katholieken schamen ons niet, dien te lasteren. De godslasteraar onteert verder dien Naam op de onbesohaamdste niet slechts, maar nog op de ondankbaarste wijze. Wie is hij die vloekt ? Een duivel ? want de verdoemden, zegt de H. Anto-nius, doen niets anders dan Grod lasteren en vloeken, — en als nu iedereeu aan zijne spraak gekend wordt, gelijk de Joden tot den H. Petrus zeiden: „loquela tua ..mag ik dan niet daaruit besluiten, dat de godslasteraar reeds een duivel, een verdoemde op aarde is. Maar neen, het is een mensch, met alle zegeningen des Hemels overladen; getrokken uit het niet, voortdurend door God bewaard en behoed, die lucht, voedsel, kleederen, woning alles van Grod ten geschenke ontvangt. God laat voor hem de zon schijnen, stort regen op zijne velden, doet zijn oogst rijpen . .. En de godslasteraar vergeldt die zegeningen met de ongehoordste vervloekingen. Welke ondankbaarheid! Het is niet alles. De godslasteraar is niet slechts mensch, maar dikwijls nog christen , vrijgekocht door het bloed van Christus; een christen wiens tong Gode is toegewijd in het H. Doopsel; die tong bezigt hij om God te vloeken, hij maakt er een zwaard van, dat Gods hart

-ocr page 153-

- 143 —

doorboort, zegt de H. Bernardinus van Siëna. De H. Augustinus voegt er bij, dat de christen die God lastert, zich aansluit bij de Joden om J. C. te geeselen; want Jesus wordt niet minder gegeeseld door de godslasteringen der slechte christenen, dan door de geesel-roeden der Joden. Ach, Chr. luistert eens hoe bitter J. C. klaagt over zijne leerlingen, die Hem lasterden. „Indien mijn vijand, zoo zegt Hij, mij gelasterd had, zou ik het verdragen hebben : „Si inimicus meus ma-ledixisset mihi, sustinuissem utique.quot; Maar dat gij mij vervloekt, gij christen, dien ik zoo zeer bemind heb^ gij, dien ik heb doen aanzitten aan mijns tafel, om u te spijzen met mijn vleesch en bloed, dat gij mij vervloekt, dat kan ik niet lijden. De godslasteraar eindelijk vervloekt God op eene geheel nuttelooze wijze; want hij trekt niet het minste voordeel uit zijne godslasteringen. Andere zonden verschaffen of beloven genot, vermaak of voordeel. De onkuischheid en onmatigheid geven eene oogenblikkelijke voldoening, onrechtvaardigheid eene kleine winst, heerschzucht eene voorbijgaande glorie. Maar welk voordeel trekt men uit de godslastering ? Niet het minste genot, niet de minute voldoening, niet het minste tijdelijk voordeel; integendeel, de godslastering is eene bron van armoede en ellende; omdat de vloek Gods rust op huizen waar zijn H. Naam gelasterd wordt. Niet de minste glorie ; want de vloeker wordt veracht door alle weldenkende menschen en is in hun oog een voorwerp van afschuw. De godslasteraar zondigt nog geheel en al nutteloos, omdat hij zich zonder eenige reden wreekt op God. Waarom zoekt gij u op God te wreken ? Welke schuld heeft God in uw oog ? Iemand heeft u beleedigd, of te kort gedaan, dienstboden voeren slecht uwe orders uit, uwe kinderen misdoen aan den eerbied u verschuldigd

-ocr page 154-

— 144 —

en gij vangt aan te vloeken op God. Wat heeft God u misdaan ? Verder, waartoe dient uw vloeken ? Wischt uwe godslastering de beleediging uit u aangedaan; maakt zij uwe onderhoorigen leerzamer, uwe kinderen gehoorzamer ? Juist het tegendeel; gij ontmoedigt en verbittert hen nog meer door uw vloeken. Eindelijk, \'t is dikwijls een dier; eene koe of paard, dat u in toorn stelt. Waarom dan vloeken ? Is er wel iets dwazer dan dat ? Zullen zij beter naar u luisteren als gij vloekt; zijn er geen andere middelen om hen te verbeteren, dan met te vloeken. De godslasteraar dus vervloekt God op de onbeschaamdste, op de ondankbaarste wijze en eindelijk zonder eenig voordeel.

II. Hoe zou dus God ook hen niet vervloeken die Hem zoo schandelijk lasteren ! Niets, zegt de H. Chry-sostomus, verbittert God zoozeer als het lasteren van zijn H. Naam en de profeet Isaiaa roept uit: „Vae genti peecatriei,... blaaphemaverunt Sanctum Israel.quot; (Isa. 1. 4) Ja, wee den godslasteraar; God vervloekt hem reeds in dit leven, in zijne tijdelijke goederen. Godslasteraars, verwondert u niet over de rampen die u treffen; ziekten onder uw vee, tegenspoed, wangedrag uwer kinderen;... \'t zijn de gevolgen van den vloek die op u rust. Verwondert u niet over de rampen die de wereld treffen: oorlog, ziekten, duren tijd; \'t is de godslastering die ze aftrekt. Al die rampen zijn voorzegd door de moeder Gods zelve, aan de kinderen van Salette ; zij schrijft die rampen grootendeels toe aan de godslastering; Weet gij kinderen, zoo sprak zij, wat mijn Zoon het meest vertoornt; dat is de godslastering en de ontheiliging van den zondag. God vervloekt ook den godslasteraar in zijne kinderen. Te Bronchon in het bisdom Namen, was een vader die onophoudelijk zijne kinderen vervloekte en ver-

-ocr page 155-

— 145 —

wenschte. In 1860 scheen zijn dochtertje van 13 jaren als door den duivel bezeten te zijn; tot dusverre braaf en verstandig, begon het op eens en onophoudelijk als eene bezetene te vloeken. Daarna werd het op eenmaal zwaar ziek, uitte allerlei verwenschingen tegen den pastoor, dien men ontboden had en stierf al vloekende, na verloop van een paar dagen. Nauwelijks was het dood, of het lijk werd zwart als een kool, trad in ontbinding en moest aanstonds begraven worden. Dit feit is geopenbaard door een geloofwaardig priester, die oom was van dat kind. God vloekt verder den godslasteraar bij den dood en in eeuwigheid. „Al degenen die u vervloeken, o God, zullen veroordeeld worden,quot; zeide Tobias. (13. 16.) Wat zeg ik ? De godslasteraar veroordeelt zich zeiven tot de hel; hij begint reeds op aarde de taal der verdoemden te spreken, hij begint reeds hier zijne hel en betert hij zich niet, dan zal hij haar voortzetten in het ander leven, in gezelschap der duivelen en verdoemden. In 1856 in eene plaats La Vachère (Namen) geheeten, werd een godslasteraar gevaarlijk ziek en ontving de laatste H. H. Sacramenten. De priester bracht hem daarna nog een bezoek en fluisterde hem eenige goede gevoelens in. Hij zag, dat de stervende de lippen bewoog en uiterst zaïht eenige woorden herhaalde. Hij brengt het oor aan den mond van den zieke en hoort hem aanhoudend zeggen ; „\'t is te laat.quot; Neen, mijn vriend, \'t is nooit te laat, Gods barmhartigheid is oneindig; al haddet gij nog duizendmaal meer gevloekt. God zou u nog vergeven. Neen, neen, \'t is te laat. Eenige oo-genblikken later stierf hij in wanhoop. In 1857 te Resteigne (Namen) ; barstte een onweer los ; drie men-schen op het veld gingen schuilen in een aarden hutje. Een hunner was een godslasteraar, die bij lederen don-

10

-ocr page 156-

derslag vloekte. Zijne twee gezellen zeiden tot hem : ala gij niet ophoudt, gaan wij weg van hier; want wij vreezen met u gestraft te worden. Doch hij hield niet op. De twee anderen stonden op en nauwelijks waren zij weg, of de bliksem sloeg neder op het hutje en doodde den godslasteraar. De geneesheer der plaats die de lijkschouwing deed verklaarde, dat de tong van den ongelukkige door den bliksem doorboord was. Hebt gij nu begrepen Chr. hoe zwaar de zonde van Godslastering is ; hoeveel zielen om! die zonde naar de hel gaan ; omdat God diegenen vloekt die Hem vloeken. Godslasteraar, vreest gij niet den vloek Gods, of meent gij u misschien door ijdele voorwendselen te kunnen verontschuldigen.

1) Gij zegt; Mijn vloek is niet tegen God gericht; maar tegen personen of zaken die mij ergeren. Overigens wanneer ik boos ben, ben ik geen meester van mijne tong; ik weet niet wat ik zeg. De H. Alphon-SUS CU de grootste godgeleerden zeggen, dat om zich aan godslastering plichtig te maken, het niet noodig is de meening te hebben rechtstreeks God te belee-digen; maar voldoende dat men een woord spreekt, dat uit zijnen aard beleedigend is voor God. Zij voegen er bij, dat de hevigheid van den toorn u evenmin verontschuldigt, omdat in uwe toevallen van toorn, alhoewel gij niet volkomen meester zijt van u zeiven, gij evenwel genoegzaam weet, wat gij zegt en dus aansprakelijk zijt voor uwe woorden.

2) Maar ik ben zoo opvliegend als kruit; ik kan mij niet bedwingen, mijn toorn moet losbarsten; daarenboven ik moet met paarden, met vee omgaan, ik heb honderden gelegenheden om mij boos te maken. Gij zijt opvliegend, dat is mogelijk; maar gij moet trachten u te bedwingen. Daar zijn Heiligen, die veel vu-

-ocr page 157-

- 147 —

riger waren dan gij en die door zelfbedwang zoo zachtmoedig zijn geworden als lammeren. Ja, maar ik ben geen Heilige. Goed, maar als gij dan geen deugd genoeg bezit om u zelvsn te bedwingen, waarom bezigt gij dan in uwe drift niet eene uitdrukking, die niet beleedigend is voor God ? Vervloekt in plaats van God den duivel, den vijand van God en der menschen; keert u tot hem in uwe vlagen van toorn en ongeduld ; want hij heeft geene andere bezigheid dan de menschen te kwellen.

3) Ik heb eene al te sterke gewoonte van vloeken, ik kan mij daarvan niet beteren, \'t Is eene gewoonte, zegt gij, des te erger. Dan zijt gij des te schuldiger Gij kunt u echter beteren, zoo gij wilt; met namelijk de middelen te gebruiken. Ziehier eenigen er van. Maakt eiken morgen bij uw morgengebed het vast voornemen, niet te vloeken gedurende den dag. Wordt gij tot vloeken bekoord, vervloekt dan den duivel en de zonde. Of wat nog beter is, zegt; Mijn God, help mij; Maria, geef mij geduld! Mocht gij ondanks dit voornemen nog vloeken, legt u dan aanstonds eene kleine penitentie op; h. v. telkens 3 Wees gegroeten, met dit schietgebed; „Gezegend zij de naam des Heeren.quot; Gij kunt u ook eene kleine aalmoes opleggen, of eene kleine versterving aan tafel verrichten. Iemand slaagde er in een soldaat van het vloeken te genezen, met hem op te leggen, telken male dat hem een vloek zou ont • snappen, zijne pijp weg te leggen en het overige van den dag niet meer te rooken. De soldaat deed dit en was binnen een paar dagen van het vloeken genezen. Een ander militair; \'t was een gepensionneerd kolonel, was- gewoon om eene nietigheid te vloeken. Hij werd ziek en vroeg eene liefdezuster om hem te verplegen. Ongeduldig in zijn lijden, liet hij niet na te vloeken.

-ocr page 158-

- 148 —

De zuster, bedroefd over die oneer den naam Gods aangedaan, dreigde hem te verlaten. Hoe wilt gij, sprak hij, dat ik mij daarvan betere ; \'t is eene oude gewoonte, die ik bijgehouden heb al de jaren van mijn diensttijd. Wenscht gij u oprecht te bekeeren, hernam de zuster ? Ja, sprak de officier; ik geef u mijn woord, ik zal alles doen wat gij verlangt. quot;Welnu, telken male dat gij zult vloeken, moet gij mij toestaan, uit uwe geldlade een vijffrankstuk te nemen voor de armen. Het middel kwam den kolonel wel wat kras voor ; doch hij had zijn woord verpand en durfde niet afslaan. Een half uur daarna overviel hem eene hevige pijn. De officier uit een vloek en de zuster zonder iets te zeggen, opent de lade en neemt een vijffrankstuk er uit. Een uur daacna een tweede vloek; nog een tweede vijffrankstuk voor de armen. De kolonel, zijn geld aldus ziende verdwijnen, bewaakt en bedwingt zich.Dien dag kwam geen zwarequot;vloek meer over zijne lippen; des anderendaags nog 2 of 3 maal en den derden dag was hij volkomen gebeterd. Ziedaar een grove vloeker in drie dagen tijds gebeterd, uit vrees van eenige stukken geld te verliezen. En gij Chr. zoudt gij u ook niet kunnen beteren, uit vrees van God, den hemel uwe ziel voor eeuwig te verliezen ? En gij brave Chr. hebt er een afschuw van,anderen te hooren vloeken. Hebt gij eenig gezag over hen ; is het uw zoon, knecht, arbeider ; waarschuwt, verbetert, straft hem. Zijt gij herbergier; duld niet dat in uw huis gevloekt wordt; gij zijt meester in uw huis en verplicht de zonde te beletten. Hebt gij daarentegen geen gezag over hen, verwijdert u dan, of maakt het teeken des kruises, om hun te toonen, welken afschuw gij van het vloeken hebt; zegt met het hart; De naam des Heereu zij gezegend ! Welaan Chr. nooit geen vloeken of godslas-

-ocr page 159-

teringen meer tegen God, die u geschapen, vrijgekocht en met zooveel genaden overladen heeft; vereenigt uwe stem met die der rechtvaardigen, Engelen en van alle schepselen, om zijnen H. Naam te loven en te prijzen. Ja looft en prijst Hom dikwijls in dit leven, opdat gij na uwen dood. Hem voor eeuwig moogt gaan loven en prijzen in den hemel, Amen.

-ocr page 160-

Over de Dronkensofaap

De dronkenschap maakt den men3eh ongelukkig,

I Voor den tijd :

1) Door den ondergang des fortuins,

2) „ „ „ der gezondheid,

3) „ „ „ van het huiselijk geluk,

4) Wiseht uit de waardigheid van mensch.

II Voor de eeuwigheid.

Sanitas est animae et corpori, sobrius potus. De matigheid bevordert de gezondheid van ziel en lichaam. (Eccl. 31. 37).

Chr. Grod heeft ons gelast te waken over uwe zielen, te arbeiden aan uwe eeuwige zaligheid. Die taak vordert van ons dat wij voortdurend en met nadruk optreden tegen de zonde ; want zij is het, zij alleen, die de zaligheid van menig christen op het spel zet. Nog eens, onze eerste plicht is het, uwe geestelijke belangen te behartigen, uwe onsterfelijke zielen zalig te maken. Doch konden wij ook iets bijdragen tot uw stoffelijk welzijn; dubbel zou onze vreugde zijn. Nu, er is eene zonde, een ramp die zoo menig mensch voor tijd en eeuwigheid ongelukkig maakt, eene zonde verachtelijk bij God en bij de menschen. Ik bedoel de dron-

-ocr page 161-

- 161 —

kenschap of onmatigheid, Chr. liebt de matigheid lief, want de H. Geest zegt; „Sanitas est animae et corpori, sobrius potus.quot; Ik wenschte u daarvan eens diep te over-tuigdn en deswege ga ik u voorhouden, de noodlottige gevolgen die de onmatigheid na zich sleept. Gij zult zien, dat zij den mensoh diep ongelukkig maakt in dit leven en hem een nog veel rampzaliger lot bereidt in de toekomst. Ave Maria ....

Behoefde ik niet het heil uwer zielen te behartigen; kon ik volstaan met eenige wenken, dit leven betreffende, dan zou\'mijn eerste wenk wezen, u te waarschuwen voor de onmatigheid. Zij immers maakt het leven van den mensch rampzalig. Luistert wat de H. Geest zegt.quot; Vinum multumi potatum, ruinas multas facit.quot; Het misbruik van |drank sleept menig verderf na zich ; verlies van het fortuin en van de gezondheid, verbanning van den huiselijken vrede, verlaging van de waardigheid van mensch.

I. Geld is eene goede zaak, als men er een goed gebruik van maakt. Iedereen, groot en klein, houdt van geld. quot;Wie geld heeft, wil het niet verliezen en wie het niet heeft, verlangt het te bezitten. Maar welke hoop bestaat er dat een daglooner, een arbeider die drinkt, geld bezitte. De drank kost geld. Die veel drinken, verteeren ook veel; wat zij door arbeid gewonnen hebben wordt zondags verdronken en het gebeurt, dat zij die 2- 3. [4. frank per dag verdienen, niet in staat zijn de huishuur en hun dagelijksch brood te

I betalen. Laat hen eens siek of oud worden, of er moet gebrek aan werk komen ; wat gebeurt er dan ? Als anderen hen dan niet bijspringen, sterven zij van hon -ger en gebrek. Is dat niet treurig ? Dat alles kon menquot; betalen. Laat hen eens siek of oud worden, of er moet gebrek aan werk komen ; wat gebeurt er dan ? Als anderen hen dan niet bijspringen, sterven zij van hon -ger en gebrek. Is dat niet treurig ? Dat alles kon menquot;: „verhoeden met een weinig spaarzaamheid. In plaats van elke week alles op te maken , moest men

-ocr page 162-

— 152 —

wat afzonderen ; dat zou na verloop van jaren een sommetje maken, waardoor men zich voor elk ongeval zou kunnen dekken en later zijne kinderen een fat-soonlijk bestaan bezorgen. Maar neen; men wil, men moet drinken, al wat men verdient verdwijnt in den zak van den herbergier. Ziedaar hoe het gaat met den daglooner en arbeider. Maar neemt nu eens een bemiddeld man, die aan den drank verslaafd is. Ook hij zal arm worden. Men verhaalt van den wijsgeer Diogenes, den volgenden trek. Gehoord hebbende, dat zijn neef zijn huis wilde verkoopen, ging hij tot hem en zeide; ik verwonder mij niet over uwen tegenspoed, uwen achteruitgang ; een huis dat een dronkaard tot eigenaar heeft, jaagt vroeg of laat zijn meester de deur uit. Hij had gelijk. Een dronkaard van fortuin gaat ziju ongeluk te gemoet. Naarmate hij drinkt nemen zijne uitgaven toe, zijne zaken gaan achteruit, van lieverlede verliest hij het vertrouwen ; want op een dronkaard valt niet veel te rekenen. Zijne zaak wordt slordig nagezien, zijne onderhoorigen niet genoeg bewaakt, de rekeningen niet bijgehouden.... Ziedaar het eerste noodlottig gevolg van den drank, de ondergang van het fortuin.

II De onmatigheid stoort verder den huiselijken vrede. Niets zoo schoon, zoo treffend, als een huisgezin welks leden christelijk leven. Daar heerscht liefde, vreugde en genot. Daar gevoelt een ieder zich gelukkig, daar leeft de man voor de vrouw en omgekeerd ; daar maken de kinderen den wellust uit der ouders. Geheel anders echter een huis waarvan de vader een dronkaard is. Daar heerscht ellende en tweedracht. Ik treed zulk een rampzalig huis binnen, \'t Is zaterdagavond. Vrouw en kinderen hebben in de week veel gebrek geleden. Vader komt te huis met zijn weekgeld.

-ocr page 163-

— 153 —

O ware hij oppassend, hoe blijde zou dan zijne komst wezen ! Welk een vreugdedag zon de zondag wezen! Helaas, hij is een dronkaard. Ik hoor zijne vrouw hem geld vragen om brood te koopen, zijne kinderen loopenhem te gemoet, strekken hunne handjes uit, op hun bleek gelaat teekent zich de glimlach der hoop. Dat gezicht zou een tijger verteederen, niet een dronkaard. Hij heeft geen gevoel meer, aast op niets anders dan op drank en zingenot. Hij stoot vrouw en kinderen van zich af, weigert hun het gevraagde geld en zegt: morgen zullen wij eens zien, Ja morgen, zien wij hem de herbergen afloopen en verteren alles wat hij verdiend heeft; zijne vrouw zit te weenen, zijne kinderen beven en wachten vol angst den terugkeer van vader af; hij komt dronken te huis, laat in den avond en men hoort ii!ets dan verwijtingen, beieedigingen, vloeken en mishandelingen. Ik beklaag bitter hen, die zoo iemand tot man en vader hebben ; hij moest hun een steun en troost zijn en hij is jegens hen een wreede beul; of juister met den H. Geestde moordenaar zijner kinderen ; filiorum necatorquot; ; hij verslindt de ingewanden der menachen: Comestores viscerum ho-minumquot;; hij drinkt de tranen, het bloed van vrouw en kinderen : „devoratores sanguinisquot;. Is dat niet schandelijk !

III De drank heeft nog andere gevolgen. Het verlies namelijk der gezondheid. De drank, zegt de fl. Geest, heeft meer menschen gedood dan het zwaard. „Plures oceidit gula, quam gladius.quot; De ondervinding staaft dit gezegde. Uit eene berekening in Engeland gemaakt blijkt, dat jaarlijks gemiddeld 50.000 menschen sterven ten gevolge van misbruik van drank. Ja, een ieder vindt in zijne onmiddelijk omgeving voorbeelden genoeg, ten bewijze welke vreeselijke verwoestingen de drank aanricht. Hoevele men-

-ocr page 164-

— 154 -

sehen die 70, 80 jaren oud konden worden, sterven ten gevolge van den drank in den bloei huns levens! Hoevele weduwen mogen zoggen ; mijn man is gestorven nauwelijks 40 jaren oud, toen onze kinderen nog klein waren en die vervloekte drank is er de schuld van, En moet men zich daarover verwonderen ? O neen. Raadpleegt de geneesheeren; zij zullen u zeggen, dat de onmatigheid de maag verzwakt, het bloed bederft, de kwade sappen opeenhoopt, onopgemerkt het gansche gestel ondermijnt en zoo na betrekkelijk korten tijd den dood veroorzaakt.

IV. De onmatigheid eindelijk wisoht in ons uit de waardigheid van mensoh. Als men eertijds te Sparta de jongelingen een afschuw wilde inboezemen voorde onmatigheid, maakte men een slaaf dronken en stelde hem in dien toestand ten toon. Laat mij u ook eens een dronkaard ten toon stellen. Beschouwt eens dien man, die beschonken huiswaarts keert. Hij weet niet meer wat hij doet, zijn gelaat is als dat van een zinnelooze, zijn mond kan geen verstandig woord meer uitbrengen, zijne beenen hebben moeite hem te dragen, hij zwaait van de eenezijde der straat naar de andere, nu en dan ploft hij neer op den grond en wentelt zich rond als een dier in het slijk. Is dat een mensch ? Neen, hij is geen mensoh meer ; beroofd van zijn verstand is hij niet meer in staat den hemel te aanschouwen. Waaraan is hij dan gelijk geworden f Luistert eens naar een oostersche fabel. Toen de wijnstok geplant werd, zoo verhalen de Arabieren, kwam de satan en besproeide hem met het bloed eener pauw; later toen hij bladeren geschoten had , besproeide hij hem met het bloed van een aap en toen hij begon te bloeien, begoot hij hem met het bloed van een leeuw en eindelijk toen de druiven rijp waren, met dat van een varken. De wijnstok besproeid met het bloed van die vier dieren,

-ocr page 165-

nam de eigenschappen dier dieren tot eich. En zoo b. v. in het begin gevoelt de dronkaard eene zekere opgewektheid, hij wordt levendiger, zijn gelaat neemt eene hoogroode tint aan ; in dien staat vertoont zijn gezicht den glans eener pauw. Langzamerhand begint de drank hem naar het hoofd te stijgen, hij wordt vroolijk, is vol beweging, maakt allerlei gebaren met hoofd, handen en voeten; kortom, hij stelt zich aan als een aap. Hij wordt dronken en ziet, nu wordt hij woedend als een leeuw ; hij twist, slaat en stoot, — en is de dronkenschap volkomen, dan valt hij, wentelt zich over den grond, strekt zich uit en valt in slaap ; in alles gelijk aan een zwijn. Ziedaar het beeld van den dronkaard; ja hij verlaagt zich nog dieper dan het dier , zegt de H. Augustinus : Ebriosus confundit naturam ; hij stelt zich beneden het zelve : Ebriosi pejores judicandi sunt animalibus. Geeft een paard, een koe te drinken, zij zullen den kop afwenden wanneer zij verzadigd zijn. De dronkaard daarentegen is nooit verzadigd, heeft nooit genoeg. Is dat niet schandelijk, onteerend, dierlijk? Ziedaar de gevolgen der onmatigheid ; zij is de ondergang van het fortuin , der gezondheid.

II. Ik behoef u niet te zeggen dat vrijwillige, volslagen dronkenschap doodzonde is; dat weet iedereen. Maar hebt gij wel ooit nagedacht aan de andere zonden, die de dronkenschap na zich sleept. Gaat eens na de tien geboden Gods. Hij overtreedt ze allen, of is ten minste bereid ze te overtreden. Eerste gebod. Hij verkiest den drank boven Ciod; zijn God is, zooals Paulus zegt, zijn buik. Tweede gebod. Hij is vloeker en godslasteraar. Derde gebod. De herberg is hem liever dan de kerk ; vandaar dat hij dikwijls de H. Mis verzuimt, onder de preek de kerk verlaat en niet meer terugkomt Gezwegen nog van Vespers of Lof; daar komt hij nimmer in. Vierde gebod.

-ocr page 166-

- 156 -

Verzet tegen ouders en meesters; tucht en gehoorzaamheid zijn den dronkaard eene onbekende zaak. Vijfde gebod. Men doet onrecht aan zich zeiven metzioh te berooven van zijn verstand. In dronkenschap ismen gewoon kwaad te spreken, te lasteren ; men twist, vecht, doodt niet zelden zijnen evenmensch. Hoevele menschen overigens zachtzinnig, vreedzaam van karakter, hebben zich in dronkenschap plichtig gemaakt aan doodslag. De H. Augustinus verhaalt van een jongeling uit de stad Hip-pone, dat hij op zekeren dag als naar gewoonte dronken huiswaarts keerde ; hij ontmoet zijne zuster, valt woedend haar te lijf en brengt haar door tal van dolksteken om het leven. Op haar hulpgeschrei komt de vader toegesneld en dat monster van een zoon, durft de hand opheffen tegen zijn vader en hem onthalzen. Eindelijk doodt hij nog eene tweede zuster, die haren vader te h ulp kwam. Is dat niet afgrijselijk ? En toch dergelijke gruwelen ziet men nog hedendaags bedrijven in staat van dronkenschap. Zesde en zevende gebod. Ebriosum nun-quam castum putabo. Een dronkaard is doorgaans een onkuischaard. Onkuische gedachten en begeerten, oneerbare gesprekken , werken volgen natuurlijk uit den drank. Achtste gebod. „Nullum est secretum, ubi regnat ebrietas,quot; zegt de H. Geest. Een dronkaard weet zijne tong niet te matigen , flapt alles uit wat hem door het Loofd gaat, eerbiedigt den goeden naam van niemand. Blijft nog over het zevende en tiende gebod. Nu, de onrechtvaardigheid neemt dikwijls haar oorsprong uit onmatigheid. Een man die het geld tot onderhoud van vrouw en kinderen verdrinkt, is dat geen onrechtvaardige ? Eveneens, wanneer iemand door den drank zijne zaken verwaarloost. Waarom bestelen zonen hunne ouders, dienstboden hunne meesters ? Zeer dikwijls om de herbergen af te loopen en te drinken. Heb ik nu

-ocr page 167-

— 157 —

geen recht te zeggen; dat de onmatigheid den mensch voert tot de overtreding van alle geboden Gods en mag de H. Chvysostomus de onmatigheid niet noemen : laetitia diaboli ? Moet men nu nog verwonderd staan wanneer men ziet, dat het leven van een dronkaard zoo vaak opgevolgd wordt door een plotselijken dood-Om een dronkaard tegen zooveel onheilen te beveiligen, moest God voortdurend mirakelen doen en dat doet God niet. Ziet eens; nu eens wordt een dronkaard door eene zenuwberoerte getroffen, een ander verdrinkt, een derde raakt onder het rad van een wagen, onder de hoeven van een paard, een vierde wordt gedood in eene vechtpartij, een vijfde tuimelt op den grond, valt in slaap op de rails van de spoorbaan en wordt door don eerstkomenden trein verpletterd. Vreeselijk lot, door den dood verrast te worden, op het oogenblik zelf dat men zich bevindt in staat van doodzonde. Dat lot, dronkaards, kan het uwe wezen zoo gij geen einde maakt aan den drank.

Vreeselijker lot echter wacht nog den dronkaard in het ander leven. De vloek Gods hangt boven zijn hoofd: „Neque ebriosi regnum Dei possidebunt.quot; De hel wacht hem als prooi. Daar zal hij evenals de rijke vrek een druppel water vragen, om zijne brandende tong te verkwikken en die druppel zal hem in eeuwigheid geweigerd worden. Hij zal mogen drinken den gal der draken , zijnen dorst lesschen aan den toorn van den Almachtige. „Bibent de furore Omnipoten-tiaquot; Ontwaakt dus, roep ik u toe, met den Profeet, ontwaakt dronkaards, denkt aan de rampen die gij u voorbereidt, aan het fortuin dat gij verliest, aan uw leven dat gij verkort, aan vrouw en kinderen die gij ongelukkig maakt, aan uwe waardigheid van mensch die gij aflegt; denkt aan de tallooze zonden die

-ocr page 168-

— 158 -

gij bedreven, aan den toorn van God dien gij hebt opgewekt, aan den treurigen dood die u bedreigt, aan den vreeaelijken vloek tegen u uitgesproken. Ontwaakt, het is nog tyd, hoe moeilijk uwe bekeering ook zij, zij is toch mogelijk. Anderen hebben zich bekeerd, ook gij kunt u bekeeren. Onderzoekt eens wat u tot den drank gevoerd heeft. Zijn het vrienden die door hun voorbeeld en verleiding ? ... vlucht dan hun gezelschap. Is het misschien de herberg zelve; zet er dan nooit den voet meer in. Is het de drank, zegt hem dan vaarwel; want het is beter zijn leven lang niet meer te drinken, dan eeuwig in de hel te moeten branden. Zegt niet: dat kan ik niet. Dat kunt gij wel. Op zekere missie, was een dronkaard die de preeken niet wilde bijwonen. Drie dagen evenwel vóór do sluiting der missie, dreef de nieuwsgierigheid hem naar de kerk. Hij hoorde de preek over den Verloren Zoon. Die trof hem dermate, dat hij na afloop daarvan ging biechten en zwoer nimmer sterken drank meer te gebruiken. Hij hield woord; zes maanden later kwam zijne zuster den Pater bezoeken en verhaalde hem opgetogen van vreugde, dat haar broeder niet meer herkenbaar was ; hij ging niet meer naar de herberg, was godsdienstig, zachtmoedig en minzaam geworden, vlijtig in het werk; in één woord totaal veranderd. Volgt dat voorbeeld na en allen die u kennen zullen uwen moed prijzen, uw huisgezin zal zich verblijden en Grod loven, terwijl gij zelf meer genoegen zult smaken in de vriendschap met Grod en in den vrede des harten, dan alle voldoening en zingenot u verschaffen kunnen Amen.

-ocr page 169-

Onkuisohheid.

I, Groote boosheid der zonde van ontucht:

1). \'t Is eene doodzonde die ons den hemel sluit,

2). Onder de doodzonden eene der afschuwelijkste,

3). Ten alle tijde door God voorbeeldig gestraft.

II. Noodlottige gevolgen der ontucht :

1). Zij verblindt het verstand,

2). En versteent het hart.

Sequimini sanctimoniam, sine qua nemo videbit Deum. Streeft naar heiligheid, (zuiverheid) zonder welke niemand God zien zal. (Hebr. 12. 14.)

Onder alle zonden die op aarde geschieden, is er niet eene die aan de ziel zooveel onheil berokkent als de afschuwelijke zonde van onzuiverheid. Zij houdt een ontzaggelijk aantal zielen in slavernij gekluisterd, zij doet hen zondigen zonder tal en zonder maat, zij stort den menscli in allerlei uitspattingen en ongeregeldheden, berokkent hem oneer, leed en schande en stort hem ten laatste in het eeuwig vuur der hel. De H. Remigius en na hem de H. Alphonaus, aarzelen niet te zeggen, dat al degenen die verloren gaan, hunne verdoemenis te wijten hebben aan de zonde van onkuisohheid; ja niet zelden gebeurt het, dat er

-ocr page 170-

- \'160 —

zielen verloren gaan, die geene andere dat deze zonde alleen op hun geweten hebben. Vele mensehen zouden leven en sterven vrij van alle doodzonden, waren ze niet slaven van de zonde van ontucht. Het is onze plicht Gel. dien verderfelijken vijand uwer ziel te bekampen. Maar die plicht is pijnlijk en ik kwijt er mij niet van, tenzij met vrees en weerzin. Ja, indien er eene lastige, eene drukkende taak aan onze H. bediening is verbonden, is dat niet zoo zeer dat wij ons moeten vermoeien op den preek- en in den biechtstoel ; maar dat wij zoo vaak moeten spreken over een zoo afschuwelijk en onteerend kwaad als de zonde van ontucht. En waarom zou de priester Gods niet met weerzin daarover spreken, hier in de tegenwoordigheid van Jesus in zijn H. Sacrament, voor het beeld van Maria, de Koningin der Maagden, ten aan-hoore van zooveel zuivere zielen en onschuldige kinderen ; waarom zou de priester niet met \' weerzin ... tij , wiens tong iederen morgen bevrfchtigd wordt met het bloed van het Lam zonder vlek 1 Dien plicht wil ik niettemin vervullen uit liefde tot uwe zielen. Om u een grooten afschuw in te boezemen voor de zonde van onkuischheid, ga ik u aantoonen;

I de oneindige boosheid,

II de noodlottige gevolgen dier schandelijke zonde.

I Volgens de beginselen der bedorven wereld, is de

onkuischheid wel verre van eene afschuwelijke zonde te zijn, niets anders dan eene menschelijke zwakheid, eene beuzelarij, eene kleinigheid. Men moet toch eenig pleizier in het leven hebben, men kan zich voortdurend niet tegengaan. Men moet genieten en wel zooveel men kan, bijaldien men slechts niemand schaadt. Ziedaar de taal der wereld. De wereld nu is door God gevloekt en eveneens gevloekt zijn zij, die aan de

-ocr page 171-

— 161 —

wereld geloof hechten. Gel. wilt gij eenmaal zalig worden ? Verlangt gij aan de eeuwige verdoemenis te ontsnappen ? Dan moet gij niet de wereld raadplegen; maar Hem, die de weg, de waarheid en het leven is ; God, Hij alleen kan u zeggen, wat goed en wat kwaad is. Hoe nu oordeelt God over de onkuischheid? Meent ook Hij, dat het eene beuzelarij, eene kleinigheid is? Luistert. Hij spreekt bij monde van den Apostel Pau-lus: „Nolite errare.quot; Wilt u niet misleiden: „neque fornicarii, geen onkuischaards; neque adulteri, geen overspelers ; neque molles, noch sohandjongens, regnum Dei possidebunt, zullen het rijk Gods bezitten.quot; (ICor. 6. 10.) Dus elke volkomen oneerbare handeling, hetzij bij zioh zeiven of met anderen, hetzij tusschen personen van hetzelfde of van verschillend geslacht, is doodzonde , sluit ons den hemel, \'t Is nog niet alles. Iedere gedachte of voorstelling, elke begeerte en verlangen strijdig met de zuiverheid, waarin men vrijwillig behagen neemt is doodzonde, even zoo goed als ieder on-kuisch werk. Hadt gij het ongeluk te sterven, op het oo-genblik dat gij toestemt in eene onkuische gedachte, dan waart gij verloren , al hadt gij geene enkele andere zonde op uw geweten. Gij hebt gehoord, zegt de Zaligmaker, dat tot de ouden gezegd is : „Non moeehaberis: Gij zult geen onkuischheid doen.quot; Ego autem dico vobis: Ik echter zeg u, dat al wie eene vrouw aanziet en onkuische begeerten jegens haar koestert, reeds gezondigd heeft in zijn hart. Dus elke handeling grootelijka strijdig met de tuischheid, verder elk onkuisch gesprek, elke (Hikuischa [blik, elk vrijwillig behagen in onkuische gedachten en begeerten, is doodzonde. Ziedaar eene waarheid, gegrond op het onfeilbaar woord van God en God beware mij, ooit eene andere leer te verkondigen. Ik ga verder Gel. en voeg er by; dat

11

-ocr page 172-

162 —

niet slechts de onkuischheid doodzonde, maar eene der zwaarste doodzonden is. Elke zonde is eene verachting van God en eene ongeregelde liefde tot het schepsel. Nu geene zonde is dit meer, dan de onkuischheid. Door de ontucht, zegt de H. Thomas, verwijdert zich de mensch verder van God, dan door elk ander kwaad; Per luxuriam maxime a Deo recedit. En terecht. Immers, kan men zich wel verder van God verwijderen, dan door het schepsel te stellen in zijne plaats en daaraan de hulde te bewijzen, die men verschuldigd is aan God. Ziedaar nu wat de onkuisch-aard doet en vandaar dat Tertulianus niet aarzelt te zeggen, dat de onkuischheid een kwaad is, dat gelijk staat met afgoderij. Ik loep tot getuigen u allen, die de treurige ondervinding er van hebt opgedaan. Ia het niet waar, dat ten tijde waarop gij slaaf waart dier zonde , gij meer liefde en eer beweest aan het voorwerp uwer driften dan aan God zelf ? Zoodra die zoade een hart binnentreedt, heeft het geen smaak meer voor goddelijke zaken, geen ijver meer voor goede werken, geen verlangen meer naar den hemel, geen aandacht meer in het gebed. Tot zelfs in de kerk koestert men oneerbare gedachten en begeerten ; men leeft alsof er geen God bestond. Alles wat de wellusteling bezit, heeft hij veil voor zijne driften, er blijft niets meer over voor God. Zijne oogen, ooren, tong, handen, zyn geheugen, verbeelding en verstand, zijn hart en wil, alles heeft hij ten offer gebracht aan het schepsel. Is dat niet de snoodste der gruwelen ? Een schepsel stellen in de plaats van God, het beminnen, aanbidden evenals God. Gij hebt misschien wel ooit gehoord van de vreeselijke fransche revolutie op het einde der vorige eeuw. Menschen, of liever monsters van goddeloosheid, traden de kerken binnen, verbrijzelden

-ocr page 173-

- 163 —

beelden en altaren, rukten Jesus uit zijn H. Tabernakel en stelden op dat altaar, in dat tabernakel, een ontuchtig vrouwspersoon, voor wie zij nederknielden, die zij als eene godheid bewierookten. Wie uwer nu zal durven zeggen, dat dusdanige handelwijze maar eene zwakheid, eene beuzelarij, een bagatel is ! Nu, ieder menseh die zijne schandelijkedriften involgt, maakt zich in zekeren zin gelijk aan diemonsters van goddeloosheid! Toen menueertijds ter kerke droeg om gedoopt te worden, verklaarde men uit uwen naam, dat gij verzaaktet aan de werken des vleesches. Alsdan verhief de priester Groda zijne stem en sprak ; Exi ab eo, immunde spiritus et locum da Spiritui Sancto. Treed uit dat kind, onzuivere geest en maak plaats voor den H. Geest. En de H.treest nam bezit van uw hart,het werd zijn tempel,zoo-als de Apostel Paulus zegt. Die Geest van liefde schepte er zijn behagen in,in dien tempel te wonen. Hij verwachtte uwe aanbidding en liefde. En gij, wat hebt gij gedaan ? Gij hebt tot Hem gezegd, door uwe werken ; Exi a me. Spiritus Sancte : Ga weg van mij, H. Geest; ik wil u niet in mijn hart. Gij zult mijne liefde, mijne hulde niet ontvangen. Ga weg en maak plaats voor den onzuiveren geest; niet gij, maar dat schepsel moet wonen in mijn hart, haar zal ik aanbidden in uwe plaats. O mijn God, hoe kunt gij eene zoo snoode beleediging dulden ! Is er wel eene grootere ontheiliging denkbaar dan deze ? Ja en ook daaraan maakt de onkuischaard zich plichtig. Immers, wat doet gij wanneer gij u overgeeft aan de zonde van onkuischheid ? Gij ontheiligt het lichaam van uwen Goddelijken Verlosser en gij sleurt het door een slijk, veel vuiler dan dat der wegen.quot; Nescitis, quoniam corpora vestra, membra sunt Christi ? Weet gij niet, dat uwe lichamen de ledematen zijn van Christus; zooals de apostel Paulus zegt: „Membra su-

-ocr page 174-

mus corporis ejus ; de oarne ejus et de ossibus ejus.quot; Wij zijn ledematen van zijn lichaam. Ja, gij zijt de ledematen geworden van Jesus lichaam door het Doopsel; die goddelijke vereeniging is nog nauwer, nog inniger geworden door de andere H.H. Sacramenten, zij is eindelijk voltrokken door de H.Communie. Zijn vleesoh is ver-eenigd met het uwe, zijn bloed met uw bloed. Gij moogt zeggen met den Apostel: Ik leef niet meer; maar Jesus leeft in mij. Ziet dus, zoo roept ons Tertulianus toe, onder hoevelerlei opzicht uw vleesoh het vleesch van J. C. is geworden. Caro nostra, quo-ties caro Christi! Onkuisohaards, wat hebt gij gedaan met dat geheiligd lichaam ? Gij hebt het onteerd op de onwaardigste wijze. Uwe oogen hebt gij gebezigd tot het werpen van onkuische oogslagen, uwe ooren tot het aanhooren van oneerbare gesprekken, uwe tong tot het spreken van vuile taal, uw mond hebt gij geleend tot schandelijke liefkozingen ; uwe handen tot schaamtelooze aanrakingen. quot;Wat hebt gij gedaan met de ledematen van J. C. ? O, ik zou het niet durven zeggen, bijaldien de H. Paulus het niet vóór mij gezegd had ; „tollens membra Christi, faciatn membra meretricis.quot; Gij hebj de ledematen van J. C. gebezigd tot het plegen van ontucht. Ziedaar de heiligschen-nende onteering die tal van christenen zich niet schamen te bedrijven. Ik zeg niet eenmaal; maar duizenden malen. Geen enkel kwaad stort verder den mensch in zooveel doodzonden als de ontucht. Het geweten van den onkuischaard, zegt de H. Bernardus, wordt als een afgrond van zonden. Conscientia ejus quasi abyssas multa. Ieder uur van den nacht, ieder oogenblik van den dag, tijdens de rust, onder het werk, in het gebed, voortdurend aast hij op onkuische genietingen. Men mag van hem zeggen, wat de H.

-ocr page 175-

Petrus zeide van sommige leeraren van zijnen tijd: „oculos habentes plenos adulterii et iaoessabilis delicti.quot;: Hun oog is altijd vol overspel en onverzadigbaar in zonde. Dit mag gezegd worden niet slechts van zijn oog; maar van alle andere zintuigen zijns lichaams ; van alle vermogens zijner ziel. Dit mag gezegd worden sran zijn verstand ; dat immer vol onkuische ge-dachten en verbeeldingen is; van zijn wil die niets dan onkuische begeerten voedt op allerlei soort van personen. Dit mag gezegd worden van zijn geheugen, dat hem onophoudelijk herinnert aan die oneerbare gesprekken en werken van vroeger. In één woord; dat mag gezegd worden van zijne houding, van zijne woorden, manieren, van geheel zijn gedrag, van gansch zijn wezen. Alles is vol onzuiverheid: „Inoessabilis delicti.quot; En al wat zoo iemand kan doen, wanneer hij biechten gaat, is zeggen : ik heb zoo langen tijd in die slechte gewoonte, in die zondige verkeering geleefd ; meer vermag hij bijna niet te zeggen, want zijne zonden zijn zonder tal. En durft gij nu nog zeggen, dat de onkuischheid maar eene beuzelarij is ? Neen, maar een overgroote gruwel, waardoor het schepsel aanbeden wordt in de plaats van God, waardoor de H. Geest zoo schandelijk verdreven wordt uit het hart, waardoor Jesus\' aanbiddelijk lichaam zoo schaamteloos onteerd wordt; een gruwel die het aantal doodzonden tot in het oneindige doet klimmen. Neen, God beschouwt dat kwaad niet als eene beuzelarij. Wanneer ik in de H. Schrift zie, hoe God zoo zachtmoedig, zoo geduldig, zoo teeder, op eenmaal in toorn en gramschap ontvlamt; dan bemerk ik dat dit doorgaans tot oorzaak heeft, de zonde van ontucht; dan begrijp ik het gezegde van den H. Thomas van Villanova: luxuriae facinus, prae aliis puni-

-ocr page 176-

— 166 -

turn legimus. De wereld bestond reeds sedert 1665 jaar, zij was even sterk bevolkt als thans, bemerkt Lessius; want de mensohen leefden 600, 700, 800 jaren. En zie, op eens verbreekt de zee hare dijken, de sluizen des hemels gaan open, een ontzaggelijke watervloed bedekt weldra de aarde. Overal zoekt men een schuilplaats tegen het water. Men klimt op de daken der huizen, op hooge hoornen en bergen ; doch alles te vergeefs; geen huis, geen boom, geen berg was hoog genoeg om aan het vernielend element te ontsnappen. Overal hoort men niets dan het gejammer, het gekerm van menschen en dieren; het water stijgt immer hooger. Na 40 dagen en nachten stond het 15 el boven den hoogsten berg der aarde. De wereld was herschapen in eene onmetelijke zee, waarop niet meer dan één schip, de ark van Noe vlotte, die 8 personen bevatte, welke aan den zondvloed ontsnappen; alle overigen kwamen om in het water. Waartoe die algemee-ne en vreeselijke straf ?quot; Omnis caro corruperat viam suam.quot; De menschen leefden in de zonde van ontucht. Later zie ik nog twee bloeiende steden, Sodoma en Gomorrha, met nog drie anderen, door een ontzetten-den vuurregen verwoest worden. En waarom f Ter oor-zake van het zedebederf barer inwoners, Later nog beval God, 23.000 man van zijn uitverkoren volk te doen sterven. Zij werden gekruist oi met het zwaard doorstoken, in weerwil der tranen van ouders, vrouwen en kinderen. En waarom ?quot; Fornicati sunt.\': Zij hadden gezondigd met de dochters van Madian, De geheele stam van Benjamin, nagenoeg 25000 man sterk, werd uitgeroeid. En svaarom ? Ter oorzake van de zonde van ontucht van eenigen hunner. Laten wij de H. Schrift eens rusten en opent eens de ongewijde geschiedenis, ook daarin kan men zien, hoe zwaar

-ocr page 177-

— 167 —

God de ontucht strafte. God stelde niet zelden aan de grootheid en den bloei van een volk een einde, zoodra bij hen het zedebederf was doorgedrongen. Het Rijk van Assijrië ging na een oestaan van 14 eeuwen ten onder, tengevolge van het losbandig leven van zijn koning Sar-danapalis. De heerschappij der Chaldeërs ging te niet, door de buitensporigheden van koning Balthasar. Dat der Perzen,door de ontucht van Darius. Dat der Grieken doorde wulpsohheden van Cleopatra. Het Rom. Rijk viel in duigen, zegt Salvianus, door het bederf der zeden. Ziet eens verder hoe God die zonde straft, niet slechts in gansche volkeren, maar ook in afzonderlijke personen. Onan zondigt tegen de heiligheid van het huwelijk en hij wordt met den dood getroffen, op het oogenblik dat hij zondigt. David bedrijft overspel. Hij heeft berouw en doet strenge boete. En toch dat was niet voldoende, om de wraak Gods volkomen te bevredigen. God boodschapt hem door zijn profeet, dat zijne zonde hem vergeven is; maar dat de straf zijner zonde niet volkomenis uitgewischt. „Quamobrem non recedet gladius de domo tua.quot; David bidt, vast, steekt zich ineen boetekleed, besproeit zijn bed met zijne tranen en met dat alles ontsnapt hij nog niet aan de straf, \'s Konings huis wordt onteerd door een zijner zonen , zijn oudste zoon wordt gedood door zijn eigen broeder ; terwijl David zelf, om aan de samenzwering van Absalon te ontsnappen, verplicht is te vluchten. Waarom straft God toch zoo geducht de zonde van onkuischheid in een man , die over zijne zonde eene zoo strenge boete gedaan had ? Om te doen zien, den onverzoenbaren haat dien Hij tegen dien gruwel koestert. Verkiest gij soms voorbeelden die gij kunt tasten. Dan treedt eens de ziekenhuizen binnen in groote steden. Daar zijn zalen, uitsluitend be-

-ocr page 178-

gtemd voor de rampzalige slachtoffers der onlucht. Eene verpestende lucht komt u tegen .... Gaat eens in groote steden, daar ontmoet gij in de straten jongelingen , van 24, 25 jaar, verbleekt en uitgeteerd 5 zij hebben het uitzicht van grijsaards, of liever van levende geraamten. Binnen eon of twee jaar ligt hun lichaam, uitgeput door de zonde in het graf. O. Chr. dnrft gij nu nog zwakheid en beuzelarij heeten, eene zonde waarover God eene zoo geduchte wraak neemt. Wee u jongelingen en jonge dochters , wee n gehuwden, indien dat alles wat ik gezegd heb, niet in staat is u van de zonde af te houden. De dag zal komen waarop gij, maar helaas te laat, de oneindige boosheid der ontucht volkomen zult inzien; ik bedoel/( den dag der eeuwigheid ; waarop uw# tranen en zuchten vruchteloos zullen zijn , de dag waarop God de deuren der hel voor eeuwig achter u zal sluiten. Neen Gel. er is niet eene zonde, die ons meer bevreemd maakt voor de zaligheid eener ziel, dan de zonde van onkuischheid. De gevolgen dier zonde, drukken om zoo te zeggen in de ziel van den onkuischaard het kenmerk zijner eeuwige verdoemenis.

II Is eenerzijds de onkuischheid een kwaad zoo afschuwelijk in zich, het is nog daarenboven een kwaad zoo vreeselijk in zijne gevolgen.

II. 1) Een eerste gevolg der ontucht is de verblindheid, waarmede zij \'s menschen geest treft. Ja, geene ondeugd verblindt zoozeer \'s menschen verstand, als de ontucht, \'t Is van de wellustelingen, dat God gezegd heeft, bij monde van den profeet Sophonias; ,.ambulabant ut caeci, quia Domino peccavemnt.quot; Zij wandelden als blinden, omdat zij tegen den Heer gezondigd hebben. Wanneer een kristallen beker vol slijk is, dan kunnen de zonnestralen er niet in doordringen ; eveneens kun-

-ocr page 179-

nen de stralen der genade niet doordringen in den geest van den wellusteling; omdat die vol is van het slijk der zonde. Op hem hebben ook betrekking, de woorden van den Apostel Paulus: „Animalis homo non percipit ea quae sunt spiritus Dei.quot; De vleesehe-lijke mensch, heeft niet het minste begrip van geestelijke zaken. Alle waarheden van ons H. Greloof, zijn voor hem een gesloten boek. Spreekt hem over de schoonheid der deugd en over der afschuwelijkheid der zonde. „Non percipithij begrijpt u niet. Spreekt hem over de majesteit Gods die hij beleedigt, wiens werken hij onteert; hij verstaat u niet. Zegt hem, hoe ongelukkig hij is met die voortdurende knaging des gewetens en die onverzadigbaarheid zijner driften; brengt hem onder het oog, hoe gelukkig en zalig hij zou wezen, bijaldien hij de zonde vluchtte en de deugd beoefende; „non percipit.quot; Wijst hem op de hel onder zijne voeten geopend; toont hem die verslindende vlammen, waarin hij eeuwig zal moeten branden en dat wel voor een genot van een oogenblik; „non percipit.quot; De zonden des vleesehes, zegt de H. Thomas, benemen den mensch alle verstand en oordeel. Vitia carnalia extinguunt judicium rationis. En waarom ? Quia luxuria totlim hominem ad delectationem trahit. Omdat de ontucht den mensch geheel en al overmeestert en hem trekt tot hare schandelijke lusten. Verblind door zijne driften, vergeet hij den adel zijner afkomst, de waardigheid van zijn wezen en de verhevenheid zijner bestemming. Hij verlaagt zich zoo diep als een mensch zich verlagen kan ; op hem hebben betrekking die woorden van den koninklijken profeet: „Homo cum in honore esset, non intellexit; com-paratus est jumentis insipientibus et similis factus est eis.quot; De mensch heeft niet begrepen de waardig-

-ocr page 180-

— 1S8 —

gtemd voor de rampzalige slachtoffers der ontucht. Eene verpestende lucht komt u tegen .... Gaat eens in groote steden, daar ontmoet gij in de straten jongelingen , van 24, 25 jaar, verbleekt en uitgeteerd zij hebben het uitzicht van grijsaards, of liever van levende geraamten. Binnen een of twee jaar ligt hun lichaam, uitgeput door de zonde in het graf. O. Chr. dnrft gij nu nog zwakheid en beuzelarij heeten, eene zonde waarover God eene zoo geduchte wraak neemt. Wee u jongelingen en jonge dochters , wee u gehuwden , indien dat alles wat ik gezegd heb, niet in staat is u van de zonde af te houden. De dag zal komen waarop gij, maar helaas te laat, de oneindige boosheid der ontucht volkomen zult inzien; ik bedoel / den dag der eeuwigheid ; waarop uw# tranen en zuchten vruchteloos zullen zijn, de dag waarop God de deuren der hel voor eeuwig achter u zal sluiten. Neen Gel. er is niet eene zonde, die ons meer bevreemd maakt voor de zaligheid eener ziel, dan de zonde van onkuischheid. De gevolgen dier zonde, drukken om zoo te zeggen in de ziel van den onkuischaard het kenmerk zijner eeuwige verdoemenis.

II Is eenerzijds de onkuischheid een kwaad zoo afschuwelijk in zich, het is nog daarenboven een kwaad zoo vreeselijk in zijne gevolgen.

11.1) Een eerste gevolg der ontucht is de verblindheid, waarmede zij \'smenschen geest treft. Ja, geene ondeugd verblindt zoozeer \'smenschen verstand, als de ontucht, \'t Is van de wellustelingen, dat God gezegd heeft, bij monde van den profeet Sophonias; ,,ambulabant ut caeci, quia Domino peccaverunt.quot; Zij wandelden als blinden, omdat zij tegen den lieer gezondigd hebben. Wanneer een kristallen beker vol slijk is, dan kunnen de zonnestralen er niet in doordringen; eveneens kun-

-ocr page 181-

— 169 —

nen de stralen der genade niet doordringen in den geest van den wellusteling; omdat die vol is van het slijk der zonde. Op hem hebben ook betrekking, de woorden van den Apostel Paulus; „Animalis homo non percipit ea quae sunt spiritus Dei.quot; De vleesehe-lijke mensch, heeft niet het minste begrip van geestelijke zaken. Alle waarheden van ons H. Geloof, zijn voor hem een gesloten boek. Spreekt hem over de schoonheid der deugd en over der afschuwelijkheid der zonde. „Non percipit hij begrijpt u niet. Spreekt hem over de majesteit Gods die hij beleedigt, wiens werken hij onteert; hij verstaat u niet. Zegt hem, hoe ongelukkig hij is met die voortdurende knaging des gewetens en die onverzadigbaarheid zijner driften; brengt hem onder het oog, hoe gelukkig en zalig hij zou wezen, bijaldien hij de zonde vluchtte en de deugd beoefende; „non percipit.quot; Wijst hem op de hel onder zijne voeten geopend; toont hem die verslindende vlammen, waarin hij eeuwig zal moeten branden en dat wel voor een genot van een oogenblik ; „non percipit.quot; De zonden des vleesches, zegt de H. Thomas, benemen den mensch alle verstand en oordeel. Vitia carnalia extinguunt judicium rationis. En waarom ? Quia luxuria totüm hominem ad delectationem trahit. Omdat de ontucht den mensch geheel en al overmeestert en hem trekt tot hare schandelijke lusten. Verblind door zijne driften, vergeet hij den adel zijner afkomst, de waardigheid van zijn wezen en de verhevenheid zijner bestemming, flij verlaagt zich zoo diep als een mensch zich verlagen kan ; op hem hebben betrekking die woorden van den koninklijken profeet; „Homo cum in honore esset, non intellexit; com-paratus est jumentis insipientibus et similis faetus est eis.quot; De mensch heeft niet begrepen de waardig-

-ocr page 182-

— 170 -

heid waartoe hij verheven is, hij heeft zich vergeleken met het redelooze vee en is daaraan gelijk geworden. Ja, hij verlaagt zich in zijne verblindheid zoo diep, dat hij gelijk wordt aan het vee. Zondigt de mensoh door hoogmoed, zegt de H. Bernardus, dan zondigt hij als engel; de afvallige engelen immers zondigden door hoogmoed; geeft hij zich over aan gierigheid en hebzucht, dan zondigt hij als mensch ; volgt hij echter zijne booze lusten in, dan zondigt tij als dier. Ziedaar de woorden van den H. Bernardus. God in de H. Schrift drukt zich nagenoeg op dezelfde wijze uit. Hij vergelijkt den wellusteling bij die walgelijke dieren, die bun genot zoeken met zich te wentelen in slijk en vuilnis. Hij gaat nog verder; Hij vergelijkt den onkuischaard met het vuilnis der straten, dat men zelfs nog niet met voeten wil treden : „quasi stercus in via.quot; Indien dusdanig de staat van verlaging is, waarin de onkuisehheid den mensch neerstort, dan sta ik niet verwonderd, dat hij in staat is zijne gewichtigste en heiligste plichten te vergeten. Een huisvader zal wreed genoeg zijn, om met onverschilligheid zijne vrouw te zien weenen en onmensche-lijk genoeg, om zijne kinderen honger,dorst en gebrek te zien lijden. Meesters en meesteressen zullen hunne verplichtingen vergeten jegens dienstboden en de dienstboden op hunne beurt zullen den eerbied uit het oog verliezen, die zij hunne overheid verschuldigd zijn. Een zoon zal zoo noodig zijne ouders bestelen, om zijne ongebondenbeden te kunnen bekostigen ; eene dochter zal er niets uit maken vader en moeder met schaamte te overladen. Alle plichten vergeet men, de heiligste rechten treedt men met voeten ter bevrediging zijner driften. Geen enkele gruwel meer, zegt Tertu-lianus, waarvoor de onkuischaard nog terugdeinst.

-ocr page 183-

- 171 —

Heeft hij geld noodig ter voldoening zijner driften( hij zal het stelen. Voelt hij zich getrokken tot personen fiie het kwaad nog niet kennen, hij weet hen te verleiden en te bedei\'ven. Heeft hij iemand tot schande, tot val gebracht, hij kent het middel die schande te verbergen ; voor geen enkele misdaad deinst hij terug. Terecht noemt daarom de H. Johannes, de oubuisch-heid de oorzaak en bron van alle misdaden en gruwelen. Raadpleegt de dagelijksche ondervinding, slaat de geschiedenis open en gij zult zien dat de wellust de oorzaak geweest is van eiken diepen val. David, die koning zoo deugdzaam en vroom, die zevenmaal daags den Heer lofzangen zong, die iederen nacht opstond om Grod te bidden, die dermate Gods wet betrachtte, dat hij in het vuur zijns ijvers uitriep : „Quam dulcia faucibus meis eloquia tua, super mei ori meo. In aeternum non obliviscar j ustiflcationes tuasjuravi et statui.quot; .. Die man zoo heilig en vroom, valt in zonde van overspel en die zonde had ten gevolge, dat hij een zijner trouwste dienaren, een zijner dapperste soldaten, een vader des huisgezins onschuldig doet sterven. Ziet eens koning Salomon. Hij richt voor den waren God den heerlijksten tempel op, dien ooit de wereld aanschouwde, hij had geschreven op bijna goddelijke wijze over de deugden en ondeugden, hij was volgens het getuigenis der H. Schrift, een der verstandigste koningen die ooit op aarde geweest zijn ; diezelfde Salomon nu geraakte in zijnen ouderdom zoo verblind, dat hij wierook brandde en neerknielde voor afgoden, voor beelden van hout en steen. Wat had hem dermate verblind ? De onkuischheid. „Depravatum est cor ejus per mulieres.quot; Datzelfde mag men zeggen van alle afvalligen in de Kerk; van een Arius, die de Godheid van J, C. durfde loochenen, van een Lu-

-ocr page 184-

ther die het derde deel van Europa tot afval bracht, van een Hendrik VIII, die van verdediger, een van de herigste vervolgers der Kerk werd : „Depravatum est cor.quot; Ach, hoevelen treft men niet aan in onze dagen, van wie hetzelfde gezegd mag worden 1 Ziet eens dien jongeling. Eertijds was hij een toonbeeld van deugd, hij was gehoorzaam aan zijne ouders, hij vond zijn genot bij hen te huis; ook keerde hij immer vroegtijdig huiswaarts. Hij had een afschuw van vloeken, drinken, van alle onrecht. En nu helaas ! is hij niet meer te herkennen, hij is weerbarstig jegens zijne ouders geworden, verslaafd aan den drank, godslasteraar, dief; hij brengt halve nachten door in de herberg. En hoe is hij in dat uiterste gevallen ? „Depravatum est cor ejus.quot; Christelijke ouders, gij hebt geene hoogte meer van het gedrag uwer dochter; zij, die vroeger zoo naarstig de Mis en kerkelijke diensten bij svoon-de, die zoo dikwijls en zoo gaarne naderde tot de H. Tafel, zoo gedienstig en oppassend was in het huishouden. Men ziet haar niet meer in de kerk, tenzij om zondags eene stille Mis bij te wonen, zij gaat niet meer te Communie, tenzij gedwongen en hoogstens een of twee maal \' jaars ; te huis kan zij niet meer aarden; maar moet alle uitspanningen en kermissen bijwonen. Vanwaar die zoo noodlottige verandering? „Depravatum est cor ejus.quot; Met recht mocht dus de H. Ambro-sius zeggen; dat de onkuischheid de leerschool is van alle ondeugden : „seminarium omnium flagitürum.quot; Ik voeg er bij, dat zij den mensch nog dermate verblindt, van hem niet zelden afvallig te maken van zijn H. Geloof. Zoodra men zich aan die ondeugd overgeeft, wordt men achtervolgd door de knaging des gewetens. Om zich daarvan te ontdoen, tracht men eerst zijn geest af te wenden van de eeuwige waarhe-

-ocr page 185-

den die het Geloof ons voorhoudt. Vermits die waarheden immer terugkeeren voor den geest, eindigt men om er zich van te ontdoen, met ze eenvoudig te loochenen. En zoo gebeurt het, zegt de H. Ambrosius, dat iemand die begint een onkaisohaard te worden, tevens begint het geloot te verliezen: „ubi coeperit quis luxuriari, incipit deviare a fide.quot; Ziedaar de eigenlijke reden waarom er in onzen tijd zooveel ongeloo-vigen zijn ; omdat er namelijk zooveel onkuisohaards zijn. Waarom zegt die mensoh, dat er geen hel bestaat? Meent hij dat ernstig? Wel neen; maar hij wenschte wel dat zij niet bestond. En waarom ?quot; Coepit luxuriari\'\' ; het is een wellusteling en de hel is voor de onkuisohaards. Een ander zal spotten met de Biecht. Hoe, zegt hij, gij gaat nog biechten, wat zijt gij toch onnoozel! Biechten is goed voor kwezels en kinderen. De Biecht is maar eene uitvinding der priesters. Meent hij ook wat hij zegt? Wel neen. Hij wenschte wel dat de Biecht niet noodzakelijk ware ter zaligheid. Waarom ? „C )epit luxuriariquot; ; omdat zijn hart besmeurd is met duizenden zonden tegen de kuischheid en het hem te veel kost die te biechten en zich te beteren. Een derde komt uit de kerk na de preek. Gelooft gij ook, zoo vraagt hij aan zijn kameraad, wat men ons zooal gezegd heeft ? Voor mij, ik geloof er de helft niet van. Spreekt hij ook met ernst f O neen. Waarom spot hij dan zoo f Het is een onkuischaard en de priester heeft tegen de onkuischheid gepreekt. Hij maakt misbaar, omdat men de wonde heeft aangeraakt. O vermocht men al die spotters eens over te halen om kuisch te leven, zij zouden niet meer spreken, zooals zij tot nu toe gedaan hebben. Ziehier een verschrikkelijk voorbeeld, tot staving van hetgeen ik zoo even kom te zeggen. Ik lees in het leven van den H,

-ocr page 186-

- 174 —

Franciscus van Sales, dat die H. bisschop zich had voorgenomen, te arbeiden aan de bekeering van een der invloedrijkste protestanten van zijn tijd ; met name Theodoras Beza. Beza verdedigde aanvankelijk zijne dwalingen. Langzamerhand echter slaagde de H. Franciscus er in hem te overtuigen, dat er geene zaligheid mogelijk is, tenzij in de Katholieke Kerk alleen. Daar stemde ik mede in, sprak Beza, ik kan mijne zaligheid niet bewerken in den protestansehen godsdienst. En waarom bekeert gij u dan niet, vroeg hem de H. bisschop ? Dan bief Beza de oogen ten hemel, zijne oogen schoten tranen en hij beleed dat hij ondanks zijn hoogen leeftijd nog in zonde leefde. Hij opende de deur eener aangrenzende kamer en wees den H. bisschop op een vrouwspersoon, die zijne onwettige huisvrouw was. Ziedaar, zoo sprak hij, de reden waarom ik protestant blijf. En de rampzalige stierf in de dwaling. Is dat niet treurig ? En toch, ziedaar een voorbeeld dat u bewijst, hoezeer die schandelijke zonde den mensch verblindt. Zij verlaagt hem tot den rang der redelooze dieren, doet hem al zijne plichten vergeten, stort hem in alle buitensporigheden en ontneemt hem ten laatste zijn Geloof.

2) Met die verblindheid des geestes gaat doorgaans gepaard de versteendheid des harten, tengevolge waarvan de bekeering van den onkuischaard bijna onmogelijk wordt. Het is niet Gel. met de ziekten der ziel gelijk met die des lichaams. De ziekten des lichaams kunnen genezen worden, zonder dat men zelf zijne ziekte behoeft te kennen ; \'t is voldoende dat de geneesheer haar kent. Maar van de ziekten der ziel kan men niet genezen worden, zoo men ze zelf niet kent De wellusteling nu in zijne verblindheid kent zijne ziekte niet; vandaar dat de H. Clemena

-ocr page 187-

— 175 —

van Alexandrie, de onkuiscliheid noemtquot; ; morbus im-medicabilis ; eene ongeneeselijke ziekte.\'\' en Tertuli-anus vitium immutabile : eene onverbeterlijke kwaal.quot; Hoe toch zou de onkuischaard zich bekeeren, roept de H. Chrijsostomus uit? Wat is in staat hem aan zijn zondig leven vaarwel te doen zeggen ? Quis eum a petulantia removebit? Is het de knaging des gewetens? Die verstikt bij, zijn het de goede voorbeelden van anderen ? Daarmede spot hij. Is het de goddelijke genade f Die verstoot hij, die vindt geen toegang tot zijn hart, Quis eum removebit? Zijn het de Sacramenten ? Maar hij nadert zelden of nooit tot dezelven en zoo hij ze ontvangt is het heiligschennend, hij biecht zonder oprechtheid, zonder berouw. Quis eum removebit f Zijn het de onderrichtingen en preeken, hij woont ze niet meer bij, tenzij om ze te bespreken of er mede te lachen. Is het misschien de barmhartigheid van God? Maar die verstoot hij, die wil hij niet. Ziedaar Gel. iets, waarvan men eiken dag getuige is en daarom ook noemt de H. Cijprianus de onkuisch-heid : de moeder der onboetvaardigheid Impudicitia, mater est impoenitentiae.quot; De wellusteling loopt met rassehe schreden zijn eeuwig verderf te gemoet en op zijn schaamteloos voorhoofd, meen ik dezen vloek te lezen der H. Schriftquot; ; ossa ejus implebuntur vitiis a-dolescentiae ejus et cum eo in pulvere dormiunt.quot; Zijn gebeente is vervuld met de zonden zijner jeugd en deze zullen met hem rusten in het graf. Ten tijde van den H. Franciscus van Borgia leefde te Madrid een jongeling van deftige familie, Uitgeput door allerlei buitensporigheden en zonden, werd hij gevaar-, lijk ziek. Herhaaldelijk aangespoord om te biechten, bleef hij hardnekkig weigeren. De familie troosteloos van verdriet, beproeft nog een laatste middel. Men

-ocr page 188-

— 176 -

ontbood den H. Franciscus van Borgia, die bekend stond als een man van groote heiligheid. Alvorens zich derwaarts te begeven, gaat Pranoigcu.3 zich neerwerpen voor een kruisbeeld, om van God de bekeering dier arme ziel af te smeeken. G-a heen, Franciscus, zoo sprak eene stem hem toe en zoo het noodig is, zal ik zelfs een mirakel doen om hem te bekeeren. De Heilige staat op en gaat naar den zieke met het kruisbeeld in de hand. Nauwelijks begint hij hem te spreken van de Biecht, of de zieke beveelt hem zich te verwijderen. De K. missionaris wijst hsm eener-zijds op de hel, die voor hem open staat en toont hem tevens aan, hoe gemakkelijk het hem zou wezen om vergiffenis te bekomen. Hij spreekt hem verder over de barmhartigheid Gods; doch alles was vruchteloos. De rampzalige jongeling antwoordt niet, tenzij met een blik van verachting. Dan neemt de Heilige zijn kruisbeeld in de hand en toont het den zieke. Zie, mijn zoon, zoo sprak hij, wat God geleden heeft voor de zaligheid uwer ziel en gij wilt die ziel verdoemen ! En o wonder der goddelijke barmhartigheid, terwijl de Heilige die woorden sprak, druppelde er bloed uit de wonden des Zaligmakers op den stervende. Wie, zoo verstokt van harte, zou bij dat gezicht niet verteederd worden ? De onkuischaard bleef versteend. Hij werpt een blik van woede op bet kruisbeeld, keert zich om in zijn bed, vervloekt God en sterft. En nu, gij jongelingen en jonge dochters, die de schoone jaren uwer jeugd doorbrengt in zonde, gij gehuwden, die de heilige wetten des huwelijks met voeten treedt, ouden van dagen wier hart nog van wellust brandt, gij allen in één woord, die slaven zijt der ontucht, wilt ook gij een zoo rampzaligen dood sterven, volhardt dan in uwe zonde; onderhoudt dan

-ocr page 189-

die ongeoorloofde verkeering, leeft dan voort in overspel, vult in één woord de maat uwer ongerechtigheden. Maar weet dan ook, dat ik u afwacht voor den rechterstoel Gods. Daar, ten aanschouwe der gansche wereld zal ik getuigen, dat ik u gewaarschuwd heb. Maar neen, Gel. het zal niet noodigzijn dat ik u aanklaag voor de vierschaar Gods. Ik zie het; uwe harten zijn geraakt, gij wilt u bekeeren. Is dit zoo, dan vreest niet; God wacht u. Hij wil u alles vergeven. TJwe zonden zijn groot en ontelbaar; maar Gods barmhartigheid is nog grooter. Zegt niet dat uwe kwade gewoonten te verouderd zijn, dat gij de banden niet kunt breken die u aan de zonde hechten. quot;Wat gij alleen niet vermoogt, zal God met u doen. O onbevlekte Maagd Maria, tot u nemen wij op dit oogenblik onze toevlucht. Aanschouw Moeder, de gevoelens onzer harten; doordrongen van berouw en leedwezen, smeeken wij u, onze voorspreekster te willen zijn bij God, verkrijg ons de vergiffenis onzer zonden, de volharding in de genade tot aan onzen dood; geef dat ook in ons mogen bewaarheid worden de woorden van uwen Goddelijken Zoon: „Beati mundo corde, quoniam ipsi Deum videbunt.quot;

12

-ocr page 190-

Zonden tegen de Liefde tot den Naaste.

Men krenkt den Naaste :

I In zijne goederen en fortuin:

1) Door onrechtvaardigheid.

2) Grootte der zonde van onrechtvaardigheid.— Herstel.

3) Straffen „ „

II In zijne eer en goeden naam:

1) Inwendig. (Achterdocht.— Vermetel Oordeel.)

2) Uitwendig. (Kwaadspreken.— Laster.)

3) Grootte dier zonden.—

4) Verwoestingen.

III In zijne ziel:

1) Door ergernis,

2) Grootte der zonde van ergernis.— Gevolgen.

3) Straffen.

4) Opwerping.

Dilectio proximi malum non opera-tur. Wie zijnen naaste liefheeft, doet hem geen kwaad. (Roni. 13. 13.)

De Apostel Paulus leert ons, Dierb. Gel; dat al wie zijnen naaste bemint, de wet Gods in haar gebeel vervult ; want zegt Hij ; al wie zijnen evenmenscb bemint, krenkt hem niet in zijne goedoren en bezittingen, ont-

-ocr page 191-

— 179 —

neemt hem niet zijnen goeden naam door laster en kwaadspreken, maakt geen inbreuk op zijn huwelijksrecht door overspel, ontneemt hem niet het leven, begeert niets van alles wat hem toebehoort. (Rom. 13. 8—11.) Ja Dierb. Gel; de liefde maakt dat wij bijna de gansohe wet Gods volbrengen; want zij verbiedt ons eerst en vooral, den evenmensch het geringste leed aan te doen: „dilectio proximi malum non operatur.quot; Men benadeelt den evenmensch vooral op drie manieren : met hem te krenken in zijn fortuin, in zijne eer en goeden naam en in zijne ziel. Ten einde u aan te sporen, om toch met de meeste zorg alle onrecht jegens den evenmensch te vermijden, of wel om de schade te herstellen die gij hem mocht hebben toegebracht, kom ik u leeren, hoe men den evenmensch kan te kort doen ia zijn fortuin , in zijne eer en goeden naam en eindelijk in zijne ziel; tevens zal ik u doen zien hoe grootelijks men zondigt met dit te doen en waartoe men gehouden is, wanneer men den evenmensch in zijne rechten gekrenkt heeft.

I Vooreerst; hoe doet men den evenmensch onrecht in zijne goederen en fortuin? Door onrechtvaardigheid. Wie zijn het, die doorgaans tegen de rechtvaardigheid misdoen? Vooreerst: meestérs, die het verschuldigde loon weigeren te betalen aan hunne arbeiders of dienstboden. Dat is eene groote zonde. De Apostel Jacobus verzekert ons , dat het schuldig loon, dat den arbeider wordt achtergehouden, om wraak roept tegen den schuldenaar. Ook de H. Geest wil, dat men voor het invallen van den nacht; d. i. zoodra mogelijk, den arme geve wat hem toekomt. Indien gij uitstelt te betalen, moet hij misschien met vrouw en kinderen honger en gebrek lijden. Verdei zij, die hunne schulden niet voldoen , wanneer zij kunnen. Die ge-

-ocr page 192-

— 180 —

vonden voorwerpen zich toeeigenen, alhoewel zij den eigenaar kennen. Herbergiers en winkeliers, die in maat of gewicht te kort doen. Dat is eene afschuwelijke zaak voor de oogen van God, zooals de H. Geest zelf zegt: „Pondus et pondus, mensura et menaura; utrumque abominabile est apud Deum.quot; (Prov. 20.) Zondigen nog tegen de rechtvaardigheid, kooplieden, die slechte waren verkoopen en ze voor goede doen betalen , of ook die ver boven den loopenden prijs verkoopen, of zij die meer op rekening brengen dan zij verkocht hebben. Verder nog opkoopers, die een deel der waren zich toeeigenen, die men hun heeft toevertrouwd, of een gedeelte achterhouden van de waarde die zij er van getrokken hebben. Die nemen of in bezit houden wat hun niet toebehoort; b. v. dienstboden, die hunne meesters geld ontnemen, kinderen die hunne ouders bestelen. Ouders en meesters, die hunne kinderen , dienstboden of werklieden toelaten te stelen. Landbouwers die de scheidspalen verplaatsen, of die hun ploeg laten gaan over het land van hun buurman; „Maledictus qui tiansfert terminos proximi sui.quot; (Deut. 27. 17.) Die bij verdeeling en erfenis hunne medeerfgenamen te kort doen. Ziedaar de meest voorkomende zonden tegen de rechtvaardigheid. Hebt een afschuw Chr. van de onrechtvaardigheid ; want indien zij merkelijk is, is zij eene zware zonde, eene doodzonde, die u den hemel sluit: „ An nescitis quia iniqui regnum Dei non possidebuntzegt de Apostel. (I Cor. 6. 9.) Immers, zoo gaat hij voort: „neque fures, neque rapaces, regnum Dei possidebunt.quot; (Ibid 10.) Indien gij onrechtvaardig geld in bezit hebt,haast u dan het zijnen wettigen eigenaar weder te geven; want er bestaat eene uitdrukkelijke verplichting, den evennaaste terug te geven wat hem toekomt. Noch bisschop, noch

-ocr page 193-

— 181 —

paus kunnen u daarvan ontslaan. Weet het wel; hij die onrechtvaardig goed van den evenmensch in bezit houdt en het niet teruggeeft, alhoewel hij daartoe in staat is, kan geen vergiffenis zijner zonden erlangen. „Non remittitur peocatum, nisi restituatur ablatum,quot; zegt de H. Augustinus. Niets trouwens is billijker. Ik vraag u ; veronderstel dat men u eens iets ontnomen hadt, zoudt gij niet de eerste zijn om uw eigendom terug te vorderen en zoudt gij niet verontwaardigd ziju op den biechtvader, indien hij den dief niet dwong, het u aangedane onrecht te herstellen ? Welnu, is het dan ook niet billijk, indien gij zelf uwen evenmensch iets ontnomen hebt, dat gij het hem teruggeeft en dat de biechtvader u daartoe verplicht! Grij zegt misschien : maar is het onrecht dat ik den evenmensch heb aangedaan wel zoo aanzienlijk, dan dat ik verplicht ben het te herstellen ? Is de armoede waarin ik leef, niet eene reden van verschooning ? Wanneer moet ik herstellen ? — Aan wien ? Ziedaar even zoovele vragen, waarop ik den tijd niet heb te antwoorden, maar waarop uw biechtvader u zal antwoorden, wanneer gij biechten gaat. Zegt hem openhartig den toestand waarin gij zijt en doet wat hij u zeggen zal. Nog eens Chr. verfoeit de onrechtvaardigheid; want God straft niet zelden reeds hier in de wereld diegenen, die onrechtvaardig goed bezitten. Men heeft altijd gezien, dat onrechtvaardig goed geen zegen brengt. Hoe kunt gij verlangen dat Grod uwen handel, uwe zaken zegene, indien gij Hem beleedigt door uwe bedriegerijen. Cesarius verhaalt van twee kooplieden, dat zij ondanks al hunne bedriegerijen die zij pleegden, altijd arm bleven. Zij gingen op zekeren dag biechten, bekeerden zich oprecht en staakten hun onrechtvaardig leven. En wat gebeurde er? Zij verwier-

-ocr page 194-

ven weldra het vertrouwen der menschen en wonnen meer in één jaar, dan vroeger door hunne bedriegerijen in tien jaren. Wie onrechtvaardig goed in bezit houdt, heeft nimmer een gerust geweten ; zijn geweten roept hem aanhoudend toe : dat goed behoort u niet toe, gij moet het teruggeven ; zoo niet, dan gaat gij verloren. De ongelukkige slijt zijn leven in onrust en stelt zich bloot aan eenen treurigen dood. Ach Chr, mocht gij u aan onrechtvaardigheid hebben plichtig gemaakt, stelt u dan toch niet bloot om als een verworpeling te sterven; haast u, uw geweten in orde te brengen. Komt uwe schuld belijden in den biechtstoel en volbrengt getrouw} wat de biechtvader u zeggen zal.

II Ten tweede kan men den evenmensch krenken in zijne eer en faam. En wel 1) inwendig: door achterdocht en vermetel oordeel, — en 2) uitwendig ; door kwaadspreken en laster. Wij moeten vooreerst alle achterdocht en lichtvaardig oordeel met betrekking tot den evenmensch vermij den. De liefde, zegt de Apostel, onderstelt geen kwaad van anderen; „Charitas non cogitat malum.quot; (I Cor. 13, 5.) Men bedriegt zich zoo dikwijls met anderen te verdenken. Er zijn somtijds vrouwen die hunne mannen van ontrouw verdenken zonder eenigen grond, zij maken zich deswege ongelukkig en vergallen zich het leven. Men vindt somtijds een man, onbesproken van gedrag, die door zijne vrouw van ontrouw jegens haar verdacht wordt. Is dat geen groot onrecht zijnen man aandoen, met zonder grond zoo iets van hem te onderstellen! Soms gebeurt het ook, vooral op het platteland, dat iemand ziek vee heeft, of een klein kind dat met den dag wegsterft. Aanstonds treedt het bijgeloof voor den dag en men zegt: er is een kwade hand in \'t spel en men gaat

-ocr page 195-

een oude vrouw verdenken, die wel verre van eene heks te zijn, doorgaans eene bij uitstek brave persoon is. Men bedriegt zich bijna altijd met anderen te verdenken en te veroordeelen. Luistert eens naar een voorbeeld. De H. Thomas van Aquine, een van de grootste leeraars der Kerk, bevond zich eens aan tafel bij den H. Lodewijk koning van Frankrijk. Hij sprak geen enkel woord; maar scheen met buitengewone begee-righeid te eten. De koning was geheel verwonderd, een man die voor zulk een groot Heilige doorging, zoo gulzig te zien eten. Toen het maal geeindigd was, sloeg de H. Thomas met zijne hand op tafel en riep uit; Het is gedaan met de Manicheën : „Conclusum est de Maniohaeis,quot; Wat wilde hij daarmede zeggen ? Ziehier de verklaring. De H. Thomas was gedurende den ganschen maaltijd bezig geweest om bewijzen te zoeken, teneinde zekere ketters, Manicheën genaamd, te wederleggen; hij had met haast gegeten, niet uit gulzigheid maar uit afgetrokkenheid en toen hij eindelijk grondige bewijzen gevonden had, riep hij uit: het is gedaan met de Manicheën, zij zijn geslagen. Gij ziet dus, hoezeer men zich bedrogen zou hebben, indien men gemeend had dat de H. Thomas een gulzigaard was , terwijl hij bewijzen zocht om de vijanden der Kerk te bestrijden. Beoordeelt dus nooit den naaste , wanneer zelfs de schijn tegen hem is. Dat is een onfeilbaar middel, om op uwe beurt van God na uwen dood een gunstig oordeel te erlangen. Oordeelt niet de anderen, zegt J. C.in het Evangelie en gij zult zelf niet geoordeeld worden. Er zijn evenwel hierop uitzonderingen. Zij , die uithoofde van hunnen staat gesteld zijn om anderen te bestieren en te bewaken; b. v. vaders en moeders, schoolmeesters, huismeesters en meesteressen, mogen niet slechts; maar zijn gehouden om

-ocr page 196-

te oordeelen over het gedrag hunner kinderen, scholieren en dienstboden; want op hen rust de zware verplichting het kwaad te voorkomen en te beletten; zij mogen dus kwaad van hunne kinderen en onder-hoorigen onderstellen, alvorens er zeker van te zijn. Er zijn helaas te veel meesters en ouders, die hunne kinderen en onderhoorigen beter beoordeelen dan zij zijn, zij bewaken hen niet, laten hunne dochters met jongelingen alleen verkeeren en uitgaan, veroorlooven aan hunne knechten en meiden allerlei gemeenzaamheden ; vandaar dat bij gebrek aan waakzaamheid van den kant van ouders en meesters, soms groote ergernis ontstaat. Dit nu betreft alleen ouders en oversten; anderen mogen van den evenmensch geen kwaad onderstellen. Als God ons verbiedt kwaad van den evenmensch te denken, verbiedt Hij ons nog veel meer, kwaad van hem te spreken. Vooreerst, het is duidelijk dat het altijd zonde is, van den evenmensch een kwaad te zeggen dat onwaar, dat valsch is; want men mag nooit liegen. Maar men zondigt daarenboven nog tegen de liefde, als men zonder noodzakelijkheid, op rekening van den naaste een kwaad stelt dat waar is, maar onbekend aan hen tot wie men spreekt. En weet het wel; het kwaad dat gij van den evenmensch zegt, moge valsch zijn of waar, maar onbekend ; indien aet een groot kwaad is, waardoor zijné eer of faam verloren gaat, dan bedrijft gij eene doodzonde tegen de liefde en tegen de rechtvaardigheid. Vandaar ook dat de Apostel zegt, dat zij die door woord den evenmensch zijne eer en faam benemen, door God gehaat worden. „Detractores, Deo odibiles.quot; (Rom. 1. 3U.) Daarenboven zij die door hun kwaadspreken en lasteren, onrechtvaardig den evenmensch zijn eer en faam benomen hebben, zijn gehouden die te herstellen. Indien het

-ocr page 197-

— 18B —

kwaad dat zij gesproken hebben onwaar ia, zijn zij verplicht zich te herroepen; d. i. zij moeten zeggen tot diegenen die hen kwaad hebben hooren spreken, dat dit onwaar, valsch is. Is het daarentegen waar, maar onbekend ; dan zijn zij gehouden de faam van den evenmenseh te herstellen, met zooveel goed van hem te zeggen als mogelijk is. Vermijdt dus Chr. alle gesprekken die de eer en faam van den evenmenseh kwetsen kunnen. Kwade tongen zijn eene pest voor de parochie; zij stichten onnoemelijk veel kwaad, beletten dikwijls de beste huwelijken, maken vaak de overheid in eene gemeente, in eene parochie gehaat en verhinderen daardoor al het goed dat deze doen konden. Kwade tongen zullen rekenschap geven voor den rechterstoel van God, van al het kwaad dat zij gesticht hebben. Een kwaadsprekend woord is spoedig gezegd; maar men weet dikwijls niet tot welke betreurenswaardige gevolgen het leiden kan. Men leest in het leven van den H. Philippus Nerius, dat eene vrouw te Rome de kwade gewoonte bad, alle soort van kwaad van den evenmenseh te vertellen. Zij kwam biechten bij den H. Philippus Nerius. Deze wilde haar hare fout doen gevoelen en legde haar eene zonderlinge penitentie op. Zij moest naar de markt gaan, daar eene hen koopen en al gaande naar huis, haar geheel en al plukken. De vrouw volbracht die penitentie en keerde eenigen tijd daarna terug om te biechten.flebt gij uwe penitentie volbracht, vroeg haar de H. Philippus Nerius? Ja, was het antwoord. Dan ga ik u eene andere penitentie opleggen. Keer terug naar de markt en wel langs denzelfden weg dien gij de eerste maal gegaan zijt en raap zorgvuldig alle veeren bijeen die gij weggeworpen hebt. Maar mijn vader, zoo sprak de vrouw, dat is onmogelijk; de wind heeft ze naar

-ocr page 198-

alle kanten ■weggevaagd. Welnu, hernam de Heilige, evenmin als het u mogelijk is de verstrooide veeren der hen bijeen te rapen, evenmin kunt gij nog opvangen al die kwaadsprekende woorden, die gij tegen uwen naaste gesproken hebt. Dat nu wilde ik u doen begrijpen door die zonderlinge penitentie, die ik u heb opgelegd.

III Waarin echter moeten wij vooral zorgen, om den evenmensch niet te kwetsen? Wij moeten zorgen hem geen schade te doen lijden aan zijne ziel. Fortuin is een goed voor hen die er een behoorlijk gebruik van maken, een goede naam gaat nog boven fortuin; maar onze ziel is oneindig meer waard dan onze faam, meer dan al het goud der wereld. „Toto mundo preti-osiorzegt de H. Chrysostomus. Wij moeten dus uiterst voorzichtig zijn, om den evenmensch in zijne ziel niet te krenken. En hoe kan dat geschieden ? Door ergernis of aanstoot; d. w. z, wanneer men door voorbeeld of woorden anderen tot zonde brengt. De meeste menschen, wanneer zij gaan biechten en tot het vijfde gebod gekomen zijn: „gij zult niet doodslaan,quot; zeggen tot den biechtvader : over dat gebod heb ik mij niet aan te klagen; maar zeer dikwijls bedriegen zij zich. Men denkt er niet aan dat men zich plichtig kan maken aan doodslag op tweeërlei manier; men kan het lichaam van den evenmensch dooden en men kan zijne ziel dooden, door haar te berooven van de genade. Nu, er zijn vele menschen die de ziel van den evenmensch dooden. En wie zijn dat ? Dat zijn zij, die door voorbeeld of woorden anderen tot zonde brengen. Dat zijn ouders en meesters, die hunne godsdienstige plichten verzuimen, die zonder noodzakelijkheid zondags arbeiden en door hun voorbeeld schuld zijn, dat hunne kinderen en dienstboden eveneens doen.

-ocr page 199-

— 187 —

Dat is een vader, die drinkt en vloekt en daardoor zijn zoon aanzet hem na te volgen; dat zijn ouders , die in plaats van het wangedrag hunner kinderen te straffen, hen verontschuldigen en zeggen; de jeugd moet haar tijd hebben. Dat zijn somtijds nog arme en behoeftige ouders, die hunne kinderen geld leeren stelen. Dat is een jongeling, die een onschuldig meisje verleidt, of die het kwaad leert aan een kind dat nog geen kwaad kende. Dat is een losbandig jongeling, die oneerbare taal spreekt, onkuische liedjes zingt in het bijzijn van meisjes en kinderen. Dat is soms ook eene jonge dochter, die hetzij door hare tegenwoordigheid, of door hare oogslagen, door woorden of gebaren jongelingen tot kwaad bekoort. — Nu, gij allen ergernisgevende zondaars, gij die anderen tot zonde brengt, verneemt de vreeselijke vervloeking, die J. C. in het Evangelie tegen u uitspreekt: „Wee de wereld, ter oorzake der ergernis. Vae mundo a scandalis.quot; Wee hem, door wien ergernis ontstaat. Het ware beter voor hem, zegt J. C. dat hij met een molensteen aan den hals, in de diepte der zee werd neergeworpen. Ja ergernisgevende zondaars, het ware beter voor u het leven des liohaams te verliezen in de golven der zee, dan tegelijkertijd uwe eigen ziel en de zielen van anderen te verliezen en neergestort te worden in den afgrond der hel. O, welke strenge rekenschap zal aan Orod moeten afleggen de ergernisgevende zondaar I Hij zal geoordeeld worden, niet slechts over de zonden die hij zelf zal bedreven hebben, maar ook over de zonden die hij anderen heeft doen bedrijven ; hij zal rekenschap moeten geven, niet slechts van zijne eigen ziel, maar ook van de zielen dergenen, die hij geërgerd zal hebben: „Sanguinem ejus de manu tua requiram.quot; De H. Augustinus noemt

-ocr page 200-

— 188 —

de ergernisgevende zondaars; de trawanten van den duivel, de knechten van satan: „satanae mediatores.quot; Ja,evenals zij die het goed onderwijzen, Apostelen van J. C. genoemd worden, zoo zijn zij die het kwaad leeren, de handlangers van den duivel. De duivel loopt aanhoudend rond, om onze zielen in het verderf te storten; dat is zijne eenige bezigheid. Ook de ergernisgevende zondaars, zij spannen met Satan samen om zielen te roo-ven en te verdoemen ; ja zij doen zelfs nog meer kwaad dan de duivel zelf. Dat deed God in een vizioen eens aan een H. kluizenaar weten. Een vroom kluizenaar, trad op zekeren dag eene stad binnen en zag op de markt verschillende jongelingen met elkander staan praten. Hij zag tevens den duivel, die met onvermoei-den ijver rondom hen zich bewoog. Kort daarop vervoegt zich een ander jongeling bij het gezelschap en aanstonds verwijderde zich de duivel. Die jongeling, dacht de kluizenaar bij zich zeiven, moet wel een groot Heilige zijn, vermits de duivel bij zijne komst het gezelschap verliet. Ja, die kan niet anders dan een godvreezend persoon wezen. En wat was dat nu voor een jongeling ? God openbaarde dit aan den vromen kluizenaar; het was een ergenisgovende zondaar, een jongeling, die de gewoonte had vuile taal te spreken. En waarom had Satan bij zijne komst het gezelschap verlaten ? Omdat die jongeling hem waardig kwam verplaatsen en meer kwaad stichtte, dan hij zelf had kunnen doen. Ergernis is dus, zooals gij ziet, groote zonde. God straft haar ook gewoonlijk op voorbeeldige wijze. Ziehier een voorbeeld, dat ons medegedeeld wordt in het leven van een groot missionaris , den H. Leonardus a Porto Mauritio. Die ijverige missionaris gaf eene missie te Cazinga, eene plaats op Corsica gelegen. Hij had juist eene preek

-ocr page 201-

— 189 —

gehouden, waarin hij met bracht opgetreden was tegen oneerbare gesprekken en vuile liedjes. Bij het uitgaan der kerk, begon een man oneerbare taal te spreken, in tegenwoordigheid van eenige vrouwen. Maar hebt gij dan niet gehoord, zeiden dezen tot hem, wat P. Leonardus gepredikt heeft ? Maar de man spotte met hare bemerkingen en trok de bedreigingen, door den missionaris geuit in het belachelijke. „Maar wat beeldt zich die monnik al niet in, zoo sprak hij, de wereld is altijd dezelfde geweest en zal altijd dezelfde blijven 1 Nauwelijks had hij die woorden gesproken, of hij werd overvallen door vreeselijke pijnen in de ingewanden; hij werd naar zijne woning vervoerd, waar hij na verloop van weinige oogenblikken, zonder bediening stierf. Ook de H. Alphonsus verhaalt ons een dergelijk voorbeeld. Een schoolknaap, bedorven van hart, had het kwaad geleerd aan een zijner makkers, die veel jonger was dan hij en had hem zijne onschuld doen verliezen. Op zekeren morgen, kwam als naar gewoonte de jeugdige knaap zijnen ouderen schoolmakker aanroepen om naar school te gaan ; maar deze had zijne kamer nog niet verlaten. De vader, ongeduldig over de luiheid zijns zoons, gaat naar boven en wat ziet hij ? Hij ziet zijn on-gelukkigen zoon, met het hoofd over den rand van het bed gebogen en zwart als een kool. Hij was dood. Zijn jeugdige makker verhaalde toen wat er nog daags te voren was voorgevallen en niemand twijfelde er aan, of die ijselijke dood, was eene straf voor de gegeven ergernis. Ziedaar Chr ; een paar voorbeelden, ten bewijze hoe zwaar God de zonde van ergernis straft. Hebt er dus een afschuw van. Mocht gij soms anderen ergernis gegeven hebben door woorden ; hebt er dan berouw over, verbetert u en stelt alle pogin-

-ocr page 202-

— 190 -

gen in het werk, om door goede raadgevingen, vermaningen en voorbeelden, het kwaad te herstellen dat gij gesticht hebt. Ik heb n dus aangetoond, dat God volstrekt verbiedt den ev.\'nmensch te krenken in zijn fortuin, in zijne eer en faam en in zijne ziel. Dat is waar, zult gij zeggen, wij geven toe, dat men nooit kwaad mag doen aan hen die ons goed, of ten minste geen kwaad doen ; maar mogen wij dan geen kwaad met kwaad vergelden. Neen Chr., nimmer : „nulli malum pro malo reddentes,quot; zegt de Apostel. (Rom. 12. 17.) En J. C. beveelt ons uitdrukkelijk, onze vijanden te beminnen : „Diligite inimieos vestros.quot; Wat moet gij doen om uwe vijanden te beminnen, gelijk J. C. het wil ? Wanneer iemand u beleedigd, u onrecht heeft gedaan in uwe goederen of reputatie ; dan vraagt God van u dat gij in uw hart uitdooft alle gevoal van afkeer, haat en wrok. Hij vraagt niet, dat gij hem buitengewone bewijzen van welwillendheid en vriendschap betuigt, maar Hij wil niet dat gij hem weigert, de betuigingen van achting en onderscheiding, die gij iedereen betoont. En zoo b. v. zijt gij gehouden hem te groeten zoo hij u groet, zijne woorden en brieven te beantwoorden en zoo hij zich in grooten nood bevindt hem te helpen, evenals ieder ander. Maar, zoo

zegt mij iemand; hoe wilt gij dat..... hij heeft mij

bedrogen in den handel, misbruik gemaakt van mijn vertrouwen, hij heeft mij voor ee.ie aanzienlijke som benadeeld. En ik, zegt een ander, zou ik kunnen vergeven, al het kwaad, dat mij die kwade tong berokkend heeft ? Die man heeft mij mijne reputatie benomen, mij voor een bedrieger doen doorgaan en mij daardoor veel schade doen lijden. Chr; hoe het ook zij , het is u toch nimmer geoorloofd u te wreken : „Mihi vindicta. Ego retribuam zegt de Heer.

-ocr page 203-

- 191 —

(Rom. 12. 19) G-ij moet vergeven; want zoo niet, dan zal God u ook uwe zonden niet vergeven. Zegt gij niet alle dagen in het Onze Vader: „vergeel ons onze schulden, gelijk wij.quot;... Gij vraagt God, dat Hij u vergeve en gij zoudt op uwe beurt aan anderen niet vergeven ! Indien gij niet vergeeft, dan vraagt gij alle dagen, dat God ook u niet vergeve. Neen, indien gij niet vergeeft, is ook voor u geene vergeving denkbaar. Dat is zoo zeker, dat indien gij gingt biechten met grooten haat in het hart, dien gij niet zoudt willen afleggen, de biechtvader u de absolutie niet zou kunnen geven, Dus dhr; mocht iemand u onrecht hebben aangedaan ; wenscht hem geen kwaad toe, neemt geen wraak; maar vergeeft hem van ganscher harte en ook God zal u vergeven. Vergeeft, zoo zegt Hij, en u zal vergeven wor-hen. En de Apostel Petrus verzekert ons, dat de liefde eene menigte zonden bedekt: „Charitas op erit mul-titudinem peccatorum.quot; En mocht gij zelf den even-mensch onrecht hebben aangedaan; haast u dan dat te herstellen zoo spoedig als gij kunt. Hebt gij eens anders goed weggenomen of achtergehouden, doet dan wat de biechtvader u zeggen zal en God zal u vergeven, evenals Hij weleer aan Mattheus den tollenaar vergaf, alle onrechtvaardigheden waaraan deze in de uitoefening zijner bediening zich had plichtig gemaakt. Hebt gij iemands reputatie benomen, herstelt hem die, door u te herroepen en zooveel goed mogelijk van hem te zeggen. Hebt gij anderen ergernis gegeven, herstelt het kwaad, met voortaan een goed voorbeeld te geven en J. C. zal u vergeven, gelijk Hij weleer vergeven heeft aan de Samaritaansche vrouw, aan Magdalena, aan de overspelige vrouw, die alle drie openbare ergernis gegeven hadden. Moed dus, hoedanig

-ocr page 204-

uwe zonden ook zijn, eene goede biecht zal alles herstellen; zij zal u herstellen in de genade van God en u al uwe rechten terugschenken op het hemelsch erfdeel, dat ik u toewensch, in den naam des Vaders, des Zoons en des H. Greestes. Amen.

-ocr page 205-

Onrechtvaardigheid.

I Wat is diefstal ?

1) Doodzonde als do zaak of schade merkelijk is ;

A) Omdat diefstal aanrandt de rechten G-ods,

B) „ „ „ „ „ van den naaste,

C) „ „ „ „ „ der maatschappij. IE Wie begaat diefstal ?

Ill Wat is restitutie ?

1) Is noodzakelijk.

2) Wat? Aan wien ? Wanneer?

3) Opwerpingen.

Non furtum facies. Gij zult niet stelen. (Exod. 20. 15.)

Er is misschien geene drift, dieper in \'s menschen hart geworteld , geen hartstocht zoo algemeen in de wereld, geene neiging die noodlottiger gevolgen na zich sleept, dan do zucht naar geld en goed. Ik zeg: geene drift is disper ingeworteld ; immers geene drift weet zich zoo behendig te verbergen in het hart van den menseh en maakt hem, zonder dat hij het weet, meer en meer tot slaaf. Geen hartstocht zoo algemeen. Immers in alle standen en staten, op eiken leeftijd , vindt men mensohen, die daarmede behebt zijn:

13

-ocr page 206-

„A. minore usque ad majoretn, omnes avaritiae student.quot; (Jer.) Van den kleinste tot den grootste, allen zijn behebt met de zucht naar geld en goed, zegt de Profeet. Doorloopt alle standen der maatschappij en gij zult bevinden dat de groote zorg en inspanning der menschen, de zucht is naar geld. Eindelijk, geen hartstocht is er die zulke noodlottige gevolgen heeft. Tweedracht , afgunst, kwaadspreken , bedrog , processen , moord , ontleenen doorgaans hun ontstaan aan de drift der geldzucht: „Radix omnium malorum cupiditas.quot; Om deze drift te matigen, heeft God twee geboden gegeven. Het eerste luidt; „Non facies furtum.quot; Gij zult niet stelen, of: „non eoncupisces alienumquot;; gij zult eens anders goed niet begeeren. En het tweede ; redde debita.quot; Geef weder wat gij verschuldigd zijt. Over die twee geboden of verplichtingen kom ik u spreken en u aantoonen:

I Welke zonde diefstal is en hoe die zonde kan bedreven worden , of ; wat is stelen, en hoe steelt men gewoonlijk ?

II Dat restitutie of teruggave van het gestolene noodzakelijk is — aan wien ? wanneer en boe ? Deze onderrichting is van groot gewicht en daarom eens goed toeluisteren, of niet een of meer punten op u van toepassing zijn.

I Wat is diefstal? Diefstal, is eene heimelijke, onrechtvaardige ontvreemding van eens anders goed of geld, tegen den redelijken wil van den eigenaar. Ik zeg: eene heimelijke ontvreemding; want ontneemt men iets onder de oogen van den eigenaar en met geweld, dan is die ontvreemding geen eenvoudige diefstal meer, maar roof en alzoo eene dubbele zonde, namelijk ; onrechtvaardigheid met iets te stelen en daarenboven eene beleediging den naaste aangedaan, met

-ocr page 207-

- 195

te stelen onder zijne oogen en met geweld; eene omstandigheid die in de Biecht uitgedrukt moet worden. Is de zaak die men steelt eeno heilige, God toegewijde zaak; b. v. een geconsacreerden kelk of ciborie; dan is die diefstal daarenboven nog heiligschennis; hetgeen zij ook is, wanneer eene ongewijde zaak , zooals geld of iets dergelijks, in eene gewijde plaats, b. v. in de kerk wordt gestolen ; ook deze omstandigheden moeten in de Biecht worden uitgedrukt. Is nu diefstal zonde ? Ja en wel doodzonde, als de zaak die men steelt of de schade die men toebrengt merkelijk is ; of ook al is de zaak maar klein, als men door al die kleinigheden tot eene merkelijke som komt, of komen wil. Dat diefstal eene zware zonde kan zijn, zogtonsGod in de II. Schrift: „Neque fures, neque avari, neque rapaces regnam Dei possidebunt.Geen dieven, gierigaards en roovers zullen het Rijk Gods bezitten.quot; quot;Waarom is diefstal zulke zware zonde ? Omdat zij aanrandt: 1) de Hechten Gods. 2) van den naaste.3) van de maatschappij.

De rechten Gods. God is Eigenaar, Meester, Heer van alles wat er bestaat; hemel en aarde met al wat zij bevatten behooren Hem toe : „Domini est terra, et plenitudo ejus, orbis terrarum et universi qui habitant in eo.quot; Den Heer behoort de aarde met al wat zij bevat ; Hem behoort de wereld en alles wat er op leeft. Hij alleen kan dus beschikken zooals Hij wil, Hij kan geven en ontnemen zooals Hij wil en aan wien Hij wil; als dus de mensch zich iets toeeigent wat hem niet toekomt, vergrijpt hij zich aan de rechten Gods. Hij verzet zich daarenboven tegen den wil van God , die in het zevende gebod allen diefstal en onrechtvaardigheid verboden heeft; hij werpt dus omver de orde door God gesteld, van niemands eigendom aan te tasten ; want dat staat onder Gods bescherming.

-ocr page 208-

2) Diefstal schendt verder de rechten van den even-mensch. Er is een algemeene regel, die zegt: wat gij niet wilt dat u geschiede, doet dat ook niet aan anderen. Wie uwer wordt gaarne bestolen ? Gij klaagt en jammert als iets wat u toebehoort u ontstolenis; terwijl gij met te stelen, anderen in hetzelfde geval stelt. Gij doet hun groot ongelijk met hen te bestelen, brengt hun groot nadeel toe, ontneemt hun wat zij met zooveel moeite hebben bijeengebracht, vervult hen met droefheid, stort hen dikwijls in groote moeilijkheden en kwellingen, stelt hen dikwijls buiten staat hunne schulden te voldoen, noodzaakt hen soms met vrouw en kinderen gebrek te lijden,- in één woord : diefstal sleept gevolgen na zich, die niet te berekenen zijn.

3) Schendt de rechten der maatschappij. De mensch is voor de samenleving geboren. Nu, de orde der samenleving door God gesteld vordert, dat ieders eigendom verzekerd zij. Immers wat zou er van de burgerlijke maatschappij geworden, als ieder kon nemen wat en van wien hij wilde! Niemand zou lust hebben om te arbeiden of voor arbeid te zorgen, niemand zou eigendom willen bezitten, de wereld zou niet meer bestaan kunnen, de menschen zouden met elkander in oorlog leven en goed noch leven zou meer veilig zijn. Gij ziet, dat diefstal ware hij niet verboden, in staat is om de burgerlijke maatschappij omwer te werpen. Daarom straffen de burgerlijke rechtbanken alle diefstallen hoe klein ook; mits zij voldoende bewezen zijn en dat heeft plaats in alle landen, van welken godsdienst ook; dus diefstal is in strijd met de wet der natuur. Diefstal is kwaad, dat weet het kleinste kind. Het is echter noodig u de meest voorkomende gevallen van diefstal voor te houden.

Wie begaat diefstal f Zij, die iemands graan, veld-

-ocr page 209-

vruchten, hout, boomen, meubelen, of iets anders, hetzij heimelijk of met geweld wegnemen. Ouders, die hunne kinieren aanzetten om uit hunne diensten iets weg te nemen of dit aannemen,- die het geld hunner kinderen uit een vorig huwelijk misbruiken, of die ten voordeele van onwettige kinderen het rechtmatig aandeel van wettige verkleinen. Voogden, die de goederen hunner pupillen tot eigen voordeel gebruiken, of door nalatigheid in beheer die goederen verliezen. Kinderen , die wegnemen van ouders, broeders, zusters en dienstboden, om te spelen, te verdrinken, geschenken te geven aan vrijsters .... Dienstboden, die zonder verlof hunner overheid, aan familie of vrienden geld . . schenken,- bij gelegenheid van boodschappen geld achterhouden, gaande waar het goedkooper is, of minder meebrengende. Daglooners, die een deel van den dag doorbrengen met niets te doen, of traag werken om het werk te rekken. Maar ook zij, die het verdiende dagloon onthouden. Kleermakers en naaisters, die lappen achterhouden, te veel rekenen, meer dan de waarde is als zij voor anderen goed koopen, ook schoenmakers die slecht leder leveren. Timmerlieden, metselaars, smeden, die slecht werk maken, die niet volgens plan en aanneming werken, of bij afbraak hout, lood , ijzer .... verkoopen . Winkeliers , die te kleine maat, of te licht gewicht gebruiken, waren ver-valschcn, of schulden maken die zij voorzien niet te kunnen betalen. Kooplieden, die boven den prijs verkoopen , de bedekte gebreken van beesten niet openbaren, liegen of bedriegen. Leveranciers, die niet volgens staal leveren, of minder dan zij aangenomen hebben. Rechters, die in eene of andere burgerlijke waardigheid geplaatst, zich door geld laten verblinden, of het geveinsde recht van een rijke verdedigende, den

-ocr page 210-

behoeftige onderdrukken of uit zijn recht verstooten. Advocaten, die de zaak langer rekken, eene valsche zaak op zich nemen, in processen valschheid gebruiken, Allen, die een onrechtvaardig proces beginnen, voortzetten of daartoe aanraden; dio valsche papieren geven, valsche handteckeningen en getuigen bezigen. Apothekers , die slechte, vervlogen , ot krachte-looze medicijnen leveren, of quid pro quo leveren. Zij, die van de bij hen in bewaring rustende goederen leenen en bij zich zeiven zeggen : ik zal het teruggeven en zeer goed weten dat zij dit naderhand niet kunnen, noch zullen doen. Die valsch geld uitgeven en zeggen: ik heb het ook zoo ontvangen,- die geld omwisselen en te weinig teruggeven, die houden wat zij te veel ontvangen hebben. Die gevonden geld of goed aan den bekenden eigenaar niet teruggeven, die scheidspalen en steenen verleggen , die met ploeg of spa te ver gaan. Die rekeningen geven van hetgeen de menschen niet ontvangen hebben, of te veel , te hoog aanschrijven. Die door bedrog in het spel, grof geld gewonnen hebben. Die bij verdeeling de erfgenamen benadeelen. Die bij hun weten onrechtvaardig geld bezitten. Die zonder reden uitstellen hunne schulden te betalen, die hunne bekende en zekere schulden niet willen erkennen , of het kapitaal daarvan voor de toekomst niet willen waarborgen, hetzij door wettige schuldbekentenis, hypotheek, legalisatie of andere overeenkomst met den schuldeischer. Die gestolen goederen bewaren, koopen, helpen of aanraden te stelen, wegdragen, (vrouwen, kinderen, dienstboden.) Die de velden, weiden, jong hout.. . door het vee, of op andere wijzen vrijwillig beschadigen. Die de vrijwillig toegebrachte schade niet vergoeden. Die door kwaadspreken anderen benadeelen, uit hunnen dienst ver-

-ocr page 211-

— 199 -

drijven .... Die het onrechtvaardig goed niet teruggeven, Eindelijk, om alle dwaling voor te komen en omdat men op honderd andere wijzen onrechtvaardigheid kan bedrijven ; zoo diene deze algemeene regel: Doe nooit aan een ander, -wat gij niet zoudt willen dat u geschiede. Om van dit alles vergiffenis te bekomen, moet men werkelijk herstellen, (indien het mogelijk is) of ten minste met den ernstigen wil bezield zijn, zoo spoedig mogelijk het ontvreemde terug te geven en dan nog biechten.

II quot;Wat is restitutie ? Eene daad van rechtvaardigheid , waardoor men het gestolen goed wedergeeft of de toegebrachte schade vergoedt. Deze is noodzakelijk. Dat zegt:

1) De rede, het gezond verstand : „ Alteri ne feceria quod tibi fieri non vis.quot;

2) Gods wet. God zegt niet slechts: gij zult niet stelen; maar ook: „Redde quod debes.quot; Geef weder wat gij verschuldigd zijt; „Redde ergo omnibus debi-ta.\'\' Geene vergeving der zonden is mogelijk zonder restitutie, indien deze mogelijk is; op deze voorwaarde alleen belooft God vergiffenis : „Dat hij het geroofde wedergeve, zegt God, hij zal leven en niet sterven.quot; (Ezech. 33. 15.) De H. Thomas beschouwt de restitutie als noodzakelijk ter zaligheid : de necessitate sa-lutis. En de 11. Augustinus zegt: Indien het goed van een ander, ter oorzake waarvan men gezondigd heeft niet teruggegeven wordt, terwijl men daartoe in staat is, doet men niet, maar veinst men enkel boete : „Si res aliena, propter quam peccatum est, cum reddi po-test, non redditur, non agitur poenitentia sed fingitur.quot; De H. Kerk heeft de macht de grootste zonden en gruwelen te vergeven ; maar Kerk noch paus kunnen de zonde van onrechtvaardigheid vergeven, indien men de

-ocr page 212-

— 200 —

restitutie die men doen kan, niet doet; of de schade die men heeft toegebracht niet vergoedt. Alle andere goede werken die men daarvoor zou willen doen, baten niets: „Non remittitur peccatum, nisirestituatur ablatum, cum restitui potest.quot; (S. Aug.) Hoe moet men nu de restitutie doen ? Men moet de ontvreemde, de gestolen zaak zelve terug geven, zoo zij nog in wezen is en ingeval zij niet meer bestaat, de waarde er van vergoeden. Aan wien moet men restitueeren ? Aan den eigennar zelf, of bij ontstentenis aan zijne wettige erfgenamen ; zijn deze ook niet meer in leven, dan aan de armen of aan missen voor de ziel des overledenen. Bemerkt wel wat ik hier zeg: men moet altijd restitueeren of schade vergoeden aan den persoon zeiven die benadeeld is, indien men dezen kent en in dit geval nooit aan goede werken besteden; want dat zouden goede werken zijn van eens anders goed. — De H. Chryso-stomus noemt zulke schadevergoeding; eene joodsche, of liever eene duivelsche aalmoes. „Judaica hujus-modi eleemosijna, imo vere diabolica.quot; God, zegt de H. Ambrosius, neemt geene geschenken van gestolen goed aan : „Non spolia, sed dona quaeruntur.quot;

Wanneer moet de restitutie plaats hebben ?

Aanstonds als men kan , zelfs vóór de absolutie; want anders belooft men wel, maar na de absolutie vergeet men zoo gemakkelijk zijne verplichting, of\' liever de gehechtheid aan het goed maakt de restitutie moeilijk. — De H. Antoninus zegt: „Nullum peccatum periculosius furto; nam in aliis dolendo salvatur, de isto oportet ut et satisfaciat.quot;

Opwerpingen. „Ik ben arm.quot; Gewone verontschuldiging. Zij t gij oogenblikkelijk niet in staat schadevergoeding te geven, gij moet ten minste den ernstigen wil hebben die te doen, zoodra gij daartoe bij machte

-ocr page 213-

zijt en door spaarzaamheid en zuinigheid daartoe trachten te geraken. „Ik zal mijnen goeden naamverliezen.\'\' Herstelt gij niet wanneer gij kunt, dan verliest gij uwe ziel. Spreekt maar eens met uwen biechtvader, hij zal u daaromtrent wel raad geven. „Als ik weer moet geven, kan ik niet meer volgens mijnen stand leven.quot; Hoe zijt gij tot dien stand gekomen? Met stelen, door onrechtvaardigheid; dan moet gij herstellen, want gij zijt buiten den stand waarin God u wil. Zijt gij op eene eerlijke wijze daartoe geraakt, dan bestaat er wel een middel, om zonder juist uwen stand te verliezen, toch de schade te vergoeden; raadpleeg uwen biechtvader ! „Ik zal vrouw en kinderen daarmee belasten na mijnen dood.quot; Of wel zij doen dit, of niet. Zoo zij het doen , dan Iaat gij hun een last na, waarvoor gij eeuwig zult branden; want wat zij doen, had gij moeten doen en hnn doet gij geen voordeel. Doen zij het niet; dan hebt gij niets anders te verwachten, dan dat zij eeuwig daarvoor met u ongelukkig worden : „Vae qui aedifieat domum suam in injustitia.quot; Wee hem die zich een huia bouwt in onrechtvaardigheid. — Verlangt gij gelukkig en tevreden te leven en eenmaal zalig te sterven, doet dan evenals Zacheus. Zacheus was een tollenaar, die ten nadeele van anderen zich zeiven verrijkt had. Bekeerd door den Zaligmaker, was zijne eerste zorg, het onrecht anderen aangedaan te herstellen; „Dimi-dium bonorum meorum, do (hij zegt niet: dabo) pau-peribus, et si aliquem defraudavi, reddo (niet reddam) quadruplum.quot; .Doet ook gij evenals Zacheus; geett aanstonds zonder uitstel weder wat gij onrechtvaardig bezit en ook gij zult evenals hij mogen hooren; „Hodie huio domui salus facta est.quot; Heden is u heil en zegen wedervaren. Amen.

-ocr page 214-

Over de ergernis.

I Natuur der ergernis.

II Z waarte en boosheid der ergernis.

III Straffen der ergernis.

Quid fecisti ? Vox sanguinis fralris tui, clamat ad me de terra! Wat hebt gij gedaao ? üe stem va.a het bloed uws broeders, roept van de aarde tot mij ! (Gen. IV, 10.)

Hebt gij wel eens Chr. op eene der eerste bladzijden van de H. Schrift met aandacht gelezen, de geschiedenis der beide zonen van Adam : Cain en Abel. Zoo ja; zegt mij dan eens welken indruk op u gemaakt heeft het verhaal van dien verraderlijken broedermoord, dien Cain op zijn broeder Abel pleegde. Cain door afgunst vervoerd, omdat hij zag dat de offers van zijn broeder welgevallige!\' waren aan God dan de zijne, vatte tegen Abel een vinnigen haat op : kom, zoo sprak hij op zekeren dag tot zijn broeder, kom laat ons naar buiten gaan. En Abel, zonder iets kwaad te vermoeden, ging mede. En toen zij op het veld waren, verhief zich Caïn tegen Abel zijnen broeder en hij vermoordde, hij doodde hem. IJselijk Chr. op eene der eerste

-ocr page 215-

— 203 -

bladzijden der H. Schrift, reeds te hooren gewagen van een moord. Akeligen indruk op het gemoed maakt het verhaal, ja het lezen alleen van oen moord. Ja, men vindt menschen zoo gevoelig van aard, die bij het zien van bloed in bezwijming en onmacht vallen. Nu Chr. een moord gepleegd op het lichaam van een mensch, is nog niets in vergelijking van dien anderen moord, dien wij voortdurend in de wereld zien gepleegd worden; namelijk den moord der zielen , die gepleegd wordt door de zonde van ergernis. Wie zich vergrijpt aan het leven van zijnen medemensch, doodt hem naar het lichaam en wie ergernis geeft, doodt de ziel van zijnen broeder. Hij is een moordenaar van zielen, een andere Cain. Die ziel die hij gedood, wellicht verdoemd beeft, roept om wraak tegen hem, evenals het bloed van den onschuldigen Abel om wraak riep tegen Cain. Over de ergernis, over dien geestelijken moord gepleegd op zielen, kom ik u heden spreken. In mijn eerste punt ga ik u zeggen wat ergernis is, of wie ergernis geeft,-vervolgens welk groot kwaad de zonde van ergernis is,-en eindelijk hoe geducht God de zonde van ergernis straft. Niet alleen de ergernis-gever zelf, maar ook zij die aan de ergernis zijn blootgesteld, zullen in deze preek overvloedig stof vinden tot leering en waarschuwing. Ave Maria.

I Door ergernis , aanstoot, schandaal,.... verstaat men volgens den H. Thomas, een woord of een werk, minder goed en passend, dat aanleiding of gelegenheid geeft tot iemands geestelijk verderf\'. Een ergernisgever is dus iemand, die door woord of daad een ander overhaalt tot zonde. Iemand dus die in gezelschap van kameraden in de herberg, of onder het werk, op het veld, vuile of dubbelzinnige taal spreekt, is een ergernisgever. Een dronkaard, of iemand die in het open-

-ocr page 216-

restitutie die men doen Iran, niet doet; of de sctade die men heeft toegebracht niet vergoedt. Alle andere goede werken die men daarvoor zou willen doen, baten niets: „Non remittitur peocatum, nisirestituatur ablatum, eum restitui potest.quot; ^S. Aug.) Hoe moet men nu de restitutie doen ? Men moet de ontvreemde, de gestolen zaak zelve terug geven, zoo zij nog in wezen is en ingeval zij niet meer bestaat, de waarde er van vergoeden. Aan wien moet men restitueeren ? Aan den eigennar zelf, of bij ontstentenis aan zijne wettige erfgenamen; zijn deze ook niet meer in leven, dan aan de armen of aan missen voor de ziel des overledenen. Bemerkt wel wat ik hier zeg: men moet altijd restitueeren of schade vergoeden aan den persoon zeiven die benadeeld is, indien men dezen kent en in dit geval nooit aan goede werken besteden; want dat zouden goede werken zijn van eens anders goed. — De H. Chryso-stomus noemt zulke schadevergoeding : eene joodsche, of liever eene duivelsche aalmoes. „Judaica hujus-modi eleemosijna, imo vere diabolica.quot; God, zegt de H. Ambrosius, neemt geene geschenken van gestolen goed aan: „Non spolia, sed dona quaeruntur.quot;

Wanneer moet de restitutie plaats hebben?

Aanstonds als men kan, zelfs vóór de absolutie; want anders belooft men wel, maar na de absolutie vergeet men zoo gemakkelijk zijne verplichting, of liever de gehechtheid aan het goed maakt de restitutie moeilijk. — De H. Antoninus zegt; „Nullum peccatum periculosius furto; nam in aliis dolendo ealvatur, de isto oportet ut et satisfaciat.quot;

Opwerpingen. „Ik ben arm.quot; Gewone verontschnldi-girg. Zijt gij oogenblikkelijk niet in staat schadevergoeding te geven, gij moet ten minste den ernstigen wil hebben die te doen, zoodra gij daartoe bij machte

-ocr page 217-

— 201 -

zijt en door spaarzaamheid en zuinigheid daartoe trachten te geraken. „Ik zal mijnen goeden naamver-liezen.\'\' Herstelt gij niet wanneer gij kunt, dan verliest gij uwe ziel. Spreekt maar eens met uwen biechtvader, hij zal u daaromtrent wel raad geven. „Als ik weer moet geven, kan ik niet meer volgens mijnen stand leven.quot; Hoe zijt gij tot dien stand gekomen? Met stelen, door onrechtvaardigheid; dan moet gij herstellen, want gij zijt buiten den stand waarin God u wil. Zijt gij op eene eerlijke wijze daartoe geraakt, dan bestaat er wel een middel, om zonder juist uwen stand te verliezen, toch do schade te vergoeden; raadpleeg uwen biechtvader ! „Ik zal vrouw en kinderen daarmee belasten na mijnen dood.quot; Of wel zij doen dit, of niet. Zoo zij het doen , dan laat gij hun een last na, waarvoor gij eeuwig zult branden ; want wat zij doen, had gij moeten doen en hun doet gij geen voordeel. Doen zij het niet; dan hebt gij niets anders te verwachten, dan dat zij eeuwig daarvoor met u ongelukkig worden: „Vae qui aedificat domum suam in injustitia.quot; Wee hem die zich een huia bouwt in onrechtvaardigheid. — Verlangt gij gelukkig en tevreden te leven en eenmaal zalig te sterven, doet dan evenals Zacheus. Zacheus was een tollenaar, die ten nadeele van anderen zich zeiven verrijkt had. Bekeerd door den Zaligmaker, was zijne eerste zorg, het onrecht anderen aangedaan te herstellen; „Dimi-dium bonorum mcorum, do (hij zegt niet: dabo) pau-peribus, et si aliquem defraudavi, reddo (niet reddam) quadruplum.quot; .Doet ook gij evenals Zacheus; geelt aanstonds zonder uitstel weder wat gij onrechtvaardig bezit en ook gij zult evenals hij mogen hooren; „Hodie huic domui salus facta est.quot; Heden is u heil en zegen wedervaren. Amen.

-ocr page 218-

Over de ergernis.

I Natuur der ergernis.

II Zwaarte en boosheid der ergernis.

III Straffen der ergernis.

Quid fecisti ? Vox sanguinis fratris tui, clamat ad me de terra! Wat hebt gij gedaan ? üe stem van het bloed uws broeders, roept van de aarde tot mij! (Gen. IV, 10.)

Hebt gij wel eens Chr. op eene der eerste bladzijden van de H. Sobrift met aandacht gelezen, de geschiedenis der beide zonen van Adam; Cain en Abel. Zoo ja; zegt mij dan eens welken indruk op u gemaakt heeft het verhaal van dien verraderlijken broedermoord, dien Cain op zijn broeder Abel pleegde. Cain door afgunst vervoerd, omdat hij zag dat de offers van zijn broeder welgevallige!\' waren aan God dan de zijne, vatte tegen Abel een vinnigen haat op : kom, zoo sprak hij op zekeren dag tot zijn broeder, kom laat ons naar buiten gaan. En Abel, zonder iets kwaad te vermoeden, ging mede. En toen zij op het veld waren, verhief zich Caïn tegen Abel zijnen broeder en hij vermoordde, hij doodde hem. IJselijk Chr. op eene der eerste

-ocr page 219-

bladzijden der H. Schrift, reeds te liooren gewagen van een moord. Akeligen indruk op het gemoed maakt het verhaal, ja het lezen alleen van een moord. Ja, men vindt menschen zoo gevoelig van aard, die bij het zien van bloed in bezwijming en onmacht vallen. Nu Chr. een moord gepleegd op het lichaam van een mensoh, is nog niets in vergelijking van dien anderen moord, dien wij voortdurend in de wereld zien gepleegd worden; namelijk den moord der zielen, die gepleegd wordt door de zonde van ergernis. Wie zich vergrijpt aan het leven van zijnen medemensch, doodt hem naar het lichaam en wie ergernis geeft, doodt de ziel van zijnen broeder. Hij is een moordenaar van zielen, een andere Cain. Die ziel die hij gedood, wellicht verdoemd heeft, roept om wraak tegen hem, evenals het bloed van den onschuldigen Abel om wraak riep tegen Cain. Over de ergernis, over dien geestelijken moord gepleegd op zielen, kom ik n heden spreken. In mijn eerste punt ga ik u zeggen wat ergernis is, of wie ergernis geeft,-vervolgens welk groot kwaad de zonde van ergernis is,-en eindelijk hoe geducht God de zonde van ergernis straft. Niet alleen de ergernis-gever zelf, maar ook zij die aan de ergernis zijn blootgesteld, zullen in deze preek overvloedig stof vinden tot leering en waarschuwing. Ave Maria.

I Door ergernis , aanstoot, schandaal,.... verstaat men volgens den H. Thomas, een woord of een werk, minder goed en passend, dat aanleiding of gelegenheid geeft tot iemands geestelijk verderf. Een ergernisgever is dus iemand, die door woord of daad een ander overhaalt tot zonde. Iemand dus die in gezelschap vaa kameraden in de herberg, of onder het werk, op het veld, vuile of dubbelzinnige taal spreekt, is een ergernisgever. Een dronkaard, of iemand die in het open-

-ocr page 220-

- 204 —

baar een ongodsdienstig en zedeloos leven leidt, is een ergernisgever. Dus nog eens; wie iets zegt, doet, of achterlaat in het bijzijn van anderen, wat uit zioh zelf, of ten minste in zekere omstandigheden geschikt is anderen tot zonde aan te zetten, hetzij de zonde daaruit volgt of niet, hetzij men daardoor tot zonde wil aanzetten of niet, is een ergernisgever. Uit het gezegde blijkt, dat men op verschillende wijzen ergernis kan geven. Vooreerst door woorden. Wie anderen tot kwaad aanzetten of raden, iemand stijven en toejuichen die kwaad doet, of iemand beschimpen die goed doet, wie zooals vaak geschiedt tegen den godsdienst en de priesters spreken, wie vuile praat voert en ge-meene liedjes zingt, stichten ergernis door woorden. Ergernis geeft men ten tweede door uitwendige teekenen , als wulpsche oogslagen en gebaren, door het schrijven van vuile minnebrieven ten tijde der verkeering, door het uitleenen van slechte boeken, door het plaatsen van onbetamelijke schilderijen in kamers en vertrekken. O, hoevelen zijn er in de wereld die op dergelijke wijze ergernis geven. Ten derde geeft men ergernis door werken en voorbeelden. Op die wijze zondigen niet zelden ouders en oversten. Gij huisvader, die meermalen bedronken huiswaarts keert, op uwe kinderen vloekt en raast, gij zijt een steen des aanstoots voor uwe kinderen; gij meester die knechten en meiden met vuile sprookjes wilt amuseeren, ja niet zelden door uwen invloed en gezag hen tot uwe vuile inzichten wilt overhalen, gij zijt niet de bewaarders, maar de moordenaars hunner zielen. Men geeft nog ergernis door verzuimenis. Ouders, die uwe kinderen vroegtijdig en eenzaam laat verkeeren, die toelaat dat uwe dochters vooral laat in den avond of in den pacht van de kermis komen, die uwe dochters naar

-ocr page 221-

de groote steden laat gaan dienen, zonder u er over te bekommeren of die dienst haar wel past, als zij maar hoog loon trekken, gij ergert op die wijze uwe kinderen. Meesters en meesteressen, die geen toezicht houdt op uwe onderhoorigen, die meiden en knechts maar laat begaan en u verontschuldigt met te zeggen ; als het weik maar geschiedt dat is genoeg; als zij slecht willen zijn dat moeten zij zelf weten; gij geeft ergernis aan uwe onderhoorigen. Wee u rampzaligen, zegt de H. Petrus Damianus; wat zal het u baten als gij u verdoomt niet om uwe eigene zonden, maar verloren gaat om vreemde zonden, die gij had kannen en moeten beletten. Ergernis, zooals gij ziet, geeft men op velerlei wijze. l)e zonde van ergernis tref ik aan op alle plaatsen, in eiken stand, op eiken leeftijd. Ik klim op met mijne verbeelding in don hemel en zie daar Lucifer, door zijn ergernisgevend voorbeeld en door zijne aanzoekingen, millioenen engelen met zich medeslepen in zijnen val. Ik verplaats mij op aarde in de dagen van het aardseh paradijs; daar zie ik Eva in zonde vallen, door de inblazingen van den duivel en Adam door het voorbeeld en de ergernisgevende taal zijner vrouw. Na den zondvloed, onder die weinige menschen die op aarde waren, vind ik een ergernisgever, een zoon van Noë, met name Cham, die zijne broeders zocht over te halen, om naar zijn voorbeeld hot schaamtegevoel huns vaders te krenken. Onder het getal zelfs der 12 apostelen vind ik een ergernisgever, den goddeloozen Judas, die door zijn aanbod, door zijn voorstel, de Joden aanzet en hen overhaalt toe te stemmen in het verraad dat hij beraamde. Nu, als er onder de apostelen, die Jesus Christus tot hoofd hadden, als er in het huis van een patriarch als Noë, als er in het aardseh paradijs, als er in den

-ocr page 222-

hemel zelf ergernisgevers geweest zijn, zouden wij ons dan wel moeten verwonderen, de zonde van ergernis aan te treffen op alle plaatsen ; in steden en dorpen, in herbergen, tot zelfa in kerken en gewijde plaatsen, waar niet zelden door het slecht voorbeeld, door gedragingen en ij delen opschik, de een een steen des aanstoots is voor den andere. Ik tref de ergernis onder alle standen en klassen van menschen, op alken leeftijd. Ergernis treft men aan in de huizen der rijken, waar geld, zingenot en glorie tronen; met andere woorden, waar de drievoudige begeerlijkheid ten toon wordt gespreid en waardoor er zoovelen tot val worden gebracht; door het geld laat men zich verblinden, door de glorie laat men zich betooveren, door het zingenot laat men zich verleiden. Ergernis vind ik onder het volk; in de woning van don arbeider en daglooner, in den winkel van den handwerksman, in sommige kroegen en herbergen, waarvan de herbergier een ware verkooper van zielen is en waar onder het schenken van menig glas bier en jenever, ook menige ziel aan den duivel verkocht wordt. O rampzaligen, beter ware het voor u, met een molensteen aan den hals in de diepte der zee verdronken te worden, dan zielen te storten in de hel. Ergernis vind ik in zoovele ia-milien en huisgezinnen, waar ouders door hun slecht voorbeeld hunne kinderen en onderhoorigen ergeren en waar het eene kind voor het andere een steen des aanstoots is. Ergernis tref ik aan onder jeugdige kinderen, die op eene of andere wijze elkander het kwaad leeren. Onder eene groep spelende of schoolgaande kinderen, is niet zelden een ergernisgever, tot wien men met den H. Augustinus zou mogen zeggen: Tan-tillus puer et tantus peccator: Nog zoo jeugdig in jaren en reeds een zoo groot zondaar. Verder ergernis-

-ocr page 223-

gevende jongelingen en jonge dochters treft men bij hoepen in de wereld; kendet gij enkel maar al die zondige verkeeringen die in de wereld bestaan, waarin jongelingen en jonge doeliters elkander onderling ergeren, verleiden en verdoemen en gij zoudt zien dat de zonde van ergernis onder hen algemeen is. Ergernis onder zoovele weduwenaars en weduwen, onder zoovele getrouwden, die de heiligheid des huwelijks tot eene bron van zonde maken; ergernis onder ouden en grijsaards, die o schande ! niet zelden toonen dat de vlam der wellust i» hun versleten lichaam nog huist. De H. Antonius, in eene geestverrukking vervoerd, zag de gansche wereld bespannen met strikken.En welke strikken ? Strikken gespannen door de ergernis, om ontelbare zielen te verleiden, tot val te brengen en te verdoemen, \'t Is voor die strikken, dat de H. Bernardus bevreesd was als hij zeide : ach hadden wij alleen te doen met de booze geesten, die door hunne inblazingen ons bekampen en behoefden wij niet beducht te zijn voor de menschen, die door hunne verderfelijke voorbeelden, door hunne aanlokkelijke vleierijen en door duizend andere middelen, ons tot val zoeken te brengen! Meer dus dan den duivel, vreesde de Heilige de ergernis. Chr. vreest ook gij de ergernis meer dan alle duivelen der hel. Jongeling, vreest dien kameraad, dat huis, die herberg; jonge dochter vreest dien jongeling, dien verleider , die door middel der ergernis u van uwe onschuld, van uwen goeden naam, van uwe eer, van uwe ziel, van den hemel zoekt te berooven. \'t Is een moordenaar van zielen, die niet tevreden zijne eigen ziel te verdoemen, ook u met zich in de hel zoekt mede te slepen. Chr. siddert en beeft; want de Zaligmaker zegt, met het oog op de ergernis : „Eng is de poort,

-ocr page 224-

en naiiw is de weg, die ten hemel leidt en weinigen zijn er die hem vinden.quot;

II De zonde van ergernis is op de tweede plaats, eene zonde van afschuwelijke boosheid. Geene zonde brandmerkt de H. Schrift in zoo krachtige bewoordingen, als de zonde van ergernis. Geen onkuischaards, of overspelers, geon onrechtvaardigen of haatdra-gers, zegt zij, zullen het Rijk der Hemelen binnengaan. Maar sprekende van de ergernis, voert zij eene andere taal.quot; Wee de wereld, zegt zij, om de ergernis; wee den mensch, die ergernis geeft.quot; Ja, J. C. vaart in het Evangelie tegen geene zonde zoo vreeselijk, zoo ijselijk ait als tegen de zonde der ergernis. Wijzende op eenige kleine kinderen die in zijne nabijheid stonden, zeide Hij:„wie een van deze kleinen die in mij gelooven ergert; het ware \'beter, dat hij met een molensteen aan den hals gebonden, in de diepte der zee verdronken werd.quot; Maar waarom is de ergernis dan een zoo gruwelijk kwaad ? Omdat de ergernis een drievoudigen gruwel in zich besluit; zij randt God, den evenmenseh en den ergernisgever zeiven aan. Zij ontrooft aan God zijne glorie, den evenmenseh zijne ziel, aan den ergernisgever den hemel. Zij ontrooft aan God zijne glorie. Immers, waarom is J. C. op aarde gekomen en mensch geworden ? „Ik ben gekomen, zegt Hij, om aan de menschen mede te deelen het leven der genade; Veni ut vitam habeant.quot; Hij is gekomen, om te zoeken en zalig te maken wat verloren was, „Venit... quaerere et salvum faeere quod perierat.quot; Om ons menschen en om onze zaligheid, is Hij uit den hemel nedergedaald. „Propter nos homines, et propter nostram salatem, descendit de coelis.quot; En wat doet de ergernisgever ? Hij werpt het plan yan dien goddelijken Verlosser omver, zegt ïertulianus,

-ocr page 225-

tij vernietigt zijnen arbeid, hij neemt weg de uitwerkende kracht van Jesua bloed, de verdienste van zijnen dood. Jesus is gekomen om de zielen zalig te maken en de ergernisgever ieeft slechts om de zielen te verdoemen. Wat is dus een ergernisgever? Een tegenstander van Chiistus, een Antichrist, die zich tegen J. C. opzet, evenals de Antichrist zich op het einde der wereld tegen Christus en de uitverkorenen zal verheffen, \'t Is dus op Jesus Chr. dat gij het gemunt hebt, ergernisgevende zondaars; \'t is J. C. dien gij aanrandt, als gij door uwe ergernissen zielen in het verderf stort, voor wie Hij zijn leven en zijn bloed ten beste heeft gegeven. Een Nero en Diocletianus in het begin der Kerk, hebben aan de geloovigen zooveel kwaad niet gedaan, als ergernisgevende christenen dagelijks aan de zielen berokkenen. Die wreedaards bezorgden hun de kroon van het martelaarschap en den hemel, gij daarentegen bezorgt hun den eeuwigen dood en de hel. O zondaren, hoe ijselijk, als gij eenmaal voor den rechterstoel van God zult staan en J. C. tot u zal zeggen : Rampzaligen, ik had gemeend niet te veel te doen, met de zielen uwer broeders vrij te koopen met mijn bloed; ik heb ter liefde van haar de wreedste folteringen onderstaan, voor hare zaligheid ben ik aan een kruis gestorven. En wat heeft mij dat alles gebaat? Gij hebt ze mij ontrukt die zielen, die mij zoo dierbaar waren. Ik had ze bestemd voor den hemel en gij heb ze neergestort in den afgrond der hel. Zie, daar zijn zij, die ongelukkige zielen, beladen met uwe zonden en besproeid met mijn bloed. Ziedaar, die weleer onschuldige kinderen, die gij geergerd en bedorven hebt 1 Ziedaar jongeling, dien kameraad, dien gij door uwe vuile taal en uw losbandig leven met u hebt medegesleept in den afgrond des verderfs. Ziedaar

14

-ocr page 226-

wellustige jongeling, die jonge dochter, die gij door vleierij, misschien zelfs met geweld hebt overgehaald tot het involgen uwor dierlijke lusten; ziedaar meester, die dienstbode die gij door uw ontzag hebt gedwongen tot het kwaad. Ziedaar overspeler, die vrouw die gij zoo dikwijls misbruikt hebt tot het plegen van allerlei gruwelen en schanddaden. „Vox sanguinis fratris tui clamat ad me.quot; Hun bloed roept om wraak tot mij. En ziedaar Chr. wat de zonde van ergernis nog verzwaart. De ergernisgever ontrooft niet slechts aan God zijne glorie. Hij ontrooft ook aan den evenmenseh zijne ziel. De ergernisgever wordt in de H. Schrift genoemd : een helper, een handlanger van den duivel. Hij is, zegt de H. Hieronymus, de blaasbalg van den duivel. En te recht. De blaasbalg, is in de hand van den smid het middel om het smeulende vuur aan te blazen. Wat de smid niet vermag uit zich zeiven, dat brengt hij door den blaasbalg te weeg. Op gelijke wijze doet de duivel. Hoevele onschuldige zielen vindt men niet, bij wie de booze lusten en begeerlijkheden als onder de assche smeulen. En wat doet nu de duivel ? Hij brengt zijnen blaasbalg in beweging, hij bedient zich van een slechten kameraad, van een bedorven jongeling, om het vuur der wellust en der zinnelijkheid, in die onschuldige zielen aan te blazen en hen aldus in zijne macht te brengen. De ergernisgever is de speur- de jachthond van den duivel. Een jager gaat te vergeefs op jacht, als hij niet vergezeld is van eenen jachthond, 0:11 het wild op te speuren; zoo ook maakt de duivel door middel van den ergernisgever jacht op de zielen. Ja ergernisgevers, gij zijt de handlangers van den duivel. Gij vuile taalsprekers, godslasteraars en dronkaards, die anderen ontsticht door woord en voorbeeld, gij

-ocr page 227-

— 211 —

zijt de handlangers van den duivel. Gij plichtverge-ten ouders .... gewetenlooze meesters .... schaamte-looze jongelingen, lichtzinnige jonge dochters, die op een of andere wijze anderen aanstoot geeft , voor hen eene gelegenheid zijt tot zonde, gij zijt allen zoovele handlangers, dienstknechten van den duivel. O wreedaards, indien uw evenmensch het ongeluk gehad heeft uwen haat, uwe verontwaardiging in te loopen , wreekt u dan op eene andere wijze ; maar spaart om Gods wil zijne ziel, die zoo kostbaar is in de oogen van God. „Verumtamen animam illius serva.quot; Die ziel die gij aldus ergert en door uw slecht voorbeeld verdoemt, is de ziel van uwen broeder. Overweegt eens aandachtig dat woord „broeder.quot; Ja, die ziel die gij ergert is de ziel van uw broeder, dien gij moest liefhebben en beminnen als u zeiven en gij haat en vervolgt hem. \'t Ia uw broeder, dien gij op den weg des hemels moest voorgaan en staande houden en gij leidt hem af, ja gij stort hem neder in den afgrond des verderfs. Uw broeder, voor wien gij duizendmaal uw leven moest geven en voor wiens zaligheid J. C. den bittersten dood gestorven is.0 God, welk een gruwel; welke verantwoordelijkheid zult gij eenmaal moeten afleggen voor den rechterstoel van Christus, van al die zielen die gij door uwe ergernissen verdoemd hebt. De zonde van ergernis ontrooft niet slechts aan God zijne glorie, aan den evenmensch den hemel; maar opent ook voor den ergernisgever zeiven de hel. Elke doodzonde verdient de hel; doch daar zijn volgens het gevoelen der H. Vaders sommige zonden die het bijzonder kenmerk, den stempel dragen der eeuwige verdoemenis. En tot die zonde wordt gerekend de ergernis. „Qui decipit justos in vita sua, in interitu suo corruet.quot; Wie bij zijn leven anderen ergert, zegt de H. Geest, zal een droevig

-ocr page 228-

— 212 —

uiteinde hebben. Zondaars en zondaressen, overweegt eens aandachtig de drievoudige boosheid van de zonde van ergernis. Gij ontrooft aan God zijne glorie, — gij verdoemt de ziel van uwen broeder, — en gij verdoemt tevens uwe eigene ziel. Is dus de ergernis eerezoo afgrijselijke zonde; dan moeten wij ons ook niet verwonderen dat God haar zoo geducht straft, zoowel in dit, als in het ander leven.

III. Wee de wereld, zegt de Zaligmaker, wegens de ergernis; wee den mensch die ergernis geeft. Zoo spreekt God in den regel maar alleen, wanneer het eene oneindig groote zonde geldt. Dat woord : „weequot; heeft hier eene bijzondere beteekenis. \'t Is eene bedreiging met straf. Inderdaad, die woorden; „wee do wereldzijn als een vloek, dien God tegen do wereld heeft uitgesproken ter oorzake der ergernis , een vloek die op haar drukt en op haar zal blijven drukken tot aan het einde der wereld , tot zoolang de ergernis op aarde zal heerschen. Van dien vloek zijn wij in onzen tijd, nu de ergernis meer dan vroeger op aarde

heerscht, dagelijks getuigen. Bloedige oorlogen......

in één woord al de rampen waaronder de wereld gebukt gaat, zijn grootendeels straffen van de zonde van ergernis. Maar ook op den ergernisgever zeiven drukt, die vloek, ook tegen hem heeft God zijn „weequot; uitgesproken. Geen vrede en rust; maar eene voortdurends onrust en knaging des gewetens, is het aandeel van den ergernisgever. Altijd meent hij eene stem te hooren die hem toeroept: waar is uw broeder, waar is die ziel, die gij door uwe ergernissen verdoemd hebt ? Die knaging zal vooral op zijn sterfbed zich doen gevoelen. De ketter Berengarius, deed wegens zijn zondig en ergernisgevend leven boetvaardigheid; doch werd niettemin op zijn sterfbed door hevige

-ocr page 229-

gewetensangsten gekweld. Wat mijne eigen zonden betreft, riep hij uit, daarvan zal God, hoop ik, mij vergiffenis schenken; maar wat mijne ergernissen betreft, daar vrees ik eeuwig voor verdoemd te zullen worden. Die vrees zal ook menig ergernisgever op zijn sterfbed bevangen..... God straft verder de ergernis

niet enkel in den persoon van den schuldige; maar niet zelden in zijne kinderen. God straft niet zelden den ergernisgever met eenen voorbeeldigen en rampzaligen dood. En dan in het ander leven, welk een oordeel wacht daar den ergernisgever ! „Qui oonturbat vos, portabit judicium.quot; (Gal. 5. 10.) „Redde ratio-nem.quot; Rekenschap van al die vuile gesprekken, vloeken, dronkenschap ;. ... rekenschap, onkuische jongeling, van al die lage en gemeene middelen die gij gebezigd hebt, om zoovele jonge dochters te verleiden. Rekenschap, jonge dochter, van al die lichtzinnigheden, waardoor gij op uwe beurt zoo menig jongeling ten val hebt gebracht. Rekenschap, ouders en oversten ... „Recedite a me, maledicti, in ignem aeternum.quot; Daar in het eeuwig vuur zal de ergernisgever zooveel malen de pijnen der hel verduren, als er zielen zijn die hij verdoemd heeft. Eeuwig zullen die zielen den ergernisgever vervloeken en vervolgen, die de schuld is geweest harer verdoemenis. Welaan dan zondaren en zondaressen, komt tot inkeer; het is nog tijd. En daartoe is noodig, dat gij de ergernissen herstelt, die gij gegeven hebt; daartoe zijt gij verplicht uit rechtvaardigheid en liefde. En hoe moet gij die herstellen ? Door de ergernis zelve uit den weg te ruimen als zij nog metterdaad bestaat; — afbreken die onkuische verkeering, dien zondigen omgang ; verwijderen alles waardoor gij anderen ontsticht hebt of nog zoudt kunnen ontstichten. Bestaat de ergernis maar enkel

-ocr page 230-

meer in hare gevolgen, dan alles doen wat gij kunt, om die gevolgen tegen te gaan en te vernietigen. En

dat kunt gij door een goed voorbeeld..... Maar is

het eenerzijds zonde ergernis te geven; het is ook zonde ergernis te nemen. En daarom, christenen, ■weest op uwe hoede voor de ergernis. Als uw oog, hand of voet u ergert.... Dat wil zeggen: Loudt u verwijdert van alles wat u ergernis kan geven. Vlucht dien kameraad, die door zijn vuile taal uw hart zoekt te bederven, die herberg waar gij door het slecht voorbeeld van anderen tot onmatigheid wordt aangezet ; vlucht o jonge dochter dien dienst waar gij gevaar loopt uwe onschuld, deugd, uwe eer te ververliezen. Vlucht dien minnaar, die u bemint, niet uit ware liefde, maar uit ondeugd en die als hij verzadigd is of u tot schande heeft gemaakt, u den rug toekeert , ja op den hoop toe u nog zal lasteren en bepraten; vlucht die eenzame verkeeringen, dat uitgaan naar bui-tenkermissen en dat terugkeeren bij laten avond; datzijn allen gelegenheden tot ergernis. Eindelijk bidt; bidt iederen dag God, de Allerh. Maagd Maria, uwe H. Patronen, uwen H. Engelbewaarder, dat zij u voor de ergernis mogen bewaren ; „Custodi me a laqueo, quem statuerunt mihi et a scandalis operantium iniquitatemquot;. (Ps. 140. 9.) Dan zal de wereld, de duivel en het vleesch u niet overhalen, duizend zult gij er zien vallen aan uwe rechter — en tien duizend aan uwe linkerhand, u evenwel zal de ergernis niet bereiken; gij zult in dit leven uwen voet niet stooten aan den steen des aanstoots; maar zuiver en vlekkeloos aanlanden in den hemel, om daar in alle eeuwigheid, met alle uitverkorenen en Heiligen God te loven, te danken en te verheerlijken. Amen.

-ocr page 231-

Menschelijk Opzicht.

Het Menschelijk Opzicht maakt den mensch :

I Tot een afvallige van zijn geloof.

II Tot een lafaard.

III Tot een slaaf van anderen.

Nolite timere opprobrium hominum. Wilt niet vreezen den spot der menschen. (Isai. 51. 7.)

De Joden waren in oorlog met de Philistijnen; zij stonden op het punt slaags te worden. En ziet, daar trad uit het kamp der Philistijnen een strijder te voorschijn, die onder de Israelieten schrik en angst verspreidde. Eet was een reus, die 6 el en nog meer lang was. Hij droeg een gouden helm, hij was van het hoofd tot de voeten bedekt met een ijzeren pantser, dat een gewicht had van 6000 sikkel. Het ijzer aan zijne lans alléén woog 500 sikkel. Hij daagde den dappersten strijder onder de Israelieten tot een tweegevecht uit; doch zoowel Saiü als zijne soldaten huiverden om zich met hem te meten. En toch die gevreesde Philistijn, zooals gij allen weet uit de H. Schrift, werd door David, toenmaals nog herdersknaap neergeveld en gedood. Het gaat met vele christenen, ge-

-ocr page 232-

— 21G —

lijk het ging met Saül en de zijnen. O, daar worden er zoovelen gevonden, die in hun eigen oog sterk en moedig zijn, die zich op hunnen moed laten voorstaan en niettemin nog geen herdersknaap van noode hebben, om uit het veld geslagen en overwonnen te worden. Zij laten zich overwinnen door het menschelijk opzicht, door de vrees voor de menschen. De gedachte alleen: quot;Wat zullen de menschen zeggen? doet hen terugdeinzen voor hun plicht, ontneemt hun den moed, slaat hen ter neder. Hoe dwaas en verachtelijk zulke christenen zijn, wil ik u eens aantoonen, met u te doen zien : dat het menschelijk opzicht den christen teekent met eene drievoudige schandvlek. Het maakt den mensch ;

I Tot een afvallige van zijn Geloof.

II Tot een lafaard.

III Tot een slaaf van anderen.

I De eerste schandvlek waarmede het menschelijk opzipht den christen teekent, is die van afval. Ja, een mensch die zich door het menschelijk opzicht laat geleiden, is in zekeren zin een afvallige van het geloof. Inderdaad, wat wordt er vereischt om een goed christen te zijn ? Twee zaken: gelooven en zijn geloof door werken belijden. J. C. belijden zoo in- als uitwendig , in het openbaar zoowel als in het bijzonder. Zich schamen voor zijn geloof uit vrees voor de menschen, is een bewijs dat men niet bezield is met den waren geest des Christendoms, dien de H. Paulus noemt: een geest niet van angst en vrees, maar van moed en kracht. Ziedaar de geest, die een waar christen bezielen moet. Niets wordt ons door J. C. meer op het hart gedrukt, niets straalt duidelijker door in het gedrag der Apostelen en in de levenswijze der eerste christenen, dan die onbeschroomdheid, dien moed,

-ocr page 233-

om openlijk in beoefening te brengen wat het geloot ons leert. „Gaat, zoo sprak Jesus tot zijne leerlingen, en al wat ik u gezegd heb in het geheim, verkondigt dat op de daken ; d. i, in het openbaar. Vreest niet hen die het lichaam dooden, maar vreest Hem die bij machte is lichaam en ziel in de hel te storten. Dat uwe werken uitstralen voor het oog der mensehen, opdat zij uwen Vader verheerlijken die in den hemel is. Belijdt voor de mensehen mijnen aanbiddelijken Naam en ik zal u belijden voor mijnen Vader.quot; Zoo sprak de Verlosser tot zijne Apostelen ; zij van hunnen kant drukten die les diep in hun hart, zij gingen overal heen om zijne leer te prediken. Men wilde hun het stilzwijgen opleggen; doch zij gaven ten antwoord : Wij mogen niet zwijgen, onze Meester heeft ons bevolen te prediken; te zwijgen zou wezen: de zaak van het H. Evangelie verraden. „Non possumusquot;... Evenzoo handelden de eerste christenen ; men dreigde hen met den dood, indien zij hnn geloof niet wilden verloochenen. Soms eischte men van hen niet eene openlijke maar slechts eene schijnbare [verloochening van hun geloof, zij behoefden maar te veinzen dat zij geen christenen waren ; maar ook daarvoor schaamden zij zich ; zij waren overtuigd dat men om een goed christen te wezen, zijn geloof openlijk moest belijden, zonder vrees voor bedreigingen, zelfs niet voor den dood. Wee dan ook dengene, die zich uit zwakheid liet overhalen; hij werd niet meer als christen erkend; hij werd uitgesloten uit de vergadering der geloovigen, men vermeed zijn gezelschap, men noemde hem een afvallige en hij bekwam geen vergiftenis, dan na vele jaren in de strengste boetvaardigheid geleefd te hebben. En nu Gel. begrijpt gij nu, hoe waar het is dat iemand die zich door het menschelijk opzicht laat

-ocr page 234-

— 218. —

geleiden, gelijk staat met een afvallige van Het geloof. Uit menschelijk opzicht handelen, is den wil der mensohen verkiezen boven dien van God. Stellen wij eens een paar voorbeelden. Een jongeling gaat zondags naar de Mis; zijn Geloof zegt hem dat Jesus op het altaar tegenwoordig is en van hem eerbied en gebed vraagt. Maar neven hem staat een ander jongeling, die lacht en praat en ook hij begint op zijne beurt met hem te lachen en te praten. Toont nu die jongeling niet, ten minste uiterlijk, dat hij even als een protestant niet gelooft aan Jesus tegenwoordigheid in het H. Tabernakel ? Iemand is op reis op een vastendag en gaat eten in een hotel; de Kerk verbiedt hem het gebruik van vleesoh ; maar hij is bang dat men hem zal bespotten en ook hij, ondanks het vastengebod eet vleesch evenals de anderen. Zoudt gij en ik dit ziende, dien man niet houden voor een protestant of een ongeloovige ? En hoevele christenen van die soort worden er niet gevonden , die hun geloof openlijk verloochenen, die inwendig katholiek willen wezen en uitwendig heidenen zijn. Verdienen dezulken nog wel den naam van Christenen ? Immers neen. Zij toonen toch geen uiterlijk kenmerk meer van het christendom. En toch daaruit moet men opmaken, welken godsdienst iemand belijdt. Wanneer ik iemand aantref, die eenen grooten eerbied aan den dag legt voor Mahomet, van hem spreekt als van een groot profeet, dan zeg ik; dat is een Turk; wanneer ik iemand zie die den Sabbat viert en zich van zekere spijzen onthoudt, dan zeg ik : dat is een jood; maar waaraan kan ik den godsdienst erkennen van den christen, die zich beheerschen laat door het menschelijk opzicht ? In zijn huis zoek ik te vergeefs naar een of ander godsdienstig voorwerp. In de herberg

-ocr page 235-

en in gezelschappen lacht en spot tij evenals de anderen met godsdienst en priesters; hij zet zich aan tafel zonder te bidden. Kan zoo iemand wel voor christen doorgaan ? Noch J. C., noch de Apostelen, noch de eenvoudige geloovigen, zouden zoo iemand voor christen aanzien. Zij schamen zich voor hun geloof, zij schamen zich voor J. C., maar zij mogen wel indachtig zijn een vreeselijk woord, waarvan J. C. zich ten hunnen opzichte bedient: „Qui me erubuerit hunc erubescam.quot; Ja, zulke menschon hebben geen zegen te verwachten noch in dit, noch in het ander leven , maar den vloek der verdoemden: Gaat weg van mij, vervloekten; gij hebt mij niet willen belijden tijdens uw leven, gij zult ook geen deel hebben aan de belooning der christenen in eeuwigheid.

II. De tweede schandvlek waarmede het menschelijk opzicht zijne slachtoflers teekent, is die van een lafaard en wel van een verachtenswaardig lafaard. Een lafaard, is een mensch die zonder voldoende reden voor iets bevreesd is. Een mensch nu beheerscht door het menschelijk opzicht, vreest dan wanneer hij niets te vreezen heeft en die vrees drijft hij zoover, dat hij ter wille van haar ten offer brengt, het kostbaarste wat hij op aarde bezit. Op zulke menschen mag men toepassen het gezegde van den koninklijken profeet: zij sidderen en beven zonder de minste reden : „Illic trepidaveront timore, ubi non erat timor.quot; Wanneer een soldaat terugdeinst voor den vijand, noemt men hem een lafaard; omdat kogel en bajonet geen voldoende reden zijn om te wijken. En toch gij moet met mij bekennen, dat het geen kleinigheid is zich bloot te stellen aan een sabelhouw of bajonetsteek. Een christen, die in het begin der Kerk zijn geloof verloochende, heette eveneens een lafaard. En

-ocr page 236-

— 220

toch het valt niet te ontkennen, dat al die folteringen waarmede men hem bedreigde, evenmin eene kleinigheid waren. Maar gij die u laat beheersohen door het menschelijk opzicht, zegt mij eens wat jaagt u schrik aan, wat doet u terugdeinzen ? Is het kngel of bajonet, zijn het geesela of nijptangen, ziedende olie, gloeiende roosters ? Neen, niets van dat alles. Gij deinst terug voor een spotwoord of spotlach, gij zijt bang dat men u uitlache. Is dat niet laf, niet schandelijk laag? Waren die zoogenaamde spotters of schimpers nog mensehen van aanzien, die men met recht kon vreezen; uwe lafheid zou ten minste dan nog een schijn hebben van verontschuldiging. Maar wie zijn het die u bespotten, wijl gij uwe plichten volbrengt? Is het God ? Zijn het de Engelen en Heiligen ? Is het uw herder ? Zijn het de achtenswaardige en brave mensehen uwer parochie? Neen, zij prijzen u wanneer gij weldoet en laken u wanneer gij misdoet. Doch over hen bekommert gij u niet. Voor wie zijt gij dan beducht ? Voor een of anderen losbol, voor een on-kuischaard, voor een güddelooze, voor een mensch die den godsdienst haat, omdat deze hem zijne wanorden verwijt; gij zijt bang voor een mensch, wiens raadgevingen gij zelfs zoudt willen volgen in uwe tijdelijke aangelegenheden ; voor een mensch, dien gij in uw hart veracht en versmaadt. Ik vraag u Gel. is dat geene verregaande lafheid ? Zulke mensehen verdienen ook niet dat men hun vertrouwen schenke. Indien immers de vrees voor een spotlach, in staat is hen te doen wankelen in hunne verplichtingen opzichtens God , mag men niet te veel rekenen op hunne trouw jegens de mensehen. Dat begreep Con-stantius Chlorus, de vader van den grooten Constantijn. Alhoewel heiden, had hij in zijn paleis tal van christen

-ocr page 237-

— 221 —

hovelingen, wier trouw hij op zekeren dag op de proef wilde stellen. Hij deed hen voor zich verschijnen en gaf hun te verstaan, dat hij hen wijl zij christenen waren, niet langer meer in zijnen dienst kon houden. Sommigen, beheerscht door het menschelijk opzicht en beducht voor hun fortuin, brachten hun geloof ten offer. De meesten echter bleven standvastig. Constan-tius ontsloeg daarop de lafaards en behield degenen, die standvastig hun geloof beleden hadden. Hij had recht; want een mensch die zijne plichten jegens Grod zoo lafhartig verzuimt, verdient niet meer dat de men-schen hem vertrouwen. Inderdaad, het menschelijk opzicht ontneemt hem het karakter van eerlijk man. Een eerlijk man is een man van beginselen, een man van geweten. Welnu, het menschelijk opzicht ontneemt hem zijne beginselen en zijn geweten ; hij handelt immera niet meer volgens zijne overtuiging, hij ondergaat in alles den invloed van anderen, hij verandert zoo dikwijls van gedrag, als er personen zijn waarmede hij verkeert. Hij is goed in gezelschap van brave men-schen, goddeloos met goddeloozen, godslasteraar in gezelschap van godslasteraars; vandaag keurt hij af wat hij gisteren heeft goedgekeurd ; \'s morgens verheerlijkt hij de deugd, \'s avonds juicht hij de ondeugd toe, In één woord; zulk een mar doet afstand van alle beginsel; één beginsel maar \'at hem weinig eer aandoet houdt hij over, het beginsel namelijk van lafheid ; alles opofferen om een spotwoord te vermijden. Hij is verder een man zonder geweten; want wat heet volgens zijn geweten te handelen, tenzij zijne plichten vei vullen, wanneer men ze kent, gelijk men ze kent en in zoover men ze kent; met andere woorden : gehoorzamen aan de inwendige stem, die ons dit gebiedt en dat verbiedt. Maar een mensch, beheerscht

-ocr page 238-

— 222 —

door het mensohelijk opzicht, naar wien luistert hij ? Naar de gesprekken van anderen. Aan wien gehoorzaamt hij ? Aan de gesprekken van anderen. Wat vreest hij ? Eveneens de gesprekken van anderen. Hij kent zijne plichten; doch een glimlach is voldoende hem die te doen verzaken. Zijn geweten houdt niet op hem verwijt op verwijt te doen; altijd zwicht hij voor de meening van anderen. Neemt eens een jongeling die in gezelschap komt van bedorven kameraden, die zich vermaken met de schandelijkste en vuilste gesprekken te voeren. Hij heeft nog geloof en ge-gevoel van zedelijkheid. Zijn geweten roept hem toe: spreek niet mede, toon dat gij u zeiven weet te eerbiedigen. Maar ook het menschelijk opzicht roept hem toe; Indien gij niet doet evenals zij, zullen zij u uitlachen. En de jongeling laat zich overhalen, hij spreekt mede en brengt zijn geweten ten offer. Een man zit in de herberg in gezelschap van vrienden, men zet elkander aan om eens goed te drinken. Zijn geweten roept hem toe: Houd op, gij gaat u dronken maken; maar het menschelijk opzicht roept hem toe: indien gij niet doet evenals zij, gaat gij u bespottelijk maken en hij laat zich overhalen, drinkt zich dronken en brengt zijn geweten ten offer. Eene jonge dochter wordt uitgenoodigd op eene feestpartij, er wordt gedanst op eene min zedige wijze. Het geweten roept haar toe: Onthoud u van den dans, uwe kuischheid gaat gevaar loopen, zij luistert niet naar die stem en brengt haar geweten ten offer. Stelt zooveel voorbeelden als gij wilt; altijd blijft het waar, dat het menschelijk opzicht den mensch gewetenloos maakt. Wilt gij Gel. dat ik na zoovele lage karakters geschetst te hebben, u omgekeerd ook eens een edel karakter voorstelle. In eene stad van Frankrijk

-ocr page 239-

leefde eene familie, die allea behalve godsdienstig was, eene familie die in volslagen vergetelheid leefde van hare godsdienstige plichten. In huis was een kind, dat zich voorbereidde tot zijne eerste H. Communie. Een priester had dat kind eenige wenken gegeven, hoe het zich in sommige omstandigheden te hnia te gedragen had en het kind beloofde die wenken stipt te zullen opvolgen. Het was vrijdag geworden en men disohte als naar gewoonte vleesoh op. Ik dank n, sprak het kind, gansch bedaard ; de Kerk verbiedt mij dit te eten, ik wil vandaag mij \' tevreden stellen met wat groenten en brood. De vader wordt daarop boos, jaagt het kind de eetzaal uit en ontzegt het alle voedsel. De moeder door medelijden bewogen, begeeft zich na afloop van den maaltijd naar haar kind, biedt het heimelijk eten aan, maar verwijt het tevens zijne stijfhoofdigheid jegens zijn vader. „Moeder, zoo sprak het kind, had vader mij iets anders bevolen, ik zou aanstonds gehoorzaamd hebben, snaar tegen mijn geweten handelen mag ik niet. Vader heeft mij bevolen tot morgen in deze kamer te blijven, ik wil gehoorzamen; hij heeft mij verboden eenig voedsel te nemen, ook daarin wil ik gehoorzamen en daarom, lieve moeder, moet ik weigeren wat gij mij aanbiedt!quot; Dc moeder tot tranen toe bewogen, begon luide te weenen en verhaalt haren man het voorgevallene. Deze, op zijne beurt door bewondering getroffen, bekent dat zijn kind beter is dan hij, snelt naar de kamer, omhelst het, vraagt vergiffenis voor zijne hardvochtigheid en smeekt zijn kind hem te zeggen, aan wien het eene zoo wijze les schuldig was. Aan mijn biechtvader, was het antwoord. En de vader snelt naar den priester, bedankt hem en smeekt hem om onder het getal zijner biechtkinderen te mogen worden

-ocr page 240-

— 224 -

opgenomen, waarna hij zich tezamen met zijne vrouw bekeerde. Wat dunkt u Grsl. van dat kind ? Een edel, rechtschapen karakter niet waar 1 Een kind, dat beginselen en geweten had. Vergelijkt eens daarmede het karakter van een man, die zich door het mensche-lijk opzicht iaat beheerschen; er is niets standvastigs in zijn gedrag, niets verhevens in zijne gevoelens, niets edels in zijne gedachten. Hij is gelijk aan het stof van den weg, dat door den wind in alle richtingen wordt heengestuwd — aan die stomme dieren die het een na het ander , in den afgrond loopen , — aan een stuk was dat alln vormen aanneemt. Hij is dus laag en verachtelijk en ik voeg er nog bij : hij is rampzalig; want hij veroordeelt zich tot de hardste slavernij.

III. Met volle recht heet men diegenen, die zich laten beheerschen door de vrees van aan de measchen te mishagen : slaven van het menschelijk opzicht. Het zijn slaven, in den waren zin des woords. Laat ons eens nagaan de folteringen, waarmede het menschelijk opzicht zijne slachtoffers pijnigt en eens beschouwen de ketenen, waarmede het hen knelt. Slavernij noem ik, wanneer men voortdurend gedwongen is te doen wat men niet doen wil; te laten, wat men gaarne doen zoude en te moeten leven in een staat, dien men verafschuwt. O hoe menigmaal vordert het menschelijk opzicht van zijne slaven iets te doen, wat zij anders niet doen zouden. Herodes wilde niet Jen dood van den H. Joannes den Dooper en nochtans liet hij hem onthoofden, om niet te mishagen aan Herodiaa, die zijn hoofd vroeg als belooning van zoo goed gedanst te hebben — Pilatus wilde Jezus het leven sparen, wijl hij wist dat Hij onschuldig was en evenwel deed hij Hem sterven, om niet te mishagen aan Cesar. Die jongeling, wilde wel aan zijne ouders

-ocr page 241-

— 225 —

i

de droefheid sparen hem \'s avonds laat naar huis te zien komen; niettemin hij blijft in de herberg, om zijne vrienden niet te bedroeven. Dat meisje wilde wel kuisch leven, nochtans zij geeft toe aan alle schandelijke aanzoeken van dien jongeling, uit vrees van hem te mishagen. Hoe menigmaal is het men-schelijk opzicht niet schuld, dat men iets verzuimt wat men anders zoo vurig wenschte te doen. Die vrouw, dat meisje, zouden wel meermalen in de week de H. Mis bijwonen ; waar men mocht haar eens kwezels heeten. Die man zou wel lid willen zijn van de ïï. Familie; maar hij is bang dat men hem voor een schijnheilige houde ; die jongeling zou wel dikwijler tot de H. H. Sacramenten naderen; maar zijne vrien. den mochten hem daarover eens bespotten. En zoo gebeurt het, dat het menschelijk opzicht den mensch belet te doen wat hij gaarne doen zou en omgekeerd.

Is het niet treurig Gel. voortdurend gedwarsboomd te worden, zich altijd te moeten verloochenen, zich te moeten opofferen, om aan de luimen van een ander te voldoen I Is dat geen drukkende slavernij ! Maar wat nog oneindig betreurenswaardiger is , is dat het menschelijk opzicht meermalen den mensch geruimen tijd in een allernoodlottigsten toestand doet verkee-ren en dit ondanks hem zeiven, ondanks de pijnlijkste gewetensknaging. Beschouwt eens dien vader des huisgezins, die sedert geruimen tijd zijne godsdienstige plichten verwaarloost; hij weet dat hij aanzijn huisgezin een slecht voorbeeld geeft. Zijne vrouw en kinderen bidden hem onophoudelijk tot inkeer te komen. Zijn geweten ook kwelt hem voortdurend. Maar niets is in staat hem tot andere gedachten te brengen. Hij lijdt veel; maar het menschelijk opzicht houdt hem geboeid. Ja, bekeerden zich zijne vrienden, hij ook

L

15

-ocr page 242-

— 226 —

ion zich bekeeren; maar wijl dit niet plaats heeft, gaat hij voort te lijden, schuift immer zijne bekeering op tot aan zijnen dood. En op zijn sterfbed, dan nog zal het mensehelijk opzicht hem vast gekluisterd houden. Dan nog zal hij uur na uur verschuiven, hij zal misschen wachten tot het laatste uur, wanneer hij niet meer in staat is iets goeds te verrichten. Ja, misschien dan nog zal hij uit vrees voor het mensehelijk opzicht hardnekkig blijven. En zoo gebeurt het, dat hij die tijdens zijn leren de slaaf geweest is van het mensehelijk opzicht, bij zijnen dood eene eeuwig slavernij te gemoet gaat. Maar welke zijn nu de ketenen, waarmede het mensehelijk opzicht zooveel zielen vastgekluisterd houdt en haar in het eeuwige verderf stort ? Die ketenen Gel. zijn vijf of zes woorden, die meer zielen gedood hebbea dan de wreedste folteringen der beulenWat zal men van mij zeggenquot; V Ziedaar, die gevloekte banden, die zooveel menschen vastketenen. Wat zal men van mij zeggen als ik bid, als ik op tijd tot de H.H. Sacramenten nader, als ik die vriendschap of verkeering afbreek. Maar vraagt eerst eens wat men nu van u zegt ? Men ziet, dat gij niet volgens uw geweten en overtuiging wilt leven en men zegt van u, dat gij een mensch zonder moed noch karakter zijt; een lafaard, een man waarop niet veel te rekenen valt. Ziedaar hoe men van u spreekt, of ten minste hoe men over u denkt. En ziedaar, wat men van u denken en zeggen zal, zoolang gij met het mensehelijk opzicht niet gebroken hebt. En wat zal men van u zeggen, zoo gij den moed hebt die noodlottige kluisters te breken ? Veronderstel dat gij dikwijler tot de H. H. Sacramenten nadert, dat gij niet meer deelneemt aan slechte \'gesprekken; dat gij , jonge

-ocr page 243-

— 227 —

dochter, die gevaarlijke vermakelijkheden niet meer bijwoont; dat gij, huisvader, een echt christelijk leven gaat leiden. Wat zal men dan van u gaan zeggen? In het eerst zal men zich verwonderen, men zal zeggen dat men zooveel moed in u niet veronderstelde. Maar zoo gij volhardt, zal men u spoedig bewonderen; zij wier spotternijen gij tot nu tot gevreesd hebt, zullen spoedig uw voorbeeld navolgen , of indien zij daartoe den moed niet hebben , zullen zij u benijden en u ziende, zeggen : hij is beter en redelijker dan wij jquot; justior est quam ego.quot; Een jeugdig recruut, den eersten dag dien hij in de kazerne doorbracht, zette zich \'s avonds alvorens naar bed te gaan op zijne kniën voor zijn bed neder, om zijn avondgebed te verrichten. Oogenblikkelijk hoorde men van alle kanten schreeuwen en roepen, lachen en vloeken. Schako\'s en patroontaschen, ransels, gordels, alles vloog hem langs de ooren. Onverschrokken zet onze soldaat zijn avondgebed voort, zonder zich aan dat rumoer te storen ; \'s anderendaags hetzelfde spel doch veel minder, na verloop van een week liet men hem ongestoord zijn avondgebed verrichten, ja enkele kameraden drukten hem als bewijs van goedkeuring de hand. Zoo ziet gij dat trouw uitkomen voor zijn plicht, niet zelden bewondering en eerbied wekt. Welaan dan Chr, gij hebt gezien hoe verachtelijk en verlagend het menschelijk opzicht is. Het maakt den christen in zekeren zin tot een afvallige van zijn Geloof, — het titelt hem met den schandnaam van: lafaard, — het verlaagt hem tot een slaaf van anderen. Vlucht dus tot zelfs den schijn van menschelijk opzicht. Doet het goed, zonder u te bekommeren noch om den lof, noch om de afkeuring der menschen. „Zoo schijne uw licht voor de menschen, opdat uw Vader, die in

-ocr page 244-

— 228 —

den hemel is verheerlijkt worde;quot; verheerlijkt door uwen eigen deugdzamen levenswandel, verheerlijkt door de goede werken waardoor gij uwe medemenschen door uw voorbeeld opwekt, yerheerlijkt eindelijk door de glorie waarmede gij zult stralen eenmaal in den hemel. Amen.

-ocr page 245-

Over de Bekoringen.

I Hoofdbronnen der Bekoringen.

1) De Wereld:

A.) Door hare ij delheid,

B.) „ haar slecht voorbeeld,

C.) „ hare verkeerde beginselen.

2) Het Vleesch.

3) De Duivel:

A.) Een machtig bekoorder,

B.) „ sluw „ ,

C.) „ waakzaam „

II Hoe moet men zich gedragen in de Bekoringen ? Men moet zich voorzien:

1) Van een aanvoerder, die :

A) Ons in den strijd vóórgaat, B.) „ „ „ „ ondersteunt.

2) Van eene wapenrusting, namelijk van het;

A.) Harnas der gerechtigheid,

B.) Schild des Geloofs,

C.) Zwaard van Gods woord.

3) Van Wapenen:

A.) Gebed, — B.) H. Communie.

4) Van Bondgenooten:

A.) Engelen,— B.) Heiligen.

Et ne nos inducas in tentationem.

En leid ons niet in bekoring. (Matth. 6. 13.)

-ocr page 246-

Allen menschen is de zucht, het verlangen ingeboren naar geluk, vrede en genot; allen streven er naar ieder op zijne manier, om dat geluk te bereiken; maar het is tot nog toe geen enkel sterveling gegeven, dat geluk hier op aarde volkomen te smaken. Want Chr. is het niet waar, dat doorgaans elke aardsche vreugde, alle aardseh geluk zijne keerzijde heeft! Heden waant gij u de gelukkigste der menschen en morgen valt u eene of andere bittere teleurstelling ten deel, heden baadt gij in genoegens en genietingen en morgen brengt gij uwe lippen aan den beker des lijdens en der smarten, heden verheugt gij u over den goeden staat van uw fortuin en morgen wordt u alles door een nood lot-tig toeval ontnomen. Er zijn menschen in de wereld, die oogenschijnlijk volmaakt gelukkig zijn ; van hen hoort men wel eens zeggen ; zij hebben alles wat een mensch kan verlangen en wenschen, hun ontbreekt niets. Ja Chr ; maar in schijn; o noemt niet te spoedig een mensch hier op aarde volkomen gelukkig ; want de wereld is vol van verborgen leed en kommer, van geheime kruisjes en wederwaardigheden, die wel is waar voor het oog der wereld onbekend, maar die niet te minder pijnlijk en smartvol zijn. Neen, het volmaakt geluk is niet op aarde te vinden; hoogstens kan men hier een betrekkelijk geluk smaken en dat geluk, is het aandeel van den braven, godsdienstigen christen. Maar ook hij heeft zijne kruisjes en wederwaardigheden. Grij ziet Chr; er is niemand op aarde, of hij heeft te lijden. Dat lijden nu is veelsoortig, naargelang de verschillende klassen en standen van menschen ; maar alle menschen ; jong en oud, rijk en arm, zondaren en rechtvaardigen, hebben met elkander ééne soort van beproevingen gemeen; eene beproeving die voor sommigen noodlottig, voor anderen heilzaam, voor

-ocr page 247-

allen eindelijk pijnlijk en onafgebroken is, namelijk: de bekoringen, waaraan wij op aarde blootstaan. Tot waarschuwing der zondaren, die op de bekoringen geen acht slaan en tot geruststelling van zoovele brave en deugdzame zielen, die wegens de bekoringen zooveel zielesmart lijden, ga ik u eens spreken over de bekoringen en wel:

I Over de hoofdbronnen waaruit onze bekoringen voortspruiten.

II Hoe wij ons in de bekoringen moeten gedragen.

I De bekoringen, waarmede de mensch hier op aarde te strijden heeft, ontleenen haren oorsprong aan drie hoofdbronnen : aan de bedorven wereld, aan ons eigen wederspannig vleesoh en aan de listen des duivels. A.) De wereld is eene hoofdbron van bekoringen ; wij leven in de wereld en bij iedere schrede die wij zetten, ontmoetten wij een steen des aanstoots; links en rechts, voorwaarts en achterwaarts, in de eenzaamheid zoowel als in het gewoel der wereld, zijn wij blootgesteld aan verleiding en bekoring. En wel vooreerst, de wereld bekoort ons door hare ijdelheid; zij toont ons hare goederen, hare rijkdommen, haren luister, hare macht, hare eereambten; zij wekt onze hebzucht op, verblindt onze oogen en wint aldus ons hart, door het af te trekken van de ware goederen des hemels. Veel gevaarlijker echter werkt nog de wereld, door hare ergernis. Daarvoor waarschuwt de Zaligmaker ons als Hij zegt; „Vae mundo, a scandalis !quot; O hoe-vele slachtoffers maakt de wereld, door hare ergernisgevende taal en nog meer door haar slecht voorbeeld! Koevele jongelingen, vroeger godsdienstig, eerbaar, matig, gehoorzaam aan hunne ouders, zijn door het slecht voorbeeld der wereld van den rechten weg afgeraakt en in losbollen veranderd; hoeveel jonge

-ocr page 248-

— 232 —

dochters, vroeger zoo eenvoudig, zoo zedig, zoo vrooin, zijn tot val gekomen, meegesleept door de verleiding en ergernis der wereld. De H. Antonius, zag in een vizioen de gansche wereld met strikken bespannen, waarin duizenden mensehen zich lieten vangen en hem werd veropenbaard, dat door die strikken beteekend wordt de ergernis, die de wereld bezigt om de mensehen te bederven. Ja, nooit is er een tijd geweest, waarop de ergernis zoo algemeen was als in onzen on-gelukkigen tijd; maar ook nooit is er een tijd geweest, waarin de goddeloosheid en het kwaad zoo algemeen waren als thans. Eindelijk worden wij nog bekoord, door de valsche grondstellingen en slechte beginselen der wereld, die ten doel hebben het godsdienstig en zedelijk gevoel in \'s mensehen hart te verstikken; beginselen die men tegenwoordig verspreid vindt in slechte boeken en dagbladen, die men hoort uitbazuinen in herbergen, op straat, op reis, op spoorwegen .......Men moet de priesters niet te veel

gelooven, zij zijn gewoon alles te overdrijven; de godsdienst is eene geldzaak ; men moet van het leven genieten , want bij den dood houdt alles op; men moet de rozen plukken voordat zij verwelken, want waartoe dient de jeugd als tot plezier en genot! Deze en dergelijke valsche grondstellingen zijn aan de orde van den dag. Ziedaar Chr. de eerste hoofdbron onzer bekoringen ; de wereld met hare ijdelheid, haar slecht voorbeeld en ergernis, hare verkeerde beginselen.

B.) Eene andere hoofdbron van bekoringen, is ons bedorven vleesch, gelijk de Apostel Jacobus zegt: „Unusquisque tentatur a concupiscentia sua.quot; Een ieder wordt bekoord door zijne eigene begeerlijkheid. Nu eens zijn het slechte gedachten, onkuische voorstellingen, die zich voor den geest opdoen en den wil

-ocr page 249-

— 233 —

tot toestemming, tot behagen trachten over te halen; dan weder zijn het vleeschelijke, zondige begeerten, die \'s menschen hart bestormen; eindelijk opwekkingen van hoogmoed, trotschheid, wrok en haat, die ons zoo vaak bespringen. De bekoringen des vleesohes Chr. zijn veel gevaarlijker dan die der wereld; zij toch zetelen in ons, zij zijn een huiselijke vijand, dien wij immer en overal met ons dragen. Deswege zegt ons de H. Augustinus : Grod behoede u voor u zeiven ; d. w. z. voor den vijand, die in uw eigen vleesch, in uw eigen hart zetelt. Tc vergeefs zoeken wij dien vleeschelijken vijand te ontvluchten ; want hij volgt ons overal, zoowel in het gezelschap der menschen als in de eenzaamheid, zoowel bij nacht als bij dag, zoowel in de kerk als er buiten. Niet slechts is hij rusteloos; maar maakt ook geen onderscheid tusschen personen, geslacht en leeftijd; rechtvaardigen zoo goed als zondaars staan aan zijne aanvallen bloot. Een H. Ber-nardus, een H. Petrus Damianus, hadden vreeselijk veel te lijden van de bekoringen des vleesches. Evenzoo de Apostel Paul us, ondanks de buitengewone genaden waarmede hij bevoorrecht was; zoodat hij al zuchtende uitriep; „Wie toch zal mij verlossen van dat lichaam dss doods?quot; Ja, wie zou het willen gelooven, dat een H. Alphonsus, op stokouden leeftijd, uitgeteerd door allerlei ziekten en kwalen, soms klaagde en weende als een kind, wegens de hevigheid der vleeschelijke bekoringen, waarmede hij te strijden had.

3) Eindelijk worden wij nog bekoord langs een anderen weg ; namelijk door den duivel, De bekoringen van de zijde der wereld en des vleesches, kenmerken zich door eene buitengewone verleidelijkheid; die van den duivel daarentegen door eene ontzaggelijke hevigheid. Inderdaad; de duivel is, A:) een machtig bekoorder.

-ocr page 250-

- 234 -

Tengevolge der erfzonde, de kiem van \'s menschen zwakheid en bederf, erlangde de duivel een nagenoeg onbeperkt gezag over de wereld; de dienst van God had plaats gemaakt voor dien des duivels en wel in die mate, dat de H. Geest niet aarzelt te zeggen, bij monde van den Apostel Johannes; dat de duivel als de vorst is der wereld: „princeps hujus mun-di.quot; J. C; heeft wel ia waar door zijne Menschwor-ding de macht des duivels verzwakt en getemperd; maar niet gebroken. De Satan, zegt de H. Gregorius, heeft zijne innerlijke zaligheid verloren, maar niet de grootheid zijner natuur; in geestesgaven, helderheid van doorzicht, juistheid van begrip, doortraptheid en list, overtreft hij oneindig ver de natuur van den mensch. Voor de grootheid zijner macht, pleiten verder de benamingen die hem door de H. Schrift worden toegekend. De H. Petrus, vergelijkt hem bij den leeuw: „de duivel loopt rond als een briesende leeuw, zoekende wien hij zal verslindenquot;; de H. Joannes vergelijkt hem bij den draak, wiens verpestende adem alleen den dood veroorzaakt; verder wordt hij genoemd; de vorst der wereld, de beheerscher der aarde. De duivel is: B.) een sluw bekoorder; langs tallooze wegen en onder velerlei vormen zoekt hij zich toegang te verschaffen tot het menschelijk hart; niet immer onder duivelsgedaante doet hij zich voor; neen, soms ook neemt hij de gedaante aan van een engel des lichts. Maar waarin zijne sluwheid het meest doorstraalt is, dat hij evenals een beleidvol veldheer, het punt bespiedt waarop de mensch het zwakst is. Zoo bekoort hij sommigen tot hoogmoed, anderen tot haat en wrok, tot onrechtvaardigheid, tot dronkenschap, tot ontucht, naar gehang eene dezer ondeugden het zwakke punt, de hoofddrift van den mensch zijn; zoo wist de duivel, dat in

-ocr page 251-

— 235 —

den verrader Judas, de gierigheid en gelddorst als hoofddrift schuilden en deswege trok hij daarvan partij, otn hem tot verraad jegens zijnen goddelijken Meester te bekoren. Eveneens trekt de duivel in onze dagen partij van den hoogmoed van zoovelen, om hen tot opstand jegens het kerkelijk gezag en tot afval van het geloof to bekoren. Eindelijk is de duivel: C.) een werkzaam bekoorder: „Circuitquot; hij loopt rond, zegt de H, Petrus ; niet zelden gebeurt het, dat hij gedurende een geru men tijd den mensch met rust laat en men meent nn veilig en voor immer van de aanvallen des duivels verlost te zijn. Doch wat geschiedt er ? Op eenmaal vertoont hij zich en beproeft een aanval, heviger en krachtiger dan ooit en de onbedachtzame, die zich veilig waande en te veel op eigen krachten zich verliet, valt op een oogenblik, waarop hij zich sterker en geruster waande dan ooit. Bem. Chr. het is niet genoeg dat wij onze bekoringen kennen; het is niet voldoende dat wij de hoofdbronnen kennen waaruit zij voortkomen, zoo wij tevens niet weten, hoe wij ons in de bekoringen moeten gedragen en ziedaar wat ik u in mijn tweede punt nog in het kort ga ontwikkelen.

II. De bekoringen waarmede wij te worstelen hebben, zijn gelijk gij hebt kunnen zien , een waarachtige strijd. Wij moeten ons dus gedragen als strijders , als soldaten. Wij moeten ons kiezen :A.) Een aanvoerder. B.) Eene wapenrusting. C.) Versterkingsmiddelen. D.) Bondgenooten.

A.) Een aanvoerder. Onze aanvoerder zij J. C. die ons voorgaat in den strijd. J. O. heeft in persoon den grooten strijd tegen de hel aangevangen en de zegepraal van het Christendom over het heidendom en de afgoderij, is wel een bewijs voor de nederlaag des

-ocr page 252-

- 236 —

duivels. „Ik ben gekomen, zegt Hij, bij monde van den H. Joannes, om de werken des duivels te vernietigen.quot; (I. Joan. 3. 8.) J. C. gaat ons dus voor; onder zijne banier moeten wij strijden en evenals Hij gezegevierd beeft, zullen ook wij zegevieren. J. C. gaat ons niet slechts voor; maar Hij belpt en ondersteunt ons ook in den strijd tegen de bekoringen. Dit ondervond de kuiscbe patriarch Joseph, te midden eener hevige bekoring van de zijde van Puti-phar\'s huisvrouw. Joseph overwon en waarom? Omdat trod met hem was, gelijk de H. Schrift getuigt. Dit ondervond ook de H. Paulus, die om de hevigheid zijner bekoringen God smeekte de begeerlijkheid zijns vleesches te matigen. Neen, sprak God, mijne genada, mijn bijstand is u voldoende. Vandaar dat wij lezen, hoe een H. Antonius, een H. Paoomius en andere Vaders der woestijn, met de machteloosheid en zwakheid der booze geesten den spot dreven, sterk als zij waren door de hulp en den bijstand Gods.

B) quot;Wapenrusting. Verder hebben wij in den strijd tegen de bekoringen eene wapenrusting noodig en die bestaat, volgens den H. Paulus, (Eph. VI 11 — 18.) vooreerst; uit het harnas der gerechtigheid : d. w. z. dat hij die strijdt tegen de bekoringen, in den staat der heiligmakende genade, in de vriendschap met Gcd moet wezen; want is men in staat van doodzonde, dan is men de vriend des duivels en twee vrienden strijden niet tegen elkander, maar helpen elkander. Verder moeten wij ons wapenen met het schild des geloofs; d. w. z. wij moeten bezield zijn met een groot wantrouwen op eigen krachten; maar met een vurig geloof en een groot vertrouwen op God; zoodoende zullen de schichten van den bekoorder op het geloof als op een schild afstuiten. Eindelijk nog moe-

-ocr page 253-

- 237 —

ten wij ons omgorden met hel zwaard van Gods quot;Woord. Daarvan bediende zich ook Jesua, toen hij in de woestijn door den duivel bekoord werd.quot; Zijt gij de Zoon Grods, zeg dan dat deze steenen brood worden.quot; Jesus verdedigde zich met het zwaard van Gods woord.quot; Er staat geschreven, zeide Hij : de mensch leeft niet alleen van brood, maar van ieder woord dat komt uit den mond Gods.quot; De duivel hernam ; Zijt gij Gods Zoon stort u dan van dezen berg naar beneden.quot; Er staat geschreven, zeide Jesus, gij zult den Heer uwen. God niet bekoren.quot; En nauwelijks had Jesus gesproken of de duivel liet er op volgen Dit alles zal ik u geven, indien gij nederknielt en mij aanbidt. En toen sprak JesusGa weg van mij, Satan; want er staat geschrevengij zult den Heer uwen God aanbidden en Hem alleen dienen.quot; Handelt ook zoo Chr. Wordt gij bekoord, hetzij tot ontucht, tot haat en nijd, tot onrechtvaardigheid; verdedigt u dan met het zwaard van Gods woord; zegt tot den duivel; Er staat geschreven : „Onkuischaards en overspelers, zullen het Rijk Gods niet ingaan — aan Mij behoort de wraak; Ik houd mij het recht voor van vergelding. — Gij zult niet stelen en uws naasten goed niet begeeren.quot; Doch wij behoeven nog meer in den strijd.

C) Versterkingsmiddelen, wapenen. Deze zijn vooral het gebed en de H. Communie. Over de kracht des gebeds behoef ik u niet wijdloopig te spreken ; zegt mij eens Chr. is iemand uwer in de bekoring bezweken wanneer hij bad; maar was het niet, toen gij niet badt of ophield met bidden. De Zaligmaker zelf geeft ons het wapen des gebeds in de hand, wanneer Hij zegtBidt; opdat gij niet valt in de bekoring.quot; Een niet minder krachtig wapen is de H. Communie. Door de H. Communie toch, vereenigt zich

-ocr page 254-

— 238 —

Jesus met ons en het gevolg dier vereeniging, is eene wonderbare kracht die aan de ziel wordt medegedeeld. Zij die vóór de H. Communie bevreesd en zwak waren, zegt de H. Chrijsostomus, werden door de H. Communie in leeuwen veranderd; zoodat de duivelen sidderen en beven, bij het gezicht van de door het bloed van J. C. roodgekleurde lippen. Doch, laat ons in den strijd tegen de bekoringen, behalve van een aanvoeder, wapenrusting en wapenen, ons nog voorzien van:

D.) Bondgenooten. Onze bondgenooten moeten zijn vooreerst; de Engelen Gods. Van de Engelen staat geschreven , dat zij zich zullen legeren in de nabijheid van hen die God vreezen en hen redden : „Immittet angelus Domini, in oircuitu timentium eum et eripiet eos.quot; Zoo werd Judith door een engel Gods besehut, toen zij door het vijandelijk leger vanHolofernestrok. „Zoowaar de Heer leeft, riep zij uit, heeft zijn engel my behoed.quot; Verzuimt daarom nooit Chr. in de bekoringen de Engelen, maar vooral uwen H. Engelbewaarder om hulp aan te roepen. Een tweeden bondgenoot vinden wij in de Heiligen Gods. Het is een leerstuk des Geloofs, door het H. Concilie van Trente vastgesteld, dat de Heiligen in den hemel, hunne medebroeders op aarde beminnen, voor hen bidden, en hen in hunnen nood bijstaan. Wenden wij ons bij voorkeur tot de gezegende Maagd Maria, de aartsvijandin des duivels, tot onze HH. Patronen, die ons eene bevoorrechte bescherming verleenen. Ten slotte nog een woordje van geruststelling en bemoediging voor zoovele brave en vrome menschen, die zoo beangstigd zijn ter oorzake, van de vele bekoringen waarmede zij te kampen hebben. Houdt wel voor oogen dat de bekoring tot zonde, hoe hevig, hoe langdurig, hoe veelvuldig ook, geen zonde is.

-ocr page 255-

- 239 —

Beschouwt het integendeel als eene groote vreugde, zegt de H. Jacobus, wanneer gij bekoord wordt; want de overwinning bezorgt u tevens eene nieuwe glorie in den hemel. Dat gij veel bekoord wordt is een bewijs dat God u bemint; want diegenen die de duivel reeds in zijne macht heeft, laat hij met rust.quot; Beatus vir, qui suf-fert tentationem , quoniam cum probatus fuerit, acci-piet coronam vitae, quam repromisit Deus diligenti-bus se. Zalig de man die bekoring lijdt, omdat hij beproeving onderstaan hebbende, de kroon des levens zal ontvangen, die God beloofd heeft aan degenen die Hem beminnen.quot;

-ocr page 256-

INHOUD.

BLADZ.

I Bijzonder Oordeel..........1

II Laatste Oordeel...........19

III Over de Hel............37

IV Rampzalige Eeuwigheid........52

V Over den Hemel. . . \'........73

III REEKS.

Beletselen en Gevaren ter Zaligheid.

VI Naaste Gelegenheid tot Zonde.....97

VH Over de Verkecringen........120

VIII Oneerbare Gesprekken........130

IX Godslastering...........139

X Over de Dronkenschap........150

XI Onkuischheid...........1B9

XII Zonden tegen de Liefde tot don Naaste. . 178

XIII Onrechtvaardigheid .........193

XIV Over de Ergenis ... ....... 202

XV Menscbelijk Opzicht.........216

XXI Over de Bekoringen.........230

Eindf, van het tweede Deel.

-ocr page 257-
-ocr page 258-
-ocr page 259-
-ocr page 260-

T

\' \'■ - K.\' \':

..\' .• %gt; . .. ■■:

\\\\fy\'

\' . ■

J

- •

^ -1..\' V

O

i rXy )

• v

v, •■\' \' --

:/ . \'■ / v\',lt;

.

,,

X , 1

- - -gt;

- :

V- ., . S

■ / y

\'A \' \'

i

-V ■

:quot;\'N : i . 7

quot; \'m-

^ \' Pi

\'

U / - \'

• .ft ■ • I

quot;V

s : ■■

•\' \' •

\\ sV-

^ \'

WÊÊÊ \\ ^ .

\'•■j; ^ ^

^___

\\ ^

■ \' A ;

■ r ^

-i. \' rv-

«f ,-V

-ocr page 261-

1 ■ —

^ \' \'v- %

rij

■ ^ r v •• v

•iw-

.

: ■ ^r

\'

gt;42 ;■-

,:

-\'. ■ ■\' v

- • - A •quot;

■ ■■\'r

- . lt;?gt;

gt;/

;x

. ƒ■ - quot;

- _ • gt;~

v\' \' \' / \'

. lt;-

J \'

T

) ■- •

-

i

r\'^quot;_ .

1 ■ gt;r / -

y

\\

c. r\\/\'

ƒ - ■

/M ■

y

r. x

lt; ■\' \'

x

.. \'

V \'quot;

vr.-- .

;\\

;\':v - .

quot;■ r:

.

\'

\'

- - -• • ■

-

-\\ : -■

:.j:

- i -■ - , ■ 5 ■,\' r \' ~ ■ ■- ^

.v\' ■ , ■ •;/

:v

■-.r-,

gt;

quot; -

\'

■ ■ ri

1 ■

\'S-

A \'■

-; ■. \'■\'/ -■ v\'-

V .

\'

_